-ocr page 1-
-ocr page 2-
103^?
vniY)
••
-
\'
-ocr page 3-
^yf^PÜ^.
\'
. .
.,
\'
-.                  • m
:-0«
.-
%
_,                      .... .\'
v\'
-
•^ *V\\* -M        \';#É
-ocr page 4-
          /*\'
-ocr page 5-
4
UIT HET WOORD.
STICHTELIJKE BIJBELSTUDIES
DOOR
DR. A. KUYPER.
T W E E D E BUNDEL.
TWEEDE DEUK.
)
BIBUÖTtttEK
RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT
AMSTEEDAM
J. A. WOEMSEE.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
INHOUD.
Bladz.
I.       Schuchterheid in het heilige.                                            1—38
1.  Tusschen vroomheid en huichelarij de grens zoo klein .      3
2.   Het heilige niet voor de hondekens.........      6
3.   De Peerleu niet voor de zwijnen..........    10
4.  Uitverkoren en daarom nederig...........    13
5.  Loop met uw zielservaring niet te koop .......    17
6.  De zielsgevaren van het ambt............    21
7.  Bidden of prevelen?................    24
8.  Tyrannie der vromen...............    28
9.  Geestelijke gewetenloosheid.............    32
10.  Soberheid ook in het uitstrooien van het zaad des woords  35
II.     De Sleutelen.                                                                       39—87
1.  Het vraagstuk der Kerk raakt het geloof.......    41
2.  De sleutelen des Hemelrijks en het Protestantisme ...    44
3.  Schriftelijke zin der sleutelen............    47
4.   De sleutelen aan de Gemeente toevertrouwd......    51
5.  Individualisme en Solidariteit............    54
6.   Het Koninkrijk nu reeds op aarde..........    58
7.  Belijden.....................    61
8.  Petrus, de zuil der Gemeente............    65
9.  Petrus, maar niet alleen..............    69
10.  Het Apostolaat..................    73
11.  Het Apostolisch Testament.............    76
12.  De verbreking en herstelling van het twaalftal.....    80
13.  Kan het Apostolaat vernieuwd worden........    88
III.  De Sleutelmacht.                                                               89—121
1.  Tucht uit liefde..................91
2.  De geordende macht................94
3.  Noch Paus, noch independentisme..........98
-ocr page 8-
Bladz.
4.  De Verkiezing grondslag van het kerkrecht......    102
5.  Ambt en Gave..................    106
6.  De inwoning van den Heiligen Geest........    110
7.   Het ambt en de gemeenteleden...........    114
8.   Kerk, Conventikel, Gezin.............    118
IV.   De Uitverkiezing.                                                            123--198
1.   Het cardinale stuk der Gereformeerde kerk......    125
2.   Wat de oude christelijke kerk van de uitverkiezing hield?  129
3.   De uitverkiezing schuilend in de tente der vromen . .    193
4.   Scholastiek en levensernst.............    138
B. Waartoe uitverkoren?.........•.....    143
6.  Uitverkiezing op natuurlijk terrein.........    147
7.  De vrij macht des Heeren.............    152
8.  Vergelding hiernamaals..............    157
9.   Begenadigden en Onbegenadigden..........    161
10.  Vijandsliefde...................    165
11.  Verkiezing van den Koning............    170
12.  Verkiezing van het volk..............    175
13.  Verkiezing van de enkele geloovigen........    179
14.  De voorbereidende genade.............    184
15.  Van voor de grondlegging der wereld........    189
16.   Uitverkiezing en verantwoordelijkheid........    193
V.     De mensch Christus Jezus.                                              199—251
1.   „Mensch" en „Vleesch"..............    201
2.   „Vleesch" en „Geest"...............    205
3.  De vleeschwording van den Mensch.........    210
4.  „Manna" en „Brood"...............    214
5.  De vergoding van het menschelijke in Jezus.....    219
6.   Onze kinderen..................    223
7.   „Mensch" en „Wereld"..............    228
8.   „Zonde voor ons"................    233
9.   „Niet van deze wereld"..............    237
10.  Zoon van God...................    442
11.   Zoon des Vaders.................    247
-ocr page 9-
I:
SCHUCHTEKHELD IN HET HEILIGE.
.
-ocr page 10-
-ocr page 11-
.
I.
TUSSCHEN VROOMHEID EN HUICHELARIJ DE
GRENS ZOO KLEIN!
Geeft het heilige den honden niet, noch
werpt uwe peerlen voor de zwijnen.
Matth. VII : 6.
Er is een te koop dragen van het heilige Gods, dat elk teeder ge-
moed beleedigt en den door hooger Geest gekuischten smaak pijn-
lijk kwetst.
Er is ook, zonder met die zucht naar vertoon behept te zijn, een
werktuiglijk, en dies gedachteloos, bezigzijn met het heilige, waar-
tegen het waarheidsgevoel in verzet komt en de geest des Heiligen in
ons met niets sparenden toorn ijvert.
Er is eindelijk, en hier schuilt het ergste kwaad, een bewust mis-
bruiken van het heilige tot kwetsing en vernedering van den naaste;
een plaagzucht van de slechtste soort, die niet schuwt, het heilige in
gif te doopen, en den eenvoudige tot zijn slachtoffer kiest; een
diabolische vermenging van de heiligste gewaarwordingen met de
verfoeilijkste tochten van het eigen hart, waartegen de barmhartigheid
ten oordeel roept en die door geheel ons menschelijk besef wordl
verafschuwd.
Deze drie kankerende uitwassen aan de plant der vroomheid zijn
bij eiken godsdienstvorm denkbaar. Onder de Mozaïsche bedeeling,
zoowel als onder de tucht der Schriftgeleerden sinds Ezra en Nehemia.
Bij Israël evengoed als onder de discipelen van Jezus. In llome\'s
wierookwalmen niet minder dan bij den soberen eercdienst der
Hervormden. En, om ook de tegenstellingen onzer dagen te noemen,
ze komen onder telkens gewijzigde vormen evengoed bij onze Ireni-
schen en Orthodoxen, als bij Groningers en Modernen voor.
Boosaardige toeleg is hierbij nimmer het uitgangspunt.
Het hart, dat in deze kronkelwegen verliep, begon schier zonder
uitzondering, met een zweem van ernst, met een goed deel oprecht-
heid, en onderging niet zonder blij gevoel den machtigen indruk van
het heilige, dat hem overweldigde.
Slechts ging die ernst niet diep genoeg, liet de valsche plooi van
het hart zich door de zachte hand der oprechtheid niet glad strijken,
de indruk werkte niet door.
-ocr page 12-
4
Toch was die indruk ook weer te machtig, om naar willekeur met
het heilige te breken. Het vaarwel zeggen, na het eens gekust te
hebben, dorst men niet. Met het heilige zou men voortaan leven.
De vraag bleef slechts:
Zult yij het heilige of zal het heilige u dienen? Zult gij u als
creatuur ten dienste van het heilig beginsel stellen, of wel het hoog-
heilige neerl rekken in uw lage levenssfeer, om het te gebruiken voor
it zelf?
Bij het altaar onzes Heeren is óf volkomen toewijding van zich-
zelf, óf vermetele toewijding aan zichzelf.
Eerst bij deze scheidslijn gaan de oprechte van hart en de huiehe-
laar uiteen.
Deinst men voor die algeheele prijsgeving van zichzelf terug, be-
keert men zich niet, weigert men het eigen ik den dood der zelf-
vernietiging te laten sterven, •— dan helt het pad der geveinsdheid,
en kruipt de mantel der huichelarij ons als een lijkkleed om de leden.
Het volgt dan uit den aard der zaak, dat men, uit ingenomenheid
met zichzelf, allereerst bedacht is op vertoon. De godsdienst in zijn
ontaarding, die geen kroon meer bij God wacht, moet een kroon
zoeken bij menschen.
Eens die rol begonnen, moet ze voort- en afgespeeld tot het einde
toe. Dat is de vloek, .vaarmeê alle huichelarij haar slachtoffers vervolgt.
Het masker der geveinsdheid is het onteerend symbool der verachtste
slavernij. De zucht naar vertoon moet dus leiden tot doode werk-
tuigelijkheid, het gedachteloos doen, het stuitendst formalisme.
Onder die vergulde oppervlakte wroet de worm der toomelooze
zelfzucht al dieper voort. Het hart verstikt in zijn edelste deelen, en
niet lang, of de lage passies van plaag- en kwelzucht sluipen in de
ziel. Toch kan ook daarbij de rol niet afgelegd, die men speelt. Het
heilige, eerst slechts middel tot vertoon, toen werktuiglijk tijdverdrijf
geworden, geraakt zoo ten leste in dienst van den Booze. Het nijdige
hart grijpt naar het heilige Gods, om snel dat heilige te wonden en
vreugd te scheppen in leedvermaak.
Nauw hangt hiermee saam, en toch is van deze heilige uiting
verschillend, het te roekeloos spelen met de schelheid van het volle
licht bij de nog aan licht ontwende oogen.
Er is een voorleggen aan de kinderziel van wat het kind nog niet
in zich op kan nemen. Er is een bergen in het Heilige der heiligen,
van den man wiens voeten nog nauwelijks den Voorhof betreden
kunnen. Er is een verkwisten van de mysteriën des geloofs aan den
onbekeerde, wien het zintuig tot waarneming van deze geheimenissen
nog ontbreekt. Er is kortom een te grabbel werpen van het heilige
voor ongeheiligde oogen, dat niet stichten en niet winnen kan, en
slechts verraadt, dat het u zelf aan eerbied voor het heilige schort en
de barmhartigheid, die van boven is, u ontbreekt.
-ocr page 13-
5
Ook hierbij verraadt zich, wat we straks vonden. De grenslijn
tusschen het gewijde en het ongewijde verloor haar beteekenis. Men
trekt op het onheilige erf wat op het heilig erf thuis behoort, en
men waagt het, het heilige te behandelen haar de wijs, die alleen bij
het ongewijde geoorloofd is.
Tegen de schuchterheid in het heilige wordt dus op elk dier vier
wegen gezondigd.
Het heilige Gods is zoo onbegrijpelijk teeder, dat het met zeker
angstgevoel terug moet schrikken voor de aanraking met het ruwe en
gemeene dezer onheilige wereld.
De overvallen bidder schrikt onrustig op als de betrapte dief.
Dit feit, door elks ervaring bevestigd, is verre van toevallig. Het
kenteekent liet heilige in zijn verhouding tegenover de wereld.
Het heilige Gods raakt de pit onzer ziel, het leven van ons innerlijk
ik in zijn verborgenste kern. Het kan niet trillen of geheel het
kunstig weefsel der teederste draden onzes harten trilt meê.
De kieschheid, die de geheimen van het huwelijksleven sparen doet,
de beschroomdheid, waarmee een hartsgeheim zich schuil houdt, moet
in nog versterkten vorm zich uiten in de schuchterheid, waarmee het
heilige door ons wordt aangeraakt. Het mag nooit aangeraakt zonder
het besef, dat \'t het heilige is.
Die schuchterheid in het heilige is een der schelste tonen, die
door de Bergrede van onzen Heere spelen.
„Zoo wanneer gij aalmoes doet, laat niet voor u trompetten, gelijk
de geveinsden. Voorwaar zeg ik u, zij hebben hun loon weg. Maar
gij, als gij aalmoes doet, zij het voor uwe linkerhand verborgen, wat
uw rechterhand deed."
„Zoo wanneer gij bidt, bidt niet gelijk de geveinsden om van
menschen gezien te worden. Voorwaar zeg ik u, zij hebben hun loon
weg. Maar gij, als gij bidt, ga in uw binnenkamer en sluit achter
u toe."
„Zoo wanneer gij vast, toon geen droevig gezicht gelijk de geveins-
den Voorwaar zeg ik u, zij hebben hun loon weg. Maar gij, als gij
vast, zalf uw hoofd en wasch uw aangezicht."
„Oordeel niet, opdat gij niet geoordeeld wordet!"
„Zeg niet tot uw broeder: „Laat toe dat ik den splinter uit uw
oog wegneme!" en zie, den balk in uw eigen oog bespeurt geniet!"
„Niet een iegelijk, die tot mij zegt: „Heere, Heere!" zal ingaan
in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil mijns
Vaders die in de hemelen is."
Genoeg, schier bij elk woord dat van Jezus\' lippen vloeit, bespeurt
ge de innerlijke worsteling tegen de ruwe gemeenmaking en veruit-
wendiging, waaraan Hij het heilige ter prooi ziet. Het is als vreesde
Hij het nóg heiligere te openbaren, waar Hij de zondige brutaliteit
van het hart reeds het heilige zoo weinig ziet verschoonen.
-ocr page 14-
6
Hoe kon het anders, of die roerende gedachte moest ten slotte tot
opzettelijke uiting komen. Hoor, daar werpt Hij de vormen ter zijde,
om het beginsel in al zijn naaktheid en klaarheid uit te spreken en,
met zijn hand beschermend over het heilige opgeheven, roept de
Zoon van God het zijn gemeente toe:
„Geeft het heilige den honden niet en werpt uwpeer-
len niet voor de zwijnen!"
En als ter waarschuwing volgt de bange bedreiging: „ Of zoo niet,
ze zullen uw peerlen vertreden, zelven zich afwenden, en u ver-
scheuren!\'1\'\'
Dat is het woord Gods, waarmee een wachter bij het heilige wordt
gesteld, een cherub aan den ingang van het wel ontsloten, maar niet
opengezet paradijs.
Dat woord, het scheen zoo hard, en het is zoo zeldzaam teeder.
Het kwam in beeldspraak. Zien we eerst wat die beeldspraak beduidt.
II.
HET HEILIGE NIET VOOR DE HONDEKENS.
Geeft liet heilige den honden niet, noch
werpt uwe peerlen voor de zwijnen.
Matth. VII : 6.
De woorden onzes Heeren moeten uit hun samenhang verklaard.
Hiermee is niet uitgesloten, dat woorden, bij verschillende gelegen-
Leden gesproken, door den Evangelist in groep zijn saamgebracht.
Mits ook in dezen de samenhang, het verband des verhaals, beslisse
en in de Schrift zelve de aanwijzing tastbaar zij, dat een verzameling
van losse spreuken voor ons ligt. Zoo is het vaak bij Lukas; zoo is
het in het geschiedverhaal zelf soms bij Mattheüs; ook bij Markus
zijn hier sporen van. Daarentegen is het feitelijke geringschatting van
het Schriftgezag, zoo men zich verstout, woorden die den Heere op-
zettelijk als één onscheidbaar geheel op de lippen worden gelegd,
vaneen te scheuren en los te rafelen, als gold het niet een machtig
levenswoord, maar koel en kunstig ineengelegd mozaïek.
Toch heeft men dit met het derde deel der Bergrede dusver bijna
eenstemmig gedaan.
Jezus\' uitspraak, waarin de schuchterheid tegenover het heilige ge-
boden wordt, zijn snijdend woord: Geeft het heilige den honden niet!
is schier door alle uitleggers losgemaakt van wat voorafgaat, en buiten
samenhang met wat volgt verklaard.
Zien we wel, dan werd door deze ongeoorloofde willekeur het recht
-ocr page 15-
7
verstand van Jezus\' aangrijpenden ernst, tot veler schade, beneveld.
Als van zelf kwam men er toe, om eenerzijds dat woord in zijn on-
gebroken hardheid te hard te keuren en feitelijk op nonactiviteit te
stellen, en anderzijds aan verkeerd begrip van deze uitspraak een
vrijbrief te ontleenen voor eigen gemis aan deernis en ontferming.
De poging dient daarom gewaagd, ook dit woord weer in het licht
van zijn samenhang te plaatsen, en den zin dezer uitspraak op te
sporen uit wat bij Jezus zelf haar voorafging en volgde.
De Bergrede des Heeren is de Grondwet zijns Koninkrijks, wier
peillooze diepte en persende volheid alleen in de gemeenschap des
Heiligen Geestes en met het hart dicht bij den Heere gekend wordt.
Die Grondwet des Koninkrijks is niet in nieuwen vorm gekleed,
maar schier geheel aan Wet en Psalmen en Profeten, deels ook aan
den niet Schriftuurlijken spreukenschat van Israël ontleend. Wars van
afgetrokken begrippen, teekent de Heere daarom de lijnen van zijn
Koninkrijk door bij wijs van tegenstelling de trekken te nemen, die
Hij in Israëls godsdienstig leven werkelijk voor oogen zag.
Hij was geen nieuwe godsdienststichter in volstrekten zin. Eén is
de Kerk aller eeuwen, in haar diepst beginsel reeds bij den eersten
mensch gesticht. Die den Heere bij zijn wederkomst in de wolken
tegemoet zullen gaan, zullen leven en sterven door geen ander geloof,
dan patriarch en profeet gedragen heeft. Niet stichter van een nieuwen
godsdienst, maar stichter van het geprofeteerde leven Gods in het
hart der menschheid, is Christus, onze Heere! Hij bouwde niet nieuw,
maar voltooide het Godsgebouw op de aloude fondamenten.
De jammerlijke ontaarding van Israëls geloof in den versteenden
vormendienst der Parizeen, moest den Heere dus ten teeken en profetie
zijn van de geestelijke krankheden, waardoor ook de Gemeente des
Nieuwen Testaments zou worden bedreigd.
Met de Gemeente des Ouden Verbonds op één zelfden wortel
bloeiend, bezield met kracht uit dezelfde bron geweld, met haar
geroepen om draagster van eenzelfde Godswoord te zijn, moest haar
aanraking met de ongewijde wereld eenzelfde openbaring der zonde
na zich sleepen, als in het Parizeïsme den Heere voor oogen stond.
Vandaar dat Jezus aan het beeld van den Farizeër de grepen uit
het leven ontleent, die Hij, eer de storm nog losbrak, als bakens op
de kust, ter waarschuwing zijner Kerk, neerzet. Het is als sprak Hij
tot de schare: „Aan Israël is het heiligste, aan Israël zijn de ver-
bonden, aan Israël de woorden Gods toebetrouwd, en nu, zie aan den
Farizeër, waartoe de verbastering van het beste geleid heeft! Zie dan
toe, o, mijn Gemeente! gij, aan wie nog rijker schat wordt toebetrouwd,
dat het u niet verga, gelijk het Israël verging! Zie, zie altijd op den
Parizeer, u ter waarschuwing, dat ge niet wordt als hij!"
De teekening van den Parizeer gaat daarom in Jezus\' woorden
steeds aan zijn vermaan vooraf.
-ocr page 16-
8
Er is sprake van de openbaring des godsdienstigen levens in aalmoes,
vasten en gebed, en bij elk dier drie, teekent de Heere eerst den
Farizeër, om daarna der schare toe te roepen: „Doe gij alzoo niet,
laat veeleer zijn beeld u afschrikken, maar gij, doe alzoo!"
De aalmoes.
Ziehier het beeld des Farizeërs:
„Een die voor zich trompetten laat op de straten en in de synagogen,
om van de menschen geëerd te worden."
Het gebed.
Ziehier het beeld des Farizeërs:
„Een die op de hoeken der straten en in de synagogen, met een
ijdel verhaal van woorden, bidt om van de menschen gezien te worden."
En evenzoo het vasten.
Zie wederom het beeld des Farizeërs:
„Een die een droef gezicht trekt en zijn aangezicht mismaakt, zich niet
wascht en zijn hoofd niet zalft, om van de mensehen gezien te worden."
En zoo nu ook, in den aanvang van het zevende hoofdstuk, van
het oordeel en de hooghartigheid.
Van het oordeel eerst.
Daar hebt ge het beeld van den Farizeër weer:
„Een die zich het oordeel aanmatigt, metend met de maat der
willekeur, en zelf met den balk in het oog, zich aan den splinter in
\'s broeders oog ergert."
En nu volgt de hooghartigheid. Ook hier mogen we dus ver-
wachten, dat het beeld des Farizeërs voor ons oog zal treden. Zie,
daar hebt ge hem!
„Een die het heilige aan de honden toewerpt en zijn peerlen voor
de zwijnen!"
Eerst zoo we dit woord uit. \'s Farizeërs leven begrijpen, kan deze
uitspraak dus worden verstaan. Bespreken we elk der twee deelen
afzonderlijk.
Hoe kan de Farizeër ons worden voorgesteld als een „die het
heilige voor de honden werpt?"
Gelijk men weet, was de hond bij Israël, niet als bij ons het ge-
koesterd en geliefkoosd huisdier, maar een veracht, onrein beest, dat
men meed en schuwde. Goliaths vraag aan David: „Ben ik een
hond?" Abisai\'s uitroep tot Israëls koning, toen Semeï hem vloekte:
„Wie is deze doode bond, dat hij mijn heer den koning vloeken
zou?"; en niet minder Paulus krasse greep: „Ziet op de honden!"
in den Filippenzerbrief, zijn hierbij ook voor den eenvoudigsten
Bijbellezer overtuigend.
Is nu met „het heilige" in het beeld buiten kijf bedoeld het heilige
offervleesch, dat den priesters alleen te eten vergund was, dan heeft
-ocr page 17-
9
de beeldspraak blijkbaar betrekking op een, die staande in het heilig-
dom, het heiligste ontwijdt door het aan iets onreins en onheiligs
toe te werpen.
De naam van het onreine dier immers werd van zelf scheldwoord
voor een mensch, dien men verachtte. Vandaar de naam van „honden"
op Israëls lippen, zoo dikwijls ten opzichte der heidenen en ook van
ons Christenen, gehoord.
Toch werd deze term der verachting niet uitsluitend van de Goiim
of heidenen, maar ook van het verachte deel des eigen volks ge-
bezigd. Simeï was een Jood en werd door Abisaï voor „hond" ge-
seholden. Israëls blinde leidslieden worden door Jesaja als „stomme
honden" geteekend. Paulus ontziet zich niet de Joodsche dwaalleeraars
in Filippi\'s gemeente als „honden" af te schilderen.
Veilig kunnen we dus zeggen, dat met den naam der verachting,
als „honden," alle personen \'t zij uit de heidenwereld, \'t zij uit het
eigen volk, kunnen bedoeld zijn, die voor den Farizeër een voorwerp
van verachting waren.
Wie dit in het door Jezus geteekend beeld waren, kan aan geen
twijfel onderhevig zijn.
De verachten in de oogen der Farizeën waren de „zondaars en
tollenaars," de „schare die de wet niet kende," de voorschriften
hunner reiniging niet opvolgde, en dus als onrein en veracht buiten
de heilige gemeenschap met den engeren kring van de „rechtvaardigen"
gesteld werden
Aan die verachte schare nu wierp de Parizeer het heilige toe, gelijk
men vleesch toewerpt aan een hond.
Wat beteekent dit?
In het Oosten, en blijkens de gelijkenis van den armen Lazarus
ook tijdens Jezus\' leven in Palestina, liepen de honden zonder dak
en huis, als verafschuwde dieren wild en hongerig door de straten.
Wie met iets eetbaars over straat ging, mocht wel toezien, om zich
tegen de wraakzucht dezer dieren te wapenen, en omgekeerd, wie er
vermaak in schepte een sleep dezer honden achter zich te hebben,
behoefde hun slechts nu en dan een stuk vleesch toe te werpen, om
van een bassend gevolg verzekerd te zijn.
Leidt dit ons niet op het spoor?
De Farizeër koesterde voor „de schare die de wet niet kende,"
voor de honden onder hun volk, een diepgaande minachting.
En toch ze hadden die „honden" die „schare," noodig. Zonder die
schare zou een Parizeer al de lust van zijn leven vergaan zijn.
Immers, hij zocht bewondering. Al zijn vertoon was, om van de
schare gezien en als een heilige vereerd te worden,
Niets was den Farizeër liever, dan zulk een heir van „honden,"
zulk een groep van „de verachte schare" op straat, zij het ook op
zekeren afstand, in zijn gevolg te zien.
-ocr page 18-
10
Wat middel wendde hij daartoe aan?
Immers een te grabbel werpen van het heiligst, dat er in zijn
godsdienst was, tot zelfs van zijn gebed.
Kon dan, zoo vragen we in ernst, het beeld van den Farizeër, die
het heiligste als lokaas gebruikt, om op straat een sleep uit het volk
achter zich te krijgen, ooit treffender geteekend worden, dan hier
door Jezus in het „toewerpen van het heilig offervleesch aan een
troep jankende honden" geschiedt?
III.
DE PEERLEN NIET VOOR DE ZWIJNEN.
Geeft het heilige den honden niet, noch
werpt uwe peerlen voor de zwijnen.
Mattli. VII : 6.
De eerste trek in het door Jezus ontworpen beeld is dan niet
langer raadselachtig. Een Farizeër, met ambassadeursstap daar statig
en beweeglijk langs Jeruzalems straten voortschrijdend, een gapende
troep bewonderaars uit het volk achter zich, die hij als honden moge
minachten, maar toch door tegrabbelwerping van het heilige opzettelijk
lokt en trekt, — was hij met een beeld meer uit het leven gegrepen
af te malen, dan door den nasleep van huilende honden, waarvan in
een Oostersche stad elk, die hun het heilige, en dus beste offervleesch
toewierp, vooruit zou verzekerd zijn?
Bezien we thans den tweeden trek der gelijkenis, waarin Jezus zijn
gedachten inkleedt.
De uitdrukking, door Jezus gebezigd, bevreemdt. „Peerlen voor de
zwijnen werpen.\'"
Thans mogen we door het lang gebruik der Schrift
aan deze zegswijze gewend zijn, maar toch, ze drijft ons meer op den
klank van het woord na, dan dat ze in haar helderen zin verstaan
wordt. Er schijnt — waarom het verholen? — in die samenvoeging
van „peerlen" en „zwijnen" een overdrijving te schuilen, die den
gekuischten smaak min weldadig aandoet. Gezocht, niet uit het leven,
gegrepen, dus wanen we bij oppervlakkig inzicht, is zoo zonderling
een beeld.
Toch, zoo een gissing geoorloofd is, zou ook hier een lichtstraal
op de Schrift vallen kunnen.
Verplaatsen we ons, zooveel het kan, in het volle leven der Joodsche
maatschappij, tijdens Jezus op aarde was. Aan dat leven was dit beeld,
zijn al Jezus\' beelden ontleend. Uit dat leven moet dus ook deze
trek verklaring ontvangen, zoo ze immers te geven is.
-ocr page 19-
-
.11
Het zwijn was voor Israël onder alle onreine dieren schier het
onreinste. „Ook het zwijn zal u onrein zijn!" zegt de wetgever in
Leviticus met al den ernst van zijn sober woord. Als gruwel voor
Jehovah getuigt .Tesaia van het afvallig Israël zijner dagen, „dat men
zittende bij de graven, zwijnenvleesch at en gruwelijke dingen in
zijn vaten had." „Zwijnenbloed" is hem een uitgieting des verfoeisels,
dat als zinnebeeld gerekend wordt van alle lastering tegen den Heere
(Jes. 65 : 4 en 66 : 3).
Toch zou men zich misrekenen, zoo men het Israël vóór de balling-
schap
het zelfbedwang toeschreef, om zich aan zwijnenvleesch te
spenen. De toenemende afgoderij moest schending van dit verbod na
zich sleepen. Immers, bij meer dan één der Oostersche afgodsdiensten
gold het zwijn veeleer als heilig, en vooral in de verfoeilijke kooksels
en mengsels, die de guichelaars en waarzeggers bij hun toovenarijen
bezigden, was zwijnenmelk en zwijnenbloed een bijna onmisbaur be-
standdeel. Het eens als onrein verboden dier verkreeg door Israëls
afval in sommige kringen daardoor zelfs een gewijde beteekenis. Niet
uit gebrek aan geestkracht, niet bij verzuim, maar opzettelijk en met
voorbedachten rade werd de misdaad van het zwijnenvleesch op Israëls
heilige erve gepleegd. .Tesaia getuigt het ons, als hij zegt: „Die zich-
zelven heiligen en zichzelven reinigen in de hoven, die zwijnenvli esch
eten en verfoeisel en muizen" (66 : 17).
Echter, geheel anders werd dit na de ballingschap. Van Kabels
stroomen keerden alleen de echte .Tehovah-aanbidders terug, en aller
getuigenis is eenparig, dat Israël deze winste uit de ballingschap weg-
droeg, dat het radicaal en voorgoed van alle afgoderij werd genezen.
Vandaar dat sinds dien tijd, naar luid het getuigenis der Rabbinisten,
niet slechts het zwijnenvleesch eiken Judaeër als een gruwel der ver-
afschuwing gold, maar dat zelfs het houden van zwijnenkudden als
overtreding van Mozes\' wet ten strengste was verboden. We behoeven
slechts aan het verhaal van de Maccabeën te herinneren, om dit boven
allen twijfel te verheffen.
Afttiochus Epiphanes wilde destijds met Palestina doen, wat Rus-
lands Czaar met de Polen beproeft. Gelijk Polen thans een wingewest
is van de groote Russische monarchie, zoo was Palestina destijds een
veroverde provincie, die aan het rijk van Syriëns koning was toe-
gevoegd. Scheidt nu niets zoozeer de natiën als verschil van gods-
dienst, dan is het rusteloos streven volkomen verklaarbaar, waarmee
we alle machtige heerschers behept zien, om elk deel van hun rijk,
dat een anderen godsdienst belijdt, tot den godsdienst van het
grooter deel des volks, desnoods met staatsgeweld, te bckeeren. Zoo
thans de keizer van Rusland. Rusland belijdt den Griekschen gods-
dienst. Polen is Katholiek. De Polen Grieksch te maken is daarom
hoofdbeginsel der Russische staatkunde. En zoo ook destijds Syriëns
koning. Syrië was Baalitisch, Palestina eerde Jehovah. Er moest
-ocr page 20-
12
Antiochus Epiphanus dus alles aan gelegen zijn, ook Palestina van
Jehovah tot Baal te bekeeren.
Voor de groote menigte symboliseert zulk een overgang van gods-
dienst zich in een uitwendig teeken. Van de diepere verschillen
tusschen Mennonieten en Gereformeerden weten de meesten niets.
Ze hechten alleen aan het uitwendig verschil in den Doop. Van de
diepere scheidslijn tusschen Rome en de Hervorming begreep de
massa vóór drie eeuwen uiterst weinig, maar terdege wel begrepen ze
de uitwendige teekenen van Beeldmdienst en Mis. Zoo ook destijds.
Aan opzettelijke aanprijzing van het Heidendom noch aan godgeleerde
bestrijding van den Jehovahdienst werd gedacht. Hij nam het volk
slechts zooals het volk is, in zijn verkleefdheid aan den vorm, waarin
zijn godsdienst zich belichaamt. Hij zocht een uitwendig teeken, voor
allen herkenbaar, boven alle dubbelzinnigheid verheven, waaraan ter-
stond openbaar zou worden, of men bij Jehovah bleef, of Jehovah
afzwoer. Daarom eischte hij dat elk Israëliet zwijnenvleesch zou
nuttigen. Alleen door dit toe te geven kon men den ketterdood ont-
gaan. Reeds dit feit ontheft dus van elk nader betoog, dat in de
dagen na de ballingschap het Levietisch verbod van zwijnenvleesch
met het uiterste der nauwgezetheid in Israël gehouden werd.
Toch kon dit verbod op den duur. de zwijnenkudden niet van
Israëls erve weren. De Romeinen kwamen, en met hun adelaar de
op zwijnenvleesch beluste troepen en ambtenaren, die Rome\'s heer-
schappij in Kanaan bestendigen moesten. Wat dan natuurlijker, dan
dat het overwinnend volk driestweg weigerde, zich, ter wille van
Israëls vooroordeel, het genot van zwijnenvleesch te ontzeggen, en
eenvoudig door hun karavanen naar Kanaan brengen lieten wat in
Kanaan zelf niet was?
Telkens vinden we dan ook onder Rome\'s opperbewind van zwijnen-
kudden in Israëls geschiedenis gewag gemaakt. Reeds de kudden bij
Gadara en in de Gelijkenis des verloren zoons kunnen hier ten be-
wijze volstaan.
Toch, al faalde het Israël aan de macht, om deze kudden van hun
erve te drijven, al moesten ze het in hun machteloosheid aanzien,
dat de heilige erve ontwijd werd, toch gruwde al wat vroom en heilig
in hen was tegen het afzichtelijk en in hun oog verfoeilijk dier. Men
bande ze zoo ver mogelijk. Tot hoeder eener zwijnenkudde zich te
verlagen, was het schandelijkste der vernedering, waartoe een uit
Abrahams zonen komen kon. Bij Gadara dolen ze in de woeste
plaatsen. De verloren zoon is daarin juist het diepst verloren, dat hij
van zwijnendraf dronk.
In plaagzucht moest die tegenzin van Israël zich lucht geven. Een
zwijn uit zijn hok te lokken en te kwellen, gold als voldoening aan
nationale wraakzucht. Wat nu lag daartoe meer voor de hand, dan
het schrokkig zwijn, dat op alles toeloopt en op alles met zijn snuit
-ocr page 21-
1                                                                                           «
18
losgaat, kleine steentjes, in den vorm aan voedsel niet ongelijk, toe
te werpen, en er zich dan in te verlustigen, als men het vratig dier
snorkend op het steentje aan zag schieten, om, merkend dat het be-
drogen was, zich in woede om te keeren en het steentje uit zijn
snuit weg te blazen?
Verklaart dit het beeld niet, hier door Jezus gebezigd?
Voor den Farizeër is de „schare die de wet niet kent" een on-
heilige massa, die de erve der vaderen ontwijdt. Ze kunnen in hun
hooghartig gevoel den lust niet weerstaan, om die zondaars en tolle-
naars, die in hun schatting met het zwijn gelijk staan, op hun wijs
te tergen en te sarren. Ze werpen hun daarom toe, wat den schijn
van voedsel voor hun ziel heeft, maar niets dan de versteening der
waarachtige zielespij s is, en waarop de teleurgestelde schare zich de
tanden stomp bijt. Dan klaarde het gelaat van den Farizeër op, als
hij zoo den onreine zijn geestelijke onmacht en onheiligheid bitter
had doen gevoelen. Ze achtten ze als zwijnen en wierpen hun plagend
het onverstaanbare, het versteende toe. En nu, ziehier de ironie! dat
dorst men te doen met wat men zelf voor „peerlen" hield en waar-
meê de kroon hunner eere moest schitteren.
IV.
UITVERKOREN EN DAAROM NEDERIG.
Alle tong, die in het gericht tegen u op-
staat, zult gij verdoemen. Dit is de erve
der knechten des Heeren.
Jesaja 54 : 7.
Den nederige geeft Hij genade.
1 Petr. 5 : 5.
Is het grijpen der beeldspraak in Jezus\' woord ons gelukt; was
het de Farizeër, die feitelijk het heilige te grabbel wierp voor een
door hem als „honden" verachte schare; en evenzoo de Schriftgeleerde
in Israël, die tergend en uit geestelijke plaagzucht zijn peerlen den
tollenaars toewierp, die als het zwijn onrein waren in zijn hoog-
hartige schatting, — dan kan ook de strekking van Jezus\' uitspraak
niet langer verborgen blijven en ontplooit ze haar rijkdom vanzelf.
De Farizeën waren mensehen. Dit vergete men toch niet.
Menschen als wij. Met een hart als het onze. Met een innerlijk ziels-
leven niet anders dan het onze besnaard.
De waan moet afgelegd, alsof in het ras der Farizeën ons een
menschengroep van anderen oorsprong, van afwijkende bewerktuiging*
en van ongewoon duivelschen aard voor oogen treedt.
-ocr page 22-
14
Och neen!                                                                  \\
Ze waren zelfs uit de betere kringen van het beste volk ter wereld
gesproten.
Ze hadden in de groote keuze, tusschen de eere Gods en den
dienst der wereld, zelfs gekozen voor Jehovahs naam.
Aan vromen zin schortte het den Farizeën niet.
Hun ontzag voor de heilige overlevering, voor Mozes\' wet en haar
uitlegging was zelfs onbegrensd.
Tegen de Sadduceën streden ze uit ijverzucht voor de heiligheden
huns Gods.
Tegen de Herodianen namen ze het op, uit ijverzucht voor de
heiligheden van Israëls nationale leven.
Tegen de Esseërs ging hun woord uit ter keering van dweepzucht
en geestdrijverij.
Men zie wel toe!
Eerst dan heeft men de Farizeën uit Jezus\' dagen begrepen, zoo
men de mogelijkheid heeft ingezien, van zelf zulk een Farizeër te
worden, en dus de kiem van deze onheilige planting ontdekt heeft
in zijn eigen hart.
Er ligt zooveel in hetgeen zoo vaak herhaald is: De Farizeër wordt
niet geboren dan bij het heilige Gods. Slechts in vrome kringen is
hij denkbaar.
Kan dit bevreemden?
Weet ge wanneer wèl? Als men de heilige beloften Gods tot op
een onkenbaar deel doet slinken; als men den diadeem van Gods
kindschap schier al zijn peerlen rooft! Te meer nog, zoo deze ver-
kleining van de „erfenis der heiligen" zich paart aan een stelsel-
matig afdingen op den eisch der volkomen zelfvernietiging, die boven
de poort des levens gegrift staat!
Maar anders, neen, dan zijn de toezeggingen aan het kind des
Koninkrijks zoo hoog, en is de zelfvernietiging, die eisch des geloofs
blijft, zoo onpeilbaar diep, dat de strijd niet kan uitblijven, en het
gevaar van spelen met het heilige ieder uur dreigt.
Men neme het toch eens met ernst.
In het geloof werpt de zondaar zichzelf weg, hij acht zich een niet,
en minder dan niets. Als schepsel reeds een stofje aan de weegschaal,
maar door zijn zonde zelfs aan die waarde nog ontzonken.
Maar nu, zie!
Over die zichzelf wegwerpende ziel gaat een scheppingswoord, het
scheppingswoord des Geestes, het hoog gebod der wederbaring uit,
en door die scheppende sprake der eeuwige Ontferming wordt dat
niets, niet maar een iets, maat schier alles, alles bezittend, alles
ervend, alles beheerschend!
-ocr page 23-
15
Tot hem, tot dat niets, tot dat weggestovene van het stofke aan
de weegschaal gaat net woord des Eeuwigen uit: „Ziet, men zal zich
tegen u stellen, tegen u vergaderen, maar wie zich tegen u ver-
gaderen zal, zal om uwentwil vallen!"
Hij, de brooze, zwakke, hulpelooze, — zal om zijns Gods wil on-
verwinlijk zijn! Tegen hem niets bestand! Voor hem alles zwichtend!
Alles deinzend voor de geheimzinnige macht des geloofs! Alzoo toch
spreekt het woord der belofte: „Alle instrument, dat tegen u
bereid wordt, zal niet gelukken!"
Zelfs zal die macht, die hooge macht, die allen tegenstand breekt
en onfeilbaar ter overwinning leidt, werken door zijn eigen persoonlijk-
heid, met een werking, die reikt tot in het eeuwige leven: „Alle
tong, die in het gericht tegen u opstaat, zult gij ver-
doemen."
De ziel, die in haar niet door den scheppenden adem des Geestes
bezwangerd werd, hoort dat zij, de geoordeelde in zich zelve, van
God Almachtig geroepen wordt, om de wereld en zelfs de engelen te
oordeelen: „Weet gij niet, dat de heiligen de wereld oordeel en
zullen? Weet gij niet, dat wij de engelen zullen oordeelen?"
Ze ontvangt verzekering van in de handpalm des hoogen en
heiligen Gods te zijn gegraveerd, Hem als het zwart van het oog te
zijn voor zijn goddelijk hart. Ze hoort dat ze voorwerp was van Gods
eeuwige liefde, nog eer ze ooit haar zonde had gepeild en ze nog
ontvangen en geboren was. Het bloed des Zoons van God werd ook
om haar vergoten. De zalving der heiligen werd haar toebetrouwd.
Tot priester gewijd en met Christus als koning gekroond te zijn, i
de erfenis der heiligen, geen onzekere toezegging, maar onwraakbare
belofte. Van de volzaligheid in liefde, licht en leven heet het: „Dit
is de erve van de knechten des Heeren en hun gerechtigheid
is uit Mij, spreekt de Heere!"
Is dit u Oostersche beeldspraak? Hartstochtelijke uitgieting van
het overspannen gemoed?
Immers niet!
Het is het woord uws Gods, de belofte van den trouwen Getuige!
Niet boven de werkelijkheid uitgaande, maar verre beneden blijvend!
Een worsteling der hemelsche heerlijkheid om een zwakke schaduw,
van haar eeuwige glansen te teekenen in der menschen taal.
En ge aanvaarddet die belofte. Er werd u gezegd: „De hemel is
uwe, ook is uwe haar heerlijkheid," — en uwe ziel fluisterde in
heilige stilheid, schier verlegen over haar grenzenloozen moed: „Amen,
ja, Amen!"
Maar opent zich dan met dat Amen niet tegelijk de afgrond van
-ocr page 24-
16
den eeuwigen dood! Dreigt dan niet een gevaar, waar alle vreeze
van weleer slechts spel bij was?
Gij dat alles! Gij, die geroepene, die gezalfde, die gekroonde! Gij
„een, die met uw stem verdoemen, die oordeelen, die heersenen zult I"
Alles om uwentwil zwichtend, voor u wijkend, om uwer ziele wil
met dien ban der machteloosheid belegd!
Als een satan in hoovaardij te worden: ligt het niet voor de deur,
waar zulk een woord in de ziel dringt?
En bleef het bij dat woord nog maar!
Maar neen. De ervaring bevestigt het.
Er vaart een moed in de ziel, die dusver ongekend was. De tong
raakt los. De begripskracht schijnt verdubbeld. De eerste ledige ge-
dachtenwereld wordt al dichter bewoond. De mysteriën ontsluiten
zich. De vragen des levens grijpen aan, die vroeger dof lieten. Ook
nu staart het oog naar het firmament van den hemel der hemelen,
maar het is of van een sterrewacht en niet meer van de aarde, het
is of met gewapend oog en niet meer met een doelloos staren, die
blik in de hemelen dringt.
De ervaring bevestigt het.
De feiten toonen het, dat elke macht op aarde, dat alle woeling
en wending, dat de machtigste gebeurtenissen zelfs, zich schikken om
het leven onzer ziel, alsof ze van God slechts verordend waren, om
ons dien zegen te brengen van onzen God. Eertijds in het groot
geheel van Gods Voorzienigheid slechts een trillende stip, is het nu
of de eigen ziel een middenpunt geworden is, waar om alles zich
kreitst en in van God bepaalden cirkelloop zich slingert.
Het geheim wordt ontdekt, dat Gods eeuwige Voorzienigheid elk
ten leven geroepene wel beurtelings als een klein raderke in het
machtig geheel laat meêwentelen, maar ook beurtelings ten spil voor
alle raderen saam stelt. Het oog gaat er voor open, dat in Gods
geestelijke schepping de enkele in het al verdwijnt, maar ook het al
om den enkele is. Zelfs in het eerst verspeelde leven merkt de ziel,
bij terugblik op het verleden, diezelfde altijd bezige, op haar alles
richtende, voor haar immer zorgende liefde van haar God!
En dan toch nederig te blijven!
Dan door die volheerlijkc belofte tot stille nederigheid genoopt
te worden!
Dan door zulk een ervaring naar dieper diepte der nederigheid
gedreven te worden!
Dan nederig, niet in het kleed maar in het hart, niet in het gebed
alleen, maar ook in het verborgene daar binnen te zijn!.
Nederig voor God, zeer hoog en heilig! Maar ook voor den mensen,
wiens adem in zijn neusgaten is!
Is het niet schier onmogelijk?
4
-ocr page 25-
1                                         \' »
Schijnt het niet, als sloot het een het ander uit?
Voelt ge niet, dat de Farizeër veel nader bij uw hart is dan de Tollenaar ?
En toch!
Eén insluiping van zelfverheffing en de diadeem heeft al zijn
glans verloren.
Alleen den nederige geeft God genade!
V.
LOOP MET UW ZIELSERVABXNG NIET TE KOOP.
Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt en
vervult de aarde en onderwerpt haar.
Gen. 1 : 28a.
Het kleed der nederigheid kan niet worden afgelegd, of het kind
Gods derft zijn glans. Waar het steeds wordt gemist bestaat vermoe-
den, dat het kindschap Gods door roof toegeëigend en niet gewerkt
was door God.
In den nederige, niet van vorm, maar van hart, schijnt het licht
des Eeuwigen, straalt door de vensteren zijner ziel naar buiten en
springt niet zelden uit zijn hart in dat des anderen over.
Hoemeer die nederigheid, die kleinheid, dat wegzinken voor God,
een waarheid in het binnenste wordt, hoe doorschijnender de ziel-
vensters worden en hoemeer licht ze doorlaten.
Laat daarentegen die nederigheid buiten de ure des gebeds af,
£*«*. duikt ze weg in \'s harten grond en duldt ze, even ongestadig als de
wolk aan het zwerk, een gestadige wisseling met de buien van zelf-
verheffing en hoogmoed, dan schuilt het licht, dat in ons was, \'t
gaat terug naar den eeuwigen Vader en doet geen enkelen straal
meer vriendelijk spelen door het doffe, mat geworden glas.
Bij waarachtige wedergeboorte kan dat schuilgaan van het licht
slechts tijdelijk zijn. De ingeslopen zelfverheffing, door God zelf terug-
gedrongen, en onder bittere foltering der ziel beweend, blijkt clan
slechts middel ter dieper uitgraving van het hart te zijn geweest;
niet lang meer of de nederigheid keert in haar verlaten tente weder,
en met verhoogden glans werpt het licht uit den hooge zijn schijnsel
naar buiten uit de donker geworden kamers onzer ziel.
Toch geldt hierbij de regel, dat elk nieuw vallen in den hoogmoed
het terugkeeren van het heilige schijnsel langer doet uitblijven, pijn-
lijker keer van zielstoestand na zich sleept, en een innerlijk oordeel
over den gevallene brengt, dat ten leste nauwelijks meer wordt opgeheven.
2
-ocr page 26-
18
En ging, om ook het schrilste niet te verzwijgen, de wisseling
van hoogmoed en nederigheid zoover, dat hoogmoed regel, nederig-
heid slechts uitzondering bleek; merkte men op, dat de overgang uit
hoogmoed in nederigheid nauwlijks pijnlijk aandeed; droeg de be-
toonde nederigheid geen kenmerk van uit oordeel over den hoogmoed
geboren te zijn; bovenal, speelde beide soms dooreen, zoodat een
hoogmoedige reuke in het vertoon van nederigheid onmiskenbaar
was, — dan ware alle grond aanwezig, om den wortel dier nederig-
heid niet in God, maar in het booze hart te zoeken, de bron te ver-
denken waaruit dit hooger leven voorgaf geweld te zijn, en hoogstens
aan „een verlichting voor een tijd" te denken, waarbij het tot boete
noch bekeering noch tot opstanding uit de diepte der zonde kwam.
Voor verre het groote deel is deze worsteling een verborgen arbeid
der ziel. Of het ons geschonken licht een voorwerp van zelfvernie-
tigenden dank, of steunsel voor zelfverheffing in eigen schatting wordt,
is alleen op den diepsten bodem der consciëntie te beslissen. In geen
veel bezig doen op het terrein van Christelijke werkzaamheid kan
die vraag gesmoord; in geen fel bewogen stroom des dwependen
gevoels duikt ze onder; in geen som van veelheid des kenniese laat
ze zich oplossen! Welk talent ons ook zij toebetrouwd, langs wat
weg de goede Herder ons ook in den doolhof des Christelijken levens
voortleide, de band onzer ziel met den Drieëenige blijft voor elk hart
de hoofdvraag, en uit niets zoozeer als uit de worsteling van den
nederige en hooghartige in ons, wordt het antwoord op die vraag
voor het eigen hart gekend.
Toch treedt die vraag ook naar buiten.
Het leven der ziel, hoe teeder ook, mag zich niet opsluiten. Gode
behoort het toe, niet ons. Het talent mag niet begraven. Het licht
in u moet schijnen. Ook aan de plante uwer ziel moet het zaad voor
nieuwe kiem gewonnen, waarop de omgeploegde vore reeds wacht.
Intiem, intiemer dan iets, is het heilgeheim Gods met uw ziel.
Maar toch, die intimiteit mag tot geen sluiten van de vensterluiken,
tot geen versperren van den stroom des hoogeren levens, tot geen
toeklemmen der lippen verleiden.
|*|Het licht moet schijnen, de stroom vloeien, de lippen spreken.
Een in zichzelf opgesloten Christen is een ondenkbaar figuur.
De paradijs wet aan den van God geschapen mensch geldt ook voor
het nieuwe schepsel in het Godsrijk, \'s Heeren Koninkrijk is een
rijk naar \'s mensch en aard, gebouwd op de ordeningen door den
Schepper zelf voor de wereld zijner m e n s c h e nkinderen gegeven
Ook in zijn herstelden stand, ook op de erve des nieuwen Koninkrijks,
geldt dan de goddelijke regel: „Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt
en vervult de aarde en beheerscht haar."
Afgesneden is hiermee de zoo vaak gehoorde tegenwerping, alsof
het openbaren van eigen zielsgeheim op zichzelf reeds ontwijding
-ocr page 27-
van het heilige ware te achten. De eisch, dat men van de ervaring
der ziel liefst zoo weinig mogelijk reppe, de heiligheden van het hart
voor elk onzichtbaar make, eu of geheel van eeuwig leven zwijge,
of althans door vage algemeenheid al het beklemmende aan zoo teeder
woord ontneme, wordt door woord en dciad de Schrift weersproken,
niet beaamd.
Zwijgen over de heiligheden der ziel is geen teeken van schuehter-
heid, maar eer van gebrek aan ernst en diepte des levens. De schuch-
tere komt niet dan noode uit zijn verberging te voorschijn, maar
hij komt.
Zelfs het beweren, dat het genoeg zou zijn, om leven te toon en,
en dat opzettelijk spreken van onze ervaringen, dat de onverbloemde
poging om anderen tot ons leven te trekken, kortom, de bepaalde
prediking van het Evangelie nooit op den weg des eenvoudigun van
hart zou liggen, weerspreekt te stuitend en tastbaar het priesterschap
der geloovigen, om van gebrek aan erbanuing te worden vrijgepleit.
Slechts zie men op de wijze, om zijn leven aan anderen te open-
baren, zeer scherpelijk toe.
Kwam het zoover met u, dat ge over het teederst werk Gods aan
11 w ziele spreken kondt, zonder anderen den indruk te geven, dat
uw ziel dat eigen oogenblik lofzong in het binnenste voor Hem, die
u trok, dan is niet slechts de invloed van uw woord gebroken, maar
hield uw zielsgeheim ook op waarheid voor u zelf te zijn.
Het heilige wordt ontwijd, niet door het te openbaren, maar door
het van zijn heiligheid ontdaan en dus niet in zijn werkelijke gestalte
aan anderen te toonen.
Het mag op den weg van uw hart naar de lippen het stofgoud
van de vleugelen niet verliezen. Uw lippen moeten met de kool van
het altaar aangeroerd en ontzondigd, eer ze waardig zullen zijn het
heilige in u tot voertuig te strekken. De poort van uw hart mag
niet openstaan, zoodat elk er in gluurt, maar moet elk maal dat ge
het heilige openbaren wilt, opzettelijk, met bewustheid, liefst met
den sleutel des gebeds, worden geopend.
Vooral, het worde na zijn openbaring, naar het hart teruggebracht.
Men late het niet op de lippen vernachten, om het straks, als woonde
het tusschen uw lippen, te pas of te onpas voor elk oor uit te roepen.
Men zij niet haastig met het spreken van dit heilige des inner-
lijken levens. Het verlate de lippen niet, eer men weet, dut het door
het oor des anderen kan worden ontvangen, om niet daar te blijven
liggen, maar om door te boren tot zijn ziel.
Er mag. van het heilige niets verloren gaan. Uit erbarming geboren,
mag het aan de ordinantie der barmhartigheid niet onttrokken worden.
Wat men om niet ontving meê te deelen, is dus plicht, onafwijsbare
roeping. Maar nooit doe de drang der barmhartigheid aan den eerbied
voor het heilige te kort. Barmhartigheid is nog hooger dan een
-ocr page 28-
20
karakterloos gevoel van liefde. Barmhartigheid is een liefdegloed, in
ons ontstoken door Hem, die ons barmhartigheid deed. Ze is geen
eigen bezit, maar slechts voor zoolang en zooveel in ons werkend,
als de invloeiing der genade in ons ongestoord en krachtig is. Aan
eerbied voor het heilige is ze door haar onafscheidelijk gebonden.
Ze houdt op te werken waar het heilige ons gemeen wordt, en straft
met machteloosheid, wie haar van het heilige scheidt.
Dit nu geschiedt waar men het heilige aan anderen zoekt toe te
bedeelen, zonder dat heel ons hart op dat oogenblik tegen teloorgaan
van het heilige waakt.
Te spreken van wat God aan onze ziel deed, zonder dat plaats en
tijd en de gelegenheid des levens ons woord als ter inleiding dient;
er over te spreken voor het oor, dat nog nooit aan den klank des
heiligen levens gewend was; er over te spreken op den toon des
alledaagschen gespreks, in ongekuischte, ruwe bewoording; er over
te spreken, zonder een worsteling des harten, — dat men liever
zwijgen wilde, maar om de eere Gods en uit den drang der barm-
hartigheid tot spreken genoopt wordt, — is een ontwijden van het
eigen hart, een verharden van anderen en een gemeenmaken, van
wat het handmerk des Eeuwigen draagt, waarop geen zegen kan worden
verwacht.
Nog is hiermee niet gezegd, dat zulk een spreken op zichzelf
reeds Farizeïsme is, maar toch ligt bij zulk een gemeenmaking van
het heilige de zonde der Farizeën zeer na.
Of, zeg ons dan, wat drijft u tot zulk spreken?
Niet de zucht om uwen God te verheerlijken: want, slechts aan-
gegrepen door ontzag voor den Driemaalheilige, kunt ge getuigen tot
zijn eer. Een kind des stofs, van zijnen hoogen en volzaligen God
getuigend, is niet gewoon, is niet alledaagsch, maar staat onder den
diepen indruk van de heiligheden die hij hanteert.
Was het dan barmhartigheid die u dreef?
Kon het dat wel zijn ? Kiest dan de barmhartigheid niet ook het
middel ter doelsbereiking met heilig instinct, en leert dan de ervaring
niet, dat zulk een uitstallen van het heilige eer afstoot dan wint?
Maar wat dan?
De zucht, om u zelf in anderer oog te verheerlijken, dat gij, die
van God begenadigde, die geroepene, die gansch bijzonder door zijn
woord bewerkte waart?
Nog niet.
Zoo ja, dan waart ge reeds de Earizeër.
Neen, er is nog een overgang.
Zulk spreken geschiedt ook soms uit gewoonte, uit sleur, uit hebbe-
lijkheid, nawerking van een heiligen drang, nu ontdaan van zijn bezieling.
Maar zie toe, — van daar tot den volleerden Farizeër is de af-
stand slechts een enkele schrede !•
-ocr page 29-
21
VI.
DE ZIELSGEVAREN VAN HET AMBT.
Dat niet iemand verachtere van de genade
Gods.
                                     Hebr. 12 : 15.
Het sterkst dreigt dit gevaar der veruitwendiging voor den prediker,
den leeraar, den onderwijzer, den evangelist, kortom voor allen, die
krachtens ambt of aanstelling tot bespreken van het heilige geroepen
worden.
Het gevaar, waaraan derzulker ziel is blootgesteld, kan niet ernstig
genoeg geducht, zoo voor hen zelf als voor den kring, welks geeste-
lijke leiding hun is toebetrouwd.
De denkbeelden, door het volk van het ambt gekoesterd, gaan
meestal buiten de werkelijkheid om. Men waant ter goeder trouw,
dat een, wiens levensroeping in het heilige Gods ligt, daardoor reeds
dien God naderbij, dieper in zijn gemeenschap ingeleid en meer een
man des innigen gebeds en des stillen geloofslevens zijn moet. Vroeger
althans werd de wensch, dat een geliefde zoon het predikambt mocht
kiezen, niet het minst uit de hoop geboren, dat er geen veiliger,
vaster weg tot het Godsrijk openstond, dan door de poorte van het
ambt werd betreden. Het verkeeren in het heiligdom moest den man
heiligen, die het altaar bediende en van het altaar leefde. Zeker kon
ook langs deze paden des levens de zonde binnensluipen, maar dit
kwaad, aan alle menschen gemeen, daargelaten, liet zich geen levens-
keus denken, die meer van zelf een keuze ten leven worden moest.
Een deel waarheid ligt er ook in. deze voorstelling.
Aan menigen weg der zonde wordt men van zelf door het ambt
ontwend. Menig pad der verzoeking, dat men voor anderen voorbe-
dachtelijk opent, sluii men voor den man der bediening even pp-
zettelijk toe. Wie in het .ambt verkeert, ziet de menschen zelden in
hun onbeteugelden lust. Met het ambtskleed is een bedekking tegen
menigerlei verleiding om de lendenen gegord.
De meerdere kennis mag daarbij vooral niet vergeten. We bedoelen
niet de kennis der talen en der wijsbegeerte, maar de kennisse van
den geestelijken achtergrond der dingen, de verborgen wijsheid des
eeuwigen levens, de kenisse Gods. Ook deze kennis wordt slechts
door arbeid des geestes en in het zweet der ziele verworven. Ze komt
niet van zelf. Wèl daarom den man, wiens levensdag nu en morgen
aan die studie des geestes kan gewijd zijn! Wordt den gewonen
mensch slechts een kort, een vluchtig oogenblik, aan handenarbeid
ontworsteld, voor dien arbeid des geestes gelaten, hier is een dag,
hier zijn dagen, hier is een levensjaar, hier is een leven van jaren
-ocr page 30-
22
juist voor dit geestelijk zoeken afgezonderd. Is het wonder, dat de
oogst des levens rijper, rijker, voller wordt?
Ook de onverbiddelijke drang der noodzakelijkheid schijnt het ambt
ten zegen te zijn. Wie vindt anders niet geheele perioden in zijn
leven, dat er aan studie van het heilige Gods ternauwernood werd
gedacht ? Maar bij het ambt is dit afgesneden! Sabbath loopt sabbath
na met de ijle der wegvloeiende weke. En ook tusschen sabbath en
sabbath moet er gesproken, gebeden, geleeraard, getroost. Niet of de
lust wenkt, is de vraag. Het hoogere moeten van het ambt komt de
zwakke neiging der ziel ter hulpe. Telkens baadt men zich in den
vollen stroom des levens en der genade, waar men zonder het ambt
geen voetzool zou hebben natgemaakt.
Vooral vergete men niet, dat de prikkels zooveel sterker zijn, die
tot krachtige opleving des geestes aanzetten. De meeste aangrijpende
voorvallen des levens kruisen het ambt op zijn weg. Geboorte en
sterven, binding en ontbinding van huwelijk, ziekte en herstelling,
benauwdheid en uitredding, val in zonde en weeropbeuring, ze vragen
alle beurtelings dat het ambt ze geleide door dal en over heuvel;
een vertrouwen, als nauwelijks vermoed wordt, lokt het ambt in de
teederste, heiligste trillingen van het menschenhart; men hoort in het
ambt tonen uit \'s mensenen ziel, die geen tweemaal in een menschen-
leven te beluisteren zijn: men wordt vertrouwd met genadeleidingen
onzes grooten Gods en Zaligmakers, die dag aan dag zijn werkende,
arbeidende, wederbarende en leidende kracht als zichtbaar voor oogen
teekenen, en al zou soms de drang tot eigen gebed aflaten, dan nog
zou het geroep „bid voor mij!" den priester Gods tot voorbede
nopen. Die nog niet zelf bidden kunnen, zijn zoovelen.
Er is dus veel van het ambt te zeggen. Het kan in een diepte
van het heilgeheim leiden, die buiten het ambt niet gekend wordt.
De apostelen en kerkvaders en godzaligen uit den Hervormingsdag
zijn van dien hoogeren zegen de onsterfelijke getuigen. Het ambt,
mits met genade doorschenen, verfijnt het geloof, ontplooit het ver-
borgen leven en verhoogt de kracht van den geest.
Toch verlieze men daarom de schaduwzijde niet uit het oog. Niets
zoozeer als het ambt dreigt onwaar, oneerlijk, onoprecht en huichel-
achtig te maken.
Dat telkens moeten bidden, spreken, voorgaan, doopen, zegenen, o,
zeer zeker! het kan bij den wedergeborene de rijping des innerlijken
levens verhaasten, maar kan het ook niet verstikkend en verdoovend
werken, zoo het tot die volle, krachtige, onvoorwaardelijke en besliste
doorbreking des levens nog niet kwam?
Het ware wel af te bidden, dat niemand in het ambt ging, dan
na persoonlijk door onzen Heere en Koning gegrepen te zijn. Maar de
-ocr page 31-
23
tijd der ambtsaanvaarding valt meest in jonger jaren. Om een aetas
canonica
\') lacht men thans. Wie zal hier- oordcelen? Ten slotte
immers het eigen hart! En hoe kan dit met goeden tact kiezen, zoo-
lang men aan de hoogere critiek des geestes nog niet gewend is?
Toch moet er dan gebeden, toch moet er dan gesproken, toch moet
er dan gedankt, toch moet er dan gedoopt, toch moet er dan Avond-
maal gevierd, toch moet er dan getroost, bestraft, vermaand! Het
ambt heeft zijn eischen, — het deelt zijn loop naar uren af. Arme
mensch, zoo de loop van het hart in u met den loop van het uur-
werk contrasteert!
Gemaaktheid vervangt dan de levensuiting eener hoogere natuur.
Schijn van dieper inzicht, vertoon van meerder wetenschap, uitstalling
van talent moet dan veel leegs en hols en arms goedmaken en voor
geestelijk voedsel dienst doen. Allengs verflauwt ook dat vuur. Sleur
en gewoonte beginnen zich als lunchten in het leven te doen gelden.
Het ambt wordt een manuaal.
Bidden! . . . . o! spreek slechts! Waar, wanneer ook! Gemoeds-
stemming doet er niet meer toe. Omgeving imponeert niet meer. Een
gebed kan men altijd doen. He houding is spoedig aangenomen, de
woorden vloeien van zelf over de lippen. Amen! Het gebed is geschied !
Zoo met elke verrichting van het ambt.
Het gevaar is zoo groot!
Dat uitspreken van den zegen bij het scheiden in Gods huis, wien
wordt het niet meer een missa est, een gevoeglijk middel ter sluiting
van de samenkomst, dan een werkelijk profetisch uitspreken van een
zegen over de schare?
                                                                        \'
Als de Doop in onze steden zich telken Zondag, soms tot twintig-,
dertigmaal in eenzelfden dienst herhaalt, behoeft dan het gevaar nog
aanwijzing, om den naam des Drieëenigen Gods ten leste uit te
spreken, meer gedachteloos dan geestelijk, minder een sacramenteel
woord dan een afgemeten klank!
Is het bij het Avondmaal anders? Als het hart er niet bij is, en
het ambt toch drijft! Is het dan te vermijden, dat valsche opwinding
den echten levensgloed vervangt en men ten leste van het heilige
staat te galmen, zonder dat de geest zich in die galmen belichaamt?
Zie maar elk toe op eigen woord en gebaar!
Ook aan dezen vloek van het ambt is te ontkomen, maar veel
gebeds en veel genade moet gezocht, om ernstig en waar te blijven,
als men dient aan het altaar.
Waakt men niet, laat men zich wiegelen op den stroom van ge-
voel en gemakzucht, — o, dan komt een onheilige mechaniek van
stem en vlotte taal en bevallig gebaar zoo licht de uitingen des
geestes vervangen! Dan komt men spreken, bidden, zegenen, doopen
*) De bepaling dat men voor zijn dertigste jaar niet in het ambt mocht gaan.
-ocr page 32-
24
— dat elk levend hart het pijnlijk voelt, hoe er met het heilige ge-
speeld, hoe het heilige te grabbel wordt geworpen, en dat ook hier
die toewijding zijn oorsprong in niets anders vindt dan in hoogmoed.
De trage van geest, wiens ambtsbediening mechaniek werd, moet
aan den kanker van het clericalisme lijden.
Hij moet uit de hoogte neerzien op de schare, die van deze gym-
nastiek der klanken en der gebaren niets af weet\' en zelfs niet ver-
moedt hoe ze wordt aangeleerd.
Ten deele wordt die schare hem, wat de honden voor de Farizeën
waren. Hij acht, hij mint de gemeente niet. Niet hij komt om haar
te troosten. Ze komt sa&m om hem te bewonderen.
„De gemeente om den leeraar?" dat is juist het Farizeïsme van
het ambt.
Toch hanteeren ze het heilige!
AVat wordt het dan anders, dan een werpen van dat heilige voor
de hondekens!
Doorzoeke elk zijn eigen consciëntie!
De nawerking van dit kwaad reikt zoo ver!
VII.
BIDDEN OP PREVELEN P
Die bidt, die ontvangt.
\' Matth. VII : 8.
In het heilige leidt veel doen licht tot werktuiglijk doen, gewoonte
tot Farizeesche sleur. Maar dien die bij het altaar verkeeren, .is
daarom een dubbele genade van noode, zal hun aanbidding, naar den
eisch van Jezus, een aanbidden zijn in den geest.
Dit gevaar voor het geestelijk ambt spreekt te van zelf om nog
aanwijzing te behoeven. Niet één die het ambt bekleedt, of hij blijft
den kamp tegen het Farizeïsme strijden, tenzij hij reeds in die
worsteling bezweek. De arme! of God zich zijner nog ontfermen
mocht!
Toch is dit gevaar niet tot het ambt beperkt. Ook buiten het ambt
dreigt het met den geestelijken dood. „Die bidt, die ontvangt," is de
wet van Jezus\' koninkrijk. Die niet ontvangt en toch bidt, is naar
dat doodelijk gevaar op weg.
Men versta ons wel.
De Heere zegt niet, dat elk bidder ontvangt wat hij bidt. Van zulk
bidden spreekt Hij onder geheel ander beding. Dan moet het een
-ocr page 33-
*
25
bidden in den naam van Jezus zijn, dat wil zeggen een roepen naar
den hooge, waarbij de persoon des bidders in den Naam van Jezus,
d. i. in zijn mystieke gemeenschap ingaat, door Hem omsloten, in
Hem opgenomen wordt, en roept, niet uit zijn eigen ziel, maar uit
zijn in Christus verborgen leven. Zoo wat gij bidden zult in mijnen
naam dat zal Ik u geven!
Nog spreekt Jezus van gebedsverhooring,
waar de begeerde zaak voor den bidder in zijn geloof geheel is op-
genomen, en hij in zijn smeeken de gewisheid des geloofs ontvangt,
dat het van God afgebedene hem, zoo waar God leeft, zal geworden:
Alle ding, dat gij biddende begeert, geloovende, dat gij het ont-
vangen zult, dat zal u geworden.
In beide uitspraken is niet slechts
een ontvangen, maar uitdrukkelijke gebedsverhooring toegezegd.
Hiervan spreekt Jezus in de Bergrede niet. Die bidt ontvangt, al
ontvangt hij niet wat hij bad. Die zoekt vindt, al komt hem iets
anders voor dan hij zocht. Die klopt, dien zal opengedaan worden,
al moet zich vaak een andere deur voor hem openen, dan waardoor
hij poogde in te gaan. Niet van gebedsverhooring, maar van de
realiteit des gebeds is de levenswet door dit woord aangegeven.
Kortweg zou men het aldus kunnen vertolken: Een waarachtig
gebed is nooit doelloos, doet altijd een werking, oefent altijd een
kracht, en is, ook afgezien van latere gebedsverhooring, den bidder
ten zegen.
De nederige ontvangt genade. Die zich in de ure des gebeds niet
voor zijn God vernedert, kan niet bidden. Maar die het doet, drinkt
met dat bidden zelf genade in, ademt in den dampkring des hemels
en wordt door inwerking van hooger kracht verkwikt.
Zou aan dien maatstaf van Jezus\' woord gemeten de kanker van
het Farizeïsme dan ook het leven van den leek niet bedreigen?
Ook voor hem toch is het Christelijk geloof een levenssfeer, waarin
hij zelf bezig is. Er is een ambt, maar niet meer plaatsbekleedend
in dien volstrekten zin, dat eigen werkzaamheid ware uit te sluiten.
Ook die buiten het ambt staat bidt, ook de leek leest de Schriften,
ook de niet geordende zingt Gods lof, ook de Christen in private
levenssfeer bedient het altaar der barmhartigheid, zelfs het woord van
vermaan en opwekking is thans in eigen kring, niet vreemd aan
zijn lippen.
Wat gevaar dan ook voor hem niet, dat het heilige ontwijd, het
hooge en heerlijke in de laagten van ons geestelijk leven worde
neêrgetrokken, en al ware het slechts tegenover ons zelf met de
edelste verrichting des godsdienstigen levens worde gespeeld.
Ten deele is het gevaar buiten het bedehuis zelfs nog grooter.
In \'s Heeren voorhoven stemt plaats en omgeving tenminste nog
-ocr page 34-
20
tot ernst. Niet dagelijks, meest slechts wekelijks gaat men naar het
bedehuis op.
Niet alzoo in ons huiselijk leven.
Daar leven we bij den dag. En elke dag brengt ons een zes- a
achttal gelegenheden, waarbij het gebed den Christen als regel geldt.
Hij bidt bij zijn ontwaken en eer hij insluimert, en evenzoo opent
en sluit hij elk der drie samenkomsten om den huiselijken disch met
aanroeping van den Naam des Heeren. Wat veelheid des gebcds, en
uit even dezelfde oorzaak wat dreigend gevaar tot gebedsontwijding!
Voeg daarbij de ongewijde stemming van den levenskring, waarin
men tot zulk bidden vaak geroepen wordt. Midden uit zijn arbeid;
even het gesprek gestaakt, om het na het Amen weer op te vatten;
de gejaagdheid des levens nopend tot haast en ijle; drang om even
tusschen het luiden der schel een oogenblik voor het bidden waar te
nemen; aller hoofd en hart vaak met vooruitberekening van den
straks wachtenden plicht vervuld; de kinderkens in hun onwetendheid
door gelach of gegil de stilte vaak storend, — zeg zelf, is het niet
of er vaak een samenspanning tegen het gezin in het gezin is, om
het verheffen des harten tot God. te beletten?
Geen wonder dat dit „bidden aan tafel" dan ook meer dan eenig
ander gebed op huiveringwekkende wijs in ijdelen vorm en onheilige
gewoontewet ontaard is. Hetzij dat dit bidden zacht toeging, zoodat
elk voor zichzelf bad, hetzij dat de vader of moeder des gezins voor-
ging, er is bijna geen huisgezin, waar men niet weet, dat dit gebed
zoo zelden bidden is, een saam bidden van allen uit behoefte van
het hart.
Dan maar laten! is het vreugdegeroep der goddeloozen geweest,
die onder den schijn van het gebed in eere te houden, er ons volk
aan hebben ontwend.
Waar zulk bidden zonde dreigt te worden, moet niet het gebed,
maar de zonde wijken, en elk Christen-gezin moet, van dit dreigend
gevaar doordrongen, met den ernst des geloofs er tegen worstelen,
tot het gebed hun een macht worde en heel den gang beheersche
van het gezin.
Men zie toe.
De godsdienstige opvoeding der kinderen is de teederste.
Meer nog dan in opzettelijk vermaan, moet ze in de practijk des
godsdienstigen levens\' liggen. Maar vergeet het niet. Uw gebed is
als het vuur: koestert het niet dan zengt het: en menig ouderpaar
heeft de kinderziel in haar teederste vezelen verwoest, door ze ge-
stadig met een onwezenlijk gebed te zengen.
Vooral tegen lang bidden dient bij het gebed aan tafel gewaakt.
Het hardop bidden der kleinen door het gebed der ouderen heen
moet stellig, als oneerbiedig en zielstorend gemeden.
Ook op vergaderingen zie men toe.
-ocr page 35-
27
In Christelijke kringen heeft men het gebed ook voor vergaderingen
\'hersteld. Godlof, dat het weer terugkwam. Maar sluit er het oog niet
voor: ook hier is met het gebed het gebedsgevaar teruggekomen.
Zoo dikwijls is het geen wijding der samenkomst, maar eenvoudig
een ceremoniëele vorm ter opening van den kring. Misschien is het
vooraf lezen van een stuk uit Gods Woord daartegen het eenig
afdoend behoedmiddel. Niets stemt de ziel zóó tot bidden, niets leent
aan het gebed zóó den gewijden vorm, als het lezen van een kort
stuk uit Gods heilig Woord.
                                                        .
Ook voor het morgen- en avondgebed in den huiselijken kring is
zulk een voorafgaand lezen niet genoeg te waardeeren.
Althans des morgens is het nog veler gewoonte eerst het gebed te
doen en daarna te lezen. Ons dunkt dit strijdt tegen den eisch des
geestelijken levens.
Dan bidt de ééne die voorbidt uit zijn gedachten, in zijn vormen,
die dat oogenblik buiten de zielsbeweging der anderen omgaan.
Dan bidt men uit het nog leêge hart en bouwt uit zich zelf een
gebed op, natuurlijk met het onontwijkbaar gevolg, dat men verloopt
in zekere vaste formulen en bijna eiken morgen een reeks verwante,
klanken herhaalt.
Dit werkt doodend op de bezieling van bidder en meêbiddenden.
Daarentegen, vraagt men vooraf met een korte, zeer korte smeeking
Gods licht bij het Woord, en leest men daarna een kort deel der
Schrift met ernst en aandacht, en doet men daarna het gebed, dan
staat de ervaring er borg voor, dat uw gebed aan rijkdom van inhoud,
aan gloed en bezieling, vooral aan waarheid winnen zal.
Gods Woord geeft dan eiken morgen een nieuw, altijd wisselend
element uit de hciligheden Gods, dat in frissche kleuren voor de ziel
treedt. Met den inhoud leert die Schrift u dan den gewijden, heiligen
vorm, waarin het gebed zich uiten zal. Bovenal, niet slechts de ééne
bidt dan, die voorbidt, maar ook de gedachten der anderen zijn door
het gelezene gericht op een zelfde voorwerp en door de lezing met
de gedachten des bidders versmolten.
Haast durven we er bij te voegen, dat de beschroomdheid, die
*zoo velen van het overluid bidden in hun gezin terughoudt, vooral
door verwaarloozing van dien regel wordt gevoed. Men beproeve het
eens, om na werkelijke lezing uit Gods Woord, de ziel voor den
Heere uit te storten, en geen twijfel, of men zal de waarheid be-
vestigd vinden, dat goed lezen het halve bidden is, gelijk goed
bidden het halve werk.
-ocr page 36-
28
VUT.
TYRANNIE DER VROMEN.
Naak tot mij niet; want ik ben heiliger
dan gij.
                               Jesaia LXV : 5.
Er is een geestelijke kwelzucht uit drieërlei oorzaak: uit hoogmoed,
uit hebbelijkheid en uit boozen lust. „Het werpen van de peerlen
voor de zwijnen," is voor dezen drievuldigen hartstocht het samen-
vattend beeld.
Het geloof geeft autoriteit. Wie voor den Heere koos, wordt zich
flauw of helderder bewust, dat de zaak, die hij dient, eenig gewicht
ook aan zijn persoon leent.
Dit besef is een volkomen juist instinct. De uitnemendheid van
Jezus\' koninkrijk boven alle schoons en goeds op aarde, is zoo
ontwijfelbaar groot, dat de minste „waterdrager en houthakker" bij
de legertent van dezen Koning om zijns Heeren wil gewicht erlangt
en op zijn plaats en in zijn kring een persoon van beteekenis wordt.
Algeheele onderdrukking van dit besef schaadt aan den voortgang
des koninkrijks. Een der machtigste mysteries, waarmee Napoleon en
Frederik de Groote wisten te tooveren, was juist dit gevoel van dig-
niteit, dat zelfs de minste liniesoldaat aan de banier van den veld-
heer wist te ontleenen. Het was, of een krijger uit de linie van
Napoleon of Fritz reeds om zijn kokarde dubbel zoo geducht was
als een krijgsman der geallieerden. Dit nu geldt in nog veel hoogeren
zin van de krijgsknechten des Heeren. Vergeleken bij de uitnemend-
heid der zaak die ze dienen, zijn ze zelven niets, beteekenen hun
krachten niets, baten hun wapenen niets, maar de enkele naam dien
ze uitroepen van den Vorst der hemelsche heirscharen, is zoo ge-
weldig en ontzaglijk, dat hun onbeduidende ifietigheid tot een element
van gewicht, soms tot een onweerstaanbare macht wordt.
Toch moet dit besef geheel instinctief blijven, of het slaat in on-
draaglijken hoogmoed om. Wie, voor zooveel zijn persoon aangaat,
ooit op iets anders dan zijn eigen nietigheid ziet, heeft reeds daardoor
het geheim zijner kracht verraden. Men mag nauwelijks weten, welk
eeuwig gewicht men ontving, of juist door die wetenschap gaat voor
ons arglistig hart dat eeuwig gewicht teloor.
Toch is het juist dit euvel, waarmee men zoo vaak in Christelijke
kringen te kampen heeft, vooral bij hen, die men gewoon is „beves-
tigden en gefundeerden in hun geloof" te noemen.
Voor hen hield het geloof op een worstelen der ziel te zijn. Ze
achten in den geloofstoestand te zijn ingegaan, en leven nu voort
zonder veel strijd of aandoening des geestes, meer terugziende op
-ocr page 37-
29
wat vroeger in de ziel omging, dan op de genadewerkingen van het
heden, en beschouwen het nu eenmaal als een uitgemaakte zaak, als
iets dat vanzelf spreekt, als iets waaraan niemand in hun omgeving
twijfelt, dat zij des eeuwigen levens gewis en van hun erfdeel onder
de heiligen verzekerd zijn.
Dit trekt almeer in hun levenskring een scherpe grenslijn tusschen
hen en de minder vasten of nog geheel onbeslisten. Meer nog door
anderer opzien tegen hen, dan door eigen inbeelding, wennen ze zich
aan het denkbeeld, dat ze van heiliger gestalte dan de anderen zijn.
Almeer komt het hun voor, alsof de plante hunner ziel, het tijdperk
der natmaking en omgraving reeds lang voorbij, alleen op het af\\ver-
pen van vrucht voor anderen had bedacht te zijn. Bijna uitsluitend
op de kroon, schier nooit op den wortel van hun zielsleven is hun
oog gericht. Zoo wordt de afstand tusschen hen en hun omgeving
al wijder, al grooter. Bij hen het licht, in anderen slechts de schaduw.
Als geestelijke koningen gevoelen ze zich in het kleine lijkje van
hun kring.
Bij zulk een gemoedstoestand ligt de zonde van den hoogmoed
voor de deur, en moet ze, eenmaal binnengeslopen, zich ten koste van
anderen zoeken te uiten. Heeft men eenmaal den naam van geestelijke
meerderheid te bezitten, dan moet die naam ook opgehouden. Yooral
zoo vreemden den kring binnentreden, moet het purper der geestelijke
uitnemendheid worden omgehangen. De eens veroverde heerschappij
moet door inspanning van kracht worden gehandhaafd en — hoe
kan het anders? — zooals de schilder op het doek zijn lichttinten
penseelt, zoo moet dan ook de lichtglans om het eigen hoofd getoo-
verd, — door een donkere schaduw te laten vallen op anderen.
Aan opbeuren van het gekrookte riet kan dan niet gedacht. Het
moet ijlings verbroken. Aan voeden van de glorende vlaswiek valt
niet te denken. Geen licht, schaduw moet er zijn, en elk vonkje, dat
opgloort, dreigt daarom zijn grootheid te verkleinen. Zoo wordt de
liefde gedood, de barmhartigheid uitgestooten, en het rijkst, het heer-
lijkst voelt men zich, als alle vonk des levens van rondsom is uit-
gebluscht, en er maar één licht flikkeren blijft, — dat der eigen ziel.
Onnarekenbaar is de schade door zoo licht verklaarbaren hoogmoed
en zelfverheffing aan het Koninkrijk van Christus toegebracht. De
Heere buigt zich neder, wordt mensch, wordt een dienstknecht met
en voor ons en vernedert zich als een worm in het stof, om zelfs
den diepst neêrgebogene te bereiken en het geloof aan weeroprichting
te blazen in de diepste verbrijzeling van het hart.
Niet alzoo deze „heiligen."
Die gelooven wil moet maar opklimmen tot de hoogte van hun
eeregestoelte. Zij neigen zich niet tot het nog kruipend kind om het
op te richten en loopen te leeren, maar zien uit hun vermeende
hoogte op de kleinen en bedrukten van ziel neder, als had de be-
-ocr page 38-
30
nauwdheid hunner harten geen ander doel, dan om een maatstaf te
leveren voor hun hoogen geestesstand.
Ze lokken niet, maar stooten terug. Ze geven den beklemden van
hart ccn indruk, alsof hun toebrenging onmogelijker dan het onmogelijke
zelf was. Geen hoop, maar wanhoop werpen ze in de geschokte ziel.
Het pas ontloken kiempje wordt door hun hoogheid van taal op den
bodem des harten vertreden. Ze doen zeer, ze pijnigen die om hen
zijn, zonder zelf het te weten, en in stede van balsem in de wonde
te druppelen, maken ze de wond der ziel telkens rauw.
Eenmaal in die ontferminglooze hardheid gevangen, gaat die stug-
heid des geestes allengs in een tweede phase over: ze wordt hebhelijk-
heid.
De hooge plaats in de geestelijke schatting zijner omgeving is
ingenomen. Men worstelt niet meer, om die te veroveren of te be-
houdeu, maar gevoelt zich in het bezit van het begeerd en niet meer
bestreden gezag, en spreekt dies zijn hoogheid meer in houding en
voorkomen dan in opzettelijk woord uit. Het is of de ziel haar eigen
gewaarwording in de trekken en plooien van het gelaat heeft afge-
drukt. De opslag van het oog, de starheid van blik, de wijs zelfs van
zich te bewegen en zich aan anderen voor te doen, draagt het stempel
van een hoogmoed, die tweede natuur werd, en niet met anderen in
aanraking kan komen, zonder hun den hoekigen kant van zijn eigen-
waan schrijnend te doen gevoelen.
Dit kwaad is erger dan het eerste.
In de eerste phase was er althans nog een betoon van geestelijke
kracht om zijn plaats te veroveren. Thans week ook dit. Er is geen
uiting, geen levensbeweging meer, die nog soms, om de onbetwistbare
meerderheid van geest, met zooveel zelfverheffing kon verzoenen.
Daar komt bij, dat de stugheid van geest eerst, zij het ook zelden,
maar clan toch soms, nog door een uiting van menschelijk gevoel en
geestdrift voor \'s Heeren naam werd afgebroken. Het moest een uit
de rol vallen zijn, maar er was dan toch een oogenblik, dat die on-
dragelijke beminnelijk werd en zegenend op anderen werkte.
Daarentegen, eens hebbelijkheid geworden, gaat ook die vrucht der
minlijke ongelijkheid te loor. De ijskorst is over den stroom dicht-
gevroren. Geen golf kan den kop meer boven den spiegel verheffen.
Het moge daaronder nog soms stuwen en bruischen, maar zelfs de
minste schudding van die levensbeweging krijgt men niet meer te
zien. Ook in oogenblikken dat alle gedachte aan hoogmoed verre is,
staat toch de demon van zelfverheffing nog op het gelaat. Zelfs als -
men zich nog poogt te vernederen, gluurt de booze hoogheid uit alle
trekken van het zich neerbuigend hoofd.
I.Tskoud hoort men zulk een spreken over de niet toebrenging der
duizenden bij duizenden om hem heen. Geen hand wordt zelfs in
-ocr page 39-
31
schijn meer uitgestoken, om krijgsknechten te werven voor de heir-
scharen Gods. Men vindt het volkomen natuurlijk en bij uitnemend-
heid goed, dat die anderen niet gelooven. Daar lijdt men niet meer
onder, daar strijdt men niet meer tegen. Men legt er zich bij neer
en heeft er vrede meê.
Laat een beklemde van ziel zulk een versteende gestalte ont-
moeten, en ze voelt de kwelling zonder zich zelve bewust te zijn. Ze
weet slechts dit, dat die heilige man haar neerdrukt, en dat ze geen
oogenblik banger vindt, dan waar zijn kwellende ontmoeting moet
getrotseerd.
                                                       \'
Toch is er nóg onheiliger.
De hebbelijkheid kan ten leste in wreedheid en boozen lust over-
slaan, de geestelijke koning een geestelijk tyrun worden in zijn kring.
Gelijk de wellust ten leste in wreedheid ontaardt, zoo ook de
geestelijke hoogmoed.
De zucht om de meerdere te zijn kan in haar voleinding een
hartstocht worden, die lust vindt aan anderer zielsbenauwdheid en
zich vermaken kan met de foltering van het hart.
Ook die luipaarden zag men soms in het heilig woud van het
heilige des Heeren binnendragen. Laffe, machtelooze geesten, die den
blik neerslaan, waar waarachtig geloof hun op den weg ontmoet, en
die het samenzijn met Gods echte kinderen uit schuwheid des
geestes mijden.
Maar is daar een weerlooze, een verlatene, een afgedrevene ziel,
een, wie de bekommering en beklemdheid des harten op het gelaat
geteekend staat, en wie de vraag: „Wie redt mij?" van de zwijgende
lippen spreekt, o, dan heeft de roofvogel zijn aas gevonden, waarop
hij neerstrijkt. -De angst der ziel moet zijn vermaking zijn.
Dan gaat het op een spreken en wegen en keuren. Eerst wordt
een schijn van belangstelling aangenomen, waarmee men als de spin
de vlieg, het arme slachtoffer in zijn web vangt, — en gaf ze een-
maal gehoor, o, dan moet de ongelukkige in telkens dieper diepte
neêrgestoten, dan moet elk starretje daarboven voor een dwaallicht
verklaard, alle betere hoop, waaraan ze zich vastklemde, als zelfbedrog
weggecijferd. Last op last wordt der schier bezwijkende ziel dan op-
geworpen. Elke kier, waardoor ze in den hemel gluurde, dichtgestopt.
Opengereten haar wonde, gespot met haar tranen, met satanischen
glimlach gelachen om haar angsten. De wreedaard! Hij heeft zijn
scherpste pijlen in het heetste gif gedoopt. Hij krenkt, nijpt, trapt
de weerlooze op de fel geprangde borst, en als ze dan niet meer
kan, en schreiend in haar wee en pijn wegzinkt, o! dan is het doel
bereikt, dan waant de „heilige zijn heldenstuk volvoerd te hebben,
en ziet nog met een verachting op zijn prooi neder, als waarmee een
-ocr page 40-
32
Farizeër in Jezus\' dagen alleen neer kon zien op het onheilige zwijn,
dat als het dier der vervloeking zijn heilige erve bezoedelde.
God zij lof! Tot dat uiterste komt het niet veel. Maar reeds het
eerste begin van deze geestelijke kwelzucht is zoo verfoeilijk.
Zie toch een ieder toe op het eigen hart! De kiem van dat ver-
foeilijk kwaad wordt in den bodem van elks hart gevonden.
Wee hem, die het uit laat spruiten!
Nooit gruwelijker wordt het bloed van den Zone Gods vertreden,
dan waar men zijn naam noemen durft, en toch het gekrookte riet
.verbreekt.
IX.
GEESTELIJKE GEWETENLOOSHEID.
Ga henen tot dit volk en zeg: hoorende
hoort, maar verstaat niet.
         Jes. VI : 9.
Eerst na de bestrijding van geestelijke zelfverheffing en geestelijke
kwelzucht, komt de laatste en diepste zin van het „heilige voor de
hondekens" in aanmerking: de geestelijke gewetenloosheid.
Zeer zeker toch ligt in Jezus\' beeldspraak óók de ernstige waar-
schuwing : Zie toe, dat ge door • gedachtelooze aanbieding van het
heilige anderer oordeel niet verzwaart.
Het lag verre van ons om deze opvatting van Jezus\' woorden ter
zijde tu schuiven: slechts kwamen wij er tegen op, dat het snijdend
aphorisme der bergrede uitsluitend in den thans bedoelden zin ver-
staan wierd.
Daartegen verzett\'en we ons, èn op grond van het redebeleid èn
op grond van den eisch door al Jezus\' beeldspraak gesteld. Geen
phantusie, de werkelijkheid bood Hem zijn beelden. Slechts uit de
werkelijkheid mogen hun trekken dus worden verklaard.
Op dien grond beweerden we derhalve, dat het beeld van het
heilige met de hondekens en van de peerlen met de zwijnen aller-
eerst de zelfverheffing van den Farizeër tuchtigt, die de peerlen van
zijn heiligen godsdienst misbruikt, om bewondering te ontlokken aan
een schare, die hij als een verachtelijke, onreine massa minacht; en
ten tweede, de geestelijke kwelzucht striemt en geeselt van den ver-
steenden schijngeloovige, die een welbehagen vindt in het verbreken
van het gekrookte riet en het kwellen der benauwden van ziel.
Hiermee echter is de diepte van Jezus\' woord nog niet uitgeput.
Ook van geestelijke gewetenloosheid, is sprake. Niet als opzettelijk
bedoeld, maar als onvergeeflijke schuld der onnadenkendheid.
-ocr page 41-
.
