-ocr page 1-
i^fé\'
^^rf—i*Jr*
m^-
-
Mm
11
CAMERA ÜBSCURA
-ocr page 2-
f^ü\'*»*
B N°.20 r^^M^F^
il? aS^""
^ v*> j,£>f^-y -i r\':v»2\' i 1-A-* ^y v» -v££r^ïJ" £&> x fTV^ ~w «k v-co
-ocr page 3-
-ocr page 4-
8\'
-ocr page 5-
G. E: VREEMAN.
-ocr page 6-
•
A06000003125402B
0312 5402
-ocr page 7-
CAMEEA OBSCUKA
TAN
HILDEBEA^JD.
Nee lusisse pudet, sed non incidere luduiu.
HOBAT1DS.
Negentiende, met zorg herziene druk.
(VOLKSUITGAAr.)
Met portret van den Schrijver (1837).
-*
HAABLEM.
DE ERVEN E. BOHN.
1896.
-ocr page 8-
De schaduwen en schimmen van Nadenken, Herinnering en Verbeelding val-
len in de ziel als in eene Camera Obscura, en sommige zoo treffend en aardig
•dat men lust gevoelt ze na te teekenen en, met ze wat bij te werken, op te
kleuren, en te groepeeren, er kleine schilderijen van te maken, die dan ook al
naar de groote Tentoonstellingen kunnen gezonden worden, waar een klein
hoekje goed genoeg voor hen is. Men moet er evenwel geen portretten op zoe-
ken; want niet alleen staat er honderdmaal een neus van Herinnering op een
gezicht van Verbeelding, maar ook is de uitdrukking des gelaats zoo weinig
bepaald, dat een zelfde tronie dikwijls op wel vijftig onderscheiden menschen
gelijkt.
Anonymus in libro non edito.
-ocr page 9-
VOORBERICHT, ZESDE DRUK; 1864.
Het is nu juist vijfentwintig jaren geleden dat, in het najaar
van 1839, de Camera Obscura hare intrede in de wereld deed.
De pseudonieme Schrijver, toen zelf nog maar even vijfentwin-
tig jaren oud, ofschoon in een ander vak van letterkundige
voortbrengselen, onder zijn eigen naam, niet onvriendelijk door
zijne landgenooten opgenomen, zag zijne stoutste verwachtin-
gen overtroffen, als de buitengewoon hartelijke ontvangst van
dit zijn werk binnen \'t halfjaar een tweeden druk noodzakelijk
maakte, welke dan ook in \'t voorjaar van 1840 het licht zag.
Toen, elf jaren later, een derde druk noodig werd, had hij den
moed de nieuwe uitgave met eenige tot hiertoe onuitgegevene
opstellen zoodanig te vermeerderen dat het boekdeel, hetwelk
nu (1851) het licht zag, schoon kleiner van formaat, wat den
inhoud betrof meer dan verdubbeld was. Van dat oogenblik af,
kwam er een nieuw leven in eene belangstelling, die van den
beginne aan boven verwachting was geweest en nimmer was af-
gebroken. De Belgische pers vereerde het Hollandsche boek
eerlang met een nadruk (1853); maar deze verhinderde niet dat
reeds in het volgende jaar een vierde wettige uitgave in het va-
derland noodzakelijk was, onder wier omslag nu ook de tot nog
toe hier en daar Verspreide Stukken van hildebband aan zijn hoofd-
werk werden toegevoegd. Ook deze was echter in 1858 uitgeput
en maakte plaats voor eene vijfde, — en zie hier nu de zesde,
in alles aan de vijfde gelijk, behalve dat eenige druk- en stijl-
fouten verbeterd en waarschijnlijk ook weder eenige nieuwe ge-
maakt zijn, en dat de verstandige lieden, die tot deze zesde uit-
gave gewacht hebben zich het boekdeel aan te schaften, zonder
vermeerdering van kosten, daarbij nog dit voorbericht winnen.
Het is den Schrijver eene streelende gedachte, dat aan zijn
werk, in deze zesde uitgave, het voorrecht te beurt mag vallen
in handen te komen van een geslacht van landgenooten, nau-
-ocr page 10-
IV
•welijks of niet geboren, toen hij het voor het eerst aan het licht
bracht; het volwassen, meerderjarig kroost van dat, waaronder
bij zelf is opgegroeid, waarvoor hij schreef, en dat hij schetste;
maar niet minder treft het hem, zich daarbij inderdaad te moeten
afvragen of niet dit nieuw geslacht ruim zoo zeer behoefte zou
hebben aan ophelderende aanteekeningen bij zijn werk gevoegd,
als aan deze, min of meer historische, voorrede? Of maakt niet
bet vierde eener eeuw; en eener eeuw als de negentiende; maakt
niet het vierde eener eeuw een tijdperk uit, lang genoeg om een
boek als het zijne hier en daar zonderling te doen voorkomen en op
menige plaats onverstaanbaar te doen worden?
De mannen, die met den Schrijver het jaar van den „Yolks-
geest" beleefd hebben, tot welks eer wij nu in de hoofdstad een ge-
•denkteeken zien pralen, dat — eenig in zijn soort mag worden
genoemd, herinneren zich b. v. zonder twijfel de loffelijke poging
nog wel, destijds van diezelfde hoofdstad uitgegaan, om in Ne-
•derland, tot schitterender triomf over België, eene nationale
kleederdracht te improviseeren. Als zij hunne oogen sluiten,
.zien zij gewis nog weder voor hun geest oprijzen die nationale
^tunica\'s", waarop de eerste nommers van het nationale mode-
blad de nationale oogen deden verlieven! Maar wat stelt het
tegenwoordige geslacht zich voor, wanneer het den Schrijver
van „nationale hoeden" ziet gewagen? Wat denkbeeld vormt
bet zich, in dit jaar 1864, van dameshoeden met luifels, van
Rapponische krachten, van een mathesisexamen in het Latijn, of
van eene Vierde Klasse van het Koninklijk Nederlandsen Insti-
tuut? Hoe ondenkbaar moet in zijn oogen een Nederland zonder
••spoorwegen; hoe buitensporig een Sint-Nicolaaskoek met verguldsel
voorkomen; hoe ongepast een karakteristiek der periodieke pers,
als in „Gteurit Witse" beproefd is! Wat weet het van baleintjes
om lange pijpen door te steken? van achtentwintigen? van veete
tegen de Belgen? wat, van lantarenvullers? En waar de namen
van een Smallenburg, een Macquelyn, een Don Carlos genoemd
worden waarvan de Industrielies van Bertolotto, Be Avondbode,
«de woestijn van het Koegras, gewaagd wordt, zou daar voor zeer
velen een kleine aanteekening wel overbodig zijn?
Met dat al heeft de Schrijver nog niet kunnen besluiten, bij de
tegenwoordige uitgave reeds in deze „dringende behoefte" te
voorzien. Het blijve voor gehoopte latere drukken bewaard, als
-ocr page 11-
V
de behoefte nog dringender, de notennood nog hooger gestegen
zal zijn. Ook mag de Schrijver zich afvragen, of het niet al te
onedelmoedig wezen zoude, door het voorshands nutteloos ma-
ken van hunnen arbeid, aan de oudheidkenners, Navorschers en
Commentatoren van volgende tijden een bewijs van wantrouwen
te geven, hetwelk zij in geen opzicht hebben verdiend.
De oudste stukken in dit boekdeel, waarin geene van een latere
dagteekening dan het jaar 1841 voorkomen, zijn: Een Beestenspel,
dat reeds in den StudentereAlmanak voor 1837 een plaats vond,
en Vooruitgang, opgenomen in het October-nommer van Be Gids
van dat zelfde jaar.
Wat Een Beestenspel betreft, ik hoop dat het Nederlandsen
Woordenboek
zich ontfermen zal over den Naam. Sedert de loffe-
lijke instelling, welke het groot publiek zich verhardt Apentuin
te noemen, en die door beschaafde lieden Artis, door niemand
Diergaarde geheeten wordt, behoort de Zaak nu reeds tot de
antiquiteiten, en heeft de wel wat woorden- en tegenstellingrijke
strafrede grootendeels uitgediend. Het „hybridisch" stukje Voor-
uitgang dankt aan dit zijn gebrek zelf, in verband met de wel
wat ruwe, maar niet geheel onrechtvaardige tuchtiging, welke
daaraan terstond na zijn verschijning in het genoemde maand-
werk, van eene scherpe pen te beurt viel, zijn onsterfelijkheid
en voor den Schrijver een groot gewicht. Het heugt hem als de
dag van gisteren, hoe weinig de kastijding, ten dage dat zij uit-
gedeeld werd, hem smaakte, en met welk eene verontwaardiging
hij zijne pen opnam en aanpuntte en een antwoord schreef en
overschreef en — ter zijde legde ... „De Heer G-. schijnt te hechten
aan den steller, wiens stukje hij aldus eert. Een wezenlijk talent
zoekt zulk een regter" — vond hij ergens geschreven door eene
andere pen, waaruit wel nooit iets, dat niet puntig was, is voort-
gekomen \'. Dit was en olie, en zout. Beide deden goed. Zonder
dat woord, hetwelk hier, na vijfentwintig jaren, dankbaar ver-
1 Aan het slot eener beoordeeling van (teel\'s Onderzoek en Phantasie,
geplaatst in De algemeene Konst- en Letterbode, 1838, N°. 1.. Het stuk
was onderteekend met een T. Men meende destijds zoo zeker te weten wie
de steller was, als nu b. v. wie in Nederland de eerste stuurman is op het
schip van staat. [Niemand minder dan Thorbecke.J
-ocr page 12-
TI
meld wordt, ware de Camera Obscwra misschien niet, en stellig
niet beter, geschreven.
Dat echter het boek, zooals het is, in meer dan één opzicht
de sporen draagt van den jeugdigen leeftijd waarop het is teza-
mengesteld, ziet de Schijver zelf nu beter dan menig ander, en
hij weet de zoo ongemeene gunst, welke het bij zijne landge-
nooten steeds gevonden heeft, aan niets anders toe te schrijven
dan daaraan, dat het zijner onbekommerde jeugd, hij weet zelf niet
hoe, over het algemeen eenigszins gelukt moet wezen, met waar-
heid te schetsen, zoodat in zijne kleine tafereelen de Mensch den
Mensch, en de Nederlander zijn Vaderland gevonden heeft; ter-
wijl de herkenning niet al te pijnlijk was gemaakt door een jong
gemoed dat, van boosaardigheid vrij, zijn vaderland en de men-
schen liefhad. En, ook na vijfentwintig jaren, is dat gemoed niet
veranderd.
Ook in den Vreemde is zijn arbeid niet onopgemerkt gebleven.
Behalve vertalingen van enkele episoden (die van keesje en van
de vergttldpabtij) in het Engelsen in Fraser\'s en in Chamber\'s
Magazine
(1854), en in het Fransch in de Revue des Deux Mondes
(1856) blijkbaar van zeer bekwame hand, en van Gerrit Witse,
in het ïïoogduitsch in Die Niederlande door Dr. Aib. Wild (1862),
zag eene volledige overzetting van de Camera Obscura, gedeel-
telijk onder den titel van: Scènes de la Vie Hollandaise (1856), ge-
deeltelijk onder dien van Chambre Obscure (1860), te Parijs het
licht. Van deze zegt de Schrijver dit: dat de hem hierdoor we-
dervaren eer hier en daar nog al zeer verbitterd wordt door
blijkbaar misverstand van zijne bedoeling; en dat niemand het
hem al te kwalijk kan nemen, indien hij aan hoogmoedige ge-
dachten toegeeft, wanneer het blijken mocht, dat het geestigste
volk der wereld met zijn werk, in deze vertaling, opheeft. Er
zijn voorbeelden dat vertalingen van tijdgenooten, in latere da-
gen, tot opheldering van duistere plaatsen in het oorspronkelijke
werden te baat genomen. Hiertegen echter acht de schrijver zich
verplicht de nakomelingschap, met opzicht tot deze vertaling,
eenigszins te waarschuwen. Wat hij b. v. met de „leerwijze van
Prinsen" mag bedoeld hebben, zal, indien het ooit duister kon
worden, niet veel licht verkrijgen uit eene overzetting met „la
doctrine des princes": en indien er ooit een tijd kon komen, dat
een volzin, als waarmede het hier in de laatste plaats voorko-
-ocr page 13-
Til
mende stukje aanvangt, niet terstond begrepen werd: nooit voor-
zeker zal hij begrepen worden, indien men opheldering zoekt
bij de volgende vrije vertaling: „Le nom de la garde (Baker) est
une preuve évidente — qu\'il ne faut pas avoir d\'accès aux étoiles
(ster) pour faire connaitre le titulaire d\'un emploi féminin par
excellence". Ik ben benieuwd te weten wat de Fransche gardes er
van gemaakt hebben\'.
1 October, 1864.                                                                           H.
BIJVOEGSEL, VEERTIENDE DRUK; 1883.
Ziedaar het voorbericht der zesde uitgave, in deze veertiende
wederom, waar men getoond heeft prijs op te stellen, in zijn
geheel afgedrukt. In de zevende (1871), met den Brief van Hilde-
brand aak Schippee Rietheuvel, en met het Laatst en weemoedig
Bijvoegsel tot de Narede en Opdracht aan den in datzelfde
jaar ontvallen Vriend vermeerderd, voegde de Schrijver aan de
zeven jaar te voren gedane opgave van blijken van belangstelling
in den Vreemde eene aanteekening toe van den volgenden in-
houd: „Deze opgave kon, bij gelegenheid van den tegen woor-
digen, zevenden druk, nog vrij wat vermeerderd worden, daar
ik dankbaar erkennen moet dat alle Duitsche landen, Brunswijk,
Saksen, Pruisen, Oostenrijk, om strijd van hunne belangstelling
hebben doen blijken. Ik bespaar het echter tot den achtsten. Voor
mijne eigenliefde is het op dit oogenblik meer dan genoeg hier
aan te stippen, dat de Duitschers nu laatstelijk begonnen hebben
ook hunne reisherinneringen uit de Camera Obscura te putten.
(Zie lm Neuen Beich 1871, N°. 18)" 5. Wat echter, volgens deze
aanteekening, voor de achtste uitgave werd bespaard, werd, on-
1 [Zie over deze vertaling de artikelen van Jean Kleyntjes in L\'Enseig-
nement des Langues modernes.
Ie Ann. Livr. 5 & 6. III» Ann. Livr. 2.
Brux. 1887, 1889.] Bijv. 1888.
3 Zie tot nadere toelichting van dit merkwaardig verschijnsel: Joh». Dy-
serinck, Hildebrands Camera Obscura. Middelburg, 1882, bl. 40.
-ocr page 14-
YIII
danks het aangroeien van de stof, ook in die achtste (1872), en
voorts in alle volgende, teruggehouden, om plaats te maken
voor eene verklaring, welke thans aldus zou kunnen luiden:
„Wat er ook streelends moge zijn in de eer zich, met beter of
slechter gevolg, in het Fransch, het Bngelsch, het Hoogduitsch,
het Italiaansch, en wellicht ook in \'t Deensch en Zweedsch ver-
tolkt te zien, en lezers te vinden tot in het verre Japan: voor
het hart van den Schrijver der Camera Obscura heeft het weinig
te beteekenen bij de zoete ondervinding der duurzame genegenheid
van eigen land- en taalgenoot"\'.
Wat betreft de in de voorrede van 1864 uitgedrukte meening
omtrent het nog niet bereikt zijn van het noodpeil voor ophelde-
rende aanteekeningen: zij bleef bij volgende uitgaven nog steeds
dezelfde, en „zijn gevoel van kieschheid tegenover de geleerden
der toekomst werd bij den Schrijver nog altijd niet overwonnen."
In den laatsten tijd echter, wordt hij mondeling en schriftelijk,
door geleerden en ongeleerden, met zoovele vragen bestormd,
dat hij in dit opzicht een ander begrip begint te krijgen van zijn
plicht, en er ernstig aan begint te denken, in de meer en meer
„dringende behoefte" eenigszins, in den een of anderen vorm,
te gaan voorzien.
Intusschen zou het hem niet mogelijk zijn deze, nu veertiende,
uitgave van zijn werk in het licht te zenden, zonder dat zij de
openlijke betuiging bevatte zijner erkentelijkheid aan zijn vriend
JOHANNES DYSERIffCK.
Een belangstellender en oplettender lezer dan dezen, beide in
oostersche en vaderlandsche letteren, zoo zeer ervaren landge-
noot, heeft onder hare duizenden de Camera Obscura niet ge-
vonden. Hare dertiende uitgave (1880) gaf hem aanleiding tot
het schrijven dier voortreffelijke monographie, welke, eerst in
De Gids verschenen, later in „vermeerderden herdruk" afzonder-
lijk uitgegeven is *. In dit keurig opstel worden het leven en de
1 [Van een hem ten jare 1885 beleefdelijk te kennen gegeven voornemen
eener gedeeltelijke vertaling in het Volapük schijnt niets gekomen te zijn.
Ook heeft de S. haar, voor zooveel in hem was, verbeden.] Bijv. 1888.
[Toch verscheen dit jaar eene vertolking van „Een oude Kennis" in die
z. g. wereldtaal. (Arnhem, de Muinck & Co.)] Bijv. 1891.
* Hildebrands Camera Obscura, door Johs. Dyserinck. Vermeerderde
-ocr page 15-
II
Lotgevallen, zoo in den Vreemde als in het Vaderland, van het
nu meer dan veertigjarig boek beknoptelijk, maar vollediglijk,
verhaald, en heeft de vriendelijke ingenomenheid van den geach-
ten letterkundige, in verband met vroegere en latere oordeelen
en beschouwingen van anderen, eene hartelijke en door den
Schrijver der Camera Obscura hooggewaardeerde uitdrukking
gevonden.
Maar wat bij dit alles voor dien Schrijver een zeer groot ge-
wicht hebben moest, waren de hier geleverde bewijzen der
allerbij zonderste oplettendheid door den heer Dtserinck aan de
onderlinge vergelijking der elkander opgevolgde uitgaven gewijd,
aan welke noch de zin-storende of zin-veranderende drukfouten,
welke van tijd tot tijd in den tekst waren ingeslopen, noch de
niet onbelangrijke uitlatingen, welke daarin van lieverlede had-
den plaats gehad en door de onoplettendheid der correctie van
de eene uitgave in de andere waren overgegaan, waren ont-
snapt, noch ook de kleine, maar opzettelijke verbeteringen, door
den Schrijver gaandeweg in de redactie aangebracht. Dit heeft
bij dezen de uitwerking gehad, dat hij zich voelde aangespoord,
iu elk dezer opzichten dubbel werk te maken van den toen reeds
in uitzicht zijnden, thans in \'t licht verschijnenden, veertienden
druk, en zich daarbij van de hoog te waardeeren hulp van zijn
vriend Dtsebinck te verzekeren. Zij is hem rijkelijk te beurt ge-
vallen en, met een goed geweten, als die overtuigd is, in dezen
niets bereikbaars verzuimd te hebben, meende hij dan ook dit-
niaal het „met zorg herziene" op den titel te mogen stellen. Bij
de zuivering der drukproeven, is van elk der opstellen nu we-
der de eerste druk tot grondslag gelegd, al het gaandeweg ver-
dwenene, voor zoo veel het niet opzettelijk geschrapt of opge-
offerd was, aan zijne vroegere plaats hersteld, en zijn tal van
(niet slechts druJc-) fouten weggenomen, menige gebrekkige of
min gelukkige uitdrukking door een juistere en betere, maar
vooral een goede hoeveelheid onduitsche woorden door vaderland-
sche taal vervangen
Het zal den Schrijver niet dan aangenaam wezen, indien de
wijzigingen, die de vrucht van deze ernstige herziening zijn, door
herdruk uit „de Gids" van Dec. 1881. Middelburg, J. C. en W. A1-
torffer. 1882.
-ocr page 16-
X
hen, die alleen deze uitgave in handen nemen, hij het lezen on-
opgemerkt blijven en zelfs niet worden vermoed; maar die het
der moeite waardig mocht achten haar met de vorige te vergelij-
ken, zal ze, zoo hij hoopt, niet onbelangrijk vinden en aan het
ineerendeel zijne goedkeuring niet onthouden.
1 November, 1883.                                                                           H.
Zoomin als bij de elkander schielijk opgevolgde 15<Je; 16de, 17d« en
18<*e, heeft de Schrijver, bij deze 19de uitgave, aan het bovenstaande
iets toe te voegen dan de verzekering, dat hij ook voor haar zijne
beste zorgen heeft overgehad; en de herinnering, dat aan de reeds
bij het schrijven der Voorrede voor de 6<le gevoelde en sedert steeds
„dringender" gebleken „behoefte", in het najaar van 1887, door zijn
„na vijftig jaab, Noodige en overbodige Opheldering van de
Camera Obscura",
naar vermogen voldaan is. Een tweede, geheel
Jisrziene druk
zag daarvan in het voorjaar van 1888 het licht.
(Haarlem, De Erven F. Bohn.)
1 September, 1896.
,
-ocr page 17-
INHOUD.
Jongens........................................... Bladz. 1.
Kinderrampen..........................................        5.
Een Beestenspel.........................................      13.
Een onaangenaam mensch in den Haarlemmerhout.........      19.
Humoristen.............................................      33.
De Familie Stastok......................................      36.
De Aankomst..........................................      36.
De Ontvangst..........................................      38.
Hildebrand ziet de stad, en Pieter verstout zich pot te spelen. . . .      42.
Het Diakenhuismannetje vertelt zijn historie..................      49.
Er komen menschen op een kopje thee, om verder het avondje te
passeeren................. ...........................      57.
Pieter is waaratje verliefd, en hoe wij uit spelevaren gaan.......      71.
Varen en Rijden........................................      88.
Genoegens smaken......................................      98.
Een Oude Kennis.......................................     103.
Hoe warm het was, en hoe ver...........................    103.
Hoe aardig het was.....................................    ] 10.
Hoe voortreffelijk zij was........................;........    115.
Verre vrienden..........................................    120.
Narede, en Opdracht aan een vriend.....................     129.
Eerste uitgave.........................................    129.
Tweede uitgave........................................    131.
De Familie Kegge......................................    135.
Eene treurige inleiding...................................    135.
Kennismaking met menschen en dieren......................    139.
Een juffertje en een mijnheer.............................     150.
Vaderangsten en kinderliefde..............................     156.
Om te bewijzen dat eenvoudige genoegens ook genoegens zijn\' en
voorts iets droevigs...................................    165.
De Grootmoeder........................................     173.
Een Concert...........................................    177.
Ochtendbezoek en Avondwandeling.........................    188.
Een hoofdstuk, waarmee de auteur ijselijk verlegen is, omdat hij
er zelf de mooie rol in speelt, iets dat hij wel weet dat hem in
\'t geheel niet past, maar dat hij voor ditmaal niet helpen kan .    195.
Het Hofje. De heer van der Hoogen af.....................    201.
Een groote Hans en Adellijke Heer. Besluit..................    209.
\'s Winters buiten.....................................    214.
-ocr page 18-
XII
Gerrit Witse.................................... Bladz.    227.
Studentenangst..........................................    227.
Oudervreugd..........................................    233.
Meisjeskwelling........................................    237.
Vrienden-hartelijkheid...................................    244.
Dokters lief en leed ....................................    260.
Bijvoegsel der Derde Uitgave tot de Narede en Opdracht aan
een Vriend...........................................    267.
Laatste Bijvoegsel.......................................     269.
VEESPEEIDE STUKKEN VAN HILDEBÊAND.
De Gids, Jaarg. 1837, 1838. Proza en Poëzy, Verspr. Opstellen
en Verzen.
HaarL 1840.
Vooruitgang............................................    273.
Het Water.............................................    279.
Begraven...............................................    284.
Eene Tentoonstelling van Schilderijen......................292.
De Wind.......................\'........................    302.
Souvenirs d\'un Voyage a Paris, par J. Kneppelhoüt. Leyde, 1839.
Antwoord op een brief uit Parijs......................... 305.
Leeskabinet, Jaarg. 1841 {De Patrijzen.)
Teun de Jager.......................................... 308.
De Nederlanden. Karakterschetsen enz., \'s Gravenhage, Nederl.
Maatsch. van Schoone Kunsten. 1841—1842.
De Veerschipper........................................     320.
De Schippersknecht......................................    323
De Barbier.............................................     326.
De Huurkoetsier........................................     329.
Het Noordbrabantsche Meisje.............................     332.
De Limburgsche Voerman................................     335.
De Markensche Visscher.................................    338.
De Jager en de Pólsdrager..............................     341.
De Leidsche Peuëraar...................................    344.
De Noordhollandsche Boerin.............................    347.
De Noordhollandsche Boer...............................    350.
Ook het volgende stukje was voor De Nederlanden bestemd en reeds in handen
der redactie, toen het werk gestaakt werd, en de Maatschappij van SchooneKun-
sten ophield te bestaan. Èet verschijnt dus te dezer plaatse
(1854) voor het eerst
in druk, om het dozijn schetsjes vol te maken.
De Baker....................................... Bladz. 353.
Hollandsche Illustratie 1865/1866
Brief van Hildebrand aan Schipper Rietheuvel............ 356.
-ocr page 19-
JONGENS.
Hoe zalig, als de jongenskiel
Nog om de schouders glijdt!
Dan is het hemel in de ziel,
En alles even blijd.
Een hout geweer, een blikken zwaard
Verrukken \'s knapen borst,
Een hoepel en een hobbelpaard,
Dat draagt hem als een vorst.
Voor u de geur van \'t rozenbed
En Filomele\'s zang!
Hij speelt kastie, dat \'s andre pret!
Met rozen op de wang.
Niets, niets ter wereld doet hem aan
Of baart hem ongemak,
Dan stuiters die te water gaan
Of ballen over \'t dak.
Frisch op maar, jongen! vroeg en spa,
Den lieven langen dag!
Loop over \'t veld kapellen na,
Zoo lang het duren mag.
Haast zult gij wreed gekortwiekt zijn;
Uw vreugd loopt snel naar \'t end;
Dan krijgt gij Bröder tot uw pijn,
En Weytingh tot torment.
Het oorspronkelijke is een lief versje van höktt , die er wel meer
lieve gemaakt heeft, waarvan het alleen jammer is, dat zij jeugdige
dichters tot zeer onhollandsche vertalingen verleiden; ik althans heli
er van dit zelfde versje nog een liggen, die beter onder een Neuren-
lmrger legprent „Knabenspiele" zou passen , dan onder de voorstelling
van een hoop aardige Hollandsche jongens. En wezenlijk, de Holland-
sche jongens zijn een aardig slag. Ik zeg dit niet met achterstelling.
veel min verachting, van de Duitsehe, of Fransche. of Engelsche kna-
pen, aangezien ik het genoegen niet heb andere dan Hollandsche tt-
1
-ocr page 20-
2
kennen. Ik zal alles gelooven wat potgieter, in zijn tweede deel van
„het Noorden", over de Zweedsehe. en wat WAP in het tweede deel
van zijne „Reis naar Rome", over de Italiaansche in \'t midden zal
brengen; maar zoolang zij er van zwijgen. hond ik het met onze eigene
goed-gebouwde, roodwangige, sterkbeenige en, ondanks de veete
tegen de Belgen, voor \'t grootst gedeelte blaawgékiélieapespatriae.
De Hollandsche jongen; — maar vooraf moet ik u zeggen, nie-
vrouw! dat ik niet spreek van uw bleekneuzig eenig zoontje. met
blauwe kringen onder de oogen; want met al het wonderbaarlijke
van zijn vroege ontwikkeling, aeht ik hein geen zier. Vooreerst: gij
maakt te veel werk van zijn haar. dat gij volstrekt wilt laten krullen:
en ten andere: gij zijt te sentimenteel in het kiezen van zijn pet,
die alleen geschikt is om voor oom en tante te worden afgenomen,
maar volstrekt hinderlijk en onverdragelijk in het oplaten van vlie-
gers en het spelen van krijgertje, — twee lieve spelen, mevrouw, die
UEd. te wild vindt. Ten derde, heeft TJBd., geloof ik, te veel boeken
over de opvoeding gelezen, om een enkel kind goed op te voeden.
Ten vierde, laat gij hem doosjes leeren plakken en nuffige knipsels
maken. Ten vijfde zijn er zeven dingen te veel. die hij niet eten mag.
En ten zesde, knort UEd. als zijn handen vuil zijn en zijn knie door
de pijpen van zijn pantalon komt kijken: maar hoe zal hij dan ooit
vorderingen kunnen maken in \'t ootje-knikkeren? of de betrekkelijke
kracht van een schoffel en een klap leeren berekenen ? — ik verzeker
u dat hij nagelt, mevrouw! een nacjelaar is hij, en een nar/einar zal
hij blijven: — wat kan de maatschappij goeds of edels verwachten
van een nagelaar? — Ook draagt hij witte kousen met lage schoen-
tjes: dat is ongehoord. Weet TJEd. wat TJEd. van uw lief fraxsje
maakt ? 1°. een gluiper: 2°. een klikspaan ; 3°. een geniepigerd; 4°. een
bloodaard: 5°. . . Och lieve mevrouw! geef den jongen een andere
pet, een broek met diepe zakken, en ferme rijglaarzen, en laat hij
mij nooit onder de oogen komen zonder een buil of een schram,—
hij zal een groot man worden.
De Hollandsche jongen is grof: fiksche knieön, fiksche knokkels.
Hij is blank van vel, en kleurig van bloed. Zijn oogopslag is vrij,
bij \'t brutale af. Liefst draagt hij zijn ooren buiten zijn pet. Zijn
haar is van zondagmorgen half elf tot zaterdagavond, als hij naar
bed gaat, in volkomen wanorde. Het overige van de week zit het
goed. Krul zit er meestal niet heel veel in. Gekrulde haren, gekrul-
de zinnen! Maar sluik is het óók niet, sluik haar is voor gierigaards
en benepen harten : dat zit niet in jongens; sluik haar krijgt men, ge-
loof ik. eerst op zijn veertigste jaar. De Hollandsche jongen draagt
zijn das liefst als een touwtje, en nog liever in \'t geheel niet; een
blauw of schotschbont kieltje over zijn buis, en een verstelde broek
—• dit laatste kenteeken gaat vast. In dees broek voert hij met zich
— al wat de tijd opgeeft; dat wisselt af; knikkers, stuiters, ballen, een
spijker, een doorgebeten appel, een stukkend knipmes, een touwtje,
-ocr page 21-
3
drie centen, een kluit vischdeeg, een dolle kastanje, een stuk elas-
tiek uit de bretel van zijn oudsten broer, een leeren zuiger om stee-
nen uiee uit den grond te trekken, een voetzoeker, een zakje met
kokinjes, een grifje, een koperen knoop om heet te maken, een
hazesprong, een stukje spiegelglas, enz. enz. alles opgestopt en in
rust gehouden door een bonten zakdoek.
De Hollandsehe jongen maakt in \'t voorjaar eene verzameling van
eieren; in het uithalen van nestjes geeft hij blijken van kracht en
behendigheid,. en misschien van den aanleg tot de zeevaart, ons volk
eigen; in het inkoopen van vreemde soorten, bewijzen van onverstoor-
bare goede trouw: en in het verkwanselen van zijne doubletten, van
vroegtijdigeu Hollandschen handelsgeest. De Hollandsehe jongen,
het is waar, slaat zijne bokken hardvochtig, maar in \'t geven van
roggebrood aan diezelfde dieren heeft hij zijns gelijken niet. De Hol-
landsche jongen is veel minder ingenomen met de leerwijze van
prinsen dan de Hollandsehe schoolmeester; maar wat de opvoeding
van plakkers en paapjes betreft, hierin zou hij een examen kunnen
doen voor den eersten rang. Hij is dolgraag op een paardenmarkt, en
wandelt op de parade voor de tamboers uit, met den rug naar de
mooie mannen toe. De Hollandsehe jongen encanailleert zich lichte-
lijk, en neemt spoedig over uit een woordenboek, dat aan Holland-
sche moeders niet bevalt; maar hij heeft ook weinig aanmatiging
jegens de dienstboden. Hij is gewoonlijk hoogrood, als hij binnen
moet komen om aan oom en tante te vragen hoe zij varen, en spreekt
bij dergelijke gelegenheid bijna geen woord; maar minder spaarzaam
met wooraen en minder verlegen is hij onder zijns gelijken, en niet
bang om voor zijn gevoelen uit te komen. Hij haat lafaards en klik-
kers met een volkomen haat; hij zal nog al eens gauw zijn vuistjen
uitsteken , maar spaart in \'t vechten zijn partij ; hij speelt niet valsch;
hij heeft een bestendigen inktvlak op zijn overgeslagen halsboord,
en wel wat neiging om zijn schoenen scheef te loopen; — hij houdt
zijnen vader staande dat nij over ijs van één nacht loopen kan, en
beschikt over vriezen en dooien naar lust en welgevallen; hij eet
altijd een boterham minder en leert eene les meer, dan waar hij trek
toe heeft; hij gooit een steen tienmaal verder dan gij of ik, en buitelt
driemaal over zijn hoofd zonder duizelig te worden.
Gegroet, gegroet, gij vroolijke en gezonde, lustige en stevige kna-
pen; gegroet, gegroet, gij speelsche en blozende hoop des vaderlands!
Mijn hart gaat open als ik u zie, in uwe vreugde, in uw spel, in uw uit-
gelatenheid; in uw eenvoudigheid; in uw vermetelen moed. Mij n hart
krimpt toe, als het bedenkt wat er, ook van u, worden moet. Of zult gij,
die daar beurtelings een frisschen beet uit een zelfden appel doet, in
later jaren nooit gewaar worden dat het noodigis,den appel in een
hoek te nemen en alleen op te eten ; ja, de schillen weg te stoppen, en
de pitten te zaaien voor uwe nakomelingschap? En gij. die daar gedul-
-ocr page 22-
4
dig uw sterker rug leent aan uw vlugger vriend, die zich op uwe
schouders verheft om in den boom net spreeuwenest te zoeken.
dat heel hoog is: zal de ondervinding u de verdrietige wijsheid
onthouden. dat het beter is zelf een ladder te krijgen, en zelf het
nest uit te halen, dan een goeden dienst te doen en af te wachten ót
en hoe men u zal beloonen r
Dat is de wereld. Maar ook in nzelven zijn de zaden aanwezig
van veel onheils en veel verdriets. Uwe voortvarende drift, uwe
onschuldige teederheid, tot opvliegendheid, eerzucht en wellustig-
heid gerijpt: uwe levendigheid en onafhankelijk gevoelen, tot wereld-
zin en ongeloof verhard! . . . O, als gij in later jaren op uwe kinds-
heid terugziet. dat, dat zal de vreugde wezen, die gij het meest
benijdt en nu toch het minst geniet, dat gij zooveel minder boos
waart, dat gij zooveel onschuldiger waart tot zelfs in het kwaad-
doen toe. De goede hemel zegene u allen , goede jongens, die ik ken .
en rondom mij zie, en liefheb! Hij doe u lang en vroolijk spelen; en
als de ernst des levens komt, zoo geve hij u ook een ernstig harte
daartoe! Maar hij late u tot aan uw laatsten snik nog veel kinder-
lijks en jeugdigs behouden. Hij spare u, in hunne vollefrischheid,
ccnige dier kinderlijke gevoelens. die den jongeling helpen in het
zuiver houden van zijn pad en den man versieren; opdat gij man-
nen wordende in het verstand, kindereu blijft in de Doosheid. Dit
is een stille wensch, jongenslief! want ik wil u nog geen oogen-
blik van priktol of hoepel aftrekken, zonder u voor die vreugde
iets anders te kunnen geven dan ... een wensch! —
-ocr page 23-
KINDERRAMPEN.
Ik kom nog eens terug op het versje van uöi.tv.
Hoe zalig, als de jongenskiel
Nog om de schouders glijdt!
Dan is het hemel in de ziel,
En alles even hlijd.
Niets, niets ter wereld doet hem aan
Of baart hem ongemak,
Dan stuiters die te water gaan,
Of ballen over \'t dak.
Het ontbreekt zeker niet aan dergelijke lofredenen op het geluk van
jeugd en kinderjaren. ]k stem er van harte mede in; maar ik neem de
vrijheid te mogen opmerken, dat ze alleen door menschen van leeftijd,
of ten minste door jongelingen geschreven zijn, van wier standpunt
gezien, het kinderlijk geluk bijna geen uitzondering toelaat. Eu zeker,
zeker is dat een droevig bewijs voor den treurigen toestand van later
dagen. Maar ik weet niet dat er ooit dichtertjes geweest zijn van
zeven. acht, of negen jaar, die hun actueel geluk zoo onvoorwaardelijk
hebben geprezen. En toch dezulken waren er de naaste toe. Toen
ik op de Hollandsche school ging, maakten wij in de hoogste klasse,
bestaande uit heeren van negen tot tien jaar, allen des woensdag-voor-
uviddags een opstel, soms over een gegeven, soms over een door ons-
zelven gekozen en uitgedacht onderwerp. Maar ik roep al de Jannen,
Pieten, Willems en Heinen, waarmee ik in de.Tacobijnenstraat teH.
op de banken zat, tot getuigen, of er ooit iemand is geweest, die zijn
lei volgeschreven heeft met een optelling der genoegelijkheden of een
uitweiding over \'t ongestoord geluk des kinderleeftijds. Neen: wij
schreven wel diepzinnige vertoogen over de Deugd, of over de Vier
Jaargetijden; sandeh u. , wiens vader adjudant van een generaal was,
heeft zesmalen over het Paard geschreven; en piet q. die nooit op het
bord stond, en nooit meedoen wilde in de edele oefening van het
puistje vangen, had het altijd over de Gehoorzaamheid en over de
Vlijt, een denkbeeld, waar hem de opschriften van zijn extra-kaartjes
i
-ocr page 24-
(!
op brachten. Eigenlijk vroolijke onderwerpen heb ik te geenen tijde
door de collega\'s zien behandelen. Ik zelf heb het nooit verder kunnen
brengen dan tot de philosophische beschouwing der Tevredenheid;
een geluk, \'t welk gewoonlijk door den jongeling voorbij", endoor
den man vruchteloos nagestreefd wordt, en dat den grijsaard uit-
muntend te pas zou komen, indien zijne lichaamsgebreken hem nog
even veroorlover, wilden het te genieten; een heel mooi ding die
tevredenheid, maar in het volop des kinderlijken geluks vanzelf mge-
sloten en niet opmerkenswaardig.
Doch om tot de zaak te komen ! Van dat volop des kinderlijken
geluks dan, schenen wij toentertijde toch niet heel vol, of althans
niet zoo vol te zijn, dat wij het moesten uitstorten. Ik heb wel eens
gemeend, dat het een onderscheidend kenmerk des echten, waarachti-
gen geluks zijn zou, dat het de minste behoefte had zich uit te boeze-
men, terwijl het ongeluk klachten en verluchtingen noodig heeft —
om van de tranen niet te spreken. Want de meuschen , die altijd den
mond van hun geluk vol hebben , heb ik er wel eens op aangezien of
zij ook naar een autoriteit zochten die, na gehoord verslag, hun zou
verklaren dat zij gelukkig zijn, iets waarvan zij zelf tot nog toe zoo
heel overtuigd niet waren. Zij achten zich zóó-zóó, niet ongelukkig,
en niet razend gelukkig ook; maar zij schikken het goede in hun lot
zoo bij elkander, en stapelen het in redevoeringen, die zij op wan-
delingen en , zoo gij met hen in ééne kamer slaapt, uit ledekanten,
vooral na een goed souper, houden, dat zij u in de verzoeking brengen
hen te benijden. Dat verhoogt dan onmiddellijk hun koud geluk tot een
hooger temperatuur. (Jij slaat een warme hand aan hun thermometer.
Ziedaar een mooie opmerking, die ik gemaakt heb, en die ik met
dit mooie physische beeld besluit; maar over \'t onderwerp meer na-
denkende, heb ik ook wel eens gedacht, of de school dan toch ook de
rechte plaats wel was, om het kindergeluk diep te gevoelen. Ik weet
wel, de meester zit er niet meer met slaapmuts en kamerjapon en een
ontzettende plak in den katheder, en brengt ons niet langer door de
verschrikkelijkheid zijner oogen en gebaren tot een punt van angst,
waarin wij (als de jongen van ouds) zouden willen bekennen, dat wij
zelf de wereld geformeerd hadden , maar \'t nooit weer zouden doen,
liever dan het antwoord schuldig blijven op de eerste vraag van het
vrageboek. Wij lezen er ook niet meer, tot onze schrikbarende
verveling, de Haarlemmer Courant, van A—Z. (Zijn wij daarom later
minder goede politici?) Wij zitten er ook in een goed ruim lokaal;
zoo hoog en zoo luchtig, dat het er somtijds aan de beenen tocht; wij
hebben er niet zelden het uitzicht op een bleekveld met een appel-
boom , of op een binnenplaats met een bestekamer. Maar toch, de
meester is zoo dik, en de ondermeesters zijn zoo lang, en hunne bril-
len en bakkebaarden zien er zoo onverbiddelijk uit, en de borden zijn
zoo zwart, en de tafels zoo ongezellig, en de kaart van Nederland
hangt zóó lang op dezelfde plaats, dat wij er de kleine scheurtjes en
-ocr page 25-
7
inktvlekjes nog beter op weten aan te wijzen, dan de steden
der — toen was \'t nog 17 provinciën\'. Dan hebt ge —nog bloedt
mijn hart — de Tafel van werkzaamheden. .Schrikkelijke werk-
zaaiuheden, wier optelling aan rekenboeken denken doet, en geo-
graphieboeken, en wat voor boeken er al meer zijn , wier blaren
heen en weer schuiven in den band, wegens de krampachtige aan-
raking der wanhopige vingers van jeugdige heeren. die maar niet
onthouden kunnen hoeveel koeien er jaarlijks aan de Hoornsche
markt komen, en hoeveel inwoners en drukkerijen van Enschedé.
en Kostersbeelden, en instituten voor schoolonderwijzers Haarlem
heeft; of niet begrijpen kunnen, hoe zij de flde som uit de „Her-
haling der voorgaande Kegelen" moeten opzetten. O. die rekenboc-
ken! zij waren de zwakke zijde van velen onzer. In mijn oog waren
er geen hatelijker boeken. \\ ooreerst waren zij veel te vol letters,
en ten andere veel te vol cijfers. Ten overvloede zijn er soms
fouten in de opgave der uitkomsten: maar al zijn die er niet in.
die opgaven zijn verschrikkelijk. Ga eens na. Gij hebt uw lei vol met
een berekening van belang: driemaal hebt gij reeds de helft uit-
geveegd, omdat gij bemerkte dat gij het vraagpunt niet begrepen
hadt; maar eindelijk, de som is af. en gij krijgt tot uitkomst: 12 lasten,
7 mudden . 5 schepels, 3 kop, 8 maten rogge. Met een gerust geweten ,
en met het zalig gevoel van als ijverig lid der maatschappij uw
plicht gedaan te nebben, zoudt gij uw lei aan den ondermeester over-
geven om te laten nacijferen. Maar neen! het hatelijk rekenboek
geeft, onder den verwaanden titel ,.I;itkomst", op: 95 lasten.
2 mudden, 1 schepel rogge, en niet ééne kop of maat. Het is blijkbaar
dat gij u vergist hebt: driemaal doet gij al de vermenigvuldigingen
en deelingen over en weer over: eindelijk besluit gij alles uit te
veegen, en nog hebt gij uw mouw op de lei, als de ondermeester komt
om te gelooven dat gij niets hebt uitgevoerd. Dat had ik tegen die
rekenboeken! Maar het kwaadwilligst en het onbillijkst van die-
zelfde uitvinding is, dat zij u op alle mogelijke manieren sarren
en in uw zwak tasten. Daar zit gij sedert klokke halftien op school,
bij mooi weer, in de maand Mei, als het groen jong is gelijk gijzelt\'
en, wat meer is, als de plassen opgedroogd zijn, zoodat het heerlijk
weer is om te knikkeren. Daar zit gij sedert halftien op de school,
waar gij den voet hebt ingezet, met benijding terugziende op de ar-
melui\'s kinderen, die geen opvoeding krijgen en „duitjen öp \' speel-
den op straat. Eerst heeft men u gedwongen met al uwe speelsche
lotgenooten het lied aan te herten:
Wat vreugd, het schooluur heeft geslagen,
Waarnaar elk kind om \'t zeerst verlangt.
Daarna hebt gij een uur gelezen van het model van een braven
\') Welk een vereenvoudiging brengen de „24 Artikelen" in \'t lager onderwijs!
Het heele jonge Holland wint in gemak bij de omwenteling van Dertig.
-ocr page 26-
s
jongen, zoo braaf, zoo zoet, zoo gehoorzaam, zoo knap en zoo
goedleersch, dat gij hem met plezier een paar blauwe oogen zoudt
slaan, als gij hem op straat ontmoette; of, indien gij al wat verder
zijt, de levensschets van een onbegrijpelijk groot man, wien na te
volgen u pedant en wanhopig toeschijnt, en door welke levensschets
kunstiglijk een samenspraak is heengevlochten van knapen en meis-
jes, voor wie gij ook al geen de minste sympathie gevoelt, al „staan
zij ook waarlijk verbaasd over de ontzettende kundigheden van dien
man," daar vader eeliiaut of BEA.AFMOBD van verhaalt. Het volgende
uur hebt gij geschreven: naar een mooi exempel; als bijv., zoo gij
groot schrijft, het woord wederwaardigheid, opmerkelijk door twee
raoeielijke W\'s, zonder aandikken bijna niet goed te krijgen, zeven-
inaal; of indien gij klein schrijft, vijftien maal, achtmaal op, en zeven-
inaal tusscheu de lijn: Voorzichtigheid is de moeder der wijsheid; bij
welke gelegenheid gij in twee regels het lidwoord der hebt overgesla-
gen, wat tengevolge van de laatste lettergreep van het woord
moeder zeer licht gebeuren kon. en eenmaal roorwijziqheidin plaats
van voorzichtigheid hebt gezet, welke omstandigheden, zoo ieder op
zichzelve als in onderling verband, u eenigszins angstig doen denken
aan het uur, waarop de critiek des meesters haar uitspraak zal ko-
men doen. Om niet te spreken dat gij gekweld zijt geweest met een
linksche pen, ontelbare haren in den inkt, een klad of drie, met
kunstenaars achteloosheid over uw schrijfboek verspreid, en de
onverbiddelijke wet dat gij maar tweemaal uw pen op mocht steken
om ze te laten vermaken, door een ondermeester, die even zoo ver
is in die kunst als gij in \'t schrijven. Xu komt het rekenboek. Ik
heb het lang laten wachten, lieve lezer; maar het was uit wraak,
omdat het voor mij zoo dikwijls te vroeg is gekomen. Nu komt het
rekenboek. Merk op, dat gij in den loop van den morgen tweemaal
op \'t bord zijt geschreven: eens, omdat gij met uw rechter buurman
een verdacht gefluister hebt aangevangen, dat evenwel over niets
liep dan over goedkoope ballen in de Wijde Appelaar steeg, en eens,
omdat gij aan uw linker dito een albasten knikker (gezegd alikas)
hebt laten zien, zonder een eenig rood aartje, van welk delict het
corpus u is ontnomen, tegen de pijnlijke onzekerheid of gij het ooit
terug zult zien. Vat dit alles te zamen, en sla dan uw rekenboek op,
dat u sart met de 13de som, waarin u, om u als \'t ware te tantali-
seeren, met de grootste koelbloedigheid een mooie voorstelling
gedaan wordt van vijf jongens, zegge vijf, die te zamen zouden
knikkeren, en waarvan de eene bij den aanvang van \'t spel bezat
20, zegge 20 knikkers, de tweede 30, de derde 50, de vierde —•
neen, het is niet uit te houden! de tranen komen er u bij in de
oogen: maar daar zit gij, voor nog een geheel uur, en dan nog wel
te cijferen. — Waarlijk ik houd het er voor, dat de meeste reken-
boekinakers\'afstammelingen van koning herodes zijn!
-ocr page 27-
9
Uit al wat ik tot nog toe in het midden heb gebracht, zal zonne-
klaar blijken, dat de school de plaats niet is oui het kinderlijk gemoed
te doen overstrootnen van het besef van geluk en genot. Ik geloof
niet dat het denkbeeld daarvan ooit onder eenig blond of bruin kin-
derhaar is opgekomen. Xeen. neen! de school is zoo goed als zij zijn
kan. De school wordt, naar de nieuwste verordeningen, zoo aango-
naam en dragelijk mogelijk gemaakt. Maar hare genoegens zijn ten
hoogste negatief. De school blijft altijd iets van het gevangenisach-
tige, en de meester, met en benevens al de onderineesters, iets van
het vogelverschrikkende behouden. Dat gezegde van VAN alphen:
Mijn leeren is spelen
wil er bij niet één kind in. zelfs niet bij de vlijtigste. Ik verbeeld
mij nog al onder de vlijtigste behoord te hebben: maar toch, wan-
neer mijn vader of moeder mij de eer aandeed van aan mijn ooms en
tantes te vertellen dat ik altijd blij was als de vacantie uit was. kwam
mijn gansche gemoed tegen dat edel denkbeeld (dat mij ondertus-
schen vrij dweepachtig voorkwam) op, en ik heb jaren noodig gehad
om zekere angstige schuwheid voor mijn respectieve meesters te
leeren overwinnen. Ook zijn er, in weerwil van de verbeterde leer-
wijze, nog altijd onder, die een kind, al is het niet van de bloohar-
tigste, als eleetriseeren.
Ja, lieve vrienden! laten wij deze bladzijde voor alle vliegerop-
laters en soldaatjespelers verbergen en verstoppen: maar laten wij
het bekennen: daar zijn Kinderrampen! Klein en nietig, van onze
verwaande hoogte beschouwd, maar gewichtig en groot, in de kleine
evenredigheden van de kinderwereld. Rampen, die benauwen, kwel-
len en schokken, en die niet zelden een grooten en hevigen invloed
hebben op de vorming van het karakter.
De eerste en grootste hebben wij al gehad. Het is, met verlof van
pestalozzi en prinsen*, de school. Dat is eenkanker; een dagelijks
weerkeerend verdriet. Een man met schuldeischers geplaagd onder-
vindt iets van het leed van een kind met meesters aangehaald. Nu,
onze goede höltt zelf kan niet nalaten aan \'t eind van zijn versje
daarmede te dreigen. Daarom wilde ik u verzoeken: heb deernis met
het lot uwer telgen. Ontziet als iets heiligs het levensgenot uwer
kinderen. Zij moeten allen schoolgaan: dat is een natuurwet, zoo
zeker als die volgens welke zij allen ingeënt, wij allen sterven moe-
ten ; maar even gelijk wij, naar den gewonen loop der dingen,
niet sterven moeten op ons achttiende jaar, wilde ik ook niet dat
hun de school overviel vóór hun achtste, \'t Is wel aardig, en wij
hebben het aan de veranderde uitspraak van de namen der mede-
klinkers te danken, dat zij op hun vijfde jaar met kleinen piet zeggen
kunnen: „Nu kan ik al le-zen"; maar ik weet niet of kleine piet op
zijn tiende jaar, in massa, zoo veel meer geprofiteerd zal hebben
-ocr page 28-
10.
dan een ander, die op zijn zevende of achtste]begonnen is,.metde
spa" te werken. ]k geef dit alleen in bedenking aan alle kindermin-
nende harten, en waag het niet. met zoo weinig ondervinding als
iiii.DKBRANi) (de baardelooze hildebhand, zullen de reeensenten zeg-
gen) in zoo weinig jaren^ heeft\' kunnen opdoen ,: mijne meening te
staven.
Om het onderwerp eene wending te geven, en van een[andere ramp
uit het tranendal der kinderen te spreken . noem ik het wisselen der
tanden. Waarlijk, lieve dame. die de wereld zoo trouweloos en de
mannen zoo wuft vind! la< perle des illvsions kan op uwe jaren nau-
welijks zoo zwaar wegen als la perle des denls op de hunne. Herin-
nert ge \'t u nog wel \'r Gij voelde—neen , gij voelde toch niet: -—ja,
helaas, gij voelde maar al te zeker — dat gij een dubbelen tand hadt.
En de voorste zat zoo vast als een muur. Zes dagen lang verborgt
gij uw leed: somtijds vergat gij het: maar zesmaal daags, midden
onder uw spel. bij het genot van de lekkerste krakeling, onder\'t be-
werken van de zoetste ulevel — daar stond weer eensklaps voor uw-
oog, die akelige, allerakeligste dubbelheid! — Uw eenige troost was,
dat de voorman vanzelf wel wat losser zou worden. Inderdaad, natuur
en rede geven deze hoop aan de hand. De ondervinding leert het
echter meestal anders. Op den zevenden dag: het was een zondag;
uw kleine theegoedje stond klaar op uw kleine tafeltje: en uwe
stoeltjes stonden er bij klaar met twee poppen : de nieuwste voor u,
en de oudste voor uw nichtje keetje, die bij u te spelen kwam;
en \'s avonds zoudt ge een tulbandje bakken van gestampte beschuit
en melk: en een boterham met aardbeien zou alles bekronen. Met een
grooten schreeuw gaaft gij uwe vreugde over het laatste artikel te
kennen. „Laat ik je mond reis effen zien," zei mama; „wat? een
dubbele tand?" en weg was uw vreugd! Gij droopt af alsof gij op
een zware misdaad betrapt waart; waarschijnlijk zoudt gij onder
uwe kwelling nestig en kribbig zijn tegen keetje, het tulbandje
zou geene bekoorlijkheden voor u hebben , de aardbeien geen smaak;
en ge zoudt naar bed gaan en droomen van den tandmeester! Yer-
geefs beproefde gij achtereenvolgens alle huismiddelen: wiggelen
met den vinger, bijten op een harde korst, die gij evenwel om
eventueele pijn te vermijden, in een gansch anderen hoek van uw
mond inbracht: aanleggen van een draad garen, waaraan ge toch
niet durfde trekken. De tandmeester moest komen. Hij kwram, niet
waar? de ijselijke man! Hij had voor u de verschrikkingen eens
scherprechters. Hij veinsde maar effen naar uw tand te voelen: hij
trok er hem verraderlijk uit. Ondertusschen was deze slinksche
streek voor u een weldaad, die voor alle volgende keeren verkeken
was. — Spreek mij niet van groote-menschen-jamrueren! Zij halen
niet bij deze. Geen koopman die „op springen staat" ziet met meer
angst den dag tegemoet, waarop hij zal worden „omvergegooid",
-ocr page 29-
11
dan een blijde jongen of vroolijk meisje den dag. waarop men schei-
den zal van den dubbelen tand!
AVij zijn aan de physieke rampen. "Welnu, er zijn er meer dan
men denkt. Het grootworden, hoe schoon en voortreffelijk een uit-
vinding ook, is de oorzaak veler smarten. Want vooreerst, men
steekt lange bloote armen uit de mouwen, groote enden kous uit de
broek. Daarbij schaamt men zich dan gewoonlijk dat men nog rijg-
laarsjes of schoenen met gespen draagt, ornaat er altijd eenige
voorlijke knapen zijn, die al halve-laarzen hebben, en vroegtijdige
juffertjes, die zich op schoenen met lange linten verheffen. Ook re-
kenen vele moeders er naar \'t schijnt niet op, dat niet alleen de bee-
nen, maar het geheele lichaam groeit, en dat het diensvolgens op
goede natuur- en wiskundige gronden te bewijzen is, dat, al kunnen
de broekspijpen worden uitgelegd, het overige gedeelte van dat
kleedingstuk hetzelfde blijvende, men eene niet zeer aangename
bekrompenheid in de circumferentie van het lichaam gewaar wordt,
die ook al weer de oorzaak is van menig nieuw kruis, in een dub-
belen zin, en van ontelbare scheuren. Maar ook dit is een kwade
kant van den edelen groei, dat hij bij de individuen verschilt. en zelfs
zóó, dat bij sommige tegen het geprezene grootworden het verwii-
tende kleinblijven overstaat. Nu is het niet pleizierig, ieder keer als
men een boodschap van papa of mama komt doen, of bij lodewijk
of büobt.ik spelen komt, altijd door mijnheer of mevrouw , of de juf-
frouw, of de meid somtijds, tegen j.odkwuks of doort.tes rug gezet
te worden, om met de ververschte overtuiging dat men een hoofd
of een half hoofd kleiner en een ware peulschil is, naar huis te gaan.
Dat noemt men in het maatschappelijk leven , als men \'t op het mo-
reele toepast. taxeeren: en die taxatie van \'t physieke is de eenige,
waarvoor de kinderleeftijd gevoelig, en ook zeer gevoelig is. Neen,
\'t is niet aardig van de groote menschen, dat ze\'t den kleinen aan-
doen, evenmin , als dat altoosdurende uitgillen van : „wat ben je groot
geworden!" op den duur bevallen kan.
Maar daar is toch ook wel een moreele taxatie die, zoo zij de kin-
deren niet dadelijk grieft, hun althans menig genoegen onthoudt,
/ij ontstaat uit de omstandigheid, dat een mensch van vijfendertig
of veertig, een dertig of vijfendertig jaar van zijn vijfde jaar verwijderd
is, en in dien tijd machtig veel vergeten kan, en zóó veel, dat hij
eigenlijk in \'t geheel niet meer weet, wat hij dacht, gevoelde, be-
sefte en smaakte toen hij een kind was, en wat niet. Van daar dat hij
zeer dikwijls den maatstaf, waarbij hij de kinderen meet, te klein en
te bekrompen neemt, en menige vreugd, die hij den jeugdigen\'van
harte gunt, terughoudt omdat hij in zijne mannelijke wijsheid be-
sluit: „dat zij er eigenlijk nog te klein voor zijn", en er „waarlijk nog
niet aan zouden hebben." En dan, „het nergens aan mogen komen,\'
alsof men geheel bandeloos en met een instinct om alles nu ook
-ocr page 30-
12
maar stuk te gooien en te breken in de wereld was gekomen ! — En
dan het paaien met zoetigheid, als men zich juist gisteren te groot
is begonnen te voelen voor koekjes tot den prijs van iets anders! —
En dan de velerlei beschaamdzettingen. die men ondergaat, omdat
iederpen gelooft dat een kind menig ding niet gevoelt (lat hem toch
diep gaat! — Waarlijk, waarlijk, men heeft in de maatschappij me-
nig menschenschuw, bloohartig, en zenuwachtig wezen doen op-
groeien, alleen doordat men het als kind te jong en te klein voor
gevoel van waarde achtte.
Ik spreek niet van het naloopen met hoeden en petten, en van
liet verschil van gevoelen omtrent het weder, dat tusschen ouders
en kinderen dikwijls aanmerkelijk kan uiteenloopen. Ik spreek niet
van sommige barbaarsche instellingen, als daar is: dat de jongere
de kleederen van de oudere moeten afdragen, waardoor het vierde
zoontjen een buisje draagt van de kraagjas van mijnheer zijn oudsten
broeder: van welke kraagjas de beide tusschenbroers respectievelijk
een jasje met één kraag en een jas zonder kraag gehad hebben; —
noch van ellendige spreekwoorden, als orakelen door de ouders aan-
gevoerd, en als verachtelijke paradoxen en sophisterijen door het
kroost verwenscht, als b. v. dat de oudste de wijste zijn moeten. Ik
spreek van al die rampen niet, — want mijn stuk is reeds veel te
lang. Mocht het maar sommige mij ner lezers bewegen, om nog kie-
scher te worden omtrent de jonge harten der kleinen; en nog op-
lettender om hun kleine verdrieten te sparen en groote genoegens
onbeknibbeld te laten genieten. De jeugd is heilig: zij moet voor-
zichtig en eerbiedig behandeld worden; de jeugd is gelukkig; maar
men moet zorgen, dat zij zoo min mogelijk deelt in de rampen der
samenleving, voor zoo ver zij die in hare jaren kan ondervinden.
Men moet haar soms kwellen en lastig vallen — tot haar nut! —
maar passen wij vooral op, dit niette overdrijven! Een geheel vol-
gend leven kan geen gedrukte jeugd vergoeden; want welke zalig-
heid zouden latere jaren te stellen hebben tegenover het verspeelde
geluk eener schuldelooze jonkheid?
1839.
-ocr page 31-
EEN BEESTENSPEL.
„Les peines infamantes sont:
1°. Le carcan ;
2°. Le bannissement;
3°. La dégradation civique."
CODE PKSA!.. L. I. Art. 8.
Neen, ik wil niet naar \'t beesten spel! ]k houd er niet van. Zeg
mij niet dat het belangrijk is; dat men het gezien moet hebben ; dat
men in geen gezelschap komen kan of men moet ten minste\' goed
of kwaad zeggen van de lokken , de bakkebaarden en den moed van
den eigenaar, van de lama, van de verlichting der tent, en van de
twee tijgers in één hok: — herhaal mij niet dat men ten minsten één
ongeluk heeft moeten zien „bijna gebeuren" en ééne bijzonder tee-
kenachtige houding van \'t een of ander gedrocht bespied hebben , in
een oogenblik, „dat er niemand anders naar keek"; •— zeg mij niet
dat men moet gaan kijken hoe de vrucht van \'t zweet en bloed van
onvermoeide hengelaars in één oogenblik door den gulzigen pelikaan
verslonden wordt, en hoe de Boa Coiistrictor een Leidschen bok met
hoornen en al, in een oogwenk tijds verzwelgt: — roep mij niet toe
dat men zijne anecdote behoort te hebben op den kasuaris, zijn
snakerij op de apen, en zijn woordspeling op de beren. Op dit alles
antwoord ik u: ik haat het beestenspel; en ik zal u de reden van
mijn afgrijzen uiteenzetten.
Een beestenspel! Weet gij wat het is ? — „Eene verzameling", zegt
gij, „van voorwerpen van natuurlijke geschiedenis, even belangrijk
voor den dierkundigen..." Als voor den beestenvrind, wilt gij zeggen P
..Neen, als voor ieder mensen, die er belang in stelt zijn medeschep-
selen op dit wijde wereldrond te kennen." Gij zegt wèl: maar dan
wenschte ik mijn inedeschepselen te zien, zoo als ik ze op plaat 1.
van iedcren prentenbijbel zie, in aardige groepen door elkander ge-
schikt, allen in hunne natuurlijke houding: den leeuw, met een op-
geheven voorpoot, als op brullen staande: de kaketoe. van een boom-
tak nederkijkende, als om te .onderzoeken wat voor kleur van haai\'
adam heeft; en niet, och, ik bid u, niet in die afschuwelijke ijzeren
schommels (een soort van groote lijsterbogen) in eeuwige beweging:
-ocr page 32-
II.
de boa, in \'t verschiet, om den boom in schoone verleidelijke bochten
gekronkeld, en naar den noodlottigeu appel opziende; dien adelaar,
hoog in de lucht zwevende, als een nauwelijks merkbare stip: ja, dan
nog veel liever geheel onzichtbaar, dan zóó als ik hem in een beesten-
spel zie.... Zoo zon het mij aangenaam en belangrijk zijn. — Maar
hier in deze enge, bekrompene hokken, achter die dikke tralies,
in die slaafsche, weerlooze, gedrukte, angstige houding, — o leen
beestenspel is een gevangenis, een oudemannenhuis, een klooster
vol uitgeteerde bedelmonniken: een hospitaal is het, een bedlam
vol stompzinnigen.
Gij hebt nog nooit een leeuw gezien: gij stelt u iets majestueus voor;
een ideaal van kracht, grootheid, waardigheid en moed; een wezen
geheel woede, maar bedwongen door zelfbeheersching, voor zoo
lang het verkiest; den koning der dieren. Welnu; verplaatsen wij
ons met onze verbeelding in de woestijn van Barbariie!
Het is nacht; het is liet kwade seizoen. De lucht is donker; de
wolken zijn dik e:i drijven onstuimig en snel heen en weder; de maan
scheurt ze nu en dan met een waterachtigen straal. De wind huilt
door \'t gebergte; de regen ruischt; van verre gromt de donder. Ziet
gij daar dat gevaarte, met dichte struiken bewassen, zich afteekenen
tégen de lucht: — ziet gij daarin die donkere rotskloof, beneden
gapende, boven zich verliezende in heesters en distelen? Het blik-
senit; ziet gij ze ? Houd uw oog derwaarts gericht. Het is alles duis-
ternis. Let op! Wat is dat ? \'t Is het glinsteren van twee oogen;
gloeiende kolen. Hoor toe! Dat was de donder niet; het was een
schor gehuil; het diepe geluid van een leeuw die ontwaakt. Hij tilt
zich uit zijn hol naar boven. Hij rekt zich uit. Ben oogenklik staat
hij met opgeheven hoofd brullende stil. Hij schudt de zwarte manen.
Bén sprong! .. . Achter uw wachtvuur, onvoorzichtige! Hongerig
gaat hij om; met woeste bewegingen, met ongeregelde sprongen,
met schrikkelijke geluiden.
Wien zal het gelden? Ben breedgeschoften butt\'el misschien, die
hem met gebukten hoofde en sterke hoornen zal opwachten. Geen
nood: hij zal hem aanvliegen; hij zal zijn nagelen klemmen in zijne
lenden; nij zal aan hem hangen blijven; hij zal hem de blanke slag-
tanden in den korten riinpeligen nek slaan; één oogenblik — en hij
zal hem afmaken, hem in stukken scheuren en zijnen honger bevre-
digen. Dan zult gij hem met rooden muil en bespatte manen rustig
zien nederliggen, zijn zege genietende, trotsch op zijn koningschap.
Welnu! — die Koning der dieren, die schrik der woestijn, die ge-
duchte, die woedende, is hier. Ziedaar de antichambre van zij n pa-
leis; dit van voren open vertrek, middending tusschen een salon, een
kantoor, en een tentoonstelling van schilderijen. Deze heraut, met
den geschilden wilgetak in de hand, noodigt u uit. Zijne majesteit
geeft audiëntie. Zijne majesteit is voor geld te kijk. Zijner majesteit
staatsdame licht het behangsel op. Gij zijt in zijner majesteit on-
-ocr page 33-
15
middellijke)tegenwoordigheid. Geef u de moeite niet bleek te wor-
den : de koning zal u wèl ontvangen. Maar voorzichtig! stoot u niet
aan dezen — wat is het? een reiskoffer? Vergeef mij, het is een ecrin
vol slangen! arme REUZEslangen! Hierheen! Pas op: die lamp
druipt! Stap over dien emmer, vischvijver van den pelikaan, badkuip
des ïjsbeers! Wij zijn er. Hier, op dit wagenstel, in dit roode hok,
zes voet hoog en zes voet diep. ligt hij. Ja. hij is het wel. Ik zweer
u dat hij het is. Zijne pooten steken onder tusschen de traliën
uit; dat zijn LEEUWEklauweu. Zijn staart, die geesel! schikt zich
naar den rechthoek van zijn verblijf. Hij is slaperig; hij ronkt. Zou-
den wij hem kunnen doen opstaan: „Xero, Xero!" „„//est défendn
de toucher rnr.r anlmaux, surfout aree des cannes"".
Gevoelt gij al het
vernederende dezer waarschuwing? Daarin is al zijn weerloosheid.
Het zou hem zeer doen. Hebt gij uw illusiön, heeft de leeuw zijn
prestige nog? Zijt gij nog bang voor dien bullebak? Gelooft gij nog
aan de \'schets van zoo even? Zegt gij niet
„Laat hem komen, als hij kan"?
Onttroonde\'koning! Gekrompen.reus! Zie, hij is voorzichtig in al
zijne bewegingen; hij neemt zich in acht, om zijn hoofd niet te stoo-
ten, zijn muil niet te bezeeren, zijn staart niet te schenden. Wat
onderscheidt hem van eenig tam heest? Wat van dien lagen hyena,
die de kerkhoven schoffeert? van dien gevlekten tijger, viervoetige
slang, die van achteren aanvalt? van dien wolf, dien een kloek
kozak dood geeselt? van dien afschuwelijken mandril, hansworst der
verzameling? van al die walgelijke apen, daar zooveel meuschen
zich vroolijk mee maken? Altemaal zijn zij opgesloten: de vorst als
de knecht, de vorst meer dan allen. Waan niet dat gij hem in zijne
natuurlijke grootte ziet. Dit hok maakt hem kleiner: hij is wel een
voet gekrompen. Zijn gelaat is verouderd. Zijn oogeu zijn dof ge-
worden : hij is suf: net is een verloopen leeuw. Zou hij nog klauwen
hebben? Bedroevend schouwspel. Een haspel in een flesch; men
weet niet hoe \'t mogelijk is dat hij er inkwam! Een ziek soldaat; een
grenadier met geweer en wapens, berenmuts en knevels (foudre de
guerre) in een schilderhuis: Sitnson met afgesneden haar; Napoleon
op St. Helena.
Als gij in \'t midden van deze tent staat, tusschen staatsiegordij-
nen en schoorsteenvallen, en ijzeren tralies, en onderstellen van
wagens, en wilde dieren: als gij uw oog slaat op al die vernederde
schepsels — waan niet dat gij leeuwen, dat gij tijgers, dat gij gieren,
arenden, hyenen, beren ziet. De kinderen der woestijn zouden
hunne broederen, zoo zij ze hier zagen, verachten en verloochenen.
Berg dat zilveren potlood, steek die portefeuille op, gij teekenaar!
Maak hier geene schetsen. Gij hebt geene wilde dieren voor; het zijn
-ocr page 34-
er slechts de vervallen overblijfsels van; zij zijn naar ziel en lichaam
gekraakt. H un aard drukt zich niet meer uit. De leeuw stierf in
den leeuw; de tijger is dood in den tijger. Uwe teekening zou zijn
als een portret naar een lijk ontworpen, üij kunt even zoo goed een
petit-inaitre onzer eeuw tot model voor een zijner Gerinaansehe
vaderen stellen, of een mummie afbeelden, en zeggen: zoo is een
Egyptenaar! Nauwelijks kunt gij hunne vormen , hunne omtrekken,
hunne evenredigheden zien of berekenen onder de slagschaduwen
dezer vierkante kooien. Hoe zoudt gij dan het eigenaardige van hunne
houding kunnen raden? /e zijn hier als planten in een kelder; zij
verkwijnen; zij zijn in een droevigen staat van ongevoel, een naren
dommel verzonken. Zij sterven sinds maanden. Het licht hindert hen.
Zij zien er dom, verstompt uit. Dans la nature ils sont beaucoup
moins béte».
•Stil", zegt gij , „zie daar den eigenaar. Hoor hoe zij brullen. Zij
zullen gevoed worden, liet souper der wilde dieren." iSmartende
bespotting! Hun souper! He cipier zal elk dezer staatsgevangenen
zijne afgepaste portie komen toedeelen. „.Ia, maar hij zal ze tergen,
en een oogenbliK zult gij ze in hun kracht zien." YVee onzer, zoo
dat waar is! Keen, het is eene tooneelvertooning. Zij worden tot
acteurs vernederd. Hun woede is die van operahelden, van belee-
digde vaders in de vaudeville. Het is namaaksel. Het is een woede
van klokke halfacht. Het rammelen der boeien, als de gevangene
opstaat om zijn brood en water aan te nemen. Ook in het gebrul
des leeuws, net gehuil der wolven en het lachen der hyena\'s is
een pecius qitod diaertwm facit. Waan niet dat zij zich verwaardigen
zouden hun verschrikkelijke welsprekendheid aan dien knecht te
verkwisten, die toch eindigen moet met hun het afgewogen stuk
vleesch in den bek te steken.
Hun souper! o Zoo zij mochten, zij zouden van dit behulpelijk,
bekrompen genadebrood een beroep doen op hun avondmaal in de
woestijn! Weekelingen , die uw brood bakt en die uw vleesch kookt om
het te kunnen verduwen! zoo gij genoodzaakt werdt dien maaltijd
aan te zien , daar zij de rookende spieren van de breede knoken aftrek-
ken , en er zich met al de felheid, al de heftigheid hunner bewegin-
gen opstarten. brullende van genoegen, niet omdat zij eten , maar
omdat zij slachten, — hoe zouden u de haren te berge rijzen , hoe zou
vleeschhouwer en uitdeeler, hoe het \'geheele heir geabonneerden
rillen en beven!
-Alleronuitstaaubaarst is mij in een beestenspel de^\'uitlegger. Gij
lacht om zijn gemeen Fransen en nog ellendiger Hollandsch, omzijn
eeuwig wederkeerende volzinnen: ik kan niet lachen. Hij ergert mij.
Sire, ee ii\'ext pus bieri :
Sur Ie
//o/j mourant roux lAcliez totrt chien.\'
-ocr page 35-
17
Foei! hij noemt den tijger monsieur en de leeuwin madame;
hij vertelt aardigheden op hun rekening: zij zijn de dupes zijner
vanbuitengeleerde geestigheid. O! zoo zij konden, hoe zouden
zij zich op den grappenmaker wreken. Hoe zon monsieur hem
vierendeelen, madame hem vernielen. Hij zou \'t, verdienen. Hij
behandelt dieren als dingen. Hij verdient een dommei) glimlach
aan den een. een drinkgeld aan den ander. Hij ontneemt u het
sehoone zinnebeeld der moederliefde, dat gij in den pelikaan zaagt,
en maakt liever een slaapmuts van zijn onderkaak. Ellendige potsen-
maker, straffeloos lasteraar, die zijne beteren bespot. Met een paar
knevels en een stok loopt hij om, en speelt den held onder de
gevangenen.
Ja, het is ijselijk als gij een verren neet\' ot\' halfvergeten vriend
overkrijgt, die u vriendschappelijk dringt hem het Leidsch museum
te laten zien, en ge moet. terwijl gij liever de bekoorlijken op
Rapenburg en Breestraat gadesloegt, met hem op een schoonen
voormiddag de eene zaal na de andere doordrentelen. zonder iets
te zien dan natuurlijke historie, zonder ergens een knie te bui-
gen; en het is er kelderachtig koud! Maar zoo het er op aan-
koint om vreemde dieren te zien: ik zie ze liever daar dan
hier. Liever een museum dan een menagerie, \'t Is waar, het
knekelhuis, dat gij eerst door moet wandelen, neemt een goed deel
van de illusie weg: de anatomie, gelijk alle analyse, is schadelijk
aan de poëzie; maar de opgezette dieren zijn niet vernederd. Hier
ronken zij niet, hier slapen zij niet, hier sterven zij niet, hier
zijn zij dood. Hier geen dot\'heid, geen traagheid, geen lui-
heid; hier koude en ongevoeligheid. liet is hier als in hun on-
derwereld: gij ziet hunne schimmen, hunne omtrekken, hunne
tï&talu! Aan hun stoffelijk omkleedsel, hun houding, hun stand
moge door opvulling en kunstenarij een weinig zijn te kort ge-
daan , maar ae ziel (gij gelooft toch dat de dieren een ziel heb-
ben?) wordt bier niet verdoofd of verminkt. Niet de lage baatzucht,
maar de deftige wetenschap heeft hen bijeenvergaderd. Zij staan
hier niet te kijk, zij staan hier tot uwe onderwijzing. Hunne
namen worden in eerbiedig Latijn genoemd. Zwijgend gaat men
langs hunne rijen, met al het ontzag, dat men voordedooden heeft.
Maar een menagerie!
o Gij, heeren der schepping! ik weet niet of gij in de 19de
eeuw onzer jaartelling, en zoo ver van het paradijs, dien naam
nog verdient.... maar gij hoort hem zoo gaarne, en zijt er zoo
hoovaardig op: o gij , heeren der schepping! laat u gelden in het
2
-ocr page 36-
18
dierenrijk, laat u gelden bij al wat slagtanden, klauwen, hoeven
en horens heeft. Heerscht, dwingt, gebiedt, overweldigt, be-
schikt; zet uw krijgsburcht op den rug der elefanten; legt uw pak
op den nek der buffelen, zet uw tanden in het oor van onagers,
jaagt uw lood door het voorhoofd der tijgers, en maakt hun vacht
tot schabrak uwer paarden; overwint als een Cesar de wereld,
en spant als een Cesar vier leeuwen voor uw triomfkar. Het is
wel. Maar misbruikt uwe kracht niet. Spot niet, kwelt niet, ver-
nedert niet, dooft niet uit. Geen gevangenhuis, geen tuchtcel,
geen schavot, geen kaak, geen draaikooi, geen beesten-«/>e/. Ja,
een spel is het, een afschuwelijk wreed spel. Moet gij een spel
hebben: herstelt het molmend coliséum tot een worstelperk, en
hebt ten minste de grootmoedigheid, uw gelijken met hen ten
kamp te doen treden. Vermaakt u (zoo gij nog niet genoeg hebt
van barbaarsche vermaken) met hunne krachten, met hun moed,
met hun heldeneinde; — niet met hunne slavernij, niet met hunne
ontaarding, niet met hun heimwee, niet met hun teringdood.
1836.
-ocr page 37-
EEN ONAANGENAAM MENSCH IN DEN
HAARLEMMERHOUT.
Onbegrijpelijk veel menschen hebben familiebetrekkingen, vrien-
den of kennissen te Amsterdam. Het is een verschijnsel, dat ik een-
voudig toeschrijf aan de veelheid der inwoners van die hoofdstad.
Ik had er voor een paar jaren nog een verren neef. Waar hij nu
is, weet ik niet. Ik geloof dat hij naar de West gegaan is. Mis-
schien heeft de een of ander van mijne lezers hem wel brieven
meegegeven. In dat geval hebben zij een nauwgezetten, maar on-
vriendelijken bezorger gehad, als uit den inhoud van deze weinige
bladzijden waarschijnlijk duidelijk worden zal. Inderdaad, ik ken
vele menschen, die nog al ophebben met hunne Amsterdamsche
neven, vooral als ze tot de „Lezers" in Felix behooren, of als ze
rijtuig houden; maar ik heb dikwijls verbaasd gestaan over mijne
verregaande koelheid omtrent den persoon van mijn neef bobeetus
nurks ; en niets verschrikkelijker, dan wanneer hij mij zaterdag-
middag per diligence een steen zond met een brief er aan, inhou-
dende dat hij (mits het weer goed bleef en er niet, maar dat kwam
er nooit, het een of ander in den weg kwam) met mij den dag in
den Haarlemmerhout zou komen doorbrengen; niet dat ik iets tegen
het gemelde bosch heb, maar wel iets tegen ZEd.
En evenwel was hij een beste, eerlijke, trouwe jongen, prompt
in ziin zaken, stipt in zijn zeden, godsdienstig, en zelfs in den grond
goedhartig. Maar er was iets in hem — ik weet het niet — dat
maakte dat ik met hem niet op mijn gemak was; iets lastigs, iets
hnpertinents, in één woord iets volmaakt onaangenaams.
Ik zou, om iets te noemen, een nieuwen hoed gekocht hebben;
geen buitensporig fatsoen (geen nationalen bijv.), geen te hoogen
of .te platten bol; geen te breeden of te smatien rand; een hoed,
goed om af te nemen voor een verstandig man en op het hoofd
-ocr page 38-
lil)
te houden voor een gek, doch stellig een hoed om niets van te zeg-
gen. Toch kon ik bijna overtuigd zijn, dat mijn beminnelijke neef
nurks, de eerste maal dat hij er mij mee zag, met den hateliiksten
glimlach van de wereld en met een soort van ontevredene verbaasd-
heid zeggen zou: ..Wat een weergaschen gekken hoed heb Jij op".
— Nu is het onbegrijpelijk moeiel ij k; schoon ik gaarne beken ,<lat
de een zich daar handiger in gedraagt dan de ander, en ik niet een
van de gamvsten ben: nu is het onbegrijpelijk moeielijk, onder eene
dergelijke critische verklaring omtrent uw hoed. een tamelijk tigmir
te blijven maken, liet in ernst voor uw hoed op te nemen, is wat al
te gek. Het met een: „hé. vindje dat"? af te laten loopen , verraadt
volslagen gemis van tegenwoordigheid van geest. Te repliceeren
met een hatelijkheid op des critici eigen hoed, is wat kwajongens-
aclitig. En hoewel een aardigheid te zeggen het alleruitmuntendste
zou zijn. en er een schat van aardigheden mogelijk is, zoo is het
evenwel bijzonder opmerkelijk, hoe weinig men er dikwijls op zulk
een oogenblik bij de hand heeft. Zoodat de critische hoedeninspec-
teur gewoonlijk de voldoening heeft eene kleine verlegenheid te weeg
te zien gebracht, welke hij met demonischen wellust geniet.
Indien gij uit dit kleine voorbeeld van mijn hoed: het is in \'t oog
loopend hoe dikwijls hoeden tot voorbeelden dienen: niet een vrij
beslissenden kijk op mijn neef nurks\' karakter hebt. dan zal het
heele verhaal, dat ik schrijven ga. nutteloos aan u verkwist zijn,
lezer, en dan zal ik ook zoo vrij zijn u tot uw straf te houden voor
een sprekend evenbeeld en wedergade van dienzelfden robertur
nurks. Men zou intusschen verkeerd doen, zich dien waardigen
Amsterdauischen jongen voor te stellen als ongelukkig, ontevreden,
of zwartgallig. Hij was alleen maar hatelijk, en zulks deels uit ge-
woonte, deels uit eene diepe en misschien voor hemzelven verbor-
gen jaloezie, blij was in\'t geheel geen kniezer, altijd vroolijk gestemd
en de vroolijkheid beminnende: maar hij scheen er een genoegen
in te vinden. zijnen vrienden kleine grieven aan te doen, en niet
alleen zijnen vrienden, maar in het algemeen de onschuldigste men-
schen van de wereld. Eene opvoeding boven zijn stand bad hem,
geloof ik, die lompe aanmatiging gegeven : en onverstandige ouders
hadden hem te vroeg er aan gewend om zijn jong oordeel over een
iegelijk, die hun huis bezocht, niet toejuiching te zien ontvangen.
Tan daar dat hij niets had van dien kieschen teriighoudenden schroom,
die even bang is om te beleedigen als om beleedigd te worden: niets
van die zachte humaniteit, die men. ondanks alle gezag van spreu-
ken als „lngenuas didieisse fideliter artes" etc. nog veel beter van
zijn moeder kan overnemen, dan uit de classieke literatuur halen.
Trouwens hij verstond maar zeer weinig Latijn.
Indien robertur nurks zeker wist dat gij half verliefd waart, hij
zou de gelegenheid vinden om het voorwerp uwer stille genegenheid
in het gesprek te pas te brengen , onder de voor u hartdoorsnijdende
-ocr page 39-
2:
bijvoegelijke naamwoorden van „leelijk, dom, onbeduidend, mal",
ot dergelijke. Ivende hij mijn lievelings-auteur, hij haalde er in gezel-
schap de leelijkste plaatsen uit aan, met bijvoeging van ,,zoo als
uiLUKiiBAXDS hooggeloofde die ot\' die zegt". Waagdet gij nog eens
een oude anecdote, die u veel genoegen verschaft had, waarvoor gij
dus billijk eenige genegenheid voeddet, en waarvan gij u ook deze
maal nog al vrij wat beloofdet, omdat allen zich Kielden als of zij
haar niet kenden: hij bedierf er de uitwerking van , door juist als\'t
op de aardigheid aankwam, het verhaal al raffelende voor u af te
maken, van den Eukhuizer Almanak van \'t jaar één te spreken, en
te zeggen dat alle anecdotes laf zijn, en dit er een was, die hij hon-
derd malen van u gehoord had. In \'t kort, hij kende al de zwakke
E kaatsen van uw familie, van uw verstand, van uw hart, van uw lief-
ebberij, van uw studie, van uw beroep, van uw lichaam, en van uw
kleerkast, en had er vermaak in , ze beurtelings pijnlijk aan te raken.
En ik weet niet welke bezwerende of magnetische kracht hij op
u uitoefende, om u geheel weerloos te doen zijn.
Het zal nu drie jaren geleden zijn; ik moet zuinig omgaan met ja-
ren, want ik ben nog zoo jong; dat mijn neef stuks mij op zaterdag
den 11\'len Juli — gij kunt den almanak nazien of het uitkomt — we-
der een steen zond, die mij dan ook als zoodanig op het hart viel.
Hij zou morgen, na ochtendkerktijd. bij mij komen, en \'s avonds met
den wagen van achten weer vertrekken. De uren daartusschen zou-
den wij aan de vriendschap en het genoegen offeren. —Ondertus-
schen nad ik plan gemaakt voor eene andere vriendschap en een
ander genoegen. Ik had een Leidschen makker bij mij gelogeerd, met
wien ik te Zomerzorg eten zou, om vervolgens over Velzerend naar
Velzen te wandelen, waar wij den nacht zouden doorbrengen om
\'s morgens naar de Breezaap te gaan en aldaar wat te botaniseeren,
waarvan wij beide groote liefhebbers zijn. Ik hoop dat niemand
van mijne lezers mij daarom verachten zal. naar de gewoonte van
vele menschen, die aan de waarde en het gehalte van genoegens
twijfelen, die zij niet in staat zijn te beoordeelen. Mijn neef nurks
behoorde tot dezulken.
Het opgeinelde plan was met groote opgewondenheid en \\veder-
zijdsche goedkeuring gemaakt. Het was als of onze zielen er in
samensmolten. Ik beloofde mijnen medischen student; wiens naam
omdat hij bang voor reeensenten-hatelijkheden is, ik heb moeten be-
loven te zullen verzwijgen, en wien ik daarom voor\'t gemak boer-
iiave zal noemen: ik beloofde mijnen medischen student, behalve
de schatten van de Breezaap, ook nog bloeiende exemplaren yan
Aristolochia Clematitis, op den weg tusschen Zomerzorg en Velzer-
end en, daar hij ook eene verzameling van conchiliën er op nahield,
stond hij in lichterlaaie verrukking, toen ik hem verzekerde dat op de
hoogte der Blauwe Trappen de wijngaardslakken over uw laarzen
-ocr page 40-
22
kruipen of \'t zoo niets is. — Maar de steen uit A msterdam verbrü-
zelde al die zaligheden, en het gansche plan moest worden uitgesteld
onder de voor ons verschrikkelijke gedachte, den geheelen dag
in Den Hout te zitten; want een fatsoenlijk A msterdammer komt
alleen in Den Hout.
De opoffering viel ons moeielijk, en ik verdacht den hupschen
boerhave (die niet zooals ik den band des bloeds gevoelde, en daar-
enboven een onbepaald vertrouwen koesteren moest op de weten-
schap, die hij beoefende) van den heimelijken wensch, dat mijn lie-
felijke nurks, van wien hij zich half bij instinct, half door mijne
kwaadsprekendheid, niet veel goeds beloofde, tusschen zaterdag-
avond en zondagochtend eene kleine ongesteldheid mocht ontwa-
ren, die hem mocht doen besluiten tot een kort briefjen op de eerste
schuit enz.; maar ik wenschte hem op een allerliefste buitensocië-
teit vol „vermoakelijkheden", of op een dolprettig diné aan den
Berenbijt, met drie leden van De Munt en zeven van Doctrina,
waar men elkander allergeestigst met het wederzijds ophemelen
der beide sociëteiten plagen kon , tot groote bemoeilijking van den
elfden man, die lid van beiden was, en den Doctrinisten wel gelijk
wilde geven, omdat ze de meerderheid hadden, maar den Munters
niet afvallen, omdat ze de grootste heeren waren. In een dergelijk
gezelschap had mijn vriend nurks, die in de universaliteit van den
elfden deelde, dan gelegenheid gehad om zijn hart te luchten over
den „lastigen dikken weerga" (een oom van een der gasten), die al-
tijd den Haarlemmer las als hij hem wou hebben, in de eene, en ,,den
onverdragelijken langen zwiep" (een vollen neef van een ander der
aanwezigen), in de andere, die altijd pot maakte als hij pas begonnen
was carambole te spelen. Edoch het was bestemd, dat hij den zondag
van den loden Juli in den Haarlemmerhout zou doorbrengen.
„Ha, hoe inaakje \'t, rob!" riep ik uit toen hij binnenstapte. „Mijn
vriend, de student boerhave, neef\'. — Was het valschheid dat ik
hem hartelijk ontving? Ik geloof neen. Toen ik over het plan van
Zomerzorg en de Breezaap heen en hij werkelijk daar was, nam ik
er den besten kant van, en ik had hem toch ook in zoo lang niet
gezien.
„Best, iongen; — mijnheer, je dienaar! Jongens, wat is me dat
end van de Amsterdamsche poort weer tegengevallen!"
„Mijnheer moet anders aan lange enden gewoon zijn," merkte
boerhave aan, ik geloof om zijn aardrijkskundige kennis van de
hoofdstad te toonen.
„Ja dat is zoo", zei nurks, met een bijzondere kracht op \'t
woordje is; „maar daarom juist, als men zoo\'n mal klein stadje
als Haarlem de eer aan doet, wil men \'t liever niet."
Nurks wierp een blik in den spiegel. Zijn eene halsboord had
-ocr page 41-
23
het door de warmte; het was zeer warm weder dien dag, vooral in de
diligences; had het door de warmte te kwaad gekregen, en lag in
zwijm over den rand van zijn strop.
„Malle dingen! Anders een goed fatsoen. Ik hou niet van die
ronde boorden."
Boebhave en de nederige inwoner van het malle, kleine stadje
waren er mooi mee; hij verbeeldde \'t niet gezien te hebben.
„Kanje nog al niet rooken, hildebband ?"
Ik vloog naar den portecigares en bood hem dien\' aan.
„Hebje nog altijd dat strooien soortje?" zei hij, de punt van
degene j die hij genomen had, met het ongeloovigste gezicht van
de wereld afbijtende, en toen zijn vroeger onderwerp weer opne-
mende, daar hij nog niet genoeg van had:
„Jongens, ik vind dat het zoo mal staat als iemand niet rooken
kan. Hij zit altijd met zijne vingers ergens aan. Ik ken nog iemand
die nooit rookt, maar dat is de miserabelste kerel van de wereld."
Ik begreep dat ik al vrij veel kans had om, bij eventueel over-
lijden van dien heer, denzelven in zijn hoogen rang in de schatting
van mijn neef op te volgen.
Nu volgde een gesprek, voornamelijk bestaande uit eenige infor-
matiën naar wederzijdsche kennissen, waarin geen enkele onaan-
genaamheid voorkwam, dan dat hij, toen ik naar een zeer intiemen
vriend vroeg, dien hij zeer wel kende, noodighad zijn geheugen op
te scherpen met de herinnering, „of het die was, wiens broer die
smerige affaire met de politie gehad had", opdat boebhave, die
daartoe al den tijd had, zoo mogelijk allerlei vermoedens tegen de
familie zou kunnen opvatten. Ik weet niet of hij het deed: maar kort.
daarop verliet hij ons een oogenblik om een kmjpbriefjen af te vaar-
digen, welk punt des tijds onmiddellijk door ntjbks werd waargeno-
men, om mij met de aanmerking op te winden:
„Die vriend van jou lijkt sprekend op dien sehoenenjood, die-
altijd op den hoek van de Vijzelstraat en Heerengraeht staat;" — en
toen ik groote oogen opzette, •— „och ja, je weet wel. die leelijke
kerel! net of hij een trap van een paard gehad heeft."
Nu, op dat oogenblik kwam boebhave weer binnen. Over de
gelijkenis met den schoenenjood, op den hoek van de Vijzelstraat en
de Heerengracht, kon ik niet oordeelen , omdat de respectieve aange-
zichten der respectieve schoenen joden van Amsterdam mij niet
duidelijk en onderscheiden voor eten geest stonden; maar op mijn
vriends gelaat iets te lezen, dat denken deed dat het ooit in eenige
on vermakelijke aanraking geweest was met het viervoetig dier door
den vleienden ntjbks genoemd, was mij t\' eenenmale onmogelijk.
Wij gebruikten koffie en brood, welke beide artikelen de eer had-
den de volkomen goedkeuring van mijn neef weg te dragen. Wel
beweerde hij de nadeeligheid van de eerste zonder melk te drinken,
waaraan zich de medicus schuldig maakte, en verzekerde hij dat hij \'t
-ocr page 42-
2t
altijd aan iemands teint zien kom „want het teint werd er leelijk van ;"
maar toen de medicus er voor uitkwam dat hij medicus was, en in
die hoedanigheid daar nooit van gehoord had. veranderde hij van
batterij, en begon mijn vriend een verkwikkend tafereel op te han-
gen van de veelheid der jonge doctoren, die in Amsterdam, zonder
brood, op dure kamers woonden en allerlei laagheden doen moesten
om een bus te krijgen , en dergelijke opwekkelijke voorstellingen meer,
recht geschikt om een medicina1 candidatum in zijn studiën aan te
moedigen: terwijl hij ze allen bekroonde met de plechtige verklaring
.,dat er niet één medicus in de wereld was. wien hij , BOBERTITS ntrics,
wat hèm betrof, zelfs maar over zijn kat vertrouwde."
Wij gingen Iloutwaarts. Het was ruim één ure. Xu, alle welopge-
voede dingen hebben hun gestelden tijd. De nachtegalen komen in
\'t voorjaar, de vinken en lijsters in \'t najaar: de zon schijnt bij
dag, de kaars bij avond, en de maan bij nacht. Zoo is het ook
met de menschensoorten. A1 wie met de duizend en een species
van het genus Haarlemmer bekend is, weet dat zij allen des zondags
haar verschillenden wandeltijd hebben: iets. \'t welk zeer natuurlijk
wordt, als men aan den verschillenden eettijd denkt, en daarbij in\'t
oog houdt dat er veel mensehen naar de middagkerk gaan, terwijl
een groot gedeelte niet weet dat er een middagkerk is. Als men alle
deze species rangschikt, en men tevens achtslaat op de vreemde
vogelen, die uit andere luchten opeen zonnigen zondag komen aan-
waaien, dan zal men een aaneengeschakelde opvolging hebben, niet
ongelijk aan die der elkander, naar de schoone vergelijking van
homerus, als boombladeren wegstootende geslachten in het bestaan
des menschdoins. of aan die der elkander voortstuwende barbaren
van het Europa der vijfde eeuw.
Zoo zal de natuuronderzoeker, die des zondagsmorgens de kerk
verzuimt of naar de vroegpreek is geweest (wat ik liever onderstel-
len wil) en om tien uren , half elf, in Den Hout komt, op het Plein of
bij den Ivoekamp (de naam is niet welluidend), eenige zwermen feest-
vierende vogels van den Haarlemmerdijk inhalen, per schuit van ze-
venen uit Amsterdam vertrokken. De mannetjes zijn blauw of zwart
geteekend en hebben sliknatte, fijngekrulde bakkebaarden. Ze zijn
voorzien van lange steenen pijpen, waaruit ze óf rooken, öf die ze
losjes bij den kop tusschen de vingers houden en zoo. met den steel
naar beneden, onverschillig laten slingeren. Merk de regensehermen.
De wijfjes zijn wit. Zij houden haar opperkleed op, zoo dikwijls ze
over een droppel water stappen, en dragen \'t geheel opgespeld als er
wezenlijk plassen liggen van den regen van zaterdag. Zij eten gesta-
dig uit haar zak: sommigen in den zwerm hebben daarenboven nog
een toegeknoonte kinderluur met mondkost bij zich. Men ontmoet
ze meestal in Koppels van negenen: twee mannetjes op zeven wijf-
je». Ze dwalen een heel end ver, somtijds wel tot Heemstede of de
Glip af, maar strijken \'s namiddags, onder een kruik bier en een
-ocr page 43-
25
bosje scharren, aan de Groene Valk of in den Aalbessenboom ne-
der, om met de laatste schuit naar Amsterdam te vertrekken, ter-
wijl intusschen de toegeknoopte kinderluur van knapzak tot een
korfje is omgeschapen , om „blommen" in thuis te brengen , die drie
weken lang in een aarden melkkan /.onder oor, in een klein \\vin-
keltje, of op den bovensten trap van een kelder, hier zonder licht,
en daar onder den frisschen adem van een stinkend riool, het geluk
en den rijkdom zullen uitmaken van iemand die garen en band
verkoopt en tevens besteedster is, of van iemand die turf en hout
slijt en tegelijk uit werken gaat.
Wandelt de natuuronderzoeker voort, dan ziet hij in \'t voorbij-
gaan eerst nog een dergelijken troep, die zich in den aanblik van
het Paviljoen verlustigt, en waarvan al de individu\'s, om zich te
overtuigen dat het geen droom is, zich met beide handen aan de
spijlen van het hek vastklemmen , zich bij geen mogelijkheid kun-
nende verklaren wat voor aardigheid of vroolijkheid er wezen mag
in de groep van Laokoiin, maar op dit punt overeenkomende, dat
de W in het frontispice „wv/llem\' beduidt.
Meergemelde natuuronderzoeker heeft even de Dreef verlaten , om
in de verrukking van deze vreemdelingen te deelen, maar gaat nu
door een allerliefst laantje, waarin de ochtendzon allergeestigst
door \'t hoog geboomte speelt. op de „logementen" af. Hij wandelt
een gele barouchette en een blauwen ehar-a-bancs voorbij , die hij
onder \'t geboomte uitgespannen ziet, als ware \'t om menigeen van
huns gelijken derwaarts te lokken. Hier is alles nog doodstil.\'t Is een
liefelijke morgen. Een enkel heer met een grijzen paardenharen
Saksen-Weimar, bruinen rok, grijze zomerbroek, Engelsche spik-
kelkousen, lage schoenen en een tenger, hoogstfatsoenlijk uiterlijk,
zit aan een der houten marmeren tafeltjes van het „ Wapen van
Amsterdam" voor de deur, zeer op zijn gemak een boek te lezen.
Een dikachtig heer met roode wangen en een opvliegend voorkomen ,
met zwarten rok en in \'t kort, leest er steunende op zijn stok een
courant, zonder tafeltje op een stoel neergevallen. Een jonge vrouw,
eerst onlangs uit het kraambed hersteld en nog een weinigje
bleek, zit aan een ander tafeltje, waarop uitgediend ontbijtgoed
staat, met een lief mutsje met lichtblauw Zeister op en een licht-
blauw japonnetje aan, gemakkelijk in haar stoel geleund, te breien ,
en wijdt van tijd tot tijd haar aandacht aan haar kindermeid, die
met een Amsterdamsche kornet op \'t hoofd, of liever aan\'t hoofd,
want dat soort van mutsen laat het hoofdhaar tot de kruin toe
onbedekt, en een rozerood japonnetje met een zwart schort met
puntjes voor, op everlasting schoenen, met kruislinten net als
mevrouw, over het schelpenpad aan den overkant rustig voorttrip-
pelt, met aan de eene gehandschoende hand een kind van twee jaar,
met een baleinen valhoedje met rozeroode strikjes en, aan de andere,
een van drie, in bengeltjes; welke kinderen zij. zoo dikwijls als zij
-ocr page 44-
26
iemand tegenkomt, wien zij een goed denkbeeld van hare opvoeding
of van haar dienst geven wil, met het plechtige „uwé" toespreekt:
„Spreekt uwé niet tegen ineheer, sorsetje? — Foei fbanswatje
wat maakt uwé uwees handjes vuil met die schullepies". — Aan de
Hertebaan vertoonen zich hier en daar een paar jonge dames, in
\'t bloote hoofd, en in een costuum, dat zij „zoo geheel buiten" noemen,
en \'t welk voornamelijk gekenmerkt wordt door sterk gekleurde zij-
den schort jes, bezig met „aan de lieve beestjes eten te geven". •—Dit
nu zijn de gelukkigen, die bij stoffels logeeren. — In de Sociëteit is
nog niemand, maar een tweetal knechts, een volwassene en een
jongen die nooit volwassen worden zal, staan tegen elkander over
in het middelste deurraam met de handen op den rug het talent
van zociiEtt te bewonderen, dat de heeren van trouw moet blijken
in de gelegenheid gesteld heeft tot de schepen toe te zien, die door
\'t Sparen gaan. — In \'t logement op den hoek zit een Zaandamsche
familie, gisteren aangekomen, al de mannen zeer lang, en in een
volmaakt pak blauwe kleederen uitgedost, met zwarte dassen en
witte onderdassen: de vrouwen met de nationale kap, en zwarte
tanden. Zij drinken reeds koffie, en laten zich van den kastelein, die
de vrijheid neemt van in de deur te blijven staan , omtrent vele we-
tenswaardige dingen onderrichten. Opmerkelijk is, tegen een der
palen en daarenboven op een stok geleund, een gebrekkig man , niet
zoo zeer een bedelaar, als wel een afwachter van aalmoezen; een
dier onsterfelijken, die de oudste Haarlemmers altijd even oud en
altijd even beschadigd, daar gezien hebben. Sommige verdenken
hem van een stilleverklikker te zijn; ik geloof het niet; maar indien
hij het is, dan is hij het zeker alleen maar om aan de kindskinderen
te verklikken op wat wijze hunne grootvaders in Den Hout hun\'geld
verteerden.
In dezen toestand blijft Den Hout tot elf uren of half twaalf. Alsdan
rukt de voorhoede der Haarlemsche wandelaars er in. Zij bestaat
voornamelijk uit dezulken, die zich de zes overige dagen, aan beroep
of nering gebonden, van alle vertreding spenen moeten, en dus
des zondags de grootste appetijt hebben. Het zijn de kleine winke-
liers met lange roksmouwen; de boekhouders met watten in de ooren;
de ambachtsbazen met hooge hoeden, lange panden, en lange len-
den; allen met hunne vrouwen één, en met hunne dochters drie
graden boven haar stand gekleed, en alleen in dit bijzondere geval
met hunne zonen, wanneer deze het niet zóó ver in de wereld hebben
febracht om zich hunner te schamen ; want er vallen secretariekler-
en, ondermeesters en kleine bloemisten onder voor; maar indien
dit het geval niet is, dan ook kunt gij zeker zijn, vaderen zoon met
gelijke en gelijkvormige rottingen te zien voortschrijden. Voor het
overige bemerkt men reeds nu een enkel jong mensch uit deftiger
stand, hetzij dan een notarisklerk of een surnumerair bij het
gouvernement van Noordholland, die, daar hij geen schepsel wist
-ocr page 45-
•11
te verzinnen, aan wien hij na kerktijd een bezoek schuldig was, nu
maar naar stoffels stapt en. verbaasd van daar nog niemand van
zijn kennis te ontmoeten, zich met den hond van den kastelein
behelpt, die door zijn innemende vriendelijkheid bewijst dat mijn-
heer habitué is.
Hem volgen, tegen halftwee, twee uren, de deftige bewoners
uit de stad. De fabrikant met zijn familie, de notaris met zijn fa-
milie, de boekhandelaar met zijn familie, en de wereldsche kinde-
ren van den geestelijke, zonder hunne ouders. Ook komen nu de
bloemisten van den Kleinen Houtweg met vrouw en kroost opzetten.
Voorts bemerkt men zusters met haar eerste voiles. die met broers
met hun eerste rokken gaan wandelen, op hoop van andere zusters
met voiles en broers met rokken tegen te komen; en reeds nu en
dan een enkel rijtuig, als b. v. de sjees van den dokter, die met zijn
beste tuig en zijn vrouw een toertje doet, en het wagentje van den
frutter, die geen pleziergekl betaalt, alweer tegenkomt: voorts de
emi-fortune van den kleinen rentenier; maar ook reeds het blin-
kend verlakte rijtuig met de zwarte harddravers met witte koorden
leidsels van den welgestelden makelaar, en het rijpaard van den
kostschoolhouderszoon; alles doorkruist en voorbij geredeu van
Amsterdamsche char-a-bancs voor twaalf personen, daar er veer-
tien met een kind, en calèches voor drie, daar er vijf met een hoe-
dendoos in zitten, schoon ik zeggen moet dat de meeste dezer laat-
sten in de stad uitspannen.
Het gebeurde alzoo dat, als wij drieën om één uur de Houtpoort
uittraden, wij noodwendig op hun terugtocht tegenkwameu de kleine
winkeliers met de lange roksmouwen, de boekhouders met de wat-
ten, de hooghoedigen, de langpandigen, de langlijvigen enz. en
als \'t ware aankondigden de komst der notarissen . der fabrikanten,
der boekverkoopers, der doctoren, der apothekers, der bloemisten,
der zusters en broers enz., die nog achter ons waren.
„Wat zien uw stadgenooten er over \'t algemeen peu fashionable
uit!" zei nuhks, met dien bijzonderen lach, die de Engelschen
a sneer noemen, een zeer druk en aangenaam gesprek afbrekende
eu oogenblikkelijk weer opvattende, om mij het antwoorden te
beletten
Een boom of wat verder pleegde hij\' mij hetzelfde boevestuk
met den uitroep:
„Ik dacht dat er zooveel beau-monde in je menniste Haarlem
was!" en weder vergunde hij mij niet in het midden te brengen,
dat de geheele deftige middelstand nog achter onzen rug was, die
niet voor een uur later, eerst door de hoogere ambtenaars, en daarna
door de haute volée zou worden opgevolgd. Hij wist het ook trou-
wens even goed als ik.
Wij namen plaats bij stoffels. De onbeleefdheden , die tot nog toe
alleen aan ons beiden verkwist waren, werden mi ook algemeen
-ocr page 46-
28
verkrijgbaar gesteld. Ik zat nog niet, toen kurks al uitriep, zoodat
al de belendende gezelschappen het hooren konden:
„Lieve hemel, iiii.d, wat hebje een mooi vest aan; dat had ik
nog niet van je gezien; jammer dat het fatsoen een paar modes ten
achteren is".
13e leelijkerd had duidelijk lnmierkt, dat ik het voor \'t eerst aanhad
en er van tijd tot tijd met innig welgevallen naar keek. Ik stak on-
middellijk mijn beenen onder de tafel: want het was mij op zijn
minst vijfenzeventig maal gebeurd, dat hij. met een opgetrokken
neus naar de punten van mijn schoenen loerende, mij had afge-
vraagd: ..Waar laatje die turftrappers maken?"
Van een goedigen krulhond, die met veel liefde door een oud man
gestreeld werd. heette het ., Wat een mormel!" Van een paar schim-
mei tje», die voor de deur stilhielden en waarmee de eigenaar met
groot zelfbehagen pronkte: „Leelijke koppen!" Van het kindje
in beugels, dat al van half elf gewandeld bad en er schrikkelijk
verhit uitzag: „Als ik er zóó eentje had. deed ik het een steen om
den hals\'. Alles luid genoeg om verstaan te worden door de respec-
tieve eigenaars van het mormel, de leelijke koppen, en den jongen
heer. Kr zat een statig man, wiens geluk half weg was, omdat hij
in den morgen bloemen gezien hebbende in het „Cieraad van Flora",
bij het inkruipen van een enge broeikas, eenigszins aan een spijker
was blijven baken. Hij had daar toen niet veel acht op gegeven,
maar nu rustig in Den Hout een sigaar zittende te rooken ontdekt hij
te midden zijner overpeinzingen een kleinen winkelhaak in zijn
pantalon, vlak bij de knie. Hij had het zoo haast niet gezien of hij
wierp er met veel handigheid zijn zijden zakdoek over, maar te laat
om de aanmerking van xi\'rks te ontgaan, die juist op dit zelfde
oogenblik tot ons zei: „Ik mag wel zoo\'u maneschijntje\'. De bloem-
liefhebber kreeg een kleur als een Cactus Speciosa, om welke
te verbergen hij in verwarring naar zijn zakdoek greep om zijn neus
te snuiten, zoodat de maan weer plotseling door de wolken brak,
tot groote vroolijkheid van een gezelschap Amsterdamsche jutfrou-
wen en heeren uit een manufactuur-winkel, die zich op dien merk-
waardigen dag op zijn minst voor staatjufferen en kamerheeren
van Vj. M. den koning wilden gehouden hebben.
„Is dat een rok van je vader?" vroeg .stuks grappig aan den jon-
gen, die hem zijn limonade bracht, en zich zeker niet zeer bekrom-
pen in dat kleedingstuk bewoog.
„Ik heb geen vader," zei de arme jongen, en het ging mij door de ziel.
De beau-monde verscheen met al zijn gedistingueerde geuren en
kleuren; met al de pracht van vederen, sjaals, parasols, mantil-
les. amazones, koetsiers, rijtuigen en rijpaarden. Ik had het onge-
luk gehad NURKS te voorspellen, dat hij een brillante nieuwe equi-
page zou zien. Hij kreeg die zoodra niet in liet oog, of hij vroeg
mij ongeduldig:
-ocr page 47-
28
„Wanneer komt mi die mooie equipage, waar je van gesproken
hebt?"
En zoo was het telkens, tot groote ergernis van boebhate, die
evenwel nog al aardig vrijliep, maar wiens horlogesnoer ijselijk door
nurks gefixeerd werd, zoodat hij alle oogenblikken dacht dat er iets •
op komen zou, en eindelijk dan ook zijn rok maar toeknoopte. Ik
herinner mij nog slechts twee onaangenaamheden, die nurks mijn
goeden medicus deed doorstaan, doch die even als de aangehaalde
zich ook alleen hij het physiononiisch hatelijke bepaalden. De eene
was deze. Wij spraken over de ongelukken, die men met zwemmen
kan krijgen. Op een warmen zomersenen dag is \'t een wellust om
over water te handelen. Boebhate verhaalde een treffend geval van
schitterende zelfopoffering in een zwemmer, buitengewoon genoeg
om al de eerepenningen der Maatschappij tot Nut enz. te verdienen,
indien deze \'t niet tot regel gesteld had, alleen dezulken te beloouen
die niet zwemmen kunnen, maar althans buitengewoon genoeg om
een steenkoud hart te doen ontgloeien. Xurks evenwel hoorde het met
de volmaaktste onverschilligheid aan en nam zelfs onder \'t verhaal
allerlei bijzaken waar. Nu eens, bijvoorbeeld, scheen hij zich met
de borst toe te leggen op het vormen van kunstige kringen van
tabaksrook: dan weder blies hij , volmaakt in de houding van iemand
die volstrekt niets anders te doen heeft, de sigaarasch van zijn knie.
en zelfs van de tafel; dan weder scheen hij al zijn aandacht en be-
langstelling te wijden aan zijn nog altijd ziekelijken halsboord, die
nog telkens nieuwe aanvallen van flauwte had: welke veelzijdigheid
van oefening mijn opgewonden vriend, die van geestverrukking gloei-
de, op den duur weinig streelde. Hij trof het even ongelukkig met het
verhalen eener splinternieuwe anecdote van drie Leidenaars, waar
ik met mijn heele familie den vorigen avond tot schreiens toe om
gelachen had, met groot gevaar van in ons warm brood te stikken,
maar die totaal schipbreuk leed op de stalen onbuigzaamheid van
mijn heer en neef, die ditmaal in een ander uiterste viel, en zeer
geduldig en ingespannen zat te luisteren, ja zelfs zoo geduldig en
ingespannen, dat het hem scheen te treffen dat het verhaal waarlijk
uit was, en hij nog altijd op het slot en de aardigheid zat te wachten,
die, indien men zijn gezicht had willen gelooven, nog immer komen
moesten. Mij is niettemin van goederhand verzekerd, dat opgemelde
neef èn de edelmoedige menschenredding èn het geval der drie
Leidenaars, nog dien zelfden avond, met zichtbare blijken van
zelfbehagen heeft medegedeeld op de diligence; gelijk hij ze ook
beiden des anderen daags wist te pas te brengen op Doctrina,
aan zijn tafel, en in de Munt, en in den loop van de week te
pas te jagen op twee concerten en in vijf koffiehuizen (zoodat ik
met grond onderstel dat hij er nu de harten der liplappen en der
blauwen in de West mee verkwikt); en al wie de eerste niet
„verbazend" en de laatste niet „om te schreeuwen" vond, wist
-ocr page 48-
30
hij oogenblikkelijk iets stekeligs te zeggen op het gevoelig punt
van bakkebaarden en stropdassen.
Er kwam muziek. Drie dames met lange reticules en opmerkelijk
door roode linten op de muts, oranje tissu\'s om den hals en voor-
schoten met diepe zakken met schuifjes. Eene breede sproeterige
Salto met een hooge sproeterige harp in het midden, en twee ta-
nige vrouwen. die met handen vol diamanten, die een sterken
familietrek van glas hadden, op de viool speelden. „Drie poetjes
van gratietjes". zei nurks lachende, en luid genoeg om een langen
procureursklerk mee te doen lachen, die veel verder van hem af
was dan de gratietjes in <]usestie. Het snarenspel begon. Nurks stopte
van tijd tot tijd den vinger in de ooren, dat toch niet opwekkelijk
wezen kon voor drie kunstenaressen, die ook wel wisten dat het zoo
heel mooi niet was, en ook niets verder bejaagden dan een dubbeltje
of een stuiver van elk der toehoorders, en een weinigje geduld. ï)e
violen hielden met een fiksche kras op, en de harpspeelster hief,
met een eenigszins schorre stem, en juist voor de drieëntwintigste
maal op dien gedenkwaardigen morgen, het toen even zoo min als
nu nieuwe, maar altijd sleepende
Flm — re du — Ta — ge !
aan.
„Ba: wat is ze leelijk als ze zingt", klonk het, dwars door de aan-
doeulijke woorden der romance heen, uit den heuscheu mond van
bobertus, wien het zeker nooit in\'t hoofd was gekomen dat ook een
firine vrouw ijdelheid zou kunnen hebben.
Het lied Hen verder zonder stoornis af; zoodat de reticule geo-
pend kon worden, om het bekende rood verlakte flesschebakje met
blinkenden rand te voorschijn te brengen. Ik had er een gulden op
willen leggen, indien de zangeres nurks niets gevraagd had. Maar
er was geen houden aan: dus gaf ik maar een dubbeltje. Zij kwam
tot nurks.
„Hoeveel octaven kan jij wel zingen?" vroeg hij werkelijk
grijnslachende, maar tegelijk een vijf je op \'t blaadje leggende; want
zoo was hij.
Men moet in den handel ook het vuile geld aannemen.
„Merci, monsieur", zei de harpspeelster, met neergeslagen oogen
en was reeds bij den man met den gescheurden pantalon.
De lange procureursklerk was middelerwijl van plaats veranderd,
en zat nu toevallig aan een tafeltje, \'1 welk de virtuoze aireede was
voorbijgegaan.
De violen hadden ondertusschen lustig doorgespeeld; ik weet niet
of men er te milder of te kariger om gegeven had. Nu werd er nog
een zeer korte, zeer vlugge trio uitgevoerd, waarop al de dames al de
oogen nedersloegen, al de lippen bewogen, negen, en vertrokken.
-ocr page 49-
81
Thans zag een eeuloopend klarinettist, zonder hoed, de baan schoon
om ook zijne talenten te doen hooren.
„Altijd hier in het land een opeenvolging van slechte muziek",
merkte nurks aan.
„Och, ik vind het nog al vroolijk", zei ik bemiddelend.
„Ja maar", zei hij, mij strak in de oogen ziende, en een lange
teug limonade nemende — „ja maar —ik geloof, om je de waarheid
te zeggen, niet dat je heel muzikaal bent."
Nu, voor deze laatste onhebbelijkheid behoeft uien geen robertus
nurks te wezen. Daartoe acht zich, volgens mijne ondervinding, ie-
der liefhebber gerechtigd, die in zij n huis een eerste en eenige, en in
het een of ander orkest een tweede viool speelt, en een derde spelen
zou, indien er een derde viool bestond; ja, ik heb er onder de pauken-
slagers gekend, die in dit opzicht de erimineelste waren. Och, al is
men maar iemand, die op een concert de hand met zekere majesteit
onder de kin kan leggen en de oogen toeknijpen met diep gevoel, om
ze niet dan bij een point d\'orgue schielij ken geheel verward, en ala
kwam men uit eene andere wereld (uit de wereld der inbeelding bij
voorbeeld) open te doen; — of al slaat men er zelfs maar met zekere
wijsheid de maat met het opgevouwen affiche of met den geglaceer-
den wijsvinger; — of al heeft men maar even den slag om, bij net we-
derkeeren van het thema in een groot muziekstuk, een lachje, liefst
een zenuwachtig lachje, voort te brengen, dat met telegraphische dui-
delijkheid zegt: „we zijn weer thuis"! —of al heeft men maar alleen
de vereischte bekwaamheid om van een zangeres, die algemeen be-
vallen heeft, met een diep noodlottig neergelaten wenkbrauw en al-
lerbedenkelijkst hoofdschudden te decreteeren, „weinig methode";
— of den tact om classieke van romantieke muziek te onderscheiden
en te zeggen: „ik hoorde toch liever lafont of ueriot dan de eich
horxs ot ernst" ; — ik zou zeggen, al heeft men slechts eenmaal een
blad muziek gecopiëerd; met een van alle deze muzikale ver-
diensten toegerust, heeft men eens vooral de bevoegdheid op de
rest van \'t heelal met verachting neer te zien en alle verdere crea-
turen, zoodra ze zich iets omtrent de goddelijke toonkunst verstou-
ten, in haar aangezicht te verklaren dat ze niet muzikaal zijn. Die
onbeschaamdheid hebben de speelmannen, horenblazers, doede-
laars, tokkelaars, en trommelslagers op de kunstenaars van andere
vakkeu vooruit, (xeen schilder, wanneer gij in zijn atelier komt en
gij zegt iets van zijne of eens anders schilderij , hetzij juist of minder
juist, zou de onbeleefdheid hebben van te zeggen: „Ik geloof niet dat
mijnheer veel oog op de kunst heeft". Green auteur, voor wien een
fatsoenlijk mensch zijn gedachten uitbrengt over een roman, een
gedicht, of een vertoog, zal hem durven vragen: „of hij eigenlijk
wel smaak en gezond oordeel heeft". Maar de muzikanten! Zij heD-
ben met betrekking tot hun kunstvak zich dezelfde onheuschheid
aangewend, die mijnen neve nurks was aangeboren, en ik heb jonge-
-ocr page 50-
82
-
lieden ontmoet, uit de beschaafdste kringen, „every inch gentlemen",
die oj) dit punt volstrekt on verdragelij k waren.
Ik geloof dat ik maar niet meer op mijn neef moet terugkomen.
Ah ik het indenk, weet ik nauwelijks van waar mij de vermetel-
heid is aangewaaid om hem u voortestellen. Ik vertel u nu maar
niet, hoe wij in het „Wapen van Amsterdam" aan de table d\'hóte
dineerden. Hoe hij halfluid fluisterde over de economie van een paar
eenvoudigen , die tegen \'t reglement van den kastelein aan, een halve
flesch voor hun beiden bestelden . en daarna dreigden zich een indi-
gestie te eten aan den bouilli, die na de soep werdrondgediend, in
de stellige overtuiging dat er geen ander vleeseh komen zou; hoe
zijne blikken later den arm verlamden van een deftig heer met gepoei-
erd hoofd , die een taaie kip met een bot mes, natuurlijk niet heel nan-
dig, voorsneed: hoe hij een juffertje, dat nog niet veel van de wereld
gezien had en vlak tegenover hein gezeten was, tusschenbeide zoo
ironisch aanzag, dat zij eerst in \'t denkbeeld geraakte dat zij onbe-
hoorlijk veel at, en derhalve begon voor alles te bedanken, en
vervolgens tot de stellige overtuiging kwam dat zij gemorst moest
hebben, en al haar best deed om een lonk in den spiegel te krijgen
om te weten te komen waar \'t zat: hoe ik, toen wij na den eten de
Hertebaan nog eens omwandelden, in duizend angsten leefde dat
hij een streek met de parapluie zou krijgen van een of ander der
met blauwe jassen geadoniseerde ambachtslieden, die met beminne-
lijke, beminnende en beminde dienstmeiden aan den arm (uitgedost
met zwartzijden hoeden en bruine gepalmde omslagdoeken) met
groote stappen voortschreden, op welker heeren toilet hij niet nala-
ten kon de namen van „twijfelaar, heel stuk laken , kuitendekker", of
„sleepjurk" toe te passen.
Na al dergelijke jammeren kregen wij den goeden, besten, liefde-
kweekenden en vriendhoudenden robektus nurks aan „de Bel" in
de diligence. Nog even stak hij het hoofd uit het portier om ons toe
te roepen: „niet veel zaaks!" \'t welk het reisgezelschap, op goede
gronden, op zich kon toepassen. Daar reed hij heen. Wij wandelden
tezamen nog even de poort uit; want ik noem net hek met alle Haar-
lemmers, die de poort gekend hebben . nog altijd met dien naam. En
toen wij, over het Hazepatersveld heenblikkende, de zon zagen , die
bloedrood onderging en hare schoone tint mededeelde aan de witte
schuimige wolkjes, die als dunne sluiertjes door de lucht dreven,
durfde ik boebhaye een mooien Maandag voorspellen, en vergat hij
in \'t vooruitzicht van bloeiende Aristolochia Clematitis en levende
wijngaardslakken, spoedig geheel en al den beminnelijken bloed-
verwant, waarmee ik hem had in kennis gebracht.
1839.
-ocr page 51-
HUMORISTEN.
Het legher treckt vast in met duizenden, een macht
Zoo groot als "Waterlant noch oit te velde bracht,
En Kennemer, en Vries en Zeeu en Holland t\' zaemen.
gysbrecht van aemstel.
(tjit een brief tan melchiob.)
Beste hildebrand!
Ik verneem met een zeker genoegen, dat er van tijd tot tijd iets
van u gedrukt wordt; met een zeker genoegen , zeg ik; want wij heb-
ben nog samen school gegaan. Ik heb toen altijd wel gedacht dat er
wat in u zat, maar ik wist niet of er ooit wat uit u komen zou. Mijn va-
der zegt evenwel dat bij dat altijd voorspeld heeft, ofschoon ik er mij
niets van herinner, maar wel weet ik nat ik driemaal een hekel aan
u gehad heb, omdat mijn vader u tot een voorbeeld van goed oppas-
sen nam, en ik wist toch dat ge ook wel eens kattekwaad deedt. hild-
je! Denk maar eens aan de klapdeur van het Bonte Kalfje, die alle
morgens om halftien en iederen namiddag om drie uren werd open-
getrokken dat de bel rammelde, een kwartier lang. als her Fran-
sche gebed al lang op school was voorgelezen. — Maar dat daarge-
laten , vriend; ik hoor dat gij weer iets op de pers hebt, en gij zult
mij, op grond van heel goede kennis, wel vergunnen willen, u
eenige raadgevingen mede te deelen. Ik ken menschen, die dat veel
liever doen bij wijze van recensicn : daar zijn er, die de kopij onberis-
pelijk en het gedrukte boek allerdolst vinden: maar ik hou van die
methode niet, en kom liever met mijn raad voorop.
Eerst echter wilde ik u vragen, ronduit vragen, of gij een humo-
rist zilt? Ik denk het half, omdat het tegenwoordig zoo ijselijk aan
de orde is. Kijk hildebrand, als gij een humorist waart, dat zou
me leelijk spijten; ik zou haast zeggen, schoon mijn hart er bij
breekt: — als gij een humorist zijt, hildebrand, leg drie stuivers
uit, koop een touw, en... Maar gij zijt immers geen humorist,
mijn waarde! o Zeg, dat gij het niet zijt.
Daar is tegenwoordig zulk eene ontzettende consumtie van hu-
mor, mijn vriend, dat dit artikel verschrikkelijk duur moet gewor-
den zijn en dan ook bij gevolg akelig wordt vervalscht. Ik ben
overtuigd dat er in iedere kerk , de dominé meegerekend. meer dan
honderd humoristen bijeenzijn. Men komt in geen koffiehuis, men
rijdt in geen diligence, ja wat meer is, men zit in geen „bijwagen"
3
-ocr page 52-
34
zonder een humorist. Het heele land is er van vergiftigd: humoristen
op rijm; humoristen in proza; geleerde humoristen; huiselijke humo-
risten; hooge humoristen; lage humoristen; hybridische humoris-
ten; bloempjes-humoristen; tekst-humoristen; sprookjes-humoristen;
vrouwenhatende en vrouweufieeniende humoristen; sentiinenteele
humoristen; ongelikte humoristen; gedachten denkende humoristen;
boek-, recensie-, mengelwerk", brief-, voorrede-, titelblad-humoristen;
humoristen , die op de groote lui schelden en verklaren dat die geen
greintje gevoel hebben, omdat ze een knecht hebben met galons aan
den rok, en een spelende pendule; humoristen, die het met de be-
delaars houden in de boeken, en ze naar Frederiksoord helpen
sturen in de Maatschappij van Weldadigheid; reizende humoristen;
huiszittende humoristen; tuiu- en prieeltje-humoristen, wier vrou-
wen aan iets anders bezig zijn, terwijl zij humoriseeren; en dan
eindelijk de heele simpele plattelands-humoristen, schoon ze alle-
gaar wel een deel van simpelheid weg hebben, in deze manier: „je
zoudt wel denken dat ik heelemaal onuoozel was, maar \'t is allemaal
lievigheid"! Ik spreek niet van de heele grappige, de zeer onfeil-
bare, en de zeer onduidelijke humoristen .. . Och lieve iiildkbband,
honderd soorten zijn er daar ik niet van spreek, want ze komen uit
den grond op, en ik weet evenmin als in de kennis der kruiden of
men veiliger doet ze te rangschikken naar partes essentiales of naar
habitus, naar een systema naturale of naar een systema artificiale;
wat eigenlijk, waar het den stijl geldt, tegenwoordig het vraagstuk
naar de mode is, waarover gij in \'t Latijn en in \'t Hollandsch, in \'t
beleefd en in \'t scherp, heel veel stichtelijks en afdoends lezen kunt.
Ik kan mij ondertusschen niet verklaren hoe \'t bij zoo veel humor
mogelijk is, dat er nog geen betere definitie van het ding in de we-
reld komt. Lieve hemel! wij drijven in humor, en niemand heeft
adem om te zeggen wat het eigenlijk voor een vocht is. Ik zou dan
haast gelooven moeten dat wij er in verdrinken. In dat geval, kan
men er niet gauw genoeg bij zijn, een drenkelinggenootschap voor
de humoristen op te richten, of een afschaffings-, ten minste een ma-
tigheids-maatschappij onder de zinspreuk: „Laat staan uw humor".
Jean paul pakt het verhevene bij ae beenen, keert het met Rappo-
nische krachten om en zegt: „Ziedaar het humoristische: \'t is niet
anders dan het verhevene met de voeten in de lucht\'". Ik heb allen
eerbied voor die kunstbewerking, maar jean patjl was somtijds
een zeer onduidelijk humorist. Bilderdijk zegt ergens, en zoo niet
in zijne boeken, dan heb ik het uit zijn inond, dat het precies het
Hooftiaansche neskheit is; maar hooft en neskheit r/X]n, wat de „Tes-
selschade" er ook tegen doen moge, zulke oude humoristen, dat ik
1 „Humor ist das Eomantiscli-Komische, das umgekehrte Erhabene, worin
das Endliohe auf das Unendliche, der Verstand auf die Idee angewand wird".
-ocr page 53-
35
vrees dat die aanhaling de zaak voor \'t algemeen niet veel opheldert.
En après tout: wat heeft het algemeen er mee te maken H De hunioris-
ten zijn er, zijn er in grooten getale, en vermenigvuldigen met den dag.
Eerstdaags zien wij eeue koninklijke humoristen-stoeterij. Wat weet
ik waar \'t op uit zal komen? Eerstdaags eene humoristische revolu-
tie, eene op end\' op humoristische orde van zaken, met eene hart-
roerende oude vrijster op den troon, met een kring van sentimenteele
daglooners tot ministerie. Daar zullen in de vergaderzaal de een-
voudige, de onschuldige kindertjes zitten: het leger zal bestaan uit
duivenhartige bloodaards onder den hoogdravendeu naam van mede-
lijdende zielen; het rechterambt zal bekleed worden door menschen
die tegen alle straf zijn, niemaud dan een grijsaard zal er schrijver,
dichter of geleerde zijn mogen of tot de hoop des vaderlands wor-
den gerekend, uitgenomen de humoristen zelve; ieder hunner zal
een goelijken oom en een onnoozelen neef hebben, maar, met uit-
zondering van deze lieve kinderen, zullen de jongelingen als eene
schadelijke uitvinding buiten \'s lands gezonden worden. Geen adel
meer, geen rijkdom, geen livereibedienden, geen. pdté defoiegras,
geen kooien meer voor vogels, en geen modes meer voor dames;
maar een aanmerkelijke invoer van huisjassen, sloti\'en, pijpjes, tuin-
stokken, kinderboekjes, Moeder-de-Ganzen .... Wat ik u bidden
mag, hildebeand, ga niet onder de humoristen!
Ten tweede, enz. enz.
•
-ocr page 54-
DE FAMILIE STASTOK.
De Aankomst.
In het kleine stadje D — werd op een donderdag in de maand Oc-
tober, des namiddags omtrent één ure, de stijle ijzeren trede neer-
gelaten van een gele diligence, rijdende over D — van C — tot E —
vice verca, en uit dezelve daalde, tot groote bemoddering van denge-
nen die hem onmiddellijk volgde, en die niemand anders was dan zijn
eigen cloak, uw onderdanige dienaar hildebrand. Hij had gereisd
met een bleeke dame, die het rooken had verboden en gedurig de
kronkelbochten van haar boa had zitten te verschikken , dan eens had
gezucht, dan eens ingesluimerd was, dan eens eau de cologne geno-
men, dan weer eens geslapen had, en altijddoor leelijk was geweest.
Op dezelfde bank met deze nad een jong juffertje gezeten, in een blau-
wen geruiten mantel, niet gedoken . het denkbeeld is te ruim, maar
gestoken ; een mantel, die, naar een langvergeten mode vatbaar was
om van achteren te worden ingehaald door een klein lapje van de-
zelfde stof, in den vorm van een soupied, op twee paarlemoeren
knoopjes uitgespannen: dezelve juffer had een stroohoed op met
blauw gaas lint met bruine strepen , in groote lissen met stevig sou-
tien opgemaakt. en een hardgeel sjaaltje om den hals. Zij was zeer
bang voor de bleeke dame naast haar, en bleef op een schuwen af-
stand: soms had zij den goeden wil haar in \'t verschikken van haar
boa te hulp te komen, en eenmaal had zij er werkelijk een dikachtig
roodvingerig handje, met een ring, die bijzonder veel op tin geleek,
voor ontbloot: maar de bleeke dame had haar aangeblikt, en toen
had zij haar neus gesnoten, volgens een in den omgang zeer deug-
delijk stelsel, naar \'t welk de neus alle mispassen, voorbarigheden
en malle figuren misgelden moet. Dit was het personeel van de ach-
terste bank geweest. Op de volgende had een jodin gezeten, als een
oostersche edelsteen gevat tusschen twee christenen; zij verborg on-
der een groen nopjesgoed manteltje een klein kind, dat al haar trots
uitmaakte omdat het niet schreeuwde, zelfs niet toen zij het om-
streeks halfweg een schoone luier aandeed. Het kind mi was zeer
klein, en had een zeer groote dot in den mond. Van de christenen,
waartusschen zij gevat was, had de een een grooten rondglazigen
zilveren bril, een zilveren sigaarkoker, een zilver potlood, een zil-
ver horloge, benevens zilveren broek- en schoengesrjen, waaruit ik
opmaakte dat hij een zilversmid was; en de andere een koperen doek-
speld , een koperen tabaksdoos, en een koperen guirlande op zijn buik,
waaruit ik besloot dat hij niet minder dan een banketbakkers mees-
-ocr page 55-
:*7
terknecht zijn moest. De eerste haalde, daar er niet gerookt mocht
worden, den zilveren sigaarkoker een paar malen uit den zak, al-
leen om \'t vermaak te hebben van hem open te doen, er een zilveren
sigarepijpje uit te halen, en er nog iets in te zoeken dat er niet in
was, maar dat, zoo \'t er in was geweest, zeker beter te pas had kun-
nen komen dan het pijpje, en hem vervolgens weer dicht te slui-
ten, na alvorens meergemeld pijpje, eerst met het voor- en daarna
met het achtereinde naar beneden, er in gepast te hebben; de laatste
stak uit de koperen tabaksdoos eene niet onaardige tijdpasseering
in den mond. De zilveren man had eene groote neiging tot spreken ,
de koperen scheen vast besloten te hebben, geen mond open te doen.
De jodin had natuurlijk veel meer achting voor den zilveren; maar
de zilveren was terughoudend voor de jodin. Vóór den zilveren zat
een knorrig, groot dik man, dien ikzelf niet toe dorst spreken,
want hij had twee jassen over elkaar aan, een dikken rotting in de
hand, een kleur als of hij zoo pas van een vechtpartij kwam, en een
uitdrukking alsof hij zich gereed maakte met den eersten die
hem toesprak een vechtpartij te beginnen; het was ongetwijfeld een
commissaris van politie, of een plaatsmajoor in politiek. Aan zijne
zijde sluimerde een jong inensch met gescheiden haar, zoo glad ge-
kamd alsof het uit één stuk was, hooge jukbeenderen, een blauwe
das, een turkooizen doekspeld, een roodgebloemd vest, heele korte
toegeknoopte mouwen aan een langlijvig bruin jasje, handschoenen
met bout, en overschoenen, \'t Was een Duitsch kantoorreiziger.
Daar naast — maar wat heb ik er aan, mijn talent te toonen in \'t be-
schrijven van een reisgezelschap, dat volstrekt niet pikant was, en
dat ik aan het begin van dit opstel reeds vaarwel had gezegd? Om
korter te gaan: ik stapte van de trede, viel eerst bij na in de armen
van een geknevelden neer, met een stijf been en gelen rotting, die
de bleeke dame afwachtte en, bang zijnde dat iemand anders haar
de hand toesteken zou dan ZEd., de zijne alvast uitstak, dook onder
de\'reeds tegen het dak van het voertuig, waarmee ik gekomen was,
opgezette ladder dóór, riep den knecht toe: „die zwarte kotter
met een H!" gaf den conducteur, die met de maal naar binnen
ging, mijn vijfje, een keek naar iemand om, die mijn goed zou kun-
nen dragen zonder in de verzoeking te komen het aan zijn eigen
adres te bezorgen.
„Is uwé meheer willebram, als ik vragen mag?" vroeg een
zwak, pieperig stemmetje, blijkbaar toebehoorende aan iemand, die
nog nooit een onbekende van de diligence gehaald had. De vraag
was tot den commissaris van politie gericht.
„Benje d......mal, kerel\', zei de commissaris van politie.
„Moet hij uit dezen wagen komen?" vroeg op hupschen toonde
man van het maagdelijk metaal.
„Dat zal ik wezen", zei ik, eene nadere beschouwing daarlatende
van de zorg, waarmee het (naar alle gedachtengezelschap-)jutt\'ertje
-ocr page 56-
38
voor haar hoedendoos was aangedaan en die zich uitte in de gedu-
rige verzuchting: „Is dat met me goed leven, kondelteur!\'
Het mannetje, dat vóór mij stond , had zijn opvoeding waarschijn-
lijk in een weeshuis begonnen en was nu bezig haar in een diaco-
niehuis te voltooien. Hij was hoog in de schouders en stijf van
knieën , droeg een langen bruinen duftelschen jas, met het teeken
zijner orde op de mouw. en had onder den arm een versleten porte-
feuilletje, waarin de boeken van een of ander leesgezelschap werden
rondgebracht.
„Ik moest een boodschap voor meheer doen", zei het mannetje, dat
ik voor ongeveer achtenzestig aanzag. „en nu zei meheer, dat ik
meteen reis na\' de dullezan zou gaan, om te kijken of meneer ge-
kommen was. Uwé mot niet kwalijk nemen, dat ik uwé niet trekt kon".
Nu, daar men de alleronmenschelijkste beul zou moeten wezen,
om \'t iemand kwalijk te nemen dat hij u niet kent, indien hij u nooit
zijn dagen gezien heeft, schonk ik den goeden diaconieburger op dit
punt eene volkomene vergiftenis, liet mijn koffertje, totdat het af-
gehaald worden zou, in de „Rustende Moor", en sukkelde met mijn
nieuwen kennis naar het huis mijns ooms; onder het faveur van
onderweg vriendelijk door hem onderricht te worden aangaande
het doel van een groot gebouw met gotische deuren en vensters,
waarop een toren stond met ordentelijke omgangen , appel en weer-
haan , \'t welk hij zeide ,.de kerk" te wezen; als ook omtrent een
breede streep groenkleurig vocht tusschen twee hooge gemetselde
wallen, \'t welk hij verklaarde „de gracht" te zijn.
„En dit is het huis", zeide hij, zijne oude beenen op een stoep
zettende en een goeden ruk aan een lange schel gevende, met die
uitdrukking van gelaat, die bij een oud man te kennen geeft: ik kan
het toch niet hooren of ze zacht of hard overgaat.
De Ontvangst.
Het duurde een minuut of wat alvorens een eigenaardig sloften
in het voorhuis de aankomst eener bejaarde keukenmeid verried,
die eerst natuurlijk den aardappel waaraan zij bezig was, had moe-
ten afschillen, daarna den bak van haar schoot en haar beide voeten
van haar stoof zetten, om vervolgens haar roode muilen aan te
trekken, haar neus met het buitenste van haar hand af te vegen,
haar eva in de schuinte op te slaan, en den langen weg te aanvaar-
den, die van de keukendeur tot bij den barometer twintig, en van
den barometer tot de mat, zes steppen vergde. In dien tusschentijd
bekeek ik den voorgevel van de woning.
Het huis was, als mijn oom, burgerlijk, en schoon het huis ouder
was, was hij toch , zoowel als zijn huis, van een vroeger eeuw. Het had
een trapgevel, en de bovenste verdieping was met kruiskozijnen in
-ocr page 57-
39
het lood. Het had slechts ééne zijkamer, met twee schuiframen met
middelsoort ruiten, versierd door groene gazen gordijntjes op breede
koperen roeden, in het midden een weiiiigje opengeschoven om het
licht vriendelijk uit te noodigen wel te willen beschijnen twee bloem-
potten van mijn tante, onder streng verbod van iets anders in het
vertrek öf op te luisteren ofte verbleeken. Ik was nieuwsgierig of ik
ooit in die kamer zou toegelaten worden. In allen gevalle werd ik
alvast in \'t voorhuis gelaten , en kwam ik spoedig in een achterkamer
met een hoog licht, in de onmiddellijke tegenwoordigheid van mijn
oom en tante.
