-ocr page 1-
. :. . .
-ocr page 2-
\\
-ocr page 3-
-ocr page 4-
.
-ocr page 5-
, l t \'
-ocr page 6-
v
\'       \' \'
-ocr page 7-
VERZEN
-ocr page 8-
1
i
-ocr page 9-
2.SL/. /-/S.
VERZEN
VAN
WILLEM KLOOS
AMSTERDAM - W. VERSLUYS
Mpccgxciy
.: ^- -
-ocr page 10-
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
A06000001046147B
0104 6147
-ocr page 11-
AAN
DE NAGEDACHTENIS
VAN
ANNA CORNELIA AMELSE,
MIJNE MOEDER
i
-ocr page 12-
-ocr page 13-
X
Ik denk altoos aan u, als aan die droomen,
Waarin, een ganschen, langen zaalgen nacht,
Een nooit gezien gelaat ons tegenlacht,
Zóó onuitspreek\'lijk lief, dat bij het doornen
Des blêekën uchtends, nog de tranen stroomen
Uit halfgelokene oogen, tot we ons zacht
En zwijgend heften met de stille klacht,
Dat schoone droomen niet weerommekomen. . .
Want alles ligt in eeuw\'gen slaap bevangen,
In de\' eeuw\'gen nacht, waarop geen morgen daagt —
En héél dit léven is een wond\'re, bange,
Ontzétbre droom, dien eens de nacht weer vaagt —
Maar in dien droom een droom, vol licht en zangen,
Mijn droom, zoo zoet begroet, zoo zacht beklaagd.. .
X • • .
-ocr page 14-
X
II.
Zooals daar ginds, aan stille blauwe lucht,
Zilveren-zacht, de half-ontloken maan
Bloeit als een vreemde bloesem zonder vrucht,
Wier bleeke bladen aan de kim vergaan,
Zóó zag ik eens, in wonder-zoet genucht,
Uw half-verhulde beelt\'nis voor mij staan, —
Dan, met een zachten glimlach en een zucht,
Voor mijn verwonderde oogen ondergaan.
Ik heb u lief, als droomen in den nacht,
Die, na een eind\'loos heil van éénen stond,
Bij de eerste schemering voor immer yloön r
Als morgen-rood en bleeke sterren-pracht,
Iets liefs, dat men verloor en niet meer vond,
Als alles, wat héél ver is en héél schoon.
2
-ocr page 15-
• III.
Ik droomde van een kalmen, blauwen nacht:
De matte maan lag laag in mistig glimmen —
Maar hóóg scheen van de schemerende kimmen
Der klare starren wolkenlooze wacht.
Toen, tusschen maan en starren, rees Zij zacht —
Mij zoeter dan de Muzel — en scheen een schimme,
Wijl \'k om haar hoofd als diademen klimmen
En dalen zag der starren gouden pracht.
O liefste Mijne! eer ik een gróete vond —
Ave Maria 1 ruischte \'t door mijn ziele,
En heel mijn ziele ruischte U toe — één zucht.. .
Totdat op eenmaal door de stille lucht
Al die millioenen gouden droppels vielen,
En Ge als een heilige in die glorie stondt.. .
3
-ocr page 16-
< IV.
Zij hoorde \'t twisten en den doffen smak —
\'Zij kwam niet — zag niet — zag in mijmering
Altijd die ééne plek, waar de appel hing,
En de\' appel zelven aan dien zelfden tak.
Zij dacht: »is \'t al eên droom. . . herinnering. . . ?
Was \'t mijn hand... wee mij! Gods hand, die hem brak..\' f
Toen trad Gods engel tot haar, kalm, en sprak;
»De Heer zegt: »Vrouwe, zie uw zoon!"" en ging.
En golvend vielen op zijn vaal gelaat
Haar lokken, toen zij viel, de goudenen,
Wijl \'t zware hoofd aan \'t outer bonsde, en lag.. .
Zij roept het lijk... roept God.. . die zwijgt en haat. ..
Zij wist niet dat de dood zóó stil was... en
Vóélt dat zij was vervloekt, van de\' Éérsten Dag. . .
4
-ocr page 17-
v. •
Ik ben een God in \'t diepst van mijn gedachten,
En zit in \'t binnenst van mijn ziel ten troon
Over mij-zelf en \'t al, naar rijksgeboón
Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten, —
En als een heir van donker-wilde machten
Joelt aan mij op en valt terug, gevloön
Voor \'t heffen van mijn hand en heldre kroon:
Ik ben een God in \'t diepst van mijn gedachten.
En tóch, zoo eind\'loos smacht ik soms om rond
Uw overdierbre leen den arm te slaan,
En, luid uitsnikkende, met al mijn gloed
En trots en kalme glorie te vergaan
Op uwe lippen in een wilden vloed
Van kussen, waar \'k niet langer woorden vond.
S
-ocr page 18-
Nauw zichtbaar wiegen op een lichten zucht
De witte bloesems in de scheémring — ziet,
Hoe langs mijn venster nog, met ras gerucht,
Een enkele, al te late vogel vliedt.
En ver, daar ginds, die zacht-gekleurde lucht
Als perlemoer, waar ied\'re tint vervliet
In teêrheid.., Rust — o, wónder-vreemd genucht 1
Want alles is bij dag zóó innig niet.
Alle geluid, dat nog van verre sprak,
Verstierf — de wind, de wolken, alles gaat
Al zacht en zachter — alles wordt zoo stil...
En ik weet niet, hoe thans dit hart, zoo zwak,
Dat al zóó. moê is, altijd luider slaat,
Altijd maar luider, en niet rusten wil.
6
-ocr page 19-
VIL
Ik wijd aan U dees verzen, zwaar geslagen
Van Passie, en Verdoemenis, en Trots,
In doods-bleek marmer of dooraderd rots,
Al naar mijn kunstnaars-wil en welbehagen.
Zij zijn doorleefd: \'k heb daarin neêrgedragen,
Rijk-handig, al wat, in den loop des Lots,
Aan menschen-liefde of hooge Liefde Gods,
Dit dood-arm Wezen heeft te voelen wagen.
Ik, die mijn Leven uit-te-zeggen zoek,
Heb al mijn lieve voelen, zoeken, tasten
En weten in dit somber boek gevat.
En \'k bied, met dit mijn eerste en laatste boek,
Een laatsten groet aan U, die met uw vasten
Stap naast mijn al te wankle schreden tradt
7
f
-ocr page 20-
VIII.
Gij, Die mij de eerste waart in \'t ver Verleen,
Toen alles was één schoone somberheid,
Gij zult mij de allerlaatste zijn. Ik wijd
Dit stervend hart U, met mijn laatste been.
Want al mijn dwalingen en al mijn strijd,
En wat ik heb geliefd en heb geleên,
Het waren allen slechts als zooveel treên
Tot waar Gij eeuwig troont in Heerlijkheid.
Ecne, één\' moet zijn aan Wie ik alles gaf,
En leven kan ik. niet, dan als ik kniel,
\'t Zij voor Mij-zelf, een Godheid of een Droom :
De Godheid stierf. .... Ikzelf ben als Haar Graf:
Kom Gij dan, nu ik val. .. Ziel van mijn Ziel,
Die niets dan droom zijt... \'k roep u aan: O, koom 1
8
-ocr page 21-
IX.
O gij, die mij, toen alles mij verliet,
En ééne somberheid dees ziel omving,
Die langzaam stervende in haar laatst verdriet,
Tè zwak was voor de laatste worsteling, -—
Uw eigen glorie om het hoofd mij hing,
En door uw ziel mij aan mij-zelf verriedt,
Heerlijk mij heffend in den lichten kring
Van uwe liefde en \'t eeuwig-lichtend lied.
Gij, die nu voortaan aan mijn zijde gaat
En als de weer-schijn van mij zelf mij zijt,.
Een licht-Straal voor mijn voeten, waar ik viel, —
Leef in uw lichte droomen voort en laat
Den gloed dier gouden vlammen om uw ziel
Een \'glorie breiden tot in eeuwigheid.
9
-
-ocr page 22-
X.
O, lichte Visioenen mijner Jeugd!
Al, al te dierbare herinneringen,
Toen \'k dorst met stamelenden mond te zingen
De groote droomen mijner zienersvreugd.
Gaat heen, \'t wordt tijd: op wilde golven dringen,
Wat géén mensch deert en niemand ook verheugt,
Grootmachtig-naakte en gruwbaar-simple dingen. ..
\'k Zeg thans Mij-zelven en Diens groote Deugd:
Der Smart oprijzing en der Mensch-vreugd val,
Der Wijsheid bitterst, wat elk mensch zou zwijgen,
Diep-menschelijke Waarheid, wees gegroet!
Want uit het binnenst van Mijns-Zelfs-zelf zal
Op maat van zware melodieën stijgen
De Apokalupsis van mijn donkren gloed.
IO
-ocr page 23-
xr.
Diep uit de nooit-doordringbare gewelven
Van Uwe Ziel klonk eens het vorstlijk woord,
\'t Woord van Uw Liefde, en dieper in Mij-zelven
Klonk \'t en weerklonk door verre gang en poort.
Wij waren Eén Mysterie, maar het zwelgen
Van Tijd en Wereld heeft uw vlam versmoord,
En daarom sterf ik, maar het niet-te-delgen,
Nu, m ij n Mysterie brandt ondoofbaar voort.
Ik was de God-op-aard, de Nooit-gekende,
Die zelf zijn Zelf niet zag, dan ééns op \'t laatst,
Toen opstond en de kroon op \'t hoofd zich drukte:
Gij zijt het Aardsche Kind, dat dorst te schenden
Wat Kind niet weet, en op het hoofd zich plaatst,
Wat voegelijker zijnen Vader smukte.
ii
-ocr page 24-
XII.
Ik was uw Vader, ja, vol mededoogen,
Een vader, als geen ander kind ooit had:
Ik leerde u spreken, voelen, zien met oogen,
Loopen met voeten op uw wereldsch pad.
ü Kind, mijn oogen hingen aan uwe oogen,
Enkel te weten, of gij iets niet hadt. . . .
En daarom hebt gij mij zoo wreed bedrogen,
Wee, om wat weelde en weidschen vreugden-schat.
Ja, heel mijn leven was één melodie\'
Van koninklijke goedheid, en ik zie
Dees klare ziel zoo vrij van zonde en schulden.
En \'k ga thans heen uit dit heel slechte leven,
Wijl al die goedheid om mijn hoofd blijft zweven,
Heiige, in zijn eigen glorie-licht gehulde.
12
.•
-ocr page 25-
XIII.
O, dat ik haten moet en niet vergeten!
O, dat ik minnen moet en niet vergaan!
Ach! Liefde-in-Haat moet ik mijzelven heeten,
Want geen kan de andere in mijn hart verslaan.
In droef begeeren heb ik neergezeten,
In dreigend gillen ben \'kweêr opgestaan.
Wee! dat ik nooit dat bitt\'re brok kon eten,
Van stil te zijn en héél ver weg te gaan.
Eén hoop slechts, één, één enkel zoet vermeenen,
Eén weten, maar ik kan het niet gelooven.....
Ach, dit: dat rusten onder groene steenen
Een eeuwig rusten is, in één verdooven,
En dat de dooden niet in donker weenen
Om \'t zoete leven met hun lief daarboven.
«.;
-ocr page 26-
XIV.
Want Ik, die I k ben, haat u om uw slechtheid,
Maar houd u dierbaar om mijn eigen pracht:
Gij zijt de toets-steen van mijn eigene echtheid,
De steen waarop ik trap, om mijne kracht
Te laten zien aan \'t volk, èn mijn oprechtheid,
Waarmede ik alles, wat ik voelde en dacht,
Verloochende om de Waarheid en Gerechtheid,
Die niet gedoogt, dat één mensch de\' and\'ren slacht.
Gij deert mij niet, want wat gij deedt is zonde,
Gij weet mij niet, want hooger is mijn Ziel. . .
Gij zijt het Beest dier oude, schrikb\'re Oorkonde
Uit Gods Boek-zelf, dat van den Hemel viel. ..
#
En alle Goeden hebben eene wonde,
Nu-dat Mijn Licht op uw gestalte viel.
14
-ocr page 27-
XV.
Gij zijt niet slecht geweest: gij waart slechts zwak,
Om niet in Mij te g\'looven, die u liefde.
Gij waart een kind, dat al zijn speelgoed brak,
Wanneer het langer niet zijn speelgoed b\'liefde.
O, kind... Ik was geen kind! Ik ben \'t, die kliefde
Dit mijn schoon hoofd, zoo sterk eens, thans zoo wrak,
Omdat Ik niet met mijne groote Liefde
Alleen wil zijn, bij al dat volk, zoo mak.
Gij woudt mijn dood, en ik, ik wilde uw leven:
\'t Is goed; ik ben gevallen in mijn pracht. ..
Maar om Mijzelven, nimmermeer door U.
Thans is het uwe beurt van kracht. Welnu:
Tracht even sterk, als ik nu sterf, te léven
In de eenzaamheid van \'t leven, dat u wacht.
\'S
-ocr page 28-
XVI.
Wanneer ik dood ben, lief, en iemand zegt,
Dat ik zoo niets was, dan zult Gij oprijzen,
Hem op dees allerlaatste bladen wijzen,
En zeggen: > Hij was groot 1 En die het zegt,
>Ben ik, die \'t weet: want ik, die altijd vecht
»Met menschen, om mijns-zelfs wil, die durf eisenen
»Dat alles voor mij wijkt, — ik kan \'t bewijzen:
»Heb ik niet zelf hem in zijn graf gelegd?"
Ik geef u geen gelijk, want grooter is \'t
Te sterven voor zijn lkheid, dan te léven:
\' t Zoet leven lokt méér dan een donkre kist.
Maar Gij komt mij nabij in kracht van pijn
En vreugd, en dus wil \'k U mijn doodsblad geven:
Mijn grootste glorie zal dees bladzij zijn.
[6
-ocr page 29-
XVII.
Ik heb U dit te zeggen, dat Uw naam,
Zóó dier, zal prijken tot het eind der dagen,
Niet door U-zelf, maar door dit Boek, welks faam
Zal groeien met den Tijd; — als \'t verre dagen
Van eene Zon, zwak uit zich-zelf, in tragen
Opgang, opkomend aan de kim, om saam
Met haar Aanbidder, door het ruim, in staêgen
Vuurgloed te branden, in een hoog verzaam.
Gij kunt niet van mij af: ik zal U heffen,
Tot waar al volkren biddende op u zien,
Eeuwig als een verdoemden brand in \'t blauw.
Want Gij waart valsch: maar, dat Gij Mij kondt treffen
In Dit Groot Hart is waard om U te bién
Een eeuwge Glorie om uw eigen grauw.
«7
2
-ocr page 30-
XVIII.
Nu dat zoo is, en ik, zoo doods-bedroefd,
Maar óók zoo naamloos-trotsch, mijn leed kon klagen,
En \'t heerlijk heil verglorieën dier dagen,
Als Ik zal zijn, waar alles eenmaal toeft:
Wees nu genadig, waar gena behoeft:
Laat mij dit één bitterzoet meelij vragen,
Dat gij zult zijn met mij, om mij te schragen,
Totdat dit lijf geen meelij meer behoeft.
Ik heb mijn Ziel gered, mijn hooge, groote,
Die eenmaal bukte, als Koning uit het Oosten,
Voor \'t kleine Kind, dat hem een Godheid scheen.
\'K heb nu dat trotsch paleis voor elk gesloten, —
Maar tracht, ik smeek \'t, mijn Aardsche Zelf te troosten
Door \'t stille stutten van mijn moede schreên.
is
-ocr page 31-
XIX.
Ik had zoo gaarn dit Boek in vreugd geschreven,
Een Boek voor U, mijn Lief, die \'t Lief niet zijt,
\'t Met zoete woordjes tot een krans geweven,
Een krans van licht, om Uw schoon hoofd geleid.
O, \'t waar zoo schoon geweest, dat Lied van \'t Leven,
Bloemen van Passie, met een hand gespreid,
Zóó teer, dat zij van teêrheid zacht ging beven, —
En \'k had mijn liefste Zeil ééns uitgezeid.
Het mocht niet zijn: dit Boek is Hooge Trots,
Een Glorie om mijn eigen bleeke slapen,
Nu weldra bukkend naar de donkere aard.
En later, later zal men \'t zien: een Rots
Van schrik\'lijke Ikheid, met den dood als wapen,
Mijn Hooge Zelf, dat Gij niet hebt bewaard.
19
-
-ocr page 32-
XX.
Laat mij nog éénmaal, in gedachten, kussen
Die warme lippen, door mijn kus ontbloeid;
Laat.mij nog éénmaal aan dien boezem sussen
Mijn arme hoofd, waarin de koorts-pijn gloeit.
Laat mij nog eens, klein kindje, rusten tusschen
Die armen, waar mijn hart aan was geboeid,
In dien zoo lieven tijd, toen, zonder blusschen,
\'t Vereend gelaat door passie werd verschroeid.
Mijn lippen kussen wild, mijn oog staat droef —
Niet waar? gij liefl nu er geen lief meer wezen,
Geen arm zich om mijn hals bewegen zal:
Maar ik heb haast: mijn trekken worden stroef,
Als in de koü des doods, mijn armen vreezen
In beven, hangende op hun laatsten val.
20
-ocr page 33-
XXI.
En als zij nu weer kwam, en keek, en vroeg
Met neergeslagen blik en needrig smeeken,
En zij haar arm om mijne schouders sloeg,
Zou dat dan mi ook niet mijn hart verweeken ?
Wie weet, — ik ben zoo goed, en wie daar loech
Om liefde, is thans zoo arm, en minlijk spreken
Met zachtlief handgebaar, alsof men droeg
Zijn ziel in oog en stem..... \'t is om te breken...
Maar neen, maar neen, \'k heb \'t beste deel gekozen,
Op mijne grafstee bloeien reeds de rozen,
En éér het winter is, is \'t al volbracht.
I
Wie Liefde was en wreedheid vindt, moet sterven,
Hij kan nog ééns alleen wat Schoons verwerven, —
Daarom — getroost, mijn ziel 1 — wij sluimren zacht....
21
-ocr page 34-
XXII.
De boomen dorren in het laat seizoen,
En wachten roerloos den nabijen winter.
Wat is dat alles stil, doodstil.... ik vind er
Mijn eigen leven in, dat heen gaat spoên.
Ach, \'k had zoo graag heel, héél veel willen doen,
Wat Verzen en wat Liefde, — want wie mint er
Te sterven zonder dees? Maar wie ook wint er
Ter wereld iets door klagen of door woên ?
Ik ga dan stil, tevreden en gedwee,
En neem geen ding uit "al dat Leven meê
Dan dees gedachte, gonzende in mij om:
Men moet niet van het lieve Dood-zijn ijzen
\\ -
De doode bloemen keeren niet weerom,
Maar Ik zal heerlijk in mijn Vers herrijzen.
12
-ocr page 35-
*yv
XXIII.
Ik zal mooi dood-gaan, als een vlammend vuur,
Dat ééns nog flikkerde in zijn schoonsten gloed,
Eer \'tgansch gebluscht was. Want als éénig goed
Rest mij de Schoonheid nog, een korten duur.
*
Hoe zalig is dat nu, wanneer ik tuur
Naar mijn gedachten in hun breeden stoet,
Die allen schoon zijn, en niet één die doet,
Of zij woü vlieden uit Mijn Hoog Bestuur.
Wat is dat goed, de groote rust van God,
De heerlijkheid eens kunst\'naars, en \'t geluk
Van mensch, vereenigd in één oogenblik!
Ik ben nu verder koud voor mijn Aardsch Lot:
Der aarde vreugden sterven, maar ik druk
Mij-zelf aan mijne borst, en lach noch snik.
23
-ocr page 36-
XXIV.
Menschen zijn wijs, en met een wijs gelaat
Zeggen zij, op mij wijzend, dat \'k niet ben
Een mensch als zij, en dat \'k mij zelf niet ken,
En o, dat ik niet weet, hoe \'t Leven gaat;
Dat alles, wat ik denk en doe, niet staat
In dit goed Leven, — waarom \'k mij niet wen
Aan dit en dat? — en, o, \'k geloofde hen.. ..
Ziet, zelfde menschen, hoe \'t nu met mij staat:
\'k Gaf weg mijn Zelf, waar ik zoo trotsch in was.
Ik deed, wat gij mij riedt, was zoet en stil.. .
Toen werd ik weg-gegooid .... na korte poos:
\'k Werd opgeofferd voor een menschen-gril....
\'k Herwon mijn Ik, o ja, maar dat nu was
Geen ding meer van het Leven, maar des Doods.
24
-ocr page 37-
\\A
XXV.
Als \'t latere geslacht dees woorden leest, —
Want dit geslacht zal lachen om dit vers,
De zotte poppen van de pratte pers
In de aller-aller-eerste plaats, dan \'t Beest
Voor niets méér dan een groot gevoel bevreesd,
Dat zich Beschaafd Publiek noemt, dat een kners
Hoort in een gil of klacht, en van elk versch
Rijm-zottertje maakt een familie-feest; —>
En ook véél andren zij dit hier gezeid
/ (Menschen met hart zijn schaarsch in dezen tijd)
Maar zoo één i s, dan heb ik \'t hèm gewijd:
Wees hard, èn koud, èn vreemd, met iedereen,
En ween nooit meê, \'dat gij niet later ween,
Rond u-zelf krimpend, op den grond, alleen.
*
25
-ocr page 38-
XXVI.
Die menschen, (arme menschen!) zijn zoo klein:
Zij denken altijd aan hun eigen leven,
En willen toch geen greintje leven geven
Aan andre menschen, die hun meerdren zijn.
Zij eten spijzen en zij drinken wijn,
Zijn vroolijk met hun vrienden en begeven
Zich naar hun bedden, met het vriendlijk streven,
Ook in den slaap een rustig mensch te zijn.
O, lieve menschen, als ik u zoo zie,
Ik, die niet lijd en toch niet leven kan,
Omdat ik eenzaam met mijzelven blijf:
Dan denk ik vaak: hoe kan men aan een wijf,
Een vrind.... en nog zoo iels.... meer hebben dan
Aan ééne lieve en simple melodie. . ..
26
-ocr page 39-
xxvir.
Nu huilt de winter in mijn hart,
De vlagen donkren buiten,
Als wilden beiden van de smart
De flauwende oogen sluiten.
Dat is gekomen van de pracht
Dier schoone zomerdagen,
Wier gloed geen menschelijke macht
Noch bloeisel kan verdragen.
O, droefheid van dit Aardsch Gezicht!
Het moet toch al verdorren —
Het menschen-hart, het zonne-licht,
Zij sterven zonder morren.
27
• « 1\' iw\'mi.u -i                  - ---miJ!U**-\'-
-ocr page 40-
XXVIII.
Och, of ik \'t mij gezegd had,
Dat alle droefenis
Zich voor mij weg-gelegd had
In dit gevreesd gemis.
Ik had het lang geweten,
Maar sprak het nimmer uit,
Zoo blij terneer gezeten
Bij spel en dans en luit.
Nu kan ik \'t niet verhelen, —
Maar of ik \'t nu nóg zeg,
Tóch schemert mèt het spelen
Ook \'t heele leven weg.
28
-ocr page 41-
XXIX.
O leven, zoet leven,
\'k Heb u zoo lief gehad,
En met een innig beven
Uw schoone lijf omvat.
Nu gaat het al verdwijnen. . .
Maar heerlijk, ver omhoog
En schooner zal verschijnen
Wat mijne ziel bewoog.
j.»
.
-ocr page 42-
XXX.
Ik kan niet lachen, ik kan niet weenen,
Ik ben zoo vreemd te moe;
De zomer-pracht gaat henen, —
Ik doe mijn oogen toe.
Daar-binnen is het donker,
Daarbuiten is het kil. .. .
Wat of dat flauw geflonker
Van vèr beduiden wil ?
Zou dat het doods-uur wezen,
Waar alles op zijn best,
Verheerlijkt opgerezen
Verschemert voor het lest?
-ocr page 43-
XXXI.
Straks zong ik trotsche dingen
Van menschen-pracht en -gloed,
Nu kan ik niets meer zingen
Dan dat ik sterven moet.
O, éénmaal nog te weenen!
Als men gestorven is,
Dan gaan de menschen henen,
En meê de droefenis.
Dan lachen en dan praten,
Zij weder als van ouds.. ..
Vèr van de drukke straten,
Daar ligt alleen iets kouds.
3\'
-ocr page 44-
XXXII.
De zon is doorgekomen,
\'t Gebladert glimlacht flauw,
Als wist het in zijn droomen,
Hoe kort het duren zou.
Maar in mijn hart bedorven
Glimlacht niet meer de zon,
Het denkt slechts, hoe gestorven
Dat is wat wezen kon.
Wie boomen en menschen heeten
Lachen in droefenis,
Maar geen van beiden weten,
Wat dat het leven is.
32
-ocr page 45-
> .L^v,
\' •\'..
XXXIII.
Mijn oogen branden,
Met felle randen.
De klokken luien, luien mij uit.
Mijn klamme handen
Betasten de wanden.
De klokken luien, luien mij uit.
Wat toch dat luien in góds-naam beduidt.
O, om een slag,
Die op eens mij versloeg!
O, om een dag,
Dien ik niet meer verdroeg!
Warende waduwen
walmen mij om,
Dwalende schaduwen
staren daar stom.
33
- ! .
-ocr page 46-
De klokken luien, luien mij uit.
Heffende handen rekken
gestrekt,
Vragende vormen worden
gewekt.
Ü, wat dat luien, dat luien beduidt.
De klokken luien, luien mij uit.
34
,
-ocr page 47-
XXXIV.
Der menschen hoogste smart is wonderbaar.
Zonder gelach,
Zonder geween,
Lig ik gestrekt,
»
Beweegloos gestrekt,
Starend en stom,
In den nacht.
Paarden-getrappel en wagen-gedraaf,
Donkere vormen bewegen zich zacht
In den donkeren nacht. ...
Donkere vormen, zonder gerucht,
En ik zucht... .
35
\\
-ocr page 48-
Paarden-getrappel en wagen-gedraaf,
Paarden en wagenen draven gestaag,
Paarden en wagenen draven gestaag met getrappel op straat....
