-ocr page 1-
P BEI PINXSTERM
-ocr page 2-
yv^ \\Ol>Cft>
i
\'
:
.
.
\'Mm
i
-
..:.
.
\'
1 Se5»3
.v-v" \'••• r": -\'!\'-\'
>\' -
-ocr page 3-
.
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
iiiiiiiiniiiiiiiiiliilllllllllllinilllllllllllllllllllllllllll
A06000029484387B
i.y
*
2948 438 7
-ocr page 4-
-ocr page 5-
„DAGEN VAN GOEDE BOODSCHAP;
OP DEN PINKSTERDAG.
(Met HEMELVAART.)
-ocr page 6-
-ocr page 7-
pf>f> \'o
\'°>
2)^
«m m %
m.
Oï DEN PINKSTERDAG.
(Met HEMELVAART.)
DOOR
DR. A. KUYPI R
—^^^NAAAAAAAAAAA^^"—
BIBLIOTHEEK
5            -*-
AMSTERDAM.
J. A. WORMSER.
1888.
-ocr page 8-
-ocr page 9-
Met Pinksteren treedt de Kerke Gods als Algemeene of
Katholieke wereldkerk de wereld in.
Ze was ook eertijds Katholiek geweest. In het Paradijs.
In de dagen van Noach. Toen Terah nog in Ur der Chal-
deën omzwierf.
Maar sinds was ze door Abrams roeping tot éen volk
bepaald, en besloten binnen het nationale perk van Israël.
Toen nu was ze niet meer algemeen, niet meer Katholiek,
maar volkskerk in den strengsten zin des woords. En dat bleef
ze tot op den Pinksterdag. Toen legde ze de windselen van
de volkskerk af en wierd weer gelijk vanouds wereldkerk,
Katholiek in hoogeren, Schriftuurlijken zin.
Dit volgde uit de Hemelvaart.
Haar Hoofd zetelde nu niet meer te Jeruzalem op Zion,
maar in het Jeruzalem, dat boven is, en regeert van daaruit
zijn Kerk voor alle volken en natiën evengelijk.
Vooral de heilige apostel Paulus heeft deze verborgenheid
schier bezongen in zijn aangrijpende blieven aan de Kerken
van Efeze en van Rome.
-ocr page 10-
VI
Zoo hooren Hemelvaart en Pinksterdag bijeen.
Hij vaart ten hemel om den Heiligen Geest te kunnen
uitstorten.
Vandaar, dat ook deze derde Bundel u meditatiën op deze
beide heilsfeiten saam moest bieden.
\'Ae leiden u eerst naar boven in bet hemelsch Jeruzalem,
in den tabernakel, dien God gemaakt heeft en geen mensch.
Oin dan uit dien tabernakel weer naar de Kerk op aarde
af te dalen, maar nu mét den Trooster, verzelschapt van
den Heiligen Geest.
KüïPER.
Amsterdam, 1 Mei 1888.
-ocr page 11-
INHOUD.
lik.
I.    DE HEMELVAART.
HEFT OP, GIJ EEUWIGE DEUREN !.....................        3
GI.I 7.IJT OPGEVAREN IN DE HOOGTE...................       8
DIE DOOR DE HEMELEN DOORGEGAAN IS................     13
OPGEVAREN VER BOVEN AI.LE HEMELEN................     18
OPVAREN, DAAR HIJ TEVOREN WAS !...................      27
MET GAVEN TOT DER MENSCHEN TROOST...............     31
BOVEN, WAAR CHRISTUS IS !.........................      39
ALTOOS MET DEN HEERE WEZEN\'!.....................      44
II.    PINKSTERDAG.
DE TROOSTER, DIE MIJN ZIEL VERKWIKKEN ZOU !....... 51
DE ANDERE TROOSTER............................... 50
DE LEVENDE GOD IN HET MIDDEN VAN Ui............ . Gi
DE HOOGTIJD VAN DEN HEILIGEN GEEST............... 75
DIE ZIJN HEILIGEN GEEST IN HUN MIDDEN STELDE...... 83
DE TEMPEL VAN DEN HEILIGEN GEEST................. 87
DIT IS HET, WAT GESPROKEN IS DOOR DEN PROFEET JOEL ! 9C
TONGEN ALS VAN VUUR.............................. 105
VOL ZOETEN WIJNS.................................. 109
DE TROOSTER....................................... 114
HET ANKER DER ZIEL................................ 123
AANGEDAAN MET KRACHT UIT DE HOOGTE.............. 130
ONTVANGT DEN HEILIGEN GEEST !..................... 140
LIEFDE IN ONZE HARTEN UITGESTORT DOOR DEN HEILI-
GEN GEEST....................................... 148
DE GEEST IS HET, DIE LEVEND MAAKT................. 153
DE LEEUW HEEFT GEBRULD !......................... 158
EN GIJ DE RANKEN!................................. 103
LIEFDE DOOR DEN HEILIGEN GEEST................... 107
-ocr page 12-
-ocr page 13-
DE HEMELVAART.
i
-ocr page 14-
-ocr page 15-
HEFT OP, GIJ EEUWIGE DEUKEN!
Heft uwe hoofden op, gij poorten!
ja, heft op, gij eeuwige deuren ! opdat
de Koning der eere inga.
Wie is Hij, deze Koning der eere-.\'
De Meere der heirseharen, die is de
Koning der eere.
Psalm 24 : 9, 10.
Heel Davids ziel had er naar gehunkerd, om zelf den
tempel voor de arke Gods te mogen bouwen. Maar de pro-
feet kwam en zei: ,/Jehovah wil het niet; niet gij, maar
Salomo, uw zoon, zal tempelbouwer wezen \\" En toen David
dat zeker wist, toen morde hij niet en dwong niet, maar
sneed de zaak opeens af, en verkwikte zich van nu voortaan
heerlijk met zijn geest in hetgeen niet hij, maar Salomo zou
volbrengen.
o, Die heerlijke dag vol glorie, als de arke Gods eens in
den voltooiden tempel in zou worden gedragen! Het was of
de morgen van dien dag reeds voor hem was aangebroken\'.
Hij zag alles, alsof bet reeds werkelijk plaatsgreep, voor
zijn oogen. Die prachtige tinne, die statig gerezen muren,
en dan die opgang in de arke Gods, plaatse zijner majes-
tueuse tegenwoordigheid! o, Het was David als zag hij, over
ark en tempel heen, zelfs nog verder, tot in het hart van
dien anderen David, der vaadren afgebedene, van wien én die
arke én die tempel nog niets dan schaduw waren en symbool.
En nu ziet hij die arke Gods den heiligen heuvel, de
glooiing van Zions heiligen berg opgaan, tot men op den
-ocr page 16-
4                              HEFT OP, GIJ EEUWIGE DEUREN-!
muur van Zions vestingbrug stuit. En in dien muur zijn
poorten. En in die poorten deuren. En die ark kan er door,
ja, maar toch, ze zijn te laag, te nietig, te drukkend voor
Hem, van wiens ingang in glorie die opgang der arke nog
slechts het zinnebeeld is. En hoor, een psalm zingt David nu
in den Geest en roept uit: „o, Poorten, rijst uit uw laag-
heid hooger op, verwijdt, verbreedt, verhoogt uw ingang !
o, Eeuwige deuren, groeit uit, wordt koninklijk, ontsluit u!
Want ziet, Hij komt tot u in, „de Koning der eere", der
hemelsche legerscharen Heirvorst, de Verkwikking en Ver-
lusting mijner ziel!*
Wel terdege is deze psalm dus rechtstreeks op de be-
nauwde poort in den muur van Zions bergcitadel te duiden.
Hier Jeruzalem, daarboven die tempel, en tusschen dat
Jeruzalem en dien tempel die zware muur met zijn geduchte
poorten en zijn eeuwige deuren. En daarom David psalmend
in heilige verrukking, nu de arke des Heeren als drager van
Gods majesteit aankomt:
„Heft uwe hoofden op, gij poorten,
En verheft u, gij eeuwige deuren,
Opdat de Koning der eere inga!"
„Wie is die Koning der eere\'.\'
De lleere, sterk en geweldig!
De Heere, geweldig in den strijd!"
En dan nogmaals:
„Heft uwe hoofden op, gij poorten,
Ja, heft op, gij eeuwige deuren!
Opdat de Koning der eere inga!"
„Wie is Hij. deze Koning der eere?
De Heere der heirscharen,
Die is de Koning der eere!"
Toch is dit het wezenlijke niet, omdat Zion zelf het wezen-
H
1
ke niet was.
Jeruzalem was schaduw, en de tempel was schaduw, en scha-
-ocr page 17-
HEFT OP, GIJ EEUWIGE DEUREN !                            5
duw was de ark, die er in stond, en schaduw evenzoo de
Zionsmuur, die Jeruzalem van den tempel scheidde.
Dat alles was niets dan aanschouwelijk onderricht; een
voorbeelding der zake; zinnebeeld van het ware; duidend en
doelend op blijvende, op wezenlijke, op eeuwige dingen.
Dit vat niet de wijze, maar wel de kerke Gods, en in die
kerke Gods Gods uitverkoren lieveling.
En daarom heeft die kerke Gods door alle eeuwen, niet
gissend, maar wetend, vast, beslist en stellig uitgeroepen:
Dat zong David, in het beeld der arke, van de eigen Hemel-
vaart van Jezus!
In Jeruzalem dorst men naar den levenden God, maar de
Heere woont op Zion; en nu die muur en die eeuwige deuren,
die maar niet weggaan. Altoos de scheiding ! Hem daar zien,
dien tempel; ze daarin weten, die arke; weten: daar, daar
is ze, de tegenwoordigheid des Heeren; en dan toch die zware
muren, die benauwende poorten, die eeuwige deuren!
Maar nu, leef op, o, mijn ziel, leef op, o, verkwijnend
Jeruzalem! Daar breekt het door! Daar vloet het heil! Daar
komt de Koning der eere! En nu, nu wijken ze, die muren,
nu heften die drukkende poorten zich omhoog. Nu dan, rijst,
rijst, eeuwige deuren, opdat Hij inga, die Vorst van \'s hemels
legermacht, en gij, die naar uw God bleeft dorsten, zingt en
jubelt van victorie!
Wat die „eeuwige deuren" dan wel zijn?
Alles, alles zijn ze, wat Jeruzalem van de arke afsluit. En
dus alles, alles, wat voor het verkwijnend hart van den el-
lendige een muur is tusschen hem en de heilige heerlijkheid
zijns Gods.
Een deur is, wat u uitlokt om er door te gaan, maar
met grendel en bout er over; een deur, die u niet doorlaat.
Een eeuwige deur is, wat u tart om door te gaan, maar,
hoe gij ook klopt en stampt, dicht, dicht als een muur blijft,
en zoo dicht wordt gehouden, dat alles u zegt: Ze gaat nooit
open. Het zijn eeuwige deuren. Eeuwig zullen ze u buiten-
houden!
                            ,
-ocr page 18-
6                             HEFT OP, GIJ EEUWIOE DEUKEN !
Maar nu komt Messias. Ood erbarmt zich over den ellen-
dige en zendt u een Heiland.
En hoe nu, zullen die deuren, die eeuwige deuren, nu ook
Hem tegenhouden?
En zie, op die vraag nu profeteert de Geest in David:
Neen, en nogmaals neen, voor Hem zullen die eeuwige deuren
bout en grendel vallen laten, voor Hem openvliegen, eens zelfs
voor Hem zich verwijden, zich verbreeden, omhoog rijzen,
opdat Hij glorierijk inga, Hij, de Koning der eere!
En merk wel, telkens is het weer een deur!
Eerst de eeuwige deur van het vleesch, waarachter ge vast-
zit, die u niet doorlaat, dat rleesctt, dat u benauwt. Maar
Christus breekt er door en Hij komt in dat vleesch en door
de eeuwige deur van dat vleexc/i tot u. Zoo is Hij u reeds
nabij. Uwer een, als uw broeder geworden !
Maar dat brengt er u nog niet.
Het Woord, vleesch geworden, is wel Messias bij u, maar
zóo, dat gij met Messias en Messias met u in de plaats der
verkwijning zijt, afgesloten van Zion, gebannen van de heer-
lijkheid, met weer den muur en de eeuwige deur voor u.
En daarom, uit en met dat vleesch moet het voort en ver-
der. Nu den berg op. Van de vlakke aarde naar den hoogen
hemel. Niet hier, daar is de glorie. Hier zwak, zal Messias
daar eerst machtig, groot in majesteit, tot uw redding, tot
uw zaliging bekwaam zijn.
Vandaar de Hemelvaart!
Naar den hemel! dat is naar het oord, waar het zwakke
heerlijk wordt; waar de macht is; waar kracht en mogend-
heid kan geoefend. En diiar, daarheen gaat nu uw vleesch,
uw Messias in uw vleesch, in datzelfde vleesch en bloed,
dat op Golgotha aan het schandhout hing.
En zie, nu eerst ten volle heffen ze zich op, en nu eerst
rijzen ze omhoog, die eeuwige deuren.
En de Koning der eere gaat in
Uw Koning, o, kerke Gods, die allen schat heeft om u
te zaligen, u te rechtvaardigen en heilig te maken en vol-
komen te verlossen.
Door de eeuwige deuren door ingegaan in den meerderen
-ocr page 19-
HEFT Ol», GIJ EEUWIGE DEUKEN !                             7
tabernakel, die niet met handen gemaakt is, nu eerst
laat uw Koning het heil en den zegen stroomen; en zijn
kracht gaat uit; en Satan kruipt weg, omdat de goddelooze
wordt gerechtvaardigd.
En toch is er ook zóo nog het einde niet.
Er is nóg een eeuwige deur.
De deur van uw eigen hart. Die door Satan dichtgegren-
delde en dichtgeklonken deur van uw ziel.
o, Hoe duizendmaal hadt ge tegen die eeuwige deur van
uw hart het hoofd reeds stukgeloopen. Dat ze te benauwd
werd en gij het in uw angstig hart niet meer houdt uit-
houden, en eruit woudt en bonsdet tegen die deur, en
riept: Doe open, open toch, o, heb erbarming en laat me
niet stikken in mijn eigen benauwing!
Maar het hielp niet.
Er kwam geen gehoor.
Ook die deur van uw zondig hart bleek een eeuteiffe dsav
te zijn.
Tot.. . totdat Hij kwam, niet waar, die Koning der eere !
Want toen Hij van den troon zijner heerlijkheid zond en
zijn gezanten met den hamer van zijn Woord sloegen, toen
bleek het ook bij u: „Waar het woord des Konings is, daar
is macht\\" Want toen sprongen de sloten en knapten de
grendels, en de deuren verhieven zich, en Hij ging in, de
Koning der eere. De Heere, sterk en geweldig. Hallelujah!
-ocr page 20-
„GIJ ZIJT OPGEVAREN IN DE HOOGTE.*
Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij\'
hebt de gevangenis gevankelijk ge-
voerd; Gij hebt gaven genomen om
uit te deelen onder de menschen.
Ps. 68 : 19.
Aan niets waagt vermetele twijfel eer de hand te slaan
dan aan \'s Heeren opvaren ten hemel. De Hemelvaart met
zijn kostelijken troost moet eerst weg uit het zielsoog; en-
is dat eenmaal gelukt, dan knaagt de worm van den twij-
fel wel ongemerkt verder.
Voor Gods lieve kinderen moet dit een spoorslag zijn, om-
juist op die Hemelvaart onzes Heeren Jezus Christus de
volle werkzaamheid van hun geloof te richten. Dat heerlijk
opvaren in de hoogte niet maar aan te nemen, maar er zich
met heel hun ziel in te denken, en geen der bronnen van
vertroosting toegestopt te laten, die juist uit dit opvaren
in de hoogste hemelen zoo mildelijk vloeien.
o, Die Hemelvaart van Jezus is voor ons vleeschelij k ver-
stand zulk een onoverkomelijke ergernis. Hoe kan dat, zoo
vraagt de ongeloovige waanwijsheid in ons, dat Jezus in zijn
lichaam op wierd geheven; niet een drie, vier ellen hoog;
maar tot in de bovenste wolken ? Hoe kan dat, dat de Heere
Jezus in zijn lichaam buiten den dampkring is gekomen?
Daar is geen lucht om te ademen. Geen warmte om het
lichaam levend te houden. Daar moest Hij weer gestorven
zijn. Hoe kan dat, zoo vraagt de verstandelijke vermetelheid
-ocr page 21-
VGIJ Z1JT OPGEVAREN IN HE HOOGTE."                       9
al verder, dat Jezus toen boven de sterren is gekomen, daar
zelfs een lichtstraal duizenden van jaren noodig heeft om
van de verste sterren tot ons te komen? En hoe zou Hij
dan tot boven die sterren en in den hemel geweest zijn,
reeds op den tienden dag, toen het Pinksteren wierd? En
zoo knaagt de twijfelzucht voort en voort. Want wat zijn
voor ons vleescheljjk verstand de hemelen? Hoe kan in den
hemel een lichaam zijn? Hoe kon dat lichamelijk wezen al
die hemelen doorgaan, en hoe kan er in die hoogste hemelen
een rechterhand des Vaders zijn, waarbij Jezus plaatsnam?
En naar de mate van ons vleescheljjk verstand kan ook
niets van dit alles; w dit alles het toppunt van ongerijmd-
heden; en wie daarin hangen blijft, voor dien is Jezus dan
ook niet ten hemel gevaren; zoo ge dan maar wel inziet, dat
er naar de mate van datzelfde vleescheljjk verstand niets
ook bij uw eigen sterven overblijft, dan dat gij als een
dier in den kuil gaat en daar u ontbindt tot stof.
Maar te gelooven, te belijden, zaliglijk als een kind van
God te jubelen, beteekent dan ook juist, dat we binnen de
mate van dat vleescheljjk verstand, God zij lof, niet be-
paald en ingemuurd blijven; maar dat God dien muur voor
ons door heeft gebroken; en dat er toen door die opening
in dien muur heerlijk licht van boven is gevallen ; en dat
we bij dat zalig licht de dingen op aarde nu heel anders
bezien en heel andere dingen komen te zien in den hemel
daarboven.
Komen te zien, dat ome kracht niet al de kracht, maar
slechts een nietswaardig (/cel daarvan is, en dat hoog boven
onze kracht en de kracht der natuur de hooge majesteit
des Heeren schittert, en dat die ontzaglijke majesteit des
Heeren inbreekt in dit aardsche leven met een vrij machtige
beschikking, die, aan niets gebonden, én ons vleesch, én de
lucht, én de bergen en wolken, én de sterren en het fir-
mament, én de warmte en koude, én de afstanden en ruimte,
én al wat schepsel is, met souvereine macht gebruikt en het
alles dwingt, zijn Goddelijke ordonnantie te gehoorzamen.
-ocr page 22-
10                    „GIJ 7.1.1T OPGEVAREN IX PE HOOGTE."
En als dan de Zoon van God op aarde is, en die Zoon
van God heeft ons vleesch aangenomen, en God de Heere
wil, dat die Zoon dat vleesch niet weer aflegge, en toch
niet op aarde blijve, maar met dat vleesch in den hemel
zal komen, om van daaruit Gods kerke te beschermen en
te vertroosten; dan is er geen ruimte, noch afstand, noch
stargevvemel, noch firmament, noch dampkring, noch zwaarte-
wet, die iets tegen zijn Almachtigheid zou vermogen, en
dan doet Hjj met al deze zijn eigen creaturen geheel gelijk
Hij wil.
En daarom berekent een kind van God den afstand van
deze snelheden en deze mogelijkheden niet. Want als het
God belieft om zijn schepsel voor een buitengewone zaak
op buitengewone wijze te gebruiken, dan is er geen peil
meer op iets te trekken. Dan begeven u al uw gegevens.
En uw telescoop en uw weegschaal en uw meetsnoer vallen
u als ijdel en nietig uit de handen, en ge houdt niets over
om in dit heilige in te staren dan den aldoordringenden
blik des geloofs.
Dien blik des geloofs, die, als ge neerknielt, bliksemsnel,
met éen polsslag van uw bloed, uit uw bidvertrek tot den
Heere in den hemel doordringt, en dan bij uw Jezus is, in
Hem ziet dat Lam, dat geslacht wierd, en Hem aanbidt in
zielverkwijnende liefde.
En dan zijn er geen ergernissen meer, en heeft het
vleeschelijk verstand niets meer in te brengen. Het is stom
gemaakt door het geloof, en dat geloof is sprekende gewor-
den ; en met dat geloof is Jezus\' opvaren u zoo vast en
zeker geworden, dat gij Hem daar ziel in zijn majesteit;
dat gij Hem aan anderen als zoudt kunnen aanwijzen; en
dat gij ziet, hoe Hij reeds al die achttienhonderd jaren van
uit dien hemel al den dag en al den nacht zijn geroepen
verlosten verkwikt, gezaligd en getroost heeft.
Want dat is het wonderbare: als een ander niets uit den hemel
ziet vallen, dan ziet het geloofsoog het manna der ziele neder-
regenen uit den hooge, door Jezus over zijn kerk uitgestrooid.
-ocr page 23-
„GIJ ZIJT OPGEVAREN IN DE HOOGTE."                    11
Gelijk Jezus eens den Satan als een bliksem uit den
hemel zag nedervallen, toen een ander niets zag, zoo ziet
ook nu wie geestelijk verwakkerd mag zjjn, al den dag
een malschen regen van genade uit de wolken des hemels
neerdruppen op de verdorden van ziel.
Hij heeft niet meer te vragen, of Jezus ten hemel is ge-
varen. Hij ondervindt het eiken morgen en eiken avond, dat.
Jezus in den hemel is en van uit den hemel hem zegent.
Er zijn wel oogenblikken, dat hij het niet ziet; maar dat
zijn booze tijden, als het floers der zonde voor zijn zielsoog
trekt. Maar zóo is dat floers niet weer weg, of zie, daar
is zijn Jezus weer, en daar komen Jezus\' engelen weder
aan, en daar stroomt hem weer het heil toe!
Behoeft het nog bewijs, dat de zon aan den hemel staat,
als ik in haar schijnsel sta en er de koestering van voel?
En zoo ook, wat wilt ge mij nog de Hemelvaart van mijn
Jezus bewijzen, als ik uit dien hemel zijn liefdewarmte mij
voel toestroomen, en er aan proef, dat ze van Hem komt ?
De zielsgescheidenheid van Immanuel, die was het, die u
telkens zijn Hemelvaart verduisterde.
Als het verkeerd met u stond, en gij weer buiten Imma-
nuel wegzonkt, of buiten Hem om, op eigen macht, uw God
woudt aanroepen.
Maar als gjj in Hem u ingelijfd weet, en uen plante met
Hem, en een levend lid aan zijn levend lichaam, door de
mystieke, wondere levensverbinding des Geestes, o, dan r*
er geen afstand, maar dan is elk oogenblik uw gebed naar
Hem opklimmende, en elk oogenblik van Hem een gave op
u nederdalend.
Dan staat er de Jakobsladder weer opgericht; en langs
die opgerichte ladder snelt uw ziele Hem tegemoet en snel-
len zijn liefdeboden u tegen.
Alles bezield, vol zaligen glans, en tintelend van godde-
lijk leven!
Door Jezus\' Hemelvaart aard en hemel voor uw diepsten
zielsblik éen.
-ocr page 24-
12                   „GIJ Z1JT OPGEVAREN IN DE ÜOOGTE.
En komen er dan uren, dat het licht in uw zielsoog dof
wordt, en schuld en zonde en ongerechtigheid en allerlei
afgod en allerlei inbeelding en allerlei berg van hoogmoed
uw gebed weer verhindert, dan beluistert ge nog in dien
nacht uwer duisternisse dat bidden van den Bidder daai--
boven, die voor u bij den troon smeekt, smeekt allereerst,
dat maar het kunnen bidden u worde hergeven.
Hield een oogenblik dat gebed voor u op, dan ware er
geen zaligheid meer voor u.
Die voorbede van uw Hoogepriester is de grondslag, waarop
het gebouw uwer hope staat.
Aan dat bidden van Jezus geeft gij u over als ge slapen
gaat; en als ge opstaat in den morgen, dan is dat bidden van
Jezus weer de grond van uw vertrouwen, om met moed
den strijd des daags tegen te gaan.
En daarom, buiten Jezus\' Hemelvaart kunt ge niet.
Ze is ingeweven in heel uw zieleleven.
En eens, dit blijft uw zalige zielsverwachting, zult ge
daarboven zijn bij Hem, die u wacht!
-ocr page 25-
„DIE DOOR DE HEMELEN DOORGEGAAN IS."
Dewijl wij dan een grooten lloo<je-
priester hebben, die door de hemelen
doorgegaan is. namelijk Jezus, den Zoon
van God, zoo laat ons deze belijdenis
vasthouden.
Hebr. 4 :14.
Jezus is opgevaren ten hemel. Niet op aarde ontslapen
en in den hemel, gelijk elk kind van God, terstond nu zijn
dood ontwaakt. Neen, maar opgestaan reeds hier op aarde,
en toen van deze aarde naar boven gegaan, omhoog geste-
gen, en zóo opgevaren, dat Hij ons met onze wereld verliet
en nu alleen opvoer en heenging naar dien hemel, die zich
eindeloos boven ons firmament uitbreidt.
Recht eigenlijk is de Heere, onze Heiland, van hier weg-
gegaan om daar ginder aan te komen. En niet alleen de
wolken en den dampkring is Hij doorgetogen, maar ook, toen
Hij in den hemel aankwam, is Hij niet in de vooraanliggen-
de gedeelten van den hemel gebleven, maar is Hij de heme-
len zelven zoolang doorgegaan, tot Hij ten slotte in dat ge-
deelte van den hemel aankwam, waar het middelpunt van
Gods volle openbaring is, en waar het dies heet, dat de troon
van God
staat.
En naar dien hemel is Hij opgevaren, en door die heme-
len is Hij doorgegaan, niet als een schim, noch als een geest,
noch in den staat van een afgescheidene ziel, maar als
mensch, in zijn volle menschheid, naar stel en lichaam beide.
-ocr page 26-
ii               jDIE DOOB DE HEMELEN DOORGEGAAN IS.
Hadt gij uw Heiland op dien zaligen triomftocht kunnen
nastaren, zoo zoudt ge van oogenblik tot oogenblik de vormen
van zijn lichaam hebben kunnen onderscheiden en de trekken
van zijn gelaat hebben kunnen zien.
En ook nu nog, als ge zoo stierft, en terstond na uw dood
zelf\' in het verheerlijkt lichaam den hemel kondt ingaan, dan
zoudt ge daar, in het middelpunt van de hoogste hemelen,
uw Jezus, uw Borg, uw Middelaar vinden, o, gewisselijk,
met een verblindende heerlijkheid bekleed, maar toch altoos
zóo, dat oog en mond in zijn gelaat te onderscheiden waren.
Er is niet maar éen, maar er zijn twee werelden geschapen.
De eene de wereld, waarin wij nu vertoeven, en de andere
de hemelsche wereld, waarheen wij op reis zijn.
En die twee werelden staan zóo tegenover elkander, dat
onze beneden wereld, waarin wij nu vertoeven, de vaal ver-
lichte kelder is en de hemel boven ons de schitterende opper-
zaal, waarin alles jubelt en juicht.
Die wereld daarboven is de wezenlijke wereld. Want wel
is God de Heere alomtegenwoordig, maar toch, deze aarde is
niets dan de coehchabel zijner voeten, en de troon, waarop Hij
zit en heerscht en schittert\' in zijn goddelijke glorie, is hier
niet, maar is in de hoogste hemelen. En gelijk ge nu, bjj
een aardsch vorst komende, om hem aan te spreken, uw oog
niet op zijn voeten, maar opwaarts naar den troon richt,
waarop hij gezeten is, zoo ook zoekt het hart van Gods kin-
deren hun trouwen en o, zoo barmhartigen Vader niet op
de voetbank zijner voeten, maar alleen in den hemel, waar
zijn troon staat.
Daar en daar alleen is eigenlijk onze God.
Gelijk wij zelf ook wel in onze enkelen en voetpalmen
zijn, en zeer goed voelen, dat wie die bezeert, ons pijn doet,
toch zoeken wij elkaêr niet in elkanders voet, maar ont-
moeten elkaêr in het ooy en heel de uitdrukking van het
gelaat, waarop de ziel zich uitspreekt.
En zoo nu ook is God wel overal, maar toch zoekt ons oog
Hem alleen in de plaats zijner heerlijkheid, waar zijn goddelijk
-ocr page 27-
DIE DOOR DB HEMELEN DOORGEGAAN 18."               15
aangezicht blinkt en zich verheft over zijn uitverkorenen.
Onze God ia in de hoogste hemelen.
En zoo moet dan onze zaak ook niet op aarde, maar daar-
boven in de hemelen berecht worden.
Hier kan schijn misleiden, maar daarboven in de hoogste
hemelen is het wezenlijke!
o, Wie zal dan doorgaan voor ons door die hooge heme-
len, om daarboven bij den eigen troon van God ons het
pardon en de erfenisse te verwerven?
En op die vraag nu geeft de Hemelvaart van onzen Jezus
u het antwoord.
Dat heeft Hij gedaan.
Hij i* naar boven getogen.
Hij ü de hemelen doorgegaan, en Hij is daarboven aange-
komen in het centrum van Gods glorie, door de Schrift
„de rechterhand Gods" genoemd, en d;iar, in het heiligst hof
der hoogste hemelen, heeft Hij voor ons onze taak berecht.
Gij kondt bij die hemelen niet bij, en doelloos was uw
weemoedige klacht: „Wie zal ten hemel voor ons opklim-
men!" Want dat kan geen mensch, dat kan geen schepsel
van deze aarde. Maar dat kon Jezus wel, en dat heeft uw
Jezus gedaan. Hij is voor u opgeklommen, en eens daarboven
aangekomen, heeft Jezus niet gedacht: „Nu Ik weer in den
hemel ben, geef Ik die wereld, die Mij niets dan een kruis
bood, er aan, om voortaan alleen in en voor den hemel te
leven." Neen, maar toen is Jezus in dien hemel de warme
minnaar en hartelijke zaakbezorger van die schriklijk god-
delooze wereld en van zijn, o, zoo vergeetachtig en ondank-
baar volk gebleven.
Dat is het, wat de Schrift zegt: „Hij is die hemelen als
Hooge priester
doorgegaan." Niet om ons te vergeten, maar om
ons op zijn hart te dragen. Niet om ons te vloeken voor
onze liefdeloosheid, maar om te bidden voor de behoudenisse
onzer ziel. Ook in den hemel doet Jezus iets voor ons. Zijn
middelaarswerk is nog volstrekt niet afgeloopen. Wel is alle
offerande volörac/U, maar lang is niet alles geschied wat nog
komen moet. Nu bereidt Hij ons plaatse!
-ocr page 28-
16               „1>IK DOOR DE HEMELEN DOORGEGAAN IS."
Maar dat groote feit verplaatst dan ook voor elk kind
van God, als wij ons zoo mogen uitdrukken, zijn geestelijk
domicilie.
Als een vader, die onmondige kinderen thuis heeft, uit de
woeste steppen van Siberië naar het schitterend Moskou
metterwoon verhuist, en om zich daar te vestigen alleen
vooruitreist om zijne kinderen staks na te laten komen, dan
staan die kinderen opgeschreven als reeds wonende te. Mos-
kou, ook al is het, dat ze feitelijk nog in Siberië vertoeven.
Waar hun vader woont, daar wonen zij. Daar is hun
domicilie. Daar hooren ze thuis. Ze rekenen niet voor zich-
zelf, maar ze rekenen naar hun vader. Waar diens woonstede
is, daar is hun eigenlijk huis.
En zoo nu ook is het voor Gods kinderen.
Eens was Jezus met hen op aarde, maar nu is Jezus ver-
huisd; nu heeft Jezus zijn domicilie verplaatst van deze aarde
naar een geheel ander werelddeel. Thans woont Hij daar-
boven. En omdat Hij nu daarboven woont, rekenen al zijn
verlosten met Hem. Die staan nu met Hem daarboven inge-
schreven. En ook al reisden ze Hem nog niet na, ook al
toeven ze nog op die aarde, waar Jezus eerst was, toch is
hun burgerschap niet meer hierbeneden, maar reeds nu in
die stad, die fundamenten heeft, in dien hemel van onzen God.
En nu komt dat afreizen wel pas bij onzen dood. Maar
gelijk kinderen, die vader na zullen reizen, vooruit reeds in-
leven in het nieuwe land, waar ze naar toe gaan, zoo is
toch de gedachte van de verlosten des Heeren reeds nu
veel, zoo al niet gestadig, aan en in dat nieuwe Jeruzalem,
dat hen beidt.
Zij ondervragen er de andere pelgrims naar.
/e bestudeeren de kaart van dat land en den plattegrond
van die heilige stad en al haar zaligheden, gelijk die in de
Schrift voor hen openliggen; en, o, met welk een zielsge-
nieting waardeeren ze elke goede gave en volmaakte gifte,
die hun Verlosser hun uit dat nieuw Jeruzalem bij wijze
van voorsmaak en proeve toezendt.
-ocr page 29-
„DIE DOOll DE HEMELEN DOOKCiEGAAN IS."               17
En zoo is dan hun wandel nu reeds in de hemelen. Ze
beschouwen zich reeds als burgers daarboven. Ze genieten
nu reeds in de erfenisse, die hun is toegezegd.
Of liever, neen, laat ons oprecht zijn. Zoo moest het wel
zijn, en zoo is het ook in onze ideale geloofsoogenblikken.
Maar zoo dagelijks, neen, dan is dit juist onze zonde, dat we,
naar dien hemel opziende, toch in die aarde en haar schat
nog altoos het wezenlijke blijven zien!
o, l?ij uw Hemelvaart, Christus, onze Ontfermer, trek ons
op tot U naar boven!
Laat uw verlosten niet los!
2
-ocr page 30-
„OPGEVAREN VER BOVEN ALLE HEMELEN."
Die nedergedaald is, is dezeltde ook.
die opgevaren is verre boven al de
hemelen, opdat Hij alle dingen vervul-
len zou.
                             Ef. 4 : 10.
Gelooft gij, dat er een hemel is? Niet die hemel van het
uitspansel, waarin de wolken jagen; noch ook die hoogere
hemel, in welks firmament de starren flonkeren; neen, maar
die zalige hemel, waar het Jeruzalem met de peerlen poor-
ten is, en waar de engelen met hun heirseharen gestuwd
staan om Gods troon ?
Die geestelijke hemel is bedoeld, die er niet altoos was,
maar die ontstond, toen, naar Mozes\' bericht, God in den
beginne schiep den hemel en de aarde.
Een ijexchapen hemel dus, die zijn ordeningen en afme-
tingen, zijn aanwezen, aard en wezen heeft, zijn eigen
huishouding en bestaanswijs, evengoed als deze aarde, en
die niets gemeen heeft noch met het uitspansel, dat pas op
den tweeden dag aanzijn verkreeg, noch met den starren-
hemel,
dien God opriep, dat hij zijn zou, den vierden dag.
Een voorstelling van dien hemel kunt gij u niet vormen.
Want wel biedt hij zeer zeker overeenkomsten aan met de
dingen op aarde. Dit is te zien uit de lichamen der geza-
ligden, die, zij het ook verheerlijkt, dan toch in de hemelsche
huishouding thuishooren; te zien uit het voorbeeld van
den tabernakel, dat God aan Mozes toonde op den berg;
te zien uit de gemakkelijkheid waarmee de engelen zicb
-ocr page 31-
^OPGEVAREN VER BOVEN ALLE HEMELEN.* 19
in het aardsche vinden; en te zien niet minder uit de
beelden van het aardsche leven, waarmee de Heilige
Schrift ons het leven des hemels teekent. Maar verder clan
overeenkomst gaat de gelijkheid ook niet. Van de bezig-
heid, die in den hemel te doen is; van de wijze van
beweging; van de manier, waarop er onderling gemeen-
schap wordt onderhouden; ja, zelfs van den aard van den
omgang tusschen de gezaligden en de engelen en van beiden
met Christus, en door Christus met den Drieëenigen God,
hebben wij in onze aardsche pelgrimage hoogstens een hei-
lige aandoening, maar nooit een voorstelling, die ons iet3
klaars en helders voor den geest roept.
Alleen dit weten we, dat het aanzijn in die hoogere, on-
zondige en daardoor heerlijker schepping nooit mag afge-
teekend naar het beeld van een aardsch rusten, wat met
niets doen gelijk zou staan. Eer is omgekeerd het aanlijn
op aarde als mat, onbezield en dof te bestempelen, vergele-
ken bij dat rijke, tintelende, bezielde en bezielende leven,
dat ruischt om den troon onzes Gods. Aan het boomgewas
twaalfmaal vrucht te plukken op eenjaar (Openbaring 22 : 2),
zeg zelf, geeft het u een indruk van een insluimerend schimmen-
leven, of niet veel meer van een heerlijk aanzijn, aan inner-
lijke energie, bezieling en drijfkracht twaalfmaal zoo rijk?
Deze hemel nu is plaatselijk. D. w. z. er is ergens een grens,
waar de lagere schepping ophoudt en deze hemelsche schep-
ping begint. Wie, na gestorven te zijn, die grens overschreed,
heeft eindelijk een oogenblik, waarin hij aan alles merkt:
„Nu ben ik niet meer op aarde; wat nu om mij is, is een
geheel andere schepping; nu ben ik in den hemel."
Al oordeelen we dus ook niet over afstanden, die we niet
kennen, toch mag en moet vastgesteld, en dies ook beleden,
dat de hemel een creatuurlijke huishouding is, die binnen
haar eigen grenzen bepaald ligt.
Reeds hieruit bespeurt men lichtelijk, dat God niet in
den hemel woont, in een zin, alsof Hij wel in dien hemel,
maar niet (kaaxbuilen zou zijn.
„Zelfs de hemelen der hemelen zouden U niet bevatten",
zegt de Heilige Schrift. God de Heere is overaltegenwoordig.
-ocr page 32-
20              „OPGEVAREN VEH BOVEN ALLE HEMELEN.
D. w. z. God is oneindig, en zoomin in als buiten zijn
Schepping is ergens, waar ook, \'een plek aanwezig of denk-
baar, waar God de Heere niet altoos, waar God de Heere
niet geheel, waar God Almachtig niet als God present zou
zijn. Zelfs de plaats des verderfs stelt geen grenzen voor
zijn alomtegenwoordige Godheid.
Dit neemt echter niet weg, dat God de Heere zich vol-
strekt niet gelijkelijk aan alle plaatsen toont, zien laat en
zich openbaart. God is alomtegenwoordig, en dus zoowel
in Abraham, den vader aller geloovigen, als in het lastdier,
waarop hij rijdt. En toch, welk een verschil van openba-
ring! Ja, zelfs onder inenschen, welk een onderscheid
tusschen de presentie Gods in den man, die links, en den
man, die rechts van Jezus sterft op zijn kruis.
Evenzoo nu is er ook een zeer merkelijk onderscheid tus-
schen de openbaring Gods in een kale klip of rotsholte, en
de openbaring Gods in de hemelen van het firmament, die
zijn eer vertellen, ol\' in het bloembed, dat geurt in zijn pracht.
Zoo kan men zich dus ook zeer goed er indenken, dat de
wijze, waarop God, hoezeer ook overal tegenwoordig, zich
openbaart hier op aarde en zich openbaart in den hemel,
een geheel andere is.
Hier niet dan door nevelen verschijnend, openbaart de
Heere onze God zich in dien hemel met hemehche klaarheid.
En gelijk we nu bij een mensch, hoewel wetende dat hij
in heel zijn lichaam en dus ook in zijn voeten is, noch-
tans om hem aan te spreken, hem aanzien in zijn oog, om-
dat door dat oog de ziel het sterkst naar buiten treedt,
zoo ook ziet de ziel, die God zoekt, vanzelf naar den hemel
op, omdat daar, als wij ons zoo mogen uitdrukken, het al-
ziend oog den Eeuwigen opengaat,
en de gezaligden Hem diiar
eerst inzien, door dat oog, in zijn volzalig Wezen.
Naar dien hemel nu is op den dag van Hemelvaart onze
Borg en Middelaar levend opgevaren.
Hjj was in dien hemel reeds geweest, of liever, ook ter-
wijl Hij op aarde omwandelde, was Hij als de Zoon tegelijk
-ocr page 33-
OPGEVAREN VER BOVEN ALLE HEMELEN.*                21
steeds in den hemel gebleven. Want Hij was God ; mede-
eeuwig en medewezend met den Vader en den Heiligen
Geest; en zoo was dus de openbaring zijner Godheid steeds
het klaarst en heerlijkst geweest in de hemelen.
Daar in die hemelen is Gods troon. Dat is te zeggen, dat
God, hoewel overaltegenwoordig, nochtans daarboven,
in de plaatse zijner klaarste zelfopenbaring, de naaste aan-
sluiting heeft aan de engelen, die zijn bevel volbrengen,
en alzoo voor al het geschapene het middelpunt van zijn
glorie en macht.
En van uit dat middelpunt van glorie en macht was de
Zoon nedergedaald in de lagere schepping; doorgedaald tot
op deze aarde; ingedaald tot in den staat van onze ellende
en bittere zelfvernedering.
Hij was onder alles door wel God gebleven, maar uit
goddelijk erbarmen had de Middelaar dien goddelijken luister
bedekt en als weggeschoven achter het sombere kleed zijner
in zwakheid verzonkene menschelijke natuur.
En eenmaal in dien staat van vernedering inzijnde, was
Hij niet door ontwikkeling opgeklommen van heerlijkheid
tot heerlijkheid, maar juist omgekeerd door vrijwillige zelf*
oft\'erande steeds meer omsluierd, tot Hij ten leste inzonk in
de diepste versmading en wegzonk in de diepten des doods.
En wat gebeurde toen P
Liet de Zone Gods toen in het alleruiterste der versma-
ding die menschelijke natuur weer schieten; en maakte Hij
toen een einde aan zijne vernedering, door weer enkel te wor-
den, wat Hij vantevoren was?
Geenszins, mannenbroeders!
Toen Jezus stierf, bleef de eeuwige Zoon ook in den dood
met de menschelijke natuur vereenigd, zoowel in de afschei-
ding van ziel en lichaam, als in het ondergaan van het ge-
weld des doods. En toen, toen nu eindelijk het keerpunt
bereikt was, en uit het diepste der vernedering de verruk-
king der verhooginge zou beginnen, toen begon die verhoo-
ging niet door een afwerpen der menschelijke natuur, maar
juist door een opnieuw en hooger bezielen van die mensche-
lijke natuur in zijn opstanding.
-ocr page 34-
22                „OPGEVAREN VER BOVEN ALLE HEMELEN.
Doch hierbij kon het niet blijven.
Gelijk de vernedering een langzaam proces doorliep, door-
dien eerst de Zoon de gestalte eens dienstknechts aannam;
daarna deze dienstknecht inging in lijden en dood; voorts
deze dood indaalde in het graf; en eindelijk deze Man van
smarten in al zijn lijden den beker der helle uitdronk; —
ever.zoo is er ook een langzaam proces in de verhooging,
steeds van minder tot meer voortgaande; en dat wel eerst
een opkomen uit het graf door zijn opstanding, toen een
triomfeeren over deze aarde door zijne Hemelvaart, daarna
een komen tot koninklijke macht door zijn zitten ter recMer-
hand Gods;
en eindelijk een uitbreken in heerlijkheid over
alle schepsel, als Hij wederkomt ten gerichte.
Vernedering en verhooging staan dus in beginsel en lijn-
recht tegen elkaér over.
Het is niet van de kribbe af een gestadig toenemen, om
bij zijn opstanding in een nog hooger eere in te gaan. Maar
omgekeerd is het tot op zijn opstanding een gedurig minder
worden,
afnemen, versmelten en slinken in eere, om, als Hij
nu eindelijk zoo diep vernederd is, dat het niet dieper ban,
van uit dat diepste punt aller denkbare vernedering, niet
vanzelf, maar door een ontzaglijk majesteitsbetoon van den
Drieëenigen God, alsnu in den staat van verhooging te wor-
den ingebracht, en nu voorts ook in die verhooging van
trap tot trap te klimmen, gelijk Hij eerst in den staat van
vernedering van trap tot trap gedaald was x).
Die verhooging raakte geheel het bestaan vandenMidde-
laar, d. i. geheel den persoon des Borgs, zoo naar zijn godde-
lijke
als menschetijke natuur, en volstrekt niet alleen zijn
menschelijke natuur.