38
Die de hand aan het heilige slaat, werkt met vuur. Het heilige i»
als een vuur, Jezus zelf noemde het zoo, toen Hij zijn zending om-
schreef, als een komen „om te doopen met den Heiligen Geest en
met vuur." Elk schepsel onder de kinderen der menschen zal of hier
op aarde „met vuur gezouten worden," of in den dag des oordeels
„door vuur worden verteerd." De Driemaal-heilige zelf heet een „ver-
terend vuur," en zijn machtig, onweerstaanbaar woord is den profeet
als een „vuur in zijn beenderen."
Wat is nu de werking des vuurs?
Een dubbele.
Het vuur behoudt of verteert.
Zoo nu ook het vuur des Heiligen. Het heeft eenerzijds kracht ter
verzoening en ter behoudenis, anderzijds ten verderve.
Verzoenend werkt het vuur dat door den seraf van het altaar wordt
genomen, om Jesaja\'s onreine lippen te zuiveren. Louterend werkt
het vuur onder den smeltkroes des lijdens. Nog in den jongsten dag
zullen er „behouden worden als door vuur.";
Maar ook het vuur des Heiligen verteert. „Met vuur," zegt Jesaia,
„zal de Heere in het recht treden." „Hij zal doorbreken als een vuur
en zijn wagenen als een wervelwind, om met grimmigheid zijnen
toorn hiertoe te wenden en zijne schelding met vuurvlammen." Daarom
heet ook het lijden der eeuwige verdoemenis een lijden „des eeuwigen
vuurs," een verkeeren in „het vuur dat niet uitgebluscht wordt,"
wijl ook het volstrekte verderf nog een ervaren is van het heilige Gods.
Dat geestelijk vuur nu is in Gods Woord besloten, en in het
Woord dat bij God en God was, in den Christus geopenbaard.
Prediking van dat Woord, prediking van dien Christus, oefent
daarom altijd kracht.
Zijn Woord gaat uit en keert niet ledig weder, het doet al wat
Hem behaagt.
Toch is het onloochenbaar, dat die kracht vaak, verre van een
reddende en behoudende te zijn, veeleer schijnbaar tot niets wordt
gereduceerd.
Hierin echter vergist men zich.
Men heeft het oog uitsluitend op een zegenende werking, en waant,
dat, waar deze uitbleef, van geen werking met al sprake kan zijn.
Twee dingen verliest men hierbij uit het oog.
Vooreerst, dat er door gansch de Schrift uitdrukkelijk van een
prediking sprake is, die verstokkitty werkt. En ten andere, dat de
Christus gesteld is niet slechts ter opstanding, maar ook ten val.
Dat de Heilige Schrift een prediking ter verstokking kent, is met
het kapittel van Jesaia\'s profetische roeping voor oogen, volstrekt
onloochenbaar. Niet in bedekten term toch, maar met de klaarste
bewoording, wordt het uit de heiligheden des hemels den zoon van
Amoz toegeroepen: „Ga henen, en maak het hart dezes volks dik, en
3
-ocr page 42-
34
maak hun ooren zwaar, en sluit hun oogen, opdat het niet zie, noch
hoore, noeh versta, noch zich hekcere, en Ik het geneze." Een ont-
zaglijke uitspraak, die niet slechts voor het Oude Verbond, maar
blijkens Jezus\' eigen woord ook voor de bedeeling des Nieuwen geldt,
waar Hij zijn jongeren toeroept: „Tot de scharen spreek Ik door
gelijkenissen, opdat zij ziende zien en niet bemerken, opdat zij niet
te eeniger tijd zich bekeeren en hun zonden hun vergeven worden."
(Mark. 4 : 11, 12).
Slechts dit verschil bestaat tusschen Oud en Nieuw Verbond, dat
de brandende, ontzagwekkende tegenstelling zich na de verschijning
van den Christus meer in zijn persoon heeft geconcentreerd.
Niet meer de prediking van het Woord, maar het vleesch geworden
Woord is, na de kribbe van Bethlehem, toetssteen des eeuwigen levens
geworden.
Hij is daar. Hij is in de wereld. Die wereld moet met Hem
rekenen, en of die wereld wille, dan niet wille, aan Hem, aan zijn
persoon moet ze openbaar worden. Haar verhouding tot Hem bepaalt
en beheerscht haar toekomst
Hij is, met zijn komen zelf, gezet tot een val en opstanding.
Hij is, door zijn optreden zelf, de steen, die verplettert op wien hij
valt, en vermorzelt al wie tegen hem aanvalt.
Zijn persoon wordt in het hart, door het woord en op de lippen
zijner apostelen de wereld ingedragen, zoodat, waar zij zijn, Hij is,
van tweeën een: tot een reuke des levens of een reuke des doods.
Neutraliteit is tegenover Hem ondenkbaar en onmogelijk. Die niet
voor is, die kiest tegen. De oude tegenstelling van vloek of zegen is
in Hem tot haar voleinding gekomen. Hij is in zoo beslissenden zin
het oordeel der wereld, dat elke schakeering zelfs voor de majesteit
van zijn persoon verdwijnt.
Hieruit volgt, dat den Christus in het hart, door zijn optreden of
zijn woord, in eenigen kring of tot eenig hart te brengen, spelen
wordt met vuur, zoo dikwijls het zonder ernst en bewustheid geschiedt.
Elke levenskring, en evenzoo elk menschenhart, verzwaart zijn
oordeel door, na van den Christus gehoord te hebben, niet voor
Hem te kiezen.
Is het hiervan dan af te scheiden, dat wie een ander van den
Christus doet hooren, voor hem oorzaak worden moet, \'t zij dan van
zijn toebrenging tot den Heiland of.... en hierin ligt het ont-
zettende, van verzwaring zijns oordeels tegenover den Heere.
Den Christus te bezitten, al is het ook maar in de prediking van
zijn Woord, laadt derhalve een ontzettende verantwoordelijkheid zelfs
op den eenvoudigste.
Die verantwoordelijkheid is de man van geweten zich bewust; de
gewetenlooze niet
De gewetenlooze neemt de hem toebetrouwde peerlen en werpt ze
-ocr page 43-
35
gedachteloos, ten betoon van zijn rijkdom, voor elk te grabbel, en.
zal het oordeel des Heeren dragen, dat hij met het heilige voor de
hondekens heeft gespeeld.
De man van geweten daarentegen is schuchter, soms terughoudend
zelfs, met zijn prediking van den Christus, wijl hij liever den schijn
van ijverloosheid zich getroost, dan ontfermingloos te zijn jegens
niet-toegebrachten.
I
X.
SOBERHEID OOK IN HET UITSTROOIEN VAN HET
ZAAD DES WOORDS.
Ook zult gij al deze woorden tot hen spreken,
maar zij zullen naar u niet hooren.
Jeremia 7 : 27a.
Evangelieprediking die niet tot bekeeriny leidt, verzwaart het oordeel.
Is men zich dit bij de opvoeding, bij het godsdienstonderwijs, bij
de prediking des Woords steeds bewust?
Br is verzwaring van oordeel. Lichter oordeel zal over den Heiden
gaan, die den Christus niet gekend, dan over den naam-Christen, die
de prediking van zijn kruis gehoord heeft.
Niet aller oordeel is één. Er zal ook aan gene zijde van de grenslijn
der eeuwige zaligheid een verschillende graad van rampzaligheid zijn.
Jezus zelf is ons hiervoor borg.
„Het zal Sodom en Gomorrha draaglijker zijn in den
dag des oordeels dan ulieden!"
Er is naar Jezus\' eigen woord een „geslagen worden met
dubbele slagen."
Ook naar luid van de profetie der Openbaring is er tweeërlei
oordeel: een levend geworpen worden in den poel des
vuurs, en „een gedood worden door het zwaard Desgenen
die op het paard zit." (19 : 30, 21).
Deze wetenschap is van uitnemend gewicht.
Immers, wordt deze graad verscheidenheid in de strafte des oordeels
voorbijgezien, dan is er van omzichtigheid\' en schroomvalligheid in
de prediking des Evangelies geen sprake.
Er is dan slechts tweeërlei lot denkbaar:
Of volstrekte gelukzaligheid, of het uiterste der rampzaligheid.
Prediking van het Evangelie kan dus nooit schaden, wel baten.
Aan wien ook — langs welken weg, in wat vorm het ook zij —
-ocr page 44-
üö
het Evangelie gepredikt wordt, dien verzwaart het nooit het oordeel,
daar zonder deze prediking hem toch het oordeel in zijn volstrekte
zwaarte treffen zou.
Staat de zaak des Evangelies nu zóó, dat het nooit iemands oordeel
verzwaren kan, terwijl altijd de mogelijkheid blijft, dat het wekstem
ter bekeering worde, dan spreekt het vanzelf, dat alle schuchterheid
in de prediking des Evangelies misplaatst zou zijn, en zonder verdere
schifting elke prediking van het heilige plichtmatig en goed is.
Daarentegen, is dit niet zoo, blijkt dit uitgangspunt onhoudbaar,
spreekt de H. Schrift, spreekt de Zone Gods zelf uitdrukkelijk van
een verzwaring des oordeels, dan spreekt het evenzeer vanzelf, dat
een prediking des Evangelies, die zeer zeker baten, muur ook schaden
kan, aan de keuring des geestcs behoort onderworpen te zijn en
dient te rekenen met den eiseh der erbarming en der liefde.
Moet op grond van Gods Woord aangenomen, dat de prediking
van den Christus voor duizenden bij duizenden verharding, verzwaring,
verergering van hun* eeuwig lot veroorzaakt, dan heb ik, krachtens
den eiseh der ontferming, den plicht en de roeping van Godswege,
om wel te weten, of ik voor iemand oorzaak van verzwaring zijns
oordeels worden wil.
Onzerzijds wordt niet beweerd, dat hierom de prediking des Evan-
gelies angstvallig moet beperkt worden.
Jesaia en Jeremia hebben uitdrukkelijk bevel van \'s Heeren wege
ontvangen, om een Evangelie te prediken, waarvan vooruit gezegd
was, dat het niet zou worden aangenomen, maar strekken zou ter
verzwaring van \'s volks oordeel.
De Christus zelf is in de wereld gekomen, wetende dat Hij voor
velen „ten val" zou zijn, en zijn Apostelen hebben zijn kruis den
volkeren verkondigd, al wisten ze dat dit woord voor velen „een
reuke des doods ten doode" moest worden.
De eiseh, dat men de lippen bewimpelen en van het Evangelie
zwijgen zal, mag dus door niemand worden gesteld.
Slechts dit dunkt ons door eerbied voor het heilige en door liefde
voor den naaste beide geëischt, dat men met zulk een vuur, dat
zeker koesteren, maar ook zengen, dat louteren, maar ook verteren
kan, niet argeloos en onnadenkend spele.
Slechts dit eischt de Heere, dat wie, op welk terrein ook, prediker
van den Christus wordt, inzie en erkenne, dat dit eigen woord, door
hem te spreken, in den dag des oordeels verzwaring voor den ramp-
zalige brengen kan.
Een gesproken woord is niet maar een klank, maar een kracht, en
als in den dag des oordeels de verlorenen klagen zullen, dat ze den
Christus niet gekend hebben, dan zal het door u gesproken woord
als getuigenis tegen hen worden opgeroepen, om ze van schuld, ook
tegenover den Christus, te overtuigen.
-ocr page 45-
37
Daarom zegt de Heere: „Werpt het heilige niet voor de hondekens
noch de peerlen voor de zwijnen!"
Wees in uw prediking van den Christus omzichtig, bedachtzaam,
steeds met diepen ernst vervuld.
Allereerst om het heilige zelf, om de kostelijkheid der peerlen die
u zijn toebetrouwd.
Bij het heilige geen spel, maar een in het hart doordrongen zijn
van den uitnemenden schat, dien we dragen.
En daarom, van dat heilige nooit gerept, die peerlen nooit uitge-
stald, dan met een klare bewustheid van het hoogheilige dat we
hanteeren.
Maar dan ook om der verlorenen wille. Hun lot zal toch reeds
zoo bang, zoo ontzettend, zoo afgrijselijk zijn. Weet het wel! Neemt
gij het op u, oorzaak en instrument te zijn, waardoor dat bange lot
hun nog voor eeuwig verzwaard en verergerd wordt?
Soms moet dat. De roeping van een Jesaia, en Jeremia, en Paulus,
kan ook in kleineren kring de onze zijn, maar dan voor het minst
zij ook in ons iets van de verbreking der ontferming, waaruit deze
mannen Gods, bij zoo hartaangrijpende plichtsvervulling, geroepen
hebben tot Hem, die ze zond.
Is er dan geen oorzaak, om te vragen, of bij de opvoeding onzer
kinderen, bij het godsdienstonderwijs der jongeren en bij de prediking
des Woords in alle manieren, niet tegen dezen eisch der ontferming
gezondigd wordt?
Speurt men niet vaak een wijze van opvoeding in Christengezinnen,
die maar al te zeer aan een spelen met vuur, aan een gedachteloos,
werktuiglijk spelen met de peerlen denken doet? Och! wat al Chris-
telijke opvoeding, die eenvoudig bij wijze van werktuiglijke plichts-
vervulling het heilige den kleinen toewerpt, zonder aan onderscheiding
tusschen melk en voedzame spijze ook maar te denken! Wat tal niet
van gelegenheden, waarbij het heilige van Christus in de opvoeding
meer dienst doet om bezig te houden, om stil te doen zijn, om te
stemmen tot onderworpenheid, dan dat het een zoeken der ziel zou
zijn, door het ouderhart dat mint! o! Is de bezorgdheid wel over-
dreven, dat in den dag des oordeels zoo menig kind een zwaarder
oordeel zal ontvangen ter wille van een kennisse van het heilige, hem
door eigen vader of moeder, meer gedachteloos dan met heiligen
ernst, toebedeeld!
En dan het godsdienstonderwijs! Wordt er aan gedacht, niet soms,
maar steeds, dat de kinderkens die ter leering gaan, of de eerste
schrede zetten op den weg des levens, of het Woord beluisteren gaan,
waardoor het hun eens ondraaglijker kan worden dan Sodom of
Gomorrha? Kan gezegd worden, dat de ouders hun kinderen naar
catechisatie en Christelijke school en Zondagsschool in dat besef henen-
zenden, met dien ernst bij de keuze voor hun kroost te rade gaan,
-ocr page 46-
3S
en de Christelijke onderwijzing hunner kleinen in dien zin tot een
onderwerp maken des gebeds? En omgekeerd, kan elk predikant en
onderwijzer God tot getuige roepen, dat hij met die schuchterheid
voor het heilige, in dien geest des teederen ontfermens, bij gebed en
toespraak voor de kleinen staat, die hem zijn toebetrouwd?
En dan de meer opzettelijke prediking in alle manier, in het kerk-
gebouw en conventikel, bij bijbellezing en toespraak, bij doop en
huwelijk, door geschrift en tractaat!.....spreekt ze u altijd toe met
dien ernst, met die omzichtige ontferming, met dien teederen angst,
waarin haar vrijbrief en haar kracht ligt? Zou het miskenning van
goede bedoeling zijn, zoo we niet alles goedkeurden, wat navolging
van Engelsche uitwendigheid ook op dit stuk ten onzent bestaan
had? Zou er niet wel oorzaak zijn, om prediker en gemeente, om
dooper en doopsgetuigen, om huwenden en genooden ter bruiloft,
om bestuurders en boden en helpers van vereenigingen, aan de dubbele
uitwerking van hun arbeid te herinneren, of redden, of het oordeel
verzwaren? Wij vragen maar! Dien God in de consciëntie vrijspreekt,
die houde zich bij ons vragen niet op. Dit slechts bidden we, dat
men ook dit woord des Heeren niet als uitgewischt beschouwe en
voortarbeide als ware het nooit van zijn heilige lippen gevloeid.
Dit woord vooral vergete men niet.
Het is de vraag, of er ooit een woord, voor onzen tijd van wijder
strekking, van meer ontdekkende, van meer heiligende kracht ge-
sproken is, dan het woord van Jezus, welks zin we ontvouwden:
„Geeft het heilige niet voor de honden, werpt de
peerlen voor de zwijnen niet!"
-ocr page 47-
\'                                                        \'                ...
II.
DE SLEUTELEN.
-ocr page 48-
-ocr page 49-
1.
HET VRAAGSTUK DER KERK RAAKT HET GELOOP.
En Ik zal u geven de sleutelen van het
Koninkrijk der hemelen.
Matth. XVI : 19.
De Christelijke Kerk, die zich nu drie eeuwen terug met fleren
geloot\'smoed uit Kome\'s omknelling loswrong, om de stichting der
Apostelen, naar de bouwlijn der Schrift en op het in Christus ge-
geven fundament voort te zetten, is, althans in ons vaderland, tot een
bouwval ingestort. Ze derft haar kracht, haar levensgloed, haar eere;
ze erfde smaad, verguizing, hoon.
Ze draagt den smaad, niet van het Kruis, niet der afsterving aan
de wereld, om te vaster in het eeuwige te wortelen. Haar smaad is
die der minachting, der aanfluiting des voorbijgangers, die naar den
steen grijpt om dien te werpen tegen haar muren.
Haar smart zelfs boezemt geen deernis, haar lijden geen eerbied in.
Zelfs in het dragen van haar doodelijke wonde vergat ze eigen waar-
digheid en leed, zooals lijden moet wie klein is van hart.
Blijven kan dit niet.
Immers ook in ons volk kloppen nog te veel harten, die met
teedere banden aan die Kerk verbonden zijn, om zulk een versma-
ding der Moeder te kunnen dragen, zoodra die moederlijke smaad
als schending van eigen aangezicht wordt gevoeld.
Vandaar wat men pleegt te noemen de „kerkelijke quaestie."
Ze bestond niet, zoolang men in vlucht naar een andere Kerk
ontkoming aan schande en schuld meende gevonden te hebben.
Ze kon nog niet ontstaan, zoolang men waande, zonder Kerk,
terend op het individueel geloof, te kunnen voortkomen.
Ze dook evenmin op, zoolang de waan ingang vond, dat evangeli-
seeren het hoogste ideaal van aller Christenen streven moest zijn, en
voor dien arbeid der liefde ook binnen de bouwvallen der Kerk nog
ruimte te over bleef.
De volheid des tijds kwam haar eerst, toen het besef der solidaire
gebondenheid van den broeder aan den broeder veld won, en de
forsche slagen van den geest des afvals op kerk, school en huisgezin,
op staat en maatschappij, op kunst en wetenschap, zóó allen sterken
muur stuk rammeide, dat de hooghartige inbeelding van alléén, op
-ocr page 50-
42
zichzelf, met eigen hand dien weerstand het hoofd te bieden, zelfs den
dapperste ten leste verging.
Ze is een vraagstuk in zeer korte termen ongeveer dus te formu-
leeren: Toegestemd, dat de onteerende, alle trouw en geestkracht
doodende, voor godsdienst en zedelijkheid om \'t zeerst nadeelige toe-
stand hoc eer hoe beter een einde moet nemen, — wat dan zal ge-
dragslijn voor de toekomst zijn?
Zal men na Kcrkontbinding het voortaan zonder Kerk doen, dat
woord genomen in den historisch alleen te rechtvaardigen, gang-
baren zin?
Of ook, zal men, een Kerk terug begeerend, teruggaan naar Kome,
teruggaan naar Dordt, of wel, van beide de ondoenlijkheid zoowel
als onprofijtelijkhcid erkennend, een nieuwen vorm zoeken voor
de gemeenschappelijke kweeking en uiting van het Christelijk geloofs-
leven ?
Dit vraagstuk, eenmaal aan de orde gesteld, wordt niet uit den
strijd der geesten weggenomen, eer het een oplossing gevonden heeft,
die beantwoordt aan den eisch des geloofs, aan den eisch van onzen
volksaard, aan den eisch onzer eeuw.
Ileeds won het veld met ongelooflijke snelheid.
Nog voor een tiental jaren werd het ternauwernood door een
enkele gevoeld. Als onontwijkbaar vraagstuk drong het zich tot voor
weinig jaren slechts aan een enkele op.
En nu, na nauwelijks den tijd ter aankondiging zich gegund te
zien, dringt het de meest belangwekkende vraagstukken ter zijde en
voorbij. Dat het er is, weet thans ieder. Naar een antwoord op dit
vraagstuk gist en raadt, zoekt en tast alle geest, die het leven zijner
eeuw meeleeft. Het is thans, door een zonderling samentretfen van een
reeks factoren, tot het vraagstuk onzer dagen, tot een vraagstuk van
Europeesch belang geworden. Een vermoeden sluipt door menig hart,
dat de toekomst van natiën en volkeren, althans voor ons werelddeel,
ten slotte aan het antwoord op dit vraagstuk hangt.
Geheel anders zal Europa\'s toekomst worden, zoo het Eome ge-
lukken kon, de volkeren weer onder haar vleugelen te verzamelen.
Een geheel ander zal het lot van ons werelddeel zijn, zoo de geest .
des afvals, voortetend als een kanker, Europa\'s Noorderhelft tot den
toestand van het barbarisme doet terugkeeren.
En toch tot een dier beide zal het moeten komen, zoo de geestes-
macht, die dusver door het Protestantisme vertegenwoordigd werd,
hare ontbinding blijft voortzetten en niet slaagt in het vinden van
een krachtigen levensvorm.
Toch ligt het teederst belang van dit vraagstuk nog dieper.
Het raakt het Christelijk geloof in zijn hartader en geldt daarmee
de eere Gods en der zielen zaligheid.
Toch heeft men, onnadenkend, in eerste onbesuisdheid, bij gebrek
-ocr page 51-
43
aan inzicht in het ver strekkende van dit vraagstuk, beweerd, dat
het hier slechts een quaestie van organisatia gold, een netelig pro-
bleem van kerkrechtelij ken aard, een ter zaligheid niet dienend artikel
van onvruchtbare liefhebberij, — maar reeds het verloop van een
drietal jaren heeft dit oordeel der oppervlakkigen geoordeeld.
Wel heeft men vaak de zonderlinge betuiging vernomen: In geloof
zijn wij het eens, onze strijd raakt alleen de kerkelijke quaestie, —
maar een drietal andere jaren zal genoeg en te over zijn, om of het
onware dier voorgewende geloofseenheid, of het onhoudbare van dit
kerkelijk uiteenloopen klaarder te maken dan den dag.
Keeds nu mag eer het tegendeel beweerd.
Een geheel ander is uw geloof, zoo ge den onwaardigen jammer
uwer Kerk lijdelijk aanzien, of wel dien geen oogenblik dulden kunt.
Een geheel ander uw geloof, zoo ge waant desnoods ook zonder
Kerk te kunnen drijven op de kurk van uw persoonlijk geloof, of
wel tot in het diepst uwer ziel de wond voelt snerpen, die het gemis
eener degelijke Kerk u sloeg.
Een geheel ander uw geloof, zoo ge nog droomt dat herstel van
den Kerkstaat onzer vaderen heul en heil zou bieden, of wel, niet
schuw alle reactie mijdend, in het verleden eert wat aan dat verleden
toebehoort, maar zelf een kind wilt zijn van uw eeuw.
Een geheel ander uw geloof, naarmate het Sacrament u de hoek-
steen is, van waar alle Kerkstichting in hoogeren zin uitgaat, of wel
dat Sacrament slechts als een der heilige sieradiën in de kanteelen
van uwe zuilen uitbeitelt.
Een geheel ander uw geloof, naarmate ge uw Kerk slechts als
eene vereeniging van menschenwillekeur afhankelijk, beschouwt, of
wel ze als een stichting begroet, die haar geestesoorsprong aan den
Oppersten Kunstenaar dankt.
Een geheel ander uw geloof, om niet \'meer te noemen, zoo ge een
heiligen bond in donatistischen zin, of wel, een geestelijke maagschap,
naar den eisch der Schrift, of eindelijk een, alle levenskenmerk missend,
geheel kleurloos organisme bedoelt, om zijn gemis aan aanwijsbare
grenzen zelfs dien naam van organisme niet waard.
De keuze te dezen wordt zeer ernstig bepaald door de belijdenis
van uw hart over de natuur van ons menschelijk wezen. Ze wordt
beheerscht door uw getuigenis omtrent den samenhang van mensch
en mensch. Ze hangt af van uw belijdenis ten opzichte van de H. Schrift,
als in meer of minder eigenlijken zin Gods Woord. Ze is vooruit
reeds aangewezen door de ervaring en belijdenis uwer ziel omtrent
de beperktheid of onbeperktheid van Gods almacht in het werk der
genade. Ze moet uitvallen naar gelang van uw geestelijke aanbinding
aan den persoonlijken Christus, ook in zijn Sacrament. Ze ontvangt
eindelijk haar algeheele beslissing naarmate ge de wederkomst van
Christus beidt alleen op een wereld die allengs gekerstend zal wezen,
-ocr page 52-
\' 44
of wel op zulk eene, waarvan de vraag zal gelden: „De Zoon des
menschen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op aarde?"
We blijven derhalve geheel in het spoor dezer stichtelijke Bijbel-
studiën, zoo we aan de hand van Gods Woord, bij het licht des
Geestes in de geschiedenis der Kerk en de genadebedeeling onzer
dagen in het Christenhart, ook het vraagstuk der Kerk van Christus
in den kring dezer beschouwingen trekken.
Liefst knoopen we ons onderzoek daarbij aan de kenteekenende
beeldspraak, ons door de Schrift, ons door Jezus zelf geboden in de
Sleutelen des Hemelrijks.
TI.
DE SLEUTELEN DES HEMELRIJKS EN HET
PROTESTANTISME.
En Ik zal den sleutel van het Huls Davids
op zijn schouder leggen.
            Jes. 22 : 22.
Het karakter en de beteekenis der Kerk, als zichtbaar optredend,
wordt geheel beheerscht door de macht der Sleutelen. Met richtige
taal hebben de zonen der Hervorming het leerstuk der Kerk dan ook
vastgehecht aan de sleutelen des Hemelrijks. Gelijk de onzichtbare
Kerk uit het feit der verkiezing vloeit, zoo de uitwendig optredende
Kerk uit de „sleutelmacht des Koninkrijks."
Het voegt ons ook op Hervormd gebied met die „sleutelmacht"
weer ernst te maken, mits ze eerst gezuiverd zij van het Roomsche
bijmengsel van ongeestelijke tyrannie.
Te veel beschouwt men dusver de stichting en organisatie der
Kerk als toevallig en bijkomstig, als hing ze geheel af van mensche-
lijke willekeur. Een Kerk is in veler oog een hulpmiddel, eer van
menschelijke vinding dan van goddelijke inzetting, om aan de gods-
dienstige behoeften der maatschappij tegemoet te komen en gelegen-
heid te bieden tot prediking van het Woord. Kent men daarom aan
de Kerk nog gezag toe, het is dan hoogstens het gezag van eigen
schepping, het gezag dat men zelf goed heeft gevonden der Kerk op
te dragen, en de eerbied dien haar daad en woord inboezemt, wordt
door schier niemand als een zaak van ernstig belang beschouwd,
waarin de eere van den Christus zelf betrokken is.
En zeker, men is bij deze koele houding volkomen in zijn recht,
zoo er geen goddelijke macht aan de Kerk is toebetrouwd. Met de
scheppingen van zijn eigen geest mag men spelen naar goedvinden.
-ocr page 53-
I
4,6
Er is geen oorzaak waarom onderwerping of verzet op kerkelijk
terrein de consciëntie in haar diepsten grond zou raken, zoo er geen
ander zedelijk verband is, dan van aanstelling tot het ambt, toetreding
door belijdenis, of, ook in zeer vage termen aanvaarde verbintenis.
Geheel anders daarentegen komt de quaestie te staan, zoo we te
doen hebben met een uiterst gewichtige, omvangrijke en beteekenis-
volle macht, niet door menschen uitgedacht, of gekunsteld, maar door
den Zone Gods in naam zijns Vaders aan menschen toebetrouwd.
Dan toch geldt ook in de Kerk het „goddelijk recht." Dan heeft de
Kerk een verantwoording van den Christus niet slechts jegens de
zielen, haar ter verzorging toebetrouwd, maar ook van de koninklijke
macht, haar op den schouder gelegd. Dan is machteloos, onbeteekenend
elke Kerk, die met deze door den Christus verleende macht niet
rekent, en is het geloofsplicht der Christenheid om de zuivere onver-
zwakte werking dezer van God gegeven macht te bevorderen. Te
beweren, dat we zonder deze macht leven kunnen en de Kerk voor
den Christen bijkomstig is, wordt dan niet een afwijkende meening,
maar een schuldige doling van het hart. Heeft toch de Christus het
instellen van deze macht voor zijn geloovigen onmisbaar geacht, dan
geraakt met Hem in strijd, wie deze macht voor overbodig verklaart,
en kan het ware geloofsleven niet kiemen, waar de drang niet gekend
wordt naar een geestelijk steunsel, door Hem zelf niet als overtollige
weelde, maar als onafwijsbare eisch van waarachtige heilbegeerte
geteekend.
Men vatte Jezus\' woord tot den eerstbelijdenden apostel toch weer
eens onverzwakt en in vollen ernst op. Het heenglijden over zoo
wichtige uitspraken voegt den Christen niet, en rijmt kwalijk met
onze onvoorwaardelijke betuiging van hulde aan zijn Woord. Vrees
voor Rome is ook in dit opzicht een kwade leidstar geweest. Men
moest nimmer den onheiligen moed gegrepen hebben, om zulk een
diepingrijpend woord van Jezus kortweg op nonactiviteit te stellen.
Haast zouden we zeggen nog liever het openlijk verzet van het
ongeloof, dan dat minachtend spelen met Jezus\' woorden, waaraan
zoo menigeen zich bezondigt, die zich ook op zijn beurt aan schifting
van Jezus\' woorden waagt, niet naar de critiek der wetenschap, maar
naar de beginsellooze critiek van wat hem toelacht of niet gevalt.
Het blijve daarom vaststaan en vorme ook voor óns het uitgangs-
punt onzer toelichting, dat Jezus Christus, sprekende naar goddelijke
volmacht, tot een van zijne discipelen gezegd heeft: „Ik geef u
macht, die reeds op aarde kan doen beslissen, wat voor eeuwig
beslist zal zijn in den hemel."
Die macht wordt door den Heer zelveu geteekend in het beeld van
„de Sleutelen des Hemelrijks," en ze wordt in dier voege omschreven,
dat in den hemel gebonden of ontbonden zal zijn, wat krachtens die
door Hem verleende macht gebonden of ontbonden werd op aarde.
-ocr page 54-
46
De aan wijzing van het orgaan dier macht kan eerst later ter sprake
komen; voorshands zij het genoeg het bestaan en de onmisbaarheid
van die macht te constateeren. Den Christus weerspreekt, wie deze
macht miskent.
Dat toch met het Sleutelbecld wel terdege een macht, en niet alleen
een kennisse bedoeld is, blijkt uit de bijvoeging: „Sleutels van het
Koninkrijk der hemelen" onomstootelijk.
Daarmee wordt niet ontkend, dat „sleutel" niet ook voor „ont-
sluiering van geheimenis" gebezigd wordt. De tocgesloten deur heeft
met het geheimzinnige en verborgene te groote gelijkheid, om den
sleutel, die de deur opent, niet ook tot beeld te kiezen voor de ont-
sluiting van het mysterie. Slechts beweren we, dat het door Jezus
tot Petrus gesprokene niet in den verzwakten en gebroken zin mag
worden uitgelegd.
Dit kon, zoo ook hier sprake was van den sleutel der kennis, een
beeldspraak ook door Hem gebezigd, waar Hij den Farizeèn en
Schriftgeleerden verwijt: „Wee u, gij wetgeleerden! gij hebt den sleutel
der kennis weggenomen: gij zelvcn zijt niet ingegaan en die ingingen
hebt ge verhinderd!" Hier daarentegen, waar niet van den sleutel der
kennis,
maar van den Rijkssleutel melding geschiedt, is iets meer dan
inleiding in geheimnissen, is werkelijke beslissing over persoon en leven.
Wel hangen beiden op het nauwst en innigst samen. „U te kennen
is het eeuwige leven!\'1\'\' Er is geen ingang in het Rijk voor den
persoon, tenzij er ingang voor hart en bewustzijn geschonken wordt,
in het ontsloten mysterie. Dit verband te loochenen ware aan beider
waarheid en kracht te kort doen. Ook wij komen later op dien
samenhang terug.
Slechts zij er ter verklaring van zoo wichtig woord richtige onder-
scheiding en waardeering van elke eigenaardigheid des gekozenen woords.
Onderscheid\'ing tusschen inwendig leven en de uiting van het
leven dat innerlijk werd gewrocht. Het kind Gods in ons is in het
mysterie der persoonlijkheid nog iets anders en diepers, dan de be-
lijdende en strijdende Christen, die zich naar buiten openbaart in
deze bedeeling,
en evenzeer nog iets anders, dan de verloste en ge-
kroonde erfgenaam, die eens uit zal breken in de heerlijkheid des
Koninkrijks.
Onze innerlijke kennis, d w. z. het in ons opnemen, dus ook het
innerlijk genieten van het mysterie des Koninkrijks, — en het leven,
dus ook het levenslot, dat hieruit voortvloeit, mogen ten nauwste
samenhangen, maar zijn toch twee.
Spreekt de Heer van den „sleutel der kennis," dan wijst zijn
woord naar dat gebied des innerlijken levens terug. Gewaagt Hij
daarentegen van de „sleutelen des Rijks,\'\'1 dan treden we hiermee op
het uitwendig levensgebied over, en is er geen sprake meer van
kennisse Gods en heiliging, maar zeer beslist van ontsluiting dier
-ocr page 55-
47
eeuwige heerlijkheid, die, in onderscheiding van deze aardsche be-
deeling, het kenmerkend leven van het „Kijk der hemelen" uitmaakt.
Dienovereenkomstig wordt het ook den ziener op Pathmos be-
tuigd: „Zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid, en Ik heb de sleutels
der hel en des doods,"
en heet het tot de gemeente van Filadelfia
met terugwijzing op Israël: „Dit zegt de Heilige, de Waarachtige,
die den sleutel Davids heeft, die opent en niemand sluit, die sluit
en niemand opent."
Het dunkt ons schier voor tegenspraak onvatbaar, dat elk dezer
indrukwekkende uitingen ons geheel op het terrein van \'s Heeren
wederkomst verplaatst, en ons als aan de poorten der eeuwige heerlijk-
heid stelt. Vooral ook de terugwijzing naar „David" noopt tot die
opvatting. De „sleutel van David," dat kan niet zijn „de teedere
inleiding, die Isaï\'s zoon in het mysterie des Koninkrijks werd ge-
geven," maar moet doelen op de macht zijns schepters. lsraëls Konings-
heerlijkheid heeft niet een geestelijke, maar een eeuwige bedoeling.
Davids huis is beeld, allereerst van de koninklijke machtsvolheid, die
in de majesteit van \'s Heeren komst zal uitbreken, en eerst daarna,
bij wijze van gevolgtrekking schaduw van den koninklijken geest, die
reeds nu de kinderen des Koninkrijks moet bezielen.
III.
SCHRIETTJUBLIJKE ZIN DEB SLEUTELEN.
En Ik zal den sleutel van het Huis Davids
op zijn schouder leggen.
           Jes. 22 : 22.
De beeldspraak „der Sleutelen" is aan het Oude Verbond ont-
leend. De uitspraak van den Christus aan de gemeente van Filadelfia
slaat blijkbaar op zijn machtbevel aan Petrus (Matth. 16) terug, en
de bij Johannes gekozen uitdrukking, „die den sleutel Davids
heeft," kan door niemand buiten verband met Jesaia 22 worden
verklaard.
Een godspraak over Sebna, koning Hiskia\'s alvermogende hofmeier,
wordt ons in dit hoofdstuk met een zeldzaam op den man afgaan
door Jesaia, zoon van Amos, geboden.
Sebna was blijkens de wel karige, maar toch doorzichtige gegevens
der Schrift, eerste dienaar des konings, aan de spits der beambten-
hiërarchie geplaatst, hoofd der Egyptische fractie, die vooral onder
•Teruzalems grooten school en reeds destijds voorlooper van dat der
-ocr page 56-
48
Theocratie diep vijandige Sadduceïsme, dat den zegen van Israël voor
de volkeren verdierf door den vloek der volkeren binnen Israëls erve
te lokken.
Zulk een potentaat, feitelijk allicht machtiger dan de koning zelf,
een trotschaard van onbegrensden invloed, geducht bij al het volk,
door den slaat\'schen hofstoet naar de oogen gezien, was en moest van
nature zijn .lesaia\'s tegenvoeter. Tegenover des profeten roepen van
gevaar stelde hij zijn koel en onverbeterlijk optimisme. Alles liep
wel. Vast stond de troon, vast Jeruzalems veste, wat zou hem deren!
Op vertoon belust wilde Sebna van dit kalm optimisme een
schitterend en indrukwekkend bewijs geven. De profetenstem vveêr-
klonk gedurig van ballingschap en vallen in de straten en ver-
woesting der erve .... welnu, hij zou ten teeken van zijn vast geloof
aan de toekomst een praalgraf doen uithouwen bij des konings graf
voor zich en zijn geslachte. In de weelderige staatsiekoets rijdt hij
zelf uit, om het grootsche werk met eigen oogen te bezien.
Op dien tocht wordt Jesaia hem tegemoet gezonden. „Ga heen,"
dus luidt Jehovah\'s bevel, „tot Sebna, \'s konings huis- en schatmeester,
en zeg tot hem: Wat hebt gij hier, of wien hebt gij hier, dat gij
u hier een graf doet uithouwen? Zie, de Heer zal u wegwerpen, dat
gij sterven zult en met uw heerlijke wagens een schandvlek zult zijn
voor het huis uws Heeren!"
Tegelijk wordt hem aangezegd, dat de hoogwaardigheid, dusver
door hem bekleed, van hem zal genomen worden, om die aan een
betere te geven. „En Ik zal u afstooten van uwen staat en Ik zal
mijnen knecht Eljakim, zoon van Hilkia, roepen," en nu wordt van
de overdracht en investituur dezer hofmeierij déze beschrijving ge-
geven : „En Ik zal hem met uw staatsiekleed bekleeden en niet uw
bandelier omgorden en uwe heerschappij zal Ik in zijn hand stellen,
en hij zal de inwoners van Jeruzalem en der huize Juda\'s tot een
vader zijn, en Ik zal den sleutel van het huis Davids op
zijnen schouder geven, en hij zal opendoen dat niemand
si uit e, en hij zal sluiten dat niemand opene!
Keeds uit deze gegevens blijkt ten duidelijkste, dat er, de koning
alleen uitgezonderd, niemand grooter in het rijk was dan de hof-
meier. Er wordt uitdrukkelijk gesproken van een „koninklijke heer-
schappij" hem toebetrouwd; van hem wordt gezegd, wat eigenlijk
slechts van den koning zelf gold, „dat hij den kinderen van Jeruzalem
en den inwoners van .Tuda tot een vader zijn zou I" Zijn oordeel
en beslissing staat voor gansch het koninkrijk met \'s konings eigen
ban of toelating gelijk. Zijn officiëele titel was: „De man van het
gansche huis!" en zoo hoog werd zijn ambt in ecre gehouden, dat
soms \'s vorsten eigen zoon, als erfgenaam der koninklijke familie,
gelijk in Jesaia\'s dagen, tot deze hooge waardigheid zich roepen liet.
Toch is ook hiernieé de rijke inhoud van het heerlijk beeld nog niet
-ocr page 57-
49
blootgelegd. Eerst een scherper bezien van de beide termen Huis en
Sleutel kan hiertoe leiden.
\'s Konings huis omvatte in de rijken van het Oosten meer dan in
onze residentiestad \'s vorsten paleis, \'s Konings burchtslot was destijds,
en is veelszins in het Oosten nog, het levend middelpunt van geheel
het rijk; \'s rijks vastigheid en plaats van verweer. In\'s vorsten kasteel
gaat schier geheel zijn residentie op. Het is het middelpunt in zijn
paleis, dat paleis het middelpunt zijner koningsstad, die koningsstad
het centrum van geheel zijn rijksbewind. Macht over dat burchtslot
valt met macht over geheel het koninkrijk schier volkomen saam.
Zulk een koninklijk burchtslot. was meestal tevens schatkamer van
den vorst, en daarmee schatkamer des lands, wijl geheel het rijk als
privaat bezit van den drager der kroon werd geacht. Naast de feest-
zalen waren schatkamers gebouwd en schatkelders uitgegraven, en de
winst van den handel en de rijke geschenken der komenden, werden
met den koninklijken cijns over tributaire volken en de krijgsschatting
van eigen landzaat in \'s konings burchtslot bewaard.
Schatkamer en tuighuis grensden\' meest aaneen. Waar \'s vorsten
goud bewaard werd, vond men meestal ook het arsenaal, de wapen-
kracht des lands en zijn macht tot verweer, onder \'s konings
hoede weggeborgen, tot nieuwe krijg het zwaard weer uit de scheede
toog, of nieuwe samenzwering tot betooning noopte van geweld.
Eindelijk, in \'s konings doorluchtig kasteel was meestal ook de
toegang tot den kerker. Ook te Jeruzalem weet men dat Jeremia
bewaard werd in \'s konings voorhof, in bewaring zijnde met alle
staatsgevangenen des rijks.
Geen wonder dat een vorstelijke kolonie, van zulk een omvang,
met zulk een schat in zich en van zoo beslissend gewicht, geen vrede
had met een open ligging in het vlakke veld. £Ze was daarom schier
altijd een versterkte plaats, een hooggelegen, omschanste citadel, tegen
overrompeling gevrijwaard en door natuur en kunst als om strijd on-
neembaar gemaakt. De muren, die deze veste omliepen, boden slechts
door poorten een toegang, en het waren op hun beurt wederom de
poortsleutelen, die geheel het burchtslot afsloten of openden.
Drager dezer sleutelen te zijn was derhalve eenvoudig bekleeder te
zijn van het hoogste vertrouwen. Met die sleutelen in de hand immers
had men den toegang tot \'s vorsten persoon en schat en oppermacht,
en zag men zich de veiligheid en zekerheid toebetrouwd van \'s vorsten
persoon en rijksveste, d. i. van het middelpunt des gansenen lands.
Dit nu koos de H. Schrift als beeldspraak voor de dingen des
Koninkrijks.
Een Hemclburcht beantwoordde aan het burchtslot der Oostersche
vorsten, en voorts vond men schier eiken trek van gelijkheid terug.
Ook het rijk der hemelen heeft zijn middelpunt. Dat middelpunt
vindt het in zijn Koning, in den persoon des Vorsten, in het wezen
4
-ocr page 58-
50
zijns Gods. Van dit middelpunt straalt de macht uit, maar toch blijft
de Hemelburcht begrensd. Hij heeft zijn toesluiting en ontsluiting.
Er is een heilige grens, die aanwijst waar hij niet is. Daar binnen
is de heilige plaats van \'s Heeren machtigste en meest doordringende
en sterkst uitstroomende tegenwoordigheid, en om zijn troon is tevens
de schatkamer des ganschen rijks, waarin opgetast liggen alle schatten
der gerechtigheid, der genade, des heils en der heerlijkheid, de buit
van den vijand en de cijns der onderworpenen, de offergave der toe-
wijding en de hulde der aanbidding. Aan die schatkamer paart zich
ook voor dien Hemelburcht het arsenaal der geestelijke krachten. Ook
in dit rijk moet elk middel ter verweer uit den koninklijken burcht
gehaald. Hij is ons schild en ons rondas, de goede en nietgiftige
pijlen komen in onzen pijlkoker van boven. Vandaar dat ook deze
burcht een omheining, een omwalling en omschansing heeft, dat hij
ommuurd en bevestigd is. Ook de Koning der koningen is bedekt
voor den schaamteloozen blik van den indringer. Ook de schat des
hemels ligt niet ten roof bereid. Ook aan het geestelijk wapentuig
mag de hand niet geslagen, tenzij krijgseed van trouwe ons aan den
Koning van het Godsrijk verbindt.
Hieruit vloeit van zelf voort, dat ook de toegang tot den rijkszetel
van dit koninklijk gebied des hemels niet openligt voor den inbreker,
maar slechts gevonden wordt door de poorte, en dat die poorte
wederom zich niet ontsluit dan voor de mysterieuze macht der
Sleutelen.
Die macht is ook in \'t Godsrijk toebetrouwd aan Eén die boven
alles is, die door den Koning over heel zijn huis is gesteld, die
koninklijke macht als Hij bezit, ook den volke met Hem ten Vader
wil zijn, en naar het beeld in Uzzia\'s dagen zelf is \'s Konings eigen
Zoon Dien Zoon is gegeven de „sleutel" van het burchtslot, dat ook
hier met den naam van „Huis Davids" bestempeld wordt. Niets komt
uit dat huis en niets genaakt er toe, dan door zijn toelating of
wering. Geen schat der genade, die ons toevloeit, of Hij liet ze
door. Geen bescherming die ons deel werd, of Hij opende ons de
deuren van het arsenaal daar boven. Geen zalige toegang en ont-
moeting in den gebede, of Hij was het die ontsloot. Maar zoo dan
ook, geen ingaan eens in heerlijkheid, of de sleutelmacht des Zoons
heeft ontsloten, geen dolen in eeuwig verderf of er is gesloten
door Hem.
Naar de „sleutelen" noemt Hij zelf die ontzettende, die zaligende,
maar ook verpletterende macht. Geen grendel, geen klink, geen slag-
bout wordt geteekend, maar alleen de afsluiting door de sleutelen.
De sleutelen, dat zijn de middelen, die met de minste inspanning
de sterkste macht werken. De sluitingswijs waarbij \'s menschen hand
het minst, zijn rede het krachtigst werkt. De manier van sluiten en
openen, die den mensch het meest als mensch, in zijn geestelijke
-ocr page 59-
51
macht en heerschappij teekent. En daarom van „sleutelen des hemel-
rijks" spreekt ook de Christus, wijl het de koninklijke majesteit
des Geestes is, die zich in. de sluitingswijs van dit Koninkrijk
openbaart.
IV.
DB SLEUTELEN AAN DE GEMEENTE
TOEVERTROUWD.
Voorwaar, zeg Ik u, al wat gij op de aarde
binden zult, zal in den hemel gebonden zijn.
Matth. 18 : 18.
De Christus heeft macht. Hem is gegeven alle macht. De Hem ge-
geven macht omvat den hemel en de aarde. En die macht oefent Hij
uit, niet als de eeuwige Zone Gods, maar als Godmensch, ten hemel
aan de rechterhand des troons gezet, in ons vleesch, als ons Hoofd,
ons ten Voorspreker.
Die macht gaat niet slechts over de voorbijgaande dingen, maar
ook over het eeuwig\'blijvende. Hij heeft macht zalig te verklaren en
zalig te doen worden. Wien Hij buiten het rijk der heerlijkheid sluit,
die blijft er eeuwig buiten. En zoo ook, wien Hij den toegang tot
dat rijk opent, dien houdt geen macht van mensch of Satan er uit.
Geen willekeur is die macht. Ze wordt geoefend naar vaste wet,
naar on wrikbaren maatstaf, en die maatstaf is de persoon van Christus
zelf, of wil men, die wet, die maatstaf is in Christus verpersoonlijkt
en belichaamd. Ge wordt aan Hem gemeten. Uw levensverband met
den Christus sluit in het Koninkrijk of er uit.
Toch is deze macht geen werking als der natuurwet. Ze werkt met
bewustheid. Haar uiting is een daad. De oefening dier macht spreekt
zich uit in een besluit, en dit besluit van den Christus is, om zijn
gebondenheid aan den Vader, eensluidend met het besluit van Gods
eeuwigen raad.
Juist echter wijl de Christus deze macht oefent niet als de Zone
Gods, maar als Middelaar, is ze niet. bepaald tot Hem, in onder-
scheiding van zijn Gemeente gedacht.
De Christus en zijn Gemeente zijn één. Hij het Hoofd, zij het
Lichaam. Derhalve onafscheidelijk met Hem één. Uit Hem geworden,
door Hem geleid, van Hem bezield. Paulus gaat zelfs zóó ver van
de Gemeente, in verbinding met haar Hoofd gedacht, den Christus
te noemen.
De macht waarover het hoofd beschikt, is ook ter beschikking van
-ocr page 60-
52
het lichaam, zoolang de werking van het een op het ander normaal is.
Zoo ook hier.
De macht van den Christus is ter beschikking van zijn Gemeente,
voor zoover in beider verband de profetische bede verhoord is:
„Opdat zij allen één zijn mogen, zij in mij en ik in U!"
Daarom van Christus en van de Gemeente éénzelfde uitspraak in
de Schrift.
Hij Koning, — zij koningen met Hem.
Hij Priester — zij met hem tot priesters gezalfd.
Hij profeet, — zij met Hem tot profeteeren geroepen.
Hij fiods Zoon, — hunner het kindschap.
Hij tot lijden geroepen, — zij met Hem.
Hij in heerlijkheid ingaande, — ook hunner die heerlijkheid
voor eeuwig.
En zoo ook:
Hij de zonde vergevend.
Van haar: „Zoo gij iemands zonde vergeeft, dien zijn ze vergeven!"
Hem de sleutelen des hemelrijks toebetrouwd.
En zoo ook tot haar het woord uitgaande: „En u zal Ik geven
de sleutelen des hemelrijks."
Dusver vloeit alles vanzelf. Geheel de Schrift is onze getuige, en
Jezus\' woord zoowel als het woord zijner Apostelen bevestigt slechts
wat reeds aan Mozes en de profeten, als toekomstige luister van het
Godsrijk was geopenbaard.
Slechts worde vastgehouden, dat aan den band met Christus het
al gelegen is en in dien band alleen zijn recht en waarheid heeft.
Dit blijkt uit het drietal uitspraken des Heeren, die over dit ver-
leencn van goddelijke volmacht handelen.
Mattheüs 16 : 19 wordt de toezegging: „En Ik zal u geven de
sleutelen des hemelrijks," — gedaan na de belijdenis van den discipel,
waarin die band met Christus profetisch werd aangeduid.
Johannes 20 : 22 volgt de machtsbekleeding: „Zoo gij iemands
zonden vergeeft, dien zijn zij vergeven," — eerst na de roeping tot
het apostolaat: Gelijkerwijs de Vader Mij gezonden heeft, zoo zend
Ik ulieden," waarin die band in hoogsten zin (/eleyd\'werd.
Vooral echter wijzen we op Mattheüs 18 : 18.
De macht daar ter plaatse verleend in het plechtig woord: „Voor-
waar zeg Ik u: al wat gij op aarde ontbinden zult, zal in den hemel
ontbonden wezen," — wordt op den voet gevolgd door de heilige
belofte van Jezus\' tegenwoordigheid in zijn Gemeente, waardoor de
aard van dien band wordt gekenteekend.
Immers, wat volgt?
„Wederom zeg Ik u, waar twee van u samenstemmen op de aarde
-ocr page 61-
53
over eenige zaak, die zij zouden mogen begeeren, die zal hun ge-
schieden van mijnen Vader, die in de hemelen is."
En deze ontleding van de geschonken macht wordt verklaard in
wat dan onmiddellijk komt:
„Want waar twee of drie vergaderd zijn in mijnen naam, daar
ben Ik in het midden van hen."
Geen begeeren dus naar willekeur, maar een begeeren dat stand
houdt, nadat men in den naam van Jezus is ingegaan. Niet alleen,
zoo dat de ander er buiten staat, maar zoo dat men, beiderzijds in
dien naam
zich verplaatst hebbende, met geheel zijn wezen in dien
naam
besloten, elkander in Christus ontmoet.
En waaruit vloeit dan de kracht, die ter beoefening van de macht
onmisbaar is?
Uit Hem! „Daar ben Ik in hun midden!"
Geen toezegging derhalve aan den enkele. Steeds is van de Gemeente
sprake, \'t zij dan in haar uitgebreidsten kring, hetzij in kleiner kring
saamgetrokken. Toch moet er altijd een veelheid zijn. Tres faciunt
collegium,
drie maken een vergadering uit," zegt een volkswoord. En
daarom „waar twee of drie te zaam zijn" werkt de macht.
Daar werkt ze, op één voorwaarde: dat het zijn in den naam
van Jezus volle waarheid zij en de levensband met den Christus
volkomen normaal werke.
Ter verduidelijking passen we dit eerst op de Gemeente in den
hemel toe, op de Gemeente die reeds zegepraalt, en die eerst met
hen die op de aarde zijn of komen zullen, de ééne, volle, rijke
Gemeente, de gemeente van den Zone Gods uitmaakt.
Op dit samenhooren dezer drie legge men den nadruk.
De Gemeente was op aarde, is op aarde en zal op aarde zijn. Er
is een Gemeente die reeds kwam en ging; er is een andere Gemeente
die thans op aarde leeft; en er komt nog een derde Gemeente, die
*op aarde zal zijn, als de thans levende den strijd heeft voleind.
Toch vormen deze drie slechts de ééne Gemeente van den Christus.
Nergens is een scherpe grenslijn.
Elk kind Gods heeft geroepenen ten leven gekend, die hem voor-
gingen in de ruste, terwijl hij nog bleef. En evenzoo zal het in. de
eeuwigheid blijken, dat we op aarde reeds verkeerd hebben met
ouden en jongen van dagen, die, nog verre van het Koninkrijk toen
wij hen kenden, na ons heengaan zijn toegebracht tot den Heere.
Niet drie stroomen maar ééne Godsrivier, waarin elk kind Goda
een waterdrop vormt, geboren uit den dauw des dageraads.
Niet één dag is er, dat men zeggen kan: „Heden is de Gemeente
op aarde, wat ze gisteren was;" want eiken dag worden er omgeroepen
en groepen; sterven er kinderen Gods weg en worden er kinderen
des Koninkrijks geboren.
In dat eenheidsgevoel zong de kerk van Christus haar „Te Deum:"
-ocr page 62-
64
„Door heel uw Kerk wordt steeds daar boven, hier beneden,
„In strijd en zegepraal uw groote naam beleden!"
Toegepast op de Gemeente die reeds verscheidde, geldt de haar
verleende en toekomende macht in onbeperkte volheid.
Twee dier gezalieden voor den troon kunnen niet, kunnen nooit
anders dan „in den naam van Jezus" zijn. Met zijn majesteit, genade
en geest is de Middelaar onafgebroken in hun midden. Hun bidden
vloeit uit Hem en keert tot Hem: wat gebeden werd, geschiedt
derhalve vanzelf. Dies hebben ze macht. Macht over het schepsel,
macht over de engelen, macht over den Sathan en zijn rijk. Ze
strijden onder hun koning, niet als schimmen wezenloos maar als
gezaligde geesten werkelijk. Hun zegepraal is niet, dat het rusten op
de lauweren reeds inging, — dat komt eerst na het tenietdoen van
den laatsten vijand — maar duidt aan, dat hun bidden strijden, en hun
strijd altijd overwinlijk, onweerstaanbaar, zegepralend, triomfeerend is.
Nog niet de heerlijkheid, maar wel de glorie der geestelijke, der
nooit feilende, der heilige macht.
Dit nu geldt niet van de Gemeente op aarde.
Voor haar is de band met den Christus niet normaal, althans
niet onafgebroken. Stellig niet in al haar leden.
Toch is de bekleeding met macht zeer bepaaldelijk aan de Gemeente
op aarde
gegeven, en juist die straalbreking van het licht in het
stroombed der aardsche onvolkomenheid misleidt veler oog.
V.
INDIVIDUALISME EN SOLIDARITEIT.
Het Koninkrijk der hemelen is nabrj gekomen.
Matth. 4 : 17.
Er is door den Christus een macht in den schoot der menschheid
neergelegd, en, tenzij men wanen mocht, dat deze macht met den
dood van het toen levend geslacht vervallen ware, behoort dus ge-
vraagd, niet slechts waarin die macht bestaat, maar ook bij wien
zij berust.
7a is op aarde. Wat is ze? Waar, bij wien berust ze?
Van de ver reikende strekking dier beide vragen zijn we ons ten
volle bewust, en allerminst met luchthartigen zin komen we tot haar
beantwoording.
We zien in, dat in het antwoord op deze beide vragen de practische
-ocr page 63-
55
tegenstelling tusschen Rome en het Protestantisme eenerzijds, en
anderzijds tusschen Protestantisme en Modernisme schuilt.
Het bleef ons geen geheim, dat aan het antwoord op deze korte
vragen het verschil hangt tusschen de critische en de mystiek-
Gereformeerde richting.
We komen er voor uit, dat het bandeloos individualisme, dat een
elk tot het leggen van eenen brug verleidt, geoordeeld of te kweeken
is, naarmate men de Sleutelmacht wegguichelt of in werkelijken
zin vat.
Of liever nog, om bij deze uitheemsche merken de ziel niet op te
houden, we zien met volkomen helderheid in, dat de betrekking der
ziel tot haar Heer, zijn Woord en Sacrament, dat de verhouding van
staat en kerk en cvenzoo de heerschappij van godsvrucht en vromen
zin in school en wetenschap, op afdoende wijze bepaald, zoo niet
uitsluitend beheerscht wordt door de Sleutelmacht\\ die Christus heeft
verleend.
De vraag naar leervrijheid of leerband, naar actieve of irenische
neiging, naar reorganisatie of constituantie, naar vrij beheer of ge-
bonden regeling, is slechts een vorm, waarin telkens opnieuw de alles-
beslissende vraag voor ons treedt: Zijn we leden, door de macht van
het lichaam beheerscht, of staat elk op zichzelf?
Natuurlijk: op zichzelf staat elk tenzij er een macht zij die de
enkelen saambindt. Slechts een meerdere kan die macht opleggen.
Christus alleen is die meerdere. Alleen door de Sleutelmacht die
Hij ons toebetrouwde, kan derhalve van eenheid en onderwerping
sprake zijn.
Op dien grond achten we ons gerechtigd tot de verklaring, dat
men lang genoeg over de plechtige betuiging van Jezus, betreffende
die Sleutelmacht heeft heengêlezen, en dat zoowel de nood der kerk,
als eerbied jegens Gods Woord ons nopen moet, met deze machts-
toezegging des Heeren even heiligen ernst te maken als met zijn
scheppingswoord van den Doop.
Vooraf is daartoe juiste omschrijving van den term, „het Koninkrijk
der hemelen1\'1
onmisbaar. Is er sprake van macht, die in de „Sleutelen
van dit Koninkrijk" haar afbeelding vindt, dan behoort scherp onder-
zocht te zijn, wat met dit „Koninkrijk der hemelen" wordt bedoeld.
Johannes de Dooper, zoowel als Jezus, treden op met de aan-
kondiging, dat dit Koninkrijk nabij is. „Bekeert u," dus luidt de
heilige dagorde, straks ook op der discipelen lippen gelegd. (Matth.
10 : 7): „Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij
gekomen.\'\'\'\'
Hoe is deze aankondiging te verstaan? Bedoelt de Schrift, dat in
den jong sten dag het Koninkrijk openbaar zal worden, of dat het
reeds geopenbaard is bij Jezus\' komst in het vleesch?
Het feit dat sinds reeds achttien eeuwen verliepen, staat deze op-
-ocr page 64-
56
vatting niet in den weg. Ook van \'s Heeren wederkomst toch wordt
door den Christus zoowel als door zijn Apostelen op den toon der
sterk gespannen, onverwijlde verwachting gesproken, die verre van
vergissing te verraden, eer onmisbaar kenmerk is van helder, veer-
krachtig geloof.
De gelijkenis, ons in Lukas 19 meegedeeld, schijnt zelfs voor deze
opvatting te pleiten, want aanleiding tot haar uitspreken gaf de waan
der discipelen „dat het Koninkrijk Gods openbaar zou worden," en
dien waan bestrijdt de Heere uitdrukkelijk, verwijzend naar zijn
wederkomst op de wolken.
Toch is hiermee de aankondiging van het nabij zijn des Koninkrijks
niet uitgeput, mits men den zin van dat woord slechts niet in een
afgetrokken begrip late doorvloeien.
nationalistische prediking, invloed der wijsbegeerte en een valsch,
aan de Schrift vervreemd spiritualisme hebben ons gewend, onder
„Koninkrijk der hemelen" niet veel meer te verstaan dan het „rijk
van waarheid en deugd," het „rijk van liefde, licht en leven."
Zóó opgevat, mist echter .Tohannes\' woord zoowel als dat van den
Heere zelven allen zin. Immers, waarheid en deugd, licht zoowel als
liefde was op aarde geweest ook vóór zijn verschijning, en men moet
wel een zonderlinge voorstelling van de geschiedenis vóór Christus
hebben, zoo men ze tot aan zijn optreden van deze heerlijkheden
verstoken waant.
Doch niet alleen de geschiedenis, ook den godsdienst komt men
hiermee te na. Het is dezelfde feil, als waarin het half-geloof vervalt,
dat ten spijt van onze Gereformeerde vaderen, alle rechtzinnigheid in
het aangezicht slaat en prediken durft, dat de Christus door zijn
offerande den Vader tot barmhartigheid zou hebben bewogen. Aan de
eere Gods doet deze voorstelling te kort. Hij is de Onveranderlijke.
Hij wordt niet „de ontfermende Liefde," maar is dit van eeuwigheid.
Niet Hij wordt Vader door den Zoon, maar de Zoon is wat Hij is
krachtens de eeuwige onveranderlijke wezenheid des Vaders.
Niets is derhalve op geestelijk gebied ooit geworden. Alles is, wat
het is van eeuwigheid.
Noch Eethlehem, noch Golgotha, noch het geopend graf scheppen
een goddelijk iets, dat eerst door hen begint te bestaan. Zij zijn
slechts de openbaring, de ingang in de werkelijkheid van wat eeuwig
was in en bij God.
Althans in onze Kerk moet deze belijdenis met hand en tand wor-
den vastgehouden. Ze hangt op het innigst met de erkentenis van
een „Besluit" in den Eeuwige en van zijn „onveranderlijken Raad"
saam. Een scheuring tusschen Oud en Nieuw Verbond als men prediken
wil, is op het Gereformeerde erf contrabande. Het zuiverst, heerlijkst
idealisme is steeds door onze vaderen beleden. De naam Jehovah
reeds is onweerlegbaar protest tegen zoo onware prediking.
-ocr page 65-
57
Het „nabij komen" van het Koninkrijk kan dus nooit beteekenen,
dat waarheid, liefde en gerechtigheid, voor de vromen des Ouden
Verbonds verborgen, door Jezus\' komst aan deze wereld zouden ge-
schonken zijn. Dan zou slechts gekomen zijn, wat er reeds was en
de scherpe insnijding door de vleeschwording in de geschiedenis der
menschheid gemaakt, zou onverklaarbaar zijn.
Evenmin mag ondersteld, dat het Koninkrijk in Christus der wereld
nabij gekomen, door zijn optreden op aarde gesticht is in absoluten
zin. Met en in Hem is slechts tot deze aarde gekomen en voor deze
wereld ontsloten, wat van eeuwigheid reeds bestond en bij God was.
Met de algemeene begrippen van waarheid, liefde en gerechtigheid
vorderen we dan ook niet, en dan eerst valt er licht op Jezus\' aan-
kondiging, zoo we nadruk leggen op het woordeke „Koninkrijk."
Wat dusver voor de wereld slechts begrippen, droombeelden, af-
getrokken idealen waren, zal nu voortaan in een rijk van j]er.soon-
lijkheden,
in den éénen persoons des Koninys saamgebonden, zijn
openbaring erlangen in en voor den mensch.
En evenzoo, wat dusver voor den hemel nog in Gods raad besloten
was geweest en slechts als kracht, niet als wezenheid openbaar was
geworden, zal nu beginnen te ontluiken, zal van nu aan zich ont-
plooien, in het leven uitkomen, tot een rijk der heerlijkheid zich
aaneensluiten en in dat rijk als uit een middelpunt uitstralen van
zijn Koning,
Jezus\' aankondiging: „Het Koninkrijk is nabij," is dus niet een
veroordeeling van wat echter Hem ligt, als brak eerst met zijn vleesch-
wording de glans van licht en liefde door.
Dit kan niet, wijl Hij als het Woord, steeds in die wereld school
en in haar duisternis zich wikkelde.
Veeleer ligt hierin de rijke volheid van des Doopers profetie: Wat
dusver uiteengespreid en verstrooid lag zal nu saamgroeien tot één
rijk; wat dusver ledig ideaal was, zal nu kracht en leven worden in
menschelijke persoonlijkheid, naar den eisch van zijn hemehchen oor-
sprong; en evenzoo, wat dusver krachteloos wegzonk, zal nu tot eere
en macht komen door de glorie zijns Koninys.
Zoo opgevat laat men het Oud Verbond in zijn waarde, verlaagt
men de profeten niet tot dwepende zonderlingen, en verklaart zich
toch, waarom in het Oud Verbond schier nergens, in het Nieuw op
schier elke bladzijde van „het Koninkrijk der hemelen" sprake is.
In Israëls dagen werd het beeld, de schaduw van dat rijk, in de
Theocratie gezien en zijn wezen door het geloof gegrepen. Na Israëls
ondergang wijkt die schaduw, wijl het wezen gekomen is, en is niet
meer het wezen, maar de heerlijkheid voorwerp des geloofs.
-ocr page 66-
58
VI.
HET KONINKRIJK NU REEDS OP AARDE.
Het Koninkrijk Gods komt niet met uit
wendig gelaat, j|uiaar) js binnen ulieden.
Luk. 17 : 20, 21.
Twee reeksen van uitspraken loopen in onze Evangeliën en in de
Brieven der Apostelen naast elkander. Eenerzijds heet hrt, dat het
Koninkrijk er is,
maar ook wordt anderzijds met niet* zwakker
beslistheid uitgesproken, ddt het nog komen moet,
lleeds te duidelijk om uitlegging te eischen is Jezus\' eigen woord
tot de Earizeén: Zoo is dan het Koninkrijk Gods tot u
gekomen (Matth. 12 : 28), een uitspraak slechts in omgekeerden
vorm herhaald in dat andere woord: „Daarom zeg Ik u, dat
het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden"
(Matth. 21 : 43). Nog krasser, zoo men wil, is de uitspraak waarmee
Markus zijn negende hoofdstuk begint: „Voorwaar, Ik zeg u, dat er
sommigen zijn van degenen die hier staan, die den dood niet zullen
smaken, totdat zij zullen hebben gezien, dat het Koninkrijk Gods
met kracht gekomen is."
Van die daar stonden is de laatst gestorvene
sinds eeuwen verscheiden; het moet dus eeuwen lang reeds „in kracht
gekomen zijn." Evenmin wordt over het aanwezig zijn van het
Koninkrijk twijfel gelaten door de anders zoo raadselachtige spreuk:
„Van de dagen van Johannes wordt het Koninkrijk der heme-
len geweld aangedaan" (Matth. 11 : 12). En wil men ook dit
nog: de Apostel van Tarsen aarzelt niet over het arbeidsveld van
Colosse en de geroepenen uit de heidenen te schrijven, dat hij zich
gevoelt als een arbeider in het Koninkrijk Gods (Col. 4:11).
Dat het Koninkrijk der hemelen op aarde aanwezig is, staat
derhalve vast. De afgedoolde van geest moge er toe komen, het merg
uit deze woorden te boren, om niets dan het holle geraamte van
„deugd en plicht" over te houden, den Christen is dit spelen
met de Schrift ongeoorloofd. Eerbied mag en moet van hem voor de
uitspraken eener openbaring gevorderd worden, die voor echt en
valsch op Christelijk terrein oppermachtig, met aller toejuiching, beslist.
Toch wordt de andere reeks hierdoor allerminst opgeheven. Eerbied
voor de Schrift heeft niet wie slechts een deel, en wel een eiyen-
machtig gekozen
deel van haar uitspraken aanvaardt. Ze is wat ze is
en wil voor wat ze is genomen zijn. In het oogenblik uwer machtigste
ontplooiing in de vrijheid zult ge toch haar woord laten staan, dat
gij zonder den Christus niets doen kunt; en omgekeerd, als ge weg-
zinkt in de diepten der aanbidding, op welker bodem de troost der
-ocr page 67-
59
eeuwige verkiezing rust, dan moet toch, zonder de innerlijke harmonie
te breken, haar eisch voor ons volle gelding hebben, dat wij werken
moeten, werken onze eigen zaligheid, eene zalige vrucht uit vreezen
en beven gerijpt.
Ook de andere reeks moet hier dus aangewezen. Het Koninkrijk
is er,
maar ook, het is er nog niet, wijl het noy moet komen. Met
nadruk, schier vóór alles, wordt den bidder de bede nog op de lippen
gelegd: „Uw Koninkrijk kom e!" Gewraakt en weersproken wordt
de meening der jongeren, dat het Koninkrijk reeds terstond
zou openbaar worden (Luk 19 : 11). In de Apocolyptische
teekening die bij Mattheüs het lijdensverhaal voorafgaat, komt dat
Koninkrijk voor als een toekomstige erfenis: „Beërft het Konink-
rijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld"
(Matth. 25 : 34). Het is des Vaders welbehagen ulieden het, Konink-
r ij k te geven (Luk. 12:32). De Christus verordineer t, beschikt
dus als iets toekomstigs, aan zijn jongeren liet Koninkrijk (Luk. 22 : 29).
„De rechtvaardigen zullen blinken als de zon in het Koninkrijk des
Vaders" (Matth. 13 : 43;; en Paulus, die door den Geest sprak, bidt
het zich zelven toe, dat zijn Heere en grootmachtige Koning „hem
beware tot zijn hemelsch Koninkrijk" (2 Tim. 4 : 18).
De laatste reeks brengt haar uitlegging met zich. Daar twijfelt
niemand aan, die aan de Schrift niet twijfelt, of het Koninkrijk dat
komt, doelt op den Christus, komende in zijn glorie, met zijn heilige
engelen, om de heerlijkheid te doen uitbreken en de gouden kronen
aan alle mensch te reiken, die geleefd heeft uit zijn dood. Het
Koninkrijk dat komt, •— wie tast het niet voetstoots? — dat is
\'s Heeren wederkomst op de wolken, als alle oog Hem zien zal, de
voleinding der eeuwen, de ingang in het storeloos Hallelujah, het
uitrijden ter overwinning en ter heerschappij van Hem, die op het
witte paard gezeten, den naam in de lendenen gedreven draagt, die
hem noemt als het Woord Gods.
Slechts blijft de vraag, hoe daarmee de eerste reeks van uitspraken
te rijmen zij.
Oplossing geeft de Heere zelf.            ^^
Zijn Koninkrijk, voert hij Eome\'s landvoogd met kalmen ernst
tegemoet, is niet van deze wereld (Joh. 18 : 36). Het komt wel nu
reeds, maar gekomen blijft het toch schuil, want het komt niet met
uitwendig geloot
(Luk. 17 : 20), het heeft zijn terrein en domein
niet in de zichtbare heerlijkheid van dit nu in gang zijnd, voor aller
oog in glans en glorie blinkend leven: zijn domein ligt in het leven
achter dat schitterend gordijn: het Koninkrijk Gods is binnen ulieden
(Euk. 17 : 21). Zoolang ge de gave mist om door dat gordijn heen,
achter dat scherm om te zien, ziet ge dus ook van dat Koninkrijk
niets. Tenzij iemand wedergeboren wordt uit water en geest, hij kan
het Koninkrijk Gods niet zien
(Joh, 3 : 3). Het mist tot streeling
-ocr page 68-
60
van de onwedergeboren natuur letterlijk alles, want kortweg moet
betuigd, dat vleesch en bloed het Koninkrijk Gods niet beërven zullen
(1 Cor. 15 : 50), dat het spijs noch drank is (Rom. 14 : 17) en
zelfs zich niet naar het tweeslachtig gebied der klanken laat neer-
trekken, want dat het Koninkrijk Gods niet gelegen is in woorden
(1 Cor. 4 : 20).
Scherp en duidelijk loopt dus het dubbel spoor uiteen.
Het Koninkrijk dat nog komen moet, is met uitwendig gelaat, met
den glans der krone, stralend in eeuwig diepe heerlijkheid.
Het Koninkrijk dat er is, binnen in den mensch, is slechts voor
den ingewijde waarneembaar, en verschilt in geaardheid van het
leven dat de wereld leeft.
Toch were men misverstand.
De tegenstelling mag niet zoo opgevat, als ware het geestelijk
karakter kenmerk wèl van het Koninkrijk dat er is, maar niet van
het Koninkrijk dat komt. Integendeel. Geestelijk blijft zijn aard, maar
nu derft dat geestelijke nog zijn uitstraling in het zichtbare. Tot
symbool heeft het hier nog het kruis, ontvangt het daar eerst de
kroon.
En evenmin geve men de voorstelling ingang, alsof het Koninkrijk
dat komt wèl, dat er is niet waarneembaar zou zijn, een dwaling,
waarin men zoo licht vervalt door de valsche tegenstelling van uit-
wendig
en inwendig Koninkrijk. Slechts zooveel is met de onzichtbaar-
• heid van het reeds gekomen Koninkrijk uitgesproken, dat de schoon-
heid dezer wereld geen voertuig voor zijn heiligheid kan zijn, dat
het deswege achter den schijn dezer wereld schuilt en slechts waar-
neembaar is voor dengene, wiens oog door dien schijn leerde heengluren.
Het is van belang hierop te letten.
Immers, houdt ge niet onverbiddelijk vast aan een feitelijk nu
reeds op aarde bestaand Koninkrijk van Christus, dan verlokt men
u, eer ge het weet, om voor dat Koninkrijk „heerschappij" te schrijven,
en in plaats van den Christus u „zijn geest" te denken. Van de
„heerschappij van Jezus\' geest" tot zeker „veldwinnen van geloof,
hoop en liefde" is de schrede nauwelijks waarneembaar, en uws
ondanks hebt ge uw Christelijke belijdenis uitgewisseld voor afge-
trokken begrippen van deugd. Zoo went de geest er aan, om het
Koninkrijk van Jezus steeds in oneigenlijken, steeds in overdrachte-
lijken zin op te vatten; dit ook te doen waar die overdrachtelijke
zin eenvoudig onzin wordt, en ten leste zelfs in de Apocolyptische
redenen des .Heeren een tegenschriftuurlijke vergeestelijking toe te
laten, die werken moet, wat ze in de Gemeente allengs had gewerkt;
een volkomen afsterven aan de hoopvolle verwachting van Jezus\'
wederkomst op de wolken.
Dit mag niet.
Tegen zoo verregaande misleiding, tegen zoo slinksche ontfutseling
-ocr page 69-
^v\':;\'\'":--r\'"\'^\';^^"\';?\'\'\' "*\'> *"--:-:\'
van een der heerlijkste troostgronden van ons Christelijk geloof moet
bij eigen hart gewaakt en voor anderer hart gestreden.
Hond daarom vast aan wat de Schrift zegt en neem het zooals ze
het zegt. Niet geestelijker en niet anders, maar gelijk zij het u betuigt.
Nu reeds op aarde het Koninkrijk des hemels. Niet <en Koninkrijk,
niet een afschaduwing van het Koninkrijk, maar dat Koninkrijk
zelf. Het Koninkrijk dat is en eeuwig blijft. Datzelfde dat eens in
heilige glorie schitteren zal, als de eeuwige morgen komt.
Maar met dat al, hoe diep ook nog schuilend, een Koninkrijk, een
Koninkrijk nu reeds, een rijk met een Koning, aan dien Koning
hangend, door dien Koning beheerscht, bezield, beschermd.
Niet een denkbeeldig rijk van oorspronkelijke liefde en onpersoonlijk
leven, maar een rijk, waarin aan den Persoon, in wien alle ge-
heiligde persoonlijkheid wortelen moet, als Stichter, als Drager, als
Vorst in heel het rijksgebied de hulde des lofs en der eerbiedinge
toekomt. Niet zulk een, wien de deugd en de liefde wordt omge-
liangen als het purperkleed, dat Hem tot Koning wijden zal, maar
een Koning, die uit zich zelf de liefde voortbrengt, uit zijn Konings-
hart het leven vloeien doet, en uit den glans „zijner zilveren hairen"
het licht doet wellen voor ons hart.
Keeds twee wegen zijn hiermee afgesloten.
Vooreerst de weg naar Home.
De zichtbare Kerk met het Godsrijk gelijkstellend, komt Home in
onverzoenlijken strijd met het Schriftwoord, dat een Koninkrijk
proclameert „nog niet met uitwendig gelaat.
Maar ook afgesneden de weg naar het door en door Eoomsche
Modernisme.
Immers het Koninkrijk van Christus in een rijk van onpersoonlijke
ideeën
oplossend, heeft het Modernisme voor goed gebroken met de
Schrift, die uit de persoonlijkheid van Christus leeft en van zijn
persoon het al afhankelijk stelt.
VII.
B E L IJ D E N.
Het heeft den Heiligen Geest en ons goed-
gedacht.
                               Hann. XV : 26.
Het Kijk der hemelen, hoewel niet komend met uitwendig ge-
laat noch van deze wereld zijnde, is niettemin, gelijk we zagen, reeds
in deze wereld openbaar; openbaar als Koninkrijk; als Koninkrijk
der hemelen waarneembaar. Kome het al met vollen luister eerst bij
-ocr page 70-
62
\'s Heeren tweede komst, toch moet nu reeds op aarde zulk een ver-
schijning van dit Koninkrijk aanwijsbaar zijn, dat wat eens komt
met den jonasten dag, in het bestaande geworteld zal blijken.
Er kan noch mag derhalve sprake zijn van een „op zichzelf staan,"
een drijven op eigen wieken, een in geestdrijverij zich van allen
afzonderen. Men heeft met den Christus niet van doen, tenzij men
een Rijk wille, een Rijk zoeke, en zich bewust zij door oorsprong
en bestemming tot een Rijk te behooren.
Niet om een afgetrokken begrip van „zaligheid," niet om over-
spannen idealen van heilige vreugde, niet om een veilig loevluchts-
oord aan gindsche kusten, gaat de wedloop, maar om den ingang
in het Koninkrijk.
Niet als bedoelde de Schrift met dat Koninkrijk
slechts een welgekozen vorm, een geschikt beeld om ons de zaligheid
voor te stellen. Verre van dien. Het „Koninkrijk" is nabij gekomen,
dan is hiermee verklaard, dat dit Koninkrijk het eigenlijke, het
wezenlijke, het voltooide is van wat \'s menschen hart ooit als zalig
zich gedroomd kon hebben. Dan ligt hierin uitgesproken, dat er geen
andere zaligheid, dan in den vorm van het Koninkrijk denkbaar is;
dat dat Koninkrijk even vast bij ons behoort als wij voor dat
Koninkrijk geschapen zijn; dat slechts voorsmaak, nog niet het wezen
der zaligheid ervaren wordt, zoolang men in dat Koninkrijk niet
inging, en dat derhalve in dit schijnbaar toekomstige beeld het alles
afdoend karakter geteekend ligt. waarin voor alle heil en heerlijkheid
het pit schuilt en het kenmerk.
Dit leidt vanzelf tot de Gemeente.
De Gemende is de openbaarwording van het Rijk van Christus op
aarde. Ze vormt den grondtrek voor geheel het Christendom in zijn
levensontplooiing voor deze bedeeling.
Aan de Gemeente \'ringt het al.
De Gemeente i3 de gemeenschap van mensch en mensch, voor
zoover ze in Christus vereenigd zijn. Het tegenovergestelde van het
„op zichzelf staan." De niet door menschen gestichte, maar uit Christus
gewrochte eenheid zijner belijders.
Op haar wijst de Heer daarom onmiddellijk, zoodra er sprake komt
van de Sleutelen des Hemelrijks. „Op u zal ik mijn Gemeente
bouwen.\'\'\'\'
Ze zal niet uit zichzelve ontstaan, niet vrucht van menschelijk
overleg of willekeur des geloofs zijn. — Hij zal ze bouwen, tot ze
voleind zij. Legging der grondslagen, optrekking der muren, vast-
hechting van kroonlijst en gevelspits, kortom, al wat tot het bouwen
behoort, zal de bouw voltooid zijn, van Hem gaat het uit, Hij doet het.
Een Gemeente ontstaat niet doordat hier en ginds één bekeerd
wordt tot het geloof en die eenlingen goedvinden zich saam te voegen.
Ze is geen genootschap, noch vennootschap, geen vereeniging noch
verbond, in den gangbaren zin dezer woorden. De Gemeente is een
kunstwerk van Christus.
-ocr page 71-
63
Nog eer de geloovige zich zijns geloofs bewust wordt, heeft Christus,
die zijn ziel bewerkt, reeds de plaats beschikt door hem in de Ge-
meente in te nemen, en de gaven gereed gemaakt, die door hem der
Gemeente zullen toekomen. Naar het bestek behoort zulk een reeds
tot de Gemeente, is zij reeds in Hem, is Hij haar lid geworden, nog
eer de geroepene tot belijdenis van den Christus voortschreed.
Aan dit onuitwischbaar karakter der Gemeente houde men streng
vast. Verlaagd tot een „vereeniging" van menschelijke vinding, derft
ze haar levenskracht, mist ze het eigenaardig Christelijk karakter en
bereidt ze voor een modern conventikelwezen den weg.
De Gemeente wordt niet door menschenhand in de geschiedenis
geplaatst, maar rust op een eigen pijler en klemt met een eigen
anker zich aan het verleden vast.
Ze komt uit de diepte en komt van verre.
Uit de diepte, want in de wedergeboorte, in het komen van zielen
ten leven uit den dood, in den wortel der uitverkiezing Gods, ritselt
het levenssap dat haar bloei en vruchten waarborgt.
Ze is eer ze zichtbaar wordt in de diepte der geesten reeds aan-
wezig, en wierd eer ze te voorschijn trad reeds aanschouwd door
Hem, die haar uit de lendenen zijner ontferming voortbrengt.
Men zou dit de horizontale lijn der Gemeente kunnen noemen, in
tegenstelling met de verticale, die de Gemeente aller eeuwen aaneen,
en elke nieuw opkomende gemeente aan het verleden verbindt.
Er is maar één Moeder-\'/emeente. Ze ontstond en bloeide te Jeruzalem.
Van Jeruzalem stamt in rechte linie elke stads- en dorpsgemeente
af, die onder wat meridiaan ook als Gemeente van den Christus optrad.
Gelijk Adam ons aller stamvader is en geen menschelijk vleesch
en bloed zich toonen laat, dat niet in de rechte lijn van den eerst
door God geschapen mensch is afgestamd, — zoo is ook Jeruzalems
gemeente
ons aller moeder en laat zich zelfs bij het ijsveld aan de
Noorderpool geen Hernhutter gemeente, zoo wegkruipend klein, zoo
vergeten en nauw meegeteld denken, die niet door de schakelen van
duizend andere gemeenten, met de eerste, door Jezus zelf gestichte
gemeente van Jeruzalem in verband staat.
De historische Christus werkt nog op de gemeenten, zij het ook
door een verleden van achttien eeuwen heen, en de verheerlijkte
Christus zet onverpoosd den bouw zijner Gemeente voort, ze nog
steeds even onmiddellijk door de kracht zijns Geestes aangrijpend,
als toen de eerste op den Pinksterdag werd gesticht.
Aan die dubbele werking is de Gemeente van den Zone Gods ge-
bonden. Altijd nieuw moet ze zijn, door het steeds versch opduiken
van de levend gemaakte en verloste zielen, maar ook altijd de oude
moet haar leus zijn, wijl in de eerste gemeente van Jeruzalem de
grondtype van haar wezen door Christus zelven gegeven is.
Haar levenstaak is met een enkelen trek geteekend: ze heeft te
-ocr page 72-
64
belijden. Voeg er, zoo wilt ge, ter voorkoming van misverstand bij,
dat haar belijdenis niet in woord en vorm alleen, maar ook in de
kracht des duldens en des lijdens, der zelfverloochening en ontfer-
ming, der heiliging en der veredeling openbaar moet worden, — dit
breidt haar taak niet uit noch krimpt die in, die taak blijft: den
Christus te belijden.
Een vereeniging der goedwilligen, die dulden en lijden, zich ver-
loochenen en op het outer der ontferming offeren, die, aan zonde
zich spenend, wassen in goede werken, — vormt nog geen gemeente.
Dit wordt ze eerst, zoo dit dulden en liefhebben en dooden der
zonde ter wille van den Christus geschiedt, door Hem en in zijn
kracht, in één woord, om Hem te belijden.
De tegenstelling tusschen belijdenis in het woord en belijdenis in
de daad, is hierbij ondergeschikt. Ze komt eerst ter sprake bij ont-
aarding en verbastering van het wezen der Gemeente. In de diepste
kern van haar leven bestaat die onderscheiding zelfs niet. „Wie zegt
gij, vraagt de lieer, dat Ik ben?" en aan deze in woorden geuite
belijdenis geeft Hij getuigenis, dat ze opwelde uit die diepte des
verborgenen levens, waar vleesch en bloed krachteloos is en alleen
het werk kracht heeft van den Vader ait de hemelen.
We houden ons daarom geen oogenblik bij deze schreiende tegen-
stelling op. De belijdenis door ons bedoeld moet een bewuste belijdenis
zijn en kan dus het uitgesproken woord niet missen, maar moet juist
daarom een levensgroad onder zich hebben, waaruit de springader
van het heilig enthousiasme welt.
Petrus heeft op dit stuk der belijdenis een onverwinlijk primaat.
Door hem is het woord der belijdenis het eerst gesproken en zijn
enthousiaste natuur is reeds aan den voet van den Thabor waarborg,
dat ook op den Pinksterdag het eerst van zijn lippen de yroote be-
lijdenis
der Gemeente van Christus vloeien zal.
Zijn beteekenis voor de Gemeente van alle eeuwen is dus geheel
eenig en uitnemend. Hem komt een eereplaats toe gelijk aan niet
een eenig menseh, een plaats als niet één ander der Apostelen gegund
wordt, niet om wat hij deed, maar wijl hij tot deze uitnemende daad
van God verkoren was.
Eerst in haar belijdenis wordt de Gemeente van Christus waar-
neembaar, en Petrus was er toe verkoren, er op aangelegd, er voor
bestemd, om het eerst met maatgevend gezag, door de werking des
Geestes, die belijdenis op de lippen te nemen, waaruit alle verdere
belijdenis der Gemeente, als de aire uit den halm,en de halm uit
de kiem en de kiem uit den korrel groeien zou.
Slechts zie men toe, dat men \'s Heeren woorden niet misduide.
Hij zal zijn Gemeente bouwen, niet op de belijdenis van Simon
Jona\'s zoon, maar op den belijdenden Petrus. \'
-ocr page 73-
.
65
VIII.
PETRUS, DE ZUIL DER GEMEENTE.
Gij zijt Petrus, en op deze Petra zal Ik
mijne Gemeente bouwen.
Matth. XVI : 17.
Op het stuk der belijdenis kan noch mag het primaat aan Petrus
betwist. Hij staat, eerst onder de Discipelen, straks onder de Apostelen,
vooraan. Jezus zelf heeft hem dien voorrang toegewezen, en de ge-
schiedenis des Nieuwen Testaments staaft slechts wat zich op grond
van Jezus\' uitspraak liet wachten.
Het sterkst sprekend te dezen opzichte zijn de beide stellige ver-
klaringen van den Heere: 1". Gij zijt Petras, en op deze Petra zal
Ik mijne Gemeente bouwen,
— en 3°. het woord kort voor den
uitgang naar Gethsémané gesproken: En gij, wanneer gij bekeerd
zult zijn, zoo versterk uwe broederen
(Luk. XXII : 32). Elke poging
om deze uitspraken anders te duiden dunkt ons gezocht en mislukt.
Bekend is de uitlegging van „op deze Petra zal Ik mijn Gemeente
bouwen," die vooral sinds de Hervorming in zwang kwam. Niet
Petrus\' persoon, maar de door hem uitgesproken belijdenis zou als
de Petra d. i. de rots zijn aangewezen, waarop de bouw der Gemeente
rusten moest. Men beriep zich ter handhaving van deze zienswijs
liefst op de Apostolische uitspraak: dat niemand een ander fundament
leggen kan dan hetwelk gelegd is, namelijk Jezus Christus; voorts op
de verandering van den naam Petrus in Petra, waardoor blijkbaar
een zaak, niet een persoon bedoeld werd; en. eindelijk op de driewerf
herhaalde verloochening en het gebeurde waarvan Galaten II bericht.
Deze uitlegging moet uit overprikkelde reactie tegen Kome\'s drijven
voor het papisme verklaard. Ze heeft slechts tegenover Rome\'s onware
verklaring kracht. Wordt van Uoomsche zijde beweerd, dat Petrus\'
ambt, niet zijn persoon, of ook wel zijn ambtelijke persoon, maar
dan deze ook gescheiden van zijn geestestoestand, zou bedoeld zijn,
— dan moet ter bestrijding van deze dwaling noodzakelijk een een-
zijdige uitlegging optreden, die ter ontkoming aan het ambt, ook den
persoon glippen laat, en uitsluitend let op de belijdenis, als vrucht
van wat „de Vader in de hemelen heeft geopenbaard."
Toch berokkende ook deze eenzijdigheid schade, en het veiligst
gaat de Gemeente, zoo ze, leeft bij den eenvoudigen zin van Gods
Woord, de gevolgen overlatend aan Hem, die haar dit Woord heeft
toevertrouwd.
