-ocr page 1-
Vr*X      ~
-ocr page 2-
ó^cp
lAim
Kast 428
PI. C N°. 24
-ocr page 3-
&t&>
.•\'/
-ocr page 4-
s
/■
\\
-ocr page 5-
ifiS.CM
KERKELIJK WETBOEK.
DE
REGLEMENTEN EN VERORDENINGEN
J JU liUlJfli.il/UI\'II JU 11 IJ II ! yjllJWU
MKT A ANTKKKKNINGKN,
J. DOUWKS en M*. H. O. FK1TH.
TWEEDE, GEHEEL HERZIENE DRUK.
\'OtheeK *j
.v>,
"i-r------,-,-C
TE GKON1NGEN BIJ J. B. WOLTEKS, 1889.
-ocr page 6-
Stooindrukkerij van J. B. Wolters.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
IIIIlil II IIIIII lil! III! lilt llll IIIIIlil I II II li I lil
A06000012068593B
1206 8593
-ocr page 7-
-\\
INLEIDING.
Met de bewerking en uitgave van dit „Kerkelijk Wetboek" hebben
wij getracht een werk te leveren, dat voor allen, die geroepen zijn met
de kerkelijke en kerkrechtelijke vraagstukken van onzen tijd zich bezig
te houden, bijzonder alzoo voor hen die in hoogere of lagere besturen
van onze Nederlandsche Hervormde Kerk zitting hebben, practisch
dienstig zou kunnen zijn. En is juist in onze dagen de beoefening van
het kerkrecht voor den aanstaanden evangeliedienaar met reden zóó noodig
geoordeeld, dat niet alleen onze Kerk onder de vakken, waarin van
harentwege hooger onderwijs, tot aanvulling van het Universitaire,
gegeven moet worden, dit studievak mede heeft opgenomen, maar ook,
naar het nieuw ontworpen, thans nog niet finaal gearresteerde, Reglement
op het examen ter toelating tot de evangeliebediening, de Candidaten
voortaan opzettelijk over de beginselen van het Nederlandsch Hervormd
kerkrecht zullen ondervraagd worden; wij vleijen ons, dat wij door onzen
arbeid ook eenigermate zullen medewerken om de belangstelling in deze
wetenschap te wekken of te verhoogen.
Wie met dit ons boek kennis maakt s zal daarin vinden eene volledige
verzameling van de reglementen, die op dit oogenblik in onze Kerk
kracht van wet hebben. Na de jongste wijzigingen, in sommige dier
reglementen aangebracht, heeft de Uitgever verbeterbladen doen drukken
en den inteekenaren op dit werk toegezonden om die met de vroeger
gezondene bladen te verwisselen, zoodat men niet behoeft te vreezen,
dat het werk sedert het in \'t licht verschijnen der eerste aflevering in
een of ander opzicht reeds verouderd is, daar het integendeel mag heeten
in alles tot op den huidigen dag bijgewerkt. De Uitgever stelt zich dan
ook voor, bij veranderingen in de bestaande of invoering van nieuwe
reglementen, in de eerstkomende jaren telkens een toevoegsel tot dit
werk voor de koopers en bezitters verkrijgbaar te stellen.
Het maken van nieuwe reglementen, het wijzigen of geheele herzien
van reeds bestaande, waarmede de Kerk in de laatstverloopen jaren zich
zoo ijverig bezig hield, heeft een voor ons minder aangenamen en niet
te verhelpen invloed gehad op de orde, waarin wij do reglementen op
-ocr page 8-
VI
i.\\i.i:ii>iN(i.
elkander hebben laten volgen. Zoo had, om maar iets te noemen, het
Reglement op het examen niet aan het einde, maar veel liever onmid-
dellijk na dat op het Hooger Onderwjjs in de Godgeleerdheid, zijne plaats
moeten vinden. Dit kon evenwel niet, daar tijdens de invoering van het
laatstgenoemde reglement de herziening van dat op het examen eerst
ter hand genomen moest worden en niet zoo spoedig voltooid zou zijn.
En nu nog waren wij genoodzaakt, het te geven, zooals het voorloopig
slechts aangenomen is. Het oude reglement, dat, na de nieuwe regeling
van het hooger onderwijs, der verdwijning nabij is, in onze verzameling
nog eens te laten afdrukken, kwam ons toch even ongepast voor, als
ons Wetboek in de wereld te zenden zonder reglement op het examen.
Dit gebrek aan systematische orde gelieve men ons ten goede te houden;
bij eene tweede uitgaaf, zoo die noodig mocht worden, zal \'t wel gemak-
kelijk zijn te verhelpen.
Wij geven de kerkelijke reglementen met aanteekeningen en bijlagen.
Voor de aanteekeningen hebben wij, gelijk van zelf sprak, het meeste
gebruik gemaakt van de Synodale Handelingen. In deze is veel te vinden .
wat tot recht verstand van onze kerkelijke wetgeving dienstig is. Maar
ze zijn niet in ieders handen; en wie ze onder zijn bereik heeft en ze
tot opheldering van een of ander punt uit ons kerkelijk recht zou willen
raadplegen, wordt licht afgeschrikt door de veelheid van zaken, in die
omvangrijke boekdeelen behandeld, en door de dikwijls voorkomende
noodzakelijkheid om in schier alle jaargangen na te vorschen, daar
dikwerf dezelfde zaak, of eene soortgelijke, herhaalde malen ter Synodale
tafel is geweest, terwijl een algemeen Eegister op die Handelingen sedert
het jaar 1860 niet uitgegeven is. Wij hebben ons die moeite getroost,
waarbjj ons echter de zeer naauwkeurige jaarlijksche registers, vooral
die van den tegenwoordigen hooggewaardeerden en hoogstve<- natdijken
Secretaris der Synode uitnemend te stade kwamen. In \'t vr
             , «ij
hier opgemerkt, dat overal waar wjj in de aanteekeningen             j Mriai
en bladzijden aanhalen, dit natuurlijk beteekent jaartal en          ijdon van
de Synodale Handelingen. Verder hebben wij gebruik gemaakt van
sommige vroeger of later uitgegeven geschriften, die beschouwingen van
blijvende waarde over kerkrecht en kerkelijke verordeningen behelzen;
alsmede van genomen beslissingen en van vonnissen, niet alleen door
kerkelijke maar ook door burgerlijke rechters in kerkelijke zaken geveld.
Wij hebben zoo weinig mogelijk onze subjectieve opvattingen op den
voorgrond willen stellen, maar boven en vóór alles mededeelen, wat in
de geschiedenis der Kerk zelve geworden en als resultaat der practjjk
objectief gegeven is. Op deze wijze wenschten wij aan ons werk practische
waarde bij te zetten.
-ocr page 9-
VII
IKI.KIIHNft.
Tor wille van de eenparigheid hebben wij de in de reglementen en
Synodale Handelingen tot dusver gebruikelijke spelling ook in de aan-
teekeningen gevolgd, natuurlijk met uitzondering van de aanhalingen
uit schrijvers, die eene andere spelling gebruiken.
Men zou kunnen twijfelen, of het uitgeven van een gecommentarieerd
Wetboek der Nederlandsche Hervormde Kerk wel een werk is, waarvan
men in onze dagen eenig heil kan verwachten, waaraan men eenige
blijvende waarde of nuttigheid kan toeschrijven; of het niet, met het
jog op den tegenwoordigen toestand der Kerk, op het zachtst gesproken,
ontijdig moet genoemd worden. Die Kerk toch verkeert thans in een tijd
van crisis; een overgangstijdperk schijnt voor haar te zijn aangebroken,
en wat daarvan het gevolg zijn zal, valt nog niet met eenige zekerheid
te zeggen. Menigeen ziet de toekomst donker in en roept ons toe: „Merkt
gij niet de voorteekenen, die doen vreezen, dat het gebouw der Kerk
weldra zal ineenstorten ; is niet het sloopingswerk reeds begonnen: hebben
niet reeds ijveraars èn van de linker- èn van de rechterzijde, de eersten
omdat zij beweren het in geene kerk te kunnen uithouden die nog een
zweem van positieve belijdenis heeft overgehouden, de laatsten omdat
zij in \'t geheel geen Kerk meer zien, waar niet eene bepaald geformu-
leerde belijdenis den leden als verplichtend is opgelegd, der Synode en
hare wetten de gehoorzaamheid opgezegd; en wie weet hoevelen dat
voorbeeld zullen volgen! Mag men niet eene scheuring, eene gewelddadige
verscheuring der Kerk te gemoet zien; eene revolutie, die straks uwe
geheele wetgeving ijdel en van onwaarde zal maken?"
Wat zullen wij tot deze dingen zeggen? Ook bij ons zijn, onder het
bewerken, zulke gedachten wel eens opgekomen. Maar wij meenden toch
met ons werk rustig te mogen voortgaan; ja, vonden in den gevaarvollen
toestand, waarin onze Kerk verkeert, juist eene aansporing, om door
dezen arbeid, ware het mogelijk, hare organisatie te beter te doen
kennen en — waardeeren.
Allereerst meenen wij te mogen opmerken, dat, waar men spreekt van
scheuring in de Nederlandsche Hervormde Kerk, van slooping van het
oude gebouw, van uiteenspatten van het kerkverband, enz., menigeen
zich wol eerst rekenschap had behooren te geven van wat hij daaronder
verstaat. Scheuring nu kan o. i. op tweeërlei wijze plaats vinden. Vooreerst
op eene vreedzame, geleidelijke en wettige manier, t. w. wanneer hier
en elders leden der Kork (onverschillig, predikanten of gemeenteleden),
ontevreden met den toestand en de verordeningen dier Kerk, uit haar
verband treden, zich van haar scheiden en, waar zij dit kunnen, met
gelijkgezinden, „vrije" gemeenten stichten ofwel, indien financiëele of
-ocr page 10-
IXLEIDIKG,
VIII
andere redenen hun dit ontraden, tot een ander Kerkgenootschap i>vov
gaan. Zóó is de afscheiding tot stand gekomen en de vormir
vrije gemeente te Amsterdam, zóó de stichting van Kemons\'
        ube
gemeenten te Arnhem, Groningen, enz. En mogen nu honderdt i hier
en honderdtallen daar zich afscheiden, ja mogen die honder
         n te
zamen genomen tot eenige duizendtallen klimmen, gelijk in en 1*36
ook het geval was, de Nederlandsche Hervormde Kerk blijf
          >>ij
bestaan en hare organisatie onaangetast; en waar predikant, n j ne
bediening in de Kerk hebben vaarwel gezegd, daar worden hur\'; v \\ . ji\'-on
langs den weg der wettige kerkorde aangevuld. Wij mogan ii • i al1.
uittreden diep betreuren, vooral wanneer overigens bekwame
           -lijkc
mannen in hun geweten meenen gedrongen te zijn de Kerk ti r\'iuten
toch kunnen wij van een kerkrechtelijk standpunt daarin niet /ir , ton
ondermijnen van de Kerk zelve of een krachteloos maken van h. •
ordeningen. Alles is langs wettigen en geregelden weg toegegaan,
geval heeft zich nog niet voorgedaan , dat eene geheele gemeente verklaarde
zich uit het kerkverband los te rukken ten einde, of op zich zelve of
met andere gemeenten vereenigd, eene nieuwe Kerk te stichten; maar
ook, al gebeurde dit schier ondenkbare vroeg of laat, \'t zou in den
kerkrechtclijken stand der zaken niets veranderen. De vraag toch, of
zulke gemeenten de goederen en fondsen, voor hare eeredienst bestemd,
zich als haar eigendom mochten blijven toekennen, dan of het beginsel,
dat de gemeenten alleen voor zoover zij deel uitmaken van de Ned.
Herv. Kerk
op het gebruik dier goederen aanspraak hebben, en aan
welk lichaam het beheer dier goederen c. q. zou moeten worden opge-
dragen, kunnen wij hier onbeantwoord laten: zij zou in hot uiterste
geval door den burgerlijken rechter moeten beslist worden. Z ker.
licht zou de Eegeering de door de Grondwet gewaarl>or?de Uactemi ute •
en emolumenten, die de Predikanten dier gemeenti ,■::
          tot" \'i,
tot de Ned. Herv. Kerk behoorden, stilzwijgend bV|vei toekennen :iuu
de voorgangers van gemeenten, die zich uit het verb der Kerk hadden
losgemaakt.
Maar men kan ook eene kerkscheuring zich vooioiüilen, die, verre
van op vreedzamen en geregelden weg tot stand te komen, het gevolg
zal zijn van openbaar verzet tegen wet en orde, m. e. w. van revolutie.
En hiermede juist wordt onze Kerk bedreigd in den allerlaatsten tijd.
"Waar Predikanten, Kerkeraden en zelfs enkele Classikale Besturen
openlijk verklaren niet te willen, niet te zullen gehoorzamen aan veror-
deningen, die geheel op wettige wijze tot stand gekomen zijn, daar is
dit toch niet anders dan het opsteken van de vaan des oproers, revolutie
prediken. Men bedenke het wel: in de Nederlandscho Hervormde Kerk
-ocr page 11-
INLEIDING.
IX
wordt cene wetsbepaling (in casu art. 38, Kegl. op het godsdienstond.)
in werking gebracht; ze wordt niet der Kerke opgedrongen door eeno
willekeurige macht; ze is tot stand gekomen, zooals volgens de Grondwet
onzer Kerk
alle reglementen en veranderingen in reglementen tot stand
moeten komen: de Synode heeft voorloopig aangenomen; de consideratiën
van alle Provinciale Kerkbesturen en van alle (\'lassikalc Vergaderingen
zjjn er op ingewonnen; de Synode heeft van die consideratiën kennis
genomen en naar eigen oordeel gebruik gemaakt en zoo het wetsartikel
vastgesteld; ten laatste heeft do eindstemming door de leden der !\'ro-
vinciale Kerkbesturen beslist voor de aanneming; alles geheel naar art.
62 van het Algemeen Reglement. Men bedenke het wel: \'t is niet do
Synode, \'t is de Kerk zelce, die, grondwettig vertegenwoordigd, deze
wetsbepaling heeft aangenomen — geheel op grondwettige wijze. En nu
komen mannen, die reeds bij hunne bevestiging als Lidmaten der Kerk
beloofd hebben, hare verordeningen te zullen opvolgen; van welken
sommigen bij hunne toelating tot de evangeliebediening zich plechtig
verbonden hebben, orde en eendracht voor te staan en te bevorderen,
en die allen als medebestuurders der Kerk geroepen zijn, de verordeningen
der Kerk te doen eerbiedigen; dezen komen op met aankondiging van
openbaar rerzet. en ontzien zich niet alle Kerkeraden aan te sporen hun
voorbeeld te volgen. Waar het geweten zoo iets toelaat, daar is het
duidelijk, welke waarde aan het in onze dagen zoo gedurig gehoorde
beroep op het geweten zij toe te kennen! Wat moet er van de Kerk
worden, wanneer hare leden zich mogen veroorloven, wat nu sommigen
willen met betrekking tot dat enkele artikel, t. w. eenvoudig niet gehoor-
zamen aan kerkelijke bepalingen, waarin men geen genoegen vindt:-\'
Zoo zou een staat van volslagen anarchie geboren worden; eene gren-
zenlooze verwarring, als in de dagen, waarvan het heet: „een ieder deed
wat goed was in zijne oogen." Wij behoeven nu niet op te treden als
lofredenaars van de nieuwe redactie van art. 38, Kegl. godsdienstond.;
wij willen gelooven, dat men zelfs van zeer verschillend standpunt ern-
stige bedenkingen daartegen hebben kan, ja zelfs, hoe vreemd het ook
klinke, dat men zich door dat art. in zijn geweten bezwaard gevoelt;
maar betaamde het in dit geval niet aan eerlijke mannen, aan zulken,
van wie men verwachten mocht dat zij het recht en den vrede liefhebben,
ook den weg des rechts, die tevens den weg des vredes is, te blijven
bewandelen, d. i. óf te trachten om door alle wettige, middelen weer van
de Kerk te verkrijgen een nieuwe wijziging van het bezwarende artikel,
of, zoo men dit onmogelijk acht en meent niet te mogen gehoorzamen,
zijne betrekking als bestuurder der Kerke neder te leggen, zoo niet de
Kerke zelve te verlaten, liever dan voort te gaan haar te beroeren?
-ocr page 12-
X
INLEIDING.
[ntusschen mogen wij verwachten, dat juist dat revolutionaire woelen
vele anderen do oogen zal doen opengaan voor de gevaren, die der
Kerke èn van de uiterste rechter- èn van de uiterste linkerzjjde bedreigon,
en dat welgezinde kerkelijke besturen den moed zullen bezitten om wet
en orde te handhaven tegen allen, die verwarring stichten. En wanneer
dan allen die de kerk liefhebben, welke godgeleerde zienswijze zij mogen
toegedaan zijn, zich aaneensluiten in waarachtige liefde voor de Kerk,
ten einde in haar midden al wat waar en goed en recht is, aan te
kweeken en te handhaven, dan behoeven wij aan haar behoud niet te
wanhopen; dan zal zij, zelve een toonbeeld van recht en orde, van vrede
en liefde, door den geest van Hem , die d e waarheid en d e liefde is,
nog in lengte van dagen een zegen voor ons land en ons volk kunnen zijn.
In dat vertrouwen en door die hoop bemoedigd, hebben wij het geen
ijdel of vruchteloos werk geacht, dit nieuw „Kerkelijk Wetboek" uit te
geven.
.1. DOITWES.
Groningen, <> Mei 187!).
Mr. H. O. PEITH.
Bij de tweede uitgave van dit geheele herziene wetboek, gevoel ik
behoefte mijn leedwezen uit te spreken, dat mijn vriend en medewerker
mij door den dood is ontvallen. De blijken van vriendschap en niet het
minst zijne uitnemende kennis van het Nedorl. Kerkrecht deden mij zijn
heengaan met te meer smart gevoelen. Zijne bekende ervaring op- het
gebied van het Neder]. Kerkrecht en de groote zorg door hem aan de
uitgave van het Wetboek besteed, nopen mjj de getuigenis af te leggen,
dat hij moet geacht worden de hoofdbewerker er van te zijn geweest.
Onmiddelijk na het afdrukken van het eerste stuk van deze herziene uitgave
nam hem de dood weg. Aan mij bleef nu de zorg voor het tweede stuk.
Maar ook daarbij vond ik weer hulp in de vele daartoe behoorende
aantcekeningen door mijn medewerker nagelaten, zoodat ook van dit
gedeelte wederom een groot deel der bewerking hem toekomt.
De inleiding geplaatst voor de eerste druk, heb ik gemeend onver-
anderd in deze tweede uitgave te moeten opnemen. Behalve toch de
mededeeling over de inrichting en de strekking van dit werk, vindt men
er ook beschouwingen in opgenomen over den toestand der Kerk, hare
rechten, fondsen enz. Deze, al moge de toestand van 1879 en 1889 niet
in allo opzichten dezelfde zijn (veel toch toen vooruitgozien is inder-
daad gebeurt), zijn dos niettemin nog te overdenken en te behartigen.
Groningen, 27 Februari 1889.                                             Mr. H. O. FEITH.
-ocr page 13-
INHOUD.
Bladz.
Algemeen Reglement voor tle Hervormde Kerk in het Koningrijk
der Nederlanden.................         1
Bijlagen:
F. Hoofdstuk VI van de Grondwet..........      44
II.     Wet, regelende het toezicht op de onderscheidene kerkge-
nootschappen................
       4f>
III. Kon. Besl., houdende regeling van de wijze van behandeling
der zaken betreffende do eerediensten........      47
IV. Syn. Besl. omtrent de wijze van correspondeeren tusschen
kerkelijke lichamen..............      49
V. Syn. Brief van 30 Juli 1879 aan de Prov. Kerkb. enz. . .      51
Reglement voor de Kerkeraden.............      53
Bijlagen:
1. Syn. verordeningen betreffende de openbare eeredionst . .       72
II. Wat betreft de meer stichtelijke en plechtelijke bediening
van den II. Doop en het H. Avondmaal.......       76
III.     Brief aan do Kerker, over de viering van deti Goed. Vrjjdag      79
IV.     Brief aan de Kerkeraden over de jaarlijksche viering van
den gedenkdag der Hervorming..........      81
V. Syn. Circ. ter aanbevel. van de kerkel. huwelijksinzegening      82
VI. Uit het Wetboek van Strafrecht..........      84
VII. Schrijven van de Alg. Syn. Comm. over art. 1 Rogl. Kerker.      85
Reglement voor de diaconiën der Ned. Herv. Kerk......      87
Bijlagen:
I. Aanschr. der Syn. Comm. over de begins. v. h. diac.-regl..      9fi
II. Uit de wet tot regeling van het armbestuur......     100
III.     Koninkl. beslissing omtrent de zelfstandigheid der diac.. .     105
Reglement op de Vacaturen..............     107
Formulieren bij het Regl. op de Vac............     144
Bijlagen:
I. Bepalingen omtrent het verleenen van emeritaats-pensioen .     149
II. Gecommitteerden tot de ontvangst van vaeatuurpenningen .     151
III.     Toekenning van tractement, enz. bij predikantsberoeping .     153
IV.     Het recht van collatie, enz............     156
Regl. voor Kerkel. opz. en tucht en behandeling van geschillen .     161
-ocr page 14-
XII
INHOUD.
Bladz.
Reglement op de kerkvisitatie.............     187
Bijlage:
Tabel van vragen voor de schriftelijke kerkvisitatie . . .     195
Reglement op het hulppredikerschap...........     197
Formulier....................    201
Reglement op de erkenning van nieuwe gemeenten......    203
Reglement op het Godsdienstonderwijs..........    207
Bijlagen:
I. Instructie wegens de godsdienstoefeningen in de strafgevan-
genissen en huizen van verzekering........    221
H. Circ. der Syn. Comm. over godsd. belangen der zeevarenden    223
III.     Circ. der Synode omtrent de gemengde huwelijken . . .    225
IV.     Aanschrijving aan de Kerkeraden in garnizoensplaatsen. .    227
Regl. op de benoeming van oud. en diak. en beroeping van pred..
    230
Reglement op het Hooger onderwijs in de godgeleerdheid tot vor-
ming van evangeliedienaren voor de Ned. Herv. Kerk ....    237
Verordeningen op het prediken van cand. in de godgeleerdheid .    242
Reglement op het fonds ter voorziening in de geestelijke behoeften
van gemeenten, waar eigen middelen ontbreken......    245
Reglement voor het hulppensioenfonds voor predikanten ....    251
Reglement op de Algemeene Weduwenbeurs........    256
Reglement op het fonds voor noodlijdende kerken en personen . .    264
Keglement op het fonds der schraalste predikantstractementen . .    271
Reglement op de kosten voor het bestuur der Ned. Herv. Kerk .     274
Bjjlagen:
1. Algemeen Reglement op het beheer der kerkelijke goederen
en fondsen, en het toezicht daarop.........    280
II. Adres der Synode aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal
ter verkrijging van eene wettelijke regeling van het beheer
der kerk el. goederen der gemeenten en het toezicht daarop    292
Reglement op het examen ter toelating tot de evangeliebediening
in de Ned. Herv. Kerk...............    295
Aanhangsel, eenige financiëele belangen van kerkelijke collegiën
en personen betreffende.
I. Vrijdom van port...............    306
II. Tractementen en pensioenen van predikanten. Regeling der
predikants-tractementen in Indië..........    309
lil. Beginselen, welke de Reg. volgt bij het verl. van alt. tant.    313
IV. De bepalingen omtrent kinder-, school- en akademiegelden     315
V. Vrijstelling van de militaire en schuttersdiensten . . . .    317
VI. Weduwen-pensioenen..............    319
VU. Het fonds Steyn-Schellingek...........    320
Register.....................    321
-ocr page 15-
02105287
VOOR DE
HERVORMDE KERK IN HET KONINGRIJK DER NEDERLANDEN.
I. ALGEMEENE BEPALINGEN.
Art. 1. De Nederlandsche Hervormde Kerk •) bestaat uit al de
Hervormde Gemeenten *) in het Koningryk der Nederlandens), Waalsche,
Presbyteriaansch-Engelsche en Schotsche 4), zoowel als Nederduitsche.
1) De Nedeii. Herv. Kerk. Vóór 1816 sprak men gewoonlijk van de Gere-
formeerde kerken in de Nederlanden.
Zie b.v. de titeh der oude kerken-ordeningen.
Die van 1619 heet nog: „Kercken-ordeninge, gesteldt in den nationalen Synoden,
der Gereformeerde kerken, te samen beroepen en gehouden door ordre van" .. enz.
Soms sprak men wel in collectieven zin van „de Hervormde Kerk", zooals in
1773 op het titelblad van het Psalmboek. Maar de eenheid van kerkelijk bestuur,
hoe ook gewenscht en bedoeld, ontbrak, öeene kerken-ordoning had overal wettig
gezag. Zoovele provinciën, zoovele kerkelijke republieken, schoon naar denzelfden
grondvorm ingericht. Verg. Dr. J. j. prins {Het Kerkrecht der Ned. Herv. Kerk,
Leiden 1870, bl. 39—43). Het Reglement van 1816 bracht eenheid in het kerk-
bestuur en heette daarom Algemeen Reglement voor het Bestuur der Hervormde
Kerk in het Koningrijk der Nederlanden.
Het thans, sedert 1852, vigeerend
Reglement voor de Hervormde Kerk in het Koningryk der Nederlanden, \'twelk
der Kerk niet door Koninklijk gezag gegeven, maar door haar zelve, wettig
vertegenwoordigd, tot stand gebracht is, spreekt het in art. 1 en 2 duidelijk
uit, dat de Ned. Herv. Kerk een organisch geheel is, bestaande uit verschil-
lende gemeenten.
2) Bestaat uit al de Hervormde Gemeenten. Art. 1 van het A. R. van 1816
luidde: „Tot het Hervormd Kerkgenootschap behooren allen, die, op belijdenis
des geloofs, tot ledematen zijn aangenomen, dezulken, die in de Hervormde
Kerken gedoopt zijn, en diegene, welke in andere landen, als tot het Hervormd
Kerkgenootschap behoorende, erkend, zich hier te lande nederzetten, mits door
behoorlijke bewijzen of attestatiën van hunnen doop of lidmaatschap buiten\'s lands
hebbende doen blijken." Niet alleen is de zakelijke inhoud van dit art. in het
tegenwoordige Regl. over de artt. 1 en 2 verdeeld, maar ook in deze beide
duidelijk uitgesproken, dat men niet tot de Ned. Herv. Kerk kan behooren, zonder
tot eene bijzondere kerkelijke gemeente in eenige betrekking te staan (verg. Syn.
Handd. 1869, Bijl. B, bl. 63). Ook rust het in onze kerk aangenomen vertegen-
woordigend stelsel op gemeentelijken grondslag, niet op dien van het zielental.
Kerkelijk Wetboek, 2e druk.                                                                      1
-ocr page 16-
Alg. Reglement.
2
3)    In het Koningrijk der Nederlanden. Dus ook in de Neêrlandsche overzeesche
bezittingen, die oen gedeelte zijn van het Koningrijk der Nederlanden (Zie
Grondtv. art. 1). Maar do betrekking der O.- en W.-Indische kerken tot do Synode
wordt door dit Regl. niet geregeld. Zie art. 4 al. 2.
4)    De Waalsche gemeenten maken één afzonderlijk Kerkreasort uit. De Pres-
byteriaansch-Engelsche en Schotsche gemeenten behooren tot de kerkelijke res-
sorten der Nederduitsche gemeente in de stad waar zij gevestigd zijn. (Art. 34 al. 2).
Art. 2. Tot elke bijzondere gemeente behooren \'):
die op belijdenis des geloof\'s *) tot lidmaten3) zn\'n aangenomen;
die voor alsnog alleen door den doop4) in hare gemeenschap zyn
ingelijfd;
die door geboorte uit Hervormde ouders, of door den overgang
hunner ouders tot de Hervormde Kerk, gerekend worden tot eeue
bijzondere gemeente in betrekking te staan;
die in eenige Evangelische gemeente, hetzy hier te lande, hetzij
elders, zijn erkend als behoorende tot de Hervormde Kerk en van
hunnen doop of hunne belydenis door behoorlnke bewijzen hebben
doen binken 5). f^
1)    Tot elke bijzondere gemeente. Deze woorden duiden, in verband met art.
1, genoegzaam aan, dat zij, die in de termen vallen van de vier volgg. alinea\'»,
behooren tot die gemeente, waar hunne woonplaats gevestigd is. Verg. ook art
14, 6° van het Regl. op de Kerkeraden en artt. 6 en 10 van dat op de Diaconiën.
Hieruit vloeit dan ook voort, dat alwie eenmaal volgens eene der hier voorkomende
bepalingen tot de Ned. Herv. Kerk behoort, zoo hij naar eene andere gemeente
van diezelfde Kerk met der woon vertrekt, noodwendig gerekend moet worden
tot die gemeente, binnen welker kring hij zijne woonplaats heeft overgebracht.
Ten einde dit een en ander nog duidelijker te doen uitkomen, heeft in 1869 de
Syn. Comm., aan welke, naar aanleiding van een paar adressen, van Grootegast
en Groningen, was opgedragen te adviseeren over het al of niet wenschelijke
eener verandering van dit art., voorgesteld, meer uitdrukkelijk de inwoning tot
hoofdgrondslag der verbindtenis met de gemeente te maken. Zij grondde haar
oordeel omtrent het wenschelijke hiervan op het meermalen voorkomende geval,
dat personen, in eene gemeente woonachtig, maar elders gedoopt, geen lidmaat
worden of, elders lidmaat geworden, hunne attestatie niet indienen en alzoo
zich meenen te kunnen onttrekken aan het betalen in den hoofdelijken omslag.
De S. C. wilde dus als laatste al. aan dit art. toegevoegd hebben: „Deze allen
worden gerekend te behooren tot de bijzondere plaatselijke gemeente, binnen
wier ressort zij in den zin der burgerlijke wet hunne woonplaats hebben." De
Synode heeft evenwel dit voorstel onaannemelijk geacht, als in strijd met het
beginsel van vrijheid, dat in dezen behoort te worden voorgestaan, en onnoodig
geworden, nadat van de indiening der attestatie de stembovoegdheid is af hankelijk
gemaakt. 1869, bl. 231, 232, Bijl. B., bl. 62—65. Een later voorstel van gelijke
strekking, ook van de Synodale Commissie (naar aanleiding van adressen van
de Waalsche Commissie en van den Kerkeraad van Sluis) is, hoewel door de
Synode van 1882 voorloopig aangenomen, in 1883, conform het daarover ter
tafel gebrachte rapport, desgelijks als onnoodig verworpen. 1880, bl. 51—53,
116, 117; 1881, bl. 43; 1882, bl. 539—343, Bijl. B, bl. 78—82; 1883, bl. 91—97-
2)    Belijdenis des geloofs. Verg. Regl. op het godsdienstonderwijs, art. 38—42.
-ocr page 17-
/
/* / //\'. /"
-ocr page 18-
Abt. 1—3.
3
3)    Lidmaten. Het hedendaagsch kerkelijk spraakgebruik maakt onderscheid
tusschen lidmaten en leden, daar het onder dezen verstaat ook die zonder nog
belijdenis des geloofs te hebben afgelegd, tot de kerk behooren. Zóó in het Alg,
Reyl. op het beheer,
enz. van 1 Oct. 1870, art 2. Anders in het Doopaformulier, vr. 1.
4)  Doop. Zoowel hier, als art. 14 Regl. op de kerker, wordt bedoeld do Kinder-
doop. Van doop van bejaarden is nergens in de regl. sprake. De tot lidmaten
aangenomenen worden verondersteld gedoopt te zijn. Volgens algemeen christelijke
beginselen en naar den geest onzer Herv. Kerk behoort ieder, die in zijne
kindsheid niet gedoopt is, bjj zijne aanneming tot lidmaat, op de belijdenis van
zijn Christelijk geloof, gedoopt te worden. Nochtans heeft de Synode geoordeeld,
dat de overlegging van een doopsbewijs bij de aanneming van lidmaten, zooals
meermalen o.a. in 1874 door twee classikale vergaderingen, was gewonscht, niet
knn geëischt worden (Handd. 1874, bl. 307—371, 376). En op de vraag, of de
naam van een door den kerkeraad der Waalsche gemeente te Breda, zonder
doop,
tot lidmaat aangenomen en als zoodanig ingeschreven Israëliet uit het
lidmatenboek moest geroijeerd worden, heeft do Comm. voor de zaken der
Waalsche Gem., afkeurende de handeling diens kerkeraads, ontkennend ge-
atitwoord. Zie het verhandelde in deze zaak door de Synode, 1874, bl. 130—134,
162, 163. — In 1882 is dit onderwerp weder in behandeling geweest naar aan-
leiding van een adres van twee leden des Kerkeraads te Tzummarum en een
voorstel van don heer P. Roodhuysen, tot opname van eene des betreffende
bepaling in het Regl. op de Kerkeraden en in dat op het godsdienstonderwijs;
de Synode heeft echter nu evenmin als vroeger bepalingen naar den wensch der
voorstellers willen ontwerpen. 1882, bl. 344—349. (Verg. art. 14, 5° Rogl. voor
de Kerkeraden en art. 38 Regl. op het godsdienstonderwijs). Eindelijk heeft
in 1883 naar aanleiding van een voorstel van de Class. Verg. van Njjmegen,
de Synode verklaard, dat zij, „hoewel doordrongen van het hooge gewicht van
den christelijken doop, het onnoodig acht, daaromtrent nadere bepalingen in de
reglementen op te nemen." 1883, bl. 98—102.
5) De wetgever heeft met de bepaling in deze alinea het oog gehad op
zulken, die tijdeljjk wonende in eene plaats, waar geen Hervormde Gemeente
is, bij eenige daar gevestigde protestantsche gemeente als erkende Hervormden
zijn ingeschreven geweest, evenzoo als het bij onze gemeenten kan plaats hebben
met leden van andere protestantsche Kerkgenootschappen.
Art. 3. Deze allen blijven tot de Nederlandsche Hervormde Kerk
behooren, zoolang zy niet door woord of daad l) ten duidelijkste
toonen, zich van haar af\' te scheiden, of door haar van hunne be-
trekking tot de Kerk vervallen zb\'n verklaard 2).
1) Door woord of daad ten duidelijkste toonen. Daar deze woorden onbeslist
laten, door welke daden men duidelijk toont zich van de Herv. Kerk af te
scheiden, en hieruit zoowel voor de diaconie bij hare armenbedeoling, als voor
den kerkeraad bij het beoordeelen der stembevoegdheid moeiehjkheid zou kunnen
ontstaan, heeft de Synode in 1869, op aanraden der Syn. Comm. (naar aan-
leiding van eene vraag van het Prov. Kerkb. van Z. Holland, zie 1868, bl.
169—171, 180, 181), daarvoor willen in de plaats stellen: duidelijk verklaard
hebben;
maar in 1870, in aanmerking nemende, dat „vele feitelijkheden van het
tegenwoordige kerkelijk leven" voor het behoud van het woord daad pleiten en
dat door de uitdrukking ten duidelijkste genoegzame waarborg is gegeven tegen
willekeur van de zijde des kerkeraads, besloten het art. onveranderd te laten.
1*
-ocr page 19-
4
Alo. Reglement.
1869, bl. 232, 233, Bijl. B, bl. 66; 1870, bl. 71—73, 79. — Het Regl, van
1816 had in art. 2 de woorden: vrijwillig en duidelijk verklaard hebben; en in
1836, d.d 14 Juli (dien eersten tijd der „Afscheiding"), was door de Synode
aan de Kerkelijke Besturen en Kerkeraden eene, destijds noodig geachte, Cir-
culaire uitgevaardigd omtrent de „handelwijze der Kerkeraden ten aanzien van
Leden, die zich willen afscheiden," te vinden bij ö. bruna, Regll. en Besll. der
N. H. K.
(7de dr.) Afd. II, § 4. Verg. ook de door de Syn. Comm. reeds d 24 Nov.
1864 aan Z. E. den Min. op zijn verzoek ingezondene authentieke verklaring
van art. 2 en 3. 1865, Bijl. B, bl. 88—90.
2) Vervallen zijn verklaard. Het artikel stolt de tweeërlei wijze, waarop
men kan ophouden tot de Ned. Herv. Kerk te behooren: 1°. door vrijwilligo
afscheiding; 2°. door eene vervallenverklaring van hunne betrekking tot de Kerk.
Die vervallenverklaring zou dan door de Kerk zelve moeten worden uitgesproken
even zoo als de Kerk, naar het reglement voor Kerkelijk Opzicht en Tucht,
art. 4, lidmaten kan vervallen verklaren van hun lidmaatschap. Het zou naar
datzelfde reglement door eene kerkrechtelijke uitspraak moeten geschieden.
Maar nu is juist deze vervallenverklaring onder de tuchtmiddelen in het aange-
haalde art. niet opgenomen. Bij de vaststelling van het Reglement voor Opzicht
en Tucht, iiji^Mk- jaren later, heeft men opzettelijk het beginsel, dat in het
laatste gedeelte van art. 3 Alg. Regl. was uitgesproken, ongereglementeerd
gelaten. Zie aanteekening op art. 4 van genoemd reglement. Intusschen is om-
trent hen, die in den jongsten tijd, onder het voorgeven van „de reformatie
der kerk ter hand te nemen", de orde en rust in de kerk verstoren en langs
don weg van revolutie hare inrichting trachten omver te werpen, door de Kerke-
lijke Besturen, naar het eerste gedeelte van art. 3 Alg. Regl., geconstateerd
en bij wettig Besluit verklaard, „dat zij door woord en daad ten duidelijkste
hebben getoond, dat zij zich van de Sed. Herv. Kerk hebben afgescheiden en
mitsdien niet langer tot haar behooren." De vraag is gerezen of de woorden:
„of door haar van hunne betrekking tot de Kerk vervallen zijn verklaard"
thans niet zouden moeten wegvallen of — in het reglement voor Kerkelijk O.
en T. tot hun recht komen. De Synode van 1887 heeft echter gemeend noch
tot het eene, noch tot het andere te moeten besluiten. De woorden moeten
blijven, omdat zij een onwraakbaar recht der Kerk uitspreken; maar voor het
reglementeeren van het daarin nedergelegde beginsel bestaat voor als nog evenmin
als in ls§y, toen het Regl. voor O. en T. werd vastgesteld, dringende nood-
zakelijkheid. 1887, bl. 186—197, 304, 305.
Abt. 3*. \') Stemgerechtigde leden eener gemeente zn\'n alle manslid-
maten, die onder haar ressort wonen, den ouderdom van 23 jaren be-
reikt hebben en ten minste één jaar geleden, hetz\\j by den kerkeraad
geloofsbelijdenis hebben afgelegd, hetzy op ingediende attestatie of
bewijs van lidmaatschap als lidmaten der gemeente erkend zn\'n.
Geen stemrecht wordt uitgeoefend door hen, die onder censuur of
curateele staan, of in het jaar, dat aan de stemming of verkiezing
voorafgaat, door eenig armbestuur zyn bedeeld geworden.
1) Dit art. (sedert 1 Febr. 1874) is bijna woordelijk overgenomen uit art. 1 van
het Syn. Regl. voor de benoeming van Oudd. en Diakk. en de beroeping van
Predd. In het A. R. voor de N. H. K. mocht eene algemeen geldende bepaling,
wie rechtens stemgerechtigd zjjn, vooral met het oog op eene gewenschte nieuwe
-ocr page 20-
Art. 3—4.
5
regeling van het beheer, niet ontbreken. Handd. 1871, bl. 109 — 112, 142, 143,
Bjjl. B, bl. 190; 1872, bl. 287, 238; 1873, bl. 119—123, 143. Voorts vergelijke
men het aangeteekende op art. 1 van het Reglement op de benoeming, enz.
Art. 4. Het bestuur der Nederlandsche Hervormde Kerk wordt
uitgeoefend \'):
1°. over de gemeenten, door Kerkeraden;
2°. over meer gemeenten vereenigd, door Classikale Besturen en
Provinciale Kerkbesturen;
3°. over al de gemeenten te zamen, door de Synode.
De belangen der Oost- en West-Indische Kerken zijn een voorwerp
van de aanhoudende zorg der Synode van de Nederlandsche Hervormde
Kerk. De betrekking dezer Kerken tot de Synode wordt nader ge-
regeld 2). Intusschen wordt zy onderhouden door tusschenkomst van
den Secretaris der Synode, als lid der Commissie voor de zaken der
Protestantsche Kerken in Neêrlands Indië 3).
1)    Wordt uitgeoefend, enz. Het Regl. van 1816 had in art. 3: „Het Bestuur
der Herv. K. wordt Synodaal, provinciaal, claasicaal en gemeentelijk uitgeoefend."
Het handelde dan ook eerst van „het Synode", vervolgens van de Prov. Kerk-
besturen en zoo verder, in overeenstemming met den aristocratischen geest der
in het Koninklijk gezag gewortelde organisatie. In het Regl. van 1852 is,
democratisch, de orde omgekeerd; niet van boven naar beneden, maar van
beneden naar boven. „Dit Herzien Regl. gaat niet van de Synode uit, om van
daar tot de Kerkeraden af\' te dalen, maar van de gemeenten, om vandaar, langs
don weg van Kiescolleges, Kerkeraden, Classikale Vergaderingen en Collegiën
van Kerkbestuur, tot de Synode op te klimmen, die de Kerk wettig vertegen-
woordigt en voor haar in rechten optreedt. Uit den boezem der gemeente rijst
alzoo het gebouw regelmatig op, en door de uitvoering van art. 23 heeft do
Herv. Kerk thans dien zuiver kerkelijken grondslag verkregen, waarop zij veilig
rusten kan (prins, Het Kerkr. der N. H. K., bl. 75, 76)." Achter dit „veilig\'"
mocht echter wel een groot ? geplaatst zijn. De wijze, waarop aan art. 23 uit-
voering is gegeven, heeft zeker der kerk weinig heil aangebracht. Hierover
evenwel nader bij het Regl. op de benoeming, enz.
2)    üe betrekking wordt nader geregeld. Deze regeling zal eerst kunnen komen,
wanneer van Regeerings-wege aan de Protestantsche Kerken in Neêrlands Indië
de haar toekomende zelfstandigheid, voor zoo ver onder een Koloniaal Bestuur
bestaanbaar, zal zijn verzekerd. Van 1821 tot 1873 had een Lid der Commissie
voor de zaken der O. en W. Indische Kerken in de Synodale Vergadering zitting
met concludeerende stem. Dit werd, daar genoemde Commissie, hoewel voor het
meerendeel uit kerkelijke personen bestaande, toch eene Staats-Commissie is,
wel terecht geacht in strijd te zijn met het vertegenwoordigend karakter der
Synode, maar bleef voortduren, omdat de Synode, in de hoop, dat hare onder-
handelingen met de Regering ter verkrijging van eene meer kerkelijke regeling
van de zaken der O. en W. I. Kerken, tot het gewenschte resultaat zouden
leiden, de betrekking tot die Kerken niet wilde afbreken (zie 1850, bl. 475,
490; 1851, bl. 282; 1862, bl. 367, 369—371, 404). In 1870 werd, bij de
opheffing der reserves, indertijd aan de Koninklijke goedkeuridg van het A. R.
verbonden, de vrijheid van handelen, ten aanzien der buitenlandsche Korken,
voor de Synode uitdrukkelijk tot Europa beperkt. Den 16 Junij 1874 kwam de
-ocr page 21-
6                                               Alg. Reglement.
tegenwoordige reductie van het slot van dit art. in werking, in plaat» van de
vroegere: „De betrekking dier Kerken tot de Synode blijft op den tegenwoordigen
voet, tot dat zij nader kerkelijk kan worden geregeld." Verg. behalve hetgeen
in vroegere Handd. der Synode te dozer zake te vinden is, 1868, bl. 161,
198—200; 1869, bl. 221, 222, Bijl. B, bl. 53—55; 1870, bl. 148, 149, Bijl. B,
bl. 135, 136; 1872, bl. 107, 146, 147, Bijl. B, bl. 153; 1873, bl. 191 — 194 en
1875, Bijl. D, bl. 8, 9. Voorts is aan de Synodale Commissie aanbevolen ge-
bleven om, wanneer er sprake mocht komen van eene reorganisatie der Indische
Kerken,
de Synode van advies te dienen omtrent hetgeen het belang der Kerk
zal vorderen. 1875, bl. 192.
3) Commisie voor de zaken, enz. Deze Commissie is ingesteld bij Kon. Besl.
van 4 Sept. 1815 no. 5, vernieuwd bij Kon. Besl. van 7 Dec. 1820, no. 113.
Zij bestaat uit zeven leden, waaronder de Secretaris van de Synode der Ned.
Herv. Kerk, die van de Ev. Luthersche Synode en die van het Prov. Kerkbe-
stuur van Z. Holland. Voorts nog twee dienstdoende protestantsche predikanten
en twee anderen. De Commissie, ook haar President, Vicepresident en Secretaris
worden door den Koning benoemd. Zij staat in verband met de betrokken
Ministerieelo Departementen en met het Indisch Kerkbestuur, eveneens oen stuats-
collegie (Kon. Besl. van 28 Oct. 1840 no. 57). Hare werkzaamheden zijn om-
schreven in het genoemde Besluit van 1820. (Zie Dr. J. J. prins, t. a. p., bl.
104 en 105).
Abt. 5. De leden dezer besturen worden benoemd door de Kerk \'),
op de wijze, welke verder in de verschillende hoofdstukken van dit
reglement is opgegeven.
Met uitzondering alleen van die der Kerkeraden worden deze leden
benoemd voor den tijd van drie jaren \'). Jaarlijks treedt een derde
of zoo na mogelijk een derde af, en wel wat de Algemeene Synode
aangaat op den derden Woensdag van de maand Juli, bij de Pro-
vinciale Kerkbesturen en de Classikale Besturen op den l8ten Januari.
De leden van het Classikaal Bestuur worden gekozen uit de predi-
kanten en uit de ouderlingen of oud-ouderlingen, wonende binnen
het ressort.
Tot leden van het Provinciaal Kerkbestuur zijn alleen die predi-
kanten en ouderlingen benoembaar, die leden zyn of geweest zn\'n
van een Classikaal Bestuur.
De leden der Synode worden gekozen, voor zoover z;j predikanten
zn\'n, uit de leden der Provinciale Kerkbesturen en hunne secundi; de
ouderlingen uit hen, die als zoodanig in de Provinciale Kerkbesturen
en in de Classikale Besturen zitting hebben of gehad hebben en uit
de secundi der eerstgenoemden.
Niemand kan ten zelfden tijde lid zijn van een Classikaal Bestuur
en van een Provinciaal Kerkbestuur 3).
Een lid van eenig Classikaal Bestuur, geroepen wordende tot een
Provinciaal Kerkbestuur, treedt, by aanvaarding van deze benoeming,
in de eerste betrekking af en wordt door zn\'nen secundus vervangen4).
1) Door de Kerk. Volgens de organisatie van 1816 werd het raoderamen der
Synode jaarlijks en werden de Leden dier vergadering en de overige kerkelijke
-ocr page 22-
Art. 4—6.
7
besturen de eerste maal onmiddellijk, vervolgenB uit eone nominatie, door den
Koning
benoemd.
2)     Voor den lijd van drie jaren. Ten gevolge van de reorganisatie van 1874
hoeft dit art. de belangrijke verandering ondergaan, dat de driejarige zitting der
leden van de Synode, reeds langen tjjd wenscheljjk geacht, daarin uitgesproken
is. In werking gekomen d. 31 Maart 1875. /ie op art. 56.
3)    Niemand kun, enz. Volgens het A. R. van 1816 (art. 56) fungeerde elk
lid van het Prov. Kerkbestuur als Praeses bij de moderatoren van zijn Ciassi-
kaal ressort.
4)    Staat het een lid van een Class. Best. vrij, ingeval bij, secundus zijnde,
bij het l\'rov. Kerkbestuur, naar al. 3 van het volgende art. optreden moet,
voor het Prov. Kerkbestuur te bedanken on lid te blijven van het Class. Bestuur?
Meen; want hij is, van het oogenblik af, dat bericht gekomen is van do ont-
stontenis van zijn primus, lid van het Prov. Kerkbestuur. Hij kan hiervoor
bedanken, maar heeft opgehouden lid te zijn van hot Class. Best. Verg. 1886, bl. 210.
Art. 6. Aan elk der leden van de besturen boven den Kerkeraad
wordt een secundus \') toegevoegd, die de vereischten heeft om als
lid op te treden.
By tijdelijke ontstentenis8) van den primus treedt de secundus
voor hem op als gewoon lid 3).
Bij aftreding tusschentijds4) van den primus wordt de secundus
gewoon lid gedurende den diensttijd van den primus.
De secundus van den secretaris of scriba vervangt alleen in het
laatste geval den secretaris of scriba in zijne bijzondere betrekking.
Als een secundus gewoon lid geworden is, verkiest de eerstvolgende
vergadering van het bevoegde collegie een ander tot zijn secundus b).
1)    Een secundus. Door deze bepaling wordt kennelijk bedoeld, „dat elk lid
zijn eigen afzonderlijken secundus hebben zal en geen twee of meer leden dezen
geineen kunnen hebben." Verkl. der Syn. Comm., waarmede zich de Synode
vereenigd heeft. 1858, Bijl. B, bl. 37. De rereischte» van een secundus zie art 5.
Ken voorstel tot uitbreiding van dit art., ten einde te voorkomen, dat iemand,
die lid is van een Kerkelijk bestuur, ook nog secundus zij van een ander lid
van datzelfde bestuur, is door de Synode als onnoodig afgewezen. 1879, bl. 102, 104.
2)    Hij tijdelijke ontstentenis. Hoe te handelen in de gevallen van vruchteloos
door de class. vergaderingen gedane benoemingen? Volgens de verklaring der
Synode van 1860, eene andere interpretatie, van 1858, retificeerénde, „wil
art. 6 in zijne 2e en 3e al. duidelijk genoeg den primus steeds door zijn secundus
doen vervangen voor den geheelen diensttijd van den primus, wanneer deze,
onverschillig of zulks vóór dan na zijne workolijke optreding plaatsheeft, buiten
staat is zijne betrekking waar te nemen", en de eerstvolgende class. verg. kiest
naar al. 5. 1860, bl. 128.
3)    Als gewoon lid. Dus: de secundus van den Praeses of den Assessor treedt
niet als Praeses of Assessor op. In plaats van den Praeses treedt de Assessor,
in plaats van den Assessor het oudste lid op als zoodanig. Zoo ook in de vol-
gende alinea.
4)    Bij aftreding tusschentijds. Indien het oudsto lid bij een Classikaal Bestuur
in de tusschentijds opengevallen plaats van den Assessor en de secundus van
den Assessor als lid opgetreden is, moet de door de class. vergadering nieuw
-ocr page 23-
Alg. Reglement.
8
benoemde secundus niet aan den fungeerenden Assessor, maar aan het nieuw
opgetreden lid des bestuurs toegowezen worden. Het oudste lid, Assessor wordende,
behoudt zijn secundus. Synod. verklaring, 1867, bl. 17. Zie verder op art. 47.
5) Een secundus kan voor geen ander lid, dan voor hem wiens secundus hij
is, als lid optreden.
Art. 7. Van alle benoemingen wordt onverwijld kennis gegeven
aan de nieuw benoemden.
Van de benoeming tot leden of secundi van eenig bestuur boven
den Kerkeraad wordt tevens zoo spoedig mogelijk bericbt\') gezonden
aan den secretaris der Synode en de onderscheidene kerkelijke be-
sturen, die er belang bh\' hebben.
1) Bericht aan, enz. Berichtgeving aan het Ministerieel Departement vervallen
1 Maart 1867, ten gevolge van de veranderde verhouding van Kerk en Staat.
Eveneens uit andere Regll. weggenomen. Zie het Rapport 1865, bl. 136—138.
De Ministeriële aanschrijving van 15 .lulij 1865, dat de Regering afstand deed
van de tot dusver verplichte opgaven, had, naar het oordeel der Synode, toen
reeds feitelijk de reserve no. 6 doen vervallen. Zie 1865, bl. 151 —153.
Akt. 8. Alle stemmingen in kerkelyke vergaderingen, ter vervul-
ling van openstaande of openvallende plaatsen, geschieden door de
tegenwoordig zijnde leden, en wel met gesloten briefjes.
Ter beslissing wordt gevorderd de volstrekte meerderheid \') der
behoorlek uitgebrachte stemmen. Wanneer deze, na twee vrije stem-
mingen, b\\j eene derde tusschen de twee, die de meeste stemmen op
zich vereenigd hadden, blijkt niet verkregen te kunnen worden, zal
het lot beslissen 8).
Voor elk lid en voor iederen secundus zal telkens afzonderlijk
gestemd worden.
1) De volstrekte meerderheid. Bij het opmaken van nominatiën geen vereisclite,
ofschoon kerkelijke collegiën ook dit als vereischte in hunne huishoud, regll.
knnnen opnemen. Syn. Yerkl. 4 .lulij 1856.
ï) Zal het lot beslissen. De wijze van loting moet geheel aan de prudentie van
het kerkelijk collegie, dat daartoe overgaat, worden overgelaten. Cassatie-vonnis
der Syn. comm. 1868, Bijl. B, bl. 100.
Art. 9. Geeji kerkelijk bestuur neemt eenig besluit, dan bü tegen-
woordigheid vaïK minstens twee derden1) der leden, waaruit het
bestaan moet2), teö^jj de vergadering, wegens ongenoegzaam getal
van leden, reeds eeniriW was uiteengegaan en ten tweeden male tot
behandeling der zaak wettiglijk was opgeroepen.
1)    Twee derden. Hoewel deze bepaling, vooral voor groote vergaderingen,
belemmerend kan zijn, heeft evenwel de Synode de aanneming van een voorstel
„om voor collegiën, wier ledental dertig of meer bedraagt, de tegenwoordigheid
van de grootste helft der leden, als tot het dadelijk nemen van een besluit go-
noegzaam, vast te stellen," onraadzaam geacht. 1867, bl. 86—88.
2)     Waaruit het bestaan moet. De invoeging dezer woorden (in werking
gekomen 15 Febr. 1872), is noodzakelijk geacht, om den twijfel aangaande de
opvatting van die twee derden (zie het cassatie-vonnis der Syn. Commissie, in
-ocr page 24-
Wijziging tot vestiging van een vast spraak-
gebruik, in verband met bovenstaande wetsver-
anderingen, tot onderscheiding van besluiten, uit
spraken en beslissingen.
A. Wijzigingen in het Algemeen Reglement.
Art. 9, 1° worde aldus gelezen:
Geen kerkelijk bestuur neemt eenig besluit in bestuurszaken
noch eenige beslissing in zake van kerkelijk geschil, noch doet
eenige uitspraak in zake van tucht, dan bij tegenwoordigheid
van minstens twee derden der leden, waaruit het bestaan moet,
tenzij de vergadering, wegens ongenoegzaam getal van leden,
reeds eenmaal was uiteengegaan en ten tweedenmale tot behan-
deling der zaak wettiglijk was opgeroepen.//W^A. aP^/
„Vergaderingen van een kiescollege in eene gemeente, waar
het Classicaal Bestuur (of het Provinciaal Kerkbestuur) doet
wat des kerkeraads is, bestaan uit de overgebleven kerkeraads-
leden, uit den consulent, zoo de gemeente vacant is, uit de
gemachtigden en uit de leden des Classicalen Bestuurs (of des
Provincialen Kerkbestuurs)."
Aldus vastgesteld door de Algemeene Synode der Nederland-
sehe Hervormde Kerk den 27sten Augustus 1889, en, na kennis-
geving aan Z. M. den Koning, volgens Art. 1 der Wet van
10 September 1853 [Staatsblad N°. 102), uitgevaardigd door
de Algemeene Synodale Commissie, om in werking te treden den
lö^en Januari 1890.
-ocr page 25-
Art. 6—11.                                              9
zake benoeming van diakenon te Leiden duur een on voltallig kiescollegie: 1869,
Bijl. B, bl. 165—169) voor goed weg te nemen. 1870, bl. 168—170; 1871, bl.
175—182, 286, 287.
Akt. 10. De leden der kerkelijke besturen stemmen in de ver-
gaderingen, tot welke z\\j zijn afgevaardigd, altijd hoofdelijk, en
zonder aan lastbrieven gehouden te zijn.
Elk lid is verplicht zyne stem bepaald uit te brengen, tenzij de
vergadering hem van die verplichting ontslaat.
Art. 11. De zorg\') voor de belangen, zoo van de Christelijke
Kerk in het algemeen als van de Hervormde in het bijzonder, de
handhaving \') harer leer 8), de vermeerdering der godsdienstige kennis,
de bevordering van christelijke zeden, de bewaring van orde en een-
dracht, en de aankweeking van liefde voor Koning en Vaderland,
moeten steeds het hoofddoel zn\'n van allen, die, in onderscheidene
betrekkingen, met het kerkelijk bestuur belast zyn.
1)    De zorg, enz. Dit art. is, met eene kleine verandering in den aanhef,
overgenomen uit het Regl. van 1816. In art. 9 las men: „De zorg voor de be-
langen zoo van het Christendom in het algemeen als van de Hervormde Kerk
in het bijzonder, de handhaving" enz. De veranderde redactie heeft ten gevolge,
dat nu de woorden „handhaving harer leer" niet alleen op de Herv. Kerk, maar
ovenzeer op de Christelijke Kerk in het algemeen betrekkelijk zijn.
2)    Handhaving is niet alleen, zelfs niet in de eerste plaats te verstaan van
handhaving door kerkrechtelijke uitspraak en is niet hetzelfde als beslissing van
leerstellige geschillen. In 1816 heeft de Commissaris Generaal, in zijn namens
den Koning aan de Classis van Amsterdam gegeven antwoord op hare bezwaren
tegen de instelling der Alg. Synode, uitdrukkelijk verklaard, dat de beslissing
van leerstellige geschillen van de bevoegdheid der Synode was uitgesloten,
hoewel de handhaving der leer niet alleen aan de Synode, maar aan alle ker-
kelijke besturen bleef opgedragen. „Het Synode wordt thans niet opgeroepen
om leerstellige geschillen te beslissen, maar om de Kerk te besturen. Wat de
leer zelve betreft, zijn de verpligtingen van deszelfs leden, en die van alle andere
Kerkbesturen begrepen in dit 9*e Artikel van het Alg. Regl., hetwelk met
ronde woorden van hen vordert de handhaving van de leer der Hervormde Kerk."
Vraagt men, hoe het mogelijk is, dat eene Synode geen leerstellige geschillen
beslissen mag en toch de leer moet handhaven, de woorden door den Commis-
saris Generaal bij de opening der eerste Synodale Vergadering gesproken, geven
zijne bedoeling vrij duidelijk te kennen: „Door de ondervinding voorgelicht,
zult gij de zuiverheid van de leer door den eenigen goeden waarborg verzekeren,
namelijk door het vaststellen van inrigtingen, geschikt om den waren Christe-
lijken geest in Leeraars te versterken door de vermeerdering van godsdienstige
kennis." De leer wordt gehandhaafd door prediking, door onderwijs, door weder-
legging van dwalingen en teregtwijzing van dwalenden, m. e. w. door al wat
de godsdienstige kennis kan bevorderen. Tot zulk eene handhaving werden ook
naar het vroeger vigeerend art. 27 van het Regl. op het examen, de Candidaten
tot den h. d. verplicht. En wat handhaving door kerkrechtelijke uitspraak betreft,
deze mag alleen plaats hebben, naar art. 3 al. 2 van het Regl. voor K. Opz.
en Tucht, in geval van openbaren strijd met den geest en de beginselen van de
belijdenis der Hervormde Kerk.
-ocr page 26-
10                                         Alg. Rbglement.
3) Leer. Niet hetzelfde als de leerstukken der Her». K.; niet de leer, zooals
die vorvat is in de z.g. formulieren van cenigheid. Deze beteokenis is noch in
1816 bij de samenstelling van het Regl., noch en veel minder in 1851, toen
men elke verklaring of hjjvooging, b. v. naar het Evangelie, onnoodig rekende,
aan het woord leer gehecht en is in allen gevalle onmogeljjk geworden, nu het
tot Ho Christelijke Kerk in \'t algemeen, zoowel als tot de Hervormde in \'t bij-
zonder in betrekking is gebracht (iecne leer zal als on-hervormd kunnen
gewraakt worden, die den toets van christelijkheid kan doorstaan, \'t Blijft dus
bij ,,den geest en de hoofdzaak" of „de beginselen van do belijdenis der Ned. Herv.
Kerk." Zie Regl. Oodsd. ond. art. 39, ü. en T. art. 3 on op het examen, art. 27.
Do woorden „handhaving harer leer" zijn herhaaldelijk aangevallen en hunne
verwjjdering of wijziging in dien zin, dat er voor in de plaats gesteld word:
„handhaving van het evangelie" of „van de beginselen van het Protestantisme"
of iets dergelijks, is meermalen verlangd, o. a. in 1874, toen een geheel nieuw
art. 11, waardoor allo gevaar van conscientie-dwang van de kerk zou moeten
vorwjjdord worden, door de Synode provisioneel is aangenomen. De Synode van
1875 heeft echter, naar de consideratiën van de overgrooto meerderheid der
Prov. Kerkbesturen en Class. Vergaderingen, geoordeeld het art. onveranderd
te moeten laten. Zij heeft het niet onduidelijk uitgesproken, dat deze bepaling
in geen anderen zin verstaan en op geenc andere wijze toegepast mag worden,
dan in de overige regll. is aangewezen. Zie 1874, bl. 138 — 158, 175—179,
180—185, 189—191; 1875, bl. 200-250, 286-289. Verg. het over dit art.
verhandelde in de vergg. van 1872 en 1873, alsmede de verklaring van de aan-
gevallen woorden, gegeven in de Synode van 1878, bl 382, 383, 404, 405 on in die
van 1879, bl. 346. Op wegneming dezer woorden is o. a. aangedrongen in 1887 door
den ring Kraneker; daarmede zou, naar het oordeel van don ring oen twistappel
uit de Kerk worden verwijderd; de Synode heeft evenwel geoordeeld, aan dit
verzoek geen gevolg te mogen geven, omdat juist door dio wegneming een
nieuwe twistappel zou worden geworpen. 1887, bl. 374.
Abt. 12. Geene algemeen verbindende reglementen, of veranderingen
in de bestaande, kunnen worden vastgesteld dan door de Synode1).
Geene bijzondere reglementen voor provinciale ressorten, ot ver-
anderingen daarin, kunnen in werking worden gebracht, dan door
de Provinciale Kerkbesturen, na de goedkeuring der Synode te hebben
ontvangen;
geene bijzondere reglementen voor classikale ressorten \'), of\' ver-
anderingen daarin, dan door de Classikale Besturen, na de goedkeuring
der Provinciale Besturen te hebben erlangd;
geene bijzondere reglementen voor de ringen 3) of veranderingen
daarin, dan door de ringsvergaderingen, na de goedkeuring van de
Classikale Besturen te hebben ontvangen.
Deze goedkeuring van een hooger bestuur mag niet geweigerd
worden, tenzij het blijken mocht, dat de bijzondere reglementen met
de algemeene in strijd zyn.
Dispensatie kan alleen gegeven worden van die bepalingen, welke
uitdrukkelijk bh de reglementen zyn aangewezen, en op de wijze
daarbh\' voorgeschreven.
-ocr page 27-
Art. 11—13.                                            11
J) Door de Synode. Op du wijze, zooals in Art. 62 is bepaald. Oorspronkelijk
had art. 12 eonc tweede alinea van dezen inliond: „In zaken waarbjj classikale
vergaderingen, Kerkeraden en gemeenten rechtstreeks belang hebben, zullen de
kerkbesturen de eonsideratiën der classikale vergaderingen inwinnen." Deze
bepaling is echter den 81 Maart 1875 vervallen, nadat de Synode had vastgesteld,
dat voortaan de classikale vergaderingen over alle nieuwe, van do Synode uit-
gaande, reglementen of veranderingen in de bestaande, zonder onderscheid,
zouden gehoord worden. 1874, bl. 367.
2)     Huishoudelijke reglementen voor Classikale vergaderingen vallen niet in
de termen van dit art. en hebben al/.oo goene goedkeuring van elders noodig.
1852, bl. 213.
3)     Reglementen roor de ringen. \'Aio. artt. 27 -30, Alg. Kegl.
iïene voorlaatste al., voorschrijvende, dat van alle in dit art. vermelde ver-
ordeningen en veranderingen kennis zal gegeven worden aan het Ministerieel
Departement, is d. 1 Maart 1870 vervallen.
Over afzonderlijke huishoudelijke inrichtingen der gemeenten en plaatselijke
reglementen voor de benoeming van ouderlingen on diakenen en de beroeping van
predikanten, zie art. 1(> van dit Regl. en art. 4 van het Kegl. op de benoeming, enz.
Abt. 13. De kerkelijke besturen bepalen hunne werkzaamheden
binnen de grenzen hunner bevoegdheid \')* zoodat zij niets behandelen
wat uitsluitend tot den werkkring van een ander eollegie behoort.
Kerkelijke besturen hebben het recht, in zaken, welke tot hunne
bevoegdheid behooren, voorstellen in te dienen en voorlichting 2) te
vragen bij de in opklimmenden rang naastvolgende.
De verlangde voorlichting zal door deze zoo spoedig mogelijk
worden gegeven. Eerstgenoemden zh\'n gehouden, de aangevraagde
berichten, bescheiden en eonsideratiën zonder verwijl op te zenden.
1)     Binnen de grenzen hunner bevoegdheid. Die grenzen zijn in dit Regl.,
en voor de Kerkeraden bovendien nog in het Regl. op de Kerkeraden, om-
schreven. De bepalingen van dit art. zijn geheel in den geest van onze oudo
Kerkordeningen, die voorschreven, dat men in de hoogere vergaderingen der
kerk geene zaken zou behandelen, dan die in de lagere niet hadden kunnen
afgehandeld worden (Syn. v. Dordr. 1578, art. 18; v. Middelb. 1581, art. 22;
v. \'s Orav. 1586, art. 27; v. Dordr. 1619, art. 30).
2)     Voorlichting, enz. In 1852 heeft de Synode een met het bepaalde in dezo
al. moeielijk overeen te brengen besluit genomen, nl. „dat tot bevordering van
algemoene eenstemmigheid, de inlichtingen, die kerkelijke collegiën en personen
wegens de opvatting en toepassing van algemeene kerkelijke verordeningen be-
hooven zullen , alleen bij de Synode, en, deze niet vergaderd zijnde, bij de Algemeens
Synodale Commissie behooren gevraagd te worden, langs den daartoe aange-
wezen kerkdijken weg (Handd. 1852, bl. 56 en 58; Kerk. Cour. no. 31)." Nadat
een tijdlang volgens dezen regel was gehandeld, waardoor de werkzaamheden
dor Synode merkelijk werden uitgebreid en haar bestuur van de algemeene be-
langen der Kerk meermalen onnoodig tot de regeling van bijzondere gemeente-
voorvallen afdaalde, drong in 1857 de Syn. Comm. aan op intrekking van dat
besluit, als strijdig met art. 13 van het Alg. Regl.; doch te vergeefs. De lieer
l\'. A. c. hugenholtz stelde in \'t volgende jaar voor, öf het bedoelde besluit
alsnog terug te nemen, èf anders art. 13 van het Alg. Regl. te wijzigen. Noch
-ocr page 28-
12
Alg. Reglement.
het een, nocli het ander werd nangenomen, daar de Synode ook nu geen strijd
zag tusschen het besluit en het artikel (1858, bl. 124—126, 149, 150). Tevens
werd van do classikalo en provinciale kerkelijke besturen verlangd, „dat ook
zij op verzoek al die inlichtingen zouden geven, waartoe zij in staat en bevoegd
zijn, moetende zij het daarvoor houden, dat door deze inlichtingen in geenen
deelc wordt geprnejudicieerd eene officiële uitspraak, waartoe zij later in dezelfde
zaak kunnen geroepen worden." Eindelijk in 1861 bragt de Syn. Comra. dit punt
nog non» ter sprake en toonde ten duidelijkste aan, „dat het Synodaal besluit
derogeert aan een duidelijk voorschrift van het Alg. Regl.", \'t welk aan de
kerkelijke besturen geeno bevoegdheid toekent om zich, tot het bekomen van
inlichting, tot een ander dan tot het in opklimmenden rang naastbijzjjnde bestuur
te wenden. „Wanneer een class. of prov. bestuur eene vraag om inlichting van
ulgemceiioii aard ontvangt en zich in staat gevoelt haar te beantwoorden, dan
gaat het daartoe terstond over. Doch ziet het in zoodanige vraag bezwaar, dan
is het op zijne beurt bevoegd, om zich door een hooger kerkbestuur te laten
voorlichten. Het zal daartoe te eerder overgaan, wanneer het lagere bestuur op
eene of andere wijze\' toont prijs te stellen op toelichting door het hoogste kerk-
bestuur gegeven. Gewichtige en moeiel ij ke vragen zullen dan ook, volgons art.
13 van het Alg. Regl., tot de Synode of Syn. Comm. worden gebracht." De Synode,
met bijzondere goedkeuring van deze beschouwingen kennis nemende, heeft met
eenparigheid van adviezen en stemmen gezegd Synodaal besluit ingetrokken en
zulks vermeld in hot kerkelijk orgaan (1861, bl. 332, Bijl. B, bl. 232—236).
Sedert dien tijd is bij aanvragen van Kerkeraden of Classikale Besturen om
inlichting, bij Synode of Syn. \'Comm. ingediend, art. 13 gehandhaafd en zijn
de vragende collegié\'n naar de in opklimmenden rang op hen volgende besturen
verwezen. Zie b.v. 1874, Bijl. B, bl. 106, 107; 1875, Bijl. B, bl. 164, 166;
1879, Bijl. B, bl. 112.
A§iT. 14. Een kerkelijk bestuur, dat vermeent door de besluiten \')
van eefrJn opklhniuenden rang volgend bestuur bezwaard te zijn,
heeft het rèfehtj zich b\\j nog hooger te beklagen; doch is inmiddels
gehouden, zich naar. de ontvangene voorschriften te gedragen, ten
ware de zaak in geschil2) bb\' einduitspraak niet meer zou kunnen
worden gebracht in haar geheeL xln dit laatste geval wordt hiervan
onverwijld kennis gegeven zoo aan ~h^t bestuur, waarover men zich
beklaagt, als aan het bestuur, waarbij dVehidbeslissing 3) behoort, en
als dit laatste de Synode is, dan in den tussclientijd dat zu\' niet is
vergaderd, aan de Algemeene Synodale Commissie.
1) Dit art. handelt over besluiten in bestuurszaken en laat beklag over een
genomen besluit hjj een in opklimmenden rang volgend bestuur toe, maar geeft
ook duidelijk te kennen, „dat de beslissing, op het gedaan beklag genomen, is
eene eindbeslissing, waarvan noch hooger beroep, noch aanvraag tot vernietiging
wordt toegelaten." Het onderscheid tusschen dit en het volgende art. is, ook
in verband met de bepalingen van het regl. voor Opz. en T., „dat de wetgever
in art. 15 uitsluitend het oog heeft gehad op beslissingen in zaken van tucht en
geschillen,
doch niet op besluiten in bestuurszaken, waaromtrent do wijze van
procedeeren is omschrevon in art. 14, terwijl de uitdrukking „%mibeslissing\'\\ in
dat art. voorkomende, daarin geene verandering brengt, omdat de beslissingen
naar art. 14 genomen, ondanks die benaming hun karakter van besluit behouden
-ocr page 29-
Wijziging van Art. 14 van het Algemeen Eeglement.
Art. 14. Besluiten in bestuurszaken worden, indien de aard
der zaak het vereischt, ter kennis van belanghebbenden ge-
bracht; indien zij personen, met name genoemd, betreffen, door
toezending van een gewaarmerkt afschrift.
Kerkelijke besturen, ringen, lidmaten en leden der gemeente,
die door een besluit in bestuurszaken van het bestuur waaronder
zij onmiddellijk geplaatst, zijn, vermeenen bezwaard te zijn, ^
hebben het recht, zich bij het in opklimmenden rang volgend /f"-M*.
bestnnr te beklagen, dat in deze zaak een eindbesluit nemen zal. /^^£m
-ocr page 30-
Abt. 13—15.
13
en onderscheiden blijven van die bedoeld in art. 15, zoodat zij dan ook niet,
zooals deze laatste, door alle leden van het bestuur, maar alleen door President
en Scriba of Secretaris behoeven onderteekend te worden." 187B, Bijl. B, bl.
194—198. Menigvuldig zjjn dan ook de in de Syn. Handelingen voorkomende
beslissingen dor Syn. Commissie, waarbij de aanvragen om vernietiging van
besluiten werden afgewezen, op grond dat art. 14 geen vernietiging van besluiten
toelaat. Zie, o a. de niet oritvankeljjk-verklaring der kerkernden van Hellevoet-
sluis en Schoonhoven, vragende vernietiging van beslissingen van het Provinciaal
Kerkbestuur van /.-Holland, op hunne tegen de beslissingen der respectieve
class. besturen ingediende bezwaren; des eersten in zake de opheffing oenor
predikantspluats, des tweeden in zake het houden eener derde collecte bij som-
mige godsdienstoefeningen; beide t. a. p. 1876. In den zin van eindbeslissing,
waarvan geen appèl is of vernietiging kun gevraagd worden, is ook in 1865
door het Prov. Kerkbestuur van Utrecht en in 1875 door het Prov. Kerkbestuur
van Groningen uitspraak gedaan, ter zake van bezwaren tegen het desapprobeeren
van gedane beroepingen. In de Kerkelijke Courant van 20 Nov. (no. 48) 1872
leest men, van de Syn. Commissie: „Naar daartoe verkregen aanleiding worden
de Kerkelijke Besturen opmerkzaam gemaakt, dat „Besluiten" van Kerkelijke
Collegies niet gelijk kunnen gesteld worden met uitspraken in zaken van tucht,
noch met beslissingen in Kerkelijke geschillen en deshalve geenszins vallen in
de termen van art. 15 Alg. Regl."
2)    Geschil. Dit woord is hier minder juist gekozen en kan tot misverstand
aanleidiug geven. Tusschen een lager en hooger kerkelijk bestuur kan geen
geschil bestaan (zie art. 68 Regl. voor Kerkelijk Opzicht en Tucht); een lager
Bestuur kan zich bezwaard gevoelen over liet besluit van een hooger. Uu beslis-
sing in zaken van geschil valt onder art. 15 en is gereglementeerd in het regio-
ment van Opzicht en Tucht, artt. 67—71.
3)    Eindbeslissing. Een Kerkelijk Bestuur welks „Besluit" wordt vernietigd
is geen bezwaarde in wettelijken zin. 1875, bl. 98—101.
Abt. 15. Iedere beslissing \') van een kerkelijk collegie is vatbaar
voor hooger beroep bh\' het in opklimmenden rang volgend collegie.
Van beslissing, in hooger beroep gevallen, wordt geen nieuw appèl
toegelaten, doch kan alleen vernietiging worden gevraagd1) wegens
schennis of verkeerde toepassing der reglementen 3).
Het verzoek tot vernietiging van uitspraken van Classikale en Pro-
vinciale besturen, alsmede van de Waalsche Commissie wordt gedaan
bh\' de Algemeene Synodale Commissie 4), die in dezen beslist.
In geval van vernietiging 5) wordt de zaak verzonden aan een ander
collegie van geleken rang, als dat de vernietigde uitspraak heelt
gewezen. Als ook dit collegie uitspraak heeft gedaan, is de zaak
definitief beslist.
                                    v
De Synode, geroepen om, hetzg in eersten aanleg, hetzh\' in hooger
beroep, uitspraak te doen, wordt bh\' uitloting 5) verminderd op
de helft harer leden. Indien van die uitspraak herziening wordt
gevraagd, wordt de zaak voor de geheele Synode gebracht, die haar
definitief beslist.
1) Iedere beslissing. De vraag, of volgens deze bepaling ook niet aan
-ocr page 31-
Art. 15 worde aldus gelezen:
Van iedere uitspraak in zaken van tucht, door een kerkelijk
bestuur gedaan, kan de bezwaarde in hooger beroep komen bij
het in opklimmenden rang volgend bestuur.
Van eene uitspraak, in hooger beroep gedaan, wordt geen
nieuw beroep toegelaten , doch kan alleen vernietiging worden
gevraagd, wegens schennis of verkeerde toepassing der Regle-
raenten.
Het verzoek tot vernietiging van eene uitspraak van een
Classicaal Bestuur of Provinciaal Kerkbestuur, alsmede van de
Commissie tot de zaken der Waalsche Kerken , wordt gedaan bij
de Algemeene Synodale Commissie, die in dezen uitspraak doet.
In geval van vernietiging, wordt de zaak verzonden aaneen
ander bestuur van gelijken rang als dat, hetwelk de vernie-
tigde uitspraak gedaan heeft. Dit bestuur doet alsdan eind-
uitspraak.
De Synode, geroepen om, hetzij in eersten aanleg, hetzij in
hooger beroep, uitspraak te doen , wordt bij uitloting vermin-
derd op de helft harer leden.
Indien van die uitspraak herziening wordt gevraagd, dan
wordt de zaak voor de geheele Synode gebracht, welke eind-
uitspraak doet.
Dezelfde regelen gelden voor het nemen van beslissingen in
zaken van kerkelijke geschillen. //r <%^»./«P^v/
-ocr page 32-
14                                        Alg. Reglement.
den klager recht op appèl moest gegeven worden, is herhaaldelijk door de Synode
ontkennend beantwoord; zie de aant. op art. 33 Regl. voor Kerkelijk Opzicht
en Tucht.
2)    Over de vraag, of kerkelijke Besturen wier uitspraak door eene uil-
spraak in hooger beroep vernietigd is, cassatie kunnen aanvragen, zie op art.
56 Regl. voor Kerkelijk Opzicht en Tucht.
3)    Schennis of verkeerde toepassing der regll. Zie over de beteekenis hiervan
hot aangeteekende op art. 56 van het Regl. v. Kerkelijk Opzicht en Tucht.
4)    Bij de Alg. Synodale Commissie. De Synode bezit geene bevoegdheid om
van eenig verzoek tot cassatie kennis te nemen. Verg. Regl. v. Opz. en Tucht,
art. 59; Syn. Handd. 1863, bl. 156, 157.
5)   In geval van vernietiging. Een voorstel van den heer schürbeque boeije, om
deze al., en, in verband daarmede, art. 59 Regl. v. Opz. en T. zóó te wijzigen
dat de verzending naar een ander collegie alleen plaats grijpe, wanneer de
vernietiging der uitspraak is geschied wegens schending der bij de reglementen
voorgeschreven vormen,
is met de verduidelijking, die eene commissie voor nieuwe
wetsvoorstellen er aan gegeven had, t. w. dat in geval van vernietiging wegens
verkeerde toepassing der reglementen de zaak door de Synodale Commissie defini-
tief worde beslist,
verworpen door de Synode in 1875. Handd. bl. 44, 125—128,
130 — 138. Een soortgelijk voorstel, voorloopig aangenomen in 1865 Handd. bl.
256), was onaannemelijk geacht in 1866 (Handd. bl. 121, 134—136). Bij beide
gelegenheden oordeelde de Synode: „dat in de bedoelde gevallen de Synodale
Commissie eene bevoegdheid zou verkrijgen, welke met hare oorspronkelijke
instelling niet is overeen te brengen en in strijd zou komen met de onmiskenbare
bedoeling dor kerkelijko wetgeving om de eigenlijke rechtspraak alleen bij de
kerkelijke besturen te doen berusten; de Commissie zou dan niet slechts Hof
van cassatie, maar tevens Hof van appèl worden", te meer, daar „schennis en ver-
keerde toepassing
van reglementen niet altijd zoo nauwkeurig zijn te onderscheiden."