De ontvangst was recht hartelijk, en de goede menschen die mij
nog nooit in mijn leven gezien hadden, schenen zeer verheugd dat
genoegen te smaken, ofschoon gemeld genoegen bij den eersten
eenigszins scheen verbitterd te worden door de omstandigheid, dat
ik juist op een donderdag gekomen was, als wanneer de voorkamer
„gedaan werd", zoodat men nu achter zat: waarop mijne moei
aanmerkte. dat neef het wel zoo voor lief zou nemen en dat hij
zeker in zijn ouders huis ook wel eens in een achterkamer gezeten
had; waarop neef zei, dat deze een heele lieve achterkamer was, en dat
hij wel van een achterkamer hield; waarop oom zei. dat hij er, al zei
hi] \'t zelf, niet van hield, en tante het met neef eens was dat zij er wel
van hield, waarop oom wat bijkwam met te zeggen, dat hij er \'s
avonds nogal van hield; waarop tante en neef zeiden , dat zij er ook
\'s avonds het meest van hielden : zoodat er met eenparigheid van stern-
men besloten werd, dat een achterkamer met een hoog licht des avonds
op haar voordeeligst is. Ik ben verplicht hier bij te voegen dat de ge-
heele redewisseling op de goelijkste en vriendelijkste wijze gevoerd
werd, terwijl oom zijn ingebrande pijp met een zwavelstok weer op
de wijs bracht, en tante de kopjes van\'t koffiegoed met een minzaam
lachjen en een bonten theedoek zat af te drogen. Zij schikte juist de
stapeltjes in orde op het blad, toen zij vroeg: „Wel heeremijntijd,
hildebrani) , hadje nou niet nog koffie willen hebben?"
Nu was er op dit oogenblik inderdaad niets waar ik vuriger naar
verlangde dan naar een kop koffie; maar daar ik mijn tante verdacht
dat zij het middel om koffie te vermeerderen zou zoeken in de kunst
om ze te verdunnen, bedankte ik edelmoediglijk, en zei dat ik
straks met oom een bittertje zou nemen, waarop oom verklaarde
dat hij dat altijd gebruikte als de wagen van tweeën voorbijkwam.
Met dit vooruitzicht schikte ik mijn stoel wat dichter bij den
haard, waarbij mijn oom altijd zat als hij achter zat, ofschoon er
nooit in gestookt werd vóór den eersten November en er dus ook nu
geen vuur aanlag, en begon met naar mijn neef pieter te vragen.
Mijn neef pieter studeerde te Utrecht in de rechten; maar hoewel
ik bij onderscheidene gelegenheden aan onderscheidene studenten
van onderscheidene faculteiten gevraagd had of zij mijn neef pieter
stastok ook kenden , had ik daarop te geenen tijde een voldoend ant-
-ocr page 58-
40
woord ontvangen, zoodat ik, in de onzekerheid der oorzaken, waaraan
deze onbekendheid wellicht moest worden toegeschreven, einde-
lijk begonnen was met niet meer naar mijn neef pieïbh stastok,
maar naar een zekeren student stastok navraag te doen.
„Gij moest hem al gezien hebben, neet\' hildebrand", zei de
oudere stastok, „want hij is uitgegaan om u op te wachten."
„Om u op te wachten", herhaalde mijn tante, haar breiwerk in
haar schoot latende vallen en over haar bril heenziende: „hij moet
u zeker misgeloopen zijn; maar hij zal wel spoedig hier wezen. Hij
is tegenwoordig zoo druk aan zijn examen! Ik ben eigenlijk bang dat
hij te veel werkt; hij is zoo vlug, weet u!"
En nog nauwelijks had ik den tijd mijn vurig verlangen te uiten
om die zeldzame vereenigiug van vlugheid en arbeidzaamheid, den
jongeren stastok, te aanschouwen of de schel ging over, de muilen
van de keukenmeid sloften, en de stap vanden TJtrechtschen student
werd gehoord
Had ik tot nog toe niet de minste notie van mijn heer en neef ge-
had , zooras hij de kamer binnenkwam kende ik hem door en door.
Zijn geheele voorkomen sprak collegehouden uit; zijn geheele
lichaam dicteerde dictaten. De bleeke kleur, het gebogen hoofd, de
stalen bril, de theedoekige das, de sluitjas met dubbele borst, de hor-
logesleutel, de niet nauwe en niet wijde pantalon, de verschoende
laarzen, de floretten handschoenen, de zwarte kapelaansrotting met
twee nuffige kwastjes — alles deed den student zien, die van het
academieleven niets kent dan de collegekamers en de thé\'s der pro-
fessoren; van de studenten, geen andere dan zijn stadgenooten en
de senatoren, die hem ontgroend hebben; van de burgers, niemand
dan zijn hospita; den student, die een kleur krijgt als hij twee, en
een straat omloopt als hij een partijtje van zes studenten tegenkomt;
den student, die er over klaagt dat er zoo weinig studenten-broeder-
schap is, en niet weet dat er studenten-vreugd bestaat; den student,
die een dispuut zou willen oprichten, waarvan niemand lid zou wil-
len wezen; die van den kok\'dagelijks vijf borden eten krijgt: één,
gesneden vleesch, één, ingemaakte postelijn, één, dito andijvie, één,
opgekookte aardappels, en één, rijst met bessennat, omdat hij den
moed niet heeft zich aan een tafel te doen voorstellen; den student,
die in de sociëteit duizend angsten uitstaat dat iemand om de
courant zal vragen, waar hij zich achter verbergt, en wiens naam de
andere studenten voor \'t eerst hooren, als zij toevallig op\'t college
zijn daar hij afgeroepen wordt om te respondeeren. — Zulk een
student was zonder twijfel mijn onbekende neef pieter stastok.
„Hoe komt het, piet! dat je neef hildebrawd misgeloopen bent?"
vroeg tante verwonderd.
De student pieteb stastok keerde zich om, ten einde zijn rotting
in een hoek te zetten, en zei dat de diligence verwonderlijk vroeg
aangekomen was; eene omstandigheid, die zeer zeker verwonderlijk
-ocr page 59-
41
was, aangezien wij op weg een oponthoud gehad hadden van een
half uur, door \'t storten van een der paarden. „Hij was eerst nog effen
bij den boekverkooper geweest, die zijne Instituten inbinden moest,
en was toen regelrecht naar de diligence gegaan, uiaar had tot zijne
verbazing gehoord dat die al lang aan was, en dat ik niet den knecht
was opgewaudeld", enz. enz.
De zaak was dat hij een singeltje had oingeloopen, totdat hij zeker
wist dat ik reeds lang onder zijn vaders dak goed en wel zou ge-
vestigd zijn, uit vrees van den verkeerden persoon voor mij aan
te spreken. Nu, indien hij den commissaris van politie getroffen
had — hij was voor zes weken een bedorven man geweest!
„De neven moeten nu maar eens goed kennismaken", zei mijn
tante, die tot de minzaamste aller schoininelige huismoeders be-
hoorde; „ze zijn. toch allebei student".
„Ja maar", zei pieter, nog lang niet gemeenzaam met het denk-
beeld van eene kennismaking, „in verschillende vakken".
Dat was waar, en zelfs op verschillende academiën. Maar ik ben
nooit zoo zeer Leidsch student geweest, dat ik niet altijd gaarne
dronk op de harmonie tusschen de zusteracademiën, een toost, die
immer gedronken wordt, waar Utrechtsche en Lsidsche studenten
bijeen zijn, maar die men evenwel niet te druk moet herhalen om
geen twist te krijgen. Wat ons betreft, er kwam al spoedig gele-
genheid voor een toost; want na nog een woord of wat met pieter
stastok, ter informatie waar hij te Utrecht woonde, waarop het
antwoord was, ten huize van een catechiseermeester in de Lijsbethstraat,
en na een kort gesprek met mijn oom over het nieuws dat er niet
was, en een dito met mijn tante over het goudleeren behangsel in
•de kamer, waarvoor zij ook wel had hooren zeggen dat de muilen-
makers te Waalwijk, vóór dat zij door den brand geruïneerd waren,
groote sommen zouden hebben willen geven, kwam het diaconie-
mannetje (dat ik bij deze gelegenheid met den naam van keesje
hoorde versieren) binnen met de boodschap, dat de wagen van tweeën
net voorbijging; waarop tante, na alvorens haar bril te hebben af-
gezet, opstond, een kastje opende en daaruit te voorschijn bracht
een fleschje met va>\' der veen s elixer, een flesch je met „ Erger dan de
«holera", en drie glaasjes. Oom wenschte mij frisschen morgen,
De verdere afloop van dien dag was als gewoonlijk bij een eerste
kennismaking. Wij bevielen elkander onderling, en ik werd dikke
vrinden met pieter. \'s Middags stal ik het hart van mijn tante nog
eens door van schorseneren te houden, en bewoog mijn oom bijna
tot tranen door met opgewondenheid van een gestoofden kabeljauws-
hom te spreken. Om pieter ook een genoegen te doen wist ik eenige
kennis van zijn vak te verraden, door de begripsbepaling van Justitia
en van Usustructus te pas te brengen. Na den middag nam mijn oom
een slaapje bij den kouden haard, en ging mijn tante eens naar
boven. Daarna dronken wij te zamen recht gezellig thee, za-
-ocr page 60-
4-2
gen de achterkamer op haar voordeeligst. en wat dies meer zij.
Mijn oom was iemand, wiens grootvader en vader een zeer bloeiende,
en die zelf een vrij bloeiende lintweverij gehad had; om de strikte
waarheid te zeggen, moet ik bekennen dat hij ze nog had, maar
er werd volstrekt niet meer in gewerkt. en op de zolders lag nog
een aanzienlijke partij oortjesband, die hij „liever daar zag verrotten
dan haar onder de markt te verkoopen". Hij behoorde alzoo tot die
menschen, die hun zaken aan kant gedaan hebben en, het uitzicht
op verdere winsten opgevende, zich met een vrij aardig inkomen,
een onverzettelijken afkeer van stoommachines, en de Haarlemsche
courant tevredenstellen. In den loop van den avond kwam het uit
dat hij een bijzondere genegenheid had voor het stopwoord „al zeg
ik het zelf", alleen overtroffen door de verslingerdheid van zijne
echtgenoot aan den uitroep .,wel heeremijntijd!" welke termen dit
echtpaar buitengemeen beminde: ofschoon ik zeggen moet dat zij ze
somtijds afwisselden met de bevallige tusschenvoegsels van, „wat
hamer", „goede genadigheid", „och grut" en andere dergelijke
vloeken meer, die een balk in hun wapenschild voeren. De student
petrus stastokivs Jun. had daartegen niets in te leggen dan zijn
geliefkoosde verzekering „waaratje", waarvan ik evenwel, om billijk
te zijn, erkennen moet, dat hij in \'t geheel geen misbruik maakte.
Hildebrand ziet de stad en Pieter verstout zich pot te spelen
]k werd des anderen daags om zeven uren wakker, en toen ik de
groene saaien gordijnen openschoof om te zien wat voor weer het
was, -— welke was mijne ontzetting, te bemerken dat (wij sliepen op
dezelfde kamer) pieter zich reeds geperpendiculariseerd had en
bezig was om, met den bril op, een paar schoone kousen aan te
trekken , waarin zijne moeder den vorigen avond plichtmatig hieltjes
gemaakt had.
De oudere stastok was een man van de klok en \'stond diensvol-
gens om zes uren op. ten einde om halfaeht aan het ontbijt te zijn;
en daar hij volstrekt niets te doen had, vulde hij dien tusschentijd
met pijpjes rooken aan. Opmerkelijk is het, dat naarmate men min-
der bezigheid heeft, men des te bekrompener over den tijd denkt.
Indien men den goeden pieter stastok Senior het moeielijke vraag-
Btuk omtrent de zetelplaats van den wil had voorgelegd, zou hij,
indien hij daartoe genoegzame tegenwoordigheid van geest had ge-
had, zijn wijsvinger op twee duim afstand van zijn maag hebben
moeten leggen, door die beweging datgene zijner ingewanden aan-
wijzende, \'t welk hij zijn „goud horloge" noemde. En inderdaad, in-
dien ik mij door een goud horloge moest laten regeeren, ik zou van
zulk een geregeerd willen worden: want een goed, groot, dik en vet
uurwerk was het, met twee kasten over elkaar; en daar het iederen
-ocr page 61-
48
morgen, klokke negen, met de torenklok werd gelijkgezet, liep het
doorgaans volmaakt.
Ik vond mijn oom in de voorkamer (die zulk een heiligdom niet
scheen te wezen als ik mij wel voorgesteld had) juist daar hij van
onder de handen van zijn barbier kwam. Hij had zijn slaapmuts
nog op het kale hoofd, daar hij gewoon was die niet vóór elt uren
voor zijn pruik te verwisselen.
„Mooi weertje, neef hii.debhand", riep hij mij toe: „mooi weertje,
al zeg ik \'t zelf."
Tante, die reeds zat te breien, zette, tengevolge eener zeer on-
eigenaardige gewoonte, haar bril af, om te beter mijne robe de
chambre te bekijken, en na een „heeremijntijd! zijn bedingen
weer in de mode?" (het was in 1836) begon zij een optelling van
al de japonnen met sjerpen, die haar vader en haar man iii vroe-
ger eeuwen gedragen hadden en die, naar haar voorgeven, nog bo-
ven in een kast hingen.
Oom vond dat het veel te gemakkelijk was voor een jong mensch,
en in de oogen van petrus geleek ik in dit ochtendgewaad zoo vol-
maakt op de grootste Jannen der TJtrechtsche academie , dat hij mij ,
geloof ik, voor een overgegeven lichtmis begon te houden.
De bijbel werd opengeslagen, en mijn oom las er uit voor. Eer-
waardige gewoonte! Waarom is zij zoo bijna uitsluitend tot de bur-
gerlijke huishoudens bepaald, en raakt zij ook zelfs daar meer en
meer in onbruik? Mijn oom las niet welsprekend, niet mooi, zelfs
niet goed op sommige plaatsen — maar het was stichtelijk, want
hij las den bijbel: het was goed, want hij las met eenvoudigheid;
het was schoon, want het was hem aan te zien dat hij geloofde.
Hij las Luc. X, en bijzonder trof mij. in dezen kring en uit dien
mond, het 21ste vers: „Ik danke u, Vader, Heer des hemels en der
aarde, dat gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen
hebt en hebt ze den kinderkens geopenbaard".
Na den ontbijt ging pieter „aan zijn examen werken", \'t welk
bestond in zeer breedvoerige tabellen van de Instituten te fabriceeren,
met rooden, blauwen en zwarten inkt geschreven, en ik volgde hem
naar zijn kamer, waar ik mij tot koffietijd met een paar boeken
bezighield.
En nu was het oogenblik daar, dat mijn neef mij aan de stad en
de stad aan mij vertoonen zou. Wij gingen dus samen uit, en daar
hij een rotting had, liet ik den mijnen thuis. Wij zagen dan : eerst
de gracht, daarna de korenbeurs, en vervolgens twee kerken, waarin
praalgraven en kosters die een fooi begeerden, als ook in een dier
kerken een orgel, dat op het Haarlemsche na, het mooiste der wereld
was: eene eer, die ik te Gouda, aan het Goudsche, te Leiden, aan
het Leidsche, te Alkmaar, aan het Alkmaarsche, te Zwol, aan het Zwol-
sche, en nu weder te D. aan het Deesche hoorde toeöigenen; zoodat
-ocr page 62-
44
het de zaak van de 4de klasse des Koninklijken Xederlaudschen ln-
stituuts worden zal, daaromtrent een prijsvraag uit te schrijven. Wij
beklommen zelfs met levensgevaar den toren van een dier kerken ,
en maakten er de opmerking dat het er woei, en dat er rondom
de stad veel weiland, veel water, en veel molens waren. Daarop
begaven wij ons naar het stadhuis, en bevonden dat onze voorva-
deren nóg beter schilderden en er nog gezonder uitzagen dan wij ;
ook had ik tegelijk gelegenheid het manlijk voorkomen der Deesche
dienders te bewonderen. In zijn ijver om mij alles te laten zien, bracht
pieter mij zelfs naar de vleeschhal, en over de vischinarkt, en ein-
delijk aan een groote vierkante eendekom, die hij „de haven" noemde.
Al voortgaande informeerde hij zich zeer sterk, hoeveel colleges de
juristen te Leiden op één dag hadden en of het bij prof. A. fideel
was op de thé\'s; als ook welke colleges gemelde hooggeleerde in \'t
Hollandsch gaf en hoeveel prof. B. dicteerde; of iedereen bij prof.
C. zoo maar een testimonium krijgen kon; of prof. D. liefhebberij-
colleges hield; en of ik smallenburg wel eens gezien had; tegen
welke berichten hij de zijnen omtrent de Uitertsche Juris professo-
res met eene eerlijkheid inwisselde, eene betere zaak waardig. Hij
verzuimde niet den billijken TJtrechtschen trots op prof. van iieusde
en op de moeilijkheid van een mathesis-examen in\'t Latijn te pas te
brengen; en toen ik \'t gesprek voor de afwisseling op lichtvaardi-
ger onderwerpen wendde, kwam het uit, dat hij, pieter stastok,
zonder evenwel hartstocht voor die spelen te koesteren, wel eens
domino speelde, ja zelfs wei eens biljartte, en daar wij juist vóór
een koffiehuis stonden, noodigde ik hem uit zich in laatstgenoemde
kunst met mij te meten.
Pieter stastok had noch den moed, noch den slag uiij iets aan te
bieden; daarom bestelde ik een bittertje voor mij zelven, en hij ins-
gelijks voor zich. Op dat oogenblik sloeg de klok boven \'t buffet twee
uren, en zag ik aan den overkant der straat de diligence afrijden,
die mijn oom in staat zou stellen ons voorbeeld te volgen.
Er waren vrij wat inenschen in het koffiehuis, maar daar wij met
niemand dan met het biljart te maken hadden en geen hunner
speelde, hinderden zij ons volstrekt niet. Pieter sloeg de mouwen
van zijn sluitjas op, en vertoonde de groote gesteven boorden van
wat zijn moeder, hoe algemeen Europeesch die dracht ook gewor-
den was, nog altijd een Engelsch hemd noemde ; daarop verzocht hij
den jongen zeer beleefd om eene „goede keu". De jongen gaf hem
natuurlijk de beste die in het rek was, en wij trokken wie vóór
zou spelen. Die eer viel mij te beurt, en de partij begon.
Wij hadden evenwel nog nauwelijks eenige punten gemaakt, toen
een luidruchtig geroep van „pot, jongen!" al onze zaligheden ver-
stoorde.
Het geroep kwam van een winderigen jongen advocaat, die pas
voor de studentensociëteit te Utrecht bedankt had, en nu nog voorhing
-ocr page 63-
45
op de particuliere sociëteit te D., en van dit interregnum gebruik
maakte, om alledag in het koffiehuis „de Noordstar" pot te maken.
„Vierentwintig uit, menheeren!" riep de jongen ons toe, en te-
gelijk het korfje schuddende, waarin hij de potballen had, bood hij
ze ons aan.
Ik trok er een; en met een gezicht waarover een kleine stuip-
trekking scheen te gaan, stak pieter , dien ik ondertusschen als geen
grooten mingaud had leeren kennen, zijn hand alsmede manmoedig
in den korf. Daarop kwamen al de habitués van den pot uit hunne
hoeken en vroegen dopjes voor hunne pijpen; de jongen deelde de
eigen keuen rond, en de jonge advocaat nam in persoon het krijt
om op te schrijven.
„Wie van de heeren heeft het aas?"
„Ik", riep een barsche stem, die aan niemand anders toebehoorde
dan aan den heer met de twee jassen over elkaar, dien ik in de di-
ligence voor een commissaris van politie gehouden had; het bleek
mij echter dat hij volstrekt geen commissaris van politie was, maar
wel pikeur der kleine manege, die te D. aanwezig was, en tevens
eigenaar van de kleine comedie, die aldaar insgelijks bestond.
„Wie van de heeren de twee?"
Pieter stastok ging zelf naar de lei om den jongen advocaat in
te fluisteren dat hij het was.
„Zoo! zal jij ook pot spelen?" vroeg de jonge advocaat, die als
stadgenoot mijn neef wel Kende.
Pieter werd bleek.
De drie had ik. De vier had een bejaard tweede luitenant van de
infanterie, met de medaille van twaalfjarigen dienst. De vijf had een
chirurgijnsleerling, die te veel tijd had. De zes, een kort, dik man
met stoppelig grijs haar, die een graankooper scheen te zijn. De zeven,
een jong mensch van drieëntwintig jaar, die student geweest was,
maar om slecht gedrag thuisgehaald, voor wien pieter bang was, te
meer daar hij hem zeer gemeenzaam behandelde. Deze scheen de
boezemvriend van den bejaarden luitenant der infanterie met de
medaille van twaalfjarigen dienst te wezen. De advocaat zelf had de
acht, en de negen was in handen van een jongeling van drieën-
dertig jaren, in een leverkleurigen pantalon, die op zijn moeders
zak leefde, een hond hield, nooit iets had uitgevoerd, en in groote
achting stond bij den kastelein van het koffiehuis „de Noordstar."
Toen de jonge advocaat de namen van al deze heeren netjes
had opgeschreven, nam de biljartjongen het krijt in de eene en
den kleinen bok in de andere hand, en gilde met al de kracht,
die een kind van veertien jaren over kan houden, als hij den ge-
heelen dag en den halven nacht op één been staat, te midden
van de uitwaseming van menschen en pijpen: „Aas acquit, twee
speelt!"
Petrus stastokius Junior moest alzoo op het acquit spelen, en
-ocr page 64-
46
hij maakte zich werkelijk tot dien arbeid gereed. Te dien einde Ie
petrus stastokius Junior zijn pijp neer; maakte de punt van zijn
keu wel een halven voet ver wit; plaatste zijn bal met de linker-
hand op drie vierden; drukte de vier vingers van zijn linkerhand op
een handbreed afstands van deuzelven bal op \'t biljart; krulde den
duim bevallig om, zoodat hij aan \'t geheele gezelschap zijn tot op
\'t leven afgesneden nagel vertoonde, en begon met de rechterhand
de keu tusschen duim en vinger heen en weder te bewegen op eene
wijze, die deskundigen „zagen" noemen.
Tot zoover ging pktri stastokiï wetenschap om op het acquit te
spelen. Ja, hij had zelfs een flauwe notie van de theorie van half bal
raken; maar daar het hem aan practijk in het edele potspel haperde,
was hij bijna zoo wit als zijn bal, en stiet hem eindelijk krampach-
tig er op los, met dit gevolg dat hij klotste en „a faire\' lag voor den
rechter hoekzak
Het zou onmenschelijk geweest zijn hem „te maken" en daarom,
mijn eigen bal stevig „houdende", bracht ik den zijnen naar onderen,
een goed eind voorbij den milieu. Daarop nam de bejaarde luitenant
der infanterie zijn pijp tusschen zijn grauwe knevels en speelde met
de linkerhand op goedaf, maar werd niettemin met „een beest" ge-
sneden door den chirurgijnsleerling; waarop de verloopen student,
die onder ons gezegd een grappenmaker was, zeide dat die chirur-
gijns niet leefden of zij moesten wat te snijden hebben. De graankoo-
per verzocht daarop den jongen om acquit voor hem te zetten en
bleef met een wijs gezicht en onder het genot van zeker mengsel van
geestrijk vocht en suiker, \'t welk in \'t gemeene leven een sneeuw-
balletje genoemd wordt, in \'t Handelsblad turen, en de verloopen
student, zijn sigaar op den rand van\'t biljart neergelegd hebbende,
stiet met veel nonchalance en verschrikkelijk hard op\'t acquit, welk
voorbeeld van hard spelen door den advocaat met gelijke woede werd
opgevolgd. Nu was de beurt aan den jongeling van drieëndertig
jaren met den leverkleurigeu pantalon, die, van het beginsel uit-
gaande dat hij zijn bal voordeelig moest trachten te verkoopen, nooit
op goedaf speelde, als hij zeker wist dat hij een bal maken kon.
Hij maakte: en zoo gebeurde het dat petrus stastokius andermaal
op het acquit spelen moest.
Hij was nu zoo ver, dat het zweet hem in groote parels op het
voorhoofd stond.
„Dat wordt een collé, mijnheer"; riep de barsche stem van den
pikeur.
Pieter sprak niet, maar in zijne desperate poging om den geduch-
ten spreker eens niet te logenstraffen, en in een van die dwaze in-
blazingen van hoop, waaraan slechte spelers somtijds gehoor geven,
dat namelijk het goed geluk voor hen zal doen wat hunne kunst
niet vermag, raakte hij den acquitbal zoo fijn, dat hij hem, tegen
alle etiquette aan, in den linker hoekzak „sneed".
-ocr page 65-
47
„Dat doet men niet, mijnheer!" riep de pikeur, hevig met de
keu op den grond stampende.
„Het was een ongeluk"; stamelde pieter, die nu zoodanig trans-
pireerde, dat ik vreesde dat zijn bril op deu vloed zou \'afdrijven.
„Het was een lompigheid", brulde de pikeur.
„Leve het snijen!" riep de chirurgijnsleerling.
„Die menheer is gevaarlijk!" schertste de bejaarde luitenant.
„Aas één appèl, drie acquit, vier speelt!" riep de biljartjongen.
Ik geloof dat mijn neef poogde in een onverschillige houding zijn
neus te snuiten, maar het had er niets van.
Het derde toertje liep goed voor petrus af, maar het vierde was ge-
schikt om hem er gansch onder te werken. De pikeur lag voor den
middelzak; het was een gemakkelijke bal; een kind kon hem maken.
„Je kunt hem best sauveeren", zei de pikeur, „en goed afkomen
ook".
Dit was volmaakt overeenkomstig de gezindheden van pietee,
die, uit aanmerking van den snijbal, voor geen geld ter wereld hem
maken wilde, zelfs al moest hij er slecht op afkomen. Maar daar de
pikeur een gevreesd potspeler was en, sedert onheuglijke jaren,
van de drie potjes, die gespeeld werden, er twee in zijn zak stak,
riepen natuurlijk al de anderea: „stop weg; stop weg!"
Pieter stootte niettemin met het voornemen om hem stellig niet
weg te stoppen; en toch scheelde het zoo weinig of hij had hem weg-
gestopt , dat de winderige advocaat, die in \'t gewoel was opgestaan,
uitriep: „hij zit!" waarop de verloopen student, die als gezegd is,
een grappenmaker was, geestig antwoordde, „als hij een stoel had" ;
waarop allen lachten.
„Wacht wat!" riep de chirurgijnsleerling, die voor \'t snijen was;
„hier is nog een zak!"
En inderdaad! Petrus stastokius had geheel buiten zijn eigen
voorkennis of medeweten een doublé gemaakt, waarop allen juich-
ten, behalve de pikeur, die op een grimmige wijze nog een glas
bitter bestelde en de (xoudsche courant opnam, alleen om haar hard
weer neer te smijten.
Men speelde voort en, na al de wederwaardigheden die hij had
doorgestaan, werd mijn vriend pieter weder vrij kalm, waartoe
vooral machtig medewerkte dat hij een paar malen acquit moest leg-
gen. Maar op eens werd zijne rust akelig verstoord door deu uitroep
van den jongen: „vier driemaal, zes acquit, zeven speelt! mijnheer
hastok (de St was onduidelijk geschreven) de Vlag!"
Nu was er geen eind aan de kortswijl en de grappen van den chi-
rurgijnsleerling, en den verloopen student, en den advocaat, en den
jongeling van drieëndertig jaren met den leverkleurigen pantalon.
De een noemde hem een Mingaud, de ander een blauwbaard, de derde
een boa constrictor, allen te zarnen: „den mijnheer van de vlag". De
bejaarde luitenant, die op drie stond en met den verloopen student
-ocr page 66-
4S
geassureerd was, wilde zich doodstooten en hem voor een daalder
koopen; de graankooper, die tegen die manoeuvre was, zei dat pie-
ter veel te sterk speelde om het aan te nemen; de chirurgijnsleerling
bestelde de bokaal voor mijnheer „hastok", die den pot „op schoon
dacht te winnen" ; — het was een leven als een oordeel. En onder dit
alles stond, met verwilderden blik, het onschuldig voorwerp van al
dit rumoer altijd maar krijt aan zijn keu te strijken. De beurt kwam
weer aan hem.
„Welke bal?" vroeg hij verlegen.
„Die witte!" riep de verloopen student, die een grappenmaker was.
„Die ronde!" zei de chirurgijnsleerling, niet minder aardig.
„De beste", zei de leverkleurige pantalon, die ook iets zeggen wou.
„De benedenste", zei de dikke graankooper, die medelijden kreeg.
Nu was het zoo gelegen, dat het vrij onverschillig was met welken
bal de arme pieter, die geen drogen draad meer aan \'t lijf had, op
dat merkwaardig oogenblik spelen zou. aangezien beide ballen, de
een boven, de ander beneden, stijf en allerstijfst collé lagen; ik
herinner mij niet in al den tijd dat ik mee gebiljart heb — nu slaapt
mijn keu voor immer in haar zelf kanten graf—ooit zulk een stijven
collé gezien te hebben. De verloopen student bood mijn neef den bok
aan. Pieter zag hem aan met een blik van machteloozen haat en
stootte een voet of drie mis.
„Strijk de vlag!" riep de chirurgijnsleerling.
Zij was aireede gestreken. De pikeur had zich bij voorraad ge-
wroken.
Yan dat oogenblik aan bood de luitenant pieter een gulden : maar
hij was te zeer van zijn stuk om te verkoopen. In den volgenden
toer maakte ik hem, uit medelijden : den daarop volgenden, verliep
hij en smaakte de voldoening dat de luitenant nem een beschuitje
voor zijn bal bood; met een mispunt besloot hij, in den voor hem
laatsten toer. zijn carrière in het edele ballenspel: en daar hij zeer
veel haast scheen te hebben om te vertrekken . brak ik , die nog een
enkel appèl te verliezen had, mijn bal op, vooral ook om een einde
te maken aan de dringende aanzoeken van den jongeling met den
leverkleurigen pantalon, die nu zichzelven voor een achtentwintig
aan „hastok" verkoopen wilde, in welk\' aanbod hem al de vroolijke
jongelui ondersteunden.
Op straat gekomen scheen de frissche octoberlucht pieter weer
moed en verwaandheid toe te waaien.
„Daar zijn goede spelers onder", zei hij, „maar toch waaratje
f een een, die eigenlijk uitmunt. Ik had een kromme keu", voegde
ij er bij : „en hebje wel gezien hoe de hoekzakken trokken ?"
Ik had alles gezien, en wist dat de graankooper het potje zou
gewonnen hebben eer wij thuis waren.
Het eten stond reeds op tafel. Pieter had geen honger.
-ocr page 67-
4!)
Het diakenhuismannetje vertelt zijn historie.
Drie dagen had ik bij de familie stastok vertoefd, en in dien tijd.
was ik groote vrienden met keesje geworden. Een paar malen had hij
mij door de stad vergezeld om mij den weg te wijzen, als ik bood-
schappen te doen had; en daar hij , als vele oude lieden, praatziek
was, en ik in dat gebrek soms met vele oude lieden deel, hadden wij dik-
wijls te zamen vrij wat afgehandeld. Keesje was een eenvoudig, braaf,
foedaardig mannetje. Hij had een flauwe herinnering van zijn vader,
ie borstelmaker geweest was en groote „zuiveren" gespen op zijn
schoenen had gedragen. Behalve de gespen , herinnerde hij zich niets,
meer van hem dan zijn dood, en hoe hij met een groote huilebalk
en lange witte das achter zijn lijk gegaan was; en hoe er toen hij
thuis kwam, een zwarte doek over den spiegel had „gehongen";
en hoe hij , bij die gelegenheid, zoo veel geraspte broodjes had mogen
eten als hij maar wilde: en dat daar een lange moei was bijgeweest,
die zooveel witten wijn gedronken had, dat een dikke oom gezegd
had: „je krijgt niet meer". Zijne moeder had hij nooit gekend. De
dikke oom had hem naar \'t Weeshuis gebracht; hij had er leeren
spellen, en toen was hij op timmeren gedaan; maar hij was te zwak voor
dat werk, weshalve men hem bij een apotheker besteld had, om fleschjes
te spoelen, en te stampen : een baantje dat juist niet rijk is aan sehitte-
rende vooruitzichten. Vijftien jaar had hij er gediend, maar daar hij
maar heel weinig lezen kon, en hij dikwijls tegelijk twee halfpints-
flesschen, drie kinderglazen, een amplet, een likkepot en een pakje
poeiers weg moest brengen, was \'t hem eindelijk eens gebeurd dat
hij een salebdrank gebracht had bij iemand die obstructies had, en
daarentegen de poeiers met jalappeharst bij eene dame die aan diar-
rhee leed, waarop hij, als niet genoeg geletterd, ontslagen werd.
Sedert was hij looper voor een kantoor, en daarna huisknecht bij
onderscheidene lieden geweest, waarvan sommige dood en andere
geruïneerd waren: en daar hij , bij de groote opruiming, te oud was
feweest om naar Frederiksoord te worden gezonden, had eindelijk
et Weeshuis hem overgedaan aan het Diakoniehuis. En nu werd
hij op zijn ouden dag nog door mijn oom en een paar lieden van
diens slag gebruikt tot het smeren van schoenen, uitkloppen van
kleeren, wegbrengen van de courant en, in één woord, tot het doen
van min gewichtige boodschappen. Hetgeen, volgens de inlichtingen,
van mijn oom, \'s mans carrière het meest had gedwarsboomd, was
zijne verregaande onnoozelheid en daaraan geëvenredigde menschen-
vrees.
Behalve de achterkamer met het hooge licht, die om het huis van
den buurman heensprong en waarachter de keuken lag, was er aan
het huis van petrus stastok Senior nog een achterkamer, waarin
ik u nader denk binnen te leiden, naar een kleinen tuin, waarop
zij uitzag, niet oneigenaardig [de tuinkamer geheeten. Als men
4
-ocr page 68-
50
de plaatsdeur uittrad, had men eerst een soort van trottoir van gele
klinkers, van omstreeks drie passen breed, en als men dan over
eene hooge rollaag van blauwe klinkers \' heenstapte, waarvóór aan
de overzijde drie voetschrabbers waren geplaatst, was uien eensklaps in
het kleine elyseüin van mijn tante. Men zag er een grooten appelboom,
waaraan soms meer dan een dozijn reinetten groen werden, verschei-
dene rozeperken, waaromheen in \'t voorjaar een kring gele krokus-
sen bloeien moest, meer dan één seringeboom, twee goudenregens,
•een dubbelen kers en, tegen den muur aan den eenen kant een win-
gerd, en aan den andereu een moerbeiboom. De paden waren niet met
gewoon gras, maar met roode en witte madelieven en z. g. zeegras
omzoomd. Omtrent dezen tijd stonden er verscheidene potten met
asters en twee of drie dahlia\'s in bloei; en achterin was een groen
geschilderd prieeltje met vijfblad, kamperfoelie, rupsen en spinnen.
Daaraan belendde de fabriek, waaraan, tegenover \'t prieel, eene
kleine loods was uitgebouwd met een klein plaatsje, waarop keesje
zijn huiswerk verrichtte, en daaromheen een klein hekje.
In dit prieeltje zocht ik, op zaterdag morgen na den\'ontbijt, met
een boek onder den arm, het zonnetje. Waarom ik het boek niet
opensloeg zal terstond blijken.
Ik had nog nauwelijks met mijn zakdoek het stof van de bank in\'t
prieeltje geslagen, en was bezig, op mijn gemak nedergezeten, met
de oogen op het loodsje, het plaatsje en het hekje gericht, mij te
verlustigen in het denkbeeld, hoe goed alles bij mijn oom en tante
in de verf was, als de plaatsdeur openging en keesje verscheen.
Daar hij den geheelen tuin doormoest om ter plaatse zij ner bestem-
ming te komen, en hij bijna zeventig jaar op de schouders torste, had
ik tijds genoeg om op te merken, dat er iets aan scheelde. Hij
strompelde eerst bijna tegen de rollaag aan, waarop hij niet scheen
verdacht te wezen, schoon hij er sedert jaren alle morgens om half-
tien uren overheen moest stappen; hij liet den zondagschen rok van
mijn oom, dien hij over den arm had, in het zand slepen en, eer
hij den appelboom voorbij was, den borstel, dien hij in de hand hield,
tweemaal vallen. Als hij nader kwam, zag ik dat zijn wangen zeer
bleek en flets waren, onder zijn niet zeer net onderhouden baard;
zijn geheele gelaat was betrokken, zijn oogen stonden dof, en toen
hij mij voorbijging was het niet als anders: „lief weertje, meheer!"
maar hij nam zijn hoed stilzwijgend af, en strompelde naar het
plaatsje. Met een diepen zucht trok hij daarop zijn jas uit, zoodat
hij mïj in zijn eng zwart vest met mouwen, al het magere en ge-
bogene \\an zijne gestalte zien liet. De roode blikken tabaksdoos, die
half uit den eenen vestzak stak, bleef onaangeroerd, en met we-
1 In de eerste en tweede uitgaven vermeldde ik roode, doch ben onderricht
geworden dat zoodanige klinkers niet bestaan. Ik moet mij dus verzien hebben.
-ocr page 69-
51
deroiu een diepen zucht hing hij den rok van mijn oom over den
knaap. Met een nog dieper zucht greep hij den borstel op, stond
«enige oogenblikken in gedachten tegen de haren op te strijken, en
begon toen den rok te borstelen, beginnende met de panden.
„Hoe is \'t keesje! Graan de zaken niet goed?" riep ik hem toe.
Keesje borstelde altijd door. Hij was wat doof.
Wanneer men den volzin herhalen moet, die men op een eenigs-
zins meevvarigen toon heeft uitgesproken, is \'t glad onmogelijk het
met dezelfde woorden te doen. Ik stond op, kwam een stapje nader,
en zei wat luider:
„Wat scheelt er aan, kees?"
Kees ontstelde, zag mij aan, en bleef mij een oogenblik met
strakke oogeu aanzien; daarop vatte hij weer een mouw van mijn
ooms zondagschen rok en begon op nieuw te borstelen. Er liep een
traan over zijn wangen.
„Foei, kees!" zei ik, „dat moet niet wezen; ik zie waterlanders,
dunkt me".
Keesje veegde zijn oogen met de mouw van zijn vest af en zei:
„\'t Is een schrale wind, uieheer hildebrand".
„Ei wat keesje;" zei ik. „de wind is niemendal schraal. Maar
daar schort iets aan, man! Hebje een courant verloren?"
Keesje schudde het hoofd en ging hardnekkiger dan ooit aan het
schuieren.
„Kees!" zei ik: „Je bent te oud om verdriet te hebben. Is er niets
aan te doen, vrind?"
De oude man zag vreemd op bij het hooren van het woord „vrind".
Helaas, misschien was \'t hein op zijn negenenzestigste jaar nog ge-
heel nieuw. Een zenuwachtige glimlach, die iets verschrikkelijks
had, kwam over zijn mager gezicht; zijne grijze oogen luisterden
eerst op, werden toen weer dof, en schoten vol tranen. Zijn gansche
gelaat zeide: ik zal u vertrouwen. Zijn lippen zeiden:
„Hoor reis meheer! Kent uwe Klein klaasje?"
Hoewel ik nu een zeer bij zonderen vriend heb, die nicolaas gedoopt
is, en van wien \'t niet ondenkbaar was dat keesje hem wel eens-
gezien had, zoo kon ik echter onmogelijk op gemelden ïucolaas den
naam van Klein klaasje toepassen, aangezien liij een zeer „lange blonde
jongen" is, en nooit zou ik hebben willen gelooven dat gemelde
nicolaas, hoe onaardig hij ook somtijds wezen kan, de oorzaak zou
kunnen zijn van ouden keesjes tranen. Ik antwoordde dus dat ik
Klein klaasje niet kende.
„Heeft meheer pieter hem uwe dan niet gewezen? De heele stad
kent Klein klaasje. Hij krijgt centen genoeg"; ging keesje voort.
„Maar wat is het dan voor een man?" vroeg ik.
„Het is", zei keesje, „in \'t geheel geen man. \'t Is een dwerg,
meheer! een dwerg, zoo waar as ik hier voor je sta. Je kent er mee
in een spul reizen. Maar \'t is een kwaad kreng. Ik ken hem goed".
-ocr page 70-
52
Ik wenschte hartelijk naar wat meer orde in de berichten van
KEESJE.
„Hij is uit het Huis", hernam hij na een oogenblik zwijgens: „hij
loopt over straat as \'en gek. Hij wint geld met zen bochel. Als er
\'en school uitgaat, leggen de jongens centen bij mekaar, en laten
Klein klaasje dansen. Dan springt ie om een stok net as zoo\'n
aap, en dan maakt ie zijn bochel wel eens zoo groot. Ik heb geen
bochel, meheerl" liet hij er met een zucht op volgen.
Terecht begreep ik dat keesje minder jaloersch was van den bochel
dan van diens geldige vrucht.
„Ik wou", ging hij op een treurigen toon voort, den rok een
veel harder streek met den schuier gevende, dan voor laken van
negen gulden dienstig was; „ik wou dat ik een bochel had. Ik zou
nies uitvoeren: ik zou centen krijgen; ze zouen om me lachen
Maar ik zou niet drinken", zei hij eensklaps van toon veranderende.
En den volzin omkeerende, voegde hij er, zeer bedaard den rok van
den knaap nemende en hem opvouwende, nog eens bij: „drinken
zou ik niet".
„Keesje", zei ik, „toen je den tuin doorkwaamt, en toen ik je
aansprak, was je bedroefd, en nu lijkje wel wat boos te zijn; ik zie
je liever bedroefd!"
De oude oogen schoten weer vol tranen; hij stak zijn dorre han-
den naar mij uit; ik vatte ze, toen hij ze, beschaamd over zijn
gemeenzaamheid, terug wilde trekken, en liet ze niet dan na een
bemoedigend drukje varen.
„Och", zei hij •— „och meheer weet dat zoo niet; —maar ik ben
— ik ben veel bedroefder dan boos. Maar Klein klaasje het me
mishandeld. Klein klaasje is slecht. De menschen", ging hij voort r
naar het schoensmeer bukkende, „de menschen denken soms dat ie
gek is; maar hij is slecht".
„Hoor eens, keesje!" zei ik, een klaptafeltje op een ijzeren poot
opslaande; „ga hier eens wat zitten en vertel me reis geregeld, wat
heeft Klein klaasje je gedaan?"
. „Het zei niet helpen", zei keesje, „maar ik zei et doen, as u \'t
niemand zegt. Kent meheer et Huis?"
„Welk huis?"
„Van de Diakenie".
„Ik heb het in \'t voorbijgaan gezien".
„Goed. Et is een leelijk huis, is et niet? een leelijk huis; met
rooie deuren en vensters; en van binnen alles rood en alles donker.
Nou; meheer weet wel dat we daar allemaal arm zijn. allemaal even
arm; ik kan et niet anders zeggen, net precies, denk ik wel, as op
\'t kerkhof. Ik en een ander verdienen iets, maar et helpt niet.
We brengen et in bij den Vader; en de Vader geeft ons alle weken
zakduiten. Dat is goed, meheer; dat is heel goed. Als ik oudwor,
verdien ik geen kopere\' cent meer; maar ik krijg toch de\' zak-
-ocr page 71-
58
duit. Hier", zeide hij, een bonten katoenen zakdoek uithalende,
„deuze, en", op zijn tabaksdoos kloppende, „en deuze, heb ik van
me zakduit gekocht".
Het was aandoenlijk een man van bij de negenenzestig te hooreu
spreken van „als ik oud word"!
„Klaas", — ging hij voort — „zoo as meheer wel begrijpt, krijgt
ook een zakduit. Maar wat doet klaas ? Klaas doet niets, dan nou
en dan de straat voor iemand wieden. Klaas houdt zich gek; klaas
danst met zen bochel; en as ie centen krijgt van de lui en van de
kinderen, dan wandelt klaas de poort uit. Kent meheer de Vette
Vadoek?"
„Neen, kbbsjk".
„Et is een herberg in de Hazelaan, daar drinkt klaas \'en borrel;
en welreis twee, en welreis drie borrels".
„En als hij dan in \'t Huis komt?"
„o Hij heeft allerlei kunsten. Hij neemt een groote pruim tabak.
Hij haalt \'en oranjeschilletje bij de\' drogist. Soms merkt de Vader
et. Dan krijgt hij \'en blok aan zen been, want hij is te oud om op
de bok gelegd te worden, en men kan em ook niet op zen bochel
slaan; maar wat is \'t as ie met het blok loopt ? Dan zeit ie teugen
de kinderen: St . . . jongens! Klaas is ondeugend geweest; klaas
het \'en graantje gepikt; en de Vader het klaas al zen centen af-
genomen. Je begrijpt wel, meheer, dat ie dan nog meer opdoet".
Ik begreep het volkomen.
„Maar dat zijn zijn zaken", ging keesje voort, een schoen van
mijn oom opnemende, dien hij smeren moest en onmiddellijk weer
neerzette; „maar wat hoeft ie mijn ongelukkig te maken? Weet u
wat et is. Ik zei et u vertellen. Ik had geld, — ik had veul geld,
— ik had twaalf gulden!"
„En hoe kwam je daaraan, keesje?"
„Met God en met eere. Ik had et gespaard toen ik in de apteek was.
Somwijlen, als ik \'en drankje buiten de stad brocht, op een buiten-
plaats of in een theetuin, zei de meheer of de mevrouw: geef de\'
Iooper een dubbeltje; \'t is slecht weer. Zoo had ik twaalf gulden
bij mekaar. Ik mocht die in \'t Huis niet hebben. Maar ik bewaarde
ze; op me hart".
„En waartoe bewaarde je die? Hadje dat geld noodig; of deeje \'t
alleen om \'t pleizier van het te hebben?"
„Och , meheer"! zei het diakenhuismannetje, het hoofd schuddende:
„Als ik et zeggen mag, die rijke lui weten dat zoo niet; de Regenten
weten \'t ook niet; want zij hebben er geen zorg voor. \'t Gaat alles
goed bij zulke menschen; bij leven en sterven. Hoor reis; we heb-
ben \'t goed in et Huis; de Regenten zijn goed; op vastelavond
krijgen we bollen met botter; over drie weken, as de slacht is, krijgt
et Huis \'en os, ik weet niet van wat voor groot heer die lang dood
is. Dan eten we allemaal gehakt; en de heeren hebben \'en partij en
-ocr page 72-
54
eten de tong. We hebben \'t er heel goed; maar \'en mensch, me-
heer, denkt altijd om zen dood".
„Ik denk nogal dat je \'t na je dood ook heel goed zult hebben,
keesje!" zei ik.
„Ik hoop et, meheer: in den Hemel is alles goed; maar dat meen
ik niet. Ik wou me lijk verbeteren, weet u?"
„Wat is dat, kees?"
„Hoor reis, as we dood zijn, dan leit men ons op strooi en we
krijgen \'t goed an van \'t Huis, net as wanneer we leven, en dan
gaan we na \'t kerkhof, in de put: dat wou ik niet. Ik wou, as ik
dood was, geen diakenhuisgoed aanhebben . . . ."
Hij zweeg een oogenblik; en weder kwamen de tranen.
..Ik wou in me kist leggen, ik weet niet, ik zei maar zeggen , zoo
as ik er mijn vader in heb zien leggen, met eigen goed; ik heb
nooit een eigen hemd gehad; één eigen doodhemd wou ik hebben".
Ik was aangedaan. Spreek mij niet van vooroordeelen. De rijken
der aarde hebben er duizend. Deze arme man kon alles verdragen:
schrale spijs, een hard bed en, naar de mate zijner jaren , harden ar-
beid. Hij had geen eigen huis, hij zou geen eigen graf hebben : o had
hij dan ten minste de zekerheid dat zijn allerlaatste gewaad het
zijne wezen zon!
„Meheer begrijpt wel!" ging hij, eenigszins schor, voort, „dat
daar die twaalf gulden voor was. Het was veuls te veul. Maar ik wou
nog meer; ik wou fassoendelijk begraven worden. Ik heb geen ver-
stand van die dingen; maar ik had gerekend vier gulden voor et
linnen, en dan twee gulden voor de menschen, die me zouen ofleg-
gen, en tien stuivers voor een draagplaats an twaalf dragers. Was
dat niet knap geweest? De bediende van den apteker had het zoo
beschreven: het geld was in et pampiertje; en alles in een leeren
zakkie: dat heb ik dertig jaar op me hart gehad .... en nou is het
weg ..."
„Heeft klaas het gestolen?" vroeg ik.
„Neen!" — zei hij, uit het droef gepeins, waarin zijn eigen laatste
woord hem gestort had, oplevende: maar hij is er achter gekomme
dat ik et had. Zijn kreb staat naast mijn kreb. Of ie et gezien
het as ik me uitkleedde, of as ik me ankleedde, of toen ik ziek
was, of dat ik er hardop van gedroomd heb, ik weet et niet. Ik zou
wel haast zeggen dat ik er van gedroomd had; want ik denk er
altijd om. — Verleden dinsdag had et den heelen voormiddag
geregend, as meheer wel weten zei. Klaas had geen cent opge-
daan. Het was te slecht weer; de jongens hielden zich niet met hem
op. Zen zakduiten waren ook weg, en hij had een razenden trek
om na de Vette Vadoek te gaan. „Kees", zeid\' ie na den eten,
„leen me zes centen". „Klaas", zeg ik „dat doei ik niet; want je
verzuipt ze toch maar", „kees" , zeid\'ie, „ik mot ze hebben", zeid\'ie.
Ik zeg: „nou je krijgt ze niet, hoor!" „Weetje wat." zeid\'ie, „kees"
-ocr page 73-
5S
zeid\' ie, „as je ze me niet geeft, zei ik an de\'Vader zeggen, wat je
onder je hemd hebt, hoor!" Ik besturf as \'en doek, en gaf\'em de
zes centen. Maar ik zeid\'er bij : „klaas, je bent een schurk!" Dat zei
ik. Of ie daar toen toch kwaad om geworden is, kan ik niet zeggen ;
maar gisteren mot ie dronken geweest zijn, en toen de suppoos-
ten \'em \'t blok andoen lieten, het ie as en gek geschreeuwd en
fezongen: „kees het geld! kees het geld! Onder zen hemmetje
et ie geld"! de broers vertelden \'t me, toen ik in \'t Huis kwam.
Ik was as \'en dooie. We gingen na\' de mannezaal en kleedden ons
uit. Klaas lag er al en snurkte as \'en os. Toen ze allemaal sliepen,
stak ik me hand onder me hemd om et zakkie weg te nemen en,
als ik kon, in \'t strooi van me bulster te verstoppen. Maar eer
ik et los had, daar ging de deur ope\', en de Vader kwam op
de zaal met \'en lantaren. Ik viel achterover op me kussen met
et geld in me hand, en tuurde as \'en gek menseh na\' de lanta-
ren. Ieder stap, die de Vader dee, voelde ik op me hart. „Kees ,"
zeid\' ie, over me heen bukkende: „Je heb geld; je weet wel dat je
dat hier in \'t Huis niet verstoppen mag"; en meteen trok ie \'t
uit me hand. — „\'t Is voor een doodhemd", — stotterde ik, en
viel op me knieën in de krib — maar \'t holp niet. „We zeilen \'t
voor je bewaren", zei de Vader, en maakte het zakkie ope\', en telde
het geld bedaard. Mijn eigen oogen hadden et niet gezien sunt
ik et er in genaaid had; dat was dertig jaar geleden: et was mijn,
eigen, lief, begrafenisgeldje. ,,lk zweer je dat ik er niets voor doen
zei", huilde ik, „dan me eerlek laten begraven." — „Daar zeilen we
zelf wel voor zorgen", zei de vader; en weg ging ie met et geld
en met de lantaren. „Klaas", riep ik hem na, „het et je verteld,
omdat ie" .... maar wat holp het of ik gezeid had, omdat ie \'en
lap is! wat holp et of ik hem verteld had dat klaas alle dag
na\' de Vette Vadoek ging? Ik had er me geld niet mee weer-
om. Den heelen nacht heb ik geen oog toegedaan. -— Et is wat
te zeggen!"
„Zou er bij de Regenten niets aan te doen zijn, keesje?" vroeg ik
vertroostend.
„Neen! neen!" snikte hij, de hand op zijn borst rondwrijvende,
als zocht hij er het geld nog; „het geld most weg; dat is \'en wet zoo
oud as et Huis, en et Huis is zoo oud — zoo oud as de wereld!"
„Dat\'s wat kras, keesje", zei ik; „en wanneer"....
Hij liet mij niet uitspreken.
„Wat kras? Het is niemendal kras. Zijn er dan niet altijd armelui
geweest zoo as ik, die an de Diakenie kwammen, en van de Diakenie
mosten eten en drinken, en bed en leger hebben , en begraven wor-
den? — Maar ik wou begraven worden van mijn, eigen, geld, — en
ik wou zeker weten dat ik van mijn, eigen, geld begraven zou
worden; en dat was mijn grootste troost; en daarom droeg ik et
vlak o]) me hart. — O, as klaas kon weten dat ie me dood maakte!"\'
-ocr page 74-
56
„Hoor eens, keesje", zei ik, „je zult en moet je geld weerom
hebben; ik beloof het je: ik zal mijn oom er over spreken; hij kent
zeker de Regenten wei; wij zullen zien of zij de wet, voor een oud,
braaf, oppassend man, als gij zijt, niet eens zullen willen overtreden.
Maak er staat op, kees, je zult je geld weerom hebben".
„Zei ik?" zei cle arme man, door mijn stelligen toon bemoedigd.
„Zei ik wezenlijk?"
En zijn oogen afvegende met een blij gelaat, gaf hij mij de hand.
In zijn behoefte om ook mij iets aangenaams te zeggen vroeg hij :
„Sineer ik uw laarzen netjes genoeg?"
„Overheerlijk", was mijn antwoord.
„En is uw jassie goed genoeg geborsteld?" vroeg hij verder; „as
er iets an mankeert, mot meheer \'t maar zeggen".
Dat beloofde ik hem en ging in huis. Maar hij kwam mij achterop,
met den linkerarm in een laars van pieter en den schoenborstel in de
rechterhand. „Vraag escuus, meheer, dat ik zoo vrijpostig ben", zei
hij, „maar mag ik u nog wel iets verzoeken?"
„Wel ja kees!"
„As meheer na\' de liegenten gaat", hernam hij , „inot meheer maar
net doen as of ie van nies weet."
„Ik beloof het u, keesje!"
Ik ging naar mijn oom en wist dien te bewegen naar de Re-
genten te gaan. De president liet den Vader bij zich komen, en
daarna den vader rondgaan bij de andere Regenten, oui ze tot
een extra vergadering te convoceeren. Op die vergadering moest
eerst keesje binnenkomen, en vervolgens buitenstaan; daarna
moest ook de Vader binnenkomen, en vervolgens buitenstaan.
Daarop werd er een uur gedelibereerd, hetwelk hoofdzakelijk
daarmee werd doorgebracht dat de president gedurig zei dat hij de
zaak aan de heeren overliet, en de heeren gedurig zeiden dat zij de
zaak aan den president overlieten.
Daar het zóo niet blijven kon, bracht eindelijk de president het
advies uit, „dat het, aan den eenen kant, wel doenlijk was keesje
zijn geld terug te geven, daar keesje een man was van voorbeeldig
gedrag, die het geld zeker tot aan zij n dood toe zoo goed bewaren
zou als de ijverige thesaurierzelve", — waarop de „ijverige thesaurier-
zelve" boog — „maar dat, aan den anderen kant, de ijverige thesau-
rier het weder even zoo goed bewaren zou als keesje, en dat het dus
volstrekt niet uoodig was keesje in het vooroordeel te stijven dat zijn
geld beter bewaard zou worden en zekerder tot deszelfs, d. i. kees-
jes, doel zou worden aangewend, indien hij , keesje, het zelf bewaar-
de, dan indien de ijverige thesaurier het bewaarde; en dat dit zijn
advies was".
De secretaris meende echter met eenig recht dat dit advies den
knoop niet genoeg doorhakte, en stelde dus onder verbetering voor ,
tot een van de beide maatregelen over te gaan; — waarop „de ijverige
-ocr page 75-
57
thesaurierzelve" de edelmoedigheid had afstand te doen van het „custo-
diëeren der penningen in quaesti" , en men eenparig besloot aau kees-
jb zijn twaalf gulden, weder behoorlijk in een zeemlederen zakje
vastgenaaid, terug te geven.
Keesje heeft nog twee jaren zijn geld „vlak op zijn hart" ge-
dragen. En toen ik in \'t verleden jaar het kerkhof te D. zag, was
\'t mij zoet te mogen denken, dat aldaar in het algemeene graf der
armen één man sluimerde, die er eerbiedig was heengedragen door
twaalf broeders van zijne eigene keuze, nadat hij, ook eenigszins
door mijn toedoen, in de gerustheid was ontslapen dat hij in zijn
eigen doodskleed zou worden gewikkeld.
Had hij misschien in zijn laatste oogenblikken nog aan hilde-
bband gedacht?
Er komen menschen op een kopje thee, om verder
het avondje te passeeren.*
Des zondagavonds was de tuinkamer in haar schitterendste pracht.
Ik zal pogen er u een flauw denkbeeld van te geven.
Verbeeld u een ruim vierkant vertrek, met een vierkante tafel in
het midden, waar het vierkante groene kleed van is afgenomen en
vervangen door een vierkant zilveren theeblad, waarop een degelijk
ouderwetsch porselein theeservies prijkt, lauge lijzen met zes mer-
ken. Daaromheen staan vijf stoelen geschikt, met hooge ruggen en
zittingen vau groen gebloemd trijp. Men maakt dat tegenwoordig
zoo goed niet meer. Als men onder de tafel kijkt, ziet men als twin-
tig vurige oogen, van wege vier stoven; de vijlde vonkelt niet; het is
een steenen. Daaraan, en aan de plaatsing van het theegoed, en aan
den verlakten ketel, die naast den stoel staat, ken ik de plaats mij-
ner eerzame moei. Midden op de tafel staat een dierbaar pronkstuk.
Het is een verbazend groote bronzen lamp, die door een olifant ge-
torst wordt, in wiens voetstuk een speelwerk verborgen zit. Bij deze
bijzondere gelegenheid ligt er, reeds vóór November, een netge-
bouwd turfvuurtje in den helder gepolijsten haard; het is alleen
maar opdat er met schik stoelen omheen zouden kunnen worden
gezet, voor de heeren. De smalle marmeren schoorsteenmantel is
versierd met een pendule, voorstellende een negerslaaf met witte
oogen, roode neusgaten, en gouden voorschoot, die op eene onge-
dwongen wijze den arm om een wijzerplaat slaat; en aan de beide
kanten, met twee vaasjes niet gekleurde bloempjes onder stolp-
jes, zoo poppigjes en zoo kleintjes, dat men ze voor de pasgeboren
kindertjes houden zou van die groote stolp met opgezette vogels, die
tegenover den schoorsteen, op een bruinhouten tafeltje met ééne
lade, pronkt. Het schoorsteenstuk vertoont in stukadoorwerk eene
aangename partij weverskammen, weversspoelen en weversklossen,
-ocr page 76-
58
in een luchtigen strik bijeengehouden en halfbegraven onder wit-
sellagen van onderscheidene formatie.
Maar wat de feestelijke zaal, niet alleen mi, maar altijd den mees-
ten luister bijzet, is zonder twijfel, boven een hooge grijze lambrizee-
ring, op snee verguld, het. prachtig behangsel, beschilderd met niet
onaardige bergachtige landschappen. met op- en ondergaande zon-
nen, zandwegen met diepe sporen, en waterplassen met riet en zwa-
nen; voorts gestoffeerd met vrouwen met manden op den rug, waar
bovenuit een bos stroo steekt; mannen aan den waterkant, die aan
lange hengels visschen opslaan: kinderen met bloote hoofden en
bloote voeten. die bij een geit in \'t gras liggen ; reizigers op bruine
paarden, met den rug naar u toe om het valies te laten zien. en op
witte paarden, die een dunne rijzweep zeer rechtop houden ; wande-
laars met enorme wandelstokken en driekante.....Wat ga ik zeg-
gen? Ja, zij hadden driekante hoeden opgehad, maar die tijd was
voorbij; de kamer was voor een paar jaar „opgeknapt". en de heer
petrus stastokius Sen., hoe ouderwetsch ook in vele opzichten . had
in dezen gemeend een proeve te moeten geven, dat hij met zijn tijd
was vooruitgegaan. Hij had al wat kleedij was laten modernizeeren.
Een geestig schilder had op zijn gebod al de hoeden veranderd . naar
het toen nieuwste model, bij den hoedemaker gehaald, en al de wan-
delaars hadden bruine, gele of gestreepte pantalons aangekregen met
soupieds en naar de nieuwste snede. Al de pruiken waren verban-
nen. De dames, die tot hiertoe de openlijke bewijzen hadden ge even
dat onze grootmoeders veel meer gedecolleteerd waren op hare wan-
delingen dan onze zusters op hare bals, hadden hooge japonnen met
stukken, wijde mouwen, en lange lijven ontvangen. en zelfs het
haar der halfnaakte kinderen was in naam der beschaving geknipt.
\'t Is waar. dat deze vernieuwerwetsching in vele opzichten nog
veel te wenschen overliet, vooral ten opzichte van de rottingen, regen-
en zonneschermen, die hunne vorige gestalte hadden behouden;
maar de waaiers waren allen in bloemruikers veranderd, en dus
bestond er van dien kant volstrekt geen tijdsverwarring meer.
Toen mijn oom en tante dit alzoo met wijsheid hadden laten in
orde brengen, meenden zij zich van hun plicht gekweten te hebben,
en een offer aan den Moloch der negentiende eeuw te hebben
gebracht, groot genoeg om hun te vergunnen. voor hun persoon,
die eeuw op velerlei wijze te hoonen en weg te cijferen ; want om de
waarheid te verklaren : de heeren en dames op \'t behangsel waren
mijnheer en juffrouw stastok een goed eind vooruit; en daar zij op
dezen heugelijken avond op hun mooist gekleed zijn. vooreerst om-
dat het zondag is, en ten anderen omdat zij „mensehen wachten",
wil ik deze gelegenheid waarnemen om u eene tot hiertoe verzuimde
beschrijving van hun persoon en voorkomen te geven.
Het is nog doodstil in de tuinkamer; „diezelfde tuinkamer" zou een
redenaar zeggen, „die zoo aanstonds weergalmen zal van het luid-
-ocr page 77-
59
ruchtig gesnap eener vroolijke menigte!" Ik verneem er niets dan
het gezellig gezang van het theewater, dat door de tuit stoomt, en
het spinnen van de Cyprische poes, die voor den haard zit, verwou-
derd van hier zoo vroeg in \'t jaar vuur aan te zien. Ik ruik er niets dan
den theeketel, die nog lang niet dikwijls genoeg gebruikt is om niet
te stinken, en ik zie er, behalve de voormelde poes, niemand an-
ders dan mijn deftigen oom, die met den rug naar het vuur gekeerd,
en met de handen op dien rug, beschenen wordt door de vier was-
kaarsen op de vergulde lustres aan zijn schoorsteen , en wiens beeld
zich weerkaatst in den spiegel tegenover hem. Een heerlijk oogen-
blik om zijn portret te maken! Mijn oom, schoon in de zestig jaren
oud, is hetgeen men voor dien ouderdom, nog „een kras ventje"
noemt. Hij heeft geen grijs hoofd, vermits hij een bruine pruik
draagt, die over zijn ooren gaat, en waar hii bijgevolg door heen moet
hooren: hij heeft een rond, blozend gezicht, volstrekt geen bakke»
baarden, een niet onaardig bruin oog, en een onderkin. Hij is niet
groot van postuur, en heeft, om hem recht te doen, geen ander
lichaamsgebrek dan zijn hooge linnen halsboorden. Deze zijn heden ,
wegens het feest van den dag, nog ééns zoo hoog, zoodat ze zelfs de
uiteinden van zijne ooren in eenige ongelegenheid brengen. Voor het
overige draagt hij een wit stropje, een overhemd met jabot, een wijden
zwarten rok, die van achteren gezien wel wat van een jas heeft, en
nog altijd een korte broek, zoodat men in de gelegenheid is de wei-
gevormde kuiten te bewonderen , die in fijne floretten kousen steken.
Op dit oogenblik treedt mijne tante binnen, die het toilet van mijn
oom volmaakt, door hem een grooten, schoonen linnen zakdoek
met breede zoomen aan te bieden. Gij hebt lang gemerkt dat
zij een neepjes-mutsje draagt. Zij heeft van avond het beste op, met
een net wit satijn lintje met tandjes; — het heugt mij hoe ik mijn
frootmoeder zulke lintjes op haar verjaardag gaf! — Zij draagt het
aar gepoeierd, althans er komt een weinigje van dat wit, met een
mesje gelijkgestreken, op haar voorhoofd; en dat staat heel wel bij
haar helder, welgedaan gezicht, en bij de goelijke kuilen, die, als
zij spreekt, in haar wangen komen. Zij heeft om haar hals een aar-
dig snoertje kleine paarlen met een juweelen bootje, en een hoogen
dikgeplooiden kamerijkschen doek in haar lage japon van weerschij-
nende zijde met ruim lijf.
Wij laten haar, eenigszins vermoeid van al de bereddering, plaats
nemen om thee te zetten, en slaan terwijl onze oogen op pieter Jr.,
die juist binnentreedt. Ook hij ligt onder zijn, wat de zeelieden noe-
men, beste tuig. Hij is (ik moet het zeggen) volmaakt naar de mode
gekleed; een zwarte pantalon met soupieds, een zwart satijn vest,
een blauwe rok met glimmende knoopen; en toch ziet hij er infaam
ouderwetsch \\iit. Want de pantalon is zoo kort,en de soupieds zijn
zoo lang, en het vest is zoo laag uitgesneden, en zoo wijd om het
midden; en de rok is zoo smal van kraag en zoo breed van rug; en
-ocr page 78-
GD
waarom verstokt hij zich nu om zich met een bruine stropdas te
willen uitzonderen, in plaats van een zwarte om te hebben, als alle
fatsoenlijke menschen?
Oom kijkt een paar malen op zijn horloge, om aan te merken dat
Ds. S. het geweldig lang moet maken. Dit is, in\'t voorbijgaan ge-
zegd, de eenige reden, waarom petbus stastokius Hen. nooit diaken
of ouderling heeft willen worden, omdat hij alsdan genoodzaakt zou
zijn geweest, op zijn beurt, ook bij die predikanten te kerk te gaan,
die niet als hij, lieden van de klok waren.
Het duurt evenwel niet lang of een bescheiden belletje kondigt de
aankomst van den eerstverschijnenden gast aan. Wij zullen hem en
al de verdere hun jassen en mantels laten afdoen en in handen stel-
len van keesje , die van avond bijzonder verlof heeft om later in \'t
Huis te komen; hun vervolgens pijpen laten stoppen, en complimen-
ten maken over „de zorg"; hen daarna een uurtje laten praten over
\'t weer, over de kou in de kerk, over het verkieslijke van een open
haard boven een „toe kachel", over den stand der fondsen, over het
werk van de dames, en over de laatste verkooping van huizen en
het laatste plan van den stedelijken raad om een brug te leggen over
een water, waarover reeds voor tien jaren een brug is noodig ge-
weest; om u daarna op eens midden in\'t gezelschap binnen te leiden
en u al zijne leden in hunne grootheid te laten aanschouwen. G-ij
kunt ondertusschen zelf een versche pijp stoppen.
De man, dien gij bij den haard ziet, met mijn oom in druk gesprek
gewikkeld over de meerdere voortreffelijkheid van de inrichting der
gilden, zoo als die vroeger bestond, boven die van de patenten,
onder het ministerie gogel ingevoerd, is een oude kennis, en nie-
ïnand anders dan de zilveren man uit de diligence. Hij is evenwel
zoo min een zilversmid, als de pikeur een commissaris van politie
was. Ik ben ongelukkig in mijne waanwijze gissingen geweest. Hij
is alleen maar oudste commies ter secretarie van de stad D. Hij be-
hoort tot die menschen, die jaar en dag in wag enaar en in de Ver-
volgen op wagenaar, alsmede in de boeken van i,e FRANCO, van
berkhet, en in tuinmans „Xederduytsche Spreekwoorden" studeeren,
terwijl hun verdere lectuur bestaat in onbeschrijfelijk veel Preken,
en Reizen rondom de wereld. Hij kan met wijsheid op zijn snuifdoos
kloppen, en verklaren hoe een snuiter heette in den tijd, toen de
kaarsen nog niet gesnoten werden, en voor hoeveel geld men een
huis kon huren, in een jaar, waarvan hij in de stoffige papieren der
secretarie een rekening gezien heeft. Hij heeft groot gezag in het
beoordeelen der talenten aller predikanten; en in \'t geheel, als er iets
is in de familie dat duister voorkomt, richt men zich tot den heer
tan naslaan, „die onbegrijpelijk veel gelezen" heeft. Het is echter
waar, dat in de laatste jaren de hooge wijsheid vanden jongen pie-
ter \'s mans gezag veel kwaad heeft gedaan, vooral omdat gemelde
pieter het alle voorrechten verzekerend Latijn verstaat.
-ocr page 79-
61
Pieteb en ik worden beziggehouden door een langwerpig man
van een groote dertig jaren, met een kaalachtig hoofd en in een
langen sluitjas, die den naam draagt van den heer dorbeen , en den
naam heeft van droogkomiek te zijn. Behalve dit, oefent hij het ambt
van makelaar uit. Hij vraagt ons naar studentegrappen, die sedert
de oprichting der academiën, aan alle academiën eenmaal \'s jaars ge-
beurd moeten zijn, die hij gehoord heeft in zijn jeugd, die aan mij
en aan pieter verteld zijn als onder onze laatste voorgangers aan
de hoogeschool vertoond, en die waarschijnlijk nooit hebben plaats
fehad, en nooit zullen, plaats hebben; en als hij er een heeft opgehaald
ie heel aardig is, dan vraagt hij terstond een baleintje en steekt
zijn pijp door, met een gezicht zoo lang en zoo akelig, dat hij dui-
delijk toont hoe droogkomiek hij is. Pieter is onder zijn verha-
len verstrooid, rookt wanhopig door, grinnikt als er een vertelsel,
en stopt een nieuwe als er een pijp uit is. Ik sta op heete kolen om\'
eens nader kennis met de dames te maken.
„De heeren zullen zeker liever bij den wijnstok blijven?" zegt
mijn welgedane tante, vriendelijk omkijkende, en een ruimen wit-
ten ketel opbeurende; „pieter wil misschien wel een kopje slemp p"
„Dat wil ik óók wel tantelief!" zei ik, en trad naar haar toe, om
haar den grooten ketel vooreerst wat lichter te maken , daar zij hem
onmogelijk tillen kon. Weet gij voor wie ik inschonk?
Yoor een deftige dame, die, als mijn tante, zat te breien , maar toch
meer naar de mode gekleed was en de wettige echtgenoot van den
commies, echter veel jaren jonger dan hij: voor een jeugdige zuster
van dezen haren man , van een veertig jaar, met kalfsoogen, die bij
haar inwoonde met het voorrecht van de wasch voor haar te doen,
haar kousen te mazen, haar hoeden te vermaken, en haar japonnen
af te dragen ; als ook voor haar dochtertje kousje , een meisje van ik
denk zeventien jaren, die er met haar gescheiden bruin haar en roze\'
rood japonnetje allerliefst uitzag; en behalve voor mijn tante en mij-
zelven, voor de zeer modieuze gade van den makelaar, die de eenige
„mevrouw" van de partij was, een enorme muts met vuurrood lint
droeg, en een niet minder enorme gouden gesp aan haar ceintuur.
Mejuffrouw van naslaan was een zeer wijze dame, die zeer ver-
standige bevindingen had. Zoo vond zij bijv. een kouden tocht altijd
erger dan een koude lucht; zoo vond zij altijd, dat het op een heeten
dag nog al eens wat helpt als er wat wind is; zoo merkte zij op, dat
als men veel verloor, het altijd nog een troost was als men iets be-
hield; zoo had zij ontdekt dat, als men ergens aan gewende, zoo
iets gemakkelijker viel dan als men er volstrekt niet aan gewoon
was; zoo was zij er zelfs, door vlijtige en innige nasporigen op
het gebied der zielkunde, toe gekomen, een wezenlijk onderscheid
tusscnen menschen en menschen waar te nemen en met grond te
kunnen verklaren, dat de eene mensch de andere niet was; en der-
gelijke verstandige dingen meer, die haar een grooten roep van
-ocr page 80-
02
knapheid en ervarenheid gaven onder de vrouwen van haar kennis;
en daar zij van alle eenvoudige zaken zei, dat er meer achter zat,\'
en alle dingen geestiglijk bij muisjes vergeleek die staartjes hebben
zouden, zoo hield men het er met reden voor, dat zij meer zag dan
een ander. Mevrouw dorbeen daarentegen was een rammel, trotseh
op haar mevrouwschap, haar muts en haar echtgenoot. Ik had van
haar hooren spreken als van iemand die heel mooi een vers op-
zei, dat ik wel geloofde, daar zij sterk brouwde, en zeer rollende
bruine oogen bezat.
De manszuster van mejuffrouw van naslaan heette mietje, en
was volstrekt niets dan een goed mensch.
Met uitzondering van deze die niets, en van de lieve zeventienja-
rige, die zeer weinig sprak, praatten de aanwezige dames doorgaans
alle tegelijk, en de heeren bij het vuur zongen er de tweede partij
toe. Bijvoorbeeld:
„Hoor eens, me lieve juffrouw stastok", zei mejuffrouw van na-
slaan, haar breiwerk neerleggende en haar wijsvinger op de hand
van mijn tante drukkende: „Hoor eens; me lieve juffrouw stastok,
je hoeft er me niets van te zeggen; ik weet" (hier kneep zij hare
oogen op een interessante wijze dicht), „ik weet dat allemaal wel;
ik ken die menschen door en door; en zoodra als ik hoorde dat KEETJE
dat in \'t hoofd had, wist ik wel hoe de vork in den steel stak".
Hierop nam zij haar breiwerk weer op, en telde de steken van
het toertje, daar zij aan bezig was, na.
„Ja maar, koosje!" rammelde mevrouw dorbeen, voorbij mietje
van naslaan heen sprekende, en die met haar roode mutslinten zoo-
danig voor de oogen schitterende, dat de goede ziel den anderen dag
betuigde, er wee van te zijn geworden: „je kunt je niet begrijpen
hoe druk doebeen het heeft; dat is van den ochtend tot den avond;
daar hadje nog gisteren morgen mijnheer van der helm"; (deze was,
inoet men weten, de grootste heer uit de stad, wiens zaken dor-
BEEN waarnam); „daar hadje nog gisteren morgen mijnheer van
der helm, al vóór den ontbijt: hij ging op de jacht en wou doebeen
nog eerst spreken; nu is hij gelukkig heel eigen bij ons, zoodat het
er niet op aankwam dat dorbeen nog niet gekleed was; maar zoo
gaat het dag op dag; nu heb ik het óók wel druk met de kinde-
ren, maar ik zei tegen dorbeen : weetje wat ? ik ga er zelf maar
reis op af. Xu is doebeen daar altijd heel wèl van, en vindt het
altijd goed zoo als ik het maak ....\'
„Juffrouw mietje, nog niet een roomsoesje ?" vroeg mijn tante —
„Jij ook niet, koosje? Wel kind! wat heb ik je in lang niet reis
hier gezien. Het heugt me nog dat je met pieter speelde. Ja,
kleine kinderen worden groot, koos!"
„Dat zeg ik zoo dikwijls \', zei mejuffrouw van naslaan. „Waar
blijft de tijd? En ik zeg maar, hoe ouder dat je wordt, hoe meer
-ocr page 81-
63
de tijd vliegt; maar je jonge jaren, kind! zeg ik alle dag tegen
koosje, leer dat van mij, die komen nooit weerom".
„En dat zijn van die dingen", klonk het van den schoorsteen, uit
den mond van den heer vaït naslaan, met plechtige langzaamheid
en afgebroken door het statig uitblazen van tabaksrook: „dat zijn van
die dingen, mijn goede vriend! — (p\'hoe), die u — (p\'hoe) en mij —
(p\'hoe) en een ander — (p\'hoe, p\'hoe) ongelukkig maken. En onze
voorvaderen", — hier nam hij de pijp uit den mond, om er den
derden knoop van mijn ooms rok onder \'t spreken onderscheidene
kleine tikjes mee te geven — „onze vaderen .... ik vraag je of ze
der zoo veel slechter aan waren dan wij? — onze vaderen, mijn-
heer! hielden zich met die dingen niet op".
„Neen!" verklaarde mijn oom, in edele opgewondenheid een
versche pijp stoppende, „dat waren andere menschen! die wisten —
piet, geef me \'t komfoortje reis aan — die wisten handen uit de
mouw te steken, al zeg ik \'t zelf;—en wat ik altijd zeg — ze pasten
op er tijd. Mijn vader was altijd \'s morgens kwartier voor zessen.
gekleed en geschoren — kom daar nu reis om!"
En zijn pijp op het vuur zettende, spande hij een schrikkelijke
kracht in om naar ineens aan te trekken, en ze daarop omkeerende,
en een mondvol rook tegen den kop blazende, herhaalde hij , door
de inspanning half uit zijn adem: „Kom daar nu reis om!"
„Ja, lieve vriend!" zei borbeen tot pieter, bijna een der vergulde
knoopen van diens uieuwerwetschen ouderwetschen rok aftrekken-
de, daar hij met hein in gesprek was geraakt over een der rijkste
jongelui, die te Utrecht studeerden: „Zijn vader heet Goede laken,
maar hij mocht wel Goudlaken heeten".
Dit was een trant van geestigheid, waarin de heer borbeen sterk
was; en daar pieter grinnikte, en mijn oom, die\'t ook hoorde, zijn
hoofd lachend schudde, en de grap voor den heer van naslaan
herhaalde, merkte mevrouw dorbeen dat er iets grappigs aan de
hand was en, haar gevuurvlaind hoofd opheffende, zeide zij aller-
innemendst:
„Lieve borbeen! laten de dames ook reis wat van je hooren".
Allen zagen hem aan en zwegen.
„Beste schat!" zei borbeen, toen het heel stil was, met een lief
lachje — „ze hebben immers al heel veel van mij gehoord".
„Hoe zoo?" vroeg mevrouw borbeen\'.
„Wel, ze hooren immers w, mijn beste! en zij t gij niet van mij?"
antwoordde hij, heel „droogkomiek".
Allen lachten; maar het lieve zeventienjarige koosje had moeite,
en daarom vond mevrouw borbeen het gepast haar lachende toe te
voegen: „Och koosje! zoo is hij altijd; trouw nooit, kind; want de
mannen laten er hun vrouwen altijd inloopen".
-ocr page 82-
64
Pieteb was intusschen achter den stoel van koosje gaan staan
rooken en werd op deze woorden bleek. Hij gevoelde dat hij er
nooit iemand, laat staan een vrouw, laat staan de zijne, in, zou,
kunnen, doen, loopen.
Daar nu dan toch de muur gevallen was, die op dergelijke bijeen-
komsten, welke men in burgerkringen „een kopje thee, en verder het
avondje te passeeren" of ook wel een „presenteertje", of een „aange-
kleede pijp , of een „aangekleede boterham" noemt; daar nu dan toch,
zeg ik, de muur gevallen was, die op dergelijke bijeenkomsten de
mannen van de vrouwen scheidt, en er als \'t ware eene verbroedering
der beide seksen had plaats gehad, en daar mevrouw dobbeen op
eene ongezochte wijze het voorwerp der algemeene opmerkzaamheid
geworden was, vond mijn oom goed met een verzoek voor den dag
te komen, dat hij reeds lang op \'t hart had gehad.
„Nu, mevrouw! maar je zult toch ons en de vrienden wel een
pleizier willen doen?"
„Wel zeker, mijnheer stastok!" En zich, met een bescheidenheid
. grooten genieën eigen, spoedig tot mejuffrouw van naslaan w en-
dende, „wat heb je daar een lief patroontje van een kraagje om!"
„Ja, mevrouw!" was het antwoord, „ik zeg altijd: duurkoop goed-
koop. Want ik vind dat het beste goed het \'et beste uithoudt. Ik
had het in den winkel bij van bhommelen gezien, en ik zeg tegen
mijn kinderen, als ik nü reis weer jarig ben.. .."
„Hoor eens," zei stastok tegen dobbeen: „je moet maken dat
je vrouw reis reciteert, hoor".
„Heeremijntiid ja, je moet strak stellig reis reciteeren, lieve me-
vrouw!" zei mijn tante met eenige ongerustheid, en op het woord
strak zooveel kracht leggende als zij in bescheidenheid doen kon.
„Och toe, mevrouw!" zei koosje met een allerliefste uitdrukking
van gelaat.
„Hè ja!" zei mietje met de kalfsoogen.
„We moeten mevrouw niet overhaasten", zei mijn tante.
„Neen!" zei mevrouw dobbeen, eenigszins bleek wordende, „als
het dan moet, moet het ineens maar. Wat wil je hebben ? Kom, het
Eijntje dan nog maar reis". En haar schaar opnemende, om die,
onder \'t opzeggen, bij iederen nieuwen regel open te doen en bij \'t
invallen der caesuur toe te knijpen, begon zij met een door verle-
genheid wat heesche stem, die gedurig scheller werd:
„Zoo rust dan «öirflijk, \'t ruwe noorden
Van \\mgv\\jacht en stormgeloei,
En rolt de Rijn weer langs zijn booriea,
Ontslagen van de winterftoei."
Toen zij zoover gekomen was, hield mevrouw dobbeen haarzak-
doek voor den mond en had een hevigen aanval van hoesten. Zij begon
op nieuw en geheel in denzolfdcn toon, maar andermaal bracht zij \'t
-ocr page 83-
65
niet verder dan tot „de winterboei". Zoodat mejuffrouw van naslaan
dadelijk begreep dat zij wel ingezien had dat er achter die hoestbui
meer zat.
Mevrouw dorbeen werd zoo rood als de linten van haar muts,
staarde in de lamp, en zei nogmaals, als om weer op gang te raken ,
Ontslagen van de winterioet.
Nieuwe stilte.
„Die winterboei boeit je tong, lieve!" merkte mijnheer dorbeen
droogkomiek aan.
„Foei! daar had ik het nou net, en nou breng jij er me weer
af. Wacht!
„Zijn waatren drenken de oude zoomen,
„En \'t landvolk"
hier werd de stem zeer hoog:
sPElende aan zijn vloed,
„Brengt vader Rijn den lenteoroet..."
Aldus ging mevrouw dorbeen voort op een hartroerende wijze het
hartroerende meesterstuk des grooten borgers te bederven. Bij het
derde couplet begonnen hare oogen te rollen, en bij het vierde
rolden zij zoo zeer, dat ik vreesde dat zij van hare wangen afrollen
zouden. Zij was nu al rollende en brouwende en zingende en
gillende gekomen tot:
„Noem hij deze aarde een hof van Eden,
Die altijd mocht op rozen gaan,..."
Ach, du lieber Augustin, Augustin, Augustin!
klonk het over de tafel.
Het was het speelwerk in de lamp, door mijn tante, in schijn van
lepeltjes uit het lepeldoosje, dat vóór den olifant stond, te zoeken.
opgewonden. Ik begreep nu waarom zij er zoo op gesteld was ge-
weest, dat mevrouw dorbeen haar reciet mocht hebben uitgesteld.
Mevrouw dorbeens oogen, die net gereed stonden om met
„Ik wensch geen stap terug te treden",
hevig uit te rollen, rolden terug met de snelheid van een spoortrein.
„Wat is dat?" riep ze.
„Dat is een walsje," zei haar man.
„Xeem mij niet kwalijk, mevrouw," smeekte mijn tante, „ik had
het opgewonden, \'t Is net speelwerk in de lamp. \'t Is anders de
aardigheid, dat het zoo onverwachts begint, een poosje nadat het
opgewonden is. \'t Was om de vrinden te verrassen. Ik had gehoopt
dat DE. wat later zou hebben gereciteerd; nu komt het er ook zoo
mal in."
Mijn tante zou gaarne, in dat oogenblik van verlegenheid. den ge-
5
-ocr page 84-
66
heeleu bronzen olifant den kop ingdrukt hebben. Maar er was niets
aan te doen, en in blinde opgewondenheid ging hij voort met zijn
Ach, du Heber Augustin!
Het was een tartend geluid voor mevrouw dorbeen , en zij beefde
inwendig van toorn. Zij hield zich evenwel goed, en met langzame
teugen een kopje slemp uitgedronken hebbende, zei ze:
„Och! het vers was zoo goed als uit; de vrienden verliezen er
niet veel bij. Nu zal koosje wel eens wat willen doen."
Koosje bloosde, en zei met de oogen op haar moeder geslagen:
„Ik kan niets; wel moeder?"
„Stil!" zei dorbeen : „het verandert weer:
Oü peut-on être mieux?"
En waarlijk, daar de olifant drie deuntjes machtig scheen te zijn,
was er voor niemand anders gehoor dan voor het grootste der vier-
voetige dieren; totdat het al zijn kunsten getoond had, en met een
forschen tjingel besloot.
Mama van naslaan bleek van eene meening te wezen tegenover-
gesteld aan die. welke haar lief kind met het zoetste lipje der
wereld had beleden; zij geloofde veeleer dat haar koosje niet alleen
iets, maar zelfs zeer veel vermocht, en knikte haar daarom toe, ook
iets in het midden te brengen, waarop mevrouw dorbeen zei:
„Wel ja, laat je ook reis hooren, koosje! ik heb nu mijn plicht
gedaan!"
En tante riep: „Och ja, asjeblieft!" en mijnheer dorbeen, zeer
droogkomiek, rijmde:
„Kom Koosje,
„Lief roosje,
„Reciteer i-eis een poosje!"
En mietje, die niets was, zei alweer: „Hè ja!" en de oude stastok
zei: „Komaan!" en stopte een pijp; en de jongere stastok ver-
stoutte zich om met een hooge kleur te zeggen: „Toe, als \'t u
belieft!"
Maar het lieve kind bloosde zoo sterk, en was zoo angstig, en
verontschuldigde zich zoo smeekend, dat tante er medelijden mee
kreeg en zei:
„Koosje is misschien hang voor den vreemden heer; ik geloof
dat we haar meer plezier doen zullen als we \'t voor dezen keer
te goed houden!"
Waarop mevrouw dobbeen, haar oogen zeer sterk op den snuit
van den olifant gevestigd houdende, op een aardig toontje zei:
„Als die vreemde heer ons dan ook eens schadeloos wilde stellen!
Mijnheer hildebrand kan immers ook wel een kleinigheid!"
„Dat was goed," zeiden allen, en mijn oom keerde zich om, ten einde
-ocr page 85-
07
even. op zijn horloge te kijken; want „hij wou oin den dood niet graag
dat er nachtwerk van wierd."
Men stopte versche pijpen; de heeren gingen zitten; de heer van
naslaan met een zucht; de heer dobbeen met het oog van een kenner;
pietee niet dat van een verachter; mijn oom met dat van iemand
•die pas op zijn horloge heeft gekeken en halftien heeft ontwaard. Ik
stoorde mij volstrekt niet aan de heeren, en plaatste mij zoo, dat ik
het lieve gezichtje van koosje vlak voor oogen had; men moet wat
hebben voor de moeite.
„Ik zal," zeide ik, toen alles doodstil was, „het gezelschap las-
tig vallen met een klein stukje, \'t Is een vertaling dooreen mijner
vrienden, en uit het Fransch.
„Uit het Fransch!" herhaalde de heer van naslaan, met een be-
•denkelijk gezicht mijn oom aanziende.
„Kom aan, dat \'s goed!" zei mevrouw dobbeen.
Alles was doodstil om den vreemden stoethaspel te hooren, maar
f een der dames zag hem aan, vermits hare loffelijke bescheiden-
eid dit nooit gedoogt, als men in gezelschap iets voor haar opzegt,
met uitzondering van mevrouw dorbeen, die scheen te willen weten
„of hij goed met zijne oogen rollen zou". Koosje zat hevig te fes-
tonneeren, en ik zag niets dan haar gescheiden haar.
Ik begon:
„Als \'t kindje binnenkomt —"
Pie-ie-iep! zei de deur, langzaam opengaande, en binnenkwam —
geenszins een kindje, maar de vijftigjarige dienstmaagd in haar wit
pak, belast en beladen met de aangekleede boterham in persoon, in
de gedaante van een schat van broodjes met kaas eu rookvleesch, en
een macht van ster-, ruit-, cirkel-, klaverblad", en vischvormige
gebakjes, die ondanks hun verschillende gedaante, wegens de
evenredigheden van hun inhoud, in het dagelijksch leven den wis-
kundigen naam van evenveeltjes dragen.
Mevrouw dobbeen kon een klein lachje van zenuwachtige voldoe-
ning niet onderdrukken.
Er werd rondgepresenteerd, en ik wreekte mij over de stoornis
met een evenveel; en toen die op was, hervatte ik vol moed., ofschoon
de uitwerking van den eersten regel bedorven was, en ik duidelijk
zag dat de droogkomieke heer dobbeen , toen ik de eerste woorden
herhaalde, nog weer aan de vijftigjarige dienstmaagd dacht:
„Als \'t kindje binnenkomt, juicht heel het huisgezin;
Men haalt het met een lachje en zoete woordjes in;
Het schittren van zijn oog deelt aan elks oog zich mede;
En \'t rimpligst voorhoofd (ook \'t bezoedeldste wellicht!)
Klaart voor den aanblik op van \'t vroolijk aangericht,
Met iedereen in vrede.
-ocr page 86-
68
\'t Zij we onder \'t lindeloof des zomers zijn vereend,
\'t Zij \'t snerpen van de koude ons stiller vreugd verleent
En we om een knappend vuur de stoelen samenschikken;
Als \'t kind verschijnt, ziedaar een waarborg voor de vreugd;
Men lacht, men troetelt, kust en tergt zijn dartle jeugd,
En moeders harte smaakt zijn zaligste oogenblikken."
Mevrouw boebeen lachte goedkeurend.
„Soms spreken we om den haard. met ernst en met verstand,
Van wetenschap en kunst, van plicht en vaderland,"
De heer tan naslaan knikte zeer verstandig.
„Van staat, van godsdienst, van geschriften en gezangen;
Het kind komt in: vaarwel kunst, godsdienst, plicht en staat!
\'t Wordt: kusjes voor den mond, en kneepjes in de wangen,
En hooiden op de knie, en jok en kinderpraat."
„Dat is heel lief!" zei mijn goedhartige tante, halfluid.
„Als, na een duistren nacht van stormwind en van regen,
Een nacht, wen menigeen, vergeefs ter rust gezegen,
Naar \'t woelig gieren hoort, daar \'t kind doorheen slaapt; als.
Na zulk een nacht, het rood des uchtends, dat de kimmen
Van liefelijken waas en zachten gloed doet glimmen,
En blijde zangen wekt bij \'t vooglenkoor des dals;"
De heer DOBBEEN kuchte. De heer van naslaan trok oogen en
wenkbrauwen pijnlijk samen, als of hij vragen wilde: „waar moet
dat naar toe?\' — .luist omdat ook hij dat niet wist, liet mijn ooms>
gelaat onbepaalde bewondering blijken.
„Zoo zijt gij, dierbaar kind! "Waar gij verschijnt, daar vluchten
En duisternis en nacht en zwarte regenluchten;
Gij zijt een heldre zon, een blijd en vroolijk licht;
Door d\'adem van uw mond verwekt gij vreugd en leven,
Als zuivre koeltjes, die langs \'t knoppig bloembed zweven,
En \'t blosje sterken op der rozen aangezicht.
„Want duizend lieflijkheên uit uw schoone oogjes schijnen;
TJw kleine handjes, die ik berg in een der mijnen,"
„Och heer!" zei mijn tante halfluid, en haar oogen werden aller-
vriendelijkst klein.
„Doen nog geen kwaad; gij weet nog niet wat dat beduidt.
Wat lacht gij vriendlijk, als wij ze u met speelgoed vullen!
Klein heiligje, in een krans van glinstrend blonde krullen,
Hoe lieflijk blinkt uw hoofdjen uit!"
Kookte, die van tijd tot tijd al eens had opgekeken, hief hier
haar schoon gezichtje geheel op en staarde mij aan. De allerlaatste
regel scheen mij volmaakt ook op haar toepasselijk.
-ocr page 87-
00
„Lief duifjen in onze ark! Uw mondje bracht den vrede,
De vreugde en \'t zoetst geluk in onze woning mede,
Zoo vurig afgesmeekt, met zooveel angst verbeid!
Gij kijkt de wereld, daar gij niets van vat, in \'t ronde!
Blank lijfje zonder smet, blank zieltje zonder zonde,
Ik eer uw dubble maagdlijkbeid!
„Hoe heerlijk is het kind met lachjes op de wangen.
Met traantjes soms, maar ras door lachjes weer vervangen,
De goede trouw in \'t oog, en \'t uitzicht zoo gerust!
\'t Slaat een verwonderd oog op \'s werelds bont getoover,
En geeft zijn jonge ziel zoo blij aan \'t leven over,
Als \'t ons zijn lipjes biedt als \'t wordt goenacht gekust."
Tante knipte een traan weg; mejuffrouw TAK naslaan knikte
twee-, driemaal met het hoofd. Kousje hield haar adem in en zag
mij angstig aan, als ik vervolgde :
„Bewaar mij, Heer! mij, en mijn broedren, en mijn vrinden,
En hen zelfs, die een lust in mijne tranen vinden,
Indien er zulken zijn misschien!
Dat zij nooit zomertijd, aan bloemen arm, bejammeren,
Of bijenlooze korve, of schaapskooi zonder lammeren,
Of kinderlooze woning zien!"
„Heeremijntijd! neef hildebrand !" riep mijn tante, „neef hil-
debband, dat 18 mooi."
En ik wed dat zij aan PIETEB dacht, toen hij klein was; maar
ook .... och, zeker ook aan het kleine truitje, dat gestorven was
vóór haar vijfde jaar, en daar zij niets\' van overhad dan een klein
vlokje haar aan haar middelsten vinger.
„Hé ja;" zei MIETJE met de kalfsoogen, die ditmaal velen voor-
uit was.
„Ik vind altijd," zei mejuffrouw van naslaan, „dat men moeder
zijn moet om van zulke dingen het rechte te hebben."
„Niet waar, juffrouw van naslaan?" zei mevrouw dorbben. „O,
maar het is allerliefst; het vérs" (zij drukte op het woord) „het vérs
is allerliefst!" Blijkbaar wilde zij zeggen: wat het opzeggen betreft,
dat kon beter.
Kousje was geen moeder, en kon er dus „het rechte niet van
hebben", maar haar glinsterende oogjes en bleeke wangen zeiden
genoeg dat zij de poëzie verstaan en gevoeld had.
„Van wien is het gedicht?" vroeg de heer van naslaan.
„Van victor nuuo, mijnheer."
„VlCTOB nuuo?" zeide hij, den klemtoon op de eerste lettergreep
leggende en inet een uitspraak alsof er, in plaats van ééne Fransche,
vijfentwintig goede Hollandsche G\'s in den naam geweest waren
„Ik dacht dat die man niets dan ijselijkheden schreef. Ik heb in de.
Letteroefeningen, dunkt mij.... Hé, dat ontschiet me.. Ik dacht
dat het zoo\'n bloederig man was."
-ocr page 88-
7(>
„Ik weet niet, mijnheer!" antwoordde ik.
„Verwar je hem ook met jacques juxin?" vroeg de makelaar.
„Is dat die, die dat boek over babneveld geschreven heeft, dat we
laatst in het leesgezelschap gehad hebben?" vroeg oom terzijde
aan pieteb \'.
„Ja," zei mijnheer de makelaar. „Dat is een rare kerel, naar ik
hoor. Hij schrijft voor geld, mijnheer; hij schrijft voor geld; pro en
contra schrijft hij voor geld."
„Ja," zei oom, zijn pijp uitkloppende, „die Eranschen! \'t Is een
raar volk; al zeg ik \'t zelf."
„Weetje wat ik ook altijd al een heel mooi verzenboek vind?"
zei mejuffrouw tan naslaan , het gezelschap rondziende: „het Nut
der Tegenspoeden."
„ Wat ?" vroeg de heer dobbeen , droger en komieker dan ooit:
„het nut der regenhoeden?"
Er ontstond een groot gelach over deze aardigheid; hetwelk me-
juffrouw van naslaan min of meer verlegen maakte; zij besloot dus
haar lofrede op het bekende geschrift van ltcbetia wilhelmina,
die voor een algemeen gesprek in de wieg gelegd was, als privaat
gesprek den geest te laten geven.
„Inderdaad," fluisterde zij mijn tante in : „het is een heerlijk boek,
en door een vrouw geschreven; maar ik kan je zeggen datje\'t met
geen droge oogen lezen kunt."
Het gesprek werd spoedig weder algemeen ei) levendig. Ik maakte
veel werk van de zeventienjarige, en pieteb week niet van haar stoel.
Ik poogde hem telkens te bewegen ook reis iets op te zeggen, of
te zingen of zoo; maar hij zei altijd, met een knorrig gezicht: „Och
kom!" en „Ik kan waaratje niets!" En hard wilde ik er niet op aan-
dringen, omdat ik oom nog eens weer op zijn horloge had zien
kijken. Er kwam dus niets van, en ook moet ik bekennen dat de
familie stastok, door middel van den muzikalen olifant, tot het ge-
noegen van dien avond te veel had bijgedragen, om nog iets van
een harer leden te vergen.
Het avondje liep verder vroolijk en gezellig af; en nadat al de da-
mes en de beide heeren mijnheer en juffrouw stastok bedankt
hadden „voor de vrindelijke receptie", en pieteb „voor zijnaange-
naam gezelschap"; en nadat mijnheer en mejuffrouw stastok
plechtig hadden beloofd „hun scha eens te zullen komen inhalen";
en nadat de beide heeren elkanders hoeden hadden opgehad, en
tante met eigen hand al de dames, behalve koosje , wie ik niet kon
nalaten zelf hierin bij te staan, aan haar mantel had geholpen en,
1 Ik waag de gissing dat „Barnave, par julks janin" mijn goeden oom
en zijn vriend door \'t hoofd gespeeld heeft.
-ocr page 89-
71
naar verkiezing, er de kraagjes boven overheen gehaald, of „alles
er asjeblieft maar onder" gelaten had, ging men omstreeks half
twaali, recht van elkander tevreden, uiteen; en schoot er voor
niemand eenig genoegen meer over dan voor de meid, die opeene
achtelooze wijze zich de kwartjes liet welgevallen, die zij bij \'t
weggaan der gasten schijnbaar toevallig in haar hand voelde glijden.
Oom had slaap, al zei hij \'t zelf. Heeremijntijd! wat had mijn
tante \'t nog druk. Waaratje was knorrig. Onder zulke omstandig-
heden ging ik naar bed.
Pieter is waaratje verliefd, en hoe wij uit spelevaren gaan.
Die knorrigheid, waarmee pieter was te bed gegaan, was mij in
\'t geheel geen raadsel geweest. Men heeft opgemerkt dat hij den ge-
heelen avond niet bij uitstek veel gesproken heeft, terwijl hij anders
onder zijn vaders vrienden praats en waanwijsheid genoeg had. Maar
twee kleine omstandigheden hadden hem gehinderd en belemmerd,
te weten : liefde en haat. Het was mij namelijk volstrekt niet ontgaan
dat hij gedurig stille blikken had geworpen in het witte halsje van
koosje, en zeker openlijke blikken op haar gelaat had willen wer-
pen, zoo hij het had durven wagen een geregeld gesprek met haar
aan te knoopen. Verder was het mij niet moeielijk gevallen te ont-
dekken hoe de goedkeuring hem gehinderd had, die de schoone
verzen van victob (hoe middelmatig en ongeregeld ook vertolkt, en
slechtweg voorgedragen) bij haar hadden ontmoet; en hoe hij mij èn
de vrijmoedigheid, waarmee ik mij daarna met haar in gesprek "had
begeven, èn de vriendelijke lachjes, die mij bij dié gelegenheid
waren te beurt gevallen, had benijd. Hij had zich van dezen avond
voor zijn verliefd hart, geloof ik , heel veel voorgesteld; maar koosje
was vertrokken zoo als zij gekomen was, zonder dat hij haar één
zoet woordje had toegevoegd, tenzij dan „houje nog al van
evenveeltjes ?" Hij had er op den duur „ingezeten": hij had
tegenover zijn eigen voornemens en tegenover wat hij voor zijn
hartstocht hield een mal figuur gemaakt; wat wonder zoo hij uit
zijn humeur geraakt was?
Ik wilde meer van dit alles hebben.
„Goeden morgen, pieter;" riep ik, toen de keukenmeid den
anderen morgen om zes uren als gewoonlijk hare knokkels op de
kamerdeur had laten spelen, zonder dat ik evenwel mijn bedgor-
dijnen openschoof; ik kon genoeg van hem zien.
„Goeden morgen, neef!" zei hij, op den rand van zijn bed in
gedachten zittende, en nog zonder bril.
„Ik heb waarlijk van koosje van naslaan gedroomd!"
-ocr page 90-
72
Pieteb bloosde, en bukte om een kous aan te trekken, met
zooveel inspanning dat het lijken moest als of hij alleen daarvan
een kleur kreeg.
„Zoo," zei PIETEB.
„Ja," zei ik, „\'t is een heel mooi meisje."
„Vindje dat?" vroeg pieteb, zijn tweede kous aantrekkende en
naar de wasehtafel gaande. „Ja, \'t is een lief gezichtje; maar zoo
heel mooi kan ik ze maar niet vinden."
„Niet?" riep ik verwonderd uit en ging overeind zitten.
„Waaratje niet!" zeide hij.
Verliefdheid, die haar voorwerp verloochent, verraadt zich on-
tegenzeggelijk.
„Ik wou dat meisje wel wat nader leeren kennen, piet! Zou
er geen kans op zijn, haar tusschen nu en overmorgen nog eens
te ontmoeten ?"
„Ik weet niet," antwoordde pieteb, de lampetkom óverschen-
kende; „ga haar een bezoek brengen."
„Dat gaat. niet, jongen!" zei ik; „maar weetje er niets anders op ?"
„Wel neen!" sprak pieter.
„Ik dan wel!\' zei ik uit het bed springende. „Zeg reis, piet,"
ging ik hem sterk aanziende voort; „hoe komt het dat je je brd
vergeten hebt? — Kijk, \'t is alledag heerlijk weer: we willen
een roeischuitje huren, en we gaan koosje en nog een andere
dame van je kennis, liefst van je familie, vragen om ons de eer
aan te doen eens met ons te gaan varen."
„Varen?" vroeg piet op den toon der alleruiterste verbazing.
„ Wel ja; varen; dat \'s om te praten en te minnekoozen veel
beter dan rijden. Of wou je niet minnekoozen? Heidaar, jongen!
waarom trek je je pantalon verkeerd aan?"
„Och!" zei petbus, de knorrigheid van gisteren weer opvattende,
„schei er uit met die gekheid. Ik bedank om door jou geplaagd
te worden."
„Jongen!" zei ik, „dat verstaje verkeerd. Ik plaag je niet; ik
vraag maar of je niet wilt minnekoozen?"
„Minnekoozen," hernam hij, met een schuinschen blik vol
gramschap, van onder zij n bril uit, en lippen dik van toorn —
„minnekoos jij zelf!"
„Met plezier, beste vrind! maar de meisjes willen mij niet
hebben. Ik ben te leelijk."
„Je kunt mooi genoeg praten — mijnheer!" zei pieteb, met
de tanden op elkaar en bevende van haat.
„Ja!" antwoordde ik lachende, „maar ik geloof toch wel dat jij
beter kunt minnekoozen!"
Br kwam geen antwoord. Pieteb haastte zich schrikkelijk met
kleedeu en liep de trappen af. Toen ik beneden kwam, zat hij
veilig onder de vleugelen van zijne ouders een pijp te rooken, als
-ocr page 91-
73
een Fransch romanticus zeggen zou: „enveloppé de sa colère".
~Na. den ontbijt ging hij in den tuin, ik volgde hem op de
hielen.
,,Laat me gaan," riep hij met een gezicht als een oorworm.
„Neen," zei ik, mijn hand uitstekende: „je moet niet boos zijn,
piet! Wat drommel; is nu \'t woord minnekoozen een woord om
boos om te worden? Als ik u was, ik zou veel boozer zijn over
het woord Instituten."
Pieter glimlachte pijnlijk.
„Maar weetje wat! Ik zal van de heele zaak niet spreken; maar we
gaan roeien, man; we gaan roeien met de dames. Kanje roeien ?"
„Wel, ik denk ja!" zei pieter verwaand.
„ Wilje roeien ?"
„Ja wel."
„Wilje dames vragen?"
„Zij zullen niet willen."
„Uat vraag ik niet. Wil jij? Hoor reis, piet! Ik beloof je dat ik
discreet zal zijn."
„Nu ja," zei hij, ,,ik wil wel."
Het plan werd aan vader en moeder medegedeeld, en er werd
besloten dat wij, behalve kousje, nicht CHRISTIENTJE zouden vragen,
eene jonge juffrouw van drieëntwintig jaar, die zeker gaarne mee
zou gaan, daai\' zij niets te doen had dan bij een knorrige tante te
zitten, die twee meiden hield en nooit uitging.
Wij gingen er dus op uit om een schuitje te huren; en nadat
wij eerst bij een schuitenmaker aan de Oostpoort geweest waren,
die het zijne had verkocht „om dat er geen profijt bij was", en
die ons naar de Westpoort zond, waar hij zeker wist dat wij er
een konden krijgen: en nadat wij bevonden hadden, dat er aan
de Westpoort niets meer van boven water stak dan eventjes een
klein neusje van den steven, vonden wij er eindelijk een zeer
goed, in het midden van de stad, dat wij voor een gulden
voor een geheelen achtermiddag huren konden. Wij huurden het
dus voor den geheelen achtermiddag van den volgenden dag en
kweten ons vervolgens van onze uitnoodigingen, die op eene in-
nemende wijze werden aangenomen. Mama van naslaan was er voor
hare dochter zeer vereerd mee; schoon zij, geloof ik, wel dacht
dat er meer achter zat, en dat ook dit muisje een staartje heb-
ben zou, en de oude tante hoopte tienmaal in een half uur dat het
niet te koud op het water wezen zou, wat wij trouwens ook hoop-
ten, schoon wij het tegendeel vreesden.
Wij bepaalden onderling dat koosje meer bijzonder onder de
zorgen van pieter staan zou, en ik mij meer dadelijk tot den ridder
van christientje zou opwerpen. Ik kon niet edelmoediger zijn.
Pieter was dan ook volmaakt in zijn humeur, en tantelief pakte ons
-ocr page 92-
74
nog dienzelfden dag een mandje met rijnwijn en sinaasappels >,eene
verfrissching. frisch genoeg in de maand October. Wij nadden de
dames^ verzocht mantels mee te nemen.
De andere dag was een allerheerlijkste najaarsdag en alles be-
loofde genoegen. Maar toen pieter des voormiddags van eenige
boodschappen, die hij voor zijn toilet te doen had, thuis kwam,
stond zijn aangezicht akelig bedroefd; hij smeet met de deur, smeet
zijn rotting, smeet zijn hoed, smeet zijn handschoenen.
„Wat scheelt er aan, amice?" vroeg ik verschrikt.
„Och, die ellendige dolf!" zei hij, zich tot zijn moeder wendende.
Nu was er zeker geen menschennaam in de vijf werelddeelen,
die in staat was aan mejuffrouw debora stastok , en in \'t alge-
meen aan alle teederhartige moeders in geheel D., een grooter
schrik aan te jagen, dan diezelfde naam dolf , die den niets kwaads
vermoedenden lezer onmogelijk aan iets anders kan doen denken
dan aan de volkomener vormen: adolf, rfdolf, of des noods
ludolf ; maar welke naam aan mejuffrouw debora stastok en,
zoo als ik zeg, aan alle teederhartige moeders in geheel D. niet
anders voorkwam dan als een kort begrip der eeretitels: kataas,
straatschender. verkwister, lichtmis, lap, deugniet en leeglooper;
immers hij behoorde aan den persoon, met wien ik reeds in het
koffiehuis de „Noordstar" de eer had gehad kennis te maken, in één
woord aan den heer rudolf van brammen , die na in zijn jeugd bekend
te hebben gestaan voor een ondeugenden kwajongen, die het zijn
ouders en zijn meesters te kwaad maakte, alle avonden puistje vong
en alle meisjes om zoenen plaagde, een paar jaren te Leiden, op
naam van Jur. Stad., in dien toestand had verteerd, die men aldaar
sjouwen noemt, zonder dat zijn vader destijds recht begreep wat hij er
eigenlijk deed dan veel geld verteren , terwijl hem echter naderhand
bleek dat hij behalve die bezigheid ook nog aan de liefhebberij van
schulden maken had toegegeven. Na dien tijd had hij, nu reeds een
jaar of drie, op zijn vaders kosten , die gelukkig een welgesteld man
was, een ander beroep uitgoefend, hetwelk men (almede te Leiden)
den vereerendeu naam van dweilen geven zou, tot groote ergernis der
Deënaars, die veel nieuwsgieriger waren wat er nog eens van hem
worden zou dan de heer rudolf van brammen zelf. Hij deed evenwel
f een openlijk kwaad, dronk een redelijken borrel, woonde alle pu-
lieke vermakelijkheden bij, tot het optrekken van de wacht en het
boomrooien op de stadssingels toe; bootste alle publieke personen
na, wandelde veel, biljartte veel, werd veel dik, verkocht vele
grappen, en was zeer populair.
Het was dus niet te verwonderen, dat mijn tante op hethooren
1 Sinaasappelen zijn schaarsch in October. Zij zijn er echter nog ij menschen
als mijn tante, die van sparen en bewaren weten.
-ocr page 93-
75
van den enkelen naam van dezen onmensen een koude rilling over
haar rug gevoelde. Inderdaad, ik geloof dat de haren haar onder
de kornet te berge rezen.
„Wat is er nu weer met hem gebeurd?"
„Gebeurd!" riep pieteb mistroostig uit, en zijn oogen vonkelden
onder zijn bril: „niets gebeurd. Maar hij wil mee uit roeien."
En hij zag mij stijf in \'t gezicht, om mij al de ijslijkheid van deze
Jobstijding te doen beseffen.
„Als hij maar een dame meebrengt," zei ik — „dan is \'t mij wel."
„Ja, daar komt het door aan. \'t Is zijn zuster; die malle meid!
Christientje heeft haar verteld dat ze met koosje . en mij, en een
Leidsch student uit varen ging, en toen wou ze met alle geweld ook
mee. Als ik ook reis wat doen wil!..."
„Koosje, en mij en een Leidsch student!" pietek zou in ieder
ander geval gezegd hebben: koosje , een Leidsch student, en mii;
maar hij was verliefd, en het lustte hem in deze omstandigheid de
plaatsen aldus te schikken.
„Hoor reis," zei tante, gerustgesteld door het meegaan vaii de zus-
ter, die bij de bevolking van D. eene verontschuldiging was voor de
tegenwoordigheid van den broer: „meeltje is een heel ordentelijk
meisje, en ze heeft altijd goed opgepast, op school en overal.
Daar moet je niets van zeggen. Ze moeten dan nu maar mee."
„Och, mijn plezier is er nu alweer af," bromde pieteb. en verliet
de kamer, om in zijn vertwijfeling nog wat aan zijn tabellen te gaan
knutselen.
Ik had ondertusschen de ontmoeting van de contrasteerende hee-
ren dolt en pieteb wel eens willen zien. Ik verbeeld mij dat de ex-
student van zijn zuster amelie in last had, niet om op een dadelijke
wijze haar en zijn eigen persoon aan ons te komen opdringen, maar
„als hij pieteb zoo reis tegenkwam", zoo eens zijdelings te hooren of
het niet wel goed zou zijn dat zij meegingen; iets\'t welk zij zonder
twijfel reeds aan chbistientje beloofd had in allen gevalle te zullen
doen. Men begrijpt lichtelijk dat dolf evenzeer overtuigd was tieter
in allen gevalle tegen te zullen komen, indien namelijk pieteb zich
maar een oogenblik op straat waagde, daar hij gewoon was ettelijke
uren van den dag aan eene stadswandeling te wijden . bij welke gele-
genheid hij in \'t geniep aan vele knappe dienstmeisjes oogjes gaf en
bijzonder acht sloeg op alle mooie honden. Nu was het gebeurd dat hij
pieteb net ontmoet had, toen deze, in den meergemelden winkel van
van drommelen, en paar prachtige puimsteenkleurige glacé hand-
schoenen had gekocht, met welk paar gezegde van dbommelen reeds
lang verlegen was geweest, daar niemand het koopen wilde. en \'t welk
hij pieteb, als naar den laatsten smaak, opdrong. Ik stel mij voor
dat zijn gesprek met een „Je gaat zoo uit varen ?" begonnen, en
dat daarop heel gauw gevolgd is: „Jongens, je hadt mij en me
zuster ook wel eens mee kunnen \\ragen\' : waarop pieteb, zonder
-ocr page 94-
7(5
aan eenige mogelijke verontschuldiging te denken, ongetwijfeld
onmiddellijk had gezegd: „dat \'s goed!"
„Hoe laat (fa jelui?
„Half vier."
„Dat is wel wat vroeg: maar \'k zal er wezen. Amklie brengt haar
gitaar mee. Tot van middag!"
Er gebeurde dien dag iets in \'t huishouden van mijn oom, dat
nog nooit gebeurd was: het etensuur werd verzet; ook al ten gevalle
van neef HILIiebeand, die ondanks zijn kamerjapon nogal een witten
voet bij oom kreeg: en toen wij verzadigd waren, ging i-ikter, on-
der vele vermaningen van toch vooral voorzichtig te zijn, roosje, en
ik cHRisTrBXT.rE afhalen.
Van alle jonge meisjes nu, die bij oude knorrige tantes zouden
kunnen of willen wonen, was curistientje, of laat ik liever zeggen
christiex, want zoo werd zij altijd genoemd door die haar kenden,
wel de ongeschiktste. Zij was in naar hart een .lan-Pret, en scheen
niet tegen een kleintje op te zien. Zij greep mijn arm met een zoo
fikschen greep aan, en lachte zoo glunder over \'t mooie weer en
\'t prettige plan en \'t frissche van \'t water, dat ik mij heel veel
van haar voorstelde, en alleen maar vreesde dat zij zich te veel
voorstelde van de pret.
Wij hadden het schuitje in den singel laten brengen en derwaarts
had keesje den rijnschen wijn getorst. Ik kwam juist met ciiRisTrEtf
ter bepaalder plaatse, als pieter er ook verscheen; koosje ging ne-
vens hem; hij had haar geen arm durven aanbieden, en zij had
werk zijn groote stappen bij te houden.
De knorrigheid van pieter scheen wel wat gezakt te zijn, maar
ik zag ze met nieuwe neteligheid opleven, toen hij den jeugdigen
tan brammen met zijne zuster en eene meid, die in de eene hand een
grooten huissleutel en in de andere een gemarmerd bordpapieren gitaar-
doos droeg, uit de poort en over de brug zag gaan. Dolf had voor
deze gelegenheid een gelen stroohoed opgezocht, die hem vrij gemeen
stond, droeg een bruingeruiten pantalon en een groenen dichtge-
knoopten rok met glimmende knoopen; aan zijne laarzen blonken
een paar moeren van sporen, die hij evenwel, als bij deze gelegen-
heid minder te pas komende, had thuis gelaten, en hij had een
gelen degenstok in de hand, die hij oin dezelfde reden thuis had
kunnen laten. Amewe wier peettante eigenlijk meeltje geheeten had,
was zeer bijzonder gekleed. Zij had een spencer aan van paarse zijde,
waar een groene rok onder uitkwam, en een hoedje van dezelfde
kleur en stotfe als haar spencer, waarop zij een witten sluier droeg met
een breeden rand van dezelfde kleur als de rok. Haar kleine voeten
staken in nanking slobkousjes, die haar fijnen enkel zeer wel deden
uitkomen. Deze kleine voet en fijne enkel maakten, benevens
hare handjes, de voornaamste schoonheden van de magere amelie
-ocr page 95-
77
uit, die een lang bleek gezicht had, met groote groenachtige zwem-
merige oogen, welke zij evenwel, of omdat zij bijziende was, of
omdat zij het schijnen wilde, zoo dicht toekneep dat men wedden
zou dat zij niets zag. Zoo als zij nu naast haar buikigen broeder
voortschreed, maakte zij in mij de gedachte aan den eersten droom
van koning farao zeer levendig.
De ontmoeting van de drie dames was uiterst hartelijk en lief-
tallig; die van van brammen zeer vroolijk.
„Bonjour, heeren!" heette het. — „Ik heb ongemakkelijk veel ge-
feten, hoor! .longens. dat is een knap schuitje: waar haafje dat van
aan, piet? Hildebrand, ik heb je nog gezien toen je groen was;
je hadt een kaneelkleur jasje aan, allemachtig leelijk. Kijk hier;
een haakje ook!" En het haakje opnemende velde hij het als een
speer, en maakte de handgrepen van pieter te willen doorsteken.
..Heiwat!" zei pieter, die alweer zoo kwaad was als een spin.
„Hoor reis!" zei dolf, in het schuitje springende: „Ik ben de
dikste, en ik heb van middag zoo veel gegeten; ik zal naderhand ook
wel reis roeien . dat spreekt: maar jijlui moet beginnen; vindje \'t goed,
HTLDEBRAND ?"
„Best," zei ik.
Ik nam de taak van ceremoniemeester op mij , en plaatste mij op
de achterste roeibank. Pieter zou vóór mij gaan zitten, en dan op
de zijbankjes, bij zijn rechter knie, het mooie lieve koos.te, zijn eer-
ste liefde, en bij zijn linker de „magere ende zeer leelijke van ge-
daante, rank van vleesche, en wier gelijke in leelijkheid niet gezien
was in den gansenen Egyptenlande", met de gitaar onder de bank.
Daarnaast, of naast koosjk, naar verkiezing, de vroolijke christien,
die met alles tevreden was; dolf aan \'t roer.
„Maak \'em nou maar los, vrind!" riep DOLF tegen keesje: „braaf
man! dat mag je reis weer doen": en het haakje opnemende stiet
hij van wal en stuurde met veel handigheid naar het midden.
Pieter en ik vielen aan \'t roeien; maar het bleek duidelijk dat
de eerstgenoemde het of nooit meer, of in lang niet gedaan had.
„.Ie hoeft den singel niet uit te diepen," riep DOLF hem al heel
gauw toe, daar hij de riemen met een hoek van bijna negentig graden
in \'t water plantte. .,.le moet over\'t water scheren als een meeuw, man."
„Ik weet het heel wel," zei pieter, en hief den rechtschen riem
hoog op, om te toonen dat hij \'t heel wel wist, maar vergat den
linker, dien hij zoo mogelijk nog rechtstandiger indoopte, met dat gevolg,
dat de rechterriem bijna geen water raakte, maar wel met hevig-
heid tegen mijn dito aansloeg, en hij zoo groot een kracht deed met den
linker, dat de schuit ronddraaide.
„Ho wat, pietje!" riep de gehate stuurman nu weder, terwijl
koosje lachte, christien proestte, amelie een klein gilletje gaf.
„Ho wat, pietje! je moet er den gek niet mee gaan steken, man:
we zouen zoo wel reis naar den grond kunnen tollen."
-ocr page 96-
7S
Pieter wenschte vau harte, dat dolf onmiddellijk in\'t water ge-
vallen en naar den grond getold ware.
Het roeien is zulk een heksewerk niet; het kwaad was spoedig
hersteld en, niet hem een weinig te gemoet te komen, kon ik maken
dat pietek binnenkort al vrij wel slag met mij hield. Wij roeiden
den singel uit en de kleine rivier op, die de trots en de glorie van
D. uitmaakt, en waren spoedig in het ruime. Daar viel het roeien nog veel
makkelijker. De dames vonden het dolprettig op het water, koosje was
allerliefst, C\'HBISTIBN alleruitgelatenst, amelie allersentimenteelst.
Pieter zelf kwam bij. Maar wat hem zeer hinderen moest, was
dat de beide eersten als aan den mond van dolf hingen, die allerlei
grappen vertelde, en voor dezen, die toch een mauvais svjet was, veel
meer aandacht overhadden dan voor hem zei ven, die eerstdaags
een candidaatsexamen dacht te doen, summa cum lande; een leed,
door menig eerzaam jong mensch onder dergelijke omstandigheden
diep gevoeld. De dames zullen beter weten dan ik , hoe het komt dat
zij er reden toe geven. Maar zelfs het zedige koosje luisterde met
alle blijken van welgevallen en genoegen, wanneer dolf nu eens
een liedje zong, dan eens den voorzanger uit de Groote Kerk naboot-
ste, dan weder zijn stroohoed op een koddige wijs in de hoogte gooi-
de, dan weder een anecdote vertelde, en nog al dikwijls met veel vrii-
nioedigheid en oprechtheid haar een complimentje maakte; en ik
zelf vond hem werkelijk van tijd tot tijd nog al heel aardig.
Daar nu evenwel de (ik mag wegens hare magerheid haast niet
zeggen vleeschelijke, maar toch eigene) zuster van dolf met vele
van \'s mans grappen bekend was, en ook wegens de nadere bloedsbetrek-
kiug niet zoo zeer van ZEd. gecharmeerd wezen kon als de beide an-
dere dames, zoo gebeurde het dat zij pieter in een zeer druk en
zeer poëtisch gesprek wikkelde over de lieve omstreken van Utrecht, en
het lieve Zeist, en het lieve Zusterhuis. Zij verklaarde veel sympathie
met al die soort van inrichtingen te hebben, en zelfs niet af keerig
te zijn van het denkbeeld van in een nonnenklooster te gaan, of op
zij n minst een Zuster van Barmhartigheid te worden , een soort van
dreigement van meisjes van de jaren en de bloedsmenging van de
magere amelie; en zij overstroomde den goeden pieter, die zich
inmiddels van jaloezie verbeet, met een regen van edele, teedere,
heilige, en smelterige gevoelens; bij welke gelegenheid zij hare oogen
op eene bijzondere wijze wist op te slaan, net precies alsof zij een
goede kennis had in de maan, die aireede als een wit vlekje aan
den hemel stond; dan zuchtte zij ook weer eens, als personen die
een verborgen verdriet hebben; en dan zag zij, bij een of ander
zeer boekachtig gezegde, over pieters schouder naar mij , die van
het nadeel van op een achterste roeibank te zitten dit voordeel had,
van zoo dikwijls ik wilde het gesprek niet te hooren.
„Maar wil ik je nou niet reis aflossen, men lieve galeiboeven?"
vroeg dolf ons met hartelijkheid nadat we een goed half uur ge-
-ocr page 97-
79
roeid hadden. „Ik zit hier maar sigaartjes te rooken aan \'t roer."
„Hoor," riep ik hem toe, „ik zal je zeggen wat het plan is. Pieter
heeft me gesproken van een boerderij, waar we aan kunnen leggen
om iets te gebruiken. Daar moeten we welhaast wezen."
„Ja wel, bij teeuwis," viel dolf in, met al de snelheid van iemand
die alle dergelijke inrichtingen van buiten kende.
„En zoo lang moeten wij nog maar aan de riemen blijven. Dan
zullen we wat uitrusten, en dan roeien we langzaam naar de kom
terug, die we daar zoo pas zijn voorbijgegaan. Daar zullen we dan
wat in gaan drijven."
„O ja," riep amelie, „dat is lief; ik ken niets aangenamers dan
drijven."
„Ja!" zei ik, „en dan zullen we alle weelden vereenigen; wij zul-
len zien wat er in ons mandje overbleef, en wat er in uw gitaar-
doos is."
„Dat is heerlijk!" riepen de dames. „Ja, amelie, je moet zingen
en spelen."
„Ja maar, weetje wat," zei dolf, „ik zal ook zingen, hoorjellk
ken heerlijke liedjes. — Amelie! je moet het niet te veel op de
maan gooien, hoor!"
Amelie zuchtte over haar broeders ongevoelig hart.
Nog een slag of vijftig en wij waren aan de boerderij.
Wij stapten aan wal, tot niet weinig genoegen van pieter , die van
de riemen en van amelie verlost was. Het eerste deed hem evenwel
bijna nog meer genoegen dan het laatste. Hij had het onverstand ge-
had, met zijn puimsteenkleurige glacéhandschoenen te willen roeien,
die nu als vellen om zijn vingers hingen en, daar hij de riemen veel
te stijf had vastgehouden, had hij vrij aanzienlijke blaren in de han-
den. Dolf hielp de dames uit de boot, bij welke gelegenheid hij iets
heel streelends van christiens voetje zei, en een aardig drukjein
koosjes handje gaf, dat zij beiden wel heel ondeugend, maar toch
niet heel onaangenaam vonden. Hij liet de zorg voor zijne zuster
aan den ongelukkigen pieter over.
De schuit werd vastgelegd, en een heldere boerin kwam buiten-
loopen om ons welkom te heeten en te zeggen dat we binnen moesten
komen. Maar wij verkozen een tafeltje op de werf te hebben, om im-
mers zoo veel mogelijk van de frissche octoberlucht te genieten! Dit
geschiedde; en hoewel er \'s winters, als er schaatsen gereden werd,
van alles te krijgen was, zoo was er nu niets te bekomen dan melk, die
dan ook in groote glazen overdadig vloeide. Want de wijn werd, op
de schikking der dames, epicuristisch geheel voor de drijvende za-
ligheid bewaard. Dolf vroeg onder veel grappen cm een beetje
jenever met suiker; en pieter maakte zijn zakdoek in een kopje
melk nat, en hield het verzachtend vocht tegen de blaren in zijn
hand.
Er was een schommel aan den anderen kant van het huis, en
-ocr page 98-
80
dolk noodigde de dames tot zijne genoegens. Chbtstien had er een
dollen zin in , en kousje ging ook mede, en pjeteb volgde natuurlijk.
Amelie hield er volstrekt niet van , en kreeg er ..zoo\'n ijselijken steek
in de zij" van. Ik hleef dus om haar gezelschap te houden met haar
aan ons tafeltje zitten , dat mij wonder wel beviel, daar ik moe van
\'t roeien was, en nog veel roeiens vooruitzag.
Voor een sentimenteel meisje was er op die werf niet veelte zien.
Wij zaten aan een vrij verveloos tafeltje. waarvan inaar drie pooten
den grond raakten. op eenen door kippen en hanen omgewoelden
grond, van een aarden dijkje aan drie Kanten omgeven, en hadden
het uitzicht op een vrij groote kroosgroene eendekom, een loods,
en een zeker ander klein gebouwtje. Het duurde een heele poos,
eer een kleine leelijke bastaard van een mop en een fikshond geheel
ophield uitvallen van vijandigheid te plegen ; maar wat het tooneel
eenige schilderachtigheid bijzette, waren drie kinderen , waarvan het
oudste, een meisje van een jaar of zes, het kleinste, een wicht van
even zoo veel maanden, op schoot had, terwijl de derde, een jongen
van omstreeks vijf jaren met spierwit haar, op zijn rug op den grond
lag. Deze groep bevond zich aan den rand van de eendenkom, en
keek dan eens schichtig naar ons en dan weer vertrouwelijk naar
de eenden.
Het waren deze lieve kinderen, die amelie in staat stelden al
de liefderijkheid van haar zachtgestemd gemoed te toonen; zij trok
dus den kleinen linkerhandschoen van de kleine linkerhand, en be-
sloot ze op de innemendste en wegslependste wijze toe te spreken.
„Wel liefjes! kijk jelui zoo naar de eendjes?"
De kinderen keken haar strak aan, maar gaven geen antwoord.
„Hoeveel van die lieve diertjes zijn er wel r"
Geen antwoord: maar eenige verwondering in \'t oog van \'t zesjarig
meisje; want op \'t boerenland noemt men een eend geen diertje.
„Hou je veel van de eendjes?"
Zelfde stilte.
„Is dat je jongste zusje?"
Stilte als des grafs.
Amelie zag dat zij met deze Arkadische kleinen niet vorderder
haalde de schouders op, en zweeg.
„Onze zeug het ebigd," zei het meisje opeens, uit zichzelve.
„ Wat zegt het schepseltje ?" vroeg amelie , voor wie deze inlichting
volkomen onverstaanbaar was.
„Zij zegt iets dat haar zeker hoog op \'t hart ligt, juffrouw tan
bbammen ," zei ik, „ze vertelt dat het wijfjesvarken.... in de
kraam is gekomen."
A melie kreeg een kleur, voor zoover haar vel daartoe in staat was.
„Ze zijn in de boet" \', zei de kleine jongen, zich oprichtende en
Een kleine schuur, ook tot berging van gereedschap enz. bestemd.
-ocr page 99-
SI
een paardebloem plukkende, waarmee hij herhaalde malen op den
grond tikte. „Veertien."
Ik stelde amelie voor, de kraamvrouw te gaan zien ; want ik vond
het pikant een sentimenteel meisje in een boerenloods bij een zeug
met veertien biggen te brengen.
Maar zij had er geen zin in , en scheen eenigszins gebelgd over het
voorstel.
De schommelaars kwamen weerom, met kleuren als boeien.
„Hè!" zei christien, haar voorhoofd afvegende, „dat\'s prettig ge-
weest; maar dolf had ons bijna laten vallen. Het ging dol hoog."
Pieteb had niet mee geschommeld, zijne beblaarde handen had-
den hem niet toegelaten de touwen vast te houden: dolf en koosje
hadden neus aan neus op het plankje gestaan, en hij had het ge-
noegen gehad ze op te geven.
Toen de dames een weinigje waren uitgerust, stelde ik voor weer
aan boord te gaan, om zoo spoedig mogelijk naar de kom te roeien,
waar wij zouden drijven , drinken, en dwepen. Dolf moest op de ach-
terste roeibank, ik op de voorste, en pieteb, met zijn beblaarde
handen, aan \'t roer.
Christien , die door \'t schommelen door \'t dolle heen geraakt was,.
had een razenden lust om te gaan wiegelen; maar de gebeden van
koosje en de zenuwachtige gillen van amelie weerhielden haar; en
daar dolf een goed roeier was en ferm slag hield, waren wij al heel
spoedig nabij de kom der genoeglijkheden. Reeds haalde ik de rie-
men in, en liet dolf alleen nog maar met de zijne spelen; reeds gaf
ik mijne aanwijzingen aan pieteb, hoe hij het roer moest wenden om
de kom in te draaien, toen de liefderijke amelie eensklaps aan den
rechter-oever een plantje of zes nog laat bloeiende vergeetmijnieten
in \'t oog kreeg en uitriep:
„Och, mijn lieve mijnheer stastok, wilje me een groot pleizier
doen, stuur dan reis even naar die vergeetmijnietjes; ik ben dol
op vergeetmijnietjes!"
Haar wensch geschiedde, en wij waren in een oogenblik bij de he-
melsblauwe bloemekens, waarvan de vraag was. Amelie plukte ze
allen op een na af, en deelde ze aan al de leden van het gezelschap
uit, zoodat wij in een oogenblik ieder met zulk een levend album-
blaadje in ceintuur of knoopsgat pronkten.
Toen wij nu zoo mooi waren, wilden wij weer heen; maar de
schuit scheen nog veel grooter liefhebster van vergeetmijnietjes dan
amelie zelve; want haar gehechtheid strekte zich letterlijk uit tot
de struik waarvan zij waren geplukt, tot het stuk grond waarop zij
gebloeid hadden. Met andere woorden: wij zaten op land.
Te vergeefs, zoo wij poogden los te raken: de schuit zat vast en
bleef vastzitten; er scheen geen verwikken aan: het speet amelie
„verschrikkelijk" dat zij de oorzaak van dit oponthoud was; chbistien
vond het daarentegen „ijselijk aardig"; wi] manspersonen werkten
«i
-ocr page 100-
H2
ons half dood, eu zaten dan weer een oogenblikje neder om krachten
te herkrijgen. In een van die tusschenpoozen begon DOLF ons bij den
Zwitsersenen Robinson te vergelijken.
„Hoor eens," zei hij, „koosje! als we hier voor eeuwig blijven
moeten, dan trouw ik met jou, hoor!" En hij maakte een beweging
om haar de hand te kussen.
Op dit gewichtig oogenblik was het dat de merkwaardige petbus
stastokius .Junior een Simsonsverzuchting slaakte, den haak in edele
verontwaardiging opnam, tegen den wal zette, en er niet zooveel ge-
weld en zoo groote inspanning van krachten op neerviel, dat de schuit,
plotseling losraakte en achteruitstoof, terwijl de edele bewerker
van dit voorval zelf voorover in het water stortte. Daar lag hij ; alleen
zijne laarzen waren nog aan boord; de panden van zijn jasje zweef-
den boven de golven, en de merkwaardige petrus stastokius
Junior, zich op zijne handen op den bodem des waters ophoudende,
hield het beslikte, maar nog altijd gebrilde gelaat niet dan met
moeite boven. Zijn hoed dobberde op de ongewisse baren. Het was
verschrikkelijk.
Een ieder, die ooit in de zaligheden van een roeischuitje met de
schoone sekse heeft gedeeld, gevoelt welk een uitwerksel de plotse-
linge indompeling van petrus op onze dames maken moest. Hij hoort
ze allen gillen, hij ziet ze allen opstaan. elkander, en ook zelfs ons,
in de armen knijpen, en zeggen : „O Gr. .!" Zijne verbeelding slaat alle
pogingen gade, die zij gezamenlijk aanwenden om zoo mogelijk
een nog grooter ongeluk te krijgen... Welnu, hij heeft eendenk-
beeld van onzen toestand.
„Zitten!" riepen dolf en ik tegelijk: „in \'s hemels naam, blijft
zitten!" en in een oogenblik staken wij de riemen aan bakboordzij in
den grond, om het verder afdrijven van het schuitje te beletten. „Pik-
ter, jongen! je bent nou toch nat; we zullen je met het schuitje
volgen, zoodat je de beenen niet hoeft na te halen; kruip maar
op je handen naar wal."
Hij deed als hem gezegd was, en in een oogenblik was hij op het
terrein der gezegende vergeetmij nietjes.
PlETER was kopje-onder geweest en tot het midden doornat. Hij
zag er hartverscheurend uit; zijn druipend haar, zijn bleek en ver-
wilderd gezicht, zijn zwarte, beslijkte handen! —Er was een alge-
meen medelijden; zelfs dolf deelde er in. De drenkeling werd in de
schuit opgenomen, en er werd besloten naar de boerderij terug te
varen, om hem te drogen. Het zou dan wel te laat worden om in de
kom te drijven, maar wij zouden nu in de boerderij onze ververschin-
gen gebruiken en daarna, stevig door, naar huis roeien. Eerst nog
werd de hoed van pieter achterhaald, en weldra zag de glundere
boerin ons terug.
„Ze had wel docht," zei ze, „dat dat heerschop een ongeluk krijgen
zou; want hij had er al-an dat ie bij de schoppel staan hadde zoo
-ocr page 101-
m
kniezerig en zoo triesterig uitzien, dat ze al in haar aigeu zeid
hadde: nou! dat komt nooit goed of met dat heerschop! Maar ze zou
maar Aussies wat raizen opgooien, en dan zoudie wel gauw weer
hielkendal op-eknapt zain; as meheer een hemd van haar man an
wou hebben; meheer had maar te spreken," enz. enz.
Wij lieten pieter aan hare zorgen over en begaven ons naar de werf.
Het was ondertusschen halfzes geworden en, schoon \'t nog zeer
licht was, de zou was al ondergegaan en wij konden ons nog
alleen in den kouden naglans verheugen. Het bleek nu welk een
dolle streek het eigenlijk was, in de maand October na den middag een
watertochtje te beginnen; er stak een zéér koel windje op, en wij
vonden \'t beter binnen te gaan. Wij werden alzoo in het beste ver-
trek van \'t huis gelaten, waar het pronkbed was, een friesche klok
en een dambord hingen, en vier schilderijen aan den wand ons de
geschiedenis van Willem Teil herinnerden, om niet te spreken van
een dier tabelletjes, welke men verkorte uitgaven van Trommius zou
kunnen noemen, en waarop men lezen kan hoeveel kapittels, hoe-
veel verzen, hoeveel ende\'s in den bijbel staan, en dergelijke wétens-
waardige dingen meer. Zulk een hing er in een verguld lijstje. Hier
zetten wij ons op de matten stoelen neder en begonnen, nadat
amelie, die het op haar zenuwen zeide te hebben, een weinig be-
daard was, rijnschen wijn te drinken en sinaasappelen te eten alsof
het een lauwe avondstond in Juli geweest ware.
Daarop kwam de gitaar binnen, die in onze omstandigheden waar-
lijk een heele vervulling was; want indien het waar is dat muziek
en zingen menige recht prettige bijeenkomst storen en bederven,
zoo moet men ook zeggen dat er niets beters is om een niet prettige
bijeenkomst of mislukte partij aan den gang te houden , dan juist die-
zelfde muziek en zang.
Amelie zong verscheidene Duitsche romances, en zong ze waarlijk
vrij goed; maar zij bracht er, tot haar aanmerkelijk nadeel, al die
kleine behaagzieke naïveteiten bij te pas, die een mooi meisje goed
staan, maar die een leelijk meisje als amelie nog leelijker en met-
terdaad belachelijk maken. Zeker had onder dit boerendak nog niui-
mer zoo teergevoelig een liedje geklonken, als de bleeke amelie, met
de vergeetmijnietjes aan haar boezem en den gitaar met het lieht-
blauwe lint op de knie, er menigeen voortbracht; en ik was juist in
deze bespiegeling verdiept, toen zij met lange uithalen een zeer
teedere liefdeklacht met de dubbele herhaling van den laatsten
regel besloot, die gedurig lager en doffer werd:
Zum kühlen Grrab,
Zum kühlen Grrab,
Zum kühlen Grrab,
totdat haar stem op eens weer zeer hoog uitschoot, met dezelfde
woorden:
Zum kühlen Grab,
-ocr page 102-
Si
toen liet lied werd afgewisseld door een goede, ronde, vroolijke
boerinnestem, die van buiten kwam met het liedje:
Klompertjen en zijn wijfje,
Die zouwen vroeg opstaan,
Om eiertjes te verkoopen
En na de markt te gaan.
Ze waren halverwege,
Halverwege den dijk,
Daar braken al der eiertjes,
En \'t bottertje viel in \'t slijk.
Het speet er niet om de eiertjes,
Maar om er mooien doek,
Die ze gisteren nog gemaakt had
Van Klompertjes beste broek.
„Dat\'s een weergaasch aardig liedje," zei dolf , het venster open-
stootende en de dikke boeremeid aansprekende, die hare „purpe-
ren armen", als rotgans het uitdrukt, in de rookende waschtobbe
stak, en het liedje van Klompertje waarschijnlijk gezongen had;
,,dat\'s een weergaasch mooi liedje, trijntje!"
„Ik hiet geen trijntje!" zei de meid, schalk omkijkende.
„Hoe hietje dan ?" riep dolf , wien \'t maar te doen was om een naam.
„Dat weet me moeder wel, hoor!" zei de meid, lachende en eene
rij van de witste tanden zien latende, die ooit een boerinnemond
versierd hebben.
.,Fvenje meer zulke liedjes, zoete?" vroeg dolf.