Waar ik roerloos gestrekt lig,
Zonder gerucht.
In den nacht, in den nacht.
36
-ocr page 49-
XXXV.
De Zee, de Zee klotst voort in eindelooze deining,
De Zee, waarin mijn Ziel zich-zelf weerspiegeld ziet;
De Zee is als mijn Ziel in wezen en verschijning,
Zij is een levend Schoon en kent zich-zelve niet.
Zij wischt zich-zelven af in eeuwige verreining,
En wendt zich altijd óm en keert weer waar zij vliedt,
Zij drukt zich-zelven uit in duizenderlei lijning
En zingt een eeuwig-blij en eeuwig-klagend lied.
>
O, Zee was Ik als Gij in al uw onbewustheid,
Dan zou ik eerst geheel en gróót gelukkig zijn;
Dan had ik eerst geen lust naar menschlijke belustheid
Op menschelijke vreugd en menschelijke pijn;
Dan was mijn Ziel een Zee, en hare zelfgerustheid,
Zou, wijl Zij grooter is dan Gij, nóg grooter zijn.
37
-ocr page 50-
f. . l^*-\'
XXXVI.
Ik ben te veel een tnénsch geweest,
Een mensch, die gilde en klaagde en schreide,
Die dronk zijn glas en vierde feest
En dfep-gevoelde dingen zeide.
Nu ben \'k een delikaat artiest,
Verliefde van zijn fantasieën,
Maar die zich \'t aller-liefst verliest
In zijn kokette melancholieën . .
Melancholie — om wie? om wat?. . .
Ik weet niets meer, kan niets meer voelen
Dan zoet gespeel met dit en dat
Van rijmen, zachte, klare, koele.
38
-ocr page 51-
XXXVII.
Geen enkel, die mijn Zelf ooit had, —
Geen ander, wien ik \'taf kon prachen,
Daar die geen Zelf, zóó schoon bezat:
Zij waren allen mak en mat —
Geen mensch die schreien kon of lachen.
De menschen lachen en schreien niet:
Zij dóen maar zoo, en \'k voel hun handlen,
Hun druktetjens om niet of iet,
Als-of zij, in een vaag verschiet,
Als klein-gelijfde popjes wandlen.
39
-ocr page 52-
XXXVIII.
Anne, arme gebrókene, als Ik mij mag noemen,
Daar is., is geen ménsch-smart, die dit Hart niet kent,—
Maar doode mensch-harten zijn hoóger te roemen,
Hoe wreeder de snee, die hun \'t harte-hart schendt:
Ja, \'t hart moet sterven in veel donkere dagen
Van tranen en lijfs-pijn en bitter klagen
En véél ontzetting, waar het lijf in beeft:
De Ménsch moet doodgaan, eer de Kunstnaar leeft.
40
-ocr page 53-
XXXIX.
Ik was de gróote Minnaar zonder ruste,
Die ging hoog-heerlijk in triomf door \'t Leven,
Jeugdig omklemmend in een storm van beven
Al zielen, gróóte en kleine, naar het lustte
DlT Hoog Hart, dat toch nooit zijn droefheid suste,
Droefheid om Liefde\'s wil, die géén kon geven:
Nu weer om Zélfs wil, wijl ik zelf moest sneven,
Dan wijl ik nédersloeg, wie \'k even kuste.
Ik brak de harten op mijn tocht, zoo glorie-vol —
\'t Mijn brak meê, maar, nóg schooner dan te voren,
Greep het naar nieuwe, blonde of donkre, lokken;
Liefde vliedt heen thans, maar in haar historie-rol
Sta ik geboekt als het Hart Uitverkoren,
\'t Hart dat geen Hart vond en stierf zonder mokken.
41
-ocr page 54-
XL.
Ik ben de Düivel-god dier grüwbre oorkonde,
\'t Vervloekte Boek van laffen deemoed, klein,
Die loert, die loert, koud-donker, donker-rein,
Of Hij die ménschjes niet verderven kónde.
Ook Hij droeg fier, op \'t lijf vol eeuw\'ge pijn,
Eén matelóoze, toégesch roeide wonde,
Dat alles had zóó anders kunnen zijn. —
Zijn Zijn.. . . Mysterie, maar zijn Schijn. . . . Dood-zonde.
Want ook Ik viel, uit een licht Rijk van \'t Goede
In dit groot Duister, dat nu Mijn Licht zij,
En waar Ik eeuwig als Verdoemde in brand.
Maar, in de pracht van mijne staat\'ge woede,
Voel Ik mij groot en heerlijk, dat Ik vrij
Haten en kwaad-doen mag, met sterke hand.
42
-ocr page 55-
XLI.
Rozen, ik vind u droef,
Rozen, mijn tranen breken
Uit oogen, die anders stroef
En onverbreeklijk keken.
Rozen, uw wit en rood,
Fel in de lucht opbloeiend,
Schijnt mij géén morgenrood
Van nieuwe liefde, ontgloeiend.
Maar toch, ik vraag: Bloei door,
Bloei door in mijn nabijheid:
\'t Is of \'k u fluistren hoor
Het gouden woord van Vrijheid.
43
-ocr page 56-
Vrijheid van iedereen,
Van menschen en van dingen,
Om voor Mij-zélf alleen
Mijn heerlijk Vers te zingen. ..
Ach, \'t allerlaatste is dit
Van al die mooie liefde :
Hij, die iets liefs bezit,
Is blijer dan wie liefde.
44
-ocr page 57-
y        XLII.
O, Rozen, droef en schoon.
Ik heb u uitgekozen
Voor al mijn koude doön.
Roode en witte rozen.
Rozen om \'t doode haar,
Rozen op arme\' en borsten
Vallen met zacht gebaar,
Of zij niet vallen dorsten.
Rozen voor ieder, die
Met lachen, of kussen, of groeten,
Of schoone melodie
Mijn leven wou verzoeten.
45
-ocr page 58-
Rozen voor mij slechts niet,
Voor mij geen bloemen, die geuren,
Voor mij mijn eenzaam Lied
En wat stil treuren.
46
-ocr page 59-
XLIII.
De blaren vallen zacht. . . .
Ik kan alleen betreuren,
Dat ik niet eens verwacht,
Wat eens nog kan gebeuren. . . .
De blaren vallen zacht....
*
*
-ocr page 60-
XLIV.
Met zeven nagelen lag Ik geklonken
Op dit zwart rad van marteling, mijn Leven, —
Want zeven Harten zijn mij ópgeblonken,
In pracht van Jeugd en Vreugde\'s innigst beven.
In zeven droomen was ik zwaar verdronken,
Droomen van deemoed en van liefde-geven,
Die alle zeven weer in \'t Niet-zijn zonken:
Daarom gegroet, mystiek getal van Zeven!
Hartstochten gaan en komen op de maat
Van mijner diepre Ziel geheimvol deinen,
En heel mijn liefde was een morgen-droom.
Maar, boven al den Schijn des Tijds uit, staat
Gij in uw koelte, al-eenig-vaste-en-reine,
O, Cijfer, waar \'k op tuur, in vreemden schroom.
43
-ocr page 61-
XLV.
Mijn stemming is als van een stil-staand water,
Vlak uitgemeten in een wijde kom:
Wat anders daalde, en rees in luid geklater,
Is thans, als een mooi avond-weder, stom.
O, ik gevoel zoo innig, dat ik kom,
Door droef geschrei en helder-blij geschater,
üp tot mijns Levens hoogte-punt, en \'k som
Mijn smart van altijd op, mijn heil van later:
Ik ben een Mensch, die véél heeft lief-gehad,
Die véél bemind was, en die altijd wist,
Dat minnen zalig maakt, en Liefde Deugd is.
Maar nu ik sta op \'t kruis-punt van mijn pad,
Weet ik zoo klaar, dat \'k zéér mij heb vergist,
En dat der Muze wil mijn een\'ge vreugd is.
49
4
-ocr page 62-
XLVI.
Al Liefde is als een spel van lucht eu water:
De wind blaast voort, de witte golven vlieden... .
\'t Is schóón, dat schittrend stoeien te bespieden,
Maar iedereen, die meê wil doen, vergaat er.
Ik deê \'t zooveel, niet wetend, hoeveel kwaad er
\'k Meê deed Mij-zelf, en óók dien andren lieden, —
Maar toch.... al zielen, die mijn Ziel verrieden,
\'k Heb ze vergeten voor Mij-zelf, wat later. . ..
Omdat Ik: Ik ben. En Ik leerde Wijsheid,
Diep-ware Wijsheid, die Ik hier ga schrijven,
Ten nut van moeder, zoete-lief en vriend:
Onthoudt het goed tot aan uw laatste grijsheid,
Dit: dat die menschen altijd ménschjes blijven,
En dat geen ménschje een menschlijk Hart verdient.
50
-ocr page 63-
xlvii.
O, Visioen van opperste Adoratie,
Ziend op U-zélf in durende bid-stónde,
Zit Ge op uw troon, gebouwd van gruwbre zonde:
Tranen en ménsch-bloed, — in vervloekbre staatsie.
Maar \'k ben u na, \'n bloed-drónkene Temptatie...
Ik sla u staag in de ondoorgróndbre Wonde
Met daad op daad van haat, zoo kwaad \'k maarkonde:
Ik zal u stuk-slaan tot een spot der natie.
Mijn zang wou wolk-zwaar zijn van donker haten,
Mijn klanken wilden haten, en zoo dóen ze. —
Maar, ach, wat baat, dat ik dien Béest-god kneus ?
Hij zit, juwéel-stijf, roerloos, wijl zijn neus
Gierig den damp opsnuift, door wijde gaten,
En de ópgespalkter óogen hélscher loénschen.
S\'
-ocr page 64-
XLVIII.
Ik had een ijs-koud Visioen van Leugen,
Dat om mij warrelde, één verfoeibren dag,
Dat leefde in \'t rond en uit harde oogen zag,
En deed alsof het danste, in kwaad verheugen;
Bloed dronk het, bloed, in on-door-scheidbre teugen, —
Bloed lag op wang en haar, en bloed ook zag
Ik stollen op mij-zelf, in schel geklag.. . . :
O, Doemwaard Beeld van menschen die niet deugen!
O, Mensch, die liegt met oog, met mond, met hand,
Stók-stijf in \'t weef-werk van uw slechtheid staande, —
On-mensch, die loerend loenscht naar iedren kant,
Kil-liegend door uw rijkste leven gaande, —
Leugen, zich \'t leelijk merk van eigen schand
In \'t doffe en glorielooze voorhoofd slaande!
5^
-ocr page 65-
XLIX.
Menschen, ik weet, gij voelt geen liefde en haat.
Als Ik, die leefde in eenen heldren brand
Van daaglijksch mooi-doen, — om een\'s andren baat
Mij-zelf betemmend in onberstbren band.
Menschen, ik weet, dat gij mij nooit verstaat,
AI zeg \'k mij-zelf op duizenderlei trant, —
Ach, Ik, die eenzaam drijf naar \'t wijde strand
Des Doods, gestooten door der Liefde Haat.
O, gij, die mij wel hoort, maar niet gelooft,
Die mij wel ziet, maar van mijn ziel niets kent
Dan enkle vlokken van wat luchtig schuim, —
Menschen, ik sterf, maar \'k berg mijn wankel hoofd
In donkre wolken van mijn toorn, en zend
Statig de bliksems van mijn trots door \'t ruim.
5 3
-ocr page 66-
>
Gij stapt met toornig opgestreken zeilen,
En kuif, parmantig in de hoogte stekend,
Uw toorn tot harde stukjes grofheid brekend,
Die al uw vrienden om hun ooren keilen
Als nonchalante en ongalante bijlen... —
O, Schoonheid\'s opperman, gij beukt uitstekend,
Maar toch, woest slimmertje, die \'t al uitrekent,
Rekendet ge óók uit de oorzaak onzer feilen?
Hoor dit: WIJ hebben ijzer-sterke magen:
Eens zwakling\'s ziel moog in zijn roes verstuiven,
Wij rollen voort in dronkene productie;
En daarom, vriendje, wou ik je even vragen:
Zoudt ge ook niet zélf een héél klein beetje fuiven,
Was maar uw maag wat steviger van structie?
5
-ocr page 67-
O, mijn gedachten, tript nu lief en zoetjes,
A1- kleine kinderen op bloote voetjes,
En speelt hoog-op een vroolijk-fluitend lied —
Nu naast het wilde en gouden-lachend Hansje
Een niéuw klein kopje naar uw luchtig dansje
En gracelijk bewegen ziet. . .
Zien doen ze \'t niet: zij kijken maar wat wijsjes —
O, zét dan uw zang op alle zoete wijsjes
En wuift hand-groetjes uit uw verte toe:
\'t Schoone is \'t Schoone al loont het met geen lachjes,
Wie blijdschap vinde in lief-zijn, en zachtjes
Liefde aan \'t Schoone om \'t lief-zijn doe.
SS
-ocr page 68-
O, zoo die witte en edel-teêre leventjes
Wisten wat reze\' in uw liedjes, zoo eventjes,
Al lust-paleisjes in de lucht, heel hoog,
Voor twee heel kleine en heele mooie koninkjes
Twee zacht-gekleurde en hél-doorwaaide woninkjes,
Waar nooit een gouden hoofdje weenend boog.
Ja, tranen van smart in \'s harten diep verteederen
Blijven in ón-geborene gelederen
Op hunner harten diepsten grond gesust: —
Al leed zou bij die lichte jeugd té deerlijk zijn,
Bij hén zij spel en muziek, in één heerlijk-rein,
Eén rusteloos geluk van rust.
Lieve gedachten mijn, valt thans wat breeder uit,
Dat al geluid op geluid heerlijk wéderstuit,
56
-ocr page 69-
Weest als een wind van geluid in de lucht:
»Kinderen zijn in der Aard-smart Koninkrijk
»Prinsen van vreugde en van jeugd-schocm koninklijk,
»Makend der aarde droefgeestige woning rijk
> Aan lach en dans en melodisch gerucht."
57
^,,»-«^^*rfi»it.i.inriTOir^iiii>^iM"igifi-iWiii?ii<\'ii-j\'-iix^-»~^-"»- «™v.....~~.«~—------------........:_ : <>
-ocr page 70-
LIL
Ik maak van al de menschjes, die ik liefde,
Beeldjes, die \'k opzet in mijn hersenkas, —
Bleek en beweegloos, als gebootst uit was,
Staan ze, — stil dooden-huisje van mijn Liefde;
En slag op slag, die dit mijn hart doorkliefde,
Is daar gegriffeld, aan den wand, in kras
Bij kras van letters, die geen sterfling las
Dan ik, — vreemd dooden-boekje van mijn Liefde;
Maar, midden in, prijkt hoog mijn Hart geheven,
Glorie van doods-koii, met den haat en \'t lieven
Van al doode uren, als een urn vol sintelen;
En buiten-op staat in de poort gedreven:
Laat nooit uw oog in andrer oog weêrtintelen,
Want twee mensche-oogen liegen als twee dieven.
5S
-ocr page 71-
lui.
De menschen schijnen elkaar zeer te vreezen,
Daar zij zich steeds maar voor elkaar versteken
In woorden-weefsels, die geen hart doorbreken,
En in wier schrift geen menschen-hoofd kan lezen.
Zij liegen, die geen leugnaars willen wezen,
En zelfs, wie moedig wil de waarheid spreken,
Hij voelt de waarheid op zijn lippen breken
Vóór \'t spreken zelf, — en is als één van dezen.
O, vloek van \'t menschlijk woord, dat niet vermag
Der ziele diepst bewegen weer te geven,
Maar steeds een schijnbeeld om die glorie maalt;
O, vloek, dat menschen-traan en menschen-lach
Diep in ons eigen binnenst blijven beven,
Géén mensch, schoon als zijn Zelf, voor andren straalt.
50
»« .».» - i . >I1|.; I» , . UMI . , .1\' , • ,-*-—.....-y_ • - \' - \'                                   "..... •*..».—J»~--- \'
-ocr page 72-
LTV.
De menschen dóen, maar weten niet waaróm
Zij doen, en zitte\' in hun eentjes te wegen,
Hoe zij het meeste van het leven kregen,
\'t Leven dat langs hen gaat en ziet niet om, —
Hopen en haken of er niet wat kom,
Voelen hun hartjes van blijdschap bewegen,
Stil in hun lekkere bedjes gelegen.....
Maar als \'t wat geeft, dan houden zij zich dom:
Dan kijken ze uit een paar onschuldige oogjes,
Willen niet, maar willen wel, en zijn zoo bleutjes.. . .
\'t Leven zegt: »zool. ." en neemt het weer weerom.
O, geeft elkaar zoo even maar wat droogjes
Oogjes en schuintjes en vriendelijke peutjes,
O, menschjes lief, wat zijn wij allen dom!
f.o
"
-ocr page 73-
< ( I
LV.
Ik ga mijn leven in orgieën door
Van vol muziek en vreugden onuitspreeklijk.
Daar \'k al smart in losbandigheid verloor,
Want dit lijf en mijn trots zijn onverbreeklijk ;
\'Wijl achter me aan een óp-zich-drommend koor,
Heel \'t schoone lijf bewegend wild en weeklijk,
Luid-feestende optocht, danst en ik dans voor —
O, mijn los-voetigheid is zéér aansteeklijk.
Hoor, hoor naar mij, gij allen die daar gaat
Met koud gelaat en stappen zoo bedachtig:
Brand op in gloed het leven dat u slaat,
U-zelf óp-slaand in vlammen hoog en prachtig.
Droom wég in weelde: ijdel is alle daad —
Over ons allen koom het Nietzijn machtig.
61
-ocr page 74-
LVI.
»VVee mij dat ik geen ziel op aarde vond,"
— Kreet ik — »eer mijne ziel geheel verbloede,1
Toen ijlings de eenig Schoone, Reine, Goede
Met kus op kus mij sloot den bleeken mond.
>Zie op," zoo sprak zij teer, en zie, Gij stondt
Ter zijde, en lachtet mij, maar ik, in woede,
Greep trillend naar de snerpendste addren-roede
En smoorde \'t lachen snel, in wond op wond.. .
O eerste ziel, die mij de Muze zond,
En cénge in eeuwigheid, zoo \'k recht bevroede,
Vergeef mij dat ik ooit die liefde schond, —
Vergeef mij dat ik ooit, die liefde moede,
U haatte, daar Ge als ik niet wezen kondt,
En bid de Muze, dat zij mij behoede.
62
-ocr page 75-
LVII.
Ik wil niet zeggen dat ik sterven zal
Uit bittre droefenis om üvv verscheiden,
Ik wil mij liever in den dag verblijden
Die is, niet denkend aan der dagen tal.
En \'khaat de lieden, die, met leeg geschal,
Zich zelven, lang vooraf, ten grave wijden,
En toch den slag des Lots, bij \'t vallen, lijden,
En lachend leven durven na den val:
Mijn ziel werd door uw ziel uit nacht geheven
In \'t Licht, dat beiden tot één ziel versmolt,
En mag nu hoog in üweu luister zweven.
Zij valt, wanneer uw ziel u gaat begeven,
Doch \'t is haar één, of zij terugge-rolt
In nacht des Doods of duistrer nacht van \'t Leven.
63
-ocr page 76-
LVIII.
O vrouwe, ik weet niet of de starren weenen.
\'t Licht hun geziclit in zilvren tranen baadt,
Of Liefde\'s lach is over \'t klaar gelaat
Van wie zich zélve alléén hun lust ontleenen:
Want hel als tranen ruischt de lach daar: enen, —
Maar sterre-nacht rijst, waar Gij stralend staat,
En diep in \'t hart den gloed dier oogen slaat,
Die traan en lach en lust en leed vereenen. —
En \'k peins, wanneer die lange blikken stroomen,
Waarheen der mijmring beelden-stoet hen trekt, — •
Die, beurtlings blijde en bleek, al vliedend komen,....
Tot iedre blik in mij de bede wekt:
Och, mochten ze eeuwig dus onwetend droomen,
Of \'t waas der vreugd of \'t floers der smart hen dekt.
"4
-ocr page 77-
Ik lag en weende om droomen, die vervlogen,
Als kussen van een mond, nu koud en bleek,
En dat de godheid mijner ziele bleek
Stof als ik zelf, en al mijn liefde logen;
Toen \'s Levens zware sluier scheurde en week, —
En eindloos licht sloeg me in de ontluikende oogeu,
Waaruit Hij-Zelf mij daagde, die gebogen
Voor de\' aam der eeuwigheid als riet bezweek....
Maar liefde-vol, bij \'t lof-geruisch der snaren,
Hief mij Zijn hand in \'t eeuwig-volgend koor,
En \'k zag dat allen als Zijn dienaars waren :
Zij zijn bereid: Hij treedt hen heerlijk voor,
Die naar Zijn goden-gang bewondrend staren,
En zingend schrijden in Zijn glanzend spoor.
«5
5
-ocr page 78-
LX.
\'t Gewoel op \'s levens heir-weg wierpt ge u tegen,
O God-geslagene, en in wilde smart
Weest gij de wereld op uw bloedend hart,
En klaagt, en schreit, ter halve neer-gezegen...
Men gaat voorbij; een enkle, die daar mart,
Voelt zich het hart door eigen pijn bewegen
En eigen vreugd; een ander tuurt en sart
En hoont u in \'t gezicht. Eén heeft gezwegen:
Hij had der Liefde \'t blinkend kleed getrokken
Van \'t koud gelaat, en huivrend haar ontzegd,
Door stormen schrijdend als een kalme god, —
Maar weer geloovend zegent hij uw lot,
Nu hij de handen op uw blonde lokken
En begenadigd hoofd, herdenkend legt.
66
-ocr page 79-
X LXI.
Ik ween om bloemen in den knop gebroken
En vóór den uchtend van haar bloei vergaan,
Ik ween om liefde, die niet is ontloken,
En om mijn harte dat niet werd verstaan,
Gij kwaamt, en \'k wist — gij zijt weer heengegaan...
Ik heb het nauw gezien, geen woord gesproken:
Ik zat weer roerloos na dien korten waan
In de eeuwge schaduw van mijn smart gedoken:
Zoo als een vogel in den stillen nacht
Op ééns ontwaakt, omdat de hemel gloeit,
En denkt, \'t is dag, en heft het kopje en fluit,
Maar eer \'t zijn vaakrige oogjes gansch ontsluit,
Is het weer donker, en slechts droevig vloeit
Door \'t sluimerend geblaarte een zwakke klacht.
67
-ocr page 80-
LXII.
Als een een-zelvig kind dat telken dag
Na moeders dood zijn kleine lief en leed
Op kinder-wijs beschrijft en nooit vergeet
Om \'s avonds, — ach! niet als het weleer plach, —
Met bevend handje — maar een zachten lach,
Een blad op \'t graf te leggen, en wel weet,
Wanneer het wederkomt, wie of dat deed,
Dat blaadje nemen dat daar gister lag:
Zoo wilde ook ik zoo gaarne als zoete plicht
Voor u die verre zijt, mijns levens boek
Eén blad na \'t andre, zachtkens open-slaan.
Maar, ach, rampzaalger dan \'tonnoozel wicht,
Ik weet niet of ik vinde wat ik zoek,
Noch of gij alle bladen zult verstaan.
6S
-ocr page 81-
LXIII.
Omdat mij andre en ouder banden binden,
Omdat een mindere arm zich om mij legt,
Omdat ik eens: ik min u, heb gezegd,
Toen flauwer oogen mijnen blik verblindden, —
Zou \'k u niet grooter, schooner mogen vinden,
Het niet bekennen mogen? Ben ik slecht,
Daar \'k eerst violen om mijn lokken vlecht,
En nu ga rozen door violen winden ?
Ik nader u dan niet, zoolang een mond.,
Die mij niet zoet meer is, mijn lippen raken
En aan mijn ooren vleiend fluistren zal.
Maar, bij der rhythmen weelderigen val,
Mijn plicht met stille vreugde te verzaken,
Dat let mij niemand tot mijn laatsten stond.
69
-ocr page 82-
LXIV.
\'t Was niet het op- en neerslaan uwer oogen.
\'t Was niet het heldre lachen van uw mond —
Ik Weet niet, weet niet wat mijn lippen bond.
Toen gij daar zaft, het teêre hoofd gebogen,
Dat hoofdjen, als een bloeme, zacht bewogen
Op iedren adem van de ziel: ik vond,
Ik vond geen woorden in dien éénen stond,
Dat ooit mijn oogen u aanschouwen mogen.
Was \'t de gedachte, dat een enkel woord
Een blos kon lokken op die bleeke trekken
En om dien mond een nau w-verbeten spot?
Hoe zouden woorden, waar het hart niet hoort,
Een wederklank op zulke wenschen wekken?
Ik zweeg, en zag u aan, en wist mijn lot. . ..
-ocr page 83-
LXV.
Ik hield u dierder dan mijzelf. Ik had
Geen dierbaar zelf meer, want ik wierp mijn trots,
Mijn donkren trots, mijn alles, wat ik had,
Vóór uwe voeten, als de voeten Gods.
Ja, gij waart God, maar God mij van veel spots,
Geen God van Liefde, — die mijn ziel vertradt
Totdat zij sterven wilde; — toen daar, plots,
Een lichte schaduw door mijn duister trad:
Ik zag dat bleek gelaat, de siddering
Dier lippen, — dat waart GIJ — uw open hart
Bloedde en die oogen weenden van terzij. ..
Toen wist ik alles en op eens verging
Al mijn verlangen en mijn wilde smart
In mijmering en eindloos medelij.
7\'
\' m
-ocr page 84-
LXVI.
De klare lente-dag is overal,
Haar oogen lachen in het ver azuur,
En \'tbreede kleed valt op haar voet in puur-
Goudene plooien met onhoorbren val.
Zie, bij der vooglen eersten zangen «schal
Beweegt zich zacht de ontwakende natuur,
En ieder knopje roept het andre: o gluur 1
In stille hope dat het bloeien zal.
Mij, mij alleen daar alles speelt en lacht,
Vaart als een rilling door de matte ziel
Dat jonge leven en die lauwe lucht, —
Gelijk de dronkne, wien na wilden nacht
De kille morgen op de leden viel,
Weer wanklend naar den vollen beker vlucht.
