-ocr page 1-
-ocr page 2-
T^w
Kast
H
-ocr page 3-
-ocr page 4-
Itttfé.
Y*\\ W
-ocr page 5-
*
-ocr page 6-
)
I
-ocr page 7-
-ocr page 8-
-ocr page 9-
VOETIUS\' CATECHISATIE
OVER 1)K>J
HEIDELBERCfSCHEN CATECHISMUS.
-ocr page 10-
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
A06000007403631B
0740 3631
-ocr page 11-
VOETIUS\' CATECHISATIE
OVER DEN
Heidelbergschen Catechismus,
>aar Poudroyen\'s editie van 1«(>2 o» nieuw nitgegeven,
bij ons publiek ingeleid, en met enkele
aaiiteekeningen voorzien
DOOR
DE. A. KUYPER
->s>i~^<^,
BIBLIOThZEK DER
RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT.
Rotterdam.
GEBROEDERS HUGE.
1891.
-ocr page 12-
Gedrukt bij G. J. Thieme, te Arnhem.
-ocr page 13-
INLEIDING.
Ten vorigen jare schreef ik een kort woord van
inleiding op de nieuwe uitgave van
Zions Roem en
Sterkte, de bekende toelichting van Ds. Rotterdam
op ome Nederduitsche Gereformeerde Geloofsbelij\'
denis, die bij de Gebroeders Huge ter perse ging.
Zij het mij thans vergund, eveneens Voetius\' korte
verklaring van den
Heidelbergsehen Catechismus,
die zich gereedelijk aan de korte verklaring van de
Geloofsbelijdenis aansluit, met een enkele histori-
sche herinnering bij ons Gereformeerd publiek in
te leiden.
Confessie en Catechismus hooren bijeen. Beide
leven weer op. Beide Kerkelijke formidieren be-
ginnen weer in eere te komen. En bovenal is er
een verlangen onhvaakt, om den zin, den geest en
de strekking van beide stukken van kerkelijk accoord,
met juistheid te leeren verstaan. Hiertoe nu is in
de eerste plaats noodzakelijk, dat we ons een juiste
en heldere voorstelli?ig vormen van hetgeen in den
bloeitijd van onze Gereformeerde Kerken de opvat-
ting van Confessie en Catechismus was. Xiet als
lage het in iemands bedoeling, zich bij deze opvat-
-ocr page 14-
c
INLEIDING.
ting, als bij een soort geijkt Kerkelijk Evangelie
neder te leggen Daartoe immers weet elk Gere-
formeerde te goed, dat elk kerkelijk formidier ten
allen tijde examinabel blijft aan de H. Schrift;
alsook dat de strijd met nieuwe afdwalingen en
nieuwe ketterijen, gelijk ze in ome eeuw opkwamen,
telkens nieuio verweer en nadere bevestiging der
waarheid noodzakelijk maakt. Maar hetgeen in
elk geval vast behoort te staan , is o?is uitgangspunt;
en om dit vaste uitgangspunt te verkrijgen
, is er
geen ander noch een doeltreffender middel, dan
dat toe aan de groote Godgeleerden, die de Heere
in den bloeitijd der Dordsche Synode aan ome
Kerken schonk, afvragen, hoe zij de Formulieren
onzer Kerk verstonden.
Dit onderzoek is echter daarom voor de meeste
leden der kerk onmogelijk, omdat de toenmalige
Godgeleerden zich plachten te bedienen van de La-
tijnsche taal; en er geen denken aan is, om al
deze Latijnsche werken in het Nederduitsch over te
zetten. Waar nog bij komt, dat hun eigenlijke
Godgeleerde werken meestal zóó breed zijn opgezet
en in zoo geleerden vorm zijn gegoten, dat een
gewoon lid der Kerk ze toch niet zou verstaan,
ook al had hij ze vertaald voor zich.
We mogen daarom van geluk spreken, dat en-
kele onzer grootste mannen reeds destijds de nood-
zakelijkheid inzagen, om ook voor den gewonen man
te schrijven. Ze leefden in de gemeenschap der
heiligen en gevoelden zich daardoor gedrongen, om
ook in de behoeften van den gewonen burger en
landbouiver te voorzien. Hoewel meest aan onze
Hoogescholen geplaatst, leefden ze toch met hart
-ocr page 15-
7
INLEIDING.
en ziel het leven der kerk mede; verkeerden ze
onder de eenvoudige lieden evengoed als onder de
geleerden; en waren ze dientengevolge uitnemend
wel in staat, om ook in die gemeenzamer taal te
schrijven, die voor de stillen in den lande ver-
staanbaar ivas.
Tot die mannen behoorde nu ook de grootste
Godgeleerde, die in den bloeitijd van het Calvinisme
onder onze Gereformeerde tolken is opgestaan, de
beroemde Gijsbert Voet, of gelijk hij, met een ver-
latijmchten naam gemeenlijk genoemd wordt:
Gijsber-
tus Voetius. Zijn Kracht der Godsaligheyd, evenals
zijn
Catechisatie tegen de Remonstranten, en zijn
veelvuldige
Tractaten over den Sabbath, de Komedie
enz., zijn dan ook nog onder het vrome volk be-
kend en in eere. Maar wat ons volk in den regel
minder goed weet is, dat we van Voetius ook eene
Catechisatie op den Heidelbergschen Catechismus be-
zitten. Dit komt daar vandaan, dat dit werkje niet
op den naam van Voetius, maar op den naam van
den veel minder beduidenden
Cornelis Poudroyen ia
uitgegeven en zoodoende al spoedig in vergetelheid ge-
raakte. Eerst was dit anders. Toen heel het publiek nog
wist, dat Poudroyens Catechisatie eigenlijk een
Catechisatie van Voetius was, greep een ieder er
naar; en niettegenstaande den tamelijk grooten om-
vang, beleefde het dan ook binnen ettelijke jaren niet
minder dan
vier drukken, ivaarvan de laatste en
meest volledige in
1662 het licht zag. Neemt men
nu in aanmerking, dat de eerste druk in
1653, de
tweede in
1655, en de derde in 1659 verscheen,
dan geeft dit in ruim acht jaren tijds vier uitgaven;
iets wat voor zulk een werk en in dien tijd bijna
-ocr page 16-
8
IXLEIDINO.
ongehoord mag heeten. Later echter bedierf de ?wam
van Poudroyen de zaak. Men vergat dat deze Cate-
chisatie eigenlijk van den grooten Voetius was, en
zoo was het werk gestuit in zijn opgang.
Toch bestaat er geen twijfel over, of Poudroyen
heeft aan dit iverk geen meerder aandeel, dan dat
hij de gedachten van Voetius opving, in schrift bracht
en ter perse zond, na ze vooraf nogmaals door
Voetius zelven te hebben laten nazien en ijken.
Voetius zelf spreekt dan ook van deze
Catechisatie
als van een werk, ivaarvan hij eigenlijk zelf de vader
was. Hij zegt toch in zijn
Politica Ecclesiastica I,
p. 863: „ Welke vragen f bij de behandeling van de
Heidelbergsche Catechismus) nuttig zijn uitgedacht
en geformuleerd te worden
, kan men zien in de
Verzameling van vragen, die indertijd opgeteekend
zijn op mijne Catechisatiën door Cornelius Pou-
droyen, die jarenlang bij mij op de Catechisatie was,
en later aan deze Academie mijne lessen volgde;
en die hij later met de daarbij behoorende ant-
woorden, gelijk ik die zelf herhaaldelijk overwogen
en geformuleerd had, ter perse heeft gelegd." En
om nu duidelijk te doen uitkomen, dat hij zich
zelven het vaderschap in deze uitgave toekende, laat
hij er terstond op volgen:
„Mij toaren hierin voor-
gegaan de Godgeleerden in den Palts." Poudroyen
ontkent dat dan ook niet
, maar getuigt zelf in zijn
Dedicatie:
1°. dat de lijst der vragen niet van hem,
maar van Voetius herkomstig is, en in
1640 en
1650 te Utrecht als een afzonderlijk boekje het licht
zag; en
2°. dat de antwoorden op de vragen even-
eens niet van zijne vinding zijn, maar ontleend
werden aan het onderwijs van Voetius. Immers
-ocr page 17-
INLEIDING.
Voetius in zijne opdracht toesprekende, zegt hij:
„Na dien U.Eerw. van mijner kintsheyt mijnen
Catechist en Leermeester geweest zijt, en daerna in
de Academie van Utrecht door uwe seer groote en
neerstige devoiren, nevens Godt, mij tot hiertoe ge-
bracht hebt, ja, de materie van deze onse Catechi-
satie ten principale ut/t U.E. E. mont, zoo in
\'t Catechiseeren en Prediken, als oock in Acade-
mische lessen, dispuyten
, ende andere particuliere
schriften, gehaalt ende opgeteekent is, iaat hebben icij
dan minder kunnen doen,
als U.E. E. uut een
danckbaer herte weder op te dragen, hetgene van
U.E. E. gekomen is." (A. 5,6). Doch hier liet
Poudroyen het niet bij. Toen zijn werk gereed was
zond hij het aan de Classis te Gorinchem op, om
het kerkelijk te laten goedkeuren; en drong er bij de
Deputaten der Classis op aan, dat zij de keunng van
zijn iverk aan Professor Voetius zouden opdragen. Aan
dit verzoek gaven de Visitatoren gehoor, en Prof.
Voetius verklaarde zich bereid, er aan te voldoen.
En toen heeft Voetius, naar zijn eigen verklaring, die
in het Kerkelijk Consent te lezen staat, heel dit werk
„punctueelicken gezift", gelijk hij het uitdrukt, en
„daar het noodig toas zelfs tot de minste woorden
en manieren van spreken toe, zoo gecorrigeerd", dat
er nu niets in bleef, dat volgens Voetius niet con~
form de ware voorstelling der waarheid was.
Reeds in 1659 toen hij dit Kerkelijk Consent
onderteekende, kon men dus zeggen, dat heel het werk,
gelijk het daar lag, uit het brein van Voetius ivas
voortgekomen, en icel door een ander opgeteekend,
maar daarna door hem zelve van alle feilen, ver-
gissingen en onnauwkeurigheden gezuiverd. Maar
-ocr page 18-
1(1
INLEIDING.
hierbij bleef het niet. Toen in 1661 de vierde druk
ter perse zou gaan, heeft Ds. Pondroyen nogmaals
het verzoek tot Prof. Voetius gericht, om het ge-
schrevene op niemo te willen overlezen, en zoo er
mogelijk nog iets in was blijven staan, dat niet
geheel met zijn inzicht strookte, dit te willen ver-
beteren. „En toen," zegt Voetius in zijn schrijven
van
4 Maart 1661, „heb ik bij al mijn drukten
nogmaals mij de moeite getroost, om het ten over-
vloede op nieuw over te lezen, te beoordeelen en te
approbeeren." Niet zoo zeer om de zaken die er
in voorkicamen te wijzigen, icant dit deed hij slechts
op een zeer enkel punt, maar om vooral „de stijl
en de stelling der woorden" ten namvste wederom
te keuren en te examineeren, ten einde alle aanstoot
en misverstand te voorkomen.
De zaak staat dus zoo, dat 1°. de vragen door Voe-
tius zelven in schrift ivaren gebracht en uitgegeven; dat
2°. de antwoorden genomen zijn uit wat Poudroyen
van Voetius gehoord en gelezen had; dat
3°. Voetius
heel het werk nauickeurig nagezien en verbeterd
heeft eer het uit kivam; en dat
4°. Voetius ten
overvloede in
1661 ten tweede male heel deze Cate-
chisatie, zoo tvat den inhoud als icat de woorden en
uitdrukkingen aangaat, op het allernamvkeurigst
heeft nagezien en, voorzooveel noodig, nogmaals
gecorrigeerd, feitelijk is Poudroyen dus niets dan
een knappe klerk geweest, die voor Voetius de
moeite van het schrijven op zich nam; maar het
werk is en blijft het icerk van Voetius. Iets wat
vooral daaruit blijkt, dat hij niet aan Pou-
droyen eenig voorstel gedaan heelt, om dit of
dat te xvijzigen, opdat Poudroyen beslissen zou,
-ocr page 19-
11
INLEIDING.
wat zou blijven staan en wat veranderd zou worden ;
maar dat Voetius, geheel als gold het een werk van
zijn eigen hand, geschrapt, bijgevoegd en veranderd
heeft naar zijn eigen goedvinden. Voor ons kerkelijk
publiek staat het dus volkomen gdijk, of Voetius
zelf met eigen hand die antwoorden bij de vragen
had geschreven, of wel dat, gelijk nu het geval was,
Poudroyen de antivoorden, zoo goed hij kon, van
Voetius\' lippen opving, en mi zijn opstel aan Voetius
zond, om het na te zien, of het wel goed was, en
wat fout was, te verbeteren.
Ja, zoozeer beschouwde Voetius dezen arbeid als
een werk, ivaarover hij zelf oppermachtig te beschik-
ken had, dat hij in zijn brief van
4 Maart 1G61
zich nagenoeg geheel in Poudroyens plaats zet, en
een verzoek doet, als uiteraard alleen de auteur
zelf kon doen, om namelijk bij mogelijken herdruk
deze laatste revisie, en niet den tekst van een
der vorige uitgaven te gebruiken. Voetius rekende
er dus op, dat het bij dezen vierden druk niet blijven
zou, en sprak daarin blijkbaar de vericachting uit,
dat de Gereformeerde belijdenis hier te lande voortdu-
rend het hooge standpunt zou blijven innemen, ioaar-
van Cats toespraak op de Groote Vergadering getui-
genis gaf. Die hope werd intusschen niet verwezenlijkt.
Het Calvinisme is kort na Voetius dood ingeslapen
op zijn lauweren. Voetius geschriften zijn in on-
bruik geraakt. En niet lang meer, of de ondermij-
niny der Gereformeerde ivaarheid en de loswrikking
van de fondamenten der Gereformeerde kerken begon.
Toch school in die Belijdenis te goddelijke kracht
en kleefde aan die Kerk onzer vaderen te heilige
belofte, dan dat ze in dien slaap der zonde haar
-ocr page 20-
12                                            INLEIDING.
doodslaap zou vinden. Allengs kwam er dan ook
weer een ontwaken. De Gereformeerde naam is weer
machtig in het land geworden. En zoo is het dan
niet onvoegzaam
, dat thans, na ruim twee eeuwen van
vergetelheid, ook deze arbeid van Voetius weer onder
den volke worde gebracht en zijn uitzicht op een
Tijfden druk van deze Catechisatie na een tusschen-
ruimte van meer dan tioee eeuwe7i, in vervulling ga.
Toch leide niemand hieruit af, dat het mij raad-
zaam zou voorkomen, deze Catechisatie nogmaals
op onze Catechisatiïn in te voeren, en onze kwee-
Icelingen deze ruim
1300 bladzijden compressen druk
van buiten te laten leeren. Dat ivas toen ter tijd
wel de bedoeling; al is kwalijk na te gaan, of er
metterdaad vele kerken waren, die het ondencijs
in den Godsdienst op zulk een dorren en omvang-
rijken leest schoeiden. Bij zeer enkele leerlingen
moge dit gegaan zijn en vrucht hebben gedragen;
maar voor meer algemeen gebruik is deze manier
van Catechiseeren veel te uitvoerig en te breed opgezet.
Wel trachtte Poudroyen hieraan tegemoet te komen ,
door de vragen en antwoorden in vier klassen in
te deelen
, zóódat de met A gemerkte vragen voor
de eersibeginnenden
, die waar een B voor staat
met de reeds eenigzins gevorderden, de met een C
geteekende alleen voor de bijna volleerden, en de met een
D voorziene vragen alleen met enkele buitengewoon
knappe catechisanten behandeld werden; een methode
•die toen veel gevolgd werd, en die men ook in
Dr. Rotterdam\'s
Sions Roem en Sterkte terug
vindt; maar toch icas ook deze methode niet in
staat, om de jeugd anders te maken, als ze nu nog
is, en in de
17e eeuw icas. Kinderen blijven kin-
-ocr page 21-
13
IKLEIDING.
deren; en al is het zeer goed mogelijk, zelfs een
betrekkelijk jong kind, elke week een twintigtal
korte antiooorden van buiten te laten leeren, toch
xcordt nooit het doel bereikt
, dat ze er in een jaar
duizend leeren en van deze duizend er ook maar
twee honderd in het geheugen houden.
Dat men desniettemin in de 17* eeuw een poging
waagde
om dat doel te bereiken, lag volstrekt niet
aan zekere scholastieke dorheid van Voetius; maar
moet veel meer toegeschreven worden aan de toenmalige
gelegenheid der kerken hier te lande. Immers
Voetius was lang de eenige niet, die zulke boekjes
in de wereld hielp. Nog meer bekend zelfs icas het
gelijksoortig vragenboek van
Petrus de Witte; ter-
wijl behalve die van de Witte en van Poudroyen
ook nog in gebruik waren de handboekjes over den
Heidelbergschen Catechismus of naar den leiddraad
van den Heidelbergschen Catechismus van Groene-
wegen, Hakvoordt, Knibbe, de Lantman, Montanus,
Martinius Mees, Peenius , Suermond en Streso, die
alle in de tweede helft der
17e eeuw, of omstreeks
dien tijd, het licht zagen. Zelfs ivas deze methode
van catechiseeren niet bijzonder eigen aan Voetiaan-
sche richting; de Coccejaansche predikanten sloegen
geheel denzelfden weg in, en propten de kinder-
hoofden letterlijk vol met allerlei mystieke en alle-
gorische verklaringen, vervullingen der profetim en
indeelingen van de onderscheidene verbonden en be-
deelingen, waaronder de Kerk volgens hen ge-
leefd had.
De oorzaak van dit verschijnsel lag in de toen-
malige Volkskerk. Aanvankelijk vond men hier in
de dagen der Reformatie, zoo in steden als in
-ocr page 22-
14                                            INLEIDING.
dorpen, meestal kleine kerken, die bijna uitsluitend
gevormd werden door huisgezinnen, %~aarin de Bijbel
huisboek icas
, tcaarin traditiën leefden van wat de
voorouders om des geloofswille hadden uitgestaan
,
en die van zelf een godvruchtige opvoeding aan het
opkomend geslacht verzekerden. Maar sinds de keer
in de politieke zaken tcas dit anders geworden. Al
u-at de opgaande zon pleegt te aanbidden had zich
toen bij onze Kerken gevoegd. De Kerken zelve
vergaten maar al te spoedig, dat haar kracht niet
schuilt in het groote cijfer van haar leden, maar
in haar zuivere belijdenis en godzaligen wandel; en de
Overheid, die in de Boomschen kringen destijds een
gevaar voor de veiligheid van de Staat zag, achtte
zich zelfs gerechtigd, soms met militair geweld, den
I\'oomschen eeredienst op menig dorp in de Gerefor-
meerde bediening van het Woord en de Sacramenten te
veranderen. Daardoor is toen het getal der Gerefor-
meerden, dat oorspronkelijk het één tiende der bevol-
king niet te boven ging, al spoedig verzesvoudigd.
In sommige provinciën ging zelfs nagenoeg de ge-
hêele bevolking op die wijze tot de Gereformeerde
kerk over. En z^o ontstond de machtige Volkskerk.
Had men nu in die dagen op eens een vol-
ledig stel goed geoefende, degelijke predikanten
tot zijn beschikking gehad, zoo zou dit nog niets
geweest zijn. Maar zulk een stel predikanten
had men niet, zoodat men met de ordening tot
het predikambt zeer de hand moest lichten; en
ook dan nog tal van mannen moest aanstellen,
die niet gestudeerd hadden. Dit nu maakte, dat de
kerkelijke toestanden reeds zeer spoedig bitter treurig
teerden, en dat de betergezinde predikanten steen
-ocr page 23-
15
INLEIDING.
en been klaagden over den wereldzin, die in de kerken
binnendrong, Jn over het volslagen gebrek aan goede
kennis der xoaarheid. Reeds toen kwamen in de
grootere steden de massa\'s bijna nooit ter kerk, en
in de dorpen kerkte men nog wel, maar bij de
meesten was dit meer het voldoen van een plicht,
om in de kerk geseten te hebben , dan dat het levende
woord doordrong tot hun ziel. In een deel van
Friesland, van Zuid-Holland, van Gelderland en
op Walcheren was dit beter; maar in de overige
deelen van ons land was het reeds destijds een toe-
stand, om bij te schreien. Alleen daaruit verklaart
het zich dan ook, dat reeds een halve eeuw na het
doorbreken der Reformatie de ketterij van het
Remonstrantisme hier te lande zoo welig wortel kon
schieten. En wel heeft toen de strijd tegen de Re-
monstranten uitermate gunstig gewerkt, om juister
denkbeelden omtrent de Gereformeerde waarheid en
betere kennis van het Gereformeerde kerkrecht in-
gang te doen vinden, maar het kioaad voor onze
kerken lag toen in den op de Dordsche Synode be-
haalde triomf. Had men reeds destijds, na de vaststel-
ling der waarheid, het leunen op u n Staat verleerd, en
aan de Remonstranten volle vrijheid gegund, om zich
op voet „jn gelijkheid naast de Gereformeerde kerken
te organisecren, zoo mag aangenomen, dat de historie
onzer kerken een geheel ander verloop zou hebben ge-
had, en dat de overwinning, te Dordt behaald, in een
rijk geestelijk leven vrucht zou hebben gedragen voor de
eere onzes Gods en de belijdenis van zijn waarheid.
Zoo ver was men toen echter nog niet. Het
scheen toenmaals nog begeerlijk en geoorloofd
, om
aan het lidmaatschap der Gereformeerde kerken
-ocr page 24-
10
INLEIDING.
allerlei wereldsche voordeelen te verbinden; en dit
had van zelf ten gevolge, dat duizenden bij dui-
zenden, die niets met een Calvinistischen geest gemeen
hadden, toch in de kerk bleven en prijs stelden
op haar lidmaatschap. En loei beproefden toen de
kerken door toepassing van den ban de Remonstranten
uit haar midden te verwijderen, maar daartoe
bleek de massa van schijngeloovigen te groot; en
ook duldden dit de Staten niet. Alle eer zou aan
de Gereformeerde kerken gegund worden. Ze zouden
de Staatskerk; ze zouden de Volkskerk zijn; de
overheid zou ze van geld voorzien en steunen; maar
dan moest de strenge tucht ook ophouden, en de
kerkeraad veel door de vingers zien. Dit was de
schotel linzenmoes, waarvoor de kerken destijds haar
eerstgeboorterecht hebben verkocht, en die oorzaak
werd, dat de winste van de Synode van Dordt
op onberekenbare geestelijke schade uitliep. Dat
hiervoor gevaar bestond zagen mannen als Voetius dan
ook helder in, doch ze meenden, dat het nog mogelijk
zou zijn, dit kwaad te bezweren, zoo men degelijke
predikanten vormde, en het volk op de school en
in de catechisatie degelijker onderwees. En van
daar dan ook de poging om door zulk soort van vrage-
boekjes, als Poudroyen onder Voetius toezicht uit-
gaf, de ontaarding der Volkskerk tegen te gaan.
Men gevoelde, dat het aan de noodige kennis haperde,
maar vergat dat een inprenten van zekere stukken
der waarheid in het geheugen nooit tot een betering
van den toestand kon leiden, zoolang de geest in de
gezinnen en in de harten twijfelziek en wereldsch bleef.
Hun poging is dan ook niet geslaagd. Hun soort
boekjens zijn in het begin der 18e eeuw spoedig in
-ocr page 25-
17
INLEIDING.
onbruik geraakt. Het groote lichaam der Volkskerk
is innerlijk versteend. En toen nu een halve eeuw
later de geest van het Rationalisme uit Duitsch-
land en Engeland, en de geest der Revolutie uit
Frankrijk, hier binnendrong, brak al spoedig die
algeheele verwoesting van het kerkelijke leven uit, die
uitliep op de onzalige toestanden, die ome eeuxo
aanschouwd heeft, en die ten deele nog voortduren.
Uit dit verband blijkt genoegzaam, hoe ondoor-
dacht het zou zijn, indien men thans zidk een
Catechisatie als van Poudroyen nogmaals drukken
liet met het doel, om ze in te voeren op onze
Catechisatiën
, en ze onze kinderen uit het hoofd te
laten leeren. Wie van zulk een poging, na de
mislukking van wat Voetius bedoelde, heil verwachtte,
zou dan in elk geval een
nieuw vrageboek van dien
aard moeten opstellen, waarin de
hedendaagsche
ketterijen ontleed en bestreden werden. Maar wie
wijs is, zal van al zulk pogen aflaten. Dat de
kerken er op aan sturen, om den Heidelbergschen
Catechismus weer zooveel mogelijk tot het gemeengoed
der kerken te maken, is uitmuntend; en dat men de
leden der kerk ook thuis doet zijn in onze Belijdenis
en in de Dordsche Artikelen, is prijselijk; maar
dan kome er ook geen tweede vrageboekje bij. Ge-
heugenwerk heeft alleen waarde en beteekenis, in
zooverre het strekt, om aan de leerlingen zekere
juiste begrippen en zegswijzen bij te brengen; ter-
wijl omgekeerd alle geheugemoerk
, dat alleen dienst
doet voor het opzeggen, lijdverspillen is. Kon men
nu het remltaat bereiken, dat allengs, na volledig afge-
loopen Godsdienstonderwijs, onze kinderen een goed
deel woorden uit de H. Schrift, een goed deel
2
-ocr page 26-
18
INLEIDING
onzer beste Psalmverzen, en bovendien nog de hoofd-
vragen uit den Heidelbergschen Catechismus zóó kon-
den , dal ze dit alles als een geheugenschat in hun
leven medenamen
, zoo ware hiermede veel gewonnen
voor den Dienst des Woords, voor de huiselijke gods-
dienstoefeningen en voor de bestrijding van dwaal-
leer en zonde. Maar verder gaan we niet. Het van
buiten leeren van vragen over de Bijbelschegeachie-
deids geeft niets, daar deze vragen met de daarbij
behoorende antwoorden toch vergeten worden; en
is, zoo de H. Schrift geregeld in huis gelezen wordt,
ook overbodig. En iaat de uitlegging van den
Catechismus betreft, zoo is het van buiten leeren
van zulk een
Catechisatie als Poudroyen in het licht
zond, alleen geschikt, om ten slotte
alles te doen ver-
gelen, den Heidelbergschen Catechismus zelven incluis.
Neen, onze kinderen moeten niet opgevoed tot kleine
theoloogjes, maar tot een leven in het kindschap Gods.
Verstandelijke geleerdheid baart nooit Godzaligheid,
en niet in de hersenen, maar uit het hart zijn de
uitgangen ook van een Christelijk leven.
De herdruk van deze Catechisatie geschiedt dan
ook met een
geheel ander doel.
Er is namelijk in tal van Gereformeerde kringen
allengs een nevel gaan zweven over de zuivere belijde-
nis en de kennisse der waarheid Men ivil teel Gere-
formeerd zijn, maar men weet vaak niet, hoe
toch eigenlijk de Gereformeerde lijn loopt. Daar-
door nu ontstonden in tal van kerkelijke kringen soms
twee, drie stroomen, die er elk zijn eigen voorstelling
van de ivaarlmd op na houden, en die vaak onderling
over de waarheid strijden, zonder dat er iemand is,
die licht kan laten vallen op het in dispuut zijnde stuk.
-ocr page 27-
INLEIDING.                                             19
Kon men dan eens naar Utrecht gaan, en daar den
ouden Voetius nog vinden , zoo zou aan zulk geschil
spoedig een einde zijn; want men heeft lust aan de Ge-
reformeerde Belijdenis en stelt in een man als Voetius
nog onbepaald vertrouwen. Welnu, om
, nu dit
niet kan, het toch voor een ieder mogelijk te maken
,
om op tal van punten terstond te kunnen weten,
hoe de Gereformeerde lijn liep in de dagen der
Dordsche Synode, en wat Voetius over zulke stukken
dacht, kan niets zoo goede diensten bewijzen als juist
deze Catechisatie; althans voor wie thuis is in den
Heidelbergschen Catechismus. Immers behoeft men
zich dan slechts af te vragen, bij ivelke Zondags-
afdeeling het punt, ivaarover men in geschil ligt,
thuis hoort, en over deze Zondagsafdeeling even de
breede reeks van vragen te doorloopen, om bijna
altoos een kort, stellig en duidelijk antwoord te
vinden op de vraag, die men in het hoofd heeft.
Geraakt men dan door zoodanig gebruik van liever-
lede in onze Catechisatie thuis, dan verkrijgt het
steeds meer het karakter van een handboekje, waar-
in men met weinig moeite even na kan zien, hoe
het met het een of ander leerstuk, of met de eene of
andere vraag der practijk bij Voetius staat. En
toont men dan het antwoord of de uitspraak van
Voetius aan dengene, met wien men geschil kreeg, dan
zijn we er zeker van dat in negen van de tien ge-
vallen het geschil op eens beslecht zal zijn.
Slechts wake men daarbij tegen misbruik van
dit boek. Misbruik toch zou het zijn, indien men
aan de uitspraak van Voetius een
onfeilbaar karak-
ter toekende, zijn practische regelen als gebod op
gebod stapelde, en met Voetius in de hand alle
-ocr page 28-
20
INLEIDING.
zuiverder en verdere ontwikkeling van onze Gerejor-
meerde Belijdenis afsneed. Wie zóó te werk ging
zou Voetius gebruiken op een manier die door
niemand sterker dan door Voetius bestreden en
veroordeeld is. Voetius is een vijand van alle
Pauselijk gezag, zoo in de belijdenis der waarheid
als in het practische Christelijk leven; en hem twee
eeuwen na zijn dood zulk een gezag te willen opdrin-
gen zou een schending van zijn nagedachtenis zijn.
Noch Calvijn noch Voetius, maar
alleen de H. Schrift
blijft de goddelijke autoriteit voor onze belijdenis en
voor onze wandel. Maar wat én Calvijn en Voetius
ons wel kunnen geven, is dat ze u klaar en duidelijk
aantoonen, welke in den bloeitijd onzer Gerefor-
meerde Kerken de Gereformeerde Belijdenis omtrent
de waarheid Gods en het Christelijke leven was.
Zoo kunnen ze dan door hun geschriften ons den
dienst bewijzen, niet om de waarheid te keuren,
want daarvoor blijft Gods Woord de eenige Toets-
steen; maar wel om uit te wijzen, wat al dan
niet in de Gereformeerde lijn ligt, en ons zoo
die zuivere Gereformeerde draad weer in handen
te geven, ivaaraan het thans levend geslacht onder
de leiding van den Heiligen Geest voort kan spinnen.
De minachting, waaraan op het laatst der vorige,
en in den loop van deze eeuw, Poudroyens Cate-
chisatie wierd overgegeven, berust voor een goed
deel op onbekendheid met zijn werk; en wordt
voor het overige verklaard uit vijandschap tegen
de Gereformeerde waarheid.
Men moet namelijk weten, dat er in deze Cate-
chisatie twee stukken voorkomen, die aanstoot gaven.
Vooreerst de breede opsomming van allerlei wat
-ocr page 29-
IKLEIMKG.                                            21
cp den Sabbath al of niet mag gedaan worden;
en ten andere een breede reeks vragen over den
Vastelavond. Bij deze vragen nu is Voetius, en
op zijn voetspoor Poudroyen in een tiitvoerigheid
vervallen, die aan de spotzucht voedsel gaf, b.v.
door de vraag, of Gereformeerde ouders op Vastel-
avond pannekoeken voor hun kinderen mogen bak-
ken. En wijl nu de meeste bedillers niet wisten,
dat ze eigenlijk met een werk van Voetius te doen
hadden, achtten ze zich nu gerechtigd met den
armen Poudroyen den draak te steken, gelijk dit
nog in onze eeuw Dr. Glasius deed Intusschen is
deze lafheid door niets gerechtvaardigd. Voetius
heeft volstrekt niet bedoeld, dat zijn aanduiding
van hetgeen op den Sabbath al dan niet geoorloofd
zou zijn, als kerkelijke wei zoude geijkt worden
,
maar heeft alleen willen aangeven, hoe hij persoon-
lijk in dergelijke gevallen handelen zou. En wat
den „Vaslelavotid" betreft, zoo houde men in het oog,
dat Poudroyen uit Heusden was, en dat Voetius
te Heusden heeft gestaan. Dit deed vanzelf de
aandacht vestigen op de gevaren, die in de viering
van den „Vastelavond\'" voor de Gereformeerden
school. Kinderen en min nadenkenden houden vaak
van wat een prettigen avond bezorgt, en zoo wer-
den zwakke ouders er toe verleid, om in het
Roomsche Noord-Brabant
, hun kinderen en dienst-
boien met den Vastelavond te laten meedoen. Dit
misbruik nu wilde Voetius tegengaan. Hij oordeelde,
dat zulks voor een Gereformeerde niet te pas kwam.
En zoo nu keurde hij het ook af, dat weer an-
dere ouders, om hun kinderen thuis te houden,
\'imu thuis een feestmaal bereidden. Immers dit was
-ocr page 30-
22                                           INLEIDING.
toch weer een bedekt meedoen met wat uit den Room-
schen eeredienst voortvloeide en met onze Gerefor-
meerde Belijdenis streed. Voor onze meeste lezers
had dus dit aanhangsel over den „Vastelavond"
veilig weg kunnen blijven. Maar waartoe het
werk verminkt? Daargelaten nog, dat er ook
heden nog Gereformeerde gezinnen te midden van
een bijna uitsluitend Roomsche bevolking wonen,
voor wie ook in deze verhandeling over den „ Vastel-
avond" nog menige goede wenk bij de opvoeding
hunner kinderen ligt.
De enkele aanteekeningen, die hier en daar bij
den tekst zijn gevoegd, mogen wat hun doel en
strekking aangaat, voor zich zelven spreken.
En zoo ga dan ook deze herdruk van Voetius
Catechisatie onder ons Gerejormeerde volkuit, om
de oude palen, die zoo veelzins verzet zijn
, weder
recht te helpen zetten, en alzoo die degelijke,
grondige kennis van de waarheid te bevorderen,
die alleen macht heeft, om onze kerken aan den
wind van leering, die thans uit allerlei hoeken
waait, te doen ontkomen, en ze weer te stellen tot
een „pilaar en vastigheid der waarheid".
KÜYPER.
Amsterdam, 13 Juni 1891.
-ocr page 31-
CATECHISATIE;
3Bat 10/
Een grondige ende eenvoudige Onderwijfinge
over de leerc des Chnftelicken
CATECHISMI:
Beftaende in Vragen en Antwoorden.
€ot tii en ft taart ben oenen / We Tiacr tn öc O t e tin fan\'e/
tjtrr te lanbe gcbjupchtlicft/ toillru oeffenen.
d o o ^
CORNELIUS POUDROYEN, HcufJanus,
Dienaerdes Goddelicken woorts op \'t FortCrevecaur.
«Den tecDni 0;urli ban lücuVuo bp ben Kiltijctir feïfaf
oucifirn / ban»elc ö;utkfaurtn berberra/ De Dmi.uii enbe Hm*
tooojötn örjj fiiitfcbifmi/ aljmcDr 6cboojnanr.(lcJèrhHf>
tuer-plartfru boaj DeJcrrliiifftn uptcrO?ucht / cnOc uut
ttn tïciji ft rr ban De boojnaniift r it u rlu n O .Kr ban
(n beft €ati cljifaticorijanötltüirrr/berrgcht.
z.Timotb. j. if.
Ende dat ghy van kintaaf de heylige Schriften geweten hebt,
die u wijs konnen maken tot faligheyr, door hec
geloove \'t welck in Chrifto ]efu is.
3Ö00? Abraham Andrieflz, ©oecfebCrfeCOpet/ ttJOOtlttlfc?
bp\'t5>tabtj|tip0/ in\'t^föjöfboctl». 1662,
-ocr page 32-
AEN DEN CHRISTELICKEN LESER.
Alsoo dese Catecbisatie door de E. Classe Tan Gorinchcm in handen
geitelt was eenige Predikanten, onder Laer resorteerende om gerisiteert
te werden, ende desetve, nevens den Auteur, my versocht hadden, het
geheele werek ten naeunsteu te willen examineeren: Hebhe ick dezen
arbeyt op my genomen, ende alles punctuëlicken soo gesifl, ende daer het
noodigh was, na vermogen, selfs tot de minste woorden ende mauieren
van spreken toe, soo berrorrat, dat ick in den Heere vertrouwe daer innc
niet en sal bevonden werden, \'t gene tegen de geaonde woorden der Schrif-
ture, tr.de de gemeyne Leere onser Kercken sonde streden. Eenige aen-
hanghselen ende digressién, die, ten dienste van de kloeckste exercenten
ende leerlingen, bier ende daer hy den Autheur ingevoegbt zijn, konnen
met bare gronden ende allegatien der parijen ten principale, als oock
alle andere controverse stucken, in onse beste Scribenten gesocht ende
tfeleeeu werden, van den Geleerden ende allen anderen, die bare gelegent*
heyt sulcks toelaet. Van soodanige Scribenten doen wy pertinente aen-
wijsinge in onse Catecbisatie over den Catechismus der Remonstranten,
als oock in onse andere uvtgegeveu Schriften. Actum lot Utrecht desen
23. July, 1659.
i\'tcen dienst willigen in den Heere
GISB. VOETIUS.
AEN DEN CHRISTELICKEN LESER.
Alaoo dese Catechisatie dour den Autheur tut den vierden druck van
nieuws oversien ende verreerdight, my van den Drucker behandight wat,
om deaelve ten overvloet nochmaela te willen herlesen, oordeclen, ende
approbeeren: hebbe ick, niet tegenstuende mijne jtcduerige occupatien in
den dienst der Kercken, enÜK der Academie alhier, de nioeyten geerne
aengeuomen; ende by dese occasie hier ende daer eenige polncten en
redeneu (duch weyuige.) maer principalick den geheelen stijl ende stellinge
der woorden, daer mede de vragen ende antwoorden nytgedruckt werden,
ten naeuwsteu wederom gekeurt ende ge-examineert: ten cyude den
Biechten ende ongeoefleuden alles op \'t klaerste, sacbtste, ende vevlighste
voorgeatelt mochte voorkouten, ende niemant eenige occasie van twjjffe-
linge, verstcltenisse, ende misgrijpen gegeven werde. Wenscbeen versoecke
derhalven, dat, soo dit werek na desen ergens wederom herdruckt wert,
de tegenwoordige copye ende druck gevolght inocltte werden. De Christe*
licke leser gelieve onsen geringen arbeyt ten goede te gebruyeken i alsoo
wy in den Heere vertrouwen, de selve niet overtolllgh of oudienstigh te
zijn: dewjjle op het scbaeven ende retineeren van diergelycke bondige
ende beknopte, nochtans eenvoudige ende klare Catechitische concepten,
met recht gepast magh werden het seggen van een onder de Ouden:
De Deo etiam vera dicere periculosum est, dat is: Het is periculeus, selfs
oock de waerheyt van Godt te spreken. Soo dat uien noyt te seer om-
sichtigh ende klacr alles tegen de misverstanden ende dwalingen, na het
begrijp der eentoudigen, ende tot hulpe van hare memoricn, scïiickeu
e .Ie formeereu kan. Actum tot Utrecht desen i. Martij, ouden stijls, 1661.
Vtcen dienslicitHgen in den Heere
GISIÏERTUS VOETIUS,
Dienier des Woorts, ende Professr der Theologie
tot Utrecht.
Uytgegeven, volgens d\'ordre van den 55. Artijckel der Kerc\'
ken\'Ordeninge
, gecisneert, ende gearresteert in \'t laetste
Nationael Synode, gehouden binnen Dordrecht, Anno 1019.
-ocr page 33-
Aen de Eerwaerde, Godtvruchtige, Voor-
sienige , Hooghgeleerde Herders ende
Leeraers der Gereformeerde Kercken
Jesu Christi, begrepen onder de
Christelicke Synoden van Zuyd- ende
noord-hollant.
Item, Den Eerwaerden, seer Godtsaligen,
Hooghgeleerden, Wijtberoemden, D. D.
Gisberto Voetio, Dienaer des
GODDELICKEN W00RTS, ENDE PROFESSOR
der H. Theologie tot Utrecht.
Eerwaerde, Godtvruchtige, Hooghgeleerde ;
Daer is in ons Vaderlant, nevens de suyvere predi-
kinge van Godes heylige Woort, een seer loffelick
gebruyck ende maniere van onderwijsinge der jeught
ende jonge lieden in de fundamenten der ware Christe-
licke Religie \'t welck genoemt wort Catechiseeren :
zijnde een mondelinge onderwijsinge, by maniere van
Vragen en Antwoorden, aengaende de beginselen ende
fundamenten der saligheyt. Een gebruyck het welck
niet nieuw, maer oudt is: want nadien Godt niet
alleen een Godt is van de volwassene, maer oock der
kinderen ende jonge jeught: Genes. 17. 7. Ende ick
sal mijn verbont oprichten tusschen mij, ende tusschen u
,
t\'nde tusschen uwen zade na u in hare geslachten, tot een
eeuwigh verbont: om 11 te zijn tot eenen Godt
, ende uwen
~ade na u. Soo is \'t,
dat de geloovigen oyt en oyt
-ocr page 34-
26
DEDICATIE.
haer best hebben gedaen, om de jonge jeught wel in
te scherpen de leere der saligheyt, ten eynde sy Godt
naer behooren kennende, oock naerbehoorenmochten
eeren ende dienen. Soo sien wy, dat de Patriarchen
(dewijle de leere der saligheyt noch niet beschreven
was) hooghnoodigh geacht hebben, deselve haren
kinderen mondelingh voor te dragen , wel in te scher-
pen, ende als van hant tot hant over te leveren, ge-
lijck de Heere onse Godt dies aengaende van den
Patriarch Abraham getuyght, Genes. 18. 17, 18, 19.
seggende: Sal ick voor Abraham verbergen, wat ick
doe, &c. ? want ick hebbe hem gekent, op dat hy
sijnen kinderen ende sijnen huyse na hem soude be-
velen, ende sy den wegh des Heeren houden, om te
doen gerechtigheyt ende gerichte. Ende niet tegen-
staende naderhant de leere der saligheyt door Mose,
den man Godts, is beschreven geworden; soo heeft
daerom dit gebruyck van onderwijsen ten tijde van
d\'Israölitische Kercke niet opgehouden, maer seer ge-
floreert : gelijck afgenomen kan worden uyt de parti-
culiere Scholen, die de Propheten tot onderwijsinge
der jeught ende jonge lieden in grooten getale hier
en daer gehouden hebben, als onder anderen te sien
is 1. Sam. 10. 10. en 19. 18. 2. Keg. 2. verss. 3, 5.
en 4. 38. en 6. 1. In den Nieuwen Testamente is
mede dit gebruyck ten tijde van de Apostelen neer-
stigh waergenomen geweest, gelijck Timotheus met sijn
eygen exempel ten vollen bekent maeckt: waer van
de Apostel Paulus roemt, 2. Timoth. 3. 15. dat hy
van kints af de heylige Schriften geweten heeft.
Gelijck oock na de tijden der Apostelen, ten tijde van
de eerste primitive Kercke ende Gemeynte, sulcks is ge-
practiseert, blijckende uyt de distinctie ende onderscheyt,
doen ter tijt gebruyckelick, van Catechistw ende Cate-
chumeni:
zijnde Catechistce, die den Catechismus, dat
is, de eerste beginselen, ende fundamenten der ware
Christelicke Religie, onderwesen, ende de jeught en
andere verklaerden ; ende Catechioneni, die in de selve
-ocr page 35-
27
DEDICATIE.
onderwesen wierden: gelijck Teiiullianus, Cyprianus,
Eusebius ende andere oude Schrijvers aenwijsen. Welck
seer loffelick gebruyck van onderwijsen in dien tijt
niet en is verstorven; maer door Godes genadige ze-
gen, als een dauw Hermons, die nederdaelt op de
bergen Zions, Psalm 133. 3. ten hedige dage op vele
verscheydene Kercken der ware Religie in ons Vader-
lant mede nedergedaelt is; gelijck niemant daer van
kan noch sal zijn onwetende, dewelcke ons Vaderlant
bewandelt heeft. Een gebruyck, daer van men niet
moet oordeelen, dat \'er weynigh aen gelegen is, en
dienvolgens wel magh achter wegen gelaten werden:
maer het welck ten hooghsten nootsakelick is, en dat
om dese navolgende redenen. 1. Om dat de Heere
selfs sulcks belast ende geboden heeft, als onder an-
deren Exod. cap. 12. verss. 26, 27. en 13. 8. Deuter.
4. 9. en 6. 7. ende op andere plaetsen meer te sien
is. Alwaer de Heere belast, dat de kinderen, ende
het geheele huysgesin sullen onderwesen werden van
\'t gebruyck des Paesch-lams: dat de ouders den kin-
deren sullen voorhouden de historie van de verkon-
diginge der Wet: item, dat haer sal uytgeleyt ende
ingedruckt werden de leere van de eenigheyt Godts,
ende sijne volmaeckte liefde. 2. Om dat de eere Godts
sulcks vordert: want deselve vereyscht, dat Godt niet
alleen van de volwassene, maer oock van de kinderen
te rechte gekent ende gepresen werde, gelijck de
Psalmist te kennen geeft, Psalm 8. vers 3. Uyt den
ruont der kinderkens ende der suygelingen, hebt ghij
sterekte gegrontvest, om uwer tegenpartijen wille,
om den vyant ende wraeckgierigen te doen ophouden.
3. Om dat daer door niet alleen de jonge jeught,
maer selfs oock de swacke ende eenvoudige, die nu
al tot hare jaren gekomen, ende vry noch onwetende
zijn in de beginselen ende fundamenten der ware
Religie, mogen onderwesen werden: waer toe, neffens
de publijcke verklaringe der Catechetische stucken op
den Predickstoel, gi-ootelicks helpen sal dese particu»
-ocr page 36-
28
DEDICATIE.
liere ende mondelinge onderwijsinge. 4. Om dat
andersins de vyanden der waerheyt geen kleyne,
maer vry groote avantagie sullen hebben, om de jonge
jeught, als oock de swacke ende eenvoudige lieden
te verleyden, ende van de ware leere af te trecken:
want soo wanneer sy niet ter degen geoeffent ende
onderwesen zijn in de Vaderlicke Wet, soo sullen
sy, als los staende, der vyanden valscheden ende
bedriegerijen niet bequamelick komen mereken, nochte
haer na behooren konnen tegenstaen. Waerorn selfs
die van \'t Pausdom, die andersins vyanden zijn van
de kennisse ende wetenschap, ten aensien van de
Idioten ende eenvoudige menschen, ettelieke jaren
herwaerts dese maniere van onderwijsinge door hare
Emissarissen, selfs door hare Kloppen, &C. hier en
daer in de Steden onses Vaderlants insgelijcks hebben
ingevoert. Maer gelijckerwijs dit gebruyek ten hoogh-
sten nootsakelick is, als uyt de bovenverhaelde rede-
nen kan afgenomen werden, soo is\'t oock niet min
profijtelick. Want 1. de jonge jeught, als oock de
bejaerde lieden, op dese maniere in de schole Christi
geoeffent zijnde, gesterekt ende als scheutvry ge-
maeckt werden tegen de vyerige pijlen des Duyvels,
ende sijner goddelooser instrumenten, als daer zijn de
Ketters ende Perturbateurs van de gesonde leere. Ja
sullen haer volkomelick konnen den mont stoppen,
soo datse met schande sullen moeten wijeken en deur-
gaen. 2. De jonge jeught van kints af met dese onver-
valschte melck van de suyvere leere der saligheyt ge-
voedet zijnde, sullen, tot hare jaren gekomen zijnde,
bequaem zijn om den Heere haren Godt na behooren
te vreesen ende te dienen: als oock om haer selven
sonder afwijekinge te houden op \'t padt des levens,
gelijck Salomon sulcks te kennen geeft Proverb. cap.
2. verss. 8, 9. C/> dat sy de paden des rechts honden ,
&c. De jonge jeught, als oock de bejaerde lieden,
aldus geoeffent zijnde, sullen met meerder nuttigheyt
ende profijt de predicatien, ofte \'t gepredickte woort
-ocr page 37-
DEDICATIE.                                           20
Godts konnen aenhooren ende verstaen, als deselve
als dan wetende te brengen tot sekere hooftstucken
der Religie, die sy geleert hebben. 4. Hier door wort
niet alleenlick de Kercke Christi vast geset, ende tegen
het rijcke des Satans bewaert, maer oock grootelicks
voortgeset; ja daer is een groeijen ende bloeijen van
de Gemeynte, alwaer dese mondelinge onderwijsinge
in vollen vigeur ende kracht is, gelijck daer van kon»
nen getuygenisse geven die haer hier mede besigh
houden. 5. Hier door wort alle dis-ordre in de Kercke
ende Politie voorgekomen: ja de rechte eenigheyt der
Kercke ende Politie behouden ende bewaert: want
gelijck onwetenheyt alle dis-ordre veroorsaeckt, soo is
\'t dat wetenschap ende verstant ruste ende vrede lief
heeft, als Salomon aenwijst, Proverb. cap. 2. verss.
10, 11, 12. Als de wijsheyt in u herte gal gekomen zijn,
ende de icetengchap voor uwe ziele gal lieftick zijn; goo gal
de bedachtsaemheyt over u de wacht houden, de vergtaif
digheyt gal u behouden, d-c,
6. Ende ten laetsten, soo
wort hier door bekomen de saligheyt ende \'t eeuwige
leven, als zijnde in de ware kennisse Godts ende sijns
Soons gelegen, volgens het getuygenisse Christi, Joh.
cap. 17. vers. 3. Ende dit is het eeuwige leven, dat gy
u kennen den eenigen waerachtigen Godt, ende lesum
Chrigtum
, dien ghy gesonden hebt. Waerom dan niet
alleen alle getrouwe Herders ende Leeraers, voor soo
veel haer mogelick ende doenlick zy, soodanige Catt\'
chisatien
in hare Kercken ende Gemeynten behoorden
in te stellen, maer oock selfs alle Godtvruchtige
Schoolmeesters in hare scholen, als mede alle Godt-
salige Huysvaders ende Huysmoeders in hare huys-
gesinnen. Op dat alsoo jonck en oudt onderwesen
werdende in de wegen des Heeren, niet alleen met
der daet magh bekrachtight werden de spreucke
Christi, Joh. cap. 6. vers 45. Ende gij gullen alle van
Godt geleert zijn:
als mede de prophetie Joëls, aen-
gaende de tijden des Nieuwen Testaments, Joel 2.
verss. 28, 29. Ick sal mijnen Geegt uytgieten op al!e-
-ocr page 38-
80
DEDICATIE.
rleesch, ende uwe sonen ende uwe dochteren sullen prophe-
teeren, de.
Maer oock beyde jonge ende oude lieden
mogen bekomen die heerlicke ende uytnemende vruch-
ten, dewelcke uyt ende door soodanige Catechisatien
komen te ontstaen ende verkregen werden. Doch,
alsoo misschien by sommige Catechisten (insonderheyt
onder de Schoolmeesters, Huysvaders, ende Huys-
moeders) wel de lust ende genegentheyt zijn sal, om
door soodanige Catechisatien de jonge jeught, ende
andere jonge lieden in de grontstucken der ware
Religie te oeffenen, maer by mancquement van goede
stoffe ende materie, als oock by gebreck van een
goede maniere van voorstellinge, aengaende de leere
der saligheyt, en dat na yeders capaciteyt ofte be-
quaemheyt, deselve achterwegen blijven. Soo is V,
dat wy, tot dienst van alle die gene, dewelcke sou-
den mogen gesint ende genegen zijn, om andere de
salighmakende leere wel in te scherpen, geresolveert
hebben te beantwoorden de Vragen over den Catechistnum;
voor desen by ons uyt de Catechisatien des Hoogh-
geleerden en Wijtberoemden Professors Gisberti Voetij
opgeteeckent ende uytgegeven, ende doen ter tijt om
redenen onbeantwoort gelaten: welcke wy oock hier
en daer naer eysch van saken vermeerdert hebben.
Ten eynde eenige, die sulcks soude konnen behulpe-
lick zijn, een seker voorschrift ende maniere van
Cathechiseeren mochten hebben; om volgens deselve
niet alleen haer selven, maer oock de jonge jeught,
ende andere jonge ofte bejaerde lieden, yeder na sijn
begrip en bequaemheyt, daer in naer behooren te
onderrechten, ende alsoo tegen de valsheden ende
verleydingen der Ketteren sterek te maken. Gelijck
wy oock dies aengaende dese onse Catechisatie met de
letteren A, B, C, D. hebben gestelt, verstaende door
de letteren A en B soodanige leerlingen, die minst
geoeffent zijn: ende door de letteren C en D soo-
danige, die tot meerder verstant ende kennisse zijn
gekomen: gelijck de Hooghgeleerde ende Wijtberoemde
-ocr page 39-
31
DEDICATIE.
Professor Gisbertus Voetius in de voorreden van de
Vragen over den Catechismum klaerlick te kennen geeft.
Nu, dat wy dese onse Catechisatie U L. Eerwaerde,
Godtvruchtige, Voorsienige , Hooghgeleerde Herders
ende Leeraers opdragen, en moet niemant vreemt
duncken: want wy sulcks niet en doen om UL.
stoffe ende materie, als oock een methode van Cate-
chiseeren te geven, ende voor te schrijven: (want
wie zijn wy, dat wy U L. Leeraer zijn souden ? ende
wat is ons verstant ende kennisse, dat het sweven
soude boven U L. verstant ende wetenschap *?) Maer
alleenlick, om daer mede onse hertgrondige genegemS
heyt ende demoedigen dienst jegens U L. (als onse
mede-arbeyders in den Heere Christo zijnde) als oock
jegens de Kercken Christi, over welcke de Heere
U L. tot Opsienders gestelt heeft, te bewijsen. Oock
sekerlick wetende, dat, gelijckerwijs U L. niet lievers
noch aengenamer is, als het aenwassen ende groeijen
U L, Gemeynten in de kennisse der leero, die na de
Godtsaligheyt is: mede UL. niet onaengenaem sal
zijn dese onse Catechisatie. Niemant moet oock vreemt
schijnen, dat wy dese onse Catechisatie u Eerwaerde,
seer Godtsalige Hooghgeleerde, ende Wijtberoemde
Professor toe-eygenen. Want nadien U E. E. van mijne
kintsheyt mijnen Catechist ende Leermeester geweest
zijt, ende daer na in de Academie van Utrecht door
uwe seer groote ende neerstige devoiren, nevens
Godt, my tot hier toe gebracht hebt, ja de materie
van dese onse Catechisatie ten principale uyt U E. E.
mont (soo in \'t Catechiseeren ende Prediken, als
oock in Academische lessen, dispuyten, ende andere
particuliere schriften) gehaelt ende opgeteeckent is;
Wat hebben wy dan minder konnen doen, als U E. E.
seer grooten arbeyt aen ons bewesen, danckelick te
erkennen, ende U E. E. met een danckbaer herte
weder op te dragen het gene van U E. E. gekomen is\'?
Wilt dan, Eerwaerde , Godtvruchtige, Hooghgeleerde
Dienaren Christi: ende seer Godtsalige, Hooghgeleerde
-ocr page 40-
32                                           DEDICATIE.
ende Wijtberoemde Professor, desen onsen arbeyt
ende gifte, hoewel seer geringh ende kleyn, met een
toegenegentheyt des gemoedts ontfangen. Sullen onder-
tussehen niet nalaten, den Heere vyerighlick te bid-
den voor de behoudenisse uwer persoonen, ende voor
den welstant der Kercken, die U E. toebetrouwt zijn.
Waer mede wy oock eyndigende U L. altesamen be-
velen Gode, ende den woorde sijner genade.
V L. aller dienstbereijde in Christo,
COEN. PoUDROYEN.
Actmii Creveoxttr, tlesen
21. Imuuti, 1659.
-ocr page 41-
Aen de Christelicke Jeught deser Nederlanden, die hacr
in de Catechisatien begeeren te oeffenen.
Weerde ende lieve in Christo, Daer is een seer
groot quaet onder de Zonne, namelick, dat van vele
menschen, of gantschlick niet, of immers seer wey-
nigh en slappelick betracht wert, het welck alder-
meest, ende ten alderhooghsten behoorde nagejaeght
te wórden. Het voomaemste ende principaelste daer
mede de menschen in dese werelt sich behoorden te
bekommeren, is de behoudenisse ende saligheyt haer-
der zielen, gelijck de Heere Christus klaerlick aen-
wijst, Matth. 6. 33. seggende: Soeckt eerst het Ko-
ninckrijcke Godts, ende sijne gerechtigheyt. Ende de
Apostel Paulus, Philip. 2. vs. 12. Werckt uwes selfs
saligheyt met vreese ende beven. Maer eylaas! de
daeghlicksehe bevindinge geeft ter contrarie te kennen,
hoe dat vele menschen, ja den meesten hoop der
selver, haer weynigh met de saligheyt haerder zielen
zijn bekommerende, maer met Esau om een linsen
koocksel, Genes. 25. vs. 34. met Hebr. 12. IC. haer
eerst-geboorte-recht wech geven: en liever hebben met
de vleeschelicke Israëliten de vleesch-potten, den
ajuyn ende loock van Egypten, als gevoedet te wer-
den met het hemelsche Manna: Numer. 11.5. en met
de Rubeniten, Gadditen, ende den halven stamme
Manasse de bequaemheyt van het lant Jaëzer ende
\'t lant Gilead voor haer vee, Numer. 32. 1. als met
3
-ocr page 42-
34                       AEX DE CHMSTELICKE JEÜOHT
haer broederen te genieten don honich ende melck
van het beloofde lant Canaan: ende met de Ger-
gesenen hare swijnen als Cliristum. Matth. 8. 34.
Als oock meer zijn houdende van den draf van dese
nietige en verganekelieke dingen deser werelt, dan
van de hemelsche en geestelicke goederen daer boven.
Ja vele zijn soo veraert ende verbastert, datse Godt
den Heere den hemel wel souden willen laten, by
aldien hy haer d\'aerde eeuwelick wilde beloven ende
toeseggen. En die noch eenighsins lust en treek tot
het geestelicke willen schijnen te hebben, zijn soo
laeuw en flaeuw in \'t betrachten van \'t selve, soo
datse seer selden haer daer mede sullen besigh hou-
den, ende komen sullen in de tegenwoordigheyt
Godes, om het goede voor hare zielen te wereken,
en dit alles van wegen de liefde deser werelt, daer
in sy gantschlick als versopen leggen. Daer nochtans
in dese werelt, en de besittinge des selfs, de minste
troost voor de ziele niet kan bekomen werden, gelijck
de Prediker te kennen geeft, cap. 1. vs. 2. seggende:
Ydelheyt der ydelheden, \'t is al ydelheyt. Ja de men-
sche de werelt, met al het gene dat \'er in is, naer
sijn contentement genietende, ende ondertusschen dit
hemelsche ende geestelicke missende, is in den
alderellendighsten ende rampsalighsten staet die oyt
bedacht kan worden, volgens het getuygenisse Jesu
Christi, Matth. 16. 26. Wat batet een mensche soo
hy de geheele werelt gewint, ende lijdt schade sijner
ziele? Of wat sal een mensche geven tot lossinge
van sijne ziele? Gelijck oock het gemeyn spreeck-
woort heeft, Goet verloren veel verloren, maer ziel
verloren al verloren. Soo dat alle soodanige menschen
op het schip van dese seer groote liefde tot do werelt,
ende al het gene in de werelt is, sittende, ende dese
geestelicke haven der saligheyt voorby zeylende, niet
anders als een seer droevige ende jammerlicke schip-
breucke sullen hebben te verwachten, daer in sy, met
alle het gene daer op sy betrouwt hebben, sullen
-ocr page 43-
85
DESER NEDERLANDEN.
te gronde gaen, by soo verre sy haer niet bekeeren,
ende de saligheyt haerder zielen met allen ernst en
yver komen te betrachten. Waerom dan alle die gene,
die hare saligheyt liefhebben, de werelt de werelt
moeten laten zijn, ende insonderheyt hare sorgh-
vuldigheden ende bekommernissen moeten laten gaen
over de behoudenisse ende welstant haerder zielen,
wetende , ende versekert zijnde dat haer als dan het
goede sal volgen, haer leef dage; datse sullen heb-
ben de begeerten hares herten, Psalm 37. vs. 4.
ende haer alles sal toegeworpen worden. Matth. ö. 33.
Nu, om den welstant der ziele wel ende wettelick te
betrachten, is voor alle dingen van nooden, dat men
voorsien is met de ware kennisse Godes. alsoo daer
in de behoudenisse ende welstant der ziele gelegen
is, volgens het gene de Heerc Christus segt, Joh. 17.3.
Ende dit is het eeuwige leven, datse u kennen den
eenigen waerachtigen Godt, en Jesum Christum, dien
ghy gesonden hebt. Want alhoewel aen d\'een zijde
die van \'t Pausdom drijven, dat het geloove in een
onwetenheyt bestaet, ende dienvolgens de wetenschap
ende kennisse uyt de gemeyne lieden soecken te
bannen, houdende die als voor sectarisen, die den
wegh der saligheyt ter degen trachten te verstaen,
ende ter contrarie voor goede Catholijcken, die sim-
pelick maer gelooven het gene de Kercke, dat is,
de Paus van Roomen gelooft, haer niet verders
ergens mede bekommerende. En dat tot geenen ande-
ren eynde, als dat de gemeyne lieden hare corrup-
tien ende vuyligheden niet souden sien noch mereken.
En aen d\'ander zijde vele menschen selfs onder ons
oordeelen, dat de minste wetenschap ende kennisse
verre best is, haer wijs makende, dat van die gene,
die vele weet, veel sal ge-eyscht worden, ende van
die niet veel weet, niet veel sal ge-eyscht worden.
Soo leyt nochtans de sake soodanigh, dat, by aldien
dese kennisse in yemants herte niet logeert, hy oock
geen staet behoeft te maken van oyt of oyt te sullen
-ocr page 44-
36                       AEJJ DE CHKISTELICKE .IEUGHT
saligh worden, gelijck uyt dit naervolgende kan afge-
nomen worden. 1. Om dat geen kennisse te hebben
strijt uytdruckelick tegen het woort Godts, als onder
andere tegen Esai. 53. 11. Door sijne kennisse sal
mijn knecht, de rechtveerdige, vele rechtveerdigh
maken. Joh. 17. 3. Ende dit is het eeuwige leven
dat sy u kennen, <fcc. Rom. 10. 14. 1 Corinth. 10. vs. 15.
ende 14. 20. 2 Thess. l.vss. 8, 10. Met vlammenden
vyere, wrake doende over de gene die Godt niet en
kennen. 1 Tim. 2. vs. 4. 2. Tegen \'t oogemerck
Godts, in \'t senden van sijne Propheten ende Leeraers,
als oock tegen de instructie die hy haer geeft, het
welck is om den voleke sijnen wille te openbaren
ende bekent te maken, als te sien is Actor. 20. 17, IS.
Verlossende u van dit volck, ende van de Heydenen,
tot dewelcke ick u nu sende, om hare oogen te ope-
nen , &c. 3. Tegen het verbont, het welcke de Heere
aengaet met alle die gene, die hy tot de saligheyt
wil brengen, bestaende ten eersten in kennisse Gods
ende sijner Wetten, als de Apostel aenwijst Hebr.
8. 10. seggende, Ick sal mijne Wetten in haer ver»
stant geven, ende in hare herten sal ick die inschrij-
ven. 4. Tegen de privilegiën ende weerdigheden van
Godts kinderen, dewelcke soodanigh zijn, datse zijn
Propheten, Priesters, Koningen. 1. Petr. 2. 9. Van Godt
geleert, Joh. 0. 45. De salvinge des H. Geestes hebben.
l.Joh. 2. 27. Alle dingen onderscheyden. 1. Corinth. 2.
15. Oordeelen. 1. Corinth. 10.15. Ondersoecken, beproe-
ven. 1. Corinth. 11. 28. ende 2. Corinth. 13. 5. Ephes.
5. 10. Leeraers zijn. Hebr. 5. vs. 12. In den geloove
toenemen ende opwassen. Ephes. 4. 15. 1. Petr. 2. 2.
\'t Welck alles sonder kennisse niet en kan bestaen.
5. Tegen de ware eygenschap des geloofs, welck
soodanigh is, dat \'er geen ware geloof zijn kan, daer
geen kennisse ende wetenschap is, als te sien is
Joh. 9. 35, 36. Jesus hoorde datse hem uytgeworpen
hadden, ende hem vindende, seyde hy tot hem, Ge-
looft ghy in den Sone Godts? Hy antwoorde, ende
-ocr page 45-
37
DESER KEDEBLAHDEK.
seyde, Wie is hy Heere, op dat ick in hem magh
gelooven? Rom. 10. vs. 14. Ende hoe sullen sy in
hem gelooven, van welcken sy niet gehoort en heb-
ben? Titum 1. vs. 1. Waerom oock het woort, \'t woort
des geloofs genoemt wort, Rom. 10. 8. sonder welck
geloof het onmogelick is Gode te behagen. Hebr. 11. 6.
Doch wat deze kennisse belanght, daer van dient
geweten, dat alle kennisse Godts niet heylsaem, noch
Gode aengenaem is. Want daer is een menschelicke
kennisse, ende een Goddelicke kennisse. Een men-
schelicke kennisse, welck een mensche bereyckt door
de bloote leere van andere menschen, ende door sijn
eygen vernuft ende neerstigheyt, die hy besteedt in
het lesen, hooren, ende ondersoecken der saken Godes,
welcke oock wel bekomen de onherborene menschen,
gelijck de ervarentheyt leert. Want daer zijn vele
menschen van een quaet leven, die evenwel seer
geleert zijn in de menschelicke kennisse der saken
Godts; ja dickwils daer in te boven gaen vele vrome
ende uytverkorene kinderen Godts, soo datse van alle
poincten der Religie punctueel weten te spreken,
ende te discoureeren, van dewelcke de Apostel spreekt,
Titum 1. 10. seggende, Sy belijden datse Godt kennen,
maer sy verloochenen hem met de wercken, alsoo sy
grouwelick zijn ende ongehoorsaem, ende tot alle goet
werck ondeugende. Dese, nadien sy hare kennisse niet
aenleggen tot de practijcke, want sy die niet bekent
maken door goede wercken, soo plegen sy daer door
te swellen, ende werden daer door seer opgeblasen.
1. Corinth. 8. vs. 1. De kennisse maeckt opgeblasen,
maer de liefde sticht. Staende slechts door dese hare
kennisse naer ydele eere , reputatie ende verhooginge :
want hare kennisse en is niet sonde ende massijf,
maer ydel ende opgeblasen. Dit en is de rechte
kennisse Godts en de sijns Soons Jesu Christi niet,
maer is slechts een gedaente der ware kennisse Godts.
Dese knauwen slechts aen den bast ende schelle der
Goddelicke dingen, maer komen noyt aen de kern
-ocr page 46-
38                       AEN DE CHKISTELICKE JEUGHT
ende pit der aelver. De Goddelicke kennisse is die
kennisse, welcke Godt de Heere selfs door een boven-
natuerlicke werckinge des heylighmakenden Geests
sijne jonstgenooten alsoo inscherpt, dat sy komen te
penetreeren, ende door te dringen tot het gevoelen
ende smaeck der Goddelicke dingen, daer door dan
oock in hare herten ontsteken wort een wonderlicke
liefde, sucht, treek, affectie ende genegentheyt tot de
bekende dingen Godes ende Christi (gelijck eene die
de soetigheyt eenes dinghs ter degen nu gesraaeckt
hebbende, daer door des te meer ontsteken wort in
lust ende begeerte na het selve) in sulcker voegen,
dat haer herte daer op gestelt is, daer aen hanght,
ja sich als gesmolten vint door de vyerige begeerte
en verlangen na dezelve. Soo dat de Christelicke
ziele door dese kennisse der Goddelicke dingen, de
forme en gedaente der dingen Godts en Christi in
sieh ingedruckt krijght, gelijck de Apostel Paulus te
kennen geeft, Rom. 6. 17. seggende: Maer Godt zy
danck, dat ghy wel dienstknechten der sonde waert,
maer dat ghy nu van herten gehoorsaem geworden
zijt den voorbeelde der leere, tot het welck ghy over-
gegeven zijt. En die aldus bevrocht worden door de
kennisse der dingen Godts en Christi, die hebben
een Godlicke kennisse deser dingen, en die werden
geseyt van Godt geleert te zijn, Joh. 6. 45. diens
leere altoos soo krachtdadigh is, dat \'er de mensche
oock altoos maeckt te doen, en te betrachten \'t gene
hy alsoo van Godt geleert heeft. Waarom de Heere
Christus wel seyt, Joh. 6. 45. Een yegelick dan, die
het van den Vader gehoort ende geleert heeft, die
komt tot my. Het welck mede de Apostel bekrach-
tight: 1. Thess. 4. 9. 10. Want ghy selve zijt van
Godt geleert om malkanderen lief te hebben, &c.
\'t Welck de Heere aen haer te wege brenght; l.Mits
haer doende sien, dat de Goddelicke saken gantsch
seker en gewis zijn. 2. Dat by dese sekerheyt ende
gewisheyt der Goddelicke zaken , de selve d\'aldernutste,
-ocr page 47-
PESEIi NEDERLANDEN.                                39
profijtelickstc, ende heerliekste dingen zijn, die daer
uyt komen mogen, ja duysent en duysentmael beter
dan al het profijt, playsier, credijt eere ende reputa-
tie, welck ons de Duyvel, de werelt, en ons vleesch,
kan presenteeren ofte aenbieden. Welcke heerlicke
en voortreffelicke kennisse der Godlicke dingen liier
in desen leven maer ten deele is, niaer sal daer
boven volkomen zijn, gelijck de Apostel Paulus aen-
wijst. 1. Corinth. 13. 9, 12. Want wij kennen ten
deele, ende wy propheleeren ten deele: want
wy sien nu door eenen spiegel in een duystere
reden, &c. Nu, dese Goddelicke kenisse is het die
wy hier verstaen, daer in mede de behoudenisse
en welstant der ziele gelegen is. Om welcke ken-
nisse oock te bekomen desen wegh wel neerstiglick
moet ingegaen, en dese navolgende middelen gebruykt
werden. 1. Dat men Godt seer vyerighlick ende ernste-
lick bidde om den Geest der Goddelicke kennisse ende
wetenschap: want, Indien yemant van u wijsheyt
ontbreeckt, dat hyse van Godt begeere, die een yege-
lick mildelick geeft, ende niet verwijt: en sy sal
hem gegeven worden, seght de Apostel Jacobus cap.
1. vs. 5. Ontdeckt mijne oogen, dat ick aenschouwe
de wonderen uwer Wet. Geeft my • den wegh uwer
bevelen te verstaen, op dat ick uwe wonderen be-
trachte, seght de Propheet David, Psalm 119. 18,
27. 2. Dat men de saken Godes ende sijns Soons
Jesu Christi seer hooge komt te achten, dat men die
soeckt als silver, soo sal men de vreese des Heeren
verstaen, ende kennisse Godts vinden, als Salomon
aenwijst Proverb. 2. 3, 4, 5. 3. Dat men sich wel
oeffene in \'t woort des Heeren (het welck is het
woort der kennisse ende wijsheyt, 1. Corinth. 12,8.)
en dat soo in \'t aenhooren, als in \'t geduerigh lesen
ende overleggen van het selve met David, Psalm 1.
vs. 2. Maer sijn lust is in des Heeren Wet, ende hy
overdenckt sijne Wet dagh ende nacht. Het welck
ons sal doen groeijen als een boom, geplant aen water-
-ocr page 48-
10
AEN DE CHRISTELICKE JEÜGHT
beken, die sijne vrucht geeft in sijnen tijt, Psalm
1. 3. ende ons verstandiger sal maken dan alle onse
Leeraers. Psalm 119. vs. 99. Ende ten laetsten, dat
men sich vlijtigh oeffene in de Catechisatien, hier
te lande gebruyckelick, het welck wel is een van de
voornaemste middelen die betracht moeten werden:
want aldaer, door een mondelinge ende eenvoudige
onderrechtinge, seer bequamelick de rechte wijsheyt
ende verstant Godts ende sijns Soons Jesu Christi
verkregen wort, gelijck daer van konnen getuygenisse
geven, die daer van kints af in deselve geoeffent
hebben, en noch dagelicks daer in oeffenen. Maer
sal de oefteninge deser Catechisatien met vrucht ende
profijt geschieden, soo en is niet genoegh, dat men
sich selven daer henen begeve , ende daer neder sette,
maer dat men sich te voren wel prepareere ende
bereyde tot het gene, het welck verhandelt sal wer-
den, ten eynde men wel geprepareert zijnde, be-
hoorlick magh antwoorden op het gene van den Die-
naer van Godts woort, of van yemant anders, sijne
plaetse bekleedende, sal voorgedragen worden. Even
gelijck een scholier sijn lesse des te beter jegens den
meester sal weten op te seggen, soo wanneer hy van
te voren deselve by hemselven dickwils en verscheyde
reysen sal overlesen hebben. Om welcke oefteninge
wel en na behooren in \'t werck te stellen, niet on-
dienstigh wesen sal dit tegenwoordige of diergelijcke
Catechiseer-bocck, daer in do rechte kennisse Godts
ende syns Soons Jesu Christi klaerlick vertoont, en
eenvoudelick voorgestelt wert. Het welkke wy tot
dien eynde, allen den genen dien lust hebben in de
Catechisatien onderwesen te werden, ende van te
voren haer selven daer tegen wel te bereyden, heb-
ben willen mededeelen. Ten eynde sy alsoo wel ge-
prepareert en bereydet komende, niet alleen wel
mogen antwoorden op het gene haer gevraeght sal
werden, maer oock dagelicks daer door in de ware
kennisse Godes mogen aenwassen en toenemen. In
-ocr page 49-
DESEE NEDERLANDEN.                                 41
wolcke onse Catechisatie wy hier en daer wat wijt-
loopigh gaen, op dat den leersuchtigen geen stofte
ende materie soude mogen ontbreken, om dagelicks
te gaen van kennisse tot kennisse; als oock om geen
occasie te nemen van haer selven in te beelden, dat
sy genoegh weten, soo wanneer sy slechts eenige
weynige beginselen en fundamenten der salighmakende
leere geleght hebben. Gelieft dan, weerde ende lieve
in Christo, desen onsen arbeyt met eenvoudige herten
te ontvangen en te gebruycken, niet twijffelende, of
ghy sult daer door geholpen werden, om te beter
te geraken tot het gene ghy wenscht en begeert,
\'t welck is de behoudenisse en welstant uwer zielen.
Waer toe de Heere sijnen genadigen zegen gelieve
te veleenen, Amen. Waer mede wy oock eyndigende
ü L. bevelen Gode, ende den woorde sijner genade.
U. L. aller dienstberet/de ter saligheyt,
CORN. POÜDROYEN.
Creveca-ur, desen 21.
Januarü\'i 1659.
-ocr page 50-
-ocr page 51-
CATECHISATIE
Over eenige stucken, dienende tot voorbereydinge,
XAJIENTLICK VAN DE
1. HEYLIGE THEOLOGIE. 2. CHRISTELICKE RELIGIE.
3. HEYLIGE SCHRIFTURE.
VAN DE HEYLIGE THEOLOGIE.
(1 Vrage. Wat beteeckent Theologie ?
Antwoort. Het woort Theologie beteeckent de ken-
nisse Godts.
(1 V. Wat is de Theologie, ten aensien van de sake ?
A. De Theologie , ten aensien van de sake, moet
aangemerckt werden, voor soo veel sy is in Godt,
ende voor soo veel sy is in de Creaturen, met rede-
lick verstant begaeft zijnde \').
d V. Is \'er dan tweederley Theologie\'?
A. De Theologie, ten aensien van de sake die ge-
kent wort, is eenderley: maer ten aensien van de
forme ende manier in verscheyde subjecten wonende,
soo isse verscheyden.
\') Bedoeld is Mer het onderscheid lusschen de Zelfkemiisse
Gods en zijn geopenbaarde Kennissr, die de onzen gemeenlijk
noemen de
archetypische en ectvpische Codskennisse.
-ocr page 52-
44                     Van de Heylige Theologie.
d V. Wat is de Theologie in Godt aengemerckt zijnde\'?
A. De Theologie in Godt aengemerckt zijnde, is
die kennisse ende wetenschap, daer mede Godt hem
selven, ende alle andere dingen, op een goddelicke
wijse ende maniere verstaet.
d V. Dese kennisse ofte wetenschap , is die Godt selfs
ofte het Wesen Godes?
A. Ja. Want of ick segge, de kennisse en de weten-
schap Godes ofte, de kennende ende wetende Godt,
dat is een ende het selve.
d V. Is dan die kennisse ende wetenschap gemeen
alle drie de Persoonen in het eenigh Goddelick
wesen ?
A. Ja. Want gelijck de drie Goddelicke Persoonen
in onderlinge gemeenschap des Wesens seer nauwe
zijn vereenight; soo is het, dat deselve oock op het
nauwste ende aldervolmaeckste malkanderen kennen,
ten aensien van Wesen ende Persoonen.
d V. Soudt ghy dit wel konnen bewijsen\'?
A. Ja. Johan. 7. 29. Seght de Heere Christus, Maer
ick kenne hem, want ick ben van hem, en hy heeft
my gesonden. Joh. 10. vs. 15. Gelijckerwijs de Vader
my kent, alsoo kenne ick oock den Vader,
d V. Wat is de Theologie, in de redelicke creaturen
aengemerckt zijnde\'?
A. Die kennisse ende wetenschap Godes, die Godt
den redelicke creaturen heeft medegedeelt.
d V. Dese Theologie is die eenderley of verscheyden ?
A. Verscheyden.
d V. Hoe veelderley isse wel?
A. Dese Theologie is van Godt den redelicke crea-
turen medegedeelt, of door personeele vereeniginge,
of door aenschouwen, of door openbaringe.
d V. Wat is de Theologie medegedeelt door persoo-
neelo vereeniginge ?
A. Die kennisse ende wetenschap, die daer is ge-
weest in den Middelaer Jesu Christo, op een sonder-
linge, ende uytstekende maniere van G»dt, door de
-ocr page 53-
Van Je Heylige Theologie.                     45
personeele vereeniginge, aen sijne menschelicke nature
medegedeelt.
d V. Hoedanigh, en hoe groot is dese Theologie in
den Heere Christo wel geweest?
A. Soodanigh, ende soo groot, gelijck als tot de
volmaeckte uytvoeringe van sijn Middelaerschap van
nooden was.
d V. Soudt ghy de hoedanigheyt van dese Theologie
in Christo wel nyt Godts woort konnen bewijsen?
A. Ja. Psalm 45. 8. seght David van de persoon
Christi, Daerom heeft u, ó Godt, uwe Godt gesalft
met vreughden-olie boven uwe medegenooten. Joh.
3. 34. wort geseght, Want Godt en geeft hem den
Geest niet met mate.
c V. Dese Theologie, in Christo den Middelaer aen-
gemerckt zijnde, heeft die eygentliek haer oogemerck
ofte opsicht op de Goddelicke natuer, of op de Men-
schelieke, of op alle beyde?
A. 8y heeft haer oogemerck op de Menschelicke
natuer.
c V. "VVaerom oock niet op de Goddelicke natuer?
A. De Goddelicke natuer en kan niet ontfangen,
alsoo sy de aldervolmaeckste wijsheyt selfs is.
l\' V. Is alle kennisse den Heere Christo na sijne Men-
schelicke nature in sijne Menschwerdinge soo mede-
gedeelt, gelijck deselve in hem geweest is, doen hy
sijn Middelaers-ampt heeft beginnen uyt te voeren?
A. Neen.
d V. Bewijst dat?
A. Luce 2. 52. Ende Jesus nam toe in wijsheyt,
ende in grootte, ende in genade by Godt ende de
menschen.
d V. Wat is de Theologie medegedeelt per gratiam
tisionis, dat is, door genade van aenschouwen?
A. Die kennisse ende wetenschap, die Godt mede-
gedeelt heeft den goeden Engelen, ende de zielen der
afgestorven Heyligen daer boven in den Hemel, welc-
ker Theologie eygentliek in sien bestaet.
-ocr page 54-
46                     Van de Heylige Theologie.
•d V. Soudt ghy dat wel uyt Godts woort bewijsen?
A. Ja: 1. Cor. 13. 12. Maer als dan sullen wy
sien aengesichte tot aengesiehte.
d V. Wat is de Theologie, medegedeelt door genade
van openbaringe?
A. Die kennisse ende wetenschap, die Godt den
menschen hier op der aerden medegedeelt heeft.
<1 V. Dese Theologie, is die eenderley of verscheyden?
A. Verscheyden.
d V. Hoe veelderley isse dan?
A. Tweederley.
d V. Noemt eens die tweederley Theologie, die me-
degedeelt is door genade van openbaringe?
A. De natuerlicke ende boven-natuerlicke Theologie.
d V. De natuerlicke Theologie, hoe veelderley is die ?
A. De natuerlicke Theologie is, of inwendigh in
de herten der menschen ingeschapen, ofte uytwen-
digh verkregen
d V. Wat verstaet ghy door de natuerlicke Theologie ,
inwendigh der menschen van naturen ingeschapen?
A. Soodanige indruck, bequaemheyt, ende gaven,
om Godt te kennen, dewelcke allen menschen van
Godt, als een licht ende wet der nature, met de
nature ingeschapen is.
•d V. Kondt ghy dese natuerlicke ende ingeschapene
Theologie wel uyt Godts woort bewijsen?
A. Ja: Joh 1. 9. Dit was het waerachtige licht,
het welcke verlicht een yegelick mensche, komende
inde werelt. Vergeleken met Rom. 2 15. Als die be-
toonen het werck der wet, geschreven in hare herten,
hare conscientie mede getuygende, ende de gedachten
onder malkanderen haer beschuldigende, ofte oock
ontschuldigende.
d V. Wat verstaet ghy door de natuerlicke, van
buyten, ende uytwendige verkregene Theologie?
A. Die kennisse ende wetenschap, die den natuer-
licken mensch van Godt bekomt, door het aenschouwen,
ende beiiiercken van de geschapene dingen Godes.
-ocr page 55-
Van de Heylige Theologie.                     47
d V Kondt ghy dese natuerlicke, van buyten, end e
uytwendige verkregene Theologie, wel uyt Gods woort
bewijsen ?
A. Ja: Jesa. 40. vss. 26, 27, 28. Heft uwe oogen
op om hooge, ende siet wie dese dingen geschapen
heeft, die in getale haer heyrvoortbrenght: Diese alle by
namen roept, van wegen de grootheyt sijner krachten,
&c. Rom. 1.20. Want sijne onsienlicke dingen worden
van dese scheppinge der werelt aen, uyt de schepse-
len verstaen en doorsien, beyde sijne eeuwige kracht,
ende Goddelickheyt, op datse niet te verontschuldigen
en souden zijn. Siet oock Psalm 19. 1. tot 8. ende
Actor. 14. en 17.
d V. Wie zijn die gene , die de natuerlicke Theologie,
soo alsse nu beschreven is, loochenen ?
A. Socinus, ende andere diergelijcke tegensprekers
die alles in twijffel trekken.
d V. Erkent Socinus geen natuerlicke Theologie\'?
A. Met der daedt niet, al hoe wel hy op sijne ma-
niere, met de woorden bedriegelicken spelende, yets
daer van wil schijnen te seggen.
d V. Maer waerom loochent Socinus de natuerlicke
Theologie, soo als wy deselve boven hebben beschreven\'?
A. Om staende te houden sijne valsche leere, aen-
gaende de Atheisterie , als dat \'er soodanige Atheisten
souden gevonden werden, die in haer gemoedt gerust
ende seker konnen zijn, dat \'er geen Godt in de we-
relt is.
O V. Souden dan soodanige menschen in de werelt
zijn, die sulcks souden gelooven\'?
A. Neen
d V. Konnens\'er niet zijn\'?
A. Neen, als blijckt uyt de boven-verhaelde Schrif-
tuer-plaetsen.
d V. Wat soud ghy seggen op het gene Paulus seght,
1. Thess. 4. 5. Gelijck de Heydenen, die Godt niet
en kennen?
A. Daer wert niet gesproken van een natuerlicke,
-ocr page 56-
48                     Van de Heylige Theologie.
maer boven-natuerlicke, dat is, salighmakende ken-
nisse, welcke de Heijdenen niet gehadt hebben.
d V. Wat soudt ghy seggen op het gene David seght,
Psalm 10. 4. Alle sijne gedachten zijn, dat \'er geen
Godt en is?
A. David en spreeckt aldaer niet van soodanige
Atheisten, die innerlick in haer gemoedt overtuiyght,
seker, ende gerust souden zijn, dat \'er geen Godt en
is; maer van soodanige , die Atheisten zijn in de prac-
tijcke, dat is, dewelcke haer leven soo goddelooslick
aenstellen, als of \'er geen Godt in de werelt ware.
d V. Hoeverre breyt haer dese natuerlicke Theologie uyt"?
A. Door dese natuerlicke Theologie kan men weten,
1.   dat \'er een Godt is, ende hoedanigh dien Godt is
in sijne eygenschappen : maer niet wie desen Godt is,
namelick Vader, Soon, H. Geest. 2. Dat Godt moet
ge-eert worden: maar niet hoe dat hy moet ge-eert
worden; dat men een yeder het sijne moet geven;
dat men een ander niet moet doen, \'t gene men niet
en wil, dat hem geschiede. 3. De algemeyne wercken
Godts, als scheppinge, onderhoudinge, regeeringe , «fcc.
maer niet de bysondere, ofte particuliere werken, dat
is, de wercken der genade, als verlossinge, heyligh*
makinge, &c.
d V. Heeft dese natuerlicke Theologie wel eenigh
gebruyck\'?
A. Ja.
d V. Wat voor een gebruyck?
A. 1. Sy verbindt de Heydenen om wel te doen.
2.  Daer uyt soo kan men argumenteeren tegen de
Atheisten, bewijsende dat er een Godt is, ende dat
daer maer een Godt is: want het licht der genade
en neemt niet wech het licht der nature, maer ver-
meerdert ende volmackt het selve.
d V. Is de natuerlicke Theologie genoeghsaem ter
saligheyt?
A. Neen, als blijckt Joh. cap. 3. vs. 36. Die in
den Sone niet gelooft, en sal het leven niet sien;.
-ocr page 57-
Van de Heylige Theologie.                     49
maer den toorne Godts blijft op hem. Ephef. cap. 2.
vs. 12. Geen hope hebbende, ende sonder Godt in
de werelt.
d V. Soude dan een eyder in sijn Religie niet konnen
saligh worden?
A. Neen.
d V. "Wie zijn die gene die sulcks seggen?
A. Socinus, Libertijnen, ende andere oude ende
nieuwe Pelagianen, dier daer stellen, dat een yege-
lick kan behouden werden, als hy maer de liefde
oeffent, ende gerechtigheyt werckt.
d V. Waer mede sult ghy dese menschen overtuygen,
dat een yeder in sijn Religie niet saligh worden kan ?
A. Soo in alle Religie de saligheyt is te bekomen,
waerom belast dan Paulus, dat men wijeken sal van de
gene, die de ware Christelicke Religie niet en hebben;
als te sien is 1. Corinth. 5. 11. Dat ghy met soodanigen
eenen oock niet en sult eten. 1. Cor. 10. 20, 21, 22.
Ende ick en wil niet dat ghy met de Duyvelen ge-
meynschap hebt, &c. 2. Thess. 3. 14. Ende en ver-
menght u niet met hem. Tit. 3. 10, 11. ende 2. Joh.
10. 11. ende de Heere Christus. Matth. cap. 7. vs. 15.
Maer wacht u van de valsche Propheten. Waerom
seght dan oock de Heere Christus , Joh. cap. 14. vs. 6.
Niemant komt tot den Vader, dan door my? Nu dan,
dewelcke niet met een levendigh ende waerachtigh
geloove in Christum gelooft, die en is in Christo
niet; en hoe kan hy dan saligh worden ? Soo is dan
buyten de ware Christelicke Religie geen saligheyt.
En die daer stellen, dat yeder in sijne Religie kan
saligh worden, die moeten eenen wegh tot den He-
mel weten te vinden , die het woort Godts niet en kent.
d V. Maer Cornelius den Hooft-man, Actor. 10. heeft
het Christelick geloove niet gehadt, en is nochtans
behouden geworden?
A. Cornelius heeft gehadt het Israëlitisch geloove,
welck in substantie was het Christelick geloove.
4
-ocr page 58-
50                     Van de Heylige Theologie.
d V. Maer Cornelius kende, voor des Apostels Petri
onderrichtinge, Jesum den Nazarenor niet?
A. Dat en doet niet tot de saeck; hy geloofde
evenwel in den Messiam, die het Israëlitisch volck
belooft was, al hoe wel hy voor dcsen tijt sinipelick
noch onwetende was, dat hy aireede gekomen, ende
dat Jesus den Nazarenus de Messias was. 2. Soo dit
soude gelden, soo sal volgen, dat de Israëlitische
Kercke des Ouden Testaments niet gohadt heeft het
ware salighmaeckende geloove, alsoo de selve Jesum
den Nazarener, als den waren Messias in de werelt
aireede gekomen zijnde, niet gekent heeft.
d V. Is de menschelicke reden het principium, ofte
beginsel van de Theologie, en moet men dienvolgens
niet gelooven, dan het gene voortgebracht is uyt het
menschelick vernuft en verstant \')?
A. Neen: Want 1. de menschelicke rede, ende het
menschelick vernuft, welcke geweest is in natuer-
licke dingen, is doot in bovennatuerlicke: 1. Corinth.
2. 14. De natuerlicke mensche en verstaet niet de
dingen, die des Geests Godts zijn: Want sy zijn hem
dwaesheyt, ende hy kanse niet verstaen, om datse
geestelick onderscheyden worden. Siet oock 1. Corinth.
1. 23. Rom. 1. 21, 23. ende 8. 7. Ephes. 4. 17, 18.
ende 5. 8. Ontrent de Goddelicke Wet is de men-
schelicke reden blint, ende ontrent het Euangelium
enckele duysternisse. 2. De saken, dewelcke geweten
moeten werden, zijn verborgentheden: Matth. 13. 11.
Om dat het u gegeven is de verborgentheden des
Koninckrijks der hemelen te weten. Rom. 11. vs. 33.
O diepte des rijekdoms beyde der wijsheyt ende der
kennisse Godts. 1. Timoth. 3. 16. Ende buyton allen
twijffel de verborgentheyt der godtsaligheyt is groot,
\') Onder beginsel der Theologie worill verstaan wat wij thans
noemen de bron of de wortel, waaruit de Godskennisse voortkomt.
-ocr page 59-
Van de Heylige Theologie.                     51
ende gaen verre te boven de capaciteyt van ons na-
tuerlick verstant: Matth. 16. 17. Want vleesch ende
bloet en heeft u dat niet geopenbaert, «fcc. Hoe soude
dan het selve konnen zijn het beginsel van de dingen,
die men moet gelooven?
d V. Wie seggen, dat de menschelicke reden het be-
ginsel is van de Theologie\'?
A. De Socinianen, ende andere diergelijcke tegen-
sprekers.
d V. Welck is dan het beginsel van de Theologie,
ofte het salighmakende geloove?
A. Het woort Godts.
d V. Bewijst dat?
A. Om dat Christus, de Propheten, de Apostelen
hare toehoorders niet hebben gesonden tot de men-
schelicke reden, maer tot het levendige woort Godts
en daer uyt hebbense altijt het geloove bewesen ende
verklaert; als te sien is Esai. 8. 20. Tot de wet ende
tot het getuygenisse, &c. Lucc. 16. 29. Sy hebben
Mosen ende de Propheten, datse die hooren. ende
24. 25, 27, 44, 45, 46. Johan. 5. 39. Ondersoeckt
de Schriften, &c. Actor. 2. 16. ende 13. 27. ende
26. vss. 22, 27. ende 28. 23. 2. Tim. 3 15. 16. 2. Petr.
1. 19. Andersins soude de gantsche Theologie alleenlick
natuerlick, ende in het minste niet boven-natuerlick
zijn, het welck t\'eenemael ongerijmt is.
d V. Wat is dan het natuerlick licht, ende de ge-
sonde reden?
A. Een instrument.
d V. Soude men dan het natuerlick licht ofte ver»
stant, als een instrument nevens ende onder Godts
woort, in saken van geloove mogen gebruycken?
A. Ja: want de Heere den mensche dit natuerlick
licht niet te vergeefs gegeven heeft; maer dat hy
het soude aenleggen, om sijnen Godt te kennen,
ende daer mede in ende door het woort Godts sijn
saligheyt te soecken: waerom hy oock den men-
sche voornamentlick ende principalick met dit na-
-ocr page 60-
Van de Heylige Theologie.
52
tuerlick licht begaeft, ende van de onredelicke schep-
selen afgesondert heeft,
d V. Soude men niet mogen seggen, dat het natuer»
lick licht, ende de gesondene reden, een tweede of
minder principale principiutn zy van de leerstucken,
die behooren tot de natuerlicke Theologie?
A. Ja.
d V. Wat is de boven-natuerlicke Theologie?
A. De boven-natuerlicke Theologie kan tweesins
aengemerckt worden, eensdeels in dit leven, ander-
deels na dit leven daer boven in de Hemelen,
d V. Hoe velerley is de boven-natuerlicke Theologie
in dit leven?
A. Tweederley, of immediate ende extraordinaris,
of mediate ende ordinaris.
d V. Wat is de eerste?
A. De onfeylbare kennisse Godes in de Apostelen
ende Propheten, haer immediatelick van Godt inge-
geven,
d V. Wat is de tweede?
A. Die Goddelicke kennisse ende wetenschap, die
de Heere inwendigh door sijnen H. Geest, ende uyt-
wendigh door sijn woort ende Dienaren des selfs, tot
sijnder eeuwiger glorie, ende des menschen saligheyt,
den mensche mededeelt,
d V. Wie is de Autheur van dese Theologie?
A. Godt, dewelcke deselve inwendigh door sijnen
Geest, ende uytwendigh door sijn woort in den men-
sche werckt.
d V. Op wat wijse ende maniere werckt de H. Geest
dese boven-natuerlicke Theologie?
A. Door verlichtinge, ende door herscheppinge.
d V. De boven-natuerlicke Theologie, die alleenlick ge-
werckt wert van den H. Geest door bloote illuminatie
ofte verlichtinge, is dat een salighmakende Theologie ?
A. Keen: want de soodanige kan oock zijn in de
godtloosen, gelijck in Bileam, Saul, Judas. Sulcks
leert- oock de dagelicksche ervarentheyt: want de
-ocr page 61-
Van de Heylige Theologie.                     53
wereltsche menschen sullen menighmael beter in de
Heylige Schrifture ervaren zijn, ende beter daer van
weten te discoureren, als menige vrome ende oprechte
Christenen.
d V. Welck is dan de salighmakende Theologie?
A. Dewelcke geschiedt door verlichtinge, ende
voornamentlick door herscheppinge, ofte door den
geest der wedergeboorte, dewelcke altijt vergeselschapt
is met het speciale geloove, ende particuliere sekere
toepassinge van de beloftenissen des Euangeliums.
d V. Magh men in dese bovennatuerlicke Theologie,
door consequentien en goede gevolgen, wel argumen-
teeren.
A. Ja, als blijckt uyt het exempel Christi, Matth.
22. 32. Godt en is niet een Godt der dooden maer
der levenden. Gal. 5. 4. Christus is u ydel geworden,
die door de Wet wilt gerechtveerdight worden.
d V. Zijn de leeringen van alle de Goddelicke eygen-
schappen, van de Dry-eenigheyt, van de persoone
Christi, fondamenteele artijckelen?
A. Ja.
d V. Wie loochenen sulcks ?
A. Socinus en de Remonstranten.
d V. Is dese boven-natuerlicke ende salighmakende
Theologie gelegen in de pure kennisse ende weten-
schap, of in de practijcke, ofte ten deele in de ken-
nisse ende wetenschap, ende ten deele in de practijcke ?
A. Indien ghy de Theologie der Christenen in haer
selven, ende haer oygen eynde aenmerckt, soo be-
staet deselve in de practijck. 1 Timoth. 6 vs. 3. De
leere die na de Godtsaligheyt is. Titum 1 vs. 1. Ende
de kennisse der waerheyt die na de Godtsaligheyt is.
« V. Kan dan dese Theologie bequamelick beschreven
worden, datse is een discipline om wel en geluck-
salighlick hier ende in eeuwigheyt te leven\'?
A. Ja
d V. Hoe noemt den Apostel Paulus dese gantsche
discipline ?
-ocr page 62-
54                     Van de Heylige Theologie.
A. Een verborgentheyt der Godtsaligheyt, 1 Tim.
3. 16. ende een kennisse der waerheyt, die na de
Godtsaligheyt is. Tit. 1.1.
d V. Waerom noemt hyse een verborgenheyt\'?
A. Om dat de meeste dingen, die daer in voor-
gedragen werden, door het licht der nature niet
konnen uyt-gevonden ende gekent werden,
d V. Waerom noemt hyse een verborgentheyt der
godtsaligheyt ?
A. Om dat alle die dingen (hoedanigh sy oock zijn)
eenmael erkent, ende met den geloove aengenomen
zijnde, wonderlicke aft\'ecten ende genegentheden der
godtsaligheyt in den mensche verwecken: want daer
en wert niet geopenbaert, noch gekent in de Chris-
telicke Religie, het welck tot dit eynde niet en strekt,
namelick, om ernstelick de godtsaligheyt te oef-
fenen.
d V. Wat is de boven-natuerlicke Theologie na dit
leven ?
A. Die goddelicke kennisse ende wetenschap, die
de uytverkorene kinderen Godts daer boven sullen
deelachtigh werden, zijnde eyentlick in het sien ende
aenschouwen van het aengesichte Godes gelegen,
als boven gehoort is.
AENHANGHSEL VAN DE NATUERLICKE
THEOLOGIE.
c V. Is de natuerlicke Theologie quaet?
A. Neen.
d V. Strijt de natuerlicke Theologie met de boven-
natuerlicke ?
A. Neen.
d V. Is de studie der Philosophie, ende der natuer-
licke Theologie, tot de ware Theologie profijtelick?
A. Ja.
-ocr page 63-
Van de Christelicke Religie.                    55
<1 V. Heeft de Theologie der School-geleerden \'), niet
tegenstaende haer gebreken, eenigh profijt?
A. Ja.
d V. Kan yemant wel zijn een kloeck ende geleert
Theologant in de hedendaeghsche Controversien ende
verschillen (der Atheisten, Epicureen, Naturalisten,
Roomsch-gesinde , Soeinianen, Remonstranten, &c.) die
geheel een vreemdelingh is in de Theologie der School-
geleerden , ofte immers in de Schriften van onze The-
ologanten, die de nuttighste dingen uyt de School-
geleerde halen, ofte haer daer in navolgen?
A. Neen.
d V. Kander oock eenige kennisse der Theologie van
de School-geleerden bestaen met de studie van de
ware Theologie ?
A. Ja.
d V. Is do studie der talen, niet tegenstaende daer
soo vele ende uytnemende uytleggingen zijn, wel
nootsakelick tot de grondige Theologische geleertheyt?
A. Ja : want in serieuse ende ernstige disputatien
men dickwils of somwijlen tot den origenelen gront-
text sijnen toevlucht moet nemen.
VAN DE CHRISTELICKE RELIGIE.
\'1 V. "Wat beteeckent het woort Religie?
A. Godtsdienst.
(1 V. Is \'er oock een valsch-genaemde Religie?
A. Ja.
\'! V. Wat noemt ghy een valsche Religie?
A. Welcke van de menschen selver versiert ende
aengenomen wort, ende niet in Godts woort is ge-
grondet.
\'\' V. Noemt eens soodanige valsche Religie ?
\') Onder Sehoolgelccrdcii verstaal hij de dusgenaamde Schola-
stieken, gelijk Petrus Zomlardits, Thomas Jquinas en anderen.
-ocr page 64-
56                    Van de Christelicke Religie.
A. De Heydensche, hedendaeghsche Jodische, Ma-
humetische ofte Turcksche Religie?
d V. Maer hoe veelderley is de ware Religie wel?
A. Daer is maer een ware Religie,
d V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Ephes. 4. 5. Een Heere, een Geloove, eenen Doop.
d V. Waer in bestaet de ware Religie?
A. In rechte kennisse des eenigen waren Godts,
ende in oprechten dienst des selven.
<1 V. Hoe moet desen dienst bewesen worden?
A. Inwendigh ende uytwendigh
d V. Hoe inwendig?
A. Met het herte, ziele, ende gemoedt.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Joh. 4. 24. Godt is een Geest, ende die hem
aenbidden moeten hem in geest ende waerheyt aen-
bidden.
d V. Hoe moet desen dienst bewesen werden uyt wen -
digh?
A. Met woorden ende wercken.
c V. Aen wien moeten die wercken betoont worden ?
A. Aen Godt.
c V. Hoe aen Godt?
A. Van gantscher herte, van gantscher ziele, van
gantschen gemoede, ende alle krachten,
d V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Matth. 22. 37. Ghy sult lief hebben den Heere
uwen Godt, met geheel u herte, ende met geheel
uwe ziele, ende met geheel u verstant.
d V. Welck is nu deze ware Religie?
A. De Religie der ware Christenen.
d V. Waer uyt soudt ghy sulcks bewijsen konnen
tegons den ongeloovigen ?
A. Uyt de oudtheyt der sélver, de Goddelickheyt
des instellers, de vervullinge der voorseggingen des
Ouden Testaments, de mirakelen des Ouden ende
Nieuwen Testaments, van de Propheten, van Christo
selve, ende van de Apostelen gedaen, uyt de vol-
-ocr page 65-
Van de Christelicke Religie.                    57
maecktheyt ende over-een-slemming der Christelicker
Leere, de wonderbaerlicke maniere van verbreydinge
deser Leere, door slechte dienaers, midden onder de
wreetste vervolgingen, besegelt met het bloet van de
vrome Martelaren, eyndelick, om dat des menschen
gemoedt in geen andere Religie volkomen ruste ende
vasten troost vint, als in de Christelicke Religie.
d V. Maer alle die Religiën , die haer selve bekleeden
met den Christelicken naem, zijn die de ware
Religie ?
A. Neen.
d V. Welcke Religie onder de Christenen is dan de
ware Religie?
A. De Religie der Protestanten ende Gereformeerden.
d V. Waerom is de Religie der Gereformeerden alleen
de ware Religie, ende de andere niet\'?
A. Om dat de Religie van de Gereformeerde alleen
in alles met Godts woort accoordeert ende over-een-
komt, ende de andere daer-en-tegen tegen Godts woort
zijn strijdende.
d V. Hoedanige Religiën zijn dan de andere Religiën ,
te weten, Paepsche, Remonstrantsche, Sociniaensche ,
Mennonitische, onder den Christenen?
A. Valsche Religiën ende Secten.
d V. Soude men dan door die Religiën niet konnen
saligh worden?
A. Neen.
d V. Wilt ghy dan alle de luyden verdoemen, die
onder die Secten en hare gemeynschap woonen?
A. Neen; want het is wat anders te seggen, dat
men in, ende door de Religiën niet kan saligh wor-
den: ende wat anders te verdoemen. Het eerste kan
ick sekerlick seggen: het tweede niet; want de Heere
is machtigh om die luyden te bekeeren, ende tot de
kennisse der waerheyt te brengen: hy heeft oock de
sijne daer onder, dewelcke hy tot sijnder tijd krach-
tighlick roept, ende de bekeeringe geeft. Hij kan
oock midden onder die Secten eenige bewaren, die
-ocr page 66-
58                     Van de Christelicke Religie.
ten principalen niet en zijn van die Secten ofte val-
sche gesintheden.
d V. Als wy seggen dat men door de Paepsche Leere,
als Paepsche Leere, niet en kan saligh worden, ver-
doemen wy dan alle onse Voorouders?
A. Geensins.
d V. Maer onse Voor-ouders hebben onder \'t Paus-
dom geleeft, ende zijn in het Pausdom gestorven?
A. Het is wat anders te leven onder het Pausdom,
ende wat anders te zijn van het Pausdom, het is
oock wat anders te sterven in het Pausdom, ende
wat anders te sterven in de Paepsche Leere, als
Paepsche Leere.
d V. Zijn dan alle onse Voor-ouders niet van het
Pausdom geweest, ende niet op sijn Paepsch gestorven ?
A. Neen, gelijck afgenomen kan worden uyt den
Siecken-troost, welcke de Priesters, onder die van
het Pausdom, onse Voor-ouders, op het sterven leg-
gende, quamen voor te houden, vragende den ster-
vende, 1. Of hy niet en geloofde dat hy was een
arm sondigh mensche, ende van wegen sijno sonden
verdient hadde de eeuwige doot en verdoemenisse;
waer op den Siecken antwoorde, Ja. 2. Of hy niet
en geloofde dat hem alleen, om des bitteren lijdens
ende stervens Christi, alle sijne sonden uyt enckele
genade van Godt vergeven waren; waer op den Siec-
ken insgelijcks antwoorde, Ja.
d V. Is dit de Paepsche Leere, of de Leere der Ge-
reformeerden?
A. Niet de Paepsche, maer de Leere der Gerefor-
meerden.
d V. Onse Voor-ouders dan op soodanige wijse ende
maniere gestorven zijnde, zijn die dan op sijn Paepsch
gestorven, er. door de Paepsche Leere saligh geworden ?
A. Neen, maer in de Leere der Gereformeerden,
ende door deselve saligh geworden.
d V. Maer zijnse met de dwalingen der Paepsche
Leere niet besmet geweest?
-ocr page 67-
Van de C\'hristelicke Religie.                    59
A. Het is wat anders daer mede besmet te zijn,
ende wat anders daer in te volherden tot het uyterste
toe, ende daer in te sterven: het eerste is wel ge-
looiiick, namelick, dat vele, niet alle, (gelijck ten
tijden Eli», Rom. 11. 4. Ick hebbe my selven noch
seven duysent mannen overgelaten, die de knie voor
het [beelt] Baal niet gebogen en hebben,) met de
Paepsche dwalingen zijn besmet geweest, maar datse
daer in hebben volhart tot het uyterste toe, ende
daer in, sonder waer berouw ende leetwesen, ende
sonder afstant van de fondamenteele ende capitaelste
dwalingen, souden zijn gestorven, dat en sal geen
Paepsch Leeraer konnen vast maken : ende het tegen-
deel hebben wy nu boven gehoort uyt den Siecken-
troost, die de Paepsche Priesters onse Voor-ouders,
op het sterven liggende, hebben voorgehouden.
d V. Welcke zijn de rechte kenteeckenen van de
ware Christelicke Religie ?
A. 1. De reynigheyt ende suyverheyt der saligh-
makende Leero, volgens het voorschrift van Godts
Woort. 2. Het wettigh gebruyek der H. Sacramenten.
8. Het urgeren ende voorhouden van de gehoorsaem»
heyt tegens Godt, na alle doelen sijner Leere, in
geloove en wandel.
d V. Zijn dese ken-teeckenen alleen te vinden in de
Religie der Gereformeerden ?
A. Ja.
\'1 V. Soo yemant saligh worden wil, moet die dan
hem selven afsonderen van die valsche Religie daer
in hy is, ende hem selven begeven tot de ware Re-
ligie der Gereformeerden?
A. Ja, volgens het gene de Heere seyt, Apoc. 18,
vers. 4. Gaet uyt van haer mijn volck, op dat ghy
aen hare sonden geen gemeynschap en hebt, ende
op dat ghy van hare plagen niet en ontfanght.
(\' V. Maer soo doende soude men somwijlen sijn nee-
ringe ende tijdtlicke welvaren ontloopen, ende hem
selven ende sijn familie in groote armoede brengen?
-ocr page 68-
Van de Christelicke Relige.
60
A. In het stuck van sijn saligheyt moet men door
soodanige wereltsche insichten sich selven niet te
rugge laten houden: want soo yemant tot Christum
wil komen, ende haet niet sijnen vader , ende moe-
der, ende wijf, ende kinderen, ende broeders, ende
susters, ja oock selfs sijn eygen leven, die en kan
mijn discipel niet zijn, seght de Heere Christus. Luce
14. 26. Men moet oock voor al ende voor eerst soec-
ken het Koninckrijcke Godts ende sijne gerechtigheyt,
ende de andere dingen (die desen leven aengaen)
sullen ons toegeworpen worden: Matth. 6. 33.
d V. Maer onse Voor-ouders zijn in het Pausdom ge-
bleven, ende evenwel saligh geworden: wat behoeve
ick dan op te staen, ende het mijne te verlaten,
nadien ick evenwel kan behouden ende saligh worden ?
A. 1. Die genade die de Heere in die tijden der
onwetenheyt onse Voor-ouders gedaen heeft, heeft
hy u niet toegeseyt oock te sullen doen. 2. Men moet
oordeelen, dat vele van onse Voor-ouders, door de
valsche leeringen en dwalingen der Papisten, soo
zijn verstrickt geweest, soo datse niet ter degen de
valscheyt der Paepsche Leere hebben konnen mereken,
ende mogen alsoo geoordeelt werden ten principale
onwetende in en onder de Paepsche Leere geleeft te
hebben, dewijle doen den Antichristischen handel soo
niet ontdeckt en wierde, ende sulcke vryheyt ende
ruymte van Godts woort niet en was als nu: maer
ons verblijven onder het Pausdom soude nu ter tijt
moetwilligh zijn: en dien knecht, die den wille des
Heeren weet, ende niet en doet, die sal met vele
slagen geslagen werden: Luce 12. 47. 3. Genomen,
yemant die salveert uyt den brant sijn leven, ter
nauwer noot ende met duysent perijckelen, 1. Cor.
8. 15. Maer selve sal hy behouden worden, doch al-
soo als door vyer: sullen wy daerom in den brant
willen blijven, of ons weder in den brant begeven?
dat zy verre: Alsoo is het oock met dese sake ge-
legen.
-ocr page 69-
Van de H. Schrifture.                         61
VAN DE H. SCHRIFTURE.
a V. Welck is het boeck daer uyt men de rechte
Religie moet halen?
A. Den Bijbel, ofte de H. Schrifture.
b V. Welck zijn de boecken der H. Schrifture?
A. De boecken des Ouden ende Nieuwen Testaments.
a V. Welck is het eerste boeck des Ouden Testa-
ments ?
A. Genesis,
b V. Welck is \'tlaetste boeck des Ouden Testaments ?
A. Malachias.
s V. Welck is het eerste boeck des Nieuwen Testa-
ments ?
A. Mattheus.
b V. Welck is het laetste ?
A. De Openbaringe Johannis.
» V. Hoe veel boecken Mosis zijnder?
A. Vijf.
a V. Welck zijn die?
A. Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri, Deutero*
nomium.
d V. Wat beteeckent het boeck Genesis?
A. De Scheppinge.
d V. Wat beteeckent het boeck Exodus?
A. Den uytgangh der kinderen Israè\'ls uyt Egypten.
« V. Wat beteeckent het boeck Leviticus?
A. De Priesterlicke ende Levitische Ordre, ende
andere Ceremoniën ende Offerhanden des Wets.
" V. Wat beteeckent het boeck Numeri?
A. De tellingen der kinderen Israëls.
" V. Wat beteeckent het boeck Deuteronomium ?
A. Een verhael \') van de Wetten in de voorgaende
boecken gegeven.
V. Wat boecken volgen na de vijf Boecken Mosis?
\') Versta: herhaling.
-ocr page 70-
Van <le H. Schrifture.
<;•_>
A. De Historische Boeeken.
b V. Weleke zijn die?
A. Josua, Judieum, Ruth, twee boecken Samuels,
twee Kegum, of der Koningen, twee Paralipomenon,
of der Chronijcken, Ezra, Neheinia \').
b V. Wat boecken volgen nu\'?
A. Job, Psalter, Proverbia, Eeclesiastes of Prediker,
Canticum Cantieorum, of Hoogeliedt.
b V. Wat boecken volgen nu?
A. Der Propheten.
b V. Hoe veel Propheten zijnder?
A. Sestien.
b V. Hoe worden die Propheten afgedeelt?
A. In twee deelen.
c V. Welck zijn die twee deelen ?
A. Groote Propheten ende kleyne Propheten.
b V. Hoe veel groote Propheten zijnder?
A. Vier.
b V. Hoe veel kleyne Propheten zijnder ?
A. Twaalf.
b V. Welck zijn de vier groote Propheten?
A. Esaias, Jeremias, Hezechiel, Daniel.
b V. Welck zijn de kleyne Propheten?
A. Hosea, Joè\'1, Amos, Obadja, Jona, Micha, Na-
hum, Habakuk, Zephanja, Haggai, Zacharias, Ma-
lachias.
c V. Zijn alle dese Propheten van een ende deselve
autoriteyt ?
A. Ja.
c V. Waerom worden dan die vier groote Propheten
genoemt, ende de andere twaelf kleyne Prophe-
ten?
A. Dat is ten aensien van hare meerdere ofte min-
dere Schriften ende Prophetien, die sy de Kercke
hebben nagelaten,
a V. Hoe veel Euangelisten zijnder?
\') Ester is hier hij vergissing uitgevallen.
-ocr page 71-
Van de H. Schrifture.                          63
A, Vier.
a V. Welck zijn die ? .
A. Mattheus, Marcus, Lucas, Johannes.
b V. Wat volght na de Euangelisten\'?
A. De Handelingen der Apostelen,
b V. Wat volght na de Handelingen der Apostelen ?
A. De Sendbrieven Pauli
b V. Hoe veel Sendbrieven Pauli zijnder?
A. Veertien,
b V. Welck zijn die?
A. De Brief Pauli tot den Romeynen, twee tot den
Corintheren, Galaten, Ephesen , Philippensen, Colos-
sensen, twee tot den Thessalonicensen, twee tot
Timotheum, Titum , Philemon, Hebreen,
b V. Hoe veel algemeyne Sendbrieven zijnder?
A. Seven.
b V. Welck zijn die?
A. De Sendbrief Jacobi, twee Petri \'), drie Johannis,
ende den Sendbrief Judas,
b V. Wat volght na dese Sendbrieven?
A. Apocalypsis of de Openbaringe Johannis.
c V. De boecken des Ouden Testaments, hoe konnen
die bequamelick afgedeelt worden?
A. In drie deel en, namelick, in de boecken Mosis,
Historische boecken, de Boecken Job, Davids ende
Salomon, ende in de Propheten.
c V. Hoe konnen de boecken des Nieuwen Testaments
bequamelick afgedeelt worden?
A. In vier deelen, namelick, in de Euangelisten,
de Wercken!) der Apostelen, de Sendbrieven der Aposte-
len, ende in het Prophetisch-boeck, namelick, Open»
baringe Johannis.
b V. Josua is dat een boeck des Ouden of des Nieuwen
Testaments ?
A. Het is een boeck des Ouden Testaments.
\') Bedoeld is: tioee van Petrus, drie van Joannes.
•) Handelingen der Apostelen.
-ocr page 72-
64                          Van de H. Schrifture.
b V. De Handelingen der Apostelen is dat een boeek
des Ouden ofte des Nieuwen Testaments?
A. Des Nieuwen Testaments.
a V. Wat boeck gaat voor Genesis?
A. Daer gaet niet voor.
a V. Wat volght na de Openbaringe Johannis?
A. Daer volght niet.
b V. Wat gaet voor Esaias?
A. Het Hoogeliedt Salomons.
b V. Wat volght na Esaias?
A. Jeremias, en soo kondt ghy alle de boecken
doorvragen.
c V. Welck is de eerste Propheet des Ouden Testa-
ments?
A. Moses.
c V. Welck is de laetste Propheet de Ouden Testa-
ments ?
A Malachias.
c V. Zijnder oock Prophetische boecken des Nieuwen
Testaments ?
A. Ja.
c V. Welcke?
A. De Openbaringe Johannes.
c V. Noemt nu eens de boecken des Ouden Testaments?
A. Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri, Deutero-
nomium, Josua, Judicum , Ruth, &c.
c V. Noemt eens vervolgens de boecken des Nieuwen
Testaments ?
A. Mattheus, Marcus, Lucas, Johannes, de Han-
delingen der Apostelen, den Brief Pauli tot den
Romeinen, &c.
b "V. Hoo worden nu dese boecken genoemt?
A. Canonijcke boecken.
c V. Waerom worden dese boecken genoemt, Cano-
nijeke boecken?
A Om datse zijn de Canon ofte regel waer na den
mensche sijn geloove ende leven moet reguleeren.
c V. Wat voor boecken zijn al Canonijcke boecken?
-ocr page 73-
Van de H. Schrifture.                         65
A. De boecken des Ouden ende des Nieuwen Tes-
taments
c V. In hoe veel deelen worden de Canonijcke boec-
ken gedeelt?
A. In twee, namelick, des Ouden ende Nieuwen
Testaments.
c V. De boecken die buyten desen Canon ofte regel
zijn, zijnse oock boecken der H. Schrifture ?
A. Neen.
<• V. Wie seggen dat?
A. De Papisten, welverstaende van het meerendeel
der selver boecken.
c V. Hoe worden die boecken genoemt?
A. Apocryphe boecken.
c V. Wat is dat geseyt, Apocryphe boecken?
A. Verborgene boecken.
c V. Waerom zijn de boecken in de oude Kercke
Apocryphe, dat is, verborgene boecken genoemt?
A. Om datse niet opentlick in de gemeynte, als
een onfeylbaren regel des geloofs, voorgestelt wier-
den.
V. Waer uyt soudt ghy dan bewijsen, dat dese
boecken tot de Schriftuer niet behooren?
A. 1. Om dat geene van dese boecken zijn ge-
schreven van een Propheet, want sy zijn geschreven
na de tijden van Malachias, die de laetste Propheet
geweest is. 2. Sy zijn niet in \'t Hebreeusch, maer
in \'t Griecks geschreven. 3. Sy zijn noyt gestelt ge-
weest in het Eegister der Goddelicke boecken, dat
de Israëlitische Kercke gehadt heeft, gelijck getuyght
onder anderen den Joodtschen Historyschrijver Jose-
phus; noch oock in de Registers van de eerste Chri-
stelicke Kercke, gelijck ook selfs bekent den Jesuijt
Becanus in sijn Manuali ofte Hant-boecxken. 4. Om
dat meest in alle dese boecken gevonden worden
verscheydene onwaerachtige, ongerijmde, fabuleuse
ende tegenstrijdende saken, die met de waerheyt
noch Canonijcke boecken niet over een komen: gelijck
-ocr page 74-
Van de H. Schrifture.
60
te sien is in de Voorreden van dese boecken achter
den Bijbel \')•
c V. Welck zijn nu de Apocryphe boecken\'?
A. Het derde ende vierde boeck Esdre, Tobias,
Judith , het boeck der Wijsheyt, Ecclesiasticus ofte
Jesus Syrach, het Gebedt Manassis, eenige Aen-
hanghselen of Byvoeghselen van Daniel ende Esther,
het boeck Baruch, drie boecken der Machabeen.
b V. Het boeck Tobie is het Canonijck ofte Apocryph?
A. Apocryph.
b V. Het boeck Ezra is dat Canonijck ofte Apocryph ?
A. Canonijck.
b V. Het derde ende vierde boeck Esdre is dat Ca-
nonijck ofte Apocryph.
A. Apocryph: ende soo kan men vragen van alle
de boecken.
c V. Moeten de Apocryphe boecken te niet gedaen
worden ?
A. Neen.
c V. Is het wel dienstigh ende stichtelick, dat deselve
in de Kercke de Gemeynte voorgelesen worden.
A. Neon.
d V. "Waerom niet?
A. 1. Om dat de menschen allenghskens daer door
souden komen te vergeten het onderscheyt tusschen
de Canonijcke ende Apocryphe boecken. 2. Datse
ontsticht souden worden door eenige onstichtelicke
leeringen die daer in komen,
d V. Is het stichtelick, dat een Predikant op den
predickstoel don volcke eenige spreucken uyt de
Apocryphe boecken nevens ende onder andere texten
der Schrifture voordrage?
A. Neen; \'t en zy met bygevoeghde waerschouwinge
ende onderscheydinge.
d V. Waerom niet?
\') Bedoeld is de voorrede, die in de groole uitgaven van onze
Slaienoverzelling aan de Apocryphe Boeken voorafgaat.
-ocr page 75-
Van de H. Schrifture.                          67
A. Om dat dan de Canonijcke boecken ende Apo-
cryphe onder malkanderen schijnen gemenght te worden;
ende alsoo het gemeene volck niet weten kan, wat
boeck tot den Canon ofte regel behoort, ende wat
boeck daer toe niet hoort,
d V. Mogen dese boecken wel in \'t besonder gelesen
worden, insonderheyt van de Studenten der Heylige
Theologie.
A. Ja: want daer in werden noch gevonden vele
ende fraaije dingen, dewelcke licht konnen geven de
heylige antiquiteyten.
d V. Waer voor magh men dese boecken houden?
A. Voor menschelicke historiën,
d V. Welcken Canon ende regel is nu volkomen, der
Papisten of de onse?
A. De onse.
d V. Zijn daer niet eenige boecken uyt onsen Canon
verloren gegaen?
A. Neen.
d V. Soude men met recht mogen twijffelen van
eenige Canonijcke boecken, insonderheyt van den
Brief tot den Hebreen?
A. Neen.
d V. Den Papistischen Canon heeft die voor hem de
oudtheyt?
A. Neen.
d V. Dat de boecken des Ouden ende Nieuwen Tes-
taments zijn Canonijcke boecken , moet men dat alleen
gelooven met een historisch geloove, ofte oock met
een salighmakende geloove?
A. Oock met een salighmakende geloove.
d V. Dat eenigh boeck in \'t besonder, als Mattheus,
Marcus, &c. ten aensien van de Leere is Canonijck,
moet men dat alleen aennemen met een historisch
of oock met een salighmakende geloove?
A. Oock met een salighmakende geloove.
d V. Dat eenigh boeck in \'t besonder, als Mattheus,
Marcus, &c ten aensien van de Schrift Canonijck is,
-ocr page 76-
68            Van de Autoriteyt der H. Schrifture.
moet men dat [alleen] \') aennemen met een historisch
ende salighmakende geloove?
A. Ja.
d V. De simpele onwetenheyt daer van, is die ket-
tersch ?
A. Neen.
d V. Dat eenigh boeck in \'t besonder neemt Mattheus,
zy het boeck van Mattheus, moet men dat oock aen-
nemen met een salighmakende ofte alleen met een
historisch geloove?
A. Alleen met een historisch geloove: te weten
van die boecken, daer van de naem des Autheurs
niet uytgedruckt en staet in den text.
d V. De onwetenheyt daer van is die kettersch?
A. Neen.
d V. Welck zijn de principaelste deelen ende hooft-
stucken van de H. Schriftuer ofte het woort Godts?
A. De Wet ende het Euangelium.
VAN DE AÜTORITEYT DER HEYLIGE
SCHRIFTURE.
c V. De heylige Schrift ofte dese Canonijcke boecken,
van waer hebbense hare autoriteyt ende weerdigheyt?
A. Van Godt.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. 2. Tim. 3. 16. 17. Alle Schrift is van Godt inge-
geven, ende 2. Petr. 1. 21. De heylige mannen heb-
bense geserheven, gedreven zijnde van den Geest Godts.
a V. Heeft de H. Schrifture haer autoriteyt ende
weerdigheyt van den Paus ende de Kerck?
A. Neen.
b V. Heeft de H. Schriftuer ten deele hare autoriteyt
ende weerdigheyt van de Kerck?
A. Neen.
\') Dit Koord: alleen moet getclirapt.
-ocr page 77-
Van de Autoriteyt der H. Schrifture.            69
d V. Wie seggen, dat de H. Schrifture haer autori-
teyt ende weerdigheyt heeft van de Kercke ?
A. De Papisten,
d Tegenw. 1. Tim. 3. 15. Een pylaer ende vastigheyt
der waerheyt.
A. De Kercke wort genoemt een pylaer ende vas-
tigheyt der waerheyt, om dat Godt in sijne Gemeynte
de waerheyt bevestight, ende door haer aen andere
bekent maeckt, gelijck de Overheyt hare placcaten
ende wetten aen pylaren ende andere vastigheden
pleeght aen te slaen ende te hechten, om allen be-
kent te worden,
o V. Moet het getuygenisse van de Kercke daer niet
by komen?
A. Neen: Joh. 5. 34. Ick en neme geen getuyge-
nisse van een mensche.
c V. Maer of de Kerck seyde, dat boeck is Canonijck,
ende dat is niet Canonijck, soude men dat moeten
gelooven om dat het de Kerck seyt?
A. Neen.
c V. Waerom niet ?
A. Om dat de Kercke daer in dwalen kan.
c V. Waer van daen sal ons de autoriteyt der Schrif-
tuer bekent worden\'?
A. Uyt Godts woort, ende door den H. Geest,
c V. Wie versekert u, dat dat Godts woort is?
A. De H. Geest.
b V. Is dat geen geest-drijverije, als ghy seght, dat
de H. Geest u dat versekert?
A. Neen.
c V. Waerom niet?
A. Om dat de H. Geest my anders niet versekert
als het woort Godts: maer der Geest-drijvers ver-
meynden geest wil haer yet versekeren, dat buyten,
of tegen Godts woort is.
c V. Wat weet ghy dat het eenen goeden geest is
die u dat versekert?
A. Om dat hy my verzekert van de Goddelicke
-ocr page 78-
70             Van de Autoriteyt «Ier H. Schrifture.
waerheyt in de Schrifture geopenbaert, ende voorts
my willigh en bereyt maekt om Godt te dienen.
d V. Maer begaen wy dan geenen circkel wanneer
wy dese sake soo stellen?
A. Neen.
d V. Wie seyt ons sulcks na\'?
A. De Jesuyt Becanus in sijn Manuali ofte Hant-
boecxken, ende in een besonder Tractaet daer van
geschreven.
d V. \'t Schijnt nochtans soo te wesen; want gevraeght
zijnde , waer uyt ghy weet ende kent de autoriteyt
van de Schriftuer, soo sult ghy antwoorden, de H.
Geest leert my dat: gevraeght zijnde, wat weet ghyr
dat dat den H. Geest is, soo sult ghy antwoorden,
om dat het de Schriftuer soo seyt?
A. Het beginsel, fondament ende oorspronck van
d\'een en d\'ander wort hier verscheydentlick aenge-
merckt: want het geloove, voor soo veel het beteec-
kent de sake die men gelooven moet, soo is des selfs
beginsel de Schriftuer; maer voor soo veel het be-
teeckent het werck ende de daet des geloofs, selfs
\'t welck innerlick geschiet in \'t gemoedt des men-
schen, soo is des selfs beginsel en oorspronck de
Heylige Geest.
d V. Hoe sal men in dit stuck van de autoriteyt der
Schrifture handelen met de ongeloovige, die den Bij-
bel verwerpen, en hoe sal men haer hier van over-
tuygen ?
A. Dat\'er niet in de Schriftuer wort gevonden dat
valsch, ongerijmt, of tegen malkanderen strijdende
is: dat de Schrijvers, die dese Schrift geschreven
hebben, hebben geschreven in verscheyden plaetsen,
ende nochtans komense in alles over een, sonder
eenige verschedenheyt noch verschil: dat\'er niet in
de Schriftuere is, of het is religieus ende eerlick:
dat\'er niet in de Schriftuere is, welck te berispen
noch te bestraffen is: uyt de stijl der heylige Schrif-
tuere, die deftigh ende uytnemende is, ende noch
-ocr page 79-
Van de Autoriteyt der H. Schrifture.            71
tans eenvoudigh is, die van het gemeyne volck kan
verstaen werden: uyt de prophetien ende voorseg*
gingen der selver, die vervult zijn: uyt do veelvou-
dige vervolgingen der gener, die haer in dese Schrift
hebben geoeffent, als blijckt in de Martelaeren: eyn-
delick, dat dese Schrift niet te niete heeft konnen
gedaen werden, ja niet een vers daer van, hoe seer
dat de vyanden sulcks gesocht hebben te doen; maer
heeft ter contrarie altijt overwonnen.
d V. Hoe verre breyt haer de autoriteyt der Schrif-
ture uyt?
A. De Goddelickheyt ende autoriteyt der Schrifture
moet aengemerckt worden ofte als een historie, ofte
als eenen regel in onsen Godsdienst, ende leven te
volgen. Ten aensien van het eerste, soo breyt sy haer
uyt over alle deelen van de Schrifture: ten aensien
van het tweede, soo breyt de Goddelickheyt der
Schrifture haer absolutelick uyt, tot de woorden ende
wercken, 1. onses Godts, 2. Christi, als Godt en
Mensche, 3. der Engelen: Maer aengaende der Pro-
pheten ende Apostelen woorden, die zijn onfeylbaer;
daer mede sy schrijvende of sprekende, als publijcke
Leeraers de Gemeynte stichten: ende aengaende hare
wercken, die en zijn by of in haer selven geenen
onfeylbaren regel, dan wanneer de Schrifture die
approbeert.
d V. Is de Schriftuer soo wel autentijck ende Godde-
lick in saken van kleynder gewichte, als in andere
dingen van meerder gewichte ?
A. Ja.
d V. Zijn de woorden van de vrienden Jobs auten-
tijck ende Godlick, als eenen onfeylbaren regel, om
ons geloove ende leven daer na te reguleren?
A. Neen.
d V. Zijn alle de woorden Jobs in desen sin auten-
tijck?
A. Neen: want daer zijn eenige die de H. Geest
inprobeert.
-ocr page 80-
72            Van de Autoriteyt der H. Schrifture.
c V. Is de verloocheninge Petri eenen autentijcken
regel ?
A. Neen.
e V. Was de brief Davids (die hy geschreven heeft
aen Joab, aengaende de ombrenginge van Urias , 2
Sani. 11) autentijck \')?
A. Neen.
d V. Zijn alle de versen ende perioden van de Schrif-
ture autentijck?
A. Ja.
d V. Zijn de aenteyckeningen op de kant soo wel
autentijck, als do woorden van den text selfs?
A. Neen.
d V. Zijn sy niet hinderlick de Goddelickheyt ende
volmaecktheyt der Schrifture?
A. Neen.
d V. Zijn de tijtelen ende opschriften der boecken
autentijck?
A. Ja; die gene, die in den H. text staen, ende
een deel des selfs zijn; of daer van de Sehrifture
elders getuyght: de andere tijtelen heeft men alleen
met een historische kcnnisse aen te nemen,
d V. Zijn de afdoylingen der boecken en capittelen,
als oock de onderschrijvingen der brieven Pauli, &c.
autentijck ?
A. Neen.
d V. Zijn de boecken Mosis ende der Propheten,
welcke wy heden ten dage hebben van haer selfs
geschreven, ofte van Ezra na de Babylonische ge-
vanckenisse herstelt ?
A. Van haer selfs geschreven.
d V, Konnen Zacharias, Simeon, de Maget Maria,
den eersten martelaer Stephanus, gerekent worden
door den Geest Godts gedreven te zijn, ende zijn
dien volgens hare woorden ende leeringen autentijck ?
\') De bedoeling is, dat deze brief teel echt was, maar dal zijn
inhoud niet geldt als regel tan wandel.
-ocr page 81-
Van de Autoriteyt der H, Schrifture.            73
A. Ja.
(1 V. Hebben de lieylige Schrijvers somtijts geschre*
ven \'), niet gedreven zijnde door den Geest Godts?
A. Neen.
d V. Hebben sy dan in sommige dingen gedwaelt ?
A. Neen.
<\\ V. Is die Schriftuer, die wy heden ten dage heb-
ben in \'t Hebreeusch ende in \'t Griecks, de origi-
neele ende autentijcke Schrifture ?
A Ja.
<1 V. Is de Chaldeische overzettinge, als mede de
Griecksche, ofte de gemeyne Latijnsche (die men
Hieronymus toeschrijft) autentijck?
A. Neen.
d V. De Brief Jacobi, ende de Openbaringe Johannis,
zijn dat Goddelicke Schriften?
A. Ja.
d V. Is het Euangelium Matthei, ende de Brief tot
den Hebreen in \'t Hebreeusch geschreven, ende het
Euangelium Marci, met den Brief tot den Romeynen,
in \'t Latijn?
A. Neen.
d V. Is d\' Apostel Paulus den Autheur van den Brief
tot den Hebreen?
A. Daer zijn vele reden om ja te seggen.
d V. Is de autoriteyt des Ouden Testaments minder,
als de autoriteyt des Nieuwen Testaments?
A. Neen.
d V. Zijn de Schriften des Ouden Testaments soo
wel den regel van het geloove ende de goede wercken,
als de Schriften des Nieuwen Testaments ?
A. Ja.
(\' V. Wie ontkennen sulcks, of trecken sulcks in
twijffel?
A. De Mennoniten ende Socinianen.
) T. k. in den Bijiel. Ze kunnen daarom wel andere brieven
of stukken geschreven hebben in het burgerlijk leven.
-ocr page 82-
74 Aenhanghsel van de Twaelf Artijckelen des Geloofs.
AENHANGHSEL VAN DE TWAELF AKTIJC-
KELEN DES GELOOFS.
c V. De twaelf Artijckelen, zijn die autentijck ofte
canonijck ?
A. Neen.
c V. Zijnse van de Apostelen, ofte van de Aposto-
lische mannen beschreven?
A. Neen.
c V. Heeft elcken Apostel eenen Artijckel beschre-
ven , of daer toegebracht ?
A. Neen.
c V. Wie seggen sulcks?
A. Die van \'t Pausdom,
c V. Is dit Symbolum het Catholisch, het oudtste, nu
van de tijden of van de naeste tijden der Apostelen
door een geduerige successie, door de Kercke met
eendrachtigheyt overgelevert ende voortgeplant\'?
A. Neen.
b V. De twaelf Artijckelen des Geloofs, zijnse een
gebedt?
A. Neen.
c V. Waerom niet?
A. Om dat men biddende Godt aenspreeckt ende
yet van hem begeert: maer met dit Formulier spreeckt
men tot ende voor de menschen; niet begeerende,
maer antwoordende, of verklarende wat men gelooft.
b V. Is dit Formulier profijtelick, ende wel beschre-
ven, ende accordeert het in alles met de Schriftuer ?
A. Ja.
b V. Is het dan bequaem ende nuttigh om in de
Christelicke Huysgesinnen, Scholen ende Kercken
menighmael verhaelt ende voorgedragen te werden?
A. Ja.
c V. Begrijpt dit Formulier alle de fondamenteele
leeringen ?
A. Neen. Siet van dit Formulier breeder Vrage 23.
-ocr page 83-
Van de Volmaecktheyt der H. Schrifture. 75
VAN DE VOLMAECKTHEYT DER H. SCHRIFTUKE.
d V. Hoedanigh een volmaecktheyt der Schrifture
wort alhier verstaen?
A. Dat deselve is een bequaem instrument, waer
door wy genoeghsaem ter saligheyt konnen onderwe-
sen worden, soo veel ons geloof ende Christelick leven
aengaet.
b V. Is nu de Schriftuer alsoo volmaeckt?
A. Ja.
c V. Waer uyt bewijst ghy dat ?
A. 2. Tim. 3. 15, 16, 17. Ende dat ghy van kints
af de H. Schriften geweten hebt, die u wijs konnen
maken tot saligheyt, &c. op dat de mensche Godts
volmaeckt zy, tot alle goet werek volmaecktelick toe-
gerust.
d V. Hebt ghy oock eenige vaste ende bondige redenen
om dit stuck te bewijsen?
A. Ja.
d V. Welck zijn die\'?
A. 1. Om dat men van de Schriftuer niet magh
afdoen noch niet toedoen: Deut. 4. 2. Ghy en sult
tot dit woort, dat ick u gebiede, niet toedoen, oock
daer van niet afdoen. Apoc. 22. vss. 18, 19. Indien
yemant tot dese dingen toedoet, Godt sal over hem
toedoen de plagen die in dit boeck geschreven zijn.
2. Om dat de Schriftuer in sich begrijpt de Wet ende
het Euangelium; ende de Wet ende het Euangelium
begrijpen in haer alle die dingen, dewelcke ter salig-
heyt nootsakelick zijn geweten. 3. Indien de Schrif-
tuer niet volmaeckt was ter saligheyt, soo soude daer
zijn een andere Leere, dewelcke de Schrijvers of niet
geweten hebben, of, soo sy die hebben geweten,
deselve niet hebben willen geven, oft konnen geven:
het eerste toe te staen dat is valsch; het tweede (na-
melick dat de Schrijvers deselve niet hebben konnen
geven) en dorven die van \'t Pausdom niet affirmeeren.
-ocr page 84-
76         Van de Volmaeckthevt der H. Schrifture.
a V. Magh men elders als uyt de Schriftuer de be-
vestinge des Christelicken geloofs halen, verwachten,
ofte leeren?
A. Neen.
b V. Wort de Leere des geloofs ende der saligheyt
oock volkomelick begrepen in \'t Oude ofte Nieuwe
Testament, of in beyde?
A. In beyde.
c V. Hebben die gene, die d\'een of d\'ander van de
Canonijcke boecken niet en hebben of aen en nemen
(by exempel, den brief Jacobi) de Schriftuer vol-
maeckt?