Wel niet — behoeft het nog gezegd? — alsof aan de goddelijke
>) De vernedering gaat door tot op den Paaschmorgen en
eindigt niet reeds bij zijn sterven.
-ocr page 35-
^OPGEVAREN VER BOVEN ALLE HEMELEN." 23
natuur, die geheel volmaakt en volkomen is, ooit iets nóg
volmaakters kon worden toegebracht. Dit kon niet en is vol-
strekt ondenkbaar. Maar gelijk goud in glans verhoogd wordt,
niet door er nieuw goud bij te voegen, maar door de be-
zoedeling weg te nemen, die het echte goud belette zijn
glansen uit te stralen, zoo ook wierd Jezus\' goddelijke na-
tuur in glans verhoogd, toen er in den staat zijner verhoo-
ging wel niets nieuw goddelijks aan Hem werd toegevoegd,
maar de verborgene en inwonende godheid gelegenheid be-
kwam, om weer ongestoord en onbelemmerd haar heerlijk-
heid uit te stralen.
Tot op dien tijd toe, gedurende al den tijd zijner verne-
dering, was de goddelijke majesteit omsluierd geweest met
een sluier, die haar gloed niet door liet stralen. Nu daar-
entegen ontving die sluier een doorzichtigheid, die de god-
delijke majesteit door kon laten, en zoo blonk dan de god-
heid des Middelaars in verhoogden glans.
Maar evenzoo raakte die verhooging zijn menschelijke na-
tuur. Niet, dit versta men wel, doordien de goddelijke
natuur alsnu begon haar goddelijke eigenschappen aan de
menschelijke natuur mede te deelen. Dat kon niet en ware
ongerijmd. De personeele vereeniging van beide naturen
had in het eigen oogenblik der vleeschwording plaatsge»
grepen, en deze band, eenmaal gelegd, is nooit sedert dien
tijd vaster of losser geworden, maar onveranderd gebleven,
wat hij was. En juist die band nu maakte, dat wel beide
naturen op het innigst in den persoon vereenigd wierden,
maar zonder dat de beide naturen wierden dooreengemengd.
Het goddelijke bleef dus goddelijk, het menschelijke mensche-
lijk,
en van een overdragen van de eigenschappen der eene
natuur op de andere is geen sprake.
De verhooging der menschelijke natuur bestaat dus niet
in het aanbrengen van wat niet bij haar hoort, maar uit-
«luitend in het aanbrengen van wat menschelijk is en bij
de menschelijke natuur past. Niet alzoo een afleggen van
•de gestalte van den dienstknecht, maar wel een afleggen
van de knecldeüjke gedaante zijner menschheid. In zijn ver-
hooging ontving de Borg alzoo naar ziel en lichaam op het
-ocr page 36-
24                „OPGEVAREN VER BOVEN ALLE HEMELEN.
allervolkomenst de volste uitnemendheid van geestelijk en
heerlijk goed, waarvoor de menschelijke natuur, als zooda-
nig, in haar allerhoogste verhooging vatbaar was. Niets
meer, maar ook niets mimi er.
Dat is zijn triomf. Het ^jntdaan worden van al het zwakke,
ellendige en ontbloote, dat Hij in zijn menschelijke natuur
om onzentwil had aangenomen, en het vervuld worden met
al het sterke, heerlijke en rijk vervulde, dat Hem geschon-
ken werd voor eeuwige heerschappij. Als aller voetwisch had
Hij zich onder aller afschraapsel geworpen, en zie, ah aller
Koning stelt Hij thanx allen vijand lot een voet/tank van zijn
troon.
Hij ontving deze verhooging dan ook als loon.
Als loon daarvoor, dat Hij de wet in alle volkomenheid
volbracht had. Als loon ook voor het volbrengen van het
Middelaarswerk, waarvoor Hem loon was toegezegd. „Als
Hij zijn* ziel tot een schuldoffer zal gesteld hebben, zoo zal
Hij zaad zien. Om*den arbeid zijner ziel zal Hij het zien en
verzadigd worden." En eindelijk als loon voor de oneindige
waardij van een lijden, waarmede Hij voor Gods uitverko-
renen de eeuwige heerlijkheid verdiend had.
Ook de verhooging moest dus het Middelaarskarakter
dragen. D. w. z. gelijk Hij in de diepte der vernedering
was afgedaald, niet voor zich, maar voor ons, met onze
schuld beladen, zoo moest Hij ook uit die vernedering op-
klimmen, niet enkel voor zichzelf, maar ook voor de zijnen,
en alzoo gekroond met een heerlijkheid, die niet enkel Hem
persoonlijk kon doen schitteren, maar ook rijk beladen met
de gaven der heerlijkheid voor al Gods uitverkorenen.
Toen Jezus verrees, verrezen allen in Hem. Toen Jezus
opvoer, voeren al Gods uitverkorenen in Hem ten hemel.
Medegezet met Christus in den hemel en nu medezittende
.ter rechterhand Gods. Of gelijk de psalmist zong: ;/Met
gaven tot der menschen troost, opdat zelfs het wederhoorig
kroost altoos bij U zou wonen./;
-ocr page 37-
OPCEVAKEN VER BOVEN ALLE HEMELEN." 25
Vandaar, dat de Middelaar dan ook niet op aarde kon
blijven. Bij een staat van verheerlijking hoort ook een
toestand van heerlijkheid. De vrijgemaakte moet niet alleen
de boeien met het kleed der eere verwisselen, maar ook uit
worde» geleid uit de gevangenis.
Zoo kon Jezus, na verheei-lijkt te zijn, dus op deze on-
heerljjke aarde niet blijven vertoeven. Bij den inwendig
geheel verheerlijkte hoorde een geheel uitwendige heerlijk-
heid. En zoo voer Hij op. Van een bepaalde plek op
een bergtop van den Olijfketen, de lucht, de wolken,
het firmament door, naar die andere wereld, die andere
huishouding, die hoogere schepping, die we den hemel noe-
men. Daar gekomen, ging Hij die hemelen door en voer
op tot in de hoogste hemelen, tot op die plek van dit
heelal, waar het klaarst en het zuiverst de openbaring des
Heeren en daarom de troon Gods is; en daar nam Hij zijn
eere in, aanvaardde zjjn koningschap en begon alzoo zijn glo-
rieuse macht uit te oefenen, zittende aan de rechterhand
des Vaders.
Hier is derhalve een werkelijke verplaatsing. Een overgang
van plaats naar plaats. Derwijs, dat Hij nu niet meer is,
waar Hij toen was, t. w. op aarde, en nu wel is, waar Hij
toen niet was, t. w. in den hemel.
In dien hoogsten hemel is dus een plek, waar Jezus is
en\' leeft en werkt, in uw vleesch. Een plaats ergens, in
dien hoogsten hemel, waar alle engelen op zijn bevelen
wachten; waar de zaliglijk ontslapenen Hem gevonden heb-
ben; en waar ons oog Hem eens zoeken zal, als we, door
genade in heei-lijkheid ingegaan, Hem zien zullen gelijk Hij is.
Van de aarde is Hij dus nu afwezig, om eerst met het
einde, der dingen nogmaals de plaats der heerlijkheid te
verlaten, en zich als Rechter te openbaren aan alle volken.
En inmiddels is Hij de Verzorger van alle ziel, de Be-
stierder der volken, de Koning zijner kerk, de Trooster
der bezwekenen van hart.
Want zie, hoewel plaatselijk gebonden aan die plaats in
-ocr page 38-
26 „OPGEVAREN VER BOVEN ALLE HEMELEN."
den hoogsten hemel, is Hij met zijn genade, majesteit, god-
heid en geest nochtans alomtegenwoordig; weet daardoor
nauwkeurig al wat er op aarde en al wat er in ons hart
voorvalt; breidt de armen zijner eeuwige ontferminge over
onze zielen uit; en verzadigt ons, naar de honger der ziele
prikkelt, met zijn kostelijk en heerlijk goed.
Hem is bekend, wat er in elk hart geleden, in elk ge-
zin gezondigd, in elke kerk gestreden, in elke kerkelijke
vergadering vóór of tegen zijn eere besloten wordt.
En daarom juist moest Hij opvaren, opdat Hij, plaatselijk
in den hoogsten hemel, aldus ons allen nabij zou kunnen
zijn en elke stemme der zijnen beluisteren.
Ja, meer nog, opvaren ten hemel moest onze Middelaar,
niet enkel om ons gaven toe te zenden, maar ook om de
woning voor ;ijn Bruid te bereiden.
wIn het Vaderhuis zijn vele woningen, en Ik ga heen
om een plaats te bereiden!"
„De Vader werkt tot nu toe, en Ik werk ook!"
,,Het is volbracht!" van Golgotha vindt zijn voleinding eers
in „Het is geschied!" uit Johannes\' Openbaring!
-ocr page 39-
„OPVAREN, DAAR HIJ TEVOREN WAS!"
Ergert ulieden dit\'.\' Wat zou het dun
zijn, indien gij den Zoon des menschen
zaagt opvaren, daar Hij tevoren was.\'
Joh. G : 61, 62.
Bij de „Hemelvaart" van onzen Koning mogen we om
den hemel, waarheen Hij zich terugtrekt, het opvaren zelf,
de daad van het „naar boven gaan", het feit van „het zich
opheffen", niet uit het oog verliezen.
Het moet niet worden een denken alleen aan Jezus\' zijn
in den hemel, maar allereerst blijven, wat het heet en alle
eeuwen door was, „een herdenken van Jezus\' hemelvaart"!
En dan zij het liefst een herdenken van die hemelvaart,
in den zin, waarin de Heere zelf er ons op wees, d. w. z.:
in tegenstelling met zijn vroeger nederdalen uit dien hemel
nu een weeropvaren naar die sferen der glorie, daar Hij te-
voren was.
Want immers, ge kent, mijn lezer, dat aangrijpend zeg-
gen van Jezus tot de lieden van Kapernaüm, die het een
zoo harde rede vonden, toen ze hooren moesten: „Ik ben
het Brood des levens, uit den hemel nedergedaald!"
Toen toch sprak de Heere tot hen: „Ergert ulieden dit?
Wat, ja wat zoudt ge dan wel zeggen, indien ge Mij, den
Zoon des menschen, naar dienzelfden hemel weer zaagt
opvaren ?"
In dat eerst neerdalen uit den hemel en dat dan weerop-
varen naar
. dien hemel ligt dus het pit der zaak, waarop
we te letten hebben.
-ocr page 40-
28                     „OPVAREN, DAAR HIJ TEVOREN WAs!"
Alleen door den achtergrond van dit teerst neerdalen
valt op dat „weerop varen" het juiste licht.
En vraagt ge, wat daar dan in steekt, wat dat dan zegt,
welke diepere gedachte daar dan achter schuilt?
Zie, in den stroom is er zoo menigeen den drenkeling
nagesprongen, die er wel in neerdalen, maar er niet weer
uit opkomen kon, en jammerlijk met het voorwerp zijns
medelijdens als slachtoffer omkwam en verzonk.
En zoo was het, ook bij onzen Middelaar, een ganscli
ander iets, om tot ons af te dalen in den stroom onzer
ongerechtigheden en onze ellende, om ons aan te grijpen
en zich aan ons vast te klemmen, — en een gansch ander
iets de mogendheid, waardoor Hij uit dien stroom van ellende
weer naar boven wist te komen, met zijn verlosten in de
armen, met zijn bruid in zijn hart gedragen, met zijn ge-
kochten aan zich vast.
Het neerdalen was een betoon van tte/lfosovervloed, maar
het weer opkomen naar boven was betoon van een over-
vloeiende kracht.
Om van den troon der heerlijkheid af te dalen naar be-
neden, en in te gaan in een vrouwenschoot, en een arm
mensch op deze armelijke wereld te worden, en zich op die
wereld nog als den verachtste aller menschen te laten belas-
teren, en onder dien laster eindelijk den bittersten dood te
sterven, zie, daar is ontferming, daar is erbarming voor
noodig, daar schittert de reddingshartstocht in, dat is zon-
daarsliefde, dat is zelfverloochening, dat is de triomf van
de goddelijke drjjving der uitnemendste genade.
Maar heel anders is het bij het opvaren.
In den stroom het bijna verdrinkend kind naspringen,
dat kan elk, die liefde, deernis, zelfverloochening en ontfer-
ming bezit; ook de knaap, ook de kreupele man, ook de
moeder! Maar wie, wie brengt het kind er uit ?
Immers hij alleen, die er zelf weer uit op kan komen!
En dat weer op kunnen komen, helaas, dat hangt niet
aan liefde, niet aan ontferming, maar alleen aan kracht, aan
-ocr page 41-
„OPVAREN, DAAR HIJ TEVOREN WAS \\"                     20
macht, aan mogendheid, aan een geweldig beheerschen met de
forsch uitgeslagen armen van stroom en wind en vloeden.
En nu die twee, „£/>/>fe<overvloed en overvloeiende kracht".
waar vondt ge ze ooit saam P
Staan ze op aarde niet veeleer schier altoos tegen elkaêr over?
De óverkrachtige, is hij niet bijna immer aan liefde en
deernis arm? En die liefheeft, och, is het niet meest, of
alles zich tegen hem keert; of alle kracht hem ontzinkt;
of ondergaan zijn aandoenlijk noodlot is?
De „lijdende knecht Gods", is het niet de prachtig wei-
sprekende naam voor elk dienstknecht van Jehovah, die in
dien strijd van „liefde" tegen „kracht" hier onderging?
Bezwijkt in die worsteling niet meest, wie dat worstelen
met de mogendheden der wereld aandorst?
Om een kroon bij God te hebben, o, gewisselijk! maar
bezwijken dan toch in den strijd!
En zie, dat mag nu schoon, dat mag nu tragisch, dat
mag nu aandoenlijk voor het vochtig geworden oog zijn;
maar met dat al, daar hebt ge niet aan!
God de Heere speelt geen tragedie.
Bij God is het doen sterven nooit een spel.
En zelfs de vertooning van de prachtigste zedelijke groot-
heid zou, als het bij die vertooning bleef, geheel beneden
de digniteit van zijn Goddelijke majesteit liggen.
Neen, God de Heere redt. Redt wezenlijk. Naar ziel en
lichaam beide.
En waarachtig schoon is niet de schijnbare ondergang
der reddende liefde, hoe tragisch aandoenlijk ook.
Neen, innerlijk, heilig, waarlijk schoon is alleen de red-
dende liefde, die ook triomfeert.
Die niet alleen in den stroom zich neerstort, maar ook
uit dien stroom weer op weet te komen, en nu, opgekomen,
den drenkeling uit den stroom der ellende weet op te
brengen, en te zetten, daar hijzelf tevoren was.
En daarom nu, mijn lezers, is die Hemelvaart van Jezu3
zoo schoon majestueus, zoo volheerlrjk.
-ocr page 42-
30                     ^OPVAKEN, DAAR HIJ TEVOREN WAS \\"
Want zie, hier is nu die overvloeiende kracht.
Hier is nu die volkomen triomf.
Hier is nu dat, onder majestueus en prachtig worstelen,
weer opkomen, weer opklimmen, weer opvaren, tot Hij er
eindelijk weer is; „daar, waar Hij vroeger was//!
Met alles tegen zich in!
Tegen zich in de natuurwetten. Tegen zich in de elemen-
ten. Tegen zich in dat menscheljjk vleesch, dat Hij aannam.
Tegen zich in zelfs de liefdestroom in het hart zijner
jongeren!
Alles trekt Hem neer; houdt Hem neer; belet Hem het
opvaren.
En toch, niets weerhoudt Hem.
Alles overwint Hij.
Hij vaart op.
£n, o wonder van het goddelijk alvermogen! in dat op-
varen neemt Hij heel de kerk zijner verlosten met zich
naar boven.
Die boven leefden, die nu leven, die leven zullen!
Al Gods kinderen.
En zie, daar staat Hij nu in den hemel met den gered-
den schat van zieleleven in zijn armen.
Dat al de engelen Hem aanbidden!
Dat al de martelaren en profeten voor Hem neder knielen!
Dat de Vader Hem kroont!
-ocr page 43-
„MET GAVEN TOT DER MENSCHEN TROOST/\'
(iij zijt opgevaren in de hoogte; Gij
hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd;
Hij hebt gaven genomen om uit te dee-
len onder de menschen; ja, ook de weder-
hoorigen, om bij U te wonen, o Heere
God!
Psalm 68 : 19.
Voor alle machtige openbaring van kracht en werkzaam-
heid moet men in het centrum zijn of op de plek, van waar
de kracht uitgaat.
Een koning kan zijn land niet regeeren uit een afgelegen
gehucht of dorpje, maar moet daartoe in zijn vorstelijke resi-
dentie
vertoeven en in de raadzaal met zijn raadsleden, of
van gijn troon, omstuwd door zijn \'trawanten, het woord
doen uitgaan, dat zijn volk bezielen zal.
Om een linieschip behouden van haven tot haven te bren-
gen, is het niet genoeg, dat de kapitein aan boord zij, maar
moet hij staan op die plek, waar een ieder zjjn bevelen komt
ontvangen en van waaruit hij heel het zeekasteel bestuurt.
Als de vijand over de grenzen trok en het leger oprukt
om de vaderlandsche grenzen te verdedigen, dan sluit de
bevelhebber zich niet in een afgelegen vesting op, maar
trekt hij af naar het leger zelf, roept den krijgsraad saam
in zijn veldheerstent en bestuurt van daaruit de bewegingen
van zijn troepen.
En wat van dien troon en die admiraalshut en die veld:
-ocr page 44-
32             „MET GAVEN TOT DEK MENSCHEN TROOST.*
heerstent geldt, dat gaat door bij elke ontwikkeling van
kracht en mogendheid. Om het geheel in beweging te zetten,
moet men daar zijn, waar het middelpunt is, van waar het
leven en de beweging uitgaan.
Als iemand dus de Hemelvaart des Heeren Jesu Christi
practisch en met ernst voor zijn eigen ziel wil indenken,
dan heeft hij zich slechts af te vragen: Waar is het mid-
delpunt van de geestelijke wereldorde?
Wordt de aarde bestuurd van uit den hemel; of de hemel
van uit de aarde; of wel, drijven beide op eigen wieken?
En dan antwoordt het geloof immers: Hemel en aarde
beide worden door de Voorzienigheid en naar den Haad Gods
bestuurd, en wel zóo, dat de troon van dit regiment in den
hemel is en de dingen, die op aarde zich bewegen, van uit
den hemel worden geleid.
Niet op aarde, maar daarboven in de hemelen is de troon
Gods,
en daar loopen dus alle draden saam, waaraan het
leven hangt, waarvan ge de beweging op aarde waarneemt.
Van boven, niet van de aarde, gaat het woord uit, dat over
den loop der dingen beslist. De zetel van het regiment, dat
het lot van hemel en van aarde regelt, is nergens hierbe-
neden, maar is eeniglijk en uitsluitend in de zalen des eeuwi-
gen lichts, in de woonstede der heerlijkheid.
Staat dit vast, is dit duidelijk voor u, dan komt de tweede
vraag: Was dat regiment op Jezus overgedragen of niet?
En ook op die vraag kan geen tweeërlei antwoord gegeven.
Hem was gegeven alle macht in hemel en op aarde. Hem
gegeven een naam boven allen naam, opdat in zijn naam zich
buigen zou alle knie. „Ik heb toch\'\', zoo sprak de Heere, „mijn
Koning
gezalfd over Zion." De Vader heeft alle dingen aan
den Zoon overgegeven. En dus „moet Hij als Koning heer-
schen, tot alle vijanden neer zullen gelegd zijn voor de voet-
bank zijner voeten."
Zijns is dus het regiment.
Het is Hem overgegeven door den Vader. Hij was er toe
gezalfd. Het kwam Hem krachtens de belofte als loon voor
-ocr page 45-
MET GAVEN TOT DER MENSCHEN TROOST." 33
<len arbeid zijner ziele toe. Hij, onze Middelaar, was Koning
en moest dus ook als Koning openbaar worden. De titel
was Hem niet genoeg; bij de belofte kon het niet blijven;
het moest ook komen tot een daadwerkelijk uitoefenen van
dit machtig regiment.
Hemel én aarde wachtten op zijn troonsbeklimining, beid-
den zijn vorstelijk woord en zagen uit naar de betooning
zijner heerlijkheid.
Maar juist daarom moest de Middelaar dan ook ten hemel
opvaren; kon Hij niet op aarde blijven; en was de troon
der heerlijkheid de eenige plek in het heelal, waar Hij als
van God aangesteld Koning hoorde.
Was voor Hem het regiment, en was de zetel voor dit
regiment in de hemelen, dan kon Hij van dien zetel ook niet •
verre blijven, maar moest Hij zich ook onverwijld naar dien
troon toe begeven. ,
En zoo is \'s Heeren Hemelvaart niets dan een aan-
vaarding van het bewind, een ingaan in het regiment, een
opvaren naar zijn vorstelijk paleis, een opklimmen tot de
woonstede van zijn majesteit en glorie.
Hoe machtig ook, Jezus kon van uit Jeruzalem de wereld,
kon van uit deze aarde de hemelen niet regeeren.
De koorden en lijnen en draden van dit goddelijk regi-
ment lagen daarboven en niet hierbeneden.
Zoo moest Hij dan van ons opvaren. Niet om ons te ver-
laten en arm te maken, maar juist om ons naderbij te komen
en heerlijk te verrijken.
Zoolang Hij op aarde bleef, kon Hij er enkelen troosten,
maar eerst van uit de hemelen konden allen door Hem wor-
den gezegend.
Deze Hemelvaart des Heeren was geen insluipen in den
hemel door de nauwe poorte des doods, maar een opvaren
in de zalen des eeuwigen lichts mei luister.
Niet met een luister, die het oog der wereld verblindde,
want zelfs in het nabijgelegen Jeruzalem merkte men er
niets van. Eomes keizer heeft er waarschijnlijk niets van
3
-ocr page 46-
34              ,/MET OAVEN TOT DER MENSCHEN TROOST."
vernomen. En aan den Tiger en Eufraat bleef men voort-
leven, alsof alle regiment over deze wereld nog steeds toe-
kwam aan een aardsch vorst.
Maar wel met statigen, plechtigen luister voor eijn kerk.
Die kerk was toen op den Olijfberg vertegenwoordigd
door zijn heilige apostelen, en dezen hebben den ingang van
den Koning der heerlijkheid in zijn geducht paleis als ge-
zien. Hij werd opgenomen daar zij het zagen. Geen dood
kwam tusschenbeide. Levend scheidde Hij van hen. En aan-
stonds traden de engelen tevoorschijn om zijn jongeren
te troosten. //Gij, Galileesche mannen, wat staat ge daar, en
ziet vragend op naar den hemel \'i Deze Jezus zal alzoo weder*
komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien
lieenvaren!" En toen kwam de wolke des lichts en schoof
zachtkens onder zijn heilige gestalte. En toen zagen ze niets
meer. Maar geen tien dagen later, of opeens merkten ze van
dien Jezus weer iets. Zie, nu regeerde Hij, en krachtens zijn
goddelijk regiment zond Hij den Heiligen Geest.
En van dien luister, waarmee Hij opvoer, hebben die apos-
telen toen aan hun discipelen verhaald ; en de kerk heeft
met stille eerbiedenisse naar dat plechtig verhaal geluisterd;
en liet is opgeteekend en in Gods Heilig Woord beschreven.
En jaar na jaar vergaderen de geloovigen nu, om zich altoos
weer dat tafereel der heerlijkheid voor oogen te stellen, en
het in te denken, hoe plechtig het was, toen Jezus daar
opvoer voor aller oog.
Dan deukt de kerk weer aan Jezus.
Dan ziet ze Hem weer den troon van zijn regiment be-
klimmen.
Dan leeft en geniet ze weer in zijn koninklijk bewind.
*                                      ______
Doch daarbij bleef die luister niet.
Behalve voor die apostelen is die luister van dat opva-
ren ten hemel ook voor de bewoners van den hemel een
oogenblik van heilig verbljjden geweest.
Reeds voor eeuwen had de Heilige Geest het gezongen:
-ocr page 47-
„MET GAVEN TOT DER MENSCHEN TROOST."              35
„Verhoogt, o poorten, nu den boog,
Rijst, eeuwge deuren, rijst omhoog,
Opdat ge uw Koning moogt ontvangen.
Wie is die Vorst, zoo groot in kracht?
\'t Is \'t Hoofd van \'s hemels legermacht.
Hem eeren wij met lofgezangen."
Ook daarboven was een verwachting. De hemelen zijn
om de aarde bekommerd. Begeerig zijn de engelen om in
de mysteriën der verlossing in te zien. Ze hadden den
Middelaar in Efrata\'s velden begroet, toen Hij den hemel
verlaten had; Hem gediend in de woestijn na Satans booze
verzoeking ; Hem ondersteund in Gethsémané, toen Hij bijna
inzonk; Hem den steen afgewenteld, opdat Hij uit de graf-
spelonk zou treden; en nu ook bij zijn Hemelvaart reizen
ze Hem tegemoet. Zooverre tegemoet, dat de voorsten in
hun rijen nog met de apostelen spreken kunnen. Ze na-
men den Heiland als het ware van de apostelen over en
naar hun hemel meê. Daarvan, van dien hemel, was Hij
uitgegaan, naar dien hemel moest Hij terugkeeren. Daar
was alles voor Hem toebereid. Daar wachtten allen op de
openbaring van zijn glorie. Eerst als Hij het regiment der
hemelen aanvaard zou hebben, zou het ook in die hemelen
vervulling der belofte, een uitkomen van de blijde ver-
wachting, een verwerkelijkt worden van de zaligste hope zijn.
Hij wierd nu Koning ook over Abraham en Izaak en Jacob,
ook over Mozes en Jozua, ook over David en Salomo, over
alle getuigen Gods en martelaren, over alle zieners en
profeten.
Het is zoo, het was nog de doorluchtige dag niet, als
eens de elementen zullen versmelten en alle vleesch door Hem
als Hechter zal geoordeeld worden; maar het was op dien
doorluchtigen dag dan toch de verrukkelijke inleiding.
Toen Hij de hemelen inging, ruischte er door al de he-
melen een jubelen van het zalige koor.
Jezus voer op ah\' mensck.
o, Ongetwijfeld bleef Hij ook zoo de éenige en natuur-
-ocr page 48-
36               «MET GAVEN TOT DER MENSCHEN TROOST."
lijke Zoon van God, met den Vader eenswezens. Maar in
zijn goddelijke natuur kon Hij immers niet opvaren; want
de goddelijke natuur is alomtegenwoordig; kon dus niet
van plaats tot plaats gaan; en kon daarom niet ten hemel
weer opvaren, omdat ze nooit uit den hemel weg is geweest.
Maar wel voer Jezus nis mengelt op; in ons vleesch en
bloed; in datzelfde vleesch en bloed, dat Hij uit den schoot
van Maria had aangenomen; in die gelijke gestalte, waarin
Maria Hem herkend had en waarin zijn apostelen Hem had-
den zien opgaan naar boven; ja, in dezelfde verschijning
als mensch, waarin Hij eens aan Paulus op den weg naar
Damascus, aan Johannes op Patmos verscheen, waarin
Stefanus Hem zag, en waarin alle vleesch Hem eens zien
zal, als Hij wederkomt op de wolken.
Dat was nu het wondere.
In het Paradijs had de Heere gezegd: «Aan den mensch
de heerschappij; aan den mensch het regiment over Eden!"
En zie, door zijn val in zonde viel de mensch uit die
heerlijkheid uit.
Zijn macht verkwijnde; zijn kracht slonk; hij, die heerschen
moest, was slaaf geworden; en vertreden lag zijn kroon in
het slijk van hartstocht en zelfverheffing!
En wat gebeurde nu?
Nu op den Olijfberg is er weer een mensch, de tweede
Adam; en deze nieuwe mensch herkrijgt opeens de in Eden
verloren heerschappij; ja, Hem wordt om den arbeid zijner
ziel gegeven een heerschappij, niet maar over Eden en over
de dieren des velds, maar een vorstelijk regiment over aarde
en hemel, over serafs en cherubijnen; en zelfs de Duivelen
kunnen zich niet meer roeren tegen zijn wil.
En voor wie is nu dit vorstelijk regiment van den
mensch Jezus Christus?
En het antwoord luidt: Voor menscheti.
De hemelen zijn gereed en de engelen behoeven niet
geheiligd te worden. Wat de reeds gezaligden aanbelangt.
-ocr page 49-
„MET GAVEN TOT UER MENSCHEN TROOST."               37
voor hen kon de eindbeslissing van den jongsten dag onmid-
dellijk ingaan. Ook der Duivelen oordeel is gewis.
Maar dat het nog toeven moest, is alleen voor den mensch.
Dat het Koninkrijk nog niet aan God en den Vader kon
worden overgegeven, maar nog eeuwenlang in Jezus\' hand
moest rusten, dat is enkel en eeniglijk om den mensch dien
hemel niet te doen missen.
„Ik ga heen/\' zei de Ileere, „om een machtig werk te doen,
dat daarin bestaan zal, dat Ik voor u plaatse bereid.1\' Natuur-
lijk niet in den zin, alsof er een vertrek moest in gereed-
heid gebracht, of ook alsof dit alleen de apostelen hadde
gegolden. „Ik ga henen om u plaatse te bereiden !" wil zeggen:
„Het doel van mijn koninkljjk regiment in de hemelen zal
zijn, niet om de engelen, maar om de van God geroepene
mensehen. in dien hemel hün plaatse, de plaatse van hun
aanzijn te doen vinden; en als voor den laatste der uitver-
korenen de plaatse zal bereid zijn, dan neemt onverwijld
dit mijn regiment een van God gewild eind."
Zoo kunt ge dus in het (\'ene machtig diepe woord van
troost al het doel van \'s Heeren opvaren ten hemel saam-
vatten.
Hij voer op „met gaven tot der menschen troost, opdat zelfs
het wederhoorig kroost altoos bij Hem zou wonen," zooals
Psalm 68 zegt. Iets wat niet beduidt, dat Hij van uit dien
hemel er op letten zou, of er ook een bedroefde van ziel
ergens op aarde was, om dan terstond uit den hemel naar
zulk een bedroefde van hart eenigen troost te doen neder-
dalen. o, Zeker, dat doet de Middelaar ook. Hij is rijk in
allerlei vertroosting. Maar toch, dit put in de verte niet
den rijken zin uit, die in dat „gaven tot der menschen
troost" bedekt ligt.
Neen, die veel dieper zin van dat woord is juist wat
Psalm 68 zegt: „Gaven van troost, die maken dat men bij Hem
woont."
De troost slaat dus op heel het groote werk der trekking
en der voorbereiding en der lokking, waarmee Immanuel
-ocr page 50-
38               „MET fiAVEN TOT DEK MEXSCIIEK TROOST."
uit den Hooge door zijn goddelijk regiment alle ding zóo
stuurt en leidt, dat niensch na mensch ontworteld wordt
uit den vunzigen bodem van dit zondige leven, en over
wordt geplant in de voorhoven onzes Gods, om daar als
een eikeboom der gerechtigheid of als een palm en ceder
te groeien.
Troost dient voor smart.
De grootste, rjjkste troost alzoo moet machtig zijn om
de grootste en diepstgaande smart weg te nemen. En daar
nu deze diepste aller smarten niet ligt in eenige pijn, of
in eenig verlies, of in eenig verdriet, of in eenige teleur-
stelling, maar eeniglijk gelegen is in het jammerlijk ver-
lies van heel onzen persoon en heel onze ziele in den eeuwi-
geu dood, zoo is dit eerst de volle „troost" van uw Koning
daarboven, dat Hij uw ziel van den dood redt, dat Hij uw
persoon van het verderf afsnijdt, en dat Hij u, die als kind
des toorns om zoudt zijn gekomen, door zijn koninklijk
regeeren van uw lot en leven optrekt en naar zich toe-
trekt in de hemelen, om u daar te doen jubelen met al de
engelen Gods.
-ocr page 51-
„BOVEN, WAAR CHRISTUS IS !"
Indien gij dan met Christus opge-
wekt zijt, zoo zoekt de dingen, die bo-
ven zijn, waar Christus is, zittende aan
de rechterhand Gods.
Coloss. 3:1.
God de Heere is de zeer overvloedige Fontein van alle
goeden!
Wie dat belijdt, en oprechtelijk in zijn belijden meent
en er naar doet, die is er.
Van alle goeden. Dus vloeit er niets uit God, noch welt
iets uit Hem op, noch komt iets uit Hem u toe, of het is
een goed, iets, waartegen niet alleen niet gemord mag, maar
waarvoor gedankt moet. En als gij er nog niet voor danken
kunt en er nog een kwaad in ziet, dan ligt dat niet aan Hem,
maar aan u alleen. Aan uw gezichtsbedrog. Dat gij van
wat waarlijk goed is, de goede natuur, de wezenlijke goed-
heid nog niet inziet.
Hij is de Fontein van alle goeden. Dus er is geen goed,
of het moet uit Hem gevloeid zijn. Wat alzoo in u of uw
kind niet uit Hem is, dat is niet goed, dat deugt niet, dat
is zonde, ook al vertoont het nog zoo schoonen glimp en
schijn. Maar ook, als er in u of in uw lieveling iets waar-
lijk, wezenlijk goeds is, dan is dat niet door u in uw kind
gebracht, noch uit uw kind zelf ontloken, maar dan vloeide
•dat én u én uw kind toe uit die Fontein van alle goeden;
en noch voor uw zelfinbeelding, noch voor uw eigenge-
-ocr page 52-
•40                         „BOVEN, WAAK CHRISTUS IS!
rechtigheid blijft\'ook maar een stippel over. Wij geschapen
in Christus Jezus tot goede werken, maar die God voor-
bereid heeft, opdat wij daarin wandelen en daarvoor danken
zouden. „Niet God in ons, maar wij in God gehouden
voor onze goede werken." En dus, als gij eens iets goeds
deedt, niet de booze gedachte van het vleesch: „Dat deed
ik nu", maar de reine gedachte van den Geest: „Dat wilde
God de Heere in mij werken."
Voorts van alle goeden een Fontein, een Bron en Sprink-
ader. Dus niet uit dien Heere God het goede door u ge-
put, of met veel moeite en inspanning door u Hem afge-
wonnen. Zie, gelijk uit een fontein de wateren vanzelf
naar u toevloeien, niet doordien gij met nu moeite ze lokt
of haalt of put, maar door de stuwkracht, die de fontein
zelve aan haar wateren leent, — zoo ook zijn al deze goe-
den uit den Heere uwen God vanzelf u toekomende. Niet
r/ij trekt ze uit Hem naar u toe, maar Hij zendt ze naar
u uit door den drang van zijn zelfgenoegzame liefde.
En eindelijk, van al deze goeden is de Heere uw God de
zeer overvloedige Fontein. Nooit kan het geloof te veel ver-
wachten. Wat gij ook reeds ontvingt, er welt altoos nog
meer op. Er is geen uitputten aan. De eene toevloeiing
verdringt hier de andere. En hoe hoog ook uw nood moge
gaan, om met „goed" gedrenkt te worden, als ge ï-eeds
lang en te over verzadigd zult zijn, welt en vloeit en bruischt
deze zeer overvloedige Fontein altoos nog!
En daarom, zij het herhaald, wie maar zeggen wil, en
het meent, en er naar doet, dat God de Heere de zeer over-
vloedige Fontein van alle goeden is, die is er. D. w. z.,
die is de innerljjke woekerplant van zijn Arminiaansch
vleesch kwijt, en is rein, rijk en vrij als een stil en teeder
kind van zijn God geworden. Die is van God zelf gereformeerd !
Maar wat zijn dan die „goeden", die uit deze Fontein
aan Gods lieve kinderen toevloeien?
Dat is, kortaf gezegd, alles, waar zijn eere van komt en
uwer ziele heil!
-ocr page 53-
^BOVEN, WAAK CHRISTUS is!"                              41
Dus niet uw brood, dat gij eet, en het keurige ooft, waar-
aan gij u vergast?
o, Ja, dat ook! Waarom niet? Mits niet dat alleen. Zelfs
dat niet altoos. Want als uw geld en goed, uw spijs en
ooft u van God den Heere aftrekken, dan is het geen goed,
en dan ware sterven van honger u veel beter, indien die
honger u naar God terugbracht.
Zie, het goed, dat uit deze Fontein opwelt en ontspringt,
is een goed voor uw heelen persoon, naar lichaam én ziel.
Voor die beide. Eu voor die beide niet een vergankelijk,
tijdelijk goed. Niet een goed op den tast. Maar een duur-
zaam, innerlijk goed. Zóo zelfs, dat er verzoekingen voor
uw ziel kunnen zijn, waar ge later voor danken zult, en
die, ook al schenen ze u eerst een kwaad toe, toch feitelijk
een goed voor u zullen blijken.
liet goede, dat uit deze Fontein ontspringt, is dus al wat
u den dood ontneemt en u het leven brengt.
Er vloeit uit die Fontein genade, en die éene rijke genade
neemt voor u den velei\'lei vorm aan van voldoening en
gerechtigheid, van verzoening en heiligheid, duizendwerf
verbeurde gunste van uw God.
Uit die Fontein vloeit elke waarschuwing in uw con-
scientie; elk zelfverwijt na begane zonde; elke traan van
oprecht berouw; elk kinderlijk oprecht betoon van boete.
Uit die Fontein vloeide u toe elke verkwikking der liefde;
elke opbeuring uit zielsangst; elke vertroosting in benepen-
heid en benauwdheid des harten.
Uit die Fontein welde naar u toe elk woord van waar-
schuwing; elk roepen van vermaan; elk dringen en lokken
der liefde; al wat u van zonde afhield en u weer trok
naar uw God.
Uit die Fontein ging naar u uit alle kiem en ontluiking
en innerlijke beweging des geloofs; elke bewerking des
Heiligen Geestes; elke omzetting van uw inwendigen mensch;
al datgene, waardoor ge kind van God wierdt.
Ja, meer nog, nooit, nooit heeft er in uw hart éen enkel
vonkje van reine, oprechte liefde gegloord, of uit Hem was
het u toegekomen. Nooit heeft het kleed der nederigheid
-ocr page 54-
42                          „BOVEN, WAAR CHRISTUS IS !
u schoon gestaan, of Hij had het u omgehangen. En zoo
er ooit ook maar iets in u geschenen of\' geflonkerd of ge-
blonken heeft van wat lieflijk is en welluidt en lof bij God
heeft, dan was het door Hem, den Vader der lichten, dat
ook deze goede gave voor u bestemd wierd, aan u wierd
geschonken, en in u tot uitkomen wierd gebracht.
En zoo is dan de weg u vanzelf aangewezen.
Poogt, streeft ge, om reiner, heiliger, nederiger, teederder,
warmer in heilige liefde te worden, boor dan niet in den
dorren bodem van uw eigen hart, want daar ontspringen
deze wateren nooit, maar zie dan op naar boven.
Zijn dat de „goeden", die ge waarlijk zoekt, welnu, dan
zoekt gij ook niet meer dingen, die op aarde zijn, maar
dingen, die boven zijn. Maar zoek ze dan ook boven en
weet, van waar ze u alleen kunnen toevloeien.
Als dus de Heilige Geest u toeroept: „Zoekt de dingen,
die boven zijn/\' dan beduidt dat ook wel, dat ge gelokt
en getrokken moet worden, niet door het klatergoud dei-
wereld en haar schijngenieting, maar dat uw ziel behoort
uit te gaan naar de heerlijkheid van het hemelsche Jeru-
zalem; — maar het beduidt toch nog meer.
Het beduidt ook, dat ge niet dorsten moet naar goud of\'
genot of eere onder menschen, maar dat ge dorsten moet
naar goede werken, naar liefde, naar reinheid, naar wat
lieflijk is en welluidt, niet in menschenooren, maar iri
Gods oor; en dus, dat gij ook dorsten moet naar lust om
vroolijk het kruis te dragen, om oprecht voor God te kun-
nen staan, om een goede conscientie te hebben, en te mogen
beven voor \'s Heeren Woord.
En al deze dingen nu zijn niet op aarde, maar zijn
boven. De liefde wordt niet op aarde, maar in den
hemel geboren, en al wat rein en heilig en zelfverlooche-
nend en godzalig is, dat groeit niet op den akker van uw
eigen hart, maar (faalt neer, dat wordt u toegezonden, dat
komt tot u vanboven. Dat is eerst boven geweest, en is
vandaar tot u nedergezonken. En als eindelijk naar de
-ocr page 55-
BOVEN, WAAR CHBISTUS IS l"                          43
stille bede van den apostel de vrede Gods u geheel ver-
vullen mag, dan is die vrede Gods een kostelijke gave, die
eerst in de Fontein van alle goeden is geweest, en uit die
Fontein u toeweide.
Doch ook hiermee is nog niet alles gezegd. Nu moet
er nog bij: „Boven, waar Christus in." Een kostelijke bij-
voeging, die natuurlijk volstrekt niet zeggen wil, dat voor
het Christenvolk alle goed nu niet meer uit de Fontein
aller goeden zou vlieten, maar uit Christus, zoodat Chris-
tus bij ons voor God in plaats zou komen, en voor ons
niet meer God, maar de Heiland de Fontein aller goeden
zou zijn. o, Aan zoo stuitende gedachte mag zelfs geen
oogenblik voet gegeven. Het eeuwig en volzalig Wezen
is en blijft de Fontein aller goeden eeuwiglijk, voor een
iegelijk, en dus ook voor ons.
Maar dit ligt er in, dat de wateren uit deze Fontein
door den Heere Christus reeds voor ons zijn opgevangen; dat
Hij ze reeds voor ons vergaderd heeft; dat ze in Hem
reeds voor ons bestemd liggen; en dus, zoo waarlijk als onze
ziel aan den Heere Jezus Christus is verbonden, zoo zeker-
lijk in alle eeuwigheid de overvloedige verversching van deze
wateren ons nooit kan of zal ontbreken.
Alzoo uit het eeuwige Wezen, maar door den Middelaar.
Wilt ge liefde, om te kunnen liefhebben, welnu, in Chris-
tus ligt ze voor u gereed, Hem voor u toegevloeid uit de
Fontein aller goeden.
Wilt ge teederheid van conscientie, nederigheid van ziele,
verloochening van uzelven, zoekt dan al deze dingen boven,
waar Christus is, want in Christus liggen ze voor u bereid.
Niet maar als algemeene schatten, maar als schatten, die
op u aangelegd zijn.
Niet maar een zegelring, maar een ring der verze-
geling, die voor de omspanning juist van uw vinger past,
met uw naam in den keursteen gegraveerd!
Een kleed der gerechtigheid, juist zooals het zijn moest
voor u!
-ocr page 56-
„ALTOOS MET DEN HEERE WEZEN !"
En alzoo /.uilen wij altoos met den
Heere wezen. Vertroost elkander met
deze woorden 1 Thess. 4 : 17, 18.
Het heeft Gode beliefd al zijn kinderen een aantrekkings-
punt voor hun ziel, een middelpunt voor hun verlangen,
een voorwerp der liefde voor hun menschelijk hart te bie-
den in den eenig dierbaren Immanuel!
Niet alsof\' God zelf, alsof zijn eeuwig heerlijk Wezen niet
gemind moest met al de spanning en al de kracht van de
liefde, die in hun menschelijk hart vallen kan.
Dat blijft de Heere Heere voi\'deren eeuwiglijk en altoos.
Hij, de Fontein aller goeden en aller zegeningen Springader,
wil alles in allen zijn. En nooit geeft Hij zijn schepsel éen
enkel druppelke liefde in het zelfzuchtig hart, of Hij ziet
zeer nauw toe, waar de geur dezer liefde henentrekt. Want die
geur van alle liefde moet voor Hem zijn. Voor Hem, die
alle ding, en dus ook dien geur der liefde van het menschen-
liart, alleen om zichzelfs wil schiep.
Daarover kan dus nooit twijfel rijzen; en als wespreken
van een trekken van ons hart naar Immanuel, dan is dit noch
in de Schrift noch onder Gods kinderen ooit anders bedoeld,
dan naar het heerlijk zeggen van Jezus zelf in zijn stervens-
nacht: „Wie Mij ziet, ziet den Vader \\" Met Hem, den Imma-
nuel, zielsinnig éen, maar eeniglijk om door Hem den toe-
gang en de toeleiding te hebben tot den Vader.
o, Zoolang men doolt op het glibberig pad van geestdrij-
-ocr page 57-
ALTOOS MET DEN HEERE WEZEN \\"                       45
verij en ziekelijke inbeelding, moge er een vastklemmen
aan Jezus zijn, dat om Jezus zelf, en niet om het goddelijk
Wezen gaat; maar zóo werkt het geloof niet met frissche
kracht door en ruischen er door de bedding van ons hart
de wateren des levens, of ge laat vanzelf dat valsche Jezus-
beeld, dat uw ziel ziekelijk ophield, los, en opeens kleeft
ge den werkelijken Itnmanuel aan, die u altoos henenwijst
van zich op den Vader!