72
-ocr page 85-
LXVII.
Gelaat, lief als Lente, dat met veel spelen
Lacht en weer droef-ziet in een staag schoon-schijnen, —
Zachte goud-mist van lokken als een fijne,
Reine aureool boven teeder-fluweelen
Oogen, die klaar uitzien en weer verkwijnen, —
Wit hart van wijsheid, dat als één in vele
Dingen mag zijn van dingen om te stelen, .
Hart vol van lichts en van liefs, wit-satijnen:
Eindlooze teêrheid is zoo stil geslopen
In dees mijn leêge en uitgeweende ziele,
Teêrheid om u, die me in hoog-teêrheid lachte :
En \'k kan niet gelooven, ik durf niet hopen,
Dat eens uw schoon saam met mijn rijk schoon viele,
Maar \'kzal zoet-stil en heel geduldig wachten.
73
-ocr page 86-
LXVIII.
O, de begeerte naar genieten machtig
Dreunt door mijn trotsche lichaam als een hamer,
Kloppende-óp uit haar donker-kille kamer
Wellust, die sliep, op \'t wekkings-uur aandachtig.
O, — genieten, ineengestrengeld prachtig,
Droomend zoo schoon met aangenaam gestamer,
Even tusschen kus en kus, al eenzamer
Nachten gesmacht, een bangen droom, gedachtig.
Droom-schoone dood en onsterfelijk verlangen,
Pracht van te vatte\' en te voele\' in vaste armen
Schoonheid, gedrukt aan \'t luid-bewogen harte,
Pracht van elkaar al vlammende te omvangen,
Zaligheid doende in sprakeloos erbarmen,
Zaligheid zelve in de opvlucht aller smarte.
74
-ocr page 87-
LX1X.
O, Judas-kusl verdoembre Judas-kus!
Gij, week-zoet op mijn lippen, als een fijn
Venijn, dat druipt fel op het week satijn
Van mijnen rooden mond... Ai! bittre kus,
Judas, uws monds, die spuwt den gruwbren wijn
Uws haats, — dien ge ingedronken hebt met lust —
Met gier\'gen lust — o, God, kan dat zoo zijn!
Op mijn arm hart, schrei-schietende uit zijn rust.
Bevend op \'t bloed, zoet hart, wat bonst gij bang....
Kunt gij nog schreien vóór uw klaagbren val,
Nu ge u voelt vloeien in dien nacht zoo lang
Van droef-beschreibren dood ? — O Satan, Slang,
Gij zijt mijn Aarts-verrader, maar ik zal
U zeegnen van \'t Hoog Hout, waar \'k straks aan hang...
75
-ocr page 88-
\\
LXX.
\\ \'
De jongling staart met beden in zijn blikken,
Op \'t klare beeld der godheid, die hem boeit,
En weent om ziels-zucht, die vergeefs vervloeit,
Maar traan en leed kon nimmer steen verwrikken.
Daar voelt hij, bleek, bedwelming hem omstrikken,
En slaat en striemt, of striemen steen ontgloeit,
Tot \'t eeuwig koel, waarop nooit lach ontbloeit,
Hem zelven slaat tot steen in stom verschrikken.
O, marmeren Medusa, zonder ziel,
Omdat gij zuiver ziel zijt uit die streken,
Waar nooit een traan om menschen-jammren viel...
Schoon voor geen sterflijk oog uw sluiers weken,
Zie eindlijk neer op mij, die voor u kniel.
En laat uw diepste Ziel tot mijne spreken.. .
76
-ocr page 89-
LXXI.
Er stroomt door mijn gemoed in stormend klateren
Een wilde zee, waarop ik rijs en daal, —
Een drup. . . een englen-blik, maar elke straal
Danst als het springen van bezeten sateren.
Ik hoor demonen uit de diepten schateren,
Schel door der serafijnen rein koraal,
En hel-geloei dooreen met hemel-taal
Mengt zich in \'t ziedende geklots der wateren.
O, lust! daar over mij de branding slaat,
Bij \'t doffe bruischen der ontroerde baren,
Te zien hoe \'t Leven om mij heen vergaat, —
Maar Liefde niet, en midden in het staren
Op \'t rustig stralen van uw klaar gelaat,
Vereend met u, ter eeuwigheid te varen.....
77
-ocr page 90-
LXXII.
Die stomme, bleeke schaduw aan mijn zijde,
Dat bitter-lieflijk beeld van \'t Lief-verloren,
Wil met haar peillooze oogen mij doorboren,
In onbeweeglijk staren te allen tijde, —
En staart te strakker, wen ik \'t snerpendst lijde,
En, on-ont-vliedbaatr, komt mijn stap te voren
Ten stillen stroom, wiens bleeke waatren gloren
Van verre, kruipend door de vale weide.
O, doodlijk-wreede, die met lach en lonken
Ten doode doemt, wie de oogen naar u hieven,
En zelf-verbrijzelend zich-zelf u schonken,
In \'t smarten sterk, maar eindloos zwak in \'t lieven,
Die, diep in \'t zelf-verkozen graf geklonken,
Nog de armen strekt, mijn hulploos hart te klieven.
7S
-ocr page 91-
LXXIII.
Daar ge onverbidbaar waart voor tranen, klachten,
En spot, die scherper dan de smarte wondt, —
Daar deze ziel, die gij niet gansch verstondt,
Vergeefs zich wrong in wrokkend zelf-verachten
Voor u, wier harte niet, maar lippen lachten: —
O, daar ge in lange, diepe stooten kondt
M ij n ziel en U w e ziel, en die ze bond,
De Liefde, om \'s werelds koele lonken slachten: —
Zoo zal ik langer niet mijn wonden keeren
Naar \'t Lot en U, die \'k als mijn Lot erken, —
Maar, tusschen Graf en Waanzin wanklend, leeren,
Of men zich lachend aan de wanhoop wenn\', —
En, met den dood in \'t bloedend hart, bezweren,
Dat ik gelukkig — zéér gelukkig ben. ..
79
-ocr page 92-
LXXIV.
Wen ooit uw oog zich weg van \'t mijne wendt,
In koelheid of in toornend ziels-verachten,
En gij vergeefs mij op den straal laat wachten,
Den weer-straal op den straal, dien \'t mijne u zendt —
Wen ooit uw ziel zich aan de mijne ontwent,
En ooit die 1 ippen, die mij tegenlachten,
Tot bitter-wreeden trek zich plooiend, trachten
Het woord te spreken dat mijn Leven schendt, —
Ik zal u niets verwijten, niet verachten,
Want wie het Leven en het Noodlot kent,
Weet dat zij scheiden wat zij samen-brachten.
\'k Wijs slechts uw eigen woord u, snood ontkend,
En zwijgend daal ik in den nacht der nachten,
Wen dan uw oog zich weg van \'t mijne wendt.
So
-ocr page 93-
LXXV.
vis;—* Inhoud en vorm, in kunst als in natuur.
Zijn Eén. Je twijfelt? Ken je zelf toch, Vethje, —
De hand op \'t hart, — ben jij niet een secuur
Broekje, o Jan Veth, ben jij geen binnen-vetje ?
Zeg, ligt je jonge ziel niet in \'t azuur
Zoetlijk te droomen op een rozen-bedje,
En vervvt die soes je wangen niet als vuur?.. .
Maar wee, daar kermt mijn half-gebaard Sonnetje.
De Muze zegt: Da\' \'s geen Sonnet.... een mopje.. .
En weent om \'t wicht, dat ligt gemarteld snood,
Op \'t rhythmisch rad, bleek als een wassen popje.
Geen sterf ling tilt het op, \'t is zwaar als lood
En koud. Zie \'t kleine kopje — o Vethje, ik fop je —
\'t Kopje en bei de armpjes hangen slap. ... \'t Is dood.
Si
6
-ocr page 94-
LXXVI.
O. Liefde, \'s menschen Moeder, Bruid, en Bronne
Van Lied en Dood, — die lijf en ziel te dwingen
Weet tot Uw wil: — o, kolk van duizelingen,
O, kuische Kupris, dartele Madonnel
De wereld wacht Uw dagen, \'s werelds zonne 1
En géén gemoed der malte stervelingen,
Dat niet naar U zich wendt, in droomend dringen,
Of \'t éénen purpren dronk des Levens wonne!
De bleeke rijen zien U troonend dalen,
Die trillend voor uw godlijk gloeien nijgen,
Wijl oogen weenen, harten stormend kloppen.
En waar Uw geur\'ge vlammen-wieken droppen,
Verzwijmelt blik in blik, in zalig zwijgen. . ..
Hoe smet\'loos sterfelijke zielen stralen.
82
-ocr page 95-
LXXVII.
O, met dat marm\'ren wimper-paar, waartusschen
Geen tranen ooit op ons ter-neder vielen,
O, roerloos eeuwig-fel gelaat, wij knielen
Met deizend hoofd, waarlangs uw vlammen gudsen.
Gij ziet ons stervens-ziek uw kluisters kussen,
Vorstin, die \'t wee der vveeke, wankle zielen
Door één meêdoogend wentlen uwer wielen
Voor eeuwig kunt in droomloos sluimren sussen.
Welzalig, wien uw heiige handen mengen
Den koelen dronk des doods, en liefdrijk reikend
Den donkren kelk tot aan de lippen voeren, —
Zij voelen \'t aanschijn door uw aêm beroeren
Zoo zacht, die met een stillen lach bezwijkend
Den Iaatsten drup als stervens-groet U plengen.
83
-ocr page 96-
LXXVIII.
De sterfling zoekt — in \'t eenzaam-zoekend zwerven
Naar \'t licht, dat hel uit min\'lijke oogen schiet,
Den zilv\'ren toon, die van twee lippen vliet, —
Een schijn der eeuwge schoonheid te verwerven.
Wee, wie die snel-gewiekte schaduw derven,
Geen menschlijk woord, dat troost in \'t hart hun giet,
Heil wie haar wint, die weenen langer niet,
Maar wenschen één genade en dan te sterven.
O, Vrouwe, ik wiegel stil op \'t klare stroomen
Der diepe ziel, die uit uw oogen smacht,
De speelziek-schalkschen, dan weer peinzens-loomen.
En \'t is mij of na langen lijdens-nacht
De zoete schim, Madonna mijner droomen,
Haar zonnig hoofd tot aan mijn boezem bracht.
84
-ocr page 97-
LXXIX.
O, Vrouwe, o Ziel, o zachte, bleeke bloeme,
Geknakt vóór dat uw geur een outer vond,
O starende oogen, veel-gekuste mond,
Die kussen zendt voor \'t woord dat mij verdoeme,
Vergeef, maar neen, want weet dat ik mij roeme
Om vloek en leed, en \'t leven dat ik schond,
Nu \'k zag hoe me aan uw strekkend\' arm ontwond
Zij zelf, wier zoeten naam ik nijgend noeme:
De goudgelokte Muze, die mijn ziel
Voor eeuwig stiert aan \'t snoer dier stralende oogen,
En met een laeh ter-neder slaat en heft,
Gedoogt het niet dat aardsche minne treft
Wie eens, niet blikkead waar zijn droomen vlogen,
In stormend weenen aan haar voeten viel.
85
-ocr page 98-
LXXX.
Het melancholisch Bodegraven gaapt
En ligt gelijk een graf ten bodem open:
En \'k zie een blooden knaap al traagjes loopen,
Zijn ziel is niet meer en zijn lichaam slaapt.
Kijk, hoe hij van den vloer een strootje opraapt,
En tuurt naar \'t vveêr, en telkens telt zijn knoopen,
Of voor een dubbeltje wat koek gaat koopen,
Terwijl hij, achter \'t handje, zoetjes gaapt.
»Ach, Amsterdam", zucht hij, daar is beschaving,
„Caves, Bodega, Beerebijt en Pschorr,
»Daar krijgt mijn jeugdig begeerend hart laving —
»Hier word \'k van binnen zoo afgedonderdsch dor;
tHiei, met het Bodegravensch tien-uurs-klokje,
» Hou, moet ik naar mijn bedje, zonder grogje...."
Su
-ocr page 99-
x LXXXI.
Ga niet voorbij, maar blijf bij mij, en voel.
Wat Ik voel in het diepst van dit mijn wezen
Dat niets dan Gij mij nog iets liefs kan wezen
En alles om u — zonder u — zoo koel,
Zoo leeg, zoo vreemd dat ik mij-zelf niet voel,
Wen ver van u, — ea \'k wensch om weg te wezen,
Weg van mij-zelf, in \'t land des doods, doods vreezen
Vergetend om de vrees voor \'t donker koel
En doodsch gewoel des levens, dat in kringen
Rond-draait geduriglijk, en Ik draai mee,
Ach, ik, een klein arm ding in duizend dingen,
Met u geslingerd in één-zelfde dringen,
Wijl onze klare stemmen kalm als twee
Koralen uit het duister hoog-op zingen.
»7
-ocr page 100-
LXXXII.
Liefde is een macht van lief-zijn en \'t begeeren
Om zelf een beetje lief-gedaan te wezen,
\'t Is vaak elkander aanzien en veel lezen
In \'s Lijfs schoon leven om de Ziel te leeren.
Zoo was het, maar zoo zal het niet meer wezen,
Nooit meer voor mij, die lig in droef afweren
Van al de slagen, die mij zéér bezeeren,
Van mijn vreemd leven, dat ik zóó leer vreezen.
Want alle liefheid, ach, en elk gevoel
Dat voor die menschen in mijn ziel opsteeg
Werd voor mij-zelf en dit arm hart een straf,
Die \'k niet verdiend had. Maar ik werd nu koel,
Koel, en tot loon, tot heerlijk loon verkreeg
\'k Spijt om de schoonheid, die \'k aan andren gaf.
ss
-ocr page 101-
LXXXIII.
O, laat mij tot uw voeten komen,
Omdat gij niet uw boezem biedt,
En, zachtjes lachend, zalig droomen
Van al mijn heen-gegaan verdriet.
O, laat mij tot uw voeten komen,
Omdat gij niet uw boezem biedt,
O laat mij met uw woorden spelen,
Omdat gij mij uw mond ontzegt,
En \'t lieve, dat uw mond mij zegt
Als kussen van uw lippen stelen,
Als kussen, die uw ziel mij zegt,
O laat mij met, uw woorden spelen.
O mocht ik mijne handen breiden
Op uw geliefd, geheiligd hoofd,
En stil gedenken, zonder lijden,
Aan \'t schoone dat gij mij belooft,
O mocht ik mijne handen breiden
Op uw geliefd, geheiligd hoofd.
89
-ocr page 102-
LXXXIV.
Wenn ich mich still auf deinen Wellen wiege,
Die kehren wie die Blumen eines Kranzes,
Da scheint\'s, ob wieder nun ein wahrhaft Ganzes
Dem Meere deiner Melodien entstiege;
Da ist es, ob cin Engel sanft mich trüge
Duren alle Wirbel des Planeten-tanzes,
Bis sich das Auge, miide dieses Glanzes,
In Traumen schlieszt, und ich verzaubert liege.
Es mogen Weis\'ren deine .Leerheit schelten,
Und all mein Thun als eitles Spiel verhöhnen,
Da sie durch Lehren langst die Welt erhellten, —
Doch wem die Seele klingt vor siiszen Tonen,
Und holde Musen mehr als Menschen gelten,
Der schaut in dir den Abglanz alles Schonen.
yo
-ocr page 103-
LXXXV.
Ich höre leise meine Seele singen
In Tonen, die alsbald zum Jubel steigen:
„Ich möchte nicht das Haupt geduldig beugen
Dem schnöden Tod, der alles will bezwingen."
»Und jag\' ich auch nach unerreichbren Dingen,
Und soll ich müde mich zur Erde neigen, —
Wen lange schon die blassen Lippen schweigen,
Wird doch im Liede stets mein Schatten ringen :
„O durft\' ich jeder Fessel frei mich heben,
Und höher, höher, immer höher schweben,
Hinweg aus Thranen und aus Staubgedanken,
„Wo Schönheit, Freiheit unverwelklich blühen,
Mich flammen-ahnlich, in sehnsücht\'gem Glühen,
Am ew\'gen Gotte selbst empor zu ranken I"
-ocr page 104-
LXXXVI.
Es hat die Welt viel liebliche Gestalten,
Die mir so wundernah vorüber schweben, —
Ich seh\' sie lacheln, kussen, Tanze weben
Und kann mich kaum der Thrauen mehr enthalten.
Ach, Keine, weisz ich, darf ich bei mir halten,
Und doch so geine mocht\' ich Einer geben
Mein Herz, mein Denken, und das tiefste Leben
Der armen Seele, die vor VVeh gespalten.
Zu lieben stets und nie geliebt zu werden,
Doch jedes Leid und irdisches Verlangen
Verewigt schau\'n im Rhythmus meiner Klagen,
Das lehrten mlch die Dichter Alle tragen
Die einst entsagend urn den Lorbeer rangen,
Und Meines ist ein schönes Loos auf Erden.
92
-ocr page 105-
LXXXVII.
Was soll mir noch Ihr schmeichlerisches Singen,
O Schmerz der Schönheit, eitler Liebe Sehnen...
Hinweg aus diesetn bittren Meer von Thranen,
Sirenen ihr! lang\' ich nach höh\'ren Dingen:
Zu baden mich auf kühnen Aetherschwingen,
In meiner sel\'gen Seele süszen Tonen,
Mit Rosen mir das trunk\'ne Haupt zu kronen,
Mir Lorbern urn den frühen Sarg zu sclilingen.
Doch vvehe Dir! wohin, o Thor der Thoren ?
Demi nur wer willig jedem Glück entsagen,
Hat\'sich die Welt zur evv\'gen Schau erkoren:
Und erst solist Du dich hier gehörig plagen, —
O schönes Loos im Himmel wie auf Erden I —
Urn dann, unsterblich, angegafft zu werden !
93
-ocr page 106-
LXXXVIII.
O, ziirnt uur nicht, Ihr Christen und Asceten,
Wenn ich, im heil\'gen Rhythmenrausch befangen,
Und irdischen Wahnes frei, mich unterfangen,
F.nthüllten Stolzes vor der Welt zu treten :
Hat doch der Fromme Seinen Gott zum Beten,
Und jeder Mensch sein Hoffen und sein Bangen
Urn Liebe, Ruhm und leichteres Verlangen, —
Mich aber schuf die Muse zum Poëten :
Mir gab die Einzige, die mir gewogen,
Mein armes Sein melodisch aus zu klagen,
Und meines Busens tiefgeheimstes Leben.
So steig\' und fall\' ich mit der Seele Wogen,
Die mich verstummend an den Boden schlagen,
Und wieder jubelnd bis zum Himmel heben 1
94
-ocr page 107-
LXXXIX.
Ik hield den spiegel van uw Zonden op
Vóór uw bezoedeld aanschijn, rijp van Zonde,
Ik, die de rijpt\' van uwer Zonden knop
Steeds verafschuwde en toch nooit inzien konde,
Dat alles, wat gij deedt en doet, een wonde
Te meer was in uw wonden-vollen kop,
Doods-kop van schijnbaar leven in een pop!
Gij sloegt u zelf zooveel ge u zelf slaan konde.
M ij n slagen vallen op uw hoofd als mokers,
Mijn handen rusten niet van weeldrig slaan,
Dan weder raken ze u heel even aan
Met twee scherpe elzen, als twee tande-stokers,
Die diep door \'t vleesch tot op de zenuw gaan.
Door Mijn verachting zult gij traag vergaan.
•T
-ocr page 108-
xc.
Ik, ik, die heeerlijk door dees tijd koom zweven,
Licht aan de zoomen van mijn kleed vergulde,
Diep van de glorie van een droom vervulde,
Wonder mij-zelven in dit wondere leven,
Ik, die deze aard nat-maakte met geween
En heel de lucht van mijn geschrei vervulde,
Sterf thans in koude, schoone droomen heen,
Lichtloos, in kleederen van licht gehulde.
06
-ocr page 109-
//i^e
xci.               ... >•
Ik ga mijn leven in orgieën door
Van vol muziek en vreugden onuitspreeklijk,
Daar \'k al smart in losbandigheid verloor,
Want dit lijf en mijn trots zijn onverbreeklijk.
Wijl achter me aan een óp zich drommend koor,
Heel \'t schoone lijf bewegend wild en weeklijk,
Luid-feestende optocht, danst en fk dans voor —
O, mijn los-voetigheid is zéér aansteeklijk.
Hoor, hoor naar mij, gij allen, die daar gaat
Met koud gelaat en stappen zoo bedachtig:
Brand op in gloed het leven, dat u slaat,
U-zelf op-slaand in vlammen hoog en prachtig.
Droom weg in weelde: ijdel is alle daad —
Over ons allen koom het Niet zijn machtig.
97
-ocr page 110-
XCII.
Gij stapt met toornig opgestreken zeilen,
En kuif, parmantig in de hoogte stekend,
Uw toorn tot harde stukjes grofheid brekend,
Die al uw vrienden om hun óoren keilen
Als nonchalante en ongalante bijlen.. .
O, Schoonheids opperman, gij beukt uitstekend,...
Maar toch, woest slimmertje, die \'t al uitrekent,
Rekendet ge óók uit de oorzaak onzer feilen ?
Hoor dit: Wij hebben ijzersterke mage ;
Eens zwakling\'s ziel moog in zijn roes verstuiven,
Wij rollen voort in dronkene productie :
En daarom, vriendje, wou ik je even vragen :
Zoudt ge ook niet zélf een héél klein beetje fuiven,
Was maar uw maag wat steviger van structie ?
98
,
-ocr page 111-
XCIII.
IN MEMORIAM.
Mr. A. D. DE VRIES.
Obiit 8 Febr. 1884.
O, klaagt om \'t jonge leven, met één slag
Gesloopt, en zooveel hope en al zijn droomen,
Klaagt om het Land, dat niet beleven mag,
Wat roem van zulk een Zoon Haar toe zou stroomen,
Klaagt om den Vriend, voor altijd weggenomen,
Zijn stouten ernst, den geesel van zijn lach,
Klaagt om de Waarheid, die voor \'t laatste zag,
Haar trouwsten priester tot haar outers komen.
Klaagt niet — wij allen wenschten ons Uw Lot,
Te vallen in den strijd voor eigen God,
In volle kracht, als mannen weggedragen.
De Liefde sterft met ons, met Hollands Taal
Uw Naam, maar Waarheid\'s zonne, Uw Ideaal,
Het liefste, dat gij hadt, zal immer hoogerhooger dagen.
99
-ocr page 112-
-ocr page 113-
RH O D OPIS.
DRAMATISCH FRAGMENT.
-ocr page 114-
• ♦
V
-ocr page 115-
Personen.
Rhodopis, Grieksche hetaere.
Myrrha, vriendin en eene der gezellinnen van R.
Koor van de gezellinnen van R.
Mylitta, zoogzuster van Rhodopis.
Charaxes, minnaar van R. en aanvoerder van het Grieksche
huurleger van Psammetichus.
PSAMMETICHUS, koning van Egypte.
Een Grieksch krijgsman, bode van Charaxes.
Een Priester.
Volk van Saïs, Grieksche krijgslieden, enz.
De handeling heeft plaats te Saïs. Tijd 658 v. C.
103
-ocr page 116-
-ocr page 117-
EEN VOORHOF IN DE WONING VAN RHODOPIS.
Rhodopis, Myrrha, Mylitta, Koor.
[R. aan de linkerhand, voorgrond op rustbank. Koor, aan de
rechterhand, in een halven cirkel, beginnende aan den rech-
terhoek van den voorgrond, en vervolgens geleidelijk naar
achteren wijkende.
Myrrha onder het Koor. Mylitta, op
den linker-aclitergrond achter RHODOPIS).
Rhodopis.
Myrrha, mij dorst! — schenk mij wat water, Myrrha. ..
Schenk het uit gindsche bron. —
MYRRHA, (zul het koor tredende).
Gij schertst, Rhodopis!
Wie dronk ooit water, daar hij wijn kon plengen,
Als ware water wijn? Maar ik verheug mij,
Dat gij die woorden van u wierpt.... uit scherts;
Want schertsen op uw lippen zijn thans zeldzaam,
En wie nog schertsen kan, voorwaar, ik zeg u,
Hij heeft het leven nog niet gansch verloren
i°5
-ocr page 118-
MYLITTA, [ter zijde).
Of wèl, den dood geheel voor zich gewonnen.
MVRRHA.
Wat duidt gij dus met deze duistre beeld-spraak?
Verlangt ge purper, glanzig" gloeiend purper,
Geteeld met Chios\' zongestoofde vrucht,
Dat duizend-tintig licht in gulden bekers,
Of....
RlIODOPIS.
Neen, ik zeg u, geef mij water! water!
Mij dorst! —
Myrriia.
Wat wensch! o gij zijt dwaas, Rhodopis!
Neen, toch niet dwaas, slechts vreemd, zóó wónder-vreemd,
Dat Myrrha, die eenmaal uw ander ik was,
Niet langer thans zichzelf in u herkent,
En — vruchtloos speurend, of een schijn van \'t oude,
Van \'t lang-verglommen licht in gindsche trekken
Weer op mocht vlammen uit der neevlen nacht —
Verschrikt zich afvraagt: Was dit eens Rhodopis?
O liefste, mij nog dierbaar, schoon gij ook
106
-ocr page 119-
Met wreede hand de klove hebt gedolven,
Die scheiden moet, wat de natuur verbond,
En aan wier rand ik troostloos omme-dwaal,
En de armen strek naar u, naar u, verloornel
Zuster 1 voor \'t laatst roep ik u toe: Laat af!
Laat af, om dus een wereld te verstoren,
De wereld van geluk en liefde, die
Ons beider harten eens geschapen hebben,
Zichzelven tot een eeuwig-vaste wijkplaats !
Vaag weg van uw gelaat die droeve wolken,
Die mij beletten in uw ziel te lezen. —
Van waar die ernst ? hij past u niet, noch mij :
Hij is de schaduw, die uw beeld verduistert
Voor mijnen blik; hij is het vale spooksel,
Dat grijnzend tusschen u en mij zich stelt;
De kille nachtmeer is hij, die zich zwijgend
Op onze levens-warme vriendschap wentelt
En dreigt haar te verstikken. —
O, Rhodopis !