A. Alhoewel sy d\'een of d\'ander boeck voor Ca-
nonijck niet en houden, soo hebben sy nochtans de
Schriftuer eenighsins volmaeckt, waer door sy tot de
saligheyt konnen gebracht worden: hoewel het een
gebreck is, dat men eenigh Canonijck boeck mist,
of niet aen en neemt.
V. Zijn, behalven het geschrevene woort Godts,
van nooden eenige extraordinare openbaringen?
A. Neen.
<; V. Is daer een ander woort Godts van binnen,
ende oen ander van buyten?
A. Neen.
e V. Is de Schriftuer alleen een getuygenisse van
het geloove, of oock een uyterlick middel ende in-
strument om het geloove te geven ende te wercken?
A. Oock een instrument om het geloove te wercken.
<• V. Is de Schrifture des Ouden ende Nieuwen Testa-
ments in eenige plaetsen bedorven, kreupel ende on-
volmaeckt, soo dat deselve van noode heeft de hulpe
of verbeteringen van de menschen, of het onfeylbaer
oordeel van de Kercke?
A. Neen.
b V. "Wie seggen dat?
A. De Papisten.
b V. Heeft het Oude Testament de beloften ende
toeseggingen des eeuwigen levens?
-ocr page 85-
Van de Volmaecktheyt der H. Schrifture. 77
A. Ja. Hebr. 11. vss. 1016. Want hy verwachtede
de stadt die fondamenten heeft, weiekers konstenaer
ende bouwmeester Godt is. ende vs 16. Maer nu zijn
sy begeerigh na een beter, dat is, na het Hemelsehe.
d V. Wie ontkennen dit?
A. De Socinianen.
b V. Is de Sehrifture daerom onvolmaeekt, om datse
nu en dan met ons spreeckt op menschelicke wijse
na ons verstant?
A. Neen.
b V. Wort daer door de volmaeektheyt der Schrifture
ende de autoriteyt des H. Geests eenighsins ver-
mindert ?
A. Neen.
c V. Is den Brief tot den Hebreen onvolkomen, om dat
den naem des autheurs daer niet boven geschreven staet?
A. Neen.
« V. Zijn de Artijckelen des geloofs vermeerdert,
door dien dat het schrijven van de heylige boecken
vervolgens geschiet is?
A. Neen.
b V. Heeft de Schrifture eenige tegenstrijdingen ?
A. Neen.
b V. Moet men alleenlick aennemen of willen weten,
\'t gene in de Schrifture staet \')?
A. Neen.
c V. Moet men in saken des geloofs niet stellen,
verhandelen, voortbrengen ofte aannemen, dan het
gene met effen soo veel woorden in de Schrifture
staet, sonder eenige consequentien, gevolgen, besluy-
ten ofte toepassingen te maken, ofte eenigh woort
af of toe te doen?
A. Neen.
V. Magh men dan soodanige gevolgen ende conse»
quentien daer uyt trecken?
\') Bedoeld is dat in zaken buiten het geloof de Schrift niet
de eeniye bron onzer kennisse is.
-ocr page 86-
78         Van de Volmaecktheyt der H. Schrifture.
A. Ja.
c V. Wie schijnen hier tegen te willen gaen?
A. Soeinianen, Papisten, Wederdoopers, &c.
d V. Waer uyt sult ghy bewijsen, dat men soodanige
consequentien ofte gevolgen daer uyt trecken rnagh?
A. Matth. 22. 32. Ick ben de Godt Abrahams, ende
de Godt Isaacks, ende de Godt Jacobs; Godt en is
niet een Godt der dooden, maer der levende; weleke
laetste woorden niet en staen Exod. 3. 6. maer zijn
als een besluyt, welck de Heere Christus treckt uyt
de voorgaende woorden, waer mede hy bewijst de
opstandinge der dooden tegen de Sadduceen.
d Tegenw. Die dingen, dewolcke ter saligheyt noo-
digh zijn geweten , die moeten soo voorgestelt worden,
datse van alle verstaen ende begrepen konnen wer-
den; niet alleen van de Geleerden, maer oock van
het gemeene volck ende de slechte luyden: nadien
niet alleen de Geleerden, maer oock de slechte luy-
den sullen saligh worden: Nu, het gene door een
consequentie uyt de Schrifture wort gehaelt, en kan
niet dan van de Geleerden ende verstandigen ver-
staen werden?
A. 1. Indien dit gevolgh goet was, soo soude het
meestendeel van Godts woort den volcke niet mogen
voorgestelt werden: ofte vele Articulen des geloofs
en souden niet nootsakelick zijn ter saligheyt ge-
weten, als die de verborgentheden begrijpen: want
indien het gemeyne volck niet kan verstaen het gene
door een consequentie uyt Godts woort wort ge-
trocken , veel min dan het gene een misterium ende
verborgentheyt is. 2. De slechte \') menschen, weleke
de Hecre tot, hem roept, oogen geeft om te sien,
ende een . verstant om te mereken, verstaen ende
begrijpen de consequentien, die die uyt Godts woort
worden getrocken, als blijekt Matth. 22. 33. De
scharen zijn verslagen geworden over sijne leere;
\') Beteekent: eenvoudige.
-ocr page 87-
Van de Volmaecktheyt der H. Schrifture. 79
bewijsende door consequentie de opstandinge der
dooden tegens de Sadduceen: het welcke niet ge-
schieden koste, \'t en zy sy Christum wel verstaen
hadden,
d V. Als men soodanige consequentien ofte gevolgen
uyt Godts woort treckt, vervalscht men dan Godts
woort ?
A. Neen.
d V. Doet men dan tegen Deuter. 4. 2. ende Apoc.
22. 18, 19, alwaer geseyt wort, dat men niet sal
afdoen noch toedoen van de Schriftuer?
A. Neen.
d V. Waerom niet\'?
A. Om dat die consequentie in de Schriftuer ge-
grondet, ende daer in begrepen is; soo datse oock
Schriftuer wert genaemt, Matth. 22. 29, 31. Ghy
dwaelt niet wetende de Schriften, &c.
c V. Waer in is gelegen de kracht ende nuttigheyt
van \'t woort Godts\'?
A. In leeren, in aen te wijsen ende voor te stellen,
welcke dingen moeten vermijdet, ende welcke moeten
gedaen worden, in betuygen, vermanen, raden, dreygen.
V. Werckt de Schriftuer in ofte op den mensche
als een principale oorsaeck, of op do wijse van een
natuerlick instrument ?
A. Neen: maer als een moreel instrument, by wege
van voorstellen, aenraden, gebieden, vermanen, &c.
c V. Welck is dan de eygen daet-werckende oorsaeck
des geloofs?
A. De H. Geest.
e V. Wat doet de Schriftuer?
A. Sy is het instrument, waer mede ende waer
door de H. Geest werckt.
d Tegenw. Godts woort wort vergeleken bij een hamer,
die den rotzsteen ontstucken slaet, Jerem. 23. 29.
bij een twee-snijdende sweert, Hebr. 4. 12. by suy-
vere ende uytgelesene pijlen, Esai. 49. V9. 2. by
sneeuw en regen, die de aerde vruchtbaer maeckt,
-ocr page 88-
Van de Menschelicke Traditien.
so
Esai. 55. verss. 10, 11. by het zaet, \'t welck vruch-
ten voortbrenght, Luce 8. vers 8?
A. Godts woort doet ende werckt alle dese dingen
met leeren, vermanen , beschuldigen , ontschuldigen,
ende de conscientien te overtuygen. Siet 1. Corinth.
14. 24. Die wort van allen overtuyght.
d Tegenw. 1. Petr- 1. 23. Die ghy wedergeboren zijt,
niet uyt verganekelicken, maer uyt onverganckelicken
zade, door het levende ende eeuwighblijvende woort
Godts?
A. De kracht van de weder-geboorte wort het woort
Godts toegeschreven; niet dat het selve ons weder-
baert; (want wy moeten eerst wedergeboren zijn, eer
wy ter saligheyt dat verstaen ende gebruycken kon-
nen) maer om dat het ons dient als een instrument
in de uytwerckinge der wedergeboorte, door actuele
bekeeringe, geloove, ende goede wercken.
AENHANGHSEL VAN DE TRADITIEN.
c V. Verwerpen wy alle Traditien ende Kerckelicke
insettingen\'?
A. Neen.
c V. Is daer boven het geschrevene woort Godts oock
een onbeschreven woort, d\'welck ons eenige noodige
stucken leert, die in de Schriftuer niet en staen?
A. Neen.
d V. Wie zijn nu die gene, die de volmaecktheyt
der Schriftuer loochenen?
A. De Papisten,
d V. Wat is haer gevoelen?
A. Dat boven het beschreven woort, dat is, de
Schrifture, noch van noode is een onbeschreven woort,
dat is, de Traditien van de Kerck.
d V. Accordeert dese Leere met Godts woort?
A. Neen, als boven gehoort is.
d V. Alle de particuliere ende omstandige gewoonten,
-ocr page 89-
Van de Menschelicke Traditien.                 81
ordre, ende Kerckelicke ceremoniën der Apostelen,
zijn die nootsakelick met een gemeene ende geduerige
nootsakelickheyt, dat is, of sy voor altijt verbinden?
A. Neen.
o V. Hebben de geloovigen nu in de Kereke van
nooden de onbeschreven Traditien, om dat de ge-
loovigen het onbeschreven woort door overleveringh
der Patriarchen van hant tot hant gehadt ende ge-
bruyckt hebben, voor de tijden Mosis?
A. Neen.
c V. Kan men sekerlick aenwijsen de rechte Tradi-
tien der Apostelen (indien daer eenige geweest zijn)
om met een Goddelicke en onfeylbare sekerheyt de-
selve te konnen aennemen ende gelooven?
A. Neen.
e V. Indien sy met soodanige sekerheyt niet en konnen
aengewesen werden, souden dan deselve met gelijcke
genegentheyt ende eerbiedigheyt der Godtsaligheyt
neffens de Schriftuer moeten opgenomen werden?
A. Neen.
d V. Heeft de Kereke des Ouden Testaments in den
Canon-regel des geloofs, niet alleen de schriften des
Ouden Testaments, maer oock Traditien gehadt?
A. Neen.
c V. Wie stellen boven het geschreven woort Godts,
noch een onbeschreven woort, dat is, de Traditien
ter saligheyt noodigh?
A. Die van \'t Pausdom.
O V. Waer uyt willen sy dat bewijsen ?
A. 2. Thess. 2. 15. Houdt de insettingen die u
geleert zijn.
fl V. Wat soudt ghy daer op antwoorden?
A. Dat Paulus alhier door sijne brief voorstelt, die
selfde Leere, die hy te voren haer mondelingh ge-
leert hadde.
c\' V. Hoe sal men die van \'t Pausdom antwoorden,
die daer seggen, dat de Schriftuer eenen halven
\'egel van onse saligheyt is?
6
-ocr page 90-
82 Van de Nootsakelickheyt der H. Schrifture.
A. Dat het beschreven woort Godts volkomelick
den mensche aenwijst alle de dingen, die hem noo-
digh zijn tot saligheyt sijnder ziele.
VAN DE NOOTSAKELICKHEYT DER
H. SCHRIFTURE.
a V. Is de Schriftuer nootsakelick ter saligheyt?
A. Ja.
b V. Is de Schriftuer absolutelick ter saligheyt noo-
digh?
A. Ja, na datse Godt heeft doen schrijven, ende
de Kercke voorstellen.
b V. Is de Schriftuer nootsakelick ter saligheyt, ten
aensien van het bevel ende instellinge Gods?
A. Ja.
b V. Is do Schriftuer nootsakelick ter saligheyt, als
een ordinaris instrument ende middel waer door Godt
den mensche tot de saligheyt wil brengen?
A. Ja.
c V. Waer uyt bewijst ghy, dat de Schriftuer alsoo
ter saligheyt nootsakelick is?
A. Rom. 1. 16. Ick en schame my des Euange-
liums Christi niet: want het is een kracht Godts ter
saligheyt, een yegelick die gelooft, eerst den Jode ,
ende oock den Grieck. 2. Tim. 3. 15. Ende, dat ghy
van kints af de Heylige Schriften geweten hebt, die
u wijs konnen maken tot saligheyt, door het geloove,
\'t welck in Christo Jesu is. 2. Petr. 1. 19. Ende wy
hebben het Prophetische woort, dat seer vast is:
ende ghy doet wel, dat ghy daer op acht neemt, als
een licht schijnende in een duystere plaetse, tot dat
den dagh aenlichte, ende de morgensterre opga in
uwe herten.
d V. Hebt ghy geen vaste en bondige redenen, om
dit stuck te bewijsen?
A. Ja.
d V. Welck zijn die?
-ocr page 91-
Van de Nootsakelickheyt der H. Schrifture. 83
A. 1. Om dat onsen Salighmaker Christus Jesus de
menschen wijst tot de Schriftuer: Luoe 16. 29. Sy
hebben Mosen ende de Propheten, datse die hooren.
Joh. 5. 39. Ondorsoeckt de Schriften; want sy zijn
\'t, die van my getuygen, &c. 2. Om dat men sonder
de Schriftuer geen geloovo hebben kan. Rom. 10. 14.
Hoe sullen sy dan hem aenroepen, in welcken sy niet
gelooft en hebben? Ende hoe sullen sy in hem gelooven
van welcken sy niet gehoort en hebben? vers 17.
Soo is dan het geloove uyt het gehoor, ende het
gehoor door het woort Godts. 3. Om dat mensonder
de Schriftuer niet kan saligh worden: Joh. 20. 31.
Maer dese dingen zijn geschreven, op dat ghy ge-
loovet, dat Jesus is de Christus, de Sone Godts:
ende op dat ghy geloovende het eeuwige loven hebbet
in sijnen name. Si et oock Rom. 15. 4.
d V. Maer of yemant by den Turck of elders onder
den ongeloovigen opgevoedt zijnde, door yemants
onderwijsinge, soo veel geleert hadt, dat hy Gode
diende door Jesum Christum, ende om vergevinge
sijner sonden badt, oock in Christum geloofde, ende
nochtans distinctelick ofte ter dege niet en weet, dat
\'er sulcke Canonijcke boecken zijn, soud\' die mensch
daeromme verloren en verdoemt zijn?
A. Dat en seggen wy niet.
d V. Soo kan men dan sonder de Schrifture saligh
worden ?
A. \'t En is niet geheel sonder Schriftuer: want den
inhoudt ende materie van de fondamentele stucken
der Schriftuer heeft hy van andere geleert, ende de
Heylige Geest heeft heni deselve doen gelooven.
\'\' V. Soude wy dan de Schrifture niet konnen missen ?
A. Neen.
c V. Maer de Kercke Godts voor de tijden Mosis en
heeft de Schriftuer niet gehadt; ergo soo kan men
de Schriftuer missen?
A. Indien het Godt beliefde sonder de Schriftuer
ons te onderwysen, gehjek hy gedaen heeft sgne Kercke
-ocr page 92-
84 Van de Nootsakelickheyt der H. Schriftur*.
voor de tijden Mosis, soo souden wy deselve konnen
missen; maer nu en belieft het Godt niet soo te
onderwijsen.
d V. Is dan dese consequentie niet goed: Do Kercke
Godts heeft de Schriftuer gemist voor de tijden Mo-
sis; ergo soo konnen wy deselve oock missen?
A. Neen: soo weynigh, als of ick wilde besluyten,
Indien Noach niet van doen hadde de Arcke voor
den Sondtvloet; ergo oock niet, doen de Sondtvloet
was: ende indien een jongh kindt niet van doen heeft
vaste spijse; ergo soo heeft het deselvo niet van
doen, wanneer het tot meerder jaren ende ouderdom
gekomen is.
d V. Heeft de Kercke Godts voor de tijden Mosis
geen Schriftuer gehadt"?
A. Ja, soo veel de substantie ende inhoudt belanght;
want sy hadde het selfde woort Godes, dat in de
Schrifture geschreven staet.
d V. Hoedanigh woort Godts heeft de Kercke doe gehadt?
A. Een onbeschrevene woort.
d V. Wie zijn die gene, dewelcke loochenen de noot-
sakeliekheyt van de Schriftuer?
A. De Enthusiasten, of Geest-drijvers, Libertijnen ,
ende Papisten.
d V. Welck is het gevoelen van de Enthusiasten,
ende Libertijnen ofte Geest-drijvers, aengaonde de
nootsakelickheyt der Schrifture?
A. Sy seggen, dat de uyterlicke Schriftuer absolu-
telick niet en is nootsakelick, ja oock niet profijtelick;
maer dat sy alle dingen hebben uyt ende door den
inwendigen Geest, welck sy noemen het inwendige
Woort: waer door sy versieren, dat Godt sonder
middelen werckt in haer verstant; waer van daen sy
de menschen noemen Vergoddede ende volmaeckte
menschen.
d V. Wat bewijs brengen sy by?
A. 2. Corinth. B. 6. De letter doot, maer de geest
maeckt levendigh.
-ocr page 93-
Van de Nootsakelickheyt der H. Schrifture. 85
d V. Wat soudt ghy daer op antwoorden?
A. Door de letter en verstaet den Apostel niet de
Schriftuer ofte het woort Godts , maor de Wet gestelt
tegens het Euangelium , welcko wel sonder de genade
Godts is een doode letter, Galat. 3. vs. 10. Vervloeckt
is een yegelick, die niet en blijft in allo het gene
geschreven is in het boeck der Wet, om dat te doen.
Rom. 4. 15. De Wet werckt toorn,
c V. Welck is het gevoelen van die van \'t Pausdom?
A. Sy seggen, dat de Schriftuer niet nootsakelick
is, voor soo veel als sy beschreven is, alsoo dat de
Kerck deselve kan missen. Sy seggon, dat sy is on-
profijtolick, om datso de Kerck hebben: ende het
woort Godts, seggen sy, is geschreven in \'t herte van
de Kerck. Hier van daen is het, dat sy soo ver-
achtelick van de Schrifture spreken, noemende de
selve een blooto seheede, een wasse neuse, een looden
regel, duysternisse, een boeck der Ketteren, &c.
d V. Wat bewijs brengen sy by?
A. Dat de Kercke voor de tijden Mosis de Schrif-
tuer heeft konnen missen.
\'1 V. Wat soudt ghy daer op antwoorden?
A. Dat die consequentie niet en deught, gelijck wy
een weynigh to voren hebben aengewesen. En soo
soude ick mogen besluyten, dat den Paus van Eoomen
niet nootsakelick is, om dat de Kercke somtijts son-
der Paus geweest heeft; het welck nochtans die van
het Pausdom niet sullen toestaen.
\'\' V. Wat bewijs brengen sy meer?
A. Dat de Schriftuer is laetter als de Kerck.
\'1 V. Wat soudt ghy daer op antwoorden?
A. Dat de Schriftuer laetter is, als de Kerck, ten
aensien van de uyterlicke schrijvinge van Godts woort;
maer niet ten aensien van het woort Godts, of de
Goddelickc openbaringe des selfs.
" V. Wat bewijs brengen sy noch meer?
A. Dat de menschen do Schriftuer in verscheyden
gevoelen ende meyninge trecken.
-ocr page 94-
86 Van de Nootsakcliekheyt der H. Schrifture.
d V. Wat soudt ghy daer op antwoorden ?
A. Dat en is niet van wegen de Schriftuer, maor
van wegen de onwetenheyt, of boosheyt van do men-
sohen, die de Schriftuer verdraeijen. Soo soudo men
oock mogen besluyten , dat men geen Wijn en moet
gebruycken, om dat vele menschen dronckon worden,
ende liaer verstant ende memorie verderven, het welcko
de Papisten niet willen toestaen.
d V. Wat brengen sy noch meer by, om haer stuck
te bewijsen?
A. Dat\'er vele dingen in de Schriftuer swaer zijn
te verstaen: 2. Petr. 3. 16. In welcke dingen som-
mige swaer zijn om te verstaen, &c.
d V. Wat soudt ghy daer op seggen?
A. 1. Den Apostel seyt, dat\'er sommige dingen in
de brieven Pauli swaer zijn, maer niet allo dingen ;
veel min alle de stucken van de geheele Schrift.
2. Hy en spreeckt niet van de beginselen en alge-
meene noodige stucken des geloofs. 3. De noodige
fondament-stucken en zijn niet swaer den geloovigen,
maer den genen, die in duysternisse zijn, ende met
voor-oordeel of verdorven sinnen ingenomen zijn.
Siet Hos. 14. 10. Wie ia wijs? die versta dese dingen;
wie is verstandigh\'? die bekonnese: want des Hoeren
wegen zijn recht, ende do rechtveerdigo sullen daer
in wandelen, maer de overtreders sullen daer in vallen.
d V. De Schrifture is wel nootsakelick den kinderen,
maer niet den volwassene, na het seggen der Geest-
drijvers ?
A. Het contrarie seyt dan David, Psalm 119. 105.
U woort is een larnpe voor mijnen voet. De Apostelen
hebben niet geleert \'), behalven Mosen ende de Pro-
pheton. De Schriftuer kan een mensche volmaockt
stellen: 2. Tim. 3. 17. Op dat de mensche Godts
volmaockt zy. Siot oock Phil. 3. 15. Hebr. 5. 14.
\') Hadden geen andere Schrift, om uit te heren dan Mossel en
de Proplieleu.
-ocr page 95-
Van de Klaerheyt der H. Schrifturo.            87
d V. Vallen do Papisten met de Enthusiasten ende
Libertijnen, als sy liet uyterlicke woort Godts genoegh-
saem als verlatende, vlieden tot het inwondigh woort,
geschreven in het horte van de Kerck?
A. Ja.
(I V. Oock eenigo hedendaeghsche Wederdoopers, als
sy mereken \') oenen tweederley sin van de Schriftuer,
één inwendigh, onde een ander uytwondigh?
A. Ja.
VAN DE KLAEKHEYT DER H. SCHRHTURE.
1) V. Hebben do Prophcton onde Apostelen door don
last ende bevel Godts, willens ende wetens soo ge-
schrevon, datso duyster soudon zijn, onde niet sou-
den konnen verstaen werden ?
A. Neen.
a V. Is dan de Schrifturo klaer?
A. Ja.
c V. Hoe is do Schriftuer klaer?
A. In haer solven.
V. Is de Schriftuer in alle plaetsen oven klaer?
A. Neen.
0 V. Moetse even klaer zijn?
A. Noen.
" V. Zijn daer verscheyden vorborgenthoden in do
Schriftuer ?
A. Ja.
c V. Maor is de Schriftuer klaer in die dingen ende
verborgentheden, die nootsakelick ter saligheyt moe-
ten geweten en gelooft werden?
A. Ja.
V. Konnen de slechte \') luyden de Schriftuer dan
verstaen ?
A. Ja, mits hulpe ende verlichtinge dos Heyligen
Geests.
\') Spreken van. s) Eenvoudige,
-ocr page 96-
88             Van do Klaerheyt der H. Schrifturo.
c V. Konnen sy verslaen al wat in de Schriftuer
staet?
A. Neen.
c V. Souden sy sonder alle texten te verstaen wel
konnen saligh worden?
A. Ja.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat de Schriftuer soo
klaer is in haer selven, endo dat in dio dingen, die
ter saligheyt noodigh zijn?
A. Psalm 19. 8 9. De getuygenisse des Heeren is
gewis, den slechten wijsheyt gevende, vs. 9. Het
gebodt des Heeren is suyver, verlichtende de oogen.
Psalm 119. vs. 105. U woort is een lampe voor mijn
voet, ende een licht voor mijnen padt. Prov. 6. vs. 23.
Want het gebodt is een lampe, ende de Wet is een
licht. 2. Petr. 1. 19. Een licht schijnende in duystere
plaetsen.
d V. Hebt ghy oock eenige vaste ende bondige re-
denen, om dit stuck te bewijsen?
A. Ja.
d V. Welcke?
A. Om dat de Schriftuer niet alleen den geleerden,
maer selfs oock den ongeleerden bevolen wert te lesen:
Joh. 5. vs. 39. Ondersoeckt de Schriften; want sy
zijn \'t, die van my getuygen Apoc. 1. 3. Saligh is
hy die leest.
d Tegenw. Maer allo menschen en konnen de Schrif-
tuer niet verstaen.
A. Dat allo menschen do Schriftuer niet verstaen,
dat komt niet by foute van de Schriftuer, maer by
fouto van de menschen selver, namelick, van wegen
haer verdorven verstant.
d V. Seggen wy, dat alle menschen de Schriftuer
verstaen konnen?
A. Neen.
d V. Wie seggen wy dan dat de Schriftuer kan ver-
staen ?
A. Dio de Hoere oogen heeft gegeven om te sien.
-ocr page 97-
Van de Klaerheyt der H. Schrifture.            89
b V. Een blinde man kan die de Sonno wel sien?
A. Neen.
b V. Is daerom dan de Sonne duyster, om dat de
blinde man deselvo niet sien kan?
A. Neen.
il V. Wie seggen dat do Schriftuer niet klaer is?
A. Die van \'t Pausdom.
d V. Wat bewijs brengen sy by?
A. 2. Petr. 3. 16. In welcke dingen sommige swaer
zijn om te verstaen.
d V. Wat soudt ghy daer op antwoorden?
A. 1. D\'Apostel spreeckt daer van sommige dingen,
maer niet van de gantscho Schriftuer. 2. Die dingen,
die op sommige plaetsen schijnen duyster te wesen,
worden op een ander plaets klaer en duydelick voor-
gestelt. 3. D\'Apostel spreeckt daer van ongeleerde
ende ongestadige menschen.
Tegenw. Indien de Schriftuer klaer \') is, soo heeft
sy dan geen verklaringen van nooden, ende dien
volgens soo behoeft men niet te predicken?
A. De Schriftuer en heeft geen verklaringe van
nooden, ten aensien van haer selven, maer ten aen-
sien van de onwetenheyt ende verdorven verstanden
der menschen.
V. Kan een yeder, geleerde ende ongeleerde, even
wel de Schriftuer verstaen?
A. Neen.
d V. Konnen de goddeloosen ende onherborene de
Schriftuer verstaen?
A. Ja.
(\' V. Konnen sy die verstaen met salighmakende ken-
nisse ?
A. Neen.
d V. Hoedanigh een kennisse van do Schriftuer heb-
ben sy dan?
A. Een historische kennisse.
) Klaer beleelcent hier: helder, doorzichtig.
-ocr page 98-
90               Van hot Lcscn dor H. Schrifturo.
V. Kan do Schriftuer het geloove cnde de gehoor-
saomheyt in de menschen wercken sonder de inwen-
dige verliehtinge dos Hoyligen Geosts?
A. Neen.
V. Kan do Schriftuer vruchtbaerlick onde ter salig-
heyt gelesen, golioort cnde verstaen werden , sonder
de inwendige verliehtinge des H. Geosts?
A. Neen.
VAN HET LESEN DER H. SCHRIFTURE.
V. Magh yoder oen de Schriftuer wel losen, hy zy
goleert oft ongeleort?
A. Ja.
V. Kan deselve met vrucht onde profijt gelescn
worden van de gemeene ende slechte \') luyden?
A. Ja.
V. Waer uyt bewijst ghy, dat yeder oen de Schrif-
tuer leson magh ?
A. Joh. 5. 39. Ondcrsocckt de Schriften; want sy
zijn \'t, die van my getuygen, &c. Actor. 17. 11.
Ende dese (namolick die van Berreen) waren edelder
dan die te Thessalonica waren, als die het woort ont-
tingen mot alle toegenegentheyt; ondersoeckende dage-
licks de Schriften, of dese dingen alsoo waren. 2. Tim.
3. 10 Ende dat ghy van kints af de Heylige Schriften
geweten hebt. Siet oock Psalm 1. 2. 1. Thess. 5. 20/21.
V. Wie zijn die geno, die den gemeynen man ver-
bieden de Schriftuer te lesen?
A. Die van \'t Pausdom.
V. Wat bewijs brengen sy by?
A. Dat de menschen de Schriftuer niet verstaen.
V. Wat soudt ghy daer op antwoorden\'?
A. Dat haer Priesteron, ja selfs oock niet de ge-
leerste Theologanten de Schriftuer niet verstonden,
doen sy desolve eerst begosten te lesen.
\') J). i.: ecneoudige.
-ocr page 99-
Van het Lesen der H. Schrifture.               91
<; V. Moet men dan de Sehriftuor lesen, op dat monse
leere verstaen?
A. Ja.
b V. Soude men dan van den Bisschop eerst oorlof
mogen vragen om de Schriftuer te lesen ?
A. Noen.
c V. Maer genomen, men vraeghde den Bisschop in
Spanjen, Italien, ende andore plaetsen, daer het
Pausdom alleen ende ten vollen domineert, soude hy
daer toe yemant verlof geven?
A. Dat en geloovo ick niet.
d V. Hebben de Bisschoppen van den Paus de macht
ontfangen, om het lesen dor Schriftuer yemant to
vergunnen?
A. Neen.
o V. Is dan dit voorgeven van des Bisschops con-
sent een enckel bedrogh?
A. Ja.
d V. Wat raet, als men yet leest, en niet verstaet?
A. Dan sal men gaen by die gene die het verstaen.
d V. Wat bewijs brengen die van\'t Pausdom meer by?
A. Dat daer ketterijen uyt komen te ontstaon.
\'1 V. Wat soudt ghy daer op antwoorden?
A. 1. Dat sulcks oock gebeuren kan do Leeraers
van liet Pausdom, die de Schriftuer den menschen
voorlesen. 2. Dat komt noch en geschiet niet uyt ende
door het lesen van de Schriftuer, maer by accident
ende toeval, namelick, dat de menschen de Schrif-
tuer verdraeijen. 3. De Predicatien, ja oock do Schrif-
ten van die van \'t Pausdom konnen zijn een occasie
van dwalinge, sonde, ergernisse (gelijckso in der daedt
zijn) welcko sy nochtans de menschen niet verbieden
te hooren of te lesen.
fl V. Waerom verbieden die van \'t Pausdom den ge-
meynen man de Schriftuer te lesen?
A. Om dat den menschen hare dwalingen, als van
Vagevyer, Zielmissen, Aflaten, Beelden, Paus-macht,
&c. niet souden bekent werden.
-ocr page 100-
92           Van de Uytlegginge der H. Schrifture.
d V. Is het geoorloft yemant te vermanen tot het
lesen van de Schrifture, nadien dat \'et boter is dat
een mensche den wegh der waerheyt niet gekent
heeft, als dien gekent hebbende weder afkeert van het
hoyligh gebodt dat hem overgegeven was, 2 Petr. 2. 21?
A. Ja.
d V. Magh men de ongeloovigen ende goddeloosen
tot het lesen der Schrifture vermanen ?
A. Ja.
d V. Kan een mensche in den staet der sonde, ofte
voor sijne bekoeringe, het woort Godts\' ter saligheyt
verstaen ende recht gebruyeken?
A. Neen.
d V. Kan het eene deel der Schriftuer profijtelicker
gelesen worden als het ander?
A. Ja.
d V. Moet de lesingc van eenige deelen der Schrif-
tuer, als 1. Par. cap. 1. (vss. 2, 3 &c.) de Openba-
ringe Johannis, het Hoogeliodt Salomons, de Propheet
Zacharias, &c. nagelaten worden, om dat deselve
swaer zijn te verstaen?
A. Neon.
VAN DE UYTLEGGINGE DER H. SCHRIFTURE.
b V. Moet de Schriftuer niet uytgeleyt worden?
A. Ja.
b V. Wie is de hooghste ondo onfeylbare uytlegger
der Schrifture?
A. De H. Geest.
b Y. Is het de Paus ofte de Kerck?
A. Neen.
c V. Waerom niet?
A. Om dat de Paus ende de Kerck dwalen konnen.
d V. Maer wat weet ghy, dat ghy den rechten sin hebt ?
A. Dat weet ick uyt ende door het getuygenisse
des H. Geests.
-ocr page 101-
Van do Uytleggingo der H. Schrifture.           93
c V. Hoe veelderley sin der Schrifture is\'er?
A. Eenderley.
c V. Zijnder geen moer sinnon der Schrifture, als de
geestelicke dingen, onder do gelijckenisse van aerdt-
sche dingen , worden voorgedragen ?
A. Neen.
c V. Is de Schrifture gelijck eon wasse neuse, soo
datso in verscheyden sinnen kan getrocken worden?
A. Neen.
d V. Wie seggen dat?
A. De Libertijnen ende Papisten.
d V. Welck is den rechten sin der Schrifture?
A. Do letter-sin.
d V. Laet elcke plaets der Schrifture den letter-sin toe ?
A. Ja.
d V. Laet een ende deselve plaets verscheydene letter-
sinnen toe?
A. Neen.
c V. Heeft de Schriftuer parabelen en golijckenissen ?
A. Ja.
\'• V. Is het yeder een geoorloft do Schriftuer uyt te
leggen op soodanige wijse ende maniere, als hen
dunckt met den sin ende meyninge Godts best over
een te komen?
A. Neen.
c V. Magh yemant, volgens de Christelicke vryheyt,
die dingen, dewelcke tot den eeuwigen loven door
haer selven ende absolutelick niet nootsakelick zijn,
na sijn eygen opinie ende goetduncken verstaen, ende
vryelick of aennemen, of verwerpen?
A. Neen.
•* V. Behoorde dese vryheyt niet uytgestreckt te wor-
den, niet alleen tot de dingen dewelcke onder de
Christenen zijn verschillende, maer oock, dewelcke na
desen in verschil konnen getrocken werden?
A. Neen.
•* V. Is dat de sekerste decisie van de verschillende
stucken, dewelcke uyt de klaerste Schrifturen ende
-ocr page 102-
94           Van de Uytlcgginge der H. Schrifture.
redenen sonder tegenspreken van yemand die maer
sijn gesont verstant heeft, kan geschieden ?
A. Neen.
d V. Is dat de sekerste, dewelcke is uyt de Schrif-
ture, ofte uyt de gesonde reden ?
A. Die uyt de Schrifture is; met dewelcke alle
reden, die gesont is, accorderen moet.
d V. Moeten alle leerstucken gehaelt werden uyt den
regel der Schrifture, ofte uyt do gesonde reden?
A. Uyt den regel van de Schrifture. Doch de stuc-
ken van de natuerlicke Theologie werden voorne-
mentlick ende sekerlick gehaelt uyt de Schrifture ; ende
dan in de tweede plaetse mede uyt de gesonde reden,
d V. Is daerom gantsch geen verborgentheyt in het
Avontmael; ende do waerachtige gemeynschap des
lichaems ende des bloets Jesu Christi, is die een
enckel versiersel \') ende een fonteyn van een grouwe*
licke afgoderije, om dat de verborgentheyt niet con-
form is de Schriftuer ende de gesonde reden?
A. Het is alles conform de Schrifture, als uyt
dewelcke het geleert wert: mitsgaders soo verre con-
form de gesonde reden, dat het daer tegen niet en
strijdet.
d V. Houden daerom de wijse ende de verstandige
van saken het Avontmael voor ydelheyt, gelijck de
Remonstranten voorgeven?
A. Soo eenige valsch-genaemde Wijse soo verkeert
oordeelen, dat en kan de waerheyt geen recht voor-
oordeel geven.
V. Verbint Godts woort niemant, dan voor soo veel
yemant, na alle gedane mogelicke neerstigheyt ende
wetenschap, selfs gelooft, dat het verstaen moet werden?
A. Neen: want soo soude het verstant des men-
schen gemaeckt werden tot een mate, regel, en fon-
dament van het geloove, ende van het woort Godes;
\'t welck geheel ongerijmt is.
\') D. i,: Verzinsel.
-ocr page 103-
Van de Oversettingc der H. Schrifture.          95
VAN DE OVERSETTINGE DER H. SCHRD7TURE.
b V. Behoort de Schrifture in de gemeyne ende be-
kende talen ovcrgeset te worden ?
A. Ja.
c V. Uyt wat redenen bewijst ghy dat?
A. Om dat alle menschen de Schriftuer moeten
lesen, ende hare saligheyt daer in soecken: nu alle
menschen en verstaen de origineele talen niet.
c V. Wie zijn hier tegen\'?
A. Die van \'t Pausdom, dewelcke toonen geenen lust
ofte yver tot het oversetten in alle gemeyne talen,
d V. Welck is het eynde ende oogemerck waerom dat
die van \'t Pausdom de Schriftuer niet geerne en sien
in bekende talen gemeyn gemaeckt ende overgeset\'?
A. Om dat hare dwalingen, daer mede sy de luy-
den blinthocken, den volcke niet soudo bokent wor-
den, volgens Johan. 3. 10. Die quaet doet, die haet
het licht, &c.
c V. Hebben wy de oorspronckelicke boecken der
Schrifture, ende de rechte onvervalschte editie ofte
uytgevinge der selver?
A. Ja.
c V. Het woort Godts in \'t Hebreeusch ende Griecks
beschreven, is dat alleen oorspronckelick ende eygen
autentijck ?
A. Ja.
V. Is \'er eenige oversettinge autentijck?
A. Neen.
0 V. Moet de Kerck aen een seeckere oversettinge
geconstringeert ende verbonden werden?
A. Neen.
V. Van wat autoritoyt zijn de oversettingen, van
onfeylbare?
A. Neen.
\' V. Hoe groot is hare autoriteyt?
-ocr page 104-
96 Van den Richter der Verschillende saken.
A. De autoriteyt van de oversettinge is dos te
grooter, hoo dat den Oversetter geleerder, endeinde
originele talen meerder geverseert ende gcoeffent is ,
ende sijne oversettinge alder-eenvoudighst en suy-
verst, en naest uytdruckende den gront-text gemaeckt
heeft,
d V. Moeten allo oversettingen tot den oorsproncke-
licken text wederom gebraght, ondo daor aen ende
daor uyt ge-examineert werden?
A. Ja, soo dickwils de gelegentheyt sulcks vereyscht.
d V. Hebben die van \'t Pausdom met een gemeyn
Roomsch geloove eenige autentijcke Bijbels?
A. Neen.
d V. Welcke ende hoedanige oversettinge der Schrif-
ture behoort meest aengenomen te worden?
A. Die gene, dewelcke best met den gront-text
accordeert, ende volgens dien den selven gront-text
als door een afsetsel ende vertolckinge best te ver-
staen geeft,
d V. De gemeeno luyden, die do originele talen niet
verstaon hebben, lesen, ende hooren sy het rechte
woort Godts?
A. Ja.
d V. Maer sy on lesen de Hebreeusche ende Griecksche
texten niet, welcke alleen is het originele woort Godts?
A. Sy lesen die texten door vertooninge van een
afsetsel ende vertolckinge: want sy hebben sooda-
nigh een oversettinge, die met de Hebreeusche ende
Griecksche editie over een komt.
d V. Hebbon onse Kercken de waerachtige Schriftuer,
ende konnen sy uyt deselve disputeeren ?
A. Ja.
VAN DEN RICHTER DER VERSCHILLENDE
SAKEN.
b V. Wie is de opperste ende onfeylbare Richter van
verschillende saken?
-ocr page 105-
Van den Richter dor Verschillende saken.         97
A. Den H. Geest,
o V. Moet het publijcke oordeel des H. Geests eer
gesocht werden in de Concilien of Kerckelicko ver-
gaderingen, als in de Schriftuer?
A. Neen.
c V. Wort de Schriftuer te rechte geseyt d\' oppcr-
ston Richter van de verschillende saken ?
A. Ja, voor soo veel sy is de sententie van den
opporsten Richter den H. Geest: maor eygontlick te
spreken, soo is de H. Geest d\' opperste Richter,
c V. Is de menschelicke reden d\' oppersto Richter\'?
A. Neen.
c V. Is onder de menschen oen sichtbaren Richter
van verschillende saken, de Religio aengaonde, in
welckers sententie endo oordeel do conscientien van
alle menschen rusten moeten?
A. Neon.
d V. Is de Paus, ofte het Concilie, ofto de Korck
desen Richter?
A. Neen.
o V. Is het oordeel van de Kerck onfeylbaer?
A. Neen.
c V. Moeten alle particuliere menschen met oordeel
onderscheyden die dingen, die haer publijckelick wor-
den voorgedragen, of sy van Godt zijn ofte niet?
A. Ja: 1. Thess. 5. 21. Beproeft alle dingen. 1.
Johan. 4. 1. Geliefde en gelooft niet eenen yegelicken
geeste, maer beproeft de geesten of sy uyt Godt zijn.
Actor. 17. 11. 1. Corinth. 10. vs 15. Oordeelt ghy
\'t gene ick segge.
V. Wort hier door de besondere of particuliere
geest van yeder een gestelt tot den oppersten, alge-
nieynen, ende onfeylbaren Richter?
A. Neen.
\'\' V. Waer uyt soudt ghy bewijsen, dat alleen de H.
Geest is den oppersten Richter in verschillende saken ?
A. 1. Om dat de H. Geest alleen is onfeylbaer ende
de hooghste waerheyt: 1. Tim. 1. 17. Den onverderf-
7
-ocr page 106-
98         Van den Richter der Verschillende saken.
felicken, den alleen wijsen Godt. 2. Om dat de II.
Geest alleen van binnen de conscientie van den menscli
do waerheyt kan aenraden ende overtuygen: 1. Cor.
2. 10. Do Geest ondersoeckt alle dingen, oock de
diepten Godts. Joh. 16. vs 13. 1. Johan. 2.27. 3. Om
dat do H. Geest is de eenighsten Richter van dr
geheele werelt, die behouden kan ende verderven:
Jac. 4. 12. Daer is een eenigh wetgever die behouden
kan ondo verderven. 4. Om dat hy is een Richter,
die alwetende is, die niet kan bedriegen noch bcdro-
gen worden, noch d\' een noch d\' ander partijc gun-
stigh noch toegedaen is.
b V. Heeft onsc Religie vele Richters ?
A. Neen.
c V. Is daer gantsch geen Kerckelick oordeel in onsc
Kercken ?
A. Daer is een Kerckelick oordeel,
d V. Hoedanigh oordcel heeft de Kerck?
A. Een gesubordineert oordeel, dat is, een oordeel
om yomant te onderrichten ende aen te wijsen, wat
hy doen ofto Laten moet.
d V. Komt dit oordeel alleen den Bisschoppen toe?
A. Noen.
il V. Komt do Bisschoppen, als Bisschoppen, eenigh
oordeel toe door \'t Goddelick recht?
A. Neen.
c V. Is de determinatie van het onfeylbaer geloovc.
gehecht aen den Roomschen stoel?
A. Neen.
c V. Aen wien dan?
A. Aen de Schriftuer ofte aen den H. Geest spr< -
kende in de Schriftuer, dewelcke een sake deternn-
noert in ende door de Schriftuer.
c V. Komt de Magistraet oock toe te oordeelen?
A. Ja.
c V. Komt de Magistraet het opperste, publijcke en-
de voorgaondo of dirigeeronde oordeel toe in do
Kercke ?
-ocr page 107-
Van den Richter der Verschillende saken. 99
A. Neen.
d V. Hoedanigh een oordeel heeft dan de Christe-
licko Magistraet?
A. Een volgende ende approberendo oordeel, dat
is, soodanigh een oordeel, waer mode de Magistraet
upprobeert ende voor goet kent, het voorgaonde endo
bestueronde oordeel van do Kerck.
il V. Indien yemant niet wil aennemen de Religie
van sijn Overigheyt, door publijcko mandaten alle
onderdanen belast \'), omdat hy door waerachtige ende
steroke redenen ovortuygt is, dat het is een valsehe,
Kettersche ende Antichristische Religie; is die daer-
om schuldig acn de gequetste menschelicke Maj<>-
steyt?
A. Neen.
d V. Zijn de Euangelischo of Gereformeerdo schuldigh
aen de gequetste Keyserlicke Majesteyt, om dat.se
haro Religie beschermen tegen de lasteringen, ende
bestrijdingen des Pausdoms?
A. Neen.
d V. Sondigen de Afgodendienaers, Ketters, Scheur-
makers tegen de Magistraet, wanneer sy afgeson-
derdo ende verboden by oen komsten aenstellen, het
zij heymelick, het zy openbaorlick\'?
A. Ja.
(1 V. Sondigen de Predikanten, dewelcke, tegen het
verbodt van de Overheden, het Euangolium vorkon-
digen; ende sondigen de onderdanen, die t\' samen-
komen , tegen het verbodt van deselve, om \'t Euan-
gelium aen te hooren ?
A. Neen. Actor. 5. 29. Men moet Gode meer ge-
hoorsaem zijn, dan de menschen.
d V. Hebben de geloovige in \'t gemeyn oock geen
oordeel ?
A. Ja.
\') Die door publieke bevelichriften aan alle onderdanen ge-
last il.
-ocr page 108-
100 Van de Oudtvaders ende Kerckelicko Schrijvers.
d V. Hoe wert dat oordeel genoemt?
A. Judicium discretionis, dat is, het oordeel van
onderscheydinge.
VAN DE OUDTVADERS ENDE KERCKELICKE
SCHRIJVERS.
b V. Zyn de schriften van de Oudtvaders autentijck?
A. Neen.
c V. Zijn de schriften van do Oudtvaders een regel
ende onfeylbare richtsnoer van de verklaringe der
Schrifturen ofte de stucken dos geloofs ?
A. Neen: want het woort Godts is alleen den regel
ende onfeylbare richtsnoer.
d V. Waer voor sal men dan de schriften van de
Oudtvaders houden?
A. Voor Kerckelicke ende historische schriften,
c V. Hebben de schriften van de Oudtvaders wel
eenigh gebruyck ende nuttigheyt?
A. Ja, ende dat ten aensien van de leere, ten
aensien van de Kerckelicke historie, als oock ten
aensien van de practijcke der Godtsaligheyt.
c V. Welck is de nuttigheyt, ten aensien van do
leere ?
A. Daer uyt soo kan men, als tot overvloet, de
Papisten, die haer seer beroepen op de Oudtvaders,
overtuygen van de valscheyt haerder leere.
c V. Welck is de nuttigheyt, ten aensien van Kerc-
kelicke historie?
A. Daer uyt soo kan men weten hoedanigh dat
geweest zy den staet van Godts Kercke, ende hoe
de Christenen haer te dien tijde gedragen hebben,
c V. Welck is de nuttigheyt, ten aensien van de
practijcke der Godtsaligheyt?
A. Daer door soo kan men opgeweckt worden, om
de Godtsaligheyt te handhaven; nadien verscheyden
Oudtvaders uytstekende lichten in Godtsaligheyt ge-
weest zijn.
-ocr page 109-
Van de Leere des Catechismi.                101
d V. Wie worden verstaen door de Oudtvaders?
A. De Leeraers, die geleeft hebben in de drie
eerste eeuwen, oock in de vierde ende in \'t begin
van de vijfde eeuwen.
d V. Zijn noch heden ten dage alle de schriften van
de Oudtvaders in wesen?
A. Neen.
d V. Die schriften, die heden ten dage gevonden
worden, zijn die suyver, correct ende buyten questie?
A. Neen.
<1 V. Zijn de Oudtvaders Autheurs van alle die boec-
ken, in welcke dat hare namen zijn voor aen gestelt ?
A. Neen.
(1 V. Zijnder verscheyden boecken ende ceditien van
de Oudtvaders, door ontrouwe der menschen hier ende
daer verdorven ende vervalscht?
A. Ja.
d V. Verminderen de Bechtgosinden de autoriteyt
van de Oudtvaders; houden sy weynigh van hare
Schriften, ende bannen sy die uyt de Scholen?
A. Neen, voor soo veel sy met Godts woort ac-
corderen.
d V. Z\\jn e enige Kercklicke Historieschrijvers auten-
tijck?
A. Neen.
\'1 V. Konnen die van het Pausdom, van wegen haer
geloof ende tegenstellingen, zich op deselveberoepen?
A. Neen.
VAN DE LEERE DES CATECHISMI.
V. Waer in bestaet de Leere des Catechismi?
A. In d\'onderwijsinge van de eerste beginselen
ende fondamenten der Christelicke Leere , gestelt ende
gedaen met Vragen ende Antwoorden.
V. Wanneer is desen Catechismus geschreven ende
uytgegeven?
A. In het jaer 1563.
-ocr page 110-
102                 Van do Leere des Catechismi.
d V. Door wiens last ende bevel?
A. Door het bevel van den Paltz-Graef Frederick.
d V. Welck zijn geweest de eerste tegenpartijders
van desen Catechismus?
A. 1. De Lutheranen: welcke Zacharias Ursinus
wcdcrleyt heeft.
2.  Franciscua Balduinus, eenen weerhaen, ende een
Apostaet van onse Religie , een Rcchts-gcleerde.
3.  De Jcsuijten van Worms.
4-. Coppensteinius.
5. Cornhert in het boeck, welckers tijtel is, de
Dolingen des Catechismi.
0. Remonstranten, in haer Consideratien over den
Catechismus.
7. Angelus de Monte Bello, een Papist van Leuven,
d V. Binden wy de conscientie van de menschen
aen den Catechismus, wanneer wy willen, dat de
publijcke Leeraers , ende andere Opsienders der Kerc-
ken, Proponenten, Schoolmeesters, den selven sullen
onderschrijven, ende alsoo door onderschrijvinge van
hare hant sullen te kennen geven, in conscientie te
gevoelen, dat die met Godts woort accordeert, ende
over een komt; ende met eenen beloven de Leere
des selven Catechismi te sullen volgen, voorstaen,
en vorderen?
A. Neen.
d V. Houden wy den Catechismus voor Godts woort ?
A. Neen: maer dat hy met Godts woordt over een
komt.
d V. Is nu dese onderwijsinge des Catechismi noot-
sakelick ?
A. Ja.
d V. Met wat reden soudt ghy dat bewijsen?
A. Om dat Godt niet alleen van de volwassene,
maer oock van do kinderen te rechte bekent ende
gepresen wil worden: Psal. 8. 3. Uyt den mont der
kinderkens ende der suygelingen, hebt ghy sterckte
gegrontvest.
-ocr page 111-
Van de Leere des Catechismi.                103
2.  Op dat de gemeynte in dese werelt mochte be-
houden, ende uytgebreydet werden.
3.   Op dat de swaeke ende eenvoudige bequamelick
mogen geleert worden.
4.   Op dat hier door de menschen mogen gebracht
werden tot meerder verstant-, om de predicatien te
verstaen, ende te onthouden, leeronde daer door
deselve brengen tot sekere hooft-stuckon der Leere
des Catechismi.
3. Op dat daer door de suyverheyt endo eenformig-
heyt der Leere bewaert worde.
SONDAGH I. Vrage 1, 2.
Vrage 1.
Wclck is uwen eenigen troost, beyde in \'t leven
ende sterven?
Antw. Dat ick met lijf ende ziele beyde in
\'t leven ende sterven, niet mijn, maer mijns ge-.
trouwen Salighmakers Jesu Christi eygen ben,
die met sijnen dierbaren bloede, voor alle mijne
sonden volkomelick betaelt, ende my uyt alle
gewelt des Duyvels verlost heeft: ende alsoo be-
waert, dat sonder den wille mijns hemelschen
Vaders geen hayr van mijnen hoofde vallen kan,
ja oock dat my alle dinck tot mijner saligheyt
dienen moet. Daerom dat hy my oock door sijnen
H. Geest des eeuwigen levens versekert, ende
hem voortaen te leven van herten willigh ende
bereyt maeckt.
-ocr page 112-
104 Van hot Eyndo dor Christelicke Religie.
d V. Hoe wort desen Sondagh afgedeelt?
A. In twee deelen.
d V. Welck zijn die twee deelen?
A. Het eynde van de Christelicke Religie, Vrage 1
ende de middelen, noodigh om tot dat eynde te
komen, Vrage 2.
c V. Welck is het eynde van de Leere der Christe-
licke Religie?
A. De eere Godts , ende de gelucksaligheyt van den
niensche.
c V. Welck is het hooghste ende voornaemste eynde ?
A. De eere Godts: 1. Cor. 10. 31. Het zy dan dat
ghy-lieden eet, het zy dat ghy drinckt, het zy dat
ghy yet anders doet, doet het al ter eeren Godts.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat het eynde van de
Religie oock gelegen zy in de gelucksaligheyt van den
mensche ?
A. 1. Petr. 1. 9. Verkrijgende het eynde uwes ge-
loofs, namelick, de saligheyt der zielen,
b V. Wat moet een Christen mensche aldermeest
wenschen ende begeren?
A. Dat hy salighlick leven ende sterven moge.
b V. Weet den mensche wel uyt hemselven wat hem
van noode is , om salighlick te leven ende to sterven ?
A. Neen.
c V. Hoe komt dat?
A. Van wegen de verdorventheyt sijner nature.
d V. Waer heeft dan Godt geopenbaert den wegh der
saligheyt ?
A. In de H. Schrifture.
c V. Wat leert ons de Schriftuer?
A. Wat wy gelooven ende doen moeten, willen wy
salighlick leven ende sterven.
b V. Heeft de mensche troost van nooden?
A. Ja.
b V. Maer is \'er oock troost voor den menschen ove-
righ , waer mede hy hem selven ende andere troosten
kan?
-ocr page 113-
Van het Eynde der Christelicke Religie. 106
d A. Ja.
V. Wat is troost?
A. Troost is een overleggingo des menschen, waer
door hy tegen eenig quaet een grooter goot stellet,
en also sijne vreese on droef heyt verlichtet.
I) V. Is desen troost gelegen in \'t vermaeck dor ziele,
ontstaende uyt de kennisse van natuerlicke of borgor-
licke dingen?
A. Neen.
b V. Isse gelegen in de wellust des lichaems ?
A. Neen.
b V. Isse gelegen in \'t ontbeeren van pijne ofte droeffe-
nisse ?
A. Neen.
b V. Isse gelegen in eere ende hoogheyt deses werolts?
A. Neen.
b V. Isse gelegen in de rijckdommen ?
A. Neen.
1) V. Isse gelegen in een borgerlick zedigh leven?
A. Neen.
1\' V. Isse gelegen in de goede regeeringo der affecten
ofte bewegingen, soo veel de mensche die in dit loven
betrachten kan?
A. Neen.
\'» V. Isse gelegen in \'t aonschouwen van een seker
beelt des goets ende aller deughden ?
A. Neen.
" V. Isse gelegen in de oeffeninge der deught; soo
die in dit leven betracht wort?
A. Neen.
\': V. Waerom is in desen allen den troost niet gelegen ?
A. Om dat alle dese dingen zijn onvolkomen ende
onseker; ende worden ofte in dit leven verloren,
ofte door de doot afgebroken?
V. Van wat troost wort hier dan gesproken?
A. Van soodanigh eenen troost, die door de doot
niet te niete gemaeckt wert, maar bestendigh blijft.
u V. Waar in is desen troost gelegen?
-ocr page 114-
106 Van het Eynde der Christelicko Religie.
A. Dat men Christi eygen is, ende eeuwigh sal
blijven,
b V. Wie komt ghy dan toe?
A. Christus: Rom. 14. 7, 8. Want niemant van
ons en leeft hemselven, ende niemant en sterft hom-
selven, vs. 8. Want het zy dat wy leven, wy leven
den Heere, &c.
a V. Komt ghv Christus alleen toe?
A. Ja.
a V. Zijt ghy dan uwes selfs niet?
A. Neen: 1. Cor. 3. 23. Doch ghy zijt Christi, ende
Christus is Godts. Joh. 17. vs. 6. Ick hebbe uwen
naem geopenbaert den menschen die ghy my uyt de
werelt gegeven hebt, &c.
b V. Waer \'t niet beter, dat ghy uwes selfs waert?
A. Neen.
c V. Waerom niet?
A. Om dat ick dan eeuwelick soude moeten ver-
loren gaen.
c V. Komt ghy u Ouders niet toe?
A. Ja.
d V. Hoe komt ghy dan Christo toe, ende oock uwe
Ouders ?
A. Mijne Ouders kome ick toe, ten aensien van
de natuerlicke geboorte, ende mijnen Salighmaker
Christo, ten aensien van de wedergeboorte.
a V. Komt ghy de Heyligen niet toe, als Maria,
Petrus, Paulus &c?
A. Neen.
b V. Waerom niet?
A. Om dat de Heyligen my niet verlost hebben,
noch voor my zijn gestorven,
c V. Sy hebben oock veel goets godaen, voor Godes
Kercke ?
A. Dat goct, datse gedaen hebben, en kan my niet
toegerekent werden tot wechneminge van mijne
sonden.
c V. Wie is de Meester van uwe conscientie?
-ocr page 115-
Van hot Eynde der Christelijke Religie. 107
A. De Heere Jesus Christus,
b V. Is het de Paus niet?
A. Neen.
b V. Is het de Predikant niet?
A. Neen.
(- V. Waerom niet?
A. Om dat sy mijn Godt niet en zijn, noch mijnen
Middelaer, die my verlost heeft.
a V. Waer mede zijt ghy Christi eygen ?
A. Met lijf ende ziele.
e V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. 1. Cor. 6. 20. Want ghy zijt diere gekocht:
soo verheerlickt dan Godt in u lichaem ende in uwen
geest, welcke Godes zijn.
e V. Soude men dan het lichaem niet voor hem
selven mogen behouden, ende de ziele Christo geven;
ofte de ziele voor hem selven behouden, ende het
lichaem Christo geven?
A. Neen.
i\' V. Soude men dan met Christo niet mogen deylen ?
A. Neen.
\'• V. Moet dan beyde geheel u lichaem ende geheel
uwo ziele Jesu Christo ten dienste zijn?
A. Ja.
V. Doen dan de menschen wel, die daer roemen
datse Christi eygen zijn, ende nevens Christum, dien
sy seggen te dienen, den duyvel, de werelt, ende
haer eygen vleesch dienen?
A. Neen.
\'I V. Maer konnen die menschen waerlick seggen ende
haer selven versekeren, datse Christi eygen zijn, soo
lange als sy soodanigh een leven leyden?
A. Neen.
b V. Waerom zijt ghy meer Christi eygen, als eens
anders?
A. Om dat Christus my verlost heeft.
» V. Heeft u yemant meer verlost, als Christus?
A. Neen.
-ocr page 116-
108 Van het Eynde der Christelicke Religie.
c V. Heeft Christus oock de Engelen verlost?
A. Neen.
b V. Hebben sy noyt onder het gewelt des Duyvcls
geweest ?
A. Neen
c V. Hoe komt de mensch onder het gewelt des
Duy vels ?
A. Door de sonde.
a V. Waor van heeft Christus u verlost?
A. Van alle mijne sonden: 1. Petr. 1. 18. Wetende
dat ghy niet door verganckelicke dingen, silver ofte
gout, verlost en zijt uyt uwe ydole wandelinge die
u van de Vaderen overgelevert is. 1. Joh. 1. 7. Ende
het bloet Jesu Christi sijns Soons reynight ons van
alle sonde Ephes. 1. 6, 7.
b V. Van wat sonde, erfsonden ofte dadelicke sonde ?
A. Van alle beyde.
b V. Waer van heeft Christus u meer verlost?
A Van de straffen der sonden, dat is, van de
tijtlicke ende eeuwige doot ende verdoemenisse : Esai.
53. 5. De straffe, die ons den vrede aenbrenght,
was op hem. Rom. 8. 1. Soo en is \'er dan nu geen
verdoemenisse voor den genen die in Jesu Christo
zijn. ende 34. 1. Cor. 18. 55, 56, 57.
c V. Bewijst, dat Christus ons verlost heeft van alle
gewelt des Duy vels?
A. Hebr. 2. vs 14. Op dat hy door de doot te niet
doen soude den genen die \'t gewelt des doots hadde,
dat is, den Duy vel. 1. Joh. 3. 8. Hier toe is de Sone
Godts geopenbaert, op dat hy de wercken des Duy-
vels verbreken soude.
a V. Waer mede heeft Christus u gekocht ende ver-
lost, met eenige verganckelicke dingen?
A. Neen.
a V. Waer mede dan?
A. Met sijn dierbaer bloet.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. 1. Petr. 1. 18, 19. Wetende, dat ghy niet door
-ocr page 117-
Van het Eynde der Christelicke Religie. 109
verganckelicke dingen, silver ofte gout, verlost en zijt
uyt uwe ydele wandelinge, dio van de Vaderen over-
gelevert is; maer door het diorbaer bloet Christi, als
eens onbestraffelickon onde onbevleckten Lams. 1. Joh.
1. 7. Ende het bloot Jesu Christi sijns Soons reynight
ons van alle sonde. Matth. 20. 28. Ende sijne ziele
to geven tot een rantsoen voor vele. Actor. 20. 28.
1. Tim. 2. 6.
a V. Hoo langh zijt ghy Christi eygen; alleen in desc
werelt, ofte oock in de toekomende?
A. Oock in de toekomende: Rom. 14. 7, 8. Want
niemant van ons en leeft hemselven, ende niemant
en sterft hemselven. Want \'t zy dat wy loven, wy
leven den Heere: \'t zy dat wy sterven, wy sterven
den Heere: Het zy dan dat wy leven, het zy dat wy
sterven, wy zijn des Heeren.
h V, Sult ghy dan niet wederom in des Duyvels han-
den vallen?
A. Neen.
e V. Maer de Duyvel heeft macht over de sondaers:
ende ghy zijt een sondaer; ergo?
A, lek ben een sondaer; maer ick ben door Chris-
tum van mijne sonden verlost.
V. Wat weet ghy, dat ghy eeuwelick Christi eygen
sult blijven, ende niet weder in \'t gewelt des Duy-
vels vallen; na de mael yemant eens verlost zijnde
van eenige swarigheyt in dit leven, in deselve we-
derom komt te vallen?
A. Dat weet ick uyt de bewaringe Christi: Joh. 6.
39. Ende dit is de wille des Vaders die my gesonden
heeft, dat al wat hy my gegeven heeft, ick daer niet
uyt en verliese, maer het selve opwocke ten uyter-
sten dage. ende 10. 28, 29. Ende ick geve haer het
eeuwige leven: ende sy en sullen niet verloren gaen
in der eeuwigheyt, &c.
:\' V. Is Christus sterker als de Duyvel?
A. Ja.
" Y. Kondt ghy u selven niet bewaren?
-ocr page 118-
110 Van het Eynde der Christelicko Religie.
A. Neen.
ii V. Hoe nauw bewaort u Christus?
A. Dat niet een liayr van mijn hooft vallen kan:
Matth. 10. 30. Ende oock uwe hayren des hoofts zijn
allo getelt. Luce 21. 18. Doch niet een hayr uyt
uwen hoofde on sal verloren gaen.
c V. Maer bewaert ons Christus soo nauw, hoe komt
liet dan, dat ons soo veel quaden overkomen ?
A. Alle die quaden endc ellenden zijn tot onsen
besten: Kom. 8. 28. Ende wy weten dat don genen
die Godt liefhebben alle dingen mede wercken ten
goede, &c. Genes. 50. 20. Doch Godt heeft dat ten
goede gedacht,
d V. Waer staet het, dat ghy voor u hooft soo ver-
lost zijt, dat ghy niet weder in des Duyvels handen
en sult vallen; soudt ghy dat wel uit den Bijbel
bewijsen ?
A. Neen.
(1 V. Moet het daer niet in staen ?
A. Neen.
d V. Waer dan?
A. In mijn hort: Rom. 10. vs. 8. Naby is het woort
in uwen monde, ende in uwe herte.
d V. Wie schrijft het daer?
A. De H. Geest: Rom. 8. 16, 17. Deselve Geest
getuyght met onsen geest dat wy kinderen Godts zijn,
&c. Eph. 1. 14. Die het onderpant is van onse erffe-
nisse. 2 Cor. 1. 22. Die ons oock heeft versegelt
ende het onderpant des H. Geests in onse herten
gegeven.
d V. Maer voelt ende oordeelt ghy niet qualick?
A. Neen.
c V. Is \'t absoluet onmogelick, dat de geloovigen
afvallen?
A. Neen.
c V. Is \'t met conditie onmogelick, te weten, ver-
mits do onderhoudinge ende bewaringe Godts ?
A. ~ Ja.
-ocr page 119-
Van het Eynde der Christelicke Religie. 111
b V. Konnense dan geheelick ende finalick ofeynde-
lick vervallen\'?
A. Neen: Joh. 10. 27, 28, 29, 30. Mijne schapen
hooren mijne stemme, ende ick kenne deselve, ende
sy volgen my: Ende ick geve haer het eeuwige leven,
ende sy en sullen niet verloren gaen in der eeuwig*
heyt, &c.
(I V. Wie zijn die gene, dewelcke seggen, dat de
kinderen Godts geheelick ende eyndelick konnen ver-
vallen ?
A. De Papisten, Remonstranten, Monnoniten, ende
Luterschen.
c V. Is Petrus niet t\' eenemael afgevallen, als hij
Christum verloochende ?
A. Neen.
il V. Soude men niet mogen seggen, dat de geloo-
vige sullen volharden ofse willen ofte niet, Item,
datse volherden tegen haren danck?
A. Neen.
d V. Het ware geloof, heeft het die eygenschap, dat
het volstandigh blijft?
A. Ja.
• 1 V. Hoe is dan te verstaen, Sy zijn van ons uyt-
gegaen, om datse van ons niet en waren? 1. Joh.
2. 19.
A. Dat is, datse niet hebben gohadt hot ware ge-
loof, maer een vermeynt oft géveynst geloove, of een
schijn-geloof.
\'1 V. Magh ende kan yemant versekert zijn, van sijne
saligheyt in dit leven, ja dat hy gewisselick saligh •
worden sal?
A. Ja.
\'1 V. Wie ontkennen dit?
A. De Papisten, Remonstranten, Mennoniten, &c.
d V. Waer uyt sal hy dat weten?
A. Uyt ende door sijn geloof.
d V. Behoeft hy daer toe geen besondere open»
baringe ?
-ocr page 120-
112 Van het Eynde der Christelicke Beligie.
A. Neen.
b V. Wie versekert u, dat ghy Christi eygen zijt,
ende u soo nauwe bewaert ende bewaren sal ?
A. De H. Geest: Rom. 8. 16, 17. Deselve Geest
getuyght met onsen geest dat wy kinderen Godts
zijn, &c. 2 Cor. 1. 22. Die ons heeftversegelt, ende
het ondorpant des Geests in onse herten gegeven.
Ephes. 1. 14. Die het onderpant is van onse erffenisse.
b V. Hebben dan oock do kinderen Godts den Geest
Godts?
A. Ja: Want soo yemant den Geest Christi niet en
heeft, die en komt hem niet toe. Rom. 8. 9.
b V. Soudt ghy dat wel dorven seggen?
A. Ja.
d V. Maer een Papist sal met u spotten, als ghy
seght, dat ghy den Geest Christi hebt?
A. Daer en is niet aen gelegen,
c V. Maer wat weet gy, dat dit is een Geest Christi,
die u dat ingeeft ende versekert, ende niet de Geest
des Satans, of u verdorven vleeseh ?
A. Om dat my desen Geest willigh ende bereyt
maeckt, om Gode van herten te dienen: 2 Cor. 5. 15.
Als die dit oordeelen, dat indien een voor allen ge-
storven is, sy dan alle gestorven zijn, &c. Titum 2.14.
Ende hemselven een eygen volck soude reynigen,
yverigh in goede wercken. Luce 1. 73, 74.
o V. Sal de Geest dos Satans, of u verdorven vleeseh
dat niet doen, of niet konnen doen?
A. Neen.
c V. Drijft de H. Geest yemant tot goddelooshoyt
ofte ongebondonheyt des levens?
A. Neen.
d V. De versekeringe van de saligheyt, brenght die
den mensche niet tot roeckeloosheyt ende sorgeloos-
heyt des levens?
A. Neen.
d V. Bewijst dat?
A. 1. Joh. 3. 3. Ende een yegelick, die dese hope
-ocr page 121-
Van do Middelen noodigh, om, &c.            113
op hem heeft, die reynige hemselven, gelijck hy
reyn is.
\'I V. Wie seggen, dat sulcks uyt onse leere volght?
A. Papisten, Remonstranten, Mennoniten, &c.
b V. Als ghy dan van uwe saligheyt versekert zijt,
behoeft ghy noch wel goede wercken te doen?
A. Ja.
c V. Waer toe zijn die nut ende profijtelick?
A Om daer door, als door eenen wegh, in den
Hemel te geraken.
c V. Sal men dan in den Hemel niet komen, of men
goede wercken doet ofte niet?
A. Neen.
d V. Hoe veel stucken ofte leden heeft dat stuck
van de versekeringe der saligheyt ?
A. Drie. Eerst, dat men voor het tegenwoordige
seker is van den staet der genade. Ten tweeden,
dat men voor het toekomende versekert is van de
eyndelicke volherdinge in dien staet. Ten derden,
dat men seker is van do toekomende heerlickheyt.
d V. "VVaerom wort desen troost nu genoemt eenen
eenigen troost?
A. Om dat dien troost in den doot niet verdwijnt
noch vorgaet. Rom. 8. vs. 35. "Wie sal ons scheydon
van de liefde Christi? Om dat dien troost alleen
onverwinnelick bestaet tegen alle aenvechtingen dos
Satans.
Vrage 2.
Hoe veel stucken z\\jn u noodigh te weten, op
dat ghy in deaen troost salighlick leven ende
ster ven meught?
Antw. Drie stucken. Ten eersten: Hoe groot
mijne sonden ende ellende zy. Ten anderen: Hoe
ick van alle mijne sonden ende ellenden verlost
8
-ocr page 122-
114            Van de Middelen noodigh, om, &c.
worde. Ten derden: Hoe ick Godt voor sulcke
verlossinge aal danckbaur zijn.
a V. Hoe veel stucken zijn u noodigh te weten, op
dat ghy in desen troost salighlick leven ende sterven
meught ?
A. Drie.
b V. Welck zijn dio drie stuckon?
A. Kennisse van mijne ellende, kennisse van mijne
verlossinge, ende kennisse van mijne danckbaerheyt.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat, om gelucksalighlick
te leven ende te sterven, van nooden is, de kennisse
van de ellende?
A. Titum 3. 3. Want oock wy waren eertijts on-
wijs, ongehoorsaem, dwalende, menigerloy begeerlick-
heden, en wollusten dienende, in boosheyt ende
nijdigheyt levende, hatelick zijnde, ende malkanderen
hatende.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat daer toe van nooden
is, de kennisse van onse verlossinge ?
A. Tit. 3. 4, 5, G, 7. Maer wanneer de goedcrtierent-
heyt Godts onses Salighmakcrs, ende sijne liefde tot
de mensehen verschenen is, heeft hy ons saligh ge-
maeckt, &c.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat daer toe van nooden
is, de kennisse van onse danckbaerheyt ?
A. Titum 3. 8. Dit is een getrouw woort, ende dose
dingen wil ick dat ghy ernstigh bevestight, op dat de
gene die acn Godt gelooven, sorge dragen om goede
wereken voor te staen: dese dingen zijn \'t die goet
ende nuttigh zijn den menschen. Siot verders van dese
stucken Matth.\' 11. vss. 28, 29. Esai. 61. vss. 1,2,
3. Psal. 130 3, 4. Ephes 2. 1, 10. ende 5 8. ende
insonderheyt van de ellende, Kom. cap 1 vs. 18
tot Rom. 3. 21. van de verlossinge, Rom. 3. 21. tot
Rom 12 1. van de danckbaerheyt, Rom. cap. 12
vs. 1 tot het eynde toe.
o V. Waerom is het van noode, dat men syn ellende
-ocr page 123-
Van de Middelen noodigh, om, &c.            115
kennen moet, om wel getroost te leven ende te
sterven ?
A. Op dat men, kennende sijnen deerlicken ende
ellendigen staet, begeerigh zy, om verlost ende ge-
troost te werden: gelijck de kennisse der kranck-
heyt, den krancken maeckt een begeerte der medi-
cijnen.
e V. Sal een menscho wel begceren ende verlangen
na sijne verlossinge, die niet en kent sijn ellende?
A. Neen; soo weynigh als een sieck mensch, niet
gevoelende sijne kranckheyt, sal begeeren den Me-
dicijnmeester.
c V. Sal oock een mensehe wel ter degen Godt de
Heere konnen dancken voor de verlossinge, die niet
en weet noch verstaet hoe groot sijne miserie ende
ellendigheyt zij, waer uyt de Heere hem verlost
heeft ?
A. Neen.
c V. Waerom is \'t van noode, dat men sijne verlos-
singe uyt dese ellende tor degen leert kennen, om
wel getroost te leven ende te sterven ?
A. Om dat een mensehe, sonder kennisse van sijne
verlossinge , niet wel getroost leven noch sterven kan:
want sal men getroost leven ende sterven konnen,
soo moet men versekert zijn, dat men van sijn son-
den verlost, ende met Godt versoent is; ende dat
men om do sonden niet eeuwighlick verloren sal
gaen.
c V. Waerom is \'t van noode, dat de Leere van
\'s menschen danckbaerheyt gevooght worde tot de
Leere van \'s menschen verlossinge uyt sijn ellende?
A. Op dat Godt magh ge-eert werden, ende op dat
wy weten mogen de nootsakolickheyt van de danck-
baerheyt, als oock op wat wijse ende maniere wy
Godt moeten danckbaer zijn.
D V. Waer uyt leert ghy dese drie stucken, om sa-
lighück te leven ende te sterven?
A. Uyt Godes woort.
-ocr page 124-
116
Van des Menschen Ellende.
c V. Is de Catechismus Godts woort?
A Neen.
c V. Komt de Catechismus met Gods woort over een?
A. Ja.
SONDAGH II. Vbage 3, 4, 5.
Vkage 3.
Waer uyt kent ghy uwe ellendigheyt?
Antw. Uit de Wet Godts.
d V. Hoe wort desen Sondagh afgedeelt?
A. In twee deelen.
d V. "Welck zijn die twee deelen?
A. Het middel, waer door een mensche de ken-
nisse van sijn ellende kan bekomen: ende ten twee-
don , de maniere, hoe de mensche de kennisse van
sijn ellende bekomt,
b V. Welck zijn de drie stucken, daer op onse Ee-
ligio moet wereken?
A Kennisse van de ellende, kennisse van de ver-
lossinge, ende kennisse van de danckbaerheyt.
b V. Van wat stuck wort hier gesproken?
A Van de ellende des menschen.
c V. Maer van hoedanigh een ellendigheyt wort hier
gesproken; van een ellendigheyt voor Godt ofte voor
do werelt?
A, Van een geestelicke ellendigheyt, van een ellen-
digheyt voor Godt.
c V. Kan yemant eenighsins gelukkigh zijn voor de
werelt, ende cllendigh voor Godt.
A. Ja: Exempel in den Rijckenman: Luce IC. vs.
23. Ende de rijeke stierf oock ende wert begraven.
Ende als hy in de helle sijne oogen ophief, &c.
-ocr page 125-
Van dos Menschen Ellende.
117
o V. Maer kan yemant zijn ollendigh na de werelt,
ende geluckigh voor Godt?
A. Ja; (namelick soodanigh oen, dio van Godt uyt
sijne geestelicko ellendighoyt verlost is) als blijckt in
Lazaro: Luco 16. 22. Endo hot geschiede dat de
bedelaer stierf, ende van do Engolon gedragen in
den schoot Abrahams.
a V Zijt ghy oock van naturon ollendigh"?
A. Ja.
a V. Zijn alle menschen ellendigh ?
A. Ja
b V. Souder niet oymant van dese ellende konnen
vry zijn ?
A Neen.
e V. Waerom niet?
A. Om dat sy alle gesondight hebben, ende derven
de heerlickheyt Godts: Rom. 3. 23. In welcko alle
menschen gesondight hebben. Rom, 5. 12.
b V. Is Maria dan niet vry geweest van dese ellende ?
A. Neon.
o V. Wie seggen sulcks?
A. Do Papisten
\'• V. Waer uyt soudt ghy bewijson, dat Maria mede
dese ellendigheyt is onderworpen geweest?
A. Rom. 5. 12. In welcke alle menschen gesondight
hebben.
c V. Heeft Maria dan mede in Adam gesondight?
A. Ja.
b V. Is Maria van Adam voortgekomen?
A. Ja.
P V. Is Christus oock ollendigh geweest?
A. Ja: ten aensien van do straffe der sondo; ende
dat om onsent wil.
c V. Is hy oock ellendigh geweest ten aensien van
de verdorventheyt der sonde?
A. Neen.
c V. "Waerom is Christus minder sondigh geweest als
Maria, nadien hy nochtans uyt Maria geboren is?
-ocr page 126-
118                   Van des Menschen Ellende.
A. Om dat de geboorte Christi eensdeels is geweest
boven-natuerlick; want hy is voortgebracht sonder
toedoen des mans, ende dat door medewerekinge des
H. Geests: Luce 1. vs. 35. De H. Geest sal over u
komen, endo de kracht des Alderhooghsten sal u
overschaduwen,
b V. Is Christus niet gerekent geweest in Adam?
A. Neen.
b V. Is Christus geweest den tweeden Adam ?
A. Ja: 1. Corinth. 15. vs 47. De eerste mensche
is uyt de aerde aerdtsch: de tweede mensch is de
Heere uyt den Hemel,
d V. Dewijl ghy soo ellendigh zijt, soudt ghy wel
wenschen noyt geboren te zijn?
A. Neen.
d V. Waerom niet?
A. Om dat ick dan geen part noch deel soude kon-
nen hebben aen die hemelsche vreught hier na-
maels.
d V. Magh men dan wel met waerheyt seggen, dat
de mensche is het ellendighste dier ende het geluc-
kighste ?
A. Ja.
d V. Hoe soo?
A. Het ellendighste, ten aensien van de natuer-
licke geboorte; het geluckighste, ten aensien van de
wedergeboorte,
b V. Maer waerom noemt ghy den mensch ellendigh ?
A. Om dat hy van naturen een kint des toorns is,
ende doot door de misdaden: Ephes. 2. 3, 5. Ende
wy waren van nature kinderen des toorns, gelijck
oock de andere, vs 5. Oock doe wy doot waren door
de misdaden, &c.
b V. Is de mensch ellendigh van hemselven?
A. Ja.
b V. Waer van daen komt het?
A. Van wegen sijne sonden, die hy begaen heeft,
b V. Waer in bestaat uwe ellendigheyt?
-ocr page 127-
Van des Mensehen Ellende.                   119
A. In mijne sonden, die ick begaen hebbe tegens
mijnen Godt; ende in de straffen, dio ick door mijne
sonden verdient hebbe.
b V. Seght eens met twee woorden, waer in uwe
ellendigheyt bestaet?
A. In de sonde, ende in de straffe van de
sonde.
a V. Hoe veelderley is de sonde?
A. Tweederley, erfsondo ende datolicko sonde,
b V. Hoe veelderley is de erfsonde?
A. Tweederley, toegerekende ende inwoonende, of
inklevende.
c V. Welck is de toegerekende erfsonde?
A. De sonde Adams, weleke ons van Godt recht -
veerdighliek wort toegerekent, om dat wy als oor-
spronckelick in Adam hebben gesondight: Kom. 5.
12. In welcken alle menschen gesondight hebben.
c V. Welck is de inwoonende erfsonde?
A. Die inwendige verdorventheyt, waer mede de
mensche ontfangon ende geboren wort.
c V. Waer in bestaet die ?
A. In een onberjuaemheyt tot alle geestelick goet,
en in een genegentheyt tot alle quaet.
c V. Hoe wert dese sonde genoemt?
A. Den Ouden Adam, den Ouden Mensche, de
verdorventheyt, het vleesch, het lichaem der sonde,
de Wet der leden, &e.
b V. Maer ghy spreeckt hier van erfsonde, is \'er oock
soodanige inwoonende erfsonde?
A. Ja.
d V. Waer uyt soudt ghy dat bewijsen?
A. Genes. 6. 5. Ende al het gedichtsel der gedach-
ten sijns herten t\'allen dage alleenlick boos was. ende
8. 21. Het gedichtsel van \'s menschen herte is boos
van sijner jeught aon. Job 14. 4. Wie sal eenen rey-
nen geven uyt den onreynen? Johan. 3. 6. Het gene
uyt vleesch geboren is, dat is vleesch. Psalm 51. 7.
Siet ick ben jn ongerochtigheyt geboren, ende in
-ocr page 128-
Van des Menschen Ellende.
120
sonde heeft my mijn moeder ontfangen. Eph. 2. 8.
Van naturen kinderen des toorns, &c.
d V. Spreeckt hier David van de ongerechtigheid endo
sonde van sijn moeder, ofte van sijne oygene onge-
rechtigheyt, waer mede hy ter werelt was gebracht,
ende waer uyt de sonde van overspel endo moort,
aen Urias begacn, was gesproten ende ontstaen\'?
A. Van sijn oygene sonde endo ongerechtighoyt,
waer mede hy tor werelt was gebracht,
d V. Wie zijn die gene, dewelke soggen, dat David
hier niet en spreeckt van sijne oygene sonde en on-
gerochtigheyt; maer van do ongerechtighoyt die sijn
moeder begaen hadde?
A. De Pelagianen, Cornhertisten, Mennoniten, &c.
d V. Is het oogemerek Davids in desen Psalm den
Heere voor te dragen, ende te belijden de ongerech-
tigheyt van sijn moeder, ofte sijne eygene ongerech*
tigheyt?
A. Sijne eygene ongerechtighoyt; gelijck uyt de
omstandigheyt des Psalms genoeghsaem kan afgeno-
men werden,
d V. Hebt ghy een vaste ende bondige reden, om
de erfsonde te bowijson?
A. Ja.
d V. Welcke?
A Uyt de dadelicke sonden.
o V. Zijn de dadelicke sonden vruchten van do erf-
sonde ?
A. Ja.
c V. Souden daor wel dadelicke sonden zijn, soo daer
geen erfsonde was?
A Neen: Een veder goede boom brenght voort
goode vruchten, ende een quade boom brenght quado
vruchten voort, Matth. 7. 17.
d V. Hebt ghy geen redenen meer om do erfsonde
te bewijsen?
A. Ja, nameliek, uyt do bosnijdenisse, de sieckten,
pijne, ja de doot van do jonge kinderen, welcke
-ocr page 129-
Van des Menschen Ellende.                   121
altemael vruchten van de sonde zijn: De besoldinge
der sondo is de doot, Rom. 6. 23. En dese kleyne
kinderen hebben geen dadolicke sonden gedaen, dien
volgens soo moet in haer zijn een inwendige ver-
dorvontheyt, waerom de Heero haer soo komt aon te
tasten: Want, soude do Richter der gantscher aerde
geen recht doen? Genes. 18. 25.
b V. Is de erfsondo cygontlick sondo\'?
A. Ja,
e V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. 1 Joh, 3. 4. Want de sondo is de ongerechtig-
heyt.
«1 V. Kan die alleen, zijnde sonder dadelicke sonden,
den mensche schuldigh maken aen de eeuwigo doot
ende verdoemenisse ?
A Ja: De besoldinge der sonde is de doot, Rom.
6. 23. Nu, de erfsondo is zonde,
d V. Is de erfsondo te gelijek een sonde, ende een
straffe van de eerste sonde ende overtredingo
Adams?
A. Ja.
<1 V. Worden wy dan tweemael de verdoemenisse
onderworpen ?
A. Ja.
\'> V. Zijn alle menschen deze erfsondo onderwor-
pen?
A. Ja.
b V. Oock de Maget Maria?
A. Ja.
\'\' V. Wie ontkennen sulcks ?
A. De Papisten
V. Waer uyt soudt ghy bewijson, dat Maria erf-
sonde gehadt heeft?
A. Joh 3. G. Het gene uyt vleesch geboren is,
dat is vleesch. 2. Om dat Maria heeft dadelicke
sonde gehadt, (ergo erfsonde) als blijckt Joh. 2. 4.
alwaer sy van onsen Salighmakor bestraft wort,
seggende, Vrouwe, wat hebbe ick met u te doen;
-ocr page 130-
Van des Menschen Ellende.
122
mijn ure is noch niet gekomen. 3. Om dat sy Godt
noemt haren Salighmaker: Luce 1. 47. Mijnen geost
verheughl hem in Godt mijnen Salighmaker.
b V. Heeft onsen Salighmaker Jesus Christus oock
erfsonde gehadt?
A. Neen
b V Hoe komt dat?
A. Om dat Christus ontfangen is van don Hoyligen
Geest; ende dat hy niet en is gerekent in de sonde
ende sehult van den eersten Adam.
b V. Do jonge kinderkens, die eerst geboren worden,
hebben die oock erfsonde?
A. Ja.
c V. Hebbon sy het door imitatie ende navolginge,
dat sy hare ouders dat en dat hebben sien doen?
A. Neen.
d V. Wie seggen dat?
A. De oude ende nieuwe Pelagianen,
d V. Hoe wort do erfsonde voortgeset, door het
lichaem of door de ziele?
A Door alle beyde, of door don geheelen mensch
van d\'een tot d\'ander.
d V. Wort se voortgeset door navolginge van de sonde
Adams ?
A. Neen.
d V. Is hot dan een missen endo derven van het
evenboelt Godts, den nakomelingen Adams als een
rechtveerdige straffe van wegen Adams sonde, van
Godt opgeloyt ?
A. Ja
d V. Is de erfsonde alleen in de lichamelicke be-
goerten ende bewegingen?
A. Noen.
c V. Is sy dan principalick in \'t verstant ende wille ?
A. Ja: Rom. 8. 7. Daerom dat het bedencken des
vleesch vyantschap is tegon Godt, &c.
c V. Worden do menschen in dit leven gantsehlick
verlost van de erfsonde?
-ocr page 131-
Van des Menschen Ellende.                   123
A. Neen.
c V. Worden sy daer van verlost door don Doop?
A. Neen
c V. Ia de erfsonde dan oock noch in de herboreno
kinderen Godts?
A Ja.
il V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Rom. 7. 11. Want wy weten, dat de Wet
goestelick is: maor ick ben vloeschelick verkocht
onder de sonde, &c Ende soo tot het eynde des
capittels.
d V. Spreeckt Paulus dat daer van hemzolven als
onherboren zijnde ?
A Noen.
c V. Kan eon onherboren monsch soo wel spreken,
als Paulus daer spreeckt in dat capittel: als onder
andere, Het goet dat ick wil, dat en doe ick niet;
en het quaet dat ick niet en wil, dat doe ick.
vs. 19?
A. Neen
V. Hebt ghy noch eenigh bewijs meer?
A Gal. 5. 17. Want \'t vleesch begeert tegen den
Geest, ende den Geest tegen \'t vleesch: ende dese
staen tegen malkanderen, alsoo dat ghy niet en
doet \'t gene ghy wilt.
d V Wat verstaet Paulus hier door het vleesch?
A. De erfsonde.
d V. Die van Galatien waren se herboren of onher-
boren ?
A. Herboren, als blijckt Galat. 6. 1. Broeders, in-
dien oock een mensche overvallen ware door eenige
misdaet, ghy die geestelick zijt, brenght den soo-
danige te rechte met den Geest der sachtmoedig-
heyt.
c V. Is do erfsonde soo in de herboreno als onhor-
borene ?
A. Neen.
d V. Hoe is de erfsonde in de onherborene?
-ocr page 132-
124                   Van des Mensehen Ellende.
A. Daer hoerscht ende domineert deselve : Joh.
8. 34. Een yegelick die de sonde doet is een dienst-
knecht der sonde. Rom 0 12, 20. Dat dan do sonde
niet en heersene in uw\' sterffelick lichaem, om haer
te gehoorsamen in de bogeerlickhedon des selven
lichaems. vs. 20. Want doe ghy dienstknechten waert
der sonde, &c
d V. Hoo is do erfsondo in do herboreno kinderen
Godts?
A. Daer heerscht se niet: Rom. 6. 17, 18. Maer
Gode zy danck, dat ghy wel dienstknechten der sonde
waert, maer dat ghy nu van herten gehoorsaem go-
worden zijt don voorbeeldo dor leero, tot het wolek
ghy overgegeven zijt: vs 18. Ende vry gemaeckt
zijnde van de sonde, zijt gemaeckt dienstknechten
der gerechtigheyt.
d V. Maer do herborene zijn door Christum van do
sonde gonesen?
A. De herborene zijn van de sonden gonesen, 1.
Ten aensien van de straffe 2. Ten aensien van do
heerschappije der sonde,
d V. Wie zijn nu die gene, dewelcke daer ontkennen
dat do herboreno kinderen Godts orfsonde hebben?
A. Do Felagianen, Remonstranten, Wcderdoopers,
Papisten,
b V. Is \'er oock datelicke sonde?
A. Ja.
c V. Wat noemt ghy een datelicke sonde?
A. Wanneer men doet het gene Godt verbiedt,
ofte laet het gene Godt gebiedt,
d V. Hoo wort doso datelicke sonde begaon?
A. Met gedachten, woorden, ende wereken.
e V. Hoo veehlerloy datelicke sonde zijndor?
A. Vele ende verscheyden
d V. Zijndor niet eenige besondere distinctien van
sonden ?
A. Ja.
d V. Welck zijn die?
-ocr page 133-
Van des Menschen Ellende
125
A. Heerschende sonde ende niet heerschende ; de
sonden tegen de conscientie ende niet tegen de
conscientie; de sonde uyt booslieyt ende de sonde
uyt swackheyt; de vergeeffelicke , ende niet vergeef-
felieko sonde, dat is de sonde in den H. Geest; de
sonde tegens de natuer, ende niet tegens de natuer, &c.
(> V. Wat noemt ghy een heerschende sonde?
A. Welck met een gantschen drift van den wille
des menschen wort bogaen sonder eenigh wederhou-
den , tegenstrijt, beswaringe , ende leetwesen.
d V. Vallen de herborene ende geloovigo kinderen
Godts in soodanige sonde?
A. Neen.
d V. Waerom niet?
A. Om dat de hcerschappije van de sonde in haer
is wechgenomen, ende sy en dienen de sonde niet
meer met geheel haer herte: Rom. 6. 18. Ende vry
gemaeckt zijnde van de sonde, &c. ende 7 vss. 17,
18, 19, 21, 23, 24. Ick dan en doe dat selve nu
niet meer, maer do sonde die in my woont, &c.
d V. Maer de herten der geloovigon worden geseyt
steenen herten te zijn, ende datse vleescholick zijn ,
datse weebgeruckt worden van de sonde?
A. Dat de herten der geloovigon worden geseyt
steenen herten te zijn, dat is alleen te verstaen ton
aensien van de overblijfselen der sonde, die eertijts
geheerscht heeft, ende die als noch haer eenige har-
digheyt des herten toebrenght; soo zijnse oock ten
deele vleesehelick: Bom. 7. vs. 14. Maer ick ben
vleeschlick verkocht onder de sonde. 1. Cor. 3. vss.
1, 3 Ende ick, Broeders, en konde tot u niet spre-
ken als tot geestelicke, maer als tot vleeschlicke.
vs. 8. Want ghy zijt noch vleeschlick, &c. Ende datse
wechgoruckt worden, dat geschiet niet met haren
wil ende weten, maer tegens haren wil ende voor-
gaende voornemen: Bom. 7. 18. Want het willen is
wel by my, maer het goet te doen dat en vinde
ick niet.
-ocr page 134-
126                   Van des Menschen Ellende.
d V. Wat noemt ghy een niet heerschende sonde?
A. Die niet geschiet met vollen ende gantschon
drift van den wille, met vollen opset ende voor-
nemen,
d V. Wat noemt ghy een sonde tegens de con-
scientie?
A. Wanneer yemant willens ende wetens sondight,
als David ende Petrus,
d V. Wat noemt ghy een sonde niet tegens de con-
sciontie ?
A. Die begaen wort in onwetenheyt; gelijck Paulus
de Leere Christi vervolghde: 1 Tim. 1. 13. Maermy
is barmhertigheyt geschiet, dewijle ick het onwetende
gedaen hebbe in mijno ongeloovigheyt.
d V. Wat noemt ghy een sonde uyt boosheyt?
A. Die de mensche begaet uyt enckele boosheyt.
ende moetwilligheyt des herten,
d V. Wat noemt ghy een sonde uyt swackheyt?
A. Welcke de mensche begaet uyt swackheyt, het
zy dat den mensche daer toe getrocken wort door
d\'een ofte d\'ander passie, \'t zy dat hy daer toe ge-
bracht wort door een krachtige ende gedurige vleyinge
ende liefkoosingo, heymclick bedrogh ende slimme
streken , gelijck David van Ziba, tot dese sonde tegens
Mephiboseth, gebracht wiert. 2. Sam. 16. 1, «te.
d V. Wat noemt ghy een sonde uyt onwetenheyt?
A. Wanneer yemant een sonde begaet, niet wetende
dat het sonde zy.
d V. Wat noemt ghy een sonde in den H. Geest?
A. De sonde in den II Geest is een verwerpinge
ende verloocheninge van het bekende geloove, ende
waerheyt; daer van men overtuyght is geweest: uyt
enckele verachtingo voortkomende, ende dat tot den
eynde des levens, sonder eenige boetveerdigheyt,
dueronde.
d V. Van hoe veelderley soorte van menschen wort
dese sonde begaen?
A. Van tweederley soorte van menschen, 1. Van
-ocr page 135-
127
Van des Menschen Ellende.
soodanige, dewelcke dese waerheyt niet hebben aen-
genomen, noch beleden; maer deselve in hare con-
geientien hebben gehaet, ondertussrhen van deselve
overwonnen zijn, soo datse niet hebben tot haerder
verontschuldinge. Siet Matth. 12. 24, 31. Maer de
Pharizeen dit gehoort hebbende seyden, Dese werpt
de Duyvelen niet uyt, dan door Beelzebul den Over-
sten der Duyvelen. vs. 31. Daerom seggo ick n, alle
sonde ende lasteringe sal den menschen vergeven
worden, maer de lasteringe tegen den Geest en sal
den menschen niet vergeven worden. Joh. 9. 41.
Jesus seyde tot hacr, Indien ghy blint waert, soo en
soudt ghy geen sonden hebben: maer nu seght ghy,
wy sien: soo blijft uwe sonde. 2. Van soodanige
menschen, dewelcke dese waerheyt, van deselve
overwonnen zijnde, hebben aengenomen, deselve heb-
ben toegestemt ende beleden ; ende daer na van selfs
deselve verlaten ende vervolgen, waer op dat siet
den Apostel Paulus Hebr. 6. vss. 4, 5, 0. Want het is
onmogelick, de gene die eens verlicht geweest zijn ,
ende de hemelsche gaven gesmaekt hebben, ende des
Heyligen Geests deelachtigh geworden zijn, &c. ende
soodanige worden genoemt Apostaten.
d V. Is dese sonde oock in de herborene, ende ge-
loovige kinderen Godts?
A. Neen: 1. Joh. 5. IC, 18. Indien yemant sijnen
broeder siet sondigon een sonde niet tot de doot, &c.
vs. 18. Wy weten dat een yegelick die uyt Godt ge-
boren is, niet en sondight, &c.
\'I V. Waerom wort dese sonde genaemt een onver-
geefticke sonde, Matth. 12. 31. Een sonde der doot,
i Joh. 5. 16?
A. Niet om dat do swaerheyt van die sonde, de
waerdigheyt van de verdiensten Christi overtreft;
maer om dat Godt sijne genade hier wil staken ende
eyndigen; soo dat die gene, die dese sonde doen ,
eyndelick gestraft worden mot een blijvende blintheyt,
ende verstocktheyt des herten, soo datse nimmermeer
-ocr page 136-
128                   Van des Menschon Ellende.
berouw hebben, noch haer bekoeren, of bekeeren
kunnen. Hebr. 6. vss. 4, 6.
d V. Wat noemt ghy een sonde tegens de natuer?
A. 1. Wanneer yomant meer immediatelick ondo
indirectelicken een sonde begaet tegens de gemeyne
regulen van de natuerlicke conscientie ende eerbaer-
heyt der nature; als by exempel, sijn vader ofte sijn
moeder te vermoorden. 2. Tegens de natuerlicke
rechten, welcke eenighsins de beesten, op hare ma-
niere, met de menschen gemeyn hebben; als by
exempel, sijn eygen jonge kinderen te verlaten, of
oock te vermoorden, en Sodomitische grouwelen.
3. Hemselven te dooden; het welcke is tegen de
drift ende ingevinge, niet alleen der dieren, maer
selfs oock allo natuerlicke dingen gemeyn.
d V. Wat noemt ghy een sonde niet tegens de na-
tuer?
A. Wanneer op dese wijse ende maniere niet ge-
sondight wort.
d V. Wat zijn roepende sonden?
A. 1. Zonden in een saeck van groot gewichte,
ende seer grouwelick zijnde. 2. Ongeregelde ende
stoute sonden, die niet ingetoomt of bedwongen wer-
den. 3. Universeele sonden, dewelcke met haer sle-
pen een ongerechtigheyt tegens Godt ende tegen den
naesten, ende een publijcke ontheyligingo Godts.
d V. Wat zijn participerende sonden?
A. Wanneer yemant part ende deel krijght aen een
anders sonde.
d V. Wat zijn inwendige sonden ?
A. Die begaen worden met gedachte ende wil.
d V. Wat zijn uytwendige zonden?
A. Die begaen worden met woorden ende wereken.
d V. Wat zijn \'t voor sonden die meer geestelick
zijn als vleeschelick ?
A. Hoovaerdighoyt, ketterije, leugonen, nijdigheyt.
d V. Wat zijn het voor sonden die meer vleeschelijk
zijn?
-ocr page 137-
Van dos Menschen Ellende.                   129
A. Wanneer de menschen sondigon in die dingen ,
die sy met do beesten gemeyn hebben.
o V. Wat zijn sonden tegens het Euangelium ?
A. Wanneer yemant veracht ende verwerpt de gc-
nado ende beloften des Euangoliums: Hebr. ;5, 3.
Hoe sullen wy ontvlieden , indien \\vy op soo grooten
saligheyt geen acht en nemen ?
d V. Welcke sonde is grootcr, tegen do Wet ofte
tegen het Euangelium ?
A. Tegen het Euangelium.
il V. Wat zijn hooft-sonden, of principale sonden ?
A. Gierigheyt, hoovaerdigheyt, &<•. waer van vele
andere sonden voortkomen.
<1 V. Welck zijn de oorsaken van de sonde?
A. De sonde heeft eygontlick geen worekende oor-
saeck, maer een ontbrekende ende misslaende ofte
afwijckende oorsaeck van \'t goet, ende dese is of
inwendigh of uytwendigh; Inwendigh, als onwcten-
heyt, de swackheyt van den mensche, &o. Eyndelick,
de dadelicke sonden zijn menighmael oen oorsaeck
van de volgende dadelicke sonden, als hoovaordig-
heyt, gierigheyt: 1. Tim. 6. 10, 17. Want do gelt-
gierigheyt is een wortel van alle quaet, &c. Uyt-
wendigh, als de loocheninge van Godt, van de schep-
pinge, van de onderhoudinge ende regeeringe, of
van de Goddelicke voqrsienigheyt. 2. De ydele aan-
lockselen ende goederen deses werelts. 3. De quade
raetgevingen van de Duy vel, ende sijne goddoloose
instrumenten. 4. De schandelcuso ende ergerlicke
daden ofte werckingen der menschen, ende eynde-
lick de quade woorden , lichtveerdigc boecken, dich-
ten, &c.
d V. Is Godt oorsaeck van het quaet?
A. Neen: Godt is een oorsaeck alles goets.
" V. Is de Duy vel de oorsaeck van de sonde?
A. Ja.
" V. Kan de Duyvel een mensche dwingen tot do
sonde?
9
-ocr page 138-
180                   Van des Menschen Ellende.
A. Neen.
d V. Wat doet hy dan?
A. Hy lokt endo stoockt den mensche tot de sonde,
even gelijck een visscher den visch komt te vangen,
met sijne bedriegelicken hame, verborgen liggende
onder het aas.
:i V. Ghy hebt een weynigh te voren geseyt, dat
uwe *) ellendigheyt niet alleen bestaet in de sonde,
maer oock in de straffe; hoe veelderley is de
straffe?
A. Twoederley, tijtlick ende eeuwige straffe.
b V. Wat noemt ghy tijtlicko straffe ?
A. Daor mede een mensche gestraft wort in dit
leven,
b V. Hoe veelderhande zijn die wel?
A. Sommige uyterlick, sommige innerlick.
c V. Weleke zijn de tijtlicke uyterlicke straffen?
A. Honger, armoede, vermoeytheyt, pijne, siekten,
mismaecktheyt, de doot: Item, verlies van goederen,
goede vrienden, ballinghschap, gevanckenisse, oproer,
oorlogo, dieren tijt, schenden endo lasteringe der
menschen, &c.
c V. Welck zijn de tijtlicke innerlicke straffen ?
A. Sotheyt, rasernije, ongcduldigheyt, droeffenisse,
versoeckingen, geestelieke verlatingen, het knagen
en quellen der conscientie.
b V. Wat noemt ghy een eeuwige straffe?
A. Die straffe, die do menschen onderworpen zijn
na dit leven in de helle,
c V. Waer in bestaet dese eeuwige straffe ?
A. 1. Dat de verdoemde menschen in de helle
verschoven ende verstooten zijn van het lieffelick
ende vriendelick aenschijn onses Godts. 2. Datse
gevoelen den toorn Godts.
*) Siet ejgentlick van dit tweede deel der ellendigheyt
Vruge 10.
-ocr page 139-
Van des Menschen Ellende.                   131
b V. Verdienen alle sonden tijtlicke ende eeuwige
straffe ?
A. Ja.
b V. Selfs oock de alderminste?
A. Ja.
Ii V. Een leugen om beters wille, verdient die oock
do tijtlicke ende eeuwige straffe ?
A. Ja.
b V. Een sonde uyt onwetenheyt, verdient die oock
de tijtlicke ende eeuwige straffe.
A. Ja.
e V. Excuseert dan niet een sonde uit onwetenheyt?
A. Sy excuseert ten deelo, maer niet ten geheole.
1) V. Zijndor dan goen vergeeffelicke sonden?
A. Neen, ten aensien van de sonden selfs.
V. Wie leeren sulcks?
A. Die van \'t Pausdom.
V. Waer uyt soudt ghy bewijsen, dat alle sonden,
ja selfs de minste sonden, verdienen de tijtlicke ende
eeuwige straffe?
A. Deut. 27. 26. Vervloekt zy, die do woorden
deser Wet niet sal bevestigen, doende deselve.
Gal. 3. 10. Vervloeckt is een yegelick, die niet en
blijft in al het gene geschreven is in het boeck der
Wot, om dat te doen. Siet oock Rom. 6. 23.
b V. Waer uyt sal men dese sijne ellende leeren
kennen ?
A. Uit de Wet Godts.
o V. Waer uyt soudt ghy bewijsen, dat men sijn
ellende leert kennen uyt de Wet?
A. Rom. 3. 20. Door de Wet is de kennisse der
sonde, ende 7. 7. Ja ick en kendo de sonde niet,
dan door de Wet.
1:1 V. Kan men sijn ellende wel volkomentlick kennen
sonder de kennisse van de Wet?
A Neen.
c V. Konnen do Heydenen hare ellendigheyt wel ten
vollen kennen uyt de Wet ofte het licht dor nature?
-ocr page 140-
Van des Menschen Ellende.
132
A. Neen.
b V. Konnen sy wel ten deele hare ellendigheyt
daor uyt loeren kennen?
A. Ja: Rom. 2 15. Als die botoonon het werck
der Wet, geschreven in hare herten, hare oonscientie
mede getuygende, ende de gedacliten onder nialkan-
deren haer beschuldigende ofte oock ontschuldi-
gende.
c V. Hot licht, ofte de Wet der nature, is die oock
van Godt geopenbacrt ende den menschen go-
geven?
A. Ja. Rom. 2. vss. 14, 15. Want wanneer de Hey-
denen die de Wet niet en hebben, van nature do
dingen doen die der Wet zijn, &0. Rom. 1. 19. Over-
mits het gene van Godt kennelick is in haer open-
baer is, want Godt heeft het haer geopenbaert.
d \\T. Hadde Adam oock een Wet voor den val?
A. Ja.
d V. Hadde hy, bchalven de algemeyne morale Wet,
oock een bosonder ende particulier gebodt?
A. Ja.
d V. Waer staet \'t selve beschreven?
A. Genes. 2. 17. Want ten dage, als ghy daer van
eet, sult ghy de doot sterven,
d V. Die Wet, die hy hadde, was dat een Wet als
onse Wet, ofte was het een ander?
A. Sy is in substantie, of in do gront ende hooft-
stucken, een Wet met de onse.
d V. Heeft Gods volck voor do tijden Mosis de Wet
Gods gehadt?
A. Ja, een onbeschrevene Wet.
b V. Hoe vcolderley beschrevene Wet is\'er?
A. Driederley.
b V. Welck is die driederley Wet?
A. De burgerlicke Wet, de Wet der ceremoniën ,
de Wet der soden ofte der liefde. *)
*) Vnn dcsc driederley Wet sict brecder Vrage 92.
-ocr page 141-
Van des Menschen Ellende.                   133
b V. Uyt welck van dien kent ghy u ellende ?
A. Uyt alle drie; maer met groot onderseheyt.
li V. Uyt welck kont gy uwe sonde specialicken en
voor u eygon hooft?
A. Uyt de Wet der seden ofte der liefde.
V. Hoe kent ghy in \'t gros, dat de mensche son-
digh is uyt de Wet der ceremoniën ?
A. Uyt alle die offerhanden ende reynigingen, waer
door de onreynigheyt van den nionsch wiert te ken-
nen gegeven,
c V. Hoe kondt ghy de verdorventheyt ende sonden
der menschen in \'t gros leeren kennen uyt de Wet
der politie, ofte uyt de burgerlicke Wet Mosis?
A. Uyt de straffen van den wereltlicken Richter:
dewelcke ons leeren ende te kennen geven, dat\'er
verdorventheyt ende sonde is.
c V. Hoe kent ghy uwe ellende uyt de Wet der seden
ofte der liefde ?
A. Als iek den eysch van de Wet legge tegen mijne
conscientie, ende alsoo mijn eygen onvermogen vinde,
om den eysch van de Wet na te komen.
b V. Waer staet de Wet der seden ofte der liefde
beschreven?
A. Exod. 20. Deut. 5.
b V. Waer in \'t kort?
A. Matth. 22. 36, 37.
c V. Hoe heeft Godt sijn volck dese geboden ge-
geven ?
A. Met donderen, blixemen, met geluyt der ba-
suyne, roock ende donckerheyt: Exod. 20. 18. Ende
al het volck sagh de donderen ende de blixemen,
ende het geluyt der basuyne, ende den roockenden
bergh.
u V. Waerom heeft Godt op soo een schrickelicke
wijse de Wet sijn volck voorgedragen?
A. Op dat de menschen souden toesien, datse de
Wet hares Godts niet overtraden.
-ocr page 142-
134                   Van des Menschen Ellende.
b V. Kondt ghy de thien geboden soo wel verataen ,
dat ghy alle uwe sonden daer uyt kent?
A. Neon.
b V. Kondt ghy het uyt de Wet alleen niet kennen ?
A. Neen.
1) V. Wat sult ghy dan by de Wet brengen, om
uwe sonden uyt te vinden onde te kennen?
A. Mijn conscientie.
b V. Wat is de conscientie?
A. De conscientie is een oordeel ende getuygenisse,
dat de mensch geeft van sijn eygen doen ende
laten, voor soo veel het Godts oordeel onderworpen
wort.
b V. Kan men dan alle sijne sonden leeren kennen
uyt de vergelijckinge van ons leven ende conscientie
met de Wet Godt?
A. Ja.
c V. Is de Wet dan wel profijtelick, dat mense leert
onder de Christenen?
A. Ja.
c V. Heeft de Wet wel eenigh gebruyck onder \'t
Nieuwe Testament?
A. Ja.
d V. Maer dat misgaet ende niet volbracht wort,
kan dat wel profijtelick zijn ?
A. Ja.
d V. Waer toe is de Wet dan profijtelick?
A. Tot twee dingen, om ons to overtuygen van
onse sonden, ende ons te besturen in ons leven ende
wandel,
d V. Hoe dientse den wedergeborenen tot overtuy-
ginge ?
A. Daer op antwoort Vrage 115. Op dat wy daer
door ons leven langh onsen sondelicken aert hoe
langer hoe meer leeren kennen, ende dies te be-
geeriger zijn, de vergevinge der sonden ende de
gerechtigheyt in Christo te soecken. Daer na, dat
wy sonder onderlaten ons beneerstigen, ende Godt
-ocr page 143-
Van dos Menschon Ellende.                   135
bidden om de genade des H. Geests, op dat wy
langhs soo meer na het evenbeelt Godts vernieuwet
werden, tot dat wy tot de voorgestelde volkomentheyt
na dit leven geraken.
cl V. Soude men wel mogen seggen, dat ons de Wet
ter saligheyt helpt?
A. Ja.
il V. Kan do Wet uwe conscientie gerust stellen?
A. Directelicken, ofte by haer selven niet: maer
het kan eenighsins geseyt worden, dat sy daer toe
helpt ende vordert, namelick, voor soo veel sy my
leydt tot Christum, alwaer de rechte ruste van mijn
conscientie te vinden is.
e V. Kan men wel tot Christum sonder de Wet komen ?
A. Neen.
c V. Kan men wel saligh werden sonder de kennisse
Christi?
A. Neen.
c V. Dese kennisse is die alle menschen ingeschapen ?
A. Neen.
d V. Hoe overtuyght de Wet den onherborenen ende
onbekeerlicken ?
A. Alsoo, datse haer alle onschult beneemt. Waer
toe dient \'t gene Paulus seyt van de Wet der nature,
Rom. 1. 20. Op dat sy niet te verontschuldigen
en zijn.
Vrage 4.
Wat eyscht de Wet Godts van ons?
Antw. Dat leert ons Christus in eener somma :
Matth. 22. öhy sult liefhebben Godt uwen Heere,
van gantscher herten, van gantscher zielen, van
gantschen gemoede, ende uyt alle krachten. Dit
is het eerste ende het groote gebodt. Dat ander
-ocr page 144-
130                   Van des Mensehen Ellende.
ia desen gelijck: Ghy sult uwen naesten lief-
hebben als u selven. Aen dese twee geboden
hanget de gantsche Wet ende de Propheten.
a V. Wclck is de somma van de gantsche Wet?
A. Liefde,
b V. Hoe veelderley is de liefde?
A. Tweederley, liefde Godts, ende liefde des naesten.
e V. Is \'er dan geen derdo soorte van liefde?
A. Neen.
b V. Wien moet ghy aldermeest liefhebben, Godt
ofte uwen naesten?
A. Godt.
b V. Welck is de mate ofte regel van do liefde Godts ?
A. Van gantscher herten, van gantscher zielen,
van gantschen gemoede, ende uyt alle krachten,
c V. Waer staet dat?
A. Matth. 22. 37.
c V. Is dat met, ofte sonder mate?
A. Sonder mate.
d V. Wat moeten wy aldermeest liefhebben, Godt
ofte onso saligheyt?
A. Godt.
d V. Moet men Godt alleen liefhebben, om dat hy
ons goot doet?
A. Neen.
d V. Waerom dan?
A. Als Godt ende als het opperste ende volmaecktste
goet.
d V. Wat moeten wy meer liefhebben, onse saligheyt
ofte onsen naesten?
A. Onse saligheyt.
d V. Begint dan hier de liefde van haer selven?
A. Ja.
c V. Hoe moet dese liefde tot Godt beloont worden ?
A. Inwendigh ende uytwendigh.
d V. Hoe inwendigh?
-ocr page 145-
Van des Menschen Ellende.
137
A. Met een inwendige affectie en genegentheyt tot
God te hebben.
il V. Hoe uytwendigh?
A. Door een uyterlicke betooninge van deso ge-
negentheyt, bestaendo in dickwils ende goerne met
Godt te spreken in onse gebeden, ende hem te ge-
hoorsamen.
b V. Hoe moet men sijnen naesten liefhebben\'?
A. Als hemselven: Matth. 22. vs. 39. Endo het
tweede desen gelijck, is: Ghy sult uwen naesten
liefhebben als u selvon, ende 7. 12. Alle dingen dan
die ghy wilt dat u do menschen doen, doet ghy hen
oock alsoo, &c.
li V. Wie is uwon naesten, alleen u Ouders?
A. Neen.
b V. Wie dan al meer?
A. Alle menschen.
b V. Zijn dan de Paus, de Heydenen, de Joden &c.
oock onsen naesten?
A. Ja.
I\' V. Als soodanige menschen in noodt ofte ellende
waren, soud\' men dan haer wel mogen voorby gaen ?
A. Neen.
V. Hebt ghy een parabel ofte gelijckenisse hier
toe dienende?
A. Luce 10. vs. 30. Ende Jesus antwoordende seyde,
een seker mensche quam af van Jerusalem na Joricho,
ende viel onder de moordenaers, &c.
V. Deden dan den Priester ende Levijt qualick,
dat sy dien niensch, die van de moordenaers ge-
wondt was, voorby gingen?
. A. Ja.
c V. Moeten wy dan oock de quade menschen lief-
hebben?
A. Ja.
c V. Moeten wy haer quaet ende boosheyt liefhebben?
A. Neen.
d V. Wat dan?
-ocr page 146-
138                   Van dos Menschen Ellende.
A. Haer substantie of personen , voor so veel die
van God geschapen zijn
e V. Waerom moet ghy die quade menschen meer
liefhebben, als een koe ofte paert, of eenigh ander
beest?
A. Om dat sy zijn van mijn vleesch onde bloet.
c V. Waer staot dat?
A. Actor. 17. 28. Want in hem leven wy, ende
bewegen ons, ende zijn wy: ende vs. 20. Ende heeft
uyt eenen bloede het gantsehe geslachte der men-
schen gemaeckt.
c V. Maer nadien de Paus, of eenigh ander geslagen
ende gesworen vyant ende vervolger van Godes Woort
ende Kercke, onsen naesten zijn, soude men dan
tegens haer wel mogen bidden ?
A. Ja.
c V. Magh men tegens haer bidden, voor soo veel
sy onsen naesten zijn?
A. Neen.
d V. Hoe dan?
A, Voor soo veel sy zijn vyanden Godts, ende
hartneckige vervolgers sijner Kercke.
d V. Moet men alle menschen even veel liefhebben ?
A. Neen.
° V. Is den eenen mensch u naerder als den anderen ?
A. Ja.
c V. Wien moet ghy meer liefhebben, u Ouders,
ofte u Oom ende Moeye, &c. ?
A. Mijn Ouders,
c V. Zijn u Ouders dan aldernaest?
A. Ja.
c V. Hoe komt dat?
A. Door dien dat ick mijn vleesch ende bloet van
haer hebbe.
b V. Zijn u Ouders naerder als Godt?
A. Neen
b V. Wien moet ghy dan meer liefhebben Godt ofte
uwe Ouders ?
-ocr page 147-
Van iles Monsclicn Ellende.                   139
A. Godt.
b V. Moet ghy dan niet doen al het gene sy u be-
lastcn, alwaer het tegens Godts woort ?
A. Neen.
c V. Maer ghy moet u Ouders in allen gehoorsaem
zijn ?
A. In allo dingen, die tegen Godt ende sijn woort
niet en strijden,
b V. Wien moet ghy liever hebben, een die van do
ware Religie, ofte een die van een ander Religie is?
A. Een die van de ware Religie is.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat ?
A. Galat. 6. 10. Soo dan terwijl wy tijt hebben
laet ons goet doen aen .alle, maer meest aen de
huysgenooten dos geloofs.
c V. Soudt ghy wel ten gevalle van uwen even-
naesten Papist, of Harminiaens , of Mennonist, &c.
mogen worden\'?
A. Neen.
(1 V. Waerom niet?
A. Om dat ick mijn eygen saligheyt liever moet
hebben, als mijnen naasten; ende Godt meer moet
gehoorsamen, dan de menschen; Actor. 4. 19. Oor-
deelt ghy, of het recht is voor Godt, u-lieden meer
te hooren dan Godt, ende 5. 29. Maer Petrus ende
de Apostelen antwoordden, ende seyden, Men moet
Gode meer gehoorsaem zijn dan de menschen.
d V. Maer hy sal seggen, soo en komt ghy Godts
gebodt niet na, van de liefde die ghy uwen naesten
schuldigh zijt; maer ghy haet my.
A. De liefde van onsen naesten gaet soo verre niet,
noch het recht om den selven door liefde te dienen
of te gehoorsamen: Dan. 3. 16. Sadrach, Mesach,
ende Abednego antwoorden, ende seyden tot den
Koninck Nebucadnezar, Wy en hebben niet van noo-
den u op dese sake te antwoorden, &c.
c V. Hoe moet do liefde tegen uwen naesten betoont
werden ?
-ocr page 148-
Van des Henschen Ellende.
140
A. Inwendigh ende uytwendigh.
d V. Hoe inwendigh\'?
A. Met een goede affectie ende genegentheyt hem
toe te dragen,
d V. Hoe uytwendigh ?
A. Met alle wercken der liefde aen hem te betoo-
nen: 1. Joh. 3. vs 18. Mijne kinderkens , en laet ons
niet liefhebben met den woorde noch met de tonge,
maer met de daet ende waerheyt.
c V. Waer uyt soudt ghy bowijsen, dat de somma
van de wet Liefde is ?
A. Matth. 22. 37, 38, 39, 40. Ghy sult lief hebben
den Heere uwen Godt, met geheel u herte, ende
met geheel uwe ziele, ende met geheel u verstant:
dit is het eerste ende het grootste gebodt. Ende het
tweede desen gelijck is, ghy sult uwen naesten lief-
hebben , als u selven. Aen dese twee geboden hanght
de gantsche Wet ende de Propheten.
Vrage 5.
Kondt ghy dit al volkomentlick houden?
Antw. Neen ick: want ick ben van naturen ge-
neyght Godt ende mijnen naesten te haten.
a V. Kondt ghy de Wet volkomentlick onderhouden ?
A. Neen.
a V. Kondt ghy Godt ende uwen naesten soo volko-
melick liefhebben als de Wet van u oyscht?
A. Neon.
b V. Waarom niet?
A. Om dat ick van naturen geneyght ben Godt
ende mijnen naesten te haten,
d V. Voor wien is dese vrage geschreven, voor de
herborene ofte onhorborone ?
-ocr page 149-
Van des Menschon Ellende.                   141
A. Voor de herborene ende onherborene.
d V. Zijn diin do herborene van naturen oock genogon,
om Godt ende haren even-naesten te haten ?
A. Ja.
c V. Haet ghy Godt?
A. Neen.
c V. Mooght ghy wel seggen, Mijnon sin , mijn voor-
nemen, mijn lust is Godt te haten?
A. Neen.
c V. Het gene staot Rom. 1. 30. haters Godts, soudo
men dat van de herborone wel mogen seggen?
A. Neen.
\'1 V. Hoe accordeert hot dan met het gene do Cato-
chismus seyt?
A. Heel wel; want Paulus spreeckt daer van een
opsottelick actueel ende datolick haten; ende de
Catechismus van een inwendige genegentheyt om te
haten,
d V. Soudt ghy wel mot dor waorhey t konnen seggen,
Die mensche is van naturen genoyght om Godt te
haten, ende soockt hem te behagen?
A. Ja.
(1 V. Maeckt eens onderscheyt?
A Hy is geneyght om Godt te haten, voor soo
veel het verdorven vleesch ende de sonde noch in
hem woont: endo soeckt Godt te behagen, voor soo
voel hy door den Geest Godts is wedergeboren. Van
het tweede doet hy professie, endo dit is sijn opset,
sijnen sin ende sijn voornemen, sijn bedrijf: Rom. 7.
22. Want ick hebbe een vermaken in de wet Godts
na den inwendigen mensche. Psalm 110. 1. Ick hebbe
lief, want de Heere hoort mijne stemme. Maer van
het eerste niet, maer tegen sijnen danck, ende tegen
sijn opsettelick voornemen hanght hem dit aen ende
overkomt hem: Rom. 7. 14. Want wy weten dat de
wet geestelick is, maer ick ben vleeschlick verkocht
onder do sonde, &c. ten eynde toe.
" V Is dit te hart gesproken van een herboren
-ocr page 150-
142                   Van des Menschen Ellende.
mensch, dat hy geneyght is Godt ende sijnen naesten
te haten?
A. Neen
d V. Maer een Papist ende Remonstrant sal seggen,
Ghy zijt een deughniet ende een goddeloos monsch,
want ghy bekent hot zelfs , ende dat seght ghy oock
in uwe gebeden?
A. Dat en volght geensins, maer is veel eer een
calumnic ende lasteringe: want de genegentheyt endo
innerlicke verdorventhoyt, die noch in de herboreno
overigh is, breeckt soo verre niet uyt, datse opset-
telick ende met voorgaende lust soudo volbracht
worden, veel min datse soudo heerschen.
c V. Dat sulcks niet en geschiet, door wien komt dat,
door onse, ofte door do kracht des Heyligen Geosts?
A. Door de kracht ende wederstant des Heyligen
Geests.
b V. Is \'er dan wel wat goets in oen herboren mensch ?
A. Ja.
b V. Van wien heeft hy dat goet, van Godt ofte van
hemsolvon ?
A. Van Godt
c V. Maer als wy seggon, dat wy geneyght zijn om
Godt ende onsen naesten te haten, willen wy dan
seggen, dat wy actuélicken geneyght zijn tot alle
actueele ofte dadolicke sonden endo schelmstucken,
om die in \'t werek te stollen: als by exempel, zijt
ghy nu geneyght om u ouders te vermoorden, ofte
de stadt in brant te stoken ?
A. Dat zy verre,
d V. Wie souden ons dat gaerne opdringen?
A. Papisten, Remonstranten, &c.
d V. Wat willen wy dan hier mede seggen?
A. Dat\'er in ons is soodanige wortel der verdor-
ventheyt ende quade genegentheyt, waer uyt alderley
sonden ende boose stucken souden konnen voortge-
bracht worden, soose niet wierden ingehouden door
Godts Geest ende genade.
-ocr page 151-
Van des Monschen Ellende.                   143
o V. Welck is die quade genegentheyt ende verdor-
ventheyt ?
A. De erfsonde.
il V. Waer uyt soudt ghy bcwijsen, dat de mensehen
niet alloen van naturen goneyght zijn, maer sonder
de besondere genade Godes haer selven soo verder-
ven, datse met der daet Godt ende haren naesten
haten ?
A. Exod. 20. 5. Der gener, die my haten. Rom.
cap. 1. vs. 30. haters Godts. en vs. 31. sonder na-
tuorlicke liefde. Titum 3. vs. 3. hatelick zijnde, ende
malkanderen hatende. Joh. cap. 15. vs. 18. Soo u de
werelt haet, soo weet, datse my eer dan u gohaet
heeft, vers 19. Om dat ghy van de werelt niet en
zijt, daerom haet u do werelt. vers 23. Die my haet,
die haet oock mijnon Vader, vers 24. Indien ick de
wercken onder haer niet gedaen en hadde , die nie-
mant anders gedaen heeft, sy on hadden geen sonden:
maer nu hebben sy se gesien, ende beydo my ende
mijnen Vader gehaet.
< V. Is\'er geen onderscheyt tusschen de quade gene-
gentheyt dor kinderen Gods , ende in den goddeloosen
ende onbekeerden?
A. Ja.
d V. Welck is dat?
A. In de kinderen Godts is alleen van verre
een wortel of angel, of genegentheyt om Godt te
haten; endo in do goddeloosen is boven dien een
naesto dispositie, of een genegentheyt om Godt te
haten, ende oock eenon actuëlen ende daetlicken
haet.
\'I V. Maer kan een mensche Godt wel haten, die het
opperste goot is?
A. Ja.
d V. Haten de goddeloosen Godt, voor soo veel als
hy het opperste goet is?
A. Neen.
\'\' V. Haet hem de Duyvel directelicken, voor soo
-ocr page 152-
Van des Menschen Ellende.
144
veel hy Godt verstact hot opperste goot en perfectie
te zijn?
A. Neen.
d V. Hoe haten sy hem dan?
A. Als een rochtveerdigh Richter, ende die de son-
den tot sijnder tijt rechtveerdelick sal to huys soeckon
ende richten.
d V. Kan men oock seggen na den stijl van Godes
woort, dat yemant Godt haet, die nochtans sulcks
directelick niet voor en neemt, of professie daer van
doet?
A. Ja: Rom 8. vs. 7. Dacrom dat het bedencken
dos vlocschs vyantschap is tegen Godt: want het
onderwerpt sich de wet Godts niet. Psalm 68. 2.
Ende sijne haters sullen van sijn aengesichte vlieden.
Joh. 15. 24. Indien ick de wereken onder haer niet
en hadde gedacn, die niemant anders gedaen en heeft,
sy en hadden geen sonde: maer nu hebben sy se
gesicn, endo beyde my endo mijnon Vader gehaet.
d V. Hoe gaet sulcks toe?
A. Als sy Godes woort, eenigh gebodt dor Wet,,
eenigh persoon der Godthoyt, Godes Kercke, &e. haten.
d V. Soud\' een menscho wel soo verre konnen ko-
men , dat hy soude professie doen, roemen ende seg-
gen, dat hy Godt haet?
A. Ja, exempel in Pharao ; Wie is de Heero, wiens
stemme ick gehoorsamen soude, om Israël te laten
trecken? Ick kenne den Heere niet, ende en sal oock
Israël niet trecken laten, Exod. 5. 2.
<1 V. Wacrom is hot dat do Papisten, Remonstranten,
en de andere heele of halve Pelagianen, geensins
willen toostaen, dat de kinderen Gods van naturen
souden genegen zijn, om Godt ende haren naestcn
to haten ?
A. Om datse loochenen ende ontkennen, dat \'er
eenige erfsonde, ofte overblijfsel van de verdorven
nature, in de kinderen Godts gevonden wort, dewelcke
met recht sonde soude mogen genaemt worden.
-ocr page 153-
Van de Oorsake der Ellende.                 145
il V. Hoe betoonen de menschen, dat sy Godt ende
den naesten haten?
A. Als sy 1. Godt niet liefhebben, ende volgens
dien hem niet gehoorsamen, dewijle hy ons anders
niet als sijne liefde gebiedt: Deut. cap. 32. vs. 41.
Indien ick mijn glintserende sweert wette, ende mijne
hant ten gerichte grijpt, soo sal ick de wrake op
mijne tegenpartijen doen wederkeeren, ende mijnen
hateren vergelden. 2. Een afkeer des gemoedts heb-
ben van Godt ende Goddelicke saken, ende qualick
daer tegen gesint te wesen. Sijnen naesten te haten is,
1. hem niet liefhebben, 2. vyantlick tegen hem gesint
te wesen: Een yegelick, die sijnen broeder haet, is
een dootslager, 1. Joh. 3. 15.
SONDAGH III. Vraöe 6, 7, 8.
Veage 6.
Heeft dan Godt den mensche alsoo boos ende
verkeert geschapen?
Antw. Neen hy: Maer Godt heeft den mensche
goet, ende na sijn evenbeelt geschapen, dat is,
in ware gerechtigheyt ende heyligheyt, op dat hy
Godt sijnen Schepper recht kennen, hem van her-
ten liefhebben, ende met hem in de eeuwige
saligheyt leven soude, hem te loven ende te
prijsen.
V. Hoe wort desen Sondagh afgedeelt?
A. In twee deelen.
V. Welcke zijn die twee deelen?
10
-ocr page 154-
146                 Van de Oorsake der Ellende.
A. 1. De oorsake van dese verdorventheyt ende
ellendigheyt des menschen, Vrage 6.7. 2. De grootheyt
van dese vei-dorvontheyt, Vrage 8.
d V. Hoe wort dat eerste onderdeelt ?
A. In twee deelen: 1. Wie de oorsaeck niet en is
van onse ellendigheyt, Vrage 6. 2. Wie de oorsaeck
dan is, Vrage 7.
a V. Is de mensch van naturen ellendigh ende be-
dorven ?
A. Ja.
b V. Wie is de oorsaeck van dese sijne ellendigheyt?
A. De mensche selfs.
a V. Is Godt de oorsaeck van de ellendigheyt des
menschen?
A. Neen.
b V. Godt heeft nochtans den mensche geschapen?
A. Godt heeft den mensche geschapen, maer niet
bedorven,
b V. Die nu een oorsaeck is van den mensch, ib
die oock niet een oorsaeck van de sonde?
A. Neen.
b V. Doen Godt den mensche schiep, schiep hy doen
de sonde met hem?
A. Neen.
c V. Zoo Godt den mensche niet geschapen hadde,
soude hij wel gesondight hebben?
A. Neen.
c V. Volght daer uyt, dat Godt een autheur is van
de sonde?
A. Neen.
b V. Volght het uyt de leere van de voorsienigheyt
Godts ?
A. Neen.
c V. Wist Godt niet van te voren, doen hy den
mensche schiep, dat de mensche vallen soude?
A. Ja.
d V. Kost Godt den val niet beletten?
A. Ja.
-ocr page 155-
Van de Oorsake der Ellende.                 147
d V. Hadde hy den mensche niet konnen bevestigen in
sijnen staet?
A. Ja.
d V. Waerom heeft hy het niet gedaen?
A. Het heeft hem niet belieft,
d V. Volght hier uyt, dat Godt een oorsaeck is van
desen val der menschen?
A. Neen.
d V. Maer die een sonde beletten kan, ende niet en
doet, die is een oorsaeck van de sonde : Godt heeft de
sonde konnen beletten, ende niet gedaen; ergo ?
A. Die een sonde beletten kan, ende gehouden is te
beletten, ende dan niet belet, die is een oorsaeck van de
sonde ; maer Godt en is niet gehouden de sonde te be-
letten; ende dienvolgens soo volght dit besluyt niet.
d V. Waerom is Godt soo wel het niet gehouden te
doen, als de menschen ?
A. Om dat Godt niemant onderworpen is, ende
niemant yet schuldigh is: Rom. 11. 34. Want wie
heeft den sin des Heeren gekent"? of wie is sijn
Raetsman geweest? Maer alle menschen f ja creaturen)
zijn Gode onderworpen, van welcken sy een wet ont-
fangen hebben, om na deselve te leven,
d V. Is\'er dan wel een hooger oorsaeck, als Godts wil?
A. Neen.
d V. Moet men wel hooger begeeren te weten?
A. Neen.
d V. Zoude men dan Godt wel mogen vragen, waerom
hy den val heeft toegelaten?
A. Neen: O mensche, wie zijt ghy, die tegen Godt
antwoort? seyt den H. Apostel Paulus, Rom. 9. 20.
d V. Heeft Godt geen reden gehadt, om den val des
menschen toe te laten?
A. Ja; want Godt en doet noch en laet geen dinck
geschieden, dan wijsselick ende heylighlick.
d V. Wat reden soude men den ongeloovigen, ende
onschriftuerlicke tegensprekers konnen voorhouden?
A. Om aen d\'een zijde, sijnen toorn te bewijsen,
-ocr page 156-
148                 Van de Oorsake der Ellende.
ende sijne macht bekent te maken over de vaten des
toorns tot het verderf toebereyt: aen d\'andere zijde,
om bekent te maken den rijckdom sijner heerlickheyt
over de vaten der barmhertigheyt, die hy te voren
bereyt heeft tot heerlickheyt; gelijck getuyght den
heyligen Apostel Paulus, Rom. cap. 9. vss. 22, 23.
Als oock om den mensche te leeren kennen sijn
eygen swackheyt, wanneer de Heere hem alleen laet
staen. Kortelick, dat quaet heeft hy willen toelaten,
om daer uyt ofte op occasie van het selve, een tref-
felick goet voort te brengen.
c V. Waer uyt bewijst ghy, dat Godt geen oorsaeck
is van des menschen val ende verdorventheyt?
A. Gen. 1. 81. Ende Godt sagh al wat hy gemaeckt
hadde, ende siet het was seer goet.
c V. Kan Godt de oorsaeck van des menschen ver-
dorventheyt zijn?
A. Neen: Sijne oogen zijn te reyn, dan dat hy het
quade soude sien. Hab. 1. 18. Hoe soude van de
goetheyt selver eenigh quaet konnen voortkomen?
van het licht eenige duysternisse ? van sulck een goede
boom eenige quade vrucht? van de volmaecktheyt
selfs eenige onvolmaecktheyt ? Godt kan hemselven
niet verloochenen, seyt de Apostel 2. Timoth. cap. 2.
vs. 13. Ja hoe soude Godt rechtveerdelick de sonden
konnen haten ende straffen, (volgens Psalm 5. vs. 6.
Want ghy zijt geen Godt, die lust heeft aen godt-
loosheyt: de boose en sal by u niet verkeeren indien
hy selve daer van autheur ware.
b V. Hoe heeft Godt dan in den beginne den mensche
geschapen , goet ofte quaet ?
A. Goet.
b V. Hoe goet?
A. Goet ende na sijn evenbeelt: Genes. 1. 26. Ende
Godt seyde: Laet ons menschen maken na onsen
beelde, na onse gelijckenisse: vs. 27. Ende Godt
schiep den mensche na sijnen beelde, na den beelde
Godts schiep hy hem.
-ocr page 157-
Van de Oorsake der Ellende.                 149
b V. Heeft Godt oock de boomen , de beesten , ende
andere creaturen , goet geschapen ?
A. Ja: Godt sagh al wat hy gemaeckt hadde, ende
siet het was seer goet. Genes. 1. 31.
d V. Heeft Godt voor den val het fenijn ende ver-
scheurende beesten geschapen ?
A. Ja.
d V. Warense den menschen soo quaet ende schade-
lick , alsse nu zijn ?
A. Neen.
d V. Soudense den mensche beschadight hebben ?
A. Neen.
d V. Hadden dan eenige creaturen, \'t zy planten of
beesten, geen vyantlicke qualiteyt tegen de nature
des menschen , om die actueelick te konnen bescha-
digen?
A. Neen.
d V. Hoe komt datse hot nu hebben ?
A. Van wegen de sonde,
b V. Heeft Godt de beesten, &c. geschapen na sijn
beelt?
A. Neen.
c V. Heeft hy de Engelen oock na sijn beelt ge-
schapen ?
A. Ja.
c V. Goede of quade Engelen ?
A. Alle beyde.
o V. De Duyvelen oock ?
A. Ja: Joh. 8. 44. Die was een menschen-moorder
van den beginne , ende is in de waerheyt niet staende
gebleven. Jud. vss. 6, 7. Ende die haer beginsel niet
bewaert en hebben, maer haer eygen woonstede ver-
laten hebben, &c.
d V. Maer die zijn boos ?
A. Sy zijn van Godt niet boos geschapen, maer
goet.
» V. Hoe komen sy dan soo boos ?
A. Door haer eygen afval.
-ocr page 158-
150                  Van de Oorsake der Ellende.
c V. Is Christus oock , ten aensien van sijn mensche-
licke natuer, na het beelt Godts geformeert ?
A. Ja.
c V. Schijnt dit beelt op een uytnemender wijse
ende nature in den tweeden Adam, als in den
eersten ?
A. Ja.
c V. Heeft Godt Adam ofte Eva na sijn beelt ge-
schapen ?
A. Alle beyde.
c V. Bewijst dat?
A. Genes. 1. 27. Godt schiep den mensche na sijnen
beelde, na den beelde Godts schiep hy hem : man
ende wijf schiep hyse.
d V. Hoe is dan te verstaen het gene den Apostel
seyt, 1 Cor. 11. 7. Want de man en moet het hoofd
niet decken, overmits hy het beelt en de heerlick-
heyt Godts is: maer de vrouwe is de heerlickheyt
des mans ?
A. Dat is te verstaen ten aensien van sijn beson-
dere macht, die hy heeft over de vrouwe, ende de
vrouwe niet over hem: 1. Timoth. 2. vss. 11, 12.
Een vrouwe late haer leeren in stilheyt, in alle onder-
danigheyt, &c.
c V. Wat noemt ghy een beelt ?
A. Een gelijckenisse ende uytdrucksel van eenige
sake.
c V. Wat noemt ghy Godts beelt?
A. Een besondere ende naerdere gelijckenisse
Godts.
c V. Van hoe veelderley beelt Godts spreekt de Schrif-
tuer?
A. Van tweederley beelt Godts, van een wesentlick
ende volkomen beelt Godts, ende van een acciden-
teele of toevallige onvolkomen beelt Godts.
d V. Wat noemt ghy een wesentlicke ende volkomen
beelt Gods?
-ocr page 159-
Van het Evenbeelt Godts.
151
A. Het welk volkomelick heeft al het gene, wiens
beelt het is.
d V. Wie heeft dit wesentlicke ende volkomen beelt
Gods?
A. De eeuwige Sone Godts, onse Heere Jesus Chris-
tus, ten aensien van sijn Godtlieke natuer : Hebr. 1. 8.
Dewelcke, alsoo hy is het afschijnsel sijner heerlick-
heyt, ende het uytgedruckte beelt sijner selfstandig-
heyt. 2. Cor. 4. 4. Op dat haer niet bestrale de
verlichtinge des Euangeliums der heerlickheyt Christi,
die het beelt Godts is.
d V. Wat noemt ghy een onvolkomen beelt Godts\'?
A. In het welcke alleen zijn sommige uytdruckselen
van eenige eygensehappen Godts na gelijckenisse; alsoo
dat het beelt ende het afgebeelde wesentlick ver-
schillen.
(1 V. Wie zijn de gene , die het beelt Godts dragen ?
A. De redelicke creaturen, als Engelen ende
Menschen.
(1 V. De Heere den mensche scheppende na sijn even-
beelt, heeft hy sijn Wesen ofte eenigh Goddelick
eygensehap den mensche medegedeelt\'?