Vroom is de ziel niet, of wat haar drijft moet een zoeken
van den Eeuwige wezen.
God te zoeken, te bedoelen, niet buiten Hem te kunnen,
is alleen waarachtige godsvrucht.
Het hert, dat, moêgejaagd en uitgeput, niet meer kan, en
nu smacht naar de waterstroomen, aldus blijft voor het kind
van God het hem van God zelf gegeven beeld.
En waarom dan toch dat trekken van uw ziel naar Jezus,
niet meer, niet sterker, neen, maar anders dan toch is dan
naar God?
Zie dat aan uw jongen lieveling.
Ge kunt ook dat kind wel van hel Eeuwige Wezen spreken,
en als dat kind bidt, bidt het wel tot God zelf, en is het
wel dat hoogheilig Wezen, dat uw kind met plechtig ontzag
vervult, maar toch, als ge van God spreekt, gaat het hart
van uw kind niet geheel open.
Het zou wel willen.
Het neigt er wel toe.
Maar het kan niet.
God de Heere is te hoog, is te ver, is te heerlijk. Uw
kind wil zich alles verbeelden. Maar God kan het zich niet
verbeelden. Want zóo als het zich zijn God verbeelden wil,
is alle band met dat Eeuwige Wezen voor hem weg.
Maar nu spreekt gij uwen lieveling van Jezus, en zie,
nu is de uitwerking heel anders. Die naam van Jezus doet
heel anders aan dan de naam van God. Hij is inniger, spreekt
het hart meer toe. En bij het noemen van dien naam valt
het verbeelden zooveel lichter, o, Jezus kan uw kind voor
-ocr page 58-
46                       gALTOOS MET DEN HEERE WEZEN \\"
zich halen. Niet. zuiver, natuurlijk niet; niet in scherpe
omtrekken; maar uw kind kan zich toch verbeelden, dat
Jezus zijn slaapkamer binnentrad, en zich neerzette aan zijn
sponde, en zijn gezegende hand op zijn slapen legde, en
hem influisterde: //Mijn lieve jongen, rust zacht!" En in
zoo zalige verbeelding zou uw kind kunnen sterven.
Wat dit dan is? Welk mysterie hierachter schuilt?
Dit.
Om aan het Eeuwige Wezen te kunnen denken, moest
uw kind zich iets verbeelden. En dat kon het niet. Maar
zie, in Jezus geett dat Eeuwige Wezen u nu zelf zijn beeld.
En nu heeft uw kind zich niets meer in te beelden. Nu
vond het een rustpunt voor zijn zoekenden blik. En ook al
verstond het dat niet. en al zou hij het u niet zoo uitleg-
gen, dut is toch de sleutel tot dit wondere geheimenis: Juist
alleen door op Jezus te zien en door aan Jezus te denken,
kan uw kind zich God denken.
Het ging ongemerkt toe.
Maar zóo was uw lieveling niet in de gemeenschap met
Jezus, of tegelijk vloeide over zijn hart de zalige aandoe-
ning van zijn gemeenschap met God.
En denk nu niet: /;Dat is voor mijn lieven jongen wel,
maar niet voor mij."
Want dit zeggende, vergist gij u.
Zeker, ge zijt anders dan uw kind. Ge merkt meer. Er
is in u meer bewustheid van wat er in u omgaat.
Maar toch, in den grond der zaak is het evenzoo met
uw ziel als het met de ziel van uw lieveling stond. Het
Eeuwige Wezen, buiten Jezus om, dat kan uw hart soms
even gissen, dat ge meent er uit de verte een eenig klein
stippelke van te bevatten; maar toch, eerst als ge nabij Jezus
zijt gekomen en met den Immanuel zijt, ontsluit zich ook
voor u de eeuwige liefde des Heeren Heeren!
-ocr page 59-
„ALTOOS MET DEN IIEEKE WEKEN \\"                       47
Wat u dit maakt is niet Jezus\' goddelijke, maar Jezus\'
menschelijke natuur.
Bedenk dat toch wel.
Als het u ooit gebeuren mocht een zalig, heilig
mensch te ontmoeten, zoo allervolkomenst vroom en heilig,
dat er van jongsaf nooit eenige zondige reuke over zijne
ziel ware gegaan; en die allerheiligste mensch bezat macht
om in eigen ziel het schuldbesef te dempen en uw ontruste
conscientie met den balsem der verzoening te zalven, zoo-
dat zijn onuitputtelijke heiligheid u niet neersloeg, maar
ophief\', — zie, dan zou ook die mensch u de nabijheid des
Heeren Heeren brengen, maar dan zou deze mensch ook
als Jezus zijn.
Bij Hem, van wien geen woord uitgaat en geen blik uit-
straalt, of ze heiligt en stemt teeder en leidt tot den Eeuwige
op, o, daar bewerkt u een geheimzinnige macht, die ge
niet verstaat, maar die u toch zoo volheerlijk iets ervaren
doet van de toenadering van het Eeuwige Wezen.
En dan is er geen strijd, om te kiezen tusschen Jezus en
den Eeuwige, geen beurtelings nu op den een en dan op den
ander zien, geen weifeling der ziele; maar het is een staren
op Jezus al reiner, al dieper, al doordringender ; en juist naar-
mate ge dieper indringt in zijn zielsblik, ontsluit zich meer
voor u van de heerlijkheid des Heeren.
o, Dat gij uw Jezus dan toch zoeken woudt.
Hem zoeken in zijn Woord.
Zoeken in uw gebeden.
Zoeken in de stille overpeinzing der ziele.
Hoe meer nabij Hem, hoe dichter gij u bij de liefde des
Keuwigen zult voelen.
Eén met Hem is éen met God te zijn.
Maar ook bij het scheiden van Jezus gaat de Eeuwige
en Volzalige God weer opeens uit uw zielsblik weg.
En dat nu doet de zonde.
Dat onze ongeestelijke loomheid.
Dat de ongerechtige opwelling van ons boos hart.
-ocr page 60-
48                     „ALTOOS MET DEN HEERE WEZEN!
En dan, verre van Jezus, vindt onze ziel zich ook weer
verre van haar God afgeslagen en eenzaam en verschoven,
en als door een onweder voortgedreven, roept en schreit ze
om troost.
En daarom is het zoo zalig, dat dit eenmaal zoo niet
meer zal wezen.
Dat er eens een tijd, eens een eeuwigheid komt, waarin
niets ons meer van Jezus kan scheiden.
Dan zullen wij altoos bij den Heere wezen.
En door Hem bij dien Eeuwige, dien wij Abba, line Va-
der!\'
noemen.
En daarin ligt voor al Gods kinderen de troost!
-ocr page 61-
PINKSTERDAG.
4
-ocr page 62-
-ocr page 63-
„DE TROOSTER, DIE MIJN ZIEL VERKWIKKEN
ZOU\'/\'
Om dezer dingen wille ween ik; mijn
oog, mijn oog vliet af van water, om-
dat de Trooster, die mijne ziel zou ver-
kwikken, verre van mij is: mijne kin-
deren zijn verwoest, omdat de vijand
de overhand heeft.
Klaagl. 1 : 10.
„Om dezer dingen wille ween ik!" roept de Godsman uit.
z/Mijn oog, mijn oog vliet af van water, omdat de Trooster,
die mijn ziel verkwikken zou, verre van mij is!"
Kent ook gij zulk weenen?
o, Er vlieten zooveel tranen dag aan dag. Soms ook in
de nachten. Ons hart begeert vele dingen; hoopt op vele
dingen; hangt aan vele dingen. En als die dan niet komen,
of ons ontnomen worden, dan schrijnt er zulk een bang ge-
voel van leegte en gemis en teleurstelling door de ziel.
Dan hebben we verdriet!
Dan schiet ons vaak het hart en het oog vol.
En een verkwikking is ons dan soms het weenen, als het
hart zich in een vochtig oog ontlasten kan. Een droog oog
is verdubbeling van smarte!
Een kind weent spoediger, omdat het gevoeliger is; maar
juist daarom is het kind gelukkiger; want met de traan, in
het oog en langs de wangen biggelend, biggelt ook het
kinderverdriet uit het jonge hart weg.
-ocr page 64-
52 „DE TROOSTER, DIE MIJN ZIEL VERKWIKKEN ZOU!"
Wij daai\'entegen blijven met onze smart omloopen. Ze
graaft en boort in ons hart in. Ze zoekt een uitweg, niet
door het oog, maar in de diepte onzer ziel. En juist dat
maakt onze smart en onze droefenisse zooveel banger.
Ook omdat wie weent beklag vindt, maar wie niet wee-
nen kan, het opkropt zonder vertroosting.
Poch als ge dan soms kunt weenen, waarom roepen uw
tranen dan?
De Heere zegt ook tot u: „Wat klaagt een levend mensch?
Een iegelijk klage vanwege zijne zonden!"
En die smart, kent ge die? Hebt ge verdriet, van uw
zonden ? Komt gij inwendig om ter oorzake van uw zonden ?
Drukken, benauwen ze u? Weet ge wat de Psalmist be-
doelde, toen hij zoo schriklijk riep van een ziel, die „dood-
brakende" was?
Helaas, op die vraag zien wij elkaêr vorschend aan, en
is het ons maar al te zeer, alsof er een vreemde smart over
onze ziel kroop.
Schuld, o, wij erkennen ze! Zonde, o, we belijden ze!
Wat mensch is er, die zeggen zal: „Mijn hand is rein7\'?
Maar weg de blinddoek ; spreek waarheid; en zeg dan,
of ge niet schier altoos u dat schuldbesef moest aanpraten.
Nu niet na een bepaalde overtreding, of een val in zonde.
Neen, maar gemeenlijk, in het gewone leven.
En als u de ure kwam, dat gij innerlijk verkwijndet en
wegzonkt in zielsbenauwing, hoe anders overkwam u dat,
dan door een genadige inwerking van den Heiligen Geest?
o, Als die u onderwees, en aangreep, en ontevreden met
uzelven maakte, en u inleidde in uw hart en in uw be-
weegredenen, en in uw verleden, en in uw geslacht, en in
uw geboorte, en tot in Adam, dan, ja, liep de ziel over en
was er een schreien om genade en een weenen om de ver-
giffenisse van uw God.
Maar buiten die ontdekkende en inleidende genade, dan
zijt gij uit uzelf zoo hard, zoo stomp, zoo ongevoelig, dat
uw hart kan springen en dansen en dartelen bij den dood
-ocr page 65-
/;DE TROOSTER, DIE MIJN ZIEL VERKWIKKEN KOU \\" 53
van uw ziel, en dat de lach om uw eigen zotternij u nader
staat, dan het schreien van verdriet over uw innerlijk bederf.
En toch, het schreien, waar de man Gods van spreekt, in
dien uitroep: nMijn ooi/, mijn oog vloeit af van tranen, omdat
de Trooster mijner ziel verre van mij is!"
is nog een ander
werk, dan het in tranen uitbarsten bij het besef van onze
algeheele verdoemelijkheid!
Wie alzoo klaagt, heeft verkwikking gehad.
Hem was licht ingedaald in de duisternisse van zijn bin-
nenste.
Hij heeft hemelsche dingen gezien, genoten, gesmaakt.
Hem is olie in de wonde gedruppeld, hem zijn de zwe-
ren uitgedrukt, hem is medicijn gereikt, hem is vertroos-
ting van zijn God geworden.
Maar zie, nu week die Trooster weer. Nu zette de zweer
van het hart weer op. De wonde begon weer te schrijnen.
En zijn hope, die hij op den Heere zijnen God had gesteld,
taande.
En nu is zulk een nog veel ongelukkiger.
Want hij heeft genade gekend, en zie, nu ontvlood ze
hem. Hij heeft vertroosting en verkwikking genoten, en
zie, nu ligt zjjn ziel weer in haar smart.
„Zou dan God zijn gena vergeten, nooit meer van ont-
ferming weten P*
Was het dan maar een redding voor een oogenblik, om
hem daarna in te dieper jammer te laten? Een schijnsel
van een lichtstraal, maar om daarna de duisternisse te be-
nauwender op het hart te doen drukken?
En zoo raakt de ziel er dan onder.
Niet aanstonds.
o, Neen, want als pas die toestand intreedt, merkt hij het
niet, en mist hij niets.
Maar als het eind van de verlatenheid weer nadert,
en de Heere zjjn ziele weer gaat opwekken, dan komen de
weeën en komt de pijn, en dan pas, als de Trooster weer
-ocr page 66-
54 „DE TROOSTER, DIE MIJN ZIEL VERKWIKKEN ZOU!"
komt, merkt, hij met onuitsprekelijke smart, dat de Troos-
ter van hem ging.
Want zie, deze Trooster had hem getroost met zoo heer-
lij ke beloften.
Hij kon niet; en die Trooster had toen niet gezegd, zoo-
als de menschelijke vertroosters: „Toch moet ge; span udns
dubbel in!" Neen, deze goddelijke Trooster had hem in de
ziel gefluisterd: „Arme worstelaar, neen, gij kunt ook niet.
Maar bij Mij is raad, bij Mij sterkte; kom tot Mij en Ik
zal het willen en het volbrengen in u werken!"
En dat was manna voor de ziel en water voor den dor-
stige!
• Die kostelijke belofte.
Niet dat Hij het uit ons leeg hart vergde, maar dat Hij
het in ons leeg hart in zou brengen, en alzoo zou maken
dat wij het deden.
De wet geen beul meer, die ons aan het kruis sloeg,
maar een afteekening van de heerlijke paden, waarin Hij
ons zou doen wandelen.
En toen is er zielsgebed gekomen.
Zielsgebed, niet om veel schats en veel voorspoeds, maar
om vervulling van die belofte.
Allen morgen en allen avond een bedelen bij God, om
naar die belofte te ontvangen, dat Hij in ons werke én het
willen én het volbrengen, en dat wij alzoo wandelen zou-
den in de werken, die Hij voor ons bereid had.
o, Zalige genieting, als het dan kwam, en als er voor
vervulde belofte gedankt mocht!
Dat eerst was een Trooster, die Heilige Geest, die ons
troostte van ons boos hart, van onze kwade natuur, van onze
machteloosheid en ons hartverscheurend gebrek aan heiligheid.
Maar ook dat wierd gewoonte!
God gaf zooveel en zoo ruim en zoo mild.
En zoo verging ons de honger, en verging ons de dorst,
-ocr page 67-
„DE TROOSTER, DIE MIJN ZIEL VERKWIKKEN ZOu!" 55
•en met dien honger en dien dorst het echte smeeken en
wezenlijke bidden.
Het was niet meer dat eiken morgen en eiken avond
bedelen om genade, maar meer het werktuiglijk vragen,
zooals men den gastheer om het toereiken van den schotel
vraagt aan den welvoorzienen disch.
En daarom stelde de Heere u dan op genaderantsoen.
Hij liet niet van u af, maar Hij gaf\' u een schraler wei-
de en het drinken uit een beek, die bijna uitgedroogd was.
De belofte regende geen genade meer.
Hoogstens vielen er nog enkele droppelen.
En zoo sleep de Heere de verstomping weer uit uw ziel
weg. Zoo kwam er weer honger, zoo kwam er weer dorst in u.
En toen wierd het een weenen, „omdat de Trooster verre
weg was".
En o, met zulk een weenen, dan komt de Trooster zelf
weer.
Want Hij «ai niet verre.
Hij scheen slechts verre voor uw door zonde beneveld oog.
-ocr page 68-
DE ANDERE TROOSTER.
Ik zal den Vader bidden en Hij zal
u een anderen Trooster geven, opdat
Hij bij u blijve in der eeuwigheid.
Joh. 14 : 16.
Onder alle hooggetijden is er geen, waarvan de groote
menigte der belijders zoo weinig verstaat, waarbij ze zoo
weinig gevoelt en waarin ze zoo weinig geniet, als het
hooge feest van de uitstorting des Geestes.
Het is zoo //geestelijk" en biedt zoo weinig aan verbeel-
ding en voorstelling.
Op het Kerstfeest, dan hebt gjj, om met uw magen en
uw kinderen van te spreken, de kribbe; en dat Kindeke; de
herders; en hun lammeren; dat engelenheir; dien kinder-
moord; dien tempelgang; die vlucht naar Egypte; en wat
niet al.
En evenzoo, op Paaschfeest, dan ziet gij in uw verbeel-
ding dien opgang der weenende vrouwen naar den hof; dat
eenzaam dolen van de Magdaleensche; dat neerdalen der en-
gelen; dat openen der spelonk; die sabbathswandelaars naar
Emmaus; die avondontmoeting; en dan Thomas met zijn
vinger in de wonde.
Niet waar, dat valt onder ieders bereik. Dat levert stof
om van te spreken. Dat laat zich afbeelden door sti o
penseel.
Daar is gang, daar is afwisseling, daar is rijkdom van
-ocr page 69-
DE ANDERE TROOSTER.                                     57
figuren in, en omdat het in zichzelf voor het oog leeft,
leeft het ook in de gemeente.
Maar hoe heel anders, nu gij aan Pinksteren toe zijt!
Nu niets dan een opperzaal, met menschen erin en
menschen erbuiten; voorts een wondergeluid; een geheim-
zinnige lichtschittering; en dan, dat er gesproken wordt;
verward daarbuiten; in vreemde tongen daarbinnen; het
al straks uitloopend in een predikatie tot Gods eer.
Natuurlijk, dat kan uw verbeelding niet ontvlammen;
dat toovert op het veld van uw voorstelling geen verras-
sende beelden; daar leven uw kinderen niet in; dat biedt
geen stof voor schilderende predikatie; — elke plaat, elke
teekening, elke schilderij van het Pinksterfeest is mislukt.
En, zoo haasten wij ons er bij te voegen, moest mislukken.
Niet, wijl Pinksteren in waardij beneden Kerst- of Paasch-
feest staat, maar wijl het voor het lager leven van voor-
stelling en verbeelding te hoog ligt en te geestelijk is.
Pinksteren is het eêlste der drie, maar alleen voor wie
aan het eêlste smaak kreeg.
Alleen wie de „eerstelingen des Geestes" zelf ontving,
kan op dit feest des Geestes jubelen!
Zie, „een anderen Trooster* noemt Jezus den Geest, dien
Hij zenden zal van den Vader. Dus beschouwt de Zoon
zichzelven evenzeer als een Trooster, maar als zulk een, die
slechts voor een tijd kwam en dan weer wegging. En
daarom zou hun nu een andere Trooster toekomen, daarin
van Hemzelven onderscheiden, dat deze nieuwe, deze andere
Trooster niet zou weggaan, maar bij hen blijven zou in
der eeuwigheid.
Zegge dus niemand, dat de Heilige Geest slechts kwam
om aan de discipelen het gemis van hun Jezus te vergoe-
den. Dat bedoelt Jezus niet en zegt Hij ook niet. En door
van den Heiligen Geest, op onwaardige wijs, zulk een tijde-
lijk plaatsvervanger van Jezus te maken, wordt het Pink-
sterheil bij den wortel afgesneden en komt God de Heilige
Geest om zijn eere.
-ocr page 70-
58                                       DE ANDERE TROOSTER.
Ook de Heilige Geest is God. Niet een kracht, een licht,
een gave, maar een goddelijk persoon. En wel zulk een
persoon, die niet in majesteit onder, maar in glorie volko-
men gelijk met den Zoon staat, en evenmin slechts voor
een tijd optreedt, maar zonder tijd, van voor den aanbe-
ginne tot na het nooit komend einde, even mede-eeuwig
als medewezend is met dien Zoon en met den Vader.
En nu komt eerst de Zoon, en daarna die Heilige Geest,
om de uitverkorenen des Vaders ,,te troosten*.
Maar kunt gij nu ook „troosten" die jubelen; „troosten"
die geen rouw dragen; „troosten" die hun smart niet be-
kennen, noch ook besetien, dat de ellende hen omringt als
een stroom?
En wat weet de wilde schare, wat zelfs de schare dei-
belijders van die „ellende" ?
Ellende voor de massa is als het hun tegenloopt; als ze
te worstelen hebben met kommer of krankheid; als ze ver-
liezen wat van hun goed, of erger nog, verliezen wat van
hun bloed was. En daarom dwepen ze met de belijdenis
van den ttVader in de hemelen", die de broodkast vullen,
het bleeke gelaat weer kleuren, en bij den gang naar het
graf hen ondersteunen kan.
„Ellende" voor wie iets dieper leven, is als hen de last
drukt van een verzondigd leven; als de conscientie hen ont-
rust; en de vraag hen kwelt, „wat er eeuwig van hen zal wor-
den". Dan is er niet de liefde, maar de vreeze, en die vreeze
doet hen den zoen van het kruis aanvaarden en belijden
dien Zoon, die immers van zonde verloste door zijn sterven
en den hemel ontsloot door de ontsluiting van zijn graf.
Maar dan zijn ze er ook. Wat zouden ze meer behoeven?
Och, een hceeeenig God als Vader en als Zoon te eeren,
zou voor verre de meesten wel zoo vanzelf gaan als dat
wondere, dat in het drieeemge van het Eeuwige Wezen al
wie de diepten indook, aanbidt.
Want, niet waar, als tronk zonder wortelen is zulk een
leerstuk geen dogma, maar slechts prevelarij van onver-
staanbare woorden; en dogma, d. i. bewuste afspiegeling
van het eeuwig wezende, wordt zulk een heiligheid eerst
-ocr page 71-
DE ANDERE TKOOSTER.                                      50
in de practijk van de diepten des gemoeds. God, dat eeuwig
Wezen, als Vader, Zoon en Heiligen Geest te leeren kennen,
tegenjubelen en in het wederlieven van wie eerst ons liefde,
volzalig genieten, is eerst dat ware, dat echte, dat van Gods-
wege zijn Drieëenigheid belijden, dat door geen vondst van
spot of logica, door geen twijfel of bedenking wordt gedeerd.
Maar om daartoe te komen moet die smart, die ellende,
waarvan die Trooster „troosten" zal, dan ook wat dieper
opgevat, dan als pijn van het hart over tegenspoed, of ook
als conscientieangst en vreeze voor de hel.
Neen, de ware ellende, die „diepe ellende", waarop die
Trooster het bij zijn goddelijk werk munt, ligt in het we»
zen der liefde.
God is liefde. En daarom kan Gods werken niet rusten,
eer „liefde" de levenswet in zijn Koninkrijk zal worden.
En, o, de machtigste verbeelding gist zelfs nog van verre
niet, wat heerlijkheden er te doorleven zullen zijn, als eens
die wateren der eeuwige liefde als een stroom zullen aan-
rollen en drenken al wat „eeuwig" leeft.
God is liefde. En daarom schuilt ook in haar zwakke
nabootsingen van huwelijk en vriendschap en geslachtsliefde
de allesbeheerschende macht, die onder menschen heer-
schappij heeft.
Liefde is dat Eeuwige "Wezen. En daarom wordt zijn ge-
vallen, in zonde en zelfzucht verzonken schepsel, zelfs in
zijn verderf, door niets zoo gestreeld, zoo gekitteld, zoo tot in
zijn zonde gestijfd, als door hulde en toewijdingen liefde en min.
Hij is liefde. En daarom — en ziehier den dieperen gang —
daarom is er ook geen zondebesef, zoolang de bedroeving van
die liefde onszelven niet de ziel verscheurt. Daarom is er geen
smart bij tegenspoed, zoolang er geen besef is voor de droefe-
nis, die ons te moeten bedroeven, aan zijn liefde veroorzaakt.
En zoo ook is er geen geloof, geen vroomheid, geen god-
zaliglijk leven, dat niet, in het gemind worden door dat
heilige Wezen, de onbeschrijflijke, de onweerstaanbare, de
bijna doodelijke aandrift voelt opwaken,- om nabij God te
zijn, en te schuilen in zijn hutte.
-ocr page 72-
00                                 DE ANDERE TROOSTER.
Verstaat gij iets van die ellende?
o, Ik vraag niet: geheel, genoeg, volkomen; maar iets dan
toch? Iets van dat heimwee met zijn onnaspeurbare gangen?
Maar hier een heimwee, niet naar het land der zaligheden,
maar naar Hem, die erin woont en troont, en uit wien,
als aller zaligheden sprinkader, alle zalige genieting vloeit?
Kent gij iets daarvan? Niet met den hartstocht der inbeel-
ding! Niet door het dwepend gevoel! Niet in overspanning!
Niet als buiten uzelven! Neen, maar met die kalme, stille,
diepgaande bewustheid, die al klaarder u de waterlooze kui-
len van uw eigen hart en daarmee de nooden van uw ge-
moed en de pijnen van uw inwendigen mensch vertolkt,
en u, al leerend en onderwijzend en bestraffend, nu toont,
waar het u aan schort, waar het u aan ligt, wat toch in
den diepsten grond de drijvende oorzaak is van die ver-
terende, nooit begrepen ellende.
o, Lach dan onder uw weenen, mijn broeder! want dat
is u ten teeken, ten bewijs, dat «de liefde reeds weer in
uw hart is uitgestort". Van nature was dat in u niet.
0Ellendig* en toch voor eigen ellende, althans voor het
ware karakter dier ellende ,/blind" te zijn, is juist de doo-
delijke wonde, die in den val ook u is toegebracht. Och, om
de pijn der liefde weder te voelen, moet er reeds weer lïef-
deswerking zijn. In dat: ;/Hij heeft ons eerst liefgehad" zou
nog geen redding liggen, indien er dit andere: „De liefde, in
onze harten uitgestort," niet nog op volgde.
En dat wekken van de pijn der liefde, zie, dat heeft de
Heere in een zonderbare toeneiging tot zijn uitverkorenen
alle eeuwen door gedaan, en dies waren juist zijn uitver-
korenen, of, wil men, de reeds begenadigden en aangegrepe-
nen, waren zij juist wdie verdrukten, die door onweder voort-
gedrevenen en ongetroosten;" ellendig, niet omdat, maar door-
dien
hun genade geschied was, en daarom van Godswege voor-
werpen der innigste, der teederste, der heiligste ontferming.
Zie toch, deze begenadigden voelden weer, dat ze bij dat
Eeuwige Wezen hoorden. In hen was het besef weer wak-
ker geworden, dat zij op dien God waren aangelegd en voor
dien Heilige Israels waren geschapen. Geschapen, niet om als
-ocr page 73-
(il
DE ANDERE TROOSTER.
offerdieren voor Hem te verteren tot niet, maar om, als een
vriend zijn vriend en wie liefheeft, het voorwerp zijner liefde
mint, zóo met dat Eeuwige Wezen een leven, een eigen leven te
doorleven, waarin een sprake van Hem uitging tot de ziel en
de ziel een wederwoord vond om te spreken tot dien Eeuwige.
Wel peilden ze deze liefde niet, maar ze dreven toch voort
op haar stroom, altijd verder af van het zichtbare en wat
voor oogen is, om Hem, dien Eenige, te zoeken. Maar Hij
was er niet. Die wereld stond er altijd tusschen. Er tus-
schen dat geheele leven, met al zijn nooden, al zijn weelde,
al zijn drukte. Ook, bovenal er tusschen, :ijzelven, hun
eigen ik, hun goddelooze ontrouw, hun schandelijk en
schaamteloos gedurig afhoereeren achter andere goden. En
dan geloofden ze weer aan hun eigen liefde niet, en dor-
sten niet meer naar Hem toe. Niet meer aanroepen, niet
meer bidden zelfs. Zij, de geveinsden, de schijnvromen, de
trouweloozen!
o, Dat is het leven der smarten! Daarin zijn de duizend
dooden! Dat is die vrouw, die tot aan de geboorte is geko-
men, en zie, daar is geen kracht om te baren!
Want weet het toch, gij, die nog de paden der oppervlak -
kigen lief hebt! voor een, die daaraan toekwam, is geslagen
te worden zoet, en de gedachte van met zijn trouweloos
hart ooit dien hemel binnen te gaan en het oog van dien
Eenige te ontmoeten een verschrikking.
De toestand van zulk een is niet houdbaar.
Het zijn twee vuren, vóór en achter hem, en dan nog het
verterend vuur vanbinnen.
Hij is begenadigd, hooglijk begenadigd, zóo hoog, dat hem
zelfs „de liefde wierd ingestort" ; maar juist door dat laatste
is deze genade hem tot een onweder geworden, dat hem voort-
drijft, tot een persing, die hij zich vermoeit om te verdragen.
De wereld is tegen hem; zijn eigen hart tergt hem; en
zonde en Duivel dansen sarrend en spottend den doodendans
om zijn verbrijzelde ziel!
o, Had ze vleugelen, hoe ze opwaarts vloog! En ook dat
-ocr page 74-
02                                     DE ANDERE TROOSTER.
is in haar macht. Ze kan de hand aan zichzelve slaan.
Maar zie, ook daartegen staat het gebod. Weer datzelfde ver-
terend vuur. Die grimmige wrake, die allen zelfmoord als
schanddaad en gruwel en overtreding zijner heiligheden vloekt.
Toegemuurd van rondom. Geen uitgang. Geen ontkomen.
En nu niets dan het ongetroost daar nederliggen, ter prooi
aan een macht, die ze niet bedwingen kan, en met niets
dan de bede op de lippen: ,/Och, dat Gij wederkwaamt, en
er vensters in de hemelen waren!" o, „Dorstend als het
hijgend hert \\"
Dat dorsten is een dorsten naar den levenden, drieëenigen,
volzaligen God, naar Vader, Zoon en Geest! En dat dorsten
is niet te lesschen, eer wegvalt al wat scheidt en tegen-
houdt en benevelt, en zal eerst dan gestild zijn, als er geen
wereld meer is om af te trekken en geen tijd meer om af
te matten en geen zondig hart meer om af te leiden en
geen Duivel meer in het donker loerend om ons af te lok-
ken van dien Eéne.
Tot wat dat dorstend kind zoekt, komt het dan eerst, als
er geen wten deele" meer is en er geen wolken meer drei-
gen en er geen vleesch meer is om te verkouden.
Dan, als het lieven aanbidden en het aanbidden waar-
heid in de ziel kan zijn en het „straks" u niet weer rooft
wat het „zooeven" u geschonken had.
Ja, dan, als zelfs de grens van uw persoon ophield een
grens voor dat Eeuwige Wezen te zijn; en gij in de ge-
meente der volmaakt rechtvaardigen opgaat; en die gemeente
in den Middelaar, en de Geest, dien Middelaar als het Hoofd
niet die gemeente als zijn lichaam doortintelend, u in zich
optrok om zelf in u te wonen en te vervullen al wat in u
vervuld kan worden tot al de volheid Gods.
En nu, dat komt niet op aarde.
Komt zelfs nog niet in volkomen mate met het sterven.
Dat komt niet, vóór die dag van zijn toekomst komt, en
met dien dag Hij, en met Hem al zijn heerlijkheid!
-ocr page 75-
DE ANDERE TROOSTER.                                       63
Maar daarom laat de Barmhartige dat nu maar niet zoo
Hij ziet de ongetroostheid zjjner troosteloozen niet maar
zoo aan.
Immers toch, Hjj is uw Heiland! Ontf\'ermer is zijn naam!
En daarom heeft Hij heil beschikt, en vindt ge zijn bege-
nadigden, die de pijn „der in het hart uitgestorte liefde*
kennen, nooit zonder een Trooster, een Trooster, dien Hij zond!
Bij de patriarchen komt die Trooster in gezichten en
verschijningen, in oordeel en in goddelijke toespraak.
In Mozes\' dagen ritselt het kleed van dien Trooster in
den golfslag der Roode Zee en in het neerdruppelend
manna en ziet Israël Hem in de wolkkolom des daags en
in de vuurkolom des nachts.
En zoo al voort komt die Trooster tot het volk des Heeren
in de afbeelding van zijn heiligheden, in de reddende hand,
in droom en verrukking, bovenal in het woord der profetie.
En toen nu deze bedeeling der schaduwen ten einde ging,
zie, toen kwam de Zoon; en alle ziel, die naar God dorstte,
kleefde Hém achteraan, en was getroost, en was zalig in den
aanblik zijner liefde.
Maar Hij bleef niet; en het kruis kwam; en toen werden
„hun harten weer ontroerd", en beefden de zielen der uit-
verkorenen als de toppen der bladen beven, wanneer de
nachtwind door het woud trekt; en hoor, toen, toen kwam
de belofte: „Mijn jongeren, gij ontvangt een anderen Troos-
ster! Een Trooster, die niet meer van u gaat, maar blijft,
eeuwiglij k !"
En zoo kwam dan de Pinksterdag en daalde God zelf in
de harten neder, en woonde in de gemeente Christi, en
ging in tot den tempel, dien Hij zich verkoren had, zeg-
gende: „Hier is de plaats mijner ruste!"
En toen was er ruste.
Een rusten van dat troosteloos zwoegen. Voorbö van die
eeuwige ruste, die blijft voor het volk van God.
-ocr page 76-
„DE LEVENDE GOD IN HET MIDDEN VAN U!"
Hieraan zult gij bekennen, dat de
levende God in het midden van u is.
Joz. 3 : 10.
Het is een wonder iets op aarde, dat onbevlekkelijke en
onverderfelijke, mystieke lichaam van onzen Heere Jezus
Christus !
Niets onreins gaat erin, en niet éen enkele van Gods
uitverkorenen staat erbuiten.
Het heeft de zalving van den Heilige en weet alle dingen.
Alle krachten des eeuwigen levens en alle heerlijkheden
van het Koninkrijk schuilen erin.
En geen vertroosting is op aarde ooit door Gods kind
gesmaakt, noch eenige geestelijke duurzame ververscliing
ooit door den pelgrim naar het nieuwe Jeruzalem genoten,
of ze vloeide door het aderenweefsel van dat heilig lichaam
des Heeren hem toe.
Zeer wezenlijk is dat lichaam des Heeren dus. Het be-
staat niet in onze verbeelding. Het is geen beeldspreukige
uitdrukking voor een ideale opvatting. Eer integendeel be-
staat dit lichaam onzes Heeren Jezu Christi in zoo eigen-
ljjken volstrekten zin, dat, wanneer in het eind der dagen
eens alles vergaan zal en zelfs de elementen versmelten zul-
len, alleen dat lichaam, maar dit lichaam dan ook gansch
gaaf en ongedeerd, in zijn stand en bestand en welstand zal
big ven.
-ocr page 77-
DE LEVENDE OOI) IN HET MIDDEN VAN O.* 6.")
En, wat nóg wonderbaarder is, dat lichaam van onzen
lleere Jezus Christus vertoont zich op aarde, én in zijn we-
zen én in zijn werkingen, nooit anders dan achter hetsom-
ber floers onzer zonden en ongeestelij kheden, maar zonder
ooit zelf met dit zondige vermengd of door dit onvolmaakte
gedeerd te worden.
Zie maar, hoe zondig en onvolmaakt alle eeuwen door de
kerk des Heeren op aarde gebleken is; en toch, die kerk.
met al haar aanhangend en inklevend verderf, is niets en
was nooit iets anders dan de gebrekkige, benevelde open-
baring van het lichaam des Heeren. Maar hoe dik en dicht
zich ook de nevelen om den glans van dat lichaam saam-
togen, toch heeft zelfs in den diepst vervallen toestand der
kerke Gods op aarde nooit of nimmer dat heilige, mystieke
lichaam des Heeren ook maar het allergeringste van zijn
volkomen gaafheid ingeboet. En of gij een Augustinus en
€alvijn in de bloeiperiode der kerk jubelen, of een Huss en
Teelinck en (\'omrie in de smadelijke tijdperken van Chris-
tus\' kerk weeklagen hoort, toch merkt ge, dat de druppelen
van het water des levens even kristalhelder voor het ziels-
oog van elk hunner hebben geblonken, en dat de jubelende
en de weeklagende saam vertroost zijn door dezelfde diepte
der ontferming van den éenen levenden God.
En ditzelfde moet betuigd van de icerkingeu, die uit dit
lichaam in Gods kinderen uitgaan. Die werkingen zijn „de
goede werken". Het werk Gods in zijn werken. Nietige
schepselen, die God tot zijn kinderen aannam, en die Hij
nu verwaardigt om met hun eigen wil het goede te willen
en te doen wat lof heeft voor zijn naam.
Al deze goede werken nu lagen eerst in het lichaam
Christi verscholen, en toen zijn ze uit dat lichaam Christi
ontloken in ons.
Maar juist daarom konden die heerlijke bloemknoppen
hier nooit zuiver ontluiken. Want gelijk er geen sneeuwvlok
hemelblank op aarde valt, of de aarde bezoedelt ze met haar
stof, zoo ook is er nooit nog in eenig kind des menschen
een goed werk uit den Vader der lichten ingedaald, of het
schepsel heeft het bevlekt.
5
-ocr page 78-
66             //DE LEVENDE GOD IN HET MIDDEN VAN V."
Zoo is er dan niets heiligs op aarde.
En wel verre van los hierover heen te glijden, mag veel-
eer gevraagd, of er niet schreiende zonde in steekt, om al-
toos met. onze bezoedelde vingeren de heerlijkste en fijnste-
kunstgewrochten van Gods Heiligen Geest, voorzooveel aan
ons hangt, te bezoedelen.
Maar zie, hoezeer dit nu ook ten volle wordt toegege-
ven en hierop niets mag afgedongen, toch deert dit het
lichaam Christi niet in het allergeringste. Want of wij die
goede werken nu al door onze zondige bijmengselen bevlek-
ken en al bederven door onze onheilige intenticn, toch deert
dat die werken voor het oog des Heeren niet. Want zijn
die werken eenmaal uit het lichaam Christi ons toegekomen,
dan zijn ze ook door het geloof tot stand gekomen ; en dat
geloof nu maakt, dat het werk Gods in ons onaantastbaar
is, en de vlek er wel schijnt op te komen, maar bij nauw-
keuriger onderzoek slechts blijkt te kleven aan het erop-
liggend vernis.
En daar juist ligt nu het wondere in, en vandaar komt
het nu, dat ge de kinderen Gods op aarde, met de heilige
apostelen vooraan, eiken morgen en eiken avond klagen
hoort: //Wij struikelen allen in vele en niets geheels is aan
mij", — en dat ge toch diezelfde pelgrims, onder voorgang
van diezelfde heilige apostelen, triomfeerend hoort uitroepen:
„Wie uit God geboren is, zondigt niet; en hij kan niet zon-
digen, want zijn zaad blijft in hem \\"
Merk er op: ziin zaad blijft in hem ! En dat inblijvend
zaad, dat zijn nu juist die verborgen krachten van dat mys-
tieke
lichaam ; dat is nu juist dat verborgen leven, dat nu
nog schuil blijft, gelijk de aire in den zaadkorrel toeft om
üit te komen, maar toch ook in dien zaadkorrel zoo godde-
lijk perst en tiert.
En waarin ligt nu de sleutel tot dit heilig en aanbidde-
lijk getuigenis, waaraan al de rechtvaardigmaking van den
goddelooze en de vrede van Gods kinderen hangt?
, Alleen hierin, dat in dat lichaam van Christus de Heilige
Geest woont.
-ocr page 79-
DE LEVENDE GOD IN HET MIDDEN VAN U." 67
Op aarde is Christus niet meer. Hij zit in den hemel op
den troon der heerlijkheid. Eeuwig bloeit de gloriekroon,
gelijk de psalmist jubelt, op het hoofd van Davids groo-
ten Zoon.
Hij, die opvoer ten hemel, is ons ten goede daarboven.
Hij rust daar niet in zalig niets doen; maar gelijk de
Vader altijd werkt, zoo werkt de Zoon ook. En die arbeid,
dat goddelijk werken van den Heere Christus in den hemel
is voor zijn volk. Voor dat volk bidt Hij. Voor dat volk
maakt Hij de rijke verzoening uit zijn bloed geldend. Als
Hoogepriester bedient Hij in het heilige der heiligen onze
eenige offerande. En voorts bereidt Hij ons plaatse en beidt
ons en roept en lokt ons met onwederstandelijke genade ;
en doet dus niet maar iets in den hemel, maar werkt uit
dien hemel ook aldoor op aarde.
De Heere Jezus Christus is slechts op éone plaats. Hjj
leeft in ons menschelijk vleescli, en kan dus niet op twee
uiteenliggende plekken tegelijk zijn j en ook al valt er in
de zaligheid des hemels,, o, zooveel van onze aardsche be-
perktheid weg, toch is ook die hemel geen tooverwereld,
maar een wezenlijke wereld, en geldt de wet, dat plek en
plek gescheiden ligt, dus ook daar.
Maar al is de Heere Christus op elk oogenblik aan éen
plek gebonden, toch bindt die gebondenheid zijn werking
niet. Zijn werking gaat aldoor almogend uit, en strekt
daarom allerwegen, en reikt aan alle plaatsen, en bezit het
heerlijk vermogen van het goddelijke Iegelijk.
„Tegelijk", dat is hef goddelijke! Het „tegelijk", dat de-
zelfde God op éénzelfde oogenblik én in Azië, én in Trans-
vaal, én in Amerika, én hier in de stad of in het dorp uwer
eigen woning, zijn almogende werking doorzet; en, hoewel
Hij allen tegelijk nabij is, toch een iegelijk zóo nabij is, als
luisterde Hij alleen naar zijn zielsklacht en naar zijn bijzon-
der gebed.
En dat goddelijke „tegelijk" is nu ook in den Heere Je-
zus Christus. Hoezeer ook aan éen plek gebonden, doet Hjj
zijn majesteit, genade en Geest toch naar alle oorden en
plekken der wereld tegelijk uitgaan. En gelijk ons hoofd op
-ocr page 80-
68 ,.I)E LEVENDE GOD IN HET MIDDEN\' VAN U."
elk gegeven oogenblik elk lid van ons lichaam kan bewer-
ken, zoo ook is het met dit verheerlijkt Hoofd van het mys-
tieke lichaam.
Hoever ook dat lichaam zich uitstrekke, toch kan er zoo-
min in eenig lid van dit lichaam iets geleden worden, dat
Jezus het niet merken zou, als het niet mogelijk is u op
eenig deel van uw huid met een speld te prikken, of in
uw bewustzijn merkt gjj het terstond.
En zoo ook, er kan geen lid aan dat lichaam zijn zoo
gering of zoo schijnbaar onbeduidend, dat de mogendheid
van den Heere Jezus er niet naar toe zou reiken ; en dat
Hij, onze Heere Jezus Christus, ook van dat vergeten lid
niet de eigenlijke Zielsbewerker en Zielsvertrooster zou zijn.
Eigenlijk leeft dat lichaam dus geen eigen leven, maar
het laat in zich den Heere Jezus leven. Het Hoofd beveelt
het lichaam, leidt het lichaam, doortintelt het lichaam.
Het is Immanuel, die in zijn leden bloeit!
Doch ook hiermee is het diepste van dit geheimnis nog
niet aangeraakt. Want laat het dan zoo zijn, dat wij
aan dat lichaam deel hebben en dat dit wondere lichaam
uit Jezus bezield wordt, zoo is toch ook hiermee het eigen-
lijke mysterie nog niet verklaard; dit mysterie namelijk,
hoe uw ik, hoe uw ziele, hoe uw inwendige verborgen per-
soon met dien Middelaar en Goël in deze zielsinnige ge-
meenschap staan en jubelen kan.
Hij het heerlijk, denkend, bezielend, leidend en bescher-
mend, wilt ge, het alles en alleen werkend Hoofd, in allen,
alles voor de zijnen; en wij, in al wat wij uit onszelven zijn
niet voor God, maar voor den Satan werkend, en, liet Jezus
ons los in ons stervensuur, niet wachtend op een hemel-
vaart, maar op een nederdaling ter helle!
Dat, dat is het mysterie.
Daar gaapt de klove, waarover uw geloof o, gewisselijk,
u veilig heentilt, maar die toch het mysterie onbegrepen
laat en roept om nader verklaren.
En dat meerder licht, dat brengt u nu de Pinksterdag.
-ocr page 81-
/;DE LEVENDE GOD IN HET MIDDEN VAN U."            09
Hebt gij onmiddellijke gemeenschap met den Vader ? Im-
mers neen, want de Vader is wel de grond en het aanbe-
gin en de scheppende oorzaak van alle ding, maar niet de
Vader daalt in zijn kerk neder. „Een God en Vader, uit
wien en tot wien alle dingen zijn \\"
Hebt gij dan wellicht onmiddellijke gemeenschap met den
Zoon ?