5) Bij uitloting. De leden der Synode, die tot de uitspraken, waarvan hooger
beroep, hebben medegewerkt, niet van de loting uit te zonderen; zulks zou
met den eisch, dat de Synode bij uitloting op de helft van hare Zede» verminderd
worde, in strijd zjjn. 1869, bl. 5, 6; 1870, bl. 5. Echter met inachtneming van
art. 15 van het Regl. v. Opz. en Tucht. Zie 1872, bl. 17, 18.
Art. 16. De Hervormde gemeenten, in art. 1 genoemd, behoorende
tot hetzelfde geheel, en onder hetzelfde gemeenschappelijk bestuur
geplaatst, zullen echter, naar hare by zond ere behoeften en omstan-
digheden, hare afzonderlijke huishoudelijke inrichtingen kunnen hebben,
onder de bepalingen in art. 12 voorkomende.
II. BIJZONDERE BEPALINGEN.
HOOFDSTUK I.
Het kerkelijk hestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.
Art. 17. De plaatselijke gemeenten blijven bepaald binnen de
grenzen \'), waarin zy nu bestaan, zoolang daarin op wettige, bij
-ocr page 33-
Abt. 15—19.                                        15
dit reglement aangewezen wijze, geene verandering zal gemaakt zijn.
De belangen van elke dier gemeenten zyn toevertrouwd aan predi-
kanten, benevens ouderlingen en diakenen, die allen door lidmaatschap
aan die gemeente behooren verbonden te zijn.
Bü langdurige ziekte of tydelü\'k gemisv) van een predikant der
gemeente, zorgt de ring, volgens de bepalingen van het Reglement
op de vacaturen, voor de vervulling van zijn dienstwerk.
1)    Binnen de grenzen. De wijze, waarop veranderingen in de grensscheidingen
tusschen gemeenten tot stand kunnen komen, is bepaald in art. 73, 7°. Verg.
het daarbij aanget.
2)    Tijdelijk gemis. Vacaturen on, naar artt. 33 — 89, Kogl. op do vac., g«-
valien met vacaturen gelijkstaande.
EERSTE AFDKEL1NO.
De Kerkeraden.
Abt., 18. ïn alle gemeenten, waar het perjsoneel daartoe niet ont-
breekti zal een Kerkeraad zijn.
(temienten, die, door gebrek aan genoegzaum geschikt en gewillig
personeel, geen Kerkeraad kunnen hebben, «ijn geplaatst onder het
toezicht! van het Classikaal Bestuur, hetwelk niet den predikant, ot\'bij
vacature met den consulent, doen zal, wat dés Kerkeraads is \').
1) Hetwelk doen zal, wat den Kerkeraads is. Het Classikaal Bestuur ia
bevoegd om daartoe, in voorkomende gevallen, zich door eene commissie uit
zijn midden te laten vertegenwoordigen. Zie art. 1 al. 4 van het regl. voor de
Kerkeraden.
Abt. 19. De Kerkeraad wordt onderscheiden \') in algemeenen en
bijzonderen.
De algemeene, die in alle gemeenten, grootere of kleinere, bestaat,
is samengesteld uit één of meer predikanten en uit ouderlingen en
diakenen.
Tot den bijzonderen, die slechts in gemeenten met drie of meer
predikanten gevonden wordt, behooren alleen predikanten en ouder-
lingen, terwijl diakenen aldaar ook *) een afzonderlijk collegie uitmaken.
De Kerkeraad vertegenwoordigt en bestuurt de gemeente; en wel
de algemeene of ook de bijzondere Kerkeraad, naarmate de zaken, die
te behandelen zijn, tot den eenen of tot den anderen behooren.
1) De Kerkeraad wordt onderscheiden, enz. Zie art. 2 Regl. voor de Kerke-
raden. Hier is niot te denken aan twee onderdeelen van den Kerkeraad, het eene
algemeene, het andere bijzondere Kerker, genoemd, maar aan één ligchaam, bij
onderscheiding algemeene en bijzondere Kerkeraad geheeten, welke onderscheiding
alleen plaats heeft in gemeenten van drie of meer predikanten. Een andere
regeling der verhouding tusschen den algemeenen en den bijzondere» Kerkeraad,
gewenaebt door den Ned. Herv. Kerkeraad van Amsterdam, is door de Synode
niet noodig geoordeeld. 1864, bl. 300, 318—320, 326.
-ocr page 34-
Wijziging van Art. 18 van hetAlgemeen
E eg Ie in ent.
Art. 18 worde aldus gelezen:
„Art. 18. In alle gemeenten, waar het persweel daartoe niet
ontbreekt, zal een kerkeraad zijn. Gemeenten, die door gebrek
aan genoegzaam geschikt en gewillig personeel geen kerkeraad
kunnen hebben, of wier kerkeraad tijdelijk de bevoegdheid heeft
verloren tot het nemen van besluiten, zijn geplaatst onder het
toezicht van het Classicaal Destuur (of, zoo noodig, van het
Provinciaal Kerkbestuur), hetwelk met de overgebleven kerke-
raadsleden en, ingeval een consulent moet optrecen, inet dezen,
doen zal wat des kerkeraads is, en bevoegd is tot al hetgeen
in dit Reglement en in de Bijzondere Eegleinenten aan den
kerkeraad is opgedragen."
Aldus vastgesteld door de Algemeene Synode der Nederland-
sche Hervormde Kerk den 27»ten Augustus 1889, en, na ken-
nisgeving aan Z. M. den Koning, volgens Art. 1 der Wet van
10 September 1853 (Staatsblad N°. 102), uitgevaardigd door
de Algemeene Synodale Commissie, om in werking te treden den
15\'len Januari 1890.
-ocr page 35-
16                                     Alg. Reglement.
2) Ook, d. i. Behalve dat zij tot den algemeenen kerkeraad behooren, maken
zij voor de kerkelijke armverzorging een afzonderlijk collegie uit, als zoodanig
van den kerkeraad onderscheiden, daar het handelt onder medewerking en goed-
keuring van den kerkeraad.
Itegl. voor dediac, art. 3. Verg. ook het hier vlg. art.
Art. 20\'). Aan predikanten is toevertrouwd en aanbevolen: de
openbare verkondiging des Evangelies; het bedienen van Doop en
Avondmaal; de leiding der openbare godsdienstoefening; de huwe-
lyksinzegening; het geven van godsdienstonderwijs; de herderlijke
zorg en het besturen\') van al de vergaderingen des Kerkeraads.
Aan ouderlingen is toevertrouwd en aanbevolen: met de predikanten
bezig te zn\'n in de herderlijke zorg voor de gemeente; de bevordering
van en het toezicht op het godsdienstonderwijs en de handhaving van
orde en tucht; voorts het ijverig samenwerken met dezen in alles,
wat aan de christelijke volmaking der gemeente kan dienstbaar wezen.
Aan diakenen is toevertrouwd en aanbevolen de meer bijzondere
zorg voor de armen der gemeente. Daartoe zn\'n zij belast met het
dagelijksch beheer der diaconie-goederen, met het innen van alle,
onder welken titel ook, aan de diaconie der gemeente aankomende
gelden, met de inzameling der liefdegaven en met het besteden van
dit een en ander tot die godsdienstige en zedelijke einden, welke de
christelijke gemeente voor hare armen beoogt.
In gemeenten met één of twee predikanten doen zn\' dit onder
medewerking, en in die met drie of meer predikanten onder toezicht
van predikanten en ouderlingen.
Het vaststellen van collecten 8), de zorg voor de diaconie-goederen,
alsmede voor de geestelijke behoeften der armen, is overal aan pre-
dikanten, ouderlingen en diakenen te zamen opgedragen.
1)    Dit art. is nader uitgewerkt in het Regl. voor de Kerkeraden, 3e en 4e
Afdeeling en in het Regl. voor de diaconiën.
2)    Het besturen enz. Zie de aant. op art. 21 7°, Regl. voor de Kerkeraden.
3)    Collecten. Kaar het verband schijnen hier alleen collecten voor de armen
bedoeld te zijn, daar deze al. evenals als art. 16, 2°, van het Regl. voor de
Kerkeraden bepaaldelijk handelt over het behartigen van de belangen der armen.
De Synode heeft echter in 1855 en 1860 geoordeeld, dat hier alle collecten
bedoeld zijn, onverschillig met welke bedoeling zij gehouden worden. Verg. de
aanteekening op het aangehaalde artikel. — Omtrent het instellen van collecten
tot andere doeleinden vindt men soms in huishoudelijke regll. overleg met de
kerkel. administratie voorgeschreven, zooals o. a. te Schoonhoven. Zie de uit-
spraak in hooger beroep van het Prov. Kerkb. van Z. Holland, aangehaald in de
Kerkel. Cour. 1875, n°. 49.
Akt. 21. De Kerkeraden geven, wanneer zij verkeerdheden ont-
dekken in de administratie der kerkelijke goederen, daarvan kennis
aan het Classikaal Bestuur \').
1) Zie Regl. voor de kerker., art. 16, 4°; Alg. Regl., artt. 43, 6°; 51, 6°.
Art. 22. De censuur over de leden der gemeente, met uitzondering
van de predikanten, zoowel emeriti als dienstdoende, van de ouder-
-ocr page 36-
Akt. 19—24.                                            17
lingen, de diakenen en de candidaten tot den heiligen dienst, geschiedt,
ter eerster instantie, door den kerkeraad, van welks uitspraken men
zich kan beroepen op het Classikaal Bestuur; alles overeenkomstig
het Reglement voor kerke] ij d opzigt en tucht.
Akt. 23. Het recht tot benoeming van ouderlingen en diakenen,
en tot beroeping van predikanten, berust by de gemeente.
Deze zal, behoudens de verkregen rechten van derden, dit of zelve
uitoefenen, of door hen, die zy daartoe bepaaldelijk machtigt, doen
uitoefenen, naar gelang zulks, in nader te maken byzondere regle-
menten op de kerkeraden en de predikantsberoeping, zal worden
vastgesteld.
Tot dat daarin zal zyn voorzien \'), blyven de bestaande bepalingen
van kracht en toepassing.
1) Tot dat daarin zal zijn voorzien. Na een groot aantal vergeefsche pogingen,
door de Synode aangewend, om aan dit artikel uitvoering te geven, is eindelijk
in 1866 tot stand gekomen en den 1 Maart 1867 in werking gebracht het Regl.
op de benoeming van ouderlingen en diakenen en de beroeping van predikanten.
Abt. 24. Wettig verkregen rechten van collatoren \') worden ge-
eerbiedigd, tot zy door wet of overeenkomst zullen zyn opgeheven \').
Tegen die verkeerdheden of misbruiken, die met het bestaan of de
uitoefening van dit recht gepaard gaan of daarbij plaats kunnen
hebben, zullen door de Kerk de noodige maatregelen 3) worden ge-
nomen of uitgelokt.
Geen Kerkeraad of gemeente kan het recht van vrye beroeping in
eene collatie veranderen, noch ook immer aan iemand overdragen.
1) Collatoren. De woorden, die hier volgden: „en floreenplichtigen," zijn,
evenals de vermelding van benoeming door floreenplichtigen in het Regl. op de
vac., art. 58, vervallen den 1 Jan. 1875. Het recht tot het benoemen van pre-
dikanten in Friesland, door de Synode van Ueerenveen d. 17 Juli 1804 aan
floreenplichtigen opgedragen, bekrachtigd door besluit van het Departementaal
Bestuur van Friesland, d. 26 Aug. 1805, was — evenals de rechten van eigen-
erfden in Drenthe en Groningen — van geheel anderen oorsprong en aard, dan
het eigenlijke collatierecht. Het moet geoordeeld worden niets anders te zijn, dan
eene door de toen ter tijd bevoegde macht ingevoerde regeling van het stemrecht,
voor welke, krachtens art. 23 Alg. Regl., de bij het Syn. Regl. op de benoeming
van oudd. en diacc. en de beroeping van predd. door de nu bevoegde macht
ingevoerde regeling der stembevocgdheid is in de plaats gekomen. Met de invoe-
ring van gezegd Regl., den 1 Maart 1867, was het recht der floreenplichtigen
tot de benoeming van predikanten jure opgeheven. Facto werd het nog uitge-
oefend tot 1 Jan. 1875. Want, hoewel in 1871 reeds de wegneming der woorden
„en floreenplichtigen" door de Kerk aangenomen was, bleef het nog eenige
jaren in overweging, of niet het Staatsgezag moest medewerken om de bevoegd-
heid der floreenplichtigen tot het benoemen van predikanten op te heffen, voor
on aleer de alteratiën in de betrokken wetsartikelen tot uitvoering konden komen.
De Synode van 1874 heeft echter geoordeeld, dat niets haar langer behoefde te
weerhouden, om de Friesche gemeenten te brengen onder het algemeen recht der
Kerkelijk Wetboek, 2e druk.                                                                    2
-ocr page 37-
Alg. Reglement.
IS
Kerk, vooral nadat de Min. van Justitie, d.d. 16 Aug. 1872, geheel overeen-
komstig met de thans bestaande verhouding van Kerk en Staat, verklaard had,
„dat het Koninklijk Besluit van 14 Sept. 1833, houdende goedkeuring van het
Reglement op de verkiezing en beroeping van predikanten bij de Hervormden
in Friesland, niet behoefde, ja niet kon ingetrokken worden, omdat, naar art. 1
der Wet van 10 Sept. 1853, het Kerkelijk gezag de eenigc bevoegde autoriteit is,
om in de bestaande wijze van verkiezen en beroepen van predikanten bij de
Hervormde Gemeenten in Friesland veranderingen te brongen." Men zie hot te
dezer zake uitgebrachte Rapport 1874, blz. 243—258. Overigens bevatten do
Syn. Handd , van 1868 af, eene menigte rapporten, adviezen en consideratiën
op dit punt, waaronder hoogst belangrijk de rapporten 1870, Bijl. B, bl. 130—186.
Verg. 1873, Bijl. B, 143—146.
2) Zullen zijn opgeheven. Bij de Wet van den 26 Dec. 1861 (Staatsbl. n°. 124),
is het recht van collatie, van staatswege tot dien tjjd toe in sommige gemeenten
der Ned. Herv. Kerk uitgeoefend (de z.g. Koninklijke Collatiëri), opgeheven. De
particuliere collatiën bestaan nog, krachtens het Besluit van den Souvereinen Vorst
van den 28 Sept. 1814 „ter regeling van het Collatierecht." Dit besluit (door
ons opgenomen onder de Bijlagen tot het Regl. op de vacaturen) maakt den
rechtsgrond uit, waarop het collatierecht thans rust. „Wenschelijk ware het, dat
bij eene te ontwerpen Wet de afkoopbaarheid der collatierechten uitgesproken
en geregeld word, opdat althans die gemeenten, welke door het collatierecht
niet gebaat, maar in hare wezenlijke belangen benadeeld en gedrukt worden,
zoo zij het ernstig begeeren en tot den afkoop in staat zijn, zich er van kunnen
ontdoen." Prins, Het Kerkr., bl. 182 Verg. het Adres, door do Synode in 1861
aan den toenmaligen Min. van Herv. Eered., naar het Advies der Syn. Commissie,
opgezonden, Handd. bl. 229—232, 306 — 309, Bijl. B, bl. 43—49; alsmede het
belangrijk Advies, door de Synodale Commissie aan den Minister van Justitie
d. 17 Mei 1873 gegeven, op de door Z. Exc. aan haar gerichte vragen betreffende
den aard der nog bestaande particuliere collatierechten en den inhoud eener
eventueele Wet op de afkoopbaarheid dier rechten, 1873, Bijl. B, bl. 166 — 170.
De Synode heeft in 1875 de afkoopbaarheid bij de wet op nieuw den Minister
aanbevolen en do verzekering ontvangen, dat deze zaak bij Z. Exc. een punt
van ernstige overweging blijft uitmaken. Handd., bl. 187, 194, Bijl. B, bl. 137.
Eene duidelijke en beknopte voorstelling van den oorsprong en aard van het
collatierecht in de Ned. Herv. Kerk, met verwijzing naar geschriften, die deze
zaak uitvoeriger behandelen, vindt men bij prins, t. a. p. bl. 173 — 183.
3) De noodige maatregelen. Deze zijn genomen door art. 47 Regl. op de vac.
en, voor de provincie Groningen, door het Reglement op de uitoefening van het
collatierecht in de voormalige Ommelanden,
vastgesteld door het Prov. Kerkbest.
van Gron. d. 1 Mei 1872, goedgekeurd door de Synode d. 23 Julij 1872 met de
in 1881 en 1885, eveneens onder goedkeuring der Synode, aangebrachte wijzi-
gingen. Bovendien heeft de Synode, tot wering van misbruiken, zich vooralsnog
tegen de intrekking van het Kon. Besl. van 11 Aug. 1819, betrekkelijk do uit-
oefening van het collatierecht, verklaard. 1870, bl. 215; 1873, bl. 238, 239,
Bijl. B, bl 163 — 166; 1874, bl. 74, Bijl. B, bl. 137. Dit Besluit is, ovenals het
vermelde Groningensche Reglement, opgenomen onder de Bijlagen tot het Regl.
op de vacaturen.
Art. 25. De huishoudelijke belangen der gemeente kunnen, in
overeenstemming met de algem^ene of provinciale verordeningen, door
-ocr page 38-
Art. 24—30.                                            19
plaatselijke reglementen1) worden geregeld, doch zal van zulke regle-
menten mededeeling aan de Classikale Besturen geschieden.
1) Hieronder zjjn niet begrepen de plaatselijke reglementen, bedoeld in art. 4
van het Reglement op de benoeming van ouderlingen en diakenen en de beroeping
van predikanten. Deze behoeven wel degelijk de beoordeeling van het Classikaal
Bestuur en de goedkeuring van het Provinciaal Kerkbestuur, wat voor de hier
bedoelde niet noodig is. Verg. aant. op art. 29 Regl. voor de Kerkeraden.
TWEEDE APDEELIIÖ.
De Ringen.
Art. 26. Predikantsplaatsen van ééne gemeente of van eenige
gemeenten te zamen worden vereenigd tot ringen.
Naar plaatselijke omstandigheden is die vereeniging zóó ingericht,
dat de dienst in de gemeenten, ook bij vacature en andere ongele-
genheden, steeds behoorlijk kan worden waargenomen.
In de bestaande verdeeling kunnen geene veranderingen worden
gemaakt, dan door de Provinciale Kerkbesturen, na vooraf de consi-
deratiën der in de zaak betrokkene Classikale Besturen te hebben
ingewonnen.
Van de gemaakte veranderingen zal kennis gegeven worden aan
de Synode.
Art. 27. De predikanten, dienstdoende bij gemeenten tot zooda-
nigen ring behoorende, zijn verplicht tot onderling hulpbetoon,
ingeval van nood, behoudens de bepalingen op het hulppredikerschap.
Zij moeten, bij vacature, zorgen voor de vervulling van al de deelen
van het herder- en leeraarwerk, die hun ter waarneming door het
reglement op de vacaturen worden opgedragen.
Art. 28. Tot dat einde verdeelen zij onderling de consulentschappen
voor de verschillende gemeenten, en maken huishoudelijke bepalingen
ten opzichte van het godsdienst-onderwijs, den openbaren eeredienst en
het herderlijk werk in de hulpbehoevende gemeenten; een en ander
onder goedkeuring van het Classikaal Bestuur.
Art. 29. De ringen vergaderen, zoo dikwerf zij dit noodig achten,
in de hoofdplaats van den ring, of in eenige andere plaats, door hen
zelve te bepalen, en kiezen jaarlijks uit hun midden een Fraetor,
Vice-Praetor, Scriba en Quaestor.
De Waalsche predikanten \') zijn leden der ringsvergaderiug.
1) Hoewel du betrekking der Waalsclio predd. tot den ring of\' de ringsver-
gaderingen niet omschreven is, belmoren zij toch beschouwd te worden als leden
van de ringsvergadering, voor zooveel betreft de werkzaamheden, vermeld in
art. 30 al. 2 van het Alg. Regl. Antw. der Synode aan den Ring Leeuwarden,
1871 , bl. 345.
2*
-ocr page 39-
20                                         Alg. Reglement.
Abt. 30. Van het hun bü artt. 27—29 van dit reglement opgedragen
werk zh\'11 zy verantwoordelijk aan het Classikaal Bestuur, waaronder
zy behooren.
Hunne verdere werkzaamheden bestaan in de overweging en behan-
deling van onderwerpen, den godsdienst en het Christendom, de
bevordering van bijbelkennis en de waarneming van hunne bediening
betreffende.
Jaurlyks zenden zy een verslag van hunne werkzaamheden in b\\j
het Classikaal Bestuur \').
1) Hij het Classikaal Bestuur. De woorden, die aan \'t slot van deze al.
voorkwamen: „dat deze verslagen, door het Provinciaal Kerkbestuur, doet toe-
komen aan de Synode", zijn met 1 Maart 1871 vervallen, in aanmerking genomen
zijnde, dat de Classikale Besturen de aangewezen collegié\'n zijn, om toe te zien,
dat de voorschriften omtrent de ringen behoorlijk worden opgevolgd. 1869, bl. 8,
9, 83: 1870, bl. 73, 74, 79.
Art. 31. De ringsvergaderingen hebben het recht\'), om by de
onderscheidene kerkbesturen, waaronder zij behooren, voorstellen in te
leveren, maar zij zijn wederkeerig verplicht, de door dezen verlangde
berichten, consideratiè\'n en bescheiden ten spoedigste in te zenden.
1) Hebben het recht. Aan de ringen is hiermede hetzelfde recht toegekend,
wat art. 13 al. 2 aan do kerkelijke besturen is gegeven. Zij hebben zich te
wenden tot het Classikaal Bestuur, waaronder zij behooren, en door het Class.
Bestuur tot de hoogere kerkbesturen. Zie: Besluit der Synode van 3 Aug. 1853,
omtrent de wijze van correspondeeren tusschen kerkelijke lichamen, opgenomen
onder de Bijlagen tot dit reglement. Over een ander zeer belangrijk recht den
ringen toegekend, zie art. G6 van het Regl. voor O. en T.
Art. 32. Verschillen \') in en tusschen de ringsvergaderingen, en
tusschen deze en de Kerkeraden, worden onderworpen aan de be-
slissing van het Classikaal Bestuur.
1) Verg. Regl. voor Kerkelijk Opzicht en Tucht, art. 68.
HOOFDSTUK II.
Het Kerkelijk Bestuur over meer Gemeenten te zamen.
EERSTE APDEELINO.
Algemeene Bepalingen.
Art. 33. Meerdere, in elkanders nabyheid gelegene gemeenten
worden, ter geregelde uitoefening van het kerkelyk bestuur, vereenigd
tot dassen.
De gezamenlijke dassen in ééne provincie vormen een provinciaal
ressort.
-ocr page 40-
Art. 30-35.                                            21
Art. 34. Er z\\jn de navolgende provinciale ressorten met hunne
classen:
Gelderland, met G classen: Arnhem, Nijmegen, Zutphen, Tiel,
Bommel en Harderwijk.
Zuidholland „ 6 „
         \'s Gravenhage, Rotterdam, Leiden,
Dordrecht, Gouda en Brielle.
Noordholland „ 5 »
          Amsterdam, Haarlem, Alkmaar,
Hoorn en Edam.
Zeeland
              , 4 »         Middelburg, Zierikzee, Goes en
IJzendnke.
Utrecht
              „ 3 „         Utrecht, Amersfoort en Wijk.
Friesland            „ 5 „         Leeuwarden, Sneek, Franeker, Dok-
kum en Heerenveen.
Overysel
             „ 3 „         Zwolle, Deventer en Kampen.
Groningen          „ 4 ,         Groningen, Winschoten, Appinge-
dam en Onderdendam.
Noordbrabant
met Limburg1) » 5 ,
         \'s Hertogenbosch, Breda, Heusden,
Eindhoven en Maastricht.
Drenthe
             » 3 „         Assen, Meppel en Coevorden.
De Waalsche gemeenten maken een afzonderlijk kerkressort uit2).
De Presbyteriaansch-Engelsche en Schotsche gemeenten behooren tot
de kerkelijke ressorten der Nederduitsche gemeente in de stad, waar
zij gevestigd z\\jn.
1)    Noordbrabant met Limburg. Ten gevolge van de opheffing van het Kerk-
bestuur van Limburg, waarvoor irj de plaats gekomen is een Classikaal Bestuur
van Maastricht, aldus geredigeerd on in werking gekomen 31 Maart 1875. Zie
1674, bl. 364—366. Daarmede overeenkomstig zijn gewijzigd al de artt., waarin
het Kerkbestuur van Limburg vermeld was, b.v. artt. 36, 37, 48, 50, 56.
2)    De Waalsche gemeenten, een afzonderlijk kerkressort. De Synode van 1871)
heeft besloten geen gevolg te geven aan de voorstellen der Cliiss vergg. van
Haarlem, Wijk en Goes om de Waalsche Commissie gelijk te stellen met een
Class. Best. met exceptioneele bevoegdheden. De vergadering was van oordeel,
„dat dit voorstel geene rekening hield met hit schoon verleden en het nut ook
thans nog door de Waalsche Kerken uitgeoefend; dat het daarenboven ingreep
in de rechten, die deze kerken als vroeger Synodaal ressort bezitten en in strijd
is met het in onze kerkelijke wetgeving vigeerend foederatief beginsel; terwijl het
eindelijk ook ongeraden is, in den tegenwoordigen stand van zaken, nieuwe
redenen van ontevredenheid in het leven te roepen" (Weekbericht in de K. C.
nü. 32, 9 Aug. 1879). Belangrijk is het met algemeenc stemmen goedgekeurde
te dezer zake uitgebrachte rapport, 1879, bl. 104—110.
Art. 35. In de grensscheidingen der classen en in de bepaling der
hoofdplaatsen zullen geene veranderingen kunnen worden gemaakt,
dan door de Synode, op voorstel van de Classikale Besturen, die er
in betrokken z\\jn, na gehoord te hebben de Provinciale Kerkbesturen
waaronder z\\j ressorteeren.
-ocr page 41-
Alg. Rkulkment.
22
Van alle zoodanige veranderingen zal terstond kennis worden
gegeven aan het daartoe aangewezen Ministerieel Departement.
Art. 36. De belangen van de gezamenlijke gemeenten, indeafzon-
derlijke gedeelten der Nederlandsclie Hervormde Kerk, z\\jn toever-
trouwd aan Classikale Vergaderingen (overeenkomstig de bepalingen
van artt. 37 tot 40), aan Classikale Besturen en Provinciale Kerk-
besturen.
De belangen van de Waalsche gemeenten zijn toevertrouwd aan de
Waalsche Réunie en de Commissie tot de zaken der Waalsche kerken.
Art. 37. De leden der Classikale en Provinciale Besturen worden
benoemd door de Classikale Vergadering, jaarlijks op den laatsten
Woensdag in de maand Juni te houden in de hoofdplaats der classe *).
De leden der Commissie tot de zaken der Waalsche kerken worden
benoemd door eene Waalsche vereeniging of Réunie, welke, zooveel
zulks mag te pas komen, de Classikale Vergaderingen vervangende,
jaarlijks gehouden wordt op zoodanige plaats, als door de Réunie des
vorigen jaars zal bepaald zijn.
1)    Op den laatsten Woensdag in de maand Juni. Een voorstel, naar aan-
leiding van eene door de Synode afgekeurde vervroeging der Classikale Verga-
dering van Zierikzee, ingebracht door den Hoogl. van bell, dat „in zeer
buitengewone gevallen, ter beoordeeling van de Synodale Commissie, door deze
aan een Classikaal Bestuur zou kunnen worden toegestaan, om den tijd der
Classikale Vergadering op den vóórlaatsten Woensdag in de maand Juni te
bepalen" is door de Synode niet aannemelijk geacht. 1874, bl. 23, 24, 197, 198,
203, 204. Met dit besluit kwam het Provinciaal Kerkbestuur van Friesland niet
in strijd, toen het in 1886, de buitengewone omstandigheid in aanmerking
nemende, waarin de classis Dokkum verkeerde, nl. dat al de leden van het Class.
Best., op twee na, hunne bediening als zoodanig hadden nedergelegd en eveneens
hunne secundi, eene buitengewone Classikale Verg. te Dokkum samenriep tot het
benoemen van nieuwe leden en secundi. 1887, bl. 71, 87, 323—325, Bijl. B, bl. 173.
2)    In de hoofdplaats der classe. Aan het verzoek van de classis van Edam,
om deze bepaling zóó te veranderen, dat vrijheid werd gegeven om, wegens zeer
bijzondere redenen, elders de classis te doen vergaderen, is niet voldaan. 1871,
bl. 171, 172.
Art. 38. De Classikale Vergadering bestaat uit de dienstdoende
predikanten van het ressort en even zoo vele dienstdoende ouder-
lingen \') als er predikantsplaatsen 2) zn\'n in dat ressort. Deze ouder-
lingens) wordeü door den Kerkeraad van iedere gemeente uit zijn
midden voor rekening der gemeente 4) afgevaardigd.
Het recht van afvaardiging van eenen ouderling heeft de Kerkeraad
ook, wannéér de gemeente vacant is 5).
In gecombineerde gemeenten met meer kerkeraden zal de afvaar-
diging van de ouderlingen door hen bij toerbeurten geschieden.
Afgevaardigde ouderlingen zullen zonder schriftelijk bewijs van
benoeming niet ter vergadering worden toegelaten.
-ocr page 42-
Wijziging van Art. 38 al. 1 en 2 van het
Algemeen Reglement.
Art. 38 al. 1 en 2 worden aldus gelezen:
„Art. 38. De Classicale Vergadering bestaat uit de dienst-
doende predikanten van liet ressort en even zoovele dienstdoende
ouderlingen als er predikanten zijn in dat ressort.
Deze ouderlingen worden door den Kerkeraad van iedere
gemeente, uit zijn midden, voor rekening der gemeente, afge-
vaardigd.
Het recht van afvaardiging van een of meer ouderlingen heeft
de Kerkeraad ook, wanneer de predikantsplaats of plaatsen
vacant zijn. Doet echter het Classicaal Bestuur (of het Pro-
vinciaal Kerkbestuur) wat des kerkeraads is, dan vaardigt het
geen ouderlingen ter Classicale vergadering af, wanneer onder
de kerkeraadsleden niet een of meer dienstdoende ouderlingen zijn.
In gecombineerde gemeenten enz."
Aldus vastgesteld door de Algemeene Synode der Neder-
landsclie Hervormde Kerk den 27sten April 1880, en, na ken-
nisgeving aan Z M. den Koning, volgens Art. 1 der wet van
10 September 1853 (Staatsblad N°. 102), uitgevaardigd door de
Algemeene Synodale Commissie, om in werking te treden den
loden Januari 1890.
-ocr page 43-
23
Abt. 35—40.
De afgevaardigden ter Classikale Vergadering doen aan de Kerke-
raden verslag van hetgeen daar belangrijks is geschied.
1)     Ouderlingen. Waarom ook niet diakenen afgevaardigd? Dit, door den
Amsterdamschcn Kerkeraad verlangd, zou in strijd zijn met het presbyteriaal
beginsel onzer Kerk. 1864, bl. 300, 317—322, 326.
2)     .-1/»\' er predikantsplaatsen zijn. Deze redactie (31 Maart 1875) verschilt
hierin van die van 1852, dat het getal der oudd. niet naar dat der predd. van
eene gemeente, maar der predikants^V««/«« gerekend wordt.
3)     Deze ouderlingen worden, enz. Het afvaardigen van ouderlingen naar do
Classikale Vergadering is door de 1 Maart 1875 in werking gekomene wijziging
van dit art., niet meer facultatief gelaten, maar verplichtend gemaakt. Het pres-
byteriaal beginsel der Ned. Herv. Kerk wordt hierdoor te meer gehandhaafd.
1874, bl. 367, verg. bl. 388.
4)      Voor rekening der gemeente. Hiermede worden bedoeld reis- en verblijf-
kostcn van oudd , die buiten de ciass. hoofdplaats wonen. De berekening dier
kosten is aan onderlinge schikking tussehcn Kerkeraden en Kerkvoogdijen over-
gelaten. 1853, Bijl. B, bl. 14 Verg. 1874, bl 388.
5)     Wanneer de gemeente vacant is. Voorstellen, ingediend door de Class.
Vergaderingen van Arnhem, in 1875, en die van Wijk, Amersfoort en
Utrecht, alsmede door eenige leden van de classis Franeker in 1879, om bij
vacature den Kerkeraad het recht te geven, voor de openstaande predikants-
plaatsen ouderlingen af te vaardigen, en desgelijks, als de predikant verklaart
verhinderd te zijn, in zijne plaats een oud. te benoemen om de Class. Verg. bij
te wonen, zijn door de Synode verworpen. 1875, bl. 56, 57, 101, 102; 1879,
bl. 62—65, 86, 87. Het is met het karakter onzer Kerk in strijd en om verschil-
londe redenen onraadzaam, aan de ouderlingen zulk een overwegenden invloed
op het bestuur der Kerk te geven, als van de voorgestelde wetsverandering het
gevolg zou zijn. Later is de zaak nog een paar malen ter sprake gekomen. Zie
1882, bl. 241—247 en 1885, bl. 335—319.
Art. 39. Praeses, Assessor en Scriba van deze vergadering zh\'n zjj,
die deze betrekkingen b\\j het Classikaal Bestuur bekleeden; doch de
overige leden\') des Classikalen Bestuurs hebben als zoodanig hier
geene zitting.
1) Doch de overige leden, enz. Deze woorden laten geen twijfel meer over
omtrent de vraag, die nog in 1852 (zie Bijl. B, bl. 13, 14) door de Syn. Comm.
bevestigend werd beantwoord, of ouderlingen, leden van het Class. Bestuur, ook
als zoodanig zitting en stem hebben in de Class. Vergadering. Het karakter dezer
verg. is zuivere vertegenwoordiging der gemeenten van de classis, zonder meer.
Akt. 40. Aan de Classikale Vergaderingen behoort\'):
. 1". het doen van benoemingen, welke haar zh\'n opgedragen;
2U. het geven van consideratiën 2) harer leden 3) op de haar door
de Synode toegezonden nieuwe reglementen of veranderingen in de
bestaande — welke consideratiën zjj rechtstreeks aan de Synode doen
toekomen;
3°. het opnemen en afsluiten der Classikale rekeningen4), derege-
ling van hetgeen betrekking heeft op de fondsen, waartoe die reke-
ningen behooren, en in het bjjzonder het telkens voor één jaar uit
-ocr page 44-
24                                        Aj,o. Rkoi.kment.
de predikant-leden des Classikalen Bestuurs benoemen van een Clas-
sikalen Quaestor en secundus. Die Quaestor treedt met den 1 Januari
daaraanvolgende op 5);
4°. het beraadslagen over hetgeen bevorderlijk kan zn\'n aan de
belangen der bijzondere en gezamenlijke gemeenten in het Classikaal
ressort, inzonderheid wat betreft het godsdienstig en kerkelijk leven;
5°. het in overweging nemen van de voorstellen harer leden, om
ze, als de hare overgenomen zijnde"), aan de Classikale Besturen en
Provinciale Kerkbesturen, alsmede aan de Synode, op te zenden;
6°. het opnemen en afsluiten van de rekeningen der Classikale
Weduwenbeurzen7), door die leden der vergadering, die tevens leden
dezer beurzen zn\'n. Aan hen verbluft ook het benoemen van quaes-
toren dezer weduwenbeurzen, en de behandeling van alles, wat verder
op haar betrekking heeft.
1)  Aan de Class. Vergp. behoort. "Wenschelijk is het, dat in het reglement van
orde of in de huishoudelijke bepalingen der Class. Verg. worde opgenomen, „dat
de Scriba uiterlijk 14 dagen vóór de bjjeenkomst aan do Kerkeraden van het
ressort doe toekomen eene opgave 1° van de vacaturen, die vervuld moeten
worden, 2° van de stukken, waarop consideratiën gevraagd worden, 3° van de
ingekomen voorstellen der leden." Aan een verzoek van den Kerkeraad van
Dordrecht om zoodanig voorschrift in het Alg. Regl. op te nemen, behoefde
geen gevolg gegeven te worden; zie 1861, bl. 342, 343.
2)    Het\'geven van consideratiën, enz. Sedert de wijziging van dit art., niet
alleen consideratiën op „bepalingen, die op de Classikale Vergaderingen of de
Kerkeraden betrekking hebbon", maar „over alle nieuwe reglementen of veran-
deringen in de bestaande, zonder onderscheid." 1874, bl. 388, 339, 367. Verg.
art. 62 en het aanget. op art. 12.
3)    Harer leden. Dus, niet alleen van de consideratiën van de meerderheid
der Classikale Vergaderingen (collectief), maar ook van de verschillende adviezen,
door de leden dier vergaderingen uitgebracht, zal mededeeling aan de Synode
geschieden. 1874, bl. 339, 367.
4)    Classikale rekeningen, enz Dit heeft geen betrekking op de rekening-
courant van den Classikalen Quaestor met den Quaestor-generaal, maar alleen
op zoodanige classikale fondsen, als het speciaal eigendom zijn van eene classe
en in sommige dassen al, in andere niet gevonden worden. Verkl. der Syn.
Comni., 1853, Bijl. B, bl. 13, goedg. door de Synode, Hand. bl. 27.
5)    De woorden in deze al. volgende op „en in het bijzonder" zijn den
15 Januari 1885 tot verduidelijking gekomen in plaats van enkel: „het benoemen
van een Classikalen Quaestor."
6)    Dus: alleen die voorstellen, welke door de Classikale Vergadering als de
hare zijn overgenomen, behooren door het moderamen aan de kerkelijke besturen
te worden opgezonden; natuurlijk behoudens het recht van ieder lid der verga-
dering om zelf voorstellen in te zenden.
7)    Classikale Weduwenbeurzen. Een voorstel der Class. Verg. van \'s Herto-
genbosch om het opnemen en afsluiten van de rekeningen der Classikale Wedu-
wenbeurzen, als zijnde zaken van particulieren aard, niet meer onder de werk-
zaaraheden der Class. Vergaderingen te rangschikken, is in het belang dier
beurzen niet aannemelijk geacht. 1873, bl. 183—185, 186.
-ocr page 45-
Abt. 40—43.
25
TWEEDE AFÜEELING.
Het Classikaal Bestuur.
Abt. 41. In elk Classikaal ressort is een Classikaal Bestuur,
bestaande uit Praeses, Assessor, Scriba \') en twee of meer dienstdoende
predikanten, benevens één ouderling2) voor elk tweetal predikanten3),
die in het Bestuur zitting hebben.
Ressorten niet 20 en minder predikantsplaatsen zullen twee; die van
21 tot 35 drie; van 36 en daarboven vier predikanten benoemen.
1)    Scriba. Op de vraag van do Class. "Verg. van Wijk, of ouderlingen ook
voor het Seribaat der Class. Besturen in aanmerking kunnen komen, is geant-
woord, dat volgens art. 41 en 42 bedoeld moet zijn, dat voor de betrekking van
Scriba alleen predikanten kunnen worden gekozen. 1860, bl. 16.
2)    Ouderling. Ook oud-ouderlingen zijn benoembaar tot ouderling bij het
Class. Bestuur. Zie art. 5, al. 3. Verg. Syn. Handd. 1851, bl. 317, 318.
3)     Voor elk tweetal predd. Het beginsel: op twee predd. één ouderling,
geldt ook voor de Prov. Kerkbesturen, de Synode en de Syn. Commissie(artt. 48,
56, 67); terwijl in den Kerkeraad, waar do plaatselijke belangen op den voor-
grond staan, meer oudd. zijn, dan predd., en in de Class. Vergaderingen, die
geene collegios van bestuur zijn, het getal oudd. minstens aan dat der predd.
gelijk is.
Art. 42. De Praeses, Assessor, Scriba en verdere leden van dit
Bestuur worden, met hunne secundi, benoemd door de Classikale
Vergadering, bh\' vrye keuze \').
De Scriba en zh\'n secundus worden bh\' voorkeur gekozen uit de
Predikanien van de Classikale hoofdplaats of hare nabijheid.
Praeses, Assessor en Scriba blijven\') als zoodanig werkzaam, gedu-
rende den tijd van hunne zitting.
1)    Bij vrije keuze. Op de vraag van de Class. Verg. van Wijk, of hot van
hare bevoegdheid is om huishoudelijke bepalingen te maken, opdat de ringen in
het Class. Bestuur meer gelijkmatig vertegenwoordigd worden , heeft de Synode
beslist, dat zulke bepalingen inbreuk zouden maken op de „vrije keuze," die in
dit art. is uitgesproken. 1857, bl. 18
2)    Praeses, Assessor en Scriba blijven, enz. Op eene vraag van het Class.
Bestuur van Tiel, heeft de Syn Comm. verklaard, „dat de beteekenis der laatste
al geene andere kan zijn, dan dat, wanneer Praeses, Assessor en Scriba een-
maal met die betrekking bekleed zijn, deze, zoolang hunne zitting in het Bestuur
voortduurt, hun niet kan ontnomen worden, en zij, om als zoodanig werkzaam
te blijven, geene herkiezing behoeven, doch dat daaraan de kracht niet mag
worden toegekend, die de Classikale Vergadering verbieden zou, om hen öf tot
het lidmaatschap van een hooger collegie, of tot eene andere betrekking in het
Classikaal Bestuur ter vervulling van eene opengevallen plaats te roepen." 1858,
Bjjl. B, bl. 37.
Art. 43. Aan de Classikale Besturen wordt opgedragen, behalve
bet vermelde in art. 12:
-ocr page 46-
26                                        Alg. Reglement.
1°. het toezicht \') over de gemeenten, predikanten (emeriti zoowel
als dienstdoende), candidaten tot den heiligen dienst, ouderlingen en
diakenen (verg. art. 22);
2°. het kennis nemen van geschillen bh\' of tusschen de Kerkeraden
der gemeenten, alsmede tusschen dezen en de ringen of tusschen de
ringen onderling;
3°. de behandeling van geschillen en van zaken, behoorende tot
de kerkelijke tucht, te weten: over de leden der gemeenten in cas
van appèl, en over predikanten, candidaten tot den heiligen dienst,
ouderlingen en diakenen, ter eerster instantie;
4°. het examineeren van degenen, die tot het geven van gods-
dienstonderwijs verlangen te worden toegelaten, en het verleenen
van admissie aan zoodanigen, bh\' gunstigen uitslag van het onderzoek *);
5°. het waken voor de belangen van vacante gemeenten en van
predikants-weduwen en weezen in het ressort, alsmede voor de rechten
der classe op de Classikale weduwenbeurzen:
6". het toezicht op de administratie der diaconie, en het acht
geven 3) op die der kerkelh\'ke goederen;
7°. de erkenning van nieuwe gemeenten, de splitsing en het tot
stand brengen van combinatiën4) en het nemen van noodige maat-
regelen tot het bepalen in geval van onzekerheid, het beslissen in
geval van geschil, en het veranderen in geval van noodzakelijkheid,
van de grensscheidingen tusschen de onderscheidene gemeenten onder
hun ressort, na de Kerkeraden der betrokken gemeenten en andere
belanghebbenden te hebben gehoord, in gemeen overleg6) met de
Oollegiën van Toezichtf), die de belanghebbende administratiën hooren
en, wat verandering betreft, onder goedkeuring van het Provinciaal
Kerkbestuur, met kennisgeving van een en ander aan de Regeering \')
en aan de Algemeene Synode;
8". de vestiging en de opheffing van predikantsplaatsen op aan-
vraag van den Kerkeraad der gemeente en onder goedkeuring van
het Provinciaal Kerkbestuur 8);
9°. het jaarlijks geven aan de Classikale Vergadering van een
beknopt verslag der gewichtigste werkzaamheden, door het Bestuur
verricht.
1) Het toezicht, enz. Naar aanleiding van eene vraag van het Class. Bestuur
van \'s Hertogenboseh, of het Class. Bestuur dan wel het Prov. Kerkbestuur
bevoegd is tot handhaving der bepalingen van een huishoudelijk reglement op de
Kerkeraden, heeft de Synode verklaard, „dat, volgens art. 43 1°. van het Alg.
Regl., het toezicht over de gemeenten en predikanten aan de Classikale Besturen
is opgedragen, terwijl, volgens art. 51 1°., het toezicht over de dassen en Class.
Besturen is opgedragen aan de Prov. Kerkbesturen; zoodat, indien eenig
Class. Bestuur de belangen van de gemeenten mocht veronachtzamen, het Prov.
Kerkbestuur moet optreden en zorg dragen, dat de kerkelijke regll. en veror-
deningen worden gehandhaafd." 1853, bl. 125., 231. Verg. ook 1866, bl. 90, 91,
waar de vraag der Class. Yerg. van Gouda, of het toezicht, aan de Class.
-ocr page 47-
Wijziging van Art. 43 na sub 9° van het
Algemeen Reglement.
In Art. 43 van het Algemeen Reglement worde na sub 9°
gelezen :
„Art. 43, 10° het doen wat des Kerkeraads is in de gevallen,
bedoeld bij Art. 18, in verband met de Artikels 9, 10, 14
en 38 van het Algemeen Eeglement."
Aldus vastgesteld door de Algemeene Synode der Nederlandsche
Hervormde Kerk, den 27sten Augustus 1889, en, na kennis-
geving aan Z. M. den Koning, volgens Art. 1 der Wet van
10 September 1853 {Staatsblad n°. 102), uitgevaardigd door de
Algemeene Synodale Commissie, om in werking te treden den
15den Januari 1890.
-ocr page 48-
Art. 43.                                           27
Besturen opgedragen, ook de bevoegdheid in zich sluit, om het getal oudd. en
diakk. bij do gemeente te bepalen on te regelen, als de Kerkeraden bij die
bepaling en regeling (naar art. 4 Regl. voor de Kerker.) de behoeften der
gemeente niet genoegzaam in acht nemen, bevestigend beantwoord is.
2)    De Synode van 1887 heeft voorloopig aangenomen het examineeren der
adspirant-Godsdienstonderwijzers op te dragen aan de Provinciale Kerkbesturen,
en dus deze til. ovor te brengen naar art. 51. 1887, bl. 386.
3)    Op e.ene vraag van het Prov. Kerkbestuur van N.-Brabant, wat hier door
„het acbt geven op de administratie der kerkelijke goederen" moet worden
verstaan, bepaaldelijk hoe dit voorschrift toe te passen op de gemeenten, die
zich aan het toezicht van het Prov. Collegie onttrekken, heeft de Syn. Commissie
geantwoord: „dat bedoeld voorschrift van algemeene toepassing is, zoowel op
de gemeenten, die zich aan het toezicht van het Provinciaal Collegie onder-
worpen, als op haar die zich aan dat toezicht onttrokken hebben, even als te
dien aanzien bij de vroegere organisatie van het beheer geen onderscheid was
gemaakt; dnt overigens uit art. 21 Alg. Regl. duidelijk volgt, dat den Classikale
Besturen de verplichting is opgelegd om, wanneer van zulke verkeerdheden mocht
gebleken zijn, hiervan, waar het behoort, kennis te geven en gepaste middelen
te beramen om die verkeerdheden te doen verhelpen. 1871, bl. 231, Bijl. B,
bl. 217.
4)    De erkenning combinatiên. Deze woorden, alsmede de voorschriften aan
\'t slot der al. omtrent het hoor en van belanghebbenden, het overleg met de Col-
legiën van Toezicht
en de kennisgeving aan Regeering en Synode, zijn aanvul-
lingen, in werking gekomen 1 Maart 1868 en 1 Febr. 1874. Zie ook op art. 51,7°.
Voorts is de zaak geregeld in het Syn. Regl. op de erkenning van nieuwe
gemeenten (1 Maart 1869).
5)    Wat is gemeen overleg? „Het is meer dan hooren; het wil raadpleging,
gedachtenwisseling, samenwerking; eerst daarna kan er van besluiten sprake zijn.
Die gedachtenwisseling moet worden voortgezet, totdat men tot eenstemmigheid
gekomen is, totdat de geopperde bezwaren zijn opgelost of totdat het duidelijk
gebleken is, dat die eenstemmigheid niet kan verkregen worden. Het voorge-
schreven „gemeen overleg\'\' is gebouwd op den grondslag vata eene wederkeerigo
welwillendheid, waardoor men wederzijds toegeeft, wat toegegeven kan worden,
elkander trncht te overtuigen en daarbij geleid wordt door de begeerte, de zaak
zoo goed mogelijk tot een gewenscht einde te brengen." De goedkeuring verblijft
ten slotte aan het Kerkelijk Bestuur. Zie het Rapport in zake een geschil over
eene gewijzigde grensscheiding tusschen de gemeenten Nijmegen, Hees c. a. en
Beek, en de daarover gehouden beraadslaging. 1882, bl. 76—84.
6)    Met de Collegiën ran Toezicht. Heeft de gemeente z.g. vrij beheer en kan
dus het Prov. Kerkb. niet in gemeen overleg treden met het Prov. Coll. v. T.,
dan moet in zoodanig geval, daar de wetgever het onmogelijke niet kan vor-
deren, door het Class. Best. de Kerkelijke administratie der betrokken gemeente
of gemeenten gehoord worden. Syn Com. in de K. C, n°. 49, 5 Dec. 1874.
7)    Kennisgeving aan de Regeering. Den 5 Sept. 1854 is als algemeene ver-
ordening vastgesteld, dat waar, in cas van kerkelijke jurisdictie of begrenzing,
de goedkeuring der Hooge Regeering, krachtens art. 1 van de Wet op de Kerk-
genootschappen, wordt vereischt, die goedkeuring behoort te worden gevraagd.
Syn. Handd., bl. 98, 303.
8)    De vestiging, enz. Deze al is eene aanvulling van 1 Maart 1869, nogmaals,
aangevuld 1 Febr. 1873 met de woorden: en de opheffing.
-ocr page 49-
28                                        Ata. Reglement.
Art. 44. Tot <l;it einde:
1°. correspondeeren zij met de Kerkelijke Besturen en andere Ool-
legiën, en, waar zg het noodig achten, met bijzondere personen;
2°. doen zij, jaarlijks bij schriftelijke aanvrage, doch om de drie
jaren, en voorts zoo dikwijls zy dit bh\' eenige gemeente noodig ach-
ten, persoonlijk kerkvisitatie, volgens de daarop bestaande verorde-
ningen. Zij geven steeds kennis van het resultaat hunner onderzoe-
kingen aan de Provinciale Kerkbesturen;
3°. onderzoeken zij voorloopig alle geschillen en aanklachten,
beoordeelen, aan wie de behandeling er van moet worden opgedragen,
en brengen, overeenkomstig die beoordeeling, de zaak of ten einde,
of ter plaatse waar zij behoort.
Art. 45. Zij zh\'n bevoegd tot het schorsen van predikanten, can-
didaten tot den heiligen dienst, ouderlingen en diakenen.
Art. 46. De Classikale Besturen houden hunne gewone vergade-
ringen in de Classikale hoofdplaats, op de laatste Woensdagen van
de maanden Maart, Mei, September en November. Zij kunnen echter
hunne bijeenkomsten uitstellen of vervroegen, indien omstandigheden
dit vereischen. De Praeses heeft het recht, en is, door twee leden
schriftelijk hiertoe verzocht zijnde, verplicht, buitengewone vergade-
ringen te beschrijven.
Art. 47. By afwezigheid van den Praeses\'), treedt de Assessor*)
in zijne plaats op, en wordt deze vervangen door dien predikant,
die het oudste lid der vergadering is, gerekend naar den tn"d van
zijne benoeming.
Bij onvoorziene afwezigheid 3) wordt de Scriba vervangen door een
der leden, dien de Bestuursvergadering daartoe zal aanwijzen.
1)    Bij afwezigheid van den Praesen. Op eene vraag van de Class. Verg. vnn
Alkmaar, of niet de secundus van den Praeses moet geacht worden diens plaats-
vervanger te zijn, als de betrekking van Praeses door vertrek, overlijden ot
emeritaat ontijdig komt te vaceeren, zoodat dan de woorden „bjj afwezfgheid van
den Praeses" moeten verklaard worden, alsof er stond: ..hij tijdelijke afwezigheid
van den Praeses", heeft de Synode, naar de opvatting, die algemeen aangenomen
en gevolgd is, geoordeeld, dat o. a. uit art. 6 al. 2, Alg. Regl., duidelijk blijkt,
dat de secundus van den Praeses geenszins in de vermelde gevallen bestemd is
hem in die betrekking te vervangen, dat daarvoor duidelijk de Assessor is aan-
gewezen, even als voor dezen bij ontstentenis het oudste lid, en de secundus
van den Praeses, als de Assessor dezen vervangt, alleenlijk optreedt als gewoon
lid. 1874, bl. 21. Verg. 1851, bl. 71, 260, 269; 1866, Bijl. B, bl. 58, 59. —
Het woord onvoorziene vóór afwezigheid is, bij de vaststelling der ie al. van dit
art., uit het oorspronkelijk concept der Syn. Comm. weggenomen, zoodat hier
onder afwezigheid beide tijdelijke afwezigheid én aftreding moeten verstaan wor-
den, terwijl in al. 2 uitdrukkelijk van onvoorziene afwezigheid van den Scriba
gesproken wordt.
2)    De Assessor. Ingevalle de diensttijd van dezen eindigt vóór het eindigen
-ocr page 50-
Art. 44—48.                                           29
van don diensttijd van den Praeses, wiens plaats hij vervangt, moet tegen dien
tijd door de Clas». Verg. non Assessor gekozen worden in zijne plaats; de nieuw
benoemde fungeert dan nis 1\'raeses en neemt eerst met het eindigen van den
diensttijd van dezen, als Assessor zitting. Immers „mogen, naar art. 5 al. 2,
zonder herbenoeming, noch Assessor noch het oudste lid langer dan drie jaren,
in het bestuur zitting hebben en kan de optreding van den Assessor en van het
oudste lid als Praeses en Assessor slechts geschieden voor den tijd, dat zij als
leden zitting hebben in het bestuur" (Antw. der Syn. Comm. aan het Prov. Kerkb.
van N.-Holl. 1866, bl. 59).
3) Bij onvoorziene afwezigheid. Nuar art. 6 al. 4 is \'t alléén in hot geval
van aftreding tusschentijds, dat de secundus van den Scriba hem in zijne bijzon-
dere betrekking vervangt.
DERDE AFDEELING.
Het Provinciaal Kerkbestuur.
Akt. 48. In elk provinciaal ressort is een Provinciaal Kerkbestuur,
bestaande uit dienstdoende predikanten en uit ouderlingen \').
Elke classe benoemt daartoe een predikant uit haar midden 5) en,
wanneer het Provinciaal Kerkbestuur zulks verlangt, bij beurtwisseling
nog één daarenboven uit het Provinciaal ressort.
Voor elk tweetal aldus benoemde predikanten is één ouderling,
door de Classikale Vergaderingen b\\j beurtwisseling af te vaardigen 3).
De Oommissie voor de zaken der Waalsche Kerken bestaat uit vn\'f
predikanten en twee ouderlingen.
Voor de Kerkbesturen, welke niet meer dan drie dassen onder hun
ressort hebben, zullen ook zoovele predikanten tot tertii worden
benoemd, als er predikanten in het Bestuur zyn *).
1)    Ouderlingen. Oud-ouderlingen zijn zoowel als dienstdoende benoembaar.
Verg. aant. 2 op art. 41.
2)    Predikant uit haar midden. Een predikant, lid van het Provinciaal Kerk-
bestuur, die de classis verlaat, hoewel in dezelfde provincie blijvende, moet door
zijn secundus vervangen worden. Inlichting, geg. door de Syn. Comm., goedg.
door de Syn. 1865, bl. 21, Bijl. B, bl. 90—92.
3)    Ouderling af te vaardigen. De Class. Vergaderingen hebben in hare benoe-
mingen van een ouderling, als lid van het Prov. Kerkbestuur, hare keus niet
te beperken tot het Class. ressort, maar mogen haar uitstrekken ook tot andere
ressorten in de provincie. Besluit der Synode 1858, bl. 26.
4)    Een voorstel van de Classikale Vergadering van Amersfoort om deze alinea
aldus te wijzigen: „Voor de Kerkbesturen, welke niet meer dan drie dassen onder
hun ressort hebben, zullen evenwel vier predd. en twee oudd. worden benoemd;
daartoe worden bij beurtwisseling door twoe Class. Vergg. een pred. en een oud.
en door ééne twee Predd. afgevaardigd," is door de Synode geheel overbodig
geacht, omdat al. 2 reeds voorzieu heeft in het geval, dat eene vermeerdering
van het getal leden wenschelijk mocht zijn. 1887, bl. 380, 381.
-ocr page 51-
Alg. Reglement.
30
Art. 49. Teder Provinciaal Kerkbestuur kiest zich, uit de predi-
kanten in zy\'n midden, een President en een Vice-President.
Den Secretaris *) kunnen zy uit de predikanten in hun midden *)
kiezen, of ook daar buiten, maar in het laatste geval heeft hy slechts
eene adviseerende stem.
De Secretaris wordt, by onvoorziene afwezigheid, vervangen door
een lid, hetwelk de bestuursvergadering daartoe aanwyst.
1)     Den Secretaris ook daarbuiten. Kan ook een emeritus predikant tot
Secretaris bij een Prov. Kerkbestuur gekozen worden? In 1864 heeft de Synode,
tegen het gevoelen der Synodale Commissie en in strijd met het daarover uitge-
brachte rapport, de benoeming van den em. Pred. J. H. de dompière de
CBAUFEPIÉ tot Secretaris der Waalsche Commissie goedgekeurd. In 1867 is
door de Synode eene, op voorstel der Syn. Coram., voorloopig aangenomene
wijziging van al. 2, strekkende om em. predd. niet verkiesbaar te stellen voor
de betrokking van Secretaris bij een Prov. Kerkbestuur, afgewezen. En in 1872
heeft do Synode, na eene hiertoe wederom door de Syn. Comm. gegevene aan-
leiding, uitgesproken, dat de verkiezing van emeriti even zoowel als van dienst-
doeride predd. voor de betrekking van Secretaris wenschelijk is. Het verhandelde
hierover is te vinden Handd. 1864, bl. 274—280, 325, 326, Bijl. B, bl. 166, 167;
1866, bl. 31, 32, Bijl. B, bl. 103, 104; 1867, bl. 95—97, 116 — 118; 1872,
bl. 305, 306, Bijl. B, bl. 316, 317. Dien overeenkomstig is en wordt ook nu en
dan door de Prov. Kerkbesturen het secretariaat bij hun collegio aan een em.
pred. opgedragen.
Bij de invoering der organisatie van 1816 was door den Commissaris-Generaal,
provisioneel belast met de zaken der Herv. Kerk, bij disp. van 24 Febr. 1816,
eene Instructie voor Secretarissen en Scriba\'s gegeven. Toen deze bij Min.
beschikking van 28 Aug. 1868 buiten werking gesteld was, heeft do Synodale
Comm. eene nieuwe Instructie ontworpen, welke echter door de Synode niet
verbindend is verklaard, daar het aan elk bestuur moest vrijgelaten worden,
daarvan naar eigen oordeel gebruik temaken. 1870, bl. 83, Bijl. B, bl. 132—134.
2)     Ken Secretaris, die uit de leden des Kerkbestuurs gekozen is, geniet zijn
aandeel in het honorarium, gelijk de andere leden en boven hetgeen hem als
Secretaris toekom\':. Verg. Regl. op de kosten, art. 13, al. 3. (Met de Scriba\'s
der (\'U-s. Besturen is dit niet het geval, omdat zij bepaald voor die functie in
het Class. Bestuur door de Class. Verg. benoemd zijn).
Art. 50. De gewone vergaderingen worden gehouden drie malen
\'s jaars, op de eerste Woensdagen der maanden Mei, September en
November1). Zy kunnen echter worden uitgesteld of vervroegd, indien
de omstandigheden dit vereischen.
De President heeft het recht, en is, door twee leden hiertoe schrif-
telyk verzocht zijnde, verplicht, buitengewone vergaderingen te be-
schrijven.
De gewone vergaderplaatsen der Provinciale Kerkbesturen zyn:
voor Gelderland:
           Arnhem;
„ Zuidholland: \'s Gravenhage;
, Noordholland: Amsterdam;
„ Zeeland:
                Middelburg;
-ocr page 52-
31
Abt. 49—51.
voor Utrecht:               Utrecht;
» Friesland:             Leeuwarden;
„ Overnsel:              Zwolle;
, Groningen:           Groningen;
„ Noordbrabant
met Limburg: \'s Hertogenbosch;
„ Drenthe:
               Assen.
De Commissie voor de Waalsche Kerken zal vergaderen te \'s Gra-
venhage, Amsterdam of Utrecht, of ter plaatse waar de Réunie
vergadert.
1) September en November. In plaats van Aug. en Oct. Aldus veranderd met
de desgelijks veranderde bepaling van den tijd der Synodale Verg., art. 59\'
Behalve deze zijn ook de door de opheffing van het Kerkbestuur van Limburg
noodzakelijk gewordene wijzigingen van dit art. in werking gekomen den 1
Maart 1875.
Art. 51 \'). Aan de Provinciale Kerkbesturen wordt, behalve het
in art. 12 genoemde, opgedragen:
1°. het toezicht over de dassen en hare besturen, ter handhaving
der kerkelijke reglementen en verordeningen;
2°. het kennis nemen en beslissen van geschillen, welke in de Clas-
sikale Vergaderingen en Besturen, of tusschen dezelve, zijn ontstaan;
3°. de behandeling van geschillen en van zaken, behoorende tot
de kerkelh\'ke tucht, te weten in cas van appèl, en ter eerster instantie,
wanneer het misdrijven geldt, voor welke de kerk-orde afzetting eischt,
of zaken, waarin de Classikale Besturen, of hunne leden als zoo-
danig, betrokken zn\'n;
4°. de benoeming van de leden der Commissie van Voordracht met
secundi uit hunne leden of dezer secundi voor de keuze van Hoog-
leeraren in de Godgeleerdheid van wege de Nederlandsche Hervormde
Kerk, het examineeren vau Candidaten in de Godgeleerdheid, en
het toelaten tot den heiligen dienst, by gunstigen uitslag van het
onderzoek, alsmede het verleenen van ontslag aan predikanten uit
hunne bediening op daartoe ingediende aanvraag, of het voordragen
daarvan aan de Synode in buitengewone gevallen;
5°. het waken en zorgen voor de godsdienstige en kerkelijke
belangen in geheel het provinciaal ressort, met name ook voor de
Provinciale Weduwenbeurzen;
6". het behandelen, en, zoo mogelijk, afdoen van zaken, welke
betrekking hebben op de diaconie-administratie, voor zooverre zij bij
de Classikale Besturen niet beslist kunnen worden. In het belang der
administratie van kerkelijke goederen stellen zy zich, des noodig, in
verband met het Provinciaal Collegie van Toezicht;
7°. de erkenning van nieuwe gemeenten, de splitsing en het tot
stand brengen van combinatiën, het nemen van noodige maatregelen
tot het bepalen bij onzekerheid, het beslissen bij geschil, het verau-
-ocr page 53-
32                                         Alo. Reglement.
deren by noodzakelijkheid der grensscheidingen tusschen twee of meer
gemeenten in hunne Provincie, behoorende tot verschillende Classikale
ressorten, na de Classikale Besturen, de Kerkeraden der betrokken
gemeenten en andere belanghebbenden gehoord te hebben, in gemeen
overleg met de Collegiën van Toezicht, die de belanghebbende admi-
nistratiè\'n hooren en, ingeval van verandering, onder goedkeuring der
Synode, met kennisgeving van een en ander aan de Regeering.
1) Dit art. is den 1 Maart 1866 aangevuld in 4° met de woorden: alsmede
het verleenen,
enz., en den 1 Maart 1868 en 1 Febr. 1874 gewijzigd in 7° op
dezelfde wijze als art. 43, 7°. Zie liet daar aangeteekende. Bovendien is den
15 Dec. 1877 in werking gekomen het in 4° bepaalde omtrent het benoemen van
leden der Comm. v. Voordracht. Verg. Regl. op het H. 0. in de Godg., artt. 5—7.
Art. 52. Tot dat einde:
1". correspondeeren zy met alle Kerkelyke Besturen en Collegiën
zonder uitzondering, en, waar zy het noodig achten, ook met alle
burgerlijke en rechterlijke, of met by zondere personen;
2°. geven zij der Synode geregeld die berichten van hunne ver-
richtingen en zenden aan haar die verslagen der Classikale Besturen
toe, welker mededeeling door de bestaande reglementen gevorderd,
of door hen zelve geraden mocht geacht worden.
Akt. 53. Zy zyn bevoegd, predikanten, candidaten, ouderlingen
en diakenen af te zetten, en aan emeriti het heilig dienstwerk te
verbieden.
Art. 54. In geval van verschil tusschen twee of meer Classikale
Besturen, hetwelk door het Provinciaal Kerkbestuur niet kan vereffend
worden, of van verschil van eenig Classikaal Bestuur met het Kerk-
bestuur zelf, wordt de zaak ter beslissing aan de Synode gebracht.
H00FDST17K III.
Het Kerkelijk Bestuur over al de gemeenten te zanten.
EERSTE AFDEELING.
De Synode.
Art. 55. De algenieene belangen der gemeenten, behoorende tot
de Nederlandsche Hervormde Kerk, zyn toevertrouwd aan de Alge-
meene Synode, die de Kerk vertegenwoordigt en voor haar in rechten
optreedt.
Akt. 56 x). De Synode is samengesteld uit dertien predikanten en
zes ouderlingen 2), afgevaardigd door de Provinciale Kerkbesturen en
de Commissie voor de Zaken der Waalsche Kerken.
-ocr page 54-
Wijziging van Art. 51 van het Algemeen
Reglement.
In Art. 51 van het Algemeen Reglement worde na sub 7°.
gelezen :
„Art. 51, 8°., het doen wat des Kerkeraads is in de gevallen ,
bedoeld in Art. 18, in verband met de Artikels 9, 10, 14 en
38 van het Algemeen Reglement."
Aldus vastgesteld door de Algemeene Synode der Nederlandsche
Hervormde Kerk den 27sten Augustus 1889, en, na kennisge-
ving aan Z. M. den Koning, volgens Art. 1 der Wet van 10
September {Staatsblad n°. 102), uitgevaardigd door de Alge-
meene Synodale Commissie, om in werking te treden den loden
Januari 1890.
-ocr page 55-
Auï. 51- 56.
33
De Kerkbesturen, wier ressorten 3) meer dan 150 predikantsplaatsen
bevatten (Gelderland, Zuidholland, Noordholland, Friesland en Gro-
ningen), benoemen elk twee leden, en wel of twee predikanten, of
één predikant en één ouderling, in dier voege, dat zij gezamenlijk
zeven predikanten en drie ouderlingen afvaardigen. De overige Kerk-
besturen (Zeeland, Utrecht, Overysel, Noordbrabant met Limburg,
Drenthe en de Commissie voor de Zaken der Waalsche kerken) be-
noemen elk één predikant en bovendien gezamenlijk bh\' beurtwisseling
drie ouderlingen. De afvaardiging van ouderlingen heeft plaats vol-
gens een tweevoudigen rooster4), door de Algemeene Synodale Com-
missie naar de in dit artikel gevolgde orde opgemaakt.
De Kerkbesturen bepalen zich in hunne keuzen tot hun eigen ressort
en gedragen zich daarbij naar art. 5. Zij benoemen de leden der
Synode en hunne secundi, in hunne voorjaarsvergadering, voor den
tijd van drie jaren 5).
Jaarlijks treedt een derde, of zoo na mogelijk een derde der leden
zoo van de predikanten als van de ouderlingen af, volgens een
rooster, die de eerste maal bij het lot wordt opgemaakt. De leden,
die in den loop van hun diensttijd het provinciaal ressort metterwoon
verlaten, worden door hunne secundi vervangen.
Behalve de gewone leden hebben ter Synode zitting:
met adviseerende stem de Secretaris der Synode en de Quaestor-
Generaal, welke laatste alleen die vergaderingen bijwoont, waarin
geldelijke aangelegenheden worden behandeld;
met praeadviseerende stem twee hoogleeraren fi), door den Secretaris
der Synode naar vasten rooster, mits uit verschillende universiteits-
steden, telkens voor één jaar op te roepen en bh\' ontstentenis door
hunnen ambtgenoot in dezelfde stad te doen vervangen.
De Secretaris, van de benoeming der afgevaardigden met hunne
secundi kennis bekomen hebbende, zal eene naamlijst van de leden
der vergadering aan elk van dezen doen toekomen, met aanwijzing
van den oudsten in diensttijd onder de afgevaardigde predikanten.
1)    Dit art. is, met uitzonderiug van de laatste al., geheel vernieuwd, en als
zoodanig in werking gekomen den 30 Maart 1875, behoudens latere wijziging
van al. 5, laatste lid. Zie de aant.
2)    Dertien predd. en zes oudd. Alzoo bestaat nu de Synode, hare praeadvi-
seerende leden en de Secretaris medegerekend, uit 22, of, wanneer de Quaestor-
Generaal tegenwoordig is, uit 23 leden; vóór 1875 (12 predd., afgevaardigd door
de Provv. Kerkbb., het Kerkbestuur van Limburg en de Waalsche Comra., drie
ouderlingen, enz.) uit 19 of 20. Door de zitting van zes ouderlingen in de
Synode is, even als in de Classikale en Provinciale Kerkbesturen, de verhou-
ding van ouderlingen tot predd. meer in overeenstemming gebracht met het
presbyteriaansch karakter der Horv. Kerk. Zie aant. 3 op art. 41.
3)    De Kerkbesturen, wier ressorten, enz. De onevenredigheid, die er bestond
in de afvaardiging, toen uit de grootste provinciale ressorten niet meer leden dan
uit de kleinste ter Syn. "Verg. werden gezonden, is door de bepaling in deze al.
Kerkelijk Wetboek, 2c druk.                                                                      3
-ocr page 56-
34                                        Alg. Reglement.
en door de verandering van het Kerkbestuur van Limburg in eene classis „Maas-
tricht", onder het prov. ressort „Noordbrabant met Limburg" (zie op art. 34),
althans ten deele opgeheven. In dezen nog verder te gaan, ten einde alle oneven-
redigheid weg te nemen, achtte de Synode van 1874 onraadzaam. Een voorstel
van haren President, den heer R. J. koning, strekkende om voor de samenstel-
ling der Synode tot grondslag to nemen het cijfer der bevolking in de provin-
ciale ressorten, in dier voege, dat iedere 100 000 leden één vertegenwoordiger
zouden bekomen, werd verworpen, als in strijd met het foederatieve beginsel,
dat zoowel in de thans bestaande kerkorde als in alle vroegere tot grondslag is
aangenomen en reeds in art. 1 Alg. Regl. is vooropgezet, naar hetwelk ook,
volgens art. 38, in de Classikale Vergaderingen de Kerkeraden, even als hierin
de Synode do Frovincialo Kerkbesturen, naar het getal der predikantsplaatsen
vertegenwoordigd worden. Handd. bl. 300—3G3, 372—374.
4)    Een tweevoudige rooster. Om uitvoering aan dit voorschrift te geven, heeft
de Syn. Commissie terstond, toen de nieuwe redactie van art. 56 in werking was
getreden, aan de onderscheidene Kerkbesturen medegedeeld, wie één, wio twee
predikanten en wie één pred. en één oud. in de Meivergadering van 1875 zouden
moeten benoemen. Daarop heeft in de Synodale Verg. van dat jaar de in al. 5
bedoelde loting plaats gehad, tot regeling van de eerste aftreding, en is aan de
Syn. Comm. opgedragen, mot inachtneming van den uitslag dier loting een rooster
op te maken. Zie 1875, Bijl. B, bl. 133, 134, Handd. bl. 13.
5)     Voor den tijd van drie jaren. Verg. art. 5, al. 2. Eene driejarige zitting,
bij jaarlijksche aftreding van een derde, waarop in de Kerk sedert lang (b.v.
reeds in 1860 door de Class. Verg. van Leiden, Handd. bl. 10, 11) en in den
laatsten tijd van onderscheiden zijden was aangedrongen, moet geacht worden,
tegen het gevaar, dat door de verschillende Synoden geheel tegenovergestelde
besluiten genomen worden, voldoenden waarborg op te leveren, en komt
overeen met hetgeen bij alle andere besturen boven de Kerkeraden, alsmede
bij de Synodale Commissie, bestaat. Verg. Handd. 1874, bl. 320, 321, 336,
337, 364.
6)    Twee hooyleeraren. Herhaalde malen en zoo ook in de Synodale Verg.
van 1874, bij de behandeling der voorloopig aangenomen veranderingen in de
regll., was het voorstel gedaan, om aan de hoogleeraren in de godgeleerde
faculteiten, als zoodanig, geen zitting te goven in de Synodale Verg., als zijnde
zulks, daar de hoogleeraren staatsambtenaren zijn, onyereenigbaar met het
beginsel van vertegenwoordiging der Kerk en scheiding van Kerk en Staat. De
groote meerderheid echter dier vergadering oordeelde, dat niet alleen het groote
nut, door de medewerking der hoogleeraren steeds gesticht, maar ook het
karakter onzer Herv. Kerk, dit het licht der vrije wetenschap niet vreest, maar
voor haren bloei en hare voortgaande ontwikkeling onmisbaar acht, den hoog-
leeraren het recht tot zitting met praeadviseerende stem voorshands moest blijven
verzekeren; en zulks te meer, omdat, naar de toen nog bestaande regeling van
het Hooger Onderwijs, die faculteiten bepaaldelijk ten behoeve van het Hervormd
Kerkgenootschap aan de drie Hoogescholen waren opgericht, terwijl de Kerk
wederkeerig de opleiding van hare aanstaande Evangeliedienaren aan haar toe-
vertrouwde (zie 1874, blz. 347—349). Nadat door de nieuwe Wet op het H. O.
de godgeleerde faculteiten opgehouden hadden Hervormde godgel. faculteiten te
zijn, is de zaak van het H. O. in de godgeleerdheid door een kerkelijk regl.
geregeld en in verband daarmede de bepaling van deze al. gewijzigd. Zoo ook
art. 70 7°. De nieuwe bepaling is in werking gekomen d. 15 Deo. 1877, in plaats
-ocr page 57-
Art. 56—59.
35
Van de vroegere: „drie Hoogll., door de Herv. godg. faculteiten te Leiden,
Utrecht en Groningen telkens voor één jaar afgevaardigd."
Art. 57. De Synode kiest zich uit de predikanten!) der Neder-
landsche Hervormde Kerk haren vasten Secretaris, die met der woon
gevestigd zal zyn te \'s Gravenhage of in den omtrek. Zijn secundus 2)
wordt benoemd voor drie jaren. Deze zal, bü aftreden van den
Secretaris, diens werkzaamheden waarnemen, totdat een nieuwe
Secretaris, door de eerstvolgende Synode te benoemen, z\\jne betrek-
king zal hebben aanvaard.
Nopens het recht, den plicht, de toelaag en het ontslag van den
Secretaris zal door de Synode bü bijzondere overeenkomst en instructie
nadere bepaling worden gemaakt, waarvan afschrift aan den secundus
zal worden overgelegd.
Ook benoemt zy, bü voorkeur uit de leden der kerkgemeente te
Arasterdam, eenen Quaestor met zijnen secundus, voor onbepaalden
tüd. Over hunne continuatie zal de Synode jaarlijks haar goedachten
uitspreken. Hunne rechten en plichten worden in eene büzondere
instructie omschreven.
1)    Uit de predikanten. Hier worden niet alleen dienstdoende predd. bedoeld,
maar ook emeriti. 1884, bl. 88.
2)   Zijn secundus. Een in 1857 voorloopig aangenomen wijziging van dit art.,
in dien zin, dat ook de secundus van den Secretaris, even als deze, te \'sHage
of in den omtrek zou moeten wonen, is, als de vrije keuze te zeer beperkende,
niet vastgesteld. 1858, bl. 172, 173, 200.
AltT. 58, luidende: „Voor het hoofd van het Departement voor de zaken van
den Hervormden Eeredienst, enz. en zijnen Secretaris-Generaal, mits beiden van
Protestantsche belijdenis, of, bij ontstentenis van dezen, een Commissaris des
Konings, den Hervormden Godsdienst belijdende, staat de toegang open tot
bijwoning der Synodale Vergaderingen" — is, ten gevolge van de veranderde
verhouding tusschen de Kerk en den Staat, d. 1 April 1864 weggevallen. Syn.
Handd. 1862, bl. 126, Bijl. B, bl. 177; 1863, bl. 320, 328.
Art. 59. De gewone Synodale Vergadering wordt, éénmaal\'s jaars,
te \'s Gravenhage gehouden, aanvangende op den derden Woensdag
in de maand Juli. Deze tüdsbepaling kan niet worden veranderd, noch
eene buitengewone vergadering der Synode beschreven, dan door de
Synodale Commissie \').
1) Uit dit art. is, sedert 1 Maart 1870, na de woorden: „door de Synodale
Commissie," weggenomen: „met kennisgeving aan Z. M. den Koning." De Wet
van 10 Sept. 1853 eischt (art. 5) de goedkeuring des Konings voor de plaats van
vestiging der Syn. Verg., in het belang van de openbare orde, niet die omtrent
den tijd der samenkomst. De wijzigingen, d. 31 Maart 1875 in werking gekomen,
betreffen den aanvang der Syn. Verg. op den derden, in plaats van den eersten
Woensdag in Juli, en het wegvallen eener, ten gevolge van de driejarige
zitting der leden, geheel overtollig geworden alinea, luidende: „Tot eene bui ten-
gewone Synode worden de leden der laatstgehoudene Hooge Kerkvergadering
samengeroepen."
8*
-ocr page 58-
Ai,g. Reglement.
36
Abt. 60. De Synode begint telken jare hare werkzaamheden n\\et,
onder leiding van den oudsten in diensttijd der afgevaardigde predi-
kanten, uit dezen voor zich een President en Vice-president, met
plaatsvervanger, te verkiezen.
Art. 61. Bh\' de Synode berust de hoogste wetgevende, rechtspre-
kende en besturende macht, onder de verschillende waarborgen, in
dit Algemeen Reglement en in bijzondere reglementen vastgesteld.
Art. 62 \'). De Synode stelt de reglementen vast, welke voor de
geheele Kerk verbindend zn\'n.
Zü\' zendt2) elk door haar voorloopig aangenomen reglement «aan
de Provinciale Kerkbesturen 3) en Classikale Vergaderingen, om er
hunne consideratiè\'n op in te winnen. De Synode neemt in hare ver-
gadering van het volgende jaar kennis van deze consideratiè\'n en maakt
daarvan naar eigen oordeel*) gebruik. Indien zij besluit, dat het
reglement behoort te worden vastgesteld, met of zonder verandering,
onderwerpt zn\' het5) aan de hoofdelijke stemming van de leden der
Provinciale Kerkbesturen, met dien verstande, dat in de Commissie
tot de zaken der Waalsche Kerken vier leden hunne stem uitbrengen,
en wel de drie predikanten en de ouderling, die de oudste in zitting
zün. Tenzy de meerderheid r\') der gezamenlijke leden, die hunne stem
uitbrengen, zich tegen verklaart7), wordt zoodanig reglement, als
finaal aangenomen, door de Algemeene Synodale Commissie uitge-
vaardigd. Met veranderingen in de bestaande reglementen wordt
evenzoo gehandeld.