„Loop," zei de boeremeid, wier naam haar moeder wel wist —
„ik heb niet zongen; wat verheel jij je wel?"
„Dat raam tocht vreeselijk," merkte amelie aan, wie deze samen-
spraak om duizend redenen weinig beviel. Maar nauwelijks was het
raam toe, en had dolf nog eens ingeschonken, of er klonk een nog
vroolijker liedje uit den mond der frissche deerne; en wij luisterden
allen:
Dans, nonneke dans!
Dan zei ik je geven een muts.
Neen, zei dat aardig nonneke,
Ik heb er een van me zus.
\'k Wil niet dansen, \'k zei niet dansen,
Dansen is men order niet;
Nonnen, paters, paters, nonnen,
Nonnen, paters dansen niet.
Dans, nonneke, dans!
Dan zei ik je geven een huis.
Neen, zei dat aardig nonneke,
Daar ben ik niet van thuis.
-ocr page 103-
86
\'k Wil niet dansen, \'k zei niet dansen,
Dansen is men order niet;
Nonnen, paters, paters, nonnen,
Nonnen, paters dansen niet.
Dans, nonneke, dans!
Dan zei ik je geven een zoen.
Neen, zei dat aardig nonneke,
Daar wil ik \'et niet voor doen.
\'k Wil niet dansen, \'k zei niet dansen ,
Dansen is men order niet;
Nonnen, paters, paters, nonnen.
Nonnen, paters dansen niet.
Dans, nonneke, dans!
Dan zei ik je geven een man.
Toen zei dat aardig nonneke,
\'k Zei dansen al wat ik kan.
,\'k Wil wel dansen, \'k zei wel dansen,
Dansen is men order wel;
Nonnen, paters, paters, nonnen,
Nonnen, paters dansen wel.
En nauwelijks was het liedje uit, of rudolf van brammrn gat\'
een fikschen klap op zijn stroohoed, zoodat hij in plaats vanboven
op zijn hoofd te staan, op zijn linker wang kwam te hangen en , zijn
weemoedige zuster om haar paarsen»spencer grijpende, tilde hij
haar van haar stoel op, en walste ondanks haarzelve een toertje met
haar door de kamer, onder het herhalen van het refrein:
Nonnen, paters, paters, nonnen,
Nonnen, paters dansen wel.
De levenslustige curistibn stiet koosje aan, en de beide meisjes
lachten achter haar zakdoek.
Amelie zeeg „doodaf", en waarschijnlijk met een half honderd
steken in haar zij, op een stoel neder, maar op dit oogenblik ging de
deur open, en de vroolijke dolf van brammen schoot met dezelfde uit-
gelatenheid op den persoon van pieter af, die met een wijd duf-
felsch buis aan, een roode bouffante van teeuwis om den hals, en
een pakje nat goed, in zijn zakdoek samengebonden, onder den arm,
binnentrad; en denzelven pieter oogenblikkelijk bij de linkerhand
grijpende en zijn eigen rechter om pieteiis midden slaande, die
vruchteloos zich poogde los te worstelen, galoppeerde hij met hem
door de kamer, onder het juichen van die zeilde regels, die hem
zoo bijzonder schenen te bevallen.
„Laat me los, van brammen!" riep pieter, voor de eerste maal
sedert ik hem kende zijne manlijkheid toonende; en met een fik-
schen zwaai wierp hij, vonkelende van woede, den op zulk een
krachtsbetooning niet verdachten dolf van zich af e n bijna tegen den
-ocr page 104-
86
muur. Deze evenwel, zouder zijne bedaardheid te verliezen, greep
zijn degenstok op, stak den van zichzelven verbaasden stastok den
knop toe:
„ Wil je vechten, kereltje ? Ook goed. Trek reis aan dien stok!
Zie zoo; jij den degen, en ik de schee: kom aan, en garde, droit au
fond,
asjeblieft!" En, zich in de positie stellende van iemand die
schermen gaat, begon hij eenige parades te maken.
De dames waren zeer onthutst; maar CHBISTTEN kon haar lachen
toch niet laten, en amelie was half in haar schik dat zij een zoo
romanesk geval bijwoonde.
Ondertnsschen leverde pïeteb, met zijn fijner, stalen bril, zijne
bouffante, zijn dutfelsch wambuis, en het opgedrongen rapier vrij
onhandig in de hand, een zeer zonderling schouwspel op, de teeken-
f»en van een cruikshank overwaardig. Maar de pose duurde niet
ang; hij wierp het staal verachtelijk weg.
„Ik wil geen ruzie maken," zei de edelmoedige pïeteb.
„Daar hebje wèl gelijk in," antwoordde doee.
Op dat belangrijk oogenblik hoorde men een geluid alsof er een
flescn werd opengetrokken, en daarna een ander alsof er een glas
werd ingeschonken. Nog ééne seconde, en hii.debrand bood den
beiden kampioenen twee ongelijke bekers aan en de eervolle vrede
werd gedronken.
Het was ondertusschen hoog tijd om te vertrekken. Aan vóór
boomsluiten thuis te zijn was geen denken; maar het was in geen
geval noodig, daar wij verlof hadden het schuitje buiten den boom
te laten, en er een knecht komen zou om de riemen af te halen. Maar
toch moesten wij ons wegens den vallenden avond haasten. Cimis-
tien wilde dolgraag ook zelf eens roeien, en ameeie gaf voor,
faarne eens aan \'t roer te willen zitten. Doee ging op de achterste
ank. Op de voorste kwam de vroolijke ciiristien mij helpen en
nam een der riemen zeer handig op. Zij kon tot dit werk haar mantel
niet gebruiken , en stond er (ik geloof meer uit ondeugendheid dan
uit medelijden) op, dat de gemelde drenkeling dien nog over zijn
duffel zou aandoen. Het was een schotschbonte. Pieter liet zich be-
wegen; en in dat gewaad zette hij zich aan koos.tes zijde in het
schuitje.
Ameeie keek naar de lieve maan en de lieve sterren. Dolf roeide
en rookte om \'t zeerst. Ciiristien had allerlei vroolijke invallen en
plagerijen met mij. Pieter was dus met het voorwerp zijner genegen-
heid zoo goed als alleen. Koosje scheen zeer lief voor hem. Ver-
scheidene malen hielp zij hem zich te beter in de plooien van den
mantel wikkelen, en meer dan eens zag ik dat zij hem met een innig
medelijden aankeek. Hij schoof dan ook inderdaad gedurig dichter
en vertrouwelijker naar haar toe. Zijn gelaat luisterde op, en hij
scheen werkelijk een teeder en aandoenlijk gesprek met haar te heb-
-ocr page 105-
87
ben aangevangen, als ik opmaakte uit de zinrijke woorden , die ik tus-
schenbeiden op kon vangen, als daar zijn: „weetje nog wel van" —
„blijde dagen\' — „nooit zoo gelukkig meer worden" — „veel aan
denken", en wat dies meer zij.
Dit duurde zoo voort totdat het ongeluk wilde, dat de heer rtjdolf
van brammen zijn laatste sigaar had uitgerookt, en dus een ander
tijdverdrijf behoefde.
..Kijk reis aan!" riep hij, het overschot in \'t water gooiende,
„kijk reis aan! pieter zit waarlijk te vrijen."
Pieter bloosde en wierp een grimmigen blik ter zijde uit op den
spreker, volmaakt als een schichtig paard, dat op den straatweg een
hondewagen tegenkomt. — Koosjk bloosde, keerde zich om, en
vroeg onmiddellijk aan christien : „of ze niet moe werd van het
roeien ?"
Het was gedaan met PETRI stastokii Junioris zaligheid; endaar
ik naderhand nooit van eenige verstandhouding tusschen hem en
KOOB.TE van naslaan heb gehoord, maar veeleer vernomen heb dat
koosje van naslaan, in den laatst verleden herfstop haar vaders zil-
veren bruiloft plechtig is verloofd geworden aan een jongen wijn-
kooper uit een naburige stad, zoo houd ik het er voor, dat hier de
droevige geschiedenis der eerste en teedere liefde van petrus sta-
stok Junior, student in de rechten aan de hoogeschool te TJtrecht,
en tegelijk die van \'s mans eerste minnekoozerij, een einde neemt.
Wij waren spoedig thuis, en toen ik den anderen dag te elf uren
op de gele diligence zat, die van E. over D. naar C. rijdt, had ik
voor lang afscheid genomen van mijn oom en tante stastok,
en van al de kennissen die ik te D. gemaakt had; het laatst
evenwel van keesje, die mijn koffertje gekrooien, en van pieter,
die mij naar „de Rustende Moor" vergezeld had: terwijl ik, buiten
de poort komende, nog gelegenheid had om uit het portier een
f roet toe te werpen aan den heer rudolf van brammen , die reeds
aar was om naar de oefening van een paar pelotons recruten
te zien, die met bevende handen eene gezwinde lading onder-
namen, waar zij ruim zooveel tijd aan besteedden, als hunne
nijdige sergeanten tot die in vier tempo\'s noodig hadden, en waar-
over de bejaarde tweede luitenant een waakzaam oog hield.
-ocr page 106-
VAREN EN RIJDEN.
Men is bezig in mijn vaderland spoorwegen aan te leggen. Het
heeft lang geduurd eer men er toe komen kon. De plannen varen
bij ons te lande altijd nog met de trekschuit; de lijn breekt wel zes-
maal eer zij hunne bestemming bereiken : eindelijk komen zij er toch;
maar hemel! wat duurt het lang eer de bagage aan wal en te huis is;
eer de koperen stoof en de schanslooper en de parapluie aan den
kruier zijn terhandgesteld. Wat mij betreft, ik ben een Hollander
van ouder tot ouder, maar ik heb, bij andere onvaderlandsche ondeug-
den een recht onhollandsch ongeduld; schoon ik uiijzelven het
recht moet doen te verklaren dat er niemand zijn kan , die met meer
kalmte dan ik een lieve vrouw een streng breikatoen of zijde helpt
uit de war maken. Trouwens, dat is ook geheel iets anders. Voor al
wat doen is heb ik het meestmogelijke geduld; voor langzaamdoen
heb ik eerbied; maar nietdoen verveelt mij verschrikkelijk; ik kan
niet wachten; geen lijdelijkheid! Het leven is er te kort en mijn
bloed te gauw voor. „Festina lente!" Recte, sedfestina! — Wat in
\'t bijzonder de spoorwegen aangaat: ik zit er sedert jaren pal op te
wachten; niet omdat ik er een commercieel of ftnantiëel belang bij
heb; niet, omdat ik er een weddenschap over heb aangegaan; maar
alleen omdat er tot nog toe geen middel van vervoer bestaat, dat
mij bevalt, zoo niet eigen rijtuig en postpaarden, waar ik, om voor
mij zeer gewichtige redenen, slechts zelden gebruik van kan maken.
Voor zoover de trekschuit aanbelangt, heb ik mijn gevoelen reeds
half verraden, \'t Is waar, men kan er in lezen, domino spelen,
dammen en, zoo de schipper inkt aan boord heeft en gij eene pen
hebt medegebracht (want de zijne is tot boven toe zwart), zelfs
schrijven; ofschoon op te merken valt dat het tafeltje in de roef daartoe
wat te ver van de zitplaats verwijderd is. Maar met dat al: zoo gij be-
weert dat gij er op uw gemak zijt, houd ik u (met uw verlof) voor een
mismaakt schepsel, voor een kleinen krates, niet hooger dan mijn
knie; althans zeker niet voor een kerel van vijf voet zeven duim, als
uw onderdanigen dienaar. Dan is er iets weeheidaanbrengends in de
beweging der schuit, dat uw belangrijkst boek vervelend maakt, en
uw esprit de jeu verflauwen doet, —• maar vooral is er in de trek-
schuiten een praatgenius van een ellendig soort. De schuitpraatjes
bestaan geregeld uit dezelfde ingrediënten en vallen eenstemmig in
denzelfden toon. Schuitanecdoten zijn volkomen onverdragelijk; en
dan dat afgrijselijk dikwijls herhaald gevraag: „hoe ver zijn we al,
schippertje?" en het eeuwige: „dat betalen moest je afschaffen", als
-ocr page 107-
89
de man om zijn geld komt! —Veroordeel de passagiers niet te licht-
vaardig, zoo zij tot zulk eene laagte van geest afdalen. Neem zelf
een „plaats in \'t roefje", en gij zult zien dat gij onwillekeurig even
diep kunt zinken. Zoodra men de trekschuit binnenstapt en het
deurtje doorgekropen is, en zijn muts opgezet, en zijn hoekje geko-
\'zen heeft, is het alsof er vanzelf een geest van bekrompenheid, van
kleinheid op ons valt. Zoodra dat graf zich over ons siuit, schaamt
men zich geene eokele flauwheid meer. Men gevoelt lust om met
belangstelling te spreken over het schelen der klokken, den prijs
der levensmiddelen, of al weder het gewichtig vraagpunt te behan-
delen, of het na het middagmaal beter is te gaan wandelen ofwel
een dutje te doen. Men heeft behoefte om te zeuren en te talmen over
nietigheden. Ja, zoozeer beheerscht u de demon der plaats, dat hij
u maar al te dikwijls verleidt, de afgezaagde voordellen van een
trekschuit op te sommen! Ook zult gij uwe reisgenooten altijd be-
lang hooren stellen in het getal schuiten en diligences,\'die opeen
zelfden dag dien weg maken. — De treurige benauwde indruk,
waaraan gij lijdt, wordt nog verergerd door de lectuur van het tarief,
door het zien van het koperen blakertje, het driekante blikken
kwispedoortje en alle verder klein huisraadje, en van de gewichtige
voorzichtigheid waarmee de schipper eerst een sleutel uit zijn zak
haalt; ten tweede het laatje van de tafel opensluit; en eindelijk ten
derde, er een lange pijp uitkrijgt. Ik geloof niet dat iemand ooit
óéne geestige gedachte gehad heeft in een trekschuit. Integendeel:
de roef is de ware atmosfeer voor alle mogelijke vooroordeelen, de
geschikte bewaarplaats van alle verouderde begrippen, de kweek-
school van allerlei leelijke, lage gebreken. Daar zijn voorbeelden
van menschen, die door te veel in trekschuiten te varen, lafhartig,
kruipend, gierig, koppig, en kwelgeesten zijn geworden.
Over het algemeen is de roef alleen geschikt voor de lieden, die er
voornamelijk het personeel van uitmaken, als daar zijn „fatsoende-
lijke" handwerkslieden die een teutig bedrijf hebben, zooals ivoor-
draaiers en horlogemakers; goede luidjes die een erfenis gaan halen,
de vrouw met een broodje in den breizak, de man met een snuifdoos
met speelwerk; jeugdige koekebakkers, die niet weten willen dat zij \'t
zijn, met een soort van constellatie op de borst, bestaande uit drie
gewerkte koperen overhemdsknoopen en een schitterende doekspeld
met een gelen steen a facettes geslepen, veel te groot om echt te
wezen; kleine renteniertjes van vijftig tot zestig jaar, die zilveren
pijpedoppen in palmhouten akertjes bij zich hebben; eerlijke boek-
houders, die vijf en twintig jaar op een zelfde kantoor hebben gediend,
en ten bewijze van dien, een zilveren tabaksdoos toonen met in-
scriptie; moeders met slapende kinderen, en die er „eentje t\'huis
gelaten hebben, dat nog maar acht jaar oud is, en al Fransch
kan"; breiende huishoudsters, die „uwé" en „ik heeft" zeggen;
kameniers, die voor hare mevrouwen door willen gaan en van ons
-ocr page 108-
90
Buiten spreken , waaraan zij bij een of andere brug moeten worden
afgezet, en waar, tot haar groote beschaming, een tuinmansknecht
ze met een zoen ontvangt; halve zieken, die een „profester" gaan
raadplegen; juffrouwen, die de vracht met een dertiend\'half en een
pietje passen; grappenmakers, die de geestigheid hebben over de
verschrikkelijke gevaren te spreken, die de reis in trekschuiten in-
heeft ; en ongelukkigen, die niet onder dak kunnen komen, tenzij
ze aan een volgend veer „de schuit van achten n0K halen kunnen";
om niet te spreken van de „groenen", een soort van schuwe insecten,
die in de maand (September alle de vaarten, die op akademiesteden
uitloopen, vergiftigt.
Het personeel der diligence heeft een geheel ander karakter; over
\'t algemeen staat het meer op de hoogte van zijn eeuw. 11 a plus
d\'actualité. Maar tevens is er meer verscheidenheid. Op de diligence
reist gij met officieren in politiek; met studenten : met heeren die naar
een audiëntie gaan: met schoolopzieners en leden van provinciale
commissiën; met mannen van de beurs; met paardekoopers en aan-
nemers in wijde blauwlakensche cloaks: met handelreizigers,
schitterende door een breeden ring aan den voorsten vinger (meestal
met een amethist): zij rijden achteruit, zijn zeer familiaar met
de conducteurs, kennen de paarden bij naam en vergelijken voor u
de betrekkelijke verdiensten der verschillende postwagenonderne-
mingen ; met dichters, die een lezing gaan doen; met fiere dames, die
\'t half beneden haar stand rekenen in diligences te reizen en zich
door stuurschheid van dien hoon wreken; met jonge meisjes, die
verlegen worden en \'t half kwalijk nemen als een vreemd heer beleefd
jegens haar is; met weldadige tantes, die aan de plaats harer be-
stemming door een half dozijn kinderen, die zij sinds jaren bederven,
worden opgewacht: met koopvaardij-kapiteins met lange Curacao-
sche sigaren ; met jagers, die meer bezorgdheid voor hun geweer dan
voor uwe teenen koesteren; met woelwaters, die eeuwig tusschen de
wielen zitten en u opsommen hoeveel land zij in ééne week gezien
hebben; met een nauwgezetten heer, die uit gehoorzaamheid aan
zijn lootje op nummer i moet zitten: met een dikken , aamborstigen
heer, die alles open wil hebben, en met een dunnen, spichtigen heer,
die den kraag van zijn jas opslaat, diep in een bouttante kruipt, van
\'t „méchante weer" spreekt, en u wil laten stikken ; met individu\'s,
die zichzelven voor nemind vleesch houden en overal kennissen
aantreffen; met ontevredenen, die over alles knorren; dikwijls met
een kind, dat een halve plaats beslaat, of een hond waarvoor gij
bang zijt, te veel, en dikwijls, o! zeer dikwijls! met een beleefd
mensch te weinig. — Ziedaar den gewonen inhoud eenerdiligence!
Onder deze lieden zijn er zeker vele. die tot de ongerieven van
deze manier van reizen moeten gerekend worden, en ik stel voor,
hen in drie klassen te verdeelen, en alzoo te brengen tot:
-ocr page 109-
m
Slapers,
Rookers,
en Praters.
De Slapers staan bij mij op den laagsten, den minst schuldigen
trap van overlast. Hunne onaangenaamheid is voor drie vierden ne-
gatief. Maar, ziet ge, zij snorken somtijds; — en hatelijk zijn zij,
als men ze voorbij moet met in-en uitgaan op de pleisterplaatsen,—
en eindelijk, ze worden hoe langer hoe breeder! Hunne posteriores,
hunne ellebogen, hunne knieën, alles zet zich uit; —en ik heb ge-
reisd met slapende passagiers, die zich op een tocht van nog geen
vier uren tot het dubbel van hun omtrek hadden uitgebreid. Voor het
overige moet ik hen wel dragelijk vinden, aangezien ik den meesten
tijd de eer heb tot hunne klasse te behooren.— Volgen de Rookers!
Daar was een tijd, mijne vrienden! maar toen waren de Goudsche
pijpen nog fatsoenlijk, en de blikken sigaarkokers en zilveren pijp
jes nog in de mode; dat geen welopgevoed man, geen commis-voya-
geur, geen kwajongen zelfs (dat wel het onbeschaamdste slag van
wezens is!) een blad tabak zou hebben aangestoken, zonder eer-
biedig te vragen: „zal het niemand" of althans: „zal het de dames
niet hinderen ?" Hoe ook binnen \'s kamers aan de pijp (die nu
eenmaal den toenaam van „vaderlandsche" verkregen had) verslaafd,
buiten \'s huis rookte men niet dan bij gedoogen en goedkeuring met
algemeene stemmen en , mocht men die wegdragen, men maakte er
met kieschheid gebruik van: men rookte met zekere bedachtzaam»
heid, kleine wolkjes ! Dit alles heeft tegenwoordig geen plaats meer.
Ik zie de beschaafdste, de galantste, de humaanste onzer jonkers, de
schuwste en beschroomdste onzer burgerheeren, de gemaniëreerd-
ste onzer kantoorklerken met vest en sousvest, sans facon, met
lichterlaaie pijp en brandende sigaar de trede van het rijtuig ophup-
pelen en, nadat ze vijf of tien minuten hebben zitten dampen, ter
nauwernood vragen, niet: „zal \'t niemand", maar: „\'t zal immers
niemand hinderen ?" en zonder antwoord af te wachten, of zich te
storen aan h\'et hoesten van het liefste meisje der wereld, zoo \'t het
ongeluk heeft van niet mooi te zijn , met hun stankfabriek voortgaan.
Onze dames („zachtmoedig als ze zijn!")durven ook nooit meer neen
zeggen. — Ik — o vloek dien ik op mijn hals haalde, en weer op
mijn hals haal door het hier te vertellen; (bij de heeren , maar vooral
bij de heele jonge heeren: ik ken er eentje dat verschrikkelijk is!)
ik ... . heb ééns neen gezegd, \'t Was tusschen Haarlem eri Leiden.
Waarlij k, al de raampjes waren gesloten, en toch moesten er
twaalf menschen ademen en zes sigaren in \'t leven blijven;
maar hoe werd ik mishandeld door den man die naast mij zat,
en die dan iets op mijn hoed, en dan iets op mijn regenscherm, en
dan iets op mijn voeten, en dan weder iets op mijn mantel, en dan
weder iets op volstrekt niets te zeggen had; waarlijk, ik was mijn
leven niet zeker. — Ook is de geheele wereld tegenwoordig op den
-ocr page 110-
92
voet van tabakrooken gebracht; die kunst behoort volstrekt tot het
openbare leven, en al haar toestel is zoo portatief mogelijk gemaakt;
ieder rijtuig is aan tabaksvervoer dienstbaar; alle sierlijke uitvoe-
righeden der rookkunst zijn ingekort; — geen klassieke, langwer-
pige, sineesverlakte tabaksdoos meer met de handteekening van
den eigenaar in het deksel, maar tabakszakken van een vieze
varkensblaas gemaakt, met een rood riempje aan het knoopsgat op-
gehangen. Om de waarheid te zeggen, zijn alle rokszakken tabaks-
zakken, en wanneer gij een gezelschap fatsoenlijke heeren van
onderscheiden kaliber en verdienste bijeenziet, kunt gij er altijd op
aan, dat zij door elkander gerekend stellig zes of acht stuivers waard
zijn, alleen aan sigaren die aan hun lijf zullen worden gevonden.
(Teen kiesch sigaarpijpje meer, hetzij recht of gebogen, waardoor
de rook als \'t ware werd overgehaald, — neen , het afzichtelijk rolle-
tje wordt, zoo als het uit de besp .. kselde vingers van den tabaks-
verkoopersjongen komt, uit een papieren zakje te voorschijn ge-
bracht en in den mond gestoken, opdat men er een tweevoudig genot
van zou hebben, om van tijd tot tijd bezabberd en beknabbeld over
te gaan in de handen van een ieder, die er een onzuiver vuur aan wil
ontleenen. Geen reine, blanke Goudsche pijpen meer niet een voor-
zichtig dopje gewapend; maar een leelijk, slangachtig, stinkend, prut-
telend, door en door van vuiligheid doortrokken moffentuig. En dan
die nieuwmodische zwavelstokjes, daar een mensch van opspringt
als ze afgaan, en die een hydrogenium ontwikkelen, waarvan iemand
het hart in het lijf omdraait! O, wanneer al deze schrikbeelden mij
voor den geest komen; als mijn gedachte zich hier, in de zuivere
atmosfeer van mijn studeervertrek, waar, sedert mijn haard goed
is uitgebrand, niets is dat de verhouding van eenentwintig deelen
levenslucht tot negenenzeventig deelen stiklucht (nieuwste bereke-
ning) stoort; als, zeg ik, mijne gedachte zich hier in al die gruwelen
verdiept, en wanneer ik bedenk dat ik nog dikwijls, zeer dikwijls in
mijn leven mij die indompeling in het dampbad van kruiden van
allerlei hoedanigheid zal moeten getroosten: dan waarlijk sluit mij
het hart en beklaag ik mij over de wreedheid van mijn natuurge-
nooten — en — half en half over de zwakheid van mij n maag en de
kieschheid van mijn gehemelte, die mij niet vergunnen (als onze
vaderen zeiden) „toeback te suygen". Want gelijk men dieven met
dieven vangen moet en leugenaars met leugens tot zwijgen bren-
fen, zoo moet men, wordt er gezegd, ook rooken om rookers te
unnen uitstaan.
Ik kom tot de Praters, de babbelaars bij uitnemendheid. Zij zijn
daarom erger dan de Rookers, omdat zij uw beter deel, uw hoofd en
hart grieven, wat de laatste niet doen, tenzij ze u knorrig maken,
— maar! ik hoop nogal dat gij een wijsgeer zijt. De Rookers maken
u ziek, de Praters ongelukkig, \'t Is waar, gij behoeft hen niet aan
te hooren; maar wie heeft lust om een volslagen lomperd te zijn?
-ocr page 111-
93
Gij kunt u houden alsof gij slaapt; dikwijls ook richten zij het woord
niet eens tot u: maar dan spreken zij zooveel te luider tot uw buur*
of tot uw overman; ja, er zijn er, die hun schelle stem er op geoefend
hebben, de stootendste wielen, de rammelendste portieren te over*
schreeuwen!
Stooten en rammelen! o Dat men in een land als het onze, waar
de straatwegen zoo uitmuntend zijn, zulke slechte diligences maakt
en gedoogt! Doch hier breng ik u de eer, die u toekomt, edele van
gend en loos, veldhobst en vak koppen, warme menschenvrienden!
In uwe wagens zit men op breede banken; de plaatsen zijn ruim;
de kussens en ruggestukken welgevuld; de bakken diep; de
veeren buigzaam; de wielen breed; de portieren niet tochtig;
de raampjes bescheidenlijk zwijgende; uwe vier paarden altijd in
feregelden draf. Maar velen uwer collegae zetten ons in een schok*
ende, nauwe, dreunende, vuile, tochtige, harde, tuitelige doos,
een soort van groote rammelende builkist op vier wielen; in de eene,
hebben wij geen plaats voor onze dijen, in de andere, geen ruimte
voor onze knieën; uit deze komen wij met bevroren teenen, uit gene
met eeu stijven nek; wij rijden ons ziek, wij rijden ons hoofdpijn, wij
rijden ons dóór; wij meenen gek te worden van het gesnor aan onze
ooren en \'t gedender aan onze voeten; en dikwijls denken wij er,
onder het dooreenwerpen onzer ingewanden, met bekommering aan,
wat gelukkiger zijn zou, dood of levend er uit te komen!
Dood of levend! Ja, daar is gevaar! In een land, waar de politie
de tuigen der paarden en de lenzen in de wielen niet nagaat, en waar
in de meeste plaatsen de vracht, die men oplaadt, niet gewogen of
berekend wordt — hoe komt het, dat er nog zoo weinig ongelukken
gebeuren? —
De stoomboot, zeide ik tot mij-zelven, en ik nam een plaats van
Eotterdam tot Nijmegen, zal alles verbeteren en overtreffen; zij zal
mij met de middelen van vervoer en met het reizen en trekken ver-
zoenen ; de snelle, de ruime, de gemakkelijke, de sierlijke, de gezelli»
fe, de rijke stoomboot! Is zij niet een vlottend, eiland van genoeglijk-
eden, een betooverd stroompaleis, een hemel te water? Nu ja: het is
een drijvend koffiehuis, zegt men wel. Voor kleine afstanden niets ge-
lukkiger dan een stoomboot. Maar het is voor de groote, dat men haar
noodig heeft. Zeg niet: men is er zoo goed als tehuis, \'t Is waar, men zit
er op breede banken met zachte kussens, aan gladde tafels, men kan
er alles krijgen wat men verlangt, al doen wat men begeert. Maar dien
korten schok, als van een paard dat hoog draaft, dien gemengden
stank van olie en steenkolen, de duurte der verkwikkingsmiddelen,
de aanmatigingen van den hofmeester, het slechte eten en de verve-
ling, dit alles heeft men tehuis niet. Ik zei verveling — want waar
ter wereld ontmoet men meer menschen, die voor hunpleizier reizen,
dan op een stoomboot ? en wat is vervelender dan hun gezelschap ?
-ocr page 112-
94
Reizen voor pleizier! o Droombeeld! o Hersenschim! Weten dan
200 weinig mensehen dat reizen zoo moeieliik pleizierig zijn kan!
Neen; de inensch is geen trekvogel; hij is een huisdier; en de natuur-
lijke kring zijner genoeglijke gewaarwordingen strekt zich niet ver-
der uit dan zijne voeten hem brengen kunnen. In beweging en onrust,
in zich verwijderen van den grond daar hij aan gehecht, de betrek-
kingen daar hij aan gewoon of verknocht is, kan geen geluk zijn.
De natuur wreekt zich van dien moedwil. Zie die reizigers voor plei-
zier! Bij eik genot, dat ze smaken, verbeelden zij zich dat dit het
pleizierige nog niet is, waarvoor zij zijn uitgegaan; daarom verheu-
gen zij zich telkens als zij op de respectieve plaatsen hunner bestem-
ming zijn aangekomen, schoon zij toch eigenlijk reizen om op weg
te zijn; en in die gedurige jacht op een ingebeeld genoegen , dat nog
komen moet, gaat hun tijd om in rusteloosheid en teleurstelling en
tegenzin. Alles gaat hun voorbij; zij smaken niets. Maar te huis ge-
komen, bemerken zij dat zij een groote som gelds verteerd hebben
en, omdat ze er zich over schamen, dringen zij zichzelven en ande-
ren op dat zij een „allerliefsten" , een „dolprettigen" , een „allerinte-
ressantsten" toer gemaakt hebben — ja, indien het denkbeeld en
de zaak op die wijze niet in stand gehouden werden , zouden er jaar-
lijks eenige duizenden paspoorten minder worden afgegeven aan
ongelukkige slachtoffers van een droombeeld, wie de reisduivel drijft
en die niet weten wat zij willen. Ach , in de lieve zomermaanden, in
de groote vacantie der hoogescholen, den rustiger tijd van den han-
del, als men zijn innerlijk leven recht en kalm zou kunnen genieten,
zijn alle de wegen des vaderlands vol van jongelieden, die hun lief
vertrek, hun gemakkelijk ouderlijk huis, hun welgelegen buiten-
goed, hun gezelligen kring, hun dierbaarste betrekkingen, hun
nuttigst verkeer, in een opgewonden koorts verlaten, om voor
pleizier een reisje te gaan maken! Zij komen terug, met een ver-
brand gezicht, een paar knevels, een gehavende plunje, een lastigen
hoop vuil linnen, en een ledige beurs; de herinnering van doorge-
loopen voeten, slechte bedden, weegluizen, stof, Engelschen, en
afzetters. Zij hebben ook veel mooie natuur gezien. Maar de heer-
lijke, de dichterlijke, de opwekkende indrukken, daar zij op gehoopt,
de onbegrijpelijke, zieldoordringende genoegens van het reizen,
daar zij van gedroomd hadden, met en benevens de Duitsche schoo-
nen, die op hen verliefd zouden zijn geworden, of de pikante baro-
nesse, waarmee zij een avontuur zouden hebben gehad; de belang-
rijke, wereldberoemde geleerde, die hen en amitié zou nemen;
de schatrijke lord, dien zij \'t leven zouden redden: dit alles woelde
in hun bont verschiet, in hunne droomen en mijmerijen door-
een — waar waren zij? — de echo antwoordt: „waar waren
zij ?" — Zie hen daar tehuisgekomen: moe van lichaam en moe van
ziel; nog veertien dagen ongeschikt voor een geordend leven; zon-
der reisanecdoten, zonder dichterlijker of grooter hart dan waar-
-ocr page 113-
95
mede zij zijn uitgegaan ; zonder eenigszins belangwekkend te wezen;
alleen opmerkelijk door een vreemd soort van pet, zooals in deze
of gene buitenlandsohe stad gedragen wordt: niets meebrengende
dan eenige vreemde koperen munten, aardig om, tot een souvenir!
te bewaren, een steentje van Rolandseck, een gedroogd bloempje
van Nonnen werth., en een vijftigtal: „oZoo mooi\'s" en „Onbeschrijf-
baar\'s!" en „je moet er zelf geweest zijn"; en „hier een berg, en daar
een dal!" en „o die boomen!" en „o, die rotsen!" om u een rad voor
de oogen te draaien, zichzelven te rechtvaardigen en, uit een soort
van wraakneming, ook u te verleiden, om u als hen te laten teleur-
stellen.
Men vergeve mij deze uitweiding, alleen uit menschlievendheid
femaakt! om een aantal jonge juffrouwen en heeren in ons vaderland,
ie met een benijdend oog andere jonge juffrouwen en heeren, in de
sehoone zomermaanden zien op reis gaan, schoon zij \'t overal slech-
ter zullen hebben dan te huis; om een aantal fatsoenlijke men-
schen, wier drukke bezigheden hen verbieden zich anders dan met
hunne zaken te vermoeien, te troosten; en een aantal anderen, en
vooral jonggetrouwden, of die in \'t volgend jaar trouwen zullen,
die reeds een reisplan voor \'t eerstkomende seizoen in hun hoofd
hebben — („o! zoon allerliefst reisplan! overal eens kijken ! van al-
les mee kunnen praten, in vier weken uit en thuis; het reizen gaat
tegenwoordig zoo gauw!") in goeden ernst te waarschuwen voor de
ellende, waarin zij zich gaan storten.
Dan, keeren wij tot onze stoomboot terug! Eerst gaat het goed.
Men komt vroolijk en luchtig, lustig, friseh en vatbaar voor allerlei
soort van genoegens aan boord. Men blijft op het dek totdat de stad
waar men afvoer uit het gezicht verdwijnt. Men vindt het genoeg-
lijk naar den linker of rechter oever uit te kijken. Dan gaat men tevre-
den naar beneden en vindt de kajuit heel mooi, heel gemakkelijk,
de sofa alleruitmuntendst; het is een heele aardigheid zich op een
vouwstoeltje te zetten. Men schikt zich in gezellige groepen; men
bestelt ontbijt; men praat, men lacht, men heeft auecdoten, stads-
en staatsnieuws; men speelt met belangstelling een partij schaak;
men is op zijn gemak. Zoo is het begin. Maar een uur later, en gij
ziet van tijd tot tijd dan dezen, dan dien het hoofd uit het luik steken
en op dek komen, dit is de verveling nog niet;\'t is de ongedurigheid
die haar voorafgaat. Men wil eens weten waar men in de wereld
is; men wil in de lucht zijn, men wil de mooie gezichtspunten niet
verbeuren; — men blijft een poosje boven, linksen rechts en voor en
achter kijkende; het twijfelziek gemoed vraagt: „Amuseer ik mij ?"
De beurs antwoordt: „Ik wil het hopen". „Pour varier ses plaisirs",
gaat men eens weer naar beneden. Men neemt een courant of een boek.
Maar men is toch eigenlijk niet op reis gegaan om couranten of boe-
ken te lezen. Men moet iets anders hebben dan thuis. Nu begint de
leelijke verveling al, en de eene passagier verlangt dat de andere hem
-ocr page 114-
nis
den tijd korte. De sofa\'s zijn niet gemakkelijk genoeg: op een vouw-
stoeltje, is een veel te ongewoon zitten ; allengskens ziet gij , den een
voor, den anderen na, weder op het dek komen, „\'t Is beneden schrik»
keiijk benauwd." „Ja. dat is t geval wel van een stoomboot". „Die
kajuiten zijn laag." „Dat flikkeren van de zon op \'t water, gij
kunt niet gelooven wat een onaangenaam effect het door de glas-
ruiten doet". „Jammer dat het zoo zonnig is en zoo waait." „Ik
tref\' het nooit dat de tent opgezet kan worden." En nu zit men op de
lantaren , en dan aan de verschansing, en dan bij het stuurrad ; en dan
loopt men weder heen en weer; en dan wordt de overjas aan-, en
dan weer uitgetrokken. Nu is het een op- en nederkïimmen zon-
der end, en de verveling in volle kracht. Uit wanhoop wijkt men
van zijn leefregel af en maakt zich ziek met chocolade en
bouillon en bittertjes en likeurtjes: het is als kreeg men een
gevoel van vuilheid en onfrisehheid over zich. Beneden strek-
ken de reizigers zich uit op de zitbanken: boven loopen zij heen
en weer; en gij kunt zeker zijn dat elk op zijn beurt eens bij
de raderkast gaat staan, om een blik in de machine te werpen,
waarvan hij niets begrijpt, met de woorden: „\'tis toch een mooie
uitvinding". De uren worden hoe langer hoe slepender. De hor-
loges komen elk oogenblik te voorschijn; en de berekening; „hoe
veel uren nog" wordt gedurig gemaakt. Zoo slijt men een langen
dag, waarin het etensuur alleen eenige tijdkorting geeft. Maar de
gerechten zijn meestal slecht. Om kort te gaan, en opdat gij u niet
evenzeer zoudt vervelen als onze reizigers: een goed half uur voor-
dat de boot aankomt, als de plaats harer bestemming maar even in
\'t gezicht is, kunt gij zeker zijn alle menschen met jassen en mantels
en pakkage klaar te zien staan, om toch vooral bijtijds gereed te
zijn tot het verlaten van het hooggeloofd vaartuig. En dat te vroeg
is de laatste, niet de minste marteling voor den ongeduldigen geest.
Zoodat een stoomboot ook al meer belooft dan zij geeft.
Maar nu houdt gij mij (ik zie het wel) na de lezing van dit alles,
voor een ontevreden, knorrig, ongemakkelijk mensch, voor een
ellendig pessimist, daar geen spit mee te winnen is, voor een akeli-
gen Smelfungus, die niet reist dan met het land en de geelzucht,
waardoor elk voorwerp dat hij ontmoet, miskleurd en verwrongen
wordt! — Ik moet zoo billijk jegens inijzelven zijn van te verklaren ,
dat ik een geheel ander karakter heb. Integendeel, ik behoor tot de
opgeruimde, vroolijke, zich vermakende naturen: ik schik mij in
alles, mits ik aan alles een belachelijken kant mag zoeken, en
daarover uitvaren en schertsen. Ik ga verder. Ik kan u betuigen dat
ik een paar malen alleraangenaamst in een trekschuit heb gesmous-
jast; dat er omstandigheden zijn waaronder, en gedachten en voor-
uitzichten waarmede ik zeer gaarne in de diligence (ook in de aller-
slechtste, dat meestal mijn geval is) zitten wil: dat ik mij meer-
«
-ocr page 115-
97
malen alleruitmuntendst op een stoomboot heb vermaakt, onder
anderen ook, door al mijn reisgenooten uit te teekenen; dat ik
dikwijls met veel, zeer veel genoegen gereisd heb; ja, dat ik,zoo-
als ik hier zit, in mijn ruimen lederen leunstoel, in mijn wijde
kamerjapon, bij mijn lustigen haard, in vrede en eensgezindheid
met de geheele wereld, mij sterk gevoel om alle schippers, alle
conducteurs en de geheele stoomboot-maatschappij recht hartelijk
de hand te drukken; — dat eindelijk het gegronde vooruitzicht op>
de spoorwegen mij zoodanig verheugt en streelt en opwindt, dat ik,
bij voorbaat reeds gelukkig, alle vaar- en rij-jammeren geduldig
dragen wil en zonder morren uitstaan.
Spoorwegen! heerlijke spoorwegen! op u zal niet gerookt wor-
den; want daar is geen adem!
Op u zal niet geslapen worden; want daar is geen rust!
Op u zal niet worden gebabbeld; want daar is geen tijd!
Zoo daar op u ook onaangenaamheden en jammeren zijn, zö
zullen den tijd niet hebben ons te bereiken, wij, geen gelegenheid
om ze gewaar te worden!
Maar komt! komt, heerlijke spoorwegen! Daalt als een tralie-net
neder op onze provinciën!
Vernietigers aller groote afstanden! versmaadt de kleine afstan-
den van ons koninkrijkje niet!
Ja; laten de zangen onzer dichters het weldra in verrukte tonen,
uitgalmen:
„De spoorweg kwam, de spoorweg kwam!"
Laten de zakdoeken onzer schoonen u toegewuifd worden, de
eere- en gedenkpenningen onzer Munt u tegenr\'ollen!
Dan eerst als de Nederlandsche natie, langs uwe gladde banenr
dagelijks door elkander zal geschoten worden als een partij wevers-
spoelen , zal er welvaart en bloei en leven en spoed in ons dierbaar-
vaderland heerschen!
November 1837.
7
v
-ocr page 116-
GENOEGENS SMAKEN.
UIT DE COBRESPONDENTIE MET AUGUSTIJN.
„Of ik de Rotterdamsche kermis ben gaan bijwonen? De hemel
behoede mij, hoe komt gij aan dat bericht ? "Wie is de booze lasteraar
die mij zulk een smet aanwrijft? Wie heeft er behagen in mijne
blanke, kermishatende ziel zoo zwart te maken in de oogen der
menschen ? Weet g^j \'t dan niet hoe ik reeds in den jare 1833, op den
dag, waarop men in mijn geboortestad goedyond de kermis in te
luiden, het akelige klokgebengel begeleidde met een improvisatie:
Voor mij geen kermisfeestgerel,
Geen weidschbetiteld kinderspel,
Geen dwaasheid op haar zegewagen,
Bij raadsbesluit en klokgeklep
Gerechtigd voor een tiental dagen,
Wat eerlijk mensch er tegen hebb\'?
o Laat mij, laat mijn ziel met rust!
Wien \'t aansta, mij ontbreekt de lust
Om zooveel menschgetitelde apen,
Zoo\'n aapgelijkend menschenras
Op straat en marktveld aan te gapen,
Als of die klucht iets zeldzaams was!
Weet gij wat een kermis is, mldebrand ? Het is een allerakelig-
ste mislukking van publieke vermakelijkheid; de parodie en de
charge der feestvreugde; het ideaal eener opwinding over niets;
het tegendeel van al wat welluidt, welstaat en welvoegt. Weet gij
wat een kermis is, hildebeajtd? Het is de bacchantendienst der
nieuwere tijden, de vergoding der uitzinnigheid. Het is één enkel
groot marionettenspel, waarin wij ons vervelen en onze kleeren
vuil maken. Gelooi mij: de apen uit Indië, de kemelen van den
ernstigen Arabier, die men er op rondleidt, staan verbaasd van
onze Hollandsche razernij, waarbij zich gierigheid en armoede
beide vergeten, het verstand ijlt, de zedigheid haar leven waagt,
de koelbloedigheid kookt, en de dwaaste lach zich met de vernuf-
tigste tronie verdraagt. Wij voor ons hebben altijd, voor zoo veel
ons mogelijk was, den besmetten dampkring der kermissen geme-
den en geschuwd; wij hebben ons geld en ons gezond verstand
altijd te lief en altijd te weinig van beiden te vertereu gehad, dan
dat wat het te grabbelen zouden gooien in dien poel van triviale
genoegens. Wij hebben ons altijd verbeeld dat de zakkerollers,
weinig anders bij ons vindende, onze waardigheid stelen zouden,
<-n de horoscooptrekkers ons „quant-a-moi" ontsluieren; dat de
«
-ocr page 117-
!)!)
goochelaars ons een deel „goüts populaires" in den zak zouden
moffelen; terwijl wij misschien den mantel van onzen ernst in den
vauxhal hangen lieten, en ons vernuft voor een koordedanser-
spel werd geronseld."
Wat dat laatste betreft, mijn edele augustijn! loopt gij groot ge-
vaar; althans indien gij voortgaat in dezen stijl te schrijven. Waar-
lijk, daar is iets zeer acrobatisch in! Het wipperige van het koord
en het opgeschikte van den danser spreken er uit. En dan al die
sprongen op eene breedte niet dikker dan mijn rotting! Waarlijk gij
zijt geschikter voor de kermis dan gij denkt, en ik zou lust hebben
er u rond te leiden en aan alle vroolijke feestvierders te laten kijken
als „mijn dierbaren vriend auuustijn, lang één el, zeven palm, oud
26 jaren , een volmaakten kwast, maar van het schuwe soort. Dit zon-
derling dier verbeeldt zich nergens pleizier in te scheppen, waar
een ander zich mede vermaakt; verstaat latijn en grieksch; leest
alle mogelijke boeken; vindt ze geen van allen mooi; eet verschrik-
kelijk veel, maar wil \'t niet weten; is goedig van aard, maar ont-
zettend kwaadaardig wanneer men het wil amuseeren; is reeds
zevenmaal van aard veranderd; zal nog zevenmaal veranderen".
Inderdaad, mijn waarde! gij moet het leven eenvoudig nemen;\'t
zou u beter staan en het leven zou u beter bevallen. Daar hebt gij
nu de Rotterdamsche kermis — zij is mogelijk wat al te dol, ik ge-
loof het gaarne. — „Hoe?" —durft gij mij schrijven, „zal ik zonder
noodzaak plaats nemen in den mallemolen en mij beneden
eekhorens en witte muizen, die wel draaien moeten, verlagen?
Zal ik mij als een razende dweeper den beulen toewerpen en uitroe-
pen: „Ik ben ook een martelaar?" Hoor eens hier, mijn verheven
briefschrijver; zie mij eens goed in de oogen! Best! En laat ik u uu
zeggen, dat gij er niets van meent. Wat hebt gij uitgevoerd, kwast!
in die acht dagen, dat de Rotterdamsche kermis geduurd heeft ? Iin-
mers niets dat de moeite waard is. Boeken gelezen, brieven ge-
schreven, en om de kermis gelachen. Gij moest eens weten hoede
kermis om u zou gelachen hebben, indien zij \'t geweten had. — (iij
hebt twee mooie, lieve nichtjes; vroolijke, prettige meisjes, rechte
spring-iu-\'t-velden. De Rotterdamsche meisjes zijn vroolijk. Met
deze hadt gij langs de kramen moeten wandelen; voor deze aller-
lei lieve kleinigheden moeten koopen. (Snuisterijen uit lava zijn te-
genwoordig het meest aan de orde. Die hadt gij niet leelijk moeten
vinden, omdat zij , ik, en een ander ze mooi vinden. Misschien vin-
den wij ze toekomende jaar geen aanzien waard. Daar zijn we niet
minder om, vriend! Dan is er weer wat anders, dat ons "bevalt; de
zaak vereischt zooveel ernst niet, en \'t behoort tot de genoegens
van ons leven, daar dan weer blij mee te zijn.
Op het fatsoenlijk uur, als de fraaie wereld bijeenkomt, hadt gij
uw nichtjes rond moeten leiden, en er u volstrekt niet aan moeten
ergeren als ze wat veel menschen aanspraken en gij wat al te dik-
-ocr page 118-
100
wij Is hoordet welke kraam de mooiste was. En dan had er leven en
belangstelling in uw gezicht moeten zijn. Gij zijt er niet te groot
voor, augustijn! Niemand is te groot om zich met kleinigheden en
kleinen te vermaken. Kijkspellen wil ik niet zoo zeer aanraden, of
het moeten zulke zijn, waar men u op een grove wijze bij den
neus heeft; zoowat boerenbedrog, weet ge, is wel aardig voor ie-
mand die veel boeken gelezen heeft. Over de beestenspellen kent
gij mijn gevoelen. Maar in \'t geen ik daar wel eens tegen gezegd heb
is ook vrij wat overdrevenheid, mijn vriend! en als men het letter-
lijk op wilde nemen of... Maar letterknechten zijn wij niet, zoo>
min als letterhelden; — daar hoort nog meer grieksch bij , augustijn r
dan gij verstaat. Wij mogen ook wel eens doorslaan, dunkt mij,
als het thema goed gemeend en diep gevoeld is, en als dan de eene
gedachte de andere uitlokt en wij worden er warm bij , of vrooiijk!
— Op die rekening wil ik dan ook een goed deel uwer philippica
tegen de kermisvreugde schrijven. Men moet edelmoedig zijn en
scherts als scherts verstaan. Niets is zoo kinderachtig, zoo onaar-
dig en zoo inhumaan als geestig te willen zijn door de ontleding van
eens anders grappen. Dat behoort wel wat te veel tot de onaangena-
me genoegens van onze dagen; maar ik wil er mij niet aan bezon-
digen, en daarom heb ik niets tegen uw „bacchantendienst", en uwe
„vergoding van uitzinnigheid" en uwen „besmetten dampkring",,
maar alleen heb ik dit tegen u, dat gij laag op de kermis neerziet.
Vreugde is een aardig ding, mijn goede vriend! niet alleen om te
smaken, maar ook om te zien. Jongens, gij moest eens een hoere-
kermis bijwonen! Des namiddags, het heele dorp en de nabijgelegen
gehuchten op de been. Honderd boerewagens, honderd roodwangige
boeren met zilveren haken in de broek en gouden knoopen aan de
das, die een dikke kuit tegen den disselboom uitstrekken; en de boe-
rinnetjes netjes uitgestreken in lichtgroen en donkerrood, met
wapperende linten aan de stroohoeden, met al het goud dat zij heb-
b;n aan \'t hoofd, en de onderom van het jak vooral niet lager dan de
s :houderblaren. Dan wordt er uitgespannen en men zit neder aan
de lange smalle tafels op schragen van de kleine herberg „Het Dor-
stige Hart" of „de Laatste Stuiver"; of men drentelt langs de kleine
kraampjes; of men schaart zich rondom de kleine loterijen van be-
schilderde karaffen en kelken, houten naaldekokers, en stalen vorken.
En dan moet ge de dikke proppen van kleine jongens zien, met wit
haar en witte tanden, bezig met „koek te smakken", en hun winst
i n broekzak, buiszak, en tot in de pet wegstoppende; of de kleine
boeremeisjes, gegroept om een kruiwagen met gouden ringen van
een cent het stuk, allen met een kraakamandel tusschen de tanden
en kruidnoten in de hand. Dat \'s nog maar een begin.
Maar \'s avonds als de frissche dochters; neen! de glundere moe-
ders óók nog wel; voor de „fiedel" staan, met boeren en knechten.
en voor vier duiten een deuntje dansen,
-ocr page 119-
101
„Kan je dan geen schotse drie?
„Kan je dan niet dansen?"
en zoenen moeten, als de lustige speelman in den hoek, achter de
kam strijkt! ....
Daar moet ge eens heen, augustijn ! dat is veel aardige r dan blasé
of philosoof te zijn, en daar zult gij zien, hoe men zich te meer ver-
maakt , naarmate men eenvoudiger van hart en zin is. Maar gij moet
er niet komen met een gezicht als een commissaris van politie, die
kijken komt of alles goeden ordelijk toegaat; ook niet met dat mede-
lijdend lachje, waarmee sommige menschen zich portretteeren laten
en waar gij eigenlijk in den grond te goed voor zijt; ook al niet met
een gelaat van berekende lievigheid, alsof het den aanwezigen een
froote eer moet zijn dat gij eens komt kijken. Geloof mij , ook de
oer bemerkt en gevoelt als bij ingeving wat daar beleedigends in is,
en het maakt u nooit tot wat hij een gemeen (gemeenzaam) mensch
noemt. Neen, gij moet er komen met een fermen , bollen lach om den
mond, alsof gij zoozoo mee zoudt willen doen. Ik voorspel u dat gij
er meer neiging toe gevoelen zult dan gij zult willen weten. Blijd-
schap is aanstekelijk, maar men moet er vatbaarheid voor hebben, en
men moet bijv. niet op een Hollandsche boerekermis komen met
een Sehnsucht „naar Italië\'s dreven", waar de hemel altijd blauw
enz. is, en ook al niet met waanwijze opmerkingen, als bijv. „wat een
heel ander figuur is een Hollandsche boer toch dan een van ]STorman-
dye, Bretagne, of uit het Piéinonteesche !" waarbij gij immers niet aan
Normandye of Bretagne of Piémont denkt, maar alleen aan de Colins
en Lubins van den Vaudeville, met hunne sneeuwitte overhem-
den, roode bretels, schuinsche hoedjes met kostbaar lint, fijne
handen, geblankette gezichten, en teedere sentimenten. De poëzie,
augustijn, is overal; maar die welke men opmerkt in de werkelijk-
heid, is beter dan de aangeworvene of aangewaaide. Vele menschen
toetsen hetgeen zij vinden aan hetgeen zij lazen, in plaats van het-
geen zij lazen aan hetgeen zij vinden. Ongevoelig en van lieverlede
zijn zij volgeraakt van indrukken uit boeken en vertooningen, waar-
van zich hun ziel een geheel gevormd heeft, dat zij zweren zouden
dat hun ondervinding was. In \'t geheel niet; het maakt juist dat zij
nooit ondervinding krijgen, nooit zullen zoeken, en dus ook nooit
zullen vinden; dat zij nooit zichzelven, nooit hun tijd, nooit de
menschen doorschouwen zullen, en van alles slechts een negatief
begrip hebben: „het is dit niet, het is dat niet;" even als zoo menig
recensent, die den titel van een boek leest en zegt: „het zal, het
kan, het moet dit of dat wezen", — liever dan te vragen: „wat is
het?" „Het is mijn mooi niet", zegt iemand, en draait zich af van
mooi guubtjb. Maar lief lusje dan? „Ook niet." Maar blonde
babtje , maar geertje , maar duifje ? maar het geheele alphabet ? —
„Geen van allen." Mag ik weten wat mijnheers mooi is? Mijnheers
mooi is een onbepaald, een zwervend, een schemerend ideaal, saam-
-ocr page 120-
102
esteld uit twintig diverse Engelsche staalgravures en vijftigsteen-
rukken van grevedon, met en benevens vijftig beschrijvingen
van mooie actrices en maitresses, uit feuilletons en mémoires. Nu
was het toch beter en genoeglijker, het Hollandsche mooi in het
Hollandsche gelaat te zien, en het Hollandsche genoegen in den
Hollandschen lach, en den Hollandschen aard in het Hollandsche
hart, en de Hollandsche poëzie in de Hollandsche vormen, daden,
en toestanden, — beter dan al die knorrigheden en verdrietighe-
den en gemaaktheden, waarmee men heel wat figuur schijnt te
maken, maar groot gebrek aan waren wijsgeerigen of dichterlijken
zin betoont.
Zoo is het vooral met het smaken der genoegens, \'t Zou toch wel
raar wezen, augustijn! dat dingen , die voor jaar en dag voor genoe-
gens in de wieg gelegd zijn en sinds jaar en dag voor genoegens
aangenomen, geheel en al hun bestemming zouden misloopen, en de
volkomen ongeschiktheid hebben om menschen met goede gewetens
vroolijk en gelukkig te maken. „Anderen wel" —zegt ge •—„maar
mij niet!" En waarom niet? Omdat de schuld aan u ligt, zou ik den-
ken. — Dat is het geluk der kinderen, dat ze niet onderzoeken of
beproeven, of er ook een verdrietige kant is aan hetgeen hun voor
genoegen wordt aangerekend, of het de moeite waard is in hun schik
te zijn. Een vlieger oplaten — pleizier hebben; een zak vol knikkers
— pleizier hebben; uit rijden gaan , een dag vacantie, een avond op-
blijven — pleizier hebben! ziedaar hun logica .A Is men ouder wordt
is net: kan , moet, zal, wil, durf, denk ik , door dit of veeleer door dat,
geheel of gedeeltelijk, of te kort of te lang, of waarachtig of schijn-
baar, genoegen, ware vreugde, genot, of slechts tijdpasseer ing te
hebben ; óf is alles maar zelfbedrog? Dat moet niet wezen. Dat is goed
als men oud en af is. Maar wie geeft u en uws gelijken het recht alles
dooreen te warren en over jongelingsgenoegens met een mannen-
hoofd te redeneeren, alsof niet ieder wijs man den jongeling zijne
genoegens benijdde! Daar wordt dan de arme twintigjarige — ik
weet het best, lieve vriend! — plotseling „te groot voor de aarde" T
die hij niet kent, te verfijnd van gevoel voor genoegens, welker
grofheid hij slechts onderstelt; dan giet hij den frisschen beker ledig,
die hem zou verkwikt hebben; dan leeft hij een aangetrokken
dichterlijk leven: maakt misschien slechte, zinledige woorden-
schermutselingen op rijm, waarin komt van: „\'t stofte verachten,
op adelaarspennen, der zon in \'t aangezicht", en van allerlei visi-
oenen, die een goed dichter nooit gezien heeft; en intusschen slaapt
de waarachtige poëzie, die binnen in hem is, den gedwongen dood-
slaap in. — A uuustijn , waak er tegen! — en neem dit briefje als een
klein kerinisgeschenk aan. Uw liefhebbende
1838.                                                                                                    HILDEBRANÜ.
-ocr page 121-
EEN OUDE KENNIS.
Hoe warm het was, en hoe ver.
Het was een brandendheete vrijdagachtermiddag in zekere Hol-
landsche stad; zoo heet en zoo brandend, dat de mosschen op het
dak gaapten, \'t welk, op gezag der Hollandsche manier van spreken,
de grootste hitte is, die men zich voor kan stellen. De zon scheen
vinnig in de straten en glinsterde op de van droogte poeierig gewor-
den keien. In die straten, die tegen het zuiden liepen en dus geen
schaduwkant hadden, bracht zij de voorbijgangers letterlijk tot wan-
hoop. De kerels, die met kroosjes en wijnperen rondwandelden, veeg-
den alle oogenblikken hunne voorhoofden met hunne linnen voor-
schoten af; de sjouwermannen, die anders gewoon zijn in hvdrosta-
tische verstrooidheid hunne leden over de leuningen der bruggen
te doen hangen, een houding waaraan zij hier en daar den veree-
renden naam van baliekluivers te danken hebben, lagen aan den
oeverkant voorover op hunne ellebogen uitgestrekt, met een pot
karnemelk in plaats van jenever; de metselaren op karwei, aan den
voet van een steiger op een balk neergezeten, met hunne ellebogen
op de knieën en hunne twee handen om een spoelkom geklemd, blie-
zen wel eens zoolang over hunne thee als gewoonlijk, en dus zeer
opmerkelijk en verwonderlijk lang; de dienstmeiden, die boodschap-
pen deden, konden de kinderen, die meegegaan waren op hope van
een pruim of een vijg bij den kruidenier toe te krijgen, nauwelijks
over de .straat voortsleepen, en uitten in \'t voorbijgaan een diep en.
innig medelijden jegens de werkmeiden die de „straat deden" met
geblakerde gezichten en onder de kin losgemaakte mutsen. Nie-
mand was bedaard, dan hier of daar een enkel grijsaard, die met
blauwe slaapmuts op en zwarte muilen aan, met de beenen op zijn
stoepbankjen uitgestrekt, een pijp zat te rooken, in gezelschap van
een violier en een balsamine, zich verheugende in den „ouërwet-
schen dag weer".
Bij eene dergelijke weersgesteldheid heeft men waarlijk te weinig
medelijden met dikke menschen. Waar is het, dat zij u dikwijls warm.
-ocr page 122-
104
en benauwd maken, als ge u door bedaardheid en kalmte nogal
schikken kunt in de hitte, door bij u te komen blazen en puffen en
een onweerstaanbare aanvechting te doen blijken om hun das los te
maken, terwijl zij u met uitpuilende oogen aankijken; maar ook —
de schepsels hebben het kwaad. Dikke mannen en dikke vrouwen
van dit wereldrond! hetzij gij in de laatste jaren uwe knieëu en
voeten nog hebt kunnen zien, of dat gelukkig punt van zelfbe-
schouwing reeds lang hebt moeten opgeven! wie ter wereld met uw
embonpoint, uw presentie, uw corpulentie spotten moge — in
hildebrands boezem klopt voor u een medelijdend hart.
Onder de gezette personen der nieuwere tijden verdiende, schoon
niet eene eerste, maar toch ook eene plaats, de heer Mr. hendrik
johannes bruis ; een dier bevoorrechten , wien het nooit gebeuren mag
een heel oude kennis te ontmoeten, zonder dat het eerste woord tot
hen is: „Wat ben je dik geworden!" terwijl een iegelijk, die in
veertien dagen het geluk niet gehad heeft hun aangezicht te aan-
schouwen, hun verklaart dat zij „alweer dikker geworden zijn" ; een
dier gelukkigen, die in duizend wenken van hunne bloedverwan-
ten, vrienden, en vooral van hunnen arts, duidelijk bemerken, dat
zij onder de sterke verdenking leven van aan een beroerte te zullen
sterven, en die, met dat al, door hun gestel genoopt worden al datgene
te doen, te eten, en te drinken, wat volstrekt schadelijk is, dik-
ker maakt, opstijging veroorzaakt, en het bloed op alle mogelijke
wijzen aanzet; een dier gelukkigen die, zoo zij het des zomers warm
hebben door zwaarlijvigheid, het winter en zomer warm hebben
door drift, opvliegendheid en agitatie.
De heer Mr. hendrik johannes bruis bewoog zich op bovenbe-
schreven brandendheeten vrijdagachtermiddag, omstreeks klokke
vijf uren, langs een der straten van de stad die ik niet genoemd heb ,
en zulks, de hitte des dags en zijn postuur in aanmerking genomen,
veel te snel. Hij hield in de eene hand zijn hoed, en in de andere
zijn gelen zijden zakdoek en zijn bamboes met ronden ivoren knop,
met welken knop hij zich verscheiden malen in schutterige bewe-
ging tegen \'t hoofd stiet, als hij den zakdoek gebruiken wilde.
Achter hem aan huppelde een kleine straatjongen, die \'s mans
overjas over den arm en zijn valies in de hand droeg, zonder hoed
of pet op \'t hoofd, met een blauw buis met een zwarte-u lap in
den eenen, en een grijzen in den anderen elleboog, en waarvan
de eerste knoop (een zwartbeenen) werd vastgehouden door het
vierde knoopsgat, terwijl de tweede (een geelkoperen), die op de
plaats van den vierde stond, door het zesde werd bedwongen. Hij
was zoo gelukkig in dezen warmen zomertijd geen kousen te dragen ;
als aan den ingang zijner klompen, en nog daarenboven hier en
daar, merkbaar was.
„Nu, waar is het nu, jongen? waar is het nu?" vroeg de heer
Mr. hendrik johannes bruis ongeduldig.
-ocr page 123-
106
„Dat eerste huis met dat platte stoepie," antwoordde de jongen;
„de tweede deur voorbij den spekslager; naast het huis daar die
spiegeltjes uitsteken."
„(roed, goed, goed," zei de heer Mr. h. j. bruis.
De spekslager en de spiegeltjes waren achter den rug, en de dikke
man stond op de stoep van Dr. deluw, zijn academievriend,
dien hij sedert zijn huwelijk niet gezien had; want de heer bruis
woonde in een Overijselsch stadje, waar hij meester in de rechten,
maar geen advocaat, echtgenoot, maar geen vader, lid van den raad
en koopman was. Hij moest nu in Rotterdam wezen, en had een
omweg gemaakt om op dezen heeten achtermiddag zijn vriend Dr.
deluw , diens vrouw, en diens kinderen te zien. Hij trok daarom haas-
tig aan de schel, greep zijn valies, en nam zijn jas over den eigen arm.
„Daar mannetje! maak nou maar dat je wegkomt."
De jongen kwam weg, en wel op een draf; juist niet omdat het
zoo warm, maar omdat hij een jongen was en een aardiger fooitje
had gekregen dan hij verwacht had, waar daarenboven zijn vader niet
van wist. In een oogenblik was hij de lange straat al uit, en stond,
denk ik, hier of daar zich te vergasten aan een komkommer in \'t zuur,
een maatje „klapbessen", of eenige andere straatjongenslekkernij,
waarvoor men fatsoenlijke kinderen nooit vroegtijdig genoeg afkeer
kan inboezemen.
Intusschen ging Dr. deluws deur nog in lang niet open, en zag
zich de heer bruis genoodzaakt nogmaals aan de schel te trekken.
De schel ging deugdelijk over: en gaf blijken van een zeer helklinken-
de specie te zijn; maar de heer bruis merkte geen enkel geluid binnen
de woning van zijn vriend, dat zijn gelui beantwoordde. Na nog
eenige malen zijn voorhoofd afgeveegd en met den stok op de stoep
getipperd te hebben, schelde hij ten derdemale, en begon tevens door
de smalle, van achteren getraliede raampjes, die ter wederzijde in den
Sost van de deur waren, in het voorhuis te turen; maar hij zag niets
an den slinger van een groote groene pendule, een guéridon met een
leitje er op, en een blauwe katoenen parapluie; daarop keek hij
ook over de gordijntjes van de zijkamers, dat evenwel moeilijker was,
daar hij door de franje van de trekgordijnen heen moest zien. Hij
zag in de eene kamer duidelijk een inktkoker met twee lange schrijf-
pennen op tafel staan, en in de andere een mansportret; maar noch de
pendule, noch de guéridon, noch de inktkoker, noch zelfs het
mansportret konden den heer Mr. hendrik johannes bruis de deur
ontsluiten.
De heer bruis was ondertusschen nog warmer dan warm geworden,
waar zijn ongeduld en de jas over den arm niet weinig aan toebrach-
ten. Hij schelde dus voor den vierden keer, en nu zoo luide, dat de
juffrouw naast de deur, die in haar spiegeltje keek en hem al lang
gezien had, „er akelig van werd", haar naaiwerk van haar knie los-
-ocr page 124-
1CX5
speldde (zij moedigde de uitvinding van schroeven, plombs en span-
riemen niet aan), een bovendeur opendeed en aan den heer bruis
verklaarde: „dat er niemand in was".
„De dokter ook niet?"
„Neen, menheer,"
„Mevrouw ook niet?"
„Neen, menheer; ik zeg je ommers dat ze der allemaal op uit
zijn..."
„Waar zijn ze dan naar toe?"
„Dat weet ik niet, menheer! Ze zijn allemaal uit, en de meid is
alleen thuis."
„ Waarom doet dan de meid niet open ?"
„Wel, omdat ze der niet in is, menheer."
„En je zegt, ze is thuis?"
„Ja, maar daarom kan ze der wel niet in zijn," zei de juffrouw,
sloot haar bovendeur, en zulks met te meer haast omdat haar witte
poes zich juist gereed maakte over de onderdito te springen, en
liet den heer bruis alleen, om, indien hij wilde, in stilte te gissen naar
het verschil der termen „thuis" en „der in". Hij zou, indien hij er
geduld toe had gehad, begrepen hebben dat „thuis te zijn" een plicht
was, der meid door de familie deluw opgelegd, waarvan „der in"
te zijn, naar haar eigene uitlegging, slechts een klein gedeelte
uitmaakte.
Om dit op te helderen, kwam er eene stem uit een schoenlap-
perspothuis aan den overkant.
„Ze bennen in de toin," riep de stem, „en de maid is om een
bo-skap. Daar komt ze al an."
Het woordeken al had in dezen volzin, naar het oordeel van den
heer bruis , gevoeglijk kunnen gemist worden; maar werkelijk zag
hij een niet onaardige meid aankomen, met een grooten sleutel in de
hand en zoo gauw als zij, zonder in den draf te vervallen, gaan
kon; zij kwam de stoep op, schoot ZEd. voorbij , sloot met voorbeel-
delooze gezwindheid de deur open, en stond vóór hem op de
vloermat.
„Wou u meheer gesproken hebben?" vroeg de meid.
„Ja. Mijnheer schijnt niet tehuis te zijn."
„Neen, meheer; meheer, en mevrouw, en de juffrouw, en de
jongeheer en al de kinderen zijn Buiten, en ik ben maar alleen
thuis om op de boodschappen te passen."
Nu, de heer bruis had gelegenheid gehad om zich gedurende een
f root kwartier te verlustigen in de nauwgezetheid, waarmee deze
oktersmeid, die intusschen een langdurig gesprek gevoerd had
met de dochter van een fruitvrouw, die uit naaien ging en voor
een opgeschoven raam zat, zich van dezen haren plicht kweet.
Hij had evenwel te veel haast om verwijten te doen.
„Waar is Buiten?" vroeg hij: „is het ver? waar is het?"
-ocr page 125-
107
„In de Meester-Jorislaan," antwoordde de meid
„In de Meester-Morislaan," — zei bruis met de alleruiterste ver»
achting. „Wat weet ik van de Meester-Morislaan?"
Daar was, naar het gevoelen der meid, meer aanmatiging in de
houding en den toon van den heer bruis dan aan haar knap gezicht
behoorde te beurt te vallen. Zij was dus billijk geraakt.
„Ik kan \'t niet helpen dat u \'t niet weet!" zei de meid droog weg,
en maakte eene beweging met het slot, alsof de heer bruis nu wel
heen had kunnen gaan.
De heer bruis veranderde van toon.
„Hoor reis, meisje! ik kom hier per diligence expres om den
dokter en de familie te zien. Als \'t nu niet te ver is, wil ik wel naar
Buiten wandelen. Kanje \'t me niet beduiden?"
Hij keek smachtend de straat door; of er ook nog een jongen was,
die hem derwaarts brengen kon; maar niemand deed zich op.
De meid verwaardigde zich intusschen de vereischte inlichting
te geven, en de heer Mr. h. j. bruis trok naar het Buiten van Dr.
DELUW.
Toen hij een huis of wat verder was, bemerkte hij pas, dat hij
zijn jas nog over den arm en zijn valies nog in de hand droeg.
Hij kwam dus terug, schelde nog eens aan , om een en ander aan
de meid te bewaren te geven; maar grietje was waarschijnlijk
alweer bij haar vriendin, en de heer bruis zag zich genoodzaakt, op
dien brandendheeten vrijdagachtermiddag, zijn overjas en valies
zelf te torsen, met het stellig voornemen om, zoo hij ooit zoo ver
komen mocht van Dr. deluw te zien, zich bij hem over zijn meid
te beklagen.
Tot \'s mans geluk was de stad, die ik nog altijd niet genoemd heb,
niet groot, en de heer bruis merkte spoedig genoeg de poort die hij
uitmoest, ofschoon het bestijgen en niet minder het afdalen van
twee aanmerkelijk hooge bruggen hem vrij wat geknauwd had. Aan
de poort gekomen had hij den gelukkigen inval zijn jas en valies aan
de zorg van een commies toe te vertrouwen; hij trad daartoe het
commiezenhuisje binnen, maar er was niemand in; daar hij even-
wel een persoon met een grijze jas bemerkte, die aan den overkant
van den singel stond te hengelen en er vrij commiesachtig uitzag,
legde hij zijn goed maar neer, en zich daarop tot den visscher wen-
dende, die inderdaad een commies was, liet hij zich meteen van
dezen nog eens omtrent de ligging van de „Meester-Morislaan" on-
derrichten. Ik zou hem onrecht doen, indien ik zeide dat de heer
bruis de onderrichtingen van grietje vergeten had, vermits hij er in
zijn drift weinig naar had geluisterd. Hij moest „eerst een eindweg
den singel op, dan een laan in, dan rechtsomslaan, totdat hij aan
zoo\'n wit paaltje kwam: dan weer links-, en dan weer rechtsom,
en dan was hij in de Meester-Jorislaan".
„En het Buiten van Dr. deluw?"
-ocr page 126-
108
„Daar heb ik nooit van gehoord," zei de commies, „maar er
eijn veel tuinen in. Hoe hiet het?"
„Veldzicht."
„Veldzicht," zei de commies, die verlangde van den heer bruis
af te komen, daar hij aan zijn dobber meende te merken dat hij
beet kreeg; „neen, menheer; dat is mij onbekend."
De heer bruis wandelde op. De singel bracht hem een weinig tot
zichzelven, want er stonden aan weerszijden hooge boomen; maar
die zaligheid was spoedig uit, vermits de stad, in een oogenblik
van geldverlegenheid, voor een illuminatie op \'s konings verjaardag een
groote partij boomen had doen vallen, in wier plaats zich nu, op
naam van jong plantsoen, eenige dunne twijgjes vertoonden, om het
andere verschroeid. Hij was dus weder doodaf, toen hij, tusschen
twee zwarte schuttingen in, eene smalle laan zag, die hij meende
te moeten ingaan. Het was eenzaam in die laan. Niets dan schut-
tingen, waar boomen boven uitstaken; niets dan tuindeuren met op-
schriften en nommers! Een enkele mosch sprong er rond. De heer bruis
wandelde voort met zijn hoed in de eene, en met zijn stok en zakdoek in
de andere hand, gelijk in de straten der stad, maar nu altijd een
weinigje schuinsrechts in zijn houding, vanwege zijn vurige be-
geerte om, naar de aanwijzing van den commies, rechtsom te slaan.
De gelegenheid deed zich echter niet op, en de heer bruis stond
eindelijk vlak voor een vrij breed water en vlak naast een vuilnis-
hoop met vele bloemkoolstruiken, saladebladeren, potscherven,
verlepte ruikers, en doornappels, die, midden in de verrotting
bloeiende, hun bedwelmenden geur in de lucht verspreidden.
Het was blijkbaar dat de heer bruis de verkeerde laan had inge-
slagen, en hoewel de vuilnishoop onaangenaam was, deed toch de
nabijheid van het water hem zooveel genoegen, dat hij besloot daar
een oogenblik uit te rusten alvorens hij terugkeerde. Hij zette zich
tot dat einde zoo dicht mogelijk aan den waterkant neder, en met
zijn zakdoek waaierende, en met zijne rede zijn ongeduld af koe-
lende , slaagde hij er vrijwel in zich een weinigje tot kalmte te brengen.
Rechts en links langs den oever kijkende, bemerkte hij aan zijn
linkerhand op eenigen afstand een vierkanten zeegroenen koepel,
waarin zich eenige menschen bewogen en, hoewel hij ze niet lton
onderscheiden, was het als of \'t hem ingegeven werd, dat dit het
Veldzicht van zijn vriend den dokter wezen moest; en dat het dien
naam dragen kon, bewees het vergezicht aan den overkant
van de vaart; want het was weiland links en rechts, ver en wijd,
tot aan den blauwen horizont; niets dan groen en geel en zonnig
weiland!
De heer bruis nam den wandelstaf weder op, ging de laan terug,
en was weder op den singel. Weldra deed zich een andere laan aan
hem voor, die hij echter goedvond, eer hij ze intrad, eens af te
gluren. Hij zag dan ook dat er spoedig gelegenheid zou zijn rechts-
-ocr page 127-
109
om te slaan, en dit gedaan hebbende was hij ook al heel gauw bij
het witte paaltje. Toen ging hij links en toen weer rechts, en hij
was naar alle gedachten in de „Meester-Morislaan".
Voor een tuindeur, die aanstond, zat een klein kind met een
zwart jurkje aan, een zwart mutsje met een zwart kantje er om op,
en een zwart gezichtje voor, zich vermakende met een pompoen en
verscheidene aardappelschillen.
„Is dit de Meester-Morislaan, lief kind!" vroeg de heer bruis.
Het kind knikte van Ja.
„Waar is hier ergens Veldzicht?"
Het kind zei niets.
De heer bruis werd moeilijk, niet zoo zeer op het kind, maar op
de verborgenheid van Veldzicht.
„Weetje \'t niet?" vroeg hij, een toon of drie te hard.
Het kind liet den pompoen en de aardappelschillen vallen, stond
op, begon te huilen, en liep den tuin in.
De heer bruis zuchtte. De „Meester-Morislaan" scheen zeer lang
te zijn, en de tuindeuren waren menigvuldig. Hij las allerlei namen.
Namen van ophef en grootspraak, als : Schoonoord, Welgelegen,
Bloemhof, Vreugderijk; namen van tevredenheid en berusting, als:
Mijn genoegen, Weltevreden, Buitenrust; naïeve namen, als: Nooit
Gedacht, Klein maar Hein, Hierna beter, maar ook een aantal
feographische, als: Nabij, Bijstad, Zuiderhof; en optische als
aartzicht, Weizicht, Landzicht, Veezicht, Veelzicht, — dit laatste
geleek in de verte al heel veel op Veldzicht, maar het was toch
Veldzicht niet.
Eindelijk waren er twee deuren, daar niets op te lezen stond dan
Q 4 N° 33 en Q 4 N" 34. Een van die beide deuren kon Veldzicht
zijn! De heer bruis, hoe driftig ook en ongeduldig, was bescheiden.
Hij ging dus N° 33 voorbij, om niet het eerste het beste voor Veld»
zicht aan te zien, en klopte aan N" 34.
Na een poosje wachtens, werd hem opengedaan door een zeer
lange, statige, prentachtige dame, met een rouwjapon aan, een wit
kemelshaar loshangend doekje op haar schouder, een zwarten hoed,
dien zij voor de zon zeer voorover op haar neus had gezet, een
groenen bril, een klein bewijs van baard op haar bovenlip, en een
boek in de hand.
„Is hier Veldzicht, mevrouw?" vroeg de heer bruis.
Waarom zag hij niet dat het geen mevrouw was?
„Neen menheer!" antwoordde de juffrouw verschrikt voor een
„vreemden man", misschien wel meenende dat het iemand was, die
haar bestelen wilde: „Dat\'s hier aldernaast", en toe vloog de deur.
De heer bruis klopte aan Q 4 N° 33.
-ocr page 128-
110
Hoe aardig het was.
„Jansje! daar wordt geklopt;" riep een vrouwelijke stem.
„Ik hoor het wel, juffrouw!", riep jansje.
Het was evenwel meer dan waarschijnlijk dat jansje er niets van
gehoord had: nademaal zij allerijselijkst veel plezier had met den
tuinknecht, die haar met water gooide.
Mijnheer bruis had juist lang genoeg bij den vuilnishoop uitge-
rust om een lief plan van verrassing te vormen. Zoodra jansje hem
dus opendeed en hem onderricht had dat dit degelijk Veldzicht was,
en degelijk Dr. deluws tuin (want daarin scheen de stem uit het
pothuis toch maar gelijk gehad te hebben, dat het een Tuin was en
geen Buiten) zeide hij :
„Goed meidlief, wijs me dan den weg maar naar den koepel; ik
ben een oud vriend van mijnheer; ik wou mijnheer maar verrassen."
„Wil ik dan niet eerst gaan zeggen dat meheer er is?" vroeg
JANSJE.
„Vooral niet, kind; ga maar vooruit, wilje?"
De tuin was een lange smalle strook langs de vaart, aan welker
oever de heer bruis eenige oogenblikken te voren een weinig adem
geschept had, zag allerschrikkelijkst groen, en had niet dan zeer
smalle wandelpaadjes, aan weerskanten met aardbeiplanten om-
zoomd. Die er inkwam stond billijk verbaasd dat het mogelijk
feweest was zoo veel appel- en pereboomen, zoo veel aalbes- en
ruisbesstruiken in zoo\'n klein bestek bijeen te dringen, en was
gedurig genoodzaakt te bukken voor de eersten en uit den weg te
gaan voor de laatsten. In één woord, het was wat de steelui met
verrukking een „vruchtbaar lapje" noemen,\'en waar zij onbegrij-
pelij k veel wil van zouden hebben, indien de buitenlui er niet
dichterbij woonden, vroeger opstonden, en eer wisten dan zij , wan-
neer ieder bijzonder ooft geschikt zou wezen om geplukt te worden.
„Warm weertje vandaag, meheer!" zeide jansje, toen men een
eindje voortgewandeld was, en zij meelijden begon te krijgen met
het hijgen en blazen van den gezetten heer achter haar.
„Ja kind, schrikkelijk, schrikkelijk!" zei bruis; „is er niemand
in den tuin?\'
„De familie is op den koepel," was het antwoord, „behalve
juffrouw mientje, die daar zit te lezen."
Jansje en de heer bruis , het slingerende paadje volgende, kwa-
men op dit oogenblik aan den waterkant, en werkelijk zat daar, onder
een klein treurcypresje, op een smal gazonnetje, de oudste dochter
van zijn vriend deluw , op een groene tuinbank, met handschoentjes
aan, een boek in de hand en een hondje aan hare voeten „Buitentje
te spelen", zich ergerende dat er in het laatste uur niemand aan den
-ocr page 129-
111
overkant voorbij was gegaan, en dat er geen menseh in de trekschuit
gezeten had.
Zij liet het hoofd zeer plechtig op de borst vallen, toen de heer
bruis haar groette; maar het hondje vloog op en blafte radeloos te-
gen den amechtigen, die het dolgraag een slag met zijn bamboes
gegeven had; dan, hij durfde niet, omdat het een juftershondje was, en
hij zijn vriend juist niet verrassen wilde door met een moord te be-
ginnen.
De zeegroene koepel deed zich nu weldra op. Hij scheen vrij ruim
te zijn, en had nog een klein bijkamertje, met een schoorsteentje
en een vuurplaat om water op te koken, een tang, en een kastje
daar niets in was; alle deze wonderen begreep bruis reeds op een
afstand. De koepel zelf ging met een trapje op.
„Dankje, meisje!" zei hij tot jansje, toen hij op tien passen van
deu koepel was, en langzaam sloop hij er naar toe. Gelukkig waren
de blinden voor de ramen aan den tuinkant dichtgelaten en was de
deur niet van glas, als anders aan die kijkkasten het geval wel wezen
wil. De heer bruis kon dus zijn plan van verrassing zeer wel uitvoe-
ren. Welk een aandoenlijk genoegen stelde hij er zich van voor! Ge-
heel zijn hartelijk en vriendschappelijk gemoed schoot vol. In geen
zestien jaren had hij zijn goeden „zwarte daan", zooals deluw aan
de academie genoemd werd, gezien; en hoe zou hij hem vinden?
Aan de zijde eener beminnelijke gade, omringd van bloeiende kin-
deren ! Ja, met grijzend haar in plaats van zwart, maar met hetzelfde
hart in den boezem, open voor vriendschap, vreugde en gezelligheid!
In de vreugd, die hem deze gedachte verwekte, bemerkte hij de
luide kreten niet, die uit den koepel opgingen.
Hij sloop de trappen op en opende de deur met den allervriende-
lijksten lach, die ooit op het geblakerde gelaat van een afgemat dik
man gerust heeft.
Welk een tafereel!
Het was een kwade jongen van een jaar of zes, die geweldig
schreeuwde en stampvoette; het was een vader, rood van gramschap,
die was opgestaan, zich aan de tafel vasthield met de eene hand, en
met de andere geweldig dreigde; het was een moeder, wit van angst,
die den jongen tot bedaren zocht te brengen; het was een groote
knaap van dertien jaar met een bleek gezicht en blauwe kringen
onder de oogen, die met de ellebogen op de tafel en een boek vóór
zich, om het tafereel zat te lachen; het was een klein meisje van vijf
jaar, dat zich aan mama\'s japon schreiende vastklemde. Het was Dr.
deluw, zijne beminnelijke gade, en zijn bloeiend kroost.
„Ik wil niet," gilde de jongen, den stoel omschoppende, die het
dichtst bij stond.
„Oogenblikkelijk!" schreeuwde de vader, schor van woede, „of
ik bega een ongeluk!"
-ocr page 130-
112
„Bedaar, deluw!" smeekte de moeder: „hij zal wel gaan."
„Neem me niet kwalijk, mijnheer!" zei de dokter, moeite doende
om zich redelijk in te houden; „die jongen maakt het me lastig. Ik
zal u zoo terstond te woord staan;" en hij pakte den nietwillerhij
den kraag.
„Och gut; scheur zijn goed niet, deluw!" vleide demoeder; „hij
gaat immers al."
„Laat mij maar begaan," zei de dokter, en hij sleepte den snooden
zoon, die, ondanks het gunstig gevoelen door zijne moeder omtrent
zijn gehoorzaamheid geuit, geen voet verzette, den koepel uit, in
het bij vertrek je, waar hij hem in het turf hok opsloot.
„Neem me niet kwalijk, mijnheer," zei mevrouw deluw middeler-
wijl op hare beurt tot den binnengekomene, „ik ben zoo van me
streek; ik ben mezelve niet." En om het te bewijzen viel zij op een
stoel neder.
„Ik geloof dat het best zal wezen als ik eens in de lucht ga," ging
zij voort.
„G-êneer u niet, mevrouw!" zei de uit de koets gevallen academie-
vriend van haar echtgenoot. En zij ging naar buiten; met het snik-
kende kind nog altijd hangende aan haar japon.
De jonge heer deluw , met de bleeke wangen en de blauwe krin-
fen, bleef alleen met den heer bruis , en keek hem met onbeschaamde
likken aan.
„Ik zal die burenplagers wel krijgen," zei Dr. deluw weer bin-
nenkomende, daar hij het noodig achtte voor den vreemdeling de
misdaad te noemen van zijn zoon, opdat deze hem niet voor een on-
rechtvaardig en hardvochtig vader houden zou. „Mag ik vragen?" ...
„Buikje!" riep de goedhartige dikkerd, met een gullen lach op
zijn purperen wangen.
Nu, het woord buikje, diminutief van buik, is een zeer bekend
woord; althans voor een geneesheer. Echter kwam het dezen ge-
neesheer , uit den mond van een vreemdeling, in dit oogenblik vrij
ongepast voor. Daarom zette de heer Dr. deluw groote oogen op.
„Buikje!" herhaalde de heer Mr. bruis.
De heer Dr. deluw dacht dat hij een krankzinnige voor zich zag,
en daar hij pas zeer boos was geweest, stond hij op het punt om het
andermaal te worden, vermits het toch in ééne moeite door kon
gaan, en hij het waarlijk anders zeer zeldzaam en niet dan met
veel moeite werd.
„Wat belieft u, mijnheer?"
„Wel, hebje dan niet met Buikje gegeten?"
De heer Dr. deluw herinnerde zich geen ander eten dan met zijn
mond. Hij trok de schouders op.
„Hij is zeker in dien tijd nog vrij wat gezetter geworden, Zwarte
Daan!" zei de dikke man opstaande van den stoel, waarop hij
gezeten was.
-ocr page 131-
113
„Bbuis!" riep eensklaps Dr. daniel deluw uit. „Dat\'s waar ook,
ik heette Zwarte Daan, en jij heette Buikje; ik zou je niet gekend
hebben, man! Wat benje veranderd! Wamen gegeten. Welzeker, wei-
zeker. In de Pleizierige Sauskom." Maar den toon van vroegere
gemeeuzaamheid even spoedig latende varen: „Wat mag ik u aanbie-
den, heer bbuis?"
De uitdrukking „heer bruis" was ongetwijfeld een iniddending;
tusschen kortweg „bbuis" als vroeger, en „mijnheer" als nooit.
„Waar is me vrouw, weet u dat ook?" vroeg de dokter.
„Ze is een weinig van haar streek," zei bbuis, „en daarom isze-
eens in de lucht gegaan."
„Willem , ga mama opzoeken!" zei Dr. deluw.
Willem stond vadsig op, rekte zich uit, ging aan de deur van.
den koepel staan, en schreeuwde zoo luid hij kon: „Mama!"
Daarop ging willem weer zitten, en keek over zijn boek heen.
„Ik wil er uit," gilde de jongen in het turf hok, en trapte tegen de
deur.
„Wat zal ik je zeggen," zei Dr. deluw, „die knapen tergen je
geduld wat! — U heeft geen kinderen, meen ik."
„Geen een," zei de dikke man, die intusschen van dorst ver-
smachtte; „tot mijn spijt," voegde hij er met een zucht bij , ofschoon
het tafereel, dat hij voor oogen had gehad, die spijt juist niet had
verzwaard.
Mama kwam binnen.
„Dit is mijnheer bbuis, liefste!" zei de dokter, „van wien ik u
zoo dikwijls gesproken heb."
Maar mevrouws gelaat drukte uit, dat zij er zich niets van herin-
nerde. Mevrouw deluw nu was eene zeer preutsche dame.
„Zal ik mijnheer een kop thee presenteeren!" sprak zij; en naar
een kastje gaande, dat van droogte nooit sloot, haalde zij er een.
gebloemden kop en schotel uit te voorschijn.
De heer bbuis had alles willen geven voor een glas bier of een glas
wijn en water. Maar het was hem opgelegd, zoo moe en verhit als
hij was, in een brandendheeten koepel thee te drinken. — Ook brengt\'
het vrouwelijk stelsel van een zalig behelpen niet mee dat men in een
„tuin" van alles krijgen kan; en ook is het eigenaardig dat er in een
theetuin niets anders is dan thee.
De heer bbuis zette alzoo zijn heete lippen aan een heeter kop thee.
„Mag ik u om nog een weinig melk verzoeken?"
Dr. deluw merkte wel dat zijn academievriend liever iets kouds
had gehad, en maakte duizend ontschuldigingen over de slechte
ontvangst in een koepel, waar men alleen maar van tijd tot tijd heen-
ging om de kinderen genoegen te doen. „Jammer dat hier geen
kelder is," voegde hij er bij.
„Der is een turfhok!" schreeuwde de stoute jongen uit al zija
macht, uit de plaatszelve die hij noemde.
8
-ocr page 132-
114
„Die ondeugd," zei de moeder met een klein lachje.
„Heeft mijnheer nog meer relatiën te — ?" vroeg mevrouw deluw
aan den heer bruis , de stad noemende, die ik nog niet genoemd heb.
„Verschoon mij, mevrouw," zei de heer bruis , ik ken er niemand
dan mijnheer uw man; — schoon onze kennis al wat verjaard is,"
voegde hij er zuchtend bij.
„Dat gaat zoo," zei mevrouw deluw; „nog een kopje thee?"
„Dank u, dank u!"
Mevrouw deluw stond op, neeg, en verklaarde „dat mijnheer haar
wel een oogenblik zou willen excuseeren"; waarop zij vertrok. Het
vijfjarig kind huilde niet meer, maar hing toch nog steeds aan haar
japon en toog mede.
Toen zijn vrouw vertrokken was, kwam het vriendenhart van
dokter deluw weer boven. Gaarne z\'ou hij zich met zijn ouden mak-
ker nog eens hebben verdiept in oude dingen, in de genoegens van
Leiden, in herinneringen van de Pleizierige Sauskom, in wat niet
al? Hij vond het evenwel beter, daartoe zijn gluiperigen dertien-
jarige te verwijderen.
„Ik kan niet begrijpen, willem! waarom je niet reis wat gaat
hengelen."
„Hengelen!" zei de gluiperd, zijn tong uitstekende, „\'t is ook wat
lekkers!"
„Of wat schommelen met je zuster."
„Ajakkes, schommelen!"
„De jonge heer schijnt van lezen te houden," zei de heer bruis.
„Ja somtijds, als \'t reis niemendal te pas komt," antwoordde
Dr. deluw.
Gluiperige willem werd boos, loerde naar den heer bruis, sloeg
zijn boek met alle macht dicht, stiet het over de tafel dat het een heel
eind voortschoof, tot groot levensgevaar van het leege theekopje van
den bezoeker, schopte zijn stoel om, welke handelwijze een spe-
cialiteit der jongere deluws scheen te zijn, pruttelde iets tusschen
zijn leelijke tanden, achter zijne dikke lippen, en vertrok, hevig met
de deur smijtende.
„Och, die humeuren!" zei de gelukkige echtgenoot en vader.
Óndertusschen was nu de baan schoon voor het hernieuwen der
vriendschap. De heeren staken ieder een sigaar op en begonnen
over Leiden te spreken; en het zou juist genoegelijk geworden zijn,
toen jansje, die altijddoor met den tuinknecht had gestoeid, rood
als een koraal binnenkwam, om te zeggen dat „daar een knecht was
van mevrouw van alpijn, of dokter asjeblieft reis oogenblikkeMjk
daar wou komen, want dat mevrouw zoo naar was".
„Zeg dat ik aanstonds kom," zei Dr. deluw tot de dienstmeid, .
en daarop tot zijn vriend: „Ik denk niet dat het veel te beduiden
zal hebben, \'t Is miserabel in ons vak, dat de mensehen je om
alle wissewasjes laten halen."
-ocr page 133-
115
Deze phrase nu, is een doktersphrase, die ik meermalen gehoord
heb, zonder te begrijpen, waarom een geneesheer reden heeft om het
den menschen kwalijk te nemen dat zij hem niet uitsluitend in doo-
delijke gevallen ontbieden. Moest het niet veeleer de patiënt zijn,
die zich beklaagde dat zijn arts hem voor alle wissewasjes een visite
aanschreef?
Hoe het zij , Dr. deluw maakte zich gereed om naar dit wissewasje
van mevrouw van ai.pijx te gaan zien.
„Het zal wel. anderhalf uur aauloopen eer ik terug kan zijn,"
zei hij, op zijn horloge kijkende; „vind ik u dan nog hier?"
„Ik weet net niet," zei jsruis, die stellig plan gehad had dien
nacht in de ongenoemde stad bij zijn vriend te logeeren; „ik wou
zien dat ik van avond nog verderop kwam."
„Kom, kom," zei de dokter, „ik kom u hier afhalen, eu gij
soupeert met ons in de stad?"
„Ik weet niet," antwoordde meuis, die gaarne gezien had dat
mevrouw bij deze uitnoodiging tegenwoordig geweest ware.
„Enfin!" zei de dokter: „wij zullen zien; ik zal u nu bij mijn
vrouw brengen."
Hoe voortreffelijk zij was.
Mevrouw deluw was niet ver af, bezig met jansje te beknorren
over het leven dat zij maakte; „zij wist ook niet," zei ze met een
oog op den tuinknecht, „waarom er altijd wat aan dien tuin gedaan
moest worden, als de familie er iu was."
Deluw droeg zijn vriend aan zijne vrouw op, en wilde vertrekken.
„Nog eeu woordje!" zei mevrouw deluw.
„Wat, liefste?" zei de dokter.
„Zou daar niets aan te doen zijn?"
„Waaraan?"
„Aan die jongens."
„Welke jongens? willem en . . . ."
„Och neen! aan die jongens daar iu \'t veld."
„Wat wou je dan hebben dat er aan gedaan werd?"
„Dat het ze verboden werd," zei mevrouw de dokterin.
„Maar lieve, daar hebben we immers \'t recht niet toe;" zei de
dokter.
„Nu, ik vind het dau al heel indecent, en vooral voor mientje,
die daar altijd onder den cypres zit; zou je niet . . . ."
De dokter hoorde niet, maar was al weg.
Dit staaltje van echtelijke samenspraak betrof een vijftal knapen
van acht of negen jaar, die zich op een kwartier afstands van
-ocr page 134-
116
Veldzicht in het weiland bevonden, en het op dien brandendheeten
achtermiddag veel i\'risscher vonden in het water van den tocht
dan in hunne kleederen.
„Uw oudste dochter," zei bruis, toen hij met mevrouw deluw
alleen was, „schijnt veel van de eenzaamheid te houden."
„O ja, mijnheer! ik beleef heel veel pleizier aan dat meisje. Ze is
altijd met een of ander boek in de weer; ik verzeker u dat zü haar
Fransch nog beter verstaat dan ik; zij leest Engelsch, en Hoog-
duitsch ook."
„Kom aan," zei de heer bruis; „dat \'s pleizierig. Ja, hier in
Holland zijn zulke heerlijke gelegenheden voor dat alles."
Mevrouw deluw meende dat deze opmerking de verdiensten
van haar welp verkleinde.
„Het scheelt veel, mijnheer!" antwoordde zij, „hoe men van die
gelegenheden profiteert; en mijn dochter studeert veel, studeert
eigenlijk altijd. Haar grootste genoegen is studeereu; en ze houdt
zich ook niet op met al die dingen, waar een meisje van haar
jaren anders gewoonlijk pleizier in heeft."
De heer bruis hield niet van zulk soort van meisjes.
„Hoe oud is uw dochter?"\'vroeg hij.
„Zestien jaren," zei mevrouw deluw, haar hoofd oprichtende
met moederlijke majesteit.
„Elos ipse;" prevelde de heer bruis.
„En zoo als ik zeg," ging inevrouw deluw voort; „Engelsch,
Fransch en Duitsch. Ik geloof dat ze nu weer met een Engelsch
boek is uitgegaan. Heeft u haar niet gezien?"
„Ik heb een dame gezien die onder een boom zat te lezen," zei
de heer bruis, die anders niet gewoon was een meisje van zestien
jaar eene dame te noemen; maar hij dacht: Engelsch, Fransch en.
Duitsch, en altijd lezen!
„Och, dat is haar lievelingsplekje," zei mevrouw deluw; „wij
zullen haar eens gaan opzoeken. Het is er koel, en wij kunnen
er uitrusten."
Zij naderden het lievelingsplekje; de dochter stond op, en neeg
nogmaals voor den heer bruis.
Mevrouw deluw ging naast haar dochter op de tuinbank zit-
ten; de heer bruis vond er een stoel.
„Wij komen hier wat bij je zitten, mina. Wat lees je daar
weer, "kind ? vast weer Engelsch ?"
„Och neen, mama! \'t is maar zoo\'n boek; ik wist zoo gauw niet
wat ik mee zou nemen; ik zag dit liggen. Is jantje weer zoet?"
Er was iets zeer schichtigs en onrustigs in het gelaat van mientje.
Het was, om de waarheid te zeggen, geen heel mooi meisje: ook
al bleek, en met iets heel leelijks in de oogen, die altijd ter zijde
uit keken ; daarbij had zij als t ware zenuwachtige trekken in haar
gezicht, die den heer bruis niet aanstonden.
-ocr page 135-
117
Mevrouw dei/uw drong er niet op aan om het boek te zien. Voor
zoover de heer bruis merken kon, had het een zeer sterke gelijkenis
op zeker werkje, getiteld „Amours et Amourettes de Napoléon",
waaruit zonder twijfel veel stichtelijks is te leeren voor een meisje
van zestien jaar.
Eenige oogenblikken zat het drietal daar neder, terwijl mevrouw
deluw enkel het woord voerde tegen haar dochter, om gezegden uit
te lokken, die hare groote voortreffelijkheid aan den dag konden
brengen; en dan schudde zij weder eens het hoofd over de badende
kleine jongens, een kwartier uurs verre in het land.
„O!" zei mina, en haar vingers trilden zenuwachtig over haar
boek, dat zij eigenlijk aan stuk zat te maken: „O! het is naar, dat het
hier zoo onvrij is."
Op dat oogenblik werd haar naam met eene half ingehouden stem
uitgeroepen.
„Je wordt geroepen, kind!" zij mevrouw dei/uw.
„Neen, mama," zei mina, en scheurde den omslag bijna van het
boek af.
De heer bruis sloeg met zijn stok boterbloemen en kransjes van
\'t gras.
„Mina!" riep de stem op denzelfden toon; „waarom kom je nou
niet? Den ouwe is naar de stad; en jansje zegt dat mamalief op den
koepel zit met een vreemden snoes."
Mamalief zag dochterlief aan. De vreemde snoes deed alsof hij
het niet merkte en, dicht aan de vaart getreden, scheen hij al zijn op-
merkzaamheid te wijden aan een voorbijvarende trekschuit, welke
hij dolgraag „volk mee" had toegeroepen, had hij zijn valies en jas
maar gehad.
Mevrouw deluws oogen schoten vonken uit; zij kneep mina in den
arm. „ Wat beteekent dat ?" fluisterde zij; maar zij wdde ten over-
staan van den vreemde geen „scène maken".
„Hoor reis," vervolgde de stem, „geen kuren! Ik weet heel wel dat
je daar zit, maar ik durf daar niet komen; hier staat je stoeltje nog
van laatst, en hier kan niemand me zien." Hij zweeg een oogenblik.
„Maar wat kan \'t me ook schelen, als den ouwe maar uit is!"
Pof; daar sprong iemand van de schutting van N°. 32 ; de booinen
ritselden; en op het lievelingsplekje der voortreffelijke verscheen
een opgeschoten knaap van de jaren om op een conrectorschool te
gaan, met een blauwe pet en een rond buis en met een zeer dom,
ondeugend en brutaal gezicht.
„Dat\'s iets anders!" zei de opgeschoten knaap, zooras hij mama
BBLUW en den heer bruis bemerkte.
„Jongeheer!" zei mevrouw deluw, bevende van woede.
„Is Willem hier niet P" vroeg de opgeschoten knaap, imperturbabel.
„Neen, jongeheer!" antwoordde mevrouw deluw, „en al was hij
hier, willem mag niet omgaan met een jong mensch, die me dochter
-ocr page 136-
118
toe durft spreken, op een manier, die . . . die . . . die is, zoo-alsu
gedaan heelt....."
„Dat \'s iets anders," zei de opgeschoten knaap, „maar ik kan\'t
niet helpen dat uw dochter me naloopt. Haar stoeltje staat bij de
schutting; niet waar, mien?"
„Je bent een gemeene jongen," zei mien, op haar lippen bijtende;
„ik heb je nooit gekend, ik wil je niet kennen."
„Dat \'s iets anders!" antwoordde hij .alweer, want dat gezegde
was waarschijnlijk in die dagen op de conrectorschool onder de be-
schaafde vertalers van livius en viegimus aan de orde, — en zich om-
draaiende: „Compliment aan den dokter!"
Hij maakte zich gereed fluitende het tooneel te verlaten.
Op dit oogenblik kwam willem , „die met zulk soort van knapen
niet om mocht gaan", op.
„Ha!" zei de opgeschoten knaap; „daar heb je dat lieve jongetje,
dat driemaal in de week den bink steekt. Dat \'s iets anders. Wil-
lempje? hoe smaken de versche eiertjes uit het kippehok van den
melkboer?"
En „willemp.ie" bij de hand trekkende, lachte de opgeschoten
knaap recht smakelijk.
„Het zal mijn tijd worden, mevrouw!" zei de heer bbuis, zich
houdende alsof hij niets gehoord had en uit een diep gepeins
ontwaakte.
„Groet uw man nog wel hartelijk, maar het wordt wat laat. Dank
uw vriendelijke receptie! Je dienaar, juffrouw deluw; dag, jonge
heeren!"
En eer mevrouw deluw , die natuurlijk „allerijselijkst confuus"
was, iets zeggen kon, had de heer bbuis het lievelingsplekje reeds
verlaten.
Hij haastte zich door de smalle kronkelpaden zijn weg te zoeken.
„Buikje!" klonk het met een sarrigen lach uit een der omhoepelde
appelboomen.
De heer bbuis voelde al zijn bloed naar \'t hoofd stijgen; want het
was de stem van den zesjarigen knaap, die zooras zijn vader de
hielen gelicht had, natuurlijk was losgebroken.
De heer bbuis draaide zich naar alle kanten om, ten einde den
kwajongen te vinden , maar hij zag hem niet. Echter kon hij niet na-
laten ecne beweging met zijn bamboes te maken, alsof hij hem een
duchtigen slag toediende.
Hij kwam aan de deur; maar, onbekend met de geheimen van het
slot, duurde het vrij wat, eer hij er in slaagde die open te krijgen,
waarin hem natuurlijk zijn haast en schutterigheid tegenwerkten;
terwijl de jongen in den appelboom, met allerlei verandering van\'
stem, zijn academischen alias bleef herhalen.
„Goddank!" zei de heer bbuis uit grond van zijn hart, toen hij de
Meester-Jorislaan uit was, met het vaste voornemen om zich naar
-ocr page 137-
11»
het eerste logement het beste in de stad, die ik nooit noemen zal, te
spoeden. Hij was juist nog niet veel hoeier geworden.
„En nu uw vriend, Br. delüw!" vroeg mevrouw bruis, toen
haar goedhartige echtgenoot, acht dagen daarna, aan hare zijde van
de vermoeienissen der reis zat uit te rusten, zich verkwikkende aan
een groot glas rijnschen wijn met bruisend fachingerwater en
suiker.
„Ben je daar prettig ontvangen? Was hij niet opgetogen u t,e
zien? Heeft hij een lieve vrouw en mooie kinderen?"
„Mijn vriend Dr. deluw , wijflief! heeft een heelen mooien
theetuin, een vrouw, twee zonen en twee dochters, waar hij veel
pleizier aan beleeft, vooral aan de oudste dochter."
Toen roerde hij nog eens in zijn groot glas wijn, fachingerr-
water en suiker, en dronk het in ééne teug uit.
-ocr page 138-
VERRE VRIENDEN.
Het is eene onbeschrijfelijke gewaarwording en een geheel eigen-
aoortig genoegen, een vriend uit verre landen, na langdurige schei-
ding, weder te zien. Ik heb het eens in vollen nadruk gesmaakt,
(geheel onverwacht trad er mij een onder de oogen, dien ik voor
toen ruim vijf jaar met vele tranen had vaarwel gezegd, en van wien
ik sedert maar weinig had vernomen. Het was antoine—van Con-
stantinopel. Een eerwaardige afstand, van hier tot den Bosporus,
lezer! en die ik hoop dat u met eerbied voor ons beiden vervullen
zal: me dunkt althans dat het mij zeer belangrijk maakt, zoo ver van
huis een vriend te hebben; en toch, ik zag liever al mijne vrienden
binnen de grenzen van dit goede Holland.
Om de waarheid te zeggen, het behoort onder de domme streken
mijner jeugd, dat ik zoo dikwijls met vreemdelingen in vriendschap
ben vervallen; gelijk ik het dan ook, door ondervinding wijs, ieder-
een die een gevoelig hart in de borst heeft, stellig afraad; want!
vroeger of later, slaat hun uur, en zij vertrekken, de een vóór, de
ander na, naar de vier hoeken des winds, zonder iets achter te laten
dan een treurend herdenken, en een albumblaadje. Ik heb vrienden
in Engeland, vrienden aan de Kaap , vrienden in Turkije, te Batavia,
in Demerarv, in Suriname! Met enkele, de dierbaarste, houd
ik een geregelde briefwisseling; maar wat zijn brieven op zulk een
•verren afstand? Zij kunnen ons de betrekkingen en toestanden,
waarin onze vrienden verkeeren, niet duidelijk maken! Van andere
heb ik, na het eerste bericht van behouden thuiskomst, niets meer
vernomen. De meesten zal ik nooit wederzien; zij zijn, ongestorven ,
dood voor mij. Vele weten niet eens dat ik somtijds en met innige
liefde aan hen denk en ik zou wenschen, dat hildebrand wereld-
beroemd ware, en dit zijn boek overal verspreid en gelezen, opdat
zij dit ten minste weten mochten!
Xeen! ik had het nooit moeten doen. Welke goede jongens zij ook
waren, hoe verlokkend hun omgang, hoe belangrijk hun verkeer,
hoe innemend hun manieren, hoe met mijn smaak overeenkomstig
hun smaak ook zijn mochten, ik had hen op een afstand moeten
houden; ik had mijn hart beter moeten bewaken; ik had, zood^a ik
een enkel zaadje van vriendschap voelde kiemen, het moeten onder-
drukken en tegen mijn gevoel te velde trekken, zoo als een
verstandige molenaarsdochter doen zou, wauneer zij bemerkte dat
zij bij ongeluk op een prins of een bisschop verliefd geraakte. Ik zou dan
-ocr page 139-
121
ettelij ke keeren minder met den mond vol tanden hebben gestaan,
waar ik zoo gaarne duizend lieve en hartelijke woorden had gespro-
ken: want afscheidnemen is een moeielijk ding! Ik zou dan zoo
dikwijls niet mal hebben staan kijken als er een stoomboot afvoer,
of een wagen wegreed; ik zou niet zooveel nachten hebben wakker
gelegen met angst luisterende naar den storm, en gedenkende aan
de vrienden die op zee waren;
Die met zoo weinig hoats op zooveel waters drijven.
Voor wie de stormen, die hun razen over \'t hoofd,
In \'t schuimend golfgewoel geduchte teeknen schrijven,
Wier zin gevaar en dood belooft.
Het graf gaapt onder hen en dreigt hen allerwegen,
Hun doodskleed ligt geplooid en ruischt hun in \'tgemoet;
Hun lijkzang klinkt hun oor in iedre windvlaag tegen —
O Heere zij vergaan! tenzij gij hen behoedt!
Ik zou niet zoo dikwijls op eenzame wandelingen hebbeu stil ge-
staan bij plekjes, waar ik gewoon was iemand bij mij te zien , die nu
verre, verre weg is en daar nooit meer zal komen. Die gedachte
werpt een nevel over hunne schoonheid.
Ondertusschen kan ik mijn geheugen niet genoeg prijzen voor de
diensten, die het mij ten opzichte van mijne verre vrienden bewijst.
Niet alleen roept het hunne namen en beeltenissen beurtelings met
eene getrouwe nauwgezetheid voor mijn geest terug, maar ook
brengt het duizend zeer uitvoerige tooneeltjes op het doek der
camera obscura des terugdenkens. Vooral het uur des afscheids staat
van ieder hunner in alle bijzonderheden mij voor den geest; de
traan, de uitgestrekte hand. de bevende lip, de gedwongen lach, de
laatste woorden, de wuivende zakdoek in de verte, het omgaan van
den laatsten hoek, en het geheel verdwijnen! Dat alles voel ik nog;
en dan zie ik weer rondom mij al de onverschillige gezichten, die
niets met dat afscheid te maken hadden, schoon zij het bijwoonden;
en dan voel ik weder de gewaarwording van eenen dierbaren vaar-
wel gezegd te hebben en na te staren, en terug te keeren tot de
bedrijvige wereld, de drukte op straat, de drukte in huis en het „wat
kan \'t me schelen ?" gezicht van eene maatschappij, waarin ieder-
een zijn eigen vrienden heeft, en zijn eigen weg gaat. Waarde B —!
die nu aan Afrika\'s zuidelijken hoek den pols van drieörlei rassen
voelt en die, naar ik hoor, reeds de bruiloft gevierd hebt van de
dochter uwer vrouw — (want gij hadt een zeer jonge weduwe
getrouwd met drie lieve kinderen, en bij u te land trouwen de meis-
jes op haar veertiende jaar) — nog staat mij het geheele tooneel voor
oogen van uw afscheid uit Leiden, toen gij voor vier jaren in de
maand Juni met den Colombo uit zoudt zeilen.
Plet was zes uur in den morgen, toen het groote rijtuig voor moest
komen, dat u naar "Rotterdam zou brengen.
-ocr page 140-
122
Nog zie ik uwe bovenkamers in die zonderlinge verwarring,
onafscheidelijk van het vertrek van iemand die met zijn geheel e
huishouden en al zijn meubelen optrekt. Den vloer overdekt met
koffers, sluitmanden, valiezen. Hier de minne, het kleine, lieve, en
pas ontwaakte wimp.te aankleedende, die, verwonderd zoo vroeg
gestoord te zijn, met de bruine oogjes, nog strak van den slaap, zat
rond te turen; daar uwe vrouw voor den spiegel haar mooi haar in
orde brengende; en ginds uzelv\', op de knieën voor een klein zak-
toilet, dat op een koffer stond, uw baard scherende: den kleinen jan
(wat zal hij al groot geworden zijn!) geheel gekleed en veel te vroeg
klaar, met een blikken sabel en papieren patroontasch om, en een
houten geweertjo in den arm (een kind doet alles spelende) tot de
groote reis gereed. Mimi en jansje, (het is immers jansje , die ge-
trouwd is?) uw kleinen loiiis zoet houdende; onzen vriend E. (hij is
reeds ter ziele, de goede jongen!) nog altijd slovende, zwoegende en
sjouwende, om het laatst gebruikte goed te helpen inpakken; en uw
trouwsten vriend bram, half door zijne gewone vrooilijkheid verla-
ten, gereed om u tot Kotterdam te geleiden. Nog zie ik al die kasten
open; en op de planken hier en daar eenige voorwerpen van te
weinig waarde om meegenomen te worden: een koffiekan, een
gekramden kop en schotel, een oude pop, een halfversleten schaapje
op drie pooten; ginds een paar pantoffels; wat verder een gesp; op
een andere plaats een gescheurde trommel van jan ; aan een kapstok,
een ouden pantalon van u; en in een hoekjen een masker, dat gij te
Berlijn op de maskerade gedragen hadt, en dat bbam meenam in\'t
rijtuig om de kinderen vroolijk te houden. Al het gedraag met man-
tels, hoeden en jassen. — Het verwarde, bezige en drukke van dit
vertrek verstrooide onze aandoening; maar toen gij allen op het
rijtuig zat, en achter den voerman, die niet eens begreep dat gij naar
de Kaap gingt, en wegreedt met die lieve vrouw en die lieve
kinderen — toen schoot het gemoed mij vol. Ik stond nog lang in
gedachten, nadat de wagen reeds uit het gezicht verdwenen was,
en toen ik de oogen weer rondom mij sloeg, nam ik het zeer kwalijk
dat de metselaars met een korte pijp in \'t hoofd naar hun werk
gingen, en de melkboeren met groote koelbloedigheid overal aan-
schelden, en de karren begonnen te rij den! maar vooral, vooral! dat
het kermis was en dat er kramen stonden. — Waarom komt ook gij
niet eens terug, zooals antoine deed?
De vader van antoine is een Italiaan van geboorte, maar genatu-
raliseerd Hollander, en bekleedt een hoogen rang onder ons ge-
zantschap bij de Porte. Als zoodanig resideert hij sinds een aantal
jaren te Pera. Antoine was als kind. te Marseille gekomen en had
daar zijn eerste onderwijs ontvangen. Als knaap werd hij op een der
kostscholen in mijn vaderstad gedaan, en wij leerden elkaar in
het gelukkige tijdperk van veertien tot zeventien kennen, en
-ocr page 141-
123
droegen elkander wederkeerig een warme en trouwe jongensvriend-
schap toe. De jongensleeftijd is waarlijk zoo kwaad niet voor de
vriendschap, daar het toch welbekend is dat deze het geluk bemint.
Ja, ik zou bijna den jongenstijd den allergeschiktsten voor eene
wederzijdsche genegenheid achten. De latere jongelingschap moge
nog even belaugloos zijn en evenmin afhankelijk van maatschap\'
peliike scheidsmuren van rang, stand, en wat dies meer zij, maar
zij is te rijp; men kent alsdan elkander te veel, te veel van nabij ;
men heeft reeds te veel kijk op den inwendigen mensch! Een jongen
is geheel buitenkant! Men heeft later geleerd zich reden van zijn
genegenheid te geven; te onderzoeken, na te gaan, te verdenken;
ook heeft men zoo vele zedelijke behoeften, en eischt zoo velerlei in
een vriend! Men heeft voorzichtiger lief, verveelt elkander spoe-
diger, verkoelt lichter, beleedigt schielijker. Jongens weten van dat
alles niets. De titel „een goede jongen" geeft recht genoeg op dien
van „goeden vriend", en er wordt geene andere symphatie gevraagd,
dan dat men b. v. allebei graag wandelt, graag vuurwerk afsteekt,
graag baadt, graag wat ouder zou zijn, graag de jongejuff\'rouwen
van een kostschool tegenkomt , en niet graag latijnsche themata
maakt. Het geheele doel der onderlinge genegenheid wordt bereikt,
als men zich onder \'t ongestoord genot eener goede verstandhouding
te zamen vermaakt. En wordt die goede verstandhouding al eens ver-
broken, door eene kleine jaloezie, of een kleine ontrouw, nu! dan
zijn er immers aan weerskanten twee vuisten om te slaan, en twee
voeten om beentje te lichten; en dan is het alles over, en men haalt
elkaar weer af om te zamen schuitje te varen en in stilte een sigaar
te rooken, en toont de vuisten aan iedereen en licht het beentje van
elk, die niet gelooft dat men weer goemaats is. Ziedaar de vriend-
schap van dien leeftijd.
Antoine en ik althans verstonden elkander best, en vooral dan,
wanneer wij bijvoorbeeld beiden op dezelfde jongejuftrouw verliefd
waren, een toestand waarin wij zeer dikwijls te zamen hebben ver-
keerd. Met de meest mogelijke bonhommie wonden wij dan elkander
op met de blijken van genegenheid onzer schoone, en vonden niets
genoeglijker dan tegelijk elkanders mededingers en vertrouwe-
Tingen te wezen. Gij hadt ons moeten zien, lezer! als wij bezig waren
op onze wandelingen beiden denzelfden naam in een boom te snijden
of het skmte plan overlegden om beiden haar een teeder briefje te
schrijven. Ik herinner mij ook zeer goed de bijzonderheid dat wij op
een kermiswandeling onzen horoscoop trokken, en beiden voor onze
toekomstige gade letterlijk hetzelfde portret zagen, ofschoon wij
onder verschillende planeten geboren waren, en het schelletje hem
veertien, en mij slechts elf kinderen voorspelde. In het tafereel, dat
van mijn toekomstig lot werd opgehangen, kwam voor, „dat een
wagen mij een ongeluk zou dreigen, waarvoor ik echter door de
hulp van een goed vriend zou worden behoed", en ik had op dat
-ocr page 142-
124
oogenblik willen zweren dat die goede vriend niemand anders zou
kunnen zijn dan mijn zwartlokkige antoine. En ondertusschen! hoe
ver zijn wij vaneengescheurd! —en hoe weinig mogelijkheid bestaat
er dat, indien ik ooit in ongelegenheid met rijtuigen kom, het zijn
getrouwe arm zijn zal die mij redt. — O, als wij dat eens nagaan,
hoe dikwijls wij het personeel moeten veranderen, dat in onze droo-
men en vergezichten en luchtkasteelen optreedt; hoe vaak wij er van
afzien moeten, het tooneel van onze toekomst te bevolken met dege-
nen die er, in onze mijmeringen, zoo menigmaal en in zulke nauwe
betrekkingen, op hebben gefigureerd, en zonder welke wij ons
bijna geen toekomst denken konden; en hoe, in het tooneelspel van
ons leven, achtereenvolgens de eene rol voor, en de andere na, aan
geheel andere personen wordt opgedragen, dan aan wie wij die
hadden toegedacht: dan zien wij eerst recht, hoe wonderlijk de
lotbus geschud wordt, en hoe vreemd en wisselvallig de raderen der
maatschappij oinloopen, en dat wij, aan onze mijmeringen en voor-
uitzichten toegevende, beuzelden, en met even weinig zekerheid
beuzelden, als toen wij onzen horoscoop lieten lezen, en het schelletje
klinken, en in den kijker naar onze lieve aanstaanden tuurden.
Om tot antoine terug te keeren. Hij was voor den handel be-
stemd, en zooras zijne voorbereidende opvoeding voltooid was,
vertrok hij naar Antwerpen om dien te leeren. Dit was onze eerste
scheiding, maar verzoet door het vooruitzicht dat ik hem somtijds
zien, en dat hij eenmaal Amsterdam tot zijn vast verblijf kiezen zou.
De gebeurtenissen van 1830 dreven hem uit de Scheldestad, en ik
zag hem op een goeden avond aan mijn vaders huis aankomen, na
een overhaaste vlucht uit de bedreigde muren. Hij kwam mij toen
zeer belangwekkend voor; vooral daar hij al zijn goed had achter-
gelaten en een nachthemd van mij te leen vroeg, hetwelk ik zeer
avontuurlijk en romanesk vond. Het viel mij echter tegen dat hij
nergens een dooden kogel of eerlijke wonde had gekregen. Niet lang
duurde het, of hij werd door zijn vader naar Constantinopel op-
ontboden. Met veel tegenzin ging hij derwaarts. Hij was aan Holland
gehecht. Zijn geboorteland kende hij niet! Zijn vader herinnerde hij
zich niet. Zijn moeder was overleden, en in de plaats van deze zou
hij een stiefmoeder vinden, niet veel ouder dan hijzelf. In 1831 ver-
trok hij, en wij namen een droevig afscheid. Ik gaf hem een platte-
grond mijner geboortestad mede, waarop ik met roode stippen alle
plaatsen, op welke hij eenigc betrekking gevoelde, had aangetee-
kend. Hij heeft dit gedenkstuk trouw bewaard. Ik zond hem een
brief te Marseille; en weldra kreeg ik er een van hem uit Stamboul,
die tot mijne overgroote vreugde, met vele gaten doorprikt en door
den azijn gehaald was. Hij was in zevenentwintig dagen van Mar-
seille tot Constantinopel overgekomen. De pest en de cholera waren
een weinig vóór hem gearriveerd; Pera was juist afgebrand, en het
-ocr page 143-
125
huis van zijn vader in de asch gelegd. Hij had zich daarop naar dien»
buitenplaats gespoed. Niemand had hem herkend. Hij had zich bij
zijn eigen vader voor een vriend van diens jongstenzoon uitgegeven,
die hij zelf was, en bracht berichten omtrent hem mee. Hij wist
natuurlijk alles zeer nauwkeurig. Aan tafel zat hij op de plaats der
eere, naast zijne stiefmoeder. Zijne zusters waren schoon, en zijn
vader vond zijn toon met haar kennelijk wat te vrij voor een vreem-
deling. Bij het nagerecht had hij zich met een toost en vele tranen
bekend gemaakt. Van het land hing hij mij geen aanlokkelijk tafereel
op; het was veel te mooi voor de Turken; de Franken waren er
trotsch; de meisjes lui, niet mooier dan ergens anders, onbeschaafd
en van niets sprekende dan van de keuken; van tijd tot tijd aan de
liefde offerende en hare kinderen op straat verlatende. Hij verzuchtte
naar Holland en zijne vrienden. Ik vertroostte hem met een brief,
dien hij nooit ontvangen heeft, en onze correspondentie ging te niet.
Daar stond hij eensklaps vóór mij, na eene afwezigheid van vijf
groote jaren, een geheel ander en toch dezelfde. Hij had Rusland,
Duitschland, Frankrijk, België en Engeland, zoowel als de Levant,
doorreisd en doorkropen, maar hij was toch antoine gebleven; zijn
gelaat en zijn gemoed waren niet veranderd. Van geslacht een
Italiaan, van vaderland een Turk, van moedertaal een Franschman,
van opvoeding een Hollander, van geloof een Catholiek, en van hart
een goede jongen. Doch hoe verrijkt aan inzicht, kennis, wereldbur-
gersehap en ondervindingen! Hij sprak behalve I\'ransch en Hol-
landsch, als vroeger, nu ook de talen van al die landen die hij had
bezocht. Wij voerden \'t gesprek meest in \'t Engelsch, of in \'t Fransen;
want zijn Hollandsch had hij wel goed onthouden, maar hij had
zooveel te zeggen waaraan hij nooit in \'t Hollandsch had gedacht.
Zijn Hollandsch was niet rijker dan\'t woordenboek van iemand van
zeventien jaar. Nu telde hij tweeëntwintig. Hij had aangezeten met
Turksche bassa\'s en het nof gemaakt aan Russische prinsessen;
hij had rozenolie, juweelen, opium en pastilles aan Poolsche joden
verkocht, met Duitsche gravinnen gedanst, met Fransche incroya-
bles gespeeld, en met dikke lords toosten ingesteld; hij had zeeën
doorkruist, iizerbanen overgevlogen, kou en hitte getart, quaran»
taines gehouden, de liefde gekend, de pest ontvlucht, en den dood
onder de oogen gezien; maar daar zat hij in onze nederige tuinkamer,
geheel dezelfde in oogen, hartelijkheid, goedwilligheid, heuschheid
en vriendschap, als toen ik voor vijfjaren in zijn album schreef:
Geen grootspraak op dit blad, geen duurgezworen eeden,
Die overbodig zijn, of ongemeend meestal!
Maar laat mijn naam alleen een plaats er op bekleeden,
Die al mijn vriendschap u gewis herin\'ren zal.
Hij was nauwelijks in Holland aangekomen of hij was naar mijne
woonstad geijld, die hij „het paradijs zijner jeugd" noemde, en
-ocr page 144-
126
nauwelijks in mijne woonstad, of hij bezocht allereerst zijn vriend
HIXDEBBAND. Ik verheugde mij twee dagen in zijn bezit.
Ik weet niet of gij den toestand kent, waarin een dergelijke ont-
uioeting u brengt. In \'t eerst is men in een dwaze houding; men maakt
bijna een mal figuur. Men vliegt elkander met naïve vreugd in
de armen, maar men is schrikkelijk bang om te theatraal te zijn,
en men voldoet zichzelven niet in hartelijkheid. Vrouwen zijn in
zulke oogenblikken natuurlijker en geven zich meer aan haar gevoel
over. Zij schreien aan elkanders hart; het is veel zoo het bij ons tot
een traan komt, die zich nog achter een lach wil verbergen. Ach!
wie wij ook zijn mogen en hoeveel melk er ook in ons bloed moge
wezen, wij zijn allen eenigermate onder den invloed van hen die
hardvochtiger zijn dan wij, en veel minder bang om ongevoelig dan
om belachelijk te schijnen. Zoo trekken wij niet zelden onze warme
gevoelens het koude harnas der krachtbetooning aan, waarin zij be-
ven en bibberen, en verbergen de lieve trekken onzer zachtaardig-
heid achter eeue harde grijns, opdat wij toch vooral leelijker zijn
zouden. Bloodaards! niet te ver met deze huichelarij ! Ook van haar
zal God rekenschap vergen ; ook van het gevoel dat wij verloochend
hebben, van de tranen die wij onderdrukten uit lafhartigheid.
Wat ons betreft, wij waren alleen; ik ken er die ons kinderach-
tig zouden hebben genoemd en toch, toch beviel ik mijzelven niet.
En toen nu de eerste handschuddingen en begroetingen voorbij
waren, daar stonden wij met den neus voor een berg blijdschap,
voor een berg verwondering, elk met een berg mededeelingen achter
ons, en met heele bergreeksen vragen ter rechter-en ter linkerhand;
en door dit alles zoo belemmerd en ingesloten, dat wij geen vin
verroeren konden! \'t Zou voor een koel aanschouwer en toehoorder
bijna belachelijk geweest zijn, op te merken hoe onhandig wij van
weerskanten in dien bonten warhoop van \'t verleden rondtastten,
opdat wij elkander den doorleefden tijd goed voor de oogen stellen
mochten; hoe ongepast wij over en weder de boeken in den wilde
opsloegen, om een denkbeeld van den inhoud te geven; hoe wij
dikwijls de behoefte gevoelden om iets te verhalen of te vragen,
zonder te weten: „wat dan toch eigenlijk?" en welke nietigheden wij
elkander naar \'t hoofd wierpen! Zoo veel is zeker, dat ik duidelijk
eene groote ontevredenheid gevoelde over het weinige dat ik in dat
eerste uur toch eigenlijk de moeite waard achtte om verteld te wor-
den;
een klaar bewijs van de onbeduidendheid der voorvallen van\'t
menschehjk leven, die, als zij voorbij zijn, dikwijls niet veel meer
belangrijkheid voor ons heb"ben dan de kolommen van een oude
courant..
Maar langzamerhand kwam er licht in dien baaierd, en hij
ordende zich van lieverlede. De behoefte om vertellingen te doen,
.ervaringen op te biechten, ondervindingen op te vijzelen, enelkan-
-ocr page 145-
127
der om strijd te verbazen, hield op. Nu volbrachten hart ea geheu-
gen hun verrichtingen geregeld, want de onnatuurlijke toestand van
beiden ontspande zich. En zelden smaakte ik zoeter uren dan die
waarin wij elkander in onzen wederzijdschen levensloop met op-
rechtheid inleidden, en de heerlijke ontdekking deden, dat er na
een groot tijdsverloop en uiteenloopende ondervinding, veel gerij k-
heid van beginselen en gevoelens in onze ziel was blijven bestaan.
En inderdaad, hij moet zich mijner dikwijls herinnerd hebben,
want hem was niets vergeten. Hij wist allerlei kleinigheden, allerlei
bijkomstigheden op te halen, die hij niet zou hebben onthouden
indien hij mij minder had liefgehad. De geheugenis toch van kleine
te zamen gesmaakte genoegens (ja van de groote en meer innige
zelfs) vergaat, verteert, vervliegt in den luchtstroom onzer verstrooi-
ingen, onzer bezigheden, onzer studiën. Het vuur onzer driften
verbrandt ze in ons hart, of het ijs onzer bezadigdheid bevriest ze;
de wereld lost ze op in den rusteloozen vloed van aandoeningen en
ondervindingen die er overheenstroomt, of onze dartelheid, onze
trots, eu datgene in ons, dat wij „er uitgroeien" noemen, vernielt en
verdoet ze moedwillig, tenzij wij ze balsemen met de geurige zalve
onzer liefde!
De volgende dag was voornamelijk aan de vreugde der herinne-
ring gewijd. Wij gingen wandelen. Onze meeste genoegens hadden
wij buiten gesmaakt. De jongensvriendschap is eene veldnimf; ons
had zij aan heldere beekjes, in dichte bosschen, en vooral op de
blanke duinen omgeleid. En deze tooneelen hadden het minst ver-
andering ondergaan. Wel kwamen wij hier en daar waar het niet
was als vroeger, waar wij een aanleg niet herkenden, die verlegd
was , of een brug niet meer vonden, waarop wij hadden zitten hen-
gelen , of een bosch zagen omgehakt, met de namen onzer schoonen
en al, in de stammen, — en het was eene onaangename teleurstelling;
ja ik schaamde mij haast voor mijne landgenooten, die de verande-
\'ring hadden teweeggebracht. En toch wil ik wedden dat mijn vriend
evenmin voldaan zou geweest zijn, indien hij alles volkomen in
dien staat gevonden had, waarin hij het had gelaten. Want ook dan
zou hij het werkelijk anders gevonden hebben dan hij zich had
voorgesteld. Wij menschen denken ons in afwezigheid het achterge-
latene zoo stereotiep niet, en vooral niet als wijzelf zeer bewegelijk
zijn en in onze nabijheid alles zien veranderen, vervallen en ver-
nieuwen. Ook heeft het iets stuitends voor ons gevoel, dat alle
oorden, plaatsen en dingen, als wij er niet meer zijn, volkomen
blijven kunnen zooals zij waren, toen wij ons in hun midden bevon-
den; en het wekt een soort van wel onbillijke, maar toch van
verontwaardiging op, dat zij zich volstrekt niet aan ons aanzijn of
afzijn storen, en veel standvastiger en veel beter gegrond zijn dan
wijzelf! eene verontwaardiging niet ongelijk aan die, welke een min
-ocr page 146-
128
of meer bestoven vriendenkring gevoelt voor een doodnuchteren,
gast.
Zoo er onder mijne verre vrienden zijn mochten, die dit lezen
en niet gelooven, weet ik er niet beter op dan dat zij er zich van
komen overtuigen.
Hoe het in hunne harten is weet ik niet; maar ik dwaal dikwijls
in verbeelding en in werkelijkheid rond en bezoek de plaatsen die
wij te zauien zagen, en herinner mij menig genoegelijk uur, en
menig vertrouwelijk gesprek, en menige vurige betuiging en open-
hartige belijdenis. Ik spreek van hen met dezulken die hen gekend
hebben, en wek bij allen die mij dierbaar zijn den lust op om hen te
kennen; ik doorblader hun geliefkoosde boeken en herlees de blad-
zij den , die wij te zauien lazen; ik zoek hunne namen in mijn dag-
boek, dat menig opgeteekende bijzonderheid behelst, die er
duizend niet opgeteekende voor mijn geest terugroept; ik houd de
kleine souvenirs, die zij mij nalieten, in hooge waarde. Mijn gedachte\'
houdt hen allen bijeen, als in een stevig snoer. Broeders! wij zijn
ver uiteengespat op de wereld; bergen en zeeën scheiden ons en
blijven ons scheiden, en het is slechts een enkele uwer, dien ik een-
maal en met innige vreugd mijner ziel weder mocht zien; voor de
meeste heb ik die zoete hoop opgegeven, leder onzer heeft zijn
eigen loopbaan vóór zich, en zijn eigen dierbaren rondom zich, en
menigen nieuwen vriend, die menigen ouden heeft vervangen, en
boven ons allen, in het oosten en westen, in het zuiden en noor-
den, welft zich dezelfde blauwe hemel, en waakt dezelfde Yoor-
zienigheid! Zij zegene een iegelijk uwer. Gedenkt mijner.
1S38.
-ocr page 147-
OPDRACHT
VRIEND.
NAREDE, EN
EEN
AAN
(EEKSTE UITGAVE.)
Beste vriend,
Toen ik de voorgaande bladen gedrukt zag, begreep ik dat er
nog iets aan ontbrak, alvorens ik ze de wereld in kon zenden. Eerst
had ik gedacht er eene scherpe voorrede vóór te schrijven, zeer ha-
telijk tegen dezen of genen collega-auteur, die mij nooit kwaad had.
gedaan, maar daar ik een hekel aan had of jaloersch van was. Doch
daar ik niemand kon bedenken , die in deze termen viel, moest ik wel
van dit fraaie plan afstappen. Toen meende ik eene geheele slagorde
van onderkraste en tweemaal onderkraste duchtigheden tegen de
heeren recensenten te richten, die ik niet ken, en die mij ... ik had
kunnen zeggen: „zullen verguizen"; het is een plechtig woord en
bij teleurgestelde schrijvers zeer gebruikelijk. Maar het was dui-
zend tegen een, dat men mij verweet die uitvallen te hebben nage-
schreven. Daarop heb ik van alle hatelijkheden afgezien, hetwelk te
beter was, daar ik ze in mijn boek ook niet had toegelaten. En de-
wijl ik plan had dat boek aan u op te dragen, besloot ik eindelijk al.
wat ik er nog over te zeggen had met die toewijding aan u samen te
smelten, en daartoe schrijf ik deze Narede. Iets onaangenaams te
zeggen zou mij nu geheel onmogelijk zijn; want hoe zou het gaan
kunnen in de nabijheid van uwen naam ?
Gij weet hoe en wanneer ik deze opstellen heb bijeengekregen..
Zij zijn bedacht in verloren uren , tusschen de wielen en op het wa-
ter, op wandelingen, en in vervelende gezelschappen. Zij zijn ge-
schreven in oogenblikken, waarin een ander zijn piano opensluit.
of een pijp rookt, of over Don cablospraat. Zij werden in gezellige
uurtjes voorgelezen onder vrienden, alleen onder vrienden. Nu ze-
dan bijeenvergaderd zijn en aan het publiek worden overgegeven,,
hoop vk dat het publieK ze als zoodanig zal beschouwen. Al wie nu.
niet van hildebrand houdt, moet ze maar niet lezen. Gij en de andere*
9
-ocr page 148-
130
academievrienden zullen er hem in hooren praten en vertellen, en
er veel in wedervinden dat hij dikwijls mondeling met hen heeft
behandeld. Zij zijn herwaarts en derwaarts gegaan met hunne re-
spectieve doctorale graden; en dit boek zend ik hun na als eene
gedachtenis aan ons genoegelijk verkeer, en mijn hartelijken
vrieudengroet voeg ik er in gedachte bij.
Wie iiiLDEBRAND is weet iedereen wel; er is somtijds met veel
scherpzinnigheid naar geraden. Ook maak ik er geen geheim van,
noch poog mij te laten doorgaan voor een veertig jaar ouder of een
veertigmaal beter dan ik ben. Het goede publiek nebbe vrede met
den naam; ook is het om \'t even of men jaap heet of iiildebband
Maar de naam van het boekzelf heeft mij veel moeite gekost. Het
was zoo heel moeielijk de verschillende stukken onder één etiquette
te brengen. en de uitgever wilde iets hebben dat niet al te versleten
was. De camera obscura is tegenwoordig zeer op de spraak, en de
aanhaling van anonymus op de eerste bladzijde toont aan met welk
recht ik dit werktuig hier neb durven tepasorengen.
Soms verbeeld ik mij dat deze bundel papiers eenige verdienste
zou kunnen hebben ten opzichte van onze goede moedertaal. Tot nog
toe had zij voor den gemeenzamen stijl niet veel aanlokkelijks. Ik
ben evenwel de eerste niet, die het waagt haar het zondagspak uit
te trekken en wat natuurlijker te doen loopen. Ik hoop dat ik mij
niet te vóél vrijheden zal hebben veroorloofd, en vraag vergiftenis
voor de drukfouten \'.
Ach, ach, ach! die drukfouten zijn een kruis! Op bladzij 12
staat 19 in plaats van 17; op bladzij 13 (onderaan) staat (hoe is het
mogelijk ?) onverschilligst in plaats van onbillijkst. Ik wed dat er nog
honderden in zijn die ik over het hoofd heb gezien! Maar óóne: die
ik niet heb over \'t hoofd gezien, en die mij meer dan alle grieft, staat
op bladzij 160. Ik weet zoo goed als gij, dat van een „schalksche
boerin" te spreken, even dwaas is als te zeggen: „een geksche boe-
rin", en dat „zij lachte schalks" er evenmin doorkan, als „zij
lachte mals"; en daarom had ik de maagd op bladzij 160 ook
„schalk" laten omkijken. Toen kwam de letterzetter, en schudde
•daar het hoofd over, en zette „schalks". Toen kwam ik, en werd
boos op den letterzetter, haalde de S door en schreef er het ge-
wone deleatur bij. Ik kreeg eene rivisie, zag mij gehoorzaamd, en
gaf het verlof tot afdrukken. Toen sloop ik weet niet welke hand
nogmaals in de proef en verkorf het weer. Ik val die hand niet hard.
Zij volgde het voorbeeld van vele, en van bekwame handen. Maar
1 Ik twijfel niet of er zullen menschen gevonden worden , die zich beklagen
dat er geene circumflexen en veel te weinig comma\'s in mij n boek te lezen staan.
Ik had er over gedacht hier ten slotte eene geheele bladzijde met die teekens bij
te voegen om naar willekeur over de bladeren uit te strooien, maar ik vreesde
dat het al te aardig staan zou.
-ocr page 149-
131
ik bedroef mij, liefsche vriend, dat men thans zoo onkundigsc/t in
onze achoonsche moedertaal is geworden, en zoo gewoonacA aan
dien verkeerdLschen uitgang, dien men bij de oudschere schrijvers te
vergeefs zoeken zou.
Ziedaar eene lange historie van ééne enkele drukfout. Op bladzij
101 staat bragt in plaats van bracht. „Dat komt van die aanmatiging
om met bilderdijk te spellen!" Niet voorbarig, mijn waarde! wat
ik u bidden mag. Ik heb eerbied voor iedereen die uit overtuiging
andere spelregelen volgt, gelijk ik eerbied heb voor iedereens be-
kwaamheden en verdiensten, maar het zij hiermede:
— hanc veniam petimusque damusgue rüissim.
(Dees vrijheid vordren wij, gelijk wij ze andren schenken.)1
Maar welke drukfouten en andere fouten het boek ook mogen aau-
\'kleven, en hoe zeer het ook de onbedrevenheid of onbevoegdheid
van hildebraud om iets te doen drukken, of te schrijven, of te spel-
len moge aantoonen : ik weet dat u de toeëigening van dit bundeltje
aangenaam zal zijn. Dat is althans iets, mijn vriend, en zoo het boek
u bevalt, dan durf ik wel hopen dat het anderen bevallen zal. In-
dien het maar een weinig je op u geleek! Het zou dan vol zijn van
geestige, maar vroolijke en goedaardige opmerking, waarbij men
niet aarzelt zichzelven in te sluiten; van dien wel willenden lach,
die niets heeft van een grijns; het zou dan een toon van aangename
fezelligheid hebben, waarbij men zich op zijn gemak gevoelt, en
ie den lezer zou boeien en bezighouden, en naar willekeur stern-
men tot heldere genoegelijkheid en ongemaakte n ernst! Het is maar
een wensch, vriendlief!