Immers ook dat niet, want niemand kan zeggen
Christus den Heere te zijn, dan door den Heiligen Geest.
Hij nam uw vleesch aan, o, zeer zeker, en schiep dus ge-
meenschap met uw menschelijke natuur, maar daarom nog
volstrekt niet met uw innerlijk bewustzijn. Daarom was het
den discipelen nut, dat Jezus heenging, want indien Hij niet
heenging, kon de Trooster niet komen.
Let toch wel op.
Gemeenschap met den Vader is er niet voor u dan door
den Zoon.
Want niemand kent den Vader dan de Zoon en
leien hel de Zoon wil openbaren.
En zoo nu ook, gemeenschap met den Zoon is er niet
voor u dan door den Heiligen Geest. Want niemand kan zelfs
zeggen Christus den Heere te zijn, dan door den Heiligen
Geest.
En eerst dus als de Heilige Geest komt, dan neemt die
Geest al de schatten uit den Christus en komt den Christus
in u verheerlijken.
En is het daartoe eenmaal gekomen, woont eenmaal de
Heilige Geest in u, dan komt in den Heiligen Geest ook de
Zoon, en in den Zoon ook de Vader; en vandaar, dat de
Heere Jezus zoo zalig profeteeren kon: Ik en de Vader, we
zullen komen en woning bij u maken, t. w. als eerst de
Heilige Geest zal zijn uitgestort.
Denk dit nu met diepe eerbiedenisse in; en wat vindt ge
dan?
Dit immers, dat onze dierbare, heerlijke Middelaar, die in
zijn diepste wezen God was, maar als God de menschelijke
natuur in eenheid des Persoons opnam, in zichzelf van alle
-ocr page 82-
70 ,/l)E LEVENDE GOD IN HET MIDDEN VAN U.
eeuwigheden af met God den Heiligen Geest in persoonlijke
wezensgemeenschap stond.
Aleer de bergen geboren waren en de grondzuilen des
grooten afgronds waren vastgezet in het ongemeten ruim,
was eeuwig de Zoon mét den Vader en den Heiligen Geest
persoonlijk wezensgemeen.
Voor den Zoon kon er dus geen sprake van zijn, dat Hij
den Heiligen Geest nog eerst zou ontvangen.
God de Zoon kan geen enkele kracht of werking van God
den Heiligen Geest ontvangen, want Hij is evengelijk in
majesteit en goddelijkheid. En ook, in God den Zoon kan
God de Heilige Geest geen woning maken, want de band
tusschen den Zoon en den Heiligen Geest is niet die van
inwoning, maar van goddelijke, volzalige wezensgemeenschap.
Aan God den Zoon kon dus nooit van God den Heiligen
Geest iets toekomen. Eer omgekeerd dient beleden, dat het
God de Heilige Geest is, die van den Zoon gelijk van den
Vader uitgaat.
Van God den Zoon, van den tweeden Persoon in de Hei-
lige Driei-enheid, kan dus nooit op eenigerlei wijze gezegd,
dat Hij óf met den Heiligen Geest vervuld wierd, óf den
Heiligen Geest ontving, óf met den Heiligen Geest in ge-
meenschap trad; want om dit te kunnen doen, zou de Zoon
eerst hebben moeten ophouden God de Zoon te zijn.
Maar — en hiermee treden we nu een merkelijke schrede
dieper in het heilige der heiligen in — die Zoon nam onze
menschelijke natuur aan, en die menschelijke natuur nam
Hij zóo aan, dat Hijzelf wezenlijk mensch wierd.
En met dien mensch Jezus Christus staat het nu natuur-
lijk geheel anders. Die mensch Jezus Christus is niet wezens-
gemeen met den Vader en den Heiligen Geest. Van dien
mensch Jezus Christus is de Heilige Geest niet uitgaande.
Op en over en in dien mensch Jezus Christus kon en moest
de Heilige Geest dus wel terdege worden uitgestort.
Want, en hierin ligt nu het eigenlijk zielsmysterie, het
persoonlijk ingaan in eens menschen hart, om indatmenschelijk
hart als God te wonen en als God te heerschen en als God te
troosten, dat is nu eenmaal het eigen en bijzonder werk, niet
-ocr page 83-
DE LEVENDE OOI) IN HET MIDDEN VAN l."              7l
van den eeraten en ook niet van den tweeden, maar op duidelijk
onderscheidbare wijze het eigen en bijzonder werk van den
derden Persoon in de Heilige Drievuldigheid, d. i. van God
den Heiligen Geest.
Iets wat zoover gaat, dat Göd de Zoon in de ziel van
den mensch Jezus Christus niet als God kon inwonen. God
de Zoon was op geheel wonderbare wijze in de vleeschwor-
ding met de menschelijke natuur verbonden, zooals de Hei-
lige Geest er nooit meê verbonden kan zijn. Maar als God
in te gaan in de ziel, van welk mensch ook, dus ook van
den mensch Jezus Christus, dat was niet het werk van
den Zoon, maar van den Heiligen Geest.
En zoo verklaart het zich dan, dat, hoewel Hij de Zoon
was, de mensch Jezus Christus den Heiligen Geest nog pas
moest onteringen ; dat de Heilige Geest op Jezus zijn macht
en werking uitstortte; dat Jezus van den Heiligen Geest
vervuld wierd zonder mate; en dat Hij desniettemin de vol-
tooide en rijke inwoning van den Heiligen Geest eerst ont-
ving in den hemel, en aldus eerst dien Heiligen Geest door
al de aderen van zijn lichaam op den Pinksterdag kon
uitstorten.
Want is dit eenmaal met aanbidding ingezien, dan omvloeit
u opeens het licht van alle zijden.
Dan toch wordt het vanzelf ten volle klaar en duidelijk,
hoe dan nu de Heilige Geest, die in Hem als ons Hoofd en
in ons als zijn leden woont, eerst van die ure af zijn god-
delijke vertroosting beginnen kon. Want eerst van die ure
af ontmoet God de Heilige Geest, inwonend in de ziel van
den mensch Jezus Christus, in dien Middelaar den Zoon,
jen is al het beperkende van den staat der vernedering
opgeheven.
Niet langer is het dan raadselachtig, hoe ik reeds lang
vooruit den Heiligen Geest hebben kan, eer ik er iets van
merk. Want gelijk het kind in moeders schoot reeds leeft,
als wel de moeder het weet, maar zonder dat dit kind zelf
nog iets van zelfbewust leven merken kan, — zoo ook
-ocr page 84-
72 «DE LEVENDE GOD IN HET BIDDEN VAN V."
gaat dit in het mystieke lichaam des Heeren toe. Of ge
reeds leeft of niet, hangt er niet aan, of gij reeds tot be-
wustzijn van uw leven kwaamt, maar alleen of Jezus uw
leven reedis waarneemt.
En neemt Hij dit waar, welnu, dan
gaat het ook te dien opzichte in dit lichaam des Heeren
evenals in den moederschoot toe. D. w. z. dan trilt dezelfde
levensbezieling u reeds ongemerkt in de aderen, evenals
het moederlijk bloed het nog ongeboren kindeke leven doet.
Ja, meer nog, dan tast gij al het breed verschil tusschen
het in u openbaar worden van een werking des Heiligen
Geestes, of het nog slechts is het schitteren van een gare
des Heiligen Geestes, dan wel of het reeds wierd dat ge-
heel andere en veel diepere en geheel daarvan verschillende,
als God de Heilige Geest persoonlijk in n inwoont.
Als God de Heere in het midden van n wordt gesteld; als
in u, nietig wezenke, dat ge zijt, dit ondoorgrondelijk won-
der wordt gewrocht, dat die heerlijke God, in wiens hand
de hemel en de hemel der hemelen is, in u ingaat, in de
ondoorgrondelijke verborgenheid van uw verborgen wezen
indringt en zijn troon in uw hart opricht, en nu van uit
dien troon heel uw persoon en uw innerlijk wezen, voor
nu en voor eeuwig, omvangt met zijn hemelsche trouw,
omarmt in zijn teedere ontferming, en met zijn diepe, vol-
heerlijke zaligheden vertroost, dan, maar ook dan eerst is de
verborgenheid der godzaligheid aan u voltrokken en het
lmmanuel in u en aan u voleind.
En dan moet er overwinning komen.
Dan kan de triomf niet uitblijven.
Dan znllen de dood en de zonde en de Duivel in u er on-
der^aan, want ze kunnen het tegen God niet uithouden.
Én of dan al de ongerechtigheden en verdorvenheden, als
zoovele Jebusieten en Hethieten en Girgasieten, ja, als spande
alle volk van Kanaiin tegen u saam, in verbond treden om
uwe ziel te verderven, dan kunnen en zullen ze u tocb
niet ten onder brengen.
Want om dat te kunnen doen, zouden ze God den Hei-
ligen Geest weer uit de verborgene kern van uw innerlijk
wezen moeten uitdringen, en dat nu kunnen ze niet; een-
-ocr page 85-
DE LEVENDE OOP IN HET MIDDEN VAN ü.\' 73
voudig omdat de macht van al het geschapene tegen God
den Heiligen Geest niet op kan, ja, omdat de onheilige
machten zelfs van verre aan God den Heiligen Geest niet
raken kunnen.
En daarom, hebt goeden moed, gij gedrukten en door
onweder voortgedrevenen !
Uw Heiland leeft om voor u te bidden en in u woont en
werkt God de Heilige Geest. Uw God is in het midden van
u gesteld en Hij zal u niet begeven noch u verlaten !
En wat u aangaat, „weest gjj maar sterk en hebt zeer
goeden moed!" (Jozua 1 :18), want weet het en vertelt
het uw kinderen na u : Dit juist is het werk van God den
Heiligen Geest in u, dat Hij in u woont om door «te werken.
Hij doet het u doen, en gij doet liet uit en door Hem!
.\'
-ocr page 86-
DE HOOGTIJD VAN DEN HEILIGEN GEEST.
Ik zal mijnen Geest uitgieten over
alle vleesch.
                   Joel 2 : 28.
De kerk van Christus aanbidt den Vader en den Zoon en den
Heiligen Geest, en belijdt deze drie te wezen éen eenig God.
Voorzoover ze feest kan vieren als „gemeente van den
Christus\'\', d. i. voorzooveel ze op haar hoog en heilig
standpunt de dagen nog achten mag, kan noch zal ooit haar
feestvreugde iets anders zijn, dan een uitroepen van een
nog plechtiger dag der verzamelingen, om, kon het, uit nog
dieper verootmoediging en met nog hooger gestemde blijd-
schap, dank en lof en eere te geven aan dat volzalig en
volheerlijk, drieëenig, goddelijk Wezen.
Op dat eeuwige Wezen richt zich daarom onze Aw*/jubel,
want het is het „God geopenbaard in het vleesch", dat bij
de kribbe alleen tot bezielen machtig is. Van dat eeuwige
Wezen meldt onze Paaxc/i vreugde, want alleen het „krach-
telijk bewezen de Zone God*" te zijn, kan ons een levens-
psalm in het hart geven. En zoo ook, van dat eeuwige
Wezen jubelen onze Pinksterzangen, want alleen wie dien
Heiligen Geest, ah zelf God\', aanbidt, verstaat, beseft iets
van de oneindige vertroosting, die in het machtig Pinkster-
feit ons uit den hemel toekwam.
En toch is het ook weer niet toevallig, dat de gemeente
van Christus, die met de belijdenis van een Drieëenig God
de wereld inging, juist in een drievuldig hoogtij haar ver-
rukking en haar heilig enthousiasme uit; want immers, dit
-ocr page 87-
DE HOOGTIJD VAN DE\\ HEILIGEN «EEST.                  75
is voor een ieder duidelijk, dat het op het Kerstfeest de
heerlijkheid des Vaderts is, wiens scheppende macht ons dat
„heilig kind Jezus" toebrengt; dat op het Paaschfeest de
Zoon zelf als Levensvorst uittreedt; en dat wij op Pinksteren
den hoogtijd vieren, niet van den Vader, noch van den
Zoon, maar van den Heiligen Geest. Wel zoo, dat de Mid-
delaar, die op het Kerstfeest geboren wordt, die op het
Paaschfeest het leven herneemt en op Pinkster zijn Heiligen
Geest uitstort, op elk dier drie ons de naaste staat, maar
desniettemin toch met een zeer tastbare onderscheiding,
met een schakeering, die vanzelf in het oog springt en ons
zeer duidelijk een drievuldig afschijnsel toont van het Drie-
vuldige Wezen Gods.
En zoo brak ook nu weer dat laatste onzer feesten, het
hooge feest van Pinksteren, aan, en grijpt ook nu weer de
gemeente van Christus in den boezem, of ze de diepte van
het Pinksterwonder eenigszins doorgronden en uit die diepte
haar God in zijn glorie aanbidden mocht.
Want dit houde onze ziele voor alle dingen vast, gemeente
des Heeren! dat het Pinksterwonder een indalen was van
God zelf, het neerdalen en tot ons komen en over ons zich
uitgieten, niet maar van een kracht, of een gave, of een
toebestraling van vrede, maar een zich naar en over ons
uitstorten van den stroom van het eigen goddelijk leven,
door een tot ons komen van God zelf.
Wie niet weet of nog niet belijdt, dat de Heilige Geest
is //een eeuwig en waarachtig God met den Vader en den
Zoon", die staat erbuiten; die kan niet meejubelen; die
is niet vertroost; en kan, ongetroost als zijn ziel nog om-
doolt, dan ook niet danken.
Op het eeuwige Wezen alleen en volstrekt alleenlijk
komt het aan.
Wat u dat eeuwige Wezan niet nader, niet dichterbij,
niet meer aan het hart brengt en u het oog der ziele niet
ontsluit, om iets voller en rijker in de ondoorzoekelijke
heiligheden en heerlijkheden van dat volzalige Wezen in te
staren, o, werp dat vrijelijk weg, houd u daarbij niet op,
laat u daardoor niet afmatten!
-ocr page 88-
76
DE HOOGTIJD VAX DEN HEILIGEN GEEST.
Op de kennisse Gods en op die kennisse alleen komt het
aan, en op die kennisse, let wel, in dien zin, dat niet maar
uw hoofd Hem kent, en uw geheugen kent en uw denken
kent, maar gij, uw heele persoon, uw wezen in zijn diepte,
door een kennis, die met den levensadem in u éen wordt.
En zie, de gestalte, waarin dat Heilige Wezen nu op den
Pinksterdag zich voor uw ziel stelt en zich u aanbiedt en
zich zegenend over u heenbuigt, is de gestalte van den
Trooster,
en dies zich keerende niet naar wie //rijk meent
te zijn en geens dings gebrek heeft", maar uitgaande
naar den „verbrokene en geslagene van hart", wiens „ziel
in zijn hand is", en die arm weet te zijn en ellendiglijk
verlaten.
Dus een Trooster niet in den zin: „Jezus is nu nog tij-
delijk weg; dus nu komt de Heilige Geest zoolang in de
plaats, om ons te troosten over Jezus\' afwezigheid \\" Want
dat heeft Jezus nooit gezegd!
Maar wel: Jezus zelf was de eerste Trooster, en toen Hij
ons verliet, toen ja, beloofde Hij ons een anderen Trooster,
die dus niet enkel onzen rouw zou stillen over zijn heen-
gaan, maar integendeel hetzelfde doen zou, waarvoor Hij-
zelf gekomen was": „ons troosten in onze smart"!
En zoo weinig stelt Jezus zelf dien „anderen Trooster*
achter bij zichzelf, dat Hij veeleer dien anderen als den eigen-
lijken
Trooster aankondigt, wiens dienst Hij slechts tijdelijk
en in zeer kleinen kring had waai-genomen. Want immers,
Hij voegt er uitdrukkelijk bij: „Die andere Trooster zal bij
u blijven tot in eeuwigheid \\" En sterker nog liet Hij
zich in deze woorden uit: „Het is u nut, dat Ik wegga,
want indien Ik niet wegga, kan de Trooster niet tot u
komen \\"
Duidelijk spreekt de Heer het dus uit, dat zijn verlos-
singswerk slechts middel, en dat het einddoel is, dien Troos-
ter
tot ons hart te brengen, of, wilt ge, dat eerst met het
nederdalen van den Heiligen Geest de vrucht komt van
zijn sterven.
En hoe kon dit ook anders?
Want zie toch, mijn lezer, God te hebben is toch hetgeen,
-ocr page 89-
I>E HOOGTIJD VAN DEX HEILIGEN GEEST.                  11
waarop ge zijt aangelegd, waartoe ge bestemd, waarvoor
gij geschapen zijt.
„Zonder God" is voor een mensch even hetzelfde als
leeg, arm, diep ellendig en verloren zijn.
En nu „God hebben", dat wil immers niet zeggen „een
God in den hemel hebben, tot wien gij in de ure van angst en
nood roepen kunt" ! en ook niet „een God hebben, die voor
u uittreedt op uw paden, en met wien gij wandelt"; maar
wel terdege „een God vanbinnen hebben, in de ziel, in
het eigen hart, een God als uw God, die u bezielt, die u
drijft invvendiglijk, die u als doordringt met zijn mogendheid!"
Dat, dat te missen is juist wat u arm maakt en onge-
troost en u zijn doet als een door onweder voortgedrevene.
Dat ge dat derft, daar en daarin juist steekt het diep
rampzalige der zonde.
En indien iets u redden, iets u zaligen, u, ongetrooste,
weer troosten zal, dan kan het niet anders, of het moet een
weer vervullen van die diepste behoefte zijn, dat God zelf
in ii komt en woning maakt in uw hart.
„Uw hart een tempel Gods!" dus luidt uw scheppings-
decreet als kind des menschen. „Uw hart een verlaten
tempel of, erger nog, een woonstede van den booze!" aldus
klaagt de eeuwige Liefde over des zondaars staat. En: „In
dien leegen tempel God als Heilige Geest weer ingedaald!"
aldus jubelt de gemeente des Heeren, als ze de wonderen
des Almachtigen herdenkt op haar Pinksterfeest.
Daarom heet en ia de Heilige Geest uw goddelijke Trooster!
Maar — en ook die vraag mag niet ontweken — troostte
dan de Heilige Geest ook niet de heiligen van het Oude Verbond ?
En indien wel, immers, dan was de Pinkstergebeurtenis
niets bijzonders?
En nu konden we die vraag wel kortweg afsnijden met
te herinneren aan Jezus\' eigen woord: //Indien Ik niet wegga,
kan de Heilige Geest niet komen!" of, wilt ge, aan de
Schriftuurlijke uitlegging van dit woord: „De Heilige Geest
was nog niet, want Hij kon nog niet komen, overmits Jezus
-ocr page 90-
78                 DE HOOGTIJD VAX DEN UEILKiEN GEEST.
nog niet verheerlijkt was;/y maar toch, we gevoelen het
uitnemend: zonder toelichting blijven ook déze woorden voor
velen een luidende schel; en daarom willen we pogen, die
vraag wel terdege onder de oogen te zien.
En dan mogen wij als vast punt immers uitgaan van wat
elk Christen met ons belijdt, t. w. dat ook de heiligen des
Ouden Verbonds gelijke zondaarsnooden met ons hadden en
evenmin als wij anders dan door de genade, die in Christus
•Jezus is, hier levend gemaakt en na hun afsterven gezaligd
zijn.
Maar zou nu door deze gelijkheid in het wezen der zaak
en door deze sterke overeenkomst in substantie, zou daar-
door nu Gods vrijmacht ooit gebonden kunnen zijn in het
kiezen van de wegen en middelen, waardoor Hij én toen én
nu zijn welbehagen uitvoert?
Is het zelfs nu onder de dagen des Nieuwen Verbonds
niet volkomen klaar en duidelijk, dat God de Heere andere
wegen volgt met de toebrenging van zoo geboren zóo weg-
stervende kinderkens, dan met ons, die Hij op later leeftijd
riep en trok en bewerkte?
En zou dan iemand ontkennen durven, dat de Heere
onze God zoo ook andere wegen afgeloopen en andere mid-
delen gebruikt heeft bij de toebrenging van de heiligen voor
Christus, dan het Hem nu belieft te gebruiken tot vertroos-
ting van zijn volk, nadat de Christus verschenen is ?
Of verschillen «belofte* en „• vervulling* dan niet meer ?
Verschilt het niet onder de bedeeling van een ^Israelie»
tisch heil" of van een „heel de wereld omvattende genade*
te leven?
Ja, verschilt het niet alles, of men nog in den kring en
in de eeuwen van «het wonder" leeft, dan wel nu geboren
werd in de dagen van geleidelijke, stille, geestelijke ontwik-
keling ?
En als dit dan wel en veel verschilt, zou er dan twijfel
aan kunnen opkomen in ons hart, of diezelfde Almogende
God, die deze voorloopige huishouding van Israël in het
leven had geroepen, zal ook wel zijn wegen en gangen hebben
gehad, om op een wijze, met den toenmaligen geloofstoestand
-ocr page 91-
DE HOOCiTIJD VAN DEN HEILIGEN GEEST.                  79
overeenkomstig, de innerlijke vertroostingen van den Heili-
gen Geest aan zijn uitverkorenen vóór en onder Israël te
doen toekomen ?
Of is dan de inspiratie der profeten niet een geheel
andere en eigenaardige en wondere en overheerlijke werking
van den Heiligen Geest, die schier ganschelijk van het drij-
ven des Geestes in onze ziele verschilt en afwijkt ?
En is het dan zoo ondenkbaar, dat op een wijze, aan die
rechtstreeksche inspiratie naderkomend, werkingen van den
Heiligen Geest ook eertijds naar de geloovigen zijn uitgegaan?
Lezen we van die werkingen niet zelfs bij een Bileam en
Saul, zonder zaligmakende kracht ?
Bespeuren we de kracht van die werkingen zelfs niet bij
een Bezaleël en Jozua op een ander dan geestelijk gebied ?
En vinden we het toch, desniettemin, in diezelfde dagen
des Ouden Verbonds niet telkens en gedurig op de duide-
lijkste en nadrukkelijkste wijze uitgespi\'oken, dat er toch
nog heel iets anders, iets beters en iets hoogers komt, als
liet daar heet: „Ik zal mijnen Geest op uw zaad gieten" ;
„\\k
zal mijnen Geest op hen geven" ; „Ik zal van mijnen
Geest uitgieten over alle vloesch"; „Vk zal uitstorten den
Geest der genade en der gebeden"?
Want immers, de bewoording zelve van deze belofte, dat
sterke spreken van „uitgieten" en „uitstorten", wijst reeds on-
willekeurig op de tegenstelling van een „schaarsch druppe-
len" van dien Heiligen Geest in vroeger dagen, tegenover
het uitstorten en neerstorten van den piasregen des Geestes,
die dan eerst komen kon en zou !
En zóo weinig verbergt de Heilige Geest zelf ons in de
Schrift het sterksprekend onderscheid, dat tusschen toen en
nu bestaan zou, dat de heilige apostel Paulus veeleer in dat
overgaan uit de Israelietische in de wereld-bedeeling ;/de
openbaring teekent van de groote verborgenheid, die alle
eeuwen bedekt is geweest, maar nu geopenbaard is aan zijn
heilige apostelen en profeten \\"
-ocr page 92-
80                 1>E HOOGTIJD VAX DEN\' HEILIGEN «EEST.
En beziet men dit verschil nu van naderbij, zeg zelf, is
het dan wel zoo moeilijk te onderscheiden?
Of laat zich dan het onderscheid niet vatten tusschen
deze twee toestanden : dn eeue, dat ge met uw licht aan den
ingang van den kelder blijft staan en er dus van boven af
slechts enkele stralen in neerzendt ? En de andere, dat ge met
uw licht in de hand zelf in de diepte vanden kelder neerdaalt,
om het met volle klaarheid in die diepte te laten schijnen ?
En zoo ook, is er geen onderscheid tusschen deze beide,
of gij eerst slechts enkele malsche droppen voelt neerval-
len op den dorren bodem ; of wel, dat de eeuwige sneeuw
op de bergen smelten gaat, en de bergstroom aanwast, en
de vloeden neerkomen, en bruisend zich de wateren uitstor-
ten, vloeiend over beemd en velden ?
Of eindelijk, wilt gij ook dit beeld nog, verschilt het niet,
of ge u in een van deze beide indenkt: dat er een kanaal
gegraven wordt en gij onder dat graven aan de arbeiders
in kruiken en vaten het drinkwater aanvoert, opdat ze niet
versmachten ; of wel, dat, als eindelijk de uitgraving voltooid
en de bedding gereed is, alsnu de dam wordt doorgestoken
en de volle breede stroom zich uitstort in de diepte en die
bedding langs perst en heel dat kanaal naar breedte en naar
lengte vult?
En nu vraag ik toch in ernst: Is niet elk dier drie van
volkomen toepassing op het onderscheid tusschen de werkin-
gen des Geestes in het Oude en in het Nieuwe Verbond ?
Was het niet eerst het karige licht, vanboven met een
enkelen straal invallend, en verlichtend die enkele zielen,
die door God waren geroepen in zijn dienst ? En is niet
eerst door en met Jezus dat heerlijk, dat verkwikkend, dat
vertroostend licht in de kelderen van onze ellendigheid
neergedragen, om nu ons te beschijnen met rechtstreekschen,
met veel voller, met o, zoo majestueusen glans ?
Waren het niet in de oude dagen slechts enkele malsche
droppen, die neervielen, en is niet eerst met het opgaan van
de Zonne der gerechtigheid de sneeuw op de bergen ge-
smolten, dat de woudstroom dartelen ging en in volle stroo
men het heil uitvloeide naar alle volken?
-ocr page 93-
DE HOOGTIJD VAN DEN HEILIGEN GEEST.                 81
Of juister nog, strekte niet juist geheel de bedeeling des
Ouden Verbonds, om de bedding uit te graven, het kanaal
te bereiden, waar alle beemden en velden door bloeien zouden P
Terwijl eerst met en door de komst van den Zoon tot deze
wereld die bereiding voltooid, de dam doorgestoken en al-
zoo de mogelijkheid geboren is, dat de wateren de bedding
vulden en de Heilige Geest werd uitgegoten en uitgestort ?
Wat toch is het Pinksterwonder ?
Toch niet een zich uitstorten van den Heiligen Geest in
het hart van enkele personen.
Want immers, dat was ook vroeger geschied !
Dat geschiedt, zoo dikwijls er een zondaar wedergeboren
wordt, nog.
En ook toch niet alleen een beroering der wateren, een
iets milder of met druischender geweld zich bewegen der
golven in dien heiligen stroom.
Want immers, dagen van geestelijke moerastoestanden en
daartegenover dagen van krachtige geestelijke opwekking
kende de kerk van Christus, ook nu den Pinksterdag, door
alle eeuwen.
Zult ge dus het Pinksterwonder vatten, doorzien, aanbid-
den, dan mag het gezocht noch in de bekeering van de
apostelen, noch ook in een geestelijke opwekking der toen
verzamelden, maar dan moogt ge niet rusten, eer gij in het
gebeurde op den Pinksterdag een feit gezien hebt, dat noch
daarvóór ooit plaatsgreep, noch daarna weer plaatsgrijpen
kon, maar dat een even éenig en op zichzelf staand wonder
is, als het komen van het Kindeke tot de kribbe of het uit-
treden van Jezus uit het graf.
En dien blik nu op het Pinksterfeest geven u geen vrome
verzuchtingen, noch vernuftige vindingen, maar alleen de
openbaring van het Wooi-d. Van dat Woord, dat uzegt: Er
zijn niet maar enkele geloovigen, maar er is een gemeente
Christi; d. i. een wél samenhangend, innerlijk, organisch,
door goddelijk kunstwerk opgebouwd geheel. Die gemeente
is met den Middelaar 3aamgegroeid. Ze is met Hem éen
6
-ocr page 94-
82                 DE HOOGTIJD VAN DEN HEILIGEN GEEST.
plante. Of, liever nog, zij is feitelijk het lichaam, waardoor
Hij zich beweegt; door welks aderenweefsel Hij zijn levens-
bloed doet uitvloeien; en dat Hij als het Hoofd beweegt,
voedt en voortleidt.
Zeer zeker kiest, kent en mint die Christus óok de enke-
len en ook den kleinste en den minste onder die enkelen;
maar toch, Hij kiest, kent en mint die enkele zielen nooit
anders dan als levende steenen van dien heiligen tempel, dan
als levende cellen van dat heerlijk lichaam, dan als ingevoegd
en inwonende in die bruid, die Hij met teeder verlangen
opwacht in de zalen van het eeuwige licht.
En nu bezat die Middelaar reeds oudtijds onder Israël
wel een praeformatie van die gemeente, van dat heerlijk
organisme, van die verborgen structuur van zijn heilig
lichaam, van dien komenden en rijzenden tempel Gods !
Maar toch, Israël was het niet.
Neen, veel rijker, veel heerlijker, veel milder waren Gods
gedachten.
Die gemeente moest alle natiën omvatten ; dat organisme
in zijn afmetingen met de afmetingen der wereld saamval-
len ; die structuur van zijn heerlijk lichaam op de structuur
van heel het menschelijk geslacht zijn aangelegd; en het
cederhout voor dien tempel Gods worden saamgedragen van
allen berg der volken !
Aldus, zegt de apostel, was het Godsplan, de raad zijns
welbehagens, zijn hoogheerlijk bedoelen!
Aan de volvoering van dat plan was al de eeuwen ge-
arbeid, die voorafgingen !
En eerst toen nu met Jezus\' Hemelvaart al wat ter voor-
bereiding dienen moest, voleind en aldus wde volheid der
tijden" gekomen was, toen eerst konden de deuren worden
opengestooten van dien tempel Gods, waarin de Heilige
Geest zou nederdalen, toen eerst kon de stroom des Heili-
gen Geestes zich uitstorten in de bedding, die Jezus zich in
zijn gemeente had bereid !
-ocr page 95-
„DIE ZIJN HEILIGEN GEEST IN HUN
MIDDEN STELDE!"
Zij verloochenen den Heere en zeg-
gen : Hij is het niet, en ons zal geen
kwaad overkomen. Ja, die profeten
zullen (zelven) tot wind worden; (des
Heeren) Woord is niet bij hen; hun-
zelven zal alzoo geschieden.
Jerem. 5 : 12, 13.
Dat is het eigenlijk, wat de levende God, de Almachtige,
op het Pinksterfeest gedaan heeft: Hij heeft zijn Heiligen
Geest in ons midden gesteld!
Niet in het midden der wereld, maar in het midden van
de gemeente.
Wel te verstaan, niet uitsluitend in de „gemeente der
uitverkorenen", maar in de gemeente der belijders, der ge-
doopten, dergenen, die door zijn kerk bewerkt worden, en
door die ambtelijke bewerking met Hem, den Hoogheerlijke,
in verband staan.
Die allen saam toch zijn het, in wier midden de Heilige
Geest nederdaalde of, sterker nog uitgedrukt, in wier mid-
den de Heilige Geest als God door God zelf gesteld is.
En in het midden van dien breeden gedoopten levenskring
staal daar dan nu die Heilige Geest ook werkelijk, wezenlijk
en metterdaad.
Niet alleen zijdelings in en door het Woord ; niet alleen
zijdelings in en door de predikers en herders der kudde;
-ocr page 96-
84 „DIE ZIJN HEILIGEN GEEST IN HUN MIDDEN STELDE!"
niet alleen zijdelings en overdrachtelijk door en in de hei-
lige instellingen van gebed en eeredienst, van Sacrament en
aalmoes; neen, maar ook rechtstreeks als God de Heilige
Geest, in eigen persoon, in ons midden staande.
En wel in ons midden, niet weer alleen in den gesplitsten
en gedeelden zin, dat Hij woning maakte in het hart dei-
enkele wedergeborenen, bekeerden en geheiligden ; maar zóo,
dat die Heilige Geest in de gemeente, in den kring der ge-
doopte belijders ook dan aanwezig is, als er, gelijk gebeuren
kan en denkbaar is, op een gegeven oogenblik in die en
die gemeenten geen enkel nieuw bekeerde nog in het licht
trad, terwijl de laatste van Gods wedergeboren kinderen
reeds vóór lange dagen werd uitgedragen naar zijn eeuwig
huis.
Ja, ook dan nog staat sinds den Pinksterdag die Heilige
Geest in ons midden, als een stil Getuige, als een nauw op-
gemerkte gestalte, als een fluisterend Bidder, als een bang
Verwijter, of volzalig Vertrooster, maar altoos in ons mid-
den, omdat Hij daar van Godswege gesteld is.
Hij staat daar als de Geest van God; als de hoofdpersoon
in geheel het gemeentewezen, als de Uitlegger van Christus\'
schat en rijkdom, als de Plaatsbekleeder van onzen verheer-
lijkten Jezus, als de zalige Bode, die de stille gemeenschap
tusschen Christus en zijn Bruid in stand houdt.
Wel ziet Hem de wereld niet, omdat zij Hem niet kent.
En merkt dus ook de wereldling onder de belijders niet dan
hoogst zelden iets van zijn tegenwoordigheid, omdat Hij niet
komt met uitwendig gelaat. Maar niettemin is Hij er toch,
en Gods kinderen zien en kennen Hem, en voor en in die
kinderen Gods bidt Hij met onuitsprekelijke verzuchtingen,
Hij, hun Bezieler, \'hun Leidsman, hun geestelijke en inwen-
dige Leeraar, hun Vertrooster, hun God!
En al wat nu voorts het Woord doet, of het Sacrament
doet, of de dienaar doet, dat is alles slechts een onderge-
schikte instrumenteele werking, waartoe de eerste stoot en
aandrift eigenlijk altijd van dien Heiligen Geest uitgaat.
Be Heilige Geest is niet een bijkomstig iets om dat alles
te zegenen en te doen gedijen.
-ocr page 97-
DIE ZIJN HEILIGEN GEEST IN HUN MIDDEN STELDE \\" 85
Maar omgekeerd, het is de Heilige Geest, die als beweeg-
reden en oorzaak alles doet en teweegbrengt, en daarbij
slechts uit gebondenheid aan den Zoon en den Vader steeds
en vastelijk Woord en Sacrament en den bedienaar van bei-
de gebruikt, het nemende uit den Zoon om het u te ver-
kondigen.
De Vader de Bedenker, de Zoon de Bereider, de Heilige
Geest de Uitdeeler, aldus staat de goddelijke ordinantie in
heel de gemeente van Christus vast.
En daarom nu juist wil die Heilige Geest geen deitgdpre-
diking, maar iets veel diepers.
„Goed te doen" is ieders plicht, en wie het //goede niet
doet", overtreedt.
Maar als ik bovendien u met een verbond aan mij ver-
bonden heb, en gij overtreedt dan toch, dan doet ge meer
en erger, dan zijt ge niet maar ,/niet goed", maar trmiwloox.
En als ik dan des ondanks, door liefde en ontferming ge-
drongen, u toch nog aldoor blijf waarschuwen, en ge spot
dan met dit woord van vermaan, en verhardt u tegen de
ontferming, dan zijt ge niet maar slecht en trouwloos, maar
zondigt ge tegen den Heiligen Geeil bovendien.
En zie, zoo nu staat het in de gemeente Christi.
De gemeente zal aan drie dingen worden gekend.
Vooreerst, of ze het goede doet, omdat het Gods onver-
vreemdbaar recht is het goede van ons te eischen.
Ten tweede, of ze het goede doet krachtens het verbond der
genade,
waarin we besloten liggen.
En ten derde, of ze het Woord van den Heiligen Geest,
dat van onze slechtheid en trouwloosheid afmaant, aan-
hoort en opvolgt, dan wel veracht en in den wind slaat.
Dat laatste deed Israël.
Het had overtreden Gods recht, en was dus slecht.
Het had geschonden Gods Verbond, en was dus trouw-
Iook.
En toen de Ontfermer desniettegenstaande den prediker
zond om te roepen: „Bekeer u, want het oordeel is ko-
mende," toen dorst Israël dien prediker nog bespotten en
zeggen: /yAl uw woorden zijn wind, en dat kwaad, waarmee
-ocr page 98-
86 „DIE ZIJN HEILIGEN GEEST IN HUN MIDDEN STELDE \\"
gij ons dreigt, overspannen dweper, die ge zijt! zal u-
zelven overkomen."
Welnu, dat was den Heiligen Geest verachten, bedroeven,
krenken. En daarom moest dan ook het oordeel over Israël
uitbreken.
En nu?
Na den Pinksterdag?
Nu de Heilige Geest zelf in het midden der gemeente
staat, om voor Jezus te pleiten, om van de wereld af te
manen, om ons Gods heilig verbond op de ziel te doen
branden ?
Wat dunkt u, mijn lezer, zou uwer ooit een diepte van
smartbesef kunnen zijn, om ook maar van verre te gissen,
hoe grievend, hoe diep smartelijk in dagen als we thans
beleven, die Heilige Geest weer wordt bedroefd ?
-ocr page 99-
DE TEMPEL VAN DEN HEILIGEN GEEST.
Gebouwd op het fondament der apos-
telen en profeten, waarvan Jezus Chris-
tus is de uiterste hoeksteen, op welken
het geheele gebouw, bekwamelijk sa-
mengevoegd zijnde, opwast tot êenen
heiligen tempel.
Efez. 2 : 20, 21.
Pinkstei-en is het feest van den Heiligen Geest, maar wét
is het, dat de gemeente op Pinksteren van den Heiligen
Geest belijdt?
Die Geest is uitgestort, na door Jezus beloofd te zijn.
Uitgestort van den Vader door Christus. Uitgestort niet
gelijk Hij nu nog neerdaalt, .maar ééns voorgoed; op een
wijze, die nooit herhaald wordt; op gansch eenige manier.
Hij kwam neer met een geruiscb. als een scheuring en
schudding der sferen. De lichtglansen en lichtvonken, die
al wat vanboven neerdaalt, verzeilen en een indaling naar
beneden zijn van wat schittert in de zalen des eeuwigen
lichts, vormden zich tot verdeelde tongen als van vuur,
zwevende op en klevende aan een iegelijk, die geloofde.
En wat nog het wonderst van alles was: er werden tongen
losgemaakt, er begon heilige geestdrift te gloeien, de talen
der natiën schenen gemeengoed der kerk te zijn geworden,
en alles ging uit in lof en in aanbiddinge en in grootma-
king van Gods heiligen naam.
Niet waar, dit alles stemt ieder onzer toe. Dit zijn de
-ocr page 100-
88                 DB TEMPEL VAN I)EN HEILIGEN «EEST.
feiten. Dit is de wondere gebeurtenis. Dit de inhoud van
wat wij op Pinksteren elkander en onzen kinderen verhalen.
Maar hoe nu verder? Want daarbij blijven we toch niet
staan! En gelijk achter het Kindeke in Bethlehems kribbe
vanzelf de vragen opkomen: „ Vanwaar kwam dat Kindeke ?"
en : ,/Waarom kwam het nu pas?" en: 7/Hoe werd het er?\'7 en r
„Waartoe is het in de kribbe gelegd?" zoo ook kan het niet
anders, of ook bij het feest van den Heiligen Geest verme-
nigvuldigen zich de vragen en poogt de geest van Gods
kinderen erin te leven en het te doorleven, wat nu die
uitstorting toch eigenlijk was; waarom die toen pas plaats-
greep; en hoe die nu in verband staat met het heiliger
leven van ons eigen hart.
Want vergeet het niet, ook achter het Pinksterwonder
ligt een arbeidsveld Gods in Israël en onder de patriarchen
en tot in het paradijs. En ook toen werkte de Heilige
Geest mede. En ook toen zijn er uitverkorenen gezaligd.
En omgekeerd kan het ook nu alleen van den Heiligen Geest
komen, en is het zijn indaling, als er een ziel van dood
levend wordt, en danken we het dien Geest van Vader en
van Zoon, zoo dikwijls in ons eigen hart weer warmte
komt in wat verkoelde, weer bezieling in wat beweegloos
werd en dor.
Hoe dit nu te rijmen? Hoe dit op te vatten? Want
we zouden zoo zeggen : Van tweeën éen: Of Pinksteren is
niets anders geweest dan een zielsverlevendiging voor de ge-
loovigen in de opperzaal; maar wat gaat het dan ons aan?
Of wel, het was de éenige uitstorting van den Geest, die
ooit kwam of komen zal; maar waar blijft ge dan met Is-
rael, waar met de Geesteswerking in onzen eigen tijd?
En nu weten we zeer stellig uit Johannes\' Evangelie,,
dat niet het eerste, maar het tweede waar is. „De Hei-
lige Geest", zoo lezen we toch, „was nog niet, overmits Jezus
nog niet verheerlijkt was." (Joh. 7 : 39) Wat kennelijk
niet beteekent, dat de Heilige Geest nog niet op aarde was.
Een raadselachtige uitspraak, die op het Pinksterfeest u
altijd weer voor den geest komt.
Metterdaad poogt en streeft de geest der gemeente er
-ocr page 101-
DE TEMPEL VAN DEN HEILIGEN GEEST.                   89
dus naar, om aan de hand van Gods Woord die onontwijkbare
vraag op te lossen: Hoe, indien de Heilige Geest pas, en
slechts, op het Jeruzalemsch Pinksterfeest vóór nu ruim
achttien eeuwen is uitgestort, de werking van den Heiligen
Geest vóór, op en na dat wondere tijdstip te onderscheiden?
En het is ter oplossing nu van die vraag, dat wij een
oogenblik op Pinksteren gehoor vragen voor wat we, kort
en, naar we hopen durven, verstaanbaar, in dezer voege
saamvatten.
Wat God de Heere ter zaligheid brengt en eens in de
heerlijkheid in zal voeren, dat zijn niet losse, op zichzelf
staande, buiten verband gehouden zielen, maar dat is wel
terdege een gemeente, een lichaam,, een volk, een kudde. Alle
gezaligde of te zaligen zielen saam vormen dus éen geheel,
behooren bij elkaêr, en zitten in een vast, door God gelegd
verband. En dat wel zóo, dat volstrekt niet alle zielen aan
elkaêr gelijk zijn of moeten of kunnen wezen; maar wel in
dier voege, dat al die zielen schier in elk opzicht van elkaêr
verschillen. Juist evenzoo als aan ons menschelijk lichaam
een nagel heel iets anders is dan een oog, en een haar
heel iets anders dan een slagader, zoo nu ook is in het
lichaam van Christus elk lid een ander lid, met een eigen
formatie, eigen functie en eigen bestaansdoel.
Geen oogenblik mogen we dus op Pinksteren vergeten,
dat de gezaligden saam in éen lichaam besloten zitten, en
moet op dat lichaam van Christus zeer bijzonderlijk de aan-
dacht gevestigd.
De Schrift spreekt er telkens van, en heeft eigenlijk voor
de afteekening van de gemeente van Jezus slechts twee
vaste, doorloopende beelden, t. w. van een lichaam en van
een tempel. Een ;/tempel", dat is dan een invoegen van de
enkele steenkens in het geraamte van het gebouw, dat naar
Gods bestel omhoog rijst en waarin, wijl het een „tempel"
is, God zelf woont. Maar om nu te toonen, dat dit denk-
beeld van tempel nog te mechanisch en te uitwendig is en
het denkbeeld van lichaam toch eigenlijk in nog veel rijker
-ocr page 102-
90                   »E TEMPEL VAN DEN HEILIGEN GEEST.
zin de diepe gedachten Gods afspiegelt, ontziet de Schrift
zich niet te spreken van een tempel, die opwast, (Ef. 2 : 21)
en van steenen, die levend zijn. (1 Petr. 2 : 5) Beide uit-
drukkingen, die eigenlijk van den tempel een lichaam ma-
ken ; want niet een tempel, maar een lichaam groeit, en niet
aan een tempel, maar aan een lichaam zijn de samenstel-
lende deelen levend.
En dat desniettemin de apostelen toch telkens op dat
denkbeeld van een tempel terugkomen, heeft eenvoudig zijn
grond in de Oud-Testamentische bedeeling. Een tempel is
welbezien niets dan een omhulsel voor den afgod, een stee-
nen lichaam, waarin de afgod op aarde verschijnt. Daaiaan
vastknoopend, stond ook onder Israël een tempel, maar leeg,
zonder afgodsbeeld, en slechts de afglanzende heerlijkheid
des Heeren vervullende de gewelven. Deze tempel was
dus een voorbeelding, niets meer. Een heenduiding op Chris-
tus, wiens vleesch en bloed de wezenlijke tempel zou zijn,
waarin God op aarde verschijnen zou. Tempel is dus het
eigenlijke woord voor de bedeeling der schaduvven, lichaam
het vanzelf gebodene woord voor de bedeeling der vervulling.