1)    Dit art. heeft bij de herzienidg van 1874 de volgende wijzigingen onder-
gaan, in werking gebracht d. 31 Maart 1875: 1°. De Synode stelt de regll. vast,
voor: Zij arresteert de regll. enz.; 2°. Achter Provinciale Kerkbesturen is
gevoegd: en Classikale Vergaderingen (zie het aanget. op artt. 12 en 40); 3°. is
uitgedrukt, dat van de ingekomen consideratiën door de Synode van het volgende
jaar
wordt kennis genomen; 4". is door de woorden: „Indien zij besluit, dat het
Regl. behoort te worden vastgesteld, met of zonder verandering
," voor goed een
einde gemaakt aan den twijfel van sommigen, of de Synode wel bevoegd was,
een regl. of eene reglements-verandering, ten vorigen jare .voorloopig aange-
nomen, ter zijde te leggen (zie het hierover gehandelde in 1870, Handd. bl.
10—13); 5°. is voor de stemming der Provinciale Kerkbesturen de „hoofdelijke
stemming van de leden der Provinciale Kerkbesturen"
in de plaats gekomen;
6". zijn de woorden: „Wanneer de volstrekte meerderheid dier Kerkbesturen zich
voor de aanneming van het regl. verklaart\'1\'\',
vervangen door: „ Tenzij de meer-
derheid"
enz. Eindelijk is den 15 Jan. 1883 nog in werking gekomen de ampli-
atie, dat achter de woorden: „stemming van de leden der Prov. Kerkbesturen"
volgt: „met dien verstande", tot: „die de oudste in zitting zijn". Door deze toe-
voeging is te gemoet gekomen aan het bezwaar, dat de Waalsche Commissie,
die zeven leden telt, terwijl zij een betrekkelijk klein kerkressort vertegenwoor-
digt, een naar evenredigheid te grooten invloed zou uitoefenen bij de beslissing
over het al of niet finaal aannemen van wetsveranderingen.
2)    Zij zendt, enz. Meermalen is do aanmerking gemaakt, dat de hier voor-
-ocr page 59-
Art. 60-63.                                           37
geschreven wijze van aannemen en arresteeren van reglementen al te wijdloopig
en omslachtig zou zijn, b.v. in 1860 door het Cl. Bestuur van Leiden en in
onderscheidene consideratiën, bij voorkomende gelegenheid gegeven; doch de
Synode heeft zoowel in 1860 als in 1874 en 1887 geoordeeld, dat de hier voor-
geschreven weg alleen de vereischte waarborgen oplevert tegen het onberaden
invoeren van schadelijke of der Kerk ongevallige bepalingen.
3)    Provinciale Kerkbesturen. Hieronder mede begrepen de Commissie tot de
zaken der Waalscho Kerken. Verg. het belangrijk rapport van den hoogleeraar
kuenen over de plaats, die de z.g. "Waalsche Commissie bekleedt in het orga-
nisme van ons Kerkelijk Bestuur. 1862, bl. 177 —184 en het besluit der
Synode, bl. 250.
4)    Naar eigen oordcel. Van tijd tot tijd zijn voorstellen ingekomen, het laatst
in 1887, om het eigen oordeel der Synode te beperken, door haar bij het vast-
stellen van wetsveranderingen te binden aan de meerderheid der op de Classikale
Vergaderingen daarover uitgebrachte stemmen. De woorden: naar eigen oordeel,
zouden dan moeten wegvallen, of hare toepassing alleen vinden in het wijzigen
van ondergeschikte punten, als redactie en anderszins. De Synode heeft dergelijke
voorstellen afgewezen, daar op die wijze de wetgevende macht zou verplaatst
worden, in lijnrechten strijd met de beginselen van de organisatie der Ned. Herv.
Kerk. 1887, bl. 374—378, 386, 387.
5)    Onderirerpt zij hei. Een in 1872 ter Synode gedaan voorstel om de eind-
stemming der Provinciale Kerkbesturen (of nu: van de leden der Provinciale
Kerkbesturen) te doen vervallen, is afgewezen. Die eindstemming is een recht
van veto,
den Provinciale Kerkbesturen gegeven, ten einde te groote machtsuit-
breiding der Synode te verhoeden. 1872, bl. 160, 161. Verg. 1866, bl. 120, 122,
173, 174. Ook hoeft in 1876 de Synodale Commissie aan het Provinciaal Kerk-
bestuur van Noordbrabant met Limburg, o. a. het volgende geschreven: „Waartoe
diende de bepaling, dat de regll., met de veranderingen er in gemaakt, andermaal
aan de Prov. Kerkbesturen worden gezonden, die er dan hunne stem over uit-
brengen, — ook naar de tweede al., op veranderingen in de bestaande regll. toe
te passen? — waartoe anders, dan om een tegenwicht van de aan de Synode
verleende macht te doen bestaan, om ook voor het geval, dat zij hare macht
mocht misbruikt hebben of de wettelijke bepalingen niet naar behooren mocht
hebben in acht genomen, de uitvoering van hare besluiten te verhinderen, maar
gevolgelijk ook om bij goedkeuring van die besluiten daaraan voor de Kerk eene
onbetwistbare wettigheid te verzekeren?" 1877, Bijl. B, bl. 174.
6)    Tenzij de meerderheid, enz. Dus, indien de steramen staken (zooals in 1882,
over de toen aangenomen wijziging van artt. 27, regl. op het examen en 19 regl.
op het godsdienstonderwijs plaats had) is het reglement of de reglementsveran-
dering aangenomen. Deze bepaling komt overeen met het karakter en de bedoeling
der eindstemming, als recht van veto, dat als zoodanig positief moet uitgesproken
worden. 1883, Bijl. B, bl. 75.
7)    Zich tegen verklaart. De Synode wenscht, dat bij tegenstemming de Prov.
Kerkbesturen tevens van de gronden daarvoor bericht geven. 1875, bl. 149.
Art. 63. De rechtsprekende macht der Synode wordt uitgeoefend
naar art. 15 van dit Algemeen Reglement en naar het Reglement van
kerkelijk Opzicht en Tucht.
Zü beslist geschillen, welke in of tusschen Provinciale Kerkbesturen
mochten ontstaan.
-ocr page 60-
38                                         Alg. Rkglement.
Art. 64. De besturende macht der Synode gaat over de algemeene
belangen der Nederlandsche Hervormde Kerk, en in het bijzonder
over alles, wat den openbaren godsdienst en de kerkelijke instellingen
betreft\').
1) De voormalige slotperiode: „Zij staat in onmiddellijk verband met het
Ministerieel Departement voor de Zaken der Hervormde Eeredienst," of, ra de
opheffing1 van de Departementen van Eeredienst: „mot het betrokken Ministerieel
Departement" (1863), is d. 1 Maart 1870 vervallen. Zie ook het aangeteekendo
op artt. 7, 12, 58 en 59. Krachtens art. 1 van de Wet op de Kerkgenootschappen,
van 10 Sept. 1853, moet van alle veranderingen en verordeningen, die de
inrichting en het bestuur van het kerkgenootschap betreffen, kennis aan de
Regeering gegeven en, voor zoo ver de medewerking van het Staatsgezag ver-
eischt wordt, hare goedkeuring daarop gevraagd worden.
Art. 65. Bg de Synode berustl) het beheer der algemeene kerke-
In\'ke fondsen. Zij voert dat onder administratie van den Quaestor-
Generaal , over welke het toezicht is opgedragen aan de na te melden
Algemeene Synodale Commissie \').
Omtrent de administratie der bijzondere kerk-, pastory-, kosters-
en andere gemeentefondsen, en de betrekking tusschen hunne
bestuurders en de Kerkeraden, zullen nadere bepalingen worden
ontworpen s).
1)    Bij de Synode berust, enz. In dit art. ligt het beginsel te gronde, dat de
Synode wel bevoegd is, de algemeene kerkelijke fondsen, t. w. de algemeene kas
der Ned. Herv. Kerk, het "Weduwenfonds, het Fonds voor noodlijdende kerken en
personen, het Fonds voor geestelijke behoeften, dat voor de schraalste predikants-
tractementen, het Hulppensioenfonds, het Fonds voor Hooger Onderwijs, en welke
van dien aard er meer mogen zijn of komen, maar niet de in al. 2 opgenoemde
bijzondere Gemeentefondsen, te beheeren. Het beheer dezer goederen berust bij
de gemeenten zelve, wier eigendom zij zijn. Maar al deze gemeenten te zamen
maken de Ned. Herv. Kerk uit (art. 1), en de Synode, bij wie de hoogste wet-
gevende, rechtsprekende en besturende macht in de Kerk berust (art. 61), moet
zich geroepen achten, door het maken van reglementaire bepalingen te zorgen,
dat de fondsen der gemeenten voortdurend overeenkomstig hunne bestemming
worden gebruikt.
2)    Achter de woorden „Synodale Commissie" volgden nog „en, voor zooveel
de Algemeene Classikale kas aangaat, met verantwoording aan de Hooge Regee-
ring"; welke woorden eveneens — zie de aant. op het vorige art.— tengevolge
van de veranderde verhouding tusschen den Staat en de Kerk zijn vervallen.
3)    Ontworpen. Denkelijk is dit woord, in plaats van — zooals het concept
had — gemaakt, met opzet gekozen, omdat men in 1851, toen het A. R. werd
vastgesteld, wel vooruitzag, dat de Synode op dit punt tal van moeielijkheden
zou ontmoeten en toch in allen gevalle de Synode bij ieder regl., dat voor de
geheele Kerk verbindend zal zijn, niet anders, dan op de in art. 62 voorge-
schreven wijze, hare wetgevende macht kan uitoefenen. Dit werk nu had de
Synode reeds in 1850 ter hand genomen, maar oordeelde in 1851 met de verdere
behandeling van het toen ter tafel gebrachte en na ingewonnen consideratiën
gewijzigde ontwerp te moeten wachten, totdat het Alg. Regl. door den Koning
bekrachtigd en in werking gebracht zou zijn. De bekrachtiging volgde, maar met
-ocr page 61-
Art. 64—(55.
159
de elf reserves, bij welke, bepaaldelijk in n°. 2, de bevoegdheid der Synode,
om aan art. 65 al. 2 het daar bedoelde gevolg te geven, niet was erkend. Na
de opheffing dor reserves in 1870 heeft de zaak op nieuw een onderwerp van
vele en langdurige beraadslagingen uitgemaakt bij de Synode en Synodale Com-
missie, en zulks te meer, omdat ten gevolge van het Kon. Bosl. van Pebr. 1866,
waarbij het toezicht op het Beheer is losgelaten , de zaak buiten alle rechtsgeldige
en verbindende regeling gebracht en, door de invoering van een zoogen. vrij
beheer, in een tal van gemeenten voor de schromelijksto willekeur en allerlei
misbruiken de deur geopend was. Ka herhaalde vergeefscho pogingen om, in
overleg met het inmiddels opgetreden Algemeen Collegio van Toezicht, tot eene
wettige regeling van het beheer, steunende op een vasten, onaantastbaren rechts-
grond, te komen, heeft de Synode van 1874 een Concept-regl. op het beheer der
Kerkelijke goederen en fondsen van de Herv. gemeenten in Nederland en het
toezicht daarop
voorloopig aangenomen. Dit regl., hoewel weinig verschillende
van dat van het Alg. Coll., en waarin Bestuur en Beheer als de twee takken
van den éénen stam wél uit elkander gehouden en aan elk zijn onderscheiden
eigenaardige en zelfstandige werkkring aangewezen, maar ook het naar den eisch
der Kerk noodzakelijko verband tusschen die tweo bewaard was, vond echter
van de zijde der kerkelijke administratiën en collegiën van beheer, wier consi-
deratiön mede gevraagd waren, zoo grooten tegenstand, dat de Synode van 1875
niet tot de definitieve vaststelling kon besluiten, maar nogmaals de zaak heeft
uitgesteld tot na een op nieuw te beproeven overleg mot het Algemeen Collegie.
Ingevolge het advies, gegeven door eene veroenigde commissie uit de Synode en
het Algemeen Collegie, heeft de Synode in 1870 zich gewend tot de Rogeering
met het verzoek om eene gelegenhcidswet, waarbij do rechtsgrond aangewezen
werd, waarop de regeling van het beheer der goedoren en fondsen in de gemeente
kon gebouwd worden. Nadat echter én deze en verdere, zoo bij de Regeering,
als bij de Tweede Kamor der Staten-Goneraal aangewende pogingen, om althans
eene wet te verkrijgen, waarbij het onttrekken van kerkelijke goederen aan
hunne bestemming verhinderd werd, vruchteloos waren afgeloopen, is de vraag,
of niet de Synode uitvoering moest geven aan al. 2 van art. 65 A. R., naar
aanleiding van verschillendo daarover ingezonden adressen, weder ernstig ter
sprake gekomen in 1881, maar heeft de Vergadering zich met het gevoelen der
meerderheid van de daarover rapporteerende Commissie, die op het ter hand
nemen aandrong, niet kunnen vereenigen, van oordeel zijnde, dat de Synode
zich in dezen behoorde te onthouden. De jaar op jaar aan de Synodale Commissie
vernieuwde diligentverklaring was daardoor van zelf vervallen. Ten laatste is
echter in 1886, ten gevolge van een voorstel van den heer Mr. c. r. merküs,
lid der Synode, weder aan de Synodale Commissie opgedragen, aan de Synode
in het belang der Kerk do noodige voorstellen of, des geraden oordeelende, bij
de Regeering de noodige stappen te doen, welk mandaat in 1887 nog is uit-
gebreid. Wij zijn dus nog niet aan het einde dezer geschiedenis. "Wie haar meer
in bijzonderheden wenscht na te gaan, vergelijke, om niet te spreken van vroegere
jaargangen, de Handd. der Synode van 1874, bl. 104 —120, 217—227, 233—242,
276—280, 291—301; 1875, bl. 153—186, 257—261, 267—270, 280—286, 289,
200, 295; 1876, bl. 108—118, 361 — 366; 1877, bl. 53—64, 153, 453, 523,
Bijl. B, bl. 133—136; 1878, bl. 56—58, 102, 103,146,324,389,390,395-398,
Bijl. B, bl. 147; 1879, bl. 110, 111, Bijl. B, bl. 113; 188, bl. 23 Bijl. B, bl.
88, 89; 1881, bl. 226—241; 1882, bl. 41, 42, Bijl. B, bl. 82; 1886, bl. 508,
521 en 1887, bl. 44, 45, 197, Bijl. B, bl. 132.
-ocr page 62-
40                                         Alg. Reglement.
TWEEDE AFDEELING.
De Algemeene Synodale Commissie.
Aht. 66. Tusschen de gewone jaarl\\jksche vergaderingen der Synode
worden, in haren naam \'), de belangen der Nederlandsche Hervormde
Kerk behartigd en waargenomen door een collegie, onmiddellijk uit-
gaande van, en in betrekking staande tot de Synode, onder den naam
van Algemeene Synodale Commissie.
1) In haren naam. Verg. art. 74 en Regl. voor Opz. en T., art. 65. Eene
voorloopig aangenoraene bepaling, dat de Syn. Comm., wanneer de Synode niet
vergaderd is, de Kerk zou vertegenwoordigen en voor haar in en buiten rechten
handelend optreden,
is in 1866 verworpen, als onbestaanbaar met het beginsel,
dat de Syn. Comm. geen bestuur is, maar eeue commissie, door de Synode gekozen
en aan haar verantwoordelijk. Handd. bl. 174, 175.
Art. 07. Deze Commissie bestaat uit den President, den Vice-
president en den Secretaris der Synode; voorts uit drie predikanten
en drie ouderlingen, zooveel mogelijk \') te benoemen uit de verschil-
lende kerkressorten. Aan elk der leden van deze Commissie wordt een
secundus toegevoegd. Zij hebben allen concludeerende stem, behalve
de Secretaris, die eene adviseerende heeft. Met uitzondering van den
Secretaris hebben alleen dienstdoende predikantena) in deze Com-
missie zitting 3).
1)    Zooveel mogelijk. Een voorstel, om deze woorden te vervangen door bij
geregelde beurtwisseling
, werd, als onnoodige beperking van de vrijheid der Synode,
afgewezen. 1865, bl. 251. Diensvolgens is de keus van een lid uit een ressort,
dat reeds in de Commissie vertegenwoordigd is, niet ongrondwettig, hoewel het,
ook naar den geest der in dit artikel vervatte bepaling, niet wenschelijk moet
gerekend worden. 1867, bl. 25.
2)    Alleen dienstdoende predd. De bepaling in den laatsten volzin van deze al.
is in werking gekomen 1 April 1864. Daardoor is op do Synodale Commissie
toepasselijk gemaakt wat, volgens artt. 41 en 48, ook geldt omtrent de Classikalo
en Provinciale Besturen en de Synode. Verg. het Rapport, 1863, bl. 114—118,
en wat daarin uit het vroeger te dezer zake verhandelde wordt aangehaald.
3)    Tot aan den 15 Dec. 1877 had dit art. nog eene al., luidende: „Verder
heeft in deze vergadering zitting, met praeadviseerende stem, een hoogleeraar
in de godgeleerdheid aan eeno der drie hoogescholen des Rijks, door de drie
respectieve godgeleerde faculteiten beurtelings te benoemen." Deze bepaling is
ten gevolge van de nieuwe regeling van het Hooger Onderwijs opgeheven. Verg.
aant. op art. 56, al. 5.
Art. 68. De predikanten en ouderlingen, leden dezer Commissie,
benevens hunne secundi \'), worden benoemd door de Synode8), voor
den t\\jd van drie jaren. Telken jare treedt, met den dag op welken
de gewone jaarlijksche vergadering der Synode gesloten wordt, een
derde gedeelte af, zynde de aftredenden niet herkiesbaar *) dan na
twee jaren.
-ocr page 63-
Art. 66—70.                                            41
De President, Vice-president en Secretaris ter laatste Synodale Ver-
gadering fungeeren ook by deze Commissie als zoodanig.
1)    Benevens hunne secundi. Een tot secundus reeds benoemde is, als intusschen
de tot primus benoemde bedankt, ook voor primus benoembaar. Syn. Verkl.
1863, bl. 59, 60.
2)    Door de Synode. Een voorstel: „dat de keuze der leden door de Synode
geschiede op aanbeveling van de Provinciale Kerkbesturen", is als onnoodig afge-
wozen, omdat ter Synode steeds afgevaardigden uit de verschillende provinciën
gezeten zijn en deze ruimschoots gelegenheid hebben om de geschiktste mannen
aan te bevelen. Desgelijks heeft de Synode geoordeeld, de vrijheid der keuze
niet te moeten beperken door de bepaling, dat de leden der Syn. Comm. leden
moeten zijn of geweest zijn van eenig bestuur boven den Kerkeraad.
1865, bl. 521,
252, verg. Bijl. B, bl. 24.
3)    Niet herkiesbaar. Dit is ook toepasselijk op een secundus, die, naar art. 6 ,
al. 4 van het Alg. Regl., gewoon lid geworden is gedurende den diensttijd van
den primus. 1870, bl. 27, 28. Tusschen deze en de volgende al. is d. 15 Deo.
1877 weggenomen de bepaling, dat de hoogleeraar door de aan de beurt zijnde
faculteit wordt afgevaardigd voor den tijd van één jaar. Verg. aant. 3 op art. 67.
Abt. 69: „De vergaderingen dezer Commissie kunnen, gelijk die der Synode,
door het Hoofd van het Ministerieel Departement en den Secretaris-Oeneraal,
beiden van Protestantsche belijdenis, worden bijgewoond" — is tegelijk met
art. 58 in 1863 vervallen.
Akt. 70. Aan deze Commissie is opgedragen:
1°. het uitvoeren van alles, wat de Synode haar heeft in last
gegeven l);
2°. het toezicht op de nakoming van alle kerkelyke reglementen
en Synodale besluiten;
3°. de behandeling en beslissing in vorderingen tot cassatie van
in appèl gedane uitspraken, overeenkomstig art. 15;
4°. het toezicht op de administratie der algemeene kerkelyke fond-
sen, met macht, om, waar de zaak by uitstel lijden zou, daaromtrent
te doen hetgeen der Synode is;
5°. het houden *) van zoodanig algemeen toezicht op de admi-
nistratie van kerkelijke goederen, als haar by een reglement zal worden
opgedragen;
6°. de behandeling der diaconale, alsmede van spoed vorderende
zaken, welke tot de bevoegdheid der Synode behooren;
7°. de correspondentie, omtrent alle voorkomende zaken, met col-
legiè\'n van kerkelyk bestuur en beheer, met de van wege de Kerk
benoemde hoogleeraren in de godgeleerdheid en met de Hooge
Regeering.
1) Wat de Synode haar heeft in last gegeven. Overeenkomstig een voorstel
van den Hoogl. doedes heeft de Synode in 1869 het als wonscholijk uitgesproken,
dat jaarlijks de bij haar ter tafel komende zaken zooveel mogelijk afgedaan en
niet dan bij gebiedende noodzakelijkheid aan de Synodale Commissie worden
opgedragen ter line van raad of advies. Handel., bl. 238.
-ocr page 64-
Art. 70, \'5° Algemeen Reglement worde aldus gelezen:
Het behandelen en beslissen in vorderingen tot vernietiging
van eene in hooger beroep gedane uitspraak en van eene ge-
nomen beslissing overeenkomstig Art. lb;/\'rrU*.i9flJ.
-ocr page 65-
42                                         Alg. Reglkment.
2)    Het houden zal worden opgedragen. Verg. art. 65, al. 2.
3)    De behandeling der diaconale zaleen is sedert 1 Maart 1868, tot vereen-
voudiging der werkzaamheden, geheel naar de Syn. Comra. overgebracht. In
verband hiermede is tevens gewijzigd art. 15, al. 2 van het Regl. voor de
diaconiën. "Verg. 1871, bl. 175, 176. Een in 1865 ter tafel gebracht voorstel om
de behandeling van alle quaestorale èn diaconale zaken en van alle zaken van
dagelijlcsch bestuur
bij de Syn. Comm. over te brengen, kon do goedkeuring der
vergadering niet wegdragen, daar zij oordeelde, dat met die overdracht tegroofce
verantwoordelijkheid op de Syn. Comm. zou gelogd worden en zulks te minder
zou voegen, omdat zij oen collegia uitmaakt, dat slechts door de Synode on niet
rechtstreeks door de Kerk gekozen is. 1865, bl. 255. In 1887 hoeft de Synode
het voorstel van een harer leden om do toekenning van kleine toelagen aan
kerkelijke administratiën en noodlijdende personen aan de Synodale Commissie
over te laten, voorloopig aangenomen.
Art. 71. De Synodale Commissie biedt jaarlijks der Synode een
overzicht\') aan van den staat der Nederlandsche Hervormde Kerk.
1) Een overzicht, enz. In 1869 is de Syn. Comm. ontheven van de taak om
zulk een-overzicht van den inivendigen toestand der Kerk te geven, als wordende
door dit art. niet gebiedend gevorderd, en zijnde van geen practisch nut voor
de werkzaamheden der Synode; terwijl dikwerf in zulk een overzicht de onpar-
tijdigheid al te moeielijk valt te bewaren. Handd., bl. 246, 247.
Abt. 72. De Commissie vergadert te\'s Gravenhage, gewoonlijk twee-
malen \'s jaars, ééns in liet voorjaar en ééns in het najaar, en voorts
zoo dikwerf zulks door haar moderamen noodig zal worden geacht.
Art. 73. Alle kerkelijke collegiën zn\'n verplicht, aan deze Oom-
missie alle door haar gevraagde inlichtingen te geven, en aan hare
aanschrijvingen te voldoen, behoudens het bepaalde bij art. 14.
Art. 74. De Commissie is, wegens alles \'), wat door haar wordt
verricht, verantwoording schuldig ter eerste gewone Synodale Ver-
gadering. /
Bij de raadpleging over deze verantwoording 2) heeft geen der Syno-
dale leden, die tevens lid is van de Algemeene Synodale Commissie,
eene concludeerende stem. Van uitspraken, door haar gedaan ten ge-
volge van beroep in cassatie, geeft zij aan de Synode alleen verslag.
1)     Wegens alles. Ook beschikkingen, door haar genomen op verzoeken om
dispensatie, naar art. 23 en 52 van het regl. op de vac., al moge daarop niet
kunnen worden teruggekomen, zijn aan de beoordeeling der Synode onderworpen,
waarvan alleen, aan het slot van dit art., de uitspraken, door de Commissie
gegeven ten gevolge van beroep in cassatie, zijn uitgezonderd. Verkl. der Synode,
1865, bl. 21, 23.
2)    Bij de raadpleging over deze verantwoording, enz. Die concludeerende stem
kan slechts aan de bodoelde leden ontzegd worden, waar het de verantwoordelijke
handelingen
dor Comm. geldt, doch geenszins wanneer de Synodale Verg. te
raadplegen en te besluiten heeft over de onderscheidene beschouwingen en adviezen
van gezegde Comm. aan de Synode. Synodale beslissing, 1863, bl. 16, 17.
-ocr page 66-
Art. 71, 2° Algemeen Reglement worde aldus gelezen :
Van eene uitspraak door haar gedaan, en eene beslissing door
haar genomen, ten gevolge van beroep in cassatie, geeft zij
aan de Synode alleen verslag. //«" 7*^ ■ /<Pf/ /.
-ocr page 67-
Art. 70—74.
43
SLOTBEPALING \').
In dit reglement kan geene verandering worden gemaakt, dan door
de Synode. Tot verandering wordt vereischt, dat eerst de conside-
ratiën der Provinciale Kerkbesturen en der Classikale Vergaderingen
z\\jn gevraagd, en voorts de toestemming van twee derden der geza-
menlyke leden *) van de Provinciale Kerkbesturen is verkregen, nadat
deze gehoord zullen hebben de Classikale Besturen in hun ressort.
Ook bij deze stemming geldt voor de Commissie tot de zaken der
Waalsche Kerken het ten deze in art. 62 bepaalde.
1)    De wijzigingen, die dit art. bij de herziening van 1874—1875 heeft
ondergaan, zijn: 1°. Tot verandering, in de plaats van: Bij verandering van deze
grondregeling des bestuurs;
2°. Achter Provinciale Kerkbesturen ingevoegd, in
overeenstemming met art. 62, etc: en der Classicale Vergaderingen; 3°. In plaats
van: twee derden hunner, insgelijks overeenkomstig art. 62: twee derden der
gezamenlijke leden van de Provinciale Kerkbesturen
; 4°. In plaats van de respectieve
Classikale Besturen: de Classikale Besturen in hun ressort.
In werking gekomen
d. 31 Maart 1875. Zio Handd. 1874, bl 376. "Voorts is de laatste al. eene toe-
voeging, die in werking gekomen is den 15 Jan. 18S3. Yerg. aant. 1 op art. 62.
2)    Gezamenlijke leden. Niet hetzelfde als „gezamenlijke leden, die hunne stem
uitbrengen\'\'\'
in art. 62. Zie het rapport der Synodale Comtn. betreffende de eind-
stemming over eene verandering van art. 3*, goedgekeurd door de Synode.
1887, bl. 12, Bijl. B, bl. 118, 119. Ook dient opgemerkt te worden, dat hier
sprake is van de toestemming van twee derden, enz., terwijl bjj gewone wets-
ontwerpen naar art. 62 voor de invoering vereischt wordt, dat de helft der
stemmen er zich niet tegen verklaart.
Het Algemeen Reglement voor de Hervormde Kerk in het Koningrijk
der Nederlanden, voortgekomen uit de herziening van het Reglement
van 1816, is door de Synode in 1851 gearresteerd en na door Z. M.
den Koning, b\\j besluit van den 23 Maart 1852, n°. 3, te zn\'n
bekrachtigd — zooals noodig was naar art. 15 van het reglement van
1816 — in werking gekomen den 1 Mei 1852. De elf reserves, onder
welke de Koninklijke goedkeuring verleend was, zn\'n opgeheven by
Kon. Besluit van den 22 Juli 1870, n°. 8 (zie Handd. der Syn. 1870,
bl. 17ï). De later in dit reglement naar art. 62 en de slotbepaling
aangebrachte whzigingen zyn in werking gekomen na kennisgeving
aan de Regeering, volgens art. 1 van de Wet op de Kerkgenoot-
schappen (10 Sept. 1853 Staatsbl. n°. 102). De wijzigingen den 31
Maart 1874 in werking gekomen, waren vooral belangrijk, daar zy
het vertegenwoordigend karakter van het Kerkbestuur tot zyn volle
recht hebben doen komen.
-ocr page 68-
44                                         Alg. Reglement.
BIJLAGEN
BIJ HET ALGEMEEN REGLEMENT.
I.
HOOFDSTUK VI
VAN DE GRONDWET VOOH HET KONINGRIJK DER NEDERLANDEN.
Van den Godsdienst.
Art. 167. Ieder belijdt zijne godsdienstige meeningen met volkomen
vryheid, behoudens de bescherming der maatschappij en harer leden
tegen de overtreding der strafwet.
Art. 168. Aan alle kerkgenootschappen in het Rijk wordt gelijke
bescherming verleend.
Art. 169. De belijders der onderscheidene godsdiensten genieten
allen dezelfde burgerlijke en burgerschaps-rechten, en hebben gelijke
aanspraak op het bekleeden van waardigheden, ambten en bedie-
ningen.
Art. 170. Alle openbare godsdienstoefening binnen gebouwen en
besloten plaatsen wordt toegelaten, behoudens de noodige maatregelen
ter verzekering der openbare orde en rust.
Onder dezelfde bepaling blijft de openbare godsdienstoefening buiten
de gebouwen en besloten plaatsen geoorloofd, waar zij thans naar de
wetten en reglementen is toegelaten.
Art. 171. De traktementen, pensioenen en andere inkomsten, van
welken aard ook, thans door de onderscheidene godsdienetige gezind-
heden of derzelver leeraars genoten wordende, blijven aan dezelve
gezindheden verzekerd.
Aan de leeraars, welke tot nog toe uit \'slands kas geen of een niet
toereikend traktement genieten, kan een traktement toegelegd of het
bestaande vermeerderd worden.
Art. 172. De Koning waakt, dat alle kerkgenootschappen zich
houden binnen de palen van gehoorzaamheid aan de wetten van
den Staat.
Art. 173. De tusschenkomst der Regeering wordt niet vereischt
bij de briefwisseling met de hoofden der onderscheidene kerkgenoot-
schappen, noch, behoudens verantwoordelijkheid volgens de wet, bij
de afkondiging van kerkelijke voorschriften.
-ocr page 69-
Bijlagen.                                               45
II.
WET, REGELENDE HET TOEZICHT ÖP DE ONDERSCHEIDENE
KERKGENOOTSCHAPPEN.
(10 Sept. 1853, Staatsbl. no. 102.)
Wjj willem in, enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodig is,
eenige wettelyke bepalingen vast te stellen ter uitvoering van onder-
scheidene voorschriften van het Vide hoofdstuk der grondwet en ter
vervanging van op dit onderwerp bestaande verordeningen, opdat
Wy gelgke bescherming aan alle kerkgenootschappen in het ry\'k
kunnen verleenen, en waken, dat zy zich houden binnen de palen
van gehoorzaamheid aan de wetten van den Staat;
Zoo is het, dat Wy, den Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelu\'k
Wy goedvinden en verstaan by deze:
Art. 1. Aan alle kerkgenootschappen is en blyft de volkomen
vryheid verzekerd, alles wat hunnen godsdienst en de uitoefening
daarvan in hunnen eigen boezem betreft, te regelen.
De bepalingen betreffende de inrichting en het bestuur worden,
voor zooveel zij niet reeds aan Ons bekend zyn gemaakt, binnen
eene maand na de afkondiging dezer wet, door de bestuurders ot
hoofden der kerkgenootschappen aan Ons medegedeeld. Nieuw te maken
bepalingen worden mede vóór of bij het in werking brengen daarvan,
op gelijke wy\'ze ter Onzer kennis gebracht.
Voor zooveel er zich onder de bepalingen, by dit artikel bedoeld,
eenige bevindt, welke de medewerking van het staatsgezag vereischt,
wordt die medewerking niet verleend, tenzij de bepaling door Ons
is goedgekeurd.
Art. 2. Vreemdelingen aanvaarden geene kerkelijke bediening, dan
na daartoe Onze toestemming te hebben verkregen.
Alleen in het belang der openbare orde en rust kan die toestemming
geweigerd worden.
Art. 3. De titulaturen in de kerkgenootschappen aan de bedie-
naren van den openbaren godsdienst toegekend, geven noch ten op-
zichte van het wereldlyk gezag, noch ten opzichte van andere kerk-
genootschappen, eenige aanspraak, rang of voorrecht.
In de aanraking met het wereldlyk gezag worden die titulaturen
alleen gebezigd met vermelding van den geslachtsnaam der titularissen.
Art. 4. De ter aanwijzing van kerkelyk gebied door kerkgenoot-
schappen gebezigde namen van provinciën of gemeenten worden slechts
als van kerkelyken aard beschouwd en hebben geen verder gevolg.
-ocr page 70-
Alg. Reglement.
46
Art. 5. Synodale vergaderingen en hoofden, die kerkgenootschappen
vertegenwoordigen of besturen, behoeven Onze goedkeuring op de
plaats van vestiging.
Voor zooveel deze goedkeuring bh\' de afkondiging dezer wet nog
niet is verleend, wordt, na met hen gehouden overleg, door Ons, den
Raad van State gehoord, over de geschiktheid der aangewezene ves-
tigingsplaats uitspraak gedaan.
Alleen in het belang der openbare orde en rust en bh\' een met
redenen omkleed en openbaar gemaakt besluit kan eene aangewezen
vestigingsplaats als zoodanig door Ons ongeschikt worden verklaard.
Art. 6. De bedienaren van den openbaren godsdienst dragen het
gewaad voor kerkelyke plechtigheden of bij de uitoefening van den open-
baren godsdienst in hun kerkgenootschap gebruikelijk, niet dan binnen
gebouwen en besloten plaatsen, of daar waar de openbare godsdienst-
oefening, naar het 2de lid van art. 167 \') der grondwet, is toegelaten.
Art. 7. Elke oprichting of inrichting van een gebouw tot uitoefe-
ning van den openbaren godsdienst, binnen den afstand van twee
honderd ellen van eene bestaande kerk, vereischt in het belang der
openbare orde een onderzoek omtrent de plaats van vestiging.
Vóór dat de oprichting of inrichting wordt toegelaten, wordt daar-
omtrent door het gemeentebestuur beslist. Deze beslissing is vatbaar
voor een beroep op gedeputeerde staten, en b\\j bezwaar ook tegen
de beslissing van deze, wordt hunne uitspraak aan Onze eindbeslissing
onderworpen. Het besluit door Ons te nemen, na den Raad van State
te hebben gehoord, wordt met redenen omkleed en openbaar gemaakt.
Wanneer de oprichting of inrichting zonder verlof heeft plaats
gehad, wordt het gebouw gesloten.
Art. 8. Het klokkengelui tot viering van kerkelijke plechtigheden
of om de ingezetenen tot de godsdienstoefening op te roepen, kan in
gemeenten, waar kerken van meer dan één kerkgenootschap znn, in
het belang der openbare orde en rust door Onzen Commissaris in de
provincie worden verboden.
Klokkengelui tot andere einden heeft geen plaats dan met ver-
gunning der plaatselh\'ke politie.
Art. 9. Hij die aan deze wet niet voldoet, hare voorschriften over-
treedt, of elders dan art. 167 \') der grondwet toelaat, den openbaren
godsdienst uitoefent, wordt verklaard „in stry\'d met de wet te hebben
gehandeld" en veroordeeld in de kosten.
Art. 10. De officieren van justitie bij de arrondissements-rechtbanken
eischen, overeenkomstig met de bepalingen van art. 854 van het Wet-
boek van burgerlijke rechtsvordering, voor de rechtbank, ter bur-
gerlh\'ke terechtzitting, de toepassing van het voorgaand artikel.
Geene vervolging kan door hen worden ingesteld dan op machtiging
1) Nu 170.
-ocr page 71-
Bijlagen.
17
van den Procureur-Generaal onder wiens bevelen z\\j staan, of op last
des rechters in de gevallen, voorzien bij art. 31 \').van het Wetboek
van strafvordering en art. 73 van de Wet op de rechterlijke organi-
satie en het beleid der justitie.
A et. 11. Van het vonnis wordt appèl, van het arrest cassatie toegelaten.
Art. 12. Die, na eenmaal ter zake van overtreding dezer wet te
zyn veroordeeld, zich aan herhaling daarvan schuldig maakt, wordt
gestraft met schorsing in de uitoefening zijner burgerschapsrechten
voor den tijd van drie tot tien jaren, en met gevangenis van ééne
maand tot twee jaren, te zamen of afzonderlijk.
Art. 13. De rechtsgedingen krachtens het voorgaand artikel ter
zake van herhaalde overtreding gevoerd, worden op de gewone wyze
voor den gewonen strafrechter behandeld.
De vervolging wegens overtredingen van deze wet verjaart door
verloop van twee jaren.
Art. 14. Bij het in werking komen dezer wet zn\'n, behoudens de
bepalingen der wetten en reglementen bedoeld in art. 167 \') der
Grondwet, afgeschaft de wet van 18 Germinal jaar X en alle andere
met de tegenwoordige wet strijdende bepalingen.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst,
en dat alle ministeriè\'ele departementen, autoriteiten, collegiën en
ambtenaren, wien zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de
hand zullen houden.
III.
KONINKLIJK BESLUIT VAN DEN 29STEN OCTOBER 1870, HOUDENDE
INTREKKING DER KONINKLIJKE BESLUITEN VAN 29 JULI 1868
(STAATSBLAD N08. 115 EN 116) EN NADERE REGELING
VAN DE WIJZE VAN BEHANDELING DER ZAKEN
BETREFFENDE DE ONDERSCHEIDENE
EEREDIENSTEN. 3)
(Staatsbl. n°. 173.)
Wij willem ui, enz.
Op de voordracht van den Raad van Ministers, van den 15den
Augustus 1870;
Den Raad van State gehoord (advies van den 20 September 1870, n°. 9);
1)     Nu 33.
2)    Nu 170.
3)    De beide departementen voor de zaken der eerediensten, ingesteld bij K. B,
van 16 Sept. 1815, zijn — na eerst bij K. B. van 21 April 1862 (Stbl. n\'. 42 en 43)
te zijn vervangen door bijzondere afdeelingcn, vervolgens bij K. B. van 2 Januari
1868 (Stbl. n". 1 en 2) te zijn hersteld, daarna bij IC. B. van 29 Juli 1868 (Stbl.
n*. 115 en 116) wederom tot bijzondere afdeelingen onder het beheer van de daartoe
aangewezen hoofden van andere ministerieele departementen te zijn teruggebracht —
bij dit K. B., met ingang van 1 Januari 1871, definitief opgeheven.
-ocr page 72-
Alg. Reglement.
48
Gezien de nadere voordrachten van den Raad van Ministers, van
den 24sten October 1870, en van Onze Ministers van Financien en
van Justitie, van den 24sten October 1870, no. 6;
Gelet op art. 73 \') der Grondwet;
Hebben goedgevonden en verstaan, met intrekking van Onze be-
sluiten van 29 Juli 1868 (Staatsblad n08. 115 en HG), te bepalen:
1°. dat de uitvoering en toepassing van de bepalingen van het 6e
hoofdstuk der Grondwet, met uitzondering van art. 168\'), en die van
de Wet van 10 September 1853 (Staatsblad no. 102), benevens van de
bepalingen van artt. 947 en 1717 van het Burgerlyk Wetboek ten
aanzien van kerken, godsdienstige gestichten en kerkelijke instellingen
van weldadigheid8) worden opgedragen aan Onzen Minister van
Justitie;
2°. dat de uitvoering en toepassing van art. 168 2) der Grondwet,
het beheer der by de Staats begrooting voor de onderscheidene kerk-
genootschappen toegestane geldmiddelen en de daarmede in verband
staande werkzaamheden worden opgedragen aan Onzen Minister van
Financien;
3°. dat de uitvoering en toepassing der verordeningen betreffende
de onderscheidene eerediensten in de koloniën en bezittingen van het
R\\jk in andere werelddeelen wordt opgedragen aan Onzen Minister
van Koloniën; zullende, met wijziging vau het Koninklijk besluit van
7 December 1820, no. 113, de Commissie voor de zaken der Protes-
tantsche kerken in Neêrlands Oost- en West-Indië voortaan in recht-
streeksche betrekking staan tot het Departement van Koloniën;
4°. dat omtrent al de hierboven bedoelde aangelegenheden, voor
zooveel ze tot den werkkring van meer dan één departement van
algemeen bestuur in betrekking mochten staan, vooraf overleg zal plaats
hebben tusschen de hoofden dier departementen;
5°. dat dit besluit in werking treedt den lsten Januari 1871.
Onze Ministers van Justitie, Finantiën en Koloniën zijn belast met
de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en waarvan afschriften zullen worden gezonden aan de
Departementen van Algemeen Bestuur, aan de Hooge Collegiën van
Staat, aan de beide Kamers der Staten-Generaal en aan den Raad
van Ministers.
1)    Nu 77.
2)    Nu 171.
3)    Art. 947 B. W.: „Makingen bij uiterste wilsbeschikking ten behoeve van
openbare instellingen, godsdienstige gestichten, kerken of armen-inrichtingen, hebben
geen gevolg, dan voor zoo ver de Koning aan de bewindvoerders dier gestichten de
macht zal hebben verleend om die aan te nemen." Art. 1717: „Schenkingen aan
openbare of godsdienstige gestichten gedaan, hebben geen gevolg, dan voor zoo verre
de Koning aan de bewindvoerders dier gestichten de macht zal hebben verleend om
die giften aan te nemen.
-ocr page 73-
49
Bijlagen.
(De Alg. Syn. Commissie, by\' Circ. v. 15 Nov. 1870 dit Besluit mede-
deelende — Kerk. Cour. v. 10 Nov. 1870, No. 47 —, meldt, dat zy\'
het ontvangen heeft met eene begeleidende Ministerieele missive,
inhoudende:
dat, naar het oordeel der Regeering, de volledige toepassing van het
beginsel van scheiding van Kerk en Staat de nieuwe regeling dringend
vordert, daar, volgens de voorschriften der Grondwet, de verplichtingen
en rechten van den Staat tot de Kerkgenootschappen zich bepalen tot
bescherming, toezicht en ondersteuning;
dat alles, wat de eerste twee punten betreft, behoort tot den werk-
kring van het Departement van Justitie, en alles wat het laatste punt
aangaat tot dien van het Departement van Financiën.
Mitsdien moeten door de betrokken Kerkelijke Besturen, gemeenten
en personen van 1 Jan. 1871 af aan — het tijdstip waarop het K. B.
v. 29 Oct. in werking treedt — alle nieuw vastgestelde kerkelijke regle-
menten, en veranderingen van bestaande kerkely\'ke reglementen, en
alles wat verder betreft de uitvoering en toepassing der Wet van
10 Sept. 1853 (Stbl. no. 102), tot regeling van het toezicht op de
onderscheidene Kerkgenootschappen, benevens wat aangaat de uit-
voering en toepassing van de artt. 947 en 1717 Burgerlijk Wetboek
omtrent het aanvaarden van makingen bij uiterste wilsbeschikking
en van schenkingen, worden ingezonden aan het Departement van
Justitie; terwy\'1 alle stukken betreffende de financieele betrekking van
den Staat tot de Kerkgenootschappen by\' het Departement van Financien
behooren te worden ingezonden).
IV.
SYNODAAL BESLUIT VAN DEN 3 AUU. 1853, OMTRENT DE WIJZE VAN
CORRESPONDEEREN TUSSCHEN KERKELIJKE LICHAMEN.
De Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk vindt
het noodig, de kerkelijke besturen en vergaderingen bekend te maken
met de eenigszins gewijzigde manier van correspondeeren tusschen
kerkely\'ke lichamen, welke zy in hare zitting van heden heeft vast-
gesteld, in plaats van die van 7 Juli 1818.
Volgens art. 13 van het Algemeen Reglement, dienen kerkely\'ke
besturen hunne voorstellen in, en vragen zy\' voorlichting by de in
opklimmenden rang naastvolgende, en volgens art. 30, derde lid,
zenden de ringen by de Classikale Besturen hunne verdagen, voor de
Synode bestemd\'), terwyl volgens art. 52, 2°, de Classikale Besturen
hunne verslagen (gely\'k ook die der ringen) door het Provinciaal
Kerkbestuur ter Synode brengen.
1) Sedert 1871 «orden de verslagen der ringen niet langer opgezonden aan de
Synode. Zie aant. op art. 30.
Kerkelijk Wetboek, 2e druk.                                                                             4
-ocr page 74-
50                                        Alg. Reglement.
Uit deze bepalingen volgt, dat de regel voor de kerkelijke cor-
respondentie deze moet zyn, dat zy onmiddellijk geschiedt tusschen
de naastaangrenzende besturen en vergaderingen en alleen door deze
met de meer verwyderde, zoo namelijk de lagere iets hebben te zenden
naar de hoogere. Dit is ook in aller belang. Daardoor ontvangen de
hoogere, met name de Synode en de Algemeene Synodale Commissie,
de stukken niet alleen, maar ook de inlichtingen, welke er over gegeven
konden worden. Zonder die inlichtingen kunnen de meeste zaken niet
afgedaan worden, zoodat deze wijze van correspondentie, hoewel schijn-
baar omslachtiger, inderdaad korter is. Een Classikaal Bestuur bijv.
doet een voorstel aan de Synode. Bijna alty\'d moet daarover het
Provinciaal Kerkbestuur gehoord worden; en dus is het beknopter,
dit voorstel door het Provinciaal Kerkbestuur in te zenden, dan onmid-
dellyk aan de Synode. In het eerste geval kan de Synode zeer dikwyls
dadelyk een besluit nemen, daar zij dan by het voorstel ook de
inlichting, benevens de goed- of afkeuring van het Provinciaal Kerk-
bestuur bezit; in het laatste moet zy\' deze eerst nog vragen, waarmede
meestal zooveel tijd verloopt, dat zij de zaak niet voor in een volgend
jaar kan afdoen. Ook snydt deze wijze van correspondentie veel
onnoodigs af. Verschillende Kerkeraden komen by de Synode om
inlichtingen, met voorstellen en verzoeken. Doen zy het onmiddellijk,
dan moet de Synode aan elk onmiddellyk antwoorden. Doen zy het
middellijk, dan zal menig Classikaal of Provinciaal Kerkbestuur licht
en raad kunnen geven, door naar vroegere besluiten of bepalingen
voor andere Kerkeraden gegeven, te verwyzen, en dus de inzending
by de Synode, als onnoodig, kunnen afsnyden. Hierby komt nog,
dat sedert de praeses van het Classikaal Bestuur niet meer lid van
het Provinciaal Kerkbestuur is, dit laatste lichtelyk op geenerlei wijze
kan weten, wat er in menige classis of Classikaal Bestuur is voorge-
vallen, en dus art. 51, lu moeielijk uitvoeren. Immers een Provinciaal
Kerkbestuur zou een Classikaal Bestuur of Kerkeraad kunnen berispen
over zekere wyze van doen, welke het in strijd achtte met de ker-
kelyke reglementen; maar het lager bestuur zou zich kunnen beroepen
op een antwoord der Synode of der Synodale Commissie, waarvan
het Provinciaal Kerkbestuur niets wist.
Om deze ongelegenheden te voorkomen, bepaalt de Synode de wyze
van correspondeeren aldus:
1.    In den regel zenden de kerkelijke besturen en vergaderingen
hunne stukken, behelzende voorstellen, vragen om inlichting en ver-
slagen, ook welke voor nog hoogere kerkbesturen bestemd zyn,
onmiddellyk aan de naastaangrenzende hoogere besturen.
2.    De stukken, welke aan hoogere besturen komen, worden inge-
gezonden met de inlichtingen, welke de tusschenin liggende besturen,
of (deze niet vergaderd zynde) de praeses en secretaris of scriba, als
zy meenen het niet te kunnen afdoen, daarby\' willen voegen. Meenen
-ocr page 75-
51
BlJLAGEN.
deze, dat zy de zaak kunnen afdoen, dan zenden zy ze met hunne
inlichting of beslissing aan de inzenders terug. Hebben deze daarby
geen vrede, dan kunnen zy handelen naar art. 14 van het Algemeen
Reglement.
3.     Uitgezonderd zyn van deze middellijke correspondentie: al wat
formeel is by de vacaturen en beroepingen; het verzoek in art. 20 \')
van het reglement op het godsdienst-onderwijs vermeld; de voorstellen
by de Synode van de Classikale vergaderingen, welke maar ééne
week *) vóór de Synode bijeenkomen; het beklag, by art. 14 van het
Algemeen Reglement en in andere reglementen genoemd, en hiermede
gelijkstaande gevallen; desgelyks, alle zaken, welke geen uitstel
lijden; — doch zullen de lagere besturen en vergaderingen in deze
laatste gevallen altijd afschrift zenden van hunne adressen aan de
tusschen-in-liggende besturen, en dit in hunne adressen by de Synode
en Synodale Commissie vermelden.
4.    De Synode behoudt voor zich het recht, om onmiddellyk, niet
door Provinciale Kerkbesturen, ingezonden stukken ter zyde te leggen
of terug te zenden; en hare antwoorden op alle stukken, naar gelang
van den inhoud, uit te vaardigen aan alle kerkbesturen, hetzy mid-
dellyk, hetzy onmiddellyk.
5.    Hetzelfde recht heeft ook de Algemeene Synodale Commissie,
doch zal zy, by onmiddellyke terugzending van hare antwoorden
aan besturen of vergaderingen beneden de Provinciale Kerkbesturen,
hiervan aan de tusschen-in-liggende besturen kennis geven.
(De Collegiën, die niet tot de kerkely ke besturen kunnen gerekend
worden, zooals de afzonderlijke collegiën van diakenen, de ringen,
enz. zyn niet aan bovenstaande voorschriften gebonden. Synodale
beslissing van den 30 Juli 1858).
V.
SYNODALE BBIEF VAN 30 JULI 1879 AAN DE PKOVINCIALE KERKBESTUREN EN
CLASSIKALE VERGADERINGEN, BETREKKING HEBBENDE OP DE MEDE-
DEELINGEN VAN VOORSTELLEN EN CONSIDERATIËN EN DEN
V0EM DER VAN HEN INKOMENDE STUKKEN.
De Algemeene Synode der Ned. Herv. Kerk, in ervaring gekomen,
dat niet zelden berichten, consideratiën en voorstellen, inzonderheid
van wege de Classikale Vergaderingen, tot haar worden gebracht in
geheel onbehoorlyken vorm, noodigt u uit, toe te zien, dat al wat
1)     De bepaling, hier bedoeld, in het thans vigeerend regl. op het G.O. art. 13,
laatste al., opgenomen, is later weggenomen. Zie de muit. op dit art.
2)     Thans drie weken.
4*
-ocr page 76-
Alg. Reglement. Bijlagen.
52
van uwentwege of door uwe tusschenkomst de Synode ter kennis-
neming of ter overweging wordt aangeboden, by haren Secretaris
worde ingezonden, geschreven, zooveel mogelyk, met duidelyk lees-
bare hand, op een behoorlijk blad papier, geschikt om in het Syno-
daal archief te worden bewaard, en, voor zoo veel het verschillende
onderwerpen betreft, op afzonderlijke bladen.
Zy verzoekt de Moderamina der Classikale Vergaderingen, zooveel
mogelijk acht te geven, dat door deze geene voorstellen tot de Synode
worden gebracht, dan met redenen omkleed of althans voldoende
toegelicht, zoodat de bedoeling der voorstellen duidelyk blyke; —
onder opmerking, dat geheel ongemotiveerde en onduidelijke voor-
stellen bezwaarlyk in behandeling kunnen worden genomen.
(De Alg. Syn. Comm. vond den 20 Dec. 1886 nog eens aanleiding
om bij de Classikale Besturen, zooveel noodig, er op aan te dringen,
dat voortaan alle officieele, van die Besturen uitgaande stukken, door
Praeses en Scriba geteekend en op een blad groot papier
geschreven worden).
N.B. Wy hebben gemeend dat het niet noodig was, de Staatswet
van 1 Maart 1815, omtrent de algemeen erkende Chris-
telyke vierdagen (de z.g. Zondag-wet) nogmaals onder deze
Bylagen op te nemen, daar zij, hoewel niet officieel afgeschaft, toch
blykbaar „verouderd en naby de verdwyning" is. Men vindt haar
o. a. by g. bruna , De regll. en besll. voor de Ned. Herv. Kerk, 7de dr.,
bl. 238 en vv.
-ocr page 77-
REGLEMENT VOOR DE KERKERADEN.
ALGEMEENE BEPALING.
Art. 1. In elke gemeente \') is een Kerkeraad, die haar vertegen-
woordigt en bestuurt.
                                                                         e=
In gemeenten, waar men, uit hoofde van gebrek aan geschikyper-
soneel, niet tot de samenstelling van een Kerkeraad kan geraken,
treedt het Classikaal Bestuur op 2), om te doen wat des Kerkeraads is.
In laatstgenoemd geval is de predikant der gemeente, en by vaca-
ture de consulent, in de vergaderingen van het bestuur, tot de ker-
keraadshandelingen bestemd, met de betrekking van praeses en scriba
bekleed, zonder echter als zoodanig eenige rechten, met opzicht tot
den tyd. en de plaats der samenkomsten, of ook anders tusschentijds,
uit te oefenen. Waar ook slechts één kerkeraadslid buiten den predikant
of den consulent aanwezig is, wordt hij als zoodanig erkend en bij
de bedoelde vergadering toegelaten.
Voor de afdoening van zaken 3), die het beheer der diaconie
betreffen of spoed vorderen, met uitzondering van hetgeen tot het
beroepingswerk van een predikant behoort, kan het Classikaal Bestuur,
doende wat des Kerkeraads is, zich in de gemeente door eene Com-
missie van twee of drie zyner leden laten vertegenwoordigen, doch
telkens met kennisgeving hiervan aan de kerkelijke administratie dier
gemeente.
Indien 4) tengevolge van bedanken, afscheiding, schorsing of ont-
zetting van leden van den Kerkeraad eener gemeente hun aantal
gedaald is beneden twee derden der leden, waaruit deze bestaan moet,
en het Classikaal Bestuur mitsdien naar al. 2 van dit artikel moet
doen wat des Kerkeraads is, doch in dit opzicht de uitoefening zyner
kerkelyke betrekking verzuimt, doet het Provinciaal Kerkbestuur in
zulk eene gemeente wat des Kerkeraads is, en kan zich door eene
Commissie uit zyn midden voor de gevallen, in al. 4 genoemd, laten
vertegenwoordigen.
De kosten, hiervoor vereischt, worden berekend naar Art. 23 van
het Reglement voor kerkelyk opzicht en tucht en voor de behandeling
van kerkelyke geschillen.
-ocr page 78-
f ** a&tvi\'/L\'f £ **■ »■ f- /r^~. \'<??<>/■
-ocr page 79-
54                               Reglement voor de Kerkeraden.
1)    Verg. Alg. Regl., art. 18.
2)    Treedt het Classikaal Bestuur op. Het Classikaal Bestuur moet alsdan
geacht worden den Kerkeraad niet bloot aan te vullen, maar te vervangen,
behoudens de bepalingen in de volgende al. 1856, bl. 62, Bijl. B, bl. 40; 1882,
bl. 87—90. Voorts heeft de Synodale Commissie den 31 Jan. 1888 te dezer zake
eene Circulaire (n°. 885) aan de Prov. Kerkbesturen en do Class. Besturen uit-
gevaardigd, welke wij in de Bijlagen hierachter laten volgen.
3)    Voor de afdoening van zaken, enz. Deze al. (in werking gekomen 1 Maart
1866) is noodzakelijk geacht om te gemoet te komen aan bezwaren, die de uit-
voering van de vorige al. zou kunnen medebrengen. Zie 1864, bl. 127, 129,
134, Bijl. B, bl. 166; 1865, bl. 162—165, 216, 217, Bijl. A, bl. 101.
4)    De twee laatste all. van dit artikel zijn in werking gekomen den 15
October 1886. Zij doen de beteekenis en strekking van de tweede al. meer in
\'t licht komen. De bedoeling der Synode was niet om door deze toevoeging de
bevoegdheid van het Class. Best. uit te breiden, manr alleen de bevoegdheid, die
het Class. Best. naar al. 2 toekomt, alsmede den plicht, zoowel van dit als van
het Prov. Kerkb. bepaaldelijk te omschrijven. Handd. bl. 108, 109, 117 en vv.
Het verdient opmerking, dat de door de Synode oorspronkelijk aangenomen
redactie van al. 2 aldus luidde: „In alle gevallen, waarin het Class. Best., hetzij
wegens schorsing, hetzij wegens afzetting, hetzij wegens gemis van geschikt
personeel, verplicht is te doen," enz. 1856, bl. 99, 114, 209, 262 (verg. de
overwegingen der Arr. Rechtb. te \'sHage; beslissing in zake de Herv. Oem. te
Leiderdorp, en Ds. pijzel, contra den voorm. pred. a. vlug. "Weekbl. van
het Recht 1888, n°. 5524).
EERSTE AFDEELING.
Samenstelling van den Kerkeraad.
Art. 2. De Kerkeraad bestaat uit de Opzieners der gemeente,
zynde de predikant, of de predikanten en de ouderlingen, behoudens
de betrekking der diakenen tot dit collegie.
In gemeenten met minder dan drie predikanten worden de diakenen
altijd gerekend mede tot den Kerkeraad te behooren.
In gemeenten met drie of meer predikanten maken de diakenen een
afzonderlijk collegie uit, maar worden in gevallen, nader te bepalen,
mede tot de handelingen van den Kerkeraad geroepen.
De Kerkeraad, uit predikanten en ouderlingen bestaande, draagt
den naam van Bijzondere \') Kerkeraad.
Die uit predikanten, ouderlingen en diakenen bestaat, wordt Alge-
meene Kerkeraad genoemd.
1) Bijzonderealgemeene Kerkeraad. Zie A. R., art. 19 en de aant.
Art. 3. De vereischten der predikanten zyn aangewezen in het
Reglement op de Vacaturen.
De ouderlingen en diakenen behooren te zijn lidmaten der gemeente,
sedert één jaar in haar midden gevestigd \'), onberispelijk in belijdenis
en wandel, bekende voorstanders van den openbaren godsdienst2)
en geen tegenstrevers van kerkelyke verordeningen; de ouderlingen
-ocr page 80-
Art. 1—3.                                             55
niet beneden de dertig jaren oud, de diakenen meerderjarig naar de
burgerlijke wets).
Het Classikaal Bestuur is bij machte, wegens bijzondere redenen
op den leeftijd der ouderlingen uitzondering toe te laten.
1)    De ouderlingen en diakenengevestigd. Hier doen zich twee vragen voor:
1°. beteekent dit: zij behooren dat te zijn tijdens hunne benoeming, of is het
voldoende, dat zij het zijn op het tijdstip hunner dienstaanvaarding? 2°. kan een
lidmaat eener andere dan do Nederduitsche Hervormde gemeente gerekend worden
sedert (minstens) een jaar in het midden der laatstgenoemde gemeente gevestigd
te zijn, wanneer hij binnen haar territorialen kring al dien tijd gewoond heeft?
Toen tegen de benoeming van een lidmaat der Waalscho gemeente te Groningen
tot ouderling bij de Nederd. Hervormde gemeente aldaar als bezwaar was inge-
bracht: «) dat de benoemde tijdens zijne benoeming zijne lidmaatsattestatie nog
niet naar de Nederduitsche Hervormde gemeente had overgebracht; b) dat hij als
lidmaat der "Waalsche gemeente buiten het opzicht en de zorg van de Neder-
duitsche Hervormde gemeente zich bevindende, niet kon gerekend worden in het
midden dezer gemeente te zijn gevestigd geweest, hoewel hij tal van jaren in
haar midden gewoond had, heeft het Prov. Kerkbestuur van. Friesland, na
cassatio van de uitspraak in appèl mot de eindbeslissing belast, op beide punten
in tegenovergestelden zin beslist en mitsdien de gedane benoeming gehandhaafd:
20 Sept. 1876. Zie Kerk. Cour. 1876, n°. 41.
Tegenover het gevoelen van hen, die meenden in art. 3 al. 2 te lezen, „dat
ouderlingen en diakenen ten dage hunner benoeming een vol jaar als lidmaten
der Herv. Kerk door den Kerkeraad der plaatselijke gemeente moeten erkend
zijn", heeft in 1886 de Syn. Comm., met verwijzing naar de geschiedenis
van het wetsartikel, de inlichting gegeven, goedgekeurd door de Synode, „dat
hier alleen sprake is van een metterwoon govostigd zijn in het midden der gemeente
d. w. z. binnen hare kerkelijke grenzen." Zie 1868, bl. 177, 178, Bijl. B, bl.
57, 58. "Verg. ook 1887, bl. 161, 162, 260.
Hierbij dient nog te worden opgemerkt, dat eene wijziging der 2de al.: „Tot
ouderling en diaken zijn verkiesbaar stemgerechtigde lidmaten der gemeente,
onergerlijk" enz., in 1867 door do Comm. voor wetsveranderingen noodiggeacht,
„omdat volgens het vigeerend art. iemand, die niet stemgerechtigd is, lid van
den Kerkeraad zou kunnen zijn", is afgewezen „op grond voornamelijk, dat er»
inzonderheid in kleinere gemeenten, niet zelden noodzakelijkheid bestaat om tot
benoeming van een ouderling of diaken de keus te vestigen op lidmaten, die nog
geen jaar geleden geloofsbelijdenis hebben afgelegd. 1867, bl. 120, 121.
2)    Bekende voorstanders van den openbaren godsdienst. Omtrent het ook door
eenige Kerkbesturen uitgesproken gevoelen, dat naar dit voorschrift de gekozenen
moeten deelgenomen hebben aan den openbaren godsdienst in de gemeente, welker
leden zij zijn
en in welke zij als bestuurders zullen optreden, heeft de Syn. Comm.
d. 19 Nov. 1869 (zio 1870, Bijl. B, blz. 266—268), met bevestiging der uitspraken
van het Classikaal Bestuur en het Prov. Kerkbestuur van Utrecht, eene beslissing
genomen in tegenovergestelden zin. Hierin vond de heer G. w. van eerde, lid
der Synode in 1870, aanleiding tot het voorstel om de woorden: bekende voor-
standers van den o. g.
uit het art. te doen wegvallen (waarmede dan de derde
al. van art. 26 insgelijks zou moeten worden weggenomen). De Synode echter
oordeelende, dat het schrappen dier woorden tot de gevolgtrekking zou kunnen
leiden, dat de benoemden tot ouderlingen en diakenen geene voorstanders van
-ocr page 81-
56                          Reglement voor he Kerkeraden.
den openbaren godsdienst behoeven te zijn, heeft dit voorstel niet aangenomen;
tevens als haar gevoelen uitsprekende, dat eene bepaling, zooals door een Kerk-
bestuur in het Reglement voor de Kerkeraden in zijn ressort was opgenomen,
dat de ouderlingen bekende voorstanders moeten zijn van den openbaren godsdienst
„van de gemeente, waarin zij wonen", niet in strijd is met de bepaling van het
Synodaal Reglement, 1870, bl. 18, 19, 108—111. — Het voorstel, door een
tweetal predikanten bij de Synode ingediend, tot aanvulling van dit art., om een
waarborg te verkrijgen, dat althans de kerkeraadsleden een getrouw gebruik maken
van de avondmaalsviering, is eveneens onaannemelijk geacht. 1869, bl. 260, 261.
3) Diakenen meerderjarig naar de burgerlijke wet. Dit is niet hetzelfde, als
23 jaren oud, wat voor de stemgerechtigden geldt naar art. 3 Alg. Regl. en
art. 1 Regl. op de benoeming van ouderlingen, enz. Personen, die vóór hun 23ste
jaar een huwelijk aangingen of veniam aetatis verkregen hebben, kunnen diakenen
zijn. Zie Burg. "Wetboek, artt. 385, 473, 474, 475, 478. Nog andere en meer
beperkende bepalingen ten opzichte van verkiesbaarheid tot diaken, zooals wel
eens wenschelijk zijn geacht, heeft de Synode, als niet noodig en de vrijheid
der stemgerechtigden te zeer belemmerende, geoordeeld niet te moeten vaststellen.
1869, bl. 170—176; 1870, bl. 54—57, 59, 60; 1871, bl. 85—92, 139, 140.
Art. 4. De Kerkeraad l) bepaalt het getal der ouderlingen en
diakenen, en regelt dit2) naar de talrijkheid en uitgestrektheid der
gemeente, den aard der combinatiën en het getal der predikanten.
Het getal der ouderlingen is voor het minst aan dat der diakenen gel\\jk.
Buiten zeer bijzondere gevallen, door het Classikaal Bestuur te
beoordeelen, is het getal der ouderlingen en dat der diakenen nergens
minder dan twee.
1)    D. i. de algemeene Kerkeraad. Syn. verkl. 1858, bl. 20, Bijl. B, bl. 38.
Verg. art. 16, 1°.
2)    Regelt dit. Onder toezicht van het Classikaal Bestuur, \'twelk de bevoegd-
heid heeft het getal der ouderlingen en diakenen te bepalen, bijaldien de Kerke-
raden dit niet doen in overeenstemming met de behoeften der gemeente. Zie de
eerste aant. op art. 43, Alg. Regl. Overigens geeft deze bepaling den Kerkeraad
ook de bevoegdheid (altijd behoudens het toezicht des Cl. Bestuurs) om zijn besluit
tot het brengen van verandering in het getal kerkeraadsleden in te trekken of
de uitvoering er van te verdagen. Verg. 1876, Bijl. B, bl. 191 —194.
TWEEDE AFDEELING.
Verkiezing der Kerkeraadsleden.
Art. 5. De beroeping van predikanten geschiedt naar de bepalingen
in het Reglement op de vacaturen en het Synodaal Reglement op de
benoeming van ouderlingen en diakenen en de beroeping van pre-
dikanten \').
1) En het Synodaal regl. predikanten. Deze woorden zijn in werking
gekomen d. 1 Maart 1869, ten einde het regl. op de kerkeraden in overeen-
stemming te brengen met dat op de benoeming van ouderlingen en diakenen en
de beroeping van predikanten. Hetzelfde geldt van eenige veranderingen en aan-
vullingen in artt. 6, 7, 9, 10, 11 en 21, 7°.
-ocr page 82-
57
Abt. 3—10.
Art. 6. De benoeming van ouderlingen en diakenen geschiedt
overeenkomstig het laatstgenoemde hierop mede betrekkelijk Synodaal
Reglement.
Abt. 7. In nieuwe gemeenten geschiedt de eerste benoeming \') van
ouderlingen en diakenen, onder de leiding van twee afgevaardigden
uit het Classikaal Bestuur, door de stemgerechtigde manslidmaten.
Ten aanzien van genoemde gemeenten loopt de termijn van drie
maanden, in art. 2 van meergemeld Synodaal Reglement aangegeven,
van den dag, waarop de aldus benoemden in hunne bediening zn\'n
bevestigd.
1) De eerste benoeminy. Verg. art. 11 van het Reglement op de erkenning
van nieuwe gemeenten.
Art. 8. De benoemden tot ouderling of diaken, verklaard heb-
bende, dat zij willens zyn de opgedragen bediening te aanvaarden,
worden op twee achtereenvolgende Zondagen aan de gemeente voor-
gesteld.
Abt. 9. Bezwaren tegen een benoemde worden b\\j den Kerkeraad
en in nieuwe gemeenten tegen een eerstbenoemde bij het Classikaal
Bestuur schriftelijk en onderteekend ingediend, uiterlijk op den tweeden
dag na de tweede afkondiging.
De bij den Kerkeraad ingediende bezwaren worden aan het Clas-
sikaal Bestuur en de bij dit bestuur ingekomene aan het Provinciaal
Kerkbestuur ter beoordeeling en beslissing opgezonden.
Abt. 10. Indien binnen den bepaalden tijd geene bezwaren zijn
ingekomen, worden de benoemden op den Zondag1), volgende op de
laatste afkondiging, bevestigd1). Zijn er bezwaren ingediend, welke
door het bevoegde bestuur ongegrond zijn geoordeeld, dan heeft de
bevestiging plaats op den eersten Zondag, nadat de kennisgeving van
de uitspraak des bestuurs door den kerkeraad is ontvangen. Ingeval
de bezwaren geldende zijn verklaard, wordt tot eene nieuwe benoe-
ming niet overgegaan vóór dat de termijnen om te komen in hooger
beroep 3) zijn verschenen, of anders de eindboohooing is gegeven.
1)    Op den Zondag. Bij besluit van de Synode zijn de Class. Besturen er
opmerkzaam op gemaakt, dat de bevestiging van ouderlingen en diakenen plaats
hebbe naar het voorschrift in dit art. vervat, en niet, zooals hier en daar nog
geschiedt, op den Nieuwjaarsdag, als deze niet op een Zondag invalt. 1883, bl. 72.
2)     Worden de benoemdenbevestigd. De vraag van het Provinciaal Kerk-
bestuur van Drenthe, of de bevestiging van afgetreden, doch weder ingekozen
kerkeraadsleden, kan achterwege blijven, is in ontkennenden zin beantwoord:
1868, bl. 177, 178, Bjjl. B, bl. 58.
3)    Termijnen om te komen in hooger beroep. Alleen aan den bezwaarde, niet
aan den klager is hooger beroep toegestaan. Uitspraak der Syn. Commissie, 1863,
Bijl. B, bl. 147—149. Verg. Alg. Regl., art. 15 en Regl. v. O. en T., art. 33,
met de aantt. op die artt.
-ocr page 83-
58                            Reglement vooh de Kerkehaden.
Art. 11. Bij ouderlingen en diakenen heeft eene geregelde aftreding
plaats, welke zich immer gelijktijdig slechts tot een deel van hen
bepaalt. Zij gaat gepaard met de bevestiging der nieuw benoemden \').
In gemeenten van niet meer dan één predikant blijft tijdens de
vacature het personeel der kerkeraadsleden onveranderd5), tenzij die
vacature twee jaren geduurd hebbe 3).
De diensttijd, waarvoor zij worden benoemd, is hoogstens vier jaren.
Zij zijn terstond herkiesbaar 4).
Overigens wordt de tijd van hunne benoeming en aftreding5)
bepaald en geregeld b\\j plaatselijke reglementen.
1)    Bevestiging der nieuw benoemden. Nieuw benoemden zijn ook de herkozen
oudd. en diakenen, zoodat men uit deze uitdrukking niet mag afleiden, dat her-
kozenen niet behoeven bevestigd te worden. Verg. aant. 2 op het voorg. art.
Het woord nieuw, hier gebruikt in tegenstelling tegen de aftredenden, ware
echter, om misverstand to voorkomen, beter weggelaten.
2)    Het personeel der kerkeraadsleden onveranderd. Dit moet alleen van de
gewone jaarlijksche aftreding verstaan worden. Wanneer echter, gedurende eene
vacature, kerkeraadsleden onwillig zjjn om langer zitting te nemen, of wanneer
andere onvoorziene omstandigheden plaatsen in den Kerkeraad doen openvallen,
dan moet gehandeld worden naar art. 12 van dit reglement. Synod. uitspraak,
1858, bl. 48, 49. Zie Kerk. Cour. 18 Sept. 1858. Ook wanneer in den tijd van
vacature de kerkeraadsleden, zooals te Almkerk in 1859, hun ontslag hebben
genomen, zal het Class. Best., ex analogia legis, krachtens art. 1 doende wat
des Kerkeraads is, nieuwe kerkeraadsleden, naar het plaatselijk reglement, óf
benoemen óf door stomgerechtigden of kiescollegie doen benoemen. Verg. 1859,
bl. 21, Bijl. B, bl. 37. Vermeerdering van het getal kerkeraadsleden tijdens eene
vacature moet a fortiori geacht worden evenzeer met de bepaling van dit art. in
strijd te zijn, als verandering van bet personeel. Uitspraak der Syn. Commissie
van 8 Nov. 1861. Zie 1862, Bijl. B, bl. 239—241.
3)    De laatste woorden dezer al.: „tenzij de vacature twee jaren geduurd
hebbe", zijn eene toevoeging, noodzakelijk geacht wegens den langen duur van
vele vacaturen in den tegenwoordigen tijd. In werking gekomen den 15 Jan. 1885.
4)    De diensttijdherkiesbaar. Deze al. is den 1 Jan. 1876 in werking ge-
komen, in plaats van wat vroeger gelezen werd: „De diensttijd, waarvoor zij
benoemd worden, is hoogstens vier jaren. Tot twee malen zijn zij bjj do aftreding
terstond weder verkiesbaar. Om hen op nieuw, zonder dat zij ten minste één
jaar buiten dienst zijn geweest, te benoemen, is telkens de machtiging noodig
van het Class. Bestuur." Na de invoering van het algemeen stemrecht scheen
de toepassing dezer bepaling moeielijk met het aan de gemeente toegekende recht
te vereonigen. Zie 1874, bl. 199—201, 281, 282; 1875, bl. 95—97, 112, 113.
5)    De tijd van hunne benoeming en aftreding. Op eene vraag van het Class.
Best. van Middelburg, hoe to handelen bij schorsing van kerkeraadsleden, wan-
neer deze binnen den tijd van schorsing moeten aftreden, is door de Syn. Comm.
geantwoord, dat, ofschoon bet vonnis der schorsing zijne kracht behoudt, de
aftreding niet te min dient plaats te hebben, en er derhalve voor de aftredende
kerkeraadsleden andere personen moeten benoemd worden, ten einde alsdan hunne
plaats te vervangen. De vraag, of de bedoelde kerkeraadsleden na hunne aftre-
ding niet als gecensureerde gemeenteleden gedurende de overblijvende maanden
-ocr page 84-
Art. 11-14.                                            59
moeten worden aangemerkt, is daarbij onbeantwoord gebleven. 1860, bl. 104,
Bijl. B, bl. 61, 62.
Abt. 12. Tusschentijds openvallende plaatsen worden, indien de
Kerkeraad zulks noodig acht, op de gewone wijze vervuld.
De benoeming geschiedt alsdan voor niet langer dan voor den
overigen diensttijd der uitgevallen leden.
DERDE AFDEELING.
Werkzaamheden des Kerkeraad s.
Art. 13. De Kerkeraad zorgt voor de belangen der gemeente,
gedraagt zich in alles naar de kerkelijke reglementen en verordeningen,
en ziet toe dat zij worden opgevolgd.
Jaarlijks worden in de eerste Kerkeraadsvergadering de derde en
vierde afdeeling van dit reglement voorgelezen.
Art. 14. Aan den bijzonderen !) Kerkeraad is bepaaldelijk opge-
dragen:
1°. de zorg voor de betamelijke viering 2) van de openbare gods-
dienstoefeningen in het algemeen, waarvan getal, tijd en plaats door
hem geregeld 8) worden, en in het bijzonder voor de bediening van
doop en avondmaal, opdat zij aan hun doel beantwoorden en tot de
meeste stichting der gemeente verstrekken; dat het avondmaal4),
telkens na voorafgegane voorbereidingspredikaties), geregeld6) ge-
houden worde; dat de doopsbediening 7) niet elke week, indien de
talrijkheid der gemeente het althans niet gebiedend vordert, maar
ook niet anders dan "bij de openlijke bijeenkomsten8) op den Zondag,
in tegenwoordigheid, zoo maar immer mogelijk, van beide de ouders,
op de meest indrukwekbsnde wijze9) plaats hebbe; dat zulks, alleen
in geval een der ouders vóór den Zondag de plaats, waar het kind
geboren is, moet verlaten, \\of tot de Roomsch-Katholieke Kerk is
behoorende, op een der gewone dagen van de week, in de kerk of
kerkekanier, of ook in een geschikt locaal, ter beooordeeling van
predikant of Kerkeraad, geschiedes. en dan immer in tegenwoordigheid
van één of meer ouderlingen, en\\bij gebreke van dien, van eenige
leden der gemeente, statelijk en plechtig, onder aanbeveling mede
van den nood der armen; dat ook de kinderen 10) van ouders, die tot
de kerkgemeente van eene andere plaats behooren 1\'), niet gedoopt
worden, dan na ontvangen schriftelijk bericht omtrent het zedelijk
gedrag der ouders, vooraf ingewonnen bij den Kerkeraad der gemeente,
waarin zij wonen en af te geven binnen veertien dagen M), nadat de
aanvrage zal zijn gedaan; dit bericht wordt, indien het niet reeds
bij de aanmelding tot den doop wordt overgelegd, namens belangheb-
benden , gevraagd door den Kerkeraad van de gemeente, waar de
-ocr page 85-
N°. 63(ty.
Wijziging van Art. 14, 1°. van het Synodaal
Reglement voor de Kerkeraden.
Art. 14, 1°. van het Synodaal Eeglement voor de Kerkeraden
worde aldus gelezen:
1°. „De zorg voor de betamelijke viering van de openbare
„godsdienstoefeningen in het algemeen, waarvan getal, tijd en
„plaats door hem geregeld worden, — en in het bijzonder voor
„de bediening van Doop en Avondmaal, opdat zij aan hun doel
„beantwoorden en tot de meeste stichting der gemeente ver-
„strekken;
„Hiertoe behoort:
„a. dat het Avondmaal, telkens na voorafgegane voorbereidings-
„predikatie, geregeld gehouden worde;
„A. dat de Doopsbediening niet elke week, indien de talrijkheid
„der gemeente het althans niet gebiedend vordert, maar, behalve
„in de gevallen sub c vermeld, ook niet anders dan bij de
„openlijke bijeenkomsten, bij voorkeur op den Zondag, in
„tegenwoordigheid zoo maar immer mogelijk van beide de euders,
„op de meest indrukwekkende wijze plaats hebbe;
„c. dat afzonderlijke bediening van den Doop, alleen in geval
„de ouders of een hunner vóór den Zondag de gemeente moet
„verlaten of een hunner tot de Roomsch-Katholieke Kerk be-
„hoort, op een der gewone dagen van de week in de Kerk of
„Kerkekamer of ook in een ander geschikt lokaal ter beoor-
„deeling van predikant of Kerkeraad, statig en plechtig onder
„aanbeveling mede van den nood der armen geschiede, in tegen-
„woordigheid van één of meer ouderlingen, of, bij gebreke van
„dien, van eenige leden der gemeente;
„d. dat ook kinderen van ouders, die tot de Kerkgemeente
„van eene andere plaats behooren, niet gedoopt worden, dan
„na ontvangen schriftelijk bericht omtrent het zedelijk gedrag
„der ouders, vooraf ingewonnen bij den Kerkeraad van de ge-
„meente waarin zij wonen , en af te geven binnen veertien dagen
„nadat de aanvrage daartoe zal zijn gedaan. Dit bericht wordt,
„indien het niet reeds bij de aanmelding tot den doop wordt
„overgelegd, namens belanghebbenden gevraagd door den Kerke-
„raad van de gemeente, waar de toediening van den doop ver-
-ocr page 86-
16
„langd wordt. Ontvangt die kerkeraad binnen den gestelden
„termijn geen bericht, dan kan de aangevraagde doop voortgang
„hebben, onder verplichting om binnen acht dagen aan den
„Kerkeraad van de gemeente der woonplaats kennis te geven
„van de volbrachte handeling, opdat daarvan nauwkeurige aan-
„teekening geschiede in de doopboeken der beide gemeenten."
Aldus vastgesteld door de Algemeene Synode der Xederlandsche
Hervolmde Kerk den 14den Augustus 1819, en, na kennis-
geving aan Z. M. den Koning, volgens Art. 1 der Wet van
10 September 1853 [Staatsblad n°. 102), uitgevaardigd door
de Algemeene Synodale Commissie, om in werking te treden den
15den Januari 1890.