Ik bid u, lach en speel weer als weleer,
En laat den ernst, waar hij behoort, bij dooden. —
107
-ocr page 120-
RhODOPIs [zich halverwege oprichtende).
Noem mij niet ernstig, want naar ernst versmacht ik ! —
Spreek niet van dingen, die gij niet verstaat; —
O, Myrrha, de ernst is \'t erfdeel niet der schimmen,
Die doelloos zwervend, zonder lust of licht,
En niet meer wetend, waartoe zij daar zijn,
De macht zelfs missen, die dat zijn vernietigt.
Neen, de ernst behoort niet aan den dood, want dood is niets;
En ernst is al wat schoon, en goed, en krachtig is ;
Hij is de steun, de ziel van heel het rijke leven,
Die woorden grift, die daden wrocht en duurzaam maakt,
Die doel en orde geeft aan al wat is, en \'t eerst
Aan \'t eerste, schoonste, hoogste van wat is: den mensch t
Achl had ook mij natuur dien geest gegeven,
Of liever, had zij mijnen weg aldus geleid,
Dat hij mijn eigen waar geworden ! Doch.....
Mij dorst! mij dorst! geef water, water, Myrrha!
Myrrha.
Rhodopis! ik versta u niet, uw woorden niet,
Noch uw gelaat... Helaas ! maar al te duidlijk
Zie ik den sluier, dien ge in wreede gtilzucht
-ocr page 121-
Op beiden hebt gespreid: —
\'t Gelaat des menschen
Moet als de hemel zijn, zoo wolkloos klaar;
Een nevel stoort het recht genot van beiden, —
En als het duister is daarboven, dan.....
Dan wend ik mijnen blik omlaag, of sluit hem: —
Want tegen \'t blinde noodlot strijdt men niet,
Maar wel met menschen duizendvoudig wisslend: —
Daarom, Rhodopis! richt u op en zie,
Of niet de hemel blauwer blindt dan immer,
Of niet de wereld lonkt en lacht en kust,
Of niet de wellust zoet is al te voren!
O, kom! nog hebt ge jeugd, nog zijt ge schoon,
En \'t leven biedt u nog een reeks van jaren,
Gelijk de lente geur\'ge bloemen biedt!
Rhodopis.
Eer zou ik wenschen willen hen te volgen,
Voor wie geen leven is, dan weer... .
Maar ach!
Mij dorst! geef mij toch water... goede .. . Myrrha,
En zwijg! ... .
109
-ocr page 122-
Myrrha.
\'t Is wèl, ik ga, maar o, verdwaasde,
Wanneer gij eenmaal, uit uw waan ontwaakt,
\'t Verleden ongedaan zult durven wenschen,
En vol te laat berouw, een zeker iets
Zult willen zoeken op de aloude plaats, —
Bedenk u dan, dat niet de schuld aan mij,
Aan Myrrha ligt, indien ge vruchtloos zoekt,
En dat diezelfde Myrrha dit voorzegd heeft!
{Zij verwijdert zich naar den achtergrond.)
Rhodopis.
Heb ik dan werklijk iets voor haar gevoeld?
Zoo ooit, dan moet het lang geleden zijn -^
En lang vergeten ook!. . . .
Hét Koor.
Wel wónder-droevig wil ons lot zich wenden,
Nu ons geluk een droeve God gaat schenden,
Een God van wee, dien wij niet kenden. . .
Wie zal hem noemen ?
Zijn hand is zwaar en drukt de ziel tot stikkken,
IIO
-ocr page 123-
Zijn blik is grauw, en schiet uit menschen-biikken
Een straal, om menschen te verschrikken.
O, doffe straal, die doffer dan de nachten,
Waarin geen goden-blikken glanzen brachten,
Gij gingt den glans eens lieven bliks verkrachten!
Rhodope! ach, moest ge dan een duizend lusten kluisteren,
Om naar een enklen wreeden lust te luisteren,
Die lust en licht en leven durft verduisteren!
Wee onsl wij treuren niet, wen treurden dooden ?
Maar voor dien éénen weken alle goden,
En onze zielen zijn met hen gevloden I
Rhodopis.
Laat vlieden, wat de moeite niet zou loonen,
Dat men het ving! {Mijrrha brengt den beker.)
O wonder-reine glans,
Die in dees drupplen speelt met stille stralen!
Gij zijt van al wat klaar en lieflijk is,
Van al wat godlijk is, zijt gij het beeld !
in
-ocr page 124-
En wen mijn oog, gedompeld in uw schijn,
Wellustig zich vermeit in frisscher sfeeren,
Meen ik fe staren in dien diepen blik,
Den spiegel eener engel-kalme ziel,
Die somtijds, midden in het woest gewoel
Der wisselende wereld op mij daalde,
Als koele dauw op \'t heet-geblakerd veld,
En dien ik gretig in mijn blik deed smelten,
Om dan afkeerig van dien warrel, mij
Naar de eenzaamheid te wenden en te peinzen,
Of dat dan leven was, wat ik geleefd had, —
Totdat mij, moede van vergeefschen arbeid,
De groote golf weer opnam in haar schoot,
En mijn bewustheid mij begaf: —
O woest gedenken
Aan dagen van verwoesting mijner ziel 1
Hoe doet gij thans nog mij door de adren bruischen
Het uit-gebruischte bloed! Hoe scherp en schel
Verrijst daar nogmaals voor mijn starend oog
Dat talloos heir van lokkingen en lusten,
Die \'k allen immers tot verdelging doemde,
112
i
-ocr page 125-
Ontwakend uit mijn roes?
Maar hoe? is dan
De lang-gedoofde brand nog niet gedoofd ?
Of zouden \'t vonken zijn, die stervend spatten,
De laatste vonken van gestorven gloed?
Doch ik wil alles, wat nog overglimt
Van mijn verleden, thans voor eeuwig blusschen
In uw kristallen vloed, o stralend vocht!
Dat mij van nu af als symbool zult lichten
Aan \'t einde van mijn nieuw-gekozen baan: —
Welaan! ik smacht mij aan uw koel te laven,
En, nieuw-geboren rijzende uit dit bad,
Den voet te zetten in een andre wereld,
Dan die \'k met dezen dronk voor eeuwig afzweer!
{Zij set den beker aan de lippen, maar laat hem zachlkcns
op de maat van den eersten regel van liet koor zinken.)
Ach mij I.. . .
Het Koor.
Heil ons! de hand zinkt, de heilig-schennende hand zinkt! —
En de sombere, lachlooze God
««3
8
-ocr page 126-
Wendt zich van zijn vervallend altaar: —
Wijl de lust, de lichtende lust,
Nimmer gekluisterd,
Offers ontvangt van ont-kluisterde zielen!
RlIODOPlS {opstaande met den beker in de hand.}
Bij mijner moeder liefde, zoo het niet
Te groot een gruwel is, dien naam te noemen
In deze wereld, \'t hol, dat uws gelijken
Bezoedlen met hun vunzen padden zwabber,
En met hun addren-adem giftig vullen I
Meent gij, ellendigen! dan inderdaad,
Dat adelaars zich moeien met uw afval,
En kruipen kiezen boven aether-vlucht? —
Zult gij dan nimmer, o vervloekt geslacht!
Den geilen romp eerbiedig leeren krommen
Voor eene god-gelijke menschenziel,
Die, door \'t zichzelf geschapen leed gelouterd,
Uit levens-moeheid zich ten hemel heft?
O, ik veracht u allen als het slijk,
"4
-ocr page 127-
Dat, als ik treed, zich aan mijn voetstap kleeft,
Maar dat mij niet kan deren!
En tot blijk,
Drink ik u allen hoon! Op uw verdelging!
(Zij drinkt en iverpt den beker in stukken.)
(ter zijde.)
O vlijmend ziele-wee!
Gij allen, geesten, die in aarde of hemel wonen,
Wie uwer brengt hier licht, waar \'t duister steeds mocht tronen ?
Het Koor.
Wel zijn haar blikken woest, haar woorden wreed,
O, lieflijk-wenkende Kypris !
Maar toch is deze drank, schoon goden-drank,
Geen nektar, nimmermeer nektar!
RHODOP1S, (ter zijde.)
O bange twijfel, daar geen enkle star
Der ziele vóór-licht in der raadslen nacht,
Waarin zij vruchtloos tastend zich verliest!
Het Koor.
Neen, nimmermeer laat gij, o lokkende Kypris,
»5
\\/\'%L.
!
-ocr page 128-
Den eenmaal-geketenden mensch uit uw macht!
Maar vaster boeien
De banden van rozen,
Wie, willens te wijken, onwillig daar worstlen,
Om lichaam en ziel I
Heil, heilige moeder!
Gij druppelt uw dochtren in smachtende harten
Met geurende hand,
Bedwelmende^laafnis,
Tot eeuwige lokking voor eeuwigen lust,
O mede-geboorne der Lotosl
RHODOPIS {de hand van voor haar oogen wegtrekkende, zacht:)
Ach mij, waar wilde ik henen ?
{Dan luider en het hoofd verheffende, maar bij\' den derden
regel op hare rustbank zinkende:)
Wie heeft hier macht, dat hij een ziel zal redden,
Die eenzaam-zwalkend op de wijde zee
Van nacht en twijfel, zinkt... en zinkt en zinkt.. .
{Haar blik richtende ofi den kleinen dolk, die haar terzijde hangt:\')
Geen antwoord dan van u, o trouwste vriend,
116
1
-ocr page 129-
{Hem uithalende.)
Dien \'k toch om die vertrouwdheid zelve haat?....
Geen enkel antwoord ? . ..
Wie zou antwoord geven,
Dan gij, o mijne laatste toevlucht! Kom,
Laat... mij.... van.... dezen.... nacht.... in.... genen... storten...-
Maar die is dieper.... dieper ....
{Zij heft den dolk op, maar op het geluid van voetstappen
richt zij het hooft omhoog.)
Ha!
Een Grieksch Krijgsman.
Zijt gij, o bleeke vrouw ! Rhodopis-Dionysa,
Die, weleer uit haar Thracisch vaderland geweken,
Thans in triomf de ronde doet door \'s werelds landen,
En koningen met Kypris\' gordel willoos kluistrend,
En aan haar voeten schoonheids-dronken volkren schouwend,
Geen sterfling schijnt, maar Aphrodite neergedaald,
Het aardsche te genieten met een goden-maat,
En meerder lof, dan menschen goden schuldig zijn ?
Ik vraag u nogmaals, wónder-lieflijk menschenbeeld~ —
117
-ocr page 130-
O, dat een stem zich uit dit marmer los mocht wringen!
Zijt gij die zaligste aller stervelingen?
RllODOPIS
(A\\ heeft het hoofd weder laten ginken, maar bij de herhaalde
vraag van den krijgsman, Nikt sij hem aan en spreekt!)
O vreemdeling, ik was die vrouw: — Doch weet, de mensch,
Kort-stondig kind des tijds, heeft drie minuten levens:
Een halve daarvan is hij niets, een halve, god — dan
droomt hij —
En bij \'t ontwaken, ach, te vroeg ontwaken, eerst
Vindt hij zich zelf terug als schepsel, als geschapen
Tot lijden en verdriet: — de vreugde hield de Schepper.
Maar wat verlangt gij, of wat brengt gij mij?
Wat kunt gij brengen, vreemdling, dat mij niet
Als ijdle klank verruischen zal in de oorenr
Want wijsheid zijn mij thans en dwaasheid één,
Nu mij de grootste dwaasheid, wijsheid bleek,
En alle wijsheid, dwaasheid.
Kom dan, spreek!
En snel! want is uw tijding slecht, zoo kan
118
-ocr page 131-
Zij toch zoo zwaar niet op de matte ziel
Haar wicht doen drukken, als dat grootre leed,
Waarvoor geen naam is. Is zij echter goed,
Is iedere minuut vertoef een felle vlijm,
Die mij mijn noodlot nimmer wis had toegedacht.
Grieksch Krijgsman.
Mijn ingewand ontroert zich bij uw taal! Maar hoor,
Wat mij mijn veldheer op de lippen legde:
Charaxes van het Eiland Samos, thans......
Rhodopis (opstaande).
Wien zegt gij.....
Charaxes Samios ?.. . Waar is hij ?. .. Spreek! Geen mond
Vraagt hier, — een menschen-ziel heeft zich daarin gezeteld,
En hijgt naar antwoord, antwoord, om zich dan
Voor eeuwig in het ijdel lucht-ruim te verliezen,
Of jublend neergedreven in het trillend vat,
Dat ik mijn lichaam noem, tot schooner leven
Weer op te vlammen met een schooner gloed I
O mensch, of godheid, \'k zeg u, spreek! want zijt ge een
mensch,
119
.1
-ocr page 132-
Zoo is \'t niet menschlijk, willig broeder-moord te doen,
En zijt ge een godheid, zoo kan \'t nimmer godlijk wezen,
Zich te bezoedlen met wat menschen misdaad is!
Gr. Krijgsman.
O vrouw, wat zijt gij wónder-schoon te zien! Mijn veld-heer,.
Gij kent den naam, zendt mij tot u met dit bericht:
De vijand van Egypte en van Egyptens koning,
Van mij dan en vau allen, die daar met mij zijn,
Ook van de goden, zoo de mensch hen recht verstaat,
Rust zich ten strijd met groot geweld, bijeen-gebracht
Uit alle deelen van dit rijk, zooveel daar zijn,
En uit de volkren, die daar buiten wonen, want
Nadat Athena treffend, in haar eigen huis,
Psammetichus als wett\'gen heerscher toonde, staat
Een elf-mau-schap verwaten tegen \'t gods-bevel,
En meent bezitting meerder recht, dan \'t godlijk recht,
En wil dat dit hun recht is, voor deez\' oop\'ne stad
Bewijzen met een snijdend zwaard; daarom zendt mij
De Samiër tot u, en spreekt door mijnen mond:
»Rhodopis, eens mijn minnares, mijn godheid thans l
120
-ocr page 133-
> Charaxes zegt u, maak u op voor snelle vlucht,
> Indien des vijands wapen scherper blijken mocht,
> Want deze stad is weer-baar slechts door ónze weer,
> En schoon der goden meening met ons is, hun hand
> Stelt zelve vaak den schuldigen een hoogren stoel,
> Om hem daarna met diepren val terneer te slaan."
Rhodopis.
Uw lange redenen, o man, zijn mij een damp,
Waarvan ik \'t einde niet kan zien, noch het begin,
Maar door de neevlen heen, waarmede uw duistre mond
Mijn arme ziel verbijstert, speur ik schooner kust,
Dan \'k in mijn stoutste droomen ooit bestijgen mocht,
En van uw ganschen woorden-vloed, trof dit alleen:
> Charaxes leeft, en leeft voor ü."
O, voer mij heen!
Strekk\' gij mij ten piloot aan deze kust te landen,
Of, zoo de storm mij zweep, in stervens-nood te stranden I
O, spoed u 1 Hoe, gij aarzelt ? Wilt gij goud, gij mensch ?
{Zij ontdoet zich van haar sieraden!)
En nogmaals goud? En meer dan goud f\'k Geef alles, alles! —
121
-ocr page 134-
Want voor dat alles, ha! verwerf ik mij het Al,
Voor dood erlang ik leven, en voor flauwen glans
Blinkt mij het groote licht, waarvan een ieglijk licht
Slechts verre weêr-schijn is 1
Gr. Krijgsman.
Niet om dees schoonen schat,
Maar om uw schoonheid, vreemde vrouw, en om uw stem,
Die meer dan elke zoete vooglen-klank mij treft,
Zal ik u leiden, schoon \'k niet weet wat hiervan komt.
Rhodopis.
Heb dank! Zoo zal ten laatste zich de twijfel klaren,
En \'t zijn nog vragen slechts, wat eens geheimen waren.
(Beiden af.)
MYLITTA {op den voorgrond tredende.)
Verblinde, ga! en dat het eigen licht,
Waarvoor gij zinloos thans uw oogen sluit,
Dat oog doorbore met zijn felsten straal,
Want gij zijt uitverkoren om te zien!
Tot dan beklaag ik u — Beklagen? Wat?
Ben ik dan zoo gelukkig, ik? o God,
122
-ocr page 135-
Gij zelf in heel de volheid van uw almacht,
Alwetendheid en albesturend werken,
Kunt niet zoo zalig wezen als die steen,
Die niets kan, niets doet, maar die ook niets weet!
Niet weten! niet gevoelen! o dat mij
Een zelfde lot als u waar toegevallen,
Of liever, dat ik nimmer door een gril,
Een raadselige gril, onttogen waar
Aan \'t zoete Niet! O gindsche sluimering,
"Wie zegt mij, waarom men mij haar ontnam ?
Waarom juist ik, juist ik, gestempeld werd,
Met \'t doemend teeken dat men leven noemt,
En niet een ander?
Maar daarvóór, daarvóór,
Toen was ik niet, toen was die andre niet,
En ik bèn nu en lijd — en lijd! Ha! Ha!
Mysterie van het zijn, ik vloek u, vloek u,
Omdat gij, sterke, met mij, zwakke, spot,
En \'k zie u spotten, \'k zie en toch gedoemd ben,
U steeds tot meerder spotten stof te geven 1
Wee! hoe ik rukke en trekke aan dezen sluier,
«*3
-ocr page 136-
Waarmede ge u \'t Gorgonefi-hoofd omhuldet,
Geen enkle van uw trekken wordt mij zichtbaar, —
Maar iedre ruk is als een druppel gif,
Als brandend gif — zich vretend in mijn ziel,
En ik mag nimmer rusten ! Wee mij. wee !
Gelijk een andre Tantalos, zóó smacht ik,
En hijg, en val terug, en hijg dan weder,
O gruw\'lijk spooksel! tot het u behage,
Het woord te spreken, dat den droom besluit!
Het leven is een droom, en elk atoom
Wordt eenmaal uit zijn zoeten slaap gewekt,
Dien droom te droomen. O, welzalig wie
In vrede droomt en nimmer daarnaar tracht,
Tot volle kennis van zichzelf te ontwaken,
Wie nimmer grijpt, dan naar het naaste slechts,
Wie nimmer wenscht, dan wat hij krijgen kan,
Wie nimmer weten wil, wat niemand weet!
Wat niemand weet: — Neen, want ook ik weet niets,
Dan dat ik lijd, omdat ik weten wil,
Wat zij beweren, dat een ieder weet,
Maar dat niet wordt geweten !
124
-ocr page 137-
Neen, o neen !
En nogmaals neen! ook ik weet niets, dan dat,
Wat zij bewijzen, toch geen waarheid is,
Wat zij genieten, geen genieting is,
Ach ! dat hun leven mij geen leven is !
Myrrha (glimlachende lol haar tredende\')
Wie van de goden, arme ! zal uw klacht verstaan ?
Mylïtta.
Niet één ook, dwaze ! want uw goden hooren niet. —
Myrrha.
Daarom zijt gij verstooten, wijl gij hén verstiet. —
Mylïtta.
Ik heb mijn ziel, mijn rijke ziel, en gij een ijdlen waan! —
Myrrha.
Toch steent die ziel met doffen zucht en klaagtoon die
niet rust. —
Mylïtta.
Ook uit des lijdens diepsten roes bloeit weeldrig mij de
lust.
125
-ocr page 138-
Mykrha.
Maar dieper dunkt de roes mij toch, die alle lijden sust,
En — zelfs een ziel heeft eens daarin haar hellen gloed
gebluscht.
Mylitta.
Ü, schrale dronk uit \'t kostlijkst vat, wier eerste geur vergaat,
\'k Heb eenmaal in uw troebel vocht mijn heete lip gebaad,
Maar daar mij wrang die eerste scheen, een tweeden teug
versmaad !
Myrrha.
En voor genieting pijn geruild, — o vraag, wat het u baat r
Mylitta.
De geest is eindloos, u ten spijt, en walgt van warlend stof,
Myrrha.
Dat dartelt in der zonne licht, en zingt der zonne lof,
Mylitta.
En heft zich hoog uit aardschen drang tot eeuwig-klaren lust,
Myrrha.
Maar jaagt een ijdel droombeeld na, dat vliedt en nimmer
rust.
126
-ocr page 139-
MYLITTA {aftredende).
U faalt de geest. .. .
Myrrha.
En u het leven, \'s levens rijkste schat....
Het Koor: [allengskens overgaande tot dans, die gestadig
in hartstocht toeneemt).
O zalig de gloed, die daar op-vlamt in de aderen,
Als menschen tot menschen met lieflijkheid naderen,
En lachend zich strenglend in weeldrige keten,
De wereld rondom in zich zelven vergeten.
Gelijk uit de stralen weer stralen ontgloeien,
Zoo rijzen uit \'t hemelsche spelen en stoeien,
Weer nieuwe geschaapnen tot nieuwer geneucht,
En vieren de Godheid met frisschere jeugd.
O, laat dan de Goden in blinkende zalen,
Olympisch-verheven. als heerschenden pralen 1
Wij hebben een Godheid, vóór allen ons waard,
Die leeft en vergaan zal met menschen op aard !
127
-ocr page 140-
Zij heeft aan de menschen de menschen gegeven,
En \'t bruischende leven verbonden met \'t leven,
Zij slingert van wereld- tot wereld-kust,
Een keten van nimmer-verzadigde lust.
En wentlend en wandlend op eindlooze wegen,
Roept juichend de wereld den hemelen tegen:
Gij praalt op uw goden in eeuwige pracht,
Maar ik draag een zalig-verstervend geslacht 1
(Verschrikten loopen over den achtergrond heen en weder.
Gejammer. Meet volk verzamelt zich ttisschen de achterste
zuilen en treedt eindelijk vooruit).
Het Volk.
Wee! Wee!
De wereld gevloekt!
De goden verdwenen!
[Eenigen uit het koor ophoudende met dansen, roepen):
Wee! Wee!
HET Koor: {voortgaande) [bij monde van de rei-voerster).
En is de wereld ook gevloekt, zoo willen wij toch vroolijk zijn,
Want zoeter is gevloekte lust, dan ongevloekt-geleden pijnl
128
-ocr page 141-
En o, gij dwazen, die o.n vloeken klaagt!
Wij hebben hier een hemel ha! waarin men slechts naar
lust en wijn,
•En niet naar ongevloektheid vraagt!
Geheele Koor te zamen.
O zalig wie, o zalig wie,
Met onbeschroomden tred daar in de treden waagt!
Het Volk {meegesleept en zich mengend in den dans, die
steeds geweldiger en toomeloozer wordt).
De goden zijn verdwenen,
Een gek is die ze zoekt!
{Algemeen bacchanaal).
Het Koor: [Rdvoerstef).
De wellust is een waanzin, die zoet in bloed en ziel ons sloop,
En bliksem-hel naar buiten breekt, in nooit gedoofden
vlammen-doop
Het gistend bloed verkeert tot wijn, —
De ziel, die zwelgt in stervens-zoet, verteert tot zaal\'gen
sintel-hoop!
-ocr page 142-
Het geheele Koor.
O, \'s levens zoet verloop!
O gift der goón! o godlijk gif!
Wie wou niet zóó waanzinnig zijn?
Myrrha.
Neem dan de gunsten, die goden u geven,
Goden ook vinden vernietiging zoet!
Blaas dan de glimmende vonken van \'t leven
Aan tot een teugelloos-lichtenden gloed!
Io! de vlammen! o zonnen der zielen,
Wentelt in wellusten eeuwiglijk!
Mogen de menschen verblind voor hen knielen,
Wij zijn in glanzen den goden gelijk!
{Een priester treedt op).
Reivoerster.
En ziet, ziet!
Nauw is het woord aan de lippen ontvloón,
Treedt reeds een dienaar der goden tot goón.
-ocr page 143-
Geheele Koor.
Wijden wij hem in ons godlijk vermaak,
Hemelsche goedheid staat hemelschen schoon,
En opdat niemand ons voornemen laak:
Menschen en goden vermengden zich vaak.
Reivoester: (tot den priester tredende).
Vreedzame sterfling !
Priester.
Weet gij, verdwaasden, dat gij op uw graven danst,
Wijl fel, gelijk een tijger, die zijn prooi belaagt,
Het godlijk zwaard der wraak uw schuldig voorhoofd dreigt?
Reivoerster.
O schennende priester ! die goden dorst honen,
Vernaamt gij, hoe goden beleediging loonen ?
Geheele Koor: {hem aangrijpende en dwingende tot dansen).
Zij storten den zondaar in gistenden gloed,
Zij slepen hem mede met warlenden spoed,
Zij zwaaien en gieren, en draaien en zwieren,
En doen hem de feesten der goden meè vieren!
"3"
-ocr page 144-
De Priester : [met verstikte stem).
Laat af, laat af van \'t god-geheiligd hoofd!
Reivoerster.
O vlechten wij, zusters, de dartiende reien!
De wereld zal zuchten, daar wij ons vermeien,
Maar wat gaan ons zuchtende werelden aan ?
De goden zien lachend een wereld vergaan.
De Priester : [zich trachtende los te wringen).
O deze wereld zal vergaan ! Ik vloek u. .. .
Reivoerster.
Ik neem dien vloek met lachen! Nu heel de wereld is gevloekt,
Wordt een gevloekte God ook licht bij \'t andere vloekental
geboekt,
En dan gij domme, meê-gevloekte dienaar, zeg !
Wat toch zijn vloeken voor een God, die zelf zijn vreugd
In vloeken zoekt?
Geheele Koor.
Neen! met den mensch zich-zelven vloekt,
Want zonder wereld is geen delgend God,
En goden deelen willoos \'s werelds lot.
ij2
-ocr page 145-
Reivoerster.
Moge de dood dan geen goden verschoonen,
Kunnen wij godlijk de dooden toch honen!
Koor. Volk.
Van slechten en braven, van vrijen en slaven,
Wij dansen wellustig op molmende graven;
Wij dansen op graven met schimpenden tred,
En dalen al dansend,
En dalen gevoelloos in \'t eeuwige bed!
{Gedurende de laatste strophen is het langzame*handdonkerder
geworden. Thans donder en bliksem).