Maar beide doelen op dat éene groote, allesbeheerschende
feit, dat God de Heere namelijk geen parelsnoer saamrijgt
uit zijn gezaligden, maar ze vergadert, ineenzet en tot een
geheel maakt in de gemeente des levenden Gods, de kvdde
van den goeden Herder, het volk zijns eigendoms, de heir-
schaar
zijner heiligen.
Staat dit nu vast, dan moet er in de tweede plaats op .
gewezen, dat dit lichaam van Christus, evenals elk lichaam,
niet slechts zijn groei heeft, maar ook. zijn ontvangenis, ver-
borgen vorming en geboorte had.
Een kindeke, dat geboren wordt, heeft, indien wjj met alle
kiesehheid dit rechtstreeksche voorbeeld gebruiken mogen,
eer het geboren werd, reeds een bedaau. Als een ongevorm-
de klomp is het eerst wonderbaar, naar luid van Ps. 139,
in \'s moeders schoot gewrocht. Daarna is er een moment
gekomen, waarop, nog maanden vóór de geboorte, in dien
-ocr page 103-
DE TEMPEL VAN DEN HEILIGEN GEEST.                   91
ongevormden klomp het leven scheen te komen. En eerst
nadat het in dien tweeden toestand nog eenigen tijd in het
verborgen schuilen bleef, is het eindelijk uitgegaan in het
leven der wereld, heeft het den adem zelf ingeademd en het
oog geopend voor het licht.
En dat nu is, bijna tot in het kleinste nauwkeurig, het
eenvoudig en voor de hand liggend voorbeeld van het ont-
staan en den wasdom van het lichaam van Christus.
Eerst met de uitstorting van den Heiligen Geest is dat
lichaam der gemeente geboren, maar het is volstrekt niet
eerst met den Pinksterdag begonnen te bestaan.
Neen, ook aan het geboren worden van dat lichaam ging
vooraf een langdurig bestaan in het verborgene; een be-
sloten liggen in de windselen en banden der schaduwen;
een schuilen in den moederschoot.
Het bestond reeds van het paradijs af. Daar reeds lag
voor dat lichaam de ontvangenis. Toen heeft het eeuwenlang
als een ongevormde klomp zich ontwikkeld. Tot er eindelijk
met Abrahams optreden een eigen levensbeweging waar-
neembaar werd, die zich in Israël voortzette en versterkte.
Maar naar buiten trad dat lichaam Christi, dat lichaam
zijner gemeente, eerst op den Pinksterdag. D. w. z. dusver
was het schuilgebleven in Israels schoot. Dusver had het
geleefd in een onbewust leven. Zonder zelfstandig te ademen,
zonder door een eigen geest te gaan en met een eigen oog
te zien in het volle licht.
En zie, dat nu juist gebeurde op den Pinksterdag. Het
lichaam was toen toebereid en gereed, maar het had nog
den adem, den eigen geest, het volle leven niet. En dat
is nu juist de uitstorting van den Heiligen Geest, dat
het lichaam der gemeente op dien dag, uit de omwindselen
van Israël tevoorschijn tredende, alsnu den adem des levens
heeft ontoangen,
en dus zelfbewust zich is gaan bewegen
en het oog geopend heeft voor het eeuwige licht.
Van eeuwigheid voorgekend; in het paradijs ontvangen ;
in Isiael verborgen tot levensbeweging gekomen; en op den
Pinksterdag geboren; ziedaar, in het kort saamgevat, de ge-
boorteacte van het lichaam van Christus, dat nu aldoor wast
-ocr page 104-
9\'2                   DE TEMPEL VAN DEN HEILIGEN GEEST.
en groeit en zich uitzet en eens, voltooid en in gerechtigheid
gekleed en met haar sieraad gesierd, als bruid den Bruide-
gom zal worden voorgesteld.
Bedriegen wij ons nu niet geheel, dan lost zich door deze
eenvoudige toelichting alles, wat bezwaar gaf, als vanzelf en
ongemerkt op.
Want immers, dan is het volkomen natuurlijk, dat er reeds
onder Israël werkingen van den Heiligen Geest waren, en
dat er toch kan gezegd: ,/De Heilige Geest was nog niet»
omdat Jezus nog niet verheerlijkt was/\' Dit toch is precies
hetzelfde als bij het //nog ongeboren" en later „geboren" kind.
Ook nog ongeboren leeft het wel terdege door de werking
van de lucht, maar het ontvangt die werking slechts door
tusschenkomst van zijn moeder. Is het daarentegen eenmaal
geboren, dan is die werking rechtstreeks geworden, en heeft
het zelf de lucht in zich, in de eigen longen. Zoo leefde dus
ook in de windselen van Israël de gemeente Gods eertijds,
zonder andere werkingen van den Heiligen Geest te ervaren,
dan die haar toekwamen door de tusschenkomst van Israels
nationaal bestaan. Maar op den Pinksterdag wordt die wer-
king rechtstreeks; valt de moeder weg; wordt het kindeke
geboren; en stroomt de Heilige Geest het lichaam zelf bin-
nen, om het nu van binnen uit te bezielen.
En even gemakkelijk lost zich dan de moeielijkheid op,
die schijnbaar ligt in hetgeen Jezux dan bij die uitstorting
doet. Men zou anders zoo zeggen: „Wat had Jezus daarmee van
noode ? Is de Heilige Geest dan niet God ? En zoo ja, kan
God de Heilige Geest dan niet zelf tot het //lichaam der
gemeente" komen?" Maar die zoo spreken vergeten éen ding,
t. w. dat een lichaam, eens geboren, niet kan ademen dan
door zijn hoofd. Wél eer liet geboren wordt; dan zuigt
het lichaam de zuurstof tot zich door moeders bloed
henen; niet door het hoofd, maar door het aderenweefsel.
Vroeger konden er dus wel werkingen van den Heiligen
Geest op de gemeente plaats hebben, waarbij van Jezus\'
tusschentreding niets te bespeuren valt. Maar nu de ge-
-ocr page 105-
DE TEMPEL VAN PEN HEILIGEN GEEST.                   93
meente geboren werd niet meer. Want vergeet niet, de ge-
meen te is wel het lichaam; maar dat lichaam is ondenkbaar
zonder het Hoofd, kan alleen door dat Hoofd ademen, zich
voeden, groeien en gestuurd worden. En even onmogelijk
als het zou zijn, aan een geboren wordend kind den adem
in de longen uit te storten, indien niet eerst de mond, die
in het hoofd zit, zich opende om de lucht op te vangen, —
evenzoo ondenkbaar en onmogelijk was het, dat de Heilige
Geest anders dan door het Hoofd in het lichaam der gemeente
kon komen. Eerst moest het Hoofd dezen Geest in zich in-
ademen, als we zoo zeggen mogen, en dan zou vanzelf uit
het Hoofd die Geest door de longen en de aderen in het
lichaam worden uitgestort.
De uitstorting op den Pinksterdag is dus dit: Door zijn
Hemelvaart is Jezus als Hoofd aan zijn gemeente aangesloten.
Hiermee is het moment gekomen, waarop die gemeente uit
Israels schoot kan geboren worden. En nu het daaraan
toekomt, nü gebeuren er twee dingen: 1u. dat dit Hoofd
den Geest in zichzelf opneemt en ontvangt van den Vader;
en 2°. dat Hij, zelf dien Geest ingeademd en in zich opgeno-
men hebbende, dien nu uitstort in al zijn ledematen, d. i.
doet stroomen in heel zijn lichaam.
Er is dus op Pinksteren geen de minste sprake van een
uitwendig iets, dat Jezus nederzendt; maar de uitstorting
des Heiligen Geestes was eenvoudig het instroomen uit het
Hoofd, door de longen en aderen, in het lichaam der ge-
meente van den Geest, dien Hjjzelf ^ontvangen had van
den Vader".
En hiermee is dan vanzelf duidelijk geworden, wat het
verschil is tusschen het gebeurde op den Pinksterdag en de
werking van den Heiligen Geest nü; in ons; door den loop
der eeuwen.
Gelijk namelijk de ingeademde levenslucht op de inwen-
dige ledematen van een lichaam nooit anders dan door het
lichaam
werkt, zoo komt ook tot ons, zijn lidmaten, de Heilige
Geest thans niet dan door het lichaam der gemeente.
-ocr page 106-
04
T)E TEMPEL VAN DEN HEILIGEN GEEST.
Een herhaalde uitstorting van den Heiligen Geest is on-
gerijmd. Want wel laat het zich denken, dat een nog onge-
boren lichaam in het leven blijft zonder zelf te ademen,
maar met een eens geboren lichaam kan dat onmogelijk.
Na den Pinksterdag is het dus volstrekt onmogelijk, dat
er ooit of immer een oogenblik was of komen zal, waarop
de gemeente zonder den Heiligen Geest zou zijn. Dan toch
ware ze ademloos en zou ze dus dood zijn.
De levensgeest kan ook uit de gemeente wel soms schijn-
baar
weg zijn, maar nooit wezenlijk. Nooit komt de Heilige
Geest, zelfs in tijden van opwekking, weer vanbuiten tot
de gemeente, maar steeds leeft Hij weer van binnen uit in
het lichaam op.
Als uw voet verstijfd, schier dood en bevroren is, dan kan
de levenswarmte niet anders dan van binnen uit het lichaam
weer aan dien gevoelloozen voet toestroomen. Ge kunt dien
wel wrijven en borstelen en prikkelen, maar de levensgloed
moet altijd van binnen uit het lichaam komen.
En zoo nu ook is het in de gemeente des Heeren. Een
schijnbaar gansch verstorven lid kan weer bezield worden,
maar nooit anders dan door den Heiligen Geest; en die Hei-
lige Geest komt niet dan van binnen uit door het lichaam
der gemeente, uit het Hoofd.
Zoo verdwijnen dan letterlijk alle moeilijkheden, klaart
alles zich op, en wordt alles doorzichtig. En vroeg men nu
ten slotte nog, waartoe dat lichaam Christi dan nog in deze
wereld blijft, — zie dan hier het gereede antwoord.
„Achter het werk van den Heiligen Geest ligt altijd het
werk van den Zoon; maar ook achter het werk van den
Zoon ligt altijd het werk van den Vader."
De vergadering der uitverkorenen tot een gemeente is dus
niet als het vinden van eenige lappen, die men tot een kleed
saamrijgt, maar het saambrengen van scherven, die men weet
dat saam de keurige vaas moeten opleveren.
Het beeld der gansche gemeente ligt, reeds eer zij in het
paradijs ontvangen werd, in het bestel en de voorverordi-
-ocr page 107-
DE TEMPEL VAN «EN HEILIGEN GEEST.                   95
neering des Vaders, en elk uitverkorene is er niet maar toe
geroepen, maar ook er op aangelegd, om in het lichaam van
Christus juist die geestelijke levensfunctie te vervullen, die
onmisbaar is voor den wasdom van het geheel.
o, Diepte der wijsheid en der kennisse!
Heere, hoe onnaspeurlijk zijn uw wegen! Wat overvloedige
troost voor uw arme gemeente !
Troost immers ook voor ónze ziel!
-ocr page 108-
„DIT IS HET, WAT GESPROKEN IS DOOR
DEN PROFEET JOEL!"
Dit is het, wat gesproken is door den
profeet Joel: „En het zal zijn in de
laatste dagen, zegt God, dat Ik zal
uitstorten van mijnen Geest op alle
vleesch."
                  Hand. 2 : 16, 17.
Stamelen, nauwlijks spreken, kunnen we van die majes-
tueuse gebeurtenis, toen op den tienden dag na Jezus\' op-
varen in de hoogste hemelen uit dien hoogen hemel de
Heilige Geest op de apostelschaar en de schare der geloovi-
gen, die met hen was, werd uitgestort.
Reeds bij de kribbe van Bethlehem, waar de Zoon tot ons
komt, dekken we met den sluier onzer kortzichtigheid het
aangezicht, en aanbidden, maar doorgronden het niet, hoe
dat ontzaglijk wonder dei vleeschwording van het Woord
tot stand kwam.
En dat was dan nog een wording tot vleesch, een op-
treden in zichtbare gestalte, zoodat de oogen konden zien en
het oor kon hooren en de handen konden tasten, wat tastbaar
en hoorbaar en zichtbaar was geworden van het Woord des
levens.
Hoeveel te minder mag hier dan aan een doorgronden
worden gedacht, nu niet de Zoon, maar de Heilige Geest
nederdaalt, en die Heilige Geest niet vleesch wordt, maar in
het geestelijke
schuilen blijft, en onzichtbaar en ontastbaar
-ocr page 109-
1)0011 DEN PttOFEET JOEL!"                                 97
zijn woning in den boezem der kerk, zijn tempel in de
harten der geloovigen zoekt.
De apostelen, die door zijn nederdaling en uitstorting
wei-den aangegrepen, spraken in vreemde talen, gelijk de
Geest hun gaf uit te spreken, — hoe zullen wij dan door
ontleding onder woorden brengen, wat zich terugtrekt in
die schaduw der hemelsche dingen, waarvan een apostel
beleed, dat het waren „owuitsprekelijke" dingen, „die het
eenen mensch niet geoorloofd is te spreken"?
Peins, ondervraag hier dus niet te nauw. Er is hier een
heerlijkheid voor uw hart, zoek die te grijpen. Er vloeit
hier een stroom van de wateren des eeuwigen levens, poog
daarin u te baden. Er ontspringt hier een fontein van eeu-
wige vertroosting, tracht daaruit uw dorst te verzadigen naar
troost voor uw verkwijnende ziel.
Er was een belofte van Jool. En van Joel niet alleen, maar
reeds vóór hem beluisterd bij andere zieners en godsmannen
«n profeten; bij Joel alleen het klaarst tot uiting gekomen.
En Joel had van die belofte gezegd: Ze is de mijne niet,
maar de belofte van den levenden God aan de geestelooze,
ontzielde, van troost beroofde kerke Gods op aarde.
Een woord der erbarming, der ontferming, der barmhar-
tigheden onzes Gods. Van Hem, die de innerlijke benauwin-
gen van zijn volk kent, beter zelfs dan de diepst ingeleiden
onder dat volk ze verstaan. Van dien goedertieren God, die
deernisse, meer nog dan met ons, met zijn oude kerk in de
bedeelinge der schadmeen had. En die daarom die kerk vooral
met troostrijke beloften opgehouden en ondersteund heeft.
Die oude kerk miste zooveel. Ze had ook wat wij niet
hebben, de rechtstreeksche wondere openbaringen, degodde-
lijke toespraak in het woord van den profeet. Maar ze kende
nog niet de kribbe, ze zag nog niet op het kruis, ze was
nog niet een tempel des Heiligen Geestes geworden. De
stemme was in en onder haar nog niet gehoord : Hetgeen
wij gezien hebben en onze ooi-en gehoord en onze handen ge~
Uut
hebben van het Woord des levens, dat verkondigen wij u \\"
Ze kwamen wel niet tekort wat tot hun zaligheid diende.
God de Heere heeft ook de uitverkorenen onder zijn oude
7
-ocr page 110-
98                         „BIT IS HET, WAT GESPROKEN IS
bondsvolk wel begaafd met geloof; dat geloof, op Messias
gericht; en ze innerlijk verkwikt door zielsgenieting. Maar
toch, het ging alles door schaduwen. Het had die klaarheid,
het had die doorzichtigheid, het had die volle, overvloeiende
mate niet, waarin wij ons verblijden.
(ielijk wij nu als pelgrims nog achterstaan bij die reeds
opgeroepen uitverkorenen, die nu reeds heerlijkheid voor den
troon
smaken, en zonder die heerlijkheid te smaken ons ver-
genoegen moeten met de belofte ervan, — zoo ook stond
Israël achter bij om, die Bethlehem en Golgotha en Pinkste-
ren kennen, waarvan zij wel de belofte hadden, maar niet
het wezen der zaak.
Dat gaf beduchtheid, dat wierp kommer op de ziel, het
dreef hen als door een onweder voort. En de Heere onze
God, die genadig is en benauwd was met zijn volk in al zijn
benauwdheden, zag dat in, en zond daarom zijn ziener, en
riep door Joel, en opende hun door Joel, in het woord der
belofte, het heerlijk vergezicht van de uitstortinge des Hei-
ligen Geestes. Ze kregen ze niet, maar zagen haar van verre.
Hun Nebo! Want gelijk de Heere Mozes vóór zijn sterven
de ziel verkwikt had, door hem van verre Kanaiins heerlijke
landouwen te toonen, zoo ook heeft die God van alle ont-
fermingen zijn bondsvolk verhoord, door het van verre, in
de belofte, door de profetie, deze heerlijkheden des Geestes te
doen aanschouwen.
Hetgeen waar Israël onder leed en onder bezweek, was
dat het zijn God van verre en niet nabij had. Gelijk het hert
dorstte naar den watersh\'oom, zoo dorstte Israël naar de
verkwikkende en bezielende gemeenschap van den levenden
God. Dat is het, waar al wat Jehovah vreesde in Israël om
riep en om smeekte. Niet heel het volk, maar de godzaligen
onder het volk. Zij dierven hun God en konden niet buiten
hun God. Hun ziel versmachtte onder het inwachten. En
toch toefde het, want ze konden zonder ons niet volmaakt
worden. En in dien nood en dien dood der ziele kwam Je-
hovah hun nu te hulpe, eerst door te zeggen: „Ik kom in
den Messias", en toen door te roepen : „Ik kom in den Hei-
ligen Geest!"
-ocr page 111-
DOOR DEN PROFEET JOKI,!"                                    99
Dien nood en dien dood der ziele kent de worstelaar on-
der Gods volk thans nog.
Zie, dat is het wondere mysterie, dat Israels geestelijk
ljjden beeld is van hetgeen Gods uitverkorenen door alle
eeuwen lijden.
Dit ligt niet daaraan, dat de geschiedenis teruggaat, of ook
het Nieuw Verbond weer achter het Oud Verbond wegschuift;
maar hieraan, dat in elk uitverkorene persoonlijk zich de
lijdens- en vertroostingsgeschiedenis van heel het volk herhaalt.
Gods volk in zijn kerk doorleeft eerst den toestand van
het missen, en daarna gaat het in den toestand van vol zalig
bezitten. En zoo nu ook gaat het in de ziele toe van den
man, aan wien God de hand sloeg.
Bethlehem, Golgotha, Olijfberg, Pinksteren, het is er alles
wel, en hij weet er wel van. Maar hij drong er nog niet
in. Het ligt nog buiten hem. Hij smaakte het zoet nog niet
van de pit dezer heiligheden.
Zoo zingt hij dan een kerstlied meê in Efrata\'s velden,
en roept toch nog in zijn ziel: „Waar is mijn God?" Zoo
breekt hem een roerend klaaglied uit de borst, als hij dat
schrikkelijk worstelen in Gethsémané en op Golgotha aan-
schouwt, maar toch vraagt hij nog : „ Wie verlost mij van
mijn zonde ?" Op Paaschmorgen jubelt hij met de schare, en
nog roept hij : „Wie is mijn gerechtigheid?" Op den Olijf-
berg staart hij zijn Heiland na bij diens opvaart, maar blijft
zuchten : „ Wie ontsluit mij de poorten des hemels ?" En zoo
ook op Pinksteren getuigt ook hij van wind en vuur en
vreemde talen, maar het blijft in zijn ziel ongetroost ker-
men naar de gemeenschap van den levenden God.
Zulke raadselen zijn wij onszelven.
Kinderen, die spelen met peerlen en robijnen, maar hon-
geren uit gebrek aan brood.
En daarom is de profetie ook voor ons.
Paulus zegt het zoo stellig: „Al wat tevoren geschreven
is, is om omentwil geschreven, opdat wij door lijdzaamheid
en vertroosting der Schriften hoop hebben zouden."
Want met diezelfde beloften en profetien, waarmee God de
Heere oudtijds zijn bondsvolk verkwikt heeft, verkwikt Hij nu
-ocr page 112-
100                       „DIT 18 HET, WAT GESPROKEN IS
nog de ongetrooste zielen, d. w. z. al die zielen, die werkelijk
en waarachtiglijk naar den levenden God dorsten, en toch
nog de zalige gemeenschap van den Heiligen Geest niet
genieten.
Tot, tot... dan eindelijk de werking van den Heiligen
Geest zóo diep in zulk een ziel doordringt, dat eindelijk de
bedding is uitgegraven, en de wateren des levens erin
vloeien kunnen; en dan komt: de volzalige genieting; en
dan merkt het dwaze kind eerst, wat schut van peerlen en
robijnen het reeds jarenlang bezeten heeft; en open gaat
dan het mysterie van de kribbe; en open de verborgenheid
van Golgotha; en het geheimnis des Geestes ontsluit zich;
en „Abba Vader!" is het lofgeroep, waarin de getrooste dankt
voor het vriendelijk bestralen met Gods vertroostend aan-
gezicht.
De dingen Gods niet zuiver verstaande, meent een enkele
dan, dat nu ook op hem een uitstorting van den Heiligen
Geest heeft plaats gehad; een repetitie van het Pinkster-
wonder in het klein. Sommigen hebben daar zelfs den vas-
ten term voor van „Doop des Heiligen Geestes".
Nu, dat kan niet.
Dat zou zijn het groote Pinksteren der kerk wegcijferen.
Zoo zijn er ook oudtijds geweest, die de geboorte van
Christus in hun hart hun Bethlehem in zoo nadrukkelijken
zin noemden, dat ze eindelijk het echte, het oorspronkelijke
Bethlehem verloren, straks verloochenden.
Wees tegen die overdrijving der vergeestelijking op uw hoede.
Neen, de zake Gods is niet met ziel en ziel, maar de zake
onzes Gods is met zijn kerk eerst, en eerst in en door die kerk
met de enkele personen der uitverkorenen.
Hij overwint de zonde, door toch weer aan menschenkin-
deren zijn zalige, zoete gemeenschap te schenken; maar Hij
doet dit, door eerst tot zijn kerk te komen in de profetie,
dan tot zijn kerk te komen in den Zoon, en eindelijk nog
intiemer en op het allerinnigst, door tot zijn kerk te komen
in de uitstorting van den Heiligen Geest.
-ocr page 113-
DOOR DEN PROFEET JOKL ["                              101
Geljjk God de Heere in de natuurlijke schepping niet
aan elke stad en aan elk dorpje een afzonderlijk stroompje
toebedeelt, maar voor alle saam de sluizen des hemels over
zijn bei-gen opent, en den machtigen waterstroom van den
top des bergs in de bedding drijft en alzoo voortstuwt, dat
hij alle landen en staten besproeit, — zoo ook is zijn werk in
het rijk der genade niet stuksgewijze elk afzonderlijk be-
werkend, maar afvloeiend van de bergen zijner heiligheid in
een machtigen droom, waarin naar gelegenheid van tijd en
woonstede alle volk en alle ziel, die verkoren is, zich ver-
kwikken en baden zal.
Pinksteren herhaalt zich dus niet.
Pinksteren is een eenig feit; een feit, dat niet kwam en
ging, maar dat nawerkt tot op den dag van heden.
En een iegelijk, die dus ook nu des Heiligen Geestes deel-
achtig wil zijn, kan de gemeenschap van dien Geest niet
anders deelachtig worden, dan door deel te erlangen aan
dien ééns uitgestorten, ééns nedergedaalden, nu onder ons
wonenden en in zijn kerk vertoevenden Heiligen Geest.
Dat is het, wat voorzegd was van den profeet Joel, dat
het zou heeten tot de ziel, die den Geest inriep vanboven,
als moest Hij nog nederdalen: ;/Zie, God de Heere is in
zijn Heiligen Geest met en bij u. Uw kerk is niet meer
de verlatene. De Heere woont bij haar en is haar God \\"
Wel is er dus doorbreking van den Heiligen Geest in de
ziel, waarin Hij vroeger werd tegengeüaan. Wel is er vloei-
baarwording in de ziel van wat eerst stijf en bevroren lag.
Wel is er een bezield en gedreven worden van wat eerst
ontzield en roerloos en wezenloos scheen. Maar een opnieuw
nederdalen van den Heiligen Geest, bij maniere als op den
Pinksterdag, is er in onze dagen niet.
En vraagt ge, wat dan die gemeenschap des Heiligen
Geestes is, en waarin die verschilt van een afzonderlijk uit
den hemel bewerkt worden van elk uitverkorene, hoofd
voor hoofd ?
Broeders, we zeggen niet, dat God de Heere niet ook alzoo
-ocr page 114-
102                  //1)IT Is HET, WAT GESPROKEN IS
elke ziel had kunnen bewerken. Hij, de Vrijmachtige, waarom
zou Hij niet? Er is geen noodlot. En zelfs het besluit van
den raad Gods, dat alle dingen regelt, is vrijmachtig en door
niets gebonden.
Maar zie, de Heere heeft dat nu eenmaal niet gekozen.
Hij koos den anderen weg. Die weg ligt in zijn besluit af-
gebakend. En of wij er nu tegen in woelen of niet, dat haat
niet en verandert er niets aan. Het gaat toch naar Hij wil.
En die door Hem verkozen weg is nu eenmaal alzoo af-
gepaald, dat de zielen zijner uitverkorenen niet anders dan
in de gemeenschap der heiligen zouden vertroost worden, d. i.
in de organische bewerking van het lichaam Christi, hetwelk
is zijn gemeente.
En zie, gelijk nu aan een lichaam niet de hand ademt
en de voet ademt en het oog ademt, maar én hand én voet
én oog tezamen leven en glans houden door den éenen
ademtocht van heel het leven, alzoo ook gaat het in dit
lichaam der gemeente toe.
In dat lichaam der gemeente blies God de Heere op den
Pinksterdag den adem des levens door de uitstorting van
zijn Heiligen Geest.
Dientengevolge woont nu die Heilige Geest als de hemel-
sche ademtocht zoowel in het Hoofd als in de leden van
het lichaam, en het is door dien adem des Heiligen Geestes,
dat elk lid aan het lichaam leeft.
Hoe dat toegaat?
Verklaar gij ons het mysterie des natuurlijken levens,
dat uit den adem der longen uw oog glinsteren doet, en
wij zullen u verklaren het mysterie des geestelijken levens,
dat uit den Geest der genade elk lid de ziel vertroost.
In die geheimnisse is niet door te dringen.
Die zult gij aanbidden, bewonderen en genieten.
Aanbidden, door diep eerbiedig neer te knielen en te danken
uwen God en Vader, die vóór nu achttien eeuwen den
adem des levens in het lichaam der kerk blies door haar
den Heiligen Geest te schenken.
Beiconderen, door te merken op de veelvuldige wijsheid
Gods, die, sinds die Geest nederdaalde, zijn kerk op het
-ocr page 115-
DOOK DEN PROFEET JOEL \\"                          103
breed terrein der wereld uitbracht en die door haar optreden
het gelaat des aardrijks omzette.
Maar ook genieten, door zelf, als lid van het lichaam Christi,
meê u te koesteren aan de levenswarmte, die reeds sinds
achttien eeuwen van dien adem des Geestes in het lichaam
Christi uitgaat.
En wat dan die vertroosting, wat dan die genieting, die
inademing, die zalige genieting is?
Broeders, dat zalig genieten, die stille vertroosting heeft
volstrekt niets gemeen met opwinding of opgeschroefd gejuich.
Gezwollen toon, hoogdravendheid in het lied, lokken den
adem des Geestes niet naar u toe, maar bannen dien van
verre.
Neen, deze vertroosting is voor de stille smart en wordt
ingedronken in heilige kalmte.
Om de zonde van uw diep ellendig bart beweegt zich die
genieting.
Als gij, o, zoo lang gedorst hebt naar gerechtigheid, en
er naar gesmacht hadt, om eens een wil te hebben, die het
goede wilde en het goede tot stand bracht; en als ge dan
toch altoos weer teleurgesteld uitkwaamt, en uw hart u
bedroog, en gij niet kondt, en het er niet van kwam, zoodat
ge ten slotte, in de bangste spanning geraakt, uitriept:
„Het moet heilig met mij worden, en zie, het kan niet!"
en als ge daar dan onder lijdt, daaronder gedrukt en ge-
bogen gaat, dat ge voelt: „God moet tot zijn recht in mijn
ziel komen", en het komt toch niet; — o, dan is in u die
droefheid naar God, die een onberouwlijke bekeering werkt.
En zie, in die bange vertwijfeling komt dan God de Heilige
Geest stil kloppen aan de poorte van uw hart, en roept u
toe: no, Ongetrooste, ween niet meer; uw gebeden en uw
zuchtingen zijn ter gedachtenisse voor Gods aangezicht op-
geklommen. Ge zijt verhoord. Uw bedrukking zal een einde
nemen en de benauwdheid der ziele van u wijken. Want
nu weet Ik, dat gij in oprechtheid des harten om verlossing
van zonde en om macht tot heiligheden naar uw God ge-
-ocr page 116-
104 „DIT IS HET, WAT GESPROKEN IS DOOR DEN PROFEET JOpiL \\"
kermd hebt. Zie, hier ben Ik, Ik, uw God, die woning ook
in uw hart kom maken. En wat gij nu niet kunt, dat zal
Ik, God, voor en in u doen. Ik zal uw wil ombuigen ten
goede, Ik zal uw genegenheden reinigen, uw verbeelding zui-
veren, uw oog verlichten, en, hoe het ook uit uw onrein
hart nog in ongerechtigheid uit den poel des verderfs op-
borrelt, Ik zal maken, dat gij in mijn inzettingen wandelt!"
En als de Heilige Geest dat dan niet maar zegt, maar
doet, en de ziel ziet, dat de Geest het in haar tot stand
brengt, en ze is niet meer machteloos, maar in staat om te
verzetten wat eerst bergen, schenen, dan komt de juichtoon,
dan het zalig gevoel van innerlijk verhoord te zijn, dan
weet ze wat het is, „van harte willig en bereid te zijn gemaakt
m Hem voortaan te leven"!
-ocr page 117-
„TONGEN ALS VAN VUUR."
En van hen werden gezien verdeelde
tongen als van vuur.
        Hand. 2: 3.
Vorsten dragen kronen, vorstinnen een diadeem; genieën
lauwert en omkranst men; en ook al stamt men niet uit
een vorstenhuis, ook al hoort men niet tot de genieën, toch
woelt en worstelt al wat mensch heet op aarde, om eere,
om schittering, om glansen, en ieder steekt op zijn eigen
terrein de hand uit naar een kroon, en voelt het hart snel-
ier kloppen, als hij met eere woi\'dt omkranst.
Is die trek zondig? Mag dat niet? Moet het kind van God
die eerzucht opgeven?
De heilige apostel van Jezus antwoordt op die vraag:
„Neen, stellig neen!" En onbewimpeld komt hij ervoor uit,
dat ook hijzelf nu nog, ook nadat hij in den dienst van
Jezus is overgegaan, op een kroon wacht, om een kroon te
erlangen worstelt, en door de hope van eens de kroon te
zullen ontvangen, wordt bezield.
Maar — en daar steekt al het verschil in — die kroon
wacht hij niet nu, maar in de voleinding; niet door vrien-
denhand zal die kroon hem op het hoofd worden gedrukt,
maar door den rechtvaardigen Rechter; maar dan ook, die
kroon zal niet een sc&ijneere aanbrengen, maar hem werke-
lijk tot koning maken. „Die ons gemaakt heeft tot koningen
en priesters, Gode en zijnen Vader!"
/ie, er is tweeërlei licht, tweeërlei glans, tweeërlei schit-
tering.
-ocr page 118-
106                           „TONGEN ALS VAN VUUIt."
De eerste schittering komt van omlaag en wordt ont-
stoken uit het vuur van den hartstocht en aangeblazen door
de inbeeldingen der eere, en afgebeeld in het fonkelen van
metaal of keurgest.eent. Een schittering bij gekunsteld licht,
met een glans, die straks verdooft en uitgaat. Het flikkeren
van een schijnsel, zóo opvlammend, zóo gebluscht.
Maar er is ook nog een andere schittering, en die komt
niet van omlaag, maar vanboven, van den Vader der lichten,
uit de zalen der eeuwige glansen, ons toestralend uit de
diepte van het heilig Ongeziene, dat boven den glans der zon
uitgaat en door geen eeuwigheid van eeuwen wordt verteerd.
Wiens oog nu door de schittering van omlaag wordt ge-
boeid, die ziet niets van die hoogere schittering. Voor dien
bestaat dat licht vanboven niet. Hij kan er niet door ge-
boeid worden, want hij merkt het niet eens op.
En omgekeerd, zoo er een goddelooze is, die gerechtvaar-
digd wordt, en die den lust krijgt aan die edeler schittering,
voor dien verbleekt en taant terstond dat eerst zoo schelle
licht van die aardsche glansen. Hij wendt er zich van af.
Ze zijn voor hem geen glansen meer. Wat eens bekorende
schittering scheen, is rosse, donkere gloed voor hem geworden.
En let er nu wel op, hierin is meer dan beeldspraak;
hierin is werkelijkheid.
Ge kunt u den Christus in zijn heerlijkheid niet derfken
met een dof, omlijnd gelaat; en als gij Hem u voorstelt,
dan moet gij u Hem wel voorstellen als omstraald met een
krans van zacht en heilig licht, schitterend in een glans
van meer dan diamanten. En dat niet bij wijze van phan-
tasie, neen, maar als uitstraling van zijn innerlijk wezen.
Zijn heilige persoon naar buiten tredend. De geur der
zalving om Hem heen.
Zelfs van den middelaar des Ouden Verbonds, van Mozes,
verklaart de Heilige Schrift ons, dat hij, afkomende van
den berg, blonk aan en om zijn gelaat, zoodat het volk den
aanblik van zijn aangezicht niet kon verdragen en hij, om
-ocr page 119-
„TONGEN ALS VAN VUUR.7\'                           107
met het volk van aangezicht tot aangezicht te spreken, zijn
•gelaat bedekken moest.
Van oudsher wende de kerk van Christus er ons daarom
aan, om de heilige patriarchen en bloedgetuigen, de heilige
apostelen en profeten, steeds af te beelden met de heilige
nimbus om het aangezicht. Die mannen, zoo wilden ze daar-
door te kennen geven, waren de reinen van hart, die waren
opgeklommen tot den berg van Gods heiligheden, en een
afglans van den glans des Eeuwigen op hun aangezicht had-
den opgevangen.
Teedere, vrome, godzalige mannen en vrouwen, die als
lichten in het midden der gemeente zijn gesteld, hebben
dan ook steeds den indruk gemaakt van een hooger iets uit
hun oog uit te stralen en een heiliger uitdrukking te heb-
ben in hun gelaat.
Als engelen waren ze, als die boden des hemels, die nooit
op aarde verschenen, dan omschenen met die hoogere heer-
lijkheid, die zelfs uitstraalde van hun gewaad en kleeding,
die als de bliksem schitterde.
En als het God den Heere beliefde, er weer een dei-
onzen uit ons midden te doen weggaan, die inging in de
ruste zijns Heeren, na hier op aarde zijn strijden gestreden
te hebben, hoe dikwijls zag men dan reeds op zijn sterf-
bed, en vooral om zijn gestorven aangezicht, die hoogere
schittering om hem spelen, die elk omstander jaloersch
maakte en verrukte!
Ja, zelfs wat op den Pinksterdag geschiedde, toen de Heilige
Geest nederkwam, en er gezien werden verdeelde tonr/eti ah
van vuur
en het zat op een iegelijk van hen, wat geschiedde
er ook toen anders, dan dat de geloovigen op hun ïhabor
kwamen ?
Op Thabor had de Heer zijn kroon ontvangen en geblon-
ken in den glans eener hemelsche heerlijkheid ; en hier op
den Pinksterdag zijn het de geloovigen, die, saam de ge-
meente vormend, gedoopt worden met diezelfde heerlijkheid,
en als prinsen en vorsten het hemelsch lichtdiadeem op
-ocr page 120-
108                                „TONGEN ALS VAN VUUK.*
hun voorhoofd ontvangen, opdat nooit een kroon of krans
van menschen door Jezus\' gekochten zou worden begeerd.
Zoo daalt dan de gemeente van Christus, indien de lau-
weren door menschenhand weer in haar midden worden
uitgestrooid, en ze klimt weer in geestelijke macht, als de
aardsche schittering in haar midden verbleeken mag, en
de tongen van vuur, de schittering van het geestelijk licht-
diadeem, weer aan de geloovigen gezien wordt.
Het kruis van Jezus is machteloos en werkeloos het bloed
der verzoening, indien er menschen om en bij het kruis
neerknielen, die nog met alle sieraad geëerd en met krans
en kroon door hun medezondaars gesierd zijn; maar dat
kruis zegent en dat goddelijk bloed werkt aldoordringend,
indien zij, die er bij neerknielen, eerst al dat sieraad, al die
lauweren en al die kronen van zich hebben afgenomen en
aan den voet van het kruis hebben neergeworpen.
En zoo ook gij, inijn broeder, mijn zuster, wat blinkt er,
wat schittert er aan u, door wat glans ziet gij u omstralen?
Is het nog van de aardsche schittering? o, Beef dan voor
uw ziele! Dan neemt ge nog eer van menschen en kunt
niet gelooven en komt om. Dan is het alles om u nog
schel, nog wilde flikkering, en de dauwdrup van den eeuwi-
gen morgen perelt u nog niet op het gelaat.
En nu, hadt gij een Pinksterzegen?
Zoo ja, laat dan ook aan u de vurige tongen gezien
worden en de uitdrukking van een hemelsche heerlijkheid
ook uw gelaat omstralen. Dat licht is niet schel, maar zacht;
flikkert niet, maar doet weldadig aan.
Die tonge vuurs op een iegelijk van ons, het zou de
heerlijkste prediking van Gods teeder erbarmen zijn.
De zalige voorbö ook van een sterven eens in zalige licht-
glansen. Een Thabor uw stervenssponde, voor den uitgang
naar het hemel sch Jeruzalem door de donkere poorte des
doods.
-.
-ocr page 121-
„VOL ZOETEN WIJNS."
En anderen, spottende, zeiden : Dezen
zijn vol zoeten wijns. Hand. \'2 : 13.
De diepe scheur, die reeds het Paradijs in ons mensche-
lijk leven trok, kan, helaas, niet geheeld, zoolang het Maran-
atha
niet vervuld is.
Dan, ja, als de Heere zal zijn wedergekomen op de wol-
ken, als de heerlijke Koning, die nu zijn paleis in de heme-
len heeft en uit dat paleis deze wereld regeert, ons zijn
laatste genadedaad zal bewijzen, door ten tweeden male den
hemel te verlaten en naar deze aarde af te dalen, dan, ja,
zal aan deze schriklijke gedeeldheid een einde komen; maar
eer niet.
Dan komt het Paradijs, en meer dan het Paradijs, terug!
Dan zal ons niet alleen „Vrede op aarde \\" als bede en
aanvang van vervulling door engelen worden toegezongen,
maar dan zal het een eeuwige, nooit meer gestoorde vrede
op aarde worden ! Het zal dan éen eindelooze heerschappij
in niets dan teedere liefde zijn, de heerschappij van den
Vredevorst. De hemelsche Salomo / En ook op heel de aarde
éen stad des vredes, éen onmetelijk Jeruzalem !
Maar nu is dat nog niet zoo. Thans kan dit nog niet.
En als de mensch het dan toch reeds nu zoo zoekt te maken,
dan is de scheur niet wezenlijk geheeld, maar slechts bedekt.
En als de bedrogen mensch zich dan inbeeldt, den eeuwigen
vrede op aarde reeds gevonden te hebben, dan straft de
Heere onze God hem schriklijk voor dat schuldig opzij drin-
-ocr page 122-
110                               „VOL ZOETEN WIJNS."
gen van zijn ordinantiën. Want al zulk pogen, wat is het
anders dan „het werk van den eeuwigen vrede\'\' aan den
Koning der heerlijkheid uit de handen nemen, en het feitelijk
uitspreken, dat de wederkomst des Heeren overbodig is?
„Gij zult ons allerlei vrede bestellen ; want Gij hebt ons
ook al onze zaken uitgericht!" (Jes. 26 : 12) is het pro-
fetisch jubellied, waarmee de kerk haar Bruidegom heeft in
te wachten.
En wee onzer, zoo wij ons inbeelden, dat voor de bestel-
ling van dien eeuwigen vrede met iets minder dan met
zijn wederkomst op de wolken kan worden volstaan !
Eer komt die vrede niet I
„Vol zoeten wijns V\' Hoort gjj in dat schaterend, spottend
roepen niet het trekken, altoos weer het trekken van die-
zelfde scheur, nu op den Pinksterdag ?
Naar nieuwe levensbezieling dorst het smachtend menschen-
hart. Alles in u vraagt om een prikkel, die het lauw en
mat gevoel van krachtsinzinking u beneme. Ge voelt tin-
teling in het bloed, en zie, er is niets dan dorre traagheid.
En daarom roept het menschenhart op allen toon om hei-
liger, hooger geestdrift.
En nu, op allerlei wijs had de Ontfermer ons zulke prik-
kelen, zulk een bezieling, reeds in zijn genade geschonken.
Reeds had er een verlost volk jubelend bij de Schelfzee het
lied der verlosten gezongen! Tonen des lofs ontgleden aan
het met dank als overstelpt gemoed. En van de Schelfzee
was die toon des lofs Israël op al zijn paden nagegaan.
God stelde heil tot muren en voorschansen. De woestijn
had gebloeid. Er hadden rozen gegeurd in de wildernis.
Maar toch, het hoogste toefde nog.
Toefde ook nog na de kribbe van Bethlehem! Want
immers, al de glans der englenkoren uit Efrata\'s velden was
voor Gethsémané verbleekt en in Golgotha ondergegaan.
Maar nu, zie, met den Pinksterdag, nu komt het.
En eindelijk, eindelijk daalt de Geest des Vaders en des
Zoons zelf neder.
-ocr page 123-
„XOh ZOETEN WIJNS.*                               1H
Rijk, mild en als in overstelpenden stroom vloeit Hij uit
over de kudde des Heeren.
En nu ia er de zaligste prikkel, nu werkt de heerlijkste
bezieling, en in een taal, waar vuur uit spat en gloed uit
schittert, staan daar nu die Galileesche visschers, om uit
Jeruzalems tempel den veelvoudigen lof des Heeren te ver-
kondigen !. . .. En wat, wat is nu de indruk, dien de meeste
Jeruzalemmers daarvan ontvingen?.... Wat anders, dan
dat deze Galileërs zich aan wijn ot\' sterken drank tebuiten-
gingen ? Dat hun taal de taal der beschonkenen is ?
Zonde tegen den Heiligen Geest!
Ontzettend ! En toch zoo natuurlijk !
Bedenk toch, die menigte Jeruzalemmers had evengoed
als gij en evengoed als alle menschen behoefte aan prikkel,
aan bezieling, aan opwekking uit haar matheid.
Dat komt van de zonde en is daarom van elk mensche-
lijk leven onafscheidelijk.
En wat was nu te Jeruzalem, en wat is nog, ook in ons
land, schier de eenige prikkel, dien de groote menigte kent ?
En antwoord zelf, dat is immers altoos geweest, is nog en
zal duurzaam, tot op \'s Heeren wederkomst, blijven, wijn en
sterke drank.
Wijn heeft metterdaad een kracht van opheffing. God
de Heere schiep ook den wijnstok. En de strekking en uit-
werking van den wijn is metterdaad, om ingezonken kracht
te sterken en aan den matten geest een prikkel te geven.
En hoe kan het dan verwonderen, dat die schare in Je-
ruzalem, die zelve geen anderen prikkel kende en een ver-
hoogde geestesstemming nooit anders dan als uitwerking
van den wijn had gezien, ook bij de apostelen geen andere
oorzaak onderstellen kon, en dies uitriep: //Vol zoeten
wjjns" ?
Maar juist daarin openbaart zich dan ook onze diepe zonde
en gezonkenheid.
Zonder hooger licht, aan onszelven overgelaten, kunnen
we niet anders doen, dan de hoogste werking van den Geest
-ocr page 124-
112                               „VOL ZOETEN WIJNS.\'\'
der genade aanzien voor een werking van den geest den
Satans !
Alleen genade, goddelijk erbarmen, bewaart ons hiervoor!
Dat toch is het hier.
"Want wijn sterkt wel en wijn is wel een van God gege-
ven prikkel (Spr. 31 : 6) voor den bedroefde van hart,
opdat hij in zijn smart geen prooi van wanhoop worde;
maar er schuilt in wijn ook een duivelsche macht.