Er ligt in het aangevoerde geen kracht van bewijs. Dat reeds de
J\'salmist en Jesaia, en in aansluiting aan deze Godsmannen des Ouden
E
-ocr page 74-
66
Verbonds, ook Simeon, str.iks Jezus zelf, en eindelijk zijn Apostelen,
van een „steen" een „kostelijken steen" een „eenig fundament"
spreken, waarop de Gemeente des levenden Gods rusten moet, is
ontegenzeggelijk waar, doch bewijst niets.
Immers in het boek der Openbaring staat duidelijk: „En de muur
der stad had twaalf fundamenten en in dezelve de namen der twaalf
Apostelen
des Lams", (YXII : 14). Bovendien beeld en beeld mag
niet verward. Denkt men de Gemeente met Christus als één geheel,
dan is God de Vader de Kunstenaar en Opperste; Bouwmeester, en
bijgevolg de Christus fundament voor den bouw. Neem ik daarentegen
Christus zelf in het beeld van den Bouwmeester, en stel ik mij dus
de Gemeente voor als door Hem gewrocht, dan behoeft het geen
betoog, dat het fundament buiten Christus moet gezocht worden in
dien steen, dien Hij het eerst aangrijpt om hem als hoeksteen voor
den grondslag te leggen.
Even doelloos is de verwijzing naar de verloochening. De Heere
zegt uitdrukkelijk: „zal Ik mijne Gemeente bouwen." — „Ik zal u
geven de sleutelen des Koninkrijks." Er wordt gedoeld op een feit,
dat eerst in de toekomst tot werkelijkheid komt. Van den tijd na de
verloochening,
niet van de maanden die nog voorafgingen, is sprake.
De bouw der Gemeente begint eerst na Jezus\' verrijzenis uit de
dooden, want „de Heilige Geest kon nog niet komen, dewijl Christus
nog niet\' verheerlijkt was."
De vorm Petra behoeft na het aangevoerde nauwlijks meer be-
sproken te worden. Letterlijk zegt de Heere tot hem: „Simon Jonaszoon,
Ik noem van nu af uw naam Rotsman en op deze Rots zal Ik mijn
Gemeente bouwen." Waarop zou nu, naar den eisch der taalkunde,
het woordeke deze anders terugslaan, dan op het pas voorafgegane
Rotsman? Hoe kan men voorwenden, dat de Heere alsdan had
moeten zeggen: „en op dezen Rotsman zal Ik mijn Gemeente bouwen" ?
Die zoo spreekt, voelt blijkbaar niet, dat de nieuw gegeven naam van
Rotsman juist in het terstond daaropvolgende wordt verklaard.
Afziende van een eenzijdigheid, die eertijds volkomen verklaarbaar,
thans zichzelve weerlegt, handhaven we dan ook dien eenvoudigen
zin van Jezus\' woorden, die van zelf in het oog springt. Bij het
leggen van den eersten steen voor het fundament zijner Gemeente
zal die eerste steen Petrus zijn.
Gelijken voorrang verleent Jezus hem in zijn lijdensnacht. „De
Sathan heeft zeer begeerd u te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor
u gebeden, dat uw geloof niet ophoude, en gij, zoo wanneer gij zult
bekeerd aijn, zoo versterk uwe broederen." Een uitspraak, te opmerke-
lijker om de profetie der verloochening, die onmiddellijk volgt en de
aankondiging van felle sathanische bestrijding, die terstond vooraf-
gaat: blijk te over, dat de persoon van Petrus geen oogenblik gedacht
wordt als verheven boven den zondig-menschelijken toestand, en dat
-ocr page 75-
67
derhalve de hem verleende voorrang zich uitsluitend aan datgene
hecht, wat in hem van Christus is.
Nog toeft de bouw der Gemeente, de Pinksterdag is nog komende.
De Discipel moet nog door de diepte der jammerlijkste verloochening
getrokken, eer hij rijp voor het Apostolaat op zal staan. Hij heeft
zich nog te bekeeren. Hij gelooft nog niet aan den zoen, die in het
bloed des kruises is. Hij meent het wel, maar nu de ure komt, dat
het naar dat kruis gaat, protesteert hij met al de energie zijner
ongeloovige natuur. Dat lijden kan niet. Aan den band die hem met
Jezus verbindt, ontbreekt nog innerlijke heiliging.
Die komt niet en kan niet komen, eer het met Petrus in de diepte
gegaan is, door een diepte waarvan hij zelf de helfte niet vermoedt.
In een diepte moet hij wegzinken, die juist door zijn natuur, zijn
karakter, zijn temperament aangegeven, de onafscheidelijke voorwaarde
was voor de hooge roeping, die hij als Apostel niet slechts, maar als
eerste der Apostelen te vervullen zou hebben. „Petrus! als gij eens
zult bekeerd zijn, versterk uwe broederen!"
Toch is de hier bedoelde voorrang een geheel andere dan de heilige
roeping in Mattheus XVI voor hem weggelegd. Daar is het de eerste
steen in het fundament der Gemeente, waarbij hij lijdelijk blijft,
waarbij de Heere het aan en met hem doet, en hij de Petra blijven
zou, ook al stierf hij vóór den Pinksterdag, of al wierd nog vóór de
uitstorting des Geestes zijn mond voor altijd gesloten. Hier daaren-
tegen is het een taak voor Petrus zelven overgelaten, een daad door
hem op zich te nemen. De broederen sterken, dat ware ondenkbaar,
tenzij hij op den Pinksterdag nog met hen was en in den eersten
strijd der Gemeente als leidsman aan hun hoofd kon staan.
De eerste steen beheerscht in zekeren zin den ganschen bouw. De
plaats zijner ligging, de richting zelfs waarin hij gelegd wordt, beslist
voor eiken volgenden steen, die daar naast en voor elke hoogere
steenlaag, die er op zal gelegd worden. De eerste steen heerscht in
den bouw, maar door zich de onderste plaats te laten welgevallen.
Zoo nu was ook Petrus primaat naar den regel, „dat wie ailer heer
zou willen zijn den schepter dier heerschappij in het dienen der
broederen had te vinden." Het sterken der broederen, het hun meê-
deelen van zijn kracht, het zich hun toewijden en geven, ziedaar het
terrein waarop Jezus wil dat zich zijn voorrang openbaren zal. In
het kracht leenen aan anderen moet het blijken, dat hij zelf de
geloofskracht uit Christus metterdaad ontving.
Met deze uitspraak van Jezus is het verhaal der Evangeliën in
volkomen overeenstemming. Van het leven der meeste Apostelen weet
ge niets, hoogstens hun naam; van Petrus ware een levensgeschiedenis
te schrijven. De meeste discipelen worden in de Evangeliën slechts
in de naamlijst der Apostelen vermeld, zonder dat overigens ook
maar een éénig bericht van hen geboekstaafd is, van Petrus daaren-
-ocr page 76-
68
tegen leest men schier op elke bladzijde. Niet slechts dat hij tot de
drie intiemste van Jezus\' Discipelen behoort, maar zelfs onder het
tweetal (Petrus en Johannes), dat zoo dikwijls onder de drie afzonder-
lijke vermeld wordt, staat Petrus steeds vooraan.
Omstandig is het verhaal zijner roeping (Matth. IV : 18); een
wonder is door den Heere in zijn familie verricht (VIII : 14); bij de
uitzending der discipelen staat zijn naam de eerste (X : 1); hij heeft
met Jezus op de zee gewandeld (XIV : 29); zijn naam is veranderd
en een bijzondere zaligspreking over hem uitgegaan (XVI : 16—18);
hij sprak bij de verheerlijking op Thabor (XVII : ï) ; hem vroegen
de tolheflers om de didrachmen (XVII : 24); hij wordt met name
in Gethsémané vermeld (XXVI : 37); hij trekt het zwaard bij de
gevangenneming; hij volgt Jezus in het paleis; hij alleen ontvangt
in den lijdensnacht een bijzondere waarschuwing van Jezus en zijn
verloochening wordt uitvoerig beschreven. Meer nog. Van hem lezen
we, dat hij met Johannes werd uitgezonden om het Pascha te be-
reiden (Lucas XXII : 8); hij komt sprekende voor bij de wondere
vischvangst (Luk. "V : 5); hij antwoordt in aller naam: „Heer! tot
wien zouden we heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens;"
en zijn tegenstand vormt bij de voetwassching de treffendste episode.
Evenzoo, na \'s Hoeren opstanding staat Petrus bij het onderzoeken
van het graf op den voorgrond. Van alle jongeren heeft hij den Heere
het eerst ontmoet. „En hij is van Simon gezien!" is de juichtoon op
aller lippen. Aan Gennésareths oever ontvangt hij de driewerf her-
haalde opdracht om de kudde des Ileeren te weiden. En zelfs als de
Verrezene ten hemel is gevaren, is het nog Petrus die in het midden
der broederen raadgevend optreedt (Hand. I); Petrus die op den
Pinksterdag in aller naam tot de schare spreekt; Petrus die het eerst
wonderen der genezing verricht; Petrus die het eerste oordeel vol-
trekt (in de personen van Ananias en Sattira); Petrus die het eerst
voor Synagoog en Stadhouder verschijnt; Petrus die het eerst een
doode opwekt; Petrus die het eerst een gezicht ontvangt; Petras die
het eerst den Heidenen het Evangelie predikt; Petrus van wiens
strijd met Paulus ons de Galaten-brief meldt, maar die toch ook, om
met een ander woord uit dienzelfden brief te spreken, „steeds als een
zuil der Gemeente wordt geacht."
Te ontkennen dat Petrus een uitnemende plaats onder de Discipelen
zoowel als Apostelen innam, is derhalve tegenspraak tegen de Schrift
zelve. Wie zieh aan haar met den moed des geloofs houdt, moet toe-
stemmen wat reeds (\'al rijn uitsprak: „Wel terdege wordt in de Schrift
de luistervolle uitnemendheid van Petrus geteekend, gelijk ieder
Christen, naar de mate der gave van Christus, in zijn orde, veel of
weinig ontvangen heeft."
-ocr page 77-
69
IX.
PETRUS, MAAR NIET ALLEEN.
En toen Petrus te Antiochië gekomen was,
wederstond ik hem in liet aangezicht, omdat
hij te bestraffen was.
                Gal. 11 : 11.
Het primaat van Petrus wordt niet geloochend, mits beperkt binnen
zijn juiste grenzen, door Christus zelf afgebakend.
Hij ontving het primaat onder de belijders van Jezus, om „eerste
steen" te zijn in het fundament, waarop zijn Gemeente door Hem
stond gebouwd te worden. En evenzoo, voorrang werd hem gegeven,
om zijn broederen tot sterking en steun te zijn.
Feil daarentegen gaat men, door tot dit primaat ook de Sleutel-
macht te rekenen; vooreerst wijl Jezus in Mattheüs.18 en Johannes
20 deze macht uitdrukkelijk aan de gezamenlijke Apostelen toekent;
en ten andere wijl niet één voorbeeld in de Schrift aanwezig is, dat,
bij verschil van gevoelen, Petrus\' beslissing als onfeilbare beslechting
van het geschil ingeroepen en aanvaard is.
Het gebeurde te Jeruzalem en te Antiochië, in zijn onderling ver-
band, is hiervoor afdoende.
Op de Synode te Jeruzalem vervulde l\'etrus geen pauselijke rol.
Hand. 15:2 meldt, niet dat men besloot de beslissing van Petrus,
ook niet van l\'etrus èn een Apostelconvent in te roepen. Yan Petrus
is eenvoudig geen sprake. „Zoo hebben zij verordend," lezen we, „dat
Paulus en Barnabas zouden opgaan tot de Apostelen en Ouderlingen
naar Jeruzalem." Waaruit niets meer, maar ook niets minder volgt
dan deze twee: lo. dat men wel degelijk wist dat er een macht was
die beslissen kon; en 2o. dat men die macht zocht bij de Apostelen
en Ouderlingen van de eerste door Jezus zelf gestichte Gemeente.
Te Jeruzalem gekomen wordt dit gezantschap ontvangen, niet door
l\'etrus, niet allereerst door de Apostelen, niet namens hen door de
Ouderlingen. Aldus toch lezen we: „Wierden ze ontvangen lo. van
de Gemeente, 2o. van de Apostelen en 3o. van de Ouderlingen."
Nu had er beraad en overlegging plaats.
Van wie? Yan Petrus alleen? Integendeel. Er wordt van hem nog
niet gerept. De zaak wordt in besloten vergadering besproken en tot
deze vergadering komen saam, niet alleen „die zuilen geacht werden,"
niet alleen de Apostelen, maar de Ouderlingen van Jeruzalem met hen.
Onderwijl heeft in de samenkomst der Gemeente groote twisting
plaats tusschen de drijvers van de ceremoniëele wet en de voor-
standers van een vrij Christendom onder de heidenen. Men wacht
-ocr page 78-
70
beiderzijds op het beslissend advies door de Apostelen en de Ouder-
lingen uit te brengen.
Dit advies komt ten laatste en wordt bij monde van Petrus en
Jacobus aan de verzamelde menigte meegedeeld.
Petrus spreekt eerst. Ziedaar zijn voorrang, zijn primaat. Hij is
aller tolk en woordvoerder, de man van het initiatief, wel ter tale en
door zijn indrukwekkende figuur eerbied afdwingende.
Toch ontleent hij het recht tot spreken ditmaal niet aan den voor-
rang, waarvan sprake is, maar aan het wondere visioen hem naar
luid van Hand. 10 te beurt gevallen: „Gij weet dat onder ons God
van over langen tijd mij verkoren heeft, dat de heidenen door mijnen
mond het Evangelie zouden hooren
en gelooven."
De verzamelde Gemeente zwijgt hierop. Dit sluit in, dat de leden
der Gemeente hadden kunnen spreken. Van een gewone godsdienst-
oefening zal niemand melden: „En al de menigte zweeg stil." Zulk
een bijvoeging zou gezonden zin missen, tenzij de mogelijkheid van
het tegendeel wordt ondersteld.
Daarop ontvangt niet slechts Paulus, maar ook Barnabas het
woord, om ter winning van de Gemeente voor Petrus\' advies, „te
verhalen wat groote dingen God door hen onder de heidenen gedaan
had." En nu is het niet Petrus, maar .Tacobus, die aan het onbepaalde
en zwevende advies van Petrus eerst zijn nauwkeurige en scherp om-
schreven bepaling geeft, door schier letterlijk de redactie voor te
stellen van wat men den broederen melden zou.
Intusschen, ook hij besluit noch beslist. Evenals Petrus stelt hij
slechts voor, en nu is het de gezamenlijke vergadering uit de drie
elementen, van 1°. de Apostelen, 2°. de Ouderlingen en 3°. de Ge-
meente, bestaande, die het ingediende voorstel bij stemming aanneemt
en hiermee kracht van wet verleent.
Uitdrukkelijk komt dienovereenkomstig aan het hoofd van hun
mandement te staan: De Apostelen, en de Ouderlingen, en de broe-
ders
wenschen den broederen uit de heidenen die in Antiochië en
Syrië en C\'ilicië zijn, zaligheid!"
Hier is alzoo de Sleutelmacht uitgeoefend. Er is bepaald wat tot
de zaligheid dient, wat eisch is om zalig te worden, en dus, anders
genomen, de zaligheid verhinderen zou. Hier is gebonden en ont-
bonden op aarde, om ook in den hemel gebonden en ontbonden te
zijn. Hier is geen zonde te zijn verklaard wat door anderen de schuld
en de zonde was aangerekend. Kortom, hier is 1°. de openbaring
van een beslissend gezag en 2°. ondubbelzinnige aanwijzing van den
vorm, waarin zich dit beslissend gezag heeft te toonen. . . Edoch, van
een deel ook maar des gezags, van een gezag dat recht tot beslissen
zou hebben, bespeurt ge bij Petrus, bij den Eotsman, bij Simon bar
Jona niets.
Palen we in deze verklaring van Hand. 16, men wijze het ons
-ocr page 79-
71
aan. Immers voor het verloop van. Jezus\' Kerk en ook voor onze
tegenwoordige toestanden, is er geen gewichtiger hoofdstuk in geheel
de Schrift.
Krachtens dit hoofdstuk verwerpen we in naam der Schrift geheel
het stelsel der Eoomsche hiërarchie, maar ook het stelsel der onge-
bondenheid waarin het Protestantisme allengs verliep.
Vast staan we in de overtuiging, dat Jezus, de Zone Gods, Hoofd
en Koning der Gemeente, een gezag op aarde gevestigd heeft, en dat
Hij dit deed, niet ter wille van een vorm, maar wijl Hij, die wist
wat in den mensch was, ook wist, dat de mensch buiten dit gezag
niet kan, dat het hem behoefte is, zal hij vrede des gewetens hebben
en in de kalmte des geloofs zijn weg bewandelen voor zijn God.
De ervaring bevestigt dit.
Uitgezonderd de tijden van afval en onverschilligheid heeft de
Christenheid in elke Kerk, van elke eeuw, ontkoming aan eigen
twijfel en onrust gezocht in anderer beslissing.
Naast dit getuigenis der geschiedenis plaatst zich dat der ernstige
zielen in onze dagen, we voegen er bij, ook het getuigenis van ons
eigen hart: Er moet vastheid, er moet beslissing zijn. De heerschappij
der individueele willekeur op het stuk der waarheid en des geloofs,
is een stelselmatig voeden van de Tantaluskoorts, die de kalmte rooft,
de veerkracht verlamt en het gevoel voor het hoogere en heilige on-
herstelbaar afstompt.
Blijkt dus 1°. dat zulk een gezag onmisbaar is, en 2°. dat Jezus
het ingesteld heeft, wat vraag kan dan gewichtiger zijn dan deze:
Waar is naar Jezus\' bedoeling dit gezag in den loop der eeuwen,
waar is het nu ? Waar kunnen ook wij het vinden ? Of ook, bleek
het te loor gegaan, op wat wijs kan het worden hersteld?
Nu zijn Jezus\' eigen uitspraken te dien opzichte algemeen. Ze
moesten dat zijn, wijl Hij slechts beginselen uitsprak. Ze konden dat
zijn, wijl Hij zelf in de eerste Gemeente door zijn Heiligen .Geest de
practische exegese zijner woorden geven zou.
De practische verklaring nu geeft alleen het gebeurde, waarvan
Hand. 15 meldt. Hierin ligt het eenige feit voor ons, waarin uitvoe-
rig en duidelijk de macht om te binden en te ontbinden, naar zijn
onderscheidene deelen, werkzaam, onder de directe leiding des Hei-
ligen Geestes en dus ook van den Koning der Kerk optreedt.
Wel weten we dat ook het ontzettend oordeel door Petrus aan
Ananias en Saffira voltrokken met de Sleutelmacht sa&mhangt, maar
1 Cor. 5 : 1—5, waar Paulus „de gemeente Gods die te Corinthe is,
den geheiligden in Christus" (1 Cor. 1 : 1) gebiedt den gruwelijken
overtreder den Satan over te geven, toont dat hier geen sprake is
van een macht Petrus uitsluitend toekomend, want ook Paulus oefent
ze; niet beperkt tot den kring der Apostelen, want Paulus gelast ook
de Gemeente ze te oefenen; niet van Petrus op anderen overgegaan,
-ocr page 80-
72
want Paulus weerspreekt het, met een hardnekkigheid, in een Apostel
te opmerkelijker, dat hém zijn gezag toekwam, niet van menschen,
maar onmiddellijk van Christus.
Voegt men hierbij wat te Antiochië, volgens Galaten 2 tussohen
Petnis en 1\'aulus voorviel, dan dunkt ons de gegeven voorstelling,
voorzooveel het terrein der Heilige Schrift aangaat, onweerlegbaar.
Men kent het verhaal. Paulus is in de Gemeente van Antiochië
werkzaam. Petrus komt hem in zijn arbeidsveld bezoeken en beiden
zijn het eens over de naleving van het besluit der Jeruzalemsche
Synode: De ceremoniëele wet mag op Christelijk terrein geen schei-
ding maken tusschen Christenen uit de heidenen en Christenen uit
de Joden. 1\'aulus was daarom gewoon met de Christenen uit de
heidenen aan een tafel te eten, en Petrus, te Antiochië gekomen,
doet eveneens. Maar wat gebeurt? Terwijl Petrus te Antiochië ver-
toeft, komen er eenige mannen uit Jeruzalem aan, die zich aan
Jacobus hielden, en het eten met heiden-Christenen aan eenzelfde
tafel nog niet goed durfden keuren. En zie, nu scheidt Petrus zich,
ter wille van dezen af, neemt den schijn aan, alsof ook hij het eten
met hen aan een tafel voor ongeoorloofd hield, en weerspreekt zoo-
doende het beginsel door hem zelf eerst in zijn gedragslijn beleden.
Dat was „veinzen" (vs. 13). Dat was „niet recht wandelen naar
waarheid" (vs. 14). Dat was „menschenvrees" (vs. 12).
Dat deed niet Paulus, maar Petrus, en daarom „weerstond Paulus
hem in het aangezicht, omdat hij te bestraften was" en bestrafte hem
„in aller tegenwoordigheid."
Nu stemmen we volkomen toe, dat, naar den aard der menschelijke
natuur, het primaat om voor Christus te getuigen, met het jammerlijk
primaat der zonde gepaard moest gaan, en hij gebrek aan kennis
van het menschelijk hart verraadt, die zich verwondert, dat de man
die van Christus wege tot zijn eersten getuige en de eerste onder zijn
getuigen, verkozen is, het scherpst als „Sathan!" moet worden terug-
gezet, tot met eedzwering en vervloeking zijn Heere en Koning ver-
loochent, en zoo ook hier, te Antiochië, dieper valt, dan, naar we
weten, een der discipelen viel. We zien niet in, wat hieruit anders
blijkt, dan dat de Schrift ons het leven teekent naar het zich ver-
toonde, en dat het Christendom zijn orgaan koos uit menschen van
gelijke beweging als wij. Evenmin blijkt ons, hoe de vertrouwbaar-
heid der Heilige Schrift zou moeten lijden, al was het slechts voor
zooveel Petrus\' brieven aangaat, onder den druk van feilen, die met
het schrijven van Apostolische brieven niets van doen hebben. Maar
dit beweren we toch, dat d<- geestelijke meerderheid in Jezus\' Koninkrijk,
te Antiochië, bij Paulus, niet bij Petrus was.
-ocr page 81-
73
X.
HET APOSTOLAAT.
En deze dingen verkondigen wij u, opdat
gij met ons gemeenschap zoudt hebben,
en
deze onze gemeenscha]) ook zij niet den Vader
en met zijnen Zoon Jezus Christus.
1 Joannes 1 : 3.
Beperking van de Sleutelmacht tot den persoon van Petrus bleek,
niet door Jezus bedoeld, niet door de geschiedenis der Apostolische
gemeente gewettigd, noch door Bar Jona zichzelven toegekend. Weêr-
legging van Rome\'s aanmatiging wordt hierdoor overbodig. Wat voor
Petrus geen uitsluitend bezit was, kon door hem in zijn geheelheid
niet aan zijn wettige erven vermaakt worden. Gesteld dus al, Petrus\'
bisschoppelijke bediening te Kome rustte op onomstootelijke bewijzen,
wat ze allerminst doet, dan nog ware hiermee voor het pauselijk
gezag geen voetbreed gewonnen. Geen kroon kan den erfgenaam van
rechtswege toekomen, die de erflater zelf niet droeg.
Dit leidt vanzelf tot de vraag of de macht der Sleutelen, zoo al
niet aan Petrus alleen, dan toch wellicht aan het College der Apostelen
in uitsluitend bezit geschonken was.
Ongerijmd is deze vraag allerminst. Aan het bindend gezag van
der Apostelen getuigenis onderwierp zich de Christenheid van alle
eeuwen en onderwerpt zich nog steeds dat deel der gedoopte wereld,
(lat de poorten der Kerk van Christus nog niet opzocht, om haar
voor altijd te verlaten. Bovendien, kon men bewijzen, dat de macht
der Sleutelen uitsluitend aan de Apostelen ware toevertrouwd, dan
was dit geestelijk gezag ook met hen ten grave gedaald en verviel
hiermee alle oorzaak om in onze eeuw de herstelling van zulk een
macht te zoeken. Onderwerping aan het getuigenis, ons door de
•Apostelen in de Schrift nagelaten, zou dan de hoogste eisch zijn,
door Jezus\' uitspraak van de Sleutelmacht aan den Christen gesteld,
en, tenzij we met de Irvingianen het Apostolaat als een ook nu nog
geldend ambt der Kerk beschouwden, kon veilig alle verder onderzoek
gestaakt worden.
Ook aan het Apostolaat hecht de Protestantsche Christenheid onzer
dagen te weinig.
Ze leeft niet in het helder bewustzijn, dat de Apostelen èn in de
strijdende Kerk op aarde èn in de zegepralende Kerk voor den
troon des Lams, een hoogeren rang, een hoogere geestelijke ordef
bekleeden dan alle overige kinderen Gods.
Ze heeft geen levendig besef meer van het geestelijk vaderschap
dat aan de Apostelen tegenover geheel de Kerk toekomt.
-ocr page 82-
"74
Ze eert Paulus, Petrus en Johannes, ten deele ook Jacobus en
Mattheüs, niet wijl ze Apostelen waren, niet wijl de Gemeente zich
bewust is door de. tusschenkomst dezer mannen ontstaan te zijn, maar
schier uitsluitend wijl men in den Canon des Nieuwen Testaments
geschriften van hun hand bezit, waarin voedsel bleek te schuilen voor
hoofd en hart. De Apostolische Schrijvers, niet de Apostelen heeft
men in hen lief.
Aan de overige Apostelen, aan Andreas en Matthias, aan Filippus
en Bartholomeüs, aan Jacobus en Lebbeüs, aan Simon en Thomas,
denkt men weinig meer dan voor zoover ons de heugenis bijbleef
van een reeks vreemdsoortige namen, nu en dan in het Evangelisch
verhaal voorkomend, en óns voorts niet aangaande, dan voor zooveel
tot een uitgebreider Bijbelkennis nu eenmaal ook de kennis dezer
namen behoort. Alleen Thomas zou op dit droef verschijnsel een uit-
zondering maken, ware het niet, dat de bekendheid,1 hem ten deel
gevallen, meer naar de opspraak van den zonderling dan naar de
heilige vermaardheid van den Apostel geleek.
Vandaar dan ook, dat de jubeltoon in een onzer liederen: „Profeten,
Martelaars vertellen daar uw eer" schier de eenige betuiging
van geestelijke betrekking op de Apostelen is, die in onze bedehuizen
ooit vernomen wordt; dat de Gemeente wel ten behoeve van het
Schriftbeginsel, maar niet voor de instelling van het Apostolaat op-
kwam, toen de onfeilbaarheid der Apostelen het eerst door de Groninger
school ten onzent werd aangevallen, en dat nu nog een geheele reeks
van uitspraken der Nieuw-Testamentische Schriften, die op den samen-
hang tusschen het geestelijk ambt der Apostelen en de Kerk betrekking
hebben, voor verre het meerendeel als niet geschreven en, als
buiten het geestelijk leven liggend, eenvoudig terzij worden gelaten.
Hiertegen komen we op.
Allerminst de Hervormers zijn hierin voorgegaan, en wat hiervan
in hun getuigenis mocht doorstralen, mag nooit maatgevend voor de
toekomst zijn.
De Hervormers stonden tegenover een misbruik. Ze vonden in de
Kerk, die hun het levenslicht schonk, niet slechts erkenning van het
Apostolisch gezag, maar een geestelijke vereering der Apostelen, die
het eenig en algenoegzaam Middelaarschap van den Hoogepriester
der Kerk te na kwam.
Dit misbruik bestreden ze, daartoe gedrongen door den heiligen
drang, om al wat naar creatuurvereering zweemde, met tak en wortel
uit te roeien.
Dat, naar den aard onzer menschelijke eenzijdigheid, hierbij soms
de gelijkstelling van de Apostelen met alle geloovigen te ver werd
gedreven, moet erkend. Het is aan menschen niet gegeven een zondige
dwaling te keeren, zonder een deel der waarheid voor een wijle uit
het oog te verliezen, — en menschen waren ook zij.
-ocr page 83-
75
Toch is de eerbied waarmee de Hervormers aan de heilige Apostelen
van Christus dachten, met de koele onverschilligheid van het heden-
daagsche Protestantisme nauwlijks voor vergelijking vatbaar. Bijna
nergens vindt ge in hun geschriften den Apostolischen naam zonder
den uitdrukkelijken eeretitel van „Heilige Apostel." Voor hen
stonden de Apostelen hooger dan Jezus voor de Modernen staat. Het
straalt in al hun spreken door, dat een Apostel hun niet slechts de
schrijver van een brief, maar een levende persoonlijkheid is, een uit-
verkoren instrument des Heiligen Geestes, een geestelijk rijkbedeelde
onder de gezalfden des Heeren, maar met een hart in den boezem,
dat tot liefde dringt en genegenheid inboezemt.
De door hen gezuiverde Kerk koelde zonder het zelve te bespeuren
dien gloed der liefde af. Ze hechtte zich schier uitsluitend aan de
controvers tegenover Rome, en zag niet in, dat ze bedacht moest zijn
op voortdurende kweeking van dat warme gemeenschapsgevoel en die
innige betrekking der dankbare liefde, waarmee Apostelen en Marte-
laren door de Kerke Christi eeuwen dusver in hun nagedachtenis
gezegend waren. De geest des afvals, die thans zoo ziel verdervend om
zich grijpt, teekent van deze afsnijding der geschiedkundige lijn zijn
droef, noodlottig en verraderlijk spoor.
Men wende zich aan het onware denkbeeld, alsof de Kerk in ons
eigen hart begon, met onbeperkte bevoegdheid voor het weêrgeboren
hart, om afgaande op geestelijke bevinding voor zichzelf, individueel,
te binden en te ontbinden, wat gezegend of gevloekt zou zijn in den
hemel bij onzen God.
Dat men zich aan de Schrift zei te binden was zelfbedrog, zoolang
men zich gerechtigd achtte tot de willekeur om zelf te bepalen wat
in die Schrift hoofdzaak, wat bijkomstig zijn zou, en wal als zin en
beteekenis van dat Schriftwoord zou gelden.
Zoo begon men met verloochening van het wettig door onzen
Koning en Hoogepriester zelven voor de stichting zijner Gemeente
gegeven en ingesteld orgaan, brak hierdoor de historische lijn af, en
moest zoo ten slotte aanlanden, waar alle verbreking van de ordi-
nantiën Christi henenleidt, — bij verwerping van alle gezag, dat is
bij een Modernisme, dat den levenden God, die zich in zijn Woord
geopenbaard heeft, voorbijgaat en zich een God van eigen vinding
„versiert," gelijk onze Catechismus zegt, of wil men naar onzen
spreektrant, „verzint en uitdenkt."
Ziet men dit in, dan mag op dien noodlottigen weg niet voort-
gegaan. Volharding zou te dezen onverbiddelijk met geestelijke
versterving gestraft worden. Wil men het zoet, wil men de
lieflijke heerlijkheid, wil men de hartverkwikkende levenskracht weer
smaken, die in het mystieke lichaam van Christus ruischt door
alle aderen, dan moet allereerst het innerlijk bestand van dat Lichaam
wéér waarheid voor ons worden, en het artikel ons weer in de
-ocr page 84-
76
ziel haken: „Ik geloof een heilige, algemeene, Christelijke Kerk."
De onmisbaarheid van het Apostelschap rust in de uitnemendheid
van den Christus, in zijn heilige natuur, in zijn onzondigheid.
Het Woord wordt vleeseh. Hij wordt den broederen in alles gelijk,
doch zonder zonde. Ook met zijn vleeseh wording is dus de ervaring
van het heil nog niet in het hart des menschen, gerekend naar den
maatstaf van ons zondig menschelijk hart.
Daarom moest uit den mensch Jezus Christus dat heil eerst o ver-
vloeien in den zondigen mensch, die zijn kon wat de Christus nooit
kon zijn: een eerloste. Hij was Verlosser.
Vandaar het onloochenbaar en toch vreemd verschijnsel, dat de
aangegrepen ziel zich veel sterker door de schriften der Apostelen
voelt aangetrokken dan door de Bergrede.
De Modernen verstaan dit verschijnsel niet en, door valsche uitleg-
kunde den zin van Jezus\' woorden naar hun geestelijke phiintasieèn
duidend, achten ze hun woord, hoewel door de Apostolische uitspraak
weersproken, door Jezus\' woord gestaafd.
AVaarheid en ervaring is, dat men begint met de Bergrede schoon,
de Apostolische brieven ongenietelijk te vinden; dat men \\vakker-
geschud in het zondig hart, van de Bergrede zich verre voelt en
hunkert naar de troostwoorden der Apostelen; en dat men, kind van
God geworden, weer naar het woord der Bergrede grijpt, maar om
het nu driewerf rijker terug te vinden en te erkennen, dat men het
ter helfte niet begreep.
XI:
HET APOSTOLISCH TESTAMENT.
Zij waren uwe, en Gij hebt mij dezelve
gegeven.
                              Joiin. XVII : G.
De Apostelen ontvingen een dubbele roeping, die wel te onder-
scheiden is»
Zij hadden een voorrecht de Gemeente te stichten en ten tweede
de gestichte Gemeente te besturen.
Niet slechts tijdens hun eigen leven, maar ook daarna, óók nu.
Hieruit vloeit de onderscheiding voort van hun werkzaamheid door
het (jesproken en geschreven woord, door prediking en schrift.
Door hen is de Gemeente gesticht. Allereerst in hun eigen persoon
en kring. De Apostelengrocp was de kern der eerste gemeente, waaruit
de eerste gemeente voortkwam, en die nog, eer die gemeente optrad,
haar reeds in de volheid van het heilig twaalftal voorstelde.
-ocr page 85-
77
Uit dien engen kring der Apostelen is op den Pinksterdag de
moedergemeente aller gemeenten gegroeid door een innerlijke levens-
beweging, die in den Apostolisehen kring door de uitstorting des
Heiligen Geestes gewekt was.
De levenskrachten, waarover deze eerste gemeente beschikte, vloeiden
haar toe uit de Apostelen, gelijk zij op hun beurt die ontvangen
hadden uit den Christus.
Er was historische samenhang ook op Nieuw-Testamentischen
bodem, gelijk eertijds onder Israël.
De Gemeente ontstond niet door samenvoeging van belijders, die
elk langs eigen weg en door eigen aandrift des geestes tot den Christus
gekomen waren. Er waren naar tijdsorde niet eerst belijders, daarna
de uit hen geworden Gemeente. De Gemeente was eerst. In den
Christus besloten tot na zijn opstanding. Door de instelling van het
Apostolaat werd ze ontsloten in den Apostelkring. Op den l\'inkster-
tlag vloeide ze uit dezen engen kring in den breederen der ge-
loovigcn over, maar zonder dat aan het lichaam van Christus iets
werd toegevoegd.
De Gemeente is „de vervulling Desgenen die alles in allen vervult.\'\'\'\'
/ij is dus niet heden rijker, morgen armer aan geestelijke kracht.
Haar inhoud blijft steeds zichzelf gelijk. Zij kan niet meer, zij kan
niet minder zijn dan „de vervulling, het pleroom," gelijk Paulus zegt,
van den Christus.
Alle leven, alle gezag, alle kracht des geestes, komt derhalve in de
demeente van boven af. Zij welt uit den Vader. Hij gaf ze den Zoon.
De Zoon gaf ze den Apostelen. Uit de Apostelen eerst daalde ze in
de Gemeente neder.
Niet een nieuwe vorm, een nieuwe belijdenis, een nieuwe eere-
dienst kenteekende de Gemeente van den Christus, maar een nieuw
leven,
een leven van anderen aard, van hooger soort, van heiliger
oorsprong, dan dusver was gekend.
Leven nu bootst men niet na en kan door geen kunst te wees
gebracht. Alleen uit het leven komt het leven voort. Het was in den
Zoon. Alleen uit Hem kon het in de Apostelen komen. Toen zij het
ontvangen hadden, kon het alleen uit hen, niet uit hen persoonlijk,
maar uit hun levenskring, uit hun onderlinge gemeenschap op anderen
overgaan en het deel worden der geloovigen. Maar dan ook, uit hun
kring in de moeder-gemeente overgestort, kon noch kan er een waar-
achtige, een levende gemeente van den Christus buiten haar ont-
staan, die niet uit haar leven, zij het ook door duizend kanalen over-
geleid, het eigen leven ontving.
Met de stichting der Gemeente wordt derhalve nog iets meer be-
doeld, dan het toebrengen van enkele geloovigen en de verbinding
dier eenlingen tot één geheel. In dien zin is slechts één enkele Ge-
meente de stichting der Apostelen en zou elke betrekking tusschen
-ocr page 86-
78
hen en de thans levende Gemeente, zijn afgesneden. Abraham is de
stamvader van Israëls volk, wijl het, geslacht na geslacht, zich zonder
vermenging voortplantend, uit hem voortkwam; doch Jacobs twaalf
zonen, Israëls patriarchen, zijn in engeren zin de stichters van Israëls
volksstaat in zijn geslachten en huisgezinnen, wijl alle man en alle
groep in Israël zijn levensbestaan, zijn aanzijn als Israëliet, aan dit
twaalftal dankte. Zoo nu ook de Gemeente. Ze is uit den Christus,
die haar leven en wiens Lichaam ze is, in wien ze besloten lag en
uit wien ze, naar de wet der verrijzeniskracht, te voorschijn trad.
Maar in engeren zin treden tusschen haar en den Christus de twaalf
patriarchen der Nieuw Testamentische Gemeente, die uit hun eigen
geestesleven, uit hun eigen geestelijk aanzijn, het leven en het wezen
der Gemeente geteeld hebben, om door voortplanting en meêdeeling
des levens, ze te doen voortbestaan van geslacht tot geslacht, daaraan
gekend en daaraan steeds te toetsen, of het leven dat ze voorwendt
gelijkheid met dat leven van den verrezen Christus en met het leven
zijner Apostelen vertoont.
Deswege voegde zich bij hun mondelinge, hun schriftelijke predi-
king, die in organisch verband met hun werkzaamheid ontstaan,
niettemin een schoon geheel op zichzelf vormt, en als blijvende\'schat-
bewaarster van hun geest de Gemeente op haar pelgrimsreize ver-
zeilen moet.
Vooral .Tohannes eerste zendbrief doet dit karakter der Apostolische
geschriften helder uitkomen.
Er is een Christus. Hij bleek te zijn het Woord des levens.
Dat leven was eertijds niet op aarde, maar verborgen bij den Vader.
Doch nu is het geopenbaard in den Mensch Christus Jezus.
Dien Christus hebben de Apostelen gezien. Ze hebben Hem ge-
hoord. Ze hebben het Woord des levens in Hem getast met hunne
handen.
Dat leven is op hen overgegaan. Uit Hem is het in hen overge-
vloeid, toen Hij op hen blies en zeide: „Ontvangt den Heiligen
Geest." Sedert voelen ze zich in een engere gemeenschap verbonden
en ze zijn er zich van bewust, dat „deze gemeenschap is met den
Vader en met zijnen Zoon Jezus Christus."
Hun blijdschap is daardoor vervuld. Ze zijn volzalig. Met een
zaligheid in hope, ze weten het wel, maar toch met zoo alles door-
dringende verheuging, dat zich niets denken laat, dat aan het heil
in Christus zou zijn toe te voegen, om dat heil te volmaken.
Zelf gelukkig, willen ze dit ook anderen zien. Daartoe strekt hun
verkondiging van het Woord des levens, d. i. van den Christus.
Door die verkondiging willen ze ook voor anderen de heilige ge-
meenschap ontsluiten, waarin er velen werden opgenomen, des zich
wel bewust, dat niemand tot den Christus kan komen dan door hen.
Ze noodigen daarom niet rechtstreeks tot de gemeenschap met
-ocr page 87-
79
Christus, maar tot gemeenschap met henzelven; „opdat ook gij met ons
gemeenschap zoudt hebben:" om eerst door dien tusschenschakel hen
in levensrapport met den Zone Gods te brengen; „opdat deze onze
gemeenschap ook zij met den Vader en den Zoon."
Toch blijft het bij die verkondiging niet. /e geven van het ver-
kondigde ook bewijs. Ze documenteeren hun last ook in geschrifte.
„En deze dingen [verkondigen we u niet slechts, maar] schrijven we
u [ook], opdat uwe blijdschap vervuld zij."
Eerst door deze daad erlangt het Apostolaat niet slechts voor het
leven, maar ook voor het bewustzijn der Gemeente zijn blijvende be-
teekenis.
De Apostelen zijn slechts voor een tijd. Straks zal niet één hunner
meer op aarde zijn. Dan moet toch de stempel, door hun persoonlijk-
lieid op de Gemeente gedrukt, op haar blijven kleven. Immers de
Apostelen waren toebereide instrumenten. Niet genomen gelijk ze
gevonden werden, maar tot düzelce bereid. Ze waren van den Vader,
eer ze van den Christus werden. „Ze zijn uwe," sprak Hij in den
lijdensnacht, „en Gij hebt mij dezelve gegeven;" d. w. z. ze waren
er op aangelegd, en verordineerd, om saam een éénheid, één geheel
te vormen, en in hun volheid de grondtrekken van het karakter der
Gemeente uit te drukken. Zal echter die stempel blijvend zijn, dan
moet vergelijking met het oorspronkelijke mogelijk blijven. Daartoe
strekt het documenteeren hunner roeping, hun apostolisch optreden
in geschrifte.
Nieuwe Kerkstichting is hiermee geenszins uitgesloten, mits het
leven van Christus in aansluiting aan de geschiedkundig bestaande
Kerk gewonnen zij en de inrichting, die ze ontluiken doet, aan dit
werk der Apostelen beantwoorde.
Tijdens de Hervorming was het leven niet te vinden dan in de
iloomsche kerk, als de eenig bestaande; maar desniettemin kon het
dus gewonnen leven uit die gemeenschap worden uitgenomen, zoodra
die gemeenschap voor dat leven te eng of strijdig met zijn aard bleek.
En dit was te beoordeelen, wijl het cachet, dat voor het Christelijk
leven beslist, nog in de Apostolische schriftuur gereed lag.
-ocr page 88-
80
XII.
DE VERBREKING EN HERSTELLING VAN HET
TWAALFTAL.
Ben ik niet een Apostel ?
1 Cor. IX : 1.
De vèr reikende invloed, dien de Apostelen door hun canonieke
geschriften uitoefenden, kan niet wel ter sprake gebracht, zonder de
vraag te doen rijzen, in welk verband de Apostolische roeping van
Pauliis tot het Apostolaat der ïwaalve stond. Verreweg het grootste
deel der Apostolische letterkunde is van zijn hand. Hij schreef minstens
dertien der een en twintig canonieke zendbrieven. Zijn uiteenzetting
van het Christendom komt tot scherper bcgripsontleding dan een dei-
overige Apostelen gewaagd heeft. Hij heeft meer dan één hunner een
beslissing gegeven voor tal van practischc vragen, die het Gemeente-
leven beheerschen. Het is langs de door hem getrokken lijnen dat
zich reeds achttien eeuwen lang de Christelijke Gemeente bewoog.
Maar hoe nu?
Behoort Paulus dan tot het Twaalftal? Of, indien niet, is de kring
van het Apostelschap dan niet aan het Twaalftal gebonden? Is er
voortzetting van het Apostolaat ook na de Twaalve ? Ligt er misschien
waarheid in de Irvingiaansche bewering, dat er ook sinds nog andere,
even wettig geroepen en door getuigenis der 1\'rofeten bevestigde
Apostelen zijn opgestaan?
Paulus behoort niet tot het Twaalftal. Het feit moet erkend en
trekt terecht de opmerkzaamheid tot zich. Immers het Twaalftal duidt
geen toevallig cijfer aan. Zelfs mannen, wier geloof aan de Openbaring
geheel wegviel, stemmen volmondig toe, dat het Twaalftal in en buiten
de Schrift een eigenaardige, licht verstaanbare beteekenis heeft. Door
het cijfer drie wordt de goddelijke volkomenheid, door het getal vier
het leven der wereld aangeduid. Beide met elkander vermengd en
vermenigvuldigd geven het getal Twaalf, dat mitsdien naar de woorden
van den rationalist Banu, in zijn Symbolik des Mosaïischen Cultus,
I, p. 201, „een deel der wereld aanduidt, in welks midden God
de Heere leeft, en waaraan Hij zich openbaart, een volk of gemeente,
door aandrift van fiods ordening geleid."
Slechts de min nadenkende zij herinnerd aan de vaste en alles
beheerschende beteekenis, die het Twaalftal ook voor de natuur en
den sterrenhemel heeft door de indeeling van den Dierenriem in
twaalf Beelden, tengevolge waarvan het jaar twaalf maanden, dag en
nacht elk twaalf uren hebben. Geheel het menschelijke leven is zoo
-ocr page 89-
81
metterdaad door het Twaalftal ingesloten, voor zoover het op de orde-
ningen Gods in natuur en Schrift gegrond is. Het Twaalftal is een
heilig getal, aanduiding van een afgeronden, volledigen levenskring.
Daarom had ook Jeruzalem twaalf poorten en wordt ook het nieuwe
Jeruzalem in de Openbaring beschreven als hebbende drie poorten
op elk zijner vier zijden, terwijl een twaalftal grondzuilen schitteren
elk -met den naam van een Apostel gemerkt. Bovendien, immers
Jezus zelf heeft tot zijn jongeren gezegd: „Dan zult gij met Mij
zitten op twaalf tronen, oordeelende de twaalf stammen Israëls." Er
moet dus, tenzij men Christus wage te weerspreken, aan het twaalf-
voudig
karakter van het Apostolaat streng worden vastgehouden.
De moeilijkheid hieruit, door de erkenning van Paulus\' Apostolaat
geboren, heeft de Kerk slechts in enkele tijdstippen van haar leven
gevoeld en zelden scherp in het oog gevat.
Ook de bewering, dat Matthias\' verkiezing een misgreep van de
zij der Elve was, mag zonder nadere toelichting, niet als verklaring
aangenomen, al ligt ook o. i. in deze opmerking een kiem van waar-
heid, die slechts nadere ontplooiing behoeft, om tot een bevredigende
oplossing te leiden.
Een vluchtige blik op de geschiedenis van het stamtnen-oijtei ga
daartoe vooraf.
Jacob had dertien kinderen en hieronder twaalf zonen. Yan deze
twaalf splitst zich één der cijfers reeds bij Jacobs zegen in twee.
Voor den éénen Jozef treden de twee stammen van Manasse en
Efraïm in plaats, zoodat werkelijk in Kanaan dertien en niet twaalf
Stammen aanwezig zijn. Toch blijft het Stammen-tal voor de verdeeling
des lands op twaalf beperkt, want Levi wordt van de overige twaalf
afgezonderd en boven allen en als in aller plaats met den priester-
dienst belast.
Een der twaalf valt echter door een gruwelijke misdaad uit het
twaalftal uit: de Stam van Benjamin. Niet Eachel, maar Lea was
de door God voor Jacob verordende vrouw, uit wie de Messias zou
geboren worden. De liefde voor Eachel was uit bekoring door het
zinnelijk schoon voortgekomen, en onmiskenbaar wijst de Schrift er
op, hoe deze liefde eerst met onvruchtbaarheid gestraft, straks in den
aard van de haar geboren kinderen gekastijd wordt. Jozef is patriach
van twee Stammen, die beide aan het hoofd van den ongoddelijken
afval hebben gestaan, zoodat Efraïms naam met dien van ontrouw
aan Jehovah gelijkluidend is geworden. En Benjamin, Kachels andere
zoon, is waarlijk geworden, wat zijn moeder hem in haar doodstrijd
noemde: „een zoon der smarte", Ben-oni, en staat in de Heilige
Schrift eer als weerspreking dan als vervulling van Jacobs profetie
geteekend, dat hij Ben Jemini, d. i. Zoon der rechterhand, een uit-
verkorene en machtige zijn zou. In Jacobs zegen (Gen. 49) komt
Benjamin het laatste voor, terwijl hem geen ander getuigenis dan dit
6
-ocr page 90-
82
gegeven wordt: „Benjamin zal als een wolf verscheuren; des mor-
gens zal hij roof eten en des avonds zal hij buit deelen." Dienover-
eenkomstig is Benjamins geschiedenis een droef verhaal van tegenspoed
en gruwel. Schrikkelijker dan in één der Stammen breekt de schan-
delijkste ongerechtigheid in Benjamin uit. Zoo ver komt het zelfs,
dat al de Stammen zich verzamelen, om over Benjamin de vierschaar
te spannen en een verdelgingskrijg tegen Benjamin te ondernemen.
Tot op 600 man wordt werkelijk de geheele Stam uitgeroeid en feitelijk
kan men zeggen dat de Stam uitstierf, want door gemis aan vrouwen
uit den eigen Stam was hij tot kweeking van een nieuw geslacht
onbekwaam.
Toch kwamen de elf Stammen saam (Richt. 21 : 1 en vv.) en
zeiden: „6, Heere, God van Israël! waarom is dit geschied in Israël,
dat er heden een Stam van Israël gemist wordt?" „Heden is een
Stam van Israël afgesneden!" vs. 6. „Er moet geen Stam uitgedelgd
worden uit Israël!" (vs. 17.)
Door menschelijke beschikking, in het gebed geheiligd, is toen de
breuke geheeld en het elftal tot een twaalftal teruggebracht. Men
weet de vierhonderd maagden uit Jabes in Gilead boden daartoe het
redmiddel. Zoo herstelde zich een Stam, die voorts in Israël slechts
een kwijnend bestaan leidde, om slechts ééne vermaardheid in Israël
te verkrijgen: de geboorte uit haar van Israëls eersten koning, den
man niet naar Gods harte, den verworpene voor den Heere.
Vergelijk nu hiermee de lotgevallen van het Apostolaat en oordeel
of de overeenkomst niet treilend is.
Eerst vindt ge twaalf Apostelen, gelijk twaalf zonen van Jacob.
Uit het twaalftal der Apostelen zoowel als der zonen van Jacob valt
één weg. Ginds Benjamin, hier Judas Iscarioth. Beiden worden uit-
gestooten om den gruwel der boosheid. Na beider uitstooting komt
het overgebleven elftal saam om het twaalftal aan te vullen. Zoowel
te Mispa als te Jeruzalem wordt deze handeling ingeleid met plechtig
gebed. Benjamin wordt hersteld en Matthias in stede van Judas ge-
kozen.
Toch speelt in Oud zoowel als Nieuw Testament een andere godde-
lijke beschikking door de lotgevallen van Stammen en Apostelen.
Het Twaalftal in. Israël wordt vastgehouden en toch zijn er feitelijk
dertien Stammen. En zoo ook, het Twaalftal der Apostelen wordt
geen oogenblik losgelaten, al blijkt het op elke bladzijde dat er
feitelijk dertien Apostelen zijn. Let er op, dat de dertiende Apostel,
de man van Tarsen, juist uit den pericliteerenden Stam, uit Benjamin
geboren was. Oordeel zelf, of Saulus onder de Apostelen, niet
schier eenzelfde plaats inneemt als Levi onder de Stammen, van
de overige afgezonderd, geen deel met hen in de erve hebbend,
en als een afzonderlijke bediening naast allen, en toch ook weer
voor allen bekleedend, — en we durven vragen, of er nog langer
-ocr page 91-
-
83
sprake kan zijn van Paulus\' Apostolaat en den afgesloten kring van
het Twaalftal.
Ons althiins komt het voor, dat op grond van het aangevoerde mag
vastgesteld, dat én bij dq Stammen én bij het Apostolaat tusschen
een dubbele levenssfeer is te onderscheiden. Bij de Stammen tusschen
het wereldlijk landbezit en de geestelijke bediening. Bij de Apostelen
tusschen de wereld der Joden en de wereld der Heidenvolkeren. Voor
deze twee sferen saam vinden wij bij beiden een dertiental, in de
cijfers van twaalf en één gesplitst, en wel in dier voege, dat de
gewichtigste levenssfeer aan den eenling, de minder gewichtige aan
de twaalf is toebetrouwd.
In Israël twaalf Stammen voor het landbezit en één voor de be-
diening des geestes. Onder de Apostelen twaalf voor het Oosten en
één voor het Westen der toekomst, en bij hem, bij Paulus, meer dan
bij de anderen, de bediening des geestes en der vrijheid.
Toch is deze tegenstelling slechts schijnbaar. Gelijk lichaam en ziel,
zoo behoort ook de stoffelijke en geestelijke zij van Israëls leven, en
zoo ook de Heiden- en de Joden wereld, bijeen. Slechts door de zonde
is er een tijdelijke breking der eenheid.
Dit blijkt uit het vasthouden aan het Twaalftal door Israël en
Jezus, tot zelfs in zijn openbaring I op Pathmos. De menschelijke
schakel van Benjamins herstelling en Matthias\' verkiezing, hoezeer
ook door God gewild, is slechts een tijdelijke herstelling, en we zijn
er zeker van, dat in het nieuw Jeruzalem niet Matthias\' maar Paulus\'
naam op één der zuilen schitteren zal.
XIII.
KAN HET APOSTOLAAT VERNIEUWD WORDEN?
Noch een gezant (Apostel) meerder dan die
hem gezonden heeft.
                Joh. 13 : 16.
Sommige Christenen in onze dagen nemen met de beperking van
het Apostelschap tot het Twaalftal geen vrede, en beweren, dat ook
sinds, vooral in onze dagen, nieuwe Apostelen door den Heere zijn
uitgezonden. Naar hun voorgeven is de Apostolische waardigheid niet
slechts voor de eerste stichting der Gemeente ingesteld, maar veeleer
als blijvend ambt door den Christus bedoeld. Alle overige waardig-
heid dunkt hun voor de afzonderlijke gemeenten bestemd, terwijl de
eenheid, die alle gemeenten verbinden moet, juist in het Apostolaat
haar bindende macht en openbaring zou vinden.
-ocr page 92-
84
Zonder dit stelsel volledig te bespreken, dienen we toch zooveel ter
beoordeeling van deze tegenwerping te zeggen, als het onderwerp,
thans door ons behandeld, eischt.
Op Paulus komen we niet terug. Van hem sprak ons vorig artikel,
en de bewijsgrond aan l\'aulus\' roeping voor het nog steeds voort-
gaande Apostolaat ontleend, bleek ons bij nader onderzoek allerminst
afdoende.
Doeh niet alleen op L\'aulus, ook op Barnabas, ook op Sosthenes,
Epaphrorlitus, Silvanus, Timotheiis, en op wien niet al beroept men
zich, ten bewijze dat het Apostelschap allerminst aan de ïwaalve was
gebonden.
Of leest men niet in Hand. 14: 14: „Maar de Apostelen Barnabas
en Patdus
dat hoorende scheurden hun kleederen?" Is niet de eerste
Corinther brief, blijkens hoofdst. 1 : 1, door l\'aulus en Sosthenes
geschreven: en staat het niet in dien brief geschreven: „Want ik
acht, dat God ons, die de laatste Apostelen zijn, ten toon gesteld
heeft als tot den dood verwezen?" Wordt niet in ltom. 16 : 7 van
Androuieus en Junias gesproken, als die vermaard zijn onder de
Apostelen\'\'!
Heet niet Epaphroditus in Pil. 1 : 25 „een Apostel dei-
Gemeente ?" Lijdt het twijfel dat de eerste brief aan de gemeente van
Thessalonica uitging van l\'aulus, Silvanus en Timotheüs, en lezen we
toch niot in dit schrijven, hoofdst. 2:6: „Hoewel wij u tot last
konden zijn als Apostelen van Christus?"
Dit alles is ons bekend, en toch aarzelen we geen oogenblik om
de uitlegkunde te wraken, die in deze getuigenissen bewijs meent te
vinden voor de meening dat de Apostolische waardigheid zich ook
tot deze mannen of enkelen uit hen zou hebben uitgestrekt. We
durven zelfs beweren, dat, spraken we nog de taal, waarin de Zend-
brieven geschreven zijn, het stelsel van een voortdurend Apostolaat
nooit met beroep op deze plaatsen zou verdedigd zijn.
Wat toch is er van het beroep op deze uitspraken aan?
„Apostel" wordt in het Grieksch weergegeven door een woord dat
letterlijk uitgesproken apostolos luidt en kortweg gezant beteekent. Alle
denkbeeld van geestelijkheid en waardigheid valt hierbij zelfs zoozeer
weg, dat de Atheners hun galeienvloot, die met verzegelde orders
uitging, insgelijks den apostel noemden. Apostel is in het gewone
Grieksch de naam van al wat gezonden wordt, hetzij persoon of zaak,
en het Nieuwe Testament bewijst te over, dat het dit gangbaar woord
in den gewonen zin kent.
Vergelijking met Mattheüs toont dat de woorden: „Waarom ook de
wijsheid Gods zegt: Ik zal profeten en Apostelen tot hen zenden en
van die zullen zij sommigen dooden," enz., niet op het apostolaat in
strikten zin slaat. Als in 2 Cor. 8 : 23 staat: „Hetzij onze broeders,
zij zijn afgezanten der gemeenten en eene eere van Christus," dan
wordt door l\'aulus hetzelfde woord apostolos gebezigd, waar de samen-
-ocr page 93-
85
hang bewijst dat eer van Collectanten dan van Apostelen sprake is.
Ook de Heere zelf is te dezen opzichte onze getuige èn door wat Hij
zelf sprak èn door wat van Hem gebezigd wordt. Zelf zegt Hij, „dat
een gezant niet meer is dan die hem gezonden heeft," wederom
letterlijk het woord apostolos voor gezant gebruikende; en van Hem
wordt in den brief aan de Hebreen gezegd, „dat Hij is onze Apostel
en de Hoogepriester onzer belijdenis." (Hebr. 3 s 1).
Voor de verklaring van het laatste woord verwijzen we naar Jezus\'
uitspraak, Joh. 20 : 21; „Gelijkerwijs Mij de Vader tot Apostel ge-
maakt of gezonden heeft, zoo maak ook Ik u tot Apostel, of zend
Ik ook u."
Het wezen der zonde heeft het goddelijke gescheiden van ons hart.
Dat goddelijke leven (hetzij in woord of kracht) kan derhalve niet
tot ons raken, of het moet tot ons komen; ten welken einde het
door Hem die dit leven heeft, tot ons moet gezonden worden.
Zoo zond de Heere zijne profeten, en voor hen Mozes en Aaron
voor hun aangezichten henen. Zoo is ook de komst van Christus een
zending meer nog de zending Gods en wijl het een zending in een
levende persoonlijkheid is, die niet slechts het goede boodschapt,
maar die de boodschap des vredes in zijn eigen persoon belichaamt,
is Hij de Gezant, de Apostel bij uitnemendheid. Het verband in
Hebreen 3 eischt dit. In de beide eerste hoofdstukken is gesproken
over Jezus\' middelaarschap, en wel van twee zijden. Er is een
middelaarschap van het Woord; God heeft tot ons gesproken door
zijn Zoon. Dit vormt den hoofdinhoud van het eerste kapittel. Maar
er is ook een middelaarschap „van den oversten Leidsman der zalig-
heid, die door lijden moet geheiligd worden." Hierop wijst het tweede
hoofdstuk. En nu in den aanvang van het derde hoofdstuk, samen-
vattend wat gezegd was, gaat de schrijver voort: „Hierom, heilige
broeders, die der hemelsche roeping deelachtig zijt, aanmerkt Hem,
die tegelijk Apostel en Hoogepriester onzer belijdenis is."
Wil men derhalve in algemeenen zin den naam Apostel leenen
aan allen, die van Gods wege, uit oorzaak van de door de zonde
gemaakte scheiding, tot ons hart worden gezonden, dan is hiertegen
geen de minste bedenking, mits men in het oog houde, dat dan
ook de engelen (ook de naam engel, Mal\'eah, beteekent „bode" „ge-
zant,") ook de Profeten, ook Christus, ook de Heilige Geest, ook
de Opzieners en Evangelisten onder dezen algemeenen term te be-
grijpen zijn.
Overigens is het bewijs aan den Corinther brief ontleend reeds
daarom te wraken, wijl Paulus vooraf wel terdeeg in den eersten
persoon spreekt, waaruit blijkt dat men alle recht mist, om de woorden
„ons, de laatsten der Apostelen" ook op Sosthenes te doen slaan. Voegt
men hierbij, dat de man die door de ééne gemeente naar de andere
werd afgevaardigd, in zijn hoedanigheid van gezondene, bode en gezant
-ocr page 94-
86
in het Grieksch een apostolos wordt genoemd, dan kunnen we niet
inzien, dat voor het voortdurend Apostolaat met verwijzing naar deze
Schriftplaatsen het minste is gewonnen.
Afzonderlijke bespreking eischt dan nog slechts het geschrevene in
Handelingen 14 : 14, waar Barnabas en Paulus apostelen heeten.
Tot recht verstand van deze plaats lette men op het verhaal in
Hand. 13.
In de gemeente van Antiochië, zoo lezen we, waren eenige profeten
en leeraars, waaronder ook Barnabas en Saulus.
In een tijd nu, dien de gemeente in gebed en vasten doorbracht,
drong haar de Heilige Geest deze twee mannen uit te zenden en af
te zonderen voor het werk waarvoor de Heere ze geroepen had. Men
let hun de handen op en liet ze gaan. En nu volgt, vs. 4: „Dezen
dan uitgezonden, tot gezanten gemaakt door den Heiligen Geest,
kwamen af tot Seleucië." Hieruit zien we dat ook de Heilige Geest,
in zijn werk der toebrenging tot afzonderlijke landen en volken werk-
tuigen uitverkiest, die, na de wijding der Gemeente ontvangen te
hebben, niet voor de geheele gemeente van Christus, maar door een
enkel* plaatselijke gemeente
worden uitgezonden, om als gezanten,
d. i. Apostelen in die landen en onder die volken op te treden. Zoo
heeft de Kerk van Christus steeds dit zendingsapostolaat van den
Heiligen Geest verstaan. Geheel het wezen onzer Zendingzaak onder-
stelt deze zienswijs, en zoo dikwijls de Kerk sprak van Bonifacius,
den Apostel der Duitschers, van Ansgar, den Apostel der Nooren,
of van Cyrillus, den Apostel der Moraviërs, is nooit een gelijkstelling
met het Apostolaat van den Zoon bedoeld, maar een daaraan onder-
geschikt Apostolaat van den Heiligen Geest.
Uitdrukkelijk heeft de Heere zelfs in zijn Hoogepriesterlijk gebed
scherp onderscheiden tusschen de Hem gegeven, voor en door Hem
uitverkoren jongeren, en alle overigen, die door hun woord in Hem
gelooven zouden.
Zelfs waarschuwt èn Paulus èn Christus zelf tegen hen, die voor-
geven dat zij Apostelen zijn en zijn het niet.
Zoo Paulus in 2 Cor. 11 : 13, waar hij schrijft: „Want zulke
valsche Apostelen zijn bedrieglijke arbeiders,
zich veranderende in
Apostelen van Christus." Evenzoo de Heere zelf in zijn Zendbrief
aan de gemeente van Efese, in Openb. 2:2: „Ik weet dat gij be-
proefd hebt dengenen die uitgeven dat zij Apostelen zijn en zij
zijn het niet."
Uitdrukkelijk geeft daarom Paulus ook de merkteekenen aan, waar-
aan de ware Apostel kan herkend worden. Eerst in 1 Cor. 9:2:
„Indien ik ook anderen geen Apostel ben, nochtans ben ik het
ulieden, want gij zijt het zegel van mijn Apostelschap in den Heere."
En naast dit zegel, bestaande in de stichting van nieuwe gemeenten,
plaatst hij in 2 Cor. 12 : 12 vier andere kenmerken: „Want de
-ocr page 95-
merkteekenen van een Apostel zijn onder u betoond, lo. in lijden,
2o. in teekenen, 3o in wonderen, en 4o. in krachten. Voeg hierbij
de onmiddellijke roeping door Christus zelven, waarop hij in Galaten
wijst, en, in verband met geheel de analogie der Schrift, behoefde
geen zekerheid te ontbreken van wat als Apostolaat mag gelden,
wat niet!
Het is nu eenmaal niet anders.
De muur der stad heeft twaalf fondamenten en in dezelve de namen
van de twaalf Apostelen van het Lam.
-ocr page 96-
\'
-ocr page 97-
in.
DE SLEUTELMACHT.
-ocr page 98-
-ocr page 99-
V
I.
TUCHT UIT LIEFDE.
En indien niet, zoo zegt het der Gemeente.
Matth. 18 : 17a.
Dat ook in den omgang, in het levenaverkeer van den man met
zijn broeder, de liefde meest, de liefde bovenal, de liefde alleen
richtsnoer van gedraging zij, is de alomvattende eisch, die, stemmend
met den aard des zedelijken levens, de maat aangeeft bij elke levens-
uiting in ons Christelijk heiligdom.
Ongetwijfeld is déze liefde nog niet het uitnemendst. Er is een
nog teederder, nog reiner, nog verkwikkender liefde: die liefde, die
het voorwerp van haar toewijding en volzalige genieting niet in den
broeder vindt, maar in God. Hem, den Volmaakte, den oorsprong
en de samenvatting van alle waarheid, goedheid en schoonheid, Hem,
den Onverderfelijke, den Eeuwige, den Alleenzijnde, te minnen met
heel de ziel, te lieven met heel het hart, aan Hem te kleven met
heel ons verstand, Hem te zoeken met al onze kracht, kortom, in
Hem ons hoogste goed, het deel onzes harten, het een en al voor
ons begeeren te bezitten, is aller echte vroomheid innigst waarmerk,
de zuivere ademtocht van al wat godsdienst heeten mag, de verborgen-
heid van alle gebed en smeeking, en daarom ook door Jezus met
nadruk „het eerst en groot gebod" genoemd, in het „Onze Vader"
met heiligen tact het eerst op de lippen des bidders gelegd, en door
heel de Schrift als het uitnemend zalige geteekend, dat tot groote
dingen bekwaamt en een schijnsel des hemels werpt in de dood-
schaduw die ons leven drukt.
Toch mag deze liefde, die sterker dan de dood is, van de liefde
voor den broeder niet gescheiden. „Het eerst en groot gebod," zeer
gewisselijk, maar op den voet door dat andere gevolgd: „En het
tweede aan dit gelijk!"
Onheilig, zonder eeuwige waarde, een liefde
voor menschen bij verzaking van liefde voor den Vader in de hemelen;
maar ook, de liefde voor God eer zelfmisleiding dan heilige waarheid,
tenzij ze in liefde voor de broederen zich uite. Een Koning, maar
ook een Eijk, en de liefde niet vol, de liefde niet van zuiveren oor-
sprong, verstoken van den echten stempel, zoo ze niet is een ingaan
in dat Koninkrijk met onze geheele persoonlijkheid, om te leven
van die heilige liefde, die den Koning en dat Eijk der broederen,
-ocr page 100-
92
beiden met volkomen toewijding en algeheele zelfverloochening omvat.
Hieruit volgt dat alle getwist en oneenigheid, alle stugheid van
hart en ontfermingloosheid, dat alle zoeken van zichzelf en andere
drukkende hoogmoed des geestes het Christendom tegenhoudt, zijn
geest bant, zijn zegen verhindert en lijnrecht overstaat tegen het
heilige Gods.
Geen vraag is daarom voor de Christelijke Kerk van uitnemender
gewicht dan deze: Langs wat weg moet de twist der harten in de
liefde Gods worden verzoend?
Aan de beantwoording dier vraag hangt
haar bloei, haar gedijen, de zegen of de vloek, dien ze brengt.
Immers ze treedt in een zondige wereld op, waar het tegendeel der
liefde een macht is. Ze zoekt haar terrein in menschenharten, die
van nature tot zelfzucht neigen. Ja, ze moet ook in hen, die van
Christus werden, nog uur aan uur den tegenstand bestrijden, die uit
\'s menschen onheilige persoonlijkheid tegen haar in verzet komt.
Bezit ze tegen dit kwaad geen beproefd, geen afdoend redmiddel,
dan staat ze machteloos. Dan is te vreezen, dat de onheilige wateren
van nijd, naijver en liefdeloosheid haar erve overstroomen en ver-
woesten zullen. Dan moge ze op enkele zielen, die meer eenzaam en
vergeten leven, voor wie de levensstrijd min heftig en bang is, en
de verzoeking zelden hoog gaat, een zegen brengen, die voor eeuwig
blijft, maar dan derft ze haar zegen voor het groot geheel des maat-
schappelijken levens, voor den man die zich in het gewoel der schare
mengt, en is ze gedoemd om met de banier der heilige Liefde om-
hoog geheven, voor allen ter aanfluiting te zijn, als toonbeeld van
jammerlijke verdeeldheid en getwist.
Als toonbeeld! Dit zeggen we met nadruk. Of leert niet de
droeve ervaring van eiken intiemen kring, van het huwelijksleven en
van de familie-geschiedenis onzer beste geslachten, dat verdeeldheid
een te ernstiger, gehater en onverzoenlijker karakter aanneemt, naar-
mate men in nauwer betrekking tot elkaar staat? En is het dan niet
natuurlijk, is het dan ontwijkbaar, moest het dan niet vanzelf zoo
komen, dat de leden eener zelfde gemeente, de broeders eener zelfde
gemeenschap, zij, die door het heiligste aller heilige dingen, op het
teedcre terrein der hoogste waarheid en des teederen zielelevens met
elkander in betrekking kwamen, zonder altijd zelf, naar sympathie des
harten, die verbinding gezocht te hebben, te onverzoenlijker tegenover
elkander stonden, zoodra de eenheid der liefde week? Men vergete
toch niet, dat op zoo teeder levensterrein de aanleiding tot geschil
veelvuldiger i3; dat voor uitwendige wellevendheid, als dekmantel
voor verborgen oneenigheid, geen plaats is in een Kerk, die waarheid
boven alles zoekt, en dat, ook afgezien hiervan, elk geschil tusschen
broeders zich zoo onwillekeurig aan elks overtuiging omtrent het
heilige hecht, dat toegeven vaak met prijsgeven gelijk zou staan van
wat het dierbaarste is aan het hart.
-ocr page 101-
93
Jezus wist dit en heeft daarom met zijn vooruitziende en verlos-
sende liefde op afdoende wijze voor zijn Gemeente gezorgd.
Den vorm zijner Kerk liet Hij vrij. Slechts de grondlijn voor haar
bouw wees Hij aan in de prediking des Woords, in de instelling des
Ambts en in de ordinantie van Sacrament en het Gebed in zijnen
naam. Al het overige liet Hij aan de ontwikkeling der tijden, onder
de leiding van den Heiligen Geest.
Slecht op één punt maakte Hij een uitzondering. Op het hoofdpunt,
de levensquaestie van het Christendom, op de handhaving der eens-
gezindheid en de bewaring der onderlinge liefde.
Hij voorzag en wist, dat er geschillen tusschen broeders moesten
komen, en wist even zeker, dat de twistende broeders zei ven nooit
een gezag konden scheppen, waardoor, bij uitgebroken twist, de liefde
met zekerheid zou worden hersteld. Dat gezag kon van Hem alleen
uitgaan, kon door Hem alleen worden opgelegd, en zou Hij zelf
daarom regelen.
In het zeventiende hoofdstuk van Mattheiis vinden we deze heilige
Kerkorde, die, om het souverein gezag van Jezus\' critiek noch tegen-
spraak duldt en eenvoudig gehoorzame onderwerping en trouwe op-
volging eischt.
Die heilige Kerkorde van Jezus bevat, zoo men wil, een drietal
artikelen.
Is daar een geschil uitgebroken, hebt gij iets tegen een uwer broe-
deren, of is er een der broederen die iets tegen u heeft, zoo wil
Jezus, dat ge eerst, vóór eiken verderen stap, tot hem zelf zult gaan,
en met hem voor Gods oog alleen, de bijlegging van het geschil en
de verzoening met den verwijderde zult beproeven.
Maar slaagt ge hierin niet, mislukt uw poging, en moet ge van
hem gaan zonder dat de liefde haar heerschappij heeft hernomen, dan
moogt ge daarom in dien staat van oneenigheid niet voortleven, maar
zijt gij plichtshalve gehouden het gezag in te roepen van den engeren
kring, waarin de Heere u geplaatst heeft, en met twee of drie ge-
tuigen nogmaals bij den onverzoenden broeder herstelling der Chris-
telijke verstandhouding en terugkeer tot liefde en eensgezindheid te
beproeven.
Loopt eindelijk ook deze poging op teleurstelling uit, blijkt ook
het gezag van dien engeren, meer vertrouwden kring ontoereikend,
en blijft de onverzoende toestand voortduren, dan verbiedt Jezus u
nochtans in dezen ongeoorloofden staat voort te leven. Hij eischt dan
stellig en onvoorwaardelijk, dat een iegelijk, wat geschil hij ook met
den broeder hebbe, hoe bedekt het ook dusver gehouden werd, dat
ter beslechting openbaar zal maken, en het eenig beslissend gezag,
het rechthebbend oordeel zal inroepen van de Gemeente!
Nu een vraag op den man af.
Heeft Jezus\' woord voor u beslissend gezag? Gelooft ge in Jezus?
-ocr page 102-
94
Erkent en belijdt ge, dat een iegelijk zondigt die tegen zijn woord
doet?
Zoo niet, noem u zelven dan niet langer een Christen. Belijd dan
niet langer, dat Hij „de weg, de waarheid en het leven" is. Houd
dan op te spreken van zijn Goddelijk gezag, en neem niet langer den
schijn aan, alsof ge u aan Gods Woord onderwerpt.
En zoo ja, zie dan om u in de gemeente, de kleinste zoowel als
de grootste, en vraag of niet elk verschil onverzoend ligt en de bit-
terste verwijdering teugelloos heerscht?
En voorts erken, dat dit zonde is, dat Jezus\' duidelijk en nadruk-
kelijk bevel niet is opgevolgd, en dat het niet anders kan, of de
zegen moet uitblijven, zoolang men tot de „ordinantie Christi" niet
terugkeert.
Hoe dit te doen?
„Zeg het der Gemeente" is de sluitsteen van Jezus\' Kerkorde.
Zoo blijft dan de vraag: Waarheen moet ik mij wenden, om de
Gemeente te vinden en het der Gemeente aan te zeggen?
II.
DE GEORDENDE MACHT.
Is er dan alzoo onder u geen die wijs is,
ook niet een die zoude kunnen oordeelen
tusschen zijn broeders? \'
1 Cor. VI : 5.
De Gemeente van Christus op aarde moet een gemeente van ge-
loovigen zijn. Niet in Donatistischen zin een gemeente van louter
heiligen, voor wier deel aan het kindschap Gods men instaat. Déze
dwaling vindt geen steun in de Schrift en is door onze Gereformeerde
kerk altijd bestreden.
Bestreden uit tweeërlei oorzaak.
Vooreerst wijl het oordeel over den innerlijken genadestaat alleen
den Kenner der harten, niet den mensch toekomt. Steeds getuigden
daarom onze vaderen, dat het schuilen van hypocrieten onder de
leden der gemeente niet te keeren is.
Miiar ook ten andere, wijl zij die toegebracht zullen worden, maar
het nog niet zijn, en evenzoo de reeds wedergeborenen, maar bij wie
het nieuwe leven nog niet tot doorbreking kwam, niet buiten het
genadeverbond en dus ook niet buiten de gemeente mogen gesloten
worden.
\'
-ocr page 103-
95
Zoo dikwijls daarom van. geloovigen sprake, is, heeft men aan
dezulken te denken, die den Christus Gods als hun Heiland belijden,
en deze betuiging noch door belijdenis noch door wandel weerspreken.
Slechts voor tweeërlei soort van lieden is derhalve plaats in Jezus\'
gemeente: men moet of een geloovige zijn, of dit voorwenden en
zijn ware bedoeling bedekken achter het masker der hypocrisie. Van
ongeloovigen mag in Jezus\' kerk geen sprake zijn, zoo min als van
ongerechtigen in hun openbaren wandel. Over den verborgen mensch
der zonde oordeelt de Heere.
Toch dient ook hierbij tusschen twee levenskringen in de gemeente
onderscheiden te worden. Reeds de oude Christelijke kerk splitste de
gemeenteleden in ingewijden en niet-ingewijden, en ook onze
Gereformeerde kerk heeft die onderscheiding bewaard.
Deze onderscheiding regelt zich naar het Sacrament des Heiligen
Avondmaals.
Die daaraan deelnemen behooren tot den engeren kring der ge-
loovigen. Die daaraan geen deel nemen staan nog onder voogdij.
Die voogdijschap kan van tweeërlei aard zijn.
Bij de jongeren in de gemeente, die nog niet tot jaren van zelf-
bewuste keuze gekomen zijn, draagt deze voogdij het karakter van
Toezicht en Opvoeding.
Bij de ouderen, die aan dit toezicht ontwassen zijn, treedt deze
voogdij als censuur op.
Grenslijn daarbij was meestal het twintigste jaar.
Omstreeks dien leeftijd moest men zich verklaren, of men alsnu
den Christus als zijn Heiland aannam.
Weifelde men hierover, dan kwam men toch onder censuur. Zoo
was b v. in de Hollandsche gemeente te Londen een afzonderlijke
commissie van den kerkeraad belast met de curateele over personen
tot de gemeente behoorende, die na den twintigjarigen leeftijd bereikt
te hebben, nog toefden met hun belijdenis.
Die eenmaal den Heere beleden had, moest aan het Avondmaal
komen.
Bleef hij weg, dan zag men hierin het bewijs, dat er of aan zijn
belijdenis of aan zijn levenswandel iets schortte, en stelde den zoo-
danige onder censuur.
Deze censuur bedoelde allerminst een brandmerk, maar was een
daad van teedere, heilige, meelijdende liefde.
Men drukte er door uit, dat deze leden der gemeente niet recht
stonden, derhalve niet aan zichzelf mochten overgelaten, en dus voor-
werp van bijzondere zorge voor de opzieners der gemeente moesten zijn.
Het zorgeloos voortleven in onbekeerden, ongeheiligden toestand
was alzoo onmogelijk.
Men had te kiezen.
Men moest of de volle verantwoordelijkheid van een geloovige dragen
-ocr page 104-
96
en de oordeelende, wijl troostende en reddende, kracht van het Heilige
Avondmaal aanvaarden, of door \'t zij dan gewillige, \'t zij gedwongene
onthouding van het Avondmaal de opleidende en steunende zorg der
Kerk zich ten goede laten komen.
Alleen zij die gestadig in den engeren Avondmaalskring leefden,
golden als geloovigen en hadden deel aan de rechten der Kerk.
Alleen zij konden zelf de doopgeloften over hun kinderen afleggen of
voor anderen als doopgetuigen optreden. Alleen zij waren verkiesbaar
voor ambten der gemeente. Alleen hun werd het recht toegekend om
aan de gemeentelijke verkiezingen deel te nemen. Zoozeer zelfs gold
deze onderscheiding, dat het nog in de meeste Gereformeerde kerken,
vooral in Schotland en Amerika, gewoonte is, de getalsterkte der ge-
meente niet naar het zielencijfer, maar naar het aantal der communi-
canten, d. i. der getrouwe Avondmaalgangers op te geven.
Dat hiermee geenszins een ontwijding van het Avondmaal door
lichtzinnige toetreding bedoeld was, behoeft nauwlijks herinnerd. "Verre
van dien waakt de Kerk veeleer door heiligen ijver, dat een iegelijk,
die door gesprek of wandel zijn belijdenis weersprak, tot boete ge-
bracht, of geweerd werd.
Zoo droeg het gemeenteleven een heilig en zedelijk karakter. Men
oordeelde nooit wat men niet oordeelen kan: den inwendigen mensch,
maar liet ook nooit ongeoordeeld, wat men wel kan oordeelen: den
uitwcndigen mensch, gelijk hij zich in woord en daad op voor allen
waarneembare wijze uitspreekt.
Hoog hield men daarbij bovenal de banier der heilige liefde.
Twist, naijver, onverzoenlijkheid gold als stellig bewijs, dat het be-
ginsel des vleesches, niet het beginsel van Christus in het hart heer-
schappij voerde.
Twist en tweedracht, bittere zin en onverzoenlijkheid was daarom
onvoorwaardelijk voorwerp van censuur.
Met een dubbel doel.
Allereerst om den naam des Heeren; opdat zijn Sacrament niet
ontheiligd wierd met gedoogen der gemeente.
Maar ook, opdat door werkdadige tusschenbeidetreding der ge-
meente het kwaad zou worden weggenomen.
Twist en liefdeloosheid mocht er niet zijn, en waar de wortel der
bitterheid toch uitsproot, moest hij met heiligen ernst worden aan-
getast en weggenomen.
Ons ontging dit geestelijk voorrecht.
Onze gemeenten zijn een droeve samenbinding van onheilig getwist
en liefdeloos krakeel. Tusschen buur en buur, tusschen broeder en
broeder, niet zelden tusschen vrouw en kinderen, ja zelfs tusschen
man en vrouw bestaan in elke gemeente soms pijnlijke verhoudingen,
vaak onverzoenlijke veeten, die in boozen hartstocht, in onedelen
laster en ergerlijk getwist dag aan dag lucht zoeken.
-ocr page 105-
97
En dat laat men zoo.
Daar doet de gemeente als gemeente niets aan.
Zelfs beseft men niet meer, dat afsnijding van deze kwade ranken
onafwijsbare plicht is jegens den Heere en jegens den broeder.
Dat dit in onze massale volkskerken niet anders kan, mag niet als
verontschuldiging gelden. Het bewijst slechts dat deze Kerkstaat nooit
door den Heere gewild kan zijn.
We hebben zijn gezaghebbend Woord. In elks Bijbel staat zijn
stellig en onvoorwaardelijk gebod. Men mag, tenzij men stoutweg
zulk gezag verwerpe, in zulk een toestand niet blijven. Hij zelf heeft
den weg ter voorkoming en wcgneming van het euvel aangegeven.
Eerst den broeder alleen. Dan met twee of drie getuigen.
Baat ook dit niet, dan de Gem.eente.
Maar die Gemeente, waar is ze? Waar schuilt ze? Hóe haar te vinden?
Ge kreegt een twist met een uwer broederen. Er is een uwer
broederen die iets tegen u heeft. Buigend voor Jezus\' gezag was het
u onmogelijk in dien onverzoenden staat voort te leven. Ge gingt
tot hem. De verzoening werd beproefd, maar mislukte. Aan wien lag
het? Aan u of aan hem? Gij noch hij mocht dit beslissen. Nogmaals
gingt ge daarom tot hem, nu door een drietal broederen verzeld.
Toch gingt ge onverzoend uiteen. Er was nog geen beslissing, want
al spraken de broederen in uw voordeel, uw tegenpartijder behoefde
hun gezag niet te erkennen. Wat nu te doen? Er kan geen twijfel
over bestaan. Jezus zelf schrijft u de te volgen gedragslijn voor. Gij
moet naar de Gemeente. „Zeg het der Gemeente" is zijn stellig bevel.
Waar moet ge nu heen? Waar zult ge u vervoegen? Waar heen
u wenden?
• Ach! laat ons het bekennen. Die gemeente is in onzen ellendigen
toestand niet te vinden. Men is gedoemd in den onverzoenden toestand
te blijven voortleven, zoo de wederpartij tot verzoening ongeneigd is.
Men kan niet naar Jezus\' woord doen. Men is in de treurige on-
mogelijkheid, om door het doen van Jezus\' woorden te ervaren dat
zijn woord uit God is.
Het pijnlijkst van dezen onhoudbaren toestand is nog, dat men er
stomp voor is geworden. Men leeft zorgeloos voort, zonder te beseften,
dat een toestand die ons belet naar Jezus\' woord te leven, geen
oogenblik mag geduld. Men acht nog dat het bespreken van dit kerkelijk
vraagstuk een netelige quaestie te berde brengt, die niet sticht, niet
opbouwt en met ons allerheiligst geloof in geen verband staat. Men
keurt het nog als ongeestelijk redetwisten af, zoo men deze dingen
voor de consciëntiën brengt.
Die verstomping van het Christelijk levensbesef is het veront-
rustendst teeken van de kwijning en ontbinding der gemeente.
Toch gaan we voort, de Gemeente het „Ontwaak, ontwaak!" toe
te roepen.
-ocr page 106-
98
Althans de kinderen Gods zullen eindigen met onze stem gehoor
te geven.
Waar is de Gemeente? De Gemeente die gezag ontving? De Ge-
meente die den wortel der bitterheid kan en moet uitsnijden?
Waar?
Yan drie zijden geeft men op die vraag een verschillend antwoord:
Bij het gezag, dat, van het hoogste Kerkbestuur uitvloeiend, te
vinden is bij de geestelijkheid, antwoordt de Eoomsche, de Grieksche
en de Luthersche kerk, zij het ook op verschillende wijs.
Bij de verzameling van al de gemeenteleden antwoorden de
Independenten.
Bij den raad der opzieners, die uit de gemeente zelve haar macht
ontvangen, luidt het antwoord der Gereformeerden.
III.
NOCH PAUS, NOCH INDEPENDENTISME.
Gij hebt de zalving van den Heilige en grj
weet alle dingen.
                    1 Joh. 2 : 20.
Om recht voor God te staan bij de velerhande verwikkelingen van
hoofd en hart, moet men het oordeel der Gemeente kunnen inroepen.
Niet de enkele geloovige kan beslissen. Zijn broeder met wien hij in
geschil is heeft even geldig gezag als hij. Van overheersching des
eenen over den andere kan noch mag sprake zijn. Alleen de Ge-
meente als het geheel der geloovigen staat boven den enkele, is door
Jezus zelf met beslissend gezag bekleed, en moest als openbaring van
het Lichaam van Christus in haar geestelijke hoogheid en majesteit
worden erkend.
Soms bedroeft men zich over de uiteenloopende zienswijze en op-
vatting, die ten opzichte van leer en practijk bij de kinderen Gods
zich voordoet, en vraagt of dan de ééne Heilige Geest niet een zelfde
woord in aller ziel spreekt, waaruit dan vanzelf de gevolgtrekking
voortvloeit, dat bf de een of de ander ten onrechte zich op het ge-
tuigenis van den Heiligen Geest beroept.
Deze beschouwing berust op een dwaling.
Ongetwijfeld zegt het Apostolisch woord: „En indien gij iets anders-
zins gevoelt, ook dat zal God u openbaren," en wordt in de stellige
verzekering: "Gijlieden hebt de zalving van den Heilige en weet alle
dingen," de vervulling bezegeld van de profetie: „Zij zullen Mij allen
kennen, van hun oudste tot hun jongste."
-ocr page 107-
;
99
Slechts hierin tast men mis, dat men deze Apostolische uitspra-
ken opvat, als golden ze voor den enkelen geloovige, in zijn afzon-
dering van het volk Gods en buiten verband met de Gemeente gedacht.
De Heilige Apostelen schreven niet aan de enkele geloovigen,
maar aan de Gemeenten. Het opschrift hunner brieven bewijst dit.
Derhalve heeft niemand het recht, een heilig privilege, dat aan allen
saam en aan den enkele slechts in zijn verband met het geheel ge-
geven is, op te eischen voor zijn eigen individueel inzicht.
Verscheidenheid van inzicht en meening moet, zoo in leer als
praktijk bestaan, wijl er een voorverordineering is.
Verordineering beteekent, in onderscheiding van uitverkiezing, dat
men uitverkoren is met een bepaald doel, voor een eigen bestemming,
de roeping hebbende, om naar de eigenaardigheid van karakter en
persoonlijkheid den straal van het goddelijk licht op eene van anderen
onderscheiden wijze in het spiegelvlak zijner ziel te breken.
Zoolang nu de volmaaktheid nog toeft, waartoe we eerst na dit
leven geraken zullen, kunnen deze verscheidenheden de hoogere har-
monie nog niet vinden, waarin ze zich dan vanzelf en ongedwongen,
naar het bestek der voorverordineering, zullen oplossen.
Hieruit volgt dat een ontwikkeling, die, hoezeer ook naar harmonie
en hoogere eenheid tastend, beide voorshands nog mist, tot het wezen
der geloovigen op aarde behoort. Men kan noch mag deze oneffen-
heden wegschaven. Op • aarde reeds de ongedwongen eenheid te be-
geeren, is de hand naar het onbereikbare uitstrekken en gaat van
miskenning onzer van God gewilde toestanden uit.
Toch ontbreekt daarom de eenheid niet, mits men ze niet bij de
enkele geloovigen, maar bij de Gemeente zoeke.
Slechts versta men de uitdrukking: gezag der Gemeente, niet ver-
keerd. Hiermee is allerminst bedoeld een gezag als van den enkelen
geloovige, met het cijfer der zielen vermenigvuldigd. Veelmin een
beslissing door stemmental bij een doode, sprakelooze, ongeestelijke
stembus uitgebracht. Het cijfer beslist voor het recht der waarheid nooit.
Neen, de Gemeente, is een op zich zelf staande openbaring van
Jezus\' gezag. Niet de enkelen vormen, door saam te komen, de
Gemeente, maar de Gemeente is aanwezig, eer zij in haar werden
opgenomen.
Gelijk het lichaam niet gevormd wordt uit vooraf gereed gemaakte
leden, maar de leden uit zijn innerlijke levenskiem doet voortkomen,
zoo ook in de Gemeente.