Ik heb de opdracht tot het laatst bewaard. Het is wel tegen de
orde; maar het zij zoo. Daar zijn zoovele lezers die een boek met de
laatste bladzij beginnen, dat het bijna op \'t zelfde neerkomt.
October 1839.
(TWEEDE UITGAVE.)
Zoo schreef ik voor zes maanden. Thans nog een enkel woord.
Men heeft mij verweten dat het niet aardig was, den man, aan
«ien ik mijn boek had opgedragen, tot een souftre-douleur van de
drukfouten te maken, maar ik weet wel dat gijzelf daar geen oogen-
blik over hebt gedacht. Zoo heeft men zich ook hier en daar zeer be-
ijverd de origineelen aan te wijzen der personen, die ik heb opgevoerd,
1 [Dat in de sedert gevolgde uitgaven deze drukfouten niet meer voorgekomen
zijn, laat zich denken, en dat ook in deze, gelijk reeds sedert de zevende uit-
gave de spelling van het Woordenboek der Ned. Taal naar vermogen gevolgd
is, heeft de lezer wel opgemerkt.]
-ocr page 150-
132
en heb ik tot mijne groote voldoening bevonden, dat men in iedere
stad, waar ik al of niet verkeerd heb, zes of zeven menschen wist
op te noemen, van welke allen men mij om \'t zeerst opdrong dat zij
het waren die voor dit of dat portret gezeten hadden. Ik dacht waar-
lijk niet dat er zóó vele nurksen en stastokken op dit benedenrond
hunne beminnelijkheden ten toon spreidden, en sta verbaasd over
den gedienstigen ijver, waarmee de vingers naar hen worden uitge-
stoken. Echter kan ik het goede publiek deze kleine genoegens niet
betwisten of kwalijk nemen; maar ik neem de vrijheid het motto van
anonymus in het nog altijd „onuitgegeven boek\' in herinnering te
brengen, en in gemoede te verklaren dat mijn chambre obscure
argeloos geplaatst wordt, dat ik er niet aan wend of keer, en nooit
eenige beweging maken wil, om haar op een onbescheidene wijze
te pointeeren. Dat ik ze nog niet op den Godesberg of teMilanen heb
kunnen plaatsen doet mij , om den wille van hen die het hooge en het
uitheemsche begeeren, bijzonder leed; maar het is mij gebleken dat
de meerderheid ruim zoo tevreden was met mijn kleine, mijn Hol-
landsche tafereelen. Men moet begrijpen, dat wij de vreemden,
dank zij levenden en „afgestorvenen", al zoo op end\' uit kennen,
dat het een heele aardigheid geworden is, voor de afwisseling,
eens op onszelven te letten.
Ik neem deze gelegenheid waar, om mij bij een negenjarig vriend
te verontschuldigen wegens de betichting omtrent „den bonten zak-
doek" op bl. 4. Hij heeft verklaard er nooit in \'t geheel een bij zich
te hebben, en ik ontlast mijn geweten door dit zijn verzet hier aan
te teekenen. Streelend was mij de toejuiching der Hollandsche moe-
ders ten aanzien van de schets harer kinderen, en van Prof. yrolik
ten opzichte van „Een Beestenspel" (ofschoon laatstgenoemd stuk
toch maar het beste niet schijnt te wezen!); streelend vooral uwe
goedkeuring, waarvan het gunstig voorteeken niet is gelogenstraft.
En als gij nu vraagt of ik geen plan heb in dit slag van schrijven
nog eens iets meer te leverenr Ik antwoord dat het, bij zooveel aan-
moediging als ik ondervinden mocht, een vreemd verschijnsel, en
ook waarlijk ondankbaar wezen zou, indien ik het naliet. Verwacht
dus mettertijd „Nieuwe Vertooningen van de Camera Obscura", en
neem ten tweeden male de opdracht van dit boekdeel aan.
April 1840.
-ocr page 151-
AAN
Dr. ABRAHAM SCHOLL VAN EGMOND
ZIJN OUDSTEN ACADEMIEVRIEND
WOEDEN DE VOORGAANDE BLADEREN
IN LIEFDE TOEGEWIJD
DOOR
HILDEBRAND.
-ocr page 152-
-ocr page 153-
DE FAMILIE KEGGE.\'
Eene treurige inleiding.
Wie kent niet die ontzettende ziekte, die men in het dagelij ksch
leven met den gevreesden naam van zenuwzinkingkoorts gewoon is
te bestempelen? Wie heeft onder haar geweld geen dierbaren zien be-
zwijken? Wie heeft haar nimmer bijgewoond, die verschrikkelijke
worsteling der zenuwen en vaten, waar deze zich onderling het
fezag betwisten, totdat de lijder — meestal, helaas! — onder dien
ampstrijd bezwijken moet. Voor mij rijst menige angstige herinne-
ring aan hare verschijnselen op. Ik zie nog die lijders, met die ge-
broken oogen, die zwarte lippen, die droge lederachtige handen, die
vingers in altoosdurende beweging. Zij staan mij voor den geest, zoo
als zij nu eens in een dof en mompelend ijlen als verdiept waren
en in stilte bezig met hunne visioenen, en dan met een kracht, die nie-
mand hun meer zou hebben toegeschreven, zich in hun bed ophieven,
om daarna weder ineen te krimpen als in dierlijken angst. Zij staan
mij voor den geest, ook in hun noodlottig stilliggen , in die treurig
heldere tusschenpoozen, die den dood voorbeduiden. Nog zie ik al
dien droevigen toestel van zuurdeeg om af te trekken, van natte om-
slagen om terug te drijven; dien gewichtigen overgang van afwas-
schende tot prikkelende middelen. Nog ruik ik de kamfer en de
muscus, die de omstanders zoo zeer plegen te verschrikken. Nog
voel ik het zielpijnigend dobberen tusschen hoop en vrees, het ang-
stig ingaan van lederen nacht, het smachten naar het morgenlicht,
en naar den arts. Nog hoor ik de betrekkingen duizendmaal de vraag
herhalen „of dit nu niet de crisis zou zijn geweest?" en hun deer-
niswaardig zelfbedrog, als zij zich met in hun oog goede teekenen
vleien, den dokter een zwaarhoofd achten, zijne uitspraken naar de
inspraak van hunne hoop verplooien, zoo lang, zoo lang .... tot
(eindelijk nog onverwachts!) de harde waarheid bevestigd wordt,
dat de ziekte hopeloos was, dat de dood zich onvermurwbaar had
aangekondigd.
Maar ook, Grode zij dank! er doemen zoete herinneringen van her-
stelling bij mij op; bij mij, die zelf de gevreesde kwaal heb doorge-
worsteld met de veerkracht der jeugdige sterkte, en die anderen r
als uit hare kaken gered, zag opleven tot gezuiverden bloei. Die her-
stelling der gelaatstrekken, dat langzamerhand gezond insluiine-
ren, en dat eerste ontwaken met gevoel van beterschap en rust; dat
lang gewenschte kalm opslaan der oogen; die honger; dat eerste op-
1 Hier volgen de sedert de 3de uitgave (1851) bijgevoegde, maar sedert
de 2de (1840) reeds gereed liggende „Nieuwe Vertooningen." (Zie bl. 132.).
-ocr page 154-
136
zitten; en die kinderlijke dankbaarheid voor het eerste glas wijn dat
werd toegestaan! O! gezond te zijn is een onschatbaar bezit, maar
uit eene ziekte te herstellen is een zalig genot!
In het begin van het derde jaar van mijn verblijf te Leiden, was
«r een jong uiensch, uit Demerary geboortig, in mijne buurt komen
•wonen. Het is de gewoonte onder de studenten, in zulk een geval eik-
ander een bezoek te brengen. De jongeling beviel mij. Hij was van
een openhartig, aantrekkelijk karakter, en van een zacht gevoel.
Vooral dacht hij zeer teeder en aanhankelijk over de betrekkingen
•die hij in zijn geboorteland reeds als knaap verlaten had, en die hij
niet weder zou zien dan na zijne bevordering, waarom hij zich ook
jsoo veel mogelijk met zijne studiën haasten wilde. Om dien trek en
dien ijver was nij mij lief; en hoewel ik, daar onze studiön en onze
tijd van aankomen te veel verschilden, mij niet met hem in een
geregeld verkeer begaf, zoo bezocht ik hem toch een enkele maal,
•en scheen hem dat dubbel aangenaam te zijn, omdat hij met mij
vrijuit spreken durfde over datgeen, wat hem zoo na aan \'t harte
lag en aan de meeste zijner jonge vrienden kinderachtig toescheen,
of te ernstig om tot een onderwerp van gesprek te worden gemaakt.
Bij een dier bezoeken klaagde hij mij sterk over eene zekere ver-
•moeidheid en loomheid in de beenen, die hem sedert eenige dagen
kwelde, en zeer kort daarop vernam ik, dat william kegge, zoo
theette hij, werkelijk ongesteld was. Een ongesteld student ontbreekt
ihet nimmer aan gezelschap; eii er sterft er misschien menigeen aan
te veel oppassing. Ik koos, om hem te gaan zien, een uurtje uit,
"waarin ik noopte hem niet al te zeer omringd te vinden, en vond
hem te bed. Ofschoon het nu uitgemaakt is, dat een studeerend jon-
geliug, als hij toch eenmaal thuis moet blijven, veel vroeger zijn
troost in de veeren zoekt dan eene nijvere huismoeder, zoo was dit
toch erger dan ik mij had voorgesteld. William was echter zeer mon-
ter en opgewekt. Ik "bemerkte dadelijk dat hij koorts had. Twee zijner
intiemsten zaten voor zijn ledikant om hem wat op te beuren, en
raadpleegden hem als scheidsman over een al of niet op te spelen
kaart in een partij hombre, die dien namiddag in „de Pauw" gespeeld
was, waardoor zij hem noodzaakten zich in verbeelding zevenen-
twintig kaarten in allerlei samenvoeging voor te stellen; gewisse-
lijk eene aangename tijdpasseering voor een zieke, maar uit haren
aard toch wel wat vermoeiend. Ik gaf den beiden ziekentroosters een
wenk om dit gesprek liever te staken, en had ze gaarne te zamen
zien vertrekken. Ik ried daarop den patiënt zich stil te houden,
draaide de pit van de lamp wat neer, en liet het opgenomen bed-
gordijn vallen.
Ik verzocht hem een dokter te nemen; maar hij wilde er niet van
hooren; een der vrienden zou bij hem blijven totdat hij sliep, en men
zou den anderen dag afwachten.
-ocr page 155-
137
Den anderen dag had ik reeds vroeg de hospita van mijn buurman
bij mij.
„Het was niemendal goed met meheer! Hij was in\'t midden van
den nacht wakker geworden, had haar thee laten zetten, en was,
wat zij volstrekt niet van haar meheer gewend was, zeer knorrig
geweest; daarbij had hij haar zoo verwilderd aangekeken, dat ze
der tranemontane haast was kwijt geraakt en de schrik haar nog in
de beenen zat. Zij geloofde dat net niet goed was geweest dat me-
heer zoo veul met een open raam zat, want daar waren die men-
schen uit vreemde landen toch maar niet aan gewend", en zoo
vervolgens. Ik kleedde mij en ging hem terstond zien.
Hij had nog koorts, en nu veel heviger; was zeer ontevreden over
zijn bed, zijn slaapkamer, zijn hospita, in één woord, over alles;
hij wilde een groot vuur op de voorkamer hebben aangelegd, en
had daar alle verwachting van. Ik verzocht hem te blijven waar hij
was, en liet oogenblikkelijk een dokter halen.
De dokter kwam en verklaarde de ongesteldheid voor bedenkelijk.
De studeerkamer werd tot een ziekekamer ingericht, de patiënt
met zijn bed derwaarts gebracht, aan zijn voogd geschreven. Deze
kwam na een paar dagen. Het was een oud vrijer, die nooit zieken
had bijgewoond en wien de handen buitengewoon verkeerd ston-
den, klein van verstand en dof van gevoel. Hij liet mij het
bestier in alles over. De hospita was gelukkig eene zeer handige,
bedaarde, knappe, dóórtastende en tegelijk hartelijke vrouw. Zij
deed haar best; de dokter deed zijn best; een paar jongelingen, die
ik, uit de menigte van die volstrekt waken wilden, gekozen had,
deden met mij al het mogelijke; maar het hielp niet. De ziekte nam
een noodlottigen loop; en na drie weken van angst en tobben, droe-
gen wij den armen wiliiam kegge naar het graf.
Eene studeutebegrafenis heeft iets plechtigs. Eene lange sleep
van menschen in den bloei des levens, die in rouwgewaad een lijk
ten grave brengen, ten teeken dat die bloei des levens niet onschend-
baar is voor den dood! Zij weten het wel, maar zij moeten het zien,
om er zich van te doordringen. Het zou echter nog veel plechtiger
zijn, indien allen doordrongen waren of konden wezen van dit ge-
voel; indien allen even zeer belang stelden in den overledene, even
zeer deel namen in zijn dood; ja, indien maar allen, ook de achter-
sten, het memento moei zien konden dat vooruitgedragen wordt.
Ook moesten de nooders van de liefhebberij afzien om met den lan-
gen trein te pronken en hen, die hem uitmaken, te vervelen met eenen
nutteloozen omgang door de stad. Gewoonlijk wordt de baar door de
stadgenooten van den doode gedragen of, indien die niet genoegzaam
in getale zijn, door hen die met den doode uit dezelfde provincie of
uit dezelfde kolonie afkomstig zijn. Voor william had men geen
twaalf landgenooten kunnen vinden. Zijne beste vrienden droegen
hem. Hij had nog zoo kort aan de hoogesehool verkeerd . . . .! Er
-ocr page 156-
138
was misschien onder dezen zelfs niet een enkele, voor wien hij zijn
hart ten volle geopend had. Wellicht was ik, die hem toch zoo wei-
nig had gezien, nog wel zijn vertrouwdste geweest. Althans hij had
in den laatsten nacht van zijn leven, in een oogenblik waarop hij
volkomen bij zijne kennis was, een ring van zijn vinger getrokken,
met een kleinen diamant, en van binnen de letters E. M.
„Bewaar dat" — had hij met flauwe, maar nadrukkelijke stem
gezegd — „het was mij heel dierbaar."
Meer had hij er niet bijgevoegd.
De student voorzitter der rechtsgeleerde faculteit, tot welke wii,-
liam behoord had, hield eene korte toespraak bij het open graf. Toen
wierpen wij , die hem gedragen hadden, er ieder een schop aarde in ,
en de voogd bedankte alle aanwezigen voor de eer den overledene
aangedaan. De trein ging terug naar de gehoorzaal der academie en
scheidde daar. De zwarte rokken werden uitgetrokken , de witte hand-
schoenen hadden afgedaan. Elk keerde weder tot zijne oefeningen,
zijne uitspanningen, zijne levende vrienden. Nog zes weken droeg
deze en gene den smallen rouwstrik om de muts. Maar toen, tegen
kersttijd, de studentenalmanak verscheen, en het verslag gelezen
werd, waarin ook eenige regels aan de nagedachtenis van william
kegge waren gewijd, was er reeds menig academiebroeder, die al
zijn herinneringsvermogen moest bijeenroepen om zich voor te stel-
len hoe „die william keg" er bij zijn leven had uitgezien.
Als de voogd er aan dacht of van sprak om naar de West te schrij-
ven, was hij zoo verlegen met de zaak, dat ik eindelijk op mij nam
den voorbereidenden brief te stellen, waarop dan de zijne met het
doodsbericht en zijne verantwoording omtrent de zaken van den
jongen overledene zoo ras mogelijk volgen zouden. Ik vervulde dien
moeielijken plicht; en eenigen tijd na de afzending der beide tij-
dingen ontving ik van den vader van kegge een brief vol van wel
wat overdreven dankbetuigingen en vriendschapsaanbiedingen in
antwoord.
Twee jaren later kwam de familie kegge zelve in Nederland, en
zette zich (zoo als ik later vernam, schatrijk) in de stad R. neder. Ik
kreeg hier het eerst kennis van, door een kistje havannah-sigaren,
per diligence ontvangen, met een biljet van dezen, vrij zonderlingen
inhoud:
„Een klein > reukoffer van dankbaarheid bij onze komst in het
moederland. Kom te E, en vraag er naar de familie die uit de West
is gekomen, en gij zult hartelijk welkom worden geheeten door
Jan adam kegge."
-ocr page 157-
139
Kennismaking met menschen en dieren.
Eenigen tijd na de ontvangst van dit „reukoffer", hetwelk mijne-
vrienden niet nagelaten hadden van lieverlede voor mij in geur te
doen opgaan, zat ik op een regenachtigen Octobermorgen, waarop
ik juist niet te vroeg was opgestaan, in stil gepeins voor mijn ont-
bijt, toen zich beneden mij een buitengewoon gestommel hooren deed.
„Nog al hooger?" vroeg eene zeer luide stem, die ik niet kende,
„drommels, tante! dat is in de hanebalken. Nakkerloot,\'t is hier suf-
fisant donker, hoor! ik ben een kuiken als ik zien kan!"
Het is niet\' met zulk een vrijmoedige luidruchtigheid dat zich de
kapiteins van vergane schepen met onleesbare brieven in de met hen
gestrande portefeuilles, of de „professeurs" van onbekende lycaea-
die „tijdstroomen" aanbieden. of de doorgevallen kruideniers die uit
hunne verbrande pakhuizen niet anders hebben gered dan een mooie
partij Zeeuwsche chocolade van duizend A\'s, of de goedkoope por-
tretteurs en silhouettemakers die de eer hebben gehad uwen besten
vriend ook af te beelden, of de konstenaars die voor een spotprijs
de geheele koninklijke familie in gips op uwe tafel willen zetten , of
de reizigers met inteekenlijsten op onmisbare boeken, waarvaneen
professor zich heeft afgemaakt door ze een student op den hals te
schuiven; het is, zeg ik, niet met zulk een vrijmoedige luidruch-
tigheid, dat opgemelde heeren , en al wat verder zich op eene listige
wijze bij de studeerende jeugd indringt, om op haar medelijden , on-
ervarenheid, of blooheid te speculeeren, gewoon zijn zich aan te bie-
den ; want indien zij geen Fransch of Duitsch of Luikerwaalsch spre-
ken om uw hospita te overbluften, dan nemen zij de beleefdste,
beschaafdste en tevredenste houding der wereld jegens haar aan;
en wat de trap betreft, zij veinzen niet zelden er ten volle mede
bekend te wezen. Ik was dus op dit punt gerust, endaar ik in eene
stemming verkeerde, die voor afleiding vatbaar was, verheugde ik
mij bij voorraad, een vreemd gezicht te zullen zien.
De deur ging open , en er trad een welgedaan heer binnen , die een
goede veertig jaar oud mocht zijn.\'s Mans gelaat was juist niet hoog^
fatsoenlijk, maar de uitdrukking er van bijzonder vroolijk en jovi-
aal. Zijn verbrande kleur verried de warmer luchtstreek. Hij had le-
vendige grijsblauwe oogen en zeer zwarte bakkebaarden. Zijn haar,
waarin op de kruin een aanzienlijk hiaat begon te komen , was reeds
hier en daar, naar de uitdrukking van ovimrs, met een weinig grijs
doorsprenkeld. Hij droeg een groenen overrok, dien hij oogenblik-
kelijk losknoopte, en vertoonde zich toen in een zwart pak kleede-
ren met een satijn vest, waarover een zware gouden halsketting tot
beteugeling van zijn horloge. In de hand hield hij een fraai bamboes
met barnsteenen knop.
„Kegge!\'- riep hij mij toe, als ik verbaasd opstond om hem te groe-
ten , „Kegge ! De vader van willtam ! Ik ben gekomen om u, het Mu-
-ocr page 158-
140
aeum, en den Burg te zien; en als je dan mee naar mijn huis wilt
gaan, zalje me drommels veel pleizier doen."
Ik was door dit bezoek geheel verrast, en op het hooren van den
naam ontroerd. Ik beken dat ik zelden meer aan den goeden wn>
xiam dacht, maar eene plotselinge herinnering, en dat wel uit den
mond van den beroofden vader, deed mij aan.
Ik betuigde hem mijn genoegen den vader van den overleden
vriend vóór mij te zien.
„Ja," zei de heer kegge, zijn horloge uithalende: „het was jam-
nier van den jongen, hè! \'t Moet een goeie kerel geworden zijn.
\'t Spijt me in mijn ziel". En het gordijntje opschuivende voegde
hij er bij: „Je woont hier duivels hoog, maar \'t is een mooie stand;
dat heet hier de Breestraat, doet het niet?"
„Hier schuins over woonde williaM: daar; waar nu die steiger staat."
„Ei zoo, dan was je na buren! Ja, \'t is jammer, jammer, jammer.
— Sakkerloot, is dat het portret van wai/ter scott? Lees je En-
gelsch ? Mooie taal, niet waar ? Zou ik hier een complete editie van
WALTER scott kunnen krijgen? Maar zij moet wat mooi, watkost-
baar zijn. Ik hou niet van die lorren. Mijn kinderen hebben er al één
half verscheurd." — En al weder op zijn horloge ziende: „Hoe laat
gaat dat Museum open? Ik moet volstrekt naar dat dooiebeesten-spel
toe. Kan ik de Academie óók zieu? Wat hebje al zoo meer?"
Op dien regenachtigen Octoberdag zag men hildebrand met een
vreemdeling door Leidens straten hollen, om eerst de doode beesten
in het Museum van natuurlijke, en daarna de Farao\'s in het Museum
van onbekende historie te gaan aanschouwen; vervolgens een blik
te werpen op de kindertjes (die nooit geleefd hebben") der Anatomie ,
eu daarna op de portretten der doode professoren, die eeuwig leven
zullen, op de Senaatskamer, van scaliger „met den purperen man-
tel" af, tot op borger met den houten mantel toe, waarvan er
echter ettelijke den doodstrek duidelijk hebben gezet. Om een wei-
nig verscheidenheid teweeg te brengen, bezochten wij daarop den
Burg, die zelf een lijk is, vroeger bewoond door de Tiomeinen, ada ,
eu die Rederijkerskamer waarvan „zoo vele genieën" lid waren. Ten
slotte zagen wij ook nog den Sineeschen en Japanneeschen inboedel
bij den heer siebold , en rustten eindelijk uit in de sociëteit Minerva,
toen nog geschraagd door „de dubbele zuil" van dien broederlijken
zin, die sedert roekeloos verbroken is. Wij aten vervolgens aan de open
tafel in „de Zon", en het was aldaar dat de heer kegge de algemeene
verbazing en zelfs de volkomen verontwaardiging van een zeer
lang heer tot zich trok, door de aanzienlijke hoeveelheid cayenne-
peper, die hij uit een opzettelijk daartoe op zak gedragen ivoren
kokertje op zijn spijzen schudde, alsmede door zijne volstrekte
verachting van bloemkool en bordeaux-wijnen, waardoor ik genood-
zaakt werd een flesch port met hem te deelen.
-ocr page 159-
141
Na het diné vertrok ZEd. per diligence; evenwel niet dan na mij
de belofte te hebben afgeperst, dat ik na afloop van mijn ophanden
zijnde candidaatsexamen, zonder fout, een paar weken bijnemzou
komen doorbrengen; als wanneer hij mij eens zou toonen hoe hij
gewoon was menschen te ontvangen, en hoe goed zijn kelder was,
„Als je studeeren wilt," zei hij : „ik heb een mooie portie boe-
ken ; en is er wat nieuws uitgekomen van bulweb of zoo iemand,
breng het voor mijn rekening mee; maar vooral een beste editie!"
Een paar weken daarna kreeg ik een brief ter herinnering aan
deze mijne belofte, begeleid door een onmetelijk grooten pot West-
Indische confituren, bestaande, voor zoo veel ik er van begreep,
uit vele schijven rhabarber en groote stukken hengelriet, inquint-
essence van suiker ingelegd. De heer kegge meldde mij dat „zijne
vrouw en dochter, welke laatste, tusschen twee haakjes gezegd, een
mooie brunette was, van verlangen brandden om mij te zien."
Aan dit verlangen voldeed ik, en weinige dagen daarna zat ik
tegenover de vrouw en de mooie brunette, onder een geweldig ge-
blaf van twee spaansche hazewindjes, ten huize van den heer jax
ADAM KEGGE.
De kamer waarin ik mij bevond, leverde een schouwspel op van
de weelderigste pracht, met de grootste achteloosheid gepaard. Over-
vloed van zwierige meubelen vervulde haar, welke allen het onhui-
selijk aanzien hadden van splinternieuw te zijn. Een breede, veel-
octavige piano-forte stond opengeslagen en lag bevracht met een
aantal boeken, een hoop dooreengeworpen muziek, en een gitaar.
Een gladhouten muziekkastje stond open, en een der spaansche
hazewindjes vermaakte zich een weinig met dat gedeelte van den
inhoud hetwelk niet op de piano zwierf. Een allersierlijkst pronkta-
feltje stond beladen met allerlei aardigheden en mooieheuzelingen,
reukflesschen, hand-vuurschermen, magots, kinkhorens, sigaar-
busjes, en kostbare plaatwerken. Een zilveren pendule met een paar
vazen van hetzelfde metaal rustte op een schoorsteenmantel van ca-
rarisch marmer, en op een trumeau, onder een reusachtigen spiegel
daartegenover, zag men een groep van de schitterendste opgezette
vogels met spitse bekken en lange staarten, die ooit levend of dood
geschitterd hebben. Een marokijnen kleinodiënschrijntje stond er
nalfgeopend naast. In de vier hoeken der kamer prijkten vier zwaar
vergulde standerdkandelaars. Het vloertapijt was uit gloeiend rood
en even gloeiend groen geweven. De neteldoeken gordijnen waren
met oranje en lichtblauwe zijde overplooid. Gelijk bij alle ijdele
menschen, hingen ook in deze huiskamer aan den wand de levens-
groote en zeer behaagzieke portretten van mijnheer en mevrouw:
mijnheer in een almaviva met een sierlijken zwaai gedrapeerd, en
een oogopslag als van een aangeblazen dichter; mevrouw, zeer laag
gekleed, met een dik parelsnoer om den hals, en kanten plooi-
-ocr page 160-
142
sei oui de japon, en schitterende armbanden. Een derde schilderij stel-
de een groep van vier der kinderen voor, waarbij aan de schoone bru-
nette vooral niet was te kort gedaan. De beeltenis van william , die de
oudste geweest was, miste ik met smart; maar het was natuurlijk,
want het stuk was eerst sedert de overkomst der familie in het moeder-
land , geschilderd. Voor de sofa, waarop de schoone dochter van den
huize was gezeten , lag een tijgervel met rood omzoomd; en de arinstoel
van mevrouw was zoo ruim en zoo gemakkelijk, dat zij er als in verzonk.
Toen ik binnentrad, zat mama met het windhondje A zor, dat met
minder muzikale neigingen begaafd scheen dan het windhondje
Mimi, op haar schoot, en lief koosde het, terwijl de dochter haar bor-
duurwerk had neergelegd, om zich met een grooten witten kakatoe
met gele kuif te onderhouden.
Mevrouw kegge was eer groot dan klein van gestalte, aanmerke-
lijk jonger dan haar echtgenoot, aanmerkelijk bruiner dan haar
dochter en, wat zij ook mocht geweest zijn, op dit oogenblik aan-
merkelijk verre van eene schoonheid in de oogen van een Europe-
aan. Haar toilet was, ik moet het bekennen, eenvoudig genoeg, en
ik zou haast zeggen eenigszins slordig; maar waar is het, dat er veel
werd goedgemaakt door een zonnige ferronière op mevrouw kegges
voorhoofd en een zware gouden ketting op mevrouw kegges voor-
maligen boezem; hoezeer ook deze versierselen zich het air gaven
van bij mevrouw kegges tegenwoordige kleedij volstrekt niet te
willen passen. Zij scheen verlegen met mijn bezoek, en had wel het
voorkomen een weinigje verlegen met alles te zijn; ook met de pracht
die haar omringde, en het karakter dat zij had op te houden.
Haar dochter kwam haar te hulp. Een goede uitvinding van som-
inige moeders: dochters te hebben. Zij hief zich, om mij te groeten,
eenigszins plechtig van de sofa op, terwijl de zwarte knecht mij een
stoel gaf, veel dichter bij haar dan bij haar mama, en betuigde haar
genoegen mijnheer iiildebrand te zien. „Papa had er zich zooveel
van voorgesteld mijnheer iiildebrand eens te bezitten. Niet lang
zeker zou hij zich laten wachten; maar eene dringende commissie
had hem uit geroepen".
Inderdaad het was een schoon meisje, die dochter van den heer
kegge. Zij had den fijnen neus en den mond van william , maar veel
schooner oogen dan deze had gehad. Heerlijke, donkere, tintelende
oogen waren het, die tot in de ziel doordrongen. Als zij ze opsloeg,
blonken zij vurig en onversaagd, en toch, als zij ze neersloeg, had-
den zij iets bijzonder zachts en kwijnende. Heur haar hing in menigte
van lange glinsterende krullen, naar engelsche wijze, langs haar
eenigszins bleeke, maar mollige wangen. Ik wist dat zij drie jaar
jonger was dan william , die nu ongeveer twintig jaren zou geteld
"nebben; maar, naar den aard der tropische menschengeslachten,
was zij ten volle ontwikkeld. Een weelderig négligé van wit batist
en kronkelige tule kleedde hare rijzige gestalte, en zij had geen an-
-ocr page 161-
148
deren opschik dan een bloedigen robijn aan haar vinger, die de oogen
trok tot haar kleine zachte handekens.
De schoone brunette hield het gesprek vrij wel gaande, en vulde
de gapingen aan door allervriendelijkst niet den kakatoe te conver-
seeren en hem kleine stukjes beschuit uit hare hand te laten oppikken,
bij welke gelegenheid ik doodsangsten uitstond voor hare schoone
vingeren. Men gevoelt dat ik het begunstigde dier uitermate prees.
„O hij praatte zoo aardig. Zij was nu begonnen hem haar naam te
leeren uitspreken; Coco, hoe heet de vrouw?"
En zij aaide Coco zoo zacht over den kop, dat ik wenschte Coco
te zijn.
De lieve naam kwam echter zoo min van \'s mans hoornachtige
lippen, als ikzelf in staat zou geweest zijn dien voort te brengen.
Na lang vleiens kwam er: „Kopje krauwen".
Dit was klaarblijkelijk eene vergissing, en Coco boette die duur
genoeg. De schoone oogen begonnen te vonkelen, en de lieve hand
gaf den onwilligen met een gouden naaldekoker een gevoeligen
slag op den kop; ten gevolge waarvan de heer Coco, met een sehuins-
links gebogen kruin en kleine pasjes, naar het verwijderdste ge-
deelte van zijn kruk retireerde, en daar in die houding zitten bleef
met een ter bescherming opgeheven poot, ongeveer als een school-
jongen op wien de meester onheildreigend uitschiet.
„Papa leert hem soms zulke woorden uit een aardigheid," zei de
vertoornde schoone; „maar ik vind het zeer onaangenaam."
Mama zag met een zekeren angst naar haar dochter op.
Ik zocht naar een nieuw onderwerp van gesprek, en was juist
van plan de portretten te hulp te roepen, als mijnheer kegge zelf te
huis kwam.
„Onsterfelijke vriend!" riep hij mij toe; als waren wij ons geheele
leven door de teederste banden van vriendschap, waarvan ooit in
een album gesproken is, „verknocht, verstrengeld" en, als het
rijm medebrengt, „verengeld" geweest: „Onsterfelijke vriend! daar
doe je wel aan. Kom aan, dat\'s goed. Nog niets gebruikt ? Wat wil
je hebben? Madera, tenerirte, malaga, constantia? witte port?
vruchtenwijn? Lieve kind, laat onmiddellijk de likeuren komen.
Hoe zit jij daar zoo te druilen, Lorre?"
„Hij heeft knorren gehad, papa," antwoordde de dochter, „omdat
hij andere woorden spreekt dan die ik hem geleerd heb."
„Allemaal gekheid! Hoe meer woorden hoe beter! Poes, poes!
kopje krauwen! gekskap! .."
„Papa, ik had het waarlijk liever niet."
„Nu, nu, habriot my dear! Ik zal \'t niet weer doen. — Maar wat
zegje van onzen gast, mijnheer iiildebrand ? En wat zegt mijnheer
HILDEBHAND van mijn dochter? . . ."
Wij waren beiden verlegen, en hadden niets van elkander te
zeggen.
-ocr page 162-
144
„Allemaal gekheid!" riep de heer kegge; „je zult wel familiaar
worden. Yoortaan geen mijnheeren of dames, maar henriette en
hildebband, alstjeblieft."
•Juffrouw henbiette kegge stond op, om met zeer veel ijver op
de piano een boek te zoeken.
De knecht had intusschen bevel gekregen de aangebodene ver-
kwikkingen te brengen, en zette te dien einde een onmetelijk groote
vierkante sandelhouten kist op tafel, met het woord ILfqucurs in sier-
lijke trekletters bemaald. Ik houd niet van die coffre-forts der gast-
vrijheid, die door slot en grendel schijnen aan te toonen, hoeveel
prijs men zelf op hun inhoud stelt. Naar de woorden van den heer
kegge evenwel te oordeelen, geloof ik, dat ik hem wezenlijk zou
hebben verplicht, indien ik had kunnen besluiten al de zes karaffen .
die er, met haar bijbehoorend gezelschap van glazen, in eens wer-
den uitgelicht, na elkander leeg te drinken. Met een glas madera
heette hij mij welkom.
„Hoor reis, onsterfelijke!" ging de heer kegge voort, „dit is nu
mijn huis, dit mijn vrouw, dit mijn oudste dochter, en straks zulje
al de kinderen zien; niet waar, hanna? Dan ken je hier de taal en
de spraak zoo wat. Je moet maar denken: wij in de West zijn fami-
liaar. In Europa is men vrij wat stijver. Je hebt hier adellijke heeren
en groote hanzen; daar behoor ik niet toe; waarachtig niet; ik ben
niet van adel; ik ben geen groote hans; ik ben een parvenu, zoo je
wilt."
Henbiette verliet de kamer.
„Maar ik heb, Goddank! niemand naar de oogen te zien; dat\'s
één geluk ! Leve de vrijheid, en vooral hier in huis! Je doet en laat
hier alles wat je goed vindt, slaapt zoo lang als je wilt, eet goed,.
drinkt goed — dat zijn de wetten van het huis. Waar is henriet?"
„Naar haar kamer,\' antwoordde mevrouw kegge. „Zij kleedt zich.
voor het diné."
„Dan moeten de kinderen nog effen komen!"
Er werd gescheld. De zwarte knecht kreeg zijne bevelen, en de
kinderen verschenen.
Er traden twee mooie jongens binnen, de een van negen, en de
andere van tien jaren. De ondeugd zag hun uit de brutale zwarte kij-
kers, en zij waren er, helaas! niet leelijker om. Zij droegen blauw-
lakensche pakjes met tallooze vergulde knoopen over de schouders,,
breed omgeslagen en breed geplooide batisten halskragen, geen
das, en lage schoenen met witte kousjes. Daarna kwam een meisje
van zeven jaar met lange zwarte haarvlechten en bloedroode strik-
ken op den rug: een jongen van vijf, in een schotschbont blousetje;
weder een meisje, van een jaar of drie, met bloote voetjes in gekleurde
laarsjes; en eindelijk, op den arm eener min, een kind. dat niets
meer aanhad dan het witte jurkje dat men zag, en het witte hemdje
dat men niet zag, — verontrust u niet, lieve Hollandsche moeders!
-ocr page 163-
145
het schaap zag er volmaakt gezond uit — met een gouden ranime-
laar in de eene hand en een korst brood in de andere.
„Nu hebje ze allemaal gezien," riep papa, de kleinste van den
arm der minne nemende en op zijn schouder zettende; waarop het
kind allerliefst schaterde van lachen en met de bloote beentjes spar-
telde en trappelde, dat het een lust was om aan te zien. „Ik heb er
elf gehad; william, dien je gekend hebt; henriet, die je gezien
hebt; nu is er een heele gaping; eerst kreeg mijn vrouw een mis-
kraam, en daarop een dood kind; de vierde is tien jaar oud gewor-
den en toen aan de koorts bezweken; nu komen de jongens; hier
hebje bob, en daar hebje adam, mijn petekind, die zijn allebei nog
ondeugender dan hun vader, toen hij zoo klein was; tusschen hem
en dit meisje is er weer eentje dood, dat werd door een beest van
een negerin vergeven op zijn anderhalf jaar; dit meisje heet hasna ,
naar mijn vrouw, dat \'s een mooi klein ding, is het niet? en
die kleine jongen heet jan ; niet waar, boer ? Hier hebben we sofie-
tje; en het kleintje heet kittt."
Na deze optelling van zijn kinderen, schonk hij ze allen een glas
malaga in, en liet zelfs de kleine kittt daarvan proeven, die een
leelijk gezicht zette, een uitwerksel dat den oorsprong van haar
leven zeer vroolijk maakte. Mama speelde met den krullebol van
bob , en bob met den staart van Azor; adam prikte zijn zuster hanna
zachtkens met een speld in den nek, en buitelde daarop naar den
kakatoe, die zichtbaar bang voor hem was; jan en sofie begonnen
een twistgeding ter zake van het hazewindje Mimi. De heer kegge
gaf zijn jongste spruit weer aan de min over.
„Zie zoo, minne!" zeide hij: „nu maar weer naar de kinderkamer!
Vort, jongens! Veel pleizier!\'
En \'de geheele stoet verdrong zich lachende en juichende in de
deur en stoof henen.
„Als je nu eens weten wilt waar je slaapt, onsterfelijke!" hervatte
de heer kegge , die dezen naam voor mij gekozen scheen te hebben,
„ga dan mee als je wilt; dan kanje meteen de bibliotheek zien."
Hij bracht mij naar een achterbovenkamer die op den tuin uitzag.
Nog nooit zou ik te midden van zooveel weelde nebben geslapen.
Een lit d\'ange, een canapé, een chaise longue daarenboven, een pen-
dule, een psyche, een waschtafel van satijnhout, tot met de ge-
ringste benoodigdheden van het toilet meer dan voorzien.
„Je bent niet bang voor dat wapentuig daar in den hoek?" zei
de heer kegge, naar een paar indiaansche bogen en een dozijn
wie weet hoe vergiftige pijlen wijzende. „Hier is de schel; als je wat
noodig hebt, dan rammel je maar dat het huis dreunt."
Wï) gingen daarop naar de bibliotheek, waar een lustig vuur
brandde en een schat van Voyages pittoresques en hedendaagsche
literatuur, op de keurigste wijze gebonden, Dijeen was.
„Hier ga je nu maar heen, als je je verveelt! Die sofa is nog al
10
-ocr page 164-
146
makkelijk. In deze laden zijn platen; al watje hier ziet is meestal in
Engeland gekocht, en nu completeert henriet het zoo wat. Ik kan
me met die snorrepijperij niet altijd ophouden. Henbiet heeft twee
jaar te Arnhem school gelegen. Maar toen zijn we in \'tlandgeko-
men, en hebben haar thuisgehaald; ze was te groot, en ze moet nu
zelf maar verder haspelen. Engelsen kon ze al; en als je in twee ja-
ren geen Fransch kunt leeren, dan leer je \'t nooit. Dat lange school-
gaan — allemaal gekheid. Ik laat geen van me kinderen meer
schoolgaan; ze krijgen patente meesters aan huis. Gouverneurs en
gouvernantes wil ik niet onder mijn oogen zien. En wat de meisjes
betreft: mijn vrouw verstaat geen woord Fransch, en toch heeft ze
elf kinderen gehad, weetje .... Zie je dien opgezetten tijger? Dien
heb ik zelf op mijn suikerplantage geschoten !.. De deugniet had al
driemaal een kalf komen weghalen.\'
Wij gingen verder, en in den tijd van een halfuur had de heer
kegge mij al de kamers van het geheele huis, den tuin, den stal en het
koetshuis laten zien, alles onder even drukke en schutterige ge-
sprekken, waaruit het mij meer en meer bleek dat de heer jan adam
kegge zeer ingenomen was met zijn rijkdom, zijn kinderen, en
zichzelven. Hij scheen er volkomen van overtuigd te zijn dat hij een
onuitputtelijk fortuin had en dat hij „een perfecte goeie kerel" was;
tienmaal beter dan alle mogelijke „groote hanzen en adellijke
heeren", en volkomen gerechtigd om alle wereldsche zorgen en
welvoeglijkheden met zijn lievelingsuitroep af te doen: „allemaal
gekheid!
Toen wij alles gezien hadden, wachtte mevrouw ons in de eetzaal.
Henkiette verscheen er in eene japon van blauwe zijde, die haar
niet volkomen zoo goed stond als haar wit négligé. Ik had de eer tus-
schen haar en mevrouw haar moeder te worden geplaatst. Mijnheer
zat over mij, en de kinderen schaarden zich naar goedvinden. Bij het
couvert van den oudsten, die trouwens ook al tien jaren telde, stond
een karaf wijn, zoo goed als bij het mijne. Aan het eind der tafel
stond nog een stoel ledig; en toen wij allen gezeten waren, kwam
er een kleine, magere vrouw binnen, nog veel bruiner dan mevrouw
kegge. Zij kon omstreeks zestig jaren oud zijn, als eenige te voor-
schijn komende grijze haren deden vermoeden; valsch haar droeg zij
niet. Zij was in het zwart gekleed, maar droeg een omgespelden
neusdoek van hoogroode oostindische zijde. Achter haar ging een
schoone lange-hond, die zoodra zij plaats genomen had zich bij haar
stoel nederzette en zijn kop in haar schoot lei, waar zij hare
bruine hand op rusten deed. Er was iets indrukmakends in deze ver-
schijning, schoon niemand acht op de binnenkomende sloeg. Men
noemde haar grootmama; doch ik twijfelde soms of dit niet maar een
naam was, haar in scherts gegeven. Zij zelve sprak weinig en eenigs-
zins gebroken, maar eenmaal zag ik haar veelbeduidend het hoofd
schudden, toen de heer kegge vertelde „dat hij den koop van dat
-ocr page 165-
147
nieuwe rijtuig maar gesloten had, en dat zij nu voortaan nog mak-
kelijker naar de kerk zou rijden."
„Kom, kom!" riep hij toen, „geen hoofdschuddingen! dat\'s alle-
maal gekheid, \'t Zal het mooiste rijtuig van de stad zijn, en de groote
hanzen en adellijke heeren kunnen er een punt aan zuigen. Ik heb
zin om er een wapen op te laten schilderen met een gouden keg \' op
een zilveren veld, en een groote planterskroon er bovenop van sui-
kerriet en koffieboonen."
„Ik zou er maar J. A. K. op laten zetten," zei de oude dame
droogjes: „je kunt immers de letters met net zooveel krullen ma-
iken als je maar wilt."
Ik beschrijf u het diné niet, met al zijne opscher pende tomaat-en
andere sausen, cayenne, soya, kruideraziin, atjarbamboe, engel-
ache pickles en wat dies meer zij; noch zal het wagen u een denk-
beeld te geven van den portwijn van den heer kegge , dien hij door een
> extra-extra gelegenheid had, maar die dan ook zóó was, dat de heer
kegge verklaarde een zeeuwsche rijksdaalder te willen zijn als men
hem ooit, als men hem ergens anders dan misschien bij den koning
van Engeland, zóó drinken zou. Mevrouw at veel, en iienriette
•weinig; maar men moet bedenken dat de laatste oneindig meer
•sprak; ook regelde zij de tafel, en droeg zorg dat men de gerechten
in behoorlijke orde nuttigde, niettegenstaande haar papa zich daar
wel eens tegen bezondigde, en dan met een „allemaal gekheid" de
fout verschoonde. De hazewindjes van mevrouw waren allerbe-
.•scheidenlijkst stil, omdat zij ontzag hadden voor den langen-hond
der oude dame; maar de kinderen, die „vrij werden opgevoed",
maakten een vreeselij ke drukte.
Na den eten bood de zwarte knecht koffie aan, en moest ik een
schotsche likeur proeven, die als vuur in de keel was.
De oude dame was na den afloop van het diné terstond opgestaan
en vertrokken, gevolgd van haar getrouwen hond. De kinderen waren
in de eetzaal gebleven, waar de kleine hanka de compöte met
morellen tot zich trok en daaruit, terwijl het gezelschap scheidde,
zichzelve en hare broertjes nog eens bediende, op mama\'s vriende-
lijk verzoek zich aan deze verkwikking niet verder te buiten te
gaan, niets antwoordende dan dat het zoo lekker was.
„Je zult niet kwalijk nemen dat ik eens naar de bibliotheek ga,"
zei de heer kegge; „dit is mijn studie-uurtje!" En met een weinig
bedwongen geeuw verliet hij de kamer.
1 De keggen zijn misschien aan mijne lezers niet zoo bekend als bij de tim-
merlieden. Het is een soort van wiggen, waarvan de eene kant schuin afloopt,
de andere horizontaal is; zij dienen om, met kracht hier of daar tusschen
geslagen wordende, zware lichamen eenigszins op te lichten, waterpas te stel-
len, of twee lichamen sterk tegen elkander aan te drijven.
-ocr page 166-
148
Mevrouw zette zich in eene gemakkelijke houding op de sofa
neder, wierp een bonten zijden zakdoek over haar hoofd en bereid-
de zich insgelijks tot de siësta.
De schoone brunette en ik bleven dus zoo goed als alleen in de
schemering, slechts verhelderd door de grillige vlammen van het
lustig brandend kolenvuur. Zij zette zich in een vensterbank neder
en betuigde er zich in te verheugen, dat zij na den eten aangenaam
gezelschap had.
Dit was allerliefst; maar ik merkte aan, dat een eenzaam sche-
meruurtje ook zijn waarde heeft.
Zij hield er niet van. Zij hield van veel licht, veel discours, veel
inenschen; „en helaas", voegde zij er bij , „er is hier volstrekt geen
conversatie."
Ik verwonderde mij over het verschijnsel van een stad met zoo
veel duizend inwoners, zonder eenige conversatie.
„Ach," antwoordde henriette: „men moet denken, de menschen •
zijn hier verschrikkelijk stijf; het zijn allemaal coterieën, waar men
niemand in opneemt. Daar zijn nog wel families genoeg, die gaarne
met ons zouden omgaan, maar ... die conveniëeren ons weer minder."
Ik begreep zulk een toestand volkomen. Er zijn in iedere stad
huisgezinnen, die volstrekt niet georiënteerd zijn in hunne eigen-
lijke plaats en stand; familiën zonder familie, die den neus optrek-
ken voor den eenvoudigen, den deftigen burger, wiens vader en
grootvader ook eenvoudige en deftige burgers waren , maar verbaasd
staan dat de eerste kringen hen niet met open armen ontvangen. Lieve
menschen ! van waar komt u deze laatdunkendheid r Moeten dan, me-
vrouw, omdat uw echtgenoot een ambt bekleedt dat hem tot het wa~
terpas van zes, zeven groote heeren in de stad opvoert, de zes zeven
vrouwen dier groote heeren terstond vergeten dat uw geboorte bur-
gerlijk, uw afkomst burgerlijk, uw toon burgerlijk is? Of bevreemdt
het u, rijke koopmansgade! dat de hoogste kringen niet tot u zijn
toegenaderd, naarmate uw echtvriend langzamerhand een grooter
huis is gaan bewonen, zijne bedienden in liverei heeft gestoken,
meer paarden en misschien wel een heerlijkheid heeft gekocht? Moet
dan, mejuffrouw! omdat uw vader met ettelijke tonnen gouds uit
Oost of West terugkwam, en den achtbaarsten patriciër, den besten
edelman naar de oogen steekt door uiterlijke praalvertooning, die
achtbare patriciër, die doorluchtige edelman al de uwen terstond
de hand reiken, en u tot gade voor zijnen zoon begeeren? Weet gij
dan niet, dat indien de kringen, welke gij zoo verlangend zijt binnen te
treden, zich voor u openden, gij in gestadigen angst zoudt verkee-
ren voor eene toespeling op uws vaders afkomst, eene hatelijkheid
op uw aangewaaiden rang? Zou het niet veel beter zijn, indien gij u
rustig aansloot aan den stand waartoe gij behoort, die even goed is
als een hoogere, en waarin gij zoudt worden geëerd en ontzien ? Moest
gij niet veel liever de eerste onder de burgers dan de laatste, de bij
-ocr page 167-
149
gedoogen toegelatene, onder de grooten zijn? Waarlijk ik begrijp
hunne terughoudendheid beter dan uwe eerzucht. Zij zijn volkomen
tevreden met het verkeer onder huns gelijken; zij schromen avances
te doen die hun naderhand zouden kunnen berouwen; de mevrouwen
vreezen, dat zij nu en dan voor elkander over hare nieuwe kennissen
zouden hebben te blozen, indien zij u en amitié namen, en gij ver-
riedt eens uw nieuwelingschap ot volkomen misplaatst zijn in de
kaste, waarin gij waart toegelaten zonder in hare geheimenissen te
zijn ingeleid! .. Of, korter nog; zij zien niet in, waarom zij juist u in
haren omgang zouden opnemen. —• Maar gij zelve, die gedurig op uw
teenen staat om in haar vensters in te kijken en het af te zien hoe zij
haar huis stoffeeren, haar disch arrangeeren en hare bedienden
dresseeren; gij , die haar plaagt en tart door uw toilet kostbaarder te
maken dan het hare, die er beurtelings de nabootsing, de parodie, en
de charge van uitstalt; die terwijl gij over den onchristelijken hoog-
ïnoed der groote dames klaagt die de deur sluiten voor eene familie
die niet tot haren stand behoort, uw eigen deur op het nachtslot
gooit voor familiën die wèl tot uwen stand behooren: ik weet niet
hoe het komt dat gij deze dwaze eerzucht niet lang hebt afgeschud.
Een ordinaris kip is zoo goed als, en misschien beter dan een fazan-
tehen, maar zij behoort daarom niet in het hok der goudlakenschen.
Zoo zij dan den kippenloop veracht, mag zij alleen gaan zitten onder
dezen of genen sparreboom, en pikken zich in de veeren, en aan de
voorbijzwemmende eenden wijsmaken dat haar nicht in den tienden
graad ook een fazantehen is. Maar de kippen in den loop hebben
samen ruim zoo veel genoegen als zij in haar eenigheid, achten
elkander, bewonderen elkanders eieren, en kakelen en klokken dat
het een lust is. Doch voor u heb ik eene andere vergelijking. Gij zijt
vledermuizen, bij de vogelen niet gezien, en de muizen verachtende,
die geen ander genoegen hebben dan in het schemeruur wat vertoo-
ning te maken met een soort van vleugelen, die haar waarlijk staan
of ze haar niet toekomen.
Het bleek mij in dit schemeruur dat de schoone iienriette zich
met deze ongelukkige eerzucht pijnigde. Mevrouw kende ik nog
niet; maar mijnheer, schoon alles bruskeerende, wat groot en hoog
was, sprak mij veel te veel van adellii ke heeren en groote hanzen,
dan dat ik hem niet van eene heimelijke jaloezie verdacht zou heb-
ben. In zijn trotsch belijden „zoo je wilt, een parvenu te zijn" was
misschien even veel spijt als oprechtheid.
In den loop van ons gesprek verhaalde henriette mij wonderen
van het huis en de paarden en de slaven, die de familie in de West
had; een slaaf voor den zakdoek, een slaaf voor den waaier, een
slaaf voor het kerkboek, een slaaf voor den flacon! Zij kwam ook op
haar kostschool, en klaagde over de nare madame, die door al de
meisjes gehaat was, en verhief hemelhoog de allerliefste clembntine
zus en zoo, haar beste vriendin, waarmee zij „in alles sympathi-
-ocr page 168-
150
Beerde". Zij had eene „onbegrijpelijken zin" om in den Haag te wo-
nen, of\' een reis door Zwitserland te doen; bij welke gelegenheid zij
liefhebberij toonde om al die bergen te bestijgen, welke gewoonlijk
niet door dames bestegen worden. Zij vond het onuitstaanbaar dat de
menschen hier over het gordijntje gluurden als zij een dame te paard
zagen, en dat men zich nooit in deze stad met een heer in \'t publiek
kon vertoonen of er werd gezegd dat men verloofd was; een grieve
welke ik door alle mogelijke dames tegen alle mogelijke steden heb
hooren inbrengen, maar waarvan ik het ijselijke zoo ijselijk niet inzie.
Een juffertje en een mijnheer.
Terwijl wij nog zaten te schemeren ging de deur open, en door
twee of drie van de kinderen werd eene vrouwelijke gestalte meer
binnengegooid dan ingeleid, onder het gejuich van „saabtje met
een mof! saahtje met een mof!"
Een diepe zucht rees op uit den schoonen boezem van henriette.
De gestalte, uit het licht in den donker komende, kon waarschiin-
lijk geen hand voor oogen zien, en bleef in de deur staan; de kinde-
ren trokken weder af, en wij hoorden hen in den gang voortjuichen:
„saahtje met een mof! saahtje met een mof!"
„Kind!" zei heneiette tot de binnengekomene: „Watkomjeont-
zaglijk vroeg; mama slaapt nog."
„Wat zegje, harbiot? riep mevrouw met een schorre stem, wak-
ker wordende: „Wat wilje, kind ? is er iets ? hebje nog geen licht op P"
„Nicht saahtje is daar al," was het antwoord." De kinderen zeg-
gen"; voegde zij er lachend bij; „de kinderen zeggen, meteen mof!"
De gestalte kwam, op het geluid af, naderbij, en vroeg met een heele
lieve stem naar de gezondheid van nicht kegge en nicht henriette.
„Och!" zei de laatste, „je bent er toch niet ver af; schel reisom
het licht, wilje?"
Nichtje gehoorzaamde, en ik verlangde naar de lamp. Het licht
kwam binnen, en ik ontwaarde bij zijn schijnsel een jong meisje,
misschien van de jaren, maar nog niet van de ontwikkeling van
henbiette. Een allerliefste taille, in een zeer simpel winter japon-
netje gekleed, maakte zich los uit de plooien van een bruinen laken-
schen mantel; een gegaufreerd kraagje sloot stemmigjes om een
allerblanksten hals; en toen zij haar eenvoudig kastoor hoedje
afzette, vertoonde zich, onder een schat van los neerhangende blonde
krullen, een allerinnemendst zacht en liefelijk gelaat. Zij bloosde
op het onverwacht gezicht van een persoon meer dan zij vermoed
had. Ik haastte mij haar van hoed en mantel te ontlasten, en ook
van de mof, in wier gezelschap zij was aangekondigd. Zij bloosde
nog sterker over deze gedienstigheid en wilde zich die volstrekt
niet laten wegvallen.
-ocr page 169-
151
Henriette nam de mof in de hand. Het was geen alledaagsch,
nieuwmodisch handmofje van marter of chinchilla, met lichtblauwe
of kersroode zijde gevoerd en nauwelijks groot genoeg voor
twee kleine handjes, een zakdoek, een reukfleseh, en een visite-
boekje; maar een degelijke, ruige, ouderwetsche, dikke vette mof,
van een fiksche langharige vossenhuid, waarbij een dito halsbe-
kleedsel behoorde, waarmee onze grootmoeders over haar doek naar
de kerk gingen en waarin wij daar ter plaatse nu nog een enkele oude
keukenmeid zien verschijnen, en dat den naam van sabel draagt.
„Wat een allerliefst mofje!" zei henriet, met het harde haar over
hare zachte wangen strijkende; „wat doe jij nu met een mof, saartje?"
„\'t Is een oud ding," zei saabtje met een lief lachje: „de kinderen
hebben er ook al zoo\'n pleizier over gehad.\'t Is nog van mijn groot-
moeder, en ik draag het alleen \'s avonds, nicht henkiette! Hoe
vaart neef?"
„Papa is heel wel," antwoordde de schoone. En als omhettebe-
wijzen trad de heer kegge zelf binnen, vatte saartje met eenfik-
schen greep om het middel, en gaf haar een zoen dat het klapte.
„Wel saar! daar doe je wèl aan!" riep hij uit. „Kom je nog reis
thee voor ons schenken? Wat zeg je van dien mijnheer, dien we
hebben opgedaan? Pas maar op hoor, het is een meisjesgek."
Dit zijn van die malle gezegden, waarop de patiënt niet veel an-
ders doen kan dan pijnlijk glimlachen.
„En wat hoor ik van je mof? Rob zegt dat je een mof hebt. Laat
reis kijken. Die is nog van je moeder, saar! Lieve schepsel! ik ben
een citroen als dat niet precies het haar is van een wild varken. Hoor
reis, je zult voor je Sinter Klaas een betere mof van mij hebben."
„Och neen, neef kegge!" zei het lieve meisje verlegen; „ik zou
haar toch niet anders dan \'s avonds dragen."
„En waarom niet, als ik ze je geef?"
„Omdat het me . . . niet past, neef kegge."
„Niet passen? allemaal gekheid! wat droes, als ik ze betaal?"
„Toch niet, neef kegge ! heusch, ik had het liever niet, — ik mag
geen bont dragen, — en ik ben er ook nog veel te jong voor."
„Allemaal gekheid! wat doen de jaren tot een stukbeestenhaar?
\'t Is immers voor de kou, krulleboi! Nu, let maar op, met Sinter
Klaas; en hou nu je moeders vel maar uit de tanden van Azoren
Mimi."
Deze laatste aardigheid deed den heer kegge machtig genoeglijk
aan, en wij zetten ons tot de thee. Dat het servies van zilver en de
kopjes van blauw porselein waren, behoeft niet te worden opgemerkt.
De lezer weet nu te wel hoe het huishouden van de rijke familie kegge
gemonteerd was, om van eenige pracht ter wereld meer verwonderd
te staan, en het verveelt mij er hem langer opmerkzaam op te ma-
ken. Die er behagen in schept moois van dien aard met bewondering
-ocr page 170-
152
en ingenomenheid beschreven te zien, leze de novellen vanQenZ.
Men zou zeggen dat die heeren zelf belust werden op de schoone
mirakelen, die zij beschrijven.
Toen de thee was afgeloopen en de pendule bijna op acht uren
stond, liet de heer kegge zich een met zwart zeehond gevoerden
overjas van poolsch maaksel geven. Het was nog niet koud genoeg
voor de pels, zeide hij. Hij stak daarna op, hetgeen hij met een kie-
schen term een stinkstok noemde, en ging uit, om alweder een noo-
dige commissie te doen.
Niet lang daarna kwam er in zijne plaats een heer binnen van
een zeven- of achtentwintig jaren, naar ik berekende. Het was een
welge maakt, rijzig man, met een gelaat, waarvan de snede heel
goed, maar dat voor het overige zeer vervallen was. Hij droeg het
haar eenigszins lang, zeer scheef gescheiden, en aan den breedsten
kant gefriseerd. Grijze oogen schoten hunne doffe stralen uit diepe
spelonken, want de jukbeenderen waren zeer sterk geteekend, en
om zijne lippen speelde een glimlach, die kennelijk geen andere be-
stemming had, dan om een zeer blank en regelmatig gebit te doen
te voorschijn komen. Deze persoon was gedost in een zeer nauwen
groenen rok met zeer kleine vergulde knoopjes en zeer nauwe en
korte niouwtjes, een zeer wijden zwarten pantalon, met zeer spits
toeloopende pijpen, en een gebrocheerd zijden vest. Een zwartsatij-
nen strop, in welks slippen een zeer lange, zeer dunne gouden doek-
speld stak, met een klein goud snoertje daaraan vast, stroo-gele
handschoenen en zeer puntige laarzen voltooiden zijn kleedij. Nog
slingerde er een gouden halsketting, saamgesteld uit lange magere
schakels, over zijn vest, en wees der verbeelding den weg naar een
zeer dun goud horloge a cylindre, terwijl aan een bijna onzichtbaar
elastiek koordje een klein vierkant lorgnet bengelde, dat geschikt
was om zonder hand of vinger aan te raken, in den winkel van het
oog te blijven staan.
Toen deze heer binnenkwam, ging hij eerst de kamer door, vol-
strekt in dezelfde houding alsof hij moederziel alleen ware geweest
en zonder ter linker of ter rechter zijde iets te willen opmerken; men
zou gezegd hebben in eene blinde opgewondenheid. Toen hij tot me-
vrouw kegoe genaderd was, stond hij stokstil en liet zijn hoofd op de
borst vallen als eene geknakte bieze; vervolgens ging hij op hen-
riette af, en herhaalde dezelfde beweging met al de bevalligheid
van een automaat; eindelijk bracht hij ze ten derdemale ten uitvoer
voor de vereenigde personages van saartje en mij.
Henbiette stelde ons aan elkander voor, als mijnheer van der HOO-
oen en mijnheer uildebrand.
Mijnheer tan der hoogey plaatste zich vervolgens op den hem
aangeboden stoel, bracht den duim van zijne rechterhand ter hoogte
van zijn rechterschouder, en stak hem door het armsgat van het
-ocr page 171-
153
ebrocheerde vestje, zoodat zijne taille fine allerschitterendst uit-
wam. Daarop begon tij met een krakende stem tot mevrouw:
„En hoe maken het Azor en Mimi ? Charmante hondjes. Gisteren
dineerde ik bij den heer vak nagel ; nu, u weet wel dat freule con-
stance ook een aardig hondje heeft. .. ."
„Ik weet het heel goed, het is een King Richard," zei henriette ,
„een allerliefst dier."
„Niet waar? allerliefst en allercharmantst; maar toch het haalt
niet bij Azor en Mimi."
„Zou je dat waarlijk denken?" vroeg mevrouw, met zichtbaar
welgevallen.
„o Mevrouw!" antwoordde de heer van der hoogen, geheel opge-
wondenheid: „het scheelt hemel en aarde. Ik kon ook niet nalaten
het te zeggen. Freule constance! zei ik, uw hondje is charmant;
maar de hondjes van mevrouw kegge zijn charmanter."
Ik had nog zoo veel bewijs van leven op het gelaat van mevrouw
kegge niet gezien; met een soort van geestdrift stak zij Azor en
Mimi, die bij haar op een tabouret lagen, ieder een klompje suiker
toe, en streelde hen dat hunne koppen blonken als spiegels.
De heer van der iioogen richtte zich daarop tot henriette.
„Ik kan u zeggen, juffrouw henriette, dat de freule constance
jaloersch is van uw maraboe\'s; zij heeft u er laatst mee in de kerk
gezien. Gisteren zei ze: van dee iioogen , je kent immers de familie
kegge ? Ik antwoordde dat ik de eer had er gepresenteerd te zijn. Nu,
zei ze, ik kan je zeggen: ik ben ziek naar de maraboe\'s van de
freule. Het zijn allercharmantste maraboe\'s; daarop volgde een heel
gesprek over u."
„ Waarlijk?" vroeg iienriette: hare oogen ongeloovig tot hem op-
slaande. „Foei, van der hoogen! je houdt me een beetje voor den gek."
„Dat is ondeugend van je," \'antwoordde van der hoogen , insge-
iijks glimlachende. „Hoor je \'t, mevrouw? Foei, foei, welke zwarte
soupcons!" Daarop trok hij zijn gezicht in een ernstige plooi en
vervolgde: „Waarlijk, juffrouw henriette, het is jammer, heel
jammer, dat je die menschen niet ziet. Het is een charmant huis.
De freule constance is waarlijk allercharmantst."
„Ik weet niet, van der hoogen! maar ik geloof stellig dat er iets
bestaat tusschen u en die freule constance!" merkte henriette aan.
En zij lichtte haar kleinen wijsvinger op, en zag hem met alle
mogelijke coquetterie in de oogen.
De heer van der iioogen had er, wed ik, zijn mooie handschoenen
voor willen verbeuren, indien hij had kunnen blozen. Maar zijn blos
was — wie weet waar?
„Al weer foei!" hernam hij, „dat is nu toch niet edelmoedig,
juffrouw henriette!" En hij lei de hand zeer gemoedelijk op zijn
gebrocheerd vest; „ik verklaar u op mijn woord van eer, dat al wat
men daar misschien van fluistert onwaar is."
-ocr page 172-
164
Hij liet een korte geheimzinnige pauze volgen; daarna ging hij
voort:
„Ik mag de freule constance heel gaarne, zij is waarlijk aller-
charmantst; maar... ik heb geen plans, in \'t geheel geen plans.
En wilje weten waarom zij mij juist gisteren zoo beviel?"
„Welnu?"
„Omdat zij zich zoo aan u interesseerde." En hij sloeg de oogen
liefelijk neder.
„Inderdaad, ondeugd?" plaagde heneiette; „je zoudt me waarlijk
nieuwsgierig maken, indien ik het worden kon!"
„Zij vond uw voorkomen zoo bijzonder lief en interessant," zei
van der hoogen , „en ze had zóó veel van uw spelen gehoord." En
zich tot mevrouw kegge keerende: „Lieve mevrouw! vereenig u
toch met al wat in de stad smaak heeft, om uw dochter te bewegen
haar woord te houden."
„Dat behoeft niet meer!" zei heneiette glimlachende: „alles is
bepaald: ik speel vrijdag."
„Charmant, charmant, allercharmantst. Dat zal freule constance
verrukken. Dat zal een sensatie in de stad geven. Een groot stuk,
hoop ik___"
„Ik ben nog niet gedecideerd," antwoordde heneiette: „wil de
heer van der hoogen mij eens helpen kiezen ? Zullen wij de piano
eens openmaken?"
„Gaarne, dolgaarne."
„Maar gij moet reflecties maken....."
„Onmogelijk! onmogelijk!" riep van der hoogen. Daarop sprong
hij van zijn stoel, bracht zijn hoed in een hoek van de kamer, waar
hij hem zoo voorzichtig nederlegde, alsof hij een uitgeblazen eier-
scnaal geweest was, ontblootte zijn sneeuwwitte handjes en nagels
coupes a 1\'anglaise, en hielp henriette de muziek uitzoeken.
Onderdies fluisterde hij half hoorbaar: „Dat juffertje de geoot
heeft toch een allercharmantst gezichtje!"
„Wat onbeduidend," antwoordde heneiette.
„Niet waar? dat is de eenige fout," sprak van dee hoogen.
„Saaetje ," hernam heneiette , „het is goed dat ik er om denk.
Grootmama heeft wel zeer verzocht of je haar een beetje gezelschap
zoudt willen houden."
„Graag, nicht heneiette!" antwoordde saaetje; „ik ga terstond."
Ongaarne zag ik de lieve blauwe oogen vertrekken.
Heneiette begon te spelen , en de heer van dee hoogen sloeg de
bladen om: maar ik merkte op dat hij er somtijds zoo lang mee
talmde, dat heneiette , bevreesd dat hij het niet bij tij ds doen zoude,
zelve hare hand uitstak, waarop hij zich dan haastte die hand te
ontmoeten en een allerliefst excuus te fluisteren, of te glimlachen.
Over \'t geheel was de houding der jongelieden voor de piano zeer
vertrouwelijk.
-ocr page 173-
155
Intusschen zaten aan een klein tafeltje de jonge heeren rob ev-
adam écarté te spelen om een kwartje, en verminkte de kleine hanna
(want deze drie kinderen schenen op te blijven) de platen van een
kostbaar boek tot mislukte knipsels.
Ik had nu geen andere conversatie dan mevrouw, die mij vooreerst
ophelderde dat de gebeurtenis, die „al wat in de stad smaak had
verrukken zou", geen andere was, dan dat henrietteaanstaanden
vrijdag op het damesconcert een obligaat op de piano zou uitvoe-
ren. De heer van der hoogen had haar zoo lang gebeden, en de di-
rectie van het concert had er mijnheer kegge zoo zeer om lastig
gevallen, en henriette speelde ook zoo uitmuntend, dat men niet
langer had kunnen weigeren! Na deze mededeeling begon ons
gesprek te kwijnen, en wist ik niets beters te doen, dan haar af te
vragen hoe \'t haar in Holland beviel. Zij klaagde daarop steen en
been. Het scheen hier te lande koud en nat te zijn; de menschen
waren hier stijf en gierig, en altijd bij hun kinderen; de kinderen
hadden zooveel kleeren aan \'t lijf; en de huizen waren zoo tochtig!
Maar zij zelve was gelukkig altijd gezond, en de kinderen en kegge
ook, en ook de hondjes.
De heer kegge kwam thuis en vertelde zooveel nieuws, dat het
blijkbaar was dat hij naar de sociëteit was geweest. Er kwam wijn
binnen voor de dames, en er werd grog gemaakt voor de heeren. De
heer kegge voegde zich bij de piano. Saart.te kwam weder beneden
en vertelde dat de oude mevrouw lust had om naar bed te gaan. Ik
hield mij daarop met haar bezig door te zamen de platen té bezien
eener prachtuitgaaf van lafontaine. Zij wist zoo goed welke fabel
door iedere plaat werd voorgesteld, en sprak het Éransch zoo wel
uit, dat ik duidelijk bemerkte dat dit eenvoudig burgerdochtertje,
dat geen bont mocht dragen, eene zeer goede opvoeding had gehad,
en misschien ruim zoo goed geprofiteerd had, als ik van de schoone
brunette en haar tweejarig pensionaat verwachten durfde.
Er werd nog een heele poos muziek gemaakt, en mevrouw kegge
sluimerde met haar hondjes in. Zij werd niet wakker voordat de
charmante heer van der hoogen weder op haar was toegeloopen,
zijn hoofd op de borst had laten vallen , en betuigd dat hij, heer van
der hoogen , de eer had haar dienaar te wezen.
Hij maakte dezelfde plichtpleging voor de jonge dames, en begon
nu aan den heer kegge.
„Apropos" — zeide hij — „goed dat ik er om denk. Er presenteert
zich eerstdaags eene charmante gelegenheid om iets naar de West
te verzenden. Een jong mensch aan een der bureaux zal zich waar-
schijnlijk décideeren er heen te gaan. Hier geen vooruitzichten voor
iemand zonder familie; misschien daar nog een plaatsje als blank-
officier; honorable betrekking!"
„Vooral tegenwoordig!" merkte de heer kegge aan, „schoon\'t bij
ons beter is dan in Suriname. Daar zijn de blankofficiers geheel in
-ocr page 174-
156
verachting. Maar \'t is dwaas, want zoo in Suriname als in Demerary
zijn de directeurs het zelf geweest."
Henriette werd vuurrood op deze uitspraak. Welke gevolgtrek-
kingen kon de charmante heer van der hoogen niet uit zulk een be-
kentenis opmaken! Maar de charmante heer vxa der uoooek dacht
misschien aan zijn eigen vader die, zoo als ik naderhand vernam,
een logementhouder te Amsterdam was, en met wien hij dien ten
gevolge niets meer had uit te staan dan dat hij nu en dan een wissel
op hem trok.
Vaderangsten en kinderliefde.
Wie ïiiLDEBRAND te logeeren vraagt, krijgt, durf ik zeggen, geen al
te lastigen gast in hem; maar op één ding is hij zeer gesteld. Hij
moet niet alleen een afgeschoten hoekje hebben waar hij slaapt,
maar ook een afgeschoten hoekje waar hij alleen kan zitten; een
plaatsje van ontwijk, al is dat dan ook nog zoo klein, waar hij zich-
zelven kan toebehooren en, ongestoord en onbespied, gedurende een
zeker gedeelte van den dag doen wat hij wil; en als het winter is valt
dat sommigen menschen moeielijk, want dan kan op de eene kamer
niet gestookt worden om de valwinden, en op de andere geen vuur
aangemaakt omdat het er zoo rookt en, schoon hij zich vrij wat
koude getroosten kan, „in de kou mag hij volstrekt niet gaan zitten".
Ondertusschen is het een schrikkelijk ding tusschen het ontbijt en
het koffieuur, te zitten hangen in de huiskamer, eerst in gezel-
schap van de dames in négligé; daarna in gezelschap van een dienst-
bode, die u verzoekt uw boek op te lichten om „eventjes de tafel te
wrijven", vervolgens met in \'t geheel geen gezelschap, en eindelijk
weer in gezelschap van iemand, die een brief gaat zitten schrijven,
en dan, af en aan, eene flauwe, slaperige en rekkerige conversatie.
Neen! de conversatie dag begint niet voor één ure. Aan het ontbijt
voegt de bijbel en de stilte: en na den ontbijt, eenzaamheid en be-
zigheid; met de koffie krijgt eerst de gezelligheid hare rechten; en
ik heb geen eerbied voor den man, die eene anecdote vertelt of een
geestigheid zegt vóór dat de klok van óónen koud is.
Ik was tot één ure op de bibliotheek gebleven, waar ik mij recht op
mijn gemak genesteld had, en mij onledig gehouden, niet met mij op
eene fatsoenlijke wijze te vervelen, door zonder bepaald iets te
willen doen, nu het eene dan het andere boek uit de kast te halen, in
te zien, en weer op zijn plaats te stellen, maar ook door een klein
werkje op te zetten, waartoe ik de materialen had meegebracht,
een werkje daar ik alle oogenblikken van scheiden kon, maar daar ik
ook genoeg aan had om met belangstelling in bezig te zijn.
Ik kwam beneden en werd door mijn gastheer als „den geleerden"
-ocr page 175-
157
begroet, „die den heelen ochtend met den neus in de boeken had ge-
zeten; allemaal gekheid. Hij was een dromedaris als hij er niet bij
in slaap zou zijn gevallen."
Henriette kwam binnen. Zij zag er buitengewoon vroolijk en op-
gewekt uit, en hield in de eene hand een violetkleurig biljet, dat zij
pas scheen te hebben ontvangen.
„Kind!" riep de heer kegge haar toe, „van avond ga je uit, hoor!"
„En waarheen, papa?" vroeg henriette.
„Naar neef de groot, hart! Op vergulden."
„Op wat?" vroeg henriette, wier aangezicht betrok.
„Op koekplakken!" zei haar vader. „Nakkerloot, ik heb het in mijn
jeugd ook gedaan. Vrijers, vrijsters, varkens, ledikanten, adam
en eva , schepen, al den boel! Weetje niet dat het haast Sinter
Klaas is?"
„Ik koekplakken, papa, bij de de grooten!— Ik kan het niet; ik
bedank er voor. Neen, daar bedank ik nu voor," zei henriette op
een welberaden toon, „ik doe het niet."
„Ja maar, lieve meid," zei de heer kegge, „ik heb het voor je aan-
genomen, hoor; je kunt er niet af; \'t is een heele damespartij."
„En wat voor dames zouden er bij de de grooten komen ?" vroeg
de schoone smalend.
„Weet ik het, juffrouw henriette?" zei de vader, opeenkluch-
tige wijze het mutsje afnemende, dat hij droeg uit aanmerking van
het hiaat in zijne lokken, ofschoon met zichtbare verlegenheid.
„Ik ben een kievit als ik het weet. Je neef heeft er me verscheiden
opgenoemd; juffrouw riet, juffrouw dekker, juffer dit en dat; hij
zegt dat het heele ordentelijke juffrouwen zijn."
„En waarom heeft saartje mij dan gisteren niet verzocht?"
„Omdat zij het vergeten heeft, zegt ze."
„Omdat ze niet gedurfd heeft," verbeterde henriette, rood van
verontwaardiging.
„HENRiETTE-lief!" vleide papa, „ik had graag dat je wèl waart met
de de grooten. Toen we hier vreemd aankwamen, hebben ze ons
duizend diensten bewezen. Neef heeft dit huis voor ons gehuurd en
alles; hij is een eerlijk man; kan hij \'t helpen dat hij geen adellijk
heer of groote hans is, dat hij geen glacé handschoentjes draagt als
onze vriend tan der hoogen ? Ik heb het aangenomen; je zult er
immers heengaan? ik wil dat je er heengaat."
„Het is wèl; ik zal er heengaan," antwoordde henriette , bleek
van drift; „maar als ik vrijdag slecht speel, is het uw schuld."
„Voor mijn rekening, kind! Maar, van vrijdag gesproken! Mis-
schien bevalt je dat óók niet; ik heb neef de groot een introductie-
kaartje beloofd."
„\'t Is goed," zei henriette, haar spijt verbijtende.
„Van wien is dat paarse briefje?"
„Ik heb het met muziek gekregen."
-ocr page 176-
158
„Nu kind! van avond vergulden, hoor! Hildebrand mag je komen
halen als hij pleizier heeft; en dan moet hij wat vroeg gaan, dan kan
hij nog reis mee trekken om \'t langste brok. \'t Zijn waarlijk goeie
mensenen, hildebrand! heel ordentelijk. Je hebt gisteren saartje
gezien. Henriet" — vervolgde hij, met de oogen pinkende — „hen-
riet mocht willen dat zij er zoo uitzag!"
Henriet beefde.
„Maar zij heeft óók wel mooie zwarte oogen," zei haar papa, en
gaf haar een kus. „Harriot, my dear, je moet niet boos zijn."
Harriot, his dear, draaide het hoofd af.
De vader was verlegen.
„Het is goed weer," hernam hij: „best weer! ik heb de schimmels
voor de barouchette laten zetten; ik wil een toertje maken met mijn
logé. Ga je mee, harriot ?"
„Ik heb te schrijven en muziek te copiëeren," antwoordde zij, een
3lotportefeuille openslaande, en er een blaadje bathpapier uitkrij-
gende, dat zij oogenblikkelijk met veel ijver ging zitten vullen.
„Nu, dan gaan wij alleen; voor mama is het te koud."
Er volgde een poosje stilte.
„Is uw toilet voor vrijdag al in orde, harriot?" vroeg de heer kegge.
„Ik weet niet," zei harriot.
„Moet er niets nieuws zijn, een ferronière, of zoo wat?"
„Neen, papa."
De schimmels waren vóór; henriette bleef pruilen. Wij namen
afscheid en stegen in de barouchette.
„Henriette was boos," zei de vader, toen wij gezeten waren. „Ja,
die dametjes! je moet ze ontzien, vrind! En henriet heeft veel ka-
rakter."
Wij toerden eerst door de voornaamste straten der stad, en lieten
de vensters der respectieve bewoners dreunen. Mijnheer kegge be-
weerde dat men hard moest rijden, want dat men anders geen ontzag
onder de voetgangers krijgen kon. Ik kon dan ook het woord „onge-
permitteerd" duidelijk lezen op het gelaat van verscheidene Joden,
die de stad met kruiwagens doorkruisten, en van oude vrouwen die
van de vischmarkt kwamen en op dezen of genen hoek niet gauw
genoeg uit den weg konden komen. Ook zag ik deftige heeren met
rottingen onder den arm die, niettegenstaande de straat breed ge-
noeg was, het veiliger achtten hunne wandeling te staken, totdat
het rijtuig zou zijn voorbijgegaan, en kindermeiden die, twintig
huizen vóór ons uit, „verschoten" en de aan haar zorg toevertrouw-
de lievelingen bij de armen naar zich toe sjorden, om der wereld te
toonen hoe goed zij voor hen zorgdeu. In een koffiehuis kwamen drie
of vier heeren, met horizontaal opgeheven pijpen in den mond, over
het horretje kijken, en alles toonde ontzag voor de fraaie schimmels,
het mooie rijtuig, den deftige n koetsier, en den zwarten lakei ach-
terop, die met onbewegelijke plechtigheid zat rond te kijken en
-ocr page 177-
159
iedereen eerbied inboezemde, behalve den boven alle vooroordeelen
verheven straatjongen, die hem nariep: „Mooie jongen, pas op,
hoor! dat de zon je niet verbrandt!"
Alle deze bewijzen van opmerkzaamheid en belangstelling in
zijn persoon en bezitting schenen ditmaal noch de hoovaardij van
den neer kegge te prikkelen, noch zijne vroolijkheid gaande te
maken.
Wij reden de poort uit en den straatweg op, en deden een mooien
keer door de boschrijke streek. Het was een heerlijke najaarsdag.
Het had in dien herfst weinig geregend en nog in het geheel niet ge-
stormd. De boomen pronkten dus nog met een goed gedeelte van hun
bladerkroon. Heerlijk blonken de goudgele en bloedroode tinten van
iepen en beuken in het rosse zonlicht. Hier en daar breidde een eik
daartusschen zijn gelende takken uit, nog steeds groen aan den top;
en het donkergroen van een partij dennen beschaamde van tijd tot
tijd, met somberen ernst, de overige zonen van het woud, die nu
nog zoo trotsch schenen op verdorde pracht, en weldra naakt en arm
den winter zouden tegemoet gaan.
Maar noch de schoone natuur, noch de heldere zon, nooh de fris-
sche najaarslucht vermochten de wolk van het voorhoofd van den
heer kegge te verdrijven. Ik trachtte het gesprek levendig te houden
en zijne gedachten over allerlei onderwerpen te verdeelen, maar
telkens bleek het mij duidelijk dat zij over de verstoordheid van zijne
beminde dochter liepen.
De schimmels waren ongemeen vurig en liepen uitmuntend, en
de koetsier maakte den heer kegge herhaalde malen opmerkzaam
dat de bijdehandsche nu toch alle kuren had afgelegd. Het scheen
alsof de heer kegge er geen gevoel voor had; hij dacht aan de kuren
van henbiet.
De koetsier slaagde er in, na een lange worsteling, een „grooten
hans en adellijken heer" voorbij te rijden; maar de heer kegge wreef
zich de handen niet met dat genoegen, waarmee ik mij overtuigd
hield dat hij het gisteren zou gedaan hebben. Zijn geest was gedrukt.
Wel poogde hij den last nu en dan van zich af te werpen, of zich dien
te ontveinzen, door van tijd tot tijd koddig of ruw uit te vallen, maar
daarna geraakte hij op nieuw in de stilte. Hij was de man van gis-
teren niet. Die barre mijnheer kegge, zoo onafhankelijk, zooluid-
ruchtig, zoo opbruisend, en voor geen kleintje vervaard, was klein-
ïnoedig en benepen van ziele, om den wille van de gril van een
zeventienjarig meisje, dat hij liefhad en vreesde. Mejuffrouw toussaint,
in wie ik niet weet wat het meest te bewonderen, óf de juistheid
waarmede zij de verborgenheden van het innerlijk leven opvat, óf
de keurigheid en kracht waarmee zij die in hare geschriften schil-
dert, heeft dezen vorm der ouderlijke liefde uitstekend geschetst.
Op den terugkeer gebood de heer keggb stil te houden voor de
deur van een Bloemist.
-ocr page 178-
160
De zwarte palfrenier steeg af en schelde aan. „Is je heer thuis,
meisje?"
„Meheer is na Amsterdam."
„Maar mogelijk is barend te werk," riep kegge uit het rijtuig.
„Ja, meheer! Barend is er. Als meheer er maar uit wil komen r"
Wij stegen af, en men bracht ons naar het zoogenaamde bollen-
huis, waar barend zich weldra te midden der bolrekken, houten
zaadbakjes eu sterke geuren aan ons oog vertoonde.
Barend was de oudste, de meester-knecht van den bloemist, bij
wien wij waren afgestapt; een man van een, in zijn stand, allereer-
waardigst voorkomen. Hij was niet groot van gestalte, en droeg een
blauw wambuis van een antiek snit, een korte broek, grijze kousen
en groote vierkante zilveren kuit- en schoengespen; zijn wit voor-
schoot was in de schuinte opgenomen. Niettegenstaande zijn hooge
jaren, droeg hij het hoofd nog vrij rechtop. Dunne witte haren hingen
hem langs de slapen; maar zijn gerimpeld gelaat had nog dat gezonde
rood, dat denzulkeu, die hun leven in de open lucht hebben doorge-
bracht, tot in hun grijsheid bijblijft. Zijne blauwe oogen hadden
een vriendelijken schijn, en zijn mond was juist genoeg ingevallen
om een allerinnemendste plooi te hebben aangenomen.
„Barend!" zei de heer kegge, „ik moet een mooien ruiker bloe-
men hebben."
                                                                                *
„Dat zal slecht gaan, meheer kegge," antwoordde barend.
„Voor geld en goede woorden, barend!" hernam kegge; „\'tkan
me niet schelen wat het kost; je weet wel dat ik op geen kleintje zie."
„Allemaal goed," zei barend; „maar je kent de natuur niet dwin-
gen. Dat\'s een anjer, verstaje! \'t Is nou de allerschraalste tijd. Weetje
wel dat we al mooi naar korsemis opschieten ? Kom zoo vroeg in \'t
voorjaar as je wil, meheer kegge, en ik zei je een handvol gebroeid
goed geven, dat je hart er van verdaagt; maar nou is alles gedaan.
Der mag nog een enkele kresantemum wezen, — maar \'t is over,
meheer kegge; je kent, zeg ik nog reis, de natuur van een ding
niet dwingen. Je kent het wel dwingen; maar dwingen en dwingen
is twee; en as je een ding dwingt, dat nou eigenlijk niet gedwongen
kan worden, wat heb je dan ? Dan plaag je je zelve."
De heer kegge brak dezen niet zeer duidelijken woordenstroom
van den ouden barend af, met te zeggen: „Nu nu, barendje, als je
al de kassen reis doorloopt!"
„Hoor reis!" zei barend, „je mot maar denken dat ik je net zoo
graag de heele pot geef, as dat ik er de hartsteng uit mot snijen,
want daar zit al de kracht in, weetje. \'En blom, meheer kegge;
dat zeg ik altijd; \'en blom is net as \'en mensch. As ik jou je hart uit
je gemoed snij, dan kan je ommers ook niet in\'t leven blijven? Daar
zit \'et \'em as \'t ware maar in___Wat zeg jij, meheer?" voegde
hij er bij, zich tot mij richtende.
De heer kegge wachtte volstrekt niet af wat ik in dezen zeggen
-ocr page 179-
161
zoude. „Maar voor een goud vijfje zal ik toch nog wel wat kunnen
hebben?" zei hij ongeduldig.
„Hoor," zei barend , zijn snoeimes uit den zak halende en open-
slaande, „as ze der binnen, dan hoefje geen goud vijfie te besteeën;
dan zelje voor een spiergulden \' al heel wat doen. Maar \'t is maar dat
het zoo bitter uit den tijd is. Is het voor mevrouw?"
„Neen, barend! voor mte dochter."
„Kom an!" hernam hij, „da\'s \'etzelfde; de dames zijn onze beste
klanten voor de blommen; maar as we \'t van de blommen hebben
mosten!"
„Maar waar drommel moet je \'t anders van hebben ?"
„Wel, van de bollen," zei barend; „deblommen beteekenen nies.
Dat is armoed. Kijk!" ging hij voort, daar hij een potje aanwees
dat niet bloeide, maar met een rijkdom van fijne samengestelde
bladeren pronkte; „motje zoo\'n dingsigheidje niet hebben? Of hebie
dat al?"
„Wat is het barend?"
„Dat," zei barend, „is nou eigenlijk de effetieve mimosanolus mi
tangere!"
„Hou op met je potjes-latijn !" riep kegge uit; „allemaal gekheid !
Hoe heet het in je moers taal, man ?"
„Kruidje roer me niet!" antwoordde barend.
„Dankje hartelijk!" hernam kegge, zich waarschijnlijk herinne-
rende dat hij zoo\'n dingsigheidje al had.
Wij gingen eerst den tuin door, waar nog een enkele maandroos
bloeide, die er heel goed uitzag, ofschoon barend beweerde, dat zij
het door de nattigheid toch in het hart weg moest hebben, en zagen
vervolgens de kassen, waar hij hier en daar een pelargonium, chry-
santhemum, en primula sinensis afsneed, zoodat wij op \'t laatst
nog een vrij aanzienlijken ruiker bijeen hadden, terwijl barend bij
iedere bloem zijn kennis en praatziekte had aan den dag gelegd. Toen
hij de laatste deur achter zich sloot, liet de heer kegge zich onvoor-
zichtig de vraag ontvallen:
„Wel barend! hoe lang ben jij hier nu al geweest?"
„Vijf en vijftig jaar, meheer! met God en met eere," was zijn
antwoord „ik word met vrouwendag achtenzestig; en ik ben hier op
me dertiende jaar as tuinmansjongen gekommen."
„Wel man! en je ziet er nog zoo fiksch uit!" merkte ik aan.
„O!" antwoordde barend; „maar dan most meheer me wijf zien.
Die is nou toch ook in der zestigste, maar da\'s nog wat anders. Ik heb
dertien kinderen bij \'er gehad, en de jongste scheelde met de oudste
krek eenentwintig jaar. Nou beurt dat zoo niet meer, maar voor een
jaar of tien is het mermigmaal gebeurd dat de lui an der vroegen, of
\'er vader thuis was."
Vier gulden.
11
-ocr page 180-
1(52
„Dat \'s knap!" zei kegge, „weergaaseh knap,hoor barend! In de
Westinjes is dat anders. Daar kan \'t wel beuren dat moeder en doch-
ter maar vijftien jaar schelen; maar de vrouwen zijn er vroeg oud,
man."
Met deze woorden haalde de heer kegge zijn beurs uit den zak en
nam de houding aan van iemand die vertrekken wilde. Maar barend
dacht er anders over, en leunde tegen den muur van de kas met al
de gemakkelijkheid van iemand die een lange historie beginnen gaat.
„De heeren hadden men vader motten kennen," zei barend, „dat
was een vast man. Toen ie stierf was ie oinine en bij de negenenzes-
tig jaar, maar hij had zijn volle gebit nog. We woonden toen ter tijd
te Uitgeest en hij kwam geloopen van Uitgeest na Alkmaar om de
koffie, want we hadden een eigen moei te Alkmaar; en hij ging weer
na huis, en hij wist er niks niemendal van. — En was \'t niet om een
boer — hij was er nog wel."
„Zoo", merkte ik aan; „dan zou hij toch nog al aardig oud zijn,
vrind!"
„Doet niet!" zei barend, „doet niet! Dan was ie pas honderdën-
vijf, en dat had hij makkelijk kennen worden ook. Maar dat mot ik
de heeren toch reis vertellen. Hij was bij een boer, stoetema hiette de
boer, an \'t werk; want me vader was een timmerman van zijn am-
bacht. Wat wil \'t geval. Hij krijgt zoo klakkeloos de koors op \'t lijf.
Nou was me vader van zoo n natuur, dat as ie, met permissie, maar
aan \'t zweeten kommen kon, dan was ie weer klaar. Jongens, zeit ie
tegen zijn kameraads, ik heb een harde koors. Weetje wat, zeiën ze,
dan motje wat op de koes gaan leggen. Dat is, zooals de heeren mo-
felijk wel weten, in de koestal, achter de koeien, de piekwaarde
nechts, deur den bank, slapen. Maar stoetema zei: dat kan niet, want
we hebben \'t bed pas opgemaakt voor de jongens; dan most me va-
der maar in den hooiberg gaan. Nou toen most me vader zoo\'n hooge
ladder op van \'en veertig sporten. Jongens! dat kostte henTwat \'en
moeite voor dat ie boven kwam! Toen maakte hij daar zoo\'n kuiltje
voor \'em en haalde het hooi over \'em heen, en bleef stil leggen.
Maar toen ie een uurtje gelegen had, kwam daar \'t houtschuitje; daar
gingen de knechts mee na huis; want het sloeg twaalf uren. Deur
die weg riepen ze an me vader: jan , kom der nou of, daar is \'t schuit-
je! maar me vader zei: neen, want ik zweet zoo, laat me nou leggen.
Maar ze zeiën: jongen, as \'et reis erger wier; je most maar mee
gaan. Toen kwam me vader van den hooiberg af; maar kijk, hij
zweette dan erg. Toen vroegen ze an stoetema om koedekken.
Maar hij wou ze niet geven: me koedekken motten droog blijven,
zeid\' ie. Toen trok de een zen wammes uit, en de ander trok zen
wammes uit, en lei dat over me vader; maar het holp niet, want
het was te kort. Zoo k wammen ze te Uitgeest, maar het was nog wel
\'en anderhalf uur varens. Maar die menschen motten zekerlijk der
tijd noodig gehad hebben, want geen een ging er met me vader
-ocr page 181-
163
mee. Maar toen waren zen beenen zoo stijf geworden, dat ie niet
gaan kon, maar van hoeken tot kanten viel. Toen motten de lui,
die \'m gezien hebben, zekerlijk bij der eigen hebben gedocht, die
man is dronken. Maar ziet! met dat ie zóó an de deur kwam, wou
ie de knop grijpen ...."
Hier raakte de oude barend zijn stem, die al zwakker en afge-
brokener geworden was, geheel kwijt, en stikte in zijn tranen. Met
de linkerhand greep hij zich bij \'t achterhoofd en trok zich bij de
dunne haren.
„Kijk!" zei de oude man, met den voet stampende, en met even
veel smart en verontwaardiging als of zijn vader gisteren gestorven
was, „kijk! as ik an dien boer denk!..."
„Hij wou de knop grijpen," ging hij bedaarder voort, „maarhet
ging niet. Drie dagen daarna was ie \'n lijk. Maar was \'t niet om
dien boer," zei hij, andermaal stampvoetende, „hij zou der makkelijk
nog kennen wezen."
De heer kegge had de tranen in de oogen. Hij tastte in zijn beurs.
„Daar barend ,"zeide hij; „wat er meer is dan een spiergulden is
voor jou. Geef me nu den ruiker maar in een groote spanen doos."
Barend ging de doos halen.
„Die oude heer barend is in allen gevalle toch niet in de wieg ge-
smoord," merkte de heer kegge aan, met gemaakte vroolijkheid. En
zijn oogen afvegende, voegde hij er bij: „een lamentabele historie!
Zoo\'n ouwe kerel zou je nog akelig maken óók."
Wij waren al spoedig klaar en weer te huis. Henriette, die ook al
berouw over hare verstoordheid had, keek weer vriendelijk; en toen
haar vader haar de bloemen gaf, stonden er tranen in haar mooie
oogen. Zij was beschaamd.
„Je bent toch een lieve papa," zei ze, hem kussende, en met haar
fraaie hand zijn haren schikkende. „Ik had het niet verdiend," voegde
zij er bij; en zij boog haar hoofd aan zijn hart.
„G-een coupjes!" zei de vader. „Allemaal gekheid! Een mensch
moet altijd vróolijk zijn!"
Ik begon tienmaal meer van henriette te houden. De kakatoe
riep:
„Zoete vrouw."
Wij zaten nog aan het dessert, toen de heer van der hoogen , dien
ik in mijne gedachten nooit anders dan „den charmanten" noemde,
aangediend werd en binnenkwam.
Henriette kleurde vreeselijk.
„Dérangeer je niet, lieve mevrouw; dankje mijnheer tan kegge.
Een zeer ongelegen uur, inderdaad! Mijn boodschap was aan juf-
frouw tan kegge; het is alleraffreust; ik ben desperaat!"
Ik zag den heer tan der hoogen opmerkzaam aan, maar ik
merkte niets van die verwilderde haren of strakke blikken, die de
-ocr page 182-
164
dichters mij als het onvermijdelijk vereischte der wanhoop hebben
leeren beschouwen. Integendeel; \'s mans lokken zaten , dank zij het
uitmuntend plakmiddel. bij de haarbouwkunstenaars ais cosmétique
bekend, even glad en net als gisteren; de blik zijner oogen was vol-
maakt kalm; en ook beefde de hand des desperaten heeren tan der
hoogen niet, toen hij die naar een glas port uitstak, dat mijn gast-
heer voor ZEd. had ingeschonken
„Ik zal u zeggen;" dus vervolgde hij tot henriette; „ik kan on-
mogelijk donderdagavond bij uwe repetitie zijn. Zoo even ontving
ik de uitnoodiging tot een groot souper bij den heer van lemmer , waar
ik niet van tusschen kan, en \'s middags moet ik bij mevrouw b\'atttré
dineeren! Morgen is er, zoo als je weet, soiree bij den generaal. Als
je van avond niet kunt, dan ben ik waarlijk radeloos. Maar ik vrees
dat je niet zult kunnen...."
De dochtervreezende vader nam deze gelegenheid waar, om alles
wat hij dezen morgen verkorven had geheel weder goed te maken;
want indien henriettes toorn hem bevreesd had gemaakt, hare
tranen hadden hem volkomen overtuigd dat hij haar ongelijk had
aangedaan. Misschien was hij wel een weinigje bang voor eene
nieuwe vredebreuk.
„Nu henriette," zei de heer kegge, het woord schielijk opvat-
tende: „dan zit er niets anders op dan dat je thuisblijft. Je leunt er
wel af, —• zóó is het niet."
„Hadje een invitatie ? Dat vreesde ik al," merkte van der hoooen •
aan; „juffrouw van kegge is overal zoo gechérisseerd. Neen, neen!
als je er iets voor sacrifiëeren moet, doe het dan niet; ik zal..."
„Neen!" zei de heer kegge, „ik ben op die repetitie gesteld. "Wij
wachten u van avond stellig... Om een uur of zeven, niet waar? \'
„Charmant, charmant!" riep de heer van der hoogen uit, en wipte
van zijn stoel op: „dérangeer u niet; a ce soir!" Hij danste heen..
Ik begreep de beschaamdheid en de tranen van henriette nog
beter dan vóór den eten. Het was alles een opgedicht stukje, en de
heer van der hoogen vertrok met de zalige overtuiging, der schoone
brunette een belangrijken dienst te hebben bewezen. Zij zelve had
er berouw van. Ik stond op om hem uit te laten.
„Mijnheer studeert te Leiden, niet waar?" vroeg hij mij in den
gang. „Charmante jongelui. Ik heb ook een half jaar te Leiden gere-
sideerd. Maar \'t is voor \'t overige een miserabele stad. Geen amuse-
men ten; de menschen zien elkander niet. Eens in\'t jaar een bal, om
hun fatsoen te houden. Criant vervelend. Dérangeer u niet. A ce soir!"
„Het spijt mij dat het zoo treft," zei henriette toen ik weder bin-
nenkwam, „maar gij ziet, ik kan nu volstrekt niet gaan."
„Je moet een briefje schrijven!" zei haar papa.
„Foei neen!" zei henriette; „geen briefjes aan de de grooten;
dat zijn die menschen niet gewend."
„Wil ik het voor u af gaan zeggen?" vroeg ik half schertsend.
-ocr page 183-
165
„Heb ik u niet gezegd, inaina! dat mijnheer zin ia saartje heeft?"
sprak HEtfRiETTE lachende; maar daarop nam zij de zaak ernstig; „ik
zou haar inderdaad zéér verplichten!"
„Goed," zei ik, „en als \'t mij bevalt, blijf ik er, in plaats van
juffrouw hexriette: hoe slecht de ruil ook wezen moge. Ik heb niets
tegen vergulden."
„Vergulden!" riep de vader uit, geheel verrukking dat de zaak
zoo geheel ten genoegen van de dochter geschikt was, „wel, ik kan
je zeggen dat He het nog met plezier doen zou. Ik wed dat groot-
mama er nog schik in zou hebben..."
„Ik hou niet veel van goud!" sprak de oude dame.
Om te bewijzen dat eenvoudige genoegens ook genoegens
zijn; en voorts iets droevigs.
De verguldpartij zou uiterlijk te half zes aanvangen, en tegen dat
uur begaf ik mij op weg naar de woning van den koekebakker de
gboot of, zooals henriette altijd zeide, van „de de grooten". Zij
was vrij verre van het huis van den heer kegge gelegen, en ik ging,
op voor een stadgenoot waarschijnlijk zeer heldere, maar voor een
•vreemdeling zeer ingewikkelde aanduidingen van den heer kegge af.
Plotseling bevond ik mij in eene donkere steeg, aan welker einde
een hel licht als uit den grond opkwam, voor welk licht zich eene duis-
tere massa met zekere golving scheen te bewegen. Naarmate ik ver-
der ging, hoorde ik stemmen, die mij toeschenen van jonge knapen
te zijn, uit deze massa voortkomen. Geheel genaderd, zag ik een op
alle manieren op en over elkander liggenden stapel jongens, die
door een kelderraam, waaruit het licht Kwam, het oog hadden op
de bewegingen van een meester koekebakker en zijne gezellen, die
in hunne witte linnen pakjes alzulke schoone wonderen kneedden,
duimden, schikten en bakten, als welke henriette versmaad had
verder te volmaken. Ik stond een oogenblik stil en verlustigde mij
in de belangstelling dier straatjongens, die waarschijnlijk geen beter
aandeel in de genoegens van Sint Nicolaas hebben zouden, dan dat
zij de lekkernijen zagen toebereiden, die hun begunstigder broe-
deren gelukkig, of, zooals maltentige menschen beweren, ziek zou-
den maken.
„Nou, wat weerga, jongen, laat main ook reis kaiken," zei de een,
en ondersteunde zijne\'begeerte met eene heftige beweging derelle-
bogen.
„Doppie, jan! dat is een mooie!" riep een ander, „da\'s zeker \'en
Jan Klaasen!"
„Ben je mal, jongen?" riep een derde; „\'t is \'en waif!"
„Nou as dat \'en waif is," merkte een vierde aan, „dan mag ik
laien dat piet in de\' kelder valt."
-ocr page 184-
166
„Hou je ellebogen vóór je, gerritje; ik waarskou je, hoor!"
„Pas op, pietje! of je holsblok gaat de bakkerij in."
„Kaik; ie doet den oven open; is \'t men een vuurtje?"
„Wat doet die dikke nou weer? Hij doet meel an zen knuisten!"
„Wel nou, mot \'t deeg dan an zen vingers blaiven hangen ? Jij
bent ook een mooie . . ."
„Wacht \'en beetje! da\'s een kokkerd, —die kost wel\'en daalder,
hoor!
„Hoor je hem? Je zoudt er wel kommen met \'en daalder."
„\'En daalder op je oogen."
Deze en dergelijke waren de gesprekken van de kunstbesehou-
wers voor het raam van dit atelier.
Op den hoek van \'t huis hing een groot uithangbord, waarop
de bekende geschiedenis van den Zoeten Inval stond afgebeeld, en daar
onder „H. P. de Geoot. Alle zoorten van koek en kleyngoed."
Ik trad den winkel binnen, en er was zulk een verward geluid van
vrouwestemmen, in een belendende kamer, die door een glazen deur
met een groen horretje daarop uitzag, dat ik duidelijk bemerkte dat
de partij aan den gang was, en ik mij nogmaals luidkeels moest
aanmelden eer er iemand opdaagde.
De glazen deur ging open, en het mooie «aartje verscheen, met
een hooge kleur, als iemand, die uit een zeer druk gesprek, of uit
eene zeer warme kamer komt.
„U alleen; mijnheer jiildebrand?"
„In plaats van uw nichtje kegge, lieve juffrouw! ik kom haar
bij u verontschuldigen."
„Maar u zal toch binnenkomen?"
* „Een oogenblikje."
Saartje opende de deur op nieuw, om mij in te laten, en ik over-
zagde schare.
Daar zat, in al de glorie van een bloedkoralen halsketting, bloed-
koralen oorbellen, bloedkoralen doekspeld, en zelfs van een ring,
met een zeer grooten ronden bloedkoraal aan den vinger,juffrouw
mietje dekker , de dochter van een deftigen kleedermaker, en aan
hare zijde, met een groote doodvlek op haar wang en een koperen
f esp als een vierkante zon op haar buik, keetje de riet uit den
ruidenierswinkel. En daarnaast pietje hupstra, wier vader het ge-
wichtig ambt van deurwaarder bekleedde, en die zich verbeeldde
dat niets losser en bevalliger stond dan een rozerood tissuutje door
een ringetje gehaald. Dan had men er truitje en toosje , de twee
telgen van den heer opper, voornaam metselaar, waarvan de eene
in \'t openbaar een hoed met steenen bloemen, en de andere een dito
met houten pluim droeg, maar die in dezen huiselijken kring zich ge-
lukkig gevoelden in het hoofdsiersel, de eene van een blauwe, de
andere, van een roode céphalide, in de stellige overtuiging dat er op
dit ondermaansche geen bevalliger of modieuzer damescoiffure kon
-ocr page 185-
167
bestaan. Voorts het magere gbietje tan buren , die de oudste van de
gevraagde partij was en een- of tweeëndertigjaren tellen mocht; zij
leefde „in otio cum dignitate" van een kleine lijfrente, haar door eene
oude vrijster gemaakt, bij wie zij iets meer dan kamenier en iets
minder dan gezelschapsjuffrouw was geweest. Zij droeg een mutsje
met een smal kantje, en een toertje aan twee kleine trosjes rozijnen
niet ongelijk. Ook zag ik baktje blom , wier vader een deftige spek-
slagerij had, en die zelve een groote, zwarte duimelot aan haar mid-
delsten vinger droeg, omdat zij zich ongelukkig aan gemelden vin-
ger had verwond, bij welke kwetsuur „de kou\' gekomen was. Ter
afwisseling, suzette noibet, dochter eener weduwe, die op een
hofje woonde, en van de Fransche gemeente was. Deze had een
allerliefst, beschaafd en net besneden uiterlijk, en wedijverde, in het
bruin, met het blonde saabtje , waarnaast zij gezeten was. Én ein-
delijk, aan het hooger einde van de tafel, moeder de gboot zelve,
een dame van een veertig jaar, in eene zwarte zijden japon gekleed
en dragende een muts met eene belangrijke hoeveelheid wit lint op-
gesierd, die groot en breed genoeg was, en toch ongetwijfeld slechts
een schaduw vertoonde van het hoofdtooisel dat zij op den vijfden
december dragen zou.
De herhaling van mijn boodschap maakte veel sensatie bij juf-
frouw BE gboot , die genoopt had met nicht henbiette te pronken;
het speet de vergaderde juffers ook recht, zooals zij zeiden, schoon
ik mij overtuigd hield, dat het wegblijven van zulk een dame\\oov
menig harer een pak van \'t hart was. Een algemeen gefluister, dat
door de dames twee aan twee werd uitgevoerd, volgde, waaruit zich
eindelijk de solo van gbietje van buben ontwikkelde, met de betui-
fing, „dat het jammer voor juffrouw kegge was; zoo reis vergulden,
at was altijd nog reis aardig".
„Ik hoop," zei juffrouw de gboot, „in de aanstaande week, de
kleine neefjes en nichtjes der ook nog reis op te nooden. Dan vraag
ik zoo wat klein grut."
„Maar dan zalje ook zulke effetieve stukken niet laten werken,"
merkte juffrouw van buren aan, haar penseel indoopende en een
lange streep goud op den wimpel van een oorlogschip klevende.
„tZiet er wel prettig uit," zei ik zelf; „ik watertand om het ook
reis te doen. Mag ik eens effen van de partij zijn?"
Dit voorstel bracht een schaterend gelach en groote vrooliikheid
teweeg, die evenwel nog vermeerderde, toen men zag dat ik het
waarlijk meende.
Tot de edele kunst van vergulden, ook wel, met eenen bij alle koeke-
bakkers voor beleedigend gehouden naam „plakken" genoemd, zijn
vier dingen noodig, als: de koek die verguld moet worden, het
verguldsel zelf, een nat penseel, en dat gedeelte van een hazen- of
konijnenvacht, hetwelk jagers de pluim, en gewone menschen den
staart noemen, en dat in dit bijzonder geval dient om het opgelegde
-ocr page 186-
IÜS
goud aan te dringen en vast te drukken. Om alles geregeld in zijn
werk te doen gaan, zat aan het eene einde van de tafel het lieve
saaetje, die de verschillende sinterklaaskoeken uitdeelde, welke
de bewerking moesten ondergaan: vrijers, vrijsters, schepen, para-
dijzen, dagbroers, ruiters, rijtuigen, allen meestal van de eerste
f rootte; terwijl aan het tegenovergestelde einde moeder degkoot,
ie ook de thee schonk, boekjes bladgoud in breeder en smaller
reepen knipte, om daarvan ieder behoorlijk te voorzien, de tafel met
kopjes met water bezaaid was, en elk der genoodigden met een
penseel en een konijnepluimpje was uitgerust. Men voorzag ook
mij hiervan, en bij ieder materiaal of instrument, dat ik in handen
nam, proestte men \'t uit van \'t lachen en ging een kreet van ver-
bazing op.
„\'t Is zonde!" betuigde mietje dekker.
„Heb ik van mijn leven?" informeerde keetje de eiet.
„Die stedenten nebben alevel altijd wat raars," fluisterde die van
de roode céphalide.
„Menheer doet het heusch!" verklaarde die van de blauwe.
„\'k Ben benieuwd hoe dat af zal komen," sprak grietje van bijeen.
„Wat menheer breekt mag menheer opeten, niet waar juffrouw de
geoot ?" vroeg baetje blom , die het goed met mij scheen te meenen.
Maar suzette noieet en saartje wezen mij te recht en deden \'t
mij voor.
Nu moeten mijne lezers, die misschien laag op de schoonekunst
van koekvergulden neerzien, niet denken dat de gezegde kunst zoo
heel eenvoudig en gemakkelijk is. Ja, een vierduits varken kan een
ieder beplakken; een streepje voor den grond, en een ruitje op zijn
lijf, dat kan een kind! Maar deftige vrijers en vrijsters van vierën-
twintig stuivers netjes te vergulden, tot de plooitjes van den kraag
en de ruitjes van den breizak toe; een Eva Dij den boom op te sie-
ren, geen enkel appeltje (want het is een appelboom geweest) te
vergeten, en de bochten van de slang niet hoekig te maken, een ge-
heel oorlogschip met gouden reepen op te tuigen en de schietgaten
netjes af te zetteu, zooals juffrouw van buren deed, en een koets met
paarden, als juffrouw de riet, die het zweepkoord zoo natuurlijk wist
te doen kronkelen of het een gouden kurketrekker was, dat is iets
anders. Het is gemakkelijk gezegd: \'t is maar koekvergulden! maar
ik verzeker u dat koekvergulden en koekvergulden twee is, en dat
«r bijvoorbeeld een hemelsbreed onderscheid was tusschen den vrijer,
dien toosje, en den vrijer, dien truitje had uitgemonsterd, zoodat
toosje zelve moest bekennen dat ze niet wist hoe truitje die pa-
rapluie zoo natuurlijk kreeg; waarop de vrijer van tbuitje dan ook
rondging, en het geheele gezelschap eenstemming verklaarde, dat
het waarlijk was als of die parapluie leefde. — Ik voor mij kanu
als eerlijk man betuigen dat mij; nadat ik eerst mijne krachten aan
den zadel van den ruiter, dien juffrouw noieet onder handen had,
-ocr page 187-
169
beproefd, en mij van haar omtrent de hoofdgeheimen der kunst
had. laten onderrichten; dat mij, zeg ik, een koude rilling door de
leden ging, toen er een groote, majestueuze dagbroer voor mijne
eigene onbijgestane verantwoording werd gelegd. Eén ding kan ik
niet nalaten hier ten algemeenen nutte op te merken. In hetkoekver-
gulden is vooral van het uiterste gewicht de juiste hoeveelheid wa-
ter, die men op de plaats penseelt, waar men het goud op wil doen
kleven; want neemt men die te gering, zoo wil het niet kleven, en
doet men het te nat, zoo wordt het verguldsel dof. Eu wat is er nu aan
«en doffen dagbroer?
Spoedig was men het er over eens, dat ik het al heel mooi begon
te doen; ik hoop niet dat men grootspraak zal achten, wat ik gaarne
aan de zachtmoedigheid der critiek toeschrijf; en weldra lette men
er niet meer op. Ook werd het gesprek gedurig levendiger. Mietje
dekker met de bloedkoralen, keetje de eiet, en pietje kupstra
hadden het heel druk met juffrouw de groot over „fripante sterf-
gevallen in de Haarlemmer krant; drie onder mekaar in den
bloei van \'t leven, en twee door een ongelukkig toeval". Voorts
spraken zij van „pinnetrante kou, fattegante reizen, en katterale
koorsen." Zij roerden ook het teeder onderwerp van „vomatieven,
en opperaties", en kwamen van lieverlede nog eens op den vinger
van babtje blom. „Zij moest er toch niet te luchtig over denken." De
een zei, zij moest er den meester bij halen, maar de ander beweerde
dat zij er den meester niet bij moest halen; en zulks om de duchtige
reden, dat er een meester was geweest, die den duiin van den neef
van haars zusters man „verknoeid" had. De een wilde haar vinger pap-
Een, omdat de kou er bij was; een ander ried zoete melk aan om er den
rand uit te trekken; een derde, kennelijk onder den invloed van den
genius der plaats, achtte niets zoo heilzaam als koekebakkersdeeg.
En babtje blom dacht er over hoe zij deze verschillende raden het best
zou vereenigen. Daarop maakte grietje van buren zich van den
boventoon meester en vertelde het gezelschap wonderen van de
gierigheid van de freule troes , van wie zij hare lijfrente had. „Ik
kan je zeggen, mensch, als er zoete appelen zouen gegeten wor-
den, gaf ze der vierentwintig uit, en dan moest de meid de pan bin-
nenbrengen als ze ze geschild had, en dan telde ze na of der —
hoeveel is \'t ook weer? viermaal vierentwintig? — als \'t viermaal
vijfentwintig was, dan was \'t net honderd; dat\'s vier minder; dat\'s
zesennegentig; — of der zesennegentig vierdepartjes waren, en als
ze dan op tafel kwamen, nog eens." Waarop die van de blauwe en
roode céphalides hare uiterste verbazing te kennen gaven. Babtje
blom vroeg of het waar was, dat de freule enkel zoo rijk was gewor-
den, door in haar jeugd al de spelden en naalden, die zij bij den weg
vond, op te rapen en te verzamelen? En ik nam de gelegenheid waar
om verscheidene anecdotes van befaamde Engelsche gierigaards te
verhalen, die bij al mijne kennissen hadden uitgediend, maar die hier
-ocr page 188-
170
nog eens gaaf opgingen, zoodat men mij zeer aardig begon te vinden,
maar tusschenbeiden ook aanmerkte „dat ik er maar wat van maakte".
Juffrouw noiret was niet zeer spraakzaam, en ik bracht haar
doorgaande stilheid in verband met een weemoedigen trek om den
mond, die mij deed onderstellen dat zij niet gelukkig was.
Saartje was allerliefst en, schoon het geheele gezelschap in be-
schaving vooruit, ook hier volkomen op haar plaats, en enkel
eenvoud. Zij liep gedurig af en aan, om ieder van het noodige te
voorzien; maar grietje van buren begon haar veelbeteekenende oogen
toe te werpen en op eene mysterieuze wijze toe te lachen , waarvan de
zin was dat zij haar met mij plaagde, tot groot genoegen van al de
anderen. Evenwel kreeg bartje blom ook haar beurt, daar men haar
laatst, bij het uitgaan van de kerk, zoo vriendelijk had zien groeten
tegen een zekeren kees; maar zij wendde de scherts af, door haar op
die van de roode céphalide over te brengen, die laatstleden kermis met
denzelfden kees in \'t paardespel geweest was; en die van de blauwe
céphalide werd opgeroepen om te getuigen dat het tusschen haar
zuster en kees, „ja, ja! wel zoo wat koek en ei was, als men zegt";
waarop die van de roode zeide, dat die van de blauwe wel zwijgen
mocht; waarop grietje van buren aanmerkte, dat ieder zijn beurt
kreeg; waarop bartje blom uitriep: „Nu . nu grietje; ik vertrouw
jou ook niet! je gaat tegenwoordig zoo dikwijls naar Amsterdam;
ik denk dat daar ook wat zit!" waarop grietje verklaarde, dat bartje
een ondeugd was. — Ik merkte op dat bijzette noiret door niemand
werd geplaagd.
Om een uur of half acht kwam er een groote ketel anijsmelk bin-
nen, die door al de dames „déli" gevonden werd. Daarna kwam de
schepper en boetseerder van al de koeken kunstgewrochten, die
wij zaten op te luisteren, even uit de bakkerij opdagen, en keek
eens of men wat vorderde. Het was een ordentelijke, goedhartige,
vroolijke man, die er heel veel pleizier in had, toen bartje blom hem
knipoogend vertelde, dat toosje en truitje opper vast wel voor zeven
gulden gebroken en opgegeten hadden, waarop toosje aanmerkte dat
zij, bartje, wel zwijgen mocht, daar zij zelve een heel oorlogschip
in haar zak had gesmokkeld; waarop de koekebakker dreigde, dat
geen van de dames de deur uit zoude komen, voor hij zelf haar zak
had geïnspecteerd. Toen verhief zich de vroolijkheid tot uitgelaten-
heid. De groot stopte een klein houten pijpje, dat hij in de hand had,
en daalde weder ter bakkerij e.
Met slaan van negenen kwamen er drie stevige, opgeschoten kna-
pen, goedige bollebuizen, met hun besten rok aan, en boorden tot
over de ooren. De een was een broer van pietje hupstra , en schreef
op \'t stadhuis; de ander was een broer van de juffrouwen opper, en
voor \'t kastemaken bestemd ; en de derde, een broer van keetje de
riet , ondermeester op een Hollandsche school; het doel van hunne
verschijning was geen ander dan hunne zusters en al wie zich ver-
-ocr page 189-
171
der aan hunne bescherming zoude willen toevertrouwen at te
halen en thuis te brengen.
Nu zei juffrouw de groot dat men maar uit zou scheiden, want
dat het toch altijd gekheid werd „als de heeren er bijkwamen", en
er werd besloten dat men nog gauw een pandspelletje doen zou.
Men koos daartoe, nadat het geheele verguld-atelier als zoodanig was
opgeredderd, „alle vogels vliegen", en ik heb nooit zooveel onschul-
dige vreugde bij malkaar gezien als toen de oude juffrouw de groot
een dromedaris wilde laten vliegen. Bartje blom werd met „den
vogel struis" verstrikt, en er ontstond verschil over de vleermuis,
van welke de ondermeester de riet beweerde „dat hij niet vloog,
maar fladderde". Hoe dit zij, hij verbeurde pand, en al de heeren
verbeurden pand, en saartje verbeurde pand, en wij verbeurden
allemaal pand.
Toen werd grietje van buren verkoren om al de panden te doen
lossen, en werden de bloedkoralen armbanden en de bloedko»
ralen speld van mietje dekker , met en benevens het tissuutje van
keetje de riet, en een „lodereindoosje" van haarzelve, en een vin-
gerling van de oude juffrouw de groot, en een pennemes vanden
ondermeester de riet , en eene ménagère van bartje blom , en een
horlogesleutel van den kastemaker opper, en een huissleutel van
de klerk httpstra, en een beurs van mij zei ven, en al wat verder
ter tafel was gebracht, in HEd. maagdelij ken schoot geworpen,
daarover werd een zakdoek gespreid, en nu begon het roepen van:
wat zal diegene doen, van wien ik dit pand in de hand heb ?
Ik spreek niet van de moeielijke en wonderspreukige dingen, die
wij tot het terugbekomen onzer kleinoodiën moesten ten uitvoer
brengen; als met vier pooten tegen den muur oploopen, een spiegel
stuk trappen, den zolder zoenen, en dergelijke; nog van zoete pe-
nitentiën, als daar waren: hangen en verlangen, de diligence, de
put, de klok, het bijenkorfje, en andere, waarbij machtig veel ge-
kust en evenveel gegild werd. Ik schilder u de uitgelatenheid des ge-
heelen gezelschaps niet, toen toosje opper iets heel moeielijks had
opgegeven, in de stellige overtuiging dat bartje bloms pand voor
den dag zou komen, en het waarlijk haar eigen naaldekoker bleek
te zijn; of toen de heer iiupstra , in het spaansch speksnijden, dat hij
nooit te voren gedaan had, met zekere verliefdheidde mooie juft\'rouw
noiret had gekozen , en per slot niets te kussen kreeg dan den har-
den muur, terwijl den jongen opper het lot te beurt viel haar den
zoen te geven! — in één woord, het was aller-aller-prettigst, de
vreugd was op ieders aangezicht te lezen, en ik vermaakte mij du i-
zendmaal meer onder deze goede blijhartige menschen, dan ik gedaan
zou hebben, indien ik ware thuisgefileven onder de sublieme
piano van juffrouw kegge en de charmante viool van den char-
manten van der hoogen.
De dames, die nu allen kleuren hadden als boeien, werden onder
-ocr page 190-
172
de heeren verdeeld, en. ik naai op mij juffrouw itoiret, die mij groot
belang inboezemde, thuis te brengen. De juffers namen van elkander
en van ons een hartelijk afscheid; de drie bollebuizen drukten mij allen
zeer voelbaar de hand; en ik was zeer tevreden met de vriendschap ,
die ik zoo onverwachts had aangeknoopt.
Juffrouw soiret was er mede verlegen dat ik de moeite nam haar
thuis te brengen. „Het was zoo ver!"
Ik antwoordde zooals betaamde, dat hoe langer ik haar bijzijn
genoot, het mij des te aangenamer zijn zou.
„Ach!" zeide zij, „mijn bijzijn, mijnheer, is toch anders niet heel
aangenaam. Ik schaamde mij onder al die vroolijke menschen. Zat
ik er niet treurig bij ?"
„G-ij waart zeker niet zoo luidruchtig als de overige. Maar toch...."
„Xeen, zeg het niet! zeg niet dat ik vroolijk was!" viel zij mij in
de rede. „Het zou mij spijten. Ik hield mij zoo goed als mogelijk;
maar mijn hart was ergens anders ... Mijn hart was bij mijn moeder,"
voegde zij er haastig bij.
„Is uw moeder ziek, of..."
„Zij is oud, mijnheer! heel oud. Was zij niet wèl geweest, u
zou mij daar niet gevonden hebben. Maar wie kan zich bij vrien-
delijke menschen, die u gaarne zien, verontschuldigen, altijd weer
daarmee verontschuldigen, dat zij een oude moeder heeft? Ook
had zij van avond iemand die haar gezelschap hield, en wilde zij
volstrekt dat ik gaan zou."
Suzettb zuchtte.
„Is uw moeder zoo heel oud?" vroeg ik. „Gij zijt, dunkt mij , nog
zoo heel jong."
„Ik ben drieëntwintig, mijnheer!" antwoordde zij met openhar-
tigheid, „en mijn moeder is vijfenzestig. Maar zij heeft veel onge-
lukken gehad. Mijn vader stierf voordat ik geboren werd. Zij had
toen negen kinderen; sedert twaalf jaar ben ik haar eenigste, en nu
kan zij niet wel zonder mij ... en ik niet wel zonder haar."
„En uw vader ..."
„Mijn vader was de zoon van een Zwitsersch predikant, mijnheer!
Maar zijn vader had hem niet kunnen laten studeeren. Hij had maar
een kleinen post bij het accijnskantoor, en moest mijne moeder in be-
hoeftige omstandigheden achterlaten. Maar wij werken beide. Nu heeft
zij sedert drie jaren het hofje, en dat is een groot geluk. En toch ..."
„Ik geloof," zeide ik, „dat wij voor de poort van het hofje staan.
Klopt men hier aan, of moet men aan dien langen schel trekken ?"
„Helaas, geen van beiden," zei suzette, op een allerdroevigsten
toon van stem, die een klank had als of haar een traan in de oogen
schoot: „geen van beideu. Mijn moeder woont wel op het hofje,
maar ik niet."
„Waarom niet?" vroeg ik.
-ocr page 191-
i7a
„Op het hofje woont niemand onder de zestig jaar," ging suzette
voort; „ik kom er \'s morgens heel vroeg, zoodra de poort opengezet
wordt, en "blijf er den heelen dag hij mijn moeder; maar slapen mag
ik er niet. Voor tienen moet ik er van daan, en \'s avonds na zevenen
mag ik er zelfs niet meer op. O, wat zou ik geven als ik mijn moeder
nu nog maar eens even mocht goenacht zeggen!...."
En zij zag naar de geslotene poorte om.
„Mijn moeder slaapt daar nu moederziel alleen in haar huisje,"
ging zij voort; „haar naaste buurvrouw is hartstikken doof; en als
haar eens iets overkwam —! Dat, dat is mijn grootste zorg; dat pij-
nigt en vervolgt mij altijd en overal!..."
„Maar als uw moeder ziek wordt, dan moogt ge toch wel..."
„Als zij ernstig ziek wordt, dan schrijft de dokter van\'t hofje een
verklaring dat zij niet alleen kan blijven, en dan mag ik in haar
huisje slapen. Maar ach, het ligt mij op de leden dat mijn lieve moe-
der er eens onverwachts uit zal zijn, en als dat eens bij nacht was!
O, ik bid God alle dagen dat het bij dag moge zijn ... Ik zou het
niet overleven!"
Wij gingen zwijgend verder.
„Hier woon ik, mijnheer!" zei juffrouw noiret, hare schoone
oogen afvegende, als wij voor een kleinen koomenijswinkel ston-
den; „ik dank u voor uw vriendelijkheid."
„Ik hoop," zeide ik, „dat gij uwe moeder nog lang zult hebben,
en zonder angsten."
Zij reikte mij stilzwijgend de hand, en als het licht uit den klei-
nen winkel op haar gelaat viel, zag ik hoe bleek en hoe bedroefd
zij was. Wij scheidden.
Ik vond de familie kegge reeds bijna aan het souper. Van dkr
hoogen deelde er in, en maakte op walgelijke wijze het hof aan hen-
riette , die al de aantrekkings- en afstootingskunsten eener handige
eoquette (het is een aangeboren gave) in werking bracht. Men ver-
meed in \'t bijzijn van ZHWGr. van „de de grooten" te spreken en,
eerst toen hij vertrokken was, vroeg men hoe ik mij geamuseerd had.
Ik gaf een gunstig antwoord, maar trad in geene bijzonderheden,
omdat ik voor geen geld ter wereld de onschuldige vreugde der de
grooten , de bieten , dekkers , htjpstra\'s en zoo voorts, door eene
juffrouw henriette kegge wilde hooren bespotten.
De grootmoeder.
Toen ik den volgenden morgen na het ontbijt de bibliotheek bin-
nentrad, zat daar de oude dame in een ruimen lagen leunstoel met
roodlederen zitting en rug, die waarschijnlijk tot de stoffeering van
haar eigen kamer behoorde, bij het vuur. Eene kleine tafel was
-ocr page 192-
174
daarbij aangeschoven, en daarop lag een Engelsche octavo Bijbel,
waarin zij ij verig las. Zij hield daarenboven een breiwerk in de hand.
De schoone lange-hond zat weder naast haar stoel en keek oplet-
tend tot haar op. Werkelijk volgde hij met zijne goedige oogen
iedere beweging van haar hoofd en hand, als zij van den Bijbel naar
haar breiwerk keek om de steken te tellen, of een blad omsloeg.
Van alle personen, die het huisgezin uitmaakten, kende ik deze
het minst, daar zij nooit dan bij het middagmaal verscheen en na
afloop daarvan onmiddellijk weer vertrok. Was het alleen daardoor
dat zij mij ne belangstelling prikkelde, of was het ook door haar deftig,
stil, en ingetrokken voorkomen, de weinige, korte, verstandige ,
maar dikwijls wel wat harde woorden, die zij sprak, en de verknocnt-
heid van haren schoonen langen-hond ? Hoe het zij, ik hoopte har-
teliik, dat zij een gesprek met mij zou aanknoopen.
Zij scheen mijn binnenkomen niet bemerkt te hebben, en terwijl
ik mij nederzette en mijne boeken opensloeg, hoorde ik haar half
overluid de schoone plaats van paulus oplezen: „For we are saved
by hope: but hope that is seen is not hope: for what a man seeth,
why doth he yet hope for ? But if we hope for that we see not, then do
we with patience wait for it" (Bom. VIII. 24, 25).
Zij schoof den Bijbel een weinig vooruit, en leunde met den rug
in haar stoel, als om daarover na te denken; zachtjes herhaalde zij
de woorden „then do we with patience wait for it".
Plotseling bemerkte zij dat ik mij in het vertrek bevond.
„Gij zult mij vandaag moeten dulden, mijnheer!" dus begon zij;
„mijn kamer wordt schoongemaakt, en dan oen ik gewoonlijk hier."
„Gij leeft een zeer eenzaam leven, mevrouw!" antwoordde ik;
„drukte zal u misschien hinderen."
„o Neen!" hernam zij, met een luide stem; „ik ben sterk genoeg.
Mijn hoofd is zéér sterk; ons menschengeslacht is zoo zwak niet.
Maar ik ben niet meer geschikt voor gezelschap; ik ben te somber,
te ernstig geworden. Ik zou hinderen; ik zou vervelend zijn. Dit
boek," zeide zij, op haren Bijbel wijzende, „dit boek is mijn gezel-
schap."
Zij zweeg eenige oogenblikken, en streelde den kop van haar
hond met de bruine hand. Daarop hief zij zich weder een weinig in
haar stoel op.
„Gij zijt nier nu reeds een paar dagen, mijnheer hildebrand ,"
hernam zij ; „en de aanleiding tot uwe kennismaking met de familie
is van dien aard dat.... Zeg mij eens, heeft men al eens met u over
den lieven william gesproken?"
„Het spijt mij, mevrouw! dat ik u ontkennend moet antwoorden.
Neen! men heeft met mij nog geen woord over william gewisseld."
„Heb ik het niet gedacht!\' riep zij uit, hare handen in elkander
slaande en een diepen zucht loozende, die in een droevigen glimlach
overging: „ik wist het wel; ach, ik wist het wel!"
-ocr page 193-
175
Zij zag treurig haar hond aan, die, als verstond hij hare klaeh-
ten, zijn voorpooten op haar schoot legde en zijn kop tot haar aan-
gezicht ophiet, om haar te streelen.
„En toch is hij nog geen drie jaar dood, Diaan!" zeide zij, den
poot van den hond aanvattende; „de lieve uill is nog geen drie
jaar dood. Ik wil wedden," voegde zij er met nadruk bij, „dat de
nond hem nog niet vergeten heeft."
Eenige oogenblikken zat zij in een gepeins, waar ik haar niet in
durfde storen.
„Hij was mijn oogappel!" barstte zij uit, „mijn lieveling, mijn
uitverkorene, mijn schat!" — En toen bedaarder: „hij was een lieve
jongen, een heele lieve jongen; niet waar, mijnheer hildebeand?"
„Dat was hij," zeide ik.
„En toen hij wegging," ging de grootmoeder voort, „was het als-
of het mij werd ingefluisterd dat ik hem niet weer zou zien; en
Diaan hield hem bij zijn mantel terug. Niet waar, Diaan ? Bill had
niet moeten weggaan. Hij had moeten blijven, moeten oud worden
in plaats van de vrouw. — Eu als hij dan volstrekt had moeten sterven,
dan had ten minste zijn grootmoeder hem de oogen moeten toe-
drukken. Wie heeft het nu gedaan ? ...."
Wat deed het mij goed aan het hart, haar te kunnen zeggen, dat
ik het zelf was geweest!
„Inderdaad?" vroeg zij met een zachten lach. „Ik benijd u." En zij
zag mij aan met een langen en strakken blik.
„Dezen zakdoek," ging zij na eenige oogenblikken zwijgen» voort,
op den foulard wijzende, dien zij om den hals droeg, „liet hij bij
het afscheid liggen. Hij ging de deur uit, maar kwam. nog weer terug
om hem te halen. De arme jongen had hem wel noodig, want ik kon
hém in zijn tranen wasschen. Ik wischte zijn oogen af en wilde den
doek behouden. Die doek eu deze brieven zijn mijneenige troost!"
Zij sloeg haar Bijbel op verschillende plaatsen op, en toonde mij
de brieven, die zij van william ontvangen had en in dat boek
bewaarde. Zij nam er eenen op en tuurde een poosje op het adres.
„Hij schreef een mooie hand; deed hij niet?" zeide zij, en reikte
mij den brief toe.
Ik las het adres. Het luidde: „Aan Mevrouw E. Maebison ." — E.M.!
Dat waren de voorletters die op den ring gegraveerd stonden, dien
hij mij op zijn sterf bed gegeven had. E. M.! Ik had aan dien ring een
gansenen roman geknoopt; in die letters den naam van een lief,
jeugdig meisje gelezen, dat haar jong hart reeds vroeg voor william
geopend had! Maar hoeveel aandoenlijker was dit pand eener een-
youdige genegenheid tusschen grootmoeder en kleinkind! Schoon
ik anders den ring niet droeg, had ik hem toch dezer dagen aange-
trokken. Ik nam hem van mijn vinger.
„Deze gedachtenis," zeide ik, „gaf hij mij op zijn sterfbed. Hij
beval ze mij aan als iets dat hem heel dierbaar was."
-ocr page 194-
176
Het gelaat der oude vrouw helderde op; en nu voor het eerst scho-
ten er tranen in die oogen, die tot nog toe zoo strak gestaard hadden.
„Mijn eigen ring!" riep zij uit. „Ja! ik gaf hem dien voor den neus-
doek; heeft hij hem altijd gedragen ?"
„Tot weinige uren voor zijn dood!"
„En zeide hij, dat hij hem heel dierbaar was ? De lieveling! Heeft
hij zijn laatste krachten nog gebruikt om dat te zeggen ? En waren
zijne laatste gedachten ook bij zijn grootmoeder? — Zie je wel,
Diaan!" zeide zij tot den hond; „het is het ringetje van de vrouw,
dat de lieve bill gedragen heeft. Hij heeft ons niet vergeten, Diaan!
en wij hem niet — ofschoon dan ook .. .. Ach mijnheer!" ging zij
voort, „mijne dochter was in \'t eerst zoo hevig bedroefd; maar zij
gevoelt niet diep; zij was de laatste, de eenig overgeblevene, maar
niet de gevoeligste van mijn kinderen. Ook had zij zooveel kinderen
over. Maar ik, ik had mijn hart op william gezet. Hij droeg den
naam van zijn grootvader, mijn eigen braven william ! Hij was altijd
zoo eenvoudig, zoo lief, zoo teer, zoo aanhalig voor mij. Het was
een lieve jongen ? Wat doen wij hier zonder hem, Diaan ?"
Weder volgde er een korte pauze.
„Kegge is een goed mensch!" ging zij voort. „Hij is goed, hij is
hartelijk, hij is week. Maar hij is vol valsche schaamte; hij wil nooit
met een traan gezien worden. Hij verdrijft zijn beter gevoel door
luidruchtigheid. Toen hij hanna trouwde, was zij een speelsch
kind, dat met zes jonge honden door de plantage liep. Hij heeft haar
niet ontwikkeld, niet geleid; zij ziet hem naar de oogen, zij richt
in alles zich naar hem; onder zijn invloed durft zij niet anderszijn
dan hij zich voordoet. Somtijds ben ik hard tegen kegge, en daarom
leef ik liever alleen. Hij verstaat mij niet. En dan! dat er nooit, nooit
een woord over den lieven william: gesproken wordt! — Maar wij
spreken van hem, niet waar Diaan P en zij streelde hem zachtkens
over den kop: „wij spreken van hem. Hij was zoo goed voor den
hond, en de nond had al zoo vroeg met hem gespeeld. Als ik lang
naar den hond kijk, is het als zag ik den kleinen bill nóg met hem
spelen ...."
Zij nam den ring weder op.
„Ik zal hem u weergeven, als gij weggaat," zeide zij; „maar laat
mij hem nog een paar dagen houden."
„Houd hem uw geheele leven, mevrouw!" riep ik haar toe. „Grij
hebt er de grootste en teederder rechten op dan ik."
En ik reikte haar de hand.
„Mijn geheele leven!" antwoordde zij: „ik wenschte wel dat dat
niet lang ware. Ik ben niet geschikt voor dit land. Mijn vader was
een Engelschman, maar mijn moeder eene Westindische van ouder
tot ouder, eene inboorlinge. De lucht is mij hier te laf, de zon te
flauw. Zoo gij wist wat het mij gekost had de West te verlaten! Maar
mijn eenig kind, en het graf van mijn kleinkind trokken mij hier-
-ocr page 195-
177
heen. Ook wilde men mij niet alleen achterlaten. Ik mocht niet hKj-
ven in het huis, waar ik william vóór mij had gezien; ik moest af-
scheid nemen van de plekjes, waar ik hem had zien spelen, waar hij
op zijn klein paardje voor mijne oogen had rondgereden. Ik zou zijn
graf wel eens willen zien. Ik verlang om naast hem te slapen in den
vreemden grond ...."
Diaan, die zijn kop weder weemoedig in haar schoot gelegd had,
hief dien langzaam op, en zag haar droevig aan. Er lag een vraag
in zijne oogen:
„En wat zal er dan van Diaan worden?"
Een Concert.
De belangrijke dag, waarop (zoo als de charmante gezegd had)
al wat in de stad smaak had, en ik voeg er bij , lid was van het con-
cert Melodia, stond verrukt te worden door het spel van mejuffrouw
henbiette kegge, de mooie dochter van den rijken West-Indiër,
was gekomen.
De piano was vroeg in den morgen ter concertzale gebracht om te
acclimateeren, en de lieer van der hoogen was er zelf heengegaan
om haar te ontvangen; ja, hij was zelfs eenigszins martelaar van
die gedienstigheid geworden, daar de kastemakersgezellen, die het
stuk hadden overgebracht, bij het strijken, een der pooten op \'s mans
likdoren hadden doen nederkomen, dat hem „arferaffreust!" zeer
had gedaan.
Papa had aan het diné zich een paar malen onderwonden op te
merken dat zijn dochter toch wel wat bleek werd, als er van het con-
cert werd gesproken, iets hetwelk trouwens maar zeer weinig het
geval niet was; maar zij wilde volstrekt niet bekennen en zou er
eindelijk zelfs boos om geworden zijn.
Na den eten begon men dadelijk toilet te maken, en tegen half
zeven kwam de schoone henbiette beneden. Zij droeg een zeer lage
japon van gros-de-naples, van een zeer licht bruinachtig geel, en
had een snoer volkomen gelijke kleine paarlen door haar lokken
gevlochten; verder droeg zij geene versierselen hoegenaamd.
Mama kegge was veel schitterender. Haar klein hoofd zwoegde
onder eene groote toque met een paradijsvogel. Een gouden halsket-
ting, die het dubbel kon wegen van dengenen dien zij altijd droeg
en waarmede zij, geloof ik, ook sliep, hing over hare schouders, en
haar japon was vooral niet minder dan vuurrood.
De kleine hanna was gelukkig in \'t wit, maar lag ook al aan een
gouden ketting. De beide jongens zagen er uit als gewoonlijk; maar dat
zij ieder een cylinderuurwerk op zak hadden, dat zij geen van
beiden konden opwinden, en waarop slechts een van beiden zoo
12
-ocr page 196-
178
wat half en half kijken kon hoe laat het was, scheen mij toe niet
overnoodzakelijk te wezen. Trouwens, indien zij er maar gelukkig
mee geweest waren, ik had hun die uurwerken, als speelgoed, gaarne
gegund. Maar zij waren reeds volkomen blasé op het punt van dat
moois.
„Ben je er niet héél blij mee ?" vroeg ik aan den oudste.
„Wel neen we!" antwoordde de jongste.