Wijn heeft een grens.
Prikkelt deze prikkel u even, voor een oogenblik, in vol-
komen juiste mate, dan sterkt hij en bezielt u. Maar ook,
gaat die prikkel iets te ver, duurt hij iets te lang, gaat hij
even de maat tebuiten, dan bezielt hij niet langer, maar
ontzielt n, en laat in de diepte van uw bloed en uw gemoed
den demon los, die alleen door uw manlijk zelfbewustzijn
wierd bedwongen.
Daarom is alle drank, die prikkelt, zoo overkostelijk, maar
ook zoo ontzettend gevaarlijk.
Het is vuur, dat kostelijk is, zoolang gij er u aan warmt
en koestert, maar ook dat u zengt en schroeit en de schrik-
lijkste wonden brandt en u geheel verteert, zoodra gij er u
ook maar iets te ver meé waagt.
Dronkenschap is uit den Duivel, is de satyr van Satan, in
\'s mensehen ziel en leven sluipend.
Het is de mensch, niet bezield en verheven en uitgalmend
in den lof des Heeren, maar innerlijk vergiftigd en zinneloos
gemaakt en een slaaf van boozen hartstocht.
En met dit satanische, dit schriklijk demonische in de
uitbarsting van ons zondig leven, daarmee stelt de schare
van Jeruzalem nu de uitwerking van den Heiligen Geest
gelijk !
o, Die wrange, bittere vrucht der zonde!
Wonderbaar!
Er zijn twee prikkels aan den mensch geboden. God
-ocr page 125-
„VOL ZOETEN TVIJN\'S."                                113
schiep den wijnstok voor de matheid van het bloed, en
schonk hem uit loutere genade zijn Heiligen Geest voor de
matheid en doodschheid der ziele.
En nu zegt ons boos hart: ,/Die prikkel van den wijn is
genoeg \\" en laat dien uit het bloed op de ziel werken, en
zoo worden ziel en bloed beide vergiftigd.
Maar de Geest wil het omgekeerd. De (ieest biedt uden
prikkel voor de ziel, heft u op uit uw geestelijke matheid;
en alzoo gevatelijk u bezielende, heft Hij óok tegelijk uw
gezonken licAaamtkraeht op, en ondersteunt geheel uw wezen.
En nu gaan die beide tegen elkaèr in.
Van de eene zijde de onwedergeboren wereld, die haar
prikkels in het zichtbare zoekt, en daarom den Geest niet
verstaan kan. En aan de andere zijde de kudde des Heeren,
die, gedrenkt met de stroomen des Geestes, die onheilige
prikkels veraf\'schuwt.
Zóo komt er dus van beide kanten hooger spanning,
sterker bezieling, machtiger drijven, maar van beide uit
gansch tegenovergestelde oorzaak.
Uit den Heiligen Geest bij dat kleine kuddeke, — uit
den stroom van\'genot en vreugde bij de groote menigte.
En nu stuit dat.
Xu kan de wereld op Gods kind geen anderen indruk
maken, als liep alles rond en om in zijn eigen verdwaasdheid.
Maar ook Gods kind, zuodra hij uitkomt, kan op de wereld
geen anderen indruk teweegbrengen, dan die zoo spottend
ligt uitgesproken in dat „Vol zoeten wijns!"
En nu werkt dit bij Gods kind, zoo hij goed voor zijn
God staat,
een schriklijk bang gevoel van deernis en mede-
lijden ; maar bij het kind der wereld een hoongelach van
spot en minachting.
En dat hoongelach nu moet ge dragen kunnen!
Voor dat hoongelach moogt ge niet uit den weg treden !
In dat hoongelach moet ge ten deele om Jezus\' wil zelfs
lust hebben.
Bovenal, tegen dat hoongelach in moet gij voortgaan met
altoos luider uit te roepen en te verkondigen de groote da-
den Gods.
8
-ocr page 126-
DE TROOSTER.
Ik zal den Vader bidilen en Hij zal
u een anderen Trooster zenden, opdat
Hij bij vi bljjve in der eeuwigheid.
Joh. 14 : 16.
Zoo kwam clan weer ons Pinksteren, het heilig gedenken
van de uitstorting van den Heiligen Geest!
o, Wiens ziel leeft uit al de laagheid en onheiligheid van
ons aardsch bestaan niet op bij het hooren van die zalige
klanken, dat er een Heilige Geest is, die dien geest van het
onreine tegenstaat, en dat die Heilige Geest niet meer verre
is, niet nog pas moet gezonden worden, maar er ü, ons
werd gegeven, en dat mildelijk de Fontein van zalige vei-
troosting vloeit, die ons door dien Heiligen Geest is aange-
bracht ?
De breede schare weet daar niet van en de duizenden
vatten die zielsverheuging niet. Zij kennen den Heiligen
Geest niet anders dan bij name; als een vreemde, van wien
ze hoorden reppen; als een geheimzinnige verschijning, van
wie veel verhaald wordt, maar die nooit doordrong tot hun
hart. Ze hoorden van vuurtongen en geluiden en een spre-
ken in talen, maar hoe zou door die teekenen geboeid zijn
wie Hem niet kent, van wiens komst die teekenen getuigden ?
En daarom, de wandelaars op den breeden weg vieren
óok wel Pinksteren, maar buiten den Heiligen Geest om ;
als een lentefeest om in de natuur te genieten; als een
familiedag om bloedverwanten en oude kennissen te bezoeken;
-ocr page 127-
DE TROOSTER.                                      Il 5
als een dag van huislijke vreugde, om volop te genieten
met zijn kinderen; zoo maar niet om den vierdag van den
Heiligen Geest te ontwijden door overdaad en brasserij.
o, De Heere Jezus had het zoo waarschuwend van dien
Heiligen Geest gezegd: „Welken de wereld niet kan ont-
vangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet/\' Die
Heilige Geest en de geest der wereld blijven tot den einde
toe twee.
Maar met die wereld drijven niet allen af.
Er zijn er ook, er waren er door alle eeuwen en er zijn
er nog, die aan die wereld den scheidsbrief zonden. Niet
om hooghartig te roepen: „Ga van mij uit, want ik ben
heiliger dan gij;" maar omdat ze voor die wereld bang
waren geworden, bang voor haar doodenden invloed, bang
voor haar schriklijk verleidende macht; en die daarom,gelijk
men een giftigen adder van de hand afschudt, zoo de strikken
dier wereld van zich hebben geworpen.
Mannen en vrouwen, die het pad opgingen, eens door die
heilige apostelen betreden, tot wie Jezus gezegd had: „Maar
gij kent, den Heiligen Geest, want Hij blijft bij ulieden en
zal in u zijn/\' en die nu op dat enge pad al den angst
hebben uit te staan, dat ze de wereld ontvloden zijn en
toch die wereld op hun pad meedragen in hun eigen hart,
en wien het daarom zoo bang temoede wordt, omdat Jezus
gezegd had : „Gij zult den Heiligen Geest in uw hart hebben/\'
en omdat zij bij het uittrekken van de hand uit den boezem
er haar melaatsch uithaalden, met al de reuke van den
dood der wereld aan zich.
Want zoo, ja, is de feitelijke toestand.
Er is niet een breede weg met goddelooze zondaren en
een smal pad, waarop een soort heilige engelen wandelen.
Neen, neen, wie het zoo zegt, droomt in het afgetrokkene.
Maar dit is de feitelijke waarheid, dat er door de wijde
poort duizenden heengaan, wier zielesieraad ge hun soms
benijden zoudt, en dat er omgekeerd door die enge poort
honderden wandelen, die wel op het goede pad zijn, maar
den zuurdeesem der wereld nog in de slip van hun kleed
meedragen.
-ocr page 128-
146                                       DE TROOSTER.
En dit geeft dan de slingeringen, de schommelingen, de
worstelingen van het zieleleven. ,Want waar zullen dan die
mannen en vrouwen zich aan vasthouden ? Als het toch niet
baat, zullen ze dan maar terug naar den breedenweg? God
zegenen en sterven, zooals Jobs vrouw aan den lijder der
oudheid ried ?
Neen, bij al wat heilig is en zoo waarlijk Gods Verbond
vaststaat, dat kunnen ze niet, en daarom doen zij iets anders
en iets beters. Want hoor, temidden van hun troosteloos-
heid jubelen ze dan voor het aangezicht van den Heiligen
Geest, en, waar aller hope weg scheen, roemen ze in den
goddelijken Trooster.
En wat dat dan is, wat dat dan zeggen wil, dat de
Heilige Geest een Trooster is ?
Of dat dan beduidt, dat die Heilige Geest hun de wonde
hunner ziele heelt, hen opbeurt in verdrietelijkheid, in rouwe
verkwikt en bij bittere slagen des levens ophoudt?
o, Gewisselijk, ook dat ligt erin opgesloten.
Er is niets, niets wat. ooit uw hart bedroeven kan, of de
Heilige Geest beschikt over een zoo rijken schat van ver-
troosting, dat, wie tot Hem gaat, nooit met leege hand
wordt weggezonden.
Zeer zeker, als de dood door onze vensters inklimt en
ons wegrooft, wat ons hart meende nooit te kunnen missen,
dan is het waarlijk niet de geest der wereld, maar wel ter-
dege de Heilige Geest, die vanboven is, die ons weer levens-
moed en levenshope instort in het moegestreden hart.
Want die Heilige Geest heft u op in dat hoogere leven,
waarin wie achterbleef, den heengeganen vriend zijn heil
niet kan benijden; doet leven in die hemelsche gewaarwor-
dingen, waarin ook na het scheiden de band der gemeen-
scbap bleef: en zet ons met ons zelfzuchtig hart opeens te-
recht, door het ons duidelijk aan te zeggen, dat ook onze
liefste panden niet voor ons leven, maar dat we saam be-
staan alleen om God.
Daarover ontsta dus nooit de minste twijfel: allee» door
-ocr page 129-
DE TROOSTER.                                       117
den Heiligen Geest wordt bij elke wonde van het hart de
echt goddelijke balsem van heelende vertroosting bereid.
Wat men daarbuiten zoekt of aanprijst zijn niets dan
windselen, waaronder de wonden voort blijven schrijnen, of
bedwelmingen, die ons onze smart vergeten doen.
Maar wie dat niet wil; wie doorlecen wil, wat God hem
oplegt; wie den beker wil uitdrinken, teug voor teug, dien
zjjn God hem op de hand heeft gezet; en nu zoo diep het
hoofd in de golven der smart wil ondersteken, tot hij voelt:
,/Zie, nu is alle\'s doorleden \\" die kan buiten den Heiligen
Geest niet, en die is eerst door den Heiligen Geest vertroost.
Maar toch, niet dat is ons Pinksteren, niet dat de jubel-
zang van den Trooster!
Want ware dat al ons danken en roemen, zoo zouden de
beroofden de gelukkigsten en alleen de rouwdragenden zalig
zijn. Een Pinksteren voor de verslagenen van ziel!
En dat nu is ons Pinksteren niet. Het Pinksteren is voor
al Gods kinderen! Voor een ieder, die kennisse aan den
Heiligen Geest heeft. Voor ouden en voor jongen van dagen,
die eerst alleen den Vader kenden, en toen pas den Zoon
leerden kennen, en eerst daarna ingingen tot de zalige ken-
nisse van God den Heiligen Geest.
Want, en hierin schuilt het mysterie van den Trooster,
in rouw gedompeld te zijn door harde slagen der fortuin of
door bittere verliezen van hen, die ons op de ziel lagen
gebonden, is nog het vreeslrjkste niet.
Er is een wonde, die nog veel dieper gaapt.
Er is een lijden, dat nog veel dieper inkankert en onze
ziele opeet en al Gods baren en de golven des Almachtigen
over ons heen doet gaan, en dat lijden kan over ons komen,
ook al bleven al onze kinderen nog om ons als olijfplanten,
en al is de hemel boven ons nog glanzig en onbewolkt.
o, De strijd der ziele, de innerlijke worsteling des geestes,
het staan tusschen dood en leven, tusschen God en Satan,
tusschen hel en hemel, is, als het er waarlijk met ons aan
-ocr page 130-
•H8                                       DE TROOSTER.
toekomt, zoo schriklijk uitputtend en afmattend, en werpt
de ziel in zoo diepe verslagenheid neer.
Want als het daar met ons aan toekomt, dan is er toch
een roepen in onze ziel geworpen, dat om God, den levenden
God, roept, en door recht heen wil, en toch door recht niet
naar dien God kan toekomen, of er moet een wonder ge-
beuren, een wonder van genade, een genadig wonder van
reddende almacht.
Denk u, hoe het u temoede zou zijn, als ge zoo straks
bij klaar, helder bewustzijn opeens voor de poorte des
doods stondt, hoe al de verschrikkinge van uw zonde en
uw goddeloosheid zich op u zou werpen, en God uw Heere
juist in het oogenblik, dat gij Hem het meest, noodig liadt,
door die zelfaanklacht van voor uw ziel zou zijn weggeban-
nen, en hoe ge dan hulpeloos en radeloos roepen zoudt:
„o, God, o, God, wees mij, arm zondaar, genadig!*... En
nu, zoo is het bij het sterven van een Christenmensen maar
zelden. Vooreerst, omdat in de ure des stervens meestal de
kracht te ingezonken, de levensgeest te zeer verflauwd is,
om tot zulk een strijd bekwaam te zijn; en voorts, omdat
het God den Heere in zijn barmhartigheden schijnt te be-
lieven, onzen broeders, die heengaan, zoo doodeljjken angst
te besparen.
Maar al komt deze angst in het sterven maar zelden, hij
blijft daarom niet uit, maar komt vóór het sterven. Hjj
overkomt ons, als God de Heere innerlijk zijn strijd met
ons aanbindt en met ons in het gericht treedt, en ons onze
diepe zielsnooden kenbaar maakt, en ons het beeld van zijn
Kind laat zien, en dan, o, zoo wreed, het eigen hart moet
antwoorden: //Van dit beeld nauwlijks een enkele trek!"
Soms komt die worsteling heftig, ontzettend, overweldi-
gend en neerwerpend, saamgedrongen en saamgeperst in éen
enkelen nacht, in éen enkele weke, en dan heugt het zulk
een zijn leven lang, hoe God de Heere met hem gegaan
is door een vuur en door een storm en door een onweder,
en hoe hij eindelijk als Jonas gesmeekt en geroepen heeft
van uit den buik van den walvisch.
Maar dat is lang niet altoos het geval.
-ocr page 131-
DE TROOSTEN.                                       149
Veelal zelfs is de strijd uitgebreid over heel het leven
van Gods kinderen, dat ze wel oogenblikken van verademing
krijgen, maar toch telkens weer worden ondergedompeld en
liet hoofd door wier en biezen omslingerd voelen.
En dan is het een geestelijk bestaan, dat ge zoo zeggen
zoudt, dat eigenlijk geen leven heeten mag. Klaar en helder
voor de ziel staan dan al de heiligheden Gods; over den
weg is geen twijfel; daar, daar moet ik heen; ook is er
geen lust om van God af te gaan, eer sterke drang om aan
den levenden God te kleven: maar onze goedheid reikt niet
tot Hem, en het hart, dat God, den levenden God, moest
hebben, en op heiligheid hope moest stellen, dat arme,
zwakke hart wordt gedurig opgestooten door booze inwerp-
sels, gekweld door zondige gedachten; tusschen God en de
biddende lippen een afgrond; en als de ziel zich dan af-
vraagt: „Wat heb ik nu, dat mij als Gods kind onderschei-
den zou?" dan geen korrel zout, geen straal licht, geen
steen van een stad op een berg, maar soms een roepen:
„Voor mij dien molensteen, Heere, om ermee in de diepte
der zee te worden geworpen, want ik heb uw kleinen
geërgerd \\"
il en hoort veel van zelfmooi\'d; men zegt, dat veel diepe
zielen krankzinnig worden.
En nu, ja, als er geen Pinksteren was, als een kind van
God dagen, jarenlang in zulk een schudding geslingerd moest
worden, dan ware waanzin uitkomst, en zelfmoord aan dien
waanzinnige nauwlijks toerekenbaar.
Zonder den Heiligen Geest, dan kroop er een worm om
zich stuk te wringen, maar was er geen bljj kind van
zijn God.
                             ________
Maar zie, hier is het dan nu ook juist, dat de heerlijkheid
van den Trooster over ons opgaat!
Nu hebben wij het soort van wonden, waar die Trooster
bij hoort en zijn balsem voor bereid heeft.
Voor kinderen van God, die innerlijk verscheurd liggen;
voor de oprechten van hart, die met de tanden op de knoo-
pen der ongerechtigheid bijten; voor mannen en vrouwen,
-ocr page 132-
120                                       DE TROOSTER.
wien het om God en zijn recht gaat, en die voelen: o, God,
ik zink !
Want zie, bij dezulken is het werk van deze goddelijke
vertroosting zoo onuitsprekelijk heerlijk.
Hij is de Heilige Geest, Hij is God almachtig, Hij is God
zelf; en in en om ons ligt die onheilige wereld; en toch
zegt die Heilige Geest nu niet: vIk wil niets met die on-
heilige wereld, met dat zeer onheilig hart te maken hebben:"
— neen, maar die Heilige Geest spreekt van uit de diepte
van die onheilige wereld, uit den ruischenden kuil van dit
zoo onheilig hart u toe.
Hij is niet van verre gebleven, maar is tot deze aarde
gekomen, en is op die aarde nedergedaald, en heeft in die
wereld zich een kring van menschen gekozen, en is nu tot
het hart van die menschen als tot zijn tempel ingegaan. En
nu woont Hij in dien kring, en is er, en komt niet meer
van verre, maar van nabij, want Hij is uitgezonden, uitge-
stort, om nooit weder te keeren naar den hemel, en nooit,
nooit sinds den Pinksterdag is de kerke Christi ook maar
een oogenblik zonder dien Heiligen Geest geweest.
o, De Heilige Geest bij ons! dat is al onze vertroosting.
Die aldoordringende, alontdekkende, goddelijke Heilige Geest
was bij ons en is niet van ons weggegaan, maar bij ons
gebleven, en, waar alles scheen onder te gaan, altoos was
die Heilige Geest vlak bij ons, aan onze zijde, niet van ons
wijkende, maar aldoor roepende: r/Wanhoop niet, mijn hand
houdt u!"
Is dat niet onbeschrijflijk heerlijk? Als ge daar neerligt
op uw krankenleger en krimpt in uw pijnen, en de smet
van de kanker is al voortvretende, en bij de sponde uwer
ziel staat daar onafgebroken die heilige Engel, neen, veel
meer nog, die Heilige Geest, God zelf, om over u te waken
als gij inslaapt en uw lippen te bevochtigen, als ge stikken
zoudt in uw smart.
Reeds de wetenschap: Temidden van al deze onreinheden
en temidden van al deze onheiligheden van mijn hart geen
oogenblik die Heilige Geest van mij weg! Waar alles om
mij bevriest, en ik zelf verkleumd en versteend ben, daar
-ocr page 133-
DE TROOSTER.                                       121
altoos die heerlijke, warme, koesterende omarming van den
Heiligen Geest, uit wiens oog de gloed der liefde tintelt
en wiens adem leven wekt in onze dichtgeknepen borst!
Voelt ge dan nu die vertroosting niet? Is er rijker,
heerlijker vertroosting denkbaar? Is Hij niet als een gids,
die in het donkere woud, vol moordspelonken, aan uw zijde
gaat? Leeft met dien Heiligen Geest bij u, zoodra ge Hem
maar weer ontwaart, uw eigen ziel niet vanzelf in heilig-
heden op?
En toch, zelfs dat is nog het volle zijner vertroosting niet.
Het is niet alleen, dat die Heilige Geest bij u, vlak bij
u en om u is, en nooit Gods kinderen verlaat, met u benauwd
in al uw benauwdheden en in al uw verdrukkingen ver-
drukt; neen, maar die Heilige Geest doet meer nog. Hij
komt niet maar bij u, maar in u, en troost u, door in u te
doen vloeien dat wondere geloof.
Want wat is dat te zeggen, dat de Heilige Geest in u
woont? Dit immers, dat de Heilige Geest zich met u lot-
gemeen maakt, bij u, doodarme, Hij, de Overrijke, komt in-
wonen, en nu gelijk met u deelt.
En zou dat dan geen vertroosting zijn ?
o, Verbeeldt u een diep ellendig gezin, waar de bi-oodkast
leeg en de kleeding versleten was, en veel boosheid was
ingetogen; en nu komt er een schatrijke vreemdeling en
trekt in die stulp in en laat zijn schatten in kisten en
kotters aandragen, en spreidt door zijn heiligen lach vrede
en blijdschap om zich heen, — o, wat dunkt u, zou zulk
een gezin niet verh\'oost zijn, zou er zich heerlijker ver-
troosting voor dit gezin in die stulp denken laten?
En toch, dat nu .juist is het, wat de Heilige Geest voor
Gods kinderen doet. Hij houdt u niet voor rijk, maar weet,
dat ge doodarm zijt. Hij houdt u niet voor welgekleed, maar
ziet u in uw naaktheid. Hij acht niet, dat er f rissche rein-
heid glinstert, maar kent al de etterbuilen van uw hart.
En zie desniettemin komt nu die rijke Heilige Geest,
wiens de schat des hemels is, en Hij komt bij u inwonen
-ocr page 134-
122                                       DE ÏKOOSTER.
en maakt zich met u lotgemeen ; en als dan de schuldeischer
komt en gij hebt niet om te betalen, dan betaalt Hij; en
als er dan gegeten moet en er is geen brood, dan geeft
Hij het; en als ge dan zoo bitter naakt in uw eigen schande
neerzit, dan komt Hij stil achter u en hangt u een kleed
om, waaraan gijzelf geen steek geweven hebt, en maakt,
dat niemand uw schande meer ziet.
En zou er dan geen juichtoon op den Pinksterdag uit
den huize van Gods Israël opgaan?
Zou er dan geen lofpsalm Gode gezongen worden voor
zoo uitnemende trouwhartigheid?
o, Dat Pinksteren blijft eeuwig jong!
Want telkens sluimeren we weer in en vergeten in ons
zondig droomen weer, dat de Heilige (i eest. bij ons is komen
inwonen.
Maar ook, met elk klokgelui, als ons Pinksteren weer
wordt in- en uitgerold, waakt de ingeslapen ziel van Gods
kind weer op, en zij voelt weer de zalige aanraking van dien
Heiligen Geest, die zijn hand dan weer zoo heerlijk weldadig
op ons legt, en ons met o, zoo hemelsche stem toefluistert:
„Wees niet ongetroost, gij door onweder voortgedrevene! Zie,
Ik, de goddelijke Trooster, bljjf bij u en woon met al mijn
goddelijken schat bij u in!"
-ocr page 135-
„HET ANKER DER ZIEL."
Welke wij hebben iilx een anker der
ziel, hetwelk zeker en vast is en ingaat
in het binnenste van het voorhangsel.
Hebr. f. : 19.
Jezus is opgevaren naar den hemel. Naar dien hemel,
die evengoed als dit benedenrond geschapen wierd en dus
van eeuwigheid er niet was.
Een geheel andere scheppingssfeer, maar die toch ook, en
in nog veel rijker zin, een wereld, een rijk van leven en
bezigheid, van genieting en schoonheid oplevert. Niet iets
nevelachtigs, iets puur geestelijks, maar een rijke, heerlijke
realiteit. Een wereld, die veel wezenlijker is dan deze wereld,
waarin we thans leven. Een schepping, die fundament heeft.
Ons wezenlijk vaderland. Die prachtige schepping, waar al
Gods goede engelen verwijlen, en met hen de gezaligden
van het Lam, de schare, die niemand tellen kan. Het eind-
doel van der geloovigen aanzijn. Hun eigenlijk tehuis.
Dat Jezus opvoer ten hemel wil dus niet zeggen, dat Hij
als God zich weer terugtrok en opeens als terugsprong naar
den troon der heerlijkheid. Dit kan niet, om de afdoende
reden, dat Hij als God alomtegenwoordig is, en een alom-
tegenwoordig God wel zijn openbaring, zijn aanschijn kan
terugtrekken, maar niet zichzelf verplaatsen kan.
Het was dan ook niet God, die als God opvoer, maar de
Zoon van God, die als Middelaar, persoonlijk met den mensch
Christus Jezus
vereenigd, opvoer. Zoo eerst werd opvaren
-ocr page 136-
124                             //HE\'J\' ANKER DER KIEL.
mogelijk. De mensch Jezus Christus is naar zijn menschheid
beperkt en aan plaats gebonden. Als mensch was Jezus dus
niet in den hemel, toen Hij op aarde was, zelfs eer Hij op
aarde kwam, nog nooit in den hemel geweest. Hij kon als
mensch niet tegelijk op aarde en in den hemel zijn, maar
slechts een van beide : óf op aarde óf in den hemel. En
zijn opvaren zegt dus kennelijk, dat de Middelaar Gods en
der menschen, de mensch Jezus Christus, eerst in Jeruzalem
was, toen van Jeruzalem naar den Olijfberg ging, toen van
den top van den Olijfberg opsteeg door den dampkring, die
deze wereld omringt, en toen hooger ging, tot Hij, zich al
verplaatsende, eindelijk aankwam in die geheel andere
schepping, die ^hemel" heet.
Hoe men in dien hemel inkomt en of hij pas begint, waar
in het onmetelijk verre de melkweg eindigt, weten wij niet.
Het kan wel zijn, dat de schepping van den hemel, als van
geheel ander gehalte, in deze schepping indringt, gelijk Jezus
in zijn verheerlijkten toestand doordrong door wanden en
gesloten deuren.
Evenmin voegt ons eenige gissing omtrent den tijd, dien
de Heere Jezus voor dit opvaren naar den hemel besteed heeft.
Slechts zette men van zich elk idéé, als nam dit geen tijd.
Reeds de tien dagen, die tusschen Hemelvaart en Pinksteren
verliepen, wijzen op het tegendeel.
"Verplaatsing neemt altoos tijd. En wijzen dan sterrekun-
digen erop, dat deze verplaatsing zelfs zooveel tijd zou
innemen, dat een bliksemschicht duizenden van jaren zou
behoeven, om het firmament van zijn uitgang tot aan zijn
ingang te doorklieven, dan zij hierop geantwoord: vooreerst,
wat zooeven reeds gezegd werd, dat niemand weet, of de
hemelsche schepping niet indringt in de lagere schepping;
maar ook ten tweede, dat de Schrift herhaaldelijk gewaagt
van een veel snellere beweging, dan wij kennen. Denk aan
de verplaatsing der engelen, maar ook aan de snelle ver-
plaatsing van Elia, toen hij uitliep vóór Achab of snelde
naar Horeb, en zoo ook aan Eliza, toen hij als gedragen
werd naar Samaria. Ook Jezus\' v wegkomen uit hun oogen"
maakte te Emmaus soortgelijken indruk.
-ocr page 137-
HET ANKElt DER YAEh."                                 125
Omtrent deze bijzonderheden mag noch kan dus liet ge-
ringste bepaald, mits maar aWe vei\'geestelijking gemeden
worde en het vaststa, dat de beperkte mensch Christus
Jezus op beperkte wijze van plaats naar plaats is gegaan;
als zoodanig éen moment had, toen Hij nog op den Olijfberg
stond, daarna een reeks momenten van overgang naar den
hemel, en eindelijk een heerlijk moment, waarop Hij den
eigenlijken hemel bereikt had, de poorten des hemels door-
ging en nu is gekomen in dien hemel, waar de mensen
Christus Jezus nog nimmer geweest was, en in die geheel
andere, rijkere, heerlijker wereld aanvaard heeft dat hoog
bewind, dat Hem door den Vader werd opgelegd.
Hoe het in dien hemel is, hoe de engelen daar met de
gezaligden en de gezaligden onderling verkeeren, en allen
saam met den mensch Christus Jezus in verband staan, is
ons niet geopenbaard. Toch weten we zooveel, dat Christus
in den hemel niet zweeft als een geest, maar als mensch in
ons vleesch en bloed, op een bepaald punt, nooit meer dan
op éen bepaalde plek tegelijk vertoeft; en dat wij, in dien
hemel zijnde, Hem daar zien zouden, wel in glans en glorie,
maar toch met bepaalde omtrekken, zoodat we de vormen
van het lichaam onderscheiden konden.
Nu is in dien hemel Gods tegenwoordigheid een geheel
andere dan ze op aarde is. Het Hoogste en Volzaligste Wezen
is alomtegenwoordig. Hij is dus op elk punt en op elk punt
geheel God. Maar verreweg het grooter deel van zijn
schepping is als een sluier, die zijn aangezicht bedekt. Van-
daar, dat het aanschijn Gods niet hier, maar alleen in den
hemel licht, omdat in dien hemel die sluier niet voor God
hangt, en God dus zjjn tegenwoordigheid in heerlijke trek-
ken openbaart. Dit maakt, dat wie naar God roept, opziet
naar den hemel, en dat we door de Schrift geleerd worden
den troon der heerlijkheid niet op aarde, maar in den hemel
te stellen. En overmits nu de heerlijkheid van het Hoogste
Wezen niet hier, maar in den hemel openbaar wordt, en
de mensch Christus Jezus in den hemel inging en er de
macht ontving, en die mensch Christus Jezus tot substraat
van zijn persoon den eeuwigen Zoon van God heeft, leert ons
-ocr page 138-
126                            //HET ANKER DEK ZIEL.
nu de Schrift, dat de mensch Jezus Christus, aan de rechterhand
Gods verhoogd, nu bij den Vader leeft om voor ons te bidden.
In dien nieuwen staat van glorie en majesteit heeft die
mensch Christus Jezus nu van God ontvangen de Hem op-
gedragene souvereiniteit over zijn kerk, en omdat die kerk
niet buiten de wereld en die wereld niet buiten heel de
natuur denkbaar is, tevens de absolute macht over alle
koningen der aarde, over alle volk en natie en zoo ook over
alle element der natuur.
God blijft dus ook na de Hemelvaart van Jezus Christus
God ; maar van dat oogenblik af is deze geheel nieuwe toe-
stand ingetreden, dat God alsnu alle dingen regeert niet
meer rechtstreeks, maar door de tusschenschakel van den
meuscA Christus Je;us.
Dit zou niet kunnen, indien die mensch Christus Jezus
niet tevens zelf (Jod ware. Want immers, al denken wij over
de macht en de snelheid van beweging bij den mensch, die
in den hemel verkeert, nog zoo groot, toch is die macht
nooit «/macht en die snelheid nooit «/©/«tegenwoordigheid.
En overmits nu de kerk, de wereld en de natuur niet kun-
nen geregeerd worden dan met «/macht en door «/o//ttegen-
woordigheid, zoo is alle bewindvoering over kerk, wereld en
natuur door den mensch Jezus Christus ondenkbaar, tenzij
de „godheid, majesteit, genade en Geest\'\' almogend en alom-
tegenwoordig uit en door Hem kunnen werken.
Gelijk dus in den staat der vernedering de Middelaar zijn
menschheid door zijn godheid akoo steunde, dat ze niet onder-
ging en verzonk, zoo is het eveneens diezelfde Middelaar, die,
naar den hemel opgevaren en in dien hemel ingegaan, alsnu
zijn menschheid door zijn godheid bekwaamt, om namens
God en in opdracht van God het hooge regiment over de
kerk en zijdelings ook over de wereld en de natuur heer-
schappij te voeren. Dat is het vvat Hij zeide : „Mij is ge-
geven alle macht in hemel en op aarde \\"
Staat deze hooge beteekenis van Jezus\' opvaren naar en
ingaan in den hemel nu alzoo helder voor u, dan tast en voelt
ge vanzelf, dat hiermee de kerk op aarde ook in een anderen
toestand moest intreden, dan waarin ze dusver had verkeerd.
-ocr page 139-
//HET ANKER «EK ZIEL."                                 127
De kerk was er geweest van den aanbeginne der wereld.
Adam is de kerk in het paradijs. Toen Adam en Eva en
Abel. En zoo voort. Al de dagen, dat God Almachtig zjjn
menschen op aarde heeft gedragen door het Woord zijner
kracht, had Hij op aarde zijn uitverkorenen, en die uitver-
korenen niet los als parelen in een koord bijeengevoegd,
maar bijeenhoorende door hun onderling organisch verband
in het lichaam Christi.
.Maar, en dit moet er terstond bijgevoegd, die kerk des
Ouden Verbonds had nog niet tot Middelaar „den mensch
Christus Jezus", die, in liet binnenste heiligdom der hemelen in-
gegaan,
haar als zoodanig regeerde.
De Hemelvaart is een werkelijke gebeurtenis.
Vóór Jezus ten hemel opvoer, was de hemel dus zonder
den mensch Christus Jezus. En de kerk des Ouden Ver-
bonds kon nooit zeggen, wat thans Gods volk belijdt, dat
„in ons vleesch en bloed de mensch Christus Jezus leeft om
voor ons te bidden en ons als koning regeert."
Dat de Zoon van God van den aanbeginne tot zijn kerk
in betrekking stond, is hiermee volstrekt niet geloochend.
Indien er in het eeuwige dagteekening ware, zouden we
zeggen : Die betrekking dagteekent van den eeuwigen raad
Gods af. Bovendien weten we, dat de Zoon van God zeer
bijzonderlijk reeds in de dagen des Ouden Verbonds als
Engel des aangezichts over zijn kerk waakte.
Maar hoe hoog we deze werkzaamheid ook willen aan-
slaan, toch was dit alles voorloopig, voorbereidend, \\vegba-
nend, en bestemd om dan eerst in tastbare realiteit over te
gaan, als in de volheid des tijcis het Woord vleesch zou zijn
geworden, en Golgotha doorstreden, en de verzoenende Mid-
delaar opgevaren, en de mensch Christus Jezus gezet aan
de rechterhand der kracht Gods in de hemelen.
Vandaar, dat met de Hemelvaart van Jezus de huishouding
der kerk dan ook plotseling omslaat. De schaduw wijkt en
verdwijnt, nu het wezen der dingen is gekomen. Het brandal-
taar wordt gebluscht, de lamp van het eeuwige licht uitgeblazen,
het voorhangsel scheurt in twee, en reeds naderen de Eomein-
sche legioenen, om op Gods bevel stad en tempel te verwoesten.
-ocr page 140-
128                            //HEÏ ANKER DEK ZIEL.
De kerk heeft elke behoefte aan het aardsche steunpunt
in het zichtbare Jeruzalem verloren, nu ze haar heerlijke
vastigheid rechtstreeks in den hemel heeft gekregen in haar
Koning en Middelaar, den mensch Christus Jezus.
Lag het scheepke der kerk voorheen al de eeuwen door
voor het anker van het heiligdom op Zion, nu is ze van
dat anker losgemaakt, en daarentegen vastgelegd aan een
geheel ander anker, t. \\v. aan de hope op dien mensch Chris-
tus Jezus, die als een anker voor haar geworpen is in den
vasten bodem der onbeweeglijke dingen, die in de hemelen zijn.
Dit sluit in zich, dat de kerk, die dusver in den aardschen
vorm bekneld zat en dies een nationaal karakter droeg, nu
Jezus\' Hemelvaart die beknelling voelde wegglijden, haar na-
tionaal karakter vallen liet en alzoo kerk der menachheid wierd.
Ze was vroeger op aarde en in de aarde, slechts uitziende
naar den hemel j maar nu, doordien haar principaalste per-
soon, eigenlijk haar Een en Al, in dien hemel inging, is ze
eigenlijk zelve in dien hemel ingedragen. Gelijk het hof is,
waar de koning is, ook al toeven de ineesten zijner trawan-
ten nog van verre, zoo ook is de kerk eigenlijk, waar Jezus
is, ook al toeven de meesten zijner beminden nog op aarde.
Het gouvernement der kerk is verplaatst. Niet meer de
aardsche David, maar de hemelsche David regeert; en gelijk
Elzas en Lotharingen van Fransch Duitsch wierden, omdat
het gouvernement erover van Parijs naar Berlijn wierd
overgebracht, zoo is ook de kerk van een aardsche kerk de
hemelsche kerk geworden, overmits het gouvernement over
de kerk verplaatst is van de stad bij den Olijfberg naar de
stad in den hemel, die perelen poorten heeft.
En hieruit vloeit het met noodzakelijkheid en rechtstreeks
voort, dat dus ook de werking en inwerking van den Hei-
ligen Geest een geheel andere op en in de kerk is geworden
n/i dan voor die gebeurtenis van Jezus\' opvaren naar den hemel.
Toen de kerk nog niet den mensch Jezus Christus tot
haar Hoofd en Koning in den hemel had, kon het niet an-
ders, of de werkingen en inwerkingen van den Heiligen
Geest moesten afgebroken, voorbijgaand, tijdelijk, zonder
centrum wezen. De Kaböd, d. i. de majesteit van den Heere
-ocr page 141-
„HET ANKER DER ZIEL."                             129
•der heirscharen openbaarde zich wel boven het verzoendek-
sel, maar dit schaduwachtig glanzen duidde en profeteerde
nog slechts van een beter en heerlijker toekomst, als het
verzoendeksel in het hart zelf van den waarachtigen Hooge-
priester zou liggen, en de Heilige Geest in Hem, als middelpunt
en Hoofd der gemeente, zijn volheerlijken tempel zou vinden.
Jeruzalems tempel was van dien beteren tempel niets dan
het bestek; en daarom, toen die betere tempel verrees, moest
die hulptempel in puin storten. Van nu aan was de mensch
Jezus Christus de ware, wezenlijke en altoos bedoelde, maar
nu eindelijk gekomene en ontslotene tempel. En had tot
op Getbsi\'mané en Golgotha die tempel zijn schat van schoon
en sieraad in stikdonkeren nacht verborgen, nu, bij en door
de Hemelvaart van Jezus, werd in dien tempel het eeuwig
licht ontstoken en begon opeens al die schat van schoon en
sieraad te schitteren en te flonkeren, dat aller engelen oog
erdoor verbaasd werd en ontzet.
Christus is de kerk. Nu Christus, de mensch, let wel,
de mensch Jezus Christus, den Heiligen Geest in zich inwo-
nende en van zich uitstralende had, kon Hij niet op het
punt zijner glorie in de hemelen aankomen en dus in het
rechte en juiste verband met ziin kerk treden, of opeens
moest uit Hem in haar die werking des Heiligen Geestes
uitgaan en schitteren, om nimmermeer van haar te wijken.
Dat nu greep plaats op den Pinksterdag.
Toen op den Pinkstermorgen het geluid en het licht in-
sloegen in Jeruzalems opperzaal, geschiedde er feitelijk niets
anders, dan dat de mensch Jezus Christus, alsnu in den
hemel aangekomen, en de glans des Heiligen Geestes in Hem
als tempel Gods ontstoken zijnde, nu in het altoos bedoelde,
vanouds geprofeteerde, volkomen normale verband met zijn
kerk trad ; haar uit haar nationale, aardsche, voorbereidende
positie nu optrok in haar ,,gezet zijn in den hemel" ; het
aardsche anker lossloeg; haar aan Hem als het hemelsche anker
vastlegde ; en alsnu dan ook niet meer als vanbuiten aan-
komend, maar als vanbinnen instroomend en duurzaam wer-
kend, den Heiligen Geest in haar uitstortte als Geest des
levens, aan Hem, het Hoofd, en haar, zijn leden, gemeen.
------------------9
-ocr page 142-
„AANGEDAAN MET KRACHT UIT DE HOOGTE/\'
Totdat gij zult aangedaan zij»\'
niet klacht uit de hoogte.
Luk. 24: 49.
Om een Koninkrijk te beërven toog Jezus den hemel in,
en de tijd, die sinds zijn Hemelvaart verliep, is geen tijd
der ruste, maar van worsteling en strijd én overwinning
geweest. Hij is op den troon geklommen. De scepter des
Koninkrijks is in zijne hand gegeven. En schitterend heeft
de Christus al deze eeuwen door temidden van zijne vijanden
geheerscht.
Niet geheerscht met een koningsmacht, gekleed in vormen
van aardacke heerschappij. #Zijn Koninkrijk is niet van deze
wereld. Indien zijn Koninkrijk van deze wereld ware ge-
weest, zoo zou Hij onderdanen hebben gehad, die met het
zwaard op het slagveld voor Hem gestreden hadden. Maar
nu was zijn Koninkrijk niet van hier \\"
Neen, het Koninkrijk van Jezus Christus kon niet komen
met het praalvertoon, met den uiterlijken glans, met /iet
uitwendig gelaat
van een aardsch koninkrijk; zijn veroveringen
zouden binnen in u zijn; geestelijk het karakter van zijn
zegepraal; niet met dwang van zwaard of brandstapel, maar
door overbuiging van het bewustzijn, door omzetting van
liet hart.
Ook het Koninkrijk van Jezus heeft wel een uitwendig
gelaat, o, Ongetwijfeld. Maar dit uitwendig gelaat, de uiter*
Jijke gestalte van dit Koninkrijk is ontleend aan dat ander
-ocr page 143-
f AANGEDAAN MET KRACHT UIT 1>E HOOGTE.*        131
deel der schepping, dat we den hemel noemen, en niet aan
dit lager deel van Gods schepping, dat de aarde of ,,de
wereld" heet.
Kondt ge maar opeens overgezet worden van hier naar
boven, en bezat ge maar het orgaan om de schoonheid
en den glans van wat daarboven blinkt in het ongeziene
licht te bewonderen, hoe zou niet de hartaangrijpende indruk
van dat hemelsch uitwendig gelaat van Jezus\' Koninkrijk
u verbazen en in aanbiddende verrukking doen nedervallen.
De drie machtigste keizers op deze aarde, die in Rusland,
Duitschland en China regeeren, hebben elk een o, zoo schit-
terende, luisterrijke.hofhouding, waar alles praalt in pracht
van vorm en fonkelt in weelde van het keurigst gesteent.
Maar al deze praal en pracht is volle bleekheid en doffe
dorheid, vergeleken bij de majesteit, temidden waarvan Jezus
in de hemelen troont.
Johannes zag er iets van op Patmos, en hij viel van
den overstelpenden aanblik als dood aan Jezus\' voeten.
Jesaja gluurde er even in, toen hij de serafijnen om den
troon zag schitteren. Ezechiël bespiedde er iets van in zijn
roepingsvisioen. En ook Paulus ving er een straal van op,
toen hij „dreigende" en ^moordblazende" heentoog naar
Damascus. Maar wat kind der menschen er ook de schaduw
maar van over zich voelde komen, is altoos niet vei-plet
geweest en bezwijmende van den aanblik van zoo onuit-
sprekelijke majesteit?
Vergis u dus niet.
Daarboven in den hemel is Jezus niet meer het Kindeke
„in doeken gewonden"; niet meer de Zoon des menschen,
die niet heeft, waar Hij het hoofd nederlegge ; niet meer de
Man van smarten, die zelf het gekrookte riet gelijkt. In-
tegendeel, nu, daarboven, is Hij de gelauwerde Overwinnaar,
de Koning der heerlijkheid, wien de kroon van het fijnste
goud op het hoofd is gedrukt, de machtige Heerscher, die
al de hemelen met zijn glorie vervult.
En dat niet alleen.
Want uiterlijk, uitwendig, is die glans van Jezus\' Konink-
rrjk niet enkel daarboven, maar die glorie daalt ook naar deze
-ocr page 144-
132           „AANGEDAAN MET KRACHT UIT DE HOOOTE./y
aarde af, en eens, als liet bestemde oogenblik zal gekomen zijn,
clan breekt de doorluchtige dag aan, en zullen alle koningen
der aarde ook zichtbaar en uitwendig op aarde de macht en
het geweld van dezen Koning der heerlijkheid ondervinden.
Laat ze nu spotten, laat ze nu lachen, en lachend uit-
roepen, dat ze weigeren zich te bekreunen om den lleere
en zijn Gezalfde,— Hij, die op den troon zit, weet, dat de
Heere toch zijn Koning over Zion gezalfd heeft, en dat eens
alle heidenen Hem gegeven worden tot een erfdeel.
He o vergeestelijke lieden mogen dus toezien.
Hoor hun dweepziek vergeestelijken komen ze in openlijk
conflict met de Heilige Schrift en maken ze den lieden iets
diets, dat nu reeds in den hemel werkelijk heel anders is,
en eenmaal ook op aarde zich heel anders openbai-en zal.