Het Koor : [ontzet ophoudende).
O! o!
De Priester.
Ha!
Het Koor.
Machtige Zeus!
O, wend van ons
Uw delgenden bliksem 1
KOOR EN VOLK {allen te samen geknield).
Wij knielen 1 wij knielen!
133
-ocr page 146-
Dk PRIESTER (die stiel los gelaten is).
Ü deze vloek zal al-geweldig wezen,
Dien ik u slingren ga in Jt bleek gelaat,
Dat marmer-kleur tot kleurloos marmer stolt,
En stom-geslagen lippen vruchtloos trachten,
Een naam te staamlen voor een naamloos leed!
Allen te zamen.
Wee ons! wee ons!
De Priester.
Want niet te binden is de toorn des Hemels,
Die in zijn dienaar Zich geschonden ziet,
En rampen regent hij op \'t heilloos hoofd,
Van die zich aan zijn zienlijk deel vergrijpen!
Hoor dan, hoe u door mij de Godheid doemt!
En zoo gij zonder lust, of licht, of hoop,
Het lijf gekweld door ongeneesbre kwalen,
De ziel verlaten, uitgedoofd, verplet, —
Voor u de graf kuil slechts, die schriklijk wenkt,
Een poort tot nieuwen eindeloozen jammer —
Indien gij, zóó geslagen, toch nog meent,
134
-ocr page 147-
Dat goden-dienaars spot der menschen zijn.......
Neem nog mijn vloek, zoo menschen-vloeken baten,
Ik vloek u allen.....
ALLEN: (m de reden vallende)
Wee! wee!
Reivoerster.
Verpletter mij nu met U bliksems, Heer!
Laat op mijn hoofd Uw donderwolken los!
Geheele Koor.
Stort, Almacht! uit Uw toorn op ons, onmachtgen!
Allen.
Wee ! wee!
De Priester.
Ik vloek....
Het Koor.
O wend dat woord! (bliksem en donder).
Want de vervulling gaat den vloek vooraf.
(Donder en bliksem.)
Allen, Volk en Koor.
Wij kruipen! wij kruipen I
(Men oogenblik sfrlle; het onweder trekt rommelende af.)
«3S
-ocr page 148-
Het KOOR: {evenals al de anderen, behalve de Pnestei,.
geknield.)
God der gruwlen, God van wraken
Zijt Gij voor wie U verzaken,
Voor Uw aardsche macht niet blaken,
U geen zielen-offers biên!
Plettend wie U durven tarten,
Dompelt Gij een duizend harten,
O mijn God! in felle smarten,
Die geen sterfling mag ontvliên.
Het Volk.
Maar wie met bebloede zielen,
Waar Uw slagen slechts op vielen,
Voor U, Nooit-Geziene, knielen,
Zullen Uw genade zien!
Het Koor.
Allen, die zich zelf verbrijzen,
Zullen eenmaal bij U wonen,
Allen, die Uw goedheid prijzen,
Schoon Gij hen met haat woudt loonen,.
God! zij zijn de ware wijzen!
136
-ocr page 149-
Het Volk.
Want Uw macht is niet te meten,
En Uw weg is niet te weten,
En wij zijn in Uwe hand I
En een vonk in onweêrsvlagen
Her-en-derwaarts heen-gedragen,
Is het ijdele verstand,
Dat niet naar Uw wil komt vragen 1
Koor en Volk [allen te zanten.)
Heil ons dan, dat wij gelooven,
Eigen wil en geest-kracht dooven,
U tot ononthoudbren lof 1
Heil ons dat wij willig boeten,
Door Uw hand geslagen, wroeten,
Dank nog staamlend, in het stof!
[Eetdge oogenblikken eerebetooning.)
KOOR: bij de derde strophe opstaande, gevolgd door de anderen).
Uit alle deze zielen is menig bange zucht,
O, God van duizend ooren, gestegen in de lucht!
En menig rauwe krete heeft in dees droeven stond,
Tot U zich opgewrongen uit menig bleeken mond.
137
-ocr page 150-
Maar mogen ook Uw ooren van wellust zijn vervuld,
Zal Uwe hand wel wisschen de nooit-gewischte schuld?
Ü God van duizend handen, geen enkle, die daar wischt,
Schoon ik met rijke gaven die allen vullen wist!
Den grondeloozen afgrond, wie delgt hem, daar hij gaapt,
En wie zal U verzaden, die eindloos offers raapt?
Maar werpen wij getroost toch den druppel in de zee,
•0 God van duizend oogen, Gij telt ook drupplen mee.
[Allen opgestaan zijnde en zich geordend hebbende, met den
priester aan het hoofd, verivijdercn zich met de volgende
woorden).
Wij treden den weg, dien zij allen betreden,
Wie vrouwlijke schoot in het leven hier liet;
Wij bidden de Machten, met fluistrende beden,
»0 weiger ons offer, ons weinige, niet!"
Uit banden van \'t duister, tot duister geschapen,
O schenk ons de ruste, die \'t duister nog biedt;
Het dolen vermoeit ons, en sterven en slapen
Vermindren de matheid der levenden niet.
«3»
-ocr page 151-
Gezegende nachten! o rustlooze dagen!
De goden zijn stormen, de mensch is het riet;
En droefnis der menschen is godlijk behagen,
En smarten verteederen smartloozen niet.
(Uit de verte).
Wij treden den weg, dien zij allen betreden,
Wie vrouwlijke schoot in het leven hier liet;
Wij bidden de Machten met fluistrende beden :
»0 weiger ons offer, ons weinige, niet!"
»d9
-ocr page 152-
.
-ocr page 153-
OKEANOS.
EPISCH FRAGMENT.
/1)V =
3 2.^~<c
-ocr page 154-
-ocr page 155-
Eerste Zang.
Okeanos, de vvondre Okeanos,
Hij, de eerst-geborene van donkere Aard
En heldren Hemel, ouder dan de Nacht,
Maar jong als \'t Licht, en als de Scheemring schoon, —
Met blonde lokken als de Dageraad,
Wanneer het eerste zonlicht zonder zon
Het eerste geele wolkje gouden zoomt,
En oogen, blauwende in dien glans en dauw
Zoo zacht, waar \'t matte paarlemoer meê speelt, —
De laatste Titan lag aan Othrys\' helling,
En zag in mijm\'ring naar de hooge zon
En Hyperion, troonende in den gloed.
Want heel het hoog-opstormende geslacht .
Der donkere Oeranionen was gevallen,
Uit-één-gebliksemd door de hand van Zeus.
143
1
-ocr page 156-
De Goden zaten op hun tronen, de één
Zoo ver van de\' ander, in een halven kring,
Als hier op aarde, in \'t laatste licht der zon,
Alom-gezien, de steigerende toppen
Der Alpen zich verheffen heinde en veer,
Een ieder heerscher in zijn eigen rijk
En omtrek, oppermachtig en alleen,
Groot met den diadeem van eigen licht
En eigen duister, maar toch allen saam
Eén volk, één grootheid^ ééne heerschappij.
Zoo ook de goden in hun hoogen raad,
En schoon de ruimte tusschen troon en troon
Den sterfling zou verscheem\'ren in \'t verschiet,
Toch kon een ieder zonder dat hij rees
Den beker reiken, aan wie \'t naast hem zat.
En over heel den wijden omme-trek
Dier eindelooze hallen gloeide en hing
144
--.
-ocr page 157-
Hun innerlijkste godheid, diep en stil,
Als over de aarde een zonnig lente-weder.
Maar de Titans stonden
En staarden zwijgend naar Olympos\' kruin
En klaren dag, waar Zeus in \'t licht gezeten
Van jonge majesteit, zijne oogen sloeg
De wereld dóór en dacht — of hij de hand
In gloed moest heffen naar dien dollen nacht,
Heen-dwarlende in den schok, of zorgeloos,
Met heel het heir der licht-geschoeide goden,
Opwieken zou naar hooger heemlen vree;
Want zoeter Hem één eeuwig-lichte dag,
Door geene heugenis van wee beschaduwd,
Dan honderd nachten als een sluier scheurend
Voor de\' enklen opslag van Zijn aangezicht.
Zoo. Zeus, en om Zijn gouden troon weerklonk
Een heldre lach, uit open lippen, dauwend
Van nektar-droppen en den laatsten kus.
Want in de scheemring op Zijn hel gelaat
Las Kupris \'t peinzen van Zijn ziel, en zoo
Waar\' nu de dartle stoet in zachte zwiering
\'45
-ocr page 158-
Omhoog-gewiegeld als een zomer-droom,
Ver weg voor de oogen van dat log geslacht, —
En de aarde, domm\'lend onder Kronos\' druk
En langzaam zinkende in. haar laatsten slaap,
Zou lang reeds, dolend in den andren drom
Der doode zonnen, door den al-nacht wanken.
Zij stonden allen, dekkende Othrys\' rug,
Met dichte drommen en de gansche teelt
Van honderd eeuwen, dreigende in den nacht
Min zwart: zooals een woud en zwarte klomp
Van zware zuilen, reikende in het ruim
Zóó hoog, dat Othrys\' allerhoogste top
Neerdook en zonk; maar plotsling boven allen
Hief wentelend het dof geloei zich op
Uit duizend boezems, dat naar flauwer verten
De starren deinsden in het hol heelal.
De uit hoog-gehouden vuist geklonken rosse,
Reuzige slang doorslingerde de lucht
Ver-heen, tot waar hij Koios kliefde in \'t hoofd,
146
-ocr page 159-
Dat ruggelings de God met breeden zwaai
Heenkantelde in het ijle/
Een donkre rotsen-regen, blok bij blok,
Vloog door de wijde lucht, in logge dwarr\'ling
Neer-ploffend voor Zeus\' voet, en waar \'t gebergte
Zijn harde hellingen in de\' afgrond zond,
Bonsden zij op en neer met doffen dreun,
Van diep in diep tot de ongepeilde krochten,
Waar nooit een straal van \'t godlijk licht in drong,
Dat de echo\'s eindeloos op rots en wand
Weer-dondrend rilden door Olympos\' romp,
Van schicht op schicht, en klimmend tot de kammen,
Zeus\' eeuwgen zetel op zijn grondvest schokten.
Toen werd het stiller in der, goden stoet,
Want de altijd-snappende Afrodite zweeg:
Zij zag zich-zelf in \'t goud haars bekers bleek
En borg, beschaamd, in de\' opgeheven sluier
\'47
-ocr page 160-
Haar nooit bewolkt gelaat en vale trekken.
Toen, als een vliet die van de rotsen stort,
Zóó ging een ruischen door de rijen der
Lach-lievende Kroniden, klaar en luid.
-ocr page 161-
Tweede Zang.
Het zachte lichten van hun glimlach vloeit
Als heldere muziek door al de kicht
En klaart de diepten van den afgrond op
Boven hun hoofden waar de Chaos gaapt,
Wanneer zij van des bekers rand slechts even
\'t Gelaat verheffend, naar den schenker zien.
De blonde schenker, Ganymedes, hij,
Schoon als een dageraad en even jong,
Hel in het zonlicht van zijn lokken-val.
Zeus\' wijd-gewiekte vogel, telkenacht,
Droeg \'t sluimerende kind, met krachtgen klauw
Van de aarde omhoog door \'t starrelicht azuur,
Boven de sterren en het licht der maan,
Tot waar de jonge Goden-stoet haar stoel
Gevest had, na der Oeraniden val.
149
-ocr page 162-
Hij was een kind der menschen, opgevoed
Bij menschen, en als menschen sterfelijk.
Bij vroegen uchtend ging hij uit, wen nauw
Der bergen toppen in de scheemring grauwden,
En wen het vlottend rood des hemels straks
In bloed\'ge vlokken viel op \'t vale weiland,
Dat verder naar het West in mist verliep,
Voerde hij reeds, met vluggen tred, en dreef,
Op velerhande wijzen zijner fluit,
Zijn willig-volgend vee langs \'t bochtig pad,
Dat zachtjes hellend naar het hoog-land leidde.
En als de zon dan op het hoogste stond,
En heel de stralend-helle middag-lucht
Gloeiende neerhing over \'t stille veld,
En \'t wijd-uitgrazend vee zich, langzaam,
De een na de ander had ter-neer-gevleid in \'t gras
Tot niets zich meer bewoog, dan zocht ook hij,
Met achteloozen tred, in \'t naaste lommer,
Een ongestoorde rust — en lag, en sliep.
iSo
-ocr page 163-
En als soms, bij geval, een sluwe Faun
Of wilde Sater, op dat zelfde pad
Geraakt, behoedzaam met de hand de takken
Uit-één-schoof, en twee fonklende oogen gluurden
Door \'t donker-groen geblaart\', dan dacht die wel,
Verrast door de\' aanblik van dat schoon gelaat,
Dat in die schemering als daglicht gloorde,
Een jongen God te zien, een zoon van Zeus,
Hermes of Phoibos-zelf, en tripte verder.
Maar sliep hij langer dan \'t zijn vee geviel,
Zijn speelgenooten in de groene weide,
Dan kwam met zachten tred zijn lievlings-lam
En lekte hem de handen waar hij lag;
Tot hij, ontwaakt, met éénen vluggen sprong
Zich hief, en stond, en door de struiken stoof
In \'t volle zonlicht: daar liep alles dan,
Op \'t luide roepen van zijn heldre stem,
Van heinde en verre naar den meester saam,
In dolleren galop of staat\'gen tred.
Dan was het feest-tij in het open veld.
-ocr page 164-
Het jonge broedsel huppelde_ aan zijn zij
Of joegen^ op zijn spoor in wilde vaart,
En vloden voor hem heen en keerden weer.
Dan zette hij de vingers aan de lippen
Op \'t smalle fluitje, dat hij zelf in \'t riet
Met vlugge hand zich sneed, zoo Pan verzon,
En danste vóór op \'t mollige tapijt,
Naar de effen maat van eigene muziek.
En heel dat jonge volkje met hem mee,
Vroolijke kalvren en het blonde lam.
Of wel, hij zat ter-neer in de onbewogen
En effen schaduw van een eenzame\' eik, —
Maar alles daar-om-heen was zonne-licht —
En blies hun aller-hande liedjes voor,
En zong daarbij van blijden zomer-tijd,
Van, lange dagen, in het geurend gras,
Roerloos te droomen onder blauwe lucht;
En hoe de God, die door de weiden gaat,
Wanneer het middag is en alles rust,
Iedere kudde met haar leidsman kent,
En ook een God is voor het makke vee.
152
-ocr page 165-
Dan leek de weide een vasten-avond-klucht,
Vol grappen en grimassen van door-een
Buitlende kalvren met het logge schaap,
Drok-galoppeerend, onder zacht geblaat,
Terwijl een rei van witte geitjes danste
Een wulpsche menuet in de avond-zon.
Maar de oude koeien, wien de wufte zin
Voor hooge sprongen en on-nut gehol
Reeds lang verging voor \'t zuivere genot
Van \'t kalm en lang herkauwen in de zon —
Zij stonden met aandachtig oor van ver,
Of lagen, luistrend, om hem heen, heel stil,
En wie het naaste lag, die legde soms
Zijn grooten, trouwen kop op zijne knie,
En keek..-. met half-geloken oog... en sliep
Zoo, zachtjes, bij die zoete tonen in.
Zoo liepen de uren, tot het groote licht,
«53
-ocr page 166-
Met zachte zvviering vallende op de kim,
Als roerloos poosde en, éénen oogenblik,
De rijzende avond in haar wijde wade
En raggen sluier, dien zij voor zich breidde,
Met donker-gloeiend aan-zicht tegenzag.
Dan liep hij reeds met lichte stappen aan
Achter zijn zachtjes-dravend vee, en dreef
Ze \'t ver-uit-glooiende geheuvelte af,
Recht op het Westen en dien wijden gloed,
En zag die schoft\'ge flanken in hun zwaai
En logge schomm\'ling, en de halve maan
Der hoorns, zich teekenend met scherpen trek
Tegen dien verren achtergrond van goud,
Als donkre schimmen in een zee van licht.
Zoo sleet hij zijne dagen bij het vee,
En was als onder kinderen, een kind.. ..
En zoo zag Zeus hem.
De Vader aller goden zat alleen,
Omhoog op zijnen troon en wierp zijn blikken,
154
-ocr page 167-
Zijn lustelooze blikken door \'t heelal,
Het eerst, wijl \'t allernaast, naar de aarde, dansend
Door \'t zonnig lucht-ruim, op de blijde maat
Van \'t eigen vroolijk harte, en overal,
Op bergen en in dalen, was er licht.
Verbaasd en droevig sprak de Vader dus:
»Wee mij, de dansen van dien aardschen knaap
Zijn bitter, \'t Is mij of die rassche voet
Met iedren val mij op het harte trapt. ..
Wee, hebben menschen dan een goden-ziel
En kunnen goden slechts rampzalig zijn?
Wij treuren op het eeuwig feest-getij
En slepen dees onsterfelijken last
Der leden, moeizaam, door de dagen voort,
Wijl stervelingen, uit het stof der aard
Omhoog-gewassen tot een schim, zich tooien
En hupp\'len neuriënd over de\' eigen grond,
Die heel hun toekomst in haar schoot besluit,
De stomme graven en hun diep geheim.
O, om-te-weenen wonder-blij geslacht,
Met dood rond-om zich, in zich, onder zich,
i55
-ocr page 168-
Die toch den dag, die opkomt in het Oost,
Toe-roepen: >Wees gegroet, o heil\'ge dagl"
En als hij, bleeker van zijn langen tocht,                    ,__.
In \'t West verzinkt, zacht zeggen: »Gij waart schoon."
f
-ocr page 169-
Derde Zang.
En toen hij stond op de allerhoogste tree
Des hoogsten troons, waarop Zeus-zelf gezeten,
Hoog boven allen, over allen zag,
En over allen heen, door alle heem\'len
Naar de aarde, ontwakend uit haar ouden droom
Tot eerste jeugd en schoonheid, en den vluggen
Rhythmischen rei-dans in bebloemde stool,
Tot waar zijn blik zich in het diep verloor
Des aethers en de blauwe wereld-einden, —
Toen daar dan Ganymedes schuchter stond,
Bevend van eerbied voor dien hoogsten God,
Hoog boven allen tot Gods knieën reikend,
En hij hem dan, met half-gebogen hoofd,
Den gouden beker in de hand gaf, golfden
Zijn zware blonde lokken langs het kleed,
Dat purper-plooiend op Zeus\' voeten viel.
157
rt
-ocr page 170-
En deze lachte zacht, en, wijl hij dronk,
Rustte zijn rechter op dat teêre hoofd,
Zijn rosse rechter, die den bliksem vatte
Toen hij God Koios heen sloeg in het ijle:
„O Schoonheid, Schoonheid, waar ik zelf van leef,
Gij, die geen God zijt maar der Goden Kroon,
Ook stervelingen gaaft ge een schijn om \'t hoofd!"
Zoo Zeus, en dronk gelijk der Goden God.
Maar Hera hield niet van der schoonheid roem
Als Zeus die prees. Zoo wachtte zij zijn komst
En nam hem norsch, met half-gewend gelaat,
Den beker uit de handen, snel en ruw,
En liet hem vallen met een heldren slag
Op \'t voetstuk van haar zetel, goud op goud,
Dat wild op eens een donker-roode stroom
Langs alle treden schoot, totdat hij lag
Op de allerlaatste, en daar allengs vervloeide
In tal van druppen, spattende op den vloer.
En alle goden zagen angstig op....
iS8
e*
-ocr page 171-
Maar zij zag verre naar een wreeden droom,
En dacht rood bloed te zien, en zei zeer zacht:
„O, mocht uw hoofd, uw teeder, lokkig hoofd
Zoo luid eens vallen op dit hard metaal
Voor mijne voeten als dat gouden vatl"
En lachend hief zij zich, en in hare oogen,
Haar groot-klare oogen gloeide een donkre vreu
Terwijl zij achterwaarts-gewend haar hand
Bewoog, en riep met helle stem : > Mijn Hebe,
Gij jongste mijner dienaressen, kom,
En reik me een nieuwen beker, boordevol,
Want in mij rijst een wondervreemde vreugd:
Dien eersten plengden wij te zamen, Ik
En Ganymedes, beiden met een beê.
Hij, sterfling, smeekte van zijn liefsten God,
Wie \'t zij, vervulling van zijn diersten wensch,
Maar Ik, de Hoogste Godheid, arme! Ik heb
Geen enkle godheid, die mijn beden hoort.
Ja, één, de Moira, Haar bad Ik. Zij ziet
Naar plengingen van tranen, noch van wijn,
Zij doet slechts wijl het moet, en alles wat
«59
-ocr page 172-
Geschiedt, het moet geschieden wijl Zij wil.
Zij is onwrikbaar en Zij hoort mijn woord,
Want Zij schrijft nimmer in Haar Eeuwge Wet
De dwaze wenschen van dees ijdlen knaap,
Al waar de godheid die hem lieft, Zeus zelf."
En zegevierend zag zij op naar Zeus.
Zeus dacht aan \'t ordnen van der aarde staat.
Maar Ganymedes, al dien tijd, stond stil
Ter zelfder plek, aan Hera\'s fleren voet,
En dacht aan de aarde en \'t verre vaderhuis,
En zei voor zich alleen: »Is dit een droom r
O bange droom, zoo kan ik immers wel,
Wanneer ik wil, met éénen forschen zwaai
Ontwaken en mijn oogen opslaan, en
Rondom mij zien of alles nog zoo is
Als gisteravond toen ik slapen ging.
Of, zoo het donker is en alles stil,
Dan toch wel voelen naar mijn trouwen hond,
160
-ocr page 173-
Die alle nachten naast mij ligt, terwijl
Zijn warme, ruige kop mijn wangen raakt.
Maar ach, ik kan niet.
En hij weende zacht.
161
ii
-ocr page 174-
En Hebe stond en toefde, een bevend beeld,
Noch hief naar Zeus het bukkende gelaat,
Bleekend en blozend in dat wondre licht,
Den glimlach van dien eeuwig-milden mond.
Het was die zelfde lach, maar zachter schier,
Die half verheeld, toch zooveel zaligs spelde,
Een verre wereld van onnoembre weelde,
Een dageraad van on-uitspreeklijk heil,
Waarmee hij Hera won, en op zijn sponde
Haar kalme ledenpracht tot dartlen dwong,
Waarmee hij de aardsche vrouwen, de een na de ander,
Omwikkelde, en, ze bannend aan de plek,
Langzaam haar oogen optoog tot de zijne,
Totdat zij, bleek en op haar voeten wanklend,
In ademloos bedwelmen de armen strekten
En in Zijn armen om verniet\'ging vloden,
Het hoofd\' verbergend aan zijn goden-borst.
162
-ocr page 175-
Gelijk een bloem bij avond nauw beweegt,
Maar in de windlooze atmosfeer zich heft,
Klaar-schijnend op het kristallijn der lucht,
Rees Afrodite vóór \'t onmeetlijk ruim
Van licht, dat om haar was, één reine eindlóósheid,
En danste zacht, maar danste niet, bewogen
Maar even door het beven van haar ziel,
En wat daar schoonst in school. Zoo staat een kindje
Des ochtends in den zon-schijn en \'t blond hoofdje,
Nog droomrig, weet niet wat dat vreemds deduidt,
Dat heel zoo anders is als al wat \'s nachts was.
163
-ocr page 176-
-ocr page 177-
S A P P H O.
DRAMATISCH FRAGMENT.
-ocr page 178-
-ocr page 179-
(VOOR SAPPHO\'S HUIS MET EEN BEELD VAN AFRODITE.)
ANTHEIA
O, lieve, milde straal van \'t eerste morgen-licht,
Antheia groet met lachjes, als voorheen, u niet,
Toen nog de dauw des levens op haar wangen lag,
In \'t hart der hope zangerige vogel zat;
Maar sinds Alkaios als een droom bij dag verscheen
En \'t lokkig hoofd voor Sappho naar zijn luite neeg
Werd Kupris Sappho\'s dienaresse een bleeke god.
O pijnl
Ik zag, ik zag hoe beider blik begeerig gleed
Langs \'t welig ronden van der leden jongen bloei,
Tot elk dan de\' andren treffend om het hoogste bad...
En \'k dacht aan dood, maar kon niet, want dat gods-gelaat
Scheen mij te schoon, dat aardsche hand het delgen zou.
Zoo droeg ik, leed ik, zwijgend, en toen de ure kwam,
167
-ocr page 180-
Toen. . .. spreidde ik zelf de sponde die mijn jeugd verjoeg.
O nachten, half doorwaakte, half verdroomde, waar
De droomen wreeder dan het gloeiendst waken zijn,
En toch zoo dierbaar om dien enklen, ijdlen geur
Van zoete lippen, zoetre leden, zoetst van al
De ziel, die diep uit droomende oogen nederziet.
O wie de ziel haars levens op haar leden drukt I
Maar al mijn nachten zijn een keten vuurs gelijk,
Die hel door \'t scheemrend kruipen mijner dagen vlamt,
Een gloênde hoofd-band zijn zij, die mijn slapen klemt,
Waar elke dag als koele drup op nedervalt.
En toch wat ween ik? Hoor ik \'s nachts Alkaios niet,
Hem zelf, die weenend bij dees zelfde zuilen zit
En >Sappho" roept in \'t donker, die in \'t donker lacht
En vaster de armen om haar slanken Phaon slaat.
Maar Hij waant, de arme Alkaios, dat der Muzen koor
Haar zoetste liedren sluimerende Sappho leert
En Phoibos zelf den zeven-stemmigen zang geleidt.
Wat baatte \'et zoo \'k den sluier van haar schande sloeg f
Want liever is hem Sappho dan der waarheid woord,
168
-ocr page 181-
En hooger staat zij vóór hem dan der goden troon,
En smetteloozer dunkt ze \'em door der wereld waan.
Stil!
De tijd zal, talmend, treffen als de snelste slag,
En geen der vier ontvlieden aan der liefde vloek.
Nu brengen we onze beden met geheven hand,
En strenglen roos en mirten voor haar eeuwig hoofd,
Die lacht van verre en sterfelijke zielen doemt...
Helaas!