De Algemeene Synodale Commissie der
NederlandscJie Hervormde Kerk,
M. A. Perk, President.
L. Overman, Secretaris.
Voor eensluidend afschrift,
De Secretaris van de Algemeene Sijnode
der Nederlandsche Hervormde Kerk,
L. Overman.
-ocr page 87-
60                            Reglement voor de Kerkeraden.
toediening van den doop verlangd wordt jwfontvangt die Kerkeraad
binnen den gestelden termijn geen bericht, dan kan de aangevraagde
doop^bcdicHiiij^ voortgang hebben, onder verplichting /dm don Koj^
kjapnd Aor gemaasd waatia da deeg p1nntn vinrffi om binnen acht
dagen aan den Kerkeraad van de gemeente der woonplaats kennis te
geven van de volbrachte handeling, opdat daarvan nauwkeurig aan-
teekening geschiede in de doopboeken der beide gemeenten.
2°. de zorg voor het godsdienstonderwijs, naar de voorschriften
van het reglement op dit onderwerp;
3°. het toezicht op de belijdenis en den wandel van de leden der
gemeente en de handhaving der kerkelijke orde, volgens het regie-
ment voor kerkelijk opzicht en tucht;
4°. de bevordering van alles, wat het godsdienstig leven in de
gemeente kan verhoogen, met name ook van de kerkelijke inzegening
des huwelijks 13);
5°. de afneming van de belijdenis des geloofs en de bevestiging
van de nieuwe lidmaten in de gemeente, zich bij deze handelingen
gedragende naar de bepalingen in artt. 60—64 14) van het Reglement
op het godsdienst-onderwijs15), en, zooveel dezulken betreft, dieeene
kerkelijke bediening bij een ander kerkgenootschap bekleed hebben,
naar de Synodale verordening van 21 Juli 1830 l6);
6°. het waken") voor het geregeld indienen van deattestatiënder
lidmaten, die van elders zijn ingekomen, door hen vóór elke avond-
maalsbediening hiertoe openlijk uit te noodigen, en de toekenning
van het lidmaatschap in de gemeente aan allen, die eene behoorlijke
attestatie overleggen, afgegeven door den Kerkeraad van eene andere
Hervormde, of ook van eene Protestantsche gemeente 18), indien zy
oorspronkelijk tot de Hervormde Kerk behoord hebben19);
7°. het uitreiken 20) van attestatiën op aanvrage van naar elders
vertrekkende lidmaten, met inachtneming van de synodale verorde-
ningen van den 10 Juli 1829 ") en den 12 Juli 1841 !1);
8°. het houden van dubbele, aan verschillende plaatsen bewaarde,
registers: a) van gedoopten; b) van lidmaten, zoowel die op belijdenis
zijn aangenomen en met getuigenis overgekomen, als ook, zooveel
mogelijk, die naar elders vertrokken, die tot eene andere gezindte
overgegaan en die overleden zu\'n; c) van kerkelijk in het huwelijk
ingezegenden;
9°. de aanstelling25) met instructie, de schorsing en het ontslag
van godsdienst-onderwijzers, en van voorlezers en voorzangers3*),
behoudens de rechten van derden25);
10°. de jaarlijksche afvaardiging tot de Classikale Vergadering en
het ontvangen van het verslag van hetgeen aldaar belangrijks is
geschied, volgens art. 38 Van het Algemeen Reglement;
11°. het toezicht op het diaconiebeheer, volgens het Synodaal
Reglement voor de diaconiën.
-ocr page 88-
Toevoeging van Art. 14, 6°. van het Synodaal
Eeglement voor de Kerkeraden.
Aan Art. 14, 6°. na de woorden: „indien zij oorspronkelijk
tot de Hervormde Kerk behoord hebben", te doen volgen de
woorden:
~ „met dien verstande, dat de Kerkeraden der Waalsche,
, Presbyteriaansch-Engelsche en Schotsche gemeenten bevoegd zijn
de inschrijving als lidmaat hunner gemeente te weigeren aan
hen, van wie het, naar het oordeel dier Kerkeraden, over-
tuigend gebleken is, dat zij, ofschoon in het bezit eener attestatie
door den Kerkeraad eener Nederduitsche Hervormde Gemeente,
de taal, waarin de godsdienstoefeningen in hunne gemeenten
worden gehouden, niet behoorlijk verstaan, indien zij althans
niet oorspronkelijk tot haar behoord hebben en aldaar den doop
ontvangen hebben."
Aldus vastgesteld door de Algemeene Synode der Nederlandsche
Hervormde Kerk den 12den Ajgustus 1889, en, na kennis-
geving aan Z. M. den Koning, volgens Art. 1 der Wet van
10 September 1853 (Staatsblad n°. 102), uitgevaardigd door de
Algemeene Synodale Commissie, om in werking te treden den
loden Januari 1890.
i
Wijziging van Art. 14, 10°. van het Synodaal
Eeglement voor de Kerkeraden.
Art. 14 , 10°. van het Synodaal Eeglement voor de Kerkeraad
worde aldus gelezen:
„Art. 14, 10°: de jaarlijksche afvaardiging tot de Classicale
Vergadering, met inachtneming van het bepaalde in Art. 38
van het Algemeen Eeglement, en het ontvangen van het verslag
van hetgeen aldaar belangrijks is geschied."
„Art. 14, 12°, het behandelen van zaken van beheer van
kerkelijke goederen en fondsen , voorzoover dat aan den Ker-
keraad volgens de reglementen of bijzondere bepalingen is op-
gedragen , en dit onder het toezicht der kerkelijke besturen."
Aldus vastgesteld door de Algemeene Synode der Nederlandsche
Hervormde Kerk den 27sten Augustus 18^8^, en , na kennisge- //•
ving aan Z. M. den Koning, volgens Art. 1 der Wet van 10
September 1853 {Staatsblad n°. 102), uitgevaardigd door de
Algemeene Synodale Commissie, om in werking te treden den
15den Januari 1890.
-ocr page 89-
Art. 14
61
1)    Bijeonderen. Verg. art. 15.
2)    De zorg voor de betamelijke viering, enz. Men verg. de Bijlagen bij dit
Regl., inzonderheid de Syn. Verordeningen van 11 Juli 1817, betreffende den
openbaren eeredienst.
3)    Getal, tijd en plaats door hem geregeld. Echter zonder dat daarom het
hooren en in sommige gevallen de toestemming der kerkvoogden wordt uitge-
sloten; 1858, bl. 39, 40. In de Handd. van 1853 (bl. 186) heeft de Synode haren
vurigen wenseh uitgedrukt, dat predikanten en Kerkeraden zoowel als de overige
kerkelijke besturen zullen samenwerken om het tweemaal houden van de openbare
godsdienstoefeningen op den wekelijkschen dag des Heeren te bevorderen, ten
einde evangelische kennis met Christelijke vertroosting en heiliging bij devader-
landsche gemeenten aan te kweeken. Voorts is de zorg van den Kerkeraad voor
de openbare godsdienstoefeningen niet beperkt tot die, welke regulariter plaats
hebben, maar tot alle openbare godsdienstoefeningen, zoodat er geene plaats
mogen vinden, waaraan de regelende zorg des Kerkeraads vreemd is gebleven.
Uitspraak van de Syn. Commissie. 1872, Bijl. B, bl. 291—296.
4)    Avondmaal. "Waardeering verdient de Synodale Resolutie van 16 Juli 1817
omtrent het toelaten van leden uit andere Protestantsche Kerkgenootschappen ten
Avondmaal,
luidende: „Het Algemeen Christelijk Synode der Ned. Herv. Kerk
heeft besloten: dat leden van andere Protestantsche Kerkgenootschappen, die dit
begeeren mogten, indien er naar het oordeel van den Kerkeraad geene redenen
ter contrarie bestaan, mits onergerlijk zijnde van leven en bewijs gevende van
hun lidmaatschap, in de Hervormde Gemeenten ten Avondmaal kunnen worden
toegelaten. 1817, bl. 59, 109, 110.
5)    Na voorafgegane voorbereidingspredikatie. Wat hier volgde: „en na de
voorstelling aan de gemeente van de daartoo verordende vragen", is sedert
1 Febr. 1873 in substantie overgebracht naar art. 22, waar na „liturgische
schriften" is ingevoegd: „de vragen bij de voorbereiding voor het Avondmaal",
zoodat nu ook omtrent deze vragen geldt, dat de predikanten, met betrekking
tot haar gebruik, naar eigen oordeel te rade gaan met de godsdienstige behoeften
hunner gemeenten. Zie het daarover verhandelne: 1871, bl. 115—117, 158, 159;
1872, bl. 208—210, 230, 231.
6)    Oeregeld. Ook hier zijn de woorden: „viermalen des jaars (verg. de boven
aangehaalde Synod. Verordeningen, II, Wat betreft de meer stichtelijke bediening
van den h. doop en het h. avondmaal)"
weggevallen 1 Febr. 1871. Zie 1871,
bl. 112 — 115, 147—149, 156—158; 1872, bl. 205—208, 228, 229.
7)    Doopsbediening. Verschillende Synodale besluiten omtrent de doopsbe-
diening, zooals, behalve \'tgeen voorkomt in de „Verordeningen" van 11 Juli
1817, die van 17 Juli 1819, 21 Juli 1821, 15 Juli 1842, 20 Juli 1843, zijn,
voor zoo ver ze niet zijn veranderd, in dit art. opgenomen.
8)    Niet anders dan bij de openlijke bijeenkomsten. De meening der Synod.
Comm. in 1862, dat een verlangde huisdoop van kinderen uit een Israëlitisch
gezin, \'t welk om gewichtige redenen voor alsnog weerhouden werd om door
openlijke belijdenis tot de Herv. Kerk over te gaan, mot de bepalingen van dit
art. niet in strijd was, is niet goedgekeurd door de Synode, die zich ongeroepen
achtte, te dezer zake een gevoelen uit te spreken. Zie de beschouwingen daar-
over: 1862, bl. 109, 110, Bijl. B, bl. 160, 161. In 1871 heeft de Syn. Comm.,
onder goedkeuring der Synode en in overeenstemming met vroegere besluiten,
naar aanleiding van een bepaald tot haar gericht verzoek, den huisdoop in elk
ander, dan de in dit art. opgenoemde gevallen op de daarbij voorgeschreven
-ocr page 90-
Reglement voor de Kerkeraóen.
62
wijze, ongeoorloofd verklaard; bl. 349, Bijl. B, bl. 246—248. Eveneens heeft
de Synode in 1887 een voorstel der Classikale Vergadering van Goes om den
huisdoop in sommige hier niet genoemde gevallen geoorloofd te verklaren, afge-
wezen: bl. 161, 260.
9) Op de meest indrukwekkende wijze plaats hebbe. Eene in 1869 voorloopig
aangenomene toevoeging te dezer plaats van de woorden: „met de gebruikelijke
formule aan Matfch. XXVIII: 19 ontleend", door velen verlangd, omdat eenige
weinige predikanten bij de plechtige doopsbodiening willekeurig, zoo \'t scheen,
van het gebruik dier formule begonnen af te wijken, is door de Synode van 1870
om verschillende redenen overbodig en onraadzaam geacht. Maar de Synode had
reeds in 1868 „het wenschelijke en, met het oog op de onuitwijkbare gevolgen,
hot dringend noodzakelijke\'\'\'\' uitgesproken, „dat de toediening van den doop in
onze Xed. Herv. Kerk bij voortduring met de meeste eenparigheid, naar de
gebruikelijke formule geschiede", en „hare ernstige af keuring" te kennen gegeven
„van elke willekeurige afwijking, welke aan den doop zijn eigenaardig karakter
ontneemt en de stichting der gemeente grooteljjks benadeelt" (zie 1868, bl.
110—123, 138, 139; Kerk. Cour. van 25 Juli 1868, no. 30). En de Synode van
1870 heeft do aangenomene aanvulling van art. 14 1°. niet ter zijde gelegd zonder
zich daarbij openlijk te verklaren omtrent de beteekenis van die daad en van
den zin, waarin zij haar wenschte opgevat te zien. Zij heeft overwogen: 1°. „dat,
aangezien de Ned. Herv. Kerk, van haren oorsprong at, geen anderen Christe-
lijken doop gekend heeft, dan die op de ook thans nog meest gebruikelijke wijze
geschiedt, eene nadere wetsbepaling daaromtrent in onze kerkelijke reglementen
voor overbodig mag gehouden worden"; 2°. „dat de willekeurige afwijkingen van
de aan Matth. XXVIII: 19 ontleende formule bij de doopsbediening, waartegen
voorziening bij de wet verlangd wordt, zooveel haar bekend geworden is, te
weinige in getal en te onbeduidend zijn, om zulk eene nadere wetsbepaling te
wettigen"; 3°. dat de bedoelde wetsbepaling ook daarom overbodig is, omdat
gezegde overoude, door hare oudheid eerwaardige en in de algemeene Christelijke
kerk tot dusver vrij eenparig gebezigde doopsformule, ofschoon verschillend
opgevat, bij mannen van de meest uiteenloopende richtingen op den duur voor-
spraak en goedkeuring vindt, en zelfs zij, die tegen de vasttelling eener wets-
bepaling ijveren, van de formule niet alleen zelve getrouw gebruikmaken, maar
ook prijs stellen op het behoud der verlangde eenparigheid"; 4°. „dat ook onder
de thans bestaande kerkelijke wetgeving de gelegenheid niet ontbreekt om, waar
dit onverhoopt noodig zijn mocht, tegen elke doopsbediening, die op eenigerlei
wijze niet beantwoordt aan het Christelijke karakter, de hooge beteekenis en het
heilige doel dier plechtigheid, bij het bevoegde kerkbestuur in verzet te komen
en haar voor het vervolg te weeren." 1870, bl. 196, 197.
10) Dat ook de kinderen, enz. Deze woorden tot aan het einde der al., met
uitzondering van die, waarover de 12<ic aant. handelt, zijn in werking gekomen
1 Maart 1866. Vroeger stond er: „dat geeno kinderen, wier ouders tot de
kerkgemeente van eene andere plaats bohooren, gedoopt worden zonder schrit-
telijke toestemming van den predikant dier gemeente, of, ingeval er meer dan
ééne standplaats is, van den predikant der wijk, waarin zij wonen; dat deze
handeling in de doopboeken der beide gemeenten aangeteekend, en daartoe aan
de gemeente der ouders ter kennis gebracht worde". In 1862 heeft de Heer
J. a. sloor, lid der Synode, het voorstel gedaan, dat hier alleen zou gelezen
worden: „Ouders, die mochten goedvinden om hunne kinderen in eene andere
gemeente te laten doopen, zijn gehouden, na den afloop der doopplechtigheid,
-ocr page 91-
Art. 14                                           63
het bewijs der volbrachte handeling aan don Kerkeraad hunner woonplaats over
te leggen"; maar de Synode achtte zulk eene onbelemmerde vrijheid niet bevor-
derlijk aan de bewaring van de goede orde en van den vrede in de gemeenten.
1862, bl. 403, 463. Vervolgens, toen de Synode van 1863 aan de Syn. Comm.
had opgedragen, voorstellen te doen tot opheffing van de bepalingen in onze
Regll., die geacht konden worden dwangmiddelen voor de gemeente te behelzen
in strijd met de leervrijheid, die in de Herv. Kerk bestaat, heeft deze eene
redactie voorgesteld ongeveer zooals nu gelezen wordt, waarbij „de schriftelijke
toestemming des predikants", vroeger vaak geweigerd, voortaan niet meer ge-
eischt zou worden, maar tevens het gevaar voorkomen, dat ouders van onzedelijk
gedrag van de verleende vrijheid misbruik zouden maken, ten einde zich te
onttrekken aan de verdiende bestraffing en het kerkelijk opzicht, waaronder zij
staan. Green bewijs van goed gedrag, maar slechts een bericht omtrent het zedelijk
gedrag der ouders wordt door deze bepaling gevorderd, en geen Kerkeraad
behoeft bezwaar te maken, dit te geven; terwijl overigens door \'tgeen vorder is
voorgeschreven, voor de bewaring der goede orde zorg gedragen is. Zie 1863,
bl. 318, 319; 1864, bl. 18, 19, Bijl. 13, bl. 34, 35; 1865, bl. 119—121, 144,
145, 152.
11)    üie tot de kerkgemeente van eenj andere plaats behooren. Naar de letter
dezer bepaling zullen kinderen van leden der Xederduitsche gemeente mogen
gedoopt worden in de "Waalsche gemeente derzelfde stad, en omgekeerd, zonder
dat bericht omtrent het zedelijk gedrag der ouders worde overgelegd. Vóór de
alteratie van dit art. in 1867 behoefde in genoemde gevallen ook geene vergun-
ning gevraagd te worden, naar Syn. Besluit van 3 Aug. 1852 (Handd. bl. 168).
In 1837 (Handd. bl. 134, verg. bl. 126—131) heeft do Synode besloten, dat
de doop door separatisten, als zijnde onbevoegde personen, bediend, voor kerkelijk
onwettig te houden is. In 1843 echter (Handd. bl. 172, verg. 170), onder geheel
veranderde omstandigheden, is te kennen gegeven, dat de doop, door leeraren
van Christelijke afgescheidene gemeenten
geschied, als wettig moet erkend worden.
12)    Af te geren binnen veertien dagen. Deze woorden en volgende tot: dan
kan de aangevraagde doopsbediening voortgang hebben",
zijn eene invoeging in
■werking gekomen den 15 Jan. 1886. Door het niet afgeven van het gevraagde
bericht mocht geene vertraging kunnen veroorzaakt worden. 1884, bl. 68—70;
1885, bl. 402—406.
13)     De kerkelijke inzegening des huwelijks. Verg. de Syn. circulaire ter aan-
beveling van de kerkelijke inzegening des huwelijks, d.d. 22 Juli 1S16, in de
Bijlagen tot dit regl., en de Aanschrijving, dat daartoe overal gelegenheid moet
gegeven worden op denzelfden dag der burgerlijke voltrekking van het huwelijk
(Syn. Handd. 1819, bl. 50, 60, 61, 64), oen maatregel, die alleen daar uitvoerlijk
is, -waar welwillende medewerking van do ambtenaren vanden Burgerlijken Stand,
met de voltrekking des huwelijks belast, ondervonden wordt.
14)    In het thans vigeerend reglement op het godsdienstonderwijs, artt. 38—41.
15)     Een voorstel van den heer P. roodhuïzen om hier in te voegen: „toe-
ziende, dat niemand in het lidmatenboek der gemeente ingeschreven worde zonder
gedoopt te zijn", is door de Synode wegens te groote bezwaren onaannemelijk
geacht. 1882, bl. 344 en volgg. Verg. aant. 1 op art. 38 van het reglement op
het godsdienstonderwijs.
16)     Deze verordening is vervat in eene aanschrijving aan de onderscheidene
Kerkeraden der Herv. gemeenten, „om geene personen, die eenige kerkelijke
bediening bij een ander kerkgenootschap bekleeden of bekleed hebben, tot de
-ocr page 92-
Reglement voob de Kekkeraden.
64
belijdenis des geloofs bij onze gemeente toe te laten, dan nadat het Prov. Kerk-
bestuur, onder welks ressort zoodanig persoon, tijdens zijne bediening, gewoond
heeft, onderzoek gedaan hebbe naar zijn gehouden zedelijk gedrag gedurende
dat tijdvak, en aan de gemeente, bij wie hij zich heeft aangegeven, verklaard
zal hebben, geene zwarigheid tegen deszelfs toelating tot het lidmaatschap bij
onze gemeente te vinden: alles onverminderd en behoudens de bepalingen, nader
vast te stellen omtrent het aannemen van gewone lidmaten, tot andere kerkge-
nootschappen voorheen behoord hebbende. (1830, bl. 120, verg. 68, 95—98, 119)."
17)    Het waken, enz. Een voorstel van de Class. Verg. van Middelburg tot
het maken van eene bepaling voor het opvragen van attestatiën van ingekomen
lidmaten, is door de Synode afgewezen, als deels overbodig, daar ieder Ker-
keraad, zoo hij \'t noodig oordeelt, attestatiën kan opvragen, deels, voor zoo
ver dit verplichtend zou worden, niet in overeenstemming met de vrijheid, in
Art. 2 van \'t A. R. gehandhaafd. 1869, bl. 259. Zio de eerste aant. op dat art.
18)    Hierbij behoort ook de aanschrijving der Synode van 20 Juli 1819, vol-
gens welke „de Kerkeraden de kerkelijke attestaties van Protestanten uit andere
godsdienstige genootschappen ter plaatse waar dezelve geene bijzondere gemeente
hebben, indien zulks begeerd wordt, moeten aannemen, in het register der lid-
maten inschrijven, met bijvoeging van het kerkgenootschap, tot hetwelk de
vertooners behooren, en dezelve, bij vertrek, met het getuigenis van onberispe-
lijkheid in den wandel, indien er geene reden van het tegendeel bestaan, weder
aan hen uitleveren." 1819, bl. 119. Toekenning van lidmaatschap der gemeente,
bij welke de inschrijving geschiedt en van de daaruit voortvloeiende rechten is
hiermede niet verbonden. Het vermelde besluit heeft alleen ten doel, te voorzien
in de godsdienstige behoeften van hen, die, behoorende tot een ander Protestantsch
kerkgenootschap, in de plaats hunner inwoning geene eigene gemeente hebben.
Verklaring der Syn. Comm. 1879, gegeven naar aanleiding van een bezwaar,
door den Kerkeraad van Leeuwarden gemaakt tegen het aannemen en inschrijven
der attestatie, afgegeven door eene liemonstrantsche gemeente aan een lid dier
Broederschap. Bijzonder lezenswaard is het schrijven van Dr. L. pkoes, Pred.
te Leeuwarden, aan de Syn. Comm., waarin hij ter wederlegging van het gevoelen
des Kerkeraads, aanleiding, doel en strekking zoowel als de rechtsgeldigheid van
het vermelde Synodaal Besluit in het licht stelt. 1879, Bijl. B, bl. 126—141;
goedkeuring door de Synode, Handd. bl. 112, 113.
19)    Eene toevoeging aan deze al., waardoor te gemoet gekomen zou worden
aan het bezwaar, dat sommige Kerkeraden maken om „elders aangenomenen
(art. 40 Regl. Godsdienstond.) in het lidmatenboek in te schrijven omdat zij op
eene andere wijze zijn aangenomen dan de Kerkeraad zijner gemeente aanneemt,"
voorloopig aangenomen den 28 Aug. 1886, is, wegens vele daarentegen opgerezen
bedenkingen, door de Synode van 1887 niet vastgesteld. Zie Handd. bl.
98—101, 276, 277.
20)    Het uitreiken, enz. Op een verzoek van den ring Schiedam om tot het
kosteloos afgeven van lidmaten-attestatiën te verplichten, heeft de Synode geant-
woord, dat zij, ofschoon zij het wil hebben vrijgelaten, dat men ook bij het
afgeven dier attestatiën de gelegenheid tot vrijwillige giften voor liefdadige
einden openstelle, het onvoegzaam rekent, dat daarbij het betalen van geld,
onder welken naam ook, verplichtend wordt gemaakt; dat zij geheel deelt in den
wensch, dat dit gebruik, waar het nog bestaat, worde afgeschaft, of wanneer
zulks wellicht op sommige plaatsen niet oogenblikkelijk, maar van lieverlede
slechts geschieden kan, dat zij het in geen geval geoorloofd acht, dat van min-
-ocr page 93-
65
Akt. 14.
vermogenden voor hunne attestatiën eenig geld gevorderd wordt; dat zij evenwel
meent, dat alle soortgelijke verkeerdheden in de gemeenten tot de kennisneming
der plaatselijke Kerkeraden behooren, die weder, bij bemoeielijking of mislukking
van hunne pogingen om er een einde aan te maken, de tusschenkomst van do
Classikale Besturen hebben in te roepen; maar dat het buiten de bevoegdheid
der Synode ligt, zonder dat de betrokken besturen gekend zijn, zich verder met
deze zaak in to laten. 1860, bl. 60, 61. Ook ten volgenden jare heeft de Synode
aan het herhaald verzoek van den ring Schiedam om scherpere bepalingen, even
als in 1867 aan een soortgelijk verlangen van de Class. Verg. van Nijmegen,
geen verder gevolg gegeven, dan kennisgeving van de genomene beslissing
aan de Kerkeraden door middel van het kerkelijk orgaan. 1861, bl. 87—89;
1867, bl. 133.
21)     Synodale verordening van den 10 Juli 1829. Deze behelst: 1°. „dat de
leeraren verplicht zullen zijn, om de lidmaten bij het doen van belijdenis, te
verwittigen, dat zij bij de verhuizing naar eene andere gemeente verplicht zijn,
binnen het jaar eene attestatie in te leveren;" 2°. „dat in alle gemeenten, na
de eerste bekendmaking der aanstaande viering van het h. Avondmaal, openlijk
herinnerd worde, dat degenen, die van elders zijn ingekomen, hunne attes-
tatiën behooren in te leveren;" 3°. „dat op do aftegeven attestatiën zelve
worde gezet, dat men verplicht is, in de gemeente, naar welke men zich
begeeft, dezelve ten spoedigste in te dienen." (Handd. 1829, bl. 104, verg. 33,
36, 102, 103).
22)    Synodale verordening van den 12 Juli 1841. De Synode heeft besloten
„om, zonder een vast formulier van lidmaats-attestatiën te verordenen en aan
eiken Kerkeraad de vrijheid latende, zich daarbij op zoodanige wijze uit te drukken,
als hij meest geraden zal oordeelen, te bepalen: 1°. dat eene volledige attes-
tatie ten minste zal behooren te bevatten de verklaring van den Kerkeraad, dat
N. N. lidmaat is der Christelijke Hervormde Kerk, en dat tegen zijne of hare
belijdenis en wandel geene gegronde bezwaren zijn ingekomen; 2°. dat de Ker-
keraden verplicht zijn te zorgen, dat geene attestatie worde afgegeven, dan nadat
derzelver aanvrage althans één dag vóór de uitlevering openlijk aan de gemeente
zij bekend gemaakt; en 3°. dat ingeval iemand te lang uit de gemeente verwijderd
is om van hem, ten aanzien van belijdenis en wandel, genoegzaam te kunnen
getuigen, bij het eenvoudige getuigschrift van iemands lidmaatschap, tot inlichting,
de reden, om welke geene volledige attestatie afgegeven is, vermeld worde."
Handd. 1841, bl. 92, 93, verg. 54—56, en 1840, bl. 114, 115. In 1868 heeft
de Synode bovendien verordend, dat op de lidmaten-attestatiën ook de ouderdom
moet aangeduid worden door achter N.N. (zie boven) te laten volgen: „geboren
in het jaar" ... (Syn. Handd. 1868, bl. 93, 146). In het vereischte voor stemge-
rechtigde leden, dat zij den drieëntwintigjarigen leeftijd moeten bereikt hebben,
is de aanleiding tot deze verordening gelegen. Het maken van verdere bepalingen
omtrent de zaak der lidmaat-attestatiën, heeft de Synode, afwijzende een daartoe
strekkend verzoek van den Kerkeraad van Zutphen, onnoodig geoordeeld. 1869,
bl. 161, 166. Zoo ook, wat door de Classikale Verg. van Leeuwarden was voor-
gosteld, om het onderscheid tusschen de volledige attestatie en het getuigschrift
van lidmaatschap, alsmede de Synodale aanschrijving van 12 Juli 1841 te doen
vervallen. 1885, bl. 147—149.
23)     De aanstelling, enz. Verg. Alg. Reglement op het beheer der kerkelijke
goederen en fondsen van de Hervormde gemeenten in Nederland, en het toezicht
daarop (l Oct. 1870), art. 18.
Kerkelijk Wetboek, 2e druk.                                                                             5
-ocr page 94-
66                            Reglement voor de Kerkeraiien.
24)     Voorlezers en voorzangers. De Synode heeft geoordeeld, dat, met het oog
op het hier bepaalde, aan een voorlezer en voorzanger der gemeente de be-
voegdheid om lid des Kerkeraads te wezen, niet kan worden ontzegd. 1862,
bl. 451, 462.
25)    Behoudens de rechten van derden. Deze woorden konden wegvallen,
althans naar het oordeel der Syn. Commissie (1871, bl. 262, 263), dewjjl er toch
ten aanzien der aanstelling van voorlezers en voorzangers geene rechten van
derden bestaan, of zoo die vroeger ook hier of daar tot de heerlijke rechten
mogen behoord hebben, met deze in 1795 opgeheven en bij het besluit van don
Souvereinen Vorst van 6 Maart 1814 niet weder hersteld zijn. Daar het voorlezen
en voorzingen een deel der godsdienstoefeningen uitmaakt, behoort ook bij den
Korkeraad uitsluitend de aanstelling van personen, die daarmede belast zijn. In
het Algemeen Kegloment op het beheer, enz. is dan ook het recht der Kerke-
raden in dezen erkend. De Synode van 1871 had daarom het voorstel tot weg-
neming der aangehaalde woorden voorloopig aangenomen (zie bl. 349), maar die
van 1872, meenende dat nog wel hier en daar wettige rechten van derden, niet
bohoorende tot de -z.g. heerlijke rechten, konden bestaan, heeft de weglating niet
noodzakelijk, noch nuttig, maar eer gevaarlijk geacht en dientengevolge besloten
om het art. op dit punt onveranderd te laten (bl. 130—133).
Art. 15. In de gemeenten, waar geen bijzondere Kerkeraad bestaat,
zijn de werkzaamheden, in het vorig artikel vermeld, opgedragen aan
den algemeenen Kerkeraad.
Art. 16. Tot het werk van den algemeenen Kerkeraad behoort in
alle gemeenten:
1°. de zorg voor hetgeen betrekking heeft op de beroeping en het
ontslag van predikanten, alsmede voor de verkiezing van ouderlingen
en diakenen, beide naar de bepalingen van bijzondere reglementen,
en met eerbiediging van de rechten van derden;
2°. de behartiging van de geestelijke behoeften der armen; het
bepalen van collecten\'); de zorg voor de diaconiegoederen 2); het
.jaarlijks opnemen van de diaconierekening en het geven van de ver-
eischte inlichtingen betreffende het diaconiebeheer; — alles volgens
de bepalingen van het Synodaal Reglement voor de diaconiën;
3°. het houden van eene volledige beschrijving of een ligger van
al de fondsen en eigendommen, die aan de gemeente behooren, voor
zoo verre die onder het beheer of toezicht van den Kerkeraad zijn;
alsmede van het tractement des predikants of der predikanten, met
de gewone emolumenten. Van den ligger 3) der diaconiegoederen en
van den ligger van het predikantstractement wordt afschrift gezonden
aan het Classikaal Bestuur, en steeds onverwijld aan dat Bestuur
kennis gegeven van elke verandering, die in die liggers gemaakt
wordt, wat laatstgenoemden ligger betreft, ter goedkeuring daarvan
door het Provinciaal Kerkbestuur;
4". het kennis geven aan het Classikaal Bestuur van ontdekte
verkeerdheden in de administratie der kerkeln\'ke goederen, naar
art. 21 van het Algemeen lieglement;
-ocr page 95-
Art. 14—17.                                            67
5°. het ontvangen van de persoonlijke en de beantwoording van
de vragen der schriftelijke kerkvisitatie, volgens het reglement op dit
onderwerp;
6°. De zorg voor het aanvragen *) en het overmaken van het
quotum der gemeente voor het bestuur, overeenkomstig de bepalingen
van het reglement op de kosten voor het bestuur der Nederlandsche
Hervormde Kerk.
1)     Het bepalen van collecten. Even als in art. 20 Alg. Regl. kan volgens het
verband, waarin deze woorden voorkomen, hier alleen aan collecten voor de
armen gedacht worden, eene meening die nog versterking vindt in de slotwoorden
dezer hepaling: „alles volgens de bepalingen van het Synodaal llegl. voor de
diaconiën." Intusschen heeft de Synodale Commissie in 1866, in overeenstemming
met eeno in 1855 gegevene verklaring van art. 20, de laatste al., van \'t A. R.,
op eene vraag van den Kerkernad van Delft geantwoord, dat, hoewel zij zich
onbevoegd achtte, om wettelijke verklaringen van reglementaire bepalingen to
geven, toch, volgens hare meening, alle collecten, bij de openbare godsdienst-
oefening te houden, vastgesteld of bepaald moeten worden door den algemeonen
Kerkeraad. Syn. Handd. 1860, hl. 83, Bijl. B, bl. 33, 34, 1855, bl. 141 , Bijl. B,
bl. 82, 83. Zie het aanget. op art. 20, Alg. Regl.
2)     De zorg voor de diaconie-goederen. Op een voorstel van de Class. Verg.
van Tiol, in 1868, tot het opnemen van eene bepaling in het Syn. Regl. voor
de Kerkoraden, strekkende om aan de Kerkeraden vrijheid te geven om run den
benoemden diaken voldoende borgtocht of aanwijzing van soliede borgen te vragen
,
heeft de Synode geoordeeld, „dat deze of dergelijke bepaling niet noodigis, daar
bij art. 16 van evengenoemd Regl. onder no. 2 de zorg voor de diaconiegoederen
uitdrukkelijk aan de Kerkeraden is opgedragen, waaruit volgt, dat de Kerke-
raden, behoudens de vereischte goedkeuring, ten volle bevoegd zijn om eene
bepaling van zoodanige strekking in hun plaatselijk reglement op te nemen."
Hiervan is door middel van de Kerk. Cour. algemeene mededeeling geschied. Zie
Handd. 1868, bl. 151, verg. bl. 88, 89.
3)     Van den ligger, enz. Deze woorden tot aan het einde der al. zijn, voor
zoo ver den ligger van het pred. tractement betreft, in werking gekomen 1 Febr.
1874. De Synode, in aanmerking nemende, dat de bepaling van art. 60 al. 2
van het Reglement op de Vacaturen uitsluitend geldt bij werkelijk bestaan van
vacaturen, heeft deze toevoeging noodzakelijk geacht als waarborg tegen het
buiten den tijd van vacature willekeurig maken van verandering in de inkomsten
aan de predikantsplaats verbonden. Zie 1872, bl.274, 275, Bijl. B, bl. 229, 230;
1873, bl. 188, 189. Omtrent den ligger der diaconiegoederen is hetzelfde bepaald
door ampliatie van dezen volzin, in werking gekomen den 1 Jan. 1886, in ver-
band met eeno wijziging van art. 18 Regl. voor de diaconiën.
4)     De zorg voor het aanvragen, enz. Deze al. staat in verband met art. 10
van het Regl. op de kosten van het bestuur der Ned. lierv. Kerk en is, tegeljjk
met dat Regl., in werking gekomen den 1 Jan. 1876. Zie 1871 , bl. 344, Bijl. B,
bl. 105, 106; 1872, bl. 103.
Art. 17. De bijzondere Kerkeraad, of, waar deze niet bestaat, de
algemeene, komt jaarlijks ten minste vier malen bijeen, en voorts
zoo dikwijls, als het plaatselijk reglement of de omstandigheden zulks
vereischen. \')
5*
-ocr page 96-
68                               Reglement voor de Kerkeraden.
1) Over buitengewone vergaderingen in vacatures zie Regl. op de vac., art.
19 en de aant.
Art. 18. De Kerkeraden hebben steeds den predikant of een der
predikanten van de gemeente, of den consulent, wanneer hij is opge-
treden volgens de wet, laatstgenoemde alleen met adviseerende stem,
tot voorzitter. Waar geen predikant aanwezig is, neemt de oudste
ouderling in dienst de plaats des voorzitters in, doch worden de
besluiten van eene vergadering, onder zijne leiding gehouden, niet
uitgevoerd, vóór dat ze door den predikant, of, bij ontstentenis van
dezen, door den consulent zijn goedgekeurd.
Art. 19. üe Kerkeraden houden aanteekening van hunne hande-
lingen en van de belangrijke door hen uitgevaardigde brieven, in
behoorlijk daartoe aangelegde boeken. Zij zorgen \') voor de bewaring
van de archieven en al de inkomende stukken, waarvan zij getrouw
register houden.
1) Zij zorgen, enz. Verg. hierbij: «) het besluit der Synode van den 11 Juli
1818, houdende, dat de Kerkeradon eene portefeuille zullen aanleggen voor de
inkomende stukken, met nauwkeurig bij te houden register; b) de aanschrijving
van den 15 Juli 1842 aan de Classikale Besturen „om te zorgen, dat bij eiken
Kerkeraad zal worden geformeerd een index van al de stukken, in het archief
voorhanden, en dat de kerkvisitatoren zich van het aanwezen van dezen index,
mitsgaders van de ongeschondenheid van het archief telkens bij golegenheid der
persoonlijke kerkvisitatie zullen behooren te verzekeren en deswege rapport te
doen (1842, bl. 126, 127)"; c) de uitnoodiging, den 14 Juli 1858 aan de Kerke-
raden gericht, „om in hot belang der kerk een duplicaat van den index van het
bij hen berustend oud (d. i. van vóór 1816 afkomstige) archief bij het Classikaal
Bestuur over te leggen," en de aanschrijving van denzelfden datum aan de Clas-
sikale en Provinciale Besturen, „dat zij zorgen, waar geen index van het oude
archief bestaat, dat deze zoo spoedig mogelijk vervaardigd wordt, en dat zij
verder eveneens in het belang der kerk, een duplicaat-index deponeeren, eerst-
genoemde bij het Prov. Kerkbestuur van het ressort, en laatstvermelde bij de
Synode." 1858, bl. 23, Bijl. B, bl. 21; Kerk. Cour. 1858, no. 32. Hierbij mogen
ook in herinnering gebracht worden de (door bruna t. a. p. aangehaalde en in
Afd. II van zijn werk, § 2, A en B medegedeelde) ministeriële circulaires, van
11 Aug. 1823, „over de bewaring der archieven van kerkelijke collegiën," en
van 16 April 1841, „over de bewaring der voorwerpen van kunst."
Art. 20. De nadere regeling van de vergaderingen en werkzaam-
heden des Kerkeraads wordt door provinciale en huishoudelijke regle-
menten bepaald \').
1) Wordt door provinciale en huishoudelijke reglementen bepaald. T. w. onder
goedkeuring van de bevoegde besturen. Verg. Alg. Regl. art. 12, 25 en Regl.
op de benoeming van ouderlingen en diakenen en de beroeping van predikanten,
art. 6. Goedkeuring is dan ook door de Synode of de Synodale Commissie, daartoe
uitdrukkelijk gemachtigd, na het in werking treden van dit reglement, aan de
verschillende provinciale reglementen op de Kerkeraden gegeven in 1858 on 1859,
en, ten gevolge van de invoering van het Syn. reglement op de benoeming van
-ocr page 97-
Abt. 17-22.                                            69
ouderlingen en diakenen en de beroeping van predikanten, <lus na 1867, aan
herziene provinciale reglementen. De goedkeuring wordt echter niet vereischt,
wanneer een Provinciaal Kerkbestuur om, naar zijn oordeel, afdoende redenen
de intrekking van zulk een reglement noodig acht. Daarom is de intrekking
van het provinciaal reglement voor de Kerkeraden van Friesland in 1874 en
eveneens van dat voor Groningen in 1875 alleen voor kennisgeving aangenomen.
VIERDE A F D E E L I N G.
A in b t s p 1 i c h t e n der predikanten, ouderlingen
en diakenen.
1. Der predikanten.
Akt. 21. Aan den predikant, of de predikanten, is opgedragen:
1°. de openbare verkondiging van het Evangelie; 2°. het bedienen
van doop en avondmaal; 3°. de leiding der openbare godsdienst-
oefeningen; 4°. de huwelijksinzegening; 5°. het catechetisch onderwijs
en het afnemen van belijdenis des geloofs in tegenwoordigheid van
één of meer ouderlingen *): 6°. de herderlijke zorg, en 7°. het bestu-
ren \') van de vergaderingen zoo van den Kerkeraad als van het
Kiescollegie of van de stemgerechtigden s).
1)    In tegenwoordigheid van één of meer ouderlingen. Welke de plichten en
rechten der ouderlingen zijn bjj gelegenheid der aanneming van lidmaten der
gemeente, moet nader blijken uit de bepalingen in het Regl. op het godsdienst-
onderwijs, met name art. 38.
2)    Het besturen, enz. Ieder predikant in grootere gemeenten is op zijne beurt
praeses. Dat behoort tot zijn dienstwerk. Zie Kerk. Cour. 1877, 24 Febr., no. 8.
Art. 20 hierboven moet dus daarnaar verklaard en opgevolgd worden.
3)    Kiescollegie, stemgerechtigden. De vermelding van deze vergg. is aanvulling
van 1 Maart 1869. Zie aant. op art. 5.
Art. 22. In de regeling van het getal, den tijd en de plaats der
openbare godsdienstoefeningen maken zij geen verandering zonder
toestemming van den Kerkeraad.
Bij de leiding der openbare godsdienstoefeningen gaan z\\j, zoowel
in het algemeen, als in het bijzonder met betrekking tot het gebruik
van den Heidelbergschen catechismus, de liturgische schriften, de
vragen b\\] de voorbereiding tot het avondmaal, de psalmen en de
gezangen, naar eigen oordeel te rade met de godsdienstige behoeften
hunner gemeenten.
Hij de leiding, enz. Deze al. is in werkinggokomen 1 April 1864, uitgezonderd
de woorden: „de vragen bij de voorbereiding tot het avondmaal," die 1 Febr. 1872
uit art. 14 herwaarts zijn overgebracht. Zie do 5<Je aant. op dat art.
-ocr page 98-
Reglement voor de Kerkeeaden.
70
Art. 23. In hunne geheele ambtsbediening zich gedragende naar
de kerkelijke reglementen en verordeningen, richten zy zich voorts
naar de bijzondere plaatselijke en tijdelijke behoeften der gemeente,
zooveel noodig in overleg met den Kerkeraad.
Art. 24. In de herderlijke zorg voorzien zy, zoo noodig, met
raadpleging en hulp van den Kerkeraad, vooral ook door geregeld
huisbezoek en getrouw, krankenbezoek.
2. Der ouderlingen.
Art. 25. Aan de ouderlingen is opgedragen: 1°. de behartiging
van de belangen der openbare godsvereering; 2°. de bevordering van
en het toezicht op het godsdienstonderwijs, naar het reglement op
dit onderwerp; 3°. het medetoezicht op de leden der gemeente, inzon-
derheid door huisbezoek, zoowel, indien zij daartoe worden verzocht,
in vereeniging met de predikanten, als afzonderlijk, naar plaatselijke
regeling; 4°. ijverige medewerking met de predikanten in alles wat
aan de Christelijke opbouwing der gemeente kan dienstig zyn.
3. Der diakenen.
Art. 26. Aan de diakenen is opgedragen de meer bijzondere zorg
voor de armen der gemeente. Daartoe zijn zij belast: 1°. met het
dagelijksch beheer der diaconiegoederen; 2°. met het innen van alle,
aan de diaconie aankomende gelden; 3°. met de inzameling der liefde-
gaven ; 4°. met het besteden van dit een en ander tot het doel, hetwelk
de Christelijke gemeente voor hare armen beoogt, en 5°. te dien einde
ook met het geregeld bezoeken der armen.
In gemeenten met minder dan drie predikanten geschiedt dit alles
in overleg met den predikant, of de predikanten, en de ouderlingen.
De diakenen gaan der gemeente in het getrouw bywonen der
openbare godsvereering voor.
De verplichtingen der diakenen worden in het Synodaal reglement
voor de diaconiën nader geregeld.
ADDITIONEELE ARTIKELEN.
Art. 27. Alle kerkelyke reglementen en verordeningen, welke in
strijd zyn met dit reglement, zyn vervallen.
Art. 28. De Provinciale Kerkbesturen herzien het provinciaal
reglement voor de Kerkeraden in hun ressort, ten fine van overeen-
stemming met dit reglement en met de algemeene kerkelyke veror-
deningen.
-ocr page 99-
Abt. 23—29.                                           71
De alzoo herziene reglementen worden in de eerste helft van het
jaar, op dat der invoering van dit Synodaal reglement volgende, aan
de goedkeuring der Synode onderworpen.
Abt. 29. De plaatselijke reglementen\') worden door de Kerkeraden,
ten fine als in het voorgaand artikel vermeld, herzien binnen één jaar
nadat de provinciale reglementen zn\'n in werking gebracht, en door
het Provinciaal Kerkbestuur, na door het Classikaal Bestuur van het
ressort beoordeeld te zijn, als overeenstemmend met dit reglement
goedgekeurd.
1) De plaatselijke reglementen, enz. Dit art. is, even als het voorgaande,
geheel van tijdelijken aard en had bij de invoering van het reglement alleenlijk
de strekking om te zorgen, dat de nieuwe regeling overal althans binnen het
jaar kon zijn tot stand gebracht; weshalve een Kerkeraad bij latere herziening
van zijn huishoudelijk reglement de beoordeeling van het Class. Best. en de
goedkeuring van het 1\'rov. Kerkbestuur niet behoeft to vragen, maar naar art.
25 Alg. Regl. mot de mededeeling aan het Class. Bestuur volstaan kan. Vcrkl.
van de Syn. Comm., goedgekeurd door de Synode, 1871, bl. 231, Bijl. B,
bl. 217—219.
Dit Reglement is, behoudens later aangebrachte wijzigingen, door
de Synode gearresteerd den 11 Aug. 1856 en, na uitvaardiging door
de Synodale Commissie in hare voorjaarsvergadering des volgenden
jaars, in werking getreden den 1 Juli 1857.
-ocr page 100-
Reglement voor de Kerkerapen.
72
BIJLAOËH
BIJ HET REGLEMENT VOOR DE KERKERADEN.
(Verg. art. 14, 1" en 4" van het ttegl.)
I.
SYNODALE VERORDENINGEN VAN DEN 11 JULI 1817 BETREFFENDE
DEN OPENHAREN EEUKD1ENST.
De Algemecne Christelijke Synode der Hervormde Kerk in het
Koningrijk der Nederlanden, aan de leeraars en opzieners
der Hervormde gemeenten.
Onder de treurige verschnnselen van onzen leeftijd, behoort onge-
twijfeld de vermindering der nauwgezetheid van vele Christenen,
inzonderheid onder de Protestanten, in het waarnemen van den open-
baren en genieenschappelijken godsdienst, en de geringe werking, die
deze op hunne gemoederen en hunnen levenswandel schh\'nt uit te
oefenen. Dit verschijnsel moet natuurlu\'k een iegelijk, wien de eere
van God en onzen gezegenden Zaligmaker niet onverschillig is, en
die belang stelt in het heil zh\'ner broederen, bedroeven. Maar wie
zouden daarover meer grievende smart gevoelen, dan de rechtgeaarde
leeraars en opzieners der Christelüke gemeente, wier edele taak het
zoo rechtstreeks is, om haren in- en uitwendigen bloei te bewaren
en te bevorderen, en met al hun vermogen mede te werken tot de
heiliging van den Naam van onzen Hemelschen Vader, en tot ver-
heerlijking van Zn\'nen grooten Zoon, onzen Heer Jezus Christus?
Onder de oorzaken van het verval der godsdienstigheid, is meer-
malen opgenoemd de min doelmatige inrichting van de godsdienst-
oefening der Protestanten; en, ofschoon het er verre af is, dat daarin
alleen of voornamelijk de reden der opgenoemde verschijnselen te
zoeken zy, betaamt het echter de opzieners der Christelüke gemeente,
ook de verstgelegene aanleiding, die daaruit tot verachting van den
openbaren godsdienst zoude kunnen ontleend worden, zooveel zulks
mogelijk is, te vernietigen, en door doelmatige inrichtingen en ver-
beteringen hare waarneming te besturen tot het groote doel.
Het is uit aanmerking van het een en ander, dat de Algemeene
Christelijke Synode der Hervormde Kerk in het koningrijk der Neder-
landen, 200 omtrent de betamelijke uitoefening van den openbaren godsdienst
V
-ocr page 101-
Bijlagen.                              -                73
in het gemeen., als de meer stichtelijke en. de plechtige bediening van den
H. Doop en het H. Avondmaal in het bijzonder,
deels zoodanige veror-
deningen bij besluit heeft vastgesteld, en deels zoodanige aanwijzingen
heeft ontworpen, als hierna volgen; begeerende, dat de bepalingen
daarin begrepen met den aanvang van het jaar 1818 in werking
worden gebracht.
1. Wat betreft de uitoefening van den openbaren godsdienst in het
gemeen en in al zijne deelen.
De Synode heeft met groote aandoening ten aanzien van de voor-
lezing van Gods h. woord in de vergadering der Christenen,
zijnde een
zeer gewichtig gedeelte der openbare en gemeenschappelijke godsdienst-
oefening , het ergerlijk misbruik en verzuim gadegeslagen; doch tevens
opgemerkt, dat, zoo in het oog loopende de misbruiken zijn, de
gereede uitvinding en toepassing van geschikte middelen ter verbe-
tering even moeielijk is; weshalve zij in eene zaak van dat belang,
waarin zij eene verbetering hartelijk verlangt, niet bij overhaasting
willende te werk gaan, voorgenomen heeft, in het vervolg hieromtrent
definitieve maatregelen te beramen en vast te stellen. Vermits er
inmiddels nog eenige gemeenten zijn, waarin beurtelings de schriften
des O. en N. T. bij vervolg, en zonder keuze worden voorgelezen;
andere, waar die keuze aan den voorlezer is overgelaten; en zulke
voorlezingen de verstanden en harten der menschen tot de verdere
godsdienstoefening weinig stemmen kunnen; zoo heeft de Synode
besloten, dat van nu voortaan en alomme de predikanten zelven zullen
kiezen .en opgeven wat er zal worden voorgelezen; en zij wekt de
leeraren op, om die keuze zorgvuldig in te richten naar het onderwerp,
dat zij voornemens zijn te behandelen, en naar het doel, dat zij zich
daarbij voorstellen.
Met opzicht tot het godsdienstig gezang wenscht de Synode, dat in
kerken, waar orgels zijn, het orgel het gezang steeds vergezelle, en
\'t gebruik, hier of daar bestaande, waardoor bij sommige godsdienst-
oefeningen aan het orgel het zwijgen is opgelegd of vergund wordt,
dadelijk worde opgeheven. Zij wil daarenboven de leeraars hebben
uitgenoodigd, om bij hun openbaar en bijzonder onderwijs hunne
toehoorders en leerlingen telkens het gewicht van dit deel van den
gemeenschappelijken godsdienst te doen opmerken; om hen tot oefening
in hetzelve aan te sporen; om hen te waarschuwen tegen alle hard
en ongeregeld geschreeuw; om nu en dan de gemeente een vers
staande te doen zingen; om, bij plechtige gelegenheden, beurtge-
zangen, bij voorbeeld van mannen en vrouwen, en van allen te zamen,
in te voeren; en, om zelfs, waar dit geschieden kan, op de hooge
feestdagen der Christenheid, eene enkele godsdienstoefening, bijna
geheel aan zang- en toonkunst toe te wijden.
-ocr page 102-
74                            Reglement voor de Kerkekaden.
Ten aanzien van de openbare gebeden wordt den leeraren, zonder
hen daarom allen zonder uitzondering van eene tegengestelde han-
delwijze te beschuldigen, door de Synode ernstig aanbevolen, om zich
doorgaans zorgvuldig te onthouden van lange gebeden, bij welke de
aandacht niet gespannen en het hart niet warm bln\'ven kan; — om,
zooveel mogelijk, kortheid en kracht in dezelve te vereenigen; om de
voorbiddingen voor kranken en lijdenden niet te veel te bnzonderen,
noch in hunne vóór- en na- gebeden noodeloos te herhalen; om de
tijdelijke belangen der menschen bij hun bidden en danken niet voorbij
te zien, maar de herinnering van dezelve telkens aan te wenden, om
hen op te leiden tot den hoogen en goeden Bestuurder van hun lot,
en in hunne harten aan te kweeken de gevoelens van ootmoed, dank-
baarheid, onderwerping en vertrouwen; — en eindelijk om steeds
gedachtig te wezen aan de algemeene belangen der Christenheid en
des menschdoms, waaraan wij door den band des geloofs en der natuur
zoo nauw verbonden zijn. — Bij deze aanbeveling voegt de Synode
den raad, dat de leeraren ter vergrooting van den indruk des gebeds,
b\\j bijzondere gelegenheden, en bij het doen van korte gebeden, de
gansche gemeente, vrouwen zoowel als mannen, verzoeken om met
hen staande te bidden.
Tevens neemt de Synode deze gelegenheid waar, om de predikanten
zeer nadrukkelijk aan te manen, om, bij het gebruik van het gebed
des Heeren, dat onvergelijkelijk gebed toch nimmer te bidden,
dan met dien hoogen ernst en die stille bedaardheid des gemoeds,
die de gedachte aan zijn verheven oorsprong, gewichtigen inhoud
en belangrijke bedoeling, iederen nadenkenden Christen moet in-
boezemen.
Aangaande de leerredenen heeft de Synode allerbelangrijkst gekeurd,
alle leeraren op te wekken, om van tn\'d tot tijd op den Zondag, in
navolging van hetgeen sedert eenige jaren in onderscheidene gemeenten
van ons vaderland met algemeene groote goedkeuring plaats heeft,
Bn\'beloefeningen te houden, en in dezelve, vooral uit die Bijbelboeken,
die voor de Christenen van het meeste aanbelang zijn, grootere
gedeelten kort toe te lichten en toe Ie passen. — Hierdoor meent de
Synode, dat de zoo onontbeerlijke Bijbelkennis onder de menschen
zal verbreid worden; dat z\\j zullen leeren, hoe zij voor zich zelven en
met hunne huisgenooten dat heerlijk boek moeten lezen; dat hun
achting en liefde voor hetzelve zal worden ingeboezemd, en dat de
weldadige bemoeingen des Nederlandschen Bn\'belgenootschaps voor
onze eigene landgenooten tot waren zegen zullen worden.
Ten opzichte der gewone leerredenen houdt de Synode het geenszins
voor overtollig, den leeraren met nadruk aan te prn\'zen, om doorgaans
kort te prediken en hierdoor hunne voorstellen nuttiger en aange-
namer te maken voor het gros der menschen, hetwelk ongeschikt is
tot eene langdurige onafgebrokene inspanning.
-ocr page 103-
Bijlagen.                                               75
Eindelijk, daar de gansche uitoefening van den openbaren godsdienst
den heiligsten indruk behoort na te laten, en daarmede het aflezen
van verkoopingen en verpachtingen door den leeraar van den pre-
dikstoel, gelijk in sommige gewesten geschiedde, vóór het uitspreken
van den zegen, ten eenemaal strijdig is, zoo heeft de Synode zich
verblijd, dat Zijne Excellentie de heer Commissaris-Generaal, provi-
sioneel belast met de zaken der Hervormde kerk enz., door de noodige
aanschrijvingen, deze aflezingen vóór het spreken van den zegen op
plaatsen, waar zulks gewoon was te geschieden, reeds verboden heeft. —
Zij keurt daarenboven dergelijke aflezingen, ook na het spreken van
den zegen, van den predikstoel zoo onwelvoegelijk, dat zij alle predi-
kanten verbiedt, den predikstoel daartoe te gebruiken; met aanmaning
om, indien hunne omstandigheden dit gedoogen, zulke afkondigingen,
ook op eene andere plaats dan van den leerstoel, liever aan andere
personen, bij voorbeeld aan de kosters of voorlezers, over te laten.—
Daar het voorts betamely k is, dat ieder van den openbaren godsdienst
het behoorlijke nut trekke, en niemand in zijne stille aandacht gestoord
worde, wenscht de Synode dat, niet alleenlijk aan de krijgslieden,
maar ook aan de wees- en armen-kinderen, geschikte zitplaatsen overal
worden ingeruimd: zijnde dezelve in sommige steden zoo slecht ge-
plaatst, dat zü weinig of niets verstaan kunnen, en dus niet alleen
geen nut hebben van hun kerkgaan, maar zelfs soms afkeer daar-
tegen opvatten.
De Synode beveelt ook den Kerkeraden aan, om, ter voorkoming
van het gedruisch bij het inkomen der militairen in de bedehuizen,
de noodige afspraak te maken met hunne bevelhebbers, ten einde
hen tijdig ter kerke te doen komen.
Aangaande de militairen echter, zoude de Synode vooral wenschen,
dat op plaatsen, waar duurzaam talrijke garnizoenen zijn, voor dat
garnizoen eene bijzondere beurt wierd afgezonderd, en beveelt in alle
garnizoensplaatsen het nemen van zulke maatregelen vooral aan,
waardoor het geen krijgsman aan gepast onderwijs in den godsdienst
behoeft te ontbreken.
Ten aanzien van den openbaren godsdienst op sommige tijden, heett
de Synode goedgevonden het navolgende te bepalen:
Daar de Vrijdag voor Paschen onder die dagen behoort, die voor
den Christen een uitstekend gewicht hebben, en echter die gewichtige
dag, de dag des doods van Hem, die ons leven en het leven der
wereld is, slechts in weinige gewesten van ons vaderland door de
Hervormden wordt gevierd, zal van nu voortaan op dien dag, in alle
gemeenten der Hervormden in ons vaderland, eene godsdienstoefening,
ter.gedachtenis van die groote gebeurtenis, worden gehouden. Waar
weekbeurten zijn, kan ééne van dezelve op dien dag worden geplaatst.
Daar de laatste dag van het jaar telkens een aanmerkelijk tijdperk
van het menschelijk leven besluit, en zulk een besluit bijzonder
-ocr page 104-
76                            Reglement voor de Kerkeradek.
geschikt is om ons te stemmen tot ernstig nadenken over ons zelven
en over de wegen van God met ons gehouden, zal van nu voortaan
overal ieder jaar op dien dag met een plechtig dank-uur worden
gesloten, waartoe een avonduur, waar zulks geschieden kan, als het
meest geschikte wordt aangeprezen.
Daar de eerste dag van het jaar den mensch zoo luide roept tot een
nieuw leven en tot ootmoedige aanbeveling van alle zn\'ne belangen
aan Hem, in wien hü leeft, zich beweegt en bestaat, zal van nu
voortaan overal, des voormiddags, op dien dag eene godsdienstoefening,
hiertoe betrekkelijk, worden gehouden. — Indien de Nieuwjaarsdag
niet op Zondag invalt, zullen de namiddag-godsdienstoefeningen op
dien dag, welke doorgaans door weinige en ongeschikte toehoorders
worden bezocht, afgeschaft zijn, tenzij, naar het oordeel des Ker-
keraads, dringende behoefte het tegendeel volstrekteln\'k mocht vor-
deren.
Eindelijk, daar op sommige plaatsen in die weken, in welke onze
Christelijke feestdagen invallen, de predikbeurten en voor de leeraars,
en voor de gemeenten te menigvuldig zijn, zal van nu voortaan, ten
minste één dag vóór, en één dag na zulke feestdagen nergens worden
gepredikt.
II. Wat helreft de meer stichtelijke en plechtige bediening van den
H. Doop en het H. Avondmaal.
De Synode, in aanmerking nemende den geringen indruk, dien de
bediening des H. Doops, zoo als die onder ons plaats heeft, doorgaans
maakt, en overtuigd dat de reden daarvan ook gedeeltelijk gelegen
is in de al te menigvuldige herhaling dezer godsdienstige handeling,
heeft goedgevonden middelen in het werk te stellen, om de gelegen-
lieden tot deze plechtigheid overal in zoo verre te verminderen, als
de plaatselijke omstandigheden dit gedoogen.
Uit dien hoofde heeft zij besloten, dat van nu voortaan de H. Doop
nergens meer in de weekbeurten zal bediend worden, en dat op den
Zondag, in alle gemeenten, zoo weinig kerken en beurten daartoe
worden afgezonderd, als met hare verschillende grootte bestaan-
baar is.
De Synode verlangt, dat, waar de talrn\'kheid der doopelingen de
bediening des doops iederen Zondag niet noodzakelijk maakt, de pre-
dikanten, in overleg met hunne Kerkeraden, op bepaalde tijden,
opzettelijke dooppredikatiën houden, en de ouders liefderijk trachten
te overreden, om die gelegenheden af te wachten, ten einde bn\' dezelve
hun kroost ten doop aan te bieden.
Ztf is van oordeel, dat de indruk des doops aanmerkelijk by de
ouders vergroot zal worden, wanneer niet alleen de vader., maar ook
de moeder met het kind ten doop komt, en deze daartoe den tijd van
-ocr page 105-
I
Bijlagen.                                               77
hare herstelling gerustelh\'k afwachte, enwenscht, dat de leeraren, voor
zoo veel zulks noodig is, daartoe raden.
Tot eene statelijke en doelmatige doopsbediening acht de Synode
noodig, dat de leeraren zich van het doop-formulier niet dan met
bedaarden ernst bedienen, en nimmer die heilige plechtigheid door
oneerbiedige overhaasting onteeren; hiertoe vermaant zij hen met allen
nadruk, wegens het gewicht, de achtbaarheid en de strekking van
deze dierbare instelling onzes Heeren. De Synode verlangt daaren-
boven, dat overal voor de ouders en doopgetuigen eene behoorlijke
plaats worde afgezonderd, waar zij, zonder wanorde, zitteii en met
de doopelingen staan en optreden kunnen; alsmede, dat overal, waar
zulks geschieden kan, de doopelingen niet in de vergaderingen der
gemeenten worden gebracht, dan omstreeks den tijd, dat de bediening
des doops zoo terstond zal plaats hebben; en wekt de Kerkeraden op,
om schikkingen te maken ter bevordering van orde en doelmatigheid,
bij hetgeen de uiterlijke bediening dezer plechtigheid met zich brengt.
Ter betere viering van het H. Avondmaal heeft de Synode de vol-
gende schikkingen gemaakt:
Daar in eenige gemeenten nog de proef- envoorbereidinys-predikatïèn
onderscheiden zijn, en deze al te spitsvondige onderscheiding, naar
het oordeel van de Synode, aanleiding kan geven tot vervelende her-
halingen en vermoeiende langwu\'ligheid, zal dat gebruik van nu
voortaan zy\'n afgeschaft, en alles in ééne leerrede moeten vereenigd
worden.
Volgens het stichtelijk gebruik, dat reeds van ouds in Groningen
en Friesland plaats had, waar in de voorbereiding voor het H. Avond-
maal, aan het einde der leerrede, eenige vragen door den leeraar
worden voorgesteld aan de gemeente, die zij staande aanhoort en met
eene buiging beantwoordt, zal van nu voortaan, overal by het einde
der voorbereidingspredikatie en vóór het nagebed, aan de gemeente
gelegenheid worden gegeven ter plechtige vernieuwing en bevestiging
van hare belijdenis. De leeraars zullen zich tot dat einde richten naar
het volgend voorschrift:
„De leden der Christelijke gemeente, welke eerlang het H. Avond-
maal wenschen te vieren, gelieven op te staan en in de tegen woor-
digheid van God, den kenner der harten, met m\\j te antwoorden op
de vier volgende vragen:
„Ik vraag u dan vooreerst, of gy van harte gelooft, dat de waar-
achtige en volkomene leer der zaligheid, ons van Gods wege ge-
openbaard, vervat is in de boeken des O. en N. Verbonds?
„ Die dit gelooven, zeggen met my: ja!
„Ten tweede vraag ik u, of gy van harte gelooft, dat gü door uwe
zonde diep bedorven en voor God strafwaardig zyt, en u zei ven
deswege mishaagt met ootmoed en berouw?
„Die dit gelooven en zoo gezind zy\'n, zeggen met my: ja!
-ocr page 106-
78                              Reglement voor de Kerkeraden.
Ten derde vraag ik u, of gy van harte gelooft, dat God, uit loutere
genade, ons zyuen eeniggeboren Zoon Jezus Christus heeft geschonken
tot onzen eenigen en volkomen Zaligmaker, wiens lichaam voor ons
verbroken en wiens bloed voor ons vergoten is tot vergeving dei-
zonden: en of gü Hem voor u zelven met een geloovig hart aanneemt
tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing?
„Die dit gelooven en hiertoe gezind zijn, zeggen met niy: ja!
.Ten vierde vraag ik u, of gy, overeenkomstig de verplichting, die
door uwen doop op u gelegd is, een oprecht voornemen hebt, om,
door de kracht des Heiligen Geestes, by deze belijdenis te volharden,
uw geloof te sterken, uw leven te beteren, in ware liefde en eenigheid
met uwen naaste te leven, en alzoo Gode waarachtige dankbaarheid
voor zyne genade te bewijzen?
„Die van zoodanig voornemen zijn, zeggen met my: ja!"
Deze vragen beantwoord zynde, doet de leeraar een zegenwensch,
en gaat vervolgens tot het nagebed over.
Ter bevordering van eenparigheid, zal in alle Hervormde gemeenten
van ons vaderland het H. Avondmaal viermalen in het jaar, en wel
om het vierendeel jaars, worden bediend, en is de nadere tijdsbe-
paling overgelaten aan de Kerkeraden; met dien verstande nochtans,
dat de tweede bediening, in gemeenten waar het Avondmaal wegens
de talrykheid der leden wordt herhaald, acht dagen na de eerste
gehouden worde.
In gemeenten, in welke onder de bediening des H. Avondmaals
eenige hoofddeelen uit den Bybel, in vervolg, worden voorgelezen,
zullen de leeraren van nu voortaan de keuze van het voortelezene
gedeelte van Gods woord doen, of zich ook van geschikte psalmen
en Evangelische gezangen bedienen.
De Synode wenscht, dat de noodige schikkingen worden gemaakt
om overal de nachtmaals-tafel, zooveel mogelyk, in het ruim der kerk
te plaatsen, ten einde allen kunnen zien en hooren, wat aan dezelve
gedaan en gesproken wordt; alsmede dat, waar dit kan geschieden,
de tafel zoo groot genomen worde, dat een aaninerkely\'k aantal der
gemeente tegel yk daaraan kan aanzitten.
De Synode begeert, dat men, in het naderen tot de tafel des Heeren,
naar het uitmuntend voorbeeld van onzen geëerbiedigden Koning, die
zich met den geringste zijner onderdanen aan denzelfden disch plaatst,
nergens eenigen rang meer in aanmerking neme: ook, dat men overal
zittende het Avondmaal houde.
De leeraren, die deze plechtigheid bedienen, zouden, naar het
oordeel van de Synode, best doen, wanneer zij, na de omdeeling van
brood en wijn, zich eenige oogenblikken van spreken onthielden, om
een iegelyk, onder het genot daarvan, aan zyne eigene bepeinzing
over te laten.
Voorts is ten opzichte van onze liturgie-formulieren bij de Synode
-ocr page 107-
Bijlagen.                                              79
wel in overweging gekomen, of het opstellen van nieuwe, of wel het
veranderen der oude dienstig konde zijn aan de bevordering van eene
meer stichtelijke bediening van Doop en Avondmaal; doch het is
haar voorgekomen, dat deze maatregel ongepast en ontijdig zoude
zijn. Immers zijn die liturgie-formulieren opgesteld ten gebruike van
leeraars, welke nog niet behoorlijk geoefend waren in al de deelen
der h. bediening, en welke dus noodig hadden door zekere voor-
schriften aan eene gepaste en eenparige leiding gewend te worden.
Deze behoefte bestaat niet meer; van daar dat ook onderscheidene
liturgie-formulieren reeds in onbruik zijn geraakt, en in andere onder-
scheidene bekortingen, bijvoegselen en veranderingen plegen gebruikt
te worden, behoudens der zei ver geest. — De Synode heeft derhalve
geoordeeld, dat het bepalen van nieuwe formulieren, of van veran-
deringen in de oude, de leeraren zoude belemmeren en den geest aan
nieuwe banden leggen.
De Synode wenscht en vertrouwt, dat de bovenstaande besluiten
en aanwijzingen met liefde zullen ontvangen, met wijsheid ten uitvoer
gebracht en dienstbaar bevonden worden aan de stichting der kerk;
en bidt den gemeenten toe genade en vrede van God onzen Vader,
en van den Ileere Jezus Christus door den Heiligen Geest.
II.
BRIEF VAN OPWEKKING AAN I1E KERKEBADEN TOT EENE MEER WAARDIGE
VIERING VAN DEN GOEDEN VRIJDAG, UITGEVAARDIGD DEN
19 NOVEMBER 1853, DOOR DE ALGEMEENE
SYNODALE COMMISSIE.
Heeft de Gemeente des Heeren ten allen tijde in het kruis van
Christus haren troost en roem gehad, niet te verwonderen is het,
dat reeds in de vroegste eeuwen der kerk de eeuwig gedenkwaardige
dag van het laatste lijden en den dood onzes Verlossers in hooge eere
gehouden, en met den ernst van ootmoedige dankbaarheid en stille
vreugde plechtstatig gevierd werd.
Toen allengs de zucht voor een te zinneljjken eeredienst zich ook
openbaarde in de vermenigvuldiging van dagen, aan de vereering van
heilig geachte ontslapenen gewijd, werd de gedenkdag van\'s Heilands
dood daardoor jammerlijk in de schaduw gedrongen.
Toen, door den invloed der Hervorming, al wat naar bijgeloof
zweemde met krachtige hand uit de kerk verwijderd werd, deelde ook
de toenmaals wanstaltige viering van den „Goede Vrijdag" mede in
dat lot.
Maar nu werd ook, by gezuiverde Evangelieprediking, Christus en
die gekruisigd weder in zyne eere gebracht.
-ocr page 108-
80                              Reglement vooh de Kerkeraden\'.
Hieraan mag het worden toegeschreven, dat van lieverlede, ook in
onze Vaderlandsche Hervormde Kerk, de behoefte weer dieper gevoeld
en levendiger uitgesproken is, om den dag, zoo rijk in gezegende
herinneringen, den dag des doods van Hem, die ons leven is en het
leven der wereld, op waardige wn\'ze in de gemeente te vieren.
Mogen wij ons overtuigd houden, dat deze nog steeds vermeerde-
rende aandrang voortkomt uit verwakkerd geloof in Christus, den
Zoon van God, als onzen eenigen Verlosser en volkomen Zaligmaker,
zoo is het bijzonder verblijdend, dat der Synode van heinde en verre
berichten zyn toegekomen van de ijverige pogingen, tot verbetering
in dezen aangewend. En het is in naam en op last van de laatst
gehoudene Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk,
dat wij hare ingenomenheid hiermede ter uwer kennis brengen, met
hartelijke bede, dat bovenal de goedkeuring en de milde zegen van
den God en Vader onzes Heeren Jezus Christus er op rusten mogen.
Wel was genoemde kerkvergadering van oordeel, dat geene alge-
meene verordeningen, zoo als men hier en daar verlangen zou, door
haar moeten worden uitgevaardigd, naardien in vele gemeenten plaat-
selijke omstandigheden de naleving daarvan zouden kunnen verhin-
deren. Maar zij wilde toch niet nalaten, uwe aandacht bepaaldelijk
op deze belangrijke zaak te doen vestigen, met den wensch, dat mede
door uwe zorgen de Goede Vrijdag in de gemeenten der Nederlandsche
Hervormde Kerk meer en meer naar waarde gevierd worde. Mocht
daartoe op dien feestdag ook het H. Avondmaal tot \'s Heeren gedach-
tenis op betamelijke wijze kunnen gehouden worden, dit zoude de
stichting der gemeente, hare opbouwing in geloof en hoop en liefde
aanmerkelijk kunnen bevorderen.
De opwekking, om tot heiliging van dezen Christelijken gedenkdag
in uwe gemeente toe te brengen wat in uw vermogen is, zal, naar
wij vertrouwen, met belangstelling door u ontvangen worden. Bij
uwe vergadering moge in ernstige overweging komen wat naar
plaatselijke omstandigheden door u in dezen kan worden tot stand
gebracht.
Hoewel eene volstrekte gelijkvormigheid hierin bij vele gemeenten
meer wenschelijk dan voor alsnog waarschijnlijk, ja schier onmogelijk
is, alvast zij de ware belangstelling algemeener, de vertroosting over-
vloedig en de wandel in het geloof geheiligd, bij de jaarlijks ver-
nieuwde plechtige voorstelling van Hem, die, nadat Hü de reinig-
making onzer zielen door zichzelf te weeg gebracht heeft, is gezeten
aan de rechterhand der Majesteit in de hoogste hemelen. En zoo
worde ook hierdoor de zaligheid vermeerderd dergenen, die eens met
de verloste schare eere geven aan het Lam, dat geslacht is, en zich
aanbiddend buigen voor den Vader, die ook Zijnen eigen Zoon voor
ons niet spaarde.
üe God nu des vredes, die den grooten Herder der schapen, door
-ocr page 109-
Bijlagen.                                               81
het bloed des eeuwigen Testaments, uit de dooden heeft wedergebracht.
namelijk onzen Heer Jezus Christus, die volmake u in alle goed werk,
opdat gij Zijnen wil moogt doen, werkende in u hetgeen voor Hein
welbehagelb\'k is door Jezus Christus, wien zn\' de heerlijkheid in
alle eeuwigheid!
in.
SYNODALE BRIEF VAN OPWEKKING VAN 22 JULI 1853, OM JAARLIJKS
DEN GEDENKDAG DER HERVORMING OPENBAAR GODSDIENSTIG
IN DE GEMEENTE TE VIEREN.
Gezegend is en blijft gewis nog altijd bij u de dag van den 31
October, de algemeen erkende gedenkdag der Kerkhervorming. Het
was de dag, dien God voor onze vaderen deed .aanbreken om ons te
bevrijden van dwaling, bijgeloof en gewetensdwang, en te brengen
tot die heerlijke vrijheid der kinderen Gods, door Christus zijnen
Zoon, ten koste van zijn bloed, verworven; de dag waarop ons weder
de vrn\'e toegang werd geopend tot den Bijbel, die rijke bron van
waarheid, troost en eeuwig leven, en al die zegeningen ons zijn
aangebracht, waarin wij ons met betrekking tot ónze hoogste en
dierbaarste belangen boven onze Roomschgezinde landgenooten ver-
heugen mogen.
Zoo eenige dag, is en blijft dus ook deze steeds waardig in dankbaar
aandenken bewaard te worden. Dat was het dan ook, wat de Synode
reeds in 1819 bewoog eene aanschrijving aan de Kerkeraden te doen
uitgaan, „om van tijd tot tijd in het openbaar de geschiedenis en de
zegeningen der Hervorming in gedachtenis te houden, en vooral op
den tijd, als de dag van den 31 October op een Zondag invalt, die
gelegenheid te gebruiken om, immers door gebeden en dankzeggingen,
deze gebeurtenis Godverheerlijkend te gedenken."
Het is der Synode van 1853 nogtans bekend, dat deze dag in de
Hervormde Kerk niet zoo algemeen en zoo openbaar godsdienstig
gevierd wordt, als liet gewicht van dien dag, met de herinneringen
daaraan verbonden, verdient, en het is in het bewustzijn daarvan,
dat zij het van haren plicht heeft geoordeeld, daartoe bovendien door
vele achtenswaardige leden der gemeente en kerkelijke vergaderingen
aangezocht, U met vernieuwden aandrang uit te noodigen: om dit
jaar en voortaan jaarlijks op den 31 October, den erkenden gedenkdag
der kerkhervorming, wanneer die op een Zondag invalt, en anders
0]i den eersten Zondag in November, openbaar godsdienstig in de
gemeente te vieren.
Wij vertrouwen, Broeders! dat gij daartoe onze opwekking wel niet
bijzonder zult behoeven. Te dierbaar toch zu\'n U de zegeningen der
Kerkelijk Wetboek, 2e druk.                                                                                6
-ocr page 110-
82                  ,          Reglement voor dk Kerkeraden.
Kerkhervorming, dan dat U de dag van den 31 October niet altijd
hoogst gedenkwaardig zou blijven en gy met ons niet zoudt willen
medewerken, dat door eene godsdienstige herinnering dezer gebeur-
tenis, hare weldaden meer algemeen gekend en gewaardeerd worden.
Gij weet, — veler hart is er nog vol van — wat er in deze laatste
dagen met betrekking tot dat Home, aan welks juk wü ons ont-
worsteld hebben, gebeurd is; terwijl gij zijn onveranderln\'ken toeleg
kent, om ons van het goed, voor hetwelk onze vaderen een tachtig-
jarigen strijd doorgestaan hebben, onze godsdienstvrijheid, teberooven
en ons en onze kinderen weder aan zijne heerschappij te onderwerpen.
Als hoogst weldadig willen wij ook daarom een plechtig herdenken
onzer Kerkhervorming beschouwd hebben. Zóó toch zal deze heugelijke
gebeurtenis in gezegend aandenken bewaard blijven, zoo bij ons als
bij onze kinderen; een Protestantsche geest in onze gemeenten, zoo
krachtig nog onlangs geopenbaard, wakker worden gehouden; eene
voegzame gelegenheid voor den leeraar zijn geopend, om onze gods-
dienstige voorrechten boven onze Roomschgezinde landgenooten meer
bepaaldelijk in het licht te stellen en te doen waardeeren, zwakken
te wapenen tegen de verleidingen van Rome\'s proselytenmakers, de
kleinrnoedigen met vertrouwen te vervullen, twistenden te verzoenen,
en allen in de gemeente van Christus, die met ons niet van Rome
zijn, in geloof, hoop en liefde te vereenigen, en, terwijl wü niet
vergeten van wien alle goede gaven komen, de harten te stemmen
tot dankbare blijdschap in den God onzes heils.
Broeders! wilt dan ons behulpzaam zijn in hetgeen wy met deze
beoogen: bevordering van eene meer plechtige en godsdienstige her-
denking der Kerkhervorming telken jare in het midden uwer gemeente.
God gebiede daartoe zijnen zegen en doe het alles strekken tot ver-
heerlijking van zijnen Naam en dien van Jezus Christus zijnen Zoon,
in wien ons leven en het leven is der wereld.
IV.
SYNODALE CIRCULAIRE VAN DEN 22 JULI 1816, TER AANBEVELING VAN DE
KERKELIJKE INZEGENING DES HUWELIJKS.
Het geluk der maatschappij heeft een zijner grootste waarborgen
in de onschendbaarheid van het huwelijk, en niets beteugelt zoozeer
al wat in den verdorven aard des menschdoms de strekking heeftom
dien heiligen band te schenden, als de vrees voor den hoogen en
heiligen God.
Het is daarom met zeer wijs overleg, dat de burgerlijke wet, wan-
neer zy, ettelijke jaren geleden, het eigenlijk contracteeren van het
huwelnksverdrag als haar recht voor zich opeischte, eene daarbij
-ocr page 111-
Bijlagen.                                              83
komende godsdienstige bevestiging van hetzelve der kerke heeft over-
geliiten; en waar zou eene plechtige aanroeping van Gods naam
betamelijker, en in alles voegelijker kunnen zijn, dan bij het sluiten
eener verbindtenis, welke door God zelven is ingesteld, door onzen
Heer geheiligd en geëerd is, voor den geheelen loop van het leven
onherroepelijk aangegaan wordt, en boven alles, wat wy op de wereld
ondernemen kunnen, den zegen der Voorzienigheid behoeft?
Den vriend van vaderland en godsdienst, dit overwegende, smart
liet, de kerkelijke huwelijksinzegening door sommigen gesmaad en
veracht te zien, door velen, het zy uit ligtzinnigheid, het zy uit
misverstand voorbijgegaan, en hy wenscht vurig, dat het misbruik,
bij kenbaar aanwassende ongodsdienstigheid dreigende toe te nemen,
ernstig gestuit en verbeterd worde. — De Synode van vele zyden
de gemelde klachte vernemende, en zelve over het gemelde kwaad
bedroefd en ontrust, heeft gemeend onder de gewichtige voorwerpen
van hare zorgen, ook aan deze zorge eene plaats te moeten geven;
en het is aan haar gepast voorgekomen, eerstelijk aan Zijne Majesteit
onzen geliefden Koning, door den heer Commissaris-Generaal voor
den Eeredienst in de Hervormde Kerk eenige verzoeken desaangaande
eerbiediglijk te doen; maar vooral om, mede in overleg met zijne
Excellentie den Commissaris-Generaal, ulieden te vermanen en te
verzoeken, gelijk wij bij deze op het ernstigst ü vermanen en op
het dringendst verzoeken, dat gy, gedachtig, hoe zeer den Staat
gelegen zij aan de trouw van het huwelijk, hoe zeer die trouw in
onzen lichtzinnigen tijd, en bij zoo veel hetwelk van vreemde zeden
onder ons nog overig is, de steunsels van den godsdienst noodig heeft,
hoe zeer in het geheel bij de allergewichtigste onderneming het gebed
om den zegen des Allerhoogsten voegende is, de godsdienstige be-
krachtiging van het huwelijk niet verwaarloost, integendeel die, beide
door uw voorbeeld en ernstigen raad, waar zy gebruikelijk is, in
stand houdt, en, waar zij verachtert, zoo veel in u is, terug brengt
en herstelt.