Hij deze geestelijke mystiek telt het uitwendige schier
nooit meé en trekt zich alles naar het inwendige terug, en
ze vergeten, dat, zoo alles louter geestelijk ware, er geen
oorzaak zou zijn geweest voor de oleesckwording, geen oor-
zaak voor het lichamelijk sterven, geen oorzaak voor de
lichamelijke opstanding en evenmin een oorzaak voor een
zichtbaar Sacrament.
En dit nu gaat den weg op van den Antichrist. Want
dat, zegt de heilige apostel Johannes, is de Antichrist, zoo
er geloochend wordt, dat Jezus in het vleesch is gekomen.
Late de kerk des Heeren daarom van deze zondige een-
zijdigheid toch af, en, gelijk onze Heidelberger vanouds zoo
heerlijk belijdt, dat er een eenige troost naar ziel en lichaam,
in het sterven, maar ook voor het leven, is, laat ons zoo ook
bij den Christus steeds een oog voor de volle, rijke en al-
zijdige heerlijkheid hebben. Een heerlijkheid in den geest,
maar ook een heerlijkheid in het zichtbare. Binnen in u,
maar ook met nihvendig gelaat. Alleen maar, dat „uitwendig
gelaat" thans alleen nog maar in den hemel, edoch bestemd
om straks ook hierbeneden openbaar te worden in het
luisterrijk regiment van den Gezalfde des Heeren.
Het leven van Gods kinderen moet geen eentonig voort-
-ocr page 145-
„AANGEDAAN MET KRACHT UIT DE HOOGTE/\' 133
leven zijn; tobbende en worstelende van den eenen dag op
den anderen; het eene geslacht wegstervende en het andere
weer opkomende; als ware er niets anders noch beters voor
ons weggelegd, dan om hier onzen levensdraad af te spinnen,
en, na ons verscheiden, in een geestelijke afgetrokkenheid
te worden opgenomen.
Neen, onze leus, onze strijd, onze geestdrift moet een
doel, een uitzicht, een vaste hope en stellige verwachting
hebben.
Natuurlijk hebben wij het ons te getroosten, dat de strijd
lang duurt; dat het misschien nog eeuwen kan aanhouden ;
en dat er veel, „veel lijdzaamheid der heiligen" zal moeten
zijn, eer die groote en doorluchtige dag komt.
Maar hoe treffelijk ook die „lijdzaamheid der heiligen"
zij, ze zou onheilig worden, zoo ze los wierd gemaakt van
de glorieuse verwachting van Jezus\' Koninkrijk. Of ook,
zoo we dachten dat er nu, deze eeuwen lang, een zekere
stilstand was, en dat eerst later, na vele eeuwen, onze
Koning, de Gezalfde des Heeren, misschien uit zijn sluimering
zal opwaken, om zijn Koninkrijk ook op deze aarde te doen
uitbreken.
Israels Wachter sluimert nimmer!
En ook nu, al deze eeuwen door, is het een machtig
werk, éen heilige bedrijvigheid, éen majestueus voort- en
doorworstelen, éen rusteloos afgaan op en naderen tot het
heerlijk doel. Een altoos zegepralen; een yi\'sladiy triumfeeren ;
een vastelijk met wisse schreden dagelijks, en bij nachten
zelfs, steeds naderkomen aan het voorgestelde doel.
Geen oogenblik mag ons dus de gedachte overvallen, alsof
de strijd van Koning Jezus voor de verdere ontwikkeling
van zijn Koninkrijk ook maar éen oogenblik gestaakt ware.
Hij, onze Koning, sluit nimmer een wapenstilstand met
zijn vijand.
Nooit trekt Hij van het slagveld terug.
Rusteloos stelt Hij zijn mogendheid tegen de macht zijner
wederpartijders. Zoo was het, toen ge kind waart; zoo is het,
nu nog, nu ge man seijt geworden ; en zoo "blijft het tot op
uw ouden dag toe. En als gij sterft en verscheidt naar
-ocr page 146-
•134          „AANGEDAAN MET KRACHT UIT DE HOOGTE."
beter gewesten, dan gaat die strijd nog op uw graf door,
en kan er geen einde aan komen, eer Hij eens komt, voor
wien alle graf zich ontsluiten zal.
Al Gods kinderen zijn dus gestadig in een strijd gewik-
keld en al strijdende steeds vastelijk op weg naar duurzamen
triomf en blijvende zegepraal, en al hun worstelen is slechts
éen machtige voorbereiding voor dien éenen grooten dag
der toekomst, als eens de wolken door zullen breken en het
Koninkrijk van onzen Koning ook op aarde nederdaalt.
Zoo mag dan ook een kind van God op aarde niet denken,
dat eigenlijk hier het rijk van zijn Koning reeds is, en dat
daarboven in den hemel slechts een veste der beschutting
en bescherming voor dit aardsche rijk is opgetrokken. Neen,
omgekeerd moet hij staan en leven en strijden in het ge-
stadig en levendig besef, dat hij niet in zijn land, dat hij
buiten de erve van het Koninkrijk zijns Heeren is; hoogstens
naar een wingewest uitgezonden, om van uit de veste voor
de eere zijns Konings te strijden en te ijveren; maar steeds
bedenkende, dat de triomf van zijn zegepraal niet op het
verre eiland, niet in het eenzaam en verlaten wingewest
thuishoort, maar dat de triomf gevierd wordt in het rijk
zelf van den Koning, in het land der wezenlijkheden, inde
hemelen daarboven.
Voor den Nederlander vooral is dit zoo licht te vatten.
Ons rijk is in Europa, en ons land is hier, en onze
koning is in zijn hofstad. Maar verre, zeer verre van ons
afgelegen, heeft onze koning zijn wingewesten, zijn kolo-
niën, onze overzeesche bezittingen. En ook naar die verre
wingewesten gaan mannen uit Holland af, die daar leven
en arbeiden, niet voor zich en niet voor dat wingewest,
maar die er een roeping vervullen voor hun koning. En
daarom van hier, van den koning, gewordt hun hun last; van
hier, uit Holland, waar de koning is, komen hun richtsnoer
en hun bevelen; en ook naar Holland en naar onzen koning
zenden ze hun tribuit. Ze leven in de verte, maar het
is een leven van hier en voor hier. Ontvielen onze koloniën
-ocr page 147-
AANGEDAAN MET KRACHT UIT T1E HOOGTE.\'          135
ons, opeens zou alles vlieden naar de vaderlandsche erve.
Hier is hun koning en hier hooren ze thuis.
En zoo nu ook is het met de kinderen Gods op aarde
tegenover hun Koning, die in de hemelen is. Bij Hem is
het rijk. Van Hem is hun lastbrief. Niet voor zich, noch
voor deze aarde leven ze. Het daalt van boven en het keert
«aar boven. Het land, het rijk, waarvoor ze arbeiden en
strijden, is niet óm hen op aarde, maar boten hen in de he-
melen. Niet Jezus is het, die om de wereld bestaat, maar
heel de wereld bestaat om Jezus.
Vandaar, dat Pinksteren vlak op de Hemelvaart des Hee-
ren volgt.
Hij ging heen om een Koninkrijk te beërven, en zóo heeft
Hij den troon niet beklommen, of er gebeurt een ontzaglijk
Konder,
waardoor Hij van zijn troon op eenmaal en als met
een slag heel zijn heerschappij op aarde onverwinlijk maakt
en den zekeren triomf op den grooten en doorluchtigen dag
voorbereidt.
Want zie, als Hij de wezenlijke en werkelijke Koning daar-
boven op den troon is, en zijn kerk op aarde moet voor
Kern strijden, en Hij moet aldaar als overwinnend Koning
op aarde openbaar worden, dan moet er toch gemeenschap
bestaan, niet waar, tusschen dien Koning en tusschen zijn
verlosten hiei-beneden?
Het strijden voor zijn Koninkrijk op aarde en de triomf
van dat Koninkrijk in de hemelen kan geen denkbeeldig iets
zijn; kan niet maar in de gedachtenvtereW bestaan; niet in
gepeins of mijmerend verzinnen opgaan; neen, het moet wer-
kelijkheid, realiteit, kracht van bestaan en mogendheid wezen.
En dat nu wierd het eerst door de uitstorting van den
Heiligen Geest.
Want de uitstorting des Heiligen Geestes is niet maar
een verruiming of omzetting der geesten, neen, maar een
inschieten in de wereld van het menschenhart van de kracht
uit de hoogte
; van zulk een kracht, die alle andere krachten
in onwederstandelijke mogendheid overtreft.
Onze Koning zelf zei het, eer Hij naar zijn troon ging.
-ocr page 148-
136          „AANGEDAAN MET KRACHT UIT T>E HOOGTE.
„Gij, mijn jongeren," zoo sprak Hij hun plechtig toe,
„zult aangedaan worden met kracht uit de hoogte.11
Alle strijd is een worsteling van kracht tegen kracht.
Tegen zijn eere en glorie bindt daarom de wereld al haar
krachten saam, om, kon ze, de overwinning van onzen Koning
tegen te houden. En natuurlijk, tegen die zeer groote „kracht"
der wereld moet dan onze Koning nu ook een zeer sterke,
een nog sterker kracht overstellen.
Kn gelijk de wereld haar kracht ontleent aan haar rijk,
zoo moet ook onze Koning natuurlijk zijn kracht aanvoeren
en doen werken van uit zijn rijk. En zoo wordt het dan
voor de wereld „een aangedaan worden van haar trawanten
en getrouwen met kracht vit de diepte.11 Maar ook voor Hem,
onzen Koning, „een aangedaan worden van zijn verlosten en
gekochten met kracht uit de hoogte."
TJit die „hoogte" kwam en komt het dus, maar uit die
hoogte komt dan ook een wezenlijke, werkelijke kracht.
Een „kracht", die niet met een zwaard slaat, noch stoft\'e-
lijk geweld bezigt om de geesten te dwingen, maar een
„kracht", die door de fijnste poriën der ziel in het innerlijkst
leven van den mensch indringt, en uit dat binnenste van
zijn gemoed op zijn bewustzijn werkt, en uit dat bewust-
zjjn op zijn levenskring en zelfs op zijn spieren en op wat
hij uitricht met zijn hand.
Geen kracht van duiten naar binnen, maar een kracht van
binnen naar buiten! Maar juist daarom een onweersümdelijke
en aloverwinnende kracht. Immers, het is kracht des Heiligen
Geesten,
en dien Heiligen Geest aanbidt heel de kerk als
saam met den Vader en den Zoon een eenig en volheerlijk
God, te prijzen in alle eeuwigheid!
Pinksteren is alzoo het invloeien van de mogendheid des
Heeren Heeren in de wereld der menschenharten, om eerst
die menschenharten, en door die harten allengs de wereld,
te overwinnen en te beheerschen. Niet door een aandoening
van hoogere kracht voor een oogenblik. Neen, de heerschappij
van Koning Jezus in die wereld van de menschenharten
gaat altoos, gaat rusteloos door. Nooit, nimmer is sedert
dien grooten Pinksterdag de kracht van den Heiligen Geest
-ocr page 149-
AANGEDAAN MET KRACHT UIT I)E HOOGTE.*           137
ooit weer uit de sfeer van ons menschelijk leven, ooit uit
de kerke Christi weg geweest.
Wat eens wierd uitgestort, bleef en zal blijven en is on-
afscheidelijk aan \'s Heeren kerk verbonden. En zelfs in
tijden als al het goud verdonkerd scheen, en, naar men
waande, heel de kerk verwoest lag, bleek het van achteren
steeds, dat die werking toch was doorgegaan. Nu niet boven
den grond, maar dan toch onder den grond. Een altoos-
durend triomfeeren van onzen Koning in het bart van de
kinderen der menschen.
Want bedenk wel, aan de massa\'s hangt het niet.
De macht en de glorie van onzen Koning blijkt even sterk
en heerlijk, al ware het, dat Hij op heel de aarde, in deze
gansche wereld, slechts éen enkel menschenliart van dood
levend maakte, overboog naar zich toe en eeuwiglijk als
keurgesteente voor zijn diadeem wist te winnen.
De repetitie is wel heerlijk, maar blijft toch altoos repe-
titie.
In de zaak zelve schuilt Jezus\' glorie.
En terwijl nu alle menschenmacht op aarde steeds on-
machtig is gebleken, om ook maar éen enkel menschenliart,
dat tegenstond en niet wilde, om te zetten in den wortel;
en alle tirannengevveld en despotie, ja, tot de wreedste wreed-
heden van de lioutmrjt, volkomen wachtdooi bleken, tegen-
over de taaie onverzettelijkheid van éen menschelijken wil;
— is het alleen en eeniglijk die „kracht uit de hoogte",
die van den Pinksterdag dagteekent, waarmee het aan onzen
Koning reeds voor eeuwen gelukt is, nog telkens gelukt
en steeds gelukken zal, om den felsten tegenstander in zijn
boezemvriend te verkeeren, de Saulussen tot Paulussen te
maken, voor een distel een mirteboom te doen opgaan, en
zoo zichzelven in menschenharten te stichten een duurzaam
en onvergankelijk teeken en „opgericht monument7\'.
De stroom van deze „kracht uit de hoogte" nu vloeit nog;
en de beslissende vraag voor ons leven is maar, of ook de
arbeid onzer zielen en ónze levensstrijd in hoofdzaak strekken
om, „met die kracht uit de hoogte aangedaan", te gaan,
-ocr page 150-
•138          vAANGEDAAN MET KKACHT UIT DE HOOGTE."
waar die heilige stroom gaat; — of wel, dat we, met kracht
uit de diepte van ons eigen hart ons tegen God versterkend,
den voortgang van dien stroom zoeken te belemmeren, of
ook dien belemmeren onbewust.
Wie gaat waar die stroom gaat, voor dien was er een
Pinksteren in zijn leven, en diens leven wierd éen pelgrims-
reize van zijn Pinksteren naar zijn eeuwig Paradijs.
Maar ook, wie niet door dien stroom gedragen wordt, die
heeft de «kracht uit de hoogte" tegen zich, en zal, zoo waarlijk
die kracht onweerstandelijk is, eens, zoo hij zich niet voor
onzen Koning wil buigen, door het zuigen van dien stroom
vergaan.
o, Dit „aangedaan worden met kracht uit de hoogte"
heeft zoo diepen zin.
Niet maar „aangedaan" worden, niet de pure „gevoels-
aandoening" is blijk en teeken, dat de Koning daarboven
den scepter u toegewezen en gunste u beschikt heeft.
Want wel mag het gevoel niet versteend noch verstompt,
en moogt ge de zaligheid van een „gevoelig" leven in de
liefde des Heeren niet verachten. Maar toch, de aandoening
is wel een gevolg van de uitwerking, maar de werking
zelve niet.
Het is een „aangedaan" worden ,:met kracht". Dus een
ontkomen aan uw slappe, lauwe, geestelooze matheid. Niet
slappe handen en trage knieën, maar in die handen mogend-
heid
en in die knieën gang. Weer bezieling en prikkeling
in het bloed, weer heerlijke gloed in de aderen onzer ziel
ervaren. Aangedaan zijn „met kracht"!
Niet weer telkens, als Satan loert, beven als een riet; of
als de zonde lokt u overgeven, eer ge nog besprongen zijt;
maar aangedaan zijn met% kracht om af te weren, om te weer-
staan, om te strijden, én te overwinnen in den naam uws Gods.
Als er hulpe\' moet geboden, niet achten, dat anderen het
wel voor u zullen doen, want dat uw kracht niets uitricht
en uw slapheden onmachtig zijn, maar „aangedaan zijn met
kracht
uit de hoogte", om mildelijk te kunnen bijstaan, en
-ocr page 151-
„AANGEDAAN MET KttACHT UIT DE HOOGTE."          139 .
teederlijk te kunnen steunen, en liefderijk u te kunnen
erbarmen met een toegewijd hart.
,/Aangedaan zijn met kracht uit de hoogte", om, waar
gij eertijds kinderloos waart, nu in menigte van gewonnenen
voor \'s Heeren zaak te kunnen uitbreken ; waar gij eertijds
zweegt, nu te kunnen spreken ; waar er vroeger geen gebed
was, nu te kunnen voorgaan in den gebede. Kortom, waan-
gedaan met kracht uit de hoogte", op een wijs, dat de
kreupele nu springt als een hert, en die stom was het nu
uitjubelt van de goedertierenheden van den God Jacobs.
En dit alles nu werkt de Heilige Geest, daarom onze
ziel verkwikkende Trooster!
Want Hij komt als bode van den Koning in ons hart,
en overgiet dat hart met versche olie.
En zijn wonder mysterie is juist, dat Hij tegelijk tweeër-
lei doet: t. w. den zwakke met volheerlijke kracht omgorden,
en toch den met kracht omgordden held klein nis een kind
maken voor zijn Heer en koning.
Jbba, onze Vader, die in de hemelen zijt!
••
I
-ocr page 152-
ONTVANGT DEN HEILIGEN GEEST!
Met kracht versterkt te worden door
zijnen Geest naar den inwendigcn
mensch.
                         Efez. 3 : 1G.
Weer lokt en noopt dan het Pinksterfeest alle ziel, die
God mint, om lof en eere en aanbidding toe te brengen
aan den Heiligen Geest! Hem, die ons leert en leidt en
troost. Die in en voor en met ons bidt met onuitsprekelijke
verzuchtingen. Die met den Vader en den Zoon een eeuwig
en waarachtig God is, te prijzen in alle eeuwigheid. Die
ons de schatten des levens en der verzoening ontsloot; ons
wederbaarde en den Zoon in ons verheerlijkte. Onze Her-
schepper, omdat Hij onze Heiligmaker is. De Bezieler van
ons ontzield gemoed. De Kracht van de kracht aller geloo-
vigen. Ons innerlijk Licht, dat de duisternis vanbinnen
op doet klaren; en gelijk Immanuel „God met ons" is, zoo
is de Heilige Geest „God in ons"; wij zijn tempel en Hij
woning makend in óns gemoed !
Wat koestering brengt u de zon, indien de maan vóór
haar bol schuift en het licht onderschept, dat het belet
wordt tot u dóór te dringen ? En zoo ook, wat zou u uw
Christus, de Zonne uwer gerechtigheid, koesteren en ver-
kwikken, indien het licht dier Zonne, dat is hier de Hei-
lige Geest, niet tol en in u kon doordringen P
En daarom, neen, we scheiden den Vader niet van den
Zoon en van dien Zoon den Heiligen Geest niet, maar mag
het daarom niet uitgesproken, mag het niet beleden, dat het
-ocr page 153-
ONTVANGT DEN HEILIGEN GEEST!                        141
toch eerst die Heilige Geest is, door wien al de liefde des
Vaders en de verzoening des Zoons ons tot een persoonlijke
zielsgenieting wordt, en dat, indien wij ooit de volzalige
gemeenschap met het Eeuwige Wezen mochten smaken, het
God de Heilige Geest was, die ons tot in den boezem onzer
ziel die genieting indroeg en dat volzalig gevoel deed werken ?
Dat stelt den Vader niet achter noch in de schaduw den glans
des Zoons; want immei-s, én de Vader én de Zoon beiden
zijn het, van wie die Heilige Geest uitgaat; en het is die
Heilige Geest, die, als beider Gezondene, juist nooit zichzelf,
maar altoos én dien Vader én dien Zoon verheerlijkt.
Vandaar, dat die Heilige Geest zoo weinig bestand voor uw
zielsleven kreeg. Hij is als het licht, dat alles beschijnt,
en zonder hetwelk alles het schijnsel zijner schoonheid der-
ven zou, maar dat zelf juist om zijn klaarheid ongezien blijft
en onwaarneembaar is.
De Heilige Geest komt nooit uit, toont nooit zichzelf,
wil nimmer zelf iets zijn, maar is onder alle golvingen des
zielslevens door steeds de dienende en bedienende persoon-
lijke goddelijke liefde. Waar Hij is, daar is licht, en bij
dat licht wordt openbaar, wat onbeschrijflijke ontfermingen
er in den Vader zijn ; en openbaar evenzoo, wat onnaspeur-
lijke schatten van heil en redding er verborgen liggen in
den Zoon. En dan is de Heilige Geest in u heiliglijk ver-
blijd, als die ontfermingen, als die heilschatten maar in
het licht komen te staan; als Hij daar uw oog maar op
richten en vestigen mag; als Hij u daarvoor maar besef,
gevoel, gloed in de ziel kan storten; en als de bloemkelk
uwer ziel zich maar openen mag om den dauw des hemels,
om die schittering van de eeuwige liefdeglansen in te drinken.
Zoo kan het dan wel niet anders, of het duurt lange da-
gen, eer er in uw ziel liefde ook voor dien Heiligen Geest
opgloort. Want al zijn werken is ongemerkt; is schuchter-
lijk terugtrekkend; is zóo, dat gij er op letten moet, om
het te kunnen bespeuren. En als het u dan soms volheerlijk
overkomen mag, dat ge door die ongemerkte werking de
banden aan den Vader en den Zoon gevoelen gaat, o, dan
vervult zoo licht die teedere ontferming des Vaders en die
-ocr page 154-
142                      ONTVANGT DEN HEILIGEN GEEST !
alles offerende liefde des Zoons u met zoo sterke spanning,
dat ge vergeet ernaar te vragen, tcie Hij loeit is, die u die
innige genieting bereidde, mogelijk maakte en schonk.
Daar komt het kind des Koninkrijks eerst later en langs
anderen weg.
Mijn broeder, laat mij op het Pinksteren des Heeren u
van dien weg verhalen mogen,
Zie, de stille, verborgen werkzaamheid van den Hei-
ligen Geest strekt niet alleen, om u het heerlijke des
Vaders en het schoone van den dierbaren Zoon te toonen;
zijns is ook een andere, een droeve, een bijna smadelijke
arbeid. Hij, de Heilige Geest, moet ook, u tot zelfontdek-
king, zijn klaar en onwederstandelijk licht laten vallen op
wat er in uw hart ligt, op wat uw ziel in zich verbergt,
op wat uw levenspad onder menschen bevlekte en uw ziels-
weg voor het oog uws Gods onteert.
De Heilige Geest wil en durft zelfs onbarmhartig tegen
u zijn, juist om u tot de barmhartigheden des Vaders te
brengen.
Hij spaart u in niets.
Alles, alles wat ge zijt en dacht en deedt, en wat gij, o,
zoo gretig in de schuilhoeken vanbinnen verborgen en om-
woeld en onzichtbaar gemaakt had, dat haalt de Heilige
Geest uit die schuilhoeken tevoorschijn en stelt het in het
licht van het goddelijk aanschijn.
Zelfs wil en durft de Heilige Geest wreed zijn, of ge
voor de zachte teederheden des Zoons hart mocht krijgen.
Wreed b.v., wanneer ge bij uw liefste panden op aarde u
nog gevleid hadt met een schijn, u nog hadt laten verge-
noegen met zeker schoon vernis, en nu de Heilige Geest
tot zelfs uw liefste kind in al de diepten des vreeslijksten
verderfs blootlegt.
En eerst stoot dat dan af. o, De Vader in de hemelen is
zoet en lief voor het hart; en om met onuitsprekelijke liefde
lief te hebben, is \'s Vaders eenige Zoon;... maar... waartoe
nog bovendien die Heilige Geest, die zoo vlak bij ons is,
niets ons spaart, altijd dieper inboort in de ziel, en als
een wegroover van onzen valschen vrede het zoo onrustig
-ocr page 155-
ONTVANGT DEN HEILIGEN OEEST !                    i 43
vanbinnen maakt? Ja, dan kent men oogenblikken, dat
men wel wilde: „Ware de Heilige Geest er maar niet V\'
Vreeselrjke gedachte; schier nimmer uitgesproken; en toch
in de zielsworsteling der oprechten bijna altijd gekend.
Gekend, maar ook geweerd, gebannen, straks met heete
tranen des berouws beweend, als schrikkelijke miskenning
der teederste goddelijke liefde, die juist in dat o//barmhartige
van den Heiligen Geest zich uitsprak.
Want vergeet niet, de Vader en de Zoon hebben ook den
Heiligen Geest lief, en willen van u geen aanbidding en
geen prijs hebben, zoolang ge den Heiligen Geest miskent
of voorbijziet. En zoo gebeurt het u dan, dat hooger, hei-
liger liefde u verteedert, en het u, ja, waarlijk in doet zien,
dat al deze hardheden, al deze doortastende, al deze schijn-
bare wreedheden van den Heiligen Geest in heur diepste
kern niets dan prijslijke betooningen waren van geheel zich-
zelf verloochenende barmhartigheid.
Zoo komt er reeds eenigermate een ontdekt worden van
het oog in u voor dien anderen Persoon in het Goddelijk
Wezen, dien de kerk aller eeuwen met den Vader en den
Zoon als den Heiligen Geest verheerlijkt en aanbidt.
Maar toch, meer dan een aanvang is dit alsdan nog niet.
Immers, dan is de worsteling van den Heiligen Geest
met uwen geest nog niet ten einde, maar dan vangt ze eerst
recht geestelijk aan. Aan op een geheel ander terrein, op
veel angstiger voet, in veel banger verhouding, op een wijze,
juist omgekeerd als in het eerste begin.
Eerst toch was het een innerlijk dringen en persen van
den Heiligen Geest, om u van zonde te overtuigen en naar
verzoening te lokken. God de Heilige Geest zelf u biddende:
„Laat u met God verzoenen \\"
Maar nu wordt het heel anders.
Zie, gij kreegt nu, lof zij den Geest, overtuiging van zonde
en dronkt uit de heilfontein, die den huize Davids geopend
is tegen de zonde en de ongerechtigheid. Ge dronkt en ge
wont aan krachten! o, Hoe heerlijk bloeide onder de leliën
der eeuwige liefde uw zielsleven op I
En toen hadt ge natuurlijk erop gerekend, dat de Heilige
i
-ocr page 156-
144                   ONTVANGT DEN HEILIGEN GEEST!
Geest u nu ook prijzen zou, u aan zou moedigen, en nu
althans aflaten zou van die scherpe, niets sparende geeste-
lijke critiek.
Maar hoe het u tegenviel!
Neen, toen kwam diezelfde Heilige Geest nog eens, schijn-
baar even wreed en even onbarmhartig, om ook over al dit
uw goede werk den ban te strijken, en van het schoon ge-
waad, dat gij u geweven hadt, streng bestraffend u toe te
roepen: „Xiets dan een wegwerpelijk kleed!"
En dal begreept ge niet; dat kondt ge niet dragen; dat
was u te veel.
Ge wildet nu ten goede; ge hadt de wereld verzaakt; ge
beleedt uw zonden ; en ijverdet met heiligen ijver, in vruch-
ten en in werken uitbottend voor uw Heer;..... en nu
nog te vernemen, dat dit alles met zonde besmet is en ge-
weld uit onreine bron;..... o, toen verstondt gij Israels
klagen : „Laat ons wederkeeren naar Egypte \\" en haast gaaft
ge den tocht naar het heilig Kanaiin op.
Of liever, neen, ge hadt dien i-eeds opgegeven en ge
zoudt óf teruggekeerd óf in de woestijn gestorven zijn, indien
die trouwe, lieve, u nooit begevende Heilige Geest u in
dien somberen zielsnacht niet als een vuurkolom ware
voorgegaan.
En wat is er toen geschied?
Toen hebt gij tot dien Heiligen Geest gezegd: „Maar dan
kan ik niets, niet lieven, niet werken, niet bidden, niet
zuchten zelfs! Indien dat alles nog met zonden besmet is,
dan komt er in eeuwigheid uit mij niets goeds \\" En toen
dacht ge, dat de Heilige Geest u troosten zou door u te
antwoorden: „Zoo erg is het niet met u! Gij kunt wel iets!*
Maar hoor, dat antwoord kwam niet; maar wel dit andere:
„Alzoo is het, o, kind des Vaders en verloste des Zoons,
gij kunt niets en uit u komt niets ; maar luister toe en
verneem clan nu het diepe heilgeheim, het goddelijk myste-
rie, die verborgenheid der godzaligheid, die ge nu eerst
verstaan kunt. Daartoe juist ben Ik, uw God, daartoe ben
Ik, de Heilige Geest, uitgezonden, om het alles, om het
eeuwiglijk, om het volkomenlijk te werken in u! Zóo te
-ocr page 157-
ONTVANGT DEN\' HEILIGEN CiEESï!
145
werken, dat gij er al de zaligheid van indrinkt, alsof het uw
werk icare,
en dat toch Ik het deed in u en door u, om u
eeuwiglijk allen roem, dien doodstrik voor uw zielsleven, te
benemen!"
En dan begint het, dan vangt het aan, dat teedere ziels-
verkeer met den Heiligen Geest, dat het kind van God tot
den Heiligen Geest roemt: //Gij, Geest van God, deedt en
doet het al in mij"; en dat de Heilige Geest antwoordt,
door zich stil terug te trekken en een besef in de ziel in
te drukken, een zalig besef van heerlijke geesteskracht, en
betoon van geestelijke werkzaamheid.
Dan kan men zelf niet meer bidden, maar de Heilige Geest
gaat bidden in ons en wij bidden na; een echo op de lippen
van wat de Geest in ons gesmeekt heeft.
Dan kan men zelf niet meer liefhebben, maar de Heilige
Geest stort rijn liefde uit in ons gemoed, en zoo wordt het
warm vanbinnen, en we kunnen niet koel zijn, en we
worden verteerd van genegenheid voor al het volk des
Heeren.
Dan weten we zelf niets meer van Jezus, maar de Hei-
lige Geest in ons roemt zoo heerlijk van de liefde des Zalig-
makers, dat het in ons branden gaat van genegenheden voor
dien Koning en dien Heer.
En dan wordt die Heilige Geest zoo onbeschrijflijk teeder
en meedoogend en voorkomend, dat de ziel in ons tot zich-
zelve zegt: „Hoe heb ik toch zoo lange dagen dien Heiligen
Geest owlief, ja, zelfs onbarmhartig kunnen noemen? Tee-
derder barmhartigheid dan van den Heiligen Geest is er niet \\"
Want dan kent ge geen smart meer, of de Heilige Geest
heeft reeds lang vantevoren die smart voor u zien aan-
komen, en u ongemerkt het medicijn bereid en ingedruppeld,
dat in die smart u troosten zou.
Dan komt ge nooit in een verzoeking, of die Heilige
Geest heeft reeds lange dagen vooruit gezien, geweten, dat
uw geloof in de smeltkroes moest en dat het, och, geen stand
zou houden, en dat ge dan nameloos rampzalig zoudt zijn,
en daarom ongemerkt, zooals een moeder voor haar sluime-
rend wichtje zorgt, zoo uw ziel gesterkt met zielskrachten,
10
-ocr page 158-
146                      ONTVANGT ]>EN HEILIGEN fJEEST !
en zijn engelen bevolen, opdat gij aan geen steen u stootem
zoudt.
Och, waar zouden we beginnen, waar eindigen, indien wij-
al de teederheden van den Heiligen Geest ook maar even
wilden aanstippen?
De kenners alleen kennen die liefde. Alleen de brnilofls*
kinderen genieten in de glansen van dat zachte, teedere,
weldadige licht. En daarom hebben ze dien Heiligen Geest
lief, en daarom verlangen ze naar de gemeenschap en de
werking van dien Heiligen Geest, en daarom is hun het
Pinksterfeest zalig.
Zalig, niet alsof toen pas een kerk was gesticht, die toch
van den aanbeginne der wereld er geweest is. Ook niet,
omdat toen de apostelen zouden bekeerd zijn ; want wat zou
hen dat persoonlijk verkwikken? Neen, maar zalig, omdat
Pinkster hun weer opeens al de heerlijke, teedere, zichzelf
terugtrekkende en wakende liefde van den Heiligen Geest
tebinnenbrengt, en hun toeroept en betuigt: Die Heilige
Geest moet, niet nog ingestort worden, maar die k er; die is
in de gemeente des levenden Gods, en kan en zal in die
banden des genade verbond s ook u zegenen met innerlijke
vertroostingen!
Want verlies u toch niet in idealen, doe uw oog open
voor de werkelijkheid; en wat ziet, wat vindt ge dan?
Dit immers, dat zelfs Gods liefste kinderen, dat zelfs de
allerheiligsten in dit leven telkens en telkens weer van
dien Heiligen Geest afraken en daardoor somber inzinken,
en zonder troost en zonder heul zijn.
Dan denken zij in hun dwaasheid: „De Heilige Geest is
van mij geweken\\" Dan klagen zij in hun ongeloof: „Wie
brengt mij tot een vaste stad?" Dan is het hun temoede,
alsof het alles maar een droom ware geweest!
En daarom is dan ons Pinksteren een bode van stille,
van zalige vertroosting, omdat in dat Pinksteren Gods Heilig
Woord dan weer met kracht tot hun ziel komt getuigen:
„Neen, de Heilige Geest is niet weg. Hij uitgestort. Hij
icouid in de gemeente des Heeren!"
Dit is het maar, dat gij, om uw bedroeven van dien
-ocr page 159-
ONTVANGT HEN HEILIGEN GEEST!                       147
Heiligen Geest, in uzelven vreesdet: „Nu zal de Heilige
Geest mij zijn liefde niet meer schenken kunnen !" en dat
die Heilige Geest, u bestraffend, dat ge zoo klein van zijn
liefde, van zijn deernis, van zijn mededoogen gedacht hadt,
ii weer toekomt met nog goddelijker ontferming, zeggende:
uT)e droefheid, die ge Mij aandeedt, heeft Mij niet verrast.
Ik kende u. Ik wist wat maaksel gij zijt, en nooit wil, nooit
kan Ik u opgeven. Zie, hier ben Ik weder, uw God, en de
Bezieler uwer ziele. Drink licht, drink kracht, drink hope
in uit mijn vertroostend aanschijn \\"
-ocr page 160-
LIEFDE IN ONZE HARTEN UITGESTORT DOOR DEN
HEILIGEN GEEST.
En de lioop beschaamt niet, omdat de
liefde Gods in onze harten uitgestort
is door den Heiligen Geest, die ons is
gegeven.
                             Rom. 5: 5.
De Heilige Geest is tezamen met den Vader en den Zoon
waarachtig en eeuwig God.
Wezenlijk God.
Niet een derde deel van het goddelijk Wezen, of als deel
tot het Wezen behoorend, neen, maar het éene Hoogste Wezen
is Iegelijk Vader, tegelijk Zoon, en tegelijk Heilige Geest.
Elk der drie Personen hebben hetzelfde Wezen en saam hebben
zij ütowwezenheid.
Ook God de Heilige Geest is derhalve de alomtegenwoor-
dige
God.
Hij is niet een God van verre, inaar van nabij; niet verre
zijnde van een iegelijk onzer.
Nooit mag of kan dus gezegd : De Heilige Geest is wel
hier, maar niet daar.
Want zie, God de Heilige Geest is overal, en overal ge-
heel. Zelfs in de plaatse der hel is het God de Heilige
Geest, die als een ,/verterend vuur" in de conscientie der
rampzaligen schrikkelijk is.
Maar al is de Heilige Geest overal, en overal altoos, daar-
om ontdekt Hij zich, openbaart Hij zich, vertoont Hij zich
lang niet op alle plaats noch op alle tijd. Hij kan er zjjn
-ocr page 161-
LIEFDE IN ONZE HAKTEN UITGESTORT, ENZ.            149
en is er, dat wij toch zijn voetstap niet hooren ruischen,
dat zijn aangezicht voor ons bedekt is, dat we zijn stem
niet beluisteren, en dat het dus voor ons even hetzelfde is,
als ware Hij er niet.
Straks, na uw zonde, verrast u plotseling in uw binnenste
de benauwing van een verwijtend Iemand, die u geen rust
gunt. Maar daarom kwam die Iemand er niet toen pas.
Neen, die Heilige Maner was er aldoor. Maar voor u ver-
borgen. En die Maner was de Heilige Geest.
Zoo dan ontdekt de Heilige Geest zijn ontzaglijk aanschijn,
nu wél, diin niet, en naar den aard van den persoon, aan
wien Hij zich ontdekt, nu oordeelend, diin vertroostend.
Altoos dezelfde God de Heilige Geest, die met den Vader
en den Zoon éen eenig, eeuwig en waarachtig God is; maar
soms achter dichter, dan weer achter doorzichtiger sluier
verborgen, en soms heel het aanschijn ontdekkend. Zijn
heerlijk, zijn vertroostend aangezicht.
Daarom dan leert de Heilige Schrift en weet de kerke
Christi bij ervaring, dat er zielen zijn, die nog nooit iets
merkten van den Heiligen Geest; dat er andere zielen zijn,
, aan wie die Heilige Geest zich geopenbaard heeft; en dat
ook die begenadigden op hun beurt weer tijden en oogen-
blikken hebben, dat ze den Heiligen Geest missen, maar
dan ook weer tijden en oogenblikken, dat ze den Heiligen
Geest bezitten in zieldoortintelende zaligheid.
Krijgt de onbekeerde den Heiligen Geest te ontdekken,
dan ziet hij een „verterend vuur" en schuwt het en krimpt
ervoor weg. Dat is de Heilige Geest zonder den Middelaar!
Maar beliefde het God iemand weder te baren door het
geloof, dan krijgt zulk een ook den Heiligen Geest te zien,
maar als den Trooster. Zacht, lieflijk, leerend, de ziele zalvend.
Dat is de Heilige Geest, uitgestort door den Middelaar.
Verzoend. Onbeschrijflijk verkwikkend en weldadig.
De dikke nevel is dan door barmhartigheden weggevaagd.
Zoo ziet clan het zielsoog nu dienzelfden Heiligen Geest,
dien het vroeger niet zag. En dat zaligt. Vroeger alleen,
heeft ze nu haar God bij zich. Bij zich in de binnenste
binnenkamer van het hart.
-ocr page 162-
150                   LIEFDE IN ONZE HARTEN UITGESTORT
Soms ook zonder en buiten tweede geboorte kan de Hei-
lige (ieest zich op ongeveer gelijke wijs aan onbekeerden
ontdekken. Waarom, vragen we nu niet. Hebr. 6 leert,
dat het zoo is. En niet weinigen weten uit herinnering van
vóór hun echte bekeering, dat ze door lichttoestanden van
valsche bekeering doorgingen.
Toch verscheelt dit van de werking bij echte wederge-
boorte geheel. Dan toch is de sluier wel even opgelicht bij
den tip, maar om aanstonds weer te vallen. Terwijl het
bij echte wedergeboorte is, dat de sluier geheel wegviel en
alzoo de blik des Heiligen Geestes in ons sloeg en viel.
Dat is het uitgestort worden. Het wonen van den Heiligen
(ieest in zijn tempel. Het in ons komen en wonen en bidden
en troosten en drijven!
Ook bij zulk een wedergeborene kan het zielsoog dan wel
weer geheel of ten deele geloken worden, dat het niet meer
helder of gansch niet meer ziet. Maar daarom bleef het
„vertroostend aanschijn" dan toch. De Heilit/e Geest ging
niet meer weg.
En wat dan in dat „vertroostend aanschijn" het volzalige
is? Dit, broeders, dat in en met en door dien Heiligen (ïeest
de liefde Gods in uwe harten uitgestort is.
De heilige apostel Paulus getuigt het. Op dat getuigenis
geeft de kerke Christi een Amen. Een Amen immers ook
uw ziel.
Wel te verstaan, niet naar die lauwe, laffe, verwaterende
uitlegging, die van den Heiligen Geest „een beteren zin"
maakt, zoodat wie „dien beteren zin" ontving, ook vanzelf
liefde gaat plegen, gelijk God liefde is.
Daar staat geen woord van. Neen, de liefde Gods is hier
de teedere, goddelijke, ontfermende liefde van het Hoogste
Wezen te onsvvaart, en die, als een stroom de dorre velden,
zoo den dorstigen akker onzer ziele verkwikt heeft door de
instrooming van den Heiligen Geest.
Gij hebt geen liefde. Uw hart is liefdeloos. En wat er
aan liefde in werkt is een van deze drie: óf instinctieve
-ocr page 163-
DOOR DEN HEILIOEN GEEST.                          151
liefde, zooals ook de klokhen voor haar kiekens heeft en die
•dus in geen waarde bij God staat; óf vertoon van liefde,
die opeens verdort, als uw ik er aan moet; óf wel, en dat
ülleen is het ware, ze is een liefde, die in uw liefdeloos hart
gewerkt is door hooger dwang j een koestering, die vanbuiten
in uw koude ziel indrong; een heilige vonk in de sintels
van uw hart, gespat uit den gloed der eeuwige teederheden.
Uw hart gelooft daarom van nature ook aan geen liefde
in God.
Hem naar uzelven afmetend, dacht gij u ook den Eeuwige
in den grond van zijn Wezen koud en zonder gloed.
Want wel zegt ge : „God is liefde, Hjj, aller Vader, die
alles vergeeft!" maar dat is gepraat, oppervlakkig gekeuvel,
waar wortel noch vezel aan zit.
Kom maar eens in den nood; dat ge geen brood meer
hebt ; dat uw lieveling van uw hart wordt afgesneden; dat
uw eer er aangaat, — en zie dan eens, wat er van Gods
liefde overblijft.
Och, dat verachtelijk schermen met klanken over God is
zoo diep onheilig. Wat heeft wie zóo van vergeven spreekt,
ooit, ooit gemerkt van wat vreeslijke schuld er hem, hem-
zelf, hem persoonlijk te vergeven viel?
Dit beteekent dus niets.
Zelf koud, dacht gij uw God u even koud, afgemeten en
beredeneerd, als uw eigen logge, dofte ziel.
Maar toen u opeens vuur in uw beenderen schoot, en het
merg in u krimpen ging; en God u neersloeg; en uw onge-
rechtigheid als een stroom over uw hoofd heengolfde, —
toen, ja, is opeens uw God u ontdekt; toen u het schijnbeeld
verbleekte, de ware God voor u kwam, gansch een ver.
terend Vuur!
Tot, totdat toen, eindelijk, eindelijk de Heilige Geest in
uw ziel indrong en de binnenkamer van uw hart kwam
bewonen, en u vanbinnen zoo heerlijk toefluisterde, en u
aansprak met een sprake van onuitsprekelijke zaligheden,
en gij, omziende, daarop eens inzaagt in al de onnoemelijke
teederheden van dat „vertroostend aangezicht van uw God" !
En toen, ja, toen kwam de liefde! De liefde Gods! De
-ocr page 164-
1Ó2            „LIEFDE IN ONZE HARTEN UITGESTORT, ENK.
warme, heerljjke gloed van de levende liefde van het lie-
vende leven. Drank en spijs voor uw ziel tegelijk.
En die liefde Gods, neen, dat liet zich niet uitspreken.
Dat was iets .onbeschrijflijk heerlijks. Een invloeien als van
een stroom van vele wateren, in eiken druppel waarvan
zich een volle oceaan ontsloot van weelde en van zaligheid.
o, De Heilige Geest is God zelf. Hij vermengt zich niet
met u, maar doet u in al het beseffen en gevoelen van uw
diepste wezen als het ware medegevoelen en medebeseffen, wat
Hijzelf aan goddelijke zaligheid geniet en doorleeft, nu in
uw schriklijk hart die heilige vrede indaalt en het Eeuwige
Wezen u met zijn goddelijke ontfermingen overkomt.
Dat, dat nu ervoer de heilige apostel des Heeren, toen
hij schreef van „die liefde Gods, die in uwe harten uitge-
stort is door den Heiligen Geest ;* en hij voegde er bij :
„die u gegeven is".
Al om niet ontvangen.
Die „Heilige Geest" uit loutere genade gegeven, maar dan
ook een iegelijk van Gods uitverkorenen verplichtend tot
eeuwigen dank.
-ocr page 165-
.\'
DE GEEST IS HET, DIE LEVEND MAART.
l>e Geest is het, die levend maakt; het
vleesch is niet nut.
            Joh. 6 : 63.
Een boom, waar het mergsap in verdroogde, is dood. De
stam mag er nog staan; de dorre takken er nog aanzitten;
het vale blad er nog aanhangen ; maar de boom leeft niet
meer. Het is geen boom meer. Wat daar nog in den grond
staat, is hout. Hout, niet eens meer voor de schaaf bank,
maar voor den vuuroven. Zonder het levend mergsap is de
boom weg !
Verstaat ge die sprake van den dorren boom ?
Dat levend mergsap in de plantinge Gods is zijn Heilige
Geest. En nu, ook waar die Heilige Geest uit de bladen
of uit de twijgen, uit de takken of uit de stengels, uit den
stam of uit den wortel wegtrok, daar blijft niets dan dor-
heid, innerlijke vermolmdheid en dood.