Der menschen Moeder kent der kindren harten niet
En schuim-geborene, is ze een kind op goden-stoel,
Dat in het rechten niet met de andre goden zit.
SAPPHO (van binnen uit het huis.)
PhaonI PhaonI
PHAON (haastig uit het huis komende).
Heill
Heil, goudene uchtend! Nachtelijken gloed ontvloón,
Val ik verlangend voor uw jonge reinheid neêrl
O dauw, in \'tdommlen, zachter dan der myrrhe damp,
169
-ocr page 182-
O geuren, zoeter dan der vlechten nardus-walm,
O licht der zonne, zuiver als geen vrouwen-ziel,
Natuur! ik zoek, o moeder, ü om redding aanl
ANTHEIA.
Ik groet, o schoone Phaon, uw gezaligd hoofd 1
Maar waarom toeft ge en klaagt het licht uw minne-leed,
Daar reeds de god zijn rossen naar den middag ment?
PHAON.
Een vrouw! — o vrouw! en, komt gij, als uw zustren doen,
Met weeldrige oogen en der lusten dans in \'t lijf,
Die \'t merg der mannen drinken uit der zonden schaal.
ANTHEIA.
O, knaap I vergeet niet, dat ge een vrouw uw moeder noemt,
En de eerste weelde bij der vrouwen grootste vondt!
PHAON.
Der vrouwen grootste — zoo ge \'t groote in gruwlen eert —
Zij zelf is de eerste, daar mijn jonge ziel voor deinst.
ANTHEIA.
Zij, Sapphof strafloos zag geen sterflijk oog de zon...
PHAON.
Blind was ik... Die daar zeide \'t zonneklaar mij aan...
170
-ocr page 183-
ANTHEIA.
Wat toch? Dat dronken kinderen niet als mannen doen?
PHAON.
ANTHEIA.
Der vrouwen wegen schijnen mannen wonderbaar,
En \'t hart ziet weenend door het luchtig woord soms heen. ..
PHAON.
Maar waarheid staat den vrouwen als den mannen schoon,
En Sappho, Sappho liegt niet in haar heerlijkheid l
Hoor, hoe zij sprak. Wij lagen in bewusten droom
En droomden, moede van den laatsten, langsten kus,
Toen eindlijk Sappho langs mijn warre lokken streek,
En sprak, me in de opene oogen ziende, en \'k voelde wel,
Hoe de andre hand zoo zachtkens naar mijn harte zocht,
Terwijl haar aêm verlangend op mijn lippen viel:
>Uwe oogen, Phaon, zijn als van Alkaios blauw,
Wijl ook uw lokken, donker, als de zijne, zijn I"
En kuste mij. Maar ik in halve sluimring vroeg:
>Mijn lief, wat meent ge en wat gaat mij Alkaios aan?
171
-ocr page 184-
De kuische zanger mijmert aan der Muze voet,
Die telkens weer zijn marmer-koelen mond ontwijkt,
Daar ik de Muze, menschlijk, als een god, geniet!"
Nog was de scherts niet in den stillen nacht verruischt —
O wie de wissling dier ontboeide trekken zag
En wee, wie \'t vonnis dier ontvlammende oogen trof,
Nog straks door \'t waas van half-voldanen lust bedauwdl
Het was me als glom des luchters gloed in scheemring weg,
En of Meduza \'t brandend-bleek gelaat verhief,
Toen Sappho, siddrend, me als een adder, van zich stiet,
En opwaarts zag, en hooger rees, en grooter scheen,
Terwijl de storm verdelgend van haar lippen vloog:
»O blind geslacht der aardschen, dat het duister viert
En niet het kleppen van der goden wieken kent
Uit gang en gratie en der lippen goden-taal!
O schande en smaad! Zoo waant gij, knaap, dat Sappho\'s
ziel,
Op Sappho\'s schreden als een kromme slaaf zich rept
En uw bezoedling voor der heemlen hemel kiest?
Maar Ik, ik zeg u, dat gij Sappho nimmer zaagt,
172
-ocr page 185-
Maar slechts haar sluier, die u met haar schoonheid dekt,
Doch waar geen schemer van haars harten hart door schijnt.
Gij, gij begeerdet, wat uw sterflijk oog verstond,
En gij bezaat den boezem, dien ik velen gaf,
En u de lippen, waar ik meê om vrouwen dongl
Want alle zonden heb ik in hun zoet gekend,
En veler menschen schoonheid aan dit hart gevoeld
En ook het aardsche nam ik met een goden-maat:
Daar logen alle liefde is in haar diepsten grond,
En eenzaam ieder als zijn eigen god en graf,
En dwaas wie de armen over de\' eeuwgen afgrond strekt!
O nacht der wereld, gloênde nacht 1 Uw dwarrel dwingt,
En Sappho was geen droomende in der darden rei,
Maar nam den bloei des lichaams eer ze \'t harte sloeg!
Slechts één, één enkele, o mijn ziel, voor éénen stond...
Doch hem ook stiet ik neder in mijn majesteit,
Die, als een breede vlammenstorm door \'t leven ging
De Moira zetelt midden in der Muzen koor,
En willig willoos, volg ik op des één\'gen wil,
Die de\' een\'gen glans des eeuw\'gen over de aarde spreidt.\'\'
\'73
-ocr page 186-
REI.
Heerlijk is de dag in het Oosten opgeblonken,
\'t Jeugdige licht overal
Zacht in breed-goudene vouwen neergezonken
Breidt zich in fonkelenden val.
Mij ook is het licht in de loome ziel gevallen,
Waar \'k in omhelzinge zoet
Zag den eersten straal, hoe hij schuivend door de hallen
Zuil-voet bevloeide na voet.
174
-ocr page 187-
-ocr page 188-
-ocr page 189-
XCIV.
Voor de Jonjjste generatie.
Geslacht, dat was en thans verdwijnt, wees stil maar,
Raap niet dees vloeken voor uw voet gestrooid, —
Verdorden zijt gij, zonder dat gij ooit
Hadt kunnen bloeien, schoon \'t uw eigen wil waar.
Ik zal u allen, rakkers, op de bil maar
Zoo even meppen, knaapjes, die daar gooit
Naar \'t Hoog Gebouw, dat door mijn Zuivren Wil daar
Staat, Monument van \'t Hollandsch-volk-vermooid
Door Hem, die is ons aller Heer en Koning,
Hem, onbegrijplijk, troonend. in \'t Onstoflijk,
Ondenkbre Zijn, waarvoor geen naam noch woord is,
Dien ik belijd uit dees mijns diepsts Zijns Woning,
God, dien ik weet, dat, Die mij altijd schoort, is,
Tot waar al zielen schittren, onverdoflijk.
177
12
•*
-ocr page 190-
xcv.
Dit gansch geslacht is een verdoemenis geweest
Van leugenachtige en belachbre menschen,
Die zich-zelf vuillijk te genieten wenschen
En in den grond niets zijn dan een puur beest-
Zijn, Beesten, Beesten, die den puren geest
Verloochnen, doodend loochnen, maar ik ben ze
De baas, en zal ook tegen hen zijn als een beest.
Zij allen zijn als kinderen die drensen,
Waar ze alles krijgen kunnen, als ze maar
Geduldig zijn en willig willen nemen
\'t Brood, dat uit Gods hand in hun handen valt.
Maar zij zijn allen trotsch, neen trotsch niet, zwaar
Van giftige aardschheid, waar hun mond van lalt,
Maar God zal geen van dezen tot zich nemen.
178
-ocr page 191-
XCVI.
Als bliksem-wolken gaan wij naast elkaar,
De slagen vallen wederzijds als draken,
Die dondrend brullen zonder ooit te raken,
Wijl zij niet wilden, schoon zij ook malkaer
Dood-slaan vermochten. Als een statig paar
Vecht-koningen gaan wij, die \'t Leven braken
Tot puin en mortel, en dan kalm en zwaar
Elkander vriendelijk de hand toe-staken.
Ons Volk zal zijn een glorievolle schoonheid,
Staande onder al de volkeren als Eenig,
Die, dans-krioelend op dit wieblend aard-rond,
Zichzelf te-pletter-gooien in gewoonheid
Van duf begeeren naar wat gansch alleenig
Rust in de Hand van Hem, die me op dees aard zond
179
\'
-ocr page 192-
XCVII.
Die al \'t oaechte en echte in zich vereenigt,
Zijt Gij, geen mensch, geen duivel, god, maar waarlijk
Representant des Duivels, al te baarlijk,
En zult zijn schrikbeeld voor de bonte menigt,
Die God en Duivel onbewust vereenigt,
En wil zijn duivel voor dat al, wat waarlijk
Slechts mensch wil zijn en niet wil zijn gesteenigd
Door \'t slecht, dat is in elk mensch, en vervaarlijk
Kan rijzen tot een berg van gruwbre doemnis
Van zich zelf en van andren, onverganklijk,
Wijl zij niet wilden weten dat wat goed is.
Ik zeg, doe dat, dat wat mijn eigen roem is,
Houd niet voor goed, dat wat des Duivels woede is
En laat e!k de\' andren zijn vertrouwd aanhankelijk.
180
-ocr page 193-
XCVIII.
Afdrukje, dat ik niet verkreeg, Gij zijt
Verloren, misschien wel, maar niet altijd, ofschoon
Ik niet precies weet of dit is een hoon
Dan wel een mis-verstand, dat niet altijd
Bestaan zal, doch ik weet niet of de tijd
Dit misverstand herstellen zal, o loon
Mij zoetst voor al mijn vriendschap, die van tijd
Tot tijd fel opdringt, dan weer weg-gaat. Hoon
Zal ik niet spreken U, afdrukje, noch U, vriend, zoo vriendlijk,
Die steeds mij waart een vriend in \'t èelst vermogen
Van steeds elkander te besaablen mogen.
Afdrukje mijn, niet mijn, niet zijn, \'k zal pogen
U, fraai afdrukje, te verkrijgen, \'t pogen
Is schoon. Want dit afdrukje is mij zeer dienlijk.
181
-ocr page 194-
IC.
LIEDJE.
Wie zijn eigen pracht begrijpt,
Kan dees aard\' verdragen,
Zal niet wat ook tracht of grijpt
In zijn vaart vertsagen.
Alles rolt en alles valt,
Alles duurt een poos maar,
Slechts wie niet dees lach begrijpt,
Kan zijn aard verlagen.
1S2
-ocr page 195-
I
c.
God vraagt niet naar knie-buigingen van hulde,
Maar neemt ze van \'t devote schepsel aan;
God is zich-zelf, zich-zelf alleen en aan
Hem hangen we als kindre\' aan een dicht-omhulde,
Begeerlijke geheimenis, die staan
Blijft, wat mensch-kinds geschreeuw de lucht vervulde,
Want wat de menschjes doen.... God, God zelf duldde
Hun klein en ziet met goedige oogen aan
Der wereld trotschlijk-idioot bewegen
Tegen Gods wil, dien ze in zich zelf wel voelen,
Omdat elk mensch voelt dat wat goed en kwaad is.
Laat dus elk mensch zijn met zich-zelf verlegen,
Opdat niet één mensch, buiten zijn bedoelen,
Niet in verdoemnis vall\' waarvoor geen raad is.
«S3
-ocr page 196-
Cl.
01 Heerde, heerlijk Heerde, wat bedroefje
Je om mij, die heengegaan ben, ofschoon nooit
Ik zou gegaan zijn, als ik niet, berooid^
Vandaar gaan moest wel, zoowel door het Boefje,
Als door Piet Tideman, die zat in \'t roefje
Dier niet gekende stoomboot, die getooid
Met onkleurg\' kleuren, stuurde door het droefje-
hjksch daagsch bewegen, om wat, niet vermooid
Nog wist zich-zelf en zijn-zelfs wondre schoonheid
In wil en macht en daad van kostbre veerzen,
Waarin zijn gansche ziel, tot dus, ten toon leit,
Schoon \'k niet weet of zijn wil niet maar is heerschen,
Dan of hij waarlijk voor der Schoonheid troon leit.
Maar God zegt dat hij is dienaar der schoonheid
184
-ocr page 197-
CII.
Ik ben een zeer eenvoudig mensch, die doet
Dat wat hij mag en moet voor zijn geweten,
Wat niets is dan een zeer eenvoudig weten
Van dat wat echt is en niet ver mag wroete\'
In der Menschheid echtst Zijn, \'t geen, ongeweten,
Zou groeien tot een woud van overmoed,
Zou zijn het werk van wat vanéén gereten,
Zou zijn vloek-werk van wat gansch dood - gebloed
Kon zijn de vloek der absolute doemnis,
Daar ik g\'loof een goed mensch te willen blijven,
Mij-zelf, dus Een, een mensch wiens eenge roem is
Dat hij zich-zelf, zich-zelf slechts wil beklijven
En niet wil zijn slacht-offer van een noodlot,
Dat hem ten slott\' zou brenge\' in doodsche doofpot.
>S5
-ocr page 198-
cm.
O smeerge keerl, o vuil sujet, o lafling,
Die mij dorst halen op dat Hunsch bureau,
Mij, die als ik niet sterk geweest was, zoo
U zou geslagen hebbe\' om de ooren, lafling.
Niet \'t arme volk, dat voor u staan moet, lafling,
Is strafbaar, maar gij - zelf, elendge vloo,
Die springt op \'t lijf ook van de rijken, bloo,
Daar zij niet weten dat gij zijt een lafling.
Uw ambt is modderman, bruut idiootje,
(Gij, quasi-neef van Tideman) vuns klootje,
Hoe zaat ge onzinnig op mv dor bureau.
Gij lacht thans of gij kies pijn hebt, maar \'k zweer u
En niets dan wat ge u zelven aandoet, deere u,
Gij wordt bejuicht, belacht, bei door de Koo.
186
-ocr page 199-
CIV.
O Holland, Holland, dat mij haat, omdat
Ik ben een eerlijk man, die houdt van vechten,
Niet voor mij-zelf, maar voor \'t behoud van \'t echte
Dat ligt in elk land, ook in U, dat rechten
Wil, maar niet kan, op wat op U komt, Vat
Van zelf-verdiende doemnis.\' Roem is dat
Voor menschen, lijkend, maar niet zijnd, als spechten,
Neen, vuile havikken, die, moordens-zat
Zullen verscheure\' ook uw landouwe\' en mensen-volk,
Dat angstig dribbelt onder grauwe luchten,
En niet begrijpt dat slechts ,e_en enkle wensch-wolk
Ten hemel stijgend, breed-gevoeld, met zuchten,
Des noods zou redden héél dit schoone kroon-land,
Dat in Gods handen i\'s een heerlijk kroonpand.
[87
-ocr page 200-
cv.
O, Laat \'k die krengen vloeken (schoon ze nooit
Voor zich-zelf vloeken konden) vloek vermooid
Door \'t echte in zich zelf, \'t waarlijk echt\', dat nooit
Zal zijn waarachtig menschlijk, daar zij nooit
Hebben gevoeld een menschje, pas vermooid
Door \'t zuivere Begrip van God-zelf, maar vergooid
Door eigen slechtheid, die net doet of ooit
Een mensch kon goed zijn, die zich niet vergooit
Aan dwaze aardschzinnigheid en vuil berekenen
Van wat geen mensch kan zien dan als hij recht is
Op zijnen weg van \'t goede, waar wel kan
Wankelen, waar wel wankelt elk sterk man.
Maar ik zeg dat ik al die lui zal teekenen,
Wijl alles wat in mij is, groot-oprecht is.
188
-ocr page 201-
CVI.
O Koningin van Holland, Vorstlijk Kind,
Dat houdt van dit Land heerlijk en wil heerschen
Over Uw land en volk, dat door U meer zijn
Kan en zal zijn, als Gij maar \'t Waar Woord vindt,
Dat al \'t afzichtelijk beschaamt en dus \'t volk bindt
Tot één groot volk, — dat \'t best uws volks met veerzen
Zal huldigen Uw kinderlijke kroon en weer zijn
Glorie hervinde in dat wat ons verbindt,
\'t Glorie-rijk Stamhuis van Oranje en \'t Volk
Van Nêerland, dat gaapt ganschlijk naar vernietging
Zich-zelfs, daar \'t wordt gezweept door \'n slechten nietling,
Een menschje, denkend niet, maar slechts bedachte.
Maar allen zullen zinken in een kolk,
Schoon zij ook \'t bovenspit te houden trachten.
189
-ocr page 202-
CVII.
O Menschen, vreest niet koningen of goden,
Maar vreest u zelf, die gaat het Bodemlooze
Voorbij, schijn-statig, zonder blikke\' of blozen,
Omdat gij dwaaslijk waant, dat al wat boden
U Hoogre Machten, niets zou zijn dan \'t kozen
Licht-ijdlijk uws klein Zijns, omdat gij dooden
Zijt, niet naar \'t vleesch, maar naar den geest, die nooden
Nooit heeft bij u, volk, vreemdlijk geesteloozen.
God slechts, die Is, is de Eenige, die kan
Van \'t Goede, en \'t Kwade, opdat het zich vereenig
Tot één groot daavrend-henenrollend dringen,
Make\' één groot Rijk onwankelbaarlijk-eenig.
Dies laat elk onzer opstaan als een man,
Ook wie zich uit-spreekt in groot-heerlijk zingen.
190
-ocr page 203-
CVIII.
O, die domme schoenen
Staan den grond te zoenen,
Niet als Gorter kinderlijk,
Of van Eeden hinderlijk,
Maar toch steeds maar doen ze
Of ze zoenen. Boen ze
Van dees wereld, al dit grut,
In dat ras zit niets geen fut.
Laat ze maar alarmen,
Smeeken om erbarmen,
Als ze \'t maar konden, maar ze kunnen
Minder dan de Afghaanste Hunnen.
Alles wat dit ras verdient,
Is dat het als kellner dient,
Kellners 2ijn ten minste menschen,
Die iets gewoon-menschlijks wenschen,
Maar dit gansch ras al te gaar
191
-ocr page 204-
1
Ligt als bacteriën in elkaar,
Zwaar van al hun sombre zijn en
Pogen om iets goeds te schijnen,
Maar zij zijn nooit iets geweest
Dan bacteriën, daarom feest,
Feest, gij vrienden en laat nooit uit
Iets wat zoo al \'t goede rooit uit.
102
-ocr page 205-
O quasi-geniaal en manlijk willend,
Maar au-fond zwak en idioot-brutaal
Wezentje, kind-zwak, maar geen kind, die vaal
In u-zelfs wezen, gaat, en schijnbaar tillend
Een hooge kracht gaat. Wezen schijnbaar staal,
Maar ijzer bruut, dat dienen moog als villend
Werktuig van uw begeerten, vuillijk rillend.
Gij, aarts-verknoeier onzer schoone Taal,
Zult geene toekomst hebben van beroemdheid
In \'t hart des Volks, dat klopt en innig weet
In onbewuste wijsheid wat zijns rechts is,
Maar dat al stort in schandlijke verdoemdheid
Dat wat schoon Holland voor zich-zelf vergeet,
En hoopt op lauwren voor wat schijnbaar echt is.
i93 .
«3
-ocr page 206-
ex.
Zij zouden knarsetanden, als ze nog
Konden knarstanden, menschjes, die als bevers
Zitte\' in hun kleine holletjes, die toch
Niets zijn als een klein maakseltje van levers,
Niet van waarachtig levenden, die och,
Ook wel zijn moeten zwakke ellendge bevers,
Maar voor \'t g\'heimzinnig leven, Godzelf. Doch
Gij zijt als zwakke en arbeidzame wevers,
Neen, wevertjes, die in uw moeizaam trachten
Naar grootheids roem van uw verdoemlijke ikjes
Verspilt, wat gij nog hebben mocht aan krachten
Van waarlijk mensch-zijn, doch die slechts met prikjes
En likjes haspelen in haatlijk Beurs-doen,
Dat, wat echt\' menschen met veel min gezeurs doen.
194
-ocr page 207-
/
CXI.
Van Peutem is niets dan onwaardig aas
En Gorter niets dan een ellendig knoeier
Met Hollands taal, die hij meent zijn een dwaas-
Toevallig zijn. Hij, die gelijk een roeier
Door \'t veilig Amstel-water, in \'t schijn-waas
Van rustige onaantastbaarheid, gaat dwaas
Aan \'t varen, en dan plotseling merkt, dat hij met haast
Ziet komen aan, met groote kracht, een boeier,
Een boeier niet van sterke kracht, maar toch
Een schip dat steeds zeilt tegen elke slechtheid
Van menschjes klein, die zonder eenige echtheid
Beweren dat zij zijn de oprechte menschheid. Och
Laat al die menschjes met elkaar zijn vrienden
En zijn wat nóóit kan voor elkander vrienden.
\'95
-ocr page 208-
CXII.
O Gij, die draagt uw zelf-gewilde grootheid,
Neen ongewilde kleinheid voor elks oogen,
En zijt als kleine kinderen, die pogen
Iets onverdiends te rukken van de fijnheid
Der goedige ouders. Gij, die trapt de reinheid
Des levens tot een droesem, gij wier pogen
Is handig slecht-zijn, zonder dat ooit oogen
U zien, daar waar ge afzichtlijk in een sloot leit
Van dwaas mensch-willen naar een overheersching
Van wat echt menschlijk en met Gods wil doorgaat
Te zijn een mensch, die vroom en stil, maar moedig
Begrijpt dat hij zijn minderen niet voorgaat
Manr mensch wil zijn, wel goed, heel goed, niet goedig.
Gij ziet geen deel van mij, mij die dit veers zing.
196
-ocr page 209-
CXIII.
Wanmeenend menschje, dat wou zijn een dichter,
Maar niets is als een klein eerzuchtig ventje,
Maak u zelf, bid ik, toch een beetje lichter
Van gansch onmenschlijke ijdelheidjes, krentjes
Voor uw valsch kinder-mondje, klein, vuil stichter-
tje eens onecht Rijks in ons lief Hollands borst,
Die door u laf werd als Zij nooit zijn dorst.
O heel uw vuil begeeren doelt op centjes,
Die gij niet door een trouw-vast manlijk werken
Verdiend hebt, Gij, die altijd, altijd waart
Een leugen in u-zelf, o schijnbaar sterk
Maar zwak als \'t veertje, dat op \'s winds aem vaart,
Gij zijt de onzinnige usurpator van
Wat uw klein brein niet eens bevatten kan.
«97
-ocr page 210-
CXIV.
Sterk kind, dat een sterk man zal zijn, geloof
En weet dat ik voor u, als nood is, zorgen
Zal, als gij wilt met uw wil, wil, die borgen
Niet kan bij elk, omdat elkeen is doof
En blind voor \'t waarlijk mensch-zijn. O Geloof
Dat ik ben een echt mensch, ondanks mijn worgen
Van wat \'k een slecht mensch zijn vind, al wat \'k morgen
Zal beez\'men van den vloer, als \'t is gekloofd
Door mij niet, maar door God, die al \'t aardsch leven
Doorgrondt, en overziet, voor wien geen slechtheid
Bestaan kan, tijdlijk ja, wijl Hij geduldig
Aanschouwt der menschjes daadjes en hun echtheid
Proeft tot het uiterste, tot Hij \'t onschuldig
Kroost kiest en laat al wat echt waar is leven.
198
-ocr page 211-
cxv.
Gij Zijt een groot mensch, maar u-zelf te kennen
Verdoemt gij, ook de wereld, die gansch vreemd
Draait om u heen en van elk mensch vervreemd
Blijft in zich-zelf der godheid beeld, waar mennend
De Godheid zelf, die \'t goede en \'t kwade erkennend
Gaat door de wereld als een half verheeld,
Maar altijd heelend beeld, schoon ook dom speelt
\'t Plebs, dat\'s \'t beeld der godheid altijd schennend.
Ik zeg u, Pet, dat, als gij wilt \'n goed mensch zijn,
\'k Zal zijn uw vriend in verzen en in daden
Trots als die menschen, die niets als een pens zijn,
Neen lens, waardoor vergrootend elk het mensch-zijn
Ziet als een ding afschuwlijk, dat zij smaden,
Schoon zij beginnen moesten met een mensch zijn.
\'99
-ocr page 212-
CXVI.
Dees gansche weerld moest liggen op haar knieën
Voor mij niet, maar voor \'t Hoogre, dat in mij
Niet gansch zit, gansch wit, maar dat zich door mij
Wil uiten, wijl \'t zich wil, en dat elk biedend
Wat elk klein menschje slechts verlangt, toch vrij
Blijft voor zich-zelf van andren, schoon verrieden \'t
De meesten, daar zij zich niet voelen blij,
Daar waar al \'t goede is hun slechtheid bespiedend.
Der Godheid toorn is een geducht onweder,
Waarvoor wij allen beven moeten, schoon
Er onder ons zijn die niet als een veder
Bewogen op der wereld wind, die teeder
Nooit, maar valsch- forsch tiert om den hoogsten ceder,
Maar al wat rein is, krijgt op \'t eind een kroon.
200
-ocr page 213-
*•" CXVII.
Het bloed stroomt door mijn aadren al-geweldig
En wil niet kalm zijn, schoon ik ook \'t opdonderend
Bewegen tem tot beven van verwonderend
Zien naar mij-zelf, en naar \'t meer dan geweldig
Rondwentlen dezer wereld, die verhonderend
Haar eeuwen-tal zal groeie\' een groot-fier-heldig
Geslacht, waar dit geslacht op staar\' bewonderend.
Maar al wat Ik zeg is voor u niet geldig
Voor ü, laf volk, dat groeit in gruwbre vunsheid
Van doods-verfoeilijk zelf-behage\', en nooit meer
Kunt zijn waarachtig mensch, mensch. Mensch, die gooit neer
God-zelf en dus u-zelf zult de\' afgrond delven,
Daar gij veel liever bij een meid met puns leit
Dan zuiver mensch te wezen voor u zei ven.
201
-ocr page 214-
CXVIII.
O vreemd geslacht, dat zich in schijn Van-Eedent,
Maar toch wel in u zelf weet dat hij niets
Is dan een laffelijk geworpen spiets
Naar dat wat hem jaloersch maakt, omdat rede en \'t
Puurst mensch-gevoel veroordeelt als een niets
Hem, die niets is als een mal-slecht, wanmeenend
Gedrocht, dat éént in zich al wat verkleenend
Spuwt op \'t bestaande als een verachtlijk niets.