A. Neen.
d V. Wat heeft Godt dan gedaen ?
A. Hij heeft den mensche begaeft met eenige saken
ende hoedanigheden, die eenige gelijckheyt hebben
met Goddelicke eygensehappen.
e V. Waer in bestaet het beelt Godts in den men-
sche ?
A. Het beelt Godts in den mensche kan aengemerkt
werden ofte na sijn gront ende fondament (ende dat
is de onsterffelicke redelicke ziele) ofte na sijne
forme , ende soo wert daor in aengemerekt het inwen-
digh ofte uytwendigh : inwendigh bestaet \'t evenbeelt
Godts in wijsheyt, heyligheyt ende gerechtigheyt:
uytwendigh in de heerschappije over de creaturen, ende
in de onsterffelickheyt.
-ocr page 160-
152                    Van het Evenbeelt Godts.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat het evenbeelt Godts
bestaet in wijsheyt ofte kennisse?
A. Coloss. 3. 10. Ende aengedaen hebt den nieu-
wen mensche, die vernieuwt wort tot kennisse na het
evenbeelt des genen, die hem geschapen heeft,
c V. Was de kennisse in Adam volmaeckt ?
A. Ja, na eysch van dien staet.
d V. Het schijnt nochtans dat Adam geen kennisse
gehadt heeft, want hy wist voor den val niet dat hy
naeckt was: Genes. 3. 7. Doe werden harer beyder
oogen geopent, ende sy werden gewaer, dat sy naeckt
waren ?
A. Daer is een bloote kennisse, ende een kennisse
met schaemte, ende smertigh gevoelen: Adam die heeft
na den val gesien, dat hy naeckt was, ende hem
moeste schamen,
c V. Heeft Adam kennisse gehadt van alle natuerlicke
ende bovennatuerlicke dingen?
A. Hij hoeft gekent alle die dingen, die hem in
dien staet nootsakelick waren geweten,
c V. Indien Adam niet gesondight hadde, soude hy
wel hebben bedrogen konnen werden?
A. Neen.
c V. Indien Adam niet gesondight hadde, soude dan
alle de nakomelingen Adams in hare kintsheyt, soo-
danige wetenschap ende kennisse gehadt hebben, als
Adam hadde?
A. Neen, exempel in Christo, den tweeden Adam
zijnde: Luc. 2. vs. 52. Ende Jesus nam toe in wijs-
heyt, &c.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat het evenbeelt Godts
bestaet in heyligheyt ende gerechtigheyt ?
A. Eph. 4. vs. 24. Ende den nieuwen mensche
aendoen, die na Godt geschapen is in rechtveerdig-
heyt ende heyligheyt.
d V. Heeft Adam gehadt alle deughden?
A. Hy heeft gehadt alle die actueele deughden, die
absolutelick slaen op de heyligheyt ende gerechtig"
-ocr page 161-
Van het Evenbeelt Godts.
153
heyt: maer niet die presupponere de sonde ende
ellendigheyt; want die waren alleen na de wortel,
ende oorspronckelick in hem.
d V. Heeft Adam het vermogen gehad, om in Christum
te gelooven?
A. Ja, te weten oorspronckelick; niet dat hy het
geloove hadde in der daedt, want den mensche hadde
noch niet gesondight.
il V. Indien Adam niet gesondight hadde, soude hy
dan wel gestorven zijn?
A. Neen: Rom 6. vs. 23. De besoldinge der sonde
is de doot. Genes. 2. 17. Want ten dage, als ghy daer
van eet, sult ghy den doot sterven,
d V. Was de mensch soo onsterffelick, dat hy niet
sterven konde?
A. Neen.
d V. Was daer dan sterffelickheyt in den men-
sche ?
A. Ja, ten aensien van de wortel ende de verre
ofte eerste beginselen ; maer niet ten aensien van een
naerder of naeste dispositie,
d V. Was daer nootsakelickheyt om te sterven?
A. Neen.
d V. Was hy onsterffelick na de ziele, ofte na het
lichaem ?
A. Na alle beyde.
d V. Is het wel geseyt. De mensch is tot sterven
geschapen ?
A. Neen.
d V. Is het lichaem niet uyt der aerden, ende moet
het niet weder tot aerde worden?
A. Ja.
d V. Was het lichaem onsterffelick van ende door
sijne innerlicke nature, ofte beginselen ende inclinatie
sijner nature?
A. Neen.
d V. Hoe dan?
-ocr page 162-
154                    Van het Evenbeelt Godts.
A. Ten aensien van tle gave ende Previlegie van
Godes evenbeelt, ofte ten aensien van de gave ende
bewaringe Godts.
d V. Was do ziel oock soo door een gave van buyten
onsterffelick , ofte was sy onsterffelick van binnen, dat
is, van, by, ende door hare innerlicke nature, sub-
stantie, of wesen?
A. Op het leste seggen wij, Ja.
d V. Was Adam voor den val sieckten onderwor-
pen?
A. Neen; want de sieckten zijn een vrucht van de
sonde,
d V. Hadde Adam spijse van noode?
A. Ja.
c V. Is het evenbeelt Godts principalick of formeelick
gelegen in de onsterffelickheyt ende geestelieke sub-
stantie der ziele?
A. Neen: want dan soude het evenbeelt Godts in
de verdoemde in de helle zijn: het welck absurd ende
ongerijmt is te seggen.
d V. Is het gelegen principalick in de figure ende
gestaltenisse des lichaems?
A. Neen.
c V. Bestaet het evenbeeldt Godts oock in de heer-
schappije over de creaturen?
A. Ja.
e V. Over alle creaturen?
A. Ja: Genes. 1. 28. Hebbet heerschappije over de
visschen der zee, ende over het gevogelte des hemels,
ende over het gedierte dat op aerden kruypt.
c V. Hoe verre vertoonde haer de heerschappije des
menschen over de creaturen?
A. Dat hy yegelicke soorte van creaturen hare
namen heeft gegeven: Genes. cap. 2. vss. 19, 20.
Ende soo als Adam alle levendige ziele noemen
soude, dat soude sijn naem zijn, &c. ende selfs de
alderwreetste dieren heeft gehadt onder sijne heer-
schappije.
-ocr page 163-
Van het Evenbeelt Godts.                    155
d V. Heeft Adam oock heerschappije over de Enge-
len gehadt?
A. Neen.
c V. Heeft Eva oock heerschappije gehadt over de
creaturen ?
A. Ja: Gen. 1. 28. Ende Godt segende se, ende
seyde tot hen, Weest vruchtbaer, ende menighvuh
diget, ende vervullet de aerde, ende onderwerptse,
ende hebbet heerschappije over de visschen der Zee,
&c. Siet oock vcrss. 26, 27.
c V Was dit een gelijcko heerschappije, die Adam
hadde en die Eva hadde ?
A. Neen; want Adam hadde een heerschappije als
man zijnde, die Eva niet en hadde.
d V. Heeft Eva mede de creaturen namen ge-
geven?
A. Neen; want Adam hadde de creaturen al namen
gegeven, eer Eva uyt sijne ribbe geschapen wiert,
als blijkt Genes. 2 vs 20. Soo hadde Adam genoemt
de namen van al het vee, &c. Maer voor den men-
sche en vondt hy geene hulpe die als tegen hem
over ware.
c V. Waer uyt soudt ghy. verder bewijsen, dat
Godt geen oorsaeck is van des menschen verdor-
ventheyt ?
A. Uyt het eygen eynde van het evenbeelt Godts,
d\'welck Godt in den mensche geschapen heeft.
d V. Welck is dat eynde?
A. Op dat hy Godt sijnen Schepper recht kennen,
hem van herten lief hebben, met hem in de eeuwige
saligheyt loven soude, hem te loven ende te prijsen.
Genes. 2. 17. Want ten dage als ghy daer van eet,
sult ghy den doot sterven. Rom. 10. 5. Want Moses
beschrijft de rechtveerdigheyt die uyt de wet is, seg-
gende: de mensche die dese dingen doet, sal door
deselve leven.
d V. Was de saligheyt absolutelick Adam belooft?
A. Neen.
-ocr page 164-
156                  Van den Val des Menschen.
d V. Was hem die belooft onder conditie, namelick
soo hy volstandigh ware gebleven?
A. Ja.
c V. Geeft dit eynde dat te kennen?
A. Ja.
d V. Magh men seggen, dat Godt don mensche schept
ende maeckt ter verdoem enisse, als tot sijn eygen
eynde ?
A. Neen.
Vrage 7.
Van waer komt dan sulcken verdorven aert des
menschen ?
Antw. Uyt den val ende ongehoorsaemheyt
onser eerster Voorouders, Adams ende Eva in
\'t Paradijs, daer onse nature alsoo is verdorven
geworden, dat wy alle in sonden ontfangen ende
geboren worden.
a V. Aengesien Godt den mensche zoo heerlick ge-
schapen heeft, van waer komt de verdorventheyt, die
in den mensche is?
A. Uyt den val ende ongehoorsaemheyt onser eerster
Voor-ouders, Adam en Eva.
c V. Waer staet de historie van den val?
A. Genes. 3.
c V. Wat noemt ghy den val Adams ende Evae.
A. De eerste sonde van Adam ende Eva begaen.
c V. Waerom wort die sonde eenen Val genoemt?
A. Om dat den mensche door dese sonde is geval-
len uyt de genade Godts.
b V. Waer is desen val geschiet?
A. In het Paradijs, Genes. 3.
a V. Is Godt de oorsaeck van den val des menschen?
A. Neen.
-ocr page 165-
Van den Val des Menschen.                  157
c V. Is de voor-wetenschap Godts de oorsaeck van
den val?
A. Neen.
c V. Is het besluyt Godes van den val toe te laten,
ende ten goede te ordineren; en de regeeringe Godes,
volgens dit besluyt, of de voorsienigheyt Godts de
oorsake van den val ?
A. Neen.
c V. Is Godt de oorsaeck van den val, om dat
hy den mensche niet heeft gegeven die genade,
waer door hy onbeweeghlick staende soude blijven
in het goede; gelijck nu de Engelen ende de Salige
in den Hemel in sulcken onvoranderlicken staet ge-
stelt zijn?
A. Neen.
c V. Is Godt de oorsaeck, om dat hy den val niet
belet heeft?
A. Neen.
e V. Is Godt de oorsaeck, om dat hy den mensche
geschapen, onderhouden ende geregeert heeft?
A. Neen.
o V. Is Godt de oorsake, om dat hy den mensche
hemselven heeft gelaten?
A. Neen.
d V. Heeft hy den val gewilt?
A. Neen , ende Ja, met distinctie: Niet gewilt te
doen of uyt te wercken: maar wel gewilt toe te laten,
dat is, niet te verhinderen of beletten,
d V. Heeft Godt den val besloten?
A. Neen, ende Ja, als voorhenen.
« V. Heeft hy den val geapprobeert ende toegestemt?
A. Neen: maer wel geapprobeert sijne toelatinge.
d V. Heeft hy den val begaen of gewrocht?
A. Neen.
d V. Heeft Godt gewilt, besloten, geapprobeert de
toelatinge van den val?
A. Ja.
c V. Heeft Godt eygentlick den mensche ontroc-
-ocr page 166-
Van den Val des Menschcn.
158
ken die genade, waer mede dat hy konde staende
blijven ?
A. Neen.
d V. Wat heeft Godt dan gedaen?
A. Godt is niet voortgogaen in \'t geven endo mede-
wercken van die genade; soo dat Godt, om rechtte
seggen, niet gegeven heeft die versterckende ende
medewerckende genade, hoedanige hy den uytver-
koren Engelen gegeven hadde.
d V. Heeft Godt den mensehe tot den val genootsaeckt?
A. Neen.
c V. Heeft Godt den mensehe versocht tot den val\'?
A. Neen.
c V. Heeft Godt den mensehe verlaten?
A. Godt heeft den mensehe verlaten, soo ghy het
verlaten noemt, dat hij de versterckende ende mede-
werekende genade den mensehe voor dien tijt niet
gegeven heeft, den mensehe hemselven gelaten.
d V. Maer waerom heeft Godt sulcks gedaen?
A. Om dat hy soo gewilt heeft.
c V. Wie is dan de oorsaeck van den val?
A. De mensehe.
c V. Wekken mensehe, Adam of Eva?
A. Alle beyde.
t V. Is de mensehe de eygene oorsaeck van den val ?
A. Ja.
c V. Is de mensehe vrywilligh gevallen?
A. Ja.
c V. Is hy gantschelick vrywilligh gevallen?
A. Ja.
c V. Is daer eenigh dwingen ofte natuerlicke noot-
sakelickheyt in den val geweest?
A. Neen.
d V. Kan den val niet innerliek endo in sich selven,
of ten aensien van sijne eygene oorsaeck, vrywilligh
geseyt worden, ende evenwel eenighsins nootsakelick
geseyt worden, ten aensien van eenigh uyterlicke
opsicht ?
-ocr page 167-
Van den Val des Menschen
159
A. Ja.
d V. Is daor eenige andere nootsakelickheyt, als de
nootsakelickheyt van de onfeylbaerheyt van Godes
wetenschap, ende onveranderlickheyt van sijn besluyt,
daer mede hy besloten heeft den val toe te laten,
ende ten goede te ordineren?
A. Neen.
d V. Wort soodanige nootsakelickheyt van den val
bewesen uyt Godts woort?
A. Ja: Kom. 11. vs. 32. Want Godt heeftse alle
onder de ongehoorsaemheyt besloten, &c.
c V. Heeft Adam konnen vallen\'?
A. Ja.
c V. Heeft hy oock konnen niet vallen?
A. Ja.
d V. Maer hoe heeft Adam konnen vallen, nadien
hy van Godt geschapen was in volkomen kennisse,
gerechtigheyt, ende heyligheyt?
A. Om dat hy is veranderlick geschapen, soo dat
hy konde vallen.
d V. Wat onderscheyt is \'er dan tusschen den eersten
staet des menschen, ende tusschen de wedergeboorte ?
A. Den staet van den mensche voor den val was
soodanigh, dat hy kost vallen, ja t\'eenemael ver-
vallen : maer den staet van de wedergeboorte is soo-
danigh, dat den mensche wel ten deele vallen kan,
maer niet geheel vervallen.
0 V. Wie was de aenleyder van de sonde?
A. De Duyvel.
c V. Heeft de Duyvel de mensche tot de sonde ge-
dwongen ?
A. Neen.
c V. Was dat in sijne macht?
A. Neen.
D V. Wat heeft de Duyvel dan gedaen?
A. Hy heeft den mensche met quade voorgevingen,
leugenen, ende lasteringen , tegen Godt aengelockt,
ende tot de sonde aengehitst.
-ocr page 168-
160                   Van den Val des Menschen.
c V. Wat instrument ofte wat listen heeft de Duyvel
gebruyckt, om den mensche tot dese sonde te brengen ?
A. De slange.
c V. Waerom gebruyckte hy de slange, ende niet
een ander dier?
A. Om dat de slange listiger was, dan eenigh dier
op den velde. Genes. 3. 1.
b V. Wie heeft de woorden Godts eerst in twijffel
getroeken, ende deselve vervalscht, Eva ofte de Duyvel ?
A. De Duyvel.
c V. Waer in bestont de sonde van onse eerste
Voorouders ?
A. In \'t gemeyn soo is deselve gelegen ge-
weest in ongehoorsaemheyt: maer in \'t besonder
soo schijnt daer geweest te zijn een begeerte van
een hoogere uytnementheyt, te weten, hoovaerdig-
heyt des herten, waer op gevolght is ongeloovig-
heyt.
c V. Waer inne bestont de swaerheyt van de sonde?
A. In groote foute, begaen tegens Godt ende haren
even-naesten.
d V. Hoe tegens Godt?
A. In ongehoorsaemheyt, ende verachtinge van
sijn gebodt.
d V. Hoe tegen haren even-naesten?
A. In hem te berooven van die eeuwige geluck-
saligheyt, ende te brengen in de tijtlicke ende eeuwige
doot.
c V. Wat was het voor een ongehoorsaemheyt, die
onse eerste Voorouders tegens Godt begaen hebben?
A. Dat sy hebben gegeten van de vrucht, daer
van de Heere geseyt hadde, dat sy niet souden eten.
b V. Hoe wort de verboden boom genaemt?
A. De boom der kennisse des goets ende quaets:
Genes 2. 17. Maer van den boom der kennisse des
goets ende des quaets, daer van en sult ghy niet eten.
c V. Waerom wort dien boom soo genaemt?
A. Om dat de mensche door het eten van dien
-ocr page 169-
Van den Val des Menschen.
161
boom, soude bevinden, wat goet hy daer door soude
verliesen, ende in wat quaet hy soude vervallen,
b V. Wat is het voor een vrucht geweest, die op
desen boom wiesch?
A. Dat weet men niet.
b V. Is het niet een appel geweest?
A. Dat is onseker.
c V. Was de vrucht des verboden booms goet?
A. Ja.
d V. Waerom verboodt dan Godt den mensche daer
van te eten?
A. Om dat het hem beliefde den mensche alsoo te
beproeven,
d V. Was het soo groot een quaet van de verboden
vrucht te eten?
A. Ja.
c V. Hoe is het eten van de vrucht onse Voorouders
bekomen?
A. Heel qualick.
c V. Wat heeft het in haer gewrocht?
A. Een onbequaemheyt tot alle geestelick goet,
ende een genegentheyt tot alle quaet.
c V. Hebben sy dan daer na Godts geboden niet meer
konnon houden?
A. Neen; want in onse Voorouders is opgehouden
de continuatie ende onderhoudinge van dat heerlicke
evenbeelt Godts, ende in de nakomelingen de schep-
pinge van het selve.
d V. Is de mensch door den val onderworpen gewor-
den de tijtlicke ende eeuwige straffen?
A. Ja.
d V. Is de mensch door de sonde straffelick ge-
worden ?
A. Ja.
c V. Is de doot een straffe van wegen de sonde van
onse eerste Voorouders?
A. Ja.
d V. Is de mensche door de sonde alleen onder-
11
-ocr page 170-
162                   Van den Val des Mensohen.
worpen geworden de tijtlicke doot, of oock de
eeuwige\'?
A. Oock de eeuwige doot.
d V. Kan dat bewesen worden uyt Genes. 2. 17.
Want ten dage als ghy daer van eet, sult ghy den
doot sterven?
A. Ja.
d V. Wie ontkennen dat?
A. De Socinianen, Remonstranten, &c.
c V. Is de substantie van den mensche door de sonde
verdorven geworden?
A. Neen.
d V. Heeft Adam door den val verloren de krach-
ten, om vroom ende Godtsalighlick voor Godt te
leven ?
A. Ja.
d V. Is de sonde Adams alleen Adam, ofte o»ck alle
sijne nakomelingen sehadelick geweest?
A. Oock alle sijne nakomelingen.
d V. Heeft de sonde Adams daerom alleen de nako-
melingen sehadelick geweest, om dat hy een exempel
heeft gegeven?
A. Neen.
d V. Wie seggen dat?
A. De Pelagianen.
d V. Gaet de sonde Adams ons oock aan?
A. Ja.
b V. Oock alle menschen?
A. Ja.
c V. Wat gaet ons de sonde Adams meer aen, als
de sonde van Noë, die mede onser aller vader is ?
A. Om dat wy in hem sijn gerekent ende begre-
pen geweest, als in een algemeyne wortel ende hooft
van alle participanten in dat eerste ende oude ver-
bont der wereken.
c V. Moeten de kinderen wel de schuit dragen Tan
hare ouders?
A. Neen.
-ocr page 171-
Van den Val des Menschen.                  163
(1 V. Is dit dan oock onse schuit, die \\vy selfs ge-
daen hebben\'?
A. Ja.
c V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Bom. 5. 18. Soo dan gelijck door eene misdaet
de schuit gekomen is over alle menschen tot ver-
doemenisse, &c.
d V. Hoe kan dit onse schuit zijn, nadien wy daer
niet geweest hebben?
A. Wy hebben daer geweest.
d V. Hoe?
A. Oorspronckelick ende moralicken, als in de ge-
meyne wortel, beginsel, ende vcrtoonende hooft van
alle participanten, ende ingerekende in het eerste
verbont der wercken.
d V. Wort ons de sonde Adams dan toegerekent voor
soo veel Adam de persoon gepresenteert heeft van
alle menschen uyt hem voortgekomen?
A. Neen; want dan soude onsen Salighmaker Jesu
Christo deselve oock toegerekent werden, nadien hy
is een nakomelingh Adams , voor soo veel het vleesch
aengaet: Luce 3. vss. 23, 38. Actor. 17. 26. Ende
heeft uyt eenen bloede het gantsche geslachte der
menschen gemaeckt. Actor. 2. 30. Dat hy uyt de
vrucht sijner lenden, soo veel het vleesch aengaet,
den Christum verwecken soude, &c.
d V. Hoe dan?
A. Voor soo veel Adam is geweest de wortel ende
het hooft van de bontgenooten; ende alsoo heeft de
Heere Jesus Christus geensins in Adam geweest,
noch wort in Adam alsoo niet aengemerckt, nadien
hy is geweest sonder sonde: hy heeft oock soo niet
konnen zijn in Adam, nadien hy is geweest den
tweeden Adam: 1. Corinth. 15. vs. 45. De eerste
mensche Adam is geworden tot een levendige ziele:
de laetste Adam tot een levendighmakenden geest.
V. Zijn de kleyne kinderkens oock mede schuldigh
aen de sonde?
-ocr page 172-
164
Van den Val des Menschen.
A. Ja.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat ?
A. Rom. 5. 14. Maer de doot heeft geheerschet
van Adam tot Mosen toe, oock over die gene, die niet
gesondight hadden in de gelijckheyt der overtredinge
Adams.
c V. Waerom stont Adam voor alle menschen, en
waerom wort de sonde Adams alle menschen toege-
rekent ?
A. Om dat het God belieft heeft alle menschen in
Adam te stellen, ende te rekenen, ten aensien van
dat gemeyne verbont der wercken.
d V. Waerom heeft het God alsoo belieft?
A. Om dat het hem alsoo belieft heet.
d V. Soude Godt niet anders hebben konnen willen\'?
A. Ja.
d V. Moet men wel na hooger oorsaeck vragen, als
men Godts wil heeft?
A. Neen.
d V. Kan men wel hooger oorsaeck geven?
A. Neen.
c V. Maer kan Godt met recht ons de sonde Adams
toerekenen ?
A. Ja.
d V. Is dat geen vreemde sake, dat de nakomelin-
gen aen Adams sonden participeren ende deel heb-
ben , die duysenden jaren na hem komen ?
A. Neen.
d V. Wie seggen dat?
A. De oude ende nieuwe Pelagianen.
d V. Hebt ghy wel een gelijckenisse, daor mede ghy
haer kondt overtuygen, dat het niet vreemt is?
A. Ja.
d V. Welcke?
A. Om flat door de gerechtigheyt Christi worden
gerechtveerdight, die honderden, ja duyzenden jaren
voor de komste Christi geweest zijn, ende over hon-
derden of duyzenden jaren na hem komen sullen.
-ocr page 173-
Van den Val des Menschen.                  165
cl V. Als dit dan niet vreemt is, moet het ander dan
wel vreemt zijn?
A. Neen.
d V. Geschiet den nakomelingen Adams geen ongelijck,
dat haer de sonde Adams wordt toegerekent?
A. Neen.
d V. Maer aengesien sy nu met sonden besmet zijn,
konnen sy dan wel anders doen\'?
A. Neen.
(1 V. Indien alleen Eva gesondight hadde, ende niet
Adam, soude dan die sonde voortgeteelt zijn op de
nakomelingen?
A. Het blijckt niet.
\'1 V. "VVaerom wort de sonde door Adam geseyt voort-
geteelt te zijn op de nakomelingen, nadien Eva eerst
gesondight heeft?
A. Om dat Adam is geweest het hooft van het ver-
bont der wercken, ende dat de sonde in hem als
vervult is geweest.
\'1 V. Heeft den val een eynde gehadt?
A. Neen.
<1 V. De sendinge van het beloofde zaet, is die niet
het eyhde van den val?
A. Neen.
d V. Is Adam door den val t\'eenemael ende gant-
Bchelick gevallen uyt Godts genade?
A. Ja.
(\' V. Heeft Adam verkregen vergevinge sijner sonde,
door het zaet der vrouwe?
A. Ja: Genes. 3. 15. Het zaet der vrouwe zal de
slange den kop vertreden.
(\' V. Waerom heeft Godt de menschen hope van ver-
lossinge gedaen, ende niet de Duyvelen?
A. Alleen van wegen sijne vrije barmhertigheyt
ende welbehagen.
0 V. Hoe worden nu de menschen geboren ende ter
werelt gebracht, sondigh ofte sonder sonde ?
A. Sondigh: Psalm 51. 7. Ick ben in ongerechtig-
-ocr page 174-
Van den Val des Menschen.
160
heyt geboren, ende in sonde heeft my mijne moeder
ontfangen.
d V. Waer toe sal ons de kennisse van desen droe-
vigen val dienen?
A. Tot opmerckinge van onso groote sonde ende
overtredinge tegens Godt begaen, als oock om meer
ende meer ons solven voor Godt te vernederen.
AENHANGHSEL.
d V. Den arbeyt is die een straffe van den val?
A. Ja, te weten, dien moeijelicken ende verdrie-
telicken arbeyt: want niet tegonstaende Adam den
hof van Eden bearbeyt soude hebben, soo hy niet
gesondight hadde, soo soude evenwel dien arbeyt hem
niet moeijelick noch verdrietigh zijn gevallen, maer
gantsch lieffelick ende aengenaem.
d V. Is de onderdanigheyt van de vrouwe tegens
den man in sieh selven een straffe ?
A. Neen.
d V. Is de onderdanigheyt met moeijelickheyt, strijt,
quellinge, ende gebreckelickheyt een straffe ?
A. Ja.
d V. Hebben Adam ende Eva voor den val over de
onderdanigheyt getwist ?
A. Neen.
d V. Wie seggen sulcks ?
A. De Joden,
d V. Is de vrouwe gevloden, om dat sy haer niet
wilde onderwerpen ?
A. Neen.
d V. De smelten van het baren, zijn die de vrouwe
tot een straffe opgeleyt ?
A. Ja.
d V. Waerom is Eva gestraft geworden, nadien dat
-ocr page 175-
Van den Val des Menschen.                  167
\'er geseyt wort, datse van de slange is bedrogen
geweest, 2. Corinth. 11. 3.?
A. Om dat het is geweest een vrywillige sonde,
d V. De smerten en ongemacken , die andere crea-
turen lijden , zijn die oock vruchten van de sonde
des menschen ?
A. Ja.
d V. Waar uyt blijckt dat ?
A. Genes. 3. 17. Soo zy het aertrijck om uwent
wille vervloeckt. Rom. 8. 22. Want wy weten , dat
het gantsche, schepsel t\'samen sucht ende t\'samen
als in barens noot is tot nu toe.
d V. Waerom voelen de onredelicke creaturen vruch-
ten van de zonde ?
A. Om den mensche.
d V. Heeft Godt den vloeck over de aerde uytgespro-
ken, ende over de onredelicke creaturen, op dat sy
in haer selven souden gevoelen de vruchten van de
sonde ?
A. Neen.
d V. Waerom dan ?
A. Om dat den mensche daer uyt soude leeren
ende gevoelen sijne sonden, die hy gedaen hadde.
o V. Is de slange oock een straffe opgeleyt?
A. Ja : Genes. 3. 14. Doe seyde de Heere Godt tot
die slange: Dewijle ghy dit gedaen hebt, soo zijt
ghy vervloeckt boven alle het vee, ende boven alle
het gedierte des velts; op uwen buyck sult ghy
gaen, ende stof sult ghy eten alle de dagen uwes
levens,
d V. Is de Duyvel oock een straffe opgeleyt?
A. Ja.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat ?
A. Uyt die straffe, die de Heere opgeleyt heeft de
slange, welcke straffe lichamelicker wijse raeckt de
slange, ende geestelicker wijse den Duyvel, ende
insonderheyt uyt die woorden, lek sal vijantschap set-
ten tusschen u ende dese vrouwe, ende tusschen uwen
-ocr page 176-
168                   Van de Groothoyt des Vals.
zade ende haren zade, dat selve sal u den kop ver-
morselen, ende ghy sult het de verssenen vermor-
selen, Genes. 3. 15.
Vrage 8.
Maer zijn wy alaoo verdorven, dat wy gant-
achelick onbequaem zijn tot eenigen goede, ende
geneyght tot allen quade?
Antw. Ja wy: \'t En zy dan dat wy door den
Geests Godts wedergeboren werden.
c V. Hoe verre is de mensche bedorven geworden
door de sonde \'?
A. Dat hij is geneyght tot alle quaet, ende onnut
tot eenigh geestelick goet.
c V. Is de mensche t\'eenemael door de sonde soo
verdorven, dat hy de redelickheyt ende de edele
nature des menschen soude verloren hebben *?
A. Neen.
d V. Is de substantie van den mensche bedorven ge-
worden ?
A. Neen.
d V. Heeft de mensche geheel ende al het evenbeelt
Godts verloren, of heeft hy noch eenige vonckskens
van hetselve over behouden"?
A. Hij heeft noch eenige over behoudend
d V. Heeft de mensche door de sonde verloren het
verstant, wille, ofte de eerste ende natuerlicke eygen-
schappen ofte vermogens derselver?
A. Neen.
d V. Is de natuerlicke vrymatigheyt ofte vrywillig"
heyt van \'s menschen wil verloren ?
A. Neen.
c V. Heeft de mensche dan geenen vryen wil ?
A. Ja.
-ocr page 177-
Van de Grootheyt des Vals.                  169
(1 V. Heeft de mensche eenen vrijen wil, om quaet
te doen\'?
A. Ja.
c V. Heeft hy oock eenen vrijen wil, om goet te
doen?
A. Ja.
c V. Wat goet?
A. Borgerlick goet.
il V. Maer heeft de mensche oock eenen vrijen wil
tot geestelick goet ?
A. Neen.
d V. Heeft de mensche na den val soo veel krachten over
behouden, dat hy sijne eygen saligheyt souden kon-
nen wereken, wanneer hy die krachten maer in \'t
werck wilde stellen ?
A. Neen: Joh. 15. 5. Want sonder my en kondt
ghy niet doen. 2. Corinth. 3. 5. Niet dat wy van ons
selven bequaem zijn yet te dencken, als uyt ons sel-
ven : maer alle onse bequaemheyt is uyt Godt. Ephes.
cap. 2. vs. 5. Oock doe wy doot waren door de mis-
daden, &c.
d V. Kan een mensche door ende uyt de kracht van
sijne nature Godt liefhebben ende gehoorsamen ?
A. Neen.
c V. Kan een mensche in den staet der sonde, son-
der de besondere hulp ende bystant des H. Geests,
verstaen de Goddelicke ende Hemelsche verborgent-
heden ?
A Neen.
\'\' V. Kan hy uyt kracht van sijn nature Godts woort
ter saligheyt aenhooren ende verstaen?
A. Neen; als blijckt 1. Corinth. 1. vss. 23, 24.
Doch wy prediken Christum den gekruycighden, den
Joden wel een ergernisse, ende den Griecken
eene dwaesheyt, &c. ende 2. 14. Maer de natuer-
licke mensche en begrijpt niet de dingen die des
Geests Godts zijn, &c. Deut. 29. 4. Rom. 1. 16. ende
10. 4.
-ocr page 178-
170                  Van do Groothoyt des Vals
d V. Kan oen mensche in den staet der sonde, son-
der de besondere bystant cnde hulpe des Heyligen
Geests, uyt kracht van sijn nature de bevelen Godts
gehoorsamen ?
A. Neen.
d V. Kan hy de leere des Wets volkomelick ver-
staen *?
A. Neen.
d V. Kan hy in Christum gelooven\'?
A. Neen.
c V. Kan hy sijn eygen herte reynigen?
A. Neen.
c V. Kan hy sich bekeeren?
A. Neen.
c - V. Kan hy sich selven los maken van de dienst-
baerheyt der sonde?
A. Neen.
c V. Kan hij bidden, alsoo het behoort?
A. Neen.
c V. Kan hy wel een goede gedachte hebben van
hemselven ?
A. Neen.
d V. Maer heeft de natuerlicke mensch gantsch geen
dispositie ende bequaemheyt tot het geestelick
goet ?
A. Neen.
d V. Waer uyt soudt ghy bewijsen, dat de mensche
van hemselven gantsch geon vrijen wil heeft tot het
boven-natuerlick goet?
A. Genes. 6. 5. Ende al het gedichtsel der gedach-
ten sijnes horton t\'allen dage alleonlick boos was.
ende 8. 21. Want het gedichtsel van \'s menschen
herte is boos van sijner jeught aen. Rom. 5. vs. 6
Want Christus als wy noch krachteloos waren, is
te sijner tijt. voor de goddeloosen .gestorven. 2 Corinth.
3. vs. 5. Niet dat wy van ons selven bequaem zijn
yet te deneken, maer onsc bequaemheyt is uyt Godt.
Ephes. 2. 1. Ende heeft u levendigh gemaeckt, daer
-ocr page 179-
Van de Grootheyt des Vals.                  171
ghy doot waert door de misdaden ende de sonden.
vs. 3. Wy waren van naturen kinderen des toorns,
gelijck oock de andere,
d V. Wie zijn die gene, die den natuerlicken mensche
eenen vrijen wil toeschrijven in \'t geestelieke ?
A. Papisten, Remonstranten, Monnoniten, &c.
d V. Hoe worden de menschen geseyt doot te zijn
in sonden ende misdaden?
A. Dat is, datse zijn sonder eenigh leven ende
beweginge in geestelieke saken.
c V. De mensche dan, als hy eenigh geestelick goet
doet, van wien heeft hy dat, van hemselven ofte
van Godt?
A. Van Godt: Onse bequaemheyt is uyt Godt. 2.
Corinth. 3. 5. Alle goede gave, ende allo volmaeckte
gifte, is van boven van den Vader der lichten af-
komende. Jac. 1. 17.
a V. Als de mensche quaet doet, van wien heeft
hy dat?
A. Van sich selven.
b V. Is hy dan van sich selven niet even bequaem,
om het goet te willen, als het quaet.
A. Neen.
o V. Hoe komt .het dan, #dat\'er soo vele godtsalige
luyden gevonden worden, die soo veel goets doen?
A. Dat hebben sy van den Geest Godts.
V. Hebben de onherborene oock desen Geest Godts?
A. Neon.
\'1 V. Nochtans siet men , dat een Heyden, een Turk,
een Jode, goet doen, haer huysgesinnen versorgen ,
haer Vaderlant voorstaen, aelmoessen geven, &c.
A. Dat is een burgerlick goet.
V. Van wat goet wordt hier gesproken?
A. Van oen geestelick goot, ende dat de eeuwige
saligheyt aenkleeft.
" V. Heeft een onherboren mensche sijnen wil soo
vrij, dat hy in dit borgerlick goet sonder eenigh ge-
brock of quetsinge is?
-ocr page 180-
172                  Van de Grootheyt des Vals.
A. Neen.
d V. Zijn dan de beste wercken, die een onherboren
mensen doet, quade ofte goede wercken?
A. Quade wercken, ende goede werken, met dis-
tinctie.
d V. Hoe zijn het quade wercken\'?
A. Niet ten aensien van de materie ofte het werek
selfs, maer ten aensien van de forme ende maniere;
om datse niet geschieden op soodanige wijse, als
Godt belast heeft, namelick, uyt den geloove, ende
ter eeren Godts; en wat uyt den geloove niet en is,
dat is sonde. Rom. 14. 24.
d V. Zijn dan de Heydenen door hare goede wercken
saligh geworden?
A. Neen.
d V. Wie seggen sulcks?
A. De Pelagianen.
V. Kan de vrijen wille des menschen een knech-
telicken ende dienstbaren wille geseyt worden?
A. Ja.
c V. In wat respect ende opsicht?
A. Ten aensien van den staet der sonde,
d V. Soude men dan mogen seggen, dat een onher-
boren mensche een slave ende dienstknecht is van
de sonde ?
A. Ja: Joh. 8. 34. Een yegelick, die de sonde doet,
is een dienstknecht der sonde.
d V. Kan hy wel anders doen, dan sondigen?
A. Neen.
d V. Sondight hy oock vrywilligh, en wil hy vry-
willigh het quaet?
A. Ja.
d V. Haet hy Godt?
A. Ja.
d V. Hoe, als het opperste goet?
A. Neen.
d V. Hoe dan ?
A. Als een rechtveerdigh Richter.
-ocr page 181-
Van de Grootheyt des Vals.                  178
d V. Maer hoe langh blijft de mensche soo bedorven,
soo dat hy onbequaem is tot alle geestelick goet,
ende geneyght tot alle quaet?
A. Tot dat hy door den Geest Godts wedergeboren
wert. Joh. 3. vs. 5. Soo yemant niet geboren wert
uyt water ende geest, hy en kan in het Koninckrijcke
Godts niet ingaen.
d V. Wat is de wedergeboorte?
A. Een wederoprechtingo ofte opweckinge uyt den
doot der sonde tot het leven der genade, door een
besonder werek des Heyligen Geests.
d V. Op hoe veelderley wijse ende maniere kan de
wedergeboorte geconsidereert ende aengemerkt werden?
A. Op tweederley wijse ende maniere,
d V. Welck is die tweederley wijse ende maniere?
A. De wedergeboorte kan aengemerekt werden , 1.
voor soo veel die alleen begrijpt het beginsel ende
het zaet, waer uyt dat daer na alle andere genaden
komen te ontstaen; ende dit wert genoemt de eerste
wedergeboorte. 2. Voor soo veel deselve begrijpt alle
het gene wy bekomen door Christum, dat is, het
gantsche werek van onse verlossinge; ende dit wort
genoemt de tweede wedergeboorte,
d V. Is de wedergeboorte nootsakelick ter saligheyt?
A. Ja.
c V. Kan dan een mensche niet saligh worden, die
niet wedergeboren is?
A. Neen.
d V. Bewijst dat?
A. Joh. 3. 3. \'t En zy dat yemant wederom geboren
worde, hy kan \'t Koninckrijcke Godts niet sien. 1.
Corinth. 15. 50. Doch dit segge ick, broeders, dat
vleesch ende bloet het Koninckrijcke Godts niet be-
erven konnen.
d V. Heeft dan de mensche hem tot de genade der
wedergeboorte als een beest, of als een stock ende
block ?
A. Neen.
-ocr page 182-
174                   Van de Grootheyt des Vals.
d V. Wie geven ons na, dat wy sulcks seggen?
A. De huydendaeghsche Pelagianen.
,1 V. Hoe heeft de mensche sich in het eerste begin-
sel der wedergeboorte?
A. T\'eenemael passive ofte lijdelick, sonder eenige
actie, beweginge, ofte werckinge. 1. Corinth. 2. 14.
Maer de natuerlicke mensche en begrijpt niet de din-
gen die des Geestes Godts zijn, &c. Ezech. 30. 26.
Ende ick sal u een nieuw herte geven, ende sal eenen
nieuwen geest geven in\'t binnenste van u, &c. Ephes.
2. 1. Ende u heeft hy mede levendigh gemaeckt daer
ghy doot waert door de misdaden ende sonden.
d V. Hoe in \'t tweede beginsel der wedergeboorte?
A. Medo-werckende.
d V. Gaet in het eerste beginsel der wedergeboorte
het willen des menschen voor de genade, ofte gaet
de genade voor het willen des menschen?
A. De genade gaet voor het willen des menschen.
d V, Gaet de genade ende liet willen des menschen
alhier te samen?
A. Neen ; want de mensch heeft hem alhier gantsch
lijdelick.
d V. Gaet de genade ende het willen des menschen
in het tweede beginsel der wedergeboorte te samen?
A. Ja.
d V. Zijnder eenige goede dispositien in den onher-
boren mensch, waer door de Heere bewogen wert,
om hem te wederbaren?
A. Neen; als blijckt uyt Genes. 6. 5. Ende al het
gedichtsel der gedachten sijns herten t\'allen dage
alleenlick boos was: en 8. 21. Want hot gedichtsel
van \'s menschen herte is boos van sijnder jeught aen.
Jerem. 13. 23. Matth. .7. vs. 18. Rom. 8. 5-, 6, 7.
Ephes. 2. 1, 2, 3, 4. Coloss. 2. 13.
d V. Wie drijven sulcks?
A. De oude ende huydendaegsche Pelagianen,
d V. Werckt de genade wederstandelick, ofte onweder-
standelick ?
-ocr page 183-
Van de Grootheyt des Vals.                  175
A. Onwederstandelick.
,1 V. Hoe onwederstandelick\'?
A. Datse krachtelick werokt ende onverwinne-
lick.
,1 V. Bewijst dat?
A. Ezeeh. 36. 26, 27. Ende ick sal u een nieuw
herte geven, ende sal eenen nieuwen geest ingeven
in \'t binnenste van u, &c. Ende ick sal maeken dat
ghy in mijne insettingen sult wandelen, ende mijne
rechten sult bewaren ende doen. Jerem. 32. 39. Ephes.
1. vs. 11. en 2. 5.
c V. Wie ontkennen dit?
A. De Pelagianen , Papisten , Remonstranten, Men-
noniten, &c.
d V. "Wat bewijs brengen sy onder andere by"?
A. Actor. 7. 51. Ghy hartneckige ende onbesnedene
van herten ende ooren, ghy wederstaet altijt den
Heyligen Geest, &c.
d V. Wat soudt ghy daer op antwoorden*?
A. Stephanus en spreekt hier niet van den Heyligen
Geest, inwendigh werckende in de herten der Joden;
maer van den geest, die door de Proprieten hadde
gesproken, ende oock door hem sprack; als te sien
is Actor. 6. 10. Ende sy en konden niet wederstaen
de wijsheyt ende den geest, door welcken hy sprack.
Zach. 7. 12. En dat de Geest, sprekende door den
mont van de Dienaers, kan wederstaen werden, en
wort van ons niet ontkent: doch daer over is de
questio niet.
" V. Is het wel soo groot een werck den mensche
te herscheppen, als eerst uyt niet te scheppen ?
A. Ja, noch grooter werck.
V. Is de wedergeboorte in desen leven volmaeckt?
A. Neen: 1. Corinth. 13. 9. Want wy kennen ten
deele, ende wy propheteeren ten deele.
" V. Waer salse volmaeckt zijn ?
A. In den Hemel : 1. Corinth. 13. 10, 12. Doch
wanneer het volmaeckte sal gekomen zijn, <&c. vers.
-ocr page 184-
176                  Van de Groothoyt dos Vals.
12. Maer als dan sullen wy sien van aengesichte
tot aengesichte, &e.
d V. Waer toe moet u dese leere dienen, dat ghy
weet van naturen soo seer verdorven zijnde, niet
dan door de hernieuwinge des Geests daer tegen
kondt geholpen worden ?
A. Om my selven te verloochenen ende te versa-
ken , als oock om den Heere aen te roepen om do
genade sijns H. Geests.
AENHANGHSEL.
d V. Hoe heeft Adam voor den val een vrijen wil
gehadt ?
A. Dat hy koste sondigen ende niet sondigen.
d V. Hoe heeft de mensche eenen vrijen wil in den
staet der verdorventheyt, ofte der sonde ?
A. Alleen tot quaet.
d V. Hoe hebben de herborene ende geloovige eenen
vrijen wil ?
A. Met sonden besmet: Rom. 7. vs. 21. Soo vinde
ick dan dese Wet in my, als ick het goet wil doen,
dat my het quaet bylight. vers. 19. Het goet, dat
ick wil, en doe ick niet: maer het quaet, dat ick niet
en wil, dat doe ick.
d V. Hoe hebben de verheerlickte eenen vrijen wil ?
A. Geheel vry van het quaet, alsoo datse niet
konnen sondigen.
SONDAGH IV. Vrage 9, 10, 11.
Vrage 9.
Doet dan Godt den mensche geen onrecht, dat
hy in aijne wet van hem eyachet, dat hy niet
doen en kan?
-ocr page 185-
Van de Grootheyt des Vals.                  177
Antvv. Neen hy: want Godt heeft den mensche
alsoo geschapen dat hy dat konde doen, maer de
mensche heeft hemselven, ende alle sijne na-
komelingen, door \'t ingeven des Duyvels, ende
door moetwillige ongehoorsaemheyt, der selver
gaven berooft.
d V. Hoe wort desen Zondagh afgedeelt ?
A. In twee deelen.
(1 V. Welck zijn die twee deelen ?
A. Een beantwoordinge op de tegenwerpinge tegen
de voorgaende leere. Vrage 9. 2. De beschrijvinge van
het tweede deel van des menschen ellende, namelick,
de straffe door de sonde verdient, Vrage 10, 11.
a V. Gebiedt Godt aen alle menschen, datse sijn gebo-
den sullen onderhouden.
A. Ja.
a V. Konnense dat wel doen ?
A. Neen.
b V. Is dat dan recht, dat Godt eyscht van den
mensch, dat hij niet doen en kan ?
A. Ja.
c V. Maer of Godt eyschte van den mensche, dat hy
na den hemel soude vliegen, en dat en kan de men»
sche niet doen, soude hy nochtans met recht het
selve eyschen ?
A. Neen.
(1 V. Soo hy dit niet eyschen magh, waarom oock niet
het ander?
A. Om dat daer een groot onderscheyt is tusschen
dit eyschen, ende tusschen het ander.
" V. Welck is dat onderscheyt?
A. Omdat het absolutelick ende simpelick den men-
sehe onmogelick is na den hemel te vliegen, ende
het andere niet.
(\' V. Is dan het onderhouden van de Wet niet sim»
pelick onmogelick?
12
-ocr page 186-
178                  Van de Grootheyt des Vals.
A. Neen.
d V. Heeft\'er dan oyt tijt geweest, dat de mensch
de Wet heeft konnen onderhouden ?
A. Ja.
d V. Wanneer ?
A Voor den val.
d V. Magh dan de Heere wel eyschen, daer niet
en is ?
A. Ja.
d V. Dat den mensche onmogelick is, en kan Godt
niet eyschen: maer de Wet te volbrengen, is den
mensche onmogelick ; ergo ?
A. Dat volght niet; want het heeft den mensche
mogelick geweest,
d V. Is Godt daerom versteken van sijn recht, om
dat den mensche den eysch Godts niet kan na-
komen?
A. Neen.
d V. Verklaert dit een weynigh naerder met een ge-
lijckenisse ?
A. Een Schultheere en verliest daerom sijn recht
niet, om rechtveerdighlick de schuit te mogen eyschen
van den schuldenaer, al is \'t dat hij door sijne eygen
schuit in armoede is geraeckt, hebbende sijn goet
onnuttelick doorgebracht, soo dat het hem onmogelick
is de schuit te betalen,
d V. Doet oock een Heer sijn knecht wel ongelijck, wan-
neer hy van hem eyscht, dat hy aan de tafel sal
staen, om hem te dienen, niet tegenstaende dat het
den knecht onmogelick is op sijne voeten te staen,
bobbende de onmogelickheyt door sijne dronckenschaj\'
over. den hals gehaelt?
A. Neen.
d V. Dat het nu den mensche onmogelick is de Wet
te onderhouden, wiens schuit is dat, Godts schuit,
ofte des menschen schuit?
A. Des menschen eygen schuit; gelijck aengewesen
is op de 6. ende 7. Vrage.
-ocr page 187-
Van de Grootheyt des Vals.                  179
d V. Kan dan de Heere van onrechtveerdigheyt niet
beschuldight worden, wanneer hy van den mensche
eyscht, dat hy niet doen en kan ?
A. Neen.
d V. Kan hy oock van onwijsheyt beschuldight wor-
den, wanneer hy eyscht het gene hy te voren weet,
dat niet sal volgen?
A. Neen.
d V. Wie zijnse die daer drijven, dat, by aldien de
mensche van hemselven geen krachten heeft, om de
Wet Godts te onderhouden, dat Godt dan met recht
de onderhoudinge der Wet van den mensche niet kan
eyschen, ja dat Godt sulcks eyschende den mensche
onrecht soude doen?
A. Papisten, Kemonstranten, Mennoniten, &c.
d V. Waer uyt soudt ghy bewijsen, dat de Heere van
onrechtveerdigheyt ende van onwijsheyt niet kan be-
schuldight worden, wanneer hy van den mensche
eyscht, dat hy niet doen en kan, ofte te voren weet,
dat niet en sal volgen?
A. Exod. 7. 2, 3, 4. Ghy sult spreken alles wat
ick u gebieden sal, ende Aaron u broeder sal tot
Pharao spreken, dat hy de kinderen Israöls uyt sijnen
lande trecken late. vs. 2. Doch ick sal Pharaos harte
verharden, ende ick sal mijne teeckenen ende won-
derheden in Egyptenlande vermenighvuldigen. vs. 3.
Pharao nu en sal ulieden niet hooren, ende ick sal
mijne hant aen Egypten leggen, ende voeren mijne
heyren, mijn volck de kinderen Israëls uyt Egypten-
lant, door groote gerichten. Ezech. 2. 4, 5, 6. Ende
dese kinderen zijn hardt van aengesichte, ende stijf
van herten: ick sende u tot hen, ende ghy sult tot
hen seggen: Soo seyt de Heere, Heere, Ende sy, het
zy datse \'t hooren sullen, ofte het zy datse \'t laten
sullen (want sy zijn een wederspannigh huys) soo
sullen sy weten, dat een Propheet in het midden van
hen geweest is, &c. Rom. 3. 5. Indien nu onsé on-
gerechtigheyt, Godts gerechtigheyt bevestight, wat
-ocr page 188-
180                  Van de Grootheyt des Vals.
sullen wy seggen? Is Godt onrechtveerdigh, als hy
toorne over ons brenght? (ick spreke na den men-
sche.) Dat zy verre,
d V. Maer is het niet te vergeefs, dat de Heere sulcks
van den mensche eyscht?
A. Neen.
d V. Wort de Heere in \'t eyschen van de gehoor-
saemheyt der Wet niet gefrustreert van sijn ooge-
merck en eynde?
A. Neen.
d V. Soude dan den eysch Godts noch een ander
eynde, als gehoorsaemheyt konnen hebben?
A. Ja.
d V. Welcke?
A. Den mensche te brengen tot kennisse ende over-
tuyginge van sijne onmacht ende verdorven natuer;
want door de Wet is de kennisse der sonde: Rom.
3. 20.
d V. Welck is het eynde ten aensien van de geloo-
vigen?
A. In haer te brengen niet alleen een overtuyginge
tot vernederinge , maer oock nieuwe gehoorsaemheyt;
want de Wet leert, wat Godt voor de weldaet der
verlossinge eyscht.
d V. Welck is het ten aensien van de goddeloosen
ende ongeloovigen ?
A. Datse niet sullen hebben tot haerder veront-
schuldinge; maer datse sullen weten, dat een Propheet
onder haer geweest is; Ezech. 2. vs. 4. ende dienvoh
gens hare verdoemenisse rechtveerdigh zy: Rom. 1
20. Op datse niet te verontschuldigen en souden
zijn.
d V. Bekomt de Heere altijt een van beyde dese
eynden, wanneer hy in de Wet sulcks eyscht?
A. Ja.
c V. Maer hoe komt dat, nademael de mensch de
Wet heeft konnen volbrengen, dat hy dat verloren
heeft?
-ocr page 189-
Van de Straffe.
181
A. Door sijn eygene vrywillige ende moetwillige
ongehoorsaemheyt: gelijck dit in \'t lanck ende breede
is aengewesen op de 6. ende 7. Vrage.
Vrage 10.
Wil Godt sulcke ongehoorsaemheyt ende afval
ongestraft laten?
Antw. Neen hy geensins: maer hy vertoornt
hem schrickelick, beyde over de aengeborene ende
werckelicke sonden, ende wil die door een recht-
veerdigh oordeel, tijdelick ende eeuwighlick straf-
fen , alsoo hy gesproken heeft: Vervloeckt zy een
yegelick die niet en blijft in al dat\'er geschreven
is in den boeck des Wets dat hy dat doe.
a V. Wil Godt de sonde straffen?
A Ja
a V. Wil Godt niet een sonde ongestraft laten?
A. Neen.
c V. Hoe vergeeft hy ons dan alle sonden?
A. Om Christi wille.
" V. Die maer een sonde doet, is die schuldigh aen
den vloek des Wets?
A. Ja.
" V. Werckt alle sonde Godts toorne?
A. Ja.
c V. Is er eygentlick toorne in Godt?
A. Neen.
c V. Wat beduyt Godts toorn?
A. Een afkeer van de sonde, en een wil ende ge-
negentheyt om deselve te straffen.
c V. Hoe wertse hem toegeschreven?
A. Menschelicker wijse, of door gelijekenisse.
-ocr page 190-
Van de Straffe.
182
d V. Wat is Godts toorne tegen de sonde der ver-
worpenen ?
A. Een wil, genegentheyt, ende voornemen om
deselve te straffen met de tijtlicke ende eeuwige doot
ende vcrdoemenisse.
d V. Wat is Godts toorne tegen de sonde der ge-
loovigen ?
A. Een haet ende afkeer van deselve.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat Godt hem over de
sonden vertoornt?
A. Psalm 5. vs. 6. Ghy haet alle werckers der
ongerechtigheyt. Eom. 1. vs. 18. Want de toorne
Godts wort geopenbaert van den hemel over alle
goddeloosheyt ende ongerechtigheyt der menschen,
als die de waerheyt in ongerechtigheyt t\'onderhouden.
ende cap. 2. vs. 8. Maer den genen, die twistgierigh
zijn, ende die der waerheyt ongehoorsaem, doch der
ongerechtigheyt gehoorsaem zijn, sal verbolgentheyt
ende toorne vergolden worden, vs. 9. Verdruckinge
ende benauwtheyt over alle zielen des menschen,
die het quaet werckt.
b V. Hoe vertoornt hem Godt?
A. Schrickelick.
c V. Waer staet dat?
A. Psalm 76. 8. Vreesselick zijt ghy, ende wie
sal voor u aengesichte bestaen, van den tijt uwes
toorns af. Deuter. 4. vs. 24. Want de Heere uwe
Godt die is een verteerende vyer, een yverigh Godt.
Hebr. 10. vs. 31. Vreesselick is het te vallen in de
handen des levendigen Godts. ende cap. 12. vs. 29.
Want onse Godt is een verteerende vyer.
c V. Waer over vertoornt hem Godt soo schrickelick?
A. Over de sonden van de menschen.
b V. Over wat sonde, aengeborene ofte wercke»
licke ?
A. Over alle beyde.
d V. Wat is aengeborene sonde ?
A. De inwendige verdorvenheyt, waer door yemant
-ocr page 191-
Van de Straffe.
183
geneyght is tot alle quaet, ende onnut tot eenigh
geestelick goet.
e V. Bestaet dese sonde in gedachten, woorden, of
wercken ?
A. Neen: maer in een inklevende of inblijvende
quaede dispositie,
d V. Wat is de werckelicke sonde?
A. Wanneer een menscho doet \'t gene de Heere
verbiedt, ende wanneer hy laet het gene de Heere
gebiedt,
d V. Hoe veelderley is de werckende sonde\'?
A. Menigerley. Siet eenige bysondere speciën van
de werckelicke sonde in de verklaringe over de 8.
Vrage.
b V. Zijn alle sonden doot-sonden?
A. Ja.
b V. Zijnder dan geene veniale ofte vergeeffelicke
sonden ?
A. Neen.
b V. Wie seggen dat\'er vergeeffelicke sonden zijn?
A. De Papisten.
b V. Der geloovigen sonden zijn die vergeeflick ?
A. Ja.
c V. Hoe, zijn die vergeeflick in haer selven?
A. Neen.
e V. Hoe dan?
A. In Christo, door Godts barmhertigheyt.
* V. Soude de minste sonde, in haer selven aenge-
merckt zijnde, de eeuwige doot ende verdoemenisse
verdienen ?
A. Ja.
b V. Maer zijn alle sonden even swaer?
A. Neen.
" V. Sal een mensehe dan swaerder gestraft worden
die grooter sondo heeft begaen, als die gene, die
mindere sonde heeft begaen?
A. Ja.
» V. Bewijst dat eens?
-ocr page 192-
184                             Van de Straffe.
A. Luce 12. 47. Endo die dienstknecht, welcke
geweten hoeft den wille sijns Heeren, endc sich niet
bereyt noch na sijnen wille gedaen heeft, die sal
met vele slagen geslagen worden, vs. 48. Maer die
deselve niet geweten heeft, ende gedaen heeft din-
gen, die slagen weerdigh zijn, die sal met weynige
slagen geslagen worden,
c V. Zijn alle menschen verdoemelick?
A. Ja.
c V. Selfs oock de kleyne kinderkens?
A. Ja.
d V. De kinderen der ongeloovigen stervende in hare
kintsheyt, zijn die alle verdoemt of saligh ?
A. Dat laten wy staen, ende bevelen het Godt de
Heere.
d V. Soude yemant vastelick behoeven te seggen,
datse verdoemt zijn\'?
A. Neen: maer wel, datse verdoemelick zijn.
d V. Soude yemant vastelick konnen seggen, datse
saligh zijn?
A. Gantschelick niet.
d V. Wat onderscheyt is \'er tusschen dootlicke sonden,
ende sonden tot der doot?
A. Alle sonden zijn dootlicke sonde, maer niet een
sonde tot der doot.
d V. Wat noemt ghy een sonde tot der doot?
A. De sonde in den H. Geest,
d V. Waer staet die sonde beschreven?
A. Matth. 12. 31. Daerom segge ick u, alle sonde
ende lasteringe sal den monsche vergeven worden;
maer de lasteringe tegen den H. Geest en sal den
mensche niet vergeven worden.
d V. Wat is de sonde in den H. Geest?
A. Een verwerpinge ende verloocheninge van het
bekende geloove ende waerheyt, uyt enckele verach-
tinge voortkomende, endo dat tot den eyndo des levens
sonder eenige boetveerdighoyt durende. Siet van dese
sonde breoder in de verklaringe over de 3. Vrage.
-ocr page 193-
Van de Strafte.
185
d V. "Waerom wordt dese sonde genoemt een sonde
tot der doot?
A. Oni dat soodanige sonde nimmermeer vergeven
wort: Mattli. 12. vs. 32. Maer soo wie tegen den
Heyligen Geest sal gesproken hebben , het en sal hem
niet vergeven worden, noch in dese eeuwe, noch in
de toekomende, ende onmogelick is van deselve zich
te bekeeren. Hebr. 6. 6.
d V. Soo yemant in die sonde quam te vallen, soude
Godt die wel om Christi wille vergeven?
A. Neen.
c V. Sal Christus de sijne daer voor bewaren ?
A. Ja.
c V. Kan yemant hem van die sonde bekeeren?
A. Neen.
d V. Magh men wel voor die gene bidden, die dese
sonde begaen hebben?
A. Neen.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. 1. Joh. 5. 16. Voor deselve sonde segge ick niet
dat hy sal bidden,
d V. Magh men wel licht van yemant dencken, dat
hy gesondight heeft in den H. Geest.
A. Neen.
A V. Hoe soudt ghy yemant troosten, die mocht in
aenveehtinge ende vreese zijn van dese sonde begaen
te hebben?
A. Soo hy niet sonder droefheyt, leetwesen, ende
vernederinge over de sonde is.
«1 V. Waer staet dat?
A. Hebr. 6. vss. 6, 9, 10. Ende afvalligh worden,
die, segge ick, wederom te vernieuwen tot bekeeringe:
als w elcke haer selven den Sone Godts wederom kruyt-
\'igen, ende opentlick te schande maken. vs. 9. Maer
geliefde, wy versekeren ons van u betere dingen, &e.
0 V. De straffe , daer mede de Heere soo aengeborene ,
als werckelicke sonden straffen wil, hoedanigh een
ttraffe is dat?
-ocr page 194-
Van de Straffe.
186
A. Een rechtveerdige straffe.
c V. Straft Godt dan niemant onrechtveerdighlick ?
A. Neen.
c V. Kan hy dat wel doen?
A- Neen.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat ?
A. Genes. 18. vs. 25. Soude de Richter der gant-
scher aerde geen recht doen?
b "V. Hoe verre gaet dese straffe Godts, over lichaem
ofte over ziele?
A. Over alle beyde.
c V. Welck is de straffe Godts, die het lichaem treft?
A. Honger, armoede, arbeyt, pijne, sieckten, mis-
maecktheyt, ende diergelijcke.
c V. Welck is de straffe, die de ziele treft?
A. Sotheyt, raserije, ongeduldigheyt, droeffenisse,
versoeckinge , ende diergelijcke.
b V. Hoe groot is desc straffe Godts?
A. Hier tijtlick. ende hier namaels eeuwighlick.
d V. Bewijst, dat Godt de sonde hier tijtlick straf-
fen wil ?
A. Deut. 28. 15, 16, 17. Daer en tegen het sal
geschieden, indien ghy de stemme des Heeren uwes
Godts niet sult gehoorsaem zijn, &c. soo sullen alle
dese vloecken over u komen ende u treffen. Vervloeckt
sult ghy zijn in de stadt, ende vervloeckt sult ghy
zijn in \'t velt, vervloeckt sal zijn uwen korf ende
uwen back-trogh.
d V. Bewijst, dat Godt de sonde oock hier namaels
eeuwighlick straffen wil ?
A. Matth. 25. 41. Dan sal hy seggen tot de gene,
die ter slinckorhant zijn: Gaet wech van my ghy
vervloeckte in \'t eeuwige vyer, \'t welck den duyvel
ende sijne Engelen bereyt is. Siet oock Mare. cap. »•
vss. 47, 48. 2 Thess. cap. 1. vss. 8, 9. Matth. 10.
vs. 28.
d V Wat noemt ghy tijtlicke straffen ?
A. Alle die wederweerdigheden, die een mensche
-ocr page 195-
Van de Straffe.
187
in desen leven overkomen, soo na lichaem als na ziele,
cl V. Wat noemt ghy eeuwige straffen?
A. Die straffen, die den mensche treffen na dit
leven in de helle.
.1 V. Waer in bestaen die straffen?
A. In verschoven te zijn van Godts aengesichte,
ende in het dragen van den toorn Godts, tegen de
sonde ontsteken,
e V. Is het oock seker, dat Godt de Heere de sonde
soo schrickelick straffen wil?
A. Ja.
i\' V. Waer uyt weet ghy dat?
A. Uyt den vloeck des Wets: Deut. 27. 26. Ver-
vloeckt zy, die de woorden deser wet niet sal beves»
tigen, doende deselve. Ende andere texten, aireede
verhaelt.
c V. Maer waer van daen komt het, dat Godt de
sonde soo schrickelick straffen wil ?
A. Van wegen Godts rechtveerdigheyt.
Vkage 11.
Is dan Godt niet barmhertigh ?
Antw. Godt is wel barmhertigh, maer hy is
oock rechtveerdigh, daerom soo eyscht sijne ge-
rechtigheyt dat de sonde, welcke tegen de alder-
hooghste Majesteyt Godts gedaen is, oock metter
hooghste, dat is, met de eeuwige straffe aen lijf
ende ziele gestraft werd e.
" V. Neemt Godts barmhertigheyt de voorseyde straffe
der sonden wegh?
A. Neen.
b V. Hoe komt dat?
A. Van wegen Godts rechtveerdigheyt.
-ocr page 196-
188
Van de Straffe.
c V. Is dese rechtveerdigheyt Godts in hem nootsa-
kelick ?
A. Ja.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Rom. 1. 32. Dewelcke, daer sy het recht Godts
weten, &c. Siet oock 2. Thess. 1. 6.
d V. Godts rechtveerdigheyt, hanght die aen sijnen
vrijen wille, of gaet die voor?
A. Sy gaet voor.
d V. Soude Godt wel konnen sijn gerechtigheyt ver-
saken ?
A. Neen: 2. Tim. 2. 13. Indien wy ontrouw zijn,
hy blijft getrouw, hy en kan hemselven niet verloo-
chenen.
c V. Straft Godt de sonden alleen, om dat hij het
soo wil ende gedreyght heeft?
A. Neen.
d V. Is \'er dan hooger oorsaek, als Godts vrije wil
ende besluyt te vinden?
A. Ja.
d V. Welck is die?
A. Godts rechtveerdigheyt, volmaeckte nature, ende
hooghste macht.
d V. Is dese straffende gerechtigheyt Gode eygen,
wesentlick ende natuerlick?
A. Ja.
d V. Kan Godt wel laten deselve te oeffenen tegen
een sondige creature?
A. Neen.
d V. Hanght dan, en komt niet dese oeffeninge der
rechtveerdigheyt tegen de sonde, van Godts vrywillige
dispositie ofte voornemen?
A. Neen.
d V. Is de barmhertighoyt soo wel Gode eygen, als
sijne rechtveerdigheyt?
A. Ja.
d V. Waerom wort dan geseyt, dat Godt niet en kan
laten sijn recht te oeffenen tegen eenen sondaer;
-ocr page 197-
Van de Straffe.
189
en dat hij wel kan laten sijn barmhertigheyt te oeffe-
nen tegen eenen ellendigen ?
A. Om dat Godt aen geen creaturen verbonden is,
om hem der solver te moeten ontfermen, maer dat
alle creature aen Godt verbonden is, om sijn recht
met gehoorsaemheyt of met straffe te betalen,
d V. Wat is dan het gene Jaeobus seght, cap. 2. vs.
13. Want een onbarmhertigh oordeel sal gaen,
over die gene die geen barmhertigheyt gedaen en
heeft?
A. Dat is te verstaen niet van de barmhertigheyt
(ïodts, maer van de barmhertigheyt des menschen
tegens sijnen naesten.
d V. Kan Godt dan, volgens dese sijne rechtveerdig-
heyt, de sonden ongestraft laten?
A. Neen.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Exod. c. 34. vs 7. Die den schuldigen geensins
ontschuldigh houdt, &c. Rom. 1. 32. Dewelcke, daer
sy het recht Godts weten, namelick, dat die gene,
die sulcke dingen doen, des doots waerdigh zijn. 2.
Thess. 1. 6. Alsoo het recht is by Godt verdruckinge
te vergelden den genen, die u verdrucken.
c V. Maer soude Godt van sijne rechtveerdigheyt niet
wat mogen laten vallen?
A. Neen.
c V. Magh hij van het sijne doen wat hy wil?
A. Neen: om dat hij niet aengemerckt moet wer-
den in dese gelegentheyt, als een particuliere; maer
als de opperste Heere, ende de algemeyne Richter
des werelts.
V. Maer waerom soude Godt sulcks niet mogen
doen, dewijle de menschen dat wel vermogen?
A. Het is een heel ander sake met Godt, als met
de menschen; gelijck nu geseyt is.
V. Volght hier niet uyt, dat Godt in desen deele
minder is, als de menschen?
A. Neen; maer wel, dat hij meerder is.
-ocr page 198-
Van de Straffe.
190
d V. Is de kennisse van dese nootsakelicke rechtveer-
digheyt, den natuerlicken mensche oock eenighsins
bekent?
A. Ja: Rom. 1. 32. Deweleke, daer sy het recht
Godts weten, &c.
c V. Is dan de sonde soo grouwelick, dat Godts ge-
rechtigheit dezelve niet kan ongestraft laten?
A. Ja.
d V. Waer aen wort de groote grouwelickheyt der
sonde bekent?
A. Datse begaen wort tegens de hooghste Majesteyt
Godts.
c V. Wie is dan den Wetgever, tegen wiens gebodt
gesondight wort?
A. De groote Godt van den hemel,
d V. Waer aen wort de grouwelickheyt der sonde al
meer bekent?
A. Aen de billickheyt des gebodts.
d V. Waer in is de billickheyt des gebodts gelegen?
A. Dat het een gebodt was, het welcke gemacke-
lick ende licht was te onderhouden,
d V. Waer aen soude men best mogen kennen de
schrickelickheyt des vloecks ende straffe Godts?
A. Om dat hy dreyght deselve te straffen aen lijf
ende ziele, met de tijtlicke ende eeuwige doot.
b V. Hoe wil Godt dan de sonde straffen?
A. Met de tijtlicke ende eeuwige doot.
b V. Straft Godt de sonde aen het lichaem, ofte aen
de ziele?
A. Aen alle beyde.
b V. Straft hyse hier ofte hier namaels?
A. Hier ende hier namaels.
c V. Maer soude niemant in desen leven konnen de
gerechtigheyt Godts voldoen, ende alsoo verlostwor-
den van dese straffe?
A. Neen.
c V. Soude hy soo veel niet konnen te wege bren-
gen, dat hij eenige verlichtuige hadde van de straffe•
-ocr page 199-
Van het Middel der Verlossinge.              191
A. Neen.
c V. Doet dan het tijdelick verdriet geen afslagh aen
de eeuwige pijnen, die de sonde verdient heeft ?
A. Neen.
d V. Hoe soude een mensche konnen versterekt wor-
den tegen de verleydinge der sonde?
A, Dat hy acht neemt op dit schrickelick drey-
gement Godts.
d V. Hoe soude een mensche mogen beweeght wer-
den, om sich met alderhaest van de sonde te keeren ?
A. Dat hy acht geve op de straffen, die op de
sonde sullen volgen.
Het tweede Deel;
VAN DES MENSCHEN VERLOSSINGE.
SONDAGH V. Vrage 12, 13, 14, 15.
Vrage 12.
Aengesien wy dan, na dat rechtveerdigh oordeel
Godts, tijtlicke ende eeuwige straffe verdient heb-
ben , is \'er eenigh middel daer door wy dese straffe
ontgaen mochten, ende wederom ter genaden
komen ?
Antw. Godt wil dat sijnegerechtigheytgenoegh
geschiede, daerom moeten wy der selven, of door
ons selven, of door eenen anderen volkomelick
betalen.
-ocr page 200-
192               Van hot Middel der Verlossinge.
d V. Seght my eens, hoe moet de vorige kennisse
van uwe ellende op u herte wercken?
A. Dat ick trachte ende stae na een verlos-
singe.
d V. Waer van wort hier gehandelt?
A. Van het middel van onse verlossinge.
d V. Hoe wert desen Sondagh afgedeelt?
A. In twee deel en?
d V. Welck zijn die twee deelen?
A. Het middel van onse verlossinge , Vrage 12. 2.
Door wien dit middel kan te wege gebracht werden,
Vrage 13, 14, 15.
c V. Is de verlossinge wel nootsakelick ?
A. Ja ten hooghsten.
c V. Waerom doch?
A. Om dat den mensche anders eeuwighlick soude
moeten verloren gaen.
c V. Is de verlossinge wel mogelick?
A. Ja.
d V. Waer uyt soudt ghy dat bewijsen, dat niet
tegenstaende de mensche na \'t rechtveerdigh oordeel
Godts, tijtlicke ende eeuwige straffe verdient heeft,
evenwel sijne verlossinge uyt de ellende moge-
lick is?
A. Om dat de verlossinge met der daet van Godt
uitgewrocht is: waer uyt dan blijckt, dat sulcks
Gode mogelick was.
c V. Maer wil de rechtveerdige Godt den sondigen
mensche wel een verlossinge schicken, daer hy de
sondige Engelen niet gespaert heeft?
A, Ja; gelijck de uytkomste geleert heeft,
c V. Hoe komt het, dat Godt de Heere niet den
Engelen, die gesondight hebben, maer den mensche
een verlossinge beschickt heeft?
A. Om dat het hem alsoo belieft heeft.
c V. Konnen daer geen sekere redenen van gegeven
worden ?
A. Neen.
-ocr page 201-
Van het Middel der Verlossinge.              193
d V. Zijn dese redenen niet goet, namelick, dat de
Heere den gevallenen Engelen geen verlossinge heeft
gegeven, 1. om datse gevallen zijn van den aller-
hooghsten top der hooghte, dat is, uyt den Hemel:
2. Om dat in den val der Engelen, de gantsche na-
tuer der Engelen niet en is verloren gegaen, gelrjck
wel het gantsche menschelicke geslacht ?
A. Die redenen en binden niet, ende en konnen
uyt Godes woort niet bewesen werden.
d V. Door wat middel sal de mensche wederom
met Godt versoent, ende uyt sijn ellende verlost
werden?
A. Door voldoeninge aen Godts gerechtigheyt.
d V. Wat eyscht de gerechtigheyt Godts ?
A. 1. Een absolute gehoorsaemheyt, tot welcke de
menschen op alle manieren verbonden zijn , als schep-
selen haren Schepper, ende dienstknechten haren Heere.
Levit. 18. 5. Ja mijne insettingen, ende mijne rechten
sult ghy houden, welck mensche deselve sal doen, die
sal door deselve leven: lek ben de Heere. Dit is \'t
gene Godt insonderheyt eyscht, ende daer toe is de
mensche alleen verplicht, soo lange daar geen over-
tredinge geschiet is. 2. Straffe, als men de schuldige
gehoorsaemheyt niet volkomentlick betaelt: want de
Heere en kan de overtredinge van sijn Wet, ende de
schendinge sijner gerechtigheyt, niet ongestraft laten,
als Vrage 11. gehoort is; waerom hy oock altijd by
den eysch van sijne gehoorsaemheyt, byvoeght de
dreyginge van de straffe, om door vreese derselver,
de menschen beter in gehoorsaemheyt te houden:
Genes. cap. 2. vs 17. Want ten dage, als ghy daer
van eet, sult ghy den doot sterven. Deut. 27. 26.
Vervloeckt zy, die de woorden deser Wet niet en sal
bevestigen, doende deselve.
d V. Wort nu na den val, door de gerechtigheyt
Godts, ge-eyscht alleen een absolute gehoorsaemheyt,
ofte oock straffe?
A. Beyde, niet alleen gehoorsaemheyt, maer oock
13
-ocr page 202-
194              Van het Middel der Verlossinge.
straffe , nademael do overtredinge nu geschiet is; ende
niet alleen straffe, maer oock gehoorsaemheyt, tot
welcke wy onsen Schepper verplicht blijven, soo lange
wy redelicke schepselen zijn.
d V. Hoe wort nu dese gerechtigheyt voldaen?
A. Aengaende de gehoorsaemheyt, als men alles
doet, ende onderhoudt wat de Wet gebiedt, ende
nalaet watse verbiedt in alle deelen, tot allen tijden,
ende in de hooghste graet van de volmaecktheyt.
Aengaende de straffe, wanneer voor de overtredinge
de gedreyghde ende verdiende straffe wort ge-
leden.
c V. Maer is \'er geenen anderen wegh, om van de
sonden verlost te worden, als door middel van vol-
doeninge ?
A. Neen.
e V. Kan Godt de straffe niet quijtschelden ?
A. Neen.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat Godt, behoudens
sijne gerechtigheyt, de sonden ende de straffe der
selver niet kan vergeven, noch quijtschelden sonder
voldoeninge ?
A. Exod. cap. 84. vs. 7. Die den schuldigen geen-
sins ontschuldigh en houdt. Num. cap. 14. vs. 18.
Nah. 1. 3. De Heere is lanckmoedigh, doch van gr.oote
kracht, ende hy houdt den schuldigen geensins on-
schuldigh. Habac. 1. 18 2 Thess. 1. 6. Alsoo het
recht is by Godt verdruckinge te vergelden den genen
die u verdrucken.
b V. Godt is immers barmhertigh?
A. Het is soo; maer hy is oock rechtveerdigh.
e V. Soude Godt niet te vreden wesen, met eenige
betalinge, alhoewel niet ten vollen?
A. Neen.
c V. Kan hij van sijn recht niet wat laten vallen?
A. Neen.
d V. Magh hy met ende van het sijne niet doen wat
hy wil?
-ocr page 203-
Van het Middel der Verlossinge.              195
A. Neen: want de Heere is een algemeyne Richter
des werelts, Genes. cap. 18. vs 25. Soude de Richter
der gantscher aerde geen recht doen. Rom. cap. 3.
vss. 5, 6. ende kan hemselven niet versaken. 2. Tim.
2. 13.
c V. Een mensche magh immers van sijn recht laten
vallen ?
A Het is een geheel ander sake in Godt, als in
den mensche.
d V. Toont dat?
A. Een mensche kan laten vallen sijn heerschappij* ,
die hy heeft over sijnen knecht, soo verre, dat hy
gantsch naer desen geen recht meer over hem en
heeft: nochtans kan Godt dat niet doen. Want gelijck
een creature niet en kan niet onderworpen zijn; al-
soo is het onmogelick, dat Godt niet soude zijn een
Heere over de redelicke creature, dewelcke van
hem dependeert, in haer wesen, onderhouden, ende
alle hare werckingen.
d V. Heeft den mensche, soo doende, geen meerder
macht ende vrijheyt, als Godt?
A. Neen: ende dat en kan noch macht, noch vry-
heyt genoemt werden.
d V. Soude Godts barmhertigheyt niet kunnen maken,
dat Godt wat van sijn recht afstonde?
A. Neen.
d V. Wort dan Godts gerechtigheyt, onveranderlick,
ende nootsakelick uytgevoert, soo wanneer Godes Wet
overtreden is?
A. Ja: 2 Thess. 1. vs. 6. Het is recht by Godt, en
2. Tim. 2. vs. 13. Indien wy ontrouw zijn, hy blijft
getrouw, hy en kan hemselven niet verloochenen.
d V. Soude men niet mogen seggen, dat Godt alleen
rechtveerdig is door sijnen vrijen wille, ende na het
voornemen sijns willens; soo dat hij soude kunnen
in het tegendeel niet rechtveerdigh zijn, of geen recht-
veerdigheyt oeffenen tegen de sonden?
A. Geensins. Siet breeder hier van Vrage II.
-ocr page 204-
196              Van het Middel der Verlossinge.
d V. Behalven Godts recht, vereyscht Godts waerheyt
ook straffe voor de sonde?
A. Ja.
d V. Waer in bestaet die waerheyt Godts?
A. In het dreygement, daer mede de Heere den
mensche gedreyght heeft: Genes. 2. 17. Want ten
dage, als ghy daer van etet, sult ghy den doot ster-
ven. Deut. 27. 26. Vervloeckt zy, die de woorden
deser Wet niet on sal bevestigen, doende deselve.
c V. Door wien moet dese volkomen betalinge ge-
schieden?
A. Door ons selven, ofte door oenen anderen:
Ezech. 18. 4, 20. De ziele die sondight die sal ster-
ven, Exod. 32. 33. Deut. 24. vs 16. Jerem 31. vs.
30. Rom. 8. vss. 3, 4. Want \'t gene de Wet onmo-
gelick was, dewijle sy door het vleesch krachteloos
was, heeft Godt sijnen Sone gesonden, ie 2 Corinth.
cap. 5. vs 21. Want dien, die geen sonde gekent en
heeft, heeft hy sonde voor ons gemaeckt.
c V. Kan een van dese twee manieren bestaen, te
weten, door ons selven, ofte door een anderen, dat
is, of dat wy selfs in eygener persoon voldoen, of
selfs niet konnende voldoen, dat een ander dan in
onse plaetse voldoet?
A. Ja: als blijckt uyt de geciteerde plaetsen.
d V. Maer kan Godts gerechtigheyt wel lijden, dat
een ander voor ons betale?
A. Ja; gelijck de uytkomste geleert heeft,
d V. Laet dan Godt niet van sijn recht vallen?
A. Neen.
d V. Waerom niet?
A Oin dat evenwel de rechtveerdigheyt Godts ten
vollen voldaen wert.
d V. Is het evenwel geen onrechtveerdigheyt in Godt,
dat de ontschuldige (namelick de Heere Christus) ge-
straft wort in plaetse van den schuldigen?
A. In het minste niet.
d V. Wie seggen sulcks?
-ocr page 205-
Van het Middel der Verlossinge.              197
A. De Socinianen.
(1 V. Waer uyt blijckt, dat het geen onrechtveerdig-
heyt in Godt is?
A. Om dat de ontschuldige sich vrywilligh heeft
gepresenteert als borge, om voor do schuldige te
voldoen: Psal. 40. 9. Ick hebbe lust, O mijn Godt,
om u welbehagen te doen.
V. Aen wien moet betaelt worden?
A. Aen Godt.
c V. Wie kent ghy schuldigh ?
A. Godt.
c V. Waorom Godt meer, als eenige creaturen?
A. Om dat ick tegen Godts Wet, als des eenigen
oppersten Wetgevers, hebbe gesondight. Siet Rom.
cap. 3. vs 19. Ende de geheele werelt voor Godt
verdoemelick zy: Jacob cap. 4. vs 12. Daer is een
eenigh Wetgever, die behouden kan ende verderven.
AENHANGHSEL.
c V. In wat deel van Godts woort wort ons de ver-
lossinge van den vloeck des Wets door de hant eens
Middelaers geopenbaert ?
A. In den Euangelio. Siet hier beneden Vrage 19.
\'1 V. Wat dunckt u van de Vaders des Ouden Testa-
ments, zijnse door haer selven, ofte door Christum
den Middelaer saligh geworden ?
A. Door Christum den Middelaer.
d V. Maer Christus is eerst langh na haer ge-
komen ?
A. Sy zijn door Christum saligh geworden, die in
d de werelt komen soude.
V. Kan men wol eenighsins weten, door het licht
der nature, het middel, om met Godt versoent te
werden ?
A. Ja, voor soo verre het middel is de voldoeninge
-ocr page 206-
198              Van het Middel der Verlossinge.
aen Godes gerechtigheyt: Rom. cap. 1. vs 32. De-
welcke, daer sy het rechte Godts weten, &c.
d V. Kan men weten, door het licht der nature,
welcke die gene zy, door welcken dese eenige vol-
doeninge geschiet is?
A. Neen.
d V. Soude men niet konnen weten, dat de Sone
Godts die Emmanuël is , die voor ons betaelt heeft ?
A. Neen.
Vrage 13.
Maer konnen wy door ons selven betalen ?
Antw. In geenderley wijse: maer wy maken
oock de schuit noch daeghlicks meerder.
b V. Kan ick voor mijne sonden niet betalen ?
A. Neen.
b V. Kan ick voor uwe sonden niet betalen?
A. Neen.
b V. Soude den eenen mensche voor den anderen
niet konnen betalen?
A. Neen.
d V. Bewijst dat?
A. Psalm 49. 8, 9. Niemant van hem sal sijnen
broeder konnen verlossen: hy sal Gode sijn rantsoen
niet konnen geven. Want de verlossinge haerder
ziele is te kostelick, ende sal in eeuwigheyt op-
houden.
b V, Kan Maria voor onse sonden niet betalen?
A. Neen.
b V. Heeft Maria niet voor haer eygen sonden be-
taelt, ende isse niet door haer selven saligh ge-
worden ?
A. Neen.
c V. Is Maria niet daer door behouden datse de
-ocr page 207-
Van het Middel der Verlossinge.              199
Sone Godts in haer lichaem heeft gedragen, ende
ter werelt gebracht?
A. Neen.
b V. Hoe komt het dat wy voor ons selven niet
konnen betalen voor de sonden?
A. Om dat wy de schuit noch dagelicks meer maken
d V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Joh. 9. 2. Want hoe soude de mensche recht-
veerdigh zijn by Godt. ende 15 16. Hoe veel te meer
is een man grouwelick ende stinckende, die het
onrecht indrinckt als water. 1. Reg 8. 46. Prov.
20. 9. Eccles. 7. 20. Jerem. 13. 32. Rom 3. vss. 12,
13, &c. Alle zijn sy afgeweken, te samen zijn sy
onnut geworden: daer en is niemant die goet doet,
daer en is oock niet tot een toe, Ephes. 2. vss. 1,
5. Jac. 3. 2. 1. Joh. 1. 8.
c V. Konnen wy oock voor dese straffe wel voldoen
die wy door de sonde verdient hebben?
A. Neen.
d V. Bewijst dat?
A. Om dat onse misdaet ofte sonde is een vertoor-
ninge des oneyndelicken goets, welck verdient de
eeuwige straffe en verdoemenisse; ofte een tijtlicke
straffe die de eeuwige in swaerheyt ende waerdije
gelijck zy.
d V. Konnen wij de eeuwige straffe niet gedragen,
dat wy die doorstaen ende eenmael volkomentlick
voldoen ?
A. Neen: want wy souden daer nimmermeer uyt-
komen, wy souden wel altijt aen de rechtveerdigheyt
Godts betalen, maer het soude nimmermeer af betaelt
of voldaen zijn, de voldoeninge soude nimmermeer
volkomen zijn, daer soude nimmermeer een overwin-
ninge zijn, maer het soude altijt in eeuwigheyt
dueren.
d V. Konnen wy oock wel dragen een tijtlicke straffe,
die de eeuwige in swaerheyt ende waerdije ge-
lijck zy?
-ocr page 208-
200               Van het Middel der Verlossinge.
A. Neen: want onse onvolmaecktheyt ende onvol-
komentheyt is te groot, gelijck uyt de boven-geciteerde
plaetsen kan afgenomen werden.
d V. Maer een man die yemant wat te kort gcdaen
heeft, ende hy compenseert of restitueert den selven
tienmael soo veel daer tegen, soude hy daer mede
niet konnen voldoen, in de menschelicke Vyer-
schare ?
A. Ja.
d V. Is het met ons oock soo niet gelegen ?
A. Neen.
e V. Wy, die tien duysent talent-ponden schuldigh
zijn, souden wy niet konnen alle dage eenen stuyver
af rekenen, ende afbetalen?
A. Neen.
c V. Maer souden wy door alle onse gebeden en ael-
moessen niet eenigh afslagh konnen verkrijgen tot
af kervinge van de schuit ?
A. Neen.
c V. Soudt ghy voor kleyne sonden, genomen ghy
hadt op een Vrydagh vleesch gegeten, niet konnen
voldoen?
A. Dat en is geen sonde: en andersins, waer het
sonde, soo kan men soo weynigh voor de minste sonde
voldoen, als voor de meeste.
d V. Voldoen de mensche niet voor hare sonden,
wanneer sy tijtlicke ende eeuwige straffen lijden?
A. Neen: sy betalen wel soo verre, maer sy en
voldoen niet.
d V. Het schijnt nochtans dat de geloovige eenigh -
sins af betalen, ofte voldoen voor hare sonden: 2.
Sam. 12. 18, 14. Ende Nathan seyde tot David, De
Heere heeft oock uwe sonde wechgenomen, ghy en
sult niet sterven. Nochtans, dewijle ghy door dese sake
de vyanden des Heeren grootelicks hebt doen lasteren,
sal oock de sone die u geboren is, den doot sterven,
ende cap 24. vss. 10, 12, 13.?
A. Die straffe, die sy lijden voor hare sonden, en
-ocr page 209-
Van het Middel der Verlossinge.              201
is geen betalinge voor hare sonden, ende daer door
en werden sy met Godt niet versoent, maer is alleen
een vaderlieke kastijdinge.
d V. Wie zijn de gene, die daer leeren, dat men
voor sijne sonden kan voldoen ?
A. De Paepscho Leeraers.
d V. Stellen sy dese hare voldoeninge voor de son-
den op eenderley wijse ende maniere, ofte op ver-
schoyden?
A. Op verscheyden wijse ende maniere,
d V. Noemt eens de verscheydentheyt der voldoeninge
van die van \'t Pausdom voor de sonde?
A. Een eygen voldoeninge; ende die geschiet door
een ander,
d V. Wat npemt ghy een eygen voldoeninge"?
A. Die de mensche selfs in sijn eygen persoon te
wege brenght?
d V. Op hoe veelderley wijse geschieden dese eygene
voldoeningen, na \'t gevoelen van die van\'t Pausdom?
A. Of door een toegesondene straffe Godts, ofte
die sy van selfs ende vrywilligh op ende over haer
nemen ende halen.
• V. Hoe door de toegesondene straffe Godes?
A. Deso toegesondene straffe Godes stellen sy of
in dit leven, of na dit leven: In dit leven, als daer
is allerhande kruys ende wederweerdigheyt, welcke
den geloovigen in desen leven naer lichaem ofte naer
ziele overkomt: Na dit leven, is die straffe, die haer
van Godt wort opgeleyt in het vagevyer, tot een
volkomene reyniging harer sonden.
V. Hoe meynen sy te voldoen door een vrijwillige
ende van selfs opgonomene straffe?
A. Als sy haer selven kastijden ende mortiflceeren:
insonderheyt zijn dese drie uytstekende, te weten,
aelmoessen , vasten , bidden.
\' V. Hoe noemen die van het Pausdom dese wercken ?
A. Boet-wercken, ofte wercken van Boete, of penale
wercken.
-ocr page 210-
202              Van het Middel der Verlos singe.
d V. Maer aelmoessen geven, vasten ende bidden, is
dat in sich selven goet, ofte quaet; een deughdelick
werck, ofte een plage?
A. Goet, ende een deugdelick werck.
d V. Kan men dan voldoen voor de sonde, met \'t
gene in sich selven goet is, ende dat de Heere van
ons eyscht?
A. In \'t minste niet.
d V. Zijnder meer soorten van satisfactien, mortifi-
catien, penale wercken ?
A. Ja; als hemselven geesselen, op een steen te
slapen, waken, ende bloots voets te gaan, &c.
d V. Stellen die van \'t Pausdom boven dese eygene
ende particuliere voldoeningen, noch niet een publijcke
ende gemeene voldoeninge?
A. Ja.
d V. Welck is die?
A. Die daer geschiet door het Sacrament van peni-
tentie; door den schat der Kercke, dat is, Indulgen-
tien ofte Aflaten des Paus; door pelgrimagien, biech-
ten, ziel-missen, ende voorbiddingen voor de dooden,
dat is, voor de zielkens die in het vagevyer zijn.
d V. Welck is de voldoeninge, die sy stellen dat
door andere geschiet?
A. De voldoeninge, die sy stellen by den Heyligen.
d V. Waer in stellen sy de voldoeninge by den Hey-
ligen ?
A. Daer in, 1. Dat de afgestorvene Heyligen, door
hare voldoeningen, verdiensten ende voorbiddingen,
ons met Godt versoenen. 2. Dat de heylige Marte-
laers eenige overtollige wercken of satisfactien hebben
gedaen, die tot vergevinge ende wechneminge der
zonden den menschen, door de Aflaten van den Paus,
worden toegerekent. 3. Dat de afgestorvene Heyligen,
beneffens Christum, oock Middelaers zijn by Godt
voor ons.
d V. Stellen sy oock noch yet anders daer mede sy
voor hare sonde oüiiighsins kunnen voldoen?
-ocr page 211-
Van het Middel der Verlossinge.              203
A. Ja.
d V. Welcke is dat?
A. Wije-water, gewijde keersen, reliquien van de
Heyligen, geconsacreerde dingen, ofte eenige woorden
ende gesten eenige kracht toeschrijvende, om de sonde
wech te nemen, tegen \'t gewelt des Duyvels ons te
bewaren, ofte om ons de saligheyt te helpen toe te
brengen.
d V. Is nu dese leere, aengaende alle dese voldoe-
ningen voor de sonde, goet ofte quaet\'?
A. Quaet.
d V. Waerom quaet?
A. Om datse gantschlick tegen Godts woort strijt,
gelijck uyt de boven-geciteerde plaetsen te sien is.
d V. Wort de Heere hier door oock niet gestelt een
onrechtveerdigh Richter te zijn?
A. Ja: nadien hij dan de schuit tweemael soude
straffen, eens in ons, ende daer na oock in Christo
den Middelaer?
d V. Wordt hier door oock de voldoeninge Christi te
niete gedaan?
A. Ja: want als wy selfs noch konnen en moeten
voldoen, ende dat Godt onse voldoeninge aanneemt,
soo wort daer krachtelick mede te kennen gegeven,
dat Christus niet volkomentlick voor ons voldaen
heeft, het welck is tegen Gods woort, als Esai. 53. 5.
Maer hy is om onse overtredingen verwondet, &c.
Ende door sijne striemen is ons genesinge geworden.
Rom. 5. 10. Want indien wy vyanden zijnde met
Godt versoent zijn door den doot sijns Soons, &c.
1. Thess. 1. 10. Hebr. 7, 25, 26, 27. ende 10. 10, 14.
1. Petr. 2. 24 1. Joh. 1. 7.
V. Maer een Papist sal seggen, dat Christus ons
wel heeft verlost van de doot-sonden, maer niet van
de veniele ofte vergeeflicke sonden, voor dewelcke
wy selfs moeten voldoen ?
A. Godts woort en kent geen vergeeflicke sonden,
soo als die van \'t Pausdom deselve beschrijven: maer
-ocr page 212-
204               Van het Middel der Verlossinge.
alle sonden, in haer selven ingesien zijnde, hoeda-
nigh sy oock souden mogen wesen, zijn doot-sonden,
dat is, verdienen de eeuwige doot ende verdoeme-
nisse. 2. Het is valsch, dat de Heere Christus noch
eenige sonden onvoldaen soude hebben overgelaten,
voor dewelcke wy noch souden moeten voldoen:
want hy heeft voldaen voor alle onse sonden, die
wy oyt of oyt gedaen mochten hebben, volgens het
gene de Apostel Johannis getuyght, 1. Joh. 1. 7.
Het bloet Jesu Christi sijns Soons reynight ons van
alle sonden.
*> V. Geeft dit den mensche eenon voet, om in alle
roeckeloosheyt, goddeloosheyt ende ongebondenheyt
te leven?
A. Neen; maer ter contrarie soo sullen de ware
geloovigen hier door krachtelick tot alle Godtsalig-
heyt ende heyligheyt aengeprickelt worden; want het
is onmogelick, dat soo wie Christo door een waer-
iichtigh geloove ingeplant is, niet en soude voort-
brengen vruchten der danckbaerheyt, als Vrage 64.
geleert wort.
" V. Wat bewijs brengen die van \'t Pausdom by
om hare voldoeningen voor de sonden vast te
maken ?
A. Sy maken onderscheyt tusschen de schuit, tus-
schen reatum, dat is, dien sondelicken ende verdoe-
melicken staet, daer in de mensche door de schuit
der sonde geraeckt ende strafwaerdigh is, ende tus-
schen de straffe door de sonde verdient: en seggen,
dat de Heere Christus wel de schuit heeft wechge-
nomen, maer niet reatum, dat is, die verschuldi-
gingh daer door wy strafbaer zijn; die wy dan selve
op soodanige wijse van voldoeninge moeten wech-
nemen.
d V. Wat dunckt u van dese distinctie, is die niet
rast ende bondigh?
A. Het is een grove ende plompe contradictie ofte
tegenstrijdigheyt: want heeft Christus de straffe ge-
-ocr page 213-
Van het Middel der Verlossinge.              205
dragen volgens Esai. 53. 5. De straffe die ons den
vrede aenbrenght was op hem: soo heeft hy oock
wechgenomen rcatum, tot welcke de ctdpa ofte schuit
verbint; alsoo de straffe niet kan geseght worden
wechgenomen te zijn, soo lange de reatus, ons tot
de straffe verbindende, niet wechgenomen is, nadien
dese reatus nootsakelick de straffe praesupponeert en
vast set. 2. Soo seggen wy, dat die inwendige ende
inwoonende verdorventheyt, van dage tot dage wech-
genomen wort door de heylighmakinge, zijnde noch-
tans volkomentlick door Christi bloet wechgenomen,
ten aensien van de heerschappije der selver. 3. Soo
seggen wy, dat het gantsch ongerijmt is te stellen ,
dat de schuit soude vergeven zijn sonder dese reattis,
dat is, de verschuldiginge ende verbintenisse tot de
straffe; dewijle het eene sonder het ander niet kan
geschieden: Soo dat de schuit wechgenomen zijnde,
oock nootwendigh de reatus moet wochgenomen zijn:
ende de reatus niet wechgenomen zijnde, de schuit
niet wechgenomen is; nadien de reatus mede prae-
supponeert ende vast set de culpam, dat is, de schuit:
want een mensche niet geconsidereert ende aenge-
merckt kan werden straf baer te zijn, \'t en zy oock
met eenen aengemerckt werde de oorsake waerom
hy strafbaer gestelt wert.
d V. "Wat brengen die van \'t Pausdom meer by, tot
verdediginge van hare voldoeningen?
A. Sy seggen , dat de eeuwige straffe verandert is
in een tijtlicke, waer door men voldoen kan.
d V. Wat seght ghy hier toe?
A. Dit is valsch.
o V. Soudt ghy het contrarie konnen bewijsen?
A. Ja: Esai. 1. 18. Al waren uwe sonden als schar-
laken, sy sullen wit worden als sneeuw: Al waren
sy root als carmosijn, sy sullen worden als witte
wolle. Jerem. 50. 20. In die dagen, ende te dier tijt,
spreeckt de Heere, sal Israëls ongerechtighoyt gesocht
worden, maer sy en salder niet zijn, ende de sonde
-ocr page 214-
206               Van het Middel der Verlossinge.
van Juda, maer en sullen niet gevonden worden;
want ick salse den genen vergeven, dien ick sal
doen overblijven. Esai. 43. 25. Ick, Ick ben het, die
uwe overtredingen uytdelght, om mijnent wille, en-
de ick gedencke uwer sonden niet. Mich. 7. vs 19.
Hy sal sich onser ontfermen; hy sal onse ongerech-
tigheden dempen: Ja ghy sult alle hare sonden in
de diepten der zee werpen.
d V. Daer dan geen sonden over behouden werden,
kan daer dan wel eenige straffe over behouden worden ?
A. Neen: want de straffe praesupponeert de sonde;
en daer en kan geen straffe geschieden. \'tzy daer
een oorsake zy waerom de mensche sal gestraft
worden.
d V. Maer die van het Pausdom schijnen in desen
deele gelijck te hebben, want de geloovigen zijn de
sonden vergeven; ende nochtans wordense in desen
leven met veelderhande kruys en tegenspoet van den
Heere besocht, als David, 2. Sam. 12. vss. 13, 14.
ende 24. vss. 10, 12, 13. ende verscheyden an-
dere?
A. Die besoeckingen en zijn den geloovigen geen
wraeck-straffen, ende betalingen voor hare sonden;
maer Vaderlicke kastijdingen, verbeteringen, tuch-
tingen, beproevingen ende waerschouwingen: Hebr.
12. 6. Die de Heere lief heeft, kastijt hy: ende hy
geesselt eenen yegelicken sone dien hy aenneemt.
Siet oock 1. Cor. 11. vss. 30, 32. Jac. 1. vss. 2,
3, 12. 1 Petr. 1. 6,7. Hebr. 12. 6, 7. Hebr. 12.
10. Psalm 119. 71. daer door wy onsen Saligh- <
maker geliickformigh worden. Bom. 8. vss. 18, 29.
Philip. 3. 10 met 1 Petr. 2. 21.
Vrage 14.
Kan oock ergens een bloote creature gevonden
worden die voor ons betale?
-ocr page 215-
Van het Middel der Verlossinge.              207
Antw. Neen: want ten eersten en wil Godt aen
geen ander creaturen de schuit straffen die de
mensche gemaeckt heeft: Ten anderen, soo en
kan oock geen bloote creature den last des eeuwi-
gen toorns Godts, tegen de sonde dragen, ende
andere creaturen daer van verlossen.
V. Alsoo wy nu gehoort hebben, dat wij door ons
selven de gerechtigheyt Godts niet konnen voldoen,
moet het dan een ander doen in onse plaetse?
A. Ja.
V. Kan oock ergens een bloote creature gevonden
werden, die voor ons betale?
A. Neen.
V. Kan dan geen creature voor ons betalen?
A. Ja.
V. "Wat is een creature ?
A. Een schepsel Godts.
V. Wat is een bloote creature?
A. Alleen een schepsel Godts.
V. Is daer wel een creature , die geen bloote crea-
ture is?
A. Ja.
V. Welck is die?
A. De Heere Jesus Christus.
V. Waerom is hy geen bloote creature?
A. Om dat hy oock Godt is.
V. Kan een oprecht mensche voor ons niet betalen?
A. Neen: te weten, die een bloot mensche is ?
V. Kan een Engel voor ons niet betalen ?
A. Neen.
V. Heeft een Engel wel sonde?
A. Neen.
V. Hoe komt dan, dat een Engel voor ons niet
betalen kan?
A. Om dat Godt aen geen ander creature de schuit
straffen wil die de mensche gemaeckt heeft.
-ocr page 216-
208              Van het Middel dor Verlossinge.
c V. Waerom en wil Godt niet aen een ander
creature de schuit straffen die de mensche gemaeckt
heeft?
A. Om dat Godts reehtveerdigheyt sulcks niet lijden
en kan.
c V. De Heere heeft sijnen Sone in onso plaetse ge-
straft , die nochtans geen sonde gedaen heeft; heeft
hy daer in niet onrechtveerdelick gehandelt?
A. Neen: en daer is een groot onderscheyt tus-
schen een andere creature, namelick, een Engel, en-
de tusschen Christum: want, Ten eersten, een Engel
is van onse nature niet: Christus daer en tegen is
van onse natuer, ons in alles gelijck, uytgenomen
de sonde. Hebr. 2. vs. 14. en 4. 15. Ten anderen,
Christus heeft hemselven vrywilligh in onse plaetse
als borge gestelt. Psalm 40. vss 8, 9. Doe seyd\' ick,
siet ick kome: in de rolle des boecks is van my ge-
schreven : vs. 9. Ick hebbe lust, ó mijn Godt, om u
welbehagen te doen, met Hebr. 10. 7, 9, 10. Ten
derden, Christus konde hemselven door sijn eygen
macht redden en verlossen: maer een Engel en kan
sulcks niet.
c V. Genomen de Heere wilde eenen Engel in onse
plaetse straffen, soude eenen Engel voor ons wel
konnen voldoen?
A. Neen.
c V. Waerom niet?
A. Hy is niet machtigh genoegh den toorn Godts
te dragen ende door te dragen, ende alsoo van ons
wech te nemen.
c\' V. Maer eenen Engel is soo sterek dat hy in eenen
nacht in \'t heyrleger van de Assyriers heeft versla-
gen hondert en vijf en tachtontigh duysent menschen,
Esai. 37. 36.?
A. Het is wat anders met de menschen, ende wat
anders met Godt te strijden: De last van Godes toorn
heeft den Heere Christo , die Godt en mensche was.
-ocr page 217-
Van het Middel der Verlossinge.              209
soo swaer gevallen eer hy voor ons voldaen heeft,
hoe soude dan een Engel voor Godts toorne hebben
konnen bestaen?
c V. Is een Engel niet stereker als een mensch, (ge-
lijck de Heere Christus was) en die heeftse nochtans
gedragen?
A. De Heere Christus was geen bloot mensch,
maer Godt en mensch in een persoon,
c V. Hoe veel naturen zijnder dan in Christo ?
A. Twee.
c V. Van welcke nature quam het, dat hy den last
des toorns Godts kost dragen ende overwinnen?
A. Van de Goddelicke natuer.
d V. Maer kost de Heere een bloote creature sulcke
sterekte niet gegeven hebben, om den toorn Godts
te dragen?
A. Neen.
d V. Hoe komt dat?
A. Om dat sulcks strijdet met Godes natuer ende
perfectie,
d V. Genomen een bloote creature hadde de sterekte
gehadt, om den toorn Godts te dragen; soude die
straffe oock wel weerdigh genoegh geweest zijn, om
voor ons allen te voldoen ende te verdienen?
A. Neen.
d V. Soude Godt den Duyvel niet hebben konnen
straffen in onse plaetse?
A. Neen.
(\' V. De Duyvel heeft nochtans sonde gedaen?
A. Het is soo: maer daer voor wert hy gestraft,
ende niet voor der menschen sonden.
c\' V. Waer uyt soudt ghy bewijsen, dat Godt aen
geen ander creature des menschen sonden wil
straffen?
A. Genes. 2. 17. Want ten dage, als ghy daer van
eet, sult ghy den doot sterven.
\'\' V. Waer uyt bewijst ghy, dat een bloote creature
den last des toorns Godts niet kan dragen?
14
-ocr page 218-
210               Van het Middel der Verlossinge.
A. Psalm 49. 8, 9. Niemant van hen sal sijnen
broeder immermeer konnen verlossen, &c. Psalm
130. 3. Esai. 33. 14.
Vrage 15.
Wat moeten wy dan voor een Middelaer ende
Verlosser soecken?
Antw. Eenen sulcken, die een waerachtigb
ende rechtveerdigh mensche zy, ende nochtans
oock stercker dan alle creaturen, dat is, die oock
waerachtigh Godt zy.
a V. Wat voor een, ofte hoedanigh moest dan uwen
Middelaer zijn?
A. Godt en Mensche.
a V. Moeste hy zijn een mensche, ofte een Engel,
ofte beyde?
A. Hy moest mensch zijn.
b V. Is het evenveel wat mensch dat hy\'was?
A. Neen.
b V. Hoedanigh mensch moest hy dan zijn?
A. Een rechtveerdigh ende waerachtigh mensche.
b V. Moest hy oock stercker zijn dan alle creaturen ?
A. Ja.
b V. Na sijn Godtheyt of na sijn Menscheyt?
A. Na sijn Godtheyt.
c V. Waerom niet na sijn Menscheyt?
A- Om dat soodanige sterckte hier verstaen wert,
die een eygenschap is van de Goddelicke nature,
a V. Hoe veel naturen zijnder dan in uwen Saligh-
maker ?
A. Twee.
a V. Welck zijn die?
A. Goddelicke ende menschelicke natuer.
-ocr page 219-
Van het Middel der Verlossinge.              211
b V. Hoe veel persoonen zijn dat?
A. Een persoon,
b V. Hoe veel Middelaers zjjn dat?
A. Een Middelaer.
c V. Waerom moest uwen Middelaer soodanigh zijn,
dat is, Godt ende Mensch?
A. Om dat hy anders voor my niet soude hebben
konnen betalen, ende my volkomentlick saligh
maken.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat uwen Middelaer
moest wesen Godt en Mensch ?
A. Hebr. 2, 17. Waerom hy in alles den broederen
moeste gelijck worden, &c.
c V. Haelt daer eens uyt, de woorden, die sjjn
menscheyt aenwijsen?
A. In alles den broederen moeste gelijck worden,
c V. Haelt daer eens uyt, de woorden, die sijne
Godtheyt aenwijsen?
A. Daerom moeste hy, te weten, den eeuwigen
Sone Godts, die in \'t eerste capittel beschreven is.
d V. Wat is een Middelaer?
A. Een Middelaer in \'t gemeyn is sulck een, die
tusschen . twee partijen ten besten spreekt, ende die
gene, die oneens waren, t\'samen versoent; het zy
dan, dat hy alleen door goet bescheyt de partijen
onderlinge doet overeendragen, het zy dan dat hy
oock yet van het sijne daer toe geeft, om die partije,
die verongelijckt is, te vreden te stellen,
d V. Hoedanigh een Middelaer wort hier vereyscht?
A. Soodanigh een Middelaer, die niet alleen ten
besten spreeckt, maer oock de verongelijckte partije
genoegh doe; soo dat alhier de Middelaer is soo-
danigh een persoon, versoenende Godt, die door de
sonden vertoornt is, met den menschen, die schul-
digh is des eeuwigen doots om der sonden wille;
voldoende de rechtveerdigheyt Godts, door sijn doot
ende volkomen gehoorsaemheyt, ende biddende voor
de misdadige; toe-eygenende den geloovigen sijne
-ocr page 220-
212              Van de Conditien des Middelaers.
verdiensten, door den geloove, ende haer wederba-
rende door sijnen Geest; ende ten laetsten, ver-
hoorende het suchten, ende de gebeden der gener,
die hem aenroepen. Waer toe van nooden was, dat
de Middelaer was waerachtigh ende rechtveerdigh
mensche, ende daer beneven waerachtigh Godt, ge-
lijck nu gehoort is, ende naerder blijcken sal in de
volgende Sondagh.
SONDAGH VI. Vrage 16, 17, 18, 19.
Vrage 16.
Waerom moet hy een waerachtigh ende recht-
veerdigh mensche zijn?
Antw. Om dat de rechtveerdigheyt Godts voor-
derde, dat de menschelicke natuer die gesondight
hadde voor de sonde betaelde, ende dat een men-
sche selve een sondaer zijnde, niet en konde voor
andere betalen.
d V. In hoe veel deelen wort desen Sondagh afgedeelt ?
A. In drie deelen.
d V. Welck zijn die drie deelen?
A. 1. De Conditien, die in onsen Middelaer ver-
eyscht worden. 2. Wie desen Middelaer is. 3. Waer
uyt dat wy dat weten. Het eerste is begrepen Vrage
16, 17. Het tweede Vrage 18. Het derde Vrage 19.
d V. Hoe wort dat eerste onder deelt?
A. In twee deelen. 1. Waerom dat de Middelaer
moest ware ende rechtveerdigh mensche zijn, Vrage
16. 2. Waerom dat hy oock moeste Godt zijn, Vrage 17.
b V. Hoedanïgh moest uwen Middelaer zijn?
A. Godt en mensen.
-ocr page 221-
Van de Conditien des Middelaers.             213
b V. Waerom moest de Middelaer mensch zijn?
A. Op dat hy soude konnen lijden ende sterven,
b V. Konde de Godtheyt niet lijden ende sterven?
A. In \'t minste niet.
b V. Waerom niet?
A. Om dat de Godtheyt dan verderflick ende ver-
anderlick soude zijn, tegen het gene Paulus seght,
1. Tim. cap. 1. vs. 17. Den onverderflicken Godt:
Ende den Apostel Jacob. cap. 1. vs. 17. By den
welcken geen veranderinge en is, ofte schaduwe van
omkeeringe.
b V. De Middelaer dan gestorven zijnde, is hy ge-
storven na sijn menschelicke, ofte na sijn Goddelicke
natuer ?
A. Na sijn menschelicke natuer.
d V. Wie zijn die gene, die seggen, dat hy is ge-
storven na sijn Goddelicke natuer?
A. Sommige Mennoniten.
d V. Waer uyt willen sy dat bewijsen?
A. Uyt Actor. 20. 28. Welcke hy verkregen heeft
door sijn eygen bloet.
d V. Wat soudt ghy daer op antwoorden?
A. Daer wort alleen van den Apostel aengewesen,
de persoon, die de gemeynte gekocht, ende verkre-
gen heeft,
d V. Wort dan daer eygentlick niet gesproken van
de Goddelicke nature?
A. Neen.
™ V. Bewijst dat eens?
A. Om dat\'er geseght wort, dat hy sijn gemeynte
verkregen heeft, met sijn bloet.
™ V, Wat dunckt u, slaet dit op de Goddelicke ofte
op de menschelicke natuer?
A. Op de menschelicke natuer: want de Godde-
licke natuer en heeft geen bloet, soo en kan
dit dan niet na de Goddelicke natuer verstaen
werden.
V. Wort de Godtheyt volgens dit gevoelen van de
-ocr page 222-
214              Van de Conditien des Middelaers.
Mennoniten, by vaste consequentie ende gevolge,
vernietight ende verloochent?
A. Ja.
d V. Was het oock van nooden, dat de Middelaer
stierf?
A. Ja: want hy moest voor ons voldoen, door
vergietinge sijns bloets, nadien sonder bloetstortinge
geen vergevinge geschiet. Hebr. 9. 22. Hy moest
oock sterven in onse plaetse, volgens het dreygement
Godts; Genes. 2. 17. Want ten dage als ghy daer
van eet, sult ghy den doot sterven, op dat hy, door
sijn lijden ende doot, den mensche, die gesondight
hadde, soude verlossen.
d V. Waer uyt soudt ghy bewijsen, dat de Midde-
laer moeste mensche zijn ?
A. Hebr. 2. 11. Want, ende hy die heylight, ende
sy die geheylight worden, zijn alle uyt een: om
welcke oorsake hy hem niet en schaemt haer broe-
ders te noemen, &c.
c V. Wat voor een mensche moest de Middelaer zijn,
in den schijn ende bloote vertooninge; ofte uyt niet
geschapen, ofte van den hemel afgekomen, gelijck
de Wederdoopers seggen?
A. Geensins: maer een waerachtigh mensch, ge-
lijck wy zijn , dat is, gesproten uyt het menschelicke
geslacht, dat gesondight hadde, ende van Adam
voortgeteelt was, ende alle swackheden onderworpen.
c V. Is de Middelaer soodanigh mensch geweest?
A. Ja: (doch sonder eenige sonde) gelijck blijckt
uyt de deelen der menschelicke nature, daer uyt een
mensche bestaet, welck zijn lichaem ende ziele.
c V. Heeft de Middelaer beyde dese deelen als mensch
gehadt?
A. Ja: want sijn lichaem is gevangen, gespannen,
geslagen, bespot, gekruycight, &c. ende van sijn
ziele leest men Esai. cap. 53. vs. 11. Om den arbeyt
sijner ziele sal hy \'t sien. Matth. cap. 26. vs 38.
Mijne ziele is geheel bedroeft tot der doot toe. Joh.
-ocr page 223-
Van de Conditien des Middelaers.             215
cap. 12. vs 27. Nu is mijne ziele ontroert, ende op
verscheyden andere plaetsen.
e V. Is sijn Godtheyt niet in plaetse van de ziele
geweest ?
A. Neen.
e V. Maer de Middelaer schijnt sulck een mensch niet
geweest te zijn, als wy zijn, want hy is geweest
sonder sonde, ende wy zijn sondige menschen ?
A. De sonde en is niet van de substantie ende
het wesen des mensches, gelijck blijckt uyt onse
eerste Voorouders voor den val, maer is van buyten
de menschelicke natuer aengekomen: en de Midde-
laer heeft onse natuer, ende hare eygenschappen
aengenomen, tot de welcke de sonde niet en gehoort.
d V. "Waer uyt bewijst ghy, dat de Middelaer een
waerachtigh mensche moest wesen?
A. 1. Om dat de beloofde Messias moest zijn het
zaet der vrouwe, vertredende het hooft der slangen;
onse broeder, ons hooft, ende wy sijn ledematen:
Genes. cap. 8. vs 15. Ende ick sal vyantschap setten
tusschen u, ende tusschen dese vrouwe, ende tus-
schen uwen zade, ende tusschen haren zade. Hebr.
cap. 2. vs 11. Om welcke oorsake hy hem niet en
schaemt haer broeders te noemen. 2. Om dat de
Middelaer, die gene, die hy met Godt versoenen
soude, alsoo met hemselven vereenigen moeste, dat
sy souden wesen vleesch van sijnen vleesche , ende
been van sijnen beene, ende leden sijns lichaems,
daer van hy het hooft soude zijn: soo moest hyse
dan alle in hemselven tot eenen nieuwen mensche
scheppen, op dat hy mochte vrede maecken: Ephes.
cap. 2. vs 15. Op dat hy die twee soude in hem-
selven tot eenen nieuwen mensche scheppen, vrede
makende. 3. De rechtveerdigheyt Godts vereyschte
dat deseïve menschelicke natuer, die gesondight hadde,
oock selfs voor de sonde betalen soude: Genes. cap.
2. vs 17. Want ten dage als ghy daer van eet, sult
ghy den doot sterven. Ezech. 18. 20. De ziele die
-ocr page 224-
216              Van de Conditien des Middelaers.
sondight die sal sterven. Nu, de menschelicke na-
tuer, die van Adam voortgeteelt is, heeft gesondight;
daerom heeft oock de Middelaer moeten geboren wor-
den uyt de nakomelingen Adams , op dat sijn doot
soude gelden voor deselfde, ende op dat het selve
menschelick geslacht, welck gesondight hadde, door
sijn voldoeninge soude mogen verlost werden,
b V. Was het genoegh dat de Middelaer een waer-
achtigh mensche was?
A. Neen.
b V. Hoedanigh mensch moest hy zijn?
A. Een rechtveerdigh mensche.
b V. Soude het niet even veel geweest zijn, of hy
een rechtveerdigh of onrechtveerdigh, ende sondigh
mensche ware geweest?
A. Neen.
c V. Soude men niet mogen staende houden, dathy
een sondigh mensche kost geweest zijn?
A. Neen.
d V. Wat text hebt ghij hier tegen?
A. Hebr. 7. vs 26. Want soodanigh een Hooge-
priester betaemde ons, heyligh, onnoosel, onbesmet,
afgescheyden van de sondaren, ende hooger dan de
hemelen geworden,
d V. Wie zijn die gene, die seggen, dat de Midde-
laer wel een sondige natuer konde aengenomen hebben ?
A. Eenige scholastijcke leeraers in \'t Pausdom;
van welckers gevoelen de Remonstranten soo heel
vreemt niet schijnen te zijn. Siet hare Apologie fol. 190.
d V. Maer behoort van de Christenen wel gedispu-
teert te werden, of hy een sondige natuer hadde
konnen aennemen?
A. In het minste niet.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat de Middelaer een
rechtveerdigh mensche moest zijn?
A. Hebr. 7. 26. Want soodanigh een Hoogepriester
betaemde ons, heyligh, onnoosel, onbesmet, afge-
scheyden van de sondaren.
-ocr page 225-
Van de Conditien des Middelaers.             217
d V. Heeft de Catechismus niet een bondige reden?
A. Ja.
d V. Welck is die?
A. In gevalle de Middelaer sondigh geweest ware,
soo soude hy ons niet hebben konnen verlossen,
maer soude genoegh met hemselven te doen gehadt
hebben, want hy soude selfs niet hebben konnen
ontvlieden den toorne Godts, veel min dan soude
hy ons hebben konnen verwerven de quijtscheldinge
onser sonden, ende het leven verdienen.
Vraue 17.
Waerom moet hy t\'samen een waerachtigh Godt
zijn?
Antw. Op dat hy uyt kracht aijner Godtheyt,
den last des toorns Godts aen sijner menacheyt
dragen, ende ons de gerechtigheyt ende dat leven
verwerven ende weder geven raochte.
V. Is het genoegh dat de Middelaer waerachtigh
ende rechtveerdigh mensche was?
A. Neen.
V. Wat was er dan noch meer van nooden ?
A. Hy moest oock Godt zijn?
V. "Waerom moest hy Godt zijn?
A. De Middelaer moest, 1. Den toorne Godts tegen
de sonde dragen 2. Hy moest ons het eeuwige leven
verwerven. 3. Hy moest ons de gerechtigheyt ende
het eeuwige leven weder geven.
V. Soude hy dit oock niet hebben konnen doen
soo hy maer een bloot mensche geweest ware?
A. Neen: Siet Vrage 14.
V. Is daer eygentlick toorne in Godt ?
A. Neen.
-ocr page 226-
218              Van de Conditien des Middelaers.
d V. Wat beteeckent dan den toorne in Godt?
A. Een haet ende afkeer van de sonde, ende een
standvastigen wil, om de sonde te straffen: Psalm
5. vss. 5, 6, 7. Want ghy zijt geen Godt, die lust
heeft aen de goddeloosheyt, de boose en sal by u
niet verkeeren, &c.
d V. Waer in bestaet den toorne Godts te dragen ?
A. Wanneer men lijdt de tytlicke ende eeuwige
doot ende verdoemenisse.
o V. Kan een bloote creatuer den last van Godts toorn
wel dragen?
A. Ja.
e V. Kanse die soo dragen, dat syse doordraeght,
doorstaet, voldraeght, ende uytdraget?
A. Neen.
d V. Maer kost de Heere geen creatuer daer toe
stereken ?
A. Neen.
d V. Die in de helle leggen, konnen, ende moeten
die Godts toorn dragen?
A. Ja.
d V. Sullense die wel uytdragen, soo datse eens
sullen voldaen hebben, ende verlost werden?
A. Neen.
d V. Bewijst, dat de Middelaer, als Godt, den toorne
Godts moeste dragen?
A. Jesa. 63. 5, 6. Ende mijne grimmigheyt die
heeft my ondersteunt, &c.
d V. Bewijst, dat hy ons de gerechtigheyt ende het
eeuwige leven verwerven moeste?
A. Jer. 23. 6. De Heere onse gerechtigheyt. Hebr.
5. 9. Ende geheylight zijnde is hy allen die hem
gehoorsaem zijn een oorsake der eeuwige saligheyt
geworden.
d V. Bewijst, dat hy ons de gerechtigheyt ende het
leven weder geven moeste?
A. 1. Corinth. 1. 30. Maer uyt hem zijt ghy in
Christo Jesu, die ons geworden is wijsheyt van Gode
-ocr page 227-
Van de Conditien des Middelaers.             219
ende rechtveerdigheyt, ende heylighmakinge, ende
verlossinge. 2. Timoth. 1. 10. 1. Joh. 4. vss. 10, 14.
b V. Heeft de Middelaer oock in sijn Godtheyt geleden ?
A. Neen.
b V. Konde hy in sijn Godtheyt niet lijden?
A. Neen: siet de 16. Vrage.
c V. Heeft dan de Godtheyt stille gestaen, soo datse
niet bygebracht of gedaen soude hebben tot de vol-
doeninge sijnes lijdens?
A. Neen.
e. V. Wat heeft sy dan gedaen\'?
A. Ten eersten, sy heeft de menscheyt ondersteunt,
ende staende gehouden in het lijden. Ten anderen,
sy heeftse oock krachten gegeven, om dat lijden door
te staen, en daer in te overwinnen. Eyndelick heeft
sy weerdije, valeur, ende genoeghsaemheyt gegeven
aen dit lijden ende dese gehoorsaemheyt; soo dat dit
korte lijden des Middelaers, by Godt heeft gevali-
deert, tot wechneminge onser sonden, als zjjnde het
lijden des Soons Godts; de menschelicke natuer in
eenigheyt des persoons aengenomen hebbende.
<1 V. "Wie heeft den Middelaer dan geholpen, dat
hy den toorne Godts konde lijden ende dragen?
A. Hy heeft hemselven geholpen,
e V. Na wat natuer is sulcks geschiet, na de men-
schelicke, ofte na de Goddelicke natuer?
A. Na de Goddelicke natuer.
a V. Moest de Middelaer alleen mensen, ofte alleen
Godt zijn, ofte moest hy het beyde zijn?
A. Hy moest het beyde zijn.
" V. Moest hy beyde zijn in eenigheyt des persoons,
of moesten daer twee persoonen zijn?
A. In eenigheyt des persoons, want anders souden
daer twee Middelaers zijn.
" V. Indien een mensche gestorven ware, soude dat
geen betalinge geweest zijn?
A. Neen.
" V. Is dat dan niet weerdigh genoegh?
-ocr page 228-
220              Van\' de Conditien des Middelaers.
A. Neen.
c V. Maer na wat natuer is hy uwen Middelaer?
A. Na alle beyde.
d V. Was\'er oock een oorsake van buyten, die Chris-
tum sterckte?
A. Neen.
d V. Als de Goddelicke kracht, in ons lijden, ons
sterckt, dat is, van buyten, hoe is het dan in hem
van binnen?
A. Om dat hy selfs Godt is, ende sijne Godtheyt
met de menschelicke natuer vereenight tot een persoon.
c V. Heeft de Vader hem gesterckt?
A. Ja.
c V. Heeft de Soon hem gesterckt?
A. Ja.
c V. Heeft de H. Geest hem gesterckt?
A. Ja.
c V. Hoe veel sterckten ende krachten zijn dat?
A. Een.
b V. Maer ghy noemt\'er drie?
A. Het zijn drie persoonen, maer eenen Godt, en
alsoo oock eene Godtheyt ende Goddelicke kracht,
b V. Is dan de Vader oock de Middelaer Godtsende
der menschen?
A. Neen.
b V. Is het de H. Geest?
A. Neen.
c V. Hoe komt het, dat het de Vader ende de Hey-
lige Geest niet en zijn, maer alleen de Soon, nade-
mael sy soo wel als de Soon de menscheyt hebben
gesterckt ende onderstut?
A. Om dat sy de menscheyt niet hebben aengenomen.
c V. Heeft de Middelaer voor alle onse sonden ge-
leden?
A. Ja.
d V. Het schijnt nochtans neen, nademael hy maer
soo eenen korten tijt geleden heeft, daer wy moesten
Jijden de eeuwige doot ende verdoemenisse ?
-ocr page 229-
Van den Middelaer.                         221
A. Dat de Middelaer maer soo een korten tijt heeft
geleden, en door dit korte lijden ons volkomentlick
met Godt versoent heeft, dat is gekomen van wegen
de weerdigheyt sijnor Goddolicke nature, na dewelcke
hy hadde ende toebracht een oneyndige kracht ende
waerdigheyt, ende volgens dien te wege bracht ge-
noeghsame voldoeninge ende verdienste. Soo dat dit
lijden geweest is, het lijden des Soons Godes; ende
dat dien volgens sijne verdiensten genoeghsaem, ja
oneyndigh geweest zijn.
c V. Heeft hy oock met sijn gehoorsaemheyt ons het
leven wedergegeven?
A. Ja: Siet de geciteerde plaetsen, 2. Timoth. cap.
1. vs. 10. Die den doot heeft te niete gedaen, ende
het leven ende onverderflickheyt aen het licht ge-
bracht door het Euangelium. 1. Joh. cap. 4. vss. 10,14.
c V. Maer kost de Middelaer ons, die soo nietige
creaturen waren, met onsen Godt vereenigen?
A. Ja.
c V. Is het niet genoegh, dat de Middelaer ons de
saligheyt heeft verworven?
A. Neen.
c V. Moest hyse ons oock toepassen ende datelicken
toebrengen ?
A. Ja: Siet de bovengeciteerde plaetsen, 1. Corinth.
1. vs. 30. 2. Timoth. 1. 10.
Vraöe 18.
Maer wie is deselve Middelaer die t\'samen een
waerachtigh Godt, ende een waerachtigh recht-
veerdigh mensche is?
Antw. Onse Heere Jesus Christus, die ons van
Gode tot wijsheyt, rechtveerdigheyt ende tot een
volkomen verlossinge geschoncken is.
-ocr page 230-
222                         Van den Middelaer.
a V. Wie is nu desen Middelaer?
A. De Heere Jesus Christus,
a V. Wie al meer?
A. Niemant meer.
b V. Is het de Vader?
A. Neen.
b V. Is het de H. Geest?
A. Neen.
c V. Waerom is het de Vader noch de H. Geest
niet, daer nochtans maer eenen Godt is?
A. Om dat\'er drie onderscheydelicke persoonen zijn
in het eenigh Goddelick wesen.
c V. Is dan de Vader of de H. Geest Godt de
Sone ?
A. Neen.
c V. Zijnse dan een ander?
A. Ja.
c V. Wat ander, een ander Godt?
A. Neen: want soo souden daer meer Goden als
een zijn: maer een ander persoon.
b V. Is Maria, de Engel Gabriel, of een ander Engel,
uwen Middelaer?
A. Neen.
c V. Waerem niet?
A. Om datse geen Godt en mensch zijn.
<• V. Worden die twee conditien in den Middelaer
vereyscht ?
A. Ja: als te voren gehoort is.
b V. Zijn de Engelen Godt?
A. Neen.
b V. Zijnse menschen?
A. Neen.
b V. Is Maria Godt?
A. Neen.
b V. Is Maria mensch?
A. Ja.
c V. Is Maria soodanigh een mensch als in den
Middelaer vereyscht wort?
-ocr page 231-
Van dun Middelaer.                        223
A. Neen.
c V. Hoedanigh mensch moest de Middelaer wesen?
A. Een volkomen rechtveerdigh mensche.
c V. Is Maria soodanigh mensch geweest?
A. Neen.
c V. Is sy dan een sondigh mensch geweest?
A. Ja.
c V. Is \'er wel yemant een volkomen rechtveerdigh
mensch geweest, als de Heere Christus?
A. Neen.
b V. Zijn dan alle menschen sondigh, geen uytgeno-
men?
A. Ja.
d V. Of ick seyde dat sulcks niet waer en was, hoe
soudt ghy my overtuygen?
A. Met Kom. 3. 12, 13, &c. Alle zijn sy afgewe-
ken, te samen zijn sy onnut geworden, daer is nie-
mant die goet doet, daer en is oock niet tot een toe,
&c. Ephes. cap. 2. vs. 3. Joh. cap. 3. vs. 6. Genes.
8. 21.
d V. "Wat sullen wy dan seggen van David, Josia,
Zacharia en Elisabeth: Luc. 1. 6. Ende sy waren beyde
rechtveerdigh voor Godt, wandelende in alle de ge-
boden ende rechten des Heeren onberispelick ?
A. Dat is te verstaen van een rechtveerdigheyt voor
de menschen, ende niet voor Godt; ende van een
oprechthertige rechtveerdigheyt, die gestelt wert tegen
huychelerije, ende den uyterlicken schijn: want dese
alle hebben hare gebreken ende fouten gehadt: David
heeft hem verloopen in Overspel en Dootslagh, 2. Sam.
12. Zacharias in ongeloovigheyt, Luce 1. Josia in eenen
onnoodigen strijt aen te nemen, 2. Paral. 35. 22.
*> V. Moest de Middelaer alleen rechtveerdigh mensch
zijn, of oock waerachtigh Godt?
A. Oock waerachtigh Godt.
" V. Is \'er onder de Heyligen, of onder de menschen
yemant die Godt ende mensche is in een persoon,
ende volgens dien onse Middelaer?
-ocr page 232-
224                          Van den Middelaer.
A. Neen.
c V. Maer soo daer maer eenen Middelaer is, wat
oordeelt ghy van de Papisten, die andere Middelaers
opwerpen, nevens Christum?
A. Sy dwalen in desen deele groffelick.
o V. Wat wenden sy voor tot haerder verschooninge\'?
A. Dat Christus is de Middelaer van verlossinge,
ende de andere Middelaers van intercessie ofte voor-
biddinge.
d V. Maer is dat een goede distinctie?
A. Geensins.
d V. Hoe bewijst ghy dat?
A. 1. Om dat Godts woort nergens soodanige een
onderscheyt van Middelaers en kent. 2. Die gene die
onsen Middelaer is van verlossinge, is oock onsen
Middelaer van voorbiddinge.
d V. Hoe bewijst ghy dat?
A. 1. Joh. 2. 1, 2. Wy hebben eenen voorsprake
by den Vader, Jesum Christum den rechtveerdigen.
vs. 2. Ende hy is een versoeninge voor onse sonden.
met 1. Tim. 2. 5.
d V. Maer hoe soudt ghy bewijsen, dat de Heere
Christus alleen uwen Middelaer is?
A. Ten eersten, uyt 1. Tim. 2 5. Daer is oock
een Middelaer Godes ende der menschen, de mensche
Christus Jesus. Ten anderen, om dat alleen in Christo
gevonden worden de conditien, die in den Middelaer
vereyscht worden: van sijn Goddelicke natuer sullen
wy sien Vrage 83. ende van sijn menschelicke natuer
Vrage 35.
d V. Hoe soudt ghy voor d\'eenvoudige klaerlick be-
wijsen dat dit het oude geloof is, dat men alleen den
Heere Christum moet hebben tot een Middelaer, tus-
schen Godt en ons.
A. Dat het woort Godts ons niemant anders voor-
draeght, die voor onse sonden gestorven is, als de
Heere Christus.
d V. Wat dunckt u van die gene, die daar sonder
-ocr page 233-
Van het Euangelium.                         225
Christo, alleen door haer selven haren Godt dorven
aenvallen ?
A. Sy loopen op het onseker, ende slaen de locht.
d V. Wat dunckt u van die gene, die alleen den
naem, ende niet de persoon ofte het ampt onses
Salighmakers kennen?
A. Sy hebben een schijn-geloof, of een enckel woort-
geloof.
d V. Is het dan soo groote sonde , dat men de ge-
legentheyt onses Heeren Jesu Christi niet ter degen
betracht te weten?
A. Ja.
b V. "Wie is de Middelaer der geloovigen des Ouden
Testaments geweest?
A. De Heere Christus,
c V. Hoe was hy haren Middelaer?
A. Als haren borge, sullende t\'sijner tijd in de
werelt komen, ende alles voldoen,
c V. Hoe is hy onsen Middelaer?
A. Als die aireede gekomen is.
d V. Mogen de geloovigen des Ouden Testaments wel
Christenen genaemt werden?
A. Ja.
b V. Hebben sy dan in Christum gelooft?
A. Ja: Joh. 8. 56. Abraham uwe vader heeft met
verheuginge verlanght, op dat hy mijnen dagh sien
soude: ende hy heeft hem gesien, &c.
b V. "Waer toe is Christus u geworden?
A. Tot wijsheyt, rechtveerdighmakinge, heyligh-
makinge ende een volkomen verlossinge.
e V. Waer staet desen text?
A. 1. Corinth. 1. 30.
VraöE 19.
Waer uyt weet ghy dat?
Antw. Uyt den H. Euangelio, \'t welck Godt selve
15
-ocr page 234-
226
Van het Euangelium.
eerstelick in \'t Paradijs geopenbaert heeft, ende
namaels door de H. Patriarchen, ende Propheten
laten verkondigen, ende door de Offerhanden, ende
andere Ceremoniën des Wets laten voorbeelden,
ende ten laetsten door sijnen eenighgeboren Soon
vervult.
b V. Waer uyt weet ghy dit alles?
A. Uyt den Euangelio.
c V. Kan men, uyt het licht der nature, niet weten,
dat \'er een Middelaer is, ende wie desen Midde-
laer is?
A. Neen.
c V. Soude men Christum wel leeren kennen uyt elck
versken van de H. Schrifture?
A. Neen.
c V. Wel uyt de 10. Geboden?
A. Neen.
c V. Waer uyt dan?
A. Uyt den Euangelio.
d V. In hoe veel stucken bestaet den inhoudt van de
H. Schrifture?
A. In twee stucken, namelick, Wet ende Euan-
gelium.
c V. Wat is de Wet?
A. De Wet wort genoemt, dat deel van Gods woort,
waer door de mensche wort geleert ende verbonden
tot een volkomene gehoorsaemheyt aen sijnen Godt.
o V. Wat beteeckent het woordeken Euangelium?
A. Een blijde boodtschap, ofte een goede ende aen-
genarue tijdinge.
c V. Wat is het Euangelium?
A. Die Goddelicke leere, waar door den geloovigen
verkondight wort de volkomen verlossinge door Chris-
tuin den Middelaer.
b V. Is de Wet, ende het Euangelium, alle beyde
van Godt?
-ocr page 235-
Van het Euangelium.
227
A. Ja.
e V. Waer staet de Wet beschreven, in de boecken
des Ouden, ofte Nieuwe Testaments?
A. In alle beyde.
c V. Waer staet het Euangelium beschreven, in het
Oude, ofte in \'t Nieuwe Testament?
A. In alle beyde.
c V. Is het Euangelium oock geopenbaert in \'t Para-
dijs?
A. Ja: Genes. 8. 15. Ende ick sal vyantschap setten
tusschen u , ende tusschen dese vrouwe, tusschen uwen
zade, ende tusschen haren zade, dat selve sal u den
kop vermorselen.
c V. Staet het oock in de Propheten"?
A. Ja. Esai. 7. en 9. en 53, &c.
c V. Staet het oock in de Psalmen?
A. Ja. Psalm 2. en 16. en 22. en 45. 89 en 110.
c V. Als \'er staet Genes. 3. 15. Het zaet der vrouwe
sal de slange den kop vertreden, is dat Wet of
Euangelie?
A. Euangelie.
d V. De Wet ende het Euangelium is dat niet een?
A. Neen.
d V. Strijdense dan tegen malkanderen?
A. Neen.
d V. Staet het Euangelium in de Wet besloten?
A. Neen.
d V. Sluyt de Wet dan het Euangelium uyt?
A. Neen.
d V. Wat doet de Wet dan?
A. Sy doet den mensche, een overtreder der Wet
geworden zijnde, in, ende op hemselven despereren,
ende drijft hem, om buyten hemselven elders een
Verlosser te soecken, soo hy immers niet verloren
wil gaan.
d V. Wijst de Wet den mensche, die overtreden
heeft, den Verlosser aen, ende maecktse bekent, wie
den Verlosser is?
-ocr page 236-
Van het Euangelium.
228
A. Neen: niaer sy brenght den mensche zoo verre,
dat hy (gevoelende sijne groote ellendigheyt, ende
bemerckende sijne groote onmacht, om hemselven te
helpen, ende geerne wenschende geholpen te wesen)
sal beginnen om te sien, na yemant, die hem soude
mogen komen helpen ende verlossen: en alsoo is de
Wet, als by toeval eenighsins een manuducteur ofte
aenleydster tot den verlosser Christum?
b V. Waer is het Euangelium eerst geopenbaert?
A. In den Paradijse. Genes. 3. 15.
b V. Wie heeft het eerst gepredickt?
A. De Heere onse Godt.
c V. Hoe is het doen verder voortgeplant?
A. Door de Patriarchen
d V. Wat zijn Patriarchen?
A. Hoofden van de huysgesinnen, ende de gcslach-
ten der geloovigen, door dewelcke Godt sijne Kercke
leerde,
d V. Welck zijn de Patriarchen, noemtse eens?
A. Adam, Seth, &c. Noach, Sem, &c. Abraham,
Isaac, Jacob , Juda, Joseph , &c.
c V. Hoe is \'t al verder voortgeplant?
A. Door offerhanden ende ceremoniën des Wets.
d V. Wat zijn ceremoniën?
A. Figuren en voorbeelden.
d V. Noemt eens een ceremonie?
A. De offerhanden des Ouden Testaments, feesten, &c.
d V. Sagen de ceremoniën op Christum?
A. Ja.
d V. Bewijst dat?
A. Col. 2. 17. Welcke zijn een schaduwe van toe-
komende dingen, maer het lichaem is Christi.
d V. Is dan de leere van het Oude ende Nieuwe
Testament een ?