Dat men dit bij de Gemeente vaak anders waant, komt daarvan-
daan, dat men de personen, die toetreden, verwart met hun lidmaat-
schap van Jezus\' Gemeente. Als individuen, als personen, als men-
sehelijke wezens kunnen ze zeer zeker eer dan de Gemeente bestaan.
Maar rekent men, gelijk hier eisch is, met deze personen slechts in
zoover, als ze in het mystiek lichaam van Christus zijn ingelijfd, dan
-ocr page 108-
100
kunnen ze niet gedacht worden eer de Gemeente er is, en verkrijgen
ze eerst in hun samenhang met het lichaam der Gemeente hun gees-
telijken wasdom.
Een andere is dus de openbaring van Christus in de enkele ge-
loovigen, en een andere die in de Gemeente. De openbaring in het
hart der enkelen is naar aller verschillend karakter steeds wisselend
• en uiteenloopend, blijft naar hun onvolkomenheid steeds onvolkomen
en kan haar heilige eenheid niet openbaren eer het proces van aller
ziel voleind zal zijn in de toekomst des Heeren. Daarentegen de
openbaring in de Gemeente als geheel, hoezeer ook met de samen-
werking der enkelen rekenend, gaat toch niet in deze op, is nog
iets anders dan deze, en buiten deze, iets op zichzelf, dat een meer
onmiddellijk karakter en, mits de eischen van Gods Woord gevolgd
worden, een heiligen en volkomen stempel draagt.
Op zichzelf weerspreken we dus de mogelijkheid niet, dat een
enkel persoon, gelijk Rome beweert, orgaan van dit Gemeentegezag
zijn zou. Slechts beweren we, dat men, afziende van menschelijke
vinding, zich ten deze streng te houden heeft aan Hem, die alle
gezag in hemel en op aarde had, en dus alleen recht had, om de
wijze te bepalen, waarop Hij zijn gezag in de Gemeente wilde doen
werken.
Nu ontbreekt ten eerste, gelijk we in een vorige serie aantoonden,
alle aanwijzing in de Heilige Schrift, dat xle Heere aan een enkel
persoon dit gezag in dien zin zou hebben toevertrouwd, dat Hij het
aan alle anderen onthouden had, en is er evenmin van een voort-
durend apostolaat een spoor in de Schriften des Nieuwen Verbonds
te ontdekken.
Maar zelfs hierbij behoeven we niet te blijven staan. Met de Schrift
in de hand moeten we ten andere ten stelligste ontkennen, dat het
zoeken van éene, alle gemeenten in hoogere eenheid verbindende
Kerk, naar den eisch van Gods Woord zou zijn.
Ejh is h.;t Lichaam van Ciirhtus, en daarom één aller Heere, één
aller Doop, één aller Geloof. Maar komt het aan op de zichtbare
openbaring van hut Lichaam, dan kent de Heilige Schrift niet anders
dan afzonderlijke, op zictuelf staande gemeenten, en een vrij, gees-
telijk verband, dat zich ongedwongen tusschen enkele gemeenten ge-
vorm 1 heeft.
Er zjn gemeenten te Jeruzalem, te Antiochië, te Rome, te Corinthe,
te Ei\'eze, enz., en on Ier deze gemeenten bestaat er, naar luid van het
Apostolisch woord, een ongedwongen, natuurlijk verband tusschen de
gemsenten van Klein-Aziëns westkust, tusschen de gemeenten in
Palestina en Syrië, en eveazoo tusschen de gemeenten van Pontus
tot Bithynië. Maar van een Kerkverband, dat al deze gemeenten tot
een vast geheel, onder één zichtbaar hoofd, onder één bestuur en
voor alle gelijk bsheer vereenigen zou, is spoor noch schaduw aanwezig.
-ocr page 109-
101
We ontkennen daarom het bekoorlijke en wegsleepende niet, dat
deze machtige, alle kinderen Gods omvattende eenheid, voor de
aspiratiën des geloofs heeft; we ontkennen niet, dat alle gemeenten
een geestelijke eenheid in den Christus hebben; we ontkennen niet,
dat alle in heur wortel, door heur oorsprong, een trek van heilige
gelijkheid dragen, en zich voortbewegen langs paden, die op één
zelfde eindpaal moeten uitloopen: maar verder gaan durven we om
het Apostolisch gezag niet. Zelfs wagen we het vermoeden, dat de
geloofseenheid der Gemeente door niets zoozeer als door de uitwendige
eenheid is tegengehouden.
Het pogen, om die uitwendige eenheid tot stand te brengen, is
toch mislukt. Kome zag haar toeleg, eerst door de Oostersche kerken,
later door de schismatieke Grieken, toen door de Hervorming, en nu
weer .door de Oud-Katholieke beweging verijdelen. Het streven naar
eenheid in de Anglicaansche kerk is haar op het verlies van de
beste kringen der Engelsehe en Schotsche volken te staan gekomen.
En ook ten onzent heeft het rusteloos streven naar de eenheid onzer
Hervormde kerk slechts de rustelooze woeling van malcontenten,
Groningers en Modernen ten gevolge gehad.
Is nu èn blijkens het getuigenis van Gods Woord, èn blijkens de
les der historie, niet de ééne zichtbare Kerk, maar slechts het vrij
verband tusschen de enkele gemeenten door den Christus bedoeld,
dan is hiermee tevens het eenhoofdig zichtbaar gezag van den paus
geoordeeld, voor wiens zetel geen plaats is, waar geen zichtbare een-
heid van rechtswege bestaat.
Evenmin kunnen we ons vinden in de voorstelling der Indepen-
denten, dat de leden der Gemeente zelven bij hoofdelijke stemming
over recht en waarheid in leer of praktijk beslissen zullen.
Ook hierbij houden we ons aan de Heilige Schrift.
Gemeenteleden zonder een geordend bestuur vormen slechts een
aggretaat van personen zonder gemeentelijke eenheid. Er blijft dan
geen plaats voor het ambt. En even zeker als er in de Apostolische
geschriften geen sprake is van de ééne zichtbare Kerk, even stellig
wordt het ambt ons voorgesteld als van het Gemeentewezen onaf-
scheidelijk.
Waar de Apostelen ook gemeenten stichten, steeds ordenen ze
opzieners en diakenen, om de gemeente als geheel te vertegenwoordigen
en te besturen. En dat hun doel niet was, om deze ambten slechts
voor de gemeente in heur eerste opkomst in te stellen, blijkt vol-
dingend uit den uitdrukkelijken last aan hun volgelingen, om ook
op hun beurt gezalfde, met Gods Geest bezielde mannen aan het
.hoofd der gemeente te plaatsen.
Hierbij komt, dat slechts in zeer kleine gemeenten van zulk een
gemeente-plebisciet over alle voorkomende zaken sprake kan zijn. Tot
het vellen van een rechtvaardig oordeel behoort ook kennis van de
-ocr page 110-
102
stukken, de omvattende blik van den vroede en in rechtspraak ervarene,
bovenal de geestelijke vrijheid om, rechtsprekend, alleen op het recht
te zien. Is het nu ondenkbaar, dat een gemeente, die de afmetingen
van een huiskerk te veel overschrijdt, in al haar leden aan dezen
eisch voldoen zou, dan is reeds hierdoor het denkbeeld der Indepen-
denten als onbereikbaar ideaal afgewezen. Hun uiterst belangwekkende
geschiedenis bewijst dan ook te over, hoe zulk een streven eenerzijds
op volslagen Geraeenteontbinding en anderzijds in een Kwakerdom
uitliep, dat meer een humanitair genootschap dan een Gemeente van
den Christus bleek te zijn.
JY.
DE VERKIEZING GRONDSLAG VAN HET KERKRECHT.
Wij zullen komen en woning bij hem maken
Joh. 14 : 23.
De regeling van het Gemeentegezag hangt geheel aan het stuk der
uitverkiezing.
Niet bij vergissing noemden onze vaderen dit artikel der belijdenis
het cor eccleesiae d. i. het hart der Kerk. Metterdaad is de kerke-
lij k e quaestie niet zonder vasten grond in dit fundamenteele leerstuk
op te lossen.
Om het gezay der Gemeente is het te doen. Niet om een door
haarzelve aangematigd gezag. Ook niet om eenig gezag haar door
mensehen toegekend. Maar uitsluitend om het gezag dat haar door
Christus verleend is. Hij is en blijft onze éénige Koning. Elk gezag
dat met zijn souvereiniteit niet strookt en niet uit zijn koninklijke
volmacht is afgeleid, mag niet geëerbiedigd worden, maar eischt
rusteloozc bestrijding.
Het gezag nu dat van Jezus uitgaat moet geestelijk van aard en
kan niet werktuigelijk zijn. Het vloeit voort uit het leven zelf, dat
van Hem uitgaat en is van dit leven onafscheidelijk.
Staat het nu vast, dat het leven Gods, dat uit den Christus tot
zijn Gemeente komt, zijn laatsten oorsprong vindt in Gods wezen,
raad en wil, en niet in \'s menschen keus of wilsdaad, dan moet men
of geheel de openbaring Gods weerspreken, of ook bij de bepaling
van het Gemeentegezag teruggaan tot de eeuwige verkiezing.
Alleen een gezag, welks oorsprong in die eeuwige diepte schuilt,
is werkelijk goddelijk, of korter gezegd, is gezag. Elke poging
moet derhalve mislukken, die \'t zij de openbaring Gods tegen het
-ocr page 111-
103
ongeloof, \'t zij ket gezag der Kerk tegen individueele willekeur ver-
dedigen wil, zonder met de uitverkiezing te rekenen. Verzwijging van
dit leerstuk baat niet en wreekt zich zelf. Wie het slechts van terzij
bespreekt wondt zich aan de scherpte van dezen rotssteen, zonder
verberging in zijn lendenen te vinden. Hoe ook gemeden, komt het
toch zich zelf weer aandienen. Het is machtiger dan alle tegenzin
van het menschelijk hart, en dwingt ten leste toch tot luisteren. In
dagen van oppervlakkigen zin moge het zijn heilig gelaat schuchterlijk
terugtrekken, zoo worden de diepten des levens niet door den krach-
tigen arm des Heeren weer omgewoeld, of ook dit leerstuk toont zich
weer, eischt toestemming en heerscht.
Slechts wachte men zich ook bij dit leerstuk voor misverstand.
Er is een dubbele uitverkiezing.
Er is een uitverkiezing van de Gemeente, en er is een uitverkiezing
van de enkele yelooviyen in de Gemeente. Beide behooren onder-
scheiden te worden naar de Schrift.
Van de eerste uitverkiezing is vooral sprake in de dagen des Ouden
Verbonds. Een volk wordt uitverkoren onder de volkeren, Israël is
onder de natiën door God geroepen, door Hem ten leven verwekt,
uit den Kotssteen des heils gegenereerd. In dat volk zijn ook de
enkele heiligen, is een Samuël, een David, een Jeremia met name
geroepen; maar ook afgezien van de bijmenging der velen die van
God verworpen zijn, blijft de uitverkiezing van het volk als volk
onveranderlijk. Israël moge in zijn massaliteit vervallen tot afgoderij
en werelddienst en dientengevolge als zelfstandige natie ondergaan in
de Babylonische gevangenschap, toch blijft de verkiezing van het
volk hierdoor onaangetast. Een nieuw uitspruitsel komt aan den ouden
stam, de volkskern keert uit Babel weder en Israël als volk blijft
met Jehovahs gunst bestraald, tot het zich zelf voor een tijd afsnijdt
in Golgotha\'s kruis. Toch wordt zelfs in dat kruis het volk Israël niet
vernietigd. De roepingen Gods zijn onberouwelijk, en de Heilige
Apostel getuigt nadrukkelijk, dat als de volheid der Heidenen zal
zijn ingegaan, ook gansch Israël zalig zal worden.
Deze volksverkiezing nu, die in het Oude Verbond zoo duidelijk
van de uitverkiezing der enkele heiligen onderscheiden is, gaat met
de komst van het Nieuwe Verbond allerminst te loor. Houdt men
in het oog, dat de Apostolische brieven niet aan enkele geloovigen,
maar aan de gemeenten gericht zijn, dan volgt reeds hieruit dat de
stellige verklaringen in de brieven aan de Efeziërs en Komeinen over
de uitverkiezing op de Gemeente als geheel slaan. Maar zelfs hierbij
behoeven we niet te blijven staan. Immers een der Apostelen verklaart
met even dezelfde woorden dat ook de Gemeente des Nieuwen Ver-
bonds een „uitverkoren volk is, een koninklijk priesterdom." Waarbij
men nog voegen kan, dat ook de symbolische cijfers, waaronder in
Johannes\' Openbaring de Gemeente Voor den troon wordt voorgesteld
-ocr page 112-
104
op een afgesloten eenheid wijzen, die bij afwijzing van de uitver-
kiezing der Gemeente als geheel, volstrekt onverstaanbaar worden.
Voorop sta derhalve dat er een uitverkiezing is van het volk Gods
onder het Oude en van de Gemeente in het Nieuwe Verbond; een
uitverkiezing die niet op de enkele individu\'s, maar op de Gemeente
als geheel betrekking heeft; een uitverkiezing die ten opzichte van.
enkele leden, die tot deze Gemeente behooren noch voor noch tegen
hun persoonlijke verordineering pleit, en alle eeuwen door onveran-
derlijk en onberouweiijk blijft, hoe die Gemeente ook wegzinke, onder
wat kastijding en oordeel ze ook kome, ho\'ezeer ook de individuen
die tot haar behooren zich bezondigen door afval van \'s Heeren naam.
Toch wane niemand dat deze verkiezing het al is, en geheel het
leerstuk der uitverkiezing met de roeping der Gemeente uitgeput
zou zijn.
Er is nog een tweede uitverkiezing, die even stellig en ontwijfel-
baar in Jezus\' Kerk moet beleden worden: de uitverkiesing der
enkele personen.
Ze was reeds geopenbaard onder het Oude Verbond en wordt ten
opzichte van Jacob en .Teremia zoo nadrukkelijk en krachtig uitge-
sproken, dat elke uitlegkunde zichzelve weerlegt, die de persoonlijke
uitverkiezing dezer mannen eoekt te loochenen.
En wat Jeremia omtrent zichzelf in naam des Heeren uitspreekt:
„Eer Ik u in uw moeders schoot formeerde heb Ik u gekend: Ik
heb u liefgehad met eene eeuwige liefde," en wat Maleachi van
Jacob getuigt, dat hij reeds in zijn levensoorsprong voorwerp van
Gods onderscheidene liefde was, stelt het feit der persoonlijke uit-
verkiezing ook voor het Oude Verbond buiten twijfel.
Van het Nieuwe Verbond geldt geheel hetzelfde. De Apostelen zijn
niet collectief maar persoonlijk uitverkoren, en hij die den Zoon des
menschen verraadt, moet in zijn ontzettende daad het woord der Schrift
vervullen: „Die met Mij het brood eet, heeft tegen Mij de verzenen
opgeheven." Uitdrukkelijk verklaart Jezus: „Ik zeg dit niet van u
allen: Ik weet welke Ik uitverkoren heb." Seherpelijk onderscheidt
Hij, zeggende, „dat velen geroepen zijn, maar weinigen uitverkoren."
Hij profeteert van de ure, dat zelfs de uitverkorenen bijna zouden
verleid worden. Paulus wordt in de openbaring aan Ananias in
persoonlijken zin, „een uitverkoren vat" genoemd, en zelf getuigt hij,
niet van de Gemeente in haar geheel,\' maar van de enkele personen,
dat „die Hij te voren gekend heeft, ook geroepen, gerechtvaardigd
en verheerlijkt zijn."
Niemand heeft dus het recht het ééne mysterie aan het andere op
te offeren. Men mag de uitverkiezing der Gemeente niet loochenen,
om uitsluitend de verkiezing van enkele personen op den voorgrond
te plaatsen, noch ook de verkiezing der met name geroepenen weg-
cijferen, om de uitverkiezing der Gemeente eenzijdig te doen uit-
-ocr page 113-
-
105
komen. Elk der geroepenen zal, zoo hij overwint, een nieuwen keur-
steen ontvangen met een nieuwen naam dien niemand kent dan hij
zelf, en toch zal de Gemeente als één geheel in den samenhang harer
geledingen lof zingen voor Hem die op den troon zit en het Lam.
Wat doet nu de Koomsche kerk?
Ze handhaaft de uitverkiezing der Gemeente, maar geeft de
verkiezing der enkele individuen, zoo al niet voor den vorm, dan
toch metterdaad prijs.
Wat deden de Remonstranten?
Ze wilden noch van de eene noch van de andere uitverkiezing hun
geloofsoorsprong afhankelijk maken.
Wat deden en doen nog de hyper-Gereformeerden?
Ze handhaven eenzijdig de uitverkiezing, der enkele personen en
verliezen de uitverkiezing der Gemeente geheel uit het oog.
Wat eindelijk doet onze Catechismus?
Hij belijdt de uitverkiezing der Gemeente, ook al is het, dat ze
doode leden en hypocrieten in haar midden heeft, en belijdt evenzeer
de uitverkiezing van de enkele personen, als ze de heerlijke betuiging
aan haar 54ste antwoord toevoegt: „en dat ik van dezelve een
levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven."
Alleen het laatste standpunt is het juiste, op de Schrift gegrond en
door de analogie des geloofs gewettigd.
Bepleit alleen de uitverkiezing van enkele gcloovigen en alle
Gemeentelijke veerkracht is verlamd, de voorbereidende genade van
haar kracht beroofd, het sacrament op non-activiteit gesteld en alle
kerkelijk leven opgegaan in lijdelijke zelfbewondering der gekeurden
en geijkten, noodwendig met liefdeloos verketteren van alle nog niet
toegebrachten gepaard. Dan is er geen Gemeente, dan moet de Kerk
uiteenspatten, en is een kwijnend conventikelwezen de hoogste uiting
waartoe het geestelijk gemeenschapsleven komt.
Maar ook, misken de uitverkiezing der enkelen, om uitsluitend de
uitverkiezing der gansene Gemeente voor te staan, en noodwendig moet
het kerkelijk leven alle persoonlijke vroomheid verstikken, een brug
slaan over de diepe klove die Christus van Bclial scheidt, en ter
eener zijde, gelijk bij Bome, in drukkenden vormendienst ontaarden
om anderzijds, gelijk in de kerken der 18de eeuw, het geloof te doen
opgaan in beoefening van burgerlijke deugd en zedelijkheid.
Van de loochening van beide behoeft nauwelijks gewag gemaakt.
Zonder verkiezing is er noch een Gemeente noch persoonlijk genade-
leven, en zóó de Socinianen in de dagen der Hervorming, als de
Bemonstranten in de 17de eeuw, en de Latitudinaristische richting
onzer dagen zijn tot degelijke ontwikkeling van een veerkrachttg
Gemeenteleven ten eenemale onbekwaam. Feitelijk is in hun ver-
werping der verkiezing de Openbaring geloochend. Ze hebben wind
gezaaid en maaien den storm. Bationalisten in hun oorsprong moeten
-ocr page 114-
106
ze, bij wat verschil van vormen en levensuiting ziet, aan het\'koude
kille rationalisme, huns ondanks, sterven den smadelijksten, den minst
eer vollen dood.
Hiermee nu is de vraag naar het Gemeentegezag vanzelf be-
antwoord.
Is er noch uitverkiezing der Gemeente noch der enkelen dan is er
geen Gemeentegezag,
Is er wel uitverkiezing van de Gemeente maar niet van de enkelen,
dan is er gezag van het ambt, niet van de Gemeente.
Is er wel uitverkiezing van de enkelen, maar niet van de Ge-
meente als geheel, dan ontbreekt aan het Gemeentegezag elk orgaan
ter uiting en lost het zich in de willekeur van zichzelf ijkende per-
soonlijkheden op.
Is er daarentegen uitverkiezing èn van de Gemeente als geheel èn
van de enkele personen, dan is beide gegeven, zoowel het gezag der
Gemeente, als het orgaan waardoor dit gezag werken moet.
V.
AMBT EN GAVE.
Er is verscheidenheid der gaven, maar het
is dezelfde Geest.
En er is verscheidenheid der bedieningen,
en het is dezelfde Heere.
En er is verscheidenheid der werkingen,
doch het is dezelfde God, die alles in allen
werkt.
                            i Cor. 12 : 4, 5, 6.
Er is een verkiezing van de Gemeente als Gemeente, en er is een
persoonlijke verkiezing van den enkelen geloovige. Deze belijdenis
ligt aan alle van God gewilde Kerkinrichting ten grondslag.
Niet als maatgevend voor den vorm, maar als aanwijzing van den
weg, waarlangs de krachten van Christus tot de Kerk komen.
De verkiezing Gods is niet een notariëele opteekening van feiten,
die na verloop van eeuwen waarheid zullen blijken, maar de kracht
zelve, waardoor deze feiten tot stand komen.
De verkiezing is niet een catalogus van uitverkoren bloemgewassen
op het terrein des geestelijken koninkrijks, maar de kiem zelf, waaruit
stengel en knop te voorschijn zullen komen.
Daarom kan men aan geen verkiezing gelooven, tenzij men de
wezenseenheid belijde van Vader, Zoon en Heiligen Geest. •
Uitdrukkelijk zegt de Apostel dat de gaven van den Heiligen
-ocr page 115-
107
Geest komen, de ambten van den Christus en de werkingen van
den Vader.
Spreekt het nu vanzelf, dat evenzeer de ambten als de werkingen
met de gaven in onafscheidelijk verband staan, dan moet men van
tweeën één doen: of belijden, dat de Heilige Geest de gaven schikt
naar de ambten die Hij door den Zoon ziet verleenen, en evenzoo de
Zoon de ambten toebedeelt naar werkingen, die door den Vader in
het schepsel gelegd zijn, of, druischt zulk een ongoddelijk meten en
plooien tegen uw vroomheidsgevoel in, dan rest ook niet anders, dan
te erkennen dat gaven, ambten en werkingen weêrkecrig op elkaar
zijn aangelegd, van meetaf voor elkaêr berekend en, slechts ten ge-
volge der zonde, die disharmonie vertoonen kunnen, \'die ons zoo
vaak een klacht op de lippen brengt. Er moet voor elke geestelijke
kracht een eeuwige oorsprong zijn aan te wijzen in het bewuste leven
Gods, dat is in zijn eeuwige verkiezing; en wijl die verkiezing geen
willekeur, maar uiting van het wezen Gods is, kan men haar nooit
van harte belijden, tenzij men in het eeuwig Wezen de wezens-
eenhcid van Vader, Zoon en Geest erkend heeft. Dan mogen hun
eigenschappen en werkingen onderscheiden zijn, naar elks persoons,
toch blijft dan in het Wezen Gods de eeuwige eenheid gegeven, die
de eindelij ke harmonie, ook van de gaven, ambten en werkingen in
de Gemeente, waarborgt.
Langs twee wegen komt der Kerke Christi dus uit eenzelfde bron
de kracht en het leven toe.
Vooreerst door de Gemeente in haar geheel, als van God verordend
middel om ook den enkele weder te baren.
En ten tweede door de wedergeboorte van den enkele, die nooit
de daad der Gemeente is, maar het eigen werk blijft van den Hei-
ligen Geest.
De Gemeente is de bodem, waarin het kind Gods zal ontluiken.
De enkele geloovige is de bloem, die op dien bodem door den
Heiligen Geest gekweekt wordt.
Evenals het nu in het rijk der planten is, zóó ook is het in het
Koninkrijk Gods.
Vooral bij fijnere plantgewassen is èn de bodem èn het bloemzaad
uitverkoren. De fijnere gewassen bloeien niet in elke aarde, schieten
niet op uit zwaren kleigrond of rullen zandbodem, maar eischen een
eigenaardig, bijzonder toebereid terrein. Doch al bezit ge zulk een
terrein, dan ontkiemen de planten nog niet van zelf uit den keurigen
bodem. Door een tweede daad moet in dien bodem de door n ge-
kozen plant nog worden gezaaid.
Niet anders nu is het op geestelijk gebied.
Het kindschap Gods wordt niet gekweekt op elk terrein, niet in
den onheiligen, ongewijden bodem der wereld, maar uitsluitend op
dat hooge, uitnemende terrein, dat door den Heere bereid is in zijn
-ocr page 116-
108
Gemeente. Maar al bestaat die Gemeente, toch kan ook haar bodem
uit zichzelf geen kinderen Gods kweeken. Daartoe is een nieuwe daad,
een daad des Heiligen Geestes noodig, en moet in het hart der
enkelen die kiem des levens worden gebracht, die straks in den bodem
der Gemeente de wortelen uit zal slaan, om uit haar vetten bodem
de levenssappen te trekken, die welhaast bloesem en vrucht aan den
opgeschoten stengel doen schitteren.
Het doel moet derhalve zijn de geschonken gaven door de ingestelde
ambten tot de van God beoogde werkingen te laten komen.
Geen gave ga verloren. Dan mist men de werking. Maar ook geen
gave werke buiten de Gemeente; dan miskent men het ambt.
Omgekeerd volgt hieruit, dat er zoo veelzijdige ambtsbetrekking
behoort te bestaan, dat elke gave haar eigen orgaan vindt, om tot de
van God bedoelde werking te komen. Als ook dat het ambt dusdanig
behoort ingericht, dat het eenerzij ds de gaven in zich opnemen, en
anderzijds die gaven tot de vereischtc werkingen brengen kan.
Ten onrechte heeft men uit de beginselen der Hervorming de
meening afgeleid, alsof het Opzienersambt en het Diaconaat geheel
het gemeentelijk organisme zou uitmaken.
Wijl de Hervorming bij haren herbouw van de verwoeste Gemeente
met herstelling van deze twee hoofdorganen begon, heeft niemand het
recht, verdere ontwikkeling, mits naar eisch van het Apostolisch
woord, af te snijden.
Tot de bedieningen, d. i, tot de ambten der Gemeente behoort
volgens den Heiligen Apostel: de bediening van het Woord, gesplitst
in de bediening van het Woord der wijsheid en van het Woord der
kennis, wat volstrekt niet hetzelfde is; voorts de bediening van het
(noch tot wijsheid noch tot kennis zich verheffend) geloof; de be-
diening der aezondmakingen; de bediening der krachten; de bedie-
ning der profetie; de bediening die de geesten onderscheidt; de
bediening der talen; de bediening van de uitlegging der talen.
En niet slechts in dit twaalfde hoofdstuk uit den eersten Corinther-
brief, maar telkens wordt in de Apostolische geschriften het Gemeente-
organisme ons in een rijke, veelzijdige, zich steeds heerlijker ont-
plooiende veelvormigheid voorgesteld, waarbij onze povere, ijle, stijve
Kcrkorganisatie beschamend afsteekt.
Miskenning van deze Apostolische aanwijzing heeft vooral in onze
dagen haar wrange vrucht gedragen.
De Heilige Geest heeft gaven gegeven, die de Kerk, d. i. het ambt
miskend heeft, en die juist, hierdoor haar volle krachtige w-erking
gemist hebben.
De zending is buiten het ambt gebleven, mist daardoor vastheid
van gedragslijn en eenheid van plan, en verspilt, ook bij de uit-
nemende resultaten, die ze opleverde, minst genomen de helft van
haar geldelijke en persoonlijke krachten, schier uitsluitend, wijl ze
-ocr page 117-
109
door de schuld der Kerk in de onmogelijkheid verkeert om te vloeien
door de haar van God toebeschikte bedding.
Wat van de zending geldt, geldt schier van elke openbaring des
Geestes in de gemeente.
Mannen voor pastoralen arbeid bij uitnemendheid geschikt, worden
gedwongen een kostelijk deel van tijd en krachten aan dit hun aan-
gewezen terrein te onttrekken, om in strijd met hun natuur en aanleg
als redenaars op te treden of deel te hebben aan het Kerkbewind.
Mannen van populaire welsprekendheid, wien God een woord voor
de eenvoudige schare in \'t • hart en op de lippen gaf, worden van
elke bediening geweerd, wijl ze zich niet schikken kunnen in het
keurslijf van een wetenschappelijke studie, waarvoor God hun de
gave onthield.
Mannen, door God begaafd met uitnemende talenten van dicht-
kunst en wetenschap, worden door de valsche inrichting der Kerk
gedwongen, een deel van hun talent in de aarde te begraven en hun
tijd ten beste te geven aan een reeks van beslommeringen, die hun
natuur tegen zijn.
Mannen en vrouwen, die een talent der deelnemende, reddende,
opbeurende liefde ontvingen, moeten, bij gemis van steun der Kerk,
vrijbuiten onder eigen vlag, en wat nog erger is, elke stichting der
liefde telkens van nieuws beginnen, zonder eenigen waarborg, dat op
het gelegde fundament zal worden voortgebouwd.
Wie zich geroepen voelt om tijd en kracht aan het onderwijzen
van de jeugd der Gemeente te wijden, vindt geen spoor gebaand, is
aan eigen inzicht overgelaten, wordt door het Gemeente-organisme
vaak meer gedwarsboomd dan voortgeholpen, en is gedwongen zijn
school een eigen zelfstandig kringetje te doen vormen, dat buiten elk
verband met de Gemeente staat.
Dit moet anders worden, zal er van Gemeenteyezag sprake kun-
nen zijn.
Gezag is van zedelijken aard en wordt geboren uit de juiste samen-
werking van alle organen, die de Koning der Gemeente uitkoos ter
mededeeling van de gaven zijns Geestes.
Zoolang in de Gemeente geen ander orgaan aanwezig is, dan thans
door het Opziènersambt en het Diaconaat geboden wordt, kan het
niet uitblijven, dat mannen en vrouwen, die de hunzelf geschonken
gaven miskend en vertreden zien, ook zonder dat eerzucht in het
spel komt, de wettigheid van een gezag betwisten, dat niet in het
veelzijdig leven der Gemeente wortelt en daarom elke afspiegeling
van het rijke, koninklijke gezag van Christus mist.
En dat niet alleen, maar zelfs de bestaande ambten lijden door
dezen misstand en derven hun werking.
Een Opzienersambt, dat in leer- en regeerambt gesplitst, niet zich
aansluit aan de van God gegeven gaven in de Gemeente, maar deze
-ocr page 118-
110
tegenstaat, in hun plaats treedt en ze onderdrukt, snijdt zichzelf den
toevoer van het echte levensbloed af en kwijnt weg door atrophie.
Vandaar dat het geestelijk gezag der predikanten geheel ondermijnd
is en onze ouderlingen een weinig benijdenswaarde rol in het Kerkelijk
organisme vervullen. Ieder voelt, dat het ouderlingschap, gelijk dit
thans bestaat, elk kenmerk van een krachtig geestelijk ambt mist.
Er is in het presbyterast, gelijk dit wierd, iets te groot naar den
vorm en te klein naar het wezen.
Van het Diaconaat geldt hetzelfde. Onze armverzorging is, zoo men
de gestichten van ouder oorsprong buiten rekening laat, vooral in
onze groote steden, een bureau van weinig gecontroleerde, volstrekt
ontoereikende en uiterst ongeestelijke bedeeling. Eigenlijk ambt van
alzijdige philanthropie is de Diaconie nergens.
Zoo lijdt het ambt, zoo kwijnen de gaven, zoo derft men de
werkingen, zoo mist men elk gezag.
VI.
DE INWONING VAN DEN HEILIGEN GEEST.
Ik zal uitstorten van mijnen Geest op alle
vleesch.
                                  Hand. 2 : 17.
Dat de gave des Heiligen Geestes ook op
de heidenen uitgestort werd.
Hand. 10 : 45.
Bij wegcijfering van het Gemeentegezag komt het Pinksterwonder
niet tot zijn recht.
Wat is Pinksteren?
Eenvoudig de bekeering der Apostelen en der Drieduizend?
Men heeft het zelf gewaand en anderen diets gemaakt.
Met het Pinksterwonder ging het als met het wonder voor Damaskus.
Men sprak van „Paulus\' bekeering op den weg naar Damaskus,"
zonder voor het vermoeden zelfs plaats te laten, dat een veel machtiger
daad Gods in het roepen van den Benjaminiet uit Tarsen schuilt.
Evenmin wordt het Pinksterwonder verstaan, zoo men slechts een
betrekkelijk verschil zoekt tusschcn de openbaring des Heiligen Geestes
op den vijftigsten dag en zijn ingeving in de dagen des Ouden
Verbonds.
Eene verklaring van dezen aard miskent eenvoudig het wonder,
kan er geen rekenschap van geven, waarom de Christelijke Kerk
Pinksteren tot een hooggetijde, tot een harer luisterrijkste feesten
-ocr page 119-
. .                                                           \\ -
111
stempelde, en baant voor loochening van het Pinksterfeest den weg.
Wat op Pinksteren te Jeruzalem in de opperzaal geschied is, was
niet een openbaring, niet een werking, niet een ingeving, maar een
uitstorting van den Heiligen Geest. Scherper gezegd zelfs, niet een
uitstorting, maar de uitstorting des Geestes. Die uitstorting die slechts
eenmaal komen kan, slechts ééns denkbaar is, en in haar aard en
beteekenis beide van alle voorafgaande en daarna komende bedeelingen
des Heiligen Geestes onderscheiden is.
Slechts eenmaal is er, na den Pinksterdag, van een uitstorting des
Heiligen Geestes in de Schrift sprake. Lukas geeft er ons bericht
van in het tiende hoofdstuk der Handelingen. In Cornelius\' huisgezin
was het eerst aan een die geen Jood en geen Jodengenoot was, het
Evangelie van Jezus Christus verkondigd. En nu lezen we, dat de
Heilige Geest viel op allen die het woord hoorden, en dat de ge-
loovigen uit de Joden zich ontzett\'en, „dat de gave des Heiligen
Geestes ook op de Heidenen uitgestort werd."
Tweeërlei verschil dus met den Pinksterdag.
Te Jeruzalem de uitstorting des Heiligen Oeestes. Te Caesarea een
uitstorting van de gave des Heiligen Geestes.
En evenzoo.
Te Jeruzalem uitstorting van den Heiligen Geest op Joden en
Jodengenooten. Te Caesarea uitstorting van de gave des Heiligen
Geestes op Heidenen.
Het ééne Pinksterwonder doorloopt twee stadiën. Het vindt zijn
Hoofdopenbaring te Jeruzalem. Het wordt vervuld en volkomen ge-
maakt door het gebeurde te Caesarea.
Beide feiten saamgenomen vormen het ééne groote wonder: De
nederduling van den Heiligen Geest in de Gemeente van Christus,
gelijk deze uit Joden en Heidenen is sadmgesteld,
maar met het
eerstgeboortereeht van den Jood. „De zaligheid is uit de Joden."
„Beginnende van Jeruzalem."
De onderscheiding tusschen Joden en Heidenen heeft daarbij, ook
afgezien van het nationaal verschil, een blijvende beteekenis. De
scherpe grenslijn, die men ook nu trekken kan tusschen „kinderen
der geloovigen" en de „toegebrachten uit de ongeloovige wereld,"
valt naar Paulus\' maatstaf in geestelijken zin, schier geheel met deze
onderscheiding saam.
We derven de vrucht, die de Apostolische schriften ons brengen
moesten, zoo men bij deze al hun arbeid beheerschende onderschei-
ding uitsluitend aan een geschiedkundige bijzonderheid der eerste
eeuwen denkt. „Al wat geschreven is, is ook om onzentwil geschre-
ven." Te recht oordeelden daarom onze vaderen dat men, zoo dikwijls
van „Heidenen" in de Schrift sprake was, dit op zichzelf in zijn
onbekeerden staat had toe te passen. Men was zelf die Heiden ge-
weest, en was in zichzelf,. buiten Christus, die Heiden nog.
-ocr page 120-
112
Maar zoo dan ook met de tegenstelling tusschen het volk dat onder
en dat buiten het Verbond leefde.
Nog steeds bestaat de schare der waarachtig ten leven bekeerden
uit twee bestanddeelen, naar hun verschillend verleden, verschillende
opvoeding en verschillenden bekeeringsgang onderscheiden.
Ge vindt verlosten des Heeren, die van der jeugd aan onder de
schaduw van Gods Verbond in een vroom gezin, in een vrome maag-
schap, in godvruchtige omgeving geleefd hebben.
Maar ge vindt er ook anderen, die midden uit de wereld gegrepen,
buiten alle kennisse des verbonds opgroeiden, en eerst op later leeftijd
met vrome kringen in aanraking kwamen.
Beiden hebben op het terrein der Gemeente even deugdelijk recht.
De middelmuur der afscheiding is weggenomen. Maar de onder-
scheiding blijft en openbaart zich voor het geestelijk oog blijvend in
verschil van levensrichting en genegenheden, in verschil van inzicht
en uiting des geloofs.
Met opzet voegen we daarom het wonder van Caesarea bij het
wonder te Jeruzalem. Eerst in hun samenvoeging ligt de volle ont-
plooiing van de ééne groote machtdaad Gods.
Deze hooge opvatting van het 1\'inkster wonder wordt door de Schrift
gewettigd en geéischt.
Openbaringen des Geestes waren reeds aan de Discipelen ge-
schonken. „Geen vleesch en bloed heeft u dit geopenbaard, maar mijn
Vader die in de hemelen is."
Krachten des Heiligen Geestes hadden reeds in hen gewerkt.
Ze hadden kranken genezen, duivelen uitgeworpen, het Woord gepredikt.
Gaven des Heiligen Geestes waren reeds hun deel geworden. „En
Hij blies op hen, en zeide: „Ontvangt den Heiligen Geest."
Maar dit alles wordt door de Schrift zelf van de uitstorting des
Heiligen Geestes scherp en voortdurend onderscheiden.
„De Heilige Geest kon nog niet komen," zegt Johannes, „omdat
Jezus nog niet verheerlijkt was."
Uitdrukkelijk getuigt de Heere, dat het den jongeren nut is dat Hij
heengaat; want zoo Hij niet eerst opvaart ten hemel en in zijne
heerlijkheid ingaat, „kan de Heilige Geest niet komen."
Als van een geheel nieuwe genade-openbaring herhaalt Hij nog en
nog eens zijn belofte, dat Hij den Heiligen Geest hun zenden zal
van den Vader.
Zelfs in de laatste oogenblikken die aan zijn hemelvaart vooraf-
gaan, vat Hij nogmaals aller beloften inhoud in die ééne alles-
omvattende belofte saam, dat zij te Jeruzalem de uitstorting des
Heiligen Geestes moeten verbeiden.
Er is dus geen sprake van een werking des Heiligen Geestes als
onder het Oude Verbond. Geen sprake van een openbaring des
Heiligen Geestes ais aan Johannes te beurt viel. Geen sprake van
-ocr page 121-
113
een bedeeling des Heiligen Geestes, als reeds aan de jongeren ge-
schonken was. Ook niet van een aangrijping des Heiligen Geestes,
als waardoor later de geroepenen ten leven werden verwekt. Er is
sprake van iets dat nooit vooraf noch ooit daarna, maar hier uit-
sluitend, hier alleen plaatsgreep; van iets nieuws, iets eigenaardigs,
iets dat zich nooit herhaald heeft, en dat door de Schrift daarom met
den eigenaardigen term wordt uitgedrukt: de uitstorting van den
Heiligen Geest.
Dit wonder staat met het wonder in der Patriarchen tijd en met
het wonder van de Schelfzee op één lijn. Stichting der Gemeente is
de eenheid, die deze drie wonderen saambindt.
In de dagen der Patriarchen stichting der Gemeente in vlreschelijke
afstamming. In Mozes\' dagen stichting der Gemeente als Volksstaat.
Op den Pinksterdag stichting der Gemeente als geestelijk organisme,
en dus losgemaakt zoowel van de afstamming uit Abraham als van
het nationale volksverband in Israël.
Daartoe moet de Heilige Geest niet maar boven de wateren zweven,
niet maar zijn krachten openbaren, niet maar zijn bezieling ingeven,
niet maar de geroepenen vervullen met zijn gaven, maar op aarde
zelf nederdalen, uitgestort\' worden en woning maken in de Gemeente.
Daarom eischt erkenning der Schrift de belijdenis, dat de Heilige
Geest „met den Yader en den Zoon waarachtig en eeuwig God zij."
De belijdenis, dat het menschenhart dat Christus werd ingeplant, een
woonstede, een tempel van den Heiligen Geest kan zijn. De belijdenis,
dat de diepste verzuchting van alle vroomheid en godsvrucht eerst
dan vervuld is, als God zelf persoonlijk zijn tegenwoordigheid en
majesteit openbaart in zijn schepsel.
Eerst op aarde gekomen, verlaat de Heilige Geest deze aarde niet
meer. „Ik zal den Yader bidden, en Hij zal u den Trooster zenden,
opdat Hij bij u blijve in eeuwigheid."
De openbaring des eeuwigen Gods in den Heiligen Geest is der-
halve op aarde, en niemand mag meer zeggen: „Wie zal in den
hemel opklimmen?" Want dat zou, naar Paulus\' snijdende uitspraak,
hetzelfde zijn als „Christus van boven afbrengen," d. i. loochenen
dat Hij opvoer ten hemel, zijn gelofte gestand deed en den Heiligen
Geest ons zond.
De Heilige Geest, niet zijn kracht of gave slechts, maar Hij zelf,
door Jezus opzettelijk met don persoonlijken naam van „Trooster"
bestempeld, is op aarde en openbaart zijn tegenwoordigheid in de
Gemeente, zoo door de genademiddelen, als in de kweeking van het
nieuwe leven.
In de Gemeente van Christus is het licht. Licht van alle zijden.
Licht tot in de verborgenste schuilhoeken. Licht met heerlijken glans.
Want Pinksteren ligt achter ons. De Heilige Geest woont in de
Gemeente en straalt Christus\' glorie uit.
8
-ocr page 122-
114
Toch kan men, in die Gemeente levend, in bange duisternis om-
tasten, zoo het geestesoog nog toebleef, zich half look of weer toeging.
De donkerheid waarin de blinde rondtast of de sluimerende zich
terugtrekt, neemt het feit niet weg, dat de zon haar glansen uitstraalt.
Zoo in het rijk der natuur, maar zoo ook in het rijk des geestes.
Dit is het „bedroeven van den Heiligen Geest," het zich her-
metisch voor den Trooster afsluiten, terwijl Hij om ons henen waart,
op ons aandringt en zijn heerlijke gaven tot voor de poort van ons
hart legt.
Twee feiten onderscheide men dus wel.
Er is eenmaal een uitstorting van den Heiligen Geest geweest.
Er grijpt telkens wedergeboorte door den Heiligen Geest plaats.
Beide is een wonder, maar het eerste wonder is de stichting der
Gemeente als geestelijk organisme, het tweede de stichting van het
nieuwe leven in het hart van den enkele.
Het eerste moest er zijn, opdat het tweede mogelijk werd.
Het tweede is aan het eerste in oorsprong en ontwikkeling ge-
bonden.
Daarom moet er heerschappij van den. Christus zijn door den
Heiligen Geest, zich openbarend als Gemeentegezag.
Miskenning van dit gezag is het Pinksterfeest buiten rekening
laten.
VII.
HET AMBT EN DE GEMEENTELEDEN.
Het heeft den Heiligen Geest en ons goed\'
gedacht.
                                 Hand. 16 : 28.
Alle macht is uit God. Nader bepaald vloeit alle macht uit den
Vader, en is ze door den Vader den Zoon verleend. „Mij is gegeven
alle macht in hemel en op aarde!"
T\'it dien hoofde belijdt de Gemeente dat alle macht, dus ook de
macht die in haar midden gelden zal, uitsluitend berust bij haar heerlijk
Hoofd. Christus is onze Koning. De souvereine macht in de Ge-
meente is Hem niet door de Gemeente opgedragen, maar is voor en
door de Gemeente niet anders te vinden dan bij Hem.
In die heerschappij van den Christus moet intusschen onderscheiden
worden.
De Gemeente heeft een Koning, die haar uitwendig beschut en
inwendig regeert.
-ocr page 123-
115
De Gemeente staat niet buiten, maar in de wereld. Ze is van die
wereld niet hermetisch afgesloten, maar alle deuren en poorten van
haar heiligdom staan in alle richtingen naar het centrum der wereld
open. Erger nog, zo verkeert niet als een kolonie op het erf der
wereld, maar is door haar eigen leden op het innigst met het leven
der wereld vervlochten.
Ze staat, voor zooveel haar leden betreft, met die wereld in gemeen-
schap, door haar gedoopten maar nog niet geroepenen, door haar ge-
roepenen maar nog niet ontwaakten, door haar wedergeborenen maar
nog niet bekeerden.
Ja zelfs hierbij mogen we niet staan blijven: ook in de weder-
geborenen is het lichaam des doods en der zonde, is de natuur buiten
Christus nog een macht der wereld in haar eigen leven.
Voeg daarbij dat ook de uitwendige lotgevallen der Gemeente door
den loop der wereldgebeurtenissen beheerscht worden, alsook dat het
leven harer leden geheel onder den invloed staat van hun uitwendig
levenslot, — en het vereischt geen betoog meer, dat ook over de
wereld een macht moet heerschen, die de Gemeente ten doel kiest.
Geheel onderscheiden daarvan is het wekken en regeeren van het
nieuwe inwendige leven, dat der Gemeente eigen natuur is. Het
geestelijk werk in het hart der leden, de zegening der genade-
middelen, de toebrenging der geroepenen, de vastmaking der ver-
kiezing, de verzegeling der uitverkorenen, het geven van den wasdom,
het sterken tegen aanvechting en het toereiken van den beker der
innerlijke, volzalige vreugde in den verzoenden en wedergevonden
God, zijn altemaal werkingen, die een eigen levenssfeer vormen, van
der Gemeente uitwendig lot geheel verschillend.
Beide deze levenssferen nu staan onder Christus\' koninklijke
heerschappij.
Christus regeert de Gemeente zoowel wat haar uitwendig levenslot
als wat haar inwendigen wasdom aangaat. Edoch beide op zeer onder-
scheiden manier.
De uitwendige beschikking over de Gemeente gaat onmiddellijk,
haar inwendige levensbeweging niet dan middellijk van den Christus uit.
Uitwendig leidt de Heere zijn Gemeente zelf, door eigen machts-
beschikking. Inwendig bewerkt Hij zijn Gemeente nooit dan door
den Heiligen Geest.
De Heilige Geest dient den Zoon in de inwendige geestelijke be-
arbeiding der Gemeente. Hij, de Heilige Geest, is het die ons toeeigent
wat we in Christus hebben, die ons verwekt, ons wederbaart en ver-
licht; die door het Woord de vruchten in ons uitdrijft, ons bezielt
en verzegelt. Hij blijft, wat de Gemeente door alle eeuwen beleed —
de Spiritus Creator, Ecclesiae Doctor et Consolator! „Herschepper,
Leeraar en Trooster zijner Kerk! Altijd zoo echter, dat de Heilige
Geest niets doet dan den Zoon verheerlijken, wat Hij schenkt uit den
-ocr page 124-
116
Zoon neemt, en, naar het schoone woord van den Catechismus, „ons
Christi en al zijner weldaden deelachtig maakt."
De Sleutelmacht behoort uiteraard geheel tot het inwendige levens-
gebied der Gemeente, waaruit volgt, dat het geestelijk gezag, dat op
voorgang der Heilige Schrift met dezen naam bestempeld wordt, vol-
strekt gebonden is aan de werking van den Heiligen Geest.
Is nu de werking van den Heiligen Geest een tweeledige: ééne
die het geheel der Gemeente omvat in de Genademiddelen, en een
andere die de enkele leden bedoelt, dan hebben we het daarvoor te
houden, dat het geestelijk gezag in de Gemeente vrucht moet zijn
van de samenwerking dezer beide elementen: de genademiddelen en
het in de uitverkorenen gewekte leven.
Er moet dus zijn een ambtelijke orde in de Kerk, die in naam
van Christus voor de Gemeente met de bediening der genademiddelen
verwaardigd is. En er moet zijn een invloed op deze ambtelijke orde
uitgaande van de Gemeenteleden.
Hierop nu rust het beginsel onzer Hervormde Kerkinrichting.
Ambtelijke voorgangers, maar uit de Gemeente door de Gemeente-
leden gekozen.
Niet een regeering der uitverkorenen, noch ook heerschappij van
het ambt, maar beide saam.
Daartoe is tucht vereischt. Tucht om Christus\' wil. Tucht om het
heilige heilig te houden. Tucht niet uit zucht tot oordeelen, maar uit
den hartstocht der opzoekende, terechtbrengende, erbarmende liefde.
Een ambtelijke verkiezing als thans in de Hervormde kerk bestaat,
ondermijnt het Gemeentegezag. Zijn stemrecht moet men niet daaraan
ontleenen, dat men in het register eener gemeente is ingeschreven,
maar daaraan dat men in en door die gemeente als een geloovige
erkend is. „Geloovige" altijd naar den regel genomen, dat slechts
beoordeeld wordt wat voor beoordeeling vatbaar is: belijdenis en
wandel. Wel te verstaan: wandel niet in den zin van maatschappelijke
onergcrlijkheid, maar van Christelijken wandel in den geest, genomen.
Die tucht behoort voor de voorgangers dubbel streng te zijn. Die
voorganger heet, moet voorgaan. Niet slechts een gave voor zichzelven
bezitten, maar ook hebben wat hij anderen toe zal bedoelen. De tucht
moet derhalve bij den voorganger, zoo wat leer als leven betreft, niet
slechts negatief, maar ook positief zijn. D. w. z. niet slechts de aan-
wezigheid
van het ergerende, maar ook de afwezigheid van het op-
bouwende, maakt voor het ambt onbekwaam.
Zoo geordend en gehandhaafd in zijn geestelijk karakter, moet het
Kerkelijk ambt het gezag, de Sleutelmacht oefenen; allereerst door
de bediening der genademiddelen zelve. Het Woord te prediken, het
Sacrament te bedienen, is uitoefening van geestelijk gezag. Voorts
door in de Gemeente waarheid en dwaling te scheiden, naar gelang
van haar inzicht, de rijpheid van ontwikkeling en de bestrijding die
-ocr page 125-
\'
117
ze ontmoet. Waarheid en dwaling; niet enkel in de afgetrokken
formulier, maar ook en vooral in de practische toepassing der waar-
heid op het uit en inwendig leven. Eindelijk, door niet naar willekeur,
maar krachtens dien maatstaf het leven der Gemeente te heoordeelen.
Daarbij mag nooit steun worden gezocht in wereldlijke macht. De
Kerk moet rechtssteun in eigen boezem hebben.
Het gezag van het ambt moet daartoe geheel gedragen worden door
de geestelijke en zedelijke achting die het in de Gemeente vindt.
Hieruit vloeit voort, dat de kring der Gemeente die bijeen wordt
gevoegd, klein van afmeting móet zijn. Onbekend maakt onbemind.
Waar geen liefde is, ontbreekt de achting, en een Kerkelijk ambt kan
dus geen geestelijk gezag uitoefenen, tenzij het zich een arbeidsveld
zie toebetrouwd, dat licht te overzien is, waarvan de leden met elkaar
in gedurige aanraking komen, en waarover het den herdersstaf voert
naar den wensch en de bede van schier de geheelheid der gcloovigen,
waaraan men ambtelijk verbonden is.
Het gebed is voor de uitoefening van dit ambt de onmisbare
wijding, die telkens vernieuwing vraagt. Niet het bedeloos, werk-
tuiglijk gebed ter opening eener vergadering, maar een gebed dat als
hoofddoel der ambtelijke werkzaamheid het fundament legt voor allen
verderen arbeid.
Kichtsnoer zij en blijve hierbij steeds Gods Woord, en daarom elk
oordeel onder beding van beroep op de Gemeente zelve uitgesproken,
met gebondenheid voor een iegelijk in de consciëntie, om niet slechts
geen oordeel te aanvaarden, dat met Gods Woord strijdt, maar ook
een Kerk als ontaard en afgevallen te beschouwen, die tegen Gods
Woord kiest.
Een gezag derhalve, dat nooit in onheilig heerschappij-voeren ont-
aarden kan, wijl het uitsluitend in de consciëntie steun vindt.
Valt het geloof in het ambt weg; is het ook maar aan twijfel
onderhevig, of de uitspraak van het ambt wellicht tegen God zou
zijn; wijkt het onbepaald en vrijwillig geschonken vertrouwen: dan
blijkt reeds hieruit, dat de band tusschen het ambt en de Gemeente
verbroken werd; dat het ambt door ongeestelijken zin zich uit de
gemeenschap des Heiligen Geestes verwijdert, en dies op aarde niet
meer binden kan.
Bestaat daarentegen dit vertrouwen ongeschokt en onvolledig;
spruit het ambt met steeds wellenden stroom uit het geestelijk leven
der Gemeente voort, en wordt het ambtelijk gezag niet door de amb-
telijke personen, maar door de Gemeente zelve als voor haar leven
onmisbaar begeerd, gezocht; afgebeden niet alleen, maar ook bij zijn.
arbeid door de innerlijke bewegingen des gebeds en der smeeking
gedragen; ontstaat i. e. w. een werkelijk geestelijk orgaan van een
geestelijk levende Gemeente van Jezus Christus, — dan is de Sleutel-
macht ook nu nog wat ze naar Jezus\' eigen woord moest zijn: een
-ocr page 126-
118
binden op aarde van wat in den hemel gebonden zal wezen, niet
wijl de Gemeente dit vermag, maar jwijl Christus getrouw is en
naar zijne stellige belofte aan zulk een Gemeente zijn inleiding in
de waarheid geeft.
Ook daarbij echter mag niet de sprong van de Gemeenteleden op
de Gemeente zonder overgang of tusschenschakel gemaakt worden.
Er is ook een engere kring van het huisgezin. Ook een engere
kring van het conventueel. Beide moeten met het Gemeentegezag in
overeenstemming zijn zijn.
En evenzoo, gelijk deze kleinere kringen het leven der ééne Ge-
meente dragen, moet de kring der enkele Gemeenten naar een nog
hoogere eenheid: die der Christelijke Kerk, streven.
Hierover nog een slotwoord in een volgend opstel.
VIII.
KERK, CONVENTIKEL, GEZIN.
(Slot.)
Groet ook de Gemeente in hun huis. Groet
hen, die van het huisgezin van Aristobulus
zijn. De Gemeenten van Christus groeten u!
Rom. XVI : 5, 10, 16.
De Kerk, de Gemeente, het Conventikel en het Huisgezin zijn in
afloopende reeks de vier kringen, waarin het leven des Koninkrijks
zich op aarde openbaart. Zóó echter, dat de Gemeente het hoofdele-
ment in het viertal vormt. Van de Gemeente gaan twee lijnen uit.
De ééne benedenwaarts, naar de kleinere kringen van het Conven-
tikel (Oefening) en het Huisgezin. Maar ook de andere opwaarts,
strevende naar de sa&mvoeging van alle Gemeenten in de eenheid der
ééne algemeene, Apostolische, Christelijke Kerk.
Een Christen huisgezin moet een afbeelding van de Gemeente in
miniatuur zijn. Het huisgezin ontstaat door het heilig huwelijk, en
het huwelijk draagt in zich de afschaduwing van de heilige betrek-
king, die tusschen Christus en zijn Gemeente bestaat. Vandaar dat
der Gemeente aan den bloei van het Christelijk huisgezin alles gelegen
is. Zelve van geestelijke orde, moet de Gemeente zich niettemin aan
de natuurlijke orde, die zich in de bloedverwantschap uitspreekt, aan-
sluiten, mits ze hierdoor haar hooger en heiliger karakter van gees-
telijke maagschap niet verlieze. De Gemeente moet het natuurlijk
leven tot zich optrekken, maar ze moet dit doen naar de wet van
-ocr page 127-
119
Christus, door eerst zelve tot de natuurlijke orde zich neder te buigen
en er een gestalte in te verkrijgen. Aanrakingspunt nu dezer beide
sferen is het gedoopte huisgezin. Het stamt uit de natuurlijke orde
der bloedverwantschap, maar het draagt in zich het mysterie van den
band tusschen Christus en de Gemeente, en is door den Doop aan
den Christus gewijd en onder beademing van hoogcr leven gebracht.
In dit steunen op het Christelijk huisgezin ligt de uitnemendheid
van het Gereformeerde gemeentewezen. In de landen, waar Calvijns
beginsel doordrong, in Zwitserland, Schotland, Engeland en Nederland,
staat het huiselijk leven op hooger trap dan in de overige landen
van Europa. Dit voordeel heeft de Gereformeerde Kerk daaraan te
danken, dat ze uit den boezem der Gemeenteleden haar leden laat
opkomen, en niet, gelijk de Eoomsche en Luthersche Kerk, eerst door
het ambt tot de Gemeenteleden komt.
Ook in die Gemeente van het huisgezin, of wilt ge ook in die
huiskerk, die elk gezin moet vormen, bestaat derhalve een Christelijke
Sleutelmacht. Er behoort tucht te zijn. Tucht niet uit zucht naar
gestrengheid, niet ter handhaving van de orde, maar uit eerbied voor
Gods VVoord en zijn heilige ordinnntiën, met de vaste hand der ge-
heiligde liefde veerkrachtig in stand gehouden. Een vader mag niet
toelaten, dat zijn gedoopte huisgenooten zich aan het Christelijk leven
des huisgezins onttrekken. Hij mag niet gedoogen, dat zijn kinderen
hun schooluren doorbrengen in een school, waar de Christus geweerd
is. Hij mag het niet dulden, dat zijn kinderen of dienstboden ter
kerke gaan, waar de Christus naar de Schriften verkort wordt in zijn
heilige majesteit. Het huisgezin behoort den regel der Gemeente te
volgen, moet opvoeding voor het Gemeentelcven zijn, en behoort dus
een levensgang te hebben, die met den levensgang der Gemeente in
haar geestelijke kern gelijken tred houdt.
Toch mag van het huisgezin niet terstond op de Gemeente worden
overgesprongen. Ecclesiolae in Ecclesia! Kerkjes in de kerk! Ziedaar
de vaak misbruikte spreuk, waarin het geheim schuilt van den tusschen-
schakel. Gelijk op maatschappelijk gebied tusschen stadgenooten en
huisgenooten nog de tusschenschakel ligt van den vriendenkring, die
het huislijk leven overleidt in het groot maatschappelijk leven, zoo
moet ook op het terrein der Christelijke Gemeente zich een overgang
vormen tusschen de huiskerk en de grootere Gemeente. Deze overgang
mag niet gekunsteld zijn, maar moet natuurlijk en als vanzelf ontstaan.
Gelijk de vriendenkring op maatschappelijk gebied zijn overgang vindt
in sympathie en gelijkheid van levensomstandigheden, zoo behoort
ook de tusschenschakel in de Gemeente te ontstaan uit geestverwant"•
schap en gelijksoortigheid der genadcleiding. Het verschil van karakter
en persoonlijkheid wordt door het Gemeenteleven niet weggenomen.
Vandaar dat in de ééne Gemeente zich altijd verschillende stroomen
zullen openbaren, die, hoewel in geloof één, toch daarin verschillen,
-ocr page 128-
120
dat ze beurtelings op een ander stuk der waarheid meer den nadruk
zullen leggen, zich meer tot het mystieke of tot het werkdadige leven
zullen getrokken achten, en naar het verschil der ordineering Gods
een andere roeping zullen gevoelen tegenover de nooden der tijden
en de worsteling van het eigen hart. Ook daarbij behoort het gelijk-
soortige te worden saamgevoegd en in die gelijksoortige levensopvatting
en gelijksoortige genadeleiding het aanzijn te geven aan engere kringen
van Christenbroeders en Christenzusters, die in elkanders bijzijn en
omgang meer wasdom in Christus zoeken. Ook op dit punt is onze
Gereformeerde Kerk het veelzijdigst in haar ontwikkeling geweest.
Het Conventikelwezen, of, gelijk ons volk het noemt, „de Oefeningen"
zijn in alle Hervormde landen inheemsen en werden in de „Collegia
pietatis" van Spener eerst als uitheemsche plant op Lutherschen
bodem overgeplant. Toch mag niet verheeld worden, dat dit Oefenings-
wezen maar al te spoedig in Labadistischen zin ontaard is, door niet
een schakel in het Gemeenteleven te willen zijn, maar zich voor dat
Gemeenteleven in de plaats te stellen. Beide, Gemeente en Conventikel,
hebben ten dezen opzichte schuld. De Gemeente heeft gemeend het
Conventikel te kunnen missen, d. i.: men heeft den boom en de
vrucht willen behouden, maar de takken weggesneden. En omgekeerd,
het Conventikel heeft de Gemeente willen remplaceeren, en tak willen
blijven, ook na uitroeiing van den stam. Beider kwijning was hiervan
het gevolg. De Gemeente, van de voedende levensbeweging der Con-
ventikels verstoken, ging lijden aan geestelijke armbloedigheid. En
het Conventikel, aan zijn goddelijke roeping ontvallen, is veelszins
kweekplaats van ziekelijke mystiek geworden in stee van krachtigen
hefboom ter verheffing van het geestelijk leven. Slechts een oogenblik
heeft men in Engeland getracht het Conventikel te hervormen. Men
kent de pogingen van Wesley daartoe, met zijn broederschappen van
wederzijdsche tucht. Toch mislukte dit pogen, daar de alles reglemen-
teerende geest van het Methodisme te „quite English" was om in
echten zin Christelijk te wezen.
Herstel der Conventikels, der Oefeningen, der Christelijke vrienden-
kringen vragen we dus onvoorwaardelijk, mits in het groot verband
der Gemeente opgenomen en niet haar verdringend, mits natuurlijk
geworden en niet kunstmatig saamgevoegd, mits bovenal wederzijdsche
tucht over elkanders wandel en belijden, over elkanders karakter en
genadeleven daarbij hoofddoel zij.
Eerst zoo deze Christelijke tucht in het huisgezin en in het
Conventikel bloeit, kan er van afdoende tucht en uitoefening der
Sleutelmacht in de Gemeente, zonder verkorting der Christelijke
vrijheid, sprake zijn.
De andere lijn, die van de enkele Gemeente naar de eenheid der
Kerke Christi moet leiden, kan hier slechts met één enkel woord
worden aangeduid.
-ocr page 129-
121
Ze moet steeds op aarde worden gezocht, maar kan. nooit op aarde
worden gevonden.
De zichtbare eenheid van de Christelijke Kerk op aarde is het
hooge Christelijk ideaal, waarvoor elks borst gloeit, dat elke Christen-
ziel met heilig heimwee vervult en met nooit zwijgend gebed wordt
afgesmeekt, — maar die nooit kan komen vóór \'s Heeren wederkomst.
Een zichtbare eenheid van de Christelijke Kerk op aarde, zonder
de persoonlijke, zichtbare tegenwoordigheid des Heeren op aarde, zou
onvermijdelijk en onverbiddelijk de Kerk afsluiten van haar Hoofd
en de Gemeente van den Christus scheiden. Ze zou ons van den
staat der vervulling naar den staat der schaduwen terugleiden, uit
het betere in het „wereldsche heiligdom" doen teruggaan en daardoor
nopen ook de afbeeldingen en schaduwen terug te brengen, die aan
den dienst van het „wereldsch Heiligdom" verbonden waren. Zie het
aan Rome, zie het ten deele ook aan de „Apostolische Gemeente,"
hoe ze door het alles beheerschende idee dezer zichtbare eenheid weer
haars ondanks naar de plechtigheden en ceremoniën van het Sionietisch
heiligdom is teruggeleid.
Toch moet het groeien naar die eenheid de gestadige levensbeweging
der Gemeenten zijn. Doch die groei zij evenals in de natuur gevolg
van vrije ontwikkeling, naar de wet van vrije toeneiging en afstooting
zich regelend.
Door niets wordt het komen der eenheid meer vertraagd, dan door
de zucht om die eenheid langs een anderen weg dan dien der vrijheid
te zoeken.
Er is Sleutelmacht in het Huisgezin.
Er is Sleutelmacht in het Conventikel.
Er moet Sleutelmacht in de Gemeente zijn.
Maar de Sleutelmacht der ééne, alles omvattende Kerk kan in geen
menschenhanden rusten, maar verblijft aan den Koning zijner Kerk.
-ocr page 130-
I
-ocr page 131-
rv.
DE UITVERKIEZING.
-ocr page 132-
-.,-Vi.:^;.ri,.il/.\',..,r.,i«_yi-....\'             ,,,! :J ;-;-.\'\'--:T-. \'f. v. |.:-y. :.
«
-ocr page 133-
I.
HET CABDINALE STUK DER GEREFORMEERDE KERK.
Opdat het voornemen Gods, dat naar de
verkiezing is, vast bleve, niet uit de werken,
maar uit den roepende.
Rom. IX : 11.
De Gereformeerde kerk is niet de Luthersche, niet de Methodis-
tische, niet de Doopsgezinde, maar heeft een eigen leven, aan vaste
karaktertrekken
herkenbaar. Ook zonder in den plicht der Christelijke
liefde jegens andere kerken te kort te schieten, handhaaft ze die
karaktertrekken, niet slechts de eerbiedwaardige overlevering der vaderen,
niet maar als door gewoonte haar eigen geworden, niet enkel als ken-
teeken ter onderscheiding, maar in de eerste plaats als gevende de
h. i. zuiverste uitdrukking der waarheid, die het nauwst met de van
God gegeven openbaring overeenstemt, het teederst zijn heiligen Naam
verheerlijkt en het geschiktst is, om \'s menschen persoon, zijn hart,
zijn huis, de maatschappij waarin en het volk waaronder hij leeft,
door onderwerping aan Gods ordinantiën tot zedelijken en stoffdijken
welstand
te leiden.
De naam van Gereformeerde kerk dien ze draagt, drukt dezen
zedelijken ernst van haar optreden onomwonden uit. Ze noemt zich
niet naar een zetel van bestuur, gelijk Eome; niet naar heur stichter,
gelijk de Luthersche; niet naar een vorm van eeredienst, gelijk de
Doopsgezinde; niet naar een volk, gelijk de Engelsche kerk; maar
koos een naam die, het geheel van haar leven omvattend, op God
zelf als den bewerker van haar zuivering wees en prijsstelling op
steeds toenemende zuiverheid boven het portaal van haar heiligdom
grifte.
Door dien naam spreekt ze uit:
i°. dat ze niet een nieuw gestichte kerk is, maar de bewustheid
heeft, voortzetting te zijn der Christelijke kerk van alle eeuwen, die
na door dwaling . en misbruik misvormd te zijn, door God en van
zijnentwege gereformeerd is;
2°. dat de dwaling en het misbruik, waarvan ze gereformeerd werd,
door weer in te sluipen haar gereformeerd karakter in gevaar zou
brengen; en
3°. dat elke hetzij van ouds overgebleven of nieuw ingeslopen
dwaling in de kracht Gods tegen te staan en uit te bannen, de on-
-ocr page 134-
126
afwijsbare verplichting is, uit den aard en de natuur van haar kerk
voortvloeiend. De winste van vroegere reformeering zuiver te bewaren
(reformata), en rusteloos het werk der reformeering op nog overge-
bleven of nieuw ontstane misvorming toe te passen (reformanda), is
de dubbele levenstaak die ze krachtens haar oorsprong ondernam.
Wijl ze zich een voortzetting weet van de Christelijke kerk aller
eeuwen, verwerpt ze het Congregationalisme, dat met geen geschie-
denis rekenend, aan elke groep van individuen het recht tot kerk-
stichting toekent. Als kerk met een historisch verleden verzet ze zich
eenerzijds tegen de dusgenaamd algemeen Christelijke richting, die,
de historische ontwikkeling miskennend, het manlijk gezicht met zijn
vaste karaktertrekken weer voor het nog ongevormde van het kinder-
gelaat wil uitruilen. Eindelijk, als door vroegere reformeering tot
altijd doorgaande reformeering gehouden, protesteert ze eenerzijds tegen
de repristineerende lieden, die het werk der vaderen als voltooid be-
schouwen, en anderzijds tegen de irenisehen die het dulden op haar
erve van nieuw ingeslopen dwaling, zij het ook slechts tijdelijk, ge-
oorloofd achten.
Tot die Gereformeerde kerk kan men bchooren bf door doop, of
door belijdenis. Het laatste echter in verschillenden zin. Er kan bloote
vorm van belijdenis hebben plaats gegrepen, aan den inhoud dier
belijdenis geheel vreemd. Er kan ook belijdenis zijn geweest van den
inhoud, zonder dat men zich van dien inhoud bewust was. Er is ook
aansluiting aan die belijdenis denkbaar, als eenvoudig gevolg van
opvoeding en levensomgeving. Maar in degelijken zin is er dan eerst
een behooren tot de Gereformeerde kerk door belijdenis ontstaan, zoo
men de overtuiging won, dat in deze kerk de waarheid zuiverder dan
elders gekend, Gods naam beter verheerlijkt, de genade inniger ge-
noten, en het waarachtig levensgeluk op meer afdoende wijs bevor-
derd wordt. Wie niet inziet en erkent, dat de Gereformeerde kerk
onder alle bekende kerken de hoogste en zuiverste verschijningsvorm
van het Christendom is, mag nog geen drager geacht worden van
haar geest, ook al draagt hij haar uniform.
Het bewijs voor haar meerdere voortreffelijkheid moet ter eerste
instantie gevoerd worden uit de Heilige Schrift, wordt in geestelijken
zin slechts gegeven door de ervaring van het genadeleven in den haar
eigen vorm, maar kan ten deele ook geleverd worden door vergelijking
van de vruchten, die zij en die de overige kerk voor het leven afwierp.
Die vergelijking staat ze met eere door.
Het Protestantisme heeft slechts twee vertakkingen: de Luthersche
en de Gereformeerde kerk. De Wederdooperij, op anderen wortel
bloeiend, plaatste zich nevens deze beide.
Over de laatste kan een enkel woord volstaan. Ze heeft in den tijd
van haar optreden het huiselijk en maatschappelijk leven verwoest, den
staat omgekeerd en de zedelijkheid in de waagschaal gesteld. Het
-ocr page 135-
127
betere element, dat ze in zich droeg, is allerwegen opgenomen in de
Gereformeerde kerken, of heeft zich onder den naam van Mennonieten
omgezet in een stille, minder beduidende vereeniging van op zichzelf
staande gemeenten, van wier invloed op den gang der wereld-
geschiedenis men weinig bespeurt.
Ter vergelijking biedt zich dus slechts de Luthersche kerk aan.
En nu zou voorzeker niets meer in strijd met den geest onzer vaderen
zijn, dan geringschatting van de uitnemende gaven, die in den persoon
van Luther aan de Christelijke kerk geschonken zijn. Ook de Gerefor-
meerden eeren Luther als den held der Reformatie, in wien ze
belichaamd was, door wien ze tot stand kwam, uit wiens geest ze
haar kracht putte. Nooit anderer roem benijdend, reikt ook de Gerefor-
meerde kerk aan Luther den eerepalm, in den strijd des geestes die
was uitgebroken, en weet ze de eigenaardige charismata te eeren, die
ook nu nog aan de Luthersche kerken zijn toebetrouwd. Maar met
dat al blijft aan de Gereformeerde kerk de voorkeur, zoo we rekening
houden met den invloed op maatschappij en volksleven uitgeoefend.
Wat Luthers kerk, althans dusver, niet deed, dat deed de kerk van
Calvijn: geheel het volksleven, in al zijn uitingen, dermate met zijn
geest doordringen, dat een nieuwe, eigenaardige nationaliteit ge-
boren werd.
De Gereformeerde kerk heeft twee natiën gesticht: de republiek
der Vereenigde Nederlanden en de Vereenigde Staten van Noord-
Amerika. En zelfs Brandenburg, waar zich blijkens de geschiedenis,
onder al de Luthersche staten de meeste vormende kracht heeft ge-
openbaard, was ten deele Gereformeerd.
Dit deed de Luthersche kerk niet. De Staten, in de zeventiende en
in deze eeuw in Luthersche landen ontstaan, missen in hun wording
elk godsdienstig element.
Voorts, de Gereformeerde kerk heeft, ook waar ze in een bestaande
nationaliteit inging, die omgezet in haar geest — denk aan Engeland,
Schotland en Zwitserland, — terwijl in Luthersche landen de winste
der Eeformatie schier uitsluitend tot het kerkelijk terrein bepaald bleef.
Dat het huiselijk leven vooral in Engeland, Holland en Amerika
bloeit, is reeds daaraan herkenbaar, dat in deze landen het samen-
wonen in eenzelfde huis slechts uit nooddwang geschiedt, als uit-
zondering op den regel, dat elk gezin zijn eigen woning hebbe, terwijl
elders het samenwonen onder eenzelfde dak in de volksgewoonten is
opgenomen.
Vraagt men waar de Staatsrechterlijke vrijheid van den burger het
krachtigst ontwikkeld is, dan moet men zijns ondanks op Holland,
Engeland en Amerika wijzen, en heeft hiermee wederom den gunstigen
invloed der Gereformeerde kerk zijn hulde gebracht
Vraagt men welke kerkinrichting naar betere grondlijnen was aan-
gelegd, dan geeft men in Luthersche landen zelven voor de hoogere
-ocr page 136-
128
uitnemendheid der Gereformeerde kerk het treffendst bewijs, door
thans tot nabootsing over te gaan van wat onze kerk van meet
af had.
Gaat men eindelijk na, welke kerk onder de massa der bevolking
de diepste wortelen van geloof en belijdenis wist te slaan, dan is de
uitkomst dezer vergelijking evenmin twijfelachtig. In de worsteling
met het ongeloof ziet men in Luthersche landen het verschijnsel, dat
de geestelijkheid, veel meer dan ten onzent, aan het geloof gehecht
blijft. Maar let men op de houding der bevolking, dan bespeurt men
juist omgekeerd, dat ze in Luthersche landen schier geheel aan haar
geloof ontvalt, haar kerken ledig laat en de kracht mist om tot een
ernstige beweging ten behoeve van haar belijdenis te komen: terwijl
in Gereformeerde landen de bevolking juist voor het oud geloof op-
komt, haar kerken gevuld houdt, en een verzet organiseert, dat ten
leste eiken tegenstand breekt. De bevolkingen van Amerika, Engeland
en Schotland, en ten deele ook van Nederland, vertoonen metterdaad
vlak het tegenovergestelde schouwspel van wat in Luthersche landen
de mannen des Christelijken geloofs met bezorgdheid en vreeze vervult.
Zonder daarom de leemten te willen toedekken, die de Gerefor-
meerde kerk ontsieren, of het oog te willen sluiten voor de meerdere
voortreffelijkheid die op menig ander punt in andere kerken onmisken-
baar is, achten we ons gerechtigd tot de verklaring, dat, getoetst aan
een invloed op het volksleven in degelijken zin, de meerderheid der
Gereformeerde kerken niet wel te betwisten valt.
Deze overtuiging moet nopen tot prijsstelling op het behoud van
haar eigenaardig karakter, aan de liefde die we haar toedragen alle
kunstmatigheid en • overspanning ontnemen, en den strijd voor haar
levensbestendiging adelen tot een gewijden en dus ook ridderlijken strijd
voor een zedelijk pand, dat èn aan ons huisgezin èn aan ons volks-
leven ten goede komt.
Daartoe dient allereerst dat eigenaardig karakter gekend te worden.
Die kennisse is verkrijgbaar.
Niet door aan enkele der thans levenden te vragen, wat zij Gerefor-
meerd keuren, maar door onderzoek.
De Gereformeerde kerk heeft haar geboorteacte, ze heeft haar ge-
schiedenis, ze heeft haar officiëele documenten, ze bezit in een on-
afgebroken reeks van schrijvers de tolken van haar geest.
Dat onderzoek moet zich allereerst richten op de leidende, alles
doordringende en bezielende gedachte, die haar levensuiting, in kerk
en staat, in huisgezin en maatschappij bepaald heeft.
Zulk een krachtsontwikkeling als we bij de Gereformeerde kerken
aanschouwen, is ondenkbaar zonder eenheid van streven. Eenheid van
streven bestaat niet, waar niet alle levensuitingen terugleiden naar
eenzelfdcn wortel. Er moet in den wijden kring van gedachten, die
ze doorleefde, één denkbeeld zijn, dat aller middelpunt vormt: dat
-ocr page 137-
\'.•
129
als moeder-gedachte de overige baren en haar richting bepalen kon;
er moet in haar geestelijk leven een punt aanwijsbaar zijn, waar de
polsslag van dat leven weer telkens vernieuwd en verfrischt werd;
kortom die kerk die zulke machtige dingen tot stand bracht, moet
een hart, een cor ecclesia» rijk zijn geweest, en hiervan zelve de
bewustheid hebben bezeten.
Dat had ze. Zelve sprak ze uit, dat de Cor Ecclesiae, dit hart der
Kerk, in het feit der eeuwige verkiezing lag.
Wat ze hiervoor hield moet dus in helderen vorm voor ons liggen,
eer verder onderzoek gelukken kan.
II.
WAT DE OUDE CHRISTELIJKE KERK VAN DE
UITVERKIEZING HIELD?
Noch steekt men een kaars aan en zet die
onder een koornmaat.
          Matth. 5 : 15a.
De Christelijke kerk is niet met de Hervorming begonnen, maar
in haar voortgezet. Ook onze Gereformeerde kerk heeft de mysteriën
der waarheid niet, als ware er nimmer van gerept, het eerst uit de
Heilige Schrift zich toegeëigend, maar slechts het haar door de
Christelijke kerk overgeleverde aan de Openbaring getoetst, krachtens
den eisch der Schrift gezuiverd en onder de leiding des Geestes ver-
der ontwikkeld. Zullen we derhalve den geestesarbeid waardeeren
kunnen, die door de Gereformeerde kerk aan de belijdenis der uit-
verkiezing is ten koste gelegd, en evenzoo het geestesogen begrijpen,
dat door de innerlijke kracht van deze belijdenis in haar gewekt is,
dan dienen we op den weg, dien zij afliep, terug te gaan en vooraf
aan de geschiedenis te vragen: in welk een gesteldheid onze vaderen
de belijdenis der uitverkiezing bij hun optreden vonden?
De belijdenis der uitverkiezing, die èn door de ervaring van het
genadeleven èn op grond van de Openbaring der Heilige Schrift,
steeds een vast bestanddeel van de leer der Christelijke kerk gevormd
had, vond toch eerst in den kerkvader Augustinus den man van
bijna Herculeïsche geesteskracht, innig als schier nooit aan de tee-
derste diepte van moed gepaard, en dies machtig en van God ver-
wekt om dit ontzaglijk mysterie met vaste en toch gewijde hand te
ontsluieren. Hij was levend theoloog, geen koud ontleedkundige.
Geheel de wereld van gewaarwordingen, die in het ééne woord van
uitverkiezing besloten ligt, had hij in de worsteling van zijn eigen
«.
                                                                          9
-ocr page 138-
130
zielsleven doorwandeld. Niet uit dorre begrippen saamgeregen, maar
xiit eigen zielservaring gegroeid, was de belijdenis die hij ter neder-
schreef. Hij gaf in zijn geschriften tegen Pelagius niet de vrucht van
zijn denken, maar een stuk zijner ziel.
Eeeds hieruit is het te begrijpen, dat de kerk nog niet rijp was,
om met hem in die diepten der goddelijke mysteriën af te dalen.
Men eerde zijn grootsche figuur, men sprak zijn orakelen een tijd-
lang na, maar Augustinus werd niet begrepen. De kracht ontbrak,
om zoo ver en diep in de genade door te dringen, als deze koninklijke
worstelaar.
Men zocht een middelweg, poogde tusschen A.ugustinus en Pelagius
door te zeilen en luisterde gretig naar Joannes Cassianus en zijn vol-
gelingen, die den zondaar niet als „dood in de zonde en misdaden"
beschouwde, maar het boven allen twijfel verheven achtte, „dat nog
zekere kiemen van deugd en gerechtigheid onder de zondige oppcr-
vlakte zijner ziel verborgen liggen, die slechts op den dauw der god-
delijke genade wachten, om tot wasdom te gedijen." Augustinus\' be-
lijdenis, „dat de zaligheid niet aan allen ter erfenis beschikt was,"
achtte hij dientengevolge, en dit sprak hij onverholen uit, een „ingens
sacrilegium"
d. i. een „gevloekte godslastering."
Het baatte niet of de Synoden te Oranje en te Valence in 529 dit
semi-pelagiaansche stelsel al zochten te stuiten; de godgeleerdheid,
destijds bijna uitsluitend in handen van kloosterlingen, moest zich
steeds verder van een belijdenis vervreemd gevoelen, die, door op-
heffing van alle verdienstelijkheid der goede werken, ook van het
kloosterleven den heiligen geur afnam. Niet dat men Augustinus
verketterde of weersprak, maar men zweeg, men liet het groote vraag-
stuk van den oorsprong des nieuwen levens sluimeren en ging voort
in de kerkelijke practijk een richting te bevorderen, die elke diepere
opvatting van het genadeleven afsneed.
In Gottschalks martelaarschap werd men zich van dezen ommekeer
in de kerkelijke belijdenis eerst bewust.
Gottschalk, Sakser van geboorte, stamde uit het grafelijk huis van
Benno, en was door zijn ouders reeds als kind in het destijds be-
roeinde klooster van Fulda geplaatst. Kabanus Maurus, wiens naam
Europeesche vermaardheid bekwam, was sinds 822 als abt in deze
geestelijke stichting opgetreden. Onder hem studeerde ook Gottschalk,
maar om zich ondanks diens meerderheid te ontwikkelen in een hem
vijandigen geest. Het kloosterleven zelf, waarin Rabanus het ideaal
zijns levens vond, wekte almeer Gottschalks weerzin, en toen hij,
door lezing van Augustinus, allengs de eerste kiemen van afkeer
tegen Rabanus\' half-pelagiaansch stelsel voelde opkomen, werd het
verblijf te Fulda hem een levenspijniging.
Aan het verbreken der kloostergelofte viel intusschen niet te den-
ken. Wel bestond op de Synode te Mainz, in 829 gehouden, bij
-ocr page 139-
131
bisschop Otgar en zijne ambtgenooten een neiging om Gottschalk ter
wille te zijn, maar Kabanus, die, het kostte wat het wilde, tegenover
den eenvoudigen monnik niet in het ongelijk wilde staan, verzette
zich dermate tegen elk denkbeeld van dispensatie, dat Gottschalk zich
reeds gelukkig prees, toen hem vergund werd Kabanus\' klooster te
verlaten en een toevluchtsoord te zoeken in het Fransche klooster
Orbais, bij Soissons. Op dit vrije erf zich in Augustinus\' geschriften
geheel verdiepend, werd Gottschalk ten leste met volkomen beslistheid
voor de belijdenis van den grooten kerkvader gewonnen. De eeuwige
verkiezing werd hem het feit der feiten, zoo in de stichting der kerk
als in de toebrenging zijner eigen ziel ten leven. Zijn oog ging er
voor open, dat de kerk, in haar semi-pelagianisme verzonken, het
licht op den kandelaar onder den korenmaat had gezet. Zoo moest ze,
rondtastend in het half duister, haars ondanks, op doolwegen geraken.
De blijde, zielverkwikkende ervaring der volle genade kon haar deel
niet meer zijn. Ze was krank, met een krankheid, die ten doode kon
voeren, en geen heiliger plicht kon dus den trouwen zoon der kerk
van Godswege op het harte zijn gebonden, dan de oogen der Chris-
tenheid voor zoo bedenkelijke dwaling te openen. Na Augustinus was
er geen grooter kerkvader dan de zoon van Monica opgestaan. Naar
Augustinus derhalve moest de kerk terug.
Gottschalks levenstaak was hiermee aangewezen. Hij voelde zich
van Godswege geroepen, om de arme afgedoolde kerk het half ge-
sloten oog weer te doen opengaan.
Nauwelijks echter bespeurde Rabanus Maurus, dat zijn vroegere
kloosterling dit van zijn zienswijs afwijkend gevoelen ook naar buiten
verbreiden liet, of hij besloot zich met al de kracht zijner persoonlijk-
heid en al den invloed van zijn wijd gevierden naam, tegen den
monnik van Orbais te verzetten.
Voor de Mainzer St node van 848 gedagvaard, verscheen Gottschalk,
om met de Schrift en Augustinus\' werken de deugdelijkheid van zijn
streven te bepleiten. Maar niets baatte. Hij werd veroordeeld.
Naar eisch van het Canoniek recht leverde men den veroordeelde
aan Hincmar van Eheims over. Deze liet hem op een Synode, door
den land vorst saamgeroepen, te Chiersy in 853 nogmaals vcroordeelen,
en toen hij weigerde te herroepen, kwam het geeselkoord op zijn
ontblooten rug neder tot het bloed er afdroop, en sloot Hincmar den
dus mishandelden monnik levenslang in het klooster van Hautvillers
op. Meer dan twintig jaar heeft hij in dien kerker gezucht en ge-
leden, zonder een oogenblik aan zijn overtuiging ontrouw te worden.
Meest uit de belijdenis, die men bestreed, putte Gottschalk de kracht,
om de felheid te tarten, waarmee die belijdenis in zijn persoon ver-
volgd werd. Even onwrikbaar bleef hij in zijn stervensure en sloeg
elke verlokking tot wijken met mannenmoed en Christelijke veerkracht
standvastig af. Tegen hem vermochten zijn vervolgers niets, slechts
-ocr page 140-
132
tegen zijn stoffelijk overschot konden ze hun fanatieken toorn ver-
spillen. Geen gebed werd aan zijn graf gedaan en dat graf dolf men
buiten de gewijde rustplaats der dooden.
Toch wane men niet, dat de gehechtheid aan de belijdenis „van
den troost der eeuwige verkiezing" reeds zoo geheel uit de Christe-
lijke kerk geweken was, dat Gottschalks woord volstrekt geen weêr-
klank zou hebben gevonden. Veeleer traden mannen als Katramnus,
Prudens van Troyen en vooral Remigius van Lyon zeer beslist, zij
het ook onder eenig voorbehoud, op Gottschalks zijde. Er waren nog
twee stroomingen in de kerk, en mocht al de half-pelagiaansche verre
de sterkste zijn, toch was, vooral in Frankrijk, de liefde voor Augus-
tinus nog machtig genoeg om zelfs op twee Synoden (te Valence in
855 en te Langres in 859) de oude leer der verkiezing in officieële
kerkneten te handhaven.
De besluiten der Synode te Chiersy en van die te Valence, beide
schier gelijktijdig saamgeroepen (in 853 en 855), geven dan ook van
de tweeërlei belijdenis, die in de Christelijke kerk destijds nog
worstelde, het zuiverst en volledigst beeld.
Op de half-pelagiaansche Synode te Chiersy bepaalde men: „lo.
God heeft, krachtens zijn voorwetenschap van de dingen die komen
zullen, hen uitverkoren, die Hij ten leven gepraedestineerd heeft en
heeft dezen het eeuwige leven voorbeschikt. De overigen, van wie Hij
vooruit wist, dat ze verloren zouden gaan, heeft Hij in het verderf
gelaten, maar hen niet gepraedestineerd om verloren te gaan. 2o.
Den vrijen wil, die door de zonde te loor was gegaan, heeft de
mensch door Christus terugontvangen, zoodat we nu een vrijen wil
ten goede hebben, die door de genade opgezocht en geholpen wordt,
en een vrijen wil ten kwade, die van genade verstoken is. Dezen
vrijen wil bezitten wc, als uit genade vrijgemaakt en door genade van
het bederf genezen. 3o. De Almachtige wil dat alle menschen zonder
uitzondering ten leven komen, zij het ook dat niet allen dit vinden.
Die gered worden, worden gered door genade. Die verloren gaan,
komen om door eigen schuld. 4o. Gelijk er niemand is, was of zijn
zal, wiens natuur Christus niet heeft aangenomen, zoo is ook geen
mensch denkbaar, voor wien Hij niet gestorven zou zijn, al worden
niet allen door zijn bloed en offerande gered. Dat nu allen niet door ,
Hem ten leven komen, doet niets af aan de onmetelijkheid zijner
verdienste. De beker der genade is gevuld om allen te laven. Doch
wie uit dien beker niet drinkt, kan door dien beker niet genezen
worden.
Deze belijdenis, door Hincmar in de pen gegeven, werd eeuwen
lang de juiste uitdrukking geacht van het halve Pelagianisme.
Daartegenover nu verklaarde de Synode van Valence: „lo. Wij
belijden eene voorbeschikking der uitverkorenen ten leven en een
voorbeschikking van hen, die verloren zullen gaan ten doode, zoo
-ocr page 141-
133
echter dat in de verkiezing der verlosten Gods genade aan hun ver-
dienste voorafgaat, terwijl in de voorbeschikking ten doode het recht-
vaardig oordeel Gods op het aanwezig kwaad volgt. Door de praedes-
tinatie heeft God slechts bepaald, wat Hij, \'t zij krachtens zijn
barmhartigheid, \'t zij krachtens zijn rechtvaardig oordeel doen zou,
zoodat Hij in deze verlorenen vooruitgezien heeft het kwade, dat in
hen zijn oorsprong heeft, en dit niet heeft voorbeschikt, wijl het zijn
oorsprong niet kan hebben in het goddelijk wezen. De straf is voor-
beschikt, maar zoo iemand zegt dat de verlorenen ten kwade ge-
praedestineerd zijn, zoodat zij niet anders dan boos konden zijn, ver-
werpen we deze dwaling met Augustinus, als niet uit God. 2o.
Christus heeft zijn offerande, niet voor allen, maar slechts voor de
geloovigen gebracht. 3o. De vier artikelen van de Synode te (\'hiersy
verwerpen wij als deels onjuist, deels onwaar, en bevelen dat een
iegelijk zich wachten zal, zulke dwalingen ingang te doen vinden."