Gij mensch zijt niets, zoo ge in uzelf geen leeuw bent,
Een leeuw geweldig, die al \'t aardsch krioelen
Doorziet en toch in uw zelfs zelf als sneeuw bent.
O mensch, wees sterk, en wil dat gij een leeuw zendt
Door al dat Volk, dat niets is als een eeuw-bent,
De mensch begint daar waar hij puur gaat voelen.
202
-ocr page 215-
CXIX.
Pet is een echt mensch, door zich zelf begrepen,
Als elk echt mensch is, die gevoelig woelend
In dit aardsch mensch-zijn, toch ten slotte voelend
Keert in zichzelf, zich voelend daar bij repen
Hem afgescheurd wordt \'t Leven, waarop doelend
Elk slecht mensch andren is, die niets begrepen
Dan dat zij zuiverlijk voor zich zelf voelend
Willen zijn menschjes, door geen mensch benepen.
O Mensch die voelt en doet als nooit vóór; U kon
Een ander, schoon veel menschen voelen wilden
En konden, ook in diep gevoeld begeeren,
Zijn wat gij zijt thans, als zij even trilden,
Neen huilen konden. O dat ik een duw kon
U geven, menschjes, om u \'t Zijnd te leeren.
203
-ocr page 216-
cxx.
Zijn al-verdoemlijkst van afschuwl\'ke jongetjes,
Van vuil-vies plebs-volkje in uw gruwb\'re steegjes,
Ik haat u niet, want gij zijt slechts als tongetjes,
Klappend laf-lamlijk, ventjes, o beweeg je\'s
Een klein beetje echtjes, kindertjes, die bangetjes
Toch wilden sterk zijn, schoon zij zijn zoo leegjes
Als menschen ooit waren. Ik zeg u leegje\'s
Niet voor u-zelf, maar voor dit mensch, wiens tangetjes
Zullen gaan knijpen in uw zwak vleesch, schendend,
Neen, schendend niet, maar absoluut vernietigend
. Het leven dat \'s ook mij-zelf altijd wendend
Voor mij, die niets wil zijn als echt-sterk lever
In zich blij steeds, maar zich in zich vernietigend
Door al wat maar wil zijn een sterk werkgever.
204
-ocr page 217-
CXXI.
<rij zijt een bruut en absoluut genieter
Van \'t heerlijk Leven, waar het zich maar aanbood, —
Maar zoudt gij even willen worden schaamrood
Ondat gij zijt bruut, absoluut verniet\'ger
Van al het echte dat naar u zich saamgooit
Tot één groot mensch-zijn, — niet om te verdriet\'gen
Uw zwak, klein zelf, maar om u te verniet\'gen,
U, mensch, die waart voor elk echt mensch een aanstoot,
Aanstootje afschuwlijk, die uw klein ikje aanhangt
Als één» verniet\'gend doemen van u zelven.
O gij, die zijt een ijdeltuit afgrijslijk.
Gij gaat u zelf een gruwbren afgrond delven,
Nu \'n Hollandsch volkje niets meer voor u aanvangt
Dan dat het vindt uw houdinkjes vrij prijslijk.
205
-ocr page 218-
CXXII.
Gij zijt een vuig en zich-zelf laf verknoeiend
Heerschertje in schijn op wat gij niet berekenen
Kunt, maar wel kondet, kind, als ge eerst afrekenen
Woudt met u-zelven, menschje, dat verfoeiend,
Van al \'t goed, gaat naar \'t slechte, en steeds maar roeiend
Naar \'t lafst der laffe slechtheid, wil beteekenen
Iets voor u-zelf, klein menschje, dat maar groeiend
In uw slechtst slecht-zijn, doet of er geen teekenen
Zijn in het brein van alle sterke menschen
Dat\' gij verdoemd en dit geslacht onwaardig
Zijt in uw ijdelheidjes, klein belachlijk,
Maar ik zeg u dat dit in een tijdstip hachlijk
Zal zijn voor u en voor uw ijdle wenschen,
Zwak boefje, echt zwakling, quasi-edelaardig.
206
-ocr page 219-
CXXIII.
Zwak-burgerlijk en laf-lief levend Bussum,
Dat zijt een speel-vertrek voor slechte kinderen,
Daarheen verwezen, wijl zij dan niet hinderen
Konden de echt-groote menschen. Zeg eens, lust je \'em,
Dees donderende vuist? Doe maar of j\' kust hem
Met uw schijn-heilige gezicht, verslinderen
Van al wat echt in menschborst is. Kom, sust je \'em,
Uw toorn maar, kleinen toorn, die niets dan hinderen
Kan aan uw eigen sufferige leventje
Van zoetlijk-bedrijf\'ge daagjes en slaperig
Door-gezeurde avondjes, waar elk met gaperig
Gebaar iets tracht te zeggen van zijn streventje,
Dat niets was als een spelletje, o klein volkje,
Dat ras verdwijnen zal als een ijl wolkje.
207
-ocr page 220-
CXXIV.
Quasi geleerde, maar in waarheid leerend
Nooit iets van u, noch van der wereld schoon-zijn,
Gij die een klein, dom menschje zijt, ofschoon zijn
Aller-best Zijn begrijpen kon vereerend
De A1-macht van God,,die in dees weerld ten toon Zijn
Heerlijkheid breidt, — waarvoor een elk verneerend
Zijn eigen-zelf, moest willig willen zoon zijn,
Die op zijn knieën vallend met verteerend
Vuur in zijn binnen-binnenst, moest erkennend
Nederig zijn, moest weten, dat hij schennend
In woord en daad is \'t Allerhoogste — Gij, verdoemlijk
Klein slechtaardje, dom doktertje, onbenoemlijk,
Dat, zoo ik hope met mijn beste wenschen,
Eens zal behooren tot de goede menschen.
208
-ocr page 221-
cxxv.
Albert Verweij, gij musculeus poëetken,
Die \'t Leven dorst te worgen bij des strots
Diepst-inn\'gen bloed-vloei, gij, onmenschelijk trotsch,
Daarom NIET trotsch, gij, die, voor een klein veetken
Eigenlijk gaan moest in een hard, ruig kleedken,
Steeds boete-doende voor uw ijdlen trots,
Die scheen te wezen, maar niet was, een rots, —
Ge dacht u-zelf te zijn een heel profeetken:
Tracht gij een mensch te worden, die stil-needrig
Hoort naar zijn eigen binnenst en Gods stern,
Die altijd spreekt, schoon we ook in ons onweedrig
Leven ons laf-trots heffen tegen Hem,
Die Goed en Kwaad op de aarde zendt en waarlijk
Is liever een God goedig dan vervaarlijk.
200
14
-ocr page 222-
CXXVI.
O Herders-knaap, die bliest op zoete fluitjes,
Wie zijt gij wel, wie meent gij wel te wezen?
Een van die dichter-vorsten, die vóór dezen
Zongen hoog uit, niet zoekend naar geluidjes,
Maar zich-zelf voelend in diep-innig vreezen
Voor hun-zelfs grootheid, op \'t gelaat der luidjes,
Daarom-heen luistrend, heerlijk staand te lezen?
Gij rijmertje achter uwe spiegel-ruitjes, —
Gij allen, prinsjes, die u-zelf monarch waant
Om een hand-volPtje nauw-artistisch snood-zijn,
— \'k Zeg hier iets wat gij ganschlijk nog niet argwaant —
\'t Gaat nu pas aan, gij laffe dekadentjes,
Laat andren werken in hun eenzaam groot-zijn,
Maar gaat zelf zoetlijk leven van uw rentjes.
2IO
-ocr page 223-
CXXVII.
> Genoeg thans heb ik lauweren getast
Om mijne slapen», sprak \'t fameuse ventje,
Dat thans is dichter, filosoof en kwast,
Terwijl hij vroeger was \'t getapt studentje.
O u-zelfs parodie, ik zeg u: wen je
Toch wat aan \'t Leven, dat daar staat rots-vast,
En kijk ook niet zoo angstig op een centje,
Want dat is iets, wat heelemaal niet past
Bij uw gevierd en edelaardig schrijven,
— Door \'t volk g\'applaudiseerd zooals \'t verdiende, —
Over wat vrouwen, die gij niet begrijpt,
Omdat zij zijn, meer dan gij-zelf zijt, ziende,
En zien dat gij nog zelfs niet zijt gerijpt
Tot een eerbiedig op-ecn-afstand-blijven.
211
-ocr page 224-
CXXVIII.
O Dronkenen van Efraïm, waar \'t feest is
Van ijdelheid altijd, in laflijk konkelen,
Der half-gegeten ziel, wier al-wat-geest-is
Reeds lang zichzelf wrong in wanhopend kronkelen,
Daar zij niet méé verdoemd wou zijn. O \'t fonkelen,
Helsch-oogig fonklen van wat niets dan beest is,
\'t Beest valsch getooid met gruwbare karbonkelen
Van Nijd en Haat, zooals \'t altijd geweest is.
Gij zijt hoovaardig, niet hoogmoedig, klein geslacht,
Dat niet genoeg heeft aan \'t zich-zelf uitspreken,
Schijnend, wat gij niet zijt, koninge\' in porper.
God-zelf zal uw vergulde scepters breken :
Door ijdelheid vergaat gij, eer gij \'t dacht,
Gij, die moest bukken voor elk simpel dorper.
212
-ocr page 225-
CXXIX.
Ik zal u allen rechten, huich\'lend vee,
Dat thans langs Hollands recht-gebaande straten
Loopt als een kuddetje, idioot-verwaten,
Gruwl\'ke misdaad\'gers, en veel volks loopt mee :
Omdat het Hollandsch Volk goed is, gelaten
Mee-gaand met elk fraai-prater, die, te-vreê,
Laaglijk, in zijn-zelfs ijdelheid, kan praten
Of hij \'t geluk in pacht had en de vree
Van dit groot Volk, dat nog zich-zelf kan blijven,
Als het maar blijft over het buigend hoofd
\'n Vorstin gedoogen, Wie het kan beklijven
In houw en trouw, hooglijk elkaar beloofd.
O laat elk dit met zijn bloed onderschrijven !
Zoo niet, zal niets van dit Volk overblijven.
2I3
-ocr page 226-
cxxx.
O quasi trotsch en \'t edel hart hoog dragend,
Tot nut des volks \'t best uwer ziel weg-schenkend
En voor dat volk zijn vrijheid durven-wagend.
Omdat ge \'t Volk meer dan u-zelf gedenkend
Beweert te zijn, Gij Heros, die zelfs krenkend
Het Hoogst Gezag dorst zijn, dat, \'t niet verdragend,
U dreigde met de cel, \'dat gij vertsagend
Uw woorden matigdet, u meer bedenkend.
Gij, die al \'t leed der Wereld zegt te voelen
En wilt verzachten \'t, met uw ijdle praatjes
Van \'s Werkmans Lot, — niet zonder \'t klein bedoelen
Van met uw vrienden, hoog, als potentaatjes,
Te zitten same\' eens... . Maar ik zeg: hoe gaat \'t je \'s,
Als een sterk man kalm weegt uw kleine daadjes?
214
-ocr page 227-
CXXXI.
Laf lamlinkje, dat in uws diepsts, oneerlijk
En vuilst begeerlijk, onzienbre Stupratie
Van al wat goed is en voor God staat heerlijk,
Liegt u-zelf heen, door \'t uiterlijke en quasi-
Mannelijk doen, is dees vveerld, waar met gratie
Devootlijk elk moest knielen voor de Facie
Gods-Zelfs, die onaantastbaar zit, maar teêrlijk
Hoort naar der menschen klaag-geschrei, die deerlijk
Roepen om God, vergeefs, wijl zij \'t niet voelen
Dat God te voelen niet is een bedoelen
Van zalig-zijn op aard\', genieten eeuwiglijk,
Maar laat wat elk man, dat wat hij kan, zijn: man,
En zich zelf stelle\' op een groot klaar bedoelen,
En om zich zelf een atmosfeer rein-sneeuwiglijk.
215
-ocr page 228-
CXXXII.
Neen, demokraat niet, (in den zin van Leider
Des Volks) maar dier kindren hartstocht opzweepend
Door woorden zonder zin, waaraan \'t Volk slepend
Zich zelf poogt op te trekken, \'t Volk, Verbeider
Van een Toekomst door U, die zijt Verleider
Van Holland\'s beste kracht, die \'t niet begrepe\' en \'t
Toch wel in hun innerlijk diepst Zijn weten \'t,
Dat niet Gij zijt een magnifiek voorrijder
Van \'t Hollandsen Volk, dat groot in zijn oprecht-zijn,
Vertrappen zal U, guichlaar, wen \'t op \'t uiterst
Zal zijn gekomen, als \'t kan komen, echt zijnd
Ten minste in hun trotschlijk opstaan als muiters, —
Maar gij kwaêjongen, waar het volk om lacht,
Zult worden \'t aller-aller-eerst geslacht.
216
-ocr page 229-
CXXXIII.
Gij zult niet met een kroon op \'t hoofd in \'t Rijk
Der Lettren zitten na uw dood, verdwaasden,
Gij knutslaars ijdlijk, die alleen maar aasden
Om eens te zitten, niet voor \'t Volk, te prijk
Voor boeren, die dan zouden zeggen: »Kijk,
Dat \'s óók een knappe dichter, maar \'k bereik
Er niets van, met mijn dom hoofd, \'t zijn verraasden,
Die liever zorgen moesten dat zij kaasden. <
O allen gij, die meent te zijn een dichter,
Maakt toch u-zelf een aantal ponden lichter
En weet .wel dat onze echte kunst slechts daar staat,
Waar zij oprecht fier op haar beenen waar staat,
Weet toch dat Uw taal slechts in MIJN hand \'s veilig,
Wijl Zij slechts in M IJ N hart is heilig, heilig.
217
-ocr page 230-
CXXXIV.
O, Durgerdammer redacteurtjes, loopt
Toch niet zoo langs in-kronkelige paadjes,
Gij, Durgerdammer, die uw voortgang koopt
Van allerhand\' goedvvillige primaatjes,
(Die zich-zelf Heeren wanen, wijl door gaatjes
Zij kijken meenen in deez\' weerld, die loopt
Haar eigen gang) die op u-zelf slechts hoopt
En wildet zijn toekomst\'ge potentaatjes
Van een denkbeeldgen, maar verdoembren volks-staat,
Verdoembaar hoe f Omdat dan niet zou heerschen
\'t Volk, maar ook Gij niet, die gelijk een kolk staat
Voor \'t Volk en voor U-zelf. O dat de volks-haat
Van dit echt Hollandsen Volk u leere meer zien,
Dan wat gij, stoute kindren, kunt van veer zien.
2lS
-ocr page 231-
cxxxv.
O Gij, die haakt naar \'t eeuwiglijk-verdoemd-zijn,
Verdoemd-zijn niet en ook niet haakt, maar toch
(Door uws diepst-innerlijken-zijns bedrog,
Dat echt verdoemd-zijn is een soort beroemd-zijn)
Waant niet, maar onbewustelijk gelooft, dat toch
Het in dees weerld eerbiediglijk geroemd-zijn
Is \'t hoogst, waartoe een menschje, arm menschje, och, och
Zich heffen kan in glorieuslijk poen-zijn,
O Gij, die speelt, in absoluut brutaal-zijn,
Met u-zelf en met God en \'s Levens fijnheid,
En \'t aller-teerste van der menschheid rein-zijn;
Gij, die tot alles zegt: »kom hier, betaal\'s mijn," —
Keert tot u in, erkennend uw in-schijn-zijn. ...
O Slechte Kindren, wilt toch niet zóó klein zijn.
219
-ocr page 232-
CXXXVI.
»Van \'t Leven" is \'t gebaar eens duivels, kijkend
Achter zich, arglistig, naar het menschdom, dat hij
Had willen slaan in \'t diepst hart, om zich wat vrij
Te maken van elk Mensch-zijn, wat ik lijkend
Weet zijn op Aap-zijn, Gij-zelf, Aap, die grijpend
Naar al \'t echt-menschlijk, dacht te zijn Iets rijpend
Op U zelf staands, vervloek\'ing, gij, die knijpend
Al \'t echt goed gingt op de aard\', de Aard\' niet begrijpend,
O gij, die niets kondt zijn dan een komeetje,
O wereld, uit een hoogre weerld ontsprongen,
Maar dat niet velen kan het moeder-zonlicht,
Daar ge u zelf kinderlijk waandet voldongen
Planeet te zijn, of Zon-zelf, maar die nu als hond ligt
Bedelend gnieprig om een lekker beetje.
220
-ocr page 233-
CXXXVII.
O Satan, \'k adoreer U, door mijn dolk-zwaard
Te mikken op uw ruige borst en dan weer
Plots laten dalen naar uw buik, zoo \'t kan weer
Door \'t vluglijk zwenken naar den echten volks-aard,
En dan en dan en dan weer naar eens doll\'s aard
U op het rechte plekje, dat uw rol staart
Verbergt, treffe\' in \'t diepst van uw doembaar valsch-aard
•iglijk Zijn, van U, die steeds een snol waart.
Satan, Gij Zijt, en zijt in elk mensch machtig,
Elk naar de mate zijner mindere echtheid,
Echtheid, die kon in elk mensch zijn, gedachtig
Zich-zelfs diepst-zelf-zijns goddelijke oprechtheid,
Die kan en wil en moet en kan zich zelf zijn,
Maar mag niet pogen voor God-zelf Gewelf zijn.
221
-ocr page 234-
CXXXVIII.
ü sufferige menschjes, die gehad hebt
Ééns in uw leven — \'t kan zijn — \'t flauw gevoelen
Van wat een mensch kan zijn, als hij maar voelen
Niet wil, maar kan, dat, wat hij niet bedacht zegt
Om aardschen pronk zelf-zuchtig, gij, die lacht weg \'t
Puur menschlijk Zijn, dat zonder één bedoelen
Van zich-groot-maken, gaat in een rein-koelen
Gang door de weerld, tot hij zich-zelf goê-nacht zegt,
In hoop van dan te ontwaken weer, wat-zondig
Zeer zeker, maar toch hopend op het mensch-zijn
Zich-zelfs waarachtiglijk. Ik die geduldig
Het schoone in deze slechte wereld huldig,
O God, mocht dit mijn allerdiepste wensch zijn
En blijven, tot Gij mij mijn lot verkondig\'?
222
-ocr page 235-
CXXXIX.
O kereltje in uw regen-jassen-trots,
Waarmee ge, als een barbaarsche potentaat,
Durft fiertjes stappen door de Kalverstraat,
Met houten nek en gelaat, bruut als rots,
Als waart ge een keer], die op zijn pooten staat,
Zijn eigen, en niet bukken wil voor Gods
Geheimnis ondoorgrondbaar. — Maar gij plots
Zult merken mensch te zijn NIET, surrogaat
Van het waarachtig Mensch-zijn, gij die manlijk
Wilt zijn, en toch gekund hebt met bedriegers
Te knoeien tegen mij, die \'t heel plan doorzag,
Toen \'k was ten doode ziek. O, schandlijk, schandlijk
Staan tegen Mij op, als brutale liegers,
Tegen dit mensch, die heel dit tijd-perk vóór-zag.
223
-ocr page 236-
CXL.
Onschuldig op des Levens golven deinen
Laten moet elk zich, die \'n groot-machtig Schijnend
En Zijnd waarachtiglijk wil zijn en schijnen
Wil oppermachtig]ijk voor zich en zijne
In-zich-zelfs diepste Ziel-zelf. O Gij, mijne,
Mijn eigen Ziel, laat u toch nooit verkwijnend
Door andrer menschen schijnbre ziel, wegdeinend
Op het fataal getij, uw hoog-schoon-reine,
Door niemand, noch mij-zelf begreep\'ne fijnheid
Verdwijnen doen, o Ziel, mijn Ziel, die sterk staat,
Ondanks uw mensch-zijn en uw eigen kleinheid,
Die toch, trotsch op haar innerlijkste blijheid,
Weet dat zij is in zich de reinste vrijheid,
En dat haar Zijn op aard hoog als een Kerk staat.
224
-ocr page 237-
CXLI.
Ik voelde op eens me als een klein kindje liggend
Op de armen mijner moeder, zingend: »sujah,
Sujah, mijn kindje," toen \'k nog slechts een ruw ja,
Kindje maar was, als kind\'ren zijn, die zich en \'t
Puur leven niet begrijpen kunnend, duwtje ah!
Na duwtje geven, echtlijk niets verrichtend,
Tot later in hun leven, »halleluja"
Zij zingen in de kerk, hun plicht verrichtend,
Maar die nu hier sta als een man hoog-fierlijk
Tussche\' al die menschen, die daar, wan-begrijpend,
Staan grijpend naar mijn Zijn, — die zijt verdierlijkt
Gansch in u-zelf, omdat gij niet liet rijpen
In u-zelf \'t Hooge Mensch-zijn. ... Daarom stapt vrij
Van uw vergulde troontjes, met \'n trap \'r bij.
225
15
-ocr page 238-
CXLI.
\'k Ben maar \'n arm jongetje, door God geholpen,
In het zacht-droevig en woest-wildlijk tevens,
Maar toch geduldig ondergaan zijns Levens,
Dat was een jacht-rit, niet voor menschen, wolven,
Achter me gierend, het gebit eens even \'s
Wettende gruwlijk tegen mij, bedolven
In mijn verdrietig-zijn om de\' ernst dej Levens. —
O, die u-zelf onder bestofte stolpen
Zet om uw kleinlijk mensch-zijn te verbergen,
Omdat gij bang zijt uw diepst zelf te ontblooten,
— Wat trouwens geen echt mensch van u zou vergen,
Omdat zij \'t wisten reeds sinds lang, — verstooten
Als gij zijt door elk mensch, dat nog zich ergren
Kan aan ü, jammerlijk geslacht van dwergen.
226
-ocr page 239-
CXLII.
Deze Elf hoeft niet te buigen haar banieren
Voor twaalf Graal-ridders op een rij geschaard,
Want zij is zelf \'t Graal, pardon, schraal, gen\'raal
Over alle andre wijnen-officieren.
O gij, die zijt voor \'t Mensche-lichaam staal
En gif gelijklijk, naar des Mensch-zelfs aard,
O gij, die \'t wint op alle soorten bieren,
— In \'t maken \'t mensch-zijn tot een stuk metaal —
\'t Zij porter of brown-stout of bitter-ale,
Zooals me\' in Londen drinkt aan leuke haartjes,
Waar elk goed mensch staat met eenvoud\'ge vaêrtjes
En moedertjes te keuvelen heel simplijk,
Gevoel\'g eerbiedigend hun aanzicht rimplijk,
Daar in die menschen niet zit \'t Hollandsen vit-veel,
227
-ocr page 240-
CXLI1I.
Gij, die quasi-poétische pretenties
Zijt voor een toekomst, die voor U niet zijn zal, —
Wat ik door-zie, — ik die uw leelijk klein zal,
Neertaaklen zal door mijn waar-puurste essentie;
O, gij, die zijt een wandlende Indolentie
Van slecht-zijn onbeschuldigbaar, o mal,
Neen, idioot geslacht, dat ligt als kwal,
Verworpen door der Zee onkenbre Intentie, —
Gij allen, die daar gaat, schijnbaar zoo weerbaar,
Met baandren en trompetten en wat krijgs-volk,
Geworven door een schettren valsch-trompetlijk, —
Gaat maar zoo door: gij zult eens op uw lijkbaar
Zien, wie gij waart, en dat dit prachtig rijks-volk
Weet dat uw leven was een knoeie\' ontzetlijk.
228
-ocr page 241-
CXLIV.
O gij, die aller-laflijkst complotteert,
Met woorden niet, met daden niet, bedoeling
Slecht hebben kunnend in uw vage voeling
Van wat het menschen-wereldje regeert,
Regeert? Ja, hèn wel, maar niet mij, die keert
Die vuilnis-vaten om, pardon, die woeling
Vermijden willend voor mij-zelf, tot spoeling
Ze zend ter vat-goot aan de Rijnsche veert.
O politiek-zijn is écht politiek-zijn,
Dat \'s politiek voor \'t Goede zijn, en eerlijk
Opstaan tege\' alles wat is bruut, oneerlijk,
En nooit kan worde\' een heerlijk magnifiek-zijn.
O, die uw diepste zelf compromitteert
Compleetlijk, word een kind, dat \'t Hoogere eert 1
229
-ocr page 242-
CXLV.
EPIGRAM.
Herman gaat nu studeeren in Dante en de Chemie,
Hij moest liever sturen aan zijn Tante een Colibrie.
-ocr page 243-
CXLVI.
O zoet, zelf-vergenoeglijk kind Couperus,
Dat steeds gingt in valsch-prinslijk pedantisme
Naast uwe Meerderen en zei: »Wat is me
Dit alles waard, dat zoodje, waar geen heer is,
Die geven kan dat, wat die Oude Gids me
Kan geve\' aan roem, — wat zeg \'k? aan mondainisme,
Ik, die mij-zelf voel een echt Haagsche Heros,
Den Haag, dat laat nooit van zich-zelf een veer los
Tege\' Amsterdam." — Pardon, \'nStad, die \'s Lands Hart is,
Hart heerlijk-hoog, al wordt het ook verstooten
In schijn door \'t Hof zelf, voor wie \'t mooglijk Smart is,
Neen nimmei is geweest, ondanks \'s Stads Grootte,
Maar moest zijn, daar in \'t Hart van Amsterdam
\'t Een leeg Paleis heeft op den Koninklijken Dam.
23«
-ocr page 244-
CXLVII.
Op-donderend Orakel uit het schijnbaar
Neer-zinkend Nederland, dat gaat al wagglend
Heen naar Zijn-Zells Verderf, als gans, die gagglend
Tript op de vuur-plaat gruwelijk, een schijn maar
Van wat eens was, maar worden zal weer, deinbaar
Als Holland, ons Land is door \'t steeds verfijnbaar
Diepst Zelf zijns-zelfs, als maar niet schandlijk sjachlend
Een elk dacht, dat eens anders goed het zijn\' waar.