A. Ja.
d V. Verschilt de leere des Euangeliums in den
Ouden Testamente, van de leere des Euangeliums in
den Nieuwen Testamente?
-ocr page 237-
Van het Euangelium.                        229
A. Ja.
d V. Hoe, in substantie en wesen\'?
A. Neen.
.1 V. Hoe dan?
A. In de omstandigheden, ende de maniere van
uyterlicke dispensatie ende applicatie,
d V. Hebben die van \'t Oude Testament een andere
moralo Wet gehadt, als wy nu hebben ?
A. Neen.
d V. Waer was dan de leere der Wet volmaeckter
voorgestelt, in \'t Oude, ofte Nieuwe Testament?
A. In alle beyde even volmaeckt, soo veel de sub-
stantie aengaet.
d V. Wie seggen, dat de Wet, in substantie ofte in
den gront, volmaeckter in \'t Nieuwe, als in \'t Oude
Testament is voorgestelt?
A. Papisten, Socinianen, Remonstranten, Men-
noniten.
d V. Waer uyt willen sy dat insonderheyt bewijsen ?
A. Uyt Matth. 5. 21, 27, 32, 38, 42. Ghy hebt
gehoort dat tot den Ouden geseght is, Ghy en sult
niet dooden, &c
tl V. Wie waren de Oude, daer Christus van spreeckt,
waren \'t Moses ende de Propheten?
A Neen: maer de Schriftgeleerden ende Rabijnen;
welckers traditien de Joden onderhielden,
d V. Waer uyt soudt ghy dat bewijsen?
A. Uyt het voornemen onses Salighmakers, welck
niet soodanigh geweest is, dat hy heeft willen ver-
beteren, de Wet van Moses voorgedragen, maer te
verwerpen de gerechtigheyt, ende valsche leere der
Pharizeen, ende de volmaecktheyt ende onvergancke-
lickheyt van de Wet Mosis vast te setten, als te
sien is Matth. 5. vss. 17, 19, 20. Meynt niet dat ick
gekomen ben om de Wet ofte de Propheten te ont-
binden, &c. 2. Om dat men nergens leest, in Godts
woort, dat soodanige dingen van Mose geseght zijn,
maer wel het contrarie: als by exempel vs. 43. van
-ocr page 238-
230                        Van het Euangelium.
sijn vyant te haten. Daer van het contrarie staet
Exod. 23. 4, 5. Proverb. 25. 21.
d V. Was de Wet dan in \'t Oude ende Nieuwe
Testament?
A. Ja.
d V. Wat onderscheyt is\'er tusschen het Euangelium
in \'t Oude, ende tusschen het- Euangelium in \'t Nieuwe
Testament voorgestelt ?
A. Het Euangelium in \'t Oude Testament wees aen
eenen Christum, die in de werelt komen soude; het
Euangelium in \'t Nieuwe Testament wijst aen eenen
Christum, die in de werelt gekomen is.
d V. Was \'er oock onderscheyt in de omstandigheyt,
ende maniere van voorstellinge ?
A. Ja.
d V. Noemt eens het onderscheyt?
A. In het Oude Testament wiert het voorgestelt
onder figuren ende voorbeelden: in den Nieuwen Tes-
tamente klaerder, sonder soodanige figuren ende voor-
beelden: waer op siet de Apostel Paulus 2. Corinth.
3. vss. 14, 15, 16, 17, 18. Want tot op den dagh
van heden blijft het selve decksel in het lesen des
Ouden Testaments sonder ontdeckt te worden: het
welcke door Christum te niete gedaen wort, &c.
c V. De geloovige des Ouden Testaments, zijn die
door hare wereken gerechtveerdight?
A. Neen.
c V. Wie worden dan door de wereken gerechtveer-
dight, sy in \'t Oude, of wy in \'t Nieuwe Testament?
A. Noch sy, noch wy.
c V. Wierden sy niet gerechtveerdight door de onder-
houdiuge van do Wet Mosis?
A. Neen.
c V. Wat is het gene dat wy sien, en dat sy niet
gesien en hebben?
A. P*t Christus gekomen is.
V. 2ijn wij dan in dien deele in ons geloove hoo-
ger ende treffelicker als sy?
-ocr page 239-
Van het Euangelium.
231
A. Ja: Luce 15. vss. 23, 24. Saligh zijn de oogen
die sien \'t gene ghy siet, want ick segge u, dat
vele Propheten ende Koningen hebben begeert te
sien \'t gene ghy siet, ende en hebben \'t niet ge-
sien, &c.
c V. Is Christus den geloovigen in den Ouden Tes-
tament ooek belooft?
A. Ja.
d V. Hebben sy gantsch geen geestelicke, maer alleen-
lick lichamelicke beloftenissen gehadt? \'
A. Geensins.
d V. Wie seggen sulcks?
A. De Socinianen.
d V. Is haer niet belooft het eeuwige leven?
A. Ja.
d V. Wie ontkennen sulcks?
A. De Socinianen.
d V. Waer uyt soudt ghy bewijsen, dat de Heere
Christus belooft is den geloovigen des Ouden Testa-
ments?
A. Joh. 5, 46. Want indien ghy Mosi geloofdet, soo
soudt ghy my gelooven, want hy heeft van my ge-
schreven. Siet oock Luce 24. 27. ende 44. 1. Petr. 1.
9, 10, 11.
d V. Waer uyt soudt ghy bewijsen, datse gehadt
hebben geestelicke beloftenissen?
A. Levit. 26. vs. 12. Ende sal u tot een Godt z\\jn,
ende ghy sult my tot een volck zijn: met 2. Corinth.
6. vss. 16, 17, 18. vergeleken; insgelijks Actor. 10.
vs. 43. Rom. 1 vs 2. en 10. 16. 1. Petr. 1. 10.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat haer belooft is ge-
weest het eeuwige leven?
A. Hebr. 11. 13, 14, 15. Dese alle zijn in het
geloove gestorven de beloften niet verkregen heb-
bende , &c.
d V. Wat bewijs brengen de Socinianen by, om haer
stuck staende te houden?
A. Hebr. 8. vs. 6. Ende nu heeft hy soo veel uyt-
-ocr page 240-
232                         Van het Euangelium.
nemender bedieninge gekregen, als hy oock eenes
beteren verbonts Middelaer is.
d V. Wat soudt ghy daer op antwoorden?
A. De Apostel wil daer mede niet te kennen geven,
dat de geloovigen des Ouden Testaments niet souden
gehadt hebben de geestelicke beloftenissen: want soo
soude hy tegen hemselven hebben gegaen, alsoo hij
niet gepredickt heeft buyten Mose ende de Propheten.
Actor. 26. 22. Maer hy wil daer door te kennen
geven, dat de geloovigen des Ouden ende des Nieu-
wen Testaments niet hebben een egale ende gelijcke
mate van de geestelicke openbaringe, waer van daen
dese vergelijckinge van den Apostel is voortgebracht,
soo datse veel eer moet gebracht werden tot de forme
ende wijse, dat is, tot verscheydentheyt der Godde-
licke bedieninge, als wel tot de materie ende sake
selfs.
d V. Wat bewijs brengen sy meer by?
A. 2. Tim. 1. 10. Doch nu geopenbaert is door de
verschijninge onses Salighmakers Jesu Christi.
d V. Wat soudt ghy daer op antwoorden?
A. De genade wort geseght geopenbaert te zijn,
door de heerlicke verschijninge onses Salighmakers
Jesu Christi, om datse klaerder door Christum voor-
gestelt is: want dit is de maniere des Geests, dat
hy dickwils seyt een sake te geschieden alsse meerder
vertoont wert, als te sien is Proverb. 17. vs 17. Een
broeder wort in de benauwtheyt geboren. Ende dat
het alhier in dese spreucke des Apostels oock soo
moet genomen werden, dat geven de volgende woor-
den te kennen.
d V. Maer zijn de geloovigen des Ouden Testaments,
die beloften ende toeseggingen, insonderheyt van het
eeuwige leven, voor de komste Christi wel deelach-
tigh geworden, dat is, zijnse stervende in den hemel
gekomen ?
A. Ja: als kan afgenomen werden uyt Col. 1. 20.
En dat hy door hem vrede gemaeckt hebbende, door
-ocr page 241-
Van het Euangelium.
233
het bloet sijns kruyees, door hem, segge ick, alle
dingen versoenen soude tot hemselven, het zij de
dingen die op der aerde, het zy de dingen die in de
hemelen zijn. Joh. cap. 8. vs. 50. Abraham uwe vader
heeft met verheuginge verlanght, op dat hy mijnen
dagh sien soude: ende hy heeft hem gesien ende is
verblijdt geweest. 1 Thess. cap. 4 vs. 16. Apoc. cap. 14.
vs. 13.
(1 V. Wie ontkennen sulcks?
A. De Papisten.
il V. Wat gevoelen sy in desen deele?
A. Dat do geloovigen des Ouden Testaments voor
de komste Christi, ja voor syn doot, gestorven zijnde,
in een seker Limbo, ofte Voorgeborghte van de helle
zijn bewaart geworden, tot dat onsen Salighmaker is
opgestaon van den dooden, ende opgevaren is, ende
deselve als doen eerst met hem genomen heeft na
den hemel.
\'1 V. Waer uyt willen zij dit bewijsen?
iA. Uyt Hebr. 11. 40. Op dat sy sonder ons niet
en souden volmaeckt worden.
V. Wat soudt ghy daer op antwoorden?
A. De Apostel Paulus, als hy seyt, op dat sy
sonder ons niet souden volmaeckt worden, wil daer
mede niet te kennen geven , dat de Vaders des Ouden
Testaments gestorven zijnde, souden in een seker
Limbo, ofte Voorgeborghte van de helle zijn bewaert
geworden: want dat soude strijden tegen het gene
de Apostel te voren van hare hope vs. 10. Maer nu
zijn sy begeerigh na een beter, dat is, na het hemel-
sche, geseght heeft, ende tegen de belofte Christi,
Matth. 5. 12. Verblijdt ende verheught u, want uwen
loon is groot in de hemelen: want alsoo hebben sy
vervolght de Propheten die voor u geweest zijn, als
oock tegen den tijt, in welcken Paulus dit schreef,
dewijle de Heere Christus als doen nu lange was op-
gevaren ten hemel, ende derhalven oock de Voor-
vaderen in den hemel, selfs na haer gevoelen, waren
-ocr page 242-
231
Van het Euangelium.
gebracht. Maer dese volmakinge siet en staet op de
vervullinge door de offerhande Christi, en wil de
Apostel dan hier mede te kennen geven, hoe dat de
geloovige des Ouden Testaments niet zijn verlost noch
behouden geworden, door de offerhande Christi, buy-
ten ons; maer dat sy en wy alle beyde verlost ende
behouden zijn geworden, door een ende de selfde offer-
hande: siet Hebr. 10. 14. Want met eene offerhande
heeft hy in eeuwigheyt volmaeckt de gene die ge-
heylight worden: want hadde de volmaecktheyt üi
het Oude Testament geweest, soo soude het Nieuwe niet
van nooden zijn geweest, ende sy souden hare vol-
makinge uyt een ander oorsaek hebben gehadt, dan
wy; het welcke in alle maniere tegen het woort Godts
soude strijden.
c V. Door wien is het Euangelium verder gepredickt?
A. Door de Propheten.
d V. Welck was de eerste Propheet, daer door Godts
woort eerst begost beschreven te worden?
A. Moses.
d V. Weet ghy het voort te brengen , uyt de Propheten,
van Christo\'?
A. Esai. 7. 14. Siet een Maeght sal swanger wor-
den, ende sy sal eenen sone baren, ende sijnen name
Immanuël heeten. en 9. vs. 5. Want een kint is ons
geboren, een Sone is ons gegeven, <fcc. als oock uyt
verscheyden Psalmen, boven geciteert.
b V. Door wien is dit Euangelium vervult?
A. Door den Sone Godts.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Luce 24. 44. Ende seyde tot haer, dit zijn
de woorden, die ick tot u sprack, als ik noch met u
was, namelick, dat het alles moeste vervult worden,
wat van my geschreven is, in de wet Mosis, ende
Propheten, ende Psalmen. Coloss. 2. 17. Actor. 13. 82.
Hebr. 1. 1. Heeft in dese laetste dagen tot ons ge-
sproken door den Sone. ende 7. en 8. en 9. en 10.
-ocr page 243-
Van het Euangelium.                        235
AENHANGHSEL.
c V. Is dit Euangelium verkondight geweest voor
den val\'?
A. Neen.
d V. Heeft het wel konnen verkondight werden voor
den val?
A. Ja: want Godt hadde een Euangelische verkla-
ringe, ofte verkondiginge konnen doen aen Adam, niet
tegenstaende hy in den staet der onnooselheyt was.
<\\ V. Heeft Adam voor den val het geloove van Christo
den Middelaer gehadt?
A. Hy en heeft het geloove van de vergevinge der
sonden, ende van de genade Godts in Christo niet
gehadt: want soodanigh geloove en had hy niet van
doen; maer hy heeft Godt, als een autheur van ge-
nade, versoeninge, ende vergevinge der sonden ge-
kent ende gelooft.
d V. Heeft Adam voor den val oock kracht ende
vermogen gehadt, om in Christum te gelooven?
A. Ja: want alhoewel in hem het geloove van
Christus den Middelaer formaliter , dat is, formelick
niet en was; soo was het evenwel in hem radicaliter,
dat is, na de wortel ende oorspronckelick; de wijle in
hem was geestelicke wijsheyt ende verstant, ofte ken-
nisse, welcke in haer hadde ofte begreep de wortel
van het geloove: gelijck Adam niet formelick ofte
actueelick in hem en hadde de daet ende deught van
lioetveerdigheyt, of van barmhertigheyt, maer alleen-
lick oorspronckelick.
\' V. Begrijpt het Euangelium alleen beloftenisse, ofte
oock een vastsettinge aen onze zijde des geloofs,
door de liefde krachtigh?
A. Het Euangelium wort genomen ofte wat breet,
ofte wat nauw ende enge: het Euangelium engh ende
nauw genomen, beteekent alleen dat andere deel,
"araelick, de belofte en toesegginge Christi ende der
-ocr page 244-
236                         Van hot Euangeliuni.
saligheyt door hem, ende alsoo wort het genoemt
het woort des geloofs, het geloove des Euangeliums.
Maer soo ghy het woort Euangelium wijt ende breet
neemt, soo begrijpt het de toesegginge Godts, ende de
vastsettinge onses plichts des geloofs ende bekeeringe,
dat is, de geheele Christelicke leere: endo alsoo wort
het genomen. Mare. cap. 1. vss. 14, 15. Predikende
het Euangelium des Koninckrijcks Godts, &c. met
cap. 16. vs. 15.
d V. Is het Euangelium voor de komste Christi alleen
verkondight het Israëlitische volck, of oock den ge-
loovigen huysgesinnen buyten het Israëlitische volck,
onder den Heydenen woonende?
A. Oock den geloovigen huysgesinnen buyten het
Israëlitische volk onder den Heydenen woonende.
d V. Is het Euangelium, ten tijde van de Patriarchen,
duysterder, ende daer na ten tijde Mosis, ende soo
voorts klaerder ende volkomender voorgestelt ?
A. Ja: niet, dat ten tijde der Patriarchen geen
Euangelische leere, ende schaduwen of voorbeelden
souden geweest zijn, maer dat als doen de Euange-
lische beloften, ende toeseggingen van de genade
door Christum, in ende door de volle forme van
schaduwen ende figueren soo niet zijn t\'samengestelt,
noch beschreven geweest.
d V. Is de toerustinge ende glans, ten aensien van
de Leeraers, ende de voorbeelden, schaduwen, ende
uyterlicke elementen, vermindert geworden, ende
allenghskens beginnen te verdwijnen, hoe dat de
komste Christi meer ende meer naderde?
A. Ja: want 1. na de Babylonische gevanckenisse
hielden ten meerendeel op de extraordinare Prophe-
ten, door dewelcke de Heere den ordinaren Kerken-
dienst heeft willen bestieren ende verstereken. 2. Het
hemelsch vyer, datse tot de offerhanden gebruyekten.
8. Soo en konnen wy niet zien, dat\'er geweest is do
Arcke des verbonts, met verscheydene andere dingen,
waer van wy lesen Hebr. cap. 9.
-ocr page 245-
Van het Euangelium.                        237
d V Heeft Godt oock een verbont gemaeckt met den
mensche?
A. Ja.
c V. Wat is het verbont Godts?
A. Dat verdragh ende contract, het welck Godt
met de menschen gemaekt heeft, daor in hy deselve
belooft eenigh goet: ende deselve wederom verbint,
datse nakomen onde betoonen, die dingen, die hy
van deselve eyscht.
d V. Hoe veel deelen heeft dit verbont Godts met
de menschen gemaeckt?
A. Twee: een belofte ende toesegginge van eenigh
goet, aen de zijde Godts, ende een verbintenisse des
plichts, aen de zijde van den mensche.
d V. Hoe veelderley is dit verbont Godts?
A. Tweederley: geestelick ende lichamelick.
d V. Wat is het geestelick verbont?
A. In het welck Godt geestelicke dingen, namelick,
liet eeuwige leven belooft,
d V. Hoe veelderley is dit verbont wederom?
A. Tweederley: het verbont der wercken, ende
het verbont der genade; of het oude ende het nieuwe,
d V. Wat is het verbont der werken?
A. Daer in de Heere den mensche belooft het
eiuwige leven, in alle maniere volkomen, soo wanneer
hy bewijst een gehoorzaemheyt der werken aen de
Wet, met een sekere bygovoeghde dreygement des
eeuwigen doots, by aldien hy de volkomen gehoor-
saemheyt des Wets niet volbracht sal hebben.
" V. Met wien heeft de Heere dat verbont eerst ge-
maeckt?
A. Met onse eerste voorouders Adam ende Eva in
den staet haerder onnooselheyt: Genes. 2. 17. Want
ten dage, als ghy daervan eet, sult ghy den doot
sterven.
V. Heeft oock de Heere onse eerste voorouders
"enige Sacramenten gegeven tot bevestinge van dit
sijn verbont?
-ocr page 246-
Van het Verbont Godts.
23«
A. Ja.
d V. Welck zijnse geweest?
A. Den boom des 1 evens , ende den boom der ken-
nisse des goets ende des qunets. Genes. 2. 17. ende
3. 22.
c V. Hebben onse eerste voorouders dit verbont Godts
onderhouden, of zijnse daer van afgeweken ?
A. Sy zijn daer van afgeweken door ongehoorsaem-
heyt, ende zijn verbontbrekers geworden, ende hebben
haer selven onderworpen soo de geestelicke, als licha-
melicke , ende oock de eeuwige doot.
d V. Heeft de Heere dit verbont niet wederom van
nieuws voorgestelt, ende verhaelt.
A. Ja: door Mosen aen het Israëlitische volck.
Exod. 19. 3. ende Deut. 5. 2.
d V. Soudt ghy niet konnen eenige reden geven,
waerom de Heere dit verbont aen het Israëlitische
volck van nieuws voorgestelt heeft?
A. Ja: 1 Om dat de Heere door de vernieuwinge
van dit verbont den mensche soude opwecken om
gehoorsaemheyt te betoonen. 2. Op dat alle mont
soude gestopt werden, ende de gantsche werelt voor
Godt verdoemelick zy, van wegen de onbetoonde
volkomene gehoorsaemheyt. Kom 3.19. 3. Op dat de
Heere de sonde ende der selver boosheyt soude aen
den dagh brengen. Rom. 3. 20. Daerom en sal nvt
de wercken der Wet geen vleesch gerechtveerdight
worden voor hem. 4 Op dat hy haer soude aendrijven
om de vernieuwinge in het Genaden-verbont te
soecken.
d V. Hebben de Israëliten oock dit vernieuwde ver-
bont onderhouden, ende zijnse daer in staende ge-
bleven ?
A. Neen: als blijkct Hebr. 8. 9. Want sy en zijn in
dat mijn verbont niet gebleven,
d V. Wat is het verbont der genade ?
A. In het welcke ons Godt belooft, dat hy onsen
Godt uyt genaden, om Christi wille, wil zijn, ende
-ocr page 247-
Van het Verbont Godts.                     239
wy insgelijcks soo aen hem verbonden werden dat
wy sijn volck zijn.
d V. In hoe veel deelen bestaet dit verbont ?
A. In twee deelen, aen de zijde Godts, ende aen
de zijde van de menschen.
d V. Waer in is dit verbont Godts gelegen aen de
zijde Godts?
A. In een genadige belofte ende toesegginge, waer
by hy ons belooft, dat hy onsen Godt sal zijn, zon-
der eenige onse verdiensten ofte weerdigheyt, maer
alleen om Christi wille. Kortelick, de goederen, die
de Heere ons toeseyt ende belooft, zijn de goederen
des eeuwigen levens, als oock middelen, die ons daer
toe zijn leydende, als rechtveerdighmakinge, weder-
geboorte, geloove, ende de volherdinge des selfs.
Jerem. 31. vss. 32, 33, 34. ende 32. 39, 40. Waer
by noch komen de goederen deses levens, waer toe
sy, van wegen dit genaden-verbont, als recht krijgen.
Siet 1. Corinth. 3. vss. 21, 22. Want alles is uwe, &c.
d V. Waer in bestaet het verbont aen de zijde van
de menschen\'?
A. In een verbintenisse, waer mede Godt ons aen
hem heeft verbonden, dat wy sijn volck zijn.
0 V. Wat is het Godts volck te zijn?
A. Voor Godt in oprechtigheyt te wandelen: Genes.
cap. 17. vs. 1. Wandelt voor mijn aengesichte ende
zijt oprecht, ofte voor de oogen Godts te leven, als
goede kinderen betaemt. Het welck geschiet door een
krachtigh geloove ende gehoorsaemheyt des Wets
jegens Godt: want door geloove wandelen wy, en
niet door aenschouwen. 2 Corinth. 5. 7.
(\' V. Dit verbont der genade is het een of veelderley?
A. Het is een, soo ghy insiet de substantie; maer
wat de maniere of forme van dispensatie ende be-
dieninge belanght, soo wort het genoemt oudt ende
nieuw. Oudt, voor soo veel het begrijpt de versoe»
ninge der geloovigen des Ouden Testaments met Godt,
door Christum, die in de werelt komen soude. Nieuw,
-ocr page 248-
Van het Verbont Godts.
240
voor soo veel het begrijpt de versoeninge der geloovi-
gen des Nieuwen Testaments mot Godt, door Christum,
die in den vleesche gekomen is.
d V. Seght my eens, welck daer zy het onderscheyt
tusschen liet verbont ende Testament?
A. Hot verbont beteekent alle verdragh ende con-
tract, het gene de Heere met den mensehe gemaeckt
heeft, hoedanigh het oock soude mogen zijn. Maer
het Testament alleenlick, dat verdragh ende contract,
dat met do doot is besegelt: Hebr. 9. 16. Wantwaer
een Testament is, daor is het noodsake dat de doot
des Testament-makers tusschen kome.
d V. Kan men eygenlick seggen, dat de geheele
Schriftuer bestaet in geboden ende beloften?
A. Neen: want de leoringen van Godt, van den val,
van de sonde, van do straffe der sonden, de schep-
pinge, itc. en zijn eygentlick noch geboden noch beloften.
d V. "Wort de Schriftuer dan gansch uytgeput door
Wet en Euangelium?
A. Neen: want de leere van de Goddelicke natuer
ende persoonen, van de scheppinge, van den val, is
noch Wet noch Euangelium.
d V. Is de belofte Godts een werek dat inwendigh
is, of dat uytwendigh is, dat is, een uytvoeringe
van het besluyt Godts ?
A. Een uytvoeringe van Godes besluyt.
d V. Zijn alle beloften; Euangelische beloften?
A. Neen: want in het oudo verbont voor den val
is geweest een belofte, Doet dat en ghy sult leven,
dat is, ick sal u geven het eeuwige leven; maer dat
en was geen Euangelische belofte; want dcen en
was\'er noch geen Euangelium. 2. Daer zijn tijtlicke
beloften, dewelcke eygentlick niet en zijn Euangelische,
(want de Euangelische zijn geestelick) maer alleen
aenhanghsels , toematen, ende vruchten van de Euan-
gelischo beloften.
d V. Zijn sommige Goddelicke beloften absoluyt, an-
der e onder conditie?
-ocr page 249-
Van do Goddelicke Beloften.                  241
A. Ja: want do beloften, lek sal mijn Sone geven;
het zaet der vrouwe sal de slange den kop vertreden;
ick sal mijn Wet in het herte geven; ick sal u door
mijne kracht bewaren ten eeuwigen leven; ick sal
de werelt door water niet meer verderven, Gen. 9. &c.
dat zijn absolute beloften. Maer beloften onder con-
ditie, is, soo ghy in den Sone gelooft, soo sult ghy
het eeuwige leven hebben: soo ghy volhert, soo sult
ghy saligh worden.
(1 V. Zijn sommige Euangelische beloften absoluyt,
ende sommige conditioneel ofte onder conditie?
A. Ja: gelijek nu verklaert is.
<1 V. Waer van zijn de absolute beloften?
A. Van de middelen: als daer zijn: ende ick Christus
den Middelaer sal aen mijn uytverkoren geven; ende
sal mijne uytverkorene geven aen Christus, om de-
selve te verlossen; ende ick sal aen mijne uytver-
korene het geloove, ende de volhardinge geven.
«1 V. Waer van zijn de conditionele ?
A. Van het eynde: Ick belove de gemeynschap
Christi ende de vergevinge der sonden soo yemant
gelooft; ick belove het eeuwige leven, soo yemant
volhardet.
<1 V. Verschillen de beloften des Wets ende des Euan-
geliums ?
A. Ja.
\'1 V. Waer in verschillen se?
A. Niet daer in, dat in de Wet een ander eynde
ende object is, als in \'t Euangelio; maer alleen ten
aensien van de middelen: want in de Wet was een
conditionele belofte, in het Euangelium een absolute ?
\'! V. Zijn de Euangelische beloften heerlicker ende
uytnemender, als de beloften des Wets?
A. Ja: want de belofte des Wets heeft dese con-
ditie, Doet dat en ghy sult leven; ende de Wet en
laet geen plaetse van bekeeringe; het welck het
Euangelium doet. 2. De Euangelische beloften hebben
by de uytverkorene de medegaende kracht des Hey-
16
-ocr page 250-
242                          Van de Persoonen,
ligen Geests; de belofte des Wets by niemant. 8. De
Euangelisehe belofte omhelst de gave van volherdinge;
de belofte des Wets geensins.
SONDAGH VII. Vrage 20, 21, 22, 23.
Veage 20.
Werden dan alle menschen wederom door Chri-
stum saligh, alsoo sy door Adam zijn verdoemt
geworden ?
Antw. Neense: Maer alleen de gene die hem
door een oprecht geloove worden ingelijft, endo
alle sijne weldaden aennemen.
d V. In hoe veel deelen wort desen Sondagh afge-
deelt?
A. In twee deelen.
d V. Welck zijn die twee deelen?
A. 1. Van de persoonen, die door Christum den
Middelaer verlost zijn, Vrage 20. 2. Van een oprecht
geloove, Vrage 21, 22, 23.
d V. Hoe wort dat eerste onderdeelt?
A. In twee stucken. 1. Wie door desen Middelaer
niet verlost worden. 2. Wie dan door desen Middelaer
verlost worden,
b V. Zijn alle menschen in Adam gevallen?
A. Ja.
c V. Zijnse alle door Adam in den verdoemelicken
staet geraeckt?
A. Ja.
c V. Is de Heere Christus oock niet door Adam i»
den verdoemelicken staet geraeckt?
A. Neen.
d V. Waerom niet?
-ocr page 251-
die door Christum verlost zijn.                243
A. Om dat hy in Adam, als in het hooft ende de
gemeyne stamme ofte wortel van alle bontgenooten
des eersten verbonts der wercken, niet en is inge-
rekent geweest; maer is den tweeden Adam, het
hooft ende wortel van alle bontgenooten des nieuwen
genadenverbonts: 1. Corinth. 15. 45. De laetste Adam
tot eenen levendighmakenden geest.
o V. Zijn alle menschen, door Adams geloove aen
Godt, wederom in Adam opgerecht?
A. Neen.
<s V. Zijnse alle wederom door Christum versoent
ende in den staet der genade gebracht?
A. Neen.
d V. Is Christus gesonden om alle menschen saligh
te maken?
A. Neen.
d V. Heeft Christus hem gestelt als een borge, ende
heeft hy betaelt in de plaetse van een yeder mensch,
hooft voor hooft?
A. Neen.
d V. Is Christus voor alle menschen gestorven?
A. Neen.
d V. Heeft hy voor alle menschen verdient ende
verworven de rechtveerdigheyt ende het leven?
A. Neen.
d V. Is de genade Christi algemeyn?
A. Neen.
d V. Is Christus een algemeyne Salighmaker?
A. Neen.
d V. Geeft Godt even veel genade aen alle menschen ?
A. Neen.
d V. Geeft Godt alle menschen soo veel genade als
haer ter saligheyt noodigh is?
A. Neen.
d V. Is een yeder mensch in \'t Paradijs belooft de
genade ende oprechtinge in Christo?
A. Geensins.
d V. Waer uyc bewyst ghy dat?
-ocr page 252-
244                          Van de Pèrsoonen,
A. Genes. 3. 15. Ick sal vyantschap setten tusschen
u, ende tusschen dese vrouwe, tusschen uwen zade,
ende tusschen haren zade, met Rom. 5. 19.
d V. Is de genade Godts algemeyn, gelijck de sonde
algemeyn is?
A. Neen.
c V. Heeft Godt besloten alle menschen saligh te
maken ?
A. Neen.
d V. Is het lijden Christi genoeghsaem geweest, om
alle menschen saligh te maken?
A. Met sijn lijden is niet genoeghsaemlick betaelt
voor allen, dewijle hy voor allen, en in plaetse van
allen \'t selve niet geleden heeft; soo dat hot voor
allen niet genoeghsaem is; maer soude genoeghsaem
hebben geweest, of hebben konnen zijn, soo hy \'t selve
hadde willen uytstaen ende presteren voor allen,
d V. Is het wel geseyt, Christus is voor alle menschen
genoeghsaem gestorven?
A. Neen.
d V. Maer soude men mogen seggen, indien Godt
het lijden ende de gehoorsaemheyt Christi daer toe
hadde willen ordineeren, ende Christus ten selven
eynde \'t selve voor allen gepresteert hadde, als dan
soude genoeghsaem geweest zijn?
A. Ja.
c V. Heeft Christus wel, na den wille syns Vaders,
de intentie ofte het voornemen gehadt, om een yege-
lick, door sijn offerhande, met Godt te versoenen?
A. Neen: Matth. 7. 23. Ende ick sal haer opentlick
aenseggen, Ick en hebbe u noyt gekent.
b V. Wat voor menschen sullen al verloren gaen?
A. Alle, die door het geloove in Jesum Christum
geene vergevinge van hare sonden bekomen, ende
volgens dien haer niet bekeeren.
c V. Souden dan de Joden, Turcken en Heydenen,
soo sy niet gelooven in Christum, saligh worden?
A. Neen.
-ocr page 253-
die door Christum verlost zijn.                245
d V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Joh. 3. 36. Maer die den Sone ongehoorsaem
is, die en sal het leven niet sien; maer toorn Godts
blijft op hem.
d V. Is dien toorn van haer wechgenomen geweest?
A. Neen.
d V. Sullen soodanige verdoemt worden, om datse
niet gelooft hebben, dien het Euangelium noyt ge-
openbaert of gepredikt is?
A. Neen.
d V. Waer uyt wert dit bewesen?
A. Uyt Kom. 2. 12. Want soo vele als \'er sonder
Wet gesondight hebben, sullen oock sonder Wet ver-
Ioren gaen.
d V. Waerom sullen soodanige verloren gaen ?
A. Om datse gesondight hebben,
d V. Maer sy en konnen het quaet niet laten , noch
het goede doen?
A. Sy hebben het goede konnen doen.
d V. Magh Godt evenwel met recht dat van haer
eysschen ?
A. Ja: siet Vrage 9.
c V. Zijnder meer in Adam gevallen , of worden meer
in Christo opgerecht, ende saligh gemaekt?
A. Daer zijnder meer in Adam gevallen.
c V. Wekkers getal is dan grooter, der gener die
verloren gaen, of die behouden worden ?
A. Die verloren gaen: Matth. 7. vs. 13. Ende vele
zijnder die door den selven ingaen.
d V. Soude wel het meeste deel, selfs van de gene,
die uyterlick Christenen schijnen, of geroepen worden,
verloren gaen?
A. Ja.
d V. Hoe bewijst ghy dat?
A. Uyt Matth. 20. 16. Want vele zijn geroepen,
maer weynige uytverkoren. ende 22. 14. als oock uyt
de ervarentheyt.
V. Door wien komt het, dat yemant verloren gaet?
-ocr page 254-
Van de Persoonen,
246
A. Door hemselven.
c V. Door wien komt het, dat yemant behouden ende
saligh wort?
A. Door Christum.
(1 V. Maer geschiet dese menschen, die verloren gaen,
geen ongelijck?
A. Neen.
d V. Waerom niet?
A. Om dat sy selfs de oorsaeck zijn van haren
ondergangh ende verdoemenisse.
d V. Is Christus oorsaeck van hare verdoemenisse,
als hy haer niet wil verlossen ?
A. In \'t minste niet.
d V. Maer dat ick een mensche, die ick helpen konde,
liet verdrincken, soude ick niet gehouden worden als
een oorsaeck van sijn doot?
A. Ja.
d V. Als Godt nu de menschen laet verloren gaen,
daer hy se helpen kan, wort hy dan oock niet gestelt
een oorsaeck te zijn van haer verderf?
A. Geensins: want een mensche is gehouden sijncn
naesten , in noot siende, te helpen, als hy hem helpen
kan: maer de Heere is het niet gehouden. SietEom. 9.15,
&c. Ick sal my ontfermen diens ick my ontferme, ende
sal barmhertigh zijn dien ik barmhertigh ben, &c.
d V. Is dese leere hardt, dat yeder een niet sal sa-
ligh worden?
A. Neen.
d V. Soude de algemeyne genade troostelicker zijn?
A. Neen.
d V. Soude het beter zijn, ende een soetere leere,
dat men seyde, dat alle menschen genoeghsame ge-
nade hebben tot de saligheyt, ende dat Christus voor
alle gestorven is?
A. Neen.
d V. Staet onse leere in Godts woort, namelick, dat
alle menschen door Christum niet wederom opgerecht,
of verlost zijn?
-ocr page 255-
die door Christum verlost zijn.                247
A. Ja.
d V. Bewijst dat?
A. Matth. 7. 13, 14, 21. Want wijdt is de poorte,
ende breedt is de wegh die tot het verderf leyt, ende
vele zijnder die door den selven ingaen, &c. ende
22. 14. ende 25. 31. tot het eynde, uyt de beschrij-
vinge des laetsten oordeels.
d V. Bevestight de ervarentheyt, ende de daeghlick-
sche bevindinge onse leere?
A. Ja; als kan afgenomen werden uit de exempelen
van Cain, Esau, Pharao, Judas, den onbekeerden
Moordenaer, ende van verseheydene andere goddeloo-
sen , die noch daeghlicks in hai-e goddeloosheyt voort-
gaen ende daer in komen te sterven.
<1 V. Hebt ghy noch eenige krachtige ende bondige
redenen ?
A. Ja.
(1 V. Toontse eens?
A. 1. Om dat op vele menschen leyt en blijft den
toorn e Godts: Joh. 3. 36. Maer die den Sone onge-
hoorsaem is, die en sal het leven niet sien: maer
den toorn Godts blijft op hem.
2.   Om dat Christus vele menschen niet heeft ge-
kent: Matth. 7. vs. 23. Ende dan sal ick haer opent-
lick aenseggen, Ick en hebbe u noyt gekent.
3.   Om dat Christus voor alle menschen niet heeft
gebeden: Joh. cap. 17. vs. 9. Ick bidde voor haer:
ick en bidde niet voor do werelt: en dienvolgens oock
hemselven daer voor niet geoffert: want sijn Priester»
ampt bestont in offeren ende bidden, waer van het
eene niet en kan zijn sonder het andere.
4.  Om dat alle menschen de voldoeninge, ende de
doot Christi niet wert bekent gemaeckt, het welck
nootsakelick moest geschieden, soo sy alle door Chris-
tum verlost waren: want daer en kan geen geloove
zijn, daer het Euangelium niet wert gepredickt: Rom.
10. 14. Hoe sullen sy in hem gelooven, van welcken
sy niet gehoort en hebben; sonder welck geloove men
-ocr page 256-
248                         Van de Persoonen,
niet kan saligh worden: Hebr. 11. vs. 6. Sonder
geloove is het onmogelick Gode te behagen. Joh. 3.
vss. 16, 36.
5.   Om dat dan alle menschen moesten gerecht"
veerdight, ende met Godt versoent zijn, 2. Corinth.
5. 18. ja oock wedergeboren, tot kinderen Godts aen-
genomen, krachtelick geroepen, ende tot erfgenamen
des eeuwigen levens gestelt werden: want sonder dese
weldaden en kan de verlossinge, door Christum te
wege gebracht, den mensche niet vorderlick zijn. Maer
dat en geschiet niet.
6.  Om dat andersins de doot Christi vruchteloos
ende krachteloos gemaeckt wort; nadien hy door sijn
doot alle menschen soude verlost hebben, ende noch-
tans den meesten hoop liet verloren gaen. En dat
yemant wil seggen, datse krachtigh genoegh geweest
zy, ten aensien van de impetratie ofte verwervingen;
maer niet ten aensien van de applicatie ofte toepas-
singe. Den selven antwoorden wy, dat dat niet met
allen geseyt is: want wat kan yemant de impetratie
helpen sonder de applicatie ? Wat konnen die gene ,
die verloren gaen, profiteren by de impetratie sonder
de applicatie\'? Bohalven dat Godts woort uytdrucke-
lick getuyght, dat die gene, die de genade Godts
door Christum is geimpetreert ende te wege gebracht,
oock krachtelick wert geappliceert ende toegepast:
Joh. 6. 37, 39. Al wat my de Vader geeft sal tot
my komen, &c. ende 10. 28. ende 17. vss. 12, 19.
7.   Om dat de Heere andersins sal beschuldight
werden van onrechtveerdigheyt, als eens de sonde
straffende in Christo, ende dan noch eens in den
mensche selfs, tegens Genes. 18. 25. Soude de Richter
der gantscher aerde geen recht doen?
8.  Om dat andersins de saligheyt van den mensche
niet gehangen wert aen het lijden ende de gehoor-
saemheyt Christi, daerse nootwendigh aen moet ge-
hangen worden; maer aen den mensche selfs: want
is de doot Christi, ende de verlossinge door hem
-ocr page 257-
die door Christum verlost zijn.                249
geschiet, de verdienende oorsake van de saligheyt,
(gelijckse in der daet is) waerom worden dan alle
menschen niet saligh, nadiense alle der selver deel-
achtigh zijn? Die gene dan, die saligh wort en be-
hoeft Godt noch sijnen Sone , als de eygene oorsaeck,
daer voor niet te dancken, maer sijn eygen selven,
als hebbende beter op die genade acht gegeven, ende
selve waergenomen, als die gene, die verloren gaen.
En wie siet dan niet, dat niet de Heere Christus
geleyt wort tot een fundament van de saligheyt, maer
den mensche selfs.
9. Ende ten laatsten, om meer andere redenen
voorby te gaen, om dat andersins volgen soude, dat
die gene, die doen ter tijt in de helle lagen, als de
Heere Christus aen het kruyce leedt ende stierf, oock
door Christum, als haren borge ende Middelaer, met
Godt souden versoent zijn: (alsoo sy mede zijn ge-
weest nakomelingen Adams). Maer wat ongerijmtheyt
dit sal zijn te statuè\'ren, kan yeder een lichtelick
afnemen, die maer sijn gesont verstant heeft: \'t en
zy dat men wil sustineeren, dat die gene, die doen
ter tijt in de helle waren, onder die alle niet worden
gerekent. En hoe is het dan een algemoyne genade,
gaende over alle die gene, die in Adam hebben ge-
sondigt\'? En zijnso daer onder begrepen, waerom zijnse
dan uyt de helle niet verlost? en waerom is haer
die genade niet voorgedragen? Ja waerom heeft de
Heere niet uytgewacht, of sy die genade, nevens
andere, souden waernemen ofte niet ?
V. Is do genade Godts stercker ter saligheyt, als
de sonde Adams ter verdoemenisse ?
A. Ja: Kom. 5. 15. Want indien door de misdaet
van eenen vele gestorven zijn, soo is veel meer de
genade Godts, ende de gave door de genade, die
daer is eenes menschen Jesu Christi, overvloodigh
geweest over vele.
V. Maer uyt dese onse leere schijnt te volgen, dat
-ocr page 258-
250                          Van de Persoonen,
de eerste Adam stercker is, als de tweede Adam,
namelick, Christus?
A. Geensins: want het is meerder kracht eenen
van den doot op te wecken, ende het leven te geven,
dan thien duysent te vergiftigen , ende om to brengen.
2. De overvloedigheyt van de genade en bestaetniet
in \'t getal van de menschen , die gevallen zijn; want
dan soude volgen, dat\'er meer menschen door Chris-
tum moesten opgerecht werden (genomen datse alle
waren opgerecht) als \'er in Adam waren gevallen,
het welck onmogelick is : Maar de overvloedigheit van
de genade is daer in gelegen, dat de Heero sijne ge-
nade ende barmhertigheyt heeft getoont aen ons in
sijnen Sone Christo, die het soo weynigh verdient
hadden, als die gene, die verloren gaen.
d V. Wie zijn die gene, die daer drijven de alge-
meyne genade, dat is, dat Godt door sijnen Sone
alle menschen, hooft voor hooft, niemant uytgeson-
dert, heeft opgerecht, of wederoprechtinge bereyt, &c?
A. De Pelagianen, Papisten, Remonstranten, Men-
noniten, &c.
d V. Wat bewijs brengen sy tot dien eynde by?
A. Matth. 11. 28. Komt herwaerts tot my alle die
vermoeyt ende belast zijt.
d V. Wat soudt ghy daer op antwoorden?
A. De Heere Christus en noodight aldaer tot hem
niet alle menschen sonder onderscheyt, maer alleen
soodanige, die met hare sonden belast zijn, ende
deselve hertelick gevoelen, soeckende oock daer van
ontslagen te zijn.
d V. Zijn alle menschen wel alsoo belast met hare
sonden?
A. Neen: gelijck de dagelicksche ervarentheyt leert.
d V. Wat bewijs brengen sy meer by ?
A. 1 Joh. 2. 2. Ende niet alleen voor de onse,
maer oock voor de sonden der geheeler werelt.
d V. Wat soudt ghy daer op antwoorden ?
A. De Apostel Johannes en wil daer mede niet te
-ocr page 259-
die door Christum verlost zijn.                251
kennen geven dat de Heere Christus een versoeninge
is geworden voor de gantsche werelt, dat is, voor
alle menschen in de werelt; (het gene nochtans in
verschil staet) maer op dat die, aen dewelcke hy
desen brief schrijft, Heydenen zijnde , niet en souden
dencken, datse geen deel hadden aen de genade in
Christo geschiet, nadien sy geen Joden waren; soo
seght hy , dat de Heere niet alleen was een versoe-
ninge geworden den Joden, maer oock selfs den
Heydenen, door het woord eken ons de Joden ver-
staende, ende door de werelt de Heydenen.
d V. Beteeckent dan het woort werelt alhier alle, ende
een yeder mensch?
A. Neen.
d V. Wat dan?
A. De Heydenen.
d V. Waer uyt soudt ghy dese verklaringe bewijzen ?
A Rom. 11. vss. 12, 15. Ende indien haren val de
rijckdom is der werelt. vs. 15. Ende indien hare ver-
werpinge de versoeninge is der werelt.
d V. Wat bewijs brengen sy meer by\'?
A. 1. Tim. 2. vs. 4. Welcke wil dat alle menschen
saligh worden.
fl V. Wat soudt ghy daer op seggen?
A. De Apostel en spreeckt daer niet van alle en
een yeder mensche, maer van allerley soorten ende
geslachten van menschen, hoedanigh deselve oock
souden mogen wesen, gelijck de voorgaende ende
volgende woorden klaerlick zijn aenwijsende, namelick,
tot de kennisse der waerheyt kome. De soodanige
dan verstaet hy door dese alle, die de Heere oock
wil brengen tot de kennisse der waerheyt: en die
hy niet en wil brengen tot de kennisse der waerheyt,
deselve wil hy niet dat saligh worden: alsoo daer
niemant sonder dese salighmakende kennisse saligh
worden kan, als te voren gehoort is. Maer dat de
Heere alle menschen tot de kennisse der waerheyt
brengen wil ende brenght, dat sal de tegenpartijders
-ocr page 260-
252                          Van de Persoonen ,
onmogelick zijn te bewijsen. Behalven dat de tegen-
partijders, met dese hare meyninge, den Heere ge-
noeghsaem beschuldigen van onwijsheyt, onvoorsich-
tigheyt ende onmacht: van onwijsheyt ende onvoor-
sichtigheyt, als willende een sake, die hy van te
voren weet, dat niet en sal geschieden ; van onmacht,
als willende eene sake, die hy niet en kan in het
werck stellen: (\'t welck alles verre moet zijn van
Godt te dencken) want wil Godt vastelick ende seker-
lick de saligheyt van alle menschen, hoe komt dan
dat desen wille Godts niet in \'t werck wort gestelt,
ende alle menschen dan niet in den hemel komen\'?
Voorwaer het moot dan haperen aen de macht Godts,
als niet machtigh genoegh zijnde, om desen sijnen
wille nyt te voeren: daer nochtans David seyt,
Psalm 115. 3. De Heere woont in den hemel, en
de hy doet alles wat hy wil. En sal oock alsoo een
groote contrarietoyt, ende tegenstrijdigheyt in Godt
gestelt werden, als willende yet, het welck hy of
niet en wil volbrengen, of willende sekerlick, niet
en kan volbrengen. Hare andere bewijsen zijn van
een ende deselve nature, en dienvolgens soo willen
wij deselve overgaen.
c V. Soo alle menschen niet sullen saligh worden,
wat voor menschen sullen dan saligh worden?
A. Die in Christum gelooven, ende alle sijne wei-
daden aennemen.
c V. Waer uyt soudt ghy dat bewijsen?
A. Joh. 1. vss. 12, 13. Maer soo vele hem aenge-
nomen hebben, heeft hy macht gegeven kinderen
Godts genaemt te worden: ende 3. 16, 18, 36. Op
dat oen yegelick die in hem gelooft, niet en verderve,
&c. Rom. 5. 17.
c V. Maer wat soudt ghy seggen van die gene, die
haer selven rechtveerdigen, ende roemen leden Christi
te zijn, en wandelen nochtans niet gelijck Christus
gewandelt heeft, sullen die oock saligh worden?
A. Goensins.
-ocr page 261-
die door Christum verlost zijn.                253
c V. Maer sy seggen, datse oock geloovige zijn?
A. Het seggen en is niet genoegh, de daedt moeste
daer by zijn: Matth. 7. 21. Niet een yegelick die tot
my seght, Heere, Heere , en sal ingaen in \'t Koninck-
rijcke der hemelen: maer die daer doet den wille
mijns Vaders die in de hemelen is. Siet ooek Jac. 2.
c V. Moet alle ende een yeder mensche gelooven,
dat Christus voor hem, dat is, in sijne plaetse, als
Middelaer ende borge gestorven is, ende dat Christi
doot sijn leven is?
A. Neen.
c V. Gebieden wy een yegelick mensche hemselven
sulcks te versekeren, ende te gelooven?
A. Neen.
<• V. Seggen wy alle ende een yeder mensch, hooft
voor hooft, absolutelick, datse sullen gelooven, dat
Christus voor haer gestorven is?
A. Neen.
d V. Hoe seggen wy dan?
A. Soo sy haer bekeeren, ende in Christum ge-
looven, datse als dan haer sullen mogen versekeren,
ende vrijelick gelooven, dat Christus voor haer ge-
storven is.
\'• V Mogen wy alle menschen het Euangelium pre-
diken ?
A. Ja.
\'1 V. Dewijle die niet sullen saligh worden, daer
Christus niet voor gestorven is, wat behoeft men dan
dat den menschen te prediken?
A. Tot haerder overtuyginge: Ezech. 2. 5. Soo
sullen sy weten dat een Propheet in \'t midden van
haer geweest is: en of de Heere daer door haer be-
keeringe gave; 2. Timoth. 2 vs. 25. dewijle wy niet
en weten aen wien de Heere sijn genade sal willen
mededeelen.
\'1 V. Is my daer wat aen gelegen, dat ick sekerlick
wete of dese ofte die mensche sal saligh worden of
niet?
-ocr page 262-
254              Van het Salighrnakende Geloove.
A. Neen: 2. Tim. 2. vs. 25. Of Godt haer t\'eeniger
tijt bekeeringe gave.
c V. Maer hoe komt het, dat Godt ons die genade
heeft gedaen, ende anderen niet alsoo ?
A. Om dat het hem alsoo belieft heeft,
c V. Is het om dat wy beter waren als d\'andere?
A. Neen.
d V. Waren wy dan alsoo slim als sy?
A. Ja.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Ephes. 2. 1, 2 , 3. Ende u heeft hy mede leven-
digh gemaeckt, daer ghy doot waert door de misdaden
ende de sonden, &c.
c V. Magh de Heere met het sijne doen wat hy wil ?
A. Ja.
d V. Bewijst dat?
A. Rom. 9. 20, 22, 23. Maer doch, 6 mensohe ,
wie zijt ghy die tegen Godt antwoordt, &c.
d V. Maer als wy sien dat Godt andere die genade
niet en doet, behooren wy daerom tegen Godt te
twisten ?
A. Geensins.
d V. Behooren wy dan hem des te meer te dancken ?
A. Och ja.
Vhage 21.
Wat is een oprecht geloove\'?
Antw. Een oprecht geloove en is niet alleen
een seker weten ofte kennisse, daer door ick \'t al
voor waeraehtigh houde, dat ons Godt in sijn
woort geopenbaert heeft, maer oock een seker
vertrouwen d\'welck de H. Geest door dat Euan-
gelium in mijn herte werckt, dat niet alleen
anderen, maer oock my, vergevinge der sonden,
-ocr page 263-
Van het Salighmakende Geloove.              255
eeuwige gerechtigheyt ende aaligheyt van Godt
geschoncken zy, uyt louter genaden alleen om de
verdienste Christi wille.
e V. Alle geloove, is dat een goet geloove ?
A. Neen.
c V. Hoe veelderley geloove is\'er dan in de werelt?
A. Tweederley: een vermeynt geloove, ende een
oprecht salighmakend\' geloove.
d V. Wat is een vermeynt geloove?
A. Het tijt-geloove, het historisch geloove, ende
het geloove van mirakelen, Matth. 13. 19, 20, ftc.
il V. Waerom is dit geloove een vermeynt geloove ?
A. Om dat het sich wel schoon voor doet, ende
schoone dingen belooft, maer ten Iaetsten in den
meesten noot, soo begeeft het den mensche, ende
laet hem verloren gaen, als te sien is 1. Joh. 2. 19.
en l.\'Tim. 1. 19.
\'1 V. Wat is een salighmakende ende oprecht geloove?
A. Daer mede dat men Christum, met alle sijne
verdiensten aenneemt, ende particulierlick hemselven
toepast.
(1 V. Hoe veel leden heeft het salighmakende geloove ?
A. Twee.
d V. Welck zijn die twee leden?
A, 1. Een generale toestemminge, waer door men
toestemt ende voor waerachtigh houdt, alle het gene
Godt in sijn woort heeft geopenbaert: als by exempel,
dat \'er een Godt, een Salighmaker is, ende dat
deselve is Christus, &c. het welcke presupponeert
ende voor uyt sendt, ja includeert ende insluyt een
bescheyden kennisse ende wetenschap. 2. Een speciale,
particuliere, ofte bysondere toestemminge, dat is ,
dat ick niet alleen geloove, dat \'er een Godt, een
Salighmaker is, &c. maer dat Godt mijnen Godt is,
ende Christus mijnen Salighmaker, applicerende ende
toepassende my selven Christum, met alle sijne ver-
-ocr page 264-
250              Van het Salighmakende Geloove.
diensten, seggende, Heere Jesu ghy zijt mijne, uwe
gerechtigheyt, heyligheyt, &c. is mijne. Waer uyt
dan volght dat heerlick vertrouwen, namelick, is
Godt mijnen Godt, ende Christus mijnen Salighmaker,
soo magh ick volkomentliek gerust zijn: want alle
mijne sonden zijn my dan vergeven, ende derhalven
soo sal ick gewisselick saligh worden,
d V. Die dan het ware salighmakende geloove in
Christum hebben sal, moet by dien niet wesen
een generale toestemminge, daer by hy voor waer-
aehtigh houdt, alle het gene Godt in sijn woort heeft
geopenbaert, als, dat\'er een Godt, een Salighmaker
is, &c.
A. Ja.
d V. Presupponeert dese toestemminge, ende sendtse
voor uyt de kennisse ende wetenschap, ja steltse
die vast?
A. Ja: want ick en kan niet approberen noch toe-
stemmen, \'t en zy dat ick hebbe goede kennisse,
ende wetenschap van de sake.
b V. Kan yemant wel in Christum gelooven sonder
kennisse van hem te hebben?
A. Neen.
b V. Kan ick hem voor mijnen Salighmaker wel aen-
nemen, als ick hem niet en ken?
A. Neen.
b V. Kan ick Godt wel gelooven, vertrouwen, lief-
hebben, als ick hem niet en ken?
A. Neen.
c V. Soudt ghy uyt Godts woort wel bewijsen, dat
het salighmakende geloove kennisse vereyscht?
A. Ja.
c V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Esai. 53.11. Door sijne kennisse sal mijn knecht de
rechtveerdige, vele rechtveerdigh maken. Joh. cap. 9.
vss. 35, 36. ende cap. 17. vs. 3. Ende dit isheteeuwige
leven dat sy u kennen, &c. Kom. cap. 10. vs. 14-
2. Thess. cap. 1. vs. 10. 1. Corinth. cap. 10. vs. !&•
-ocr page 265-
Van het Salighmakende Geloove.              257
d V. Hebt ghy oock niet eenige vaste ende bondige
redenen ?
A. Ja.
d V. Welck zijnse?
A. 1. Om dat het geloove is een bewijs der saken
die men niet en siet: Hebr. 11. 1. Soo wort\'er dan
kennisse vereyscht.
2.  Om dat het gene tegen de kennisse staet, dat
is, de onwetenheyt, verdoemt. 1. Thess. 4. vs. 5.
ende 2. Thess. 1. 8. Met vlammenden vyere wrake
doende, over die gene die Godt niet en kennen.
2. Tim. 3. vs. 7.
3.  Om dat de practijeke van alle ware geloovigen
is, daeg hlicks meer ende meer in de kennisse toe te
nemen: Ephes. 1. 18. Verlichtede oogen uwes verstants,
op dat ghy mooght weten , welcke zy de hope van
syne roepinge. &c. ende 5. 17. Colos. 3. 16.
4.   Om dat het andersin s strijt met de waerdigheyt
der kinderen Godts; sy moeten oordeel geven van
de saken; 1. Corinth. 10. 15. sy moeten haer geloove
belijden ende beschermen; alle dingen weten ende
beproeven; 1. Petr. 3. 15, 16. 1. Thess. 5. 21. haer
selven ondersoecken of sy oock in den geloove zijn;
2. Corinth. 13. 5. de geesten beproeven of sy oock uyt
Godt zijn; 1. Joh. 4. 1. Leeraers zijn, Hebr. 5. vs. 12.
Propheten, Priesters, Koningen: 1. Petr. 2. 5, 9.
Apoc. 1. 6. Hoe kan dit altemael bestaen sonder
kennisse?
5.   Ende ten laesten, om meer andere redenen -
voorby te gaen, om dat als dan het geloove der duy-
velen ende verdoemde in de helle, beter soude zijn,
als het geloove der kinderen Godts, alsoo het selve
niet sonder kennisse is: Jacob. 2. 19. Ghy gelooft
dat Godt een eenigh Godt is: ghy doet wel: deDuy-
velen gelooven \'t oock ende sy t\'sitteren.
c V. Wat soudt ghy dan seggen van de leere der
Papisten; leeren sy wel het levendige geloove, wanneer
sy leeren, dat het geloove is een onwetenheyt, dat
17
-ocr page 266-
258              Van het Salighmakende Geloove.
de gemeene luyden geen kennisse behoeven te hebben,
datse alles moeten op den Paep of de Kerck laten
aenkom en. ende dat haer goloove goet genoegh is.
als sy maer gelooven, dat de Kerck gelooft, al wetense
schoon niet wat de Kerck gelooft?
A. In \'t minste niet.
d V. Als de Paep ofte de Predikant sijn ziele voor u
wilde te pant setten, soudt ghy het dan noch niet
mogen op hem laten aenkomen?
A. Neen.
d V. Waerom niet?
A. Om dat ick selfs moet sorge dragen voor mijn
saligheyt, ende in, ende van mijn eygen geloove
versekert zijn: Rom 14. 5. Een yegelick zy in sijn
eygen gemoet versekert. 2. Timoth. 1. vs. 12. Want
ick weet wien ick gelooft hebbe, &c.
d V. Wat soudt ghy houden van zoo veel genaemde
Christenen, die daer roemen van het ware geloove
\'in Christum, ende ondertusschen gantsch geen ken-
nisse, ofte immers gantsch weynige kennisse hebben
van Godt, van Christo, ende van alle het gene ter
saligheyt nootwendigh dient geweten; is haren roem
ende geloove goet?
A. Goensins : ende de soodanige sullen daer na haer
selven ellendighlick bedrogen vinden.
d V. Maer die veel weet, van die sal veel ge-eyscht
worden, en die niet veel weet, van die sal niet veel
ge-eyscht worden; het is dan beter weynige ofte geen
kennisse te hebben, als veel te hebben?
A. Het is seker ende gewis, dat die gene, die veel
kennisse gehadt, ende daar niet na gedaen heeft,
met vele slagen sal werden geslagen; Luce 12. 47.
maer daerom en sal die niet vry gaen, die geen
kennisse gehadt heeft,
d V. Soude een mensche sich daer mede niet konnen
troosten, dat andere menschen swaerder in de helle
sullen gestraft worden als hij?
A. Soo weynigh als een misdadiger, die vast voor
-ocr page 267-
Van het Salighmakende Geloove.              259
het gerichte staet om te sterven, sich troosten kan,
dat hy weet en siet, dat sijnen medemacker een
swaerdere doot sal sterven als hy, en soo hy hem
daer mede wilde troosten, soo soude dien troost
gantsch sober ende mager zijn.
c V. Is het genoegh, dat een mensehe heeft soo een
generale kennisse ende wetenschap van alle het gene
de Heere in sijn woort geopenbaert heeft?
A. Neen.
i\' V. Wat wort\'er dan noch meer vereyscht?
A. Een particuliere toestemminge ende versekeringe.
d V. Waer in is dese particuliere toestemminge gelegen?
A. Daer in, dat ick niet alleen weet en geloof dat\'er
een Godt is ; maer dat hy mijnen Godt is : niet alleen
weet ende geloof dat de Heere Christus een Saligh-
maker is, een Salighmaker van andere, of van allen
de sijne; maer mijnen Salighmaker.
d V. Is dese particuliere toestemming ende verseke-
ringe eygentlick het instrument, daer door wy Chris-
tum aennemen ende ons toepassen; ende soo voor
Godt gerechtveerdight worden?
A. Ja.
d V. Waerom is het niet genoegh, dat ick soo een
generale kennisse ende wetenschap hebbe ?
A. Om dat de Duyvelen oock sulck een geloove
konnen hebben: Jac. 2. 19. Ghy gelooft dat Godt een
eenigh Godt is: ghy doet wel: do Duyvelen gelooven
t\' oock, ende sy tsitteren.
d V. Moet ghy dan yet gelooven, dat de Duyvelen
of de hypocrijten ende verdoemelingen niet konnen
gelooven ?
A. Ja.
fl V. Is dat de particuliere ende bysondere verseke-
ringe ende toepassende toestemminge ?
A. Ja.
\'1 V. Kan die by den Duyvel ende hypocrijten wel
gevonden worden?
A. Neen.
-ocr page 268-
260              Van het Salighmakende Geloove.
d V. Is u geloove dan hier in van het geloove der
Duyvelen, ende hypocrijten onderscheyden?
A. Ja.
c "V. Magh men wel soodanige bysondere toepassende
ende particuliere versekeringe, met vertrouwen hebben?
A. Ja.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Galat. 2. 20. Die my lief gehadt heeft, ende
hemselven voor my overgegeven heeft. 1 Tim. 1. 13,
15. Maer my is barmhertigheyt geschiet, &c. 2. Timotli.
1. 12. Philipp. 1. 21. 2. Corinth. cap. 5. vs. 1.
d V. Dit wort van Paulo geseght; maer mogen daer-
om andere geloovigen dese particuliere toepassende
kennisse ende versekeringe hebben?
A. Ja.
d V. Bewijst dat?
A. 1. Tim. 1. 15, 16. Dit is een getrouw woort
ende aller aenneminge weerdigh, dat Christus Jesus
in de werelt gekomen is om de sondaren saligh te
maken, &c, 2. Corinth. 1. 4, 5.
d V. Hadde het Paulus niet door een bysondere open-
baringe des Geests ?
A. Neen.
d V. Waer door dan ?
A. Door den gemeynen Geest des geloofs, ende den
Geest Christi: Rom. 8. 9, 11, 14, 15, 16. Maer soo
yemant den Geest Christi niet en heeft, die en komt
hem niet toe, &e. 2. Corinth. 4. 13, 14, &c. en 13.
5. 2. Petr. cap. 1. vs. 1. Die allen ware geloovigen
gemeyn is.
d V. Maer scheelt het evenwel niet?
A. Neen.
d V. Wat volght uyt dese particuliere toepassende
kennisse ende versekeringe?
A. Een heerlick vertrouwen, namelick, dat alle
mijne sonden om Christi wille vergeven zijn, ende
dat ick derhalven sekerlick ende gewisselick sal saligh
worden: 2. Tim. 1. 12. Want ick weet wien ick ge-
-ocr page 269-
Van het Salighmakende Geloove.              261
looft hebbe, ende ick ben versekert dat hy machtigh
is mijn pant by hem wechgeleght te bewaren tot
dien dagh. Ephes. c. 3. vs. 12.
d V. Kan dit vertrouwen daer wel wesen, soo wan-
neer dat fondament niet geleght is, nameliek, Godt
is mijnen Godt, Christus is mijnen Salighmaker, sijne
verdiensten zijn mijne verdiensten, &c.?
A. Neen.
" V. Kan ick wel vertrouwen ende my gerust stellen,
om dat mijne Bonden om Christi wille zijn vergeven,
ende iek dienvolgens saligh sal worden, \'t en zy dat
ick eerst voor uyt sende ende vast sette, dat Chris-
tus mijnen Salighmaker is?
A. Neen.
\'\' V. Volght dit vertrouwen nootsakelick op het voor-
gaende?
A. Ja.
" V. Kan het een wel zijn sondcr het ander?
A. Neen: want daer vast gestelt is, dat Christus
is mijnen Salighmaker, daer moet nootwendigh dan
volgen dat vertrouwen des herten.
\'\' V. Maer hoe sal de sondige mensche versekert ende
versterckt worden, dat hem de rechtveerdige Godt
allo sijne sonden vergeven heeft?
A. Door den H. Geest: Kom. 8. 10, 17. Deselve Geest
getuyght met onsen geest dat wy kinderen Godts
zijn, ifcc.
d V. Staet het in de Sehriftuer, dat ghij N. N. Christi
eygen zijt, ende saligh sult werden?
A. De naem en staet \'er niet.
V. Behoeft het daer wel te staen?
A. Neen.
V. Staet \'er het algemeyn van alle geloovigen?
A. Ja.
V. Meught ghy voor u selven soodanigh een besluyt
daer wel uyt treeken?
A. Ja, op dese maniere: alle die haer bekeeren,
ende van herten in Christum als haren Salighmaker
-ocr page 270-
262              Van het Salighmakende Geloove.
gelooven, die komen hem toe ende werden saligh.
Maer ick bekeere my, ende geloove; ergo.
<1 V. Het eerste stuck staet in den Bijbel geschreven:
waer staet het tweede?
A. In mijn eygen herte , daer uyt moet ick soecken
ende weten, of ick waerlick geloove, ende niet uyt
den Bijbel,
d V. Wie zijn nu die gene, dewelcke loochenen, dat
het ware salighmakende geloove bestaet in soodanige
particuliere ende bysondere toepassende versekeringe
ende vertrouwen?
A. De Papisten,
d V. Welck is het gevoelen van die van \'t Pausdom
in desen deele: seggen sy dat het geloove is een
twijfl\'elinge ?
A. Ja.
c V. Hoe moet u geloove zijn, seker ofte twijffelach-
tigh?
A. Seker: Jacob. 1. C. Want die twijffelt is een bare
der zee gelijck.
c V. Maer hebt ghy sulck een sterck geloove, dat
ghy nimmermeer en twijft\'elt ?
A. Neen.
c V. Moet, en meught ghy wel van een ander seker-
lick weten, dat hy heeft het ware geloove sonder
eenige twijffelinge ?
A. Neen.
d V. Waerom niet ?
A. Om dat ick in eens anders herte niet sien en
kan: 1. Cor. c. 2. vs. 11. Want wie van de menschen
weet het gene des menschen is.
c V. Moet, en meught ghy het seker zijn, van
uselven ?
A. Ja.
c V. Wat reden hebt ghy?
A. Om dat ick in mijn eygen herte kan sien, ende
my selven moet beproeven: 1. Cor. 2. 11. Want wie
van de menschen weet het gene des menschen is,
-ocr page 271-
Van het Salighmakende Geloove.              263
dan de geest des mensehen die in hem is. 2. Cor.
cap. 13. vs. 5. Ondersoeckt u selven of ghy in het
geloove zijt, beproeft u selven.
c V. Moet ghy wel versekert zijn van de saligheyt,
van uwe vrienden ofte ouders, &c. ?
A. Neen.
c V. Moet de Predikant versekert zijn, dat het kint,
\'t welck hy Doopt, ofte die luyden, die hy het Nacht-
mael geeft, sullen saligh worden\'?
A. Neen.
o V. Konnen dan de Predikanten yemant de saligheyt
absolutelick toeseggen?
A. Neen.
d V. Maer sal een Papist seggen, ghy en kondt oock
geen versekeringe hebben van u selven, want het is
u niet besonderlick van Godt geopenbaert; wat soudt
ghy daer op seggen?
A. Hoewel het door een besondere ende extraordi-
nare openbaringe my niet geopenbaert is, soo is het
nochtans geopenbaert door de ordinare ende gemeyne
openbaringe des geloofs; als te sien is Rom. 8. vss.
16, 17. Deselve Geest getuyght met onsen geest dat
wy kinderen Godts zijn, &o. 2. Corinth. 4. 13, 14.
Dewijle wy nu den selven geest des geloofs hebben, &c.
c V. Wat soudt ghy oordeelen van het ingewickelt
geloove, het welck die van \'t Pausdom stellen?
A. Dat het omstoot het rechte geloof.
V. Magh men dan gansch geen ingewickelt geloove
hebben ?
A. Dat en seggen wy niet.
d V. In wat sin magh men een ingewickelt geloove
hebben?
A. Dat ick in \'t generale geloove waerachtigh te
zijn het gene de Heere in sijn woort geopenbaert
heeft.
d V. Is dat ingewickelt geloove genoegsaem ter sa-
ligheyt?
A. Neen.
-ocr page 272-
264              Van het Salighmakende Geloove.
d V. Welck is hel gevoelen van de Remonstranten
in desen deele?
A. Dat men van sijn saligheyt, ende van de vol-
herdinge een suspens ende conditioneel geloove ende
versekeringe moet hebben; ende niet verder als het
beste hopen,
il V. Is dit soodanigh een hope, daer van de Apostel
spreekt Rom. cap. 5. vs. 5. Ende de hope en beschaemt
niet. ende 8. 24. Hebr. 6. vs 19.?
A. Geensins: want die hope en beschaemt niet,
ende stelt de volkomene versekeringe vast.
il V. Wat is het dan voor een hope?
A. Een twijffelachtige hope, ende dewelcke als roock
komt te verdwijnen.
d V. Is het geene vermetenheyt dat men soo een vol-
komen versekeringe ende vertrouwen komt te stellen"?
A. In \'t minste niet.
b V. Het ware oprechte geloove, waer van daen
komt het?
A. Van den H. Geest. Siet hier van eygentlick
Vrage 65.
b V. Hebben wy de kracht niet van ons selven?
A. Neen.
e V. "Waer door werckt de H. Geest dit geloove?
A. Door het Euangelium: Rom. 10. 14, 17. Ende
hoe sullen sy in hem gelooven, van wekken sy niet
gehoort en hebben, &c.
c V. Waer wort het betuyght dat Christus uwen
Salighmaker is ?
A. In mijn hert: Rom. 8. vss. 15, 16. Maer ghy
hebt ontfangen den Geest der aenneminge tot kinderen,
door weieken wy roepen Abba, Vader, &o. Ephes. 8.
16, 17.
c V. Wie werckt het daer?
A. De H. Geest.
c V. Als ghy Christum ende het eeuwige leven soo
in u hert hebt, kondt ghy dan wel verloren gaen?
A. Neen.
-ocr page 273-
Van het Salighmakende Geloove.              265
,1 V. Maer het herte der raenschen is bedrieghlick:
want vele seggen ende meynen datse wijs ende geleert
zijn, en sy zijn het niet, bedriegende alsoo haer selven?
A. Het is soo; maer al is \'t dat vele mensehen
haer bedriegen, soo kan iek evenwel hier in vast ende
seker gaen: want alhoewel vele menschen haer wijs
maken wijs te zijn, daer sy niet en zijn, soo en be-
hoeft evenwel een recht wijs ende geleert man niet te
twijffelen of hy wijs is ofte niet; en al is \'t schoon
dat vele menschen haer bedriegen, soo en volght daer
niet uyt dat die hemselve oock bedriege, die waerlick
de sake heeft, ende sekerlick weet dat hyse heeft.
d V. Hoedanigh is dit ware salighmakende geloove?
A. Een onverwinnelick geloove.
d V. Bewijst dat?
A. Matth. 16. vs. 18. Ende de poorten der helle en
sullen deselve niet overweldigen. Joh. 10. 28. en 14.
16. en 17. 9.
Vrage 22.
Wat is dan een Christen noodigh te gelooven?
Antw. Al wat ons in den Evangelio belooft
wert, d\'welcke ons de artijckelen onses algemey-
nen ende ongetwijffelden Christelicken geloofs in
eener somma leeren.
» V. Wat moet ghy al gelooven?
A. Al wat ons in den Euangelio van Godt belooft is ?
V. "Waerom moet ghy Godts beloften weten ende
kennen?
A. Om dat ick anders niet kan saligh worden.
V. Moet men alles in Godts woort even seer ge-
looven ?
A. Ja: dewijle het alle onfeylbaer waerachtigh is,
als van Godt geopenbaert.
d V. Is het alles even nootsakelick te gelooven?
-ocr page 274-
266              Van het Salighmakende Geloove.
A. Neen.
b V. Moet ghy oock gelooven, dat Adam gevallen is,
dat \'er sonde, duyvel, helle is, &c?
A. Ja.
d V. Hoe moet ghy alleen gelooven wat u in den
Euangelio belooft wert?
A. Mits dat ick met een speciale toestemminge alle
\'t selve my toepasse tot reehtveerdighmakinge.
d V. Hoe moet men dan gelooven alle andere dingen,
die in Godts woort staen, ende niet hooren tot de
beloften des Euangeliums?
A. Met oen generael geloove ende toestemminge.
d V. Soo yemant niet en wist al wat in Godts woort
staet, soude die daerom verdoemt zijn\'?
A. Neen.
d V. Maer soo hy niet en weet ende verstaet de be-
lofte des Euangeliums , kan hy dan wel behouden ende
saligh worden?
A. Neen.
d V. Voor wien werden de beloften der genaden tot
troost in den Euangelio voorgestelt?
A. Voor de ware geloovigen.
c V. Is het genoegh dat men de belofte wete, om
voor een rechtgeloovige bekent te werden?
A. Neen.
c V. Wat moet \'er dan meer by zijn?
A. Hy moet deselve oock met den geloove aennemen.
ende hemselven toe-eygenen.
d V. Kan yemant, die slechts wil, de beloften van de
vergevinge der sonden wel aennemen, ende sijn ziele
toe-eygenen?
A. Neen.
d V. Waer door sal yemant van de datelicke aen-
grijpinge Christi, ende de ware toe-eygeninge van de
beloften der genaden, hemselven konnen versekeren \'
A. Door verloocheninge van sich selven.
d V. Kan dan yemant seker zijn, den Heere Christum
met den geloove waerlick aengenomen te hebben, die
-ocr page 275-
Van het Salighmakende Geloove.              267
niet gesint is heirtselven te verloochenen, en Christum
na te volgen?
A. Neen.
d V. Wat dunckt u dan van die gene, die daer on-
bekeerde ende moetwillige menschen zijnde, evenwel
sioh dorven beroemen , dat sy Christum met den ware
geloove tot haren Salighmaker hebben aengenomen?
d A. Sy zijn huychelaers, ende bedriegen andere, oock
haer selven: Jac. 1. 26. Indien yemant onder u
dunckt dat hy Godtsdienstigh is, ende syne tonge
niet in toom en houdt, maer sijn herte verleyt, deses
Godtsdienst is j*del. ende 2. vss. 14, 17, 18.
d V. Maken dan de moetwillige sondaers, door den
roem hares geloofs, haren staet noch erger, dan die
in sich selven was?
A. Ja.
d V. Welck is dan het rechte geloove, daer tegen de
poorten der hellen niet vermogen?
A. Het geloove verciert met goede wercken: want
andersins is het een doot geloove: Jac. cap. 2. vs. 26.
Want gelijck het lichaem sonder geest doot is, alsoo
is oock het geloove sonder de wercken doot.
d V. Wat is daer van nooden, om het vertrouwen van
de vergevinge der sonden wel te fundeeren?
A. Goede kennisse te hebben van Godt ende sijn
woort.
<* V. Wat voor een geloove hebben dan die gene, die
alle het vertrouwen van de\' vergevinge der sonden
bouwen alleen op haer eygen fantasije?
A Een hypocrijtisch ende geveynst geloove.
Vrage 23.
Hoe luyden die Artijckelen ?
Antw. Ick geloove in Godt den Vader, den
almachtigen, Schepper des hemels ende deraerden.
Ende in Jesum Christum sijnen eenighgeborenen
-ocr page 276-
268            Van de 12. Artijckelen des Geloofs.
sone onsen Heere. Die ontfangen is van den Hey-
Hgen Geest, geboren uyt de Maget Maria. Geleden
heeft onder Pontio Pilato, is gekruyst, gestorven
ende begraven, nedergedaelt ter helle. Ten derden
dage wederom opgestaen van den dooden. Opge-
varen ten hemel, sittende ter rechterhant Godts
des almachtigen Vaders. Van daer hy komen sal
om te oordeelen de levende ende de dooden.
Ick geloove in den H. Geest. Ick geloove een
heylige algemeyne Christelicke Kercke, de gemeyn-
schap der heyligen. Vergevinge der sonden: weder-
opstandinge des vleeschs: Ende een eeuwigh leven.
c V. Welck is de vermaerde summa van het gene het
Euangelium voorstelt te gelooven?
A. De 12. Artijckelen des geloofs.
d V. Waerom werden die bysondere geloof-stucken
onser Christelkker Religie Symbolum, dat is, velt-
teeckenen ofte livreye, genoemt"?
A. Om datse zijn als het velt-teecken ende livreye,
waer door de gemeynte met hare litmaten van den on-
geloovigen ende on-Christenen worden onderscheyden.
d V. Waerom worden zy Artijckelen des algemeynen
geloofs genoemt?
A. Omdat alle Christenen een gemeyn geloove hebben,
d V. "Waerom worden sy Artijckelen onses Christe-
licken geloofs genoemt?
A. Om datse begrijpen de summa van de beloften
des Euangelij.
d V. Waerom worden der juist twaelf gestelt?
A. Om dat het die man, of die mannen, bij deweleke
het selve geschreven is, alsoo gelieft heeft; doch
waerom het haer alsoo belieft heeft, en konnen wy
niet weten, dewijle zy onbekent zijn, ende zy noyt
haer selven hier over verklaert hebben.
-ocr page 277-
Van do 12. Artijckelen des Geloofs.            269
d V. Alle stucken ende artijckelen, die wij moeten
gelooven, staen die in dese 12. Artijckelen?
A. Neen.
d V. Wat begrijpen se dan?
A. Een kort sommier van eenige capitale poincten.
b V. Dese 12. Artijckelen des Geloofs, zijnse een
Canonijck schrift?
A. Neen : alhoewelse met Canonijcke schriften accor-
deeren, voor soo veel de materie ofte den inhoudt
belanght.
b V. Waer staenso beschreven, soo in forma, in het
Oude ofte Nieuwe Testament?
A. Noch in \'t Oude, noch in \'t Nieuwe Testament.
o V. Zijn sy geen deel van de H. Schriftuer?
A. Neen.
c V. Zijn sy soo wel geen deel, als het Vader ons,
ende de thien Geboden?
A. Neen.
c V. Wat houdt ghy van hooger* authoriteyt ende weer-
digheyt, de thien Geboden, of de 12. Artijckelen des
Geloofs ?
A. De thien Geboden.
c V. Waerom dat?
A. Om dat deselve formeelick een stuck of een deel
van de Canonijcke schrift zijn.
d V. Zijn dan de 12. Artijckelen des Geloofs Godts
woort ?
A. Formeelick of in forma gantsch niet, dewijlse geen
boeck of een stuck en zijn van de Canonijcke schrift.
o V. Komense met Godts woort over een?
A. Ja.
« V. Zijnse dan daer uyt genomen, ende gestelt als
een extract?
A. Ja.
c V. Magh men dan wel seggen, dat het een menschlick
schrift is?
A. Ja.
" V. Wie hebbense geschreven?
-ocr page 278-
270            Van de 12. Artijckelen des Geloofs.
A. Dat weet men niet.
c V. Hebbense de Apostelen geschreven, en heeft elck
Apostel het sijne daer toe gebracht?
A. Neen.
c V. Wie seggen dat?
A. Die van \'t Pausdom,
c V. Zijnse van de Apostelen gelesen?
A. Neen: dewijlse langh na der Apostelen tijt ge-
stelt zijn.
c V. Magh men dese 12. Artijckelen den mensehen
wel voorhouden?
A. Ja.
b V. Magh men na de tijden der Apostelen soodanige
formulieren wel hebben of maken?
A. Ja: 2. Tim. 1. 13. Houdt het voorbeelt der ge-
sonde woorden, &c.
<• V. Moeten wy dat soo absolutelick aennemen, om
dat het de Artijckelen ons soo seggen?
A. Neen: maer om dat het in Godts woort is ge-
grondet.
b V. Dese 12. Artijckelen dos Geloofs, zijnse een
gebedt ?
A. Neen.
c V. Is het wel geseyt, dat de ouders tot de kinderen
seggen, bidt u geloove, verstaende dese Artijckelen?
A. Neen.
c V. Wat zijn dan dese Artijckelen?
A. Een belijdenisse ende verklaringe wat men van
de Religie gevoelt ende gelooft,
d V. Is\'er dan een goede opmerckinge ende een geeste-
lick verstant, dat men de handen te samen leyt ende
het postuer van bidden maeckt, als men dese Artijc-
kelen hoort lesen, of pronuntiëren ?
A. Neen.
d V. Tot wien spreeckt men in sijn gebedt?
A. Tot Godt.
(1 V. Tot wien spreeckt men eygentlick als men sijn
geloove verklaert ofte belijdet?
-ocr page 279-
Van de Afdeylinge der 12. Artijckelen des Geloofs. 271
A. Tot de menschen, die sulcks moghten van ons
vorderen of willen weten: 1. Petr. 3. 15, 16. Ende
zijt altijt bereyt tot verantwoordinge aen een yegelick
die u rekenschap afeyscht van de hope die in u is.
SONDAGH VIII. Vrage 24, 25.
Vhage 24.
Hoe werden dese Artijckelen gedeelt?
Antw. In drie deelen: Dat eerste is van Godt
den Vader, ende onse scheppinge. Dat ander van
Godt den Sone, en onse Verlossinge. Dat derde
van Godt den Heyligen Geest, en onse Heyligh-
makinge.
d V. Hoe wort desen Sondagh afgedeelt?
A. In twee deelen.
d V. Welck zijnse ?
A. De afdeelinge van de 12. artijckelen des geloofs,
Vrage 24. 2. Een nader openinge ende verklaringe
van het eenigh Goddelick wesen en drie persoonen,
Vrage 25.
a V. Hoe worden de twaelf artijckelen afgedeelt?
A. In drie deelen.
a V. Seghtse eens?
A. Het eerste is van Godt den Vader en onse Schep-
pinge. Het 2. van Godt den Sone en onse Verlossinge.
Het 3. van Godt den Heyligen Geest en onse Heyligh-
makinge.
" V. Is de Vader alleen de Schepper?
A. Neen.
" V. Hebben de Sone ende Heylige Geest oock ge-
schapen ?
A. Ja.
-ocr page 280-
Van de Afdeylinge der
272
d V. Bewijst het van den Sone ?
A. Joh. 1. 3. Alle dingen zijn door het selve ge-
maeckt, en sonder het selve en is geen dinck gi;-
maeckt, dat gemaeckt is. Col. 1. vs. 16. Hebr. 1. 2.
d V. Bewijst het van den Heyligen Geest?
A. Psal. 33. 6. Genes. 1. 2. Ende de Geest Godts
. sweefde op de wateren.
d V.. Waerom wort dan de Vader de scheppinge be-
sonderlick toegeeygent, ende waerom wort hy de eerste
gestelt ?
A. Om dat hy is de eerste in ordre, ende het begin
van alle Goddelieke wercken.
d V. Is de scheppinge des Vaders een ander schej>-
pinge als des Soons?
A. Neen.
d V. Is het dan een ende de selfde scheppinge?
A. Ja.
c V. Is de Soon alleen de Verlosser?
A. Neen.
d V. Heeft de Vader en de Heylige Geest ons oock
verlost ?
A. Ja.
d V. Bewijst van den Vader?
         ,
A. Joh. 3. 16, 17. Want alsoo lief heeft Godt de
werelt gehadt, dat hy sijnen eenighgeborenen Sone
gegeven heeft, &c.
d V. Bewijst van den Heyligen Geest?
A. Tit. 3. 5. Heeft hy ons saligh gemaeckt, &e.
door het badt der wedergeboorte, en vernieuwing*.\'
des Heyligen Geests.
d V. Waerom wort dan de verlossinge den Soon be-
sonderlick toegeschreven ?
A. Om dat hy, als Middelaer, de verlossinge in sijne
menschelicke nature uytgevoert ende te wege ge-
bracht heeft,
d V. Is de verlossinge des Soons een andere verlos-
singe als des Vaders?
A. Neen.
-ocr page 281-
12. Artijckelen des Geloofs.                   273
,1 V. Is liet dan een ende deselve verlossinge ?
A. Ja: soo veel het effect des woreks aengaet.
d V. Is de Heylige Geest alleen do Heylighmaker?
A. Neen.
d V. Maeckt de Vader en de Soon ons oock heyligh?
A. Ja.
.1 V. Bewijst van den Vader\'?
A. Galat. 4. C. Ende overmits ghy kinderen zijt,
heeft Godt den Geest sijns Soons uytgesonden in uwo
herten. 1. Thess. 5. 23.
d V. Bewijst van den Soon ?
A. 1. Corinth. 1. 30. Maer uyt hem zijt ghy in
Christo Jesu, die ons geworden is wijsheyt van Godo,
ende reehtveerdigheyt, ende heylighmakinge.
il V. Waerom seght dan de Catechismus van Godt
den Heyligen Geest ende onse heylighmakinge?
A. Om dat dese heylighmakinge besondorlickon toege-
eygent wort den Heyligen Geest,
d V. Is do heylighmakinge des Heyligen Geests een
ander heylighmakinge, als des Vaders, ende des
Woons\'?
A. Neen.
d V. Is het dan oen endo deselfde heylighmakinge?
A. Ja.
c V. Hoe veel Scheppers zijnder?
A. Een.
c V. Hoe veel scheppingo zijnder?
A. Een.
l\' V. Hoe veel Verlossers zijnder?
A. Een.
il V. Hoe veel verlossingen zijnder?
A. Een.
V. Hoe veel Heylighmakcrs zijnder?
A. Een.
c V. Hoe veel heylighmakingen zijnder ?
A. Een.
« V. Is\'er evenwel gantsch geen onderscheyt tusschen
de scheppinge des Vaders, endo tusschen de schep-
18
-ocr page 282-
274 Van do Afdeylinge dor 12. Artijckolon dos Geloofs.
pingo des Soons cndo des Heyligen Geosts? En soo
kan oock gevraeght worden van de Vorlossinge des
Soons, endo van do Heylighmakinge des H. Gcests?
A. Ja.
d V. Is\'cr onderscheyt in liet worck selfs?
A. Neon.
d V. Waor in is hot onderscheyt dan gelegen?
A. In do bysondero porsonoelo ordre ende maniere
van werckinge, in, ende omtrent eon ende hetselfde
worck.
d V. Do wercken Godts na buyten toe, dat is, die
uy tgericht endo getermineert werden, dat is, strecken
haer en doende zijn ontrent endo tot do creaturen,
zijn die de drie persoonen gemeyn? \')
A. Ja.
d V. Zijn de wercken Godts na binnon den drie per-
soonen gemeyn ?
A. Neen: als in de volgende Vrage sal gehoort
worden,
d V. Zijn alle de inblijvendo ofte innerlicke werckin-
gen na buyten, den drie persoonen gemeyn?
A. Ja.
d V. Welcke zijn die?
A. Het besluyt Godts, of de wetenschap, en den
wille Godts van endo over de creaturen,
d V. Zijn alle do innerlicke ofte inblijvende wercken na
binnen of na buyten ?
A. Neen: maor sommige zijn na binnen, als de gene-
ratio des Soons, ende sommige na buyten, als do
Praedestinatie.
d V. Seght my nu eens kortelick hoe de seheppingc
den Vader wort toegeschreven?
A. Als do eerste in ordro, ende van hemselven
scheppende, door den Soon ende den H. Geest.
d V. Hoe schept de Sone?
\') Gemeenbjk: uitgaande vjerlcen genoemd, in tegenstelling "
die daden Gods, die beslaan in het nemen van zijn besluiten.
-ocr page 283-
Van het eenigh Goddelick Wesen.             275
A. Van den Vader,
d V. Hoe schept de H. Geest?
A. Van den Vader endo van den Sone.
(1 V. Hoe verlost de Vader?
A. Door den Sone.
d V. Hoe verlost de Sone?
A. Van den Vader, door den H. Geest.
(I V. Hoe verlost de Sono alleen, ende niet in ge-
rueynschap met den Vader endo den H. Geest?
A. Als Middelaer: soo in \'t verdienen, als appli-
ceren ter saligheyt.
d V. Hoe verlost de H. Geest?
A. Door den Sone.
cl V. Hoe maeckt ons de Vader heyligh?
A. Door den H. Geest,
d V. Hoe maeckt ons de Sone heyligh?
A. Door den H. Geest.
(1 V. Hoe maeckt ons de H. Geest heyligh?
A. Selfs persoonlick, van den Vader ende van den
Sone.
Vkage 25.
Aengesien dat\'er maer een eenigh Goddelick
wesen is, waerom noemt ghy den Vader, den
Sone, ende den Heyligen Geest?
Antw. Om dat Godt hem alsoo in sijn woort
geopenbaert heeft, dat dese drie onderscheydelicke
Peraoonen, de eenigh, waerachtigh ende eeuwigh
Godt zijn.
b V. Is\'er oock een Godt in de werelt?
A. Ja.
d V. Waer uyt soudt ghy bewijsen, dat\'er een Godt
in de werelt is?
A. 1. Uyt do scheppinge der werelt: want daer moet
een eerste oorzaeck zijn, waer van dit altemael is
-ocr page 284-
276             Van het oenigh Godilelick Wesen.
voortgekomen; en soo sal men eyndelick bevinden,
dat\'er is een eerste oorsaeck, waor van daen sulcks
alles gekomen is: Rom. 1. 19, 20. Overmits het gene
van Oodt kennelick is in haer openbaer is, want Godt
heeft het haer geopenbaert, &e.
2.  Uyt die schoone ordro, die daer is in de nature,
dat is , dat dit schoon gebouw des gantschen wcrelts,
ende een yeder deel van dien, soo sekerlick, ordent-
lick, ende evengeduerighliek beweeght ende geregeert
wort; hot welcko niet en kan geschieden, dan van
een verstandige ende almachtige nature, welcke
Godt is.
3.  Uyt de nature ende uytnemontheyt der menschc-
lickcr ziele: want een redelicke ende verstandige
nature, die van een ander voortgebracht is , en kan
niet als mede van een verstandige nature voort ge-
bracht worden: want het kan niet geschieden, dat de
oorsake gehoelick slimmer soude zijn, als het gune
van deselve voortgebracht wort. Nu, de ziele des
menschen is redelick ende vorstandigh, ende van een
ander nature voortgebracht, soo moetse dan van een
verstandige nature zijn voortgebracht, dowelcke Gudt
is: Job 32. vs. 8. Sekerlick de geest die in den men-
scho is, ende de inblasinge dos Almachtigen maeckt
haerlieden verstandigh. ende Psalm 94. vss. 7, 8, 0.
i. Uyt gemeyne beginselen van kennisse, ons van
naturen aengeboren: gelijck daer zijn te konnen eer-
licke ende onoerlicko dingen onderscheiden, tellen,
rekenen, het eene uyt het andere door het verstant
afnemen ende besluyten, &c. dowelcke niet konnen i"
ons voortgebracht zijn by gevalle, ofte van een
onverstandige natu er, maor mede van een vorstan-
dige oorsaeck, welcke Godt is.
5. Uyt de natuerlicke kennisse in \'s menschen ziele
ingeplant, die haer t\'sijner tijt openbaert: want daer
en is geen volck soo barbarisoh ende wildt, of sy
hebben al te samen eenigh gevoelen van Religie >
waer mede sy dan te kennen geven, dat\'er een GoeU
-ocr page 285-
Van het eenigh Goddelick Woson.             277
is: Rom. 1. vs. 19. Overmits het gene van Godt
kennelick is in haer openbacr is: want Godt heeft
het haer geopenbaert. Waerom oock de Oudtvader
Augustinus seer wel seyt, dat men eerder soude
konnen gelooven, dat in den mensche geen redelicke
ziele en was, als dat\'or geen Godt en soude zijn.
6.  Uyt de verschrickingen ende groiiwelen der con-
scientien, met dewelcke de goddeloosen , na datso de
sonde begaen hebben, omvangen ende geslagen wer-
den, niet wetende waer sy blijven sullen. Gclijcker-
wijs getuyght wort in de historiën van de Koyser
Caligula, deweleke, wanneer het donderde ende
blixemde, soo vervoert was, ende versehrickt, soo
dat hy niet en wiste waer dat hy soude bly ven : waer
uyt men klaerlick kan afnemen, dat\'er een Godt is ;
want waerom souden de goddeloosen anders soo
schricken ende beven?
7.  Ende ten laetsten, om alle andere redenen voor-
by te gaen, soo blijckt het klaerlick uyt de beloonin-
gen der goeden, en de straffen der boosdoeners; ge-
Hjck de Sundtvloedt; den brant van Sodoma ende
Gomorrha; \'t verdrincken van Pharao ende alle Egyp-
tenaren in de roode zee; ja de uytroeyingen van de
iiklermeest-bloeijende Koninckrijcken ende volckeren,
s*otuygen genoeghsaem ende overvloedelick, dat\'er
zy een algemeyn ende Almachtigh Richter des ge-
hoelen werelts, welck alleen Godt is: Psalm 9. 17.
De Heere is bekent geworden, hy heeft recht go-
daen. ende 58. 12.
V. Dewijle het dan seker ende gewis is, dat\'er een
Godt is, soo seght my nu eens wat Godt is ?
A. Willen wy weten (voor soo veel ons ter salig-
heyt is van nooden, ende wat Godt ons van hem in
sijn woort heeft geopenbaert) wat Godt is, soo moet
men insien ende bemercken wat Godt is, 1. ten aen-
sien van sijne namen. 2. ten aenzien van sijn wesen.
V. Heeft Godt oock namen ?
A. Ja.
-ocr page 286-
278             Van het eenigh Goddelick Wesen.
d V. Noemt my eens de namen Godts ?
A. 1. Sommige namen beteeekenen liet eenigli God-
delick wesen. 2. Sommige beteeekenen de persooncn
in het eenigh Goddelick wesen. 3. Sommige beteecke-
nen de Goddelicke eygenschappen.
d V. Noemt my eens de namen Godts, die het eenigh
Goddelick wesen beteeekenen\'?
A. Iehova Kurios, (dat is Heere) Godt.
d V. Wort de name Iehova in Godts woort gevonden ?
A. Ja. Esai. 42. 8. Ick ben de Heere, dat is mijnen
naem. Psalm 83. 19. Op datse weten, dat ghy alleen
met uwen Name zijt do Heere, endo op andere plaet-
sen: insonderheyt, Psalm 29. bestaendo uyt elf
verssen, daer deson naem achthien mael gevonden
wort.
d V. Wat geeft desen naem te kennen?
A. Dat Godt is een eeuwigh wesen, ende sijn Zijn:
Exod. 3. 14. Ick sal zijn die ick zijn sal. De Alpha
ende Omega, \'t begin ende het eynde, de eerste ende
de laetste, die is ende die was en die komen sal.
Apoc. 1. 3, 8.
d V. Is dese naem Godt alleen eygen, of kan hy oock
de creaturen toegeschreven worden?
A. Desen naem is alleen Godt eygen.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Exod. 3. 14. ende (5. 2. Doch met mijnen name
Heere en bon ick haer niet bekent geweest, ende
20. 2. Esai. 42. 8. Waerom oock Mose endo de Israëli-
ten in haren Lofsanck singen, Exod. cap. 15. vs. 3.
Heere is sijnen Naem.
d V. Wie zijn die gene, dewelcke seggen, dat desen
naem oock de creaturen toegeschreven wort ?
A. De Socinianen ende Joden,
d V. Wat bewijs brengen zy by?
A. Num. 10. 35. Het geschiede nu in \'t optrecken
van do Arke, dat Mose seyde: Staet op Hoere, &\'\'•
d V. Wat soudt ghy daer op antwoorden?
A. Wy seggen, 1. in \'t gemeyn, dat den Godtsdienst
-ocr page 287-
Van het eenigh Goddelick Wesen.             279
der Joden aen de Arcke des verbonts was gebonden :
want aen, ofte by de Arcke des verbonts sprack de
Heere met Mose volgens sijne toesegginge, Exod. cap.
25. vs. 22. 1. Sam. cap. 4. vs. 4. 1. Paral. cap.
13. vs. 6. Psalm 80. 20 ende cap. 99. vs. 1. Esai.
37. 16. Aldaer liadde hy gestelt de gedachtenisse sijns
naems, Exod. 84. vs. 24. Deut. cap. 12 vs. 4. Der-
halven heeft hy oock gewilt dat den gantschen Godts-
dienst voor de Arcke des verbonts uytgovoert soude
werden, Deut. cap. 12. vs. 11. Heeft oock aldaer
willen aengebeden werden, Josu cap. 7. vs. 6. 2. Reg.
cap. 19. vs. 15. en dit alles niet tot soodanigh een
eynde, namelick, om daer mede te kennen te geven,
dat de Arcke was de Jehova, maer om dat de Heere
sijne bysondcrlicko tegenwoordigheyt aen de Arcke
gebonden heeft, ende aldaer heeft willen gesocht ende
gevonden worden. 2. !Soo antwoorden wy in \'t parti-
culier op de bygebraghte passagie, dat Mose met die
woorden, Staet op Heere, endo laet uwen vyanden
vorstroyt worden, &<•. niet aen en spreeckt do Arcke
des verbonts, maer den waerachtigen Godt, sijn woon-
plaetse ende bysonderlicke tegenwoordigheyt aldaer
hebbende: Psalm 132. vss. 7, 8. W^\' sullen in sijne
wooningen ingaen, wy sullen ons nederbuygen voor
den voetbanck sijner voeten, &c. want de Arcke en
konde hy alsoo niet aenspreken sonder afgoderije te
begaen, als houdende ende eerende yet in plaetse
van den lcvendigon Godt, hot welck in der daet geen
Godt en is. 3. De Arcke en staet niet op, noch en
keert niet wederom, het welck de Heere toegeschre-
ven wort menscholicker wijse, Psalm 68. vs. 2. 4.
Moses badt alsoo , als de Arcko nu roysdo ofte rustedo,
als yemant seyde tot den reysenden, staet op, ende
tot den rustenden, koert weder. De Arcke en konde
de vyanden niet verstroyen, maer dat is alleen Godts
werck: Psalm 68. vs. 2. Godt sal opstaen, sijne vy-
anden sullen vorstroyt worden. Haer ander bewijs,
datsc meer in desc gelegentheyt bybrengen, is van
-ocr page 288-
280             Van liet cenigh Goddelick Wesen.
deselve natuer, endo dienvolgens onnoodigh hier lange
op te staen.
d V. Heeft dese nacm eenigo bysondero kracht, om
eenigh quact (door \'t gebruyekon van dien naem, \'t
zy met deselve te schrijven, ofte te spreken) wech
te nemen, endo om eenige wijsheyt de mensehen aen
te brengen ?
A. Neen.
d V. Wie drijven sulcks?
A. De Cabalistcn ende Toovenaers.
d V. Kan, ende behoort\'dese naem uitgesproken worden\'?
A. Ja.
d V. Waer van komt hot dan, dat sommige hier s\\va-
righeyt in vinden?
A. Dat komt van de superstitieuse Joden,
d V. De naem Godt, beteeckent die het wesen ende de
nature Godts\'?
A, Het wesen endo de nature Godts, om dat desen
naem Godt absolutelick toekomt, ende van geen
creaturen genomen is: endo soo wort oock onsen
wesentlicken Godt gestelt togen soodanige, die, van
naturen geen Godt zijnde, Goden genaemt worden:
1. Corinth. cap. 8. vss. 5, 0. Ende met een seker
nadruck des eenigen ende waerachtigen Godts. Joh. 17.3,
d V. Noemt eens de naem die de Goddelicke persoo-
ncn in \'t gemeen beteeckent ?
A. Elobim. Genes. 1. 26, 27.
d V. Kan men uyt de naem Elobim besluyten de mecr-
derhoyt der Goddelicke persoonen?
A. Ja: wel verstaende te samen gevocght met het
woort in \'t getal van velen in do eerste persoon,
ende de woordokens Ons, ende Sijn, in \'t getal van
velen, ende een: Genes. 1. 26, 27.
d V. Kan men daer uyt besluyten, dat \'er drie God-
delicke persoonen zijn, noch min noch meer?
A. Neen.
d V. Welck zijn de namen, die daer beteeckenen de
eygenschappen Godts?
-ocr page 289-
Van liet cenigh Goddelick Wesen.             281
A. Als Godt geseyt wort te zijn een almsohtigh,
alwetende, rechtvecrdigh, genadigh, barmhertigh ,
eeuwigen Godt, van welcke oygenschappon \\vy in \'t
vcrvolgh sullen spreken.
• I V. Ghy hebt nu aangeweson wat Godt is, ten aen-
zien van sijn namen, seght my nu oock eens wat
Godt is ten aansien van sijn wesen?
A. Wat, en hoedanigh Godt eygontlick zij, en kan
niet uytgedruckt ofte volkomentlick verklaert worden;
eensdeels; om dat hy oneyndigh is ; eensdeels , om
dat sijn wesen ons onbekent is: want niemant heeft
oyt Godt gesien: Joh. 1. 18. 1. Tim. 0 vs. 10. Den
weh-ken geen mensche gesien en heeft, noch sien
en kan.
il V. Maer heeft de Heere hemselven in sijn woort
niet bekent gemaeckt, voor soo veel ons ter saligheyt
noodigh van hem dient geweten ?
A. Ja.
il V. Hoe heeft de Heere dan hemselven in sijn woort
geopenbaert ?
A. Een in wesen, ende drie in porsoonen.
\'1 V. Wat wort verstaen door het Goddelick wowen ?
A. De ware Godtheyt selfs: Rom. 1. 20. Want sijne
onsienlicke dingen worden van de scheppinge der
werelt aen, uyt de schepselen verstaen ende doorsien,
beyde syne eeuwige kracht ende Goddelickheyt; waer
door Godt is, dat hy is: Exod. 3. 14. dat is, een-
voudigh , geestelick, oneyndelick, overal tcgenwoor-
digh, volniaeckt, onveranderlick, alwetende, &c.
\'\' V. Hoe soude men op het alderkortste Godt den
Heere konnon begrijpen wat hy is \'?
A. Dat Godt oen Geest is, ofte een oneyndelick
geestelick wesen; Joh. 4. vs. 24. welcke geestelick
ende oneyndigh wesen Godes dan nader wort verklaert,
ende beschreven door do eygenschappen Godcs, daer
door hy sich selven aen ons monschen heeft bekent
gemaeckt.
--1 V. Hoo veel Goden zijnder?
-ocr page 290-
282             Van het eenigh Goddelick Weson.
A. Een: Deut. G. 4. Hoort Israël, de Heere onse
Godt is een eenigfa Heere. 1. Corinth. 8. C. Nochtans
hebben wy maer oenen Godt, &c. 1. Tim. 2. 5. Want
daer is oen Godt.
1) V. Hoe veel Goddelicke wesens zijnder?
A. Een.
b V. Hoe veel Godthedcn zijnder?
A. Een Godthoyt.
b V. Hoe veel Goddelicke naturen zijnder ?
A. Een.
b V. Wie is dien eenon Godt?
A. Vader, Koon, H. Geest.
I) V. Maer ghy noemt \'er drie?
A. Dat zijn drie persoonon, maer eenen Godt.
b V. Is de Vader de Soon ?
A. Neen.
b V. Is do II. Geost de Vader ofte de Soon?
A. Neen.
b V. Zijnse dan onderscheyden?
A. Ja.
b V. Hoe, als Godt?
A. Neen.
c V. Hoc dan?
A. Als een persoon,
d V. Wat is een persoon ?
A. Een sake ofte dinck, dat van selfs bostaet, dat
eenigh, lovendigh , ende vorslandigh is, ende dat ecu
ander niet medegedeelt en is, noch van een ander
onderhouden wert, noch een deel daer van is.
d V. Wat is een Goddelick persoon?
A. Een onderschoyden selfstandigheyt, hebbende de
goheele Godthoyt in sich.
d V. liet woort selfstandigheyt, staet dat wel in Godts
woort ?
A. Ja: Hebr. 1. 3. Ende liet uytgedruekte beelt
sijner selfstandigheyt.
c V. Zijn de Vader, Soon, II. (Joost, alle drie per-
soonen ofte selfstandigheden ?
-ocr page 291-
Van hot eenigh Goddeliek Wosen.             283
A. Ja.
c V. Zijn het alleen verscheyden benamingen, of drie
namen ?
A. Noen.
d V. Wie seggen sulcks?
A. Eenigo Leeraers onder de Mcnnoniten.
o V. Waer uyt bewijst ghy dat het zjjn drie porsoonen
ofte selfstandigheden ?
A. Om dat alle dese drie porsoonen toegeschreven
werden , loven, verstant, willo, ende soodanigo werckin-
ge, die niet en konnen geschiedon noch gedaen werden,
dan van persoonen. Den Vader, dat hy de werelt
heeft geschapen, onderhoudt ende alles regeert. Den
Sone, dat hy gegenereort is, gesonden wort, de werelt
geschapen heeft, het vleesch aangenomen, levendigh
maeckt, do sondon vergeeft. Do Heyligc Geest, dat
hy gesonden wort, Dienaren der Gemeynto stelt ende
uytsendt, wederbaert, hoylight, vertroost, toekomende
saken te voren seght, getuyght, levendigh maeckt,
regeert, &c.
e V. Zijn de Vader, Soon, II. Geest, onderscheydolicke
porsoonen ofte selfstandigheden ?
A. Ja.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat ?
A. Joh. cap. 5. vs. 32. Daer is oen ander die van
my getuyght, ende cap. 14. vs. 1G. Ende ick sal den
Vader bidden, endo hy sal u ecnen anderen Trooster
geven, &c. ende cap. 15. vs. 20. Maer wanneer de
Trooster sal gekomen zijn, dien ick u senden sal
van den Vader, &c. Als oock uyt do maniere van
bestaon van yedor persoon, het welck yedcr persoon
soo oygon is, dat het do andere persoon niet kan
medegedoelt worden.
« V. Welck zijn de persoonolicke eygenschappen endo
werekingen des Vaders ?
A. Dat hy is van niemant, maer van hemselven ,
ende van hemselven werekt, ende dat hy don Sone
genereert ende seyndot: Psal. 2. vs. 7. Ghy zijt mijn
-ocr page 292-
284             Van het ecnigh Goddelicfc Woscn.
Sone, heden liebbe ick u gegcncreert. Hebr. cap. 1.
vs. 5. Joh. 1. 14. Rom. 8. 32.
d V. Welck des Soons?
A. Dat liy van alle eeüwigheyt van den Vader is
gegenereert, ende gesonden wort: Psalm 2. vs. 7. Ghy
zijt mijn Sone, heden hebbe ick u gegenereert. Joh.
1. 14. Ende het woort is vleesch geworden, cndo 5.
19. ende C. 2i), 38, 39, 44, 57.
d V. "Welck des II. Geosts?
A. Dat hy van den Vader ende van den Sone uyt-
gaet, cndo gesonden wort: Joh. cap. 14. vss. 16, 20.
Ende ick sal don Vader bidden, ende hy sal u eenen
anderen Trooster geven: &c. cndo cap. 15. vs. 20.
ende cap. 10. vs. 7. Rom. 8. vs. 9. Galat. cap. 4. vs. 6.
c V. Kan men wel seggen van den Vader, dat hy
gegenereert is ?
A. Neen.
c V. Kan men van den Soon wel seggen, dat hy
genereert ?
A. Neen.
c V. Kan men van den H. Geest wel seggen, dat hy
genereert ofte gegenereert wort?
A. Neen.
c V. Zijn dit dan onmededeylbare eygenschappen, dat
is, zijnse veder persoon soo eygen, datse de andere
persoon niet konnon toegeschreven werden?
A. Ja.
e V. Is het dan wat anders te genereeren , wat an-
ders gegenereert te worden, wat anders uyt te gaen ?
A. Ja.
c V. Magh men dan seggen, een ander is de Vader,
een ander de Soon, een ander de H. Geest ?
A. Ja.
c V. Hoe, een ander Godt?
A. Noen: een ander persoon.
c V. Magh ick seggen, Vader, Soon, en H. Geest
zijn een?
A. Ja.
-ocr page 293-
Van het eenigh Goddeliok Wesen.             2S5
c V. Hoe, een persoon?
A. Noen: een Godt.
v V. Van wien wort de Vader gesonden?
A. Van niemant.
c V. Van wien wort de Soon gesonden?
A. Van den Vader,
c V. Van wien wort do H. Geest gesonden?
A Van don Vader endo van den Soon: Joh. 15.
26. Haer wanneer de Trooster sal gekomen zijn, dien
ick u scnden sal van den Vader, &c. met Joh. 10.
13, 14. Want hy en sal van hemselven niet spreken,
&c. die sal my verheerlicken: want hy sal \'t uyt het
mijne nemen ende u-lieden verkondigen,
c V. Is do Soon van den H. Geest gesonden?
A. Neen.
il V. Is hy ontfangen van den H. Geest?
A. Ja.
d V. Hoe wort dat dan verstaen ?
A. Ten aonsien van sijne menschwerdingo.
d V. Haer heeft dat hier geen plactse, ontfangen tê
zijn van den H. Geest?
A. Neen.
d V. Waer op siet dat dan?
A. Op sijne mensehelicke natuer.
c V. Kan hot onderscheyt der persoonen oock niet
afgenomen werden uyt eenige onderseheydeno manie-
ren van werekingen.
A. Ja: Want alsoo wort het werek der Schoppinge
den Vader toegeschreven, de Verlossinge don Soon,
de Heylighmakingo den H. Geest. Niet dat \'er hot
werek verscheyden is, in \'t minste niet, maer tlo
maniere van uytriehten is verscheyden, als in de
voorgaende Vrago gohoort is.
u V. Van wien werekt dan do Vader?
A. Van hemselven.
b V. Werekt do Soon endo de H. Geest oock soo niet
A. Noen.
" V. Van wien werekt de Soon?
-ocr page 294-
286             Van het ocnigh Goddelick Wesen.
A. Van den Vader.
b V. Van wien werckt de H. Geest?
A. Van den Vader endo van don Soon.
d V. Hebben do Vader, Soon , endo H. Geest, eon
ende deselve eygenschappen, of zijn alle cygenschap-
pen de drio persoonen gemeyn ?
A. Neen.
d V. Welcko eygenschappen zijn dan gemeyn, ende
welcke zijn niet gemeyn?
A. De eygenschappen die het Goddelick wesen aen-
gaen, die zijn gemeyn, maer niet die yeder persoon
aengaen.
d V. Is het Goddelick wesen, ende de persoon in allo
manieren eon ende hetselfde?
A. Neen.
d V. Is dan het Goddelick wesen eenighsins onder-
scluyden van do persoon, ende de persoon van \'t
Goddelick wesen?
A. Ja.
d V. Waer uyt wort sulcks bewesen?
A. Om dat ick van het wesen magh seggen, dat
het gemeyn is yeder een van do drie persoonen; en
dat het een is: maer dit en magh ick van de per-
soonen niet seggen. Insgelijcks magh, en moet ick,
volgens Godes woort, ran de persoonen seggen , datse
drie zijn, ende datse onderscheyden zijn d\'een van
d\'ander: maer dit en magh ick van de Godtheytnict
seggen, als dewelcke eon ende onderscheyden is.
b V. Welck van do drie porsoonen is uwen Godt?
A. Alle drio de porsoonen.
b V. Hebt ghy dan drie Goden?
A, Ick hebbo wol drio persoonen, maer eenen Godt.
c V. Is Christus oock Godt?
A. Ja: gelijck nader gohoort sal werden, Vrage 33.
c V. Is Christus Godt geweest, eer hy van Maria
geboren , gekruyst, ende ten hemel opgenomen wiert ?
A. Ja.
d V. Soudt ghy dat wel konnen bewijsen?
-ocr page 295-
Van het eenigh Goddelick Wescn.             287
A. Ja: Joh. 8. 58. Eer Abraham was ben iek. ende
1. 1 , 2. In den beginne was het woort, ende het
woort was by Godt, ende liet woort was Godt, &c.
Coloss. 1. 16. Hebr. 1. 1, 2, 8, 10.
d V. Waer van daen hadt liy dan sijn Godtheyt?
A. Van den Vader, die door communicatie van sijn
wesen , op een eeuwige, onveranderlicke, ende boven-
natuerlicke wijse den Sone gegenereert heeft,
d V. Is hy de eenighgeboren Sone Godts geworden,
ende alsoo genoemt ten aensien van sijne mensch-
werdinge, opstandinge, ende sitten ter recliterhant
Godts, soo dat dit het fundament van sijn Soonschap
soude zijn?
A. In \'t minste niet.
d V. Wie seggen dat?
A. De Socinianen.
d V. Is sijn Soonschap gefundeert in de eeuwige
K\'eneratie, ende daer bij in de opstandinge uyt den
dooden, sitten ter rechterhant, gelijck de Remon-
stranten seggen?
A. Neen.
d V. Soude hy dan do eenighgeboren Sone Godts
geweest ende gebleven zijn, al hadde hy in eeuwig-
heyt geen mensch geworden, of van den dooden
opgestaen, &c.
A. Ja.
o V. Is Christus dan eenwesigh met den Vader?
A. Ja.
d V. Bewijst dat?
A. Joh. 10. 30. Ick onde de Vader zijn een. met
Joh. 5. 18, 19. Hemselvon Gode even gelijck makende,
vs. 19. De Sono en kan niets van hemselven doen,
\'t en zy hy den Vader dat siet doen, &c.
V. Wie is eerder, de Soon, of Maria sijn moeder
A. De Soon ende Maria, beyde.
c V. Seght my eens in wat opsicht is de Soon eerder,
ende in wat opsicht is Maria eerder?
-ocr page 296-
288             Van hot cenigh Goddelick Wcsen.
A. Do Soon is eerder ten aensien van sijn Godtheyt,
ende jonger ten aensien van sijn menscheyt.
c V. Is do II. Geest oock Godt?
A. Ja: gelijck nader sal gehoort worden, Vrago 53.
c V. Magh ick wel soggen, do Vilder is alleen Godt ?
A. Neen.
e V. Waerom niet?
A. Om dat daer door de Soon ende do H. Geest
wordt uytgesloten.
c V. Magh ick wel seggon, de Vader is den cenigen,
of den alleenigen Godt, de Soon is den cenigen Godt,
de H. Geest is den cenigen Godt?
A. Ja.
d V. Zijn dat dan geen drie Goden?
A. Neen: want het is een ende het selfde Qodde-
lick wesen, doch hoc dit kan wesen en bestaen, dat
gaet ons verstant te boven, en daer moeten wy stil
staen, dewijle Godt oneyndelick ende onbegrijpelick is,
ende dewijle wy in dit leven ten deele kennen. 1 Cor. 1Ü.
b V. Wie is meerder, Godt do Vader, ofte de Soon,
ofte de II. Geest?
A. Daer un is geen meerderheyt ofto mindcrhoyl
in het oenigh Goddelick wesen.
b V. Wie is do oudste van dese drie?
A. Alle drie zijnso even oudt.
c V. Nochtans wort de Vader voor aengestelt, do
Soon op de tweede plaetso , de H. Geest op de derde?
A. Dat is ten aensien van de ordre, den oorspronck
ende het bestaen der persoonen.
c V. Maer do Soon is nochtans van den Vader?
A. Dat is ten aensien van die eeuwige generatie,
maer die en stelt noch eerst noch laetst, noch ouder
noch jonger in \'t Goddelick wesen.
c V. Soudo men wel mogen ofte konnen seggen, dat
de Vader begonnen heeft den Sone te genereeren?
A. Noen: want de Sone is van alle eeuwigheyt
gegeneroert. Nu, soodanigen eeuwigheyt en heelt
geen begin.
-ocr page 297-
Van het eenigh Goddclick Wesen.             289
d V. Magh men seggen, dat do Soon van den Vader
is, ende oock van homselven?
A. Ja: Joh. 5. 19, 20, 20. De Sone on kan niots
van hemselven doen \'t en zy hy don Vader dat siet
doen, want soo wat dio doet, \'t solve doet oock do
Sone desgelijcks. Te woten, absolutolick, ton aensien
van sijn wesen, ende als Godt aongomerckt. Neen,
ton aensien van sijn persoon oft persoonschap aen-
gcmerckt als do Sone.
\'I V. Waer uyt bewijst ghy, dat\'or meer als een
persoon is in het Goddclick woson?
A. 1 Joh. 5. 7. Want drie zijndor die gotuygen in
don hemel, do Vader, het Woort, endo de H. Geest.
Matth. 28. 19. Deselvo dooponde in den namo dos
Vaders, des Soons, ende des Hoyligen Geests. 2.
Corinth. 13. vss. 13. Genes. 1. 26, 27. met 3. 22.
ende 11. 7. Zaeh. 2. 8, 10. Dan. 9. 17. O onse Godt
hoort na het gebedt uwes knechts, ie. om des
Hoeren wille.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat\'er drie persoonen
zijn in \'t Goddclick wesen?
A. Esai. cap. 61. vs. 1. endo cap. 63. vss. 7, 8,
9, 10. Psalm 33. vs. 6. Matth. cap. 3. vs. 16. ende
cap. 28. vs. 19. Joh. cap. 14. vss. 16, 17. 2 Corinth.
cap. 13. vs. 13. 1. Joh. 5. vs. 7. Want drie zijnder
die getuygen in den hemel, &c.
(l V. Waer uyt bewijst ghy, dat dio drie onderschey-
delicke persoonen zijn een endo deselve Godt ?
A. 1. Joh. 5. 7. Ende dese drie zijn oen. Deut. 6. 4.
2. Soo blijekt het oock daer uyt, om dat andersins
daer meer Goden souden zijn als een, nadien in
t voorgaonde gehoort is, dat yeder persoon Godt is.
C V. Kan men uyt het licht der naturen wel weten ,
dat er drie persoonen zijn in het eenigh Goddclick wesen?
A. Neen.
** V. Kan men dit stuck, van dat \'er maer een Godt
is, wel bewijsendo vinden, uyt, ende door het licht
dor naturen?
19
-ocr page 298-
290             Van het eenigh Goddelick Wesen.
A. Ja.
d V. Maer is aen de leere van de drie-eenigheyt,
onse saligheyt ende Godt saligheyt soo veel gelegen?
A. Ja.
d V. Wie ontkennen dit?
A. De Remonstranten,
d V. Wat seggen sy daer van?
A. Dat het zijn seholastijcke disputatien.
d V. Soo yemandt die loochent, is die een goot
Christen ?
A. Neen.
d V. Soudt ghy dan de Arrianen, Soeinianen, &c.
voor vrome ende goede Christenen konnen houden?
A. Noen.
d V. Maar behoort de Christelicke liefde dat niet te
raden?
A. Neen.
d V. Is dit geen bitterheyt ende hardigheyt?
A. Neen.
d V. Is het genoegh te seggen, mot de Soeinianen,
de Soon is Godt?
A. Neen.
d V. Wort de Magistraet oock Godt genoemt?
A. Ja: Psalm 82. 1, 6. Hy oordeelt in \'t midden
der Goden. vs. 6. Ick hobbe wel geseyt, ghy zijt
Goden, &c.
d V. Wat moet\'er dan noch meer by zijn?
A. Dat is do eeuwige, ende eenwesige Godt met den
Vader,
d V. Is de Magistraet op sulcke wijse wel Godt?
A. Geensins.
d V, Wat seggen do Soeinianen van den H. Geest?
A. Dat de H. Geest is de kracht, door welcke Godt
werekt.
d V. Kan yemant tot Godes Kercke toegelaten wei-
den, die niet en kont desen Godt, die drie is >n
persoonen ?
A. Neen.
-ocr page 299-
"Van het eonigh Goddelick Wesen.             291
d V. Is dese leero bekent geweest in den Ouden
Testamente ?\'
A. Ja.
cl V. Isse eerst bekent gomaeckt in den Nieuwen Testa-
monto ?
A. Neen.
d V. Bewijst dat?
A. Esai. 61. 1. De Geest des Hoeren Heeren is op
my, &c. endo cap. 03. vss. 7, 8, 9, 10. Ick sal de
goedertieronhoyt des Heeren melden, den veelvoudi-
gen lof des Heeren, na alles dat de Heere ons heeft
bewesen, &c. vs. 9. In alle hare benauwtheyt was
hy benauwt, ende de Engel sijns aengesichts heeftse
behouden, &c. vs. 10. Maer sy zijn wederspannigh
geworden, ende hebben sijnen Heyligen Geest smer-
ten aengedaen, &e. Exod. 3. 1, 2. met Malach. 3. 1.
endo Esai. 63. 9. item, Esai. 6. 8. vergeleken mot
Joh. 12. 38. ende Act. 28. 25.
d V. Magh men de drieheyt der persoonen oock weten
ende ondersoecken, in haer selven, en in hare be-
standighoyt, ofte alleen in hare werokingen ontrent
ons?
A. Oock in haer selven en hare bostandighoyt, voor
soo veel wy daer van uyt de Schrifture weten konnen.
il V. Desen Godt, die ghy nu soo hebt beschreven,
is die verdeylt in accidenten en verscheyden dingen?
A. Neen.
<• V. De wille, de wijsheyt, de macht, \'t leven, rccht-
veerdigheyt, barmhertighevt Godts, zijn die Godt?
A. Ja.
\'1 V. Zijn alle eygenschappon Godts wesentlicken, ende
in den gront een?
A. Ja.
d V. Strijdense tegen malkanderen ?
A. Neen.
d V. Strijt Godts barmhertighoyt tegen sijn rechtveer-
dighoyt, ende sijn rechtveerdigheyt niet tegen s\\jn
barmhertigheyt?
-ocr page 300-
292            Van de Goddelicke Eygenschappen.
A. Neen: voor soo veel deso eygenschappcn in Godt
zijn, maer worden van ons geconcipieert als verschey-
den, ja tegenstelligh; niet in haar selven, maar ten
aensien van hare verscheydene effecten ende objec-
ten, ontrent wclcke deselvo verkeeren.
d V. Indien Godt een is, waerom doylen wy dan dosc
verscheydene eygenschappcn ?
A. Van wegen de swackheyt onses verstants, om
dat wy- \'t wesen Godts anders niet konnen begrijpen.
d V. Als wy dan met onso gedachten onsen Godt soo
verscheydelick begrijpen, deylen wy dan sijn wesen niet?
A. Neen.
d V. Is dan de wijsheyt Godts, ende den wijsen Godt,
in den gront een ende het selve?
A. Ja.
d V. Wat doen wy dan ?
A. Wy deylen onse gedachten, ende onse maniere
van begrijpen is verscheyden.
d V. Zijn de wereken Godts, als besluyten, scheppen,
onderhouden, &c. verscheyden van Godt ?
A. Sy zijn verscheyden, ten aensien van hare cffec-
ten ende objecten; maer niet voor soo veel sy van
Godt zijn.
e V. Is Godt lichamelick ?
A. Neen.
c V. Is hy dan een Geest?
A. Ja: Joh. 4. 24. Godt is oen Geest, &c.
e V. Kan men Godt niet begrijpen?
A. Neon.
d V. Magh men hem niet uytbeolden?
A. Neen.
d V. Waerom niet?
A. Om dat daer door het wesen Godts als eynde-
lick ende lichamelick voorgestelt soude werden.
b V. Soude men Godt mot de oogen des lichaems
niet konnen sien?
A. Neen.
d V. Bewijst dat?
-ocr page 301-
Van do Goddelicko Eygenschappen.            293
A. Exod. 33. 20, 23. Hy seyde voorder, Ghy en
soudt mijn aengesiehto niet konnen sien: want geon
menscho sal my sien endo leven. Vs. 23. Maor mijn
aengcsichte en sal niet gesion worden. Joh. 1. 18.
Niemant heeft oyt Godt gesien, &c. 1. Timoth. 6. 16.
Den welcken geen monsche gesien on hooft, noch
sien en kan.
(1 V. Heeft Moses het wescn Godts gesien?
A. Neen: als blijckt Exod. 33. 20, 23.
(1 V. Moses heeft nochtans met Godt gesproken van
• aengesiehto tot aengcsichte ?
A. Het is wat anders met Godt gesproken to hebben,
endo wat anders het wesen Godts gesien to hebben.
\'1 V. Wat sagh Moses van den Hoere, als hy met
hem sprack ?
A. Zijn achterste: Exod. 33. 23. Ende wanneer ick
mijne hant sal wechgenomon bobben, soo sult ghy
mijne achterste doelen sien, &c.
d V. Wat wort verstaen door dat achterste des
Heeren ?
A. Eenigh uyterlick teeckon van Godts heerlicke
tegenwoordigheyt, als oock de wereken Godts.
o V. Sal men Godt sien met de oogon des lichaems
na dit leven?
A. Neen.
il V. Daer staot nochtans 1. Corinth. 13. 12. dat wy
hom sullen sien van aengesiehto tot aengesiehto?
A. Dat is niet to verstaen, dat wy na desen leven
het wesen Godts mot lichamclicke oogen sien sullen,
maer dat wy oen klaerdere, naordere , ende famili-
aerdero konnisso van Godt hebben sullen.
l\' V. Daer staot Job 19. 27. Met dose mijno oogen
sal ick mijnen Verlosser sien ?
A. Daer door wort verstaen de Heere Christus,
hebbendo een monscholicke natuer aangenomen, die
met oogen kan gesien worden.
c\' V. Sal dan uwen Salighmaker hier namaels met
de oogen des lichaerns konnen gesien worden?
-ocr page 302-
294            Van do Goddelicke Eygenschappen.
A. Ja: voor soo veel hy menseh is: Joh. 19, 37.
Sy sullen sien in weieken sy gesteken hebben. Actor.
I. 11. Deso Jesus die van u opgenomen is in den
hemel, sal alsoo komen, gelijckerwijs ghy hem na den
hemel hobbct sion henen varen,
d V. Waerom sal men het wesen Godts niet sien
kunnen met de lichamelicko oogen?
A. Om dat daer geen proportie endo ovoreenko-
minge is tussehen het wesen Godts endo ons gesichte:
want het wesen Godts is geesteliek endo oneyndigh,
ende ons gesichte is liohamelick endo eyndigh: ende
het oneyndige kan niet gesien noch begrepen werden
van het eyndige, gelijck oock niet het geestelicko van
het lichamelicke.
d V. Zijn de Engelen oock Geesten?
A. Ja.
d V. Nochtans zijn do Engelen somwijlen gesien in
don Ouden ende Nieuwen Testamente?
A. Sy zijn niet gesien ten aensien van haer gees-
. teliek wesen ende natuer, maer voor soo veel sy aon-
genomen hebben een menschelicko gedaente.
d V. Als de menscho sterft kan mon dan de ziele
sien scheyden van het lichaem"?
A. Neen.
b V. Is den laetsten aessem de ziele?
A. Neon.
d V. Maer gaet dat do saligheyt niet to na, dat men
Godt na dit leven niet sien en sal met lichamelicko
oogen ?
A. Geensins.
d V. Hoo soudt ghy soodanige luyden den mout
stoppen die dat seggen?
A. Om dat het treffelicker is te sien met de ziele
endo hot verstant, .als met de oogen des lichacms.
c V. Zijn do uytverkorene Engelen, ende de zielen
der afgestorveno geloovigon saligh ?
A. Ja.
c V. Kennen sy met lichamelicko oogen Godt wel sien ?
-ocr page 303-
Van de Goddolicke Eygenschappen.             295
A, Noen: want sy hebben geen lichamelicke oogen.
d V. Wat moet men dan op al die texten antwoorden,
die daer schijnen te spreken van dat uyterlick
sien?
A. Die moeten verstaen werden van het sien met het
verstant.
c V. Is Godt, ofte het Goddelicke wesen volmaeckt?
A. Ja.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Rom. 11. 36. Want uyt hem, endo door hem,
endo tot hem zijn alle dingen, hem zy de heerlick-
heit in der eeuwigheyt. Amen. endo 1. Corinth. 8. 6.
Nochtans en hebben wy maer eenen Godt, den Vader,
uyt welcken alle dingen zijn , &c.
d V. Heeft de Heere de werelt geschapen, om dat hy
deselve van doen hadde, endo wil hy daerom oock
van ons ge-eert ende gedient worden, om dat hy
onsen dienst, &c. van nooden heeft?
A. In \'t minste niet, als blijckt Prov. 16. 4. De
Heere heeft alles gewrocht om sijns selfs wille, met
Actor. 17. 25. Als yet behoevende, &c. Soo dat sulcks
in \'t minste noch in \'t meesto niet kan genomen wer-
den als een teecken van gebreck ende onvolmaeckt-
heyt in Godt, maer veel eer als een teecken van
sijn algenoeghsaemheyt ende volheyt, den creaturen
mildelick sijne goetheyt mededeelende.
c V. Is Godt eyndelick of oneyndelick?
A. Onoyndelick.
c V. Is hy over al tegenwoordigh ?
A Ja.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Jer. 23. 24. Soude sich yemant in verborgene
plaetsen konnen verbergen, dat ick hem niet en soude
sien, spreeckt de Heere? en vervulle ick niet den
hemel ende de aerdo, spreeckt de Heere ? 1. Reg. 8. 27.
Siet de hemelen, ja de Hemel der hemelen en souden
u niet begrijpen. Psalm 139. 7, &c. Waer soude ick
henen gaen voor uwen Geest? endo waer soudo ick
-ocr page 304-
296            Van do Goddelicko Eygonschappen.
henon vlieden voor u aongesichto ? Esai. 66. 1. Actor.
17. 25, 27, 28.
d V. Is Godt in don hemel ingesloten?
A. Neon.
d V. Soudo men mogen soggon, dat hy met sijn God-
delick wesen alleen in don hemel is , ende alleen mei
sijn kracht op der aerden?
A. Neen.
d V. Wio seggen sulcks?
A. Vorstius: dien do Remonstranten genoeghsaem
voorgestaen ende gejustifioeert hebbon.
d V. Is Godt afgemeten endo uytgestreckt in, met,
endo na eenige spatie?
A. Neen: want Godt is een eenvoudigh, goestelick,
onverdeylick wesen.
d V. Indien Godt over al is, soo soude volgen, dat
hy oock in vuyle endo stinckende plaetsen moeste
zijn: d\'welck absurd is ?
A. \'t En is niet absurd: want do Heere is by alle
die gene die hem aenroepen, waer van sommige aen
de pesto, sommige in de aldervuylsto vuyligheden
onde stancken zijn stervende. De Heere is oock by de
martelaars geweest, dewelcke in geen lieffelicke ende
aengenamc plaetsen gelegen hebben,
d V. Wort de Heero dan met de vuyligheyt ende
stanck dor selver niet besmet?
A. Geensins: de Heere is by do creaturen ende
schepselen , als do werekonde oorsaeck, onderhoudende
alle dingen, ende sooso de Heere niet en onderhielt,
soo soudon do schepselen terstont vervallen. 2. A1-
hoewol do Heero is in soodanigc vuylo ende stinckende
plaetsen, soo en wort hy nochtans door den stanck
der selver plaotsen niet besmet: ende het is gantsch
lasterlick, dat men oordooien sal, van den Heere,
die een Goest is, als of hy een swack mensch was, endo
door stanck ende vuyligheyt kondo beloedight worden.
d V. Verklaert dit wat nader door eenige exempelen
ende gelyckenissen?
-ocr page 305-
Van de Goddelicke Eygenschappen.            297
A. Christus wandelde onder de sondaers, maer
nochtans bleef hy hoyligh, ende wiert niet van do
sondigo mcnschon ontreynight. Do Engel on wort niet
besmet als hy de menschen met de post slaot. 2.
Sam. 24. 15, IC. onde als hy allo de eerstgeborene
in Egypten slaet, Exod. 12. 29. De Sonne, alhoewel
so schijnt in do aldervuylste cnde stinckenste plaotsen,
wort nochtans door der solver stanck niet vorontrey-
night, noch treckt eenige stanck ende vuyligheyt
na haer.
• 1 V. Soudo de Heore by do duyvelen zijn\'?
A. Ja: want gelijck do Heere over al bysonderlickcn
by de sijne is met sijno genade ende barmhertigheyt,
alsoo is hy by do duyvolon cnde alle goddoloosen
met sijn rochtvoerdige straffe: ende niettemin met
sijn Goddelick wesen endo kracht by alle beyde.
*J V. Kan men de kracht Godts van sijn wesen wol
afsonderen ?
A. Neon.
«I V. Is dan do kracht Godts, Godt selfs?
A. Ja.
\'I V. Is dan do dostinctio der tegensprekers goet, .als
sy seggen, dat Godt wel over al togonwoordigh is
met sijno Goddelicke kracht, maer niet met sijn God-
delick wesen?
A. In \'t minste niet, ende soo doende sal men yet
in Godt stellen het wolck Godt selfs niet en is, maer
van hot Goddelick wesen onderscheyden.
b V. Is Godt oouwigh\'?
A. Ja.
" V. Wanneer hooft hy begonnen?
A. Nimmermeer.
\'\' V. Wanneer sal hy oyndigen ?
A. Nimmermeer.
V. Met hoo veol dagen wort Godt getolt?
A. Godt wort mot gocn dagon getolt.
<> V. Nochtans wort Godt gonocmt, De oude van
dagen, Dan. 7. 13.?
-ocr page 306-
298            Van de Goddelicke Eygenschappen.
A. Daer door wert, by wege van gelijckenisse, te
kennen gegeven onde verstaen de eeuwigheyt
Godts.
c V. Is dan in Godt geen vervolgh ofte successie,
geen eerste noch laetste, geen begin noch eynde?
A. Neen.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat Godt eeuwigh is?
A. Psalm 90. 2. Eer do bergen geboren waren,
ende ghy de aerde, onde de werelt voortgebracht
haddet; ja van eeuwigheyt tot eeuwigheyt zijt ghy
Godt: Prov. 8. 23, 24, 25. Ick bon van eeuwigheyt
af gesalft geweest, van den aonvanck, van de oudt-
heden der aerde aen, &c. 1. Timoth. 1. 17.
a V. Is Godt veranderlick of onveranderlick?
A. Onveranderlick.
c V. Is Godt onveranderlick in sijn weson ?
A. Ja.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Psalm 102. 27. Die sullen vergaen, maer ghy
sult staende blijven. Esai. 40. 28. Mal. 3. 6. 1. Tim.
1. vs. 17. Den onverderffelicken Godt. Jacob. 1. 17.
c V. Is hy oock onveranderlick in sijnen wil?
A. Ja.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Num. 23. vs. 19. Esai. 14. vs. 27. en 43. 13.
ende 46. 10. Jacob. 1. 17, 18. By dewelcke geen
veranderinge is, ofte schaduwe van omkeeringe.
d V. Wie seggen dat de Heere veranderlick is, ten
aension van sijn wil, besluyt ende voornemen?
A. Vorstius en do Remonstranten, Monnoniten, &c.
d V. Godts wil onde Godts wesen, is dat een?
A Ja.
d V. Kan dan de wille Godts wel veranderlick zijn,
sonder dat het wesen veranderlick is ?
A. Neen.
d V. Men soudo nochtans seggen, dat Godt verandor-
lick was, want hy doet altijt het selfdo niet: want
dan geeft hy regen, dan sonneschijn, dan gesontheyt,
-ocr page 307-
Van de Goddelicke Eygenschappen.            299
dan kranckheyt, te voren hadde hy do werelt niet
geschapen, endo daer na heeft hyso geschapen?
A. Die veranderingo is niet in Godt, maer in het
werek.
il V. liet heeft den Heere berouwen, dat hy den
mensche gemaockt hadde, Genos. 6. ö. endo dat hy
Saul Koningh hadde gemaockt, 1. Sam. IC?
A. Dat berouwen wort Godt eygentlirk niet toege-
schreven, maer oneygontlick, en menschelicker wijso :
want een mensche wort eygentlick geseght berouw te
hebben van een saeck , om dat hy siet, dat deselve
buyten sijn opinio endo voornomen uytvalt, als oock ,
om dat hy goen raet hooft geweten, om sulcks te
beletten. Maer sulcks van Godt te oordeelen, soudo
een gantsch Godtslastorliek dinck zijn, alsoo do Hoere
is een alwetende Godt, die allo dingen van eeuwig»
heyt voorsiet, ende daer beneven een Almachtigh
Godt, doende al wat hy wil: Psalm 115. 3. Onse
Godt is docli in den hemel, hy doet al wat hem
behaeght.
d V. Godt liet den Koningh Hiskias door don Propheet
Esuiam aenseggen, dat hy sijn huys bereyden soude,
endo niet loven, en nochtans is de Koningh Hiskias
niet gestorven, maer sijn leven is noch vijftien jaor
verlenght, Esai. 38. 1, &c. Insgelijcks heeft Godt
door den Propheet Jonam den Niniviten laten predi»
ken, dat binnen vcortigh dagen Ninive soude vergaen,
Jone 3. 4. en nochtans is Ninive niet vergaen?
A. In gevalle dit bewijs sal dienon tot voordeel
van de tegenpartijders , om daer mede vast te setton
do veranderlickheyt van Gotlts wille, soo moeten de
tegenpartijders eerst bewijsen, dat de wille , voorne»
men ende besluyt Godts, geweest is, dat Hiskias
sterven soude, endo Ninivo vergaen ; het welck voor-
waer haor swac-r vallen soude om te bewijsen, ende
wy wel rondt uyt ontkennen. Maer seggen, dat dit
alleen is een uyterlick bevel ende gebodt Godts, daer
onder begrepen is een seker conditie, het zy datso
-ocr page 308-
300            Van do Goddelicke Eygenschappon.
uitgedruckt is (gelijck Godt do Heore door sijn Pro-
pheten sijn volck Israël heeft laten aensoggen, datso
liaer bekoeren souden, of datse anders alle souden
vergaen) \'t zy datse verswegen wort, als Jerem. IS.
vss. 7, 8, 9, 10. ende hier in dese gealligoerdc plact-
sen. En is \'t oogemerek van dat uyterlick bevel ende
gebodt Godts, of om den mensche te beproeven, ten
aensien van sijn geloove ende gehoorsaemheyt jegens
Godt, gelijck aen Abraham, Genes. 22. 1. of hem
daer door te brengen tot bekeeringe, vernederingo
ende verslagentheyt over sijno sonden, gelijck hier
aen Hiskias ende de Niniviten , welck oogemerek de
Heore oock altijt bekomt, gelijck uyt dit exempel
Hiskias ende der Niniviten te sien is; ende do tegen-
partijdors het contrarie nimmermeer sullen konncn
bewijsen.
a V. Heeft Godt kennisse ende wetenschap\'?