In het bijzonder noodigen wy de leeraars der onderscheidene ge-
meenten, onze geliefde broeders en mede-arbeiders in het Evangelie *
uit om tot het voorschreven doel, bij gepaste gelegenheden, met name
by de aanneming van lidmaten, beide de ouders en jongelieden, de
noodige herinneringen en opwekking te geven, en zulks, naar dat
het in de onderscheidene gemeenten mocht te pas komen, met byge-
voegden lof over hare nauwgezetheid in deze, of met berisping van
haar verzuim. — Mogen wy in het vertrouwen, dat onze medeleeraars
in ons geenerlei doel van berisping zullen vermoeden, welke aan
meesters, niet aan broeders passen zou, de ernstige opwekking hier
nog byvoegen, om overal, by de meest gewone zoowel als bijzondere
gelegenheden de kerkelijke huwelijksinzegening langs zoo meer statelijk
en doelmatig te verrichten, zoodat de heilzame instelling, die wy by
6*
-ocr page 112-
84                            Reglement v>oe oe Kerkeraden.
dezen voorstaan, ook door de uitvoering zelve aangeprezen en be-
vorderd worde.
De Synode eindigt dit woord, hetwelk zn\' geoordeeld heeft te moeten
richten tot de gemeenten onder hare herderluke zorg, met de harte-
lijkste aanbeveling derzelve aan God en den woorde zijner genade,
die machtig is, waarheid, liefde, reinheid en al wat goed is, onder
haar op te bouwen en te bevestigen. Hem en zijnen grooten
Zoon, onzen Goddelijken Verlosser, zij eer en heerlijkheid in alle
eeuwigheid!
V.
HIT HET WETBOEK VAN STRAFRECHT.
Art. 145. H\\j die door geweld of bedreiging niet geweld, hetzij
eene geoorloofde Openbare Godsdienstige bijeenkomst, hetzij eene
geoorloofde Kerkelijke plechtigheid of begrafenisplechtigheid verhindert,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.
Art. 146. Hij die opzettelijk door het verwekken van wanorde of
het maken van gedruisch hetzij eene geoorloofde openbare godsdien-
stige bijeenkomst, hetzij eene geoorloofde Kerkelijke plechtigheid of
begrafenisplechtigheid stoort, wordt gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderdtwintig
gulden.
Art. 147. Met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of
geldboete van ten hoogste honderdtwintig gulden wordt gestraft:
1°. hij die een bedienaar van den godsdienst in de geoorloofde
waarneming zy\'ner bediening bespot.
2°. hij die voorwerpen aan eenen eeredienst gewijd, waar en
wanneer de uitoefening van dien dienst geoorloofd is, beschimpt.
Art. 449. De bedienaar van den godsdienst, die, vóór dat partijen
hem hebben doen blijken dat haar huwelijk ten overstaan van den
ambtenaar van den burgerlijken stand is voltrokken, eenige gods-
di^nstige plechtigheid daartoe betrekkelijk, verricht, wordt gestraft
met geldboete van ten hoogste drie honderd gulden.
Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren
zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige
wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan, in plaats
van de geldboete, hechtenis van ten hoogste twee maanden worden
opgelegd.
-ocr page 113-
Bijlagen.
85
VI.
SCHRIJVEN VAN DE ALG. SYNODALE COMMISSIE, VAN 31 JANUARI 1888,
AAN DE PROVINCIALE KERKBESTUREN EN DE CLASSIKALE
ISESTUREN OVER ART. 1, AL. 4 VAN HET
REGL. VOOR DE KERKERADEN.
Het is ons voorgekomen, dat onderscheidene Classikale Besturen,
die geroepen worden, naar Art. 1 van het Synodaal Reglement voor
iie Kerkeraden, om te doen wat des Kerkeraads is, niet altvjd han-
delen overeenkomstig den duideln\'ken zin van bedoeld Artikel, bepaal-
delijk van al. 4.
Sommige Classikale Besturen toch vatten de beteekenis van bedoelde
al. in dezen zin op, dat hun de bevoegdheid is verleend:
1°. om zich door eene Commissie te doen vertegenwoordigen, uit
zoovele leden bestaande, als er opengevallen plaatsen in den Kerkeraad
zijn, om dan met de overgebleven kerkeraadsleden te doen wat des
Kerkeraads is;
en 2°. om door middel van eene Commissie met den Consulent of
tien Predikant en de overgebleven kerkeraadsleden benoemingen te
doen van ouderlingen en diakenen.
Deze opvatting is zoowel in het een als in het ander opzicht in
strijd met de beteekenis van Art. 1 in het algemeen en met alinea 4
daarvan in het bijzonder.
Ontstaan de gevallen, waarin het Classikaal Bestuur wordt geroepen
handelend op te treden, dan, schrijft Art. 1 voor, doet, niet eene
Commissie uit het Classikaal Bestuur,
maar het Classikaal Bestuur,
tl. i. het College in zijn geheel met den Consulent of den Predikant
en de overgebleven leden wat des Kerkeraads is.
Hieruit volgt, dat alle handelingen, verricht door eene Commissie,
met terzn\'dezetting van de medewerking der overige leden des Clas-
sikalen Bestuurs, in strüd zijn met den duidelijken inhoud van dit
artikel.
Slechts ééne uitzondering wordt hierop toegelaten in alinea 4 „voor
de afdoening van zaken
, die het beheer der diaconie betreffen of spoed
vorderen",
waarbij aan het Classikaul Bestuur de bevoegdheid is toe-
gekend zich door eene Commissie van twee of drie zijner leden te
laten vertegenwoordigen.
Het zal wel aan geen twijfel onderhevig zjjn, dat het ongeoorloofd
is, alle zaken als „spoedvorderende" te beschouwen en alleen aan eene
Commissie van 2 of 3 leden de behandeling op te dragen van zaken,
waartoe het Classikaal Bestuur in zyn geheel geroepen of verplicht is.
Dit geldt met name van het doen van benoemingen van ouderlingen
-ocr page 114-
80                                        JÏKGLKMENT VOOIl l)K KkHKKBAHKN.
eu diakenen, omdat Art. 9 van liet Algemeen Reglement voorsehryft,
dat «geen kerkeln\'k bestuur eenig besluit neemt, dan bg tegenwoor-
digheid van minstens twee derden der leden, waaruit het bestaan moet",
en het Classikaal Bestuur, doende wat des Kerkeraads is, bestaan
moet uit alle zijne leden met den Consulent of den Predikant en de
overgebleven ouderlingen en diakenen.
Voor het nemen van besluiten in gevallen, niet bfj Art. 1 al. 4
bedoeld, moeten derhalve alle leden des Classikalen Bestuurs in
eene wettige vergadering worden opgeroepen.
Wij noodigen U uit, overeenkomstig het voorschrift naar Art. 73
van het Algemeen Reglement, in overeenstemming met deze aan-
schrijving voortaan Art. 1 van het Synodaal Reglement voor de
Kerkeraden toe te passen.
NB. De Synodale circulaire van 28 Aug. 1854, tot aanbeveling
van de toga als ambtsgewaad der predikanten, is, als y.ünde thans
niet meer van dat actueel belang als vroeger, hier door ons weg-
gelaten.
-ocr page 115-
REGLEMENT
VOOR DB
Dl ACONIËN DER NEDERLAN DSCH E HERVORMDE KERK.
Art. 1. In elke gemeente der Nederlandsche Hervormde Kerk
bestaat eene diaconie of kerkelijke instelling ter verzorging der armen.
Art. 2. Diaconiën zijn instellingen van weldadigheid van zuiver
kerkdijken aard1), onder kerkelijk bestuur en toezicht, en bestemd
om den armen der gemeente met hulp en ondersteuning te gemoet
te komen.
1) Van zuiper kerkdijken aard, enz. Onder de werking van de Staatswet
van den 28 Xov. 1818 op het armwezen was de zelfstandigheid der diaconiën
grootendeels verloren gegaan, zoodat zij op vele plaatsen slechts de uitvoerde-
ressen van den wil der gemeentebesturen waren geworden, tot schade voor de
ontwikkeling der ware christelijke liefdadigheid. Door verschillende koninklijke
besluiten en door provinciale en gemeentelijke verordeningen was de genoemde
wet op de diaconiën toegepast, zoodat deze haar karakter als kerkelijke instel-
lingen van weldadigheid grootendeeb, dikwijls geheel, hadden verloren. Waar
de diakenen rekenplichtig gemaakt waren aan het burgerlijk bestuur, stibsidiën
van deze ontvangende, onder voorwaarde van alle armen te bedeelen, wier
domicilie van onderstand viel binnen het territoir der kerkelijke gemeente, of
welke hun door het burgerlijk bestuur ter bedeeling werden opgedragen, daar
moest wel de armenverzorging ophouden een uitvloeisel te zijn van de kerkelijke
liefdadigheid. Bovendien had art. 31 van het Regl. voor de Kerkeraden (goedgek.
bij Kon. besluit van den 16 Nov. 1825, no. 177), luidende: „De bepalingen in
dit regl. voorkomende, omtrent der diakenen beheer en verantwoording, worden
verstaan, behoudens de reeds bestaande algemeene of plaatselijke verordeningen
en die, welke in het vervolg van gouvernements-wege zullen worden daargosteld",
in strijd met de gezonde beginselen van kerkelijke armen-verzorging, do diaconiën
geheel aan gouvernements-bepalingen onderworpen. De behoefte aan eene ker-
kelijke regeling der diaconiezaak en het vaststellen van kerkelijke beginselen
der armen-verzorging werd allengs levendiger gevoeld; en na vele vruchtelooze
pogingen, van het jaar 1834 af in \'t werk gesteld (verg. c. hooijer, Kerkelijke
wetten coor de Hervormden in het Kon. der Ned.,
Zaltb. 1846, bl. 116), werd
in 1844 een Algemeen Reglemont op de diaconie-administratiën bij de Ned. Herv.
Kerk door de Synode aangenomen, dat, voor zoover destijds mogelijk was, van
-ocr page 116-
Reglement vooe uk Diaconiën.
SS
zuiver kerkelijke beginselen uitgaande (Verg. de hoog»t belangrijke en nu nog
lezenswaardige Memorie van Toelichting in de Handd. der Syn. 1844, bl.
151 —174), reeds toen eene betere orde van zaken had kunnen doen ontstaan,
indien het de destijds noodzakelijke koninklijke sanctie had mogen verwerven.
Het thans vigeerende Regl. op de Diaconiën, vervaardigd in den geest van dat
van 1844, maar met nog meer consequente toepassing van het beijinsel der
kerkelijke zelfstandigheid, is, als uitvloeisel van het Alg Begl. voor de Xed.
Herv. Kerk van 1852, in werking gekomen in 1857. Verg., wat de beginselen
betreft, die bij dit regl. ten grondslag gelegd zijn, de Handd. der Syu. van
185t>, bl. H)4, 195; bij bru.va, De regll. "ii besluiten, enz. 7euitg., bl. 139, 140;
en Bijl. I bij dit reglement.
Art. 3. De kerkelijke verzorging van armen wordt uitgeoefend
door diakenen, onder medewerking en goedkeuring van den Kerke-
raad \') en onder toezicht van het Classikaal Bestuur.
1) Medewerking en goedkeuring van den Kerkeraad. Op eene des betredende
vraag van het Classikaal Bestuur van Hoorn is geantwoord: „dat hier ongc-
twijfeld de alyemeene kerkeraad is bedoeld; dat de medewerking, uit kracht van
art. 20 Alg. Regl., tot de algemeene kerkeraden behoort, zooals zjj in gemeenten
met één of twee predikanten bestaan, en de goedkeuring bepaaldelijk is toe-
gekend aan de kerkeraden van gemeenten met drie of meer predikanten, welke
goedkeuring in art. 27 van het regl. voor de diaconiën in de duidelijkste bewoor-
dingen wordt vermeld als de zaak te zijn van den algemeenen kerkeraad; dat
wijders de ontwikkelde voorstelling der werkzaamheden van den algemeenen
kerkeraad in het regl. voor de kerkeraden, art. 16 sub 2°, klaarblijkelijk aan-
duidt, dat de kerkelijke wetgever heeft gewild, dat alle diaconale handelingen,
zoovele zij in de gemeenten met drie of meer predikanten van de bevoegdheid
des kerkoraads zijn, tot den werkkring van den algemeenen kerkeraad zouden
worden gebracht; zjjnde aan den bijzonderen kerkeraad bij art. 14 sub 11°, op
grond van meergenoemd art. 20 Alg. Regl., alleen het toezicht op het diaconie-
beheer opgedragen. 1858, bl. 20, Bijl. B, bl. 42.
Art. 4. De zorg der diakenen voor de stoffelijke belangen der
armen wordt, zooveel maar immer mogelh\'k, dienstbaar gemaakt aan
de bevordering van hunnen geestelijken welstand.
Art. 5. Ten aanzien van het getal der diakenen, hunne ver-
eischten, hunne benoeming, hunne verhouding tot den Kerkeraad
en het Classikaal Bestuur, en wat den duur hunner bediening betreft,
wordt gehandeld overeenkomstig de bepalingen van het Algemeen
Reglement en de bijzondere reglementen.
Art. 6. Elke diaconie zorgt voor de armen, die in het kerkelijk
ressort van hare gemeente wonen \'). Aan armen, die elders wonen,
of die zich tijdelijk in eene gemeente ophouden, wordt niet dan in
den uitersten nood door diakenen ondersteuning verleend.
1) Die in het kerkelijk ressort run hare gemeente tronen. Deze bepaling heeft
in den eersten tijd na de invoering van het regl. velerlei moeielijkheden veroor-
zaakt, nl. zoolang nog in de burgerlijke wet op het armwezen de geboorteplaats
was aangenomen als wettig domicilie van onderstand, en er dus iu dit opzicht
-ocr page 117-
S9
Art. 2-9.
strijd was met het beginsel der kerk. Voor de instelling der diaconiën voegt
geene andere bepaling, dan die in dit art. is vervat. Verg. 1861, Bijl. B, bl. 104,
128, 129. Door de wijzigingen, die de wet op het armbestuur d. 1 Juni 1870
heeft ondergaan, waarbij het domicilie van onderstand vervallen en bepaald is,
dat het burgerlijk armbestuur in de gemeente, icaar zich de arme bevindt, op
de aanvrage om onderstand moet beslissen, zonder recht op restitutie, is aan
deze moeielijkheden een einde gekomen. Zie Bijl. II bij dit regl. Overigens
behelzen artt. 6—11, alsmede 14 en 15 van dit reglement de rechtstreeksche
toepassing van het hoofdbeginsel, waarvan bij het ontwerpen van dit regl. is
uitgegaan, de onafhankelijkheid en zelfstandigheid der diaconiën.
Art. 7. Diakenen zorgen allereerst en bij voorkeur voor de arme
lidmaten der gemeente en hunne kinderen \'), doch zullen hunne zorg
ook uitstrekken tot armen, die geen lidmaten zijn, indien en in zoover
hunne middelen daartoe strekken.
1) En hunne kinderen. Wanneer Hervormde diaconiën zich zoozeer uitsluitend
verplicht achten om slechts de lidmaten der gemeente te ondersteunen, dat zij
zich aan de verzorging van weezen en verlaten kinderen van lidmaten onttrekken,
dan handelen zij in strijd met de letter en den geest der kerkelijke verordeningen.
Naar art. 7 en 12 van dit regl. mogen diakenen, waar zij christelijke liefdadig-
heid oefenen, allerminst die weezen en verlatene kinderen aan hun eigen lot
overlaten. 1859, Bijl. B, bl. 43, 44. Verg. Bijl. I bij dit reglement.
Art. 8. G-een arme heeft recht op bedeeling; de kerkelyke ver-
zorging van armen is vrije en ongedwongene liefdadigheid \').
1) Het beginsel van zelfstandigheid der kerkelijke armenbedeeling is ten volle
erkend in eene Koninklijke beslissing, door ons medegedeeld in Bijl. III bij dit
reglement. Verg. ook de aant op art. 16.
Art. 9. Diakenen richten hunne bedeeling in naar de stoffelijke
behoeften en den zedelijken toestand der armen, in verband met de
middelen1), waarover zij kunnen beschikken. In geen geval zijn zij
gehouden meer personen te ondersteunen, of meer ondersteuning te
verstrekken, dan hunne middelen gedoogen.
1) In verband met de middelen, enz. Wanneer diaconiebesturen de bepalingen
van het reglement, inzonderheid die in artt. 6—9 vervat zijn, zóó uitleggen,
alsof\' de vrijheid, die hun tegenover den staat en de hulpbehoeftige gemeente-
leden ten aanzien van de armen-verzorging is toegestaan, grond tot eigendun-
kelijke handelingen zou kunnen geven, zoodat zij lichtvaardig afwjjzen, die hunne
zorgen vereischen, dan miskennen zij het beginsel der ware christelijke liefda-
digheid, die werkelijk volgens het gestelde in deze artt. alle armen der gemeente
wil omvatten. 1861, Bijl. B, bl. 106. Verg. het slot van art. 13. Ook eene be-
paling, zooals in der tijd in het huishoudelijk regl. der diaconie te Amsterdam
voorkwam, „dat zij alleen in de termen van do bedeeling vallen, die 40 jaren
en daarboven oud zijn, gedurende de laatste vijfjaren in de gemeente gewoond
hebben en daar gedurende dien tijd als lidmaten bekend zijn", is door de Synodale
Commissie on de Synode geoordeeld niet overeen te komen met liet diaeonie-regle-
ment, dat in art. 9 geene zoodanige uitzonderingen toelaat en van het beginsel,
in art. 6 nedergelegd, geeno andere beperking gedoogt, dan die, welkein art. 10
duidelijk is omschreven." Na langdurige bemoeingen te dezer zaken en corres-
-ocr page 118-
90                                 Rkoi-kment voor uk Diaconikn.
pondentien tusschen de kerkelijke besturen en den Amsterdamschen kerkeraad,
is eindelijk dit collegie er in geslaagd, de armen-verzorging in zijne gemeente
in overeenstemming te brengen met het regl. op de diaconiën; eene uitkomst te
hooger te waardeeren, omdat aan de armen-verzorging te Amsterdam, wegens
de grootte der gemeente, eigenaardige moeielijkheden zijn verbonden, die elders
niet of althans niet in die mate ondervonden worden. Men vindt het een on ander
in de Handd. der Syn. 1863, Bijl. 13, bl. 40—43; 1864, bl. 304, 305, Bijl. B,
bl. 65—67; 1865, bl. 148—150, Bijl. B, bl. 71, 72; 1866, bl. 34, 35; 1867,
bl. 20, 21, Bijl. B, bl. 61; 1868, Bijl. B, bl. 47; 1869, Bijl. B, bl. 86; 1870,
Bijl. B, bl. 214.
Art. 10. Brj armen, die van elders komen inwonen, geven dia-
kenen bijzonder acht op de redenen, die hen tot verandering van
woonplaats hebben genoopt, en bepalen hiernaar het bedrag hunner
bedeeling.
Akt. 11. Allereerst zien diakenen toe, dat zij door hunne onder-
steuning geen luiheid of onmatigheid, noch eenige zedeloosheid
bevorderen. Zij trachten het gebruik van sterken drank b\\j hunne
bedeelden tegen te gaan, en verleenen hun, die zich aan misbruik
daarvan schuldig maken, in geen geval eenige geldelijke ondersteuning.
Art. 12. Diakenen zorgen, zooveel zy kunnen, voor de verstan-
delijke, zedelijke en godsdienstige belangen van de bedeelden en hunne
kinderen; zij dienen hen met raad, hulp en vertroosting: zn\' zoeken
hun arbeid te verschaffen en bevorderen werkzaamheid onder hen;
zij zorgen voor het bijwonen der openbare godsdienstoefeningen by
de bedeelden, voor het gebruik maken van de catechisatie, vooral ook
voor het schoolgaan der kinderen.
Art. 13. Om in den nood der armen te voorzien, zamelen diakenen
de liefdegaven der gemeente in, beheeren de inkomsten der diaconie,
en zorgen voor hare bezittingen en eigendommen, ook, zooveel de
gebouwde eigendommen aangaat, door verzekering tegen brandschade.
Zij doen wat in hun vermogen is, om hunne middelen uit te breiden,
vooral door beroep op de liefdadigheid der gemeente, en zoeken
alzoo aan de .kerkelijke verzorging der armen den ruimsten omvang
te geven.
Art. 14. Kerkelijke gemeenten nemen geen subsidie *) aan van het
burgerlijk bestuur, en sluiten met dat bestuur geene zoodanige over-
eenkomsten, als waardoor diakenen op eenigerlei wy\'ze zouden beperkt
worden in de vryheid en onafhankelijkheid hunner handelingen en
in de naleving der kerkelijke wet.
1) Geen subsidie, enz. „Het subsidie-stelsel is verderfelijk en moet daarom
in ééns, of waar de omstandigheden dit in het belang der armen niet toelaten,
zoodra mogelijk worden afgeschaft." Beginselen, welke bij dit regl. ten grondslag
zijn gelegd: 1856, bl. 194, 195.
-ocr page 119-
Abt. O- 17.                                            0]
Abt. 15. Diaconiën, die, tijdens de invoering van dit reglement,
gesubsidieerd zn\'n, of met burgerlijke besturen overeenkomsten hebben
aangegaan of vereenigd zijn, keeren op éénmaal of van lieverlede tot
den normalen toestand \') eener diaconie terug.
Tot het voorloopig voortduren2) van den abnormalen staat eener
diaconie kan door de Algemeene Synodale Commissie 8), op aanvrage
en om gewichtige redenen, vergunning worden verleend.
1)     Normale toestand. Do toestand der diaconiën is normaal of abnormaal,
naarmate zij al of niet door subsidie of overeenkomsten met burgerlijke besturen
in hare vrijheid en zelfstandigheid belemmerd worden. Verg1, art. 14. Men behoort
onderscheid te maken tusschen abnormalen toestand en illegale handelingen,
hoedanige ook kunnen plaats hebben, waar overigens de toestand normaal is;
b.v. wanneer eene diaconie handelt in strijd met art. 6, of de behoeftige weezen
van lidmaten pleegt af te wijzen, of, hoewel overvloedige middelen bezittende,
hare armenverzorging willekeurig beperkt. 1861, bl. 121.
2)     Tot het voorloopig voortduren, enz. Deze bepaling moest, bij de invoering
van het regl., slechts als een middel van overgang gelden (1861 , Bijl. B,bl. 119).
Maar nimmer zou, op grond van deze bepaling, aan diaconiën, die met hunne
administratie in normalen toestand gebracht zijn, vergunning kunnen gegeven
worden, om, al ware \'t ook maar voor korten tijd, weer abnormaal te worden;
to minder, daar art. 12 van het Alg. Regl. nog inhoudt, dat dispensatiën alleen
gegeven worden van de bepalingen, welke daarvoor uitdrukkelijk bij de regle-
menten zijn aangewezen. 1862, bl. 204, Jiijl. B, bl. 235.
3)     De Alg. Syn. Commissie. De woorden, die hieraan vooraf gingen: de
Synode of\',
zijn weggenomen d. 1 Maart 1868 met de overbrenging der diaconalia
naar de Syn. Commissie. Zie Alg. Regl , art. 70, 6°, met de aant.
Abt. 16. Diakenen zijn gehouden, aan het burgerlijk bestuur de
inlichtingen \') te geven, die bij de algemeene armenwet van 28 Juni
1854 (Staatsblad, no. 100) gevorderd worden.
1) Inlichtingen. Zie artt. 7, 10 en 21 van de Wet tot regeling van het. arm-
bestuur,
in Bijl. II bij dit reglement. Het geven van deze inlichtingen doet niets
te kort aan de zelfstandigheid der diaconiën. Bij art. 7 sprak de Minister van
B. Z.: „De mededeeling der reglementen wordt bij art. 7 niet voorgeschreven.
Daarbij wordt alleen de mededeeling bevolen der bepalingen, welke de armen-
verzorging betreffen, en dit is noodig wegens den invloed, welken zjj uitoefenen
op de regeling van het burgerlijk armbestuur en op de ondersteuning, door dat
bestuur te verleenen." Redev. van 16 Mei 1854, Bijl. bl. 860. En bij art. 21
legde de Minister o. a. de verklaring af, dat „de vraag, in dit geval aan de
kerkelijke instelling te richten, alleen kan zijn, of de arme van haar al dan
niet ondersteuning kan erlangen, zonder dat men zich, in geval van ontkenning
heeft in te laten met de redenen, die daartoe hebben geleid. Het antwoord van
het kerkelijk bestuur behoeft alleen te zijn „ja of neen." Redev., 18 Mei 1854,
Bijl. bl. 892." Verg. de ook bj art. 8 aangehaalde Koninklijke beslissing,
Bijlage III.
Abt. 17. Diakenen bewaren alle charters, titels, papieren van
geldswaarde en bewijzen van eigendom der diaconie; zij zijn aan-
sprakelyk, ieder zooveel hem aangaat, voor elk nadeel en verlies»
-ocr page 120-
92                             Reglement voob uk Diaconien.
daaraan geleden, uit achteloosheid, verzuim of kwade trouw voort-
spruitende.
Art. 18. Van alle bezittingen der diaconie wordt door diakenen
een behoorlijk register of ligger aangelegd, geregeld bijgehouden en
door den Kerkeraad gewaarmerkt. De ligger zelf berust by den
ivdministreerenden diaken: afschrift daarvan, eveneens gewaarmerkt,
wordt neergelegd in het archief van den Kerkeraad \') en een gelijk-
luidend gewaarmerkt afschrift aan het Classikaal Bestuur toegezonden.
1) De hier volgende woorden zjjn den 15 Jan. 1886 gekomen in de plaats
van de in 1S62 aan het art. toegevoegde al.: „Het Classikaal Bestuur is bevoegd
oen afschrift van den ligger te vragen." Verg. Regl. v. d. Kerker., art. 16, 3°
en de aant.
Art. 19. Het al of niet opmaken en vaststellen van eene jaar-
In\'ksche begrooting omtrent de ontvangsten en uitgaven voor het
volgende dienstjaar, wordt aan huishoudelijke bepalingen overgelaten.
Art. 20. Diakenen mogen geene levering aan de diaconie doen,
onderhands geen goed van haar huren of koopen, noch aan haar
verkoopen, geen bezoldigd werk voor haar verrichten, en geene
aanbesteding van haar aannemen.
Van deze bepaling kan, om dringende redenen, dispensatie worden
verleend door den Kerkeraad, met kennisgeving aan het Classikaal
Bestuur.
Art. 21. Diakenen beleggen de gelden, die zij voor hun beheer
niet noodig hebben, met toestemming des Kerkeraads \'). Z\\j leenen
geene gelden van de diaconie, noch gaan beleeningen met haar aan
zonder toestemming des Kerkeraads en goedkeuring van het Classikaal
Bestuur. Evenzoo wordt ook de goedkeuring van dit bestuur vereischt,
indien de geldbelegging plaats heeft op eene andere wijze, dan door
inschrijving op een der Grootboeken2) van de Nationale Schuld;
alsmede tot het verkoopen, verruilen, bezwaren of\' verpanden van
goederen der diaconie.
1)    Met toestemming des kerkeraads. Verg. Regl. voor de Kerkeraden, art.
16, 2 en de aant.
2)    Inschrijving op een der grootboeken, \'t Ligt in den aard der zaak, dat
ook voor de afschrijving van kapitalen der diaconie op het grootboek de mede-
werking van den ganschen kerkeraad en goedkeuring van het Class. Best. worden
vereischt. Verg. 1870, hl. 231, Bijl. B, bl. 228. Daar het is voorgekomen, dat
een Kerkeraad aan het Class. Best. toestemming verzocht, om de ten name der
diaconie zijner gemeente op het Grootboek ingeschreven kapitalen te mogen doen
nfschrjjven en in hypotheken te beleggen, blijkbaar met do bedoeling om de
vrije hand over die kapitalen te behouden bij verbreking van het verband dor
Synodale organisatie, heeft de Syn. Comm. bij Circulaire v. 13 Jan. 1887, de
Cl. Besturen uitgenoodigd, daarop bij voorkomende gelegenheid te willen letten
en hun in overweging gegeven dergelijke aanvragen niet toe te staan.
-ocr page 121-
Art. 15—24.                                            93
Art. 22. De Kerkeraad is bevoegd, diakenen te vergunnen, het
batig saldo der rekening tegen behoorlijke renten \') aan de plaatselijke
kerkekas ter leen te geven.
1) Tegen behoorlijke renten. Uit do diaconie-fondsen mag geen renteloos
voorschot verstrekt worden, b.v. ten behoeve van kerkbouw of andere gemeente-
belangen. Zie 1875, bl. 26, Bijl. A, bl. 27, 28.
Art. 23. Tot het voeren van rechtsgedingen de diaconie betref-
fende, hetzij eischende, hetzy verwerende, behoeft de Kerkeraad de
toestemming van het Glassikaal Bestuur.
De rechtsvordering der eischende party wordt ingesteld door de
Hervormde Gemeente \'), ten name van diakenen of van het Collegie
van diakenen.
1) Door de Herv. Gemeente. D. w. z. door den Kerkeraad, die de gemeente
vertegenwoordigt. Verg. Alg. Begl., art. 19, 4° en Regl. voor de Kerkeraden,
art. 1. Ook de eerste al. van ditzelfde art. 23 spreekt van den Kerkeraad, als
behoevende de toestemming van het Class. Best. tot het voeren van rechtsge-
dingen, de diaconie betreffende. De diaconie kan wel, als persona moralis be-
schouwd, zelfstandig ageeren, doch nimmer als vertegenwoordigende de gemeente,
want zij is maar een onderdeel van het vertegenwoordigend collegie. De actie
wordt door den kerkeraad, als vertegenwoordigende de Herv. gemeente, ingesteld
ten name, d. i. voor de diaconie, evenals b.v. een voogd een eisch instelt ten
name
van zijn pupil. In eene rechtsvordering van de diaconie te Haaksbergen
tegen de B. C. gemeente aldaar, ingesteld ten name van de Hervormde gemeente
te Haaksbergen, vertegenwoordigd door het collegie van diakenen, is dan ook
terecht door de rechtbank van Almelo aan de laatsten de eisch ontzegd, op
grond van non-qualificatie. Zie 1862, Bijl. B, bl. 208—212.
Art. 24. Legaten \') van honderd gulden en daarboven, aan de
diaconie vermaakt, mogen niet worden verbruikt, maar moeten
worden belegd of tot aflossing van schuld worden gebezigd, tenzij
de erfmaker iets anders hebbe voorgeschreven.
Dispensatie van deze bepaling zal niet dan in dringende onistan-
digheden worden verleend door het Classikaal Bestuur.
1) Legaten. Over de te vragen machtiging tot het aanvaarden van donatiën
voor godsdienstige gestichten en armen-inrichtingen verg. Burg. Wetb. art. 947
en 1717, waarop betrekkelijk zijn: het Kon. Besl. van 29 Oct. 1870, sub 1°
(opgenomeu onder de Bijlagen), de besluiten van 27 Oct. 1825, no. 103 en
30 Sept. 1828, no. 115, de missive van den Min. van B. Z. van 20 Jan 1841
(bjj HRUNA t. a. p. Afd. 2 § 10), alsmede het Kon. Besl. van 3 Nov. 1872
(Staatsblad no. 112), waarbij is „ingetrokken en buiten werking gesteld het
Kon. Besl. van 21 Oct. 1818, litt. F 3 en de nadere Kon. beslissing van 22
April 1839, no. 79, beide betreffende het verleenen van machtiging door Gede-
puteerde Staten der provincie tot het aanvaarden van donatiën of legaten, de
waardo van 300 franken niet te boven gaande, aan publieke gestichten gemaakt."
Adressen om machtiging tot aanvaarding van legaten of instellingen, aan de
armen besproken, moeten in gemeenten met minder dan drie predikanten worden
ingediend door de Kerkeraden; doch kunnen in gemeenten met drie of meer
predikanten rechtstreeks door de collegiën van diakenen ingediend worden
-ocr page 122-
94
Rl.OLEMKNT VOOK DE DlACONIÉN.
blijvende deze collegiën toch altoos verplicht om den kerkeraad te kennen in
alleH, wat ingrijpt in de financieele belangen hunner administratie. 1869, bl. 247,
248; Syn. Circ. aan de Kerker., in de Kerk. Cour. 1869, no. 33. Verg. Alg.
liegl. 1 artt. 19, 20; Regl. voor de Kerker., art. 2; en de aant. op art. 3 van
dit reglement.
Art. 25. Geene betaling mag door ilen boekhouder of ad min i-
streerenden diaken \') voor de diaconie worden gedaan, tenzij onder
doorloopende of bijzondere machtiging van diakenen. Bij verschil deofr«
&*r/**f de Kerkeraad -uitspraak.
1) (Art. 25 en 26). Boekhouder of administreerende diaken. Het aanstellen
van een afzonderlijken administrateur voor de diaconiegoederen, uit landerijen
enz. bestaande, waar plaatselijke behoeften zulks vorderen, is door do wet niet
uitgesloten. 1858, bl 26, Bijl. B, bl. 42.
Art. 26. De boekhouder of administreerende diaken is te allen
tijde verplicht aan diakenen, aan den Kerkeraad en aan het Olassikaal
Bestuur, wanneer dit om gewichtige redenen aanvrage daartoe doet,
opening te geven van den staat der kas, de boeken te vertoonen en
van de aanwezigheid der kasgelden te doen binken.
Art. 27. Diakenen doen jaarlijks, vóór den eersten April, rekening
en verantwoording van hunne administratie over het afgeloopen jaar
ten overstaan van den Kerkeraad en leggen daarbij over al de rente-
gevende effecten en bewijzen van eigendom der diaconie, om met
den ligger (art. 18) vergeleken te worden, liy de beraadslagingen
over de goedkeuring der rekening hebben diakenen geen concludee-
rende stem.
Deze rekening, door den Kerkeraad goedgekeurd, wordt voor de
gemeente ter inzage gelegd, en op dag en uur, vooraf bekend gemaakt,
in orde bevonden zijnde, ten overstaan van de gemeente gesloten.
Bezwaren omtrent de gehouden administratie worden by den
Kerkeraad ingebracht en behandeld, behoudens beroep op het Clas-
sikaal Bestuur. In de vergadering des Kerkeraads hebben diakenen,
by de behandeling dezer bezwaren, geen concludeerende stem.
Het Classikaal Bestuur is bevoegd, om gewichtige redenen, afschrift
der rekening te vragen.
Art. 28. Diakenen zijn verplicht zich aan de bepalingen, in dit
reglement vervat, te houden; de Kerkeraad zorgt voor hare hand-
having en uitvoering; het Olassikaal Bestuur houdt daarop een waak-
zaani oog en zorgvuldig toezicht; bij verschil in den Kerkeraad beslist
het Classikaal Bestuur, behoudens hooger beroep.
Akt. 29. Ter voorziening in plaatselijke behoeften kunnen door
den Algeineenen Kerkeraad bijzondere reglementen \') gemaakt worden,
overeenkomstig art. 25 van het Algemeen Reglement.
-ocr page 123-
Art. 24 - 30.                                                 9f>
1) Bijzondere reglementen. Alleen de bevoegdheid, geen verplichting, tot het
maken van bijzondere regll. is uitgesproken. Verplichting zou in strijd zijn met
art. 25 Alg. Regl en daar, waar plaatselijke behoeften het niet vorderen, een
door niets gerechtvaardigden last opleggen. 1864, bl. 127, 266, 267.
Abt. 30. Diaconiè\'n \'), wier inkomsten de uitgaven ver te boven
gaan, kunnen der kerkekas harer gemeenten uit de batige saldo\'s
ondersteuning verleenen.
Deze ondersteuning geschiedt niet, dan wanneer gebleken is, dat
daarvoor dringende noodzakelijkheid bestaat, en dat de voorschriften
van dit Reglement, met name art. 7, getrouw worden nageleefd, op
voordracht van het Classikaal Bestuur, en na goedkeuring van het
Provinciaal Kerkbestuur.
Deze goedkeuring verleent het Provinciaal Kerkbestuur telkens
slechts voor één jaar, en niet dan na inzage van den staat der
inkomsten en uitgaven der Diaconiè\'n voor de laatst verloopen vijt
jaren, en evenzoo van die der Kerkelijke Administratiën.
1) Art. 30 is als nieuw art. aan het liegt, toegevoegd en in werking gekomen
den 15 Jan. 1883.
Dit reglement, gearresteerd door de Algemeene Synode der Neder-
landsche Hervormde Kerk in hare zitting van den 8 Aug. 1856, is,
na uitvaardiging door de Algemeene Synodale Commissie, behoudens
de latere wijzigingen van artt. 15 en 18 en de toevoeging van art. 30,
in werking gekomen den 20 Mei 18f>7.
-ocr page 124-
00                                 Reglement voor de Diaconien.
BIJLAGES
BIJ HET REGLEMENT VOOR DE ÜTAOONIEN.
T.
AANSCHRIJVING OER ALGEMEENS SYNODALE COMMISSIE AAN ÜE KER-
KERADEN, VAN DEN 15 NOVEMBER 1858, TER ONTVOUWING
VAN DE BEGINSELEN VAN HET DIACONIE-REGLEMENT.
(Volgens opdracht der Synode van den 20 Juli 1858. Bijl. B, 18r>fl, bl. 2fi—29.)
Sedert de verhouding van de Kerk tot den Staat eene gansch andere
dan vroeger geworden is, en zulks, gelijk op andere belangen, vooral
op dat der armenverzorging, eenen overwegenden invloed moest uit-
oefenen, werd het meer en meer behoefte, om de kerkelijke armen-
verzorging te regelen. Na de invoering der Wet op het Burgerlijke
Armbestuur werd zoodanige regeling voor het belang der Kerk in
het algemeen en voor dat van de armen in het by zonder noodzakelijk
gevorderd. Hieraan is het tegenwoordige Synodaal reglement voor de
diaconien vooral zijn ontstaan verschuldigd. Daarin wordt als hoofd-
beginsel vooruitgezet, dat de armenverzorging der diaconie het werk
is van vrije Christelijke liefdadigheid, die, nevens het stoffelijke, een
godsdienstig zedelijk doel beoogt en mitsdien verklaart, dat de diaconien
zn\'n instellingen van weldadigheid, van zuiver kerkdijken aard, onder
kerkelyk bestuur en toezicht, on bestemd om de armen der gemeente
met hulp en ondersteuning te gemoet te komen. Het wil daartoe de
onafhankelijkheid en zelfstandigheid der gemeenten ten aanzien van
de diaconien tegenover den Staat erkend en gehandhaafd hebben,
maar ook evenzeer de vrijheid der diakenen in verhouding tot de
Kerk, wat het dagelijksch beheer der diaconiegoederen betreft, altoos
met bedachtzame wering van willekeur. Alle y.yne bepalingen hebben
voorts de strekking, om in iedere gemeente de oefening der haar
aanbevolene weldadigheid onbelemmerd te doen plaats grypen, opdat
zy niet voor het oogenblik alleen in den nood van hare armen zal
voorzien, maar werkelijk tot bevordering van hunnen welstand, beide
in stoffelijk en in geestelijk opzicht, moge dienen. Het is hierom, dat
het de zorg der diaconien tot de armen bepaalt, die in het kerkelijk
ressort van hare gemeente wonen.
En ofschoon het dan ook al verklaart,
dat de arme lidmaten en hunne kinderen allereerst en by\' voorkeur
-ocr page 125-
Bijlagen.
97
de voorwerpen van deze zorg zijn, immers omdat dezen tot hare
gemeenten in de nauwste en teederste betrekking staan en zij de
huisgenooten des geloofs zijn, wier welzijn der gemeente ter liefde
van haren Heer het meest ter harte moet gaan, het bedoelt geenszins,
dat de diaconiën hare armenverzorging tot den kring van hare lid-
maten en hunne kinderen zullen beperken; het wil ook bevorderen,
dat zy, die geene lidmaten zy n, die, hetzij ze door den doop in hare
gemeenschap zijn ingelijfd, hetzij ze door geboorte uit Hervormde
ouders of door den overgang hunner ouders tot de Hervormde kerk
gerekend mogen worden tot haar in betrekking te staan, de vruchten
der Christelijke liefdadigheid plukken, indien hare middelen daartoe
ook maar eenigermate strekken en de verzorging der arme lidmaten
hierdoor niet behoeft te worden ingekrompen. Ja, het beoogt aan de
kerkelijke armenverzorging van lieverlede den ruimsten omvang te
geven, door den diakenen aan te bevelen, dat zij doen wat in hun
vermogen is, om, vooral door beroep op de liefdadigheid der gemeente,
hunne middelen meer en meer uit te breiden. Zoo ademt dit reglement
den geest van den Heer der gemeente, die alom zijne weldadige
krachten, voornamelijk tot geestelijke doeleinden deed werken. En laat
het ook niet toe, dat de diaconiën langer door het ontvangen van
subsidiën of door verbindtenissen met het burgerlijk bestuur verhinderd
worden, om aan hare oorspronkelijke roeping en bestemming te be-
antwoorden; het wil evenwel de goede verstandhouding tusschen de
burgerlijke en kerkelijke armbesturen bewaard hebben; het vergunt
daartoe zelfs gemeenschappelijk overleg met het burgerlijk bestuur, waar
de richtige armenbedeeling dit vereischt, en dit niet ingrijpt in (Ie
vrijheid en onafhankelijkheid der diaconiën.
Het kan wel niet anders, Broeders! wanneer de beginselen en
bepalingen van dit reglement door de diaconiën algemeen getrouw
worden gevolgd en nageleefd, dan moet de vrucht der ware Chris-
telijke liefdadigheid in de verschillende gemeenten onzer Hervormde
kerk, onder \'s Heeren onmisbaren zegen, te weldadiger werken; en,
naar gelang hierdoor de toestand van hare armen, ook waar het de
behartiging van hunne dierbaarste belangen geldt, van lieverlede
wordt verbeterd, zoo zullen diakenen in hunne gemeenten ook overal
getrouwer en ijveriger medewerking vinden, omdat allen, die den
Heer waarlijk liefhebben, hierdoor tot overvloediger weldadigheid
zullen worden aangespoord, opdat geen arme in de gemeente onver-
zorgd blijve en het liefdewerk, van harentwege door de diaconiën
geoefend, ook hen allen kunne omvatten, welker ondersteuning thans,
meestal nog door gemis der gevorderde middelen, aan de burgerlijke
armbesturen moet worden overgelaten.
Het strekt ons daarom tot groote vreugde, geliefde Broeders! dat
het bedoelde reglement in de meeste gemeenten van onze Hervormde
kerk met belangstelling ontvangen is en ook daar goedkeuring onder-
Kerkelijk Wetboek, 2e denk.                                                                             7
-ocr page 126-
Reglement voor de Diaconién.
98
vindt, waar zijne inachtneming, vooralsnog door plaatselijke otnstan-
digheden of bezwaren, aan vroegere betrekkingen verbonden, be-
moeielijkt wordt. W\\] ontleenen hieraan te grooter vertrouwen, dat
de tijd niet meer verre is, waarin het eenen algemeenen bij val zal
vinden, en de diaconiè\'n zich allerwege zullen beijveren, om zich naar
zijne bepalingen te gedragen en de beginselen, waarop deze rusten,
onverdeeld vast te houden. En wanneer wy- hiervoor, naar den last
ons door de Algemeene Synode gegeven, de eendrachtige medewerking
der kerkeraden inroepen, het is niet alleen, opdat alom de kerkelijke
armenverzorging naar denzelfden regel plaats vinde, maar opdat haar
wezenlijk doel te beter bereikt worde, en, wanneer hiertoe alsdan de
Christelijke liefdadigheid te overvloediger geoefend zal worden, zulks
den armen niet slechts tot blijdschap verstrekke, maar der gemeenten
ook tot zegen, in zooverre als de oefening der liefde tot haren inner-
lijken wasdom moet dienen en haar het welgevallen van den Heer
verzekert.
Maar hebben wij alzoo ruime stoffe van blijdschap en moeten wij
vele kerkeraden en diaconiè\'n prijzen wegens de getrouwheid en liefde,
waarmede zij hunne roeping in dezen vervullen, — Broeders! wü
mogen u niet onkundig laten van de redenen, waarom wy dezen loi
niet aan allen mogen toebrengen, ja, ons zelfs over de handelwijze
van sommige diaconiè\'n zeer zouden moeten bedroeven, zoo wij haar
niet voornamelijk aan misverstand omtrent de beteekenis en bedoeling
van het Synodaal reglement toe wilden schrijven.
Zoo worden er diaconiè\'n gevonden, die, nu eens in de kerkelijke
bepalingen, dan weder in de voorschriften der burgerlijke armenwet,
eene aanleiding zoeken, om zich aan de ondersteuning van die armen
te onttrekken, welke wegens het wettig ingevoerde reglement onbe-
twistbaar de voorwerpen van hare zorgen zijn; die, ofschoon haar de
middelen niet ontbreken, weigeren om in de behoeften van de arme
lidmaten der gemeente te voorzien, wanneer zij elders geboren zijn,
of de vrijheid, haar door het reglement gelaten, dermate misbruiken,
dat zu\' hare armenverzorging willekeurig inkrimpen en de behoeftigen
aan de zorg van het burgerlijke armbestuur overlaten, uit overweging
doorgaans, dat de oefening der liefdadigheid zich geene banden mag
doen aanleggen, maar daarbij vergetende, dat de liefde, Daar gelang
zij ruimer en onbekrompener werd beoefend, immer de hechte band
der volmaaktheid bevonden is. Zoo bepalen vele diaconiè\'n hare zorgen
alleenlijk tot de stoffelijke behoeften der armen, als of zij zich over
hunne godsdienstige en zedelijke belangen niets te bekommeren hadden,
alsof de bevordering van den geestelijken welstand der bedeelden geen
wezenlyk deel van hare roeping zou uitmaken. Zoo zyn er, die de
arme lidmaten wel niet zonder ondersteuning laten, maar zoodra deze
gestorven zijn, hunne achtergelatene kinderen aan de barmhartigheid
der burgerlijke armbesturen overgeven, ofschoon deze kinderen, naar
-ocr page 127-
Bijlagen.
99
den letter en den geest van art. 7, in niet mindere mate dan de arme
lidmaten der gemeente aan de zorg der diakenen zyn aanbevolen;
ofschoon de nauwe betrekking, waarin hunne vaders en moeders tot
de gemeente gestaan hebben, haar veeleer moest dringen om zich het
lot dier weezen en verlatenen met vermeerderde nauwgezetheid aan
te trekken, en het doel, dat art. 12 ten aanzien van de kinderen der
bedeelden beoogt, bij een groot aantal van hen dreigt verydeld te
worden, wanneer zij aan de burgerlijke armbesturen worden overge-
dragen, die als zoodanigen geene weldadigheid uit het beginsel van
godsdienst oefenen. Het spreekt toch van zelve, dat, wanneer arme
lidmaten verzorgd worden, hierin hunne kinderen ook begrepen zyn,
en in art. 7 derhalve geene kinderen zouden genoemd zyn, wanneer
daaronder niet de minderjarigen moeten verstaan worden, door den
dood van lidmaten als hulpelooze weezen achtergebleven, terwijl zelfs
de meerderjarigen, al mogen zij geene belijdenis des geloofs hebben
afgelegd, wegens hunne Hervormde afkomst niet van de zorg der
diakenen zijn uitgesloten, en slechts de beperktheid van de middelen,
over welke diakenen te beschikken hebben, hun, in het dringend
belang der anderen, grond kan geven, om hunne zorg vooreerst niet
verder uit te strekken
Broeders! wanneer gij genoemde of soortgelijke wijze van handelen
toetst aan de beginselen of hoofdbepalingen van het Synodaal regie-
ment , die wij u hierboven herinnerd hebben, dan zult gij het zei ven
erkennen, dat vele diaconiè\'n daarmede van de kerkelijke verorde-
ningen afwyken, en den aard en het doel der kerkelijke armenver-
zorging dikwijls ten eenenmale miskennen. En, wanneer hieruit dan
gedurig botsingen en oneenigheden tusschen de burgerlijke en ker-
kelijke armbesturen ontstaan, en daarover door de Hooge Regeering
aanhoudend klachten bij de Synode of bh\' hare Commissie worden
ingediend, dan wraakt gij het gewisseljjk niet, dat wy tot u allen
de ernstige opwekking richten, om u toch getrouw en nauwgezet aan
de voorgestelde regelen te houden, niet slechts omdat uwe diaconiè\'n,
voor de vervulling van hare dikwijls moeielijke taak, veel aan eene
goede verstandhouding met de burgerlyke besturen gelegen is, maar
ook, omdat het hier de eer onzer Kerk, en, wat u wel het voor-
naamste zal zyn, de getrouwe beoefening van het gebod der liefde
door de gemeente geldt, waarin de Heer zeker niet het minste de
armen der gemeente heeft begrepen door het voorbeeld, dat Hij zelf
gegeven heeft, door die beteekenisvolle woorden inzonderheid, welke
Hy in eene aandoenlijke ure gesproken heeft: „de armen hebt gij
altijd bij u."
Ja, wy ook erkennen en eerbiedigen van ganscher harte de vryheid
en zelfstandigheid uwer diaconiè\'n in haar dagelijksch beheer, gelijk
wij deze steeds met kracht tegenover de Hooge Regeering gehandhaafd
hebbeu, maar gy beseft, dat wy daarom aan diakenen niet mogen
7*
-ocr page 128-
100                            Reglement voor de Diaconiên.
veroorloven, dat zij in strijd met de voorschriften, den geest en de
strekking der kerkelijke wetgeving handelen; en dat wy van ons
kerkelijk standpunt altijd de oefening der Christelijke liefdadigheid
in den onbekrompensten zin en in den ruimsten omvang moeten
voorstaan en bevorderen. Neen, broeders! gij weigert niet hiertoe met
ons saam te werken, ook wanneer de middelen, over welke gij voor
uwe diaconiè\'n te beschikken hebt, geene uitbreiding van hare bedee-
lingen gedoogen; want dan wilt gij toch met te getrouwer bedacht-
zaaniheid toezien, dat uwe armenverzorging in den bedoelden geest
plaats vinde, en intusschen de vermeerdering uwer middelen tot het
voorwerp van uwe ernstige overwegingen maken. Hoe getrouwer
diakenen op de voorgeschrevene wijze werkzaam zyn, met des te
grootere vrijmoedigheid zult gn u daardoor op de liefdadigheid uwer
gemeenten kunnen beroepen, en, waar gij haar geheel tracht te
doordringen van het bewustzijn van hetgene zij den armen der
gemeente, ter liefde van den Heer verschuldigd zijn, daar zullen uwe
opwekkingen tot haar, om hare gaven te vermenigvuldigen, niet
zonder vrucht blijven.
Broeders! zien wy te zamen getrouwelijk toe, dat wy ons bereid
houden tot verantwoording in al wat tot onze roeping behoort, en,
wat voornamelijk de zorg voor de armen der gemeente aangaat, laat
het ons streven zijn, deze zóó ijverig en nauwgezet te behartigen,
dat zij van lieverlede allen in de gemeente omvatte, over welke de
liefde zich gedrongen moet gevoelen zich in stoffelijk en geestelijk
opzicht te ontfermen.
II.
üit db wet tot regeling van het armbestuur, van 28 jcni 1854
(staatsblad, n°. 100), gewijzigd bij de wet van
1 juni 1870 (staatsblad, n°. 85).
(De Memorie van toelichting behelst omtrent de diaconiè\'n of ker-
kelyke armbesturen het volgende:
„De wetgever nu heeft zich eenvoudig de vraag voor te stellen, welke
regeling in overeenstemming
met den aard van het onderwerp, het meest
strookt met den geest der Grondwet.
B Van dit standpunt uitgaande, en lettende op het verschil tusschen de
vroegere en de tegenwoordige regeling der betrekking van de Kerk tot den
Staat, kan het, naar het oordeel der Regeering, niet twijfelachtig zijn
of daaruit moet een verschil van wetgeving met opzicht tot het kerkelijk
armbestuur voortvloeien.
„De geest der Grondwet toch brengt mede, dat de Kerk zich zoo vrij
-ocr page 129-
Bijlagen.                                             101
bewege, als met de rechten en verplichtingen van het staatsgezag be-
staanbaar is.
„Tot de onderwerpen, welke behooren tot het gebied der Kerk, moeten
zonder twijfel worden gebracht het verzamelen en vitdeelen der giften, die
uit het beginsel van godsdienstige liefdadigheid worden bijeengebracht, en
het regelen der wijze, waarop door instellingen, tot de Kerk behoorende,
en aan haar bestuur verbonden en ondergeschikt, die giften aan de armen,
toaarvoor zij bestemd zijn, worden uitgereikt.")
UIT HET EERSTE HOOFDSTUK.
VAN HET ARMBESTUUR.
EERSTE AEDEELING.
Van insteilingen van weldadigheid, hare oprichting en reglementen.
1.    Instellingen van weldadigheid, in den zin dezer wet, zijn die,
welke armenverzorging, in of buiten gestichten, voortdurend ten
doel hebben.
Op instellingen, uitsluitend bestemd tot het voorkomen van armoede,
is deze wet niet van toepassing.
2.    De wet onderscheidt:
a.    Staats-, provinciale- of gemeente-instellingen, door de burger-
lijke overheid geregeld en van harentwege bestuurd;
b.    Instellingen eener kerkelijke gemeente, bestemd voor de armen
eener bepaalde godsdienstige gezindte, en van wege die kerkelijke
gemeente geregeld en bestuurd;
c.    Instellingen door bijzondere personen of door bijzondere, niet
kerkelijke, vereenigingen geregeld en bestuurd;
d.    Instellingen van gemengden aard, in welker regeling of bestuur
door de burgerlijke overheid en van wege eene kerkelijke gemeente
of door bijzondere personen of bijzondere, niet kerkelijke, vereeni-
gingen gezamenlijk wordt voorzien.
3.    Van alle in de gemeente aanwezige instellingen van wel-
dadigheid wordt, naar de onderscheidingen by art. 2 vermeld,
door de zorg van het gemeentebestuur, eene liï\'st opgemaakt en
bygehouden.
4.    De reglementen der gemeente-instellingen, vermeld onder litt.
a van art. 2, worden, binnen eenen door Ons voor te schrijven termijn,
door den gemeenteraad, met inachtneming van de bepalingen dezer
wet, herzien, of, zoo er nog geene bestaan, vastgesteld.
De oprichting van nieuwe instellingen van dien aard, geschiedt
-ocr page 130-
102                            Reglement voor de Diaconién.
krachtens een besluit van dien raad, houdende tevens vaststelling van
het reglement.
5.    De reglementen der instellingen, vermeld onder litt. d van
art. 2, worden, binnen eenen door Ons voor te schrijven termijn, door
den gemeenteraad en het betrokken kerk- of bijzonder bestuur geza-
menlijk, met inachtneming van de bepalingen dezer wet, herzien, of>
zoo er nog geene bestaan, vastgesteld.
Daarvan moet blijken door een besluit van den gemeenteraad.
De oprichting van nieuwe instellingen van dien aard en het vast-^
stellen van hare reglementen geschieden op gelijke wijze.
6.    De besluiten der gemeenteraden en de reglementen bij de artt.
4 en 5 vermeld, worden, binnen acht dagen nadat zij zijn vastgesteld,
in afschrift, door den burgemeester en den secretaris te waarmerken,
medegedeeld aan Gedeputeerde Staten. Deze geven aan den raad
bericht van de ontvangst binnen acht dagen nadat het afschrift hun
is geworden.
Gedeputeerde Staten zien toe, dat die reglementen de noodige voor-
schriften inhouden tot verzekering van een regelmatig beheer, en dat
zy niets bevatten, strijdig met de wetten of het algemeen belang.
7.    De bepalingen betreffende de inrichting en het bestuur der
instellingen onder litt. b en c van art. 2 vermeld, worden door hare
bestuurders aan het bestuur der gemeente, waar zy zn\'n gevestigd,
medegedeeld.
Die mededeeling geschiedt, voor de reeds bestaande instellingen,
binnen zes maanden na het in werking treden dezer wet, en voor
die in het vervolg op te richten, binnen ééne maand nadat zij tot
stand komen.
Wijzigingen der medegedeelde bepalingen worden, binnen eene
maand na hare vaststelling, op gelijke wijze aan het gemeentebestuur
bekend gemaakt.
Indien de instelling niet uitsluitend armenverzorging ten doel heeft,
wordt de mededeeling beperkt tot hetgeen die zorg betreft.
De instellingen, voor welke de gevorderde mededeeling niet binnen
de gestelde termijnen geschiedt, missen van het oogenblik van het
verstrijken dier termijnen af tot «lat zij plaats heeft, de bevoegdheid
bij art. 1691 van het Burgerlijk Wetboek aan zedelijke lichamen toe-
gekend, tot het aangaan van burgerlijke handelingen.
8.    Alle niet door het Staats- of provinciaal gezag opgerichte gods-
en werkhuizen, die behooren tot de instellingen vermeld onder litt.
a en d van art. 2, zn\'n, onverminderd het toezicht, dat daarop, in
verband met hunnen oorsprong, stichtingbrief of andere verordeningen,
door anderen moet worden uitgeoefend, onderworpen aan het toezicht
van het gemeentebestuur.
Van Onzentwege kan, zoo dikwerf Wh\' dit noodig oordeelen, door
een plaatselijk onderzoek in die en in provinciale gods- en werk-
-ocr page 131-
Bijlagen.                                             103
huizen worden nagegaan, of\' zij aan hunne bestemming blijven
beantwoorden.
9.    Zoo het doel eener instelling van weldadigheid is vervallen,
wordt het gebruik harer bezittingen en inkomsten tot eene andere,
aan de laatst bekende zoo nabij mogeln\'k komende, bestemming ge-
regeld, ten aanzien van:
a.    gemeente-instellingen (art. 2 a), door den gemeenteraad, onder
goedkeuring van Gedeputeerde Staten;
b.    instellingen eener kerkelijke gemeente (art. 2 b), door de bevoegde
kerke! ij ke besturen;"
c.    instellingen van bijzondere personen of vereenigingen (art. 2c),
door de oprichters of hunne erfgenamen, en b;j ontstentenis of\'onbe-
kendheid van deze, door de bestuurders der instelling; in het laatste
geval onder Onze goedkeuring; en
d.    instellingen van gemengden aard (art. 2d), door den gerneen-
teraad en het bevoegd kerkelijk of bijzonder bestuur in gemeenschap-
pelijk overleg, onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten.
Blijft die regeling binnen eenen voor elk bijzonder geval, des noodig
door Ons voor te schrijven termyn achterwege, dan geschiedt zg door
Ons bij een met .redenen omkleed, openbaar gemaakt besluit. Deze
bepaling geldt voor de instellingen, onder litt. c vermeld, slechts zoo
de oprichters zelven of\' hunne erfgenamen niet meer in leven of niet
bekend zijn.
TWEEDE AFDEELING.
Van opgaven, door de besturen van alle instellingen van weldadigheid
te doen, en van collecten.
10.    De besturen van alle instellingen van weldadigheid doen jaar»
lijks, binnen den daarvoor door den Minister van Binnenlandsche
Zaken aangewezen termijn, en in den door dezen voor te schrijven
vorm, ten behoeve van het verslag bij art. 195 \')der Grondwet bedoeld,
aan het gemeentebestuur opgave van het getal der door hen onder-
steunden of\' verpleegden; van het beloop hunner uitgaven voor het
beheer en voor onderstand van allerlei aard, en van dat hunner
inkomsten door collecten, inschrijvingen of\'andere vrywillige bijdragen
en subsidiën.
De besturen der burgerlijke en gemengde instellingen doen daaren-
boven alle verdere opgaven, door de Itegeering noodig geacht.
11.    De bestuurders, die niet voldoen aan het voorschrift van art.
10, worden elk met geldboete van vijfentwintig tot vijfenzeventig
gulden gestraft.
\') Nu art. 193.
-ocr page 132-
104                            Reglement voor de Diaconien.
Zij zijn hoofdelijk voor het geheel der gezamenlijk opgelegde boeten
aansprakelijk.
Tegen den bestuurder, die bewast het zijne te hebben gedaan om
aan het voorschrift gevolg te geven, wordt geene veroordeeling uit-
gesproken.
12.    De besturen der kerkelijke, gemengde en bijzondere instellingen
van weldadigheid moeten, des gevraagd, aan de burgerlijke besturen
opgeven, of een arme, die zich bij een burgerlijk bestuur heeft aan-
gemeld, van hen al dan niet onderstand kan erlangen.
De bestuurders, die deze opgaven niet doen binnen veertien dagen
na de aanvraag, worden elk met geldboete van tien tot vijfentwintig
gulden gestraft.
Het 2e en 3e lid van art. 11 is ook in dit geval van toepassing.
13.    Openbare inzameling van gelden ten behoeve van instellingen
van weldadigheid, bij wege van collecte, inschrijvingen of op eenige
andere wijze, heeft niet plaats dan nadat daarvan minstens driemaal
vierentwintig uren te voren, schriftelijk kennis zij gegeven aan het
gemeentebestuur.
Geene zoodanige inzameling mag plaats hebben ten behoeve van
instellingen, die vallen in de toepassing van het laatste lid van
art. 7.
Het gemeentebestuur kan de inzameling stuiten.
Zoo het bestuur der betrokkene instelling zich met die stuiting
bezwaard acht, kan het Onze beslissing inroepen.
Van de toepassing van dit art. zü\'n uitgezonderd collecten in kerk-
gebouwen by de uitoefening van den openbaren eeredienst, en die,
voor instellingen eener kerkelijke gemeente, enkel aan de huizen van
de ledematen dier gemeente.
UIT HET TWEEDE HOOFDSTUK.
VAN DE ONDERSTEUNING DER ARMEN.
20.     De ondersteuning der armen wordt, behoudens de verdere
bepalingen dezer afdeeling, overgelaten aan de kerkelijke en bijzondere
instellingen van weldadigheid.
21.    Geen burgerlijk bestuur mag onderstand verleenen aan armen
dan na zich, voor zooveel mogelijk, te hebben verzekerd, dat zij dien
niet van kerkelijke of bijzondere instellingen van weldadigheid kunnen
erlangen, en dan slechts bij volstrekte onvermijdelijkheid.
22.    Het burgerlijk of algemeen, het gemengd armbestuur, of, b\\j
gebreke daarvan, het bestuur der gemeente, waar de arme zich bevindt,
beslist zonder beroep, op de aanvraag om onderstand dergenen, die
verkeeren in het geval bij het vorig artikel bedoeld.
-ocr page 133-
105
Bijlagen.
III.
KONINKLIJKE BESLISSING OMTRENT DE ZELFSTANDIGHEID
DER DIACONIÉN.
Op grond van de b\\j art. 69 van de Wet tot regeling van het
armbestuur van 28 Juni 1854 (Stbl. n°. 100) aan den Koning opge-
dragene macht om geschillen over de inrichting en bestemming van
instellingen litt. A te beslissen, is door Z. M. bij besluit van 30 Juli
1857 (medegedeeld in Gemeentest. n°. 521) over de bestemming van
burgerlijke armbesturen eene belangrijke beslissing genomen. De
feiten die er aanleiding toe gaven waren de volgende:
Een Kerkelijk armbestuur in eene gemeente beklaagde zich, dat het
daar gevestigd Burgerlijk Armbestuur de armen der gezindte, waartoe
dat Kerkelijk armbestuur behoorde, voortdurend afwees en zich geheel
aan de bedeeling van die armen onttrok. Het burgerlijk armbestuur
beriep zich daarbij steeds op de artt. 21, 22 der Wet, volgens welke
het alleen in geval van onvermijdelijkheid mocht optreden en in ieder
geval in het hoogste ressort over het al of niet verstrekken van
bedeeling te beslissen had, daarbij voorts bewerende dat deonvermij-
delnkheid om bedeeling te verleenen niet bestond, daar het bedoelde
Kerkelijk armbestuur voldoende fondsen had om te kunnen bedeelen.
Dit geschil werd aan den Koning onderworpen, die, nadat het b\\j
bovengenoemd art. 69 bedoelde verhoor had plaats gevonden, uitspraak
deed, verklarende:
„dat het bedoelde burg. armbestuur bestemd is tot het verleenen
van onvermijdelijken onderstand aan alle armen, die in de gemeente
domicilie van onderstand hadden, ook van die, welke behoorden tot
eene godsdienstige gezindte, voor welke een Kerkelh\'k armbestuur
daar ter plaatse bestond, voor zoo verre het uit de verklaring van
dat Kerkelijk armbestuur bleek, dat zij van zn\'nentwege geen onder-
stand konden erlangen;
„dat in dat geval de ondersteuning dier armen door het burg. arm-
bestuur uitsluitend afhankelijk behoort gemaakt te worden van den
toestand, in welken de armen, ten gevolge dier verklaring van het
Kerkelijk armbestuur verkeerden, en niet vaneen, door den Wetgever
uitgesloten, onderzoek naar de gegrondheid dier verklaring; daar deze
moest worden overgelaten aan de zedelyke en kerkelijke verantwoor-
delijkheid van de kerkelh\'ke armbesturen, ook dan wanneer door deze
van de hun door de wet gelaten vrijheid een gebruik mocht worden
gemaakt, dat in zich zelf, als in strijd met den geest der wet, af-
keuring zou verdienen;
„dat die afkeuring, wanneer daartoe termen bestonden, het burg.
-ocr page 134-
106                            Reglement vook de Diaconien.
armbestuur niet bevoegd maakte om, met afwijking zijner bestemming,
de bedoelde armen, voor zoo verre zij volstrekt onvermijdelijk onder-
stand behoefden, van zijne armenverzorging uit te sluiten;
„dat door het tot stand brengen van die uitsluiting, na het in
werking treden der armenwet, het bedoelde burg. armbestuur feitelijk
zijne bestemming had veranderd; hoedanige verandering, volgens art. 9
der Wet, alleen kon plaats hebben, wanneer het doel van dat arm-
bestuur zou zijn vervallen en dan nog slechts onder goedkeuring van
Gedep. Staten;
„en dat, vermits het voren omschreven doel van het bedoelde burg.
armbestuur niet was vervallen, de feitelijk door dat bestuur gemaakte
verandering in zijne bestemming, zóó in haar wezen als in den vorm,
was in strijd met de wet en aldus geen gevolg mocht hebben."
(Zie: Mr. h. j. smidt, de Wet tot regeling van het armbestuur, met
aanteekeningen
, 2de uitg., "Winschoten 1866, bl. 450, 451).
-ocr page 135-
REGLEMENT OP DE VACATUREN.
EERSTE AFDEKLING.
Het ontstaan van de vacaturen.
Abt. 1. De vacature van eene predikantsplaats ontstaat door het
overlijden, het vertrek, het emeritaat, den vrywilligen afstand \'), het
ongevraagd ontslag of de afzetting van hem, die ze bekleedt.
1) Vrijwilliyen afstand. Deze woorden moeten niet alleen toegepast worden
op het vragen van ontslag, geregeld in art. 7, maar in \'t algemeen op iedere
daad, waaruit blijkt, dat men vrijwillig afstand doet van zijne betrekking.
Overweging van de Arr. Rechtb. te \'s Gravenhage, beslissende in zakedeHerv.
ttem. te Leiderdorp en Ds. pijzel contra den heer G. vlug, voorra. pred. te
Leiderdorp (Weekbl. van het Recht, 1888, no. 5524).
Abt. 2. Van het overlijden des predikants geeft de Kerkeraad
onverwijld kennis aan het Classikaal Bestuur, met opgave of de over-
ledene eene weduwe of minderjarige en nog niet tot onafhankelijk
bestaan gekomen kinderen nalaat.
Bg overlijden van den éénigen predikant eener gemeente zendt de
Kerkeraad terstond het bericht met de opgave omtrent de nagelaten
betrekkingen aan den consulent, die het doet toekomen aan den
praetor van den ring en aan het Classikaal Bestuur, hetwelk de
mededeeling doet aan het daartoe aangewezen \') Ministerieel Depar-
tement.
1) Daartoe aangewezen. Deze woorden, na de opheffing van de Ministeriën
van Eeredienst, in werking gekomen 1 Mei 1864. Eveneens zijn gewijzigd artt.
8, 30, 79.
Art. 3. Het overlijden van den predikant, nalatende eene weduwe,
of minderjarige, nog niet tot onafhankelijk bestaan gekomen kinderen,
doet de vacature ontstaan voor een geheel jaar, bijaldien deze nabe-
staanden gebruik maken van het recht, hetwelk hun wordt toegekend
om de inkomsten der vaceerende predikantsplaats (het genot van
inwoning in de pastorie of van huishuur daaronder begrepen) gedu-
-ocr page 136-
108                             Reglement op de Vacaturen.
rende dit tijdvak met en boven het sterfkwartaal geheel en onbezwaard
te genieten.
Zonder inbreuk op dit recht, tracht men zoo mogelijk het dusge-
noemde jaar van gratie, met goedvinden van belanghebbenden, geheel
of gedeeltelijk te doen vervallen, ten einde de vervulling der vacature
bespoedigd worde.
Art. 4. Meerderjarige kinderen of andere bloed- of aanverwanten
van den predikant, die th\'dens zh\'n overlijden bü hem inwonen \'),
zijn gedurende drie maanden, te rekenen van den dagdesoverlijdens,
gerechtigd tot het genot van pastorie en al de overige inkomsten van
de standplaats.
1) Het eerste gedeelte van dit art. is gewijzigd en als zoodanig in werking
gekomen den 15 Jan. 1883, in plaats van de minder correcte en onjuiBte redactie:
„Meerderjarige kinderen van den predikant en alle bij hem inwonende bloed- en
aanverwanten." Verg. 1881, bl. 172, 173; 1882, bl. 42, 43.
Art. 5. Een predikant, naar elilers vertrekkende, wordt door den
Kerkeraad, onder voorzitting van den consulent, waar deze werkzaam
is. van zn\'ne betrekking tot de gemeente ontslagen \').
Ingeval hij de Classis verlaat2) ontslaat hem het Classikaal Bestuur
schriftelijk van z\\jne betrekking tot de classis, nadat het van hem
een daartoe strekkend verzoek, minstens veertien dagen te voren en
onder overlegging der vereischte stukken gedaan, ontvangen heeft.
Het ontslag uit de classis 3) wordt verleend zonder dat daarbij de
overlegging kan worden gevorderd van het bewijs der voldoening van
de door de Classikale weduwenbeurs gevorderde gelden pro exitu.
Aan den alzoo ontslagen predikant worden acten afgegeven, inge-
richt overeenkomstig de bij dit reglement gevoegde formulieren 13 en C.
De schadeloosstelling van den consulent voor de kosten, aan zoo-
danig ontslag verbonden, komt ten laste der roepende gemeente.
1)    Van zijne betrekking ontslagen. De acte van dit ontslag wordt inge-
leverd naar art. 76 van dit regl. — Op een voorstel van het Class. Best. van
Utrecht om te voorzien in het geval, dat een kerkeraad weigert behoorlijk ontslag
te geven aan een emeritus-pred., nader aangedrongen door den heer WBTTKR,
die als twoede lid van de eerste al. wenschte opgenomen te hebben: „Bij wei-
gering van den Kerkeraad om aan den verroepen pred. ontslag te verleenen,
doet de afgevaardigde van het Class. Best." (die destijds nog in de voor dat doel
bijeengekomen Kerkeraadsvergadoring tegenwoordig was) „wat des Kerkeraads
is", is geoordeeld, dat in het gestelde geval reeds voorzien was bij artt. 43—45
van het Alg. Regl., bij artt. 47—49 van het Regl. voor Kerkelijk O. en T. en
in art. 46 van het Regl. op de Vac., \'t welk krachtens analogie in zoodanig geval
ware toe te passen. 1861, bl. 149, 330, 331.
2)    Ingeval hij de classis verlaat,, enz. Sedert den 1 Maart 1875 is de bepaling
van schriftelijk ontslag in werking gekomen, terwijl dit vroeger geschiedde door
een daartoe afgevaardigd lid van bet Classikaal Bestuur en te gelijker tijd met
het verleenen van ontslag door don Kerkeraad.
-ocr page 137-
Abt. 3—6.                                            109
3) Het ontslag uit de classis, enz. Deze al. en al. 2 van art. 77 zijn den
1 Maart 1871 ingevoerd, ten einde eene meermalen gebleken onbillijkheid te doen
verdwijnen, terwijl aan de Classikale weduwenbeurzen, die waarlijk recht hebben
op introitus- en exitusgelden, de gelegenheid niet benomen wordt, dat recht te
bewijzen en te doen gelden, maar alleen haar een dwangmiddel ontnomen wordt,
door het Classikaal Bestuur aan te wenden. Het aanwenden van zulk oen dwang-
middel aan de Classikale Besturen op te dragen, lag toch ten eenenmale buiten
de bevoegdheid van de leden der Classikale weduwenbeurzen; en bepalingen in
dezen zin in de reglementen dier beurzen opgenomen, kunnen niet worden
gehandhaafd. Zie 1869, bl. 203, 219; 1870, bl. 235 — 240, 242,243. Verg. 1868,
bl. 203—206; 1869, Bijl. B, bl. 21—32, 113, 114; 1870, bl. 216-218.
Art. 6. Indien een predikant komt te overladen na zijn ontslag
en vóór zijne bevestiging, in den loop der maand, waarin dit ontslag
heeft plaats gevonden, dan wordt hij gerekend nog te behooren tot
de gemeente, die hij verliet; doch heett zy\'n overladen plaats na het
einde der maand, waarin hij werd ontslagen, dan wordt hy gerekend
te behooren tot de gemeente, die hem riep.
Op beide gevallen is het bepaalde bij artt. 3 en 4 van toepassing.
Er is eene leemte in dit Regl., daarin bestaande, dat het geene bepalingen
behelst omtrent de wijze, waarop het emeritaat door predikanten kan verkregen
worden. De Synode heeft hierin getracht te voorzien door de invoeging van een
nieuw art. tusschen 6 en 7, \'twelk, zooals het in 1863 finaal aangenomen is,
zou luiden als volgt:
„Art. 6*. Het verzoek om emeritaat geschiedt bij het Pro-
vinciaal Kerkbestuur, hetwelk, na het Classikaal Bestuur van
het ressort gehoord te hebben, het gevraagde emeritaat ver-
leent, tenzij daartegen gewichtige bezwaren bestaan.
„Bij de aanvraag van emeritaat, hetzij met, hetzij zonder
pensioen, behooren de volgende bescheiden te worden over-
gelegd: 1\'. eene acte van geboorte; 2°. een getuigschrift van
getrouwe ambtsvervulling en van onergerlijken wandel, aan
den belanghebbende afgegeven door den Kerkeraad zijner woon-
plaats; 3°. een bewijsschrift van den Kerkeraad der gemeente,
bij welke de predikant de evangeliebediening aanvaardde, hou-
dende opgave van het jaar, waarin en van den dag, waarop
dat geschied is; en 4°. voor het geval, dat ongesteldheid als
grond der aanvrage wordt aangevoerd, eene verklaring van een
bevoegden geneesheer, dat werkelijk zoodanige ongesteldheid
bij den belanghebbende aanwezig is en deze daardoor bij voort-
during buiten staat wordt gesteld om zy\'n dienst naar eisch
waar te nemen.
„Indien door onvoorziene omstandigheden het pensioen nog
niet mocht ingaan op tien dag, waarop het emeritaat ingaat,
zoo bli,jft de emeritus verklaarde tot den dag, waarop hg zy\'n
pensioen verkrygen zal, in het genot zyner vroegere rechten
-ocr page 138-
110                             Reglement op de Vacaturen.
en voorrechten, en wordt hu\' in zn\'ne ambtsverrichtingen zooveel
noodig door den ring bygestaan." (Syn. Handd. 1863, bl.
322—327, 329).
Dit artikel, door de stemmen der Provinciale Kerkbesturen goedgekeurd, heeft
echter niet kunnen uitgevaardigd worden, daar de Regeering (aan welke, naar
art. 1 van de Wet op de Kerkgenootschappen, van alle nieuwe gemaakte bopa-
lingen vóór of bij het in werking brengen daarvan, moet kennis gegeven worden,
voor zoover noodig tot goedkeuring) bezwaar had tegen de vermelding van pen-
aioen in \'t eerste lid van al. 2, en de voorziening van al. 3 in het daar gestelde
geval; welk oen en ander door de Regeering in strijd geacht werd met het door
haar vooropgestelde en vast te houden beginsel, „dat het emeritaat verleend moet
worden door de Kerk zonder bemoeiing der Regeering en het emeritaatspensioen
door de Regeering zonder raadpleging der Kerk" (1864, Bijl. 15, bl. 39—41;
verg. 1863, bl. 322 — 326). Sedert heeft de Synodale Commissie jaar op jaar, tot
1869, diligentverklaring verkregen voor het advies, dat te dier zake door do
Synode van 1863 van haar gevraagd was in verband met eene verwachte ol
ingediende staatswet tot regeling der predikants-pensioenen. De zaak is echter,
bij het niet tot stand komen van zoodanige wet, tot heden gebleven in statu
quo. — Intusschen moet het vragen van emeritaat geschieden, naar dit art.,
bij het Prov. Kerkbestuur; echter zonder dat bij het Kerkbestuur aanspraak op
pensioen geldend gemaakt of aanbeveling daarvoor verlangd kan worden; overi-
gens met inachtneming van de bepalingen van de 2e al. van het art. De aanvraag
van pensioen moet geschieden bij het Ministerie van Financiën, naar de daar-
omtrent van Regeeringswege vastgestelde bepalingen. Zie de daarop betrekkelijke
Bijlage bjj dit reglement, inzonderheid wat betreft de bepalingen omtrent hetgeen
in acht moet genomen worden ingeval het pensioen wordt aangevraagd wegens
voortdurende ongesteldheid,
bij nog niet vervulde veertigjarige ambtsbediening.
Art. 7. Een predikant, die vrijwillig van züne bediening wenscht
afstand te doen, geeft van zijn voornemen daartoe schriftelijk kennis
aan den Kerkeraad zijner gemeente, met opgave van den tyd, tegen
welken hij willens is zijn ambt neder te leggen.
De Kerkeraad zendt van de ontvangen kennisgeving onmiddellijk
bericht aan het Classikaal Bestuur, dat hiervan weder onverwijld
mededeeling doet aan het daartoe aangewezen Ministerieel Depar-
tement.
Dit art. is sedert 1 Febr. 1865 in werking, ten einde even als het aanhangig
gebleven art. 6*, in eene bestaande leemte te voorzien. Daarop is door vernum-
mering het vroegere art. 7 art. 7* geworden.
Art. 7*. Bij het ontslag\') van de betrekking tot de gemeente en
de classe, ten gevolge van verkregen emeritaat of vrij willigen afstand
van den dienst, wordt gehandeld als in art. 5 is geregeld, doch worden
de acten ingericht naar de formulieren D en E, en geschiedt de
schadeloosstelling van den consulent *) door hem ten wiens behoeve
de handeling plaats heeft.