Mijnheer kegge wilde volstrekt met slaan van zevenen vertrek-
ken, maar henriette stond er op dat men niet gaan zou voor kwart
óver zevenen.
De charmante kwam nog eens aangedraafd en was charmanter
dan ooit. De mouwtjes van den bruinen rok, dien hij droeg, waren
nog korter dan van zijn groenen; de overgeslagen manchetten nog
polieter en nog meer gesteven; zijne handschoenen nog geler; zijn
vest vertoonde in rood en zwart een schitterend dessin op een reus-
achtige schaal; hij zette zijn lorgnet in den hoek van het oog, om
een overzicht van henriette te nemen.
„Om voor te knielen!" riep hij uit. „Allercharinantst! Mevrouw
\\an kegge, je hebt eer van je dochter!"
En daarop huppelde hij weder heen om de familie in de zaal op te
wachten en te zorgen dat de plaatsen niet in bezit genomen werden
„want het zou criant vol zijn\' !
Henriette liep heen en weer door de kamer en sprak nu en dan
met den kakatoe om hare gerustheid te toonen, welke gerustheid
niettemin eenigszins werd tegengesproken door een herhaald en
ten laatste wel wat overtollig kijken op de pendule, die eindelijk op
kwartier over zevenen stond. Het rijtuig wachtte, en wij reden ter
muziekzaal.
De charmante stond in den gang ons op te wachten en bood zijn
arm aan mevrouw kegge aan; ik volgde met henriette , en het luid
gezwatel van stemmen, dat den stormwind der muziek voorafgaat,
liet zich hooren. De komst van de familie kegge maakte eenige op-
schudding onder de jonge heeren, die achter in de zaal stonden en
die door den heer kegge , naarmate hij hen passeerde, zeer luidkeels
begroet werden. Over \'t algemeen sprak ZEd. een toon of wat te
hoog en te bar voor een publieke plaats.
„Van der hoogen! waar moeten de dames zitten? Ik hoop wat
vooraan. Henriette moet zoo\'n lange wandeling niet maken, als ze
spelen zal. Hier, dunkt me. Op deze drie stoelen. Henriette op den
hoek; mama in \'t midden; en de kleine kleuters daar."
Toen keek hij triomfantelijk rond om te zien welk een uitwerking
deze onafhankelijke taal op de groote hanzen en adellijke heeren,
die rondom stonden, maken zoude.
Men zat. Een aantal lorgnetten geraakte in beweging om de mooie
juffrouw kegge; een aantal hoofdjes van dames, die in een zeer druk
gesprek gewikkeld waren, draaide zich van tijd tot tijd naar haar
-ocr page 197-
179
om, zonder evenwel den schijn te willen hebben er werk van te ma-
ken haar gade te slaan. Sommige keken verbaasd van de toque
van mevrouw; andere lachten in haar geborduurden zakdoek om
de drukte van mijnheer; een paar stieten elkander aan wegens de
charmantheid van den charmanten.
„Is freule nagel hier óók?" vroeg hem heïtriette, haar donkere
boa een weinigje latende zakken. In de laatste dagen had zij veel
aan de hooggeborene gedacht.
„Nog niet," antwoordde hij, het lorgnet uit zij n oog latende val-
len alsof het een groote traan geweest ware; „nog niet, maar zij
komt ongetwijfeld. Gisteren nog maakte ik een visite bij den baron.
Van der iioogen, zei ze, ik languisseer naar morgenavond! — Ei zie,
daar komt ze juist. Zij zal hier in de buurt komen; charmant!
charmant!"
De dame, die hij hierop als de freule constance uitduidde, werd bin-
nengeleid door een oudachtig edelman, met een bijna kaal hoofd,
maar dat aan de slapen nog versierd werd door eenige dunne spier-
witte krullen, die aan zijn kleurig gelaat een zeer belangwekkend
voorkomen bijzetten. Zij zelve was eene schoone jonge vrouw van
omstreeks zes- of zevenentwintig jaren. Nooit zag ik edeler voorko-
men. Heur haar was van een donker kastanjebruin en op de allereen-
voudigste wijze gekruld en gevlochten. Haar hoog voorhoofd ging
over in een eenigszins gebogen neus en maakte daarmee de schoonst
mogelijke lijn. Groote lichtkleurige oogen werden door lange zwarte
pinkers, die er iets buitengewoon zachts en ernstigs aan gaven, om-
zoomd en de zuiverheid harer donkere wenkbrauwen was benüdens-
waardig. Haar mond zou iets stroefs gehad hebben, indien niet de
vrindelijkheid van haar doordringend oog dit had weggenomen.
Zij was middelmatig groot en hield zich volkomen recht, behalve
dat zij niet den hals, maar het hoofd misschien een weinig gebukt
hield. Haar kleed was van een lichtgrijze kleur, en een kleine man-
tille van zware witte zijde met zwanendonzen rand rustte met veel
kieschheid op hare lage en netgevormde schouders. Waarlijk, dit
was het gelaat, het oog, de houding, noch het gewaad van eene
JTnkvrouw, die gezegd werd ziek te zijn naar de maraboes vanjuf-
frouw kegge en te smachten naar een concertavond.
Zij koos haar plaats een paar rijen vóór de zitplaatsen van onze
dames, en hoewel de heer van der hoogen deze omstandigheid in \'t
Yooruitzicht charmant genoemd had, geloof ik dat zij hem toch min of
meer gênant voorkwam; immers hoe gaarne hij die ook zou hebben
willen ten toon spreiden, toen hij de freule van naoel (en hij moest
wel!) zijn compliment ging maken, bleek ons weinig of niets van
die gemeenzaamheid waar hij zoo hoog van had opgegeven. De freule
beantwoordde zijn diepe buiging met een stijven groet, die hem op
•een allerakeligsten afstand hield en, voor zoo ver ik bemerken konde,
kwam er in de weinige woorden die zij hem ten antwoord gaf, veel
-ocr page 198-
180
van mijnheer, maar niets van tan deb hoogen, noch vanlanguk-
seeren of iets dergelijks. Het was duidelijk dat de charmantehaar
eerbiedelijk op henriette opmerkzaam maakte, maar zij was te
beleefd om bepaald om te kijken, en eerst veel later, toen de
heer tan dek hoogen was heengegaan om zijn viool te stemmen T
want hij was werkend lid, wendde zij haar schoon hoofd even om en
wierp een blik op henriette, die mij juist influisterde dat die freule
nagel zeker wel een jaar of dertig tellen moest. De kleine hansa
had ook reeds hare aanmerkingen op de aanwezigen, en was bij-
zonder geestig op het punt eener bejaarde dame, die zij vond „dat
er dol uitzag; met die bayadère van gitten."
Nu werden er een paar slagen op de pauken gehoord, en daarna
trad, pratende en lachende, en zulks te meer naarmate zij met die
opkomst eenigszins verlegen waren, dat mengsel van virtuozen en
dilettanten op, hetwelk gewoonlijk op een dames-concert zijne krach-
ten samenspant om aller harten te betooveren, plaatste zich achter
de respectieve lessenaren, en begon die vervaarlijke, snerpende,
krassende kattenmuziek uit te voeren . welke aan ieder muzikaal ge-
not noodzakelijk schijnt vooraf te moeten gaan. Het gedruisch in de
zaal hield op; ieder schikte zich op zijn gemak. De heeren, en daar-
onder ik, deinsden meestal, op een enkel jong mensch na, die zich
op \'t poseeren en fixeeren toelei, (daar waren onweerstaanbare oogen
en alles veroverende tailles!), naar den achtergrond der zaal terugr
en alles was doodstil. Daarop verhief de orkestmeester zijn ebben-
houten staafje en de symphonie begon. Natuurlijk de zooveelste van
BEETHOVEN.
Wel mocht goethe\' zeggen, dat de gedaante van den muzikant
het muzikaal genot altijd verstoort, en dat ware muziek alleen
voor \'t oor moest wezen; en ik deel in zijn denkbeeld dat al wat
strijkt, blaast of zingt ambtshalve, onzichtbaar zijn moest. Niets
is zeker leelijker dan een gansche menigte manspersonen met das-
sen , rokken , en somtijds epauletten; manspersonen met zwart haar,
blond haar, grijs haar, rood haar, en in \'t geheel geen haar, en met
allerlei soort van oogvertrekking en aanmonding, zich te gelijk te zien
vermoeien en afwerken achter een gelijk overeenkomstig getal houten
en koperen instrumenten, totdat ze bont en blauw in \'t aangezicht wor-
den, alleen om een effect teweeg te brengen, zoo weinig evenredig
aan, zou mogelijk iemand zeggen , maar gewis zoo weinig gelijksoortig
met de middelen. "Eene geestige vrouw zeide mij eens dat zij honger
kreeg van de lange streken van een strijkstok; maar wat krijgt
men niet van het op- en nedergezweef van een vijfentwintigtal
strijkstokken en van al de bewegingen met wangen, armen en
handen, die een vol orkest maakt. Waarlijk, er moest een scherm
voor hangen. De stroom van geluiden moest als uit eene duistere
Wilhelm Meisiers Lehrjahre.
-ocr page 199-
181
stilte tot ons komen, of wij moeten allen geblinddoekt toeluisteren.
Maar wat werd er dan van de toilettes en van onze mooie oogen ?
Oudertussehen zou ik goethe tegen moeten spreken, indien hij
beweerde dat de zin des gezichts volstrekt niets met de muziek te
maken heeft; want ik moet mijnen lezeren de gewichtige bekentenis
doen dat ik de muziek, in het afgetrokkene, waarlijk zie: en ik twij-
fel niet of zij zelve zullen met eenige optnerkzaantheid op hunne
gewaarwordingen en inspanning van ziel hetzelfde ontdekken. Er
zijn tonen en samenkoppelingen van tonen, die zich aan mijn oog
voordoen als spattende vonken, dikke en dunne strepen, kromme
spelden, slaugen en kurketrekkers; als bliksemschichten, liefde-
strikken, krakelingen, varkensstaarten, waterstralen en ziegeza-
gen, en ik zie de mogelijkheid om een geheel muziekstuk, voor mijn
gevoel bevredigend, in figuren op te schrijven. Die dit niet begrijpt,
verzoek ik te beseften dat hij in eene eeuw leeft waarin hij al zulke
dingen behoort te begrijpen; en indien hij kerkhistorie heeft gestu-
deerd, gedenke hij aan de Hesuchasten, die zoo lang op hun maag
staarden, tot zij haar van een geheimzinnig licht omschenen zagen.
Drie der gewone onderdeeleu van de symphonie waren afgespeeld,
toen ik mij zachtkens op den schouder voelde tikken. Ik zag om en
bemerkte den arm en het gelaat van den goeden koekebakker, die
van zijn introductiekaartje gebruik had gemaakt, maar te verstandig
was bij deze gelegenheid zijn neefschap te laten gelden, en dus geen
notitie van de familie nam. Kijke famihën met arme bloedverwanten!
och of alle neven zoo bescheiden waren! Maar de meesten gillen hun
neefschap luidkeels uit, en laten zich door niets afkoopen.
„Moet nu nicht kegge er niet aan?" fluisterde hij mij met een
vergenoegd gezicht in \'t oor.
„Wel neen!" antwoordde ik, „nog in lang niet."
„Ik verzeker u van wel!" hernam hij : „of dat rooie papiertje moet
jokken. Kijk, ze staat de vierde, en we hebben al drie stukken
gehad."
De goede de groot had een der onderdeelen van de symphonie
voor een obligaat op den hoorn genomen.
Ik onderrichtte hem omtrent die dwaling, en hij betuigde dan ook
al gedacht te hebben: „Wat merk ik dien hoorn weinig!"
De man met den hoorn verscheen op zijn beurt, geheel in\'t zwart
en met lange haarlokken, blinkende van pommade. Hij maakte een
stroeve buiging en zette een gezicht als of hij ons allen verachtte.
Dit stond hem evenwel leelijk, want hij verdiende dien avond een
goede handvol geld, en schoon ik weet dat de kunst onbetaalbaar
is, zoo ben ik toch van oordeel dat men voor gelden een goede ont-
vaugst ten minste een beleefd gezicht zou kunnen overhebben. Nu
staken de kenners het hoofd op, en legden de hand aan de oorschelp,
en riepen Ssss... Sst, als de jonge dames fluisterden, die daarop haar
zakdoek aan den mond brachten, waarop de oude dames boos om-
-ocr page 200-
182
keken. Vooral de heer kegge was in dit Sst-roepen zeer overvloe-
dig en men kon het op zijn aangezicht lezen dat hij zich in dezen
volmaakt onafhankelijk gevoelde, ook van alle mogelijke „groote han-
zinnen en adelijke dames."
De hoornist blies zijn wangen op, zijn oogen uit, en zijn hoorn
vol, tot algeineene verrukking der aanwezigen die van een hoorn
hielden, ofschoon er verscheidene waren die niet een wijs en veelbe-
duidend aangezicht beweerden dat het potdevin niet was, eene blijk-
baarheid die ook door het programma voldingend werd uitgewezen.
Het schoonste van \'s mans spel scheen daarin te bestaan, dat het
geluid van zijn hoorn op alle geluiden geleek, die gewoonlijk uit
andere instrumenten komen. ]\\u eens knorde hij als een jichtige
fagot, dan weder had hij al het rochelende van een vetten waldhoren ,
dan weder het door den neus pratende van een intriganten hautbois,
of het uitgelatene van een opgewonden trompet, ja zelf nu en dan
iets van het gillende eener hysterische dwarsfluit; zelden maar ge-
leek hij op hetgeen hij waarlijk was, een klephoorn; en eenmaal
was het geluid zoo verzacht en zoo verfijnd, dat ik, zoo ik niet de rijk-
geringde vingers van den virtuoos had zien bewegen, waarlijk
zou gezworen hebben dat er niets gebeurde. In zoo verre was het
maar weer goed dat de muziekant zichtbaar was. Ik vermaakte mij
gedurende het spel machtig met het gadeslaan van een dik heer
achter op het orkest, die den duizendkunstenaar had geëngageerd
en allerliefste knipoogjes aan alle de leden rondzond, die tegelijker-
tijd moesten beduiden hoe heerlijk hij het vond, en vragen of zij het
ook niet heerlijk vonden; en van een lang jong mensch dicht bij mij,
met zwarte haren en bleeke wangen, die zijne oogen aandachtig
toedeed onder het spel en de maat met zijn teenen sloeg, en dan
weer een „hoe-is-het-mogelijk !"-gezicht zette en een schrikkelij-
ken nood had om aan iedereen te vertellen hoe familiaar hij dien
duizendkunstenaar kende, en hoe goed die duizendkunstenaar biljartte,
en hoe \'n aangenaam mensch en van welk een goede familie die dui-
zendkunstenaar was, en hoe die duizendkunstenaar enkel speelde
omdat hij \'t niet laten kon, en welk een duizendwondertje van een
mooi snuifdoosje die duizendkunstenaar van een prinses had gekre-
gen, en hoe hij zelf in eigen persoon op de repetitie van dien
duizendkunstenaar geweest was, en hoe de duizendkunstenaar hem
verhaald had, dat die eigen hoorn, daar hij op speelde, hem dui-
zend gulden had gekost.
Nu had er eene machtige beweging op het orkest plaats. Ik weet
niet hoeveel lessenaars werden achteruitgeschoven. De kastelein
van de concertzaal, bracht met een gewichtig gelaat twee waskaarsen
op de piano, en de heer van der hoogjeh maakte haar open , plaatste
de muziek er op, en schoof de tabouret er onder van daan. Al de
heeren verlieten het orkest — uitgenomen de contrabassist, een oud
man, die zijn bril op zijn voorhoofd schoof, en de paukenslager, die
-ocr page 201-
183
zijn handen in de zij plaatste — en kwamen achter ons in de zaal drin-
gen. Daarop daalde de heer tan deb hoogen af, om door henbiette
af te halen voorloopig aan zijne bestemming te voldoen. Zij zag
zeer bleek, en ik verdacht haar van aan het obligaat op den hoorn
juist niet veel gehad te hebben. De heer van deb hoogen nam haar
bij den pink en leidde haar op. Zij maakte een compliment, zeer gra-
cieus voor een liefhebster, zonder evenwel tot het diepe nijgen en
het verleidelijk gezicht van een tooneelspeelster te komen, en nam
daarop, onder een luid handgeklap en een onstuimig voorwaarts
dringen van de heeren, plaats voor het instrument, trok hare hand-
schoenen uit, en de lieve handen zweefden over de toetsen.
De eerste maten hadden den indruk van de onrustige beweging
van haar pols, maar langzamerhand herstelde zij zich; haar natuur-
lij ke kleur kwam weder, en zij speelde alsof zij thuis was, met de
haar eigene verwonderlijke vlugheid.
„Inderdaad, het was wonderlijk dat menschenvingers dat doen
konden!" fluisterde de gboot mij in , nadat hij een weinigje van den
schrik bekomen was, die het optreden van henbiette den goeden
man gekost had. „\'t Is alsof ze aan draadjes zitten. Alles leeft wat
er aan is. Kijk hier, ze gooit haar armen over mekaar, of\'t zoo niets
was. En ze slaat er goed op, ook! — Dat\'s verraderlijk," zeide hij , als
zij, na lang met beide handen in de lage tonen te hebben gewerkt,
zonder om te zien , plotseling de toetsen van den hoogsten octaaf een
fikschen tik gaf. „Drommels nou! dat gaat per post; \'t is als of je
een goot hoort loopen."
De heer van deb hoogen stond, met een hoek van ten hoogsten
honderd en dertig graden, naar de piano gebogen en maakte zich
verdienstelijk met het omslaan der bladen; maar toen hij aan de laat-
ste bladzijde was, nam hij voor goed eene hartvervoerende houding
aan, met de eene hand op de piano leunende en de andere in de
zijde zettende, terwijl hij zijne leelijke oogen verlokkend door de
zaal liet weiden, of ze ooik nog, in \'t voorbijgaan "een hart of tien
veroveren mochten!
Het stuk was uit. Henbiette stond op, en dankte meteen stuursch
gezicht voor het daverend handgeklap. De charmante bracht haar
weer tot hare plaats en deelde in haar triomf. De oude kegge had
tranen in de oogen, en de charmante drukte hem de hand. „Het was
onbegrijpelijk charmant geweest!" Henbiette liet zich door mevrouw
kegge de boa weder om den hals werpen, en speelde met het einde
daarvan; daarop begon zij een gesprek met de kleine hanna, zoo-
dat de geheele wereld verbaasd stond over eene jonge dame, „die zoo
voortreffelijk speelde, en zoo lief was met haar zusje".
De drukke finale der symphonie, waarin machtig\' veel gepaukt en
machtig veel gebazuind werd, besloot de eerste afdeeling van het zoo-
veelste damesconcert van het gezelschap Melodia, en de pauze begon.
Dat is niet het minst belangrijk gedeelte van een concert, als het
-ocr page 202-
184
dissoneerend vocaal het harmonisch instrumentaal voor een half
uur afwisselt. De dames hebben dan ook altijd liever een nommer
minder op het programma dan een korte, pauze, en zulks is niet te ver-
wonderen, wanneer men bedenkt hoe veel praatziekte, hoe veel
verliefdheden, hoe veel kunstgedienstigheid, hoe veel eerzucht,
praalzucht, en behaagzucht hier bijeenzijn.
Indien men eene wage had, op welker eene schaal men alle deze
vergaderde ziekten en zuchten kon stapelen, en men lei daartegen-
over op de andere het muzikaal gevoel —ja, leg er het muzikaal
gehoor maar bij! — deze laatste zou ongetwijfeld omhoog gaan.
Eu gewichtig voorzeker was dat oogenblik, waarop deze koop-
beurs van beleefdheden en praatjes aanging en het hoffelijk gedrang
begon; als de blonde en bruine hoofden, de veders en de bloemen
zich ophieven, de sterren op de voorhoofden haren loop begonnen;
en de eerst zoo regelmatige rijen van schoonen en moeders van
schoonen, van „niatribus pulcris filiae pulcriores" en omgekeerd,
zich tot bevallige groepen schikten, waaruit vonkelende oogen straal-
den en vroolijke lachjes opgingen; als de dwarling van jonge heeren
een aanvang nam, waarvan ieder zijn prima donna, zijne reine du
bal zocht, de een met een glimlach, de ander met een sentimenteel
gezicht, de derde met een kloppend hart, en de vierde met een op-
festreken kuif; waarvan de een boos, de ander oonnoozel, en de
erde kippig keek uit verlegenheid ; waarvan de een, om te begin-
nen, zijn netten spreidde over al wat mooi was, en de ander in het
wilde scheen rond te fladderen, maar om toch wat meer eklektisch
te werk te gaan; terwijl de toovermacht van dezen moest berusten
in een nauw vest, en gene een philtrum meende te bezitten in de ge-
daante van pommade a, 1\'oeilet; daar de talisman van een derde in
zijne handschoenen berustte; terwijl een enkele begreep dat hij het
meest zoude interesseereu door met een knorrig gezicht en een me-
deliidenden glimlach op al het gedraai en geworm neder te zien.
Ik deed mijn best om iienriette te genaken, die in een kring van
heeren stond, welke zij ten deele kende, ten deele nimmer geluid
had hooren geven, maar die allen van deze gelegenheid gebruik
maakten om haar iets aangenaams te zeggen. Iedereen was even
verrukt, en de charmante week niet van hare zijde. Ik maakte haar
mede mijn compliment, en liet mij daarop van "hoeken tot kanten
dringen, waarbij ik het voordeel had veel te zien en te hooren,
dat mij voor dien avond belangrijk voorkwam.
„Ze zullen die juffrouw kegge, hiet ze zoo niet ? het hoofd wel op
hol maken!" merkte een mevrouw vau zekeren leeftijd, met eene
zwarte gazen toque, aan. „\'t Is niet goed voor zoo\'n jong ding."
En zij sloot haren mond zoo dicht, zoo dicht, alsof zij er van af-
zag den geheelen verderen avond iets meer in het midden te brengen.
„O, ik vind dat ze er allerinteressantst uit kan zien," sprak een
jonge dame, in antwoord op het zeggen van een heer van middelbare
-ocr page 203-
185
jaren, dat juffrouw kegge heel mooi was; „maar van avond, dunkt
mij, heeft zij haar beau jour niet."
„Kent u die familie kegge?" vroeg een andere aan een jonge heer,
en zij legde duizend pond nadruk op den naam.
„Vraag excuus!" was het antwoord, „ik weet niet anders dan dat
de menschen rijk zijn .... Maar," ging hij zachter voort, „ze zijn vol-
strekt niets. Haar grootvader was hier ter stede een kruidenier of
zoo wat en haar vader ...., die heeft fortuin gemaakt in de West."
„Ik vind ook wèl, dat men haar dat aan kan zien," sprak een
derde, die dit gesprek had gehoord, schoon zij er met den rug naar
toe had gestaan, zelve een gelaat vertoonende, dat alles behalve
ongemeen was.
„Ik hou niet van dat soort van oogen," hoorde ik aan eenen ande-
ren kant, uit den mond van een jong meisje van dertig, die zeer
flets uit haar eigene keek.
De freule van nagel scheen zeer tevreden over het spel, maar liet
zich over de speelster volstrekt niet uit.
Ik bewonderde onder de menigte van schoone vrouwen van middel-
Jjaren leeftijd eene die, met een allerbevalligst voorkomen en zeer
innemende manieren, het voorwerp der algetneene belangstelling
scheen te zijn. Al de heeren kwamen voor haar buigen , en al hunne
vrouwen lieten zich, de eene voor, de andere na, bij haar brengen.
De jonge dames deden haar best om haar te naderen, of wenkten
haar met het daarbij behoorend lachend gezicht toe, dat het oumo-
gelijk was. Zij gaf een soort vau pleeggehoor. Meermalen poogde zij
te gaan zitten, maar juist op het oogenblik dat zij er toe besloot, ver-
scheen er weder altijd iemand om haar zijne beleefdheid te bewij-
zen; en ik bewonderde in stilte de goede gratie, waarmede zij zich
terstond weer tot den nieuwaangekomene wendde en de onbedui-
dende gezegden, die vrij wel met de door al zijne voorgangers ge-
houdene gesprekken overeenkwamen, met verschen moed beant-
woordde. Hare dochter, een meisje dat nog geen zestien jaren mocht
hebben bereikt, was aan hare zijde, en scheen deze minzamebeval-
ligheid reeds in hare mate te hebben overgenomen. Wat beider
beleefdheid het aangenaamst maakte, was het eenvoudige en on-
ged wongene, het volkomen vrindelij ke en opgewekte, dat haar eigen
was en niet anders voortkomen kon dan uit eene lieve harinoni-
sche stemming des gemoeds en eene heldere tevredenheid des har-
ten. Voor mij was het een waar genoegen haar gade te slaan, en
ik kon niet nalaten met minachting te denken aan de valsche redenee-
ring van een aantal zich noemende menschenkenners, die hon"elijk-
heid altijd voor willen doen komen als laagheid, en welwillendheid
als huichelarij. Waarlijk, die echte humaniteit, die goede toon, die
beleefde innemendheid, welke de blijken dragen van in overeenstem-
ming te zijn met den geheelen persoon, die ze aan den dag legt, is
te gelijk eene gave en eene verdienste, en ik wenschte wel dat men
-ocr page 204-
186
algemeen gevoelde, hoe men de wetten der welwillendheid met de
wetten der fijnste zedelijkheid en het meest kiesche gevoel in ver-
band kan brengen. Al net misbruik, dat van haar gemaakt is door
intriganten en hypocrieten, neemt niet weg dat zij een der schoonste
sieraden van het menschdom is, en een der verhevenste onderschei-
dingen boven het dierengeslacht doet uitkomen.
Ik vernam later dat deze bevallige vrouw eene dame was,
wier huis bekend stond voor eene plaats, waar men zich nimmer
verveelde, die niet slechts veel menschen zag, maar haar gezel-
schap altijd geheel bezielde en doordrong van de liefelijkheid haar
aangeboren.
Den stroom volgende, werd ik nog voorbij vele paartjes gesleept
die werk van elkander maakten; ook langs schuchtere jongelingen
die zich verstoutten hun geheel onbekende dames noodelooze dien-
sten te bewijzen, als daar zijn: boa\'s op te rapen die nog niet gevallen
waren, en sjaals over haar stoel te hangen die ze nog niet noodig
hadden; alsmede langs vele ophoopingen van jonge meisjes die ieder-
een uitlachten. Hier en daar zat of stond eene oude dame stokstijf voor
haar stoel, te midden van een jong geslachte , „inmobilis in mobili"; en
herinnerde zich de dagen dat ook zij mobieler was, of verbeeldde
zich dat zij ook nu nog mobieler zijn konde, indien zij maar wilde; of
verheugde zich dat nu haar kinderen waren zoo als zij geweest was;
of verklaarde dat de pauze nu eenmaal lang genoeg geduurd had.
Zoo kwam ik tot aan de deur, en nu bezocht ik ook de koffie-
kamer. Hier waren de standen meer dooreengemengd, en vooral
onder de werkende leden vond men van alles. De muziek, het ijs-
vermaak, en het tabakrooken nemen allen aanzien des persoons weg.
Hier werd hevig gerookt door allerlei soort van rookers. Er waren
er die pijpen, er waren er die sigaren, er waren er die baai
rookten; sommigen hadden al lang naar hun rooktoestel gesmacht,
andere deden het alleen omdat de rook der overige hun dan min-
der hinderde. Er waren er die het niet laten konden, en er wa-
ren er die het doen en laten konden allebei, en het daarom zoo veel
mogelijk deden; verslaafden, en vrijwillige dienstknechten; en de
kleine keggetjes drongen door de menigte heen, en hadden waarlijk
ook ieder een sigaartje in den mond, ter zake waarvan hun vader
lachte dat hij schaterde.
„Die juffrouw kegge speelt admirabel, niet waar?" zei een be-
schaafd heer, zijn viool weer uit de vioolkas nemende, om zich voor
de tweede afdeeling gereed te maken, en omziende naar een groot
liefhebber, een dik persoon, met een lomp uiterlijk, dien ik in tor-
kest met een waldhoren gezien had.
„Ze speelt verdraaid vlug!" antwoordde die van den waldhoren.
„Veel smaak, veel smaak!" riep een wijs burgerheer, die een
dwarsfluit blies.
„Smaak ?" riep een klein heertje, dat zich juist aan een heet glas
-ocr page 205-
187
punch brandde, met een pieperig stemmetje, „smaak? geen zier
smaak! al den duivel vlugheid, kunstjes, J brille."
„Een mooie piano, niet waar?" hoorde tik in een anderen hoek,
uit den mond van een werkend lid.
„Ja, en een weergasche mooie meid ook," antwoordde een hono-
rair lid.
„Foei, oude snoeper, waar kijkje na?" zei de eerste spreker.
Zoo gaat het, wanneer gij op concerten speelt. Waarom laat gij
het niet liever?
De tweede afdeeling bood niets bijzonder opmerkenswaardigs
aan. Een welgemaakt officier der zware ruiterij trad in burgerklee-
ding met een wit vest op en zong een paar coquetteromances, die
beurtelings zeer laag en zeer hoog liepen en met een afwisselend
kwaadaardig en snoeperig lachend gezicht gezongen werden, maar
waarvan de toon en de inhoud zoomin overeenkwamen met zijn
zware knevels als met de op-en-neder-gesten, die hij met het tus-
schen zijn beide handen uitgespannen blad papiers maakte. Voorts
hadden wij nog een obligaat op de violoncel van een Duitscher met
een plat hoofd en een gouden Dril; en het concert eindigde, zooals
een deugdzaam concert behoort te eindigen, met eene ouverture.
De zaaldeur werd opengezet, en de geparfumeerde dampkring
door een gevoeligen tocht gezuiverd. De boa\'s en pelerines werden
opgehaald. De cephaliden werden om die kopjes, die er lief mee uit-
zagen, vastgestrikt, of anders in de hand gereed gehouden, en de jonge
heeren, die het er op gezet hadden de eene of andere schoone naar het
rijtuig te geleiden, met het stellige voornemen om dien nacht
van dat geluk te droomen, zochten zich van stonden aan van een
gunstig standpunt te verzekeren. De heeren, die vrouwen hadden,
waren boos dat hunne rijtuigen zoo laat kwamen, en de heeren, die
paarden hadden, maakten zich ongerust dat het hunne misschien
lang zou moeten wachten; den jongen meisjes speet het dat het hare
zoo vroeg kwam; en enkele opgewonden jonge heeren spraken er
van, dat het aardig zou wezen de concertzaal in een balzaal te ver-
anderen, en hingen eene verleidelijke schilderij van deze gelukza-
ligheid op.
Van der iioogen was weder in ons midden en stond zoo dicht mo-
gelijk tegen den linkerarm van henhiette aangedrongen. Zij was
allerliefst jegens hem, en schertste en lachte; maar toen de knecht
met groot misbaar „de koets van mijnheer kegge!" aankondigde,
draaide zij zich eensklaps om en greep in een aanval van behaag-
zieke speelschheid mijn arm. Van dien oogenblik aan haatte mij
de charmante. Zegevierend zag henriette om. Mijnheer kegge, die
haast maakte, volgde met mevrouw; van der hoogen moest zich dus
met de kleine hanna behelpen, naar welke hij zich heelemaal
scheef moest overbuigen, tot groot genoegen van de dubbele rij van
-ocr page 206-
188
heeren en dames, tusschen welke wij bij het verlaten der zaal door-
togen. Een charmante spitsroede.
Wij kwamen thuis. Br werd een buitengewoon souper aangericht.
Tegen het dessert dook de heer kegge zelf* in zijn wijnkelder en
bracht zulk een menigte van allerlei merken boven , dat het hart mij
van angst in de keel begon te kloppen. De charmante, die van de
partij was, stelde een toost op de schoone pianiste in, en las daarbij
een Iransch extemporeetje van zijn eigen maaksel voor, waarin hi)
op eene charmante wijze over alle regelen der taal had gezegevierd.
Hoofdzakelijk zeide hij dat heneiette een mooi meisje met bruine
oogen, een engel, en eene godin der muziek was, en daarbij kwamen
eenige opmerkingen omtrent uitgetrokken harten en op tonen drij-
vende zielen. Wij waren allen geheel bewondering, en mevrouw
kegge niet het minst, hetgeen ongetwijfeld veel voor de zaakrijk-
heid van het gedicht pleitte, daar HEd. vau de zes woorden er maar
drie verstaan had. Mijnheer kegge dronk den dichter, en de dich-
ter dronk den heer kegge; en de heer kegge liet de kurken van
champagneflesschen tegen den zolder springen; en de heer van dee
hoogen sloeg met de platte hand op champagneglazen dat de wijn
op nieuw begon te schuimen; en dit alles was ter eere van j uftrouw
HENEIETTE KEGGE.
Ochtendbezoek en Avondwandeling.
Des anderen daags vóór den middag werd de goede de geoot aan-
gediend en trad de kamer binnen verzelschapt van zijn lieve doch-
ter, die een groote gunstelinge van den heer kegge was en in zijn
huishouden goede diensten bewees. Dien middag zou zij met ons
dineeren, en haar vader bracht haar zelf, omdat hij meteen zijne
dankbaarheid wilde komen betuigen voor het introductiekaartje. Hij
sprak met de grootste opgewoudenheid over den avond van gisteren.
„Nooit in zijn leven had hij zoo iets moois gezien of gehoord. Dat
was een rijkdom! Dat waren stukken muziek! Hij wist niet hoe het
mogelijk was, dat een mensch zoo vlug op \'t klavier wezen kon als
nicht heneiette; en toen hij haar zoo had zien zitten, misschien
was het zonde geweest, maar hij had gedacht, dat zij zoo mooi was
als een engel uit den hemel."
Heneiette glimlachte en vergat, om het streelende der vergelij-
king, dat zij die voor ditmaal uit den mond vernam van een koeke-
bakker. Zij begou daarop zeer vriendelijk naar juffrouw de geoot
te vragen en haar spijt te betuigen dat zij niet op de verguldpartij
had kunnen komen; zij zou juffrouw de geoot nog eens in persoon
haar excuses komen maken.
„Neen maar, juffrouw.... ik wil zeggen, nicht uenriette !" zei
de goede man, „dat behoeft in \'t geheel niet. TJw bezoek zal haar wei-
kom zijn, maar excuses! och, dat behoeft niet; dat weet neef kegge
-ocr page 207-
ISO
wel. Mijn vrouw heeft het ook volstrekt niet kwalijk genomen; dat
moet u toch vooral niet denken!"
„Nu, neef de groot" .... zei henriette vriendelijk ... en wie weet
hoe lief zij zou geweest zijn? maar het woord bestierf haar op de
lippen, want de charmante trad binnen en maakte wat ik ziju
„compliments de coutume" noemde.
„Wel, juffrouw henriette! Is de nachtrust goed geweest, na
de fatigue van gisteren ? Ik heb geen oog toe kunnen doen; ik waa
nog zoo geënthusiasmeerd van de muziek. Het was een charmante
avond; de heele wereld had zich dan ook perfect geamuseerd. De
stad is van u vervuld!"
„Vleier!" zei heneiette; „maar ik weet," liet zij er op goedigen
toon op volgen, „ik weet dat gij het goed meent.\'
En zij reikte hem de hand.
Hij nam die met vervoering aan en trok haar naar de vensterbank.
„Wie is die man?" vroeg hij, den goeden de groot van het hoofd
tot de voeten opnemende.
„De vader van saartje," antwoordde henriette bedeesd.
„O. Ho!" zei de heer tan der hoogen, die dat ook zeer wel wist,
hem den rug toedraaiende. En zijn lorgnet in het oog klevende be-
zag hij den ruiker bloemen, die in een sierlijke porseleinen vaas
op een guéridon voor het raam stond.
„Wat een mooi bouquet, zoo laat in \'t jaar!" merkte hij aan.
„Papa is zoo lief geweest het mij mee te brengen. Het heeft zijn
beste dagen al gehad."
„Reiken de stelen allemaal wel goed aan \'t water P" vroeg de
charmante.
Hij stak, om zich daarvan te overtuigen, zijn hand diep in den rui-
ker, en toen hij die weder terugtrok, was het als of er iets violetkleu-
rigs in achterbleef, dat naar de punten van een klein biljet zweemde.
De heer kegge was ondertusschen druk bezig met neef dk groot,
die echter niet op zijn gemak was, aangezien Azor en Mimi het hem
verbaasd lastig maakten; en hoewel mevrouw kegge hem gedurig
verzekerde dat het de liefste diertjes van de wereld waren, die nooit
iemand leed deden, bevielen hem de steeds luider uitvallen en het
gestadig pronken met hunne witte tanden zeer weinig. Zijn bezoek
was slechts kort; hij groette mijnheer en mevrouw keggeallerhar-
telijkst, „juffrouw, ik wil zeggen, nicht henriette" zeer eerbiedig,
en maakte ook een buiging voor tan der hoogen , die hem met een
hooghartig „goeden dag" betaalde.
Van der hoogen ging daarop mijnheer en mevrouw kegge bezig-
houden, en henriette trad op den bloemruiker toe, haalde er het
biljet uit en borg het in haar ceinture, evenwel zoo handig niet of
ik bemerkte het volkomen; zij vermoedde dit, en kreeg een kleur.
De kakatoe werd daarop haar toeverlaat. Zij hield hem een stukje
beschuit voor.
-ocr page 208-
190
„Wat zegt Coco dan tegen de vrouw?"
„Pas op, pas op!" riep de kakatoe, die blijkbaar in de war was.
Van deb uoogen vertrok spoedig daarop, en de dag had vooreerst
weinig merkwaardigs meer. G-rootmama liet naar saaetje vragen; zij
bleef een uurtje boven, en kwam daarna met roode oogen beneden.
„Gij hebt de lieve oude vrouw wat gelukkig gemaakt!" fluisterde
zij mij in.
Ik had gelegenheid in den loop van den namiddig de lieve blonde
eens zoo goed als alleen te spreken, en spoedig maakte ik daarvan
gebruik om het gesprek op haar vriendin noibkt te brengen.
Zij verhaalde mij van suzettes onvergelijkelijke gehechtheid aan
haar moeder, van hare voorbeeldelooze werkzaamheid, waardoor
zij zooveel mogelijk in de behoefte van deze voorzag, van haar ei-
gen schamel kamertje, en van alles wat haar om den wil harer moeder
zoo zeer bekommerde. Ook deelde zij mij mede dat er een knappe
jongen in de stad was, een schrij ver op een der stadsbureaux, die
\'een dollen zin in suzette had, en dat zij geloofde, dat hij suzette
ook niet ten eenenmale onverschillig liet; maar dat zij het voor
zichzelve niet wilde bekennen, omdat zij meende dat de inwilliging
van een dergelijk gevoel eene misdaad was tegen hare moeder; dat
zij daarom dien jongeling altijd op een afstand hield en hem soms
wel wat erg behandeld had, wat zeker tegen haar eigen hart was;
en dat zij zich dat dezer dagen bijzonder verweet, nu zij vernomen
had dat hij , er aan wanhopende ooit hare genegenheid te zullen ver-
werven en toch ook vooreerst geen mogelijkheid ziende om haar
een onafhankelijk bestaan te verzekeren, het plan had opgevat om
zijn geluk in de West te gaan beproeven.
„O, dat maakt haar tegenwoordig zoo ongelukkig," voegdesaab-
tje er bij , met een traan in de mooie oogen, „en dan verwijt zij zich
weer dat hare gedachten een oogenblik aan iemand anders behooren
dan aan hare moeder."
Heneiette was dien geheelen dag bijzonder aangenaam en lieftal-
lig jegens mij; zij had allerhande zoete oplettendheden aan tafel,
prees mij verscheidene malen in het aangezicht, en gaf mij zelfs bij het
doorbladeren van hare teekenportefeuille, uit een open reden, een
allerliefste teekening op rijstpapier ten geschenke.
In het schemeruur bracht ik saabtje thuis; en het lustte mij ,
daarna eene kleine stadswandeling te maken , in dat bij uitstek drukke
uur, waarin de werklieden en schoolkinderen naar huis gaan en
de dienstmaagden hare boodschappen beginnen, hare minnaren
toevallig tegenkomen, of elkander gewichtige mededeelingen doen
omtrent de verschillende karakters van haar heer, haar mevrouw,
den oudsten jongeheer, en de oudste juffrouw, bij welke gele-
genheid de heer er altijd beter afkomt dan de mevrouw, en de
-ocr page 209-
191
mevrouw beter dan de oudste juffrouw, terwijl de jongeheer een
van tweeën, öf een „akelig stuursch minsch", öf „een heertje" is.
Ik heb dit uit mijn vroege jeugd overgehouden, dat ik gaarne de
lichten in de winkels zie opsteken, en ook ditmaal stond ik nu eens
stil bij een in het donker vooral zoo plechtig smidsvuur, waaruit
de gloeiende bouten schitterend te voorschijn kwamen, om onder
de slagen van den voorhamer eene horizontale fontein van vuur uit
te spreiden, waarbij het zwarte gelaat van den smid fantastisch ver-
licht werd; dan weder boeide mij het wreedaardig schouwspel eener
slachterij, waar de knechts, in hunne bloederige wollen kousen tot
over de knieën reikende en met een ouden hoed over hunne blauwe
slaapmutsen, zichzelven bijlichtten met een brandend smeerkaarsje
op gemelden hoed vastgekleefd, dat een tooverachtig licht in de open
tehouwen koebeesten wierp , wier inwendige belangen zij verzorg-
en. De straatlantaarns waren nog niet opgestoken en zouden eerst
twee uren later aanlichten, omdat het onmogelijk is dat een vreem-
deling op een stikdonkere gracht in het water loopt, als het nog niet
langer dan anderhalf uur stikdonker geweest is.
Het gebeurde dat ik, op zulk een donkere gracht voortschrijdende
zouder precies te weten waar ik mij bevond, op eenigen afstand twee
personen ontwaarde, waarvan de een evenveel neiging toonde om
den anderen te ontloopen, als de ander gezind scheen de eerste terug
te houden. Naderbij komende zag ik dat gemelde personen tot ver-
schillende kunnen behoorden, en daarop hoorde ik eene zachte
vrouwestem, maar schor van zenuwachtigheid, duidelijk zeggen:
„laat me los, mijnheer! of ik schreeuw".
Het leek mij toe, dat de mijnheer, tot wien deze bedreiging ge-
richt was, en die een langen mantel droeg, van nature een vijand
van schreeuwen was. Althans hij liet de persoon die gesproken had
oogenblikkelijk los en verdween in eene zijstraat. Ik had de stem
herkend.
„Zijt gij het, juffrouw noiret? Wie durft u aanraken ? Laat ik u
thuis brengen," sprak ik haar toe.
Het arme meisje kon niet antwoorden; zij beefde van het hoofd tot
de voeten, en ik had moeite haar op de been te houden.
„Het is verschrikkelijk," snikte zij: „o indien gij zoo goed wilt
wezen; het is ijselijk___"
Meer kwam er niet uit. Ik geleidde haar zwijgend tot naar den kleinen
koomenijswinkel, waar zij haar kamertje had. In het voorhuis zonk
zij op een bank neder. Het was er donker, want op de geringe ne-
ring kon geen licht overschieten. De vrouw uit den koomenijswinkel
kwam naar voren loopen, met een baklamp in de hand.
„Och lieve help! wat scheelt de juffrouw? wat ziet ze bleek. Is de
juffrouw verschoten? Ga gauw in \'t kantoortje, juffrouw! ik gade
kaars opteken."
Zij ging heen om den blaker van juffrouw noieet te halen, en ik
-ocr page 210-
192
bracht die in een klein, van \'t voorhuis afgeschoten kamertje dat zij mij
als \'t kantoortje had aangewezen en dat dien naam terecht verdiende,
daar er niets in te vinden was dan eene kleine hangoortafel, vier
matten tabouretten, en een leelijk gezicht in een lijstje aan den wand,
voorstellende den held van speyk !
„Maar me lieve gunst, wat scheelt er dan toch an!" riep de koo-
menijsvrouw uit, toen zij den blaker van Sttzette aangestoken en
haar eigen lamp, daar er geen twee lichten noodig waren onmiddel-
lijk daarop uitgeblazen had.
Ik liet haar een glas water halen, suzette dronk er een teugje
van, en het glas klapperde tusschen hare tanden. Nog kon zij niet
spreken. Het klamme zweet stond haar op het aangezicht.
„Maar me lieve gunst," begon de bezorgde, maar nog meer nieuws-
gierige, hospita alweer, „dat\'s nou toch wel een raar geval. De juf-
frouw het et disperaat op \'er zenuwgestel. Wil ik na de apteek
loopen en een rooie schrikpoeier halen?"
„De juffrouw is aangerand," zei ik, „er loopt kwaad volk. Ik was er
bij tij ds bij; men wilde haar afzetten."
„Angerand!" riep de hospita uit; „ofzetten! Ja, \'t is een ijselijk-
heid dat er geen werk is. En mijn kobtjs is ook nog bij de weg,
die kennen ze dan ook nog wel anranden en ofzetten, ofschoon ie juist
niet meer bij\'em het dan zen zuiver orlozie, en daar is een stevige
kopere kast om; da\'s één geluk. Ja, ik heb al lang gedocht dat het
niet pruisisch was hier in de stad. Der is nor/ reis een winter geweest
dat \'et zoo erg was. Et was in de tijd dat ik op alle dag liep van me
derde. Maar toen brakken ze in bij de lui en kwammen voor de lui
der bed staan, met een armpie van een ongeboren kind. Daar zei
ineheer wel van gehoord hebben. En dan stakken ze zoo\'n armpie
in brand, en ze draaiden \'t driemaal over de lui der hoofd om, en
dan zeien ze, ja wat zeien ze ook ? dan zeien ze: die waakt, die waakt;
die slaapt, die slaapt!
en in die omstandigheid, wil ik maar zeggen,
daar je dan in verkeerde, daar Heef Je ook in. Anranden! \'t is wat
moois in een kristenland! Gelukkig nog, juffrouw, dat ze je die ja-
pon niet of-hebben angerand; dat zou een leelijkerd wezen!"
En zij nam suzette een toegespeld pak af, dat deze nog altijd
stijf onder den arm hield, en lei het voorzichtig op een der matten
tabouretten.
„Breng het boven, moedertje," zei ik „en laat ons even alleen,
want ik hoop dat de juffrouw mij den persoon zal kunnen beschrij-
ven; dan zal ik hem bij de politie aangeven."
„Beskrij ven! Ja, dat gaat zoo ver as \'t voeten het," antwoordde de
klappei; „en weetje wat kobus zeit? ze krijgen er de verkeerde
deur te pakken. Laastleden varkemart hebben ze nog \'en jong gezel,
een die hier, zei ik maar zeggen vreemd was, opgepakt. Der komt
ommers altijd op de varkemart hier zoo\'n poffertjeskraam ? Nou, hij
mocht zoo bij die poffertjeskraam staan te kijken na die groote ko-
-ocr page 211-
193
pere schuttels en zoo; daar komt er een diender na \'em toe; die
leest op \'en pampiertje, en toen kijkt ie \'em an. Nou; die jonge
wist van de prins geen kwaad. Maar de diender zeit teugen \'em:
jonge, zeit ie, ga jij reis effen mee. Ik dankje vrindelijk, man,
zeit den ander. Maar het holp niet, want de diender zei: maatje,
zeidie, kijk reis effen wat ik hier onder me jas heb. Nou, dat
waren niet anders as van die duimskroefies, as meheer wel reis
zei gezien hebben, daar ze een minsch mee vastskroeven, zei ik
maar zeggen, dat ie geen vin verroeren kan. Nou, die mocht die
man niet, dat ie mijn slacht. Zoo gezeid, zoo gedaan; daar holp
geen lievemoederen an; hij most en hij zou mee. Maar toen ie vijf
dagen had zitten brommen — hij was toch maar al die tijd uit zen
werk, zie je — daar komt die zelfde diender, in zen hok, zei ik maar
zeggen, of" waar dat ie dan zat, en zeit dat ie maar stilletjes vort
zou gaan. Maar hij zei, neen, zeidie, dat gaat zoo niet. "Want hij wou
der verhaal op hebben, zie je meheer! Maar dat weten we wel;
dat gaat zoo ver as \'t voeten het. Zoodat ik maar zeggen wil, dat
beskrijven niet veul ofdoet. Maar daarom zei kobtis altijd, in die
winter toen \'t nog reis zoo erg was: as ik er eentje te pakken kreeg,
ik zou \'em teekenen, dat ik \'em voor goed zou kennen..."
Ik herhaalde mijn wensch om met juffrouw noibet alleen te blijven.
Zoodra de babbelachtige vrouw gegaan was, borst zij in tranen uit.
„Dit heeft hij mij in de hand gestopt!" riep zij uit; „verbrand het
in de kaars."
En zij wierp een violetkleurig briefje op tafel, dat zij in hare
zenuwachtige spanning geheel verfronseld had. Daarop zeide zij
met eenen innigen afschuw:
„Foei, mijnheer van der hoogen !"
Ik nam het briefje op.
„Mag ik het bewaren?" vroeg ik haar. „Het kan mij te pas
komen.\' Ik herstelde het in zijne vroegere gedaante, en stak het
in mijn portefeuille.
Toen bijzette wat bedaard was, deelde zij mij mede, hoe zij
sedert eenigen tijd overal door van dek hoogen vervolgd werd. Hij
was immer op haar weg. Bij het gaan van haar kamer naar het hofje,
en bij het uitgaan der kerk; ja, in de laatste week had hij een paar
malen het hofje zelf tot zijn namiddagwandeling gekozen, onbe-
schaamd bij haar moeder ingekeken, en tegen haar, stjzette , ge-
glimlacht. Zoo erg als van avond had hij het evenwel nog nooit ge-
maakt. Zij was uitgegaan om freule nagel een japon te passen, zon-
der hem nochtans te ontmoeten. De freule had haar bij het heengaan,
met hare gewone vriendelijkheid, als stjzette zei, de bescherming
van haar lakei aangeboden; maar zij had het afgeslagen, daar zij
niet had gedacht dat het buiten al zoo donker was. Ondertusschen
was de avond op eens gevallen, en zij was nog geen twintig schre-
den van het huis van den heer van nagel , of zij hoorde reeds den
13
-ocr page 212-
194
stap van tan dee hoogen achter haar, terwijl hij haar door zonder-
linge geluiden op zijne nabijheid opmerkzaam maakte. Zonder op
of om te zien had zij hare schreden versneld; in haren angst had zij
gemeend hem te zullen ontvlieden door een zijstraat in te slaan; hij
was haar ook daar gevolgd. Toen zij op de donkere gracht was geko -
men, had hij haar om de middel gegrepen en haar eenige woorden
toegesproken, die zij evenwel door den schrik niet verstaan had.
Hij had haar daarop het briefje in de hand gedrukt, dat zij zich,
zeker werktuigelijk, had laten welgevallen. Daarop had hij haar wil-
len kussen, en had zij de woorden uitgesproken, die ik gehoord had.
Na deze mededeeling, en nadat zij gelieel van den schrik zeide
bekomen te zijn, ofschoon zij nog altoos bleekzag, verzocht zij mij
dat ik haar verlaten zoude. Zij wilde zich door een der kinderen van
haar hospita naar haar moeder laten brengen, die van niets weten
moest.
Ik vertrok.
Op straat verdiepte ik mij in ernstige overleggingen, hoe mij na
dit alles te gedragen. Van dee hoogen had mij sedert onze eerste
ontmoeting niet willen bevallen, en ik had, op gelaat en manieren
af, weinig gunstige vermoedens van hem opgevat. Dat hij het hof
aan henbiette maakte, had ik terstond gemerkt en met leede oogen
aangezien. Ik vreesde dat, indien niet louter haar geld, dan misschien
haar geld, vermeerderd met haar schoon, den fat aanlokten, dien
ik daarenboven voor een slecht sujet hield, dat haar ongelukkig
zoude maken. Ondanks alle hare kuren, was henriette hiertoe te
goed, en in gedachten had ik haar een man toegezegd, die haar door
meerderheid in verstand verbeteren en eenmaal tot eene lieve vrouw
maken zoude, tot welker vereischten zij toch waarlijk vele bestand-
deelen bezat. Van deb hoogen had mij, zooals de lezer zich her-
inneren zal, met een woord gezegd dat hij ook te Leiden had
„geresideerd", en daar ik het geluk had in de Sleutelstad menschen
van allerlei stand te kennen, had ik al spoedig omtrent ZEd. eenige
berichten ingewonnen. Deze waren niet gunstig voor den charman-
ten uitgevallen en pleitten evenmin voor zijn gedrag als mensch,
als voor zijne beginselen als ambtenaar.
Ondertusschen was hij dagelijks voortgegaan met de jeugdige te
bestormen, die hem waarschijnlijk wel niet liefhad, maar jong en
onervaren zich aan hare behaagzucht overgaf en aan den prikkel
van het romaneske, waartoe zij eenige neiging toonde. Daarenboven
kon men aan van der hoogen eenige uiterïij ke voorrechten niet ont-
zeggen. Het was nu tusschen hen beiden een stille liefdeshistorie ge-
worden, dat wil zeggen, zoo gevaarlijk als eene liefdeshistorie zijn kan.
Het biljet in den ruiker had dit voor mij boven allen twijfel verheven.
Ondertusschen had de charmante zich in het gebeurde met juffrouw
noibbt aan mij vertoond als een lage dubbelhartige bedrieger en avon-
tuurlijke lichtmis, die het op het geluk en de onschuld van onerva-
-ocr page 213-
195
renen en weerloozen toelegde, en ik verachtte hem in het diepst
van mijn ziel. Ik hegreep dat het mijn plicht was juffrouw noibet
tegen alle verdere lagen te besehermen, en henbiette , om een ver-
sleten leenspreuk te gebruiken, van den afgrond terug te leiden,
op welks rand zij in zulk slecht gezelschap omdoolde.
Waar ik eindelijk toe besloot zal het volgende hoofdstuk leeren.
Een hoofdstuk waarmee de auteur ijselijk verlegen is, omdat hij
er zelf de mooie rol in speelt; iets dat hij wel weet dat hem
in \'t geheel niet past, maar dat hij toch voor ditmaal
niet helpen kan.
Hildebrand, die door een samenloop van omstandigheden be-
stemd was om in deze geschiedenis een handelend persoon te wor-
den, stond den volgenden morgen een half uur vroeger dan de vorige
•dagen op en liep met een gewichtig gelaat en groote stappen de
kamer op en neer, eene beweging, die hij altijd aanneemt als hij
over iets belangrijks of als hij over niets denken wil. Nu eens blikte
hij veelbeduidend op naar de giftige pijlen aan den wand, dan we-
der overzag hij zijne heldhaftige houding in den spiegel, en ein-
delijk wijdde hij een groot gedeelte zijner aandacht aan de inusschen ,
die in den tuin af en aan vlogen en elkander niet zelden onaange-
naamheden toevoegden omtrent zekere kruimels en kleine korstjes
brood, die reeds in dit vroege morgenuur hare hartstochten in be-
weging brachten.
Hij kwam daarop geheel gekleed aan het ontbijt, eene omstandig\'
heid die niemand bevreemdde, daar het zondag was, ofschoon er op
dien bijzonderen zondagmorgen juist niemand naar de kerk ging
dan de oude mevrouw. Mijnheer verklaarde „veel van den godsdienst
te houden, want wat zou er zonder godsdienst van de maatschappij
worden!" maar hij kon „het geteem van de domino\'s in deze stad
niet aanhooren"; voor mevrouw „tochtte het in de kerk al te verschrik-
kelijk"; en wat henbiette betrof, zij ging wel, maar „zag er geen
noodzaak in er sleurwerk van te maken".
Hildebband nam den schijn aan van naar de kerk te zullen gaan,
«n had evenwel voorgenomen het niet te doen. Hij herinnerde zich,
niet zonder ingenomenheid met de hooge roeping die hij in zich ge-
voelde, het zeggen van fenelon, in het treurspel van dien naam:
„Dit is mijn eerste plicht: Men dien\' de menschlijkheid,
En zing daarna den lof der Hemelmajesteit!"
Hij had zich den vorigen avond laten onderrichten waar de kamers
van den heer van deb hoogen te vinden waren en moest ze in een
der middelbare straten van de stad, boven een beddewinkel, zoeken.
De heer hildebband stapte er heen in de vaste overtuiging den heer
tan deb hoogen thuis te zullen vinden.
-ocr page 214-
196
Daar hij zich evenwel tébinnenbracht dat de heer tan debhoo-
gen, die een post aan het bureau der registratie had, dagelijks reeds
om tien uren in den morgen aan dat bureau verschijnen moest en
dan nog wel tot twee uren na den middag druk werk had, kwam het
hem niet onwaarschijnlijk voor, dat gemelde heer van dek hoogen
des zondags een wemigje zou moeten uitslapen en dus hoogstden-
kelijk nog op zijn bed zou liggen. Daarbij voegde zich misschien
heimelijk een weinig innerlijke neiging om de onaangename bood-
schap, die het „dienen der menschlijkheid" in deze medebracht r
nog een oogenblikje uit te stellen.
Nu gebeurde het dat hildebband, op zijn weg naar den bedde-
winkel in de middelbare straat, een plein over moest, waarop een.
kerk stond, waaruit het gezang der geloovigen krachtig opsteeg;
en hij gevoelde lust om ten minste nog een gedeelte van de gods-
dienstoefening bij te wonen.
Hildebband is geen voorstander van het te laat verschijnen in het
huis des Heeren. Hij begrijpt dat Gods woord er geenszins voor niet
wordt voorgelezen, en veel minder om als een demper te dienen op het
gedrang om plaatsen en het geschuifel met stoven; maar wel moet
hij bekennen dat het iets bijzonder plechtigs en indrukmakends
heeft, zich op eenmaal van de stille straat in een hoofdkerk te ver-
plaatsen, waar een groote schare reeds met ongedekten hoofde ter
nederzit en, onder het statig intoneeren van het orgel, zijn lofzang
als uit ééner harte opheft. De aanblik eener gemeente, vereenigd,
ten minste uiterlijk vereenigd, in den dienst van God, heeft reeds
op zichzelf eene ontroerende stichtelijkheid; en wij zijn er, ge-
loof ik, zoo menigen goeden en christelijken indruk aan verplicht r
dat het, al was het alleen daarom, de moeite waard is de les van den
apostel te betrachten: „Laat ons onze onderlinge bijeenkomste niet
nalaten".
\'t Hijgend hert,
zoo zong de saamgevloeide schare met de woorden van den
Tweeënveertigsten Psalm:
\'t Hijgend hert, der jacht ontkomen
Schreeuwt niet sterker naar \'t genot
Van de frissche waterstroomen,
Dan mijn ziel verlangt naar God.
o Gij, die meent dat tehuis een „goede" preek te lezen — gij leest
gewis altijd goede preeken, en krij gt niet dan slechte te hooren ? — o Gij,.
die meent dat tehuis een goede preek te lezen, en des noods een
psalm er bij, even stichtelijk is als de openbare samenkomst; die
het gebod des Zaligmakers om in de binnenkamer te bidden te-
gen het bidden met de gemeente overstelt, hebt gij dan nimmer
het hartverhenende gevoeld, dat het gezicht van zoovele menschen-
kinderen, uit alle standen, die met en rondom u hetzelfde lied aan-
-ocr page 215-
197
heffen, hetzelfde woord van vertroosting aanhooren, en denzelfden
Vader in de hemelen, in naam van denzelfden Verlosser, aanroepen,
teweegbrengen kan?
Jammer dat de organist de kracht van den roep der gemeente tot
öod in een laf naspel liet verloren gaan.
Een eenvoudig man van hooge jaren stond op den predikstoel en
sprak de gemeente naar aanleiding der opgezongen woorden opwek-
keliik toe. Hij deed daarop een eenvoudig, ootmoedig, en recht
biddend gebed. „Een krachtig gebed des rechtvaardigen vermag
veel", zegt jacobus. Toen noodigde hij de gemeente andermaal tot
een gezang; en nu werd er uit den Bersten Psalm aangeheven:
De Heer toch slaat der menschen wegen ga,
En wendt alom het oog van zijn gena
Op zulken, die, oprecht en rein van zeden,
Met vasten gang het pad der deugd betreden;
God kent hun weg, die eeuwig zal bestaan;
Maar \'t heilloos spoor der boozen zal vergaan.
Dit waren ook de tekstwoorden van den grijzen evangeliedienaar:
„De Heer kent den weg der rechtvaardigen, maar de weg der godde-
loozen zal vergaan." En met dit woord in het hart spoedde nrr.i>E-
bband zich naar van dee hoogen.
„Op de voorkamer!" riep de vrouw uit den beddewinkel, haar
hoofd uit een achterkamer stekende; „de trap op; de eerste deur aan
uw linkerhand!"
Hildebband volgde die aanwijzing. De deur van de voorkamer
stond halfopen, en hij bevond zich op het grondgebied van den
«harmanten. Deze echter was er niet.
De kamer was niet bijzonder charmant; zij was slecht gestoffeerd
en alles behalve net. Een gemakkelijke leuningstoel was het beste
meubel. Aan den muur hingen een paar prenten met eobeet macaibe ,
en eenige vrouwebeelden van de hand van kunstenaars, die zich
bijzonder op het naakt schenen te hebben toegelegd. Boven den
schoorsteen een schermmasker, schermhandschoenen en floretten ,
en de staart van een fazantehaan, dien van dee hoogen moest ver-
beelden eenmaal geschoten of gegeten te hebben. In den rand van
den spiegel staken eene menigte invitatiekaarten, waaronder som-
mige van reeds zeer ouden datum. Op tafel stond een groote flacon
met reukwater en lag een deeltje van paul de kock opgeslagen. Er
brandde een vuur in den haard, dat echter in het laatste halfuur
slecht scheen onderhouden te zijn. Een onaangeroerd ontbijt stond
op, en van de kook geraakt theewater onder de tafel. Dit beteekende
dat de heer van dee hoogen waarschijnlijk nog in zijn slaapvertrek
was. Hildebband hoopte dat de hospita hem zoo aandienen.
Weldra kwam er ook waarlijk iemand de trap oploopen, maar het
kon de hospita niet wezen, want hildebband hoorde degelijke mans-
laarzen kraken. De boven komende persoon scheen een kleinen over-
-ocr page 216-
198
loop over te gaan, en hij hoorde hem een andere deur opendoen.
Daarop vernam hij eene stem, die uit de dekens scheen te komen en
„wie daar?" riep.
„Bout," was net antwoord van den binnengekomene. „Lui beest,
legje nog al op je bed?"
„Hei, hei wat," antwoordde vak dee hoogen, „\'t is pas dag. Je
moet bedenken dat ik zes dagen van de week voor dag en dauw op
moet. Dat verhaal ik op den rustdag, man! D .... rs, ik neb koppijn,
hoor! Die wijn op de sociëteit is slecht."
Er volgde een gesprek daar ik niet alles van verstond, maar wel
merkte ik, dat het op het laatst over iemand liep, die zij „het zwar-
tje" noemden; en spoedig daarop werd het hildebeand duidelijk, dat
tan dee hoogen zijn wedervaren met juffrouw noibet vertelde, waar-
van de herinnering hem zoo veel genoegen scheen te verschaffen,
dat hij in een geweldig lachen uitborst.
„Alles goed en wel!" zei daarop de persoon, dien hildebeand
met den naam van bout had hooren benoemen, en die een zeer rauw
en onaangenaam geluid sloeg, „alles goed en wel! maar je bent toch
een handjegauw. Waarom nu niet nog een beetje gewacht, totdat de
jongen goed en wel in de West is ?"
„Boutje!" antwoordde van dee hoogen , die in dit gezelschap zijn
lievelingsterm charmant voor een minder onschuldigen scheen te
moeten verwisselen, „het zwartje is zoo verd.... mooi."
„Kinderachtig!" hernam de ander; „een reden te meer om geduld
te hebben. Ik heb uit louter vriendschap voor jou een halfjaar ge-
ij verd om den schimmelbek zin in de West te doen krijgen, en nu
net eindelijk lukken zal, ga je met je eigen drieguldens je glazen in-
gooien. Als de meid het immers vertelt, hebje gedaan.
„Geen nood!" antwoordde van dee hoogen ; „jongens kerel! ik heb
haar zoo\'n char ..." (daar had hij zich haast versproken!) „verd ...
mooi briefje geschreven; er komt van wanhoop in, en van eene eeu-
wige teederheid. Je moest het lezen, kerel. En zoo was ze niet, of ze
heeft dat wel stilletjes aangenomen. En was die verd .... kerel niet
gekomen.... Maar zeg reis, gaat hij stellig naar de West ?"
„Hij is er zoo verliefd op, als hij eerst wanhopig was, \'k ben
d ... .rs," zei bout ; „hij leeft in de stellige overtuiging dat hij, binnen
zes jaar, op zijn minst halfzoo rijk weerom komt als mijnheer kegge.
Hoe maakt de dochter van dien blaaskaak het? henbiet; hiet ze
zoo niet?"
„Patent, kerel, patent! Mooier dan ooit, en verliefd tot over de
ooren. Weetje wat? zet terwijl reis thee voor me; ik kom zoo
dadelijk bij je."
De heer bout kwam daarop naar voren, en hildebeand zag een
felaat, dat de uitdrukking van de grootste onbeschaamdheid aan die der
atelijkste geveinsdheid paarde. Zijne oogen hadden dien doordrin-
genden, zinnelijken blik, die eerzame harten zoo bijzonder pleegt
-ocr page 217-
199
te stuiten. Hij was een buikig man van vier-, vijfendertig jaar,
dragende een dichtgeknoopte blauwe jas, een glimmend gebor-
stelden hoed, en gewapend met een dikken bamboesrotting. Hij stond
verbaasd iemand in de voorkamer te ontmoeten. Hildebband maakte
zich bekend, en verklaarde dat hij gekomen was om den heer van
deb hoogen te spreken.
„En hebje al lang gewacht, mijnheer!" vroeg bottt met gemaakte
vriendelijkheid.
„Ik kom zoo op het oogenblik," antwoordde hildebband.
De waardige vriend schelde en verordende ander theewater. De juf-
frouw gromde „dat het geen manier van doen was", en ging de
trappen af met den theeketel. Eer zij nog terug was, verscheen van
DEB HOOGEN.
Hij zag er alles behalve aantrekkelijk uit, met zijne lange haren
ongekruid en woest over zijn bleek gezicht hangende, in een ver-
schoten kamerjapon, op wollen kousen en versleten pantoffels.
„G-ij hier, mijnheer hildebband?" zeide hij bij het inkomen.
„Ik had een boodschap aan u," antwoordde de toegesprokene.
„Charmant, charmant!"
„Mijnheer zal u misschien alleen willen spreken," merkte de
waardige bout aan; „dan ga ik nog een kerkje knappen; de kerk
zal toch wel al aan zijn?"
Van deb uoogen lachte schreeuwend om deze geestigheid.
Maar kan er ook iets grappigers bedacht worden dan met de kerk
te spotten?
Bout vertrok.
„Je moet me eerst wat laten besterven," zei van deb hoogen
geeuwende en een ei slurpende; „het is gisteren wat laat geworden
op de sociëteit, en mijn keel is wat rauw van den chambertin."
„Ik heb niet veel te zeggen, mijnheer van deb hoogen!" zeide
hildebband , vast besloten om maar in vredes naam met de deur in
huis te vallen, en vooral niet rouwig wegens het vertrek van den
achtenswaardigen bout.
„Het moet u niet verwonderen, mijnheer! als het huis van de
familie kegge u eerstdaags wordt ontzegd ...."
De charmante werd van bleek, vaal en zag hildebband verbaasd
aan. Hij wist volstrekt niet hoe hij het met hem had.
Hildebband maakte van deze gelegenheid gebruik om in éénen
adem voort te gaan: „De heer kegge zal eerstdaags weten, wie gij
zijt, mijnheer! Uw dubbelzinnig gedrag zal hem bekend worden.
Hij zal kennis dragen van de lagen, die gij aan de onschuld legt,
terwijl gij zijn dochter het hof maakt."
De heer van deb hoogen wist zijne verlegenheid niet beter te ver-
bergen, dan door in lachen uit te barsten. Hij begon daarop aan zijn
derde eitje, en antwoordde op een onverschilligen toon:
„Wie zegt, dat ik aan zijn dochter het hof maak ?"
-ocr page 218-
200
„Ik!" antwoordde hildebband zouder te aarzelen; „ik, mijnheer!
ik, die u deze gansche week bespied heb; ik, die weet dat gij violette
briefjes in haar bloemruikers stopt; ik, die ook weet dat gij bij don-
keren avond met violette briefjes over straat loopt, om ze argeloozen
meisjes in de hand te wringen; ik, mijnheer! die ook weet welke
slachtoffers de heer van des hoogen elders heeft gemaakt, en die
zorgen zal, zooveel in mij is, eeu dergelijk lot af te keeren van
menschen, daar ik belang in stel."
De heer van deb hoogen deed zij n best om nog luider te lachen,
wipte met zijn stoel achterover, en riep uit:
„Ean charmante klucht! En mijnheer hildebband is alzoodénon-
ciateur van dit alles?"
„Hij kan het worden," ging hildebband voort, die nu eenmaal op
gang was; „als ik de stad verlaat, zal ik den heer kegge waarschu-
wen. Maar eerst wilde ik uzelf dit komen aanzeggen. Ik wilde met
open kaart spelen, opdat gij weten zoudt uit welken hoek het u aan-
kwam, als men u bij den heer kegge met stugheid ontving, of mis-
schien wel de deur wees!"
„De heer kegge zal laster van waarheid kunnen onderscheiden,"
zeide de heer tan deb hoogen, met een geveinsde bedaardheid.
„Daarvoor heb ik dit bewijsstuk," antwoordde hildebband, het
briefje aan juffrouw noibet toonende; „men kent uw hand; een biljet
vol van de schandelijkste propositiën aan een eerbaar meisje, dat
als zij ze gelezen had, reeds meenen zou onteerd te zijn. Het zou mij
niet moeilijk vallen uit uwe vroegere „residentie" meer dergerlijke
briefjes op te dagen. Maar dit eene is genoeg."
Hildebband stak het paarse papiertje weder met bedaardheid in
den rokzak.
De heer tan dee hoogen stond op. „En wie zijt gij, mijnheer!"
voer hij uit, maar lang niet op den toon, die bij zulk eene vraag
fepast had: „En wie zijt gij, mijnheer! om mij op mijne eigene
amer de les te komen lezen ? Ik houd u voor een....
„Greene beleedigingen!" zei hildebband, insgelijks oprijzende,
en hij voegde er bij: „Uw opstaan verschrikt mij evenmin als deze
floretten."
De heer tan deb hoogen giug weer zitten.
„Gij spreekt van de les lezen!" ging hildebband voort. „Uw naam
en faam, uw positie in de stad, het is alles in mijne hand. Ik ken
uw afkomst, mijnheer tan der hoogen, weinig strookende met de
airs, die gij u geeft; ik ken uw vroeger gedrag, uw gedrag in deze
plaats; ook uw gedrag als ambtenaar, en uwe nieuwste machinatiën
om personen te verwijderen, die u in den weg staan. Neem u in acht!"
„(rij wilt mij ongelukkig maken," gromde de heer tan dee hoogen
tusschen de tanden.
„Ik wil uwe beteren voor ongelukken behoeden," hernam de an-
der. „Hoor hier: ik verklaar mij in de eerste plaats voor den bescher-
-ocr page 219-
201
mer van juffrouw noieet. Naar haar zult gij geen vinger meer uit-
ateken. Haar zult gij nooit, niet één enkel woord, meer toespre-
ken, zelfs niet groeten. Indien ik ooit verneem dat gij haar tot
eenigen den minsten overlast zijt, zal de geheele stad weten wie
gij zijt, van den baron van nagel af tot uwe hospita toe. Voorts zult
gij uwe bezoeken bij den heer kegge verminderen en er van afzien
eenigen invloed op zijne dochter te willen oefenen. Zoo ras ik iets
verneem dat daarmede strijdt, komt dit biljet onder de oogen van
mijnheer kegge. Nu zal ik alles laten zoo als het is. Deze twee
dingen, mijnheer van dee hoogen! Denk er om!"
„Het is wel!" zeide hij binnensmonds; en, alsof deze\'t helpen
konden, stiet hij de ledige eierdoppen op zijn bord aan duizend grui-
zelementen.
Hildebband vertrok, en was duizend pond lichter dan toen hij de
trap opkwam.
Het hofje. De heer van der Hoogen af.
Het was heerlijk weer, en ik had niet veel lust mij terstond
naar huis te begeven; ik verkoos liever nog eerst een stadssingel
langs te wandelen. Wanneer men te Leiden studeert, heeft men eene
zekere voorliefde voor stadssingels. Verfrischt door de heldere lucht
en den koelen wind, kwam ik de poort weder binnen, en begaf
mij naar huis.
Het ongeluk scheen suzette noieet te vervolgen.
Niet ver van den Zoeten Inval kwam ik saabtje tegen. Zij liep
zeer haastig en met gebukten hoofde; en naderkomende, zag ik dat
zij er uiterst verschrikt en ontdaan uitzag en bitter weende.
„Wat scheelt er aan, saabtje?"
„Ach!" riep zij uit, „laat mij schielijk voortgaan. Juffrouw noibet
ligt op sterven!\'
„Wat?" zeide ik, hevig ontzet met haar voortstappende en aan
suzette denkende, „en ik heb haar gisteren nog gesproken!"
„Dat kan ook wel zijn," antwoordde zij; „gisteren was ze nog
heel wel. Maar vandaag heeft ze plotseling een overval gekregen.
Ik was in de kerk, en moeder was thuis bij de kleintjes. Suzette
heeft oogenblikkeliik om moeder gezonden; en nu kom ik, gelukkig
en wel, uit de kerk, en daar hoor ik dat de goede juffrouw noieet
misschien nu al dood is; zij is gelaten, zegt vader, en er is geen
bloed gekomen, en de dokter heeft haar opgegeven. Wat zal de arme
suzette beginnen?"
Zij snikte luid.
Ik ging met haar naar het hofje.
De zoogenaamde Moeder van die inrichting, eene deftige gewezen
keukenmeid, met een zeer laag jak en grooten witten halsdoek,
stond in de poort met eene oude vrouw te praten, die een zwarten
-ocr page 220-
202
schoudermantel droeg, en duidelijk hoorde ik de woorden: „Zoodat ik
je nou maar raai er dadelijk werk van te maken, want anders is een
ander je alweer vóór ; je gaat nou maar in-mediaat naar de heeren,
en zegt: compliment, en dat nommer negen fikant is ..."
„En dan?" vroeg de vrouw met den zwarten schoudermantel.
„Dan mot je je beurt afwachten," zei de Moeder.
Die van den zwarten schoudermantel strompelde heen.
„Hoe is \'t met juffrouw noiret?" vroeg ik aan de Moeder, alsof
ik van dit gesprek niets begrepen had.
„Afgeloopen!" zei de moeder, haar hoofd schuddende. „Och ja,
ze heeft het daar zoo passies afgelegd; \'t zei nou net een klein ke-
tiertje geleden zijn. \'t Is een heele omstandigheid: zóó gezond, en
zóó dood. Gisteren ging ik haar deur nog voorbij, en ze Knikte nog
teugen me, ik loof zelf dat ik nog an haar raam getikt heb, en nog
gevraagd hoe ze voer. Ja wel! want ze zei nog teugen me: Heel wel,
moeder! Neen, tèch niet, dat was bij trijntje. Och ja, dat zeg ik, een
mensch kan der gauw uit wezen!"
Wij gingen voort. Een der bestjes die op het hofje woonden ,
stond met een zwart duifjeskiepje bij de pomp; zij zag naar ons
om, toen wij haar voorbijgingen, haalde de schouders op, en schudde
het hoofd.
„Ze is uit den tijd!" zei de oude best, schudde nogmaals het
hoofd, en ging voort met water op haar aardappeltjes te pompen.
Wij traden het huisje van juffrouw noiret binnen. Door een klein
portaaltje, met platte roode steenen geplaveid, kwamen wij in het
eenige vertrek, dat hare woning, en die van eene lange reeks van
oude vrouwtjes vóór haar, had uitgemaakt. Het was een klein ka-
mertje, met matten belegd, en waarin een schoorsteen was, waar-
onder zij tegelijk haar potje kookte en zich verwarmde. De meu-
belen bestonden in eene voor het vertrek zeer groote hangoor-
tafel, een matten stoel of vier, en een groot bureau, waarop in
het midden een geel theeservies met roode landschapjes stond ge-
schikt , geflankeerd door een rond en een vierkant verlakt presenteer-
trommeltje, op hun kant gelegd. In een hoek van dit vertrekje stond
de ladder, waarmee men naar het zoldertje opklom, waarop debe-
deeling turf en hout gestapeld was, die des winters aan de hofjes-
vrouwtjes werd uitgereikt en, benevens eene wekelijksche uit-
deeling van aardappelen en een potje boter, dit hofje tot het voor-
deeligste \'maakte van de vele hofjes waarop de stad zich beroemde.
Aan den witten muur hingen een paar silhouetten, waarvan het
eene dat van een predikant scheen te zijn, en verder eenig huisraad,
dat geene andere plaats hebben kon. Op tafel lag een kwarto bijbel
en een fransch gezangboek; in welk laatste de goede vrouw nog
dien eigen ochtend had zitten lezen; haar bril lag tusschen de bla-
den tot een blijk waar zij gebleven was. Voorts was die tafel
nu overdekt met allerlei glazen, lepels, kopjes en zoo voorts, die
-ocr page 221-
203
men in het oogenblik van ontsteltenis gebruikt had. Een sterke geur
van Hofmansdruppels kwam ons tegen. Op den stoel, waarop juf-
frouw noiret het laatst had gezeteu, lag nu haar witte poes, in een
gemakkelijke kringvormige houding, op het groene saaien kussen
te sluimeren.
Aan het hoofdeinde der bedstede, waar de gordijnen van waren
toegeschoven, zat stjzette , doodsbleek, en met het hoofd in de hand.
De goede juffrouw de geoot stond vóór haar, met een vol glas wa-
ter, en poogde haar te bewegen nog eens te drinken.
Stjzette hief het hoofd treurig op, greep het glas aan, en nam
werktuigelij k eene kleine teuge. Toen zag zij ons strak aan. Zij
reikte mij de hand:
„Ik heb mijn wensch," zeide zij: „het was bij dag."
Saartje hield zich schuw op een afstand en was geheel van haar
stuk. Zij snikte hevig en viel op een stoel bij de tafel neder. Juf-
frouw de geoot poogde vruchteloos haar iets te doen gebruiken.
Toen zij eindelijk wat bedaarde, wilde zij de doodezien. Stjzette
schoof het gordijn half open, en ik zag een mooie oude vrouw in hare
kalme ruste. Het heldere zonlicht dat door het venster binnendrong,
wierp een schuinschen straal op een aangezicht, dat meer en meer van
den doodsnik begon te bekomen. De oogen waren gesloten en inge-
zonken; eenige weinige grijze haren kwamen onder het mutsje uit,
en glinsterden als zilver in den zonneschijn. Hare dorre handen lagen
l
lechtig saamgevouwen op haar borst. Saartje knielde bij haar bed;
lozende jeugd bij het beeld des doods. Zij legde haar lief handje op de
hand der overledene, maar schrikte van de koude. Zij had nog nooit
een lijk gezien. Toch vermande zij zich weer, en streek met hare
zachte vingers langs het gerimpeld voorhoofd. Daarop barstte zij in
een hevig jammeren los!
„o Dat ik ook naar de kerk moest wezen! Had ik u nog maar één
oogenblikje levend gezien, lieve juffrouw noiret , een enkel woordje
van u gehoord!"
„Dat hebben wij geen van allen, lief kind!" zei haar moeder, hare
oogen met haar voorschoot afvegende.
„Neen," zei stjzette met een hartdoordringende stem; „geenvan
allen."
Saartje schoof het gordijn weer toe.
„Arme stjzette!" riep zij uit, haar om"\'den hals vallende, „wat
zult (jij beginnen!" En zij snikte zoo luide, dat haar moeder haar
tot zich nam en zeide dat zij zich een weinig matigen moest, want
dat zij stjzette „nog naarder maken zou".
„Ik wenschte dat ik zoo schreien kon, juffrouw de groot!" zei
de ongelukkige bedaard, en weder nam zij hare vorige houding aan,
met het hoofd in de hand.
De doove buurvrouw kwam binnen. Het was een lange, schrale
vrouw, die het bovenlijf, met een grooten hoek, voorover droeg. Zij
-ocr page 222-
204
had mede een zwart kiepje op, droeg een zeer lang sitsen jak, een
groot wit schort, en een kal min kon rok. Zij zette een klein schoteltje,
met een bord toegedekt, op de tafel.
„Is buurvrouw ziek?" vroeg zij op dieu kennelijken doffen toon,
aan dooven eigen.
„Ja!" zei juffrouw de gboot, luid sprekende, „buurvrouw is heel
eri-"
Juffrouw de gboot had echter niet luid genoeg gesproken.
„Dan mot ze maar wat eten," hernam de oude, en het schoteltje
opnemende, ging zij naar het bed. „Je mot wat gebruiken, buur;
kijk, hier heb ik wat gestoofde peertjes voor je." En zij wilde het
gordijn openschuiven.
Juffrouw de gboot hield haar bij den kalminken rok terug.
„Neen!" schreeuwde zij zoo hard zij kon, „buurvrouw zal niet
meer eten. Buurvrouw is overleden."
„Zoo!" zei de doove, het hoofd op en neder bewegende, alsof zij
het volmaakt verstaan had, „slaapt buurvrouw? Zoo, zoo; dat is
goed! dat wist ik niet. — Ik zag den dokter binnengaan j" vervolgde
zij tot mij , „en ik docht, daar is zeker wat an de hand. Wat schort
buurvrouw eindelijk?"
Ik slaagde er in haar aan \'t verstand te brengen, dat buurvrouw
niets meer schortte.
„Dat is de derde buurvouw," zei juffrouw samei,want zoo heette
de doove, „die ik verlies, en altijd aan dezelfde kant, in dut huisje.
De eerste was engeltje bovenis ; die was drieënzeuventig, en pot-
doof; ik ben ook wel wat hardhoorend, weet u. De andere was juf-
frouw de btjiteb , die de koffiekan over der been liet vallen, zoodat
ze der nooit van opëkomen is; en dut is nou de derde; \'t was een
goeie vrouw, een beste vrouw; maar wel een beetje eenzelverig.
Och heer! is ze dood; ik docht nog zoo: kom an, een gestoofd peertje
daar placht ze anders nog wel van te houën."
De klink van de deur werd weder opgelicht, en binnen kwam een
vrouwelijk wezen, wier oogen, gelaat, en geheele houding de innigste,
de hartelijkste deelneming vertoonden; het was freule constance.
Er zijn schepselen in de wereld, die de bestemming om ongeluk-
kigen te troosten daarin hebben medegebracht, en opdat men ze
kennen zou, heeft de natuur het vermogen tot troosten in onmis-
kenbare trekken op hun gelaat uitgedrukt. Tot deze wezens behoorde
de freule constance.
Met eene niet in het minst hardvochtige, maar beminnelijke
kalmte, trad zij binnen en groette ons. Zij ontdeed zich daarop ter-
stond van haar hoed en bont, en het gaf iets veel vertrouwelijkere
haar in deze sobere woning zonder dien tooi te zien. Toen trad zij
op suzette toe, die altijd even stroef het hoofd op de rechterhana
deed rusten. De jonkvrouw greep haar bij de linker.
„Ik heb van uw ongeluk gehoord, lieve juffrouw noibet!"begon
-ocr page 223-
205
zij, met een zachte en hartdoordringende stem: „Ik kom eensmet
u schreien; gij weet dat ik ook geen moeder meer heb."
Het valt lichter van eene weldadige ontroering, dan van eene
groote en verpletterende smart te weenen. Suzette barstte in tra-
nen uit, en kuste de handen der freule. Ook aan de lange zwarte
pinkers van deze hingen heldere droppels. Saartje drong zich tegen
de beide vrouwen aan, en in haar oogen blonken, door de tranen
heen, de innigste toeneiging, en de diepste eerbied voor de troos-
teres.
Dat was eene lieve, eene hartontroerende groep. Lijden, medelijden,
en lijdenstroost, in een zachte en liefdevolle omhelzing vereenigd.
Ik noodig onze schilders uit, daar hunne krachten eens aan tebe-
proeven, als zij een oogenblikje willen uitrusten van mannen die
pijpen rooken, en vrouwen die groente hebben gekocht.
„Een engel van een mensch!" fluisterde juffrouw de groot, en
een traan viel op de tang, waarmede zij, op den in de verwarring
half uitgedoofden haard net vuur poogde te herstellen.
„Wie is die dame?" vroeg de doove op haar gewonen luiden toon.
Ik poogde het haar te beduiden; maar het was mij niet mogelijk.
„Ik kan je niet verstaan!" zei ze; „maar dat weet ik wel, dat
het lang duren zal, eer de rijkdom bij pleunt je samei\'s laatste leger
komt om te huilen; — maar ik heb ook wel hoorenzeggen, dat juf-
frouw uoiret van geen lage kom-of was."
Dit gezegd hebbende stond de oude op, en begaf zich naar haar
eigen cel.
De dokter kwam om naar suzette te zien en voor haar te zorgen,
nu de eerste schok voorbij was. Zijn gelaat luisterde op als hij freule
CONSTANCE zag.
„De freule reeds hier ?" zeide hij; „het kon niet beter. Gij moet on-
middellijk gegaan zijn, freule nagel! — Ik beveel u deze patiënte aan,"
voegde hij er bij ; „voor bedroefden zijt^tï de beste dokter, die ik ken."
Hij schreef een ontspannenden drank voor, en verliet ons, om wie
weet welke andere ellende te gaan aanschouwen!
Het is opmerkelijk hoe gretig de mindere klasse is om met een
lijk te sollen. Het is een stuk van liefhebberij. Al is iemand zijnen be-
betrekkingen ook nog zoo lief: nauwelijks heeft hij den adem uitge-
blazen, ja, somtijds zijn er niet dan zeer bedriegelijke proeven genomen
omtrent het werkelijk doodzijn van den dierbare, of het lijk moet
van top tot teen ontkleed en in het doodsgewaad gehuld worden, en
het „heerlijke" bed weggehaald, om daarvoor den harden stroozak
in plaats te geven. En ik heb bij lijken gestaan, die aldus waren af-
gelegd, van personen die men nog geen uur te voren dood op hun
stoel had gevonden.
De Moeder van het hofje kwam dan ook met een allergewichtigst
gezicht binnen en, moeder de groot op zijde nemende, hield zij haar
voor, dat men niets heiligers te doen had dan juffrouw noiret te
-ocr page 224-
206
„ontwelden". „Juffrouw de geoot kon daartoe over haar beschikken :
zij was er niets akelig van. Ook wist zij heel goed waar het doodgoed
van juffrouw soieet lag."
Juffrouw de geoot beweerde evenwel dat het geen haast had; maar
de Moeder van \'t hofje stond er toch op, dat het vóór den nacht ge-
schiedde. Want het was maar om het bed, weetje! En dan, juffrouw
noibet had zoo\'n kostelijke sprei, altijd bij winterdag, en die had ze
zeker nu ook weer op \'t bed?" En zij ging kijken of het zoo was ...
„Het is de sprei," zei ze bedenkelijk tegen juffrouw de geoot; „als
je der nog toe reseleveert, mot je memaar laten roepen."
„\'t Is wel," zei juffrouw de geoot, en de Moeder vertrok, om door
het gesloten venster heen, met de doove buurvrouw een luid gesprek
aan te knoopen over de noodzakelijkheid om juffrouw NoiEETafte
leggen, en over haar kostelijke sprei.
„wat had de Moeder?" vroeg suzette, weemoedig opziende, toen
zij vertrokken was.
„Niets, lieve!" zei juffrouw de geoot: „ik zal voor alles zorgen.
Bekommer u over niemendal."
„Men moet moeder met rust laten," hernam suzette; „nietsaan
haar veranderen.....voor dat ze......" Meer vermocht ze niet.
Weder liet zij het hoofd aan het hart der freule zinken, die haar
liefderijk ondersteunde, en haar daardoor het meest versterkte dat
zij haar toeliet te weenen.
Saaetje kon niet langer blijven; het huishouden vereischte haar
terugkomst. Ik vertrok met haar. Suzette reikte ons beurtelings de
hand. Saaetje kon geen woord uitbrengen; en hildebeand was zoo
sprakeloos als saaetje.
Wij kwamen in den Zoeten Inval. De oude de geoot was inde
ziel bewogen. Ik bleef nog langen tijd bij die goede menschen over
het ongeluk van juffrouw noieet in gesprek. Saaetje vertelde mij heel
veel van de doode, en hoe lief zij hare dochter had gehad, en hoe die
dochter haar aankleefde, en gaf duizend kleine trekken van de tee-
derheid en aanhankelijkheid op, waarmede deze moeder en deze doch-
ter elkander het leven hadden veraangenaamd.
Zie; moeder noieet was zoo goed als op haar stoel doodgebleven,
als zij haar gezangboek had dichtgeslagen; de beroerte, die hare
zwakke levenskrachten in een half uur tijds vernielde, had reeds in
het eerste oogenblik hare spraak verlamd; maar zij had die niet noo-
dig gehad om suzette iets te vergeven vóór zij henenging; en haar
zegen — zij gaf haar dien gedurende haar leven dagelijks!
Wij spraken ook over den jongeling, dien de vertwijfeling aan
eene vereeniging met suzette naar de West-Indiën dreef. Ik ver-
langde zijn naam te weten. Saaetje deelde mij mee dat zij hem den
vorigen avond nog gesproken had, en dat zijn plan nu onwrikbaar
-ocr page 225-
207
vaststond, zoodat hij het ook nu aan haar ouders had geopenbaard;
en nog eenige omstandigheden daaromtrent, die in een volgend
hoofdstuk aan den dag zullen komen. Ik zweeg opzettelijk van het
fesprek, dat ik op de kamer van van dee hoogen mijns ondanks
eluisterd had.
Ik kwam tehuis.
„Zóó lang heeft die kerk toch niet geduurd, onsterfelijke!" riep
de heer kegge mij toe, toen ik de kamer binnentrad. „ Wij zitten pal
op u te wachten. Een zondag is een vervelende historie, maatje 1
Lag er maar sneeuw, dan konden we tenminste narren. Jongens!
mijn pantervel! Hoe zouden de adellijke heeren en groote hanzen
er naar likkebaarden. Maar zeg, onsterfelijke! ik sta beschaamd als
ik weet waar je zoo lang geweest bent."
Ik deed verslag van mijn bezoek op \'t hofje.
Kegge kreeg alweer een traan in de oogen. Maar hij zei:
„Drommels! dat was een naar akkevietje voor je. Het zal daar
een algemeen gegrijn gegeven hebben. Hanna, mij dear! daar
moet wat aan gedaan worden, hoor! \'t is duivels jammer voor dat
meisje. Stuur haar het een of ander."
„Wil ik haar een gebraden kuiken zenden?" vroeg mevrouw
kegge goedhartig.
„Allemaal gekheid!" riep de heer kegge uit. „Ze heeft immers
geen honger. Stuur haar een paar bankjes, dat zal beter welkom
zijn; een dooie is een duur ding voor zulke menschen."
Henbiette had zich afgewend en stond kwansuis naar haar kaka-
toe te kijken. Ook zij had vochtige oogen.
Neen! dacht ik, zonderling mengsel van hardvochtige grilligheid
en gevoel! gij waart toch veel te goed voor een van der hoogen!
Eu indien gij freule constance tot moeder of tot zuster hadt, gij
zoudt een heele lieve henbiette kunnen worden.
In het schemeruur poogde henbiette, langs allerlei zijdelingsche
wegen te weten te komen, hoe ik over haar en van deb hoogen
dacht. Ik ontdook hare listen, daar ik voorgenomen had mij de-
zen dag nog volstrekt niet uit te laten. Des avonds wachtte men van
deb hoogen, die meest alle zondagavonden bij de familie door-
bracht. Mijnheer, die de hoop gekoesterd had nu eens een par-
tij tje te zullen kunnen omberen, was knorrig dat de derde man
uitbleef. Henbiette, die ongetwijfeld het meest verwonderd was
dat hij niet verscheen, hield zich groot, en merkte aan, dat hij
misschien eene andere uitnoodiging had, en dat zij „\'t ook heel
goed vond dat hij er geen gewoonte van maakte om nu ook alle
zondagen te komen".
Wij brachten den avond door met platen en teekeningen te bezien,
waarvan de heer keggb een mooie verzameling had, die echter zon-
-ocr page 226-
208
der smaak of oordeel gerangschikt was, en zeker veel te duur betaald.
Tegen tien uren verscheen er een violetkleurig briefje. Hen-
biette werd rood, en hield zich overtuigd dat hier misverstand
heerschte, toen de knecht het aan haar vader overhandigde; en als
deze het openbrak zag zij hem strak in de oogen.
Toen de heer kegge het gelezen had, nam hij er zeer beleefd zijn
mutsje voor af:
„Ik ben een lijk," verklaarde hij, „als ik er iets van vat!" Daarop
vervolgde hij met zekere plechtigheid: „Mevrouw kegge, geboren
mabbison, mejuffrouw kegge, en mijnheer hildebband, hoort,bid
ik u, eens aan wat dit geschrift behelst:
WelEdelgeboren Heer!
Dat is primo een leugen!
Sedert gij in uw huis personen admitteert, die mijn goeden naa/m
\'pogen te be . . .
te ie-wat? Sakkerloot, dat\'s een drommels woord —
te bezwalken en te belasteren, zie ik mij genoodzaakt van het
genoegen af te zien
, om hetzelve verder te frequenteeren.
Ik heb de eer te zijn,
WelEdelgeboren Heer,
TJWÉdelgelorens Dienstw. Dienaar t
p. g. van deb hoogen.
Van huis, zondagavond.
                                    Surnumerair etc.
„Dat ziet op mij," zeide ik, het woord opnemende. „De heer van
deb hoogen anticipeert op zijn vonnis; ik ben nu wel genoodzaakt
te zeggen wat ik denk. De heer van deb hoogen heeft zich aan mij
als een slecht voorwerp, een verachtelijk mensch doen kijken."
Ik deelde daarop zooveel omtrent de zaak mede als volstrekt
noodig was, en verklaarde wat ik hem bij mijn bezoek van heden
had opgelegd. „Gij ziet," zeide ik ten slotte, „dat hij zijn toevlucht
tot onbeschaamdheid neemt."
„Daarom niet getreurd, onsterfelijke!" riep kegge uit. „Jehebt,
dunkt me, royaal gehandeld. En nu, voort met den weledelgeboren
heer van deb hoogen! Ik ben een drilboor als zijn gele handschoen-
tjes me ooit hebben aangestaan. En dan, dat hij altijd zijn mondvol
had van groote hanzen! — Het zal heneiette nogal spijten."
Henbiette antwoordde niet veel; maar mevrouw kegge sprak, met
volmaakte miskenning van \'t punt in geschil, de gewone toevlucht
van onverstandige vrouwen:
„Ik heb hem altoos een heel beleefd mensch gevonden. Hij heeft
mij nooit iets misdaan. Ik kom er rond vooruit, dat het mij spijt,
dat hij niet meer komen zal."
„Allemaal gekheid!" hernam de heer kegge. „Het eenigsteis, dat
er nu niemand is voor de muziek met henbiette. En gij spreekt ook
-ocr page 227-
209
van heengaan, onsterfelijke!" voegde hij er bij, zich tot mij wen-
dende; „dan zijn we weer geheel alleen. Ik heb graag een manskerel
over den vloer, om mee te praten."
De heer kegge schoof zijn stoel voor den haard, institueerde eene
langdurige poking, en bleef daarop in gedachten zitten. Op eens
wendde hij zich tot zijn vrouw.
„Hoe oud zou william nu al geweest zijn?" vroeg hij op wat zach-
ter toon, dan waarop hij anders gewoon was zich te doen hooren.
„Eenentwintig," antwoordde mevrouw kegge.
Het oogenblik van treurig nadenken duurde niet lang voor den
bewegelijken vader; maar wie zal zeggen, hoeveel smart dit enkele
oogenblik in zich bevatte.
Een Groote Hans en Adellijke Heer. Besluit.
Maandag één ure, na den middag: indien men namelijk burger-
lijk genoeg is het om twaalf uren middag te noemen: op dien dag en
dat uur, stond ik op het bordes van het huis des heeren willem
adolf baron van nagel, lid van de ridderschap, en burgemeester
van de stad, waarin al het bovengemelde moet zijn voorgevallen.
Het was een deftig huis, met een hardsteenen voorpui, waar de
vader en de grootvader van den edelman insgelijks hun leven had-
den gesleten, den roem nalatende, die meer was dan hun adelbrief,
den roem van beminlijke menschen.
Een bedaagd bediende, in een stil en deftig livrei, opende de deur,
liet mij in eene ruime zijkamer en vertrok niet eer om mij te gaan
aandienen, dan nadat hij mij, geheel op de manier van een welop-
gevoed man, een stoel gereikt. en daarop naar het vuur gezien had.
De kamer had een eenigszins ouderwetsch, plechtig, maar toch
comfortable voorkomen. Men zag aan alles, dat men bij iemand van
goeden smaak was. Het behangsel was van rood trijpt, en desgelijks
de canapé\'s en de stoelen. Op den grijsmarmeren schoorsteenman-
tel, waaronder, op een gepohj sten haard, een net gebouwd turfvuur
brandde, stonden twee antieke vazen; en aan den wand hing, als
eenige schilderij , het portret van een man, met den witten kraag en
den met ruig bont omzoomden tabbaard der zestiende eeuw. Het
gelaat was blozende, ofschoon het haar spierwit was, en in neus
en mond was een sterke gelijkenis met den nog levenden erfgenaam
van den eerlijken naam der nagels niet te miskennen. Er heerschte
eene rustige waardigheid in de stoffeering van dit vertrek, die oogen
en gemoed honderdmaal aangenamer aandeed dan de kleurige pracht
bij de kegges.
De heer van nagel liet wel wat lang wachten, maar toen hij bin-
nentrad was hij ook geheel gekleed. Hij heette mij terstond te gaan
zitten, en vroeg met het welwillendst gelaat van de wereld, wie ik
14
-ocr page 228-
210
was en wat ik hem had mee te deelen. Ik maakte mij bekend.
„En betreft uw boodschap eene zaak, die volstrekt onder vier
oogen moet behandeld worden?"
„Ik zou zeggen van neen," antwoordde ik.
„Wees dan zoo goed mij te volgen;" zeide de heer van nagel, die
mijn naam misschien van de freule gehoord had, en vermoedde dat
ik in het belang van de moederlooze suzette kwam.
Hij ging mij voor naar eene groote tuinkamer, wier ruimte even-
wel in dit seizoen door een groot sineeschverlakt kamerschut was
beperkt. Die kamer leverde alles op wat de ziel tot genoegelijke ge-
nieting van zichzelve stemmen kon. Er was eene aangename een-
stemmigheid tusschen het lichte behangsel en de zware slepende
damasten gordijnen, die allen tocht afweerden; tusschen de kleur van
het breede vuurscherm bij den haard, en de kleur van het kleed
over de tafel; tusschen alle deze dingen, en de beminnelijke uitdruk-
king van gelaat op het vrouweportret, dat boven de piano (zeldzaam
voorrecht! op het rechte licht) hong, en tusschen dat gelaat, en de
edele en teffens zoo zachtaardige trekken van den baron en van
de jonkvrouw van nagel.
Toen ik gezeten was, begon ik den eerbiedwaardigen edelman
mijne zaak voor te stellen. Ik zeide hem dat ik mij tot hem wendde
in het belang van een jong mensch, die eene ondergeschikte betrek-
king bij de stedelijke administratie had. Ik verhaalde hem hoe die
jonge mensch door een samenloop van omstandigheden (bedelaars-
stijl), gebrek aan gunstige vooruitzichten, en hoofdzakelijk ten ge-
volge van de listige bemoeiingen van een zijner superieuren, het
voor hem noodlottig voornemen had opgevat om naar de West te
gaan, en dat ik dat voornemen door tusschenkomst van zijn Ed.
noopte te verijdelen.
„Ziedaar het argument van uw boodschap," zeide hij gliinlachen-
de; „nu de expositie met naam en toenaam, als \'t u belieft!"
Ik verhaalde hem, dat ik van zekeren beindeet de maete sprak.
„Een oppassende jongen!" merkte de heer van nagel aan, zonder
mij evenwel in de rede te vallen.
„Van zekere beindeet de maete," zeide ik, „wien men, en wel
voornamelijk een zekere mijnheer bout, die aan het hoofd schijnt
te staan van het bureau, waarbij hij klerk is..." (de heer van nagel
zag zijne dochter veelbeteekenend aan) „de West-Indiën zoo schoon
en voordeelig heeft weten af te schilderen, dat hij , vol ambitie, en
gekweld door eenige teleurstellingen, het voornemen heeft opgevat
er naar toe te gaan; ja, dat hier werkelijk al een begin van uitvoering
had plaats gehad, daar de heer bout reeds voor hem, en met zijne
toestemming, een engagement met zijnen (bouts) broeder, die in
«Suriname eene plantage scheen te hebben, had aangegaan, die hem
als eerlijk man verplichtte met de eerste gelegenheid te vertrek-
ken___
-ocr page 229-
211
„En nu is uw verlangen," zei de heer tan nagel met voorkomende
goedwilligheid, „dat ik den jongen de makte zijn ontslag weiger?"
„Hetzelfde!" antwoordde ik.
„Welnu!" zeide hij, „hij zal het niet hebben, mijnheer hilde-
bband! Hij zal het niet hebben, constance! Wij laten onze kin-
deren niet weggaan, op eene aanbeveling van den heer bout. Hebt
gij ooit van een^broer van den heer bout gehoord, die inde West
zou zijn?"
„Nooit, papa!" antwoordde de freule.
„Welnu, mijnheer," hernam de baron, „wij kennen mijnheer
bout , en wij kennen den jongen de maete. Wij zullen alles in orde
brengen. Kent gij de beide heeren?"
„Den heer bout zag ik een oogenblik. De maete heb ik nooit
gezien."
„Zoo, zoo," antwoordde de heer van nagel; „nu, wees gerust.Ik
zal de zaak onderzoeken. De maete zal niet naar de West-Indien gaan.
Eéne vraag, zoo het niet onbescheiden is: waarom beij vert gij u zoo
zeer voor iemand, dien gij in \'t geheel niet schijnt te kennen?"
Die vraag maakte mij verlegen, hoe vriendelijk de oogopslag ook
mocht wezen, waarmede de baron op mijn antwoord wachtte.
„Mijnheer!" zeide ik, en ik geloof dat ik bloosde, „er is een dame
in het spel; een jong meisje, dat belang stelt in den jongen de maete ,
maar dat evenmin van den stap onderricht is, dien ik heden doe, als
de jonge de maete zelf."
„Ik dacht het haast," zei de heer van nagel, glimlachende. „Nu, de
zaak is er niet erger om, geloof ik."
Ik maakte eene beweging om heen te gaan.
„Wacht nog een oogenblik," zeide hij, en zou voortgegaan zijn,
maar de knecht kwam binnen en diende den heer van dek iioogen
aan. Onwillekeurig kwam de uitdrukking eener onaangename ge-
waarwording op het gelaat van vader en dochter beide, doch werd
even spoedig onderdrukt.
„Zeg dat ik mijnheer nu niet zien kan; dat ik en besogne ben."
„Mijne dochter,\' voer hij daarop tot mij voort, „heeft u gisteren,
geloof ik, ergens ontmoet?"
„De freule was met mij in het huis eener treurende."
„Gij kent die juffrouw noibet?"
„Ik heb haar een paar malen ontmoet, en ken haar uit de berichten
van lieden uit den kring tot welken zij nu behoort."
„Zij maakt soms kleeren voor mijn dochter," ging de heer van
nagel voort, „en die is zeer over haar tevreden. Het is een beschei-
den meisje, en zij heeft ondersteuning noodig. Weet gij iets meer
van hare familie dan wij ?"
Ik deelde hem alles mede wat ik wist, en voegde er bij , hoe suzette
om haar allerliefst karakter algemeen bemind was bij degenen die
iet voorrecht hadden met haar omtegaan.
-ocr page 230-
212
„Dat zei de dokter ook, niet waar, constance?" antwoordde de
beminnelijke man. „Ik dank u, mijnheer, voor uwe inlichtingen. Gij
studeert te Leiden ?" liet hij schielijk volgen, toen hij zag dat ik we-
der mine maakte van te vertrekken. „Blijf nog een oogenblik; ik heb
u uitgehoord; nu moet ge niet ineens weggaan. Ik heb ook te Leiden
mijn graad verkregen." En daarop begon hij eenige herinneringen
uit zijn studententijd op te halen.
„Het is de aangenaamste tijd van \'t leven, zegt men wel,"zeide
hij ten slotte, „maar zoo ondankbaar ben ik niet jegens mijn over-
leden vrouw en lieve dochter, dat ik dat toestem. En daarenboven ,
het doet nog meer goed zich in de wereld een Man te gevoelen, dan
een Student. Ik hoop dat gij het ondervinden zult."
Na nog eenige algemeene gesprekken, waar ook de jonkvrouw deel
aan nam, verliet ik deze woning, die mij als een verblijfplaats van
zielsrust, verstand, en deugd was voorgekomen, vol dankbaarheid
aan mijn gesternte, dat mij, in zoo weinige dagen onder zoo ver-
scheidene daken, en met zoovele lieve en goede menschen in aan-
raking gebracht had, om mij in de overtuiging te versterken, dat
beminlijkheid en voortreffelijke deugden niet net bijzonder eigen-
dom van bepaalde standen der maatschappij zijn, maar aan alle
gelijkelijk kunnen toebehooren; terwijl ongetwijfeld die mensch het
gelukkigst is, die terdege weet wat en wie hij is, wat hij vermag, en
wat hij wil, zonder zijn heil te zoeken in hetgeen buiten zijn bereik
ligt, zich verzekerd houdende, dat hij in het geruste midden van zijn
kring ruim zoo veilig is als aan den zoo kwetsbaren omtrek.
Mijn kleine rol was afgespeeld , mijn werk riep mij ,en ik kondigde
mijn vertrek aan. Drie dagen later werd ik weder wakker op mijne
kamer in de Sleutelstad, en tuurde ik in mijn hoekspiegeltje om te-
zien of de Breestraat nog breed was.
Maar nu zullen diegene mijner lezers, die het geduld gehad heb-
ben deze tafereelen te volgen, niet willen dat ik de pen nederleg T
voor ik nog ten minsten iets vermeld heb omtrent het verdere levens-
lot der opgevoerde personen. Ik durf zeggen dat ik niet behoor tot
de schrijvers, die er een genoegen in scheppen, hunne lezers met
teleurstellingen te plagen. Dit is onbehoorlijk, en schijnt mij toe met
de beleefdheid te strijden, die den auteur in dubbele mate betaamt.
Daarom zal ik pogen aan dezen natuurlijken wensch zooveel moge-
lijk te voldoen.
Henriette kegge is in het verleden jaar gehuwd met een kapitein
der rijdende artillerie, dien zij, vrees ik, een weinigje op het uiter-
lijk genomen heeft, maar die gelukkig blijkt een zeer verstandig
man te zijn, die haar karakter uitmuntend weet te vatten en te lei-
den , aan haar verstand en gaven eene goede richting te geven, en zelfs-
-ocr page 231-
213
een zeer gunstigen invloed geoefend heeft op de houding der geheele
familie, mijnheer niet uitgezonderd, die er tegenwoordig veel minder
op uit is de groote hanzen en adellijke heeren naar de kroon te ste-
ken, ze in het geheel niet meer benijdt, en daardoor meer en meer bij
hen in aanzien komt.
Mevrouw is, naar ik hoor, nog altijd dezelfde weinig sprekende
•en weinig bewegelijke dame; alleen heeft het sterven van een harer
twee lievelingen haar eenige bange dagen gekost. Ik ben zoo ge-
iukkigniet, mijne lezers te kunnen mededeelen of het Azor geweest
is of Mimi.
De heer van der hoogen heeft zich in het beheer van zekere, aan
zijne verantwoording toebetrouwdo gelden zoo weinig charmant ge-
dragen, dat hij het raadzaam heeft geacht op een goeden morgen
zijn hotel in den bedde winkel voor goed te verlaten, tot niemands
spijt dan van den beddemaker en zijne eegade, die een halfjaar ka-
merhuur en een aardig sommetje aan verschotten aan ZEd. te kort
kwamen.
De Zoete Inval is nog altijd een degelijke koek winkel, en tegen
St. Nicolaas-avond zijn er nog immer prettige verguldpartijen.
Saabtje is de verloofde van een hupsch jong mensch, die eene niet
onbelangrijke zaak in manufacturen drijft. Ik recommandeer haar
toekomstigen winkel aan het schoone geslacht. Het zal een lust zijn
bij haar te koopen.
Suzette noibet werd, onder den titel van kamenier, een zeer be-
voorrecht persoon bij de freule constance. De maete , door den ba-
ron in bijzondere bescherming genomen, is zeer spoedig ter secre-
tarie opgeklommen en bekleedt nu den post van den heer bout , die
aan de gevolgen van zijne ongeregelde levenswijze is overleden.
Hij is de gelukkige echtgenoot van de mooie suzette , en ik heb een
brief van de jonge lieden, waarin zij zich veel inbeelden van „ver-
plichtingen aan den heer hildebrand".
De baron leeft nog steeds met zijn dochter in dezelfde kalme en
liefelijke stemming. Zij beide stichten zoo veel nut en doen zoo
veel goed als zij kunnen; en de freule gaat met een hart vol liefde
den tijd te gemoed, waarin de heer van nagel , die al zachtjes aan vrij
oud begint te worden, haar hulp nog meer zal behoeven.
En de grootmoeder ? ... is niet meer onder de levenden. Volgens
haar uitersten wil is zij op het kerkhof bij de Marepoort te Leiden,
in het graf, waarin ook haar lieveling rust, bijgezet. Haar hond
heeft haar niet lang overleefd.
En ik ontving uit haren naam een pakje, waarin het ringetje met
den zakdoek, en in het Engelsch deze woorden:
„Gredenk aan den lieven william en aan zijne Grootmoeder,
1840.                                                                          E. Maebison".
-ocr page 232-
\'S WINTERS BUITEN.
Onder de dingen, die men, zonder veel nadenken, gewoon is bij
zichzelven vast te stellen, behoort onder anderen de meening, dat het
des winters buiten even onaangenaam is als des zomers louter
gelukzaligheid. Menschen, die niet zonder opera\'s, concerten, en soi-
rées leven kunnen, mannen, die behoefte hebben dagelijks de socië-
teit te bezoeken, en vrouwen, die niet gelukkig zijn of zij moeten
ten minsten eenmaal des weeks groot toilet maken, mogen zich in dit
denkbeeld vastzetten; maar voor stille huiselijke gemoederen, die
van het bij uitstek wereldsche genoeg hebben en de cirkel hunner
genoegens, hetzij die les hun zachter of gevoeliger is voorgehouden,
zachtjes aan het>ben leeren inkrimpen: voor hen is het er in den.
kouder tijd vooral niet minder genoeglijk dan in het warmer seizoen;
ja, geloof mij , indien ik u zeg, dat op het stille land de winter onein-
dig veel korter valt dan in de stad met al hare — ressources f Daar
toch maakt hij , met zijne voorhoede en nasleep van donkere dagen ,
een groot en langdurig jaargetijde uit, dat men door allerhande in \'t
oog loopende kunstmiddelen zoekt op te korten en door te komen ;
buiten daarentegen, is hij slechts de spoedige overgang van een ge-
rekten herfst tot een vroege lente. Want hoe kort een tijd verloopt
er tusschen het afvallen van het laatste eikenblad tot op het uitloo-
pen van den voorlijksten kastanjeboom!
Als het twee dagen van de zeven hard waait, en twee andere dagen
regent en hagelt dat het een weinig klettert, dan blijven de steelui
binnen hunne muren, ook zelfs gedurende de drie dagen van de
week, die overblijven, waarop de zon bij tijden door de wolken
breekt en allerliefst schijnt over de kwijnende natuur; want zij heb-
ben van \'s morgens af dat zij hun bed verlieten, tot twaalf uren toe,
een nevel gezien, en weten niet welk mooi weer daar in het najaar
gewoonlijk op volgt; en weten zij dat ook, zij „gaan niet meer uitij
zij kunnen niet meer op het weer aan"; zij durven niet zonder, zij
willen niet mèt een regenscherm wandelen; hun, toch noodzakelijke,
overjas valt hun te zwaar; en honderdmaal op een dag herhalen zij
voor elkander de afgesleten opmerking, „dat zulk weer erger is
dan een fiksche kou", en dat zij naar een vuurtje zouden verlangen
om de nattigheid, en ook stellig stoken zouden, indien het maar No-
vember ware. Het is dan half October, en hun winter is formeel
begonnen.
Met November komt het vuurtje, komen de tochtlatten met scha-
penvacht, de lange avonden, de morsige straten, en de onstichte-
lijke koude in de groote kerken, met en benevens alle soorten van
-ocr page 233-
215
overkleederen. Dan volgt December, met de boa\'s en de moffen, en
de almanakken (morgenrood en avondschemering, in onderlingen
wedstrijd) en de St.Nicolaas, als het altijd te slecht weer is om uit
te gaan, met een onverwachte sneeuwbui, die op éénen dag twintig
nieuwe dameshoeden bederft, en de kleine nachtvorsten die doen
rillen, niet van koude, maar van schrik. Het heilig kerstfeest, op
het land zoo liefelijk, zoo eerbiedig gevierd, en zich zoo harmonisch
aansluitende aan de vredige stilte, die het voorgaat en opvolgt, geeft
in de stad het teeken voor drukte en gewoel en feestgejuich van al-
lerlei aard; en na den ijslijken nieuwjaarsdag, waarop honderden
verkouden worden, wordt een eerlijk huisvader overstroomd van
concertprogramma\'s, die hem met een benepen hart de hoofden zij-
ner op uitgaan beluste dochters tellen doen; en er is een onafgebro-
ken spreken en handelen in de stad over danspartijen en comedies
en soirees littéraires, en soirees musicales, en andere soirees, die noch
het een noch het ander zijn , maar uiterst stijf, en vervelend en ake-
lig; en men verzadigt zich zoo over en te over aan de winterverma-
ken, dat men er in vier weken genoeg van heeft. En onderwijl regeeren
de koude en de armoede, het ijs in de grachten, en de bedelarij op
de sluizen. En nog twee volle maanden kijkt men mismoedig eiken
morgen op den thermometer, en telt men morrende het aantal „win-
tertjes" op. En eer men den neus buiten de poort steekt, moet er
groen aan de boomen wezen ; en eer men tevreden is over zij n kleine
wandeling, moet het tenminste Mei zijn. Dat is dus een winter van
half Oetober tot de Meimaand toe. En dan heeft de steeman die bui-
ten komt een gevoel alsof er eene plotselinge, eene eensklapsche
verandering van decoratie gekomen is; want hij heeft niets van al die
opwekkelijke toebereidselen gezien, die de natuur maakt, noch haar
op den onderhoudenden weg harer stille vorderingen mogen gade-
slaan. Hij heeft al de vreugde gemist, die de buitenman gesmaakt
heeft, toen zijn eerste kip begon te leggen en zijn eerste sneeuw-
klokje bloeide op den naakten en harden grond. Hij heeft de ganzen
niet zien vertrekken, en de spreeuwen en de kieviten niet zien aan-
komen, noch ook, drie dagen voordat de wind zuiëlijkte, van zijn
weerwijzen tuinbaas of grijzen pachter gehoord dat de wind zuiëhj-
ken zou.
Die een Buiten heeft, en genoodzaakt of vefstandig genoeg is er
\'s winters te blijven , staat des morgens met de zon op. Dat valt dan,
wat den tijd betreft, nog al gemakkelijk, want ook de zon zelve is
in dat jaargetijde niet zeer matineus. Maar laten wij elkander niets
wijsmaken! Hierin staan steeman en buitenman gelijk, dat dit
oogenblik het moeielijkste is van den geheelen dag. Want het bed is
warm, de kamer koud, en de mensch lui; daarenboven kan het water
in het lampet bevroren zijn, en de neiging om „zich nog eens om te
keeren" is ons geslacht aangeboren. Maar heeft men eenmaal ge-
zegevierd, dan heeft men buiten tenminste de zelfvoldoening de
-ocr page 234-
21G
zon werkelijk te zien; terwijl gij, heeren en dames in de stad! alwe-
•der het reusachtig „manufactueel" bij uw overbuurman lezen
ïnóogt, of het beknopter, maar niet minder tergend „schbijf- en
kantoorbehoeften"; op zijn hoogst, indien uw overbuurman een
logementhouder is, hebt gij het voorrecht uwe nuchtere blikken op
te slaan tot het vergulde beeld van het lieve hemellicht zelf, met
stralen van een duim dik en schele oogen. Benijdbaar, zoo gij op
een gracht woont, en niets ziet dan het zwarte ijs, met hoopen asch
en vuilnis, daar tot uw verkwikking op geworpen in het oogenblik
dat gij uwe legerstede verliet; benijdbaar, zoo gij in een achterkamer
huist, en over een smallen tuin tegen de donkere gestalten van hooge
pakhuizen met gesloten blinden op moogt zien! Maar kom nu eens
voor dit venster, dat op het oosten ziet, en zie, over het weiland heen,
grijs van vederachtigen rijp, de koperkleurige kimme met die bloed-
roode schijf, half nog bedekt en half opgerezen, die als wij kerstmis
gehad hebben een rooden wedergloea op de sneeuw zal werpen,
duizendmaal mooier dan de beste bengaalsche vlam over de zange-
rige helden van het vijfde bedrijf eener opera, of over de heuvelen
van doek in een ballet; of kijk, door het andere raam, naar het wes-
ten uit, en zie de groene sparren met een dun en tintelend weefsel
behangen, en de statige menigte van eerwaardige dorre beuken (een
kaal hoofd is eerwaardig) daar achter, met de toppen in den nevel,
die als zachte droppels langs de stammen leekt; die krijgen ook na
kerstmis hun schitterend sneeuwkleed aan, willen wij hopen. — Dat
is alles mooi, zegt gij, mijn waarde lezer! maar men kan toch den
geheelen dag niet naar de zon en naar de boomen kijken; wat voert
de buitenman uit? hoe houdt hij zich bezig? waarmede vermaakt
hij zich?
Het is December; zijn hout moet gehakt, en hij gaat rond met zijn
opzichter, om te zeggen welke opgaande boomen aan de beurt lig-
gen en welk hakhout het kapjaar heeft bereikt. Ook is de jacht nog
niet gesloten, en hij laadt „groote zes" op zijn geweer in plaats van
„kleine", want het haas heett, zoowel als gij, zijn winterpels aan;
en als hij tot den donker toe de weitasch over den rechter- en den
hagelzak over den linkerschouder gedragen heeft, en het overge-
haald geweer in de hand, en een paar hazen en een paar houtsnip-
pen voor zijne vrienden in de stad bovendien, dan eet hij als een
wolf, en wèl zoo goed als gij , mijnheer, al gloeide uw kantoorkachel
ook nog zoo, en al hebt gij u ook nog zoo geanimeerd op de beurs.
Des avonds is hij veel te moe om zich te vervelen; hij maakt zich
gemakkelijk met kamerjapon en pantoffels, en heeft het zeer druk
over het haas, dat hij in „den looper" schoot en dat schreeuwde als
een kind; het haas, dat hij vlak inde „kamer" schoot, en morsdood
lag; en het haas, daar hij „de wol" heeft zien afstuiven, dat ook wer-
kelijk over den „bol" buitelde, maar toen de beenen weer opnam,
om hier of daar in een verborgen hoek te gaan liggen sterven; of
-ocr page 235-
217
wel, met het wagen van gissingen, waar dat haas uiag zijn gaan
„drukken", dat hij in de wijdte opgaan zag, en waar de snippen
mogen zijn neergevallen, daar zijn geweer op geketst heeft. En zijn
gezin en buren, om den haard vergaderd, hooren met belangstelling
en welgevallen nog eens naar de oude jachtfeiten, van de drie
hoenders met de twee loopen, en van de twee eenden in één schot! —
Komen ook de boeren niet betalen en daarbij hunne huiselijke zaken
openleggen ? En komt de domino niet om een partij te schaken ? En
schrijft gij zelf, daar binnen de muren, geen boeken genoeg voor
hem? En krijgt hij niet tweemaal in de week een heel pak couranten,
waarin hij tot zijn groote stichting leest van de bezoeken van konin-
gen en prinsessen in de hoofdstad; van tabliers van diamanten en
toiletten van goud; van acteurs die uitmunten in hun nieuwe rol;
van groote, grootere, grootste, allergrootste, en extra allergrootste
virtuozen; van stikvolle zalen, schitterende kapsels, en onver-
mengd kunstgenot; van plombeering van holle tanden, die hij niet
noodig heeft, en „Source de vie, Levensbron" a f 1,25 de doos, die
hij nog beterkoop heeft op het land; met en benevens de harre war-
rerijen over boeken-schrijven, waar hij zich niet aan bezondigt,
vioolspelen, dat hij alleen tot zijn eigen genoegen doet, en de betui-
gingen van de redacteurs, dat het hunne gewoonte niet is datgene
te doen, dat hij opmerkt dat zij juist in den geheelen stapel, dien hij
vóór zich heeft, onophoudelijk gedaan hebben.
Hij heeft ook zijn feestdagen. Het zal bij voorbeeld Koppermaan-
dag zijn; Koppermaandag, een dag, waarop de boekdrukkersgezellen
bij u in de stad de deuren afloopen met eene fatsoenlijke bedelarij;
laatste beroep op eene mildheid die reeds achtereenvolgens in
de begeerigheid van diender, koster, stovenzetter, lantaarenopsteker,
brandblusscher, brandbezorger, torenwachter, knecht van \'t Nut, en
van wie niet al? heeft moeten voorzien. Wij kennen hier niemand
in dat vak dan den bosch wachter, die ons zijn groen almanak je
komt aanbieden, en wien wij bij dien gelegenheid de houtbrekers
nog eens aanbevelen; want, om de waarheid te zeggen, deze, en de
menigvuldige kraaien, zijn onze eenige winterrampeu. —• Maar ik
wilde van Koppermaandag spreken. Dan hebben wij bij voorbeeld
hier de groote houtveiling, een publieke feestelijkheid, oneindig
vermakelijker dan eene groote parade, indien gij mij gelooven
wilt.
Tegen tien uren, half elf, kom dan eens kijken! Dan komen al de
boeren bij troepen door het bosch slungelen; een Kennemer boer
heeft nooit eenige haast, tenzij op de Alkmaarsche kaasmarkt, als
het er op aankomt eene goede plaats te „bedekken". Langzamerhand
naderen zij allen, de een met de handen op den rug, en de ander
met de handen in de zakken van \'t wambuis, ter plaatse waar de
arken nederliggen, en waar de opgaande boomen staan die, met een
o
lutsje van de bijl en een nommer, tendoode zijn opgeschreven, en
-ocr page 236-
218
zoo onder de eersten als bij de laatsten wordt naar gading ge-
zocht. Elk hunner verbergt zijn plan en drift om te koopen en zijne
belangstelling om te zien onder het volmaaktste laconisme.
„Zoo jeepie!" zeit de een; „mot jij ook een parrekie hebben?"
„Nou ja;, jongen! ik kom mser reis kaiken!"
„Nou" — de boeren beginnen bijna alle volzinnen met dit woord: —
„Nou, der binnen zware parken genog bai; mser der is ook\'en partij
die sluw\' binnen, hoor."
„ Jae ," zeit een derde, die plan heeft er verscheidene te koopen, „en
eer je ze thuis hebbe!"
„Zoo, jan spitter, een paar nieuwe hutten - der op anëtrokken!"
zegt een vierde tot den bezitter van dien naam, die zin in het eigen
park eiken heeft, waar deze nota van neemt. „Nou, dat geet er op los
hoorje! Jan spitter zei \'t ons allemsel te kwaed maken."
„Erg mooi weertje," merkt een vijfde aan, die verrast wordt in
het opkijken naar een boekeboom, daar hij het ophout van bere-
kent. „Erg mooi weertje! mier der hangt nog veul wind an de lucht;
ik mocht liever laien dat \'et wat droogde."
„Dat mocht ik net, broer," antwoordt een oud boertje, zijn pijp
in de tondeldoos stekende en in een oogenblik de lucht met sterk -
riekende wolken benevelende.
„Daar bennen der nog zatter uit de stad ook, zie ik wel," merkt
een armoedige boer aan, vreezende dat de steelui hem zullen overbluffen.
„Kaik hai met zen gepoeste laarsies," zegt een jong kerel meteen
bloedroode wollen das om, die het met gemelde steelui luchtiger
opneemt. „Zoo bakkertje, je mot zeker weer een vaifie plokken?"*
De bakker zet een verlegen gezicht en neemt voor, zich te houden
als of hij het niet gehoord heeft; maar bedenkt zich, haalt zijn ta-
baksdoos uit, steekt er met een echtebakkersgulzigheid zijn aandeel
uit in de bleeke kaken, en antwoordt geestiglijk: „Motje mijn-
hébben
?"
Intusachen zit de eigenaar met de zonen van den huize bij den
bosehbaas om den haard, waar een boekeblok van de grootte van
een osserib, van \'t hout van verleden jaar, aanligt, afkomstig van
een boom, die den bosehbaas toevallig zoozeer is meegevallen, dat
hij aan het ophout zijn geld waard was en hij den stam nog vrij had.
Daar zitten dan ook de dorpssecretaris met zijn doornen stokje, groene
wanten en grijzen kop, en de beambte uit de stad, ten wiensover-
staan „de aanzienlijke partij hout zal verkocht worden". Een praatje,
een kop koffie — daar gaat de bengel, en alles verzamelt zich bij
nommer Een.
Nu worden de veilconditiën voorgelezen, met verschrikkelijke
bedreigingen tegen degenen die niet contant, dat is binnen zes we-
1 D. i. dun, schraal.              3 D. i. Holsblokken.
* D. i. een vijfje trek- of strijkajeld halen.
-ocr page 237-
219
ken, betalen, de gaten niet behoorlijk dichten of, bij het rooien,
honden in het bosch meebrengen; bedreigingen die, bij gebrek aan
dwangmiddelen, de kracht hebben van vriendelijke verzoeken. Daar-
op vangt het gedrang en de drukte aan. Sommigen koopen in \'t begin,
omdat het „wel rais gaandeweg praiziger worden wil\' ; anderen stel-
len het uit, in de hoop „dat het meeste volk zachies anofzeltrek-
ken" en de beste koopjes op \'t laatst te doen zullen zijn. De seere-
taris doet zijn best om ten duurste te veilen, en de koopers om voor
\'t minste geld klaar te komen. Allerlei aardigheden worden over en
weer gewisseld, en te meer naarmate de houthakkers lustiger met
het vaatje rondgaan en de kleine stalletjes, die overaltusschenhet
gehakte hout zijn opgezet, meer te doen krijgen.
„Hadje nou je geld beward!" zegt de secretaris, met een ongeveinsde
bewondering voor het perceel dat hij met het uiterste van zijn
stokje aanraakt, „jonges, jonges! wat en boomen! Daar kenje wel
twee jrer van stoken! Hoe veul voor dat parkie ? Wie zet dat nou
rais in voor twalef gulden ? Al wou je maar zes geven ? Niet alle-
maal te gelaik, kindertjes? Drie gulden; met je drieën wel," enz.
„Schai je der nou al uit?" heet het een oogenblik later uit den
mond van denzelfden magistraat, tegen een boer die aan bod is en,
zoodra hij hem aanspreekt, wegsluipt, uit vrees voor zijne bekende
satire. „Schai je der nou al uit, jantje? En dat voor een kerel, die
jan hotjtkooper hiet; \'t is, jandoppie, skande."
„Nou, wie dut park koopt, die net et waif met de koekkraam en
de flesch er op toe!" schertst hij alweder, als hij een perceel na-
dert, waarbij een vroolijke zoetelaarster, met een dikken schouder-
mantel om, bare handen zit te warmen aan de test, waar de boeren
aan komen opsteken. „Daar geef ik zelvers zeuven gulden voor;
zeuven en \'en kwart; en \'en half; en drie kwart; vol; eenmaal an-
dermaal: niemand meer as acht gulden ? Voor dat knappe vrouw-
mensch? En \'en half; — zoo teitnesie, hebje niet genoeg an ten
vrouw, man? — Acht en \'en half; negen; eenmaal, andermaal;
kan de brandewijn je niet verlaien , maat? Nog\'en kwart;\'en half;
negen en \'en half; eenmaal, andermaal, derdemaal — geluk er mee!
Da s een koopie, maat. Hoe hiet jij ?"
„Jan van schoten."
„Zoo; hiet jij jan van schoten? Hebje dan te Schoten geen hout,
maat?" En zich tot den boschbaas wendende: „\'t Is hier edaan, baas!
"Weer motten we nou heen! Na dat stuk teugen \'t land van sijmen ,
niet waar? Kom an, kindertjes! «Tonges, jonges, wat zou sijmen
zeggen as we deer rais met zoo\'n hiele bende op de pannekoeken
kwammen? Dan mocht het waif den hielen dag wel deurbakken.
Kom an: maar weer van veuren of an! Nommer honderdëndertig;
wie geeft deer nou rais honderdëndertig gulden veur? Honderden-
dertig centen, dat zal der veur \'t begin beter na rooien," enz.
„Twee an bod? Wie het ierst esproken?"
-ocr page 238-
220
vIh heb ierst esproken!"
„Hoe hiet jij ?"
„Ik hiet piet de wit."
„Best hoor; ik zei zwart skraiven."
Ziedaar aardigheden, voorzeker niet van de allerfijnste soort, en
die zeer verre onderdoen voor alle mogelijke rondgaande stads-bon-
mots en calembourgs, maar die uit een gulle, vroolijke stemming
voortkomen en, in die stemming, op het boereuland zeer goed opgaan,
en opgaan zullen zoo lang, om den nekrologischen stijl te gebrui-
ken, „zoolang boerenaardigheden in Nederland op hare rechte waarde
zullen worden geschat".
Onder dit alles roepen de mannen en vrouwen en kinderen, die
met drank, moppen, en smakborden den trein, het geheele bosch
door, volgen en overal hunne draagbare tenten nederslaan, uit alle
macht en alsof op ieder der aanwezigen de zedelijke verplichting
rustte iets bij hen te verteren. „Wie \'t zen beurt is!" „Je hebt al
lang na een slokje verlangd, buur!" „Arie, Aeie, wat is je keel droog!"
„Avontuur je \'t niet rais? Zes der boven en twee der onder! Hier
is keesje , hier is keesje ! Je het niet te betalen; hij betaalt de koeke-
bakker ook niet!" En allen wenschen voor de zesenzeventigste maal
„handgift" te ontvangen. En de kleine boerenjongens dringen, met
de kinderen van den dominé en van den chirurgijn en van het
„groote huis", door de menigte in alle richtingen heen, om let te
spelen of schuilevinkje achter de parken; of springen als jeugdige
acrobaten van de eene stomp op de andere; of laten zich van den eige-
naar van \'t bosch op een schellings-koek tracteeren, daar hij hen,
voor zijn rekening, zoolang naar heeft laten gooien, tot hij hem op
niet meer dan een gulden te staan komt.
Bij den laatsten koop begint er al wat reuring te komen, en bij
het laatste nommer — laat het een mager boompje wezen, dood in
den top — wordt een vijgje opgestoken; en een manneken uit de stad ,
dat te opgewonden is om te cijferen, blijft er tot algemeene vreugd
aan hangen. En de pret is uit, behalve voor den boschbaas en voor
de magistraten, die bij de veiling hebben geassisteerd en op een
stuk gebraden rundvleesch met grauwe erwten onthaald worden.
Maar het is in \'t laatst van Januari, en uw barbier hangt u telken
morgen verschrikkelijker tafereelen op van de duimen dik, die het in
de stadsgrachten gevroren heeft. Nu komt ook gij met een volksfeest
voor den dag, en verheft de borst trotsch op uw ijs vermaak. „TJw ijs-
vermaak!" ik neem er mijn hoed voor af, schoon ik niet van ijs houde
en er liever buiten blijf, omdat ik zoo dol op het levende water ben.
TJw Amstelkermis, o Amstelaren! Uw Maaskerinis, o Eotterdammeren!
„bieden een treffend schouwspel aan"; uwe courantiers kunnen er
niet genoeg van zeggen; als gij wandelt, rijdt, harddraaft, kolft,
biljart, bittert, en zelfs stoott op het ijs, waar zich alle standen
-ocr page 239-
221
aan hetzelfde vermaak overgeven, de hooggeborene in zijn polonaise
en de watervoerder in zijn schippersbuis; als een akkoord van \'t ver-
eenigd gekras van duizend hollandsche en engelsche en friesche
schaatsijzers de lucht vervult, terwijl de narretuigen rinkelen, en
de zoetelaars met brandewijn van „negentig graden!" die pogen te
overschreeuwen j als al de pracht van met bont gevoerde en gezoomde
douillettes, pelzen en sjaals door de heldere winterzon beschenen
wordt, en eene weelderige maatschappij haar grootsten rijkdom te-
gen de soberste karigheid der natuur schijnt te willen over zetten.
Maar denkt niet dat wij buiten ook geen ijsvermaak hebben\'.Pret
hebben wij, degelijk pret; en ik wenschte wel dat gij die ook hadt.
Ik onderstel dat gij zelf bezitter zijt van een of ander landhuis
nabij een klein dorp; daar zult gij ook een ijsvreugd zien en, indien
gij van kinderen houdt, zal zij u verrukken. De volwassenen ver-
smaden dezen geringen plas; maar hier hebben wij den kleinen dik-
ken wdlbeet met de mooie oogen, die zijn schaatsjes loopt halen,
zoodra hij hoort „dat de jonge heeren er op mogen", en zijn nog
kleiner broertje meebrengt, dat voor het allereerst begint te schar-
relen. Alras verzamelt zich uit alle woningen een aardig troepje
van boertjes en boerinnetjes, die elkander alle bij den naam noe-
men en zeer familiaar zijn met de jonge heertjes en jonge juff\'rouw-
tjes van de Buitens, die hunne schaatsen binnenskamers hebben
aangebonden met groot rumoer, en die met roode bouffantes en
even roode wangen zich in den stoet komen mengen. Daar stijgt de
vroolijkheid ten top en het kleine grut glijdt, en scharrelt, en
zwiert, en draait door elkander, en valt op een hoop, en poeiert
elkaar met sneeuw; en de jongens zitten de meisjes op hunne schaat-
sen na, en kapen ze de losse hoedjes van \'t hoofd, zonder dat ze
daarom nog verkouden worden, en rijden er in triomf mee rond op
de punt van hun ijshaakjes; en de slee gaat heen en weder met
een lieele vracht kleine meisjes er in, en met een heele bende kleine
jongens er achter, en zwiert bijhet omdraaien „zoo verschrikkelijk!"
dat zij het allemaal uitgillen. En dan zult gij, de landheer zelf, lust
hebben om den zoetelaar te spelen, en de vroolijke jeugd te ver-
kwikken met koek en een schijntje van brandewijn met suiker; en
dan gaat er een vreugdekreet op; en de hoerenkinderen hebben nog
nooit zoo iets lekkers geproefd, en de arbeider, die de baan geveegd
heeft, wordt ook niet vergeten, en glist af en aan, met zijn bezem
over den schouder, en maakt gekheid met de kleine deugnieten, en
krijgt onverziens een sneeuwbal aan zijn ooren dat ze tintelen; en
dan raakt de deugniet, die den sneeuwbal gegooid heeft, van de
been, en schuift een heel end ver over \'t ijs voort; en daardoor heeft
een andere deugniet, die al tweemaal op zijn neus gelegen heeft, on-
uitsprekelijk veel genoegen. En dan komt er een scheur in\'t ijs „van
de sterkte!" zoodat het kleine ventje, dat voor \'t eerst op een paar
verroeste ijzertjes staat en, met zijne dikke armen in een nauw buis»
-ocr page 240-
222
jen in de lucht roeiende, zich de illusie maakt vooruit te komen, stille-
tjes afbindt; maar de mannen van een twee-of driejarige ondervin-
ding spreken van balken die er onder komen; en het is alles drukte
en gejoegiag en geluk; en al de jongens en meisjes weten niets prettiger
dan dat net hard vriest en er morgen weer een duim dik ijs ligt in
het gat dat heden gehakt is, waarvan zij u des morgens de bewijzen
komen vertoonen op uw bed. De donkerheid alleen maakt een einde
aan de vreugd, waarin het middagmaal slechts een kleine pauze
teweegbracht. Maar laat het maar lichte maan zijn, dan komt er nog
menigeentje weerom, en wel eens een grooter slag van rijders ook,
waar de andere wateren des avonds te ver-af of te vol gevaars voor zijn ;
en zoo gij geen lust hebt om mee te doen, gij kunt het zien! daar gij
voor den haard zit, die de gezichten uwer lieve gade en schoone
dochters verlicht met de vlammen van steenkolen, die vooral dan
helder zijn, als gij er een splijt met de punt van de pook; terwijl het
vertrouwelijk schemeruur een macht van zoete herinneringen mede-
brengt, een overvloed van gezellige praatjes uitlokt. En wellicht
brengen u de gesprekken uwer huisgenooten op het een of ander
schoon gedicht of belangrijk boek, dat uwe kleine boekerij ver-
siert ; en des avonds, als alles stil is in en om het huis, leest gij er
uwen kleinen kring uit voor, onder het genot van een glas warme
punch of streelende kandeel, en denkt er niet aan, hoe in dat zelfde
oogenblik, in een der gehoorzalen van de hoofdstad, een jeugdig
slachtoffer van zijne eigenliefde en van den secretaris eener geleerde
maatschappij, in een zwart pak kleeren en met een bleek gezicht,
wordt opgebracht door een statigen stoet van achtbare mannen, om
tusschen zes waskaarsen en voor een aanzienlijke schaar van heeren
met en zonder ridderorden en mooi gekleede dames (ik meen „ge-
achte vrouwenschaar"), eene verhandeling te lezen die verveelt, of
een dichtstuk dat al te akelig is, van een man die bij vergissing met
zijn zuster trouwt, of van een juffer die zich dood treurt op een toren.
Wilt gij nog een andere tegenstelling ? Ja, vergun er mij nog
ééne; gij houdt misschien niet van tegenstellingen; maar laat ik u
nog op deze ééne onthalen; zij zal treffend zijn. Maar nu verbeeld ik
mij u weder als steeman, en gij woont te Amsterdam ofte \'s Graven-
hage.