Op dezen tweesprong bleef men staan. Pogingen tot verzoening
mislukten. Men zweeg er liever van. De geest der Eoomsehe kerk
had reeds een te vaste richting in de praktijk gekregen, dan dat ze
door theologisch onderzoek ware te wijzigen geweest. Ze kon Augustinus
niet verketteren, maar hem volgen evenmin.
Noch pelagiaansch, noch stemmend met Augustinus, kon ze noch
de zedelijkheid, noch het geloof tot hun eigenaardig recht doen komen,
maar moest aanlanden bij miskenning van beider wezenlijk karakter,
door het geloof onder een levenswet te brengen, die van Godswege
wel aan het zedelijk leven, maar niet aan het leven des geloofs
is gesteld.
Juist hierin nu schuilt de natuur van elk half-pelagianisme.
IIJ.
DB UITVERKIEZING SCHUILEND IN DE TENTE
DER VROMEN.
Ook heb Ik in Israël doen overblijven
zeven duizend, alle knieën die niet gebogen
hebben voor Baal en alle mond die hem
niet heeft gekust.
                  I Kon. 19 : 18.
Na Gottschalks martelaarschap is de half-pelagiaansche denkwijs in
de Christelijke kerk heerschende gebleven tot op de Hervorming.
Hieruit leide echter niemand de gevolgtrekking af, alsof het geloof
aan de uitverkiezing een drietal eeuwen buiten werking ware gesteld.
Dit kon niet.
-ocr page 142-
134
In niet één eeuw van het bestaan der Christelijke kerk is er ooit
één enkele verloste geweest, die anders dan uit de verkiezing Gods
heeft geleefd, en anders dan in het geloof aan die uitverkiezing .den
verborgen omgang met zijn God heeft gevonden.
Een kind Gods, dat niet aan de uitverkiezing gelooft, is ondenkbaar.
De vromen, de godvreezenden, de mannen en vrouwen die voor
God en zijn Woord beefden, staan heel de geschiedenis door op
denzelfden verschen weg des levens. Hun zielservaring, hoe ook naar
den vorm verschillend, was in den grond eeuw in eeuw uit één.
Dit gaat ook in onze dagen door. Ge kunt noch zult ooit, noch
in de stad uwer inwoning noch buiten haar muren in uw vaderland,
noch in de landen van verre, ook maar één enkele onder de bekeer-
den vinden, wiens geestelijk bestaan, mits ge uw peillood maar uit-
werpt, uiet in de verkiczinge Gods blijkt gegrond te zijn.
Hieruit volgt echter volstrekt niet, dat dit feit der feiten, deze
alles beheerschende daad der goddelijke vrijmacht, ook bij allen tot
klare, welbewuste belijdenis is geworden.
Niet één geloovige vormt zijn belijdenis zelf.
Dit kan niet, reeds wijl de band waarin Christus ons met zijn
Gemeente geplaatst heeft, zich tegen zulk een op zichzelve staande
geloofsontwikkeling verzet. Maar ook voor zoover de vrije persoonlijk-
heid haar recht tegenover het gemeenteleven behoudt, vindt ge in
Gods kinderen slechts bij uitzondering die mate van denkkracht en
zuiverheid van uitdrukking, die tot het vormen van een eigen be-
lijdenis onmisbaar is.
De regel is dan ook, dat we onze belijdenis of van de kerk over-
nemen, of, waar zij in haar belijdenis bleek gedwaald te hebben, ons
de tegen-belijdenis eigen maken, die door een man van geestelijke
diepte en scherpe zeggingskracht werd te boek gesteld.
Onder zulk een belijdenis leeft men dus, zonder dat het persoonlijk
geloofsleven altijd met die belijdenis overeenstemt. Is de belijdenis goed,
dan spreken velen haar na, die persoonlijk nog tot geen belijdenis
van zonde of genade gekomen zijn. Of ook, is de belijdenis onzuiver,
dan blijven velen nog door de macht van haar woord gebonden, ook
nadat de Heilige Geest hen persoonlijk in het zuivere levensspoor
heeft geleid.
Niets is dus gewoner, dan ook op het stuk dat ons thans bezig
houdt, de uitverkiezing, de scherpste leerbepalingen te hooren bepleiten
door mannen die den Pelagius in het eigen hart nog troetelen. En
ook omgekeerd, leeraars en gemeenteleden, de ademtocht van wier
ziel u een reuke des levens doet tegenkomen, nog in een gedachten-
weefsel verstrikt te vinden, dat met de uitverkiezing strijdt.
Het gebed is ook hier beslissend kenmerk.
Kan iemand bidden. Niet den hoorder boeiende samensprekingen
met den Koning der koningen houden. Maar bidden. D. i. zóó in
-ocr page 143-
135
de bodemlooze diepte der afhankelijkheid wegzinken, dat hij weet
dat hij niets is, dat zijn gebed niets is, en al zijn vermogen minder
is dan ijdelheid, en daarom roept naar zijn God, die het doen moet
zal het er komen en wiens mogendheid het alleen tot stand brengt.
Bidt hij zóó tot dien God, dat hij Hem de eere geeft ook voor de
eerste kleine roerselen, die een zwakke neiging ten leven verrieden,
en van Hem smeekt, om neiging, wil en kracht en werking ten
goede. Ja, is het zulk een bidden, dat dit danken en smeeken niet
bij wijze van eerbetoon, maar uit innerlijken nood naar de lippen
dringt, en doortrild is van dien toon der zichzelf wegwerpende oot-
moedigheid; die bekent uit zichzelf vlak het tegenovergestelde te
zullen voortbrengen en midden in den dood te liggen, terwijl God
alleen het leven en het leven uit en door God is, — dan zeg ik u,
dat zulk een ziel in de diepte der uitverkiezing wortelt, al ontbreekt
de verlichting nog, die de dwaling der gedachten, vrucht van opvoeding
en levensomgeving, moest uitzuiveren.
Bij de wereld staan ze dus nog als pelagianen te boek, en gaat ge
op den klank af, dan zijn ze het ook nog. Maar één ding zullen ze
toch nooit. Al zijn ze uit de strikken van Baal met hun denken nog
niet los, ze zullen de knie voor Baal niet buigen en zijn beeld niet
kussen met hun mond. Er zal niet dat ijveren voor de leugen in
hen zijn, dat den ketter kenmerkt. Ze zullen niet die innerlijke
vijandschap openbaren, die bij den mensch, wiens hart den Pelagius
nog niet in zich zelf ontdekte, terstond vuur vat, als ze met de
kracht der uitverkiezing in aanraking komt. Ze mogen nog met
pelagiaansche stellingen spreken, en in de taal der genade zich nog
niet kunnen uitdrukken, maar toch hun Heere bewaart hen, dat ze
in de pelagiaansche woorden niet meer den vurigen levensgloed leggen
van het pelagiaansche hart.
Dit geldt thans. Dit gold ook in de middeleeuwen. Ook toen had
de Heere zijn zeven duizend die, zij het ook in de onbewuste levens-
diepte van het hart, recht stonden voor de vrijmacht Gods naar zijn
eeuwig voornemen in Christus.
Dat dit innerlijke geloofsbestaan niet van lieverlee tot eene betere
belijdenis kwam, was niet hun schuld.
Ze waren met alle gedoopten opgevoed in de Boomsche kerkleer.
Ze waren door de praktijk der Koomsche kerk aan een vorm van
eeredienst en versterving gewend, die aan de vormen van hun be-
wustzijn, aan hun algemeene denkbeelden en geloofsbegrippen, een
tegenovergestelde uitdrukking leende. Bovendien, van een zelfstandig
optreden der leeken, gelijk onze kerk dat kent, was in de Christelijke
kerk destijds geen spoor.
Toch zou de ervaring der ziel wel allengs tot zuiverder belijden
genoopt hebben, zoo men niet stelselmatig elk opkomen van zulk een
belijdenis onderdrukt had. Tegen den denker trok men aanstonds te
-ocr page 144-
• \'\'                          \'
136
velde. Op het formuleeren van een andere belijdenis stond de straffe
des doods. Het schrijven van boeken die iets anders beleden was ver-
boden. De verspreiding van zulke boeken, destijds zonder hulp der
pers toch reeds zoo moeilijk, gold voor misdaad. Het lezen van niet
kerkelijk goedgekeurde boeken was strafwaardig.
Hoe wilde nu een eenvoudige vrome, die werkelijk uit het leven
der uitverkiezing leefde, tot ontwarring van het pelagiaansche stelsel
komen ? Zelf was men hiertoe te zwak. Geschriften te hulp nemen kon
men niet. Bij zijn priester vond men eer tegenwerking. Voor aaneen-
sluiting met anderen sloot de Inquisitie den weg af.
Het was dan ook volkomen natuurlijk, dat tot een antipelagiaansche
belijdenis slechts zij konden komen, die door hun monnikspij of
priestergewaad toegang tot de geschriften van de groote corypheeën
der kerk hadden.
Ons moge dit vreemd in de ooren klinken, en toch is het een
feit, dat in de middeleeuwen menig echt kind Gods als monnik in
een klooster geleefd of het priesterambt bediend heeft. Las nu zulkeen
de werken der mannen van naam, van die groote geesten die door
God in de kerkvaders als toonbeelden van godvruchtigheid en ge-
heiligde geestkracht bei, aan zijn gemeente geschonken waren; vond
hij daar fel bestreden, wat zijn kerk leeraarde; en bleek hem, dat het
leven zijner ziel in die andere belijdenis veel zuiverder uitdrukking
ontmoette, — dan was hem gegund, wat den eenvoudige onder de
vromen onthouden bleef, om namelijk van de zielservaring der eeuwige
uitverkiezing ook tot haar min of meer heldere belijdenis te komen.
Hieruit verklaart zich een dubbel verschijnsel. Vooreerst, dat alle
voorloopers der Hervorming, de één sterker, de ander zwakker, tegen
het half-pelagiaansche stelsel van Eome opkomen. En ten tweede, dat
schier al deze mannen monnik of priester zijn geweest.
Voorloopers der Hervorming waren de mannen, die niet alleen,
gelijk duizenden om hen heen, de ware vroomheid uit God bezaten,
maar tegelijk geest- en denkkracht ontvangen hadden.
Nu staat het vast, dat zoolang de Christelijke kerk bestaan heeft,
de minder vrome en minder groote mannen onveranderlijk halve of
heele pelagianen zijn geweest; terwijl omgekeerd de vroomsten en die
de uitstekendsten in denkkracht tevens waren, schier zonder uitzon-
dering, meer de zijde van Augustinus kozen.
Zelfs van de groote godgeleerden der middeleeuwen geldt dit. Naar
het eenstemmig getuigenis van alle deskundigen moet aan Anselmus,
Petrus Lombardus en Thomas Aquina de prijs der vroomheid en der
diepte van geest zeer verre boven Dun Scotus, Occarm en Biel ge-
reikt worden, en juist de eersten zijn het, die veel sterker dan de
laatsten, voor zooveel hun tijd dit dragen kon, voor Augustinus
partij kozen.
Of deze neiging des geestes tot verklaarden tegenstand zou leiden,
-ocr page 145-
137
hing af deels van het karakter der personen, deels van de burgerlijke
vrijheid die men in de verschillende landen genoot.
Zoo kon in het vrijere Engeland de eenzijdige Thomas van Brad-
wardina, later Aartsbisschop van Canterbury, reeds in het midden der
veertiende eeuw zelfs met een min of meer onbijbelsch strakke leer
over de uitverkiezing optreden.
In hetzelfde rijk stierf tegen het einde der zelfde eeuw de groote
Johan Wycliffe, die in zijn beroemde Trialogus geheel de leer der
uitverkiezing ten grondslag legt aan zijn beschouwing van den mensch,
en onverholen de alles omvattende genade Gods, dus ook de uit-
verkiezing der enkele personen, met heldere bewustheid voordraagt.
In de eerste jaren der vijftiende eeuw is Hus reeds aan het woord,
en zoo door hem als door Hiëronimus van Praag wordt met kracht
en ernst het practisch en theoretisch pelagianisme der kerk bestreden.
Zelfs koos hij Augustinus\' leer van de voorbeschikking minder juist
ook als uitgangspunt voor de leer der zichtbare kerk en verloor noch
in de practijk noch in zijn godgeleerde schriften, ooit den eisch der
vrij machtige genade uit het oog.
In de eerste helft der vijftiende eeuw was de schadelijke invloed
van het pelagianisme voor het geoefend geestesoog reeds dermate
zichtbaar, dat elke krachtige persoonlijkheid die door den Christus in
zijn kerk ten leven verwekt werd, op den tast af naar de diepere
beschouwing over den mensch greep, die nu eenmaal aan Augustinus\'
naam verbonden was.
Johan van Goch, uit Kleef, kwam in zijn geschrift „over de
Christelijke vrijheid" (c. 1470) onverholen voor de waarheid der uit-
verkiezing op. Johan Keuchraad van Wezel moest zijn openlijk toe-
treden tot Augustinus\' genadeleer met verbranding zijner geschriften
en levenslange gevangenis boeten; en al staat Johan Wessel nader
aan de Luthersche zienswijze, toch was ook in zijn ziel de dwaling
van het pelagianisme overwonnen.
De drang om weer den troost der eeuwige verkiezing te bezitten,
sproot dus allerminst uit stelselzucht of voorliefde voor zuivere begrips-
bepaling.
Stelselzucht en begripsbepaling zijn doode machten, die door den
stroom des levens in de gemeente niet gedragen worden en die nooit
de eere waardig zijn gekeurd, om als herauten voor de eere van Gods
vrijmachtige genade na een tijdperk van geestelijke verslapping op
te treden.
Er is maar één macht die de gemeente tot de belijdenis van de
uitverkiezing Gods terugbrengt: de macht van Gods heiligheid.
De heiligheid Gods dwingt het pelagianisme zijn zondigen wortel
va. practijk en leven te openbaren. Dan weet de kerk ten laatste tegen
haar pelagianisme geen uitkomst meer, en zelve verschrikt over de
monsterachtige vrucht van de macht die ze gekweekt en gekoesterd
-ocr page 146-
138
had, keert ze uit geestelijken nood terug tot de vastigheid der eeuwige
verkiezing, die alleen kracht ter bezwering van den dood bezit.
Intusschen, daartoe komt het niet opeens.
Langen tijd beproeft men nog, om door gebod op gebod en regel
op regel de uitkomsten van het pelagianisme een zekeren glimp
te geven.
Mislukt dit, dan zal men in allerlei gnostiek, mystiek en theosophie
den tweesprong, waarvoor men geplaatst staat, zoeken te ontwijken.
En eerst als ook deze hulpmiddelen tot het laatste toe doelloos zijn
gebleken; als het alles de kwaal nog blijkt te verergeren; als de ver-
warring ten top stijgt en de nood, de doodelijke nood om er aan te
ontkomen, niet slechts aan den man, maar aan de ziel komt: dan
breekt Gods Woord door en ontvangt de wereld het met blijdschap.
Zoo was het vóór de Hervorming.
Eerst wilde men van geen uitverkiezing weten.
Toen de eerste sporen van gevaar zichtbaar werden, sloeg men over
tot werkheiligheid.
Toen juist daardoor het gevaar klom, zocht men heul in mystiek
en theosophie.
En eerst toen niets meer baatte, en geheel de kerk onderst boven
lag en de ziel het niet meer kon uithouden, toen werd de fontein
der vrije genade geopend en niemand zei: „Wat is die uitverkiezing
diepzinnig!" maar elke vrome van gemoed dankte den hoogen God,
dat hij weer van uitverkiezing hoorde.
Zou het zóó ver ook thans moeten komen?
---------------
rv.
SCHOLASTIEK EN LEVENSERNST.
Mijn raad zal bestaan en Ik zal al mijn
welbehagen doen.
                     Jes. 46 : 10.
Dat het krachtiger deel der Christelijke wereld tegen den uitgang
der 15de eeuw weer naar uitverkiezing vroeg, en dat door de krachtige
geesten onder onze Hervormers aan die behoefte voldoening werd ge-
schonken, is een daad Gods, die uit het rijk zijner krachten in de
gemeente gewerkt is.
Met steiselzucht en scholastieke liefhebberij heeft het diepe geestes-
leven der Hervorming de schaduw zelfs niet gemeen. De Hervormers
waren, we verhelen dit allerminst, zoomin heiligen als de zonen onzer
eeuw. Wie de oorkonden hunner levensgeschiedenis opslaat, vindt zich
-ocr page 147-
139
teleurgesteld, zoo hij iets anders hoopte te vinden, dan levensberichten
van begenadigde zondaren. Ze waren bovendien, gelijk ieder mensch
uit een vrouw geboren, kinderen hunner eeuw, iets van de ruwheid
dier eeuw aan zich hebbend, iets van het beperkte dier eeuw in hun
levensbeschouwing mengend. Dat ze kind en knaap en jongeling
waren geweest in een maatschappij, gelijk Rome die gesticht had, was
tot op hun dood, zoo in de plooi van hun karakter, als in hun liefde
en haat merkbaar.
Maar wat men hun ook ten laste legge, ze waren geen verachtelijk
geslacht. Het menschenslag, dat in de oorkonden der Hervorming
ten tooneele treedt, boezemt u geen afkeer in. Er is geen spoor of
zweem in hun verschijning te ontdekken van dat onware, leugenachtige,
valsche en gehuichelde, dat aan alle stelselzucht en dorre scholastiek
ten grondslag ligt.
Uitverkiezing uit stelselzucht te bepleiten is de gemakkelijkste zaak
ter wereld. Daarvoor is geen geloof, is geen genade, is geen levens-
ervaring noodig. Dat kost strijd noch kruis, maar waarborgt ook geen
kroon. Daarvoor is niets noodig dan de denkkracht om sluitrede uit
sluitrede af te leiden. Dat kan de Mahomedaan even onverbeterlijk
doen als de aanbidder van Confucius. Zoo daarin de adel der uit-
verkiezing lag, zou oefening in de logische denkwetten het beste
middel ter opkweeking in geloof en godsvrucht zijn. Wiskunst
ware dan vrijwat krachtiger element ter vorming van geloovige
Christenen dan Gods woord en het gebed. Hoe minder hart, hoe
meer hoofd, zou dan ter keuring van Gods kinderen de veiligste
stelregel zijn.
Zulk een zienswijs is verfoeilijk. Al wat er op Christelijk terrein
toe neigt, is geknakt en neigt ten doode. Wie door zulk een geest
gedreven wordt, trekke zijn voet van het heilig erf des Christelijken
geloofs terug. Dan liever nog den heelen Pelagius met zijn eigen ik,
dat koninkje speelt, dan liever nog den halven Pelagius met zijn
constitutioneelen monarch op den troon van het zondig hart! Dat
leven moge vlak verkeerd gericht, dat streven onzuiver en onheilig
zijn, maar zelfs in die zondige ketterijen blijft het menschenhart zijn
rol nog spelen, en in doode stelselzucht is niets dan de dood en zijn
reuke en het gif van het lijkvocht, dat anderer leven doodt.
Waarom ?
Omdat alle stelselzucht, die met sluitredenen en niet met de redenen
des Heeren tot de ziel wordt gevoed, innerlijk niets dan leugen en
onwaarheid is.
We kunnen in goddelijke zaken niet spreken, tenzij we belijden,
d. i. den indruk uiten, dien we van goddelijke werkelijkheden, van
\'s Heeren machten en krachten in het teedere van ons zieleleven
ontvingen. In die werkelijkheden Gods is een stelsel, d. w. z. is
ordening, samenhang, eenheid, wijl ze alle komen uit de ééne zelfde
-ocr page 148-
140
diepte van het ééne hoogheerlijk wezen Gods, en het spreekt dus
vanzelf, dat naarmate we meer van dien God zien en meer van zijn
krachten ervaren, er meer stelsel ook in ons belijden komen zal.
Maar dien weg betreedt het stelselziek streven der scholastiek
niet. Ze cijfert op het papier in stee van becijferd te worden door de
verhoudingen der krachten Gods en de geestelijke wetten, die deze
krachten beheerschen. Zoo komt men er toe, van God, van zijn raad,
van zijn zoen te spreken, zonder dat die God, die genade, dat recht,
die raad en die verzoening als leven en wezenlijkheid voor ons staan.
Daardoor sluipt de onwaarheid in. Woord en leven dekken elkander
niet meer. Wijl Gods recht ons niet een naam voor de levende ge-
rechtigheid
in God zelf is, gelijk die is en bestaat, maar een afge-
trokken hoegrootheid, kan het niet anders, of we kennen aan dat
recht toe, wat er vreemd aan is, en zien er niet in, wat er onaf-
scheidelijk bij hoort. Met Gods recht zal iemand het wel laten om te
knutselen naar eigen lust en zin. Pat recht zou hem vermalen en
zijn gewijde hand verdooven doen. Maar laat men dat recht Gods
voor wat het is, en neemt men slechts den naam, slechts het afge-
trokken begrip, o, natuurlijk dan heeft willekeur vrij spel. Wat zou
dit begrip u doen? Het is dood en krachteloos. Er zit niets in. Het
is uw eigen product. Uw brein heeft het aldus geschapen. U, nis zijn
schepper, dient het en bij alle denkoperatie, die u in den zin komt,
schikt het zich naar uw bevelen. Zoo kunt gij met het recht, zoo
kunt ge ook met de genade, met den raad des Eeuwigen, ja ten
slotte met den \'•naam God zelf doen. Het worden alle stukken
kaartenblad voor u, waarop ge namen schreeft en waaruit ge naar
hartelust uw kaartenhuis kunt optrekken.
Doch dan hebt ge ook de bugen. Want, dit weet ieder, men vat
uw zeggen in ernst op. Men kan niet anders, men moet het zoo op-
vatten. De taal is een gemeen goed, niet uw particulier eigendom.
Gebruikt ge dus bij het kunstig spel van uw gedachtenbeelden woor-
den en begrippen, waarvan de zaak in het leven, in de werkelijkheid
bestaat, dan is een ieder in zijn recht, die u daaraan houdt en moet de
eenvoudige wel den indruk ontvangen dat gij niet van het bestek,
maar van het huis, niet van het onjuiste konterfeitsel, maar van den
persoon, niet van fantaisie, maar van het leven spreekt. Ja, hiermee is
de leugen nog niet ten einde. De leugen bestaat niet slechts tusschen
u en uw naaste, maar evenzeer tusschen u en uzelf. Gijzelf meent
het ten laatste zoo, verstaat het zoo, vat het zoo op, en, misleid door
rnv eigen arglistigheid, laat ge in uw eigen hart die doode machten
van begrippen en sluitredenen allengs de plaats innemen vaii den
levenden God.
Daarom is elke richting die hiertoe leidt, zoo uiterst gevaarlijk
voor de gezondheid van het gemeenteleven en voor de frischheid
der ziel.
-ocr page 149-
Vormen, begrippen, woorden en eindelijk letters worden een macht,
die tusschen ons en de waarheid gaat staan. Het woord, die ontzet-
tende macht die voertuig van leven en geestkracht moet zijn, wordt
een dood wapen, dat slechts wonden kan. De leugen van zulk een
ledige denkwereld ondermijnt geheel ons zielsbestaan, en wijl men
tot erkentenis van die leugen niet komen kan, blijft men met zijn
dooden afgod tobben en worstelen, tot eindelijk het masker van den
Farizeër voor goed het aangezicht onzer ziel onkenbaar maakt.
We verzoeken daarom een iegelijk die ons opkomen voor de uit-
verkiezing Gods met leede oogen aanziet, onze artikelen, die we aan
deze alles in heerlijkheid te boven gaande daad der Vrijmacht wijden,
scherpelijk te onderzoeken, of ze uit dezen hoek des doods en der
innerlijke onwaarheid komen.
Maar we verzoeken ook een iegelijk, die zich bij voorkeur de
Hervormers buiten deze heerlijke belijdenis denkt en nog steeds
voortging op onze Dordtsche vaderen met zekere geestelijke zelfge-
noegzaamheid te smalen, in de oorkonden der geschiedenis een ant-
woord op de vraag te zoeken, of zulk een spelen met doode begrip-
pen en aaneenschakelen van levenlooze sluitredenen de bron van hun
kracht is geweest.
Het heeft er niets van.
Niet uit scholastieke liefhebberij, maar in kracht en ernstig verzet
tegen dit onwaar geknutsel zijn de helden der Hervorming tegen het
halve en heele Velagianisme opgetreden.
Ze waren geboren met een hart zooals wij, met een hart, dat in
de hoovaardij van het gedachtenspel en in de evenwichts-proeven van
Pelagius van nature een ongemeen behagen had.
Hun opvoeding had deze neiging van hun hart niet bestreden,
maar gesterkt. Ook Luther, ook Calvijn, hebben als kind de pater-
noster in de handen gehad en voor de heilige beeldekens op de
knieën gelegen. Al wat ze van hun kerk leerden stijfde hen bei in
hun scholastieke en werkheilige natuur.
Maar buiten die kerk bestond nog een andere macht, een macht
die uit den Hooge, in de feiten des levens en in de worsteling des
geestes ook op hen aandrong. Die macht bleef hun eerst een geheim-
zinnige onbekende. Ze stieten haar af. Toch liet ze zich niet afstooten.
Hoe dikwijls ook afgewezen, die macht vertoonde zich altijd weer.
Die macht greep hen aan, drong in hen, en werd hun meesteresse.
Die macht was Leven en Werkelijkheid. Die macht straalde met
verwarmenden gloed in de schuilhoeken van hun hart. Ze gevoelden
het, ze hadden met een macht te doen, die overweldigend werd, en
nu eens het recht, dan de genade, nu eens den raad, dan het leven
Gods, nu eens zijn heiligheid, dan de verzoening als wezenlijke
krachten
tot hen bracht, er hen meê aanstiet, er hen aan onderwierp.
Zóó en zóó alleen kwam de breuke met het doode om hen heen.
-ocr page 150-
f
De Levende maakte hun de armen los, die een lijk omkneld hielden.
Daaruit ontsprong hun bezieling, hun levensgloed, hun geestkracht.
Dat konden ze niet voor zich houden. Het kon niet verzwegen.
Immers het was zoo. Wat bekreunden ze zich om een kunstig rechts-
begrip. Zie, daar was het recht zelf, onder hen, in hen, om hen heen.
Die vastigheid voelden ze. Op die vastigheid trokken ze anderen. Nu
stoml men weder, nu dronk men weer uit die bron van werkelijke
levenskracht die hart, en huis, die vorst en volk, die staat en maat-
schappij herstellen kon.
Ze spraken het uit. Ziedaar hun belijdenis. Hiertegen grijnsde de
doode macht op. Vandaar de vervolging. Het leven verwon, en
daarom moest de Hervorming triomfeeren.
Maar mochten ze aldus optreden? Ware het niet beter aan anderen
overgelaten? Waren zij beter wijl ze het deden? Was het hun keus?
Stond het aan hun keus?
Daarop sprak de stemme veler wateren in hun binnenste het:
„Neen, en nogmaals neen."
Ze moesten optreden. Zij, die aldus optraden, riepen met dieper
zielskreet om genade dan de anderen, die zwegen. Hun keus ware
het tegendeel geweest. Een ander had gekozen voor hen.
Zoo ontsloot zich de bloemknop der Genade. Daarmee was de uit-
verkiezing
beleden.
Want uitverkiezing, dat is Plicht. Te moeten, wijl het niet aan
onze keuze staat, maar de keus eens anderen ons geen ontkomen laat.
Uitverkiezing, dat is Macht. Te kunnen, wijl beginsel en voortgang
niet uit ons ledig, maar uit de volheid Gods is.
Uitverkiezing, dat is Vastheid. Tc zullen, wijl we de wezenheid
getast hebben, en de baan geëffend ligt.
Daarom wortelde de Hervorming in de uitverkiezing. Daarom is
er zonder een worstelen in de uitverkiezing geen kracht, geen leven,
geen geestelijke grootheid.
„Te moeten, te kunnen, te zullen,\'\'1 is het geheim van alle krachts-
ontwikkeling.
„Plicht Macht, Vastheid" is het drievoudig snoer, dat de doode
machten der wereld bezweert.
En daarom de uitverkiezing wordt heieden in de dagen als God in
zijn gemeente vaart. Ze wordt bestreden als de gemeente van God
afgaat. Ze wordt virzwegen, als men nog tusschen God en den Dood
zweeft. Nagepraat kan ze door alle eeuwen worden, zoolang de kanker
der innerlijke onwaarheid geboren blijft met ons menschelijk hart.
-ocr page 151-
143
V.
WAARTOE UITVERKOREN?
Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem
vóór de grondlegging der wereld, opdat wij
zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem
in de liefde.
                                  Ef. 1 : 4.
De aanraking van het feit der uitverkiezing met dit leven ligt in
de vraag: Waartoe zijt gij uitverkoren? Men is uitverkoren tot iets.
„Ik heb u uitverkoren en heb u gesteld," zegt Jezus tot zijne discipelen,
„dat gij zoudt heengaan en vrucht dragen en dat uwe vrucht blij ve,
opdat zoo wat gij van den Vader begeeren zult in mijnen naam, Hij
u dat geve." Ziedaar van Jezus\' eigen lippen het „moeten, kunnen
en zullen," of wil men „den Plicht, de Macht en de Vastheid," als
uitvloeisel der verkiezing komend. Gij moet, want Ik heb er u toe
gesteld. Gij kunt, want „zoo wat gij van den Vader begeeren zult,
zal Hij u geven." En ook gij zult, want „uw vrucht zal blijven."
A\'an déze zijde moet de uitverkiezing ter hand genomen, zal ze
Schriftuurlijk besproken, in den geest der Hervormers bepleit en als
een onmisbare kracht voor het praktisch leven gehandhaafd worden.
De uitverkiezing spreekt ons uit heel de Schrift toe. Maar hoe?
Begint de Bijbel met ons een stelsel over dit feit te geven? Ont-
vangen we in . een reeks openbaringen een afgerond geheel van be-
grippen? Staat de leer der verkiezing op den voorgrond? Immers
neen. Ge ontdekt haar eerst in de bijzondere toebereiding des Heeren
van de heilige persoonlijkheden, die Hij als instrumenten voor zijn
openbaring verkiest. Ze spreekt u toe uit de verzekerdheid der roepinge
Gods, die voor de mannen des Ouden ATerbonds het uitgangspunt
hunner kracht is. Ge ziet haar lijn doortrekken in de toeschikking
van middelen en gelegenheden, die ze voor de voltooiing van hun
levenstaak behoeven. Ze klimt tot zekerheid in de zekerheid zelve,
waarmee Gods doel met zijn geroepenen, ondanks hun uitglijding en
tegenwerking bereikt wordt. Ze wordt u toegelicht in de naaktheid
waarmee de zonde en het ongeloof dezer mannen u als schaduw ge-
teekend wordt, tegenover den lichtstraal die uit den Hoogc, door hen
niet gezocht en door hen niet ontlokt, als beslissend keerpunt in hun
leven valt. En eerst nadat aldus in de feiten, in de personen en in
geheel den gang der openbaring de macht der uitverkiezing u als de
hoofdfactor van alle geloofsleven getoond is, komt het licht des geestes
ook het denken beschijnen en duikt èn in het profetisch èn in het
apostolisch woord de leer der uitverkiezing in steeds klaarder volheid
ook van begrippen op.
. • \'
-ocr page 152-
144
Doch er is meer, waarom we deze opvatting der uitverkiezing door
de Heilige Schrift geëischt noemen.
Een mysterie der Christelijke waarheid heeft twee zijden, ingedeeld
naar de tweeheid der Wetstafelen, en zich splitsende al naar gelang
ge de vraag: „Wie zal zalig worden?" of de vraag: „Hoe God tot
zijn eere komt?" vooropstelt.
Vraagt ge aan Jezus, welke vraag de eerste plaats in ons streven
moet innemen, dan luidt zijn antwoord: „God en uw naasten lief te
hebben is de inhoud der geboden — maar het eerste en het groote
gebod
is de liefde voor uw Heere."
Elk stuk der Christelijke waarheid met name ook de uitverkiezing,
moet dus allereerst uit het oogpunt van Gods eer besproken worden.
Dat men onzen vaderen verweten heeft, niet genoeg anthropologisch,
d. i. van den mensch uit, het stuk der verkiezing te hebben opge-
bouwd, is een onjuist verwijt. De anthropologie, het menschelijk
uitgangspunt, moet op den achtergrond treden. Eene omgekeerde
poging leidde en moet leiden tot een niet-zien en dus miskennen,
ten laatste zelfs tot een bestrijden en loochenen van deze alle daden
Gods beheerschende daad zijner vrijmacht.
Om God is de uitverkiezing. Om Zijns zelfs wille eerst. Daarna vloeien
de gevolgen voor den mensch er naar innerlijken levensdrang uit voort.
Plaatst men daarentegen de zaligheid des menseken als eerste doel
op den voorgrond, dan gaat de kracht en waarheid en de profijtelijk-
heid dezer geloofsprediking te looi\'. Men staat dan voor het ontzachlijk
feit, dat niet allen zalig worden, als voor een muur. Men waant dan
dat de verzekering der uitverkiezing niet, streng genomen, aanwezig
behoeft te zijn, dan op het oogenblik, als men uit dit leven scheidt.
Men beschouwt dan de zaligheid als een ons mechanisch in de eeuwig-
heid toe te bedeelen goed. Men kan aan de uitverkiezing dan geen
kracht en beteekenis voor het gemeenteleven ontleenen. Men hanteert
dan een uitverkiezing, die ons lijdelijk vindt en lijdelijk laat.
Dit nu mag niet. Lijdelijkheid, als belijdenis van ons volstrekt
onvermogen, om de keuze Gods te bepalen, is de diepste gedachte
der Schrift, maar een uitverkiezing, die niet tot de hoogste activiteit
brengt en het vermogen voor het onvermogen, d. i. het leven voor
den dood in stee brengt, is voor de Schrift even ondenkbaar als een
levende boom, waarin geen sappen door den wortel naar de takken
worden gedreven, om blad en bloesem en vruchten aan de eerst
naakte stengels te doen uitkomen.
Daarom moet de uitverkiezing allereerst als om Gods wil geschied
worden verstaan. Heeft de Heilige om Zichzelfs wil uitverkoren, dan
moet Hij door die uitverkiezing ook iets scheppen, iets tot stand
brengen, iets voleinden voor het Bijk, waaruit Hij de eere Zijns naams
roept, nu reeds op aarde en eens in heerlijkheid voor den Troon.
Van meet af staan we dus voor de vraag: „Tot wat doel, waartoe,
-ocr page 153-
145
om wat te verwezenlijken heeft God ons uitverkoren ?" Toch niet opdat
we maar zalig zouden zijn, maar opdat we in aller eeuwen eeuwigheid
dat zouden zijn en doen wat Hij voor de eere zijns naams alzoo
beschikt heeft. Door dit te zijn en te doen zullen wij tevens zalig
zijn; ja, in te zijn en te doen, wat Gods eere met ons wil, zal het
feit zelf onzer zaligheid schuilen; maar als gevolg, niet als doel dat
vooropstaat. En dit nu geldt voor het leven op aarde evenzeer. Het
Koninkrijk is reeds op aarde. De eerste aanvangen van het rijk der
heerlijkheid liggen nu reeds in de Gemeente, die nog de pelgrims-
wacht op aarde waarneemt. Ook voor dit leven moet dus gevraagd:
Wat de Heere voor zichzelf, voor Zijn naam en eer, nu reeds op
aarde met onze uitverkiezing wil. Hij brengt er ten leven eerst in
de stervensure. Van die wilde Hij dus op aarde niets. Maar anderen
roept en trekt Hij tien, twintig jaren vóór hun dood, sommigen reeds
in hun vroegste jeugd. Waarom dit? Immers niet wijl ze zonder
nadere voorbereiding niet zalig konden worden. Dit zou de kreet
der wanhoop voor de later bekeerden zijn. Maar wijl Hij dezen heeft
uitverkoren, om reeds vóór hun sterven, nog in deze bedeeling, in
de Gemeente op aarde, iets ter eere van zijn naam door hen te
werken. Nu kan men met den Catechismus dit sa&mvatten onder
den term „vruchten der dankbaarheid," mits men slechts erkenne,
dat die vruchten bij ieder naar zijn soort worden uitgedreven, en
dat de verbijzondering der uitverkiezing ook daarin doorgaat, dat elk
geroepene en verwekte ten leven zijn taak, zijn roeping heeft, iets
dat de Heere voor zijns naams eere door hèm en niet door een
ander wil gedaan hebben, een steenke dat Hij voor den bouw zijner
Gemeente als vrucht van onze persoonlijke uitverkiezing profeteert en
met goddelijke gewisheid, of wil men gelijk Paulus zegt, dat er wel
leden der eere en der oneere in het ééne Lichaam zijn, maar nooit
met de dooreenwarring van taak of bestemming Het oor, het oog,
de voet, de hand, moeten al te zaam de vrucht hunner werking
toonen, maar steeds met dien verstande, dat het oor is uitverkoren
om te hooren, gelijk het oog om te zien en dat de voet tot wandelen,
gelijk de hand tot handelen geroepen is.
                                            «
Grijpt men deze waarheid, dan is belijdenis der uitverkiezing slechts
een andere term voor de hoogste levensactiviteit. Dan wordt het ve.r-
klaarbaar, hoe de Gereformeerde kerk, die in deze belijdenis wortelt,
de hoogst denkbare activiteit op het gebied van kerk en school, van
staat en maatschappij, van huislijk en persoonlijk leven geoefend
heeft. Dan is het geen raadsel meer, hoe juist de Gereformeerde
natiën de zustervolken met zulke reuzenschreden zijn vooruitgekomen.
Dan is er geen strijd meer, maar volkomen harmonie tusschen een
belijden der prsedestinatie en zeer scherpelijk tuchtigen van het
onheilige in de praktijk des levens. „Waartoe uitverkoren?" is dan
de vraag, die door geheel het leven ons nadreunt en juist daardoor
10
-ocr page 154-
146
karakters vormt, helden verwekt en uit de macht der persoonlijkheid
het cement der gemeente mengt.
Slechts dit houde men onveranderlijk vast, dat er van uitverkiezing
geen sprake is, tenzij het een uitverkiezing voor de eere van Gods
naam in aller eeuwen eeuwigheid zij.
Immers zonder die bijvoeging zou de deur openstaan voor de
grofste dwaling.
Ook Napoleon de groote had een besef dat hij als een bijzondere
onder de menschenkinderen door God verwekt was, om de natiën
van Europa voor den Franschen adelaar te doen bukken. En wie
Jesaia\'s Godspraak beide over Nebucadnezar en Cyrus kent, zal geen
oogenblik aarzelen ook in Napoleons zending een onmiddellijk uit-
vloeisel van de leiding des Heeren met Europa\'s volkeren en de
Gemeente van Christus op hun erve te zien.
Toch heeft zulk een zending, dit behoeft nauwelijks aangestipt,
slechts een derde van vergelijking met de zending der kinderen Gods,
krachtens de uitverkiezing, gemeen.
Wat een Cyrus, een Nebucadnezar, een Napoleon als instrumenten
Gods te volbrengen hebben, gaat buiten hun persoon om en is in een
spanne tijds
voleind. Ze dienen het Koninkrijk maar staan zelf er
buiten.
Hun optreden is gegrond in de beschikking der Voorzienig-
heid, niet in de uitverkiezing van het persoonlijk liefdeleven des
Drieëenigen Gods. Of wil men, niet zij zijn uitverkoren, slechts de
vrucht van hun werk.
Geheel anders daarentegen bij hen, die de Vader aan den Zoon
geeft. Bij hen gaat de lijn der uitverkiezing onmiddellijk naar de
diepste kern hunner persoonlijkheid. Zij zijn tot de wacht des Heeren,
ecuwig in zijn tempel geroepen. Hun arbeid voor het Koninkrijk is
slechts uitvloeisel van hun gezet zijn in het Koninkrijk. Ook de
vrucht van hun werk ]is uitverkoren, maar als vrucht, uitgebot aan
hun persoon
Afgesneden is hiermee derhalve elk pogen, om het stuk der uit-
verkiezing in een wortelloos plichtsbesef, in een door eigen wil ge-
spannen veerkracht, of in een op zelfvertrouwen rustende vastheid
over te leiden. Immers de uitverkiezing strekt juist, om onder dit
menschelijke, dat in zichzelf onnut en dood is, de fundamenten van
het eeuwige te brengen. Voor eigen gekozen plicht, de naar Gods
eeuwig bestel onafwijsbare en onontwijkbare roeping. Voor eigen
veerkracht de macht der het al omvattende Goddelijke Voorzienigheid,
of wil men, de zekerheid van gebedsverhooring. En evenzoo voor het
zondig zelfvertrouwen, de zekerheid, die rugwaarts in onze roeping
en voor ons uit in de vaste sporen van de voetstappen des Almach-
tigen ligt. Wij verdwijnen, God Dreëenig staat voor ons en achter
ons, zijn doen wordt de Alpha en de Omega in de sprake der gansche
schepping en van ons eigen leven, en daarin juist ligt onze kracht,
-ocr page 155-
147
daaruit spruit onze moed en geestdrift en zaligheid, dat wij nooit
een lijn behoeven te trekken, die niet met de vuurstift des Almach-
tigen, onzichtbaar voor de wereld, ons is voorgetrokken door den Heere.
Hiermee echter heeft de belijdenis der uitverkiezing nog haar
laatste woord niet gesproken.
Al is ze in de eerste plaats levensimpuls, wijl ze de bestemming
van leven voor het hart is, toch kan ze hierbij niet blijven staan.
Ze heeft zich van dit machtige feit Gods ook rekenschap te geven
en de dwalingen iif te snijden, die het helder inleven in deze daad
Gods kunnen bemoeilijken.
Sta ik eenmaal in deze wereld, met die roeping, die macht, die
zekerheid, ervaar ik dat hierin al de kracht schuilt, die mij beweegt,
stuurt en er komen doet dan heb ik mij ook af te vragen, wat hier-
nit volgt. Volgt voor den blik op mijn verleden, voor de beschou-
wing van mijn persoon, voor de beoordeeling mijner vermogens, voor
mijn verband tot de Gemeente en de wereld.
Ja zelfs daarbij mag ik dan niet staan blijven. Al is het der kerk
gelukt, ten leste de beschouwing van den mensch en de Gemeente
en de wereld te vinden, die met dit alles beheerschende feit in over-
eenstemming\' is, dan nog moet de volheerlijkheid van dat feit zelf,
zoo al niet begrepen, dan toch in woorden beschreven worden. Ook
in mijn bewustzijn moet zich afspiegelen, wat het alles bezielend
element mijns levens werd.
Althans, zoo dit mogelijk blijkt, d w. z. indien en slechts voor
zoover, als de Uitverkiezer zelf in zijn openbaring een lichtstraal
deed vallen.
De Schrift moet ook over dit mysterie ondervraagd, ondervraagd
met den dorst des wetens, maar ook met den eerbied der aanbidding.
Geen stip, waarop een lichtstraal viel, mag onbewonderd blijven, maar
ook geen stip waarvan de Eeuwige zijn licht voor ons terughield,
mag door ons kunstlicht worden ontwijd.
UITVERKIEZING OP NATUURLIJK TERREIN.
Noch deze heeft gezondigd noch zijne ouders,
maar dit is geschied opdat de werken Gods
in hem zouden geopenbaard worden.
Johannes 9 : 3.
De uitverkiezing in Christus vindt haar sterksprekenden achter
grond in de verkiezing, die het natuurlijke leven toont.
-ocr page 156-
148
„Gelijkheid" bestaat slechts ia de verbeelding van met hun eigen
stelsel dwepende wijsgeeren, die te hoog boven het practicale leven
met hun fantasieën zweven om de onomstootelijke hindernissen waar
te nemen, die zich tegen de invoering van „gelijkheid" verzetten.
Toch bezweken ze voor de proef. Sinds welhaast een volle eeuw heb-
ben ze de volkeren het tooverbeeld der gelijkheid voorgespiegeld, en
de uitkomst van hun pogen is, dat de „ongelijkheid" schier nog
stuitender werd dan weleer.
Er is geen „gelijkheid." O/igelijkheid is de regel des levens in
elke orde der schepping.
Er zijn in het rijk der delfstoffen ruwe en edele steenen, grove en
edele metalen. Er zijn in het plantenrijk distels en doornen, maar
ook fijne keurgewassen. Het dierenrijk toont ons wanstaltige, zoo
kruipende als zwemmende, zoo gaande als vliegende dieren, die af-
schuw inboezemen en onwillekeurig de hand doen terugtrekken, maar
ook dieren van edele bewerktuiging, die ons boeien door hun zang
of eerbied afvragen door de kracht en majesteit van hun gestalte.
Als aan het firmament, zoo vindt ge het in alle sferen der schepping
op aarde: er zijn zonnen die heersenen, doch ook manen tot den
nederigen wachterdienst geroepen. De heerlijkheid der eene ster ver-
schilt van die der andere ster. De Orion verblindt u door zijn glan-
sen, Ceres brengt haar tanend schijnsel nauwelijks tot het gewa-
pend oog.
Wordt nu de levenswet der schepping afgebroken waar ge van het
gebied der onbewuste, op dat der bewuste schepping overtreedt ?
Verliest deze alles beheerschende wet haar gezag en werking, zoo ge
let op den mensch?
Scherp dient hierbij natuurlijk, zal men ook den tegenstander over-
tuigen, tussohen tweeërlei verschijnsel onderscheiden.
Er is ongelijkheid ook in het mensehelijk leven, maar ongelijkheid
van tweeërlei aard. Een ander deel der bestaande ongelijkheid is
gevolg van \'s menschen onsehuid. Een ander deel ligt in oorzaken
van \'s menschen toedoen onafhankelijk. Ge vindt in onze armenwijken
arm geborenen en verarmden. Wie beiden onzer éénzelfde gezichts-
punt zoekt saam te vatten, tuurt vergeefs.
Maar uit wat oorzaak ook verklaard, is het of die ongelijkheid,
verre van bij de schepping van den mensch te eindigen, in het leven
van den mensch eerst recht begint. Immers er zijn niet alleen armen
en rijken, in den zin gemeenlijk aan deze woorden gehecht, maar
armoe en rijkdom is de schreiendste tegenstelling, die ge nog veel
gricvender dan op het stuk van stoffelijk bezit, op elk punt des levens
terugvindt. Er is ook rijkdom en armoede van geestelijke vermogens:
de één een denkkracht en diepte van blik toonend die u duizelen
doet, terwijl de ander door de beperktheid van zijn horizon en stomp-
heid van denken u medelijden inboezemt. Er zijn vluggen en tragen
-ocr page 157-
149
van geheugen. Er zijn om de uitdrukking der volkstaal niet te
mijden, domme en knappe menschen. Tusschen het scheppend genie
van een Da Costa en den zwijnenhoeder, die zijn Abc reeds weer
verleerde, wat eindeloos sportental van intellectueele toestanden!
Het waarnemingsvermogen verschilt niet minder. Laat twee menschen
in eenzelfde stad eenzelfde tal van jaren geleefd hebben, en de eene
heeft met zijn vorschend oog, met zijn gevoelig en prikkelbaar geestes-
organisme, met zijn wakkere voelhorens en aloravattenden aanleg,
geheel het leven dat zich om hem bewoog, op het netvlies zijner ziel
afgespiegeld, terwijl de ander, van dat oog, die voelhorens, die intuïtie
verstoken, arm bleef aan menschenkennis, arm aan wereldkennis en.
onnoozele die hij is, gedurig het slachtoffer wordt van anderer geeste-
lijke meerderheid. Bezoek onze beurs en zie wat menschen en wat
menschen zijn. Naast den loomen, doffen, aan zijn sleur gebonden en
gansch weerloozen koopman in naam, staat daar de vlugge, op alles
gevatte, dóórleepe en met één blik alles doorziende handelaar, die
duizend strikken voor één uitwerpt en er den onnoozele in vangt.
Acht dat verschil in talent en geestvermogens niet gering. Het
beslist voor u of uw wereld tienmaal kleiner of grootcr dan die des
anderen zal zijn. Het beslist op elk gebied des levens, of ge als
koopman of landbouwer, als geleerde of staatsman, als kunstenaar of
indistruëel, in onbeduidendheid zult wegkwijnen of rijk zult worden
in macht, invloed, eer.
Bij die ongelijkheid voegt zich die van het lichaam. Waarom zijt
gij krachtig van gestel, schoon van gestalte, innemend van voorkomen,
gemakkelijk in uw bewegingen, vlug ter tale? En waarom draagt gij,
andere, een veeg en krank gestel van de wieg naar het graf, is uw
gestalte gebogen of misvormd, uw uiterlijk weinig aantrekkelijk, uw
beweging onder de kinderen der menschen onbeholpen, uw spraak
belemmerd, zoo niet gebroken?
Wat verschil in karakter! De een beslist, de ander altijd aarzelend.
Moed en doortastendheid uw karaktertrek, opzien en somber terug-
treden de aard van uw broeder. Wat verschil van temperament!
Enthousiast en vol geestdrift de een, zwaartillend en in zichzelf
teruggetrokken de ander. Wat verschil in kunne! Waarom werdt gij
een man en niet een vrouw, gij een vrouw en niet een man geboren?
Toch immers een geheel het leven bchcerschende, vaak het levenslot
bepalende onderscheiding. Wat verschil van natiën! Of is het niet
een geheel ander bestaan naarmate ge in Europa of Afrika, en in
Europa naarmate ge in Turkije of Engeland, in Parijs of ïs\'ormandië,
een Zeeuw of Fries geboren werdt? Wat verschil van opvoeding en
omgeving! Of zijn het niet geheel verschillende werelden, die van
het polderkind in de keet, van den schippersknaap op de tjalk en
van den zoon des edelmans op zijn slot.
Metterdaad, is het wel overdrijving, is het niet waarheid in letter-
-ocr page 158-
180
lijken zin, dat ge geen plek van het terrein des menschelijken levens,
in of aan of om den mensch bezien kunt waar u geen ongelijkheid,
schril contrast, soms huiveringwekkende tegenstelling in de wet des
levens telkens geopenbaard wordt? De schijn van gelijkheid moge in
vormen en kleederdracht gekunsteld worden, werkelijke gelijkheid
vindt ge niet.
Passen we op dit onloochenbaar feit nu de straks gemaakte on-
derscheiding toe, dan moet erkend, dat er ziekte, dat er lichaams-
zwakheid, dat er domheid, dat er ongemanierdheid, dat er gebrek
aan karakter, dat er een ellende en jammer is, waarvan de oorzaak
niet met ons geboren, maar na onze geboorte in traagheid, luiheid,
zonde en dierlijken zin is te zoeken. Óf om juister te spreken, dat
er in ellende der minder bedeelden op geestelijk, lichamelijk en stof-
felijk gebied een drievoudig deel is, waarvan het eerste zijn oorzaak
vindt reeds in onze geboorte, h.et tweede na onze geboorte in zonde
van anderen, en het derde evenzeer na onze geboorte, maar in eigen
schuld.
Nu denken we ons die beide laatste deelen der menschelijke ellende
eens voor een oogenblik weg, om er later op terug te komen, en
vestigen thans uitsluitend den blik op dat deel der ellende, waarvan
de oorzaak reeds in de geboorte gegeven was.
Men stemt toe dat dit deel van ellende bestaat. Er zijn menschen,
die ook met de zorgvuldigste opvoeding en met de inspanning van
al hun krachten, nooit sterk naar lichaam of geest, nooit machtig aan
invloed of door kracht van karakter zouden geworden zijn. Hoeveel
ge ook geneigd zoudt zijn op rekening van verwaarloozing door
slechte opvoeding of van zondige verspilling der aangeboren kracht
van lichaam en geest te zetten, ge kunt niet ontkennen, dat er on-
gelukkigen zijn, wier beperktheid van kracht en vermogens zoo in het
oog springt, dat aan opvoeding nauwlijks te denken viel en van wils-
kracht ter ontwikkeling van hun persoonlijkheid nauwlijks sprake kan
zijn. Denk u den blindgeborene. Geen moederlijke teederheid of
medische kunst of ook eigen inspanning is instaat hem het gezicht
te hergeven. Dat hij blind geboren werd, was immers niet zijn schuld?
Dit verschijnsel spreekt dan ook zóó luide en werkt zóó machtig
op ons gevoel van deernis, dat men zijns ondanks wel gedrongen
werd een beantwoording voor de vraag te zoeken: „Vanwaar is het
te verklaren, dat de mensch niet alleen ongelijk opgroeit, maar ook
ongelijk geboren wordt?"
Ook thans tobt men zich weer af om een bevredigend antwoord op
die vraag te vinden, en, al zou men het haast niet gelooven, toch is
het zoo, dat het stelsel der oude Pythagoreërs ook thans, in de 19e
eeuw, onder mannen van talent en invloed weer pleitbezorgers vindt.
Er zijn in alle landen van Europa en in de beschaafde gewesten
van Amerika, die zich Spiritisten noemen, en beweren, dat hun
-ocr page 159-
151
meêdeelingen, \'t zij hun zelf, \'t zij door anderer tusschenkomst, ge-
worden zijn van menschen, die vroeger op deze aarde leefden en zich
thans als geesten aan de daarvoor geschikte personen openbaren. Het
feit ontkennen we niet, zoomin als we, met de Schrift in de hand, de
geheime kracht der Egyptische toovenaars of het opkomen van Samuels
geest te Endor of de wonderen der antichristelijke macht ontkennen,
die door Jezus ons èn in het Evangelie èn in de Openbaringen van
Pathmos zijn voorzegd geworden. Alleen protesteeren we tegen den
heiligen oorsprong, dien men voor deze verschijnselen zoekt, en mis-
trouwen dientengevolge de waarheid van wat men beweert als inhoud
dier geestesopenbaring te vernemen, stellig achten wc dat stipte ont-
houding van alle deelgenootschap aan deze verborgen geesteswerkingen,
naar luid van Gods Woord, den Christen geboden is.
Maar ons oordeel over dit feit (dat hier natuurlijk slechts kon aau-
gestipt) terzij latende, wijzen we toch op het verschijnsel zelf. Een
verschijnsel, dat ook in ons Vaderland reeds talentvolle woordvoerders
vond en zelfs reeds een Tijdschrift in het leven riep, dat onder de
leiding van een gewezen „Bedienaar des Woords" een oplossing poogt
te geven van de raadselen des levens.
Welnu, in dit Tijdschrift wordt in vollen ernst verzekerd, dat
volgens de meêdeeling van afgestorven geesten, alle ongelijkheid in
de geboorte daaruit moet verklaard worden, dat er tot op zekere
hoogte zielsverhuizing is, zoodat dezelfde persoon beurtelings op ver-
schillende werelden en ook deze zelfde wereld in verscheidene eeuwen
kan geboren worden. De strekking van dit stelsel is geen ander, dan
de ongelijkheid van levenslot, voor zooveel ze van de geboorte afhangt,
te verklaren. Men beweert namelijk, dat een ziel, die in haar eerste
bestaan gezondigd heeft, deswege veroordeeld wordt, om opnieuw op
deze of een andere wereld op te treden, maar nu in een ongelukkig,
beperkt, misdeeld leven. We zouden dus, naar luid dezer moderne
zieners, in onze armen, in onze idioten, in onze menschen met ge-
brekkige lichamen en geestvermogens slechts oude zondaren hebben
te zien, die in een vroeger leven \'t zij hier op aarde, \'t zij elders,
zich tegen het heilige verhard hadden, en deswege door God ver-
oordeeld zijn, om dit beklaaglijk en deerniswaard bestaan ter boete-
doening te doorleven.
Hoe diep door deze voorstelling elke openbaring der Schrift over
\'s menschen persoonlijkheid en toekomst aan gene zij van het graf
miskend wordt, behoeft hier niet aangetoond. Voor wie zich in Gods
Woord gevangen gaf, heeft zulk een stelsel geen verleiding, en de
man, die voor Gods Woord zijn ingebeelde wijsheid nog niet ge-
heellijk kon afleggen, is voor deze dwaling niet meer noch minder
ontvankelijk dan voor elk andere, waarom het ons ook volstrekt niet
bevreemden zou, indien het gerucht zich bevestigde, dat zelfs predi-
kanten van Moderne en Groninger richting zich uit behoefte aan
-ocr page 160-
152
zekerheid en in de verwachting te zuilen vinden, naar dit verschijnsel
toekeerden. Ons was het slechts te doen om ook in dit verschijnsel
het bewijs te leveren, dat de vraag die we te berde brachten, een
vraag is, die ook thans de geesten bezig houdt: Hoe moet de on-
gelijkheid zelfs in de geboorte
worden verstaan?
Immers, ook met de verwijzing naar het slotwoord van het tweede
gebod, is de oplossing van deze vraag nog niet gegeven. Ongetwijfeld
wordt de zonde der vaderen bezocht aan de kinderen en kinds-
kinderen tot in het derde en vierde geslacht dergenen, die zich tegen
den Heere gesteld hebben. Zeer zeker moet toegestemd, en we be-
spreken dit een volgend maal breeder, dat èn lichamelijke èn geeste-
lijke zwakheid vaak het gevolg zijn van zonden doer ouders of groot-
ouders bedreven. Maar wie meenen mocht, dat hiermee de volle ver-
klaring van het raadsel te vinden was, ziet zich terecht gezet door
een stellige uitspraak van Hem, wiens woord beslissend is.
Daar is een ongelukkige. Hij is blind. Niet blind geworden, maar
blind geboren.
Heere? waarom is hij blind geboren? Om zijn eigen zonde kan het
wel niet. Is het dan om de zonde zijner ouders?
En Jezus antwoordt: Het is noch omdat deze noch omdat zijn
ouders gezondigd hebben.
Er moet dus nog een diepere oorzaak aanwijsbaar zijn!
Welke die is?
Jezus wijst ze u aan: Die man is blind geboren, opdat de werken
Gods in hem zouden geopenbaard worden.
VIL
DE VBIJMACHT DBS HEEBEN.
Armen en rijken ontmoeten elkander. De
Heere heeft ze beiden gemaakt.
Spreuken 22 : 2.
Er is op aarde een deel ellende dat gevolg is van eigen schuld,
een deel geluk dat vrucht, is van eigen inspanning. Dit feit mag niet
geloochend. De belijdenis der voorbeschikking mag nooit in nabazelen
van een Mahomedaansch fatalisme ontaarden. Ook tegenover zijn
levenslot staat de Christen niet als willoos werktuig, maar als menschj
Slechts bega men nooit de fout, om het deel dat wel en het deel dat
niet van ons afhing zich los naast elka&r te denken. Tusschen beide
-ocr page 161-
:
153
deelen bestaat het innigst verband, en zelfs wat schier uitsluitend uit
eigen wilsbepaling scheen voort te vloeien, blijkt bij dieper onderzoek
toch weer te rusten in den heiligen wil van onzen God.
Ingewikkelder reeds is een ander deel van ellende en geluk, dat
zijn oorzaak vindt niet in ons, maar in andere menschen. Deels
hebben we daarbij te denken aan hen die met ons leven, en van
wier woord en daad, van wier persoonlijkheid en geestesuiting een
invloed op ons en ons levenslot uitgaat. Maar hiermee is nog slechts
een enkele tip opgelicht van het breede kleed, welks draden in het
doen en laten van andere menschen voor ons geweven zijn. De
hoofdinvloed, dien anderen op ons uitoefenen, komt niet van hen
die met ons, maar van hen die vóór ons leefden, van onze vaderen,
van ons voorgeslacht.
„De vaderen," zegt de Spreukdichter, „zijn het sieraad der kinderen!"
Voeg er bij de even stellige waarheid: „De vaderen zijn de smaadheid
der kinderen!" en ge zult het groote denkbeeld in bei zijn lijnen
voor u hebben. Velen die thans leven zijn rijk, wijl hun vaderen
gezwoegd, gesloofd en gespaard hebben. Velen zijn thans krachtig van
gestel, wijl hun vaderen zichzelf ontzien, hun lichaam verzorgd en
hun gestel versterkt hebben. Velen zijn thans krachtig van geest, wijl
hun vaderen den blik gescherpt, wilskracht geoefend en lijdzaamheid
betoond hebben. Maar ook het omgekeerde is waar. Ook veler lot is
thans armoedig, wijl hun vaderen in traagheid hun goed hebben ver-
kwist. Ook veler lichaamsgestel is thans zwak en krank, wijl hun
vaderen in brooddronkenheid hebben uitgespat. Ook veler geest is
thans dof en krachteloos, wijl hun vaderen zich den blik hebben
verstompt, willoos zijn meêgedreven en voor hun talenten een graf
dolven, in stee van te woekeren met wat God hun schonk. Dit gaat
door in de familiën en gezinnen, ook bij zondige huwelijken in ver-
boden graad van bloedverwantschap. Dit gaat door, niet slechts in het
eerste en tweede, maar ook in het derde en vierde geslacht. Er is
een bezoeking van de zonde der vaderen aan de kinderen, die u
evengoed in den kring uwer kennissen, als in het woord der Schrift
wordt geleerd. Dit gaat door zelfs voor een geheel land, voor eene
geheele Kerk en voor eene geheele gemeente. Er zijn volken, die
thans nog nabloeien van den heldenmoed en den nij veren geest
hunner vaderen, maar ook natiën die thans nog wegkwijnen onder
den vloek van het voorgeslacht. Zoo zijn er ook kerken, die thans
nog rijk zijn in geloof en geestelijke zegening, die als een erfenis
der vaderen tot haar kwam, maar ook kerken, die verarmen en
verdorren, wijl de vaderen den levenswortel des geloofs knakten. Ja
zelfs in den bloei of de versterving van onze afzonderlijke gemeenten
werkt nu nog het leven na, dat onze vaderen in elk dier gemeenten
voor of tegen \'s Heeren Woord doorleefden.
Toch mag ook hierbij niet enkel op den wil der vaderen gelet
-ocr page 162-
154
worden. Immers, die wil stond niet los en op zichzelf, maar hing
weer af van duizend oorzaken, waaraan uw vaderen destijds gebonden
waren, gelijk gij thans aan hen. Voorts kan een samenwerking van
zoo veelvuldige oorzaken geen oogenblik ook maar gedacht worden,
zonder het geloof aan de Voorzienigheid, die zelfs het getal onzer
hoofdharen en den worp van het lot regelt. En eindelijk, blijft ook
hier de vraag over, waarom gij dan juist uit die en niet uit andere
vaderen, in dat en niet in een ander gezin, onder die en niet onder
andere invloeden als mensch op aarde geboren zijt.
Die dit ontkent is nog ongelooviger dan de heidensche volkeren,
verstaat de dingen die des geestes zijn nog minder dan de guichelaar
die wichelt met der starren loop. Wat toch anders zocht de starren*
wichelaar, dan de oorzaak, die, buiten dit leven liggend, \'s menschen
levenslot bepaalt? En kon hij den blik al niet hooger dan het firma-
ment verheffen, toch getuigde reeds dit naspeuren van den stand der
sterren van een dieper levensopvatting, dan door velen die Gods
Woord belijden in onze dagen gehuldigd wordt.
Eeeds bij de tweeërlei oorzaak waarop we wezen: bij eigen en
anderer inwerking op ons leven, is dus het zoeken naar een hoogere
oorzaak niet af te snijden. Maar nog minder is dit denkbaar bij het
deel onzes aanzijns dat nog onverklaard bleef: onze persoonlijkheid.
We spreken van een inborst, een aanleg, een karakter: we gewagen
telkens van iemands eigenaardigheid.. Dit laatste woord is het scherpst
gedacht en drukt het meest juist onze bedoeling uit. Er is in ieder,
zwakker of sterker sprekend, iets dat hém eigenaardig is, dat zijn
eigen aard kenmerkt en waardoor hij zich van alles voor en om en
na hem onderscheidt. Het zeggen, dat geen twee bladen aan een
boom gelijk zijn, is op den stamboom van ons menschelijk geslacht
van volmaakte toepassing. Alleen doordat ons een eigen aard is toe-
bedeeld, zijn we niet maar exemplaren van ons geslacht, maar menschen.
Dit geldt ook van onze talenten. Op de harp des éénen zullen slechts
twee, op die des anderen tien snaren zijn. Tien, vijf en één talent is
de onderscheiding ook in het beeld dat ons de Christus ontwierp.
Er worden geesten geboren, wier invloed op een geheel werelddeel
en nog in zeven geslachten na hen zal werken; maar ook anderen,
van wier bestaan men ter nauwernood in het eigen huisgezin en
hoogstens voor één menschenleven de flauwe, zwakke werking bespeurt.
Evenals de ééne star in heerlijkheid verschilt van de andere star,
verschilt ook de glans waarmee \'s menschen geest op aarde straalt
onder de kinderen der menschen. Er zijn keurgeesten en leidende
geesten en minder bedeelde geesten, wier beteekenis voor het groot
heelal voor onzen beperkten blik volstrekt onwaarneembaar is. Die
hiëarchie der geesten te loochenen is ziende blind zijn. Wie uit hoog-
moed en oppervlakkigheid de onderscheiding der geesten en der gaven
buiten zijn levensbeschouwing laat, heeft het zichzelf te wijten, zoo
-ocr page 163-
155
hij bij gemis van den draad, die hem leiden kan, zich in den doolhof
des levens verwart.
Hiermee ontstaat derhalve de vraag: Waarom is b. v. Calvijn als
een keurgeest, Voetius als een leidende geest en zoo menig ander
dienaar des Woords als een minder bedeelde geboren? Of ook, waarom
zijn aan Paulus tien, aan Jacobus vijf, waarom is aan Thaddeüs
slechts één enkel talent onder de Apostelen des Heeren toebedeeld?
Of wilt ge, vraag dan wie in uw eigen tijd en in uw eigen land
de geesten zijn, wier glans allen in het oog straalt; wie ze zijn, wier
licht velen ten goede komt; en wie de anderen zijn wier schijnsel
even buiten hun engeren levenskring nauwelijks meer wordt bespeurd;
en stel u ook dan de vraag, waarom A niet met den aanleg van B,
B niet met de eigenaardigheid van C, C niet met het talent van A
geboren werd?
De verklaring hiervan kan niet in hun persoon liggen, want juist
hun persoonlijkheid moet verklaard worden. Evenmin kan ze liggen
in andere personen, want er is juist sprake van datgene wat hen
met andere personen niet gemeen is, maar ze van hen scheidt. Ze
kan ook niet in het stof der aarde liggen, of aan de starren des hemels
gevraagd worden, want we zoeken juist de persoonlijkheid des menschen
te verklaren, die hem boven al het zichtbare en stoffelijke verheft.
Er blijft dus niet anders over, dan zonder tusschenschakel op éénmaal
van het schepsel tot den Schepper over te gaan. Alleen in God kan
de verklaring van dit raadsel liggen, wijl Hij alleen als Schepper de
persoonlijkheid schiep, de gaven uitdeelde. Dat is wat de Schrift ons
leert: Armen en rijken ontmoeten elkander. Waarom? De Hiere heeft
ze beiden gemaakt!
Waarom heeft God ze aldus gemaakt? vraagt onze altijd dieper
doordringende geest al verder.
Toch niet om onze werken, want aan alle werk ging onze ontvan-
genis vooraf.
Toch niet om onze zonde, want eerst door ontvangenis in een
zondig geslacht zijn wij aan het verband van schuld en zonde onderworpen.
Toch niet uit het voorzien, dat we ons tot die persoonlijkheid
ontwikkelen zouden, want niets kan zich ontwikkelen, wat niet inde
kern van ons wezen reeds bij onze ontvangenis gegeven is.
Niet uit de werken, maar uit den vrijmachtig uitdeelenden Schep-
per, opdat niemand roeme! — is dus ook hier het éénig antwoord
dat zich vinden laat. We zijn geesten van de eerste, tweede of derde
orde, wijl God de Heere er ons toe uitverkoos. We ontvingen tien
bf vijf bf één talent naar het Hem goeddacht in zijn welbehagen.
Welbehagen, vrijmacht, uitverkiezing is dus ook voor het natuurlijk
leven de laatste grond waarop we staan.
Dat hiermee geen willekeur bedoeld kan zijn, spreekt vanzelf.
Beeds onder menschen wordt willekeur als zondig en onzedelijk ver-
-ocr page 164-
156
oordeeld. Wie waagt het dan dit zondige over te brengen op den
heiligen God? Ze wordt dan ook door wat we zien en waarnemen
volstrekt uitgesloten. Immers, in het onderling verband dat we tus-
schen de geesten van verschillende orde en tusschen de geesten met
uiteenloopend talentental zien geboren worden, ontdekken we geen cha-
ötische vervorming, maar kunstige orde en regeling. De geschiedenis
lezende begrijpen we uitnemend waarom Pauhis niet in de dagen van
Noach, David niet in de dagen van Serubbabel geboren werd, en
evenzoo, waarom niet Petrus te Tarsus, Hosea niet in Babyion,
Daniël niet in Jeruzalem arbeidde. Evenals de loop en stand der
grootere en kleinere starren, toont ook de loop en stand van elk der
geesten die God de Heere verwekt heeft, een zoo verbazing wekkende
grootheid van plan, dat we, ondanks onszelven, ook bij het lezen der
geschiedenis den uitroep niet onderdrukken kunnen: „o, Diepte des
rijkdoms, beide der wijsheid en der kennisse Gods! hoe ondoorzoe-
kelijk zijn zijne oordeelen en onnaspeurlijk zijne wegen!"
Welbehagen, vrijmacht, uitverkiezing beteekent slechts, dat de oor-
zaak der onderscheiding niet buiten God, maar in God ligt. Het be-
duidt, dat de Heere van leven en dood bij deze bepaling aan niets
buiten zich maar aan zichzelf gebonden is. Het spreekt uit, dat geen
duizendste deel, ja volstrekt niets van dit ver reikend verschil uit
ons eigen hart of de levensuiting van anderen kan verklaard worden,
maar eenig en alleenlijk afhing van het Wezen Gods.
Dit zegt natuurlijk niets, zoo men het Wezen Gods in een klank
of naam laat opgaan, of van den hoogen God alleen spreekt, als van
een wezenlooze laatste eindoordzaak der dingen. Maar wie een God
aanbidt als Vader, Zoon en Heiligen Geest; wie belijdt dat het hoog-
heilig Wezen deugden en eigenschappen beeft, wier uitnemendheid al
ons denken te boven gaat, neen, die zal niet zeggen: „Hiermee is
niets verklaard!" maar slechts in stillen ootmoed belijden, dat hier-
meê een verklaring is aangewezen, die onze naspeuring ontvlucht.
Kenden wij het Goddelijk Wezen in zijn innerlijk verborgen be-
staan even nauwkeurig als we de stoffen der natuur kennen, de ver-
klaring van dit welbehagen zou voor ons naakt en geopend liggen.
Maar nu het schepsel niet anders kennen kan dan ten deele, nu het
hoogheilig Wezen zelfs voor de kinderen des Koninkrijks een mysterie
der aanbidding blijft, nu we den Heere der heeren slechts uit zijn
openbaring en zijn werken kennen, en nooit, achter deze, tot in de
diepten van zijn goddelijk zux, d. i. in zijn Jehova-naam kunnen
doordringen, nu is Welbehagen natuurlijk de laatste mijlpaal, waartoe
onze kennis voort kan reizen, niet wijl geen weg daarachter ligt,
maar wijl die weg ons niet is ontsloten.
Vrijmacht Gods, ziedaar dus het laatste woord, waarin niet alleen
de verklaring van het geest/dijk, maar evenzeer die van het natuurlijk
leven haar rustpunt vindt. Met dit feit dient gerekend. Niet om met
-ocr page 165-
157
deze vrij machtige bepaling van het natuurlijk leven de uitverkiezing
des Koninkrijks te verwarren, maar ten bewijze dat zichzelf weêr-
spreekt wie in het Koninkrijk ontkent, wat hij in het rijk der natuur
wel moet erkennen, althans zoo hem beide levensterreinen, openbarin-
gen zijn van eenzelfden God.
VIII.
VEEGELDING HIERNAMAALS.
Kind, gedenk dat gij uw goed ontvangen
hebt in uw leven en Lazarus desgelijks het
kwade, en nu wordt hij vertroost en gij lijdt
smarten.
                                Lukas 16 : 26.
Bij het zien op een heerlijker lot dat anderen beschoren werd, is
tevredenheid in eigen minder lot alleen bij geloof aan Gods verkie-
zende vrij macht denkbaar. Neem dat geloof weg en de minder ge-
lukkig bedeelde moet in opstand komen tegen zijn lot. Eerst in zijn
hart, en reeds hiermee is hem zijn geluk geroofd, want dan kruidt
geen tevredenheid zijn spijze meer. Dan in zijn gedachtenwereld, om
hem te verwarren en de krachten van geest aan huis en arbeid te
onttrekken. Allengs op de lippen, als het morrend woord van mond
tot oor gaat. En kwam het eens zoover, wie zal den rookenden gloed
dan nog dempen? Tan den vloekenden mond naar de dreigende hand
en van die hand naar het scherp, is de overgang licht overzienbaar.
De barricades van den Montmartre heeft niet Kochefort maar Pelagius
gebouwd.
Het rustpunt voor den slinger der ziel is ondeelbaar klein. De
zachtste trilling, het blazen van den adem, het dreunen van den
bodem, de golving der lucht, meer is niet noodig om den slinger
zijn rustpunt te doen verlaten, en eens door het punt van evenwicht
gezwikt, verstoort hij zelf door terugslaan zijn rust voor lange tijden.
Pelagius blaast die trillende ademtocht in elk hart, dat niet vast ligt
in Gods albestuur, en uit \'s menschen hart zich aan Staten en vol-
keren mededeelende, stoot die trilling in haar voortplanting ten leste
tronen en altaren omver. Let er op, hoe juist de Eoomsche landen
het felst door de revoltuiekoorts worden geplaagd.
Toch is er één bedenking waarop dient gelet: Steunt deze be-
rusting in een min gelukkig lot niet veel meer op de
hope der vergelding? En zoo ja, wat is er dan voor de eeuwige
verkiezing gewonnen? Achter de eeuwigheid ligt toch geen tweede
eeuwigheid, waarin het erfstuk des levens den eerst verworpenen ten
deel kon vallen!
-ocr page 166-
I
158
Het feit waarop men wijst is onloochenbaar. Er is een vergelding,
waardoor het hier verbroken evenwicht aan gene zijde des grafs wordt
hersteld. Een die hier rijk was, kan arm daar ginds zijn. Menig arme
op aard gevoelt zich nu reeds rijk, door de erfenis die hem in den
hemel wacht.
De Schrift leert het zóó; leert hét zóó sterk en aangrijpend duidelijk,
dat menigeen déze leer der Schrift wel wat vergedreven en bedenke-
lijk acht.
Luister maar.
„Wee u, gij rijken, want gij hebt uwen troost weg!"
„Wee u, die verzadigd zijt, want gij zult hongeren!"
„Wee u, die nu lacht, want gij zult treuren en weenen!"
„Het is lichter dat een kemel ga door het oog eener naald, dan
dat een rijke inga in het Koninkrijk der hemelen!"
„Heeft God niet uitverkoren de armen dezer wereld, om rijk
te zijn in het geloof?"
„Welaan nu gij rijken! weent en huilt over uwe ellendigheden, die
over u komen!"
„Rijken heeft Hij ledig weggezonden!"
„Alzoo zal ook de rijke in zijn wegen verwelken!"
„Zooveel als zij zichzelve verheerlijkt en weelde gehad heeft, zoo
groote rouw en pijniging doet haar aan."
„En de rijken der aarde zullen zich verbergen in de spelonken,
zeggende tot de bergen en de steenrotsen: „Valt op ons!"
„Die rijk willen worden vallen in verzoeking."
„De rijken komen niet ter bruiloft, daarom ga heen en roep de
armen, dat mijn huis vol worde!"
Vooral let op de gelijkenis van Lazarus.
„Gij hebt het goede gehad in uw leven en Lazarus desgelijks het
kwade, en daarom wordt hij vertroost en gij lijdt smart!"
Vond een der rijken onder onze lezers deze taal opruiend, die sla
Gods Woord op, waarin dit getuigenis staat en bekeere zich van de
opruiing, waarin zijn eigen hart voor zijn God leeft.
En mocht de arme denken, dat dit Schriftwoord zijn nijd jegens
den rijke vergoelijkt, die leze ook wat Pred. 10 : 10 staat: „Vloek
den rijke niet in het binnenste van uw slaapkamer!" en doe boete
voor den Heilige zoo hij het ooit, al was het slechts in de ge-
dachten, deed.
„De rijke man en de arme Lazarus" toonen dus dat er vergelding
is. Maar volgt hieruit ook, dat deze vergelding een verklaring van
het verschil in levenslot geeft, die ons de moeite spaart om in de
diepte der verkiezing af te dalen?
Immers neen! Dan toch zou aan de rijken de beurt komen om te
morren en te klagen over ongerechtigheid in God.
Of hoe? Ge hebt tien kinderen. Ge deelt ze vijf aan vijf, en over-
-ocr page 167-
159
stelpt nu een jaar lang de eerste vijf met weelde en overvloed, terwijl
ge de andere vijf datzelfde jaar nauwelijks het brood geeft om den
honger te stillen. Het jaar is eindelijk om en nu roept ge uw kinderen
saam en zegt tot de eerste vijf: „Wijl gij dit jaar het goede gehad
hebt, zult ge voorts alle jaren uws levens als beroofden en onterfden
in ellende omzwerven!" en tot de andere vijf: „Wijl gij dit jaar het
kwaad gedragen hebt, zult ge voorts alle jaren uws levens u baden
in vollen overvloed!" Wat dunkt u, zou deswege op uw vaderlijke
liefde te roemen vallen? Zou men dit hoorende uw streng begrip van
rechtvaardigheid loven? Zoudt ge zelf meenen dat om zulk een eind-
beschikking uw vreemde handelwijze van het eerste jaar te billijken
ware? En wat is dan nog dit kort jarental bij de eeuwigheid! Wat
het smaken van aardsche vreugd bij het genieten des eeuwigen levens
eeuwiglijk."
We cijferen dus allerminst de waarheid der vergelding weg; we
ontkennen in het minst niet, dat de wetenschap van deze vergelding
den rijke tot staan kan brengen in zijn overmoed en den arme
troosten kan in zijn ellende; maar dat de rechtvaardigheid Gods en
de liefde des Vaders met deze vergelding verklaard zou zijn, is de
ondoordachte, onware en ongeestelijke stelling van het valsche Eude-
monisme.
Ook met deze vergelding blijft de lotsverdeeling een ondoor-
grondelijk raadsel, d. w. z. een raadsel waarvan de grond ligt in wat
geen menschenoog doorvorschen kan, in het eigen Wezen van den
Drieëenigen God. Wordt dit erkend en heb ik vrede in mijn lot, wijl
ik als schepsel om den Schepper besta, \'niet Hij zich naar mij, maar
ik mij naar Hem heb te regelen, en de eisch van zijn Wezen mij het
eind van alle tegenspraak is, dan mengt ongetwijfeld het geloof aan
vergelding een verzachtenden droppel in den bitteren edik. Maar
ontbreekt dit geloof, zoek ik een andere vastheid, dan die in Gods
wezen ligt; o, al predikt ge dan op het roerendst en hartaangrijpendst
de zoete taal der komende vergelding, dan stilt ge mijn onwil toch
niet, dan blijf ik morren. Want vergeet het niet: Waar dit geloof in
de vastheid van Gods Wezen ontbreekt, daar gelooft men ook niet in
het eeuwige leven en heeft het vooruitzicht van dat leven te erlangen
geen vat op het hart. Zie het aan de noodlottige bewegingen onder onze
armere standen. Ze zijn van Gods Woord afgebracht! Wat baat hun
nu uw roepen van vergelding? Ze gelooven ook haar niet, en vragen
herstelling yan het evenwicht niet in een verre toekomst, maar ml.
We handhaven dus in haar volle kracht de stelling, dat verzet
tegen de leer der uitverkiezing gebrek aan doordenken verraadt op
het gebied des natuurlijken levens; dat wij in het natuurlijke leven
op dezelfde raadsels stuiten, die in de verkiezing ter zaligheid ons
het spoor bijster maken; en dat aanvaarding van dit raadsel in het
natuurlijk leven bij hardnekkige bestrijding van de verkiezing ter
-ocr page 168-
160
zaligheid, niet van ernst getuigt, maar van innerlijke vijandschap
in het hart.
Toch versta men ons niet verkeerd.
Door den nadruk te leggen op het verschil van levenslot in deze
aardsche bedecling, wilden we het allerminst doen voorkomen, als
viel de eeuwige uitverkiezing ter zaligheid hiermee geheel saam.
Dit mag nooit beweerd. Daartoe is het verschil tusschen beiden
te groot.
Verkiezing tot een bepaald levenslot voor zeventig of tachtig jaren
is iets geheel anders dan verkiezing voor aller eeuwen eeuwigheid.
Verkiezing van aanleg, talenten en lotsbedeeling mag niet gelijk
gesteld met de verkiezing van de persoonlijkheid ten leven.
Verkiezing tot genieting van het goede dat deze aarde in hoogeren
en lageren zin biedt, is voor geen vergelijking zelfs vatbaar met het
smaken der hoogheilige heerlijkheid.
Men zij dus overtuigd dat dit sterk sprekend verschil door ons
allerminst uit het oog wordt verloren. We zijn integendeel overtuigd
dat voor de eeuwige uitverkiezing nog niets zou zijn opgeklaard, al
gelukte het de diepere oorzaak te doorgronden die aan het onder-
scheiden levenslot op aarde ten grond ligt.
Slechts in zoover wezen we op de ongelijkheid der lotsbedeeling
hier beneden, als de Schrift zelve, zoo van de lippen der Profeten
als van Jezus en zijne Apostelen, zoo telkens op den samenhang
tusschen natuurlijk en geestelijk leven wijst. Ze zijn niet één, maar
staan toch tot elkaar in betrekking. De verschijnselen van het na-
tuurlijk leven moeten dienst doen om ons de geheimen des geestelijken
levens wel niet te verklaren, maar toch nader te brengen. En zoo
ooit dan is het op het stuk der eeuwige verkiezing, dat deze blik op
het gewone leven de moeite loont.
Naar een oorzaak zoeken we bij alles. Dit te doen is plicht, want
de Schepper zelf schiep er ons den drang toe in.
Ook bij de uitverkiezing, zoo voor dit als voor het eeuwig leven,
hebben we dus te erkennen dat er een oorzaak bestaat, een oorzaak
die haar geheel verklaart en de oplossing geeft voor elk harer onge-
lijkheden.
Een andere vraag echter is, of die oorzaak zelve door ons kan
worden blootgelegd, ontleed en in haar deelen doorzien.
We weten dat elk leven, het leven van plant en dier, een oorzaak
heeft; niemand twijfelt er aan; toch is op de vraag: Kent gij die
\' oorzaak ? ontkennend te antwoorden.
Dit nu geldt ook van de uitverkiezing. Te ontkennen dat ze een
voldingende, algenoegzame oorzaak heeft, die maakt dat elk harer
verschijnselen zijn moet wat het is en niet anders dan het is kan
zijn, vernietigt rede en godsdienst beiden. Maar te beweren dat die
oorzaak onder het bereik onzer waarneming zou vallen, ware een
-ocr page 169-
161
zoeken van die oorzaak in het geschapene en dus buiten God.
Dit kan niet. De bepaling van mijn zijn en levenslot kan, zoolang
ik nog aan een God geloove, niet anders liggen dan in Hem. Alleen
de wetenschap dat ze in Hem ligt, geeft rust, biedt troost, wekt kracht.
Hieruit echter volgt dan ook, dat ik bij de aanwijzing der oorzaak
heb te blijven staan, en mij van haar ontleding met eerbiedige vreeze
verre heb te houden. „Ik ben een God die Mij verborgen houdt,"
spreekt de Heere bij Jeremia. Dit geldt niet van zijn deugden en
eigenschappen. Die openbaart Hij. Maar wel geldt het van de hoog-
heerlijke gesteldheid van zijn volzalig Wezen. Dat openbaart Hij niet.
Dat uit dien hoofde alle stem uit de diepte en alle stem uit het
onherboren hart tegen de "Verkiezing inroept, is natuurlijk, en slechts
twee dingen hebben kracht om ze nochtans onloochenbaar voor ons
te maken: De feiten van het Leven, en de uitspraken van het Woord.
Bij het sterven blijkt dat het leven tweeërlei vrucht kan dragen en
feitelijk draagt. Er sterven er, van wie de botste zelfs tast, dat ze
wegsluipen in donkerheid en nacht. Maar er sterven er ook, wie
het licht uit hooger zalen reeds speelt om het matte oog. Dat feit
neemt ge niet weg.
En evenzoo. Mits ge de Schrift neemt gelijk ze • daar ligt, in haar
geheelheid, in haar samenhang, onvervalscht en onbedorven, dan
spreekt ze, zeer zeker, van veel dat voor ons bewustzijn de Verkiezing-
weerspreekt, maar toch van de Uitverkiezing óók. Dit is evenzeer een
feit, dat met geen loochenen weggaat.
De vraag is slechts: hoe dat dubbele feit zich in het Leven en
het Woord voor ons teekent.
IX.
BEGENADIGDEN EN ONBEGENADIGDEN.
Vrees niet gij klein kuddeke, want het is
des Vaders welbehagen ulieden het Koninkrijk
te geven.
                                 Luk. 12 : 32.
Thans tot de uitverkiezing niet in het natuurlijk maar in het
geestelijk leven overgaande, dient pok te dezen opzichte allereerst uit
de feiten aangetoond, dat er verschijnselen zijn, buiten uitverkiezing
volstrekt onverklaarbaar.
Dat er een scherpgeteekend onderscheid tusschen geloovigen en
ongeloovigen bestaat, behoeft niet uit de Schrift geleerd, maar toont
het leven. Hiermee is volstrekt niet beweerd, dat men met volle
11
-ocr page 170-
162
zekerheid van elk lid zijner omgeving beslissen kan, wie al dan niet
ten leven geboren werd. Dit kan niet om den aard der zonde. De
zonde is in haar diepsten wortel leugen, valschheid, onware schijn.
Sathan werd door Jezus zelf gekarakteriseerd als de Vader der leugen.
Gelijk nu dampen en gassen niet tot rust komen, zoo lang ze niet
elke bereikbare en toegankelijke ruimte vervuld hebben, zoo dringt
ook de zonde in alle levensbetrekkingen door en rust niet eer ze ook
de hoogste betrekking, die van het kindschap Gods, in leugenachtigen
schijn heeft nagebootst. Dientengevolge zijn er niet slechts werkelijke
kinderen Gods en werkelijke geloovigen, maar ook onbekeerden, die
door onwaren schijn zich als kinderen Gods voordoen en zich als
geloovigen toonen. Kortom er zijn, waar ook de Gemeente optreedt,
tevens huichelaars en hypocrieten.
Toch werpt dit de stelling niet omver, dat het verschil tusschen
geloovigen en ongeloovigen scherpgeteekend is. Immers niet de wezen-
lijke toestand des harten is daarmee bedoeld, maar alleen wat onder
onze waarneming valt, en dat is niet het innerlijk leven, maar de
uitwendige gestalte. We ontkennen daarom niet, dat innerlijke geestes-
sympathie ook het zielsoog verscherpt en dat er soms geesteskracht in
Gods kinderen werkt,.ter ontmaskering van den geveinsde; maar te
vast ga men hierin niet. Er kunnen zich geloovigen aan ons voor-
»
         doen, die ons afstooten insteê van aantrekken, wier geloofsleven op
.*• ons een zeer verdachten indruk maakt en wier naam nooit over onze
lippen komt, zonder dat de gedachte door de ziel vaart: „toch houd
ik hem • voor een huichelaar!" ook al zou een dieper blik ons on-
middellijk overtuigen, hoe schromelijk we ons hadden vergist. En
evenzoo omgekeerd, kunnen wij jaren lang in hartelijke geestes-
gemeenschap met iemand geleefd hebben, wiens woord ons troostte,
wiens gebed onze ziel meesleepte, wiens vriendelijke geest ons wel-
dadig aandeed, wiens vrucht zelfs schoon in ons oog blonk, en van
wien het ons toch in een vreeselijk oogenblik openbaar werd, dat hij
een doodelijke zielskranke naar de beschrijving van Hebreen zes was,
;
          geen geborene uit den Geest.
Dit dwingt ons, met opschorting van het beslissend oordeel, wel
ter dege te onderscheiden tusschen den persoon en de gestalte van
5\' den geloovige. Wie ons die gestalte toont, moet door ons als ge-
loovige erkend worden, behoudens récht en plicht natuurlijk om steeds
geestelijk te onderscheiden. Daarentegen, wie die gestalte mist en een
ander karakter vertoont, als naar dejteekening van Gods Woord den
geloovige eigen is, mag, behoudens het recht en den plicht tot de
teederste barmhartigheid, door ons niet met den naam van geloovige
betiteld worden.