De overeenkomstig het eerste lid van dit artikel ontslagen pre-
-ocr page 139-
Art. 6-11.                                           111
dikant geeft na verandering van woonplaats daarvan binnen eene
maand bericht aan het Classikaal Bestuur, waaronder hy ressorteert3).
1)    Met opzicht tot mogelijke weigering van het ontslag door den Kerkeraad
in de hier genoemde gevallen verg. art. 5, aant. 1.
2)    Geschiedt de schadeloosstelling van den consulent. Ten gevolge van do
invoering van alleen schriftelijk ontslag uit de Classis (zie op art. 5) zijn den
31 Maart 1875 deze woorden gekomen in plaats van: de kosten der handeling
gedragen.
3)    Deze al. is aan het art. toegevoegd en in werking gekomen den 15
Jan. 1887.
Art. 8. Tn geval van ongevraagd ontslag en van ontzetting uit den
dienst geeft het Classikaal Bestuur, op ontvangen bericht van het
Provinciaal Kerkbestuur, hiervan terstond kennis aan den Kerkeraad,
den consulent, den praetor van den Hing en het daartoe aangewezen
Ministerieel Departement.
TWKEDE AKDEELINO.
Voorziening in den dienst gedurende de
vacaturen.
Art. 9. In vacante gemeenten wordt de predikdienst waargenomen
door de predikanten van den Ring. Het overige herder- en leeraarwerk
is aan den consulent opgedragen. De nadere, regeling dier werkzaam-
heden geschiedt volgens huishoudelijke bepalingen van den Ring,
goedgekeurd door het Classikaal Bestuur.
Bij langen duur \') der vacature, ten gevolge van een annus gratiae
of gerezen geschil over hare vervulling, tracht de Kerkeraad, daartoe
reden vindende, eenen tijdelu\'ken hulpprediker te bekomen, volgens
het Reglement op het hulppredikerschap.
1) Hij langen duur, enz. (in werking gekomen 1 Maart 1863). Verg. Regl.
op het hulppredikerschap, art. 3, 1°, en van dit regl. art. 47, al. 2 en art. 27,
al. 3 en 4.
Art. 10. In gemeenten met twee of meer predikanten wordt de
vacature voor al de deelen der Evangeliebediening waargenomen door
den Ring, tenzy de overblijvende predikant of predikanten met het
geheele werk, buiten den predikdienst, zich alleen willen belasten;
een en ander nader te regelen door huishoudelijke bepalingen van den
Ring, onder goedkeuring van het Classikaal Bestuur.
Art. 11. Voor elke gemeente met één predikant wordt een con-
sulent en nevens hem een secundus benoemd, ten einde in de voor-
komende gevallen als zoodanig naar het reglement op te treden.
-ocr page 140-
112                             Reglement op de Vacaturen.
Voor gemeenten met twee \') of meer predikanten wordt de zaak
van liet consulentschap door den Ring, onder goedkeuring van het
Classikaal Bestuur, geregeld.
1) Voor de gemeenten met twee, enz. Van deze al. heeft de Synode in haar
officieel orgaan bij Circulaire van den 8 Juli 1865 de volgende verklaring
gegeven:
„De Alg. Syn. der Ned. Herv. Kerk, onderricht geworden, dat er bij sommige
predikanten en besturen onzekerheid heerscht, of er in gemeenten van twee en
meer predikanten, in geval van vacature een consulent moet benoemd worden,
geeft door deze tot wegneming van alle onzekerheid bericht, dat zij hare volle
goedkeuring geschonken heeft aan hetgeen de Alg. Syn. Comm. te dier zake aan
zekeren ring, naar daartoe gekregen aanleiding, te verstaan heeft gegeven, dat
namelijk, naar hetgeen in het Regl. op de vacaturen het consulentsohap is en
aan den consulent wordt opgedragen, er alleen voor vacante gemeenten, waarin
geen predikant aanwezig is, sprake kan zijn van do benoeming van een con-
sulent, gelijk ook bij art. 1 van het Synodaal Regl. voor de korkeraden is aan-
genomen; dat die benoeming daarom ook in art. 11, eerste alinea, van eerst-
genoemd reglement voor gemeenten van één predikant als regel wordt vastge-
steld, dat hetgeen in het tweede lid van art. 11 voorkomt, alleenlijk kan doelen
op de gevallen, dat er in de daar genoemde gemeenten meer vacaturen bestaan,
zoodat zij voor een tijd van den raad en de dienst eens predikants verstoken
zouden zijn, wanneer daarin niet door de benoeming van een consulent voorzien
wierd; dat derhalve de regeling van het consulentschap in genoemden ring,
volgens welke in eone gemeente met twee predikanten bij het vertrek van een
van beidon, de andere als consulent was aangewezen, in strijd moest geacht
worden met de reglementen; hetgeen te duidelijker in het oog moest springen,
omdat, aangenomen, dat de overblijvende predikant als consulent moest optreden,
deze, tijdens de vacature, in do kerkeraadsvergaderingen slechts met advisoerende
stem zou voorzitten en niet tot het beroepingswerk zou mogen medewerken,
waardoor aan zijn recht als predikant der gemeente zou worden te kort gedaan ,
of, wanneer hetzelfde op gemeenten van nog meer predikanten wierd toegepast,
de bepalingen o. a. dat de consulent de kerkeraadsvergaderingen leidt, of dat
zjjne toestemming wordt gevorderd tot alle handelingen in de gemeente, welke
buiten den predikdienst, in het herder- en leeraarambt begrepen zijn, evenzeer
niet met de rechten der aanwezige predikanten bestaanbaar zouden wezen en hen
grootendeels in de uitoefening van hunne ambtsplichten zouden belemmeren."
Verg. 1865, bl. 21, Bijl. B, bl. 93—95.
Akt. 12. De benoeming der consulenten en hunner secundi ge-
schiedt door den Ring, met inachtneming van de bijzondere behoeften
en belangen der gemeenten, en onder goedkeuring van het Classikaal
Bestuur.
Heeft een Kerkeraad tegen de leiding van den aangewezen con-
sulent bezwaar, dan maakt hy vóór of bn\' het ontstaan eener predi-
kantsvacature en, als zij onverwacht is ontstaan, binnen eene maand
daarna, zn\'n verlangen naar eene verandering in de regeling der
consulentschappen aan den Ring bekend, en roept, b\\j afwhzende
beschikking van den Ring, daarop de tusschenkomst in van het
-ocr page 141-
Abt. 11—18.
113
Classikaal Bestuur, dat beoordeelt of de bestaande regeling naar de
bijzondere behoeften en belangen der gemeente moet gewijzigd worden;
bü gerezen geschil hierover tusschen den Ring en het Classikaal
Bestuur, beslist het Provinciaal Kerkbestuur \').
1) Dit art. heeft in den jongsten tijd de wijziging ondergaan, waardoor ook
aan de gemeente invloed is gegeven op de benoeming van een consulent. De
tweede al. is nieuw. Vroeger moest de gemeente berusten in de regeling van
den ring, goedgekeurd door het Class. Bestuur; wat thans, bij het bestaan van
zoovele vacaturen minder gewenscht ware. De wijziging is in werking gekomen
den 15 Jan. 1886.
Art. 13. De consulent aanvaardt\') zijne betrekking in de verga-
dering des Kerkeraads, die, onder zijne voorzitting, tot ontbinding
der betrekking van den predikant tot de gemeente wordt gehouden;
of anders in eene vergadering, die h\\j belegt, zoodra hy het bericht
heeft ontvangen van het overlijden, het ongevraagd ontslag, de
schorsing of ontzetting uit den dienst van den predikant.
1) Verg. art. 5, al. 1 en 5 en art. 19.
Abt. 14. In de vergadering, in art. 13 vermeld, wordt het archief,
gewoonlvjk onder den predikant berustende, overgenomen door den
Kerkeraad, onder behoorleken inventaris, waarvan een af schrift wordt
gezonden aan het Classikaal Bestuur.
Het archief wordt nedergelegd in eene verzekerde bergplaats,
voorzien met twee verschillende sloten, waarvan de sleutels, de een
by den consulent, de andere bh\' een der ouderlingen bewaard blnven.
Art. 15. De consulent bekleedt in de vacante gemeente geheel de
plaats van den pastor loei, doch heeft in den Kerkeraad en in het
Kiescollegie slechts eene adviseerende stem. Zn\'ne toestemming wordt
gevorderd tot alle handelingen in de gemeente, welke, buiten den
predikdienst, in het herder- en leeraarwerk begrepen zyn.
Art. 16. B\\j afwezigheid van den consulent vergadert de Ker-
keraad niet dan om zeer dringende redenen en met schriftelijk door
hem verleende toestemming. In zoodanige vergadering neemt deze
alleen besluiten omtrent de zaken tot welker behandeling zy belegd
is, en zonder zh\'ne goedkeuring wordt aan geen dezer besluiten gevolg
gegeven.
Art. 17. De consulent regelt, in overleg met den Kerkeraad, de
waarneming van het herderlijk werk.
Art. 18. Bij elk geschil\') tusschen den Kerkeraad, het Kiescol-
legie of de stemgerechtigden en den consulent wordt de beslissing
ingeroepen van het Classikaal Bestuur.
1) Geschil. Dit woord, in plaats van het min juiste verschil: 1 Maart 1863.
Evenzoo in art. 28.
Kerkelijk Wetboek, 2e druk.                                                                       8
-ocr page 142-
114                             Reglement op de Vacaturen.
Art. 19. De consulent wordt voor zh\'ne gewone werkzaamheden,
in artt. 13, 15 en 17 vermeld, als ook voor het bgwonen van de
gewone voor jaarlijks wederkeerende werkzaamheden bestemde l) ker-
keraadsvergaderingen schadeloos gesteld alleen door den Ring, met
uitzondering zoowel der kosten, welke volgens art. 5 ten laste komen
der roepende gemeente als van die, welke voortvloeien uit de invoering
van het Synodaal reglement op de benoeming van ouderlingen en
diakenen en op de beroeping van predikanten, en waarin volgens
art. 4 van dat reglement door andere middelen moet worden
voorzien.
1) Voor jaarlijks wederkeerende werkzaamheden bestemde. Deze woorden, in
werking gekomen den 1 Maart 1870, zijn ingevoegd om eene omschrijving te
geven van „gewone vergaderingen"; zoodat, in overeenstemming met hot antwoord
der Syn. Comm. op eene vraag van het Prov. Kerkb. van Gelderland (1865,
Bijl. B, bl. 92, 93, goedg. Handd., bl. 21), onder buitengewone vergaderingen
duidelijk zoodanige te verstaan zijn, die met het ontstaan en de vervulling der
vacature in betrekking staan, waarvoor dan ook naar art. 20 niet alleen eene
schriftelijke uitnoodiging des Kerkeraads, maar ook eene verzekering van kosten-
vergoeding gevorderd wordt. Verg. ook 1867, bl. 122.
Overigens is in het slot van dit art., even als in de artt. 15 en 18, den 1
Maart 1869 eene aanvulling gebracht ten gevolge van de invoering van het
Regl. op de benoeming, enz.
Art. 20. De Kerkeraad, buitengewoon de tegenwoordigheid van
den consulent verlangende, zendt hem eene schriftelijke uitnoodiging \'),
en verzekert hem de vergoeding der kosten van het verblijf met ƒ3,
en van de heen- en wederreize te zamen voor elk uur afstands
met f 2.
In het Waalsche ressort2) worden de reis-en verblijfkosten berekend
naar een tarief, ontworpen door de Waalsche Commissie, en goed-
gekeurd door de Synode.
1)    Eene schriftelijke uitnoodiginy, enz. Uit de bepaling van dit art. volgt,
dat bij verschil tusschen Consulent en Kerkeraad over de vergoeding van kosten
een afdoend bewijs zal moeten geleverd worden, dat de schriftelijke uitnoodiging
met de verzekering is geschied. Dit art. stelt echter de leden van den Kerkeraad,
die als zoodanig geene fondsen heeft, niet persoonlijk aansprakelijk voor de
betaling dier kosten; deze moeten voldaan wordon naar art. 73, vergeleken met
art. 41, al. 2 van dit Reglement.
2)    In het Waalsche ressort. Deze alinea, op voorstel van de Waalsche Com-
missie, in werking gekomen don 31 Maart 1875, is eveneens toegevoegd aan het
slot van art. 23 Regl. voor Kerkelijk opzicht en tucht, en van art. 16 Regl. op
de kosten van het bestuur. De groote, maar tevens gemakkelijk af te leggen
afstanden, bij het kostbare van het verblijven in groote hotels, beide het gevolg
van het gevestigd zijn der gemeenten in de groote steden des lands, maakten
de bepalingen omtrent reis- en verblijfkosten, in de opgenoemde artt. vervat,
voor de gemeenten van het Waalsche ressort minder geschikt.
-ocr page 143-
115
Art. 19—2:5.
Abt. 21. De verdeeling der predikbeurten wordt door den ring l)
geregeld.
De consulent vervult de eerste predikbeurt na het ontstaan van de
vacature, hetwelk bij overlijden invalt8) na den dag der begrafenis,
en bij emeritaat, vrywilligen afstand, ongevraagd ontslag en ont-
zetting uit den dienst, na de deswegens ontvangen officiê\'ele ken-
nisgeving.
1)    Door den ring. Verg. artt. 27 en 28 van het Alg. Regl.
2)    Hetwelk invalt. Niet van het ontstaan der vacaturen (zie artt. 1—7*), maar
van het vervullen der eerste predikbeurt is hier sprake. De eindredactie is minder
duidelijk uitgovallen, dan zooals in het oorspronkelijk ontwerp gelezen werd:
„Door den consulent wordt waargenomen de eerste predikbeurt in de vacature,
voor welke gehouden wordt die welke volgt," enz. 1854, bl. 310.
Art. 22. De consulent zendt, binnen acht dagen na het ontstaan
der vacature, aan den praetor eene lijst der te vervullen predikbeurten,
voor ten minste drie maanden, met bijvoeging van den tjjd, waarop
het Avondmaal gevierd en voorbereiding en nabetrachting moeten
gehouden worden. Deze lu\'st zal telkenmale, veertien dagen vóór het
eindigen dier tijdruimte, voor gelijken tyd, of anders voor den nog
overigen duur der vacature worden voortgezet.
De praetor zorgt, dat aan elk der predikanten de opgave geschiede
der predikbeurten, door hen te vervullen.
Art. 23. De vervulling \') van den predikdienst in eene vacature door
den ring wordt bepaald op ééne predikbeurt op eiken Zondag 2) en
op den eersten Kerstdag.
Tot dispensatie 3) van deze bepaling, niet te verleenen dan om zeer
bn\'zondere en gewichtige redenen aan de zijde van den ring of van
de vacante gemeente, is de Synode of in hare plaats de Algemeene
Synodale Commissie bevoegd, na gehoord te hebben het Classikaal
Bestuur en het Provinciaal Kerkbestuur van het ressort.
De prediking op de tweede feestdagen, op den goeden Vrijdag, op
Hemelvaartsdag, alsmede op Oud- en Nieuwjaar, op provinciale en
plaatselijke biddagen of op andere gewone werkdagen, wordt overge-
laten aan het oordeel van den ring, met inachtneming van plaatselijke
gesteldheid en behoefte, behoudens goedkeuring van het Classikaal
Bestuur.
De ring bepaalt in het belang der gemeente, onder goedkeuring
van het Classikaal Bestuur, of die beurten des voormiddags, des
namiddags of op andere uren zullen worden waargenomen.
1)    De vervulling, enz. In alinea 1 en 3 (vroeger 1 en 2) zijn -wijzigingen
gebracht sedert 1 Maart 1863. De woorden: „den eersten Kersdag" in al. 1 zijn
gekomen in de plaats van „eersten feestdag", en in al. 3 is mede opgenomen de
Hemelvaartsdag.
2)    Ee\'ne predikbeurt op eiken Zondag, enz. Een voorstel van de Class. Verg.
8*
-ocr page 144-
Reglement op de Vacaturen.
116
van Groningen, om, door eene hieraan toe te voegen bepaling, dat „indien twee
of meer vacaturen in den ring bestaan, de vaceerende gemeenten gelijkelijk met
de andere gemeenten moeten deelen in het stilstaan van den predikdienst", te
gemoet te komen aan de onbillijkheid, dat vacante gemeenten geregeld een
predikdienst hebben, terwijl in de andere de dienst gedurig stilstaat, is door de
Synode afgewezen, omdat dit art. zelf in de tweede en volgg. all. genoegzaam
in het geopperde bezwaar voorziet. 1883, bl. 86, 87.
3) Dispensatie. Verg. Alg. Regl. art. 12, al. 6. De overweging, dat de
bepaling der eerste al. soms groote moeieljjkheid opleverde of zelfs geheel onuit-
voerbaar was, b.v. op de eilanden of waar elders de gemeenten zeer ver uit
elkander liggen, heeft tot het inlasschen van deze al. — den 1 Mei 1862 —
aanleiding gegeven.
Die dispensatie is dan ook meermalen verleend telkens onder zekere voor-
waarden, b.v. dat vier op zes malen in het jaar de beurten — ook tot hot
bedienen van Doop en Avondmaal — door de ringpredikanten worden waarge-
nomen, terwijl overigens in de godsdienstige behoeften door een godsdienstonder-
wijzer wordt voorzien. In den jongsten tijd is het verleenen van dispensatie hier
en daar noodzakelijk geweeRt, waar z.g. doleerenden het kerkgebouw in hun
bezit hielden en geen geschikt locaal voor het houden van godsdienstoefeningen
te vinden was. Voorts sprak deze al. oorspronkelijk alleen van „zeer bijzondere
en gewichtige redenen aan de zijde van den ring. De billijkheid scheen echter
te eischen, dat ook redenen, die van de zijde der vacante gemeente bestaan
konden (b.v. indien de dienst van een godsdienstonderwijzer gewenscht ware) in
aanmerking genomen werd. Eene aanvulling in dezen zin is in werking gekomen
den 15 Jan. 1887.
Art. 24. Wanneer meer dan een derde der predikantsplaatsen in
het ressort van den ring vacant is, zorgt het Classikaal Bestuur en,
zoo noodig het Provinciaal Kerkbestuur, oordeelende, na den ring
gehoord te hebben, dat daarvoor overwegende redenen bestaan \'), dat
de vacaturen, die dat gedeelte te boven gaan, door één of meer der
naburige ringen bediend worden, en maakt daaromtrent zoodanige
bepalingen, als de billykheid voorschryft.
1) Oorspronkelijk was dit art. zóó gesteld, dat in het bedoelde geval het
initiatief uitging van den ring, waartoe de vacante gemeenten behooren; aan
hem was de beoordeeling in de eerste plaats gelaten, of hij in staat was tot
vervulling van den dienst bij een groot getal gelijktijdig bestaande vacaturen.
De gewijzigde redactie is in werking gekomen den 1 Jan. 1881.
Akt. 25. In eene vacante gemeente wordt niet gepredikt \') en
geene openbare godsdienstoefening geleid dan door een predikant of
een candidaat tot den heiligen dienst2).
1) Niet gepredikt, enz. Dit verhindert niet, dat in gemeenten, ten opzichte
van welke aan den ring dispensatie verleend is naar al. 2 van art. 23, op de
Zondagen, wanneer geen ringpredikant den dienst komt waarnemen, door een
wettig benoemden godsdienstonderwijzer, zich gedragende naar art. 11, Regl. op
het godsdienstonderwijs, bijbellezingen en z.g. oefeningen gehouden worden. De
in genoemd art. geëischte „uitdrukkelijke toestemming" moet in eene vacante
-ocr page 145-
Art. 23-27.
117
gemeente door den Consulent of den ring gegeven worden. Verg. de aant. op
al. 2 van art. 23 en de daar aangehaalde plaatsen uit de Syn. Handd., alsmede
1859, bl. 123, 124, 135.
2) Hier wordt natuurlijk bedoeld een pred. of cand. der N. II. K., als zoo-
danig bekend. 1871, bl. 83, Bijl. B, bl. 177.
Abt. 26. De Kerkeraad draagt zorg voor de goede ontvangst en
huisvesting van den consulent en de overige ringpredikanten, wanneer
zij in het belang der vaceerende gemeente overkomen.
Akt. 27. De ten behoeve der vacante gemeente bewezen diensten
in het algemeen en de waarneming van het eonsulentschap in het
bijzonder geven den Ring aanspraak op al de inkomsten \') aan de
openstaande predikantsplaats verbonden 2), met uitzondering van de
gevallen, in artt. 3 en 4 vermeld, waarin hij zijne diensten zonder
geldelijke vergoeding bewijst.
Indien de inkomsten, uit pastorijgoederen voortvloeiende3), met
inbegrip van het landstraktement *) meer dan twaalfhonderd gulden
bedragen, komt het meerdere voor de eene helft5) ten voordeele van
de ringpredikanten, voor de andere helft ten voordeele van de ker-
kekas der gemeente.
Twee derde gedeelten {1) van het aan den ring aankomende worden
genoten door den hulpprediker, die door den Kerkeraad wordt aan-
gesteld naar artt. 9 en 47.
Indien deze twee derde gedeelten meer bedragen dan f 800 \'sjaars,
bluft het meerdere voor den Ring.
1)    Al de inkomsten. Het hier uitgesproken beginsel, dat gedurende de vacature
al de inkomsten, aan de openstaande predikantsplaats verbonden, aan den ring
toekomen voor do door hem bowozen diensten, is van den vroegsten tijd af van
kracht geweest; overeenkomstig met de oorspronkelijke bestemming der pastorij-
goederen, die volgens hot hier te lande vóór de Hervorming vigeerende kerkrecht
begrepen waren onder den algemeenen naam van geestelijke leengoederen of
beneficiën, bestemd voor en onafscheidelijk verbonden aan de waarneming van
den h. dienst (officium curatum); welk verband tusschen de goederen en het ambt
zijne uitdrukking vond in den kanonieken rechtsregel: „beneticiuin datur propter
officium". In dezen zin en volgens dat beginsel is dan ook in do Hervormde
Kerk bij hare verschillende kerkordeningen de tijdelijke bestemming van de
inkomsten der pastoriën gedurende eene vacature steeds aangewezen als zijnde
ten behoeve van de predikanten in de classis, aan wie de vervulling van het
dienstwerk in vacante gemeenten werd opgedragen, tenzij er woduwen of min-
derjarige kinderen van don overleden ambtgenoot waren, ton wier behoeve zij
gedurende een zekeren tijd hunne aanspraak op die inkomsten moesten afstaan.
Zie hot arrest door het hof van Friesland den 18 Oct. 1876 uitgesproken in het
geding tusschen den ring van Leens en de Kerkvoogden van Ulrum (Weokbl.
van het Recht, no. 4043). In de 1ste al. is het beginsel uitgesproken en de regel
vastgesteld, waarop de 2de al. eene uitzondering aangeeft.
2)    Aan de openstaande standplaats verbonden. Op toelagen, die aan een ver-
-ocr page 146-
Reglement 01» r>E Vacaturen.
118
trokken of overleden predikant daarenboven nog toegekend waren, kan de ring
geen aanspraak maken. Beslissing van het Class. Best. van Dordrecht van 28
Maart 18G0 en van het Prov. Kerkbest. van Zuid-Holl. van 1 Aug. 1860, ineen
geschil tusschen den ring Sliedrecht en de Kerkvoogden van Oud-Alblas, 1861,
Bijl. B, bl. 158. Inkomsten, die als persoonlijke toelagen aan den predikant
zijn toegewezen, zijn alzoo niet begrepen onder die, waarop de Ring aanspraak
kan maken..
3)    Inkomsten uit de pastorij-goederen voortvloeiende. „De benaming pastorij\'
goederen
duidt op de afkomst en de bijzondoro bestemming dezer goedoren, als
die een doel hebben uitgemaakt van de kleine of bijzondere geestelijke goederen,
en, terwijl zij vroeger, d. i. vóór de invoering der hervorming, dienden tot
onderhouding van den pastoor, sedert door het wettig gezag aan de Herv. Kerk
zijn toegewezen, onder verband van tot onderhouding van hare predikanten te
moeten dienen, even als aan de patroons- of kerke-goederen, aan de vicarij-
goederen, de kostenj-goederen en de prebenden of beneficiën eene bestemming
gegeven werd, zoo nabij mogelijk aan de bestemming, welke zij oorspronkelijk
bezaten. Hierom sprak ook het voormalig Regl. op de Vac. in art. 23 van de
inkomsten eener j>astorij, en worden in art. 65 van het Alg. Regl. de kerke-,
pastorij- en kosterij-goederen zeer te recht van de andere goederen onderscheiden.
De uitzondering alzoo, gemaakt in al. 2 van dit art., kan niet gelden waar geene
pastorij-goederen zijn, of deze door hunne vermenging met de kerke-goederen
als zoodanig opgehouden hebben to bestaan." Schrijven der Synode aan de
Kerkvv. van Groningen in zake geschil over de vacatuurgelden tusschen hen en
den ring aldaar: 1863, Bijl. B, bl. 14, 15.— Waar alzoo geene pastorij-goederen
zijn, komt het volle traktement (ook boven de f 1200), naar al. 1, aan den
Ring; ook wat uit de kerkekas of door particulieren wordt bijgedragen, tenzij
deze bijdragen uitdrukkelijk als toelage uitsluitend voor den tijdelijken predikant
bestemd en dus niet „aan de openstaande predikantsplaats verbonden" zijn.
Verg. 1876, bl. 72, 73, 137. Deze interpretatie van de benaming pastorij-goede ren
is geheel in overeenstemming met het advies door de Syn. Commissie in 1846
aan den toenmaligen Minister van Herv. Eeredienst gegeven omtrent den zin
der woorden: inkomsten eener pastorij, destijds in art. 23 voorkomende, waarbij
zij aanhaalt de dispositie van den Staatsraad, Directeur-Generaal enz. omtrent
de administratie der pastorij-goederen van vacante gemeenten in de Prov. Gron.,
van 13 Oct. 1824, no. 10 (te vinden bij o. van der tuuk, Compendium, enz.,
bl. 292 e. v.). In dezen zin is dan ook door dien Minister in dat zelfde jaar
beslist in een geschil tusschen kerkvoogden te Leeuwarden en de predikanten
van den ring aldaar, n.1. dat alle predikants-inkomsten te Leeuwarden, waar
geene pastorij-goederen zijn, bij vacature „komen ten voordeele van den ring,"
met uitzondering alleen van zoodanige, waarover bij plaatselijke reglementaire
of bijzondere testamentaire bepalingen anders mocht zijn beschikt. 1846, bl. 39, 40.
Verg. 1864, bl. 212, 213.
4)    Met inbegrip van het landstraktement. Uit deze clausule volgt, dat in-
komsten, die uit de gemeente komen, \'tzij uit de kerkekas, \'tzij door particu-
lieren bijgedragen, niet mogen worden opgenomen in de berekening der som,
waarop het bepaalde in deze al. van toepassing is, maar dat zoodanige bijdragen
onverkort komen voor den ring, tenzij bij de traktements-verhooging gezorgd
is, de toelage uitsluitend voor den tijdelijken predikant te bestemmen. Verg, 1870,
bl. 72-73, 137.
-ocr page 147-
Abt. 27.
119
5) Komt het meerdere voor de eene helft, enz. Terwijl het beginsel, in den
aard der zaak gegrond en in de verordeningen der Kerk van de vroegste tijden af
uitgesproken (zie de bovenstaande aantt.), bleef gehandhaafd, dat de ring voor de
vervulling van den dienst in de vacature aanspraak heelt op het volle traktement,
aan de predikantsplaats verbonden, heeft de wetgever door deze alinea eene voor
gemeenten, waar pastorij-goederen zijn, die, of op zich zelve ot met het rijks-
traktement vereenigd, meer dan f 1200 bedragen, gunstige beschikking willen
maken, door haar de gelegenheid te geven uit dat meerdere in de kosten van
de vacature te voorzien. Daartoe in het Regl. op de vacaturen alsmede op de
beroeping en liet ontslag van pred., goedg. bij Kon. Besl. van den 29 Aug. 1816,
in art. 4 de bepaling, dat „voor \'t geval de inkomsten eener pastorij meer dan
ƒ1200 bedragen, het meerdere komt ten voordeele der gemeente, bijzonder om
daaruit in de kosten dor vacature te voorzien"; en in het Regl. op de vacaturen,
van den 23 Nov. 1826, in art. 23, al. 3: „Indien de inkomsten eener pastorie
meer dan f 1200 mochten bedragen, zal het meerdere komen ten voordeele der
gemeente, om daaruit geheel of gedeelteljjk de kosten te vinden, welke bij dit
regl. in volgende artikelen zijn vermeld". Er is eenig onderscheid tusschen de
bewoordingen, die in 1816 en die in 1826 gebezigd zijn, maar do bedoeling is
toch in beide regll. duidelijk, dat het excedent boven f 1200 aan de gemeente
wordt toegestaan, met het doel om haar in staat te stellen de vacatiiurkosten
daaruit te bestrijden,
\'t Is zelfs de vraag, of hot woord bijzonder in het regl.
van 1816 daar niet do beteekenis heeft van: speciaal, met name of bepaaldelijk.
En wat de bepaling van het Regl. van 1826 betreft, merkt de Heer jordens
op, dat uit de bewoordingen zelve volgt, dat do gelden, die, na aftrek van de
vacature-kosten, nog van het excedent boven f 1200 mochten overblijven, naar
hot beginsel in al. 1 van dit art. eveneens ten bate van den ring komen (Mr.
E. A. jordens, De provinciale Reglementen op de administratie der kerkelijke
fondsen en kosten van de eeredienst bij de Herv. gemeenten in Ned.,
bl. 129).
Hoe dit zij, in het regl. op de vacaturen van 1857 heeft de wetgever duidelijk
willen doen uitkomen, dat van het excedent aan de gemeente niet meer mocht
te goede komen dan tot de bestrijding der vacature-kosten zou blijken noodig te
zijn, en deed mitsdien al. 2 van het art. aldus luiden: „Indien de inkomsten,
uit pastorijgoederen voortvloeiende, met inbegrip van het landstraktement, meer
dan f 1200 bedragen, heeft de gemeente het recht, uit dat meerdere geheel of
gedeeltelijk in de kosten der vacature te voorzien." Een recht, eene bevoegdheid
werd daardoor aan do gemeente toegestaan op zekere gelden, maar daarvoor ook
alleen eene bepaalde bestemming aangewezen, nl. om geheel of gedeeltelijk, al
naarmate die gelden daartoe al of niet toereikende zouden zijn, in de vacature-
kosten te voorzien. Hoe duidelijk nu deze bepaling ook mocht zijn, toch gaf ze
aanleiding tot gedurige geschillen, daar men het öf niet eens was over de vraag,
wat door kosten van vacature te verstaan zij, óf van de zijde van kerkvoogden
de bepaling wilde verstaan hebben in den zin, dat in ieder geval der gemeente
het geheele excedent toekwam, of zelfs de geheele rechtsgeldigheid dezer bepaling,
t.w. de bevoegdheid der Synode om hieromtrent iets vast te stellen, bestreed,
\'t Is daarom, dat naar aanleiding van verschillende adressen, in 1870 bij de
Synode ingekomen, waarbij aangedrongen werd op maatregelen, strekkende tot
wegneming van onzekerheid, al. 2 van art. 27, in 1870 op nieuw gewijzigd,
den 1 Pebr. 1872 in werking gebracht is zooals ze nu luidt. Deze verandering
scheen zich door eenvoudigheid en billijkheid aan te bevelen en in allen gevalle
-ocr page 148-
120
Reglement op de Vacaturen.
een einde te maken aan de geschillen over het bedrag van do aan eene vacee-
rende gemeente toe te kennen gelden.
Nadat echter de laatste wijziging was tot stand gekomen, ontstond eene pro-
cedure voor den burgerlijken rechter tusschen den ring Leens en de kerkvoogden
der Herv. gemeente te Ulrum, nog op grond vnn de bepaling, zooals ze luidde
vóór die wijziging. Do ring van Leens toch had tijdens de te Ulrum van den
2 Juli 1871 tot den 4 Febr. 1872 bestaan hebbende vacature, naar het Regl. op
de Vacaturen, aldaar den dienst waargenomen en maakte nu aanspraak op al de
inkomsten, aan die predikantsplaats over dien tijd verbonden, onder aftrek geheel
of gedeeltelijk, zoo de gemeente zulks verkoos, van de kosten der vacature, als
overschrijdende hier het jaarlijksch traktement, geheel uit de inkomsten van
pastoralia bestaande, de som van f 1200, alles invoege dit in de destijds gel-
dende bepaling van hot bedoelde regl. was omschreven. Daar nu de Kerkvoogden
van Ulrum met den ring niet anders wilden afrekenen, dan naar een inkomen
van slechts f 1200 over het jaar, zonder meer, en niettegenstaande alle door het
Class. Best. van Onderdcndam, het Prov. Kerkb. van Groningen en het Collegie
van Toezicht aangewende minnelijke pogingen om hen tot andere gedachten te
brengen, in hun voornemen bleven volharden en ook geen voorstel van den ring,
om naar de laatst in werking gebrachte hun meer voordeelige bepaling af te
rekenen, wilden aannemen, heeft de ring den 8 Dec. 1873 hen doen dagvaarden
voor de Arrondissements-Rechtbank te Appingedam, met den eisch om binnen
een door de Rechtbank te bepalen termijn aan de ringpredikanten te doen reke-
ning en verantwoording van het door hen gedurende bovenvermelde vacature
over de pastoralia te Ulrum gevoerde beheer, enz. Yan de zijde der gedaagden
werd nu de rechtsgeldigheid van art. 27, Regl. op de Vac., bestreden, en de
Rechtbank, met deze zienswijze instemmende, deed den 7 Januari 1875 uitspraak,
dat art. 27 van dat regl. bevat eene bepaling over de inkomsten der pastorij-
goederen, gevolgelijk eene beheersbepalinff, die alleen door de Koninklijke goed-
keuring rechtskracht kan hebben gehad, maar, al mocht zij die ook ooit gehad
hebben, toch sedert 1 Oct. 1869 is vervallen: zoodat er geene rechtsgeldige
regeling bestaat aangaande de belooning voor de vacatuurdienst, die de eischers
hebben waargenomen, kunnende zij daarop ook geen aanspraak maken krachtens
stilzwijgende overeenkomst, daar de dienst is vervuld krachtens het op dit punt
wèl verbindend vacaturen-reglement. Van deze uitspraak, die de rechtskracht
der kerkelijke wetgeving aantastte, is de ring, na bekomen machtiging van de
Synodale Commissie, naar art. 66 van het Regl. v. Kerkelijk Opzicht en Tucht
(zie 1876, Bijl. A, bl. 71—76), in hooger beroep gekomen. Het Gerechtshof te
Leeuwarden, gehoord de conclusiën van partijen en de van weerszijden gevoerde
pleidooien, heeft den 18 Oct. 1876 een arrest gegeven, waarin met volle erkenning
van de rechtskracht van art. 27 van het vacaturen-reglement gedurende en bij
het einde van de vacature van Ulrum, het vonnis van don eersten rechter ver-
nietigd en Ulrum\'s Kerkvoogden veroordeeld worden om aan de appellanten te
doen rekening en verantwoording van het door hen gedurende de vermelde
vacature over de pastoralia hunner gemeente gevoerde beheer, waarbij door hen
desverkiezende in uitgaaf zullen mogen worden gebracht de kosten der vacature,
ingevolge reglement, en wijders tot betaling van zoodanige som als bij het sluiten
der rekening den appellanten zal blijken toe te komen, met de interesten sedert
den dag der dagvaarding (Weekblad van het Recht, 1876, no. 4048). Dit arrest,
waarin de rechtsbevoegdheid der Kerk om te dezer zake wettelijke bepalingen
-ocr page 149-
Art. 27—28.                                          121
te maken, op geschiedkundige gronden wordt gehandhaafd, is om zijne hooge
belangrijkheid voor de Kerk mede opgenomen in het Verslag der Synodale
Commissie (Bijl. B) aan de Synode van 1877.
6) Twee derde gedeelten, enz. Deze en de volgende al. zijn tegelijk met de
ampliatiën van artt. 9 en 47 in werking gekomen den 1 Maart 1863.
Pastorij goederen, voor zoo ver zij niet in den loop der tijden op wettige wijze
met de kerkgoederen zijn vermengd geworden of aan hunne bestemming ont-
trokken, vormen zelfstandige stichtingen, waarvan het recht van beheer en het
genot toekomt aan den pastor loei als zoodanig en zoolang hij de betrekking
van predikant bekleedt. Alleen tijdens de vacature berust het beheer bij kerk-
voogden; bij de aanvaarding van het ambt door een opvolger gaan het beheer
en het genot eo ipso, zonder eenige formaliteit op dezen over. Vonnis der Arron-
dissementsrechtbank te Leeuwarden 18 Oct. 1883. Weekblad van het recht 3 April
1884, no. 5O03. — Desgelijks het arrest van hot Gerechtshof van Friesland 18
Feb. 1880.
Abt. 28. Bn\' gerezen geschil \') tusschen den Ring en de vacee-
rende gemeente over de aan den Ring toekomende gelden, tracht,
vóór dat in rechten wordt opgetreden s), het Classikaal Bestuur s),
en, bjj het mislukken van deze poging, het Provinciaal Kerkbestuur,
des noods in overleg met het Provinciaal Collegie van toezicht, het
geschil te vereffenen.
1)    Bij gerezen geschil. "Wie lust heeft na te gaan, wat al geschillen over de
toepassing van art. 27, al. 1 en 2 gerezen zijn en hoe moeielijk die op den in
art. 28 voorgeschreven weg waren te vereffenen vóór dat de beide artikelen,
art. 27 in 1872 en 28 in 1871, wijzigingen hadden ondergaan, zie Handd. der
Synode, 1862, bl. 136, 140, 191 — 193, Bijl. B, bl. 219—224; 1863, bl. 53,54,
125, 126, 219, 220, Bijl. B, bl. 13—16, 102—104; 1864, bl. 210, 211, 312,
313; 1865, bl. 24—28, 62, 63, 225, Bijl.B, bl. 128—131; 1866, bl. 22, Bijl. B,
bl. 22—25; 1867, Bijl. B, bl. 31, 32.
2)     Voordat in rechten wordt opgetreden. Deze woorden zijn hier ingevoegd
den 1 Maart 1871 en te gelijker tijd is vervallen het tweede lid van het art.,
na vereffenen, \'twelk luidde: „Wanneer zulks weder mislukt, draagt het Prov.
Kerkb. de zaak voor aan de Synode en zoo deze niet vergaderd is aan de Syn.
Commissie, die, indien ook hare pogingen vruchteloos blijven, de tusschenkomst
inroept van het ministerieel departement om tot een gowenscht einde te geraken."
De Synode heeft deze alteratie, welke reeds in 1862 door de Syn. Comm. voor-
gesteld was (zie Handd., bl. 116, Bijl. B, bl. 178), noodig geoordeeld wegens
de door haar opgedane ondervinding, dat de tusschenkomst des Ministers meestal
vruchteloos was, en dat wegens de veranderlijkheid van do beschouwingen der
regeering te dier zake, gebleken o. a. in het geschil over do vacatuurpenningen
tusschen den ring Delfzijl en de gemeente Spijk, zij wel eens te vergeefs werd
ingeroepen om het betwiste recht der predikanten te handhaven. Zie de verwijzing
naar de Handelingen der Synode in de voorg. aanteekeningen. De uitvaardiging
dezer reeds in 1868 definitief aangenomen en bij eindstemming door de Prov.
Kerkbesturen goedgekeurde alteratie heeft echter vertraging ondervonden, omdat
do Minister daar bedenking tegen had, zoolang de bekende reserves op het
Alg. Regl. (opgeheven in 1870) nog van kracht waren.
3)    Het Classikaal Bestuur, enz. Het spreekt van zelf, dat, indien bij een
-ocr page 150-
122                                Reglement op de Vacaturen.
geschil tusschen ringpredikanten en de kerkvoogden eener vacante gemeente
over de uitbetaling der vacatuurgelden, een van de in dit art. genoemde ker-
kelijke collegiën vermeent, dat de vordering van den ring of is onrechtmatig öf
onraadzaam, het Class. Best. niet kan verplicht zjjn, alleen op het verlangen
van den ring pogingen aan te wenden om hem zijne vordering te doen verkrijgen.
Hiermede is echter voor den ring de gelegenheid om langs kerkelijken weg recht
te verkrijgen geenszins weggenomen; art. 14 van het Alg. ltegl. geeft het recht
van beklag. Deelt het Class. lJest. de meening niet van den ring en weigert het
pogingen tot vereffening aan te wenden, dan kan de ring zich hierover bij het
Prov. Kerkb. beklagen. Deelt het Class. Best. do meening van den ring en brengt
dit na mislukte pogingen tot schikking, de zaak tot hot Prov. Kerkb., dan
kan bij weigering van het Prov. Kerkb. het Class. Best. zich tot de Synode
of Syn. Commissie wenden. 1808, bl. 14ü, Bijl. B, bl. 79, 80. Verg. 1863,
Bijl. B, bl. 103.
Art. 29. De afrekening der inkomsten tusschen den Ring ter eene,
en de aankomende en vertrekkende predikanten, de weduwen of nabe-
staanden van overleden predikanten ter andere zijde, geschiedt in
eiken Ring overeenkomstig huishoudelijke bepalingen, goedgekeurd
door het Classikaal Bestuur, met dien verstande \'), dat aan den ver-
trekkenden en in dienst blijvendeu predikant het tractement moet
worden toegekend voor de week, waarin hij van zijne betrekking tot
de gemeente wordt losgemaakt.
1) Met dien verstande. Deze woorden, tot aan het einde, zijn aan het art.
toegevoegd den 1 Jan. 1888.
Art. 30. De quaestor van den Ring ontvangt de inkomsten der
vacature. Tot de rechtstreeksche inning van het landstractement
benoemt de Ring, zulks goedvindende, een afzonderlijken gemach-
tigde, met kennisgeving\') aan het daartoe aangewezen Ministerieel
departement.
1) Met kennisgeviny, enz. Zie de Min. disp. van 22 Nov. 1827 betreffende
opgaaf van gecommitteerden tot ontvangst der vacaturepenningen. Bijl. II bij
dit regl.
Art. 31. De vacatuurpenningen worden in de beurs van den Ring
gestort, en door de leden naar onderling te maken bepalingen ver-
deeld. Ingeval van bezwaar, de verdeeling betreffende, beslist het
Classikaal Bestuur.
Art. 32. Wanneer een lid van den Ring zijne predikbeurt in eene
vacante gemeente niet vervult, komt zijn aandeel voor dien dienst1)
ten voordeele van de diaconiekas dezer gemeente, tenzij bij haar de
oorzaak ligt van het verzuim, in welk geval de ringbeurs dit voordeel
geniet.
Daarenboven betaalt de predikant ten behoeve dierzelfde diaconiekas
eene boete van zes gulden, wanneer niet voldoende, ter beoordeeling
-ocr page 151-
123
Akt. 28-34.
van het Classikaal Bestuur, door hem is aangetoond, dat hij de beurt
niet vervullen kon.
1) Zijn aandeel voor dien dienst. Eene ringbepaling als deze: „Het aandeel
in de vaeatuurpenningen, dat volgens art. 32, Regl. op de vac., aan de diaconie
vervalt der gemeente, in wier midden de vacatuurbeurt verzuimd is, is bepaald
op vijf\' gulden", is in strijd met dit wetsartikel en mitsdien van geenerlei wetteljjk
verbindende kracht. Eindbeslissing van het Prov. Kerkb. van Utrecht. Zie Ilandd.
1875, Bijl. B, bl. 176—180. Men kan zich op art. 31 niet beroepen, daar dit
den Ring alleen het recht geeft, de vaeatuurpenningen te verdeelen onder zijne
leden
naar onderling te maken bepalingen. Dienovereenkomstig heeft ook in 1884
de Syn. Comm. in een geschil tusschen een pred. en eene vacante gemeente, met
verwerping van het door eerstgenoemde tegen de uitspraak van liet Prov. Kerkb.
van Friesland aangevoerde cassatiemiddel, beslist dat „zijn aandeel voor dien
dienst" is een zooveelste gedeelte der den ring toekomende penningen, als een
evenredig deel uitmaakt van al de door den ring te vervullen predikbeurten.
1884, Bijl. B, bl. 151 — 153. .
AANHANGSEL TOT DE TWEEDE AFDEELING.
Voorziening in gevallen met vacaturen
gelijkstaande.
Art. 33. Ingeval een predikant zich ambtshalve uit zijne gemeente
verwijdert, of haar om andere redenen verlaat, zonder gezorgd te
hebben1) dat zijn dienstwerk behoorlijk waargenomen worde; of ook
ingeval hij door ziekte, krenking van geestvermogens of schorsing
belet wordt zijn dienstwerk te verrichten, wordt, inzonderheid in
gemeenten _ met één predikant, door de ringpredikanten, zoo veel
noodig in overleg met den Kerkeraad, in den dienst voorzien, onder
de bepalingen krachtens de eerstvolgende artikelen in acht te nemen.
1) Gezorgd te hebben dat zijn dienstwerk, enz. Eene bepaling, zooals bij de
Lutherschen en Doopsgezinden gevonden wordt, dat de gemeente jaarlijks, bij
afwezigheid des leeraars, zelve voor de vervulling van een bepaald aantal pre-
dikbeurten zorgt, heeft onze kerk niet. Een voorstel van die strekking, door
den ring de Rijp ingediend, is door de Synode afgewezen, deels omdat niets de
predikanten verhindert, ter zake met den Kerkeraad in overleg te treden, deels
omdat raoeielijk kan worden uitgemaakt, hoe in de kosten zal worden voorzien,
wanneer ver af wonende predikanten tot het vervullen van predikbeurten mochten
worden uitgenoodigd, deels omdat zulk eene bepaling voor den pred. en zijn
ambtswerk wel eens ongewenscht en belemmerend zou kunnen zijn. 1867,
bl. 14, 15.
Abt. 34. Een predikant, die, ter bijwoning van hooge kerkverga-
deringen geroepen, zich deswege voor eenigen tijd uit zijne gemeente
verwyderen moet, is gerechtigd, den dienst der ringbroeders, zoo
noodig1), in te roepen voor de vervulling van zijne predikbeurten,
-ocr page 152-
124                             Reglement op de Vacaturen.
gedurende den tijd der gevorderde afwezigheid, op den voet in art. 23.
De praetor van den Ring zorgt, in dit geval, op zijne aanvrage,
voor de uitschrijving der predikbeurten, en de afwezige predikant
voor de goede ontvangst en de reiskosten 2) der ringbroeders, die ze
vervullen. De regeling dezer kosten is aan den Ring overgelaten.
1)    Zoo noodig. Naar aanleiding eener vraag over de beteekenis dezer woorden,
heeft de Synode met eenparigheid geoordeeld, dat in het verband, waarin ze
voorkomen en naar de bedoeling, waarmede dit art. alzoo is geredigeerd, niet
anders kunnen opgevat worden, dan in dezen zin: „indien hij, de predikant, dit
noodig acht," zoodat het oordeel over de noodzakelijkheid van het inroepen
der hulp des Kin gs niet aan dezen, maar aan den Predikant, die zich ter
bijwoning van hooge kerkvergaderingen verwijderen moet, is overgelaten. 1885,
bl. 10 en 11.
2)    En de reiskosten. Deze woorden en het laatste lid van dit artikel: „De
regeling dezer kosten is aan den ring overgelaten", zijn aanvullingen van 1 Maart
1867 — „billijk en, wH beschouwd, in het belang zoowel van hen die den
dienst vragen als van die hem bewijzen;" 1865, bl. 157—159, 216; 1866,
bl. 66, 68.
Abt. 35. Ingeval een predikant zijne gemeente verlaten heeft zonder
in zijn dienstwerk te hebben voorzien, geeft de Kerkeraad hiervan
ten spoedigste kennis aan het Classikaal Bestuur. Zoo het bestuur na
onderzoek daartoe termen vindt, verklaart het aan den praetor van
den Ring, dat de gemeente in haren tegenwoordigen toestand als eene
hulpbehoevende beschouwd, en dat met haar als met eene vacante
gehandeld moet worden, volgens de bepalingen in artt. 13—26.
Indien zoodanige toestand onverhoopt langer dan een halfjaar bluft
bestaan, beoordeelt het Classikaal Bestuur, in overleg met den Ker-
keraad, hoe verder zal gehandeld worden, en wordt inmiddels in den
dienst bij voortduring op dezelfde wyze voorzien.
Art. 36. Bevindt een predikant door langdurige ziekte zich buiten
staat zn\'n dienstwerk te verrichten, en kan hij zelf de vereischtehulp
zich niet verschaffen, dan geeft de Kerkeraad op zijn verzoek, ot
anders hij zelf met mededeeling aan dit collegie, hiervan kennis aan
het Classikaal Bestuur, hetwelk alsdan, overeenkomstig het bepaalde
in art. 35, handelend optreedt.
Ten aanzien der kosten wordt met de omstandigheden te rade
gegaan.
Art. 37. Wanneer bij het Classikaal Bestuur door den Kerkeraad
eener gemeente bezwaar wordt ingebracht wegens ongeschiktheid \')
van haren predikant tot het verrichten van zijn dienstwerk uithoofde
van gekrenkte geestvermogens, of wanneer dit bestuur ook buitendien
grond heeft om zoodanigen toestand te vermoeden, benoemt het eene
commissie uit zijn midden, om op de plaats zelve het noodige onder-
zoek in te stellen.
-ocr page 153-
125
Art. 34—36.
Blgkt het alsdan dat dit bezwaar of vermoeden gegrond is, zoo
wordt de predikant door het Classikaal Bestuur, op zn\'n aanzoek, of,
bh\' weigering of onbekwaamheid om zulk een aanzoek te doen, na
bekomen attest van een geneeskundige, op eervolle wh\'ze en met
behoud van zh\'n tractement, voor een halfjaar van zhn dienstwerk
ontheven, hetwelk alsdan, op aanschrh\'ving van het Classikaal Bestuur,
door de ringpredikanten, en, in gemeenten met één predikant, ook
door den consulent wordt waargenomen, overeenkomstig de artt.
13-24 en 26.
Na verloop van een half jaar onderzoekt het Classikaal Bestuur, of
de predikant weder tot het verrichten van zhn dienstwerk kan worden
toegelaten. Indien het Bestuur hiertoe geene vrh\'heid vindt, en de
hoop op herstel nogtans niet geheel verloren is, ontheft het den
predikant van zijnen dienst voor den duur van een geheel jaar *).
Intusschen is het, daartoe termen vindende, den Kerkeraad behulp-
zaam in het verkrijgen van een hulpprediker. Voor den dienst wordt
inmiddels op de wijze als vroeger gezorgd.
Wanneer na den eersten termijn de hoop op herstelling geheel is
verdwenen, of de krankzinnigheid na den laatsten termy\'n voortduurt,
gaat het bestuur tot handelen over, om een eervol ontslag te doen
verleenen aan den lh\'denden predikant, overeenkomstig de bepalingen
op het verleenen s) van ongevraagd ontslag in het volgende art. 37*,
onverminderd altoos het recht van hooger beroep, naar de bestaande
bepalingen.
Ten aanzien der schadeloosstelling, aan de ringpredikanten te ver-
strekken, wordt door het Classikaal Bestuur naar bevind van zaken
gehandeld.
1)    Ongeschiktheid uithoofde van gekrenkte geestvermogens. In deze om-
standigheid was vroeger voorzien door het Kon. Besl. van 8 Nov. 1824, no. 103,
naar \'t welk art. 29 van het vroegere vacaturen-regl. verwees. Zie hooijer,
Kerkelijke Wetten, bl. 69, 70.
2)    Voor den duur van een geheel jaar. Te recht merkt brüna t. a. p. op, dat
zoowel uit het (zoo even aangehaalde) Kon. Besluit van 8 Nov. 1824 (waar
gesproken wordt van schorsing nogmaals, voor den tijd van één jaar) en uit
vergelijking van het concept-regl. (waar diezelfde woorden voorkomen) met de
memorie van toelichting (waar een anderhalf jarig bezwaar voor de ringbroeders
vermeld wordt, waarbij de bepalingen op het hulppredikerschap te pas komen)
genoegzaam blijkt, dat hier moet gedacht worden aan eene schorsing op
nieuw en nu voor een jaar. Zie 1854, bl. 314, 330. In dezen zin is ook geant-
woord op eene des betreffende vraag van het Prov. Kerkb. van Noordbrabant,
1868, bl. 177, 178, Bijl. B, bl. 58, 59.
3)    Op het verleenen van ongevraagd ontslag in het volgende art. 37*. Deze
woorden zijn den 1 Febr. 1865 in de plaats gekomen van: „van het reglement
op het ongevraagd ontslag." Het reglement op het ongevraagd ontslag, van den
23 Juli 1847 is tegelijkertijd afgeschaft, terwijl zijne hoofdzakelijke bepalingen
met eenige wijzigingen hier heen zijn overgebracht en tusschen art. 37 en 38
-ocr page 154-
Reglement op de Vacaturen.
126
als nieuw artikel eene plaats gevonden hebben. Zie over het ontwerpen en vaat-
stellen van dat reglement: 1845, bl. 95; 1846, bl. 30, 75—77, 137—140; 1847,
bl. 100, 175 — 189, 204; en over de in plaats stelling daarvoor van art. 37*:
1863, bl. 60, 327, 328, 330, Bijl. B, bl. 22—24; 1864, bl. 105 — 107, 108,
109-, 131, 132.
Art. 37*. Wanneer een predikant door ouderdom, lichaamsgebre-
ken of\' andere zeer gewichtige redenen \'), echter niet gelegen in
krankzinnigheid noch vallende in de termen van het reglement voor
kerkelijk opzicht en tucht, voor zijn dienstwerk ongeschikt geworden 2)
en nogtans ongenegen is het emeritaat aan te vragen, kan de Ker-
keraad, of kan ook het Classikaal Bestuur zelf bezwaren tegen de
verdere ambtsvervulling van den predikant inbrengen by het Pro-
vinciaal Kerkbestuur, tot welks ressort hij behoort.
Bezwaren zonder aanvoering van redenen zijn niet ontvankelijk.
Na nauwkeurig onderzoek, waarbij de predikant in de eerste plaats
gehoord wordt, en zoowel de belangen van de gemeente als die van
den predikant gewogen worden, beslist het Provinciaal-Kerkbestuur
over het al of niet gegronde der ingebrachte klachten.
Wanneer de bezwaren gegrond geacht worden, aeet het kerkbestuur
uitspraak: dat de predikant behoort ontslagen te worden,
geeft hem daarvan kennis en tracht hem daarbij nog te bewegen, dat
hü zelf het emeritaat verzoeke.
Den predikant, die volhardt in zijne weigering, blijft een termijn
van vier weken gesteld om tegen/Ho uitepraak van het Provinciaal
Kerkbestuur in hooger beroep te komen, waarvan hij aan dat bestuur
schriftelijk kennis geeft.
Wanneer binnen den gestelden termijn geen kennisgeving van hooger
beroep noch aanvraag om emeritaat is ingekomen, of wanneer, in
geval van hooger beroep3), de Synode op dit beroep afwijzend beschikt
heeft, verleent het Provinciaal Kerkbestuur eervol ontslag.
Ook voor de klagers bestaat er by de ontvangst van eene afwijzende
beschikking van het Provinciaal Kerkbestuur een termijn van vier
weken voor het doen van hooger beroep.
De onvermijdelijke kosten van de behandeling der zaak komen ten
laste van hen, die b\\j jifit3prankof oind-uitopiMab/ in het ongeluk
gesteld zijn, tenzij er gewichtige redenen bestaan om hierin op eene
andere wijze te voorzien.
1)    Andere zeer gewichtige redenen. Deze redenen, op eene lijn staande met
„ouderdom en lichaamsgebreken," behooren van dien aard te zijn, dat zij grond
opleveren om de „volstrekte" ongeschiktheid van een predikant voor zijn dienst-
werk te kunnen uitspreeken. 1868, bl. 238.
2)     Voor zijn dienstwerk ongeschikt geworden. Deze woorden, overgenomen uit
art. 1 van het vroeger vigeerende regl. op het verleenen van ongevraagd ontslag,
zijn in de plaats getreden van: „voor het dienstwerk in hunne gemeente onge-
schikt geworden", voorkomende in het ontwerp van 1846, en behooren, blijkens
-ocr page 155-
/* %lj£ ia^£**ï/y s<;~ Az-A. scpf/?
ff &e~£^s of ^^^-d^Jc^/sT t^6*. /iPp/J
-ocr page 156-
Art. 37*—39.                                         127
het rapport der commissie over dat ontwerp (1847, bl. 178; verg. bl. 204),
verklaard te worden niet van eene alleen plaatselijke, relative of tijdelijke, maar
van eene volstrekte, absolute en blijvende ongeschiktheid. 1868, bl. 336, 337.
De woorden „ten eenenmale" vóór „ongeschikt" in het vroegere reglement op het
ongevraagd ontslag, zijn hier weggelaten, ten einde te verhoeden, dat de toe-
passing van het artikel te zeer beperkt zou worden door de exceptie, dat een
pred., hoewel door ouderdom, lichaamsgebreken of andere zeer gewichtige redenen
volstrekt ongeschikt geacht voor zijn dienstwerk in zijn geheelen omvang, noch-
tans wegens beweerde geschiktheid nog voor een gedeelte van zijn dienstwerk,
geacht zou kunnen worden daarvoor niet „ten eenenwale" ongeschikt to zijn:
1868, bl. 237, 238; verg. de uitspraak der Synodus contracta in het hooger
beroep in zake Dr. J. c. zaalberg pzn. , die door het Prov. Kerkb. van Zuid-
Holland naar art. 37* verklaard was te behooren ontslagen te worden; alsmede
de uitspraak der Synode in zake de aanvrage van den Kerkeraad van \'s Gra-
venhage om herziening van het vonnis; 1868, bl. 207, 214, 215, 240.
3) Ingeval van hooger beroep. Moet voor de behandeling van een hooger
beroep, naar art. 37* van het Regl. op de Vac, de bepaling in de laatste al.
van art. 15 van het Alg. Regl. worden toegepast, of moet zulk hooger beroep
voor de geheele Synode gebracht worden? Toen, in 1875, in de Synodus con-
tracta, aan welke de behandeling van een hooger beroep naar gezegd art. was
opgedragen, de bedenking gerezen was, of de zaak wel viel in de termen van
eene rechtelijke beslissing,
heeft de Synode de gestelde vraag in den eerst vermelden
zin beslist, in aanmerking nemende het beginsel, dat het Alg. Regl. de geheele
wetgeving beheerscht, terwijl ook eerst, als naar art. 15 gehandeld wordt, aan
den bezwaarde volkomen recht zal kunnen geschieden, daar dan, bij ongunstige
beschikking, nog de gelegenheid over blijft van zich te beroepen op de geheele
Synode. Bl. 122—125. Hierbij dient echter ook opgemerkt te worden, dat de
behandeling dezer zaak niet valt onder de termen van het Regl. voor Kerkelijk
O. en T. en voor het beh. van Kerkelijke geschillen, zoodat de in dit reglement
voorgeschreven vormen en termijnen niet behoeven in acht genomen te worden.
Het geldt eene administratieve rechtspraak en de zaak moet geheel naar de
bepaling van bovenstaand art. worden behandeld.
Art. 38. Ingeval van schorsing van een predikant, geeft het Clas-
sikaal Bestuur daarvan mede kennis aan den praetor van den Ring,
en, waar hy bestaat, ook aan den consulent, opdat in den dienst der
gemeente als in dien eener vacante worde voorzien. Die dienst wordt
vergoed, en met het overschot van het tractement wordt gehandeld
overeenkomstig de bepalingen van \'t reglement voor kerkelijk opzicht
en tucht.
Art. 39. Voor de diensten, in artt. 33—37 vermeld, geldt het
bepaalde ten aanzien van vacaturen in artt. 23 en 24.
Bij een geluk verzuim, als in art. 32 is omschreven, betaalt de
predikant, die nalatig is gebleven, ten behoeve der diaconiekas eene
boete van zes gulden.
-ocr page 157-
128                             Reglement op de Vacaturen.
DERDE APDEELINO.
Vervulling der vacaturen.
A. Beroeping.
Vóór de beroeping.
Art. 40. De Kerkeraad doet\'), door tusschenkomst van liet Glas-
sikaal Bestuur2), aanvraag bjj het daartoe aangewezen Ministerieel
Departement tot het verkregen eener machtiging, ten einde aan den
te beroepen leeraar het bedrag der laatstelijk aan de standplaats
verbonden inkomsten\') te kunnen aanbieden, en voert daarbij de
gronden aan, waarop zijn verlangen rust, om de vacature op den-
zelfden voet te doen vervuld worden.
1)    De Kerkeraad doet, enz. Dit art., alsmede 42, 71 en 75 zijn gewijzigd en
als zoodanig in werking gekomen den 1 Mei 1864, ten einde ze in overeenstem-
ming te brengen met het Kon. Besl. van den 15 Dec. 1861, no. 59 (opgenomen
onder de Bijlagen tot dit regl.), waarin, met opheffing van het Besluit van den
Souv. Vorst, dd. 23 Dec. 1813, no. 17, bepalingen zijn voorgeschreven, die de
verzoeken om z g. handoponing tot het doen van, of om de Koninklijke appro-
batiën op beroepingen moeten vervangen. Zie 1862, Bijl. B, bl. 173—176, Handd.,
bl. 125, 126, 410, 411; 1863, bl. 321, 328, 339. Zie het Kon. Besl. in Bijl. III
bij dit reglement.
2)    Door tusschenkomst van het Classikaal Bestuur. Op aanvragen, die buiten
het Class. Best. om bij het Departement mochten inkomen, zal door den Minister
geene autorisatie worden verleend, alvorens dat bestuur daarop is gehoord.
Naar aanleiding van een schrijven van den Min. van financiën, houdende klachten,
dat de bepalingen van dit art. dikwerf zeer gebrekkig worden nageleefd, heeft
de Syn. Comm. den 5 April 1857 nogmaals de aandacht der Class. Besturen
gevestigd op artt. 40, 41 en 70, volgens welke de hier bedoelde aanvrage door
de Kerkeraden zelven, bij officieel schrijven, geteekend door den Praeses en een
Ouderling, loco Scriba en geadresseerd aan den heer Min. v. Fin. behooren inge-
zonden te worden aan de Class. Besturen, die ze bij schrijven mede door Praeses
en Scriba geteekend,
aan het betrokken Dept. doen toekomen.
3)    Aan de standplaats verbonden inkomsten. Ook waar geen rjjks-traktement
is zal deze machtiging moeten gevraagd worden, ten einde den te beroepen
predikant in \'t genot te stellen van, casu quo, kindergeld en rijkspensioen.
Art. 41 1). De aanvraag, in art. 40 vermeld, geschiedt zoodra het
genoegzaam zeker is, dat de vacature zal ontstaan.
Het Classikaal Bestuur brengt deze aanvraag niet over, tenzij
gebleken is, dat de verschenen Classikale quota (quota voor de kosten
van bestuur) zyn betaald en eene schriftelijke verklaring is overgelegd
van de kerkelijke administratie der roepende gemeente, dat z\\j bereid
is, niet slechts art. 27 na te leven, maar ook de kosten vermeld in
-ocr page 158-
Art. 40-43.                                          129
art. 73\') te voldoen, en bij geschil over hun bedrag de beslissing
aan bet Classikaal Bestuur over te laten.
Waar een jaar van gratie is ingetreden, wordt met de aanvraag
gewacht tot op zes maanden vóór dat het zal geëindigd zijn.
1)    Al. 1 is gewijzigd en al. 2 nieuw sedert den 15 Febr. 1872; al. 2 weder
gewijzigd den 1 Febr. 1873.
2)    De, konten vermeld in art. 73. Welke verplichting neemt, naar deze be-
paling, de Kerkelijke administratie op zicb ten aanzien van de kosten in art. 73
vermeld ? Zie deze vraag beantwoord in do aant. op dat art.
Art. 42. Indien het bevoegd Ministerieel Departement bezwaren
inbrengt tegen bet verleenen der door den Kerkeraad aangevraagde
machtiging, tracht het Classikaal Bestuur, naar aanduiding van het
Algemeen Reglement (art. 43) of het Provinciaal Kerkbestuur (art. 51),
waar zijne tusschenkomst wordt ingeroepen, tot opheffing daarvan
te geraken.
Zie de aant. op art. 40.
Art. 43. Geen predikanten\')) die eene vaste standplaats bekleeden,
worden uitgenoodigd, om op de nominatie te prediken.
Candidaten tot den heiligen dienst, die op beroep prediken, ver-
toonen aan den Kerkeraad, vóór het waarnemen van hunne predik-
benrt, de door hen verkregen acte van toelating, benevens hunne
acte van geboorte.
Indien candidaten andermaal2) worden uitgenoodigd in dezelfde
vacature te prediken, worden hun de reis- en verbluf kosten van wege
de gemeente vergoed.
De uitnoodiging tot het prediken op beroep geschiedt door of
namens hen, die krachtens de reglementen de beroeping hebben
te doen.
Bij de vervulling eener vacature 3) uit candidaten wordt de keus
bepaald tot hen, die op beroep gepredikt hebben.
1)    Geen predikanten, enz. „Art. 43, al. 1 behoort tot hot van oudsher eigen-
aardige en onderscheidende van de Ned. Herv. Kerk, dat diep wortelde in een
heerschend en hoog te schatten govoel van eer, waar hot den stand van den
evangeliedienaar geldt." 1867, bl. 103. Het besluit der Synode van 1818, waarbij
het prediken van gevestigde predikanten op nominatie afgeschaft werd, is uit-
drukkelijk gehandhaafd in 1823, op gemotiveerd advies van den Hoogl. j. hkringa,
voorts in 1867, in 1873, en laatstelijk, bij het behandelen der reorganisatie-
voorstellen, tegen het advies der op dit punt rapporteerende commissie, in 1874;
zie Handd. bl. 202, 205, 211, 312. Vóór „uitgenoodigd" zijn de woorden: „door
den Kerkeraad" weggenomen den 1 Maart 1869.
2)    Indien candidaten andermaal, enz. Den 1 Maart 1860 zjjn do drie laatste
alinea\'s in werking gekomen in plaats van de vroegere al. 3: „Indien candidaten
andermaal in dezelfde vacature op verzoek van den Kerkeraad prediken, is deze
gehouden hun de reis- en verblijfkosten te vergoeden", en al. 4: „Tot de can-
Kerkelijlc W\'ctlwek, 2e druk.                                                                            !)
-ocr page 159-
130                             Reglement op de Vacaturen.
didaten, die op beroep gepredikt hebben, heeft de Kerkeraad zijne keus te
bepalen."
3) Bij de vervulling eener vacature, enz. Deze al. geeft aan de Kerkeraden
het recht een predikant te beroepen, al hebben er ook eenige candidaten op
beroep gepredikt, als zij vooraf niet bepaald hebben een candidaat te zullen
beroepen. Antw. der Syn. Comm. aan het Prov. Kerkbestuur van Gelderland,
goedg. door de Synode, 1872, bl. 274, Bjjl. 13, bl. 229. Ook geldt deze bepaling
elke door een Kerkeraad uitgebrachte beroeping afzonderlijk. Heeft do eerste het
gevolg gehad, dat men tot de vervulling der vacature niet geraken kon, dan
moet eene tweede worden gedaan en deze is eene nieuwe, waarbjj de vroeger
gemaakte nominatiën zijn vervallen, tenzij de Kerkeraad goedvindt om ze te
behouden, d. i. tot het nieuwe beroepingswerk over te brengen on dan ze aan
te vullen naar verkiezing. Verkl. van de Syn. Comm., goedg. door de Synode,
1858, bl. 26, Bjjl. B, bl. 41. Deze verklaring later gehandhaafd, 1863, bl. 13.
Art. 44. De toebereidselen \') tot de beroeping vangen tijdig aan;
uiterlijk drie maanden vóór het einde van een jaar van gratie, waar
dit wordt waargenomen, en in elk ander geval uiterlijk twee maanden
na het ingaan der vacature, wordt het beroep uitgebracht.
Wanneer eeu predikant naar elders vertrokken is, wordt het doen
van eene nieuwe beroeping, in verband met art. 6, verdaagd tot na
zijne bevestiging of na den afloop der maand, in welke hij van zijne
betrekking tot de gemeente is ontslagen.
1) De toebereidselen, enz. Ken voorstel van de Syn. Comm., geda\'.n naar
aanleiding van een adres van het Class. Best. van Leiden, om maatregelen to
nemen tegen het toezeggen van beroeping, dat dikwijls geschiedt lang \\óór den
tijd, wanneer volgens het regl. tot het doen van eene beroeping mag worden
overgegaan, is door de Synode afgewezen, voornamelijk „omdut geene maatre-
gelen voldoenden waarborg tegen dat misbruik (?) opleveren, en daardoor in
sommige gevallen op de vrijheid van handelen bij de Kerkeraden inbreuk zou
kunnen gemaakt worden." 1867, bl. 82, 83, Bijl. B, bl. 131.
Art. 45. Wanneer de toebereidselen \') tot de beroeping niet op
den bepaalden tijd tot het doen van eene keuze hebben geleid, geeft
de Kerkeraad hiervan, met vermelding \') der redenen, kennis aan het
Classikaal Bestuur, met verzoek om diligentverklaring. Dit bestuur,
hiertoe termen vindende, verleent diligentverklaring en neemt of
bevordert maatregelen om den voortgang van het werk der beroeping
te bespoedigen, en geeft van dit alles kennis aan het Provinciaal
Kerkbestuur.
1)     Wanneer de toebereidselen, enz. Ingeval een kerkeraad vertraagt de bo-
roeping op een wettig benoemde uit te brengen, zal het Class. Bost. te handelen
hebben naar artt. 45 en 46, en bjjgevolg zal dan naar art. 69 de approbatie
moeten verleend worden door het Prov. Kerkbestuur. 1858, bl. 26.
2)    Met vermelding, enz. Deze woorden tot aan „bespoedigen" zijn eene wij-
ziging, in werking gekomen den 1 Maart 1869, om de bepalingen van dit art.
in overeenstemming te brengen met het in 1867 ingevoerde regl.o; de benoeming
van oudd. en diakk. en de beroeping van predd. Om dezelfde reden zijn ook
art. 46 en volgg. gewijzigd.
-ocr page 160-
Art. 43—48.                                          131
Abt. 46. Wanneer geene diligentverklaring wordt verleend, of de
Kerkeraad, ondanks de maatregelen en aanmaning van het Classikaal
Bestuur, in de toebereidselen tot de beroeping blijft vertragen, doet
dit bestuur wat des Kerkeraads is.
Abt. 47 \')• Wordt de vertraging veroorzaakt door hen, die het
recht van collatie of van eenige andere medewerking bezitten, zoo
maakt de Kerkeraad hun eenen termijn\') bekend van ten minste
dertig, ten hoogste vyftig dagen, na welken hy het werk der be-
roeping, met hen of zonder hen, doet voortgaan.
Is er een geding voor den burgerleken rechter over het recht van
collatie of van medewerking aanhangig, dan stelt de Kerkeraad, na
afloop van het jaar van gratie, een hulpprediker aan, naar het regie-
ment op het hulppredikerschap en op belooning in art. 27 bepaald.
In twyfelachtige gevallens) wordt het recht, dat by de laatste
beroeping is uitgeoefend, geëerbiedigd.
By weigering of uitstel van de agreatie stelt het Classikaal Bestuur
aan den gerechtigde tot de agreatie eenen termyn van ten minste
dertig, ten hoogste vyftig dagen, om haar te verleenen. Is zy binnen
den gestelden termyn niet verleend, zoo approbeert het Classikaal
Bestuur de beroeping zonder haar.
1)    Dit artikel is gewijzigd, om het meer practisch bruikbaar te maken, in
al. 1 van af: „zoo maakt de Kerkeraad" en in al. 4 van: „stelt het Class. Bestuur",
tot „verleenen", terwijl al. 2 nieuw is ingevoegd den 1 Maart 1863. In al. 3 zijn
den 1 Maart 1869 (om reden bij art. 45 vermeld), vóór „geëerbiedigd", de woorden
„door den kerkeraad" weggenomen.
2)    Een termijn. Dit moet in den uitgebreidsten zin worden opgevat, zoodat
na het bedanken van een predikant tot eene nieuwe beroeping niet mag worden
overgegaan, dan wanneer, na vernieuwde kennisgeving aan den rechthebbende,
die terstond na de ontvangst van de afwijzing der uitgebrachte beroeping ge-
schieden kan, opnieuw een termijn van minstens dertig dagen zal zijn verstreken.
Antw. van de Syn. Co mm. op oene vraag van den ring Grootegast, 1859, Bijl. B,
bl. 38, goedg. door de Synode, Uandd. bl. 54.
3)    In twijfelachtige gevallen. Een voorstel van den heer J. P. H. remkus om
deze al. te doen vervallen, als zijnde, naar zijn oordeel, onuitvoerbaar door
veranderde omstandigheden en de gemeente verhinderende om van hare zijde eene
burgerlijke procedure aan te vangen, is door de Synode afgewezen, op grond
voornamelijk, dat er altoos twijfelachtige gevallen zich zullen kunnen voordoen
en nu door genoemde bepaling verhoed wordt, dat de betrokken gemeenten door
eene langdurige vacature in hare geestelijke belangen nadeel lijden ; 1870, bl. 216.
\'t Blijft de vraag, of de Heer r. in dezen niet juist gezien heeft.
B y de beroeping.
Art. 48 \'). De beroeping van predikanten geschiedt overeenkomstig
het Synodaal Reglement op de benoeming van ouderlingen en dia-
kenen, en de beroeping van predikanten.
9*
-ocr page 161-
132                             Reglement op de Vacaturen.
1) Nieuw art., den 1 Maart 1869 in werking gekomen in plaats van het
vroegere: „De beroeping van predd. blijft op den tegenwoordigen voet, totdat
hierin nader zal zijn voorzien."
Art. 49. De in artt. 45 en 46 geschreven bepalingen, betreffende
de vertraging in de toebereidselen tot de beroeping, zijn mede van
toepassing op de beroeping zelve, met dien verstande dat, bij vr|je
beroeping\') door den Kerkeraad1), het Classikaal Bestuur een viertal
opmaakt, waaruit het Provinciaal Kerkbestuur beroept, en als derden 3)
tot medewerking bij de beroeping gerechtigd zyn, het zelf de beroe-
ping doet.
Waar echter de gemeente zich zelve het recht van beroeping heeft
voorbehouden, roept het Classikaal Bestuur de, volgens artt. 3 en 4
van het Synodaal reglement op de benoeming van ouderlingen en
diakenen en de beroeping van predikanten, tot die benoeming en
beroeping gerechtigden op om, in tegenwoordigheid van twee afge-
vaardigden des bestuurs, overeenkomstig de bepalingen in de genoemde
artt. vervat, te beroepen. Wordt aan een herhaalde oproeping niet
voldaan, dan handelt het Classikaal Bestuur zóó, als in het eerste lid
van dit art. bepaald is.
1)    Bij vrije beroeping. Dezo woorden, alsmede aan het slot: „en alx derden",
enz. zijn ampliatiën, in werking gekomen don 1 Maart 18G6, om in de plaats
te treden van \'tgeen vroeger in art. 46 gelezen werd: „zoowel bij vrije beroeping,
als waar derden tot medewerking bij de beroeping gerechtigd zijn".
2)    Door den Kerkeraad. Deze woorden en in verband daarmede de tweede
al. van dit art. zijn in werking gekomen den 15 Jan. 1885. Vrije beroeping
heeft plaats, waar de gemeente zonder medewerking van derden beroept, \'t zij
ze dit doe door den Kerkeraad, \'tzij door stemgerechtigden of kiescollegie. In
het eerste geval voorziet, bij vertraging, de eerste, in het tweede de tweede al.
van dat artikel.
3)    AU derden, enz. Waarom in zulk een geval anders gehandeld wordt dan
„bij vrije beroeping", even te voren genoemd? Omdat het begiussl, dat bij de
beroepingen de rechten van derden moeten worden geëerbiedigd, niet tot zijn
recht zou komen, wanneer de beroeping, wegens door den kerkeraad veroorzaakte
vertraging, door het Prov. Kerkb. werd gedaan uit een viertal, door het Class.
Best. voorgedragen. Verg. 1864, bl. 201 en 1865, bl. 142.
Abt. 50. Om beroepen te worden in de Nederlandsche Hervormde
Kerk zijn al hare predikanten en hare candidaten tot den h. dienst,
die, wanneer de beroeping wordt uitgebracht, den leefthd van 23
jaren bereikt hebben, in het algemeen bevoegd, behoudens echter de
bepalingen voor bijzondere gevallen, in de eerstvolgende artt. voor-
komende.
Art. 51. (Dit art., luidende: „De candidaten, in het voorgaand art. bedoeld,
zjjn niet beroepbaar tot vervulling van de standplaats, welke reeds vaceerde,
of waar de termijn van drie maanden vóór het einde van het jaar van gratie
-ocr page 162-
Abt. 48-54.                                          133
reeds verstreken was, toen zg de toelating tot de evangeliebediening verkregen,"
is den 1 Maart 1870 vervallen.)
Art. 52. Tot de vervulling van eene vacature komen niet in aan-
merking de predikanten, die op den dag der beroeping\') hunne
eerste standplaats nog geen twee volle jaren bekleed hebben.
Tot dispensatie\') van deze bepaling, niet dan om zeer bn\'zondere
en gewichtige redenen aan de zijde der roepende gemeente of vanden
beroepen predikant te verleenen, is de Synode of in hare plaats de
Synodale Commissie bevoegd, na gehoord te hebben de Classikale en
de Provinciale besturen der ressorten.
1)    Op den dag der beroeping. Deze woorden zijn den 1 Jan. 1876 gekomen
in plaats van: „toen zij ontstond, of toen de drie maanden vóór het einde van
het jaar van gratie reeds waren ingetreden," zoodat nu in elke gemeente van
één of twee predd., onverschillig hoe lang ook vacant, ieder pred. beroepbaar
is, zoodra hij zijne eerste twee dienstjaren maar heeft vervuld.
2)    Tot dispensatie, enz. Hoe alsdan te handelen door den kerkeraad, zie
art. 59, al. 2. Overigens is de dispensatie, hier bedoeld, niet noodig voor een
pred., die, in Indië in dienst geweest zijnde, daarna op zijne eerste standplaats
in Nederland nog geen twee volle jaren werkzaam was. 1875, bl. 99, 100.
Art. 53. Die eenmaal \') voor de op hem uitgebrachte beroeping
bedankt heeft, of naar art. 01 gerekend wordt bedankt te hebben,
is bij elke volgende keuze 2) in dezelfde vacature uitgesloten.
1)    Die eenmaal, enz. Een voorstel van de Class. Verg. van Dordrecht en van
het Prov. Kerkb. van Zuid-Holland tot aanvulling van dit art. met eeno bepaling
om een pred. niet beroepbaar te verklaren in eene vacature, door zijn vertrek
veroorzaakt, is door de Synode afgewezen; 1868, bl. 92, 93, 145, 146. Des-
gelijks een voorstel van de Class. Vergg. van Utrecht en Franeker, dat een
pred., die eenmaal voor eene op hem uitgebrachto beroeping bedankt heeft, na
verloop van een jaar weder in dezelfde vacature mag beroepen worden; 1875,
bl. 58, 59, 102. Eveneens een verzoek van den Kerkeraad te Harderwijk tot
opheffing of wijziging van dit art., opdat, na een aan te wijzen tijdsverloop,
dezelfde personen in dezelfde vacature zouden kunnen worden beroepen. 1885,
bl. 139—141.