Het is in het laatst van Februari. In uwen kring, in uw cercle, in^w
sociëteit, hoe wilt gij ? misschien wel in uw huis, heelt zich, onder al
de otwsluieringen der étiquette en ontsluieringen der caquets, een
droevig drama ontwikkeld. De schoone emmeline C. was op alle de
feesten van dezen winter „reine du bal". Zij werd gefêteerd; zij werd
geadoreerd. Hare moeder was trotsch op haar; zij was trotsch op zich-
zelve. Op de soiree van mevrouw v. w. ontmoette haar de jonge tan
staten en maakte „onbegrijpelijk veel werk van haar". Óp het con-
cert van — noem eenen onovertrefbaren uit de tienduizenden onzer
dagen! — was het in het oog loopend hoe hij om haar heen fladderde.
-ocr page 241-
223
Op het bal ten uwen huize (waar men zich zoo allercharmantst ge-
ainuseerd heeft, lieve mevrouw!) en op al de casino\'s, week hij nau-
weliiks van hare zijde, was onbegrijpelijk „aux petits soins", en men
heeft zijn oogen zien vonkelen als tijgeroogen als zij met een ander
walste. Deze jonge van staten had een zeer innemend uiterlijk, zeer
goede uitzichten vóór zich, eu een zeer respectabele familie achter
zich; wat wonder zoo zij ten laatste, door een weinigje te boudeeren,
weten wilde wat hij vóórhad! Wat doet het monster op de laatste soi-
róe, die hij met haar bijwoont? Hij ziet haar nauwelijks aan; met
een stijve buiging vraagt hij haar ter nauwernood hoe zij vaart; als
zij , op aller aandrang behalve de zijne, zich aan de piano zet en zingt,
ziet zij hem, in den spiegel, die daarboven hangt, geabsorbeerd in
een gesprek — met eene andere schoone ? Neen; met heeren, met
een geleerde, met een diplomaat. En, een oogenblik later, neemt hij
de kaart op voor eene bejaarde dame, die, daar een andere bejaarde
dame en twee bejaarde heeren het haar in \'t omberen te lastig maken,
hem verzocht heeft haar eens af te lossen. Den geheelen avond geen
woord, geen blik van hem voor de schoone emmeline ; en den auderen
dag het gerucht door de stad, dat zijn engagement met de freule E.
te X., dat reeds sedert dezen zomer gehangen moet hebben, er dóór
is. — Het hart der arme emmeline is gebroken.... neen! vergif-
tigd. Van dezen oogenblik af is de gansche wereld haar geveinsd-
heid en mommerij, en het geheele mannengeslacht louter valsch-
heid. Echter wil ook zij een mom dragen en evenzeer veinzen.
Maar kan zij het weren aat al hare vriendinnen haar in hare bij-
eenkomsten beklagen, en dat zij, weken lang, onder den titel
van „het meisje dat infaam behandeld is", de toevlucht wezen moet
der kwijnende conversaties op fluweelen sofa\'s en der levendige
tête-a-tütes bij marmeren schoorsteenmantels en in vertrouwelijke
vensterbanken ?
Maar nu zie ik mijn buitenman een bezoek brengen bij een zijner
boeren, en met hem nederzitten bij diens namiddag-koffie-en-boter-
ham, in gezelschap van een koopman die, met een hoog, langwerpig
s
ak op den rug, op den boer reist, en in diepe stilte tegen zijn kof-
e blaast, terwijl de vrouw en de meiden zich bedenken of er ook
wat noodig is. Maar de oudste dochter is naar stad, en mijn bui ten-
man, die gaarne over de jonge deernen praat, acht de gelegenheid ge-
schikt om te vragen:
„Wel jantje! heb ik het al, of heb ik het mis, datje doch ter trou-
-wen in het hoofd heeft?"
„Nou, heerschop!" is zijn woordenrijk antwoord, „de lui willen
zoo veul zeggen; \'t zou er kwed uitzien as we \'t alles leuven wouwen;
ik zei niet zeggen dat ze niet rais deur een borst is ansniejen; maar
trouwen, zei ik maar zeggen: nien! dat laikt er niet nee."
„Heije je nou al bedocht, trijntje ?" vraagt de koopman.
„Nou jte," zeit trijntje; „geef me een kloentje zwart garen."
-ocr page 242-
224
„En main, \'en stuk of vier hemsknoopies," zeit de vrouw.
„Ik had verleden najaar al gehoord dat ze met een vrijer te kermis
feweest was," zegt mijn buitenman, die niets van dien aard gehoord
eeft.
Maar de boer en de vrouw nemen bedenkelijke gezichten aan, die
te kennen willen geven dat er te veel dak op \'t huis is, en de landheer
vindt het gepast zijn gesprek te veranderen.
„Hebje daar een potlammetje ?" zegt hij, op een klein zwart dier
wijzende, dat op de vuurplaat geknield ligt, naast een dikke kat,
rood en zwart geplekt.
„Och jae," zeit de vrouw; „we hebben twee lammetjes van dat ooi,
ien witje en ien zwartje, dat dan dut is. Maar \'t iene het ie zóó dat \'et
eboren was elikt en opëgnapt, maar het zwartje het ie leggen leten;
en ie wou \'t niet leten zuigen ook, of we mosten hem vasthouen;
en nou leten we \'t dan meer zoo drinken uit \'n trekpotje. \'t Is m«r
het akelekst dat het overal veuligheid doet."
„ Jeb," herneemt de boer, „en mot meheer de kalven niet rais kaiken P"
En mijnheer staat op en volgt hem naar het hok daar zij zich be-
vinden.
„Kaik hier; der zijn der drie; twee kuitjes, en ien bulletje; dat
iene kuitje is van daag \'ekomme. Leelijk haar, niet waar meheer!"
„Hij is al heel zwart."
„Hielkendal, meheer! Maar weetje wat ik zeg ? Je mot gien beest
om zen haar verachten; ik denk dat \'et niet past, en datje der gien
zegen op hebbe kenne, zei ik maar zeggen. Je heb mense, die
zijn er zoo keurig op, kaik! maar ik zeg dat et nietpast; en ik zei dat
zwarte kuitje anleggen, zoo goed as dat bonte. En weetje wat ik
denk ? \'t is nog beter as \'en hiele witte, want die worden dan skrik-
kelijk van de vliege plaagd, en ze zain ook erg kouwelek; gunder
steet er iene, die het een rond jaar met \'et dek \'eloopen."
„Maar as \'t nou eens een rood kuitje was?"
„ J*, dan most \'et weg; die brandrooie mag ik niet," zegt de phi-
lozoïsche boer, die geen beest om zijn haar wil verachten, maar wien
dit vooroordeel te machtig is. En plotseling het vroeger gesprek we-
der opnemende, gaat hij ten overstaan van de twee kuitjes en het
eene bulletje, die hij beurteling op zijn hand laat zabberen, voort:
„Nou kaik, je ben best onderricht ook, hoor! En ze had \'er zinnen
wél op \'em steld ook, zei ik maar zeggen; maar ik en \'t waif hadden
f ien erge zinnighaid in de borst, en deerom is er dan ook niet van
omme; want hil is \'en erg best maidje, kaik, dat laikt er niet nee;
\'t is me stiefdochter, inaer of was\'t men aigen,\'t kon niet beter zain;
en de miester zait dat hai er nooit zoo ientjezienhadde, en zoo erg
gnap, zei ik nou maar zeggen, in \'t gien deer hai der in leerd het; en
et waif zait dat hil zoo erg best is voor skrobben en skuren en
keezen, en zoo hielkendal gnap in \'t werk, dat \'n best waif zoudie er
an had hebbe. Maar jae, \'k miende den nou, zei ik maer zegge, dat
-ocr page 243-
225
ze zoo\'n best maidje is, om reden dat ze \'t zoo in iene hiel ken dal uit
\'er hoofd \'zet hadde. \'k Zaide: hil ! zaid\' ik, das nou iens veur de fidel
met hain , mffir je wee te, dat \'et veur \'t lest is ook. Nou , ik zag ze wel,
dat ze erg zuinig keek, nuer ik dten of ik \'t niet bespeurde; en \'t eerst
dat ie weer weter veur der dreege, zag ik dat zem gnap op zai douw-
de, en \'t leek wel dat ze zaide: Tser wil hielkendal niet van je of-
weete. Mar zoo as dat geet, meheer; \'t laikt wel, zei ik meer zeggen,
of je niet van mekser of kenne, as je \'t iens op mekaar begrepen heb-
be; \'t was met main en geesie, dat nou de vrouw van tak is, krek al
ien, in me jonge taid . mwr ik was er vaer veul te ekrael van skaiven,
en nou heb ik an maeijtje en erg best waif. Nou, meer ik zagge den
wel dat \'t met hil en hain niet goed of zou komme, en ik zaide teugen
\'t waif: Waif, zaide ik , je kent \'et nog wel rais anzien, niser as \'t nee
main zin geet, dan mot de borst weg. Maer de vrouw miende dat ie
zoo erg best in \'t werk was, en dat we hem niet allienig wegzende
mogge omdat ie rooms kattelijks is, want dominé hadde zaid dat we
draegzsem met de roomse wezen motte, en \'t waif het bij demiester
weund, en die weet \'t den erg best, en die zaide ook zoo. Maer ik
zeg: nou mabijtje, de borst mot weg, zeg ik; of je nou hoog of leeg
danse, de borst mot nog weg; want ik bin allan baas bleven in \'et huis,
en dat weet \'t waif ook wel; en deerom, toen ik allan zaide: de borst
mot weg, zaide \'t waif: wel nou, leet ie geen, as jai denke dat \'t veur
hil der best is; en zoo is ie \'geen ook.\'
„En wat zei hil er wel van?" vraagde de landheer, die als hij uw
laatste romans gelezen heeft, o heeren uit de stad! denken moet dat
het meisje ten minste eenige teringen gezet heeft.
„Wel nou, deer wil ik den ook wel Teuven dat je hil voor wezen
mot om zoo te doen as zai dien. Ik speurde in de beginne wel dat \'et
er niet an en stond, mier ik zaide: hil , zaide ik teugen der, nou,
leg niet te knaizen ook, maidje, want de borst wienmsel weg, en hai
blaift weg. En kaik, ze is weer an \'t keezen \'geen, en op melkers-
taid onder de koeien, krek of niks beurd wazze!"
En de houten klink wordt opgelicht, en de heldin der historie ver-
schijnt, het helder voorhoofd met het schoone mopje beplooid, het
gele jakjen aan, een hengelmand onder den arm, en vroolijkheid en
schalkheid in de blauwe oogen; en de landheer geeft haar een vrien-
deliik kneepjen in de wang, en zegt:
„Zoo hil, ik zei daar net tegen ie vader, dat je zoo\'n knappe meid
wordt en dat het me verwondert dat je nog niet aan \'t vrijen bent."
„Vrijen meheer?" zeit hil, „ik weet niet wat ik liever da?n! En
ze huppelt haastig voorbij , en doet haar moeder bescheid op de bood-
schappen , en helpt den reizenden koopman in het opladen van zijn
pak en vraagt hem lachend of hij wel weer zou kunnen opstaan, als
hij er mee voorover viel.
„Zou jij me helpen, hil ," vraagt de koopman met een smeekend
oog, „as je me zag leggen?"
15
-ocr page 244-
226
„Deer zou ik rais over denken!" zegt de vroolijke hil. „Dagdo-
bis! Wel thuis, meet! Val uuer niet, hoor! En o«je valt,DOBis! alis
\'t ook nog zoo leet in den evend . . . ."
„Nou; wat dan?" vraagt de koopman niet een sentimenteelen lach.
„Kom den hier, hoor; den zei k je ophelpen. Dag DOBisbuur!"
De maaud Maart is in \'t land, met hare gehate afwisseling van
sneeuw, storm, en regeu. De geheele stad hoest en proest en vraagt
met verontwaardiging hoe zij aan den onverdienden naam van len-
teuiaand komt. De buitenmau vraagt het niet, want voor hem is zij
rijk aan bemoedigende verschijnselen, aan bewijzen van nieuw le-
ven en nieuwe kracht der natuur. Als hij in de heldere dagen of op
de heldere uren van den dag, zijn esschen stok opneemt en rond-
wandelt, ziet hij alom de braakakfcers vervuld met deftige schapen en
vroolijke lammeren, die op de stoppels grazen; ziet hij den ploeg
drijven door de stoppels van andere, die dit jaar hun vrucht zullen
moeten opbrengen. In zijn vijvers zijn de eenden gekomen, die een
nest zullen bouwen onder de lage takken van den sparreboom aan
den oever; de hazelaars bloeien; zijn moestuin wordt sedert vrou-
wendag in orde gebracht, en weldra zullen zijn doperwten worden
gelegd; nog een veertien dagen, en de stier begint rond te gaan,
en de merels zingen luide en heerlijk in zijn nog dor hout. Eer de
maand ten einde loopt, zijn hem de eerste kievits-eieren gebracht
en is zijn bloemkool reeds gepoot; en nauwelijks is de wispelturige
April daar, of de ooievaar laat zijn lange pooten op zijn dak ne-
derkomen; zijne perziken beginnen te bloeien; zijn violenbed is
blauw; zijne kuikens komen uit; een lichtgroen waas spreidt zich
over zijne boomen, en de donkergroene garst schiet op zijne akkers
op; de bloesem der wilde kastanje meldt zich reeds in den knop; en
den 18den of uiterlijk den 19<len; verkondigt de blijde nachtegaal met
een helder geörgel en een schellen slag dat hij daar is om het lied
der lente te zingen. lederen morgen hoort hij aan zijn ontbijt nieuwe
berichten van boomen, die reeds geheel groen zijn, en op iedere
wandeling ontmoet hij nieuwe bloemen. In den tuin vertoont zich
reeds de groene hoop des zomers boven de aarde; de wilde tortels en
blauwe duiven vliegen af en aan door het geboomte, met dwarse
takjes in de roode bekken; de zwaluw scheert over het water en
vliegt den stal binnen, om zijn nest op te hangen boven de ruif;
het jonge vee loeit reeds in ne weide, en de melkkoeien zullen met
den eersten Mei kunnen worden uitgezet.... En des zondags zijn
de wegen vervuld met wandelaars uit de stad, die al die schoone
wonderen komen bezien, en waaronder zich een enkele vertoont,
die reeds een witte zomerbroek heeft aangetrokken, in de zalige
overtuiging dat hij een rechte primula veris is.
-ocr page 245-
GERRIT WITSE.
Studentenangst.
De goede stad Leiden heeft binnen den omtrek van hare deels
nog staande, deels tot wandelingen geslechte wallen, twee terri-
toriale schoonheden, die men niet genoeg roemen kan, te weten de
Breestraat, welke naar uitwijzen van oude oorkonden en van de
adressen van brieven van alle tijden, vroeger Breedestraat moet
geheetén hebben, en het Eapenburg, door de ramp van \'t jaar
.Zeven zoo befaamd, „leggende", volgens oblees, „langs eene
breede straete, een schoon breed water, met hooge eude groote
schoone lindeboomen ter wederzijden beplant ende besettet, onder
denweleken het in den zomer seer vermaekelijeken te wandelen
is". Dit Eapenburg is aan beide zijden zeer net betimmerd, en men
vindt er schoone huizen, die het vermogen en den kolossalen smaak
onzer vaderen eer aandoen. Deze omstandigheid neemt echter niet
weg dat er eenige zeer leelijke en zeer mismaakte gebouwen wor-
den opgemerkt; onder welke vooral uitmunten \'s rijks Museum
voor natuurlijke historie, de academische Bibliotheek endeHooge-
school zelve; want het lands- en stadsbestuur schijnen edelmoedig-
lijk te hebben besloten, de verfraaiing en opsiering der stad voortaan
aan den smaak der respectieve inwoners over te laten, even als het
gouvernement de belooning der menschenredders aan de Maat-
schappij tot Nut van \'t Algemeen. Het laatstgenoemde gebouw,
staande en gelegen op den hoek der Nonnensteeg, levert de niet
onaardige vertooning op van een oud klooster met moderne ven-
sters, door een nieuwmodische barrière afgesloten, en op welks dak
zich eene mede niet onaardige verzameling van duivenhokken en
peperbossen vertoont, die den hoogdravenden naam van toren en
observatorium dragen. Inderdaad wekt het bovenste gedeelte van
het gebouw eene fiere gedachte aan den voortgang van kunsten en
"wetenschappen en aan de oneindige vorderingen van den nienschelij-
ken geest op, terwijl de dikke muren en gewelven daaronder de kui-
sche nagedachtenis aer Witte Nonnen in zegening houden. Welk een
in \'t oogvallende omkeering bracht de loop der tijden hier te weeg!
Te zelfder plaatse waar de schuchtere nieuwelingen, bedeesd en
op twee gedachten hinkende, voor het altaar traden, voor hetwelk
zij eenmaal met een blijmoedig en kalm hart de wereld en hare be-
geerlijkheden moesten vaarwel zeggen, zouden in latere tijden de
rampzalige groenen, in vertwijfeling aan alle aardsche grootheid,
nederzitten; waar de eerbare rij der gesluierden, van hare stiftsme-
vrouw voorgegaan, den plechtigen koorzang aanhief, zou later eene
-ocr page 246-
228
zwartgetabberde rij de zitplaatsen bezetten en een gedegend docto-
randus, ex auctoritate rectoris magnifici, tegen de gansche wereld
de stoute stelling volhouden dat artikel honderd en zooveel van
het wetboek volstrekt niet in strijd is met artikel honderd en zooveel,
of wel, dat men onbillijk is indien men alle kinderkwalen zonder on-
derscheid aan de gevaarlijke liefhebberij van tandenkrijgen toe-
schrijft, of anders, dat een ooggetuige beter de historie schrijven kan
dan iemand die bij „hooren zeggen\' leeft, en somtijds ook wel, dat
men Hebreeuwsch moet kennen om de hebraïsmen in het Nieuwe
Testament te kunnen opsporen en beoordeelen. Lang zoude ik deze
tegenoverstelling van het Eertijds en Thans nog kunnen volhouden,
indien ik niet te vreezen had voor onnauwkeurigheden, die Leiden»
vele oudheidkundigen mij nimmer vergeven zouden. In het kort: al
wat men vroeger hier gezien en gehoord heeft is veranderd en ver-
nieuwd, behalve het Latijn, dat veeleer verouderd is en, tot den ech-
ten toon van cicero teruggebracht, zijne classiekste vormen met
wonderbare smijdigheid leenen blijft, en zal blijven leenen tot in het
laatste der dagen, aan iedere wetenschap der wereld, hetzij de~Ro-
meinen daar eenig begrip van hebben gehad ofte niet.
Als men het ijzeren hek dóór en het plein óver gaat, dat naast het
eerwaardig gebouw een uitgebreidheid van tien passen beslaat, treedt
men, door een hooge poort, welker posten met vele convocatiebrief-
jes beplakt zijn, een breeden gang binnen, waar men op het stille
uur (het tweede na den middag) waarop deze geschiedenis aanvangt,
niemand tegenkomt; stijgt men dan aan het einde een ruime stee-
nen wenteltrap op, en gaat men, boven gekomen, linksom en rechtuit,
zoo komt men aan eene verhevenheid van twee trappen, en ook deze
beklommen hebbende en de deur openende, die men vlak voor zich
ziet, zoo bevindt men zich in een klein vertrek met witte muren en
een houten vloer, waarin men een tafel, een paar stoelen, met en
benevens een verroeste kachel en toebehooren gewaarwordt.
Dit weinig gezellig vertrek draagt den ondichterlijken naam van
het zweetkamertjei en zeker niet ten onrechte. Hier toch is een soort
van vagevuur, waarin elk, die de zaligheid van een examen of pro-
motie wenscht te smaken, een poostijd verblijven moet, alvorens hij
tot het genot dier hemelvreugd wordt toegelaten. Belangrijke plek
gronds! In dit kleine kamertje, o mijne lezers! hebben alle groote
mannen, die aan de Leidsche academie zich ooit door stalen vlijt en
onafgebroken arbeidzaamheid den doctorshoed verworven hebben ,
om naderhand de wereld met hunne doetrinae praestantia te verba-
zen en te verrukken; in dit kamertje hebben zij allen, incredibile dielv,
zich eenige oogenblikken klein gevoeld. Ja, daar heeft de kloeke ver-
dediger uwer rechten, die nu, zonder blikken of blozen uwe partij
met volzin op volzin van louter kracht ter aarde werpt, een oogenblik
het hart in de keel voelen kloppen, op het denkbeeld dat professor
die of die het hem niet vergeven had dat hij zoo slecht college had
-ocr page 247-
229
ehouden, en zich wreken zou door strikvragen. Daar heeft die arts,
ie nu zoo stoutmoedig doortast in uwe maag en ingewanden, menig
droppel zweets gelaten, als hij bedacht dat zijne professoren zoo veel
meer wisten dan hijzelf. Daar heeft die dikke rector, aan wien uw
oudste zoon niet dan sidderend zijn thema vol heele en halve fouten
overgeeft, eenmaal zelf gebeefd, uit vrees dat men een anderen dia-
loog van plato op zou slaan dan dien waar hij het best in thuis was.
En daar heeft ook hildebrand , uw onderdanige dienaar, een koude
rilling over zijn rug voelen loopen, als zijne verbeeldiug speelde op
al wat gevraagd zou hunnen worden!
Het eigenaardige van dit vertrek is dat de patiënt het binnentreedt
met een witte das, een wit gezicht, en eenzwart pak kleederen, en
gevolgd wordt van eenige vrienden in néligó, met cloaks, rotting-
en, petten en honden. De patiënt gaat op de tafel zitten, en de
vrienden loopen heen en weer. De patiënt fluistert, en de vrienden
spreken luid. De patiënt beweert dat hij er in zit, en de vrienden be-
weren dat hij gek is. De patiënt verlangt naar het oogenblik om bin-
nen te komen, maar hij geeft voor, dat hij hoopt nog lang buiten te
blijven. De vrienden wedden dat hij den eersten graad zal krijgen,
en hij wedt dat de tweede zijn deel zal zijn. De patiënt heeft op dat
oogenblik een onbepaald respect voor iedereen die den titel van
hooggeleerde voert en beschouwt de faculteit als een „raad van lou-
ter goden"; de vrienden beweren dat het gewone menschen zijn. De
patiënt houdt het er wel degelijk voor, dat zij van het crimineele be-
ginsel uitgaan om de academiscne graden aan geen onwaardigen te
verkwisten; en de vrienden beweren, dat zij alleen in de wereld ge-
komen zijn om een jong niensch er door te slepen. De patiënt her-
innert zich heimelijk allerlei spookgeschiedenissen van ongelukki-
gen, die door hunne verlegenheid of door rancune van examinatoren
zijn gedropen; en de vrienden halen alle mogelijke anecdoten op van
sluwe vossen, die hunne examinatoren een rad voor de oogen ge-
draaid hebben of een aardigheid gezegd bij het krijgen van simpli-
citer. In \'t kort: de patiënt doet hier alle mogelijke kennis op, die
hem, als hij morgen of overmorgen of over een maand een ander pa-
tiënt in de bange ure bij moet staan, zal te pas komen; en de vrien-
den debiteeren alles wat zij totaal vergeten zullen hebben, telken
reize als ook zij op hunne "beurt in \'t geval komen van in het zweet-
kamertje de ootmoedigste oogenblikken huns levens te slijten.
De persoon nochtans, dien ik mijnen lezers wilde voorstellen, vol-
deed in zoo verre niet aan de formaliteiten, die in deze rampzaligste
aller folterplaatsen gevorderd worden, dat hij die, verzeld van slechts
een enkelen vertrouweling, binnentrad. Hij had de zeldzame kracht
bezeten niemand buiten dien vertrouweling deelgenoot van zijn
examen-geheim te maken, den pedel verzocht het verraderlijke
briefje ad valvas academieas niet aan te plakken, en degenen die
er achter gekomen waren dat hij gisteren zijne demonstratie (hij
-ocr page 248-
230
was medicus) had gedaan, omtrent het uur van het examen misleid.
Het was een jongeling van een niet ongunstig uiterlijk, ofschoon
men volstrekt niet zeggen konde dat hij schoon was, en de witte das
en gedrukte stemming, waarin de omstandigheid waar hij in ver-
keerde hem bracht, konden niet gezegd worden hem te flatteeren.
Hij was van eene gewone grootte, maar de vriend, dien hij mede-
bracht , kon geacht worden klein te zijn; een nadeel, hetwelk hem.
niet belette er op dit oogenblik vrij wat aannemelijker uit te zien dan
de examinandus. Zijne bruine oogen hadden een schalken blik, en
zijn vroolijk gezicht en de vlugheid zijner bewegingen staken won-
derlij k af bij den bedrukten ernst van hem, die in dit droevig kamer-
tje gekomen was om zich op de zenuwschokkende examenschel voor
te bereiden.
De examinandus zette zich naar het oud en wettig gebruik op de
tafel neder, en keek op zijn horloge. De deur stond wijd open, en hij
genoot een onbelemmerd iiitzicht op de kamer der facultas medica.
„Yier minuten over tweeën. Toen nog te vroeg," zeide hij mis-
troostig.
„Wis en zeker te vroeg," zei de kleine, „maar je hebt mijn raad
ook niet gevolgd."
„Bn wat was je raad dan ?" vroeg de ander verstrooid, en naar
de trap ziende; want hij hoorde daar eenige beweging op, en was
nieuwsgierig of het prof. sandifort dan wel prof. maquelin zou zijn,
die het eerst verscheen.
„Mijn raad ? Lieve hemel! dat je op je bed hadt moeten blijven tot
één ure, en geen enkel boek meer inzien."
„Neen, dat\'s ook maar gekheid," zei de ander, die op dit punt
gedecideerd scheen te zijn; zeker ten gevolge van de ondervinding
van dezen huidigen dag, daar hij met radeloozen angst nu dit, dan
dat dictaat had opgeslagen, van het eene boek de inleiding nog eens
had doorgelezen, en van het andere het register nog eens had
bestudeerd.
„Vervolgens hadt je moeten ontbijten; op je gemak, weetje?" ging
de kleine voort.
„En een glas madera drinken?" vroeg de grootere.
„Neen, jongen, dat weet ik niet; je mocht reis aan het doorslaan
raken," antwoordde de kleine.
„Doorslaan is goed," zei die van de pijnbank.
„Ja, dat kan er naar wezen," zei die van den vloer. „Je moet altijd
denken dat het Latijn is."
„Dat \'s één geluk!" sprak die van de witte das; „ik wou niet dat
het Hollandsch wezen moest; een stommigheid in \'t Hollandsch is
zoo dubbel stom."
„Dat is waar," hernam die van den zwarten strop, „maar je dient
primo Latijn te kennen; en ik voor mij, heb me meer op me moeder-
taal toegeleid, weetje. Maar jij hebt nog al een aardig Cicero\'tje in
-ocr page 249-
231
je mond zitten, dat\'s zeker! Maar wat ik zeggen wou: je hadt je niet
moeten aankleeden vóór tweeën."
„Daar hebje maqttelin al," zei de lijder.
„Je wou wel dat broebs een operatie te doen had," zei de zieken-
trooster.
„Mijnheer broers is al lang binnen," zei de pedel, en die brave
kwam met een kwitantie van de college-gelden.
„Gerritje, gerritje, wat zit je der in," ging de getuige voort.
„Wel een beetje!" antwoordde de gedaagde.
„Neen, niet een beetje!" vervolgde de kwelgeest, „maarmachtig
veel, man! Maar als je mij vraagt of je ooit bang genoeg wezen kunt,
dan moet ik zeggen: neen, kerel! Want, weetje, je hebt toch maar
slecht college gehouden; en dan, dat je reis gezeid hebt dat de osteo-
logie zoo\'n droog ding is! Denkje niet dat dat overgebracht is?"
Het slachtoffer deed een poging om te glimlachen, maar hij had
geen genoegen.
„En daarenboven," ging Jean qui rit voort, „wat het ergste is: het
is bekend genoeg dat je een stommeling bent."
„Je steekt er den gek mee," zei Jean qui pleure, „maar waarlijk,
ik weet er minder van dan je denkt. Maar wacht reis; daar gaat de
schel!"
Nog één oogenblik, en het slachtoffer sprong van de tafel, volgde
den pedel, die hem de deur der medische faculteitskamer ontsloot,
en trad met een bescheiden tred en lichte buiging voor zijne beulen;
maar de tuchtknaap dribbelde met een luchtigen pas achter hem
aan en zette zich op de harde bank der toehoorders, vrij wat meer
op zijn gemak dan het slachtoffer op den gladden stoel der exami-
nandi.
Drie kwartier daarna werd er weder gescheld, en de jongeling moest
buitenstaan. Bedaard trad hij met zijn satelliet de kamer uit; maar
zoo ras de pedel de deur achter hem sloot, sprong hij een voet hoog
en drukte de hand zijns vriends in toomelooze opgewondenheid. Hij
was een ander man; er was licht in zijn oogen en vroolijkheid om
zijn mond.
„Hoe is \'t geweest?" vroeg hij aan zijn vertrouweling.
„Minnetjes," zei de ander.
„Leelijkerd!" riep de geëxamineerde uit, hem in den arm knijpende.
„Ik verlies mijn fijne flesch!" hernam de toehoorder; „\'t zal mooi
wezen als je den tweeden graad haalt."
„\'k Wou ik hem al had," zei de zwartrok, en opnieuw betrok
zijn aangezicht.
Weer ging de schel. De pedel trad de kamer deftig binnen, en kwam
de kamer deftig weer uit. De gedaagde ging zijn vonnis hooren.
„Maak je geen illusie!" fluisterde de vleier hem in.
Met een schijnbaar hoogst kalm gelaat wachtte de geëxamineerde
de uitspraak af. De decanus sprak verscheidene Latijnsche volzinnea
-ocr page 250-
232
uit, maar hij hoorde ze zonder ze te verstaan; hij wachtte slechts op
één woord; en dat woord kwam: summa cum lande.
„Heb ik het niet gezegd ?" zei de vriend, die gezegd had dat hij zich
geen illusies maken moest, als zij samen de trap afstormden, met
vrij wat meer geweld dan zij die waren opgestegen.
„Ik had er een heimelijke noop op," zei de man, die een fijne flesch
verwed had dat hij „den tweeden" zou hebben.
„Ik kan wel zien dat het goed afgeloopen is," zei de hospita, toen
de candidaat thuis kwam en de trappen opvloog om zich te verklee-
den en een brief aan zijn vader te schrijven. „Ik kan wel zien dat
het goed afgeloopen is,\' zei ze tot den vriend, die beneden wach-
ten bleef om vervolgens hem in triomf naar de sociëteit te voeren;
„ik heb de heele week al gedocht, meheer mot zeker een examen
doen! — En meheer heit toch vast siuiina cum laudis?"
„Ja, juffrouw!" zei de ander, „daar kon je wel zeker van zijn, of-
schoon mijnheer er nooit heel gerust op was."
„Nou, niet waar?" zei de juffrouw, „\'t Is een best heer, en knap
ook; maar weetje wat \'et is? hij het geen forducie op zenzelvers;
en as het dan teugen een examen loopt, dan kan die zoo melanker-
liek zijn; net as meheer possel, die u zeker nog wel gekend het, dat
kleintje, dat was óók zoo. As dat een examen doen most: ik en me
man, we hebben menigmaal teugen mekaar gezeid, hij kan wel in
een oortjes doosie; hij wist zijn dingen wel, daar niet van; maar de
schrimpeljeuzigheid, weet u. Ik ben altijd maar blij als U bij meheer
komt, want hij is anders zoo\'n vroolijk mensch, net as meheer ook;
maar in die dagen is het dan onnoozel!"
De candidaat kwam beneden en werd door de hospita „wel gefili-
citeerd". Daarop toog het tweetal naar de sociëteit, en ook daar re-
fende het gelukwenschen, want de candidaat was algemeen bemind,
lechts werd zijn vreugde verbitterd door een paar jongelui, die ook
van een candidaats zwanger gingen, en hem vermoeiden met infor-
matiën: hoe die en hoe die vroeg, en of ze dat weten wilden, en daar
diep intraden: op alle welke vragen de candidaat niets anders ant-
woordde dan dat het hun mee zou vallen.
De candidaat tracteerde daarop zijn tafel op wijn; en na den eten
kwam er een droski voor, en reed de candidaat met den vriend en
nog een vriend naar den Deyl (het was in Februari) en dronk daar
thee; en \'s avonds had de candidaat den vriend van het zweetkamer-
tje, en den vriend van den Deyl, en nog twee andere vrienden, en
een kwart ankertje cantemerle op zijn kamer, en zat men voor de
opgeschoven vensterramen (het was nog altijd in Februari) vele si-
garen te rooken en vele verhalen op te snijden; en des nachts om
een ure sprongen er kurken van champagneflesschen, en zaten twee
der vrienden hoogdeftig te redetwisten over den besten regeerings-
vorm, en traden twee anderen in een vergelijking van de Kantsche
en Hegeliaansche philosophie, waarvan geen van beiden iets afwist,
-ocr page 251-
233
en stelde een vijfde een toost in op de harmonie tusschen de facultei-
ten. En \'s nachts om twee uren waren de vrienden weggegaan,
op den vriend uit het zweetkamertje na, die met kleine oogjes zat te
luisteren naar een verhaal dat de candidaat hem met veel geheim-
zinnigheid en in diep vertrouwen deed: hoe hij hartstochtelijk ver-
liefd was op een meisje, dat hij verleden jaar, op een voetreisje
door Gelderland, op het terras van een klein Buitentje had zien zitten
met een witte duif op haar hoofd; en hoe hij bij juffrouw scheeudee
toevallig een vrouweportretje had gezien dat op haar leek als twee
droppelen waters, en hoe hij dat onmiddellijk gekocht had, en hoe of
zijn vriend dat vond? Waarop de vriend van het zweetkamertje hem
zwoer dat hij het aan niemand vertellen zou, uit vreeze van anders
alle Geldersche meisjes, die kleine Buitentjes bewoonden en witte
duiven hielden, op de spraak te zullen brengen. Maar daarop nam hij
het ernstig, en stelde een toost op de lieve dame in, en de candidaat
dronk dien met een traan in de oogen, en de vriend vertelde daarop
dat ook hij dol verliefd was, maar dat hij ongelukkig in de liefde was,
en dat dit al zijn derde verliefdheid was; waarop het uitkwam dat zijn
eerste verliefdheid geweest was op een meisje in een kostschool, dat
hij alle zondagen in de Fransche kerk zag, en zijn tweede op een
meisje dat al in stilte geëngageerd was geweest, en dat deze derde
verliefdheid zich de dochter van een gepensioneerd kolonel had tot
voorwerp gekozen, die „gloeiend tegen hem was" en hem niet luch-
ten of zien mocht. En over drie uren trok de vriend de deur van het
hotel des candidaats achter zich toe; en des anderen daags \'s morgens
om acht uren werd de candidaat wakker met het zalige gevoel dien
dag geen examen te zullen ondergaan.
Oudervreugde.
Met een geopenden brief in de hand en een glans van genoegen
op het gelaat, begroette de heer witse zijne gade aan het ontbijt.
„Morgen komt onze candidaat thuis," zei de heer witse.
„Onze wie?" vroeg mevrouw zijne echtgenoote.
„Onze student," antwoordde de heer witse, „maar hij is nu can-
didaat. Hij schrijft mij dat hij zijn examen gisteren gedaan heeft. Het
zal wel goed geweest zijn; daar ben ik niet bang voor."
„Wij beleven genoegen aan dat kind," zei mevrouw witse, water
op de thee schenkende. „Is het niet buitengewoon gauw, dat hij
examen gedaan heeft?"
„Zeker, liefste, zeer zeker. Hij is pas vijfjaren te Leiden, en je moet
denken, hij heeft drie jaar gebruikt voor zijn eerste examen..."
„Zijn pro-pae-deutisch, niet waar?" viel mevrouw witse met
deftigheid in, trotsch dat zij het moeielijke woord zoo goed had lee-
ren uitspreken.
-ocr page 252-
234
„Juist, mijn kind! Dat is een ding daar de meesten luchtig over
heen loopen. Maar hij heeft er zijn werk bijzonder van gemaakt.
Hoor eens, hij kost ons daarginder een handvol geld, maar de medi-
cijnen heb ik altijd hooren zeggen, is een dure studie; en hij moet
niets verzuimen."
„Maar hoe lang zou hij er nu nog wezen moeten, nu hij can-
didaat is?"
„Wel, ik weet het niet. Hij wilde er graag de chirurgie en de
obstetrie bij leeren, en dat zal nog wel wat tijd kosten. Maar wie
weet waar hij dan ook geschikt voor is!"
„Zoo, zou je dat denken?" vroeg mevrouw witse , het mes, waar
zij zich een boterham mee maakte, halfweg in het brood latende
steken, en haar man strak aanziende.
„Alles is mogelijk, liefste!" antwoordde haar echtvriend, den
brief nog eens inziende. En een blijde glimlach vertoonde zich op
zijne wezenstrekken.
„Maar staan daar niet zekere jaren voor ?" vroeg mevrouw weder,
terwijl zij hare oogen zediglijk nedersloeg, en met eene bijzondere
oplettendheid haar boterham in reepjes sneed.
„Wat meenje?" vroeg de heer witse, die hetzelfde meende als
zijn eegade.
„Wel!" antwoordde de goede vrouw, de punt van haar mes met
groote nauwkeurigheid beschouwende, „om zoo \'t een of ander
te worden."
„Wat een of ander, moedertje ?" vroeg de echtgenoot lachende, en
van verlangen brandende het groote woord, dat hijzelf niet uit dorst
spreken, van de lippen van zijn wederhelft te hooren.
„Wel," antwoordde mevrouw witse; „hoe oud was de jonge hoe-
hiet-ie-ook-weer zoowat, toen hij professor wierd?"
„Tut, tut, tut!" antwoordde de heer witse , terwijl zijne oogen van
genoegen schitterden en zijn aangezicht zich zenuwachtig bewoog;
„je moet zoo hoog niet vliegen, moedertje. Als hij maar een knap
dokter wordt, dat is heel wel."
„Dat is ook zoo," hernam zijne vrouw, wie het speet dat zij zich
zoo onvoorzichtig had uitgelaten; „het hoeft ook niet; ik zal heel
tevreden zijn als hij maar gelukkig is in de praktijk. Wij mogen ook
niet alles vergen."
„Wel neen!" zei de heer witse.
„En daarenboven" — ging mevrouw voort — „wie weet of het
goed voor hem zijn zou. Een professor moet immers zoo allerver-
schrikkelijkst studeeren?"
„Dat moet hij zeker, vrouwlief!" was het antwoord; „maar dat
was voor onzen geruit het minste."
„Ja, dat wil ik ook we1, gelooven!" hernam de moeder van oebbit ;
„maar toch. ik zei dat daar nu zoo, maar ik kan je eerlijk zeggen
dat ik er nooit over denk."
-ocr page 253-
235
„Je moet het nu weer zoo heelemaal niet weggooien!" ant-
woordde gerrits vader.
„Neen!" zei gerrits moeder; „dat nu juist niet."
„Het is meer gebeurd," zei witse, zonder eigenlijk te weten wat
dit beduidde.
„o Ja; waarom zou het ook niet plaats kunnen hebben ?" zei me-
vrouw.
„Men kan zich niet meer appliceeren dan geruit ," hernam witse.
„En hij zou, geloof ik, wel veel geschiktheid hebben om te onder-
wijzen!" ging zij voort.
„Dat geloof ik ook; en ik denk ook weidat ze zulke jongelui in\'t
oog houden," voegde hij er bij.
„Het zou een groot geluk wezen!" merkte zij aan.
„Dat zou het zeker,\' verklaarde hij; „maar je kunt er niet op aan.
Verdiensten worden niet altijd erkend. Net als met die prijsvraag."
„Maar hij had toch het accessit," zei de moeder.
„Hij had de medaille moeten hebben," zei de vader.
„De gekken krijgen de kaart," zei de moeder, die op eenmaal alles
aan het geluk begon toe te schrijven.
„Het zou goed klinken!" zei de vader; „professor witse!"
„Och kom, witse!" zei de moeder, wier beurt het nu weer was
om nederig te zijn; „vlei er je toch niet mee!"
„Dat doe ik met!" verzekerde haar echtvriend; „ik zeg maar dat
het mooi klinken zou."
Er volgde eene stilte; mijnheer tuurde in \'t Handelsblad en me-
vrouw zette een boordje van een kous op; maar hun beider gedachten
waren bij het professoraat van gerrit , waarvan zij, elk voor zich-
zelf, zich overtuigd hielden, indien maar in dit ondermaansche ware
verdiensten op haar rechten prijs werden geschat.
Een geruimen tijd bleef het gelukkige echtpaar in deze zoete over-
denking verdiept. Daarop brak de heer witse het stilzwijgen.
„We moesten toch iets ter eere van den candidaat doen, dunkt
me?" zeide hij.
„Dat heb ik ook al gedacht," antwoordde zijn eenstemmige dier-
bare.
„Een dineetje zou wel aardig zijn."
„Ja; wie al zoo? de vernooyen, dunkt je niet?"
„Best; ik zal ze zelf gaan vragen; en dan de van hoels vooral.
Vrijdag is nogal een goede dag."
„Maar we moeten volstrekt mevrouw stork hebben."
„Die kent gerrit in het geheel niet," merkte witse aan.
„G-oed!" antwoordde zijn gemalin. „Voor mijn rekening; zij zal
hem wel bevallen; \'t is een allerinteressantste vrouw. Weetje wel
dat er bij vernoot een nichtje gelogeerd is ? Dat is ook een vre\'empje.
Nu; hoe meer hoe liever. Maar dan dienen er nog een paar heeren
ook bij. De jonge hateling?"
-ocr page 254-
236
„Ik weet niet of geeeit wel heel HATELiNG-aehtig is," merkte mijn-
heer witse aan.
„Hé, waarom zou geeeit niet HATELiNG-aehtig zijn?" vroeg me-
vrouw; „\'t is een heel aangenaam jongmensch, en ik vind het zoo\'n
knap uiterlijk; jongens, \'t is zoo\'n knap uiterlijk. Je moet denken:
HATELiNG-aehtig? Van wien van onze jonge menschen houdt geeeit
nu eigenlijk? Sedert hij op de academie is, gaat hij met niemand van
de Rotterdainsche jongelui meer om.
„Mij is \'t wel," zei de heer witse. „En zouden we wagesteet ook
niet vragen?"
„Wel zeker! wagesteet," antwoordde zijn eegade: „dan zijn we
sekuur dat het een vroolijk diner wezen zal."
Het diner-project was gereed; en hoewel het ter eere van geeeit
was opgemaakt, was er echter bij de keuze der gasten weinig op zijn
enoegen gelet. Tot verschooning zij gezegd, dat het oogmerk van
it ouderpaar veeleer was om met den knappen zoon te pronken,
dan om den oppassenden zoon een genoeglijken dag te bezorgen.
De heer witse ging dien dag reeds vroeg uit om verscheidene
bezoeken at\' te leggen. Hij deed het met den brief van geeeit in
den zak, en gaf aan alle huizen, daar hij kwam, breed op van de
ongehoorde kundigheden van zijn zoon geeeit. Er zijn verschei-
dene wegen om een zoon of dochter ongelukkig te maken, en de
heer witse had sedert lang dezen ingeslagen.
Om de waarheid te zeggen, het was\'s mans zwakke zijde. De heer
witse was een zeer welgesteld man uit den deftigen burgerstand en
notaris van beroep. Hij had een heel goed en helder verstand en ook
veel verworvene kennis; maar zijne denkbeelden omtrent de meer-
derheid van een gestudeerd persoon waren alleroverdrevenst. Men
kon niet zeggen dat hij zijn zoon als kind bedorven of over het paard
getild had, want hiertoe was hij te beredeneerd geweest; hij had den
jongen geeeit eene zeer goede opvoeding gegeven en hem wèl onder
den duim gehouden; maar zooras hij als student was ingeschreven,
had hij de onbepaaldste hoogachting voor hem opgevat, in welke
hoogachting de moeder zeer genegen was te deelen, daar de jonge-
ling haar eenige spruit was. Haar kundige man, die algemeen om
zijn helder hoofd geacht werd, geloofde niets te zijn in vergelijking
met een zoon, die ja, zich altijd zeer op zijne studiën bevlijtigd had,
maar toch wellicht nog in vele opzichten beneden hem stond, vooral
in punten waar het op een klaar inzicht en juiste onderscheiding aan-
kwam. De beste zijde van \'s mans overtuiging in dezen was, dat zij
hem zeer liberaal denken deed over alles wat de studiën en bekwaam-
heden van geeeit kon uitbreiden en in de hand werken; geeeits
bibliotheek was een van de beste die ooit een medisch student bezeten
had, en dat hij, na zijn graad verworven te hebben, Berlijn en
Parijs zien zou, leed geen twijfel.
-ocr page 255-
237
Meisjeskwelling.
Klaabtje donze zat in de zijkamer van mijnheer en mevrouw
vebnooy in de vensterbank, en maakte een schelkoord voor den
aanstaanden verjaardag van haar vader, en hief tusschenbeide haar
lief gezicht op, om eens op de Hoogstraat te kijken , maar keerde
het meestal teleurgesteld weder af en tot haar werk.
Klaabtje donze was een frissche, vroolijke, prettige Geldersche
deerne, van nog geen achttien jaar. Zij had "bruin haar, in vele lange
krullen langs haar wangen nedervallende en voor het overige in
een zware vlecht op haar hoofd saamgestrengeld, een sneeuwwit
voorhoofd, groote, blauwe oogen met een heldere tinteling en vrij-
moedigen opslag, blozende wangen, en een mondje zoo pleizieng
feplooid, dat men niet wist wat men er liever van krijgen zou, een
us of een zoet woordje.
Klaabtje donze was buiten opgevoed, had als kind alle jaren het
eerste groen gezien, kippen, eenden en goudvisschen gevoerd, den
kuif bal geslagen en, zoolang zij een pantalon droeg, schrijdelings
op een hit gereden. Zij kende alle soorten van boomen onderschei-
delijk, en wist daarenboven wat ze waard waren. Zij kreeg alle jaren
te Paschen een pot-lammetje en hield op den zolder meer dan ibwin-
tig duiven die uit haar hand aten. Zij groette de knapen van het
dorp niet als „mannen" of „vrienden", maar als jannen, henken,
koerten, of hoe zij heeten mochten. Zij zag niet op tegen een
beetje sneeuw of een beetje vorst, en had honderdmaal in haar
jong leven in een regenbui zitten hengelen.
Klaabtje donze was sinds eenige dagen bij oom en tante veb-
nooy te Rotterdam gelogeerd. Zij was nog nooit in Holland ge-
weest en had zich machtig veel van het logeeren in eene stad als
Hollands tweede koopstad voorgesteld. De donkere Hoogstraat was
haar zeker vrijwat tegengevallen, en ook wist zij niet dat keien en
klinkers zóó vuil konden wezen, als die van Rotterdam bij slecht
weer doorgaans zijn, wanneer het is (ik gebruik de uitdrukking van
eene lieve Rotterdamsche zelve) alsof het waterchocolade geregend
heeft. Een paar malen was zij uitgeweest. De breede Blaak met hare
menigte van winkels, de Boompjes, en de vroolijke Wijnhaven, met
hare schijnbaar door elkander gewarde schepen met kleurige wim-
Êels en nommervlaggen, de deftige Leuvehaven, met hare statige
uizen, bevielen haar nogal; maar het Nieuwe Werk vond zij de
moeite niet waard een wandeling genoemd te worden, en de Plan-
tage telde zij onder de omstreken van Gorkum. Meest behaagde haar
het ruime riviergezicht op het Hoofd; maar oom tebnoot, die het
haar deed genieten , vond het er te winderig en moest er den rug aan
toekeeren, terwijl zij met een lachend gezicht den wind liet begaan,
die de strikken van haar hoed deed plapperen tegen de luifel, en de
-ocr page 256-
238
tip van haar sjaal achter haar opdreef. Voor het overige liep zij met
meer gerustheid achter de paarden in haar vaders stal, of onder de
koeien op haar vaders weide, dan in het gedrang van eene Eotter-
damsche straat, waar hooren en zien haar verging van de menigte
van „óverrijwagens", die zij altijd meende dat het opzettelijk op hare
teenen gemunt hadden. Meer dan akelig vond zij het, wanneer (als in
de Kleine Draaisteeg geschiedde) de grond zich plotseling voor haar voe-
ten opende, of smerige pakhuisknechts met rollende vaten haar gedurig
noopten de toevlucht te nemen tot een of andere stoep, en als er van
oogenblik tot oogenblik iets uit de lucht werd nedergelaten, dat van
onderen
scheen genoemd te worden.
Haar oom en tante meenden het zeer wel met klaaetje en waren
allerbeste, hartelijke menschen, die haar met veel nadruk te logee-
ren gevraagd hadden, bij gelegenheid dat zij hare ouders in den ver-
leden zomer op een klein toertje naar Kleef een bezoek hadden gege-
ven; maar zij namen juist niet veel deel aan de vermaken der stad.
Klaaetje had gehoord dat er te Eotterdam een schouwburg was,
waar de Hollandsche en de Fransche acteurs uit den Haag beurte-
lings het tooneel betraden, en niet minder dan drie concertzalen.
Dien ten gevolge had zij zich voorgesteld dat deze établissementen
machtig veel tot haar genoegen zouden bijdragen en haar op een
gansch nieuwe wijze vermaken. Mijnheer veenoot was de goedhar-
tigste koopman, die ooit op twee beenen liep, en zijne even goedhar-
tige vrouw hoorde nooit een boos of onaangenaam woord uit zijn
mond; hij was altijd even joviaal en opgeruimd; maar des avonds
als hij zijn kantoor sloot, toog hij naar de sociëteit Amicitia en maakte
daar zijn vast partijtje; daarop kwam hij met slaan van tienen
thuis, en was dan weer even goedhartig en joviaal als toen hij uit-
ging; maar van schouwburg of concert was intusschen niets in-
gekomen.
Deze teleurstellingen maakten evenwel de lieve claea niet neer-
slachtig. Zij bleef de haar eigene blij geestigheid behouden, ofschoon
zij nu en dan wel eens naar huis verlangde, al was het maar alleen
om te weten of de duiven haar nog zouden kennen.
Xu zat zij in de vensterbank aan de donkere Hoogstraat, en dacht
aan buiten, en keek dan weer eens naar de straat, en verwonderde
zich over het aantal malen dat een lantarenvuller door de volksme-
nigte in het uitoefenen van zijn beroep werd gestoord. Het was om-
streeks twaalf uren, en het koffiegoed stond op tafel.
Mevrouw veenoot kwam binnen. Zij was een dikke dame van
een veertig jaar met een rozerood gezicht en eene belangrijke on-
derkin en die, als zij sprak, eene rij zeer groote witte tanden ont-
blootte. Zij droeg eene heele blonde toer onder hare muts, en was ge-
kleed in eene schotschmerinossen japon met aanmerkelijke ruiten.
Stilzwijgend zette zij haar sleutelmandje op tafel neer, en begon
koffie te zetten.
-ocr page 257-
239
„Nu, klaaetje," zeide zij, terwijl zij water opgoot, „er is goed
nieuws. We hebben een prettig vooruitzicht tegen overmorgen."
„Tegen overmorgen, tante?" zei klaaetje, het schelkoord op de
vensterbank neerwerpende en een vroolijk gezicht toonende.
„Ja," antwoordde mevrouw veenoot; „raad eens wat?"
„We gaan naar de comedie."
„Neen kind! er is vrijdag geen comedie."
„Naar het concert?"
„Mis, mis!" zei tante, en bang dat er nog meer vermakelijkheden
van die soort in de weelderige verbeelding van haar nichtje op zou-
den komen, voegde zij er bij: „we gaan uit dineeren."
„Uit dineeren," hernam klaaetje, een weinigternedergeslagen;
„en bij wie?"
„Ja, dat is het punt! bij wie?"
„Dat kan ik onmogelijk raden."
„Nu; ik zal \'t je dan maar zeggen: bij de familie witse. Gteebit
is overgekomen... Nu, klaaetje , bloos maar zoo niet."
„Lieve tante, ik bloos in\'t geheel niet," zei klaaetje, opstaande
en in den spiegel kijkende, „ik heb immers dien man nooit in mijn
leven gezien!"
„Dat\'s goed; maar je hebt genoeg van hem gehoord," hernam
tante met een lachje; „en hij interesseert je wel.\'
Klaaetje liet tante praten, en nam haar schelkoord weer op.
Inderdaad, het was alles behalve eene onwaarheid dat de lieve meid
genoeg van den jongen witse vernomen had. Mevrouw veenooy was
eene goede vrouw, ik geloof dit reeds te hebben opgemerkt; maar die
juist niet gebukt ging onder overmaat van verstand. Zij had vol-
strekt geen kinderen, sehoou haar welvarend voorkomen de spot-
teruij had uitgelokt dat zij er wel gehad, maar ze even als satuenus ,
heidenscher gedachtenisse, opgegeten had; en daar ze twee meiden
hield, die nog daarenboven door een naaister, een werkster, en een
oppasser ondersteund werden, was haar leven vrij gemakkelijk,
liever nog: zij had niets te doen. Yan lectuur hield zij juist niet bij-
zonder veel, behalve als zij ziek was, iets dat haar zelden gebeurde,
en daar zij zich toch gaarne ergens mee vermaakte, had zij er hare
zinnen op gezet te bestudeeren, welke nienschen te Rotterdam en
elders alzoo geschikt waren om te zamen in het huwelijk te treden.
Veelal leidden deze berekeningen tot geen degelijk resultaat; maar
nu een mooi nichtje te logeeren hebbende, kon zij niet nalaten haren
in dit opzicht zoo speeulatieven geest met deze bezig te houden, met
het vaste voornemen de slotsom harer overdenkingen, indien moge-
lijk, te verwezenlijken. Na lang rondzoeken, reeds voordat klaaetje
gekomen was, en na haar in gedachten meer dan tienmaal telkens
met een anderen bruidegom voor het altaar te hebben gebracht, was
zij eindelijk stil blijven staan bij het denkbeeld dat de jonge student
witse een geschikte partij voor haar nichtje ziju zou. Deze was een
-ocr page 258-
240
jaar of vijf ouder dan zij; zijne ouders bezaten een redelijk vermo-
fen, en behoorden daarenboven tot hare beste vrienden, waartoe
oofdzakelijk medewerkte dat er niemand in de gansche Erasmiaan-
sche stad gevonden werd, die geduldiger en liefderijker delofrede-
nen op den knappen zoon aanhoorde dan de heer en mevrouw ver-
noot. Toen zij dit huwelijk alzoo bij haarzelve had vastgesteld, kon
zij zich onmogelijk in de toekomst eenig geluk voor klaahtje den-
ken tenzij het werkelijk, eerst voor den burgerlijken stand voltrok-
ken, en vervolgens door haar lievelingspreeker ingezegend was, en
begon het ook langzamerhand tot de artikelen van HEd. geloof te
behooren dat het in den hemel aldus was besloten. Zij twijfelde er
dan ook geen oogenblik aan of geeeit zou tijdens het verblijf van
kxaaetje wel eens overkomen en pijnigde zich met te willen uit-
speuren hoe deze overkomst des noods door te drijven zoude zijn.
Ongedachtig aan de woorden van haar grooten tijdgenoot napoleon
buonapaete (van wien zij, in \'t voorbijgaan gezegd, nog niet volko-
men geloofde dat hij volkomen dood was), dat niets de harten zoo
zeer bekoelt als de vurige geestdrift van anderen, was zij begonnen
om dagelijks op zeer ongepaste oogenblikken, uit een open reden,
den roem van den jongeling uit te meten, en gebruikte daartoe alle
de lofredenen , die zij uit den mond van mijnheer en mevrouw witse
had opgevangen; en daar deze met verwonderlijke eenstemmigheid
op het punt van geeeits knapheid nederkwamen en inhielden hoe
werkzaam geeeit was , en hoe verstandig geeeit zich te Leiden on-
der de jongelui gedroeg, en hoe gezien geeeit bij zijn professoren
was, en hoe geeeit in alle wetenschappen thuis was, kreeg de "blij—
hartige claea natuurlijk geen ander denkbeeld van den bewierook-
ten jongeling dan dat van een ondragelijken pedant, een soort van
wezen \'t welk in hare oogen wel het alleronuitstaanbaarste aller cre-
aturen mocht geacht worden; weshalve zij zich wel gewacht had naar
het uiterlijk van dezen onmensch te vragen, bij zichzelve vaststel-
lende dat het niet anders kon of hij moest sprekend op den bleeken
ondermeester van het dorp in haar vaders nabuurschap gelijken. Me-
vrouw witse had de dwaasheid gehad, zonder geeeits weten, daar hij
zelfs niet vermoedde dat zijn goede mama dergelijke prullen bewaard
had, afschriften te verspreiden van een paar versjes, die geeeit op
zijn twaalfde jaar gemaakt had en die natuurlijk middelmatig wa-
ren, maar zooals verzen van kinderen meestal, in zulk een hoog
ernstigen toon geschreven en zoo vol van dood en eeuwigheid, dat
klaamtje , aan wie zij getoond waren, er in haar hart vreeselijk om
gelachen had. Het vooruitzicht derhalve van met dezen wonderman
aan ééne tafel te zullen zitten, wond haar volstrekt niet tot dien
graad van opgetogenheid op, waar hare tante op gerekend had.
„Het zal zeker een heel feest zijn," ging deze waardige dame
voort, om kxaaetje tot grooter verrukking te nopen; „geeeit is
gepromoveerd."
-ocr page 259-
241
„Hola, hola, vrouwlief!" viel de heer veenoot in, die juistbin-
nentrad; „zoo ver is \'t nog niet."
„Ja wel!" zei mevrouw vebnoot, die voor iedere afdinging bang
was, „Ja wel, schatlief; hij is gepromoveerd."
„Waarlijk niet," antwoordde haar man, zich in zijn armstoel
vleiende, „maar hij heeft een examen gedaan. Een heel groot examen.
Witse heeft me verteld dat het twee dagen geduurd heeft; — maar
hoe het examen heette, dat ben ik vergeten. Zooveel is zeker: den
eenen dag heeft hij een heel lijk ontleed, en den anderen dag heeft
hij ... enfin! heeft hij weer wat anders gedaan, maar alles even knap."
„Ba," zei kiaaetje; „een lijk."
„Hij heeft zeker de hoogste?" vroeg mevrouw veenoot.
„De hoogste wat?" vroeg haar man.
„De hoogste .... och, hoe hiet het ook weer ? Ik meen het hoogste,
weetje, het allerhoogste; zoo veel als, zal ik maar zeggen, zooveel
als primus op \'t Latijnsche school. Hij was alle jaren primus. Weetje
wat primus is, klaae ?"
„Neen, tante!" zei klaabtje, die het zeer wel wist, maar met een
allereenvoudigst gezicht.
„Primus is," antwoordde tante op goelijken, onderwijzenden toon,
„als men de hoogste is van zijn klasse, maar dan op \'t Latijnsche
school, weetje. Dan is er prijsuitdeeling in de Eransche kerk, en
dan doen al de primussen gratiassen. Weetje wat een gratias is?"
„Neen, tantelief."
„Heden, weetje niet wat een gratias is?" vroegen mevrouw
vebnoot en haar echtgenoot tegelijk.
„Waarlijk niet."
„Gunst, weetje dat niet?" ging de tante voort; „het is een be-
dankje voor den prijs. Ik ging altijd met mevrouw witse mee, als
het prijsuitdeeling was; maar het heette dan eigenlijk promotie.
Jongens, geerit deed het zoo mooi; maar me hart kon kloppen als
hij op moest komen. Ik heb lang geweten wat de rector dan zei: hoe
was t ook weer?"
„Ja," zei veenoot, „hoe was \'t ook weer? Acide witse..."
„Et excipe pryzia" viel de gedienstige echtgenoote in. „Ja klaae ,
ik ken ook me Latijn. Weetje nog wel van op één na den laatsten
keer, veenoot?"
„Wel zeker!" antwoordde deze met rustigheid, ofschoon al de
verschillende keeren voor zijne herinnering vrij verward dooreen-
schemerden.
„Hij was de langste van al de jongens!" ging zijne gade voort,
„O, het stond zoo grappig; één zoo\'n lange jongen onder al die kleine.
Maar hij was ook de eenigste die een rok aanhad. En die nieuwe
handschoenen; weetje wel, vernoot ?"
„Ja," zei teenoot met een lief lachje, dat hij niet wist thuis te
brengen, „met die nieuwe handschoenen."
16
-ocr page 260-
242
„Ze droegen toen," vervolgde zijn wederhelft, „van die heele
gele handschoenen; dat herinnerje je nog wel, klaab! patte de
canard,
weetje? Nu, die had hij ook aan; wat stond het hem lief;
als zoo\'n eerst fatje! Maar je kondt goed zien dat ze nieuw waren;
met zulke platte toppen, je weet wel!"
„Ja, zulte lange platte toppen," lachte vebnoot. „Ja, wat ge-
beurde er ook weer met die handschoenen?"
Dit was gewaagd. De heer teenoot bouwde op de enkele, hoe-
zeer wel eenigszins opgevijzelde, vermelding van een paar eende-
pootgele handschoenen de vermetele onderstelling dat zij waarlijk
een historische rol hadden gespeeld, terwijl zij niets dan een lijdelijk
sieraad waren geweest, volstrekt niets dan een lijdelijk sieraad,
voor den jongenneer witse.
„Hoe meenje dat, veenoot?" vroeg zijne gade met bevreemding.
„Er gebeurde niets mee, voor zooveel ik weet."
„Ja wel!" antwoordde de gemaal, bloedrood wordende en zijn
kopje uitdrinkende om zijne verlegenheid te verbergen: „jawel,er
gebeurde iets met die handschoenen. Liet hij ze niet zoo gek vallen
of zoo? Ja, daar staat me iets van voor."
Tante had gedurende deze flauwe herinnering altijd door onge-
loovig het hoofd geschud. „Nu, dat weet ik dan niet," zei ze daarop;
„dat weet ik dan niet; maar ik weet wèl dat het mooi was om hem te
zien; ik kon er niets van verstaan, dat voelje, klaae , want het was
alles Latijn ... of was het ook Grieksch, veenoot?"
„Ja," zei teenoot, zijne wenkbrauwen veelbeduidend samen-
trekkende : „als ik mij wel bezin, geloof ik dat het Grieksch was."
„Nu, dat doet er niet toe. Ik mocht het graag zien. Dan wees hij
met zijn handen op de tafel, waaraan\'de ... hoe hiet het ook weer ?
zaten."
„Curatoren," vulde teenoot aan.
„En dan lei hij zijn hand op zijn hart, en dan stak hij ze rechtop;
want er kwam van den hemel in; en alles zóó netjes, zóó knap, en
zóó gracieus ..."
„En alles met handschoenen patte de canard?" vroeg hetschalke
KLAAETJE.
„Alles met handschoenen patte de canard" ging tante voort, in
haar goelijken ijver om haar nichtje door alle mogelijke woorden,
wenken, en tafereelen voor den jongen witse te interesseeren; „het
was een lust om te zien. Verscheiden menschen zeiden dat hij \'t het
mooist van allen deed. Het ging ook zonder een woord te haperen."
„Maar wat was het ook weer met die handschoenen?" prevelde
teenoot ; „me dunkt toch .. ."
„Och kom!" zei mevrouw, bevende dat die gedroomde handschoe-
nenhistorie nog eene schaduw werpen zou op de bevallige schil-
derij, die zij van geeeit als knaap had opgehangen; „je verwart
het met wat anders. Er was heusch niets van. Ik weet wel dat we
-ocr page 261-
243
gelachen hebben oin dien kleinen jongen, die zoodra hij het boek
in zijn hand had, zich omdraaide en naar zijn plaats ging, en de
•heele gratias vergat."
„Dat zal het geweest zijn," zei de goedhartige echtgenoot, die
blijde was iets te kunnen aangrijpen dat zijne onvoorzichtige her-
ïnnering overschaduwde. „Ja, ja, die kleine jongen; ik zie hem
nog duidelijk vóór me."
„Maar zeg, tante," vroeg de Geldersche zoo naïef als zij kon,
^mijnheer witsb heeft nu toch geen prijs gekregen, wel F"
„Wel neen, kind! aan de academie — wel foei! Of het zou een
medaille moeten geweest zijn," liet zij schielijk volgen, om ook van
deze wending partij te kunnen trekken; „heb je daar ook van ge-
hoord, vernoot?"
„Neen," zei vebnooy, „neen, dat\'s \'t geval niet — men krijgt bij
zoo\'n gelegenheid een graad."
„Nu, juist, een graad; daar wilde ik je hebben. Naar dat woord
heb ik daareven gezocht. G-eebit is zeker van deu hoogsten graad,
niet waar?"
„Zeker, zeker," zei de heer vebnooy; „ja, wel zeker. Ja, dat
beeft hij ook geschreven."
De lezer weet beter; maar vernooy, die gaarne iedereen en
vooral zijn vrouw zooveel mogelijk gelijk gaf, verzekerde dit uit
den overvloed van zijn goedig hart, ex mera conjectura. Dateven-
wel deze bijzonderheid, in de schatting der eenvoudige claba, den
genadeslag gaf aan den persoon van oebbit witse, dien zij zich
nu onmogelijk anders voor kou stellen dan als den verwaanden wijs-
neus met de gele handschoenen van de promotie, spreekt vanzelf
«n wordt door een ieder gevoeld die aan neuswijze knapen en gele
handschoenen een hekel heeft. Lang had zij zich goed gehouden;
maar nu moest zij eens met blijkbare ironie spreken.
„Nu," zei kxaabtje, „ik verlang ijselijk om dat wonder van
geleerdheid toch eens te zien."
„Zieje wel, datje toch wel verlangt," antwoordde haar tante, die
bet aïweer ten beste opnam. „Daar bloosje alweer. Nu zulje me
ioch niet weer opstrijden dat je niet bloost, meisje. Wat zeg jij,
tebnoot? bloost ze niet razend?"
„Allerverschrikkelijkst," antwoordde vebnooy. En zeker, het
moest allerverschrikkelijkst wezen, indien de goede man, die een
slecht gezicht had, het konde opmerken; vooral wanneer men be-
•denkt dat kxaabtje, in de schaduw van een overgordijn, met den
rug naar het venster zat, en dat wel naar een venster in de Rotter-
•damsche Hoogstraat, straat waarin, naar het getuigenis der oudste
Hoogstratenaars, de zon nog nooit geschenen heeft.
„Kxaabtje," zei oom, die wel van plagen hield, „je moet oppas*
,-sen, meid! dat hij niet met je hartje strijken gaat, hoor!"
„Dat heeft geen nood, oom."
-ocr page 262-
244
„Nu, ik ben benieuwd wat daar nog van komen zal," zei tante;:
„bewaar het goed, kind!" En zij hoopte dat deze vermaning voor
het jonge meisje zooveel zeggen zou als: Werp het den jongeling
hals over kop voor de voeten.
In dat geval stond de kans zeer slecht, want kiaaetjes tegenzin
had zich hoe langer hoe vaster geworteld.
„Zoo\'n wijs heer zal op mij niet letten!" zei klaaetje overluid,.
„en ik ben ook tegen zooveel geleerdheid niet opgewassen." In
stilte dacht zij: „Al was hij zoo wijs als salomo , hij zal er bij mij
niet aan hebben; ik zal den verwaanden gek mijn rug toedraaien.
Zoo onschadelijk was de koppelliefhebberij van tante veenooy.
Vrienden-hartelijkheid.
De dag van het groote feestmaal ter eere van gereit witse , Med.
Cand., die, als den lezer uit onze schets gebleken is, ten opzichte-
zijner verdiensten zoo geheel anders dan zijne ouders was gestemd,.
was aangebroken.
Het was omstreeks drie uren na den middag, dat de jongeling be-
zig was zijn toilet te maken. Was het dat hij tegen de pieizierigheid
van dezen dag als tegen een berg opzag, te welker gelegenheid zijne
ouders waarschijnlijk tot walgens toe met hem zouden wenschen te-
pronken? Was het dat hij zich het geeuwende schrikbeeld der ver-
veling voorstelde, waarmede hij zou hebben te worstelen in een
kring van menscheu, waarvan de meeste hem onverschillig lieten,
en de overige hem ergerden? Was het een dezer gewaarwordin-
f en afzonderlijk, of was het wellicht een aangenaam mengsel van
eide, dat hem in het werk des kleedens zoo langzaam deedvoort-
gaan, en hem nu en dan een aanmerkelijke poos deed verwijlen
met een kleedingstuk in de hand, of doelloos uit het raam staren
of, zonder vermoeid te zijn, op een stoel nedervallen, met al de ver-
schijnselen van het levensverdriet ?
Eene sierlijke inleiding, opzettelijk geschreven om uvan de ware
oorzaak af te leiden. Deze was geene andere dan dat zijne gedach-
ten met een voorwerp vervuld waren, verre verheven boven het geu-
rig stuk zeep, of het schoone overhemd, of de satijnen das, die hij
beurtelings m de hand nam. Hij had dien morgen net Leesmuseum
bezocht. Wanneer hij zich voor een dag of wat in zijn vaderstad be-
vond, was het Leesmuseum, waar de oude heer witse ook lid van
was, steeds zijne toevlucht. Daar stelde hij zich altijd weer voor,
dat hij zijn tijd op een aangename wijze zou kunnen doorbrengen,
ofschoon de uitkomst hem meestal teleurstelde. Met gespannen ver-
wachting trad hij er op de leestafel toe, maar bemerkte meestal tot
zijn smart dat die tafel, behalve de Lloyds-list en de Oost-Indische-
-ocr page 263-
245
Courant en het Heereuboekje, niet anders behelsde dan hetgeen
hij te Leiden gewoonlijk dan reeds gelezen had; hetzelfde nummer
Tan de Letteroefeningen, met hetzelfde aantal steken op „dejonge
dichters" (ik meen „dichtschool"), en dezelfde zeer huiselijke beeld-
spraak van „ongare kost, keurige schotels, goed gekruid, sterk
aangezet" en wat dies meer zij j denzelfden Gids, met dezelfde be-
weringen omtrent het ongepaste dat Holland graven en ridders gehad
heeft, omtrent den bloeitijd van jan (een alias, dien hij ons voor de
Hollandsche natie opdringt) en het leelijke van de rhetoriek, met
en benevens dezelfde citaten uit het vorig nommer; hetzelfde Lees-
\'kabinet, met denzelfden groenen omslag, en dezelfde Boekzaal der
G-eleerde "Wereld, met een versje op de begrafenis van Ds. die en
die, en op het vijftigjarig bestaan van Ds. zoo en zoo. Dan keerde
hij zich tot de nieuw uitgekomen boekeu. Ook van deze had hij er
reeds, dank zij den gedienstigen zorgen van één van dee hoek en een
half dozijn hazenbergen, vele gezien, en de andere schenen hem
te lijvig toe, om in zoo weinige dagen klein te krijgen. Meestal
kwam het daarop neer, dat hij dan toch maar de voorreden van een
paar Fransche nieuwtjes ging zitten lezen, waarin de schrijver be-
weerde dat hij met zijn geweten was te rade gegaan, om een zeer
zedeloos, met zijn kunstgevoel, om een zeer smakeloos boek te
schrijven. En zoo was hij dezen morgen verdiept geweest in het
lezen van de voorrede van victor htjgo\'s Ruy Bias.
Deze voorrede, hoe sluitend en klevend, bondig, krachtig en
"boeiend de redeneering ook zijn mocht, was niet zóó, of zij liet hem
"wel éénige oogenblikken los, om zijne oogen te laten weiden, nu
eens over de Beursbrug, dan eens over de Blaak die, door een
aardig zonnetje beschenen, er nog al heel opwekkelijk enpleizierig
uitzag. En op eenmaal (ik zal Tiet maar kort maken), daar ziet
hij duidelijk de schoone, die hij in „het paradijs van Nederland",
als de blinde moens zingt, met de witte duif op het hoofd had
fezien; de schoone, die hij slechts eenmaal had aangeblikt, en
ie hij volstrekt niet kende, \'t geen een reden te meer was ge-
weest om gestadig over haar te denken, ja! te mijmeren, ach! te
•dwepen.
Ik zal niet zoo vermetel zijn te beweren dat het boek hem uit
de handen viel, want daar behoort nog ongelij k meer toe ; neen!
maar hij wierp het neder; hij wierp het neder, hij nam zijn hoed, hij
trok zijn handschoenen aan, vloog de trappen van het Leesmuseum
af, stormde de deur uit. De schoone, van de Beursbrug komende,
was de Blaak opgegaan en had zich dus rechts gekeerd. Zal hij haar
nawaudelen? Neen; hij kent al het onaangename van de luifels der
hoeden. Ijlings slaat hij den hoek oin, ijlt de Gapersteeg door, draaft
langs de Wijnstraat, galoppeert door de Posthoornsteeg en komt,
bedaard en met een gezicht alsof er niets gebeurd was, de Blaak weder
opwandelen. Zij is het waarlijk. Ja, dat vroolijke gezicht, die vriende-
-ocr page 264-
246
lijke mond, die speelsche uitdrukking van oogen! Hij groet haar..
Hemel en aarde! zij heeft hem teruggegroet. Een paar huizen ver-
der staat hij stil, en tuurt haar lieve houding na, en bewondert met
een verliefd oog haar vluggen gang. Zij steekt de Houtbrug over; hij
staart haar na totdat zij in de Keizerstraat verdwijnt. Nu stuift hij
weder voort en naar het Museum terug, de trappen op; daar ligt Buy
Bias nog; werktuigelijk neemt hij zijn vorige houding aau en het boek
op. Dat was verbijstering. Hij haa haar moeten nagaan, moeten weten
waar zij bleef. Hij keert op zijne schreden terug, de Houtbrug over r
de Keizerstraat door. Hij ziet haar niet meer; haar spoor is uitge-
wischt. Verliefder dan ooit en op zichzelven ontevreden, loopt hij de
geheele stad door en tuurt in alle ellewinkels, of hij het groenzij den
wintergewaad ook weer te ontdekken krijgt, dat hem zoo hevig
heeft aangedaan, of een hoed van bruin satijn, met een enkele
struisveder, die de plaats bekleedt waar hij weleer de witte duif
heeft zien nederzitten, die hij zoozeer heeft benijd. Te vergeefs!
Nergens, nergens, voor geen venster is zij te zien, de schoone...
i\'a! hoe heet zij? Hij weet er niets van, en lacht over zijn dwaas-
leid. Zoo keert hij huiswaarts.
In deze stemming vinden wij hem op zijn kamer. Maar neen!
Er is een straal van hoop in zijne ziele opgegaan. De berekeningen
van een mensch in witses toestand zijn stout. Er was bij den heer-
en mevrouw veenoot een jong meisje gelogeerd, een nichtje, wel-
ker naam hij niet kende; den naam der schoone Geldersche kende
hij evenmin! ... Dit was een punt van overeenkomst. Zij kon het zelve
wezen; en indien zij het ware, het was hem meer waard dan de
eerste graad bij alle mogelijke examina.
Onder zulke gedachten geraakte hij eindelijk gereed, nadat hij
reeds eenmaal zijn das uitvoerig had omgestrikt, eer hij zijn over-
hemd nog aanhad, en later zijn rok had aangetrokken, voor hij nog
eerst het noodige laagje gelegd had met zijn satijnen vest.
Hij kwam beneden. Er waren reeds gasten aanwezig, Hij hoorde
hunne stemmen in de zijkamer. Met een kloppend hart opende
bij de deur.
„Daar hebben we onzen candidaat!" riepen papa en mama tege-
lijk. De candidaat boog zich voor mijnheer en mevrouw van hoel.
Mijnheer en mevrouw van hoel waren menschen van omstreeks
vijftig jaren, waarvan ze er vijfentwintig in den huwelijken staat
hadden\'doorgebracht. Zij behoorden tot den deftigen koopmansstand
en ZEd. was wat men een man van gewicht noemt. Hij keek op de
sociëteit zeer ernstig en als zeer veel macht hebbende rond, en was
er op straat zeer op gesteld dat men hem groette; eene eer die hem,
het fortuin dat hij gemaakt had in aanmerking genomen, ook ten
volle van de geheele wereld toekwam. Mevrouws toon en deftigheid
hadden met den aangroei van haar eegaas vermogen gelijken tred
gehouden, en zij was eerst een pretentieuse, daarna wat men eene
-ocr page 265-
247
heele vrouw noemt, en nu bijna ongenaakbaar geworden. Het waren
zeer oude kennissen van mijnheer en mevrouw witse; en toen
beide echtparen nog jong waren, zagen zij elkander bijna dage-
lijks, hielpen de dames elkander hare japonnen knippen, en gingen
de heeren te zamen uit visschen. Deze overdreven nartelijkheden
hadden echter gaandeweg opgehouden, naarmate, om een platte
uitdrukking te gebruiken, de van hoels de witses waren over het
hoofd gegroeid; maar toch kon er nog nimmer een belangrijk feest
gevierd worden bij een van de beide familiën, of zij noodigden eik-
ander over en weer; zij waren voor elkaar een noodzakelijk kwaad.
De oorzaak der verkoeling moet echter niet alleen in de uitbreiding
van des heeren van hoels vermogen gezocht worden; nog eene an-
dere kleine omstandigheid had daar schuld aan; want, gelijk de
heer witse , zoo had ook de heer van hoel een eenigen zoon, en het
is wel bekend dat er niets doodelijker is voor vriendschappelijke be-
trekkingen dan kinderen, vooral als zij volwassen beginnen te wor-
den. Witse had een knappen, oppassenden iongen, den roem van
alle scholen, en daarna een sieraad der academie; terwijl de zoon
van mijnheer en mevrouw van hoel een eigenzinnige domkop was,
waar niets van was te maken, en die zich, tot jaren van onderscheid
gekomen, al spoedig als een losbol onderscheidde en naar de Oost»
was gezonden, omdat men niet wist wat er hier mee uit te richten.
Zoo kwam het bij, dat mijnheer en mevrouw van hoel geekits na-
tuuriijke vijanden waren geworden. Zoo kwam het bij , dat de heer
van hoel nooit een brief van zijn zoon ontving, waarin deze, als
bewijs hoe goed het geld, dat zijn vader hem moest overmaken, ge-
plaatst werd, breed opgaf van het telkens verbeteren zijner voor-
uitzichten en van de bewonderenswaardige stappen, die hij tot zijne
fortuin maakte, of hij haastte zich dit op de sociëteit Amicitia luid-
keels mede te deelen, en zulks liefst aan het tafeltje naast dat, waar-
aan de heer witse zich in \'t Handelsblad verdiepte, met bijvoeging,
„dat men niets beters doen kon dan zijne kinderen naar de Oost te
zenden, en niets dwazer dan ze te laten studeeren, waardoor ze niet
dan eene zeer late carrière maakten; daar had je bij voorbeeld de
jonge doctoren!" Zoo kwam het bij, eindelijk, dat er nooit of nim-
mer een wilde studentenpartij, een klein straatgerucht je of iets
dergelijks had plaats gehad, niet noemenswaardig in vergelijking
van het groote landgerucht dat het daarna maken moest, of mevrouw
van hoel kon het niet langer uitstellen mevrouw witse eens een
bezoek te brengen, bij welke gelegenheid zij haar dat nieuws me-
dedeelde, met vele verzuchtingen naar beklagende dat zij nog in de
onzekerheid was of haar zoon er al of niet was bijgeweest, en „maar
hopende, hartelijk hopende, dat dit het geval niet mocht geweest
zijn; hij was hier wel voor een knappen, heel knappen, braven
jongen bekend; maar men kon het toch nooit weten! En te Lei-
den!... Och, de jongelui werden er zoo spoedig bedorven."
-ocr page 266-
248
Be candidaat boog zich voor mijnheer en mevrouw tan hoeIi.
Na de gewone begroeting, waar nu ook nog een compliment met
het volbrachte examen bijkwam, waarbij de heer van üoel den har-
telijken wensch voegde dat dit een stap nader mocht zijn tot eene
spoedige promotie en eene brillante praktijk, en waarbij mevrouw
de vriendelijkheid had het deelnemend beklag te voegen, dat de
meeste menschen „een ouden dokter verkiezen", zeide de heer tan
hoel, die, met de armen op den rug, de panden van zijn rok splij-
tende voor het vuur stond en den binnenkant zijner handen door
de vlammen liet koesteren: „ik heb, geloof ik, mijnheer wiTSEvan
morgen ontmoet?"
„Mij, mijnheer?" vroeg geeeit verbaasd; „ik weet niet dat ik de
eer gehad heb ..."
„Neen, dat merkte ik ," hernam de heer tan hoel met een scham-
per lachje, en schuins uit naar geeeits moeder ziende, „\'t was op
de Blaak; — maar ik merkte wel dat je mij niet scheent te bespeuren.\'
„Inderdaad, ik heb u niet gezien," antwoordde geeeit kleurende.
„Och, die jonge geleerden,\' merkte mevrouw van iioel aan, hare
handen vouwende en hare nieuwe cabretten handschoenen tusschen
de vingers aandrukkende; „Och, die jonge geleerden zweven zoo in
een hooger sfeer, dat ze geen ïnensch meer gewaar worden."
„Dat kan wel eens een enkelen keer gebeuren, niet waar, geeeit?"
viel zijn mama daarop in, die een hoogere sfeer voor haar zoon nog
al een geschikt departement vond.
„Liever niet," zei geeeit; „het komt op de Blaak zoo weinig
te pas."
„Ja!" antwoordde de heer tan hoel, de schouders met gemaakten
ernst ophalende; „het is hier maar een koopstad; daar moeten we ons
nu maar mee behelpen."
„Zoo meen ik het toch niet," hernam geeeit al weder, nu eerst be-
merkende dat de heer tan hoel aan \'t gifzuigen was.
Be deur ging open. Geeeit zag Terlangend om. Er trad geen
schoon meisje binnen, maar een jongeling die , naar geeeits smaak,
alleen een schoonheid had kunnen genoemd worden, indien hij een
meisje geweest ware. Hij was een van die „mooie mannen\' , op
wie de jongelingen misschien veel meer jaloersch zijn dan de jonge
dochters verliefd. Zacht, zwart, krullend haar, een spierwit voor-
hoofd , een fijn wit en rood, blinkende oogen, en behaagzieke bakke-
baarden waren zijn deel. Kracht en majesteit was er in\'s mans gelaat
niet, zelfs geen hartstocht, en evenmin in zij n gestalte, die tot de
zwak apollinische behoorde. Het was de heer hateling, een jong
mensch van goeden huize, die op kamers woonde en aan een der
voornaamste kantoren van Rotterdam den handel bestudeerde. Beze
jongman was iemand, die volmaakt berekend was voor zijne plaats
achter een lessenaar en voor zijne plaats op een diner; dat is: hij
kon goed cijferen, en goed praten. Overmaat van verstand of smaak
-ocr page 267-
249
bezat hij niet, maar hij „las toch nooit Hollandsch", eene ornstan-
digheid, die altijd een hoogen dunk van beide geeft. Hij was een
spotter met al wat studie heette of, zoo als hij het noemde, „zoo
hoog vloog". Voor het overige, daar zijn toestand als eenloopend
gezel medebracht dat hij gaarne uit eten ging, had hij den goeden
weg ingeslagen om veel uit eten te worden gevraagd; en daar hij
veel uit eten gevraagd werd, was hij ook een volleerd diner-
ganger, en wist hij uitmuntend goed hoe hij het aan moest leggen
om hij zulke gelegenheid te voldoen.
Terwijl deze Narcissus nog bezig was zijn compliment temaken,
kwam er, met veel schutterigheid en eene zeer verhitte kleur, eene
dame binnentreden van een jaar of zesentwintig, die een zwarte
japon droeg om te tooneu dat zij bedroefd was, en een zeer blooten
"hals om te toonen dat zij alle behaagzucht niet had afgelegd. Zij was
noch mooi, noch leelijk, zeer blond, en zeer druk.\'t Was mevrouw
stoek , de jonge weduwe van een man, dien zij aan de tering verloren
had. De heer en mevrouw witse waren eerst onlangs met haar in
kennis geraakt; zij maakte derhalve allerhartelijkst, allerbevalligst,
en allerinnemendst haar compliment voor mijnheer en de „lieve
mevrouw". Daarop werd zij aan de van hoels voorgesteld, waarop
zij terstond met een allerliefst lachje en mooien mond met tanden
vroeg: of zij van de familie van mevrouw van hoel te Utrecht wa-
ren, die zij het pleizier had te kennen, en dat een aller-allerliefste
vrouw was. Toen wendde zij zich weder tot de heeren witse, en
plaagde den ouderen, en zei allerlei aangenaamheden aan denjon-
geren, met al de vrijmoedigheid eener getrouwde dame en met al
de behaagzucht eener ongetrouwde. Nog had deze nauwelijks al de
aanwezigen gegroet, of wederom ging de deur open. Mevrouw
veknoot trad binnen; gevolgd van kxaabtje donze.
Eene siddering ging over gereits hart; eerst werd hij bleek,
en toen hoog rood; want zij was het, de schoone Greldersche, de
jonkvrouw van zijne gedachten!
Met een goelijken knik aan den ingang van de deur en een
nog goelijker lach drukte de heer veenoot, die nu ook volgde,
geeeits hand. „Hartelijk, hartelijk, man!" riep hij uit. „Je bent nu
candidaat, heet het zoo niet?"
„En zeker met al de graden?" vroeg mevrouw veenoot, min-
zaam glimlachende.
„Ja," zei mevrouw witse, het hoofd blijmoedig opheffende; „daar-
voor was geen zorg, maar hij wilde \'t niet schrijven. Nu, \'t is
nogal een knappe jongen, vindje niet? We beleven pleizier aan
Ons GEEEITJE."
„Gteeeitje," die door deze lofrede al weer een tamelijk kin-
derachtig figuur maakte, rees niet in de achting van claea, wie
hij echter, wat voorkomen en uiterlijk betrof, niet was tegen-
gevallen, ja, zoo zeer meeviel, dat zij er inwendig boos om werd.
-ocr page 268-
250
Neen! dacht zij; geen voet achteruit! Dat hij er redelijk uitziet,
bewijst niets tegen zijn pedanterie. Pedant moet hij wezen.
Gebbit had haar zeer beleefd gegroet, en de dames hadden
het zeer druk met de vreemde. Zijne moeder scheen terstond zeer
nieuwsgierig te zijn om te weten hoe het haar in Rotterdam be-
viel en, hoe hare familie in Gelderland voer, ofschoon er tot nog
toe geen sterveling was, die wist of zij een vader en moeder,
broer of zuster bezat, al dan niet. Kxaabtje antwoordde op alles
met een onbedeesd en vroolijk gezicht.
Gebbit kon zijne oogen niet van haar afhouden. Hoe schoon was
zij van nabij gezien! Hoe weelderig waren hare vormen; hoe door-
schijnend haar blanke hals; hoe zuiver de omtrekken van haar ge-
laat en de lijnen van haar gestalte! Hoe liefelijk en helder klonk
hare stem; hoe vriendelijk was hare spraak; hoe levendig waren
hare bewegingen; hoe bevallig was de schoone cxaba, in alles!
Juist maakte hij zich gereed haar, zooras zijne hartklopping
eenigszins bedaard zou zijn, eens nader toe te spreken, toen de
laatste der gasten verscheen en de opmerkzaamheid der geheele
vergadering tot zich trok.
Het was een man, wiens leeftijd tusschen de vijftig en zestig
in zweefde, wat hij evenwel gedeeltelijk ontveinsde door een val-
schen toupet boven een paar zeer blozende wangen rond te dragen.
Het overige van zijn gelaat bestond geheel uit een wijde witte
das met wuivende slippen, en groote slappe hemdsboorden. Hij
droeg een ruimen zwarten rok, een blauwlakenschen pantalon, een
zeer ouderwetsch fluweel vest met nederdalende strepen. Het was
de heer wagestebt, bij zijne vrienden voor een origineel bekend.
Deze man had het, door kracht van originaliteit tot de in deze hui-
chelende en huichelarij onderstellende, aanmoedigende en uitlok-
kende wereld, zeer benijdbare hoogte gebracht, dat men hem het
recht toekende alles te zeggen wat hem voor den mond kwam,
een recht waarvan hij dan ook rijkelijk gebruik maakte. Daarbij
had hij iets zeer eigenaardigs in de wijze van zich uit te druk-
ken; ja, zijn woordenboek verschilde geheel van dat van andere
mensenen en hij placht te zeggen, dat het jammer was dat men, bij
nieuwe uitvindingen, hem niet raadpleegde hoe de dingen heeten
moesten. Zoo benoemde hij , om een voorbeeld te geven, het schoone
geslacht geregeld met den naam van appelbijtsters, daarbij op over-
grootmoeder eva zinspelende, en gaf hij den artsen nooit een ande-
ren eeretitel dan die in het woord tong kijkers lag opgesloten. Medi-
cijnen en vrouwen waren zijn grootste antipathieën, en hij was ge-
woon te beweren dat hij zonder de laatste wel leven, en zonder de
eerste wel sterven kon. Deze merkwaardige man leefde op kamers
op de Nieuwe Haven, van een onafhankelijk inkomen en, niets om-
handen hebbende, had hij — niet zoo zeer de luiheid als wel — de
geestigheid dagelijks tot elf, twaalf uren op zijn bed te liggen en in deze
-ocr page 269-
251
emakkelijke houding te lezen, te schrijven, en alles uit te voeren wat
em in den geest kwam. Hij was gewoon in persoon versehe zalm
te gaan koopen en eigenhandig in een netje naar huis te dragen. Hij
had de leelijkste teef uit heel Rotterdam, en onderhield twee grijze
katten, die door dezelve teef gezoogd waren. Op de sociëteit dronk
hij nooit iets anders dan fachingerwater, en aan zijn tafel nooit iets an-
ders dan portwijn. Hij had een stok waarvan de knop, in de schaduw
gezien, het portret van lodewijk den XVlden vertoonde, en een hor-
loge, onder welks glas een vlieg geteekend was, waarvan men
zweren zou dat zij over de plaat liep; een universeel zakmes met
honderd geriefelijkneden was zijne trouwe metgezel, en hij wist het
soms zeer geestig te pas te hrengen. In\'t kort, niets was duidelijker
of meer bekend, dan dat de heer "wagestert een origineel was, en
hij deed dan ook zelden den mond open, zonder de voldoening
te smaken van den een of ander uit net gezelschap, waarin hij
zich bevond, te hooren mompelen: „Die "wagestert heeft" — of, zoo
als de Rotterdammers van alle klassen zeggen, heit — „toch\'altijd
wat raars".
De binnenkomst van dit humoristisch genie en de plichtplegin-
gen, die hij jegens de gastvrouw en de gasten in het werk stelde,
waren een soort van koddige parodie op de wijze waar dit ge-
woonlijk op geschiedt; en schoon de heer "wagestert deze aardigheid
bij alle gelegenheden herhaalde, zoo vond zij echter ook ditmaal ge-
nade in de oogen zijner bewonderaars.
Men was nog bezig er om te glimlachen, toen de knecht binnen-
kwam met de tijding dat de soep op tafel was. De heeren boden de
dames hunne armen aan, met dien schoorvoetenden ijver, waarmee
men altijd te werk gaat indien men niet recht weet aan wien het toe-
komt om de eerste te wezen, en de heer wagestert, die, alhoewel
alle „appelbijtsters" verachtende, echter zeer goed wist welke „ap-
pelbijtsters" er het liefst uitzagen, bood zijn geleide, op eene alweder
kluchtige wijze, aan klaartje aan. Klaartje had nooit tevoren een
origineel gezien.
Men ging aan tafel, en het eerste, dat gerrit bemerkte, was dat
de schikking der gasten hem allerweinigst aanstond.
Dan, hier is het de plaats een meewarig woord van beklag voor
u te uiten, edelaardige menschenvrienden, die goed genoeg zijt nu en
dan aan uwe vrienden diners te geven! Het is nog niet genoeg, dat
gij bij alle poeliers rondzendt om een soort van gevogelte of een
soort van wild, dat nergens te krijgen is; niet genoeg, dat gij u af-
slooft om de fijne schotels van het laatste diner dat gij bijwoondet,
op zijde te streven en zoo mogelijk te overtreffen; niet genoeg, dat
gij met eigen mevrouwelijke hand het blanc-nianger bereidt of u
de harde noodzakelijkheid oplegt, op een ongelegen uur uw rum-
gelei te proeven! Gij moet ook nog eene partij, op dat punt allerlas-
-ocr page 270-
252
tigste, allerkitteloorigste en alleronverdraagzaainste wezens, gij moet
uwe gasten schikken! En wel zoo, dat zij alle naar hun zin en
naar hun smaak gezeten zijn; en wel zoo, dat alle antipathieën
gescheiden en alle sympathieën gepaard worden; en wel zoo, dat
f ij daarbij eene evenredige hulde aan ieders achtbaarheid en jaren
rengt; en wel zoo, dat de jonge meisjes niet te hoog, en de oude
vrijsters niet te laag zitten; en wel zoo, dat gij een „geanimeerd dis-
cours" verwachten kunt; en wel zoo, dat de rij bont, immers zoo bont
mogelijk, zij ! En als gij aan alle deze zoo zeer vervlochtene en verwik-
kelde (het woord dagteekent van 1830) verplichtingen poogt te
voldoen en met de grootste nauwgezetheid altijd het lichtere aan het
zwaardere hebt opgeofferd, dan komt de een of andere gast, indien
niet uw eigen zoon of echtgenoot, die uwe schikking allerdolst vindt
en zich over zijne plaats beklaagt. De roekelooze weet niet wat hij
zegt! Dat hij eene andere schikking voorstelle, en hij zal zien hoe
alles in de war loopt! Maar hij zegt het niettemin; dat is, hij over-
legt het in zijn harte, en mokt en mort in stilte. Beklaagde hij zich
nog maar altijd overluid: uwe verantwoording zou hem doen ver-
stommen; maar neen, hij houdt zich overtuigd van uwe verkeerde
bedoelingen, van uwe hatelijkheid, van uw lust om hem te kren-
ken, te grieven, naar het hart te steken, en neemt die overtuiging
met zich in het graf. De ondankbare! Hij wist niet voor welke
jammeren gij hem bewaard hadt!
Voor gerbits moeder was de schikking bijzonder moeilijk ge-
weest, door de omstandigheid dat het getal harer gasten oneven,
en er een overscharige heer was. Xoodwendig moesten er dus er-
gens twee heeren naast elkander zitten; de een moest natuurlijk haar
zoon zijn, en de ander?... „De heer wagesteet" , zult gij mogelijk
zeggen, „die toch een vrouwenhater is." Dit zou ondertusschen een
heel domme raad van u zijn, mijn lezer! Want het was juist daarom,
dat de heer wagesteet in alle gezelschappen tusschen twee dames
geplaatst werd en alle mevrouwen elkaar het genoegen betwistten
zijne zijde te mogen bekleeden; want wat is voor mevrouwen pikan-
ter dan het gezelschap van een vrouwenhater ? De heer wagesteet zat
alzoo tusschen mevrouw witse zelve en mevrouw van iioel. Maar het
was niet dit, wat geeeit zoo verschrikkelijk ergerde. Evenmin dat me-
vrouw veenoot in het midden van den vriendenkring zat, tusschen
den heer van iioel en zijn vader, en zulks als „een pareltje in \'t goud",
als zij nederig aanmerkte. Maar dat hij aan \'t lager eind van de tafel,
vlak tegen hem over, zien moest de personage van uateling, ge-
plaatst .. naast zijne moeder, zoover goed! maar ter andere zijde naast
klaart je, die aan zijn vaders andere hand gezeten was; dat was een
ding, hetwelk hij mama niet vergeven kon, al had zii hem de
drukke mevrouw stoek toebedeeld aan zijn rechter-, endenharte-
lijken mijnheer veenoot aan zijn linkerhand; want omdat de laatste
de goedigste was, was hem het lot te beurt" gevallen, geen andere
-ocr page 271-
253
dame te hebben dan mevrouw van hoel , die ook, om de waarheid
te zegeen, wel voor twee dames door kon gaan.
Het diner begon met dat geheimzinnige Conticiiere omnes, waar-
mede alle diners aanvangen; de soep werd met stomme aandacht
gegeten, alleen verpoosd door de opmerking omtrent de verande-
ring van atmosfeer, te gelijkertijd aan de vier hoeken van den disch
femaakt, en eene kleine vroolijkheid door wagestert te weeg ge-
racht, die de schildpadsoep pepersop noemde, hetwelk iets geheel
nieuws was.
Het „verre de vin après la soupe" bracht eenige opschudding te-
weeg, daar meest al de dames hare gehandschoende handpalmen
op hare glazen hielden, om te beletten dat de heeren de snoodheid
hadden haar te schenken.
Eenige oogenblikken later had mevrouw stork de vrijpostigheid
een glas water te vragen, hetgeen aan alle vrouwelijke leden der
vergadering den moed gaf onmiddellijk hetzelfde verzoek te uiten.
Na afloop dezer ceremoniën werd het verkeer langzamerhand
levendiger, luider en drukker.
Mevrouw stork bestormde gerrit met een zeer geönthusiasmeerd
gesprek over allerlei boeken; over den Corsair van Lord byron , de
Notre Dame van victor , de Gedenkschriften van walter scott , den
Jocelyn van lamartine, den Mal tra vers van bttiwer, en een aan-
tal min of meer bekende romannetjes en novellen, die gerrit nooit
had hooren noemen. Het eene was „haar charme", het andere was
„de favori van wijlen mijnheer stork !" Dit had zij \'s nachts gele-
zen; dat, toen zij met stork haar toertje maakte; een ander had zij
op de wandeling meegenomen; dit had zij aan eene vriendin uitge-
leend, en dat wilde zij absoluut aan gerrit zelf uitleenen; over het
een vroeg zij zijn oordeel; over het ander „wilde zij zijn oordeel vol-
strekt maar liever niet weten, omdat zij er in het geheel geen kwaad
van hooren kon!" Met dit had zij „zooveel innige sympathie", en
in dat; zij zei het met neergeslagen oogen en een treungen zucht;
„was zoo veel dat op hare eigene omstandigheden sloeg" ....
Aan \'sjongelings anderen kant zat de hartelijke vernooy zich te
vermaken over gerrits kunde en belezenheid, blijkbaar in het beant-
woorden van den waterval van woorden die het molenrad van me-
vtouw stork* tongetje om deed loopen, en fluisterde telkenmale
mevrouw van hoel zijne bewondering van „den knappen jongen",
toe; al weder tot zijn niet gering nadeel in de schatting van die dame,
die met onbegrijpelijk veel statigheid hare oogen over een gezel-
schap weiden Het, waaraan zij naar haar inzicht den grootsten luis-
ter bijzette. En wanneer gerrit zijne oogen maar opsloeg, dan zag hij
den mooien hateetng, die met den zoetsten glimlach tusschen zijne
gladde bakkebaarden, een allerlevendigst gesprek voerde met de
schoone clara, en al zijne hoffelijkheid en oplettendheden over haar
zat uit te gieten. Mevrouw witse zag met een welgevallig oog op
-ocr page 272-
254
hateling neder, die een groot gunsteling van haar was, en keek dan
weer eens tot gerrit op, dien zij toeknikte „of hij niet extra goed
zat ?" waarop zij , daar hare stem hem niet bereiken kon om het nem
rechtstreeks te vragen, aan hateling en kxaartje begon te ver-
tellen , dat zij gerrit niet beter had kunnen onthalen, dan door hem
naast mevrouw stork te plaatsen, die een savante was, „dat \'s te zeg-
gen, geen eigenlijke savante, want zij was heel lief, maar een stille
savante, die alle talen verstond, veel gezien had, en onbegrijpelijk
interessant was". Dan schertste zij weder eens met wagestert over
de slechtheid van de mannen en riep mevrouw van hoel tot getuige,
die ze ook „al heel slecht" vond. En intusschen vertelde mevrouw
vernoot zoo veel liefs en goeds van kxaartje donze , als zij ooit liefs
en goeds van gerrit uit papa witses mond gehoord had; en de laatste
was niet ongevoelig voor haar lief gezichtje. De heer van hoel zat
met een sceptisch en ironisch gezicht mevrouw stork gade te slaan,
in zijn koopinanstrots zeer laag nederziende op al dat onzinnig ge-
Bnap, en sprak tussehenbeide een wijs woord met witseen vernoot,
bij welke gelegenheid hij machtig veel zoo aan het staats- als aan
het stadsbestuur te berispen vond, en de wereld beklaagde, dat zij
geene oogen had om er „die knappe menschen in te kiezen, die zich
gaarne de moeite zouden getroosten alles op pooten te stellen".
Het dessert kwam, en mevrouw witse liet met zekeren nadruk
de flesschen veranderen.
De heer teenoot, in de goelijkheid van zijn hart, begreep dade-
lijk dat er een toost op den jongen candidaat wezen moest, maar hij
was de man niet om toosten in te stellen. Wel is waar, hij was hier
waarschijnlijk de oudste; maar hem docht, de eer kwam denhoog-
aanzienhjken van hoel toe, die \'ter, dacht hij verder, ook veel
beter af zou brengen dan hij. Nu was het zeer zeker dat de hoogaan-
zienlijke heer van hoel van dezelfde meening was, maar hij gevoelde
f een zier lust of roeping tot de zaak; en schoon de gedachte aan
en noodzakelij ken toost ook in wagesterts hoofd opkwam, hij
smoorde ze met de bewustheid dat hij „nooit toosten instelde en
het weergasche gekheid vond", waarbij ook nog kwam dat hij de
kunst niet machtig was. Het was in dezen als met zijn geheele zonder-
lingheid, die in vele opzichten niets anders was dan het goed heenko-
men zijner mislukte pogingen om met eenige gratie en goeden uitslag
te handelen als andere menschen. Blooheid en onhandigheid hadden
in een schoon, eendrachtig en zusterlijf verbond hem tot een ver-
treder van alle vormen en bespotter van alle beleefdheden gemaakt.
Een geschrikt paard slaat aan \'t hollen, breekt den toom, en trapt
den wagen stuk.
Het nagerecht werd gediend, en niemand sprak den toost uit. Ver-
noot werd hoe langer hoe benauwder. Hij vond het onbeleefd en
onbehoorlijk het te laten, maar als hij er aan dacht het te
doen, brak het koude zweet hem uit. Twee of drie malen sloeg hij
-ocr page 273-
255
de hand aan zijn glas om het plechtig op te nemen, maar telkens
liet hij het weder staan; ja, tweemaal hief hij het werkelijk op inde
hand, maar hedacht zich, en verborg zijn voornemen onder het
voorwendsel van mevrouw van hoel een nietsbeduidende opmerking
te maken omtrent de kleur van den wijn en het aangename van een
puntig glas. Ondertusschen werden de omstandigheden al nijpender
en nijpender. Mama witse begon met eene hooge kleur hare oogen
ongerust te laten rondgaan, en maakte telkens kleine pauzen in haar
gesprek. Verscheidene glazen waren reeds weder ledig, en alle fles-
schen aangebroken. Het moest eindelijk. Veenoot vermande zich,
en met een bleek gezicht, een domig voorhoofd, en trillende lip-
pen, zeide hij: „Vrienden, wij moesten eens een vol glaasje in-
schenken". Hoewel nu het gesprek in de laatste oogenblikken groote
gapingen had gehad, waarin men de dessertmessen duidelijk hun
werk had hooren verrichten, zoo was het oogenblik, waarop de
goede veenoot deze inleiding maakte, allerongelukkigst gekozen,
want wagesteet had juist een appel uit een dessertmandje geno-
men en begon er de „appelbijtsters" als van ouds mee te plagen.
De goede man ontveinsde daarop zichzelven gesproken te hebben
en wijdde veel aandacht aan het patroon van het tafellaken. Een
oogenblik daarna vermande hij zich weer: „Vrienden!" zeide hij.
„Ik geloof dat mijnheer veenoot iets zeggen wilde," zei mevrouw
witse, zich over de tafel heenbuigende tot dat zij hem in\'t gezicht
kreeg; „niet waar, veenoot?"
„Ja, keetje," zei de hartelijke man, „ik wilde een glaasje brengen
aan geeeit, om hem nogmaals te feliciteeren met zijne bevordering
tot candidaat. Ik heb geen kinderen, maar ik verheug mij zeer in
\'t geluk van mijne vrienden, die ze wèl hebben en er genoegen aan
beleven. Met geeeit meen ik het goed, en ik durf zeggen, dat we
dit allemaal doen. Dus geeeit! van harte, man."
„Geeeit!" — „geeeit!" —„geeeit!" — „mijnheer witse!" klonk
het met allerhande stembuiging over de tafel; de glazen werden
neushoogte opgelicht, en daarna gedronken.
„Mijnheer witse!" zei ook klaabtje; maar \'t was als of er iets
spottigs in haar gezicht was, en haar compliment werd ook maar
iii \'t voorbijgaan uitgebracht; want hateling had beweerd, dat hij
aan de amandelen vanbuiten zien kon of het philippines waren of
niet, en ten bewijze bood hij haar op een lepel een dubbelen aan.
Zij nam een der tweelingen, en het verbond werd aangegaan tegen
de eerste maal dat zij elkander weer zouden ontmoeten, „maarniet
onder den blooten hemel".
„Welke toost met algemeene opgewondenheid gedronken werd!"
zei wagesteet koddig-deftig. „Niet waar, moeder witse! Leve
de volharding! G-ebbit studeert voor professor, doet hij niet?"
„Foei, mijnheer!" zei mevrouw witse.
Klaaetje en hateling glimlachten.
-ocr page 274-
256
Het pijnlijk oogenblik was voor gerrit spoedig voorbij en hij
fenoot een soort van vrede, toen mevrouw stork op den inval kwam
at hij „zeker wel heel mooi reciteeren kon, en of hij het niet eens
doen wilde; \'t was nu zoo\'n goede gelegenheid".
Dit is meer beweerd. Als het geheele gezelschap verzadigd is van
allerlei spijzen en wijnen, de sinaasappelen rondgaan en de aman-
delen gekraakt worden; als degeen die reciteeren zal een hoofd heeft
als twee andere van benauwdheid en warmte, natuurlijke gevolgen
van epulae lautae in groot gezelschap, en de toehoorders, gemerkt
het gebruik van de gaven des wijnstoks en der vijf werelddeelen,
zeer vatbaar zijn om op de golven der versmaat de haven van
Morpheus in te drijven, dan heet men dat „een goede gelegenheid
om eens te reciteeren". Ik weet niet hoe geruit hierover dacht;
maar dit wist hij , dat het te geener ure zijn zaak was, en hij veront-
schuldigde zich alzoo. Maar mevrouw stohk sloeg hare blikken
diagonaal over de tafel om mevrouw witse te hulp te roepen.
„Is dat waar, mevrouw ?" vroeg zij op den toon van het hardnek-
kigst ongeloof, „dat uw zoon nooit reciteert?"
Mevrouw witse verklaarde dat zij integendeel vond, dat hij het
heel lief deed.
„Eigen verzen ?" vroeg klaartje.
En de belegering werd voortgezet met verdubbelden moed, en
allen die het meenden of niet meenden vormden een koor, waarvan
de inhoud was dat geruit zou reciteeren. Deze bleef echter onver-
biddelijk.
Mevrouw van hoel was daarop de eerste om hem dit kwalijk te
nemen en merkte met een lief lachje aan: „dat dit zeker te min was
voor een geleerde als gerrit". Zijne moeder vroeg hem: „of zij de
versjes niet eens halen mocht, die hij op zijn twaalfde jaar voor haar
verjaardag gemaakt had". Klaartje lachte. Gerrit volhardde.
„Het mooiste vers," zei wagestert, om er een wending aan te
f even, daar de zaak ernstig werd, „dat ik ooit in mijn leven gehoord
eb, is een vers van vier regels op bebonicitts , die een groot dich-
ter en, met permissie, een groote lap was."
„Och! en hoe was dat, mijnheer wagestert?" vroeg mevrouw
store, „hoe was dat?"
„Mevrouw," hernam wagestert zeer plechtig, „het was een graf-
schrift ; een grafschrift op den grooten beronicius , die in een mod-
dersloot een plotselingen dood gevonden had. Het luidde aldus:
„Hier leit een wonderlijke geest;
Hij leefde en stierf gelijk een beest;
Het was een misselijke sater;
Hij leefde in wijn en stierf in water."
Hoe geestig ook voorgedragen, dit meesterstuk van buizebo had
niet dat uitwerksel van vervroolijking, hetwelk de heer wagestert
-ocr page 275-
257
daarvan gaarne gezien had. Er moest dus nog een punt aan ge-
maakt worden, en geebit was er het slachtoffer van.
„En weetje nu wel, mijnheer de candidaat in de beide medicij-
nen! wat het mooie van dit vers is?"
„Volstrekt niet!" zei geebit met veel nadruk.
„Weetje dan niet welk een groote lofspraak het voor den over-
ledene inhoudt?"
„Neen!" zei geebit, bijna overbluft door den zonderlingen man,
voor wien hij wel wist dat men somtijds niet genoeg op zijne hoede
wezen kon. Het geheele gezelschap verbeidde met gespannen ver-
wachting.
„Niet r" zei wagesteet eindelijk, nadat hij gebrit lang en strak had
aangezien. „Niet? Dan zal ik het je uitleggen. Hierom, mijnheer de
candidaat, omdat het bewijst, mijnheer de candidaat, dat de groote dich-
ter beeonicius bij leven noch sterven medicijnen gebruikt heeft."
Daarop nam hij zeer laconiek een handvol ulevelletjes, stak ze
in zijn zak en fluisterde mama witse in: „Voor me kindertjes."
Het geheele gezelschap lachte, vooral mevrouw ya>* hoel, en
het: „die wagesteet!" enz. was in volle kracht. Geebit had een
driegulden willen geven voor een weerwoord, maar hij vond er
f een, voor en aleer hij dien avond op zijn bed lag, zooals dat in
ergelijke gevallen den snedigsten overkomen kan; en mevrouw
stoek leidde hem af, door hem te raadplegen over de hiëroglypheu
van verscheiden Fransche ulevelpapiertjes, met kalveren, die vos,
en heggen, die est beteekenden, en in welker ontcijfering de mooie
hateling oneindig veel knapper was dan hij.
Het laatste „tafellestje" (het woord is van hooft), de gember,
ging rond. Gember is eigenlijk een hatelijk eten; een ernstige wenk
om heen te gaan. De dames stonden op, en de heeren volgden spoedig.
In de andere kamer ontstond onder de eersten een ijselijk kra-
keel, daar zij allen mevrouw witse wilden helpen in het schenken
van de koffie; het werd echter bijgelegd, en de schoone hateling
deelde de kopjes uit. Nu begaven zich de heeren, met het kopje
in de eene en het schoteltje in de andere hand, in een zeer druk
gesprek. Zij hadden den geheelen dag nog zoo wijs niet gekeken.
„Nu of nooit!" dachten onze dagbladen, vlugschriften, verzen, en
al dat moois in den jare 1831. Het werd echter toen niet gedaan,
en het is acht jaar later, zoo ver als\'t voeten had, terechtgekomen.
„Nu of nooit," dacht ook geebit in den jare 1838, op dien gedenk-
waardigen na-den-eten, daar klaabtje bij den schoorsteen stond
en een geborduurd haardscherm bekeek. Hij naderde haar met zoo
veel vrijmoedigheid als hij verzamelen kon.
„Uw Buiten, juffrouw donze, ligt, meen ik, aan den straatweg
tusschen-----"
Daar keerde wagesteet, die aardigheden aan hateling stond te
verkoopen, zich kort om, stiet geebit aan den elleboog, en de kop
17
-ocr page 276-
258
koffie, die hij in de hand had, vloog over het kleedje van grijs
gros-de-naples, dat claea\'s lieve leden omgaf.
GrEBBiTS verlegenheid was verschrikkelijk. De dames vlogen toe,
behalve mevrouw tan hoel; er werden geen zakdoeken gespaard
om het vocht op te nemen. Mevrouw stobks mond stond niet stil
van te beweren dat eau de cologne een panacé was tegen alle
vlakken; mevrouw vernoot verhaalde een troostrijke legende van
een belangwekkende vlak, die vanzelf verdwenen was; en verschei-
dene dames tegelijk vonden het gelukkig, dat het „nog al in de
plooien" kwam. Mevrouw tan hoel voerde aan, dat champagne in
t geheel geen vlakken naliet, eene vertroosting, die hier minder
te pas kwam; mevrouw witse maakte duizend verontschuldigingen
voor haar zoon en voor haar koffie; een practisch vernuft ried klaaetje
de voorbaan achter te laten zetten; wagesteet merkte aan dat zij
„een lief souvenir" van mijnheer had; hateling zweeg met een
triomfanten glimlach; mijnheer tan hoel sprak nog eens weer van
distracties en van de Blaak; geeeit deed zijn best om een rede-
lij k figuur te blijven maken. En de schoone claea zelve deed niets
dan lachen over al de drukte en ontroering, en herhaalde honderd-
maal „dat het niets was", met een gezicht, dat gelukkig geheel
met deze lichtvaardige beschouwing van de zaak overeenstemde.
Evenwel, nadat alles tot rust kwam, had geeeit den moed niet
zijn gedoodverfd gesprek over het Buiten aan den straatweg op te
werken, en liet het veld aan hateling over.
De speeltafeltjes werden gezet en er vormden zich drie partijtjes.
Mevrouw stobk verklaarde zich een hartstochtelijk liefhebster van
omberen, „een charmant mooi spel"; mijnheer tan hoel zei met
al de bedaardheid van iemand, die het dagelijks doet, dat hij er
ook wel van hield; en geeeit moest de derde man zijn.
De rest van \'t gezelschap verdeelde zich aan twee bostontafeltjes.
Aan het eene vertoonden zich geeeits ouders, met mevrouw tan
hoel en mijnheer teenoot; aan het andere zaten mevrouw vee-
noot, klaaetje donze, wagesteet en hateling.
Mevrouw stobks hartstocht voor het omberspel scheen min of meer
hare bekwaamheid te overtreffen; althans er was eene zekere
onevenredigheid tusschen deze twee vereischten, die den heer tan
hoel kennelijk hinderde. HEd. redeneerde machtig veel onder het
spelen, en niet zelden gebeurde het dat zij al pratende een of andere
kleinigheid over het hoofd zag. Zij had eene geheimzinnige wijze
van de kaarten door hare hand heen en weer te schuifelen telken reize
als zij moest opspelen, en het kwam wel voor dat, als de heeren
heel lang op de beslissing hadden zitten wachten, zij plotseling de
gewichtige vraag opperde, wie van hun beiden ombre was; ook
scheen er ten gevolge van haar weduwtranen iets in hare oogen te
zijn dat haar het kenmerkende tusschen een heer en eene vrouw
-ocr page 277-
259
soms niet duidelijk deed onderscheiden; soms had zij ook de aar-
•digheid haren maat de slagen zonder naspeurlijke reden af te nemen,
of den ombre de geestige verrassing te bereiden van aan het einde
van een spel een kaart op te spelen van eene kleur daar zij vroe-
ger in gerenonceerd had; en dat alles onder het mededeelen van
gewichtige anecdotes omtrent voles die zij gemaakt en lichte sans-
prendres die zij gewonnen had, en het uiten van sinaadredenen op
alle andere spelen, die, bij omberen vergeleken, zoo simpel waren.
Van hoels welwillendheid was in een gestadigen strijd met zijn
achting voor het plechtig omberspel. Hij was zeer ernstig en stroef,
en als hij zich onmogelijk weerhouden kon eene aanmerking te
maken, dan richtte hij zich tot gereit als wrijfpaal. „Mijnheer
"witse , je moet nooit troef uitspelen, of je moet er in dóórgaan",
„mijnheer witse! je moet altijd...." Maar wij kunnen geene les-
sen uitdeden, lezer, en gij zijt even onschuldig als geeeit.
Aan het bostontafeltje met mevrouw van hoel heerschte een
ander gebrek. Mijnheer en mevrouw witse , schoon voor het overige
altijd in de beste harmonie levende, konden namelijk op het gevaar-
lijk stuk van des duivels prenteboek niet best te zamen overweg,
en namen het elkander geregeld eenigszins kwalijk als zij een spel
verloren, waarin zij malkaars whist geweest waren; bij welke ge-
legenheid de goede verxooy altijd als scheidsman door mevrouw
witse werd in den arm genomen en altijd beweerde dat zij
onmogelijk anders had kunnen spelen, en dat witse ook onmoge-
lij k anders had kunnen spelen, en dat hij het zelf was, „die onge-
lukkig zoo vinnig tegenzat". Deze waardige man was eigenlijk een
van de weinige schepselen, die voor het kaartspel geschikt zijn,
en wien het in \'t geheel niet schaadt het te plegen. Het wond hem
niet op, het verveelde hem niet, het verbitterde hem niet, hij kon
tegen zijn winst, hij kon tegen zijn verlies, hij bleef er vroolijk
•en, wat alles zegt, „geheel dezelfde\' bij.
Wat het derde partijtje betreft, daaraan werd de hoogste toon
gevoerd door wagestert , die niet, zooals vernooy , naar den ouden
stijl, de klaveren uit aardigheid klavooren, de harten, uit dito, beurte-
lings harsens of hartzeer noemde, en bij ieder hachelij k spel be-
weerde „dat het zoowel vriezen als dooien kon", — neen, de heer
wagestert was veel orgineeler en obstineerde zich de poppen nooit
anders dan bij hare bijbelsehe namen te noemen: saba, david, es-
thee enz. Maar iiateling schermde er zacht fluisterend tegen klaae-
tje met zijn „malheureus au jeu, heureux en mariage" tusschen,
en speelde haar de slagen toe, en was haar whist met een teeder
gevoel in de oogen, en hielp haar op het bostonkaartje kijken, en kwam
zoo dicht bij haar aangezicht, dat haar mooie krullen zijn wang en
bakkebaarden aanraakten, en prees mevrouw vebnooys verstandig
spelen, en mevrouw vernoot was verrukt van den lieven, hupschen,
gezelligen hateling , die zoo recht geschikt was om uit eten te gaan!
-ocr page 278-
260
Het laatste toertje werd bepaald; de mooie zijden beurzen kwamen
voor den dag. Mevrouw stokk, die het niet wist, maar aanmer-
kelijk verloren had, had de edelmoedigheid al de fiches door elkan-
der te gooien; aan de andere tafeltjes oordeelde men dat niemand
iets gewonnen had.
Men stond op.
Nog eenmaal waagde gebbit zich aan klaabtje en vroeg haar
naar de ligging van haar Buiten; hij vertelde haar, hoe hij er voor-
bijgekomen was, en haar had gezien. „Hij deed toen een voetreis."
„O!" zei klaabtje, „een voetreis; een geleerde reis zeker, mijn-
heer WITSE?"
Hij kon niet antwoorden; tranen van spijt sprongen hem uit
de oogen.
„Is dat uic boa, juffrouw donze?" vroeg hateling, haar met dat
kleedingstuk naderende, en hij wierp het haar over de gladde
schouderen.
De gasten vertrokken.
Nog ééne foltering wachtte gebbit.
„Waarom wou je nu niet reciteeren?" vroeg zijn mama, toen al-
les tot rust was.
„Omdat ik het niet kan, mama!" was zijn antwoord.
„Och," zei de oude witse, „wij zullen er maar niet over spreken;
maar het is een miserabel ding. De menschen zeggen allemaal dat
je knap bent; en wanneer er iemand is, dan benje altijd stil en in-
getrokken. Wij merken er het minste van. Ik kon duidelijk aan
mijnheer van hoel zien, dat hij dacht: is dat nu die knappe witse ?""
„Ja, gebbit! het is niet pleizierig," voegde mama er bij. „Daar
hadtje nu mevrouw stobk. Het mensch heeft waarlijk geen moeite
gespaard; ze heeft je op alle manieren aangepakt! Het is een knappe
vrouw, eene heele, bijzondere, knappe, vrouw" —zij drukte afzon-
derlijk op elk dezer woorden — „en je waart zoo strak als een pop."
„Mevrouw stobk liet me niet aan\'t woord komen, lieve moeder!"
zei gebbit met een flauw lachje.
„Nu vriend! dat is ééns, maar nooit weer," zei papa; „ik bedank
er voor; wat hebje aan je geleerdheid, als je ze niet toont?"
Gebbit ging dien avond naar zijn kamer, en weende over zijne
geleerdheid. „Ik wenschte wel," zei gebbit , de deur op het nacnt-
slot gooiende, „ik wenschte wel dat ik een stommeling was."
Dokters lief en leed.
Twee jaren later zat de jongeling dien wij als Med. Cand. ver-
laten hebben, als Med. Doctor in eene Geldersche stad aan het ont-
bijt. De kamer, die hij hier gekozen had, was nog zoo veel mogelijk
-ocr page 279-
261
op den voet van een studentekamer ingericht; het eerwaardig ge-
laat van den grooten hufeland , dat te Leiden met een paar spelden
aan \'t behangsel was vastgemaakt geweest, had intusschen een
zwaarmoedige lijst gekregen, maar het gevilde mensehebeeld, den
doctoren zoo aangenaam, hing ook hier, als wedergade van die ze-
kere tabel, waarop men in zachte overgangen den Apollo van Bel-
védère in een kikvorsch veranderen ziet.
Maar waar was het vrouwebeeldje, dat zoo sprekend op klaar-
tje donze geleek? Lang had hij het te Leiden nog voor zijne oogen
fehad; maar daar de vriend van het zweetkamertje, die in het ge-
eim was, het hem over de schoone met de duif op \'t hoofd lastig
maakte en zekere TCotterdamsche herinneringen hem daarbij een
kleur in \'t aangezicht joegen, was het zachtjes aan naar het achter-
vertrek verhuisd, zonder op te houden hem ook daar somwijlen
een blos op de wangen te brengen.
Twee jaren verliepen; gerrit werd ouder en, zooals hij meende,
wijzer. Hij zag vele andere meisjes, en het ontbrak niet aan kleine
verliefdheden voor een dag, of een week, of een maand.
De schoone clara geraakte op den achtergrond. Te Itotterdam
kwam zij niet meer. Mijnheer en mevrouw vernooy werden schaarsch
door hem bezocht. Haar naam werd zelden genoemd. Het portretje
geraakte, bij andere kunstvoortbrengselen, in een portefeuille.
Heden echter, daar wij den dokter aan zijn ontbijt vinden, zien
"wij de herinnering aan het bevallig meisje weder bij hem opge-
•wekt. Vóór hem ligt een brief vanden vriend uit het zweetkamertje,
die hem meldt, dat hij het hart van den kolonel vermurwd heeft, en
zijne schoone dochter, in spijt van zijn knevelbaard, getrouwd. Hij
kan niet nalaten er bij te berichten, dat de vooroordeelen bij den
krijgsman tegen zijn persoon, bij nader inzien, toch zoo sterk niet
geweest waren, als hij zich in het eerst wel verbeeld had.
„Hij ook al getrouwd!" mompelde gerrit, „een zoekend advo-
caat. Wat heeft hij een vrouw noodig? Maar ik, die zoekend dok-
ter ben — ik behoorde lang gehuwd te wezen. Welk dokter
krijgt een degelijke praktijk, zoolang hij niet een degelijke vrouw
heeft?"
Een degelijke praktijk. Hij had nog zoo goed als in het geheel
geen praktijk. Maar zooveel temeer collega\'s. (Nog gisteren was er
een kers-versch van de TTtrechtsche hoogeschool gearriveerd.) Hij
had geen praktijk, maar zooveel temeer tijd, dien hij toch niet in
zijne geliefde boeken mocht doorbrengen. Of moest hij niet op straat
gezien worden, alsof hij iets te doen had? Moest hij niet beleefd zijn
en bezoeken afleggen, alsof niets hem beter smaakte? Zoowel als
zijn patent betalen, alsof hij zijn patent verdienen kon?
Eén geluk was er voor gerrit als hij aan huwen dacht. Vele
jonge doctoren verkeeren in het volgend troosteloos dilemma: zij
\'hebben eene vrouw noodig om praktijk, en zij hebben praktijk
-ocr page 280-
262
noodig om een vrouw te krijgen. Maar geebit witse was bemiddeld.
De heer notaris had akten genoeg gemaakt in zijn leven, om zijn
zoon het doen opmaken der gewenschte huwelijksakte mogelijk te
maken, al was het ook dat zijne keuze viel op een meisje, dat be-
halve haar deugd en haar schoonheid niets ten huwelijk bracht.
Had klaabtje donze iets meer? Was klaaetje donze reeds ge-
huwd ? Hij wist het niet. Maar waarom dacht hij nu weer aan
KLAAETJE DONZE?
Het sloeg negen uren. Geeeit kleedde zich, en begaf zich naar
het militaire hospitaal, waar hij, bij gebrek aan eigen praktijk, het
een voorrecht achtte het ziekenbezoek van den chirurgijn majoor
te mogen bijwonen, en van daar naar de weinige zieken in achter-
buurten en stegen, die hem door een ouden collega welwillend waren
opgedragen. Hij hoorde met het uiterste geduld hunne vreemdsoortige
klachten aan, loopende over „geruusch, zuzelingen en drilligheden
in den kop, knoeperingen in den hals, stiktens in de long, draaiingen
van het hart, water over hetzelve hart loopende, watergal, koeke-
ren van winden", en wat dies meer zij , met en benevens „loopende
wurmen, vliegende jichten, en stijgende moeren".
Toen weder naar huis. „Zijn er ook boodschappen?" Antwoord
als gisteren: „Neen".
Daarna moest de oude collega bezocht en verslag afgelegd worden
van de opgedragen patiënten. De oude collega was een man van
een zeventig jaar, die op zieken en gezonden gromde, en daardoor
veel ontzag onder beiden had. Zijn taal scheen orakeltaal, zijne recep-
ten werden als sibyllijnsehe bladen op prijs gesteld, en zulks vooral
door de artsenijmengers, die den ouden dokter afgodeerden. In ge-
vallen , die eenigszins ernstig waren, schreef hij er gewoonlijk vijf
in de vierentwintig uren. De jonge dokter kon het hem moeielijk naar
den zin maken. Ueeds verkorf nij het grootendeels door de militaire
praktijk in het hospitaal bij te wonen. De bloedzuigers hadden des
geleerden grijsaards sympathie in geenen deele.
Voor ditmaal echter Weef het schrollen op de „non missurae
cutem"
, dat zich anders dagelijks herhaalde, achterwege.
„Ik heb hoofdpijn," zei de oude collega, „en het rijden hindert
mij vandaag. Wees zoo goed in den achtermiddag een buitenpatiënt
voor mij te bezoeken; de dochter van vrouw sijmens , te Spranken-
del. Een mooie wandeling. Gij kunt met de koelte terugkomen. De
meid is zwaar ziek."
De opgedragen taak was witse niet onaangenaam. Sprankendel
was een schilderachtig gehucht, te midden van lachende heuvelen,
terzijde van den grooten weg gelegen. De wandeling derwaarts
mocht een groot uur kosten. Na zijn maaltijd genuttigd te hebben,
aanvaardde hij ze welgemoed. Hij zou het buitenverblijf voorbij-
faan, waar hij eenmaal de schoone cxaea had zien zitten, met de
uif op \'t hoofd.
-ocr page 281-
263
Het geschiedde. Maar nooit scheen een buitenverblijf zoo uitge-
storven als dat waar hij thans zoo gaarne leven gezien nad. Het was
een warme dag; niemand waagde zich op het terras, door een bran-
dende zon beschenen. Aan denganschen voorgevel waren alle zonne-
schermen zorgvuldig gesloten. Benige witte duiven zaten onbewege-
lijk op het dak en schitterden in het felle licht. „Ziedaar de duiven,"
zeide witse, „maar waar is de schoone? Misschien logeert zij weer
bij de eene of andere tante, waar de een of andere hateling haar
het hof maakt; misschien, wie weet het ? staat zij op het punt zoo\'n
wezen te trouwen. Arme vrouwen, die het ongeluk hebt een mooi
fezicht te hebben ! Welke strikken spant men uw geluk! Gij meent
at men u liefheeft met al de oprechtheid, al de kracht, al den een-
voud eener eerste liefde, en ondertusschen ..."
Ondertusschen zat het onschuldig voorwerp dezer misanthro-
pische bespiegelingen hoogst waarschijnlijk aan een goeden maal-
tijd.
Witse moest weldra den straatweg verlaten om het schoone
Sprankendel op te zoeken. De kleine Ibeek, daar het gehucht zijn
naam naar droeg, wees hem het naaste pad tusschen de vruchtbare
heuvelen. Nu eens verschool zij zich als een nietsbeduidende sprank
bijna geheel onder overhangende struiken en onkruid; maar dan kwam
zij weder dartel en helder te voorschijn, met niet weinig drukte van
een hooger grond afdalende. Eindelijk bereikte witse den oorsprong,
waar het water zachtkens uit het zand opwelde, en een kleine kom
vormde, waaruit zich verscheidene spranken in onderscheiden rich-
ting over gladde keisteenen een weg baanden.
Een jeugdig echtpaar scheen dit plekje, schaduwachtig en koel,
tot eene rustplaats te hebben uitgekozen. De bevallige jonge vrouw,
op het gras nedergezeten, hield een vroolijken krullebol op den
schoot, die tegen de waterbellen en schuimkrinkels lachte; dejeug-
dige man, met een glimlach op de lippen, zag beurtelings naar
moeder en zoon.
„Ziedaar het geluk dat ik verlang," zuchtte witse.
Een zijpad bracht hem bij de weduwe, wier dochter zijne zorgen
behoefde. Het was haar eenig kind niet. Zij had nog eene dochter,
die met de nu zieke haar bijstond in het wasch- en bleekwerk, dat
voor een gedeelte in haar onderhoud voorzag, en daarenboven een
zoon die voerman was en het drietal koeien verzorgde, dat zij op
de omgelegene heuvelen weidde. Het was een dier gelukkige huis-
gezinnen, die geen vreemde hulp behoeven, waar nimmer gebrek
is, maar ook nimmer overvloed, en zuinigheid en werkzaamheid
onontbeerlijk zijn.
Voor de deur vond onze arts de oudste dochter, een beeld van ge-
zondheid, bezig een dier groote koperen melkkannen te schuren,
die in heuvelachtige streken op het noofd gedragen worden.
„Hoe gaat het met barte? vroeg hij haar.
-ocr page 282-
264
„Oolik, dokter; oolik," zei de deerne, haar voorhoofd niet het
buitenste van de hand afvegende. „Heeroom is er bij."
En zij vervolgde haar taak. In zulke huishoudens moet zoolang
mogelijk alles zijn gang gaan. Slechts den hoogeren standen is het
vergund zich aan hunne zieken te wijden.
Gerrit trad binnen. Op bevel van den ouden dokter was het
volslagen donker in de ziekekamer. Op witses verzoek om „een
beetje licht te maken", rees een kleine gestalte, die voor een
stoei op de knieën gelegen had, op en stiet een luik open. Witse
trad inmiddels voor de hooge en benauwde bedstede, waarin de
zieke lag.
Het was onmogelijk in haar eene jonge dochter van nauwelijks
achttien jaar te herkennen. JNog voor weinige dagen was zij het
evenbeeld harer gezonde zuster, en zoo vrooüjk als zij mooi was.
Maar nu lag zij machteloos uitgestrekt, met een bleek gelaat, dat
akelig afstak bij de gitzwarte haren, die ordeloos uit haar mutsje
te voorschijn kwamen; hare wangen waren gansch geslonken, haar
ingevallen oog half gesloten, hare lippen zwart als inkt.
„Barte," sprak witse met een nadrukkelijke stem. De zieke
opende de oogen, en staarde den vreemden dokter met verba-
zing aan.
Hij nam haar bij de hand. Die hand was droog als leder.
De pastoor en de broeder stonden verslagen bij de bedstede,
wachtende op hetgeen de dokter zeggen zou. De moeder lag weder
op de knieën voor een stoel, den roze krans in de handen, dien zij
sedert drie dagen niet had terzijde gelegd.
De pastoor schudde het hoofd.
„Zou ze sterven?" vroeg de broer, die een kerel als een boom
was, en barstte in tranen uit, als hij dat woord van sterven uitte.
De moeder zag op, en staarde strak en angstig naar den dokter.
„Wij hopen van neen," zei witse, „maar ga van het bed. Gij be-
nauwt de zieke."
Nogmaals schudde de pastoor het hoofd.
„Zou ze sterven, heer pastoor?" vroeg de broer andermaal.
„Bij God zijn alle dingen mogelijk," troostte de geestelijke. Maar
ook ditmaal schudde hij het hoofd. De goede oude hield van
BARTE.
„Frnstra cum morte pugtiabis," zei hij tot witse.
„Exspecto crisin" antwoordde deze. „De ziekte is nog niet op
haar hoogst. Doch, doe gij uw plicht," voegde hij er zachtjes bij.
De moeder vloog op. Het doodvonnis van haar dochter was getee-
kend! Zij gaf een gu en ijlde de deur uit. Gerrit ijlde haar na.
Hij vond haar aan de voeten van eene jonge dame, die juist uit
een hittewagen gestapt was en de leidsels nog in de hand hield.
„Mijn kind, mijn kind!\' riep de ongelukkige vrouw, de knieën
der jonge dame omarmende. „Mijn kind is dood!"
-ocr page 283-
265
Hare stem verzwakte, hare handen gleden naar heneden, haar
hoofd zakte doodsbleek op den grond.
„Help deze vrouw, dokter!" zei klaartje bonze. „Zij ligt van
haarzelve. Is haar dochter gestorven?"
„Neen, juffrouw donze," stamelde gerrit ontroerd. „Haardoch-
ter is niet dood. En zoo mieke mij helpen wil hare moeder op te til-
len, en gillis uw paard mag bezorgen-----"
Dit laatste was niet noodig. „Laat maar los, mieke!" sprak klaar-
tje donze , die een traan in de oogen had, maar geen oogenblik hare
bedaardheid had verloren. En zij bracht zelf haar klein paard bij
het hek, waaraan zij het vastbond.
Intusschen droeg witse met behulp van mieke de verstijfde moe-
der naar een ander vertrek, waar zij haar op een bed nederlegden.
Clara volgde hen op den voet.
„Wat moet er gedaan worden, mijnheer witse?" vroeg zij.
„Drink een glas water, juffrouw donze!" sprak gerrit , gelukkig
dat zij hem herkend had; „en laat dit meisje het ook doen. Wees
zoo goed de kleeren van de oude vrouw los te maken. Laat haar azijn
ruiken, zoo die er is, en wrijf haar de polsen en de slapen van \'t hoofd.
Zie dat gij haar een teug water ingeeft." En hij begaf zich opnieuw
aan het leger van barte.
N"a eenige oogenblikken kwam hij terug. Clara lag op hare
beurt geknield, en hield de hand der oude vrouw zachtjes in de hare.
Deze was een weinig bijgekomen, en zag het schoone meisje met
een namelooze uitdrukking van dankbaarheid en liefde aan.
„Ik weet immers, vrouw sijmens," zei klaartje, „dat gij den
moed niet verliezen zult. Barte is nog niet opgegeven — en de goede
God is almachtig."
„Wij moeten allen voor één God verschijnen," zei de oude vrouw,
er aan denkende dat klaartje niet roomsch was.
„En tot een zelfden God bidden," antwoordde clara, „en door
een zelfden troost getroost worden. Wat zoekt gij , vrouw sijmens?"
„Mijn paternoster," zei de oude vrouw. „Ik had het zoo even nog."
„Als gij bidt," sprak klaabtje, „laat het zijn in een vast vertrou-
wen op de macht en de liefde van God. Zulk bidden zal u verster-
ken, vrouw sijmens, en God zal het verhooren. Gij weet hoe ge-
vaarlijk mijn moeder geweest is, en zij is nu weer zoo frisch en
gezond als ikzelf. En barte is zooveel jonger."
„Het was een bloem op aarde," zei de oude vrouw, en een glans van
vergenoegen kwam op haar gelaat. Daarop betrok het weer. „Te
denken," zeide zij, „dat ik haar bij haar vader onder de groene
boompjes brengen moest!..."
„De dokter zegt dat er nog hoop is, vrouw sijmens! Als gij den
moed verliest, doet gij zonde," zei klaartje , een paar groote tra-
nen afwisschende.
De dokter bevestigde het.
-ocr page 284-
266
„Kom aan, mieke ," zei de oude vrouw, zich vermannende, „doe
mijn jakje dicht; ik ga bij babte."
„Maar gij zult u goed houden, niet waar, vrouw sijmens P" vleide
KLAABTJE.
„Komde gij nog eens weer?" vroeg de moeder.
Klaabtje beloofde het. Het was nu haar tijd om te vertrekken.
Gtebbit hielp haar het paard losmaken. Met een wip was zij in het
rijtuig. Gebbit reikte haar de leidsels. Daar reed zij heen.
Maar nog even hield zij haar paardje in, dat zulks "kwalijk genoeg
scheen te nemen en met zijn kop trok en schudde, als van zoo krib-
big een hitje te wachten was.
„Dokter,\' zei klaabtje, „hoe laat komt gij morgen bij de
zieke?"
„Reeds in de vroegte, juffrouw donze," was het antwoord.
„Zoudt gij, terugkomende, even op Wildhoef willen aankomen,
om te zeggen hoe het gaat?" vroeg zij blozende.
„Zonder twijfel," betuigde gebbit, volstrekt niet voor haar onder-
doende.
En zij liet het hitje weder opschieten, dat een sprong deed, waar-
van gebbit schrikte.
„Geen nood!" zeide zij, „wij kennen malkaar." En het hek van de
werf uitdraaiende, op eene wijze die geen Amsterdamsen koetsier
haar zou verbeterd hebben, liet zij het vurig paardje zijn hart op-
halen aan den zandweg en draafde heen.
„Zal de dokter blieven na de stad te riden?" vroeg gillis.
„Dank u," zei witse , „ik wandel liever." En nog eens de beschik-
kingen herhalende, die hij gegeven had, nam hij de thuisreis aan.
Zijn eerste werk was een hoogen heuvel te beklimmen, of hij
klaabtje ook nog kon gewaar worden. Dit gelukte. Rustig zat zij
achter haar lustig paardje, dat zij meesterlijk regeerde en eerlang
vergunde in den stap te komen. Met een onuitsprekelijk welgeval-
len sloeg gebbit haar gade. „Welk eene ontwikkeling in dat meisje!"
riep hij uit; „welk een kloekheid! Zulk een vrouw zou me lijken,
verlegen en linksch als ik altijd ben. Zooals ik haar daar nu
zie ...."
Maar het hitje sloeg een bijdehandschen zijweg in; echter niet
dan na grooten lust geopenbaard te hebben om een tegenovergesteld
pad van nabij in oogenschouw te nemen. Klaabtje donze was voor
heden niet meer te zien. Maar morgen....
Cetera desunt.