Op dien grond nu beweren we, dat de geloovigen en ongeloovigen
twee afzonderlijke werelden vormen, die, hoe ook gedurig dooreen-
gemengd, toch nooit haar kleuren fineen laten vloeien. Het spreekt
-ocr page 171-
\'•f..;                ":::"-\'-1\'J\':<\'\'                               . V • \'" \'-,vvv\'
163
vanzelf dat hiermee niet een Farizeesch: „Ga van mij uit, ik ben
heiliger dan gij!"
bedoeld is, als zou men de millioenen, die op
aarde leven zóó kunnen indeelen, dat eenerzijds zij werden saam-
gevoegd, die de wereld der ongeloovigen uitmaken, en aan den
anderen kant zij die de wereld der geloovigen vormen. De tegen-
stander van Gods Woord meent wel dat we alzoo oordeelen, maar het
is niet zoo. Zoo dikwijls die Montanistische, Donatistische of Labadis-
tische dwaling zich vertoont, wordt ze onveranderlijk door de Christe-
lijke kerk bestreden, nooit gekweekt. Ons oordeel is veeleer omgekeerd,
dat tot de wereld der ongeloovigen alle menschen zonder onderscheid
behoorden, de bekeerden ingesloten. „Heere, ik geloof, kom mijne
ongeloovigheid te hulp!" is de zielskreet, waarin zich de ervaring
uitspreekt, dat ook de geloovige de wereld des ongeloofs nog in zich
draagt, en zich dus nooit boven de anderen verheffen mag, maar zich
met hen te werpen heeft onder één gemeenschappelijke schuld. Wilde
men dus indeelen, dan zou men ter eener zijde de ongeloovigen moeten
nemen, en ter anderer zijde hen in wie ongeloof en geloof saam
woont. Alle geestelijke strijd ontstaat juist uit die samenwoning en
niet in dit leven, maar eerst door den dood worden die twee elementen
volkomenlijk gescheiden. En mits men dat in het oog houde, vragen
we met volkomen gerustheid aan eiken kenner van het leven, of niet
in elk land en gewest, in elke stad en dorp, in eiken familiekring en
in elk gezin zelfs zich het verschil tusschen geloovigen en onge-
loovigen, én in gedraging, én in wijs van zich uit te drukken, én
in smaak, én in de genietingen, die men najaagt, én in levensbe-
schouwing zoo scherp afteekent, dat metterdaad de uitdrukking van
twee afzonderlijke werelden niet te sterk is.
Hierbij voegt zich een tweede verschijnsel, t. w. dat de kring der
geloovigen vergelijkenderwijs zoo klein is. Schat de bevolking dezer
wereld op duizend millioen, en neem aan dat zich deze bevolking in
het verloop eener eeuw driemalen vernieuwt, dan komt men tot het
resultaat, dat er in deze eeuw drie duizend maal duizend duizenden
op deze aarde zullen leven. Yan deze heeft men nu al aanstonds twee
derden af te zonderen, die als afgodendienaars of Mahomedanen buiten
den Christus staan. Van het overblijvend één derde in Europa en
Amerika mag men zonder overdrijving zeggen dat wederom eenderde
geboren wordt, leeft en sterft, zonder ooit anders dan oppervlakkig
met den Naam van Christus in aanraking te zijn gekomen. Onder
degenen, die dan nog overblijven, vindt ge er duizenden bij duizenden,
die hun kennis van Jezus\' Naam slechts gebruiken om Hem te be-
strijden. Die dit niet doen, vallen nogmaals uitéén, in hen, die op
allerlei dwaalwegen verdoolden en dezulken, die zich onveranderlijk
houden aan Gods heilig Woord. En splitst men nu de laatsten nog
wederom in hen, bij wie dat Woord leven wordt en dezulken, bij
wie het uitwendig bleef, in trouwe, dan durven we haast de cijfers
-ocr page 172-
164
niet te gissen, die het getal der niet-bekeerden en der wei-bekeerden
aanwijzen. De gedachte aan dit feit is ontzettend en schier niet te
dragen voor ons menschelijk hart. Althans we zouden ons den
menschenhater nauwlijks kunnen voorstellen, die nooit bij het in-
denken van dit feit gesidderd had. Er is geen geloovige, wien
dit vrecslijke der vreeslijkheden niet tot worsteling in het gebed
voor den Almachtige bracht; geen dien het nooit in de vastheid van
eigen geloof kwam schokken. Slechts het feit, waartegen geen loochenen
baat, dat in Jezus een hart klopte vol ontferming en deernis, als in
onze ziel nooit trilde, en dat toch van diens lippen het woord uit-
ging: „Zoo iemand niet gelooft in den Zoon des menschen, de toorn
Gods blijft op hem; velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren,"
doet ons de erbarming over die millioenen Gode laten, om voor eigen
hart en leven niet van de enge poorte te wijken, waarvan de Christus
sprak „en weinigen zijn er die dezelve zoeken."
Dat ontzettend verschil nu tusschen geloovigen en ongeloovigen,
gevoegd bij de droevige uitkomsten voor de meesten van ons geslacht,
wordt nog raadselachtiger en geheimzinniger, zoo men op het derde
verschijnsel let, dat ze beiden uit eenzelfde wereld komen, vaak met
de ongunstigste kansen voor hem die zich bekeert.
Of is ook dit verschijnsel niet in het oog springend? Zijn er niet
telkens „twee in één molen" of „twee op één akker," gelijk de Heere
zegt, en dat toch de ééne verlaten wordt en de andere aangenomen?
Twee door eenzelfde moeder gedragen, aan eenzelfde borst gezoogd,
in eenzelfde gezin opgevoed, in eenzelfde wereld verkeerend, en toch
in den één vijandschap tegen datzelfde geloof, dat voor den ander al
zijn lust en zijn liefde is. Doch zelfs daar blijft het niet bij. Van die
twee is vaak hij die onbekeerd sterft, iemand van teeder gemoed,
nauwgezette plichtsbetrachting, zorgzame trouw en onbesproken levens-
gedrag; terwijl juist de ander maar al te dikwijls een wilde loot
bleek te zijn, vallend en uitspattend en zich keerend tegen het edele.
Maar immers zoo u te raden was gegeven, wie van deze beiden door
zou breken tot geloof, ge zoudt duizend tegen één voor den eerste
gekozen hebben; en toch, als ge op hun einde let en tot Gods heilig-
dom ingaat, blijkt het juist omgekeerd. De jongeling die zegt alle
geboden onderhouden te hebben, gaat troosteloos heen, terwijl de
Maria van Magdala zalig wordt gesproken. De man, die al zijn goed
aan de armen gaf, bleek ten leste niets dan een luidende schel en
een klinkend metaal te zijn, terwijl de opgewonden jongeling van
Tarsen, die vele wederpartijdige dingen tegen den Christus had ge-
sproken, de eerekroon van het Apostelschap ontvangt. De onbesproken
Farizeër sterft in zijn zonde, terwijl de moordenaar van het kruis
naar het Paradijs gaat. Zoo was het in Jezus dagen. Zoo zien we het
nog. Tusschen de verhoudingen vóór en de verhoudingen na de
bekeering is eer tegenspraak dan harmonie.
-ocr page 173-
165
En werpe nu niemand tegen, dat deze raadselen alleen voor den
belijder van den Christus naar de Schriften bestaan. Dit toch ware
zelfbedrog. Dies welke zienswijze ge wilt, verzwak zelfs uw Christelijk
karakter tot het uiterste, ja, meen ter goeder trouw in het Modernisme
die perel van kostelijke waarde gevonden te hebben, wier bezit alleen
het hart verrijkt, en immers verre van het raadsel te zien zwichten,
treedt het zelfs in nog banger verhoudingen op. Op het standpunt
der Schriftbelijdenis kan men het kleiner aantal van geestverwanten
in eigen leeftijd dan ten minste nog verbreeden, door eeuwen ver
achteruit te denken en den blik te laten rusten op de wolke van
getuigen,die rondom ons is liggende. Maar op Modern standpunt!
Och arm, hoe krimpt dan de kring der geestverwanten niet in. Wat
weet men van die pas gevonden kostelijke perel in de Heidenwcreld,
wat onder Mohammeds volgelingen, wat in de Grieksche, wat in de
Eoomsche kerk ? Hou weinigen zijn er niet in Amerika en betrek-
keiijk hoe weinigen ook niet in de landen van Europa, die zich aan
de zijde van het Modernisme scharen, en onder die weinigen hoe
veel kleiner nog het aantal der overtuigden en gewonncnen, die
metterdaad in consequenten zin, ook in hun bidden, ook bij het
sterfbed, ook op het graf hunner dierbaren modern zijn. En dan die
geslachten bij geslachten, die in vorige eeuwen zijn gekomen en
gegaan, wat hoorden, wat wisten ze, zij antieken, van wat eerst in
onze eeuw gevoeld, gevonden en geliefd zou zijn! Neen, het baat
niet, of men ter afwering van deze bedenking de kostelijkheid van
zijn perel ook al verkleint, door toe te geven, dat men ook rijk en
zalig kan zijn zonder haar bezit. De klacht blijft. De klacht door alle
oprechte geesten, van wat school of secte, van wat beginsel of richting
ook, zoo luide geklaagd: Velen zijn geroepen, maar weinigen uit-
verkoren. En nooit nog is op die klacht een andere troost dan het
woord van Jezus gevonden: Vrees niet gij klein kuddeke, want het
is
des vaders welhehagen u het koninkrijk te geven.
X.
VU ANDSLIEFDE.
Vijanden zijnde, met God verzoend.
Rom. 5 : 10.
Het komt er op aan, niet een leer over de uitverkiezing van onze
vaderen te copiëeren, maar zelf in die diepte des levens te wortelen,
waarin zij met hun eikenstammen stonden, en voor den kring onzer
-ocr page 174-
166
eigen gedachten, voor de veelheid onzer eigen indrukken en ervaringen,
bij de strooming die onze tijd in de geestelijke wateren blies, een
hecht fundament en vasten hoeksteen te vinden in een daad Gods,
die, van Hem zelf alleen afhangend, ons fel gejaagd hart werkelijk
rusten doet in Hem, voor wien het geschapen is, in Hem dip zijn
zal die Hij is, de Bron van het hoogste goed, de Eenige, wiens
majesteit ons uit den stroom der voorbijgaande verschijnselen in het
eeuwig blijvende, onwrikbare en waarlijk zijnde kan opheffen. Van
de uitverkiezing handelen we, niet om Gomarus tegen Arminius, niet
om Bogerman tegen Episcopius te verdedigen, maar om voor de
zonen van het thans levend geslacht een poging te wagen, of hun
geestelijke machteloosheid nog tot kracht, tot onverwinnelijke en
onterugdringbare kracht kon worden, door al de strengen van hun
zielsleveu weer tot een machtigen bundel saam te binden, door een-
heid van doel en richting aan het verstrooide leven te herschenken,
en dien alles voortstuwenden stoot door hun wil te doen trillen, die
onze vaderen als onweerstaanbare helden deed opspringen, zoodra hun
de meêsleepende gedachte van uitverkiezing door de ziel voer.
Daarom, letten we op de verschijnselen van het leven, waaronder
er drie vooral onze aandacht trokken: het sterksprekend verschil in
zin en neiging tusschen geloovigen en ongeloovigen; het kleine cijfer
der eersten; en de gelijke oorsprong bij zoo radicaal verschillende
uitkomst. En die feiten, zoo beweerden wij konden niet verklaard
worden dan door de verkiezing. Thans voegen we er bij : tenzij men
of de grenslijn tusschen dood en leven uitwissche, bi\' ook bekeering
mogelijk achte aan gene zijde des grafs.
Denkt men bij het hooren der Apostolische verklaring: „Wij zijn
overgegaan uit den dood in het leven," aan fanatisme, aan geloofs-
overspanning en onjuiste keuze van beeldspraak; ontkent men dat
de mensch, gelijk hij thans krachtens zijn geboorte bestaat, van nature
het eeuwig leven missend, dood is in veel dieper en waarder zin
dan het lijk in de groeve; verwatert men de heerlijke gedachte van
„wedergeboorte," „bekeering," „nieuwe schepping" en „kindschap
Gods" tot de gelijkvloersche verhoudingen van ontwikkeling en ver-
anderingen; cijfert men dus in één woord de volstrekte onderschei-
ding weg, die door de Christelijke Kerk aller eeuwen tusschen het
zijn en niet-zijn in Christus beleden is: natuurlijk dan reppen we
ook niet meer van uitverkiezing en doet Darwins leer ter verklaring
van het leven nog wel zoo treffelijken dienst.
En zoo ook, indien men ophoudt de beslissing voor onze eeuwige
toekomst aan deze zijde van het graf te zoeken. Bestrijdt men de
gedachte die, door de Gereformeerde volkstaal aan Prediker 11 : 3
ontleend, „den boom liggen laat waar hij valt;" acht men zich ge-
rechtigd om voor den zondaar die in zijn onbekeerlijkheid en ver-
harding stierf, nog een bekeering in de eeuwigheid te hopen; trekt
-ocr page 175-
167
men de eeuwigheid in dit tijdelijke der voorbereiding, om aan de
• overzij des grafs niet het leven, maar nog eens de worsteling om het
leven te zoeken; verandert men het spraakgebruik en ziet men in
het sterven niet meer den eindpaal van den weg der geestelijke ver-
moeienis, maar slechts een keerpunt, waarna de zelfde weg nog eens
begint; denkt men zich na den dood niet terstond een ingaan in het
Vaderhuis, maar tusschen den dood en dat huis nog een schier ein-
deloozen en onafzienbaren weg, die naar zijn poorte leiden zal: —
neen, waarlijk dan hehoeft het geen betoog meer, dat het geloof aan Gods
uitverkiezing u nooit zijn troost en zijn verkwikking zal bieden, gij,
die God om zijn schepsel laat bestaan, en niet het schepsel om zijn God !
En toch, die „zaliging aller zielen" is het geloofstuk onzer eeuw
en in onze eeuw zelfs van menig uitnemenden getuige des Heercn
geworden. Met de Schrift in de hand, zich een dienstknecht van
Jezus Christus noemende, predikende dat zijn naam de eenig denkbare
is, waardoor men kan zalig worden, heeft men ja niet zoo stellig als
de Modernen verklaard, maar dan toch gefluisterd en zachtkens, al
hopend en gissend, geleeraard, dat de staat waarin men stierf niet
beslissend is en er wegen en gangen der bekeering zijn ook 11a den dood.
De grond van deze huidendaagsehe profetie, die tegen de Wet en
het Getuigenis inroept, ligt in de matheid en machteloosffeid, waar-
aan onze eeuw de geesten onderwierp. De dampkring is te zwoel en
te lauw. Men ademt niet met diepe longen. De pols mist vastheid en
veerkracht. Loom is de beweging, onmanlijk de houding, waggelend
de stand, óók van het geloofsleven in den strijd dien het met afval,
ontkenning en ongeloof te bestaan heeft. Men oordeele dus een recht-
vaardig oordeel. Niet ieder die als profeet van deze tegenschriftuurlijke
orakelen optrad, staat zelf bui:,en den Christus, maar zijn leer staat
buiten de waarheid die in Jezus is, althans op dit punt. Laat de tijd
slechts veranderen. Kome de frissche wind slechts van de bergen om
den dampkring af te koelen; brenge de ontwikkeling der tijden ons
den ernst maar terug, die naar God uitdrijft en in zijn tente leven
doet; ja verandere het spelend tornooi maar in den strijd zonder
kwartier voor recht en waarheid, wijl men dat recht en die waarheid
niet langer vertrapt kan zien; — en ge zult het beleven, hoe die-
zelfde dobberende profeten mannen van kloeken moede zullen worden,
aan het heldere water uit de beek boven het levensvocht van eigen
mengsel de voorkeur zullen geven, en de snijdende beslissing reeds
nu, in eigen hart en leven, speurend, zelf kracht ontleenen zullen
aan die hartaangrijpende en mergdoordringende waarheid, dat God
wel waarlijk een eindpaal, een eindpaal waarachter geen weg meer
ligt, voor het menschenkind gesteld heeft in den dood.
Dit althans moet uitgesproken. Te zeggen dat men eigen inzicht
en vermoeden gevangen geeft in de openbaring der Schrift, en noch-
tans een zaliging aller zielen te hopen, gaat niet saam.
-ocr page 176-
\' il                       -
168
Wie het ééne kiest, heeft in die keuze zelve reeds het andere
voorwerp verworpen. De geliefkoosde zegswijs, dat zelfs de Schrift
reeds enkele uitingen bevat, die tot zoo schoonö hoop recht schijnen
te geven, is zelfbedrog. Enkele zwakke aanduidingen kunnen nooit
de kracht hebben ter omverwerping van wat in zeer stellige bewoor-
dingen, in kracht en kernachtige taal steeds en onveranderlijk wordt
uitgesproken, ja, uitgangspunt en onderstelling van alle openbaring
is. Een feit zoo geheel de levensbeschouwing omkeerend, zoo in gansch
andere orde van dingen ons verplaatsend, zoo alle gangbare denkbeeld
over geloof en zedelijkheid voor onware inbeelding verklarend, als de
zaliging aller zielen zou zijn, mag niet op zwakke aanduiding rusten,
maar eischt driedubbel vaste aanwijzing en alle ondubbelzinnigheid
volstrekt uitsluitend betoog. Wie het anders opvat moge duizendwerf
de Schrift Gods openbaring noemen, toch is een standpunt het zijne,
waarop men in de Schrift slechts een aanvang dier hoogere openbaring
ziet, die, als vrucht der wijsbegeerte, eerst in onze dagen haar hoogere
schoonheid ontplooit.
Van achter af te rekenen is het veiligst. Geve slechts ieder ge-
meentelid, elk dienaar der Kerk en elk dienaar der wetenschap zich-
zelven een beslist en stellig antwoord op de vraag: Is naar luid der
Schrift de staat waarin men sterft, beslissend of niet?
En al naar
gelang het woord is, zal ook de geloofskracht en de invloed op de
Gemeente zijn. Wie nern zegt, heeft daardoor met de Schrift als
Schrift gebroken, voor vastheid zwakheid gekozen en de veer ontspan-
nen die de veerkracht van zijn ernst in gestadige werking moest hou-
den. Maar kan men zijns ondanks zich aan het toestemmend antwoord
op die alles beslissende vraag niet onttrekken; heeft men in die bij
uitnemendheid practische belijdenis voor eigen hart en huis, voor zijn
lieven en dierbaren, voor ouden en jongen in de Gemeente, althans
één vast, een onwrikbaar punt gevonden, dat door God gezet is en
zich om onze bedenkingen even weinig bekreunt als de rots om het
spatten der schuimende baren, zie dan slechts achteruit, van dat vaste
punt terug, en ge aarzelt niet meer en dobbert niet meer, maar komt
en moet komen tot de belijdenis der eeuwige verkiezing.
Overgang tot die belijdenis vormt het karakter der liefde, dat door
de Heilige Schrift onder toestemming van elk menschenhart als haar
hoogste uiting geteekend wordt: de vijandsliefde. De liefde is velerlei.
Er is een liefhebben van wie u eerst minde, een* weêrminnen van
wie u liefde bewees. Er is ook een liefhebben van wien, al mint
zijn hart u niet, *dc hand toch u ten goede was. Er is nog sterker
liefde, die uitgaat naar den man, die u niet aantrekt, met wien ge
niets van doen, van wien ge niets te hopen hebt. De liefde klimt
nog in kracht, zoo ze u offers afvergt en door den onverschillige met
koelheid en ondank bejegend wordt. Maar toch, volmaakt wordt die
liefde eerst, dan eerst klimt ze tot haar hoogsten trap, tot een trap
v
-ocr page 177-
169
dien zelfs het menschenhart zich niet denken kon, als ze liefde wordt
voor den vijand, voor den man die u haat, u haat om zich tegen
u te keeren, zich tegen u te keeren met de klimmende felheid van
een in doodelijken hartstocht verstrikten en gebonden geest. Zulk een
vijand, niet maar te sparen, niet maar te dulden voor uw oog, niet
maar voor den vorm welwillend te bejegenen, maar in liefde, die
liefde is, naar hem uit te gaan, hem te zoeken, uw eigen ziel in dat
eerst u hatend hart over te storten en op \'t innigst en teederst
gemeenschap te begeeren met wie u afstiet en verdroot, dat is een liefde
waarvan Gods engelen zelfs niet gissen konden, die slechts vloeien
kon uit de Bron der eeuwige liefde, en voor onze ooren niet kon
worden uitgesproken dan door der engelen en der mensehen Heere,
den Zoon van God.
Alleen door de openbaring dier uitnemende liefde scheidt zich het
Evangelie van al wat voor en buiten Jezus gekend was en biedt het
den grondslag voor eigen zedekunde en een eigen geloof.
Voor het geloof door als hoogste uiting van den wil en het werken
Gods het feit te openbaren, dat Hij ons verzoend heeft als wij nog
vijanden waren.
En evenzoo voor de zedekunde door den eisch: Maar Ik zeg u:
hebt uw vijanden lief, zegent ze die u vervloeken, doet wel dengenen
die u haten en bidt voor degenen die u geweld aandoen en u ver-
volgen, opdat gij kinderen moogt zijn van uwen Vader die in de
hemelen is.
Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader in de
hemelen volmaakt is.
Keert men nu gelijk de Modernen (en in den grond alle geest
die het diepe verderf onzer natuur door de zonde loochent) deze
stelling om, bewerend dat in den mensch van nature geen vijandschap
tegen, maar liefde voor God woont, dan is natuurlijk èn met dit
geloof èn met deze zedekunde gebroken. Dan toch zou onze liefde
de liefde Gods overtreffen. Hij zou door ons te minnen slechts lief-
hebben wie Hem liefde wijdde in \'t hart. Wij daarentegen onder de
kinderen der mensehen een liefde oefenen, die tot den hoogsten trap,
dien der vijandsliefde opklom. Het zou dan niet meer zijn : Opdat gij vol-
maakt zijt gelijk uw Vader in de hemelen, — maar: Opdat gij in kracht
van liefdesuiting voor het minst de liefde Gods zoudt te boven gaan.
Slechts schijnbaar zou hiermee de Christelijke zedekunde nog gered
zijn. Immers het geheim van de kracht der Christelijke zedekunde
schuilt juist in haar wondere verbinding van de hoogste volkomen-
heid met den diepsten ootmoed. Door de kracht tot minnen van den
vijand te doen vloeien uit het geloof dat men zelf als vijand eerst
gemind is, noopt ze den mensch ook bij die uitnemende liefdesuiting
geheel van zichzelf af te zien en in nederigen stillen zin alle eer en
roem en schittering uitsluitend aan den eenig Volmaakte in liefde te
laten en zich zelf te wijden aan onzen God.
-ocr page 178-
170
Breekt men daarentegen, gelijk alle godsdienst van eigen maaksel
doet, dien gouden draad stuk, waardoor geloof en zedelijkheid in het
Evangelie verbonden ligt, dan is de zedelijke kracht der liefde slechts
tot den onzedelijken prijs van zelfverheffing en hoogmoedigen zin
veil. Zelf zijn vijand minnend kan men met het volle hart geen God
meer aanbidden, die tot die hoogste uiting der liefde nooit kwam.
In zichzelf een ideaal van liefde vindend, dat in God nooit ver-
werkelijkt is, heeft men ongemerkt het voorwerp zijner aanbidding
van den troon der majesteit in de hemelen naar den troon der liefde
in het eigen hart verplaatst. Want dat is nu eenmaal naar den aard
van allen godsdienst volstrekt onmogelijk. Men kan niet als zijn
God een wezen aanbidden, waarin niet het hoogste en uitnemendste
in onovertrefbare mate voor ons eigen bewustzijn ligt saamgevat.
Om te kunnen zeggen, d. i. met bewustheid en waarheid in het
hart te kunnen belijden: God is liefde, moet vooraf beleden, dat wij
van nature vijanden Gods waren.
En wederom de verbinding dier twee: „God heeft mij lief\' en
„Ik was Gode een vijand\'", welke andere oplossing duldt ze dan die
de Schrift u aangeeft in de Verkiezing van een genade die vrijmachtig is.
XT.
VERKIEZING VAN DEN KONING.
Maar gij zijt gekomen tot de algemeens
vergadering en de gemeente der eerstgeboren,
die in de hemelen opgeschreven zijn.
Hebr. 12 : 22, 23.
De uitverkiezing, die, in het natuurlijk leven afgeschaduwd en
door de verschijnselen des geestelijken geèïscht, steeds door de kerk
van Christus in haar groote karakters beleden is, rust voor zooveel
haar beschrijving betreft, op de openbaring der Heilige Schrift.
De gegevens dier openbaring dient men derhalve te kennen.
Hiertoe nu is noodig, dat men de uitverkiezing niet allereerst op-
vatte als een raad ter zaligheid voor enkele personen, uit wier sa&m-
voeging dan voorts de Gemeente zou ontstaan; maar integendeel als
de uitverkiezing van den Christus, in Hem van de Gemeente, en eerst
in die Gemeente van de eenlingen die haar levende leden zijn.
Zoo wil het Calvijn als hij zegt: „Men is niet gereed, zoolang men
nog aan een bijeenvoeging der geloovigen, en dies zich de uitver-
korenen als een ïossen hoop denkt, maar dan eerst als men de eenheid
der Kerk vooropstelt, in welker bodem het zaad is gestrooid, waaruit
-ocr page 179-
171
de uitverkorenen te voorschijn komen. Immers tenzij we ons met de
overige leden eens lichaams, onder Christus die het Hoofd is ver-
eenigd weten, ontgaat ons de zekere hoop onzer eeuwige erfenisse."
En elders: „Uit de verkiezing komt de Kerk voort, die anders, gelijk
Bernard van Clairvaux terecht leert, aan alle waarneming zou ont-
snappen, wijl ze op wonderbare wijze eenerzijds in de diepte der uit-
verkiezing en anderzijds in een onder het oordeel wegzinkende wereld
verscholen is."
Op den voorgrond sta daarom de uitverkiezing van den Christus.
„Ziet," heet het daarvan bij Jesaia, „ziet, mijn Knecht, dien Ik onder-
steun, mijnen Uitverkorene, in dcmvelken mijn ziel een welbehagen
heeft." „Toen hebt Gij in een gezicht gesproken, zingt de psalmist,
van uwen Heilige, en gezegd: Ik heb hulp besteld bij een held; Ik
heb eenen Uitverkorene uit het volk verhoogd!" „Gij zijt mijn getuige,
zegt het Woord des Heeren tot den zoon van Amoz, en mijn knecht,
dien Ik uitverkoren heh, opdat gij het weet en gelooft en verstaat
dat Ik dezelve ben!" En de Joodsche spotters, die „den lijdenden
Knecht Gods" aan het vloekhout sarden met hun terging, moesten,
huns ondanks, aan deze uitverkiezing getuigenis geven, toen zij, naar
luid van Lucas\' verhaal, riepen: „Anderen heeft Hij verlost, dat Hij
zichzelven verlosse, zoo Hij is de Christus, de Uitverkorene Gods!"
Welnu, de Apostelen getuigen, dat Hij dit waarlijk was en belijden
bij monde van Petrus: „Dat in Hem de Schrift vervuld is geworden:
Ziet Ik leg in Zion een uitersten hoeksteen, die uitverkoren en dier-
baar is;" en evenzoo bij monde van den Apostel Mattheüs, dat in
Jezus van Nazareth de Jesaiaansche profetie is vervuld: „Ziet mijn
Knecht, dien Ik verkoren heb, mijn beminde!"
Deze belijdenis is voorts door de Apostelen in het kader des
Nieuwen Testaments overgebracht en op de stelligste wijs uitgesproken.
„Christus," getuigt Petrus „is het onbestraffelijk en onbevlekt Lam,
dewelke voor gekend is gtweest vóór de grondlegging der wereld.\'1\'\'
Uitvoeriger nog bespreekt Paulus dit uitgangspunt als hij zegt: „Die
Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook verordineerd, om den
beelde zijns Zoons gelijkvormig te worden, opdat deze zijn zou de
Eerstgeborene onder vele broederen
;" wat natuurlijk niet van het
eeuwige zoonschap Gods, maar van het Kindschap naar de verkiezing
geldt, gelijk blijkt uit het voorafgaande: „En indien wij kinderen zijn,
zoo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God en mede erfgenamen
van Christus."
De namen der uitverkorenen vangen daarom in het
boek des levens aan met den Naam van het Lam: „Welker namen
geschreven zijn in het boek des levens des Lams, dat geslacht is van
de grondlegging der wereld." Buiten Christus is geen uitverkiezing
denkbaar, weshalve Paulus in zijn schrijven aan de Gemeente van
Efeze het feit der uitverkiezing als uitgangspunt voor zijn leer over
de Kerk kiest en met klem en nadruk de verkiezing in Christus
-ocr page 180-
.
172
handhaaft, als hij beleidt: „Gezegend zij de God en Vader van onzen
Har Jezus Christus,
die ons gezegend heeft met alle geestelijke
zegeningen in den hemel in Christus; gelijk Hij ons uitverkoren
heeft iit Hem, voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden
heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde; die ons te voren
verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen door Jezus Christus,
naar het welbehagen van zijnen wil, tot prijs der heerlijkheid zijner
genade, «aarmede Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde."
Hiermee is dus de voorstelling afgesneden, alsof de uitverkorenen
eerst als eenlingen vergaderd en saam gebracht worden, om eerst daarna
Christus tot een Hoofd te ontvangen. Hij is dat reeds van de grond-
legging der wereld, en zoo Hij, na gestorven en opgewekt te zijn,
„een naam boven allen naam" ontvangt, en „der Gemeente gegeven
is tot een Hoofd boven alle dingen," komt in deze verheerlijking van
den bemiddelaar slechts te voorschijn hetgeen in den bloesemknop der
eeuwige verkiezing reeds van voor de grondlegging der wereld school.
Dit vast te houden, is noodzakelijk. Eerst zóó toch gevoelt men,
hoe er voor den Drieëenigen God een rustpunt was voor zijn blik in
den raad der verkiezing. Door eerst den Middelaar te verkiezen, heeft
de Heere een uitgangspunt, dat zijn heilig Wezen niet afstoot, den
Zoon van zijn welbehagen, die ook al zinkt Hij straks in den dood
weg, niettemin de „Heilige Gods" blijft.
Dit mag niet losgelaten, wijl zóó eerst bij den wortel de dwaling
wordt afgesneden, alsof de liefde van Christus die des Vaders te boven
ging en den Vader tot liefde heeft bewogen. Immers is de Middelaar
de Uitverkorene, dan werd Hij wat Hij wierd naar Gods raad, en
kan de bewegende oorzaak niet in den Middelaar, maar moet ze in
den God der verkiezing worden gezocht.
We mogen dit stuk der waarheid niet uit het oog verliezen, wijl
de Gemeente, hiervan afgaande, de eigenlijke vleeschwording des Zoons,
zijn volle mensehelijke natuur en daarmee zijn karakter als Middelaar
allengs voorbij moet zien, om slechts de aanbidding van den Zone
Gods over te houden. Dat ook de Christus door lijden is geheiligd
en door geloof gestaan heeft, schijnt ongerijmd, zoo men den naam
van Christus niet evenzeer als van elk geloovige in het boek des
Levens zoekt. Men geeft, door de uitverkiezing van den Middelaar te
vergeten, de vertroosting prijs, die juist in het broederschap van den
Heilige Gods ligt, en ruilt de echte liefde voor Christus, die uit zijn
deelgenootschap aan onzen jammer en onzen nood ontstaat, voor de
liefde van een beweeglijk gevoel uit, dat de wonden van ons hart niet
heelen kan, wijl het de diepte dier wonden niet peilt.
Maar bovenal dient op die uitverkiezing de nadruk gelegd, opdat
de leer der uitverkiezing de Gemeente niet verderve in stee van haar
te bouwen.
Augustinus noch Calvijn noch één onzer groote kerkvaders heeft er
-ocr page 181-
.
.
173
aan gedacht, de leer van een losse verkiezing der enkelen onder de
schare te brengen. Daartoe voorzagen ze te goed hoe deze onware
voorstelling alle geloofsleven dooden, de komst des koninkrijks ver-
hinderen en de samenvoeging der Gemeente verstoren zou. Daartoe
kenden ze de Openbaring te wel en het menschenhart te diep, om
niet te voorzien, hoe deze valsche voorstelling het werk der voor-
bereidende genade verbreken, verachting der genademiddelen kweeken
en terzijschuiving van de ordeningen Gods in zijn Gemeente na zich
zou sleepen. Ja, zoo men wil, juist die Apostolische predikers der
uitverkiezing zijn het geweest, die met den ijver Gods, die in hun
beenderen als een vuur werd, de onheilige neiging bestreden hebben,
om door die onbijbelsche en onware voorstelling der uitverkiezing den
sectegeest te verkondigen, die ieder in een eigen hoek joeg, elk in
zijn eigen kring zich af deed sluiten en meenen deed, dat de troost
der uitverkiezing te genieten was, zoo men haar fundamentstuk: „de
Gemeente," deed splijten, of achten, als bestond het niet.
De uitverkiezing is in haar gcheelen omvang één werk, één daad,
en wie die eenheid uit haar verband rukt, derft haar zegen. Niemand
is uitverkoren buiten verband met de overigen, en alien saam zijn
als uitverkorenen ondenkbaar buiten verband met den Christus. In
die uitverkiezing zelve zijn dus alle gegevens mede gezet, die reeds
vóór de geboorte en op den moederschoot en al de jaren, die aan de
bekeering voorafgaan, te zaam de voorbereidende genade vormen.
Hierdoor bestaat er levensverband tusschen de leden des lichaams nog
eer dat verband zich in de zichtbare Kerk belichaamd heeft. Juist dit
verband is de grond waarop de zichtbare Kerk staan moet, en geen
vormen hoe schoon, geen reglementen hoe onberispelijk, geen kerk-
bestuur hoe rechtvaardig ook, zijn machtig een levend Kerkgeheel te
vormen, zoo dat levensverband, dat krachtens de uitverkiezing in de
voorbereidende, roepende en heiligende genade besloten ligt, niet het
cement is van den bouw.
Ziet men dit voorbij, dan zijn er slechts twee Kerken mogelijk:
een Kerk gelijk de Modernen die willen, of een Kerk van louter
bekeerden.
Is de Kerk slechts een verzameling van individuen, onder
wie het Evangelie te prediken is, neem dan ook de Modernen, dan
zoo ze het zich gevallen laten, ook de Joden, Mahomedanen en
Heidenen in uw kerk op, want elke afperking van het arbeidsveld,
elke begrenzing van den akker, waarop ge zaaien zult, is dan ongerijmd.
Of ook, is er geen voorbereidende genade, is de uitverkiezing niet
aan de Gemeente gebonden, zijn de uitverkorenen, gelijk men CaU\'ijn
tegenvoerde en wat hij zoo kernachtig bestreed, slechts een „turba
electorum",
d. i. een los saamgeworpen hoop, snijdt dan uit uw
Kerk af elk van wiens bekeering gij niet ten volle overtuigd zijt,
breek dan met de usantie van den kinderdoop en verketter de
Novatianen en Donatisten en Labadisten niet langer, maar loof deze
-ocr page 182-
174
secten, die dan, in tegenstelling met alle andere, alleen het wit der
waarheid hebben getroffen.
Maar wilt ge dat niet, staat het bij u vast dat een Kerk gelijk de
Modernen die willen, slechts een andere naam voor de wereld, de
maatschappij zelve zou zijn; en evenzoo dat een Kerk van louter
bekeerden door de geschiedenis geoordeeld is en tegen de diepste
gedachten zóó der Schrift, als van onze Hervormde Kerk, lijnrecht
indruischt, kom dan ook met uw Kerk niet na de uitverkiezing,
maar erken en belijd, dat in de uitverkiezing eerst de Christus, daarna
de Gemeente, en in haar eerst de uitverkiezing der enkelen is.\'
Dat hierbij met de Gemeente niet alleen de Kerk op aarde, maar
ook de Kerk die reeds zegepraalt, bedoeld wordt, spreekt vanzelf.
Immers de nu zegepralende Kerk is instrument van voorbereidende
genade geweest voor de Kerk die thans den strijd des Heeren
strijdt; gelijk door haar de voorbereidende genade te bedienen is aan
de Kerk, die tot op \'s Heeren wederkomst den naam van Christus op
aarde zal belijden.
Nu is het zeker denkbaar, dat de openbaring dier kerk in het
zichtbare zeer verre afwijkt van de ordinantiën Gods; eindelijk zelfs
kan er een oogenblik komen, dat de samenhang tusschen beide geheel
verbroken wordt. In het laatste geval is uitgaan uit de tot een
Babel geworden Kerk plicht, niet om een nieuwe Kerk te stichten
(want de Kerk is slechts eenmaal gesticht) maar om de ware Kerk
uit de gestorvene uit te dragen en tot nieuwe levensopenbaring te
brengen. l) Dat deden onze vaderen in de dagen der Hervorming en
kon ook voor ons weer plicht worden, zoodra het ons klaarlijk getoond
wordt, dat elk verband tusschen de Kerk naar de uitverkiezing en
ónze zichtbare Kerk volstrekt heeft opgehouden. Dat wie meent, dat
het daartoe reeds kwam, uittrad, is natuurlijk. Dat de meesten nog
aarzelen dit oordeel uit te spreken, kan in gebrek aan geloofsmoed,
kan in onverschilligheid tegenover elke Kerk, maar kan ook in den
geestesblik op de bestaande Kerk zijn oorsprong hebben. Deze toe-
standen, hoe uiteenloopend ook, zijn verklaarbaar. Maar wat niet
geduld mag worden is tweeërlei: Vooreerst, dat men, uit de zichtbare
Kerk tredende, er de Kerk zelve niet uitdraagt en tot nieuwe levens-
openbaring brengt, d. w. z. zonder Kerk blijft voortleven. En ten
tweede,
dat men in de zichtbare kerk blijvende, voortleeft als bestond
ze niet, zich in een conventikel terugtrekt en, op zich zei ven zich.
houdende, dan nog beweren durft „de leer der vaderen zuiverder
dan anderen te belijden", Calvinist in echten zin te zijn.
Calvijn zou in die zich noemende Calvinisten de sectarissen van
zijn eigen tijd herkend en tegen hen gestreden hebben met zijn reus-
!) Hieruit blükt, hoe weinig theologisch men oordeelt, door ons geluk onlangs
in de Stemmen geschiedde, een Congregationalistisch kerkbegrip toe te dichten.
-ocr page 183-
175
achtige, met zijn. verpletterende leer van „de Kerk naar den Wóorde
Gods," die niet mocht ontbreken, zou zijn leer van de uitverkiezing
leven en waarheid zijn.
XII.
VERKIEZING VAN HET VOLK.
Welgelukzalig is het volk wiens God de
Heere is; het volk dat Hij zich ten erve
verkoren heeft
                   Psalm 33 : 12.
Een Gemeente, in enkele geloovigen gedeeld een Lichaam, waarin
de leden onderscheiden zijn, heeft de Heere zich uitverkoren; niet
omgekeerd enkele personen, door wier samenvoeging eerst de Gemeente,
het Lichaam, zou ontstaan. Dit blijkt ten duidelijkste, zoo men let
op de verkiezing der engelen en de verkiezing van Israël.
Van een verkiezing der engelen spreekt Paulus in 1 Timotheüs
5 : 21, als hij zegt: „Ik betuig voor God en den Heere Jezus
Christus en de uitverkoren engelen." Dat hiermee niet een verschil
in graad van heiligheid of rangorde bedoeld is, toont de saamvoeging.
Immers de betuiging voor God en Christus en zijn engelen verwijst
naar het oordeel, dat in tegenwoordigheid der engelen zal plaats
hebben. Leert nu Jezus, dat Hij ten oordeel verschijnen zal, niet met
enkele soorten van engelen, maar „met zijne heilige engelen" zonder
beperking of onderscheid; en zien we evenzoo uit Openbaringen
12 : 7—9, dat de tegenstelling tusschen de engelen van Michaël,
d. i. de goede, en de engelen van den Draak, d. i. de kwade, alle
engelen sa&m omvat, dan lijdt het geen tegenspraak, dat Paulus in
de aangehaalde plaats niet enkele soorten maar alle goede en heilige
engelen saam als uitverkoren engelen bestempelt, en derhalve hun
heiligen staat, het feit dat ze staande bleven en niet afvielen, afleidt
uit de verkiezing Gods, die evenzeer in het rijk der engelen als in
het rijk der menschen te belijden is. Zoo leerden dan ook onze
vaderen, met name Zanchius, Gomarus en Trigland.
Toch behooren deze engelen niet tot het Lichaam van Christus,
ze staan niet op gelijken voet, maar in rang beneden de uitverkorenen
uit de menschen, bedienen hun de zaligheid, zullen door hen geoor-
deeld worden en zijn uitgesloten van die innige levensverbintenis
met den Middelaar, die het Lichaam, de Gemeente, met Hem, haar
Hoofd vereenigt.
Deze onderscheiding nu tusschen de uitverkoren engelen en uitver-
-ocr page 184-
176
koren menschen is volkomen verklaarbaar, zoo men met de Schrift
eerst de verkiezing der Gemeente en in haar van de enkele geloociyen
stelt. Immers Christus, onze Middelaar, heeft niet de natuur der
engelen aangenomen, maar het zaad Abrahams. De gemeente is niet
door Schepping maar door Herschepping uit dood en zonde ontstaan.
Niet de God, „die de dingen, die niet zijn roept alsof ze waren,"
maar de Herschepper, „die de dooden levend maakt," is in de glorie
der Gemeente te verheerlijken. Leert nu de Schrift, dat de uitverkie-
zing der engelen niet is een herstelling der gevallen engelen tot een
hooger staat van heerlijkheid, dan ze vroeger innamen, maar een
staande houden van de nief gevallenen in hun oorspronkelijken toe-
stand, zoodat ze hun beginsel bewaard hebben: dan kan er natuurlijk
van een toebehooren dezer engelen tot de gemeente geen sprake
zijn; dan kunnen ze niet medetellen onder de uitverkorenen in
Christus,
dien ze wel als hun Hecre aanbidden, maar met wiens
verzoening in zijn bloed ze geen gemeenschap hebben; dan is er in
het Lichaam van Christus voor de heilige engelen rangorde noch plaats.
Ging men daarentegen uit van de voorstelling, dat de uitverkiezing
der enkelen vóór de grondlegging der wereld niet in hun eenheid
als gemeente, niet in hun bijeenhooren als Lichaam had plaats ge-
grepen, maar zóó, dat eerst in den loop der tijden, na hun roeping
en wedergeboorte, door het bijeentreden dezer enkelen een gemeente
ontstaan, allengs een Lichaam gevormd en een band met den Christus
aangelegd was: dan zou er oorzaak noch reden zijn waarom ook de
uitverkoren engelen niet in de zegepralende Kerk werden opgenomen
en, zij het ook langs anderen weg dan wij, allengs tot gelijke be-
trekking, als waarin wij tot het Lam geraakten. Niet als Middelaar
in algemeen en zin tusschen God en het schepsel, maar uitsluitend
als Middelaar Gods en der menschen is de Christus te eeren. Wie
anders oordeelt, werpt geheel de innerlijke oeconomie der Schrift
omver.
In de tweede plaats verwezen we naar de uitverkiezing van Israël
als mik,
waarover men niet te spoedig heenglijde. Immers niets is
gewoner dan hen, die in de Schriftleer van de uitverkiezing óók door
enkele personen zich nog niet kunnen gevangen geven, zich juist op
die verkiezing van Israël als volk te hooren beroepen. Ze meenen
toch aan deze volks verkiezing, die het verloren gaan der enkele
Israëlieten volstrekt niet uitsloot, een bewijs voor hun geliefkoosde
stelüug te kunnen ontleenen, dat wel de schare der belijders, de ver-
zameling der Christenen, de vergadering der Gemeente, is verkoren,
maar zonder dat hiermee ook voor de zaligheid der enkele personen
en Gemeenteleden iets is bepaald.
Deze voorstelling nu is tegenover de gangbare en hoogst verkeerde
denkbeelden over de uitverkiezing die het Lichaam van Christus eerst
allengs door de bijeenverzameling der wedergeborenen doen ontstaan,
-ocr page 185-
177
ten deele ongetwijfeld in haar recht. Wie de waarheid van het stuk
der uitverkiezing wil kennen, gaat tot de Schrift. Vindt men nu in
de boeken zoowel des Ouden als des Nieuwen Verbonds van ver-
kiezing en uitverkiezing op verreweg de meeste plaatsen over de uit-
verkiezing van een volk, en betrekkelijk zeldzaam van een verkiezing
der enkele, personen gesproken, dan is het volkomen natuurlijk, dat
men juist door eerbied voor Gods heilig Woord bewogen wordt tus-
schen die beide verkiezingen verband te zoeken en zich dies niet
vinden kan in een voorstelling, die het grooter deel der Openbarin-
gen over dit diep geheimnis ongebruikt laat en ter zijde schuift. Dat
innerlijke tegenstand tegen het volstrekt vrijmachtige van Gods genade
er dan licht toe verleidt, om ter wille van de Wvtt-sverkiezing de uit-
verkiezing der enkele personen in de schaduw te stellen, zoo niet te
loochenen, spreekt vanzelf.
Toch is met een beroep op Gods vrijmachtige genade deze tegen-
stand niet te breken. Eerst moet men tot volkomen onderworpenheid
aan het Woord Gods zijn gekomen en dus elk deel der Schriftopen-
baring tot zijn recht doen komen, zal men de geboorteweeën der
zuivere Godskennis bij anderen verlichten en verhaasten kunnen.
Dit nu geschiedt ten opzichte der verkiezing eerst dan, als men
in Israëls volksverkiezing de afschaduwing van de verkiezing der
gemeente leert zien en de verkiezing der enkele personen, zonder
voorafgaande verkiezing van het Lichaam van Christus ondenkbaar
keurt. Gelijk Adam er eerst is en in hem het menschelijk geslacht,
en uit dit geslacht de enkele personen voortkomen; gelijk Abraham
er eerst is, en in zijn lendenen Israël als volk besloten ligt, en uit
dit volk de enkele zonen Israëls voortkomen; zoo ook is in de uit-
verkiezing eerst de Christus, en in Hem de Gemeente, en zijn eerst
in die Gemeente de enkele geloovigen.
Er wordt in het Oude Verbond èn van een verkiezing Israëls uit
de volken, èn van een verkiezing in Israël gesproken.
Israël zelf als volk is uitverkoren. Daarvan heet het: „Gij kin-
deren Jakobs, zijne uitverkorenen!" „Om .Takob, mijns knechts wil,
en Israël, mijn uitverkorene, ja, Ik riep u bij uwen naam, Ik noemde
u toe, hoewel gij Mij niet kendet I" „Want de Heere heeft zich Jacob
verkoren, Israël tot zijn eigendom." „Vrees niet, o Jacob mijn knecht
en gij Jeschurun, dien Ik uitverkoren heb." „De God dezes volks
heeft onze vaderen en het volk verhoogd." „Koningen zullen het zien
en opstaan, ook vorsten en zij zullen zich voor u buigen, om des
Heeren wil, die getrouw is, om den Heilige Israëls, die u verkoren
heeft."
„Want gij zijt een heilig volk; u heeft de Heere uw God
verkoren, dat gij Hem tot een volk des eigendoms zoudt zijn, uit
alle volken die op den aardbodem zijn."
Maar behalve deze verkiezing van het volk is er een verkiezing in
het volk. „Doch Hij verwierp de tent van Jozef en den stam van
12
-ocr page 186-
Efïaïm verkoos Hij met, maar Hij verkoos den stam van Juda, den
Berg Zion, dien Hij liefhad en Hij verkoor zijnen knecht David en
riep hem van achter de schaapskooien." De Heere, uw God, heeft
hein (Levi) uit al uwe stammen verkoren, dat hij sta om te dienen
in den naam des Heeren." „Voor het aangezicht des Heeren die mij
verkoren heeft
voor uwen vader en voor uw gansche huis, mij aan-
stellende tot een voorganger over het volk des Heeren." Er is dus
niet slechts een verkiezing van het volk, om voorts door elke eigen
daad te laten beslissen, wie uit den dienst des Heeren zal komen,
maar ook dit te voorschijn treden der enkele stammen en personen
wordt uitdrukkelijk als een uitvloeisel beschouwd van een uitverkie-
zing, die schiftend, en onderscheidend op de enkelen in Israël werkte.
Uitverkiezing is de grondslag en het uitgangspunt van al Gods
heerlijk werk in het Oude Verbond. Abraham wordt uitverkoren,
niet wijl hij gelooft, maar opdat hij krachtens zijn verkiezing tot
geloof zou komen. Er wordt niet één volk uit de overige volken af-
gezonderd, maar krachtens de uitverkiezing een eigen, .afgezonderd
volk uit Abraham verwekt. Ismaël wordt verworpen, Isaak verkozen.
Van Ezau en Jacob wordt aan Kebekka, reeds eer ze geboren zijn,
de verwerping des eersten en de uitverkiezing des anderen geprofe-
teerd. Onder Jacobs zonen valt Juda in zonde met Thamar, en toch
is hij patriarch van den uitverkoren Koningsstam. Levi heeft zich in
niets onder Jacobs twaalftul onderscheiden, en toch treedt Levi krach-
tens de verkiezing Gods aan het altaar. Jesses huis is een der kleinste
in Juda\'s stam, David de minst geachte onder Isaï\'s zonen, en toch
wordt David, krachtens de verkiezing des Heeren, stichter van Israëls
Koningstam, en stamvader van den Messias. Zion wordt door Israël
vergeten en in handen van den Kanaaniet gelaten, en toch is Moriahs
bergtop de plaats der heiligheid, die den tempel dragen zal, wijl
God zelf dezen bergkruin verkoor. Serubbabel stamt af uit de zijlinie,
en toch is hij de held die aan Israëls hoofd treedt. Maria was een
vergetene onder Juda\'s maagdenrij, en toch „haar nederheid" wordt
aangezien, wijl ze in de verkiezing des Heeren „begenadigd" was.
Toch is deze verkiezing van en in Israël op zich zelve geen eeuwige
uitverkiezing ter zaligheid, maar verkiezing tot dienst in het Open-
baringsleven, ambtelijke verkiezing zoo men wil in het Koninkrijk
Gods, die zeer zeker de verkiezing tot zaligheid in zich kan sluiten,
maar die allerminst noodzakelijk onderstelt. Ook Cores was uitver-
koren, niet tot zaligheid, maar tot dienst.
Hierop wijzen de profeten, met name Jesaia, zoo dikwijls ze het
„heilig zaad" van de volksmassa onderscheiden, „de Israëlieten in
hun voorstelling afzonderen, en in Jakob „dien de Heere verkozen
heeft en Israël dien Hij riep," niet zoozeer de geheele menigte des
volks toespreken, maar uitsluitend „de geestelijke zonen" Abrahams,
en ook hen nog slechts als afschaduwing van den waren „Knecht
-ocr page 187-
179
Gods," den „Heilige Israëls," dien. ze van verre begroeten in den Messias.
Voeg men hierbij, dat Paulus, zich aan deze profetische voor-
stelling aansluitend, scherp de lijn der onderscheiding doortrekt tusschen
„het Israël naar den geest" en „het Israël naar het vleesch", dan is
het onweersprekelijk, dat èn Israël als volk èn de stammen van Juda
en Levi èn David en Serubbabel dienst hebben gedaan als vooraf-
schaduwing en voorbereiding van die veel dieper gaande verkiezing
ter zaligheid, die in Christus in de Gemeente en in de enkele ge-
loovigen, reeds vóór Israëls optreden werkte, door Israëls volksstaat
heengaat, en, eerst na zijn voltooiing en uiteenspatting, in de stichting
van de Gemeente des Nieuwen verbonds aan het licht is getreden.
Dit leidt tot de dubbele slotsom:
Dat niemand recht heeft, om de t\'oZA.\'sverkiezing der Gemeente ten
koste van de verkiezing der enkele personen te leeraren.
Maar ook, dat niemand een vorming van de Gemeente en het
Lichaam van Christus zich mag voorstellen, die eerst door de toe-
brenging der enkele uitverkorenen zou ontstaan.
Het eerste kan niet geduld, wijl de verkiezing tot dienst in het
Openbaringswerk niet op één lijn mag worden gesteld met de ver-
kiezing tot zaligheid.
Maar evenmin het andere, wijl de Heere zijn Openbaring in de
schaduw des Ouden Verbonds niet gaf, opdat we in de dagen des
Nieuwen Verbonds, met terzijstelling dier Openbaring, op eigen inzicht
en voorstelling zouden afgaan, maar juist opdat we, eigen inzicht en
oordeel wantrouwend, in die schaduw de lijnen zouden opmerken,
die Hij zelf voor zijn Koninkrijk trok.
Toont derhalve het bestek der verkiezing dat in de schaduw des
Ouden Verbonds voor ons ligt, dat er verkiezing is in drie geledingen:
van het Hoofd, in het Hoofd van het Lichaam, en eerst in het
Lichaam van de enkele Leden, dan hebben we niet meer te raden,
dan gehoeven we niet meer te gissen, maar weten dat het alzoo met
de uitverkiezing tot zaligheid staat.
XIII.
VERKIEZING VAN DE ENKELE GELOOVIGEN.
Die geschreven zijn in het boek des levens.
Openb. 21 : 27.
Vooral met het oog op de verkiezing der enkele personen dient
met nadruk het waarschuwend woord herinnerd: „De erkenning dezer
-ocr page 188-
180
waarheid ga nooit voorop, maar voh/c steeds de bekeering des harten."
Het „hart" der belijdenis hebben de vaderen ze genoemd. Dit blijve
ze, en worde door niemand misvormd tot de hand, waarbij men de
belijdenis aanvat. Zóó als ze in Gods woord ligt uitgesproken, zoo
blijve die verkiezing ook voor ons leven, of ons zou de schuld treffen,
als ze door onware vooropstelling aan smaad werd bloot gegeven en
tot een aanleiding werd voor den spot" Nooit gelde de onbekende
factor der uitverkiezing als richtsnoer voor de prediking, waartegen
Augustinus reeds waarschuwde: „Wijl het ons onbekend is, wie tot
het getal der uitverkorenen behoort, wie niet, moet in ons woord die
toon heersenen, dat wij allen tot de zaligheid wenschen te brengen.
Dit zal maken, dat wij een iegelijk, dien de Heere op onzen weg
plaatst, in een kind des vredes trachten om te zetten, en dat feitelijk
onze vrede alleen op hen blijft, die erfgenamen der belofte zijn."
Waaraan nog dit ernstig woord des vermaans van den grooten Calvijn
zij toegevoegd: „Zoo iemand de schare aldus toesprak: Dat ge niet
gelooft, komt daar vandaan, dat God u voor het verderf bestemd
heeft, — zou niet slechts traagheid gevoed, maar boosheid gekweekt
worden. En zoo iemand deze stelling ook op de toekomst uitbreidde:
Gij zult niet gelooven, wijl ge verworpen zijt, — zou er een ver-
vloeking, geen Evangelieprediking gehoord worden."
Toch bezondigt zich, wie ter vermijding van dit gevaar, de heer-
lijke openbaring Gods over de uitverkiezing, verzwijgt. Daarin juist
stak de zonde der Eemonstrantcn, die op hun Synode in 1612 te
Utrecht gehouden, voorschreven, dat men wel de uitverkiezing, als
gevolg van Gods voorwetenschap te gelooven had, maar er op den
predikstoel van had te zwijgen. Een beweren, door Augustinus reeds
met klem weerlegd, toen hij schreef: „Zoo de heilige schrijvers van
de Schrift en de kerkdienaars die na de Apostelen zijn opgestaan,
blijkbaar beiden deden: èn de uitverkiezing prediken èn hun ge-
meenten onder de tucht des vromen levens houden, — hoe zullen we
dan vrede hebben met hen, die willen dat het stuk der uitverkiezing
voor het volk verzwegen worde? Neen, het moet gepredikt worden,
opdat hij die ooren heeft om te hooren het vatte. Evenals de vrucht
der vroomheid te prediken is, opdat de Heere naar eisch van zijn
Woord geëerd worde, zoo is ook de praedestinatie te prediken, opdat
wie het geestelijk gehoor ontving, over het werk van Gods genade,
in God, niet in zichzelve roeme."
Aan dien stelregel houden we ons, óók tegenover hen, die wel een
verkiezing der Gemeente leeren, maar geen verkiezing der enkele
personen
aanvaarden durven.
Eerst blijke wat de Heilige Schrift dienaangaande leert.
Jezus zegt, Luk. 10 : 20: „Verblijdt u daarin, niet dat de geesten
u onderworpen zijn, maar verblijdt u veelmeer daarin, dat uwe namen
geschreven zijn
in de hemelen."
-ocr page 189-
,
181
De Apostel bezigt dezelfde uitdrukking in RL 4 : 3: „Die met
mij gestreden hebben in het Evangelie en de andere mijn mede-
arbeiders, welker namen geschreven zijn in het boek des levens."
Bij den profeet Daniël lezen we in gelijken zin, hoofdstuk 12 : 1:
„En te dier tijd zal Michaël opstaan, die groote vorst, die voor de
kinderen uws volks staaf en al uw volk verlost worden, al wie ge-
vonden wordt geschreven te zijn in het bosk,
en velen van hen, die
in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen
leven
en genen tot versmaadheden en afgrijzen."
Zoo ook .Tesaia in het vierde hoofdstuk zijner Godsspraken het
derde vers: „De overgelatene in Jeruzalem zal heilig geheeten worden,
een iegelijk die geschreven is ten leven, te Jeruzalem."
Dienovereenkomstig geeft Jezus aan den diseipel van 1\'atmos last
om de Gemeente van Sardis aan te zeggen: „Die overwint, die zal
bekleed worden met witte kleederen, en Ik zal zijn naam geenszins
uitdoen uit het boek des levens, en Ik zal zijnen naam belijden voor
mijnen Vader en voor zijne engelen;" lezen we in Openb. 13 : 8:
Het beest zal aangebeden worden door allen „wier namen niet ge-
schreven zijn in het boek des levens van de grondlegging der wereld;"
worden in Openb. 20 : 12 de boeken der geduchtenisse van\'s menschen
daden scherpelijk onderscheiden van „een ander boek dat het boek des
levens is;"
en komen in het nieuwe Jeruzalem, naar luid van hoofd-
stuk 21 : 27 alleen zij, „die geschreven zijn in het boek des Levens
des Lams."
Dat de uitdrukking van „een boek voor Gods troon liggend," een
figuurlijke benaming is, een woord aan de menschelijke huishouding
ontleend, om een diepe verborgenheid uit het heilige leven des
Koniukrijks duidelijk te maken, behoeft geenc herinnering. Er is
daarom van vier boeken sprake. Van een boek der „Voorzienigheid\'\'\'
waarin \'s menschen levenslot bepaald is, b. v. Psalm 139 : 16: „Al
deze dingen waren in uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd
worden zouden, toen nog geen van die was." Van een boek der
Consciëntie,
b. v. Openb. 20 : 12: „En de dooden werden geoordeeld
uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hunne werken." Van
een boek des Verbonds, waartoe ook de bloot uitwendige bondge-
nooten behooren, b. v. Ps. 17 : (>: „De Heere zal hen rekenen in
het opschrijven der volken, zeggende: Deze is aldaar geboren." En
eindelijk van een boek des Levens, b. v. in Mozes\' smeeking voor
Israël, Ex. 32 : 32; „Doch zoo niet, zoo delg mij nu uit uw boek,
hetwelk Gij geschreven hebt;" een overspannen en uiteraard on-
mogelijke bede, naar de lippen gedrongen door dezelfde zielssmart,
die 1\'aulus betuigen deed, Hom, 3:3: „Want ik zou zelf wel
wenschen verbannen te zijn van Christus, voor mijne broederen, die
mijne maagschap zijn naar het vleesch." Men zou hieraan nog kunnen
toevoegen het boek der Eindgerichten,. meest bekend als het „boek
-ocr page 190-
182
met de zeven zegelen," waarvan geschreven staat, dat „alleen het
Lam waardig geacht is het boek te openen en zijn zegelen te ont-
sluiten."
Van een „boek" wordt in deze verschillende beteekenissen ge-
sproken, om daarmee de vastheid en onwankelbaarheid van de kennisse
en voorkennisse Gods uit te drukken. Wat wij niet willen vergeten,
schrijven we op. Wat we alleen uit ons geheugen weten, kan falen;*
wat zwart op wit staat blijft. Het deel onzer kennis dat op mondelinge
overlevering steunt, ondergaat telkens verandering; wat in steen ge-
grift of op het blad geschreven werd, blijft wat het was. Door van
een „boek voor Gods troon" te spreken, bedoelt de Schrift derhalve,
dat de kennisse Gods niet een onzekere, wisselbare en zwevende,
maar vast, onveranderlijk en onfeilbaar is.
Openbaart ons nu de Schrift, nvt dat er in dat boek een voor-
waarde staat opgcteekend, maar wel dat er namen in dat boek des
Levens geschreven staan, dan is hiermee alle twijfel weggenomen over
de verkiezing der enkele personen, lleeds „eer die dingen er waren,"
„van voor de grondlegging der wereld," waren dus in de eeuwige gedach-
tenisse Gods die hoogheilige namen, waarvan de Heere tot .Tohannes
zegt: „Hem die overwint, Ik zal hem geven een witten keursteen,
en op dien keursteen een nieuwen naam, dien niemand kent dan de
Heere en die hem ontvangt."
Daarmee in overeenstemming wordt ons gewezen op het vaste
fundament Gods dat staat, hebbende dezen zegel: De Heere kent de
zijnen,
en, een iegelijk die den naam des Heeren aanroept, sta af
van ongerechtigheid." (2 Tim. 2 : 19). Even stellig zegt 1\'aulus:
„Die, d. i. de personen, die Hij te voren gekend heeft, die heeft
Hij ook te voren verordineerd, en die Hij verordineerd heeft, deze
heeft Hij geroepen, en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook
gerechtvaardigd, en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook
verheerlijkt," waar de apostel blijkbaar de eeuwige voorkennis op
dezelfde personen doet slaan, die van achteren blijken zullen voor-
werpen der rechtvaardigmaking en verheerlijking te zijn geweest.
In geheel denzelfden zin getuigt Jezus zijn discipelen, Joh. 13 : 18:
„Ik zeg dit niet van u allen, Ik weet welke Ik uitverkoren heb."
Of wil men het sterkste, maar dan ook alles afdoende bewijs, men
denke dan aan Ezau en Jacob, van wier praedestinatie de Apostel
letterlijk schrijft: „Want als de kinderen noy niet gebaren waren noch
iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, \'dat
naar de verkiezing is, vast hleve,
niet uit de werken, maar uit den
roepende, zoo werd tot Eebekka gezegd: „De meerdere zal den min-
dere dienen," Rom. 9 : 11, 12. Voegt men hierbij het woord des
Heeren tot den profeet: „Eer Ik u in uws moeders buik formeerde
heb Ik u gekend!" en dat andere: „Ik heb u liefgehad met eene
eeuwige liefde," dan zal wel niemand tegenspreken, dat, moet en
-ocr page 191-
kan alleen de Schrift over deze verborgenheid beslissen, de verkiezing
der enkele personen, niet minder vast staat dan van den Christus en
de Gemeente in haar geheel.
Slechts ten overvloede zij nog aan het opmerkelijk feit herinnerd,
dat in den ontwikkelingsgang der Openbaring de eerste aanwijzingen
der uitverkiezing met Abraham beginnen, dus met een enkel persoon,
en dat eerst, nadat hij krachtens de verkiezing stamvader van Israël
en vader der geloovigen geworden is, de lichtstralen zich vermeer-
deren, die het Gode behaagd heeft, op dit goddelijk geheimnis te
doen vallen.
             «
Met dit stellig gemgenis der Schrift stemt de eisch van het wezen
Gods overeen. Gode zijn al zijne \'werken van eeuwigheid bekend"
zegt Jacobus op de .Teruzalemsche Synode (Hand. 15 : 18), en drukt
daarmee een eigenschap des Heeren uit, die voor elk vroom gemoed,
onmiddellijk met den naam des Hoeren zelven gegeven is. Een God,
die in onzekerheid over zijne schepping verkeerde, zou voor ons
diepst bewustzijn ophouden God te zijn. De heilige rust, die bij de
aanbidding des Allerhoogsten in de ziel daalt.zou voor immer wijken,
zoo ons geloof aan dat vaste, zekere en onwankelbare in de kennisse
en voorkennisse Gods ontviel.
Doch ook bepaaldelijk het denkbeeld van „uitverkiezing" zou met
het prijsgeven van dit persoonlijke verkiezen der enkelen tot een on-
houdbaar woordenspel worden verlaagd. „Kiezen" onderstelt schiften.
Zoo men, gesteld dat er twaalf peerlen voor ons liggen, geheel het
twaalftal neemt, is er van keuze geen sprake, heeft er geen keuze
plaats. Een keuze onderstelt juist, dat niet alle genomen worden,
maar dat het ééne wel, het andere niet gekozen worde. Gaat het nu
niet aan, die eenvoudige grondbeteekenis van het woord kiezen weg
te denken, zoo dikwijls in de Schrift van verkiezing of „uitverkiezing"
gesproken wordt, dan wordt men reeds hierdoor tot onderscheiding,
óók tusschen de personen gedrongen.
Even weinig baat de uitvlucht van enkele nieuwere onder de
Duitsche godgeleerden, die onder uitverkiezing de verkiezing tot een
bijzonderen, hoogeren trap van zaligheid verstaan, waarbij de gewone
zaligheid dan aller deel zou blijven. Hiermee immers wordt geheel
de Openbaring der Schrift weersproken, die ondubbelzinnig en in
woorden voor geen tweeërlei uitlegging vatbaar, steeds en onveran-
derlijk, juist van uitverkiezing tot zaligheid in een zin spreekt, waar-
door elk denkbeeld van een zaligheid, die niet in de uitverkiezing
steunen zou, is buitengesloten.
Uitverkiezing onderstelt dat God kiest, niet de mensch. Er is in
onze kerken verkiezing van den prediker, dien men hooren wil, maar
wie zal dat ooit in den zin verstaan alsof de prediker zijn hoorders
en niet de hoorders den prediker kozen. Toch waant men dat deze
in het oog springende begripsverwarring tegenover den Heere onzen
-ocr page 192-
184
God kan worden gewaagd. Dat er uitverkiezing is stemt men toe;
dat niet allen zalig worden, ontkent men niet; maar als men nu
verder aandringt en vraagt, aan wien de beslissing staat, durft men
niet te zeggen, dat God beslist, maar laat de beslissing aan den vrijen
wil des menschen. Alsof dan niet de mensch in stede van God zou
kiezen; alsof dan niet de „verkiezing" van God op den mensch zou
worden overgedragen, en al wat in de Schrift van de eeuwige uit-
verkiezing geschreven staat, op dat standpunt, in dier voege te wijzigen
ware, dat de mensch in -plaats van God Almachtig onderwerp der
verkiezende handeling werd. „Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik
heb u uitverkoren!" keere men dan in zijn tegendeel om.
Dat eindelijk ook de uitvlucht, om Gods voorkennisse ia een
voorwetenschap, een vooruitzien van de dingen die gebeuren zullen,
om te zetten, zichzelf weerlegt, is voor elk man van ernstigen zin
duidelijk. Immers een voorwetenschap Gods, die slechts in het onbe-
paalde rust, dat in iedere stad, op zeker tijdstip een zeker\' aantal
personen een keuze doen konden, is in God ondenkbaar. De kennisse
die we in God onderstellen, moet een volmaakte, stellige, onfeilbare
zijn. Maar was het nu Gode van eeuwigheid bekend, wie in de plaats
onzer woning Hein op dit tijdstip onzes levens als hun God en Vader
verkiezen zouden, dan volgt hieruit ook, dat het alzoo moest geschie-
den, en dan nu ja niet de voorverordineering, maar dan toch de
voorwetenschap des Ileeren de toebrenging tot zijn Koninkrijk be-
heerscht.
Men wint dus met deze uitvlucht niets. De gebondenheid aan Gods
Wezen wordt er allerminst meê ontkomen. Slechts lijdt men de schade,
dat men in stee van een God, wiens wil en wet en werk één krachtig
en bezield geheel vormt, een God aanbidt, die vooruitgluurt in de
toekomst, om de bepaling van den gang der schepping aan zijne
schepselen te vragen.
XIV.
DE VOORBEREIDENDE GENADE.
De Heere was aan dezo plaats en ik heb
het niet geweten.
                     Gen. 28 : 16.
De Voorzienigheid en de Raad Gods zijn wel twee, maar hangen
toch op het innigst saam. Beider plan en bestek is eeuwig, onver-
anderlijk, rustende in Gods eigen wezen, en door den eisch van zijn
hoogheerlijk, onbegrijpelijk en onnaspeurlijk Wezen bepaald. Zóó
echter dat de Kaad Gods de geestelijke kern des Koninkrijks bedoelt,
terwijl de Voorzienigheid het uitwendige, het tastelijke regelt, waarin
-ocr page 193-
*e :\'•:
185
dat geestelijke zich beweegt. Op onszelven toegepast, doorziet elk, dat
de zorg voor ons lichaam, wat we eten en waarmee we ons kleeden
zullen, betrekking heeft op de Voorzienigheid, en daarentegen onze
roeping, onze rechtvaardigmaking en aanneming tot het kindschap
uitvloeisel is van Gods Raad.
Toch betreedt men den verkeerden weg, zoo men deze onderscheiding
ten einde toe vol zoekt te houden. Gelijk lichaam en ziel, zoo staan
ook Voorzienigheid en Eaad Gods met elkaar in het innigst verband.
Het zichtbare heeft invloed op het onzichtbare, en omgekeerd wordt
het geestelijke in ons tot een macht over het vleesch. De Gerefor-
meerde Kerk heeft diens volgens de Voorzienigheid Gods in onaf-
scheidelijk verband met de zaligheid gebracht, door slechts één. voor-
werp van Gods bijzonderste Voorzienigheid te onderscheiden: de
algemeene, die heel het samenstel der geschapen dingen in stand
houdt, en een bijzondere, die de veeren van dit ontzagwekkend
raderwerk ter wille van zijn uitverkorenen in een richting drijft, die
hun ten goede en tot hun zaligheid meewerkt.
Dit is van beslissenden invloed op het middel, waardoor een ziel
uit den dood overgezet wordt in het leven. Niet alsof de daad zelve
der wedergeboorte als een langzaam proces ware op te vatten, waar-
door van lieverlee het leven allengs ontstond, waar eerst de dood
heerschte. Immers de tegenstelling tusschen Leven en Dood is volstrekt.
Ook de eerste kiem van leven is leven. Een tusschenbegrip ttis-
schen dood en leven is er niet. Ook al ontvonkte de levensgloed in
ons nog slechts een eerste sprank, dan dragen we toch in ons dat
eeuwig lieht dat geen macht van hel of sathan meer kan uitblusschen.
En evenzoo, ontbreekt ons die eerste ontvonking nog, wat schijnbaar
uitnemends er dan ook in ons gevonden worde, dan\'heerscht in ons
nog de dood. Een overgang van dood naar leven is er zoomin als
van het nog niet geschapene naar de schepping. Ook de herschepping
is in haar diepste kern ééne eeuwige en toch in een enkel moment
volbrachte daad Gods, die niet uit wat in den mensch was, noch uit
zijn omgeving, noch uit de voorbereidende genade verklaard mag noch
kan worden, maar haar eenige verklaring vindt in de bovennatuurlijke
werking van de almacht der Genade op ons hart. Die hier iets op
afdingt komt de eere van zijn Schepper te na. Dit denkbeeld, zij het
dan ook in strakke eenzijdigheid, met kracht in het Christelijk bé-
wustzijn levendig te houden, is, in onzen gedeelden en beklaaglijken
toestand, de eere en de kracht van het Methodisme.
Toch laat de Schrift het bij deze afgebrokene, zielkundig onvolledige
verklaring van de wedergeboorte niet. Ze geeft meer. Ze openbaart
ons, dat „het geloof uit het gehoor is en het gehoor uit de prediking
van het Woord Gods" of, ia anderen vorm, „dat we wedergeboren
zijn uit levend en onvergankelijk zaad door het levende en eeuwig
blijvende Woord Gods",
hetwelk de Heidelbergsche Catechismus kern-
-ocr page 194-
186
achtig saam vat in de betuiging, dat het geloof ook is „een vast
vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn
hart werkt."
Geloof, dat door den Heiligen Geest buiten het Woord om zou
gewerkt zijn, is derhalve voor de openbaring der Schrift ondenkbaar.
Slechts houde men hierbij in het oog, dat dit Woord Gods langs
zeer verschillende wegen tot ons kan komen. Het kan ons bereiken door
de prediking des Woords in of buiten de kerk. Het kan ons bereiken
door eigen lezing van de Schrift. Maar het kan ons ook bereiken, al
betrad onze voet nooit den drempel der bedehuizen en al sloeg ons
oog in die Schrift nooit een enkelen blik. Duizenden bij duizenden
zijn eertijds in de Germaansche landen toegebracht, die nooit een
Bijbel gezien of den bouw eener kerk beleefd hadden. In de middel-
eeuwen zijn er wedergeboren, die nimmer zoolang ze leefden een
exemplaar der Heilige Schrift in handen kregen, noch ooit in hun
kerspel een verkondiging van het Evangelie, dien naam waard, hadden
aangehoord. Op het Evangelie, op het Woord des ontfermenden Gods
tot den zondaar, op den "Raad tot behoudenisse komt het aan. Die
nu is uit de Schrift onder duizendcrlei vorm in andere Schriftuur
overgegaan, en zelfs ook met terzijzetting van allen Schriftelij ken
arbeid, opgenomen in de denkbeelden, in het geheugen, in de weten-
schap der gemeente. Dat de zuiverheid hierbij verliezen moet, spreekt
van zelf; dat alleen de Heilige Schrift ons dat Evangelie in zijn
ware licht en rechten samenhang biedt, wordt hiermee niet betwist;
slechts erkenne men dat de Herschepper onzer harten zich ook van
die gebrekkige hulpmiddelen bedienen kan, om de kennis van het
Evangelie en de wetenschap van den llaad Gods, te midden van
grooten afval en geestelijke verwildering, tot de ziel te brengen, die
Hij roepende is. Dit is zóó waar, dat zelfs de bestrijders van het
Evangelie vaak als instrument gebruikt zijn, om deze kennis voort te
planten; ja, dat zelfs een Schriftwoord in gemeenen spot, een heilige
najim die gelasterd, of een verwensching, die als vloek werd uit-
gestooten, aan een toebereide van hart den schok gaven, die onder
de besturing des Gecstes hem ten zegen werd.
Het gaat dus niet aan, het Woord Gods buiten den samenhang
van ons leven te nemen. Gelijk in de Heilige Schrift zelve het
Evangelie niet als algemeene aankondiging door een engel uit den
hooge tot ons komt, maar in het leven der menschheid, der 1\'atriarehen,
van Israël en der Godsmannen in zijn stammen, en evenzoo door het
leven en de daden van Christus en zijn Apostelen is heengewevcn,
en juist in deze geschiedenissen veel machtiger en aangrijpender dan
in de klaa/ste profetieën tot ons spreekt, zóó ook is het in de
Gemeente des Nieuwen Verbonds, zóó ook is het met de toebrenging
der enkelen. Dezelfde God, wiens het woord der Schrift is, bestiert
ook ons leven, bepaalde den tijd, de plaats, het geslacht, de persoon*
-ocr page 195-
187
lijkheid waarmee we tot aanzijn zouden komen; waakte over onze
kindsheid; verwikkelde en strengelde de draden van ons leven in
hun dooreen woeling met de. levensdraden van anderen; beschikte ons
voorspoed en ongeval, gehengde over ons smart en lieflijkheid; regelde
de indrukken die we al opgroeiend in en buiten ons huis ontvangen
zouden; knoopte de vriendschapsbanden waarin ons hart zich ver-
kwiktc, maar bestelde ook den smader en lasteraar, die ons door
prikkeling ziften moest in de wanne; bedeelde ons dagen van kommer
en armoe, of ook van weelde en overvloed, naar het in zijn bestek
geschreven stond; deed ons het bloed van frissche levenskracht in de
aderen zwellen, of ook onze huid verdorren en onze spieren vermageren,
naar den loop onzes levens zijn moest; kortom beschikte ons die
onafgebroken reeks van ontmoetingen en wederwaardigheden, indruk-
ken en aandoeningen, ervaringen en verwikkelingen, die elks leven
voor hemzelf interessant maken, en mits in haar samenhang bezien,
zelfs in het leven van den meest vergetene een schouwspel van Gods
veelvuldige wijsheid bieden.
Nu vergete men niet, dat achter deze uitwendige wereld de in-
wendige wereld schuilt, die de Schrift zinrijk als „hart en nieren"
omschrijft. Dit inwendig leven heeft zijn eigen gangen en paden, het
is niet kleiner maar veel ruimer in terrein dan de wereld om ons,
want in ons hart breiden de wegen der ziel zich in het onmetelijke
uit. En op dat onafzienbare terrein van ons hart, ja, ge moet er
bijvoegen, in de onpeilbare diepten, die zich onder dat terrein van
ons hart openen, werken die machtige hefboomen van ons innerlijk
leven, die onnaspeurbaar fijne en toch zoo onbegrijpelijk veerkrachtige
raderen van onzen wil, ons gevoel, ons denken, onze verbeelding,
onze consciëntie, en met en door deze alle, de alles omvattende
geheimzinnige macht, die, meest als gemoedsteven bestempeld, de
zetel is van onze hartstochten en neigingen, van onze geestdrift, van
onzen ijver, of wil men van die electrische stroomen, die nu eens
vonken afspattend, dan in gloed uitstralend, veel meer nog dan ons
verstand of onze wil, ons doen en laten beheerschen.
Beide de werelden nu, die van ons hart en van onze omgeving,
zijn openbaringen van Gods voorzienig bestel. Yan beide is Hij de
Schepper, Hij de albestierende Leider, en beide brengt Hij juist met
elkaar in verband.
Juist op dat verband komt het aan. Er zullen er toch zijn, wier
uitwendig levenslot als twee droppelen waters, als twee bladen aan
eenzelfde twijg op elkaar gelijkt, en toch zal de uitwerking geheel
verschillend, de indruk geheel uiteenloopend, het resultaat bij den
één juist het tegendeel van de uitkomst bij den andere zijn. Dit moet
daaruit verklaard, dat of beider inwendige wereld een andere was, of
dat het verband tusschen beider in- en uitwendig leven anders werd
geregeld. Dit buiten Gods bestel te sluiten is dus feitelijk de Voor-
-ocr page 196-
;
188
zienigheid Gods vernietigen. Wie belijdt dat wel zijn hoofdhaar, maar
niet zijn hartstochten, wel het bloed in zijn aderen maar niet de
levensstorm is zijn gemoed, wel de draad zijns levens, maar niet zijn
willen en denken in de hand des Heeren is, onthoudt aan God wat
juist het edelst en meest Godewaardig is; verlaagt den gang der ge-
schiedenis tot een spel des toevals, en plaatst zich in lijnrechte weêr-
spraak met het woord van koningslippen in het Spreukenboek ge-
vloeid: „dat het hart der koningen in de hand des Heeren is als een
waterbeek."
Houdt men zich daarentegen aan de openbaring van Gods heilig
Woord, dan volgt hier ook uit, dat elke aanraking waarin ons hart
met het Woord Gods, met het Evangelie der behoudenis, met den
Baad ter verlossing, \'t zij dan middellijk ol\' onmiddellijk, komt, aan
de zorge en beschikking Gods gebonden is. En evenzoo, dat de over-
gang van den stoot, die deze aanraking gaf, naar de wereld van ons
inwendig leven, door Hem wordt geleid. Ja ook, dat de werking die
door den overgang van dezen schok in onze inwendige wereld zal
geoefend worden, geen oogenblik buiten het bestek zijner almachtige
liefde en wijsheid gaat.
Nu leert de ervaring, dat deze vier factoren: 1. ons levenslot, 2.
de aanraking met het Evangelie, 3. de overgang van de daardoor
geoefende werking naar ons inwendig leven, en 4. het ell\'ect, dat
daardoor in onze inwendige wereld, in ons hart en onze nieren ge-
oefend wordt, — in Gods hand de instrumenten zijn, die Hij zóó
schikt en samenvoegt, dat de waarheden van Gods Woord in ons
worden doorleefd, op soortgelijke wijs, als ze doorleefd werden door
de patriarchen en profeten. Voor zooveel dit op het tijdperk vóór
onze bekeering betrekking heeft, vormt dit het uitgestrekt en rijk
terrein der voorbereidende genade, wier doel is, den akker van ons
hart te bereiden tot die goede aarde, waarin het zaad des Woords
onder de bezwangering des Heiligen Geestes straks dertig-, zestig- en
honderdvoudige vrucht zal voortbrengen. Alle neiging en zin, gevoel
en wil, verstand en verbeelding worden door die voorbereidende
genade, als door een arbeid van onnaspeurlijke kunst en goddelijke
wijsheid alzoo geschikt en geleid, niet dat ze t/ued zijn, — want ze
zijn en blijven nog roerselen des doods, — maar dat ze de geschikt-
heid bezitten om de levensvonk in zich te ontvangen. De aarde is
goed om vrucht te dragen, maar die aarde op zichzelf, die aarde aan
zichzelf overgelaten, en zoo er niet in gezaaid wordt, zal eerst niets,
straks slechts onkruid voortbrengen. Neen, ze heet daarom slechts
„goed" in de gelijkenis, wijl ze geschikt is om het zaad in zich te
ontvangen, en door de levenskiem die met dat zaad in haar komt
en uit oorzaak van het verband, dat tussehen dat zaad en de bestand-
deelen van dien grond bestaat, de kiem te doen opschieten en de
aren te doen persen.
-ocr page 197-
Uitverkiezing en Voorzienigheid zijn dus twee wegen, die, zij het
ook uit verschillende richting loopend, in het feit der wedergeboorte
elkaar kruisen. Of liever nog Gods voorziening bestel over ons leven,
en zijn voorbereidende genade, zijn twee verschillende uitingen van
dien éénen wil Gods tot onze zaligheid, die in zijn eeuwigen Raad
vaststaat. Met de uitverkiezing is tevens elk middel, elke tussc,hen-
schakel, elk instrument, elke dienende kracht verordineerd en toe-
beschikt, die ter toebereiding van den akker strekken moet.
Er is een trekken van den Vader tot den Zoon, dat niet eerst in
de inwendige roeping, maar vaak reeds in onze natuurlijke geboorte,
reeds in \'s moeders schoot begint.
XV.
VAN VOOR DE GRONDLEGGING DER WERELD.
Hij heeft ons uitverkoren in Hem, vóór de
grondlegging der wereld.
           Efez. 1 : 4.
Terecht is er van verschillende zij op gewezen, dat bij het be-
spreken der uitverkiezing elke tijdsbepaling iets willekeurigs heeft.
Het gaat niet aan, het doen van Gods heilige^majesteit eeuwig te
noemen, en toch in onze nadere bepaling van zijn eeuwig karakter te
berooven. Voor ons menschen is het verloop onzer dagen en jaren in
brokstukken ingedeeld; is een gelijktijdig doordringen van den tijd,
die voor en achter ons ligt, ondenkbaar, en is het nog ongelijk
moeielijker om tot een standpunt op te klimmen, dat boven den tijd
ligt, waarbij van geen tijd meer sprake zou zijn en dat niettemin,
verre van zich in een chaotische dooreenwarreling op te lossen, veel
heiliger harmonie en majestueuser orde zou uitstralen, dan ons naar
en door den tijd geregeld leven dit zelfs in zijn gelukkigste uitin-
gen kan.
En toch, zoo is de eeuwigheid. Het eeuwige is niet het verleden
met een onafzienbare reeks van nooit begonnen oogenblikken er voor,
\'plus de toekomst met een oneindige reeks nooit begonnen oogen-
blikken er achter; neen, de eeuwigheid is iets geheel anders dan de
tijd, kan met den tijd niet gemeten worden. Of ge uit dien tijd
duizend jaren of een enkelen dag, de afmeting op de grootste of de
kleinste schaal neemt, doet er niet toe; de eeuwigheid laat er zich
niet in meten, ze gaat er niet in op, .Ze is niet de tijd en nog iets,
maar iets geheel anders dan de tijd: zoo men wil de grondslag, het,
terrein, waarop de tijd zich beweegt, maar even vol en rijk en diep
-ocr page 198-
190
als de tijd leeg en. arm en oppervlakkig is. De eeuwigheid vervult u,
de tijd verteert u. De eeuwigheid is rust en peillooze vrede, de tijd
rusteloos voortsnellen en zich uitputten. Verre van één te zijn, staan
ze veeleer scherp tegenover elkander. Zoo lang ge in den tijd leeft,
derft ge juist daardoor het rijke, diepe en volle, dat er in de rusten,
den vrede van het eeuwige schuilt. En omgekeerd, zoo ge met de
diepste kern van uw wezen in het eeuwige gezet zijt, smaakt ge daar
nu reeds dien volheerlijken vrede en wordt door de schommelingen
van den tijd nooit de bodem van uw zielsleven blootgewoeld.
Hieruit volgt dat eeuwige verkiezing nog iets anders en hooger is
dan verkiezing vóór een zeker aantal jaren, ook al stond men toe,
dat dit aantal tot een onafzienbare reeks van eeuwen wierd uitgedijd.
Zal de uitverkiezing Gods eeuwig zijn, dan belijden we hiermee, dat
ze een daad des Heeren is, die niet volbracht is in deze bedeeling
van den tijd, tot dezen gezichtskring niet behoort en derhalve met
den graadmeter, voor deze bedeeling voegend, niet meetbaar is. Ze
behoort dus tot een andere orde van zaken, tot dat andersoortig, in
zijn eigen majesteit besloten leven Gods, „dat Hem zelf bekend is en
niemand anders;" en mag diensvolgens nooit door eenig oogenblik in
den tijd als afgesloten worden beschouwd. Elke beperking, die aan de
categorie van den tijd ten opzichte van de uitverkiezing zou kunnen
ontleend worden, moet kortweg worden afgesneden.
Dat is het wat de Heilige Schrift bedoelt, als ze verklaart en open-
baart, dat de uitverkiezing een daad Gods is vóór de grondlegging
der wereld.
Zoo zegt Paulus in Efez. 1:4: „Gelijk Hij ons uit-
verkoren heeft in Hem vóór de grondlegging der wereld." Zoo heet
het Matth. 25 : 34: „Beërft dat Koninkrijk dat u bereid is van voor
de grondlegging der wereld;"
Openb. 13 : 8: „dat de namen ge-
schreven zijn in het boek des levens des Lams van voor de grond-
legging der wererd;"
2 Tim. 1:9; „geroepen met een heilige
roeping, niet naar onze werken, maar naar zijn eigen voornemen en
genade, die ons gegeven is in Christus Jezus voor de tijden der
eeuwen
;" Tit. 1:2: „In de hoop des eeuwigen levens, welke God,
die niet liegen kan, beloofd heeft voor de tijden der eeuwen; en 2
Thess. 2 : 13: „Dat u God van den beginne verkoren heeft tot zalig-
heid," waarmee niet de roeping door de Apostolische prediking, maar
de uitverkiezing in eigenlijken zin bedoeld is, gelijk blijkt uit wat
terstond volgt: „Waartoe Hij u geroepen heeft door ons Evangelie."
Leer der Schrift is derhalve, dat ook van de uitverkiezing Jacobus\'
uitspraak geldt: „Gode zijn al zijne werken van eeuwigheid bekend"
Hand. 15 : 18.
Het denkbeeld eener uitverkiezing na den zondeval is hiermee
vervallen. Aan te nemen, dat God Almachtig, nadat de verdorvenheid
onzer natuur door Adams zonde ontstaan was, tot de daad der uit-
verkiezing zou zijn overgegaan, strijdt met de stellige openbaring van
-ocr page 199-
191
Gods Woord. Daartegen juist komt de Schrift op. Ge waandet dat
de verkiezing tusschen de Schepping en de verdrijving uit het Paradijs
zou liggen; niet alzoo, verklaart de Apostel u, ze ligt niet na, maar
vóór de Schepping, niet slechts vóór de schepping van den mensch,
maar vóór de schepping van dezen aeon, van dit zichtbare en tastbare.
„Gij, die uitverkoren zijt, zijt het vóór de grondlegging der wereld;"
na uw toebrenging is het u in de ziel gefluisterd: „Ik heb u lief-
gehad met een eeuwige liefde; eer Ik u in uws moeders schoot
formeerde, heb Ik u gekend." De uitverkiezing gaat dus niet slechts
over het menschelijk geslacht, dat uit Adam en Eva is voortgekomen,
maar evenzeer over deze stamouders zelven.
Daarbij echter blijve men staan. Een ander denkbeeld uit dit „vóór
de grondlegging der wereld" af te leiden, is ongeoorloofd. Men zou
te kort doen aan het eeuwig karakter dezer daad, aan de goddelijke
vrijmacht van Hem, die „is die Hij zijn zal," zoo men de verkiezing
Gods met ons menschelijke plannen maken vergelijkend, ze als een
bestek opvatte, dat aan het begin der Schepping voorafging, zonder
met de wording en ontwikkeling van die Schepping in onmiddellijk
levensverband te staan. De daad der uitverkiezing valt in het eeuwige,
d. w. z. ze mag door geen insnijding van oogenblikken bepaald en
dus van haar eeuwigheid beroofd worden. Niemand mag zeggen: ze
is eerst na den zondeval begonnen, maar ook niemand mag zeggen:
na de grondlegging der wereld hield ze als daad op, was ze als daad
afgeloopen en was ze in den zin van ons menschelijk handelen een
voldongen feit.