2)    De woorden: „van den kerkeraad", die hier volgden, moesten, na het in
werking komen van het regl. op de benoeming enz., wegvallen; zij zijn wegge-
nomen den 1 Jan. 1880. Verg. aant. 2 op art. 49.
Art. 54. Om beroepbaar te zijn \') in gemeenten met drie of meer
predikanten 2), wordt gevorderd de vervulling van den diensttijd van
drie, en van den leeftyd van zes en twintig jaren op den dag der
beroeping 3).
1) Om beroepbaar te zijn, enz. Meer beperking, dan dit art. inhoudt, b.v.
door eene bepaling als deze: „Een cand, is niet beroepbaar in gemeenten met
twee predd., evenmin als in die, welke boven de 1600 zielen tellen" (voorstel
van de Class. verg. van Zutphen), is door de Synode niet wenschelijk geacht,
zoolang geene zeer schadelijke gevolgen der bestaande vrijheid gezien worden.
1861, bl. 151, 152, 330.
-ocr page 163-
134                             Reglement op de Vacaturen.
2)    Gemeenten met drie of vier predikanten. Bene gemeente met twee predd.,
aan welke de beroeping van een derden wordt toegestaan, moet van het oogenblik
af, waarop haar deze vergunning is gegeven, gerekend worden tot de gemeenten
met drie predikantsplaatsen te behooren. Verkl. der Synode in antw. op een
adres van den Kerkeraad van den Helder, welke gemeente bij Kon. Besl. van
27 April 1859 de vrijheid verkregen had tot het beroepen van een derden pre-
dikant, 1859, bl. 38, 39.
3)    Der beroeping. Deze woorden zijn, naar liet beginsel bij de wijziging van
art. 52 al. 1 gevolgd, in de plaats gekomen van: „waarop de gemeente vacant
werd, of, bij een jaar van gratie, drie maanden voordat het eindigt." In werking
15 Dec. 1877.
Art. 55. Een candidaat tot den heiligen dienst, bü eene wettig
erkende instelling van hooger onderwijs tot hoogleeraar benoemd,
wordt, na de toestemming van de Synode op znn verzoek verkregen
te hebben, als predikant bevestigd, zonder aan eene bepaalde gemeente
verbonden te zijn.
L)e bevestiging geschiedt met oplegging der handen, onder de
leiding van den voorzitter der Synode, in eene openbare zitting,
daartoe door haar te houden in een der kerkgebouwen van de Her-
vormde gemeente te \'s Gravenhage.
Dit art. heeft, na het in werking komen van de Wet op het Hooger Onderwijs
van 28 April 1876, Staatsbl. no. 102, de noodzakelijke wijziging ondergaan, dat
na „hoogleeraar" de woorden „en akademieprediker" zijn weggenomen. Aldus
in werking gekomen 15 Jan. 1879.
Art. 56. Die buiten \'s lands het recht tot den predikdienst bü
een erkend Hervormd kerkgenootscbap verkregen, maar nog geene
vaste standplaats bekleed hebben, hetzij inboorlingen of vreemde-
lingen, zyn niet beroepbaar bij eene gemeente der Nederlandsche
Hervormde Kerk, zoolang hun niet de acte van toelating tot de
evangeliebediening, overeenkomstig het reglement op het examen,
door een van de wettige besturen dezer kerk is uitgereikt.
Art. 57. Om op predikanten, die buiten \'s lands als zoodanig bü
een erkend Hervormd kerkgenootschap zijn werkzaam geweest, de
beroeping uit te brengen, is de Kerkeraad verplicht, ingeval zü niet
volgens het reglement op het examen als candidaten tot den heiligen
dienst hier te lande zün toegelaten, hen ter goedkeuring aan het
Provinciaal Kerkbestuur van het ressort voor te dragen.
Indien de beroepen predikant geen Nederlander1) is, vraagt hü,
vóór het aanvaarden züner bediening, de toestemming des Konings.
Bü de overweging van deze voordracht gaat het Provinciaal Kerk-
bestuur, na vooraf de consideratiën van het Classikaal Bestuur gehoord
te hebben, te rade niet alleen met de wenschen van bü zondere ge-
meenten, maar ook en bovenal met het algemeen belang der Neder-
landsche Hervormde Kerk. Bovendien geeft het geene goedkeuring,
-ocr page 164-
Akt. 54—59.                                              135
vóór dat het ten volle verzekerd is, dat de bedoelde predikant wer-
kelh\'k bij een erkend Hervormd kerkgenootschap de evangelie-bediening
heeft bekleed, alsmede dat hij, ten aanzien van leeftijd en diensttijd
beide, in de termen is van artt. 52 en 54.
Eindelijk handelt2) het Provinciaal Kerkbestuur naar de bepalingen
van art. 12 van het Reglement op het examen en voldoet de beroepene,
bh\' gunstigen uitslag van het daar omschreven colloquium, aan de
voorschriften van artt. 17 en 27 van hetzelfde reglement.
1)    Geen Nederlander. Alinea 2 (in werking sedert 1 Mei 1854) is noodig
geoordeeld om de bepaling in art. 2 van de Wet op de Kerkgenootschappen.
2)    Eindelijk handelt enz. Door eeno wijziging (in werking gekomen den
1 Febr. 1874), is deze al. in overeenstemming gebracht met de bepalingen van
het regl. op het examen. Artt. 17 en 27 hier aangehaald zijn die van het gere-
videerde regl. Zie voorts over het houden van een coll. doet. de aanteek. op
art. 12 regl. op het examen.
Art. 58. De Kerkeraad waakt\') voor de rechten der gemeente,
met eerbiediging altoos van de rechten van derden, bij volstrekte
collatie \'), electie, medestemming, enz. Gerezen geschillen met derden
tracht hij in der minne te beslechten, tevens daarvan kennis gevende
aan het Classikaal Bestuur, \'twelk alsdan handelt overeenkomstig
art. 47, en den Kerkeraad met raad en hulpe ter zyde staat.
Tot het inslaan van den weg van rechten behoeft de Kerkeraad de
goedkeuring van het Classikaal Bestuur, behoudens beroep, ingeval
van weigering, op het Provinciaal Kerkbestuur.
1)    De Kerkeraad waakt, enz. Waar vroeger het Koninklijk collatierecht uit-
geoefend werd, daar is sedert deszelfs opheffing bij de Wet van 16 Dec. 1861
het recht van beroep natuurlijk vervallen aan de gemeonte, \'tzij deze het door
stemgerechtigden of kies-collegie uitoefene, \'tzij ze daartoe den Kerkeraad bepaald
hebbe gemachtigd, naar het regl. op de benoeming van oudd., enz. Verg. de
inlichting aan kerkvoogden te Nieuwe Schans omtrent de ongegrondheid van
hunne beweerde aanspraak op medewerking tot de predikantsberoeping. 1863,
bl. 126, 127. Eveneens, waar eene particuliere collatie door kerkvoogden is
aangekocht, hebben dezen niet de bevoegdheid om als collatoren op te treden;
maar moet de collatie gerekend worden te zijn vervallen.
2)    Bij volstrekte collatie, enz. De vermelding van benoeming door Floreen-
plichtigen is sedert 1 Jan. 1875 vervallen. Zie hierover en over het collatie-recht
de aanteekeningen op art. 24 van het Alg. Reglement, en wat het laatste betreft
Bijl. IV bij dit reglement.
Art. 59. Zoodra\') de beroeping is uitgebracht, wordt zn\' door den
Kerkeraad aan den beroepene bekend gemaakt door eenen brief, in-
gericht naar het formulier A , hetwelk aan dit reglement is toegevoegd.
Ingeval er\') naar art. 52 dispensatie voor de gedane beroeping moet
worden aangevraagd, geeft de Kerkeraad hiervan voorloopig kennis
aan den beroepene, en wordt met het opmaken van den beroepbrief
gewacht tot dat de dispensatie verkregen is. Wanneer het verzoek
-ocr page 165-
N° 498 A.
Aanvulling van het Reglement op de Vacaturen
met een nieuw Art. 5 7*,
Art. 57*. „Om op een eervol ontslagen predikant bij de
Protestantsche Kerken in Nederlandsch Oost- en West- Indië, die
vroeger als predikant of als candidaat tot den H. Dienst tot de
Nederlandsche Hervormde Kerk behoord heeft, eene beroeping
uit te brengen, is de Kerkeraad der gemeente, waar men hem
wenscht te beroepen, verplicht, met overlegging van de akte
van zijn eervol ontslag en van een getuigschrift van zedelijk
gedrag, afgegeven door den Kerkeraad der Protestantsche ge-
meente in Nederlandsch Oost- of West-Indië, waarbij hij laatstelijk
gediend heeft, van het Provinciaal Kerkbestuur, waaronder die
gemeente ressorteert, de schriftelijke verklaring te vragen, dat
een beroep in de Nederlandsche Hervormde Kerk op hem kan
worden uitgebracht.
Deze bepaling is, met uitzondering van de akte van eervol
ontslag, ook van toepassing op die predikanten bij genoemde
Kerken, die met verlof hier te lande vertoeven.
Bij de beoordeeling van de aanvrage om bedoelde verklaring
gaat het Provinciaal Kerkbestuur, na het Classicaal Bestuur,
waaronder die gemeente ressorteert, en de Commissie tot de zaken
der Protestantsche Kerken in Nederlandsch Oost- en West-Indië
gehoord te hebben, te rade niet alleen met de wenschen van
bijzondere gemeenten, maar ook en bovenal met het algemeen
belang der Nederlandsche Hervormde Kerk.
Binnen acht dagen na de genomen beslissing wordt aan den
Kerkeraad, die de verklaring heeft aangevraagd, door tusschen-
komst van het Classicaal Bestuur, alsmede aan den belang-
hebbenden predikant, daarvan kennisgeving gezonden."
Aldus vastgesteld door de Algemeene Synode der Neder-
landsche Hervormde Kerk den 15\'len Augustus 1891, en na
kennisgeving aan H. M. de Koningin Regentes, volgens Art.
1 der Wet van 10 September 1853 {Staatsblad N° 102), uitge-
vaardigd door de Algemeene Synodale Commissie, om in werking
te treden den lsten Februari 1892.
Be Algemeene Synodale Commissie der
Nederlandsche Hervormde Kerk,
M. A. Perk, President.
L. Overman, Secretaris.
-ocr page 166-
136                             Reglement op de Vacaturen.
om dispensatie mocht worden afgewezen, wordt zulks onverwyld aan
den beroepene bericht.
1)    Zoodra, enz. Alinea 1 heeft den 1 Maart 1869, tegelijk met andere wijzi-
gingen van dit regl., eene verbetering van redactie ondergaan.
2)    Ingeval er, enz. Deze alinea is als nieuw in werking gekomen den 1
Maart 1867, ten einde het verband tusschen artt. 52, al. 2, 59, al. 1 en 61 te
verduidelijken. Zie de aanleiding daartoe: 1865, Bijl. B, bl. 105—115, 137;
Handd. bl. 21—23, 171—174.
Art. 60. De Kerkeraad doet den beroepbrief gepaard gaan met
eene officieele opgave \') van de inkomsten, aan de standplaats ver-
bonden.
Veranderingen in de inkomsten 2) worden door den Kerkeraad niet
gemaakt en niet gedoogd, zonder toestemming van het Provinciaal
Kerkbestuur, op voordracht van het Classikaal Bestuur.
1)    Eene officieele opgave. De Synode heeft den 25 Aug. 1854 het volgende
schrijven uitgevaardigd:
„De Alg. Synode der Ned. Herv. Kerk op maatregelen bedacht tot voorkoming
van vermindering der gemeentelijke toelagen bij het predikantstraktement zonder
voorkennis van Class. Best., bij gelegenheid van vacaturen, heeft besloten aan
de Classikale Besturen en de Kerkeraden aan te schrijven, gelijk zij doet
bij deze:
„Dat bij iedere gemeente nauwkeurige lijsten der traktementen en gewone
emolumenten zullen worden geformeerd, en bij het Classikaal Bestuur, tot welks
ressort zij behoort, worden gedeponeerd; dat van deze lijst in iedere gemeente
een authentiek afschrift bij den Kerkeraad zal blijven berusten en de consulent,
in geval van beroeping, verplicht zal zijn deze lijst vooraf van den Kerkeraad
op te vragen en te vergelijken met de opgave, die hem door het Classikaal
Bestuur zal worden gedaan, ten einde alzoo nimmer, buiten kennis van het
Class. Best., eenige vermindering van traktement worde ter sprake gebracht, en
bij de approbatie van het beroep hierop geattendeerd moge worden." 1854, bl.
243, 244 (Kerk. Cour. No. 47)
2)     Veranderingen in de inkomsten. De bepaling dezer al. geldt, blijkens de
opschriften der afdeeling en rubriek, waaronder zij voorkomt en het verband
tusschen al. 1 on 2, alsmede naar art. 67, 2a, uitsluitend bestaande vacaturen
(1872, bl. 274, 275, Bijl. B, bl. 229, 230). Echter mogen ook buiten vacature
geene veranderingen in het predikants-traktement gemaakt worden zonder voor-
kennis en goedkeuring der betrokken besturen. Zie art. 16, 3 van het regl. voor
de kerkeraden en de aant. daarop.
Na de beroeping.
Art. 61. Van het ontvangen van den beroepbrief wordt aan den
Kerkeraad, die hem heeft toegezonden, onverwyld door den beroepene
bericht gegeven.
Binnen den termn\'n van drie weken \') legt hy omtrent de aanne-
ming of afwyzing van de op hem uitgebrachte beroeping eene stellige
-ocr page 167-
137
Abt. 59—65.
schriftelijke verklaring over, en als deze na dit tijdsverloop niet gegeven
is, wordt hy geoordeeld de roeping te hebben afgewezen.
1) Binnen den termijn van drie weken. Een voorstel van de Class. Verg. van
Nijmegen om, ter voorziening in het geval, dat het een beroepen predikant door
bijzondere omstandigheden onmogelijk is om binnen een thans onverlengbaren
termijn met rijpen rade te besluiten, dit art. dus aan te vullen: „De Kerkeraad
van de roepende gemeente kan om gewichtige redenen en behoudens goedkeuring
van het Moderamen van het Class. Bestuur den termijn verlengen", is om het
misbruik, dat van eene zoo rekbare bepaling zou kunnen gemaakt worden, door
de Synode afgewezen. 1883, bl. 87—89.
De Terminus a quo van deze drie weken begint, ingeval er dispensatie naar
art. 52 al. 2 gevraagd is, nadat zij is verkregen. Zie, in verband met art. 59
en 52, Handd. 18G5, bl. 171 — 174 en Bijl. B, 115—118.
Akt..62. Zoodra het bericht van afwijzing ontvangen, of de tijd
van beslissing verstreken is, wordt door den Kerkeraad aan de recht-
hebbenden, naar art. 58, kennis gegeven en wordt het werk der
beroeping\') ten spoedigste hervat, opdat deze immer binnen den
verloop van zes weken zy uitgebracht.
Bij eene tweede 2) en iedere volgende beroeping is van toepassing
wat in art. 45 ten aanzien van diligentverklaring is voorgeschreven.
1)    Het werk der beroeping ten spoedigste hervat. Het vaststellen van maat-
regelen in het belang der gemeenten bij herhaalde vergeefscho beroepingen,
gewenseht door de Class. Verg. van Heusden, i\'s door de Synode als onrecht-
vaardig verworpen. 1862, bl. 253—255. Verkeerde praktijken, waaraan zich hier
of daar kerkeraden mogen schuldig gemaakt hebben, kunnon, na de uitvoering
van art. 23 van het Alg. Begl., door de gemeenten zelve geweerd worden.
2)    Bij eene tweede, enz. Deze al. is aan de eerste toegevoegd den 1 Jan. 1876.
Art. 63. De beroepene, indien hij verklaard heeft de beroeping
aan te nemen, wordt op de drie eerstvolgende Zondagen bij de openbare
godsdienetoefeningen aan de gemeente voorgesteld, ten einde desbe-
voegden, zoo zy wettige bezwaren mochten hebben, in de gelegenheid
te stellen, om die tegen hem in te brengen.
Art. 64. Tot het inbrengen van bezwaar tegen den beroepene zyn
alleen bevoegd de niet onder censuur staande manslidmaten der roe-
pende gemeente. De bezwaren houden in bepaalde beschuldiging, de
Evangeliebediening of den wandel van den beroepene betreffende,
voorzien van duidelijke en deugdelijke bewijzen. Zy worden, schrif-
telyk en onderteekend, uiterlyk op den tweeden dag na de derde
afkondiging, overgelegd by den Kerkeraad.
Art. 65. De acte van beschuldiging wordt met de daarbij over-
gelegde stukken door den Kerkeraad onverwijld opgezonden aan het
Classikaal Bestuur van het ressort der roepende gemeente. Dit bestuur
zendt al de stukken, als ingediende klachten, ten spoedigste aan het
Classikaal Bestuur, waaronder de beroepene behoort, hetwelk de zaak
-ocr page 168-
138                             Reglement or de Vacaturen.
behandelt overeenkomstig het Reglement voor opzicht en tucht. Zoodra
de beslissing genomen, en deze, krachtens de wettelijke bepalingen,
als eene eindbeslissing te beschouwen is, wordt zij onverwijld ter
kennis gebracht van het Classikaal Bestuur, waaronder de roepende
gemeente ressorteert, hetwelk deze kennisgeving ten spoedigste aan
den Kerkeraad overbrengt.
Art. 66. Wanneer binnen den gestelden termijn geene beschul-
digingen z\\ju ingebracht, of de ingebrachte bij einduitspraak niet
gegrond of niet gewichtig genoeg geoordeeld zü\'n, wordt de beroep-
brief met al de daarbij noodige bescheiden door den Kerkeraad aan
het Classikaal Bestuur toegezonden, tot het bekomen van de kerkeln\'ke
goedkeuring.
De vereischte bescheiden zijn:
a.   Waar het eene beroeping geldt, uitgebracht op eenen predikant:
1°. afschrift van de aan den beroepene toegezonden opgave der in-
komsten, volgens art. 60 van dit Reglement; 2°. getuigschrift van
zedelijk gedrag \'), aan den beroepene afgegeven door het Classikaal
Bestuur, waaronder hü behoort, overeenkomstig formulier G, by dit
Reglement gevoegd; 3". wettig bewijs, zooveel noodig, dat er ten
aanzien van leeftijd en diensttijd voldaan is aan de bepalingen van
artt. 52 en 54, alsmede, waar zij bestaan, aan de rechten van
derden;
b.   Waar het de beroeping geldt van een candidaat: 1°. afschrift
van de opgave der inkomsten, volgens art. 60 van dit reglement;
2°. wettig bewijs, dat er ten aanzien van leeftyd voldaan is aan de
bepalingen van art. 50, alsmede, waar zij bestaan, aan de rechten
van derden; 3°. acte van toelating tot den h. dienst; 4°. attestatie van
goed zedelijk gedrag van den Kerkeraad zyner woonplaats; en
5°. schriftelijke, door hem onderteekende betuiging, dat hü bij zn\'ne
plechtige, ter toelating tot de evangeliebediening, afgelegde verklaring
en belofte oprechtelijk volhardt; — de twee laatste stukken alleen tot
toezending aan het Provinciaal Kerkbestuur.
B\\j den beroepbrief van een buitenlandsch predikant wordt het
bewijs gevoegd, dat voldaan is aan de in art. 57 gestelde voorwaarden,
benevens een getuigschrift van den Kerkeraad zijner gemeente, of van
het kerkbestuur, waaronder die gemeente behoort.
1) Getuigschrift van zedelijk gedrag. De Synode heeft den 30 Juli 1870 het
volgende schrijven gericht aan de ClasBikale Besturen:
„De Algemeene Synode der Ned. Herv. Kerk in aanmerking.nemende, dat er
gevallen voorkomen, dat predikanten beroepen on bevestigd worden, die uit
hunne vroegere bediening ontslagen zijn, zonder dat dit op eervolle wijze
geschied is;
„Overwegende, dat het in het belang der gemeenten is, de approbatie op
zoodanige beroepingen niet te geven, dan nadat het voldoende gebleken zal zijn,
dat de redenen, waarom geen eervol ontslag is verleend, niet van dien aard zijn,
-ocr page 169-
Art. 65-69.                                      139
dat zij den beroepene\' onwaardig zouden maken het leeraarambt op nieuw te
aanvaarden;
„Vestigt de aandacht der Classikale Besturen op deze aangelegenheid, ver-
langende, dat zij aan zoodanige predikanten het bij art. 66 van bet regl. op de
vac. bedoelde getuigschrift niet verstrekken, dan na ernstig onderzocht te hebben,
of zij daarop in waarheid recht hebben, en, zoo de approbatie op de beroeping
van zulken predikant van hen gevraagd wordt, met de meeste nauwgezetheid
\' nagaan, of de door hem overgelegde getuigschriften alleszins voldoende zijn, en
of de redenen, waarom hij geen eervol ontslag bekomen heeft, hem het opnieuw
aanvaarden van het leeraarambt in de Ned. Herv. Kerk niet onwaardig zouden
maken." Zie 1870, bl. 85, 193—195, 203, 227, 228.
In dit art. zijn den 1 Februari 1861 eenige alteratiën gebracht, vooral sub b,
om ontwijfelbaar te doen blijken, welke bescheiden door candidaten tot den h. dienst
behooren te worden overgelegd. Verg. 1858, bl. 20, 22, 25, 92, 93, 148.
Abt. 67. Nadat de vereischte stukken in orde bevonden zyn, wordt
de kerkelijke goedkeuring van de beroeping door het Classikaal
Bestuur verleend, mits dan ook gebleken zij:
1°. dat b\\j de beroeping is gehandeld overeenkomstig de kerkelijke
bepalingen, met name die in art. 58 van dit reglement z\\jn vervat,
zullende anders het Classikaal Bestuur, tot opheffing van bezwaren
of tot wegneming van twijfel, zich wenden, naar gelang der zaak,
öf tot het Provinciaal Kerkbestuur, öf, door dit bestuur, tot de Synode
of de Synodale Commissie, of ook rechtstreeks tot het Ministerieel
Departement;
2°. dat in het bedrag der inkomsten van de standplaats geene
verandering is gebracht, dan met de wettige machtiging, naar art. 60
sub 2°. vereischt.
Art. 68. Bh\' de beroeping van een candidaat zendt het Classikaal
Bestuur, na approbatie verleend te hebben, den beroepbrief, met de
in art. 66 vermelde attestatie en betuiging, aan het Provinciaal Kerk-
bestuur, ten einde den brief, nadat de stukken in orde zullen bevonden
zyn, met z\\jn visum1) te voorzien, en alsdan aan het Classikaal
Bestuur terug te zenden.
1) Visum. Indien een candidaat beroepen is door een Class. Best., doende
wat des Kerkeraads is, zoodat de approbatie van het Prov. Kerkbestuur moet
gevraagd worden, behoort dan het visum op den beroepbrief gesteld te worden
door de Synode of Syn. Commissie? Neen; het voor „gezien" teekenen van den
beroepbrief van candidaten is eene handeling, die alleen aan de Prov. Kerkhe-
sturen
is opgedragen. 1862, bl. 140, Bijl. B, bl. 213, 214. Verg. art. 69, waar
alleen de approbatie in het daar genoemde geval aan de Synode of Syn. Com-
missie wordt opgedragen.
Art. 69. Ingeval het Classikaal Bestuur krachtens art. 1 van het
Reglement voor de Kerkeraden in zake de beroeping heeft moeten
doen wat des Kerkeraads is, wordt de beroepbrief door dat bestuur
ter approbatie aan het Provinciaal Kerkbestuur aangeboden. Waar
-ocr page 170-
140                             Reglement op de Vacaturen.
krachtens art. 49 van dit reglement het Provinciaal Kerkbestuur de
beroeping doet, wordt de approbatie door de Synode of Synodale
Commissie verleend.
Art. 70. Alle zaken, die op de vacaturen en hare vervulling
betrekking hebben, worden door het Classikaal Bestuur met den
meesten spoed behandeld, en, indien geene gewichtige bezwaren zich
daartegen opdoen, door den praeses en den scriba, namens het bestuur,
afgedaan. Die spoed geldt inzonderheid alle handelingen, diebeschul-
digingen tegen den beroepene betreffen. Zoowel het Classikaal Bestuur
als ook het Provinciaal Kerkbestuur en de Synodale Commissie, waar
hunne bemoeing vereischt wordt, maken daartoe gebruik van de
vrijheid, in artt. 46, 50 en 72 van het Algemeen Reglement, ten
aanzien van het houden der vergaderingen toegekend.
Indien na verloop van vier weken de approbatie op de aanvrage
van den Kerkeraad door het Classikaal Bestuur nog niet verleend is,
verzoekt dit bestuur, met opgave van redenen, diligentverklaring by
het Provinciaal Kerkbestuur voor een bepaalden termijn. Is na dezen
termijn aan het verzoek om approbatie nog niet voldaan, dan oordeelt
het Provinciaal Kerkbestuur, of er termen zijn, om de zaak nu zelf
ter beëindiging ter hand te nemen, en om, bij weigering van het
Classikaal Bestuur, in diens plaats de approbatie te verleenen.
Art. 71. Na de kerkelijke goedkeuring van de beroeping doet het
Classikaal Bestuur, of, waar zulks noodig is, hethoogerkerkbestuur,
daarvan mededeeling aan het daartoe aangewezen Ministerieel Depar-
tement. opdat het de vereischte maatregelen kunne nemen tot uitbe-
taling van het traktement. Van die mededeeling geeft het bestuur
onmiddellijk kennis èn aan den beroepene èn aan den Kerkeraad, die
de beroeping heeft uitgebracht.
Dit art. heeft den 1 Mei 1864 de noodige wijzigingen ondergaan, ten gevolge
van liet Kon. Bosl. van den 15 Dec. 1861 (Zie Bijl. III en de aant. op art. 40).
Art. 72. Indien de beroepene in gebreke blijft, de beroeping die
hij heeft aangenomen op te volgen, verklaart de Kerkeraad der roe-
pende gemeente \') of hij er in berust. Van zoodanige berusting moet,
ingeval de beroepene een predikant is die eene standplaats in de kerk
bekleedt, evenzeer blijken aan de zijde van den Kerkeraad der gemeente,
uit welke de leeraar beroepen is, voor het geval dat deze reeds voor-
bereidselen tot het doen van eene nieuwe beroeping gemaakt heeft.
Indien niet, zoo veel noodig van wederzijde, wordt berust, beoor-
deelt het Classikaal Bestuur, waaronder de beroepene ressorteert, diens
verantwoording. Wordt zij onvoldoende bevonden en weigert de be-
roepene zich naar dat oordeel te gedragen, dan behandelt het Clas-
sikaal Bestuur de zaak, en volgt den weg, in het Reglement voor
kerkelijk opzicht en tucht voorgeschreven.
-ocr page 171-
Abt. 69—73.
141
By het ontstaan van geschil8) of ander beletsel, dat den beroepene
buiten zyne schuld verhindert de aangenomen beroeping op te volgen
binnen zes maanden nadat z\\j is uitgebracht, mag hü zich van z\\jn
gegeven woord ontslagen rekenen, zoodra hy den wensch daartoe te
kennen geeft aan den Kerkeraad der roepende gemeente en aan het
Olassikaal Bestuur, waaronder die gemeente ressorteert.
Is de beroepene dienstdoend predikant, zoo geeft hü aan den Ker-
keraad zyner eigene gemeente aanstonds kennis, dat h\\j van de vroeger
aangenomen beroeping heeft afgezien.
Zoolang de kennisgeving3) in het derde en vierde lid van dit
artikel vermeld, niet geschied is, neemt hü eene nieuwe beroeping
niet aan.
1)    De kerkeraad der roepende gemeente. Wijziging van den 1 Maart 1869, in
plaats van: „de roepende kerkeraad."
2)    Bij het ontstaan van geschil, enz. Deze en de volg. al. zijn in working
gekomen don 1 Maart 1868.
3)    Zoolang de kennisgeving. Deze al. is aan het art. toegevoegd den 15
Januari 1887.
Art. 73. De noodzakelijke kosten\'), welke, in overeenstemming
met de bepalingen van dit Reglement /\'veroorzaakt worden door de
beroeping, het vertrek en het vervoer van den beroepen leeraar met
huisgezin en goederen, komen ten laste der roepende gemeente.
De Kerkelyke Administratie*) vergoedt deze kosten, des verkiezende
naar by\' haar bestaande, door het Olassikaal Bestuur goedgekeurde
bepalingen, of, waar deze ontbreken, tegen overlegging van de noodige
bewijsstukken.
Indien een predikant de aanbieding van eene evangeliebediening
elders, of eene andere betrekking aanneemt binnen twee jaren na
den dag zyner bevestiging op zijne tegenwoordige standplaats, of
indien hy zyne bediening binnen dien tyd vrywillig nederlegt, rust
op hem de verplichting om, des gevorderd, de tot vergoeding der
kosten hem uitbetaalde gelden terug te geven.
Geene verbintenissen worden erkend, waardoor den beroepene eene
langer dan twee jaren voortdurende verplichting tot de teruggave zou
zyn opgelegd.
Aan een candidaat is het recht op vergoeding van eenige kosten
niet verbleven.
1) De noodzakelijke kosten, enz. Hiertoe kunnen niet gebracht worden: a. wat
een pred. in zijne vorige gemeente te weinig ontvangen heeft, omdat liij eenige
dagen voor het eind der maand afscheid nam; b. de kosten, die hem zijn afscheid
en zijn intrede (nl. voor \'t onthaal van bezoekers of genoodigden) hebben ver-
oorzaakt; c. die door eene reis tot het bezoek dier gemeente zijn veroorzaakt,
zonder dat hij tot dat bezoek door den Kerkeraad of Kerkvoogden was uitge-
noodigd of zich omtrent iets ter zake met hen verstaan had; d. die voortvloeien
uit de bepalingen op de Alg. Weduwenbeurs of van het Ring-reglement. Antwoord
-ocr page 172-
-ocr page 173-
142                             Reglement op dé Vacaturen.
van de Syn. Comm. op eene vraag van het Prov. Kerkbestuur van Overijsel
1884, Bijl. B, bl. 122, 123; goedg. door de Synode, Handd. bl. 85,86. Vroeger
had de Synode ook eene reeds voorloopig aangenomene wijziging, nl. om in de
plaats van de woorden: „in overeenstemming met de bepalingen van dit regie-
ment", te lezen: „in overeenstemming met de algemeene en bijzondere regle-
menten (art. 12 van het A. R.)" teruggenomen, oordeelende terecht, dat door
zulk eene bepaling de deur wijd opengezet zou worden tot verzwaring van
beroepingskosten, vooral met het oog op de in sommige dassen bestaande, voor
de uit haar vertrekkende of tot haar inkomende predd. zeer onereuze, bepalingen
omtrent uitkeeringen aan Classikale Weduwenbeurzen. Zie 1868, bl. 159, 160,
Bijl. B, bl. 20, 21; 1869, bl. 71—73, 102.
2) De Kerkelijke Administratie, enz. Deze woorden tot aan het einde der al.
zijn eene ampliatie, in werking gekomen den 1 Jan. 1882.
Abt. 74. Kosten van zoogenamde beroepingscommissiè\'n, of die op
andere wyze mogen gemaakt zijn, om tot de keuze van den beroepen
predikant te geraken, worden nimmer gebracht ten laste van bet
diaconiefonds der gemeente.
B. Bevestiging.
Abt. 75. De bevestiging van den beroepen predikant heeft plaats
uiterlijk drie maanden na de toezending der kennisgeving \'), in art.
71 vermeld.
Zoo by den beroepene hiertegen beletsel ontstaat, brengt h\\j dit
ter kennis van den Kerkeraad der roepende gemeente en van het
Classikaal Bestuur, waaronder de gemeente ressorteert, ten einde van
dit bestuur, nadat het den Kerkeraad zal hebben gehoord, verlenging
van den gestelden termn\'n te verkregen.
2) Na de toezending der kennisgeving. Wijziging van 1 Mei 1864. Zie aant.
op art. 40.
Art. 76. De beroepen predikant levert vóór de bevestiging de acte
van ontslag \') uit de betrekking tot zn\'ne vorige gemeente en zoo hy
van classis verandert8), de acte van ontslag uit zyne betrekking tot
de vorige classis by den Kerkeraad zijner nieuwe gemeente in.
1)    Acte van ontslag. Daar niemand tot de evangeliebediening toegelaten wordt
zonder lidmaat te zijn, spreekt het van zelf, dat voor een dienstdoenden predikant
de acte zijner toelating of bij verplaatsing de acte zijner losmaking, alsmede voor
een emeritus de acte van zijn eervol ontslag de lidmaats-attestatie vervangt en
voldoende is om als lidmaat ingeschreven en erkend te worden. Eene bijvoeging
bij dit art., voorgesteld ten einde twijfel dienaangaande weg te nemen en het
ontzeggen van het stemrecht aan predikanten te voorkomen, is onnoodig geacht.
1867, bl. 11, 124—128. Verg. regl. op de ben. van oudd. en diakk. en de ber.
van predd., art. 1 al. 2 en Alg. Regl. art. 3 al. 1.
2)    En zoo hij van classis verandert. Deze woorden tot aan „de vorige classis"
zijn eene toevoeging, in werking gekomen den 1 Jan. 1888. Een voorstel reeds
-ocr page 174-
Art. 73—79.                                          143
in 1864 door den hoogl. scholten gedaan om art. 5 (\'twelk eigenlijk had moeten
zijn 76) uit te breiden met de bepaling, dat de acte van ontslag door het Class.
Best. aan een uit de classis vertrekkenden pred. gegeven, vóór de bevestiging
bij den consulent moet worden overgelegd, was destijds afgewezen als onnoodig,
vermits de acte van ontslag uit de betrekking tot de gemeente gelijktijdig afge-
geven werd met die uit de betrekking tot de classis. 1864, bl. 35, 143, 201,
202. Nu echter sedert 1875 het ontslag uit de classis schriftelijk wordt verleend
(zie art. 5), is eene bepaling als door den hoogl. bedoeld is, in dit art. noodig
geacht.
Art. 77. In gemeenten niet één predikant is de bevestiging het
werk van den consulent, als den pastor loei vervangende, of van zyn
secundus. Des verkiezende en daartoe verzocht, wordt deze plechtige
handeling aan een ander predikant door hein afgestaan, doch wordt
de tegenwoordigheid van één van hen, of anders tot plaatsbekleeding
de toestemming van den praeses van het Classikaal Bestuur gevorderd.
De bevestiging heeft plaats zonder dat van den beroepene de over-
legging kan worden gevorderd van het bewijs der voldoening van de
door de Classikale VVeduwenbeurs gevorderde gelden pro introitu \').
Den consulent of zynen secundus komen voor het werk der beves-
tiging van wege de gemeente reis- en vacatiegelden toe.
1) Al. 2 is als nieuw in werking gekomen den 1 Maart 1871. Verg. het
aanget. op art. 5 al. 3.
Art. 78. De bevestiging van candidaten\') alleen geschiedt met
oplegging der handen.
1) De bevestiging van caruld. Naar hot buitonland vorroepen candd. worden
ingezegend door de Waalscho Commissie, krachtens de bevoegdheid haar verleend
door de Synode naar aanleiding van het door de Regcering aangekondigde, en
later uitgevoerde, voornemen om het daarop betrekkelijke bestaand Koninklijk
Besluit in te trekken. 1S69, bl. 168, 169. Dezelfde bevoegdheid wordt ten aan-
zien der naar Indië vertrekkende candd. voortdurend uitgeoefend door de Indische
Commissie, die eene Staats-commissio is. Zie aant. 3 op art. 4 van\'het Alg.
Reglement.
Art. 79. De Kerkeraad, of, in gemeenten met één predikant, de
consulent geeft onverwijld van de bevestiging kennis aan het Clas-
sikaal Bestuur onder overlegging1), zoo de bevestigde van classis is
veranderd, van de acte van ontslag uit de betrekking tot zijne vorige
classis, en doet verslag aan den algemeenen correspondent van het
kerkelyk orgaan.
Het Classikaal Bestuur doet aan den bevestigde acte van lidmaat-
schap der classe toekomen, volgens \'t formulier F, aan dit regie-
ment annex.
Binnen acht dagen na de bevestiging geeft de consulent het archief
in eene kerkeraadsvergadering over, nadat het met den in art. 14
vermelden inventaris zal vergeleken zn\'n.
De scriba van het Classikaal Bestuur doet de vervulling der vacature
-ocr page 175-
144                             Reglement op de Vacaturen.
onmiddellijk ter kennis komen van het daartoe aangewezen Minis-
terieel Departement.
1) Onder overlegging. Deze woorden tot aan „zijne vorige classis" zijn eone
invoeging, in verband met die in art. 76 (aldaar aant. 2) in werking gekomen
den 1 Jan. 1888.
ADDITIONEEL ARTIKEL.
Het vroegere reglement\') vervalt met de invoering van het tegen-
woordige, benevens al de bepalingen in andere reglementen en al de
kerkelijke verordeningen, welke met dit reglement in strijd zijn.
1) Het vroegere reglement. D. i. het „Reglement op de vacaturen, alsmede op
de borooping en het ontslag van predikanten," goedg. bij Zijner Majesteits besluit
van den 23 Nov. 1826, no. 189. Bij c. hooijer, Kerkelijke wetten voor de. Her-
vormden in het Kon. der Ned.,
bl. 66—81. Dit was ter vervanging van een nog
vroeger reglement, goedgekeurd bij Kon. Besl. van den 29 Aug. 1816, no. 68.
Bij oerh. v. d. tuük, Handboek voor Herv. predikanten en kerkeraadsleden, 1,
bl. 343 en vv. Het tegenwoordige regl., gearresteerd door do Synode den 11 Aug.
1856 en in werking gekomen den 20 Mei 1857, heeft sedert onderscheidene
alteratiën en ampliatiün ondergaan, die bij de betrokkene artt. zijn vermeld.
Ook in de formulieren, die bij dit regl. behooren, zijn die wijzigingen aange-
bracht, welke door de alteratien van sommige artt., als 5, 48, 49 e. a ver-
eischt werden.
FORMULIEREN B IJ HET REGLEMENT OP DE VACATUREN.
Formulier A.
Beroe-phrief.
(A)   De Kerkeraad der Hervormde Gemeente te ... ., heden wettig
bijeengekomen ter zake van de beroeping van eenen herder en leeraar
naar de kerkelijke verordeningen;
gezien den uitslag van de daarvoor gehouden stemming der bevoegde
manslidmaten; of
gezien den uitslag der daarvoor gehouden stemming van het kies-
collegie;
gezien de acte van collatie .... van electie .... van agreatie ....;
ingevolge de stemming van de daartoe gerechtigden;
(B)   heeft het goedgevonden te beroepen, gelijk hij beroept bij deze,
tot herder en leeraar dezer gemeente den WelEerwaarden N. N., pre-
dikant te N. N.....den Eerwaarden N. N., camlidaat tot den heiligen
dienst bij het provinciaal kerkbestuur .... (of: verklaart, dat tot herder
en leeraar dezer gemeente beroepen is de enz.) en zulks op zoodanig
-ocr page 176-
Formulieren.
145
tractement en zoodanige emolumenten, als aan deze standplaats ver-
bonden en in annexe opgave vermeld zu\'n.
(O) De Kerkeraad, deze beroeping ter kennisse van den Wel Eer-
waarden N. N. (den Eerwaarden) .... brengende, vertrouwt, dat hy
deze beroeping opvolgende, na de approbatie van het daartoe bevoegde
kerkelijke gezag verkregen te hebben, ten spoedigste tot de gemeente
zal overkomen, om door leer en voorbeeld, bestuur en opzicht, alles
te doen wat een herder en leeraar, overeenkomstig Gods Heilig Woord,
volgens de verordeningen der Nederlandsche Hervormde Kerk, betaamt;
inzonderheid door het verkondigen van het evangelie en het bedienen
van den H. Doop en van het H. Avondmaal op de by de gemeente
vastgestelde tijden; het vertroosten der kranken; het bezoeken der
gemeenteleden aan hunne huizen, en door het onderwijzen van de
bü\'belsche en kerkelijke geschiedenis en van de geloofs- en zedeleer
van den Christelijken godsdienst in catechisatiën, gedurende het gan-
sche jaar wekelijks te houden;
(D)   terwijl de Kerkeraad wederkeerig al die achting, liefde en
medewerking belooft, welke den rechtgeaarden evangeliedienaar
toekomt.
Gedaan in onze vergadering te .... den ....
(E)                                                       De Kerkeraad der (Nederduitsche of
Waalsche) Hervormde Gemeente
te
.....
Ingeval het Classikaal Bestuur naar art. 1 van het Synodaal Regie-
ment voor de Kerkeraden, of naar art. 49 van het Reglement op de
Vacaturen, en het Provinciaal Kerkbestuur naar laatstgetneld artikel
doen moeten, wat des Kerkeraads is, hebben de volgende wyzi-
gingen plaats:
in (^4). „Het Classikaal Bestuur ...., doende in de gemeente___wat
des Kerkeraads is, naar art. 1 van het Synodaal reglement voor de
kerkeraden" of: „Het Classikaal Bestuur .... doende in de gemeente ....
wat des Kerkeraads is naar de artt. 46 en 49 van het Reglement op
de vacaturen en alzoo heden wettig bijeengekomen" enz.;
of
„Het Provinciaal Kerkbestuur ...., handelende naar de artt. 46 en
49 van het Reglement op de vacaturen, ten aanzien van den Ker-
keraad van ...., heden wettig bijeengekomen" enz.;
in (B). „heeft goedgevonden te beroepen; gelijk het beroept bij
deze" enz.;
of
„Gezien het viertal, door het Classikaal Bestuur van .... voorge-
dragen, heeft goedgevonden te beroepen, gelijk het beroept bij
deze" enz.;
in (C). „Het Classikaal Bestuur, handelende als boven" enz.;
Kerkelijk Wetboek, 2e druk.                                                                            10
-ocr page 177-
Reglement op de Vacaturen.
146
- of
„Het Provinciaal Kerkbestuur, handelende als boven" enz.;
in (D). „Vertrouwende het Classikaal Bestuur, dat de Wel-Eer-
waarde .... (Eerwaarde ....) b\\j de gemeente, en wanneer men in
haar midden weder tot de samenstelling van eenen Kerkeraad zal
kunnen geraken, ook by dezen wederkeerig al die achting" enz.;
of
„Vertrouwende het Provinciaal Kerkbestuur, dat de Wel-Eer-
waarde___(Eerwaarde ....) zoo by den Kerkeraad als bjj de gemeente
wederkeerig al die achting" enz.;
in (E). „Het Classikaal Bestuur ...., handelende naar art. 1 van
het Synodaal reglement voor de Kerkeraden";
of
„Het Classikaal Bestuur, handelende naar art. 49 van het Reglement
op de Vacaturen";
of
„Het Provinciaal Kerkbestuur ...., handelende naar artt. 46 en 49
van het Reglement op de Vacaturen."
Indien verder zeer bijzondere omstandigheden eenige wijziging in
het formulier van den beroepbrief vereischen, wordt zij echter niet
toegelaten dan door het Classikaal Bestuur, onder goedkeuring van
het Provinciaal Kerkbestuur.
Formulier B.
Acte van ontslag van Kerkeraad en Gemeente voor een
verroepen Predikant.
De Kerkeraad der Hervormde Gemeente te ...., gezien hebbende
de stukken betrekkelijk tot de beroeping van den Wel Eerwaarden
...., herder en leeraar van deze gemeente, tot herder en leeraar van
de gemeente te___, ontslaat hem op zijn verzoek bij deze, op eene
vereerende wijze, van alle betrekkingen op Kerkeraad en gemeente
te dezer plaatse, en wenscht hem van harte toe, dat hy in zijne
nieuwe betrekking met de meeste vrucht moge arbeiden aan de zaak
van het Christendom, en steeds Gods beste zegeningen tot tn\'deln\'k
en eeuwig heil genieten.
den ....          *
De Kerkeraad der Hervormde Gemeente
te
___
Formulier C.
Acte van ontslag uit de Classis voor een verroepen Predikant.
Het Classikaal Bestuur van ...., gezien hebbende de stukken be-
-ocr page 178-
Formulieren.                                          14?
trekkelgk de beroeping van den Wel Eerwaarden N. N., predikant
te___, beroepen te ...., onder de classis van ...., ontslaat bh\' deze,
op eene vereerende wjjze, voornoemden ... van zn\'ne betrekking tot
de classis ...., met de hartelijke bede, dat h\\j ook in zh\'ne nieuwe
gemeente en classis aan de uitbreiding van het Ruk van Christus
bevorderly\'k moge z\\jn.
den ....
Het Classikaal Bestuur van ..,.
Formulier D.
Acte van ontslag uit den dienst der Gemeente voor een Predikant,
die emeritus is verklaard, of die zijn dienst nederlegt.
De Kerkeraad der Hervormde gemeente te ...., gezien hebbende
de stukken, betrekkelijk tot het emeritaat van den Wel Eerwaarden
...., herder en leeraar alhier (of verstaan hebbende het voornemen
van den Wel Eerwaarden___ om zijn dienst als herder en leeraar
alhier neder te leggen), ontslaat hem bh\' deze, op eene vereerende
w\\jze, van zh\'n dienst in deze gemeente, en wenscht hem van
harte toe, dat de rust van zyn dienstwerk hem nuttig en genoeg-
lh\'k zn\', en h\\j steeds Gods beste zegeningen tot tn\'delijk en eeuwig
heil anmete.
den
De Kerkeraad der Hervormde Gemeente
te
___
Formulier E.
Acte van ontslag uit de Classis voor een Predikant, die emeritus
is verklaard, of die zijn dienst nederlegt.
Het Classikaal Bestuur van ...., gezien het verzoek om ontslag uit
de Classis van den Wel Eerwaarden ...., herder en leeraar te ....,
die emeritus verklaard is (of zyn dienst nederlegd heeft), ontslaat
genoemden N. N. bh\' deze, op eene vereerende wh\'ze, van zy\'ne be-
trekking tot de Classis___, met den wensch, dat hh\', ook in de
dagen zyner rust van het heilig dienstwerk, nog al dat nut stichte,
waartoe lust en kracht hem in staat stellen, en dat hu\' in alles Gods
hulp en zegen geniete.
den
Het Classikaal Bestuur van ....
10»
-ocr page 179-
148                             Reglement op de Vacaturen.
Formulier F.
Acte van lidmaatschap der Classis.
Het Classikaal Bestuur van ...., ontvangen hebbende de legale ken-
nisgeving van de bevestiging van den Wel Eerwaarden___, herder
en leeraar van de gemeente___, verklaart hem by deze tot lid der
Classis___, en als zoodanig gehouden tot het uitoefenen der plichten
en bevoegd tot het genot der rechten, welke aan dit lidmaatschap
verbonden zijn.
* den ....
Het Classikaal Bestuur van ....
Formulier G.
Getuigschrift van zedelijk gedrag voor een verroepen Predikant.
Het Classikaal Bestuur ...., gezien hebbende het verzoek van den
Wel Eerwaarden....., herder en leeraar der gemeente....., hou-
dende aanvrage om een getuigschrift aangaande zyn zedelyk gedrag,
ten einde te dienen ter zake de kerkelijke approbatie van zyn beroep
naar ...., onder de classis ...., getuigt by\' dezen naar waarheid, dat
hy zich onergerlyk in leer en wandel en op eene den evangeliedienaar
waardige wyze gedraagt.
Gegeven te.....den.....
Het Classikaal Bestuur van.....
De acten B, C, D, E en F worden niet gegeven aan een predikant,
tegen wien eene kerkelyke procedure is ingesteld, dan nadat over de
tegen hem ingediende klachte finale uitspraak is gedaan.
In de formulieren D en E kunnen wyzigingen, naar de gesteldheid
der zaak, door het Classikaal Bestuur, of met zyne goedkeuring,
worden aangebracht.
-ocr page 180-
Bijlagen.                                             149
BIJLAGEN
BIJ HET REGLEMENT OP DE VACATUREN.
I.
DE BIJ DE KEGEEEING BESTAANDE BEPALINGEN OMTRENT HET VEELEENEN
VAN EMEEITAATS-PENSIOEN.
(Uit het schrijven van Z. Exc. den Minister van Financien
aan de Synode, van den
25 Juli 1862).
„De bemoeing der Regeering vangt eerst aan, waar het emeritaat
verleend is en nu aanspraak wordt gemaakt op emeritaats-pensioen.
Voor het besteden der gelden van \'s \'Ryks schatkist tot dat einde is
zy alleen verantwoordelijk en heeft die verantwoordelijkheid niet te
deelen met eenig kerkelijk bestuur. Zy heeft daarbij vastgestelde
regelen te volgen. Die regelen steunen alle op vroegere algemeene
verordeningen en Koninklijke besluiten, of zijn anders ontleend uit
hetgeen reeds vóór 1815 heeft bestaan en alzoo bij de grondwet is
gewaarborgd. Eene nadere regeling der emeritaatspensioenen by de
wet is en wordt beproefd, maar zoolang deze niet tot stand ge-
komen zal zijn, moet de Regeering zich binden aan de bestaande
regelen," enz.
„Die bepalingen zyn aan UHEw. niet onbekend, maar het kan zijne
nuttigheid hebben, haar by\' deze met weinige woorden te herinneren.
Eerst en vóór alles geldt de regel: zonder eervol ontslag geen pen-
sioen, de honor kan sine stipendio maar het stipendium nimmer sine
honore zyn. Ten tweede geldt 40jarige dienst, eervol volbracht, voor
wettige aanspraak op vol pensioen. By minder dan lOjarigen dienst
wordt geen aanspraak op pensioen erkend. Overigens, waardedienst-
jaren het tiental te boven gaan en het veertigtal niet bereiken, blyft
de toekenning van pensioen afhankelijk van het onderzoek, of de
eervol ontslagen predikant al of niet wegens verdere ongeschiktheid
voor den dienst zyn ontslag heeft aangevraagd. Oie ongeschiktheid
moet door attesten van bevoegde geneeskundigen worden geconstateerd.
By gemis daarvan moet de emeritus-verklaarde gerekend worden
vrijwillig, zonder noodzakelijkheid en alzoo ook zonder aanspraak op
pensioen, den dienst der Kerk te hebben vaarwel gezegd.
-ocr page 181-
150                             Reglement op de Vacaturen.
«Wat aangaat het bedrag van het emeritaats-pensioen, hiervoor
geldt de regel, dat vol pensioen gelh\'k is aan het bedrag van het aan
de standplaats vast verbonden rtjkstractement. Bij minder dan 40jarigen
dienst wordt voor ieder volbracht dienstjaar een veertigste deel van
het volle pensioen toegekend. Deze regel lb\'dt tweederlei uitzondering:
vooreerst deze, dat als minimum van vol pensioen het eyfer van zes
honderd gulden is gesteld, ook waar het ru\'kstractement tot minder
bedrag is verleend; en ten tweede, dat als maximum van vol pensioen
het bedrag van twee duizend gulden is aangenomen, ook waar het
rh\'kstractement dat cn\'fer te bovengaat. Nog andere afwijkingen, altn\'d
ten behoeve der standplaatsen en geenszins ten gunste van personen,
zh\'n bij Koninklijke besluiten vastgesteld, meestal op grond van hetgeen
uit vroegere eeuw tot op latere tijden is overgegaan en zonderschen-
ding van billijkheid of recht niet mocht veranderd worden.
„Uit al het vorenstaande zal het UHEw. duidelijk zijn, dat overleg
over het bedrag van het te verleenen emeritaatspensioen geheel over-
bodig en daarenboven min gepast zou zijn. Bij meer algemeene be-
kendheid van de hier omschreven regelen kan ieder belanghebbende
zelf het bedrag van het door hem te verwachten pensioen vooraf
berekenen," enz.
„Er is eindelijk gesproken van tijdsbepaling voor den ingang van
het emeritaats-pensioen. Ook hieromtrent acht ik voorafgaand overleg
onnoodig. Wanneer eenmaal de emeritaats-pensioenen bh\' de wet
geregeld zullen zijn, zal zelfs de vrijheid voor de Regeering niet meer
bestaan, om den ingang van het pensioen anders te bepalen, dan op
het tijdstip door de Kerk voor het eervol ontslag bepaald. Ook nu
wil de Regeering als regel die tijdsbepaling voor zich aannemen.
Gebeurt het ooit, dat de geldmiddelen, voor pensioen bh\' de Staats-
begrooting voor Hervormden Eeredienst toegestaan, ontijdig wierden
of waren uitgeput, de Regeering zal voor dat geval de Kerk in het
algemeen kunnen waarschuwen, om den ingang van emeritaat niet
te stellen, dan met het begin van een volgend dienstjaar."
(Handd. der Syn. 1863, bl. 324, 325).
Afzonderlijke bepalingen omtrent het verleenen van
pensioen aan emeriti.
De aanvragen om pensioen moeten door de belanghebbenden zelve
worden gedaan bij adres op zegel, onder overlegging van de akte van
emeritaat en van geboorte, en bh\' minder dan 40jarigen dienst,
bovendien van eene op gezegeld papier geschreven verklaring van
minstens twee bevoegde geneeskundigen, dat de ongesteldheid, waaraan
de pensioen vragen de lh\'dende is, hem geheel ongeschikt maakt voor
de verdere waarneming der betrekking en onherstelbaar is te achten.
-ocr page 182-
151
Bijlagen.
Buitenlandsche geboorteakten moeten vóór de inzending van het
Nederlandsche zegel worden voorzien.
Geen pensioen wordt verleend vroeger dan uiterlijk drie maanden
vóór den ingang van het pensioen.
Voor de Hervormde predikanten te Amsterdam is het volle rijkspen-
sioen bepaald op ƒ2000,00 \'sjaars, bij K.B. van 13 December 1815, No32.
Voor de Predikanten b\\j de in 1816 bestaande gemeenten in Limburg
zn\'n bij verschillende Kon. Besluiten, de rykspensioenen geregeld
als volgt:
Na volbrachten 40jarigen dienst: Maastricht ƒ 1600,00, Venloo ƒ900,00,
de overige standplaatsen ƒ 700,00. Tn geval van volstrekte ongeschikt-
heid tot verdere dienstwaarneming door ziels- of lichaamslijden: na
lOjarigen dienst de helft van het volle pensioen; na 20jarigen dienst
twee derden van het volle pensioen en na 30jarigen dienst drie vierden
van het volle pensioen; terwijl de vrijheid voorbehouden wordt, ook
om zeer bijzondere en gebiedende redenen hiervan af\' te wyken.
Voor de Hervormde Predikanten te ■platten lande in de Provincie
Groningen is bij K. B. van 26 Februari 1841, No. 16, het Ru\'kspen-
sioen bepaald: bij 40jarigen of\' langeren dienst en 05jarigen ouderdom
op ƒ 600 \'s jaars, en na lOjarigen dienst op ƒ 15 per dienstjaar.
Voor de Predikanten bij de Nederduitsch Hervormde Gemeente in
Groningen is bij resolutie van den Stedelijken Raad van 24 Juli 1712,
het pensioen bepaald op ƒ 1000,00 \'s jaars, en sedert de pensioenen
uit \'s lands kas worden betaald, wordt nu ook dit bedrag toegekend.
Men ziet, op den, in bovenstaand Ministerieel schrijven, vermelden
regel zijn nog tal van uitzonderingen gemaakt.
Tot regeling van de Kerkelijke pensioenen heeft de Regeering in
1862, 1864 en 1865, voorstellen van Wet, bij de Tweede Kamer der
Staten Generaal imgediend, die echter niet tot het vaststellen eener
wet te dien aanzien hebben geleid.
(Verg. m. w. l. van alphen, Nieuw Kerkelijk Handboek, jaarg. 1888,
Bijl. E, bl. 32 en 33.)
11.
GECOMMITTEERDEN TOT DE ONTVANGST VAN VACATUURPENN1NGEN.
Min, dis-p. v. 22 Nov. 1827 no. 1, verlangende „spoedige
opgaaf van gecommitteerden tot de ontvangst der
vacatuurpenningen," enz.
In aanmerking genomen:
Dat door het niet tydig genoeg benoemen van een anderen gecom-
-ocr page 183-
152                             Reglement op de Vacaturen.
muteerde tot de ontvangst der vacatuurgelden yoor een ring, in plaats
van een die overleden of vertrokken is, alsmede door het verzuimen
van tijdige kennisgeving van zoodanige benoeming, ongelegenheid
ontstaat, die tot schade der belanghebbenden, immers tot vertraging
in de uitbetaling der vacatuurgelden, aanleiding geeft;
Alsmede dat verscheidene Classikale besturen verzuimen, opgave te
doen van de benoemde praetors en scriba\'s, waardoor de aanteeke-
ningen, welke deswegens by dit Departement bestaan, onvolledig
worden;
Heeft goedgevonden:
1°. De Classikale besturen aan te schrijven om daarop acht te
geven en te zorgen, dat door de benoeming van een anderen gecom-
mitteerde tot de ontvangst der vacatuurgelden, in plaats van een
overledenen of vertrokkenen, die plaats onverwijld vervuld worde, al
ware het slechts provisioneel, en dat daarvan de opgave ten spoedigste
aan het Departement worde ingezonden;
2°. De Classikale besturen uit te noodigen, om vóór den eersten
Januari aanstaande in te zenden eene opgave van de thans fungeerende
praetors en scriba\'s der ringen, onder hun ressort behoorende, alsmede
om in het vervolg regelmatig opgave te doen van de veranderingen,
welke daarin plaats hebben.
Circulaire van den Secretaris-Generaal, v. 23 Sept. 1818, ter
informatie van quaestoren en gecommitteerden tot
de ontvangst van vacatuurpenningen.
„Ik heb opgemerkt, dat sommige der Classikale gecommitteerden
tot de ontvangst van vacatuurpenningen in het begrip schijnen te
staan, dat op de opgave van veranderingen in de standplaatsen der
predikanten, met betrekking hunner plaatsing op de betaalsrollen,
ten allen tijde zoodanig regard kan worden geslagen, dat deze opgave
eene onmiddelln\'ke plaatsing op die betaalsrollen ten gevolge zoude
kunnen hebben.
„Uit dien hoofde acht ik het noodig, al de heeren Classikale quaes-
tors en verdere ring-gecommitteerden tot de ontvangst der vacatuur-
penningen te informeeren:
„Dat overeenkomstig Z. M. besluit, van den 24sten Maart 1817,
no. 41, de betaalsrollen van de traktementen der predikanten vóór
den 14den der middenmaand van ieder kwartaal door dit Departement
aan de Algemeene Rekenkamer ter liquidatie behooren te worden
opgezonden;
„Dat dien ten gevolge by de comptabiliteit met den aanvang van
dit uitgebreide werk niet langer kan worden gewacht, als uiterlyk
tot den lsten dier middenmaand, en dat dus hieruit voortvloeit, dat
-ocr page 184-
Bijlagen.
153
alle berichten van veranderingen in de standplaatsen der predi-
kanten, welke na den lsten dier maand by het Departement inko-
men, niet dan voor het daarop volgende kwartaal in aanmerking
kunnen komen.
„Ik noodig dus de heeren Quaestors en Gecommitteerden by deze
uit, om hunne berichten van veranderingen der standplaatsen,
overlijden van predikanten enz., zoo spoedig mogelük en zelfs
(zoo verre zulks doenlyk is) vóór den eersten van iedere kwartaals-
middenmaand, dat is vóór 1 Februari, 1 Mei, 1 Augustus en
1 November, aan het Departement in te zenden, ten einde by iedere
ordonnanceering op deze ingekomen berichten, by het formeeren der
betaalsrollen, voor de belanghebbenden het noodig regard zoude
kunnen worden geslagen."
III.
TOEKENNING VAN TEACTEMENT, ENZ. BIJ PEEDIKANTSBEBOEPING.
Kon. Beal. van 15 Dec. 1861 tot intrekking van het besl. van den Souv.
Vorst d.d. 23 Dec. 1813, no. 17 (betreffende de approbatie voor
predikantsberoepingen) en tot vaststelling van bepalingen
omtrent de toekenning bij vacaturen van het
tractement en verdere voordeden aan
de standplaats verbonden.
Wy Willem III, enz.
Gehoord de voordracht van Onzen Minister voor de zaken van den
Herv. Eeredienst enz. van den 18 Nov. 1801, no. 10; \'
Gezien het besluit van den Souvereinen Vorst d.d. 23 Dec. 1813,
no. 17;
Den Raad van State gehoord (advies van den 9 dezer, no. 4);
Gehoord het nader rapport van onzen Minister voornoemd, d.d. 14
dezer, no. 18;
Hebben goedgevonden en verstaan, gemeld besluit in te trekken
en te bepalen:
Abt. 1. Vóór tot de vervulling der vacature eener predikants-plaats
by een der Protestantsche kerkgenootschappen, waar van\'s lands wege
tractement of andere voordeden aan zijn verbonden, over te gaan,
doet de bevoegde Kerkeraad aanvrage by het Departement voor de
zaken van den Herv. Eeredienst enz., tot het erlangen eener autorisatie,
ten einde aan den te beroepen leeraar, met het beroep, tevens het
bedrag dier laatstelijk aan de standplaats verbonden inkomsten te
kunnen aanbieden.
-ocr page 185-
154                             Reglement op de Vacaturen.
Aet. 2. In het geval dat het heroep geschiedt op het hestaande
tractement, verleent onze Minister voor de zaken van den Herv.
Eeredienst enz., de hij art. 1 bedoelde autorisatie.
Aet. 3. Ingeval echter vermeerdering of vermindering van het
bestaande tractement mocht worden aangevraagd of noodig geacht,
wordt Onze beslissing vereischt.
Evenzoo geschiedt de bepaling en toekenning eener bezoldiging
van landswege door Ons, wanneer die gevraagd wordt door of ten
behoeve van predikanten, die nog geen tractement uit \'s lands kas
genoten.
In de gevallen boven bedoeld wordt de autorisatie, in art. 1 vermeld,
niet verleend, dan nadat door Ons zal zyn beslist.
Aut. 4. Na de kerkelijke goedkeuring van het beroep, doet het
betrokken kerkbestuur daarvan mededeeling aan den Minister voor-
noemd, ten einde door dezen de vereischte maatregelen worden ge-
nomen tot uitbetaling van het tractement.
Onze Minister voornoemd is belast met de uitvoering van dit besluit,
waarvan afschrift tot kennisgeving zal worden gezonden aan den Raad
van State en aan de Algemeene Rekenkamer.
Ministerïèele dispositie van 28 Juli 1868, no. 20, omtrent de
kennisgeving van predikantsberoejnng aan de Regeering.
De Minister enz.
Gelet op art. 168 der Grondwet, waarbij onder meer de traktementen
der godsdienstleeraren aan de gezindheden verzekerd zijn;
Gezien het Kon. Besl. v. 15 Dec. 1861, no. 59, waarbij is bepaald,
wat van de zijde der Regeering geschieden moet bij de vervulling der
vacature van eene predikantsplaats, aan welke ryksbezoldiging ver-
bonden is;
Overwegende,
dat tot hiertoe, buiten de voorschriften van het zooeven gemeld
Kon. Besluit, aan iederen beroepen predikant, nadat van de kerkelijke
goedkeuring van het op hem uitgebracht beroep gebleken is, het
landstractement, aan de door hem te vervullen predikantsplaats ver-
bonden, bij afzonderlijke beschikking wordt toegekend,
en dat die toekenning, in de plaats getreden van de vroegere
Koninklyke goedkeuring van beroep, voor het tegenwoordige geen
andere beteekenis of waarde heeft, dan die van eene administratieve
formaliteit, welke ook als zoodanig overbodig en nutteloos te ach-
ten is;
Overwegende,
dat mede tot hiertoe buiten de voorschriften van het meergemelde
koninklyk besluit, van ieder uitgebracht en kerkelijk goedgekeurd
-ocr page 186-
155
Bijlagen.
predikantsberoep kennis gegeven wordt aan den Commissaris des
Konings in de betrokken provincie, met verzoek, bericht daarvan aan
het plaatselijk bestuur te doen toekomen, en dat die kennisgeving en
dat bericht verband houden met eene vroegere naar het tegenwoordige
staatsrecht niet geldige beschouwing, dat de godsdienstleeraar niet
uitsluitend dienaar der Kerk, maar ook landsambtenaar is;
Overwegende,
dat het evenwel voor de Regeering, overeenkomstig art. 4 van
het meergenoemd Kon. Besl., in verband met de zorg voor de uit-
betaling der tractementen, noodig blijft onverwijld kennis te dragen,
eerst van de kerkelijke goedkeuring van ieder uitgebracht predi-
kantsberoep, en daarna van bevestiging en intrede van den beroepen
predikant,
Heeft goedgevonden te bepalen,
dat van nu af, voor ieder na dato dezes uit te brengen predikants-
beroep, de hiervoren vermelde persoonlijke toekenning van landstrac-
tement en kennisgeving aan de provinciale burgerlijke autoriteit niet
meer zullen geschieden;
dat de verplichting der kerkelijke besturen tot onverwijlde kennis-
geving van werkelijke goedkeuring en van bevestiging onverminderd
blijft bestaan,
en dat van nu af alleen en uitsluitend aan de Algemeene Reken-
kamer, bij driemaandelijkschen staat, kennis zal worden gegeven van
de mutatiën, die in het personeel der godsdienstleeraren hebben
plaats gehad.
Deze dispositie zal worden gezonden, enz.
(De Algemeene Synode der Ned. Herv. Kerk heeft, onder dag-
teekening van den 24 Aug. 1888, No. 315, de navolgende circulaire
gericht aan de Provinciale Kerkbesturen, ter handhaving van Art. 41
van het Regl. op de Vacaturen):
Uit de lijst van achterstallige quota (Bijlage A, 1888, bl. 119—121)
is ons gebleken, dat daarin voorkomt eene gemeente, die niet lang
geleden eene belangrijke subsidie uit het Fonds voor noodlijdende
kerken en personen ontvangen en toch de quota niet voldaan heeft,
terwijl van eene andere gemeente blijkt, dat zn\' vacant is en dat
mitsdien het verzoek van haren Kerkeraad om zoogenaamde hand-
opening niet had mogen overgebracht worden by het Ministerieel
Departement, zonder dat de quota voldaan waren.
Wh\' hebben daarom de eer U uit te noodigen, de Classikale Besturen
van Uw ressort aan te schryven, pogingen aan te wenden om de
achterstallige quota te innen en hen te verwijzen naar het voorschrift,
vervat in Art. 4l van het Reglement op de Vacaturen.
-ocr page 187-
156                           Reglement op de Vacaturen.
IV.
HET BECHT VAN COLLATIE, ENZ.
Besluit van den Souvereinen Vorst van 28 Sept. 1814, no. 4,
tter regeling van het collatie-recht".
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.    Dat met den lsten Nov. aanstaande in werking gebracht en
voortaan geobserveerd zullen worden de bepalingen omtrent de
uitoefeningen van het recht van collatie of beroeping van predi-
kanten, voorkomende in art. 5 van Ons Besluit van den 26 Maart
1.1., no. 20, wegens de voormalige heerlyke rechten; reserveerende
wy nochtans wel expresselyk aan Ons, om, hetzy b\\j speciale
dispositiè\'n over dit onderwerp, hetzy bij het daarstellen van alge-
meene kerkelyke verordeningen, ten dezen nader en anders te dis-
poneeren.
2.    Dat dien overeenkomstig hetzelfde recht onbepaald wordt toe-
gekend aan deszelfs voormalige eigenaren, op alle plaatsen, waar de
predikanten uit kerkelijke fondsen, zonder subsidie van den lande,
worden bezoldigd; terwyl in de gemeenten, waar voorschreven sub-
sidiën plaats hebben, door de gemeenten of kerkeraden een dubbeltal
geformeerd en de electie door den voormaligen geregtigden zal gedaan
worden; blyvende eindelijk daar, waar aan de voormalige heeren alleen
het recht van de medestemming in de benoeming van predikanten of
het* recht van agreatie competeerde, hetzelve in den vorm, zoo als
het te voren heeft plaats gehad.
(De nu volgende artt. 3—6 zijn buiten werking gesteld. Art. 3,
handelende bijzonder over het verleenen van haiidopemngen en appro-
batiën, door hot onder III medegedeelde Kon. Besl. van 15 Dec. 1861;
art. 4, 5 en G over het z.g. recht van collatie van Staatswege in sorn-
mige gemeenten der Ned. Herv. Kerk uitgeoefend, door de Wet van
16 Dec. 1861, Staatsbl. no. 124, waarby genoemd collatierecht is op-
geheven. Verg. de 2e aant. op art. 24 Alg. Regl. Voorts is het Kon.
Besl. van 1 Febr. 1815, waarbij de collatierechten geheel werden
hersteld, zooals ze vóór 1795 waren uitgeoefend, door den Hoogen
Raad der Nedd. by arrest van 20 April 1849 ongrondwettig verklaard
en by Kon. Besl. van 24 Jan. 1850 ingetrokken. Zie beüna, De regll.
en besll,
enz., 7e dr., bl. 236.)
-ocr page 188-
157
Bijlagen.
Kon. beal. van 11 Aug. 1819, Staatsbl. no. 43, omtrent het afstaan
en de toepassing van het collatierecht.
Hebben goedgevonden en verstaan het navolgende te bepalen:
Art. 1. Geen collatie-recht, hetwelk thans aan zekeren grond-
eigendom of aan eenige heerlijke bezitting verknocht is, mag
daarvan worden afgescheiden, veel min als een afzonderlijk object
verkocht.
Art. 2. Geen eigendoms-overgang, hetzij bij overeenkomst of b\\j
gifte ter zake des doods, van de thans reeds van den grond ot de
bezitting afgescheidene en dus afzonderlijk bestaande collatie-rechten,
of van aandeelen in dezelve, zal voortaan kunnen plaats hebben, dan
onder onze uitdrukkelijke goedkeuring.
Art. 3. Indien Wij mochten goedvinden eene zoodanige eigendoms-
overgang en overdracht goed te keuren, reserveeren Wh\' aan ons,
zulks te doen onder de voorwaarden, welke de belangen van den
godsdienst mochten komen te vorderen.
Art. 4. Geen unicus collator zal de collatie mogen doen aan
iemand, die hem binnen den vierden graad van bloedverwantschap
of zwagerschap bestaat, tenzij onder onze speciale toestemming.
(Zie omtrent het advies, indertijd gegeven op de vraag van den
Min., of dit besluit kon worden ingetrokken, de 3e aant. op art.
24, Alg. Regl.)
Reglement op de uitoefening van het collatierecht in de
voormalige Ommelanden.
Art. 1. Door de Kerk worden alleen de Collatierechten erkend,
zooals zij thans wettig bestaan en bij rechtsgeldigen titel zijn ver-
kregen, en zoolang zij niet door wet of overeenkomst zijn opgeheven.
Art. 2. Eigendomsovergang bij overeenkomst of gifte onder levenden
van Collatierechten, die niet meer aan den grond verbonden zyn, zal,
by bestaande vacature, of het zeker vooruitzicht daarvan, bij de ver-
vulling dier vacature niet in aanmerking komen.
Art. 3. Niemand zal door een Dnicus of Primarius Collator tot
predikant mogen worden benoemd, die hem binnen den vierden graad
van bloedverwantschap of zwagerschap bestaat, onverminderd het
bepaalde bh\' artikel 4 van het Koninklijk Besluit van 11 Augustus
1819 (Staatsblad no. 43).
Art. 4. De Kerkeraad eener vacante gemeente geeft, 14 dagen
vóór hij tot de beroeping wenscht over te gaan, den Collator kennis
van dien dag, met uitnoodiging om vóór dien dag in de bestaande
vacature te voorzien.
-ocr page 189-
158                             Reglement op de Vacaturen.
Indien er meer dan één Collator is, geschiedt deze oproeping met
bepaling Tan plaats, dag en uur, bij afkondiging in de kerk (of de
kerken) der vacante gemeente, minstens 14 dagen voor den dag der
samenkomst.
Abt. 5. De Collator is verplicht aan den Kerkeraad eene schrif-
telijke akte van predikantsbenoeming te doen toekomen.
Indien er meer Callatoren zijn, moet deze akte vergezeld zijn van
een proces-verbaal der samenkomst, waarin de benoeming geschiedde.
Art. 6. Bij de akte van benoeming moet door eiken Collator worden
overgelegd:
1°. een in authentieken vorm afgegeven extract uit het Register
der Heerlijkheden en Gerechtigdheden, berustende ter Griffie van de
Staten der provincie Groningen, ten bewijze, dat hij als Collator is
ingeschreven;
2°. het bew\\js van goedkeuring van den eigendoms-overgang der
Collatie, voorzoover die goedkeuring ingevolge het Koninklijk Besluit
van 11 Augustus 1849 noodig mocht zijn;
3°. eene door den Kerkeraad zijner woonplaats afgelegde verklaring,
dat hy is lidmaat der Nederlandsche Hervormde Kerk, meerderjarig
en niet onder censuur of curateele staande;
4°. üoor den Collator (of door de Collatoren) zal hierbij worden
gevoegd de volgende schriftelijke verklaring:
„Ik ondergeteekende N. N. (of wn\' ondergeteekenden) Collator (of
Collatoren) van de predikantsplaats bü de Hervormde gemeente te
....... verklaar (of verklaren) bij plechtigen eede als in tegen-
woordigheid van God, den Alwetende, ter zake der door mij (ofons)
gedane benoeming van N. N. tot predikant dier gemeente, noch met
dien benoemde, noch met iemand van zijnentwego, of te zijnen be-
hoeve, eenige hoe ook genaamde overeenkomst te hebben aangegaan
of eenige giften, van welken aard ook, te hebben ontvangen, noch
ook alsnog immer te zullen aangaan of ontvangen."
Te
                           den
N. N.
Geen beroep van een krachtens het Collatierecht benoemde zal mogen
worden uitgebracht, noch door een Classikaal Bestuur worden goed-
gekeurd , wanneer de stukken, in de artt. 5 en G vermeld, niet in orde
worden bevonden.
Art. 7. Alle bepalingen omtrent het Collatierecht, met dit Regie-
ment in strijd, zijn vervallen.
(Dit regl. heeft het vroegere „op het aannemen en de kerkelijke
goedkeuring eener beroeping tot predikant bij de Herv. gemeenten
onder het ressort van het prov. Kerkbestuur van Groningen", goedg.
bij Kon. besl. van 3 April 1834, no. 83, vervangen. Zie Syn. Handd.
1873, bl. 236—238. Overigens zijn over het voortdurend bestaan der
-ocr page 190-
Bijlagen.                                             159
collatierechten en het niet voortdurend bestaan van het zoogenaamde
collatierecht der eigenerfden in de voormalige jurisdictie der stad
Groningen (het Gooregt en de Oldampten) en in Drenthe door de
Syn. Coinm. belangrijke adviesen gegeven, aangewezen in de Registers
op de Syn. Handd. van 1871, 1872, 1873 en 1874 in vocibus: Colla-
tierecht
en Eigenerfden. Verg. Mr. w. b. s. boeles, Het stemrecht der
Eigenerfden in Groningen en Drenthe,
Gron. 1869.)
Dit Reglement heeft in 1885, onder goedkeuring der Synode, eene
belangryke wijziging ondergaan ten gevolge van een tusschen den
Collator der Hervormde Gemeente te Usquert en den Kerkeraad aldaar
tot in het hoogste ressort gevoerd rechtsgeding. In het Reglement
was namelijk, op grond van het Souverein Besluit van 28 September
1814 (Stbl. No. 102), de bepaling opgenomen, dat bij voorkomende
vacature, den Collator of den Collatoren een dubbeltal zou worden
aangeboden, ten einde daaruit eene keuze te doen. Door den Hoogen
Raad werd by einduitspraak in genoemde procedure Usquert de onver-
bindbaarheid dezer bepaling aangenomen. Aan den Collator dus de
geheel vrije benoeming gelaten. Zulks in hoofdzaak op dezen grond,
dat de Ommelander Collatierechten, als waarvan hier sprake is, als
eigendomsrechten bh\' de resolutie van 1795 niet zijn afgeschaft, gevolglijk
steeds van kracht zijn gebleven, en onder het Besluit van den Sou-
vereine Vorst van 1814 niet kunnen zijn begrepen. Het arrest van
den Hoogen Raad is gewezen den 13 Februari 1885 en opgenomen
in het Nieuw Kerkelijk Handboek van van alphen, jaargang 1886,
bl. 71 en volgende der Bijlagen, en mede te vinden in het Weekblad
v. h. Recht, No. 5144. Daarbij werd bevestigd het vonnis der Rechtbank
te Groningen van 31 Maart 1882, gewezen overeenkomstig de con-
clusie van den officier van justitie en voorkomende in W. v. h. R.,
No. 4792. Het Gerechtshof van Leeuwarden was trouwens eene andere
meening toegedaan en achtte met den Procureur-Generaal bij dat Hof
het Ommelander Collatierecht tijdens den revolutietijd wèl vervallen
en het gemeld Souverein Besluit hier dus wel toepasselijk. Ook de
Procureur-Generaal bij den Hoogen Raad sloot zich hierbij aan-
Laatstgenoemde conclusie is te vinden bij v. alphen, boven aan-
gehaald, bl. 62 en v., en het arrest van Leeuwarden bij denzelfde,
jaargang 1885, bl. 54 en v. der Bijlagen, voorts in het W. v. h. R.,
No. 4958.
De heer Mr. j. p. hoestede in zijn proefschrift: Het Ommelander
Collatierecht,
verdedigd te Groningen in 1886 (uitgegeven te Leeu-
warden by w. eekhoff en zoon) , trok partij voor de opvatting van het
Gerechtshof van Leeuwarden, oordeelde het collatierecht in 1795 wel
degelijk vervallen, en de beperkende bepaling nopens de voordracht
van een dubbel tal volgens Souverein Besluit dus van toepassing.
-ocr page 191-
160                     Reglement op de Vacaturen. Bijlagen.
Hierop volgde tegenspraak van den heer Mr. h. feima, die van den
beginne at den Collator in dezen van advies had gediend, en de
beslissing van den Hoogen Raad in zyne bescherming nam. Zn\'ne
daartoe betrekkelijke opstellen komen voor in de Provinciale Groninger
Courant
van 15, 16 en 17 December 1886, en zn\'n ook opgenomen
in het Weekblad v. h. Rtcht.
De heer Mr. j. r. hofstede antwoordde in dezelfde courant van 25
Januari 1887, mede vermeld in het Weekbl. v. h. R., waarop laat-
stelijk Mr. feima zn\'ne stelling nader volhield in de Prov. Gron. Crt. van
31 Januari 1887, almede overgenomen in het Weekblad. Het proet-
schrift van Mr. hofstede, en de verschillende opstellen van Mr. feima
zn\'n door de schrijvers aan de Synodale bibliotheek ten geschenke
aangeboden, en daar dus berustende.
-ocr page 192-
REGLEMENT
KERKELIJK OPZICHT EN TUCHT EN VOOR DE BEHANDELING VAN
KERKELIJKE GESCHILLEN.
I.
OPZICHT EN TUCHT.
EERSTE HOOFDSTUK.
Algemeene bepalingen.
Art. 1. Kerkel\\jk opzicht wordt gehouden en kerkelijke lucht uitge-
oefend tot bevordering van Christelijk leven, tot wegneming van alles,
wat het godsdienstige en zedelijke welzh\'n der gemeente belemmert
en tot handhaving der kerkelijke reglementen en verordeningen.