1840.
-ocr page 285-
BIJVOEGSEL DER DERDE UITGAVE TOT DE NAREDE EN
OPDRACHT AAN EEN VRIEND.
Bijna twaalf jaren zijn verloopen en de toegezegde „Nieuwe Ver-
tooningen" l verschenen niet. Wel lagen, reeds op het oogenblik
der toezegging, eenige schetsen gereed, maar het spelen met de Ca-
mera Obscura, waardoor ze tot een boekdeel zouden zijn aange-
groeid, moest ophouden. De tijd van het incidere ludwm, waarvan
mijn motto gesproken had5, was met nadruk daar. Ik kon voortaan
mijn instrument beter gebruiken.
Sommige mijner vrienden beweren dat ik er sedert niet of weinig
aan gehad heb; andere meenen dat het mij nog altijd goede dien-
sten gedaan heeft. Zoo dit laatste het geval mocht zijn, blij ft het met
te meer nadruk: nee lusisse pudet.
Intusschen heeft eene te groote belangstelling de uitgevers tot
een derden druk van hildebeands boekske verleid, en zij wensch-
ten; het woord blijft natuurlij k geheel voor hunne rekening; zij wensch-
ten dien te verrijken met hetgeen zij maar al te wel wisten dat nog
in de sedert lang geslotene portefeuille voorhanden was. Had hij
moeten weigeren? Dan zou het toch waarlijk geweest zijn: lusisse
pudet.
Ik weet niet of de te dezer gelegenheid voor \'t eerst aan \'t licht
gebrachte opstellen beter of slechter dan de andere zijn. Maar het
zou mij verwonderen, daar alle te zamen de voortbrengselen zijn
van een zelfden geest en tijd. Veel is er in het geheele boekdeel,
dat ik u thans voor de derde maal aanbied, dat ik nu anders zou ge-
voelen , beschouwen en voorstellen; veel dat Ie mérite de Va-propos ver-
loren heeft. Maar ik geef het zooals het is en voor hetgeen het is. Il faut
juffer des écrits d\'après leur date
blijft een treffelijke spreuk. Indien
ik op dit oogenblik gelegenheid of genegenheid had om denzelfden
vorm van schrijven te gebruiken, ik zou meenen tot iets belang-
rijkers, iets geestigers verplicht te zijn; en vooral tot iets dat van een
dieper menschenkennis en vruchtbarer levensbeschouwing getuigde.
Indien ik daartoe overmogend ware, ik zou moeten zeggen: ik
heb een dozijn jaren te vergeefs geleefd.
1 Zie Tweede uitgave, bl. 132. Narede.
1 Nee lusisse pudet, sed non incidere ludum ,Hor. Ep. 1.14; dat is: Men
schaamt zich \'t spelen niet, maar \'t altijd door te spelen.
-ocr page 286-
268
Waarde vriend, er heeft, sinds ik u voor de eerste en tweede
maal het meerendeel dezer minbeduidende opstellen opdroeg, al vrij
wat plaats gehad in en rondom ons. Het leven is ons sedert eerst
duidelijk, ja, wij mogen wel zeggen eerst bekend geworden, en op
onderscheidene wijzen werden wij bij den ernst des levens en bij
onszelven bepaald. Het is wel eens bang geweest daarbinnen en
donker daarboven. Er hebben tranen gevloeid, van wier bitterheid
onze vroolijke jeugd, ondanks al haar verbeeldingskracht, geen
denkbeeld had. Gelukkig, indien wij vreugden en ook vertroostingen
hebben leeren kennen, waarvan de kracht en zaligheid in onze jonge
harten niet was opgeklommen. Zij zijn er; en Diezelfde die ons onze
vroolijke jeugd schonk, heeft ze te zijner beschikking, en geeft ze
aan die ze behoeft. Danken wij Hem, die ons een hart gaf om alles
te gevoelen, een hart waaraan niets menschelijks vreemd bleef, en
dat ook voor het goddelijke niet onaandoenlijk is. Ook in dien speel-
tijd van onzen geest, dien dit boekdeel ons herinnert, stonden
wij nu en dan stil, als op een aanraking met het hoogere, met het
hoogste. De tijd is gekomen om daaraan geheel ons hart over te
geven en, bij het waarachtige licht, alles en allen, maar allereerst
onszelven te zien. Neen, het is de vraag niet meer van spelen, maar
wel van wederom hinderen te worden. En daar is een kind zijn,
waarin alleen de kracht, de wijsheid, en de vreugde van denman
gelegen is.
1 October 1851.
-ocr page 287-
LAATSTE BIJVOEGSEL.
(ZEVENDE UITGAVE.)
En nu — het is gedaan! Deze Zevende druk zal onder uwe oogen
niet komen; gij zult dien niet opnemen met dien genoegelijken
glimlach, die u zoo eigen was, en waarmede door u elke nieuwe
uitgave van dit boekdeel werd ontvangen en begroet.
Die oogen zijn voor goed gesloten. Geen mensch zal dat bemin-
lijk gelaat meer zien. Onze boeken, onze personen, onze „vertoonin-
fen", onze werkelijkheden — het is alles voor u voorbijgegaan,
riend mijner vroegste jaren en, het gansche leven door, steeds meer
mijn vriend! Vriend en Broeder! Gij zijt mij van het hart gescheurd.
Het graf is tusschen ons.
Ach, welk een dag, als ik u op dat ziekbed vond, dat binnen twee-
maal vierentwintig uren uw sterfbed wezen zou! Nog had ik eenige
hoop. Uw hoofd was zoo goed. Gij waart nog zoo dezelfde in spreken
en vragen. Vier dagen later stond ik bij de voor u geopende groeve.
Nooit zal ik die begrafenis vergeten. Neen, ik had mij niet vergist,
beste kerel! toen ik, onder al de vrienden mijner jeugd, u de eerste
plaats in mijn hart gaf. Ik had niet te veel gewaagd, toen ik, voor
nu reeds meer dan dertig jaren, in deze bladen, bij het geheele Vader-
land een zoo guns tig denkbeeld van u poogde in te boezemen, als mij,
zonder al te zeer in uwen lof uit te weiden, maar eenigszins mogelijk
was. Het zegel is er op gezet. Allen hebben, voor en na, u den man
bevonden, dien ik in u gezien en aangeduid had, en gij zijt zoo
hartelijk bemind en oprecht beweend ten grave gedaald als weinigen
stervelingen mag gebeuren.
Het was een der eerste dagen van April; een vroege zondagmorgen.
Wij brachten u buiten de stad op het Kerkhof van het bekoorlijk Ub-
bergen. Hoe heugde het mij , dat ik het met u bezocht had, voor acht-
entwintig jaar, toen dat graf voor \'t eerst was opengegaan, om dat
dierbaar kind, dien lieven jongen, te ontvangen, over wiens verlies
uw hart nooit geheel heeft opgehouden te bloeden! — Nu was het
nog zoo stil op straat, de meeste menschen nog in de rust. Maar de
geringe luidjes langs den Voerweg waren op, en kwamen, als wij
voorbijreden, aan het open venster en in de deur, en keken zoo
bedrukt, en schudden zoo weemoedig het hoofd; want daar ging die
goede beste dokter, die er in die vijfendertig jaren zoo velen gehol-
en, en zoo velen, die hij niet helpen kon, met zijn hartetaal en
eelnemend gezicht vertroost had, die ook „voor ons menschen"
zoo goed was geweest!
Buiten de poort sloot zich, ongenoodigd, een lange, lange reeks van
rijtuigen met deelnemende vrienden aan. Rondom het graf verdrong
-ocr page 288-
270
zich een dichte schaar; menachen van allerlei leeftijd, stand, denk-
wijze, betrekking op u. Zoo vele aanwezigen, zoo vele bedroefden.
Van uwe medebroeders in het menschlievend gild der artsen ont-
brak er niet een. Maar wie van uwe vrienden, die er bij kon wezen,
wilde er ontbreken ? — Ook gij drongt door de menigte heen, om te
zien waar hij gelegd werd, en liet de paarden de paarden, trouwe
voerman, die hem zoo menig-menigmaal naar zijn buiten-patiënten
gereden hadt en ook thans in functie waart! En dikke tranen rolden
in uwe bakkebaarden.
Vele hartelijke woorden werden gesproken. Woorden van smart,
van liefde, van hoogachting, van dank, van troost, van gebed. Drie
diepbewogene stemmen heb ik gehoord. Ook ik sprak een woord.
Wat ik zeide weet ik niet meer, maar wel wat ik gevoelde. Nog
gevoel ik het.
Toen ik, vier weken later, dat plekje nog eens bezocht, was het
Mei geworden en alles groen. Men had mij gezegd dat langs den
weg naar TJbbergen de nachtegaal reeds overvloedig te hooren was ;
maar ik bevond het op dien morgen niet alzoo. Basterdnachtegalen,
Bram! waar wij het mee deden en zoo gaarne de echten in hooren
wilden, als er geen echte waren; basterdnachtegalen, anders niet!
Maar als ik bij uw graf stond en mijn eenzaam hart vol werd —
daar hoorde ik op eenmaal den echten! Daar hief hij aan, luid en
klaar, met die lange uithalen —, met dat krachtig georgel, dat nie-
inand hem nadoet. Het scheen mij een lied te uwer eere, vriend van
gezang, vriend van schoone natuur en van al wat schoon was en
welluidend! Vriend in alles van het echte!
Rust zacht, dierbare Broeder! Gij hebt in uwen Heiland geloofd.
Bij Hem hoop ik u weer te zien. uw beeld rust in mijn hart.En
zoet is mij de gedachte dat, zoolang dit boek in Nederland gelezen
worden zal, ook uw naam in Nederland niet zal worden vergeten.
1 Juni 1871.
IN MEMORIAM
ABRAHAMI SCHOLL VAN EGMOND.m. d.
NAT. IV Oct. MDCCCX. DENAT. XXXI Mart. MDCCCLXXI.
•
Multis il\'le bonis fiebilia occidit;
Nulli flebilior quam mini.
HILDEBEAND.
-ocr page 289-
VERSPREIDE STUKKEN
VAN
HILDEBRAND.
-ocr page 290-
-ocr page 291-
VOORUITGANG. »
Klein, klein kleuterken!
Wat doe jij in me hof!
Je pinkt men al de bloemkens of,
En maakt het veel te grof.
OUD DEUNTJE.
Spoken! O, ik heb allen eerbied voor ons beter licht; maar het
spijt mij razend, dat er geen spoken zijn. Ik wenschte er aan te
gelooven, aan spoken en aan toovergodinnen! O moeder de Gans,
lieve Moeder de Gans! laarzen van zeven mijlen! onuitwischbare
bloedvlek op dien noodlottigen sleutel! en gij, stroom van rozen en
paarlen uit den mond der jongste dochter! hoe verkwiktet gij mij in
mijne jeugd! Mijn grootmoeder kon de historie van Boodkapje al
zeer goed vertellen, \'s Zaterdags-avonds, als zij haren bijstand
kwam verleenen bij het vouwen van de wasch; alvorens zij dat
gewichtige werk aanvaardde, in het schemeruur; en de kleinste
zat op haar schoot en speelde met haar zilveren kurketrekker in
de gedaante van een hamer. Hoe blonken hare oude oogen, als zij
den wolf nabootste, op het oogenblik dat hij toebeet! Zekerlijk:
„Vader jacob en zijne kindertjes" is een heel mooi boekje; „de Brave
hendbik" is allerbraafst; maar ik had toen een afkeer van al die
geschriften, op wier titel prijkt „voor kinderen", „voor de jeugd";
en wat betreft titels als: „Kaadgevingen en Onderrigtingen", zij
waren mij een gruwel. Als kind begreep ik de nuttigheid van het
nuttige niet zoozeer. Maar ik had eene mooie uitgaaf van Moeder de
Gans: half Fransch, half Hollandsch; zonder omslag, zonder titel,
en al de bladzijden boven en beneden als een jachthond behangen.
Van de poëtische zedeleer aan het eind van ieder verhaal, cursief
fedrukt, begreep ik niets. Maar ik begreep het verschrikkelijke van
et „Zuster anna, zuster anna! ziet gij nog niets komen?" en dan
het wrekend zwaard van den opgedaagden broeder! o Die Blauw-
baard, die verschrikkelijke, die gruwelijke, die heerlijke Blauwbaard L
Was mij zijne geschiedenis de schoonste der geheele verzameling:
1 „Dit stukje was door den auteur losweg geschreven, in de stemming die
het motto, waarmee het ditmaal pronkt, aangeeft. Hij meende er schertsende
mee te velde te trekken tegen het al te mathematische in wetenschap en op-
voeding. Onloochenbaar is het. dat hem hier en daar een ernstiger wenkje is
ontvallen, en wat daar waars en behartigingswaardigs in zou kunnen zijn, neemt
hij ook nu niet terug; maar hij wilde niet gaarne, dat men zijn opstel voor
een opzettelijke smaadrede op wetenschappelijk onderzoek aanzag, en het er
voor hield alsof hij eene kinderachtige lofrede op kinderachtig bijgeloof had
willen schrijven". Aant. bij den 2den druk van deze — boutade, in 1840. {Proza
en Polzy; Verspr. Opst. en Verzen;
bl. 1—13).
18
-ocr page 292-
274
toch was ik er eenigszins bang voor. Als ik het boek in handen nam,
draaide ik er omheen, met een zekere begeerige schuwheid, als eene
mug om de kaars. Eerst las ik al het andere; eindelijk viel ik op den
vrouwenbeul aan, beet toe, en verslond zijne historie. Mijn adem-
looze belangstelling, mijne bleeke wangen, mijn kippevel, mijn
omzien naar de deur, mijn hevig schrikken als erin dieoogenblik-
ken iets van de tafel viel of iemand binnenkwam, dat alles staat mij
levendig voor den geest, en ik wenschte, o ik wenschte, dat ik dat
alles nog zoo voelen en genieten konde! Gelooft gij dat die tijd verlo-
ren was ? dat zulk een uur niet tot mijne vorming medewerkte r dat het
mijne verbeeldingskracht niet uitzette, sterkte, en haar voedsel gaf?
En nu — waar mijn Moeder de Gans van die dagen gebleven is,
weet ik niet\'. Mijn jongere broers en zusters hebben er nooit zoo
veel werk van gemaakt. Ik heb ze nooit in hunne handen gezien.
De kinderen onzer dagen lezen allerhande nuttigheid, geleerdheid,
vervelendheid. Zij lezen van volwassenen, die zij niet begrijpen,
en van kinderen, die zij niet zouden durven navolgen. Eerst van
engeltjes in jurkjes en broekjes, die hun spaargeld aan een arm
mensen geven, op het oogenblik dat zij er speelgoed voor dachten
te koopen; later van groote maunen, naar hun begrip versneden en
pasklaar gemaakt2. En dan worden zij altijd leerzame jeugd en lieve
kinderen
genoemd. Men weet niet dat, ofschoon menig volwassene
wenscht kind te zijn, er geen kind ter wereld is dat zich gaarne dien
titel hoort geven. Het verstandige woord van van deb palm tot de
jeugd: „Ik wil u niet vernederen, maar opheffen"3, is voor de
\'meeste kinder-auteurs een onbegrepen wenk. En wie wil altijd leer-
zaam en lief heeten? Kinderen zijn er te bescheiden toe.
Doch dit alles verandert. Onze kleine morsbroekjes zijn antieipa-
ties op volwassen menschen. Voor hen bestaat, van moeders schoot
af, geen enkel vroom bedrog, geen enkele wonderbaarlijke jokken
meer. Moeder de Gans is veracht; zij weten dat al wat zij vertelt on-
mogelijk is, dat er nooit katten geweest zijn, die spreken konden,
dat er geene moei ter wereld uit een pompoen eene koets kan ma-
ken ; zij weten, dat St. Nicolaas niet door clen schoorsteen komt; dat
„wie aan den zwarten man gelooft, van zijn verstand beroofd is!"
dat alles natuurlijk toe moet gaan, met handen gemaakt, of voor geld
gekocht worden. — Het is mooi, het is verstandig. Het is beter.
1 Ik moet hier recht doen aan de edelmoedigheid van mijn vriend baculus,
die mij voor eenigc maanden alleraangenaamst met een exemplaar van dit
mijn lievelingswerk verraste. De goede man deed wat hij kon; maar het was
mijne Moeder de Gans niet.
I • Of men laat hen bladeren in boeken, als b. v. Be fabelen van gellert
(die niet voor de jeugd geschreven zijn), opdat zij toch vroeg zouden leeren
hunne naasten te mistrouwen en met de vrouwen te spotten.
3 Bijbel voor de Jeugd, D. I. bl. 3.
-ocr page 293-
275
Eu toch geloof ik, dat het geheel afsluiten dier bovennatuurlijke
wereld, het volstrekt beperken der kinderlijke begrippen tot het ge-
bied van het physiek-mogelijke, zijne kwade zijde heeft, en in me-
nige jeugdige ziel den grond legt tot een later scepticisme, rationa-
lisme, of ten minste tot een zekere koelheid voor eene menigte van
zaken, die anders op het gemoed plegen te werken. Waarlijk, men
maakt der jeugd te veel indrukken onmogelijk. Onze kleine manne-
tjes zijn al te verstandig, al te wijs. Zij leeren te veel op zinnen en
zintuigen vertrouwen, en dat wederspannige van te willen zien en
tasten, alvorens aan te nemen, blijft. Gij leert uwe kinderen vroeg
van een „Lieven Heer" spreken, die alles ziet en hoort: ijver dan
ook niet te zeer tegen die verhalen der kinderkamer, met welker
indruk een dergelijk geloof veel beter strookt, dan met dien van
uwe volksnatuurkunde, vroegtijdig ingeprent. Maar gij vreest, dat
uwe kinderen bang, vreesachtig, lafhartig zullen worden. Eilieve!
indien dat in hun bloed of in hunne zenuwen is, zullen zij het toch
worden; zoo niet voor spoken, dan voor beesten, voor dieven, voor
struikroovers. Eene kinderziel wil hare verschrikkingen hebben. Het
wonderbaarlijke — hoe verlokkelijk is het! Of is het uzel ven niet een
genoegen, spook- en wondergescniedenissen te lezen! Ik voor mij
lees swedenbobg liever dan balthazab bekkek. Gij doorbladert
de Mille et une nuits met genoegen; een onzer eerste mannen leest
ze sedert onheugelijke jaren dagelijks. Gij gaat tooverballetten zien;
gij zijt de vrijwillige dupe van eenen faust, eenen samiël , en een
Cneval de Bronze. Het bovenzinnelijke, het onbegrijpelijke streelt
u. Welnu, die trek is bij uwe kinderen nog grooter^ Laat der jeugd
dan hare wonderen! Aan haar al het schitterende der schatrijke
verziering, aan haar Brisemontagne, aan haar de Schoone Slaap-
ster, aan haar de Rijstebrij-berg en Luilekkerland; voor u de flauwe,
dorre, ware werkelijkheid; voor u onze kleine groote mannen, onze
wakende leelijken, en onze arme wereld, waar men niets omniet
heeft! Dat is eerlijk gedeeld; of zoudt gij willen, dat kinderen zoo
•wijs zouden zijn als gij kinderachtig zijt?
Dichters, schrijvers, schilders onder ons! Gelooft gij niet, dat gij
veel, oneindig veel, aan uwe minne, uwe kindermeid, uwe grootmoe-
der verschuldigd zijt? Hebt gij u zelven wel niet eens betrapt opeen in-
druk in de kinderkamer ontvangen ? Kunt gij u niet voorstellen, dat de
schoone wereld uwer idealen daar is aangelegd, daar allereerst be-
volkt — en zoudt gij tegen het opkomend geslacht wreed kunnen zijn ?
Zooveel voor de "kinderen. Maar inderdaad, ons aller lot is droevi-
ger geworden, sedert men zoo vlijtig aan het opdekken der waar-
heid is gegaan. De verziering is meestal mooier; het bedrog minder,
vervelend. VHewrmx temps que celui de ces fables! riep voltaIBE,
en het ware te wenschen, dat hij het wat beter gevoeld had, de
leelijke spotter! hij zou er zoovele niet uitgekleed hebben. Hij
aou niet medegeholpen hebben aan het afbreken onzer schoone
-ocr page 294-
276
luchtpaleizen, aan het verwoesten onzer heerlijke dorado\'s. Arme-
tijden! In plaats van wonderdieren en wonderkrachten — natuur-
lijke historie en physica; in plaats van tooverij — goochelboe-
ken. Wat heeft de poëzie al niet verloren! Geen vogel feniks-
meer , zich in zijn ambergraf van geurig hout verbrandende en uit
zijn asch herlevende; geen salamander meer, in het vuur ademende;
geen palmboom meer, te weliger groeiende, naarmate hij meer ge-
drukt wordt. In spijt van het Engelsche wapen, geen éénhoorn meer.
Geen vliegende draak. geen basiliscus. Monsieur Ie Baron de Brr-
fon en andere liefhebbers van zijn stempel hebben al deze geslachten
uitgeroeid; dreiging en moord blazende tegen alle illusiën, is het alsof\'
zij eenen grooten maaltijd van al deze gedierten hebben aange-
richt. Het zou een schoon onderwerp voor een belangrijken roman
kunnen zijn: Nera, of de, laatste der Zeemeerminnen. De familiehaat
tusschen het geslacht der Natuuronderzoekers en dat der geheimzin-
nige Zeebewoonsters kon er treffend in geschetst worden. En wat
zijn wij op een aantal punten beter dan onze vaderen onderricht! De
padden zijn niet vergiftig, en hebben geen diamant in het voor-
hoofd (het was anders eene schoone allegorie, eene moreele waar-
heid): de walvisch is geen visch , en joua heeft in een haai gezeten;
de ooievaars dragen hunne zwakke ouders niet, als aeneas , op den
rug; de olifanten gelijken meer op menschen dan de apen; men moet
niet gelooven dat de jakhalzen de prooi voor den leeuw opsporen;
— dit alles hebben die heeren ons geleerd, en voor al de schoone
wonderdieren, die zij ons hebben weggenomen, gooien zij ons
eenige ellendige verdroogde Mammouthen en Ichthyosauri en Mas-
todonten naar* het hoofd, waarvan wij alles gelooven moeten wat zij
ons verkiezen te vertellen. Ik betwist het nut dier wetenschappen
niet. Maar maken ze ons hart niet koud ? De schoone natuur blijft
nauwelijks schoone natuur, als men haar zoo koelbloediggeclassifi-
ceerd en geanatomiseerd heeft. Sla ze op, die boeken der natuur-
lijke historie, met hunne klassen, orden, familiën, geslachten,
soorten, met hunne natuurlijke en kunstmatige stelsels — hoe dik-
wijls zult gij er te vergeefs naar een vroom en hartelijk woord
van bewondering en verrukking zoeken. Waarlijk, men heeft de
wonderdoende natuur te veel ontcijferd, te veel met passers, ont~
leedmessen, tabellen en vergrootglazen nageloopen.
Göthe (of een ander, maar ik meen dat het göthe was) sprak uit
mijn hart, toen hij mikroscopen en vergrootglazen met zijn banvloek
trof. Ons oog, dacht göthjs, of die andere, ons oog en onsschoon-
heids-gevoel zijn slechts ingericht en geschikt om de schoonheid dier
wereld te begrijpen, die onder het bereik onzer zinnen valt. Daarom
moeten wij onszelven het onrecht niet doen, ons in eene wereld te be-
geven, waar wij geen zin, geen medegevoel voor hebben, die ons, aan
andere afmetingen gewend en voor andere vormen ingericht, leelijk
moet voorkomen. En inderdaad, daar is voor mijn gemoed iets on-
-ocr page 295-
277
dankbaars, iets onbescheidens in, in het bezit dezer groote aarde,
nog datgene te vervolgen, wat buiten onze heerschappij ligt; eene
nieuwsgierigheid, die wij dan ook gewoonlijk niet walging, afschuw
of ontzetting boeten. Of gevoeldet gij niet een akelig mengsel dezer
•drie gewaarwordingen, toen de oxygeen-inikroscoop u de verschrik-
kingen van een droppel water vertoonde en sidderen deed voor de
afgrijselijke gedrochten, die er zich in bewogen ? Voor mij, het geluk
van des morgens met een blij gelaat mijn lampet aan te grijpen en het
heldere frissche water op mijne handen te gieten, heeft veel van zijne
bekoorlijkheid verloren, sedert ik het klare vocht als het voer middel
•dier afschuwelijkheden heb leeren beschouwen; sedert ik niet kan
nalaten aan die monsters te denken met schorpioen-staarten en meer
dan griffioen-klauwen gewapend, die er elkander in bestrijden \'.Lieve
inedenienschen! welke is uwe gewaarwording, als gij bedenkt, dat gii
bij iederen tred duizend moorden begaat, bij iederen zucht duizena
beirlegers verplaatst, met iedere ademhaling gansche benden in-
ademt; dat de kus der min er duizenden verplettert; ja wat meer is,
dat gij in iedere porie uwer huid eene gastvrijheid uitoefent, waarbij
die van hatem, wiens tent honderd poorten had, niets is? Ik voor
mij wenschte niet te weten, dat ik zoo overgoedertieren ben. Waar-
lijk, vrienden! dat alleven is niet uit te houden. Bedenkt het toch!
Misschien heeft er op dit oogenblik een tornooi plaats in de hoeken
van uw mond, of een veldslag op den zoom van uw oor. Misschien
mejuffrouw! viert het uitschot der oneindig kleinen een bacchanaal
op uw smetteloozen hals; misschien hooggeleerde! gaat er een rei
van dartele ijdeltuitjes ten dans in de plooien van uw kin! —Ba!
het is afschuwelijk! Hoe dit gebroed afgeschud? Hoe dit krioelend
heelal ontloopen? Helaas! aantrekkingskracht en middelpunt-schu-
wende kracht — de onverbiddelijke wetenschap zegt het — belet-
ten het u. Zalige tijd, toen gij het niet wist! Toen koudt gij in uwe
gedachten schoon, zuiver, alleen zijn. Maar gij hebt van den Boom
der Kennis gegeten, en zijt uzelven een afschuw geworden. Ik voor
mij geloof dan maar liever aan de „Edammer Seemaremin!"
Ziedaar voor de natuur. Hoe ging het met de geschiedenis ? Ook
daar moest, tot in kleinigheden toe, de waarheid, de koude waar-
heid, hardnekkig vervolgd worden, ik keur goed, dat nieuwe on-
derzoekingen aan een sARDANArALUS recht laten wedervaren en ver-
anderingen maken, niet minder gewichtig dan die van den Médecin
malgrc lui
, als hij het hart van de linker- naar de rechterborst ver-
1 Sedert men begonnen heeft de insecten-wereld te beschaven, waarvan de
heer bertolotto met zijn „Industrielles" een verheven voorbeeld gegeven heeft,
is er ten minsten een lichtstraal van troost gekomen. En wanneer de Maatschappij
tot Zedelijke Verbeteringen het Matigheids-genootschap der Infusoria zullen zijn
opgericht, is het te verwachten, dat de oxygeen-mikroscoop ons vreedzamer
tooneelen zal kunnen aanbieden.
-ocr page 296-
278
plaatste — maar, bij voorbeeld! De ton van diogenes is een klein
hutje geworden; alsof de grootste ton niet ruim zoo aardig was als
het kleinste hutje ter wereld. Van de wolvin, die bomultjs en eemlts
zoogde, is een gemeen vrouwspersoon gemaakt. David was zoo
klein niet, en goliat niet zoo heel groot. Men bedoelt het Hebreeuw-
sche, als men van erasmus zegt, dat hij twaalf jaren oud was, eer hij
het A. B. C. machtig was; de pannekoeken die czaar peteb te Zaan-
dam at, waren zoo\'n gemeen gebak niet, en zijn scheepstimmeren was
juist niet veel. En dan al die steden, gesticht door mannen, die op
die plek nooit zullen geweest zijn, en al die mooie gezegden, die
zoo mooi niet waren en waar iets anders mede bedoeld was; en dan
die heerlijke gezangen, welke geen dichter gehad hebben; en dan
die bekrompenheid om getallen te rectificeeren! Leonidas verdedigde
Thermopylae wel met slechts driehonderd Spartanen, maar daar
waren nog andere honderden bij, dat geen Spartanen waren; in
plaats dat st. ursttla met elf duizend maagden den marteldood on-
derging, onderging zij dien met geene elf duizend maagden; wat en
hoeveel waren het dan? — En dan dat uitlachen als wij medelijden
hebben, b. v. met tasso en petraeca , door te zeggen, de een had het
zoo hard niet te Ferrara, en de andere was niet zoo heel verliefd! —
Zie, indien\'een geestig schrijver gezegd heeft, dat de historie niets
anders is dan eene fabel, waaromtrent men overeenkomt, waarom
zijn er dan zoo vele spelbrekers, die ons met een hatelijken glimlach
overal iets ontnemen, iets veranderen, iets verbroddelen ? •— Ik ge-
loof dat dit alles nuttig is, — maar ik zou er bij kunnen schreien.—
Eilieve! geef mij dat kleine boekjen eens aan! daar, van den rand dier
canapé. Ik dank u. „Daer was eens een Koning en eene Koningin..."
Nog iets. Weet ge wat mij verbaast? Dit: dat, terwijl onze tijder
zoo op uit is, om alle vorige geschiedschrijvers en overleveraars
beschaamd te zetten voor het minste krulletje dat zij te veel of te
scheef gemaakt hebben, diezelfde eeuw alles in het werk stelt om.
hetgeen onder hare oogen gebeurt zooveel mogelijk opgesierd en
mooigemaakt tot de nakomelingschap te brengen. Wij, die op al
wat nu geschiedt medailles slaan, op alles oden maken, al het tegen-
woordige ten breedsten uitmeten en zoo pittoresk mogelijk voorstel-
len; wij, die in de bewondering van ons-zelven schrijven en zingen,
en alles als in het vuurwerk onzer opgewondenheid zetten; wij, die
aan alles wat het onze is eene romauesKe, eene ridderlijke tint geven;
— wij nemen de goede voorgeslachten zoo ernstig te biecht en val-
len hun zoo hard, omdat zij hier en daar de Helden en de Wijzen
wat in het Held- en Wijee- zijn geholpen hebben, omdat zij hier en
daar een lichtje, een bloempje, een pareltje, een gordijntje hebben
aangebracht!... Het is onbillijk.
„Daer was eens een Koning en eene Koningin, die so bedroeft
waren," enz.
1837.
-ocr page 297-
HET WATER.
Neen, ik kom van mijn denkbeeld terug dat er, in spijt van new-
ton en hebschel , eene verandering in ons wereldstelsel zou hebben
plaats gehad. Mijn barbier had er mij bijna toe overgehaald. „Die
komeet van hallet", had hij wel tienmaal gezegd, „is niet pluis ge-
weest!" — en toen nu de winters wegbleven, en het in Italië kouder
was dan bij ons; toen de Meimaanden Novemberweer meebrachten;
toen ik zaterdags vóór Paschen (en het was een late Paschen, van
\'t jaar) over den straatweg narde, en op oudejaarsmorgen laatst-
led\'en drie bloeiende viooltjes plukte — toen begon ik in den man met
den langen blauwen jas en de zilveren oorringetjes, die altijd iets te
scheren en altijd iets te praten weet, geloof te stellen, en ik zei met,
hem: „die komeet van hallet zal het hem gedaan hebben".
Maar nu schijnen alle dingen weer op den ouden voet te zijn en,
indien het al waarschijnlijk is dat wij een uitstap hebben gemaakt,
het is zeker dat wij weer zijn teruggebracht, dat wij weer tehuis
zijn. Het is weer winter in Januari. Mijn grootmoeder was trotsch
op den winter van Vijiënnegentig, „toen er nog zoo geen kachels
waren", en ik verhef mij op de koude van Drieëntwintig, toen er
van de veertig jongens maar zeven school kwamen, van welke ik
er één was, wien de lofspraak, die het mij van den meester bezorg-
de, op een bevroren neus te staan kwam; om niet te spreken van
een „kaartje van vlijt", dat mij ontging, omdat mijne handen veel te
rood en veel te koud waren om een mooi middelmaat schrift te
schrijven, op en tusschen de lijn. met zuivere ophalen, en zonder
aandikken. Helaas! ik heb het in het schrijven nooit heel ver ge-
bracht; daarom laat ik nu ook maar drukken.
Ik mag wel een wintergezichtje. Alle landschapschilders beginnen
met wintergezichtjes, waaruit ik opmaak dat een wintergezichtje ge-
makkelijk en eenvoudig is. Er ligt in die soberheid der natuur in de
koude maanden iets aantrekkelijks, iets plechtigs, iets kalm verhevens.
Indien deze bevroren ruiten het maar wat beter wilden gedoogen, hoe
zou ik het vergezicht genieten! Waarlijk, het is schoon! Een hel-
dere, blauwe lucht, geheel klaarheid, als wilde de zon met licht ver-
goeden wat zij aian warmte onthoudt. Een heerlijke noordsche dag;
„Een telg der zon in sneeuwkleedij."
Maar de sneeuw is nog weinig. Hoe liefelijk rust dat weinige op
de immergroene dennetoppen! Al de andere boomen hebben het afge-
schud; maar ook de lange, lange beukenlaan met hare onafzienbare
reeks grauwe takken heeft iets indrukmakends. En het verre ver-
schiet : hoe duidelijk is het; hoe scherp teekent zich dat rieten dak
tegen den azuren hemel!.... Maar daar is iets, dat voor mijn ge-
moed al de schoonheid van dit wintertooneel bederft; het is ... Moet
ik het zeggen? Het is — het ijs!
-ocr page 298-
280
Een heldere, frissche, uoordsche dag doet een mannelijk bewust-
zijn van kracht, een besef van gezondheid ontstaan. De koude geeft
een edelen moed; zij sterkt de ziel gelijk de spieren. Men weet
ook wel, wat mannen en wat beginselen het Noorden heeft voortge-
bracht; welke gezonde, reine, zuivere en heldere denkbeelden er
van het frissche Noorden zijn uitgegaan; welke edele krachten het
forsche Noorden heeft ontwikkeld; welke reuzen, gewoon de sneeuw-
vlok in den baard te voelen en den hagelsteen te hooren kletteren
op het harnas, met
„daden in de vuisten",
uit het geharde Noorden zijn opgetreden. En daarom: ik acht, ik eer
de koude, den zuiveren, gezonden wind, de blanke, smettelooze
sneeuw; — maar het ijs — o, vergun mij het ijs te haten!
De koude maakt de beweging noodzakelijk, de luiheid onmoge-
lijk, of het moest de luiheid van het bed wezen. Alle inspanning,
alle vlijt, iedere vermoeienis wordt met het zaligste beloond, dat
men in den winter genieten kan: warm te worden. En dan de haard!
die dierbare haard! O gij , middelpunt aller wintergenoeglijkheden!
Vurig voorwerp der vurige liefde van huismenschen en huisdieren!
Onderpand en outer der nuiselijkheid zelve! hoeveel verliest gij van
uwe bekoorlijkheden, van uwe waarde en van uw gezag, in die laffe,
wakke, flauwhartige, waterzuchtige winters! Men verachteloost,
men vergeet, men spreekt kwaad van u. Tweemaal in de week wil de
schoorsteen niet trekken; zesmaal in de veertien dagen is het hout
te vochtig om te branden; dagelijks zijt gij als een twistappel in de
huisgezinnen; als de een u te warm, de ander niet warm genoeg
aangestookt acht. Maar nu, gij wordt, van een noodzakelijk kwaad,
een onbeschrijfbaar geluk, van eene gedoogde dienstbode, een ge-
vierde prinses! Men moedigt u aan, men prijst, men verheft,
men bewondert u: gij wordt aangebeden! Uren kan men u zitten
aanstaren! G-ij zijt het ideaal van winterheil! Gewis, voor de lustige
vlammen gezeten, met het boek van een lievelingsschrijver in de
hand en het vooruitzicht van een krachtigen wintermaaltijd des
middags, of van opwekkelijke punch des avonds, nu en dan een
"blik te slaan op het bevrozen tooneel, dat buiten is, de helderheid
van hemel, aarde en haard te genieten, het flikkeren van de witte
sneeuw met dat der gele en oranje vlammen te vergelijken ... het is
zalig — Maar het ijs, het ijs!. .. Waarom ijs? —
Ja, het ijs is voor mij een voorwerp van afschuw. Het moest win-
ter kunnen zijn zonder ijs. Ik bemin den winter, — ik gevoel, dat
ik den winter hoodig heb; ik zie veel minder tegen het korten
der dagen dan tegen onze natte schrale voorjaren op — maar noch
het glas water, dat ik eiken avond op mijne nachttafel gereed zet,
moest stollen, noch de lieve breede vijver, waar ik hier het uit-
zicht op heb — mijn mikrokosmos, noch mijn makrokosinos — moest
bevriezen! En waarom niet? Ach, gij zoudt de vraag niet doen,
-ocr page 299-
281
zoo gij wist, hoe dierbaar mij het water is, het heldere, levende
water! welke aandoeningen het in mij opwekt, welke gedachten
het mij toespiegelt, — hoe teeder ik het bemin.
Coopeb verhaalt van een zeeman, die niet inzag, waartoe er
éóuig land op de wereld noodig was, dan effentjes een klein eiland ,
en dan ook nog maar, om den wil van het zoete water. Zoo verre
gaat mijn hartstocht niet. Het is het vasteland, dat mij het water
te meer doet waardeeren; maar ik bemin het dan ook met een gloed,
dien aller zeeën en stroomen tezamengedreven vocht niet in staat
zou wezen te blusschen.
Zie, daar stort zich de schuimende waterval met daverend geweld
uit de hoogte neder in de diepte. Het is een prachtig gezicht, een
majestueus gedruisch. De zeven kleuren des lichts worden geschei-
den; de lucht dreunt; en de wind voert het witte, vlokkige schuim
wijd en zijd mede. De harde rots siddert, eu geheele brokken wor-
den afgescheurd; de pasgeboren stroom voert ze mede als lichte
vederen, an ploft ze neder in de diepte, waar alleen hij ze kan op-
lichten^/Water! gij zijt de sterkste, de krachtigste, de edelste der vier
Hoofdstoffen! De Aarde is stom, dood en roerloos; maar uwe stem is
als de donder, uwe spraak heeft allerlei geluid; gij leeft, gij zijt als
bezield; gij beweegt u naar alle kanten als eene kronkelende slang,
als eene Devallige schoone, als een onstuimig ros, dat struikelblok
acht noch slagboom ontziet! Onzichtbaar is de Lucht; maar gij
blinkt als een edel metaal, met maagdelijk smettëlooze reinheid!
Uwe veerkrachtige oppervlakte werpt de vermogende stralen der
zon terug, en doet het trillend geluid huppelen naar uwe maat!
Het Vuur is afhankelijk van voedsel en lucht; maar gij zijt vrij en
u-zelf genoegzaam, ja, gij vernietigt zelfs het vuur, waar het (te
vroeg!) naar de oppermacht staat over al de elementen! Schiet heen,
koninklijke bergstroom! schiet heen en heersch, vervul de dalen,
splijt de heuvelen, spot met den trots en het zelfvertrouwen der vaste
stof! Hicht uwen weg werwaarts gij wilt! Zwel schuimende, verbreed
u bruisende! Word gevreesd en geëerd! En leg u dan ter ruste in
den schoot des breeden oceaans; hij alleen is uwer, gij zijt zijner
waardig! Gij beiden zult leven tot „de hemelen met een gedruisch
zullen voorbijgaan en alle hoofdstoffen branden zullen en vergaan".
/ Gegroet, gegroet, gij frissche stroomen en heldere rivieren! Grip
/ dooradert de aarde, gelijk het bloed de leden doorvloeit van de kin-
deren der menschen! Wee, wee het oord, dat gij veracht! Daar is
woestijn, verschrikking en hongersnood! Gezegend de landen,
door u gezuiverd, gevoed, verrijkt, gesierd en gelukkig gemaakt!
Wel moogt gij den hemel weerkaatsen, en de wonderen des hemels
weerspiegelen, gij weldadigen! Wel mogen de zaden der liefelijkste
bloemen nedervallen aan uw oevers, de weelderigste takken der
schoonste boornen hun lommer over u uitbreiden, de geurigste krui-
den van wederszijden u toewalmen! Geen olmekruin toch spiegelt
-ocr page 300-
282
zich in uwe helderheid en geene lelie buigt zich met liefde naar uwe
frissche rimpeling, of zij groenen en bloeien door u! De wijnbergen
aan uwe zoomen voeden uit u de verkwikkende trossen, en de goud-
fele oogst bootst het gedruisch uwer golven niet na, dan als een hul-
e, U toegebracht! Gij doorwandelt de aarde goeddoende en waar gij
de oorden in liefde omhelst, daar baren zij welvaart en vruchtbaar-
heid, schoone dochteren, op hare beurt moeders van vrede en geluk !
S Aan dezen oever lust het mij te toeven en het heerlijk tooneel te
/ genieten. Met hoe sierlijk een bocht beweegt zich de blauwe rivier over
/ hare zachte bedding en besproeit de groene zoomen, frisch en vroo-
lijk door hare bevochtiging. De zon giet er haar licht over uit; maar
het is of zij hare stralen slechts even indoopt, en dan schuchter te-
rugtrekt, met een tinteling als van vuurvonken en diamant. De lage
wilg met zijn hollen knokigen stam; de slanke popel, wuivende
van het zachte koeltje; het hooge en dichte riet, de scherpe blaren en
de zwarte pluimen schuddende; het kleine boerenhuis, waaruit het
blauwe rookwolkje geestig en langzaam opstijgt en in de lucht ver-
vloeit ; de roodbonte koe, tot de knieën in het water, een koel bad
nemende op gindsche zandplaat, — het wordt alles getrouw ver-
dubbeld door het klare vocht, en zijn dun vernis doet ieder voorwerp
schooner glanzen. Kunt gij den lust weerstaan met mij in dit bootje
te stappen? — Keik mij de hand, en ik zal u midden in dit bekoorlijk
tooneel brengen. Een oogenblik zal het geplas der riemen de liefelijke
stilte afbreken, een oogenblik de eftenheid gestoord worden, en dan
zullen wij ons op den stroom laten drijven. O wellust! te drijven, te
vlotten, zich te laten gaan! losser van het stof der aarde, als een golf
onder de golven, zich over te geven aan den vriendelij ken Geest der
wateren, wiens onzichtbare hand u voortstuwt over zijn gebied. Zie,
nu is het hemel boven en onder en rondom u, en gij gevoelt u zelven
het gelukkig middelpunt eener sfeer van schoonheid en weelde. Dat
gij uwe luite bij u haddet! De zachte melodie is het liefelijkst op het
water. De malsche noten vallen er op neder als dons; en zacht, als
de boezem eener vrouw, heft het water ze op; en verzoet, maar ver-
sterkt, als verkwikte hem die aanraking! zweeft de toon van rimpel
tot rimpel, van golf tot golf, en vervult beide de oevers met den wei-
lust des geluids. Waarlijk, het water is bezintuigd, is gevoelig; het
bemint al het schoone : het welluidend toongeruisch, de zachte kleur-
schakeering, den zoeten geur. Ik zou den riem niet met woestheid
kunnen bewegen, nog onnoodig rumoer maken in een element, zoo
aandoenlijk, zoo teeder. Ja, het edele water, het doet de aarde leven;
het verheugt ieder landschap, het is het schoonste sieraad aan het
weelderig kleed der aardsche schepping!
Maar des avonds, als zich de breede schaduwen nedervlijen aan
uwen boezem; als de maan haar troostend licht doet trillen op uwe
effenheid en al de sterren in u haren glans verdubbelen, dan, heer-
lijke vloed! is er eene stem, die opstijgt uit uwe bedding, en roerend
t
-ocr page 301-
288
en verlokkend spreekt tot mijne ziel! Dan is het geluk, opdenal-
leruitersten rand des oevers te staan, mij overgevende aan zoet en
weemoedig gepeins. En telkens als het windje zich verheft en in
den stroom een stroomender plekje vormt, is het alsof de lokstem
inniger en verleidender wordt. En het oog volgt uwe oppervlakte,
tot waar zij met de geheimzinnige schemering ineensmelt, en dui-
zende gedachten, duizende herinneringen golven af en aan met
uwe rimpeling. Het is een wellust.
Zoo stond ik menigen schoonen zomeravond aan uwen rand, lief-
ste aller vijvers! gij weet, of ik u liefheh. Thans! — (helaas! ik
schrijf dit alles bij een groot kolenvuur!) — thans zie ik treurig naar u
uit! — G-ij zijt een ijsklomp; gij zijt verstijfd, roerloos, dood. Voor
weinige dagen zag ik de bleeke winterzon nog schijnen op uwe gol-
ving, en de groene dennen ter linker-, de lommerlooze groepen van
acacia\'s en beuken ter rechterzijde in uwen spiegel weerkaatst; en
met welgevallen rustte mijn oog op het zonnige plekje, dat hoenders
en duiven plachten uit te kiezen om zich te verkwikken aan uw
vocht. Helaas! wat is er van u geworden P Wat anders zijt ge nu dan
„\'t Misvormde lijk van \'t uitgebloeide Schoon?"\'
Wat is het harde, gevoellooze ijs? Stof, koude, ziellooze stof,
als de logge aarde. Shakespeare noemde het water vahch, maar hij
lasterde; het water is zoo oprecht als doorschijnend; het vleit nie-
mand met de onmogelijkheid van gevaar, die net waagt zijn heilig-
dom in te gaan; het is het ijs, dat valsch en verraderlijk is. — Het
ijs! O, het is dubbelhartig, het is een bastaard, het is; om het met
een woord te noemen, dat ik aan een onzer beroemdste hoogleeraren
verschuldigd ben, en dat een verschrikkelijk vonnis van veroordee-
ling uitspreekt; het ijs is hybridisch/ —Ik wenschte dit zelfde win-
tertooneel te zien, maar zonder dat ellendige deksel op hetgeen de
natuur schoonst en vriendelijkst en bezieldst heeft. Doen werwaarts
ik mijne oogen wende, nergens ontdekken zij het voorwerp mijner
liefde; het ligt onder deze dikke, nijdige, blauwe zerk begraven, en
ijdele slaven van het vermaak dartelen over dat graf!
Neen, gevoellooze, onvermurwbare korst, beeld van onverschillig-
heid en koude wreedheid! neen, ellendig namaaksel van glas! mijn
voet zal u niet betreden! Ik zal niet, als een lichtzinnige dwaas, mijne
zolen met ijzer schoeien om u te vereeren, en de rustplaats te ontwij-
den van mijn dierbare! Lig daar, en mest u met het kostbare bloed
der aarde! Maar wee u, huichelaar! die uit valsche schaamte uwe af-
komst verloochent en voor uw minderen door wilt gaan! Eoem vrij
op uwe sterkte, op uw geweld! De boeien zullen verbroken worden.
Ik zeg u, het zal dooien! In den lieven lentewind zal het triomflied der
vrijheid weerklinken; en de schoone dochter der natuur zal haren ker-
ker uitbreken, en opnieuw schitteren voor het aangezicht der zonne!
En laat ons nu nog eens stoken.
Buiten, 9 Jan. 1838.
-ocr page 302-
BEGRAVEN.
Mijne vienden! men zal ons allen begra.ven.
Ziet er uw lichaam op aan: gezond, sterk, vlug, gehoorzaam aan
uwen wil, gevoed, gevierd, gekleed, opgeschikt! Er zal een tijd
komen, dat net daar neder ligt — nederligt op een bed, hoop ik! —
zielloos, koud, stijf, in een enkeledoodswagehuld, onder een lang
w;t laken — als een steen. Het is nu nog net uwe; het zal dan het
uwe niet meer zijn. (rij zijt dan niet meer een persoon, maar een ding.
Men staat er bij, liefde en genegenheid staan er bij, en zoo zij niet
dan weenende het kunnen gadeslaan, niet dau weenendeer vankun-
nen scheiden, zij schamen zich bijna zoo veel gevoeligheid, zooveel
eer te bewijzen aan een onding, dat reden en godsdienst haar leeren
geringschatten. Maar neen! zij schamen zich niet — de menschelijk-
heid zou er tegen opkomen; de liefde ziet hem, dien zij heeft lief-
gehad, nog in zijn lijk; beminnelijke liefde! — Men strekt ueerbaar
en voorzichtig uit. Zoo men u aanraakt, om te voelen of gij reeds
koud, en hoe koud! gij zijt, men doet het met eene zachtheid alsof
gij sliept, alsof men schroomde u wakker te maken! Men spreekt
niet dan fluisterende in de sterfkamer. O ! voor wie u teeder beminde,
is het eene behoefte het doove lijk nog eens bij uwen naam te noe-
meu. Zachtkens en met eerbied vlijt men u in uw laatste verblijf
neder. Statig voert men u ten grave. Met ongedekten hoofde ziet
men de kist nederdalen. Met plechtigen ernst wordt de schop aarde
er op geworpen. Dan eerst heeft men met dat doode lichaam gedaan. —
Maar neen! wellicht schrijven achting of liefde een kort woord
op uwe zerk, of planten zij eene vriendelijke bloem op uwe zode, en
komen van tijd tot tijd weder, om te zien waar men u gelegd heeft
en uwer te gedenken op de plaats, waar gij niet zijt, doch waar dat-
gene rust wat men het langst van u behield; waar de mensche-
lijkheid van u afscheid nam.
Ik weet wel, dat het tot de verstandigheden onzer dagen behoort,
dit alles bekrompen, belachelijk en onnoodig te vinden. Men heeft
zoo veel boeken gelezen! Ik weet wel, dat het eenen sterken geest
bewijst, wanneer men den heldenmoed heeft van te zeggen: „het is
mij om het even wat er na mijn dood met mijn lichaam gebeurt, ik
zal er niets van voelen; om het even waar het liggen zal, ik zal er
niettemin dood om zijn; het kan alleen voor de mijnen van be-
lang wezen, dat mij eene eerlijke begrafenis ten deele valt; maar,
wat raakt dat mij ? — Ik weet, dat men den Eugelschman bewon-
dert, die wilde dat er, ten algemeenen nutte, knoopen van zijnge-
beente en snaren van zijne ingewanden zouden gedraaid worden —
maar ik gruw er van. Ik weet, dat het vrijzinnig beginsel in dezen
-ocr page 303-
285
zoo sterk is, dat het reeds op onze publieke inrichtingen gewerkt
heeft, en de zaak der dooden „minder omslachtig" is gemaakt; —
ik begrijp, dat hiermee het vrij algemeen nalaten van den rouw in ver-
band staat, en dat men zijn manlijkheid toont door te zeggen:
„ik wil niet dat het zich iemand aantrekke als ik sterf\'; maar ik
beklaag de menschen die zoo heel wijs zijn en zichzelven zoo me-
nig zoete gedachte onmogelijk maken; wier gansche leven, door
eigen schuld, een gedurige worstelstrijd is tusschen hoofd en hart;
en ik spreek mijn „wee!" uit tegen die groote mannen, die de wereld
zoo hebben gemaakt. Maar de eerste schuld ligt toch bij hen, door
wie al die wijsheid is uitgelokt; bij hen, die de zaak des gevoels zóó
ver trokken, dat het verstand boos werd. Toen wij lang op eens an-
ders kerkhof, waarmee wij niets hadden te maken, geweend had-
den , en naar sterren en wormen en welkende bloempjes gekeken, toen
kwamen de tegenvoeters en de afbrekers, de spotters en de prozaïs-
ten, en dreven de andere mode door; de worm werd doodgetrapt,
de seraf naar huis gestuurd; de zerken werden voor afbraak ver-
kocht ; de lange witte zakdoeken werden gemeen; men zag nauwe-
lijks om naar zijne eigene dooden; en daar hadden wij A-f-B=:C.
fie thermometer daalde van Bloedwarmte tot Vorst. Het sneeuwde
groote ideeën. Het was een frissche, maar op den duur onaange-
name koude.
Wat nu die groote ideeën aangaat, ik laat nog gelden, dat groote
mannen ze uitspreken. Bteon mocht, onafhankelijke genie die hij
was, en na al wat hij ondervonden had, nog eens zeggen:
„Ik wil niet dat mijn stervensmaar
Een enkel uur van vreugd bederf,
Noch eisch dat vriendschap, als ik sterf,
Zal siddren bij mijn baar;"
schoon ik liever zijn zachtzinnige coupletten, beginnende „0,wegge-
rukte in schoonheids bloei", leze. — Maar dat ieder schoolmeester
en schooljongen zich tot eene dergelijke grootheid van ziel wil op-
hefFen — zie, dat is wat forsch, dat vind ik belachelijk en ongeluk-
kig tegelijk! En als men de leer der onsterfelijkheid, als men de
goddelijke Openbaring durft misbruiken, om mij te bewijzen, dat
mijn- menschelijk gevoel dwaas of schuldig is, dan beklaag ik hen
diep, die de vriendelijke leer van \'t Evangelie zoo weinig verstaan.
]Neen, het is onnatuurlijk onverschillig te zijn, of ons stoffelijk
bekleedsel met eerbied, met belangstelling, met liefde zal behandeld
worden, of niet; of het in bekenden en den levende dierbaren grond
zal rusten, dan in verre landen of diepe zeeën zal vernietigd worden.
Gij zult het niet gevoelen, zegt gij, met een kalmen glimlach. —
Zoo ? Gaat u bij uw leven niets aan van hetgeen na uwen dood ge-
schieden zal ? Is het denkbeeld te leven in de gedachtenis der uwen
u reeds nu geheel onverschillig? Laat de hoop op den lof der nako-
-ocr page 304-
286
melingschap, waarvan gij niets hooren, niets ondervinden zult, u
geheel koud? Of is zij veeleer een sterke prikkel voor uwen ijver,
een troost (de éénige) bij de onaangenaamheden, die de weg des
roems u opwerpt, bij de ondankbaarheid des tijdgenoots? Of, zoo
f ij u ook daar over heen gezet hebt — eilieve! zeg mij eens oprecht: ver-
eugt het u wel eens te denken, dat uwe beeltenis in handen zal
komen van dien uwer vrienden, dien gij het liefst hadt; dat, na uw
dood, de ring, dien gij aan uwen vinger draagt, zal overgaan aan
die welbeminde hand die hem dragen zal tot dat zij verstijft? dat uw
zoon in uw huis zal wonen, in uwen armstoel zitten ? dat uwe familie
u zal zegenen om de liefderijke, de edelmoedige wijze, waarmee
gij over het uwe hebt beschikt ? — Verhard uw gemoed eerst tegen
al deze aandoeningen, en zeg dan, dat bij den dood alle gemeen-
schap tusschen u en uwe naasten ophoudt, en dat het u om net even
is, hoe zij bij uwe sponde staan, waar zij uw lijk begraven zullen!
Mij is het eene aangename gedachte — en mij dunkt, zij zal mijn
sterfbed zachter spreiden — te mogen hopen, dat een vriendelijke,
een lieve hand mij de oogen zal sluiten en mijn hoofd goed leggen;
dat menige treurende gedaante in de eerste dagen dat sterfbed zal
naderen, ,,om hem nog eens te zien"; dat menig sidderende hand
mijne koude vingeren zal opvatten, om ze mistroostig weer te la-
ten vallen; dat menig weenend oog met moeite afscheid zal nemen,
ook van dit nietsbeteekenend overschot; en dat men mij met ernst en
plechtigheid uitgeleide zal doen naar eene rustplaats, mij dierbaar,
als de rustplaats van dierbaren. — Ja ook dat! ik gevoel het, ook
dat zal mij een troost zijn, — te weten dat, uit wier armen mij de
dood ook scheure, ik tot dezulken ga, die ik zal hebben beweend,
— dat één zelfde graf hen en mij, en eenmaal hen die mij treu-
rende overleven moesten, zal besluiten; dat wij daar allen tezamen zul-
len rusten.... O, het is niets, het is niets! ik weet dat het niets
is; maar het is eene zoete gedachte, — en ik bid de verstandigen
der aarde, mij niet uit te lachen, maar mij te benijden.
Men weet op wat wijze de gewoonte van in het heiligdom te
begraven in de wereld is gekomen. Eerst bouwde men de kerken
op de graven, daarna bracht men de graven in de kerken. Waar
de asch der martelaren rustte, wier bloed het cement der kerk is, daar
richtte de eerbiedige dankbaarheid der eerste christenen het bedehuis
op, de beste eerzuil! Later bracht men vaak hun dierbaar gebeente uit
het onaanzienlijk graf, waarin het vernachtte, naar de kerk over, en be-
groef het onder het outer. In hunne nabijheid te rusten, was sinds lang
de vrome wensch van menig stervende , en de eerste christenkeizer was
de eerste die binnen den ge wij den omtrek der door hem gebouwde kerk
een graf begeerde. Het was een stoute wensch; maar hij vond
alras navolging en voldoening. Opvolgers van den grooten bekeerde
-ocr page 305-
287
verboden het begraven in het heiligdom; doch de christenheid vond
het denkbeeld te stichtelijk, de rust in Gods huis te benijdbaar, om
ze op te geven! Het begraven in de kerken werd algemeen. Ieder be-
lijder van den naam des Heilands sterkte zich onder de vermoeie-
nissen en de lasten des levens met het denkbeeld, dat de Heer hem
rust zou geven in Ziju Huis; en het scheen hem bemoedigend Zijne
wederkomst aldaar af te wachten. Elke zerk van het plaveisel werd
een grafsteen, en de gemeente vond het opbouwend, het woord
des levens te hooren, gezeten op de verblijven der sterfelijkheid; en
over levenden en dooden welfden zich de gewijde bogen, waaronder
de leer verkondigd werd van hem „die de dooden levend maakten
roept de dingen die niet zijn alsof zij waren". Onze grootouders
vonden dit alles nog troostrijk. Met uitzondering van weinige, was
een graf in de kerk hun een dierbare, een onschatbare bezitting.
Geen bewijzen der schadelijkheid van de dooden voor de levenden
konden hen van hun stuk brengen. En toch dat moest niet zijn!
Onze eeuw was rijp om het offer te brengen. Onze onverschilligheid
maakte het misschien gemakkelijk. Maar zoo gij hier of daar nog
een ouderwetsch christen ontmoet, wien het grieft dat hij niet rus-
ten zal in het graf zijner vaderen, in de schaduw van het heiligdom,
waar hij en zij aanbaden — bespot hem niet, bid ik u! Broeders,
het is een eerbiedwaardige zwakheid.
Maar wilt gij weten, wat ik bespottelijk, wat «\'&ergerlijk vind?
Het zijn uwe wapenborden, uwe graf naalden, uwe eerzuilen in de
kerk; uwe lofverzen op stof en assche, ouder het oog van God en in
Zijn heilig huis op aarde, geschreven. Het zijn de tropeeön van dwa-
zen trots, wereldsche ijdelheid, nietigen rijkdom, verwaande we-
tenschap, Moedigen oorlog, daar te pronk gesteld, waar ootmoed en
eerbiedigheid zich met gebukten hootde voor het oog des Heeren stel-
len. Het is de hulde, vaak overdrevene, altijd daar misplaatste hulde,
in het huis ter eere Gods gesticht, toegebracht aan alle soort van
verdiensten. Waarlijk, het is een vreemd, een (laat ik het zeggen!)
belachelijk schouwspel, die bonte rij van allerlei deugden en gaven,
in het heiligdom geloofd, geprezen, en vergood. Het zijn de deugden
en gaven van den krijg, der geleerdheid, van het kabinet, der kunst,
der nijverheid, gehuldigd in de overblijfsels van menschen van aller-
lei neiging, allerlei gedrag, allerlei geloof en ongeloof. O! het belgt
mij niet, dat de gemeente, aan wie het oordeel niet toekomt, hun
allen gelijkelijk een plaats ingeruimd heeft in hare kerk; maar
dat zij er liggen als zondaren! — niet als groote mannen, niet met
den titel van naturae se superantis opera, niet onder de uitgebreide
vleugelen der faam, niet onder de brallende uitspraken van tijdge-
nooten en vereerders, maar in stille afwachting van het oordeel
Desgenen, „die weet wat er in den mensch is!" —Wilt gij de namen
uwer groote mannen beitelen en vergulden, omlauweren en om-
-ocr page 306-
288
stralen; wilt gij hun standbeelden oprichten, zuilen stichten; wilt
gij hunne deugden Toor de nakomelingschap vereeuwigen, de jeugd
door hun doorluchtig voorbeeld en de eer die hun weervaart,\' prik-
kelen: naar de openbare plaatsen, naar de academiepleinen, naar
de raadhuizen, naar de trappen der paleizen, naar de schouwburgen,
naar de markten, met uwe vereering! Hier — is het heilige grond.
Ontbindt uwe voetzolen! Hier geene namen, geene lofspraken ge-
uit, dau die den hemel welgevallig zijn! Hier wordt alleen God en
zijn Zoon geprezen, en in Hun naam geroemd. Wilt gij hier zuilen
oprichten, doet het zoo vaak de Heer u uit groote benauwdheden redt,
in groote gevaren behoedt: „Eben Haëzer; tot hiertoe heeft ons
de Heer geholpen". Maar — hier geene menschvergoding! hier God
alléén en het geloof!
Ik weet dat onze protestantsche leer het kerkgebouw niet als hei-
lig doet beschouwen, maar ik weet ook, dat onze christelijke oot-
moed ons, in zijn omtrek vooral, de praalzucht behoort te verbie-
den. Ik weet, dat onze strenge toepassing van het „God te aanbidden
in geest en in waarheid!" uit voorzichtigheid, in aanmerking ne-
mende de menschelijke zwakheid, niet duldt dat wij voorstellingen
van cueisttts en zijn daden op aarde in onze bedehuizen ophangen;
maar veel minder voegen er die beelden, welke er de aandacht van
Hem afleiden en bij eigen grootheid stil doen staan. Neen, niets,
niets moest de éénheid van doel in het heiligdom breken; alles moest
op God wijzen — alleen op God!\'.
Maar ofschoon dit aloude misbruik (zoo als het in mijne oogen w)
niet geheel met het begraven in de kerken heeft opgehouden, het
is er toch aanmerkelijk door gefnuikt. Wij allen zullen onder den
blooten hemel rusten, en wat men op ons graf moge schrijven of
oprichten, het zal geen gemoedelijk kerkganger ergeren. Welnu, dat
denkbeeld heeft ook veel schoons, veel zoets, veel zaligs: te rusten
in een liefelijke streek, te midden der natuur, die wij bemind heb-
ben , in een zacht graf, waar rondom het alles bloeit en groent,
waarover de zwoele winden waaien, waarover de heerlijke sterren
van den nacht schijnen!
1 Zoo moesten, dunkt mij, de kerken ook volstrekt niet vernederd worden
tot verzamelingen van curiositeiten. Ik ken eene stad, anders uitmuntende door
den prijs dien zij op het statige harer bedehuizen stelt, waar onder anderen,
op een der muren van de hoofdkerk, de maat is aangewezen van een befaam-
den reus en van een niet minder vermaarden dwerg, die in of nabij die stad
geleefd hebben. Evenmin moest men dulden dat men de heiligdommen tot eene
soort van groote pakhuizen gebruikte, waar brandemmers en ladders aan de
muren hingen. Over het geheel kon er meer orde en eenvoud en zindelijkheid
en betamelijkheid heersenen. Een apostel heeft gezegd: „Laat alle dingen eerlijk
en met orde geschieden".
-ocr page 307-
289
Ik kan evenwel niet zeggen dat de hoog romaneske begraafplaat-
sen onzer dagen mij altijd evenzeer aanstaan.
Vele zijn veel te zwierig, veel te bloeiend, veel te gekunsteld, veel
te rijk, te overladen met dichterlijke zinnebeelden. De dood is arm,
en heeft zijne eigene poëzie. Waar de natuur de begraafplaats schil-
derachtig maakt, is het wèl; waar de kunst het doet, verraadt het
de menschelijke zucht om alles op te schikken te zeer. Het verschilt
als een wilde bloem en een gevlochten krans. Niet bij iedere zerk
moet een roos geplant zijn; niet over ieder graf een treurwilg wee-
nen. Doch daar staan zij geheel gereed, om op de dooden te wach-
ten. Het zijn hier niet droefheid en liefde, die ze bij de rustplaats
van het voorwerp harer vereering planten: het is het overleg
van den aanlegger, die weet hoe het behoort, die ze eiken doode
als voorbestemt, en op liefde en achting vooruitloopt.
Mij bevallen onze oude dorpskerkhoven nog altijd het best, en mis-
schien te beter omdat zij zoo weinig van hoven hebben. — Onze oude
dorpskerkhoven: zonder een verwaande spreuk of een heiligen
tekst, die in ieders hart vanzelf opkomt, op het hek; zonder kunst-
matigen opschik, zonder weelde, zonder van buiten aangebrachte
dichterlijkheid, waar de doodenschaar een breeden kring om het huis
Gods slaat, in welks omvang het „gij zijt stof!" gepredikt wordt en
welks toren ten hemel wijst, verkondigen zij dood en opstanding met
meer waarheid, meer ernst, meer nadruk, meer onversierde welspre-
kendheid! Zij zijn natuur; geen smaak! Het hooge gras, de zonder
opzet opschietende bloem, de eenvoudige gedenkteekenen; het arme-
lijke van het geheel komt overeen met de gedachten, die mij daar
vervullen. Geene begrafenisplechtigheid werkt ook zóó zeer op mijn
femoed, als die, zooals ze bij ons op het platte land plaats heeft.
)an luidt de oude dorpsklok uit den toren, en de kleine optocht
komt langzaam nader. Geene beambten, geen noodiger met een ge-
wichtig gezicht; alleen de bloedverwanten, de vrienden, de buren.
Geen ander rijtuig dan de wagen, die den overledene gediend heeft,
om voor zich en de zijnen het eerlijk onderhoud te winnen, voert
hem nu ten grave, en deze wordt getrokken door zij n geliefd paard, den
deelgenoot van zijn arbeid. Met het gezicht in de groote zwarte huik
verborgen, zitten de vrouwen op de kist zelve. Bij het graf spreekt
de leeraar, aller vriend, een kort woord; de kist wordt neergelaten;
de naaste betrekking werpt er de eerste aarde op; en den eerstvol-
genden zondag gaat hij over dat graf ter kerke, waar hij woorden
van troost hooren zal. Want in den kleinen kring eener landge-
meente heeft men bevrediging voor elks behoefte.
Uit dit alles ziet men wel, dat ik juist niet veel gevoel voor cere-
moniëele begrafenissen, lange rouwsiepen, magna fwnera! Het is
dikwijls akelig zulk een mommespel te zien, met aangetrokken rouw-
kleedij en aangetrokken treurige gezichten. Maar het begraven van
stadswege, zooals dat reeds hier en daar plaats heeft, is toch een
19
-ocr page 308-
290
koud denkbeeld. Neen, de buren, de buren moeten begraven; geene
daartoe aangestelden die, als op hoog bevel, uwen dierbare, als ware
hij publiek eigendom geworden, komen opeischen en weghalen,
terwijl de gewoonte hun verbiedt eenige deelneming ook maar voor.
te doen. Maar zóó ver gaat de koelbloedigheid in sommige plaatsen,
dat indien gij arm zijt en niet hebt om uwen vader, of uwe moeder,
of uwe dierbare vrouw, of uw lief kind eene eerlijke begrafenis te
geven, men u niet van de kosten ontheft, zonder op het rouwhv
ken met groote letteren het verwijt te schrijven : „vooe de armen".
Dat is toch wat heel hard, en neemt de gansehe weldaad terug!
Ik sprak met een woord van het rouwdragen; ik wilde te dezer ge-
legenheid mijne denkbeelden daaromtrent blootleggen. Ik weet wel
dat men somtijds, uit aanmerking van de bekrompen omstandigheden
waaronder men een groot gezin nalaat, de bepaling maakt dat nie-
niand het zwarte kleed zal aantrekken. Maar waar deze, of eene
andere nog geldiger reden niet bestaat, o mijne vrienden! maakt, bid
ik u, die bepaling niet. Laat het nooit eene gril wezen, die gij denkt
dat u fraai staat, nooit een gekozen partij worden, waar gij niet
van wilt terugkomen. Gij weet niet, hoe gaarne men over dierbare
betrekkingen rouwt; hoe zoet het is eenen geliefden doode voor het
oog der wereld deze geringe hulde te brengen! Honderd vertoogen
over de nietigheid der uitwendigheden, honderd bewijzen dat het
rouwkleed niets bewijst, honderd voorbeelden van huichelaren die
het ontwijdden, van "lichtzinnigen wie het verveelde, nemen niets
weg van het zacht weemoedig gevoel waarmee de hartelijk bedroefde
het aantrekt! En o, ik weet, op den bodem uws gemoeds is die
wensch, dat men uw dood niet onopgemerkt voorbijga, dat men het
niet te veel zal achten, iets voor uw nagedachtenis te doen. Maar
uw verstand weerspreekt dien ? Weest dan zoo hardvochtig verstandig
niet, — weest natuurlijk, eenvoudig, menschelijk, en ten minste
niet wreed jegens anderen. Ziet! ik wenschte, dat al die philoso-
fen-, al die studenten-ideeën maar één hoofd hadden, om ze met
«en enkelen slag van de wereld te doen verdwijnen!
Het dorpje O. is zoo weinig uitgestrekt, dat het zelfs geene kerk
heeft, maar welk vlek is zoo klein, dat het geene begraafplaats be-
hoeft? Daar is zij een lieve zandige heuvel, vanwaar men op bos-
schen en hoven nederziet, en in de nabijheid blinken de witte dui-
nen. Enkele bewoners van de naburige stad hebben er graven. Daar
bracht ik mijn eerste oifer aan den dood. Daar legde men een mijner
vroegste en beste vrienden weg. Ik was toen achttien jaar oud. Het
was een heldere dag, en de zon scheen liefelijk op het vredig land-
schap en het kleine kerkhof. Het geheele toonéel staat in al zijne bij-
-ocr page 309-
291
zonderheden mij nog levendig en helder voor den geest. Met eenige
der naaste betrekkingen en nog een vriend van den overledene,
Wachtte ik er het lijk op. Nog zie ik den voorsten drager de kist te-
gen den heuvel optorsen. Toen werd zij op de planken gezet, en
daarna voorzichtig nedergelaten op die eener zuster — almede eene
jeugdige doode, die eene zelfde kwaal ten grave had gesleept! Het
was geen kuil; het was een grafkelder. Van dat oogenblik af heb ik
iets tegen grafkelders. Mij dunkt, ze zijn zoo kil! De moederlijke
aarde klemt zich niet om den doode, opdat hij zijn stof met het hare
vermenge, maar hij blijft aan zichzelven overgelaten; dit geeft on-
aangename voorstellingen. Ook begraaft men den doode niet; veeleer
bergt men hem weg. De zon wierp hare heldere stralen in den
<"eheelen kelder, en de witte kist met hare koperen ringen, glinsterde
in haar licht. Maar weldra schoof men den zwaren steen op de ope-
ning, en het licht werd langzamerhand uit dat somber verblijf uitge-
sloten. Ik weet wel, dat het dit was dat mij bijzonder aandeed, en
dat ik met belangstellende aandacht de zwarte schaduw verder en
verder over het deksel sluipen zag, totdat zij de laatste lichtstreep had
verzwolgen. Maar het moest zoo zijn. Toen ik het graf verliet, had ik
een vreemd gevoel. Het was mij duidelijk dat ik aan eene droevige
plechtigheid nad deelgenomen, maar dat ik hem had zien begraven,
dien ik zoozeer geacht en bemind had, bij wiens ziekbed ik zoovele
nachten had gewaakt, dien ik na zijn dood zoo dikwijls beschouwd
had, zooals hij daar lag, rustig uitgestrekt, met blij moedigen glim-
lach en effen voorhoofd; dat hij nu in dien donkeren kelder lag, voor
altijd weg uit mijne oogen... het was mij wonderlijk.
Nooit bezoek ik dat kleine dorp, of ik oezoek dat graf. Nooit ge-
leid ik iemand in den omtrek van dien stillen heuvel met blauwe
zerken en groene zoden, of ik wijs hem dien aan en zeg — „daar
rust een mijner vrienden; hij was een goed mensch".
Ik eindig zoo als ik begon: „Mijne vrienden, men zal ons allen
begraven!" O dat wij allen, als deze, dezulken bij ons gr af ver gade -
ren die ons betreuren; dat ons aller nagedachtenis in zegening blij-
ven moge! Zoo slape ons stof in den schoot der aarde, totdat de
groote en ontzaglijke dag des Heeren komt! \'
1837.
-ocr page 310-
EENE TENTOONSTELLING VAN
SCHILDERIJEN.
Mijn vriend baculus heeft een klein boekje geschreven, waarin
hij over het verval der kunst klaagt en een weinigje knort! Als oor-
zaak van dit haar verval geeft hij voornamelijk op, dat zij buiten haar
doel is geplaatst, dat zij niet op haren rechten prijs geschat wordt.
De kunst is een meisje, dat leelijk wordt bij gebrek aan aanbidders.
Hij bewijst u dat de kunst in het geheel niet meer wordt aangebe-
den, maar wel te kijk en te koop gezet, als iets bijzonders en aar-
digs, als eene curiositeit. Hierin nu is dunkt mij veel waarheid, en
het staat in zijn boekjen in sierlijk Fransch te lezen. Inderdaad, het
komt mij meer en meer voor alsof de groote kunst zoo ingekrompen
was, dat men met haar als met een dwerg op de kermissen rondreisde.
Gij begrijpt dat dit leventje haar zekere kwade gewoonten doet aan-
nemen en haar in hare eigene oogen vernedert. Ook is zij sedert lang
niet vrij te pleiten van allerlei laaggeboren ondeugden en neigingen.
Zij is van tijd tot tijd vrijpostig en onbeschaamd, ophakkerig en
driest. Zij houdt van bonten opschik, schreeuwt drie tonen te hoog,.
en is nu en dan wel eens wat heel los in den mond; daarbij heeft zij
iets wreedaardigs en koelbloedigs gekregen. — En wat denkt gij nu
van de tentoonstellingen van schilderijen ? Baculus ijvert er gewel-
dig tegen en, als men de dingen een weinigjen uit de hoogte beziet,
is men het zeker met hem eens; maar dan loopt men gevaar van fan-
tastisch te worden, zooals de lieden van het onderzoek zeggen;
daarom laat ons uit de laagte opkijken >, en dan zullen wij toestem-
men dat de jaarlijksche expositiën groote en veelzijdige nuttigheid
hebben. Maar het is vervelend altijd over nuttigheden te praten ;dui-
zend „lezers" doen dit maandelijks in duizend lezingen; en voor een
liefhebber der schilderkunst is eén uurtjen in eene zijkamer met een
portret van kbuseman of eene zee van schotel alleen gelaten, ruim
zoo aangenaam als de aanblik van die gansche zaal vol goud en
glans, waar de kunstgewrochten in lagen opgestapeld zijn, en
waarin de kleuren van den regenboog dooréénschemeren als die der
zijden draden in de weerschijnen sakken onzer grootmoeders.
Of welke speldeprikken (neen, dolksteken!) denkt gij, dat eene voor
kunstschoon vatbare ziel zich voelt geven, als zij een kaarslicht van
1 c\'S2(57TtQ, av Tig tt> fitam rw nvQ\'fiïvi roi) TTiluyovg ohdif,
oïoitó rt liri rijg daXÜTTyg olxiïv, xai dia roti iïöurog bq&v töv
ÏjXiov xa\\ va liXXa ciarga, tï}i> iïukaxxav ij\'/oiro ovqupop ilvai,.
h.
t. L Plato (Phaedon. C. 58.)
-ocr page 311-
293
S(• ii exi)el , voorstellende een ouden bedelaar (levensgrootte) met een
kandelaar in de hand, hangen ziet tusschen twee grasgroene land-
schappen van ik weet niet wien, met duizend boomen, die elk zoo
groot zijn als de kaars van den grijsaard, en daarboven misschien een
ruiker van bloemers, geflankeerd door het portret van een gouden
huzaren-officier en de mislukte afbeelding van een opengesneden
kabeljauw met bijhebbend gezelschap van roggen en mossel-
schelpen ?
En echter verzuim ik niet de tentoonstelling te bezoeken, en kan
ik er met innig genoegen uren doorbrengen. Eerst maak ik den toer
van de schilderijen en doe er zooveel wetenschap op als noodig is
om in de gezelschappen te redetwisten over „het mooiste van allen",
vast besloten het met de vrouw des huizes of de liefste dochter eens
te zijn; om vervolgens de Haagsche en de Amsterdamsche tentoon-
stellingen onderling te vergelijken, waarbij de plaats waar ik mij bevind
mij altijd het oordeel helpt vellen; om daarna de portretten van
mijnheer en mevrouw A, B, C, en het geheele alphabet te roe-
men; echter sterk volhoudende dat zij volstrekt niet geflatteerd zijn,
en eindelijk des noods met de jonge dames te lachen over het slechte
toilet van deze of gene, die, verbeeld u! verkozen had in het groen
te worden voorgesteld, terwijl zij toch „zoo heel blond" is, enden
heeren in te fluisteren, dat zij voor die groene japon te weinig goed
heeft gebruikt; aan al hetwelk ik ten laatste de kroon opzet door de
volkomene ontleding van één zeer slecht stuk en de uitvoerige be-
schouwing van dat kleine stukje „daar ik wel een uur bij had. kun-
nen stilstaan, zoo klein als het was!"
Maar dan keer ik mij , vermoeid van kleuren en tinten, verguldsel
en vernis, dooreengewarde nommers en nagekomen stukken, tot de
beschouwing dergenen, die met mij opgekomen zijn om te zien wat
er al zoo in een jaar tijds is op het doek gebracht. Van de gladde,
zachte, gepolijste gezichten in lijsten, tot de menschelijke troniën
in hoeden; van de tablecwx de genre aan den wand, tot de tableaux de
genre
op den vloer; en uren lang zou ik kunnen besteden in de na-
tuurbeschouwing van dien af- en aanvloeienden stroom van kunst-
beschouwers. Het verwondert mij dat er geen schilders nederzitten
om studiën te maken. Ik heb er eene geheele verzameling van schil-
derijen opgedaan. Zie hier eenige nommers van mijn catalogus.
N\'. 1. Een Teekenmeester, zijn eigen werJc beschouwende.
Het is een kort, tenger mannetje, min of meer grauw van tint,
met kleine, grijze oogen en een scherpe kin. Bij het binnentreden
overziet hij de zaal in de vier richtingen met een kennersoog, en
geen stap gaat hij verder alvorens hij zijn bril heeft opgezet. Hij is
gekleed in een vettigen, versleten, zwarten rok en dito pantalon.
Een lederen stropje van eigen maaksel knelt om zijn hals, en hij
draagt een katoenen overhemd, op de borst fijntjes geplooid. Hij
vergoedt het volslagen gemis van handschoenen door de buitenspo-
-ocr page 312-
294
rige lengte van de opslagen zijner roksinouwen, die hem tot het
tweede hd der vingeren komen. In het voorhuis reeds heeft hij den
catalogus opengeslagen en naar binnen omgevouwen. Hij heet aegi-
Drus punter. De P. blinkt op de bovendrijvende bladzijde. Hij is nu
bezig, met een zekere handbeweging, alleen den teekenmeesters
eigen, een volslagen potlood met een lange, scherpe punt uit zijn
kamizoolzak op te delven. Wilt gij meer van hem weten ? O ! het is niet
moeielijk in hem een dier ongelukkige martelaars der kunst te onder-
scheiden , „die miskend worden", en wier schitterende gaven alleen
waardeering vinden bij de jonge dames die hunne voorbeelden
copiëeren. Het ontbreekt hem aan aanmoediging en tijd, anders werd
hij een van de grootste schilders van het land. Dan had hij een ridder-
orde, dan ging hij naar Italië, dan kwam hij in de nieuwe uitgaaf van
het groot Schilderboek! . . . Maar niemand let op hem. Hij gelooft
somtijds dat hij een te stipt christen, een te nauwgezet burger is, om
een schildersnaain te maken. Voor het overige, wanneer hij over de
kunst spreekt, gebruikt hij de woorden: toon , kracht, geest, warmte,
vergelijkende tint en wat dies meer zij , zoo dikwijls als de door-
luchtigste van het gild. Zijne voornaamste verdienste bestaat in de
edele onverschrokkenheid waarmede hij zich aan alle genres waagt.
Hij teekent kerken, hij teekent historie, hij teekent landschap naar
de natuur; hij vervaardigt, zoo gij het verkiest, uw portret in wa-
terverf of crayon; hij doet al wat gij wilt. Maar hij maakt jaarlijks
één schilderijtje, dat hij naar de tentoonstelling zendt. Het maakt
de bewondering uit van zijn vrouw, van zijn meid, van al zijn kwee-
kelingen , en van al de leden van het kunstlievehd gezelschap daar
hij lid van is.
Maar altijd wordt het slecht geplaatst, allerslechtst geplaatst! Hij
ziet in de commissie een schandelijk komplot, tegen zijn opgang en be-
langen saamgespannen. Hij leest den Konst-en Letterbode, hij leest het
Handelsblad: nooit is er melding van zijn stuk gemaakt. O! welke
zoete droomen droomt hij den eersten nacht nadat hij het heeft ingepakt
en met een uitvoerig adres verzonden! Het zal de verbazing van alle
beschouwers uitmaken! Teylebs museum zal het willen aankoopen ;
de Prinses van Oranje zal het moeten bezitten; een liefhebber zal
aanbieden het met goud te beleggen! Groote schilders zullen hem zijn
penseel benijden; vreemdelingen zullen naar de plaats zijner woning
komen reizen „om den grooten puntee te zien"; en wanneer hij hun
dan, zoo eenvoudig en nederig als hij is, in zijn simpel zwart rokjen en
op zijn hooge schoenen, de deur zal openen, en zij vragen: „is de
groote ptjnteb te huis?" welk een triumf zal het zijn, te zeggen: „dat
ben ik zelf, mijnheer! om u te dienen!" — Helaas, zijn stukje komt
weerom — het is niet in aanmerking gekomen. —Eens, eens — de
waarheid eischt van den geschiedschrijver dat hij het vermelde —
ééns scheen het in aanmerking gekomen te zijn. Eene dame van rang
en liefhebberij had er een kunstkooper last op gegeven. De kunst-
-ocr page 313-
295
kooper schreef aan punter, en punter schreef aan den kunstkooper.
Hoeveel woordenstrijd had deze briefwisseling tusschen juffrouw
punter en haar waardigen eega gekost, als het haar voorkwam dat
hij te zedig was in het bepalen van den prijs, en zij hem toescheen
voor een eersten keer wel wat inhalig te wezen! Eenige dagen
duurde het eer hij een tweeden brief ontving. Reeds wisten al zijne
jonge juffrouwen en de geheele stads-teekenschool dat het stukje
van meester punter was „aangekocht voor een kabinet"; reeds had
men er hem in zijn kunstlievend gezelschap mee gelukgewenscht;
reeds had hij vol ijver en hoop een nieuw stukje begonnen. Het zou
ditmaal in den smaak van ostade zijn. Twee passediezende boeren
met de echt Ostadische korte pijpjes en den eeuwigen wingerdtak,
belet vragende door het venster. De eene geheel spel; de andere half
bierkan! — Hij zou er het dubbel voor vragen van hetgeen zijn
eersteling had opgebracht; en zijne vrouw zou een kerkboek krijgen
met een gouden slot. Zoo zou hij langzaam opklimmen tot de hoogste
hoogte; zoo was het krans hals, zoo tan dijck, zoo rembrandt gegaan.
— Maar, o slag des noodlots! Daar brengt hem de koelbloedige post
een brief — Men had zich in het nommer vergist. De kunstbande-
laar is beleefd genoeg vergeving voor deze onachtzaamheid te vra-
gen. Vergeving voor deze onachtzaamheid! AVat onachtzaamheid?
Neen, hij vrage veeleer vergeving voor een der verschrikkelijkste
grieven, die men een eenvoudig burgerman kan aandoen! Vergeving
voor een dolksteek, die een van blijdschap zwellend hart door-
boort; voor een mokerslag, die honderd der schoonste luchtkas-
teelen doet ineenstorten! vergeving voor een zedelijken en schil-
derlijken moord! — Ziedaar een enkele bladzijde uit de geschie-
denis van dit klein, tenger mannetje. Verbaast het u thans, dat zijn
rok zoo kaal, zijn gelaat zoo geel, zijn mond zoo droevig geplooid is,
dat hij de opgewektheid verliest zijne sluike haren éénmaal in de
maand te doen knippen ? Zie hem daar nu weder op de tentoonstel-
ling. Zijn stukje — het is ditmaal eene keukenmeid, die een koperen
emmer schuurt — zal wel weer slecht geplaatst zijn; zeker te hoog
of te laag voor menschelijke beschouwing. De vorige maal was het
alsof het zijne bewonderaars onder de engelen zocht: nu zal het
misschien in de diepte zijn nedergestort. Flectere si neqiieo Su-
peros, Acheronta, morebo!
zucht hij niet, want hij verstaat geen
Latijn. Zijn vader was een rijtuigschilder, beroemd om zijn blinkend
en nooit barstend vernis; maar de zoon had te veel „zenié" om bij
dat vak te blijven. Hij vorscht met schijnbare onverschilligheid de
plaats uit, aan zijn meesterstuk beschoren. Het schikt nogal, wat de
hoogte betreft; maar in dit hoekjen is immers weer niets geen licht
op den koperen emmer! Ach! de geheele wereld gaat er ook voorbij.
Nutteloos staat deze Apelles op de wacht; zoomin de tripjes als de
voet van zijn keukenmeid worden beoordeeld! Niemand zegt iets van
den koperen emmer, waarvan zijn vrouw immers had betuigd, dat
-ocr page 314-
296
zij meende er haar muts in te kunnen opzetten! Als de bewegelijke
rij der aanschouwers, „die toch waarlijk Dij erger prullen stilstaat",
tot zijn werk is genaderd, schijnen zij plotseling gezicht en spraak
verloren te hebben.
Stillswijgen is een Vloeck die meer bijtt als quaed-spreken.
Zijn eigen onafgebroken aandacht wekt zelfs niemands opmerkzaam-
heid op. — „En daar moesten zij dan die lijst nog om beschadigen!"
zucht hij — „die lijst van twaalt gulden tien!" Want het verguld-
sel had een knauw gekregen, doordien het nog nat was geweest toen
hij zij n tafereel inpakte en, een maand te vroeg, verzond. Troosteloos
verwijdert hij zich, oin in stilte zijn gemoed te koelen aan het portret
van dien poedelhond, wiens rechteroor misteekend is. Maar, daar
is het alsol hij iets hoort in den hoek van zijne schilderij. Inderdaad!
Eene jonge welgekleede dame en een dito jonge heer staan er in eene
gebukte houding op te turen. Zoo schijnt dan nog iemand dit der
moeite waardig te achten! Zie, hoe lang vertoeven zij ! het zijn zeker
liefhebbers, ontegenzeggelijk kenners! —Maar welk een onderdrukt
gelach, nu zij er afstappen? Gerechte hemel! zij trekken een gezicht
alsof zij het vroolijkste Jan-Steentje gezien hadden in plaats van zijn
eerbare keukenmeid, en nog even vangt hij de woorden op: „het heeft
meer van een hond". — Dat verwijt geldt, arme kunstenaar! het
katjen op uw voorgrond, niet veel grooter (ik beken het) dan een
schaap van het kleinste ras! Het katje, waarvoor uw eigen poes tot
model verstrekte; het katje, dat gij uitteekendet, des avonds, terwijl
uwe teedere gade uw slaapmuts warmde op haar stoof! En (tot over-
maat) daar hoort hij diezelfde jonge lieden hunne bewondering uit-
gillen over dienzeltden poedel, wiens rechteroor misteekend is! —
„Het is," zeggen zij, nota bene! — „het is alsof hij leeft."
„De naam is alles," zucht hij, en kijkt op zijn zilveren zakuur-
werk, het zilveren zakuurwerk van zijn eerzamen vader, den rij-
tuigschilder, beroemd door zijn blinkend en nooit barstend vernis.
Het uur is geslagen, hij moet les geven. Ga heen, ongelukkig mar-
telaar! ga heen naar de jongejutt\'rouw C. en vertel haar voor de
honderdste maal „dat zij toch hulplijnen moet zetten"; zij heeft het
weder vergeten, en nu staat de geheele anjer scheef; ga heen, en
bedenk u onderweg nog eens of gij u wel wagen zult aan die voorstel-
ling van de heldendaad van van spetk , waar ook al voorstellingen
fenoeg van zijn. Vervolg uwe lessen van uur tot uur en van dag tot
ag! Met een weinig meer talent zoudt gij misschien, met een
weinig minder, zeer zeker gelukkig zijn.
N°. 2. Een Familietafereel.
Het is een mijnheer en eene mevrouw van middelbare jaren, en
een jongeheer en eene jongejutt\'rouw in den bloei der jeugd, en een
kleine jongen van zeven jaar daarbij. Ik beschrijf u hunne kleeder-
dracht niet; er is weinig opmerkeuswaardigs aan. Het zijn men-
-ocr page 315-
297
schen uit den deftigen middelstand, goede lieden, niet Haagsch,
maar kleinsteedsch gekleed. Ik sla een blik op de wezenstrekken.
Mijnheer ziet, dunkt mij, een weinig knorrig. Vraagt gij de reden ?
Deze menschen komen eigenlijk zoo pas uit een naburige stad met
een calèche aangereden, waarin zij met hun vijven hebben gepakt
gezeten. Mijnheer heeft drukke zaken, waarbij zijn tegenwoordig-
heid slecht gemist kan worden; hij ziet tegen alle uitstapjes op, als
tegen zoovele bergen, en hij houdt daarenboven niet van rijden.
Maar mevrouw wilde zoo „dolgraag" de tentoonstelling zien; al de
mevrouwen zageu die. In een zwak oogenblik, hij moet het beken-
nen, had hij het haar beloofd. Ik meen wel, aan den avond van een
dag, dat hij geen lust gehad had menschen te zien. Ook warende
kinderen nooit in den Haag geweest, en het Haagsche Bosch — „het
was zoo heerlijk!" Vroeg in den morgen kwam het rijtuig voor. Het
was tamelijk mooi, ja! het was mooi weer! Maar zoodra de paarden
het Haagsche Bosch, „dat zoo heerlijk was", hadden bereikt — of het
spel sprak — scheen het dat donkere wolken den hemel betrokken!
en nóg was het Paleis van Prins fbederik niet in het gezicht of de
stortregen kwam neder! — In het plan stond, dat men op het Tor-
nooiveld, in den Doelen, af zou stappen en zich eerst behoorlijk
en op zijn gemak verkwikken. Mijnheer is gesteld op zijn leefregel.
Maar men heeft geen regenscherm! En dan — de straten! — Men
vindt dus beter dadelijk op de tentoonstelling aan te rijden. Van dat
de eerste zwarte wolk was komen aandrijven en de eerste rimpel
op papa\'s voorhoofd bespeurd is, heeft mama alles in het werk ge-
steld om het gesprek levendig te houden. Zij was onuitputtelijk in
verhalen van de genoegens, die zij in hare jeugd in dit „eigenste
Haagsche Bosch" gesmaakt had. Maar bijna geen woord is er ge-
sproken sedert de eerste vochtdroppel viel en het „daar hebben wij
het al!" van de lippen van het achtbaar hoofd des huisgezins ge-
klonken heeft. Mevrouw, die de reis heeft dóórgedrongen, het jonge
meisje, dat haren vader met haar „vooruitgebabbel" over dat feest
heeft verveeld, en de jongeheer, die gezworen heeft dat het mooi
weer zou blijven, voelden zich als het ware verantwoordelijk voor
iederen regendrop, die viel, vallen zou, of zou kunnen vallen, en
ongerust zagen zij elkander aan. „Kom aan dan maar! — detentoon-
stelling!" had papa gezegd, toen het rijtuig stilhield en de familie
werd uitgepakt. Maar in de stemming, waarin ZEd. verkeerde, viel
het hem nogal tegen dat hij voor ieder persoon van zijn gezin een
catalogus te koopen had, alleen de kleinste uitgezonderd. Maar me-
vrouw! — Haar triomfante blik roept mij toe: „wij zijn er!" en het
beminnelijkst lachje vervangt, zoodra zij zich in het lokaal gevoelt,
den angstigen trek die in de volle calèche om haren mond speelde.
Ondertusschen is deze lieve familie nu véél te vroeg gekomen. Daar
is nog bijna niemand. Dit valt de nog wel eenigszins wereldsche dame
tegen; niemand om gezien te worden! niemand om hare lieve doch-
-ocr page 316-
298
ter te zien! Het is waarlijk een mooi gezichtje en, mij dunkt, het
gelukkigste van alle; een ongemaakte vreugde verschijnt op haar
gelaat, nu zij de bonte rijen van tafereelen overziet. Maar zij had
zich toch alles veel grooter en veel mooier en veel treffender voor-
gesteld. Tien zulke zalen, duizend meesterstukken ! Zij telt pas zestien
jaren. — Mijnheer haar broeder is een jaar ouder, en dus in dien
lieven leeftijd, waarin men meent voor iets goeds te zullen gehouden
wordeu, wanneer men den schijn aanneemt van iets kwaads dat men
niet is. Hij heeft al de kenteekenen, al de bewegingen van een recht
lastigen wijsneus, en schijnt nog in twijfel te hangen wat hij liever
wezen zal, een fat of een lomperd. Hij verbeeldt zich kunstkennis
te hebben en is, om daarvan proeven te geven , gestadig in de contra-
mine. Al de stukken die zijne goede moeder opgetogen doen staan
van verrukking, acht hij „infaam geschilderd, slecht van kleur, dwaas
van gedachte, plat, zonder diepte", kortom rechte bokken van onge-
rechtigheid, die hij met al de fouten van alle slechte schilderijen
belaadt. Zijn zuster dwingt hij tot de bewondering van grove, wilde,
breedgepenseelde studiekoppen van bandieten en ijzervreters „daar
genie in zit", en die haar volstrekt beter moeten bevallen dan het
liefste heiligbeeld der wereld. Hij is altijd een schilderij of wat
vooruit, zoekt ter sluik de nommers op in den catalogus, en toont
dan zijne meerderheid over zijn vader door hem in strikken te lok-
ken en tot dwaze weddenschappen te verleiden over den waarschijn-
1 ijken schilder van dit of dat tafereel, van wien de gedrukte letter
hem den naam heeft doen kennen; en na hem bewezen te hebben
dat hij dien aan zijne lichtvalling, of aan zijn behandeling, of aan
zijn stoffeering, of aan zijne ordonnantie kent, laat hij den goeden man,
die toch al niet zeer welgemutst is, van tijd tot tijd een ongelukkige
figuur maken. Mevrouw heeft een treurig gebrek aan ordelijkheid in
hare beschouwing. Nu is zij in dit gedeelte der zaal, maar plotseling
verplaatst zich hare nieuwsgierigheid naar het tegenovergestelde; nu
eens wordt zij door deze of gene uitblinkende verf aangetrokken,
dan weder verlokt door haar aangeboren zucht om gelijkenissen op
te merken. „Zie toch eens, lieverd! vinje niet, dat dat jongetje veel
van ons pietje heeft ?" Het tafereel, waarvan ze spreekt, is de voor-
stelling van een lief kind, met het hoofd voorovergebogen op den rui-
gen kop van een patrijshond, en door een onzer eerste meesters ge-
sehilderd; een recht serafijnengezichtje waarmee ik, in het voor-
bijgaan, de moeder gelukwensch. Pietje — het is het zevenjarig
jongetje, dat ik n nog niet beschreef — pietje is een ongelukkig
wicht, door de engelsche ziekte mishandeld, met een groot driekant
hoofd, en bleek, zeer bleek! In zijne fletse oogjes schemert maar
een flauwe levensvonk. Ik weet niet recht of hij een zakdoek bij
zich heeft. Maar aan zijn kleedij is smaak, noch kosten, noch tijd
gespaard. De kinderen van onze dagen worden allerdichterlijkst,
allertheatraalst uitgedost. Eene vierkante uhlanemuts met een gou-
-ocr page 317-
299
den kwast siert zijn jeugdig hoofd, en een schotschbont kieltje, waar-
van de breede ptooien door een nog breeder verlaktlederen riem met
een onmatigen gesp worden in toom gehouden, en waar de ruiten zoo
groot van zijn, dat de rug van het schaap volmaakt een gevierendeeld
wapenbord vertoont, begraaft zijne tengere ledematen. Een fijnge-
plooid kraagje, dat hem in de ooren prikt, wordt naar hetzelfde
stelsel van inperking te keer gegaan in iedere buitensporige gol-
ving die het zou kunnen aannemen, door een dasje van turkschgele
zijde, zeer uitvoerig gestrikt. Een wit engelschlederen broekje, tot
groote zielesmart van mama aan de trede der calèche bij het uit-
stappen vuil gemaakt, omkleedt zijne kromme beentjes, eindigende
in witte kousjes en lage schoentjes. „Vinje niet, lieverd! dat dit
jongetje veel van ons pietje heeft?" vraagt de moederlijke moeder.
Maar hoe groot is hare ontzetting, nu zij, opziende naar een ant-
woord, niet haren echtvriend gewaarwordt, maar wie weet welk
een groot Haagsch heer, met een ridderorde en een knevelbaard!
„Excuseer, mijnheer!" en met een kleur als vuur ijlt zij weg, en
sleept nu haren wettigen gemaal voor de beeltenis van den lieven jon-
gen, „die zooveel van pietje heeft".
Zoo heeft men een geheel uur gesleten. Mijnheer meent dat het
lang genoeg is; de wijsneus beweert dat er niets „eigenlijk moois"
is; de jonge juffrouw heeft een dollen zin opgedaan om met een
blooten hals en een gouden ketting geportretteerd te worden; en me-
vrouw vindt dat men niet weg moet gaan „eer men de Haagsche
menschen nog eens gezien heeft". Het rijtuig, dat intusschen weer
voorgekomen is, zal daarom nog wat wachten. Maar de Haagsche
menschen komen nog niet; de beau monde zou nog niet hunnen
komen. Men slentert nog een half uurtje, en ziet, de zon breekt door!
Men moet van het goede weer gebruik maken om naar hetHaag-
sche Bosch te gaan, „dat zoo heerlijk is". De familie vereenigt zich
bij den uitgang. „Heden mijn tijd!\' zegt mevrouw, „daar hebben we
het stukje van ko nog niet gezien! Dat moesten we toch nog even-
tjes opnemen." — „Och laat het stukje van ko nu maar rusten!"
zucht mijnheer. „Het zal wat wezen!" merkte de wijsneus aan. Maar
mevrouw durft de moeder van ko niet onder de oogen komen,
tenzij ze het stukje van ko gezien heeft. Ko nu, is een neefje van de fa-
milie, een bedorven kind dat niet onaardig teekent, weshalve zijn
moeder besloot dat hij moest schilderen; en toen hij ietsdragelijks
voortbrengen kon, besloot zij al verder, dat hij iets naar de tentoon-
stelling zenden moest. „O zijn koetjes! me dunkt dat ze zóózoo zul-
len gaan bulken!" En nu de zaal weer binnen! En nu zoekt mijnheer
in den catalogus, en mevrouw inden wilde, en de dochter in schijn,
en de wijsneus in het geheel niet naar het stukje van ko. Het stukje
van ko is nergens te vinden. „Hoe groot zou het zoo wat zijn ? Zeker
niet zoo heel groot." Eindelijk vindt men een stukje met koeien, van
kavenzwaay of een ander, — „ja dat zal het wezen; dat is wel zoo
-ocr page 318-
300
wat in zijn manier" — en liever zonder den catalogus op te slaan,
uit vrees van uit den droom geholpen te worden, sleept mijnheer de
familie nu mede, volmaakt tevreden over het stukje van ko. Daar
gaan zij heen. Het is ondertusschen weer begonnen te regenen. Het
feheele luchtruim schijnt uit grauw papier gesneden. Daar gaan zij
een — om het Haagsche Bosch te zien, „dat zoo heerlijk", en in
het Scheveningsche Badhuis te eten, „dat zoo voornaam is", om
daarna huiswaarts te rijden: mijnheer, met de zekerheid, dat hij
morgen dubbel zal moeten werken; mevrouw maar half tevreden,
omdat zij zoo weinig menschen gezien heeft; de zestienjarige, met
den hopeloozen wensch in het hart om met een blooten hals en een
f ouden ketting te worden geportretteerd; en de wijsneus, veroor-
eeld om den geheelen weg over met den kleinen Schotschen en-
gel op zijn knie te zitten.
Nc... Maar neen, ik stap van de nommers af; ik weet niets ver-
velenders en ontrustenders dan getallen; ik geloof, dat zij u in som-
mige omstandigheden de koorts op het lijf jagen. Ik sluit dus mijn
catalogus en noodig u liever, u met mij tè verplaatsen te midden
van dien bonten hoop van bezoekers, nu het uur dv bon ton
geslagen heeft, en het vol wordt in de zaal. Welk een gefluister! welk
eene drukte! welk een gedrang! Maar een zacht, een beleefd gedrang,
een gedrang van zijde en fluweel! Zie deze oude barones, geleund op
den arm van haar zoon, den kamerheer. Zij is blij dat ze boos kan
zijn omdat er nog altijd eenige burgerlieden in de zaal zijn geble-
ven. — Zie deze brillante modemaakster, met haar valsch gouden
geplekt zijden kleed, zich de airs gevende van eene freule, en nu
eens met een radde Haagsche tong, dan eens in slecht Fransch,
de schilderijen ruim zoo luidkeels beoordeelende als de hoogste hoog-
geborene. — Aanschouw dat lieve burgermeisje, slachtoffer van de
eerzucht haars broeders, die schrijver is bij een ministerie en al-
zoo een bril en veel fijner laken draagt dan zijn vader uit den
lintwinkel. Hij wilde volstrekt niet vóór het fashiondble uur naar „de
expositie", en nu leeft zijn lief zustertje, dat zich wel naar hem schik-
ken moest, in gestadige angsten, en durft zich niet in het gedrang wa-
gen, en heeft de vermetelheid nauwelijks om zich voor het beeld van
die „oude vrouw, den Bijbel lezende" te plaatsen, waarvan zij zoo
veel heeft hooren spreken; zij bereikt het eindelijk, maar beschouwt
het niet dan met een schuchteren blik en gereed om de vlucht te
nemen voor de eerste groote dame die er haar lorgnet op schijnt te zul-
len richten. Ach! zij gevoelt zoo diep en zoo dikwijls dat zij maar
„een juffertje" is. Tot haar groot geluk redt haar de komst van haar
broeders chef uit al de pijnlijkheden dier folterzaal.
Geef u de moeite den blik van stomme bewondering dezes een-
voudigen, van onverschilligheid dezes onbeduidenden, onderling,
en met het oog van verachting dezes veertigjarigen jongelings,
„die zóó veel gezien heeft in zijn leven en op zijne reizen", te verge-
-ocr page 319-
301
lijken. Let op dezen rampzaligen Narcissus, gelukkig door zijn
bont vest en zijn stroogele handschoenen, die, op den knop van
zijn rotting zuigende, zichzelven voor eene zeldzame vereeniging
aller mannelijke schoonheden houdt, die de dames meer belangstel-
ling vergt dan al de portretten van geleerden en cavalerie-officieren
en zeemannen in de zaal, en waardig is in al de bochten, waarin
hij zich wringt, te worden afgebeeld om de bewondering aller ten-
toonstellingen uit te maken. De onbetaalbare levende ledeman! Sla
uw oog op dezen geaft\'aireerden bezoeker, neen doorvlieger van
de zaal, wiens gewichtig gelaat het telkens luider uitgilt „dat hij
wel wat anders te doen heeft dan schilderijtjes na te loopen;" —
op deze jonge dame, die zelve schildert en, met een tuvau in de
hand, niet rusten kan vóór zij de stukken van haren lievelingsschil-
der „genoten" heeft, „dan is haar de rest onverschillig;" — opdien
student, die sterven zal, zoo er niet spoedig iemand komt, aan wien
hij vertellen kan dat hij de laatste Aitssteltung te Dusseldorf heeft
bezocht. — „Maar wie is die jonge mensch," vraagt gij, „metdien
lagen, breedgeranden hoed, die wilde haren, dien dikken stok,
dat heele korte jasje, dien wijden, geruiten pantalon?" — Gij meenteen
schilder, een jong schilder. G-ij vergist u; het is de vriend van ie-
niand, met nog lager, nog breeder geranden hoed, met lange, maar
schoone, gekrulde haren, met een nog dikker, maar ook mooier
stok, met een nog korter, maar fluweelen jasje, en nog bonter panta-
lon. En die iemand is een schilder. Deze is zijn alter ego, zijn onaf-
scheidelijke, zijn jakhals, zijn bewonderaar, zijn namaaksel, zijn
overdruk, zijne schaduw. Hij wandelt met den schilder, hij ont-
bijt met den schilder, hij doet keertjes te paard met den schilder,
hij gaat met den schilder naar den schouwburg, hij rookt, hij
zwetst, hij biljart met den schilder; alleen, hij schildert met den
schilder niet. Dagelijks kunt gij hem in deze zaal vinden; want
hij is een hartstochtelijk bewonderaar der schilderkunst en der
schilders. Indien gij op dezen afstand het woord artiste op zijn
voorhoofd meent te lezen, zult gij hem tot den gelukkigsten der
stervelingen maken. „Ook is zijn schilder hem menig idéé verplicht,
en zoo hij wilde.....ja zoo hij wilde!"....
Zult gij nu nog vertoeven, totdat de laatste laatsten du beau monde
verschijnen, die de zaal door huns gelijken bijna ontruimd vinden
en, tot hun groote wanhoop weder volgeloopen met „gepeupel",
dat reeds gegeten heeft — ? Of willen ook wij nu maar heengaan,
uit vreeze, dat deze of gene onderzoeker ons uitteekent, als cari-
caturen van on verdragelij ke leegloopers, die zich het voorkomen
van opmerkers geven? —
1838.
-ocr page 320-
DE WIND.
Het stormt buiten. Hoort gij het, mijne vrienden? het stormt. De
wind is verschrikkelijk: vlaag op vlaag; hij loeit om uw dak, hij
fluit door iedere opening, door eiken doortocht. Hij schudt uwe
deuren en vensterramen. Het is noodweer. Zegt niet: „laat ons op-
stokeu en bijeenschikken, en eten en drinken, en zóó luid spreken
dat wij den wind niet hooren." Het is epicurische lafhartigheid. Ge-
lij k gij bij zacht en liefelijk weer den blik wel duizendmaal uit het
venster werpt en, de vriendelijke natuur in al haar rustig schoon
aanschouwende, telkens uitroept: „het is heerlijk!" zoo ook past
het u op een dag als heden, althans een enkele maal naar den or-
kaan te luisteren, zijn woeden aan te zien, te denken aan de alge-
meene beroering, en te zeggen: „het is ontzaglijk!" Dit, dunkt
mij, betaamt een man. Zij, die het niet willen — ik vreeze dat zij
de stormen des levens met dezelfde kleinmoedigheid zullen zoeken
te ontduiken. Neen, zij zeker zijn het niet, die in rampen en ver-
schrikkingen, in onheil en nood, zich van hun toestand overtui-
gen durven, of in den storm des tegenspoeds het hoofd opsteken en zeg-
gen: „hier ben ik!" Zij sluiten hunne oogen voor het gevaar; zij
schuwen het in te denkei:; zij sterken zich het hart, noch oefenen
hunne zielskracht; zij hebben geen nut van hun leed; het zijn blood-
aards. Laten wij naar den storm luisteren.
Die wind, die ontzettende wind! Van waar komt hij ? Werwaarts
gaat hij henen? Vergeefsche vragen, door zijn krachtigen adem
medegevoerd en verstrooid! De onzichtbare, de geweldige, de al-
omtegenwoordige, de reus der geheimenis! Hoog, hoog boven de
aarde, om de lenden der bergen worstelt, woelt, en geeselt hij; door
rotsspleten en spelonken waart hij rond met snerpend geloei; in
den diepen afgrond gromt hij; in de eenzame woestijn, waarin geen
feluid gehoord woord dan het zijne, drijft hij het zand te hoop; door
e wildernis wandelt hij om, met luidruchtig geweld; — en de on-
metelij ke zee, — is hij niet grooter dan zij? haar broeder, haar
ontzaglijke speelgenoot, haar woedende bestrijder!
De onafhankelijke: hij waait werwaarts hij wil. Als gij hem. uit
het oosten wacht, verheft hij zich in het noorden. Gij gelooft, dat hij
sluimert in het zuiden — ziet, hij staat op in het westen! Hoe spoe-
dig is hij ontwaakt, hoe ijzingwekkend is zijn kreet, hoe onweer-
staanbaar zijn aanval! De sterke: soms ia hij speelsch en dartel;
maar wee! wee! als het hem ernst is; want eer hij den kampstrijd
aangaat, is zijn triumf verzekerd. Het woud gaat hij door, als door
sanheuibs leger de slaande Engel des Heeren. De wateren woelen,
zieden en branden. Hij ontbloot de beddingen, hij smakt de steen-
-ocr page 321-
303
rots van haar voetstuk. De gelederen der golven breekt hij door, en
speelt met haar schuim als waren het witte vederen, haren gehelin-
den kruinen afgerukt. Te vergeefs zoo de zee zich opheft als een be-
zetene, dol van woede, bruisende van toorn. Hij grijpt haar aan,
en schudt haar tot zij machteloos en stuiptrekkende nederstort —
en wie zich aan haar borst vertrouwden, wie zich waagden op
hare gevaarlijke diepten... Heere! behoed hen! zij vergaan.
Krachtige stem der natuur! Hoe schokt gij de harten der men-
schen! Alle geluid van het onbezielde is door u, levende stem der
lucht! G-ij spreekt; de echo der bergen, de schoot der wateren, het
dichte loover antwoordt u. Maar gij, gij overschreeuwt die allen. Wel
moogt gij de stem des Heeren heeten. Voorzeker neen: geen ont-
grendeld rotshol, geen gonzende knots, geen losgelaten vleugel-
paard, geen adelaar met klappende wieken bracht u voort: gij zijt
de stem des Almachtigen. Zijn Geest is een adem, een aanblazing,
een krachtig ruischen. Woest was de baaierd, woest en ledig; geen
orde, geen onderscheiding, geen licht, geen geluid. De duisternis
zweefde over den afgrond. Alles stil en levenloos. Maar een krach-
tig, een zwoel, een vruchtbaarmakend windgeruisch ging over de
diepte. Het was de adem Gods broedende\' over de wateren. Zij
sidderden op die aanraking; die siddering was leven. De stilte was
gebroken. Sinds dat oogenblik gingen van God uit scheppende kracht,
orde, en leven! — In het suizen van den avondwind behaagde het
Jehova den eersten zoon des stofs te verschijnen; en uit den wervel*
wind sprekende tot job, leerde hij hem sidderen voor de mogend-
heid zijner almacht. Hoort gij dit plechtig geloei? Welnu! zulk
een gearuisch vervulde het gebouw, waar de discipelen bijeenzaten
op den Pinksterdag; het was Gods Geest, op aarde nederdalende
in het ruischen „als van eenen geweldigen gedrevenen wind".
Maar dit symbool der kracht Gods, zoo onzichtbaar, zoo ge-
ducht, is het ook niet een schaduw zijner weldadigheid? Ziet, nu is
hij geweldig en verpletterend; maar hij is toch geen woestaard, al-
leen uitgaande tot verdelgen! Als alles doodsche stilte is; de zon
brandend; de korst der aarde gespleten; het geboomte verschroeid;
het pas opgeschoten veldgewas schraal en met stof bedekt; als de
kanker der vertering in stilte voortvreet, en de stinkende damp des
verderft hevelt uit het lauw moeras — dan verheugt zich de dood in
een rijken oogst. Maar, in de verte ziet gij een wolkje, niet grooter
dan uw vuist, en het is als hoordet gij den slagregen reeds ruischen ;
want de bode des Heeren is opgestaan, de breedgewiekte wind,
die het in een oogwenk tot u zal brengen. Hij komt, de afgebe-
dene, de gezegende. Voor zich henen drijft hij den pestwalm, die
om uwe hoofdeu zweefde, en onder zijne wieken voert hij mede
de trezoren der vruchtbaarheid en des bloeis, der gezondheid en der
1 Gen. I vs. 2. Vg. Dent. XXXII. vs. 11. Hebr.
-ocr page 322-
304
kracht. Hij vernieuwt het gelaat des aardrijke. Hij vaagt het stof af
van den oogst j de sluimerende groeikracht wekt hij op uit hare be-
zwijming. Verkwikkend gaat hij om, en deelt frissche teugen uit
van welvaart en van leven.
Herinnert gij u den weelderigen zomeravond, dien gij zoo zeer
fenoot ? De dag was drukkend geweest en benauwd. De zon,
raehtig tot het laatst toe, was ondergegaan te midden van purper
en rozen. Nog zongen de vogelen niet. Er lag eene zwaarte op de
geheele natuur. Alles was stil. Maar daar ontwaakte een zacht ge-
rucht, het suizen van een liefelijk koeltje. Hoe vingt gij het op met
dorstige lippen, met hoeveel wellust ademdet gij het in, en liet het
spelen door uwe bedauwde lokken! Het kwam vriendelijk aange-
zweefd, beladen met den geurigen wasem van blad en bloem, en
koelde loover en grasscheuten. Fladderend streek het over het
lauwe water, en helderder en frisscher rimpelde dat, en ruischte als
verheugd; de toppen der boomen vingen aan welluidend te zwatelen:
— het was een liefelijk ineensmelten van zachte en vredige geluiden.
Het was u , als hoordet gij een stem van enkel liefde. Welnu! het was
de stem der liefde Gods. Zoo ruischte zij den profeet in de ooren, op
den top van Horeb, waar hij stondenden Heer verbeidde. „En ziet,
de Heer ging voorbij , en een groote en sterke wind [als deze!] scheu-
rende de bergen en brekende de steenrotsen voorden Heere henen.
Doch de Heer was in den wind niet. En na deze wind, eene aard-
beving ; de Heer was ook in de aardbeving niet. En na de aardbeving,
een vuur; de Heer was ook in het vuur niet. En na het vuur, de
stemme eener zachte koelte. Toen sprak de Heer tot elia". — Dit,
mijne vrienden, staat in den Bijbel, opdat gij het lezen zoudt, in dezen
stormachtigen tijd! O, \'s nachts, \'s nachts, als gij slapeloos nederligt,
en de ontboeide wind gierende omgaat om uw huis als een brullende
leeuw die schijnt te zullen binnendringen — dan gaat eene hui-
vering u door de ziel! Zegt mij, hebt gij gebeden ? God, de Heer! voor
wien stormen en orkanen zijn als dienaren die, als hij ze roept, tot-
hem komen en zeggen: „Hier zijn wij!" God, die ze uitzendt en
terugroept als boden en slaven — die Almachtige is zachtmoedig en
liefderijk als eene zachte koelte. Slaapt dan in! Al waart gij ook
teedere moeders, wier zonen verre zijn; misschien wel op den bree-
den vloed! Nog eenmaal gebeden, en dit bedacht! en het zal u we-
zen, als zweeg de wind, en als omringde u alleen de zachte, de
kalmte aanbrengende Heide Gods. Slaapt in; die liefde sluimert
nooit. Vreest niet - gelooft alleenlijk.
October 1838.
-ocr page 323-
ANTWOORD OP EEN BRIEF UIT PARIJS.
Eindelijk heb ik hem gezien, mijn Vriend, gezien en bewonderd!
Het monster van Bleekloo, de aangebedene, de gevierde, de hoop
van allen, die nog niet wanhopen aan den goeden smaak en den
echten geest der Hollandsche schildersehool; van allen, die nog ge-
looven in het dunne coloriet van van dijck en het krachtig penseel
van frans hals. Hoe zal ik u een denkbeeld geven van zijn manier ,
van zijn talent, ik die het A\'aticaan niet gezien heb, en dat nog
wel aan u, die geen der naaischolen van Bleekloo te vinden weet; of zeg
mij, kunt gij vergelijkingen maken tusschen de vermoedelijke be-
kwaamheden der verschillende echtgenooten van de verschillende
naaivrouwen blok, over den kant, preveilie en andere? Neen
voorzeker, gij weet niet, dat noch de man van juffrouw over den
kant, noch die van juffrouw blok , nog die van juffrouw preveilie ,
noch zelfs die van naatje de zoom ooit of ooit het penseel behan-
deld hebben, overmits deze geen van allen den maagdelij ken voor
den huwelijken staat hebben verwisseld. En toch, hoog over het
hoofd van juffrouw de zoom zetelt het genie, zetelt de hoop des vader-
lands; het is haar vader. Het is niet de kunstenaar, dien gij in hem
groet; het is de kunst zelve. Nauwelijks heeft hij den ouderdom van
achtenzestig jaren bereikt; welk een heerlijke dageraad gaat voor
de Hollandsche schildersehool op! — Helaas! ik weet niet hoe ik het
u duidelijk zal maken wat wij m hem te wachten hebben, wat zijn
talent kenteekent, wat hem op de onbereikbare hoogte, die hij
besteeg, geheel alleen doet staan, geheel op zichzelf! En toch, ik wil
het beproeven; want ik wil den Avondbode een vlieg afvangen en het
Handelsblad vooruitzijn. Ik wil u, in het hartje van Parijs, het vader-
landsche bloed van edelen trots doen gloeien; ja gloeien, ja tintelen,
,ja bruisen moet het! Gij zult weten wie onze Bleekloosche de zoom
is, al zou ik ook aan de aesthetische beschouwing van zijn talent iedere
uitboezeming van vriendschap en hartelijkheid ten offer brengen; al
moest ook dit mijn geschrijf veel meer van een feuilleton in een der ge-
noemde dagbladen of van een artikel in den Letterbode hebben dan
van een vertrouwelij ken brief— al moest, van bladzijde 1 tot bladzijde
4 toe, de zoom , de zoom , de zoom ! uw lezende aandacht absorbeeren.
Zoo ik begin met u te zeggen dat de zoom een monster is, zeg ik
niet te veel. Hij heeft, als ik reeds zeide, pas achtenzestig jaren
bereikt; nooit heeft hij een meester gehad; de natuur deed hem ge-
boren worden met dat eigenaardig gevoel voor \'t schoone en verhe-
vene, dat hij met zooveel waarheid en kracht op het doek weet uit
1 Het volgende stukje, hier om den wille der volledigheid opgenomen, is
niet meer dan een grap. Het is de parodie van een blief, aan Hildebraud door
zijn vriend Baculus geschreven; brief, waarvan de inhoud enkel bestond uit
eene (voor het overige welverdiende en welsprekende) lofrede op het genie dei-
beroemde treurspelspeelster rachel.
20
-ocr page 324-
306
te drukken. Als een klein kind op school, teekende hij reeds zijn
meester uit op de lei, met een pijp in den mond, en maakte hij pa-
troontjes voor zijn zuster die uit oorduren ging. Ook beschilderde
hij niet zelden de deuren der pakhuizen en der nachtwachtsverblii-
ven met wit en rood krijt. Een voorbijganger vond hem met dit
werk bezig en bewonderde de kracht van zijn schetsen. Die voor-
bijganger was zelf kunstenaar. Hij was huisschilder en glazema-
ker. Weldra vertrouwde hij hem de kunst toe en wijdde hem in
de geheimen van het tempermes in. Niet lang duurde het of de zoom
begon zich op de uithangborden toe te leggen. Het eerst leerde hij
koffiekannen en trekpotten schilderen, daarna werd hem zelfs de
uitvoering van een glas bier toevertrouwd. Het opmerkelijkste was
het schuim. Nooit had men zulk schuim gezien. Het was meer dan
bierschuim; het was champagneschuim. Verbeeld u, mijn waarde!
welk een verbeeldingskracht in een huisschildersjongen, wiens va-
der mandemaker was, en die dus, naar alle waarschijnlijkheid,
nooit champagne had zien schuimen. Langzamerhand liet zijn
meester hem toe ook wapens te malen; en hierin was het vooral dat
zijn goede smaak uitschitterde. Met voorbeeldelooze stoutmoedig-
heid bracht hij alles tot het natuurlijke terug; alle leeuwen geel met
zwarte manen, gelijk de echte barbarijsche. Hij wist van geen roode,
geen blauwe, geen zwarte. Die hem van keel en sabel sprak, deed hij
het aanbod van een pak slagen, en hij zou eens bijna gestorven
zijn van woede, toen men hem zeide dat sommige wapenschilders
roode arenden hadden voorgesteld met blauwe neb en blauwe klau-
wen. „Want," zeide hij, „een arend is toch bruin". En hij had gelijk.
Ondertussehen was hij nu op de hoogte om tot het eigenlijk dier-
schilderen, voor zoover dit zijn meester te pas kwam, over te gaan,
en reeds had hij werkelijk de schets gemaakt van een dorstig hart,
toen de ongelukkige troubles van die dagen — tusschen 85 en 90 —
ook den jeugdigen de zoom in hunnen maalstroom meevoerden. Hij
verdween nu voor een poos van het tooneel en men hoorde niet van
hem. Men spreekt van een spotprent, die hij op den Prins zou heb-
ben gemaakt, waarvan de hoofdgedachte was: een groote gouds-
llocm die door een Jceeshond van zijn steel werd gebeten;
en van nog
eene andere op de Engelsche natie, waarvan de voorstelling verge-
ten is geraakt. Hoe liet zij, men zou ook de zoom bijna vergeten heb-
ben , ware hij niet verleden jaar plotseling weder te voorschijn geko-
men met zijn meesterstuk: 7 Is een toer om der op te komen. Het denk-
beeld is niet nieuw. Een groot paard staat geheel opgetuigd en ge-
zadeld, en een zeer klein man maakt zich gereed het te bestijgen,
\'t welk hem, aangezien de kleinheid van zijn postuur, zeer moeielijk
valt. Alles is in deze schilderij leven en beweging. De pogingen van
den dwergachtigen ruiter die der niet op kan komen spreken,
door het groene jachthuis dat hij aanheeft heen, — men ziet hem
vlak op den rug — in alle spieren. Met veel geestigheid heeft de
-ocr page 325-
307
schilder de laarzeu en sporen zóó zwaar en kolossaal voorgesteld,
dat men gevoelen moet dat ook deze eene belemmering zijn om het
paard te beklimmen. Het uitstekendste van alles is echter net paard
zelf, in hetwelk voor te stellen men zeggen mag dat het genie van de
zoom. het zenith van zijn kracht heeft bereikt. Met voorbeeldelooze
stoutmoedigheid heeft nij over de zwarigheden van zijn bestek, ja
zelfs over de natuur gezegevierd, en de evenredigheden dermate
weten te beheerschen en in te richten, dat vooral de hoogte van het
ros, en dus de moeielijke bestij gbaarheid, sterk in \'t oog springt.
Dit heeft ten gevolge gehad, dat de hals zeer inëengedrongen heeft moe-
ten worden, en zelfs de kop niet dan klein kon wezen. Zooals het
hier is voorgesteld, gelijkt net teffens op een paard, een olifant, en
een hazewindhond; maar de karakters dezer drie schepselen spelen
derwijze dooreen in de schilderij, dat men zeggen kan dat het schep-
pend genie des schilders hier een nieuw wezen heeft voortgebracht.
Ik spreek niet van de uitvoerigheid, waarmee het hoofdstel van het
ros, waarmede de gestreepte rijbroek van den ruiter zijn afgemaaid,
noch van het landschap, waarover een donderwolk hangt, die door
een toovergloed, die uit den grond schijnt op te komen, wordt
verlicht. Mijn bestek verbiedt mij hier verder over uit te weiden. Ook
vergt gij het niet. Hetgeen ik van de zoom gezegd heb, zal u genoeg-
zaain hebben doen blij Ken dat dit jeugdig talent gemakkelijk alle
andere talenten in ons vaderland achteruitzet en overtreft.
De zoom is niet groot van gestalte; zijn gelaat is meer vervallen
dan mooi. Gewoonlijk draagt hij een blauwe slaapmuts met witten
omslag; hij rookt en snuift beide. Hij draagt sedert vijfjaren een
bruinen jas, halfsleets op een boelhuis gekocht. Zoo zag ik hem vóór
mij; bezig zijnde met het portret van een zijner vrienden. Hij leide
de laatste hand aan het haar, om vervolgens tot het voorhoofd over
te gaan; want hij behoort niet tot die losbollen van schilders, die
voor zij nog eens geteld hebben hoeveel rimpels gij in uwe tronie
hebt, maar aanstonds zes, zeven groote strepen neerzetten, kris,
kras, heb ik jou daar! en u langzamerhand als uit een mist in het
leven roepen. „Men moet met orde werken," zegt hij; „menigschil-
der heeft een portret bedorven door aan den bakkebaard te beginnen,
•eer hij de wenkbrauwen haar eisch gegeven had." „Dit haar," zeide
hij mij, „komt u wat stijf voor; maar de man draagt een pruik," voeg-
de hij er bij, „en ik zeg altijd, een pruik moet een pruik blijven."
Van waar — o mijn vriend, verklaar mij dit raadsel! — vanwaar
heeft een mandemakerszoon deze stoutmoedige denkbeelden? O!
Jiet genie!\'Het genie!... Ik moet afbreken.
Bewaar dezen wel. Ik wil hem naderhand laten drukken.
17 Januari 1839.                                                                Uw vriend,
HlLDEBKANO.
P.S. Wisch de tranen over den dood van schotel uituweoogen.
-ocr page 326-
TEUN DE JAGER.
Het laatste eenigszins teekenachtige dorp aan Hollands weste-
lijken kustkant is zonder twijfel het armelijk Schoorl. Het ligt aan
den voet der duinen, ter plaatse waar die net allerbreedstzijn,om
bij Camp plotseling geheel af te breken en, tot Petten toe, het land
hare bescherming te onttrekken en dat groote open te veroorzaken r
hetwelk de beroemde Hondsbossehe zeewering, tot welker instand-
houding zooveel paalwerk en zooveel maaltijden onvermijdelijk zijn,
noodzakelijk maakt. Evenals in het aangrenzend Bergen, treft hier
den wandelaar het aangenaam schouwspel eener hooge, met dicht
kreupelhout en koele bosschages bewassen duinhelling; en van die
Heerlijkheid af, welke borselens. brederodes, en nassaus onder
hare vroegere bezitters telt, tot aan ons klein {Schoorl toe, gaat
men, langs een bevallig slingerenden zandweg, ter wederzijde al-
tijd in de schaduw van eiken, iepen, berken en allerlei geboomte,
langs welks stammen zich hier en daar het klare duinwater in kron-
kelende beekjes voortdringt, en waartusschen zich aan weerskanten,
van afstand tot afstand, de kleine stulpjes der bewoners vertoonen,
aan de westzijde niet zelden half in het duin begraven en van boven
grauw van bloeiende mossen en knoestige zwam.
Aan het einde van dit aangenaam pad steekt het groene torentje
van Schoorl spits in de hoogte, om op net eigenlijk dorp en zijne vele
graanakkers neder te zien, waar de gort geoogst wordt die tot de
vermaardheden der Alkmaarsche markt behoort. Die deze liefelijke
bosschages doorwandeld heeft en, na zich eerst in de koele lom-
nier en daarna in de eenige herberg van het dorp te hebben ver-
kwikt, nog hooger noordwaarts op wil, moet eerst zijn rekening
met het geboomte sluiten; want hem toeft niet anders dan het
Hondsbosch, dat in het geheel geen bosch is, daarna de Zijpe, West-
frieslands grootste drooggemaakte vlakte, en dan de woestijn van
het Koegras, totdat hij bij den Helder in het Marsdiep staat te sta-
ren en aan den oostkant net eiland Tessel ziet opdoemen, waar reizi-
gers van verzekeren dat er een lief bosehje bestaat, tusschen den
Burg en het Schild, nietig overschot van vroegere woudpracht.
Het was in de laatste dagen van September 183*, op een zeer
vroegen morgen, voordat de zon nog op was, dat de kleine deur
van een der boven beschreven stulpjes aan den duinkant nabij
Schoorl openging, en zich een jonge man op den drempel ver-
toonde, die met oplettendheid lucht en windstreek in beschouwing
nam. Een schoone bruingevlekte patrijshond was reeds, zoodra de
bovendeur was opengegaan, over de onderdeur gesprongen, en
rolde zich nu met kennelijk genoegen voor zijne voeten in het zand
of sprong tegen zijne knieën op, en legde zich dan weder voor een
-ocr page 327-
309
oogenblik, met de voorpooten uitgestrekt en den kop daartusschen >
neder, otn straks weer op te springen, zachtkens jankende en alle
de geluiden en figuren ten uitvoer brengende van een jachthond,
•die genoegen smaakt. Over \'t geheel is er geen dier, dat lichter te
vermaken valt en minder spoedig blasé is. Zijn meester behoeft
slechts naar het geweer te grij pen, en deze beweging roept onmiddel-
lijk de schitterendste vooruitzichten van genot en zaligheid voor de
ontvlamde verbeelding van den hond, waarvan ik mij overtuigd houd
dat de opgenoemde vreugde teekenen niet dan flauwe bewijzen zijn,
vergeleken bij het gevoel dat zijn ruige borst doortintelt; en zulks
niettegenstaande hij zeer wel weet dat voor hem al de genoegens
van den dag zullen bestaan in loopen, staan, drijven, en aanbren-
gen, zonder ooit of immer eenige hoop te mogen voeden op het ge-
ringste aandeel in den buit.
De jonge jager — want het was er een —zager in zijn versleten
groen buis, met de oude weitasch en ouden hagelzak kruislings
over de beide schouders, de broek in de laarzen, de groene laken-
sche muts schuins opgezet, en het kort dubbel jachtgeweer, met het
groen, afhangend cordon onder den arm, recht teekenachtig uit.
Hij was groot en forsch, een blonde zoon der Cel ten, en zijn bruin-
verbrand gelaat deed het heldere blauw zijner oogen te tneer uitko-
men; maar op dit oogenblik, als hij eerst naar de lucht eu daarna
om zich heen keek, hadden zij eene neerslachtige uitdrukking.
„Koesta, Yeldin!" riep hij, en het was alsof de blijde sprongen
van het dier hem verveelden, dat niet gehoorzaamde aan dit bevel,
maar zijne knieën nog steeds met dezelfde vroolijkheid bleef lastig
vallen, daar hij de deur sloot. Hij gaf Veldin een schop.
Het dier droop met den staart tusscheu de beenen at, en jankte.
„Kom maar hier, Veldin!" hernam de jager, berouw toonende.
En hem den kop streelende, voegde hij er bij : „Kan jij \'t helpen, dat de
baas slecht geslapen het?"
Hij nam den weg aan naar het dorp.
Indien de Schoorlsche jeugd haar teust den Jager, want zoo heette
hij algemeen, op dezen vroegen morgen had zien gaan, zij zou
haar oogen nauwelijks geloofd hebben, want nooit zag zij zijn oog
zoo droevig, nooit zoo ter aarde geslagen; nooit was zijn stap zoo
slenterend en onverschillig. Hij was bij haar voor den opgeruimdsten
borst van het dorp bekend; en hetzij hij den kinderen eu nieuwsgie-
rigen knapen wonderlijke jachtleugens diets maakte, hetzij hij den
jongen meisjes koude nagelkorrels onder denhalsdoek vallen liet, of
•de oude besten met zijne vroolijke invallen opleukerde bij het spin-
newiel, altijd scheen het uit zijn hart te komen, uit zijn zorgeloos en
blijmoedig en luchtig hart. En toch behoorde teün de Jager tot die
gestellen, bij wie de vroolijkheid minder eene eigenschap dan een
vermogen der ziel schijnt te zijn, en was er onder deze levendige
beek zijner opgeruimdheid, waar zich niets dan licht en bloemen in
-ocr page 328-
310
schenen te spiegelen, een bodem van ernst en droefgeestigheid.
Aan deze gaf hij zich niet zelden in de eenzaamheid over, en eene
kleinigheid was in staat hem in die stemming te brengen. Dan was
hij zwaarmoedig, ja moedeloos. Dan dacht hij, zonder merkbaren
overgang, aan zijne moeder en zijn vader die nij had zien stervenr
en „aan de groene boompjes" van het kerkhof; dan zag hij voor zich-
zelven geen ander verschiet dan van armoede en gebrek; totdat de
tegenwoordigheid van menschen hem uit die mijmering opwekte r
en hij weer de vroolijke, grappige teun de Jager was van altijd.
De jacht was zijn lust en zijn leven, en van half September tot 1 Janu-
ari genoot hij eerst recht. Met het blijmoedigst gezicht van de wereld
f ing hij telken morgen vóór de zon in \'t veld; maar wonderlijke
ingen kon hij denken op die lange, eenzame wandelingen, met het
feweer in de nand en niemand öm hem dan zijn getrouwe Veldin.
[eden scheen er veel naargeestigs op til te zijn voor hoofd en ge-
moed, want traag en druilend was reeds het begin.
Zijn gelaat helderde evenwel niet weinig op, als hij bij een klein
huisje stilstond, dat zich aan zijn rechterhand half tusschen het
geboomte verstak. Hij luisterde aan het gesloten venster. Een oogen-
blik scheen hij te aarzelen; toen vermande hij zich en tikte met de
bruine knokkels twee-driemaal tegen het \'oude luik. Een geluid van
binnen, alsof er eene stoel verzet werd, beantwoordde dit sein.
Hij glimlachte.
„Ze zullen er wezen!" riep hij luide.
„Wel goed!" antwoordde een welluidende vrouwestem, die uit
de diepte scheen te komen.
Nog een oogenblik vertoefde hij; en langzaam vloeide de glim-
lach weg op zijne lippen en hernam zijn gelaat de sombere uit-
drukking van zoo even. Hij hief zijn hoofd op en miste den hond.
Hij floot zachtkens. Veldin was dichter bij dan hij gedacht had en
sprong uit het hooge toeterloof, waaronder zich, vlak naast het
stulpje, eene kleine duinsprank verschool, te voorschijn.
„Duivelsche hond! motie nou al zuipen?" gromde hij baloorig.
Maar terstond veranderende, zei hij zacht tot zichzelven: „Als sijtje
wist dat ik knorrig op den hond was! Ik verdien vandaag ongeluk-
kigte zijn."
Een ongelukkige overtuiging voor iemand die ter jacht gaat.
Nu verhaastte teun de Jager zijne schreden en bereikte het
dorp.
De hond scheen het akkerland voor zijne bestemming te houden,
en verwijderde zich rechtsaf. Hij riep hem terug.
„Hierheen, Veldin!" zei hij vriendelijk: „je mot klimmen, man.
Ze hebben de stoppels nog niet noodig; in \'t duin is nog genoeg te
grazen." En hij wendde zich links.
„Mot je boven wezen, teun?" vroeg een man, die ook al op
bleek te zijn en plotseling te voorschijn kwam, met een grijs
-ocr page 329-
311
buis met jachtknoopen, een stok in de hand, en een hoed, met
een groenen band er om, op.
„Ja, jantje!" antwoordde de jager; „ze zijn nou nog te drok bezig
op de geest."
„Je spreekt een waar woord," zei de oppasser van het Berger
Bosch, want die was het. „Wil je niet reis opsteken?" voegde bij
er bij, hem minzaam zijn pijp voorhoudende.
„Dankje, jantje!" hernam teun; ,,\'k heb van daag me tabak nog
niet verdiend. Je bent er al vroeg bij. Heb je een strooper op \'t
spoor, of hoe zit het?"
„Neen, maat!" antwoordde de oppasser. „Ik ga op Schoorldam of;
ik mot te Alkmaar wezen, en ik rij met jaapie mee. Een geluk-
kige jacht!"
„Dankje, hoor!" zei de ander. En van den hond gevolgd, na-
derde hij het duin en maakte zich een weg door het kreupelhout,
nat van den mist, waaruit duizend nietswaardige mosschen ver-
schrikt opvlogen, en klom naar boven.
Toen hij den top des heuvels onder zich had, zag hij op het dorpje
terug. De zon begon de kim te bereiken en wierp reeds hare eerste
stralen uit. De najaarsmist begon te blinken van al die kleurige tin-
ten, die het doen schijnen alsof de regenboog op aarde is afge-
daald; het kruis op de torenspits begon te glimmen, en de drop-
pels, die aan de punten der dichte bladeren beefden, namen hunne
dichterlijke gelijkenis op schitterende juweelen aan. Zijn oog zocht
het plekje, waar sijtjes stulpje zich onder het geboomte verschool.
JViets bewoog zich daar, en ook in geheel het dorp was alles nog in
stilte begraven; een enkele haan kraaide; een enkele hond kroop
langzaam uit zijn hok te voorschijn; maar geen menschelijk wezen
bewoog zich. Alleen zag hij, op net rechte pad naar Schoorldam,
den jachtoppasser, die zijnen weg met haastige schreden vervolgde.
„Alles slaapt nog," zei teun de Jager tot zichzelven, „en sijtje
is zeker ook weer ingesluimerd. Zouën ze allegaar droomen?" —
„Gekheid!" vervolgde hij; en haalde zijn veldflesch te voorschijn;
en, zich houdende alsof hij den hond toedronk: „Komaan, Yeldin!
den eerste zen dood!"
Daarop spande hij de beide hanen van zijn dubbelloop, en begon
het jachtveld af te treden.
In geheel Schoorl en Bergen was geen beter jager dan teün. Hij
behoorde tot die weinige gelukkigen die zoo goed als zeker van
hun schot zijn. „Weetje wel, waar\'tan houdt," had de oude kbelis
eens gezegd, daar hij voor De Moode Leeuw met eenige boeren op de
bierbank zat en teun voorbijkwam, beladen met een zwarenjacht-
buit; „weet je wel, waar \'t an houdt, dat teun de Jager, als er twee
hoenders opgaan, de een vóór hem en de ander achter zijn rug, ze
toch allebei neerleit?" — „Omdat ie een dubbeld geweer het,\' had
men geantwoord. — „Mis, maat!" had kbeijs gezeid: „omdat ie een
-ocr page 330-
312
dubbelde kerel is." Vandaar, dat teun de Jager ook nimmer klaagde
over al die tegenwerkende omstandigheden in de vier elementen,
waaraan een aantal jagers het alleen toeschrijven, als zij platzak
thuiskomen, en zelden breed opgaf van hazen of patrijzen, die
hij wel niet thuisbracht, maar waarvan hij zich toch overtuigd hield
dat zij in een of andere onnaspeurlijke krocht aan hunne wonden
zouden moeten overleden zijn.
De teug, het voor een jager zoo welluidend getik der hanen van
zijn geweer, de blijde zonneschijn, schenen teun de Jagers som-
berheid te verdrijven en hem moed in te boezemen; de onistandig-
heid dat hij het jachtveld werkelijk bereikt had wekte zijnen geest
op. Veldin sprong wakker voor hem uit en begon al spoedig zeer
gewichtig met den neus langs den grond te snuffelen.