Beweert men dat het voor onze voorstelling noodwendig is om drie
stadiën te denken: lo. toen God er was zonder zijn verkiezingsraad;
lo. toen die God zijn verkiezingsraad vaststelde, en 3o. sinds Hij
begon dien vastgestelden verkiezingsraad ten uitvoer te leggen, —
dan geven we dit zoo stellig toe, dat we met volkomen zekerheid
beweren dat een menschelijke rede ondenkbaar is te achten, die zonder
de voorstelling dezer drie stadiën ook maar een oogenblik de gedachte
der uitverkiezing greep. Onze beperktheid dwingt nu eenmaal tot die
afspiegeling van het eeuwige in onze menschelijke denkvormen, en
het verraadt vroomheid noch vroedheid van zin, indien men tegen
het gebruik dezer voorstelling ijvert.
Slechts vergete men geen oogenblik dat het niet meer dan een
gebrekkige voorstelling is, en dat reeds de poging om zich God een
oogenblik te denken, eer Hij zijn raad nog gegrepen heeft, even
onzinnig is als de poging om het bestek en de uitvoering door tijds-
orde van elkaar te scheiden. Voor onze voorstelling zijn beide be-
grippen even onmisbaar als ze voor het karakter van het eeuwige
volstrekt onhoudbaar zijn.
Tot recht verstand van de Schrift is deze opmerking onmisbaar.
De schrijvers der Schrift aarzelen nooit een oogenblik om in hun
-ocr page 200-
192
schrijven over de verborgenheden van het goddelijk Wezen de uit-
drukkingen, voorstellingen en zegswijzen te bezigen, die aan den regel
van ons leven ontleend, o. a. ook door den tijd bepaald zijn, en in
een verleden, heden en toekomend uiteenvallen. Van vreesachtigheid
voor een bedenkelijke uitdrukking vindt ge noch bij de Profeten noch
bij de Apostelen een spoor. Ze spreken tot den menseh in mensche-
lijkc vormen, gelijk de menschelijke aard dit eischt. En hierin juist
bestaat hun uitnemendheid, dat ze in dat gebrekkige en betrekkelijke
van ons denken en peinzen dat eeuwige, goddelijke, heerlijke en
levende inbrengen, dat zijn oneindige verhevenheid boven dien vorm
door den hoogeren polsslag van zijn tintelend leven gevoelen doet,
en verre van in dien vorm te verzinken, veeleer dien vorm doordringt
en tot zich opheft.
Zoo dan ook de verkiezing. Schier in plastische voorstelling wordt
u gezegd, dat ze plaats greep „van eeuwig," „van den beginne,"
„vóór de grondlegging der wereld," „eer ge geformeerd werdt in uws
moeders buik, dat ze een opschrijven „van uw naam in het boek
des Lams" was, enz.: de voorstelling dus van een Bestek, dat er
eerst niet is, dan gemaakt wordt, en nu als leiddraad bij den Bouw
dient. Die voorstelling is noodig. Een afgetrokken begrip zou het
feit, de waarheid, het volle leven der verkiezing niet zoo midden in
de wereld van uw gedachten en overleggingen een plaats veroveren.
Maar als ge daarom meendet, dat in de denkvormen, die ge aan den
*> tijd ontleent, dat aanbiddelijk woord der verkiezing zich besluiten
liet, dan dreunt uit diezelfde Schrift de .Tehovah-naam, en in dien
naam .Tehovah-zelf op uw ziel aan, om uw nietigen geest en het
speeltuig van uw denkvorm stuk te slaan met dat bergen-dragend
woord, waarvan elke letter als een steenrots is: „Ik zal zijn die Ik
zal zijn,"
en al uw schoolsche redeneering en waanwijs termenweefsel
weg te blazen voor den adem zijns roepens: „Eer de bergen geboren
waren, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid hen Ik God!" en niet in,
veelmin onder den tijd, maar ver boven elke aan den tijd verbonden
gedachte u dat rijke, volle, heerlijke werk der uitverkiezing te doen
aanschouwen, dat u den vinger op de lippen legt en uitdrijft tot
aanbidding.
-ocr page 201-
-
193
XVT.
UITVERKIEZING EN VERANTWOORDELIJKHEID.
Zoo is het dan niet desgenen die wil, noch
desgenen die loopt, maar des ontfermenden
Gods.
                                    Rom. 9 : 16.
De, bedenking of \'smenschen zedelijke verantwoordelijkheid bij de
belijdenis der uitverkiezing niet te loor gaat, is niet te mijden, maar
doet ter zake niets. Plaatst men zich buiten Gods Woord, is het ons
niet om Gods openbaring te doen, bedoelt ons onderzoek niet een
kennis der groote levensfeiten, maar de afleiding van een stelsel uit
een grondgedachte, natuurlijk dan staat voor een tweezijdige dwaling
de weg open. Men begint dan, of met een absoluut Godsbegrip en
vernietigt den mensch, of met den reëelen mensch en eindigt in on-
godisterij. Determinisme en Positivisme zijn de beide vormen, waarin
deze constructiën der gedachten zich thans vertoonen.
Het Determinisme, dat voor eenige jaren aan de Leidsche hooge-
school in eere was en in den hoogleeraar Scholten zijn pleitbezorger
vond, gelijkt sterk op de leer der uitverkiezing, al is het in grond
en wezen volstrekt van de Openbaring der Schrift gescheiden. De
poging ook door den hoogleeraar Scholten aangewend, om het Deter-
minisme uit de Schrift en de kerkleer te verdedigen, was dan ook
op zijn zachtst genomen zelfmisleiding. Immers men beriep zich op
de. Schrift niet als bron van kennis, maar als welkom getuige voor
de vinding der eigen gedachte, en evenzoo op de kerkleer, niet als
historisch document van het werk des Heiligen Geestes in de ver-
lpste zielen, maar als bijkomstig bewijs voor het goed recht, waar-
meê men als Docent der Ned. Hervormde kerk zijn eigen stelsel
voordroeg. Dit Determinisme heeft zijn Achilleshiel daarin, dat het
met een Godsbegrip, niet met den levenden God begint en oordeelt
na het eind van zijn weg zich zelf door de machtigste factoren van
het zedelijk leven: het gebed, het berouw, het zelfverwijt, de zelfbe-
schuldiging enz. voor vrucht van dolende inbeelding te verklaren.
Het Positivisme, thans meer in zwang komend, slaat in het andere
uiterste over, gaat niet van een begrip over God, maar over een
begrip van het zedelijk leven uit, en eindigt met allen godsdienst te
doen ondergaan in zelfaanbidding van den menschelijken geest, niet
gelijk zich die in een enkel individu, maar in de ontwikkeling van
ons geslacht openbaart. De fout van dit stelsel is, dat het niet rekent
met het doen Gods gelijk Hij zelf dit in zijn Woord geopenbaard
heeft, of wil men, dat \'smenschen innerlijk leven bespiedend, geen.
oog heeft voor dat eigenaardige leven der ziel dat zich in de weder-
geboorte openbaart.
                                                              NSffit|# 4
Noch met het ééne noch met het andere stelsel heeft de belijdenis
13
-ocr page 202-
194
van de uitverkiezing dan ook schijn of schaduw gemeen. Onze Her-
vormde kerk kunstelt geen systeem, maar zit als Maria aan de voeten
des Heeren, om zijn woord te beluisteren. Openbaarde dat Woord
haar, dat er geen uitverkiezing is, ze zou er niet aan denken die te
belijden. Maar nu omgekeerd dat Woord haar openbaart, dat de uit-
verkiezing wel ter deeg de alles beheerschende eeuwige daad Gods is,
denkt ze er evenmin aan, wegcijfering van dit majestueuse feit te ge-
doogen. Ze beweert niet den samenhang van dit onloochenbaar feit
met andere even onloochenbare feiten tot in de diepte des levens te
doorzien, of ook in den spiegel der gedachte tot in de uiterste gevolg-
trekkingen te kunnen toonen, maar belijdt slechts datgeen wat haar
over dien samenhang duidelijk geopenbaard is; voorts alle ijdele vraag
der weetgierigheid afwijzend met het Paulinische: „Wie zijt gij o
mensch! die tegen God antwoordt!" en alle zucht naar logische
deducties tegenstaande met de betuiging, dat „Gods wegen onnaspeurlijk
en zijn oordeelen ondoorzoekelijk zijn," d. w. z. geen afleiding van
al doorgaande gevolgtrekking toelaten. Ze belijdt de Openbaring van
Gods Woord, meer niet, maar ook niets minder. Toch niet zoo, alsof
ze slechts losse onzamenhangende gegevens uit de Schrift in haar be-
lijdenis overschreef. Integendeel, ze weet, dat zijn deze openbaringen
der Schrift waarheid, ze zich nu nog in het leven van den verloste
en in de ervaringen van den wedergeboorne moeten vestigen. Die
verschijnselen van het geestelijk leven bieden haar dus den samen-
hang, niet der afgetrokken gedachten, maar der feiten, waarin deze
verschillende uitingen van \'s Heeren heerlijk werk zich vertoonen. De
kerk heeft al de eeuwen van haar bestaan, bij het licht des geestes,
deze feiten bezien, gepoogd ze door te denken en te ordenen. Van
daar dat haar belijdenis allengs een schrede verder is gekomen, om
het pogen, om de innerlijke wet op te sporen, die den ontwikkelings-
gang van dit nieuwe leven beheerscht.
Het spreekt vanzelf dat op dit standpunt van loochening der
overige feiten, ook op het gebied des zedelijken levens geen sprake
kan zijn. De oude geologen die in den Pietersberg van Maastricht
versteende visschen vonden, erkenden dat dit versteende visschen
waren, al begrepen ze ter wereld niets van den samenhang die
tusschen deze catacomben van Maastricht en dit zeeproduct bestond.
Zoo nu ook hier. Yindt de Hervormde Kerk in de ééne Schrift eener-
zijds de stellige openbaring van Gods uitverkiezingen, doch andererzijds
de even stellige openbaring van \'s menschen schuld en verantwoorde-
lijkheid; naast het: „Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader hem
trekke," het even stellig gebod: „Bekeert u," — dan erkent ze beide
feiten, beide verklaringen, ook al begrijpt ze nog ter wereld niets van
den samenhang, die beide feiten vereenigt. Het is onze Kerk niet om
een welgeordend systeem, niet om een prachtige constructie der ge-
dachten te doen, maar om werkelijkheid, om kennisse van het leven
-ocr page 203-
195
Gods gelijk het is. Ze heeft met de Kemonstranten niet een wedstrijd
gestreden, wie het fijnst de kiem eener gedachte uitpluizen en ontleden
kon, maar er zich tegen verzet, dat men een daad Gods zou wegcijferen,
die er was, en daardoor den blik op het eeuwige zou vervalsenen. Wil
men, dan moet erkend, dat de Dordtsche Vaders zoo inconsequent
mogelijk waren. Ze leerden dat de verkiezing van eeuwigheid was, en toch
\'s menschen val is zijn zonde, zijn eigen wel bewezen schuld. Ze leerden
dat het geloof, ook in zijn eerste roerselen een gave Gods is, en toch
dat de ongeloovige schuldig staat, dat hij niet gelooft. Het was er hun
niet om te doen, om de eerepalm der zuiverheid van denken weg te
dragen, of als volleerde meesters in het knutselen van systemen bij
het nageslacht te boek te staan, maar om aan de Gemeente die na
hen kwam, trouwelijk en naar waarheid de Openbaring der Schrift
over te leveren en onverkort den heiligen vrede te gunnen, die in
de belijdenis dezer waarheid te genieten is.
Ook bij de belijdenis der uitverkiezing blijft zonde dus zonde, on-
verkort en onverminderd, in al haar diepte en doemwaardigheid. Ook
bij deze belijdenis handhaven we \'s menschen verantwoordelijkheid, en
rekenen we in vollen omvang met de schuddingen die het menschen-
hart in de ure des berouws en der boete, der zelfbeschuldiging en
verbrijzeling ondergaat. In niets verkort deze belijdenis onze ver-
plichting om Gods Woord aan alle creaturen te prediken en zelfs op
dit Woord acht te geven. Een stil en lijdelijk neerzitten, wachtend of
eenige werking der uitverkiezing zich aan ons openbaren mocht, is
een mechanische opvatting, die onze Kerk verdedigd heeft, maar die
met haar practijk in onverzoenlijken strijd, steeds en zoo scherp
mogelijk door haar veroordeeld is. En ook na de bekeering sluit deze
belijdenis „het werken van uws zelfs zaligheid met vreezen en beven"
en „het u zelven reinigen," zoo weinig uit, dat veeleer zonder
dezen onafgebroken strijd des zedelijken levens geen belijdenis der uit-
verkiezing op haar terrein denkbaar is. Niet bekrompen, mild en
ruim veeleer waren de vaderen van 1618, die leerden: „Godzalige
ouders moeten aangaande de verkiezing en zaligheid hunner kinderen
die God in hunne kindsheid uit dit leven wegneemt, niet twijfelen;"
of ook: „Dat de dood des Zoons Gods van oneindige kracht en
waardij is, overvloedig genoegzaam om de zonde der geheele wereld
te verzoenen;" alsmede: „Dat vele door het Evangelie geroepenen
zich niet bekeeren, noch in Christus gelooven, maar in het ongeloof
verloren gaan, geschiedt niet door gebrek of ongenoegzaamheid der
offerande van Christus, maar door hunne eigene schuld;" en eindelijk:
„Dat velen, niet door de bediening des Evangelies geroepen zijn, niet
komen noch zich bekeeren, daarvan is de schuld niet in het Evangelie,
noch in Christus, door het Evangelie aangeboden, noch in God die
door het Evangelie roept, en ook zelfs verscheiden gaven aan hen
toebrengt, maar in de geroepenen zelven."
-ocr page 204-
196
Gereed in den zin, alsof ze de geestelijke studie dezer belijdenis
voor afgedaan zou mogen beschouwen, is onze Kerk ook met het
stuk der uitverkiezing nooit. Taak ook der komende eeuwen zal het
zijn, om de feiten bei van uitverkiezing en schuld steeds juister uit
Gods Woord te constateeren, vollediger uit de ervaring der geloovigen
toe te lichten, steeds in juister samenhang met de overige heilsfeiten
te plaatsen, en vooral door voortgezette studie der zielkunde meer als
waar en onorastootelijk in de levensverschijnselen zelve aan te toonen.
Dat de Kerk sinds 1618 meer dan twee eeuwen voorbij liet gaan,
zonder een deel van dezen geestesarbeid te voltooien, strekt haar tot
oneere, toont de machteloosheid, waarin ze van lieverlee verzonken
was en moet ons te scherper spoorslag zijn, om den langgestaakten
arbeid weer op te vatten.
Wel weten we, dat thans geen kerkelijke indeeling of schifting der
geesten naar de belijdenis der uitverkiezing zou te rechtvaardigen
zijn. De verdediger der Kerk moet staan op het bolwerk waar de
aanval geschiedt, en die aanval richt zich thans op een gansch ander
deel onzer verdedigingslinie. De Kemonstranten der 16e eeuw voerden
het pleit nog op den grond van Gods Woord, terwijl dat Woord zelf
thans verworpen wordt. Ze beleden, zij het ook op verkeerde wijze,
de kracht van Jezus\' zoenbloed, terwijl de offerande zelve des onbe-
vlekkelijken Lams thans met spottend hoongelach bestreden en ontkend
wordt. Zij ijverden nog met ons voor bekeering en geloofden met
onze vaderen aan een mogelijk verloren gaan, terwijl die bekeering
zelve thans als overspanning der inbeelding weggecijferd en geheel
de quaestie van behoudenis of verderf geloochend wordt. Voor dat
verschil der tijden geen oog te hebben, ware al te kortzichtig en
onnoozel! Wie nog wanen kan, dat de veste van ons Christelijk
geloof veilig is, mits men de Canones van Dordt maar tegen den
vijand keere, toont slechts zijn onbevoegdheid om over de worsteling
der geesten meê te spreken en is tot optrekken in dien strijd onbekwaam.
Slechts zij men even ernstig tegen een overslaan in het andere
uiterste op zijn hoede. Gewoonte wierd het allengs dat de mannen
van naam die de banier van Christus op het slagveld des geestes
droegen, of hun meening over het feit der uitverkiezing zich voor-
behielden, of waanden juist door het te ontkennen sterker tegenover
den vijand te zullen zijn. Dit nu kan noch mag. De opstanding van
Christus is een feit. Ongetwijfeld, en wie het loochent neemt den
grondslag der Christelijke kerk weg. Maar is dan de uitverkiezing
soms minder een feit? En zoo een feit, dan soms minder gewichtig?
Soms minder dan Jezus\' opstanding het fundament waarop de kerk
van Christus rust? En is het dan geen willekeur, den vijand om
het loochenen van het ééne feit in zijn laatsten schuilhoek te ver-
volgen, terwijl men zelf in loochening van het andere feit niets
bed enkel ij ks ziet? Gaat ge veilig, zoo ge optrekkend tegen den vijand,
-ocr page 205-
197
de daad Gods waarin de vastheid uwer roeping ligt, voor bijkomstig
en ter zake niet doende verklaart? Moet het zich niet in een bukken
voor den vijand wreken, zoo ge strijdend voor Gods Woord, het met
den eerbied voor dat Woord zoo licht neemt, dat ge de oorspronke-
lijke daad Gods, die heel den gang van het Christendom beheerscht en
die in dat woord ter uwer kennisse komt, buiten den inhoud van
uw geloof en uwe prediking plaatst? Dat men een anderen blik op
deze daad des Eeuwigen Gods hebbe, \'t zij zoo, daarvoor gespen we
het zwaard niet aan, maar wat niet mag geduld, is, dat men of dit
feit onder de onverschillige kleinigheden rangschikke, of het diïestweg
ontkenne, ten spijt van de Schrift.
De uitverkiezing is een feit of is het niet. Maar is ze een feit
dan is ze tevens een hoofdzaak, een der ondergeschikte geloofs-
ornamenten nooit. Ze vertegenwoordigt een geheel op zich zelf bestaande
beschouwing van \'s menschen inwendig leven, doorgaande tot den
wortel, tot de diepte der dingen, dringende tot in den verborgen
kern waaruit elk roersel der ziel zijn aanstoot ontvangt. Tegenover
een wereld die ons haar levensbeschouwing opdringt, dienen we als
Christenen dus te weten, op wat grond en bodem we voor ons zelven
staan. — Het hart der menschenkinderen moet gewonnen. Maar welk
instrument gebruikt ge daartoe? Er zijn twee reeksen vraagstukken.
Vraagstukken omtrent feiten die voorwerpelijk zijn, die buiten ons
liggen, zooals daar zijn de opstanding des Heeren, zijn bovennatuur-
lijke geboorte enz. Maar ook vraagstukken omtrent feiten die onder-
werpelijk zijn en u zelven raken, zooals het wezen der zonde, de
bekeering, onze vrede bij God. Nu stemt, dunkt ons, ieder dit toe,
dat alleen de laatste vraagstukken vat op het hart hebben, de geesten
kunnen aangrijpen en een overtuiging doen geboren worden. De
eersten niet, althans niet dan in veel zwakkere mate. Hebben nu
beide reeksen een middenpunt waarom alle overige vraagstukken zich
rangschikken, en is dit voor de objectieve feiten even ongetwijfeld,
de Opstanding van Christus, als voor de subjectieve feiten de Uitver-
kiezing, dan willen we toch gevraagd hebben, of men niet moedwillig
zijn invloed op de geesten prijsgeeft, door telkens te verraden, dat
men ten opzichte dezer subjectieve feiten een krachtige, welbewuste,
besliste overtuiging mist. Eindelijk, het vraagstuk der Kerk dringt
meer en meer op den voorgrond, niet gelijk onlangs beweerd werd,
als of het den een om den Christus, den ander om de Kerk te doen
zou zijn. Deze tegenstelling is ongerijmd. De Christus heeft niet
slechts individuëele adepten maar een kring verlosten, die in solidair
verband staande, zijn lichaam vormen. Krachtens den eisch der
Vleeschwording, moet ook dat lichaam zich naar buiten openbaren,
mag het niet verborgen blijven, en is de vraag naar de gestalte, die
Jezus\' Kerk gewinnen zal, dus van de belijdenis zijns naams volstrekt
onafscheidelijk. Staat het nu vast dat dit optreden der Kerk een geheel
-ocr page 206-
... t , , ^ . . . . ^ .                   - _
\'. -                                                          .             \' \'
198
ander zal worden, naar gelang men het feit der uitverkiezing, als ter
zake niet doende, onaangeroerd laat, dan wel als leidende gedachte
kiest, — moet ook hier gevraagd, of het geen overmoed verraadt die
in machteloosheid haar straffe vindt, zoo men, staande voor het
kerkelijk vraagstuk het vraagstuk der verkiezing ontwijkt.
En zoo keeren we aan het slot onzer beschouwing terug tot ons
uitgangspunt. Dat de grootste en machtigste geesten der Christelijke
kerk de uitverkiezing steeds beleden hebben, is het onwraakbaar ge-
tuigenis der historie. Dat elk gebed en elke dankzegging, ja elke
zielsuiting van het vroom gemoed, dit feit der albeheerschende genade
Gods veronderstelt, belijdt en aanvaardt, is de ervaring der christenheid.
Dat de Christelijke tucht nooit beter in eere was, noch het zedelijk
leven ooit hooger vlucht nam dan in die deelen der Christelijke kerk,
in die landen, bij die volken, wier belijdenis met de uitverkiezing
Gods stond of viel, zal ons door geen kenner van de historie der
Hervormde natiën betwist worden. Waarom en ziehier de vraag waar-
meê we besluiten, zou dan thans als merk der „nachtschool"! gelden,
wat alle eeuwen door het merk der grootste geesten was; waarom
dan nu als godsdienstig element onbruikbaar worden gekeurd, wat
dusver der vroomheid haar reinste verheffing schonk; ja, waarom dan
ter opbeuring van onze diepgezonken maatschappelijke toestanden een
zout zouteloos zijn te achten, dat een eeuw lang bij een viertal der
beste natiën het bederf van weelde en zelf verlaging heeft gekeerd?
;\'>;.;
-ocr page 207-
f :;>•;•\' ->:t-\\:;*^- •;\'-";&\' \'v::;-^VV\'?"\'•\'-\'•;•\'•\'"• :\'-^*""
V.
DE MENSCH CHKISTTJS JEZUS.
-ocr page 208-
.
-ocr page 209-
I.
„MENSCH" EN „VLEESCH.
Het Woord is vleesch geworden.
Joh. 1 : 14.
De belijdenis dat het Woord, de Zoon, die in de gestaltenisse Gods
was, in gedaante gevonden is als een mensch, onzer natuur deelachtig
werd, „vleesch is geworden," ontmoet in de hedendaagsche worsteling
der geesten bestrijding van tweeërlei kant. Er is een afval, die durft
uitspreken: die mensch werd, was geen God. Maar er is ook een
kleingeloof, dat niet durft uitspreken: die God was en is en blijft,
werd vleesch. Of liever nog, de Modernen houden veelszins den term
wel bij, dat Hij de Zone Gods was, en evenzoo de kranken in den
geloove stamelen de oude belijdenis nog wel, dat Hij onze natuur
heeft aangenomen, maar, na dit gezegd te hebben, toont de Moderne,
dat hij met „Zone Gods" niet het Woord dat bij God en God was
bedoelt, maar evenzoo de verdoolde in zijn geloof, dat hij Jezus\'
menschelijke natuur voor zijn Godheid doet wijken en ze dus ver-
liest. Alleen door de tweede dwaling uit de belijdende Gemeente weg
te nemen, zijn we tegenover de eerste die van den afval, sterk.
De weken die het Kerstfeest van den Goeden Vrijdag scheiden,
zijn voor dien geestelijken arbeid in de Gemeente aangewezen. Vooral
de Gereformeerde Kerken zijn tot dien geestesarbeid geroepen.
Het deel des jaars dat in onze kerkelijke hoogtijden de Kribbe van
het Kruis scheidt, noopt vanzelf tot overdenking van Jezus\' persoon
in den staat zijner vernedering. Johannes\' dubbele uitspraak: „Het
Woord is vleesch geworden," en straks: „die niet belijdt dat Jezus
in het vleesch gekomen is, déze is de Antichrist" binden der Ge-
meente die overdenking op het hart. Om in de lijdensweek het Kruis
van Golgotha te verstaan, moet de profetische juichtoon: „Een kind
is ons geboren" bij de Kribbe tot haar recht zijn gekomen.
En dat vooral de Gereformeerde Kerken tot dezen geestesarbeid
geroepen zijn, toont haar geschiedenis, haar belijdenis, het kenmer-
kende van haar streven. Juist in dit stuk harer belijdenis schuilt
haar onderscheiding van de Luthersche Kerken, tegenover welke zij
het ook op veelszins nog gebrekkige wijze, de onmisbaarheid voor
onze vertroosting van Jezus\' echt menschelijke natuur steeds door de
Gereformeerde Kerken is gehandhaafd. Dit verschil weg te cijferen,
verraadt bekrompenheid van geest. Beide Kerken hebben de roeping,
-ocr page 210-
.
om, woekerend met het haar bijzonder toebetrouwd talent, elkander
weêrkeerig voor eenzijdigheid te vrijwaren en steeds rijker en heer-
lijker met vereende kracht de belijdenis te doen schitteren van het
vleeschgeworden Woord.
Daartoe levcre ook deze artikelenreeks eene bijdrage. Ze bedoelt
geen fijn uitgeplozen ontleding van het ingewikkeld vraagstuk, maar
uiteenzetting, toelichting en handhaving van die elementaire waarheid,
waar de troost onzer zielen, de werkelijkheid van onze verzoening en
de zekerheid onzer hope meê staat of valt.
Ons uitgangspunt daartoe nemen we in het Evangelie van .Tohannes,
niet bij Mattheiis, noch bij Lu kas, wijl alleen de discipel die in Jezus\'
schoot aanlag, van meet af de tegenstelling, waarom thans de geesten
worstelen, principieel en met bewustheid in het oog heeft gevat.
Niet alsof bij de eerste Evangelisten deze belijdenis van den per-
soon des Heeren zou ontbreken. Integendeel. In elk der vier Evan-
geliën is het dezelfde Christus, doch met een eigen tint, in beeld
gebracht. Levi, de gewezen tollenaar, doet u als de Heilige Apostel
Mattheiis in zijn prachtig geschiedverhaal zien, hoe de Christus, de
stroom der profetie vervullend en dien afsluitend, metterdaad die
Messias Israéls is, dien niemand kent dan de Vader. Hij begint daarom
met het geslachtsboek van Jezus Christus, den zoon van Abraham,
den zoon van David, den koninklijken Messiasstam, door Gods open-
baringswoord te voorschijn geroepen, en eerst in den „meer dan
Salomo" voleind. Marcus bemoeit zich gansch niet met de afkomst
des Heeren. De „leeuw" is het zinnebeeld, waarin de Christelijke
Kerk Marcus teekende, en als „de leeuw die overwon met helden-
moed de hel en al haar krachten," laat hij den Christus plotseling
in het midden van Israëls maatschappij springen, om te worstelen,
om te overwinnen, om buit te maken; den mensch u toonend, en
toch in dien mensch een machtsbetoon, dat ge uit het vleesch „dat
als gras wierd en welks heerlijkheid als een bloem des velds is,"
niet verklaart. Weer geheel anders eindelijk is Lukas, die naarstiglijk
de dingen aangaande Jezus heeft onderzocht, en nu voorts de feiten
schildert, de feiten in al hun aanminnigen glans, in hun aantrek-
kelijke teederheid, de feiten, gelijk ze al wat mensch is in het hart
van aandoening doen trillen, en daarom voor het kind uitlokkend
en voor den grijsaard nog van diepen zin.
„Gij Bethlehem Ephrata, zijt gij klein onder de duizenden van
Juda," dat meldt u Lukas, „uit u zal Mij voortkomen," dat teekent
u Mattheiis, „die een Heerscher zal zijn in Israël," dat toont u
Markus, maar met het slot der Godspraak, „wiens uitgangen zijn van
ouds, van de dagen der eeuwigheid," treden zij achterwaarts en komt
-ocr page 211-
203
Johannes aan het woord. „In den beginne was het Woord, en het
Woord was bij God en het Woord was God" is van het Kerstevangelie
onafscheidelijk.
Johannes blijft, ook als hij bij de Kribbe van Bethlehem gaat
staan, zich zelf gelijk. In het zinnebeeld van den adelaar heeft hem
de Christelijke kerk gekenteekend, van den adelaar, die de zon in het
aangezicht vliegt, in de hoogten zijn nest bouwt, en, ook in de diepten
neergestreken, nog met den adelaarsblik door de wolken boort. Als
Johannes bij Bethlehem\'s kribbe toeft, dan is hij niet lijdelijk, clan
tuurt hij maar niet op de tafereelen die zich voor zijn oog ontrollen,
maar dan peinst hij, dan leeft hij in de diepte en in de hoogte
tegelijk, dan omvat zijn blik hemel en aarde, dan rolt zijn geest door
de ontzaglijke tegenstellingen van zonde en genade, dood en leven,
waarheid en leugen, versmading en heerlijkheid, \'dan denkt hij niet
aan die voederkrib, maar aan de wereld die haar draagt, niet aan
Maria, maar aan de menschheid waartoe ze behoort, dan ziet hij niet
op die doeken en windsels, maar op het vleesch, dat door die schamele
bedekking heengluurt. En daarom rept hij niet van een stal, noch
van herders, noch van een Engelenzang, maar geeft zijn Kerstevan-
gelie in dit rijke woord van strenge gedachte en toch vol goddelijke
poëzie: Het Woord is vleesch geworden en wij hebben zijn heerlijk-
heid aanschouwd, een heerlijkheid als van den Eengeboorne van den
Vader, vol van genade en waarheid.
Bij Johannes valt nooit de lichtstraal zonder zich scherp tegen de
donkere schaduw af te teekenen. Ook aan zijn Kerstevangelie gaat
daarom het trekken der zwarte schaduwlijnen vooraf. Er is van dat
„vleesch" reeds gesproken, gesproken in afkeurenden, veroordeelenden
zin. „Niet uit den wil des vleesches, noch uit den wil des mans."
Hij gewaagt van „heerlijkheid," maar na eerst de „duisternis" te
hebben getoond. Van „waarheid," maar na vooraf op het „getuigenis"
te hebben gewezen, dat zonder een heerschappij der leugen ondenk-
baar is. Eindelijk hij wijst op „genade" maar na in het voorafgaande
den geest, „die niet wil aannemen" te hebben ontmaskerd.
Die tegenstellingen zijn in den voorzang op zijn Kerstevangelie
noch slechts aangestipt, hij zal ze straks in het levensbeeld, dat hij
van den Heere ontwerpt, in al haar diepten peilen. Straks zal het
van dat vleesch heeten: „Wat uit vleesch geboren wordt dat is vleesch;"
zal de „heerlijkheid" die in den Christus blonk in het snijdend con-
trast treden met de smaadheid van dood en graf; zal hij „die de
waarheid zelve is" zijn tegenvoeter ontdekken in den Vader der
leugen, die een menschenmoorder was van den beginne; en zal de
genade zich uitspreken als de trouw van den Herder, die zijn leven
geeft voor de schapen, in tegenstelling van de zelfzucht, die als een
dief steelt en als een geboorne uit den Vader der leugen moordt.
Ontzaglijke tegenstelling tusschen licht en schaduw, die Johannes\'
-ocr page 212-
204,
Evangelie zoo aangrijpend, zoo peilloos diep en toch zoo onuit-
sprekelijk verheven maakt, maar die, al ontplooit zij zich later, toch
bij dit Kerstevangelie reeds in Johannes perste, zijn geest spande, en
zijn woord tot een oceaan der gedachte stempelde. En daarom wil
men Johannes\' Kerstevangelie ten volle verstaan, lees dan eerst in uw
gedachte de tegenstelling: „De mensch was vleesch geworden, en wij
hebben zijne versmading aanschouwd, een versmading als van een
geboorne uit den Sathan, vol van zelfzucht en leugen."
En laat daarop
het Evangelie volgen: „Het Woord is vleesch geworden, en we hebben
zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als van den Eengeboorne
des Vaders, vol van genade en waarheid."
Eerst door de diepe
schaduw schittert het licht van zijn woord in ongebroken glans.
Niet van een m>-/?sc/(wording, maar van een vleeschworAmg spreekt
Johannes. Niet alsof hij de menschwording loochende. „Omdat gij een
mensch zijnde uzelven God maakt," is de grief der Farizeën. „Zie
den mensch!"
de Bileamsprofetie van den Eomeinschen Landvoogd,
die ons juist deze Evangelist teekent. „Komt, ziet een mensch die mij
alles gezegd heeft," is veeleer het woord der Samaritaansche, waarin
Joannes\' eigen ziel ligt.
Maar toch, dat woord mensch bevredigt hem niet. Mensch, dat is
zulk een hooge, heerlijke gedachte, en onder het menschelijke ge-
zonken, was die menschheid, waaronder Jezus optrad. En daarin juist
schittert hem de grondelooze ontferming tegen, dat het eeuwige Woord
zich aan dat gezonken geslacht aansloot, dat mensch moest zijn, maar
vleesch was geworden.
Ook voor Johannes is de mensch het schepsel van alles te boven-
gaande uitnemendheid. Hij zong er van in het praeludium. De eeuwige
Vader genereert het Woord, het Woord spreekt zich uit in het ge-
schapene, want alle dingen zijn door het Woord gemaakt. Maar dat
Woord is leven, „in hetzelve was het leven," en dat leven sprak zich
niet uit in deze gemaakte dingen, want „dat leven was het licht,"
d. w. z. het was heilig leven, en van heilig leven weet zon noch
star, weet stof noch cel, weet plant noch dier. Daarom schiep Hij
nog een hooger wezenssoort, dat ook dit heilig leven in zich dragen
kon. „In hetzelve was het leven, en het leven was het licht.... van
wat, van welk creatuur?. . .. was het licht der menschen."
In dat woord trilt de Engelenzang uit Efrata\'s velden na. Zijn
leven, het licht, niet van eenig ander creatuur, maar „het licht der
menschen," wat is het anders dan een echo op der Engelen lofpsalm:
„In menschen een welbehagen!\'1\'\' En wederom die Engelenhymne,
wat is ze anders dan een rijke variatie op het scheppingsthema uit Mozes\'
eerste boek: „Laat ons menschen maken, naar ons beeld en onze
gelijkenis," straks door de Opperste wijsheid in het Spreukenboek
dus vertolkt: „En mijn vermakingen zijn met de menschenkinderen."
In wenscAwording zou daarom de eeuwige liefde, de genade
-ocr page 213-
305
niet zijn uitgesproken, in menschwording lag geen ontferming.
De mensch had opgehouden waarlijk mensch te zijn, sinds hij onder
den toorn kwam, den doem op zich neertrok, zondaar werd.
Dat de ontferming zich tot den zondaar neerboog en nochtans van
de zonde in de zondaren bleef afgescheiden, kon noch door het denk-
beeld van mensch, noch door de gedachte aan zonde worden uitge-
sproken. En daarom kiest Johannes den middenterm. Hij spreekt
niet van den mensch, en niet van de zonde, maar van wat de mensch
door de zonde werd: vleesch. „Alle vleesch is als gras en zijn
heerlijkheid als een bloem des velds!" Vleesch, dat is niet het
zondige, maar de broosheid, waartoe door de zonde onze natuur
inzonk. Vleesch in dien zin nu, dat werd het Woord!
[I.
„VLEESCH" EN „GEEST.
Alle vleesch is gras.
Jes. 40 : 6.
Alle vleesch Is niet hetzelfde vleesch.
1 Cor. 15 : 39.
Oorspronkelijk had het woord „vleesch" in de gemeente van
Christus, twee zeer onderscheiden beteekenissen, deels gunstig, deels
ongunstig. Die tweeërlei opvatting vloeiden noodzakelijk uit het spraak-
gebruik des Nieuwen Testaments voort.
Leest men ten eener zij: „Mijn vleesch is waarlijk spijs," „die
Mijn vleesch eet heeft het eeuwige leven," en toch andererzijds: „Ik
weet, dat in mij, dat is in mijn vleesch geen goed woont," dan ziet
elk dat „vleesch" de eene maal middel tot redding, de andere maal
oorzaak van verderf is. De tegenstelling kan niet sterker.
Toch heeft van lieverlee de ongunstige beteekenis de gunstige
indrukken geheel verdrongen. Thans kent de gemeente van Christus
het woord „vleesch" uitsluitend in den onheiligen zin van een aan
God ontzonken macht. Bevreemden kan dit niet. De vereering van
den dienst en de werken des „vleesches," haar tegenstelling tegen
den „geest" en de veroordeeling van haar vruchten, heeft in het
Nieuwe Verbond dermate de overhand, dat de ongunstige indruk
allicht overwegend moest worden. Maar evenmin mag het zonder
protest geduld. Blijkt onweersprekelijk, dat „vleesch" ook een gansch
anderen zin in de Schrift bezit, dan moet ook die beteekenis weer
tot haar recht in de gemeente komen. Zoolang „vleesch" voor haar
-ocr page 214-
206
gelijkluidend met „zonde" is, kan ze het Kerstevangelie van den
Apostel .Tohannes: de vleescJmorAing van het Woord, niet verstaan.
Daartoe behoort de overtuiging veld te winnen, dat „vleesch" oor-
spronkclijk en op zichzelf genomen, verre van iets laags, zondigs en
onedels te zijn, integendeel iets zeer uitnemends, een kunststuk van
de hand des Scheppers is. Als de eerste mensch, de ecnig onmiddellijk
geschapene mensch, en wiens naam daarom Hadddm (Adam) is, in
Eva voor het eerst een ander mensch voor zich ziet treden, is zijn
uitroep: „Deze is ditmaal vleesch van mijn vleesch!" niet om daar-
door Eva als zondares aan te duiden, want de zonde was er nog
niet; maar als aanduiding van haar menschelijk voorkomen. En als
daarna de ordinantie Gods door hem wordt uitgesproken: „Daarom
zal de mensch zijn vader en moeder verlaten en deze twee zullen tot
één vleesch zijn," is hiermee allerminst op een zondige betrekking
gedoeld, maar veeleer de nauwe verbintenis en innige vereeniging
tusschen mensch en mensch aangewezen. Dit blijft, tot ons reeds
in het zesde hoofdstuk van Genesis bericht wordt gegeven van den
ommekeer: „Al het vleesch had zijn weg verdorven voor Gods aan-
gezioht." Van dat oogenblik slaat de beteekenis van „vleesch" om;
wat eerst uitnemend was is nu kwaad, onrein en verfoeilijk geworden.
Slechts nu en dan breekt profeet en psalmist den onheiligen ban,
waaronder het vleesch besloten ligt, en hooren we Job profeteeren:
„Ik zal uit mijn vleesch God aanschouwen! David jubelen: „Ook zal
mijn vleesch zeker wonen," en Ezechiël duiden op „het vleeszen,
hart"
dat den boeteling in stee van het „steenen" hart zou worden
geschonken.
Toch komt de herstellint/ van het „vleesch" eerst in het Nieuwe
Verbond. Er wordt zeer op gedrukt en telkens op gewezen, dat
Christus in het vleesch gekomen is. Voor Antichrist geldt wie deze
grondwaarheid, dat uitgangspunt van geheel het Evangelie ontkent.
De Schrift wil, dat ge er u diep van doordringen zult, hoe, „gelijk
de kinderen des vleesches deelachtig zijn, Hij ook desgelijks des
vleesches deelachtig
is geworden. Het moet wel deugdelijk in uw
voorstelling van den Christus zijn opgenomen, dat Hij „uit den zade
Davids is zooveel het vleesch aangaat." En zoo weinig mag dit
„vleesch van Christus" in uw belijdenis van Jezus, den Heiland,
bijzaak zijn dat ook voor u veeleer „dat vleesch waarlijk spijs en
dat bloed waarlijk drank" behoort te zijn. In dat vleesch leeft Hij,
zoo voor als na zijn opstanding blijkens het woord tot zijne discipelen:
„Een geest heeft geen vleesch en beenen, gelijk ik heb." Met dat
„vleesch" is Hij van den Olijfberg ten hemel gevaren, en in dat
„vleesch" is Hij nog. Weshalve onze Catechismus belijdt: „dat we
ons vleesch in den hemel als een zeker pand hebben," en in het
verlossingslied heerlijk gezongen wordt: „Nu leeft Gods Zoon in
menschelijk vleesch !"
-ocr page 215-
207
Kort saanigevat leert de Schrift derhalve dat het vleesch goed was,
kwaad werd, maar in Christus wederom verheerlijkt is. Of wil men,
dat het vleesch zoozeer onafscheidelijk bij het menschelijk wezen
komt, dat het meê in zijn schepping, meê in zijn val, maar ook meê
in zijn herstelling begrepen is. Het vleesch is nooit in zijn wezen,
uit zich zelf, naar zijn aard zondig. „We hebben den strijd niet met
vleesch
en bloed, maar met de geestelijke boosheden in de lucht."
Tot recht verstand geve men zich daarbij rekenschap, wat vleesch
is. Vleesch is het hoogste en uitnemendste, waartoe de zichtbare en
tastbare schepping opklimt. Vleesch staat hooger dan het stof, hooger
dan ertsen en metalen, hooger dan crvstallen en stalantvtec, hooger
zelfs dan het celweefsel van de plant. Vleesch is de kunstigste, fijnste
en schoonste vorm, waarin de Schepper het stof doet optreden.
Dit voelt men nog te beter, zoo men in het oog houdt, dat de
Schrift met „vleesch" niet enkel onze spieren, maar geheel ons lichaam
bedoelt. Onder vleesch behoort dus ook de teedere en wondere be-
werktuiging van onze zenuwen, behoort ook het schitterend ou<j, het
kunstig oor; onder vleesch is ook de onnaspeurlijk saamgestelde
groep van zenuvvstrengen begrepen, die wij onze hersenen noemen,
en wie ook maar een enkelen vluchtigen blik op dit organisme van
het vleesch in al zijn vertakkingen geslagen heeft, zal geen oogenblik
aarzelen te belijden, dat God de Almachtige, metterdaad geheel een
wereld van de aangrijpendste, verrassendste en prachtigste wonderen
in die schepping van het „vleesch" heeft ontsloten.
Niet alle vleesch is hetzelfde vleesch, zegt 1\'aulus. Een ander is
het vleesch der visschen en een ander is het vleesch der dieren en
een ander wederom is het vleesch der menschen, zóó echter, dat ook
hierin een opklimmende orde zij. Zelfs in zijn min edele bewerktuiging
staat het vleesch nog verre boven het schoonste crystal en de zuiverste
plantencel. Maar toch, de afstand tusschen het minst edele en het
edelste „vleesch" is niet minder groot. Het wonder der Schepping is
ook te dezen opzichte eerst gekroond door de schepping van den
mensch.
Voor hoelang dient ons het vleesch? Let op den ernst dier vraag.
Beschouwt ge het vleesch slechts als een noodzakelijk kwaad, een
hulpmiddel voor dit korte leven, dat, straks weggeworpen, alle be-
teekenis voor de eeuwigheid mist? Of wel zijt ge als schepsel bestand
om in vleesch te leven, eeuwiglijk en altoos? Op die vraag antwoordt
de ongeestelijke wereld: Natuurlijk is het vleesch slechts voor dit
leven! De H. Schrift daarentegen leert, dat het vleesch dat in ver-
derfelijkheid gezaaid wordt, eens in heerlijkheid en onverderfelijkheid
zal opstaan. De wetenschap matigt zich het recht aan tot de verklaring,
dat het vleesch zijn rol met dit aanzijn heeft uitgespeeld; de Kerk
van Christus daarentegen belijdt Wederopstanding des vleesches en
een eeuwig leven.
Dus óók het vleesch een bestemming voor ons
-ocr page 216-
208
eeuwig leven, een blijvende bestemming voor Gods eer. De stellige
uitspraak: „Want dit weten we, dat vleesch en bloed het koninkrijk
van God niet beërven zullen," kan slechts uit misverstand ter om-
verwerping van deze elementaire Schriftopenbaring gebezigd worden.
Zoolang vleesch en bloed erven wil oordeelen ze zich zelven. Niet
hun, maar uitsluitend aan den mensch, wien ze tot instrumenten
zijn, komt de erfenis toe. Het „vleesch", in zijn zondige ontaarding,
gaat onder.
"Vraagt men welke bestemming dan het vleesch oorspronkelijk had,
zoo diene het beeld van het prismatisch kunstlicht tot opheldering.
Op de kust, aan het strand is licht, maar voor den schepeling, die
op verren afstand van die kust zijn scheepke stuurt, is dat licht
onzichtbaar, onwaameembaar, het is voor hem als niet bestaande.
Zal dit licht voor hem zichtbaar worden, dan moet het omhuld, om-
kleed en omhangen met glas. Niet met gewoon, maar met fijn en
kunstig glas. Met glas dat op den aard van het licht is aangelegd en
met de welt die het licht beheerscht in harmonie is. Maar is aan
deze voorwaarde voldaan, dan is de uitwerking ook heerlijk. Zóó is
het prismatisch glazen omhulsel niet om het licht gezet, of met
bliksemsnelheid vliegt de lichtstraal de golven over en springt den
schepeling in het oog.
Zie in dat beeld de beteekenis van het vleesch voor \'s menschen
geest. De geest is onzienlijk, onwaarneembaar, kan zich niet doen
gevoelen, zoolang hij aan zichzelf is overgelaten. Maar nu God dien
geest omhuld, omwonden en met het kleed des „vleesches" omhangen
heeft, straalt door dat „vleesch" de innerlijke werking van den geest
u tegen. Ook dat vleesch moet evenals het prismatisch glas van de
edelste bewerktuiging en met de welt van den geest in verband zijn
gebracht. Een losse aanvoeging van vleesch en geest is ongerijmd.
Veeleer moeten beiden op elkaar zijn aangelegd en met elkaar in
zuivere harmonie werken. Maar is eenmaal aan deze voorwaarde
voldaan, dan is de werking ook volkomen en schittert de heerlijkheid
van den geest juist in die onafgebroken levensuiting, waartoe het
vleesch, als orgaan, den geest instaat stelt.
Of die harmonie zuiver is, kan men daaraan weten, of het in-
strument zelf terugtreedt, niet waarneembaar wordt en slechts dient.
Is de kustlantaarn ongeschonden, dan straalt het licht van verre door,
zonder dat men van het glas iets waarneemt. Zoo ook bij ons lichaam.
Naar de harmonie van Gods schepping moet het vleesch de heerlijk-
heid van den geest laten doorschitteren, zonder zelfs de aandacht te
trekken. Daarom lezen we: En ze waren beiden naakt en ze sehaam-
den zich niet.
Het glas wordt in brandend licht eerst zichtbaar zoo
het gescheurd of bezoedeld is. Schaamte ontstaat eerst, zoo het vleesch,
wijl het uit zijn verband werd gerukt, geen licht des geestes meer
doorlaat, en als vleesch optreedt.
-ocr page 217-
209
Houdt men nu in het oog, dat \'s menschen geest in zijn oorspron-
kelijke zuivere gehalte „een adem des levens en uit God is," dan
volgt hieruit tevens, dat het „vleesch" een nog veel hoogere bestem-
ming heeft, t. w. om instrument te zijn, waardoor Gods werking in
den mensch zich openbaren kan.
Daarop doelt Johannes als hij zegt, dat in Christus het leven was,
en dat dit leven de bestemming heeft om licht te zijn d. w. z. uit
te stralen, te schitteren en zich te openbaren, en dat het deze be-
stemming heeft in den mensch. „In Hem was het leven en het leven
was het licht der menschen." Daarop doelt hij evenzeer, als hij ons
dit woord van Jezus brengt: „Die de waarheid doet komt tot het
licht, opdat van zijn werken blijke, dat ze in God gedaan zijn." Eerst
in dit verband wordt het zeggen des Heeren verstaan: „Laat uw licht
alzoo schijnen voor de menschen, dat ze uw goede werken zien mogen
en uw Vader die in de hemelen is, verheerlijkt worde!"
In het paradijs moest derhalve déze vraag tot beslissing komen:
God schiep u, o mensch, vleesch en geest. In dien geesi iigi uw
eigenlijk wezen. Dat vleesch heeft geen andere roeping dan om
orgaan, instrument voor dien geest te zijn. Welke keuze nu doet gij ?
Aanvaardt gij die door Mij, uw God, gestelde ordinantie; handhaaft
ge de orde die Ik u gaf; blijft ge den geest als uw eigenlijk wezen
handhaven, dat aan het instrument des vleesches gebonden, niettemin
weigert aan dat vleesch een hoogere waarde toe te kennen dan
het als instrument bezit, — wel u, dan wilt ge „uw beginsel be-
waren," en blijft ge een geestelijk wezen. — Maar ook verbreekt ge
de door Mij gestelde levensorde, schendt gij mijn ordinantie, keert
ge mijn hoog gebod om en maakt ge het vleesch van instrument,
dat het zijn moet, tot iets zelfstandigs, tot een macht op zich zelf,
tot een gelijke met den geest, die bij afwisseling met den geest
heersenen zou, -— dan is uw val onvermijdelijk, dan ontzinkt, ge aan
uw bestemming, — dan wordt ge vleesch."
Toch deed de mensch die laatste keus. De geest wilde vrij worden
door niet langer aan het instrument van het vleesch gebonden te zijn.
Men wilde als God zijn: louter geest. En evenzoo, het vleesch, uit
den dienst van den geest ontslagen,
wilde zelf gezien worden, zelf een
macht zijn.
Toen ontdekten ze, dat ze naakt waren. Dat is het tot vleesch
worden van den mensch!
14
-ocr page 218-
210
III.
DE VLEESCHWOBDING VAN DEN MENSCH.
Het bedenken des vleesches is de dood.
Rom. 8 : 6.
In welken toestand geraakte de mensch door deze verbreking van
de levenswet, die van Gods wege voor vleesch en geest gesteld was?
Hij werd vleesch!
Hiermee is bedoeld, dat het zwaartepunt van zijn aanzijn van nu
af in het vleesch lag, en dit vleesch zich opende als een graf, waarin
alle kracht zijns wezens, er met noodlottige onontwijkbaarheid heen-
getrokken, wegstierf en zich bedolf.
De verhouding was omgekeerd bij weleer. Was het toen de geest,
die heerschte en het vleesch als instrument gebruikte, thans drong het
vleesch op den voorgrond en maakte den geest aan zich ondergeschikt.
De geest wilde dat niet voetstoots. Vandaar de strijd tusschen
vleesch en geest ook in den onbekeerdc, maar een strijd met ongelijke
kansen, want, tenzij een werk van God den Heiligen Geest tusschen
beide trad, moest de geest onderliggen en het vleesch overwinnen.
„De werken nu des vleesches zijn openbaar, welke zijn: overspel,
hoererij, onreinigheid, ontuchtigheid, afgoderij, venijngeving, vijand-
schappen, twisten, afgunstigheden, toorn, gekijf, tweedracht, ketterijen,
nijd, moord, dronkenschappen, brasserijen en diergelijke."
Evenzeer is het openbaar, waar deze heerschappij van het vleesch
henenvoert. Ze leidt tot den dood. De dood, niets minder dan dit,
is de bezolding der zonde. Dit moest alzoo. Nadat de zonde met ruwe
hand gewelddadig den band tusschen vleesch en geest verbroken had,
kon de overgang uit dit leven in een volgend niet meer natuurlijk,
maar moest hij gewelddadig zijn. De onnatuurlijke, gewelddadige
overgang nu uit deze bedeeling in een andere, dat is de dood, de
uitwendige dood, die slechts een gevolg was van den dood, die in de
zonde zelve lag, toen ze op gewelddadige wijs de harmonie verbrak,
die door den Schepper tusschen vleesch en geest gesteld was. Ten
dage,
ten \' zelfden dage dat ze zondigden, zouden ze sterven. Deze
straf is niet uitgesteld. In het zelfde oogenblik, dat ze zondigden,
kwam die dood over hun ziel. Wat, toen ze stierven, plaats greep,
was van dien wezenlijken, inwendigen dood slechts de openbaring en
het gevolg.
In tegenstelling met Johannes\' Kerst-evangelie drukten we dezen
toestand der zonde in dezer voege uit: „De mensch was vleesch ge-
worden, en we hebben zijn versmading gezien, een versmading als
van een geborene uit den Sathan, vol van zelfvernietiging en leugen."
-ocr page 219-
\' ï
211
Versmading is het tegendeel van heerlijkheid. Tot heerlijkheid zijn
we geroepen, in versmading vielen we. Heerlijkheid ziet niet op het
onzichtbare, maar op het zichtbare. Het duidt niet een toestand der
ziel, niet een zalige gesteldheid des geestes aan, maar een uitbreken
in het zichtbare, van den vollen glans des goddelijken levens. Ze zal
daarom openbaar worden in ons verheerlijkt lichaam en in de ver-
heerlijkte schepping om ons.
In een afsehijnsel van die heerlijkheid stond de van God geschapen
mensch in het Paradijs. Eeeds de enkele naam van Paradijs roept de
gedachte aan glans en heerlijkheid voor onzen geest. Het was een
voorportaal, leidende naar de volle heerlijkheid, die stond te komen,
of ... . een droeve doorgang naar den smaad, waaronder men kon
verzinken.
Ook op ons lichaam hebben we dus bij de versmading te letten.
Nog is er lichamelijk schoon in gestalte en vorm. Dit ontkennen we
niet. Slechts lette men er op, dat deze schoonheid slechts bij verge-
lijking met het onooglijke uitkomt, en dat kunstenaars en dichters
steeds een ideaal van schoonheid hebben nagestreefd in hun engelen-
en madonna-koppen, dat ten bewijze strekt hoe de ware, echte, edele
schoonheid in vorm en gestalte te loor ging. Bovendien, wat behoeft
de uitzondering ons op te houden. Dat het grooter deel der mensch-
heid de uitdrukking van schoonheid in haar voorkomen mist, is on-
loochenbaar. En denkt men aan de breede groep van misdeelden,
wier gelaat en gestalte metterdaad iets terugstootends heeft, aan ge-
heele rassen en stammen, wier aanblik alle aantrekkelijkheid mist, en
niet minder in Europa zelf aan de vele misvormden en wanstaltigen,
die met alsoortig lichaamsgebrek reeds in de wereld treden, dan lijdt
het wel geen tegenspraak, dat ons lichaam zijn heerlijkheid derft.
Maar sterker nog komt onze versmading uit in de machteloosheid,
waartoe we wegzonken. Te heerschen, heer te zijn, is het onmisbaar
kenmerk van „heerlijkheid." Dienovereenkomstig bestemde God den
mensch tot heer der schepping. In hem eerst vond de schepping haar
kroon. D. w. z. met koninklijke meerderheid en koninklijke majesteit
bei moest de mensch de schepping beheerschen. Behecrschen in heel
haar omvang, in elk harer rijken, op elk terrein. Vrij moest hij staan
tegenover de elementen der natuur, tegenover de kracht der aarde,
tegenover plant en dier. En omgekeerd, geen dezer krachten moest
vrij zijn tegenover hem. En wat ziet ge thans? Immers dat al deze
krachten en elementen macht hebben ontvangen over den mensch;
dat de mensch hulpeloos tegenover alle staat en het brood van zijn
spijze niet aan die aarde ontwringen kan, tenzij hij besluite zijn leven
te doen opgaan in bemoeiing met het stof der aarde en ze bebouwe
in het zweet zijns aanschijns. O, zeer zeker, er is ook thans heer-
schappij over de natuur, en niet genoeg kunnen we de genade Gods
danken, die weer door wetenschap en practijk een deel van onze
,
-ocr page 220-
boeien brak. Maar vergeet niet, dat slechts een zeer klein deel van
de bevolking dezer wereld tot die heerschappij opklom. Ook niet, dat
ze daar eerst opkwam, waar het licht van het Evangelie der verzoe-
ning had geschenen. Vooral niet, dat deze heerschappij door slaven-
dienst en eeuwenlange inspanning verworven is en elk koninklijk
karakter van onmiddellijke beheersehing en stille majesteit mist.
Maar het sterkst komt deze versmading, dit derven der heerlijkheid,
toch weer uit in de krankheid, het afsterven en ten groeve dalen
van het lichaam. Reeds een lichte ongesteldheid, al is het slechts
zwakheid in het hoofd of pijn in het aangezicht, breekt onze kracht,
rooft onze kalmte, maakt ons tot frissche geestesuiting onbekwaam.
Erger krankheid ontbloot ons al spoedig van elk frisch gevoel, werpt
ons op het ziekbed, sluit ons af van onzen werkkring en doet ons
hulpeloos en verlaten nederliggen. En klimt die krankheid, dat ze
de erger vormen aanneemt van pestaardige ziekten, wie weet dan
niet hoe ze geheel den mensch mismaakt en misvormt en hem tot
een walging maakt voor het eigen besef? Denk aan den waanzinnige,
en vraag u af, wat er smadelijker kan zijn, dan de belaching, waartoe
de van zinnen beroofde mensch in elks oog wordt. Maar denk ook
aan den loggen, loomen luiaard, den vadsigen vraat, den ruwen
dronkaard, en oordeel, of er geen smaad voor uw menschelljke natuur
ligt in die gebonden traagheid des vleesches, in dien geesteloozen,
verstompten vleeschklomp, in dien van zich zelf niet meer wetenden
en in eigen schande lachenden ellendeling. Toch zijn ze menschen,
en menschen zijn het evenzeer, die om den misvormde van gestalte,
om den waanzinnige, om den dronkaard nog lachen kunnen in luid-
ruchtige scherts!
Eeken bij dit alles den dood zelven en het graf. Het sterven is
iets onbegrijpelijk smadelijks. De gewaande koning der schepping,
die eindelijk overwonnen wordt door de vernielende kracht der natuur,
die spot met zijn stuiptrekkingen en het levenslicht in het oog uit-
blusclit, de lippen verstijven doet en het lijkwit als een doodswa
uitspreidt over zijn leden! Een lijk is een hoon voor onze mensche-
lijke natuur, elk lijk een smaad voor ons menschelijk geslacht. En,
dan komt het graf nog, die afgrijslijke groeve der vertering, die tot
stof vermaalt wat uit stof genomen was en het laatste van \'s menschen
grootheid sloopt.
Dat komt er van, dat de mensch vleesch was geworden. Wijl hij
vleesch werd. hebben we zijn versmading gezien en zien we die nog.
Ja, het oog van den kenner dringt nog dieper door. Er openbaart
zich in die macht van het vleesch iets, dat ge uit de menschelijke
natuur, zelfs na haar val, niet verklaart, iets duivelsch. „Gij zijt uit
den vader den duivel, en wilt de begeerte uws vaders doen, die was
een menschenmoorder van den beginne, en is in de waarheid niet
staande gebleven, want geen waarheid is in hem!"
-ocr page 221-
313
De geschiedenis meldt dat in de vorige eeuw aan het Fransche hof
verfijnde wellustelingen verkeerden, die, na hun eigen levensbloed in
brooddronkenheid en uitspatting te hebben verteerd, jonge kinderen
opkochten, wier aderen men opensneed, om door dit jonge bloed,
in hun kranke aderen overgeleid, de levenskracht voor nieuwe uit-
spatting op te wekken!
Hoe noemt ge dat, indien het niet duivelsch is! En openbaart
zich, zij het ook met verschil in graad van boosheid, niet dat zelfde
demonisch karakter in de botgevierde drift, in uitgezochte wreedheid,
in plaag- en tergzucht, in de woeste uitbarstingen van den wrok en
de bedekte loopgraven van den nijd?
Is het niet merkbaar, dat achter en door het vleesch telkens een
booze gedaante gluurt, die den reeds aan het vleesch gebonden mensch
nogmaals in een dieper, veel afschuwelijker afhankelijkheid vernedert?
Dit kan niet anders. Het vleesch had de bestemming voertuig en
instrument voor den geest te zijn. Nu het den geest des menschen
niet dienen wilde en derhalve geen voertuig meer kon zijn voor den
geest des Eeuwigen, moest het zichzelf wel prostitueeren als voertuig
en instrument voor den geest van den Booze. Op dien grond zegt
de Apostel, dat we den strijd niet hebben met „vleesch en bloed,"
dat deze slechts de geschutpoorten zijn, waardoor men ons bestookt,
maar dat de eigenlijke aanval van verder en dieper komt; niet uit
het vleesch, maar van de geestelijke boosheden. Er is in den gevallen
mensch geen stilstand; ook in den onbekeerde is iets bezig te worden;
er wordt ook in hem gegenereerd; maar die werking is uit het
onheilige; die een gestalte in hem zoekt te winnen, is de Booze.
„We hebben zijn versmading aanschouwd, een smaadheid als van een
geborene uit den Sathan!"
En wat komt nu uit dien mensch voort? Is het dat volle rijke
leven, dat, wijl het immer welt en zich geeft, met de liefde eenzelvig
is? Is het dat wondere leven, die geheimzinnige kracht, die altijd
wellend, toch nimmer wordt uitgeput, maar integendeel, hoe meer het
geeft en schenkt en dus lief heeft, zelf zich te rijker en heerlijker
ontplooit? Is het ook bij hem nog een leven vol van gratie, vol van
• liefde, vol van genade? Ach, voor gratie vindt ge innerlijke armoe,
voor liefde zelfzucht, in stee van genade rustelooze uitputting en zelf-
vernietiging. Die zelfzucht komt niet als toeval bij zijn verzinking in
het vleesch, maar vloeit er onmiddellijk uit voort. Door vleesch te
worden, werd de mensch arm, leeg, ontbloot van dien overvloeienden
rijkdom, die alleen in het leven des geestes is. De schatkist was leeg
geschud, alleen de boeken, als afdruk dier schatten, had men over-
gehouden, en armoe, het kan niet anders, brengt er van zelf toe, om
meer op nemen dan op geven bedacht te zijn. Daardoor werd
\'s menschen leven in zijn tegendeel omgekeerd. Een fontein te zijn,
waaruit de stroomen van kracht, liefde en leven rusteloos welden, was
-ocr page 222-
214
rijn bestemming. Thans is die fontein verdroogd en blijft hem niet
dan de dorst, die roept om lessching. Zijn leven sloeg daardoor om
in de zucht om te nemen, om voor zich te rooven, om zich, wat
buiten hem was, te assimileeren. En in die hopelooze poging verspilt
de arme mensch zijn beste krachten. Want al het pogen om te nemen,
baat niet. Er is niets te nemen, dat den dorst kan stillen. Hij grijpt
verkeerd. Hij moest naar God grijpen en hij slaat zijn hand uit naar
de wereld!
Toch waant hij te drinken, waant nog te kunnen geven, beroemt
zich nog op de uitstorting zijner liefde. Hij wordt misleid door schijn.
Vol van zelfzucht, maar ook vol van leugen. Vaak vormt zich die
leugen ook op zijn lippen tot het onware woord. Maar toch, dat is
nog het gtïevendst niet. Dat is slechts een enkele uiting van een
bitteren kanker, die heel zijn laven omvat en onheilig maakt. Zijn
leven zelf, zijn betrekkingen, zijn verhoudingen zijn onwaar geworden.
Voor het wezenlijke heeft hij geen oog meer. Hij ziet het niet. En
wat zijn oog boeit en zijn blik inneemt, hij houdt het voor het ware,
maar het mist alle wezenheid; hij meent dat het is gelijk hij het ziet,
maar ach, de schijn bedriegt hem, het is anders! En dat het anders
is, hij kan het niet inzien, zoo er geen hulpe van boven komt, geen
geboorte uit den geest.
IV.
„MANNA" EN „BROOD."
Zijnen Zoon zendende in gelijkheid des
zondigen vleesehes.
                    Rom. 8 : 3.
Er zijn twee manieren, waarop spijs uit den hemel kan nederdalen.
Of gelijk het manna nederviel, dat het daar lag in de woestijn, zonder
eenig levensproces op aarde te hebben doorloopen, bf doordien de •
scheppende kracht, die van den hemel uitgaat, zich aansluit aan een
bestaanden graankorrel, met dezen in de aarde wegzinkt en uit dien
korrel den halm met zijn aren doet opkomen. Korter gezegd, de neder-
daling van het brood uit den hemel kan middellijk of onmiddellijk zijn.
Jezus noemde zich het Brood des levens. Hij vergeleek zichzelven
ook bij het tarwegraan, dat in de aarde valt en sterft.
Ook zijn nederdaling uit den hemel liet zich op tweeërlei wijs
denken.
O/-, gelijk de Joden dit verwachtten, dat Hij, evenals het manna,
zonder doorgang door het vleesch, uit den hemel op aarde zou neder»
-ocr page 223-
215
dalen, bf, gelijk het geschied is, dat Hij uit den hemel nederdalende
eerst zou wegzinken in dit aardsche, om er middellijk uit te voor-
schijn te treden.
Het eerste was de Openbaringswijs van het Oude Testament. De
Engel des Heeren daalde neder, de Engel des Verbonds verscheen,
de Engel des aangezichts stond daar en sprak. Hij was nedergedaald
en voer weer op, maar van aansluiting aan ons geslacht was geen
sprake.
Vandaar dat de Joden stellig verwachtten, dat hun Messias op deze
en geen andere wijs zou neerdalen; liefst, verschijnende boven de
tinnen des tempels. En als nu Jezus in hun midden staat en zegt:
„Ik ben uit den hemel neergedaald," dan murmureeren ze, dan ge-
looven ze Hem niet. Dat kan niet, immers ze kennen zijn moeder.
Hij is uit een vrouw geboren. Het plotseling neerdalen uit den hemel
ontbreekt.
Murmureert niet, antwoordt Jezus hen. Indien Ik op de wijs,
gelijk gij verwacht hadt, uit den hemel was neergedaald, zou ieder
Mij gekend, Mij aanvaard, Mij gehuldigd hebben. Maar nu Ik kom,
als achter het gordijn des vleesches verborgen, nu weet niemand dat
Ik het ben; nu herkent niemand Mij; nu neemt niemand Mij aan,
dan degene, wien de Vader het in het oor zijner ziel heeft gefluisterd.
„Een iegelijk die het van den Vader yehoord heeft komt tot Mij."
Nu Ik vleesch ben geworden, kan niemand tot Mij komen, tenzij de
Vader hem tot Mij trekke. Ik ben het brood des levens, maar zie
toe! dat Ik het ben, hangt aan mijn vleesch. „Het brood dat Ik
geven zal is mijn vleesch." „Tenzij gij dat vleesch van den Zoon des
menschen eet, hebt gij geen leven in uzelven."
Doordien men niet op de tegenstelling tusschen manna en brood
heeft gelet, is dit woord van Jezus niet verstaan. Manna, daalt geheel
toebereid en plotseling neder. Brood is scheppende kracht, die, in het
gewas neergedaald, zich eerst later als voedende kracht openbaart. De
Joden dachten dat de Messias als het manna zou komen, en zie Hij
was geen manna, Hij was brood, het Brood des Levens.
Zij murmureerden, wijl ze het Godsgeheim, het Mysterie, de ver-
borgenheid der vleeschwordiiKj zelfs niet gisten. Mag het dan in de
Kerk van Christus geduld, dat men, zich schier uitsluitend aan het
„nederdalen uit den hemel" vastklemmende, het oog, moedwillig of
gedachteloos, voor dat aanbiddelijk mysterie sluit? Hoort men dan
het fluisteren, ervaart men dan het trekken van den Vader niet, die
juist wil dat we in den vleeschgewordene een heerlijkheid zien zullen
als van zijn Eengeborene ?
Daarom leggen we op dat „Vleesch geworden" juist allen nadruk.
Dat Hij vleesch wierd, kan niet beteekenen, dat Hij slechts ons
vleesch aannam, en niet onze menschelijke natuur.
Hiermee zou de dwaling der Wederdoopers terugkeeren, die waan-
-ocr page 224-
216
den, dat het vleesch van Jezus door nieuwe schepping in Maria\'s
schoot ontstaan was. De lange doolweg, die in Jezus slechts een
schijngestalte deed zien, zou hiermee nog eens te kwader uur betre-
den worden.
„Hij werd vleesch," wil zeggen, dat Hij dit werd wat wij waren
geworden, dat Hij ons opzocht in de diepte, waarin wij waren weg-
gezonken, dat Hij zich aansloot aan ons, gelijk we waren.
Hij kwam om te zoeken wat verloren was. Daartoe moest Hij ons
aangrijpen, met ons in aanraking komen, ons zoeken, opzoeken waar
wij waren. Zoolang Hij boven ons zweefde, kon Hij ons niet vinden.
Om het verlorene terug te brengen, moet men bereid zijn neer te
dalen in de diepte waar het verlorene ligt.
In wat diepte de menseh gezonken was, in wat versmading hij
nederlag, toonde ons vorig artikel; hiermee is dus tevens aangeduid,
wat Christus werd, toen het Woord vleesch is geworden.
De menseh was vleesch geworden en daardoor beroofd van dien
glans, ontdaan van dien luister, ontbloot van die heerlijkheid, waar-
mee hij eens blonk in het paradijs. Aan de macht der natuur was
hij onderworpen, aan broosheid en smaad, aan krankheid en dood,
aan graf en duivel ter prooi geworden. Dit alles als gevolg van de
zonde, maar toch van de zonde zelve zeer scherp te onderscheiden.
Oorzaak en gevolg zijn nooit één.
De vleeschwording van het Woord is dus een aannemen van onze
menschelijke natuur, zooals ze door de zonde was geworden, terwijl
Hij niettemin volkomen afgescheiden van de zonde bleef. Het gevolg
nam Hij geheel op zich. Van de oorzaak was in Hem niets.
Zoo leert de Schrift het ons: „God heeft zijnen Zoon gezonden,
zegt Paulus, in de gelijkheid des zondigen vleesches." „Hij is den
broederen in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde." Gelijk
kinderen die geboren worden, het vleesch en bloed van hunne ouders
hebben, „zoo is Hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden."
De gelijkheid was zóó verblindend, dat de Joden tot den blindge-
borene zeiden: „Wij weten dat deze menseh een zondaar is." „Dat
• Hij zonde voor ons gemaakt is," heeft hiermee niets te maken, maar
wel, dat Hij „voor zooveel het vleesch aangaat" uit Israël is, uit
Davids waarachtige nakomelingen.
En hoe Hij dan was?
„Als een wortel uit een dorre aarde! Hij had geen gedaante noch
heerlijkheid. Als wij Hem aanzagen, was er geen gestalte, dat wij
Hem zouden begeerd hebben!"
Er kan dus geen sprake zijn, dat Christus\' menschelijke natuur,
vóór zijn opstanding, aan Adams natuur in de schepping gelijk was.
Die kon Hij uit ons niet aannemen, want die hadden we niet meer.
Die was verloren en ondergegaan in het vleesch. Hij moest ons nemen
gelijk we waren, en in den staat ingaan, dien wij over ons gebracht
.
-ocr page 225-
217
hadden. Wij hadden geen gedaante noch heerlijkheid meer, er was
in ons geen gestalte meer om te begeeren. En gelijk wij geworden
waren, zoo werd Hij.
Ongeestelijke Schriftuitlegging heeft hieruit afgeleid, dat ook de
uitwendige gedaante van den Christus iets terugstootends, iets smadelijks
moet gehad hebben. „Geen gestalte dat we Hem zouden begeerd
hebben!" Derhalve zoo betoogde men, moet ook de verschijning des
Heeren, zijn gelaat, zijn gestalte alle aantrekkelijkheid gemist hebben.
Altijd weer dezelfde blindheid voor het mysterie der vleeschwording!
Alsof een aanminnig kind dat ons boeit, een schoone vrouw, een krach-
tige held, ook in ons midden niet „vleesch uit vleesch," en van de
heerlijkheid ontbloot zijn, al is er Voor ons verzwakt oog niets in
hun verschijning of in hun blik, dat ons afstoot, eer veel dafe ons
boeit of aantrekt.
Kunt ge u \'s menschen gestalte nog voor den geest brengen gelijk
ze geweest moet zijn in de dagen, toen weelde en zinlijkheid zijn
afmeting nog niet had doen inkrimpen, hem de uitdrukking nog niet
geroofd had van kracht. Kunt ge nog dieper in het verleden terug-
dringende, u den mensch vóór den Zondvloed nog denken, wiens
leven bij eeuwen telde, toen de zonen Gods de dochteren aanzagen
van de kinderen der menschen? Hebt ge er een voorstelling van, wat
menschengestalten het gedierte des wouds heeft aanschouwd, toen
Kaïn met Abel worstelde ? En als u dan gezegd wordt: Dat is nog
maar de gevallen mensch, kunt ge dan de poëzie des geestes te hulp
roepende, tot in den lichtglans van Eden doorgluren, en als met uw
eigen oog dat heerlijk schepsel daar zien, zooals de mensch was, toen
God zelf hem den adem blies in zijn neusgaten, of de moeder des
levens daar stond, in al den luister en de glorie der scheppende
mogendheid, die neerziende zag dat het goed was? o, Zoo ge dat
kunt, denk u dan naast die prachtige, die majestueuse figuren uw
Jezus, zooals Hem hongert in de woestijn, zooals Hij vermoeid aan
Sichars put nederzit, zooals Hij zwoegt in Gethsemané, zooals Hij
neerstort met den kruisbalk, zooals Hij daar naakt en uitgetogen aan
het kruishout hangt, en ons dunkt, ge verstaat de tegenstelling, ge
begrijpt dat raadselachtige: „Geen gedaante noch heerlijkheid, geen
gedaante dat wij Hem zouden begeerd hebben."
Toch zegt .Tohannes: „We hebben zijn heerlijkheid aanschouwd."
Wil dat zeggen, dat ze al de dagen zijner verkeering op aarde door
zijn luister zijn verblind geworden? Maar immers de Schrift zelve
geeft het aan. Die heerlijkheid straalde uit te Kana in Galilea, in
die heerlijkheid blonk Hij op den Thabor, maar blijvend ging Hij in
die heerlijkheid eerst in door zijn opstanding, om straks in glorie
naar den troon te varen. En zelfs wat ze toen zagen, was nog slechts
afschaduwing van zijn volle heerlijkheid. Zelf immers bad Hij: „"Vader,
Ik wil dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven
-ocr page 226-
218
hebt, opdat zij mijn heerlijkheid aanschouwen mogen." Het kan zelfs
de vraag zijn, of Johannes zoo met nadruk van „een heerlijkheid als
van den Eengeborene des Vaders" gewagende, niet op Pathmos doelt.
Het oogenblik toen hij Hem zag en als dood voor zijn voeten viel,
en de Heere zijn rechterhand op hem leide, kon in de heugenis van
den evangelist niet zijn uitgcwischt. Dat de woorden: „En we hebben
zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van den Eengeborene
des Vaders" een tusschenzin vormen, pleit niet weinig voor deze op-
vatting. Johannes geeft dan een drievuldig tijdstip aan. Vooreerst dat
der geboorte: „Het Woord is vleesch geworden." Dan zijn leven op
aarde tot aan zijn hemelvaart: „En Hij heeft onder ons gewoond."
En eindelijk zijn openbaring na zijn hemelvaart op Pathmos: „En
we hebben zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als van den
Eengeborene des Vaders." Althans van den geloofsblik, waarmee de
discipel achter het gordijn der menschelijke natuur de Goddelijke
majesteit van den Zoon ontdekte, kan geen sprake zijn. Aanschouwen
vormt eer een tegenstelling met geloof, dan dat het met gelooven
eenzelvig zou zijn. Het is daarom nog niet ons gewone zien met het
zinlijk oog, maar een zien niettemin, waarbij het zielsoog mét het
zinlijk oog, beide door den Geest in blik verscherpt, zich voor de
Goddelijke heerlijkheid ontsluit. Een zien zooals .Tesaia den Heere in
zijnen tempel aanschouwde „en zijn heerlijkheid zag" (Johan. 12 : 41).
Een zien als waarvan het in den aanhef des eersten briefs heet:
„Hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen we gezien met onze oogen en
onze handen getast hebben, hetgeen wij aanschouwd hebben van het
Woord des levens." En let er op, zulk een zien was het zien op
Pathmos, want de heilige Apostel zegt zelf: „Ik was in d-n geest op
den dag des Heeren, en ik zag in het midden van de zeven kandelaren
een en, den Zoon des menschen gelijk."
Van de „heerlijkheid des Zoons" spreekt Johannes iu zijn Evangelie
slechts viermaal. In zijn proloog en dan bij Kana\'s bruiloft en in
het hoogepricsterlijk gebed. Te Kana straalde de heerlijkheid zichtbaar
in het teeken, en in het gebed van Johannes 17 is beide malen
sprake van de toekomende heerlijkheid in den hemel. Met nadruk
getuigt hij (hoofdstuk 7 : 39) „dat Jezus nog niet verheerlijkt was;"
12 : 16, „maar als Jezus verheerlijkt was, toen werden zij indachtig
wat Hij gesproken had." Jezus zelf zegt (12 : 13): „Zie, de ure is
gekomen, dat de Zoon des menschen zal verheerlijkt worden." Op
Joh. 13 : 31: „Nu is de Zoon des menschen verheerlijkt en God is
in Hem verheerlijkt," teekenen onze Kantteekenaars reeds aan, dat
dit te verstaan is in den zin: „Nu is de tijd nabij, dat Ik zal ver-
heerlij kt worden," steunende op wat onmiddellijk volgt in vs. 32:
„Indien God in Hem verheerlijkt is, zoo zal Hij Hem ook verheer-
lijkcn
in zichzelven en Hij zal Hem terstond verheerlijken."
Hiermee is niet ontkend, dat ook over Jezus\' aardsche verschijning
-ocr page 227-
219
een glans van zedelijke heerlijkheid lag, van innerlijke, goddelijke
majesteit; maar Johannes verstaat men niet, tenzij men er toe komt,
om op elk woord en elke tegenstelling te letten.
„Het Woord is vleesch geworden," èn „we hebben zijn heerlijkheid
gezien," staan als diepe schaduw en het zuiverst licht naast elkaar.
V.
DE VEBGODING VAN HET MENSCHELIJKE IN JEZUS.
Dewelke liet beeld is des onzienlijken Gods,
de Eerstgeborene aller creaturen.
Col. 1 : 15.
Dat Jezus waarachtig mensch was en is, wordt door de belijders
van zijn naam niet ontkend, niet betwijfeld noch voorbijgezien, maar
doelloos gemaakt. Men belijdt het zonder er troost in te vinden;
men beaamt het zonder er kracht uit te putten; men stemt het toe
zonder er den rijkdom in te\'bezitten van Gods eeuwige ontferming.
Hier lette men op.
Vaak is beweerd, dat de geloovige gemeente eenzijdig \'s Heeren
goddelijke natuur beleed en voor zijn menschelijke natuur geen oog had.
Dit is niet zoo. En het komt er op aan, wel in te zien, dat het
niet zoo is. Immers wil men de geloovige gemeente de hand bieden
ter verdere ontwikkeling, dan is vóór alle dingen van noode, dat
men wete waar ze staat, wat haar leven en streven is, wat omgaat
in haar geloofswereld. Vormt men zich hiervan een verkeerde voor-
stelling, dan stoot men haar af. Dan gevoelt ze dat haar wonde niet
juist gepeild is. Dan kan ze zich niet verootmoedigen op het hooren
van een verwijt, dat in den vorm onwaar is. Veeleer gordt ze zich
dan aan ter zelfverdediging en ontzegt haar luisterend oor, aan wie
haar manen wil tot betere dingen.
Zoo ook hier.
Wie tot de gemeente komt, haar verwijtend, dat ze eenzijdig de
Godheid des Heeren belijdt, vindt eer een ziel die zich sluit, dan
een hart dat zich opent. Neen, ze belijdt wel waarlijk „den eenigen
Middelaar Gods en der menschen, den mensch Christus Jezus." Het
bloed der verzoening waarin ze haar vrede zoekt, is haar wel waarlijk
het hartebloed van Hem, die naakt en uitgetogen aan den kruispaal
ónderging in den dood. Het Kindeke te Bethlehem geboren is haar
wel waarlijk uit den zade Davids, voor zooveel het vleesch aangaat.
En als ze op den Paaschmorgen in haar bedehuizen saamstroomt,
-ocr page 228-
220
zou ze protesteeren zoo men haar een ander Evangelie bracht dan
van het lichamelijk verrijzen ten derden dage.
Met haar goed recht verzet daarom de gemeente zich, zoo dikwijls
men haar van die zijde wil aanvatten. Haar consciëntie beaamt dit
verwijt niet, en verre van zich gewonnen te geven, vreest ze veeleer
de bedenkelijke strekking van een woord, dat reeds zoo dikwijls in
haar bedehuizen de vroege bode is geweest van een Christusbelijdenis,
die ten slotte op de ontkenning van zijn Goddelijke natuur uitliep.
Neen, wat de Gemeente feilt bij haar belijdenis van den Christus,
is niet een misslag in het waardschatten van haar geloofsartikelen,
maar een verleidelijk uitvloeisel der zonde.
Een der diepste neigingen, die de zonde in ons hart bracht, is de
zucht, om het menschelijke te ver goden.
Zoo doet de wereld die buiten God ligt. Ze boetseert haar teraphim,
ze beitelt haar afgoden uit, ze giet haar beelden, om dit menschelijke
daarna te eeren als ware het God. Ze bezingt haar wijzen en volks-
helden, heeft lust aan hun panegyrie en idealiseert ze, om straks bij
het komend geslacht den waan te vestigen als waren ze goden. Ze
knielt eindelijk, steeds dieper gezonken voor een levenden mensch
neder, en of die levende mensch dan Divus Augustus in de eerste,
of de uit het bordeel gesleurde godin der Rede in de achttiende, of
de groote Humboldt in de negentiende eeuw is, de zonde blijft één.
\'t Is hoovaardij die den mensch verlokt het menschelijke als ware
het God te aanbidden.
Die zonde ging ook in Jezus\' Kerk meê. Door onze toebrenging
tot de Kerk van Christus houden we niet op van nature tot elke
zonde geneigd te zijn. — Geen valscher noch gevaarlijker voorstelling
dan die den belijder van Christus den vijand daar binnen doet
vergeten.
Ook in Jezus\' Kerk blijven we menschen, die in zonde ontvangen
en geboren zijn, en daardoor blootstaan aan het gevaar, om onze
zondige neiging zelfs op de heiligheden Gods te doen spelen. Alle
ketterij vindt daarin zijn oorsprong. Het is juist de heerlijkheid van
den Christus, dat Hij, trots dien onheiligen stroom, die telkens uit
ons hart in de gemeente vloeit, na elke verdonkering van zijn Naam,
dien heerlijken Naam weer in reiner glans. uitbrengt.
Yooral in Romes Kerk kwam die neiging sterk uit. Minder aan
den persoon van den Christus openbaart zich haar zonde. Veeleer
zocht ze de belijdenis van den Christus onaangeroerd te laten, door
nevens Hem andere personen te doen optreden, in wier vereering de
verkeerde neiging van het hart voldoening vond. Ze wierp zich daartoe
op Maria, op de patriarchen en profeten, op de apostelen en marte-
laren, op de engelen en heiligen. Wel verzweeg ze het niet, dat wijl
God alleen God was, aan deze uitnemenden onder de schepselen geen
goddelijke eer toekomt, maar dit protest miste zijn werking en feitelijk
-ocr page 229-
221
kwam het op goddelijk eerbewijs aan de „Koninginne des Hemels\'
en de heilig bevondene neer. Ze heeft thans heur loop voleind, en
door de onfeilbaarheidsverklaring van den mensch, die op Komes
bisschopszetel troont, ook onder de levenden een persoon aangewezen,
aan wien, ondanks het protest van het tegendeel, door het weinig
redeneerend maar devoot zich toewijdend hart een eere en hulde
wordt toegebracht, die niet is eens menschen.
Toch vergist zich, wie alleen bij Eome de openbaring dezer zonde
zoekt. Ze huist ook bij ons. Let slechts op de zucht, om de heiligen
des Ouden en des Nieuwen Verbonds van schuld vrij te pleiten;
luister slechts hoe men op allerlei wijs Jacobs gedrag tegenover Ezau,
Davids houding tegenover Achis zoekt te vergoelijken; zie slechts
hoe bedenkelijk de vrijbrief is, dien men voor eigen zonden, als
waren het geen zonden, aan feiten in de Schrift vermeld ontleent.
Men maakt zich eenmaal diets, dat de beeldenyalerij der Schrift ons
als ideaal van deugd en uitnemendheid wordt voorgehouden, en erkent
nog niet dat ze slechts een wulke van yeloofsyetuiyen zijn, waarin
niet \'s menschen grootheid, maar de alles overwinnende ontferming
onzes Gods blinkt, die in zoo zondige creaturen zulk eene geloofskracht
wekte door zijn Geest. En wat openbaart zich dan in die voorstelliug
anders, dan de zucht om ook ónze heiligen, ook ónze voorwerpen
van vereering te hebben, vergetende dat alle vleesch gras is en al
zijn heerlijkheid als een bloem des velds.
Uit dit oogpunt nu heeft men ook het verkeerde in de belijdenis
van den Christus te beoordeelen en komt daardoor tot een tegenover-
gestelde slotsom. Men heeft niet \'s Heeren Godheid eenzijdig op den
voorgrond gesteld, om zijn menschelijke natuur te vergeten, maar
men heeft integendeel den mensch Jezus Christus, in strijd met de
stellige waarschuwing onzer Hervormers, vergood. Zoo werd het moge-
lijk, dat men zijn bloed en wonden, de duidelijke teekenen van zijn
menschheid, tot voorwerpen van goddelijk eerbetoon koos, gewagende
van zijn „ybddelijk bloed." Zoo kwam het, dat men in den mensch
Christus Jezus de bewegende oorzaak zocht, waardoor ontferming en
genade in het "Vaderhart van onzen God gewekt was. Zoo ontstond
een gebedsvorm en prediking, die zich ter aanbidding bij voorkeur,
soms schier uitsluitend tot den Heiland wendde. Zoo werd een Schrift-
uitlegging geboren, die den mensch Christus Jezus met goddelijke
eigenschappen bekleedde. Zoo kwam men er toe de voorbereidende
genade, het trekken van den Vader tot den Zoon uit het oog te
verliezen. Zoo eindelijk werd dat inzicht in het eeuwige afgebroken,
dat de diepste grond van ons heil zoekt in Gods eeuwige verkiezing.
Bij geen dezer verschijnselen, noch ook bij de JLoomsche en
Luthersche Avondmaalsleer, heeft men te doen met een voorbijzien
van Jezus\' menschelijke natuur, maar steeds en altijd met een ver-
goden van den mensch Christus Jezus. Ge vindt nooit in de Kerk
-ocr page 230-
een zucht, om zich in het afgetrokken denkbeeld van de Godheid
des Zoons op te sluiten, maar steeds een aanvaarden van den Midde-
laar, die ons in den mensch Christus Jezus gegeven is, om daarna
die menschelijke natuur des Heeren te vergoden.
Nu spreekt het vanzelf, dat dit er noodzakelijk toe leidt, om de
menschelijke eigenschappen van \'s Heeren menschelijke natuur te doen
verdwijnen, en er goddelijke eigenschappen voor in de plaats te doen
treden, en in zoover is het verwijt, dat men \'s Heeren menschheid te
kort doet, alleszins juist. Maar niettemin blijft het vaststaan, dat de
dwaling niet ligt in een uitsluitend belijden van Jezus\' Godheid,
maar veeleer in een toekennen van Goddelijke eigenschappen aan
Jezus\' menschelijke natuur.
De mensch Jezus Christus is ook zeer zekerlijk en ongetwijfeld
God te prijzen in der eeuwigheid, maar Hij is dit niet als mensch,
niet krachtens zijn menschheid, niet omdat Hij mensch werd, maar
daarom wijl Hij, die God van eeuwigheid nas, de menschelijke
natuur heeft aangenomen.
Uit dien hoofde leerden onze vaderen volkomen juist, dat men Wel
Christus als den Zone Gods aanbidden mocht, maar niet den mensch
Christus Jezus.
Waaruit ontstond nu deze dwaling?
\'s Menschen bestemming is, het hoogste Wezen te leeren kennen
in den mensch, d. w. z. in zichzelf, door inwoning des Heiligen
Geestes, krachtens de verwantschap die in de schepping tusschen God
en mensch gelegd is. Hij schiep ons naar zijn beeld. We zijn van
Gods geslachte. Onze roeping is „der goddelijke natuur deelachtig te
worden."
Na de scheuring, die de zonde bracht, moet dus wel de zucht
geboren worden, om in het menschelijke zelf God te zoeken. „Gij
zult als God zijn!" was de verleidende taal van den verleider. Een
dubbel streven werd hierdoor in den mensch geboren. Het zondige
streven, om zichzelf te vergoden, èn het goede streven, om niet te
rusten, eer God weer in den mensch gekend was. Het ééne is de
heidensche, het andere de heilige trek onzer natuur. De eerste moet
geoordeeld en gestraft, de andere bevredigd en verzadigd worden.