A. Ja.
a V. Wat voor dingen kent Godt ?
A. Alle dingen,
a V. Weet hy alle dingen groot ende kleyn?
A. Ja.
b V. Weet hy oock het minste stofkeu?
A. Ja.
b V. Weet hy die dingen die geschiet zijn, of toeko-
mc-ndc ende die geschieden sullen?
A. Hy weet die dingen die geschiet zijn, ende die
toekomende zijn, ofte die geschieden sullen,
b V. Oock van de menschen?
A. Ja.
d V. Bewijst dat?
A. Psalm 139. 2, 3, 4. Ghy weet mijn sitton, ende
mijn opstacn, &c Esai. 40. 13, 14. Wie heeft den
Goest des Hoeren bestiert, ende wie heeft hem als
sijn raotsman ondorweson, &c.
c V. Weet de Duyvel die dingen die geschieden sullen ?
A. Neen.
d V. Maer hy voorseyt die nochtans?
-ocr page 309-
Van de Goddelicko Eygonschappen.            301
A. Hy voorsoyt die door gissinge ende radinge.
c V. Weet Godt yet anders of vet meer, als dat ge-
beurt is ende gebeuren sal ?
A. Ja.
c V. Weet hy dan oock die dingen die gebeuren kon-
ncn, nochtans noyt gebeuren sullen\'?
A. Ja.
(1 V. Waer uyt bewyst ghy dat?
A. Luce 3. 8. Want ick segge u, dat Godt self\'s
uyt dese steenen Abrahams kinderen kan verwecken.
Matth. 26. 53. Of nicynt ghy dat ick mijnen Vader
nu niet en kan bitkien, ende hy sal my meer als
twaelf legioenen Engelen bysetten.
\'1 V. Waer uyt bewijst ghy dat Godt is alwetende ?
A. 1. Tim. 1. 17. Den alleen wijsen Godt.
\'1 V. Is \'er oock een wetenschap in Godt, daer by
Godt eenige toekomende ofte gobeurlicko dingen,
hangende aen den vrijen wille des mensches, weet
ende kent onder dese ofte gene conditien die hy niet
besloten heeft\'?
A. Neen: want 1. Soo de Heere onder dese ofte
gene conditien een sake soude weten, soo soude dat
veel eer een niet weten zijn; on soo veel, als of ick
seyde, soo ick morgen leve soo sal ick niet doot zijn,
waer mede noch doot noch leven vast geset en wort.
2. Soodanigh een wetenschap is een versiersel: want
de sako , die de Heere weet ende kent, sal geschieden,
of sal niet geschieden; salse geschieden, soo wortse
gebraght tot de bepaelde ende gedetermineerde weten-
schap Godts: salse niet geschieden, soo wortse
gebraght tot de onbepaelde wetenschap, dat is, aim-
plieis intelligenties,
ofte oenvoudige wetenschap ende
kennisse (welck is die kennisse ende wetenschap
daer mede de Heere weet alle dingen, die geschie-
den ofte gebeuren konnen) alsoo daer geen derde
wetenschap ofte kennisse Godts en is. 3. Om dat
volgens dese geconditioneerde wetenschap, Godt gcstelt
wort een sako te weten, daerom, om datse geschieden
-ocr page 310-
302            Van de Goddelicke Eygenschappen.
soude; ondo dat do sake niet geschieden soude, om
datse Qodt voorsien ende besloten heeft, liet welde
seer absurd ende ongerijmt is. Want soo sal hem de
Heero moeten reguloeron na de saken buyten hem
gestelt, endo soo sal in Godt gostolt worden Potentia
passira,
dat is, oen lijdelicke kracht; met cenwoort,
Godt en sal geen Godt konnen geseyt worden, maer
een creatuer, ende de creatuer geen creatuer , maer
Godt; dewijlo , volgens dit gevoelen, do creatuer niet
en dependeort aen Godt, als de eerste endo opperste
oorsaek, maer Godt aen de creature.
d V. Maer 1. Sam. 23. 12. vraoght David den Heere,
of de Heere hem endo sijno mannen soude overIe-
veren in do handen Sauls, waer op do Heero seyt,
sy souden u overleveren. Waer uyt dat blijekt, dat
Godt wat heeft voorsien ondo geweten, dat geschieden
soude, soo hem David met de vlucht niet salvoerde,
hoewel hy sulcks niet besloten hadde?
A. De Heere heeft besloten David uyt do handen
Sauls te verlossen door dat middel, namelick, door
het vluchten, waerom hy oock geweten heeft, dut
sonder dit middel dit niet en soude geschiet geweest
zijn, waerom hy oock geweten heeft, dat David uyt
de handen Sauls soudo verlost werden, ondo dat hy
dit middel van vluchten tot dien cyndo soude ge-
bruyeken: leght hier by Actor. 27. 21 , 31. en wert
alhier dan niet anders bekent gemaeckt, als scientia
simjilia\'s intelligentiw
, dat is, een onbopaelde weten-
schap, van die dingen, dio geschieden konnen.
d V. Schynt de Heero Christus dese geconditioneerde
wetenschap niet te kennen te geven Matth. 11. 21.
Weo u C\'horazin, wee u Dethsaida: want soo in Tyrus
ende Bidon de krachten waren geschiet die in U
geschiet sijn, sij souden haer eertijts in sack ende
assche bekeert hebben?
A. Neen: endo dese manier van sproken is in de
Schriftuor seer gebruyckelick, waer mede sy twee
onmogclicke saken, met malkanderen vergelijckende,
-ocr page 311-
Van de Goddelicke Eygenschappen.            803
seght de eene to sullen geschieden, de andere niet,
op datse alsoo de grootere onmogelickheyt van het
eene, boven \'t andere vertoone. En dat deso plaetse
alsoo moet verstaen worden, blijckt seor klaerlick :
want soo in Tyrus ende Sidon niet anders en was
geschiet, als de gedane teeckenen der mirakelen,
voorwaer sy souden haor niet meerder bekeert hebben,
als die gene, tot dewelcke Mosos spreekt, Deut. 29.
2, 3, 4. Endo Mose riep gansch Israël, ende seyde
tot hen: Ghy hebt gesien al wat de Heere in Egypten-
lant voor uwe oogcn gedaon heeft, aen Pharao, ende
aen allo sijne knechten, ende aen sijn lant, «fcc. Want
op dat yemant hem bekeeret, soo en is niet genoegh,
dat hij teeckenen ende mirakelon sie, maer is daer-
en-boven van nooden, dat do Heere hem geeft een
horte om te verstaen, oogen om te sien, ende ooren
om te hooren. Soo dat de Heere Christus hier alleen
als by exaggeratio ende vergrootinge, die van Chorazin
ende Bethsaida vergelijckt by dio van Tyrus ende
Sidon, als of hy wilde seggen, dat die van Chorazin
endo Bethsaida soo verkeert ende obstinaet zijn ge-
weest, dat veel eer die van Tyrus endo Sidon haer
souden bekeert gehadt hebben, in govalle sy sooda-
nige teeckenen gesien hadden; sonder nochtans vast
te stellen, datse haer souden bekeert hebben. Want
de Heere Christus en spreeckt niet absolutelick, maer
by comparatie, vergelijckende die van Chorazin ende
Bethsaida, bij dio van Tyrus ende Sidon, als haer in
ongeloovigheyt ende halstarrighcit te boven gaende,
daerse nochtans sijne teeckenen ende mirakelen had-
den gesien , ende de andere niet. Gelijck mede moet
verklaert werden de meyninge Christi, dat, soo dese
swijgen, de steenen haest roepen sullen: Luce 19 vs. 40.
V. Heeft Godt oock eenen wil ?
A. Ja.
V. Wat is de wille Gods?
A. Godt selfs.
V. De wille Godts, ofte de willende Godt, is dat een\'?
-ocr page 312-
304            Van de Goddclicke Eygenscliappon.
A. Ja.
d V. Hoe veelderley is do wille Godts?
A. Eonderley.
(1 V. Waerom on m&gti men niet seggen, dat\'er twee
willen in Godt zijn ?
A. Om dat \'er dan twee Goden souden zijn.
d V. Wil Godt goot en quaet, met eenen wil, op een
wijsc ende maniere?
A. Neen.
d V. Hoe wil Godt het goot, ende hoe wil hij het
quaot ?
A. Het goot wil Godt, als hot selve werckcnde ende
doende, ende het quaet als toelatende ondo niet
belettende , ende als by scker tusschenkomende toevnl
dirigerende tot een goot eynde.
d V. Het bevel Godts, is dat eygontlick de wille Godts,
of is het een effect ende uyterlick werek van en<l«\'
na den wille Godts ?
A. Het is een effect ende werek, &e.
d V. De wille des bevols ende des welbehagens, zijn
dat twee willen?
A. Noen.
d V. Strijdense tegen malkanderen ?
A. Neon.
d V. Is d\'ecn onder d\'ander begrepen ?
A. Ja.
d V. Loeren wy dat daor twee willen in Godt zijn,
die tegen malkanderen staen?
A. Neen.
d V. Wie geven ons dat na.
A. Do Remonstranten, on andere partijen, die der
Pelagianen of halve Pelagianen dwalingen vernieuwen,
d V. Wat seggen wy dan ?
A. Dat de wille Godts in sich selven een is, maer
wort geseyt tweederley te zijn: Eerst, ten aensien
van de tweederley beteeckenisse van het woort, d\'wekk
eygentlick beteekent het welbehagen Godts; ende
oneygontlicken het bevel ende openbaringc Godts. Ten
-ocr page 313-
Van de Goddelicke Eygenschappen.            305
anderen, ten aensien \'t gene Godt van sijn welbeha-
gen openbaert, ende \'t gene hy niet en openbaert.
Ende soo wort Godes wil onderscheyden in den ver-
borgen, ende in den geopenbaerden wil. Ten derden,
zoo wort de wille Godts gestolt, niet alleen tweeder-
ley, maer veelderley, ten aensien van de saken ofte
dingen die gewilt worden: niet dat de wil in Godt
verscheyden is, maer de saken zijn verscheyden,
ontrent welcke desen wille gaet.
d V. Het schijnt nochtans dat\'er twee verscheyden,
ja contrarie willen in Godt zijn: want dat Godt Petrum
wil saligh maken; ende Judam verdoemen, is dat
geen verscheyden wil ?
A. Neen.
\'1 V. Zijn het geen verscheyden saken,die gewilt worden?
A. Ja.
V. Wel, is dat dan geen \') verscheyden wil ?
<l A. Neen.
V. Welck is eygentlick de wille Godts"?
d A. De wille des besluyts ofte des welbehagens.
V. Soudt ghy desen wille konnen bewijsen?
d A. Ja: Matth. 11. 26. Ja Vader want alsoo is ge-
weest het welbehagen voor u. Ephes. 1. 11. Die alle
dingen werckt na den raet sijns willens.
V. Wat is de wille des besluyts ofte des welbehagens?
(\' A. Dat welbehagen Godts, waer door hy voorge-
nomen heeft, wat hy tot sijnder tijt doen ofte laten
wil: Psalm 115. 3. Onse Godt is doch in den hemel,
hy doet al wat hem behaeght.
V. Is dese wil nu ten deele verborgen, ende ten
" deele geopenbaert?
A. Ja.
V. Waer uyt bewijst ghy dat?
d A. Deut. 29. 29. De verborgene dingen zijn des
Heeren: maer de geopenbaerde zijn voor ons ende
voor onse kinderen.
\') Een w hier in geen reranderd.
20
-ocr page 314-
806            Van de Goddelicke Eygenschappen.
d V. Wat noemt ghy den verborgenen wille Godts?
A. Dien wil, die daer aengaet alle die dingen, die
Godt ons niet geopenbaert heeft, daer van dat wy
den sin des Heeren niet vernomen hebben, \'t zy ten
deele, of in eenige particuliere circumstantien, daar
van Paulus spreeckt Rom. 11. 34. Want wie heeft den
sin des Heeren gekent, &c.
d V. Wat noemt ghy den geopenbaerden wille Godts?
A. Dien wil, die daer vervatet de dingen, die de
Heere ons geopenbaert heeft, door sijn leere, bevel,
beloften , dreygementen, ende uytkomsten van saken:
Matth. 10. 29, 30. En worden niet twee muschkens
om een pennincksken verkocht: ende niet een van
desen, en sal op de aerde vallen, sonder uwen Vader,
&c. Actor. cap. 14. vs. 16. Welcko in de voorledene tijden
alle de heydenen heeft laten wandelen in hare wegen.
d V. Is de verborgene wille ofte den puren wille des
welbehagens, soo verre ende soo lange die niet gt-
openbaert is, absoluyt?
A. Ja.
d V. Behoort die wille alleen Godt toe ?
A. Ja.
d V. Is se dan niet een regel voor den mensche, om
na te leven?
A. Neen.
d V. Bewijst dat?
A. Deuter. 29. 29. De verborgene dingen zijn des
Heeren, &e.
d V. Soude een mensche yet konnen willen, het welcko
tegen den verborgenen wille Godts strijt, ende niet
sondigen?
A, Ja: exempel daer van in David, 2. Sam. 7.
1. Reg. 8. 18, 19. In Paulo, Actor. 16. 6, 7.
d V. Soude oock de mensche yet konnen willen, het
welcke met den verborgenen wille over een komt,
ende nochtans sondigen?
A. Ja: exempel daer van in de broederen Josephs,
Genes. 45. 8. ende 50. 20. In Pharao, Exod. 7. 3,4.
-ocr page 315-
Van de Goddelicke Eygenschappen.            307
In Juda den verrader, Luce 22. 22. In de Joden die
Christum gekruyst hebben, Act. 2. 23. ende 4. 27, 28.
d V. Souden Judas ende de Joden, als oock Pilatus,
haer selven dan niet konnen excuseren, ende souden
sy daerom niet onschuldigh zijn, datse in de kruy
cinge Christi niet anders gcdaen hebben als dat de
Heere besloten hadde?
A. Geensins.
d V. Waerom niet\'?
A. Om dat de Heere haer sulcks niet hadde bevolen.
d V. Soude oock yemant mogen seggen, soo Godt wil
dat ick sal saligh werden, soo sal ick saligh werden,
laet ick dan leven soo als ick wil ?
A. In het minste niet: want van den verborgenen
wille Godes hebben wy niet te seggen, ja den selven
mogen wy niet nasoecken, gelijck de Heere Christus
dat aanwijst, Joh. 21. 23. Indien ick wil dat hy blyve
tot dat ick kome, wat gaet het u aen.
d V. De geopenbaerde wille Godts, is die menigh-
mael conditioneel ?
A. Ja: het zy om de menschen te beproeven, als
Abraham, Gen. 22. vs. 1. het zy tot haerder over-
tuyginge, of tot een ander eynde.
d V. Wat is de wille des bevels?
A. Waer mede Godt verklaert wat hy van ons wil
gedaen ofte gelaten hebben, uytgedruckt in de Wet
Godts: 1. Thess. 4 3, 4. Dit is de wille Godts, uwe
heylighmakinge, &c. Joh. 6. 40. Ende dit is de wille
des genen die my gesonden heeft, dat een yegelick
die den Sone aenschouwt, ende in hem gelooft, het
eeuwige leven hebbe.
d V. Alle geopenbaerden wille, of alle wil des teyckens,
is die een bevel Godts, daer na wy leven moeten?
A. Neen: want door de Propheten heeft Godt vele
quade stucken geopenbaert, datse geschieden souden,
die niemant daerom toegelaten zijn om te doen.
a V. Is\'er oock een macht Godts?
A. Ja.
-ocr page 316-
808            Van de Goddelicke Eygenschappen.
d V. Hoe verre gaet die?
A. Soo verre, dat hy meer doen kan, als hy doet,
ja alle mogelicke dingen dewelcke geen strijdigheyt
mede brengen, hoewel deselve nimmermeer sullen
geschieden, als te sien is Matth. 3. 9. Want ick segge
u, dat Godt selfs uyt dese steenen kan Abraham
kinderen verwecken, ende 26. 35. Mare. 10. 27.
Ephes. 3. 20.
d V. Kan Godt alles, en doet hy alles het gene
hy wil?
A. Ja: Psalm 115. 8. Onse Godt is doch in den
hemel, hy doet al wat hem behaeght. ende 135. 6
ende Ephes. 1. 11.
d V. Als Godt alles doen kan, kan hy doen dat Ja
ende Neen te gelijck waer zy?
A. Neen.
d V. Waerom niet?
A. Om dat dat strijt tegen Godts volmaecktheyt.
d V. Maer is dat geen onmacht, dat hy dat niet doen
en kan?
A. Neen.
o V. Magh men wel seggen dat Godt niet liegen kan,
hemselven niet versaken, niet sterven, &c.
A. Ja.
d V. Waer staet dat?
A. 2. Tim. 2. vs. 13. Hy en kan hemselven niet
verloochenen. Hebr. 6. 18.
d V. Kan Godt wel yemant van sijne uytverkorene
laten verloren gaen?
A. Neen.
d V. Waerom niet?
A. Om dat Godt sulcks geseyt heeft.
d V. Soude Godt niet konnen maken, dat een men-
schelicke natuer sulcks zijnde ende blijvende, soude
oneyndelick ende over al tegenwoordigh zijn?
A. Neen.
d V. Soude Godt wel konnen maken, dat yet soude
worden dat is?
-ocr page 317-
Van het Besluyt Godts.
309
A. Neen.
o V. Kan Christus dan wel uyt die Hostie, ofte uyt
het broot worden, gelijck de Papisten seggen?
A. Neen.
V. Is de Heere Christus in wesen, ende al over
langh geweest na sijn menschelicke nature?
A. Ja: Galat. 4. 4. Maer wanneer de volheyt des
tijts gekomen is, heeft Godt sijnen Sone uytgesonden,
geworden uyt een vrouwe. Joh. 1.14. Ende het woort
is vleesch geworden,
c V. Kan hy dan wel worden, of beginnen wesent-
lick te zijn, ofte ontstaen uyt het veranderde broot?
A. Neen: want het gene dat aireede is, hoe sal
dat eerst worden?
e V. Kan Godt wel maken, dat een menschlick
lichaem, zijnde in den hemel, in alle deelen van de
werelt tegenwoordigh zy?
A. Neen.
c V. Kan Godt wel een mensch maken sonder men-
schelick verstant ende menschelicke eigenschappen?
A. Neen.
d V. Soude dit niet strijden tegen Gods almachtigheyt?
A. Neen.
(1 V. Soude dit veel eer een onmacht in Godt zyn,
als almachtigheyt?
A. Ja.
AENHANGHSEL.
d V. Is het besluyt Godts van Godt wesentlick onder-
scheyden, of is het Godt selfs?
A. Het is Godt selfs: want of ghy seght het besluyt
Godts, of den besluytenden Godt, dat is een. 2. Het
besluyt Godts is \'t willen Godts, ende het willen Godts
is de willende Godt. Soo het besluyt Godts van Godt
was verscheyden, soo soude daer yet in Godt zijn
het welcke Godt niet en is, ende dat soude of Gode
gelijck zijn, of hooger of leeger: soo het Gode gelijck
-ocr page 318-
310                      Van het Besluyt Godts.
was, soo soudender als twee Goden zijn, ende sou-
dense malkanderen beletten: soo het boven Godt
was, soo soude Godt geen Godt zijn: want het gene
yet boven hem heeft,\'dat en is het hooghste niet,
soo het onder Godt is, soo soude het zijn of een
Schepper of een schepsel: soo het een Schepper was,
soo souden daer twee Scheppers zijn, \'t welcke valsch
is: soo het een schepsel was, soo soude het zijn of
een substantie of een accident: soo het een substantie
was, soo souden daer meer substantien ende wesens
in Godt zijn: soo het een accident was, soo en soude
Godt niet eenvoudigh zijn, maer gecomponeert ofte
t\'samengevoeght uyt een substantie ende accident,
het welck absurd is.
d V. Maer daer zijn veel besluyten Godts, ende Godt
is een?
A. Het besluyt Godts is een, maer de saken, die
Godt wil ende besluyt, die zijn veel ende verscheyden,
dewelcke van het besluyt Godts onderscheyden zijn.
d V. Is het besluyt Godts krachtigh?
A. Ja: om dat het Godt gewilt ende besloten heeft.
d V. Kan het besluyt Godts te niete gedaen werden?
A. Neen.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Esai. 46. 10 Die segge, Mijn raet sal bestaen,
ende ick sal al mijn welbehagen doen. Rom. 11. 29.
Want de genade-giften ende de roepinge Godts zijn
onberouwelick.
d V. Is\'er eenigh berouw in Godt, aengaende sijn
besluyt ?
A. Neen: want dat soude een teecken zijn van
onwetenheyt, onmacht, onstantvastigheyt, verander-
lickheyt, welck alles Godt geensins kan toegeschreven
worden, als voor henen gehoort is, ende alle die
plaetsen die daer spreken van eenigh berouw het
welck in Godt soude zijn, die moeten oneygentlick
ende menschelicker wijse verstaen werden.
V. Hanght het besluyt Godts aen eenige sake buyten
-ocr page 319-
Van het Besluyt Godts.                      311
Godt, het welck geen Godt is, als aen een principale
ende voornaemste oorsaeck, ofte aen een minder
oorsaeck, \'t zy bewegende of instrumenteele, of een
voorgaende conditie?
A. Neen.
d V. Is dan het besluyt Godts absoluyt?
A. Soo ghy het absoluyt eygentlick verstaet van
het wil] en , besluyten . vorenschicken ende ordineeren
Godts, als aen geen oorsaeck ofte conditie depende-
rende, soo seggen wy, dat het besluyt Godts absoluyt
is. Maer soo ghy het absoluyt oneygentlick neemt, te
weten, voor de gewilde ende beslotene saeck, soo kan
het geseyt worden geconditioneert te zijn: niet dat
het de conditie van de wille Godt is, maer van de
sake die Godt wil. Doch wy willen dat niet seggen,
even als of geen uyterlick object ende geene conditie
den wille Godts voorgeworpen wiert, want Godt wil
de conditie: maer dat willen wy seggen , dat de wille
Godts niet conditioneel noch geoorsaeckt is, maer de
sake, die gewilt wort is een oorsake of een conditie
van een ander sake, die daer van dependeert.
d V. Verklaert dit wat naerder door een gelijcke-
nisse ?
A. Godt wil den opgangh der Sonncn, ende dien-
volgens oock den dagh: niet dat de opgangh der
Sonne de oorsaeck is van den wille Godts, maer een
oorsaeck van den dagh: soo oock het geloove tot
de saligheyt dienende, is geen instrument of oorsaeck
van den wille Godts, waer door de selfde wille soude
voorgebracht werden ; maar een instrumenteele oor-
saeck van mijn saligheyt, als sonder welcke ick niet
kan saligh worden: Hebr. 11. 6. Maer sonder geloove
is het onmogelick Gode te behagen. Joh. 3. 16, 34.
(1 V. Heeft Godt het quaet besloten?
A. Godt heeft het quaet niet besloten als quaet,
maer de toelatinge van het quaet, ende de ordinee-
ringe des quaets ten goede: ende dat en is geen
quaet, maer goet.
-ocr page 320-
312                Van de Scheppinge der werelt.
d V. Wil Godt met een besluyt alle dingen , of zijnder
verscheydene besluyten Godes?
A. Godt wil mot een besluyt alle dingen, want
daer en is niet meer als\' oen besluyt ende eenen wille
Godts: gelijek Godt met een sien ende verstant alle
dingen siet en kent.
d V. Maer is dat besluyt Godts, iek wil die ofte die
saligh maken, ende het besluyt Godts, ick wil die
en die laten verloren gaen, ende in sijn sondon
sterven, van malkanderen niet onderscheydon?
A. Het besluyt is een, maer de sake, ontrent welcke
dit besluyt verkeert, ende de effecten zijn verseheyden,
als behouden te worden ende verloren te gaen.
d V. Kander onder de besluyten Godes eenige order
gestelt worden?
A. Soo de besluyten Godts, voor soo veelse in
Godt zijn, of als een actie Godes ende de werckende
Godt aengemerckt werden, soo en is \'er geen order
onder deselve: want daer is noch eerder noch later
in Godt, dewijle daer maer oen besluyt is, ende de
Heere van alle eeuwigheyt met een sien allo dingen
siet: maer de besluyten Godts oneygentlick genomen
zijnde voor de saken die besloten ofte gewilt worden ;
soo is \'er order onder deselve.
SONDAGH IX. Vrage 26.
Vrage 26.
Wat gelooft ghy met dese woorden: Ick ge-
loove in Godt den Vader den alraachtigen Schep-
per des hemels ende der aerden?
Antw. Dat de eeuwige Vader onses Heeren Jesu
Christi, die hemel ende aerde, met al dat\'er in
is, uyt niet geschapen heeft: die oock deselve
-ocr page 321-
Van de Scheppinge der werelt.               313
noch door sijnen eeuwigen raet ende voorsichtig-
heyt onderhoudt ende regeert, om sijns Soons
Christi wille, mijn Godt ende mijn Vader zy, op
wekken ick alsoo vertrouwe, dat ick niet en
twijffele, hy en sal my met alle nootdruft des lijfs
ende der ziele versorgen, ende oock alle het quaet
dat hy my in desen jammerdale toeschickt, my
ten besten keeren, want hy sulcks doen kan als
een almachtigh Godt, ende oock doen wil als een
getrouwe Vader.
il V. Hoe wort desen Sondagh afgedeelt?
A. In twee doelen.
il V. Welck zijn die twee doelen?
A. 1. Een generaio kennisse ende toestemminge
van desen artijckel. 2. Het particulier geloove ofte
vertrouwen, dat men hebben moet, aengaende desen
artijckel.
c V. Hoe veolderley zijn de Goddelicke wercken ?
A. Tweeder]ey: of na binnen, of na buyten.
d V. Wat zijn de wercken na binnen?
A. Die gaen op Godt selve, ofte termineren ende
eyndigen in Godt.
<i V. Noemt eens soodanige wercken ?
A. Dat Godt hemsolvon verstaet ende wil, of hem-
selven ende sijne eere lief heeft. Dat de Vader gene-
reert den Sone. Ende dat die beyde den H. Geest
spireren of doen uytgaon.
d V. Wat zijn de werckon na buyten ?
A. Die daor gaen op of tot de creaturen, ende in
deselve termineren.
« V. De wercken Godts na buyten, hoe worden die
gedeylt?
A. In innerlicke of inblijvende, ende in uyterlicke
of uytgaende.
« V. Welck zijn de innerlicke?
-ocr page 322-
314                Van de Scheppinge der werelt.
A. De besluyten Godts, die hy van eeuwigheyt
genomen heeft over en ontrent de creaturen: tot
dewelcke gehoort de Praedestinatie van Engelen en
menschen.
d V. "Wat zijn de buyten of uytgaende wercken Godts ?
A. Al wat hy in der tijt uytvoert ende datelicken
werekt buyten hemselven, in, over, ende ontrent de
creaturen,
d V. Hoe worden dese wercken na buyten, die uyt-
gaende zijn, wederom gedeylt?
A. In algemeyne wercken, of wercken der nature,
ende bysondere of speciale wercken, ofte wercken
der genade,
c V. Noemt eens de algemeyne wercken , ofte wercken
der nature?
A. Scheppinge, onderhoudinge, ende regeeringe.
d y. Hoe veelderley zijn de bysondere wercken der
genade?
A. Tweederley.
d V. Welck zijnse?
A. Ontrent den Engelen, ende ontrent den men-
schen.
d V. Noemt de bysondere wercken der genade on-
trent den uytverkoren Engelen?
A. Hare versterckinge ende vast-stellinge in het beelt
Godes, ende daer op de gevolghde verheerlickinge.
d V. Noemt de bysondere wercken der genade ontrent
den uytverkoren menschen ?
A. De verlossinge of salighmakinge door Christum.
Daer toe gehooren hare krachtige roepinge, recht-
veerdighmakinge , heylighmakinge, verheerlickinge.
o V. Van wat werck Godts wort hier insonderheyt
gehandelt ?
A. Van de scheppinge.
d V. Wat is scheppinge?
A. De scheppinge is soodanigh eygen werck Godts ,
waer dooi1 Godt alles dat \'er is in den beginne ge-
maeckt heeft.
-ocr page 323-
Van de Scheppinge der werelt.               315
b V. Hoe veel scheppingen zijnder?
A. Een.
b V. Hoe veel schepselen zijnder\'?
A. Seer vele.
b V. Moeten der niet soo veel scheppingen zijn als \'er
schepselen zijn?
A. Neen.
a V. Wie heeft de werelt geschapen?
A. Godt.
a V. Welcken Godt, Vader, Zoon, of H. Geest?
A. Alle drie.
a V. Hoe veel scheppingen zijnder dan?
A. Een.
d V. Maer ghy noemt \'er drie, die geschapen hebben?
A. Het zijn drie persoonen, werckende t\'samen een
scheppinge door een ende de selfde kracht,
d V. De Vader ende de Soon zijn die onderscheyden
in \'t werck der scheppinge ?
A. Neen.
d V. De scheppinge van den Vader is dat een ander
scheppinge, als de scheppinge des Soons ?
A. Neen.
d V. Maken wy dan onderscheyt in het werck der
scheppinge, ofte in de persoonen ende de ordre
haerder werckinge?
A. In de persoonen ende ordre haerder werckinge.
Siet hier van breeder Vrage 24.
d V. Maer ghy seght, do Vader genereert, ende de
Soon niet; daer maeckt ghy onderscheyt, ende dat
wel?
A. Dat zijn personeele wercken na binnen.
c V. Zijn die wercken onderscheyden?
A. Ja: siet Vrage 25.
» V. Bewijst dat de Vader de werelt heeft geschapen?
A. Actor. 4. 24. Heere, ghy zijt de Godt, die ge-
maeckt hebt den hemel, ende de aerde, ende de
zee. ende alle dingen die in deselve zijn.
" V. Bewijst dat de Soon heeft geschapen?
-ocr page 324-
316                Van de Scheppinge der werelt.
A. Joh. 1. 1, 2, 3. In den beginne was het woort,
&c. Vs. 3. Alle dingen zijn door het selve gemaeckt,
ende sonder het solve en is geen dinok gemaeckt dat
gemaeckt is. Col. 1. 16. Hebr. 1. 2, 10.
d V. Bewijst dat de H. Geest heeft geschapen?
A. Genes. 1. Vs. 2. Ende de Geest Godts sweefde
op de wateren. Psalm 33. 6.
d V. Heeft de Vader de Soon gebruyekt als een in-
strument, soo dat hy even ende deselve principale
oorsaeck niet soude zijn\'?
A. Neen.
d V. Nademael de Soon ende de H. Geest soo wel
hebben geschapen als de Vader, waerom schrijft ghy
dan de Vader het werek der scheppinge toe?
A. Als de eerste persoon in ordre, ende het eerste
begin of den oorspronck der andere Goddelicke per-
soonen ende hare werekingen.
c V. Magh ick hierom wel seggen, de Vader is de
eerste Schepper?
A. Neen.
b V. Is de Vader eeuwigh?
A. Ja.
c V. Hoe is de Vader eeuwigh?
A. Als zijnde sijn Goddelicke eygenschap.
e V. Is dat des Soons eygenschap oock niet?
A Ja.
d V. Bewijst dat?
A. Mich. 5. 1. Ende wiens uytgangen zijn van oudts
van de dagen der eeuwigheyt. Esai. 9. 5. Joh. 1. 1.
d V. Is Christus een Vader ten aensien van hemselven ?
A. Ja: na de menschelicko natuer.
d V. Soudo men don Soon con Vader mogen noemen?
A. Ja: ten aensien van de creaturen.
d V. Als ghy seght onse Vader die daer zijt in de
Hemelen, fte. wien verstaot ghy daer door?
A. Vader, Soon, ende H. Geest.
d V. Is de Vader eeuwigh?
A. Ja.
-ocr page 325-
Van do Schoppinge der werelt.               317
d V. Hoe wort dan hier verstaen, dat de eerste per-
soon een oeuwigh Vader is, soo de Sone ende de
H. Geest oock deselve eeuwige Vader zijn.
A. De eerste persoon wort twoosins een Vader ge-
noemt , ten aensien van de creaturen, ende ten aen-
sien van do tweede Goddelieke persoon,
d V. Is de Soon oock soo oen Vader, ende de Heylige
Geest?
A. Neen: maer alleen ten aensien van de creaturen,
b V. Wie heeft al meer do werelt geschapen?
A. Niemant moer.
b V. Hoeft Godt dan alleon geschapen?
A. Ja.
c V. Kan daer yemant meer scheppen?
A. Neen.
(1 V. Kan Godt u of my de kracht niet geven, dat
wy de werelt uyt niet souden scheppen?
A. Neen.
d V. Waerom niet?
A. Om dat Godt hem selven niet en kan versaken.
d V. Als Godt dan soodanige kracht een creature
mededeelde, soude hy hemselven dan versaken?
A. Ja: en dan soude de creature geen creature
meer zijn: maer Godt.
d V. Kan ja ende neen wel te gelijck waer gemaeekt
werden?
A. Neen.
fl V. Kan een eyndelicke creatuer wel oneyndigh
worden ?
A. Neen.
d V. Kan een creature wel yet verderven ende ver-
destruëren ?
A. Ja.
d V. Kanse yet uyt niet voortbrengen?
A. Neen.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat Godt alleen kan
scheppen ?
A. Esai. 44. 24. Ick ben de Heere die alles doet,
-ocr page 326-
818               Van de Scheppinge der werelt.
die den hemel uytbreyt, ick alleen, ende die de aerde
uytspant door my selven, met Rom. 1. 19, 20.
d V. Gaet dit argument vast, dat de Apostel treckt
uyt Rom. 1. 19, 20. Overmits het gene van Godt
kennelick is in haer openbaer is: want Godt heeft het
haer geopenbaert. vs. 20. Want sijne onsienelicke
dingen worden van de scheppinge der werelt aen,
uyt de schepselen verstaen endo doorsien, beyde sijne
eeuwige kracht ende Goddelickheyt ?
A. Ja.
d V. Is dit een vast bewijs voor do Godtheyt Christi,
dat wy nemen uyt de scheppinge?
A. Ja.
d V. Is dit soo een groot werck Godts, dat het geen
creature kan medegedeelt worden?
A. Ja.
d V. Als een Engel ofte een ander creatuer de werelt
hadde geschapen, of konde scheppen, soude dan dat
argument, waer mede wy de Godtheyt Christi bewii-
sen, wel vast gaen ?
A. Neen.
d V. Seght my hoe Godt geschapen heeft?
A. Vrywilligh ende na sijn believen, niet door
eenigh bedwangh ofte nootsakelickheyt, dat is, wel
door sijn eeuwige ende onveranderlicke, maer noch-
tans allervryste ende onbedwongene wille ende besluyt:
Ps. 33. 9. Want hy spreockt ende het is\'er, hy ge-
biedt ende het staet er. Eph. 1. 11. Die alle dingen
werckt na den raet sijns willens.
d V. Heeft Godt eenigh uyterlick middel tot de schep-
pinge gebruyckt?
A. Neen: maer Godt heeft de werelt geschapen
alleen door sijnen almachtigen wille ende woort:
Psalm 33. 6. Door het woort des Heeren zijn de heme-
len gemaeckt, &c. Esai. 44. 24.
b V. Waer uyt heeft Godt de werelt geschapen?
A. Uyt niet: Gen. 1. 1. In den beginne schiep Godt
den hemel ende de aerde. met Hebr. 11. 3. Alsoo
-ocr page 327-
Van de Scheppinge der werelt.                319
dat de dingen die men siet, niet geworden zijn uyt
dingen die gesien worden, ende Rom. 4. 17.
b V. Was daer yet eer de werelt was geschapen?
A. Neen.
d V. Was daer eenen tijt?
A. Neen.
d V. Is de werelt buyten den tijt geschapen?
A. Neen.
d V. Hoe sal men het dan maken met den tijt?
A. De tijt is met de werelt, als een nootsakelicke
medegaende omstandigheyt, geschapen,
b V. Is de werelt van haer selven?
A. Neen.
b V. Isse van eeuwigheyt?
A. Neen.
b V. Van wien isse dan?
A. Van Godt geschapen,
c V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Hebr. 11. 3. Door het geloove verstaen wy dat
de werelt door het woort Godts is toebereyt. met
Rom. 11. 36.
b V. Heeft Godt alles tseffens geschapen?
A. Neen.
b V. In hoe langen tijt heeft hy dan geschapen?
A. In ses dagen.
o V. Is dat eygentlick te verstaen?
A. Ja.
d V. Maer kost Godt de werelt niet in een oogenblick
geschapen hebben?
A. Ja.
" V. Waorom en heeft hy het dan niet gedaen?
A. Om dat het hem niet belieft heeft.
" V. Wat schiep Godt op den eersten dagh?
A. Hemel, en aerde, ende het licht, Genes. 1. 3, 4, 5.
b V. Wat schiep Godt op den tweeden dagh?
A. Het uytspansel in \'t midden der wateren, Genes.
1-6,7, 8.
c V. Wat was dat uytspansel?
-ocr page 328-
320                Van de Scheppinge der werelt.
A. De lucht, die tusschen de aerde met de zee
ende wateren , ende tusschen de havenwateren, dat
is, tusschen de woleken is.
d V. Waer uyt bewijst\' ghy, dat dese lucht met den
naem van uytspansel wort genaemt?
A. Uyt Genes. 1. 20. Ende hot gevogelte vliege boven
de aerde, in het uytspansel des hemels,
b V. Wat schiep Godt op den derden dagh?
A. Hy scheyde de wateren van de aerde, ende schiep
op de aerde het gras, ende alderhande kruyt, Genes,
1. 9. tot het 14.
b V. Wat schiep Godt op den vierden dagh\'?
A. Sonne, mane, ende sterren, Genes. 1. 14. tot
het 20.
b V. Wat schiep Godt op den vijfden dagh?
A. Alderhande visschen ende gevogelte, Genes. 1.20
b V. Wat schiep Godt op den sesten dagh?
A. Eerst alle aerdtgedierten, die op der aerden
kruypen of gaen, ende daer na de menschen, Genes.
1. 26, 27.
b V. Waer uyt heeft Godt Adam geschapen?
A. Uyt het stof der aerden.
b V. Waer staet dat?
A. Genes. 2. 7. Ende de Heere Godt hadde den
mensche geformeert uyt het stof der aerde, met Genes.
3. 19.
b V. Wien schiep hy eerst, de man of de vrouwe ?
A. De man.
b V. Waer van schiep Godt de vrouwe?
A. Uyt de ribbe des mans: Gen. 2. 21, 22. Ende
hy nam een van sijne ribben , ende sloot der selver
plaetse toe met vleesch. vs. 22. Ende de Heere Godt
bouwedo de ribbe, die hy van Adam genomen hadde,
tot eene vrouwe.
b V. Waer settede Godt aldereerst de menschen, als
hyse geschapen hadde?
A. In \'t Paradijs,
c V. Wat gaf hy haer te gebruyeken ende te genieten?
-ocr page 329-
Van de Scheppinge der werelt.               321
A. Alle het gene in den Paradijse was.
c V. Maer was \'er yet daer de mensehen niet mochte
aenkomen?
A. Ja.
c V. Wat was dat?
A. De boom der kennisse des goets ende des quaets,
Gen. 2. 17.
d V. Welck was de eerste dagh van de weke doen
Godt de werelt schiep?
A. De Sondagh.
d V. Hoe kondt ghy rekenen, dat het de Sondagh
geweest is?
A. Om dat Godt op den sevenden dagh gerust heeft,
het welck is geweest de Saterdagh.
c V. Welck was den eersten tijd des werelts , dagh ofte
nacht ?
A. Nacht: Genes. 1. 5. Doe was het avont geweest,
ende \'t was morgen geweest, de eerste dagh.
d V. Maer seght my eens waerom dat Godt ruste, was
hy moede ?
A. Neen.
d V. Wat beteeckent dan het rusten?
A. Dat Godt opgehouden heeft van scheppen.
0 V. Wat heeft Godt geschapen?
A. Alles wat \'er is.
b V. Heeft hy de sonde geschapen ?
A. Neen.
" V. Heeft hy de doot geschapen?
A. Neen.
c V. Hoe is de doot dan in de werelt gekomen?
A. Door de sonde: Rom. 5.12. Want de besoldinge
der sonde is de doot.
c "V. Heeft hy de sieckten geschapen?
A. Neen.
c V. Heeft hy oock doornen ende distelen ge-
schapen?
A. Ja.
*» V. Hoe is dan te verstaen het gene staet Genes.
21
-ocr page 330-
822                Van de Scheppinge der werelt.
3. 18. Oock sal het u doornen ende distelen voort-
brengen ?
A. Dat, van wegen de sonde des menschen, deselve
souden wassen ende vermenighvuldigen, ter plaetsen,
daerse den menschen ondienstigh souden zijn, ende
het gewensi\'hte gewas van koorn ende andersins
souden verhinderen.
c V. Heeft Godt daer na niet meer geschapen ?
A. Neen.
d V. De zielen der menschen werden noch daeghlicks
geschapen ?
A. Dat en is geen nieuwe soorte van schepselen.
Siet Genes. 2. 7. Ende in sijne neusgaten geblasen
den adem des levens.
d V. Noë plantede eenen wijngaert; Genes. 9. 20.
ergo, doen is de wijngaert eerst gevonden ?
A. Dat volght niet.
d V. Daer zijn geen muyl-ezels geweest in den beginne,
soo sommige bowijsen uyt Genes. 36. 24 ?
A. Dat woort in de originelen text kan oock anders
overgeset worden. Ende genomen dat \'er muyl-ezels
verstaen moeten werden, soo en zijn die geen ander
soorte van gedierte, als de ezels,
d V. Heeft Godt oock alle fenijnige ende wreede bees-
ten geschapen ?
A. Ja.
d V. "Waren sy voor den val des menschen fenijnigh ?
A. Ja.
d V. Waren sy de menschen voor den val fenijnigh,
schadelick ende wreet, gelijck sy nu den menschen
zijn?
A- Neen.
d V. Waerom niet?
A. Om dat de mensche nog niet gesondight hadde.
d V. Meynt ghy dat God de creaturen geschapen heeft
als se nu zijn?
A. Ja.
d V. Hoe is dan te verstaen het gene Paulus seght,
-ocr page 331-
Van de Scheppinge der werelt.               323
Rom. 8. vs. 20. Want het schepsel is der ijdelheyt
onderworpen, &c.
A. Dat is te verstaen van eenige uyterlicke belet-
selen, haer toegekomen van wegen de sonde des
menschen; soo dat de natuer niet soo dispoost, veer-
digh, ende onverhindert is, om alles ten dienste van
mensehen uyt te wercken, als sy anders soude ge-
daen hebben.
d V. Soudt ghy wel bewijsen konnen, dat Godt be-
let, dat de innerlieke natuer soo vol ende perfect na
buyten niet en kan wercken?
A. Ja: Genes. 3. 17, 18. Soo zy het aertrijck om
uwent wille vervloeckt, &c. Deuter. 28. 23. Amos 4. 7.
b V. Heeft Godt alles geschapen goet, ofte quaet?
A. Goet.
e V. Hoe goet\'?
A. Seer goet, soo dat het niet en kan verbetert
worden. Genes. 1 vs. 31.
tl V. Waerom heeft doch Godt de werelt geschapen,
hadde hy deselve van doen?
A. Neen.
d V. Tot wat eynde heeft hyse dan geschapen?
A. 1. Het uyterste eynde, waer toe alle andere
sich strecken, is de eere of de grootmakinge Godes:
Proverb. 16. 4. De Heere heeft alles gewrocht om
sijns selfs wille. 2. Om daer door te betoonen, dat
hy is een eeuwigh Godt, Psalm 90. 2. Eer de bergen
geboren, ende ghy de aerde, ende de werelt voort-
gebraeht haddet, ja van eeuwigheyt tot eeuwigheyt zyt
ghy Godt, alsoo daer voor de scheppinge der werelt
niet en was dan eeuwigheyt, welck Godt besat. Als
oock dat hy daer mede soude betoonen te zijn een
algenoeghsame Godt, een gantsch goede Godt, een
gantsch wijsen Godt, een almachtigen Godt: welcke
Goddelicke eygenschappen klaerlick uyt het werck der
scheppinge blijcken. Siet hier van breeder, Vrage 28.
" V. Kan een kint Godts voor sich selven uyt de
scheppinge wel eenigh voordeel ende profijt trecken?
-ocr page 332-
824                            Van do Engelen.
A. Ja: een seer groot profijt ende voordeel,
d V. Welck is dat?
A. Siet de Antwoorde op de Vrage.
AENHANGHSEL OFTE BYVOEGHSEL VAN
DE ENGELEN.
b V. Zijn de Engelen oock geschapen?
A. Ja.
c V. Wanneer, ende op den hoe veelsten dagh?
A. Het is waersohijnelick, dat, doen Godt den op-
persten of den derden hemel schiep, dat hy doen de
Engelen schiep: Job 38. 7. Doe de morgensterren
t\'samen vrolick songen, ende alle de kinderen Godts
juycheden.
d V. Kan men wel buyten ende sonder de Schriftuer
uyt ende door natuerlicke reden sekerlick vinden ende
besluyten dat\'er Engelen zijn?
A. Ja: van achteren, namelick, uyt hare werckingen.
d V. Soude men uyt de natuer, sonder de Schriftuer
bewijsen konnen, dat\'er goede Engelen zijn?
A. Ick en sie niet met wat vaste ende klare redenen
sulcks sekerlick soude konnen beweson werden,
d V. Zijn de Engelen edelder creature als de menschen?
A. Ja.
d V. Soude de mensche in oenigh respect konnen ge-
seyt worden, hooger ende treffelicker te zijn dan de
Engelen ?
A. Ja.
d V. Wat is dat?
A. Dat de Sone Godts de menschelicke natuer heeft
aengenomen, ende niet der Engelen natuer: Hebr.
2. 16. Want waerlick hy en neemt de Engelen niet
aen, maer hy neemt het zaet Abrahams aen.
c V. Hebben de Engelen lichamen?
A. Neen.
d\' V. Wat zijn het dan?
-ocr page 333-
Van de Engelen.
325
A. Geesten: Hebr. 1. 14. Zijnse niet alle gedien-
stige geesten, &c.
d V. Heeft dan een geest vleesch noch been?
A. Neen: Luce 24. 39. Want een geest en heeft
geen vleesch ende beenen, gelijck ghy siet dat ick
hebbe.
il V. Maar sy zijn somwijlen verschenen met lichamen ?
A. Die lichamen hebben sy voor eenen tijt aenge-
nomen, ende haren dienst gedaen hebbende, deselve
wederom afgeleyt.
il V. Zijn het substantion, ofte soo eenige bewegin-
gen, dat is, dat de quade gedachten, begeerten of
tochten, souden eenen quaden Engel, ende de goede
gedachten, eenen goeden Engel zijn ?
A. Het zijn substantien.
c V. Hebben de Engelen oock namen\'?
A. Ja.
c V. Wat voor Engelen worden genoemt in de Schrif-
tuer?
A. Gabriël, Michaël.
V. Wat seght ghy van Raphaó\'1, in de historie van
Tobias?
A. Dat boeck is Apocryph.
V. Wat seght ghy van de Engel Uriël, daer van
staet in \'t derde ende vierde boeck Esdre ?
A. Dat boeck is oock Apocrijph.
V. Hoe veelderley Engelen zijnder ?
A. Tweederley, goede en quade.
" V. De goede Engelen, waer door zijnse goet ge-
bleven?
A. Door Godts genade van versterckinge.
" V. Is\'er oock een verkiesinge der Engelen?
A. Ja: 1 Tim. 5. 21. Ende de uytverkorcne Engelen.
V. Zijn de goede Engelen even hoogh?
A. Daer van en is geen seker bescheyt.
" V. Wat seggen de Papisten aengaende dit stuck?
A. Sy stellen verscheyden Chooren der Engelen,
d\'een hooger als d\'ander.
-ocr page 334-
Van de Engelen.
326
d V. Waer uyt willen sy dat bewijsen?
A. Col. 1. 16. Het zy throonen, het zy heerschap-
pijen, het zy Overheden, het zy Machten. Eph. 1. 21.
Verre boven alle Overheyt, ende Macht, ende heer-
schappije.
d V. Wat soudt ghy daer op antwoorden?
A. Die plaetsen konnen verstaen worden van de\'
Engelen in \'t gemeyn, welcke namen haer worden
toegeschreven, om dat Godt haer menighmael komt
als Koningen, welcke de throonen eygen zijn, Prin-
een, Overheden, ende Machtige te gebruyeken, om
menschen, steden, ende landen te beschermen of te
plagen.
d V. Gebruyckt Godt somtijts den eenen Engel tot
een werek, dat uytnemender is, als het werek waer
toe hy eenen anderen Engel gebruyckt?
A. Ja.
d V. Maer kan men daer om daer uyt besluyten dat
den eenen Engel hooger is als den anderen, ten aen-
sien van sijn substantie en wesen of wesentlicke eygen-
schappen?
A. Geensins.
c V. Hoe veel goede Engelen zijnder wel?
A. Seer veel, als te sien is Psalm 103. 21. Lovet
den Heere alle sijne heyrscharen. en 68. 18. Godts
wagenen zijn tweemael thien duysent, de duysenden
verdubbelt. Matth. 26. 53. Ende hy sal my meer als
twaelf legioenen Engelen bysetten. Luce 2. 13. Een
menighte des hemelschen heyrlegers.
d V. Heeft elck mensch eenen Engel tot sijnen be-
schermer ?
A. Neen.
d V. Daer staet nochtans, dat hare Engelen in den
hemel, &c. Matth. 18. 10.?
A. Daer door wort anders niet te kennen gegeven,
als dat de Engelen veerdigh en bereyt zijn om Godts
bevelen te gehoorsamen, tot haerder bescherminge.
a V. Magh men de Engelen wel aenroepen?
-ocr page 335-
Van de Engelen.
a27
A. Neen.
d V. Magh men Godt wel bidden, dat hy de Engelen
wil senden, om ons daer door te geleyden ende te
beschermen?
A. Ja.
d V. Magh men staen na familiaren omgangh, ende
uyterlicke t\'samensprake met de Engelen aen te stel-
len ende te houden?
A. Neen.
d V. Maer sy legeren haer rontom ons?
A. Dat volght evenwel niet.
d V. Ghy mooght wel tot een mensche seggen, helpt
my of reyckt my de hant, waerom dan oock niet tot
een Engel?
A. Dat is een geheel andere sake: want met een
mensche kan ick sichtbaerlick ende gemeynsamelick,
als met mijnen evennaesten spreken, ende met een
Engel niet.
\'1 V. Abraham sprack met den Engel?
A. Dat was vermits de extraordinare sichtbaerlicke
verschijninge, ende de tegenwoordige aensprake der
Engelen,
e V. Bewijst, dat men hem niet moet inlaten, in de
handelingen ende gespreek ende het ondersoeck der
Engelen ?
A. Col. 2. 18. Dat dan u niemant en overheersche
na sijnen wille in nedrigheyt ende dienst der
Engelen.
e V. Kan men wel weten wat officie dat yeder Engel
doet?
A. Neen,
c V. Kan men wel weten dat elcken Engel sijne ge-
sette tijden, maenden, dagen, nachten, uren heeft om
te regeeren?
A. Neen.
c V. Gebruyckt Godt de Engelen tot dienst der uyt-
verkorenen ?
A. Ja: Hebr. 1. 14. Zijnse niet alle gedienstige
-ocr page 336-
328
Van de Engelen.
geesten, die tot dienst uytgesonden worden om der
gener wille die de saligheyt beerven sullen?
c V. Gebruyckt hy deselve als sijn instrumenten in de
scheppinge of in de universeele onderhoudinge ende
regeeringe der werelt?
A. Neen.
b V. Seght my nu eens wat quade Engelen zijn?
A. Duyvelen.
b V. Heeft Godt de quade Engelen soo quaet ge-
sehapen ?
A. Neen.
c V. Welck is dan de oorsaeck van hare boosheyt?
A. Datse haer boginsel niet gehouden hebben: Joh.
8. 44. Ende en is in de waerheyt niet staende ge-
bleven. 2. Petr. 2. 4. Want, indien Godt de Engelen
die gesondigt hebben, niet gespaert en heeft, Sas.
Jude vs. 6. Ende de Engelen die haer beginsel niet
bewaert en hebben, &c.
d V. Konnen wy de speciale sonde van haren val
sekerlick weten?
A. Het is waerschijnelick dat het is geweest hoo-
vaerdije.
d V. Wat is dat voor een begin geweest daer sy uyt
gevallen zijn?
A. Daer in de Heere haer in den beginne bestelt
hadde, te weten wijsheyt, ende heyligheyt.
c V. Wie was de oppersten van de Duyvelen, die den
val aenvingh?
A. Dat weet men niet.
c V. Was sijnen naem Lucifer?
A. Neen.
d V. Hoe is dan te verstaen het gene staet Esai. 14.
. 12. Hoe zijt ghy uyt den hemel gevallen 0 morgen-
sterre, ghy sone des dageraets?
A. Dat is te verstaen van den Koninck van Babel.
c V. Maer lesen wy niet dat \'er een overste van de
Duyvelen is?
A. Ja.
-ocr page 337-
Van de Engelen.                            329
c V. Hoe is sijnen naem ?
A. Beëlzebub, dat is een Godt der vliegen. Matth.
12. 27.
b V. De Satan, kan hy wel quaet doen?
A. Ja.
li V. Kan hy de boesten , ende andere creaturen quaet
doen?
A. Ja.
Ii V. Kan hy quade menschen quaet doen?
A. Ja.
Ii V. Kan hy goede menschen quaet doen?
A. Ja: als blijckt uyt het \'exempel Jobs, Job. 1.
en 2. Pauli, 2. Corinth. 12. 7. Ende op dat ick my
door de uytnementheyt der openbaringe niet soude
verheffen, soo is my gegeven een scherpe doorne in
hot vleesch, namelick een Engel des Satans, dat hy
my met vuysten slaen soude, &c. Christi, Luce 4. 2.
Ende wert veertigh dagen versocht van den Duyvel.
Petri, Luce 22. 31. Ende de Heere se}*de, Simon,
Simon, siet de Satan heeft u-lieden seer begeert om
te siften als de terwe.
1> V. Kan de Duyvel ons quaet doen aen ons goet?
A. Ja.
V. Oock aen ons lichaem ende ziele?
A. Ja.
V. Kan hy oock quaet doen in \'t geestelicke ?
A. Ja.
\'\' V. Hoe verre kan hy de geloovige hier in verley-
den en beschadigen?
A. Dat hy begint te twijffelen en byna te wanhopen
aen sijne saligheyt: of dat hy door een sware sonde
sijne conscientio swaerliken quetse.
\'\' V. Kan hy een geloovig mensche berooven van syn
eeuwige saligheyt?
A. Neen: als blijckt Joh. 10. 28. Ende sy sullen
niet verloren gaen in der eeuwigheyt, ende niemant
en sal deselve uyt mijne hant rucken. Rom. 8. 34.
Wie is \'t die verdoemt? Christus is \'t die gestorven is, &c.
-ocr page 338-
330
Van de Engelen.
d V. Magh men wel seggen de Duyvel en kan my
geen quaet doen?
A. Neen.
d V. Magh ick wel gelooven, dat de Duyvel my geen
quaet doen kan?
A. Neen.
d V. Heeft de mensche macht tegen den Duyvel?
A. Ja: om hem door het geloove te wederstaen,
en door Godes genado eyndelicken te overwinnen:
Rom. 16. 20. Ende de Godt des vredes sal den Satan
haest onder uwe voeten verpletteren. Joh. 10. vs. 28.
Rom. 8. 37, 38.
c V. Soude men wel met den Duyvel propoosten mo-
gen aenhouden, ofte soecken met hem te spreken?
A. Ick en sie niet waer toe sulcks soude dienen.
d V. Magh men den Duyvel wel besweeren?
A. Neen.
d V. Dat daer een mensch is met den Duyvel bese-
ten, soude men den Duyvel mogen gebieden, om
daer uyt te gaen?
A. Neen.
d V. Waerom niot?
A. Om dat Godt ons de extraordinare macht ende
gaven niet gegeven heeft, om Duyvelen uyt te wer-
pen, sieckten te genesen, ende andere teeckenen te
doen: gelijck soodanige macht ende gaven eertijts aen
sommige gegeven zijn: Luce 10. 17, 18, 19. Ende
de tseventigh zijn wedergekeert met blijdtschap, seg-
gende , Heere , oock de Duyvelen zijn ons onderworpen
in uwen Name, &c. Mare. 16. vss. 17, 18. 1 Cor.
12. 28, 29, 30.
d V. Kan men oock den Duyvel op soodanige wijse
ende maniere wel uytwerpen?
A. Neen.
d V. Wat middelen sullen wy dan in sulcke gelegent-
heit tegen den Duyvel gebruyken?
A. Vasten ende bidden: Matth. 17. 21. Maer dit
geslachte en vaert niet uyt dan door vasten ende
-ocr page 339-
Van de Engelen.
331
bidden, bevelende de uytkomste den wille Godes.
d V. Heeft Godt alleen dese macht, om den Satan te
gebieden, ende uyt te werpen?
A. Ja: als Heere ende Meester,
d V. Maer de Apostelen ende andere hebben oock
de macht gehadt ende gebruyckt?
A. Dat was een bedienende macht, door dewelcke
sy geboden ofte bootschapten van Godts wegen, als
sijne dienaers ende instrumenten, bysonderlick ende
extraordinaris van hem daer toe gelast ende gesonden.
d V. Wie dede dan eygentlick het werck, hare of
Godes kracht?
A. Godes: die haer sulcks dedo gebieden of aen-
seggen in sijnen naem, en door sijne macht haer
onfeylbaerlick assisteerde: Actor. 3. vss. 12, 13, 16.
Ende Petrus dat siende, antwoorde tot het volck,
ghy Israëlitische mannen, wat verwondert ghy u over
dit? ofte wat siet ghy soo sterck op ons, als of wy
door onse eygene kracht ofte godtsaligheyt desen
hadden doen wandelen ? &c.
d V. Hebben in de oude Kercke dese extraordinare
gaven ende machten eenigen tijt gebleven, tot beter
voortplantinge van het Christengeloove onder den
Heydenen ?
A. Ja.
d V. Is\'er nu ter tijt niemant die dese macht heeft?
A. Neen, dat wy weten: of men moest het deugh-
delicken, ende met der daet bewijsen.
d V. De Papisten seggen nochtans, dat sy den Duy-
vel konnen uitdrijven?
A. Het seggen ende roemen is niet genoegh.
? V. Maer alle het gene van haer geseght wort, aen-
gaende het uytdrijven der Duyvelen, soude dat ver-
siert ende gelogen zijn ?
A. Ten meestendeele.
<J V. Of het quam, dat\'er ergens yet geschiede, hoe
soude dat toegaen?
A. Sy werpen den Duyvel uyt, door den Duyvel.
-ocr page 340-
382                   Van Godes Voorsienigheyt.
d V. Hoe geschiet dat ?
A. De Duyvel kan willens wijeken, voor dien tijt,
om haer te bedriegen.
d V. Soud\' gy hier van eenigh exempel tot bewijs
konnen bybrengen?
A. Ja: Siot Actor. 19. 13, 14. Ende sommige van
de omswevende Joden, zijnde Duyvel-besweerders,
hebben haer onderwonden den name des Heeren Jesu
te noemen over die gene die boose geesten hadden, &c.
Matth. 12. 27.
d V. Gebruyoken sy somwijlen den Duyvel tot een
hulpe, ende nemen sy den eenen Duyvel tot hulpe
om alle de andere uyt te drijven\'?
A. Ja: ende dit blijekt uyt hare boecken, die sy
schrijven van de konste ende maniere, om de Duy-
velen te besweeren ende te bannen,
c V. Magh men des Duyvels hulp wel gebruyeken?
A. Neen.
c V. Maer soude men van den Duyvel wel mogen
raet vragen, of yet van hem willen leeren?
A. Neen.
SOXDAGH X. Vbagb 27, 28.
Vrage 27.
Wat verstaet ghy door de voorsichtigheyt
Godts? \')
Antw. De almachtige ende tegenwoordige kracht
Ciodts , door welcke hy hemel ende aerde, mits-
gaders alle creaturen, gelijck als met sijner hant
noch onderhoudt, ende alsoo regeert, dat loof ende
\') Voorsichtigheyt bedoelt lier en vervolgen» Kat wij Voor-
zienigheul noemen.
-ocr page 341-
Van Godes Voorsienigheyt.                   333
gras, regen ende drooghte, vruchtbare ende on-
vruchtbare jaren, spijse ende dranck, gesontheyt
ende kranckheyt, rijckdom ende armoede, ende
alle dingen, niet by gevalle, rnaer van sijner
Vaderlicker hant ons toekomen.
d V. In hoe voel deelen wort desen Sondagh afgedeelt ï
A. In twee deelen.
d V. Welck zijn die twee deelen\'?
A. 1. De leere van Godts voorsionighoyt, Vrage 27.
2. De practijck, de nuttigheyt ende profijt van de
leere van Godts voorsienigheyt, Vrage 28.
c V. Is \'er oock een voorsienigheyt Godts?
A. Ja.
d V. Zijnder eertijs menschen geweest, dewelcke in,
ende ontrent de leere van Godts voorsienigheyt
gedwaelt hebben?
A. Ja
d V. Welck zijnse geweest ?
A. De Epieureen, de Stoische, ende Peripatetische
Philosophen.
d V. Wat gevoelden de Epicureische Philosophen?
A. Die waren van soodanigh een gevoelen, datse
loochenden eenige voorsienigheyt Godts te zijn in dese
benedenste deelen der werelt.
d V. Wat gevoelen de Stoische Philosophen?
A. Dcselve hebben, in plaetse van de voorsienigheyt
Godts, versiert een volkomene nootsakelickheyt of
nootdwangh van alle dingen en bewegingen, bestaende
in de nature der dingen selve, die niet alleen alle
andere dingen, maer oock Godt selve soude onder-
worpen zijn, welcke nootsakelickheyt sy fatum ge-
noemt hebben,
d V. Wat gevoelden de Peripatetische Philosophen?
A. Deselve hebben versiert, dat Godt wel alle
dingen doorsiet ende verstaet, en nochtans alle dingen
niet en regeert en beweeght: maer dat hy alleen de
-ocr page 342-
334                   Van Godes Voorsienigheyt.
hemelsche bewegingen verweckt, ende door deselve
dese benedenste deelen der nature kracht geeft om
yets te doen.
d V. Maer zijn heden ten dage noch onder de ge-
naemde Christenen, menschen dewelcke dwalen in
ende ontrent do leere van Godts voorsienigheyt?
A. Ja.
d V. Welck zijn die?
A. 1. Soodanige menschen, dewelcke bekennen,
dat Godt met sijn voorsienigheyt gaet over de groote
dingen, maer niet over de kleyne, als zijnde al te
geringe sake, dan dat Godt hem daer mede soude
bemoeijen. 2. De Remonstranten, Wederdoopers, die
van het Pausdom, ende andere, maken oock questie
tegen onse leere van Godts voorsienigheyt, over
de vrywillige actiën ende werckingen van de men-
schen.
d V. Waer uyt soudt ghy bewijsen, dat\'er een voor-
sienigheyt is?
A. Actor. 17, 25, 28. Alsoo hy selve allen het
leven, ende den adem ende alle dingen geeft. vs. 28.
Want in hem leven wy, ende bewegen ons, ende
zijn wy. Matth. 10. 29. En worden niet twee musch
kens om een pennincksken verkocht? ende niet een
van desen en sal op de aerde vallen, sonder uwen
Vader. Ephes. 1. 11. Die alle dingen werckt na den
raet sijns willens. Als oock uyt de ordeninge der
nature, dat is , de bequame schickinge, vervolginge
aller dingen, bewegingen ende tijden, ende de on-
derhoudinge van alle soorten der creaturen. Ende
daer beneven, om alle andere redenen voorby te
gaen, soo bewijsen het de bewaringen en bestieringen
van burgerlicke regeeringen: want de oprechtinge,
bescherminge, ende versettingen der Koninghrijcke,
ende politien is een groot deel van de voorsienigheyt
Godes, als te sien is. Dan. 4. 14. Prov. 8. vs. 15.
Door my regeeren de Koningen.
c V. Wat verstaet ghy door de voorsienigheyt Godts?
-ocr page 343-
Van Godes Voorsienigheyt.                   335
A. Die kracht Godts, waer door de Heere alles
onderhoudt ende regeert,
c V. Wat is dese kracht Godts, een inblijvende of
buytenwerckende werckinge ?
A. Een buytenwerckende werckinge.
c V. Het besluyt Gods, daer mede hy van alle eeu-
wigheyt besloten heeft de werelt te scheppen, is dat
een inblijvendo ofte een uytgaende werck?
A. Een inblijvende werck.
c V. Doen hy de werelt schiep, is dat een inblij-
vende ofte uytgaende werck?
A. Een uytgaende werck.
e V. Dat Godt besloot niet te laten regenen in de
tijden Achabs, was dat een inblijvende of uytgaende
werck"?
A. Een inblijvende.
d V. Dat Godt besloten heeft u te scheppen op soo
eenen tijt, is dat een inblijvende of uytgaende werck ?
A. Een inblijvende.
d V. Maer dat hy u op soo eenen tijt geschapen
heeft, is dat een inblijvende ofte uytgaende werck?
A. Een uytgaende werck.
d "V. De Catechismus, alhier beschrijvende do voorsich-
tigheyt Godts, besehrijftse dat innerlick besluyt Godts?
A. Neen.
d V. Beschrijft se dan de uyterlicke wercken Godts, in
ende over dese geschapene werelt?
A. Ja.
V. Wat kracht is de voorsichtigheyt Godes?
A. Een almachtige ende overal tegenwoordige kracht
Godts
d V. Moet het zijn een almachtige kracht Godts?
A. Ja: want om alle creaturen in haer wesen te
onderhouden, ende om deselve te regeeren, daer toe
is niet min noodigh een almogende kracht, als om
deselve uyt niet te scheppen,
d V. Moet het oock zijn een overal tegenwoordige
kracht Godts?
-ocr page 344-
336                   Van Godes Voorsienigheyt.
A. Ja: want dio gene, die selve yet sal doen ofte
wercken ontrent de schepselen, die moet by haer
tegenwoordigh zijn.
d V. Waer uyt bewijst ghy , dat dese kracht Godts
een almachtige kracht is?
A. Esai. 50. 2, 3. Is mijne hant dus gantsch kort
geworden, dat sy niet verlossen kan ? of en is \'er in
my geen kracht om te redden, &c. Hebr. 1. 3. Ende
alle dingen draeght door hot woort sijncr kracht,
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat deze kracht Godts
een over al tegenwoordige kracht is?
A. Ps. 139. 1, 2. Heere ghy doorgront ende kent
my. Ghy weet mijn sitten, ende mijn opstaen, &c.
Prov. 15. 3. Esa. 15. 16. Act. 17. 22. Hebr. 4. 13.
Ende daer en is geen schepsel onsichtbaer voor hem.
a V. Wie regeert alles?
A. Godt.
a V. Wekken Godt, de Vader, Soon, of de Heylif-\'i\'
Geest?
A. Alle drie.
b V. Zijn daer dan drie regeerders ?
A. Soo ghy verstaet drie Goddelicke persoonen dio
regeoren, soo antwoorden wy ja, anders seggen wy
neen
c V. Regeeren de Engelen de geheele werelt?
A. Neen: maer sy dienen den regeerenden Godt.
c V. Soude Godt sijn macht haor niet konnen over-
geven ?
A. Neen.
c V. Wat regeert Godt?
A. Hemel ende aerde, mitsgaders alle dingen die
daer zijn ende wesen hebben, ofte geschieden, ende
gedaen ofte gelaten wordon.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Neh. 9. 6. Ghy zijt dio Heere alleen, ghy hebt
gemaeckt den Hemel, den Hemel der hemelen, ende
al haer heyr, &c. Esai. cap. 45. Vs. 7. Ick formere
het licht, ende scheppe de duysternisse, ick makc
-ocr page 345-
Van Godes Voorsienigheyt.                   337
den vrede, ende scheppe het quaet, ick de Heere
doe alle dese dingen. Actor. 17. 25. Alsoo hy selve
allen het leven, den adem ende alle dingen geeft,
c V. Eegeert Godt onder de aerde oock ?
A. Ja.
d V. Alwaer Godt is, regeert hy daer ?
A. Ja.
c V. De almachtigheyt Godts ende Godt, is dat een?
A. Ja.
c V. Daer de almachtigheyt Godts is, is Godt daer
oock?
A Ja.
b V. Seght mij eens regeert Godt kleyne, of groote
dingen ?
A. Kleyne ende groote dingen.
b V. Regeert Godt oock de sprinekhanen, muysen,
vliegen, mieren, &o. ?
A. Ja.
c V. Bewijst dat?
A. Joel 2. 25. Alsoo sal ick u-lieden de jaren ver-
gelden , die de sprinekhanen, de kever, ende de
kruytworm, ende de rupse heeft afgegeten, mijn
groot heyr dat ick onder u gesonden hebbe.
c V. Regeert hy oock het stof in de lucht?
A. Ja: Exod. 8, 16. Seght tot Aaron, Strecktuwen
staf uyt, ende slaet het stof der aerde, dat het tot
luysen worde.
V. Regeert hy oock de hayren onses hoofts?
A. Ja: Matth. 10 30. Ende oock uwe hayren des
hoofts zijn alle getelt.
V. Soo menigen lap of draet als \'er is aen onse
kleederen, soude Godt die oock regeeren ?
A. Ja.
V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Deut. 8. 4. Uwe kleedinge en is aen u niet
veroudet, ende uwe voet en is niet geswollen dese
veertig jaer. ende 29. 5. Neh. cap. 9. Vs. 21. Dan.
3. 27.
22
-ocr page 346-
838                   Van Godes Voorsienigheyt.
c V. Regeert hy oock de luysen ?
A. Ja: Exod. 8. IC.
c V. Waer uyt bewijst ghy, dat de alderkleynstc
dingen hangen aen Godes voorsienigheyt ?
A. Matth. c. 6. vss. 26, 28, 30. Aensiet de vogelen
des hemels dat sy niet zaeijen, noch maeijen, noch
versameien in de schuren, ende uwe homelschc Vader
voedt nochtans dezelve, &c. en 10. 29. En worden
niet twee muschkens om een pennincksken verkocht,
ende niet een van desen en sal op de aerde vallen,
sonder uwen Vader. Deut. 28.
d V. Is dat niet te slecht ende geringh gesproken
van de voorsienigheyt Godts\'?
A. Neen
d V. Haer betaemt dat Godts voorsienigheyt, dat sy
besigh soude zijn ontrent die slechte ende kleyne
dingen ?
A. Ja.
d V. Is\'er wel wat aen gelegen?
A. Ja.
d V. Kan men daer in insonderheyt bespeuren de
wijsheyt ende wetenschap Godes?
A. Ja: gelijck uyt een kleyn dingh van een kon-
stenaer gemaeckt, sijn konst meerder sal blijeken als
uyt een groot werek.
d V. Is dat spreeckwoort goet, de groote dingen rc-
geert Godt, maer met de kleyne laet hy de fortuyn
begaen ?
A. Neen.
b V. Regeert Godt oock de Engelen?
A. Ja.
c V. Wat voor Engelen regeert Godt, goede of quade?
A. Alle beyde.
c V. Soude Godt dan de Duyvelen mede regeeren?
A. Ja.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat Godt de goede En-
gelen regeert?
A. Job 1. 6. Daer was nu een dagh, als de kin-
-ocr page 347-
Van Godes Voorsienigheyt.                   339
deren Godts quamen om sich voor den Heere te
stellen: Hebr. 1. 14. Zijnse niet alle gedienstige
geesten, &c.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat hy de quade Engelen,
dat is, Duyvelen regeert?
A. Job 1. 12. En de Heere seyde tot den Satan:
Siet al wat hy heeft zy in uwe hant, alleen aen hem
en strekt uwe hant niet uyt. Matth. 8. 31.
b V. Regeert Godt oock de menschen?
A. Ja.
c V Goede, ofte quade ?
A. Alle beyde.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat de Heere goede
menschen regeert ?
A. Psalm 33. 18. Siet des Heeren ooge is over de
genen die hem vreesen. ende 34. 8.
d V. Waer uyt bewijst gy, dat hy de boose en godt-
loose menschen regeert?
A. Matth. 5. 45. Want hy doet sijne Sonne opgaen
over boose ende goede, ende regent over rechtveer-
dige ende onrechtveerdige.
e V. Streckt Godts voorsienigheyt oock over de vry-
willige actiën ende werckingen der menschen?
A. Ja.
c V. Is dan des menschen wille de voorsienigheyt
Godts onderworpen?
A. Ja.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Prov. 21 1. Des Koninghs herte is in de hant
des Heeren als waterbeken: hy neyght het tot al dat
hy wil. Psalm 33. 15.
d V. Behoudt de mensche evenwel sijnen vrijen wil ?
A. Ja.
d V. Maeckt men soo doende geen stocken en bloc-
ken van de menschen?
A. Neen.
d V. Wiens wille is boven, Godts wille, ofte des
menschen wille?
-ocr page 348-
840                 Van Godes Voorsienigheyt.
A. Godts wille.
d V. Wie zijn die gene, dewelcke loochenen dat de
Heere oock met sijn voorsienigheyt gaet over en ont-
rent de vrywillige actiën ende werckingen der men-
schen ?
A. De oude ende huydendaeghsche Pelagianen.
d V. Regeert Godt oock de sondige gedachten van
den mensche?
A. Ja.
d V. Regeert hy oock de sondige wercken der men-
schen ?
A. Ja.
d V. Regeert hy dan alle quaden ende sonden?
A. Ja.
c V. Werckt Godt ontrent het quaet?
A. Ja.
c V. Is Godt een oorsaeck van het quaet?
A. Neen.
c V. Is hy een aensoecker van het quaet?
A. Neen.
c V. Drijft hy den mensche tot het quaet?
A. Neen.
c V. Gebiedt hy het quaet?
A. Neen.
c V. Geeft hy den mensche in \'t herte om quaet
te doen?
A. Neen.
c V. Wie is dan de oorsaeck van het quaet, ofte
van wien komt het quaet?
A. Van den duyvel, ende van den mensche.
b V. Is Godt de oorsake van alles goets?
A. Ja.
c V. Als Godt ontrent het quaet werckt, ende het
selve regeert, volght daer uyt, dat hy een autheur
daer van is ?
A. Neen.
d V. Alle wercken die geschieden, komen die alleen
van de creaturen?
-ocr page 349-
Van Godes Voorsienigheyt.                   341
A. Neen.
d V. Hoe veel oorsaken zijnder dan?
A. Twee, namelick, de eerste ende de tweede,
d V. Wie is de eerste oorsaeek?
A. Godt
d V. Wie is de tweede oorsaeek?
A. De creature.
d V. Werckt Godt altijt met de creaturen?
A. Ja.
d V. Wel hoe sullen wy het dan maken als de men-
sche sonde doet?
A. De sonde is van den mensche.
d V. Werckt dan Godt daer mede?
A. Godt werckt ontrent de sonde,
d V. Als een mensche onbehoorlick ende ongerymt
spreeckt, of met de hant yet onbehoorlicks uytricht;
soude Godt daer mede in wereken?
A. Ja.
d V. Wat werckt Godt dan?
A. Godt werckt daer alle het goot, dat daer by of
ontrent is.
d V. Waer uyt soudt ghy bewijsen, dat Godt in of
met alle wereken werckt?
A. Actor. 17. 25, 28. Alsoo hy selve allen het
leven, ende den adem, ende alle dingen geeft. Exod.
3. vss. 4,5, &c. ende 4. 11. Job 1. 21. Esai. 10. 5.
d V. Waer uyt soudt ghy bewijsen, dat Godt met
sijne voorsichtigheyt gaet selfs over ende ontrent de
sondige wereken der menschen?
A. Genes. 45. 8. Nu dan, ghy en hebt my her-
waerts niet gesonden, maer Godt selve, die my tot
Pharaos vader gestelt heeft, ende 50. 20. Ghylieden
hebt het quaet tegen my gedacht: doch Godt heeft
dat ten goede gedacht. Exod. 4. 21. 2. Sam. 16. 10.
1.  Reg. 22. 20. Luce 22. 22. Ende de Sone des men-
schen gaet wel henen, gelijck besloten is: doch wee
dien mensche door weieken hy verraden wort. Actor.
2.   23. ende 4. 27.
-ocr page 350-
342                   Van Godes Voorsienigheyt.
d V. Soude ick Godt mogen toeschrijven dat Christus
is overgelevert ?
A. Ja.
d V. Maer sal ick Godt toeschrijven het verraden van
Judas, het onrechtveerdigh overleveren van Pilatus ifcc ?
A. Neen.
d V. Die heele geschiedenisse ende uitkomste t\'sa-
men genomen, is die van Godt, ende kan die Godes
voorzienigheyt toegeschreven worden\'?
A. Ja.
d V. Loopt daer yet onder van den duyvel ende van
de boose menschen ?
A. Ja.
d V. \'t Gene van den duyvel en de boose menschen
daer onder loopt, sal ick dat Godt toeschrijven?
A. Neen.
d V. Maer sy hebben dat niet konnen doen sonder Godt?
A. Dat is soo: maer daerom en kan haor quaet ende
de sonde Godt niet toegeschreven werden: want het
is heel wat anders te seggen, dat het quaet niet heeft
konnen geschieden sonder Godt, ende wat anders, dat
Godt dat quaet soHde hebben gedaen ofte gewrocht,
d V. Hoe komt het, dat de mensche qualick, ende
Godt wel doet in ende ontrent soo een sondige sake?
A. Om dat Godt werckt een verscheyden werck,
op verscheyden maniere, ende tot verscheyden eyn-
den.
d V. Wat werck is het dat Godt werckt ontrent de
sonde als sonde, formelick soo aengemerckt; is het
eygentlick te spreken een werck?
A. Neen.
d V. Wat is het dan?
A. Het is een toelatinge, dat is niet te verhinderen,
ende niet te wercken tot verhinderinge.
d V. Daer komt een dief die neemt yemants goet,
is dat wel gedaen?
A. Neen.
d V. Maer is Godt ontrent dat werck?
-ocr page 351-
Van Godes Voorsienigheyt.                   348
A. Ja.
d V. Die sonde die de dief doet, doet die Godt ooek ?
A. Neen.
,1 V. Wat doet hy dan?
A. Godt laet die sonde toe
,1 V. Het uytsteken van des diefs hant, laet Godt
dat alleen toe?
A. Neen: voor soo veel die beweginge in haer
selven ende materialicken aengemerckt wort.
(1 V. Wat doet hy dan?
A. Hy werckt mede als de eerste ende algemeyne
oorsaeck in de welcke wy leven , bewegen, ende zijn.
Actor. 17. 28.
d V. Wat doet hy ontrent dese sondelicko beweginge
ofte dieverije?
A. Godt stelt dat quaet mate ende pale, soo dat
het niet verder uyt en breeckt, als het hem belieft
toe te laten; en daerenboven soo doet Godt het quaet
boven sijn natuer, ende boven of buyten de mee-
ninge van die gene die sondight, uytvallen tot een
goet eynde, werckende alsoo uyt dat quaet eenigh
goet; niet, dat het quaet in, ende door sich selven
eenigh goet medebrenght, in \'t minste niet, maer
om dat Godt per accidens, ende als by seker toeval
ende overkomen of tusschenkomen van sijne goet-
heyt, uyt dat quaet wat goet weet te halen, name-
lick, dat quaet dirigerende ende bestierende] tot
straffe van de goddelooson, of tot kastijdinge van sijn
kinderen, of tot hare vernederinge, of andersins.
d V. Die ongerechtigheyt, die dat uytsteken van de
hant bykomt of aenkleeft, is die van Godt?
A. Neen: maer Godt laetse toe.
\'1 V. Maer hoe kan Godt dit soo regeeren sonder sonde?
A. Heel wel.
l\' V. Toe te laten, is dat sonde doen.
A. Neen.
fl V. Het quaet mate ende pale te setten, dat het
niet verder uyt en breeckt, is dat sonde doen?
-ocr page 352-
844                   Van Godes Voorsicnigheyt.
A. Neen.
d V Het quaet te ordineren ende te stieren tot een
goet eyndo, of\' op occasie van dat quaet eenigh goet te
wercken, is dat sonde ?
A. Neen.
d V. Kan Godt liet quaet beletten?
A. Ja: Actor. 17. 28. Want in hem leven wij,
ende bewegen ons, ende zijn wy.
d V Waerom en belet hy \'t niet?
A. Om dat het hem niet en belieft,
d V. Is Godt gehouden alle quaet te beletten?
A. Neen.
d V. Wie zijn die gene, die niet recht ende volko-
mentlick leeren hoe, ende dat de Heere de sonde
regeert?
A. De Remonstranten, Roomsch-gesinden, <&c.
d V. Waerom loochenen sy dit; seggense, dat hier
uyt sal volgen , dat Godt een autheur van de sonde is ?
A. Ja: en dat sonder de minste waerschijnelickheyt.
d V. Maer het schijnt nochtans , dat Godt den mensche
het quaet ingeeft 2. Sam. 16. 10. De Heere heeft
geseyt, Vloeckt David?
A. Dit moet alsoo niet vorstaen werden, even als
of Godt Simei hadde geheeten ende belast David te
vloecken; ja als of de Heere hem dien vloeck hadde
ingegeven in \'t herte: want soo soude do Heere ge-
stelt worden een autheur van het quaet ende de sonde
te zijn, het welck grouwelick is van Godt te dencken.
Maer hier door wil David niet anders te kennen geven,
als dat de Heere deson vloeck Simei haddo toegelaten
ende niet belet (\'t welck hy volgens syne groote kracht
ende mogentheyt hadde konnen doen, soo het hem
belieft hadde) ende den selven toegelaten zijnde, ten
goede geordineert, ende geregeert ten besten van David,
om hem daer door te tuchtigen ende te kastijden van
wegen sijne begane sonde van overspel, met Bathseba
de huysvrouwe van Urias, als oock van wegen den
dootslagh begaen aen Urias selfs: 2. Sam. II. ten
-ocr page 353-
Van Godes Voorsienigheyt.                   345
eynde hy daer door moghte gebracht werden tot die-
per gevoelen van sijne sonden, onde beteringe des
levens. "Waer toe dient aengemerckt dat het woort
seggen, gebieden, bevelen, somwijlen beteeckent ordi-
neren, regeeren, schicken, bestieren, als Psalm 42. 9.
ende 133. 3. Ende alsoo moet oook verklaert werden
het gene wy lesen Genes. 45. 8. ende 50. 20.
d V. Exod. 9. 12. Wort geseght, dat de Heere Pha-
raos herte verstookte, dat hy na Mose ende Aaron
niet en hoorde?
A. Hier uyt kan niet besloten werden dat de Heere
een autheur soude zijn van de sonde; want de Heere
eygentlick niet geseyt wert een oorsaeck te zijn van
verstockinge als verstockinge, maer hy laet die ver-
stockinge ende verhardinge toe, ende en belet noch
en bedwinght den Satan niet, noch en stopt niet die
fonteyne der sondelicker corruptie die in den mensche
is, noch en vermorwt het herte van den mensche
niet; maer laet den mensche hemselven, waer op dan
de verstockinge ofte verhardinge komt te volgen. Ende
alsoo is \'t, dat gesegt wort, dat de Heere het herte
van Pharao verstockt heeft; niet, dat de Heere het
herte Pharaos hardt gemaockt heeft, op dat hy niet
na Mose noch Aaron soude hooren; maer dat hy de
verstockthoyt van Pharao niet heeft belet, noch den
Satan heeft bedwongen, noch Pharaos herte heeft
verlicht, maer heeft hem sich selven gelaten, ordi-
nerende door sijn wonderlicke voorsiehtigheyt dese
verstockinge van Pharaos herte tot grootmakinge sijns
naems, ende tot een sware besoeckinge over den
godtloosen Pharao ende de Egyptenaren. En dat van
wegen do mishandelingen, daer mede sy de kinderen
Israöls mishandelt hadden: haer alsoo op haren eygen
kop vergeldende , het gene sy andere hadden aenge-
daen. Siet Exod. 4. 21. ende 5. 24. met Rom. 9.
d V. Heeft Godt van alle eeuwigheyt besloten alle
quaet toe te laten dat in der tijt geschiet?
A. Ja.
-ocr page 354-
346                   Van Godes Voorsienigheyt.
d V. Soude een mensehe hem niet konnen excuseeren
dat hy na Godts besluyt gedaen heeft?
A. Neen: als blijekt Lnce 22. 22. Ende den Sone
des menschen gaet wel henen, gelijck besloten is:
doch wee dien mensehe door weieken hy verraden
wert. Actor. 2. 23. Matth. 18. 7. Esai. 10. vss. 5, 6, 7.
d V. Maer of yemant soo goddeloos ware, dat hy
seyde, iek ben daer toe gepredestineert, wat soudt
ghy antwoorden?
A. Dat hy dan oock vervolgens gepredestineert was
tot de rechtveerdige straffe, soo hij daer inne vol-
herdet.
c V. Regeert Godt oock het loof ende gras?
A. Ja: Matth. 6. 30. Indien nu Godt het gras des
velts, &c. alsoo bekleedt.
c V. Regeert hy de boomen, kruyden, bloemen, vruch
ten, ende allerley gewas der aarden?
A. Ja: Psalm 104. 13, 14, 15. Hij drenckt de ber
gen uyt sijne oppersalen: de aerde wort versadight
van de vrucht uwer wercken,.&c. Matth. 6. 28.
c V. Regeert hy den regen ende drooghte?
A. Ja: I. Reg. 17. 1. Indien dese jaren dauw, ofte
regen zijn sal, \'t en zy dan na mijn woort. ende 18. 41.
Amos 4 7. Jac. 5. 17.
c V. Regeert hy vruchtbare ende onvruchtbare jaren?
A. Ja: Lev. 26. 4, 5, 19, 20. Deut 28. 12, 23, 24.
Actor. 14. 17. Ons regen ende vruchtbare tijden
gevende.
c V. Regeert hy spijse ende dranck?
A. Ja: Psalm 104. 13, 14, 15.
c V. Regeert hy gesontheyt ende kranckheyt?
A. Ja: Exod. 15. 16. Lev. 26 16. Deut. 28. 21, 22.
1. Sam. cap. 2. vs. 6. Job 1. 21. ende 5. 18.
c V. Regeert hy rijekdomme ende armoede?
A. Ja: 1 Sam. 2. vs. 7. Job 1 vss. 20, 21. met
cap. 42. 10. Prov. 22. 2.
c V. Regeert hy de sterren ende planeten?
A. Ja: Jos. 10. 12. Job 9. 7. Esai. 38. 8.
-ocr page 355-
Van Godes Voorsienigheyt.                   347
c V. Regeert hy de woleken , wint, donder, blixem,
onweder , hagel, sneeuw ?
A. Ja: Job 28. 20. Psalm 104. 7.
e V. Regeert hy oock den tijt van \'s mensehen leven?
A. Ja: Job 14. 6. Psalm 81. 10. Actor. 10. 23.
c V. Regeert hy het houwelick?
A. Ja: Genes. 24. Uyt het exempel van Rebecca;
ende Genes. 29. uyt het exempel van Jaeob ende
Rachel. 2. Om dat Godt vast geset heeft de voort-
teelinge des menschelicken geslaehts, ende de con-
tinuatie van sijne Kercke, dienvolgens oock het hou-
welick, als zijnde een middel hier toe noodigh , sonder
welke dese voortteelinge niet en magh geschieden.
i\' V. Regeert hy de uytkomsten van oorlogen?
A. Ja: Siet Psalm 33. ende 44. ende 46. ende 48.
Prov. 21. 31. Hot paert wort bereyt tegen den dagh
des strijts: maer de overwinninge is des Heeren. De
Heere heeft oock tot verseheyden reysen het Israëli-
tische volck voorseyt, dat hy de vyanden in hare
handen soude geven,
d V. Zijnder geen dingen die by geval geschieden?
A. Ja.
d V. Zijnder dingen die by geval geschieden, ten
aensien van Godt?
A Neen.
\'1 V. Ten aensien van wien is het dan?
A. Ten aensien van de menschen, ende andere
tweede oorsaken.
\'1 V. Waerom niet ten aensien van Godt?
A. Om dat Godt alle dingen besluyt ofte te voren
schicket, ende volgens dien sekerlick voorwetet ofte
voorsiet.
\'1 V. Regeert dan oock Godt die dingen, die ten
aensien van de menschen meest by geval geschieden ?
A. Ja.
d V. Soude men dan eenighsins mogen seggen, dat
alle gebeurlicke dingen nootsakelick geschieden?
A. Ja.
-ocr page 356-
848                   Van Godes Voorsienigheyt.
d V. Hoe? absolutolick, of alleen in seker uyterlick
opsicht ?
A. Ten aensien van seker opsicht.
d V. In wat respect ende opsicht?
A. Ten opsicht van Godt, ende sijne regeeringe,
volgens don raet sijns willes,
d V. Dat ghy sit, gaet, staet, is dat nootsakelick ofte
gebeurlick ?
A. Gebeurlick, ende nootsakelick.
d V. Hoe is \'t gebeurlick, ende hoe is \'t nootsakelick?
A. Gebeurlick ten aensien van my, ende nootsa-
kelick ten aensien van Godt.
d V. Maer genomen, ghy reyst ergens henen, ende
ghy krijght ondertusschen een ongeluck, moest ghy
daer nootsakelick zijn, ofte was het gebeurlick?
A. Alle beyde: doch in verscheyden opsicht.
d V. Soude men dan wel mogen seggen, die mensche
moest daer zijn, dat \'t niet te min gebeurlick soude zijn ?
A. Ja: Siot Luce 24. 26. En moeste de Christus
niet dese dingen lijden, ende alsoo in sijne heerliek-
heyt ingaan? 1. Cor. 11. 19. Want daer moeten oock
ketterijen onder u zijn.
d V. Soude men dan wel mogen seggen, ick hebbe
een goede ofte rjuade fortuyn gehadt?
A. Het is een Heydensche maniere van spreken:
daerom is het best die te laten. Andersins het quaet
verstant ende het misbruyck wechgenomen zijnde,
soude men ten goede konnen verklaren.
d V. Is \'er wel geval ende ongeval, geluck ofte
ongeluck in de gebeurlicke dingen hier beneden?
A. Ja.
d V. Wat is fortuyn?
A. Een geval, dat den mensche onversiens ende
buyten sijne intentie overkomt,
d V. Hoe kan fortuyn en geval bestaen met de on-
veranderlicke voorsienigheyt Godes?
A. Heel wel: want het geval, of mislucken is ten
aensien van de tweede oorsake.
-ocr page 357-
Van Godes Voorsienigheyt.                   349
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat Godt regeert de
dingen die ten aensien van de menschen by geval
geschieden\'?
A. Exod. 21. 12. 13. Prov. 16. 33. Het lot wort
in den schoot geworpen: maer het geheel beleyt daer
van is van den Heere. Matth. 10. 29, 30. Matth.
18. 7. ende 26. 54. Luce 24. vs. 46. 1. Cor. 11. 19.
(1 V. Maer volght uyt dese onse leere van de voor-
sienigheyt Godts, over ende ontrent alle dingen in
de werelt, selfs gebeurlicke ende casuele dingen, het
Fatum Stoicum , dat is, der Stoische Philosophen Noodt-
dwangh ?
A. In \'t minste niet: want dese nootsakelickheyt
die wy stellen, verschilt gantschlick van der Stoische
Philosophen Noodt-dwangh. 1. Om dat dese nootsa-
kelickheyt geseyt wort voort te komen van wegen het
besluyt en de wille Godts, waerom oock sy nootsa-
kelick van ofte aen Godt dependeort; maer de noot-
sakelickheyt der Stoische Noodt-dwangh is Godt selfs,
na het gevoelen van do Stoische Philosophen, onder-
worpen. 2. De nootsakelickheyt der Stoischen Noodt-
dwangh , ontstaet uyt do saken selfs onder malkan-
deren en tot malkanderen; maer de nootsakelickheyt,
die wy stellen, en hanght niet aen de saken ende
dingen, dewelcke, in haer selven ingesien zijnde,
ten deele hebben een natuerlicke kracht, datse op
dese ofte gene maniere haer hebben konnen, na dat
het den Heere goet dunckt; ten deele oock een vry-
matigheyt of vrywilligheyt. Ende daer van daen is
het, dat deze nootsakelickheyt niet gehoemt wert
een absolute nootsakelickheyt, maer een nootsakelick»
heyt, die voortkomt van wegen het besluyt en de
wille Godts.
AENHANGSEL.
3 V. Wat middelen gebruyckt Godt in \'t onderhouden
ende regeeren der dingen dezer werelt?
-ocr page 358-
850                   Van Godes Voorsienigheyt.
A. Ürdinare ofte gemeensame \') ende extraordinaro
ofte seltsame middelen.
d V. Wat verstaet ghy door de gemeensame mid-
delen ?
A. Soodanige instrumenten ende werckingen der
voorsienigheyt Godts , welcke door de scheppinge in
•- sich hebben sekere kracht ende virtuyte, om yet
sulcks te wege te brengen, daer toe deselve gebruyckt
werden.
d V. Wat verstaet ghy door de seltsame extraordi-
nare middelen?
A. Soodanige saken ende oorsaken, welcke door
de scheppinge niet en hebben ontfangen sulcken
kracht om uyt te voeren ende te wege te brengen,
\'t gene Godt buyten ende boven de algemeyne ordre
in de nature gestelt, door haer, of ontrent haer, nu
wil uytwercken.
d V. Maer konnen de gemeensame ende ordinarc
middelen hare kracht wel uytbreyden , ten goede van
andere, sonder Godts segen?
A. Neen.
d V. Waerom werckt Godt somtijts sonder middelen,
of door extraordinaire middelen"?
A. Om te betoonen sijne groote mogentheyt; soo
dat hem evonveel, ja even licht is te helpen ofte yet
te doen sonder middelen ofte door middelen.
d V. Wat moeten wy hier uyt leeren?
A. Godts eero te verbreyden, als mede, dat men
hier uyt klaerlick kan afnemen ende verstaen dat er
een Godt is.
e V. Begeert Godt de Heore alle sijne schepselen op
eenderley wijse ?
A. Neen.
d V. Waerom regeert Godt de Engelen ende menschen
op een ander wijse dan de reste van de schepselen i
\') Gemeensame il wal wij gewone noemen.
-ocr page 359-
Van Godes Voorsienigheyt.                   351
A. Om dat hy die tot redolicke schepselen gemaekt
heeft
d V. Waer in bestaet het onderscheyt der regeeringe
Godes over do Engelen en menschen, ende over do
andere schepselen?
A. Dat hy haer, nevens hare natuerlicke krachten
ende genegentheden, sijne geboden geeft, waer na hy
wil, dat sy hem sullen dienen ende aenkleven.
d V. Hoe maeckt Godt de Heere aen den menschen
kennelick den regel des levens, daer na sy haer
selven moeten schicken ende reguleren ?
A. Door sijn woort.
A V. Nademael Godt de Heere eenen regel des levens
sijne redelicke schepselen heeft gegeven, is \'er dan
oock eenigh onderscheyt tusschen de wercken der rede-
licke schepselen, en der gener die met geen reden
begaeft zijn ?
A. Ja.
d V. Maer is het wel mogelick, dat eenigh schepsel
den wille ofte het besluit, voornemen, raet ende
intentie sijns Scheppers soude konnen verhinderen?
A. Neen.
d V. Aangesien dan dat de menschen, als se tegen
Godts geopenbaerden wille ende bevel doen, evenwel
sijn voornemen en welbehagen niet om en stooten:
waerom wert het haer dan noch tot sonde ge-
rekent ?
A. Om dat Godes geopenbaerden wille des bevels
haer alleen een regel van haer leven is.
d V. Moet dan een menschc hem te vreden houden
met Godts geopenbaerden wille, ofte met het bevel
des Hecren, sondor de verborgene dingen Godts te
ondersoecken ?
A. Ja: Deut. 21). 29. De verborgene dingen zijn
voor den Heere onsen Godt, &c.
(1 V. Is het dan een goddeloos seggen, Heeft Godt
besloten dat ick sal saligh worden, soo sal ick saligh
worden, ick leve soo ick wil: ende heeft hy besloten,
-ocr page 360-
352                   Van Godes Voorsienigheyt.
dat ik sal verdoemt zijn, soo moet ick verdoemt sijn,
al leefde ick noch soo wel?
A. Ja.
d V. Waer door worden deze menschen verleyt tot
dese onbesuystheyt ?
A. Dat sy den verborgenen wille Godts , den regel
haers bedrijf maken willen.
d V. Evenwel, wat kan een mensche anders denken,
als hy hoopt, dat Godt van eeuwigheyt besloten heeft
wat van den mensche worden sal?
A. Hy moet evenwel doen het gene de Heere hem
in sijn woort gebiedt, ende laten het gene de Heere
hem verbiedt.
Vbage 28.
Waer toe dient ons dat \\vy weten, dat Godt
alles geschapen heeft, ende noch door sijne voor-
sichtigheyt onderhoudet?
Antw. Dat wy in alle tegenspoet geduldigh,
in voorspoet danckbaer zijn mogen, ende in allen
dat ons noch toekomen kan, een goet toeversicht
hebben op onsen getrouwen Godt ende Vader, dat
ons geen creature van sijner liefde scheyden sal,
aengesien dat alle creaturen alsoo in sijner hant
zijn, datse tegen sijnen wille, hen noch roeren,
noch bewegen konnen.
b V. Is dese leere van de scheppinge aller dingen, ende
van Godes voorsichtigheyt oock nootsakelick?
A Ja
b V. Waer toe strecktse dan?
A. Tot mijnen troost, ende vermaninge.
b V. Hoe dient dese leere tot uwen troost?
A. Door dese leere wert ick geleert geduldigh te zijn
in tegenspoet, ende danckbaer te zijn in voorspoet,
-ocr page 361-
Van Godes Voorsienigheyt.                   353
en daerbeneven voor het toekomende alle mijn be-
trouwen van alle creaturen af te trecken, ende al-
leen op Godt te stellen.
b V. Kondt ghy hier door vermaent werden om gedul-
digh te zijn in tegenspoet?
A. Ja.
o V. Hoe?
A. Dat ick weet, dat alle het gene my overkomt,
my dat overkomt van de hant des Heeren.
c V. Maer daer worden u veel dingen van de menschen
aengedaen ?
A. De menschen zijn niet anders als instrumenten
in de hant Godts. Esai. 10. 5, 15.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat allo het quaet, het
welck u in desen leven overkomt, van de hant ende
regeringe des Heeren komt ?
A. Genes. 45. 5. Nu dan, ghy en hebt my herwaerts
niet gesonden maer Godt selve, &c. Job 1. 21. De
Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen, &c.
2. Sam. 16. 9, 10. Psalm 39. 10.
d V. Hoe kondt ghy u daer medo troosten, dat ghy
weet, dat alle het gene u in dese werelt overkomt,
van de hant des Heeren overkomt?
A. Dat sulcks my van den Heere wort opgeleyt tot
mijnen besten, ende op dat hy tegens my sijn Vader-
lick herte ende liefde soude hetoonen: Rom. 8. 28.
Ende wy weten dat den genen die Godt liefhebben
alle dingen medewercken ten goede. 1. Corinth. 11.
vs. 32. Hebr. 12. 6. Want dien de Heere lief heeft
kastijdt hy.
D V. Moet ghy oock hier door danckbaer zijn in voor-
spoet, ende wanneer het u wel gaet?
A. Ja.
c V. Hoe sult ghy dat best doen ?
A. Wanneer ick Godts weldaden erkenne , ende hem
daer voor danckbaerheyt bewijse.
c V. Soudt ghy my wel konnen seggen waer uyt de
danckbaerheyt ontstaet ofte voortkomt?
23
-ocr page 362-
354                   Van Godes Voorsienigheyt.
A. Uyt aenmerckinge van het goet dat my ge-
schiet is.
c V. Alle geluck en voorspoet, vruchtbaerheyt, spijse
ende dranck, rijckdom ende gesontheyt, &c. komt dat
van Godt?
A. Ja: Psalm 127. 2. \'t Is te vergeefs dat ghylieden
vroegh op staet, late opblijft, et et broot der smerten:
\'t is alsoo dat hy \'t sijnen beminden als in den slaep
geeft. Prov. 10. 22. De segen des Heeren die maeckt
rijck.
d V. Komt het dan by den mensche toe, namelick
by sijn gauwigheyt, neerstigheyt, &c. of hy veel heeft
ofte niet?
A. Neen: Eccles. 9. 11.
c V. Is het dan wel van nooden, dat de mensche
neerstigh in sijn beroep is?
A. Ja: Genes. 3. 19. In \'t sweet uwes aenschijns
sult ghy broot eten. Ephes. 4. 28. 2. Thess. 3. 10, 12.
d V. Maer het leyt niet aen den mensche of hy wat
hebben sal ofte niet, wat behoeft hy dan soo te
wroeten ende te slaven?
A. De Heere wil de middelen gebruyckt hebben,
ende door de middelen, op de middelen, immers niet
sonder de middelen, segenen.
d V. Soude men dan den Heere versoecken, als men
geen middelen, van den Heere verordineert, en ge-
bruyckte, maer alles op Godt liet aenkomen ?
A. Ja.
d V. Als men dan de middelen gebruyckt ende voor-
spoedigh wort, moet men de middelen sulcks toe-
schrijven ?
A. Neen: maer den Heere, die in, met ende door
die middelen werckt, ende den mensche voorspoedigh
maeckt. 1. Corinth. 3. 6, 7.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat men Godt danckbaer
moet zijn in voorspoet?
A. Deut. 8. 10. Joel 2. 26. 1 Thess. 5. 18. Danckt
Godt in alles.
-ocr page 363-
Van Godes Voorsienigheyt.                   355
d V. Maer seght my eens kortelick waer in dese
danckbaerheyt tegen Godt bestaet?
A. In hem met herte onde monde te roemen ende
te prijsen, van wegen alle het groote goet dat de
Heere ons gedaen heeft, als oock in een gedurige
betrachten der ware godtsaligheyt.
b V. Moet men hier door oock bewogen werden, om
alle sijne vertrouwen van alle creaturen af te trecken,
ende alleen op Godt te stellen\'?
A. Ja.
c V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. 1. Petr. 5. 7. Werpt alle uwe bekommernissen
op hem, want hy sorght voor u. Psalm 37. 3, 4, 5.
e V. Waerom moet ghy soo een vast toeversicht hebben
op uwen Godt?
A. Om dat ick versekert ben, dat Godt my door
sijne Goddelicke voorsichtigheyt uyt alle quade helpen
sal, ende alles tot mijnen besten keeren.
1 V. Zijt ghy hier door oock versekert, dat ghy noyt
van Godt sult verlaten worden, om eyndelick af te
vallen ende verloren te gaen?
A. Ja.
\'I V. Waer uyt bewijst ghy dese uwe versekertheyt ?
A. Rom. 8. 35, 38. Wie sal ons scheyden van de
liefde Christi, &c. ?
\'I V. Wat hebt ghy voor vastigheyt van dese voor-
sichtigheyt Godts voor het toekomende?
A. Om dat de Heere alle creaturen soo in sijne
hant heeft, soo datse sonder sijnen wille haer niet
roeren noch bewegen en konnen.
\'I V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Actor. 17. 28. Want in hem leven wy, ende
bewegen ons, ende zijn wy. Rom. 8. 31. Soo Godt
voor ons is, wie sal tegen ons zijn? Prov. 21. 1.
AENHANGHSEL.
d V. Is de leere van de scheppinge ende voorsienig»
-ocr page 364-
356                   Van Godes Voorsienighoyt.
heyt Godts oock nootsakelick te gelooven om de eere
Godts?
A. Ja.
d V. Indiense nootsakelick is te gelooven om de eere
Godts, soo yemant dan loochent de scheppinge, ende
voorsienigheyt Godts, loochent hy dan alle de eygen-
schappen Godts?
A. Ja.
d V. Als men dan erkent dese voorsichtigheyt Godts,
wort dan Godt de eere gegeven van alwetentheyt,
almachtigheyt, &c?
A. Ja.
d V. Wort dese alwetentheyt, in \'t werck der schep-
pinge, ende in dese voorsichtigheyt over alle dingen
gespeurt ende aengemerckt?
A. Ja.
d V. Hoe betoont Godt door sijne voorsichtigheyt,
dat hy is een alwetende Godt?
A. Wanneer hy sich bemoeyt met de binnenste
gedachten, ende met de alderheymelicks\'te dingen,
d V. Betoont Godt door sijne voorsichtigheyt, dat hy
is een almachtigh Godt?
A. Ja.
d V. Hoe doet hy dat?
A. Wanneer hy alles soo staende houdt ende be-
weeght: Hebr. 1. 3. Ende alle dingen dracght door
het woort sijner kracht. Act. 17. 28. Want in hem
leven wy, ende bewegen ons, ende zijn wy.
d V. Betoont Godt in \'t werck der voorsienigheyt,
dat hy een reehtveerdigh Godt is?
A. Ja.
d V. Hoe doet hy dat?
A. Wanneer hy segent die sijne wetten betrachten
ende naerkomen; en daerentegen strenghlick straft,
die daer tegen doen.
d V. Betoont Godt door sijn voorsichtigheyt, dat hy
is een barmhertigh Godt?
A. Ja.
-ocr page 365-
Van Godes Voorsienigheyt.                   357
d V. Hoe doet hy dat?
A. Om dat hy middelen geeft ende bestuert, waer
door den armen mensche beyde in het geestelick ende
in het tijdelick kan behouden werden.
(1 V. Betoont Godt door sijne voorsichtigheyt, dathy
is een al-onderhoudende Godt?
A. Ja.
<l V. Hoe doet hy dat?
A. Wanneer hy alle de geschapene dingen soo
krachtelick staende houdt, ende alles doet ende uyt-
voert: Ephes. 1. 11. Die alle dingen werckt na den
raet sijns willens. Psalm 115. 3. Onse Godt is doch
in den hemel, hy doet al wat hem behaegt.
\'I V. Betoont Godt door sijne voorsichtigheyt, dathy
is een albeleydende Godt ?
A. Ja.
\'1 V. Hoe doet hy dat?
A Wanneer hy alle dingen t\'samen doet wercken
ten goede van sijne kinderen: Rom. 8. 28. Ende wy
weten dat den genen die Godt liefhebben, alle dingen
medewercken ten goede, &c.
d V. Betoont hy dat hy is een getrouwe Godt?
A. Ja.
\'1 V. Waer door doet hy dat ?
A. Wanneer hy nakomt sijne dreygementen ende
beloften.
<1 V. Alle het gene dan dat Godt te voren in de
Schriftuer gesproken heeft, vervult hy dat alle dage
met sijne hant in de regeeringe des werelts?
A. Ja.
\'1 V. Wat leert ghy daer uyt, dat Godt almachtigh is?
A. Mijn vertrouwen op Godt te stellen.
\'I V. Wat leert ghy daer uyt, dat hy alwijs is?
A. Dat Godts raet is de beste raet die ick moet volgen.
\'1 V. Wat leert ghy daer uyt, dat Godt een ijverig
Godt is over sijn eere?
A. Hem gedurigh voor oogen te hebben, ende met
vreesen ende beven voor hem te wandelen.
-ocr page 366-
358
Van den Name Jesus.
d V. Wat leert ghy daer uyt, dat hy is een recht-
veerdigh Godt?
A. Aen de dreygementen des Heeren te gedenoken.
d V. Wat leert ghy daer uyt, dat hij is een barm»
hertigh Godt?
A. Niet af keerigh te zijn van den Heere; maer mijn
toevlucht tot hem te nemen,
d V. Wat leert ghy daer uyt, dat hy is een alonder
houdende Godt?
A. Dat ick niet en kan doen, \'t en zy dat de Heere
my geduerigh onderhoude.
d V. Wat leert ghy daer uyt, dat hy is een albe-
leydende Godt?
A. Godts albeleydende hant aen te mercken.
d V. Wat leert ghy daer uyt, dat hy is een getrouwe
Godt?
A Neerstelick de woorden des Heeren te ondersoe-
cken, ende op sijne beloften te steunen.
ÖONDAGH XI. Vrage 29, 30.
Vrage 29.
Waerom wert de Sone Godts, Jesus, dat is,
Salighmaker genaemt ?
Antw. Om dat hy ons saligh maeckt, ende van
onse souden verlost. Daer beneven, dat by niemant
anders eenige saligheyt te soecken of te vinden is.
d V. Hoe wort desen Sondagh afgedeelt?
A. In twee deelen.
d V. Welck zijn die twee deelen?
A. 1. Waerom de Sone Godts Jesus, dat is, Saligh-
maker genaemt wert, Vrage 29. Ofse in Jesum ge-
-ocr page 367-
Van den Name Jesus.                       359
looven, die hem alleen voor den volkomen Saligh-
maker niet en houden, Vrage 30.
d V. Hoe veel namen heeft de Sone Godts?
A. Twee , namelick, Jesus , Christus.
,-i V. Welck is uwes Salighmakers voornaem?
A. Jesus.
d V. Welck is sijnen toenaem?
A. Christus.
d V. Wat beteeckent de name Jesus?
A. Salighmaker, of Godt de Salighmaker, of de
saligheyt Godts.
b V. Wie heeft hem dien naem gegeven?
A. Godt, door den Engel,
e V. Waer staet dat?
A. Matth. 1. 21. Ende ghy sult sijnen naem heeten
Jesus Luce cap. 1. vs. 31. ende 2. 21.
d V. Waerom heeft Godt sijnen Sone desen naem
gegeven ?
A. Om dat dese naem alderbequaemst uytdruckt
sijn eygen ende besonder werck, waer toe de Vader
hem in de werelt gesonden heeft, ende het welck hy
soude uytrechten.
c V. Hoe luydt dese naem in \'t Hebreeusch.
A. Jehoschuah.
d . V. Hoe luydt die een weynigh bekort of gecon-
traheert ?
A. Jesuah, Josua, Ezra 3. 2. Zach. 3. 1.
il \' V. Is dat een ende deselve naem, met den naem
Jesus, die wy hebben in \'t Nieuwe Testament?
A. Ja.
rï V. Bewijst dat?
A. Hebr. 4. 8. Want indien Jesus haer in de ruste
gebracht heeft, soo en hadde hy daer na niet ge-
sproken van eenen anderen dagh. Accor. 7. 45. Welcken
oock onse Vaders ontfangen hebbende, met Jesu ge-
bracht hebben in \'t lant dat de Heydenen besaten, &c.
» V. Is\'er dan wel yemant meer geweest die desen
naem gehadt heeft ?
-ocr page 368-
Van den Name Jesus.
360
A. Ja.
b V. Wie?
A. Josua de sone Nun.
c V. Wie al meer?
A. Jesus Bethsamita, 1. Sam. 6. 14. Josua de over-
ste van Jerusalem, 2. Reg. 23. 8. Jesus de Hooge-
priester, Zach. 3. 1.
c V. Maer en is\'er geen onderscheyt tusschen dese
mannen, die dese namen gedragen hebben, ende
tusschen onsen Salighmaker?
A. Ja.
d V. Welck is het onderscheyt?
A. 1. Sy hebben desen naem antfangen nende ge-
kregen door den wille der menschen; onsen Saligh-
maker door het onveranderlick besluyt des Vaders.
2. Sommige hebben den naem gehadt als voorbeelden
onses Salighmakers; onsen Salighmaker daerentegen
als de ware ende voorgebeelde Salighmaker.
c V. Was Josua een voorbeelt van onzen Saligh-
maker ?
A. Ja.
c V. Soudt ghy my wel konnen seggen waer in dat
dat voorbeelt bestont, of hoe Josua do sone Nun een
voorbeelt was?
A. Dat hy het volck Israëls heeft verlost van tijt-
licke swarigheden; de Heere Christus beyde van tijt-
licke ende geestelicke: Josua heeft Israël geleyt in
een aertsch Canaan; de Heere Christus in een he-
melsch.
b V. Heeft Josua de sone Nun in het Oude Testament
de eeuwige saligheyt der zielen verworven ende ge-
geven ?
A. Neen.
b ,V. Heeft hij de kinderen Israëls verlost van hare
sonden ?
A. Neen.
b V. Heeft hy se gebracht in de rechte, de eynde-
licke, ende de eeuwige ruste?
-ocr page 369-
Van den Name Jesus.                       361
A. Neen.
e V. Waer staet dat ?
A. Hebr. 4. 8. Want indien Jesus haer in de
eeuwige ruste gebracht heeft, &c.
b V. Waer heeft hyse dan in gebracht?
A. In \'t beloofde lant.
b V. Wie heeftse dan gebracht in de rechte ruste?
A. De Heere Jesus Christus, Hebr. 4. 8.
b V. Seght my nu eens, waerom dat de Sone Godts
Jesus, dat is, Salighmaker genaemt wert ?
A. 1. Om dat hy ons saligh maeckt, onde van
\\lle sonden verlost. 2. Om dat by niemant anders
et*iige saligheyt te soecken ofte te vinden is.
a V Wie behoudt u dan van uwe sonden?
A. Jesus Christus.
a V. Wie verlost u van uwe sonden ?
A. Jesus Christus.
I> V. Wie verlost u van de erfsonde?
A. Jesus Christus.
I\' V. Wie verlost u van de dadelicke sonden?
A. Jesus Christus.
• V. Wie verlost u al meer van de sonde?
A. Niemant niet.
11 V. Van wat sonden verlost u Maria?
A. Van geene sonde.
1 V. Van wat sonden verlost u de Paus met sijne
aflaten, van de erfsonde, ofte van de dadelicke sonden?
A. Van geen van beyde.
*• V. Verlost u de Paus niet van de vergeeflicke
sonden ?
A. Daer en zijn geen vergeeflicke sonden in haer
selven.
\'\' V. Van wat sonden verlost u den Doop?
A. Van geen sonden.
™ V. Van wat sonden verlost u het Nachtmaefr
A. Van geen sonden.
" V. Zijn dan de Sacramenten niet noodigh?
A. Ja.
-ocr page 370-
Van den Name Jesus.
362
c V. Wat doense dan"?
A. Sy beteockenen endo versegelen de vergevinge
der souden in Christo.
b V. Is de Bijbel uwen Salighmaker niet?
A. Neen.
b V. Is hy daerom onnoodigh?
A. Neen.
d V. Maeckt ons Godts woort, de Korckedienaren,
ende de Sacramenten niet saligh, volgens Rom. 1. 16.
Tit. 3. 5. Actor. 22. 16. 1 Timoth. 4. 16.?
A. Eygentlick niet, maer oneygentlick, namelick,
als instrumenten.
a V. Van wat sonden verlossen wy ons selven?
A. Van geen sonden.
c V. Maken wy dan ons selven niet saligh, volgens
Psalm 2. 12.?
A. Neen.
d V. Waer uyt soudt ghy bewijsen, dat de Heen-
Christus onse Salighmaker is?
A. Matth. 1. 21. Want hy sal sijn volck saligh
maken van hare sonden. met 1. Joh. 1. 7. Ende het
bloet Jesu Christi sijns Soons reynight ons van alle
sonde. Hebr. 7. 25. 1. Timoth. 2. 5.
d V. Waer uyt soudt ghy bewijsen, dat de Heere
Christus alleen u saligh maeckt?
A. Esai. 63. 3. Ick hebbe do persse alleen getreden,
ende daer en was nicmant van de volcken met my, Sk-
Joh. 14. 6. Ick ben de Wegh, ende de Waerheyt,
ende het Leven. Niemant komt tot den Vader dan
door My. Act. 4. 12. Ende do saligheyt on is in gee-
nen anderen. Want daer en is oock onder den hemel
geencn anderen naem, die onder de menschen gege-
ven is, door welcken wy moeten saligh worden, en
15. 11. 1. Cor. 3. 11. 1. Tim. 2. 5.
c V. Wort Maria dan door dese plaetsen uytgesloten?
A. Ja.
d V. Het schijnt nochtans dat Maria mede saligh maeckt,
want sonder haer soude Christus niet geweest hebben ?
-ocr page 371-
Van den Name Jesus.                       363
A. Daer uyt en volght evenwel niet datse ons oock
saligh maockt.
d V. De eere die de Soon toekomt, komt die oock
de Moeder toe ?
A Neen.
(1 V. Houden de Papisten in sommigen respect ende
opsicht meer van Maria als van Christus?
A. Ja.
d V. Toont dat eens\'?
A. Om datse in hare rosen-hoeykens (soo sy \'t noe-
men) vijftighmael het Ave Maria bidden, daerse maer
vijfmael het Paternoster spreken: ende om datse in haren
noot dickwijls meer roepen tot Mariam als tot Christum.
<1 V. Is Maria niet barmhertiger als Christus?
A. Dat zy verre,
d V. Nochtans seggen sommige Paepsche Leeraers,
dat Christus den throon der barmhertigheyt aen sijne
Moeder overgegeven, ende den throon der recht-
veerdigheyt voor hemselven behouden heeft?
A. Dat is een blasphemie.
il V. Hoe soo?
A. Om dat\'er van Christo expresselick geschreven
staet Hebr. 2. 17. Op dat hy een barmhertigh ende
getrouwe Hoogepriester soude zijn, &c. ende Hebr.
i, 15, 16. Want wy en hebben geenen Hoogen-
priester, die niet en kan medelijden hebben met onse
swackheden, &o. Laet ons dan met vrymoedigheyt
toegaen tot den throon der genade, op dat wy barm-
hertigheyt mogen verkrijgen, &c.
" V. Wie is het fondament van de Kercke?
A. De Heere Christus: l.Cor. 3. 11. Want niemant
en kan een ander fondament leggen dan \'t gene geleght
is, het welck is Jesus Christus.
V. Kan yemant de Salighmaker wel zijn, die het
fundament niet en is ?
A. Neen.
d V. Maer is yemant het fundament van de Kerck
selijck het de Heere Christus is?
-ocr page 372-
364                        Van den Name Jesus.
A. Neen.
d V. Moet de Salighmaker niet Godt en mensch zijn?
A. Ja. Siet vrage 10, 17.
d V. Is yemant wel Godt en mensen als de Heere
Christus?
A. Neen. Siet Vrage 18.
d V. Wie is de Salighmaker geweest in \'t Oude
Testament?
A. De Heere Christus: Actor. 10. 43. Desen geven
alle de Propheten getuygenisse, &c. ende 15. 11.
Hebr. 18. 8. Jesus Christus is gisteren ende heden
deselve ende in der eouwigheyt.
* AENHANGHSEL VAN DEN NAME JESUS.
d V. Waerom worden de namen den menschen ge-
geven ?
A. 1. Om den eenen mensch van den anderen te
konnen onderscheyden; het welck ten hooghsten
noodigh is, sullen de menschen met malkanderen
omgaen ende handelen, ende alle confusie ende ver-
warringe geweert werden. 2. Om yet te beteekenen,
waer door die gene, die sulcke name draeght, ofte
oock andere menschen souden mogen vermaent
werden van eenige sake die haer dienstigh is. Hierom
siet men dat alle de bescheydenste volckeren, gelijck
de Griecken, Eomeynen, ende insonderheyt de
Israëliten ofte Joden, soodanige namen altijd hebben
gebruyekt, dewelcke beteockenden, of een sake die
voorleden was, gelijck daer geweest zijn de namen
van Tsaac, Jacob, Moses, Gerson, Ephraim, Manasse,
&c. ofte die toekomende was, gelijck daer waren de
namen van Eva, Abraham, Salomon , Johannes, &c.
d V. Waerom is de Sone Godts eenen naem gegeven?
A. 1. Op dat hy door sijnen naem van andere
menschen moghte onderscheyden worden: want
alhoewel hy na sijne Goddelicke natuer van andere
-ocr page 373-
Van den Name Jesus.
365
niet en behoeft onderscheyden te worden, nadien hy
de eenighgeborene Sone Godts is, die geen broeders
heeft na sijn Goddelicke natuer; soo is \'t nochtans
van nooden geweest na sijne menschelicke natuer,
op dat men sijn persoon recht soude kennen, het
welck ten hooghsten nootsakelick is, sal men in hem
gelooven, ende door hom saligh worden: Joh. 17. 3.
Ende dit is het eeuwige leven dat sy u kennen den
eenigen waren Godt, ende Jesum Christum dien ghy
gesonden hebt. 2. Om te beteeckenen wat hy doen
soude, wat werck hy soude verrichten, ofte wat wei-
daden dat men van hem soude hebben te verwachten,
d V. Heeft den naem Jesus wel eenigh ander gebruyck
meer, als om te beteeckenen onsen Salighmaker?
A. Neen.
cl V. Magh men desen naem niet aen den hals hangen
tegen de pest\'?
A. Neen.
d V. Magh men den selven schrijven ofte pronun-
tiê\'ren tegen het gewelt ende quellingen des Duyvels\'?
A. Neen.
V. Kan men met desen naem de Duyvelen uyt-
werpen en uytdrijven?
A. Neen.
c V. Is de Duyvel soo verveert voor desen naem,
dat hy deselve niet hooren of verdragen kan\'?
A. Neen.
0 V. Kan hy die naem wel selfs noemen\'?
A. Ja: Mare. 5. 7. Wat hebbe ick met u te doen
Jesu ghy Sone Godts des Alderhooghston.
d V. Wie seggen, dat de Duyvel voor desen naem
verveert is\'?
A. De Papisten.
•* V. Is hy verveert voor den Salighmaker?
A. Ja.
V. Wel, is de Salighmaker ende de naem niet een
dingh ?
A. Neen.
-ocr page 374-
366                       "Van den Name Jesus.
c V. Kan men met desen naem Jesus geen teeoke-
nen doen?
A. Neen.
c V. Magh men dien naem wel op de deuren schrij-
ven, of in briefkens by hem dragen, of aen den
hals hangen tegen alle quaet ende spoocksel des
Duyvels?
A. Neen.
d V. Wie doen dat?
A. De Papisten,
d V. Tegen wat gebodt strijt dat?
A. Tegen het eerste, ende tegen het derde gebodt.
d V. Moet men den hoet niet aflichten, ofte de
knyen buygen voor desen naem, als men die hoort
noemen ?
A. Neen.
d V. Wat wil dan seggen het gene staet Philip. 2. 10.
Op dat in den naem Jesu si<;h souden buygen allo
knye der gener die in den hemelen zijn?
A. Daer wordt te kennen gegeven, niet die uytei"
licke eerbiedigheydt, die men aen den uyterlicken
naem soude betoonen moeten; maer dat den Saligh-
maker Jesu alle eere ende dienst, of ten minsten
alle subjectie moet bewesen worden, ende alles voor
hem swichten.
• V. Wort dan aldaer door den naem verstaen de
Heere Christus selve?
A. Ja: gelijck in de eerste bede, Uwen naem worde
geheylight, Godt selve verstaen wort. Siet hier be-
neden, Vrage 122.
Vragk 30.
Gelooven dan die oock aen den eenigen Saligh
maker Jesum, die haer saligheyt ende welvaert
by den Heyligen, by hen selven, ofte ergens
elders soecken?
-ocr page 375-
Van den Name Jesus.                       367
Antvv. Neen sy: maer sy verloochenen met\'er
daedt den eenigen Heylant ende Salighmaker Je-
sum, of sy achoon sijns met den monde roemen :
want van tween een, ofte Jesus en moet geen
volkomen Salighmaker zijn : ofte die desen Saligh-
maker met waren geloove aennemen, moeten
alles in hem hebben dat tot harer saligheyt van
noode is.
il V. Wie worden hier van den Christelicken Ca-
techismo wederleyt?
A. 1. In \'t gemeyn, die gene, die niet en weten
noch gelooven dat de Heere Jesus Christus zy de
Salighmaker der werelt. 2. In \'t particulier, die gene,
die niet en gelooven dat de Heere Christus is den
eenigen Salighmaker, dat is, dat hy alleen volko-
melick saligh maeckt, maer meynen dat de saligh-
makinge, ofte een deel der selver, by yemant an-
ders te vinden , als by haer selven, by den Heyligen,
ofte ergens elders.
\'1 V. Wie zijn die gene, die gantschlick den Heere
Christum verwerpen, ofte hem voor den waren Sa-
lighmaker der werelt niet erkennen ?
A. De Turcken, Heydenen, Joden, &c.
(\' V. Soude men de Joden konnen overtuygen dat
de Heere Christus zij de ware Messias ende Saligh-
maker der werelt?
A. Ja.
d V. Waer mede?
A. Om dat in Christo zijn allo die conditien ende
eygenschappen, die te voren van den waren Messias
in den Ouden Testament voorseyt waren.
** V. Welck zijn die conditien ende eygenschappen?
A. De Messias moest zijn het zaet der Vrouwe,
Genes. 3. 15. hy moest geboren werden van een
maget, Esai. 7. 14. hy moest wesen uyt den geslach-
-ocr page 376-
868
Van den Name Jesus.
ten Juda, Genes. 49. 10. 2. Sam. 7. 12, 16. Mich.
5. 1. ende uyt den huyse of de familie Davids,
Matth. 22. vs. 42 met 2 Sam. 7. 12. Psalm. 132. 11.
hy moest geboren worden te Bethlehem, Mich. 5. 1.
met Matth. 2. 5 , 6. hy moest geboren worden heel
arm, Zach. 9. 9. hy moest geboren worden staende
den tweeden Tempel, Hagg. 2. 7, &c. hy moest ge-
boren worden eer de Joden volkomentlick haer heer
schappije ende regeeringe quijt waren, Genes. 49. 10.
hy moest geboren worden ten tijde van de vierde
Monarchie , ende ten eynde van tseventigh weken.
Dan. 9. vs. 21, 22, &c. welcke tseventigh weken
vervatten 490. jaren.
d V. Zijn nu alle dese conditien ende eygenschappen
in den Heere Christo te vinden?
A. Ja
d V. Toont dat?
A. De Heere Christus is het zaet der Vrouwe,
Galat. 4. 4. hy is geboren van een maget, Lu<e
1. 27. hy is geboren uyt den stamme Juda, Hebr.
7. 14. huyse ende geslachte Davids, Actor. 2. 30.
Kom. 1. 3. Matth 1. 1. hy is geboren te Bethlehem:
Matth. 2. vss. 5, 6. Luce 2. 4. hy is geboren heel
arm: Luce 2. vs. 7. hy is geboren staende den twee-
den Tempel, want hy heeft tot verscheyden reysen, nu
dertigh jaren oudt geworden zijnde, in den Tempel ge-
leert gelijck de Euangelisten aenwijsen, ende lange na
Christi Hemelvaert is eerst door de Romeynen den
Tempel verdestrueert: hy is geboren eer de Joden
noch volkomelick hare heerschappije quijt waren,
Joan. 18, vers 31. hy is oock geboren ten tijde van
de vierde Monarchie, ende ten tijde van de 70. weken,
want hij is geboren als Augustus Keysor te Roomen
was, ende ontrent de 42. jaren geregeert hadde:
Luce 2. 1. ende liepen nu de 70. weken, datis49(l-
jaren ten eynde. Soo dat de Messias ontrent desen
tijt moet gekomen zijn, soude Godes woort ende
beloften vast staen.
-ocr page 377-
Van den Name Jesus.                       369
d V. Maer genomen de Messias waer doen gekomen,
hoe sal men de Joden overtuygen dat het onsen
Jesus is, ende niemant anders?
A. Om dat \'er voor of na, of ontrent dien tijt,
niemant aengewesen kan werden, op wien allen de
wonderlicke dingen souden passen, die in de Schriften
des Ouden Testaments, het geslachte, de ontfancke-
nisse, de geboorte, het leven, de leere, de mirakelen,
de doot, de opstandinge des Messiae geschreven
zijn; als oock van het invoeren ende uytbreyden van
sijn Religie ende geestelick Koninckrijcke , van de be-
keeringe derHeydenen, ende de verstootinge der Joden.
d V. Wie zijn nu die gene, die niet en gelooven dat
de Heere Christus zy den eenigen Salighmaker, maer
meynen dat de saligheyt in een ander buyten Chris-
tum ten deele te vinden is?
A. De Remonstranten, Wederdoopers, Papisten.
J V. Soecken de Remonstranten, Wederdoopers, &c.
hare saligheyt volkomentlick in Christo?
A. Neen.
d V. Soeckense dan ten deele oock by haer selven?
A. Ja: te weten in haer eygen krachten, ende in
haer eygen wercken. •
\'1 V. Toont dat?
A. 1. Om datse de wedergeboorte ofte heylighma-
kinge, ofte geheelick ofte ten deele toeschrijven hare
eygene krachten, ende niet de krachtige werckinge
des H. Geests. 2. Om datse drijven, dat de Heere
Christus door sijn lijden ende sterven ons den hemel
alleen soo verre heeft geopent, dat de Vader op
nieuws wederom met ons kan handelen , maer niet
dat hy ons de gerochtigheyt ende \'t eeuwige leven ver-
dient heeft. 3. Om datse het recht tot het eeuwige
leven door hare eygene wercken meynen te verkrijgen;
ende niet alleen door de gehoorsaemheyt ende ver-
diensten Christi.
d V. Hoe soecken die van \'t Pausdom hare saligheyt
by haer selven?
24
-ocr page 378-
Van den Name Jesus.
870
A. 1. Wanneerse de rechtveerdighmakinge stellen
of in haer eygen wen-ken, ende niet in de verdien-
sten Christi; ofte ten deele in de verdiensten Christi.
ende ten deele in haer eigen wercken. 2. Om datse
• selve voor hare sonden ten deele willen voldoen. 3.
Om datse mede haer verlaten op de voldoeningen,
verdiensten, en voorspreken der Heyligen.
d V. Soecken sy oock niet hare saligheyt by den
Heyligen ?
A. Ja.
d V. Wie houdt ghy voor Heyligen?
A. Maria, Petrus , Paulus, &c.
d V. Wie houden de Papisten voor Heyligen?
A. Alle die in den Almanach staen, ende van den
Paus geeanoniseert zijn.
d V. Hoe soecken sy haer saligheyt by den Heyligen?
A. 1. Wanneerse de Heyligen aenbidden, ende
aenroepen om hulpe ende bystant. 2. Wanneerse ge-
looven, dat de Heylige eenige overtollige wercken
hebben gedaen, dewelcke haer dienen konnen tot
wechneminge van hare sonden, door de aflaten van
den Paus, &c. 3 Wanneerse steunen op de gebeden
der Heyligen; door dewelcke sy op ende om haer
verdiensten, yet by Godt voor de aenbidders souden
verwerven,
d V. Hoe soecken sy hare saligheyt ergens elders?
A. In wijewater , gewijde keerssen, reliquien van
de \' Heyligen. Siet verders van de verdiensten ende
voldoeningen der Papisten voor de sonden, door haer
selven by den Heyligen ende ergens elders, Vrage 13.
alwaar wy in \'tbreede van deselve gehandelt hebben.
b V. De Catechismus vraeght, of die gene , die sulck*
doen, in Christum gelooven, wat seght ghy?
A. Neen: maer sy verloochenen Christum.
b V. Soudt ghy dan mogen seggen tot een Papist,
&c. ghy verloochent Christum den eenigen Saligh"
maker?
A. Ja.
-ocr page 379-
Van den Name Jesus.
371
c V. Maer sy moghten seggen dat het een groote
leugen, of calumnie is ?
A. Het seggen en helpt niet, de daedt moet daer
by zijn.
c V. Hoe verloochenen sy Christum, plat af, ende
klaer uyt, met expresse ende klare woorden, of for-
melick ende directelick?
A. Neen.
c V. Hoe dan, indirectelick of by consequentie of
gevolge, of met der daedt ?
A. Ja.
c V. Wat seggen of doen sy dan, waer uyt sulcks
soude moeten volgen?
A. Om datse hem niet houden voor haren vol-
komen Salighmaker, als nu gehoort is. Want een
van beyde moet waerachtigh wesen, of Jesus en
moet geen volkomen Salighmaker zijn; of, is hy een
volkomen Salighmaker, soo moeten die gene, die
hem daer voor houden, ende met den ware geloove
aennemen, alles in hem hebben dat tot haerder salig-
heyt van nooden is. Het eerste te seggen, is den
Heere Christum genoeghsaem verloochenen. Het
tweede strijt met de meyninge der Papisten, &c.
want is hy een volkomen Salighmaker, waerom loopen
sy dan buyten hem tot haer selven, of tot andere.
d V. Soude dat een misdaet of schuit van verloo-
cheninge zijn, ende soo mogen genaemt worden, als
men dat by gevolgh doet?
A. Ja.
d V. Willen de Papisten ende andere dwalende wel
weten, dat dit hier uyt volght?
A. Neen.
d V. Maer als sy niet weten willen dat sulcks daer
uyt volght, zijnse dan vry van alle dwalinge of
afgoderije ?
A. Neen.
d V. Soude men yemant met soodanige consequentien
ende gevolgen mogen beswaren?
-ocr page 380-
372                       Van den Name Jesus.
A. Ja: Galat. 5. 2, 4. Siet ick Paulus segge u, soo
ghy u laet besnijden, dat Christus u niet nut en sal
zijn. Christus is u ydel geworden die door de Wet
wilt gerechtveerdight worden, ghy zijt van de genade
gevallen.
d V. Wort hier gesproken van de Papisten?
A. Neen: maer van die van Galatia.
d V. Is het een ende deselve sake?
A. Ja.
d V. Maer of een Papist seyde, ick doe het alle
beyde, baet\'et niet het schaet altijt niet, is dien regel
wel goet?
A. Neen.
d V. Konnen dese dingen wel accorderen?
A. Neen.
d V. Hoe moet een Papist gevraeght worden volgens
de Catechismum?
A. Of hy Christum alleen houdt voor sijnen Saligh-
maker.
d V. Als hy seyt, dat hy Christum niet alleen voor
sijnen Salighmaker houdt, wat sult ghy dan doen?
A. Ghy sult seggen, dat hy Christum verloochent.
d V. Als hy seyt, Ja, wat sult ghy dan seggen?
A. Dat hy dan sijn saligheyt alleen by Christum
moet soecken, ende niet by hemselven, by den Heyligen,
ofte ergens elders.
d V. Verloochenen de Joden ende Turcken Christum
oock?
A. Ja.
d V. Wat onderscheyt is\'er tusschen het verloochenen
van de Joden ende Turcken, ende tusschen het ver-
loochenen der Papisten, &c. ?
A. De Joden ende Turcken verloochenen Christum
den Salighmaker met expresse ende klare woorden,
de Papisten, &c. by gevolgh ende met der daedt.
d V. Als de Papisten nu sulcks doen, is dat een
doot-sonde ?
A. Ja.
-ocr page 381-
Van den Name Jesus. .
373
d V. Tegen wat gebodt strijt het?
A. Tegen het eerste gebodt.
c V. Konnen die gene, die Christum verloochenen,
wel saligh worden?
A. Neen.
c V. Kan een yeder in sijn Religie wel saligh worden ?
A. Neen.
c V. Konnen dan de Papisten door dat Paepsch ge-
loove wel in den Hemel komen ?
A. Neen.
d V. Verdoemen wy hier mede alle de Papisten?
A. Neen.
d V. "Willen wy hier mede seggen dat niemant in de
Paepsche Kercke, ofte onder het Pausdom woonende,
kan saligh worden?
A. Neen.
\'1 V. Willen wy dan seggen dat niemant door de
Paepsehe leere , als Paepsche leere, kan saligh worden?
A. Ja.
c V. Mogen wy het Pausdom, als Pausdom, wel ver-
doemen ?
A. Ja.
<s V. Is het dan wel geseyt van d\'onse, ick verdoeme
niemant ?
A. Neen.
d V. Magh men wel absolutelick seggen, ghy N. N.
zijt verdoemt?
A. Neen: maer wel met conditie, soo ghy N. N.
sulcks zijt ende blijft, ende soo ghy u niet en bekeert,
soo gaet ghy verloren.
d V. Magh men seggen, dat alle die gene, die in het
Paepsche geloof leven ende sterven, ende soo sy haer
niet bekeeren, verdoemt zijn?
A. Ja.
d V. Is dat niet te hardt gesproken?
A. Neen.
G V. Maer verdoemen wy soo niet alle onse voor-
ouders, die in \'t Pausdom geleeft hebben?
-ocr page 382-
874
Van den Name Jesus.
A. Neen.
d V. Zijnse alle Paepseh geweest, ende soo gestorven?
A. Neen.
d V. Onse voorouders dan, die saligh zijn geworden,
ende die gene, die noch in \'t Pausdom mochten saligh
worden, worden die door het Pausdom saligh, of door
het ware Christendom ?
A. Door het ware Christendom.
d V. Moet men dan onderscheyt maken tusschen een
die onder het Pausdom woont, ende tusschen een die
van \'t Pausdom is?
A. Ja: Siet verder wat tot dese materie is dienende
in het begin op het stuck van de Christelicke Religie.
d V. Seght my nu eens kortelick welck dat daer dan
zy het rechte geloove, daer door men alleen kan
saligh worden?