„De hond begint nou al te werken," zei teun ; „dat zei goed gaan."
Ook duurde het niet lang, of een schuchter haas sprong op. De
twee schoten vielen, het een na het andere. De hond sloeg aan;
het haas was vrij.
„Wat duivel nou!" riep teun de Jager, en smeet het geweer
neder. Verbaasd zag hij den langoor na, die nergens gekwetst was
en, van den hond vervolgd, de vlakte doorrende, tot hij aan de
andere zijde van een duin verdween, waar Veldin hem woedend
en met een onafgebroken kort keften nazat, maar telkens grond
verloor.
Hij floot den hond terug en laadde op nieuw.
„Ik dacht wel, dat ik ongelukkig wezen zou!" riep hij uit. „Nou,
\'t was maar een haas! Zacht, Veldin!" En hij vervolgde zijn weg.
„\'t Was maar een haas," zei teün de Jager; maar wat wilde hij
dan? Laat ik u iets van sijtje vertellen, en gij zult het begrijpen.
Ik zal niet beginnen met te zeggen dat sijtje de mooiste was van
al de Schoorlsche meisjes; want zulk een uitdrukking zegt soms
niets, soms te veel, en is in alle gevallen afgezaagd. In duizend ver-
halen is het meisje altijd het mooiste van den omtrek. Maar zeker
was dit een allerliefst kind; teerder en fijner dan de meeste boerin-
netjes, en dat het zilveren oorijzer van \'s zondags, in de week zeer
goed missen kon om er allerbevalligst uit te zien. Zij was een wees-
kind en de steun en troost van een oude grootmoeder en een doof-
stom broertje van een jaar of tien. Dit drietal maakte te zamen het
kleine huishouden van \'t stulpje onder \'t geboomte uit. En behalve
hare grootmoeder en het ongelukkige kind, had sijtje niemand
liever dan teun den Jager, en indien zij \'t hart had gehad om ooit
of ooit aan haar grootmoeders dood te denken, zou zij er misschien
al heel na aan toe geweest zijn om zich voor te stellen teun de Ja-
gers vrouw te worden. Zooals de zaken nu stonden, plaagde zij teun,
en teun haar, uit alle macht, en verder kwam het niet. Maar de oude
grootmoeder mocht teun graag hooren schertsen, en het doof-
stomme kind was overgelukkig als het hem naderen zag, en als hij
-ocr page 331-
313
het leerde knippen van steenen te maken om tnosschen te vangen; en
sijtje zag teun\' met groote, heldere, donkerblauwe oogen al heel
vriendelijk aan, als hij den jongen voorthielp of liet hobbelen op zijn
knie, tot hij van vreugd het eeuig geluid maakte dat hij te voorschijn
kon brengen. En \'s avonds, als teun naar huis ging, gebeurde
het wel, dat zijne lippen haar blank aangezientje (en ook met meer)
aanraakten; en het „wel te rusten, teun!" was er niet minder
vriendelijk om.
Maar gisterenavond had sijtje hem erg geplaagd, want het was
reeds de zesde dag van de jacht, en schoon teun menig haas had
thuisgebracht, hij had nog geen enkel patrijs geschoten.
„Xeen, TEUN-broer!" had sijtje gezegd: „haar, dat gaat nog;
.maar veeren kanje niet schieten; die zijn je te gauw of, maat!"
„Hoeveel hoenders wilje, dat ik je morgen thuisbreng?" vroeg
TEUN.
„Ik zal \'t je maar niet te zwaar opleggen, jongen!" antwoordde
sijtje. „Schiet er twee. en ik zei leuven dat je \'t nog kenne."
„\'t Zei beuren, su!" riep de jager, en sloeg zijn arm om haar
middel, „\'t Zei beuren na je woorden, of mijn naam zal geen teun
•de Jager meer zijn!" En hij trok haar naar zich toe.
„Bedaard, teun-tje!" riep het meisje; „geen gekheid, hoor! Zoe-
nen, ben je raar? Als er maar eerst hoenders zijn, dan zullen we
reis kijken. Foei, jongen, geen gekheid!" En zij lachte dat ze
schaterde, om aan hare ernstige waarschuwing klem bij te zetten.
„Erg best," antwoordde de minnaar; „maar weet je wat, su?
feef me een zoen op hand; en als ik je morgen geen hoenders breng,
an nooit geen zoen meer; maar breng ik ze mee: wee je gebeente."
„G-edaan!" riep sijtje vroolijk, en zij trad naar hem toe, en gaf
hem een fiksehen handslag, en liet zich een kus op de wangdruk-
keu, waarbij haar mondje zich iet of wat minder afdraaide dan an-
ders; en de doofstomme jongen, die het aanzag, lei zijn hoofd in
den. nek, sprong in het rond van genoegen en klapte in de handen
op het heugelijk gezicht.
Verbaast het u, dat teun de Jager heden met eenige minachting
op „maar een haas" nederziet?
En toch! Had hij het haas maar gehad! want het scheen er meer
en meer naar te staan alsof hij niets thuis zou brengen. Te vergeefs had
hij reeds een paar uur door het breede Schoorler duin omgedwaald;
door valleien, waar hij tot over de enkels in het dichte, bruine mos
stapte; over witte blinkerds, waar het droge, rollende zand zijn voet-
stappen uitwischte; langs vlakten, waarin brakke poelen den grond
doorweekten; nergens, om een Xoord-hollandsche jachtterin te ge-
bruiken, nergens „bedekte1 hij leven". Wel speurde hij hier den
„voet" van een haas, en verder het „gewei"* van hoenders; maar
1 ontdekte.           \' drek.
-ocr page 332-
314
noch het eerste noch de laatste deden zich voor. Hij schoot met
zekere kwaadaardigheid een witten uil, die zich op zijne lichte spo-
kige wieken uit een heesterwilg ophief, raapte hem op, en smeet
hem verachtelijk van zich. Veldin berokkende hem ook nog eene
laffe teleurstelling, daar hij voor iets stond dat, toen het eindelijk
uit het dikke mos opvloog, bleek niets meer dan een slechte leeu-
werik te wezen. En zoo verliepen de trage uren, en tetjk de Jagers
neerslachtigheid kwam terug, nog vermeerderd door de vermoeie-
nis en de hitte van den stij genden dag. Opeens was het alsof er
een luchtig windjen opstak, dat verkwikkend door zijn bezweete
haren blies, en toen hij daarop nog éénen hoogen witten zandheii-
vel besteeg, zag hij de groote zee voor zich.
De zee is altijd een ontzaglijk gezicht, maar als men haar ziet
op een volstrekt eenzame plek, met niets dan het dorre duin links
en rechts en achter zich, zonder hut aan het strand of zeil op
hare vlakte, dan grijpt de aanblik dier uitgestrekte ledigte u dub-
bel aan. U overvalt een gevoel alsof gij nu werkelijk aan de uiterste
grens der wereld stondt, alsof gij nu inderdaad de eenige, de laatst
overgeblevene bewoner der aarde waart. Huiverend zette tetjn de
Jager zich op den top des heuvels neder, zette het geweer in
de rust, en staarde op de zonnige golven. De hond rustte hijgend
naast hem uit; zijn roode tong hing lang en droog uit zijn bek. Hier
aan de volle zee, en toch geen lafenis!
Teun de Jager haalde een stuk brood en een paar zure appelen
uit zijn weitasch te voorschijn en deelde met zijn vriend. Ook nam
hij de veldflesch om een teug te nemen, maar zette haar weer van
den mond.
„Neen!\'\' zeide hij met een zucht. „Och, die droom! Ik wou,dat
ik dien droom kwijt was!"
Hij wilde den hangen droom van dien nacht, waarover wij hem
reeds hebben hooren klagen en die de oorzaak zijner neerslach-
tigheid was, van zich afschudden; maar het gezicht van de zee bracht
er hem bijzonderheden van te binnen, die hij reeds had ver-
geten. Alras verdiept hij er zich slechts te levendiger in.
Hij was weer, even als in zijn slaap, ter jacht met de zonen van
de ambachtsvrouw van Schoorl; evenwel niet in het Schoorler Veld,
maar in het Berger Bosch. Hij droeg een nieuw jachthuis met zon-
nige gouden knoopen, en sijtje had hem de veer van een fazante
haan op de muts gestoken. Plotseling vlogen er drie hoenders voor
hem uit, maar hij kon ze niet onder schot krijgen; telkens vielen
zij neder, als om hem te sarren ; maar zoodra hij naderde, kraaiden
zij, klapten met de vleugels, en vlogen verder. Eindelijk wilde hij
een poging doen om ze van zeer verre te schieten; maar zijn geweer
ketste en viel hem uit de handen. Toen kraaiden de patrijzen alle
drie driemaal, en een er van vloog op den hoed van den jonker, waar
het zitten bleef. „Mag ik schieten, jonker?" riep hij! De jonker,
-ocr page 333-
315
wuifde vriendelijk met de hand van ja. Hij lei aan — het hoen viel.
Maar toen hij ging om het op te rapen , was noch het hoen, noch de
jonker van Schoorl te vinden; maar daar lag het bloedige hoofd van
sijtje , en zag hem met gebroken oogen aan; en toen hij daar lang
op staarde, daar kwam eensklaps de zee, en het hoofd begon op de
golven te bewegen, en achteruit te gaan, en verdween, en kwam
weer boven, en verdween weer, totdat hij ontwaakte. Zijn haan
kraaide; het licht scheen door reten en vensters. Hij kleedde zich
tot de jacht.
En nu, daar hij lang op de zee staart, herhaalt zich het visioen ,
en het hoofd van sijtje verschijnt tusschen de zonnige, schuimige
rimpels van de Noordzee, en gaat op en neder met de golven.
Hij wendde zijn gezicht af van den plas, en strekte zich voorover
in het hangen van den heuvel uit, met de armen onder het hoofd.
Weldra geraakte hij in slaap, en het akelig schouwspel speelde hem
op nieuw voor den geest; maar de gansche zee werd rood als bloed,
en vlammetjes en vonken dansten er op rond, en zwierden er over-
heen in kringen. Op eens, daar dreunden twee schoten. Hij ont-
waakte. Yeldin was door het geluid opgevlogen en draafde reeds
den heuvel af.
Statig trok een blauwe rookwolk van achter een naburig duin om-
hoog, en een groote klucht patrijzen vloog haar verschrikt vooruit.
Teun riep den hond terug en volgde de hoenders met de oogen. Zij
zakten aan den anderen kant van den heuvel zachtkens lager, en
trokken mèt den wind zuidwaarts heen. Het volgende oogenblik ver-
scheen er een man op den top van dat duin en zag rond waar zij
bleven; maar zij waren reeds weer gevallen. Daarop laadde hij be-
daard zijn geweer, en teun de Jager zag hem een koppel mooie
hoenders in de tasch bergeu, nadat hij die eerst een oogenblikje met
welgevallen bekeken had.
Het was debk joosten , de eenige mensch in geheel Schoorl, die
hem niet lijden mocht, en dien hij niet kon uitstaan. Want debk
joosten was een gemeene knaap, en die er niet vies van was het
vak van strooper met dat van jager te verbinden, en hij had hem een-
maal betrapt, daar hij in den laten avond bezig was strikken voor hazen
te zetten, eene liefhebberij , waaromtrent de Schorelaars in een kwa-
den naam zijn. Voor het overige was hij een slecht jager en, met
stroopen en al, bracht hij in een jachtseizoen niet half zooveel thuis
als „de dubbelde" tetjït; wat hem in dezen zeer verdroot.
Zoo ras debk tetjn den Jager bemerkte, riep hij hem half ge-
biedend toe:
„Waar zijn ze heen \'etrokken, teunis?"
„Dat mot jij weten!" antwoordde deze.
„Kan ik dan door den berg heen kijken ?" grauwde debk joosten.
„Heb jij al wat?"
„Geen haar of veer!" riep teun de Jager openhartig.
-ocr page 334-
316
„Ik al," riep deek grijnslachend; en hij haalde een haas en drie
patrijzen uit de tasch, en hield die triomiant in de hoogte.
„Ieder zijn beurt, deek!" riep de ander hem toe.
„Ja," schreeuwde deek; „en of jij van daag ereis geen beurt hadde,
d . . derskind!"
Toen daalde hij het duin af, en ging zijns weegs, zich naar het
noorden wendende.
„Nou naar het Achterveld, Yeldin!" zei teun de Jager tot zijn
hond, en een straal van moed blonk weder in zijne oogen; een blijde
lach kwam op zijn bruin gezicht. Hij nam een korte teug uit de
veldflesch, en wandelde zuidwaarts op.
Hij had de plek waar hij de patrijzen had zien vallen goed in zijn
ziel geprent. JNaar alle berekening was het eene hem zeer wel be-
kende vlakte, die er uitziet als eene mislukte ontginning en hier
en daar bezet is met kleine boschjes van bremstruiken, kruip-
wilg, en dwergachtige berkeboompjes. Hij hield echter nog meer
zuidwaarts aan, als ging hij de plek voorbij, om de hoenders tegen
den wind te schieten. Toen naderde hij de vlakte; maar de patrijzen
waren wild geworden. En lang voor hij ze onder schot kon hebben,
vlogen ze op en trokken een goed end wegs zuidoostelijk af, waar
zij weder neervielen.
„Geduld," dacht teün; en nadat hij vruchteloos de vlakte had
afgezocht of er ook een enkel was achtergebleven, ging ook hij in
die richting, om de klucht te vervolgen.
Zoo ging het hem nog drie of vier malen, evenals in zijn droom;
de patrijzen bleven hem telkens vooruit. Hij verloor echter den moed
niet; het gezicht der hoenders in \'t verschiet, hoe sarrend ook, hield
dien gaande. Maar zóó was zijn ziel van patrijzen vervuld, dat
ik bijna geloof dat er dwars over zijn weg een haas had kunnen heen-
gaan zonder dat hij het, hoe goed jager hij ook was, anders dan te
laat zou bemerkt hebben. Na een paar uren jagens rustte hij nog-
maals uit bij een plek, waar de hond welwater vond. Het dier, niet
tevreden zich te laven, legde zich geheel op zijn buik in den plas,
maar zag er na die verkwikking ook weer zoo levendig en wakker
uit, als in den vroegen morgen. Teun nam er een voorbeeld aan en
vervolgde de jacht.
Reeds had hij het Berger Bosch op zijde. Op eens ziet hij de klucht
weer opvliegen, en kort daarop nedervallen. Hij haastte zich in
die richting aan te treden. Reeds naderde hij tot de plek waar zij we-
zen moesten! De houd hield den neus met de meeste oplettendheid
langs den grond. Teuns hoop was nog zoo levendig niet geweest
dien ganschen dag. Maar op eens! daar valt hem de jachtpaal van
den Ambachtsheer van Bergen in \'t oog, wiens ban zich nog eenige
roeden verder dan het bosch uitstrekt. Reeds was de hond dien
snuffelend voorbijgegaan. De verzoeking was groot. Hij had nog
niets opgedaan, na eene vermoeiende jacht van zoovele uren! Nog
-ocr page 335-
317
meer! hij had zich beroemd dat hij patrijzen mee zou brengen. Hoe
zou sijtjb hem den beloofden kus weigeren; erger! hoe zou zij hem
uitlachen! Zijn naam zou geen tetjn de Jager meer zijn. De oppasser
van het Berger Bosch was naar Alkmaar. Debk joosten — na, hoe
tergend had hij de hoenders opgeheven! — was noordwaartsuit ge-
gaan. En daar, een veertig schreden verder misschien, lagen de
voorwerpen van zijn verlangen, neen, van zijn behoefte, de mooie
hoenders, vermoeid van den langen tocht, wie weet hoe vast, uit
te rusten in het hooge mos.
Hij gevoelde dat hij beefde; het hart sloeg hem in de keel. De
hond ging al snuffelend verder. Hij hief zijne oogen op en zuchtte
diep. Een ondeelbaar oogenblik — en hij riep den hond terug, die
onwillig gehoorzaamde. „Teun de Wilddief wil ik dan toch voor
mezelven niet hieten", verzuchtte hij.
Hij keerde den jachtpaal en het jachtveld des Heeren van Bergen
den rug toe, en op eens — als om hem te beloonen — een luid gesnor!
Met de korte vleugels ruisehende, vloog, vlak vóór hem, een koppel
hoenders op; achterblijvers, die den trein niet hadden kunnen volgen.
Op hetzelfde oogenblik was zijn vinger aan de trekkers; de twee scho-
ten knalden. Het eene patrijs viel onmiddellijk loodrecht neder; het
andere trok nog een oogenblik verder, draaide in de lucht, en viel
evenzeer. Terwijl Veldin het eerste greep, ging hij om het ander
zelf op te rapen. Het leefde nog, en poogde zich in het mos te ver-
bergen, maar hij pakte het. Droevig en kiagelijk zag het dier hem
aan met zijn klein rond oog, waarin het licht reeds half was uitge-
bluscht. Hii liet het weder vallen. Met zulk een oog had sijtje hem
aangezien in dien akeligen droom. Het geheele visioen stond hem
weder voor den geest. Toen hij het patrijs opnieuw opraapte, was
het kleine ronde oog reeds met het grijze vlies geloken.
De noodlottige herinnering is voorbij, en teun de Jager vervolgt
vroolijk het overige gedeelte van zijn weg. Hij heeft wat hij wenschte.
De tot instandhouding zijns naams vereischte twee patrijzen han-
fen op zijn heup. Hij heeft sijtjes kussen niet verbeurd. Het we-
er geladen geweer valt hem licht. Zoo stapt hij door hoog heide-
kruid en bremstruiken verder. Een kwartier uurs later, en een haas
springt op, en valt bijna op hetzelfde oogenblik door het „snellere
lood va znn vaardige sprongen gestuit", als de dichterlijkste jager
van geheel Holland gezongen heeft.
„Hoe later op de markt, hoe schooner volk!" zegt teun de Jager.
En weltevreden met zijn jacht, stapt hij rustig op Schoorl aan.
Het was reeds laat na het middaguur, en nog een vermoeiende klim
en verre wandeling, ofschoon de afstand hemelsbreedte zoo groot niet
was. Maar wat beteekende vermoeienis? Triomfant zou hij sijt.te
met zijn jacht voor de oogen treden.
„Mag ik het haas dragen, teun ?" vroeg een kleine jongen met stroo-
geel haar en koffiebruine wangen, die op het laatste duin van
-ocr page 336-
318
Schoorl uit het kreupelhout te voorschijn kwam waarin hij zich een
stok gesneden had, als hij de ruige pooten door het net van de
weitasch steken zag.
„Jawel, KBELis-broer!" zei teun de Jager vroolijk; „ik zei \'t je
geven; maar je mot er niet van snoepen, hoor!" Hij zette zich op
den grond en, de tasch openende, wierp hij er eerst de hoenders uit,
die hij bovenop geschikt had. De jongen greep er een op, en be-
keek het.
„Hè, wat een vette!" zei de jongen. „En watte mooie oochies!"
voegde hij er bij, in kinderlijke speelschheid een der oogen van
het hoen opentrekkende en het teun voorhoudende.
„Laat de oogen dicht, kwajongen!" zei teun de Jager met drift;
en weder kwam er een wolk over zijn voorhoofd,
Toen hing hij het haas, met de achterloopers door elkaar gestoken,
op den stok van den knaap; en deze, trotsch op zijn vracht en
zich groot gevoelende boven al de boereknapen der gecombineerde
Heerlijkheid Schoorl, Groet en Camp, daalde gezwind met den lang-
oor naar beneden.
Maar teun de Jager verborg de beide hoenders in den binnen-
sten zak van zijn weitasch, dat er geen veertjen uitstak. „Ik zal me
ooiijk houen," zei hij tot zichzelven, „en reis kijken wat ze doet."
Zoo wandelde hij het dorp door en den zandweg op, in stilte
berekenende of het waarschijnlijk was dat sijtje op dit uur van den
dag thuis zou wezen of niet. Hij was nog een vijftig schreden van
haar stulpjen af. Daar ritselde het hout aan zijn linkerhand, en
sijtje sprong met een luiden kreet, om hem te verschrikken, te
voorschijn. Het doofstomme kind volgde haar langzaam.
Teun de Jager verschrikte werkelijk meer dan sijtje had kunnen
verwachten. Een koude rilling ging hem door de leden. Maar hij
herstelde zich.
„Platzak!" riep hij met een lach.
„Da\'s niet waar!" zei het vroolijke meisje, „want ikhebdenjon-
gen al \'ezien met \'et haas. Maar waar zijn de hoenders, teun?"
„Ik heb er geen te pakken kennen krijgen!" zei teun de Jager;
maar hij gevoelde dat zijn gezicht hem verried. „Toch niet, su!"
voegde hij er bij, toen deze nem ongeloovig aanzag.
„Al waar, maat?" zeide zij, en greep naar de tasch om zich te
overtuigen.
Maar hij trok haar de tasch uit de lieve hand en schoof ze met
een woesten ruk op zijn rechter zijde. Het meisje lachte en sprong
voor hem heen, om er toch in te zien. Het schot dreunde; de hond
sloeg aan; en sijtje lag bloedende aan zijn voeten.
In de plotselinge beweging om de weitasch op zijn andere zijde
te schuiven, had een der kleine mazen van het net den haan van
zijn linker loop gevat, het geweer in de hoogte geheven, en het
schot doen afgaan.
-ocr page 337-
319
Teun de Jager en de beide knapen stonden versteend; maar het
doofstomme kind kwam het eerst tot bewustzijn; woedend vloog het
op Teun aan en beet hem in den arm. Het geweer was op den grond
gevallen. Op eens bukt de ongelukkige jager zich en vat het bij de
greep; maar een forsche hand grijpt de tromp, en ontrukt het hem.
Het was een boer, die toegeschoten was, en nu den anderen loop in
de lucht afschoot. Het halve dorp snelt toe en dringt zich om het
lijk van sijtje en om den rampzalige, die zijn geweer terug be-
geert en in stomme razernij met de omstanders worstelt.
Aan sijtje was niets meer te doen. Ieder weet, dat een schot
hagel a hout portant duizendmaal erger wonden maakt dan een
kogel; want iedere korrel maakt eene afzonderlijke, en dehoeveel-
heid lood is ongelijk zwaarder. Maar ook, het schot had het lieve kind
vlak onder het hart getroffen. Van geheel Schoorl beweend, ging zij
ter ruste onder „de groene boompjes" van het kerkhof. De oude
grootmoeder en het doofstomme kind waren alles kwijt.
De ongelukkige teun de Jager verviel in zware koortsen, waarin
hij onophoudelijk ijlde en raasde. In den nacht nadat sijtje begraven
was, ontsloop hij zijn in slaap gevallen waker en klom het venster
uit. De oppasser van het Berger Bosch, die laat tehuiskwam, zag
hem in den maneschijn boven op het duin in zijn hemd arbeiden.
Hij ging op hem af. Teun herkende hem niet.
„Wat doe je daar, tettn?" riep hij met een forsche stem, en
greep hem bij den arm.
„Jonker!" zei de ongelukkige verschrikt en zachtjes: „Ik begraaf
haar. Aanstonds komt de zee.\'
En hij dekte zand over een der patrijzen, waar hij een kuil voor
gegraven had met zijne vingeren.
Den volgenden avond had hij den geest gegeven.
1840.
-ocr page 338-
DE VEERSCHIPPER.
Ik heb zoo menigmaal in trekschuiten gevaren, dat ik in staat
ben er het grootste paskwil en de grootste lofrede op te schrijven. Eens
heb ik er mij hevig tegen uitgelaten\': maar\'t spijt me half. Ik geloof
dat ik het deed om de zaak der spoorwegen te bevorderen: uit lou-
ter ongeduld. Maar nu ik zie, dat er reeds één trekveer metterdaad
vervalt, en in de lucht zwevende pijpemanden (echt Hollandsch
signaal) ook aan verscheidene andere veeren het memento mort toe-
roepen , krijgt de zaak voor mij zulk eeu droefgeestig voorkomen, dat
ik in staat zou zijn deroef van Amsterdam tot Rotterdam af te huren,
om in eenzaamheid een klaaglied te schrijven over de veranderde
tijden. Niet zoo zeer om de Schuiten spijt het mij ; zij hebben te vele
gebreken, en er zijn betere dingen 0111 mee vooruit te komen; maar
om de Schippers! Want aan hen, mijne vrienden! zullen wij ver-
liezen. Het is een goed, eerlijk, trouw en ouderwetsch slag van
volk, en jammer zal het zijn , als het van de aarde of, laat ik zeggen,
van de wateren verdwijnt. Eerbied voor hen! Heb een vasten Bchi]>
per, en geef hem een mondelinge boodschap, een on verzegelden
brief, een groote som gelds, een kostbaar stuk meubel mede; geen
woord zal aan de boodschap, geen stuiver aan het geld tekort komen,
geen letter in den brief gelezen, geen krasjen op het kostbare stuk
worden gemaakt. Laat hij slechts veten wat gij aan zijne zorgen toe-
vertrouwt , en wees zoo gerust als of gij uw eigen zoon zondt. Hier
staat uw beeld mij voor oogen, trouwe van der velden ! Gij behoort tot
het vriendelijk personeel mijner academische herinneringen. Wiens
voetstap hoorde hildebband liever dan den uwen op den ongelijken
trap van zijn nederig studenteverblijf, als gij de krakende sluitmand
of het welbekend koffertje, dat geen adres meer noodig had, daar
tegenop sleeptet en met uw vriendelijk „compliment, en als dat de
familie heel wel was," zijn ongeduld voorkwaamt, dat naar den dub-
belganger van den sleutel zocht, waarmee zijne lieve moeder het
hangslot gesloten had P Gingt gij ooit bij hem voorbij , zonder te hoo-
ren „of mijnheer ook iets te zeggen had?" Of kondt gij te eeniger-
tijd in zijn vaderstad het ouderlijk huis passeeren, zonder eventjes
te gaan vertellen „dat gij mijnheer gisteren nog hadt gezien" en de
hartelijkste groeten van zijnentwege te improviseeren ? — Hadt
gij hem niet meer dan eens in uw schuit verborgen, toen hij
1 Zie hiervoor: Varen en Rijden. (1837.)
-ocr page 339-
321
„groen" was, totdat de studententafel op de Mare wasafgeloopen\'t
Én toen hij was gepromoveerd, en gij hem geluk wenschtet — wat
scheelde er toch aan uwe oogen, dat die honte zakdoek niet in den
zak kon blijven, als gij aanmerktet, dat gij nu „zijn meeste kof-
fertjes wel zoudt hebben gehaald"? — Drommels, van dee velden !
het veer moest niet worden afgeschaft.
Maar behalve dezen had ik menig vriend aan het veer, die mijn
koffer en reiszak een kwartier uurs ver kon onderscheiden, en straks
voor mij het lekkerste kussen uit de roef haalde, opschudde en in
den stuurstoel legde, bereid om, als de bodem nat was, mij het ge-
bruik van zijn sabotten af te staan. Als het eenigszins kon, zat i"k in den
stuurstoel, en van dezen heb ik nooit iets kwaads gezegd. Ik kende
de geschiedenis van al de schippers en al de knechts; van hunne
vroegere betrekkingen en van nunne latere wederwaardigheden
aan het veer. Elk hunner had zijne eigene verdienste in de conver-
satie. De een wist overal eenden en hazen aan te wijzen op de lan-
derijen, die wij voorbijvoeren; de ander kon zoo gezellig op zijn pijpje
smakken en oude verhalen van zijn schooltijd opdisschen; de derde
sprak van „bonepabte," en hoe bang die voor de „Kezakken" moet
geweest zijn, met al de nauwkeurigheid van een tijdgenoot en ge-
meenzaam vriend. Ik herinner mij den ouden ïtuldee, met den
geverfden hoed en de korte broek; hij voer altijd de volste schui-
ten; den langen eletheuvel; hij was befaamd in het redden van
drenkelingen; en zijn broeder, die „de Mottige" genoemd werd,
die wel niet al het statige van den schippersstand had, maar een
aardige, praatzame grappenmaker was, die een anecdote uit kon
rekken, zoo vele bruggen ver als gij verkoost. Indien hij het begin
van dit stuk las, het zou hem ergeren; want ik weet dat niets
hem meer verveelt, dan dat men hem en den geheelen trekschuit-
winkel in de toekomst beklaagt.
„Je zelt haast gedaan hebben, schippertje!" zei een juffrouw in
de roef, onder haar bril uitkijkende, tot onzen biethetjvel, nadat
zij vruchtelooze pogingen had in \'t werk gesteld om een heer, die
in \'t hoekje zat, aan den praat te krijgen. „Je zelt haast gedaan
hebben, schippertje!" — „Hoe zoo, juffrouw?" vroeg de kapitein.
— „Wel, met die Spoorwegen!" — „Spoorwegen! juffrouw, da\'s
een duit waard. As \'t anders niet was; die nebben haast gedaan. Maar
at nieuwe." — De juffrouw wist ter wereld niets nieuwer dan
spoorwegen, en „men zou er haar ook niet opkrijgen". — „Ja
maar," merkte bietheuvel aan, „in dat nieuwe ga je wel. Je hebt om-
mers wel gelezen van dien Onderaardsehen Schietblaasbalk ?" — „ Van
die wat?" vroeg de juffrouw, haar bril van den neus nemende, „van
die wat?" — „Wel," van dien Onderaardsehen Schietblaasbalk!" riep
de schipper, zoo hard als zijn verweerde stem gedoogde. „Heerlijk
hoor! Je hebt pijpen, buizen, kanalen; onderaardsche, weetje? \'k
zei zegggen van Amsterdam na Eotterdam, en vicie versie; dat
21
-ocr page 340-
322
zijn de twee grootste. Nou heb je dan ook korte, voor Halfweg,
Haarlem, Leiëu,.... dat begrijpje, na venant." — De juffrouw
spitste de ooren en opende den mond. — „Best; je komt in \'t ke-
toor; je ziet een partij luiken in de\' vloer, met groote letters be-
•schilderd; al de plaatsen, weetje, die staan der op. Halfweg, Haarlem,
Leien, allemaal. Je ziet een groote schaal hangen en een knecht
in leverei, netjes as \'t hoort, der bij. Waar mot de juffrouw nou
h. v. wezen? Zeg maar wat!" Hier wachtte de verhaler op een
antwoord maar de juffrouw wist niet wat ze zeggen zou, en
vreesde dat het geheele verhaal een strik was om hare onnoozelheid
te vangen. — „Nou goed; as je \'t dan maar weet. Ik zei maarzeg-
gen: je mot te Rotterdam zijn. Je krijgt een kaartje. Best. Belieft u
maar op de schaal te stappen." — Hier kon de juffrouw zich niet
bedwingen: „Op de schaal, schipper?" riep zij uit, en hare oogap-
pels werden van verbazing zoo groot als tafel borden, „wat mot ik
op de schaal doen?" — „Dat zei je hooren. UE. wordt gewogen. Je
bent nog al dikkig. Goed. Zooveel pond, zooveel kracht op de\'
hlaasbalk. Belieft u maar op dat luikie te gaan staan. Pof! je zakt
:in de\' grond. Buut! daar ga je, hoor! Je ziet niks niemendal as
egyptische duisternis, \'t Hoeft ook niet. Tien menuten! knip, knap,
f aan de veeren. Daar sta je weer in een ketoor; je denkt in \'t zelfde ?
lis! Je bént te Rotterdam. Is \'t waar of niet, piet ?"
Op dit beroep antwoordt de aangesprokene, die als knecht met
den Mottige vaart, niet anders dan door het hoofd te schudden,
te lachen, en een pruimpje te nemen. — „Piet wordt er Weger
bij," vervolgt de schipper: „je kent er de teekening van zien; \'t zou
al lang ingevoerd wezen, me lieve juffrouw! maar \'t het motten
wachten totdat die wije mouwen uit de mode waren. — Pietje ,
\'t wordt koud, man! je hebt je jaren. Wees niet nuffig omdat er
een juffer in de schuit is; trek je schanslooper an, maat; en geef
mijn me zuidwester, want \'etbegint te regenen."
„Ja menschen!" merkt de juffrouw aan, „je mag wel voor je
gezondheid zorgen. Ik weet niet hoe je \'t uithoudt!"
„Uithouën?" zegt de schipper: „de juffrouw mot weten dat er
geen menschen ouër worden as schippers en schoolmeesters. De
schoolmeesters, van de onschuldige asempies van de kinderen, en
de schippers, van weer en wind."
-ocr page 341-
DE SCHIPPERSKNECHT.
„Indien wij eens een meid minder hielden," zei Burgemeester
dikkebdak tegen mevrouw dikkebdak , op een mooien morgen, en
hij plukte aan de franje van zijn japongordel, op eene wijze alsof hij
«r een zwaar hoofd in had dat dit voorstel fortuin zou maken. —
„Een meid minder!" riep zij uit, en hare oogen begonnen gevaar-
lijk te vonkelen: „dat\'s onmogelijk, mijnheer! Als er te veel verteerd
is, het is door de meiden niet geschied. De meiden moeten blijven.
Ik (en zij drukte verbazend op dat voornaamwoord) ik kan geen
•enkele domestique missen!" —Burgemeester kreeg een hevige hoest-
bui, want hij was vol op de borst; hij vouwde het exemplaar van
de Haarleinsche Courant van Dinsdag — October 18 — (het is lang
geleden) bedaard in „deszelfs" officiëele plooien, lei een blokje bij
op het vuur, wandelde naar de vensterruiten, keek eens naar de
boomen van zijn buitenverblijf, en daarna, over zijn buik heen, naar
de punten van zijn gevlamde pantoffels; kreeg nog een hoestbui: ver-
liet de kamer met statigheid; ging zich laten poeieren, en sloot zich,
deze plechtigheid volbracht zijnde, in zijn eigen kamer op. Toen
strekte hij zijne hand uit en schelde.
„Laat kees boven komen!" sprak hij tot de binnengetreden dienst-
inaagd.
Kees kwam; gepoeierd als zijn heer; een man van ongeveer vijf-
tig jaar, van middelbare gestalte. „Wat belieft menheer?"
„Kees," begon Burgemeester; maar een nieuwe aanval van de
volle borst belette hem verder te gaan. — Kees hoorde in de eer-
biedigste houding de bui uit. — „Kees," hervatte de Burgemees-
ter: „je hebt me tweeëntwintig jaar trouw gediend; eerlijk gediend;
ijverig gediend...." Kees schepte moed; hij had gedacht dat er ieta
onaangenaams aan de hand was, en de Burgemeester was een ge-
streng heer. Maar als de Burgemeester zag dat het gezicht van kees
opklaarde, vatte hij ook moed; zoodat er op dat oogenblik twee men-
schen bijeenwaren, die beide den besten moed van de wereld had-
den. „Trouw gediend!" herhaalde de Burgemeester.
„Na mijn beste weten," zei kees bedaard, en bekeek de roode
opslagen van zijn grijsgelen rok.
. De Burgemeester nam een snuifje en zeide: „Ik heb maar naar
de gelegenheid gewacht om er u voor te beloonen."
„Wat dat betreft, menheer!" hernam kees, en een groote traan
kwam om het hoekje van zijn neus kijken, want hij was een ge-
voelig man, ondanks zijn bakkebaarden: „Menheer is altijd een goed
heer voor me geweest. Ik verlang...."
„Hoor, kees," zei de Burgemeester, „kort en goed: er is een
stadspostje vacant, en ik had gunstig over je gedacht. Het is een
makkelijk postje, een goed postje___"
-ocr page 342-
324
„Maar," zei kees, „as ik de vrijïgheid nemen mag menheer ia
de rede te vallen; ik wenschte volstrekt niet te veranderen..."
De Burgemeester kreeg wederom een geweldige hoestbui.
„En as ik de vrijïgheid mag nemen," ging kees voort, „te vra-
gen: welk possie ? ..."
Burgemeester dikkekdak streek zich met deftigheid langs de kin.
„Het beneficie van knecht aan het... sche veer", zei Burgemeester
dikkebdak met majesteit. „Het wordt binnenkort vergeven. Bedenk
er u op, kees ! Ik raad het u aan. En ga nu heen — (kuche! kuche!)
en vraag (üche, üche) of mevrouw (üche, üche!) mijn stroopje wil
boven sturen met betje; ik heb (üche, üche) het weer schrikke-
lijk weg."
Kees wenschte nog iets in het midden te brengen. Maar de Bur-
gemeester hoestte zoo ontzettend, en werd zoo rood in \'t gezicht,
en wenkte zoo duidelijk met de hand dat hij het stroopje volstrekt
terstond hebben moest, dat kees het raadzaam oordeelde te vertrekken.
„Schippersduvelstoejager!" riep kees, een uur daarna zijn huis
binnentredende, en zijn gegalonneerden hoed op de steenen smij-
tende, zoo ver die vliegen wou. „Schippersduvelstoejager!"
Zijn goede leent je dacht dat hij gek geworden was, raapte den
hoed op, en vroeg wat hem scheelde?
„Ik mot schippersknecht worden," riep hij, en zijne oogen rolden
vreeselijk in zijn hoofd: „Schippersknecht, omdat ik menheertwee-
ëntwintig jaar trouw gediend heb! Met den zwabber hé.. ? Een mooi
baantje! Hoo — o — o —! roepen met twintig o\'s bij een brug; en
hu — u — u — u —! met vijftig u\'s bij een schoeiing... Heerlijk hé!"
De goede eegade begreep juist niet al te veel van deze uitboeze-
mingen, maar welke was hare ontzetting en afschuw, toen zij de
oorzaak vernam! „Wat?" riep zij uit... „Jij met pakkies langs de
deuren loopen; een karrepoesmus op je gepoeierde hoofd! Jij een
soldatekapot om je lieve lijf in plaats van je rok met passement!
En je heb ommers pas een nieuwe ?...."
„Het helpt niet, vrouw!" zei kees ; „ik heb \'t al gemerkt; der is zwa-
righeid bij menheer; maar \'t is maar ongelukkig voor die \'et treft."
„\'t Zei niet gebeuren!" riep i/eentje uit. „Laat menheer je af-
schaflen; laat ie je op straat sturen; maar geen schippersknecht, as
je tweeëntwintig jaar knecht bij een heerschap bent geweest."
En met eenparigheid van stemmen werd besloten dat het niet gp-
beuren zou. TV at er gebeurde, mag kees op zijn eigen manier vertellen,
zoo als hij het meer dan eens gedaan heeft, met de hand aan de roerpen.
„Dat bleef zoo hangen: maar\'en veertien dagen;\'t was op een din-
gesdag, en menheer ging alle dingesdaggen na hurgemeesterskamer;
zoo reeën we na stad. Stilgehouën voor \'t stadhuis; ik klim der of en
help menheer der uit. Wacht hier een oogenblikkie, kees ! zeit ie. —
Met \'et rijtuig? vraag ik. — Neen, kees, zeit ie; jij alleen; ga
maar bij de bodes, daar heb je nog kennis bij. — Nou, ik had er een
-ocr page 343-
325
vollen neef bij. Wat kom jij hier doen? zeit me neef. Ik zeg, ik weet
^et niet, zeg ik; en menheer stapt zoo binnen. Nou, ik docht: men-
heer zal alevel zoo gek niet wezen dat ie daar binnen van dat poasie
spreekt; want ik docht, dat ding is ofgedaan; hij het wel gezien dat
ik der geen zin in heb. Maar al zen leven! Ik wacht wel een hallef-
uur; daar wordt gescheld. Me neef na binnen, met \'en bos op zen
borst, wat ben je me! In een ommezien was ie weerom; daar hadje
\'t lieve leven gaande. Ik most boven kommen. Daar hadje menheer
zitten, die nog al tamelijk dik is, en dan hadje die dikke vanztjch-
ter , en dan menheer daats , die zen zoon nou ook al burgemeester
is, loof ik, en dan de overleden heer watser met z\'en staartpruik,
en dan menheer kierewier ; maar die had dan eigenlijk niks te zeg-
gen; die was zoo veul als sikretaris, en die zat midden in de pampieren.
Nou had die dikste, die tan zuchter , zoo\'n hamertje in zen hand;
•en die begon me daar een preek te doen, en een gelukwensching en,
in één woord, te zeggen dat, deur mooi praten zus en zoo van men-
heer dikkerdak {mijn menheer dan), de heeren zoo over me gedocht
hadden, om me dan te maken, na me begeerte, note bene! knecht
bij \'et veer; en dat ze hoopten dat ik die post trouw en eerlijk, en al
die viezevazen, waar zou nemen. .Kijk! ik werd zoo kwaad menheer!
dat ik docht een beroerte te krijgen; en ik docht: wacht, dikke! hou
jij maar reis \'en oogenblikkie op, dan zei ik reis meepraten — want
weetje wat ? ik meende ze vierkant te zeggen dat ik het niet en dee.
Maar ja wel! zoo gou as ie amen gezeid had, zei ik maar zeggen,
daar begonnen ze allemaal me te flliciteeren en te doen, dat het een
.aard had, en die kierewier was ook al klaar met een pampier, dat
ie me in men hand duwde; en mijn menheer dee maar niets as hoes-
ten ; nou was ie vol op de borst; en eer ik wat zeggen kon, daar tastte
menheer tan zuchter na zoo\'n groote tafelschel; ik weet niet dat
ik me leven zoo\'n tafelschel meer gezien heb; het leek wel zoo\'n klok;
•en toen — luien wat ben je me! En toen kwam neef weer binnen, en
ik had maar te vertrekken. — Maar wat die vrouw anging, toen ik
daar thuiskwam als schippersknecht....! Maar ik was nog haast
niet thuis, of daar had je mevrouw dikkerdak al, en de jongejuf-
frouw! allemaal maar flliciteeren, en dat ik gou schipper zou wor-
den! Een mooi ding; al de schippers zijn jonger vanjaren as ik; en
ik ben nou nog op drie na de jongste knecht; van dienst dan. — En
wat me vrouw huilde, toen ik daar op \'en kouën ochtend na de
schuit most, met me schanslooper over men arm! Lieve kinderen
menschen! — Och ja, zoo sukkelen we nou maar vort. Menheer
is dood, en mevrouw is dood, en de jonge juffrouw het onderlaast
nog met me gevaren; maar ze zei temet geen gendag ofgenavend;
en ik ben nou in me tweeënzeuventigste ....! Hoo — o — o — o — h,
jagertje! De lijn kan wel stuk met die horten! Hij mot nog langer
mee as ik; as \'t God blieft!"
-ocr page 344-
DE BARBIER.
Omme
den Heer J. D. van den Aanzett.
Chirurgus te Monnickendam.
Mijn waarde Collega!
De lange winteravonden en het betrekkelijk klein getal patiënten
permitteeren mij u toch vóór nieuwejaar nog eens een confraterlij-
ken brief te schrijven, waartoe ik al lang lust, laat ik zeggen, waar
aan ik al lange behoefte ben geweest hebbende; zoodat ik nu den
stumilus niet langer kan wederstaan. Gij zoudt niet gelooven hoe in
deze hoofdstad het getal dagelijks vermindert der confraters, met wie
men eens redelijk over de wetenschap van denkbeelden wisselen
kan; het zijn bijna alle tegenwoordig menschen zonder eenige de
minste studie, die ja, de operatie verstaan, dat wil zeggen er het ma-
nuaal, de dexteriteit van bezitten, maar zonder eenige theorie of
systema te werk gaan en geen rekenschap van hunne zaak kunnen
geven; die zelfs niet capabel zijn, indien zij door eene toevallige om-
standigheid eene ulceratie veroorzaken, dezelve secundum leguni
artum te genezen, of een emplastri te smeren; waarom zij dan ook
fewoonliik, bij gemaakte blessure, niet beter weten aan te raden
an koud water, of een watje.
Och, mijne goede van den aanzett , toen wij te zamen bij uw waar-
digen oom in de Amstelstraat het vak in onze jeugd beoefenden,
was het een ander vak en een andere tijd. Wie zou het gewaagd
hebben dien doorkundigen geleerde den onteerenden naam van bar-
bier of scheermeester te geven, welke in de uitvoerigste woorden-
boeken van die dagen zelfs niet gevonden werd ? Tegenwoordig wor-
den wij aldus door groot en klem genoemd. Men heeft ons vak uit
den kring der medische wetenschappen weggerukt en op zichzel-
ven geplaatst, zoodat het verdort en verdroogt als een afgescheurde
tak, van den boom geamputeerd. Weinige zijn zoo gelukkig als
wij, dat het hun vergund is gebleven het hooger chirurgische nog
te blijven uitoefenen; maar welke is de consideratie die wij genie-
ten? welk is het cas, dat men van ons bij de Provinciale Genees-
kundige Commissiën maakt? En moeten wij niet bekennen, ons
-ocr page 345-
327
scheermes in dezen stikdonkeren tijd al de fiducie van ons lancet
wegneemt ?
Vonden wij nog maar in de tractatie van hetzelve scheermes een
overvloedig middel van bestaan, zooals eene kunst behoorde te kun-
nen opbrengen, welke in zulk een nauw verband staat met de be-
schaving, en van welke zoo onbegrijpelijk veel afhangt in de maat-
schappij , wij zouden ons alsdan ten minste kunnen getroosten het
algemeen profijt niet geheel zonder profijt voor onszelven te behartigen.
Maar indien het u als mij gaat, dan verliest gij ook dagelijks kalanten
en worden er geen nieuwe geprocreëerd. Gisteren; en deze om-
standigheid moveert mij juist u heden te schrijven; gisteren verloor
ik mijn laatsten patiënt, die gewoon was zich tot in den nek toe
te laten razeeren, met een breed instrument en een weinigjen in
het harde systema, zooals onze overledene patroon gewoon was de
burgemeesters te behandelen, toen men er nog op gesteld was, de
deelen der onderkin en des halzes een blozend voorkomen hadden.
Nu is het aan de orde zooveel mogelijk haar te laten staan, tot
groot affront voor de uitvinding tubal-kains en van het chirurgische
vak, en ik durf zeggen, tot groot détriment van de goede zeden
daarenboven. Want ik praesummeer op goede gronden, dat alle ko-
ningsmoorders, zelfmoordenaars, oproermakers en comedieschrijvers,
in Frankrijk en elders, hunne verwildering grootendeels hieraan te
danken hehben, zij van de jaren der pubertas af, hun baard den
vrijen teugel en op die revolutionnaire wijze groeien laten, welke
men „een jonge Frankrijk" noemt.
Ik zie ze dagelijks in de printewinkels.
Maar om tot den ontslapene terug te keeren. Ik kan wel zeggen,
met ZEd. mijn geheele ambitie voor het vak is ten grave gedaald.
Want wat wil men tegenwoordig\'? Met achterstelling van al het gra-
cieuse, al het waarlijk schoone der operatie, wil men alleen gauw
geholpen wezen, en zoo zacht en ongevoelig, alsof men den baard
weg waschte. Wie kan op zulk eene wijze het vak eer aandoen ? wie
zich een waarachtig discipel betoonen van onzen onvergetelijken
blaaskrop, als alles in vijf minuten moet afgeloopen wezen ? Maar
weet gij, mijn waarde van den aanzett, wie het zijn, die u en mij
en het geheel chirurgicale vak bederven ? Niemand anders dan die
infame Engelsche natie, die de bron is van al onze ongelukken.
Sla de eerste courant de beste op, die gij in handen krijgt, en giji
zult er u van overtuigen. Overal zult gij de emblemata van ons vak
in slechte houtsnee op een misselijke wijze zien afgebeeld, om er
tot uwe interne indignatie bij te lezen dat er weder een nieuwe
soort van „patent razoors, patent stroppen, patent zeepen" is uitge-
vonden, alleenlijk met het doel om de paarlen, ik mag zeggen,
voor de zwijnen te werpen, ons moeielijk kunBtvak tot een allemans
goed te maken, en ons en onze kinderen te bestelen. Ik vraag maar,
mijn waarde collega! Ik vraag maar, wat beteekent die gansche
-ocr page 346-
328
fraaie instelling der patenten, indien het iedereen, niet alleen on-
gegraduëerden, maar zelfs ongepatenteerden, veroorloofd is zich-
zelven den baard af te nemen? Ziedaar eene vraag, welke het wel
der moeite waard ware der Tweede Kamer eens te presenteeren,
en ik ben nieuwsgierig hoe de Heeren er zich zouden uitredden.
Maar wat zou het baten, van den aanzett? wat zou het baten?
Geloof mij, indien gij het te Monnickendam gelooven kunt; maar
hier in de hoofdstad neb ik abondantelijk occasie om er mij van te
overtuigen; dat een derde der Edelmogenden (o schimmen der
voorvaderen!) zich de hulp der faculteit ontzegt.
Maar laten wij dit voor ons beiden chagrinant capittel laten va-
ren; mijn brief is reeds lange, en ik heb dezen avond bepaald tot
exercitie mijner beide zonen, die elkander voor het eerst weder-
keerig bij kaarslicht de operatie doen zullen. Noch slechts een woord
van de gezondheidstoestanden in deze hoofdstad. Er zijn hier nog
altijd vele koortsen, en ik blijf ze met onzen onvergelijkeiijken
patroon aan de principiums noncentiums van het water toeschrijven,
in combinatie met de humeuren van de athmosfeer. Maar geloof
mij, dat het kiuazout er op den duur veel kwaad aan doet. Ik heb
onlangs de eer gehad een patiënt te cureeren, dien men met die
miserabele sulphatis quinini totaliter in den grond hielp, enkel en
alleen door ZEd. aan te raden gewone trosrazijnen te eten op een
nuchtere maag, vóór ik den baard afnam; met dien effecte, de inter-
mittentes hem verlaten hebben. Eu nu ga ik ook u verlaten. Vaar-
wel, Amicissimi Collega! Mijne hartelijke groete aan Mejuffrouw de
Chirurgijnsche, ook uit naam van de mijne.
Amsterdam,                                           Uw geëffectionneerde Collega,
12 Dec. 18—.                                                     joris krastem.
P. S. Ik geloof dat gij wèl zult doen den opgezetten krokodil,
die in uwen winkel misschien nog, als van ouds, aan den zolder
hangt, weg te nemen. Men begint in dezen profanen tijd met al
zulke wetenschappelijke zaken te spotten. O Tempores! o Mora!
-ocr page 347-
DE HUURKOETSIER.
De eerste schemering van den morgen ligt over de academiestad.
Hier en daar verspreidt het gloeiende pitje van nog een enkelen
réverbère een noodeloos licht. Alles slaapt nog op de Breestraat.
Alleen de kraaien zijn op en wandelen in grooten getale over de
steenen en vliegen op den Ossekop bij rivé, en op de koppen van
de leeuwen, die de Leidsche sleutels op de trappen van \'t stadhuis
bewaken, zich verbazende dat de schildwacht zoo slaperig kijkt, en
waarom hij geen blinkende stevels meer draagt als tevoren. Uit
eerbied voor de rust der geleerde hoofden in dit Nederlandsch
Atheen, onthouden zij zich echter van nutteloos geschreeuw. Op
eens jaagt het klappen van een zweep ze op, en doet een aanrollende
calèche „met de vier" ze de vlucht nemen naar torens en schoorstee-
nen. De calèche houdt stil voor een smal, nog gesloten winkelhuis.
\'t Is een goed rijtuig, veel malen gebruikt en beproefd bevonden;
en op den bok zit, in al de glorie van zijn postuur, met een hoed in
blinkend foedraal op \'t hoofd, een paar bakkebaarden op zij , ringen
in de ooren, een geestig oog en een vroolijken mond, en voorts be-
dolven in een jas van grijs laken met langen mantel, gerbit van
STiENKif; wegens zijn deels wezenlijke, deels geveinsde vermetelheid
met de edele rossen, als Dolle gebbit bekend.
„Hiep, hie!" roept Dolle gerbit. Alles blijft doodstil. Hij zet zich
overeind voor den bok, en klapt driemaal met de lange zweep, dat
de kraaien opvliegen als of het haar geldt, en caroussel beginnen
te rijden rondom de peer van \'t stadhuis. Nog eenmaal heft hij ziju
vervaarlijk „hiep, hie!" aan.
Het bovenraam opent zich; een jong mensch met een zijden doek
om \'t hoofd (studenten haten slaapmutsen), en eenjeunefranceorn.
de kin, kijkt er uit, in een japon met schotsche ruiten. „Zoo, Dolle!
dat\'s opgepast, vent." — „Goeie morgen, menheer!" antwoordt de
Dolle, met een schuin en toegenepen oog: „heb je zóó allang zitten
wachten!"
De heer met de jeune france slaat een oog op het span. „Moeten
zij het doen, gebbitje?" — „Ja menheer! ze verlangen as harten."
— „Ze zien der niet florissant uit,GERRrr!"—„Mot ook niet, men-
heer! maar het bennen bazen van binnen." — „Me dunkt, ze staan
zoo droomerig tegen mekaar aan te leunen." — „Ze bennen pas uit
bed, mot meuheer denken; en beste staanders zijn \'t ook al niet;
maar loopers! ! ! heb ik jou daar."
-ocr page 348-
330
Drie jonge menschen dagen op uit verschillende hoeken van de
stad, en vereenigen zich luidruchtig genoeg op de kamer van den
student met de jeune france. Een oogenblik daarna wordt er op-
gestegen.
„Fiks doorjakkeren, gerrit!" zegt mijnheer deze, de treden op-
vliegende. „Dat zegt hij ook," antwoordt gebh.it , de zweep toonende.
„In twee uren naar Haarlem," beveelt de heer die, zijn mackintosh
dichtknoopende. „Als ze \'t niet in zeven kwartier kennen," zegt
geerit, knipoogende, „is er geen aardigheid an." „Nooit stappen;
zelfs in \'t zand niet, gerritje!" roept mijnheer zus, plaats nemende.
„Ze zouen zich hebben dood te schamen, herneemt geerit. „Klap-
pen dat het davert!" juicht de heer zoo, het portier dicht trekkende;
en het antwoord is klets, klats, klets met de zweep; en de kraaien
vliegen met een luid geschreeuw weder op; en het rijtuig rolt heen,
en doet al de ruiten, van de Breestraat af totde Eijnsburger poort
toe, sidderen in de sponningen.
Men pleistert bij den Geleerden Man. „Je hebt nog niet hard ge-
reden, gerrit!" — „Kniebandjes losmaken, heeren," zegt de man,
zijn jas uittrekkende, daar de zonneschijn hem begint te hinderen,
en zich vertoonende in zijn blauw buis met korte panden, geel vest,
en fulpen broek, waarvan de pijpen op zij met een menigte beenen
knoopen prijken. De studenten, gerrit, en de paarden nemen hun
prandium. Alles is reeds weder in gereedheid. „ W acht!" roept zus,
„we moeten een grap hebben. Duin! Steek de lantarens op." —
„Lantarens bij klaarlichten dag?" vraagt duit*, bleek wordende.
„Wis en zeker!" roept gerrit van den bok, knipoogende en met
de grootste deftigheia, „je kan \'t niet weten: een ongeluk zit in een
klein hoekje. Hiep, hie! haastje wat, duintje."
Zoo komt men te Haarlem met lichtende lantaarns. De rit heeft
over de twee uren geduurd. „De klokken schelen!" zegt gerrit. Men
overtuigt hem van het tegendeel met een horloge. „Dat heeft te hard
geloopen om de paarden bij te houen!" Nieuw geknipoog; en de
lange zweep gaat weer links en rechts, en de lucht davert van den
slag, en de paarden draven door de goede stad, dat de kruideniers
er schande van spreken achter hunne toonbanken.
De Nieuwpoort uit; den straatweg op; Zandpoort om; Bloemen-
daal; het zand; stappen!
„Stap je nu tóch, gerritje?" gilt het viertal. „De voorstebijde-
handsche zen ijzer is los, en de achterste het in de spijkers van
den voorsten getrapt." Maar ondanks deze ongevallen, zoodra hij
het hek van Zomerzorg genaakt: klets, klats, klets, gaat de zweep;
in vollen draf gaat het, het huis voorbij, bij de brug langs, om-
gewend met een korten draai, en pal voor de deur. „Mooi, Dolle!"
roepen de heeren uit éénen mond, en men spreekt af dat niemand
zoo goed rijden kan als „de Dolle". Deze oogst zijne zegepralen in,
met een herhaald geknipoog tegen de wachtende staljongens.
-ocr page 349-
331
Een groot kwartier daarna: de paarden zijn aan de ruif, en gebbit
krijgt, met opgeslagen mouwen en op de midden aangevatte tang,
een kooltje uit den keukenhaard om zijn kort pijpje op te steken.
„Nou, kaatje, me kind!" heet het uit zijn mond tot een zwaarlij-
vige, niet heel mooie keukenmeid: „Ik kon niet langer van je van
daan blijven. Ik zeg teugen de heeren: me zeilen de vier der reis voor-
zetten ; me motten reis na Zomerzorg; ik wil weten of kaatje nog
geen vrijer het." — „Dat kan jou ook wat schelen, gebbit," ant-
woordt de beminnelijke, „je hebt een vrouw thuis."—„Eenvrouw,"
is \'t antwoord, en gebbit neemt bij die herinnering zijn blinkenden
hoed eerbiedig af, „een vrouw as twee, ka ! en je mot het compliment
van der hebben. Vraag \'tan de heeren! Ik zeg: heeren! help me ont-
houen dat ik kaatje de complementen van me wijf breng".
De heeren zitten aan tafel. De eerste tijdperken zijn doorgeloopen.
Conticuere; Rumor in casa; etc. Het wordt een gejoechjach, eengescha-
ter, een instellen van toosten zonder end! De heer deze komt met glim-
mende oogjes, de helft kleiner dan anders, achter loopen: „Gebbit,
heb je wel wijn ?" •— „Wijn, menheer ?" vraagt gebbit met het onnoo-
zelste gezicht van de wereld, zich een glas bier inschenkende. „Bij
de goden!" roept de heer deze: „gebbit heeft geen wijn!" en, naar
voren geloopen, komt hij met een gebefte flesch terug. Als ZEd. de
keuken verlaten heeft, knipoogt gebbit buitengemeen zeer, over-
dubbel tevreden.
De heeren rijden af. Ze zijn onstuimig. De een wil rijden. De ander
wil achterop staan. De derde wil de zweep hebben. De vierde gilt dat
hij gebbit een tientje wil geven, als hij maakt dat ze omvallen. —
„Ik heb geld genoeg, menheer! al stert ik morgen," zegt gebbit,
en zit vast op den bok, en klapt met de zweep, en knipoogt en ant-
woordt met aardigheden, en rijdt geen stap harder dan hij verkiest.
Het is laat in den nacht als gebbit thuiskomt. De stalknecht sluit
de deur open, en licht hem met zijn lantaarn in\'t gezicht. „Ze zijn
een beetje warm, hé! Ik kreeg slaap op \'t laatst; en ik had ze van
morgen gespaard." — „Een goeie fooi, gebbit?" vraagt de stal-
knecht, in zijn linnen jas schurkende van koude, slaap, en begeerig-
heid. — „Van de\' man een pop, dbiesje!" — „\'t Is \'en schande, gebbit !
zulke fooien as jij altijd sleept." — „Daar hei je der één van," zegt
gebbit , „maar iaat me na kooi kruipen, zonder dat ik me met iet»
meer heb te bemoeien."
-ocr page 350-
HET NOORDBRABANTSCHE MEISJE.
Op een mooien Augustusvoormiddag des jaars 1839, betraden
twee jonge menschen den vermoeienden, maar schoonen zandweg
tusschen Terheide en Oosterhout. Zij waren ter eerstgenoemde
plaats uit de diligence gestapt en zouden ter laatstgenoemde het
middagmaal houden. De zon scheen wel heerlijk op de welige akkers
van rogge en boekweit ter wederzijde vanden weg, maartevens niet
minder stovend op hunne stroohoeden en ransels; en daar het jong
eikenhout dat zij langs, en de kleine denneboschjes die zij nu en
dan door-gingen, te laag en te iel waren om veel schaduw te geven,
begon men toch gewaar te worden dat ook zelfs een voetreis hare
onaangenaamheden hebben kan.
„Die drommelsche toren;" begon de jongste, stilstaande en den
knop van zijn stok in de zijde zettende om een oogenblik uit te
blazen: „die drommelsche toren is nu rechts en dan links, en we
vorderen niet."
„Het is toch de goede weg," sprak de oudere, die het eerteeken
van den tiendaagschen veldtocht droeg, „ik ken hem wel. Zie, daar
finder, rechts van den toren, is de molen daar we een post bij
adden."
„Is het een mooi plaatsje ?" vroeg de eerste, weder voorttredende.
„Allerliefst; gij zult het zien. Koning lodewijk noemde het een
stad; maar daar is \'t niet beter om. Er is een marktplein; een ruime
kerk met gebeeldhouwd outerstuk, een Berg Calvarië; voorts een
mooie ruïne; en veel knappe nieuwe huizen. Maar het mooiste is
keetje. Wij gaan naar keetje. Gij zult zien hoe hartelijk zij ons
ontvangt."
„Ik hoop," zei de ander twijfelachtig, „dat zij de moeite van
dezen afmattenden weg waard mag zijn; want ik heb niet veel op
met uwe herbergdeernen. Ze zijn nog al aardig in liedjes en reisver-
halen. Maar ik voor mij heb ze nooit anders bevonden dan grof,
preutsch en knorrig. Men kan ze niet vriendelijk aanzien of zij den-
ken dat gij ze bederven zult. En zegt gij haar een galanterietje,
zoo gapen zij u aan zonder het te begrijpen, of lachen zoo dom
tegen „me heir", dat hij eens voor al genoeg heeft."
„.Ie kent keetje niet!" viel de ander met gemaakte hoogdravend-
heid zijn vriend in de rede: „bij alle goden, je kent keetje niet!
Gij zijt niet waardig haar aangezicht te aanschouwen. Keetje,het
fijnst, het netst besneden bekje van alle Noordbrabantsche meisjes,
-ocr page 351-
333
die ik onder eenigen stand gezien heb. Keetje, met het rankste
figuur, de liefste voetjes, de kleinste handjes, met kuiltjes op iede-
ren vinger; dat blanke gezichtje, die gróote blauwe oogen, met
dien doordringenden opslag! Het geestige, hupsche, vroolijke keetje ,
die zoo lief praat, en zoo lief lacht...."
„En zoo zoet zoent ?...." vroeg de jongste; „want als zij zóó is,
als gij ze beschrijft, dan is zij licht, vrindlief, en dan zeg ik als
in het oude stuk,
„Een mooie meid zou, in een herberg, eerlijk zijn!"
„Kabeltje!" hernam de andere op den theatraalst mogelijken
toon: „dwing mij niet te midden dezer welige natuur een moord te
begaan. Nog één woord ten nadeele van keetje , en ik maai uw eer-
loos hoofd weg, als gindsche maaier de rijpe aren." — En daarop
in den natuurlijken toon vallende, ging hij voort: „Ik zou niet graag
willen biechten, vriend! hoe menigmaal ik, in den tijd dat wij
hier te Oosterhout lagen, haar om een zoen geplaagd, gesmeekt
heb. Zoo het mij driemaal gelukt is er een te krijgen, is het veel;
en dan is er één bij van toen we wegtrokken. De geheele compagnie
was op haar verliefd. Het was keetje voor, en keetje na; allen
vrijden naar haar; allen droomden van haar; iedereen wou met
haar wandelen; met haar naar ïtaamsdonk rijden — ja er waren
er, geloof ik, die haar wilden trouwen ...."
„En zij," merkte kabel aan, „zij was a tout Ie monde, en ver-
hoorde ieders klachten."
„In \'t geheel niet, zij was er te verstandig toe, en dat niet alleen,
maar ook te braaf. G-ij moest haar naar de kerk hebben zien gaan,
met de breede zwarte falie, eerst hangende over de schouders,
met vrijwat meer gratie dan waarmee b. v. mijn nicht haar mantille
draagt, en dan, bij \'t ingaan van de deur, over \'t hoofd, dat haar
lief, devoot gezichtje er effentjes uitstak. Maar dat daargelaten! Er
was niemand, die zich op éenige gunst van haar te beroemen had;
er was niemand, dien zij lomp behandelde of boos maakte; zij bleef
zoo lief en vriendelijk tegen allen, dat allen dachten met haar op een
goeden voet te zijn. Het was zot, van zes of zeven menschen dezelfde
confidenties te krijgen, die op dezelfde nietigheden berustten...."
„Zij speelde de coquette," zei kabel, „net als dat heele duivelsche
dorp, of stadje, als net zoo wezen moet, dat telkens weer achter de
boomen kruipt; zij speelde de coquette, man! en had haar vingers
vol ringen, en haar Kast vol presenten van allerlei aard...."
„G-een een! ik verzeker u, dat zij niets aannam. O, zoo je wist
hoe zij over die dingen dacht! Ik was haar vertrouwde zoowat. Zij
sprak nog al eens veel met mij."
„En gij vielt in de termen van die gelukkigen, daar je zoo straks
van spraakt, die meenden dat voor hen alleen was, waarin zij met
zes, zeven andere deelden?"
-ocr page 352-
334
„Je zult niet overtuigd zijn, voor je haar hebt gezien en hooren
spreken, ellendige!" sprak de ander. „Maar je haat haar moeten
vinden zooals ik, de mooie oogen vol tranen, na een onkieschen
voorslag van van der krop , die te veel gedronken had. Hoe bitter
had ze \'t op haar zenuwen!"
„En was die van der krop een knap manskerel?" vroeg de onver-
biddelijke reisgenoot.
„Dat had juist niet over. Ik voor mij noemde hem een monster, en
keetje ook. Er waren er wel die meer indruk op haar lief hartje
maakten ...."
„Gij, bij voorbeeld, niet waar? —"
„Nu ja; maar in een anderen zin ; ik was haar een vriend; maar onze
vriend everards, die stond hoog bij haar aangeschreven. Het zou
mij niet verwonderen, zoo zij om diens wil wel eens andere tranen
had geschreid."
„Och heden, kom!" zei karel , „het wordt al te aandoenlijk. En nu
geen woord meer van keetje, totdat wij haar zien."
De twee vrienden kwamen te Oosterhout, en zagen keetje. Zij
traden de herberg binnen en vonden haar bij het venster bezig met
«enig naaiwerk. De groote geplooide slippen van de Brabantsche
muts, waar twee donkere platgestreken haarlokken eventjes uitke-
ken, vielen over een donkerrood doekje met groene ruiten, dat haar
schouders en boezem tot hoog in den hals bedekte en wonderwel
afstak bij haar blank kinnetje. Zij zag op, en haar groot blauw oog
maakte zulk een indruk op den jongste der beide reizigers, dat hij
oogenblikkelijk het getal harer aanbidders vergrootte.
„Zulje dan eeuwig even mooi blijven, kee!" riep de oudste in
bewondering uit, haar de hand toestekende: „het is negen jaar
geleden sedert we goede vrinden waren, en je bent geheele dezelfde."
„Ik zij toch negen jaar ouer geworden, mijnheer!" zei keetje
vriendelijk lachende, en een rij van de gelijkste tanden ontblooten-
de, die ooit tusschen rozeroode lippen hebben uitgeschenen.
„Mijnheer!" hernam de ander, „ltenje me niet meer? Denk aan
de Leidsche Jagers."
Keetje rimpelde haar lief voorhoofd om zich te bedenken. „Ik
geloof...." zeide zij aarzelende, „ik geloof mijnheer.... van____
DER KROP ?...."
-ocr page 353-
DE LIMBURGSCHE VOERMAN.
„Goeden mergen, heern!" zei christoffel hermans, daar hij
bezig was zijn groot paard voor de huifkar te zetten, die ons eenige
uren verder voeren moest. „Goeden mergen, heern!"
In dit woord was voor ons eene teleurstelling. Hoe armoedig wij
er ook uitzagen; hoe vuil onze Brabantsche kielen, na eene reize
van ettelijke weken ook mochten geworden zijn; hoe slap de ran-
den van onze hoeden nederhingen; hoe nederig wij den vorigen
avond, na het nederwerpen onzer ransels, onze voeten op de plaat
van den gemeenen haard gezet hadden, en met hoeveel eenvoudig-
heid en gerneenelui\'s handigheid wij het oude grootjen ook hadden
bijgestaan in het snijden van snijboonen tot haar wintervoorraad,
het was ons niet gelukt voor reizende kooplui of gelukzoekers door
te gaan; wij waren heeren, en moesten, niettegenstaande den droe-
vigen staat onzer finantiën, er op voorbereid wezen, benevens onze
melksoep van gisteravond, ons logies van vannacht, en ons ont-
bijt van vanmorgen, nog den titel van heeren te betalen.
Christoffel hermans, zeg ik, was bezig zijn groot paard voor
de huifkar te zetten, en verrichtte dezen arbeid op een kleine
voorplaats, waar hem zijne kippen en kalkoenen over de voeten
liepen, gedurig met het paard redeneerende.
„Stappertje! opgepast van daog, zulle! ge kraogt het nuwe vlie-
gennet over den baste, en de nuwe bellen. En biesjen achteruut,
maot; ziede ga niet dat ga de poes op de poot trappen zult. Zie zoo;
kaaik, we zalIen eenen goeden oop ooi in den zak doen. Dan modde
ga ook goed stappen, zulle!" enz.
Onder deze hartsterkende taal werd het kolossale dier op een schit-
terende wijze uitgedost met een groot geknoopt vliegennet van het
vurigste klaproosrood, waarvan het voorste gedeelte onder den
voorriem van het hoofdstel werd doorgetrokken, en het achterste
om den staart gestrikt; rondom behangen met eene lange, luchtige
franje van \'t zelfde, en twee groote roode kwasten over de haken
•der boomen.
Het is opmerkelijk hoeveel bijhangsels er tot de optuiging van een
Limburgsch paard behooren waarvan men geene mogelijke nut-
tigheid kan uitdenken, en die ook alle, volgens getuigenis van
•den voerman, „allien maor voor den sieraod" zijn. Daaronder tel-
len een groot getal korte riemen en touwen, die van het hoofdstel
tot het haam gaan, terwijl toch het beest enkel door stem en zweep
-ocr page 354-
336
(met hot en her) geregeerd wordt; daaronder, een paar koperen instru-
menten, in de gedaante van breede groote haarkammen, op het-
zelve haam, die niet zouden mogen ontbreken, hoe volstrekt doel-
loos zij ook zijn. Voeg hierbij een zwaren ijzeren ketting langs den
boom der kar, en een krans van bellen om den nek van \'t paard,
waarvan de eerste een openlijke bespotting is van de groote mak-
heid van het dier, en de andere een dadelijk paskwil op de breede
wegen, waarop men elkander een uur ver ziet aankomen.
Toen al deze fraaiïgheden naar behooren waren in orde gebracht
en een groote hoop versch hooi in het tusschen de wielen bengelend
net was geworpen, werd, dwars in de kar, een dikke bos stroo ge-
klemd, waar vlerk en hildebrand plaats op namen; de deuren van
den hoenderhof werden opengezet, en christoffel hermans, een
kerel van zes voet, met een schoone blauwe kiel aan, trad vooruit,
met de zweep van gevlochten teen, losjes in den elboog gesteund,
en wees zijn stapper den weg. Het roode vliegennet kwam in bewe-
ging als een langzaam golvende bloedstroom, de bellen klonken,
de keten rammelde, de twee zware wielen van de kar dreunden. Wij
joegen den haan, die op de huif gevlogen was, weg, en onze tocht
ving aan, terwijl christoffel hermans in \'t blauw, en het groote
paard in \'t rood, wedijverden wie de grootste stappen konde nemen.
„Hoeveel tijd rekenje, dat er noodig is van hier naar Quaadme-
chelen, voerman?"
„Laot zien," zei hij; „\'t mag drie uren gaons wezen; dats begens
vierdehalf uur met de ker."
Men merkt op dat de huifkar een uitmuntend middel van vervoer
is voor personen die niet gaarne willen dat al wat zij voorbijrijden
hun geel en groen voor de oogen wordt. Inderdaad, ik kan het aan
alle voetreizigers aanbevelen, daar het in de gelegenheid om het land
te zien (mits men de huif oprolle) geen de minste belemmering brengt.
Het is ook waarlijk alleraangenaamst voor dezulken die wel eens
stijf van \'t zitten worden, aangezien niets gemakkelijker is dan zich
van tijd tot tijd, tot verpoozing, achter van de kar te laten afglijden
terwijl het paard voort blijft stappen, en een weinigje langs de wielen
te wandelen, zonder dat zulks eenig oponthoud in de reis veroor-
zaakt. Hier komt bij, dat men naar alle menschelijke berekening
geen nood heeft een ongeluk te krijgen; daar er noch riemen zijn
die knappen, noch veeren die doorzetten kunnen. Wat betreft het
afloopen van een wiel, ik ben overtuigd dat dit geen de minste
stremming zou te weeg brengen, daar de velgen zoo breed zijn, dat ik
zeker ben dat het geheele gevaarte even goed op één als op twee
wielen kan blijven overeindstaan. Voeg hierbij, dat deze manier
van vooruitkomen niet duur is, en dat gij behalve „een glaoske
bier" aan den voerman, die daar op den duur nog al behoefte aan
heeft, met geene verdere onkosten te maken hebt, daar het paard
zijn ruif onder den wagen met zich voert, en ook lang zoo malten-
-ocr page 355-
337
tig en verlekkerd niet is als onze goede Hollandsche paarden, die
geen anderhalf uur kunnen loopen zonder te moeten blazen, brood,
te krijgen, en te worden gedrenkt.
Zoo gij daarenboven een voerman aantreft als onzen chbistoffel.
hebmans, een goeden hartelijken kerel, vol mededeelingen en ver-
halen uit den „veldtocht", wordt de lange wijle u nog al aardig
verkort. Grii hadt hem moeten hooren vertellen van de opschudding,
die de Leidsche studenten te Quaadmechelen gemaakt hadden, en
hoe een juffrouw, die in de verwarring vóór in de borst geschoten
was dat de „koegel" achter uitkwam, er desalniettemin dik en vefr
tegenin geworden was; hoe „vrundelijk de mogendheden van den
Ollander zijn, daar èn de Prins van Oranje èn „den anderen Prins"
hem teruggegroet hadden, toen hij zijn hoed had afgenomen; en
hoe hij op deze zelfde kar het doode lichaam vervoerd had van een
soldaat, door „de mogendheid van Saksen Weimar" met eigen hand
in tweeën geslagen, omdat hij begon „te plunderen en te ontram-
peneeren" en tot een Limburger had gezegd: „trek de broek uit,
want de mijne is stuk". En hetzij uw voerman een Ollandsch, het
zij hij een Belgisch Limburger wezen moge, gij zult met vreugd
de opmerking maken dat hij, in ieder geval, door taal, karakter
en levenswijze zoo goed bij Holland behoort als gij en ik.
-ocr page 356-
DE MARKENSCHE VISSCHER.
Ultima Thule.
Telken jare, in den beginne van het jaar, wordt het Haarlemsen
straatpubliek onthaald op het voortreffelijk gezicht van een vijf-of
zestal jonge reuzen, welke, met een ouden reus aan \'t hoofd, langs
de straten worden gezien, vooral op de hoogte van het Gouverne-
mentshuis en den Doelen, waar zij door de straatjongens met even
veel belangstelling worden aangegaapt en nageloopen als een be-
delende Poolsche Jood met langen baard en spitse muts of, om-
streeks den kermistijd, een Parij sche Armeniër met geparfumeerde
kleederen en gebloeinden tulband. Het personeel der jonge reuzen
verandert jaarlijks, daar er bij dezen optocht geen andere geduld
worden dan die hun achttienden verjaardag gevierd hebben en
hun negentienden nog niet hebben beleefd. Maar de oude reus, die
aan \'t hoofd stapt, is en blijft dezelfde en wordt slechts met ieder
jaar een jaartjen ouder. Deze reuzen zijn alle volmaakt op dezelfde
wijze gekleed. Zij dragen (om te beginnen met hetgeen het meest
in \'t oog loopt) ontzettend wijde korte broeken, met diepe zak-
ken waarin zn hunne handen bestendig verborgen houden, en
nauw om \'t lijf sluitende wambuizen, waaronder zich een dicht-
feknoopte damasten of blauwkatoenen borstrok, naar gelang van
en geldelijken toestand des eigenaars, vertoont. Buis en broek zijn
van een grove bruine stof. geen laken. Op het kleine hoofd voeren
zij een lagen, breedgeranden ronden hoed om, en hunne dikke kuiten
zijn omkleed met grijze kousen. Hooge schoenen bedekken hunne
groote voeten. Als versierselen van weelde dragen sommige, en
althans de oude, kleine ronde gouden of zilveren knoopjes in de
roodgeruite das, aan de hemdsmouwen, en vóór in de broek. Het
uitzicht dezer reuzen is niet kwaadaardig. Zij hebben knokige, voor-
uitstekende voorhoofden en jukbeenderen, waartusschen hunne
vriendelijke lichtgrijze oogen verborgen liggen; breede monden;
kleine witte tanden, en dunne haren van de echt Celtische kleur, die
bij den ouden reus reeds eenigszins beginnen te verbleeken. Zooals
zij zich daar op Haarlems straten vertoonen, maken zij uit het
contingent van het eiland Marken voor de nationale militie, met den
Edelachtbaren Heer Burgemeester van datzelve eiland aan \'t hoofd.
Kent gij het eiland Marken ? Het levert het doorslaandst bewijs dat
soberheid en ontbering de kloekste menschengeslachten kweeken en
-ocr page 357-
339
in stand houden. Marken is, zou men zeggen, een hoop slijk in
•de Zuiderzee; meer niet; hier en daar een weinig gras voor een
•enkel mager paard, en voorts geen plantenleven dan oen steel of
wat lepelblad, tegen de scheurbuik. Op Marken geene schaduw van
«en enkelen boom. Op Marken geen schijn of zweem van eenigen
oogst. Op Marken zelts geen bakker. Het brood dat het reuzenge-
slacht, hetwelk op dien inoddergrond tiert, eet, wordt in Monniken-
dam bereid; en als de veerachuit, die het dagelijks aanbrengt, de
slechte haven niet binnen kan loopen, hongeren de reuzen. En
toch heeft zich aldaar het waarachtig type onzer oudste voorouders
bewaard, in die mannen van meer dan zes voet, met schouders als
Atlassen en goudgele lokken; en de nieuwsgierige, die den voet
•onder dit eenvoudig visschersvolk zet, vindt er de huizen, de ge-
woonten, de zeden, de begrippen van voor twee eeuwen; ofschoon
het niet te ontkennen is, dat de lichtingen voor den krijgsdienst, en het
verval der groote en kleine visscherijen, dat den Markenaar nu ook tot
een ansjoviszouter maakt, hem eenigszins uit zijn afgesloten kring
hebben gerukt. Ik voer er heen met een zeventigjarig grijsaard aan
\'t roer, die zoo vast aan spoken en toovenaars geloofde als aan de
Heilige Drieöenheid. Ik hoorde er een godgeleerd gesprek, waarin
Tan voetianen en Coccejauen werd gesproken op eene wijze, alsof
•die twisten nog aan de orde van den dag, alsof de heeren Voetius
•en Coccejus, in Wakenden ijver, nog alle\'dag te spreken waren. Ik
zat er in de burgemeesterswoning mijn kleeren te drogen bij een
vuur, waarvan de rook geen anderen uittocht had dan door het dak.
En toch werd mij ook aldaar de keus gegeven tusschen een glas
Parfait Amour, of een glas Rosé sans épines, naar welgevallen, en
de man verhaalde mij, dat hij er „den Gouverneur spuutwien" (zoo
noemde hij champagne) „had voorgezet", toen ZEx. hem, op zijn
toer langs de eilanden, bezocht had. Ik moet hem evenwel het reent
doen van te verklaren, dat hijzelf zoo min het een als het ander
met de aanraking zijner burgemeesterlijke lippen verwaardigde.
Verwonderenswaardig is de hoogte der bedsteden, waarin dit
reuzenvolk den zegen des slaaps geniet. Het zijn een soort van torens,
welke zij met verscheidene trappen beklimmen. Indien gij echter
hunne woning beschouwt, en van een dezer groote zwaluwnesten,
tegen den zolder opgehangen.de gordijnen ziet opengeschoven, en
uw oog stuit op een hoogen stapel kussens, waarvan de sloopen
op een zeer eigenaardige en alleen Markensche wijs zijn bewerkt en
waarover een keurige sprei ligt, op dezelfde wijs bestikt, zoo waan
niet dat daar de plaats is, waar de Titan zijne Titane in de armen
zinkt. Het is het pronkbed. Want ook hier wordt gepronkt. Dat ge-
tuigen bovendien alle de wanden der armelijke hut, niet minder
blinkende van gedreven koperen schotels, dan de poffertjeskraam
•der beroemde firma spandoek.
Maar gij verbaast u, als gij dit eiland in zijne lengte en breedte
-ocr page 358-
340
doorwandelt, ja zelfs de huizen binnentreedt, geene vrouwen te zien
G-een wonder; zij zijn volkomen menschenschuw en vluchten op den
aanblik van een vreemdeling. Zoo gij er echter eene enkele te zien
krijgt, zult gij bemerken dat zij een paar hoofden kleiner zijn dan
de mans en zelden uitmuntende in schoonheid. Zij dragen witte kappenT
waaruit het vóórhaar in twee lompe, onbevallige, niet krullende viok-
ken langs haar aangezicht valt. Haar jak en rok zijn van grove stof,
en op de borst spelden zij een witten doek, al wederom op Markensche
wijze bestikt. Het jak is meestal veelkleurig, en wel zoo, dat het
van achteren anders is dan van voren; doorgaans toonen de Mar-
kensche vrouwen een rooden boezem en groenen rug, of omgekeerd. De
kinderen hebben geen ander speelgoed dan een tamgemaakte zee-
meeuw, die zij een ijzeren ring om den hals doen dragen. Wat hun voor-
komen betreft: gij moet ze niet beoordeelen naar het proefje, dat daar-
van op de laatste kermissen is te zien geweest, toen gij u, tot uw uiterste
verbazing, eenige honderden ponden gevormd menschenvleesch, op
naam van een zuigeling van drie maanden, zaagt voorstellen. Het
toonde u echter wat de natuur op Marken vermag, en welk een voed-
zaamheid de Markensche moedermelk bezit; weshalve ik alle Mon-
nikendamsche huisvrouwen, die wel Markensche dienstmaagden ge-
bruiken , aanraden zoude zich van Markensche minnen te onthouden.
. De koddigste figuur maken te midden van dit ouderwetsch, dit
zeventiende-eeuwsch geslacht, de predikant, de schoolmeester en de
chirurgijn; pygmeën, bij ongeluk onder deze enakskinderen ver-
dwaald, en wier meer hedendaagsche kleeding zonderling afsteekt
bij die der landskinderen, die allen orthodox, allen hardleersch, en
allen welvarende zijn.
-ocr page 359-
DE JAGER EN DE POLSDRAGER.
„Morgen!" zegt de jager en hij steekt zijn groengemutst hoofd
om \'t hoekje van de deur der woning, waarin de boer en de boerin
met acht a, negen kinderen, twee knechts en een meid hun ochtend-
stuk zitten te gebruiken.
„Morgen, arie!" roept de boer, terwijl de roggebroodskruimels,
die hem bij deze begroeting uit den vollen mond vallen, door den
jachthond worden opgesnufïeld. „Rais opsteken?" — „Twaalf
Maadjes!" zegt de jager, zich op de stalling nederzettende en een
pijpje uit zijn pet krijgende, terwijl hij het geweer tusschen de
beenen houdt, waarvan de boerin de oogen niet af kan houden.
„\'t Staat in de rust, moeder!" — „Nou ja, arie; da\'s goed; maar
een menseh is er toch altijd skrimpeljeuzig van!"
„Heb je der al gevangen, arie?" vraagt de boer. De boeren
noemen het vangen.
„Twee KRELis-oom, twee; ik heb ze zoolang bij sijmen neergeleid."
„Nou," merkt de vrouw aan, „ik denk dat arie der al menig
ientje \'hikt het."
„Ik wou ze wel rais bij mekaar zien," zegt de jager. Jagers
hebben altijd het heimwee naar een dal josaphats van het door
hen geschoten wild.
„Zie je der hier nog al?" vraagt hij verder.
„Ik bespeur ze zoo niet," zegt krelis, „maar hier me piet, die
ziet ze nogal dik."
„Gisteren avend," zegt piet, een opschietende knaap, de oudste
van KRELis-oom, die met een wensch in de oogen beurtelings den
jager en de weitasch en het geweer heeft aangekeken; „gisteren
avend ging er temet ien tusschen me bienen deur. Een dikke, hoor."
„Mag de jongen rais meeloopen?" vraagt arie aan KRELis-oom.
„Nou ja",\' antwoordt deze; „ t zei wel lukken."
Piet verslikt zich haast aan de laatste korst van zijn roggebrood
met kaas. Een taaie sliet wordt uit deu dorsch te voorschijn gehaald,
en pols en polsdrager zijn geïmproviseerd.
Zoodanig is de wording van den polsdrager; maar nooit was een
schepsel ter wereld dankbaarder voor zij n bestaan; geen begunstigde
slaaf kleeft zijn meester getrouwer aan dan de polsdrager den ja-
ger. Hij verlaat zijn zijde niet. Hij springt den jager vóór over
alle slooten en klimt hem over honderd dijkjes na; hij wandelt met
hem het jachtveld met vermoeiende ziegezagen af; hij staat, als de
hond staat, en apporteert, als de hond apporteert. Spreekt de jager :
-ocr page 360-
342
hij hangt aan zijne lippen, bezield met het onbepaaldst geloof. En
niet licht zijn de proeven, waarop hij iu dezen gesteld wordt. Geen
frooter leugenaars dan schaatserijders en jagers, zegt men wel.
laar wat wondergeschiedenissen deze laatsten ook mogen opdis-
schen; van zes hazen geschoten op één stuk, van twee watersnip-
pen in één schot in den donker; van hazen, die op één looper nog een
gezicht ver wegliepen ; van andere, die met uitgeschoten oogen tegen
den hond insprongen; van hoenders die ronddraaiden, neervielen,
weer opvlogen, weer ronddraaiden , en nog reis neervielen; van aren-
den die op den hond gingen zitten, en roerdompen die met den laad-
stok wegvlogen: de polsdrager trekt geen enkele dezer groote ge-
beurtenissen in twijfel; de jager in het algemeen is zijn orakelt
zijn afgod; het valt hem niet in dat er mogelijkheid bestaan zou van
eenige opsiering, eenige vergrooting bij \'s mans verhalen; en in
het bijzonder houdt hij dien jager, met wien hij op dat oogenblik
jaagt, voor den grootsten van alle jagers, den Nimrod Nimrodorum.
Ja, zelfs, indien er iets vergroot moet worden, hij is de eerste om
den jager die moeite te besparen, wanneer hij hem al de verhalen, die
hij zich van hem herinnert, nogmaals te binnen brengt, en zich
nogmaals doet mededeelen. Schiet de jager raak: de polsdrager, schoon
hij niets gezien heeft dan wat vuur en rook, heeft het haas driemaal
over den bol zien buitelen; is het haas vrij: de polsdrager beweert
dat hij er de wol bij vlokken heeft zien afstuiven. Gebeurt het een
enkele maal; het gebeurt nooit, zweren jagers en polsdragers; maar
het zou toch kunnen zijn; na een ongelukkige jacht; met sneeuw
aan de lucht; tegen het sluiten;.... dat er een haas .... meegenomen
moet worden, die — op de grensscheiding van een privatievejacht
ligt, — kortom! om het hatelijk woord dan maar te zeggen, —
die in \'t leger moet worden geschoten, ofschoon er dan ook strikt
fenomen een pols en een polsdrager is om hem te doen rijzen....
\'oef! de lepels hebben zich niet boven het gras opgeheven — hij
ligt al te trekken —
„Net toen hij oprees," zegt de jager.
„Je was der gouw bij," zegt de polsdrager, „hij was je haast te
gouw of."
„Een ander zou \'em in \'t leger geschoten hebben!" zegt de jager.
„Dat loof ik er ook wel van," zegt de polsdrager; „hij zou aars
net het dijkie overëwipt hebben toen ie \'t beet kreeg."
De polsdrager spreekt aldus, niet uit beleefdheid of uit laagheid,
maar uit volle overtuiging.
„Een mooi haas," zeit de jager, daar hij den armen drommel
met een klap in den nek afmaakt. „Een mooie rammelaar".
„Een mooie rammelaar," echoot de polsdrager.
„Ik zei \'t je ommers wel, dat er op dit stuk ien raizen zout1"
herinnert de jager.
„\'t Is waar ook," antwoordt de polsdrager, schoon de jager de
-ocr page 361-
343
woorden niet van zijn lippen heeft laten komen. „Je zag het vast
an den hond?"
„Neen!" zeit de jager, die (let wel!) nimmer des polsdragers
venatorische gissingen goedkeurt „dat niet."
„Had je \'em dan \'speurd in \'t slik an den dam?"
„Ook niet!" herneemt de jager met groote wijsheid; „maar daar
was daareven ommers een voester opëgaan."
„Was dat een voester, abie, die je misschoot?"
„Misschoot?" vraagt de jager met verontwaardiging. „Hij had
hagel genoeg. Je zelt \'em morgen wel vinden...."
En de polsdrager is den anderen dag op dat stuk, om den aan
de gevolgen zijner wonden overledene te zoeken; en indien hij hem
niet vindt — stroopers moeten er vóór hem geweest zijn om hem
weg te halen, een wild dier hem hebben verslonden, of wel, me-
delijdende natuurgenooten zullen hem, daar zij hem vonden, wen-
telende in zijn „zweet" (d. w. z. bloed), op hun rug hebben wegge-
dragen, tot dicht bij de naaste eendekooi, waar hij , onder bescher-
ming van het kooirecht, den adem rustig heeft kunnen uitblazen,
aan het ruige kantje van een kille sloot, wel overtuigd dat het hem
niet aan hagel ontbroken heeft.
-ocr page 362-
DE LEIDSCHE PEUÈRAAR.
Een Leidenaar sprak eenmaal Charon aan:
„Ik bid u, bootsman! Jioor mijn beden!
Zoo \'k eenmaal in uw schuit moet treden,
Och, laat het zijn bij donkre maan!
Indien \'k mag peuren uit uw bootje,
Krijgt gij de helft van \'t waterzootje,
En \'k wijs u bovendien den grond.
Daar ik mijn vetste wurmen vond."
Studenten-Almanak 1836.
Het wapen der stad Leiden vertoont de sleutels van St. pietee.
Een onvergefelijke misslag! Het had zijn vischnet moeten wezen.
Het is de- stad der visscherij ; óók de academiestad; óók de stad der
egyptische Farao\'s; óók de stad van bul en bolussen; maar boven
en behalve dat alles, de stad der visschers. — Nader haar van den
kant der Hoogewoerds-, der Koe-, der Witte-, der Rij nsburger-,
der Marepoort, of van welke poort gij wilt: overal wappert u van
de leuning der poortbrug een opgeheschen totebel tegen. — Wandelde
Leidsche singels rond: geen drie boomen zult gij zien, of gij ziet bij
den derden een hengelaar, in das, jas, en gras gedoken, een neus-
warmer in den mond, aan zijn rechterhand een kluit vuil geworden
vischdeeg, aan zijn linker drie of vier zieltogende bliekjes. Bezoek
Leiden bij hoog water: gij zult de lieden van den Apothekersdij k en
de Oude Vest op heeter daad verrassen, daar zij bezig zijn in
hunne voorhuizen de binnengespoelde stekelbaarsjes te verschalken.
Hoor Leiden in de vergaderzaal der Edelmogenden: gij zult het
zich met hand en tand zien weren tegen de droogmaking van het
Haarlemmermeer, op grond van het overoud recht der Stad op een
gedeelte van het vischwater.
Als ik echter zeide dat de stad Leiden een vischnet voeren moest,
noemde ik het gepaste, maar het meest gepaste nog niet. Ik sprak
van het net, om bij St. pieter te blijven; maar zoo gij mij vraagt wat
het eigenlijk wezen moest F Een paar gekruiste hengelrieten, een
paar vischhoeken overkruis. Het is zelden om den visch, dat men te
Leiden vischt; het is om te visschen; en de langzaamste genieting
van dit genot gaat voor de beste. Niet om met een enkelen trek van de
zegen, een tweemaal daags ophalen van een schakel, of met zethen-
-ocr page 363-
345
gels, die hun dienst doen terwijl gij slaapt, een macht van „ sch ubbig
watervolk" bijeen te brengen, is het den echten Laienaar te doen.
De zaligheid van het nop hebben, van het zien trillen, indoopen, on-
derduiken van den dobber, en daarin , van het zuigen van een langwij-
lig aaltje, het leuteren van een zeurig postje aan den onmerkbaren
hoek, is hem genoeg. Katvisch is hem even welkom als doop- en
waterbaars. Katvisch is den Laienaar dierbaar! Al wat aan den
angel bijt en, met bloedende kieuwen en half uitgeboorde oogen, van
den angel kan worden afgescheurd — ziedaar wat hem gelijkelijk
felukkig maakt. — „Een hengelaar kan geen goed mensch zijn,"
eeft Lord Bteon gezegd; maar de Laienaar heeft één troost „\'en
slecht minsch die \'t zait!" Mij dunkt; ik hoor het hem antwoorden.
Van Bngelschen gesproken! zij hengelen met geschilderde vlie-
gen, om niet bij iedere vangst een dubbele wreedheid te begaan. Wat
zouden zij wel zeggen van de gruwzaamheid, waartoe zich de Laie-
naar in staat gevoelt, als hij den peurstok gereed maakt? — Please,
Sir!
volg mij in deze achterbuurt. Het heet hier De Kamp. Kijk eens,
zoo gij kunt, door dit groene vensterglas naar binnen. Wat ziet
gij? — „Ik zie een vrouw met de haren door de muts, die kleine
ronde koekjes bakt." — Best; van water en meel en een beetje olie.
Het is voor de lui, voor wie een oortjesbroodje te duur is opeens. Het
is de vrouw van den Leidschen Peuëraar. Ziet gij haar man niet ? —
„Yes; die fellow met een slaapmuts op, in een duffelsche jas?"
Dezelfde. Het is de Leidsche Peuëraar in eigen persoon. Een ka-
rakter, dat alleen in deze stad gevonden wordt. De linkervleugelman
van de opgaande linie van Leidsche visschers. De verwerpelijkste
vorm, waaronder zich de algemeene hengelliefhebberij voordoet.
Wat doet hij? — „Hij rijgt iets aan een touw, dat hij uit een rooden
pot haalt; iets langs, iets smerigs." — Recht zoo! het zijn pieren
air! niets dan pieren, pieren van het echte soort, met gele kransjes
om de koppen. In dien pot zijn meer dan honderd pieren; en zij
worden door zijne nijvere handen aan een vrij dik snoer geregen,
bij den kop in, en bij den staart uit.
Straks zult gij hem van dezen pierenguirlande een soort van kwast
zien maken, niet ongelijk aan het uiteinde van een bloedkoralen
bayadère. Met deze wormenfranje wordt gevischt; datheetpeuren;
en deze zonderlinge passementmaker heet de Peuëraar „Horrible,
horrible, most horrible!"
— „„Net niet!"" zou de Peuëraar antwoor-
den, indien hij u verstond, „„net niet, jou vreemde stoethaspel,
want door die weg krijgen de (n)alen geen hoek in der gezicht.
Zieje wel; je kent alle dingen tweileidig opvatten."" — Het plat Leidsch
is leelijk, en het Leidsch van den Peuëraar is het platste.
Als de maan donker is, gaat de Peuëraar tegen het vallen van den
nacht uit, met een lantaarn onder den arm, en zijn korten peurstok,
waarvan de bovenbeschrevene wormentroetel af moet hangen, in de
hand, de blauwe slaapmuts op \'t hoofd, de duffelsche jas aan,
-ocr page 364-
340
klompen aan de voeten, een „paip in zen hoofd". In zijn zak berust
een groote flesch jenever, en in zijn tabaksdoos bewaart hij een
briefje, waarin de commissaris der Politie van Leiden getuigt dat
de daarin genoemde Peuëraar geen schelm is, en misschien wel geen
hout kapen zal, al komt hij met zijn schuitje wat dicht ondereen
zaagmolen. Zoo wandelt hij naar het een of1 ander kroegje, waar hij
volgens afspraak een anderen Peuëraar vindt en, na nog gauw „voor
drie cintjes" genomen te hebben, begeven zich de collega\'s naar
hun gemeenschappelijk schuitje, een klein platboomd vaartuigje, dat
zij met riemen en een gerafeld stuk doek, onder den geüsurpeerden
titel van zeil aan een stok opgestoken, in beweging brengen. Zoo-
ras men een goede ligplaats gevonden heeft, wordt het zeil gestre-
ken, het anker geworpen, een rietmat tegen den wind opgezet, en
het peuren neemt een aanvang. Het is een aesthetisch ding. Alles
komt hier aan op het gevoel. i)e kunst van peuren bestaat in het
zachtjes op en neder bewegen van den peurstok, waardoor de ver-
lokkelijke wormenfranje in een gestadige onrust is. En telkens als
des Peuöraars fijngevoelige vingertop — neen! als zijn hart hem zegt
dat hij beet heeft — slaat hij op, en het verschalkte aaltje spartelt
in de schuit. En zoo ras het vischwater daar ter plaatse is uitgeput,
wordt het zeil geheschen en een andere ligplaats opgezocht. Zoo
dwalen de Peuöraars over Rijn, Zijl, Leidsche Vaart, Haarlemmer-
meer , ja, komen dikwijls tot zeer nabij de hoofdstad; en nacht op
nacht wordt gesleten in onvermoeid gepeur.
„Hoe zuur wordt dat eerlijk stuk brood gewonnen!" Dank voor
uw medelijden, mevrouw! het doet uw hart eer aan. Maar geloof
nooit dat het dezen lieden om brood te doen is. Uwe edele ziel waant
dat hier voor vrouw en kroost wordt gezorgd, met opoffering van
nachtrust en gemak. In het minst niet. Er is een test met vuur, er
is zout, er is een koekepan aan boord. De aal wordt op de plaats
gevild, gesneden, gebraden, en door het vriendenpaar, onder rijke-
lijke bevochtiging met Schiedamsch vocht, gegeten, terwijl de vrouw-
haar cents koekjes bakt, en zelve met hare kinderen honger lijdt.
Daarom ook, als deze ITlyssesen, na hun langen zwerftocht, einde-
delijk hunne huisgoden weder komen opzoeken, worden zij gewoon-
lijk door hunne getrouwe Penélopé\'s met den vereerenden titel van
Luibak begroet, een liefdenaampje, hetwelk deze teederen voor
hare dierbare wederhelften hebben uitgedacht.
„Loibak!" heet het van hare bespraakte rozelippen, „Loibakikom
je weer oit je smulschoit?"
Want dezen naam draagt het peurvaartuig in den huiselijken kring.
-ocr page 365-
DE NOORDHOLLANDSCHE BOERIN.
Een flink wijf is gees riek, rijzig, kloek en welgemaakt. Haar
aangezicht blinkt van dat frissche rood en dat glanzige wit, hetwelk
aan de Westfriesche vrouwen eigen is, waarbij als zij „op \'er Zun-
dags" zijn, het snoer van bloedkoralen, groot als knikkers. zoo hei-
der „ofspeurt" (afsteekt). Ik verzeker u dat zij die niet bleekdra-
fen, en gees allerminst. Ieder vindt dat de kap haar goed staat op
at glad, wit voorhoofd, bij dat kleine rechte neusje, die kleurige
wang, die groote blauwe oogen, die zachte ronde kin, dien blanken
hals! Het eenig gebrek van haar schoonheid, een gebrek dat zij met
de meeste Noordhollandschen gemeen heeft, is haar gebit, bedorven
door zoetekoek en oneindig veel slappe koffie. Gij vraagt wat voor
kleur van haar zij heeft. Niemand weet dat. Het is tot den wortel
afgeschoren; daar komt geen lokje voor den dag. Haar wordt een
onwaardig versiersel gerekend, waar men een gouden naald over \'t
voorhoofd, een goud ijzer (vergeef de tegenstrijdigheid der bena-
ming) over de ooren, een paar gouden boeken aan de slapen, en een
s
aar gouden spelden daarnevens draagt, en men er bij wagen zou-
e, dat de kap, de mooie, heldere, spierwitte, zorgvuldig gestrekene
kap, niet glad zou zitten. — Maar wat is dan dat zwarte dotje, dat
bij de gouden boeken uitkomt ? Het is een kleinigheid valsch haar,
onbescheiden vrager! aldaar aangebracht als eene verontschuldi-
ging voor het atscheren van eigen; of nog liever, als een weten-
schappelijk bewijs dat de Noordhollandsche boerin, zoowel als al
wat papilotten legt, friseert en brandt, zeer wel weet, dat er tot dat
opzichtig gedeelte van \'t menschelijk lichaam, hetwelk het hoofd
heet, haar behoort. Alle boerinnen dragen dit toertje; het is een in-
gehaald krulletje, dat de staart in den bek steekt, van zwart haar.
Blond is bij haar allen verafschuwd.
Als gij al de bijzonderheden van haar uitwendige persoon behoor-
lijk hebt opgenomen, begeef u dan tot de beschouwing van haar
innerlijke waarde.
Daar staat zij nu die, na zijn beesten, het hoogst staat aange-
schreven in de schatting van dries riek, haar welbeminden echt-
genoot. Ik zeg, na zijn beesten. "Want als zijn beesten sterven, kost de
inkoop van andere geld; een vrouw is omniet terug te vinden, en
brengt mogelijk nog wel een stuivertje mee. „Misschien wel zoo\'n
beste heezer niet — maar een mensch moet wat wagen, — in de koeien
zit hij ook niet! \'t Kan goed en kwalijk uitvallen; da\'s aventuur."
De bestemming der Noordhollandsche boerin, als zoodanig, is
-ocr page 366-
348
keezen, keezen, altijd keezeri; is bestendig te zorgen dat de melk,
die \'s ochtends en \'s avonds na „melkerstaid" wordt binnengebracht,
de deur niet uitga dan in de gedaante van goede, gezonde en niet
barstende kaas. En dat geeft haar dagelijks zoo veel werk, dat men
niet weet hoe zij den tijd vindt om kinderen te krijgen. Nochtans
krijgt zij ze in groote menigte. Maar ook, als het „puppie", (de
pasgeborene) een dag of drie door de buren is „gekeken\', en in
deszelfs bewonderde tegenwoordigheid het betamelijk aantal sui-
kerstukken (beschuiten met suiker) gegeten werd, verlaat zij de
kraamkamer alweer, en begeeft zich oogenblikkelijk aan de kaas-
tobbe.
Indien gij zindelijkheid zien wilt die het hart goed doet, kom dan
haar boerderij binnen. Het is hier niet de Zaansche en Broek-in-
Waterlandsche kleingeestigheid, die op muilen rondsluipt, en alle
meubelen en huisraad spaart, wrijvende, poetsende, en gladma-
kende wat zij niet zou durven gebruiken; maar een heldere reinheid,
die altijd wascht en schoonhoudt en blinken en glanzen doet, te-
midden van het veelvuldigst, het onophoudelij kst gebruik. Zie deze
lange rij van ter halfmanshoogte afgeschotene appartementjes, over
bijna de geheele lengte der boederij : de beschotten en posten alle
spierwit, en blinkend koperwerk daartegen opgehangen; den vloer
met zand bestrooid en in figuren aangeveegd. Gij zoudt er met uw
besten rok in gaan zitten. Echter zijn dit dezelfde plaatsen waar des
winters de beesten staan. Uit de groep (goot), die er langs heen
loopt, zoudt ge immers melk lusten! Maar zie nu de karn, de
kaastobbe, de pers, de kuipen, de doeken, de koppen waarin de
kaas haar zout en haar vorm krijgt: het is alles even zuiver en lekker
om aan te zien. Het hout is ruw en het koper glad van \'t schuren.
En gees zelve, laat zij vrijelijk voor uw oogen met haar blooten
dikken arm in de melktobbe roeren , waarin zij het stremsel gegoten
heeft, — de kaas zal er u niet minder om aanstaan. — (Het is heel
wat anders, een Noordhollandsche boerin, of een keukenmeid op
een stoomboot!) — De kleine kinderen, ziedaar het eenige dat vuil
is. Maar ze rollen ook den geheelen dag met de kleine honden op
de werf in \'t zand. Binnenshuis is hun grondgebied geenszins, dan
om te slapen en te eten. Allerminst in dat gedeelte der woning,
waar de kaas gemaakt wordt. Daar is de boerin alleen. Maar ais
de melk thuis komt, ontwaken in onderscheidene hoeken der boerde-
rij : een Cyprische kater, een witte poes, een zwarte en een roodbonte
kat uit hun dutje en komen, nog rekkerigen geeuwerig, op deem-
mers aan, waartegen zij zich op hunne achterpooten verheffen,
gelijk geleerde kermishonden om een trom, en zulks, zindelijk als
deze dieren zijn, om met hun zindelijke tongen het hun toekomend
gedeelte van de melk af te roomen, en daarna hun zoete droomen
wederom op te vatten, op de plaat, op een warme stoof, en in \'t
kozijn van een venster daar de zon op staat.
-ocr page 367-
349
Gees is goedhartiger, spraakzamer, en een weinig minder eigen-
zinnig en bevooroordeeld dan haar man, met wien zij nooit Kijft
dan m \'t geval dat hij den hoogsten prijs niet voor de kaas ge-
maakt heeft, die haar teedere handen bereid hebben. In haar jonge
jaren was zij vrij luidruchtig als ze eenmaal losraakte, maar op
den duur zou men het haar niet hebben aangezegd. Zij had vele
aanbidders, waarmede zij, naar \'s lands wijs, beurtelings kermis hield,
zonder hare keuze te willen bepalen en zonder dat het eenigszins
tot gevolgtrekkingen leiden mocht. Haar echtvriend heeft haar een
beetje bij verrassing genomen. Zij betuigt een goed man aan hem
te hebben en zou hem niet graag missen. En aan die waarheid
moet gij niet twijfelen, al verneemt gij dat zij, bij eventueel over-
lijden van haar dries, binnen \'t jaar met haar knecht trouwt, een
„jong borst", dien zij er nooit op heeft aangekeken, bijna zoo oud
als haar oudste zoon, — niet omdat zij volstrekt een man, maar
omdat de boerderij een boer moet hebben.
De wijze nu, waarop dbies eiek zijn geesje vrijde en trouwde
was een recht staal van Noordhollandsche zeden en, uit zijn eigen
mond opgeschreven, aldus:
„Dinsdag anësniejen, vrijdag anëteekend. Je zelt zeggen: hoe dat
zoo haastig? Maar we waren met zijn drieën jonge borsten vrijgezel,
en we hadden mekaar der de hand op \'geven ; die \'t lest trouwt, die
zei \'t gelag betalen. Nou, den iene van ons die was al weg, met de
Franscnen, weetje; daar hebben we nooit meer van \'hoord. Dood-
geschoten, wil ik denken, deur de kezakken. Maar zaterdag hoor ik,
dat me broer — die was dan eindelijk de derde man, verstaje! — trou-
wen gong. Ik denk, jonges! \'t gelag betalen, en gien waif; dat geet
niet an. Ivf ou, \'s zundags gong ik er op uit, hoor; maar ik wier gesteurd.
Deer ik toe kwam, was gezelskap; dat kon \'k al hooren, weetje,
buiten de deur. \'k Docht, nien! deer pas ik niet. Maar dinsdag; toe
vond ik er iene. En toe kreeg ik \'t klaar. Ze kon me wel; maar toch
alevel, dat had ze niet \'docht. En ik trouwde net met me broer op
dezelve dag; gnap hoor — Och heer! de witkoppen" — daarmede
het schoone geslacht bedoelende — „de witkoppen te bedotten, do\'s
geen duit weerd. Altijd \'en best waif der an ehad. En keezen! ze
ben der geen beter."
-ocr page 368-
DE NOORDHOLLANDSCHE BOER.
Koai op een vrijdag voormiddag in het kaasseisoen te Alkmaar!
De meer dan zeventig dorpen, die rondom de Noordhollandsche
metropolis liggen, hebben hun contingent geleverd. Beemster,
Purnier, .Schermer, Waard hebben zich leeg geschud in het kleine,
nette stadje. Al de straten die in een poort eindigen, en vooral de
zoogenaamde Dijk, een breed plein binnen de stad, staan vol van
hun geel en groen afgezette wagens, op het krat beschilderd met
bloempotten, krulletters, gedichten. Al de stallen rooken van den
damp hunner paarden; al de bierhuizen en kroegen dampen van den
rook hunner pijpen. Al de scheerstoelen prijken met hunne inge-
zeepte aangezichten. Waar gij komt: bij den tabaksverkooper, in de
koomenij, in den pottewinkel, bij den schoenmaker, die alle dub-
bel hebben uitgestald, bij den notaris, den advocaat, den dokter,
en ten huize van de duizend en een dijkgraven en penningmeesters
van polders, overal ontmoet gij een boer. De een zoekt er den bur-
gervader van zijn dorp die, van Alkmaar uit, de belangen zijner
kinderen het best behartigen kan; de ander haalt bij den smidsbaas
een recept voor een ziek paard, dat deze nooit anders dan gezond
gezien heeft. Dat Alkmaar, al de overige dagen van de week zoo stil en
levenloos, dat het een stedeken schijnt opzettelijk vervaardigd voor be-
grafenissen; een gissing, waarin de bijzondere kosten aan de begraaf-
plaats besteed een iegelijk versterken moet die ze zich verstout; is
nu aan een van gewemel en gegons vervulde bijenkorf gelijk. Inder-
daad zijn hier de bijen bijeen, die uit de Kenmersche en Westfriesche
boterbloemen haar nonig en was zuigen. — De Langestraat — een
straat, die haar naam van de familie de zange schijnt te ontlee-
nen welke, beurtelings met elk der letters van \'t A B C gequalificeerd,
op drie vierden der deurposten prij kt — is van boeren en boerinnen
vervuld; de laatste in lange „reeken" bijeen, de stoepen der goud-
smeden op- en af drentelende, of de koekwinkels in-en uitstroomen-
de, in luid gesprek, lachende met groote monden, en zich op de knie
kloppende bij iedere nieuwe losbarsting van boerinnegeestigheid.
Maar de grootste drukte is op het Waagplein, waar de kleine gele
kazen bij duizende ponden op uitgespreide en met het naamcijfer der
eigenaars gemerkte zeilen nederJiggen. — Al wat gij hier ziet, moet
vóór klokslag van tweeën verkocht zijn. Na dat uur mag geen
koop meer worden gesloten, en geen boer wil of kan zijn kaas weer
meenemen. Hij moet ze verkoopen, even zeker als de kooplieden uit
de eerste hand haar moeten inslaan. Den hoogsten prijs te maken
-ocr page 369-
351
is een kunstje, dat menig boer, die er vrij dom uitziet en \'t op alle
andere punten in geen geringe mate is, uitnemend verstaat. Aardig
is de gemaakte toorn, waarin geloofd en geboden en waarmede de
koop eindelijk gesloten wordt, alsof de beide partijen elkander met
grimmige gezichten wijs willen maken dat het bloed er uit moet. —
Maar nu komen de kaasloopers in hun witte pakken en met hun
gele, groene, en roode hoeden, op hun onveranderlijk sukkeldrafje,
en brengen den verkochten stapel op burries waar hij heen moet,
in een schip, of in een pakhuis.
Zie hier nu de levenskracht van N oordholland. Het is niets anders
dan deze kaas, die het verdedigt tegen de woede der zee, die het
een groen laud doet zijn en blijven, die al Noordhollands sehoorsteenen
rooken doet. — Wilt gij weten of het den boer welgaat ? Zoo ver-
neem naar den prijs van de kaas. — Vraagt gij of het armenzakje
het des zondags gewaar wordt dat de vrijdag voordeelig is geweest?
of de landheer het merkt, dat de kaas het neele jaar door „praizig"
was ? — Antwoord: Neen. — Goudsmeden en koekebakkers merken
het al zoo goed; boerekermissen, de Alkmaarsehe kermis, floreeren
er van. Want de vrouw houdt van opschik en zoetigheid, en de man
weet grof geld te verteren als hij uit is voor zijn pleizier. In dit
regenjaar 1841, is het hooi bitter slecht uitgevallen, maar toen de
kermisklok te Alkmaar geluid had, kwamen er niet minder sjeezen
en wagens om binnen, langs alle wegen en door alle poorten, bela-
den met boeren en boerinnen, die er zich den witten wijn en den
rooden met suiker en al wat verder tot opscherping der levensgees-
ten ter tafel kon worden gebracht, en de pontekoek daarbij, niet
minder om lieten smaken dan in eenig vorig jaar; en het paarde-
spel daverde niet minder afgrijselijk van hunne onbepaalde bewon-
dering voor de edele kunst der halsbrekerij en de onovertrefFelijke
grappen van den clown die omvalt als een stok. — De klachten —
werden „tegen korstijd" voor den landheer gespaard, om ZEd. in
rekening te valideeren.
Het echt oud Noordhollandsch boerentype verdwijnt langzamer-
hand, of wijzigt zich, zooals alle typen. Op deze Alkmaarsehe kaas-
markt, vindt gij het in allerlei schakeeringen. Dit oude kereltje,
wiens vroolijke oogen, ruim zoo goedlachs als zijn mond, uitkijken
onder den breeden rand van een rondbolligen hoed, dien hij met een
pijpesteeltje op zijn hoofd vastschroeft tegen den wind, is het oud-
ste type. Een smal gevouwen rood katoenen dasje is met gouden
knoopjes om zijn hals vastgemaakt. Een lang bruin wambuis met
één rij groote kuoopen op nonactiviteit (haken en oogen doen den
dienst) hangt hem tot over de heupen. Zijn korte broek acht het
gebied over schenen en kuiten harer onwaardig, en laat het geheel
over aan de grijze kousen die in dikke schoenen met zware zilve-
ren gespen eindigen. — Zoo wandelen er hier nog enkele rond, met
lange geschilde stokken in de hand, die hen tot de kin reiken. —
-ocr page 370-
852
Mijn bestek verbiedt mij al de tusschentypen te beschrijven;— maar
wilt gij het jongste zien? Hier is het. Een blauw buisje met een
fulpen "kraag, dat hem tot even onder de schouderbladen reikt, —
de rest geheel pantalon, pantalon van katoen fluweel; een wollen
das, rood, groen en geel gevlamd, om den hals, en naar verschil
van gelegenheden, een grooten, hoogen, breed opgaanden, veel om-
vattenden hoed op \'t hoofd, of een bontharige pet, met de klep,
naarmate van regen of zonneschijn, in de oogen of in den nek
gedraaid. — Tien tegen een, dat het oudste type een vroolijke praat-
vaar, en het jongste een stugge, stijve, achterdochtige houten hark
van een vent is.
Te markt gaan is de voornaamste bezigheid van den .Noordhol-
landschen boer. „Hij is eigenlijk een koopman en beheerder van zijn
bezittingen. Dat is al. Zijne zedelijke eigenschappen zijn meer ne-
gatief dan positief. Vraagt gij of hij een ijverige kerel is? Ik ant-
woord: „Hij past op zijn spul". Vraagt gij of hij geregeld leeft?
Antwoord: „Hij drinkt alleen op marktdagen en kermissen". Is hij
een ophakker en een smijter? „Nooit als hij nuchteren is". Is hij
eerlijk? „Hij melkt geen andermans koeien uit". Is hij barmhartig?
„Hij is goed voor zijn beesten". Heeft hij zijn vrouw lief? „Der is
geen beeter keezer". Bemint hij zijn kinderen? „Ze krijgen dikke
stukken" (boterhammen), „en de miester mot ze niet an \'t hoofd
sleen". Is hij godsdienstig? „Hij gaat trouw ter kerk".
Zijn ideaal is te wonen op een eigen boereplaats,in een gedeelte
van den polder, waar hij de wijde vlakte rondom zich heeft zon-
der iets dat zijn vergezicht afbreekt, en geen andere meiden of
knechts na te houden dan zijn eigen kinderen. De afgoden van zijn
hart zijn een mooi zwartbont beest met volle uiers, en een jong
paard voor een blinkende boeresjees met vergulde wielen. Als hij,
op dat luchtigste en sierlijkste van alle ouderwetsche en nieuwer-
wetsche rijtuigen, met zim opgeschikt wijf naar een boerekermis
rijden mag, en het gelukt hem, door middel van zijn paard (de
zweep gebruikt hij zelden) afgrijselijk in den bek te trekken, zijn
evenmensch voorbij te rijden, dan smaakt hij een genoegen, waar-
aan de Abtswouder boer niet gedacht heeft, toen hij zich zoo op-
wond over:
„Appels enten, peereplukken,
Maeien, hooien, schuur en tas
Stapelen vol veltgewas;
Schaepescheeren, uiers drukken";
en wat dies meer zij.
1841.
-ocr page 371-
DE BAKER.
De naam van Baker is een zonneklaar bewijs dat er (schoon
\'t volk baakster zegt) juist geen uitgang op ster vereischt wordt,
om de titularis van een bij uitnemendheid vrouwelijk ambt te
kennen te geven. Vrouwelijker dan het hare is er wel geen. De
onbescheidenheid van het geslacht der mannen heeft hen reeds,
in spijt der natuur, in verscheidene vakken van maatschappelijke
bedrijvigheid ingedrongen, die oorsponkelijk en naar recht tot net
grondgebied der vrouw behooren. Br worden mannen gevonden,
•die voor ons de naald hanteeren; er zijn er, die ons den pot
koken; ja zelfs zijn wij mannen, voor het grootste gedeelte,
met verachting der welvoegelij kheid, door mannen ter wereld
geholpen. Maar nog nimmer heb ik de eer gehad iemand van
mijne kunne te ontmoeten, te kennen, of te hooren noemen, die
het beroep van baker, anders dan in cas van de hoogste urgentie
en slechts voor een enkel oogenblik, had uitgeoefend. Heefteen man
u gebakerd, mijnheer? Zou een man u hebben hunnen bakeren?
Dat zij verre. De uitvoerige zorg die dat vereischte, die gij be-
hoefdet, trotsche heer der schepping! die daar heenstapt als een
pauw en op laarzen met sporen! — die gij behoefdet, heer vrou-
wenhater! die daar geen andere verplichting aan de teedere kunne
•erkent of begeert, dan dat zij u ter wereld gebracht heeft — die
gij behoefdet in dat aandoenlijk oogenblik, toen gij schreiend en naakt
•dit tooneel uwer heldhaftigheid werdt opgedragen, opdat licht en
lucht u niet terstond beschadigen, uwe eigene onbesuisdheid u niet
voor goed ongelukkig maken zoude, en gij er niet al uw leven
zoudt uitzien als een Turk; die uitvoerige zorg kon onmogelijk
iemand anders dan een baker (zelfst. n. w. vrouwelijk) u bewijzen.
Het is ijselijk jammer dat gij uzelven toen niet aanschouwd hebt,
met uwe knietjes opgetrokken tot uw kinnetje en liggende voor de
mande in haar warmen schoot; dat gij haar vriendelijke oogen niet over
xl hebt zien lichten; met een uitdrukking van zoo teeder, zoo ont-
fermend een liefde, dat zij u al uw leven zou zijn bijgebleven. Maar wat
"was het? Grij hadt toen nog geene oogen die zien konden. Veel
minder droegt gij een bril.
De naam baker komt van baken; dat is warmen, koesteren. Ben
èaker gehad te hebben is: in de eerste dagen zijns levens gebroeid
23
-ocr page 372-
354
en gekoesterd te zijn. Het is niet anders. Spijt het u, heer Jeune-
Trance? Meent gij dat het beter zou geweest zijn u, op zijn Lap-
landsch, in heet water te baden en daarna in de sneeuw te rollen,
in plaats van u met de voetjes voor de mand te houden en u in
doek op doek in te wikkelen, zoodat slechts deze uwe handen en
dit uw aangezicht — het zag, op mijn woord, toen zoo geel als goud —
zichtbaar bleven, om de bewondering van huisgenooten en buren
gaande te maken over zulk een kind ? Meent gij dat, bij eene andere
behandeling, uw baard nog voorspoediger zou zijn opgegroeid,
uw hand zich nog gespierder onder uw glacé handschoentje zou
hebben vertoond, en gij u te paard en te voet nog krachtiger en
leniger bewogen zoudt hebben aan nu? Het is mogelijk. Maar hier is
het portret van mijnheer uw overgrootvader. Ook gebakerd, mijn-
heer! Ook gebakera in zijn tijd; en ik geloof vrij wat broeiender,
vrij wat stijver dan gij; de gebakerde kindertjes geleken toen onge-
lijk veel meer dan nu op de poppen van den zijdeworm; maar wat
dunkt u? Hij ziet op u neder, alsof gij nog in de luren laagt.
Houd uwe baker in eere. In het vooruitzicht der bange ure, bij
haar naderen, als zij daar was, was de stille, altijd bedaarde, onder-
vindingrijke, medegevoelende, handige, zachth&ndige, kloekzinnige
vrouw voor uwe moeder als een Engel Gods. En ook daarna! Haar
trouwe zorg voor u was het eenige niet. Die jonge moeder had nog
steeds veel zorgen noodig; zij, die zoo zorgeloos was, toen alles goed
ging en haar eersteling aan haar boezem lag, en die allerlei gedaan
en allerlei gewaagd zou hebben dat haar jong leven had kunnen in
gevaar stellen en u van een moeder berooven, eer gij nog wist dat
gij een moeder hadt. Wat u betreft: nooit heeft, in uw volgend le-
ven, een vreemde zooveel geduld gehad met al uw kuren bij dag
en bij nacht; nooit een vriend (zelfs geen kunstvriend) u zoo over-
vloedig in het aangezicht geprezen; nooit een weldoener zoo veel
„stank voor dank" van u ingeoogst. Van harte hoop ik, mijnheer! dat
gij hare onschatbare diensten nog eenmaal zult weten te waardee»
ren, bij het kraambed van de echtgenoot van uw hart, bij de vuur-
mand van uw eerstgeboren zoon.
Dan zij het oogenblik daar, waarin gij zeggen zult: „O, mijn Baak-
ster , gezegd Baker! Gij trokt een goed loon; gij hadt veel noten op
uw zang; de meiden haatten u deswege met al het vuur van een
gloeiende partij haat; gij ontvingt een schat aan fooien; gij deedt
mijn moeders amandelstrikken en moscovisch gebak verdwijnen
als een morgennevel; maar gij waart onbetaalbaar! Gij hadt, als ik
het zeggen mag, uwe vooroordeelen, uwe bijgeloovigheden, uwe
eigenzinnigheden; gij waart wellicht niet geheel en al vrij van
kwaadsprekendheid. Maar uwe teedere, nauwgezette, waakzame zorg
geven u aanspraak op een kroon. Mij is in mijn kindsche dagen,
op alle scholen, in alle geschriften voor de jeugd, steeds voorge-
houden de plichten van dankbaarheid te betrachten jegens mijne
-ocr page 373-
355
ouders en onderwijzers; maar mijnen kinderen zal ik erkentelijkheid
inprenten jegens hunne ouders, en onderwijzers, en Bakers....
En zulks te meer, nu het getal onderwijzers met een leeraar in de
gymnastiek vermeerderd is."
Dit opstel schijnt alleen van de goede bakers te spreken.
Hildebra.:nd heeft geene slechte gekend. Zijn eigen baker was
een uitstekende. Hij zal zich zijn leven lang verbazen dat er, met
zulk een baker, niets voortreffelijkers van hem geworden is.
1841.
-ocr page 374-
BRIEF VAN HILDEBRAND
AAN
SCHIPPER RIETHEUVEL.
Aan den cerzamen Dirk Rietheuve], bijgenaamd den Mottige, Emeritns-
Schipper bij het Uaarlemsche Veer; op het Lei endaal, te Leiden.
Geachte Vriend!
Hoe menig, menig jaar is reeds voorbijgesneld sedert dien geluk-
kigen tijd, waarin het mij zoo menigmaal gebeuren mocht een ge-
noeglijk uurtje (laat mij zeggen : een viertal uurtjes achtereen) met u
te slijten in den stuurstoel of, wanneer de weersgesteldheid dit minder
wenschelijk maakte, in de roef uwer schuit; gij, in dat geval, op den
drempel van het deurtje gezeten, den schanslooper aan, den zuid-
wester op, terwijl de knecht aan \'t roer stond en niet kon nalaten
van tijd tot tijd eens mede te grinniken, wanneer uw onuitputtelijke
geest aan \'t werken was. Drommels, Eietheuvel! ik heb vele men-
schen ontmoet die aardig waren, en nog oneindig meer die het vol-
strektelijk wilden wezen, maar uws gelijken in aardigheid heb ik
zelden gevonden. Hoe gaat het tegenwoordig, bestevaar r En wat zeg-
gen er de kleinkinderen van, daar gij bij uw Guurtje, uw jongste,
naar ik mij meen te herinneren, het restje uwer dagen slijt? Han-
gen zij u niet aan de lippen, als de oude vertelsels weer opkomen r
in het schemeruurtje, als er geen licht in \'t vertrek is dan het
wisselvallig licht van het vlammetje dat door de kieren van de
kacheldeur schijnt. Van de kacheldeur; want, gelijk den bloei van
het veer, hebt gij ook den bloei van het haardvuur (sit venia
verbo
— als prof. 8. zeide, dien gij zoo menigmaal hebt gevaren
dat gij \'t van hem overgenomen hebt) reeds vele jaren overleefd.
Deze opmerking wekt misschien eene reeks van weemoedige ge-
dachten bij u op, die ik echter zeker ben dat gij weder eensklaps
met een luimige wending weet af te breken. Doch dit laatste, mijn
beste Mottige! zal niet noodig zijn, wanneer gij mijn brief slechts
1 Zie hiervoor (bl. 320 en vlg.) „De Veerschipper"; een opstel van 1840.
-ocr page 375-
357
niet uit de handen legt, eer gij hem ten einde toe hebt gelezen: een
hrief met geen ander oogmerk geschreven dan om uwen laten levens-
avond niet weinig op te leukeren door eene mededeeling, welke
u alleszins stof tot zelfvoldoening en een billijk gevoel van waarde
opleveren zal.
Heugt het u niet, mijn waarde vriend! hoe, nu dertig jaren gele-
den, alle mogelijke roefreizigers schenen saamgezworen te hebben
om u, dag uit, dag in, te vervelen met hun schijnheilig beklag,
omdat het te voorzien was dat de spoorwegen (rare dingen, waar-
van geen hunner nog eenig denkbeeld had!) niet altijd in Nederland
onbekend blijven en gewisselijk uw eerzaam beroep ten eenemale
in den grond boren zouden? Hoe gij, in die moeielijke dagen, al de
krachten van uwen vaardigen geest hadt in te spannen om uw goede
luim te redden en het eentonig gejammer keer op keer af te snijden?
En zou het u daarbij vergeten zijn, hoe gij, temidden van deze wor-
stelingen, op eenmaal op het treffend denkbeeld kwaamt van een
nieuw vervoermiddel, door een nieuwe beweegkracht gedreven,
waarvan uw ver vooruitziende geest voorspelde dat het, eenmaal in
practijk gebracht, tot stoom en spoorwegen staan zoude, gelijk deze
thans tot de trekschuiten ? Gij gaaft aan deze uwe vinding den schil-
derachtigen naam van Onderaardschen Schietblaasbalg en wist de
werking van dit mechanisme, door niets anders gedreven dan de
persing der lucht, zoo duidelijk en, ik mag zeggen, zoo smakelijk
voor te stellen, ja ook met teekeningen van eigene of bevriende hand
zoo gelukkig op te helderen, dat menig trekschuitreiziger uw roef
niet zonder een diepen indruk van \'t gehoorde verliet, gelijk ikzelf
dien dan ook altijd bewaard heb, en zelfs zoo vrij ben geweest dien
weder te geven in een opstel, onder den nederigen titel van „De
Yeerschipper", buiten uw weten gedrukt, en dat misschien nimmer
onder uwe oogen gekomen is, maar waarin, zoo aan uwe begaafd-
heden in het algemeen, als aan deze uwe vinding in \'t bijzonder,
eene welverdiende hulde is toegebracht.
Welnu, geniaalste aller geniale veerschippers, hetzij die al of niet
van de kinderpokken geschonden zijn, en het meerder vernuft al
of niet als eene gelukkige tegemoetkoming aan mindere lichaams-
schoonheid bij hen te beschouwen zij ! •— wat zult gij zeggen, indien
ik u naar waarheid verhaal, dat de uitvoerbaarheid van uw denk-
beeld gebleken, dat uw stoute gedachte verwezenlijkt, dat de Onder-
aardsche Schietblaasbalg,
in het oogenblik waarin ik u schrijf, in
vollen gang is — voor alsnog niet „tusschen Amsterdam en Eotter-
dani", waar de waterachtigheid van den bodem wellicht nog lang
duchtige bezwaren tegen een dergelijke onderneming zal opleveren
— maar in Engelands groote hoofdstad Londen, waarvan het u wel
bekend zal wezen dat zij alleen eene oppervlakte beslaat van een uur
zes, zeven in \'t rond, nergens van eenig kanaal of trekvaart door-
sneden!.... Geen nood! Zij heeft hare talrijke omnibus-lijnen, die
-ocr page 376-
358
haar in alle richtingen doorkruisen; zij heeft hare spoor(oey-lijnen, over
hare henielhooge huizen heen en tusschen hare ontelbare schoor-
steenen door, zoowel als hare spoor weglij nen onder den grond;
•doch thans ook; — wie is het geweest, Rietheuvel! die uw denkbeeld
gestolen, die uw echt Hollandsche vinding, onder den grond, onder
den bodem der zee door, naar Brittauje overgevoerd heeft, en er tot
zijn eigen profijt hoogstwaarschijnlijk bij het Engelsch parlement
een patent op gevraagd, dat u van alle voordeelen uitsluit? — thans
heeft zij ook haar Onderaar•dschen Schietblaasbali) — „pijpen, bui-
zen, kanalen, weetje", (van het eene einde van de stad naar het
andere) en „vicie versie", waarin, met de hoogst mogelijke snelheid,
brieven en pakketten, en ook menschen, vervoerd worden door geen
ander middel dan de persing der lucht; met den besten uitslag;
geheel naar uw gronddenkbeeld; ofschoon onder een anderen naam,
lang niet zoo duidelijk als dien, welken uw vaardig brein tegelijk
met de zaak had opgeworpen, en meer naar de lamp riekende
dan naar eenig ander licht, den naam van Pneumatische Expeditie-
huis1.
Slechts, opdat ik u dit terstond zegge, slechts dames zijn door
dit middel nog niet vervoerd kunnen worden. Want hoewel de stijve
wijde mouwen, waarvan gij voor dertig jaren gewaagdet, nu geen
bezwaar meer opleveren, zoo is sedert, in de zoogenaamde crinoli-
nes,
een ander ontstaan, hetwelk onoverkomelijk is, zal er, nevens
de kanalen van denSchietblaasbalginquestie,inhetOnder-aardsche
Londen nog eenige ruimte overblijven voor hetgeen billijkerwijze
voor gas-, \\vater- en andere leidingen gevorderd wordt.
Het moet een treffend oogenblik geweest zijn, waarde vriend!
toen, voor weinige weken, na eenige voorloopige proefnemingen met
levenlooze pakjes en ongevoelige zakken, de eerste personentrein
van het zoogenaamde Holborn afging om, men mag zeggen „ineen
zucht", en niet alleen „in een zucht", maar nu ook „door middel van
een zucht", een afstand af te leggen van meer dan een half uur
gaans, en dat heen en terug. De plechtigheid had plaats onder opzicht
van den Hertog van Buckingham, Chairman of the Pnenmatic
Despa/ch Compani/
, hetwelk ik voor u niet beter weet te vertalen
dan door Commissaris van het Onderaardsche Schietblaasbalg-Veer,
en in tegenwoordigheid van een aantal mannen van wetenschap.
Laatstgenoemden waren metterdaad de eerste passagiers, en het
moet een aandoenlijk schouwspel geweest zijn, toen de een voor, de
ander na — niet op de weegschaal die, bij uwe eerste vinding onont-
beerlijk, bij deze na-vinding gemist schijnt te kunnen worden, maar
— in de laden stapte, die allen voor eenige oogenblikken aan het
daglicht onttrekken zouden. De houding, welke de geleerde heeren
hierbij hadden aan te nemen, was om de waarheid te zeggen, noch
opwekkelijk, noch gemakkelijk. Zij waren genoodzaakt zich plat op
1 Pneumatic Despatch Tube.
-ocr page 377-
359
den rug neder te leggen, niet zonder de behoefte aan een hoofdkus-
sen te gevoelen, hetwelk hier ontbrak, maar door u zeker niet zou
vergeten zijn geworden, en lagen daar, twee aan twee, niet ongelijk
aan dooden in hunne kisten. Het geheel deed metterdaad eenigszins
den indruk van een levendbegrafenis-, een Albrecht-Beyling-tooneel.
Maar nauwelijks had men den tijd zich dit te zeggen, of ziet! daar
waren onze mannen reeds weder terug en hadden, behalve van
eenige oogenblikken „niks niemendal as egyptische duisternis", van
niets te vertellen dan van eene min of meer onaangename gewaar-
wording bij het afgaan en aankomen; (het „geknipknap der veeren"
waarschijnlijk), en voorts van, op de ooren, een zeker gevoel van
drukking, hetwelk ongeveer het vierde deel van een minuut aanhield
en „best te vergelijken scheen met hetgeen men" (ik weet niet of gij
het u herinnert?) „in een dwikerklok ondervindt, een zuiging, alsof
men onder een golf werd doorgetrokken"; op de oor/en, een zeer op-
merkelijke koude, niet ongelijk aan die van vallend water, waar-
schijnlijk min of meer alsof men onder den drop van een dakgoot
uitgestrekt lag; en voor den neus, geen de minste gewaarwording
als zoude de atmosfeer in de buis vuil of bedorven zijn, maar wel
hier en daar een roestluchtje, dat verdwijnen zal als de machine wat
meer gebruikt zal worden en alzoo zichzelve glad maken en houden.
Wat de beweging betreft, men had ze niet onaangenamer bevonden
dan die van een oude waggon op een niet al te beste spoorweg-
lijn, en gij zult mij toestemmen dat men, sedert de roekelooze verwaar-
loozing der trekschuiten, wel nergens ter wereld op iets dat veel
beter zoude kunnen zijn, rekenen kan. De eerste passagiers van de
Pneumaiisclie Expeditiehiris waren dan ook ten eenemale voldaan;
de Hertog van Buckingham gaf zijne hooge tevredenheid onbewim-
peld te kennen; de aandeelhouders in de onderneming betoonden
zich ondubbelzinnig in hun schik; en het gevolg van den proefrit is
feweest, dat men besloten heeft het onderaardsche Londen zoo spoe-
ig mogelijk van een Schietblaasbalg-net te voorzien, zoo volkomen,
dat daardoor alle bovenaardsche spoorwegstations en markten en post-
kantoren onderling vereenigd zullen zijn. Met 35 Engelsche mijlen
aan buizen en een kapitaal van vijftien millioen Hollandsche gul-
dens is dit te doen\'.
Bij mijn eerstvolgend bezoek aan Engeland, hoop ik mij met eigen
oogen te gaan overtuigen hoe ver men gevorderd is. Maar hoe zeer
zoude ik wenschen u daarbij aan mijne zijde te hebben, waardige
man! tot nog toe niet erkende, maar daarom niet minder hoogst
verdienstelijke Uitvinder van hetgeen bestemd is zoo krachtig bij
te dragen tot de oneindige eer onzer zoo bewonderenswaardige
eeuw! Denk er eens over, Bietheuveltje! Gij zijt wel hoogbejaard,
1 £ 1.250,000. Zie alle hiergenoemde bijzonderheden in The IUustrated
Londen News
van 18 Nov. 1865, Suppl. p. 496; waarbij een plaat p. 493
-ocr page 378-
360
maar zoo ik verneem nog krachtig genoeg. Voor zeeziekte behoeft
gij , bevaren Schipper! wel niet bang te wezen, en de zaak heeft voor
u een belangrijkheid, als voor niemand anders. Maar als gij het doet,
gij kunt er stellig op rekenen dat er alle werk van gemaakt zal wor-
den om u aan den Hertog van Buckingham en, door dezen, aan de
Koningin te doen voorstellen, en als gij besluiten kondt u te laten
angliseeren, ik zie niet waarom er niet zoowel een Sir Derrick
ïteedhill zou kunnen gemaakt worden, als er een Sir Joseph Paxton
gemaakt is.
Hoe het indertijd met die der Trekschuiten is gegaan, weet ik niet;
maar alle groote uitvindingen hebben dit bijzondere gemeen, dat zij
meer dan eens, en niet zelden in verschillende landen, ofte gelij-
kertijd, öf op onderscheidene tijden, hebben plaats gehad.
Dit is met het Kompas, met het Buskruit, met de Drukkunst,
de Gasverlichting, en ook met het gebruik van den Stoom als
beweegkracht geschied. Menigmalen gaat het zooals het hier ge-
gaan is. Een genie als het uwe vindt iets uit, voor de menschheid
van het hoogste gewicht. Maar die menschheid is op dat oogenblik
de uitvinding nog niet waardig; zij is voor de weldaad, welke deze
in staat is aan te brengen, nog niet rijp. Zij beschouwt die uitvinding
als een aardig denkbeeld, een zonderbaren inval, een grap, indien
maar niet, zooals met den eersten uitvinder van het stoomgebruik
het geval geweest is, als een gewrocht van onzinnige hersenen!
Eeuwen of, in ons geval (wij leven in deze onze 19de eeuw zoo snel)
tientallen van jaren moeten verloopen, eer een tweede genie opstaat,
gelukkiger dan het eerste, om de uitvinding te herhalen of weder
aan den dag te brengen, en nu alles gereed te vinden om haar op te
nemen en haar een heilrijk succes te doen te beurt vallen. En terwijl
de wereld vervuld is van het gedruisch dat zij bij deze hare tweede
verschijning maakt, en schatten en eereteekenen hun toevloeien die
het geluk mogen smaken haar metterdaad in werking te brengen,
ligt de eerste vader (de grootvader!) van het vruchtbare denkbeeld
reeds sedert lang te vermolmen in een vergeten graf, of brengt, als
gij, mijn beste Rietheuvel! onder den titel van emeritus-veerschip-
per, het overschot zijner dagen, met een allerkarigst pensioentje,
in een buurt als het Levendaal door, en heeft niemand die hem op
de rijke denkbeelden van zijnen eertijds zoo machtigen geest en
hunne gelukkige verwezenlijking door anderen, opmerkzaam maakt,
dan zijnen hem altijd in liefde gedenkenden vriend
Dec. 1865.                                                                  HILDEBRAND.
P. S. Vóór het sluiten dezes verneem ik nog, dat ook reeds de
Pruisische hoofdstad Berlijn van een Schietblaasbalg voorzien is.