Nu poogt de mensch zelf die bevrediging te vinden, door het
menschelijke te vergoden, en bemerkt niet dat die bevrediging slechts
schijn is, terwijl ongemerkt de hoovaardij geprikkeld wordt.
Dat is de droeve geschiedenis der heidenwereld, het zondige in
Komes streven, het verfoeielijke in de zelfaanbidding onzer eeuw,
maar ook het bedenkelijke in veler beschouwing van de heiligen des
Ouden "Verbonds, ja zelfs het onware dat zich mengt in veler aan-
bidding van den Christus.
Daartegenover staat de majestueuse wijs, waarop God zelf aan deze
behoefte van het hart bevrediging schenkt.
-ocr page 231-
Hij geeft zijn Zoon. Die Zoon neemt onze menschelijke natuur aan,
en brengt doordien Hij van boven, en niet uit de wereld komt, het
onherroepelijk oordeel over alle hoovaardij en zelfverheffing der men-
schen. Maar ook wijl Hij God is, en als de Zoon in de wezensge-
meenschap met den Vader is, openbaart Hij God in den mensch, en.
opent den weg, waardoor na de uitstorting des Heiligen Geestes God
ook in ons zelf kon gekend worden.
Daartoe echter moet de menschelijke natuur in waarheid menschelijk
blijven, moet de mensch Christus Jezus belijden, dat Hij van zich-
zelven niets kan doen, tenzij Hij den Vader dat ziet doen; niet van
zichzelven spreekt, maar spreekt gelijk Hij gehoord heeft; hoewel Hij
de Zoon was, gehoorzaamheid leeren; door de worsteling des geloofs
de kroon verwerven; buiten staat zijn iemand te redden, tenzij deze
Hem door den Vader gegeven worde; tot den Vader roepen, van den
Vader hulpe bidden, en ook na zijn verheerlijking, als het al zal vol-
bracht zijn, het Koninkrijk aan den Vader overgeven en zelf onder-
worpen worden dien, die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat
God zij alles in allen.
Wie waant dit mysterie te doorgronden, zou zichzelf en anderen
misleiden. Dit grondeloos mysterie van den persoon des Middelaars
peilt geen menschelijke blik. Dit mysterie zoomin als het mysterie
der schepping zoomin als het begrip van de eeuwigheid, evenmin als
het mysterie van de liefde en van het leven. Maar al blijft dit mysterie
verborgen, wat geopenbaard is mogen we nimmer als niet geopen-
baard voorbijzien, en dit geopenbaarde is, dat er in Christus geen
vermenging der twee naturen plaats greep, en dat zijn menschelijke"
natuur als behoorende tot het creatuurlijk leven nooit voorwerp van
goddelijk eerbewijs mag zijn.
VI.
ONZE EINDEBEN.
Indien gij niet wordt gelijk de kinderkens,
zoo zult gij in het Koninkrijk der hemelen
geenszins ingaan.
                   Matth. 18 : 3.
Vergoding van het menschelijke in den persoon des Heeren is het
streven, dat bij aanvankelijke toebrenging van ons hart tot Hem,
onafscheidelijk is van de gesteldheid onzer ziel. Te gelooven dat de
Zone Gods, die eeuwig God is en blijft, de menschelijke natuur in
dier voege heeft aangenomen dat déze echt menschelijk bleef, vereischt
-ocr page 232-
224
veel dieper inzicht en daarom veel hooger trap van geloofsontwikkeling,
dan in het eerste tijdperk onzer toebrenging ondersteld mag worden.
De. levenswet, waarnaar het geloof ontkiemde in het hart der Apostelen,
geldt ook voor ons. Gelijk zij, eenmaal tot de belijdenis gekomen, dat
Christus de Zoon des levenden Gods was, de gedachte niet konden
dragen, dat Hij lijden en sterven zou, en eerst later, in hun brieven,
onder de leiding des Geestes, tot het klaar inzicht komen, dat Hij,
hoewel Hij de Zoon was, gehoorzaamheid geleerd heeft, zoo begint
ook onze gemeenschap met den Heiland door een daad van het hart,
door een: „Komt laat ons aanbidden en nederknielen!" door een
verliezen van ons zelf, om geen oog te hebben dan voor Hem. Zoo
moet het zijn, het kan niet anders. Kan niet anders om der zonde
wil. Omdat de zonde hart en hoofd gescheiden heeft. Het hart is met
zijn toewijding dan verre ons denken vooruit, en eerst later, als ons
dit nieuwe leven tot bewustzijn komt, als men zich rekenschap geeft
van zijn hope, als de Christus ons te heilig wordt om niet elke zijde
aan zijn geheimzinnige persoonlijkheid met eerbiedige nauwkeurigheid
te bezien, gaat er voor het zielsoog een licht over zijn gansch wonder-
lijke verschijning op, waarbij de fijne trekken van zijn echt mensche-
lijke natuur zichtbaar worden.
Hieruit volgt dat het uiterst onmenschkundig zou zijn, indien men
de kinderen der Gemeente, in school of huisgezin, te scherp op de
onderscheiding tusschen zijn beide naturen wijzen wilde. Een jong
kind heeft een vermogen, dat bij ons onderging, om eerst door weder-
geboorte hersteld te worden, het drievoudig vermogen om, natuurlijk
in lageren aardschen zin genomen, te gelooven, lief te hebben en te
hopen. Een kind gelooft bij instinct, heeft lief bij instinct, hoopt bij
instinct. Er is in het kind een drang om zich toe te vertrouwen, om
te luisteren, om aan te nemen, om te volgen. Er is in het kind
evenzeer een behoefte om te genieten in het liefhebben en minnen.
Het kind is altijd optimistisch en loopt blij en hoopvol de toekomst
tegen. Wel is zijn. geloof ontheiligd, zijn liefde zonder zedelijke kracht,
zijn hoop zonder grond; wel woelt het eigen ik, soms huivering-
wekkend, door dat gelooven, lieven en hopen heen; wel bespeurt ge
telkens dat noch zijn geloof, noch zijn liefde, noch zijn hoop van het
echte goud is of waarde heeft voor eeuwig; veeleer blijkt het u telkens
dat ze minderen in kracht en afnemen in waarde, naarmate het kind
opgroeit; maar hoe ook door de zonde ontaard en verbasterd, dat
gelooven, lieven, hopen het element is van ons kinderleven, kan niet
ontkend. Maar het zijn plantjes zonder levenswortel. Straks verdorren
en sterven ze. Allengs ziet ge het kinderlijk geloof in zelfvertrouwen
en betweterij, het kinderlijk lieven in zelfzucht en nijd, het kinderlijk
hopen in ontevredenheid en geblaseerdheid ondergaan. Tot Jezus ons
nadert en ons toefluistert: „Wordt weer als dit kindeke! d. w. z.
laat geloof, liefde en hoop weer het element van uw leven worden
-ocr page 233-
225
Wat in uw kinderhart weg moest sterven, wijl de kanker in den
wortel school, was terdege wel de aanduiding van de natuurlijke
levensuiting, waartoe uw menschenhart komen moet, die bij uw
menschenhart komt, waarin uw menschenhart alleen gelukkig kan
zijn. Ik ben uw Verlosser, maar wat Ik u breng, is niet een ver-
minking of verandering, maar een herstelling en verheerlijking uwer
natuur. Ook in mijn Koninkrijk kent het leven geen andere dan de
drievoudige ontplooiing in geloof en liefde en hoop. Menschen roep
Ik tot dat Koninkrijk, wijl alleen de mensch er op aangelegd is om
uit de diepte van zijn wezen te gelooven, met het volle hart lief te
hebben, met al de kracht zijner ziel te hopen!" En dan herstelt Jezus
ons, en het gelooven keert terug, niet het gelooven dat des kinds
was, maar een gelooven door genadegave des Geestes, in kracht on-
vergelijkelijk, in inhoud nieuw, in voorwerp geheel anders, maar
niettemin in grondtrek aan het gelooven des kinds gelijk. Dan herstelt
Jezus ons, en terug keert dat lievend dwepen en dwepend lieven
onzer kinderjaren, waar de ziel zichzelf in verliest en een nieuwe
jeugd voelt opkomen, maar in drijfveer geheiligd, in oorsprong godde-
lijk, in den .aard der genieting van alle zelfzucht ontdaan. En zoo
keert dan ook de hoop terug. Na het verblceken onzer illusiën duiken
voor ons zielsoog dan allengs de heiligheden en heerlijkheden Gods
als bezielde, van leven vervulde, het hart wegsleependc idealen op.
De hoop komt weer vernachten in onze ziel gelijk in de jaren onzer
kindsheid, maar een hoop niet op \'t aardsche, maar op het hemelsche
gericht, een hoop zonder ongeduld, een hoop die niet kan gebroken
worden, een hoop niet uit het hart opgeklommen, maar in ons hart
nedergedaald.
Wie deze Christelijke zielkunde tot de tzijne koos, ^zal het niet
vreemd meer vinden, dat we als kinderen zoo vertrouwend tot Jezus
konden bidden, zoo innig en gemeend dwepen konden met onze liefde
voor Jezus, en zoo, zonder zweem van twijfel, voor ons zelf en voor
al de lieve gestalten uit onze kinderwereld hoopten op een samen-
leven met Jezus daarboven, eeuwig en altoos. Die zal begrijpen, dat
op zulk een jeugd niettemin jaren volgen konden, en trad geen
wedergeboorte tusschen beide, volgen motsten, waarin ons geloof zoo
reddeloos onderging, dat we aan Jezus nauwlijks meer dachten, niet
meer tot hem baden, niet meer van Hem droomden; jaren waarin
Jezus ons een koele naam in stee van het brandpunt onzer liefde was
geworden; jaren waarin we speelden met illusiën, die alle hier be-
neden bleven, en waarin voor Jezus geen plaats was. Maar ook be-
grijpen, waarom het ons, na de daad van Gods eeuwige Ontferming
aan onze ziel, bij het opleven van ons hart in Verzoening en Op-
standingskracht, soms zoo vreemd te moede was, als keerden we terug
naar onze kindsche jaren, als doken de herinneringen uit dat eens
afgeschudde verleden weer op, als herkenden we dat nieuwe leven,
15
-ocr page 234-
226
als doorleefden we slechts nog eens wat reeds eenmaal ons leven
was. Dan is dat wel zelfbedrog, want het leven der Verzoening en
der Opstandingskracht is van nature in niet een enkel kind geboren,
maar dan schuilt in dat besef toch de onloochenbare waarheid, dat de
ware levensvormen, de vormen waarin ons kinderleven zich uitte, de
uitingen van gelooven, lieven, hopen, die wij in onze waanwijsheid
hadden weggeworpen, nu met het goddelijk merk gestempeld, ons
weer ten instrument zijn geworden: dat wij weer wierden als het
kindeke, en daarom in Gods Koninkrijk konden ingaan.
Is dit waar, dan is het ook niet langer onzeker welke gedragslijn
we bij de opvoeding onzer kinderen in huis en school hebben te
volgen.
Van het niet wedergeboren kind spreken we. Er zijn, dit toont de
Schrift, dit eischt de ervaring, dit beleed onze Kerk steeds, ook
kinderen die reeds van hun moeders schoot onder de bewerking des
Heiligen Geestes stonden, of in de wieg of te midden van hun
kinderlijke spelen, voorwerpen werden van een herscheppende genade-
werking Gods. Hierop heeft men nauwkeurig te letten, om niet
troosteloos te staan bij het aandoenlijk kindergraf, om de schijnbaar
vroegrijpe zielsuiting niet te verstikken, vooral ook om niet door
een verkeerden eisch van wedergeboorte bij den reeds wedergeborene,
stoornis te brengen en verschrikking in den goddelijken vrede van
het reeds verzoende hart.
Toch spreekt het vanzelf, dat deze uitzonderingen den regel der
opvoeding niet bepalen kunnen. Althans onder de kinderen, die niet
wegsterven in hun eerste levensjaren, is het verschijnsel, dat we aan-
stipten, niet normaal. Zoo om onze huistafel, als op onze scholen,
Zondagsscholen en catechisatiën hebben we in den regel met kinderen
te doen, die het hooge zintuig nog missen, dat eerst door de weder-
geboorte in onze ziel tot werking komt.
En zoo opgevat, is bij onze kinderen een dubbele feil zeer ernstig
te mijden.
Eenerzijds de feil van hen, die reeds onze kleine kinderen be-
keeren willen. Dat men zelfs met een kind van zes of zeven jaren
oud, dat sterven gaat, op kinderlijke wijs van zonde en genade, ver-
zoening en verlossing spreekt, wraken we niet. Immers, het feit is
niet te loochenen, dat ook bij het kind in de ure des doods de ont-
vankelijkheid voor de heiligheden Gods zeer verscherpt en verhoogd
is. Maar wat we bestrijden is de ziekelijke zucht, om onze kleinen
reeds in hun eerste levensjaren een ernst op het hart te werpen,
waarvoor ze nog niet vatbaar zijn. Wat we bestrijden is de neiging
om het jonge kind reeds te overvallen met een reeks begrippen en
bedreigingen, waarvan het nog niets in zich op kan nemen. Wat we
afkeuren is dat ongeluk der kleingeloovige opvoeders, die den tijd
van zaaien en maaien zelfs bij het kind niet weten te onderscheiden,
-ocr page 235-
227
en reeds met den sikkel des oogstes komen, als er nog slechts van
den zaaier, die tot zaaien uitgaat, sprake mag zijn. Is er in het kind
een natuurlijke neiging om te gelooven, te lieven en te hopen, maar
weet men evenzeer, dat deze neiging nog ongeheiligd en dus on-
goddelijk is, dan kan onze roeping geen andere zijn, dan om door
ontlokking van het kinderlijk gebed en het teekenen van de heilige
beelden der Schrift dat geloof een inhoud te bieden; dan is het onze
plicht, dat kinderlijk lieven en dwepen op den persoon van Jezus te
richten, zonder hoogwijs dat dwepend lieven van het kind te criti-
seeren met onze begrippen en onderscheidingen van Jezus\' menschelijke
en goddelijke natuur; dan zijn we geroepen, om de hope van het
kinderhart te richten op die plastische beelden van heerlijkheid en
zaligheid, waarin de Schrift ons de toekomende eeuw schildert. Doet
men dat, dan doet men genoeg. Want laat dan al, naar de onontwijk-
bare wet des levens, dit kaartenhuis, dat wij op den bodem van het
kinderleven too verden, straks onder het vuur van den hartstocht, voor
de macht van twijfel en zelfzucht, door de onbesuisdheid en zinlijk-
heid zijner jaren te loor gaan, toch is dan uw arbeid niet ijdel ge-
weest. Want komt dan eenmaal Hij in den storm des levens, Hij in
het suisen der zachte koelte, Hij, die het alleen kan, zelf tot dat hart,
om het een ander en reiner en edeler snoer van geloof en liefde en
hope aan te binden, dan bezit dat hart het vermogen, om het ver-
leden zich weer toe te eigenen en uit het kinderleven nog levens-
kracht te putten voor den strijd dien het wacht.
Maar even ernstig zij men tegen de andere feil op zijn hoede.
Omdat een kind nog niet wedergeboren is, verachte men zijn geloof,
zijn lieven en zijn hopen niet, en zie niet uit de hoogte op zijn
onbegrepen dwepen met Jezus neder. Te denken, dat deze uiting van
het kinderhart toch slechts voorbijgaande is, en dus geen waardij
bezit, is verzet tegen dat Albestuur des Drieëenigen, dat ons eerst als
kinderen, met zulk een neiging doet geboren worden; een verzuimen
van de gaven die in het kinderhart gelegd zijn; in den grond een
meer zelf willen bekeeren, dan medearbeider Gods te zijn, waar Hij
door voorbereidende en ontdekkende genade het wonder zijner weder-
baring in het menschenhart volbrengt.
-ocr page 236-
228
VIL
„MENSCH" EN „WERELD.
Mijn vleescli, hetwelk Ik geven zal voor
liet leven der wereld.
              Joh. 6 : 51b.
Het Hoofd der Gemeente was Davvliet, wijl Hij naar den vleesche
uit den zade Davids was; Judeër, wijl Hij de leeuw was uit Juda\'s
stam; Israëliet, want Hij is door de besnijdenis ten achtsten dage
betcekend als lid van het volk der verkiezing; zoo ge wilt, Semiet,
want uit Sems tente kwam het geslacht voort, waaruit Hij sproot;
maar onder dit alles was Hij meer nog, Hij was ook mensch; dies
heet Hij bij uitnemendheid „de mensch Christus Jezus" en noemt
Hij zichzelven bij voorkeur „de Zoon van den mensch."
Wat is hieronder te verstaan?
Telkens wordt ons in de Evangeliën gezegd, dat Jezus aan de wereld
toebehoort; dat God alzoo lief de wereld heeft gehad, dat Hij ons
den Middelaar schonk; dat Christus zichzelven geeft voor het leven
der wereld;
dat Hij het Lam Gods is, dat de zonde der wereld weg-
neemt; dat Hij een verzoening is voor de zonde der yeheele wereld;
dat Hij is het Licht der wereld; dat Hij is de Zaligmaker der wereld ;
voeg er bij, dat de wereld gelooven moet, dat Christus door den
Vader gezonden is.
Oppervlakkigheid meende, dat de zin dezer woorden verklaard was,
indien men besliste, of onder deze uitdrukking „de wereld" alle
menschen zonder onderscheid, of alleen de uitverkorenen onder de
menschen te verstaan waren. En al naar gelang men tot deze of gene
zienswijs overhelde, achtte men in deze Schriftuitspraken een stellig
bewijs voor de algemeenheid der verzoening te bezitten, of wel tot
de verklaring genoopt te zijn: de wereld beteekent: de uitverkorenen
uit alle natiën en volkeren.
Noch het een noch het ander peilt de diepe gedachte, die in dit
woord „wereld" besloten ligt.
Als een leger, door den vijand omsingeld en benard, zich een
oogenblik verloren waande, maar door het beleid, den moed en de
onverschrokkenheid van zijn veldheer gered wordt, dan is het leger
gered ook al liet het de helft zijner manschappen op het slagveld,
dan zijn de bataillons gered, ook al slonken sommige tot een twin-
tigtal krijgers weg, en dan komt het niemand in den zin de vraag
te stellen: het leger behouden, wil dat zeggen, alle soldaten die het
leger saamstelden, of wel alle soldaten die er het leven afbrachten;
dan weet men dat het leger gered is, indien, afgezien van het lot
-ocr page 237-
229
der enkele manschappen, het vaandel, de staf, het kader, dat wat een
leger maakt, behouden uit den strijd kwam.
Al is in den tachtigjarigen oorlog zelfs het grooter deel der zeven-
tien vereende gewesten en juist dat deel, waar de Hervorming het
eerst doorbrak, van ons vaderland afgescheurd, toch aarzelt niemand
Willem den Zwijger „Vader des Vaderlands" te noemen, omdat hij
de kern van ons nationale leven, dat wat ons volk tot een volk, ons
land tot een vrije erve maakt, heeft gered.
Komt derhalve de Schrift met de verklaring, dat Jezus de Behouder
der wereld is, dan eischt de gezonde taaiopvatting, die opvatting welke
op elk ander terrein geldt en alleen recht van bestaan heeft, dat we
Hem als Kedder, Behouder, Zaligmaker der wereld eeren, ook al
blijkt later een deel dat tot haar behoorde afgescheurd, ook al bleek
ons dat een deel van haar bewoners niet gered, maar verloren zijn.
De vraag waarop het aankomt is maar, of behouden werd wat de
wereld tot wereld maakt, gered dat kunstig bewerktuigd geheel, dat
God in deze wereld geschapen heeft. Kedder der wereld is niet wie
elk harer deelen behoudt, maar wie haar geestelijke kern, die voor
haar leven en weer opbloeien onmisbaar is, aan het verderf onttrekt.
Voor het leven der wereld geeft Jezus zichzelven: dat „leven der
wereld" scheen verloren; Hij doet het weer opleven, en redt het door
datgeen in deze wereld te redden, waaraan haar leven hangt, dat voor
haar leven beslist, voor dat leven onmisbaar is, haar leven uitmaakt.
Langs twee wegen is aanwijsbaar wat hiermee is bedoeld.
Voareerst, indien men een oogenblik onderscheid weet te maken
tusschen het leven van onzen eigen persoon en het leven dat we met
anderen gemeen hebben. Ieder gevormd karakter, ieder mensch die
tot jaren van onderscheid is gekomen, heeft een persoonlijk leven
voor zichzelf. Bij velen moge dat zeer arm, slechts bij enkelen rijk
zijn, toch is het aller deel. Men heeft aandoeningen en gewaarwor-
dingen, die men alle zelf ondervindt en aan niemand meedeelt. Er
zijn belangen die alleen ons zelf raken: wenschen die niemand met
ons koestert: zielservaringen waarvan niemand buiten ons weet; over-
leggingen, • plannen, voornemens die we aan niemand mededeelden;
er is een vreugd die we alleen voor onszelf genieten; een leed dat
we alleen zelf doorworstelen; er is ook een schuld, een zonde die in
haar diepte en ware geaardheid alleen door onszelf wordt gevoeld.
Dit noemen we ons persoonlijk leven.
Maar daarin gaat ons leven niet op. Er is in ons leven meer. We
zijn geboren en opgegroeid in een gezin. Daaruit zijn banden ont-
staan, die ons aan onzen vader en onze moeder, aan broeders en zus-
ters verbinden. Of ook we hebben, dat gezin uitgetreden, zelf een
gezin gevormd en daardoor de betrekking doen ontstaan tusschen
man en vrouw en tusschen hen en hun kinderen. Welnu, er is een
deel van ons leven, dat we met en in dat gezin doorleven, vreugd
-ocr page 238-
230
die ons met hen verblijdt, smart die ons met hen weenen doet, een
recht dat we met hen verdedigen, een belang waarvoor we met hen
ijveren, en ook een schuld waarvoor we met hen verantwoordelijk
staan. Dat noemen we het leven des gezins.
Doch ook hierbij mag men niet staan blijven. We zijn niet tot het
leven van ons gezin beperkt. We hebben ook een kring van magen
en bloedverwanten, met wie we in betrekking staan, wier leven in-
vloed uitoefent op het onze, met wie gemeenschappelijke belangen
ons verbinden. Er is ook een kring van vrienden en bekenden, die
we om ons verzamelen en in wier medeleven ons leven verhoogd of
verruimd wordt. Er is ook een kring van personen, wier betrekking
in nering of bedrijf, in beroep of ambt hen met ons in aanraking
en vaak in gemeenschap van belang brengt. Er is eindelijk ook een
kring vim onderhoorigen, over wie we gesteld zijn en voor wier toe-
komst we mede-verantwoordelijk staan. Dat noemt men het leven
der familie en het leven der maatschappij.
Doch ook hiermee is de wijdste kring van ons leven nog niet
gevonden. We zijn ook deel van een volk, een natie, we hebben ook
een vaderland. Soms moge het schijnen alsof die band niet gevoeld
werd, maar dit is slechts schijn. Zoodra slechts het belang van stad,
van dorp of gewest door anderen dreigt benadeeld te worden, ont-
waakt de ijver van den stedeling voor zijn stad, van den plattelands-
bewoner voor zijn dorp, van den provinciaal voor zijn gewest. En
zoo ook is het met het leven van volk en vaderland. Laat er oorlog
uitbreken, dat de troepen naar de grenzen rukken, en elk man en
elke vrouw voelt iets kloppen in het hart bij het goed of kwaad ge-
rucht, dat van de grenzen tot ons komt. Of ook, reis buitenaf en
wees er bij dat een vreemdeling Hollands naam beleedigt, de eere
van Nederland te na komt, uw vlag of uw volkslied bespot, en ge
voelt het aanstonds dat dit u aangaat, dat gij daarvoor op te komen
hebt, dat er een uwer eigen levensdraden trilt. Dat noemt men het
leven van het vaderland.
Hiermee is op één na de wijdste kring, die ons leven bepaalt,
bereikt. Ga nog een schrede verder, en van uw vaderland komt ge
op de wereld. Er is onderscheid tusschen de natiën, maar er is ook
een deel des levens dat alle volken, alle natiën met elkaar gemeen
hebben, dat geen onderscheid tusschen het ééne volk en het andere
maakt, maar voor allen gelijk is. Al wat algemeen menschelijk is, u,
noch als kind of vader, noch als vriend of gezel, noch als heer of
dienstknecht, noch als bewoner van stad of dorp, noch als Nederlander
bijzonder eigen is, maar wat ge ook zoudt hebben, als ge dat alles
wegdenkt, is geen klein, maar een zeer groot deel van uw leven, dat
u met allen gemeen is, die op deze aarde wonen. Dat noemt de
Schrift het leven der wereld.
Zoo is er een leven van den persoon, een leven van het gezin,
-ocr page 239-
231
een leven van de familie, een leven der maatschappij, een leven van
het vaderland, maar ook een leven der wereld ah grondslag van dit
alles, en daarvan zegt Jezus: dat Hij zichzelven geeft voor het leven
der wereld.
Maar van twee wegen spraken we, om dit duidelijk te maken.
Ziehier den anderen weg.
Zoo dikwijls we in de Schrift van engelen in tegenstelling van den
mensch, wien ze verschijnen, lezen, gevoelen wij op den mensch,
niet op den verschijningsengel betrekking. Als ons gezegd wordt dat
de Zoon van God niet de natuur der engelen, maar die der menschen
heeft aangenomen, zegt ons hart ons, dat daarmee aan ons geslacht,
aan een geslacht, waartoe ook wij behooren, een hooger eere gegund
is. Als we hooren van een Sathan, die den mensch komt verleiden
in het paradijs, dan is het of ook ons die strijd aangaat, en als we
lezen dat de mensch tegenover den Sathan bezweek, is het of wij
zelf een nederlaag leden in hem. Kortom, zoo dikwijls er sprake is
van een macht buiten deze wereld die zich op deze wereld openbaart,
is ons eigen leven in dat leven der wereld betrokken. Dat we aan
dat leven deel hebben, gevoelen we daarom, zoo dikwijls er sprake
is, \'t zij van de engelen, \'t zij van Sathan, we voegen er bij, of ook
van God zelf. Ook God behoort niet tot deze wereld. Waar Hij dus
van zijnen troon op deze aarde nederziet, rust zijn toorn of zijn liefde
allereerst op de wereld, zoodat natuur en menschhcid beide zijn mis-
noegen of zijn gunst ervaren. Eerst daarna op de menschheid in die
wereld, om eerst langs dien door Hem zelf gebaanden weg allengs
de volken en geslachten, de stammen en huisgezinnen en zoo ten
laatste de enkele personen te bereiken.
In het leven der wereld wortelt ons persoonlijk b ven. Wij behooren
bij die wereld, we zijn er een stuk van. Zij bestaat om ons. Alle
krachten der natuur arbeiden rusteloos dag en nacht om den mensch
te dienen, te voeden, te kleeden, te onderhouden, licht voor zijn oog
en vreugd voor zijn hart te geven. Die samenhang is in de ordening
Gods gegrond. De Heere heeft niet eerst eenige werelden gemaakt en
toen naar willekeur een dier werelden uitgekozen, om er den mensch
op te plaatsen, maar Hij heeft onder alle wereldbollen deze aarde
van haar eerste grondslagen op den mensch aangelegd. De aarde
zonder den mensch wordt een wildernis. De mensch zonder deze
aarde komt om. Daarom deelt de mensch in het leven der natuur
en de natuur schikt en wijzigt zich naar het leven der menschen.
Als ziekte het vee teistert, zegt een stem daarbinnen ons, dat het
vee dit lijdt om de zonde der menschen. Of ook als de donderslag
ratelt, dat geheel de natuur beeft en siddert voor het aangezicht des
Heeren, dan voelen we dat we tot die wereld en die natuur behooren
en lijden we haar lijden meê.
Sterker nog komt dit uit zoo we uitsluitend op de menschheid het
-ocr page 240-
232
oog vestigen, waarvoor deze aarde gebouwd en bereid is. Die mensoh-
heid is niet gevormd doordien eerst eenige afzonderlijke menschen
gemaakt werden, die daarna tot één geheel onder den naam van
menschheid worden saamgevoegd. Neen, die menschen vormen één
geslacht, ze zijn de één uit den ander geboren, en vormen met de
natuur te zaam één eikenstam waarvan de bladeren en bloesems uit
het ééne levenssap geboren worden, dat uit den gemeenschappelijken
levenswortel opstijgt.
Hoe dus ook het leven ons deele en uiteenwerpe door een afstand
van millioenen mijlen of duizenden van jaren, toch vormen we met
alle kinderen der menschen die vóór ons geweest zijn, of nu heinde
en ver verstrooid op aarde leven, of na ons komen zullen, één geheel,
het geheel van het ééne menschelijke geslacht. Aan dit gansche ge-
slacht is een gemeenschappelijk goed toevertrouwd, ze hebben allen
saam één natuur gemeen, gemeen datgeen wat den mensch tot mensch
maakt, maar ook gemeen die schatten van vermogens en talenten,
van zedelijke en geestelijke krachten, van kunst en wetenschap, van
zedelijke meerderheid en vindingrijkheid, van liefde en toewijding,
van adel der ziel en hope op een heerlijke toekomst, die het eigendom
der menschheid bleven, ook in die eeuwen, toen geen van de kinderen
der menschen deze schatten meer kende of ongedeerd bezat. Voeg
daarbij de ordeningen en geledingen die voor de menschheid door
God gesteld en verordend zijn, als de instrumenten, waardoor die
schatten tot hun ontplooiing moeten komen, en ge gevoelt aanstonds
dat er een gemeengoed der menschheid is, het echt menschelijke, dat
de liefde van ons hart heeft, ook al verlieten we onze geboorteplek
nooit en al is onze kennis van de historie nog zoo beperkt.
Welnu, dat menschelijke heeft de Zone Gods gezocht, en om het
te vinden is Hij ingegaan in onze natuur, die natuur nemende gelijk
ze in samenhang met het leven der menschheid en met het leven der
wereld bestond. Om één enkel blad blijvend voor verwelking of ver-
dorring te behoeden, moet de stengel waarin het blad groeide, gered,
en om dien stengel de tak, waaraan hij uitschoot, en om dien tak
de stam, waarin hij gegroeid is en om den stam de wortel, waarop
hij wies, gered en behouden worden. Wie den wortel niet behoudt
kan niet een enkel blad bij het leven behouden. En niet anders is
het bij den Christus. Om al ware het slechts één enkelen mensch te
redden, moet het geslacht behouden waartoe die mensch behoort, de
natuur gered die hem eigen is, en de wereld gehandhaafd, waarin
zijn levenswortel ligt. Daarom heeft de Christus dan ook onze natuur
aangenomen den mensch als mensch liefgehad door Zoon van den
mensch
te worden en zijn leven gegeven voor het leven der wereld.
Eerst daardoor was de wereld gered waarop we leven en het karakter
van de wezenssoort, waartoe we behooren. Eerst daardoor was het
mogelijk dat er behoudenis van zondaren, redding van menschen zijn zou.
-ocr page 241-
233
VIII.
„ZONDE VOOR ONS."
Dien die geen zonde gekend heeft, heeft
Hij zonde voor ons gemaakt.
2 Cor. 5 : 21.
Heeft Jezus om ook u te bereiken en u als mensch te kunnen
verlossen, de menschelijke natuur aangenomen; en wederom ten einde
die natuur te kunnen aannemen zich in deelgenootschap begeven met
het leven der wereld, dan ontstaat de vraag: hoe heeft de Heere dat
leven der wereld gevonden?
Immers Hij heeft zich niet in gedachten over het leven der wereld
verdiept, maar dat leven zelf, gelijk het was, gelijk Hij het vond,
gelijk het in werkelijkheid bestond, in onze natuur aangenomen.
Onderstel nu, dat dit leven der wereld nog geweest ware, wat het
oorspronkelijk naar Gods schepping was en zich uit den heiligen
wortel heilig ontwikkeld had, en immers de gemeenschap met, bet
deelgenootschap aan zulk een leven, zou geen strijd in \'s Heeren
binnenste hebben te weeg gebracht, noch een somber floers ov\'er zijn
bestaan op deze aarde geworpen hebben.
Maar hoe, indien die wereld bleek niet meer te staan waar God
ze gesteld had? Hoe, indien bleek dat het leven der wereld wel niet
van zijn wortel afgescheurd, maar in dien wortel zelf verkankerd
was? Hoe, indien bevonden wierd, dat geheel de ontwikkeling van
dat leven der wereld van meet af zijn eigen levensvvet verzaakt had,
afdolend in een zondig spoor? Indien eens alles bleek beheerscht te
worden door het onuitsprekelijk droeve feit, dat het leven der wereld
in zonde verzonken lag, — wat moest er dan uit volgen voor den
Zone Gods, die zulk een leven aannam?
Let wel, waarvan sprake is.
De zonde is velerlei. „Zonde is anomie," zegt de apostel .Tohannes
(1 Johannes 3 : ±). Onze ouden vertaalden dat door „ongerechtig-
heid." „De zonde is de ongerechtigheid." Zeker het beste woord, in-
dien men in een enkel woord de apostolische uitdrukking wil weêr-
geven. Maar genoeg heeft men toch aan dat woord niet. „Anomie"
is nog iets anders, en daarom schreven onze ouden er in de kant-
teekening bij: „Anomie, waardoor beteekend wordt, al wat met dr wet
niet overeen en komt, tegen de wet strijt ofte de wet breeckt."
Dat is het. „De zonde is icetsverbreking," zegt de Apostel letterlijk,
en juist wijl die wet velerlei is, is ook velerlei de aard der zonde.
Elk schepsel heeft een wet. Ook het dier. Evenzoo de plant. Zelfs
de dusgenaamd levenlooze schepping. Een creatuur mag maar niet zijn
-ocr page 242-
234
en werken gelijk het wil, maar ontving van den Schepper mét het
aanzijn tevens een wet, die zijn aanzijn regelen zou. De natuur wordt
niet geschapen zonder natuurwetten, die bij haar hooren, zóó bij haar
hooren, dat zij daaraan onderworpen is, niet de Heere. Schept God
het (linken, dan schept Hij daarin tevens de deukwet, waaraan ons
denken onderworpen en gebonden is, tiiet het denken Gods. Ook op
die tegenstelling lette men in het voorbijgaan. Immers de strijd tegen
de wonderen en de mysteries ontstaat juist uit haar miskenning.
Het is volkomen waar dat er natuurwetten zijn, dat de kennis dier
wetten ons onmisbaar is, en dat de natuur zoo vast en stellig aan
die wetten is onderworpen, dat ze die nooit of nimmer kan verbre-
ken. De valsche stelling komt eerst, als men, zich vergissende, het
doet voorkomen, als ware God zelf door die wetten gebonden. l\'.uirom
zegge men ook niet: een wonder is de verbreking der natuurwetten.
God kan niet verbreken datgeen, waardoor Hij nooit gebonden was.
Een wonder is eenvoudig een vrije daad Gods. Datzelfde gehII voor
de mysteriën des Christendoms. Volkomen waar dat er denk \\\\ etten
zijn, die evenals ons denken zelf door God aldus gegeven zijn, en
waaraan ons denken zóó vast en stellig gebonden is, dat we niet goed
denken tenzij we naar die wetten denken en ze niet dan tot
onze eigen schade en schande verbreken kunnen. Ook hier begint
de valsche stelling eerst, indien men, zich vergissende en bij
gebreke van beter doordenken, de stelling voet geeft, alsof God zelf
aan de wet van ons denken onderworpen en gebonden ware. Door
dit te doen maken we onze wijsheid tot dwaasheid en maken het ons
zelf onmogelijk de goddelijke mysteriën in ons op te nemen. Die
mysteriën zijn nooit voor het kader onzer denkwetten pasklaar te
maken. Ze behooren tot een hoogere orde, waar het denken Gods
zichzelf verheerlijkt, maar waartoe ons denken nooit opklimt.
Meer dan aanstippen kunnen we dit thans niet. Hoofdzaak is ons
hier ter plaatse de bewering, dat God aan elk leven een levenswei
heeft gesteld, niet slechts aan de natuur en aan ons denken, maar
ook aan ons persoonlijk leven, ook aan ons hiiislijk leven, ook aan
ons fami/ieleven, ook aan ons nationale leven, en zoo ook aan het
leven der wereld.
Naar die wetten keert en wentelt zich het leven, edoch op tweeërlei
wijs. Vergunt men ons beeldspraak, we zouden zeggen: er zijn levens-
wetten met vaste en andere met beweegbare assen.
Tot de eerste behooren alleen de natuurwetten. Ze werken daarom
werktuigelijk, steed3 op dezelfde wijs, onveranderlijk met dezelfde uit-
komsten. Van wetsverbreking en dus van zonde kan bij de natuur-
wetten geen sprake zijn. Niet bij God, wijl Hij er niet door gebon-
den is en dus geen band verbreken kan, die Hem niet klemt. En
evenmin bij de natuur zelve, die zich niet kan bewegen dan volgens
deze wetten en dus de kans zelfs tot heur verbreking ten eenen male mist.
-ocr page 243-
235
Maar geheel anders is het met de wet van ons denken en de wet
van ons zedelijk leven. Men kan wel ter deeg een valsche sluitrede
maken, men kan wel ter deeg de wet des zedeïijken levens schenden.
En men kan beide doen, onopzettelijk, des onbewust, of opzettelijk,
met voorbedachten rade. Toch is dit op zichzelf nog geen wetaver-
Lreking.
Men kan een wet schenden en overtreden, zonder dat men
nog den toeleg heeft, om die wet als wet voor altijd op zijde te schui-
ven en er zich van te ontslaan. Na wetsovertreding kan men tot de
wet terugkeeren. Die zooeven een valsche sluitrede maakte en dus
de denkwet schond, kan straks weer juist redeneeren en dus de denk-
wet volgen. Zulk een overtreding rooft ons ons „gezond verstand"
niet, maar toont slechts een feil. Wetsverbreking ontstaat ten opzichte
der denkwet eerst door krankzinnigheid.
Zoo nu ook ten opzichte van ons zedelijk leven •• wetsovertreding
en wetsverbrcking zijn twee. Wetsovertreding is niet een volgen van
de wet in een bepaald geval. Wetsverbreking is een poging om de
wet voor altijd krachteloos te maken. Het is hetzelfde verschil als
tusschen omwenteling, opstand en muiterij. Als het grauw, misnoegd
over een regeeringsmaatregel, te hoop loopt, bedoelt men niet de
macht der regeering voor altijd op zij te zetten, maar eenvoudig op-
heffing van dien maatregel. Opstand daarentegen bedoelt niet een
verandering van de maatschappelijke wetten, maar is eenvoudig de
poging om aan andere personen de handhaving dier wetten op te
dragen. Omwenteling, revolutie, daarentegen bekreunt zich des noods
niet om de personen der overheid, maar wil verbreking van de wet,
die tot dusver het maatschappelijk leven bond.
Zegt de Apostel nu dat „de zonde niet wetsoverschrijding, maar
wetsverbreking" is, dan volgt hieruit, dat de zonde een poging is,
niet om nu en dan een enkele wetsbepaling te overtreden, maar de
toeleg om de wet zelve op zij te zetten, er zich aan te onttrekken,
en te doen alsof ze niet bestond. Opstand en omwenteling beide dus.
Terzijzetting van de majesteit en het gezag Gods, dat ons deze levens-
wet stelde en evenzoo terzijzetting van de levenswet die Hij gaf,
om er een andere levenswet, naar eigen willekeur, voor in stee te
plaatsen.
Die zonde kan begaan worden door u in vlw persoonlijk leven, want
ook voor dat leven gaf God een wet. Dat is de persoonlijke zonde,
de zonde waarvoor geen ander verantwoordelijk is dan gij, niet zonde
in algemeenen zin, maar de zonde van u.
Die zonde kan begaan worden door een huisgezin, want ook voor
het huislijk leven gaf God een wet. Dat is een gemeenschappelijke
zonde der huisgenooten, een zonde waarvoor alle leden des gezins
aansprakelijk zijn, niet zonde in algemeenen zin, maar zonde van
uw huis.
Die zonde kan begaan worden door een geslacht, want ook voor
-ocr page 244-
236
het leven der familie gaf God een wet. Dat is een gemeenschappelijke
zonde der bloedverwanten, een zonde waarvoor alle gezinnen van dit
geslacht verantwoordelijk staan, niet zonde in algemeenen zin, maar
zonde van uw geslacht.
Die zonde kan ook begaan worden door een volk, want ook voor
het leven der volkeren gaf God een wet. Dat is een gemeenschappelijke
zonde van volksgenooten, een zonde waarvoor alle leden van dat volk
aansprakelijk zijn, niet zonde in algemeenen zin, maar zonde van
uw volk.
Maar ook, die zonde kan begaan worden en is begaan, door de
geheele wereld,
want ook voor het leven der wereld gaf God een wet.
Dat is een gemeenschappelijke zonde van alle menschen, een zonde
waarvoor allen aansprakelijk staan, die tot het menschelijk geslacht
behooren, de zonde niet in algemeenen zin, de zonde der wereld.
7Ae hot Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt!
Wie draagt de zonde, die aan velen gemeenschappelijk is?
Wiens hart gaat gebukt onder de zonde van het gezin? Het hart
der goddeloozen in dien kring, of het hart des besten?
Wiens hart gaat gebukt onder de zonde van een geslacht? Het hart
der lichtzinnigsten, of het hart van hen die God vreezen?
Wiens hart gaat gebukt onder de zonde van een volk? Het hart
der onnadenkenden of het hart der aanbidders van Gods naam?
Met de vraag is immers het antwoord gegeven! Maar hieruit volgt
dan ook, dat het besef van gemeenschappelijke zonde daalt en klimt
met de heiligheid van het hart en eerst dan volkomen in ons zou zijn,
indien er een mensch gevonden werd, die geheel heilig, zonder eenige
persoonlijke zonde, zonder ooit eigen zonde gekend te hebben, onder
ons kon opstaan.
Te sterker geldt dit bij de zoude der wereld. Van de zonde onzes
gezins gevoelen wc soms nog veel; van de zonde onzer familie veel
minder; het besef van zonde des volks vindt ge schier uitsluitend bij
enkele kinderen Gods en dan nog hoe zwak; maar besef, leedgevoel,
een hartelijk leedwezen over de zonde der wereld, het is niet gekend.
Alleen in een volkomen rein, zondeloos, heilig menschenhart zou het
huizen kunnen, want er is de hoogste spankracht des levens, er is
de hoogste liefde toe noodig.
Zie het Lam Gods dat de zonde der wereld draagt!
Zulk een heilige is geboren, zulk een menschenhart, volkomen rein
en onbesmet, afgescheiden van de zondaren en dat nooit zonde ge-
kend heeft, het heeft op aarde geklopt; geklopt in Hem die vragen
kon: „Wie uwer overtuigt Mij van zonde ?"
Welnu, juist wijl Hij derhalve geen persoonlijke zonde gekend
heeft en geen vezel hoe gering ook van de wortelzonde door zijn
ontvangenis of geboorte geweven was in zijn godmenschelijk bestaan,
moest Hij dan ook, Hij alleen, Hij volkomen, de smarte kennen over
-ocr page 245-
237
die zonde die aller was, over die gemeenschappelijke zonde in haar
diepsten levenswortel, moest Hij die geen zonde gekend heeft zonde
voor ons gemaakt worden,
moest Hij het Lam zijn dat de zonde der
wereld
droeg.
„Gemaakt tot zonde voor ons," vergeet dat eerste woord niet. Aan
dat ééne woordeke toch hangt al het mysterie der ontferming. Het
dragen dier zonde was bij Christus geen noodzakelijkheid van zijn
existentie, maar gevolg van een vrije wilsdaad, van de aanneming
onzer natuur, gevolg van dat ondoorgrondelijk raadsbesluit des Vaders,
waarbij „Hij den Zoon voor ons geheiligd heeft."
IX.
„NIET VAN DEZE WERELD.
Ik bid niet voor de wereld.
Joh. 17 : 9.
Jezus\' eigen uitspraken over zijn betrekking met de wereld loopcn
sterk uiteen, oppervlakkig schijnt het of ze elkaar opheffen en weêr-
spreken.
Sterker tegenstelling is wel niet denkbaar dan tusschen Joh. 3 : 16
en 17 : 9, te eener plaatse de verklaring dat „God alzoo de wereld
heeft liefgehad, dat Hij haar zijn eengeboren Zoon gezonden heeft,"
en anderzijds de stellige verklaring van dien Eengeborene: „Voor de
wereld bid Ik niet."
Zwakker, maar evenmin onloochenbaar, vinden we die tegenstelling
telkens terug.
„Hij is een licht, verlichtende een iegelijk mensch, komende in de
wereld"
(Joh. 1 : 9). „Hij is het Lam Gods, dat de zonde der wereld
wegneemt" (Joh. 1 : 29). „God heeft zijnen Zoon niet gezonden in
de wereld, opdat Hij de wereld zou oordeelen, maar opdat de wereld
door Hem zou behouden worden\'\'\'
(Joh. 3 : 17). „Christus de Zalig-
maker der wereld"
(Joh. 4 : 42). „Het brood Gods is Hij, die uit
den hemel nederdaalt en de wereld het leven geeft" (Joh. 6 : 33.)
„Mijn vleesch, dat Ik geven zal voor het leven der wereld" (Joh.
6 : 51). „Ik ben het licht der wereld" (Joh. 8 : 12). „Zoolang Ik in
de wereld ben, ben Ik het licht der wereld\'1\'1 (Joh. 9 : 5). „Ik ben
niet gekomen opdat Ik de wereld oordeele maar opdat Ik de wereld
zalig make"
(Joh. 12 : 47).
Doch lees nu tegenover deze stellige verklaringen, andere niet
minder besliste uitspraken van geheel tegenovergestelde strekking:
-ocr page 246-
238
„De wereld haat Mij, omdat Ik van haar getuig, dat haar werken
boos zijn" (Joh. 7 : 7). „Ik ben tot een oordeel in deze wereld
gekomen, opdat degenen die niet zien, zien mogen, en die zien blind
worden" (Joh. 9 : 39). „Nu is het oordeel dezer wereld, nu zal de
overste der wereld buiten geworpen worden" (Joh. 12 : 31). „De
Geest der waarheid welken de wereld niet kan ontvangen" (Joh. 14 : 17).
„Nog een kleinen tijd en de wereld zal Mij niet meer zien" (Joh.
14 : 19). „Indien u de wereld haat, zoo weet dat ze Mij eer dan u
gehaat heeft" (Joh. 15 : 18). „Indien gij van de wereld waart, zoo
zou de wereld het hare liefhebben" (Joh, 15 : 19). „Die gekomen
zijnde zal de wereld overtuigen van zonde, van gerechtigheid en van
oordeel" (Joh. 16 : 8). „Als Ik sterf, zal de wereld zich verblijden,
maar gij zult bedroefd zijn" (Joh. 16 : 20). „Ik bid niet voor de
wereld" (Joh. 17 : 9). „De wereld heeft u niet gekend" (Joh. 17 : 25).
„Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld" (Joh. 18 : 36).
Toch kan de strijd tusschen deze dubbele reeks van uitspraken
slechts schijnbaar zijn. Immers, ze komen alle voor bij denzelfden
Evangelist, soms in eenzelfde rede des Heeren en worden alle Hem
zelven op de lippen gelegd. Hoe is dan dit schijnbaar strijdige te
verstaan ?
Ter verklaring lette men al aanstonds op de belangwekkende bij-
zonderheid, dat de eerste reeks getuigenissen schier geheel in het
eerste, de laatste bijna uitsluitend in het tweede deel van Johannes\'
Evangelie voorkomt. De uitspraken ten gunste der wereld vindt ge
bijna alle in de zes eerste, de uitspraken tegen de wereld schier alle
in de aeht laatste hoofdstukken, terwijl in de zes daartusschen liggende
de verhouding wisselt. De overgang wordt zichtbaar gevormd door de
voorwaardelijke uitspraak: Zoolang Ik in de ivereld ben, ben Ik het
licht der wereld," terwijl het beslissend keerpunt bereikt is bij het
getuigenis: „Hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen."
Intusschen wachte men zich wel, dat men niet aan mislukte proef-
nemingen denke. Te zeggen: Jezus heeft zich aan de wereld aan-
geboden, in de stille hoop, dat de wereld Hem zou aannemen, maar
die hoop heeft gefaald, de wereld heeft zich tegen Hem gekeerd;
vandaar dat Hij eerst de wereld zoekt te behouden en haar tegen
het einde zijns levens veroordeelt," is een beweren dat ter wille zijner
oppervlakkigheid den mannen van het „gezond verstand" moge toe-
laeheo, maar althans bij de uitlegging van Johannes\' Evangelie niet
mag worden gednïd. Johannes ia niet een der lagere, maar de hoogste
onder de schrijvers des Ouden en des Nieuwen Testament.*, de Apostel
die met zijn adelaarsblik in de diepten der eeuwigheid gluurt. Dien-
tengevolge leeft Johannes in de groote feiten van voorbeschikking en
uitverkiezing. Proefneming is in zijne voorstelling ongerijmd. Den
Zone Gods zijn woord ten gevolge van teleurstelling te laten wijzigen,
zou voor Johannes gelijk hebben gestaan met de betuiging der zwaar-
-ocr page 247-
239
moedigen: „We hadden gehoopt, dat deze Israël verlossen zou, maar
nu ziet."
„Mijn raad zal bestaan en Ik zal al mijn welbehagen doen" is zijn
levensleus. Het gaat den Messias gelijk het Hem vergaat, wijl Hij
daartoe van den Vader verordineerd is, en derhalve opdat de Schrift
zou vervuld worden. Des Zoons spijze is, niet zijn wil te doen, maar
den wil des Vaders. Niemand kan tot Hem komen tenzij hij van
den Vader getrokken worde. Die tot Hem komt is Hem van den
Vader gegeven. Hij heeft onder de kindereu der menschen zijn
schapen, en die schapen hooren met onfeilbare zekerheid zijne stem
en komen tot Hem. Van degenen die Hem de Vader gegeven heeft,
kan niemand verloren gaan, want niemand kan ze rukken uit de
hand zijns Vaders. De Zoon des menschen gaat heen gelijk van Hem
geschreven is, en wetende dat nu alles vervuld was wat van Hem
geschreven stond, riep Hij met luider stemme: „Het is volbracht!"
DiL stemt ieder toe. In zulk een geloofsleven, in zulk een levens-
beschouwing is de gedachte zelfs aan mislukte proefneming een
ongerijmdheid. „Die niet wedergeboren is uit water en geest, kan
het Koninkrijk Gods zelfs niet zien." Van de weinigen, die Hein
aanhingen met trouw en volhardend geloof, betuigt de Christus .\'tan
den Vader: „Ze waren uwen en Gij hebt ze Mij gegeven."
De verklaring moet dus elders liggen.
Een beeld strekke ter opheldering.
Een zware eik is prachtig met zijn loover opgeschoten ter plaatse,
waar gij zijn lommer hadt begeerd. Maar de wortel is aangetast. In
zijn diepste levensvezelen verkankerd begint de eik te kwijnen. De
schors verliest haar levenskleur, de toppen der twijgen verdorren, de
bladvonning wordt zwak, de vrucht blijft klein en wordt onooglijk.
Toch hebt ge dien boom lief, toch wilt ge dien boom behouden,
toch wilt ge moeite en tijd voor het behoud van dien boom ten
beste geven. Ge peinst en zint, en ja ge vindt het middel om den
kanker in den wortel te stuiten. Het kwaad wordt uit de wortelvezelen
weggenomen, dat ze weer met volle zuigkracht het levenselement uit
den bodem kunnen optrekken, uw eik is gered. Maar hoe? Zie,
straks komen de houthakkers en ze kappen den stam bij den wortel
af, ze scheiden wat niet langer bijeenhoort, den verstorven stam van
den levenden wortel, en eenerzijds zit daar nu in den bodem, ter
plaatse waar gij het begeerd hadt, de levende tronk, die weer scheuten
zal uitstooten, een stam en kroon, vormen zal en door de rijke ont-
wikkeling van den wortelstok u ia veel korter tijd weer den ouden
boom, maar nu krachtig en gezond, bloeiend en prijkend zal terug-
geven ; maar ook ligt daar naast den tronk de oude stam, de boom die
geveld werd, het zware hout met zijn kroon en takken. Wat noemt
ge nu den eik? Wat noemt ge nu uw boom? Is nu uw eik de tronk
die daar in den bodem zit, of de stam die ginds op den grond ligt?
-ocr page 248-
240
Niet waar, al naar ge het nemen wilt. Naar de aanschouwing der
oogen is die eik die gevelde boom. Voor het oog dat dieper ziet,
met het leven rekent en in de toekomst gluurt, zit uw eik in dien
levenden wortel. Uw toeleg was den eik te behouden, want ge hadt
den eik lief en gaaft er uw beste krachten voor, dat is u gelukt,
uw eik leeft. En toch, ge hebt de bijl aan zijn stam gelegd, uw
oordeel ter af houwing is over hem gegaan en straks gaat uw woord:
„Zaagt den eik in stukken en werpt hem als brandhout in het vuur."
Brengt dit op de wereld over. De wereld is ook zulk een prachtige
boom, door God geplant ter plaatse waar Hij zulks begeerd had. Die
wereld werd krank, krank in haar levenswortel en daarom kwijnend
in stam en kroon, in blad en bloesem. Toch had God die wereld
lief, wijl ze een planting van zijn welbehagen was. Hij heeft die
planting der wereld lief en wil ze behouden. Om ze te behouden
geeft Hij den arbeid zijner teederste liefde. Niet om eiken tak of
twijg, om het leven der planting is het Hem te doen, Hij geeft zijn
Zoon voor het leven der wereld. En zijn raad bestaat. Door den Zoon
wordt in den levenswortel der wereld de kanker genezen, het leven
hersteld, weer kan de eik der wereld opbloeien, — maar niet gelijk
hij daar staat. Ook hier moet eerst de bijl aan den stam gelegd. De
opgeschoten stam moet ook hier van den wortel gescheiden en het
oordeel der wereld komt. Stam en tronk worden door de scherpte des
woords vaneen genomen, en nu hebt ge twee plantingen. Eenerzijds
den levenden tronk, die ter plaatse waar God het begeerd heeft in den
bodem met zijn vezelen dringt, en die door nieuw schot straks tot een
heerlijken stam zal opgaan. Maar ook anderzijds den ouden afgehouwen
stam, die geoordeeld ter nederligt en gedoemd is ten vure. Wat wilt
ge nu de wereld noemen? Dien levenden tronk, die uitschiet op zijn
wortel, of dien geoordcelden stam, die bij gemis aan levenswortel
sterven moet? Beide is natuurlijk denkbaar. Uit den levenstronk in
Christus komt straks een nieuwe wereld te voorschijn, die in heer-
lijkheid zal uitstralen. Maar ook de oude wereld die tegen Christus
koos, ligt er nog en blijft voor zichzelve den naam van wereld hand-
haven. Die naam wordt haar gegund. De nieuwe wereld die op den
levenden tronk zal opschieten ontvangt den hooger naam van het
Koninkrijk Gods, en zoo komt het, dat in eenzelfde Evangelie kan
gezegd worden: God heeft die planting der wereld lief, voor die
wereld geeft Hij zijn Zoon, het is Hem alles waard het leven der
wereld te behouden, en straks, nadat het oordeel over den stam is
gegaan, dat die wereld verworpen is, dat Hij voor die wereld niet
bidt, tot een oordeel over die wereld is gekomen.
Hieruit verklaart zich tevens hoe dezelfde Johannes in zijn aposto-
lische zendbrieven schier uitsluitend van de wereld in kwaden zin
kan spreken, getuigende „dat de wereld in het booze ligt" en „dat
de wereld voorbijgaat met al haar begeerlijkheden." Zoo echter, dat
-ocr page 249-
241
hij ook daarin vasthoudt aan de belijdenis, „dat Jezus een verzoening
is voor de zonde der geheele wereld," „een Zaligmaker der wereld,"
„door God in de wereld gezonden," en wiens discipelen „in de
wereld moeten zijn" (1 Joh. 4 : 17).
Den sleutel tot de raadselachtige tegenstelling eindelijk biedt de
lofpsalm in zijn „Openbaring:" „Nu zijn de koninkrijken der wereld
geworden onzes Gods." (Openb. 11 : 15).
Zoowel de voorstanders als bestrijders eener bijzondere verzoening
hebben daarin derhalve misgetast, dat beiden onder het woord „wereld"
uitsluitend aan da uienschen gedacht hebben, die op deze wereld leven.
Op dien grond leerden de eenen ten onrechte, dat de zonden, ook
de persoonlijke zonden, van alle mensclien, die geleefd hebben, leven
of zullen leven feitelijk verzoend zijn. Dus ook de persoonlijke zon-
den van eeu Judas.
En evenzeer zagen de anderen voorbij, dat er in het offer van Christus
nog iets grooters ligt, dan de verzoening van de persoonlijke zonden
der uitverkorenen, t. w. de verzoening van die zonde, die gemeen-
schappelijk voor rekening der geheele wereld lag.
Beiderzijds werd niet genoeg gelet op de beteekenis van het woord
„wereld," cl, i. op dat kunstig samenstel, waarin God verschillende
wezens, elk naar hun aard en soort, elk met hun eigen levenswet,
en onder deze den mensch geschapen had, en dat met al zijn gees-
telijke en zedelijke schatten, door God den Heere er aan toebetrouwd,
te zaam de wereld vormt.
Gelijk de boom van verre gezien ons alleen zijn bladeren en
bloesems toont, en we niettemin weten, dat ook de schuilgehouden
takken, de onzichtbare stam en de verborgen wortel tot zijn geheel
behooren, zoo ook is het met de „wereld." Omdat de bladeren en
bloesems, dat zijn hier de menscheu, het meest in het oog springen,
heeft men vaak vergeten, dat men uit bladeren en bloesems nog geen
boom kan saamstellen, en dat zoo ook de kinderen der menschen op
zichzelf genomen nog niet de wereld zijn, maar dat tot die wereld
ook behooren, wat bij den boom tak en twijg, schors en merg, vezel
en wortel is, d. w. z. die verborgen geledingen, die schuilgehouden
schatten die onzichtbare betrekkingen en kracKten, die als ware het
dat levenskader van ons geslacht vormen, waardoor de enkele indi-
viduën eerst tot een eenheid worden saamgevoegd, en dusdoende de
menschheid vormen.
Is dus voor de verzoening en zaligheid der enkele personen aan
het ons geopenbaarde over de „wereld" niets te ontleenen, volgt
veeleer uit het geopenbaarde, dat zich de Christen van hetgeen zich
thans bij voorkeur „wereld" noemt, heeft af te scheiden, er vloeit
tevens uit voort, dat het winnen van enkele zielen nog slechts een
deel is van den arbeid der Kerk, en dat ze nog een andere taak
heeft, namelijk om dat kader der wereld te behouden. Op den nieuwen
16
-ocr page 250-
242
levenswortel bloeiend, heet die nieuwe wereld „hef Koninkrijk Gods,"
een term waarbij men dus allerminst uitsluitend aan de dingen des
hemels mag denken, maar die juist eischt, dat de gaven des hemels
gegoten zullen worden in die vormen en betrekkingen, die door den
Schepper voor het menschelijk geslacht zijn verordineerd.
X.
ZOON VAN GOD.
Die in de gestaltenis Gods zijnde, zichzelven
heeft vernietigd en is den mensehen gelijk
geworden.
                                Pil. 2 : 6, 7.
Wie is deze mensch Jezus Christus in de diepste kern zijner
persoonlijkheid? Is Hij mensch of God?
Hoe gebiedt de Heilige Schrift ons den Christus te begrijpen? Als
een mensch, in wien de innigste denkbare vereeniging met God werd
gevonden? Dan wel als God, in de nauwst denkbare vereeniging met
den mensch getreden?
De Christelijke Kerk aller eeuwen beleed steeds het laatste.
De toongevende richting onzer eeuw trekt de belijdenis van het
Christendom naar het eerste.
Dusver gold onveranderlijk als belijdenis der Christenheid, dat de
Eeuwige Zoon, die als God, van eeuwig, der goddelijke natuur deel-
achtig was, de menschelijke natuur heeft aangenomen.
Thans vindt de voorstelling ingang, dat Christus het Hoofd der
menschheid is en als zoodanig de inwoning Gods in zijn persoon
dient beleden te worden.
De hoogleeraar Schleiermacher is de kerkvader, met wiens naam en
streven de laatste voorstelling verbonden is. Hij goot ze in den
vorm, waarin ze geloovigen godgeleerden aannemelijk werd. Het gezag
van zijn naam is de stuwkracht die haar ingang schonk. Nog moet
men geesteskind van Schleiermacher zijn om een rustpunt voor zijn
aanbidding en zijn dankzegging in dit omgekeerde van de belijdenis
der Kerk te vinden.
Eeeds Schleievmachers stellige uitspraak dat de opstanding des
Heeren niet noodzakelijk bij zijn persoon behoort, is overvloedig een
bewijs, dat de Christelijke Kerk in de onderzoeking van Christus\'
geheimzinnige persoonlijkheid den door hem ingeslagen weg volgen
ma» noch zal. "Voert Schleiermacher ten bewijze aan, dat de discipelen
ook vóór de opstanding den Christus als Zone Gods hebben beleden,
-ocr page 251-
243
de Christelijke Kerk zal zich daardoor niet laten afbrengen van het
Apostolisch getuigenis, „dat Hij krachtiglijk bewezen is de Zone
Gods te zijn door de opstanding uit de dooden," en dat, viel die
opstanding uit de reeks der feiten weg, ons geloof in den Christus
ijdel zou zijn.
Volkomen terecht heeft dan ook het eenvoudig geloof der Ge-
meente, dat niet redeneert, maar leeft en uit dat leven ademt, zijn
toestemming geweigerd aan elke prediking van den Christus, die
Schleiermachers voorstelling tot uitgangspunt had.
Door dit te blijven doen, zal ze de losmaking der Christelijke waar-
heid in de belijdenis verhoeden, mits ze tevens een open oog hebbe
voor het onafgewerkte der vroegere belijdenis, voor de schadelijke
afwijking van de lijn der oude belijdenis bij onze rechtzinnigen, en
voor den zegen, die haar ook uit Schleiermachers diepzinnige ont-
leding moet toekomen.
Ze zal dit, indien ze slechts onvoorwaardelijk blijft vasthouden aan
de Openbaring der Heilige Schrift. Aan de Heilige Schrift tegenover
Schleiermacher. Aan de Heilige Schrift óók tegen de onzuiverheid
van haar eigen belijdenis.
De eernaam „Zoon Gods" zal daartoe nader dienen onderzocht te
worden. Tot dusver is „Zoon Gods" en „Zoon des Vaders" schier
zonder verschil van beteekenis in het gebruik der Gemeente dooreen-
gemengd. Men acht dat steeds en allerwegen, waar van „Zoon Gods"
gesproken wordt, de tweede persoon in het Drieëenig Wezen is be-
doeld, en ziet in de afwijkende uitdrukking „Zoon des Vaders"
slechts een afwisselenden spreekvorm, geheel gelijk van zin.
Deze voorstelling nu lijdt aan oppervlakkigheid en is onnauwkeurig.
Die zoo spreekt ziet voorbij dat Adam „zoon Gods" heet, niet als
zoon van den Vader, maar als zoon d. i. kind en schepsel van den
Drieëenigen God; vergeet dat het kindschap Gods ons niet met den
eersten Persoon der Drieëenheid, maar met Gods volzalig Wezen
in kindsbetrekking stelt; verliest uit het oog, dat ook de overheden
als dragers van Gods majesteit Godenzonen genaamd worden; let er
niet op, dat het „Onze Vader" niet tot den eersten Persoon in de
Drieëenheid, maar tot Vader, Zoon en Heiligen Geest gericht is, en
geeft aanleiding tot de misleidende taal der ongeloovigen: „Jezus was
de Zoon van God gelijk wij zijn kinderen genoemd worden," als ware
hiermee de Godheid onzes Heilands vernietigd.
Op scherpe en juiste onderscheiding moet daarom ten ernstigste
aangedrongen. De Gemeente moet het zich weer helder bewust worden,
dat de Zoonsnaam een dubbele beteekenis heeft, eenerzij ds ter aan-
duiding van de eeuwige onveranderlijke betrekking tusschen Vader
en Zoon, als medewezend met den Heiligen Geest in het aanbiddelijk
en volzalig Wezen der Godheid, — en anderzijds ter aanwijzing van
den Messias, den Middelaar, het beeld des onzienlijken Gods, in wien
-ocr page 252-
244,
het kindschap Gods zijn volkomen rijkdom bezit en op wien de
goddelijke majesteit van bet ambt in vollen omvang rust.
Geeft men deze onderscheiding prijs, dan moet er verwarring in
onze voorstelling ontstaan; dan beeldt men zich de ééne maal in,
dat na de vleeschwording des Woords, de Zoon uit de Godheid was
weggegaan, zoodat slechts de Vader en de Heilige Geest overbleef,
alzoo op zeer onheilige wijs het éénig en ondeelbaar goddelijk Wezen
deelend; dan maakt men zich diets, dat het hart dat aan Christus
gelooft, niet weet waarheen zich in den gebede te richten, wijl het
schijnt of de Zoon en de Vader niet langer als de ééne God zijn
saam te vatten; kortom, dan ontstaat er niet slechts schade voor de
formule onzer belijdenis, maar wat erger is, ook ter dege schade voor
de practijk van het gemeenschapsleven met onzen God.
De openbaring door Panlus in zijn brief aan de Filippensen ge-
geven, zal steeds de beste leiddraad blijven, die de Gemeente tot
juiste voorstelling terug kan leiden.
De eeuwige Zoon is en blijft in de vleeschwording des Woords
het handelend wezen, wiens daad daarin bestaat, dat Hij zichzelven
vernietigt, voor zooveel zijn openbaring betreft, en de menschelijke
natuur, de gestalte van den dienstknecht, de gedaante des menschen
aanneemt, als het orgaan waardoor Hij zijn leven openbaren zal.
Die zelfvernietiging is niet schijnbaar, maar wezenlijk, zóó wezenlijk,
dat Hij niet de volwassen menschelijke natuur, maar de menschelijke
natuur van het nog niet geboren kind, van de eerste levenscel in
het oogenblik der ontvangenis aanneemt. Naarmate nu die mensche-
lijke natuur zich uit haar windselen loswikkelt, komt ook zijn per-
soonlijkheid allengs tot bewustzijn. Tot bewustzijn van het nog jonge
kind eerst: daarna zich steeds ontwikkelend tot het bewustzijn van
den mensch, tot Hij ten leste als mensch zich zijner waardigheid als
Messias bewust wordt en dit voleindt in het heilig bewustzijn, dat
Hij is de „Eeuwige Zoon."
Nog altijd blijven we van meening dat onze vaderen dit het zuiverst
hebben uitgedrukt door te leeren, dat Hij de goddelijke en mensche-
lijke natuur in één persoon vereenigde, en blijft ons dunken, dat de
Athanasiaansche belijdenis ter ontsluiering van dit mysterie het zuiverst
beeld koos, door te wijzen op de tweeheid van ziel en lichaam in de
eenheid der menschelijkheid.
Beide ziel èn lichaam behooren tot de wezenssoort van den mensch.
Het lichaam is niet slechts een tijdelijk omhulsel, maar het door God
verordineerd openbaringsorgaan voor het leven der ziel. Toch staan
beide tegenover elkander. Er zijn dingen die de geest, er zijn er
andere die het lichaam doet. Het lichaam wascht zich, kleedt zich,
eet, drinkt. Daarentegen niet het lichaam, maar de geest denkt, wil,
streeft. Toch zeggen we nooit: het lichaam eet, maar ik eet; niet
mijn ziel wil, maar ik wil. En terecht wijl in de persoonlijkheid des
-ocr page 253-
245
menseken, in zijn ik, de hoogere eenheid ligt, die ziel en lichaam
vereenigt.
Zoo nu ook in den Christus. De mensch Jezus Christus neemt
spijze, is moede, weent, lijdt, sterft, niet de eeuwige Zoon. En evenzoo
omgekeerd, de eeuwige Zoon is in den schoot des Vaders, heeft heer-
lijkheid in eeuwigheid bij den Vader, is uit den hemel neergedaald
en is nochtans in den hemel, niet de mensch Jezus Christus. Des-
niettemin schrijven de Evangelisten niet: de mensch Jezus weende,
maar „Jezus weende," en niet: de eeuwige Zoon was eer Abraham
was, maar „eer Abraham was ben Ik."
En terecht, want het is juist in den godmenschelijken persoon van
den Messias dat de eenheid der beide naturen ligt.
Dat deze aanneming onzer natuur mogelijk was ligt aan twee
oorzaken.
Vooreerst aan de nauwe betrekking waarin de menschelijke natuur
tot de nature Gods geschapen is. De mensch is van Gods geslachte.
De eerste mensch wordt genoemd „Adam, de zoon van God." Tot
„kinderen Gods" zijn bestemd, die uit menschen geboren zijn. De
Apostel vermaant ons „der goddelijke natuur deelachtig te worden."
„Zijt heilig, gelijk Ik heilig ben," bindt God in zijn Woord aan
menschen op het hart. „Weest gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader
in de hemelen volmaakt is," is de kooge eere waartoe de Christus
ons verwaardigt.
Op de innigste gemeenschap met het leven Gods is de mensch
derhalve aangelegd; de mogelijkheid van die gemeenschap is in zijn
schepping geordineerd: de voleinding van Gods raad zal de verwe-
zenlijking der verordineering toonen.
Met den mensch, niet met eenig ander schepsel, zelfs niet met de
engelen, is die innige gemeenschap mogelijk. Hij neemt de natuur
der engelen niet aan, maar het zaad Abrahams.
De mensch is bestemd om een woonstede Gods in den Geest te
worden, een tempel Gods, een tempel voor God den Heiligen Geest
zijn hart.
Werpt men derhalve tegen, dat tusschen de natuur Gods en de
natuur des menschen de tegenstelling van het oneindige en eindige
bestaat; een klove vormend, die niet is te dempen; we vragen op
onze beurt of tusschen ziel en lichaam niet de tegenstelling van het
onzichtbare en zichtbare bestaat, die evenmin voor oplossing vatbaar is.
Toont desniettemin de ervaring dat dit onzichtbare en zichtbare
in onze menschelijke persoonlijkheid feitelijk vereenigd is, evenzoo
toont de schepping des menschen, dat er werkelijk verwantschap
tusschen den oneindigen God en den eindigen mensch bestaat.
Toch zou men zich vergissen, zoo men deswege het mysterie in
den persoon van Christus loochende. Bij den mensch is het de
mensch die God in zijn hart opneemt. Bij den Christus is het de
-ocr page 254-
246
Zoon, die zelf God, onze menschelijke natuur opneemt in de gemeen-
seh.-ip van zijn leven. Ook bij het kind van God is en blijft de mensen
zelf de grondslag zijner persoonlijkheid vormen. Bij den Christus
daarentegen is de grondslag zijner persoonlijkheid niet de mensch,
maar God. Bij het kind Gods is het de zondaar die zichzelven ver-
nietigt om God in zich te laten werken. Bij den Christus is het de
eeuwige Zoon, die zichzelven vernietigt om te kunnen werken in
den mensch.
Daarom doelden we op nog een andere oorzaak.
Ze ligt hierin dat Christus niet maar is een mensch, maar de
mensch, de Zoon des menschen, bet Hoofd der menschheid. De men-
schen zijn slechts verschillende varianten op de ééne wezenssoort
mensch. Maar ook die ééne wezenssoort bestaat op zichzelf, bestaat
in zijn volkomenheid, bestaat in zijn voleinding. In geheel het men-
schelijk geslacht vindt ge van die wezenssoort slechts beperkte, ge-
brekkige, onvolkomen afdrukken. Maar die alle wijzen op één grond-
karakter, op een ideale menschelijke persoonlijkheid, die als in een
stralenbundel alle stralen saam vat en dit alles in de hoogste volein-
ding vertoont in zijn persoon.
Bestaat nu krachtens de schepping reeds mogelijkheid van innige
vereeniging tusschen God en die enkele individuen, veel inniger, ja
volkomen moet natuurlijk die vereeniging Gods met dien geheel
éénigen mensch, dien Zoon des menschen zijn die aller zieleadel in
het ééne brandpunt van zijn Ik, die aller leven in de voleinding der
volkomenheid in zijn eigen persoon te aanschouwen geeft. Ja, die
geheel éénig is, geheel eenig in dien zin, dat de grondslag zijner
persoonlijkheid niet eenig menschelijk individu maar Godzelf zijn moet.
Alleen Godzelf kan al de lichtstralen, die Hij in het uitnemendste
geslacht zijner schepselen verordineerde, saamvatten in een enkelen
handgreep. Bovenal, alleen Godzelf kan dat hoogheilige van het éénig
aan God verwante schepsel openbaren in voleinding en volkomenheid.
Al gaat derhalve de wijze dezer openbaring al ons begrip te boven:
wat ons begrip niet te boven gaat is de aanwijzing: Ie. dat de mensch
op de innigste gemeenschap met het leven Gods is aangelegd, en 2e.
dat in hem die al den schat door God aan het menschelijk geslacht
verordineerd in zijn ééne hart en dat wel in voleinding openbaren
zal, de basis der persoonlijkheid niet kan zijn een menschelijk individu,
maar moet zijn God.
De levenskorn van het Hoofd der menschheid is de spil, waarom
al het leven der menschheid in haar eigen vorm zich wentelt, en die
spil, waarom zich de menschheid beweegt, kan niet zijn één der
menschen, maar moet God zelf zijn.
-ocr page 255-
247
XI.
ZOON DES VADEBS.
En Jezus nam toe in wijsheid, en in grootte
en in genade bij God en de menschen.
Luk. 2 : 52.
Wat de kern der persoonlijkheid in den gewonen mensch draagt is
de wil van den Schepper, in den mensch Jezus Christus is dit de
Eeuwige Zoon. Hij staat derhalve tot het Goddelijk wezen in een
andere betrekking dan wij. Is er voor ons geen gemeenschap met het
Goddelijk wezen dan door den Zoon, zóó dat we eerst in en door
Hem gemeenschap hebben met den Yader en den Heiligen Geest, —
bij Jezus Christus daarentegen is die gemeenschap met het Goddelijk
wezen een onverbreekbare, die in zijn eigen persoon berust en
onmiddellijk werkt op den Vader en den Heiligen Geest.
Toch is hiermee de ontwikkeling niet buitengesloten, maar er veeleer
door geëischt. Heeft de Zoon Gods de menschelijke natuur als orgaan
aangenomen, dan ware dit mogelijk geweest op tweeërlei wijs: of door
het aannemen van een volwassen menschennatuur als waarin Adam
geschapen werd, of door het aannemen van de menschennatuur in
haar embryonischen toestand. Door het eerste zou echter geen ge-
meenschap met het bestaande menschelijk geslacht verkregen zijn.
Onder ons optredende, zou de Christus vreemd aan ons geslacht, niet
onzer één, buiten gemeenschap met ons gestaan hebben.
Eischte nu geheel het verlossingswerk, dat de Christus wèl één
onzer zou zijn, was het bij zijn vleeschwording te doen, niet om een
betoon van Gods almacht, maar om redding van het reeds bestaande
menschelijk geslacht, dan volgt hieruit vanzelf, dat de Zoon Gods
onze natuur niet kon aannemen dan door ontvangenis in den schoot
eener vrouw.
Het orgaan dat Hij hierdoor ter uiting van zijn Goddelijk leven
ontving was dientengevolge in de eerste maanden van zijn vleesch-
wording geheel afgesloten van de buitenwereld; toen het kindeke
geboren was bleef het de eerste weken en maanden van zijn aanzijn
in de wereld volstrekt onmachtig om iets van den Christus te uiten;
het kindeke Jezus was gelijk elk ander kind zoo tot denken als tot
spreken en handelen onbekwaam, en liet al den Goddelijken rijkdom
van zijn innerlijk wezen verborgen.
Zou derhalve de vleeschwording haar doel bereiken dan moest het
orgaan zich ontwikkelen, d. w. z. uit de hulpbehoevendheid en
machteloosheid van het kinderleven opwassen tot steeds rijker en
grooter afmetingen.
-ocr page 256-
248
Die ontwikkeling moest een trapsgewijze en een volkomen ont-
wikkeling tevens zijn. Trapsgewijs, zoodat almeer van Jezus\' verborgen
leven zich openbaarde, naargelang het orgaan zijner menschelijke
natuur de hoogst denkbare capaciteit had verkregen om het leven des
Zoons te openbaren.
Daarop wijst Lukas, als hij meldt, dat de Christus toenam in wijs-
heid allereerst, daarna in grootte en eindelijk in genade bij God en
menschen, blijkbaar doelende op een drieledige ontwikkeling: van het
lichaam, van den geest en van de ziel.
Uit dien hoofde heeft men in de ontwikkeling van den Christus
scherp te onderscheiden tusschen de kennis die Hij langs den ge-
wonen menschelijken weg ontving, en de kennis die Hij dankte aan
het gemeenschapsleven met God.
Er was kennis, die Hij verkreeg, gelijk wij die verkrijgen. Dit
doelt op de kennis van personen en zaken in zijn omgeving, van de
kennis der taal, de kennis der natuur en de kennis der maatschappe-
lijke verhoudingen. Maar het doelt ook op de kennis der Schrift.
Ook Jezus heeft van zijne moeder leeren bidden, is door zijne moeder op
God gewezen en heeft door de Schrift kennis ontvangen van de ge-
schiedenis zijns volks en de openbaringen aan Israël gegeven.
Toch mag men hierbij niet blijven staan. Hij was onzondig, zijn
ontwikkeling was dus van meet af rein en heilig. "Van wedergeboorte
kon bij Hem geen sprake zijn. Hij was, zoo leveu we, vol des
Heiligen Geestes, in dien zin zelfs dat Hij als mensch den Heiligen
Geest ontvangen had zonder mate.
Men betreedt daarom een dwaalweg, indien men de ontwikkeling
van den mensch Christus Jezus naar die van zondaren wil afmeten.
Ze moest een veel rijkere, veel snellere, een geheel andere zijn. Wie
eenigermate na kan gaan, hoezeer de zondige aard onzer natuur de
gewone ontwikkeling van hart en hoofd in den weg staat, zal zich,
zij het ook van verre, eenig denkbeeld kunnen vormen van de
harmonische, rijke, heerlijke ontwikkeling der menschelijke natuur in
Christus. Waar geen leugen in de ziel is, ziet het zielsoog juist en
neemt, zelf eenvoudig, de dingen waar in hun wezenlijk bestaan;
tuurt niet op de oppervlakte, maar dringt door in hun verborgen
wezen, doorziet en grijpt ze in den wortel van hun bestaan. Zoo de
kennis der menschenwereld als de kennis der natuur moest derhalve
voor Jezus een gansch andere zijn, dan ze dit voor Petrus en Johannes
was. Maar bovenal geldt dit onderscheid van de kennis der onzicht-
bare wereld en de openbaring Gods. Van die onzichtbare wereld sloot
geen zonde Hem af. Hij leefde er in, Hij ervoer haar werkingen,
Hij genoot en begreep ze. En evenzoo moet Israëls geschiedenis,
Israëls eeredienst en de schat der verbonden aan Israël toebetrouwd,
door Hem verstaan en in zich opgenomen worden met die onfeilbaar-
heid van blik, die alleen bij een onzondig gemoedsbestaan denkbaar
-ocr page 257-
I
249
is. Niet eerst van lieverlede is Hij na vergissing en door gissing tot
het recht verstand en de beteekenis der Godsopenbaring doorgedron-
gen, maar de Schrift heeft Hem toegesproken met onfeilbare gewisheid.
I)e volkomen juiste, diepe en volledige verklaring der Heilige Schrift
kon voor geen oogenblik van twijfel onderhevig zijn Hij kon zich
niet vergissen, wijl de zonde die aller vergissing oorzaak is, in Hem
niet werd gevonden.
De twaalfjarige Jezus in den tempel levert hiervan een proeve.
Keeds op dien leeftijd was het instinct voor de Goddelijke dingen,
in Jezus zoo harmonisch ontwikkeld, dat Hij de symboliek van Israëls
eeredienst en de diepte der Schrift met een vastheid en juistheid van
blik doorzag, die de kennis der priesters en de geleerdheid der Schrift-
tolken verre achter zich liet. Het is Jezus in den tempel aan te zien,
dat Hij zich volmaakt thuis gevoelt in de dingen die Godes zijn, en
dat de wijze, waarop de priesters aan het heilige hun vernuft beproeven,
Hem hun minderheid toont. Hij doorziet en weet meer dan zij. Voor
Hem bestaat er geen twijfel, geen aarzeling, geen onzekerheid, wat
al dit heilige beteekent. Zijn intuïtie is een onbedriegelijke, en dies
is spoedig de rol omgekeerd en zetten de priesters zich, nog geen
gevaar duchtend, half in extase, om den jongen Nazarener neder.
Nog ongewoner en verhevener moet de ontwikkeling van den
mensch Jezus Christus geweest zijn in zijn verborgen omgang met
God. Hij heeft zich altijd kind Gods gevoeld, nooit scheiding tusschen
zijn hart en dien God ervaren, en derhalve een innerlijke verlichting
ontvangen, zooals ze op aarde zelfs door het wedergeboren hart nooit,
zelfs bij vergelijking niet, kan genoten worden.
Voegt men deze gegevens saam, dan gevoelt men, dat de ont-
wikkeling van het orgaan dat zich de Zoon bij zijn vleeschwording
verkoren had, allengs een rijpheid en harmonie moest verkrijgen,
waarvoor wij de menschelijke natuur nooit vatbaar zouden achten.
Al houdt men dan ook met ons ten strengste aan de waarachtige
menschheid des Heeren vast, toch zal elke poging steeds mislukken,
om uit de vatbaarheid der menschelijke natuur in zondaren, ook
al neemt men die in de hoogste ontwikkeling bij de uitstekendste
genieën, tot de volkomen ontwikkelde natuur van den Christus te
besluiten. Te zeggen: „Bij Jezus\' menschelijke natuur was dit of dat
onmogelijk, wijl het onmogelijk of zelfs ondenkbaar blijkt bij de
ontwikkeling van den zondaar," is een uiterst oppervlakkige gevolg-
trekking, die zichzelve weerlegt.
Zoo schreed de ontwikkeling van den mensch Jezus Christus voort
tot zijn dertigste levensjaar. Ze was toen voleind, en met die vol-
einding viel de ontdekking van den mensch Christus Jezus saam, dat
Hij was de Zoon van God.
Natuurlijk, ook Jezus had als kind in de profetieën gelezen van
den Verlosser Israëls die komen zou, zonder nog terstond te gevoelen,
-ocr page 258-
250
dat Hij die Messias was. Wel had Hij met gewisse zekerheid doorzien,
dat deze Messias van Israël zon zijn de Zoon des levenden Gods,
eeuwig in zijn oorsprong, maar juist naarmate het beeld van den
Messias in te hooger Goddelijke glorie voor Hem trad, moest het
besef moeielijker te begrijpen zijn, dat in Hemzelf die Messias was
gezonden.
Dat besef kon eerst ontwaken door den afstand, dien Hij als de
Heilige tusschen zich en heel zijn omgeving ontwaren moest. Schier
kunnen wij ons geen denkbeeld vormen van den geheel ongewonen
indruk, dien de heilige Jezus van de zondaren om Hem heen moet
ontvangen hebben. Er moest als een breuke tusschen Hem en alle
anderen zijn.
Hierdoor moest vanzelf de vergelijking tusschen zijn eigen persoon
en het beeld van den Messias, dat Hij in de Schrift vond, geboren
worden, tot Hij het zichzelf niet langer verhelen kon, dat de over-
eenkomst tusschen Hem en dat beeld sterker was, dan de overeen-
komst met Nazareths bewoners.
Dat dreef Hem om Nazareth te verlaten. In die worsteling zijner
ziel moest Nazareths omgeving Hem een pijniging zijn geworden en
moest zijn hart trekken naar de eenige plek, waar een heiliger woord
werd uitgeroepen, naar de Jordaan, waar Johannes van boete en
bekeering sprak. Immers, ook tot hem was het wel doorgedrongen,
dat Johannes de spoedig ophanden zijnde komst van den Messias
aankondigde.
Dat uitwendig getuigenis kwam het besef, het allengs gerezen ver-
moeden van zijn eigen menschelijken geest bevestigen. Aan de Jordaan
heette het: dat de Messias komende was, en in zijn eigen ziel rees
de vraag: of niet in Hem het beeld van den Messias verwerkelijkt was.
Toch was juist de heilige teederheid zijner ziel een beletsel, om
aanstonds een eigenmachtig Amen over dit vermoeden uit te spreken.
Hij moest zelf den Dooper zien, den Dooper hooren, en het Amen
op het fluisteren daarbinnen moest Hem komen van God.
Zoo ging Hij naar de Jordaan, het niet meer van zich kunnende
zetten dat Hij de Messias was, en daar aan de oevers der Jordaan
geeft God Hem, wat, ter verkrijging van onomstootelijke gewisheid,
voor zijn menschelijk bewustzijn onmisbaar was, t. w. de sprake uit
den hooge: Het is gelijk Gij vermoedt, Gij zijt mijn Zoon, in wien
Ik mijn welbehagen heb.
"Vraagt men derhalve wat aan de Jordaan plaats greep, dan dient
geantwoord, dat de mensch Christus Jezus daar het onwraakbaar
getuigenis ontving voor de waarachtigheid van de inspraak zijner
eigen ziel, die Hem het Zoonschap Gods toekende. Op dat eigen
oogenblik werd derhalve de menscheid van den Christus het orgaan
voor zijn Godheid, en dook de Zone Gods uit zijn zelfvernietiging
in het klare heldere bewustzijn van den mensch Jezus Christus op.
-ocr page 259-
251
Hiermee was zijn ambt gegeven.
Was hij de Zoon Gods, de geprofeteerde, van wien geschreven was:
„Op Hem zal mijn welbehagen rusten," dan volgde hieruit tevens,
dat Hij de verordineerde was, om als Messias onder Israël op
té treden.
Daarom heeft tevens bij den Doop de mededeeling van den Heiligen
Geest plaats. Niet om den eeuwigen Zoon in gemeenschap te stellen
met den Heiligen Geest, want die gemeenschap bestond van eeuwig
en bestaat onverbrekelijk. Ook niet om den mensch Jezus Christus
voor zijn persoonlijk leven met den Heiligen Geest te vervullen, want
zich den mensch Jezus Christus, ook als kind, een oogunblik buiten
de gave des Heiligen Geestes te denken, is Hem lager te stellen dan
Johannes den Dooper. Neen, maar ter mededeeling aan den Christus,
als Messias, van die ambtelijke volheid des Heiligen Geestes, waardoor
zijn persoon tot een woonstede van den Geest werd.
We ontkennen daarom niet, dat ook voorts het leven van den
Christus een leven in strijd en worsteling was, maar beweren, dat de
geestelijke strijd na den Doop niet ontwikkeling van den persoon des
Heeren bedoelde, maar plaatsbeklcedend voor ons was.
De strijd aanstonds door de verzoeking ingewijd is niet meer een
worsteling, waardoor het orgaan der ïnenschclijke natuur zich in
breeder vatbaarheid zal ontplooien, maar een strijd, die door den
Messias, als Hoofd der nieuwe menschheid, in onze plaats door-
worsteld is, en juist daarom een karakter draagt, dat hij voor Jezus\'
persoonlijke ontwikkeling nooit kon dragen, t. w. het karakter van
verzoeking.
Indien gij de Zone Gods zijt! Indien het dan waar is, wat als
vermoeden in uw ziel geworsteld heeft en nu door de stemme uit
den hooge bezegeld is! Indien gij dan de Messias zijt, maak uit die
steenen brood, werp u van de tinne af, kniel voor mij neer! \')
\') Do voorstelling in dit artikel gegeven, dat de mensch Jezus eerst bij den
Doop, voor zoo veel zjjn menschelijk bewustzijn betreft, do zekerheid ontving dat
H(j de Zone Gods was, heeft aanstoot gegeven. "We leiden hieruit af, dat er in
die voorstelling iets onjuist gezegd was. Niet ter wille van menschen, maar uit
onvoorwaardeiyken eorbied voor do hoogheilige persoonlijkheid dos Hoeren, nemen
we dit onjuiste, zonder aarzeling, terug. Ter voorkoming van misverstand voegen
we hier nog slechts aan toe, dat naar onze voorstelling: 1. de Middelaar God van
eeuwigheid was; 2. geen oogenblik ophield God te zijn; 3. reeds door z(ju moeder
moest weten dat Hij do Zoon des Vaders was, en 4. dat het verschil alleen hier-
ovor liop, of de Heor van mensch af als kind het volle bewustzijn van zijn God-
heid met zich omdroeg.
Hierop nu meenen we te mogen antwoorden: o. als Kindeko op Maria\'s schoot
ontbrak Hem dit menschelijk bewustzijn; b. later had Hij hot volkomen; c. er
moet dus ergens in zijn loven een oogenblik liggon, dat dit bewustzijn klaar
doorbrak; d. reods op twaalfjarigen leeftijd sprak dit stork in Hem; e. volkomen
sinds den Doop.
Dit laatste is in het artikel te sterk op den voorgrond gotreden; het vooraf-
gaande te weinig in hot oog gehouden. Hierin lag de feil.