Op zichzelf is er in heel de wereld, in geestelijken zin,
niets dan dood. Alles is dood Er is niets, dat niet dood
is. En alleen voorzoover de Heilige Geest in dien dood
inkomt en er leven inbrengt, ontstaat er, is er, blijft er
Ie een.
Het is niet zóo, dat het leven er wel is, maar kwijnt,
en- dat nu de Heilige Geest het besproeit en daardoor het
kopje op doet heiFen en het verfrischt.
-ocr page 166-
-154             DE GEEST IS HET, DIE LEVEND MAAKT.
Neen, maar eerst is er geen leven, is er niets dan ont-
stentenis, gebrek, gemis van leven. Er is niets dan een
aanduiding, dat er eigenlijk leven zijn moet, maar dat er in
de plaats van dat ontbrekend leven thans slechts de leven-
looze, ziellooze, machtelooze dood heerscht.
En nu getuigt de profetie: „Kom, Geest des Heeren, op
den arm der winden en blaas in deze doodsbeenderen het
leven, dat er niet in is !"
En zie, naar die profetie geschiedt het. De Geest blaast,
de Geest komt, de Geest werkt, en nu is er, waar die Geest
is, leven, en waar die Geest nog niet is, of nog niet kwam,
blijft het dood. Ook wordt het weer dood, waar die Geest
was, maar bedroefd werd en weer heenging.
o, Mijn broeder, prent u dat toch diep in. De Geest is
het en de Geest alleen, en niemand en niets dan de Geest,
die levend maakt.
Een kerk, waar de Geest uit week, is dood; is niets meer
dan een verdorde boom; ze gaat ten vure.
Een geslacht, een familie, een gezin, waar de Geest uit
wegtrok, zinkt in geestelijken dood en ontbinding weg. Als
aan den dorren boom, zoo brokkelt ook aan zulk een dood
geslacht het brosse hout bij het eerste aanraken af.
Maar ook, en let daar toch vooral op, ook elke kring
van vromen, ook elk hart van den vroom genoemde, o, als
de Geest er uitgaat, dan is die kring weer dood en tot
een aas voor de Duivelen geworden ; en zulk een hart wordt
dan openbaar, dat het wel voor een tijd uitwendig versie-
rende genade gekend heeft, maar in zijn pit en kern nog
dor en saploos ligt; nog niet leeft; en dus dood blijft en
ten vure gaat; tenzij het nog ten leven kome.
Alle leven is van den Heiligen Geest.
Denk u, dat die Heilige Geest niet gewerkt had, en er
zou in Israël geen wet of woord of profetie zijn geweest;
geen worstelaar zou hebben gestreden; geen ijveraar ge-
ijverd; geen martelaar zou ooit den moed hebben gekend,
om in te gaan in den dood. Zonder den Heiligen Geest
-ocr page 167-
DE GEEST IS HET, DIE I.EVEXI) MAAKT.                155
zou er geen enkele ziel ooit ten leven zijn gekomen; zou
er geen kerk gesticht zijn ; zou er geen prediking des Woorda
ooit vernomen wezen; zou er geen macht tegen het kwaad
hebben gestaan; zou de leugen nooit ontmaskerd, de onschuld
nooit gewroken zijn; zou er nooit een eenig hoovaardig
hart zijn verteederd ; zou er nooit éen eenig zalig en ver-
kwikkend gebed of geschrei of verzuchting zijn opgeklommen
naar den troon!
/ie, als God Almachtig nederziet uit den hemel op deze
in dood en vloek bevangen wereld, en zijn heilig oog
ontwaart op die wereld iets, dat lieflijk is en welluidt,
eenige deugd of eenigen lof, eenig uitbotsel van barmhar-
tigheid, van lankmoedigheid en mededoogen; ja, zoo er,
onder wat vorm en in wat gestalte ook, eenige uitademing
uit die wereld, eenige reuke, die lieflijk is, naar den hooge
opstijgt; dan is het alleen de Heilige Geest, die dat gedaan
heeft; de Heilige Geest, die er den aanvang toe zette; de Heilige
Geest, die het doorzette ; de Heilige Geest, die het bleef be-
zielen ; en de Heilige Geest, die er de uiting van naar God voert.
Alles, alles in de wereld is de kerk van Christus, is ons
eigen hart aan dien Heiligen Geest verschuldigd.
Naarmate die Heilige Geest zich eenigszins van ons terug-
trekt, wordt het geestelijk winter voor ons, en glijdt de
koude om ons hart, en komt er als ijs over onze ziel, en
stremt de levensstroom, en is de dood nabij.
Maar ook, als die Heilige Geest ons weer nader treedt
en zijn lieflijke stralen ons weder van meer nabij toezendt,
dan gaat het weer zomeren in de ziel; en wordt de koude
bodem van het mcnschelijk gemoed weer zacht; en voelt
het hart zich weer gekoesterd ; en ritselt het leven weer;
en verkwikt zich het zielsoog in bloesem en kostelijke vrucht.
o, Als de wereld haar toestand recht begreep, ze zou
maar éen ding doen : aldoor roepen, smeeken, om den Hei-
ligen Geest toch in haar schoot te mogen dragen.
o, Als de kerken van Christus op aarde haar eenig wezen-
lijk belang toch inzagen, hoe zouden ze, alle andere over-
-ocr page 168-
156                 1)E GEEST IS HET, DIB LEVEND MAAKT.
legging bannende, aldoor roepen en smeeken, om dien Heiligen
Geest toch in de aderen van haar organisme te behouden.
o, Als onze geslachten en gezinnen toch inzagen, waar
het eigenlijk alles aan hangt, hoe zouden ze aldoor roepen
en smeeken: ;/Laat toch dien Heiligen Geest niet van ons
scheiden \\"
•Ta, als uw eigen ziel inzag en doorzag, waar toch eigen- \'
lijk al haar heil, haar sieraad en haar glans aan hangt, hoe
zou ze aldoor roepen en smeeken, om toch de heilige tegen-
woordigheid van dien Heiligen Geest te mogen ervaren.
Wat zou, als de schat van dien Heiligen Geest gekend
en begrepen werd, de liefde voor dien Heiligen Geest heer-
lijk uitbreken, de zielen in gloed zetten en als een opwaking
uit den dood teweegbrengen !
Nu doet men het meest buiten den Heiligen Geest af.
Men heeft een Vader, die zorgt voor nooddruft, die Gene-
zer onzer kranken is, en dien wij aanroepen in de ure des
gevaars.
Men heeft een Jezus, die voor onze zonden stierf en in
wien men heeft de verlossing door zijn bloed.
En nu voorts de heiligmaking, de bereiding van den weg
ten leven ? o, Dat waant men zoo half en half zelf wel te
kunnen, hoogstens daarbij nog van zekere kracht gewagend,
die uitgaat van een ons anders vreemde macht, die we be-
stempelen met den naam van den Heiligen Geest.
En dat bedroeft dien Heiligen Geest; dat doet Hem smaad-
heid aan; dat houdt zijn werken wel niet tegen, maar
toch op.
Tot het van door de diepten heen weer ten leven gaat,
en er weer komen, die den Heiligen Geest liefhebben en
aan dien Heiligen Geest het vertrouwen hunner ziel schen-
ken, en er weer weet van krijgen, dat van dien Heiligen
Geest alle zegen uitvloeit.
En dan ia er weer leven.
Leven in het hart. Leven in de kerk. Leven onder de
volkeren ! Een leven, dat wel strijd wekt, dat wel den haat
-ocr page 169-
DE «EEST IS HET, DIE LEVEND MAAKT.                157
gaande maakt; waar wel de vijandschap van dood, zonde
en Duivel tegen opkomt!
Maar geen nood !
Het mergsap ritselt dan toch !
Er wordt dan toch geloofd, en in dat geloof geleefd, en
in dat leven zoo zielsinnig genoten.
En de engelen Gods, die het zien, jubelen van heilige
vreugde.
Kn al wat uit dien Geest adem ontving, zingt: „l\'eni,
Crealor Spiritus f
Kom, Geest, die alleen levend maakt \\"
En die Heilige Geest zelf neemt aan zijn eigen werk een
welbehagen.
En dat welbehagen is de zaligheid. De zaligheid hier op
aarde reeds
voor al de kinderen Gods.
-ocr page 170-
„DE LEEUW HEEFT GEBRULD!«
De leeuw heeft gebruld, wie zou niet
vreezen? De Heere heeft gesproken,
wie zou niet profeteeren ?
Arno» 3: 8.
Wij, strandbewoners, wij kennen liet brullen van den
leeuw in zijn kracht niet.
Wel hoorden we soms het geluid, waarmee hij zijn hok
van traliën in onze dierentuinen trillen deed, en zelfs dan
reeds voer ons een rilling over de leden, zooals liet snoof
uit zijn neusgaten, en ronkte uit zijn keel, en dreunde van uit
den opgesperden muil.
Maar wat is dit ronken van den bijna tammen leeuw in
zijn hok, vergeleken bjj het donderend brullen, waarmee de
wilde leeuw den woestijnen schrik aanjaagt of\' ontroering
en siddering spreidt door heel een woud?
God schiep dat brullen. De leeuw vond het niet uit,
maar de Schepper ook van dit vorstelijk dier heeft dat
brullen aan den koning van het wilde woud ingeschapen.
Ook dat brullen van den leeuw was eerst in de gedachte
des Heeren Heeren, en toen eerst ging deze goddelijke ge-
dachte in dit dier vol majesteit in.
o, Er spreekt uit die reusachtige, overmachtige „wilde
dieren" zulk een ontzettende sprake tot het menschenkind.
Een sprake van een macht, die zijn macht ven-e tebo-
vengaat.
-ocr page 171-
„DE LEEUW HEEFT GEBRILD \\"                    159
Van een geheimzinnige macht, die schuilt in het verbor-
gene en dan plotseling opwaakt en zijn ziel verschrikt.
En daarom kan de éene leeuw tegelijk in zijn brullen
beeld van den toorn Gods en in zjjn brieschen beeld van
het sluipen des Satans zijn.
Want én die ontzaglijke toorne des Heeren Heeren én
dat brieschen van Satan, het zjjn beide boceumensuhelijke
machten, afgebeeld in en ons symbolisch toesprekende uit
die ontzettende dieren, die er toch óok met een doel zijn,
en onder meer dit hooge doel hebben, om den mensen te
herinneren aan een ontzaglijke, verre boven hem uit-
gaande macht.
Op dat indreunen van den toorn Gods, gelijk het plotse-
ling opbrullen van een leeuw in het woud, wijst de Heilige
Schriftuur u dan ook telkens.
Zoo bij Hosea: „Zjj zullen den Heere achterna wandelen,
Hij zal brullen ah een leeuw; wanneer Hij brullen zal, dan
zullen de kinderen van de zee af al bevend aankomen/\' (11 : ïO)
Zoo bij Jesaja: „Gelijk als een leeuw over zijn roof brult,
alzoo zal de Heere der heirscharen nederdalen, om te strijden
voor den berg Zions en voor haren heuvel." (31 : 4)
En zoo nog op Patnios: „Hij riep met een groote stem,
yelijkerwijs een leeuw brult, en als Hij geroepen had, spraken
de zeven donderslagen hunne stemmen/\'
Als ge zorgeloos door het woud uw weg vervolgt, en om
geen gevaar denkt, en geen leeuw u in de gedachte komt,
dan is daarom toch die leeuw er wel, en schuilt met zijn
welpen in het diGht geboomte, en wacht tot zijn ure komt,
en gaat dan uit op zijn prooi. En dan, als hij van verre
zijn roof ziet, dan spert hij den muil, en zet de manen op,
en laat de warmte van zijn bloed in damp uit zijn keel en
neus snuiven, en dan komt het schriklijk brullen, dat al
het woud ervan davert en heel de grond ervan dreunt.
En hierin nu doet de Heilige Geest u een echo van het
inslaan van \'s Heeren toorn onder de volken en in het hart
van het menschenkind hooren.
-ocr page 172-
100                       ;/l>E LEEUW HEEFT GEBEULD !*
Dan denken ook de volken, dan denkt ook het menschen-
kind er niet aan, dat er in het wilde woud zijns levens
een ontzaglijke God is, en zorgeloos, als kon het eeuwig
zoo duren, speelt hij argeloos voort en voort, en weet van
geen kwaad, en heeft geen vermoeden van een macht, die
hem oordeelen zal.
En dat duurt van den dag op den dag, en van het jaar
in het jaar, tot eindelijk plotseling in het leven van zulk
een volk, of in het aanzijn van zulk een mensch, de stemme
des Ileeren zich met mogendheid verheft, en er als een
brullen van zijn heiligen toorn wordt vernomen, en wij,
nietige wezens, die wij in onze machteloosheid zijn, beven
gaan over heel ons wezen en de bodem zelf van ons leven
voor het aangezicht des Heeren Heeren verschrikt.
De conscientie is het oor, waarmee het brullen van dien
Leeuw wordt opgevangen.
De conscientie, die wonderbare vertolkster in ons binnenste,
die ons zoo kernachtig en aangrijpend onmiddellijk vertolkt,
wat dat indreunen van den toorn Gods in ons leven ons te
zeggen heeft.
De conscientie, dat ons ingeschapen wonderbare geheugen,
dat ons in een oogwenk weer in levendige kleuren en tinten
ons vergeten verleden in al zijn zondig karakter voor
oogen stelt.
De conscientie, die onverbiddelijke neerwerpster, die ons
nooit een uitweg laat, maar altoos onverwijld en onherroe-
pelijk oordeelt.
Ja, de conscientie in ons verstaat dat brullen van den
Leeuw wel, en doet ons sidderen, niet enkel, omdat er aan
dien Leeuw geen weerstaan is, maar meer nog, omdat we
dien Leeuw uit Juda\'s stam hebben getergd.
Dat is dan die eindeloos diep door onze ziel snijdende
doodsangst.
God de Heere komt! Hoor het brullen van dien Leeuw
maar! En ik, ik heb dien „Sterken God", dien God van
ontzaglijke majesteit, vertoornd!
-ocr page 173-
DE LEEUW HEEFT GEBRULD !*                        101
En dan ligt gij op eenmaal om.
Dan denkt gij aan geen weerstand bieden meer.
Vluchten baat niet.
En in uw angst voelt gij u, eer ge nog innerlijk ver-
echeurd zijt, reeds verkwijnen en bezwijken.
En nu, dat juist redt u.
Als dat brullen van den Leeuw over u komt en u sid-
deren doet, dan valt weg opeens de kitteling en de prik-
keling en het zondig zoeken van uw eigen ik; weg de
inbeelding; weg het trotsche zelfvertrouwen; rlan krimpt
gij ineen; en onder dat ineenkrimpen breekt u het booze
hart en wordt de hooge geest in u verbrijzeld.
En dan is het heerlijk.
Want dan heeft dat brullen van den Leeuw opeens in u
volbracht, wat alle drang van liefde, en woord van vermaan,
•en heilig voornemen, niet vermocht uit te werken. Dan
dreunt het weer door uw ziel, dat gij met uw God hebt
te rekenen. Met den Eeuwige. .Met den Almachtigen en
Almogenden God. En uw ziel verheft zich boven het
nietige. En hecht niet meer aan het kleingeestige.
Het spel heeft uit. Er komt ernst. Voor het nasleepen
van den tragen voet komt een voortwandelen met vaste
schreden. En ook al houdt het brullen van den Leeuw
straks op, dan vergeet ge toch het aanzijn des Heeren
Heeren niet, maar wandelt in de bewustheid van zijn ge-
meenschap.
En zoo gaat dat huilen van dien Leeuw ook thans weer
uit, en de volken worden opgeschrikt en menig hart ver-
saagt in bange verschrikking.
o, Of Gods kinderen toch het oor der conscientie maar
mochten hebben, om dat indreunen van den toorn Gods in
zijn majesteit op te vangen.
Er sluimerden er zoovelen in, die weer op moeten waken.
Niet morgen, maar nu. Zie, de Heere wenkt, en al zijn
kinderen moeten zijn wacht waarnemen!
En ook, er zijn nog zoovele kinderen Gods, die nog on-
11
-ocr page 174-
102                           ,.I)E LEEUW HEEFT GEBRUL])!"
bekeerd om wandelen en toch eens tot kinderen zullen worden
aangenomen. Maar wier oor nog dicht, wier zintuig om te
gelooven nog stomp is.
Kn ook die moeten op het zorgeloos pad het brullen van
den Leeuw ontwaren.
Ze zijn des Heeren, en daarom moeten ze bij zjjn volk
zich aansluiten.
De majesteit des Heeren Heeren is zoo onbeschrijflijk
ontzettend.
Hoort dan ook uw hart niets?
Of ook, zoo ge dat brullen vernomen hebt, waar is het
menscbenhart, dat het weerstond?
-ocr page 175-
„EN GIJ DE RANKEN!*
Ik ben de wijnstok, en gij zijt de
ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem,
die draagt veel vrucht; want zonder
Mij kunt gij niets doen! Joh. 15:5.
Een rank is niets clan een kanaal en geleibuis, waardoor
de wortel het sap opstuwt naar de trossen.
o, De rank is buiten den wijnstok zoo nietig en onbeduidend.
Zij heeft uit zichzelve niets en is niets. Want het leven
zit in den wijnstok en de vrucht groent en blauwt in de
druiventrossen, en de rank ligt midden tusschen stam en
tros met geen andere roeping, dan om het sap op te zuigen,
het opgezogen sap naar boven te stuwen en door te laten,
en nu de trossen te dragen, tot ze rijp zijn en kunnen ge-
geplukt.
Hoofdzaak is de wijnstok en hoofdzaak is de druiventros,
maar de rank is bijkomstig.
Zelfs als hout heeft de rank geen waarde, want er is al
geen hout zoo doelloos en onbruikbaar en tot niets nut, als
het hout, dat van wingerdranken komt. In den wijnstok zit
waarde en voor de druiventrossen woi-dt geld geboden, maar
voor een rank op zichzelf geeft niemand iets. Een rank,
Jezus zegt \'t er zelf bij, is op zichzelf voor niets nut dan om,
gelijk men gewied onkruid wegwerpt of ontuig in het vuur
verbrandt, evenzoo in het vuur geworpen en in de vlammen
vernietigd te worden.
Voorwaar, de Heere heeft zijn volk dan wel diep ver-
nederd, toen Hij zijn jongeren toeriep: Gij zijt ranken!
-ocr page 176-
104                               „EN GIJ DK BAKKEN\'!\'
Ranken.\' Het meest waardelooze, in zichzelf meest onnutte
en wegwerpelijke, dat zich voor den landman denken laat-
Gij, hooge mensen, met al uw pretentiën, gij, vrome, met
al uw inbeeldingen, gij, verkoren man, met al uw heiligen
schijn, zelfs al noemt, gij, o Petrus, u apostel, of als Johan-
nes „de geliefde des Heeren", ij ;ijl ranken!
Dat is al uw eeretitel.
Daarin ligt al het holle en ijle van uw gemis aan waardij.
Tenzij, en dan keert het blad opeens geheel om, tenzij dat
gij aan den wijnstok vastzit met den echten levensvezel, en
aan uw uiteinden niet, enkel blad toont, maar ook trossen
van zwellende druiven draagt.
Want een rank van den wijnstok «/gesneden, of een rank
nog aan den wijnstok vastzittend, is een verschil als van dag
en nacht. De afgesneden rank is voor den wijngaai-denier
het wegwerpen niet waard, en ge doet hem een dienst, zoo
ge die weghaalt; maar van zijn ranken, die nog aan den
wijnstok zitten, zult gij afblijven.
De ranken, die vastzitten, zijn hem goud waard. Daar
waakt hij over met zorge. Die beurt hij op, en bindt hij
vast, en die snoeit hij uit, en die keert hij naar de zon toe.
Want aan die ranken komen zijn ^druiven.
En als de wijngaardenier dat maar merken mag, dat de
rank aan den wijnstok kleeft, en onder haar blad trossen
uit doet botten, o, dan is die anders waardelooze rank hem
in prijs het beste hout teboveugaande, en schier met zijn
leven zou hij ervoor strijden, als iemand aan die rank
rukte of die rank beschadigen zou.
En zoo keert het dan ook geestelijk om. Gij, volk des
Heeren, niets dan ranken, maar als er inkleving in Imma-
nuel en uitbotting van vrucht mag zijn, dan gij, anders zoo
niets en minder dan de ijdelheid zelve, opeens voor dien
Wijnstok onnmbaar geworden. Want zonder ranken kan de
Wijnstok zijn heerlijkheid niet toonen, en zonder ranken
plukt de Vader, die uw hemelsche Landman is, aan den Wijn-
stok geen vrucht.
-ocr page 177-
„EN OU DE HANK.EN!"                               165
o, Dat \'s Heeren volk op die inkleving van Immanuel
dan toch al zijn hart mocht zetten, en ophouden mocht met
zich te vergenoegen daarmee, dat het nnad dien Immanuel
gaat staan, of voor Hem neerknielt, of ook (of Hem opziet
met smeekenden blik.
Al uw uitwendige betrekking baat hier niet. Leg de rank
desnoods op den wijnstok, ja, snoer haar met biezen om den
wijnstok vast, toch moet zij verdorren, en rukt straks de
landman haar los en werpt haar weg.
Ingekleefd, ingegroeid, ingelijfd en ingevlochten met de
eigen levensvezelen moet elk kind van God in dien wonde-
ren Wijnstok zijn. Wel waarlijk éen plante met Hem. Zelf
leeg en hol, en niets dan een doorgangskanaal voor het sap
des levens aanbiedend, maar zóo in den Wijnstok inklevend
en vastzittend, dat zij <reen oogenblik op zichzelf staat, maar
al den dag en al den nacht rust en teert en wast in den
Wijnstok.
Ja, meer nog, het is niet genoeg, dat gij in uw Midde-
laar door de onzichtbare levensvezelen inkleeft, maar ge moet,
in Hem inklevende, ook niets dan zijn orgaan willen wezen.
Het mag niet zóo wezen, dat gij als rank nu eens sap
zult vormen en aan den Wijnstok toevoeren; neen, maar
zelf gansch saploos en ijl, moet gij alle kracht en alle sterkte
en allen lof en alle liefde en alle teederheid en innigheid
alleen uit Hem, uw Jezus, in u optrekken.
Al wat in u werkt moet in uw Jezus gewerkt zijn, eer
het in uw hart opklimt. Het moet al uit Hem gewonnen,
ingedronken en als opgezogen wezen. Doorlaten van genade-
werkingen, doorlaten van licht en liefde en leven, is al wat
de rank vermag.
Doorlaten naar de uiteinden om de trossen te laten uit-
botten. Niet het levenssap voor uzelf houden, om zelf van
ijle rank uit te zwellen tot de dikte der takken van andere
boomen. o, De rank gebruikt van het opgenomen levenssap
zoo bijna niets om zelf rank te kunnen wezen. Alles zendt
zij door. Alles stuwt zij naar boven naar de trossen. Straks,
zij weet het, komt de hemelsche Landman de vruchten zijns
Zoons zoeken, en daarom is het al de eere der ranken,
-ocr page 178-
ICC                               /y,EN fJIJ J)E BANKEN.4
om de rijk gezwollen druiventrossen niet als tros van de
rank,
maar als vrucht van den Wijmtok, d. i. als vrucht van
Jezus\' kruisverdiensten, aan den Vader, die in de hemelen
is, te kunnen bieden.
„Hierin is mijn Vader verheerlijkt, dat gijveel vrucht draagt.11
Let wel, gij draagt de vrucht, maar brengt ze niet voort.
Gij draagt ze, zooals de kandelaar het licht draagt, maar zij
is evenmin uit u als het licht uit den kandelaar is.
Gij draagt ze voor Jezus. Wat ge draagt zijn zijne vruchten.
De vruchten van zijn werk, van :ijn lijden, van den arbeid
zijner ziele, en gijzelf hebt aan het voortbrengen van die
vrucht zelfs geen aandeel.
Het is zoo, ze rijpen en blauwen aan uw hout, en dat is
uw onuitsprekelijke eere, waar gij uw Heiland nooit warm
genoeg voor loven en danken kunt. Maar toch, dragen blijft
al uw roeping. Ze te dragen, niet voor uzelven, maar voor
Hem, die ze straks plukken komt. Aan u hangen ze, maar
ze zijn voor den Vader, en ze kamen van den Zoon, en al
uw arbeid is, dat gij ze van den Zoon aanneemt en in naam
des Zoons aan den Vader toereikt.
Klad ook moogt en moet ge doen uitbotten; maar ook dat
blad moet niet dienen om u in sierlijk groen te doen pron-
ken, maar om de druiventrossen te dekken en hun rijping
te bevorderen.
De Vader, niet gij, moet in blad en vrucht beide ver-
heerlijkt worden, en al de heerlijkheid moet den Vader toe-
komen, door u, ja, maar uit den Zoon.
Zoo gaat het toe bij wie rank zal wezen.
Ken rank het allerminste en onwaardigste op zichzelf,
maar het heerlijkste, als ze sap doorlaat en kostelijke vrucht
mag dragen.
En nu, gijlieden zijl ranken! Wat zegt de insprake uwer
ziele dan? Zijt gij ranken aan den Wijnstok, of ligt gij als
ranken nog naast den Wijnstok neer?
-ocr page 179-
„LIEFDE DOOR DEN HEILIGEN GEEST."
Eu de hoop beschaamt niet. omdat
de liefde Gods in onze harten uitgestort
is door den Heiligen Geest, die ons is
gegeven.
                         Rmn. ~> : 5.
Pinksteren is een heerlijke vierdag; maar de stofte onzer
indenking en de heilige prikkel onzer blijdschap ligt op ons
Pinksterfeest zeer diep in het geestelijke verscholen.
Deze Heilige Geest, die op den Pinksterdag nederdaalde,
is eeuwig en waarachtig God, medewezend en mede-eeuwig
met den Vader en den Zoon, van dien Vader en dien Zoon
uitgaande.
„Ziehier, o, Zion, hier is uw God!/y luidt ook de jubel-
toon, als de Heilige Geest nederdaalt.
Alleen maar, het is anders dan bij de vleeschwording des
Zoons. Hier is geen kribbe, hier zijn geen windselen, hier
zingen geen engelenscharen. Hier, bjj het komen van den Hei-
ligen Geest, is niets dat uw oog ziet, uw oor hoort of uw
hand tasten zou van den Geest des levens.
Ja, er klonken ook geluiden, er blonken ook vuurvlammen,
maar niet om duurzaam zich te herhalen. Voor eens. Meer
als zinnebeeld dan als werkelijkheid. Een teeken der zaak;
niet de zaak zelve, die, gansch geestelijk, wegschool in het
zielsmysterie.
En toch is ook jhier een komen van uw God, o, Zion!
Niet in zwakker of uitwendiger, maar zelfs in inniger en
dieper zin nog dan in het Paradijs of op Sinaï of bij Beth-
lehems kribbe, want hier komt uw God niet maar lot u,
-ocr page 180-
168                „LIEFDE DOOR DEN HEILIGEN GEEST."
maar in u. Niet. om onder .u, maar om in u woning te maken.
En niet om als uit het Paradijs weer weg, of met een Hemel-
vaart weer van u te gaan, maar om eeuwiglijk met u te
zijn en duurzaam met u te blijven.
Een mysterie van onuitsprekelijke majesteit, maar dat
daarom juist ons meer verbaast dan toespreekt, meer ver-
wondert dan de ziel verwint.
Zion durft het niet aan, dat haar God in deze uitstorting
des Heiligen Geestes tot haar is gekomen. Ze mist den hei-
ligen geloofsmoed, om dit ontzaglijke en volheerlijke, dat
God haar zichzelven ten tempel koos, recht eigenlijk in te
denken. En daarom verandert ze het heuglijk feit, en ver-
laagt en verkleint ze de daden des Heeren, en maakt zij in
haar kleingeloof en ongeloof ervan, dat wel een deel van
Gods heilige kracht, maar niet God zelf op den Pinksterdag
tot Zion is gekomen.
Opmerkelijk, niet waar?
Wie bij de kribbe van Bethlehem beweren durft:
vDie tot u bij die kribbe kwam, is niet God zelf, maar
slechts een kracht Gods!" dien weerstaat al \'s Heeren volk,
want zulk een spreekt in haar oor godslastering.
Maar als op Pinksteren nu niet God de Zoon, maar God
de Heilige Geest tot zijn tempel komt, dan mag een ieder
vrij dit tweede wonder van goddelijk mededoogen door eigen
verzinsel en verdichtsel tenietdoen, en de gemeente des
levenden Gods merkt het nauwlijks op.
En daarom worde deze Pinksterzonde der gemeente met
vuur en ijver bestreden ! Schuld, schuld over Zion is het,
zoo Zion te ongeestelijk is, oin zoo groot een heilgeheii»
in te drinken! Driewerf schuld over het erfdeel des Heeren,
zoo Hij komt en Zion merkt het niet en cijfert het komen van
zijn God weg door te bazelen van een komen van zijn kracht!
Neen, om heiliger zin, om heiliger kracht, om heiliger
geest ware geen Pinksteren van noode geweest. Daarvan zong
ook de psalmist, daarvoor dankte reeds de profeet van Jehovah.
• Niet heiliger geest en niet heiligende geest, maar de Heilige
Geest is op den Pinksterdag tot zijn tempel gekomen!
-ocr page 181-
„LIEFDE DOOlt DEN HEILIGEN GEEST."                109
Eener ziele zaligheid is, van God gekend te zijn en als
uitwerksel daarvan haar God te mogen kennen; nu ten deele j
eens, zooals we gekend zijn.
Alle aandrift, alle spanning, alle streven der ziel moest
er in Gods kind dus op gericht zijn, om op het allernauwst
en allerinnigst met dat Eeuwige Wezen in blijvende gemeen-
schap te geraken.
Dat moet niet maar een vroom zeggen, een vroom
verlangen, een vrome wensch zijn; neen, maar een drin-
gen en persen der ziel; een niet kunnen rusten, eer
het bereikt is; zooals de honger prikkelt en geen verade-
ming gunt, zoo ook moet dat heimwee der ziel u prik-
kelen; of\' waarom het niet met den psalmdichter gezegd,
zooals ean hert, dat moegejaagd is door de honden en
dat niet meer kan, dorst en hijgt naar frissche water-
stroomen, zóo moet heel Zion, en in Zion elke Zionsziel,
hijgen en dorsten naar de frissche levensstroomen, die vloeien
uit den levenden God.
Maar zóo diep zonk alle ziel der menschen, dat zij in hen-
zelven dien God niet zoeken, maar vlieden; niet najagen, maar
mijden; niet lieven, maar haten. En dat, als God de Heere
dan in goddelijk mededoogen toch zelf komt, ja, meer nog,
in die afgeaarde en verbasterde ziel nog dorst naar het leven
uitstort, dat dan die ziel toch aan dien dorst naar het leven
niet aan wil, en den dood verkiest; en als het er dan aan
toekomt, dat ze haar God zou ontmoeten, niet opleeft in
heilige verrukking, maar er het verzinsel voorschuift: „Niet
Hijzelf is het, maar zijn kracht!"
Zooals het van Simon Magus te Samaria heette, zoo heet
het dan ook van den Heiligen Geest, die op Pinksteren tot
ons kwam: „De groote kracht Gods!" (Hand. 8 : 10)
En dit wreekt zich dan!
Want Zion, aldus ongevoelig voor haar God voorbijgaande,
bedroeft den Heiligen Geest, doet den Heiligen Geest smaad-
heid aan, en berooft zich dus noodwendigerwijs van zijn
invloeden en zijn vertroosting.
-ocr page 182-
"170                „MEFDE DOOR DEN HEILIGEN GEEST.
En toch, de oorzaak dezer zonde is openbaar; ze ligt in
onze hoovaardij.
Want hebt gij het wel ooit recht diep voor uzelven in-
gedacht, wat het verscheelt, of Zion zegt: «In den Heiligen
Geest is op Pinksteren God zelf tot mij gekomen!" of dat
zij roept: ;/Op Pinksteren gewierd mij uit den hooge :/ot!-
ifelijke kracht"
?
Of voelt gij ook zelf niet, dat, als God de lleere in zijn
Zion intrekt, Zion zelf stille heeft te zijn, en zich neder te
buigen, en zichzelve als uit te wisschen, opdat haar God
het doe, haar God het werke, haar God het uitvoere en
volvoere, en alzoo haar God alleen groot zij ?
Maar als Zion zegt: „Ik ontving op Pinksteren goddelijke
kracht", dan is God de Ki-achtr/erer, maar Zion alsnu de 6t>-
gitsier
van kracht, en dan is het Zion zelf, die nu met deze
heilige kracht werken gaat en het doorzet en het tot stand
brengt; en als het dan voleind is, dan heeft Zion, dan heeft
Gods kind het zelf gedaan. Met kracht uit God, het is zoo.
Maar zelf dan toch!
Menig werktuig wordt met kracht uit damp van kokend
water gedreven. Het harde ijzer pletten, drijven, doorboren,
afschaven, ombuigen, wat menschelijke kracht is ertoe be-
kwaain? Maar nu wordt den mensch stoomkracht gegeven,
en die kracht gebruikt hij, en nu buigt het harde ijzer zich
als vloeipapier onder het machtige werktuig. Doch hoor
maar, als nu het ijzeren zeekasteel van de helling in de
wateren glijdt, wat bouwmeester looft clan God, die de stoom-
kracht schonk, en roemt dan niet: //Dat prachtig schip heb
ik gebouwd" ?
En dit nu is ook hier de zonde.
Als er kracht daalt in onze zwakheid, kracht, die honderd-
voudig ons vermogen verhoogt en versterkt, en met die
kracht brengen wij een zonde ten onder of ons lichaam tot
bedwang, dan is (iods kind de doener en werker en door-
zetter, en voor hem komt de roem.
En al zegt hij dan ook met de lippen: ,/Gode zij dank!"
en //Voor God alleen de eere!" dit is eer zonde op zonde ge-
stapelcl. Want dat meent hij slechts in de oppervlakte, en
-ocr page 183-
LIEFDE DOOK DEN HEILIGEN GEEST."                 174
de diepe zin des harten blijft: „Niet God werkte dit, maar ik!"
o, Het scheelt zoo alles.
Ge hebt een machtig kantoor, maar dat verliep door
uw fout en schuld en nu beroofd en verward ligt en
failleeren moet; en nu ontvangt gij op dat kantoor een
h-acht.
D. w. z. ge neemt een door en door kundige
hulp aan, die de fout opzoekt, die weer kapitaal schept,
die u in staat stelt er weer bovenop te komen, en straks
is alle angst en alle vreeze des doods voor uw kantoor
voorbij. En natuurlijk, dan zijt en blijft gij de groote
man, en die kundige kracht betaalt ge, en gekweten is
alle verplichting.
Maar als gij in zulk een nood geen hulpe vinden, kunt
en geen kracht ter redding ontvangt, en een ander komt
tot u en zegt: „Ik zal n redden, maar dan moet het op
mijn naam gaan, en gij stille zitten en /\'/• het, alles voor u
doen, en een ieder moet dit weten \\" — dan komt gij er
ook wel, maar dan treedt gij op den achtergrond, en heeft
die redder en helper alle eere.
En zoo nu ook is het hier.
Wie zegt: „Ik ontving kracht van den Heiligen Geest!"
die redt met die ontvangen kracht zichzelf, en doet eenige
offerande, en acht zijn dank gekweten, en hij blijft de man.
Terwijl omgekeerd, als de Heilige \'Geest ons in ons
eigen hart opzijdringt en de zaak voor ons en in onze
plaats opneemt en regelt en terechtbrengt, en een ieder
dat ziet en verneemt, — wij terugtreden, en de Heilige
Geest ons heeft gei-ed.
De Heilige Geest een kracht, u ter beschikking gesteld
om mee te tooveren, zooals de kunstenaar met stoomkracht
en kracht van electriciteit toovert; of wel de Heilige
Geest uw Redder, die u als verloren in uzelven 1erecht-
brengt, en die al de eere1 wegdraagt; dus ligt de onme-
telijke afstand tusschen zonde op den Pinksterdag en op
dien Pinksterdag het Soli Deo gloria! voor uw God.
-ocr page 184-
•172                   „LIEFDE DOOR DEN\' HEILIGEN GEEST.
En dit nu hangt aan de liefde.
Hebt gij /Keken op Pinksteren lief, of hebt gij uw God Hat?
En zeg nu niet: „Natuurlijk, mijn God \\" want het is wel
zoo, ook zelfs door uw booze natuur werkt een besef heen,
dat u zegt: „Zoo moest het wezen !" en u half schaamte aan-
jaagt, dat het niet zoo is. Misschien zelfs beeldt gij u in,
dat gij ook metterdaad in die heilige stemming des gemoeds
verkeert. Maar als ge tot den wortel en den grond der zaak
doordringt, en uw ziele beproeft tot in de binnenste trek-
king uwer nieren, o, dan zoudt ge geen kind van God moe-
ten zijn, of ge zult het met innerlijke pijn aan uw hart
oprechtelijk belijden : „Neen, neen, de liefde voor mijzelven
is mij nog te machtig."
Niet, alsof ge geen otters zoudt willen brengen, of ook
niets verloochenen woudt, en zelfs niet voor uw God uit
den weg woudt treden; maar dit alles raakt nog de dieper
liggende drijfveer van ons hart niet.
Zalig te willen worden is op zichzelf ook eigenliefde. Ken
kind van God te willen zijn is ook nog uzelven minnen.
Onder de vromen en heiligen gerekend te worden is nog
iets, dat uzelven kan sh-eelen. En hetgeen, waaraan de liefde
moet gekend worden, is maar, of ge jaloersch op de eere en
den roem en de glorie van uw God zjjt.
Als het tusschen u en uw God staat, zoodat Hij gelijk
i-n gij ongelijk moet hebben, Hij rechtvaardig zijn en gij
onrechtvaardig en dus schuldig, of ge dan uw eigen ongelijk
zoet vindt, en uw eigen ongerechtigheid en schuld erkent
zonder er iets op af te dingen, niet omdat gij het niet houden
kondt en overtuigd wierdt, maar omdat gij het niet dragen
kondt, dat er ook maar eenig ongelijk op uw God zou liggen
en eenige schuld bij den Allerhoogste zijn.
Liefde voor uw God, dat is Hem meer minnen dan het
zwart uwer oogen. Eer van eigen eere kunnen afgaan, dan
van de eere uws Heeren. Het is zulk een innerlijk verteerd
worden door aanbidding en bewondering van de deugden
des Eeuwigen, dat gij er het oog niet van af kunt houden
en als dweept in uzelven met die schoonheid van uw God,
die blinkende verschijnt in Zion.
-ocr page 185-
LIEFDE DOOR DEN HEILIGEN GEEST."                 \\"\'\'<
Geen berekening dus: „Dit deed God voor >,iij, derhalve
moet ik ook voor Hem iets overhebben!" Geen overlegging:
„Hij is mijn God, en diensvolgens moet ik in aanbidding
mij voor Hem neder werpen1/\'
Maar zooals een kind het uitroept, als bet een prachtig
vuurwerk ziet, en het niet in kan houden, zoo moet gij in ver-
bazing en verwondering het uitroepen over het licht van
zijn majesteit en de glorie zijner deugden.
Te verkondigen de deugden desgenen, die u geroepen
heeft tot zijn wonderbaar licht!
Niet omdat ge, na keur en proef, nu tot de slotsom komt,
dat het schoon is. Maar omdat het u verrukt, u meesleept,
u aangrijpt en in innerlijke bewondeiüng vex-teert.
Liefde is: niet anders kunnen dan liefhebben. Het is
minne der gansche ziel voor den Eeuwige. Het is een roe-
pen : „Kom, Heere, en spreek tot mijn ziele!" Dorst om bij
Hem te zijn. Buiten Hem niet kunnen leven. En daarom,
als Hij komt, niets anders dan Hem zien, aan niets dan aan
zijn glorie denken, en zalig zijn in dat verliezen van uzel-
ven in den Heere uwen God.
En welke is nu de geaardheid dezer liefde? Dat eerst
deze liefde er is, en dan de Heere komt, en nu deze wach-
tende liefde op Hem gericht wordt ?
o, Integendeel. Zooals de zon niet te zien is, of ze moet
eerst zelve het licht uitstralen, waarbij gij haar zien zult,
zoo ook roept Zion tot haar God uit: „Heere, in uw licht
alleen zien wij licht \\"
Neen, deze liefde is niet uit u, om zich op Hem te richten.
Maar Hijzelf boezemt ze u in. Hijzelf wekt ze in u op.
Hijzelf stort ze in u uit. Dat eenig Voorwerp uwer heilig-
ste liefde ontsteekt zelf de vonk in u, waarmee het liefde-
vuur voor Hem in uwe ziel zal branden.
Ja, zelfs als Hij icegscknilt om uw liefde nu te beproeven,
en te zien of ge, Hem niet ziende, toch zoudt liefhebben,
dan is het nog zijn matte glans, die, door de wolken spelend,
deze liefde in u staande houdt.
-ocr page 186-
174               wLIEFDE DOOK DEN HEILIGEN GEEST."
liet is niet uw kostlijk hart, dat zoo\'lief is om Hem
lief te hebben, maar het is uw zoo kostlijke God, die zoo
roerend diep in de ziel van zijn kind weet in te dringen,
en die door zijn koestering het zalige van het liefhebben
in u uitwerkt.
Niet uw oog vindt het licht, maar het licht trekt uw
oog en heeft zelf uw oog in het zien onderwezen. Want
let er maar op. Een pasgeboren wicht is schuw voor de
kaars en ge moet uw hand voor de half ontloken oogjes
van het lieve kind houden. En als gijzelf uit den schemer
plotseling in het licht treedt, dan sluit ge nog uw oog voor
het licht toe.
Pin zoo nu is het ook met dezen goddelijken glans, dat
uw zielsoog van zichzelf dien eer mijden en er zich voor
toesluiten zou; en het is eerst door dit Licht zelf, dat uw
zielsoog het inzien van dit Licht leert.
Daarom roemt de heilige apostel dan ook van een liefde,
die in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest.
Niet, alsof de liefde een soort stof of vocht ware, die als
een eigen ingrediënt in onze ziel huisde, maar gelijk het
licht, komende, zjjn stralen uitstort in het dal en in de
diepste kloven der steenrotsen, zoo ook stort die Heilige
Geest zjjn licht in de spleten en kieren van uw hart in.
En waar dat licht doordringt, daar wordt de beschimmelde
plek groen en tierig, daar buigt de kiem haar kopje op,
daar komt bezieling, daar tiert leven.
En dan ja, dan trekt de bloem naar den zonneglans, dan
buigt de kelk zich naar het licht; en het is in deze liefde,
dat dan ook de ziel van Gods heiligen naar Hem trekt, om-
dat ze naar Hem wordt getrokken.
Zie, als de zon haar stralen in de vlakke wateren in doet
dalen, dan verijlt ze de droppen der wateren in damp, en
deze verwarmde wasem trekt van de wateren naar boven
de zonne tegemoet, en verzamelt zich daarboven in de
wolken. En zoo ook werkt de glans der Eeuwige Liefde
op een verlaten ziel. Eerst vloeit zij als een drop in de
-ocr page 187-
„LIEFDE DOOK WEN HEILIOEN OEEST."               175
wateren, kond en kil. Maar dan komt over die wateren van
liet hart de glans, en van dat licht vangt ook zij een straal
op, en die straal stort warmte in haar uit, en onder die
warmte verdunt /.e zich en verliest ze haar logheid, en zoo
trekt ze ten leste naar boven, naar de Bron van haar gloed.
En dat nu is de heerlijkheid van Pinkstei-en.
God zelf niet maar over u komend met een wind des daags
in het Paradijs; niet maar tot u komend met den Opgang
uit de hoogte bij Bethlehem; neen, maar in uw eigen ziel
en wezen indringend, om te wonen in de binnenste kameren
van uw persoon.
En daarom is het op Pinksteren maar de vraag aan u,
of ge nu door dien gocldelijken ingang in uw wezen zelf
wilt worden opgelost? Of ge, naar het gebezigd beeld, van
vlietend water in optrekkenden damp wilt overgaan, niets
meer zoekend, al uw eigen wicht inboetend, en nu opklim-
mend in teedere liefde naar Hem, die u trekt.
Doch natuurlijk, dat gaat om buiten de menigte. Dat is
voor de schare een vol zijn van zoeten wijn. Dat noemt de
wereld dweperij en de half-gerechtigheid „overdreven\'\'.
En dat moet zoo.
Want deze zaligheden zijn uit het heilgeheim, en het
heilgeheim wordt alleen aan „Gods vrienden" en enkel
„naar zijn vree verbond" getoond.