A. Het welck Christum alleen erkent ende houdt
voor sijnen Salighmaker, ende alles in hem soeckt
ende vint wat tot sijnder saligheyt van nooden is.
d V. Welck geloove is nu soodanigh?
A. Alleen het geloove der Gereformeerden ende
Protestanten, ende der gener, die in den gront ofte
in \'t fondament daer mede accorderen.
d V. "Willen wy dan alle die andere menschen na de
helle wijsen?
A. Neen: maer die sake bevelen wy Godt, hem
biddende, dat de Heere haer oogen wil openen, haer
bekeeren, ende haer geven het ware geloove in
Christum, ten eynde sy met ons mogen behouden
worden; gelijck wy oock vastelick vertrouwen, dat hy
tot sijner tijt, \'t zy vroegh, \'t zy laet, krachtelick
sijne schapen sal roepen, die hy van alle eeuwigheyt
ten eeuwigen leven heeft verkoren.
-ocr page 383-
Van den Name CJiristus.                     375
SOXDAGH XII. Veagk 31, 32.
Vrage 31.
Waerom is hy Christus, dat is een Gesalfde
genaemt?
Antw. Om dat hy van Godt den Vader veror-
dineert is, ende met den H. Geest gesalvet tot
onsen hooghsten Propfeet ende Leeraer, die ons
den verborgen raet ende wille Godts, van onser
verlossinge volkomelick geopenbaert heeft: ende
tot onsen eenigen Hoogenpriester, die ons met de
eenige offerhande sijns lichaems verlost heeft, ende
ons met sijner voorbiddinge stedes voortredet by
den Vader: ende tot onsen eeuwigen Koninck, die
ons met sij\'n woort, ende Geest regeert, ende ons
by de verworvene verlossinge beschut ende behoedt.
\'i V. Hoe wert desen Sondagh afgedeelt?
A. In twee deelen.
\'1 V. Welck zijn die twee deelen ?
A. 1. Waerom de Sone Godts Christus, dat is,
Gesalfde, genaemt wert, Vrage 31. 2. Waerom wy
geloovigen, van hem Christenen genaemt werden,
Vrage 32.
:l V. Welck zijn de twee namen van onsen Saligh-
maker ?
A. Jesus, Christus.
» V. Wat is Jesus geseyt?
A. Salighmaker.
a V. Wat is Christus geseyt\'?
A. Gesalfde.
" V. Hoe wort dien naem genoemt in het Oude
Testament?
-ocr page 384-
Van den Name Christus.
376
A. Messias.
b V. De namen Messias ende Christus, hebben die
eenderley beteeckenisse ?
A. Ja: Joh. 1. 42. Wy hebben gevonden den Mes-
siam, \'t welk is, overgeset zijnde, Christus.
c V. Waerom wort de Sone Godts Christus, dat is,
Gesalfde genaemt?
A. Om dat hy van Godt den Vader verordineert
is, ende met den Heyligen Geest gesalft.
c V. Beteeckent dan het woort salven, yemant ordi-
neeren tot het ampt, ende yemant oock bequaem
maken ?
A. Ja.
c V. Bequaem maken ende verordineeren, is dat een
dinck?
A. Neen.
b V. Na wat nature is Christus gesalft?
A. Na alle beyde.
c V. In wat beteeckenisse neemt ghy dan het salven?
A. In beyde: te weten van verordineeren ende
bequaem maken.
c V. In hoe veel beteeckenisse is hy gesalft na sijn
menscheyt?
A. In alle beyde.
c V. In hoe veel na sijn Godtheyt ?-
A. In een.
c V. Welck is de beteeckenisse?
A. Dat hy van den Vader verordineert is.
c V. Magh ick wel seggen dat hy na de Godtheyt is
gesalft, dat is bequaem gemaeckt?
A. Neen.
o V. Waerom niet?
A. Om dat de Godtheyt niet en kan ontfangen, of
bequaem gemaeckt worden: maer de volmaecktheyt
selfs is.
c V. Kan de Godtheyt wel yet ontvangen, het gene
sy niet en heeft?
A. Neen.
-ocr page 385-
Van den Name Christus.                     377
b V. De Sone Godts is gesalft, dat is, bequaem ge-
maeckt, is dat te verstaen na de menscheyt ofte na
de Godtheyt?
A. Na de menscheyt.
b V. Hy is gesalft, dat is, verordineert, is dat te
verstaen na sijn menscheyt, ofte na sijn Godtheyt?
A Na alle beyde.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat Christus gesalft is,
dat is , verordineert?
A. Psalm 2. 6. Ick doch hebbe mijnen Koningh
gesalft over Zion, den bergh mijner heyligheyt.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat hy is bequaem ge-
maeckt ?
A. Psalm 45. 8. Daerom heeft u, o Godt, uwe Godt
gesalft met vreughden-olie boven uwe medegenooten.
met Hebr. 1. vs. 9 Esai. 61. 1. Joh, 3. 34. Actor. 4. 26.
b V. Maer nadien de Heere Christus na beyde naturen
gesalft is, is hy oock na beyde onsen Middelaer?
A. Ja.
I\' V. Doet elcke nature het sijne?
A. Ja.
(\' V. Toont dat eens in de offerhande Christi aen
het kruys?
A. De menschelicke nature heeft hy opgeoffert, ende
daer in heeft hy totter doot toe geloden ende gehoor-
•saemt; ende de Goddelicke nature heeft de mensche-
licke nature krachten ende woerdigheyt gegeven.
c V. Toont het in sijne opstandinge ?
A. De menschelicke nature is opgeweckt, ende de
Goddelicke nature heeft opgeweckt.
V. Toont het in sijn Hemelvaert?
A. De menschelicke natuer is opgevaren, ende de
Goddelicke natuer heeft opgenomen, of opgeheven.
V. Waer mede is Christus gesalft?
A. Met den H. Geest.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Esai. 61. 1. De Geest des Heeren Heeren is op
my, om dat de Heere my gesalft heeft.
-ocr page 386-
378                     Van den Name Christus.
c V. Wat is met den H Geests gesalft te worden ?
A. De gaven des H. Geests ontfangen, ende daer
door bequaem gemaeckt te worden,
c V. Is Christus gesalft met uyterlicken olie?
A. Neon.
d V. Daer staet nochtans Psalm 45. 8. dat hy is ge-
salft met vreughden-olie ?
A. Door den vreughden-olie wort verstaen de H.
Geest,
d V. Waerom wort de H. Geest by olie vergeleken ?
A. Van wegen de gelijckenisse ende overeenkominge
die daer is tusschen den H. Geest ende den olie.
d V. Welck is dese overeenkominge?
A. 1. Gelijck de olie des menschen zenuwen ende
leden, die verdrooght ende verstijft zijn, wederom
rasch, veerdigh , ende bequaem maeckt tot de wercken
waer toe men deselve moet gebruycken : alsoo maeckt
de H. Geest de krachten onser zielen, die andersins
verstijft, ende ondeugende zijn tot eenigh goet, be-
quaem tot de wercken onses ampts.
2. Gelijck de welrieckende olie den mensche een
schoone gestalte geeft, welrieckende ende aengenaem
maeckt, als staet Psalm 104. vs 15. Alsoo werden
aengenaem Gode ende den menschen alle die gene,
die met de gaven des H. Geests rijckelick begaeft
zijnde, haer ampt door deselve getrouwelick uytvoeren.
d V. Wie wierden al gesalft in \'t Oude Testament\'?
A. Propheten, Priesters, Koningen.
d V. Bewijst van de Propheten ?
A. 1. Reg. 19. 15, 16, 19.
d V. Bewijst dat van de Priesters?
A. Lcv. 8. 12, 13. Num. 3 3.
d V. Bewijst van de Koningen?
A. 1. Sam. 9. 16. ende 16. 13, 14. 1. Eeg. 1. 39.
2 Reg. 9. 6.
d V. Wat is het voor olie geweest daer de Priesters
mede gesalft wierden ?
A. Siet daer van Exod. 30. 23.
-ocr page 387-
Van den Name Christus.                     379
(1 V. Tot wat eynde wierden de Propheten &c. gesalft
met dien welrieckende olie ?
A. 1. Om daer mede bekent te maken, datdeper-
soon, die gesalft wierde, tot dat ampt toege-eygent,
wettelick beroepen, ende alsoo in \'t selve bevestight
wierde. 2. Dat deselve persoon daer mede van de
Raven, bystant, hulpe ende leydinge des H. Geests
in de bedieninge sijns ampts, versekert ende versegelt
wierde. 3. Dat deselve in dit ampt gestelt zijnde, het
selve neersteliek moeste bedienen, ende de gaven be-
steden, ten besten ende ten dienste van de geheele
gemeynte.
(1 V. Wie wierden besonderlick Gesalfdc genaemt in
den Ouden Testamente?
A. De Koningen. 1 Sam. 12. 3. Psalm 84. 10. ende
89. 39.
\'1 V. Was dese salvinge van sommige Koningen, oock
van den Hoogenpriester, niet een voorbeelt op Chris-
tum, die insonderheyt desen naem van Gesalfde
draeght, als te sien is 1. Sam. 2. 10. Psalm 2. 2.
Joh. 1. 42. ende 3. 28.?
A. Ja : immers onder den Koningen van David ende
Salomon.
•> V. Waer toe is Christus gesalft?
A. Tot Propheet, Priester, ende Koningh.
a V. Hoe veel ampten zijnder dan in Christo?
A. Drie.
» V. Welek zijn die?
A. Het Prophetisch-ampt, Priesters-ampt, ende het
Konincklick-ampt.
* V. Is Christus een Propheet ?
A. Ja: Deut. 18. 15, 18. Eenen Propheet, uythet
midden van u, uyt uwe broederen, als my, sal u de
Heere uwe Godt verwecken, &c. met Actor. 3. 22, 23.
Esai. 61 1.
" V. Is Christus een Propheet als de Propheten des
Ouden Testaments zijn geweest?
A. Neen.
-ocr page 388-
380                     Van den Name Christus.
c V. Wat Propheet is Christus dan ?
A. De hooghste Propheet: 1. Petr 5. vs. 4. Ende
als de Overste Herder verschenen sal zijn. Matth.
17. 5. Joh. 3. 34.
c V. Is hy niet een Propheet als Mosos?
A. Neen.
d V. Daer staet nochtans Deut. 18. 18. Een Propheet
als u sal ick hen verwecken ?
A. Dat is te vorstaen, dat hy sijn volck oock alsoo
den wille sijns Vaders soude bekent maken, gelijck
Moseis gedaen hadde.
d V. Wat was het anipt van een Propheet?
A. Het volck don wille Godes leeren, ende toeko-
mende dingen openbaren.
d V. Heeft Christus hot volck geleert?
A. Ja.
d V. Bewijst dat?
A. Joh. 1 18. Die in den schoot des Vaders is,
die heeft hem ons verklaert. ende 15. 15. Want al
wat ick van mijnen Vader gehoort hebbe, dat hebbe
ick u bekent gemaeckt. Luce i. 18. Matth 5. vss. 1, 2, &e.
d V. Heeft hy oock toekomende dingen geopenbaert ?
A. Ja: Siet Matth. 23. endo 24. Luce 19. ende 21.
d V. Op hoe veelderhande manieren leert Christus\'?
A. Op tweederhande maniere, namelick, uyterlick
ende innerlick.
d V. Kan yemant meer uyterlick leeren als Christus\'\'
A. Ja.
d V. Kan yemant meer innerlick leeren als Christus ?
A. Neen.
d V. Wat is innorlick leeren?
A. Het verstant door den H. Geost verlichten,
oock den wille neygen ende krachtelick veranderen,
ende de menschen doen gelooven.
d V. Na wat natuer leert hy innerlick?
A. Na de Goddelicke natuer.
d V. Magh ick wel seggen, Christus de Middelaer
doet het?
-ocr page 389-
Van den Name Christus.                     381
A. Ja.
il V. Magh ick wel seggen, Christus de Mensch doet dat?
A. Ja.
,1 V. Magh ick wel seggen, de Menscheyt doet dat,
of hy doet dat naer de menscheyt, of hy doet het
als mensch ?
A. Neen.
c V. Leert Christus uyterlick in sijn eygen persoon,
of door sijn Dienaren ?
A. Alle beyde.
t V. Leert Christus nu uyterlick in sijn eygen persoon ?
A. Neen: dat heeft h}- gedaen doen hy hier op
aerden was. Matth. 4. 17, 25. Hebr. 1. 1.
c V. Hoe leert Christus nu , ende sal leeren tot aen
het eynde der werelt?
A. Door sijn woort ende sijne Dienaren: Matth.
28. 19. Gaet dan henen, onderwijst alle de volckeren.
Ephes. 4. 8, 12.
il V. Kan men ende moet men oock eenigh onder-
scheyt maken tusschen het uyterlick leeren Christi
hier op aerden in sijn eygen persoon, ende tusschen
het leeren van andere gemeyne Leeraers\'?
A. Ja.
\'1 V. Hoe leerde Christus?
A. Onfeylbaer.
(\' V. Wel hebben de Propheten ende Apostelen oock
niet onfeylbaer geleert?
A. Ja: 2. Petr. 1. 21. Maer de heylige menschen
Godts van den Heyligen Geest gedreven zijnde, heb-
bense gesproken. 1. Cor. 7. vs. 40.
V. Wat onderscheyt is\'er dan tusschen het leeren
Christi, ende tusschen het leeren van de Propheten
ende Apostelen?
A. Christus hadde dese onfeylbaerheyt van binnen,
ende van hemselven; te weten uyt ende van sijn
eygene Godtheyt die het de menschheyt ingaf ende
openbaerde: maer de Propheten ende de Apostelen
haddense van buyten, namelick, van den Heere
-ocr page 390-
382                     Van den Name Christus.
Christo, door sijne besondere bystant ende ingevinge.
b V. Wie leeren al meer van buyten, als Christus,
de Propheten, ende de Apostelen?
A. De Predikanten,
c V. Maeckt eens onderscheyt tusschen het leeren
van de Propheten en Apostelen, ende tusschen het
leeren van de hedendaeghsche Predikanten?
A. De Propheten ende Apostelen leerden onfeylbaer
de Predikanten feylbaer.
d V. Als de Predikanten feylbaer zijn , feylen sy dan
altijt?
A. Neen.
d V. Als sy Godts woort volgen, feylen sy dan wel?
A. Neen.
d V. Maer sy konnen feylen, doenso niet?
A Ja.
d V. Kosten de Propheten ende Apostelen wel feylen?
A. Neen: 2. Petr. 1. 21 Joh. 16. 13. Maer wan-
neer die sal gekomen zijn, namelick de Geest der
waerheyt, hy sal u in alle wacrheyt leyden.
d V. Hebben de Apostelen de gave van onfeylbaer
heyt altijt gehadt?
A. Neen: Siet Matth. 16. ende 28. Luce 24.
d V. Wanneer hebben syse ontfangen?
A. Op den Pincxsterdagh, Joh. 16. 13.
d V. Hoe leert Christus inwendigh?
A. Door verlichtinge des H. Geests, waer door h>\'
ons verstant alsoo verlicht ende opent, dat wy, het
gene geschreven is ende gepredickt wort, konnen
begrijpen ende verstaon, en aennemen: Psal. 1W
vss 18, 19. Luce 24. 32, 45. Ende sy seyden tot
malkanderen, En was ons herte niet brandende i"
ons, als hy tot ons sprack op den wegh, ende »\'*
hy ons de Schriften opende? vs. 45. Doe opende BJ
haer verstant, op dat sy de Schriften verstonden.
d V. Bedient de Heere Christus noch tegenwoordige
in den hemel sijn Prophetisch-ampt?
A. Ja: dewijle hij noch daeghlicks uytstoot sijne
-ocr page 391-
Van den Name Christus.                     383
Herders en Leeraers, die ons den wille Godts open-
baren ende bekent maken, Ephes. 4. 11, 12.
b V. Waer is Christus meer toe gesalft?
A. Tot een Priester,
a V. Is Christus dan een Priester?
A. Ja.
c V. Bewijst dat?
A. Psalm 110. 4. Ghy zijt Priester in der eeuwig-
heyt na do ordeninge Melchizedeks.
h V. Na wat ordeninge is Christus Priester, na de
ordeninge Melchizedeks of Levi ?
A. Na de ordeninge Melchizedeks, Psalm 110. 4.
Hebr. 7.
c V. Wat is Melchizedek voor een geweest?
A. Een Priester des Alderhooghsten, een Koninck
van Salem, Genes. 14. 18. met Hebr. 7. 1,2, 3.
e V. Wiens soon is het geweest?
A. Dat weet men niet
d V. Heeft hy geen vader of moeder gehadt?
A. Ja.
d V. Waerom seyt dan de Schriftuer dat hy is geweest
sonder vader, sonder moeder, &c. Hebr. 7. 1, 2, 3.?
A. De Schriftuer spreeckt sulcks, om dat het niet
geopenbaert en is, wie sijn vader, moeder, ende
geslacht geweest is, dat is, dat sijn geslacht in de
Schriftuer niet gerekent staet, gelijck wol van andere
Priesteren, Koningen, ende voorbeelden Christi.
o V. Wat moest een Priester doen, ofte welck was
het ampt van een Priester?
A. Offeren en bidden: Hebr. 5. 2. Ende om der
selver swackheyt wille, moet hy, gelijck voor \'t volck,
alsoo oock voor hemselven, offeren voor de sonden,
Levit. 16. 2.
" V. Heeft Christus dat gedaen in alle beyde dese
deelen ?
A. Ja.
a V. Wat heeft Christus geoffert: het bloet van stieren
ende boeken?
-ocr page 392-
384                     Van den Name Christus.
A. Neen.
c V. Bewijst dat?
A. Hebr. 9. 12. Noch door het bloet der boeken
ende kalveren, maer door sijn eygen bloet, eenmael
ingegaen in het heylighdom, &c.
a V. Wat heeft Christus dan geoffert?
A. Hemselven.
c V. Bewijst dat?
A. Joh. 17. 19. Ende ick heylige my selven voor
haer. Titum. 2. vs. 14. Die hemselven voor ons ge-
geven heeft.
a V. Waer heeft Christus hemselven voor ons geoffert?
A. Aen het kruys.
a V. Wie was de Priester?
A. Christus.
a V. Wie was de Offerhande?
A. Christus.
a V. Wie was de Autaer?
A. Christus.
a V. Was het kruys den Autaer niet?
A. Neen.
c V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Om dat de Autaer heyliger is als de offerhande,
ende de offerhande heilight: Math. 23. 19, 20. Want
wat is meerder, de gave, of den altaer die de gave
heylight?
c V. Kander dan wel eenen anderen Autaer zijn als
Christus?
A. Neen.
b V. Voor wien heeft Christus hemselven geoffert?
A. Voor die gene, die in hem gelooven: Joh. 17.
vss. 19, 20. Ende ick heylige my selven voor haer, &<•\'•
b V. Heeft hy sulks niet gedaen voor alle menschen?
A. Neen: Joh. 17. 9. Ick bidde niet voor de werelt, &<\'•
b V. Konnen de Papen Christus wel offeren?
A. Neen.
c V. Kander wel een ander Priester zijn als Christus ?
A. Neen.
-ocr page 393-
Van den Name Christus.                     385
V. Waerom niet?
A. Om dat de Priester soo weerdigh ende soo veel
soude moeten zijn als Christus.
V. Soude dat dan wel konnen bestaen?
A. Neen.
V. Maer genomen het kost bestaen, kan het wel
geschieden ?
A. Neen.
V. Hoe menighmael is Christus geoffert?
A. Eenmael.
V. Hoe menighmael offeren hem de Papen na haer
seggen ?
A. Soo menighmael als sy Misse doen.
V. Doen sy hier door (soo veel in haer is) de offer-
hande Christi te niet?
A. Ja.
V. Heeft Christus eenige nasaten in sijn Priester»
lick-ampt ?
A. Neen.
V. Waerom niet?
A. Om dat hyse niet van doen heeft.
V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Hebr. 7. 24. Maer dese, om dat hy in der eeuwig-
heyt blijft, heeft een onverganckelick Priesterschap,
ende c. 9. vss. 12, 26, 28. ende 10. 11, 12.
V. Deught dan de Paepsche Misse niet?
A. Neen: want sy is een verloocheninge van de
eenige offerhande Christi. Siet Vrage 80.
V. Wat gaf aen de offerhande Christi aen het kruys
weerdigheyt ende kracht?
A. De Godtheyt Christi.
V. Na wat natuer is Christus Priester?
A. Na beyde naturen.
V. Na wat natuer de Autaer?
A. Eygentlick of ten principale na de Godthe yt.
V. Na wat natuer de offerande, die geoffert wert?
A. Eygentlick na de menscheyt.
V. Ghy seght dat Christi Priester-ampt bestaet in
25
-ocr page 394-
386                     Van den Name Christus.
offeren ende bidden, heeft Christus oock voor ons
gebeden ?
A. Ja.
c V. Bewijst dat?
A. Joh. 17 9, 10. Ick bidde voor haer, &c.
b V. Bidt hy nu noch voor ons, in den hemel
zijnde ?
A. Ja.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Rom. 8. 35. Die oock voor ons bidt. 1. Joh. 2.1.
Wy hebben een voorsprake by den Vader, Jesum
Christum den rechtveerdigen.
c V. Hoe gaet dat bidden toe, leyt hy daer op sijn
knijen voor sijnen Vader?
A. Neen.
d V. "Wat doet hy dan?
A. Hy vertoont geduerighlick sijne offerhande , die
hy voor ons aen \'t kruyee te wege gebracht heeft,
aen sijnen hemelschen Vader, begeerende dat de Vader
om deselve, alle geloovigen, voor dewelcke deselve
gedaen is, in genade wil aennemen.
b V. Is Christus oock gesalft tot een Koningh?
A. Ja.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat ?
A. Psalm 2. vs. 6. Ick doch hebbe mijnen Koninck
gesalft over Zion den bergh mijner heyligheyt. Hebr.
1. 8. met Psalm 45. 7. Zach. 9. 9.
b V Waer in bestaet sijn Konincklick-ampt ?
A. In de onderdanen te regeeren en te beschermen.
b V. Wat doet hy als Koningh?
A. Hy regeert sijn volck.
b V. Hoe regeert hy sijn volck, ofte waer mede re-
geert hy?
A. Uytwendigh door sijn woort, door het selve ons
sijnen wille bekent makende, ende wat ons ter salig-
heyt noodigh dient geweten ende gedaen. Inwendigh
door sijnen Geest, door den selven onse herten ver-
lichtende , om sijne wetten, die hy ons in sijn woort
-ocr page 395-
Van den Name Christus.                     387
voorschrijft, te verstaen, ende tot gehoorsaemheyt
bequaem makende ende buygende: Psal. 119. 36.
Neyght mijn herte tot uwe getuygenisse.
b V. Wat doet hy meer als regeeren?
A. Hy beschut ende bewaert sijn volck: Matth. 16.
18. Ende op desen Petra sal ick mijn gemeynte bou-
wen, ende de poorten der helle en sullen deselve
niet overweldigen. Joh. 10. 28. Ende ick geve haer
het eeuwige leven, ende sy en sullen niet verloren
gaen in der eeuwigheyt, &c.
b V. Waer tegen beschut hyse ?
A. Tegen alle gewelt haerder vyanden.
e V. Waer in bedient Christus tegenwoordigh sijn
Konincklick-ampt ?
A. Dat hy als een Koninck heerscht over alle sijne
vyanden, ende sijn volck regeert met sijn woort ende
Geest, ende haer oock beschut ende bewaert tegen
alle gewelt haerder vyanden, soo geestelicke als li-
chamelicke.
i\' V. Is Christus alleen dien eenigen Koningh?
A. Ja.
\'1 V. Mogen dan daer wel meer Koningen zijn?
A. Ja.
d V. Wat onderscheyt is \'er dan tusschen het Ko-
ninckrijcke Christi, en deser Koningen?
A. Christi Koninckrijck is een hemelsch Koninckrijck,
het hare aertsch: Christi is geestelick ende innerlick,
ende het hare vleeschelick ende uyterlick: Christi
Koninckrijck is een onverganckeliek Koninckrijck,
Luce 1. 33. het hare verganckelick.
d V. Hoe komt het dat Christi Koninckrijck niet ver-
ganckelick is?
A. Om dat het niet is van dese werelt.
V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Joh. 18. 36. Mijn Koninckrijck is niet van
hier.
-ocr page 396-
Waerom de Geloovigen
388
Vrage 32.
Maer waerom wort ghy een Christen genaemt ?
Antw. Om dat ick door den geloove een lidt-
maet Christi, ende alsoo sijner salvinge deelachtigh
ben, op dat ick sijnen name bekenne, ende my
selven tot een levendigh danck-offer hem offere,
ende met een vrije ende goede conscientie in desen
leven tegen de sonde, ende den Duyvel strijde,
ende hier namaels in eeuwigheyt met hem over
alle creaturen regeere.
a V. Welck is onsen naem daer mede wy genoemt
worden in \'t stuck van Religie?
A. Christenen.
c V. Waer komt die naem van daen?
A. Van Christo.
c V. Hoe zijn de geloovigen eertijts in den Ouden
Testamente genoemt geworden, ende van de onge-
loovige onderscheyden?
A. Kinderen Godts, kinderen Abrahams, Israëliten,
Joden, Besnedene, het volek ende het erfdeel Godts.
c V. Hoe zijnse eertijts genoemt in don Nieuwen
Testamente ?
A Discipelen, geloovige, broeders ende susters,
heylige, ende ten laetsten Christenen,
d V. Waer zijn de Christenen soo eerst genoemt\'?
A. Te Antiochien: Actor. 11.26 Ende dat de disti-
pelen eerst te Antiochien Christenen genaemt wierden.
d V. Wort dese naem oock niet op andere plaetson
der Schrifture gevonden?
A. Ja: Actor. 26 28. Ende Agrippa seyde tot Paulum,
Ghy beweeght my byna een Christen te worden. 1 Petr.
4. 16. Maer indien yemant lijdt als een Christen.
b V. Worden wy oock niet na den name Jesu genoemt ?
A. Neen.
-ocr page 397-
Christenen genaemt werden.                  389
h V. Mogen wy wel Jesuijten genoemt worden?
A. Neen.
,• V. Waerom niet?
A. Om dat sulcks een nieuwigheyt is, ende sonder
Schrifture: ende om dat de Heere Jesus alleen kan
saligh maken,
c V. Maer waerom mogen en willen wy van Christo
alleen Christenen genaemt werden?
A. Om dat Christus ons Hooft is.
b V. Is hy \'t alleen?
A. Ja.
;i V. Wat is Christus geseyt?
A. Gesalfde.
b V. Worden wy dan oock gesalfde genaemt?
A. Ja.
c V. Waer van daen komt dat?
A. Dat wy Christi salvinge deelachtigh zijn.
\'1 V. Zijnder dan meer Christi ende Salighmakers.
A. Neen.
<1 V. Waer uyt bewijst gy, dat wy de salvinge Christi
deelachtigh zijn ?
A. 2. Cor. 1. 21, 22. Maer die ons met u bevestight
in Christo, ende die ons gesalft heeft is Godt, &c.
1. Joh. 2. 20, 27. Doch ghy hebt de salvinge van den
Heyligen, &c. vs. 27. Ende de salvinge die ghy-lieden
van hem ontfangen hebt.
d V. Hoe zijn wy Christi salvinge deelachtigh?
A. Door afbeeldinge ende gelijckenisse.
\'I V. Zijn wy in specie de salvinge deelachtigh die
Christo toekomt?
A. Neen.
\'1 V. Hoe dan?
A. Door gelijckenisse.
\'I V. Zijn wy de salvinge Christi deelachtigh, gelijck
wy de Goddelicke nature deelachtigh zijn, 2. Petr.
1. 4.?
A. Ja.
* V. Hoe zijn wy de Goddelicke nature deelachtigh,
-ocr page 398-
390                       Waerom de Geloovigen
eygentlick of oneygentlick, ende door gelijokenisse ?
A. Door gelijckenisse\'?
d V. Is de gelijckenisse de sake selfs?
A. Neen.
d V. Een schilderije, die de man gelijckt, is die de
man selfs ?
A. Neen.
b V. Waer toe zijn wy gesalft?
A. Tot Propheten, Priesters, ende Koningen.
a V. Zijn wy dan Propheten, Priesters, ende Ko-
ningen ?
A. Ja.
c V. Zijn wy van de ordeninge en selfde soorte
daer Christus van is?
A. Neen: want hy is alleen de hooghste Propheet,
Priester, ende Koninok.
d V. Zijn wy dan eygentlick geseyde Propheten,
Priesteren, Koningen ?
A. Neen.
d V. Hoe dan?
A. Geestelicke, ende volgens dien door eenige go-
lijckenisse soo geseyt: 1. Petr. 2. 5, 9. Soo wordet
ghy oock selve, als levende steenen, gebouwt tot
een geestelick Huys, tot een heyligh Priesterdom, om
geestelicke offerhanden op te offeren, &c.
d V. Wat doen wy als Propheten?
A. 1. Dat wy den wille Godts verstaen. 2. Den
selven getrouwelick ende stantvasteliek belijden ende
bekennen: Matth. 10. 32. Een yegelick dan die my
belijden sal voor de menschen, &c. Actor. 2. 17.
Coloss. 4. 6. 1. Petr. 2. 9. ende 3. 15. 3. Dat wy
deselve oock andere openbaren, leeren, onderwijsen,
vermanen, op dat sy mede tot de kennisse der waer-
heyt mogen gebracht werden; Luce 22. 32. Ende als
ghy eens sult bekeert zijn, soo versterckt uwe Broe-
ders. Kom. 15. 14, 15. 1. Thess. 5. 14. Hebr. 3. 13.
d V. Waer in is het onderscheyt gelegen tusschen
Christi Prophetisch-ampt ende het onse?
-ocr page 399-
Christenen genaemt vyerden.                  391
A. Hier in, 1. dat Christus den Geest heeft niet
met mate, Joh. 3. vs. 34. ende de Auteur is van alle
Prophetien; maer wy hebben elok maer eenige portie
van gaven , namelick, der kennisse , des wijsheyts,
der Prophetie, ende dese gaven hebben wy van hem.
2. Dat hy kraohtelick leert, ende door den H. Geest
de herten buyght, maer wy zijn alleen uyterlicke
instrumenten. 2. Cor. 5. 20.
b V. Zijn alle geloovige oock Priesters?
A. Ja.
d V. Bewijst dat?
A. Esai. 61. 6. 1. Petr. 2.5,9. Tot een heiligh Priester-
dom, &c. vs. 9. Maer ghy zijt een uytverkoren ge-
slachte, een Konincklick Priesterdom, ende 5. 10.
b V. Zijnse Priesters na de ordeninge Melchizedeks
of Levi?
A. Na geen van beyde.
e V. Wat zijn sy dan voor Priesters?
A. Geestelicke Priesters.
<" V. Zijn sy eygentlick Priesters, of door gelijckenisse ?
A. Door gelijckenisse.
e V. Wie zijnse, dewelcke neffens Christum eygent-
lick Priesters willen hebben?
A. De Papisten,
c V. Wat doen wij als Priesters?
A. Offeren ende bidden.
° V. Wat offerhanden offeren wy, lichamelicke of
geestelicke ?
A. Geestelicke offerhanden.
b V. Zijn het soen-offeren of danck-offeren ?
A. Danck-offeren.
c V. Waer uyt soudt ghy bewijsen, dat het geeste-
* licke offerhanden sijn?
A. 1. Petr. 2. 5. Om geestelicke offerhanden op te
offeren,
d V. Soude men mogen seggen dat het uyterlicke
ende eyentlicke danck-offeren zijn, gelijck in het Oude
Testament?
-ocr page 400-
392                       Waerom de Geloovigen
A. Neen.
d V. Waerom niet?
A. Dat waren uyterlicke danck-offeren, ende en
konden niet bestaen alleen in de innerlicke ende
geestelicke betrachtinge des herten: maer de onse
zijn geestelicke danck-offeren, ende konnen oock alleen
haer wesen ende forma hebben in het pure inwendige;
te weten, als het uytwendige daer niet by gedaen
kan worden.
b V. Hebben wy wel Mis-Priesters ?
A. Neen.
b V. Wie hebben die?
A. De Papisten.
b V. Doen sy daer in tegen Godts woort?
A. Ja.
d V. Bewijst dat?
A. Hebr. 7. 24, 25, 26, 27. Maer dese om dat hy in
der eeuwigheyt blijft, heeft een onverganckelick Pries-
terschap, &c. Siet oock de 80. Vrage.
d V. Waer in zijn de geestelicke offerhanden gelegen,
die wy Gode offeren?
A. Dat men Gode op-offert 1. den geheelen Christen-
mensche, dat is, dat wy lijf en ziele, welcke beydo
des Heeren zijn, tot sijnen dienst in gewillige gehoor-
saemheyt op-offeren. Rom. 12. 1. 2. Onse gebeden
ende dancksegginge. Hose. 14. 3. Hebr. 13. vs. 15.
3. Onse goederen tot aelmoessen. Phil. 4. 18. Hebr.
13. IC. 4. Ons leven voor de getuygenisse ende be-
hjdenisse der waerheyt, des noot zijnde Phil. 2. 17.
2 Tim. 4. 6.
d V. Seght my nu eens kortelick waer in het onder-
scheyt gelegen zy tusschen Christi Priesterschap, ende
tusschen het Priesterschap der geloovigen?
A. 1. Christi offerhande is een soen-offer; onse
offerhanden zijn alleen danck-offers. 2. Christi offer-
hande is volmaeckt; de onse is onvolmaeckt, en met
sonden besmet. 3. Christi offerhande verdient voor
Godt, ende is voor Godt vermogende, om haer eygen
-ocr page 401-
Christenen genaemt werden.                  393
waerdigheyt; de onse daerentegen noch en verdienen
niet, noch en behagen Godt niet om haer selfs wille,
maer alleen om, ende van wegen Christi offerhande,
waer door sy geheylight worden. Hebr. 13. 15.
b V. Zijn alle geloovigen oock Koningen?
A. Ja.
c V. Bewijst dat?
A. 1. Petr. 2. 9. Maer ghy zijt een Konincklick
Priesterdom. Apoc. 1. 6. Ende die ons gemaeckt heeft
tot Koningen.
b V. Zijn sy van de selfde specie of soorte Koningen
als Christus?
A. Neen.
b V. Wat doen de geloovigen hier als Koningen?
A. Tegen de sonde ende den Duyvel strijden,
d V. Bewijst dat?
A. Galat. 5. 17. Want het vleesch begeert tegen
den Geest, ende de Geest tegen het vleesch. Rom. 6.
vss. 12. 13. Eph. 6. 10. Jacob. 4. 7. 1. Petr. 5. 9.
\'1 V. Waer moetense meer tegen strijden?
A. Tegen de werelt, dat is, tegen de boose ende
goddeloose menschen in de werelt, die de Christenen
of met hare verleydingen, ofte met gewelt tot son-
digen soecken te brengen: 1 Cor. 15. 32. Soo ickna
den mensche tegen de beesten gevochten hebbe te
Ephesen, ende 2. Cor. 11. 26.
d V. Hoe sullen sy desen strijt aenvangen ende vol-
brengen ?
A. Met een goede ende vrije conscientie: 1. Tim.
1. 18, 19. In deselve den goeden strijt strijdet, hou-
dende het geloove ende een goede conscientie.
\'\' V. Zijn het dan wel goede Christenen, die haer
voor _Chrisienan__ uytgeven, jende__ondertusschen soo
godtlooslick ende ongebonden leven?
A. In \'t minste niet.
d V. Wat sullen de geloovige hier namaels doen als
Koningen ?
-ocr page 402-
394                       Waerom de Geloovigen
A. Met Christo in alle eeuwigheyt over alle creaturen
heerschen ende regeeren.
d V. Bewijst dat?
A. Luce 22. 29, 30. Ende ick verordineere u het
Koninckrijek, gelijckerwijs mijn Vader my dat veror-
dineert heeft. vs. 30. Op dat ghy etet ende drincket
aen mijne tafel ende mijn Koninckrijek, ende sitttt
op throonen, oordeelende de twaelf geslachten Israëls.
2. Timoth. 2. 12. Rom. 8. 17. Apoc. 3. 21.
d V. Wat zijn het voor creaturen, daer over sy heer-
schen sullen?
A. De Duyvelen ende goddeloose menschen.
d V. Seght eens kortelick, waer in het onderscheyt
gelegen is tusschen Christi Konincklick-ampt, ende
tusschen het Konincklick-ampt der geloovigen?
A. 1. Het Koninckrijcke Christi komt hem erllick
toe, want hy is de eygeno ende natuerlicke Soni1
Godts; Hebr. 3. 6. als oock te sien is Vrage 33.
maer ons door het recht van aenneminge. 2. Hy is
een Koninck aller creaturen, ende insonderheyt sijner
gemeynte: wy en zijn geen Koningen der Engelen,
ende der gemeynte , maer alleen der andere creaturen,
oock der goddeloosen, ende dor Duyvelen, want wy
sullen de goddeloosen ende boose Engelen veroordeelen,
1. Corinth. 6. vss. 2,3. 3. Hy overwint do vyanden
door sijn eygen macht; wij door, ende in hem, dat
is, door sijne genade ende hulpo, Joh. 16. 33. 4. Hy
regeert de gemeynte, met den scepter sijns Geests
ende woorts de herten bewegende , ende in ons weder
oprechtende het verlorene beelt Godts; wy en konnen
den Heyligen Geest niet geven, maer zijn alle dienaers
der uyterlicke stemme, ende der ceremoniën, gelijck
te sien is Matth. 3 vs. 11. 1. Cor. 3. 5. Hy maeckt
ons oock sijne gaven deelachtigh tot uytvoeringe van
dit ons ampt noodigh: want hy maeckt ons niet
alleen door het geloove sijner weldaden deelachtigh,
maer stort oock uyt over ons verscheydene gaven des
Heyligen Geests.
-ocr page 403-
Christenen genaemt werden.                  395
AENHANGHSEL VAN DEN NAEM
CATHOLIJCK, &c.
b V. Wat naem geven de Papisten haer selven?
A. Catholijcke.
b V. Magh men haer met waerheyt ende eygentlick
Catholijcken noemen?
A. Neen.
d V. Waerom niet?
A. Om datse geen Catholijcken zijn.
(1 V. Wat beteeckent dan het woort Catholijck?
A. Algemeyn.
c V. Waer uyt kan men de rechte Kercke kennen?
A. Datse is de Catholijcke Kercke.
b V. Is de Paepsche ofte Roomsche Kercke de Catho-
lijcke Kercke ?
A. Neen.
d V. Waerom niet?
A. Om dat sy een bysondere factie met den Paus
ofte den Roomschen stoel maeckt, ende een bysondere
afscheydinge ofte secte in de leere tegen het algemeyn
Christelick geloof.
b V. Wie zijn dan rechte Catholijcke?
A. Wy.
d V. Maer sy seggen, dat ons dien naem niet toe en
komt, hoe sult ghy haer dan overtuygen dat wy het
zijn, ende niet sy?
A. 1. Om dat wy alleen Christum voor ons Hooft
houden. 2. Om dat wy de algemeene leere der Schrifture
aennemen , ende geen particuliere secten of afwijckhv
gen. 3. Om dat wy \'t met de ware algemeyne Apos-
tolische Kercke houden, ende ons niet en binden aen
eenige particuliere factie, plaetse, natie, persoonen.
c V. Magh men de Papisten wel Papisten noemen?
A. Ja.
c V. Maer doen wy haer dan geen ongelijck?
A. Neen.
-ocr page 404-
396                       Waerom de Geloovigen
d V. Waerom niet?
A. Om dat sy den Papa of den Paus voor haer
Hooft houden.
d V. Maer sy hooren dien naem niet geern?
A. Daer hebben sy geen reden toe. Hare geleerden
erkennen dien naem.
d V. Hoe soudt ghy haer dan noemen ten alderschoon-
sten, dat ghy haer niet en stoort ?
A. Roomschgesinde, of die van de Eoomsche Kercke,
of Roomsch-Catholijck, of Catholijok Romeyn, of de
geseyde of gepretendeerde Catholijcken.
c V. Soude men wel absoluyt mogen seggen , dat die
in \'t Pausdom geen Christenen zijn ?
A. Neen.
b V. Magh mense wel absoluyt Catholijcke noemen ?
A. Neen.
c V. Hoe dan?
A. Roomschgesinde, of de geseyde of gepretendeerde
Catholijcken, &c.
c V. Is dit een scheuringe, een sect ende factie ?
A. Ja.
c V. Maken sy dan scheuringe, ende een bysondere
secte ?
A. Ja.
d V. Waer uyt soudt ghy dat bewijsen?
A. Uyt den naem, ende uyt de daedt.
e V. Hoe uyt den naem ?
A. Om dat Roomsch te zijn, is een factie, die haer
aen een besonder Hooft, Bisschop, Kercke, natie ende
plaetse vast maeckt.
d V. Hoe bewijst ghy \'t uyt de daedt?
A. Om dat sy een besonder sectarisch geloof ende
Religie hebben.
c V. Hebben sy dan een nieuw geloof?
A. Ja.
d V. Sy seggen nochtans datse het oude geloof hebben?
A. Het is met seggen niet te doen, het moet in
der daedt blijcken.
-ocr page 405-
Christenen genaemt -werden.                  397
V. Hebben sy soodanigh een oudt geloove, dat voor
een hondert jaer of twee, ofte drie , of vier , of meer
alhier publijck geleert is ?
A. Ja.
V. Zijt ghy oock van dat geloove?
A. Neen.
V. Is dat wel het oude geloove?
A. Neen.
V. Hebt ghy noch een ouder?
A. Ja.
V. Wat geloove is dat?
A. Het geloove der Apostelen, ende der Apostoli-
sche Kercke, welcke de oudtste is.
V. Willen wy wel Geusen genoemt werden?
A. Neen.
V. Wat is Geus geseyt?
A. Een guyt, of fielt, of bedelaer.
V. Waer van daen hebben wy dien naem eerst
gekregen?
A. Doen de Edelen, ten tijde van de Gouvernante
Madame de Parma , een request overgegeven hadden,
Anno 1566. als blijckt uyt de Historiën.
V. Willen wy wel Calvinisten genoemt worden?
A. Neen.
V. Waerom niet?
A. Om dat Calvinus ons hooft niet en is.
V. Maer, seggen sy, ghy hebt uwe leere van Cal-
vinus; ergo soo zijt ghy Calvinisten?
A. Wy hebben onse leere van Calvinus niet.
V. Van wien dan?
A. Uyt Godts Woort.
V. Maer, seggen sy, ghy gevoelt in de stu eken der
Religie als Calvinus?
A, Dat is soo, maer daerom en is hy ons hooft niet.
V. Mogen wy wel Paulinen ofte Paulisten genoemt
werden ?
A. Neen.
V. Waer uyt bewijst ghy dat?
-ocr page 406-
398                Van de ware Godtheyt Christi.
A. 1. Cor. 1. 12. Ende dit seggeick, dat een yege-
lick van u seght, lek ben Pauli, &c.
d V. Wy houden het nochtans met Paulo, en dat in
alles, doen wy niet ?
A. Ja.
d V. Mogen wy dan niet genoemt worden , daer mede
wy het houden, ofte diens discipelen wy zijn ?
A. Neen.
d V. Souden wy dan oock wel Gomaristen mogen ge-
noemt worden , om dat wy dat gevoelen hebben . het
welck Gomarus nevens andere staende gehouden heeft
tegen de nieuwigheden van Arminius ?
A. Neen.
SONDAGH XIII. Vrage 33, 34.
Vrage 33.
Waerom is hy Godts cenighgeboren Sone ge-
naemt, soo wy doch oock Godts kinderen zijn?
Antw. Daerom dat Christus alleen de eeuwigt\'
natuerlicke Sone Godts is: Maer wy zijn om sijnont
wille, uyt genaden tot kinderen Godts aengenomen.
d V. Hoe wort desen Sondagh afgedeelt?
A. In twee deelen.
d V. Welck zijn die twee deelen?
A. 1. Waerom Christus wort genoemt de eenigh\'
geborene Sone Godts, dewijle wy oock Godts kinderen
zijn, Vrage 33, 2. Waerom Christus wort genoemt
onsen Heere, Vrage 34.
o V. Op hoe veelderley wijse wort yemant een sone
genaemt onder de menschen?
A. Op tweederley wijse, eygentlick ofte oneygentlick.
d V. Hoe wort yemant eygentlick een sone genaemt\'•
A. Yemant wort eygentlick onder de menschen een
-ocr page 407-
Van de ware Godtheyt Christi.               399
sone genaemt, die van sijne ouders door generatie
sijn wesen ende nature heeft ontfangen, en soodanige
wort genoemt een eygen sone, Genes. 4. 25, 26.
Matth. 4. 21. Galat. 4. 22. Want daer is geschreven
dat Abraham twee sonen hadde, &c.
d V. Hoe wort yemant oneygentlick een sone ge-
naemt ?
A. Die van yemant een bysondere gunst, vaderlicke
liefde, sorge ende weldaden aen ziele ende lichaem
heeft ontfangen; niet zijnde van hem natuerlicke
gegenereert, als te sien is Matth. 9. 2. Ende Jesus
haer geloove siende, seyde tot den geraeckten, Sone,
zijt wel gemoet, uwe sonden zijn u vergeven. Act.
7. 21. 1 Cor. 4. 14, 17.
c V. Heeft Godt oock kinderen?
A. Ja.
e V. Op hoe veelderley maniere?
A. Op tweederley maniere, eygentlick, of oney-
gentlick.
c V. Wie is eygentlick een Sone Godts?
A. De Heere Christus.
f V. Is het yemant meer?
A. Neen: Joh. 1. 18. Niemant heeft oyt Godt gesien:
de eenighgeboren Sone die in den schoot des Vaders
is die heeft hem ons verklaert.
l\' V. De geloovigen zijn die oock Godts kinderen?
A. Ja.
e V. Hoe wordt dan Christus alleen Godts Sone
genaemt?
A. Christus is de eygen-natuerlicke, eenighgeborene
ende eeuwige Sone Godts, maer de geloovige zijn
kinderen Godts door aenneminge.
V. Is Christus Godts Sone uyt genaden?
A. Neen.
D V. Is hy het door aenneminge?
A. Neen.
V. Is hem het Soonschap uyt gunste geschoncken ?
A. Neen.
-ocr page 408-
400                Van de ware Godtheyt Christi.
d V. Is hy in den raet, wille ende besluyt Godts
daer toe geordineert?
A. Neen.
d V. Is hy de Sone Godts, en wort hy alleen soo
genoemt, om dat hy van Maria is geboren ende in de
werelt gekomen, opgeweckt uyt den dooden, verhe-
ven ter rechterhant Godts, <fec.
A. Neen.
d V. Wie sustineren sulcks?
A. De Socinianen.
d V. Is ende wort hy Godts Sone genaemt om sijne
eeuwige generatie, uyt, en in de substantie des
Vaders, ende te gelijck om \'t gene de Socinianen
seggen ?
A. Neen.
d V. Wie leeren sulcks?
A. De Remonstranten.
c V. Wat voor een Sone Godts is Christus dan\'?
A. De natuerlicke ende eygene Sone Godts.
d V. Is hy dan, en soude hy de Sone Godts geweest
zijn, al was hy in eeuwigheyt geen mensch geworden?
A. Ja.
d V. Wat is dat geseyt, dat hy oen natuerlicke Sone
Godts is?
A. Dat hy op een eeuwige, onuytsprekelicke, ende
bovon-natuerlicke wijse gegenereert is door mede-
deelingo van het eenigh Goddelick wesen van den
Vader: Psal. 2. 7. Ghy zijt mijn Sone, heden hebbe
ik u gegenereert. Hebr. 1. 5, Joh. 5. 26.
d V. Is dat moer, als of hy een Sone was door
aenneminge ?
A. Ja.                                                                        .
O V. Is hy een beelt dat de Vader even gelijck is-
A. Ja: Hebr. 1. 3. Dewelcke alsoo hy is het af-
schijnsel sijner heerlickheyt, ende het uytgedruckte
beelt fijner selfstandigheyt.
c V. Is hy een wosentlick ende substantiële beelt Godts,
of een accidentueele beeltenisse ?
-ocr page 409-
Van de ware Godtheyt Christi.               401
A. Een wesentlicke ende substantiële beelt Godts.
c V. Is hy een waerachtigh, eeuwigh, even-gelijck-
wesigh Godt met den Vader?
A. Ja.
d V. Bewijst, dat Christus een Sone Godts is?
A. Rom. 8. 3. Heeft Godt, sijnen Sone sendende, &c.
d V. Bewijst, dat hy is de natuerlicke Sone Godts?
A. Hebr. 1. vs. 3. Ende het uytgedruckte beelt
sijner selfstandigheyt.
il V. Bewijst, dat hy is de eenighgeborene Sone Godts ?
A. Joh. 1. 18. De eenighgeboren Sone die in den
schoot des Vaders is, &c.
d V. Bewijst, dat hy is de eeuwige Sone Godts?
A. Esai. 9. 5. Vader der eeuwigheyt. Prov. 8. vss.
22, 23, 24. Mich. 5. 1. Joh. 1. 1. ende 17. 5.
•1 V. Maer Christus wort genoemt de Sone der liefde;
ergo niet de natuerlicke Sone Godts?
A. Dat en volght niet.
d V. Hoe is dat dan te verstaen?
A. Dat is te verstaen van de liefde die mede gaet
ende volght: ende niet de liefde die in ordre voor-
gaet, waer uyt ende waer door de Sone vrywilligh-
lick soude gegenereert zijn ende het Soonschap ont-
fangen hebben: gelijck het toegaet met onse verkie-
singe, roepinge, wedergeboorte, ende aenneminge
tot kinderen.
V. Hoe wort yemant een sone Godts; doch geen
eygene of geen natuerlicke?
A. Door genade,
d V. Hoe veelderley is de genade?
A. Tweederley, of die de saligheyt aenkleeft, of
die de saligheyt niet aenkleeft.
\'1 V. Noemt eens de genade die de saligheyt niet aen
en kleeft?
A. De genade van scheppinge, ende de genade
van eenige besondere verhoogingh.
d V. Noemt eens de genade die de saligheyt aen-
kleeft?
26
-ocr page 410-
402                Van de ware Godtheyt Christi.
A. De genade van versterckinge, ende aenneminge.
c V. Hoe wort Adam een Sone Godts genaemt?
A. Ten aensien van de scheppinge.
c V. Zijn alle menschen, soo goede als quade, ten
aensien van de scheppinge, Godts kinderen ?
A. Ja: Genes. 6. 2. Dat Godes sone de dochteren
der menschen aensagen. Deut. 32. 6.
c V. Hoe wort de Magistraet Godts Sonen genaemt ?
A. Ten aensien van eenige verhoogingh, macht,
ende bysondere authoriteyt, die sy van Godt hebben
ontfangen.
d V. Bewijst dat?
A. Psalm 82. 6. Ick hebbe wel geseyt, Ghy zijt
Goden.
c V. Hoe worden alle de Engelen, soo goede als
quade, Godts Sonen genaemt?
A. Ten aensien van de scheppinge.
d V. Hoe worden de Engelen, die staende gebleven
zijn, Godts Sonen genaemt?
A. Ten aensien van de genade van versterckinge.
c V. Waer uit bewijst ghy dat de Engelen Godts
kinderen genaemt werden?
A. Job 1 6. ende 38. 7.
b V. Hoe worden alle geloovigen Godts Sonen ge-
naemt ?
A. Door genade van aenneminge.
b V. Zijn de geloovige kinderen Godts door Godes
genade, of door aenneminge om Christi wille ?
A. Door beyde.
c V. Wat onderscheyt is\'er tusschen ons en Christum?
A. Christus is de natuerlicke Sone; wy door aen-
neminge.
c V. Wat onderscheyt is \'er tusschen ons ende de
Engelen ?
A. De Engelen zijn Sonen Godts door genade van
versterckinge; wy door genade van aenneminge.
c V. Hadden de Engelen geenen Salighmaker van
nooden ?
-ocr page 411-
Van de ware Godtheyt Christi.               403
A. Neen.
e V. Waerom niet?
A. Sy waren niet gevallen,
d V. Is Christus niet als Middelaer tusschen beyden
gekomen, om haer de versterckende genade te ver-
werven ende toe te brengen?
A. Dat en kan uyt Godes woort niet bewesen
worden,
d V. Is \'er onderscheyt tusschen den staot der
goede Engelen, soo alsse nu is, ende tusschen haren
eersten staet, daer inne sy na Godts beelt geschapen
zijn?
A. Ja: want te voren konden sy vallen, maer nu
en konnen sy niet vallen.
tl V. Waer uyt bewijst ghy, dat de geloovigen tot
kinderen Godts zyn aengenomen?
A. Joh. 1. 12. Maer soo vele hem aengenomen
hebben, dien heeft hy macht gegeven kinderen Godts
te worden. Rom. cap. 8. vss. 14, 16, 17. Galat. 3. 26.
b V. Ghy seght, dat wy kinderen Godts zijn door
genade van aenneminge: wel seght my dan eens,
wat dat wy van ons selven ofte van naturen zijn?
A. Kinderen des toorns.
c V. Waer uyt blijckt dat?
A. Ephes. 2. 1, 2, 3. Ende u heeft hy mede
levendigh gemaeckt, daer ghy doot waert door de
misdaden ende de sonden, &c
d V. Zijn wy soo van naturen gelijck Godt ons eerst
geschapen heeft?
A. Neen.
d V. Hoe dan?
A. Boos ende verdorven.
<1 V. Zijn wy dan van de eerste rechtschapen nature
vervallen ?
A. Ja: Siet Vrage 6. ende 7.
« V. De eeuwige Verkiesinge, en Predestinatie tot
de aenneminge tot kinderen, is dat een sake met de
aenneminge tot kinderen?
-ocr page 412-
404                Van de ware Godtheyt Christi.
A. Neen, als te sien is Ephes. 1. 5.
b V. Wie is uwen Vader, de Vader, of Soon, of de
H. Geest?
A. Alle drie. Matth. 6. 9.
c V. Maer wort de eerste persoon niet in een by-
sonder respect ende opsicht onsen Vader genoemt?
A. Ja.
d V. Welok is dat?
A. Dat van hem begint die werckinge, daer mede
wy aengenomen werden tot kinderen Godts.
b V. Om wiens wille heeft hy ons aengenomen?
A. Om Christi wille.
b V. Wie heeft ons dat recht verworven, dat wij
tot kinderen Godts zijn aengenomen?
A. De Heere Christus.
c V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Joh. 1. 12, 13. Maer soo vele hem aengeno-
men hebben, dien heeft hy macht gegeven kinderen
Godts te worden, &c.
c V. Die een kint Godts is, is die oock een erfge-
naem ?
A. Ja: Rom. 8. 17. Ende indien wy kinderen zijn,
soo zijn wy oock erfgenamen, &c
d V. Waer van is hy een erfgenaem?
A Van het eeuwige leven -. Rom. 8. 17. Soo wy
anders met hem lijden, op dat wy met hem verheer-
lickt worden.
d V. Seght my nu eens, welck dat daer is het ooge-
merck van den Catechismus in desen Sondagh?
A. Vast te setten de ware Godtheyt onses Saligh-
makers
d V. Is dan de Heere Christus oock de waerachtige
Godt met den Vader ende den H. Geest?
A. Ja
d V. Kan dat hier uyt desen Sondagh klaerlick af-
genomen werden?
A. Ja.
d V. Op wat wijse?
-ocr page 413-
Van de ware Godtheyt" Christi.               405
A. Om dat hy is de eeuwige ende natuerlicke Sone
Godts.
d V. Kan yemant wel zijn de eeuwige ende natuer-
Sone Godts, die geen Godt is?
A. Neen.
d V. Soude dit eenighste genoegh konnen zijn tot
overtuyginge van alle die gene, die de Godtheyt
Christi loochenen?
A. Ja.
d V. Hebt ghy evenwel, tot overvloet boven dit,
eenige krachtige argumenten ende bewijsredenen tot
vastsettinge van de Godtheyt Christi?
A. Ja.
d V. Welck zijn die?
A. De bewijsredenen zijn genomen. 1. Van de God-
delicke namen ende tijtelen, welck alleen den waren
Godt worden toegeschreven. 2. Van de Goddelicke
eygenschappen. 3. Van de Goddelicke werckingen.
4. Van de Goddelicke eere ende dienst.
« V. Welck is het eerste argument ofte bewijsreden
dat ghy hebt voor de Godtheyt Christi?
A. Dat selve is genomen van de Goddelicke na-
men ende tijtelen, die alleen den eenigen waren
Godt toegeschreven worden, ende nochtans den Heere
Christo toege-eygent worden.
" V. Welck zijn die Goddelicke namen ende tijtelen,
die Christo gegeven werden?
A. Dat hy genoemt wert de waerachtige Godt,
1. Joh. 5. 20. de groote Godt, Tit. 2. 13. Godt over
al te prijsen in der eeuwigheyt, Eom. 9. 5. Jehova,
de Heere onse gerechtigheyt, Jerem. 23. 6. de Sone
des alderhooghsten Godts, Luce 1. vs 32. de eygene
Sone Godts, Rom. 8. 32. de eenighgeborene Sone
des Vaders, Joh. 1. vs 14. die is, ende die was,
ende die komen sal, Apoc. 1. 4, 8. de Heere Davids,
Psalm 110. 1. de Vorst des levens, Actor. 3. 15. de
Richter der levendigen ende dooden, Actor. 10. 42.
de Heere der heerlickheyt, 1. Corinth. 2. 8. de
-ocr page 414-
406                Van de ware Godtheyt Christi.
Heere van den hemel, 1. Cor. 15. vs. 47. de Overste
der Koningen der aerde, Apoc. 1. 5. de Koninck dei-
Koningen, ende Heere der Heeren, Apoc. 17. 14.
ende 19. 16.
d V. Hoe kondt ghy hier uyt besluyten, dat de Heere
Christus de waerachtige Godt is met den Vader?
A. Om dat dese namen ende eertijtelen niemant
anders als den levenden Godt konnen toegeschreven
worden.
d V. Nochtans soo worden Moses ende de Overheden
oock Godt genoemt: want daer staet Exod. 4. 16.
dat Moses Aiirons Godt sal zijn: ende Psalm 82. 6.
Ick hebbe wel geseyt, Ghy zijt Goden: ende 1. Corinth
8. 5. seght Paulus, dat\'er vele Goden zijn; wat seght
ghy dan daer toe?
A. Christus en wort op soodanige wijse en maniere
geen Godt genaemt, gelijck Moses ende de Overhe
den, want hy is de eeuwige Godt, als gehoort is,
maer de Overheden worden alleen Goden genoemt
door gelijckenisse, ten aensien van haer ampt, het
welck sy hier van Godts wegen bekleeden.
c V. Welck is het tweede argument ofte bewijsreden ?
A. Dat is genomen van Goddelicke eygenschappen,
die den Heere Christo toegeschreven worden.
d V. Welck zijn die Goddelicke eygenschappen?
A. Hy wert genoemt almachtigh, Apoc. 1. 8. eeuwigh,
Mich. 5. vs 1. Esai. 9. 5. Joh. 8. 52. over al tegen-
woordigh, Matth. 18 vs 20. ende 28. 20. Joh. 3. 13.
alwetende, Joh. 2. 25. Matth. cap. 13. vs 25. Joh.
16. 30. ende 21. 17. onverandelick, Hebr. 1. vss.
10, 11, 12.
c V. Konnen dese eygenschappen niemant anders
toegeschreven worden als den eenigen waerachtigen
Godt?
A. Neen.
c V. Welck is \'t derde argument ende bewijsreden?
A. Dat is genomen van de Goddelicke werekingen,
die den Heere Christo toegeschreven worden.
-ocr page 415-
Van de ware Godtheyt\'Christi.                407
tl V. Welck zijn die Goddelicke werckingen ?
A. Scheppinge, Joh. 1. vss. 1, 3. met Col. 1. 16.
Hebr. 1. 10. Psalm 33. 6. onderhoudinge, Hebr. 1. 3.
Joh. 5. 17. verlossinge 1. Cor. 1. 30. Tit. 3. 5. de
gemeynte vergaderen, Joh. 10. 14, 16. den Kercken-
dienst instellen, ende daer toe Dienaers senden, Joh.
20. vs. 21. Ephes. 4. 11. deselve met noodige gaven
versien, Luce 21. vs 15. Sacramenten instellen,
Matth. 28. 19. den H. Geest senden en geven, Joh.
15. 26. het geloove geven ende verlichten, de sonden
vergeven, de werelt oordeelen, de doode opwecken,
ende het eeuwige leven geven, &c.
c V. Konnen yemant dese werckingen wel toegeschre-
ven worden, die geen Godt is?
A. Neen.
<l V. Welck is u vierde argument ende bewijsreden?
A. Dat is genomen van de Goddelicke eere ende
dienst, die den Heere Christo moet bewesen
worden.
\'1 V. Welck is die?
A. Men moet hem eeren gelyck men den Vader eert,
Joh. 5. 23. Psalm 2. 11, 12. men moet in hem ge-
looven, Joh. 14. 1. hem aenbidden, Actor. 7. 59.
2. Corinth. 13. 13. Hebr. 1. 6. in sijnen naem gedoopt
werden, Matth. 28. 19. voor hem moeten alle knijen
buygen, Phil. 2. 9, 10. Rom. 14. 10, 11.
tl V. Kan of magh dese Goddelicke eere ende dienst
aen yemant ter werelt, het zy boven in den hemel,
of hier beneden op der aerden, die geen waerachtigh
Godt is, bewesen werden ?
A. Geensins: Matth. 4. 10. Doe seyde Jesus tot
hem, Gaet wech Satan, want daer staet geschreven.
Den Heere uwen Godt sult ghy aenbidden, ende hem
alleen dienen. Apoc. 22. 9.
*> V. Als nu sulcks den Heere Christo moet bewesen
werden, wort dan daer uyt niet krachtelick bewesen
dat hy waerachtigh Godt is?
\'1 A. Ja.
-ocr page 416-
408                Van de ware Godtheyt Christi.
c V. Maer is aen het stuck van de Godtheyt Christi
wel wat gelegen?
A. Ja.
c V. Is het niet alleenlijk een dispuyt onder de Ge-
leerden?
A. Neen.
d V. Wie seggen sulcks?
A. De Remonstranten.
d V. Soo Christus niet en was de Sone Godts van
naturen, kost hy dan wel Godt zijn?
A. Neen.
c V. Als de Heere Christus geen Godt was, kost hy
dan onsen Salighmaker wel zijn?
A. Neen: Siet hier boven Vrage 17.
d V. Wie zijn die gene , die de ware Godtheyt Christi
ontkennen ende loochenen?
A. De Soeinianen.
d V. Welck is het gevoelen van de Soeinianen aen-
gaende de Godtheyt Christi?
A. Dat Christus niet en is eeuwigh Godt van na-
turen , of een eenwesigh Godt met den Vader, maer
dat hy alleen Godt, ende de Sone Godts genoemt
wert, ten aensien van sijn Middelaersampt, ende sijne
verhooginge in der tijt hem toegekomen,
d V. Hoe yveren de Remonstranten tegen dese grou-
welicke ketterije?
A. Dat kan men ecnighsins afnemen, uyt de Ca-
techisatie over haren Catechismus, Vrage 13. ende 30.
ende 85.
d V. Maer wort Christus genoemt Godt, ende de Sone
Godts, ten aensien van sijn menschwerdinge, ende
middelaerschap ?
A. In \'t minste niet, maer ten aensien van sijn
eeuwige geboorte of generatie uyt de substantie sijn?
Vaders, en ten aensien van sijn eeuwigh Goddelick
wesen.
d V. Welck is het principaelste ende voornaemste
bewijs der Soeinianen tegen de Godtheyt Christi?
-ocr page 417-
Van de ware Godtheyt Christi.                409
A. Joh. 10. 34. Jesus antwoorde tothaer, En is\'er
niet geschreven in uwe Wet, lok hebbe geseght, Ghy
zijt Goden ? Daer uyt datse willen besluyten dat den
Sone Godts te zijn, niet anders en soude beteeekenen
als het ampt Christo van den Vador opgeleght; ende
dat Christus hemselven noemt den Sone Godts op
sulcke wijse ende maniere als de Magistraten Goden
genoemt werdon. Psalm 82. 6.
d V. "Wat soudt ghy daer op antwoorden?
A. De Heere Christus en verklaert niet met dese
woorden op wat wijse ende maniere hy is, ende seght
te zijn de Sone Godts, maer hy wil alleen de Joden
overtuygen van hare boosheyt, die hom als een grou-
welick lasterstuck voorwierpen, dat, dewijle hy een
mensche was, soyde Godts Sone te zijn. Want hy wil
de Joden alleen overtuygen, dat, als hy Godt seyde
sijn Vader te zijn, dat hy daer mede niet yet quam
voor te dragen, daer aen de Joden haer kosten erge-
ren, alsoo seer gebruyckeliek was in de Wet dese
maniere van spreken, van Goden ende kinderen Godts
te zijn eenige menschen toe te eygenen. Christus wil
dan hier mede seggen, wel aen, Iaet het soo wesen,
laet ick een bloot mensche zijn gelijck ghylieden wilt,
waerom wort ghy soo vertoornt, ende oordeelt dat
ick lastere, dat ick my noeme Godts Sone te zijn,
als of ick my eenen nieuwen ende ongehoorden tijtel
gave, nadien in onse Wet gebruyckeliek is Goden te
noemen dewelcke van Godt tot een bysonder ampt
zijn uytgesonden, om het selve te bedienen. Maer hier
kan geensins uyt besloten worden het gene de Soci-
nianen daer uyt besluyten willen.
V. Wat bewijs brengen sy meer by?
A. Actor. 2. vs. 36. Dat Godt hem tot een Heere
ende Christum gemaeckt heeft.
(\' V. Wat soudt ghy hier toe seggen?
A. Hier en kan in \'t minste niet uyt bewesen wer-
den, dat de Heere Christus soude een Sone Godts
zijn uyt genade, ende ten aensien van sijn Middelaers»
-ocr page 418-
410               Waerom Christus gonaemt wort
ampt hem van sijnen Vader opgeleyt. Want 1. Godt
heeft hem tot een Heere ende Christum gemaeckt,
dat selve en behoort niet, noch en wort niet geseyt
van de Godtheyt Christi; maer beteeckent de heer-
schappije ende regeeringe des Middelaers, als Midde-
laer. 2. Het woort maken en geeft niet anders te
kennen van Christo den Middelaer (te weten na sijn
Godtheyt) als te openbaren: want een sake wort ge-
seyt te geschieden wanneerse van nieuws of meerder
vertoont ende geopenbaert wort, als te sien is Rom.
1. 4. Die krachtelick bewesen is te zijn de Sone Godts.
Vrage 34.
Waerom noemt ghy hem onsen Heere?
Antw. Om dat hy ons met lijf ende ziele van
alle onse sonden, niet met gout ofte met silver,
maer met sijnen dierbaren bloede gekocht, ende
van alle gewelt des Duyvels verlost, ende ons
alsoo hem tot een eygendom gemaeckt heeft.
a V. Wie is onsen Heer?
A. Christus.
b V. Is \'et de Vader ende de H. Geest oock niet?
A. Ja.
b V. Waerom wort Christus dan bysonderlick onsen
Heere genoemt?
A. Om dat Christus bysonderlick, ende in sijn eygen
persoon de menscheyt aengenomen hebbende, ons ver-
lost heeft.
b V. Heeft Christus dan eenige bysondere heerschap-
pije over ons, die de Vader noch de H. Geest over
ons niet en hebben?
A. Ja.
c V. Maer heeft Christus daer door de Goddelicke
heerschappije verloren ?
A. Neen.
-ocr page 419-
onsen Heere.
411
d V. Is Christus onsen Heer als Godt, met den Vader
ende den H. Geest, of als Middelaer?
A. Alle beyde.
d V. Is het een sake, Heere te zijn als Godt, ende
als Middelaer?
A. Neen.
d V. Welck is hooger, Heere te zijn als Godt, ofte
als Middelaer?
A. Als Godt.
d V. Is dan de Middelaer als Middelaer, ende sijne
macht onder de heerschappije Godts?
A. Ja.
d V. Kan ick dan wel seggen, dat Christus minder
is als de Vader, ja als hemselven?
A Ja
d V. Hoe is hy minder, ten aensien van sijn God-
delicke natuer absolutolick genomen, of aengemerckt
zijnde ?
A. Neen.
<1 V. Is in de Goddelicke natuer wel minder ende
meerder?
A. Neen.
\'1 V. Hoe is hy dan minder als de Vader of als hem-
selven ?
A. Als Middelaer.
o V. Moet men den Middelaer Christum aenroepen,
niet tegenstaende hy minder is als de Vader?
A. Ja: wel verstaend e dat het fondament ende eygen
oorsake van dese Goddelicke eere niet en is sijne
minderheyt; maer sijne evenwesige of selfwesigo Godt-
heyt, die hy heeft met den Vader,
d V. Soo en wort hy dan niet aengeroepen als Mid-
delaer ?
A. Neen: indien men eygentlick, distinctelick, ende
gepast spreken wil.
" V. Waerom niet?
A. Om dat hy als Middelaer minder is als den Vader
ende als hemselven; behalven dat het woordeken als
-ocr page 420-
412               Wacrom Christus genaemt wort
een restrictie ende bepalinge maeckt tot het gene,
na het wolcke de Heere Christus als Middelaer is,
ende alsoo nootwendigh, als Middelaer aengeroepen
wordende, oock als mensch sal aengeroepen werden,
dewijle sijn Middelaers-ampt is na de Goddelicke ende
na de menschelicke nature, ende Christus niet als
Middelaer kan werden geconsidereert \'t en zy met eenen
sijne menscheyt geconsidereert werde; ende sijne
menscheyt niet geconsidereert wordende, hy oock niet
als Middelaer kan werden aengemerekt, alsoo hy Mid-
delaer is, niet alleen na sijn Goddelicke, maer oock
na sijne menschelicke natuer, als zijnde Godt ende
mensch in een persoon.
d V. Maer soude men seggen mogen, met de Remou-
stranten, dat hy, als Middelaer, met een leeger of
minder religieuse aenbiddinge, ende als Godt met een
hooger ende meerder aengebeden wort?
A. Neen: daer is maer een religieuse aenbiddinge,
volgens de Schrifturo. Siet de Catechisatie over den
Kemonstrantscn Catechismus, Vrage 30. ende 85.
d V. Is Christus, ten aensien van sijn Middelaer-ampt.
een ander Heer als Godt is\'?
A. Ja
d V. Die Majesteyt, die Christus heeft als Godt, wort
die niet medegedeelt aen de menschelicke natuer?
A. Neen.
d V. Kan de Goddelicke natuer haer eigenschappen
wel mededeelen aen de menschelicke natuer?
A. Neen
d V. Kan daer wel communicatie zijn van die twee
naturen, ende hare respective eygenschappen in de
persoon ?
A. Ja.
d V. Seght my eens kortelick, hoe is Godt uwen Heer,
ende hoe is Christus uwen Heer?
A. Godt is mijnen Heer, om dat hy my geschapen
heeft, onderhoudt ende regeert, ja door Christum
verlost heeft: Christus is mijnen Heer bysonderlick,
-ocr page 421-
onsen Heero.                              413
om dat hy de verlossinge heeft te wege gebracht,
ende persoonlick sijn bloet vergoten heeft.
il V. Zijt ghy dan Christi eygen.
A. Ja.
b V. Waerom zijt ghy hem eygen?
A. Om dat hy my gekocht ende verlost heeft.
e V. Wat is dat geseyt, dat hy ons gekocht heeft,
hoe gaet dat toe?
A. Dat is, dat hy ons tot sijn eygen volck ver-
kregen heeft,
c V. Waren wy Godt te voren niet eygen, gelijck
alle andere creaturen?
A. Ja.
c V. Wel hoe heeft hy ons dan gekocht, ende tot
sijn eygendom gemaeckt?
A. Hy heeft ons gekocht ter saligheyt.
(1 V. Waer staet dat?
A. 1. Cor. 6. 20. Want ghy zijt dier gekocht,
e V. Waer van heeft hy u gekocht?
A. Van de sonden.
<1 V. Bewijst dat?
A. 1. Joh. 1. 7. Ende het bloet Jesu Christi sijns
soons reynight ons van alle sonde. Coloss. 1. Ï4.
Ephes. 1. 7.
V. Waer meer van?
A. Van het gewelt des Duyvels.
(\' V. Bewijst dat hy u verlost heeft van \'t gewelt des
Duyvels?
A. Hebr. 2. vss. 14, 15. Op dat hy door den doot
te niet doen soude den genen die \'t gewelt des doots
hadde, dat is den Duyvel. 1. Petr. 1. 18, 19. Apoc.
12. 8, 9.
V. Waer mede heeft hy u gekocht?
A. Met sijn bloet: 1. Petr. 1. 18, 19. Wetende dat
?hy niet door verganckelicke dingen, silver ofte gout
verlost en zijt, &c. maer door het dierbaer bloet
Christi, &c.
V. Tot wat eynde heeft hy u gekocht?
-ocr page 422-
414                  Van Christi Menschwerdinge.
A. Om hem te roemen ende te prijsen.
d V. Bewijst dat?
A. Titum 2. 14. 1. Petr. 2. 9. Maer ghy zijt een
uytverkoren geslachte, &c. op dat ghy soudet ver-
kondigen de deughden der gener die u uyt de duyster-
nisse geroepen heeft tot sijn wonderbaer licht. Ephes.
1. 7.
SONDAGH XIV. Vrage 35, 36.
Vrage 35.
Wat is dat geseyt die ontvangen is van den
H. Geest, geboren uyt de Maget Maria?
Antw. Dat de eeuwige Sone Godts, die waer-
achtigh Godt is ende blijft, ware menschlicke
nature, uyt den vleesche ende bloede der Maget
Maria, door de werckinge des Heyligen Geests,
aengenomen heeft, op dat hy oock dat ware zaet
Davids zij, sijnen broederen in alles gelijck, uyt-
genomen de sonde.
d V. Hoe wort desen Sondagh afgedeelt?
A. In twee deelen.
d V. Welck zijn die twee deelen?
A. 1. De menschwerdinge Jesu Christi, Vrage 35.
2. De vrucht ende nuttigheyt van dese sijne mensch-
werdinge, Vrage 36.
a V. Hoe veel naturen zijnder in uwen Salighmaker •
A. Twee, Goddelicke ende menschelicke natuer.
b V. Is uwen Salighmaker Godt van alle eeuwigheyt
A. Ja.
b V. Is hy oock mensch van alle eeuwigheyt?
A. Neen.
-ocr page 423-
Van Christi Menschwerdinge.                 415
V. Is hy dan mensch geworden?
A. Ja.
V. Wanneer?
A. In de volheyt des tijts.
V. Bewijst dat?
A. Galat. 4. 4. Maer wanneer de volheyt des tijts
gekomen is, heeft Godt sijnen Sone uytgesonden,
geworden van een vrouwe, &c.
V. "Wie is mensch geworden?
A. De Heere Christus.
V. Hoe beschrijft hem de Catechismus?
A. De eeuwige Sone Godts.
V. Is de Vader ook geen mensch geworden?
A. Neen.
V. Is dan de Vader geen Godt?
A. Ja.
V. Wel, nademael de Vader oock Godt is , waerom
is hy dan oock geen mensch geworden?
A. Om dat het verscheyden persoonen zijn.
V. Zijnse dan niet een?
A. Ja.
V. Zijnse een persoon?
A. Neen.
V. Wat zijnse dan?
A. Een Godt?
V. Is do H. Geest Godt?
A. Ja.
V. Is de Sone Godt?
A. Ja.
V. Is de Sone mensch geworden?
A. Ja.
V. Is de H. Geest mensch geworden?
A. Neen.
V. Wel, is hy een Godt met den Soon, hoe kan
dan <le Soon mensche geworden zijn, ende de H.
Ueest niet?
A. Om dat hy deselve persoon niet en is, maer
een ander ofte onderscheyden persoon.
-ocr page 424-
416                  Van Christi Menschwerdinge.
d V. Maer moest de Soon nootsakelick mensch \\vor-
den, ende en kost de Vader noch de H. Geest geen
mensch werden ?
A. Wy seggen, dat wy het geleerdelick niet en
weten, oock niet en willen weten, om dat het Godt
niet en heeft willen openbaren: ende de redenen,
dewelcke van sommige bygebracht worden, van dat
de Soon moest mensch werden, ende dat de Vader
noch de H. Geest niet en kost mensch werden, en
konnen ons geen sekerheyt geven. Het is ons genoegh,
dat wj* sekerlick weten, dat Godt gewilt heeft, dat de
tweede persoon soude mensch werden; ende dat ten aen-
sien van dit besluyt geen ander persoon konde werden.
b V. Wat is de Sone geworden\'?
A. Mensch.
b V. Is hy een ware mensch, of soo een schijn ut
gelijckenisse van een mensch?
A. Een ware mensch.
b V. Is hy een ware mensch geworden gelijck wy zijn?
A. Ja.
c V. Is hy dan oen sondigh mensch geworden?
A. Neen: Hebr. 4. 15. Maer die in alle dingen,
gelijck als wy, is versocht geweest, doch sonder sonde.
ende 7. 26. Want soodanigh een Hoogepriester be-
taenide ons, heyligh, onnoosel, onbesmet, afgesche} •
den van de sondaren.
d V. Soo en is hy dan geen ware mensch geworden
gelijck als wy zijn, want wy zijn sondigh?
A. Dat volght niet.
d V. Waerom niet?
A. Om dat de sonde niet en is van het wesen.
noch en behoort nootsakelick tot het wesen der nicn-
schelicker nature, maer een quaet accident end\'
corruptie van den mensche.
d V. Toont dat eens?
A, In onse eerste Voorouders voor den val, dewehke
ware menschen waren, ende nochtans met de sondi\'
niet besmet.
-ocr page 425-
Van Christi Menschwerdinge.                 417
d V. Maer die en is geen ware mensch, die geen
menschelick persoon is: nu, Christus is dat niet; ergo?
A. Dat volght niet.
d V. Neemt dat de menscheyt Christi niet wech?
A. Geensins.
d V. Waerom niet?
A. Om dat sijne menschelicke natuer subsisteert of
bestaet in de Goddelicke persoon,
d V. Waerom heeft Christus geen menschelicke per-
soon aengenomen?
A. Om dat daer dan twee persoonen in Christo
souden zijn.
d V. Kan dat niet zijn?
A. Neen.
d V. Waerom niet?
A. Om dat daer dan twee Middelaers souden zijn.
d V. Een persoon te zijn, komt dat toe de Goddelicke
ofte menschelicke natuer?
A. Het komt toe alle beyde naturen.
d V. Bestaen die twee naturen in een persoon?
A. Ja.
d V. Is het van naturen, of uyt vrijen wille ende
uyt genade, dat de persoon Christi de persoon is van
de Goddelicke natuer ?
A. Van naturen,
d V. Is het van naturen, of door vrijen wille ende
genade, dat de persoon Christi de persoon is van de
menschelicke natuer?
A. Door vrijen wille ende genade.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat Christus een ware
mensch geworden is?
A. Uyt de wesentlicke deelen van den mensche.
d V. Welck zijn die?
A. Ziele ende Lichaem.
b V. Heeft Christus een lichaem gehadt?
A. Ja: gelijck blijckt uyt sijne mishandelingen ende
kruycinge die de Joden hem hebben aengedaen.
" V. Heeft hy oock een menschelicke ziele gehadt?
27
-ocr page 426-
418                  Van Christi Menschwerdinge.
A. Ja.
c V. Bewijst dat?
A. Matth. 26. 38. Mijne ziele is geheel bedroeft tot
der doot toe. Luce 23. 46. Vader in uwe handen
bevele ick mijnen geest. Joh. 12. 27. Nu is mijne
ziele ontroert.
c V. Is de Godtheyt geweest in plaetse van de ziele ?
A. Neen.
d V. Kost de Godtheyt wel wesen in plaetse van de
ziele ?
A. Neen.
d V. Waerom niet?
A. 1. Om dat dan de Heere Christus geen waer-
achtigh mensche soude geweest zijn. 2. Om dat de
Salighmaker niet alleen moest lijden in sijn lichaem,
maer selfs oock in de ziele, dewijle onse ziele geson-
dight hebbende, verdient hadde gestraft te worden.
Nu, de Godtheyt kan niet lijden, als Vrage 16. wert
aengewesen.
b V. Als de Sone Godts mensen wiert, is hy doen
oock Godt gebleven ?
A. Ja.
b V. Als het water in Cana Galilea, Joh. 2. in wijn
veranderde, bleef het doen water?
A. Neen.
b V. Is de Godtheyt door de menschwerdinge ver-
andert?
A. Neen.
b V. Is de Godtheyt daer door niet vermeerdert?
A. Neen.
b V. Is de Godtheyt onveranderlick ?
A. Ja.
b V. Is hy gebleven dat hy te voren was ?
A. Ja.
d V. Gelooven dat de Mennoniten wel?
A. Neen.
d V. Wat is dan haer gevoelen hier van?
A. Dat de Godtheyt in de menscheyt is verandert.
-ocr page 427-
Van Christi Menschwerdinge.                  419
il V. Het schijnt nochtans soo te zijn, want daer wat
toe komt, dat verandert. Nu, tot de Godtheyt Christi
komt de menscheyt; ergo, &c.
A. Dat argument en deught niet, maer moet soo
gestelt werden, daer wat toe komt, ende niet blijft
het gene dat\'er te voren was, daer is veranderinge;
maer hier blijft niet dat \'er te voren was: dat ont-
kennen wy, ende sulcks sullen de Mennoniten in
eeuwigheyt niet bewijsen.
d V. Maer heeft de Sone Godts de gedaente Godts,
ofte yet der selver verloren ?
A. Neen.
•1 V. Hoe is hij dan vermindert ende vernietight ge-
weest, Philipp. cap. 2. vs. 7.?
A. Ten aensien dat hy de menschelicke natuer heeft
aengenomen: Hebr. 2. 7. Ghy hebt hem een weynigh
minder gemaeckt dan de Engelen, &c.
b V. Waer van daen heeft Christus sijn vleesch,
heeft hy het uyt de geschapene elementen?
A. Neen.
V. Heeft hy het uyt den hemel gebracht?
A. Neen.
<1 V. Hy wort nochtans genoemt het broot dat uyt
den hemel gekomen is, Joh. C. 33, 38. ende dat nie-
mant in den hemel opgevaren is, dan die uyt den
hemel nedergekomen is, Joh. 3. 13.?
A. Daer door wort te kennen gegeven de persoon,
die na sijne Goddelicke natuer in den hemel was,
eer hy mensche wiert, ende de menschelicke nature
aennam.
V. Is de Godtheyt de stoffe ende materie van sijn
menschheyt.
A. Neen.
V. Is het Woort de materiale oorsaeck van sijn
vleesch ?
A. Neen.
V. Is de Vader de materie van het vleesch Christi ?
A. Neen.
-ocr page 428-
420                  Van Christi Menschwerdinge.
c V. Is het de Heylige Geest?
A. Neen.
b V. Waer van daen heeft Christus dan sijn vleesch?
A. Van Maria,
c V. Heeft hy het uyt het vleesch ende bloet Man*.
of is hy maer door haer henen gegaen, gelijck het
water door een geut, ende de strale der Sonne door
een glas?
A. Hy heeft uyt haer vleesch en bloet.
d V. "Wie seggen, dat hy maer door haer henen ge-
gaen is, &c?
A. De Mennoniten.
d V. Hoe soudt ghy haer best konnen overtuygen ?
A. Indien het soo was, soo soude hy dan niet zijn
de vrucht des buycks Maria?,
d V. Moest hy dat zijn?
A. Ja.
d V. Waerom?
A. Om dat hy anders niet en kost zijn onsen broe-
der, Hebr. 2. 11. noch het zaet der vrouwe, Genes.
3. 15. noch het zaet Abrahams, Rom. 9. 5. Hebr.
2. 16. noch het zaet Davids, Rom. 1. 3. noch de
vrucht der lendenen Davids, Actor. 2. 30. en dien-
volgens niet de ware Messias ende Salighmaker.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat Christus is de vrucht
des buycks Mari»?
A. Luce 1. 42. Ende gesegent is de vrucht uwes
buycks. Rom. cap. 1. vs. 3. Van sijnen Sone die ge*
worden is uyt den zade Davids na den vleesche.
Gal. 4. 4. Hebr. 2. 14. Om dat oock in Maria gf
vonden wert alle het gene by een vrouwe wesen
moet, dewelcke een waerachtige moeder van eenigh
kint wesen sal, dat is, het kint te ontfangen, te
dragen, ende te baren. Siet Luce 1. 31. ende 2. 6, <•
c V. Is hy dan mensch geworden, ende gegenereert
gelijck andere menschen: uytgenomen dat het was
sonder toedoen eenes mans, alleen door de miraculeuse
werckinge des H. Geestes?
-ocr page 429-
Van Christi Menschwerdinge.                 421
A. Ja.
c V. Waer uyt kondt ghy dat bewijsen?
A. Hebr. 2. 14. Overmits dan de kinderen vleesch
ende bloet deelachtigh zijn, soo is hy oock der selver
desgelijcks deelachtigh geworden, <fcc.
b V. Wie is de vader Christi?
A. Niemant.
b V. Heeft Christus wel een vader na sijn menscheyt ?
A. Neen.
b V. Was Joseph sijn vader\'?
A. Neen.
il V. Maria seght nochtans Luce 2. 48. U vader ende
ick hebben u met anghst gesocht?
A. Dat is te verstaen sijn vader, alsoo men meynde,
ende sijn behouwde vader. Luce 3. 23.
b V. Heeft Christus oock een moeder na sijn Godtheyt?
A. Neen.
b V. Wat was Maria, als Christus sijn vleesch uyt
haer aennam, vrouwe ofte maeght?
A. Maeght. Luce 1. 27.
<• V. Maer hoe kost dit dan toegaen, nademael Maria
een maget was?
A. Dit is geschiet op een boven-natuerlicke wijse,
namelick, door kracht ende werckinge des H. Geests ?
(\' V. Waer uyt bewijst ghy, dat Christus is ontfangen
in ende van de maget Maria door de werckinge des
H. Geests?
A. Luce 1. 35. De Heylige Geest sal over u komen,
ende de kracht des Alderhooghsten sal u overscha-
duwen, &c
\'t V. Is dit de oorsaeck, waerom dat de Sone Godts
Bonder sonde is geboren; ende is van dese oorsaeck
een ander ende de aldereerste oorsaeck, om dat
Christus in Adam niet gesondight hadde, mits hy,
als den tweeden Adam, in den eersten Adam, als
het hooft ende de gemeyne stamme, wortel, ende
het representatijf van het verbont der wercken, ende
^11 e participanten des selfs, niet en is ingerekent
-ocr page 430-
422                  Van Christi Menschwerdinge.
geweest, ende alsoo vry is van die algemeyne sonde
ende algemeyne schuit, daer aen wy alle deelachtigh
zijn, (Kom. cap. 5. vs. 12. tot 20.) consequentelick
vry moeste zijn, ende niet onderworpen die algemeyne
corruptie ende dien doot der sonde, die Adam ende
ons allen, zijnde in hem participanten in het verbont
der wercken van wegen die eerste overtredinge des
selven verbonts, overgekomen is: gelijck sulcks hier
boven geleert wert, Vrage 6. ende 7. ?
A. Ja.
c V. Kan dan wel bestaen \'t argument van de Mon-
noniten, seggende, dat Christus een sondigh mensch
soude geweest zijn, soo hy sijn vleesch ende bloet
van Maria hadde?
A. In \'t minste niet, en dat om redenen nu geseyt.
c V. Welck is het werck \'t welcke de H. Geest in
ende ontrent de ontfanckenisse Christi gedaen heeft?
A. 1. De Heylige Geest heeft de menschelicke
nature Christi geschapen, de ziele uyt niet schep-
pende, ende het lichaem formeerende uyt de sub-
stantie ende zade der maget Maria, deselve sonder
toedoen des mans vruchtbaor makende boven de or-
deninge der nature. 2. Hy heeft deselve geheylight
ofte afgescheyden gehouden van alle besmettingen
der sonden, daer Maria mede besmet was. 3. Ver-
eenight met de persoon des Soons Godts in eenigheyt
des persoons, terstont van den eersten oogenblick op
welcke de ziele in het lichaem is ingestort, ende hy
alsoo een mensch geweest is: soo dat des mensche-
licke nature noyt heeft bestaen by haer selven, maer
altijt in de persoone des Soons Godts, met deselve
persoonlick vereenight zijnde.
d V. Seght nu, hoe dat dese menschwordinge Christi
is toegegaen, is het geschiet door veranderinge, dat
de Godtheyt in de menscheyt verandert zy?
A. Neen.
c V. Kan de Godtheyt wel veranderen?
A. Neen.
-ocr page 431-
Van Christi Menschwerdi\'nge.             - 423
d V. Is het geschiet door vermenginge van Godtheyt
ende mensohheyt ?
A. Neen.
c V. Is het geschiet door verwisselinge, dat de eene
nature in plaetse van de andere gekomen is?
A. Neen.
c V. Is het geschiet, gelijck een arm man rijck wort,
ende een rijck man arm?
A. Neen.
c V. Hoe is \'t dan geschiet?
A. Door aenneminge.
d V. Waer staet, dat het geschiet is door aenneminge?
A. Phil. 2. 7. De gestalte eens dienstknechts aenge-
nomen hebbende. Hebr. 2. 14, 16. Overmits dan de kin-
deren des vleeschs ende bloets deelachtigh zijn, soo is
hy oock desgelijcks derselver deelachtigh geworden.
vs. 16. Want waerlick hy en neemt de Engelen niet
aen, maer hy neemt Abrahams zaet aen.
d V. Wat is aenneminge te seggen?
A. Dat hy yet heeft tot sijn persoon aengenomen,
ende met sich vereenight, het gene hy te voren niet
en hadde.
d V. Hoe gaet dat toe?
A. Dat de menschelicke natuer is vereenight met
de Goddelicke, en dat in eenigheyt des persoons.
8 V. Is dat een vereeniginge der twee naturen?
A. Ja.
d V. Is het een vereeniginge der twee naturen, tot
een natuer: gelijck de vereeniginge van ziele ende
lichaem in een mensche ?
A. Neen.
d V. Hoe ende waer toe zijn ende blijven dan die
twee natueren vereenight?
A. Tot een persoon.
d V. Heeft de natuer een natuer, of de persoon een
natuer aengenomen?
A. De persoon heeft een natuer aengenomen.
V. Is het een wesentlicke; of een accidenteelicke
-ocr page 432-
424                  Van Christi Menschwerdinge.
of toevallige vereeniginge, gelijck yemant een kleet
aenneemt, ende met sijn lichaem vereenight?
A. Een wesentlicke.
c V. Is het een onverkeerlicke vereeniginge ?
A. Ja.
d V. Is het een onverscheydelicke vereeniginge?
A. Ja.
d V. Heeft de Sone Godts, die natuer aennemende,
met sijn Goddelicke natuer vereenight?
A. Ja: te weten tot een persoon, ende niet tot
een natuer.
d V. Gaet de aenneminge der menschelicker nature
voor, of gaet de vereeniginge der selver met de God-
delicke nature voor?
A. De aenneminge gaet voor: te weten in ordre ,
maer niet in tijt.
c V. De menschlicke natuer, bestaet die op haer selven?
A. Neen.
d V. Isse dan een adjunct, ofte yet bygevoeght tot
de tweede Goddelicke persoon, om in deselve te be-
staen ?
A. Ja.
d V. Magh ick dan wel seggen, Godt is mensch?
A. Ja.
c V. Zijn die twee naturen van malkanderen onder-
scheyden?
A. Ja.
c V. Heeft de Godtheyt de menscheyt hare eygen-
schappen niet medegedeelt ?
A. Neen.
c V. Heeft de menscheyt de Godtheyt hare eygen-
schappen niet medegedeelt?
A. Neen.
c V. Heeft yeder natuer hare eygenschappen behouden\'?
A. Ja.
d V. Wie zijn die gene, dewelcke seggen, dat de
Godtheyt de menschheyt eenige eygenschappen mede-
gedeelt heeft?
-ocr page 433-
Van Christi Menschwerdinge.                 425
A. De hedendaegsche Luterschen.
(i V. Kan de Godtheyt aen de menscheyt hare eygen-
schappen wel mededeelen?
A. Neen.
d V. Waerom niet ?
A. Om dat Godt hemselven niet en kan versaken,
2. Tim. cap. 2. vs 18. 2. Om dat de menscheyt als
dan geen menscheyt meer soude zijn, maer Godt-
heyt: en soo soude Christus, de Sone Godts, niet
aengenomen hebben een menschelicke, maer een
Goddelicke natuer, so soo soude de menscheyt in
een Godtheyt verandert worden,
il V. Wat reden kondt ghy van dese consequentie
geven ?
A. Om dat de eygenschappen Godes van het wesen
der Godtheyt, ende van malkanderen, wesentlick
ende reëlick niet onderscheyden zijn; soo dat die het
eene door communicatie soude hebben, die soude het
andere oock moeten hebben.
V. Is Christus dan niet na sijne menschlicke na-
ture over al tegenwoordigh geweest?
A Neen.
(1 V. Bewijst dat?
A. Joh. 6. 15. Ontweeck wederom op den bergh,
hy selve alleen, vs. 24. Doe dan de schare sagh dat
Jesus aldaer niet en was. vs. 25. Ende als sy hem
gevonden hadden over de zee, &c. ende cap. 11.
vs. 21. Mare. 6. 53
V. Dat is geweest doen hy was in den staet sijner
vernederinge; maer heeft de Goddelicke natuer de
menschelicke hare eygenschap van over al tegen-
woordigheyt niet medegedeelt in den staet haerder ver-
hooginge, als Christus was opgestaen van den dooden?
, A. Neen.
d V. Bewijst dat?
A. Luce 24. 31. Ende hy quam wech uyt haerge-
sichte. Actor. 1. vs. 3. Hemselven levendigh vertoont
heeft met vele gewisse kenteeckenen, &c.
-ocr page 434-
426                  Van Christi Menschwerdinge
d V. Doen was hy noch niet opgevaren; maer is de
menschelicke nature niet over al tegenwoordigh ge-
worden door ende na de hemelvaert?
A. Neen.
d V. Bewijst dat?
A. 1. Om dat hy voorseght heeft, dat hy soude
wechgaen ende do werelt verlaten. Joh. 16. 18. ende
17. 11. 2. Om dat hy waerlick opgenomen is. Luce
24. 51. Actor. 1. 9. 3. Om dat hy hom nu in den
hemel onthoudt. Aetor. 3. 21. De reden waerom,
siet Hebr. 8. vss. 3, 4, 5. 4. Om dat hy ten jongh-
sten dage sal wederkomen om te oordeelen, niet eer-
der. Matth. 24. 30. Joh. 14. 3. Actor. 3. 21. 2. Corinth.
5. 10. Phil. 3. 21. 2. Thess. 1. 7.
< V. Heeft de Goddelicke natuer de menschelicke
niet medegedeelt de eygenschappen van alwetenheyt f
A. Neen.
d V. Bewijst dat?
A. Luce 2. 25. Endo Jesus nam toe in wijsheyt.
Mare. 13. 32. Maer van dien dagh on die ure en
weet niemant, noch de Engelen die in den hemel
zijn, noch de Sone, dan de Vader.
c V. Is de menschelicke nature niet medegedeelt de
eygenschap van almachtigheyt?
A. Neen.
d V. Bewijst dat?
A. 1. Om dat hy sijnen Vader heeft aengeroepen
ende gebeden in sijn lijden, als den Almachtigen, dat
hy hem helpen on verlossen wilde, soo het mogelick
ware. Matth. 26. vs. 39. met Hebr. 5. 7. 2. Om dat
hy sijnen Vader heeft aengeroepen, als hy mirakelen
doen soude. Mare 6. 41 Joh. 11. 41. 3. Om dat hy
uytdruckelick voor de Joden betuyght heeft, dat hy
van hemselven (namelick , als mensen) niet kost doen
Joh. 5. 19.
d V. Maer zijn de eygenschappen der naturen niet
vereenight?
A. Ja
-ocr page 435-
Van Christi Menschwerdinge.                 427
d V. Hoe, in een natuer?
A. Neen.
d V. Hoe dan, in een persoon ?
A. Ja.
Ij V. Magh ick wel seggen, die sterffelicke is do on-
sterffelicke Godt?
A. Ja.
<• V. Magh ick wel seggen, Godt de mensch heeft de
werelt geschapen?
A Ja.
•         V. Magh ick wel seggen , de menscheyt heeft de
werelt geschapen?
A Neen.
c V. Magh ick wel seggen, Godt is vernedert, gekruyst,
gestorven , begraven, &c. ?
A. Ja: Actor. 20. vs. 28. Om de gemeynte Gods
te weyden, welcke hy (te weten Godt) verkregen
heeft door sijn eygen bloet.
c V. Maer magh ick sulcks van de Godtheyt seggen?
A. Neen
«\' V. Magh ick seggen, de persoon des Soons heeft
geleden?
A. Ja.
c V. Hoe, na wat natuer?
A. Na de menschelicke natuer.
*       V. Is yeder natuer een natuer op sich selven be-\\
staende ?
A. Neen.
o V. Maken dan die twee naturen in Christo, een
persoon ?
A Ja.
AENHANGHSEL, &c.
c V. Waer, ende op wat plaetse is Christus geboren?
A. Te Bethlehem in het Joodsche lant. Mich. 5. 1.
met Matth. cap. 2. vs. 5.
\'\' V. Wanneer is hy geboren?
-ocr page 436-
428                  Van Christi Menschwerdinge.
A. In de volheyt des tijts, Galat. 4. 4. als de scep-
ter van Juda soude wechgenomen werden, Gen.
49. 10. staende den tweeden Tempel, Hagg. 2. 7,
&c. ten eynde van de 70. weken, Dan. 9. 24. als
Augustus Keyser was, Luc. 2. 1. als Herodes Koninck
was, Matth. 2. 1. als Cyrenius over Syrien Stadt-
houder was, Luce cap. 2. vs. 2. Hier soude konnen
gehandelt werden tegen de Joden, dat de Messias
gekomen is, ende dat de Heere Christus de ware
Messias is: doch hier van hebben wij gesproken
Vrage 30.
a V. Waer is Christus in geleyt, als hy geboren was ?
A. In een kribbe. Luce 2. 7.
b V. Was dese kribbe van hout ofte van steen?
A. Het blijckt niet.
b V. Heeft Christus in de kribbe gelegen in \'t midden
van twee beesten, ende van deselve beaessemt?
A. Het blijckt niet, hoewel de Papisten sulcks
sustineeren: immers plachten te schilderen.
b V. Is de herberge binnen oft buyten Bethlehem
geweest ?
A. Binnen Bethlehem.
c V. Is de stal buyten de herberge geweest, ende
van deselve afgesondert?
A. Het blijckt niet.
b V. Heeft Maria Christum gebaert met besloten
lichame ?
A. Neen.
b V. Heeftse hem gebaert sonder pijne ende smerten V
A. Dat en staet in Godts woort niet.
d V. Wie zijn de gene, die oordeelen, dat Maria
Christum gebaert heeft met gesloten lichame, ende
sonder smerten ?
A. De Papisten,
d "V. Soudt gy die van \'t Pausdom het contrarie wel
konnen bewijsen?
A. Ja: 1. Hebr. 2. 14. Soo is hy oock desgelijcks
der selver deelachtigh geworden: vergelijckt dit met
-ocr page 437-
Van Christi Menschwerdinge.                 42i>
Luce 2. 22, 23. 2. Om dat Maria selfs de sonde is
onderworpen geweest. 3. Om dat Maria, volgens Godte
woort, van andere monschelicke smerten niet vry
geweest is, Luce 2. vs. 35, 48. De Papisten selfs
spreken veel van seven ween, die Maria soude gehadt
hebben, ende datso in een beswijmenisse soude ge-
vallen zijn, wanneer sy haren Sone aan den kruyce
sagh hangen: wat vreemdigheyt sal het dan zijn, te
seggen, datse Christum met pijne ende smerte ge-
baert heeft.
d V. Het schijnt nochtans, datse sonder smerte ende
pijne moet gebaert hebben, want sy wondt het kin
deken in doecken, ende leyde het neder in de kribbe\'?
A. 1. Een ander kan dit alles gedaen hebben: want
het gene yemant door een ander doet, wort gehouden,
als van hem selfs gedaen, 2. Sam. 12. vs. 9. Joh.
4. 1. 2. Genomen, sy heeft dit alles selfs gedaen,
soo kan evenwel sulcks daer niet uyt besloten werden;
want de Heere kan haer gesterckt hebben, ende
krachten gegeven; gelijck men heden ten dage siet,
dat verscheyden kraemvrouwen, in tijt van noot of
ongelegentheyt, soodanigh werck selfs bestellen, ja
dickwijls in een dagh of twee uytgaen, of door het
huys gaen, haer werck doen, &e.
c V. Is dit de geboorte Christi niet te nagesproken,
als men seght, dat Maria met smerte gebaert heeft?
A. In het minste niet; soo weynigh, als ofse sonder
smerte gebaert hadde.
a V. Wat zijn het voor Koningen geweest, die ge-
komen zijn te Jerusalem, om den nieuwgeboren
Koninck te soecken?
A. Het zijn geen Koningen, maer Wijsen geweest.
Matth. 2. 1.
b V. Waer zijnse van daen gekomen, uyt Morenlant?
A. Dat en staet\'er niet; maer alleen, datse gekomen
zijn uyt het Oosten, Matth. 2. 1.
" V. Hoe veel zijnder geweest, zijnder geen drie
geweest ?
-ocr page 438-
430                 Van Christi Menschwerdinge.
A. Dat weet men niet.
c V. Boude men niet konnen besluyten, dat\'er drie
geweest zijn, uyt de schatten, die sy gegeven hebben,
namelick gout, wieroock, myrrhe?
A. Neen, want een alleen konde alle dese schatten
wel uytgereyckt hebben.
b V. Is de jonghste van de drie niet swart geweest ?
A. Het blijckt niet.
b V. Hebbense, wederkeerende naer haer lant, het
Euangelium Christi gepredickt?
A. Godts woort en spreeckt\'er niet van.
c V. Zijn hare lichamen tegenwoordigh niet te Keulen,
ofte te Milanen te vinden?
A. Het zijn niet anders als rechte fabulen, welcke die
van het Pausdom, aengaende dit alles, gedroomt hebben.
d V. Die sterre, die de Wijse verschenen is, is dat
een nieuwe sterre geweest, ofte in den beginne ge-
schapen, soo datse nochtans niet te voorschijn ge-
weest is, ofte een Comete\'?
A. Het schijnt dat het is geweest een extraordinaris
lichtende lichaem in de locht; om dat het de plaetse,
daer Christus was, distinctelick aengewesen, ende de
Wijsen geleydet heeft.
d , V. Hoe hebben de Wijse uyt de verschijninge der
sterre, konnen weten, dat de Koninck ende Messias,
die den Joden belooft was, geboren was, hebben sy
dat uyt de sterre konnen sien ?
A. Geensins.
d V. Waer door dan?
A. Door een besondere openbaringe Godts, nadien
haer niet t\'eenemael onbekent en waren de beloften
van den Koninck der Joden, gelijck uyt hare woorden
genoegh kan afgenomen werden; want sonder dese
openbaringe ende verlichtinge Godes voor sijnen Geest,
en kan niemant komen tot de kcnnisse Christi, BM
te sien is Rom. 10. vs. 17. 1 Corinth. 2. 14.
d V. Maer hoe hebbense uyt de sterre konnen afnemen,
dat hy op dien tijt geboren was?
-ocr page 439-
Van Christi Menschwerdinge.                 431
A Daer wort een boecxken gevonden sonder naem, \')
het welck fabuleert, dat de sterre hadde de gedaente
van een kleyn kint, en boven haor de gelijckenisse
van een kruys, gebiedende den Wijsen, datse reysen
souden. Maer wy seggen met don Oudtvader Augus-
tinus, datse dat vernomen hebben door een bysondere
openbaringe Godes: want daer na zijnse oock van
Godt vermaent, datse niet weder souden keeren tot
Herodem. Matth. 2. 12.
Vrage 36.
Wat nuttigheyt overkomt ghy door de heylige
ontfanginge ende geboorte Christi?
Antw. Dat hy onse Middelaer is, ende met aijne
onschult ende volkomen heyligheyt, mijne sonden,
daer in ick ontfangen ende geboren ben. voor
Godts aengesicht bedeckt.
(1 V. Heeft de leere van Christi menschwerdinge wel
eenige nuttigheyt?
A. Ja.
c V. Wat is het voor een nuttigheyt?
A. Dat Christus onse Middelaer is.
c A. Maer gaet dat al vast?
A. Ja.
c\' V. Waer uyt weet ghy dat?
A. Uyt de menschwerdinge.
d V. Hoe uyt de menschwerdinge Christi?
A. Om dat die gene, die mijnen Middelaer soude
zijn, ende my met Godt versoenen, moest waerach-
tigh ende rechtveerdigh mensche ende Godt zijn in
eenigheyt des persoons: dat hy Godt is, heeft in de
voorgaende Sondagh gebleken, dat hy met eenen
waerachtigh ende rechtveerdigh mensche is in eenig-
\') Wij souden zéggen: Er beslaat een boekje, zonder naam
van schrijver, enz.
-ocr page 440-
432                 Van Christi Menschwerdingo.
heyt des persoons, blijckt alhier in desen Sondagh
uyt sijne menschwerdinge.
c V. Is dese leere van Christi menschwerdinge noot-
sakelick ter saligheyt?
A. Ja.
c V. Soude men dan niet konnen saligh worden, als
men die verwerpt?
A. Neen.
c V. Doet dat wel tot de saligheyt, dat men weet
ende gelooft, hoe Christus mensch geworden is?
A. Ja.
c V. Is \'t dan niet genoegh, dat men maer simpe-
lick gelooft, dat hy mensch geworden is, latende de
rest varen?
A. Neen.
d V. Wie seggen dat?
A. De Mennoniten ende Remonstranten.
c V. Die de oorspronck van Christi vleesch tegen-
spreken, houden die de grondige kennisse van den
rechten Middelaer?
A. Neen : want sal ick weten of ick den rechten
Middelaer hebbe ofte niet, soo moet ick sekerlick
weten waer den Middelaer van daen gekomen is
c V. De leere van Christi menschwerdinge, dient die
tot troost?
A. Ja.
d V. "Welck is die?
A. Dat hy met sijne onschult ende volkomene hey-
ligheyt alle mijne souden voor Godts aengesicht bedeckt.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Joh. 17. 19. Ende ick heylige my selven voor
haer. 1. Cor. cap. 1. vs. 30. Die ons geworden is
wijsheyt van Gode , ende rechtveerdigheyt, ende hey
lighmakinge. Hebr. 7. 26, 27. Want soodanigh een
Hoogepriester betaemt ons , heyligh, onnoosel, onb\'"
smet, afgescheyden van de sondaren, &c.
-ocr page 441-
Van het Lijden Christi.                      433
SOXDAGH XV. Vrage 37, 38, 89.
Vbage 37.
Wat verstaet ghy by dat woordeken Geleden?
Antw. Dat hy aen lijf ende ziele, den gantschen
tijt sijns levens, op der aerden, maer insonder-
heyt aen het eynde sijns levens, den toorn Godts,
tegen de sonde des gantschen menschelicken ge-
slachts gedragen heeft, op dat hy met sijn lijden,
als met den eenigen soen-offer, ons lijf ende ziele
van de eeuwige verdoemenisse verlost, ende ons
Wodts genade, gerechtigheyt ende dat eeuwige
leven verworve.
d V. Waer van wort hier gesproken?
A. Van het lijden Christi.
d V. Hoe wort desen Sondagh afgedeelt?
A. In twee deelen.
tl V. Welck zijn die twee deelen?
A. 1. Van het lijden Christi in hetgemeyn, Vrage
37. 2. Van het lijden Christi in \'t particulier ende
bysonder, Vrage 38, 39.
;i V. Wie heeft geleden?
A. De Sone Godts.
b V. Heeft de Vader niet geleden?
A. Neen.
b V. Christus en de Vader is nochtans een, doense
niet?
A. Ja, namelick een Godt, maer niet een persoon,
b V. Is yemant van de drie persoonen mensch gewor-
den, als de Sone?
A. Neen.
b V. Kan dan yemant wel meer geleden hebben, als
de Sone?
A. Neen.
28
-ocr page 442-
434                       Van het Lijden Christi.
a V. Hoe veel naturen zijnder in Christo ?
A. Twee, Goddelicke ende nienschelicke natuer.
a V. \'Na wat natuer heeft Christus geleden?
A. Na de nienschelicke natuer.
a V. Heeft de Godtheyt geleden; of heeft hy in ende
na sijn Godtheyt geleden?
A. Neen.
b V. Wel Christus is immers Godt?
A. \'t Is soo; maer hy is oock mensch.
d V. Is daer swarigheyt in gelegen, soo ick seyde,
dat hy na sijne Godtheyt geleden hadde?
A. Ja.
d V. Wat voor swarigheyt?
A. Dat dan de Godtheyt soude veranderlick endt
sterffelick zijn.
c V. Kan ick wel seggen, Christus Godt heeft geleden?
A. Ja.
c V. Maer magh ick wel seggen, Christi Godtheyt
heeft geleden?
A. Neen.
c V. Magh ick wel seggen, Godt heeft in den vleesohe
geleden ?
A. Ja.
d V. Daer staet Actor 20. 28. Godt heeft sijn Kerel»
met sijn bloet gekocht?
A. Dat is te verstaen van de persoon die Godt en*
mensche is, maer niet ten aensien van de Goddeliikf
natuer ofte Godtheyt; want de Godtheyt heeft gei"
bloet, die is een geest, Joh. cap. 4. vs. 24. ende ee"
geest en heeft noch vleesch noch been, als Chris»"
srght Luce 24. 39. en dienvolgens geen bloet.
b V. Is Christus onsen Middelaer na beyde naturen
A. Ja.
c V. Wat heeft do Godtheyt tot dit lijden gedaen*
A. 1. De Godtheyt heeft de mensch\'eyt ondersteun\'
ende krachten gegeven. 2. Sy heeft oock valeur, «\'eer\'
digheyt ende prijs gegeven aen dit lijden,
d V. Is de Godtheyt de menscheyt alleen soo
n
-ocr page 443-
Van het Lijden Chrïsti.                      435
steunsel ende kracht geweest, gelijekse allen creaturen
is, diese krachtelick ophoudet, ende onderhoudet?
A. Neen.
il V. Hoe is dit dan te verstaen?
A. Alsoo, dewijle het lichaem ende de ziele Christi
is even het eygen lichaem, ende de eygene ziele des
Soons Godts, nadien deselve persoonlick in den Sone
Godts met de Godtheyt vereenight zijn; soo is het
gebeurt, dat, van wegen de innerlicke, ende naeuwe
vereeniginge der twee naturen, soo svvaren last de
menschelicke natuer opgeleyt, van deselve heeft kon-
nen gedragen werden.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat Christus in sijne
menschlicke nature heeft geleden ?
A. 1. Petr. cap. 8. vs. 18. Die wel is gedoodet in
het vleesch. ende 4. vs. 1. Dewijle dan Christus voor
ons in \'t vleesch geleden heeft, &c.
c V. Uyt hoe veel wesentlicke deelen bestaet de
mensche ?
A. Uyt twee deelen, namelick, ziele ende lichaem.
d V. Wat is een menschelicke ziele?
A. Een geest of een geestelick wesen ende sub-
stantie van Godt in den mensche geschapen. Genes.
2. 7. Zachar. 12. 1.
\'1 V. Kan men de ziele] wel sien?
A. Neen.
d V. Is het den aessem, die uyt des menschen mont
gaet, als hy sterft?
A. Neen.
» V. Heeft Christus geleden in sijn ziele, of in sijn
lichaem , of in alle beyde ?
A. In alle beyde.
V. Bewijst dat Christus in sijn lichaem geleden heeft?
A. Dat blijckt uyt de Euangelische historiën, als
oock 2. Cor. 8. 9. 1. Petr. 2. 24. Die selve onse son-
den in sijn lichaem gedragen heeft op het hout.
V. Bewijst dat hy in sijn ziele geleden heeft?
A. Esai. 53. vs. 11. Om den arbeyt sijner ziele sal
-ocr page 444-
436                      Van het Lijden Christi.
hy \'t sien. Matth. 26. vs 38. Mijne ziele is geheel
bedroeft tot der doot toe. ende 27. 46. Joh. 12. 27.
d V. Hebt ghy oock niet een krachtige reden, om te
bewijsen, dat Christus in sijn ziele geleden heeft, ja
moest lijden?
A. Ja.
d V. Welck is die?
A. Om dat wy beyde in lichaem en ziele gesondight
hadden, ende dienvolgens beyde ons lichaem ende
ziele des doots schuldigh, soo moeste dan oock voor
beyde betaelt ende geleden werden, beyde moesten zy
verlost worden: 1 Corinth. 6. 20. \'t welcke niet en
konde geschieden, \'t en ware dan dat beyde ziele en
lichaem leedt de straffe der sonde. Derhalven soo heeft
de Middelaer ende Verlosser Jesus Christus, beyde in
ziele ende lichaem de straffe voor de sonde niet alleen
willen, maer moeten besueren, soude ons lichaem
ende ziele andersins verlost zijn.
d V. Wie zijn de gene, die ontkennen, dat Christus
directelick ende immediatelick in sijn ziele geleden heeft.
A. Die van \'t Pausdom.
d V. Wat is haer sustinue in desen dcele?
A. Dat het al te slecht ende te geringh van onsen
Salighmaker is gesproken, dat men seggen soude, dat
hy in sijn ziele geleden heeft.
d V. Wat soudt ghy hier op antwoorden?
A. 1. Dat het woort des Heeren sulcks wel duyde-
lick getuyght, ende derhalven wy sulcks gelooven
moeten. 2. Is het niet te gering noch te slecht van
onsen Salighmaker gesproken, dat men seyt, dat hy
is in de werelt gekomen, ende de menschelicke nature
heeft aengenomen; soo en is het oock niet te geringh
ende te slecht van hem gesproken, dat men seyt, dat
hy in sijn ziele geleden heeft. 3. Dat dan, volgens
het gevoelen van die van \'t Pausdom, de ziele niet
verlost is: want heeft Christus in sijn ziele niet gele-
den, zoo heeft hy de straffe, die onse ziele verdient
hadde, niet wechgenomen, dewijle in, ende na deselve
-ocr page 445-
Van het Lijden Christi."                    437
deelen moeste geleden worden, na dewelcke de men-
sche gesondight hadden: en is onse ziele niet verlost
door Christum, wat raet dan voor ons om behouden
ende saligh te worden,
c V. Wanneer, ende hoe lange heeft Christus geleden ?
A. Den gantschen tijt sijns levens,
d V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Psalm 22. 7. Maer ick ben een worm ende geen
man , «fee. Esai. 58. 2 , 3. Hy en hadde geen gedaente
noch heerlickheyt, &c. Hy was veracht, ende de on-
weerdighste onder de menschen, een man van smerte,
ende versocht in kranckheyt, &c. Gelijck oock de
Euangelische historiën van den loop zijns levens sulcks
genoeghsaem bekent maken.
o V. Wanneer heeft hy allerswaerst geleden?
A. Op het eynde van sijn leven.
d V; Heeft Christus te voren in sijn ziele geleden?
A. Ja: als te sien is Luce 12. vs. 50. Maer ick
moet met eenen doop gedoopt worden: ende hoe worde
ick geperst tot dat het volbracht zy. Joh. cap. 12. vs. 27.
Nu is mijne ziele ontroert, «fee.
d V. Wat heeft hy op het laetste geleden in sijn ziele ?
A. Den toorn Godts.
d V. Waer in bestaet het lijden der zielen, der gener
die in de helle zijn?
A. Daer in, 1. datse berooft zijn van het lieffelick
aenschijn Godts. 2. Datse gevoelen ende dragen den
toorne Godts.
(1 V. Is Christus oock verlaten geweest van sijnen
Vader?
A. Ja.
d V. Bewijst dat?
A. Matth. 27. 46. Mijn Godt, mijn Godt, waerom
hebt ghy my verlaten?
d V. Hoe is dese verlatinge Christi toegegaen, nadien
de Godtheyt van de menscheyt niet kan scheyden?
A. Dat is, dat hy voor dien tijt niet heeft gevoelt
noch gesmaeckt het lieflick aenschijn ende invloeijen
-ocr page 446-
438                       Van het Lijden Christi.
der Godtheyt, met vreughde ende troost in sijne men-
schelicke ziele.
d V. Is dan Christus niet gantschlick van sijnen Vader
verlaten geweest?
A. Neen.
d V. Is hy verlaten geweest ten aensien van de ver-
eeniginge der beyder naturen?
A. Neen.
d V. Is hy verlaten geweest ten aensien van de gunste
ende liefde sijns Vaders?
A. Neen.
d V. Is hy verlaten geweest ten aensien van sijn ge-
loove ende vertrouwen op de gunste ende liefde sijns
Vaders ?
A. Neen. Matth. 27. 46.
d V. Hoe dan?
A. Ten aensien van den smaeck ende het gevoelen
van de gunste ende liefde sijns Vaders.
d V. Heeft de Godtheyt dan niet uytgegoten ende
uytgestort de Goddelicke gunste ende liefde?
A. Ja: maer de nienscheyt heeft voor dien tijt dese
liefde ende gunste Godts niet ontvangen noch gevoelt,
van wegen, ende door het tusschenkomen onser sonden,
ende des lijdens om onse sonden: gelijckerwijs als in
een Eclipsis van de sonne, de sonne wel haer licht
geeft ende krachten uytvloeyt, maer wy evenwel,
van wegen \'t gene tusschen beyde staet, haer licht
ende stralen soo niet gevoelen noch gewaar worden:
ofte, gelijck als in den slaep des menschen, alhoewel
de ziele vereenight is met het lichaem, ende in de
oogen, ooren, &c. eenige werckinge doet, nochtans
de werckingen der ziele niet gevoelt noch gewaer en
worden in de oogen, ooren, &c. om te sien ende te
hooren: waerom oock sommige uit de Oudtvaders dese
verlatinge Christi door gelijckenisse genoemt hebben
eenen soeten slaap der Goddelicke nature.
d V. Heeft Christus oock den toorne Godts geleden?
A. Ja.
-ocr page 447-
Van het Lijden Christi.                      439
d V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Matth. 26. en 27. Mare. 14. en 15. Luce 22.
ende 23. Joh. 18. ende 19.
c V. Maer is\'er eygentlick toorn in Godt?
A. Neen.
d V. Waerom niet?
A. Om dat\'er geen veranderinge des gemoedts in
Godt is. Malach. 3. vs. 6. Want ick de Heere en
worde niet verandert. Jae. 1. 17. Bj- wekken geen
veranderinge is, ofte schaduwe van omkeeringe.
d V. Wat beteeckent dan den toorne in Godt ?
A. 1. Een mishagen het welck Godt aen de sonde
heeft, ende een voornemen ofte wille om de sonde
rechtveerdighlick te straften: Joh. 3. vs. 36. Maer de
toorn Godts blijft op hem. 2. Een uytvoeringe van
dit sijn voornemen, ofte de datelicke straffe selfs:
Matth. 3. 7. Ghy adderen gebroedsels, wie heeft u
aengewesen te vlieden van den toekomenden toorn?
Luce 21. 23.
d V. In wat beteeckeninge wordt de toorn Godts al-
hier genomen?
A. In de tweede beteeckeninge, namelick, voor de
straffe selfs, die wy menschen door de sonde ver-
dient hebben, soo tijtlicke als eeuwige.
b V. Waer tegen was desen toorn Godts?
A. Tegen de sonden.
b V. Tegen wat sonden ?
A. Tegen alle sonden, hoedanigh sy oock souden
mogen wesen.
V. Tegen welcker menschen sonden?
A. Tegen de sonden der ware geloovigen, of der
uytverkorene.
e V. Heeft hy geleden voor yeder mensch hooft voor
hooft?
A. Neen.
* V. De Catechismus seyt nochtans, dat hy geleden
heeft den toorne Godts, tegen de sonde des gantschen
menschelicken geslachts?
-ocr page 448-
Van het Lijden Christi.
440
A. Dit kan tweesins verstaen worden. 1. Of dat
dese uytbreydinge tot het gantsclio menschelicke ge-
slachte , by den toorne Godts die ontsteken was tegen
de sonde van alle mensehen, gevoeght werde: ende
niet by liet dragen Christi van den toorne Godts;
als of hy als borge in plaetse van yeder mensche
hem gestelt, ende hare sonde op hem soude geno-
men hebben. 2. Of dat het gantsche menschelicke
geslachte alhier beteeckent, alderhando menschen,
of alle soorten van menschen: gelijck het woort alle ,
Rom. 11. 81. 1. Tim. 2. 4. Dat is, niet voor alle
ende een yeder mensche; maer voor allerley soorten,
i-onditien, ende natiën uyt het gantsche menschlicke
geslacht, die in hem gelooven sullen, Esai 53. 4, 5, C, 7.
Joh. 1. 12. Maer soo veel hem aengenomen hebben,
dien heeft hy macht gegeven kinderen (iodts te wor-
den, namelick, die in sijnen name gelooven. 1 Petr,
cap. 2. vs 24. Siet verders hier van, Vrage 20.
d V. W&erom spreeckt de Catechismus soo, en waer-
om en seytse niet veel liever, tegen de sonden van
alle geloovigen?
A. 1. Om de grootheyt ende overvloedigheyt van
dit lijden Christi voor te dragen, als dat hy niet ge-
leden heeft, voor een sonde alleen, noch voor een
mensche alleen, noch voor eene natie, maer voor
alle de sonden, die soo veel ontallicke duysonden
van menschen gedaen hebben, ende in sijnen Name
gelooven. 2. Op dat yeder een, wie hy oock zy, jonck
of oudt, rijck of arm, Koninck of ondersaot, Jode of
Heyden, die maer waerlick in Christus gelooft, hem-
selven soude konnen versekeren, dat hem de ver-
dicnslen Christi toekomen, geloovende vastelick dat
in Christo Jesu niet en is Grieck ende Jode, besnij-
denisse ende voorhuyt, Barbare ende Scytha, dienst»
knecht ende vrije, maer Christus alles in allen.
Coloss. 3. 11.
c V. Heeft Christus dan alleen geleden voor de ge-
loovigen\'?
-ocr page 449-
Van het Lijden Christi.                      441
A. Ja.
<• V. Is hij alleen haren Salighmaker?
A. Ja.
<• V. Heeft Christus voor hemselven niet geleden ?
A. Neen.
d V. Maer hoe kan het bestaen met de rechtveerdig-
heyt Godts, dat hy, die onnoosel ende onschuldigh
is, voor ons , die wy schuldigh zijn, gestraft is ?
A. Heel wel. Siet Vrage 12.
c V. Is hy dan onse borge geworden?
A. Ja.
d V. Stont hy dan in onse plaetse?
A. Ja.
d V. Mocht hy dan met recht, van Godt, om onser
sonden wille, gestraft worden ?
A. Ja.
d V. Moet een borge dan dragen het gene die soude
moeten dragen daer voor hy borge geworden is ?
A. Ja.
d V. Heeft hy alles geleden dat wy moesten lijden ?
A. Ja: soo veel de substantie ofte het wosen der straffe,
ende de valeur ofte de weerdije der selver aengaet.
c V. Heeft hy geleden tijtlicke ende eeuwige straffe ?
A. Ja.
d V. Het schijnt nochtans anders te zijn, want wy
moesten eeuwighlick lijden, en Christus heeft maer
soo eenen korten tijt geleden?
A. Dit is gecompenseert met de weerdigheyt sijns
lijdens.
d V. Waer van daen quam dese waerdigheyt?
A. Om dat hy was de Sone Godts.
e V. Tot wat eynde heeft Christus geleden?
A. Om ons te verlossen van de eeuwige doot ende
verdoemenisse, ende alsoo vervolgens door sijne vol-
maekte gehoorsaemheyt aen ende na de Wet Godts
het eeuwige leven te verwerven.
0 V. Is de doot Christi alleenlick een exempel ge-
weest, gelijck de doot der Martelaren?
-ocr page 450-
Van het Lijden Christi.
442
A. Neen.
d V. Wie seggen dat ?
A. De Socinianen.
d V. Dit schijnt nochtans de Apostel Petrus te kennen
te geven: 1. Petr. 2. 21. Dewijle oock Christus voor
ons geleden heeft, ons een exempel nalatende, &c.
A. Christus heeft oock geleden om ons een exempel
te geven ende na te laten, maer dat en is het voor-
naemste ende principaelste niet.
c V. Heeft dan de doot Christi een grooter kracht,
als datse alleen ons een exempel soude zijn ?
A. Ja.
d V. Wat kracht heeftse?
A. Dat hy ons daer door als een rantsoen ende
voldoeninge verlost heeft van de eeuwige doot ende
verdoemenisse.
c V. Heeft dat wel gedaen de doot der Martelaren?
A. Neen.
c V. Hebben sy door hare doot, haer selven konnen
verlossen van hare sonden\'?
A. Neen.
c V. Alle het gene sy dan gedaen hebben, hebben
sy dat gedaen door kracht van \'t lijden ende sterven
Jesu Christi?
A. Ja.
b V. Heeft Christus door sijn doot ons wat verdient?
A. Ja.
d V Heeft hy Godt yet verworven ende verdient?
A. Neen.
d V. Wie seggen, dat hy Godt yet verworven
heeft ?
A. De Remonstranten
d V. Wat is het gevoelen van de Remonstranten in
desen deele?
A. Sy seggen, dat Christus door sijn lijden ende
sterven heeft verworven by den Vader, dat de Vader
nu wederom met de mensehen magh handelen, ende
een ander verbont oprichten: soo dat wy door Chris-
-ocr page 451-
Van- het Lijden Christi.                      448
tum alleenlick gestelt soude zijn in soo eenen staet,
daer in Adam was voor den val.
d V Wat soudt ghy daer toe seggen?
A. Dat dat heel absurd ende ongerijmt is: want
soo soude Christus niet ons, maer den Vader yet
verdient hebben. Soo soude ooek niet de Heere Christus,
maer de mensche selfs de oorsake zijn van sijn salig-
heyt: want Adam en hadde voor den val geen recht
tot het eeuwige leven, noch en konde \'t selve niet
besitten, \'t en zy ende voor al eer hy de Wet vol-
daen hadde.
d V. Maer heeft dit lijden Christi gantsch geen opsicht
tot Godt?
A. Ja.
d V. Hoe wort dat genoemt?
A. Voldoeninge.
d V. Is dat tweederley lijden, ten aensien van Godt,
ende ten aensien van ons?
A. Neen.
d V. Is het dan een lijden?
A. Ja.
d V. Hoe wort het dan genoemt ten aensien van
Godt?
A. Voldoeninge.
d V. Hoe ten aensien van ons?
A. Verdienste ende verwervinge.
l\' V. Aen wien heeft Christus voldaen?
A Aen Godt.
o V. Wie is de schuitheer?
A. Godt.
« V. Wie zijn de schuldenaers ?
A. De menschen.
ó V. Welck is het rantsoen ?
A. Alle het lijden Christi.
d V. Ghy seght, dat aen Godt voldaen is, maer wy
waren des Duyvels gevangenen; ergo, soo moest aen
den Duyvel voldaen worden?
A. Dat volght niet.
-ocr page 452-
444                      Van het Lijden Christi.
d V. Was Godt dan do opperste Heere ende Rechter,
ende de Duyvel als do pijniger ondo executeur?
A. Ja.
d V. Is dese verlossinge geschiet door rantsoen, ofte
door ge welt?
A. Door rantsoen,
d V. Bewijst dat?
A. Matth. 20. 28. Ende sijne ziele te geven tot
een rantsoen voor vele.
d V. Bewijst, dat Christus heeft voldaen voor alle
onse sonden ?
A. Hebr. 5. 7. ende 7. 20, 27. ende 9.14. 1. Joh.
1. 7. Ende het bloot Jesu Christi sijns Soons reynight
ons van alle sonde,
d V. Bewijst, dat hy ons lijf ende ziele van de eeuwige
verdoemenisse verlost heeft?
A. Rom. 8. 1. Soo en is\'er nu geen verdoemenisse
voor den genen die in Jesu Christo zijn, ie. ende 35.
Galat. §. 13.
d V. Is dan de voldoeninge Christi volmaeckt ende
volkomen ?
A. Ja.
c V. Behoeven wy dan wel wat te voldoen ?
A. Neen.
d V. Soude men niet mogen seggen, dat dese voldoe-
ninge is na een genadigh verdragh?
A. Neen.
c V. Heeft hy dan precijslick, ende tot den laetsten
quadrantpenninck toe botaelt?
A. Ja.
d V. Hoe soudt ghy bewijsen, dat het is geweest een
volkomene voldoeninge, ende niet na een genadigh
verdragh ?
A. Esai. 53. 4, 5, f>. Waerlick hy heeft onse kranck-
lieden op sich genomen, ende onse smerten die heeft
hy gedragen, &c.
d V. Kost oock de gerechtigheyt Godts wel een halve
voldoeninge voor de sonden lijden?
-ocr page 453-
Van het Lijden Christi.                      445
A. Neen.
d V. Kan men dan oock hier uyt vastelick bewijsen,
dat het is geweest een volkomen voldoeninge?
A. Ja.
d V. Maer Godt vergeeft ons alle onse sonden om
niet; ergo, soo heeft Christus niet voldaen ?
A. Dat volght niet.
d V. Is het ten aension van Christo om niet, ofto
een volle betalinge?
A. Een volle betalinge.
d V. Is het ten aensien van ons een volle betalinge
ofte om niet?
A. Om niet: Rom. 3. 24. Ende worden om niet
gerechtveerdight, &c.
d V. Is te voren niet betaelt voor de sonden?
A. Neen.
d V. Daer staet nochtans in \'t Oude Testament, dat
waren oock offerhanden voor de sonde?
A. Dat is te verstaen, dat het figuren ende voor-
beelden waren van de volkomene offerhande Christi.
d V. Waer op sagen de offerhanden in den Ouden
Testamente ?
A. Op Christum: Coloss. 2. 17. Welcke zijn een
schaduwe van toekomende dingen, maor het lichaem
is Christi.
d V. Hebt ghy een bewijs, dat het bloet van stieren
ende boeken de sonden niet heeft wech genomen?
A. Hebr. 9. 12. Noch door het bloet der boeken
ende kalveren, maer door sijn eygen bloet, &c.
d V. Wat heeft ons Christus door sijn lijden verworven?
A. Godts genade, gerechtigheyt, ende vervolgens
het eeuwige leven, mits daer by komende de volle
onderhoudinge der Wet.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat Christus door sijn lijden
Godes genade ende gunste voor ons verworven heeft?
A. Rom. 5. 8, 9, 10, 11. Maer Godt bevestight
sijne liefde tegen ons, dat Christus voor ons gestorven
is, als wy noch sondaers waren, &c.
-ocr page 454-
Van het Lijden Christi.
446
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat liy ons heeft ver-
worven Godts gerechtigheyt ?
A. Kom. 5. 19. Alsoo sullen oock door de gehoor-
saomheyt van dien eenen vele tot rechtveerdige ge-
stelt worden.
d V. Bewijst, dat hij ons heeft verworven het eeuwige
leven ?
A. Kom. 5. 21. Op dat gelijck de sonde geheerscht
heeft tot de doot, alsoo oock de genade soude heer-
schen door rechtveerdigheyt tot het eeuwige leven,
door Jesum Christum onsen Heere. Hebr. 5. 8, 9.
d V. Heeft Christus dan meer te wege gebracht door
sijn lijden, als dat hy ons soude alleenlick gestelt
hebben in den staet daer in Adam was voor den val,
gelijck sommige willen voorgeven?
A. Ja.
d V. Heeft hy ons dan, behalven de verlossinge van
de sonden, van den vloeck des Wets, ende van do
eeuwige doot, oock verworven het recht tot het eeuwige
leven, dat is, dat wy, van wegen Christi verdiensten,
daer toe recht hebben, dat het ons toekomt, ende
stervende, sekerlick sullen saligh worden ?
A. Ja.
d V. Hadde Adam dat wel voor den val?
A. Neen: maer hy moest eerst de Wet voldoen,
soude hy daer toe konnen geraken: Genes. cap. 2.
vs. 17. Want ten dage, als ghy daer van etet, sult
ghy den doot sterven, met Galat. cap. 3. vss. 10,12, 13.
d V. Moeten wy nu noch de Wet volbrengen tot
rechtveerdighmakinge des levens?
A. Neen.
d V, Heeft Christus dan alles voor ons volbracht ende
voldaen ?
A. Ja: Rom. 8. vs. 3. Want \'t gene de Wet onmo-
gelick was, de wijle sy door het vleesch krachteloos
was, heeft Godt sijnen Sone sendende in gelijckheyt
des sondigen vleeschs, ende dat voor de sonde, de
sonde veroordeelt in het vleesch.
-ocr page 455-
Van het Lijden Christi.
447
<J V. Is onsen staet dan, daer in wy door Christi
verdiensten gestelt zijn, vry hooger ende treffelicker,
als de staet daer in Adam was voor den val?
A. Ja: want Adam en was voor den val niet ge-
komen tot het gene, daer toe wy door Christum ge-
bracht zijn, als nu gehoort is.
d V. Wat soudt ghy oordeelen en houden van dat
nieuw verbont, het welck de Vader (volgens het ge-
voelen van de Remonstranten) op ende van wegen de
verdiensten Christi, met de menschen soude gemaeckt
hebben?
A. Godts woort en spreeekt van sulck een nieuw
verbont niet.
d V. Maer waer in is doch, naer haer gevoelen, dit
nieuw verbont gelegen?
A. In een nieuwe gehoorsaemheyt, ende onderhou*
dinge van de Euangelische geboden, welcke van haer
(alhoewel bedecktelick) geleyt werden, als een oorsaeck
van de rechtveerdighmakinge: want by aldien yemant
dese Euangelische geboden niet heeft onderhouden,
nochte dese nieuwe gehoorsaemheyt betracht, soo en
konnen sy soodanige mensch de saligheyt, noch de
vergevinge der sonden niet toeseggen, alhoewel hy
na deselve met ware boetveerdighoyt, ende oprechte
tranen des berouws, soude zijn snackende ende ver-
langende; gelijck Poppius, een Remonstrant, in siju
boeck, genaemt De Siecken-troost, te kennen geeft.
En is dit in der daedt niet anders, als accordeerende
met het gevoelen van die van \'t Pausdom, namelick,
dat de goede wercken het eeuwige leven verdienen,
dan alleenlick met dit onderscheyt, dat die van
\'t Pausdom sulcks rondt uyt seggen, ende de Remon-
stranten sulcks doen bedecktelick, ende met een goet
gevolge.
d V. Kan soodanigh een verbont, bestaende in een
nieuw verbont, ende onderhoudinge van de Euange-
lische geboden, niet bestaen?
A. Neen.
-ocr page 456-
448                       Van het Lijden Christi.
d V. Waerom niet?
A. Om dat hier door niet Christus, met sijne b!oe-
dige verdiensten ende volle gehoorsaemheyt, maer de
mensche selfs, gestelt wert een oorsaeek van de sa-
ligheyt te zijn; want dat dese saligh wort, komt daer
niet van «laen, dat Christus voor dese geleden ende
alle gehoorsaemheyt der Wet volbracht heeft; maer
komt daer van daen, dat dese de Euangelische ge-
boden heeft onderhouden ende Gode gehoorsaemt.
d V. Heeft de Heere Christus oock wel eenige nieuwe
ende Euangelische geboden, ons geboden ende veror-
dineert na te komen, dewelcke voor desen volgens
de Wet Godts niet geweest en zijn?
A. Neen.
d V. Christus soght nochtans: Joh. 13. vs. 34. tot
sijne Discipelen, Een nieuw gebodt geve ick u, dat
ghy malkanderen lief hebt.
A. Dit gebodt en was niet nieuw ten aensien van
sijn wesen en natuer; maer nieuw, om dat het van
Christo vernieuwt wiert.
d V. Bewijst dat?
A. Joh. cap. 2. vs. 7. Broeders ick schrijve u geen
nieuw gebodt, maer een oudt gebodt, dat ghy van
den beginne gehadt hebt, &e. 2. Joh. vs. 5. Niet als
u schrijvende een nieuw gebodt, maer het gene wy
gehadt hebben van den beginne. En leght hier by
Matth. 22. 39.
Vrage 38.
Waerom heeft hij onder den Rechter Pontio Pilato
geleden?
Antw. Om dat hy onschuldigh onder den we-
reltlicken Rechter veroordeelt zijnde, ons daer mede
van den strengen oordeele Godts, dat over onsgaen
soude, bevrijde.
-ocr page 457-
Van het Lijden Christi.                      449
a V. Onder wien heeft Christus geleden?
A. Onder Pontio Pilato.
d V. Wat is Pilatus voor een geweest?