O gij, die wilt Jong-Hollands grootste man zijn,
Wilt en ook kunt, door \'t driestelijk zich stellen
Tege\' elke slechtheid van het wereldsch wan-zijn,
Dat eigen-machtiglijk elk de\' aêr wil stellen
Op een klein terpje, door hem-zelf vertrapbaar.
Maar, gij, groot man, geef gij den sterksten trap maar. —
232
-ocr page 245-
CXLVIIL
Zie naar \'t Hart Mijn, daar vlamt een helder vuurtje
Niet voor mij-zelf, voor hen slechts die van staal
Verschijnen durven in hoog-aardschen praal
Vóór mij, die dan wel een verloren uurtje
Hun wijden wil, — tot dat ze op eens brutaal
Opstaande zeggen durven : \'t was een kuurtje
Geweest maar, heel plezierig voor een duurtje....
Maar Ik, Groot-meester van lief-Hollands taal
Boven u allen, ik, mag niet gedogen
\'t Usurpatoren-plebs, dat steeds zich kronklend
Om mijne voeten is geweest, met fonklend\'
Oogen, vol haats en nijds, geweest is, pogend
Mij te verstikken, die als zwaar-trotsch man,
Mij-zelf gemaakt heb tot wat Ik zijn kan.
233
-ocr page 246-
CXLIX.
Geen tranen zullen op mijn graf-steê vallen,
Maar lachen onderdrukt-half, of zacht-luid,
En vele menschen zullen vuisten ballen
Tegen dit mensch, dat dan niets meer beduidt.
Zij zullen elkaar aanstoote\' in zacht mallen
Om mij, arm mensch, die sprak zóo hooglijk-luid
In \'t Leven Mijn, die leefde van geluid
Alleen, en van veel opstaan na veel vallen.
O \'t Leven is ééne Melancholie
Van veel verlangen en veel krijgen, om weer
Te grijpen naar het aller-onverkrijgbaarst,
Hoog in de wolken zweemend, onbereikbaarst
Geluk. Geluk f O Mensch, wat zijt gij dom weer:
Heel \'t Leven is Eén reine Melodie.
234
-ocr page 247-
CL.
O Mijn lief leven, zult gij waarlijk enden,
O mijn arm lichaam, zult gij zijn een lijk,
Tot \'t is den monstren in gedaant\' gelijk,
Waar \'t levend Wezen zich van af moet wenden,
Al had het nóg geliefd zoo inniglijk
In \'t vroolijk licht hierboven, wat het kende
Of wilde zien in u, lief heerelijk, —
Wat zal op \'t eind de goede God u zenden,
Voor al uw daaglijksch werk en staêge ellende,
Vernietiging uws levens en koud rusten,
Op \'t leed uws levens willeloos braveerend
Of zult gij weerzien allen, die u kenden,
En stil u goed waren en nu, bewusten,
Zitte\' in Gods Licht verheerlijkt triompheerend ?
235
-ocr page 248-
CLI.
De Heer hoort niet \'t gebed der huichelacht\'gen,
Die slaan aan \'t bidden om iets te verkrijgen,
Of zij niet zelf eerst naarstig moesten tijgen
Aan \'t werk, hun opgelegd, door den Almacht\'gen
God-zelf, Die niet den zwakken, maar den prachtgen,
Schijn-prachtgen slaat, na heel veel goedlijk dreigen:
Slechts wie zich eerlijk voor Zijn Aanzicht nijgen
Zal Hij met zijnen Hoogen Wil bekracht\'gen.
O volk van Neêrland, wilt gij dan niet weten,
Dat goede menschen slechts het kroon-goud dragen
En purpren mantel van het zuiver mensch-zijn,
Maar dat de slechten worden opgevreten
Door hun geweten, dat hen vaak doet vragen:
(Neen, konde \'t slechts !) » Ach 1 Zoude ik wel een mensch zijn
236
r
-ocr page 249-
CLII.
O Menschjes klein, die tegen \'t mensch-zijn aanschreeuwt,
Als waar \'t puur mensch-zijn maar \'n gewoon afreeknen
Slimlijk en bazig met wie niets beteeknen
Zouden dan die, tot wie men door een raam schreeuwt,
Dat men niets noodig heeft. O wie een vaan heeft
Groot-vorstlijk hoog, waar hij zich zelf met teeknen
Van roem beglorieën mee kan 1 O, schaam-beeft,
Gij allen, die niets kunt dan laf bereeknen,
Ik heb geleerd dees weerld en haar slecht\' menschjes
Doorziend-te-weze\', £n blijven een sterk man,
Die doet, wat moet en hij niet laten kan.
Neen, menschen, menschjes, menschjes niet, maar drensjes
Om wat in Hooger Hand ligt, wilt een eerlijk
En needrig dienaar zijn van God hoóg-heerlijk.
«37
-ocr page 250-
CLIII.
Tegen J. K. Huysmans.
O, gij uit uw kantoor-bediendes-kop
Ziende u-zelfs klein in-innerlijkste smerig
Bestaantje, trots-gaande als een vrij-wel heerig
Looper langs \'t Volk van \'t groot Parijs, uws kops
Afslaan niet waard zijnd, waard zijnd wel des strops
Bloed-stremming onafwendbaar, op des tops
Niet-Zijnds gruwbaarst, vuil voortknoeier op Rops.
\'n Goed mensch is van elk slecht mensch diepst afkeerig.
Gij zijt geen man: gij zijt een vies verkrachter
Van \'s Werelds eeuw\'ge schoonheid, die voortdurend
Met staat\'gen zwaai vermeestrend \'s werelds macht, er
Een hoogre macht van maakt, o gij, die turend
In \'s Levens mikroskoop, zoo idioot, vergeet
Dat gij met uw slim turen nóg niets weet.
238
-ocr page 251-
CLIV.
O gij, drink liever een glas negentien,
In de Bodega, voor u vaatje pratend,
Met uwe goede makkers, die daar zate\' en \'t
Hoorde\' onder \'t heimlijk naar den regen zien
Daar-buiten, en dadelijk \'t vergat e\' en \'t
Nooit weer vertelden aan wie, tegen wien ?
Mocht willen werken op, ja, tegen wien?
Tegen wie zich hoe langs hoe meer versatant
Alleen om negentien, hoor wel, Sonnetten
Te kunnen zetten in een boek bespotlijk,
Van idiotistisch egoïsme, wanend
Een Lied der Smart te zijn, maar dat slechts zotlijk
Een boekj\' heeft kunnen worden, dat vermanend
Elk waar artiest zal zijn, dat niet in Leugen-
Absoluut is der Dichteren Verheugen.
239
-ocr page 252-
CLV.
Wet-houder-leerling naast den achtbren Bunk,
Gij meent een heer te zijn met hoogen hoed op,
Die tegen \'s Levens Goddelijken Vloed op
Te staan poogt, mannekijn vol eigen-dunk.
Ja, Ja, gij zijt een mannetje vol dunk
Van uw klein pietrig zelfje. \'k Zal een voet op
Uw kleine kopje zetten, dat \'k een roede op
U kon neerklettren doen, o eigendunk-
lijk vuil, laffelijk-usurpeerend Mofje,
Dat winkel-dienen moest in ons Sterk Huis,
Ons Land dat is als een besteedling-huis,
Goedig, groot-moedig voor uw volk.... Wat bof je I
Gij dor barbaartj\', hier heelemaal niet thuis,
Gij, met uw hoed op, voor Mevrouw Versluys.
240
-ocr page 253-
CLVI.
De Koo\'s ziel — als die is, — is als een kuikentje,
Dat knusjes zit in \'t verster-bankje buiten,
En onbeschaamdlijkjes pikt op de ruiten,
Net als een muschje doet, dat pikt en, ruiken \'t je ?
Niets hebben mag als hoogstens een beschuitje en
Wat vliegjes, roekeloos zich gooiend buiten,
Net als gij-zelf, uit zich-zelf, nog-maals, ruiken \'t je?
O, gij verfonfaaid door u-zelf uilskuikentje, —
Om dan te vliegen naar zijn vogel-volkje,
Al-door maar zeurieènd in waanwijs weten,
Van wat dit is en dat is, troebel kolkje
Van in-verwaand begeeren. Ga eens meten
U-zelf met ons-zelf. O gij weet, de Kootje,
Niet, dat gij zijt stijf-breekbaar als een strootje.
241
16
-ocr page 254-
CLVII.
O goede keerl, die u laat staêg bedeuken
Door \'t plebs, dat \'s in uw ingewanden woelend
Met gier\'ge handen, wijl zij gansch niets voelend
Van uw goed zelf, toch steeds maar willen beuken
Op uw Zelf magnifiek, dat flink en eerlijk
Gaat door de wereld, zonder een\'ge breuk en
Scheur te slaan willen in het godlijk-heerlijk
Leven, dat is der godlijkheid hoog-leuke
— Voor ons arm\' menschjens, die zoo moeten denken —
Ontastbare Oppermacht, Die eeuwig zittend
In \'t Licht, ziet al der menschheid daên en wenkend
Soms met De Hand\'s, Zijn Hand, het Al bezittend.
O Laat geen mensch zijn de\' anderen bevittend
En geen waarachtig mensch \'t Waaracht\'ge krenkend.
242
-ocr page 255-
CL VIII.
/
O, die u dichter waandet omdat gij
Mij kennen leerdet, die u hoog-volvaardig
Leerde begrijpen, wat den dichter waardig
Was en nog altijd is en steeds zoo zij.
Gij, thans gevall\'ne, van uw waarlijk aardig
Wel, maar onweeslijk en door mij vervaardigd,
Kunstmaat\'g omhoog g\'kal\'faterd toor\'ntje, blij,
Dat gij daar zitten mocht, kindje Verweij.
Gij, die zijt niet poëet, maar duitjes-tellend,
Die dacht in Holland hier te zijn vervaarlijk,
Een ieglijk \'t naadje van de kous vertellend,
Dichter bij Gods gena, maar die, stipt waarlijk,
In u-zelf zijt slechts burgermann\'tje, rakkertje...
Zeg, klopt nog in uw borst een klein heusch wekkertje ?
243
-ocr page 256-
CLIX.
O Menschjes klein, \'k wou zoo graag bij u zijn,
U krieblen, hand-schoen aan, aan viez\' voet-teentjes
Van uw vuil zelf, dat zelfs niet kunt uw scheentjes
Wassche\' in \'t frissche morgen-water, — o gij,
Licht van den vloer eens op uw zware beentjes
En laat mij vroolijk eens zoo Hollandsch-vrij
En blij eens met u rond-dansen. Neen, gij
Leef liever zelven allen op uw eentjes,
Dan dat gij doorgaat met elkaar te knoeien
Over wat dingetjes, die gij bedachtet,
Die \'t in-u-zelf-elkander-te-verfoeien,
Maar te flikflooien, dacht het Mensch-op-Aard zijn,
Gij, die u beurtlings tege\' elkaar op wacht zet,
Wat, dunkt u, zou zóó\'n leventje wel waard zijn ?
244
\\
-ocr page 257-
CLX. 0<^(              ^
O ma trop courte et delicate vie,
O ma triste ame, que saurais tu dire
A celui qui, impudemment de pire
En pire, désirerait lui, pour la triste envie
De pouvoir être lui, lui seul, 1\'empire
Absolument — non pas, la fausse lie
De toute cette trop étrange vie,
Vie? Mais non, délicieux délire
O L\' Imagination, terrible telle,
Qu\'elle puisse être dans sa forte fougue
De voir en soi-même la pure extase
D\'être une ame durement rebelle,
O, mais rebelle a tout ce tas de bougres,
Pour qui la mort est une morte phrase.
245
-ocr page 258-
CLXI.
Oh, Ie doux bonheur d\'être une fois sage,
Sage et puis d\'une volonté suprème
De règner, moi, Roi seul, dans un extreme
Moment de vouloir et de pouvoir, Mage
Inconscient, tout blanc, qui de lui-même
Tire son sort superbe, quoique rage
Autour de lui 1\'inéluctable orage....
Inéluctable? oh non, sinon que blême
Moi-méme, je me perdrais dans Ia crainte
Des hommes et des choses, de ce monde
Terriblement infame, o Tas immonde
En ce beau monde, qu\'il veut perdre et puis .
Savoir ne voudra jamais que je suis,
Pauvre moi, suis 1\'Universelle Plainte.
246
-ocr page 259-
clxii.
Elk kloppen van mijn bloed is een gebed,
Wanneer \'k de handen samen-vouwend smeeke
Om één, Onkenbaar Wezen, — één, één teeken
Van U, mijn God, mijn Eénge Heer, Die let
Op elke daad, gedachte of woerd, o Het
Aller-aller-onkenbaarst Zijn, die \'t weeke
Bewegen mijner ziel hebt doorgekeken,
Hoe het zich-zelf in zich-zelf steeds verzet, —
O God, mijn God, Gij zijt wel gansch-almachtig,
Schoon \'k niet begrijp hoe \'t slechte kan op de aard zijn,
Maar Gij zijt God, God-zelf, voor Wien ik, krachtig
Mensch, door Uw Wil, deemoedig buig in prachtig
Vernederen mijns-zelfs in diep-vervaard zijn.
01 \'t echte slechte nimmer kan iets waard zijn.
247
-ocr page 260-
CLXIII.
God, Die mijn Diepste ziel ziet, wees weldadig
Voor dit uw arm kind, dat maar steeds geslagen
Wordt door klein\' menschjes en hun ijdlijk plagen,
O God, mijn God, wees dees mijn ziel genadig!
Zie, \'k gaf mijn hart den menschen, \'k zei: verzadig
U aan mijn rooden bloed-stroom met stil knagen,
\'k Kan alles, alles wat gij doet, verdragen,
Aandoen wilt mij, die was mij-zelf gestadig
Kastijdend hard, in innigst-diep verneêren
Mijns trotschen Zelfs, dat voor geen mensch wil buigen,
Daar DAT NIET kan, wijl \'k U alleen vereeren
U, God, mijn God, vermag in vroom getuigen.
O, \'k weet zoo wel, zij zijn een Aardsche Luister,
Ik slechts een snikkend wicht in \'t eenzaam duister.
248
-ocr page 261-
CLXIV.
IN MEMORIAM.
A. d. R.-K.
obiit 1873.
Vrouw grandioos, die waart me een wonder, heerlijk,
In \'t ver Verleen, toen ik, nog maar een kindje,
Te beven zat op \'t flauwelijkste windje
Van menschelijke kwaad- of goedheid, zeerlijk
Geplaagd door menschjes, die mij ruw, — mij, deerlijk,
Diep-voelend kind, — behandelden mij, kindje,
O doodlijk eenzaam, al te arm, al te arm kindje,
Dat toch zich zelf voelde in zich zelf zoo heerlijk.
O, Sinds zoo lang reeds doode vrouw, die mij
Hielpt in mijn klein ellendiglijk bestaantje,
Vaak met een zak vol koekjes, dat ik blij
Afveegde \'t allerlaatst-verkropte traantje,
En dan ging vroolijk zingen in de huis-gang,
Door wat ik voelde»
O \'t Leven is een Kruisgang.
249
-ocr page 262-
CLXV.
O Pieter Lodewijk, gij vriendlijk gastje,
Die ook wel kunt zijn gastheer zeer waardeerlijk
Met kippetjes na ossevleesch, flink teêrlijk,
En kreeften-sla, die had alleen.....een bastje
Ik zeg niet hard, maar toch benauwend deerlijk
Mijn menschelijke maag, dat \'t was als was \'t je
Er om te doen geweest, ofschoon \'t niet past\' je,
Mijn Ik te brengen in een toestand zeerlijk
Van zijn diepst zelf te moeten geven buiten
Zich-zelf (wat ik hier zeg, is gansch lichaamlijk,
Maar menschen zullen zeggen: wees betaamlijk)
O Pieter Lodewijk, ik zeg u: sluiten
We een trouwen bond tege\' alles, wat aantasten
Wil uw diepst Zijn, en mijn aanstaande lasten.
250
-ocr page 263-
CLXVI.
O het tranen-vergieten is geen zonde,
Gepleegd aan \'s werelds mooi-somber voortglijden
Zacht door den eindeloozen gang der tijden.
O wie nog tranen, tranen vergieten konde.. ..
Hij zou de wreede, wreede wonde op wonde,
Die dorsten menschjes in het hart te snijden
Hem, die wilde allen in zich zelf verblijden,
Heelen door tranen. Tranen Zijn Geen Zonde.
Want wat zijn tranen, tranen als een teerheid,
Hoog-heerlijk in zich zelf gebrokene emotie
Als \'t mannen-lijf niet langer kan hoog-trotsch zijn ?
O Laat ons allen vallen in devotie,
Als Iets, wat grandiooslijk week ter-nêer-leit,
Een mensch kan nooit maar wou toch wel een Rots zijn.
251
-ocr page 264-
V
CLXVII.
O Dood-zijn, liggend in een kist verterend
Langzaampjes aan, o eeuwig-eenzaam stom
Klein koud gelaat, op \'t wit kussentje, keerend,
Schoon \'t Liefste u smeeken zoude, u nooit meer om.
O Menschdom, dat niet wil blijven stil leerend
Van Uw-Zelfs innerlijkste Zelf, o dom,
O Dom ja, daar ge u-zelf verneerend, krom,
Moest buigen voor \'t groot Zijn, dit al beheerend.
\'n Mensch-leven is een zacht sterven gaande
Naar \'t groot geheim, waarvoor elk wezen beeft,
Den dood, een grijns, die goedig steeds blijft slaande,
Omdat de dood weet dat een ziel niet beeft
Voor \'t hoog-klaar triomfantelijkst Aanstaande,
Daar al wat leeft, waarachtig eeuwig leeft.
252
-ocr page 265-
CLXVIII.
Oh, oh, mon Dieu, oh les pleurs qui ruissellent
A force d\'une douce, farouche extase,
Lelong de mon pauvre visage, image
De ma toute pauvre ame, telle quelle,
Ame petite, voulant être belle,
Quoique autour d\'elle retonne 1\'orage
Etincelant en éclairs. Oh, sois sage,
Ame petite, ouï, mais vraiment belle,
Chère ame, mon amie solitaire
De la quelle, oh quelle I je sais puiser,
Moi puiser sais la seule pure et claire
Et 1\'éternelle en soi-même, lumière,
O pauvre ame qui de toi-meme sais
La vraie et pure sincèrité sévêre.
253
-ocr page 266-
CLXIX.
O Aletrinootje, gij valsch, Moorsch Vorstje,
Dat ferm zit op \'t belachelijkste troontje,
Pas op, daar gaat \'t, uw waggelende kroontje
Valt van uw kopje, och kereltje, wat dorst je
IJdlijkjes je verheffen op één toontje
Om schijnen wat gij niet zijt, ridderborstje
Schijnbaar, daar gij niet zijt dan een hansworstje,
O fierlijk om u blikkend, gij gewoontje,
Denkt uw klein menschje-zijn te zijn het echt-zijn
Van \'t mensch"geslacht, groot-heerlijk in zijn hoog-doen,
Maar dat vóór alles moet manlijk oprecht-zijn,
O gij, die haakt naar uiterlijke roempjes,
Zeg doempjes. Want geen dezer zal omhoog spoen,
Dan wie \'t al-godlijk voelt in zeed\'ge bloempjes.
254
-ocr page 267-
CLXX.
O door het Leven niet, maar uit u-zelven
Bedorven volk, want \'t Leven-zelf bederft niets,
\'k Zeg tot u allen: kinderen, gij derft iets,
Waardoor ge u-zelf kunt de\' Eeuwgen Afgrond delven.
Gij moet gelooven dit, (Want ik verwerf niets
Door mijn woord, niet van Menschen noch God zelven,
Ik doe \'t slechts, wijl ik niet wil dat ten Elven-
der uur gij u zoudt werpen in een Zelf-Niets,)
Ik zeg U alle\' ootmoedig en devootlijk,
Maar met een wil, alleen door God\'s wil breekbaar :
Daar Is een God, schoon wij niet weten Wie \'t is.
Ik zeg U, \'k ben geen man, zwakjes-bigotlijk,
Noch door de dingen van dit Leven breekbaar,.
Ik zeg slechts: Daar \'s een God, en Die Is, Die Is.
255
-ocr page 268-
CLXXI.
Klein, koud kindjen in uw houten doos
Ligt ge o dood beklagenswaardig menschje,
Heel uw leven was zoo noodeloos,
Daar niet één enkel, enkel, puur waar wenschje
Kon stijgen op in uw broos hoofd, dat boos
Was onbewustlijk altijd, arm lief drensje
In u-zelf, om uw groot geslacht, dat, voos
In zich, schrijdt voort in vorstlijke impotentie.
O Ondanks al, goed onvergeetlijk mannetje,
\'t Is lang geleden, dat ik bij u zat,
En sprak en dronk wat rhummetjes en biertjes,
O Jozef, die door \'t Zijn staptet zoo fiertjes,
Alsof ge \'t Leven in echte\' erfpacht hadt,
Uw Zijn was een verkeerdlijk getuigd spannetje.
256
-ocr page 269-
CLXXII.
IN MEMORIAM.
Dat was een lief mensen, dien wij nimmer zullen
Terug-zien, stervende als hij is geweest
Heel ver van wat hij lief-had, als een beest
Gezeuld in \'t eerlijk graf-zijn, dat met muilen
Plof zacht viel op zijn trouwe hoofd, het rulle
Zand, dat\'s der doode\' allerlaatst aardsche feest.
O \'t dood-stil graf, dat nooit weet wat geweest
Is \'t arm mensch-lijf, dat kan zoo\'n grafje vullen.
O Vincent, die zijt altijd goed gebleven
In \'t arme leven dijn, krachtens \'t zoet rijp
Bloeien alom op van uw bloem-zacht leven,
Daar üw weerld om u zei, o grijp maar, grijp,
Waar gij niet kondt, daar gij niet woudt, o rijp,
Zacht mensch, die kon niet aan dees aarde kleven.
257
>7
"•W.,.-
-ocr page 270-
CLXXIII.
Klinkende, klinkende en altijd-door klinkende,
Klinkende in mijn oore\', o trompetten steeds statig,
Door zuilen klinkende grootsch-plecht-statig
Mijner Ziel Orgel, mat-glinsterend-blinkende
Orgel in \'t hoog kerk-ruim stervende krinkende
En weer óp- óp "klinkende, matig
Tonen uit-gevende, statiglijk-statig
En dof uitdreunende zinkende, zinkende,
Dan weer op-neuriend in glas-heldre akkoorden,
Hoog boven \'t steunend sombren van der ziel smart,
Dat zelden zielen voelden, schoon zij \'t hoorden.
O zielen, menschen-zielen zijn als woorden,
IJdlijk, ijdlijk gesproke\'. O zij geen ziel hard,
Want der ziele muziek behoeft geen woorden.
25S
-ocr page 271-
CLXXIV.
Gelooven doe ik niets als slechts in mijns
Diepst innerlijkst gevoelens tastbre kleenheid,
Die niet voor niets zoo jammerlijk weg heen zijt
In uws Diepst-Zelfs, door niets aantastbare Eenheid,
Maar boven alles in God-zelf, die Zijns
Al-oppermachtiglijken Wils geween leit
In dit arm kind, dat niets dan iets heel reins
Bedoelt tegenover al die Gemeenheid
Van der menschheid aller-afschuwlijkst kleinst
Gedoe om wat, wie weet dat, weet dat? dan wie \'t fijnst,
Wat fijnst? Onreinst kent, dat daar als een steen leit
Op \'s Levens weg, Uw Zelf, tot ge eenmaal gedeinsd
Wel hebben moetend, op een drafje heenrijdt,
Waar ge allen eenmaal als een koud gebeent leit.
259
-ocr page 272-
CLXXV.
Goedige Herman, die van \'t heele Leven
Niets kunt begrijpen, wijl gij niet goed zijt,
Niet door uw kindsche zelf, maar wijl ge altijd
Wildet met kleineren dan gij saam-streven,
Die gij veracht, gij-zelf hebt het gezeid
Mij-zelf, die met een zachten glimlach even
U niet gelooven konde, maar toch blijd
Meende te zien in U een mensch, die weven
Voort kon aan \'t werk onzer Literatuur,
Kón, als hij wilde, zijn klein Ik vergetend,
Doen, wat hij waarlijk moest doen, net als broer zei,
Maar gij, gij wildet niet, daar uw natuur
Is \'n koud-eerzucht\'ge, door u-zelf geketend
Nietsje, dat niet breekt, maar slechts rekt als een snoer
260
-ocr page 273-
CLXXVI.
O Gij, verkrachter van veel vrouwen-zielen,
Die gij, Ellendling, vvildet, wellicht kondt
Verknoeien, daar gij met uw vuilen mond
Besabb\'len kondt der vrouwen willend knielen
Voor \'t waarlijk man-zijn, vrouwen, die wel wielen
Kunnen om \'t man-zijn, zoo niet DIE man zond
Zijn vorstelijken wil, in \'t dartel krielen
Dier vrouwen, draaiende ijdellijk in \'t rond,
Omdat, bijna, geen vrouw de macht heeft te uiten
Haar innerlijkste Zelf dien mannen bruut,
Bruut, wijl haar al-allerdiepst Zelf valt buiten
\'t Begrip der mannen, schijnbaar absoluut,
Want slechts echt Voelen, ondefinieerbaar,
Heerscht op dees Weerld, door menschjes onbeheerbaar.
261
-ocr page 274-
CLXXVII.
Door één lief woordje zou zich laten winnen
Door één gebaar of vriendlijke oog-opslag
Of door een luiden, open-heldren lach
Na veel gevlei\'s en zachtjes-aan zoet minnen
Ik, die droef-wachtend op des Levens tinnen
Melodieus zit klagend, naar den dag
Opstijgend glorieus, van wat eens mag
Bevredigen mijn ziel en zachte zinnen.
Ach nimmer heeft Een Wezen lief-gehad
Dit arme Zelf, dat maar gestaeg moest dwalen
En blij was, als \'t een goed\'gen hand-druk had,
Maar toch blijft Liefde\'s Aangezicht mij stralen
In \'t donkere toekomst\'ge. Ai laat het falen
Mij, die in Mij-Zelf heb den Grootsten Schat. 1
362