A. Een Heyden ende Romeynschen Stadthouder, van
den Keyser over het Joodsche volck gestelt, als te
sien is Joh. 18. vs. 35. ende Joh. 19. 12.
b V. Hoe heeft de Heere Christus geleden onder
Pontio Pilato, schuldigh ofte onschuldigh?
A. Onschuldigh.
o V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Matth. 27. 18, 19, 24. Want hy wist dat sy
hem door nijdigheyt overgelevert hadden, &c, Luce
28. 4, 14, 22. Joh. 18. 38. ende 19. 6.
c V. Waerom heeft Christus onder den Richter Pontio
Pilato geleden?
A. Om onsent wille,
c V. Wat voor een profijt ende voordeel konnen wy
daer uyt scheppen?
A. Dat wy te meer versekert souden zijn, dat wy
hier namaels, voor sijnen throon ende gerichte staende,
sullen vry gesproken werden.
V. Is dit dan de reden, waerom de geloovige ten
jonghsten dage sullen voor het gerichte Christi vry
gesproken werden?
A. Ja.
Vraoe 39.
Heeft dat yet meer in, dat hy gekruyst is geweest,
dan oft hy met een ander doot gestorven ware?
Antw. Ja \'t: want daer door ben ick seker,
dat hy de vervloeckinge die op my lagh, op hem
geladen heeft: want de doot des kruyces vanGodt
vervloeckt was.
d V. Op wat wijse wierden de misdadigers eertijts ter
doot gebracht?
29
-ocr page 458-
450                       Van het Lijden Christi.
A. Op verscheyden wijse ende maniere, als steeni-
gen, onthalsen, worgen, verdrencken, kruycigen, &c.
b V. Wat doot is de Heere Christus gestorven, syn
eygen of een geweldige doot, ende die hem van andere
is aengedaen?
A. Een geweldige doot, ende die hem van andere
is aengedaen.
a V. Is Christus dan niet op sijn bedde gestorven
van d\'een ofte d\'ander sieckte, ofte ouderdom ?
A. Neen.
a V. Wat soorte van violente doot is Christus aen-
gedaen ? \')
A. Hy is gekruyst.
b V. Wie zijn die gene die Christum gekruyst hebben *?
A. De Joden, sijn eygen volck: Joh. 1. 11. Hy is
gekomen tot de sijne, ende de sijne en hebben hem
niet aengenomen.
c V. Waerom kruysten de Joden Christum?
A. Van wegen hare nijdigheyt, waer mede hare
overste principalick, Mare. 15. 10. tegen Christum
ingenomen waren; ende de reste van wegen hare on-
wetenheyt ende ongeloove, 1. Corinth. 2. vs. 8. Luce.
23. 34.
c V. Is dan de kruyeinge geweest de aldersmade-
lickste doot?
A. Ja.
c V. Is het oock een seer pijnlicke ende wreede doof
geweest onder alle dooden?
A. Ja.
d V. Toont dat?
A. Om dat die gene, die gekruyst wierden, aen
het kruyee wierden uytgereekt ende aen handen ende
voeten genagelt, ende bleven alsoo aen den kruyee
hangen, het welck niet sonder een uytermate groote
pijne ende smerte heeft konnen toegaen.
\') Violente wil zeggen: gewehtadig.
-ocr page 459-
Van het Lijden Christi.                      451
b V. Hoedanigh is dit kruys geweest, ofte van wat
fatsoen, daer aen de Heere Christus is gehangen ge-
worden ?
• A Dat blijckt niet: al is \'t dat die van \'t Pausdom
hier van veel schrijven, en als seker haer volck doen
gelooven.
b V. Waerom heeft de Heere Christus willen, ja moe-
ten gekruycight worden ?
A. Tot onsen grooten troost,
b V. Heeft het dan yet meer in, als of hy een ander
doot gestorven ware?
A. Ja.
c V. Wat troost geeft u dit?
A. Hier door ben iek versekert, dat hy de vervloec-
kinge, die op my lagh, op hem geladen heeft,
o V. Hoe zijn wy dat seker?
A. Uyt de vervloeckinge des kruyces.
c V. Waer staet het, dat het kruys van Godt ver-
vloeckt was?
A. Deut. 21. 23. Want een opgehangene is Gode
eenen vloeck. Galat. 3. 13.
\'1 V. Heeft Christus dan die vervloeckinge , die op ons
lagh, op hem genomen?
A. Ja.
d V. Bewijst dat?
A. Galat. 3. 13. Christus heeft ons verlost van den
vloeck der Wet, een vloeck geworden zijnde voor
ons, &c.
\'I V. Heeft Christus alsoo, die eeuwige vervloeckinge
wechnemende, ons een eeuwige zegen in plaetse ge-
bracht?
A. Ja: Ephes. 1. 3. Die ons gezegent heeft met alle
geestelicke zegeninge in den hemel in Christo.
-ocr page 460-
452         Van de Nuttigheyt des Lijdens Christi.
SONDAGH XWl Vrage 40, 41, 42, 43, 44.
Vkage 40.
Waerom heeft Christus hem tot in den doot
moeten vernederen?
Antw. Daerom dat van wegen der gerechtig-
heyt ende waerheyt Godts, niet anders voor onse
sonden en konde betaelt werden, dan door de doot
des Soons Godes.
c V. Waer van wort hier gesproken?
A. Van de vrucht ende nuttigheyt des lijdens Christi.
d V. Hoe wert desen Sondagh afgedeelt?
A. In twee deelen.
d V. Welck zijn die twee deelen?
A. 1. Van de nuttigheyt des lijdens Christi, Vrage
40, 41, 42, 43. 2. Van het lijden Christi in sijn ziele,
Vrage 44.
d V. Hoe wort dat eerste onderdeelt?
A. In twee deelen, namelick, 1. van de genade van
rechtveerdighmakinge. 2. Van de genade van heyligh
makinge.
a V. Wie heeft geleden?
A. Christus.
a V. "Waer voor heeft hy geleden?
A. Voor de sonden.
a V. Voor wiens sonden?
A. Voor de sonden van de ware geloovigen.
b V. Is Christus gestorven voor de sonden van alle
menschen ?
A. Neen.
d V. Is Christus voor hemselven gestorven?
A. Neen.
d V. Waerom niet ?
-ocr page 461-
Van do Nuttigheyt des Lijdens Christi.         458
A. Om dat hy geen sonde gehadt heeft.
V. Maer hoe heeft Christus voor onse sonden kon-
nen betalen, soo doch den eenen mensch voor den
anderen niet en kan betalen?
A. Christus is Godt en rechtveerdigh mensch in een
persoon, ende geordineert tot onsen Middelaer.
V. Hadde hy de macht ende het recht daer toe?
A. Ja.
V. Wat straffe moest voor de sonde geleden worden ?
A. Tijtlicke ende eeuwige straffe.
V. Heeft Christus tijtlicke ende eeuwige straffe ge-
leden?
A. Ja.
V. Heeft Christus oock de doot geleden ?
A. Ja.
V. Is hy dan waerlick gestorven ?
A. Ja: Matth. 27. 50. Ende Jesus wederom met een
luyde stemme roepende gaf den geest.
V. Op wat dagh van de weeck is Christus gestorven?
A. Des Vrydaghs.
V. Wat ure van den dagh was het?
A. Ten drie uren des namiddaghs.
V. Op wat ure wiert hy dan gekruyst?
A. Van ontrent ten twaelf uren des middaghs tot
drie uren des namiddaghs.
V. Wat is \'er al geschiet doe Christus stierf?
A. Siet Matth. 27. Mare. 15. Luce 28. alwaer ver-
scheyden mirakelen ende wonderheden verhaelt worden.
V. Maer wat is sterven.
A. Sterven is eygentlick een beroovinge of dervinge
des levens, door een dadelicke scheydinge der leven-
dighmakende ziele van het lichaem.
V. Christus stervende, is hy gestorven na de men-
schelicke of Goddelicke natuer?
A. Na de menschelicke natuer: 1. Petr. 3. 18. Die
wel is gedoot in het vleesch.
V. Kost hy na de Goddelicko nature niet sterven?
A. Neen: 1. Tim. 1. 17. Den onverderffelicken Godt.
-ocr page 462-
454 • Van de Nuttigheyt des Lijdens Christi.
d V. Christus stervende ten aensien van sijn mensch-
licke natuer, is \'or doen oock niet geschiet eenige
scheydinge der persoonelicke vereeniginge van God-
delicke ende mensohelioke natuer?
A. Neen: want die persoonelicke vereeniginge is
onscheydelick, ende sal in eeuwigheyt onscheydelick
blijven.
d V. Bewijst, datVr geen scheydinge is geweest van
de Goddelicke en menschelicke natuer?
A. Om dat de gescheydene ziele evenwel is geble-
ven de ziele des Soons Godts, ende het doode lichaem
desgelijcks het lichaem des Soons Godts: Psalm 16.
vs. 10. Ghy en sult niet toelaten dat uwe Heylige
de verdervinge sie.
d V. Maer nadien de Godtheyt met de menscheyt is
vereenight gebleven, hoe heeft dan de menscheyt
konnen sterven ?
A. De Godtheyt heeft soo verre de menscheyt haer
selven gelaten ofte verlaten, datse heeft konnen sterven.
a V. Wat doot is Christus gestorven?
A. Hy is gekruyst.
d V. Waerom is Christus gestorven?
A. Om dat hy anders voor onse sonden niet kondc
betalen,
d V. Waerom niet?
A. Van wegen Godts gerechtigheyt ende waerheyt.
d V. Dat Christus gestorven is, is dat geen bewijs
genoegh, dat hy heeft moeten sterven?
A. Ja.
d V. Sal Godt wel een sake te vergeefs doen?
A. Neen.
d V. Soo Christus niet nootsakelick hadde moeten
sterven, soude de Vader dan sijnen Sone wel niet
de doot gestraft hebben?
A. Neen.
d V. Is dese reden dan niet krachtigh genoegh tot
overtuyginge van die gene, die seggen, dat Godt wel
de menschen hadde de sonden konnen vergeven,
-ocr page 463-
Van de Nuttigheyt des Lijde\'ns Christi.         455
sonder sijnen Sone met de doot te straffen; ende
van soodanige, die daer drijven haer genadigh ver-
dragh, gelijck daer zijn de Remonstranten ?
A. Ja.
d V. Beschuldigen dan dese menschen Godt stilswij-
gens, als dat hy een sake gedaen heeft, die hy, mits
behoudende sijn recht ende waerheyt, wel anders
hadde konnen doen?
A. Ja.
d V. Moet men sulcks van Godt wel seggen?
A. Gantschelick niet.
d V. Heeft het wel anders konnen geschieden, ten
aensien van Godes onveranderlick besluyt?
A. Neen.
e V. Wat redenen stelt de Catechismus, waerom de
Heere Christus de doot heeft moeten sterven?
A. Godts gerechtigheyt ende waerheyt vereyschte
sulcks.
<• V. Wat eyscht Godts recht?
A. De doot.
c V. Bewijst dat?
A. Rom. 1. 32. Dewelcke daer sy het recht Godts
weten, namelick, dat de gene die sulcke dingen doen,
des doots weerdigh zijn.
d V. Kan Godt sulcken recht afstaen?
A. Neen.
d V. Waerom niet?
A. Om dat hy dan hem selven soude versaken.
Siet hier van breeder Vrage 11. en 12.
c V. Eyscht Godts waerheyt oock, dat de sonde
moest met de doot gestraft worden?
A. Ja.
d V. Bewijst dat?
A. Genes. 2. 17. Want ten dage, als ghy daer van
eet, sult ghy den doot sterven,
c V. Kan Godt wel in sijne waerheyt feylen?
A. Neen.
e V. Kan de waerheyt Godts wel verandert worden?
-ocr page 464-
456                     Van Christi Begravinge.
A. Neen: Esai. 46. 10. Die segge, Mijn raedt sal
bestaen, ende ick sal al mijn welbehagen doen.
Vbage 41.
Waerom is hy begraven geworden?
Antw. Om daer mede te betuygen dat hy waer
achtelick gestorven zy.
a V. Christus gekruycight ende gestorven zijnde, is
hy aen het kruys blijven hangen?
A. Neen.
a V. Waer is hy dan gebleven?
A. Hy is begraven.
c V. Waer staet de historie van Christi begravinge?
A. Matth. 27. 57, &c. ende Joh. 19. 38.
c V. Wie zijn die gene, die Christum begraven
hebben ?
A. Joseph van Arimathea ende Nicodemus.
e V. Waren dat slechte luyden, na de wereltte rekenen?
A. Neen: want Joseph van Arimathea was een
Raetsheer, Mare. 15. vs. 43. ende Nicodemus een
Overste der Synagoge, Joh. 3. 1, 10.
c V. Hoedanigh was Joseph van Arimathea ten aen-
sien van het geestelicke?
A. Een rechtveerdigh man, een Discipel Christi,
verwachtende het Koninckrijcke Godts, ende die niet
bewillight hadde in den goddeloosen raedt ende han-
del van de Joden, Matth. 27. vs. 57, &c. Mare. 15.
42, &c. Luce 23. 50, 51.
c V. Hoedanigh was Nicodemus?
A. Een Discipel Christi, die te voren des nachts tot
Christum gekomen was, Joh. 3. 2.
b V. Waer hebben sy Christum begraven, binnen of
buyten Jerusalem?
A. Buyten Jerusalem.
b V. Waer daer?
A. In eenen hof.
-ocr page 465-
Van Christi Begravinge.
457
c V. Waerom hebben sy Christum niet begraven in
den Tempel, in \'t hooge Choor, ofte recht voor den
Predickstoel, of in de hooghste ende beste plaetse
van hare Synagogen?
A. Om dat het geen manier was by de Joden.
<• V. Waer begroeven de Joden hare dooden?
A. Buyten de steden; immers buyten hare Synagogen,
ende Godtsdienstige vergaderplaetsen.
b V. Is het evenveel waer men begraven wort, in of
buyten de Kerck, binnen de stadt of buyten de stadt ?
A. Ja.
V. Is de aerde in de Kercke niet heyliger als buy-
ten de Kerck ?
A. Neen.
V. Wie heeft dat ingevoert, dat men de luyden in
de Kerck begraeft?
A. Die van \'t Pausdom,
d V. Waerom worden de luyden by de Papisten in de
Kerck begraven?
I A. 1. Om dat men te beter soude gedencken voor
haer te bidden. 2. Om datse te beter van den Duyvel
souden bevrijt zijn. 3. Ende om datse te beter der
Zielmissen, Getijden ende andere diensten souden
deelachtigh zijn.
b V. Magh men wel voor de dooden bidden?
A. Neen.
b V. Staet het nergens in Godts woort, dat men voor
de dooden moet ofte magh bidden?
A. Neen.
d V. Indien de Duyvel het lichaem eenigh quaet wilde
ende konde doen, soude hy het soo wel niet konnen
vinden in de Kerck als buyten de Kerck?
A. Ja.
d V. De Zielmissen ende andere Missen, oock de Ge-
tijden , &c. zijn dat nuttige diensten voor de dooden ?
A. Neen.
d V. Zijnse dan goet voor den levenden?
A. Neen.
-ocr page 466-
458        Waerom de Geloovige sterven moeten,
d V. Zijn dan dese voorwendingen van de Papisten te
vergeefs?
A. Ja.
b V. In wiens graf is Christus geleyt?
A. In \'t graf van Joseph van Arimathea.
b V. Wat was dat voor een graf?
A. Een nieuw graf, dat in een steenrotse was uyt-
gehouwen.
c V. Was het dienstigh, dat Christus in een nieuw
graf geleyt wierde?
A. Ja: op dat men te sekerder zijn moghte, dat
hy opgestaen was, ende geen ander.
d V. Heeft dit wel eenige bedenckinge?
A. Ja.
d V. Wat bedenckinge heeft het?
A. Soo hy in een graf was geleyt geweest, daer een
ander te voren in hadde gelegen, soo souden de vij-
anden konnen seggen hebben, dat een ander was
opgestaen, ende niet Christus.
d V. Met wat schijnredenen soudense dat hebben
konnen seggen?
A. Siet 2. Keg. 13. 21. Alwaer verhaelt wort, dat de
Israëliten eenen man willende begraven, ende siende
de bende der Moaviten komon, den man wierpen in
\'t graf van den Propheet Eliza, ende die doode man, het
gebeente van den verstorvenen Propheet aenrakende,
werd terstont levendigh, ende rees op sijne voeten.
c V. Wat deden Joseph van Arimathea en Nicodemus
tot de begravinge Christi?
A. Sy hebben het lichaem Christi in seer fijne
linnen doecken gewonden, ende met seer kostelicke
specerijen toegemaeckt. Joh. 19. vss. 39, 40.
b V. Waerom is do Heere Christus begraven?
A. Om dat men sekorlick soude weten, dat hy
waerachtelick gestorven was.
b V. Was dit dan een bewijs van sijn doot?
A. Ja: want men begraeft geen levendige, maer
doode menschen.
-ocr page 467-
nadien Christus gestorven is.                 459
d V. Is Christus onder het gewelt des doots geweest ?
A. Ja.
d V. Is Christus oock verrot geweest?
A. Neen.
d V. Was dat te voren gepropheteert?
A. Ja: Psalm 16. 10. Ghy en sult niet toelaten dat
uwe Heylige de verdervinge sie.
d V. Is \'t lichaem Christi oock eenighsins verandert
geweest?
A. Ja: maar niet tot dissolutie of verrottinge.
d V. Kost hy wel van de doot altijt of eenen langen
tijt gehouden worden?
A. Neen: Actor. 2. 24. Alsoo het niet mogelick en
was dat hy van deselve doot soude gehouden worden.
Veage 42.
Soo dan Christus voor ons gestorven is, hoe
kornet dat wij oock moeten sterven?
Antw. Onse doot en is geen betalinge voor onse
sonden, maer alleen een afstervinge der sonden,
ende eenen doorgangh tot den eeuwigen leven.
a V. Moeten alle mensehen sterven?
A. Ja.
d V. Bewijst dat?
A. Hebr. 9. 27. Ende gelijck het den mensche geset
is eenmael te sterven,
d V. De geloovigen, die ten jonghsten dage leven,
sullen die oock eerst sterven?
A. Neen: maer sy sullen verandert worden, welcke
veranderinge haer wesen sal in plaetse van sterven.
1. Corinth. 15. 52.
b V. Voor welcke sonden betalen de geloovigen met
hare doot, voor de vergeeflicke ofte voor doot-sonden ?
A. Voor geen van beyde.
-ocr page 468-
460         Waerom de Geloovige sterven moeten,
c V. Genomen wy konden het doen, is \'er wel wat
overigh voor ons om te betalen\'?
A. Neen.
d V. Maer wy zijn sondigh, ende in den hemel en
sal niet onreyns inkomen : Apoc. 21. ergo?
A. Wy zijn van onse onreynigheyt gesuyvert door
Christi bloet ende Geest: 1 Corinth. 6.11. Maer ghy
zijt afgewassen, maer ghy zijt geheylight, maer ghy
zijt gerechtveerdight in den name des Heeren Jesu,
ende door den Geest onses Godts.
c V. Heeft Christus ten vollen voor ons betaelt\'?
A. Ja: 1. Joh. 1. 7. Ende het bloet Jesu Christi
sijns Soons reynight ons van alle sonde.
d V. Waerom moeten wy dan sterven?
A. Onse doot en is geen betalinge voor de sonden.
c V. Is onse doot geen straffe ?
A. Neen: te weten geen straffe eygentlick van
wrake, of geen reehtveerdige wraeck-straffe.
c V. Wat is \'t dan?
A. Een afstervinge der sonden, Hebr. 4. 9, 10.
ende eenen doorganck tot in \'t eeuwige leven. Joh. 5. 24.
c V. Was Judas doot geen betalinge voor de sonde?
A. Neen: voor soo veel daer mede af betaelt ende
Godts gerechtigheyt volkomelick voldaen sou worden.
c V. Wat is\'et dan geweest?
A. Een straffe ende wrake over de sonden.
c V. Nademael dan dat alle menschen moeten sterven,
wat onderscheyt is \'er tussehen het sterven der ge-
loovigen, ende tussehen het sterven der godloosen?
A. De doot der geloovigen is eenen doorganck in
\'t eeuwige leven; ende de doot der goddeloosen eenen
doorganck in de eeuwige doot ende verdoemenisse.
a V. Waer komen de geloovigen als sy sterven, in
den hemel, ofte in de helle ?
A. In den hemel,
a V. Waer komen de goddeloosen als sy sterven, in
den hemel, of in de helle?
A. In de helle.
-ocr page 469-
nadien Christus gestorven is.                 461
b V. Is \'er dan geen vagevyer?
A. Neen.
c V. Wie seggen dat?
A. De Papisten.
b V. Wanneer komen de zielen der geloovigen in
den hemel?
A. Terstont, soo haest als sy gestorven zijn.
b V. Blijvense niet eenigen tijt onderwegen?
A. Neen.
b V. Gaense eerst niet wat wandelen?
A. Neen.
b V. Moetense eerst geen pelgriraagie doen?
A. Neen.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat de zielen der geloo-
vigen, soo haest sy uyt den lichame scheyden, ter-
stont na den hemel gaen?
A. Joh. 5. vs. 24. Maer is uyt de doot overgegaen
in het leven. Luce 23. vs. 43. Ende Jesus seyde tot
hem, Voorwaer segge ick u, heden sult ghy met my
in \'t Paradijs zijn.
d V. Nadien de doot der geloovigen soo troostelick
is, hebben sy dan reden om daer na te ver-
langen ?
A. Ja. Siet Luce 2. vs. 29. Rom. 7. vs. 24. met
Phil. 1. 21. 2. Corinth. 5. 2. Apoc. 22. 20.
Veage 43.
Wat verkrijgen wy meer voor nuttigheyt uyt de
offerhande ende doot Ghristi aen \'t kruys?
Antw. Dat door sijne kracht onsen ouden men-
sche met hem gekruyst, gedoot, ende begraven
werde, op dat de boose lusten des vleeschs in ons
niet meer en regeeren, maer dat wy ons selven
hem tot een offerhande der dankbaerheyt op-
offeren.
-ocr page 470-
462         Waerom de Geloovige sterven moeten,
d V. Welcke is de tweede nuttigheyt, die wy krijgen
uyt de doot Christi ?
A. Dat wy hoe langer hoe meer van onse sonden
worden geheylight ende gesuyvert.
b V. Is de heylighmakinge noodigh?
A. Ja.
b V. Is de rechtveerdighmakinge noodigh?
A. Ja.
o V. Kan yemant wel in den hemel komen, sonder
dat hy hem bekeert, ende heylight ?
A. Neen: Hebr. 12. 14. Ende de heylighmakinge
sonder welcke niemant den Heere sien en Bal.
c V. Kan hy dan van hemselven hem bekeeren?
A. Neen.
c V. Door wiens kracht geschiet dat dan?
A. Door Christi kracht,
c V. Dat Godt yemant bekeert of de genade der be-
keeringe geeft, om wiens wille doet hy dat?
A. Om Christi wille.
o V. "Wien geeft hy dat?
A. Den uytverkoren.
c V. Geeft hy dat dan wel yemant, die van Christi
volck niet en is?
A. Neen.
c V. "VVaer in bestaet de afstervinge onser sonden?
A. In de kruycinge ende doodinge der selver, soo
datse in ons niet meer heerschen noch de overhant
hebben, ende dat wy deselve hoe langer hoe meer
haten ende vlieden.
c V. Wat is den ouden mensch?
A. De sonde, ofte het vleesch met alle sijne quade
lusten ende begeerlickheden. Kom. 6. vs. 6. Ephes.
4. 22. Als oock don ouden Adam, de verdorventheyt,
het lichaem der sonde,
c V. Hoe wert de oude mensche in ons gekruyst,
gedoot, ende begraven ?
A. "Wanneer de sonde ende de boose lusten des
selfs in ons niet meer heerschen noch regeeren.
-ocr page 471-
nadien Christus gestorven is.                463
c V. Geschiet dit door de rechtveerdighmakinge of
door de heylighmakinge ?
A. Eygentlick door de heylighmakinge.
b V. Wie heeft ons de genade ende den geest der
heylighmakinge verdient ende verkregen?
A. Christus,
c V. Bewijst, dat Christus ons niet alleen de recht -
veerdighmakinge, maer oock de heylighmakinge door
sijne verdiensten verkregen heeft?
A. 1. Cor. 1. 30. Die ons geworden is wijsheyt van
Gode, ende rechtveerdigheyt, ende heylighmakinge,
ende 6. 11. Maer ghy zijt geheylight. Joh. 17. 19.
Ende ick heylige my selven voor haer.
d V. Welck is dan de schuldige plicht van alle die
gene, die daer roemen dat Christus voor haer gestor-
ven is?
A. Een vroom ende Godtsaligh leven te leyden.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Rom. 6. 4. Alsoo oock wy in nieuwigheyt des
levens wandelen souden. Gal. 5. 24. Maer die Christi
zijn , hebben het vleesch gekruyst met de bewegingen,
ende begeerlickheden. 2. Cor. c, 5. vs. 14.
Vrage 44.
Waerom volght daer, Nedergedaelt ter Hellen?
Antw. Op dat ick in mijne hooghste aanvech-
tingen versekert zy, ende my gantschelick ver-
trooste, dat mijn Heere Christus, door sijne
onuitsprekelicke benauwtheyt, smerten, verschrio
kinge, ende helsche quale, in wekken hy in sijn
gantache lijden, maer insonderheyt aan \'t kruys,
gesoncken was, my van der helscher benauwtheyt
ende pijne verlost heeft.
-ocr page 472-
464             Van Christi Nederdalen ter Helle.
a V. Heeft Christus geleden voor onse sonden?
A. Ja.
a V. Wat heeft hy geleden?
•
         A. Den toorn Godts.
a V. Waer in heeft hy geleden, in ziel of in lichaem ?
A. In alle beyde.
b V. Wat heeft Christus in sijn ziele geleden?
A. De helsche pijnen ende smerten.
b V. Is Christus plaetselick gedaelt in de helle?
A. Neen.
b V. Is hy gegaen na het Voorgeborghte van de helle ?
A. Neen.
b V. Waer gingh de ziele doense scheyde van het
lichaem ?
A. Na den hemel,
e V. Waer staet dat?
A. Luce 23. 43 Heden sult ghy met my in \'t
Paradijs zijn.
d V. Wat wort door het Paradijs verstaen?
A. De derde Hemel,
d V. Bewijst dat?
A. 2. Corinth. 12. 2, 4. Dat de soodanige opgetroe*
ken is geweest tot in den derden Hemel, &c
d V. Wort daer door niet verstaen het Voorgeborghte
van de helle ?
A. Neen.
d V. Is \'er oock een Voorgeborght van de helle ?
A. Neen.
c V. Hoe veel wegen zijnder, ofte hoe veel plaetson
der zielen na dit leven?
A. Twee, Hemel ende Helle,
d V. Bewijst dat?
A. Matth. 7. 13, 14. Gaet in door de engepoorte:
want wijdt is de poorte, ende breedt is de wegh die
tot het verderf leyt, ende vele zijnder die door den
selven ingaen, want de poorte is enge, ende de wegh
is nauwe, &c. met 25. 46.
d V. Hoe veel plaetsen stellen die van \'t Pausdom?
-ocr page 473-
Van Christi Nederdalen ter Helle.             465
A. Sommige vier, ende sommige vijf.
d V. Teltse eens op?
A. Hemel, Helle, het Voorgeborghte van de helle,
daer de Outvaders in geweest zijn tot de doot Christi,
het Voorgeborghte der jonge kinderen, die sonder
doop sterven, ende het Vagevyer.
«1 V. Konnen sy dese vijf wegen wel uyt Godts woort
bewijsen ?
A. Neen.
il V. Wat is hare leere ontrent het Voorgeborghte van
de helle?
A. Dat de geloovigen des Ouden Testaments zijn
bewaert geworden in een plaetse ontrent de helle tot
de doot Christi.
d V. Wat volck is \'er nu, na haer gevoelen?
A. Niemant.
d V. Hoe komt dat?
A. Sy seggen datse Christus alle daer uyt verlost
heeft.
\'I V. Wilt is haer fondament ende reden datse stellen,
dat de Outvaders geweest zijn in \'t Voorgeborghte van
de helle?
A. Sy seggen, dat Christus noch niet betaelt hadde,
en dat dienvolgens niemant kost in den hemel komen,
voor al eer Christus betaelt hadde.
\'I V. Maer konnen sy wel bewijsen , dat Christus eerst
actuëlick moeste sterven tot voldoeninge voor de
sonden, eerder yemant in den hemel ingaen konde?
A. Neen.
\'\' V. Wat brengen sy voor bewijs by, om haer stuck
staende te houden?
A. Hebr. 11. 40. Op dat sy sonder ons niet en sou-
den volmaeckt worden.
\' V. Wat soudt ghy daer op seggen?
A. Het woort volmaekt worden, beteeckent betaelt
te worden door de offerhande Christi aen \'t kruys voor
hare ende onse sonden.
•1 V. Zijn dan de geloovigen des Ouden Testaments
30
-ocr page 474-
466             Van Christi Nederdalen ter Helle.
vry geweest, ende bevrijdt van de helle, ende in den
hemel gekomen, alhoewel Christus noch niet geleden
ende betaelt hadde ?
A. Ja.
d V. Hoe zijnse vry gegaen?
Als onder cautie ende borgh-tocht.
d V. Wat brengen de Papisten verder by, om haer
stuck te bewijsen?
A. 1. Petr. 3. 18, 19. Maer levendigh gemaeckt
door den Geest, vs. 19. In den welcken hy oock henen
gegaen zijnde, den geesten die in de gevanckenisse
zijn gepredickt heeft,
d V. Wat soudt ghy daer op antwoorden?
A. Door den Geest, door den welcken Petrus seyt
dat Christus levendigh gemaeckt is, wort verstaen de
Godtheyt Christi, en niet sijne ziele,
d V. Staet \'er, dat Christus gepredickt heeft den gee=-
ten die in de gevanckenisse waren, of die daer in zijn.
A. Die daer in zijn; dat is in de helle,
d V. Wien verstaet ghy door dese geesten, de Oudt-
vaders des Ouden Testaments?
A. Neen.
d V. Wie dan?
A. Die stoute ende nioetwillige zielen der godtloosen
ten tijden Noah: gelijck sulcks blijckt uyt vs. 20.
d V. Door wien heeft Christus dese moetwillige son-
daren gepredickt?
A. Door den Predicker Noë.
d V. Heeft hy dat niet gedaen immediatelick in sijn
eygen persoon ?
A. Keen.
d V. Seght my eens kortelick wat daer zy de mey
ninge des Apostels Petri?
A. Voor oogen te stellen de straffe van de eerste
werelt.
d V. Wat bewijs brengen sy noch meer by?
A. Psalm 16. 10. Want ghy sult mijne ziele in de
helle niet verlaten.
-ocr page 475-
Van Christi Nederdalen ter Helle.             467
d V. Wat seght ghy daer op?
A. Door het woort helle kan hier verstaen worden
het graf, of helsche smerten ende qualen.
d V. Hoe bewijst men, dat door het woort helle, het
graf verstaen kan worden?
A. Gen. 42. 38. Soo soudet ghy mijne grauwe hayren
met droeffenisse ten grave doen nederdalen. Psalm
6. 6. Wie sal u loven in \'t graf. ende 16 10.
d V. Hoe bewijst ghy, dat door de helle verstaen kan
werden de uyterste pijne ende benauwtheden des ge-
moedts ?
A. 1. Sam. 2. 6. Hy doet ter helle nederdalen, ende
hy doet weder opkomen. Psalm 18. 6. Banden der
helle ocnringhden my, «fee. ende 30. 4.
d V. Hoe wort het woort helle, in desen artijckel,
Nedergedaelt ter hellen, genomen?
A. Niemant kan seker bewijsen, wat den Autheur
van desen artijckel, die t\' eenemael onbekent is, met
dit woort heeft willen seggen. Maer soo hy conform
de Schriftuer te verstaen is, ende soo hy behoorde te
spreken, is het naest te seggen, dat het lijden Christi
in sijn ziele alhier beteeckent wert.
d V. Soude men desen artijckel conform de Schrifture
niet moeten, of immers mogen verstaen, van de ey-
gentlicke en plaetselicke nederdalinge der ziele Christi,
in de plaetse der verdoemden, ofte immers in het
voorgeborghte der hellen?
A. Gantschelick niet: want voor eerst, daer is geen
voorgeborght der hellen. Ten anderen, soo de Heere
Christus plaetselick in de helle gegaen waer, soo
moet hy daer gegaen zijn of om te lijden, of om te
triumpheeren; niet om te lijden, want dat wiert al
in sijn doot volbracht; Joh. 19. 30. niet om te triunv
pheeren, want het geheel ongerijmt soude wesen,
dat hy sijne triumphe ende verheerlickinge soude
aenvangen in de plaetse van de alderuyterste smaet-
heyt ende ellende. 2. Is hy na de helle gegaen, soo
moet hy gegaen sijn, of na sijn Godtheyt, of na sijn
-ocr page 476-
468             Van Christi Nederdalen ter Helle.
menscheyt; niet na sijn Godtheyt, want na deselve
is hy overal tegenwoordigh; niet na sijn menscheyt,
want het lichaem was in \'t graf, ende de ziele in
\'t Paradijs. Luce cap. 23. vss. 43, 46. met 2 Cor. 12. 2.
d V. Bewijst, dat Christus de helsche pijnen ende
benauwtheden geleden heeft?
A Matth. 26. 37, 38. Begon hy droevigh ende
seer beanghst te worden. Doe seyde hy tot haer,
Mijne ziele is geheel bedroeft tot der doot toe. Luce
22. 43, 44. Ende van hem wiert gesien een Engel
uyt den hemel, die hem versterckte. Ende in swaren
strijdt zijnde badt hy te ernstiger. Ende sijn sweet
wiert gelijck druppelen bloets, die op de aerde afliepen.
Matth. 27. 46. Mijn Godt, mijn Godt, waerom hebt
ghy my verlaten, ende Hebr. 5. 7.
d V. Wat nuttigheyt ende troost kan een geloovige
ziele scheppen uyt het nederdalen Christi ter helle,
ofte uyt het lijden sijner ziele\'?
A. Dat ick in mijne hooghste aenvechtinge verse-
kert zy, <fcc. dat de Heere Christus door sijne onuyt-
sprekelicke benauwtheyt, &c. my van der helscher
pijne ende benauwtheyt verlost heeft.
d V. Behoort dan een geloovige ziele in de uyterste
benauwtheden ende pijnen altijt goets moets te wesen,
ende niet te murmureeren tegen Godt?
A. Ja: hare oogen altijt slaende op de helsche
smerten ende benauwtheden Christi, om harentwille
geleden.
SONDAGH XVII. Veage 45, 46, 47, 48.
Vkare 45.
Wat nuttet ons de opstandinge Christi?
Antw. Ten eersten, heeft hy door sijne opstan»
dinge de doot overwonnen, op dat hy ons de
gerechtigheyt, die hy door sijne doot ons verworven
-ocr page 477-
Van Christi Opstandinge.                     469
hadde, konde deelachtigh maken. Ten anderen,
werden wy oock door sijne kracht opgeweckt tot
een nieuw leven. Ten derden, is de opstandinge
Christi een seker pant onser saliger opstandinge.
d V. In hoe veel deelen bestaet de staet des Midde-
laers-ampts Christi\'?
A. In twee, namelick, in vernederinge ende ver-
hooginge.
d V. Wat behoort tot den staet der vernederinge?
A. Geleden onder Pontio Pilato, gekruyst, gestor-
ven ende begraven, nedergedaelt ter helle,
d V. Wat behoort tot den staet der verhooginge\'?
A. Ten derden dage weder opgestaen van den doo-
den, opgevaren ten hemel, sittende ter rechterhant
Godts, van waer hy komen sal om te oordeelen de
levendige ende de dooden.
d V. Waer van wort hier gehandelt\'?
A. Van Christi Opstandinge, ende van sijn Hemel-
vaert.
d V. In hoe veel deelen wort dezen Sondagh afge-
deelt?
A. In twee deelen.
d V. Welck zijn die?
A. 1. De Opstandinge Christi uyt den dooden,
Vrage 45. 2. De Hemelvaert Christi, Vrage 46 , 47, 48.
V. Waer staet de historie van de opstandinge Christi
beschreven ?
A. Matth. 28. Mare. 16. Luce 24. Joh. 20.
d V. Wat is opstaen?
A. Opstaen ofte oprijsen wort eygentlick geseght van
een sake die gevallen is ende weder opgerecht wort.
d V. Wat is opstaen van den dooden ?
A. Wanneer een lichaem, het welck door de af-
scheydinge der ziele gelijck als gevallen was, door
de vereeniginge der selve ziele met het selve lichaem
weder levendigh gemaeckt ende opgerecht wort.
-ocr page 478-
470                     Van Christi Opstandinge.
d V. Wat wort te kennen gegeven door het opstaen
Christi van den dooden?
A. Dat het selve lichaem Christi, het welck ae n
den kruyce gehangen heeft, ende in \'t graf geleyt
was, door den doot ofte door de scheydinge der ziele
gevallen zijnde, wederom is levendigh geworden door
de vereeniginge der ziele met het selve lichaem.
a V. Wie is opgestaen van den dooden?
A. De Sone.
a V. Is de Vader niet opgestaen?
A. Neen.
b V. De Vader ende de Soon zijn immers een?
A. Dit is te verstaen ten aensien van het Godde-
licke wesen, ende niet ten aensien van de persoon,
b V. Na wat natuer is Christus opgestaen?
A. Na de menschelicke natuer.
b V. Waerom niet na de Goddelicke nature?
A. Na deselve is hy niet gestorven geweest,
b V. Kan de Godtheyt wel sterven?
A. Neen.
b V. Wie heeft Christum opgeweckt?
A. Hy selfs.
b V. Door wiens kracht is hy opgestaen?
A. Door sijn eygen kracht: Joh. 10. 17, 18. Daerom
heeft my de Vader lief, overmits ick mijn loven af-
legge, op dat ick \'t selve wederom neme, &c.
b V. Is hy oock opgestaen door de kracht des Vaders ?
A. Ja: Ephes. 1. 20. Die hy gewrocht heeft in
Christo, als hy hem uyt den dooden heeft opgeweckt.
b V. Hoe veel opweckers zijn dat?
A. Een.
b V. Is dan de kracht des Vaders, ende de kracht
des Soons, een ende deselfde kracht ?
A. Ja.
b V. Wekkers kracht was de grootste, des Vaders of
des Soons?
A. Beyder even groot: als zijnde een en de selve
kracht.
-ocr page 479-
Van Christi Opstandinge.                    471
d V. Is hy door een ander kracht ojbgeweckt?
A. Geen ander als sijn eygen.
d V. Was het dan geen vreemde kracht?
A. Neen.
d V. Is hy opgeweckt door sijn eygen kracht alleen,
of oock door eens anders kracht?
A. Oock door eens anders kracht: want de kracht,
die sijn eygen, of sijns persoons kracht is, dat is,
de kracht ende de Godtheyt van de tweede persoon,
is sijn alleen niet, maer oock des Vaders ende des
Heiligen Geests, dewelcke andere ende onderscheyden
persoonen zijn, als de Sone.
c V. Die kracht, daer mede Christus opgeweckt is, is
dat een kracht van binnen of van buyten ?
A. Van binnen.
•• V. Maer is het een kracht van binnen of van buyten,
daer mede wy sullen opgeweckt worden ?
A. Van buyten.
\'I V. Bewijst, dat Christus opgestaen is?
A. Matth. 28. 5. Actor. 2. 24, 32. Welcken Godt
opgeweckt heeft, de smerten des doots ontbonden
hebbende, &c. 1. Corinth. cap. 15. vs. 4. Ende dat
hy is opgeweckt ten derden dage, na de Schriften,
b V. Wanneer, of op den hoe veelsten dag is Christus
opgestaen ?
A. Ten derden dage. 1. Corinth. 15. 4.
b V. Wat dagh van de weeck was het?
A. De eerste dagh der weke, die de dagh des Hee-
ren, ende Sondagh genaemt wert.
o V. Wat stonde van den dagh was het, des morgens,
of des middaghs, of des avonts?
A. Des morgens. Siet Matth. 28. Mare. 16. Luce 24.
Joh. 20.
b V. Hoe lange hadde Christus in \'t graf gelegen?
A. Drie dagen.
0 V. Drie volle dagen?
A. Neen; maer eenen heelen dagh, ende twee stuc
ken van dagen.
-ocr page 480-
472                     Van Christi Opstandinge.
d V. Hoe seyt dan Christus, Matth. 12. 40. gelijck
Jonas, &c. nademael Christus maer eenige uren van
den eersten ende tweeden dagh heeft in \'t graf gelegen?
A. Hy seyt dat op soodanige maniere, als doen
gebruyckelick was onder de Joden ; want drie dagen,
drie nachten, zijn drie natuerlk-ke dagen, bestaende
uyt 24. uren.
d V. Wat manier van spreken is dat, hoe noemen dat
de Geleerden?
A. Synechdoeht, dat is, dat men een deel neemt voor
sijn geheel, ofte het geheel voor een deel.
b V. Wanneer stierf Christus?
A. Vrydaghs naer middagh ten drie uren.
b V. Wanneer wiert hy begraven?
A. Des Vrydaghs avonts voor Sonne ondergangh.
b V. Wanneer stont hy op?
A. Des Sondaghs morgens , als het begon te lichten.
Matth. cap. 28. vs. 1.
c V. Van dat Christus begraven wiert, tot dat de
Sonne ondergingh, was dat den eersten dagh?
A. Ja: want de Joden begonden den natuerlicken
dagh, bestaende in vier-en-twintig uren, te rekenen
van den eenen avont tot den anderen,
c V. Van Vrydaghs avonts, ofte van den avont na
den Vrydagh, tot den avont na den Saterdagh, \'n
dat geweest de tweede dagh ?
A. Ja.
c V. Van Saterdaghs avonts, of van den avont na
den Saterdagh, tot in den morgenstont, is dat do
derde dagh?
A. Ja.
d V. Behoorden dan desen avont ende desen nacht,
tot den eersten dagh der weke, die wy nu den Son-
dagh, ende den dagh des Heeren noemen?
A. Ja.
o V. Saterdagh , is dat geweest de tweede dagh ?
A. Ja.
b V. Wie bewaerde het graf?
-ocr page 481-
Van Christi Opstandinge.                     473
A. De krijghsknechten.
c V. Op wat wijse ende maniere is Christus opgestaen ?
A. Op een gantscli heerlicke ende victorieuse wijse:
want de aerde beefde, ende eenon Engel quam van
boven <fcc. Siet Matth. 28. ende de andere Euangelisten.
d V. Hoedanigh is Christus opgestaen ?
A. Gantsch verheerlickt na lichaem ende ziele,
d V. Maar is de mensehlicke natuer soo verheerlickt
opgestaen , datse hare natuerlicke eygenschappen heeft
in \'t graf gelaten, ende aengenomen de Goddelicke ,
.ds van onsienlickheyt, over al tegenwoordigheyt, &e. ?
A. Neen.
d V. Wie drijven sulcks?
A. De Luterschen.
c V. Heeft dan de menschelicke nature hare natuer-
licke eygenschappen behouden ?
A. Ja.
V. Is Christus dan opgestaen, het graf gesloten
zijnde ende blijvende?
A. Neen.
o V. Is hy dan gegaen door don steen"?
A. Greensins.
o V. Kan het eene lichaem wel gaen door het ander?
A. Neen.
V. Moet dan het eene lichaem het ander wijeken?
A. Ja.
V. Maer kost de Heere niet, volgens sijne almach*
tigheyt, maken dat Christus opstont, het graf met
den steen gesloten blijvende?
A. Neen..
(\' V. Is dit de almachtigheyt Godts niet te kort ende
niet te na gesproken?
A. Neen.
\'1 V. Is dat veel eer de .almachtigheyt Godts te na
gesproken, als men seght, dat de Heere sulcks doen
konde ?
A. Ja.
d V. Toont dat?
-ocr page 482-
474                     Van Christi Ops\'tandinge.
A. Om <lat als dan de almachtigheyt soude strijden
tegen de nature, het wesen ende absolute volmaeckt-
heyt Godts, als hem konnende versaken, tegen 2.
Tim. 2. 13. Hy en kan hemselven niet verloochenen.
d V. Kan Godt, volgens sijne almachtigheyt, een
mensch verdestruëren en vernietigen ?
A. Ja.
d V. Maer kan Godt, volgens sijne almachtigheyt,
een mensch verdestruëren, en dat hy een ware mensch
sal blijven ?
A. Neen.
(1 V. Kan Godt, volgens sijne almachtigheyt, wel uyt
steenen kinderen Abrahams verwecken?
A. Ja. Matth. 3. 9.
d V. Maer kan Godt, volgens sijne almachtigheyt,
wel uyt de steenen kinderen Abrahams verwecken,
soo datse te gelijck sullen zijn kinderen Abrahams
ende steenen?
A. In \'t minste niet
d V. Soude daer mede gestelt worden, dat ja ende
neen te gelijck waer souden zijn?
A. Ja: het welck voorwaer een groote onvolmaeckt-
heyt soude in Godt stellen, ende een verloochening»\'
van sich selven.
d V. Kan Godt niet alles doen wat hy wil?
A. Ja: Psalm 115. 3 Onse Godt is doch in den
hemel, hy doet al wat hem behaeght.
d V. Maer wil Godt sulcks doen?
A. Neen: ende sal het contrarie in eeuwigheyt niet
bewesen worden,
d V. Kan Godt sulcks wel willen?
A. Geensins: want do Heere en wil niet doen het
gene met sijne nature strijt, ende gelijck hy niet en
wil doen \'t gene met sijn nature soude strijden, j;»
niet en kan willen, alsoo en kan hy oock niet doen
het gene met sijn nature strijt, gelijck dit geen kleyne,
maer vry een groote tegenstrijdigheyt in Godt is
stellende.
-ocr page 483-
Van Christi Opstandinge.                    475
o V. Wanneer is Christus dan opgestaen ?
A. Na dat de Engel de steen van liet graf hadde
afgewentelt.
e V. Konde Christus den steen niet wechdoen door
sijne Goddelicke kracht?
A. Ja.
d V. Waerom heeft hy hier toe dan den dienst var»
den Engel gebruyckt?
A. Om dat het hem soo gelieft heeft.
d V. Waer in is dan de verheerlickinge deser opstan-
dinge Christi, soo na lichaem als na ziele, gelegen?
A. In sekere qualiteyten ende hoedanigheden, daer
mede de menschelicke nature, soo na lichaem als na
siele, is begaeft geworden; gelijck de salige opstan-
dinge medebrenght, 1. Corinth. 15. 42, 43, 44. Na
den lichame, als hebbende afgeleyt alle swack-
heden, als honger, dorst, vermoeytheyt, sterffelick-
heyt. Na de ziele, als ontslagen zijnde van alle men-
schelicke swackheden, die deselve is onderworpen
geweest, doch sonder sonde, onde voorsien van alle
sulcke treffelicke gaven, als eenigh schepsel hebben
kan. Na ziele ende lichaem te gelijck, als hebbende
oock heerschappije over levendige ende dooden. Rom.
14. 9. Matth. 28. vs. 18.
\'1 "V. Maer moest Christus nootsakelick opstaen van
den dooden?
A. Ja.
\'1 V. Was het niet genoegh, dat hy gestorven was ?
A. Neen.
\'1 V. Waerom niet?
A. 1. Om dat sulcks voorseyt was, Genes. 3. 15.
ende 22. 18 Psalm 16. 10. Want ghy sult mijne
ziele in de helle niet verlaten: ghy sult niet toelaten
dat uwe heylige de verdervinge sie. Matth. eap. 12.
vs. 29. en 17. vs. 23. ende op andere plaetsen. 2.
Om sijn ampts wille, het welcke hy volkomentlick
niet soude hebben konnen uytrechten, indien hy niet
en was van den dooden opgestaen: want hy moeste
-ocr page 484-
Van Christi Opstandinge.
476
niet alleen sterven, maer oock de doot overwinnen,
Hose. cap. 13, vs. 14. Hy moest, als Middelaer, Godt
on mensche, een eeuwigh Koninckrijck hebben, Psalm
45. 7. Luee 1. 33. Hy moest, sijne offerhande hier
op aerde gedaen hebbende, ingaen in het heylige
der heyligen, dat sonder handen gemaeckt is, Hebr.
9. vs. 24. aldaer moest hy verschijnen voor Godt,
als een eeuwigh Priester, Hebr. 5. 6. Het welck hy
alles niet soude hebben konnen doen, in gevalle hy
in de doot ware gebleven.
c V. Moeste hy oock nootsakelick opstaen om onsent
wille ?
A. Ja.
c V. Hebben wy dan eenigh profijt ende voordeel by
sijn opstandinge, die wy niet gehadt souden hebben,
soo hy niet was opgestaen, en die wy nootsakeliek
moesten hebben, souden wy konnen saligh worden?
A. Ja.
c V. Hoe veel vruchten ende nuttigheden stelt de
Catechismus, die wy scheppen uyt de opstandinge
Christi ?
A. Drie.
c V. Welck zijn die?
A. De genade van rechtveerdighmakinge, de genade
van heylighmakinge, ende een seker pant onser sa-
liger opstandinge.
c V. Wat nuttigheyt heeft de rechtveerdighmakinge
door de opstandinge Christi\'?
A. Om dat hy anders de doot niet soude hebben
overwonnen,
c V. Van wat doot verstaet ghy dat?
A. Van de tijtlicke ende eeuwige doot.
c V. Souden wy niet hebben konnen gcrechtveerdigM
worden, soo Christus niet was opgestaen van den dooden?
A. Neen
c V. Was hy niet gestorven om onser sonden wille r
A. Ja: Rom. cap. 4. vs. 25. Welcke overgelevert
is om onse sonden.
-ocr page 485-
Van Christi Opstandinge.                     477
c V. Als Christus stierf voor de sonden, hadde hy
doen niet genoeghsaem betaelt?
A. Ja.
<• V. Moest hy evenwel opstaen van den dooden?
A. Ja.
c V. Waerom?
A. Hy moest opstaen om onser rechtveerdigheyt
wille: Eom. 4. 25. Ende opgeweckt om onso recht»
veerdighmakinge.
c V. Was dan sijn opstandinge een deel van de vol-
doeninge, of een vereyschte voorgaende conditie tot
deselve?
A. Neen: maer sy was een nootsakelick gevolgh
ende teecken van de voldoeninge; als oock een noot -
sakelick middel ende conditie om de voorschreven
voldoeninge te appliceren.
c V. Zijn wy dan hier door volkomentlick versekert,
dat Christus ten vollen betaelt heeft?
A. Ja: want soo daer noch een eenige sonde was
onbetaelt overgebleven, soo soude die eenige sonde
machtigh genoegh geweest zijn onsen Salighmaker in
\'t graf te houden.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat Christus de doot heeft
overwonnen ?
A. Actor. 2. 24. Alsoo het niet mogelick en was
dat hy van de selve doot soude gehouden worden.
Hose. 13. 14. met 1. Corinth. cap. 15. vs. 14.
c V. Wat nuttigheyt geeft de opstandinge Christi tot
do heylighmakinge ?
A. Dat wy opgeweckt worden tot een nieuw leven.
c V. Wat is dat opgeweckt te worden tot een nieuw
leven ?
A. Wedergeboren of vernieuwt te werden,
d V. Wat is de wedergeboorte?
A. Een opweckinge uyt den doot der sonden, ende
een verkrijginge van een nieuw leven,
d V. Wat is dat nieuw leven?
A. Dat bestaet in gerechtigheyt ende heyligheyt.
-ocr page 486-
478                     Van Christi Opstandinge.
d V. In hoe veel stucken bestaet de bekeeringe des
menschen ?
A. In twee, in de afstervinge des ouden, ende op-
standinge des nieuwen mensches.
d V. Hoe wort die volbracht door de opstandinge
Christi?
A. Als een seker teecken, dat wy, uyt kracht van
Christi doot oock opgeweckt worden uyt den doot
onser sonden, ende nieuwe menschen worden gemaeckt.
« V. Hoe kan de doot Christi yemands herte veran-
deren ?
A. Om dat de opweckende genade ende levendigh-
makenden Geest, door sijn doot ende gehoorsaemheyt
ons verworven is.
d V. Werckt hy door sijnen Geest een ander hert in
den mensche?
A. Ja.
*       V. Waer uyt bewijst ghy, de opstandinge Christi
hier toe dient?
A. Kom. ti. 4. W.y zijn dan met hem begraven door
den doop, in den doot, op dat gelijckerwijs Christus
uyt den dooden opgeweckt is tot de heerlickheyt des
Vaders, alsoo oock wy in nieuwigheyt des levens
wandelen souden. Coloss. cap. 2. vss. 12, 13. 1 Petr. 1. 3.
" V. Welck is de derde nuttigheyt?
A. Dat wy hebben een seker pant onser saliger
opstandinge.
*       V. Wie sullen al opstaen ?
A. Alle menschen.
a V. Sullen de geloovigen opstaen?
A. Ja.
a V. Sullen de goddeloosen oock opstaen?
A. Ja.
c V. Wat onderscheyt is er dan?
A. De goloovige sullen hebben een salige opstaiv
dinge, ende de goddeloosen een onsalige.
c V. Waer toe sullen de goloovige dan opstaen?
A. Tot hare saligheyt.
-ocr page 487-
Van Christi Opstandinge.                     479
<• V. Waer toe sullen de goddeloosen opstaen?
A. Tot hare verdoemenisse. Joh. 5. 29.
b V. Maer sult ghy met de geloovigen opstaen, of
met de goddeloosen?
A. Met de geloovigen.
b V. Wat weet ghy dat?
A. Om dat Christus, dien ick met den geloove
aenneme, opgestaen is.
b V. Wat onderpant hebt ghy daer toe?
A. Om dat Christus opgestaen is als mijn Hooft,
c V. Is Christi doot ende opstandinge alleen een exem-
pel van onse eerste ende tweede opstandinge?
A. Neen.
<• V. Zijnse dan een oorsaeck van onse opstandinge ?
A. Ja.
d V. Bewijst dat?
A. I. Corinth. 15. 16, 17, 18, 19, 20, &c. l.Thess.
4. 14. Want indien wy gelooven dat Jesus gestorven
is, ende opgestaen, alsoo sal oock Godt de gene die
ontslapen zijn in Jesu weder brengen met hem.
c V. In wat jaer ofte in wat tijt sult ghy opstaen?
A. Dat weot men niet.
« V. Kan men het wel weten?
A Neen.
V. Behoeft men het wel te weten?
A. Neen.
Vrage 46.
Wat verstaet ghy daer mede, Opgevaren ten
hemel ?
Antw. Dat Christus voor de oogen sijner Jon-
geren van der aerden ten hemel is opgeheven,
ende dat hy ons ten goede daer is, tot dat hy
wederkomt, te oordeelen de levendige ende de
dooden.
-ocr page 488-
Van Christi Hemelvaert.
480
d V. Waer staet de historie van Christi hemelvaert?
A Luce 24. 50, 51. Actor. 1. 9, 10.
a V. Wie is opgevaren ?
A. Christus : Joh. 3. 13. Ende niemant is opgevaren
in den hemel, dan die uyt den hemel nedergekomen
is, namelick, de Sone des menschen, die in den
hemel is.
b V. Na sijn ziele, of na sijn lichaem ?
A. Na alle beyde.
b V. Na sijn menscheyt, of na sijn Godtheyt?
A. Na sijn menscheyt.
b V. Is de Godtheyt dan over al?
A. Ja.
b V. Maer heeft de Godtheyt niet met allen daer toe
gedaen?
A. Ja.
e V. Wat heeftse daer toe gedaen?
A. Sy heeft de menscheyt opgeheven ende doen
bewegen van d\'eene plaets na d\'ander.
e V. Hoe is dat opvaren toegegaen?
A. Hy is geheven ende bewogen, door kracht der
Godtheyt, van der aerden na den hemel,
c V. Is hy lichamelick, plaetselick, ende eygentlick,
of geestelick ten hemel gevaren ?
A. Lichamelick, &c.
c V. Is het niet te verstaen, dat hy alleenlick gelijck
Capernaum (Matth. 11.) tot den hemel is verheven ?
A. Neen.
d V. Is het alleen eene veranderinge geweest van
staet en conditie?
A. Neen.
d V. Wie seggen dat?
A. De hedendaeghsche Luterschen.
d V. Hoe soudt ghy haer konnen wederleggen?
A. Om dat het door veranderinge van plaetse ge-
schiet is.
d V. Is het dan eygentlick ende plaetselick geschiet ?
A. Ja: mits in de Schrifture plaetse van waer, ende
-ocr page 489-
Van Christi Hemelvaert.                     481
waer na toe, oock waer door, of boven welcke hy
gegaen is, aengewesen wert.
d V. Hoe soude dat plaetselick te verstaen zijn, alsoo
boven den hemel geen plaetse is?
A. Daer is plaetse.
d V. Bewijst dat?
A. Joh. 14.1, 2. Ick ga om u plaetse te bereyden, &c.
d V. Als hy dan opvoer, is hy dan op der aerden
niet gebleven?
A. Neen.
b V. Waer van daen is Christus opgevaren?
A. In \'t gemeen van der aerde. In \'t particulier
van den Olijfbergh. Actor. 1. 12.
b V. Hoe hiet hetvleck, dat op desen Olijfbergh was?
A. Bethanien. Luce 24. 50.
b V. Waer henen voer Christus?
A. Na den hemel,
c V. Hoe wort dien hemel meer genoemt in de Schrif
tuer?
A. Het Paradijs, de derde Hemel, de Hemel der
hemelen, &c. 2. Corinth. 12. 2. 1. Reg. 8.
                 #
o V. Waer door is Christus gevaren, of wat was het
middel-spatie of plaetse ?
A. De loeht ende het firmament,
c V. Kan men uyt dese drie klaerlick bewijsen, dat
Christus plaetselick is ten hemel gevaren?
A. Ja.
d V. Waer staet het dat Christus door of boven de
hemelen is doorgegaen?
A. Hebr. 4. 14. Die door de hemelen doorgegaen is.
V. Is Christus terstont ten hemel gevaren, als hy
was opgestaen van den dooden?
A. Neen.
e V. Hoe langh was hy dan noch op der aerden?
A. Veertigh dagen. Actor. 1. 3.
c V. Waerom is de Heere Christus noch veertigh
dagen op der aerden gebleven na sijne opstandinge?
A Om dat het hem soo belieft heeft: hoewel dat
31
-ocr page 490-
482                     Van Christi Hemelvaert.
men eenighsins seggen kan, dat hy soo lange ge-
bleven is, om sich volkomentlick aen sijne discipelen
te vertoonen, ende haer te onderrechten, aengaende
de dingen des Koninckrijcks Godts. Siet Actor. 1. 8.
d V. Op wat ure van den dagh is Christus opgevaren?
A. \'t Is onseker.
c V. Is yemant na lichaem ende ziele voor Christus
in den hemel gevaren ?
A. Ja.
d V. Wie?
A. Henoch. Genes. 5. 24. met Hebr. 11. 5.
d V. Waerom wort dan de Heere Christus geseght
de eerstelingh der gener die ontslapen zijn, ende die
opgevaren zijn. 1. Cor cap. 15. vs. 20, &c?
A. Dat en is niet te verstaen van den tijt, als of
niemant anders voor hem niet opgestaen ende opge-
varen was; maer dat is te verstaen, dat hy door
sijn eygen kracht, ende als ons Hooft, is opgestaen,
&c. 1. Corinth. 15. 23. Coloss. 1. 18.
c V. Wat dede Christus effen voor sijn opvaren?
A. Hy heeft sijne discipelen gesegent. Luce 24. 51.
d V. Doe Christus sijne discipelen segende, maeckte
hy doen niet een kruys over sijne discipelen, met
sijne handen?
A. Neen.
d V. Wie seggen dat?
A. De Papisten,
c V. Wat gelaet of gesten heeft hy gehouden?
A. Doe hy haer segende, soo hief hy sijne handen
om hooge na den hemel. Luce 24. 51.
d V. Wat is\'er noch meer aen te mereken in Christi
hemelvaert?
A. Dat een woleke hem wech nam van hare oogen.
Actor. 1. 9.
d V. Is dat een waerachtige woleke geweest?
A. Ja.
b V, Wie warender by, als Christus opvoer?
A. Sijne discipelen.
-ocr page 491-
Van Christi Hemelvaert.
483
V. Was Judas daer oock by?
A. Neen. Siet Matth. 27. 5.
V. Wat geselschap heeft Christus met hem na den
hemel genomen?
A. Niemant.
V. Zijn de Outvaders des Ouden Testaments met
Christo niet opgevaren gelijck de Papisten droomen?
A. Godts woort maeckt in het minste daer van
geen gewagh
V. Wie quamen by de Apostelen, als Christus
opvoer ?
A. Twee Engelen.
V. Daer staet nochtans Mannen, waerom wordense
soo genaemt"?
A. Om datse quamen in menschelicke gedaente.
V. Wat seydense tot de Apostelen?
A. Siet den text Actor. 1. 10, 11.
V. Waer het niet beter dat Christus hier op aerden
was gebleven?
A. Neen.
V. Waerom niet?
A. Om dat hy ons daer is ten goeden, ende tot on-
sen besten. Joh. 16. 7. met Hebr. 8. 2.
V. Wat doet hy daer dan voor ons?
A. Hy bidt daer voor ons. Rom. 8. 35. 1. Joh. 2. 1.
V. Hoe lange sal Christus in den hemel blijven?
A. Tot den jonghsten dagh toe: Actor. 3. 21. Wel-
cken de hemel moet omvangen tot de tijden der weder-
oprechtinge aller dingen.
V. Hoe seggen de artijckelen des Geloofs?
A. Als hy komen sal om te oordeelen de levendi-
gen ende de dooden. Actor. 17. 31. Phil. 3. 20. leght
hier by Joh. 14. 3.
V. Sal hy dan noyt voor dien tijt weder komen?
A. Neen. Actor. 3. 21.
V. Komt hy, of vertoont hy hem niet altemets op
der aerden?
A. Neen.
-ocr page 492-
484                     Van Christi Hemelvaert.
d V. Wie leeren dat?
A. De Papisten,
d V. Wat seggen sy?
A. Dat hy lichamelick, doch onsienlick tegenwoor-
digh is, soo menighmael als men Misse doet. Dat hy
oock somwijlen aen dese of gene haerder Sancten
extra-ordinaerlick verschenen is.
d V. Hoe seggen sy, dat hy in den hemel ende in
de Misse kan zijn\'?
A. Sy drijven dat Christus na sijne menschelickc
nature op vele plaetsen te gelijck tegenwoordigh is.
d V. Kan dat wel zijn?
A. Neen.
d V. Maer Godt is almachtigh?
A. Dat soude onmacht zijn.
d V. Waeroni onmacht?
A. Om dat Godt te gelijck ja ende neen soude
waer maken,
d V. Men moet gelooven sonder sien, ende met sijne
sinnen niet te werck gaen?
A. Men moet met sijn sinnen te werck gaen in de
dingen die gesien konnen worden,
d V. Hoe soude men de Papisten hier inne eenvou-
delick wederleggen?
A. Dat hy sal wederkomen soo gelijck hy opge-
varen is.
d V. Bewijst dat?
A. Aetor. 1. 11. Dese Jesus die van u opgenomen
is in den hemel, sal alsoo komen, gelijckerwijs ghy
hem na den hemel hebbet sien henen varen,
d V. Als Christus dan komen sal om te oordeelen,
sal hy dan alleen komen onplaetslick ende onsienlick ?
A. Neen.
d V. Hoe dan?
A. Plaetselick, sienlick, ende lichamelick.
d V. Tot hoe verre sal hy afkomen, of na beneden
komen?
A. Tot in de locht. 1. Thess. 4. 17.
-ocr page 493-
Van Christi HemeFvaert.                     485
d V. Sal hy dan gesien worden.
A. Ja. 1. Joh. 3. 2. Matth. 24. 30. Apoc. 1. 7.
Vrage 47.
Is dan Christus niet by ons tot aen \'t eynde
der werelt, alsoo hy ons belooft heeft?
Antw. Christus is waerachtigh mensen ende
waerachtigh Godt, na sijner menschelicker nature
is hy niet meer op aerden, maer na sijner Godt-
heyt, Majesteyt, genade, ende Geest, en wijekt
hy nimmermeer van ons.
a V. Waer is Christus nu na sijne menscheyt?
A. In den hemel.
a V. Is hy dan na sijne menscheyt niet op der aerden?
A. Neen.
c V. Bewijst dat?
A. Joh. 16. 28. Wederom verlate ick de werelt,
ende ga henen tot den Vader. Coloss. 3. 1.
d V. Is Christus dan niet by ons ?
A. Ja.
d V. Hoe is hy by ons?
A. Na sijne Godtheyt, ende na sijnen Heyligen
Geest ende genade.
c V. Is Christus na sijne Godtheyt niet over al, soo
wel by de goddeloosen, als by ons ?
A. Ja: als te sien is 1. Reg. 8. 27. Jer. 23. 24.
En vervulle ick niet den hemel ende de aerde spreeckt
de Heere?
c V. Wat is \'er dan voor onderscheyt tussehen ons
ende haer?
A. Hy is by de geloovigen met sijne besondere
genade, ende by de goddeloose alleen met sijne macht,
rechtveerdigheyt ende straffe, ende daerentusschen
komende een algemeyne weldadigheyt. Matth. 5. vs. 45.
-ocr page 494-
Van Christi Homelvaert.
486
d V. Bewijst dat Christus met sijne genade ende Geest
by den geloovigen is?
A. Esai. 54. 8, 10. Maer met eeuwige goedertie-
rentheyt sal ick my uwer ontfermen, seyt de Heere
uwe Verlosser, &c. Matth. 18. ende 28. 20. Joh.
14. 16, 23.
Vhage 48.
Maer soo de menscheyt niet overal en is daer
de Godtheyt is, werden dan die twee naturen in
Christo niet van een ander gescheyden?
Antw. Gantschelick niet: want mitsdien de
Godtheyt onbegrijpelick, ende overal tegen woor-
digh is, soo moet volgen datse wel buyten haer
aengenomen menscheyt is, ende persoonelick met
haer vereenight blijft.
b V. Blijven die twee naturen altijt vereenight in
Christo ?
A. Ja.
b V. Wordense noyt van malkanderen gescheyden?
A. Neen.
c V. Waerom worden die naturen niet gescheyden?
A. Om dat de Godtheyt overal is daer de mensch-
eyt is.
c V. Maer de menscheyt is niet overal daer de Godt-
heyt is; ergo, soo isse van de Godtheyt gescheyden?
A. Dat volght niet.
d V. Daer uwe ziele is, is daer elck lidt van u
lichaem ?
A. Neen.
d V. Daer elck lidt van u lichaem is, is daer de ziele ?
A. Ja.
d V. Wort dan de vereeniginge niet gescheyden tus*
schen de ziele ende het lidt?
A. Neen.
-ocr page 495-
Van Christi Hemelvaert.                     487
d V. Soo daer twee saken vereenight waren, even
eyndelick en even wijdt uytgestreckt, als de ziele
ende het lichaem des menschen, soude dan de unie
gescheyden worden, soo het eene niet en was daer
het ander is?
A. Ja.
d V. Wel waerom wortse hier niet gescheyden?
A. Om dat het niet en is een ende de selfde reden,
d V. Wat onderscheyt is \'er dan?
A. Lichaem ende ziele is eyndelick.
d V. Is de menscheyt Christi eyndelick?
A. Ja.
d V. Is de Godtheyt eyndelick?
A. Neen: maer oneyndelick.
d V. Is de Godtheyt dan altijt daer de menscheyt is ?
A. Ja.
d V. Behoeven dan die twee naturen wel gescheyden
te worden, al is \'t dat de menscheyt niet en is daer
de Godtheyt is?
A. Neen.
d V. Waer is de vereeniginge van beyde naturen?
A. Daer boven in den hemel,
d V. Maer heeft de Goddelicke natuer de menschelicke
natuer hare eygenschappen medegedeelt, soo dat de
menschelicke nature nu is, waer de Godtheyt is?
A. Neen.
d V. Kan dat wel geschieden?
A. Neen.
d V. Wie seggen, dat de menschelicke nature Christi
te gelijck in den hemel ende op der aerden kan zijn ?
A. De Papisten ende Luterschen.
d V. Hoe soudt ghy haer wederleggen?
A. 1. Om dat Godt hemselven dan soude verloo*
chenen, tegen 2. Tim. 2. 13. 2. Om dat als dan de
menscheyt geen menscheyt meer soude zijn, maer
Godtheyt, ende alsoo twee oneyndige , ende dienvol-
gende meer Goden of Godtheden souden zijn, als een.
-ocr page 496-
488 Van de Vruchten van Christi Hemelvaert.
SONDAGH XVIII. Vrage 49, 50.
Vrage 49.
Wat nuttet ons de Hemelvaert Christi?
Antw. Ten eersten, dat hy in den hemel voor
dat aengesicht sijns Vaders onse Voorspreker is:
Ten anderen, dat wy ons vleesch in den hemel
tot een seker pant hebben, ende dat hy als dat
Hooft onse ledematen oock tot hem sal nemen:
Ten derden, dat hy ons sijnen Geest tot een tegen*
pant sendet, door welckers kracht wy soecken
dat daer boven is, daer Christus is sittende ter
rechterhant Godts, ende niet dat op der aerden is.
d V. Hoe wert desen Sondagh afgedeelt?
A. In twee deelen
d V. Welck zijn die twee deelen\'?
A. 1. De nuttigheden, die wy scheppen uyt de
Hemelvaert Christi, Vrage 49. 2. Het sitten ter rech-
terhant Godts, Vrage 50.
c V. Hebben de geloovigen wel eenigh profijt ende
voordeel daer by , dat Christus ten hemel gevaren is ?
A. Ja.
c V. Hoe veel nuttigheden stelt de Catechismus, die
de geloovigen scheppen uyt Christi Hemelvaert ?
A. Drie.
c V. Welck is de eerste nuttigheyt?
A. Dat hy in den hemel voor het aengesichte sijns
Vaders onse voorspraeck is.
d V. Bewijst dat?
A. Rom. 8. 35. Die oock voor ons bidt. 1. Joh. 2.
1. Wy hebben eenen voorsprake by den Vader, Jesum
Christum den rechtveerdigen.
d V. Wat is dat geseyt, dat hy onse voorspraek is?
-ocr page 497-
Van de Vruchten van Christi Hemelvaert. 489
A. Dat hy vertoont, ende altijt versch is, de kracht
van sijn bloedige verdiensten, dat om der selver wille
alle uytverkorene in genaden aengenomcn mochten
werden, &c. Hebr. 9. 24. ende 12. 24.
c V. Leyt Christus dan daer boven in den hemel op
sijn knijen.
A. Neen.
c V. Spreeckt hy daer formelick, ende uytet sijne
gebeden, gelijck hy hier op der aerde dede?
A. Neen.
d V. Behoeft hy dan geen sprake te geven ende te
uyten?
A. Neen.
c V. Heeft Christus, hier op aerden zijnde, voor ons
gebeden, ende dat formelick ende uyterlick?
A. Ja.
d V. Bewijst dat?
A. Joh. 17. 9. Ick bidde voor haer.
d V. Badt Christus hier op der aerden, soo gelijck
als hy nu voor ons bidt in den hemel?
A. Neen: want op der aerden zijnde, badt hy voor
ons in forma, ende uyt kracht van sijne offerhande
welcke hy noch doen soude: nu bidt hy uyt kracht
van sijne offerhande, die voor ons gedaen is.
a V. Bidden Maria, Petrus, Paulus, &c. voor ons?
A. Neen.
a V. Wie dan?
A. Christus,
b V. Waerom Christus?
A. Om dat hy onsen Advocaet, Voorspraeck ende
Middelaer is
b V. Hebben wy geen Advocaten en Voorsprekers
meer als Christus ?
A. Neen.
c V. Wie seggen het contrarie?
A. De Papisten,
d V. Wat seggen sy dan ?
A. Dat de Heylige daer boven in den hemel, nef-
-ocr page 498-
490 Van do Vruchten van Christi Hemelvaert.
fens Christum, onse voorspraken, ende patroonen zijn,
waerom sy oock deselve soo devotelick ende yverigh
in tijt van noot of andersins, komen aen te roepen:
ja menighmael meer Mariam in haren noot aenroe-
pen, als Christum.
d V. Konnen de Heyligen onse voorspraken wel zijn ?
A. Neen.
d V. Waerom niet?
A. Om dat niemant van deselve voor ons gestorven
zijnde, voldaen ende verdient heeft.
d V. Kan dan niemant zijn onsen Advocaet ende
Voorspraeck, die voor ons niet gestorven is, noch
voor ons voldaen ende verdient heeft?
A. Neen.
<* V. Behoeven sy het oock wel te zijn?
A. Neen.
d V. Is dan sijn voorbiddinge krachtigh genoegh voor
ons?
A. Ja.
d V. Maer als men hier in dese werelt een groot
Heer ofte Vorst sproken wil, soo sal men soo plot-
selick niet tot dien Heer loopen; maer men sal eerst
sijne dienaers spreken ende versoecken door deselve
acces en toegangh; moet het hier mede oock soo
niet gaen?
A. Neen.
d V. Wie seggen sulcks?
A. De Papisten.
<i V. Hoe soudt ghy haer wederleggen?
A. Om dat Christus begeert dat wy tot hem sullen
komen. Matth. 11. 28.
d V. Maer sal Christus ons wel verhooren?
A. Och ja: Joh. 6. 37. Ende die tot my komt en
sal ick geensins uytwerpen.
•d V. Is de voorbiddinge Christi wel soo krachtigh,
datse van sijnen Vader verhoort ende Hengenomen
wert ?
A. Ja: want nadien de Heere Christus altijt verhoort
-ocr page 499-
Van de Vruchten Tan Christi Hemelvaert. 491
is doen hy hier noch op aerden was in den staet van
sijn vernederige, als te sien is Joh. 11. 42. hoe veel
te meer daer boven in den hemel, nu hy is in den
staet van sijne verheerlickinge.
d V. Hebben wy dit Advocaetschap ende voorbidden
Christi wel van doen?
A. Ja.
d V. Waerom doch?
A. Van wegen onse onweerdigheyt, swackheyt, ende
daeghlicksche sonden.
<1 V. Stilt de Heere Christus den toorn sijns Vaders,
onde maeekt hy onse saken daer boven weder effen
met sijne voorbiddinge, die wy met onse sonden on-
effen gemaeckt hebben?
A. Ja.
d V. Is dit dan niet eenen grooten troost voor ons,
die wy Godts kinderen zijn, dat wy Christum hebben
tot onsen Advocaet en Voorspreker?
A. Ja. Siet Rom. 8. 34, 35.
b V. Welck is de tweede nuttigheyt, die wy schep-
pen uyt de hemelvaert Christi?
A. Dat wy ons vleesch tot een seker pant hebben
in den hemel, als dat wy daer oock komen sullen,
c V. Welck is ons vleesch?
A. De Heere Christus.
c V. Waerom wort hy ons vleesch genoemt?
A. Om dat hy, als onse Borge ende Middelaer, het
selve van ende uyt Maria om onsent wil heeft aen-
genomen.
a V. Waer sult ghy varen als ghy sult sterven?
A. In den Hemel.
a V. Sult ghy in \'t Vagevyer niet komen?
A. Neen: want daer is geen Vagevyer.
a V. Niet in de helle?
A. Neen.
a V. Waer dan?
A. In den Hemel,
b V. Wat weet ghy dat?
-ocr page 500-
492 Van de Vruchten van Christi Hemelvaert.
A. Om dat mijn vleesch in den Hemel is.
b V. Wat hebt ghy voor een fundament?
A. Om dat Christus in den Hemel is.
b V. Wat is Christus?
A. Hy is mijn Hooft,
b V. Is yemant meer u Hooft?
A. Neen.
b V. Is Petrus, de Paus, &c. u Hooft?
A. Neen.
o V. Daer het Hooft is, moeten daer de ledematen
oo ck zijn?
A. Ja.
c V. Hebt ghy een text, om dit u fundament vast
te maken.
A. Joh. 14. 2. Ick gae henen om u plaetse te be-
reyden. Eph. 2 vs. 6. Ende heeft ons medegeset in
den Hemel in Christo Jesu.
c V. Magh men dan wel versekert zijn van sijn saligheyt ?
A. Ja.
c V. Hoe wilt ghy de Papisten, ende andere, die
dese sekerheyt loochenen, overtuygen?
A. Om dat anders Christus, het Hooft van sijn
ledematen , ende de ledematen van haer Hooft souden
gescheyden zijn ende blijven,
c V. Kan dat wel zijn?
A. Neen: Rom. 8. 11, 34, 35. Joh. 14. 3. Ende
sal u tot my nemen, op dat ghy oock zijn meught
daer ick ben.
b V. Welck is de derde nuttigheyt?
A. Dat hy sijnen Geest tot een tegenpant sendet.
d V. Heeft hij te voren sijnen Geest niet gegeven?
A. Ja: Joh.\' 20. 22. Ende als hy dit geseght hadde
blies hy op haer, ende seyde tot haer, ontfanght den
H. Geest,
d V. Hoe staet \'er dan, dat hy den H. Geest geeft
na ende door sijn hemelvaert?
A. Dat is, dat hy den Geest in overvloediger mate
heeft uytgestort dan te voren.
-ocr page 501-
Van het sitten Christi ter rechterhant Godts. 493
V. Waer uyt bewijst ghy de derde nuttigheyt?
A. Joh. 14. 16, 17. Ende ick sal den Vader bid-
den, ende hy sal u eenen anderen Trooster geven,
&c. ende 16. 7.
Vrage 50.
Waerom wert daer toe geset sittende ter rechter*
hant Godts?
Antw. Dat Christus daerom ten hemel gevaren
is, op dat hy hemselven daer bewijse als dat Hooft
sijner Christelicker Kercke, door welcke de Vader
alle dingh regeert.
V. Hoe veel handen heeft Godt?
A. Godt heeft geen handen.
V. Heeft Godt eygentlick een rechterhant?
A. Neen.
V. Godt de Heere wort nochtans een rechterhant
toegeschreven, als Psalm 110. 1. ende 118. 16.?
A. Dat is oneygentlicker wijse.
V. Kan het niet eygentlick verstaen worden?
A. Neen.
V. Waerom niet?
A. Om dat Godt een geest is, Joh. 4. 24. ende een
geest heeft noch vleesch noch been. Luce 24. 39.
V. Wat wort dan door de rechterhant Godts verstaen ?
A. De heerlickheyt ende kracht Godts.
V. Wat beteeckent het sitten, of staen, of stellen,
of verheffen ende verhoogen, ter rechterhant Godts?
A. Dat hy is verheven tot macht ende heerlickheit.
V. Wat is dat voor een macht on heerlickheyt?
A. Een macht en heerlickheyt, die hy gewrocht
heeft in Christo, als hy hom uyt den dooden opge*
weckt heeft.
V. Waer staet dat?
A. Ephes. 1. 20, &c.
-ocr page 502-
494 Van het sitten Christi ter rechterhant Godts.
d V. Wat is geseyt, het Hooft te zijn van de Kercke ?
A. Dat hy, van wegen het recht der verlossinge do
geestelicken Heere ende Koninck der gemeynten is.
a V. Wie is het Hooft van de Kerck?
A. Christus.
d V. Bewijst dat?
A. Ephes. 1. 22. Ende heeft hem der gemeynte
gegeven tot een Hooft boven alle dingen, en 4. 15.
ende 5. 23.
b V. Is het de Vader niet?
A. Niet in soodanigen opsicht, als het de Soon is,
die het alleen is , voor soo veel hy de Middelaer is.
b V. Is het de Overigheyt niet?
A. In geender maniere.
b V. Is de Predikant het Hooft van de Kerck?
A. Neen.
b V. Is de man het Hooft van de vrouwe?
A. Ja.
b V. Is de geloovige vrouwe een lidtmaet van de
Kerck?
A. Ja.
d V. Wel soo is de man het Hooft van de Kerck?
A. Dat volght niet.
d V. Hoe is dan de man het Hooft van de vrouwe ?
A. Voor soo veel als hy de man des wijfs is, ende
in de huyshoudinge, of in het huysregiment.
d V. Hoe is de Overigheyt ons Hooft?
A. Voor soo veel als wy burgers, ondersaten ende
ledematen zijn van de politie.
d V. Is de Overigheyt dan ons Hooft niet voor soo
veel wy ledematen Christi ende sijner Kercke zijn?
A. Neen.
d V. Is de Paus het Hooft van de Kercke?
A. Neen.
d V. Wie seggen sulcks?
A. De Papisten.
d V. Met wat argument soudt ghy bewijsen, dat de
Paus het Hooft van de Kerck niet en is?
-ocr page 503-
Van het sitten Christi ter rechterhant Godts. 495
A. Om dat hy niet en sit ter rechterhant Godts.
d V. Is het dan een ende deselve sake, te sitten ter
rechterhant Godts, ende gestelt te zijn tot liet Hooft
van de Kercke?
A. Ja.
d V. Bewijst dat?
A. Ephes. 1. 20, 21, 22. Die hy gewrocht heeft in
Christo, als hy hem uyt den dooden heeft opgeweckt,
&c. vs. 22. ende heeft hem der gemeynte gegeven
tot een hooft boven alle dingen,
d V. Hebt ghy eenigh bewijs meer?
A. Ja.
d V. Welck is dat?
A. Om dat de Paus niet en is het fundament, 1.
Corinth. 3. 11. de Bruydegom , Joh. 3. 29. de Koninck,
Psal. 2. 6. ende de gemeynte niet verlost heeft met
sijn bloet, niet en is gestelt over alle de leden, de-
selve niet en regeert, krachten geeft, noch over al
is daer de leden zijn, maer sijn sitplaetse te Roomen
houdt,
d V. Moeten dan by het Hooft van de Kerck soodanige
dingen gevonden worden?
A. Ja.
d V. Hebt ghy noch eenigh bewijs meer?
A. 1. Om dat het Hooft dan de sonde soude onder-
worpen zijn, als oock de dwalinge , \'t welck ongerijmt
is. 2. Om dat de Kercke dickwijls sonder Hooft soude
zijn, wanneer de Roomse stoel vacant is, of wanneer
de Paus komt te sterven, &c.
d V. Maer kan de Paus na de distinctie van die van
\'t Pausdom het ministeriale, dat is, bedienende of
ondergestelde Hooft niet zijn?
A. Neen.
d V. Waerom niet?
A. Om dat een lichaem dan twee hoofden soude
hebben.
d V. Soude hy geen stadthouder Christi zijn konnen,
gelijck Koningen en Heerenhare stadthouders hebben?
-ocr page 504-
496 Van het sitten Christi ter rechterhant Godts.
A. Neen.
d V. Wacrom niet?
A. Om dat de Heere Christus hem niet van doen
heeft, alsoo hy selfs over al by sijn gemeynte met
sijn geest ende genade tegenwoordigh is. Matth. 28. 20.
d V. Waer uyt willen de Papisten bewijsen, dat de
Paus het hooft is?
A. Sy seggen dat Petrus het Hooft geweest is, ende
dat de Paus is de successeur ende navolger des Apos-
tels Petri.
d V. Is Petrus het Hooft geweest van de andere Apos-
telen, ende van de geheele Kercke ?
A. Neen.
d V. Heeft de Heere Christus den Apostel Petrus
eenige previlegie, preminentie ende weerdigheyt boven
de andere Apostelen gegeven?
A. Neen.
d V. Kan sulcks niet bewesen worden uyt Matth. 16.
18, 19. Ende ick segge u oock, Ghy zijt Petrus, ende
op desen Petra sal ick mijn gemeynte bouwen, &c?
A. Neen: want ten eersten, wert door het woort
Petra niet verstaen de Apostel Petrus, maer Christus,
die de rechte Petra ende steenrotse is, waer op dat
hy sijn gemeynte gebouwt heeft. Ten anderen, die
bedienende macht van te sluyton ende te ontsluyten
heeft Christus den Apostel Petrus alleen niet gegeven,
(gelijck oock sulcks uyt desen text niet en kan bewesen
werden) maer oock aen alle Apostelen, als te sien is
Joh 20. 22, 23. met 2. Cor. 5. 18, 19, 20.
d V. Kan sulcks oock niet bewesen werden uyt Joh.
21. 15, &c?
A. Neen: want ten eersten, dat Christus hier Pe-
truni alleen aenspreekt, is alleen ten aensien van de
herstellinge sijns ampts, nadien hy meer als de andere
Apostelen soo leelick was gevallen, ende hem niet
als een Apostel hadde gedragen: waerom hy oock
bysonderlick in dit sijn ampt moest herstelt worden.
Ten anderen, het gene Christus hier don Apostel
-ocr page 505-
Van het sitten Christi ter rechterhant Godts. 497
Petro belast, dat is oock het ampt van de Apostelen
als te sien is Matth. 28. 29. Want dat de Heere
Christus daer eygentlick noemt Ieeren, dat noemt hy
hier oneygentliek weyden ende hoeden, ende is allen
Dienaren gemeyn, gelijck te zien is 1, Petr. 5. 2.
Ten derden, Petrus heeft oock hier uyt geensins kon-
nen of willen besluyten, dat hem de Heere Christus
gestelt hadde tot een Monarch ende Hooft van de
andere Apostelen, gelijck blijckt volgens sijn eygen
getuygenisse, 1. Petr. 5. vers 1. Ick die een mede-
Ouderlingh ende getuyge des lijdens Christi ben. Ten
vierden, dat oock die van het Pausdom door de
schapen willen verstaen de Apostelen, ende door de
lammeren de gemeynte, is enckele dwaesheyt, alsoo
hier mede de Heere Christus niet anders wil te ken-
nen geven, als dat de Apostel Petrus soude weyden
ende hoeden al wat tot de gemeynte Godts soude
gehooren: ende in Godts woort werden door de
schapen altijt verstaen die geleert worden, en niet
die nevens malkanderen Ieeren. Ja selfs by die van
het Pausdom en zijn de Bisschoppen geen schapen,
maer hoeders der schapen.
d V. Soo Petrus het hooft geweest ware, souden dan
de Apostelen geen swack hooft hebben?
A. Ja: als blijckt Matth. 16. 28. Maer hy hem om-
keerende seyde tot Petrum, Gaet wech achter my
Satana, ghy zijt my een aenstoot; &c. ende 26. 70, &c.
Galat. 2. 11, 12.
d V. Genomen, Petrus was het hooft geweest (het
welck hy niet geweest is) kan dat de Paus wel tot
sijnen voordeele trecken?
A. Neen.
d V. Maer de Paus seyt, dat hy des Apostels Petri
successeur ende navolger is, ende dat Petrus dese
macht aen den stoel van Roomen gehangen ofte eeuwigh-
lick ende erffelick vast gemaeckt heeft, dewijle hy
daer als opperste Bisschop heeft geseten?
A. Men kan genoegh seggen, maer seggen is geen
32
-ocr page 506-
498 Van het sitten Christi ter rechterhant Godts.
bewijs; maer laet haer eens bewijsen, ten eersten ,
dat Petrus boven andere Apostelen soodanige macht
van Christo heeft ontvangen. Petrus sal haer selfs den
mont stoppen. 1. Petr. 5. 1. Ick die een mede Ouder-
ling ben. Ten tweeden, laet haer eens bewijsen dat
Petrus dese macht gehadt hebbende, deselve heeft
konnen vinden ende vast maken aen soodanige men-
schen ende volckeren, plaetsen ende Kercken, als
het hem belieft heeft. Ten derden, dat hy te Roomen
is geweest. Ten vierden, dat hy daer heeft geseten
als de opperste geestelicke Monarch, heerschende ende
gebiedende over alle Kercken, selfs over de Apostelen.
Ten vijfden, dat hy te Roomen is gestorven. Ten
sesten, dat aen Roomen daerom dese previlegie is
gegeven, om dat hy te Roomen is gekruyeight. Ten
sevensten, dat de Pausen altijt Petro met een onver-
broken successie ende ordre zijn gevolght. Ten acht-
sten, dat de Pausen van dit recht niet konnen ver-
vallen , niet tegenstaende sy een goddeloose leere
ende leven komen te voeren. Dese ende diergelijckc
dingen moeten eerst van haer zijn vast geset ende
bewesen, eer sy konnen vast setten, dat de Paus
het Hooft is; het welck sy in eeuwigheyt niet sullen
noch konnen doen.
d V. Wat is de Paus dan?
A. De Antichrist.
d V. Waer uyt soudt ghy dat bewijsen?
A. ü. Thess. cap. 2. vs. 4. Die hem tegenstelt ende
verheft boven al dat Godt genaemt ofte als Godt
ge-eert wort, <fec.
d V. Wat seght Paulus daer dat de Antichrist, ge-
komen zijnde, doen soude?
A. Dat hy hom tegenstelt ende verheft boven al
dat Godt genaemt, ofte als Godt ge-eert wort, alson
dat hy in den Tempel Godts als een Godt sal sitten.
hemselven vertoonende dat hy Godt ware.
d V. Doet dit de Paus?
A. Ja: gelijck de sake selfs genoeghsaem bekent
-ocr page 507-
Van het sitten Christi ter rechterhant Godts. 499
maeckt: want hy stelt hem in de plaetse Christi, hy
verheft hemselven tegen ende boven Godt, want hy
maeckt wetten ende breeckt wetten na sijn welgeval-
len: hy kan van sonde geen sonde maken, ende an-
dere grouwelicke dingen meer.
d V. Behoort het sitten ter rechterhant Godts tot het
Middelaersampt Christi ?
A. Ja.
d V. Heeft Christus altijt ter rechterhant sijns Vaders
geseten ?
A. Wat belanght Christi persoon absolutelicken na
de Godtheyt aengemerckt, deselve heeft altijt even-
gelijckheyt der macht, majesteyt ende eere met den
Vader gehadt: maer Christi persoon aengemerckt als
Middelaer, deselve en is niet altijts in dese eere ende
macht (die wy de rechterhant Godes noemen) geweest,
d V. Na wat natuer is Christus geseten ter rechter-
hant Godts?
A. Na beyde.
d V. Is dat van beyde de naturen even eens, of op
een maniere te verstaen?
A. Gantschlick niet.
c V. Wat onderscheyt is \'er dan?
A. De menscheyt heeft yet in der daet ende reëlick
ontfangen, datse te voren niet en hadde.
d V. Wat heeft hy ontfangen na sijn menschelicke
natuer ?
A. Meerder glorie, macht ende heerlickheyt.
o V. Heeft hy na sijne menschelicke natuer ontfangen
oneyndelickheyt ende over al tegenwoordigheyt ?
A. Neen.
d V. Die gaven die hy na sijne menschlicke natuer
ontfangen heeft, zijn die minder of meerder, of gelrjck
de gaven, die de Engelen ontfangen hebben?
A. Meerder,
d V. Doen Christus hier op aerden was, was hy doen
in alle manieren heerlicker als de Engelen?
A. Neen: maer in verscheyden respecten minder :
-ocr page 508-
500 Van het sitten Christi ter rechterhant Godts.
Hebr. 2. 7. Ghy hebt hem een weynigh minder ge-
maeckt dan de Engelen,
b V. Wat heeft de Godtheyt ontfangen?
A. De Godtheyt heeft niet ontfangen.
b V. Is de Godtheyt daer door niet vermindert noch
vermeerdert ?
A. Neen.
b V. Kan de Godtheyt wel verminderen ofte ver-
meerderen?
A. Neen.
c V. Hoe wort Christus dan geseght geseten te zijn
na sijne Godtheyt ter rechterhant Godts ?
A. Dat is, dat de glorie sijner Godtheyt van nieuws
op een meerder ende ruymer wijse verklaert, ende
meer ende meer geopenbaert is, als te voren in den
staet sijner vernederinge.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Joh. 17. 5. Ende nu verheerlickt my Vader by
u selven, met de heerlickheyt die ick by u hadde,
eer de werelt was. met Rom. cap. 1. vs. 4. Die
krachtelick bewesen is te zijn de Sone Godts, na den
Geest der heylighmakinge uyt de opstandinge der
dooden.
SONDAGH XIX. Vrage 51, 52.
Vrage 51.
Wat nuttigheyt brenght ons nu dese lieerlick-
heyt onses hoofts Christi ?
Antw. Eerstelick, dat hy door sijnen H. Geest
in ons sijne iidtmaten de hemelsche gaven uytgiet.
Daer na dat hy ons met sijne macht tegen alle
vyanden beschut ende bewaert.
-ocr page 509-
Van de Nuttigheden der heerlickheyt Christi. 501
d V. Hoe wort desen Sondagh afgedeelt?
A. In twee deelen.
d V. Welck zijn die twee deelen?
A. 1. De nuttigheden die wy scheppen uyt het
sitten Christi ter rechterhant Godts, Vrage 51. 2.
Van het laetste oordeel, Vrage 52.
b V. Hoe veel nuttigheden schept ghj* uyt de heer-
lickheyt Christi?
A. Twee.
b V. Welck is d\'eerste?
A. Dat hy in ons, sijne ledematen, de hemelsche
gaven uytgiet.
c V. Wat verstaet ghy door het woort ledematen?
A. De geestelicke ende eygene onderdanen Christi
daer hy het Hooft van is.
c V. Wie zijn de ledematen?
A. De geloovigen.
c V. Warender geen gaven gegeven eer Christus ten
hemel voer?
A. Ja.
d V. Hoe staet \'er dan dat hyse geeft sittende ter
rechterhant Godts?
A. Dat is, dat hyse overvloediger geeft, als hy te
voren gedaen heeft,
d V. Wat bewijs hebt ghy, dat het uytstorten der
gaven, op de gemeynte, een vrucht is van de heer-
lickheyt Christi?
A. Actor. 2. 33. Hy dan door de rechterhant Godts
verhooght zijnde, ende de belofte des H. Geests ont-
fangen hebbende van den Vader heeft dit uytgestort
dat ghy nu siet ende hoort,
c V. Soude Christus sijne gave niet hebben uytgestort
soo hy niet en was ten hemel gevaren?
A. Neen: Siet Joh. 16. 7. Want indien ik niet wech
en ga, soo en sal de Trooster tot u niet komen, &c.
Ephes. 4. 8. Daerom seght hy, als hy opgevaren is
in de hooghte, heeft hij de gevangenisso gevangen
genomen, ende heeft den mensch gaven gegeven.
-ocr page 510-
502 Van de Nuttigheden der heerlickheyt Christi.
V. Wat zijn die gaven die Christus over ons uyt-
giet?
A. Geestelicke gaven, tot de saligheyt dienende.
V. Wat zijn die gaven die hy uytgoot over de
Apostelen ?
A. Extraordinare gaven, van onfeylbare wetenschap
in de leere der saligheyt, van mirakelen te doen,
met verscheyden talen te spreken, &c.
V. Hebben wy die oock te verwachten ?
A. Neen.
V. Waerom niet?
A. Om dat Godt ons sulcke gaven niet belooft
heeft, ende deselve zijn extraordinaris ende op sekere
tijden gegeven geweest.
V. Hebben wy deselve nu ofte altijts van nooden?
A. Neen: want doen diendense tot plantinge ende
vastsettinge der Kercke Christi, en nu is de Kercke
Christi geplant en vast geset.
V. Zijn dan de mirakelen geduerige teeckenen waer
aen men de ware Kercke kennen kan, als die van
het Pausdom drijven?
A. In \'t minste niet.
V. Welck is de tweede nuttigheyt?
A. Dat hy ons tegen alle onse vyanden beschut
ende bewaert.
V. Wie zijn onse vyanden?
A. De Duyvel, de werelt, ons eygen vleesch.
V. Wie bewaert ons tegen deselve?
A. Christus.
V. Waer mede bewaert hy ons?
A. Met sijn macht.
V. Sullen wy dan noyt den Duyvel in de kaecken
vallen, ende t\'eenemael onder sijn gewelt geraken?
A. Neen.
V. Zijn wy soo sterck van ons selven?
A. Neen.
V. Waer van daen komt dese onse sterckheyt?
A. Van Christo.
-ocr page 511-
Van \'t uyterste Oordeel.                     503
d V. Waer mede sult ghy u dan troosten tegen uwe
machtige vyanden ?
A. Met de bewaringe Christi.
d V. Bewijst, dat Christus u bewaert?
A. Matth. cap. 16. vs. 18. Ende de poorten der
helle en sullen deselve niet overweldigen. Luce cap.
22. vss. 31, 32. Joh. 10. vs. 28.
Vhage 52.
Wat troost u de wederkomste Christi om te
oordeelen de levendigen ende de dooden?
Antw. Dat ick in alle droeffenisse ende vervol-
ginge, met opgerechten hoofde even den selven,
die hem te voren om mijnent wille voor Godts
gerichte gestelt, ende al den vloeck van my wech-
genomen heeft, tot eenen Rechter uyt den hemel
verwachte, die alle sijne ende mijne vyanden in
de eeuwige verdoemenisse werpen, maer my met
alle uytverkorenen tot hem in de hemelsche blydt-
schap, ende heerlickheyt nemen aal.
a V. Staet\'er oock een oordeel te verwachten\'?
A. Ja.
d V. Oordeelt oock Godt van te voren?
A. Ja.
d V. Hoe wort dat oordeel genoemt?
A. Een particulier oordeel,
b V. Hoe wort dat oordeel genoemt, dat te verwach-
ten staet\'?
A. Een algemeyn oordeel.
c V. Hoe veelderley oordeel is\'er dan?
A. Tweederley: een particulier ende algemeyn.
d V. Maer soo daer een particulier oordeel is, waer-
om sal Godt dan noch een algemeyn ordeel houden ?
-ocr page 512-
504                      Van \'t uyterste Oordeel.
A. Op dat ziel ende liehaem te samen opentlick
mogen geoordeelt worden,
d V. Waer uyt soudt ghy bewijsen, dsit\'er een alge-
meyn oordeel staet te verwachten?
A. Matth. 26. 64. 2. Corinth. 5. 10. Want wy alle
moeten geoponbaert worden voor den Rechterstoel
Christi 1. Thoss. 4. 14.
d V. Waer staet de beschrijvinge van dit oordeel ?
A Matth. 25. 31. tot het eynde.
b V. Wie sal oordeelen ?
A. Christus.
c V. Sullen de Vader ende de H. Geest oock oor-
deelen?
A. Ja.
d V. Is Godt een Richter van de werelt?
A. Ja. Genes. IS. 25.
d V. Hoe sal dan Christus alleen oordoelen, ende de
Vader of de H. Geest niet?
A. Christus sal alleen oordeelen als Middelaer.
d V. Dat oordeel, het welck Christus houden sal met
alle menschen, sal dat oock het oordeel zijn van den
Vader ende van den H. Geest?
A. Ja: dewijle Godt sal oordeelen door den Middelaer.
d V. Heeft Christus die macht, om te oordeelen als
Middelaer, van hemselven?
A. Neen.
d V. Wie heeft hem dan die macht gegeven ?
A. De Vader,
d V. Bewijst dat?
A. Joh. 5. 22. Want oock de Vader en oordeelt
niemant, maer heeft alle het oordeel den Sone ge-
geven Actor. 17. 31.
d V. Sullen de geloovigen mede oordeelen ?
A. Luce 22. 12. 1. Corinth. 6. 2. En weet ghy niet
dat de heilige de werelt oordeelen sullen, &c. ? Matth.
19. 28.
d V. Sullen de Apostelen sitten op eygontlicke en
sichtbare throonen?
-ocr page 513-
Van \'t uyterste Oordeel.                     505
A. Neon.
d V. Sullen do Engelen oock oordeelen ?
A. Ja.
d V. Hoe seght ghy dan , dat Christus alleen sal oor-
deelen\'?
A. Hy sal oordeelen als Middelaer.
d V. Sullen de Engelen ende de geloovigen oordeelen
met een ende deselve macht als Christus ?
A. Neen.
d V. Kan yemant deselve macht in specie om te oor-
• leelen wel medegedeelt worden?
A. Neen.
d V. Hoe is dan te verstaen het gene staet Apoc. 3. 21.
Die overwint, ick sal hem geven met my te sitten
in mijnen throon, &c?
A. Dat is te verstaen, dat Christus sijne heerlick-
heyt ende macht in \'t oordeelen sijne geloovige door
gelijckenisse sal deelachtigh maken; gelijck hy haer
maeckt tot Propheten, Priesters ende Koningen,
d V. Wat sullen de geloovigen dan eygentlick tot dit
oordeel doen?
A. Sy sullen het oordeel Christi toestaen ende voor
goet kennen,
b V. Na wat natuer sal Christus oordeelen?
A. Na alle beyde.
c V. Waerom na alle beyde?
A. Om dat hy Middelaer is na alle beyde.
b V. Hoe sal hy oordeelen na sijne menschelicko
nature, sienlick of onsienlick, plaetselick of onplaet-
selic.k; lichamelick of onlichamelick?
A. Sienlick, lichamelick, plaetselick, &c.
b V. Hoe is Christus opgevaren?
A. Sienlick, lichamelick, plaetselick.
o V. Sal hy soo wederkomen ?
A. Ja.
b V. Bewijst dat?
A. Actor. 1. 11. Dese Jesus die van u opgenomen
-ocr page 514-
506                     Van \'t uyterste Oordeel.
is in den hemel, sal alsoo komen gelijckerwijs ghy
hem na den hemel hebbet sien henen varen.
b V. Van waer sal hy komen?
A. Uyt den hemel,
e V. Waer henen of waer na toe sal hy komen?
A. In de woleken.
b V. Welck is de plaetse daer het oordeel sal gehou-
den worden?
A. De lucht,
d V. Waer staet dat?
A. 1. ïhess. 4. 14. Den Heere te gemoete in de
lucht,
d V. Is dat niet in de plaetse daer Christus nu is?
A. Neen.
d V. Wat noemt ghy dan lucht?
A. Die plaetse, die van der aerde tot de woleken,
ende boven deselve haer uytsteeckt.
d V. Weet men niet in wat quartier of gewest van
de locht het zijn sal?
A. Neen.
d V. Sal het niet zijn boven Jerusalem of boven het
dal Josaphats ?
A. Dat weet men niet.
il V. Staet sulcks Joé\'1 3. 12. De Heydenen sullen sich
opmaken, ende optrecken na \'t dal Josaphats?
A. Neen.
d V. Spreeckt de Propheet aldaer van het uyterste
ende laetste oordeel?
A. Neen.
d V. Waer van spreeckt hy?
A. Van een particulier oordeel, ende straffe, die
de Heere oeffenen soude over de vyanden sijner Kercke,
van wegen de verstroyinge, die sy over sijn volck
ende erfdeel gebracht hadden. Siet vs. 2.
<; V. Wanneer sal het laetste oordeel zijn?
A. Ten jonghsten dage.
c V. Wanneer sal de laetste dagh wesen?
A. Dat weet men niet.
-ocr page 515-
Van \'t uyterste Oordeel.                     507
d V. Hoe komt dat, dat wy dat niet en weten\'?
A. Godt heeft ons dat niet willen openbaren.
d V. Waer staet dat?
A. Mare. 13. vs. 32. Maer van dien dagh ende ure
en weet niemant, &c.
d V. Hoe is dat te verstaen, dat Christus dat niet
heeft geweten, weet hy niet alle dingen?
A. Ja Joh. 21. 17.
d V. Hoe seyt Christus dan, noch ooek de Sone des
menschen?
A. Dat is te verstaen, ten aensien van sijn men-
schelicke natuer, ende dat voor dien tijt in den staet
sijner vernederinge.
c V. Soude men niet mogen ondersoecken ende ver-
nemen wanneer het wesen sal?
A. Neen.
c V. Kan men het wel weten uyt Codts woort?
A. Neen.
o V. Niet uyt de Sterren?
A. Neen.
d V. Soude men het niet mogen gelooven, soo yemant
seyde sulcks uyt een bysondere openbaringe te hebben?"
A. Neen: Siet 2. Thess. 2. 1, 2.
d V. Maer soude men het ten naesten by niet weten
konnen ?
A. Neen.
d V. Soude men niet weten konnen \'t jaer, de maent,
de weke, dagh ofte stonde van den dagh ?
A Neen.
d V. Soude men niet konnen weten of het des daeghs
ofte des nachts beginnen sal?
A. Neen.
d V. Soude dat niet konnen bewesen werden uyt
Matth. 25. vs. 6. ende 1. Thessal. 5. 2 ?
A. Neen.
d V. Wat wort dan daer door te kennen gegeven?
A. Dat hy onverwacht ende onversiens komen sal,
en als men daer minst op denckt.
-ocr page 516-
608                     Van \'t uyterste Oordeel.
d V. Waer toe dient het, dat wy den tijt niet weten
konnen van het laetste oordeel?
A. Tot wederlegginge van de Chiliasten, die uyt
Apoe. 20. 4, 5. willen bewijsen, dat de Martelaers
duysent jaren te voren sullen opstaen, ende dat dan
\'t laetste oordeel sal zijn. Als oock tot wederlegginge
van die van \'t Pausdom, deweleke seggen, dat drie
jaren en een half, voor het vergaen van de werelt,
de Antichrist sal komen ende domineren.
<1 V. Maer hoe dient dit tot wederlegginge van dese
opinien?
                                                                fc
A. Om dat men als dan soude konnen weten wan-
neer het laetste oordeel zijn soude.
d V. Is dat niet tegen Mare. 13. 32. ende Aotor. 1. 7. ?
A. Ja.
d V. Maeekt dat geen sorgeloose menschen, dat wy
seggen, dat wy dat niet en weten, ja niet gelooven
dat het soo haest geschieden sal\'?
A. Neen.
d V. Waerom niet?
A. Om dat niemant versekert is van do ure van
8ijn sterven, het welck hen oordeels genoegh is, want
na dat yemant sterft, daer na sal de vergeldinge ten
longlisten dage in het oordeel staen.
d V. Melt de Schriftuer niet eenige teeekenen van
het laetste oordeel?
A. Ja.
d V. Welck zijn die teeekenen die als van verre sul-
len voorgaen ?
A. De bekeeringe der Joden , Kom. 11. 25. ende
de predikinge des Euangeliums door de geheele werelt.
d V. Welck zijn die teeekenen die effen van te voren
sullen geschieden, ende als sullen mede gaen?
A. Siet Matth. 24. ende Luce 21.
d V. Zijn die teeekenen eygentlick ofte oneygentlick
te verstaen, daer van de Heere Christus aldaer spreeckt?
A. Eygentlick.
d V. Sal onder dese teeekenen oock zijn de verschij-
-ocr page 517-
Van \'t uyterste Oordeel.                     509
ninge des kruyces Christi, gelijck de Papisten oor-
deelen?
A. Neen : maer door het teecken des Soons des
mensehen kan verstaen worden de Sone selfs.
c V. Hoedanigh sal do komste Christi ten oordeele
zijn, soo gelijck als doen hy in de werelt quam ende
de menschlicke nature aennam?
A Neen.
<1 v. Hoedanigh een komste was dat?
A. In vernederinge , Phil. 2. 7. ende met belastinge
van onse sonden. Hebr i). 28.
d V. Hoedanigh sal dese komste dan zijn ?
A. Met hoerlickheyt, Matth. 25. 31. ende sonder
sonde. Hebr. cap. 9. vs. 28.
c Y. Wat voor geselschap sal de Heere Christus
medebrengen?
A. De heylige Engelen,
d V. Wat sullen de Engelen doen?
A. Siet Matth. 25. 32. 1 Corinth. 15. 52. 1. Thess.
4. 16.
;i V. Wie sullen al geoordeelt worden ?
A. Levendige endo dooden.
b V, Sullen de doode als doode geoordeelt worden?
A. Neen: maer als levendige. 1. Thess. 4. 16.
b V. Sullen geloovige ofte ongeloovige geoordeelt
worden ?
A. Geloovige ende ongeloovige. Matth. 25. 32.
b V. Sullen de jonge kinderkens der geloovigen, die
sonder doop sterven, oock geoordeelt worden ?
A. Ja.
c V. Aen wat zijde sullen sy gestelt worden ?
A. Aen de rechter zijde.
d V. Kan men hier uyt niet wederleggen het voor-
geborghte van de jonge kinderkens, die sonder doop
sterven, tegen die van \'t Pausdom?
A. Ja.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat alle menschen voor
den rechterstoel Christi moeten verschijnen?
-ocr page 518-
•510                     Van \'t uyterste Oordeel.
A. 2. Cor. 5. 10. Want wy alle moeten geopenbaert
werden voor den rechterstoel Christi, «fee.
b v. Sullen de Engelen oock geoordeelt worden?
A. Ja: 1. Cor. 6. 3. En weet ghy niet dat wy de
Engelen oordeelen sullen?
c V. Wat voor Engelen, goede of quade ?
A. Quade.
c V. Soo sullen dan de Duyvelen oock geoordeelt
worden ?
A. Ja.
d V. Maer Joh. cap 10. vs. 9. staet, dat de Duyvel
sijn oordeel al heeft ?
A. Dat is te verstaen ofte van de veroordeelinge
in sijne conscientie, ofte van sijn particulier oordeel,
d V. Wat omstandigheden sullender zijn ?
A. De dooden sullen eerst opstaen.
d V. Wat sal dan zijn van die gene die leven sullen?
A. Wat aengaet de geloovigen die sullen verandert
worden : 1. Cor. cap. 15 vs. 53. maer of de godde-
loose oock sullen verandert worden, of datse eerst
sullen sterven , daer van melt Godts woort niet: soo
laten wy dat daer staen.
d V. Wat wort door die veranderinge verstaen, is
dat geseyt datse andere menschen sullen worden?
A. Neen: maer datse andere, dat is, geestelicke
qualiteyten ende hoedanigheden sullen bekomen.
d V. Sullen alle menschen dan niet sterven?
A. Neen.
d V. Maer alle menschen is eens geset te sterven,
ende daer na het oordeel. Hebr. 9. 27.?
A. Dat is te verstaen van alle menschen in \'t gene-
rael, uytgenomen die gene die ten jonghsten dage
sullen leven, ende noch eenige andere.
« V. Weet ghy welyemant, die niet gestorven is?
A. Ja: Enoch, Hebr. 11. 5. Van Elias kan men
oock seer waerschijnlick het selve seggen.
d V. Sonde het wel vreemt sijn, soo men seyde, dat
de goddeloosen eerst sullen sterven?
-ocr page 519-
Van \'t uyterste Oordeel.                     511
A. Neen.
c V. Wat ordre van proceduren sal Christus houden
in \'t oordeelen?
A. Hy sal scheydinge maken tusschen de goddeloo-
sen ende tusschen de vrome, gelijck de Herder de schapen
uyt de boeken scheyt, ende de schapen sal hy tot sijn
rechter, ende de boeken tot sijn slinckerhant stellen.
d V. Waer staet dat?
A. Matth. 25. 32, 38, ie.
d V. Wat saken sullen daer verhandelt worden?
A. Woorden, gedachten, wereken.
d V. Wat zijn die boecken die daer geopent sullen
worden ?
A. Daer door wert te kennen gegeven en verstaen,
dat de wereken, woorden en gedachten sullen voor
den dagh komen, uytwijsende het boeck van Godts
woort ende wetenschap aen d\'een zijde, ende het
contra-boeck van yeders conscientie aen d\'ander zijde,
d V. Sullen alle particuliere daden met hare circum-
stantien geoordeelt worden?
A. Ja: 2 Cor. 5. 10. Op dat een yegelick wech drage
\'t gene door het lichaem geschiet, na dat hy gedaen
heeft, het zy goet ofte quaet.
d V. Oock alle woorden die gesproken zijn, het zy
goet ofte quaet?
A. Ja: als blijckt Matth. 12. 37. Want uyt uwe
woorden sult ghy gerechtveerdight worden; ende uyt
uwe woorden sult ghy geoordeelt worden.
o V. Sullen oock de gedachten, selfs de minste, ge-
oordeelt worden?
A. Ja.
d V. Zijn de gedachten dan niet tolvrij?
A. Neen.
" V. Sal yeders sententie in \'t particulier ende in het
bysonder geuytet werden, of salder oock oen generale
sententie uytgesproken werden?
A. Oock een generale sententie,
d V. Hoedanige sententie salder uytgesproken worden ?
-ocr page 520-
512                     Van \'t uytersto Oordeel.
A. Tot de goddeloose sal hy seggen, Gaet woch
ghy vervloeckte in \'t eeuwige vyer, dat bereyt is
den Duyvel ende sijne Engelen. Ende tot de geloo-
vigen sal hy seggen, Komt ghy gesegende mijns
Vaders, be-erft dat Koninckrijck, \'t welek u bereyt is
van de grontlegginge der werelt. Mattli. 25. 34, 41.
d V. Sal deso uytgesprokene sententie terstont sonder
eenigli vertreck tor executie gestelt worden?
A. Ja: als te sien is Matth. 25. 46. Ende dese
sullen gaen in de eeuwige pijne: maer de reohtveer-
dige in dat eeuwige leven.
d V. Hoe langh sal het oordeel wel duren ?
A. Dat weet men niet.
e V. Wat sal Christus doen na het oordeel?
A. Heersenen ende triumpheeren over alle sijn
vyanden.
d V. Sal hy hem noch dragen als een Middelaer ?
A. Ja.
d V. Sal hy alsdan sijn Middelaers-ampt, specialick
sijn Konincklick-ampt, gantschelick afleggen?
A. Neen: maer alleen ten aensien van de maniere
van regeeringe, als oock ten aensien van de uytvoe-
ringe sijns Prophetisch-ampt, na den eysch ende ge-
legentheyt der strijdende Kercke. Siet 1. Cor. 15. 26.
b V. Wat troost geeft u de leere van het laetste
Oordeel?
A. Dat Christus als dan my met alle uytverkoorne
tot hem in de hemelsche vreughde ende blijdschap
nemen sal?
c V. Als men dan in kruys ende swarigheyt is, waer
mede sal men hem troosten?
A. Met de komste Christi ten oordeele.
d V. Wal troost is dat voor u, dat Christus oor-
deelen sal?
A. Om dat hy is onsen Salighmaker ende Broeder,
d V. Zijn wy dan daer uyt ten volle versekert dat
dat oordeel tot onsen besten sal gehouden worden?
A. Ja.
-ocr page 521-
Van \'t uyterste Oordeel.                     513
d V. Moet men na den dagh van \'t laetste oordeel
wel verlangen?
A. Ja.
d V. Bewijst dat?
A. Luce 21. 28. Als nu dese dingen beginnen te
geschieden soo siet om hooge , ende heft uwe hoofden
opwaerts, om dat uwe verlossinge naby is. 2. Petr.
3. 12. Apoc. 22. 20.
d V. Sal het dan eenen geluckigen dagh zijn voor de
Godtsalige ?
A. Ja.
d V. Waer in bestaet het?
A. Datse sullen opgenomen werden in den hemel,
en de volle heerliekheyt met lichaem en ziele genieten,
d V. Zijn de zielen der geloovigen te voren in den
hemel ?
A. Ja.
d V. Hoe wort\'er dan geseght, dat de geloovigen ten
jonghssten dagh met Christo sullen opgenomen werden?
A. Dat is te verstaen ten aensien van de vervul-
linge, aengaende ziele ende lichaem.
d V. Sal dan eerst de volmaeckte blijdtschap ende
heerliekheyt zijn, wanneer lichaem ende ziele weder
vereenight sullen zijn?
A. Ja.
b V. Sal dese dagh oock geluckigh zijn voor de god-
deloose ?
A. Neen.
<• V. Waerom niet?
A. Om datse sullen gaen na de eeuwige doot ende
verdoemenisse.
b V. Sullen sy dan gaen van d\'een doot in de andere ?
A. Ja.
b V. Van een mindere in een meerdere?
A. Ja.
b V. Van een tijtlicke in een eeuwige?
A. Ja.
c V. Sullen sy dan noyt daer uyt verlost werden?
33
-ocr page 522-
Van Godt den H. Geest.
514
A. Neen.
d V. Bewijst dat?
A Matth. 25. 46. Ende dese sullen gaen in de
eeuwige pijne. 2. Thess. 1. 9. Apoc. 20. 10.
d V. Behooren dan de menschen door het aenmeroken
van het laetste oordeel niet bewogen te werden, om
afstant te doen van hare sonden, ende haer tot den
Heere te bekeeren?
A. Och ja, 2. Cor. 5. 10, 11. soo sy andersins ten
jonghsten dage die gantsch schrickelieke sententie wil-
len ontgaen, die over alle onboetveerdige sal uytge-
sproken werden.
SOXDAGH XX. Vrage 68.
Vrage 53.
Wat gelooft ghy van den H. Geest?
Antw. Eerstelick, dat hy t\'samen met den
Vader ende den Sone waerachtigh ende eeuwigli
Godt zy. Ten anderen, dat hy oock my gegeven
is, dat hy my door een oprecht geloove Christi
ende aller sn\'ner weldaden deelachtigh make, my
trooste, onde by my eeuwighlick blijve.
a V. Waer van wort hier gehandelt?
A. Van Godt den H. Geest.
c V. Hoe wort dese Sondagh afgedeelt?
A. In twee deelen.
d V. Welck zijn die twee deelen"?
A. 1. Wort gehandelt van de persoon des Heyligen
Geests. 2. Wort \'er gehandelt van sijn bysondere
werckinge.
d V. Hoe wort dat eerste onderdeelt\'?
-ocr page 523-
Van Godt den H. Geest.
515
A. In vier ledekens.
V. Welck zijn die?
A. 1. Dat de H. Geest een persoon is ofte selfstan-
digheyt. 2. Dat hy is een onderscheyden persoon van
den Vader ende van den Sone. 3. Dat hy is een God-
delicke persoon, dat is, een ende deselve eeuwige
waerachtige Godt met den Vader ende den Sone. 4.
Dat hy is een Goddelicke persoon, uytgaende van den
Vader ende van den Sone.
V. Hoe veel persoonen zijnder in de Godtheyt?
A. Drie.
V. Welck zijn die drie?
A. Vader, Soon, ende H. Geest.
V. Zijn dat maer drie verscheyde benamingen?
A. Neen.
V. Wie seggen sulcks?
A. Onder den Mennoniten, Dirck Philips in sijn
Hantboecxken.
V. Welcke persoon is eerst?
A. De Vader.
V. Hoe eerst?
A. In ordre van bestaen.
V. Welck is de eerste in tijdt?
A. Geen van drijen.
V. Welck is de treffelickste persoon in de Godtheyt ?
A. Sy zijn alle drie even treffelick.
V. Maer is de H. Geest niet minder als de Vader
of de Sone, om dat hy de derde wort gestelt?
A. Neen.
V. Zijn die drie persoonen drie Goden?
A. Neen.
V. Zijn \'t drie Goddelicke naturen?
A. Neen.
V. Zijn \'t drie onderscheydene wesens?
A. Neen.
V. Wat zijn die drie dan?
A. Drie onderscheydelicke persoonen.
V. Hoe kan dat zijn dat die drie een zijn?
-ocr page 524-
516                      Van Godt den H. Geest.
A. Om dat Godt oneyndelick is.
d V. Bewijst dat dese drie een zijn?
A. 1. Joh. 5. 7. Want drie zijnder die getuygen in
den Hemel, de Vader, het Woort, "ende de Heylige
Geest: ende dese drie zijn een.
b V. Maer ghy seght dat \'er drie persoonen zijn, is
de H. Geest oock een persoon ?
A. Ja.
d V. Wie seggen dat hy geen persoon is?
A. De Socinianen.
d V. Wat gevoelen de Socinianen van den Heyligen
Geest?
A. Dat het is de kracht Godts, of een sekere qua-
liteyt ende hoedanigheyt Godes in ons, daer door
Godt in ons is werckende.
d V. Waer uyt soudt ghy bewijsen, dat de Heylige
Geest een persoon is?
A. Uyt de persoonelicke eygenschappen ende werc-
kingen die den Heyligen Geest toegeschreven werden,
d V. Wat is het dat hem toegeschreven wert?
A. Dat hy loeft ende levendigh maeckt, Joh. 6. 63.
Rom. 8. 2. dat hy verstant heeft ende alle dingen
doorsoeckt, 1. Corinth. 2. 10. leert, 1. Corinth. 13.
macht heeft, Ephes. 3. 16. eenen wil heeft, 1. Corinth.
12. 11. werckt, idid. in alle waerheyt leyt, Joh. 14.
16 getuyght, Johan. 15. 26. Rom. 8. 16. toekomende
dingen te voren seght, Joh. 16. 13. voor ons bidt,
Rom. 8. 26. vertroost, &c.
d V. Zijn dit eygenschappen van een persoon ?
A. Ja: ende "t is onmogelick dat alle dese werckingen
ende eygenschappen een accident of toevallige sake
konnen toegeschreven werden
d V. Waer uyt soudt ghy verder bewijsen, dat de H.
Geest een persoon is?
A. 1. Daer uyt, dat men in den naem des H.
Geests gedoopt wort, Matth. 28. vs. 19. 2. Dat hy
wort versocht, bedroeft, &c. Esai. 63. 10. Ephes. 4.
30. 3. Dat hy is verschenen in aengenomene uyter-
-ocr page 525-
Van Godt den H. Geest.                     517
licke gedaenten, Matth. 3. 16. Act 2. 2, 3. welck
alles van toevallige saken niet kan geseyt worden.
d V. Wort oock het wesen Godts, van wegen dit
gevoelen der Socinianen, ende die haer volgen, niet
grootelicks gekrenckt?
A. Ja
d V. In wat maniere\'?
A. Om dat als dan het wesen Godes soude bestaen
uyt een substantie ende accident, ende dionvolgens
niet eenvoudigh, maer gecomponeert ende alle veran-
deringen onderworpen soude zijn: nadien een sake
uyt een substantie ende accident bestaende ofte
t\'samengevoeght zijnde, de veranderinge onderworpen
is: en dit alles tegen Godts woort, als te sien is
Johan. 4. 24. Mal. 3. 6. Jac. 1. 17. By weh-ken geen
veranderinge en is, ofte schaduwe van omkeeringe.
d V. Wat brengen de Socinianen by, om te bewijsen
dat de Heylige Geest geen persoon is?
A. Haer principaelste bewijs is wel, dat de Heylige
Geest geseght wort de kracht ende macht Godes,
daer door de Heere dit ofte dat komt uyt te voeren,
gelijck sy onder andere uyt Esai. 03. 11, 12. willen
bewijsen, ende dat hy dienvolgens geen persoon is.
d V. Wat soudt ghy daer op antwoorden?
A. In \'t gemeyn soo wort door de kracht Godes
verstaen, 1. Het eenigh Goddelick wesen ofte Godde-
lickheyt van alle de drie persoonen, waer mede de
gantsche Drie-eenigheyt werckt ende krachtigh is. 2.
Soo wort door de kracht Godes verstaen een sekere
selfstandigheyt ofte persoon in het eenigh Goddelick
wesen. Derhalven soo seggen wy, dat de kracht des
Vaders, wesentlick genomen., geen onderscheyden
persoon is; maer dat de kracht des Vaders, persoon-
lick genomen, hoedanigh de Heylige Geest is, een
persoon is, gelijck de Heere Christus, Johan. 15.
ende 16. alsoo den Heyligen Geest beschrijft. Uyt-
druckelick aldaer getuygende, dat de H. Geest van
den Vader ende Sone is onderscheyden, als onder
-ocr page 526-
518
Van Godt den H. Goest.
andere, Hy en sal van hemselven niet spreken.
Johan. 16. 13. Hy sal het uyt het mijne nemen, vs.
14. Want dat niet van den Vader, dat is, van de
kracht des Vaders kan verstaen worden, nadien de
Vader niet geseght wort yet van den Sone te nemen,
noch van den Soon te spreken; maer spreeckt van
hemselven. Even gelijck de wijsheyt Godts, wesentlick
genomen, beteeckent een wesentlicke eygenschap
Godts, ende consequentelick Godt selve: maer per-
soonlick genomen, beteeckent het een onderscheyden
persoon, te weten Godt den Sone, 1. Cor. 1. 24.
met Prov. 8. 22, &c. Luc. 11. 49. In \'t particulier,
wat dese plaetse Esai. 63. 11. 12. aengaet, soo seg-
gen wy, dat alhier niet anders wert verstaen ende
te kennen gegeven, als het heyl, hulpe ende bystant,
welcke de Heere nefïens ende behalven het senden
sijnes Heyligen Geestes, aen de Israëliten heeft be-
toont ende bewesen.
c V. Welck is het tweede dat in het eerste deel is
waer te nemen?
A. Dat de Heylige Geest is een onderscheyden
persoon van den Vader ende van den Sone.
a V. Is de Heylige Geest dan een ander?
A. Ja.
a V. Wat ander, een ander Godt ?
A. Neen.
a V. Wat dan, een ander persoon?
A. Ja.
c V. Waer staet het dat de Heylige Geest een ander
is van den Vader ende van den Sone?
A. Johan. 14. 16, 17. Ende ick sal den Vader
bidden, ende hy sal u eenen anderen Trooster ge-
ven, &c.
d V. Waer door wort de Heylige Geest onderscheyden
van den Vader ende van den Sone?
A. Door sijn personeele eygenschap.
c V. Welck is de personeele eygenschap des Heyli-
gen Geests?
-ocr page 527-
Van Godt den H. Geest.
519
A. Dat hy van den Vader ende van den Sone uytgaet.
c V. Welck is de personeele eygenschap des Vaders?
A. Dat hy van niemant is, ende den Sone gege-
nereert heeft.
c V. Welck is de personeele eygenschap des Soons?
A. Dat hy van den Vader is door generatie.
c V. Welck is het derde, dat hier staet aen te mereken ?
A. Dat de Heylige Geest een Goddelick persoon is.
b V. Is de Heylige Geest dan een ongeschapen en
Goddelicke, of een geschapene persoon?
A. Een ongeschapene ende Goddelicke persoon
b V. Is hy dan geen creatuer ofte schepsel?
A. Neen.
b V. Is hy dan de Schepper en eeuwige Godt selfs?
A. Ja.
b V. Is hy evengelijck Godt met den Vader ende met
den Zone?
A. Ja.
c V. Is hy een Godt door genaden?
A. Neen.
c V. Waer uyt soudt ghy bewijsen, dat de Heilige
Geest Godt is?
A. Uyt vier verscheydene soorten ofte ordeningen
van argumenten,
d V. Welck is het eerste?
A. Dat hy uytdruckelick Godt genoemt wert.
d V. Bewijst dat?
A. Actor. 5. 8, 4. Ende Petrus seyde, Anania,
waerom heeft den Satan uw\' herte vervult dat ghy
den Heyligen Geest liegen soudet, &c. vs. 4. Ghy
en hebt de menschen niet gelogen, maer Gode. Esai.
6. 8, 9. Daer na hoorde ick de stemme des Heeren,
&c. met Actor. 28. 25.
d V. Welck is het tweede?
A. Dat hem Goddelicke eygenschappen toegeschre-
ven worden.
d V. Bewijst, dat de Heylige Geest Goddelicke eygen-
schappen toegeschreven worden?
-ocr page 528-
520                     Van Godt den H. Geest.
A. Van den Heyligen Geest wort getuyght, dat hy
eeuwigh is, Genes. 1. 2. oneyndigh, Psal. 139. 1, 7.
alwetende, ofte van oneyndige wijsheyt, Actor. 1. 16.
1. Cor. 2. 10. almachtigh, Esai. 11. 2. Psal. 33. 6.
1. Corinth. 12. vs. 11. van onfaelgeerlicke waerheyt.
Johan. 16. 13.
d V. Welck is het derde?
A. Dat hem Goddelicke wercken toegeschreven
worden.
d V. Bewijst dat?
A. Hem wort de scheppinge toegeschreven, Genes.
1. vs. 2. Job cap. 33. vs. 4. Psalm 33. 6. van hem
wort getuygt, dat hy vruchtbaer maeckt, Matth. 1. 20.
Luce 1. 35- hem wort toegeschreven de herscheppinge
der uytverkoornen, Joh. 3. 5. als oock de saligh-
makinge: want hy geeft hier toe de noodige mid-
delen, eyndelick het eeuwige leven. Kom. 8. 11.
d V. Welck is het vierde?
A. Dat hem wort toegeschreven Goddelicke eere
ende dienst.
d V. Bewijst dat?
A. In sijnen name wert men gedoopt, Matth. 28.
vs. 10. men moet in hem golooven, Joh. 14. 16. men
moet hem aenbidden, 2. Corinth. 13. 13.
d V. Staet\'er dan niet een tittel van de aenbiddinge
des H. Geests in Godts woort, gelijck de Remon*
stranten seggen in hare Apologie f. 1. a. f. 6 ?
A. Dit is gantsch valsch, als uyt dese geciteerde
plaetsen te sien is. Behalven dat \'er dese gronden van
aenbiddinge staen, dat men Godt moet aenbidden,
ende dat de H. Geest Godt is: waer uyt van selfs
volght, dat hy moet worden aengebeden
d V. Soo de H. Geest Godt is, moet men dan oock
ik hem gelooven, ende hem eeren als Godt?
A. Ja.
d V Die gene dan, die loochenen dat de Heylige
Geest Godt is, konnen die wel het rechte geloove
hebben, of de rechte kennisse Godts?
-ocr page 529-
Van Godt den H. Geest.                     521
A. Neen.
c V. Welck is het vierde van het eerste deel"?
A Dat de H Geest uytgaet van den Vader ende
van den Sone
b V. Van wien is de H. Geest\'?
A Van den Vader ende van den Sone.
o V. Is de H. Geest niet geboren van den Vader?
A. Neen.
d V", Waerom niet?
A. Om dat \'er maer eenen Sone Godts is. Joh. 1.18.
c V. Magh ick wel seggen, dat de H. Geest van hem-
selven is ?
A. Ja: voor soo veel het absolute Goddeliek wesen
aengaet, \'t welck hy gemeyn heeft met den Vader
ende den Sone.
c V. In wat respect ende opsicht is hy dan van den
Vader ende den Sone?
A. In opsicht van sijn persoon ofte maniere van
bestaan,
c V, Hoe is hy van den Vader ende den Sone?
A. Door uytgaen.
\'I V. Wanneer heeft hy begonnen uyt te gaen?
A. Hy heeft niet begonnen uyt te gaen, maer gaet
van alle eeuwigheyt uyt.
d V. Staet het expresselick in Godts woort, dat de
H. Geest van den Vader uytgaet?
A. Ja: Joh. 15. 26. Maer wanneer den Trooster sal
gekomen zijn, &c. die van den Vader uytgaet.
d V. Waer staet het, dat hy van den Sone uytgaet?
A. Joh. 16. 14, 15. Want hy sal \'t uyt het mijne
nemen, en sal \'t u verkondigen, ende 15. 26. Dien
ick u senden sal van den Vader, &c. die sal van my
getuygen.
d V. Staet het daer met expresse woorden, dat hy
van den Sone uytgaet?
A. Neen
d V. Hoe bewijst ghy het daer dan uyt?
A. Door goede consequentie ende gevolgh.
-ocr page 530-
Van Godt den H. Goest.
522
d V. Seght de woorden eens daer uyt sulcks eygent-
lick bewesen worden?
A. Hy sal \'t van \'t mijne nemen: ende sal \'t u
verkondigen, die sal getuygen van my, Joh. 15. vs.
26. Doet hier by, dat hy soo wel do Geest des Soons
wort genaemt, als de Geest des Vaders. Galat. 4. 6.
d V. Maer Esai. 61. 1, &c. staet, de Geest des Hee-
ren, &e. en Luce 1. 35. De H. Geest, &c. ergo, soo
is Christus van den H. Geest, en niet de H. Geest
van Christo?
A. Dat volght niet.
d V. Hoe is dat dan te verstaen?
A. Dat is te verstaen, ten aensien van de mensch-
heyt Christi.
o V. Wat is het werck van den H. Geest?
A. Dat hy my het geloove geeft, ende de welda-
den Christi deelachtigh maeckt, &c.
d V. Dien goeden Geest die ghy hebt van verstant,
van gebedt, is dat den H. Geest?
A. Neen.
c V. Is u geestelick verstant, of u gebedt, of u ge-
loove uwen Godt, of de H. Geest?
A. Neen.
c V. Moet men dan onderscheyt maken tusschen den
gever en de gave?
A. Ja
c V. Wort dan de gave van den H. Geest onder-
scheyden ?
A. Ja.
d V. Bewijst dat?
A. 1. Corinth. 12. 4. 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11. Ende
daer is verscheydentheyt der gaven, doch het is
deselve Goest, &c. vs. 11. Doch dese dingen werckt
een ende deselve Geest.
d V. Maer soo de gave die in u is, de H. Geest niet
en is, waerom wort het dan Goest genoemt ?
A. Om dat de H. Geest dat in my werckt.
d V. Hoe wort de H. Geest geseght u te troosten?
-ocr page 531-
Van Godt don H. Geest.                     523
A. Voornamentliok, als hy my versekert dat Chris-
tus met alle sijne weldaden my geschoncken is, en
< lienvolgens , dat Godt de Heere met my versoontis,
ende dat ick uyt enckele genade hebbe bekomen de
vergevinge der sonden, ende het eeuwige leven om
Ohristi wille,
b V. Hoe langh blijft de H. Geest by ons ?
A. Eeuwighlick.
c V. Kan dan die gene, die een tempel van den
Heyligen Geest is, daer na weder een tempel of een
kint des Duyvels worden?
A. Geensins.
d V. Wie seggen dat?
A. De Remonstranten,
d V. Waer uyt bewijst ghy het contrarie?
A. Joh. cap. 14. vss. 16, 17. Op dat hy by u blijve
in der eeuwigheyt, &c.
SONDAGH XXI. Vrage 54, 55, 66.
Vrage 54.
Wat gelooft ghy van de H. algemeyne Christe-
licke Kercke?
Antw. Dat de Sone Godts, uyt den gantschen
menschelicken geslachte, hem een gemeynte tot
den eeuwigen leven uytverkoren, door sijn Geest
ende woort, in eenigheyt des waren geloofs, van
den beginne der werelt tot aen het eynde, ver-
gadert, beschermt ende onderhoudt: ende dat ick
der selver een levendigh lidtmaet ben, ende
eeuwigh sal blijven.
-ocr page 532-
524         Van do algemeyne Christelicke Kercke.
c V. Waer van wort hier gehandelt?
A. Van de algemeyne Christelicke Kercke.
d V. Hoe wort desen Sondagh afgedeelt?
A. In twee deelen.
d V. Welck zijn die twee deelen?
A. 1. Soo wort gehandelt van de algemeyne Chris-
telicke Kercke, Vrage 54. 2. Van de weldaden die
Godt sijn gemeynte toebrenght, Vrage 55, 5(i.
d V. Hoe wort dat eerste onderdeelt?
A. In twee deelen, namelick, 1. Wat verstaen wort
door de H. algemeyne Kercke. 2. Wat een yeder
Christen mensche voor sijn particulier daer van moet
gelooven, ende hemselven toepassen,
a V. Is \'er oock een Kerek"?
A. Ja.
b V. Is de Kerck een steenenhuys ofte gebouw?
A. Neen.
b V. Wat noemt ghy dan de Kerck?
A. De gemeynte Godts: 1. Petr. 2. 5. Soo wordet
ghy oock selve als levende steenen gebouwt tot een
geestelick huys, &c.
c V. Wat is de gemeynte Godts?
A. De vergaderinge der geloovigen.
b V. Is de Paus ofte de Bisschop de Kerck, of kan
hy de Kercke genaemt werden?
A. Neen.
d V. Wie seggen dat?
A. Eenige Roomsche Leeraers.
d V. Kan een mensch alleen de Kercke wel zijn?
A. Neen: want de Kercke is een menighte of een
vergaderinge.
c V. Wie behooren al tot dese Kercke?
A. De geloovigen.
c V. Behooren daer toe niet alle menschen?
A. Neen.
d V. Wortse daerom niet algemeyn genoemt?
A. Neen.
d V. Waerom wortse dan algemeyn genoemt?
-ocr page 533-
Van de algemeync Christolicke Kercke. 525
A. Catholijck ofte algemeyn wortse genoemt, of
ten aensien van de Religie, als hebbende de gemeyne
Christelicke leere ende belijdenisse, volgens het al-
gemeyn gevoelen der Propheten ende Apostelen, ende
niet van dese ofte gene secte: of ten aensien van de
algemeynheyt der gener die dese leere belijden, zijnde
ende werdende vergadert uyt het gantsche mensch-
licke geslachte door Christi woort ende Geest, in
eenigheyt des waren geloofs, en dat van den beginne
der werolt, tot aen het eynde.
d V. Is de gantsche ware Kercke op der aerden, of
isse oock ten deele in den hemel\'?
A. Sy is oock ten deele in den hemel,
d V. Wat Kercke is in den hemel?
A. De triumpheerende Kercke.
d V. Waerom wort die Kercke een triumpheerende
Kercke genoemt?
A. Om dat deselve is verlost ende ontlast van alh\'
strijt ende swarigheyt, daer mede deselve hier op
aerden gedruckt wiert, ende nu in volkomenc vreughdi\'
ende heerlickheyt daer boven in den hemel is.
d V. Worden de Engelen altijt onder dese Kercke
gerekent ?
A. Neen
« V. Hoe is dan te verstaen, het gene staet Hebr.
cap. 12. vss. 22, 23. Tot de algemeyne vergaderingo
ende gemeynte der eerstgeborene, &c. ?
A. Dat is te verstaen, voor soo veel sy zijn Dienaers
Christi, en mededienstknechten der geloovigen, Apoc.
22. 9.
c V. Is de strijdende Kercke oock in den hemel?
A. Neen.
d V. Is die dan alleen op der aerden?
A. Ja.
d V. Waerom wort die Kercke een lijdende ende
strijdende Kercke genoemt?
A. Ten aensien van hare vyanden die haer veel
strijts aenbrengen.
-ocr page 534-
526         "Van de algemeyne Christelicke Kercke.
b V. Welcke zijn die vyanden?
A. De Duyvel, de werelt, end e het vleesch.
d V. Alle die in de Kercke hier op aerden zijn, zijn
die waerlick van de Kercke?
A. Neen.
d V. Hoe wort dan de Kerck onderscheydentlick aen-
gemerckt ?
A. Sienelick ofte onsienlick
d V. Zijn daer dan, ende moeten daer gelooft wer-
den twee Kercken, een onsienlick ende ander sienlick\'?
A. Neen; maer het is eene Kercke, die ten aen-
sien van hare tweederley gedaente tweesins wort
aengemerckt ende onderscheyden.
d V. Hoe, en in wat maniere wortse onsienlick ge-
noemt ?
A. Ten aensien van haer geloove ende de inwen-
dige geestelicke gemeynschap met Christo, 1. Corinth.
2. 11. ende onder malkanderen. 1. Corinth. 12. 12, 1.3.
d V. Hoe, en in wat maniere wortse sienlick ge-
noemt?
A. Ten aensien van de uyterlicke professie ende
de oeffeningen der Religie in de uyterlicke gemeyn-
schap ende vergaderinge der Kercken; ende conse-
quentelick ten aensien van de menschen die haer
tot deso Kercke begeven.
c V. Kan de Kerck wel dwalen ?
A. Ja: te weten yeder particuliere Kercke.
c V. Kan de geheele Kercke te gelijck wel dwalen
in de fundamenten des geloofs?
A. Neen: want dan soude Christus geen Kercke
ende geen rijcke op aerden hebben, tegen Matth. 28. 19.
Ende siot ick ben met ulieden alle do dagen, tot de
voleyndinge der werelt. Luce 1. 33. Ende hy sal
Koningh zijn in der eeuwigheyt, ende sijns Koninck-
rijcks en sal geen eynde zijn.
d V. Waerom wort dese Kercke genoemt een heylige
Kercke ?
A. Niet ten aensien van eenige volmaeckte heylig-
-ocr page 535-
Van de algemeyne G\'hristelicke Kercke. 527
heyt, die sy inwendigh van haer selvon soude
hebben, want soo isse vuyl ende leelick; Ephes. 2.
1, 2, 3. maer ten aensien eerst van een heyligheyt,
die haer van buyten is aengekomen, namelick, de
heyligheyt Christi, welcke haer door den geloove
wert toegerekent, 1. Corinth. 1. 30. Ten tweeden,
ten aensien van de beginselen van een inklevende
heyligheyt. mits datse door den H. Geest Godts
wedergeboren ende geheylight is. 1. Corinth. G 11,
d V. Waerom wort deso Kercke genoemt de Christe-
licke Kercke ?
A. Van wegen haer Hooft Christus,
d V. Wie versamelt ofte vergadert de Kercke?
A. Christus de Sone Godts
d V. Is de Vader ende de H. Geest hier van uitgesloten ?
A. Neen.
d V. Hoe wort het den Soon besonderlick toege-
schreven ?
A, Als Middelaor.
d V. Waeruyt bewijst ghy, dat Christus de Kercke
ende gemeynte vergadert?
A. Joh. 10. vs. 16. Ick hebbe noch andere schapen
die van dese stalle niet en zijn: dese moet ick oock
toebrengen, &c. Ephes. 1. vs. 10. Om in de bedeelinge
van de volheyt der tijdon wederom alles tot een te
vergaderen in Christo, &c.
d V. Vergaderen de Predikanten de Kerck niet?
A. Ja.
d V. Vergaderen sy de Kerck voor haer of voor Christo ?
A. Voor Christo.
a V. Zijnse Hoofden van de Kercke?
A. Neen.
o V. Zijnse Dienaers, Ambassadeurs ende gesanten
van Christus?
A. Ja.
c V. Waer uyt soudt ghy dat bewijsen?
A. 1. Corinth. 5. 20. Soo zijn wy dan gesanten van
Christi wege , &c. ende 1. Corinth. 4. 1.
-ocr page 536-
528         Van de algemeyne Christelicke Kerckc.
a V. Wie is dan het Hooft van de Kercke?
A De Heere Christus.
a V. Is hy het alleen?
A. Ja.
a V. Is de Paus het Hooft niet?
A. Neen
a V Wat is hy dan ?
A. De Antichrist. Siet hier breeder van voor henen,
Vrage 50. \')
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat niet de Paus, maer
de Heere Christus het Hooft is van de Kerckc?
A. Ephes. 1. 22. Ende heeft hom der gemeynte ge-
geven tot een hooft boven alle dingen, ende 5. 23.
1. Corinth 3 11.
o V. Is Christus alleen het Opperhooft; maer de Paus
het ministeriale ofte bedienende Hooft?
A. Neen: Godts woort en kent soodanige distinc-
tie niet.
c V. Is de Paus de Vicarius ofte stadthouder onses
Salighmakers ?
A. Neen.
c V. Heeft de Heere Christus wel een stadthouder
van doen ?
A. Neen.
c V. Waerom niet?
A. Om dat de Heere Christus over al by sijn Kerckc
ende gemeynte tcgenwoordigh is. Matth. 28. 20. ende
18. 20
c V. Kan de Paus niet Christi stadthouder zijn, ende
het Hooft van de Kercke?
A. Neen.
d V. Waerom niet?
A. Om dat de Paus alleen sijn residentie houdt
binnen Roomen, ende alsoo dan alle die andere vol-
keren, daer de Paus niet en is, sonder Hooft souden zijn.
\') Dit stuk is in de Belijdenis onzer kerken niet lol beslissing
getracht.
-ocr page 537-
Van de algemeyne Christolicke Kercke. 529
d V. Moet dan liet Hooft over al zijn daer de lede»
maten zijn?
A. Ja. Siet noch verscheyden andere redenen, Vrage
50. waerom de Paus het Hooft van de Kercke niet
kan zijn.
d V. Wie is eygentlick Christi stadthouder, die hy hier
gebruyckt tot regeeringe van sijn gemeynte?
A De H. Geest.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat ?
A. Joh. 14. 16, 17. Ende ick sal den Vader bidden,
ende hy sal u eenen anderen Trooster geven, op dat
hy by u blijve in der eeuwigheyt. vs. 17. Namelick
den Geest der waerheyt, &c. ende 16. 13.
b V. Waer uyt vergadert de Heere Christus sijn Kerck
ende gemeynte ?
A. Uit den gantschen menschelicken geslachte,
d V. Vergadert hy deselve niet uyt de beesten?
A. Neen.
d V. Daer staet nochtans, predickt het Euangelium
allen creaturen, Mare. 16. 15.?
A. Door de creaturen worden de menschen verstaen.
d V. Kan de Kerck niet uyt de beesten bestaen?
A. Neen.
d V. Waerom niet ?
A. Om datse geen redelick verstant hebben.
d V. Soudo men dan den onvernuftige dieren het
Euangelium mogen prediken?
A. Neen.
d V. Wie dede dat?
A. Franciscus; die voor den raven, den ezel, den
wolf, de swaluwen predickte.
d V. Wat voor lieden vergadert de Heere Christus
tot dese Kercke ende gemeynte ?
A. Alleen die gene, die Godt van alle eeuwigheyt,
omsijns selfs wille, ten eeuwigen leven heeft uytverkoren.
d V. Is\'er oock een verkiesinge .\'
A. Ja: gelijck in \'t aenhangsel van de verkiesinge
hier na breeder sal aengewezen werden.
34
-ocr page 538-
530         Van do algemeyne Christelicke Kercke.
b V. Waer door vergadert Christus sijn Kercke endo
gemeynte ?
A. Door sijn Geest en Woort: gelijck ooek breeder
sal aengewesen werden in \'t aenhangscl van de roepinge.
b V. Waer toe vergadert Christus sijn Kercke ende
gemeynte ?
A. In eenigheyt des waren geloofs.
c V. Dio van de ware Kercke zijn, moeten die dan
een geloof hebben?
A. Ja.
d V. Dat men nu dan een vergaderinge maeckte van
ons, van de Papisten, van de Socinianen, van de
Kemonsh-anten, van de Anabaptisten, &c. soude dat
een bequame Kerck ende gemeynte zijn ?
A. Neen.
d V. Alle die gene dan die van de gemeynte zijn,
moeten die in het verstant van alle texten ende punc-
ten van de Schriftuer over een komen?
A. Neen.
d V. Is het dan noodigh dat \'er ten minsten eenigheyt
is in de fundanienteele ende nootsakelicke stucken
ter saligheyt?
A. Ja.
d V. Konnen wy wel kerckelicke gemeynschap houden
met de Papisten, Socinianen, Mennoniten, Kemon-
stranten ?
A. Geensins.
d V. Waerom niet?
A. Om dat sy ende wy verschillen in eenige \'t zy
minder \'t zy meerder fundamenteele stucken des geloofs.
d V. Noemt eens eenige van desolve?
A. De vrijen wille ten goede in den natuerlicken
mensch; door de wereken den hemel te verdienen;
dat de mensch geen erfzonde heeft; dat men voor de
sonden kan voldoen.
d V. De Fransche, Duytsche , Schotsche, Nederlant-
sche, ende andere Kercken, genaemt Gereformeerde ,
konnen die geseyt worden eene Kercke te zijn?
-ocr page 539-
Van de algemeyne Christelicke Kercke. 531
A. Ja: ten aensien van eene leere diese belijden.
b V. Wanneer heeft Christus sijn Kercke beginnen
te vergaderen?
A. Van den beginne der werelt.
c V. Hoe langh sal dese vergaderinge duren ?
A. Tot den eynde toe.
c V. Wanneer salse eyndigen?
A. Ten jonghsten dage.
c V. Laet Christus het by de vergaderinge blijven?
A. Neen.
c V. Wat doet hy noch meer, volgens het seggen des
Catechismi?
A. Hy onderhoudt ende bewaert sijne Kercke.
d V. Bewijst dat?
A. Matth. 16. 18. Ende de poorten der helle en
sullen deselve niet overweldigen. Joh. 10. 27, 28, 29,
30. Myne schapen hooren mijne stemme, &c. vs. 28.
Ende sy en sullen niet verloren gaen in der eeuwig-
heyt, &c.
c V. Wat gelooft ghy van dese Kercke , dat noch de
Duyvel, noch de werelt, noch eenigh hypocrijt
gelooft?
A. Dat ick een levendigh lidtmaet daer van ben,
ende eeuwigh sal blijven,
c V. Kondt ghy dan versekert zijn van uwe saligheyt ?
A. Ja.
d V. Gevoelt en siet ghy niet qualick?
A. Neen.
d V. Magh een mensche wel versekert zijn van sijn
saligheyt?
A. Ja.
d V. Is dat niet een groote verhooveerdinge , pre-
sumtie, ende vleeschelicke sorgeloosheyt ?
A. Neen.
d V. Is dat een waer nederigh gemoedt, het welck
niet en wil versekert zijn van de saligheyt, maer daer
aen wil twijffelen ofte het beste hopen?
A. Gantsch niet.
-ocr page 540-
532         Van de algemeyne Christelicke Kercke.
d V. Maer staet het wel in Godts woort dat ghy voor
u persoon sult saligh worden ?
A. Gronden ende beginselen staen daer, waer op
men de particuliere applicatie bouwen magh, alhoewel
niemants eygen naem daer staet.
d V. Moet daer niet staen yeders naem ende het ge-
tuygenis van yeders particulier geloove?
A. Neen.
d V. Waer moet dan dit particuliere getuyghnis staen?
A. In mijn herte: Eom. 10. 8. Naby is het woort
in uwen monde, ende in uw\' herte.
d V. Wie schrijft het daer?
A. De H. Geest,
d V. Bewijst dat?
A. Eom. 8. 16, 17. Deselve geest getuyght met
onsen geest dat wy kinderen Godts zijn, &c. 2. Cor.
1. 22. Eph. 1. 14.
d V. Als de H. Geest dan in mijn hort daer vanmy
versekeringe doet, ende ten vollen overtuyght, magh
en moet ick het dan niet gelooven?
A. Ja: ende het contrarie te doen soude een specie
zijn van de grootste ongeloovigheyt.
d V. Wie zijn die gene, dewelcke loochenen dat een
mensche in dit leven van sijn saligheyt magh en kan
versekert zijn?
A. De Papisten, Eemonstranten , Mennoniten, &c.
d V. Wat oordeelen de Papisten van dit stuck?
A. Die seggen, dat men moet twijffelen aen sijn
saligheyt: waerom sy oock den gemeenen luyden lee-
ren seggen, datse niet en weten waerse varen sullen.
d V. Wat is de oorsaeck , dat die van\'t Pausdom den
menschen aen hare saligheyt leeren twijffelen?
A. Ten eynde sy hare valsche leere van het ver-
sierde vagevyer in sijn volkomen vigeur ende kracht
mogen houden, ende alsoo door dat middel haer selven
ende hare Kloosters der Monicken, hare Capittelen
der Canonicken, ende hare andere clergije mogen
verrijcken, door de goederen ende middelen der af-
-ocr page 541-
Van de algemeyne Christelicko Kercke. 583
stervenden. Nadien sy de schrickelickheyt van dit
haer vagevyer seer swaer op het herte van de men-
schen leggen, als dat\'er geen onderscheyt is tusschen
de helle ende haer vagevyer, als alleenlick, dat \'er
uyt de helle geen verlossinge zijn sal, ende uyt het
vagevyer wel: ende daer beneven, hoe dat yemant
in sijn afsterven meer gelts aen de Monicken-Kloosters,
Canonicken-Capittelen , ende andere Geestelicken komt
te legateeren, hoe dat hy des te eerder uyt dese pijne
ende brant sal verlost worden
d V. Wat raet dan met die arme Papisten die geen
geit en hebben?
A. Daer is het seer ellendigh mede gestelt: want
die konnen haer in \'t minste tegen dit Paepsche
vagevyer niet troosten, nadien sy geen geit hebben.
d V. Wat oordeelen de Remonstranten ende Menno-
niten van dit stuck ?
A. Sy seggen, dat men het beste daer van moet
hopen, ende stellen alleen een conditioneele seker-
heyt, steunende op de conditie van hare eygen ge-
hoorsaemheyt, ende het houden der geboden.
d V. Is dit de Christelicke hope, daer Paulus van
spreeckt Rom. 5. 5.?
A. Neen: want die hope, daer van Paulus aldaer
spreeckt, is niet anders als een volkomene verseke-
ringe ende vastsettinge van de saligheyt, waerom
oock Paulus getuyght dat dese hope niet en be-
schaomt Maer de hope van de Remonstranten ende
andere twijffelaers is soodanige een hopo , dewelcke
in der daot niet anders is als een volkomene twijffe-
linge ende onsekerheyt; ende en gaet niet vaster als
de vreese , daer mede men vreest de verdoemenisse,
op conditie van ongehoorsaemheyt.
d V Kan men oock volkomentlick vast setten de
volhordinge der kinderen Godts ter saligheyt?
A. Ja.
d V. Konnen de ware kinderen Godts geheelick ende
al verloren gaen?
-ocr page 542-
534         Van do algemeyne Christelicko Kercke.
A. Neen.
d V. Konnon de kinderen Godts in sonden vallen?
A. Ja.
d V. Maer konnen sy vervallen, ende van kinderen
Godts, kinderen des Duyvels worden ?
A. Geensins.
d V. Wie drijven sulcks ?
A. De Papisten, Remonstranten, Mennoniten, &c.
d V. Waer nyt soudt ghy bewijsen, dat de ware
kinderen Godts niet geheelick konnon vervallen?
A. Joh. 10. 28, 29, 30 Endo sy en sullen niet
verloren gaen in der eeuwigheyt, &c. Rom. 8. 38, 39.
Want ick ben versekert dat noeh doot, &c. ons sal
konnen scheyden van de liefde Godts die daer is in
Christo Jesu. Joh. 4. 14.
d V. Hebt ghy niet eenige krachtige redenen, daer
door de volherdinge der Heyligen ten vollen vast
geset wort?
A. Ja.
d V. Welek zijn die?
A. 1. Het onveranderlick besluyt Godts ter saligheyt.
Esai. 14. vs. 24. endo 46. 10. 2. Het nieuw verbont
het welck Godt met ons in Christo gemaeckt heeft,
het welck oock onverbrekelick is, ende in eeuwig\'
heyt sal bestaen, Jerem. 31. vss. 32, 33. ende 32.
38, 39, 40. Ezech. 36. vss. 25, 26, 27. Hose. 2.
vs. 22. volgens welck verbont de Vader, Soon , ende
Heylige Geest toosien ende sorge dragen, dat de
geloovigen niet geheel en al verloren gaen, want de
Vader de geloovigen niet wil versoecken boven haer
vermogen, 1. Cor. 10. 13. hy sal in haer het goede
begonnene werek voleyndigen tot op den dagh Jesu
Christi, Fhil. 1. 6. Siet oock Joh. 10. 29. Joh. 15. 2.
1. Petr. 2. 12. Do Sono geeft do geloovigen sijn
vleesch ie eten , ende sijn bloot te drincken tot haer-
der versterekinge, Joh. 6. 54, 55, &c. ende 11. 25.
Siet oock Luce 22. 32. Joh. 10. 28. endo 17. 20.
Ephes. 2. 5, 6. De Heylige Geest blijft eeuwigh by
-ocr page 543-
Van do algemoyno Christelicke Kercko. 535
haer, ende leyt liaer in allo waorhoyt, Joh. 14. 16,
17. Siet oock Ephes. 4. vs. 30. ende 1. 13 , 14. 3.
De gelegentheyt des waren geloofs, welck soodanigh
is, dat het onverwinnelick is, Joh. cap. 7. vs. 38.
Joh. 11. 25, 26. Rom. 6. 9, &c. 1. Petr. 2. 3, 4, 5.
4. De roepinge Godes, die onberouwelick is, Rom.
11. 29. 5. De salige hope, die niet en beschaemt,
Rom. 5. 5. 6. De nauwe bewaringe Godos, 1. Petr.
1. 5. 7. De Sacramenten, die de Heero heeft ver-
ordineert, om ons te zijn sekere segelen ende pan-
den van onse saligheyt.
d V. Dit is alles wel soo lange als de mensche hem-
selven door de sonde niet en werpt uyt de gunste
ende genade Godes ?
A. Een waerachtigh kint Godts en sal soo verro
niet sondigen, dat hy sich geheel ende al soude
werpen uyt de gunste ende genade Godes.
d V. Bewijst dat?
A. 1 Joh. 3. 9. Een yogelick die uyt Godt geboren
is , die en doet de sonde niet. ende 5. 18.
d V. Nochtans soo heeft David, Salomon, Petrus,
&c. soo swaerlick gesondight?
A. \'t Is wat anders te sondigen, ja swaerlick to
sondigen, ende wat anders soo te sondigen, dat men
geheel en al, van wegen de sonde, komt to vervallen
van de genade ende gunste Godes: dat do geloovi-
gen sondigen konnen, ja soo nu en dan swaerlick
sondigen, dat on wort by ons niet ontkent, noch
daer over en is de questio niet; maer de questie is,
ofse soo sullen sondigen, datse, van wegen hare
sonde, t\'eenemael sullen verloren gaen, dat wort
by ons wel ront uyt ontkent, ende zijn de tegen-
partijders niet machtigh dit te bewijsen. Maer wy
soggen, dat, soo wannoor een waro kint Godts in
d\'een ofto d\'ander swaro sonde komt to vallen, do
Heero als dan het selve in do sondo niet laet leggen,
maer het selve genadelick de hant biedt, ende door
-ocr page 544-
530         Van do algemeyne Christelicke Kercke.
sijnen Geest uyt den slaep der sonde op helpt, als
in David, Salomo, Petro, &c. te sien is.
d V. Nochtans staet\'er, 1. Joh. 2. 19. dat\'er eenige
van ons zijn uytgegaen?
A. Dat is te verstaen niet van soodanige, die
waerlick van ons geweest zijn, (want de soodanige
sullen altijt by ons blijven, gelijck selfs de Apostel
getuyght, seggende: Want indien sy uyt ons geweest
waren, soo souden sy met ons gebleven zijn;) maer
van soodanigo die haer selven voor sulcke hebben
uytgegeven, endo die wy meynden soodanige te
zijn, ende ondertusschen het in der daet niet en
zijn, noch het ware geloove gehadt hebbon, maer
alleen een geveynst geloove.
d V. Soude men niet mogen seggen, dat de geloo-
vige sullen volherdon ofse willen ofte niet, item,
volherden tegen haren danck?
A. In \'t minste niet: want alle die volharden, die
hebben ende bekomen door Godts genade, den wil
om te volherden, den wil ende den sin om weder
te keeren, soo sy in leere of leven afgeweken zijn.
AENHANGHSEL, &c.
c V. Hoe veel ware Kercken zijnder?
A. Een ware Kercke.
c V. Nochtans is in alle plaetsen endo steden van
ons lant een ware Kercke Christi; ergo, soo zijnder
meer Kercken als een?
A. Dat zijn particuliere Kercken, ende eenige deo-
len of deeltjens van de algemeyne Kercke: maer daer
is maer een algemeyne ware Kercke.
d V. Waer uyt soudt ghy bewijsen, dat\'er maer een
ware Kercko Christi is?
A. Eph. 4. 4, 5. Een lichaem is het, ende eenen
geest, gelijckerwijs ghy oock geroepen zijt tot eene
hope uwer beroepinge. vs. 5. Een Heere, een geloove ,
eenen Doop.
-ocr page 545-
Van de algemeyne Christelicke Kercke. 537
c V. Welck zijn de onfeylbare merckteeckenen, door
welcke een vergaderingo onderkont wort een ware
Kercke of een deel van de ware Kercke te zijn?
A. De suyvere predicatie van Godts woort, of de
waerheyt des geloofs; als oock de bedieninge der
Sacramenten na de instellinge Christi, ende de oeffe-
ninge der kerckelicko discipline.
d V. Waor uyt bewijst ghy, dat do suyvere predicatie
van Godts woort, ofte de waerheyt des goloofs het
rechte merekteecken zy?
A. Joh. 10. 16, 27. Ende sy sullen mijno stemme
hooren. vs. 27. Mijne schapen hooren mijne stemme,
ende Ephes. 2. 20.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat de bedieninge der
Sacramenten, na de instellinge Christi, het rechte
merekteecken zy van de ware Korcke\'?
A. Matth. 26. vss. 26, 27, 28. Ende als sy aten
nam Jesus het broot, &c. Luce 22. 19, 20. met 1.
Cor. 11. 23, &c. Want ick hebbe van den Heere
ontfangen \'t gene ick oock u overgegeven hebbe, dat
de Heere Jesus in den nacht in welken hy verraden
wiert, het broot nam, &c. Matth. 28. 19. Gaet dan
henen, onderwijst alle de volckeren, deselve doo-
pende, &c.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat de oeffeninge der
kerckelicke discipline het rechte merekteecken zy van
de ware Kercke?
A. Matth. 18. 15, 16, 17. Maer indien uwen broe-
der tegen u gesondight heeft, gaet honen ende be-
straft hem tusschen u ende hom alleen, &c.
d V. Soude dan daer geen ware Kercke zijn, alwaer
dese twee laetsto merckteeckenen niet werden ge-
vonden ?
A. Daer een welgestelde Kercke is, daer moetense
nootsakelick nevens de leere van Godts woort oock
gevonden worden; maer wat belanght een Kercke
die eerst geplant wort, ofte die onder het kruys
sit, of andersins door twisten, verstroyinge belet
-ocr page 546-
538 Van de algemeyno Christclicko Kercke.
wort, deselve soude soo nu en dan dese twee merck-
teeckenen niet hebben konnen, ten aensien van de
actuele bedieninge der Sacramenten, of de oeffeninge
der discipline , al hoe welse voor dien tijt van de
possessie of het besit der selver niet t\'eenemael be
rooft is, ten aensien van haer belijdenisse, verstant,
intentie, wenschen, streven , om soodanigen gebruyck
of actuele exercitie te hebben ende te betrachten.
d V. Maer kander wel een ware Kercke zijn , het zy
datse is welgestelt, of niet welgestelt, in \'t openbaer
ofte onder het kruys, alwaer het woort Godts, endo
de suyvere belijdenisse van do gronden des waren
geloofs niet gehouden wert?
A. Neen.
d V. De Paepsche merckteeckenen zijn die seker?
A. Neen.
d V. Is de liefde niet het merckteocken der Kercke ?
A. Neen.
d V. Is de oudtheyt het merckteecken der Kercke?
A. Neen: voor soo veel deselve by die van \'t Paus-
dom gedreven wert, even soo weynigh als een oude
ende verkanckerde siekte kan geseght werden een
merckteecken te zijn van een welgestelt lichaem:
want de oudtheyt sonder waerheyt en is niet, maer
veel eer wat nieuws, gelijck sekerlick is de oudtheyt
daer de Papisten soo seer van roemen; maer de al-
gemeene oudtheyt simpelick soo genomen van de
Goddelicke waerheyt ofte het rechte geloof, is in der
daet een goet bewijs van de waerheyt der Kercke.
d V. Zijn de mirakelen het merckteecken van de
ware Kercke; soo dat daer geen ware Kercke is
alwaer geen mirakelen gedaen worden?
A. Neen: en wat belangt de mirakelen die de
Apostelen gedaen hebben, die zijn soodanigh geweest,
datse te bovon gingen de gantsche nature, waer by
de vermeyndo mirakelen van die van \'t Pausdom
niet zijn te vergelijcken. 2. Die dienden tot voort-
plantinge, bevestinge, ja verzegelinge van de ware
-ocr page 547-
Van de algemeyno Christolicko Kercko. 539
religie, ende het ware geloove in Christum, \'t welcke
nu niet meer van nooden is, nadien de Heero de
salighmakende leere genoeghsaem door teeckenen ende
mirakelen bekrachtight heeft: en soude het zijn veel
eer een teecken van ongeloovigheyt, in desen tijt
noch te willen loopen tot mirakelen; waorom oock
de Oudtvader Augustinus soodanige luyden, die ner-
gens anders als van mirakelen roepen, noemt Miriohes,
dat is, die altijt wat wonders willen. Behalven dat
de meesten hoop der mirakelen, die by die van \'t
Pausdom soo hooge werden verheven, niet anders
zijn als enckele verdichtselen ende versierselen; of
soo daer in der waerheyt yet wonders somwijlen
mochte geschiet zijn, dat is geweest of door menschen
konst, of door hulpe ende toedoen des Satans: ge-
lijck by ende onder den Heydenen vele soodanige
dingen geschiet zijn; oock by den Toovenaers, Ket-
teren, Antichrist. Deuter. 13. vs. 2, 3. Actor. 8. vss.
9, 10, 11. 2. Thess. 2. 9. Apoc. 13. 13, 14.
b V. Is de Roomsche Kercke de algemeyne Kercke ?
A. Neen.
b V. Sy seggen nochtans dat hare Kercko de alge-
meyne Kercke is ?
A. Haer seggen en is niet waerachtigh.
c V. Maer geeft eens redenen waerom de Roomsche
Kercke niot en is de algemeyne ware Kercke?
A. Om dat \'er maer een ware Kercke is.
c V. Welck is die?
A. Onse Kercko.
c V. Wat weet ghy dat onse Kercke de ware Kercke
is, ende niet de Roomsche Kercke?
A. Om dat het geloove van onse Kercke in alles
niet do Schriftuer over een komt.
c V. Komt do Roomscho Kercko in alles met do
Schrifture over een?
A. Geensins.
o V. "Wat is de Roomsche Kercke dan?
A. Een Antichristische afvallige Kercke.
-ocr page 548-
540         Van de algemeyne Christelicko Kercke.
d V. Soude men dan buyten ons geloove ende religie
niet konnen saligh worden?
A, In \'t minste niet.
d V. Indien de Eoomsehe Kercke niet en is de ware
Kercke, zijn dan alle onse voorouders voor de tijden
der reformatie verloren ?
A. Dat en seggen wy niet: want soo vele als haer
van hare sonden bekeert, ende een oprecht vertrou-
wen op den Heere Jesum gestelt hebben, zijn behouden
geworden.
d V. Is\'er dan noch eenigh overblijfsel van Godes
volck onder het Pausdom geweest?
A. Ja : gelijck ten tijden van Elias onder de Baiiliten
ende afvallige Israëliton, Eom. 11. 4, 5. Oock onder
de afvallige Koningen ende Priesteren in Juda, Esai.
8. 18. Ezech 9. 4.
d V. Is het Pausdom de Kerck, of de Kerck het
Pausdom ?
A Noen.
d V. Is\'er dan geen saligheyt in \'t Pausdom, of
Antichristendom ?
A. Niet in \'t Pausdom als Pausdom.
d V. Is\'er geen Kercke, of zijnder geen schapen
Christi geweest ten tijden des Pausdoms, of onder
de tyrannije des Pausdoms?
A. Ja.
d V. Zijn onse voorouders dan alle verdoemt?
A. Geensins.
d V. Hoe zijnse dan saligh geworden ?
A. Door het ware geloove in Christum, gebouwt
op het fundament der Propheten ende Apostelen.
Biet hier van breeder, Vrage 30.
b V. Moet men van de Roomsche Kercke scheyden?
A. Ja.
c V. Waerom ?
A. Om hare verderffelicko dwalingen, ende grou-
welicke afgoderije.
d V. Tot wat Kerck sal men hem dan begeven?
-ocr page 549-
Van de algemeyne Christelicke Kercke. 541
A. Tot onse Kerok.
c V. Waorom tot de onse?
A. Om datse de ware Kercke is.
d V. De Papisten seggen, dat onse Kercke de ware
Kercke niet is, nadien daer vele secten in zijn?
A. Wy ontkennen dat \'er secten in onse Kercke
zijn; maer wel dat in de hare secten ende factien
ende verdeeltheden zijn , die noyt vereffent en worden,
als tusschen de Jesuijten ende de andere ordren,
tusschen de Dominicanen ende Franciscanen, tusschen
de Universiteyt van Parijs ende het Roomsche Hof,
met sijnen aenhanck.
d V. Maer seggen sy by ons zijn Eemonstranten, Men*
noniten, &c.
A. Die selve zijn soo weynigh van onse religie,
als de Papisten , onder ons woonende, van onse religie
zijn: want alhoewel sy wooncn in deso ofto in andere
landen, gelijcker oock Joden woonen, soo zijnso noch»
tans daerom van onse Kercke niet.
d V. Heeft onse Kerck altijt geweest?
A. Ja.
d V. De Papisten seggen, datse voor Luthers tijden
niet geweest is?
A. Dat is valsch.
d V. Hoe soudt ghy bewijsen, dat onse Kercke voor
Luthers tijden geweest is ?
A. Om dat de ware Kercke altijt moet op der aer-
den zijn, en nadien onse Kercke de ware Kercke is,
soo is \'t dan seker ende gewis, datse altijt op der
aerden geweest is, ende dienvolgens voor de tijden
van Luther.
O V. Kan het wel geschieden, dat de ware Kercke
op der aerde niet soude zijn?
A. Neen.
d V. Hoe soo?
A. Om dat dan Christus, die het Hooft is, hier op
aerden sonder ledematen ende sijn geestelick rijck
soude zijn.
-ocr page 550-
542         Van de algemeyno Christelieke Kercke.
d V. Kan dat wel geschieden?
A. Neen.
d V. Bewijst dat?
A. Matth. 16. 18. met Luc. 1. 33. Ende sijns Ko-
ninckrijcks en sal geen eynde zijn.
d V. Maer soudt ghy niet, tot overtuyginge van de
Papisten, eonige luyden konnen noemen, die voor
Luthers tijden geleeft, on in den gront van onsu
religie geweest zijn?
A. Ja: namelick, de Waldensen, ende Hussiton ,
als oock alle die vrome ende Godtsaligo Martelaers,
die van die van \'t Pausdom soo ollendighlick om \'t
leven zijn gebracht. Behalven dat in Grieckenlant, ende
voorts in Asia ende Africa van do tijden der Apostelen
geweest zijn, ende noch zijn verscheydene Kercken
die niet onderworpen zijn geweest het Roomsche ofte
Pauselicke gebiedt.
d V. Zijn die Kercken Paepsche Kercken geweest?
A. Neen: Want al hoe wel by deselve geweest
mochten zijn verscheyden dwalingen met eenige Koom-
sche dwalinge accorderende, soo veel de materie
aengaet; nochtans is by haer het Pausdom niet ge-
weest formaliter, dat is, ten aensien van de forme
der religie ende Kercke; soo weynigh als de heden-
daeghsche Luterschen in Duytschlant konnen geoor-
deelt worden Papisten te zijn, al is het datse eenige
dingen met de Papisten gemeyn hebben. Want het
zijn by haer geen fundamenten des geloofs geweest;
behalven dat by haer niet geweest is de opperste
macht des Paus, den Beeldendienst, het Vagevyer,
het Nachtmael onder een gestalte, de Indulgentien,
de Jubileeii, &c. oock dat de Leecken den Bibel niet
soude mogen lesen: welck nochtans al te samen
artijckelen zijn van de Paepsche religie. Verders, soo
seggon wy, datse in de principale fundamenten van
onse religie geweest zijn, niet tegenstaende de funda-
menten doorgaens by haer soo volkomen ende klaer niet
voorgestelt ende beleden zijn, als heden ten dage by ons.
-ocr page 551-
Van de algomeyne Christeljcke Kercke. 543
d V. De Papisten seggen, dat de Waldensen Mani-
cheon geweest zijn; ergo, dan niet onse Kercke?
A. Dat is valsch: en zijnso daerom Manicheen, om
datse de Pauselieke macht en authoriteyt verworpen
hebben, soo moeten wy, nevens alle Kercken in
Oosten, oock Manicheen zijn, alsoo wy in \'t minste
van sijne macht niet en houden.
d V. De Papisten seggen, datse den Doop verworpen
hebben?
A. Sy hebben den Doop in sich selven niet ver-
worpen , maer den Paepschen Doop.
d V. De Papisten seggen, datse geleort hebben, dat
alle vleeschelicke wercken geoorloft waren?
A. Dat is een gansch openbare lasteringe: Doch
siet van den Waldensen ende Albigensen de volko-
mene Historie, uytgegeven door Jan Paul Perrijn,
met een aenhanghsel van Balth. Lydius.
d V. Magh men hemselven afsonderen ende afsnijden
van een Kercke, die men volgens ende uyt Godts
woort oordeelt de ware Kercke niet te zijn?
A. Ja.
d V. Is dan alle afsonderinge ende afscheydinge ge-
oorloft?
A. Neen.
d V. In wat geval ende gelegentheyt soude men dan
van dese ofte gene Kercke mogen scheyden?
A. 1. Wanneer een Kercke eon valsche leere ende
dienst begaet in de fundamenteele stucken der salig-
heyt, ende alsoo ketters is: of datse den afgodischen
dienst exerceert, als dan moet men absolutelick ende
simpelick sich afsonderen van soodanigh een Kercke,
mits wy als dan onse conscientie niet souden suyver
kunnen behouden, maer nootsakelick der selver sonde
soude moeten deelachtigh werden. 2. Oock dan, wanneer-
der d\'een of d\'ander dwalinge in de Kercke is, hoewel
niet fundamenteel, dewelcko wy gedwongen souden
worden deelachtigh te werden, soo wy in deselve
-ocr page 552-
544                         Van de Verkiesinge.
blijven wilden ende alsoo onse conscientie niet suyver
en reyn bewaren konnen.
d V. Dio gene , dewelcke in soodanige gevallen sich
afsondert van de Kercke, is die dan een scheur-
maker ?
A. In \'t minste niet.
d V. Zijn, noch konnen wy voor scheurmakcrs ende
Ketters gerekont werden, omdat wy ons afgescheyden
hebben van de Roomsche Kercke, ende hare dwa-
lingen hebben verworpen?
A. Geensins.
d V. Waren wy sulcks gehouden te doen?
A. Ja.
d V. Bewijst dat?
A. Apoc. 18. vs. 4. Gaet uyt van haer mijn volck,
&c. 2. Cor. cap. 6. vss. 14, 45, IC, 17. Rom. 16, 17.
AENHANGHSEL VAN DE VERKIESINGE.
b V. Is\'er oock een Predestinatie ofte verkiesinge?
A. Ja.
d V. Waer staet dit woort Predestineren en ver-
kiesen?
A. Ephes. 1. 4, 5. Gelijck hy ons uytverkoren heeft
in hem, &c. vs 5. Die ons te voren verordineert
heeft, &c Rom. 8. 29, 30. Want die hy te voren ge-
kent heeft, dio heeft hy oock te voren geordineert, &c
d V. De verkiesinge, Predestinatie, voor-ordeningo,
voornemen, ordinoringe of stellinge ter saligheyt,
beduyden die in effect een sacck ?
A. Ja.
d V. Wat is de verkiesinge?
A. Het besluyt Godes, daer mede hy van alle
eeuwigheyt heeft besloten sekere menschen ter salig-
heyt docr sijn genade te brengen,
b V. Wie is die gene die verkiest?
A. Godt.
-ocr page 553-
Van de Verkiesinge.                         545
b V. Wanneer verkiest Godt?
A. Van allo eeuwigheyt.
c V. Magh men seggen eer do kinderen geboren zijn ?
A. Ja: Rom. 9. 11, 12. Want als de kinderen noch
niet geboren en waren, &c.
c V. Waer staet het dat Godt de sijne verkoren heeft
voor de grontlegginge der werelt, dat is, van alle
eeuwigheyt ?
A. Matth. eap. 25. vs. 04. Komt ghy gesegende
des Vaders, bo-erft dat Koninckrijck\'t welck u bereyt
is van de grontlegginge der werelt. Ephes. 1. 4.
d V. Maer 2. Thess. 2. 13. seght Paulus, dat ons Godt
van den beginne verkoren heeft tot de saligheyt, ende
Juliaiiiiis Apoc. 17. 8. van de grontlegginge der we-
relt, het welck niet en kan verstaen worden van de
eeuwigheyt, want het gene van eeuwigheyt is, dat
is sonder begin, maer van den beginne, dat is, een
weynigh na den beginne, gelyck deze woorden ge-
nomen worden, Joh. 8. vs. 44. en 1. Joh. 3. 8.?
A. Het is een manier van spreken in de Schrifture
seor gebruyckolick, datse seght een sake te geschie*
den, wanneerse vertoont ende geopenbaert wort, als
onder andere te sien is Prov 17. 17. Ende een broe-
der wort in de benauwtheyt geboren. En op soodanige
wijse ende maniere gebruyckt de Schrifture dese
plaetse, als willende daer mede voor dragen niet het
besluyt Godts selfs aengaendo de verkiesinge, maer veel
eer de openbaringe ende vertooninge, ofte uytvoeringe
van dat besluyt Godts , als siende op die heerlicke ende
uytnemende belofte aen Adam na don val gedaen, aen-
gaende het zaet der vrouwe, Gen. 3. 15. alwaer een
merckelick onderscheyt van Godt gestelt wort tusschen
de verkorene ende verworpene.
b V. Worden alle menschen verkoren?
A. Neen
b V. Is\'er dan niet een algemeyne verkiesinge over
alle menschen ?
A. Neen.                    *
35
-ocr page 554-
Van de Verkiesinge.
546
d V. Wie gevoelen dat ?
A. De Remonstranten, Mennonitcn, &c.
d V. Soude dat dan wel een verkiesinge konnen ge-
noemt worden ?
A. In \'t minste niet.
c V. Wie worden dan verkoren?
A. Alleen die in der tijt effectuëlicken ter saligheyt
gebracht worden.
d V. Bewijst dat?
A. Ephes. 1. 4. Gelijck hy ons uytverkoren heeft
in hem voor de grontlegginge der werelt, op dat wy
souden heyligh ende onberispelick zijn voor hem in
de liefde, met Kom. 8. 29, 30.
c V. Waerom verkiest Godt haer boven andere ?
A. Om dat het hem alsoo belieft,
d V. Is dan do hooghste ende opperste oorsaeck van
de verkiesinge , Godts pure, loutere, ende eenighste
wil ende welbehagen?
A. Ja.
d V. Bewijst dat?
A. Ephes. 1. 5. Die ons te voren verordineert heeft
tot aenneminge tot kinderen door Jesum Christum in
hemselven na het welbehagen sijns willens. Kom. 9.
15, 16.
c V. Gaet \'er niet yet voor de verkiesinge, waerom
Godt den mensche verkiest?
A. Neen.
c V. Is in het verkiesen niet eenigh aensien des ge-
loofs, of gehoorsaemheyt, of bekeeringe , ofte vol-
herdinge ?
A. Neen.
c V. Is dan niet yet van desen een voorgaende oor-
saeck waerom Godt verkiest?
A. Neen.
c V. Is het ten minsten niet eenige voorgaende con-
ditie waer op Godt verkiest?
A. Neen.
d V. Wie seggen sulcks ?
-ocr page 555-
Van de Verkiesirjge.
547
A. De Remonstranten, Mennoniten, &c.
c V. Volght do verkiesinge op het geloove, of hanghtse
daer aen, of volght het geloovo de verkiesinge ende
is een vrucht der selver?
A. Het geloove volght do verkiesinge, .ende is een
vrucht der selver.
c V. Heeft ons Godt verkoren om dat \\vy geloofden,
of op dat wy gelooven souden ?
A. Op dat wy gelooven souden,
d V. Bewijst dat?
A. Ephes. 1. 4. Op dat wy souden hcylighlick ende
onberispelick zijn voor hem in der liefde,
d V. Isso dan om het geloof of tot het geloof?
A. Tot het geloof,
c V. Heeft Godt ons eerst lief gehadt, of hebben wy
Godt eerst lief gehadt?
A. Godt heeft ons eerst lief gehadt, 1. Joh. 4. 10.
c V. Is deso verkiesinge Godes dan absoluyt of met
conditie ?
A. Absoluyt.
d V. Wie stellen de verkiesinge met conditie ?
A. De Remonstranten,
d V. Hoedanigh een verkiesinge stellen sy dan ?
A. Sy seggen, dat do Heero den mensche verkiest
onder soodanige conditie soo do mensche gelooft, ende
daer in volherdt tot den eynde toe.
d V. Kan dit wol bestaen ?
A. Neen.
d V. Waerom niet?
A. Van wegen verschoyden ongorijmtheden, die
hier uyt sullen volgen, als, 1. dat Godt niet de eerste,
maer de tweede oorsaeck sal zijn, ende sichselven na
dese sal moeten reguleeren. 2. Dat deso verkiesinge
dan eygentlick niet sal zijn het bosluyt ende wille
Godes, maer veel eer een krachteloos willen of wen-
schen, welck is een teeeken van onvolmaeektheyt.
3. Dat in Godt is soo een generaio besluyt ende weten-
schap , ende een voortgangh van het eene tot hot
-ocr page 556-
Van do Vorkiesinge.
548
andere, sonder oen vast geset éynde; daer nochtans
de Heero alle dingen met alle hare omstandigheden,
niet soo in \'t wilde henen, maer tot het uyterste
distinctelick weet ende verstaot, ja oock te gelijck en
al in de selfde bepaelt ende vast set. 4. Dat als dan
de vrije genade ende barmhertigheit Godts niet en sal
zijn de opperste ende hooghste oorsaeck van de ver-
kiesinge, maer yot dat in den mensche is, te weton
de gehoorsaemheyt, ofto het geloove des mensches
endo do volherdinge des selfs, tegen Rom. 9. 15, 10,
18, 23. Want hy seght tot Mosem, ick sal my ont-
fermen diens ick my ontferme, ende sal barmhertigh
zijn dien ick barmhertigh ben, &c.
c V. Gaet dese verkiesinge dan vast endo seker?
A. Ja.
c V. Isse onveranderlick?
A. Ja.
c V. Kan het gotal der uytverkorenen vermindert of
vermeerdert worden ?
A. Neen: 2. Tim. 2. 19. Evenwel het vaste funda-
ment Godts staet, &c.
c V. Staet do vorkiesinge vast, \'t zij dat men gelooft
ofte niet en gelooft, goet ofte quaet doet?
A. Neen.
c V. Magh men soo wel spreken?
A. Geensins.
c V. Is dese verkiesinge alleen tot de saligheyt, ende
niet te gelijck tot de genade , ofte alleen tot \'t eynde,
namelick , het eeuwige leven, of oock te gelijck tot de
middelen, te woton, tot het geloove ende goede wereken ?
A. Te gelijck oock tot de genade ende tot de middelen.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Ephes, 1. 4. Op dat wy souden heyligh ende
onberispolick zijn voor hem in der liefde. Rom. 8.
29, 30.
c V. Zijnder dan twee verkiesingen ende Predestina-
tien van yeder mensch, of een?
A. Een.
-ocr page 557-
549
Van de Verkiesinge.
d V. Is liet dan niet een gantsch grouwolicke laste-
ringe van de Remonstranten, &c. datse seggen, dat
uyt do leere van de verkiesinge volght, of de mensche
die verkoren is goet doet ofte niet, dat hy evenwel
sal saligh worden?
A. Ja.
d V. Sal een waerachtigh kint Godts wel sulcke woorden
spreken, of sulcke gedachten in sijn horte voeden ?
A. Geensins.
d V. Is de verkiesinge niet geschiet om Chisti wille
als de verdienende oorsaeck?
A. Neen.
d V. Bewijst dat?
A. 1. Om dat Christus de Middelaer het middel is
waer door Godt ons de salighey t toebrenght: waerom
hy wel in de Schriftuer genaemt wordt de verdienende
oorsaeck van onse salighey t, ende de uytvoeringe van
de verkiesinge, als Rom. 3.24. Col. 1. 14. maar niet
de oorsaeck van de verkiesinge. 2. Om dat het Mid-
delaers-ampt Christi, ende de verlossinge soodanigh
een werck is, daer mede de gerechtigheyt Godts ge-
noegh gedaen werde, \'t welek voorwaer door het
woort verkiesinge niet te kennen gegeven wert. Want
dewijl het wat anders is een Middelaer te zijn, ende
een oorsaeck van onse saligheyt, Hebr. cap. 5. en
wat anders een oorsaeck van de verkiesinge te zijn ;
soo is het seker ende gewis, dat Christus wel is de
verdienende oorsaeck van de saligheyt, maer niet van
de verkiesinge. Het welck soo veel is, als of ick
seyde, dat Christus wel is het fundament ende de
oorsaeck van de uytvoeringe van het besluyt Godts,
aengaende de verkiesinge, maer niet de oorsaeck van
de verkiesinge, dat is, van het eeuwigh ende abso-
luyt besluyt Godes.
d V. Wie zijn die gene, die daer drijven, dat Godt
ons heeft verkoren om Christi wille, als een verdie-
nende oorsaeck; ende daer uyt meteenen besluyt en,
dat het geloove is de conditie der verkiesinge?
-ocr page 558-
Van de Vorkiesinge.
550
A. De Remonstranten.
d V. Wat bewijs brengen sy by?
A. Ephes. 1. 4. Gelijck hy ons uytverkoren heeft
in hem, dat is, in Christo.
d V. Wat soudt ghy daer op antwoorden?
A. Dat de Apostel daer mede niet wil te kennen
geven, dat Christus, als Middelaer, soude zijn de
oorsake en het fundament van de verkiesinge; maer
dat Christus is de verdienende oorsaeck van allo
goestelicke segeningen; en dat wy verkoren zijn, om
dat ons deselve in hem souden toegebracht worden:
want wy niet geseyt worden verkoren te zijn, om dat
wy in Christo waren, maer op dat wy souden in hem
zijn: gelijck oock het woordeken gelijck bekent maockt:
soo dat de sin van dese woorden, aen de voorgaende
vast zijnde, is: Hy heeft ons gesegent met alle gees-
telicke segeninge in Christo, gelijck hy ons verkoren
heeft daer toe, namelick, op dat hy ons segenen
soude mot alle geestelicke segeninge: welck nu daer
in gelegen is, te weten, op dat wy souden heyligh
ende onberispelick zijn voor hem in der liefde.
d V. Om wat oorsake ende reden is het dat de
Remonstranten dit stuck drijven?
A. Om alsoo daer door des te beter vast te maken
haer voorgesien geloove, het welck sy stellen een
oorsaeck of een conditie te zijn van de verkiesinge.
Want heeft ons Godt verkoren in Christo, als een
verdienende oorsaeck van de verkiesinge, soo heeft hy
ons oock aengosien in Christo als geloovige, en alsoo
sal het geloove als een fundament ende oorsake, waer
op Godt in de verkiesinge gesien heeft, geleyt worden.
d V. Magh , en kan yeder geloovige seker zijn van sijne
verkiesinge ?
A. Ja.
d V. Bewijst dat?
A. 1. Thess. 1. 4. Wetende, geliefde broeders, uwe
verkiesinge van Godt. ende 5. 9. Ephes. 1. é.]2.Ce,
Corinth. 13. 5.
-ocr page 559-
Van do Verkiesinge.                         551
d V. Kan men dese versekeringe halen uyt de vruch-
ten van de verkiesinge ?
A Ja.
d V. Welck zijn de vruchten van de verkiesinge?
A. Siet Galat 5. vs. 22. Ma er de vrucht des Geests,
is liefde, blijdschap, vrede, &c.
d V. Daer dan soodanige vruchten zijn, magh men
dan hemselven van sijne verkiesinge versekeren ?
A. Ja.
d V. Is het genoegh, dat ick versekert ben van mijne
eygen verkiesinge?
A. Ja: Hab. 2, 4. Maer de rechtveerdige sal door
sijn geloove leven,
d V. Moet ick oock niet versekert zijn of dese of gene
menschen oock verkoren zijn tot de heerlickheyt ende
tot de genade?
A. Neen: dewijle ick niet seker en moet of kan zijn
van de vruchten der verkiesinge in den mensche.
Siet 2. Tim 2. 25. met 1. Cor. cap. 2. vs. 11.
d V Zijn dan die menschen ten hooghsten te be-
schuldigen, die haer selven in dese gelegentheyt met
andere menschen soo komen te bemoeijen, ende Godt
genoeghsaem als rekenschap willen afvorderen, waer-
om dat hy meer dese als gene verkoren heeft?
A. Ja.
d V. Moeten wy Godt niet liever dancken, dat hy ons
verkoren heeft, ende moeten wy het overige Gode
bevelen?
A. Ja.
d V. Maer is dese Leere niet een oorsaeck van god»
deloosheyt ?
A. Geensins.
d V. Wie seggen dat ?
A. De Remonstranten.
c V. Is dese onse Leere niet schrickelick ende hert?
A. In \'t minste niet.
c V. Isse dan soet, troostelick ende stichtelick?
A. Ja.
-ocr page 560-
552                        Van de Verwerpinge.
d V. Magh en behoort die in Godts gemeynte geleert
te worden?
A. Ja.
d V. Is\'er óock een verwerpinge ?
A. Ja.
d V. Wat is de verwerpinge ?
A. Dat besluyt Godts, daer mede Godt van alle
eeuwigheyt besloten heeft sekere mensohen tot de
saligheyt ende genade niet te brengen, maer om
hare sonden reohtveerdighlick te verdoemen.
d V. Welok is de oorsaeok van dese verwerpinge?
A. Het welbehagen Godes.
d V. Bewijst dat?
A. Rom. 9. 22. Ende of Godt willende sijnen toorn
bewijsen, ende sijne macht bekent maken, metlanck-
moedigheyt verdragen heeft de vaten des toorns tot
het verderf toebereyt.
d V. Is de sonden de eygene, volle en naeste oorsaeok
van het onderseheyt der verwerpinge, ofte van het
besluyt daer mede Godt desen niet en verkiest, maer
voorby gaet ende verwerpt?
A. Neen.
d V. Hoe wort de sonde dan aengemerckt in het stuck
der verwerpinge ?
A. Als een oorsake der verdoemenisse.
d V. Verdoemt Godt de onschuldige ?
A. Neen.
c V. Verdoemt Godt dan alleen op en van wegen de
sonde ?
A. Ja.
c V, Kan Godt yemant wel verdoemen, \'t en zy op
ende van wegen de sonde ?
A. Neen.
c V. Wil hy oock yemant wel verdoemen sonder aen-
merckinge van de sonde?
A. Neen.
c V, Doet hy het oock wel?
A. Neen.
-ocr page 561-
Van de Verwerpinge,                        553
d V. Maer kan Godt yemant wel verwerpen sonder
aenmerokinge van sonde, als een voorgaende ende
verdienende oorsaeek van sijn vry besluit?
A. Ja.
d "V. Verwerpt Godt oock sekere menschen sonder
aenmerkinge van de sonde, als een voorgaende oor-
saeek van sijn besluyt?
A. Ja.
d V. Bewijst dat?
A. In gevalle de sonde een oorsaeek was van de
verwerpinge, soo souden wy al te samen verworpen
moeten zijn, alsoo wy, die wy van Godt verkoren
ende tot syne kinderen aengenomen zijn, al te mael
gesondight hebben , ende nevens den verworpene vo\'or
Godt verdoemelick zijn. Rom. cap. 3. vse; 19, 23.
Ephes. 2. vs. 3.
d V. Is dan de verwerpinge ende verdoemenisse niet
een?
A, Neen.
d V. Zijnse dan van malkanderen ondersoheyden ?
A. Ja: gelijok alle innerlicke voornemen ende eeu-
wigh besluyt Godts van de uyterlicke executie, in der
tijt geschiet, ondersoheyden moet werden.
d " V. Toont dat ?
A. De verwerpinge is een innerlicke daet ofte be-
sluyt Godts, daer mede de Heere besloten heeft se-
kere menschen voorby te gaen, ende tot de genade
ende heerlickheyt niet te brengen, maer om haerder
sonden rechtveerdelick te verdoemen tot betooninge
van de heerlickheyt sijner rechtveerdigheyt. De ver-
doemenisse daarentegen is een uyterlicke daet Godes,
daer mede hy sijn besluyt uytvoert, ende de. men-
schen na ende om de sonden, sonder eenige bekee-
ringe begaen, datelick met tijtlicke ende eeuwige
straffe straft.
d V. Daer de verwerpinge voorgaet, sal daer de ver-
doemenisse sekerlick ende nootsakelick volgen?
A. Ja.
-ocr page 562-
554                         Van de Vorwerpinge.
d V. \'t Gene dan een oorsake is van de verdoemenisse,
is \'t selve oock niet een oorsaek van de verwerpinge,
dat is, van Godes oppersten wille ende besluyt?
A. Neen.
d V. Wert dan de verdoemenisse veroorsaeckt door
het besluyt Gods, ende is de mensche buyten allo
schuit\'?
A. Geensins.
d V. Hoe heeft haer de verdoemenisse ten opsicht
van het besluyt Godes?
A. Het is een seker gevolgh.
d V. Soudt ghy dit niet wat nader door een sekero
gelijckenisse konnen vertoonen?
A. Ja: als een exempel, alle die dingen, die Godt
te voren siet ende weet, datse geschieden sullen,
deselve gebeuren nootsakelick: want andersins soude
sijn wetenschap bedrogen werden: nochtans is Godt
geen oorsaeck van alle die dingen, die hy te voren
siet en weet: want hy voorsiet sekerlick de sonde,
ende \'t en kan of \'t sal anders niet gebeuren , of de
sonde sal volgen op het voorweten Godes; en noch-
tans soo is het voorsien Godts geen oorsaeck van de
sonde, noch de sonde een effect van het voorsien
ende voorweten Godes , maer alloen een nootsakelick
gevolgh.
c V. Doet Godt in dese verwerpinge geen onrecht?
A. Neen.
d V. Bewijst dat?
A. Eom. 9. 14, 15. Wat sullen wy dan seggen ?
Is\'er onrechtveerdigheyt by Godt? dat zy verre.
d V. Hoe en wil hy dan niet den doot des son-
daers ?
A. Dat is, dat hy geen lust noch vermaeck heeft
in \'t quaot des menschen, als quaet, ofte in des
sondaers verderf, als verderf, maer wel in de straffe,
als een goet ende eere der rechtveerdigheyt: even
gelijck een Rechter geen vermaeck noch lust heeft
in \'t quaet of de swarigheyt, die den misdadiger
-ocr page 563-
Van de Verwcrpinge.                        555
wordt aengedaen, maer wel voor soo veel aengaet de
maintenue van het Kecht ende de Justitie,
d V. Welck is de sufiisante reden en het fundament
van verantwoordinge desor leere van de verwerpinge ?
A. Godes absoluten vrijen wil ende welbehagen,
ende sijne absolute ende opperste macht. Rom. 9.
15, 18, 19, 20, 21, 22.
d V. Is Godt alle mensehen, of yemant sijne by-
sondere genade schuldigh ?
A. Neen.
d V. Heelt hy dan een vrije, absolute, ende opperste
macht?
A. Ja.
d V. Bewijst dat?
A. Rom. 9. 18, 19, 20, 21. Soo ontfermt hy hem dan
diens hy wil, ende verhardt dien hy wil, «ie. ende 11. 35.
c V. Zijnder meer uytverkorene, of meer verworpene?
A. Moer verworpene, dewijle dat\'er meer door de
sonde verloren gaen, als door Christi genade saligh
worden. Matth. cap. 7. vss. 13, 14. ende 22. 14.
Psalm 147. vss. 19, 20. Actor. 14. 16. met Ephes. 2.12.
e V. Magh men dese leere van do verwerpinge in
Godts Kercke wel leeren?
A. Ja.
d V. Dient dit tot meerder opweckinge van danck-
baerheyt, ende troost voor de ware geloovigen ?
A. Ja.
d V. Hoe?
A. Dat, alhoewel het de ware geloovige hier soo
qualick hebben, ende de goddeloosen daer en tegen soo
wel, nochtans de geloovige hier na sullen saligh
worden, ende de goddeloosen eeuwighlick verloren
gaen, ende Godt haer niet heeft voorby gegaen, ge-
lijck de andere, daer hy sulcks hadde konnen doen,
maer na sijne vrije ende pure genade heeft verkoren:
1. Thess. 5. 9. Want Godt en heeft ons niet gestelt
tot toorn, maer tot verkrijginge der saligheyt, door
onsen Heere Jesum Christum.
-ocr page 564-
556                           Van de Roepinge.
AENHANGHSEL VAN DE ROEPINGE.
b V. Is\'er oock een roepinge Godes?
A. Ja: Rom. 8. 30. Ende die hy te veren geordi-
neert heeft, dese heeft hy oock geroepen,
o V. "Wat is de roepinge?
A. De roepinge is soodanigh een werck Godes,
daer mede hy alle uytverkorene ten eeuwigen leven
in der tijt krachtelick vergadert tót Christum, ende
haer geeft het ware geloove in hem, op datse met
hem mogen vereenight ende saligh worden : Joh. 10.16.
Ick hebbe noeh andere schapen die van desen stal
niet en zijn, dese moet ick oock toebrengen, &c. en
1, Petr. cap. 2. vss. 4, 5. Ephes. 4. vss. 12, 13.
e V. Hoe veelderley roepinge is\'er?
A. Tweederley roepinge.
c V. Welck is die tweederley roepinge?
A. Een uyterlicke roepinge, ende een innerlicke
roepinge.
d V. Welck is de uyterlicke roepinge ?
A. Die roepinge, die daer geschiet door voorstel-
linge van het woort Godts.
d V. Wat is de innerlicke roepinge ?
A. Die roepinge, die daer inwendigh geschiet door
den H. Geest ende genade der wedergeboorte.
d V. Is het licht der naturen, sonder het Euangelium,
een salighmakende roepinge?
A. Neen.
d V. Is de uyterlicke roepinge door het woort ge-
noeghsaem ter saligheyt?
A. Neen.
d V. "Wat is\'er dan noch meer van nooden?
A. Een inwendige krachtige roeping des Geests.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat\'er boven het uyt-
wendige voordragen en voorstellen des Euangeliums
een inwendige ende krachtige roepinge van nooden zy •
-ocr page 565-
Van de Koepinge.                           557
A. Rom. 8. 28. ï. Cor. 3. 4, &c. 2. Tim. 2. 25.
Actor. 16. 14. Ende een sekere vrouwe, met name
Lydia een purperverkoopster van de stadt Thyatiren,
hoorde ons: welcker herte de Heere heeft geopent,
dat sy acht name op het gene van Paulo gesproken
wiert.
d V. Waer in is de inwendige roepinge des H. Geests
gelegen?
A. In een verliohtinge des verstants , ende buyginge
van den wille des genen die geroepen wort, soo dat
hem de beloftenissen des Euangeliums niet alleen
worden voorgedragen, ende hy deselve verstaet; maer
oock deselve krachtelick met den ware geloove om-
helst ende aenneemt, ende insgelijcks met der daet
betoont: Joh. 6. vs. 45. Daer is geschreven in de
Propheten, Ende sy sullen alle van Godt geleert zijn.
Ephes. 1. 17, 18.
c V. Sullen alle kraehtigh-geroepene gewisseliok be-
keert worden?
A. Ja.
o V. Wederstaet yemant die roepinge?
A. Neen.
c V. Kan hy die wel wederstaen?
A. Neen.
d V. Hoe is dan te verstaen, het gene staet Aetor. 7. 52. ?
A. Dat en is niet te verstaen van de krachtige ende
inwendige werckinge des H. Geests in ende binnen de
herten der menschen, even als of sy die hadden we-
dersta\'en; maer van den Geest, die tot haer spreeckt
door den mont van sijne Dienaren; gelijck sulcks ver-
staen kon werden uyt cap. 6. 8, 10. met Zach. 7. 12.
d V. Welck is wel het eerste werck dat de H. Geest
doet in en ontrent een mensche die hy bekeert ende
brenght tot het ware geloove in Christum?
A. Het steenen herte uyt don mensche wech ne-
men en hem een vleeschen herte geven,. Ezech. 36.
26. Dat is, van hertneckigh ende onwilligh, gewilligh
ende buyghsaem maken, &e.
-ocr page 566-
558
Van do Roepinge.
d V. Daer dan in \'t aldereerste, soo wanneer de Hei-
ligo Geest een mensche bekeert, &c. de onwilligheyt,
hertneckiglieyt, ja wederstandelickheyt, om soo te
spreken, door den Geest Godts wort woch genomen,
kan daer dan noch met waerheyt geseght worden,
een wederstandelickheyt te zijn, ten aensien van do
krachtige werckinge des Geests ?
A. Geensins.
d V. Wie zijn die gene, dewelcke seggen, dat de
Heylige Geest, hoewel krachtelick trachtende den
mensche te bekeeren, onde hem te brengen tot het
ware geloove in Christum, kan wederstaen werden,
soo wanneer de mensche die krachtige werckinge des
Geests niet en wil plaetse geven?
A. De Remonstranten, Mennoniten, &c.
c V. Is de uyterlicke roepinge altijt ende over al vcr-
geselschapt met de krachtige roepinge ende innerlicke
werckendc genade Godes?
A. Neen.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Matth. 22. 14. Want vele zijn geroepen, maer
weynigo uytverkoron.
c V. Is\'er een inwendige roepinge sonder het woort ?
A. Neen.
d V. Bewijst dat?
A. Rom. 10. 17. Soo is dan hot geloove uyt het
gehoor, ende het gehoor door het woort Godts.
d V. Moet dan de uyterlicke roepinge met de inwendige
vergeselschapt zijn, ende de inwendige met de uyter-
licke , in gevalle de mensche sal beheert werden , endo
gebracht tot het ware geloove in Christum?
A. Ja.
d V. Soude do natuorlicke mensche het woort Godts
ter saligheyt niet konnen aenhooren?
A. Neen.
d V. Bewijst dat?
A. Rom. 8. 7. Daerom dat het bedencken des vleoschs
vyantschap is tegen Godt, &c. 1. Cor. 2. 14,15. Maer
-ocr page 567-
Van do Roepinge.                           559
de natuerlieke mensche en begrijpt niet de dingen die
des Geests Godts zijn, &c.
d V. Wie zijn die gene , dewelcke seggen , dat de na-
tuerlicke mensche Godts woort ter saligheyt kan aen-
hooren ?
A. De Remonstranten, Mennoniten, &c.
d V. Is \'er een uyterlicke roepinge die formeelick ende
na Godes intentie niet en is ter saligheyt, maer al-
leen tot overtuvginge?
A. Ja.
d V. Bewijst dat?
A. Ezech. 2. 5. Ende sy, het zy datse hooren sul-
len, ofte het zy datse liet laten sullen, want sy zijn
een woderspannigh huys, soo sullen sy weten, dat
een Propheet in \'t midden van hen geweest is.
d V. Zijn de uytverkorene onmondige kinderen der
geloovigen oock geroepen?
A. Neon.
d V. Zijnse dan niet wedergeboren ofte gohoylight?
A Ja: want sy zijn Christi eygen , ende volgens
dien hebben den Geest Godts. Rom. 8. 9.
c V. Welck is de bewegende oorsacck van dese krach*
tige roepinge ?
A. Godts genade, het welbehagen sijns willens, sijn
eygen voornemen: Ephes. 1. 9. Ons bekent gemaeckt
hebbende de verborgentheyt sijns willens na sijn wei-
behagen. 2. Timoth. 1. 9. Rom. cap. 8. vs. 28.
d V. Zijnder eenige goede dispositien in den mensche,
waer door Godt bewogen wort hem boven andere
krachtelick te bekceren, ende te geven het ware ge-
loove in Christum ?
A. Neen.
d V. Bewijst dat?
A. Genés. 6. 5. ende 8. 21. Jer. 13. 23. Matth. 7. 18.
Rom. 8. vss. 5, 6, 7 Joh. 8. 34. Eph. 2. 1,2, 3, 4.
Ende u heeft hy mede levendigh gemaeckt, daer ghy doot
waert door de misdaden ende sonden, &o. Coloss. 2. 13.
d V. Werckt de mensche met Godt niet in \'t stuck
-ocr page 568-
Van do Roepinge.
560
van dese sijne krachtige roepinge tot het geloove in
Christum, &c. ?
A. Soo ghy dit werek Godts insiet, ten aensien
van het eerste moment ende oogenblick, voor soo
veel de monscli noch t\'eenomael is buyten den staet
der genade, soo seggen wy, dat de mensch in \'t
minste daer met Godt niet en werckt, maer sich sel-
ven t\'eenemael passive ofte lijdelick heeft, als blijckt
1.  Cor. 2. 14. Maer de natuerlicke mensche en begrijpt
niet de dingen die des Geests Godts zijn, &c. Genes.
6. 5. Jerom. 17. 9. Ezech. 36. 26. Rom. 8. 7. Ephes.
2.    1. Maer soo ghy dit werck Godts insiet, ten aen-
sien van het tweede moment en oogenblick, voor soo
veel de mensche nu aireede bekeert is, ende het ge-
loove bekomen heeft, soo seggen wy, dat de mensche
met Godt mede-werckt, in welcken opsicht de mensche
geseyt wort sijn saligheyt te wercken, Philipp. 2.12.
de heylighmakinge na te jagen, Hebr. 12. 14 sich te
bekeeren, Esai. 1. 16. 17. in Godt te gelooven, Joh.
14. 1. ja moet nootsakolick medewercken, want niet
Godt, maer de mensche sich formeelicken bekeeren
moet, niet Godt, maer de mensche selve moet geloo-
ven, &o. alhoewel hy sulcks niet en doet, of doen
en kan uyt ende van hemselven; maer alleen uyt
ende door de genade Godts. 1. Cor. 15. 10. Doch
door de genade Godts ben ick dat ick ben. ende 2.
Cor. 12. vs. 11. Phil. 2. 13.
d V. Maer waerom kan do mensche soo wel in \'t
eerste moment niet mede-wercken, als in het tweede?
A. Om dat de mensche in \'t eerste moment aen-
gemerckt zijnde, gantsch doot is, ende sonder de
minste geestelicke bewegingo, Eph. 2. 1. ende in het
tweede geeft hem do Heere genade ende kracht om
mede te wercken, ende uyt te voeren al het gene
tot sijner saligheyt is van nooden, soo dat hy dan
alles maohtigh is, door Christum, die hem kracht
geeft. Phil. 4. 13.
d V. Wie zijn die gene , die daer drijven dat\'er eenige
-ocr page 569-
Van de Roepinge.                           561
dispositien zijn in den natuerlicken mensch, daer op
de Heero sion soude in \'t stuck van de wedergeboorte
ende roepinge tot het geloove in C\'hristum. Als oock,
dat de natuerlicko mensch selfs in \'t eerste moment
ende oogenblick van sijn krachtige roepinge tot het
ware geloove met Godt soude mede-wercken ?
A. De oude ende nieuwe half-Pelagianen.
d V. Waerom drijven dese menschen sulcks?
A. Om staende te houden haer verkeert gevoelen,
aengaende het vermogen ende de krachten, die den
natuerlicken mensch na don val soude hebben over
behouden in \'t stuck van sijn saligheyt.
d V. Welck is wel haer voornaemste bewijs in desen
deele?
A. Jer. 4. 4. Besnijdt u den Heere, &c. ende
Ezech. 18. 31.
d V. Wat soudt ghy daer op antwoorden?
A. 1. Godt vermaent de menschen om sulcks te
doen, op dat hy haer aenwijse hoedanigh sy moeten
zijn, niet dat sy haer selven soodanigh maken konnen.
2. Godt de Heere vermaent de menschen tot dese
of gene dingen, deweleke hy oock selfs doet ende in
den mensche werekt, gelijck de Apostel bekent maeckt
Philip. 2. 12, 13. Gelijck oock onsen Salighmaker
aenwijst, Johan. 14. 1. belastende sijne discipelen,
nadien sy in Godt geloofden, datse oock in hem sou-
den gelooven. Nochtans is die sententie niet valsch,
deweleke bevestight, dat niemant kan tot hem komen,
\'t en zy dat hem de Vader trecke, Johan. 6. 44. want.
het geloove is een gave Godts, Phil. 1. 29.
Vrage 55.
Wat verstaet ghy door de gemeynschap der
Heyligen ?
Antw. Eerstelick, dat alle ende elcke geloovige
aen den Heere Christo, ende alle sijne schatten
86
-ocr page 570-
562            Van de gemeynschap der Heyligen.
ende gaven gemeynschap hebben. Ten anderen,
dat elck hem moet achuldigh weten sijne gaven
ten nutte ende ter saligheyt der anderen lidtmaten,
gewillighlick ende met vreughden aen te leggen.
a V. Is\'er dan oock een gemeynschap der Heyligon?
A. Ja.
b V. Wie worden door dese Heyligen verstaen, de
Paepsche gecanoniseerde Sancten ende Sanctinnen?
A. Neen.
c V. Wie dan?
A. De ware geloovige, het zy datse noch in den
vleesche wandelen, het zy datse aireede opgenomen
zijn in den hemel tot de geesten der volkomene Hey-
ligon: 1. Corinth 1. 2 Den geheylighden in Christo
Jesu. Hebr. 12. 23.
b V. Hoe veelderley gemeynschap der Heyligen is
\'er wel?
A. ïweederley.
c V. Welck is die tweederley gemeynschap der Hey
ligen?
A. 1 Die gemeynschap, die de ware geloovigen hebben
met Christo. 2. Die gemeynschap, die de ware geloovigen
hebben onder malkanderen, als leden van een lichaem.
b V. Welcke gemeynschap gaet voor, ende is de
principaelste, die is met het hooft, of die is met de
ledematen ?
A. Die met het hooft is.
b V. Welck is dan de mate ende regel, de eerste van
de tweede, of do twee van de eerste ?
A. De eerste van do tweede.
c V. Hoe hebben de geloovigen gemeynschap met
Christo ?
A. Als sijne ledematen,
c V. Wat is dat voor een gemeynschap, een geeste*
licke, of lichamelicke ?
A. Een geestelicke.
-ocr page 571-
Van de gemeynschap der Heyligen.            563
c V. Hebben dan de ware geloovige, als lidtmaten
Christi, gemeynschap aen allo sijne goederen ende
gaven soo verre hare saligheyt sulcks vereyscht, en
dat ten aensien van dat geestelick houwelick het welck
Christus met haer heeft aengegaen?
A. Ja.
d V. Bewijst dat?
A. 1. Corinth. 3. 21, 22, 23. Niemant en roeme
op menschen: want alles is uwe, &c. Doch ghy zijt
Christe, ende Christus is Godts. ende cap. 12. 13.
Eom. 8. 32.
b V. Waer in bestaet de gemeynschap der geloovigen
onder malkanderen?
A. Dat elck hem moet schuldigh weten, sijne gaven
ten nutte, ende ter saligheyt den anderen lidtmaten
gewillighlick ende met vreughde aen te leggen,
c V. Hoe verre gaet die gemeynschap?
A. Datse hare gaven moeten aenleggen tot hulpe,
stichtinge, en saligheyt van haren naesten.
c V. Moet men oock niet gemeynschap van goederen
hebben ?
A. Neen.
d V. Wie zijn dat, die dat stellen ?
A. Seker secte der Mennoniten, genaemt de Hut-
tersche.
d V. Waer uyt willen sy dat bewijsen?
A. Actor. 2. 44. Ende alle die geloofden, waren
by een, ende hadden alle dingen gemeyn. ende 4.
32. Ende niemant en seyde, dat yet van \'t gene hy
hadde, sijn eygen ware.
d V. Wat soudt ghy daer op antwoorden?
A. Dat is te yerstaen niet van het besitten of van
den eygendom, maer van het confereeren of van het
gebruyck eeniger goederen in tijt van noot, ende in
sekere gelegentheyt, gelijck \'t doen was, ende dat
in de Kercke te Jerusalem, waer van de voortplan-
tinge des Euangeliums moeste beginnen. Maer dit en
past (hierom niet op \'t verwerpen van eygendom
-ocr page 572-
564               Van de Vergevinge dor sonden.
sijner goederen, in allen Kereken, in allen tijden,
plaetsen en oocasien.
d V. Soudt ghy dit niet eenighsins konnen bewijsen
uyt de omstandigheden van den text?
A. Aetor. 5. 4. Soo het gebleven ware , en bleef
het niet uwe? En verkocht zijnde, en was het niet
in uwe macht?
Veage 56.
Wat gelooft ghy van de vergevinge der sonden?
Antw. Dat Godt om \'t genoeghdoen Christi
wille, aller mijner sonden, pock mijner sqndelicker
aert, daer mede ick al mijn leven lanck te strijden
nebbe, nimmermeer en wil gedencken, maer my
uyt genaden de gerechtigheyt Christi schencken,
op dat ick nimmermeer in \'t gerichte Godts en
kome.
a V. Is\'er oock een vergevinge der sonden?
A. Ja.
b V. Wat gelooft ghy van de vergevinge der sonden ?
A. Siet de vrage.
a V. Wie vergeeft de sonden?
A. Godt.
a V. Wie al meer?
A. Niemant.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat Godt alleen de
sonden vergeeft?
A. Esai. 43. 25. Ick, Ick ben \'t die uwe overtre-
dingen uytdelght, &c. Psal. 130. 3. Soo ghy Heere
de ongerechtigheden gade slaet: Heere wie sal be-
staen? ende 32. 2. Mare. 2. 7.
a V. Konnen de Apostelen ende Predikanten de sonden
niet vergeven?
A. Neen.
-ocr page 573-
Van de Vergevinge der sonden.               565
d V. Hoe is dan te verstaen het gene staet Matth.
16. 19. ende Johan. 20. 23.?
A. Dat is, dat sy sulcks doen als dienaers van
Ohristi wegen, en uyt Christi name.
d V. Waer uyt blijckt dese verklaringe ?
A. 2. Corinth. 5. 18, 19, 20. Jerem. 1. 9. 10 Siefr
hier van breeder Vrage 84.
o V. "Wat gevoelen de Leeraers van \'t Pausdom aen-\'
gaende de vergevinge der sonden?
A. Dat sy macht hebben van Godt ontfangen om
absolutelick do sonden te vergeven.
c V. Is dit haer gevoelen schriftmatigh ?
A. Neen: als blijckt uyt de geallegeerde plaetsen;
waer by noch kan gedaen worden Matth. 6. 9, 12.
d V. Waerom konnen de menschen hier op aerden
absolutelick de sonden niet vergeven?
A. Om dat sy sulcks niet machtigh genoegh en
zijn, nadien niet tegen haer eygentlick, maer tegen
de hooghste Majesteyt Godts gesondight wort, dewelcke
oock door de sonde ten hooghsten wort goledeert ende
gequetst; en by den welcken het dienvolgens alleen
leyt, om de sonde, tegen sijn hooghste Majesteyt
begaen, te vergeven en quijt te schelden.
d V. Een mensche verongelijckt zijnde, moetnoch-
tans sijnen naesten vergeven het ongelijck dat hem
is aengedaen?
A. Het ongelijck, voor soo veel als het een sonde
is, en vergeeft de mensche niet, noch kan oock \'t
selve niet vergeven, maer dat hanght alleen aen den
He ere. Maer een mensche vergeeft sijnen naesten de
verongelijckinge, voor soo veel hy daer door is ge-
injurieert ende geledeert. Met een woort, hy vergeeft
niet de sonde, maer de injurie, of het ongelijck,
onrecht, spijt ende leet, dat hem door en van wegen
die sonde is aengedaen.
b V. Om wiens wille, of waerom vergeeft Godt de
sonden ?
A. Om Christi wille.
-ocr page 574-
566               Van de Vergevinge dor sonden.
b V. Is\'er anders geen middel tot vergevinge?
A. Neen.
b V. Soude Godt de Heere de sonden niet vorgeven,
om de goede wercken, die de menschen doen ?
A. Neen.
c V. Wie seggen dat?
A. De Papisten.
c V. Kan yemant wel goede wercken doen, die do
sonden niet vergeven zijn?
A. Neen.
d V. Moet dan een mensche eerst zijn gerechtveer-
diglit en vry gesproken van sijn sonden, eer dat hy
goede wercken kan doen, die Gode in Christo be-
haeghlick zijn?
A. Ja. Siet hier van breeder Vrage 60.
d V. Gaet dan de rechtveerdighmakinge voor de hey-
lighmakinge ?
A. Ja, ten aensien van de ordre: want ten aensien
van den tijd zijnse gelijck; maer wal de ordre aen-
gaet, soo gaet de rechtveerdighmakinge voor, ende
als dan volght de heylighmakinge; want eerst wort
een mensche gerechtveerdight, ende gerechtveerdight
zijnde, soo wort hy geheylight, ende oeffent danck-
baerheyt door nieuwe gehoorsaemheyt.
b V. Waerom vergeeft Godt ons de sonden alleen om
Christi wille?
A. Om dat de Heere Christus alleen onse Borge
ende Middelaer is.
d V. Waer staet dat?
A. Hobr. 7. 22. Van een soo veel beter verbont is
Jesus borge geworden. Joh. 14. G. ende Actor. 4. 12.
1. Tim. 2. 5.
b V. Wat voor sonden vergeeft Godt?
A. Alle sonden.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Esai. 43. 25. Mich. 7. 19. 1. Johan. 1. 7. Het
bloet Jesu Christi sijns Soons reynight ons van alle
sonde.
-ocr page 575-
Van de Vergevinge, der sonden.               507
b V. Vergeeft Godt dan erfsonden ende dadelieko
sonden ?
A. Ja.
b V. Vergeeft hy oock alle kleyne sonden?
A. Ja.
c V. Maer is het wel noodigh dat Godt de kleyne
sonden vergeeft?
A. Ja.
c V. Waorom?
A. Om dat de menscho selfs om een kleyne sonde
soude verloren gaen.
d V. Bewijst dat?
A. Eom. 6. 23. Want de besoldinge der sonde is
de doot.
c V. Verdienen dan de minsto sonden de eeuwigo
doot ende verdoemenisse?
A. Ja.
c V. Waerom?
A. Om datse strijden tegen do hooghste ende onoyn-
dige Majesteyt Godes.
d V. Wat nut ende profijt hebt ghy uyt de vergevinge
der sonden ?
A. Dat ick nu nimmermeer in \'t gerichte Godts sal
komen,
c V. Sullen dan de ware geloovige niet geoordeelt
worden ten jonghsten dage?
A. Ja: 2. Corinth. 5. 10. Want wy alle moeten
geopenbaert worden voor den rechterstoel Christi, &c.
c V. Hoe seglit ghy dan dat ghy nimmermeer in het
gerichte Godts sult komen?
A. Dat is, dat ick wel sal geoordeelt, maer niet
veroordeelt worden.
AENIIANGIISEL VAN DE VOLDOENINGE
VOOR DE SONDEN.
a V. Kan een mensche voor sijue sonden niet vol-
doen?
-ocr page 576-
568               Van de Vergevinge dor sondon.
A. Neen.
b V. Wie seggen dat?
A. Do Papisten,
d V. Op hoe veel manieren konnen sy voldoen, na
haer gevoelen?
A. Op verscheyden manieren, in dit leven door
Bedevaerden, Zielmissen, Aflaetsbrieven, Aelmoessen,
Vasten , hemselven te geesselen, &c. ende na dit leven
in \'t Vagevyer. Siet Vrage 13 ende 30.
d V. Strijt dit ergens tegen?
A. Ja.
d V. Waer tegen strijt het?
A. Tegen de voldoeninge Christi.
b V. Heeft Christus dan ten vollen voldaen ?
A. Ja.
d V. Bewijst dat?
A. 1. Joh. 1. 17. Het bloet Jesu Christi sijns Soons,
reynight ons van alle sonde. Hebr. 10, 16, 17, 18.
b V. Heeft hy niet yet overigh gelaten daer voor
wy noch voldoen moeten?
A. Neen: Siet hier van breeder Vrage 13.
d V. Maken sy dan hier door de voldoeninge Christi
te niet soo veel in haer is?
A. Ja: Siet soodanige consequentie gemaekt Galat.
2. vs. 21. ende 5. 2, 4.
d V. Soude mon geen Aflaten mogen halen by den
Paus?
A. Neen.
d V. Oock geen absolutie by den Biechtvader?
A. Neen.
d V. Oock geen Zielmissen koopen of besteden?
A. Neen.
d V. Waerom niet ?
A. Om dat sulcks alles strijt tegen de volmaeckte
voldoeninge Christi.
-ocr page 577-
Van do Opstandinge dos vleeschs.             569
SONDAGH XXII. Vrage 57, 58.
Vrage 57.
Wat troost geeft u de opstandinge des vleeschs?
Antw. Dat niet alleen mijn ziele na desen leven
van stonden aen tot Christum liaer hooft sal op-
genomen worden: maer oock dit mijn vleesch
door de kracht Christi opgeweckt zijnde, wederom
met mijner ziele vereenight ende den hcerlicken
lichame Christi gelijckformigh sal werden.
d V. In hoe veel deelen wort desen Sondagh afge-
deelt?
A. In twoe deelen.
d V. Welck zijn die twee deelen ?
A. 1. Wort gehandelt van de opstandinge des vleeschs,
Vrage 57. 2. Wort gehandelt van het eeuwige leven,
Vrage 58.
a V. Moeten alle menschen sterven?
A. Ja.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Hebr. 9. 27. Ende gelijck het den mensche ge-
set is eenmael te sterven, &c.
b V. Sterft al wat aen den mensche is?
A. Neen.
a V. Is de ziole ook sterffelick?
A. Neen.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat de ziele onsterffe-
lick is?
A. Eccles. 12. 7. Ende de geest weder tot Godt
keere die hem gegeven heeft. Matth. cap. 10. vs. 28.
En vreest u niet voor de gene die het lichaem doo-
den, ende de ziele niet en konnen dooden.
-ocr page 578-
570             Van de Opst.andingo des vleoschs.
d V. Wie zijn die gene, dewelcko seggen, dat do
ziele van ende in haer nature sterffelick is?
A. De Socinianen.
d V. Hoedanigen substantie is de ziele ?
A. De ziele is een geest, ofte een geestelick wesen,
of substantie,
d V. Waer uyt bestaot de ziele, uyt de aerde, vyer,
locht, of water.
A. Uyt geen van alle desen.
d V. Waerom niet?
A. Om datse gecstelick is.
d V. Is de ziele blauw, of root, of ront, of vierkant,
of langh, of breel, &e. ?
A. Geen van allen.
d V. Waerom niet?
A. Om dat dit al te samen zijn lichamelicke acci-
denten \')
d V. Soude men de ziel wel in stucken kunnen
snijden?
A. Neen
d V. Kan monse wel verbranden ?
A. Neen.
d V. Hoe gaet het dan toe met de zielen die in de
helle zijn?
A. Die worden met geen lichamelick of eygentlick-
geseydo vyer geroost of gebrant
d V. Wat wort dan door het helsche vyer ende brant
verstaen?
A. Ten aension van de ziele, de wroeginge, kn.v
ginge, ende tormenten der conscientio, van wegen
het gevoelen van Godts toorn: of nu het lichaem
t\'sijner tijt door een materialo vyer zal gepijnight
worden, dat willen wy daer laten, alsoo het selvo
uyt Godes woort niet vast en kan bewesen werden: en
willen het evenwel niet tegensprokon ; maer alleenlick
en willen wy \'t niet aennemen voor oen vast stuck
) Bijkomende eigenschappen.
-ocr page 579-
Van de Opstandinge .des vleeschs.             571
der Theologie, veel min voor een nootsakelick Ar-
tijckel des geloofs.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat de ziele een geest is,
ofte een geestelick wesen\'?
A. Psalm 81. vs. 6. In uwe hant bovele ick mijnen
geest. Luce cap. 23. vs. 46. Actor. 7. 59. Hebr. 12.23.
b V. Waer komen de zielen als de menschen sterven ?
A. In de helle ofte in den hemel,
b V. Wat zielen gaen na den hemel ?
A. Do zielen der geloovigen: Joh. 5. 24. Maer is
uyt den doot overgegaen in \'t leven,
b V. Wat zielen gaen na de helle ?
A. De zielen der goddeloosen: Actor. 1. 25. Daer
van Judas afgeweecken is, dat hy henen ginge in sijn
eygen plaetse.
a V. Hoe veel plaetsen der zielen na dit loven zijnder
dan?
A. Twee.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat ?
A. Matth. 7. 13, 14. Gaet in door de engopoorte:
want wijt is do poorto, &c.
a V. Is er dan geen derde plaetse, namelick het va-
gevyer?
A. Neen.
a V. Wie seggen dat\'er een vagevyer is?
A. Do Papisten,
c V. Welck is het krachtighsto bewijs het welck die
van het Pausdom tot vastsettingo van haer vagevyer
bybrengen?
A. Sy seggen, dat de mensche onreyn is, endo
nadien daer niet in den hemel kan komen het gene
onreyn is, volgens Rom. 8. vs. 8. 1. Corinth. 15.50.
Apoc 21. 27. ergo, soo moot\'er zijn een dorde plaetse,
alwaer de zielen, uyt de lichamen scheydonde, ge-
reynight worden, hetwekk is het vagevyer.
d V. Wat soudt ghy daer toe seggen?
A. Do ziele wordt hier op aerden gereynight ende
gevrijet door Christi bloet volkomentlick, ten aensien
-ocr page 580-
572             Van do Opstandinge des vleeschs.
van de verdoemende; ende door Christi Geest vol-
komentliok, ten aensien van de heerschende macht
der sonde; endo ten laetsten wort sy geroynight,
wanneer ten vollen door de doot afgeleyt worden alle
besmettinge ende vuylighodcn dor sonden, waor modo
sy is besootolt, soo lange sy noch in den lichamo is.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat ?
A. 1. Joh. 1. 7. Het bloot Jesu Christi sijns Soons
reynight ons van allo sonde. 1. Corinth. 6. 11. Maer
ghy zijt afgewassen, maer ghy zijt geheylight, maer
ghy zijt gerechtveordight in den name Jesu Christi,
ende door den Geost onses Godts.
d V. Laet Christus niet yet overigh daer van do
mousche in \'t vagevyer moet gereynight en gesuy-
vort worden ?
A. Neen: want andersins on soude hy niot konnon
geseght worden, ons volkomentlick gereynight ende
afgewasschen te hebben van onse sonden, gelijck
nochtans de Schriftuer klaerlick getuyght.
d V. Waor uyt soudt ghy bewijsen, dat\'er geen vage-
vyer en is?
A. Luco cap. 23. vs. 43. Ende Josus seyde tot hem,
Voorwaor segge ick u , heden sult ghy met my in
\'t Paradijs zijn. met 2. Corinth. cap. 12. vss. 2, 4.
Joh. cap. 5. vs. 24. Apoe. cap. 14. vs. 13. Saligh zijn
de dooden die in den Hoero sterven: Ja seght de
Geest, Op dat sy rusten mogen van haren arbeyt:
ende hare worekon volgen met haer.
c V. Is het Paepsche vagevyer oock mot seer nadee-
ligh do voldoeninge Christi ?
A. Ja.
c V. In wat maniere?
A. Dat alsoo do Heere Christus gestelt wort maer
ten halven endo ten deele voor ons voldaen te heb-
ben , ende dat tegon het uytgedruckte woort Godts
1. Joh. cap. 1. vs. 7. ende Joh. 19. vs. 30. Doe Josus
dan den edick genomen hadde, seyde hy, het is
volbracht.
-ocr page 581-
Van de Opstandinge des vleeschs.             573
d V. Wanneer gaen de zielen der geloovigen na den
hemel, endo der ongeloovigen na do helle ?
A. Van stonden aen, soo haest als do mensche
gestorven is.
d V. Bewijst dat?
A. Joh. 5. vs. 24. Maer is van den doot overge-
gaen in \'t leven. Apoc. 14. 13. Saligh zijn de dooden
die in den Heero sterven , sy rusten van haren ar-
beyt, &c.
b V. Blijft de ziele niet conigon tijt, ende en wan-
deltse niet hier op der aerden, of in de lucht, of
in \'t water?
A. Neen.
e V. Wie seggen dat de zielen noch eenigen tijt
wandelen, ende den levenden verschijnen ?
A. De Papisten,
c V. Slapen de zielen der geloovigen daer boven in
den hemel?
A. Neen.
d V. Wie seggen sulcks?
A. Eenige Mennoniten: doch do Remonstranten
seggen, dat de zielen der geloovigen niet buyten
haer wercken \') het welck byna anders niet schijnt
te seggen, als datse slapen.
d V. Hoe sult ghy dese luyden in desen deele ovor-
tuygen?
A. 1. Dat als dan de blijdschap van dit leven heer-
licker ende uytnemender soude zijn als van \'t toe-
komende leven, het welcke strijt met het seggen
Pauli: Phil. 1. 21, 23. Want het loven is my Christus,
ende sterven is my gewin, &c. 2. Om datse niet on
slapen in dit leven; ergo, oock niet in \'t toekomende
leven,
d V. Welck is dan het bedrijf van de zielen der ge-
loovigen daer boven?
A. Godt te loven ende te dancken, Apoc. 5. 11, 12.
\') N\'el naar bmlin uerlen.
-ocr page 582-
574             Van de Opstandir.ge des vleeschs.
c V. Hoe langh blijven de zielen der geloovigen in
den hemel?
A. Tot den jonghsten dagh toe?
c V. Sullen sy noyt wederkomen voor dien tijt om
de levendige te onderrechten?
A. Neen.
b V. Komen de zielen uyt de helle niet weder?
A. Neen.
d V. Bewijst, dat de zielen niet wederkeeren?
A. Luce 16. 26. Ende boven dit alles tusschen ons
ende tusschen u-lieden is oen groote klove gevestight,
soo dat de gene die van hier tot u willen overgaen,
niet en souden konnen, noch oock die daer zijn, van
daer tot ons overkomen,
d V. Nochtans leest men, 1 Sam. 28. 14. dat Samuel
na sijn doot aen Saul is verschonen?
A. Dat is de rechte Samuel niet geweest.
d V. Wat was het dan?
A. Do Duyvel in Samuols schijn,
d V Maer Jesus Syrach cap. 46. 23. verstaet het van
den waren Samuel?
A. Dat boeck is Apocrijph.
d V. Nemen wy dat wel aen?
A. Neen.
d V. Wat zijn stalkeerssen ?
A. Hot zijn soo eenige schijnselen ende vlammekens
in de lucht, die den menschen soo nu en dan on-
verwacht voorkomen.
d V. Zijn het niet de zielen die in het vagevyer zijn,
of der kinderen die sonder doop sterven?
A. Neen.
d V. Wio plegen sulcks te meynen?
A. Vele slechte leecken in het Pausdom,
b V. Waer varen de zielen der kinderen der geloo-
vigen die sonder doop sterven?
A. Na den hemel,
c V. Gaense niet na het voorgeborchte van de helle ?
A. Neen.
-ocr page 583-
Van de Opstanding* des vleesuhs.             575
c V. Wie seggen dat *?
A. De Papisten,
d V. Wat zijn do geesten ofte verschijningen der
afgestorvene ?
A. Spoockselen van de Duyvelen.
b V. Zijn het hare zielen niet?
A. Neen.
b V. Zijn het hare lichamen niet?
A. Neen.
b V. Zijn het niet de geheele menschen ?
A. Neen.
d V. Wat is het dan?
A. Het is de Duyvel in haren schijn.
d V. Kan of wil Godt den Duyvel wel toelaten om
soo te verschijnen?
A Ja.
a V. Moet men voor de afgestorvene zielen wel bidden ?
A. Neen.
b V. Kan het gebedt wel qualick te pas komen ?
A. Ja: in die gelegentheyt komt het niet te pas.
d V. Hoe soudt ghy doen als ghy by het Lijck waert
daer de Papisten bidden?
A. Niet bidden, ende de andere vermanen van
insgelijcks niet te willen bidden, alsoo het gebedt daer
gantsch niet te pas komt.
b V. Hebben de zielen \') geen voorbiddinge van
nooden?
A. Neen.
c V. Waerom niet?
A. Om datse zijn ter plaetse alwaerse blijven moeten,
d V. Bewijst dat?
A. Lnce 16. 26. Soo dat de gene die van haertot
u willen overgaen, niet en souden konnen, noch oock
die daer zijn, van daer tot ons overkomen,
b V. Hoe sal het gaen met de lichamen der geloo-
vigen, sullen sy vergaen?
\') De afgestorven zielen.
-ocr page 584-
576             Van do Opstandinge des vlceschs.
A. Neen.
b V. Wat sal dan van dosolve werden?
A. Sy sullen weder opstaen.
c V. Wanneer sullen sy weder opstaen?
A. Ten jonghsten dage, als Christus sal komen in
de woleken des hemels, om te oordeelen de loven-
dige endo de dooden.
d V. Bewijst dat de geloovigen weder sullen opstaen ?
A. 1. Thess. 4. vs. 16. Ende die in Christo gostor-
ven zijn, sullen eerst opstaen. 1. Corinth. 15. 52.
c V. Sullen de goddeloosen oock weder opstaen?
A. Ja.
d V. Wat onderschoyt is\'er dan tusschen het opstaen
der geloovigen, ende tusschen het opstaen der onge-
loovigen?
A. De goddeloosen zullen opstaen ter verdoeme-
nisse, ende de geloovige ten eeuwigen leven,
d V. Waer staet dat?
A. Joh. 5. 29.
c V. Sal liet selfde lichaem weder opstaen?
A. Ja.
d V. Bewijst dat?
A. Job 19. 25, 26, 27. Want ick weet, mijn Vei-
losser leeft, &c. vs. 27. Den welcken ick voor my
aanschouwen sal, ende mijne oogen sullen sien, ende
niet een vreemde. 1. Corinth. 15. 53, 54. Want dit
verderflicke moet de onverderflickheyt aendoen, &c.
d V. Is \'er wel wat aen gelegen, dat deselve lich.v
men sullen opstaen.
A. Ja.
d V. Is dat wel een opstaen der lichamen, als een
ander lichaem geschapen wort?
A. Neen.
d V. Soude het tegen Godts rechtveerdighoyt niet
strijden, dat een ander lichaem soude opstaen ?
A. Ja.
d V. Hoe, en in wat maniere?
A. Om dat een ander lichaem soude gestraft wor-
-ocr page 585-
Van de Opstandinge des vleeschs.             577
den het welck het niet verdient hadde, ende dat een
ander soude gekroont worden hetwelck niet gestreden
hadde.
d V. Bewijst dat\'?
A. 2. Corinth. 5. 10, 11. Want wy allo moeten
geopenbaert worden voor den rechterstoel Christi, op
dat een yegelick wechdrage \'t gene door \'t lichaem
geschiet na dat hy gedaen heeft, het zy goet, het
zy quaet.
d V. Kan dit met Godts rechtveerdigheyt wel bestaen ?
A. In \'t minste niet.
d V. Maer do Apostel seyt nochtans , 1 Corinth. 15.
vs. 20. Dat vleesch en bloet het Koninekrijcke Godts
niet be-erven konnen?
A. Door vleesch ende bloet en wort niet verstaen
het lichaem des menschen, maer de verdorventheyt
die ons hier aenhanght.
d V. De Apostel seght oock, 1. Corinth. 15. 40, 44,
46. dat het sullen zijn hemelsche ende geestelicke
lichamen ?
A. Dat is te verstaen, niet ten aensien ran de
substantie ofte het wesen des lichaems, maer ten
aensien van de qualiteyten ende hoedanigheden des
selfs, als verderfiickheyt. sterffelickheyt, &c.
d V. Maer hoe is \'t mogelick, dat de lichamen, die
verrot ende tot stof ende assche zijn geworden; ja
die van de visschen zijn gegeten, ende in de sub-
stantie van de visschen zijn verandert, weder sullen
opstaen ?
A. By den menschen is dit onmogelick, maer by
Godt is alles mogelick. Psalm 115. 3. Luce 18. 27.
d V. Sal dit dan geschieden door de almachtigheyt
Godts?
A. Ja.
d V. Is het een ander kracht de dooden op te wec-
ken, die tot stof ende assche vergaen zijn, als de
werelt uyt niet te scheppen?
A. Neen \'t.
37
-ocr page 586-
578             "Van de Opstandinge des vloeschs.
d V. Soo dan de Heere, volgens sijn almachtigheyt
, de werelt uyt niet heeft weten te scheppen, soude
hy dan oock niet machtigh genoegh zijn om de dooden
weder levendigh te maken?
A. Ja.
d V. Hebben de geloovige des Ouden Testaments oock
kennisse ende wetenschap gehadt van de opstandinge
der dooden?
A. Ja.
d V. Bewijst dat?
A. Ezech. 37. 2, 3, &c. Ende hy dede my by
deselve voor by gaen, geheel rontom; ende siet daer
waren seer vele op den gront der valleije, ende siet
sy waren seer dorre, ende hy seyde tot my, men-
schen kint," sullen dese beenderen levendigh worden,
&c. Dan. cap. 12. vs. 2. Ende vele van die , die in
het stof der aerden slapen, sullen ontwaken, ende
Matth. 22. 31, 32.
c V. Door wiens kracht sullen de dooden opstaen,
door haer eygen kracht?
A. Neen.
c V. Door wiens kracht dan?
A. Door Christi kracht,
d V. Bewijst dat?
A. 1. Thess. 4. 16. "Want de Heere sal met een
geroep, met de stemme des Archangels, ende met de
basuyne Godts neder dalen van den hemel, &c.
d V. Is dit de oorsaeck, waerom dat de opstandinge
der dooden door het licht der naturen niet kan uyt-
gevonden werden?
A. Ja.
b V. Hoe sullen de lichamen opstaen, onsterffelick
ende onverderffelick; of sterffelick ende verderffe-
lick?
A. Onsterffelick ende onverderffelick.
c V. Sal het lichaem, als het verresen is, een lichaem
blijven?
A. Ja.
-ocr page 587-
Van de Opstandinge des vleesohs.             579
d V. Sal het niet in plaets van een lichamelicke sub-
stantie een geesteliok worden?
A. Neen.
d V. Hoe is dan te verstaen het gene Paulus seyt,
2. Corinth. 15. vss. 40, 44, 46. Ende daer zijn he-
melsche lichamen, ende daer zijn aertsohe lichamen, &c.
A. Dat is te verstaen, ten aensien van de geeste-
licke qualiteyten ende hoedanigheden, daer mede dat
lichaem sal aengedaen worden, afleggende alle het
gene dat sterffelick ende verderffelick is.
c V. Die gene, die hier mismaeckte lichamen gedra-
gen hebben, sullen die oock met sulcke mismaeckt-
heyt opstaen?
A. Neen: want dat is verderffelick, ende een seker
quaet het welcke dat lichaem in desen leven is on-
derworpen geweest.
d V. In hoedanigen ouderdom sullen de lichamen
opstaen ?
A. Het is onseker, doch is eenighsins gelooflick,
datse in soodanigen ouderdom sullen opstaen, die
best met de hemelsche volmaecktheyt is over-een-
komende.
c V. Hoe sal u lichaem verheerlickt worden ?
A. Dat het, met de selfde ziele wederom vereenight
zijnde, opgenomen sal werden in de hemelsche heer-
lickheyt, ende alsoo den heerlicken lichame Christi
gelijckformigh sal worden,
d V. Waer staet dat?
A. Phil. 3. 21.
Vragb 58.
"Wat troost schept ghy uyt den artijckel van
\'t eeuwige leven?
Antw. Dat, nademael ick nu \'t beginsel der
eeuwiger vreught in mijn herte gevoele, ick na
desen leven volkomene saligheyt besitten sal, die
-ocr page 588-
580                     Van het Eeuwige Leven.
geen ooge gesien, noch geen oore gehoort heeft,
noch in geen menschen herte gekomen is, en dat
om Godt daer in eeuwighlick te prijsen.
a V. Is\'er oock een eeuwigh leven ?
A. Ja.
a V. Hebben dat alle menschen te verwachten ?
A. Neen.
b V. Wie dan?
A. De* ware geloovigen.
d V. Kan men hier wel weten hoe het in \'t eeuwige
leven sal tocgaen?
A. Neen.
b V. Magh een Christen mensch versekert zijn van
sijn saligheyt?
A. Ja.
c V. Waer uyt kan hy dat weten ?
A. Uyt de beginselen van \'t eeuwige leven,
c V. Welck zijn de beginselen van het eeuwige leven ?
A. Het gevoelen van de rechtveerdighmakinge, ende
daer door vrede, blijdtschap in Godt. &c. Item,
liefde, &c.
c V. Wat troost schept ghy uyt den artijckel van het
eeuwige leven ?
A. Dat ick na desen leven volkomene saligheyt
besitten sal.
c V. Waer door weet ghy deses troosts van volkomeno
saligheyt versekert?
A. Door den H. Geest: Eom. 8. 16, 17. Deselve Geest
getuyght met onsen geest dat wy kinderen Godts zijn, &c.
c V. Hoedanigh sal die volkomene saligheyt zijn?
A. Deselve is ons nu onuytsprekelick.
d V. Bewijst dat?
A. 1. Corinth. 2. 9. Maer gelijck geschreven is,
\'t Gene de ooge niet en heeft gesien, ende de oore
niet en heeft gehoort, ende in \'t herte der menschen
niet en is opgeklommen, \'t gene Godt bereyt heeft
dien die hem liefhebben.
-ocr page 589-
Van het Eeuwige Leven.                     581
c V. Tot wat eynde sal u dese saligheyt gegeven
worden ?
A. Om Godt eeuwighlick te loven ende te prijsen.
d V. Maer hoe sal een mensche best gaende gemaockt
worden, om na dit eeuwige leven te verlangen ?
A. Dat hy by hem selven ter degen overwege, 1.
de plaetso daer hy na dit leven sal gebracht worden.
2. Het geselschap dat hy daer vinden sal. 3. De
vreughde die hy daer genieten sal. 4. De geduer-
saemheyt van dese vreughde.
c V. Welck ende hoedanigh is de plaetse?
A. De derde Hemel, het Paradijs, 2. Cor. 12. 3,4.
De stadt die fondamenten heeft, welcker konstenaer
ende bouwmeester Godt is, Hebr. 11.10. Een plaetse
die seer heerlick ende uytnemende is: want de Heere
toont aldaer sijne hemelsche heerlickheyt ende mag-
nificentie, waerom sy genoemt wert de throon Godes,
Esai. 06. 1. ja de klaerheyt Godes verlicht deselve
wooninge, ende hare keersse is het Lam, Apoc. 21.
23. In welck hemelsch huys oock vele wooningen
zijn, Joh. 14. 2.
c V. Wat voor geselschap is daer?
A. Daer is de Heere Godt almachtigh, de Vader,
Soon, ende de Heylige Geest, vertoonende ende open-
barende ten vollen sijne heerlickheyt ende vriende-
lickheyt; daer is de Heere Jesus onse Middelaer;
daer zijn alle heylige uytverkorene Engelen; daer
zijn de geesten der volkomene Heyligen, aller saliger
Patriarchen , Propheten , Apostelen , Martelaren, ende
andere geloovigen, die in dese werelt een goeden strijt
gestreden ende haren loop voleynt hebben. Hebr. 12. 23.
c V. Welck is de vreughde die daer genoten sal werden?
A. Deselve is onuytsprekelick. 1. Cor. 2. 9.
d V. Waer uyt blijckt de geduersaemheyt van dese
vreughde ?
A. Dat deselve noyt een eynde hebben sal, waerom
die oock genoemt wert het eeuwige leven.
-ocr page 590-
582 , i Van de Rechtveerdighmakinge.
SONDAGH XXIII. Vhaöe 59, 60, 61.
Vrage 59.
Maer wat batet u nu dat ghy dit al gelooft?
Antw. Dat ick in Christo voor Godt rechtveer-
digh ben, ende een erfgenaem des eeuwigen levens.
d V. Hoe wort desen Sondagh afgedeelt?
A. In twee deelen.
d V. Welok zijn die twee deelen?
A. 1. Welok daer zy de vrucht ende voordeel van
ons geloove, Vrage 59. 2. Van \'t stuck der recht-
veerdighmakinge, Vrage 60, 61.
e V. Heeft het geloove wel eenigh profijt ende voor-
deel ?
A. Ja.
c V. Wat profijt ende voordeel?
A. 1. Dat ick in Ohristo voor Godt rechtveerdigh
ben. 2. Een erfgenaem des eeuwigen levens,
c V. Is dan de rechtveerdighmakinge een vrucht van
het geloove ?
A, Ja.
d V. Bewijst dat?
A. Kom. 5. 1. Wy dan gerechtveerdight zijnde uyt
den geloove, &c.
c V. Is het eeuwige leven oock een vrucht van het
geloove ?
A. Ja.
d V. Bewijst dat?
A. 1. Petr. 1. 9. Verkrijgende het eynde uwes ge-
loofs, namelick de saligheyt der zielen. Joh. 5, 24.
Ende gelooft hem die my gesonden heeft, die heeft
het eeuwige leven, &c.
c V. Is het genoegh, om dit tweederhando profijt en
-ocr page 591-
Van de Rechtveerdighmakinge.                583
voordeel te bekomen, dat men eenige stucken ende
artijckelen gelooft, of moet men alles gelooven?
A, Men moet alles gelooven wat ter saligheyt noo-
digh is: want alle de artijckelen soo nauwe aen den
anderen gehecht ende gebonden zijn, dat, in gevalle
yemant eenen artijckel togenspreeckt ofte verwerpt,
hy als dan het gantsche geloove by consequentie
omkeert ende vernietight; waerom oock de Apostel
klaerlick seght, dat vervloeckt zy, die gene , die een
ander Euangelium predicke als hy gepredickt heeft
Gal. 1. 8, 9. met 5. 2, 4.
c V. Wat is voor Godt rechtveerdigh te zijn?
A. Voor Godt rechtveerdigh te zijn en beteeckent
hier anders niet dan soo gestelt te zijn, dat men hebbe
soodanige gerechtigheyt, welcke daer ten vollen den
eysch des Wets Godts genoegh doen kan, ende vol-
gens dien ons kan maken vrygesproken te werden in
\'t gerichte Godes van de helle ende eeuwige verdoe-
menisse, ende verklaert te werden als gereehtigh te
zijn tot het hemelsche Koninckrijck, ende het eeuwige
leven. Philipp. 3. 8, 9.
o V. Waerom wort \'er by gedaen in Christo ?
A. Daer door wort te kennen gegeven, dat de
Heere Christus is de verdienende oorsaeck van dese
onse rechtveerdighmakinge ?
d V. Wat beteeckent het woort rechtveerdighmaken ?
A. Vrijspreken, voor rechtveerdigh houden, sen-
tentieren \') ende verklaren.
d V. Is het dan niet te verstaen van een veranderinge
van het inklevende quaet tot het goet, gelijck als
men yet uyt wit swart, ofte uyt koudt warm maeckt?
A. Neen.
d V. Beteeckent het niet eenige innerlicke veranderinge
in de mensche ?
A. Neen.
d V. Wie seggen sulcks?
\') Rechterlijk spreken.
-ocr page 592-
586               Van de Roohtvcerdighmakingo.
Vbage 60.
Hoc zijt ghy rechtveerdigh voor Godt?
Antw. Alleen door een oprecht geloove in Jesum
Oliristum: alsoo, dat al is \'t dat mij mijn cons-
cientie bcklagct, dat ick tegen alle de geboden
Godts swaerlick gesondight, ende der selver geen
gehouden hebbe, ende noch steedts tot alle boos-
heyt geneyght ben; Nochtans Godt sonder eenige
mijne verdienste, uyt louter genade, my de vol-
komene genoeghdoeninge, gerechtigheyt ende hey-
ligheyt Christi schencket ende toerekent, even als
hadde ick noyt sonde gehadt, noch gedaen, ja al
hadde ick oock al de gehoorsaemheyt volbracht,
die Christus voor my volbracht heeft, soo verre
ick sulcke weldaet met geloovige herte aenneme.
b V. Hoe zijt ghy rechtveerdigh voor Godt ?
A. Alleen door een oprecht geloove in Jesum
Christum, &c.
b V. Hoe kondt ghy voor Godt rechtveerdigh zijn,
soo ghy doch een arm sondaer zijt\'?
A. Alleen door het geloove.
c V. Is\'er dan niet meer van doen als het geloove?
A. Ja.
c V. Welck is dat?
A De gerechtigheyt Christi.
c V. Maer is\'er yet meer van doen in den mensche
als het geloove ?
A. Neen.
b V. Zijn onse eygen wercken niet van doen tot de
rechtveerdighmakinge ?
A. Neen.
c V. Zijnse schadelick soo wy daer door willen ge-
rechtvoerdight worden ?
-ocr page 593-
Van do Rechtveerdighmakinge.               587
A. Ja.
d V. Bewijst dat?
A. Phil. 3. 8 , 9. Ja gewisselick ick achte oock alle
dingen schade te zijn, om de uytnementhoyt der
kennisso Christi Jesu mijns Hoeren , &c. vs. 9. Ende
in hem gevonden worde , niet hobbondo mijne recht -
veerdigheyt die uyt de Wet is, &c.
d V. Wie zijn de geno, dewelcke do worckon bren-
gen in de rechtveerdighmakinge, soo datse om of op,
ende van wegen de goede wercken, \'t zy ten deele
of ten goheele, willen gerechtveerdight worden ?
A. Do Papisten , Socinianen , Remonstranten , Men-
noniten.
b V. Maer zijn de wercken dan nootsakelick ?
A. Ja.
b V. Hoe zijnso nootsakelick, om het recht des oeu-
wigen levens daor door te verkrijgen, of daer door
gerechtveerdight te worden, of de saligheyt te ver-
dienen ?
A. Neen
c V. Hoe dan?
A. Om tot de datelicke ende volle genietinge van
het selve te komen,
d V. Bewijst dat men alleen door het geloove ge-
rechtveerdight wort?
A. Rom. 3. 28. Wy besluyten dan dat de mensche
door \'t geloove gerechtveerdight wort sonder de
wercken der Wet. Gal. 2. 16.
d V. Waor uyt willen de Papisten de rechtveerdigh-
makinge uyt de wercken bewijsen?
A. Jacob. 2. vs. 21, &c. Want gelijck het lichaem
sonder geest doot is, alsoo is oock het geloove son-
der de wercken doot.
d V. Wat soudt ghy daor op antwoorden?
A. Jacobus en spreeckt daar niet van de oorsaken
der rechtveerdighmakinge, maer van het teecken ende
reden, waer uyt deselve ende hot ware geloove on-
derkent worden, en wil met die woorden niet anders
-ocr page 594-
588                Van de Rechtveerdighmakinge.
te kennen geven, als dat de mensche betuyght ende
bewesen wort door de goede wercken, dat hy het
ware geloove heeft, ende daer door gerechtveerdight
is, alsoo het ware salighmakende geloove sonder de
wercken niet bestaen kan: Jac 2. 26. Want gelijck
het lichaem sonder geest doot is, alsoo is oock het
geloove sonder de wercken doot.
d V. Maer soiult ghy de Papisten niet met eenige
krachtige redenen konnen overtuygen , dat men van
wegen de goede wercken niet wort gerechtveerdight?
A. Ja.
d V. Hoe?
A. 1. Om dat de goede wercken doorgaens van de
rechtveerdighmakinge worden uytgesloten, als te sien
is Rom. 3. 28. Rom 11. vs. 6. 2. Timoth. 1. 9.
Tit. 3. 4, 5. 2. Om dat de mensche, eer hem Godt
rechtveerdight, gantseh geen goet, dat ter saligheyt
soude dienen, doet, noch gedaon heeft, noch doen en kan
soo langh hy in dien staet blijft, Ephos. 2. 1,2. Rom.
14. 23. ende Hebr. 11.6. 3. Om dat de goede wercken
zijn vruchten van de rechtveerdighmakinge , soo dat een
mensche gerechtveerdight is eer hy eenige oprechte
goede wercken doet. 4. Om dal de goede wercken
zijn onvolkomen ende met sonden besmot, gelijk in
de volgende Sondagh nader sal aengewesen werden.
d V. Maer is \'t geloove de principale oorsake van
onse rechtveerdighmakinge ?
A. Neen.
d V. Is het de verdienende oorsaeck van de recht-
veerdighmakinge ?
A. Neen.
d V. Wie is de verdienende oorsaeck van onse recht-
veerdighmakinge ?
A. Christus.
d V. Wat is het geloove dan?
A. Een middel ende instrument, waer mede wy
de gerechtigheyt Christi ende sijne bloedige verdien-
sten aennemen ende ons toepassen.
-ocr page 595-
Van de Rechtveerdighmakinge.                589
d V. Gaet het geloove de rechtveerdighmakinge voor,
of volght het?
A. Het wort geseght voor te gaen ende te volgen,
na de distinctie boven gestelt.
c V. "Worden wy gerechtveerdight om dat wy ge-
looven, of op dat wy gelooven souden ?
A. Alle beyde kan geseght worden na de distinctie
boven gestelt over Vrage 59.
c V. Wie is de gene, die gerechtveerdight wort ?
A. De geloovige.
c V. Is hy geloovigh als hem Godt rechtvèerdight?
A. Ja, en neen: na de distinctie boven gestelt.
c V. Is hy heyligh in hemselven, of siet hem Godt
als soodanigh aen, als hy hem rechtvèerdight ?
A. Neen: maer sondigh ende goddeloos: Rom. 4. 5.
Die den goddeloosen rechtvèerdight.
c V. Is\'er dan in hem geen goet werck, waerom,
ofte waer op Godt hem rechtvèerdight"?
A. Neen.
d V. Is\'er dan geen heyligheyt in den mensche,
waerom, of waer op de Heere in \'t stuck van de
rechtveerdighmakinge sien soude ?
A. Neen.
d V. "Wie seggen sulcks?
A. De Papisten ende andere, hier boven aengewesen.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat de mensche in hem-
selven sondigh ende onreyn is, als hem Godt recht-
veerdight?
A. Rom. 4. 5. Die den goddeloosen rechtvèerdight.
Ezech. 16. vs. 6, Als ick u voorby ginck, soo sagh
ick u vertreden zijnde in uwen bloede.
d V. Waer uyt sult ghy bewijsen, tot overtuyginge
van de wederpartijders, dat\'er in den mensche geen
heyligheyt nochte inwoonende gerechtigheyt is, als
hem Godt rechtvèerdight?
A. 1. Uyt de gealligeerde plaetsen. 2. Om dat in
soodanigen mensche de sonde heerscht, ende hy een
dienstknecht is van de sonde, Johan. 8. 34. Rom. 6. 6.
-ocr page 596-
590                Van de Rechtveerdighmakingo.
Ende om dat hy doot is in sonde ende misdaden,
sonder de minste geestelicke bewegingen, Ephes. 2.
1,   2. S. Om dat wy dan, ten aensien van ons, niet
souden werden om niet, maer om wat gerechtveer-
diglit worden; ja niet uyt genade, maer uyt ende
na vordiensten, het welck de Schrifture doorgaens
tegenspreeckt, als onder andere, Kom. 3. 24. Ephes.
2.    8, 9. Als oock, dat niet Godt ons eerst sal lief
geliadt hebben, maer dat wy Godt eerst sullen lief
gehadt hebben, tegen \'t gene den Apostel seyt, 1
Joh. 4. 10.
b V. Hocdanigh zijn do wedergeborene endo ware
goloovige in haer selven endo uyt haer solven, of
ten aensien van het vleeseh in haer noch woonendo ?
A. Stedes tot alle booslieyt geneyght.
c V. Kan een Christen mensche, nu gerechtveerdight
zijnde , seggen, ick ben noch stedes tot alle booslieyt
genevght ?
A.\'ja.
d V. Maer hoe kan dat bestaen , dat eymant geneyght
is tot alle booslieyt, ende nochtans lust heeft tot de
Wet des Heeren\'?
A. Hy is geneyght tot allo booslieyt uyt hemselven,
ten aensien van de erfsonde die noch in hem overigh
is: Kom. 7. VS. 18. Want ick wete dat in my, dat is,
in mijnen vleesche geen goet en woont, ende hy heeft
lust tot. de Wet des Heeren, ten aensien van de
geest, ende de vernieuwinge die in hem is, Rom 7.
vss. 22, 26.
d V. Wat onderscheyt is\'er dan tusschen de ongeloo-
vigen ende geloovigen ?
A. In den ongoloovigen heerscht de sonde, ende
in de geloovige niet.
c V. Wat is\'er dan in de ongeloovige ?
A De sonde,
c V. Is\'er yet meer in haer als de sonde ende het
vleeseh ?
A. Neen.
-ocr page 597-
Van de RechtVeerdighmakinge.                591
c V. Wat is\'er moer in de kinderen Godts, als de
sonde endo het vleesch?
A. De goost dor wedergeboorte, of de nieuwe cre-
ature , Galat. cap. 5 vs. 17.
c V. Welck van beyden is in haer meester, de geest
of het vleesch?
A. De geest.
d V. Hoe kan dat zijn, dat het vleesch geen meester
is, ende nochtans sonde is?
A. Heel wel, als by exempel, het Pausdom is te
Roomen , ende daer is het meester; het is oock in ons
lant, en daer is het geen meester.
d V. Macr is dat niet te hart gesproken, dat men soydt,
dat een kint Godts noch tot alle boosheyt geneyght is?
A. Neen: te weten, ten aensien van het vleesch
ofte de inwoonende erfsonde , dowelcke niet is als een
habituülc endo inklevende quade genegentheyt tot de
sonden.
d V. Waer uyt bewijst ghy dat?
A. Rom. 7. 18. Want ick weet dat in my, dat is
in mijnen vleesch, geen goet en woont.
d V. Maer de Remonstranten ende andere wederpar-
tijders seggen, dat Paulus dat spreeckt van hemselvon
als noch onherboren ende onbekeert zijnde ?
A. Dat is valsch.
d V. Hoe sult ghy haer overtuygen?
A Om dat een onherboren niet on sal noch en kan
seggen, ick en doe dat niet meer, maer do sonde
die in my woont, noch oock, ick hebbe lust aen do
Wet des Heeron na den inwendigcn mensche, Rom.
7 17, 22.
d V. Bewijst dat?
A. Rom. 8. 7. Daerom dat het bedencken des vleeschs
vyantschap is tegen Godt, &c. ende 2 Corinth. 8. 5.
d V. Als een kint Godts, hem vernederende voor
Godt, bekent dat hy geneyght is tot alle boosheyt,
bekent hy dan dat in hem alle actuele lust ende ge-
negentheden zijn om alle sonden te volbrengen?
-ocr page 598-
•
592                Van do Rechtveerdighmakingo.
A. Geensins.
d V. Hoe komt het dat de inwoonende ende habituële
verdorventheyt niet stedes uyt en breeckt tot alle en
yedcr particuliere datelicke begeerten ende sonden?
A. Dat komt door de genade Godts, daer door dat
inwoonende quaet wort gestuytet ende te rugge ge-
houden , soo dat het tot de daet niet uytbreeekt.
b V. Welck is de rechtveerdigheyt daer mede wy
voor Godt gcrochtveerdight worden\'?
A. De rechtveerdigheyt Christi.
b V. De rechtveerdigheyt dan daer mede wy voor
Godt konnen bcstaen, is die buyten of binnen in ons?
A. Buyten ons.
b V. Is het ons eygen, of is het eens anders\'?
A. Het is eens anders, namelick, de rechtvoerdig*
heyt Christi.
c V. Waerom en kan het ons eygen inklevende go-
rechtigheyt niet zijn?
A. Om dat wy van ende uyt ons selven verdorven
zijn, Rom. 3. van het 9. tot hot 24.
c V. Maer wat gaet ons eens anders gerechtigheyt
aen ?
A. Sy gaet ons aen.
c V. Konnen wy, die ondeughdigh zijn, wel met eens
anders dought deughdelick zijn, ofte schoon met eens
anders schoonheyt?
A. Neen: maer hier mede is het soo niet gelegen,
c V. Hoe soo?
A. Om dat de gerechtigheyt Christi onse gerech-
tigheyt wort.
d V. Hoe wortse onse ?
A. Door toerekeninge: Rom. 4. 3, 6. Ende Abra-
ham geloofde Godt, ende het is hem gerekent tot
rechtveerdigheyt. Psalm 32. vs. 2.
d V. Waerom wort ons do gerechtigheyt Christi meer
toegerekent als eens-anders?
A. Om dat hy is onse Borge ende Middelaer?
d V. Bewijst dat?
-ocr page 599-
Van de Rechtveerdighmakinge.                593
A. Hebr. 7. 22. Van een soo veel beter verbont,
is Jesus borge geworden. 1. Timoth. 2. 5.
d V. Worden wy oock van C4odt niet aengemerckt als
een met Christo , ende hy met ons, gelijck als het hooft
ende lichame, man ende vrouwe, borgh ende verborghde?
A. Ja.
b V. Wie is al meer onse borge?
A. Niemant.
c V. Waer door wort Christi gerechtigheyt de onse?
A. Uyt genade, ende om niet.
b V. Hoe worden wy dan gerechtveerdight, om niet,
of om wat?
A. Om niet, ende om wat. \')
b V. Hoe om niet?
A. Ten aensien van ons.
b V. Hoe om wat ?
A. Ten aensien van Christo.
b V. Is Christus dan de verdienende oorsaeck?
A. Ja.
d V. Seght my nu eens korteliek, hoe wy gerecht»
veerdight worden door de genade Godts, door Jesum
Christum, ende door het geloove ?
A. Door Godts genade als de eerste ofte opperste
oorsaeck; door Christum als de verdienende oorsaeck;
door het geloove als een middel ende instrument,
d V. Waer staen die driederley oorsaken verhaelt?
A. Rom. 3. 24, 25, 28.
d V. Wort Christi doot on sijn laetste lijden ons alleen
tot gerechtigheyt toegerekent; of oock alle sijn lijden
ende gehoorsaemheyt, dat hy hier heeft geleden ende
gedaen, geduerende den gantschen tijt sijns levens?
A. Alle sijn lijden ende gehoorsaemheyt dat hy hier
geleden ende gedaen heeft den gantschen tijt sijns levens.
d V. Worden oock de goede wercken, ende heylig*
heyt des levens Christi ons toegerekent?
A. Ja.
\') Wij zouden zeggen: Om niets en toch om iets.
38
-ocr page 600-
___________________________________________
592                Van do Rechtveerdighmakinge.
A. Geensins.
d V. Hoe komt het dat de inwoonende ende habituële
verdorventheyt niet stedes uyt en breeckt tot alle en
yedcr particuliere datelicke begeerten ende sonden?
A. Dat komt door de genade Godts, daer door dat
inwoonende quaet wort gestuytet ende te rugge ge-
houden , soo dat het tot de daet niet uytbreeckt.
b V. Welck is de rechtveerdigheyt daer mede wy
voor Godt gerochtveerdight worden\'?
A. De rechtveerdigheyt Christi.
b V. De rechtveerdigheyt dan daer mede wy voor
Godt konnen bestaen, is die buyten of binnen in ons?
A. Buyten ons.
b V. Is liet ons eygen, of is het eens anders?
A. Het is eens anders, namelick, de rechtvoerdig-
heyt Christi.
c V. Waerom en kan het ons eygen inklevende ge-
rechtigheyt niet zijn?
A. Om dat wy van ende uyt ons selven verdorven
zijn, Kom. 3. van het 9. tot het 24.
c V. Maer wat gaet ons eens anders gerechtigheyt
aen?
A. Sy gaet ons aen.
c V. Konnen wy, die ondeughdigh zijn, wel met eens
anders dought deughdelick zijn, ofte schoon mot eens
anders schoonheyt?
A. Neen: maer hier mede is het soo niet gelegen,
e V. Hoe soo?
A. Om dat de gerechtigheyt Christi onse gerech-
tigheyt wort.
d V. Hoe wortse onse ?
A. Door toerekeninge: Eom. 4. 3, 6. Ende Abra-
haru geloofde Godt, ende het is hem gerekent tot
rechtveerdigheyt. Psalm 32. vs. 2.
d V. Waerom wort ons de gerechtigheyt Christi meer
toegerekent als eens-anders?
A. Om dat hy is onse Borge ende Middelaer?
d V. Bewijst dat?
-ocr page 601-
Van de Rechtveerdighmakinge.                593
A. Hebr. 7. 22. Van een soo veel beter verbont,
is Jesus borge geworden. 1. Timoth. 2. 5.
d V. Worden wy oock van Godt niet aengemerckt als
een met Christo , ende hy met ons, gelijck als het hooft
ende lichame, man ende vrouwe, borgh ende verborghde?
A. Ja.
b V. Wie is al meer onse borge?
A. Niemant.
c V. Waer door wort Christi gerechtigheyt de onse\'?
A. Uyt genade, ende om niet.
b V. Hoe worden wy dan gerechtveerdight, om niet,
of om wat?
A. Om niet, ende om wat. \')
b V. Hoe om niet?
A. Ten aensien van ons.
b V. Hoe om wat ?
A. Ten aensien van Christo.                               ___
b V. Is Christus dan de verdienende oorsaeck?
A. Ja.
d V. Seght my nu eens kortelick, hoe wy gerecht"
veerdight worden door de genade Godts, door Jesum
Christum, ende door het geloove ?
A. Door Godts genade als de eerste ofte opperste
oorsaeck; door Christum als de verdienende oorsaeck;
door het geloove als een middel ende instrument,
d V. Waer staen die driederley oorsaken verhaelt?
A. Rom. 3. 24, 25, 28.
d V. Wort Christi doot en sijn laetste lijden ons alleen
tot gerechtigheyt toegerekent; of oock alle sijn lijden
ende gehoorsaemheyt, dat hy hier heeft geleden ende
gedaen, geduerende den gantschen tijt sijns levens ?
A. Alle sijn lijden ende gehoorsaemheyt dat hy hier
geleden ende gedaen heeft den gantschen tijt sijns levens.
d V. Worden oock de goede wereken , ende heylig-
heyt des levens Christi ons toegerekent?
A. Ja.
\') Wij zouden zeggen: Om niets en tock om iets.
38
-ocr page 602-
594                Van de Rechtveerdighmakinge.
d V. Wort oock de inklevende ende oorspronckelicke
heyligheyt sijner naturen ons toegerekent?
A. Ja.
d V. Is\'er wat aen gelegen, dat men dit soo nauwe
moet weten?
A. Ja.
d V. Wat is\'er dan aen gelegen ?
A. Om dat dit alles gehoort tot de rechtveerdigheyt
die ons toegerekent wort.
d V. Waer uyt bewijst ghy, dat ons niet alleen het
laetste lijden Christi, maer oock alle sijn lijden ende
gehoorsaemheyt, dat hy heeft geleden ende gedaen
den gantschen tijt sijns levens, toegerekent wort ?
A. Rom. 5. 19. Alsoo sullen oock door de gehoor»
saemheyt van eenen vele tot rechtveerdige gestelt
worden. Phil. 2. 7 , 8. Gehoorsaem geworden zijnde
tot den doot, ja tot den doot des kruyces.
d V. Nochtans schrijft de Schrifture het selve de doot
ende bloetvergieten alleen toe?
A. Dat is ten aensien, dat dat is geweest het prin-
cipaelste ende voornaemste lijden ende gehoorsaem-
heyt; als oock, om dat dat is geweest als het compen-
dium ende laetste vervullinge van alle sijn lijden ende
gehoorsaemheyt. Als mede, om dat die gehoorsaem-
heyt ende dat lijden hadde een forme van offerhande.
d V. Welck is het effect ende vrucht van deso toe-
gerekende gerechtigheyt Christi in de geloovige?
A. Datse van Godt aengesien werden even als hadden
sy noyt eenige sonde gehadt noch gedaen, ja al had-
den sy alle de gerechtigheyt volbracht die Christus
voor haer volbracht heeft.
d V. Bewijst dat?
A. Psalm 32. vss. 1,2. Welgelucksaligh is hy wiens
overtredinge vergeven, wiens sonde bedeckt is, &c.
2. Corinth. 5. 21. Op dat wy souden worden recht-
veerdigheyt Godts in hem.
c V. Maer gaet dit vast ende seker, soo Christus voor
ons betaelt heeft, dat wy vry zijn?
-ocr page 603-
Van de Rechtveerdighmakinge.                595
A. Ja.
b V. Heeft Christus dan den hemel voor ons verdient?
A. Ja.
b V. Moeten wy nu selve den hemel niet verdienen ?
A. Neen.
b V. Konnen wy het niet doen?
A. Neen.
Vrage 61.
Waerora seght ghy, dat ghy alleen door \'t ge-
loove rechtveerdigh zijt?
Antw. Niet dat ick van wegen de weerdigheyt
mijns geloofs Godt aengenaem zy: raaer daerom
dat alleen de genoeghdoeninge, gerechtigheyt ende
heyligheyt Christi, mijne gerechtigheyt voor Godt
is, ende dat ick deselve niet anders dan door \'t
geloove aennemen ende my toe-eygenen kan.
c V. Is het geloove de principaelste oorsaeck van onse
rechtveerdighmakinge ?
A. Neen.
c V. Waerom seght ghy dan, dat ghy alleen door
het geloove rechtveerdigh zijt?
A. Ten aensien, dat het geloove alleen is het.instru-
ment, ende de hant waer mede een mensche de
gerechtigheyt Christi aennemet.
b V. De rechtveerdigheyt dan daer mede wy gerecht-
veerdight worden, hebben wy die selve niet gedaen?
A. Neen.
b V. Wie dan?
A. De Heere Christus.
c V. Hoe wortse dan onse?
A. Door toerekeninge. Siet verder hier van Vrage 60.
c V. Komt ons geloove niet by de gerechtigheyt Christi,
om een deel daer van te zijn?
A. Neen.
-ocr page 604-
696                Van de Rechtveerdighm akinge.
c V. Is dan ons geloove ten geheele ofte den deel e
onse gerechtigheyt voor Godt?
A. Geen van beyden.
b V. Magh men wel seggen, dat wy gerechtveerdight
worden door het geloove, door de gerechtigheyt Christi,
ende door Godts genade ende barmhertigheyt ?
A. Ja.
c V. Met wat onderscheyt wort dat van die drie geseyt?
A. Siet boven Vrage 60.
b V. Komt dan het geloove wel te pas in de recht-
veerdighmakinge ?
A. Ja.
b V. Hoe, dat het onse rechtveerdigheyt is?
A. Neen.
b V. Hoe dan?
A. Als een instrument,
d V. Soudt ghy dit met een gelijckenisse wel konnen
verklaren ?
A. Ja : namelick, de mont, de tanden, &c. zijn niet
het voedtsel van eens mensches leven, maer een
instrument waer mede de spijse genuttight en het
lichaem geappliceert, ofte in het liehaem geassumeert
wert.
b V. Wie is nu uwe geestelickc spijse, Christus of het
geloove ?
A. Christus.
c V. Wat is het geloove dan?
A. De mont daer mede men Christum geestelicker
wijse eet ende aenneemt, ja sonder welcken mont
niemant Christi bloedige verdiensten kan deelachtigh
worden. Joh. 3. 36.
d V. Maer soude ons geloove niet konnen zijn de
principale oorsake van onse rechtveerdighmakinge,
door eenige acceptilatie \') ende genadigh-achtinge
\') Acceptilatie ü een oudtijds veel gebruikt woord, om aan te
duiden, dat het geloof deze waarde niet
bezat, maar dat deze
waarde er aan werd
toegekend door God,
-ocr page 605-
Van de Rechtvesrdighmakinge.                597
Godes, dat is , dat Godt ons geloove, hoewel ten deele
noch onvolmaeckt, soude houden door eenige accep-
tilatie ende genadige achtinge voor \'t onderhouden van
de geheele Wet, ende voor een volle gerechtigheyt,
waerom wy van Godt souden gerechtveerdight worden?
A. Neen.
V. Wie plegen dit gevoelen op de baen te brengen *?
A. De Remonstranten.
V. Waerom en kan sulcks niet bestaen?
A. 1. Om dat wy dan niet om niet, maer om wat,
en dat ten aensien van ons, souden gerechtveerdight
worden. 2. Dat wy souden gerechtveerdigt worden
door de wercken, nadien het geloove, als een parti-
culiere deught ende goet werck, aengemerckt wierde.
3. Dat wy dan souden gerechtveerdight worden, om
het gene \'t welcke onvolmaeckt is: want ons geloove
is onvolmaeckt, 1. Thess. 3. vs. 10. 2. Corinth. 3.18.
ende 4. 16. 4. Soo soude oock Godt de Heere in de
rechtveerdighmakinge des sondaers, sijne volkomen
gerechtigheyt, ende grooten yver over de hantha»
vinge sijner gerechtigheyt, niet ten vollen openbaren
ende bewijsen, soo hy een sondaer vrysprack van de
verdoomenisse, ende het eeuwige leven toewese in
sijn gerichte, om een onvolkomen ende gebreckelick
particuliere werck, hoedanigh het geloove is. Ja het
oordeel Godts beproeft zijnde aen den eysch sijnes
Wets, soude bevonden worden niet na waerheyt te
zijn, en dat tegen het gene Paulus seyt, Rom. cap.
2. vs. 2, 4. om dat het geloove nergens in de H.
Schrifture onse gerechtigheyt voor Godt genoemt wort,
maer ter contrarie, soo seght de Schriftuer wel duy-
delick, dat Christus onse rechtveerdigheyt voor Godt
is. 1. Corinth. 1. 30. Jerem. 23. 6.
V. Maer, seggen de wederpartijders, Christus heeft
door sijne gerechtigheyt verdient, dat dit onvolkomen
ende gebreckelick werck des geloofs, van Godt voor
onse volkomene gerechtigheyt soude gerekent ende
aengenomen werden?
-ocr page 606-
598                Van de Rechtveerdi ikinge.
A. Dat kan in \'t minste noch in het meeste niet
bestaen.
d V. Waerom niet?
A. 1. Om dat het nergens in Godts woort geschre-
ven staet. 2. Cru dat hier nyt soude volgen, dat
Christus daerom soude gekomen zijn in den vleesche,
ende alles soude geleden ende gedaen hebben, om ons
geloove tot soo een voortrefliokheyt te verheffen.
d\'Welck t\'eenemael ongerijmt ende onschriftmatigh is.
d V. Maer, seggen sy verder, de Schriftuer seght wel
duydelick, dat wy door den geloove gerechtveerdight
worden, als onder andere Rom. 3. 28. Ephes. 2. 8.?
A. De Apostel seght oock, Rom. 5. 9, 10. dat wy
gerechtveerdight worden door sijn bloet ende doot:
wilt ghy het nu eygentlick verstaen van het geloove,
soo en kan het niet eygentlick verstaen worden van
Christi doot; en wort het eygentlick verstaen van
Christi doot, soo en kan het niet eygentlick verstaen
worden van het geloove: want wy en konnen niet,
eygentlick te spreken, gerechtveerdight worden door
het geloove, ende door de verdiensten Christi, als
door de weerdigheyt van die beyde. Maer wat Chris-
ten is \'er, dewelcke sal dorven seggen, dat niet
eygentlick de verdiensten Christi, maer het geloove
het gene ir, waerom ende door welcks verdiensten wy
gerechtv>"":light worden? Is het geloove voor ons
verwondet ende gekruyst? Is op het geloove geleyt
aller onser overtredinge ? Of is dit alleen den Heere
Christo bejegent? Sekerlick ja. Wie en siet noch en
verstaet dan niet, dat het geloove geseght wort ons
te rechtveerdigen, alleenlick als een instrument, daer
mede wy de gerechtigheyt Christi aennemen?
(p*