Tot bevordering, enz. Kerkelijk opzicht en korkelijke tucht, hoewel bepaald
en duidelijk in dit reglement onderscheiden, zijn in strekking één, nl. bevordering
van alles wat christelijk en zedelijk is. Mitsdien wordt, als doel van opzicht en
tucht, de handhaving der kerkelijke reglementen en verordeningen eerst in de
laatste plaats genoemd, daar zij toch ook van de kerkelijke tucht geen hoofddoel,
maar aan die christelijk zedelijke strekking ondergeschikt is. Het beginsel der
kerkelijke tucht is broederlijke liefde. Syn. Handd. 1856, bl. 117, 118, 141
(Verg. art. 4, al. 1).
Art. 2. Het houden van opzicht en het uitoefenen van tucht is
opgedragen aan de Kerkeraden, de Classikale Besturen, de Provinciale
Kerkbesturen en de Algemeene Synode, volgens de bepalingen van
dit reglement.
Art. 3. Het kerkelijk opzicht strekt zich uit tot allen, die volgens
art. 2 van het Algemeen Reglement, door belijdenis, doop, geboorte
als anderzins tot de Nederlandsche Hervormde Kerk behooren.
Aan de kerkelijke tucht zh\'n onderworpen alle lidmaten, en inzon-
derheid leeraren, ouderlingen, diakenen en andere leden van kerkelijke
Kerkelijk Wetboek, 2e druk.                                                                   11
-ocr page 193-
162               Reglement vook Kerkelijk Opzicht en Tucht.
bestureu, ter zake van onchristelijken wandel, van openbaren stry<l
met ilen geest en de beginselen van de belijdenis der Hervormde
Kerk (art. 27 van bet Reglement op bet Examen), van verstoring
van orde en rust en van verzuim of\' vergrijp in de uitoefening van
kerkelijke betrekkingen.
Het kerkelijk opzicht, enz. Tusschen opzicht en tucht moet onderscheid gemaakt
worden: a. wegens den aard der zaak. Het opzicht der kerkelijke collogiën is
doorloopend; tot het oefenen van tucht wordt alleen in bepaalde gevallen over-
gegnan. Daarom wordt het opzicht niet, de tucht wel gereglementeerd; b. wegens
den verschillenden omvang van beide. Het kerkelijk opzicht strekt zich uit over
de gehoele kerk en al hare leden; de kerkelijke tucht daarentegen kan alleen
worden toegepast op hen, die door het afleggen van belijdenis des geloofs ver-
klaard hebben tot de gemeente te willen behooren, op de lidmaten. Syn. Handd.,
1856, bl. 141 (verg. bl. 118, 119).
Art. 4. De in art. 2 genoemde kerkelijke collegiën trachten de te
hunner kennis gekomen verkeerdheden door raadgeving en terecht-
wijzing, voor zoo ver zij die daarvoor vatbaar oordeelen, in den geest
der broederlijke liefde uit den weg te ruimen.
De tuchtmiddelen, welke zij na kennisneming en onderzoek, over-
eenkomstig de voorschriften van dit reglement, aanwenden, zijn:
eene berisping;
ontzegging van het gebruik des H. Avondmaals voor bepaalden of
onbepaalden tijd;
vervallenverklaring van de bevoegdheid tot het uitoefenen van
kerkelijke rechten en tot het aanvaarden van kerkelijke bedieningen
voor bepaalden of onbepaalden tijd;
schorsing in de waarneming van kerkelgke bedieningen en ambten
voor bepaalden of onbepaalden tijd, met of zonder geheel of gedeelte-
lyk verlies van tractement;
ontzetting van kerkelijke bedieningen en ambten;
ontzetting van het lidmaatschap der Nederlandsche Hervormde Kerk.
Door raadgeving en terechtwijzing, enz. Dit art. heeft met 1 Jan. 1877 eene
belangrijke wijziging ondergaan. Het luidde oorspronkelijk:
„De in art. 2 genoemde kerkelijke collegiën trachten do te hunner kennis
gekomen verkeerdheden door raadgeving, terechtwijzing, waarschuwing on be-
strafling, in den geest der broederlijke liefde uit den weg te ruimen.
„De tuchtmiddelen, welke zij na kennisneming en onderzoek, overeenkomstig
de voorschriften van dit reglement, aanwenden, zijn:
„ontzegging van het gebruik des IL Avondmaals" en zoo als dan vorder volgt.
Naar aanleiding van een voorstel, door de Heeren tiioden van velsen en
scHUURHECiiUE boeije, gedaan in 1875, om „met het oog op do veelvuldige onge-
legenheden, waarin do kerkelijke besturen gebracht worden, als zij geroepen
worden om recht te spreken in gevallen van kerkelijke tucht, door art. 21 in
verband met art. 4 van het llegl. voor K. O. en T.", in art. 4, al. 2, onder de
tuchtmiddelen op te nemen in de eerste plaats waarschuwing en bestraffing, en
om voorts door wijziging van al. 1 het daarin voorgesehrevene omtrent het „uit
-ocr page 194-
Art. 3—4.
Ï63
den weg ruimen van verkeerdheden in den geest der broederlijke liefde" niet
meer verplichtend te stellen, maar naar gelang van omstandigheden aan het
oordeel dier collegiën over te laten, heeft de Synode, in overweging nemende,
dat er voor hem, die meent ten onrechte eene waarschuwing of\' bestraffing te
hebben ontvangen, geene gelegenheid bestond om in hooger beroep te komen,
alsmede dat er onderscheidene gevallen bij de kerkelijke rechtspleging voor-
komen, die eene dadelijke toepassing van een of ander tuchtmiddel vorderen,
verandering van het artikel, echter met eenige wijziging van het voorstel, noodig
geoordeeld. Op do definitieve vaststelling is bij eindstemming de goedkeuring van
de leden der Provinciale Kerkbesturen gevolgd en het veranderde art. in werking
gebracht 1 Jan. 1877. Zie 1875, bl. 42—44, 138—142, 145, 146; 1876, bl.
91—95, 266, 267; 1877, bl. 52, Bijl. B, bl. 116. In verband hiermede staat de
aanvulling van art. 45.
De tuchtmiddelen. De kerkelijke besturen zijn vrij in de keuze der tucht-
middelen. De Synode heeft bij het definitief vaststellen van dit reglement zich
voreenigd met de volgende beschouwing van hare rapporteerende commissie:
„Geheel in overeenstemming met het boven aangeduide beginsel/\' (zie op
art. 1) „is de groote vrijheid, die aan de verschillende kerkelijke collegiën
gelaten wordt. Nergens komt in het concept eene opsomming voor van de ovcr-
tredingen, welke tot de uitoefening van de kerkelijke tucht aanleiding geven,
noch ook eene bepaalde aanwijzing van de tuchtmiddelen, die op elke overtreding
moeten worden toegepast. Iets dergelijks mag evenmin in een strafwetboek ont-
breken, als het in een reglement van kerkelijk opzicht en tucht op zijne plaats
zou zijn. Sommige besturen en kerkeraden evenwel hebben zich met het stelsel
hierin door het concept gevolgd, niet kunnen vereenigen, en maken opmerkzaam
op het gevaar, aan het gemis van vaste bepalingen verbonden. Vele kerkelijke
collegiën, zoo meenen zij, zullen daardoor in groote verlegenheid geraken, niet
het minst do kerkeraden te platten lande, aan welke men in den regel geene
ervarenheid in het behandelen van zaken van kerkelijke tucht mag toeschrijven;
onzekerheid, ongolijkmatigheid, verwarring, wellicht ook misbruik van macht
zullen daarvan het gevolg zijn. Het ware veiliger geweest, uitdrukkelijk te
bepalen, welke tuchtmiddelen op de mot name genoemde afdwalingen toepasselijk
waren, en alzoo de verantwoordelijkheid, vooral der lagere kerkelijke collegiën,
eenigermate te verplichten.
„Uwe Commissie gevoelt al hot gewicht van die bedenkingen. En toch kan
zij Uw Hoog Eerw. alleen aanraden, dat zij zich in dit opzicht geheel en al
houden aan het door het concept gevolgde stelsel. Elke afwijking daarvan zou
tevens afwijking zijn van hot beginsel, waarvan kerkelijk opzicht en tucht uitgaan.
Dat beginsel vordert gebiedend, dat niet slechts op de overtreding, als geïsoleerd
feit, maar ook, ja vooral op den zedelijkon toestand, waarvan het de openbaring
is, op het waarachtig belang zoo van den schuldige als van de gemeente, acht
worde gegeven. Dit alles wordt hoogst bezwaarlijk, zoo niet onmogelijk, wanneer
het kerkelijk collegie in de toepassing dor tuchtmiddelen door do letter van een
reglement gebonden is, hoe groote ruimte hot overigens ook laten moge. Daaren-
boven, begon men eenmaal de overtredingen op te sommen, dan mogt er ook
geene enkele ontbreken, want haar gemis zou de bevoegdheid der besturen, tot
groote schade der gemeenten, beperken. En wie zou durven beweeren, dat vol-
ledigheid in dit punt bereikbaar is \'t Het moge dan waar zijn, dat de bevoegdheid
van elk kerkelijk collegie, binnen de grenzen van zijn eigen gebied gelaten,
II*
-ocr page 195-
164               Reglement voor Kerkelijk Opzicht en Tucht.
hare bezwaren heeft, het beperken van die vrijheid achten wij oneindig meer
bedenkelijk. Het is billijk, dat de wijze van kennisneming en onderzoek, althans
in hare hoofdtrekken, door den wetgever bepaald worde, doch elk oordeele,
nadat hij voldoende ingelicht is, naar de uitspraak van zijn geweten. Mag hij
dat niet doen, dan verliest de kerkelijke tucht haar vaderlijk, haar opvoedend
karakter, en het kerkelijk collegie in plaats van te handelen uit het vrije
beginsel der broederlijke liefde, wordt de dienaar eener geschrevene wet." (Zie
1865, bl. 124).
Ook is het in dit regl. gevolgde stelsel niet in strijd met art. 51, 3° van het
Alg. Regl., waar melding gemaakt wordt van „misdrijven, voor welke de
kerkorde afzetting eisclit", \'twelk in zich zou sluiten, dat het regl. voor kerkelijk
o. en t. uitdrukkelijk behoort te bepalen, welke misdrijven dat zijn. Door kerkorde
worden Uier toeh in \'t algemeen de regelen bedoeld, die in de kerk plegen
gevolgd te worden en die nader aangewezen zijn in artt. 43, 3° en 44, 3° van
het Algemeen Reglement (t. a. p., bl. 125).
Mei of zonder tractement. Deze woorden zijn eene aanvulling, in werking
gekomen 15 Febr. 1872. Daardoor is do bevoegdheid, die bij de vroegere wet-
geving aan den korkelijken rechter gegeven was, om aan de schorsing van een
pred. verlies van tractement te verbinden, weder hersteld. Immers was bij de
opheffing dier bevoegdheid uit het oog verloren, dat de verschoonende behan-
deling van den schuldige in deze vaak een drukkenden last op de ringpredd.
legt, te meer omdat de schuldige er dan lichter toe komt om zijne zaak alle
mogelijke instantiën te doen doorloopen, ook dan zelfs, wanneer er geenerlei
uitzicht op vrijspraak bestaat. In verband met deze ampliatie is te gelijkertijd
ook art. 37 veranderd. Zie 1870, bl. 138 — 140, 179, 180; 1871, bl. 322—325.
Ontzetting van kerkelijke bedieningen en ambten. In de Verg. der Synode van
1883 is de vraag gerezen, of het niet wenschelijk zou zijn tusschen de schorsing
en de ontzetting een lichter tuchtmiddel op te nemen, daar er gevallen kunnen
zijn, dat een predikant óf geschorst zijnde, den zedelijken invloed mist om met
nut in dezelfde gemeente zjjn werk te hervatten, óf ontzet uit den dienst, toch
roods na korteren tijd dan vijf jaren met vrucht in eene andere gemeente zou
kunnen werkzaam zjjn. Twee, daartoe gedane voorstellen, hot éóne om achter
de bovenstaande woorden te laten volgen: „voor bepaalden of onbepaalden tijd",
het andere om tusschen „schorsing" en ontzetting op te nemen, in eene nieuwe
al.: „niet eervol ontslag", hadden echter, naar het oordeel der Synode, te groote
bezwaren, om aangenomen te worden. Zie 1883, bl. 112, 113, 212—214.
Ontzetting van liet lidmaatschap, enz. In het concept-reglement was hieraan
nog toegevoegd als laatsto tuchtmiddel: afsnijding van alle betrekking tot de
Nederlandsehe Hervormde Kerk;
met de bedoeling, dat dit ook op hen, die geen
lidmaten zjjn, zou kunnen worden toegepast. Dezen zijn echter niet aan de
kerkelijke tucht onderworpen. Daarenboven is dit tuchtmiddel onuitvoerlijk en
met do strekking der kerkelijke tucht onvereenigbaar. Reeds de ontzetting van
het lidmaatschap moet niet dan in de uiterste noodzakelijkheid worden toegepast;
er kunnen zicli evenwel gevallen voordoen, waarin het welzijn der gemeente haar
gebiedend schijnt te vorderen. Dan echter behoudt het collegie, dat haar uitsprak,
naar art. 3(5 de bevoegdheid haar ook weder op te heffen. „De Kerk laat een
harer lidmaten los, maar zij spreekt tevens hare gezindheid uit, om hem, indien
hij berouw toont, en verklaart met hare beginselen in te stemmen, -weder op te
nemen in haren schoot. Ja, zoo zij hare roeping als Christelijke Kerk verstaat,
-ocr page 196-
Art. 4-7.                                            ll>5
zal zij niet lijdelijk afwachten, totdat de van het lidmaatschap ontzette van die
gezindheid doe blijken, maar zelve nl de middelen, die zij in hare macht heeft,
aanwenden om dat berouw en die instemming met hare Christelijke beginselen
te doen ontstaan en aan te kweeken. Doch indien dit de bedoeling der Kerk is,
ja wezen moet, dan zal het wel geen nader betoog vereischen, dat er van
afsnijding van, alle betrekking tot haar nooit sprake zijn kan, indien zij althans
in den geest van haar Stichter, die gekomen is om te zoeken en zalig temaken
wat verloren was, handelen zal." (t. a. 4>., bl. 121, 122). Uit dit alles blijktten
duideljjkste, dat, hoewel in art. 3 Alg. Regl., het laatste lid, do bevoegdheid
der Kerk uitgesproken is om onwaardigen van alle betrekking tot de Kerk
vervallen te verklaren, m. a. w. af te snijden, de wetgever dit in het Reglement
voor Kerkelijk Opzicht en Tucht, vijfjaren (niet vijftien zooals bjj vergissing
bladz. 4 in de aant. gedrukt staat) later, met opzet en op goede gronden niet
heeft opgenomen. De besluiten omtrent z.g. doleerenden genomen waren dan ook
geene kerkrechtelijke uitspraken en waren, na hunne ontzetting van het lidmaat-
schap geen tweede vonnissen, zooals men het wel eens heeft doen voorkomen,
maar bestuursbesluiten, waarbij werd geconstateerd, dat de bedoelde personen
nu ook zelven ten duidelijkste hadden getoond, zich van de Kerk te hebben
afgescheiden en mitsdien niet meer tot haar te behooren. Verg. aant. op art. 3
Alg. Regl.
Akt. 5. De genoemde kerkelijke collegiën houden opzicht op zoo-
danige wijze, als hun het meest geschikt zal voorkomen en zonder
daarin door de bepalingen van dit reglement gebonden te zijn.
Zij 7,\\\\n bevoegd naar de in hun ressort bestaande verkeerdheden,
welke tot de aanwending van een der in art. 4 genoemde tuchtmiddelen
aanleiding zouden kunnen geven, onderzoek in te stellen en daarover
floslissingon to nomoy, overeenkomstig de bepalingen van dit reglement,
onverschillig of zij van zoodanige verkeerdheden door eene volgens
de artt. 40 tot 43 ingediende aanklacht of op eenige andere wijze
kennis bekomen hebben.
Zonder gebonden te zijn. Verg. omtrent het onderscheid van opzicht en tucht
het aanget. bij art. 3.
Ingediende aanklacht. Kerkelijke besturen zijn wel verplicht om naar hun
kenbaar gewordene illegale handelingen van kerkeraden of diaconiën onderzoek
te doen, maar geen kerkeraad is in zijne aanklacht van een anderen kerkeraad
of eene diaconie in zake der armenverzorging ontvankelijk, vermits hij noch zijne
diaconie, volgens art. 6 van het regl. op do diaconiën, door de afwijzing van een
olders woonachtigen arme kan gerekend worden bozwaard te zijn. Oordeel der
Synode, 1863, bl. 92.
Art. 6. Ieder lidmaat der kerk is verplicht de_£beslissingen van
de bevoegde kerkelijke collegié\'n te eerbiedigen, behoudens hooger
beroep en aanvrage van herziening en vernietiging, met inachtneming
van hetgeen daaromtrent in dit reglement is voorgeschreven.
Art. 7. Ieder kerkeln\'k collegie gaat in de kennisneming en het
. onderzoek van zaken, tot zyne bevoegdheid behoorende, te werk,
-ocr page 197-
lU U~\'/t«1*sï-*Z^6 /{*- 4Xc**^//k 55^. /cPp//
\\l 4 &J.U^, uJ<t,uiccAj^ &*//<r7*^. "Pf\'J.
-ocr page 198-
10(3                      R.KOT.KMKKT VOOR KkKKKLMK OPZICHT KN TüCHT.
zoo als de aard der zaak, de belanden der kerk in het algemeen en
de bijzondere omstandigheden der betrokken personen het vorderen.
Tot het afnemen van den eed van getuigen wordt niet dan in de
uiterste noodzakelijkheid overgegaan.
Art. 8. Teder kerkelijk collegie bepaalt, naarmate de omstandig-
heden en de billijkheid het vorderen, of bezwaarden en andere
personen voor de volle vergadering of voor eene daartoe benoemde
commissie zullen gehoord \') worden, met aanwijzing van tyd en
plaats. De tijd voor het uitbrengen van rapporten, voor het in handen
blijven van afschriften en voor het nemen van inzage van oorspron-
kelijke stukken wordt door den voorzitter van het collegie geregeld.
1) Het bepaalde in dit art. omtrent liet liooren voor de volle vergadering of
voor eeno commissie sluit volstrekt niet in, dat do bezwaarden (en andere per-
sonen, dus ook getuigen) altijd persoonlijk moeten gehoord worden. Aan het
Collegio, dat uitspraak moet doen, is, naar art. 7, \'twelk een onderzoek wil
„zooals de aard der zaak, de belangen der Kerk in het algemeen en de bijzondere
omstandigheden der betrokken personen vorderen", de bepaling der wijze, hoe
het onderzoek zal geschieden, overgelaten en dit mitsdien volkomen bevoegd
alleen bij schriftelijk onderzoek in to stellen. Besluit liet Collegie tot een por-
soonlijk hooren, ihm bepaalt het, de omstandigheden en de billijkheid in acht
nemende, dat dit aldus zal geschieden. Verg. de overweging der Syn. Contr. in
het vonnis van eeno Amstordamsche tuchtzaak, geveld 1886 (Syn. Hand., bl. 567),
bevestigd door de uitspraak in revisie. Er kunnen zelfs gevallen zijn, waarin het
hooren, schriftelijk zoowel als mondeling, volstrekt onmogelijk of geheel over-
bodig is. Art. 7 geeft het kerkelijk collegie in dezen bevoegdheid om naar
omstandigheden te handelen.
Art. 9. Die voor een kerkelijk collegie geroepen wordt, is verplicht
in persoon, en zonder bijstand van een ander als raadsman of zaak-
gelastigde, te verschijnen. Alle ingediende stukken moeten door de
belanghebbenden zelven onderteekend zijn, en alleen, bijaldien iemand
zijnen naam niet kan schrijven, wordt, bij vermelding hiervan in
het aangeboden stuk, de onderteekening namens hem toegelaten.
Art. 10. Inzage van oorspronkelijke stukken wordt, onder inacht-
neming van het bepaalde in art. 8, niet geweigerd aan hem, tegen
wien een onderzoek is ingesteld. Ook staat het hem vrij, zich te
zijnen koste, volgens het tarief in art. 23, afschriften te doen geven
door tusschenkomst van den bewaarder dier stukken.
Art. 11. Het bezorgen van schrifturen en het ontbieden van
personen geschiedt door de gewone kerkelgke bedienden, of, des
noodig, door een ander persoon, daartoe voor ieder bijzonder geval
door het collegie, met de behandeling der zaak belast, aan te wüzen.
De verslagen van deze bedienden worden voor waar gehouden,
zoolang het tegendeel niet gebleken is; doch zü zijn verantwoordelyk
-ocr page 199-
Abt. 7—15.                                           167
voor alle schade, door nalatigheid en onnauwkeurigheid in het vol-
brengen der hun gegeven bevelen veroorzaakt, onverminderd de toe-
passing van tuchtmiddelen, indien daartoe termen zijn.
Art. 12. Bij niet inachtneming door de belanghebbenden der
krachtens art. 8 gestelde termynen, worden, des ongeacht, het
onderzoek en de afdoening der zaak voortgezet.
Art. 13. Aanteekeningen door de scriba\'s of secretarissen van de
kerkelijke collegiën in de notulen of de agenda gedaan ten aanzien
van den tijd van ontvangst en verzending van stukken, worden voor
waar gehouden, zoolang van geene onnauwkeurigheid is gebleken.
Art. 14. Alle gedurende het onderzoek schriftelijk ingediende
berichten en andere stukken, alsmede alle in geschrift gebrachte
verklaringen worden door hem, die ze indient of daarbij eene verkla-
ring aflegt, onderteekend, zooveel noodig na kennisneming van den
inhoud.
Verklaringen van iemand, die zyn naam niet schrijven kan, worden,
met vermelding van deze omstandigheid, onderteekend door het lid
of de leden van het collegie, voor wie zij zijn afgelegd.
Art. 15 Wie in eenige zaak als lid van een kerkelijk collegie
gehandeld of tot de uitspraak medegewerkt heeft, mag in geen hooger
collegie van dezelfde zaak kennis nemen.
Wie in eenige zaak, enz. Op eene vraag van het Class. Best. van Utrecht,
of dit art., hehalve voor zaken van kerkelijk opzicht en tucht, ook voor zaken
van moer algemeenen aard moet toegepast worden — daar liet meermalen was
voorgekomen, dat bedenking gemaakt werd tegen de behandeling van aanvragen
van den Utrechtschen kerkeraad, van welken verscheidene leden zitting hadden
in het Classikaal Bestuur — heeft het Prov. Kerkb. van Utrecht geantwoord,
dat het art. alleen behoort gevolgd te worden bij de behandeling van zaken,
vallende in de termen van het reglement, en dus uitsluitend van toepassing is
op het kennis nemen van ingebrachte bezwaren en beschuldigingen, mitsgaders
uit kracht van art. 61, al. 1, van kerkelijke geschillen (Medegedeeld in de Syn.
Handd. 1866, Bijl. B, bl. 60, 61). — Overigens is dit art. niet in strijd met
art. 15 van het Alg. Regl., maar eene voor eene onpartijdige rechtspleging
onmisbare bepaling, welke het Alg. Regl. geheel heeft vrijgelaten. Verg. de
beslissing, waardoor de bepaling van art. 15, Regl. voor O. en T., in toepassing
is gebracht bij do herziening van de uitspraak der Synodus Contracta in zake
Dr. J. o. zaalberg i\'z., ten aanzien der leden van het Prov. Kerkb. van Zuid-
holland; 1868, bl. 217, 218.
In geen hooger collegie. Het art. is, naar deze uitdrukkelijke bepaling, niet
toepasselijk op leden van een prov. Kerkb., die tevens leden zijn der Alg.
Synodale Commissie en nu geroepen worden om uitspraak te doen in eene zaak,
welke naar hun Kerkbestuur verwezen is en van welke zij dus in die Commissie
reeds kennis genomen hebben. In dezen zin heeft de Synode geoordeeld, in strijd
met het gevoelen der Synodale Commissie: 1869, bl. 252; verg. Bijl. B, bl.
-ocr page 200-
168               Reglement voor Kerkelijk Opzicht en Tucht.
140—142. Maar wel is dit omgekeerd toepasselijk op leden der Synodale Com-
missie, wanneer door deze Commissie recht moet gesproken en gehandeld worden
naar art. 70 Alg. Regl. in eene zaak, waarvan zij als leden van een Kerkeraad,
een Classikaal of een Prov. Bestuur reeds kennis genomen hebben. 1873, bl 243,
Bijl. B, bl. 243, 244.
Art. 16. Leden van een kerkelijk collegie oordeelen niet over
zaken, in welke zij zelven of hunne vrouwen, of personen, die hun
of hunne vrouwen in de drie eerste graden van bloedverwantschap
of zwagerschap bestaan, betrokken zijn.
Betrokken zijn. Dat een lid van een prov. Kerkb., wiens zoon in eene zaak
in eersten aanleg mede geoordeeld heeit, in dezelfde zaak aan de beslissing in
appel deelneme, is door dit art. niet verboden. Antw. der Syn. Comm. op eene
vraag van het Prov. Kerkb. van Utrecht, goedg. door de Synode. 1858, bl. 26,
Bijl. B, bl. 41, 42.
Art. 17. In de gevallen, bvj de twee laatstvoorgaande artikelen
vermeld, moeten zoodanige leden, gedurende de behandeling, de
beraadslaging en de Jffooliosing\', de vergadering verlatene
Art. 18. Indien, ten gevolge van het bepaalde bij artt. 15 en 16,
het getal stemmende leden tot beneden twee derden verminderd
wordt, zal het ontbrekende getal worden aangevuld, in den kerkeraad
door oproeping van de laatst afgetreden ouderlingen, te beginnen
met den oudsten in jaren, en bij de overige kerkelijke besturen door
oproeping eerst van de secundi en des noodig verder van de tertii.
Art. 19. Iedere ^oslissin^ van een kerkelijk collegie in zaken van
tucht wordt, met inachtneming op art. 9 van het Algemeen Reglement,
genomen bjj meerderheid van stemmen.
Al de leden zonder uitzondering zn\'n verplicht aan de stemming
deel te nemen.
Indien de stemmen staken, is de ^esüssfrrg\' ten gunste van den
bezwaarde.
Art. 20. In zaken, dit reglement betreffende, is de vergadering
bevoegd, aan de leden geheimhouding op te leggen ten aanzien van
de uitgebrachte adviezen en stemmen.
A.RT. 21. Bij dé—boelisoin^ van kerkelijke collegiën moeten de
feiten, welke het onderwerp der beoordeeling hebben uitgemaakt,
nauwkeurig worden omschreven, alsmede de daaruit, naar het oordeel
van het collegie, voortvloeiende verkeerdheid of overtreding by name
uitgedrukt worden, met vermelding tevens van de gronden, op welke
de beslissing rust. Eindelgk moet daarbij, indien het bezwaar gegrond
geoordeeld is, een der bij art. 4 opgenoemde tuchtmiddelen toe-
gepast worden.
Iedere Keslissinflf moet door al de leden, die daaraan deel genomen
hebben, worden onderteekend en zóó, als minute, bewaard bln\'ven.
-ocr page 201-
/f l3)/b.<i\'<^,if-o<?Ud&^j «£^ 4^\'J&fsui^fc//<r\'7ï6 \'^f\'J
// U^?4>li^t.A^//<,~\'/Z.4,, /£/>£/J
fih ^*^^f/f-fr*,. \'f/J.
# t^^jL. &*v\'^>4rVac*x>4L /*<.\'/&£■ ty\'J
•*/ <~<^n<ui^//<\' >W, . A"«
-ocr page 202-
Art. 15—23.                                          169
Art. 22. Bij eene beslissing in hooger beroep of herziening, hou-
dende toepassing van een der tuchtmiddelen, in art. 4 genoemd,
worden de kosten, in eersten aanleg en in hooger beroep of herziening
gemaakt, gebracht ten laste van den bezwaarde, behoudens de bepa-
ling van art. 33, 3e lid.
Wanneer de bezwaarde berust in de beslissing, in eersten aanleg
genomen, en in alle gevallen, bij het 1ste lid van dit artikel niet
bedoeld, worden de kosten gedragen door de kerk.
De kosten gedragen door de kerk. Een voorstel van de Synodale Commissie
om dit art. zóó te wijzigen, dat ter eerster instantie de kosten door klager of
veroordeelde geleden werden, is door de Synode onaannemelijk geacht, als in
strijd met het beginsel van dit reglement. Zie 1869, bl. 137, 182, Bijl. A, bl.
78, 79, 80.
Art. 23. Geene kosten kunnen in rekening gebracht en geleden
worden dan:
lu. de kosten van buitengewone vergaderingen van kerkelijke
collegiën boven den Kerkeraad, de Algemeene Synodale Commissie
daaronder begrepen, wanneer deze door belanghebbenden gevraagd
of door die collegiën noodzakelijk gekeurd worden, de reiskosten
berekend voor elk uur afstand heen en terug te zamen voor elk lid
één gulden en twintig cent, en de verblijfkosten voor elk lid berekend
tegen twee gulden voor eiken dag en twee gulden voor eiken nacht;
2°. de kosten van commissiën der in 1° genoemde collegiën, wanneer
z\\j zich buiten den t\\jd der gewone zittingen van het collegie om
eenige zaak van hunne woonplaats hebben moeten verwijderen, reis-
en verblijfkosten beide berekend zoo als in evengemelde rubriek
sub 1° is vastgesteld.
Om voor een tweeden dag verblijfgeld te kunnen vorderen, moeten
z\\j niet minder dan zes uren den eersten dag werkzaam zijn geweest,
tenzij het voldoende worde aangewezen, dat men de behandeling der
zaak op den eersten dag niet heeft kunnen voortzetten;
3°. de reiskosten van getuigen, die zich een afstand van één uur
en daarboven van hunne woonplaats hebben moeten verwijderen,
berekend tegen vyf en zeventig cent per uur afstands heen en terug
te zamen. De verblijfkosten moeten worden berekend naar billijkheid;
4° de kosten van het copiëren van processtukken voor kerkelijke
collegiën en van die door de belanghebbenden zijn gevraagd, berekend
tegen tien cent voor elke bladzijde in folio, bevattende niet minder
dan dertig regels, ieder van ten minste twaalf lettergrepen;
5°. alle briefporten voor kerkelijke collegiën, hunne commissiën of
leden, ter zake dienende;
6°. de bezoldiging van boden of bedienden voor hunne diensten bij
buitengewone bijeenkomsten van kerkelijke collegiën of commissiën,
ten bedrage van één gulden per dag en vijftig cent voor een halven dag;
-ocr page 203-
170               Reglement voor Kerkelijk Opzicht en Tucht.
7°. billijke vergoeding van reiskosten aan hen, die naar art. 11,
eerste lid, schrifturen bezorgen of personen ontbieden.
Indien, ten gevolge van onvermijdelijke overvaart van wateren, of
bh\' gemis van min kostbare reisgelegenheden, de reiskosten noodwendig
grooter zijn, wordt het aan de beoordeeling van het collegie, met
het onderzoek der zaak belast, overgelaten, die meerdere kosten in
rekening te brengen, of aan de belanghebbenden toe te leggen.
In het Waalsche ressort worden de reis- en verblijfkosten berekend
naar een tarief, ontworpen door de Waalsche Commissie en goedge-
keurd door de Algemeene Synode.
1)    De kosten van buitengewone, enz. Tot betere regeling der kosten van ker-
kelijke procedures, is, op voorstel der Synodale Commissie, deze bepaling als
nieuw opgenomen en met eene daaruit voortvloeiende wijziging van het onder
2° vervatte, in werking gekomen d. 1 Maart 1871. Zie 1860, bl. 136, 137, 182.
Bijl. A, bl. 76—79, 81; 1870, bl. 102, 103, 157.
2)    In 1884 werd door de Synodale Comm. bezwaar gemaakt, tot de uitbetaling
der kosten van eene buitengewone vergadering, door een Class. Best. in eene
zaak van tucht gehouden, machtiging te verleonen , omdat, volgens haar oordeel,
tot het behandelsn dier zaak geeno buitengewone vergadering was noodig geweest.
De Synode oordeelde echter, dat op dien grond de uitbetaling niet kon geweigerd
worden, daar do vraag of\' oene buitengewone verg. noodig was, naar de bepaling
van dit art. sub 1° geheel aan het oordeel van het Class. Best. was overgelaten.
(1885 bl. 107—109, 113—115, Bijl. A bl. 67, 70). Anders is het, als eene
buitengewone kerkvisitatie zal gehouden worden. Zie art. 21 van het Regl. op
Kerkvisitatie.
3". De reiskosten van getuigen. Klagers, als getuigen opgeroepen, hebben
mede aanspraak op vergoeding van kosten. 1865, bl. 15, Bijl. A, bl. 95.
7°. Billijke ontbieden. Ampliatie, in werking gekomen 1 April 1864.
In het Waalsche ressort, enz. Ampliatie van 31 Maart 1875, noodzakelijk
wegens het verspreid liggen der gemeenten in verschillende provinciën.
Art. 24. Voor zoover de kosten, bij \'t vorig artikel vermeld, door
de kerk moeten gedragen worden, zal daarvan een gespecificeerde
staat, door den scriba of secretaris van het collegie, met de zaak
belast, opgemaakt, worden ingezonden bij de Algemeene Synodale
Commissie, welke dien staat beoordeelt, met of zonder wijziging
vaststelt en den quaestor-generaal tot de uitbetaling machtigt.
Art. 25. Kosten, volgens art. 22 ten laste van een bezwaarde
gebracht, worden door den scriba of secretaris van het collegie, dat
de uitspraak deed, tegen kwitantie ontvangen en verantwoord aan
wie zulks behoort.
Art. 26. De wijze, waarop voorschot van gelden, waar dit tot
onderzoek eener zaak mocht noodig zijn, gedaan of bekomen wordt,
blijft in ieder bijzonder geval aan de regeling van het betrokken
collegie overgelaten.
Art. 27. Een kerkelijk bestuur, ontwarende, dat een collegie onder
-ocr page 204-
Art. 23—20.                                          171
zijn ressort op bestaande verkeerdheden geen acht geeft, of een te
zijner kennis gebracht bezwaar, zonder het behoorlijk onderzocht te
hebben, ter zn\'de legt, vraagt daaromtrent inlichtingen aan het lagere
collegie.
Indien de gegeven inlichtingen onvoldoende bevonden worden,
spoort het hoogere collegie het lagere tot handelen aan, en neemt,
na herhaalde weigering of by voortdurende vertraging van het laatst-
genoemde, eindelijk zelf het onderzoek van de zaak ter hand en doet,
wat het lagere collegie had behooren te doen.
Art. 28. Van alle beslissingen in zaken van tucht wordt, binnen
acht dagen na hare dagteekening, een behoorlijk voor echt verklaard
afschrift gezonden aan den bezwaarde.
Van de uitspraken van den Kerkeraad, in welke de ontzetting van
het lidmaatschap wordt toegepast, en van alle beslissingen in eersten
aanleg door de Classikale en Provinciale Besturen genomen, wordt,
indien daarvan geen hooger beroep is aangevraagd, binnen 14 dagen
na verloop van den termijn, voor het hooger beroep bepaald, een
afschrift toegezonden aan het in opklimmenden rang volgende collegie.
Alle beslissingen der Classikale en Provinciale Besturen in hooger
beroep worden, binnen 14 dagen na hare dagteekening, gebracht ter
kennis van de Algemeene Synodale Commissie.
Van de uitspraken, enz. Deze en do volgende al., alsmede artt. 29 en 30, zijn
de toepassing van het beginsel „dat met do vrijheid, aan de lagere kerkelijke
collegiën toegekend" (zie aant. op art. 4, al. 2) „toezicht door de hoogere uit
te oefenen, behoort gepaard te gaan." 1856, bl. 151; verg. bl. 125—127.
Het in opklimmenden rang volgend collegie. D. i. waar het uitspraken geldt
van Provinciale Kerkbesturen, niet de Synodale Commissie, maar de Synode.
1862,  bl. 109.
Alle beslissingen, enz. Naar aanleiding van gedurig ingekomen kennisgevingen
van beslissingen van geschilzaken in hooger beroep, door Provinciale Kerkbe-
sturen genomen, heeft de Synodalo Commissie bij Circulaire van den 18 Nov.
1863,  in de Kerkelijke Courant, no 48, aan de verschillende kerkelijke besturen
herinnerd, „dat geene andere beslissingen in hooger beroep dan over zaken van
kerkelijke tucht, krachtens dit artikel tor kennis van de Synodale Commissie
behooren gebracht te worden." 1863, Bijl. B, bl. 99.
In hooger beroep. De vraag, of eindbeslissingen in zake van tucht, genomen
door Classikale Besturen of Provinciale Kerkbesturen, aan welke de zaak, na
vernietiging van eene in hooger beroep genomen beslissing, was verzonden,
ook vallen in de termen van deze bepaling, moet in toestemmenden zin beant-
woord worden, op grond dat zulke eindbeslissingen werkelijk uitspraken zijn in
hooger beroep,
en de derde al. zoo algemeen mogelijk luidt; terwijl er voor het
onderzoek dier beslissingen in den zin van art. 29 nog eene reden te meer
bestaat, omdat daaruit zal moeten blijken, of bij haar aan het voorschrift van
art. 59 nopens de inachtneming der uitspraak in cassatie voldaan is. 1873, bl.
247, Bijl. B, bl. 224.
Art. 29. Wanneer kerkelijke besturen in de volgens art. 28 te
-ocr page 205-
172               Reglement voor Kerkelijk Opzicht en Tucirr.
hunner kennis gebrachte beslissingen schennis of verkeerde toepassing
van het reglement opmerken, zyn zij bevoegd, aan het lagere collegie
hunne opmerkingen en wenken daaromtrent mede te deelen.
Aan de Algemeene Synodale Commissie wordt met betrekking tot
de haar toegezonden beslissingen in hooger beroep dezelfde bevoegd-
heid toegekend.
Het lagere collegie slaat op die wenken en opmerkingen acht in
de behandeling van zaken, dit reglement betreffende.
Art. 30. Indien de aanmerkingen,, door de Algemeene Synodale
Commissie op de haar toegezonden uitspraken gemaakt, door haar
van algemeen belang geacht worden, doet zy daarvan mededeeling
in het kerkelijk orgaan, zonder eenige aanduiding van de betrokken
personen en collegiën.
Art. 31. Eene beslissing in zake van tucht wordt openbaar ge-
maakt, indien het collegie, door hetwelk zij gegeven is, bij zijne
uitspraak zulks heeft voorgeschreven, doch niet .wanneer zij de geldig-
heid eener eindbeslissing heeft verkregen.
Art. 32. Geene uitspraak van een kerkelijk collegie treedt in
werking, vóór dat de termijnen, om in hooger beroep te komon en
herziening of vernietiging aan te vragen, verstreken zijn, behoudens
de bepalingen van art. 48 \').
1) Het voorstel der Class. Verg. van Amsterdam om op dezen regel de uitzon-
dering te maken, dat ook de Kerkeraden bevoegd zullen zijn eene provisioneele
schorsing van lidmaten
(met het oog op de Avondmaalsviering) uit te spreken,
is door de Synode niet aangenomen. Zie aant. op art. 45.
Art. 33. Hij, tegen wien de toepassing van een der in art. 4
genoemde tuchtmiddelen is uitgesproken, kan van die uitspraak in
hooger beroep komen binnen 14 dagen na de dagteekening der hem
toegezonden kennisgeving van de uitspraak. Hij is verplicht, daarvan
binnen denzelfden termijn schriftelijk kennis te geven aan den voor-
7itter van het collegie, dat de uitspraak gedaan heeft, en, onder
overlegging van het door hem ontvangen afschrift der uitspraak, aan
den voorzitter van het collegie, op hetwelk hy\' zich beroept. Ingeval
van beroep op de Algemeene Synode wordt de bedoelde kennisgeving
gericht aan haren secretaris.
Daarenboven is hij verplicht, binnen dezelfden termy\'n, ter bsoor-
deeling van het bestuur, waarop hij zich beroept, in handen van
diens scriba of secretaris voldoende zekerheid te stellen voor de kosten,
in eersten aanleg gemaakt en in hooger beroep te maken.
In geval van blijkbaar onvermogen wordt hy van deze laatste
verplichting en van de betaling der volgens art. 22 te zijnen laste
gebrachte kosten, door het bestuur, op hetwelk hij zich beroepen
heeft, vrygesteld.
-ocr page 206-
Abt. 29—33.                                      173
Kan in hooger beroep komen. Dat den klager recht van appèl zou worden toe-
gekend, ia strijdig met het beginsel, waarvan het regl. uitgaat. „Het kent in
zaken van tucht geene twee partijen, een beschuldiger en een beschuldigde.
De klager is en behoort niet meer te zijn dan aanbrenger. Hij geeft aan het
kerkelijk collegie kennis van verkeerdheden, die hem bekend zijn, doch waarvan
het collegie zelf, om welke reden dun ook, geen kennis draagt. Wanneer hij
dat gedaan heeft, dan is ook zijne taak ten einde en die van het kerkelijk
bestuur begint (1856, bl. 127)." Met handhaving van dit beginsel heeft dan ook
de Synode een door haar medelid Dr. C. E. van koetsveld in 1869 gedaan voor-
stel om aan art. 15 Alg. Regl. zulk een volledige toepassing te geven, dat aan
den klager, wanneer hij zich door eene uitspraak bezwaard achtte, zoowel als
aan den beklaagde het recht van hooger beroep gegeven werd, na ernstige over-\'
wegingen en ingewonnen advies van de Synodale Commissie over de vraag, of
ook met behoud van het beginsel in sommige gevallen den klager het recht van
appèl kon worden toegekend, in 1870 onaannemelijk verklaard. 1869, bl. 38,
39, 133—137, 180—182; 1870, bl. 82, 83, Bijl. B, bl. 128—131. Eveneens heeft
de Synode in 1873 op een voorstel van haren Vice-president bruna om den
volgens hem bestaanden strijd tusschen art. 15 Alg. Regl., waarbij iedere be-
slissiBg van een kerkelijk collegie vatbaar voor hooger beroep wordt verklaard,
en art. 33 Regl. van O. en T., waarbij geen hooger beroep wordt toege-
laten, ingeval de beschuldigde is vrijgesproken (zoo ook tusschen art. 15 voorn,
en art. 10 van het Regl. voor de Kerkeraden), weg te nemen, geoordeeld, dat
als vaststaande moet aangenomen worden, dat de klager slechts aanbrenger is,
overigens in de zaak niet betrokken, en er derhalve uit den aard der zaak op
het gebied van kerkelijke wetgeving, dat ook geen publiek ministerie kent,
geen ander is, die in zake van tucht in hooger beroep kan komen, dan de be-
zwaarde; zoodat door de bepalingen in genoemde artt. Regl. O. en T. en voor
de Kerker., de bepaling van art. 15 Alg. Regl. volkomen tut haar recht komt, en
wegens het bestaan op dit punt van eene algemeen als geldig erkende juris-
prudentie, ook het laatstgenoemde art. geeno verduidelijking noodig heeft. 1873,
bl. 9, 10, 176—181, 185, 186. Verg. het aanget. op art. li Alg. Regl. en art.
10 Regl. v. d. Kerkeraden.
Toch heeft de Synodo dit standpunt niet volkomen gehandhaafd toen zij in
1881 (zie Handd. bl. 162—167, 169-171, 317, 318), naar aanleiding van een
voorstel, wederom door den heer bruna ingediend, voorloopig aannam en aan
de consideratiën der Kerk onderwierp in een art. 33* van het Regl. voor O. en ï.,
waarbij „hetzelfde recht om in hooger beroep te komen, dat in het vorige art.
is toegekend aan hem, tegen wien de toepassing van een tuchtmiddel is uitgo-
sproken," zou gegeven worden aan den klager „die door eene vrijspraak in
eersten aanleg zich in zijn recht verkort acht of zich verhinderd ziet het werk
te volbrengen, dat hem in de kerkelijke reglementen is opgedragen.\'1\'\'
Dit ontwerp, \'t welk, met eenige daarbij behoorende bepalingen en wijzigingen
van andere artt., zijne aanbeveling vooral vond in,de omstandigheid, dat soms
predikanten moeielijkheid ondervinden bjj het aannemen hunner leerlingen,
wanneer zij in \'t ongelijk gesteld worden door eene uitspraak des Classikalen
bestuurs in zake van hunne klacht over contrarieerende ouderlingen, is echter
ten volgenden jare teruggenomen, daar de Synode oordeelde, dat het niet raad-
zaam was, ter wille van zulke sporadisch voorkomende gevallen — waarin toch
meestal wel op andere wijze zou kunnen voorzien worden — van een overigens
-ocr page 207-
174                  Ukolkmknt voor Kerkki.uk Opzicht kn Tucht.
zoo heilzaam beginsel in onze kerkelijke rechtspleging af te wijken. 1882,
bl. 349—357.
Binnen 14 dagen, enz. De Syn. Comm. heeft in het Kerkelijk Orgaan van 21
Mei 1862 de onderscheidene Kerkelijke Besturen gewezen op de noodzakelijkheid
om steeds van de dagteekening der kennisgeving, waarbij hunne uitspraken in
voorkomende gevallen aan den bezwaarde moeten worden toegezonden, met
nauwkeurigheid te doen blijken. Zie: Bijl. B. bl. 253, 254 der llnndd. van 1862.
Onder overlegging uitspraak. Aanvulling, in werking 1 Jan. 1877.
Art. 34. De voorzitter van het collegie, tegen welks uitspraak
hooger beroep is aangeteekend, zorgt, (lat binnen acht dagen, nadat
hij daarvan kennis bekomen heeft, al de schrifturen tot de zaak
betrekkelyk, met uitzondering van de minute der uitspraak, worden
ingezonden aan het Kerkelijk Bestuur, dat in hooger beroep moet
oordeelen, met b\\j voeging van een inventaris der stukken, in dubbel
opgemaakt, van welke één, door den scriba of secretaris van het
hooger collegie geteekend voor ontvangst, wordt teruggezonden.
Indien het aangeteekende hooger beroep door den bezwaarde niet
binnen den bepaalden termn\'n is voortgezet, of daarvan door hem
later is afgezien, wordt hiervan door den scriba of secretaris van het
Kerkelijk Bestuur, bü \'twelk het beroep moest worden behandeld,
onverwijld kennis gegeven aan het Kerkelijk Collegie, welks uitspraak
het geldt, opdat aan deze gevolg gegeven worde.
Art. 35. Tndien eene uitspraak in hooger beroep wordt te niet
gedaan of gewijzigd, wordt de zaak beslist zoo als het collegie, in
hooger beroep rechtsprekende, meent dat bg de eerste uitspraak had
behooren gedaan te zijn.
Van eene uitspraak in hooger beroep wordt in geen geval een
nieuw appèl toegelaten, doch kan alleen herziening of vernietiging
worden aangevraagd op de wijze, in de tweede en derde afdeeling
van het tweede hoofdstuk omschreven.
Art. 36. Indien iemand, met eene kerkelijke betrekking bekleed,
gedurende de behandeling van een bezwaar te zijnen laste z\\jne
betrekking nederlegt, wordt de zaak des ongeacht voortgezet en ten
einde gebracht.
Art. 37. Het tractement van een predikant, die voorloopig of ten
gevolge eener uitspraak voor bepaalden of onbepaalden tijd geschorst
is, of die ontzet zijnde van de daartoe betrekkelijke beslissing in
hooger beroep komt, of herziening of vernietiging vraagt, wordt
ontvangen door den quaestor of door den gemachtigde van den ring,
waartoe hij behoort.
Is er bij die schorsing geen verlies van tractement uitsproken, dan
wordt dit, na aftrek van noodzakelijke reiskosten der in z\\jne plaats
dienstdoende predikanten, ter beoordeeling van het Classikaal Bestuur,
aan den geschorste uitbetaald.
-ocr page 208-
175
Art. 33-38.
Bfl verlies van een gedeelte des tractements wordt dit gedeelte,
en bij verlies van het geheele tractement het geheel, doch in beide
gevallen na aftrek der reiskosten, in het voorgaande lid van dit
artikel gemeld, door den quaestor of den gemachtigde van den ring
bewaard om, naar dat de eindbeslissing luidt, of aan den ring öt
aan den vrijgesprokene te worden uitbetaald.
Wordt de schorsing by de eindbeslissing door vrijspraak gevolgd,
dan worden de voor reiskosten afgetrokken gelden aan den vroeger
geschorsten predikant vergoed.
Over de verandering, die dit art. ondergaan heeft d. 15 Febr. 1872, zie het
aanget. bij art. 4
Art. 38. Die wegens onchristelijken wandel \') van zijne bediening
of van zijn ambt ontzet is, kan in zoodanige betrekking niet weder
worden aangesteld, dan na bekomen rehabilitatie, welke evenwel
niet wordt verleend dan na verloop van vijf jaren sedert de dagteeke-
ning der laatste uitspraak in de zaak, en op eene met redenen
omkleede aanvrage, welke door tusschenkomst van de Algemeene
Synodale Commissie, met de door haar ingewonnen inlichtingen, aan
de Algemeene Synode wordt voorgelegd, ten einde deze daarover
beslisse.
Ontzegging 2) van het gebruik des H. Avondmaals, vervallen-
verklaring van de bevoegdheid tot het uitoefenen van kerkelijke
rechten en het aanvaarden van kerkelijke bedieningen en ambten,
voor onbepaalden tijd uitgesproken, alsmede ontzetting van ambt of
bedieningen om eene andere reden dan die in het eerste lid van dit
artikel genoemd is, kunnen ten alle tijde bij met redenen omkleede
uitspraak van het collegie, dat hierin besliste, worden opgeheven.
Ontzetting van het lidmaatschap wordt, na raadpleging 3) met het
collegie, dat haar uitsprak, opgeheven door den kerkeraad der
gemeente, onder welke de van het lidmaatschap ontzette woonachtig
is, na plechtige vernieuwing van de verklaringen en beloften, bjj de
belijdenis des geloofs afgelegd, in eene daartoe belegde vergadering
van dien kerkeraad.
1)     Wegens onchristelijken wandel. Deze, en in al. 2 de woorden: alsmede
ontzetting pan ambt of bedieningen om eene andere reden, dan die in het eerste
lid van dat art. genoemd is,
zijn aanvullingen in werking gekomen 1 Febr. 1865.
Een verzoek der afgezette leden van zekeren Kerkeraad, om weder in hun vorig
ambt te worden hersteld, waaraan niet kon worden voldaan, omdat art. 38 die
rehabilitatie niet vroeger dan 5 jaren na de dagteekening der laatste uitspraak
veroorloofde, gaf in 1863 den heer isrujïa aanleiding tot het voorstel om het
art. aldus aan te vullen. Ontzetting wegens kerkelijk vergrijp kan niet gelijk
gesteld worden met ontzetting wegens de overige verkeerdhedsn, in art. 3
van het regl. genoemd. Zie 1863, bl. 150, 151, 181, 24S; 1884 bl. 107, 109,
110, 132.
2)    Ontzegging worden opgeheven. Schorsing in het waarnemen eener ker-
kelijke bediening wordt hier niet genoemd als eene zaak, waarop bij een met
-ocr page 209-
176                    Reglement voor Kerkelijk Opzicht en Tucht.
redenen bekleed besluit kan teruggekomen worden. Is zij naar de bedoeling des
wetgevers daarvan uitgesloten? Het Prov. Kerkbestuur heeft bij uitspraak
gepubliceerd in de Kerkelijke Courant 1881 no. 4, de schorsing van Ouderlingen
te Dordrecht opheffende, gemeend naar analogie van dit art. te mogen handelen.
3) In 1887 heeft de heer T. w. p. hofstede, lid der Synode, voorgesteld,
de woorden: „na raadpleging met het collegie", te doen vervangen door: „met
toestemming van
het collegie." Hoewel de rapporteerende Commissie, met een
groot deel van de overige leden der Synode, deze verandering wenschelijk achtte,
omdat, zooals het nu luidt, het lagere collegie de macht heeft eene uitspraak
van het hoogere te niet te doen, heeft echter de meerderheid der vergadering
om verschillende redenen wetsverandering op dit punt niet wenschelijk geacht.
1887, bl. 154, 155, 254—257.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Bijzondere bepalingen, de uitoefening
van tucht betreffende.
EERSTE AFDBELINl).
In eersten aanleg.
A. Bij den Kerkeraad.
Art. 39. Aan de tucht des Kerkeraads zijn onderworpen alle
lidmaten zijner gemeente, godsdienstonderwijzers en onderwijzeressen
mede daaronder begrepen.
De Kerkeraad is onbevoegd, beslissingen te nemen ten aanzien van
bezwaren tegen dienstdoende, emeriti of eervol ontslagene predikanten,
hulppredikers, candidaten tot de h. dienst, ouderlingen, diakenen,
leden van kerkelijke besturen en stemgerechtigden als zoodanig.
En stemgerechtigden. Aanvulling van 1 Maart 1869, tengevolge van het in wer-
king komen van het Regl. op de benoeming van oudd. enz. Zoo ook art. 42.
Art. 40. Ieder niet onder censuur staand manslidmaat der Kerk
is bevoegd, bij den Kerkeraad zijner gemeente, bij onderteekend
geschrift, bezwaren in te brengen tegen den handel of wandel van
een lidmaat derzelfde gemeente, ook van een der personen in het
2de lid van art. 39 genoemd.
De Kerkeraad slaat op die bezwaren acht en handelt ten dien aan-
zien gelijk in de volgende artikelen wordt voorgeschreven.
Bij onderteekend geschrift. „Deze bepaling noopt den klager tot eene duidelijke
en bepaalde omschrijving van zijn bezwaar en voorkomt, dat hij zich later op
misverstand beroepe, waardoor een Kerkelijk liestuur in noodelooze moeielijk-
heid zou kunnen gebracht worden." Mem. v Toel. 1855, bl. 22.
Art. 41. Indien de bezwaren betrekking hebben op handelingen
van leden des Classikalen Bestuurs en hunne secundi als zoodanig,
-ocr page 210-
Art. 38—45.
177
worden zij terstond langs den kerkelyken weg opgezonden aan het
Provinciaal Kerkbestuur. Leden en secundi van het Provinciaal Kerk-
bestuur, van de Algemeene Synode en van de Algemeene Synodale
Oommissie als zoodanig betreffende, worden zij evenzoo opgezonden
aan de Algemeene Synode.
Art. 42. De bezwaren, uitgebracht tegen predikanten, hulppre-
dikers, candidaten, ouderlingen, diakenen en stemgerechtigden als
zoodanig, worden door den Kerkeraad voorloopig onderzocht, uiterlijk
binnen vier weken na bekomen kennis. Oordeelt hij, bij meerderheid
van stemmen, die bezwaren gewichtig genoeg en niet van grond
ontbloot, dan zendt hij ze met alle daartoe betrekkelijke ingekomen
stukken en zijne eigene consideratiën aan het Classikaal Bestuur,
onder welke de gemeente behoort.
Indien de bezwaren den predikant of een der predikanten van de >sf*" 4~\'
gemeente betreffen, wordt voor de verzending aan het Classikaal " f*rfii
Bestuur de meerderheid van twee derden der stemmen gevorderd,
         &**-
onverminderd de bevoegdheid van dit bestuur om te handelen, gelijk // % G. i
in art. 27 wordt voorgeschreven.
Binnen 14 dagen na het genomen besluit bericht de Kerkeraad aan
hem, die het bezwaarschrift heeft ingediend, of het ter züde is gelegd,
of in nadere behandeling zal genomen worden.
Art. 43. Tndien de beslissing omtrent het ingebrachte bezwaar,
volgens art. 39, behoort tot de bevoegdheid van den Kerkeraad,
onderzoekt hij eerst voorloopig, of het uit zijnen aard en uithoofde
van de gronden, waarop het rust, termen oplevert om naar het
reglement behandeld te worden.
Ingeval van ontkennende beantwoording dezer vraag, wordt daarvan
evenzeer, binnen 14 dagen na het genomen besluit, kennis gegeven
aan hem, die het bezwaarschrift heeft ingediend.
Art. 44. Indien de beslissing over het bezwaar, volgens art. 30,
tot de bevoegdheid van den Kerkeraad behoort, en deze, volgens
art. 43, termen tot voortzetting der zaak gevonden heeft, onderzoekt
en handelt hy verder overkomstig de voorschriften, in het eerste
hoofdstuk gegeven.
Wanneer bij het onderzoek eener zaak van nog andere verkeerd-
heden ten laste van denzelfden bezwaarde mocht blijken, gaat de
Kerkeraad hieromtrent mede te werk zoo als in het eerste hoofdstuk
bepaald is.
Art. 45. De tuchtmiddelen, welke door den Kerkeraad worden
toegepast, zyn: eene berisping \'); ontzegging van het gebruik des
H. Avondmaals voor bepaalden of onbepaalden tijd; vervallenverklaring
van de bevoegdheid tot het uitoefenen van kerkelijke rechten en het
Kerkelijk Wetboek, 2e druk.                                                                              12
-ocr page 211-
178               Reglement vook Kerkelijk Opzicht en Tucht.
aanvaarden van kerkelijke bedieningen voor bepaalden of onbepaalden
tijd; ontzetting van het lidmaatschap *).[&?*■ «*/• 5*, 3t.J
1)    Eene berisping. Zie de eerste aant. op art. 4.
2)    Naar aanleiding van een voorstel van de Class. Vergadering van Amsterdam
(zie aant. op art. 32), wenschte de daarover rapporteerende commissie aan dat
art. als nieuwe al. toe te voegen: „De Kerkeraad is bevoegd het in de tweede
plaats genoemde tuchtmiddel onmiddellijk provisioneel toe te passen." Do Synode
heeft het onraadzaam geoordeeld, den Kerkoraden doze bevoegdheid toe to
kennen. 1887, bl. 155, 156, 257, 258.
Art. 46. De Kerkeraad is bevoegd, de door hem aangestelde gods-
dienstonderwijzers en onderwijzeressen, ter zake van bezwaren te
hunnen laste, uit de dienst zijner gemeente te ontslaan, behoudens
hooger beroep op het Classikaal Bestuur. Zyn zoodanige bezwaren
van dien aard, dat zij, naar het oordeel des Kerkeraads, tot schorsing
in de uitoefening van hunne betrekking of tot geheele ontzetting
aanleiding kunnen geven, worden zij opgezonden aan het Classikaal
Bestuur, dat daarover zelf oordeelt en beslist.
B. By het Classikaal Bestuur.
Art. 47. Het Classikaal Bestuur oordeelt over bezwaren, volgens
art. 46 te zijner kennis gebracht, en over alle bezwaren tegen de
personen, in art. 39, 2de lid genoemd, behoudens de bepaling
van art. 41.
Het volgt in zijn onderzoek en in zijne beslissing de voorschriften,
in het eerste hoofdstuk gegeven.
Indien bij het voorloopig onderzoek of gedurende de behandeling
der zaak blijkt, dat de bezwaren tegen personen, in art. 39, 2de lid
genoemd, aanleiding zouden kunnen geven tot ontzetting uit eene
kerkelijke bediening, verzendt het Classikaal Bestuur al de bescheiden
tot de zaak betrekkelijk, met de noodige inlichtingen, aan het Pro-
vinciaal Kerkbestuur en geeft, binnen 14 dagen na dagteekening van
het hiertoe genomen besluit, daarvan kennis aan den bezwaarde.
Het volyt in zijn onderzoek, enz. Classikale Besturen- zijn bevoegd, naar deze
bepaling verg. met artt. 5 en 7, om, wanneer zij dit wegens de omstandigheden
raadzaam achten, met voorbijgang van den Kerkeraad, zelven op ingediendo
bezwaren een onderzoek in te stellen. 1864, bl. 56—58, 68, 69, Bijl. A, bl. 101,102.
Art. 48. Indien een geruchtmakend bezwaar van ergerlijken aard,
dat ter kennis van het Classikaal Bestuur gekomen is, gegrond wordt
bevonden, kan het bestuur reeds bij zijn voorloopig onderzoek eene
provisioneele schorsing van den bezwaarde uitspreken, zonder dat
hiervan hooger beroep wordt toegelaten.
Indien bü de beslissing van het Classikaal of Provinciaal Bestuur
schorsing voor bepaalden of onbepaalden tijd, of ontzetting uit kerke-
ln\'ke bediening wordt uitgesproken, en de bezwaarde van deze beslissing
-ocr page 212-
Art. 47 al. 1 worde gelezen als volgt:
Het Classicaal Bestuur oordeelt over bezwaren, volgens
Art. 46 te zijner kennis gebracht, en over alle bezwaren tegen
de personen in Art. 39, 2<le lid genoemd, ook voor zoover aan
hen het beheer der kerkelijke goederen en fondsen volgens de
reglementen of bijzondere bepalingen mede is opgedragen, behou-
dens de bepaling van Art. 41." y /f~fa~ ./<PfvJ
-ocr page 213-
Art. 45-53.                                          179
in hooger beroep komt, of van de in hooger beroep bevestigde be-
slissing herziening of vernietiging aanvraagt, blijft de provisioneele
schorsing gedurende den loop der zaak van kracht.
Van zulk eene provisioneele schorsing wordt, wanneer zy een
predikant geldt, dadeln\'k kennis gegeven aan den Kerkeraad en des
noodig aan den consulent zjjner gemeente en aan het Provinciaal
Kerkbestuur; betreft de uitspraak een candidaat tot de h. dienst, dan
geschiedt het bericht hiervan aan de Algemeene Synodale Commissie,
en voor de overige hier bedoelde personen alleen aan den Kerkeraad
hunner gemeente.
Art. 49. De tuchtmiddelen, welke door het Classikaal Bestuur
worden aangewend, zijn die, welke in art. 45 worden opgenoemd;
daarenboven: schorsing in de waarneming van kerkelh\'ke bedieningen
en ambten voor bepaalden of onbepaalden tijd, en wat de gods-
dienstonderwijzers en onderwn\'zeressen betreft, ontzetting uit hunne
betrekking.
C.    Bij het Provinciaal Kerkbestuur.
Art. 50. Bezwaren volgens art. 47 door het Classikaal Bestuur
van dien aard geoordeeld, dat zij aanleiding tot ontzetting uit de
kerkelijke dienst zouden kunnen geven, alsmede alle bezwaren tegen
leden van Classikale Besturen en hunne secundi als zoodanig, worden
door het Provinciaal Kerkbestuur, waaronder die personen behooren,
onmiddellijk behandeld en beslist op dezelfde wn\'ze als in het eerste
hoofdstuk is voorgeschreven.
Art. 51. De tuchtmiddelen, welke door het Provinciaal Kerkbe-
stuur worden toegepast, zijn die, welke in de artt. 45 en 49 worden
opgenoemd, en daarenboven: ontzetting van kerkelijke bedieningen
en ambten.
D.    Bij de Algemeene Synode.
Art. 52. Bezwaren ten laste van iemand, die, volgens de bepa-
lingen van de artt. 56 en 67 van het Algemeen Reglement, tot de
Algemeene Synode of de Algemeene Synodale Commissie behoort, of
van zijn secundus, als zoodanig, alsmede ten laste van een lid van
een Provinciaal Kerkbestuur of zijn secundus, als zoodanig, worden
onmiddellijk gebracht voor de Algemeene Synode en, met inacht-
neming van art. 15 van het Algemeen Reglement, behandeld en
beslist overeenkomstig de bepalingen van het eerste hoofdstuk.
Art. 53. De tuchtmiddelen, in de artt. 45, 49 en 51 genoemd,
kunnen ook worden toegepast door de Algemeene Synode.
12*
-ocr page 214-
180                   ÜEOLEMENT VOOR KERKELIJK Ol\'ZIClIT EN TüCHT.
TWEEDE AFDEELING.
In hooger beroep en herziening.
Art. 54. Tot het onderzoek en de beslissing van zaken, ia hooger
beroep voor een Kerkelijk Bestuur gebracht, wordt zoo spoedig
mogelijk en althans in de eerstvolgende zitting van het collegie
overgegaan, op dezelfde wijze als in het eerste hoofdstuk is voor-
geschreven.
Art. 55. Indien van eene uitspraak der Algemeene Synode, in
eersten aanleg of in hooger beroep, door den bezwaarde herziening
wordt gevraagd, wordt de zaak, overeenkomstig art. 15 van het
Algemeen lleglement, voor de geheele Synode gebracht, die haar
definitief beslist.
De aanvrage tot herziening geschiedt overeenkomstig het bepaalde
in de artt. 33 en 34.
DERDE AFDEELING.
Bij verzoeken tot vernietiging van kerkelijke beslissingen.
Art. 56. Van beslissingen der Olassikale en Provinciale Besturen
in hooger beroep kan, volgens de art. 15 en 70 van het Algemeen
Tleglement, vernietiging wegens schennis of verkeerde toepassing
der reglementen worden aangevraagd bij de Algemeene Synodale
(\'om missie.
Verzoeken tot vernietiging moeten door den bezwaarde, met over-
legging van het door hem ontvangen afschrift der uitspraak, worden
ingediend bij den secretaris der Algemeene Synodale Commissie,
binnen 14 dagen na de dagteekening der hem toegezonden kennis-
geving van de uitspraak in hooger beroep ten zijnen laste. Binnen
vier weken na die dagteekening kan de bezwaarde, des verkiezende,
de gronden, waarop zyn verzoek rust, bij eene door hem onderteekende
memorie, aan den secretaris van de Algemeene Synodale Commissie
inzenden, ten einde daarop door haar worde acht geslagen.
Na verloop der gezegde 14 dagen is de aanvrage niet meer
ontvankelijk.
Indien de bezwaarde de hier boven vermelde vier weken laat voor-
bygaan zonder memorie in te zenden, wordt door de Algemeene
Synodale Commissie op de bh\' haar ontvangen stukken uitspraak
gedaan.
Ingeval de bezwaarde later van de aanvrage tot vernietiging afziet,
wordt gehandeld zoo als in art. 34, 2de lid is voorgeschreven.
-ocr page 215-
Art. 54—57.                                          181
1) Schennis of verkeerde toepassing van reglementen. In de bij dit artikel
bedoelde rechtspraak wordt de feitelijke beslissing, dat is die over het al of
niet bowczeno der feiten niet onderzocht en mitsdien dat bewijs niet opnieuw
aan een onderzoek onderworpen. Het onderzoek van de Syn. Commissie mag
zich alleen bepalen bij de vraag: 1° of in de behandeling der zaak eenig wets-
artikel is geschonden, 2° of do door den rechter aangenomen en als bewezen
geachte feiten, dat is alzoo op de feitelijke beslissing, de wet door hem verkeerd
is toegepast. — Dit wordt, naar wij meenen, niet steeds en door allen goed
onderscheiden. Men doet een beroep op de Syn. Commissie, wijst op dit artikel,
on brengt gronden aan, die de feitelijke beslissing raken, en daarvan wenscht
men ee.n nieuw onderzoek. Dit is onjuist: dat onderzoek zoude niet alleen in
strijd zijn met het art. 15 Alg. Regl., maar ook met den geest en de bedoeling
onzer reglementen, die slechts één hooger beroep, dat is slechts één nieuw
onderzoek der zaak, behalve dat des eersten rechters, kennen. Zie Hand. 1884.
Bijl. B. bl. 142.
Wordt dit in het oog gehouden, dan is het antwoord op verschillende vragen,
die voor en na over de beteekenis van dit art. gedaan zijn, gemakkelijk te
geven. Is onder schennis of verkeerde toepassing van regl. ook begrepen verzuim
van vormen en overschrijding van rechtsmacht? Ja, wanneer die vormen in de
reglementen bepaald en die rechtsmacht daar inderdaad omschreven is. Heeft
het rechtsmiddel ook betrekking op do toepassing der tuchtmiddelen? Neen;
want dan zou de aanvraag tot vernietiging ontaarden in oen tweede hooger
beroep, dat uitdrukkelijk door art. 15 Alg. Regl. en art. 35, al. 2, van dit
regl. buitengesloten is. Het kerkelijk collegie blijft vrij in de toepassing der
tuchtmiddelen (verg. aant. op art. 4 al. 2). Zijn aanvragen tot vernietiging van
beslissingen omtrent afwijking in de leer ontvankelijk? Bij zulke aanvragen zal
do Syn. Comm. eenvoudig te oordeelen hebben of de zaak langs don wettigen
weg is behandeld en of het betrokken Kerkbestuur in overeenstemming mot de
bestaande bepalingen omtrent de leer gehandeld heeft. Hoe te handelen, wanneer
bijzondere reglementen met elkander of met het Alg. Regl. strijden? Mocht zulk
een strijd aanwezig zijn, dan zal de Alg. Synodale Commissie hebben te oordeelen,
wolk reglement door het betrokken bestuur behoorde te zijn toegepast, zoodat
dit een van die gevallen is, welke in het Alg. Regl. (art. 15) door de woorden
„verkeerde toepassing der reglementen" worden aangewezen. 1856, bl. 128,
129, 155.
Algemeene Synodale Commissie. Zie aant. op art. 15 Alg. Regl.
Door den bezwaarde. Kerkelijke besturen, wier uitspraak door eene uitspraak
in hooger beroep vernietigd is, kunnen niet als bezwaard aangemerkt worden
en mitsdien geen cassatie aanvragen. De Syn. Commissie heeft het noodig ge-
oordeeld, de Kerkelijke Besturen hieraan uitdrukkelijk te herinneren bij cir-
culaire in de Kerkelijke Courant van 23 Mei 1863, no. 21. Zie Handd. 1863,
Bijl. B, bl. 154.
Art. 57. De Algemeene Synodale Commissie slaat by haar oordeel
over de gevraagde vernietiging niet alleen acht op de gronden, welke
door den bezwaarde zyn aangevoerd, maar ook op andere, welke zjj
vermeent dat bestaan.
Maar ook op andere, enz. „De verplichting, aan de Alg. Syn. Comm. opgelegd
bij art. 70 no. 2 van het Alg. Rogl., om toe te zien, dat de kerkelijke rogll.
-ocr page 216-
182               Reglement voon Kerkelijk OrzicnT en Tucht.
worden nageleefd, brengt mede, dat in geval van aanvrage tot verniotiging in
zake van opzicht en tucht aan de Syn. Cornra. de vrijheid gelaten worde te be-
oordeelen, of dit bij de beklaagde uitspraak behoorlijk hebbe plaats gehad, ook
dun wanneer een bezwaarde, wellicht minder met al de regll. bekend, mocht
verzuimd hebben een of anderen grond tot cassatie aan te voeren." Mem. van
toel. Syn. Handd. 1855, bl. 22.
Abt. 58. Bij vernietiging van eene beslissing wordt door den
secretaris der Algemeene Synodale Commissie een behoorlijk voor
echt verklaard afschrift van de daartoe strekkende beslissing, binnen
14 dagen na hare dagteekening, toegezonden: 1°. aan het Provinciaal
of Classikaal Bestuur, naar hetwelk de zaak, volgens art. 15 van het
Algemeen Reglement, is verwezen; 2°. aan het Provinciaal of Classikaal
Bestuur, welks uitspraak vernietigd wordt; 3°. aan den bezwaarde.
iDgeval van verwerping der aanvrage tot vernietiging wordt daarvan
op gelijke wijze kennis gegeven aan den bezwaarde en aan het bestuur,
dat de uitspraak deed.
Van hare uitspraken, betreffende aanvragen tot vernietiging, doet
de Algemeene Synodale Commissie jaarlijks verslag aan de Synode.
Aan het Provinciaal of Classikaal Bestuur, welks uitspraak vernietigd wordt.
\'t Is niet voorgeschreven, dat aan dit bestuur ook een afschrift gezonden worde
van de eindbeslissing, door het bestuur, naar \'twelk de zaak was verwezen.
Eene daartoe strekkende bepaling, voorgesteld door den Heer DEELKMAK, toe te
voegen aan art. 59, is door de Synode niet noodig geoordeeld, vermits, naar
het oordeel der hierover rapporteerende commissie, zulk een afschrift in den
regel wel zal gezonden worden door het bestuur, dat de eindbeslissing neemt.
1870, bl. 8, 9, 79, 80.
Art. 50. Het Provinciaal of Classikaal Bestuur, naar hetwelk de
zaak, volgens art. 15 van het Algemeen Reglement, wordt verzonden,
stelt een nieuw onderzoek in en beslist definitief, zich gedragende
naar de verklaring van de Algemeene Synodale Commissie ten aanzien
der schennis of\' verkeerde toepassing van reglementen, welke tot de
vernietiging heeft geleid.
Zich gedragende naar de verklaring, enz. Deze bepaling is noodzakelijk geoor-
deeld, omdat bij vernietiging van een in hooger beroep geslagen vonnis, naar
art. 15 van het Alg. Regl. (zie aant. aldaar) in elk geval, niet alleen van ver-
niotiging wegens schennis der bij de regll. voorgeschreven vormen maar ook
wegens elke andere verkeerde toepassing van regll., de zaak aan eon ander col-
legie moet verzonden worden. Zie de Memorie van toel. bij het concept-regl.
door de Syn. Comm. 1855, Bijl. B, bl. 23, 24. Het bestuur, naar hetwelk de
zaak wordt verwezen, mag in zijne eindbeslissing omtrent de opvatting en toe-
passing der kerkelijke verordeningen
— daarover alleen wordt bij de aanvragen
om vernietiging gehandeld — geen ander oordeel uitspreken, dan de Synodale
Commissie. Zie 1856, bl. 129. Een voorstel van den Heer van borssum
waalkes om de woorden „zich gedragende" enz. weg te laten, waarbij gowezen
werd op het z. i. onvoegzame, dat de kerkelijke besturen in hunne rechtspraak
gehouden zijn aan do uitspraak der Syn. Comm., wat niet bestaanbaar geacht
-ocr page 217-
Abt. 57-63.                                          183
moest worden met de zelfstandigheid der besturen noch met de in rechten te
behandelen belangen, is door de Synode niet aannemelijk geacht, omdat de
bepaling in verband staat met art. 15 Alg. Regl., omdat zij de regelmatigheid
der rechtspraak bevordert, en omdat zij, alleen de schennis en verkeerde toepas-
sing
der rogll. geldende, de kerkelijke besturen onverlet laat in het onderzoek
en de beoordeeling der zaken. 1862, bl. 289.
II.
BEHANDELING VAN KERKELIJKE GESCHILLEN.
HOOFDSTUK I.
Algemeene bepalingen.
Art. 60. De collegiën, in art. 2 genoemd, en behalve deze de
Algemeene Synodale Commissie, zijn belast met de kennisneming,
het onderzoek en de beslechting van kerkelijke geschillen.
Zij verleenen hunne medewerking tot bijlegging en schikking in
in der minne, en doen, wanneer zij daarin niet slagen mogen, eene
beslissende uitspraak.
Zij verleenen hunne medewerking. Naar het beginsel van broederlijke liefde,
dat bij dit regl., ook in zaken van kerkelijke geschillen, ten grondslag ligt.
Verg. aantt. op artt. 1 en 4.
De Synodale Commissie verklaart in zake van eene cassatie van 24 Mei 1875
(zie K. C. 5 Juni 1875 no. 23): „Overwegende, dat de in genoemd art. 60 al. 2
voorkomende uitdrukking „medewerking." kennelijk aanduidt, dat de Besturen,
geroepen om ontstane geschillen te beslechten, niet steeds verplicht zijn uit
eigen beweging pogingen tot minnelijke schikking aan te wenden, zelfs dan,
wanneer daarop geen het minste uitzicht bestaat, maar slechts om daartoe hunne
medewerking te verleenen, wanneer hiertoe door partijen of óéne van haar aan-
leiding gogeven wordt, of de Besturen zelve hiertoe een middel vinden," enz.
Art. 61. De artt. 6—10, alsmede 12 tot het 1ste en 2de lid van
art. 19 en de artt. 20, 21 (de toepassing van tuchtmiddelen uitge-
zonderd), 23, 24, 25, 26 en 31 zijn mede van toepassing by de
behandeling van kerkelyke geschillen.
De termijn voor hooger beroep, aanvrage tot herziening en tot
vernietiging, in zaken van tucht bepaald, moeten ook door de partyen
in kerkelijke geschillen in acht genomen worden.
Abt. 62. Memoriën, door eene partij in zaken van geschillen
overgelegd, kunnen des noodig door de Kerkelijke Collegiën worden
gesteld in handen der tegenpartij, om daarop binnen een bepaalden
tjjd te antwoorden.
Akt. 63. Indien by de beoordeeling van geschillen de stemmen
-ocr page 218-
184               Reglement vooe Kerkelijk Opzicht en Tucht.
staken, wordt na herhaalde beraadslaging eene nieuwe stemming
beproefd; indien ook daarbh\' de stemmen staken, wordt bij de Kerke-
raden de oudste in jaren der laatst afgetreden ouderlingen, bij de
overige Kerkelijke Besturen de secundus van het oudste lid in dienst-
tijd buiten het moderamen ter beslissing opgeroepen.
Aut. 64. Alle kerkelijke geschillen worden, zoowel door de ver-
werende als door de eischende partij, gevoerd voor eigen rekening.
Van de eischende partij wordt, des noodig, borgstelling voor de
kosten gevorderd.
Bij de beslissing wordt de party, die in het ongelijk gesteld is,
in al de kosten veroordeeld, tenzij om redenen, in de uitspraak te
vermelden, ieder der partyen voor een bepaald aandeel in de kosten
mocht verwezen worden.
Kosten door een kerkelijk collegie gemaakt, en bij uitspraak ten
laste van een der geschilvoerende partijen of van beiden gebracht,
worden ontvangen en verantwoord, gely\'k in art. 25 bepaald is.
Art. G5. De Algemeene Synode en, onder hare machtiging de
Algenieene Synodale Commissie, zh\'n bevoegd in het belang der kerk
voor den burgerlijken rechter gedingen te voeren. De daartoe noodigc
kosten, alsmede die, tot welker betaling zn\', bij rechterlijke uitspraak,
worden veroordeeld, worden gedragen door de Kerk.
Art. 6ü. Tot het voeren van gedingen voor den burgerlijken
rechter kunnen de Kerkeraden, Classikale en Provinciale Besturen,
alsmede de ringen, machtiging vragen van de Algenieene Synode ot\',
deze niet vergaderd zijnde, van de Algemeene Synodale Commissie.
Deze machtiging wordt niet verleend, tenzij in die gedingen tevens
het algemeen belang der Kerk is betrokken.
Alleen wanneer die machtiging verleend is, worden de kosten
gedragen door de Kerk.
Tot het voeren van gedingen, enz. Dit art. luidde oorspronkelijk: „De Kerke-
raden, Classikale en Prov. besturen zijn gehouden machtiging te vragen van het
in rang volgend hooger bestuur tot het voeren van gedingen voor den burgelijken
rechter. — De kosten door de kerkelijke besturen, na behoorlijk verkregen
machtiging, gemaakt of bij do uitspraak ten hunnen laste gebracht, worden
gedragen door de Kerk. — Indien de gezegde machtiging niet verkregen is,
worden de gedingen door de kerkelijke besturen voor eigen rekening gevoerd."
Daar het nu inderdaad te ver ging, kosten van rechtsgedingen, gevoerd niet in
het belang der Ned. Ilerv. Kerk in het algemeen, maar van deze of gene
gemeente ten laste van de algemeene kas te brongen, on daarenboven do bcoor-
deeling van de noodzakelijkheid om voor den burgerlijken rechter al of niet een
geding te voeren, uitsluitend over te laten aan de Classikale besturen, terwijl
de beschikking over die kas naar art. 65 van het Alg. Regl. uitsluitend aan
de Synode of, dezo niet vergadord zijnde, aan do Synodale Commissie behoort
(destijds nog behoudens de bevoegdheid van het Min. Dept.), is het art. in 18C2
-ocr page 219-
Art. 63-11.                                          185
gewijzigd en aldus in werking gekomen d. 1 Maart 1868, behoudons de aanvulling
van 1 Maart 1870 van de woorden „alsmede de ringen", achter „Provincialo
besturen." Verg. 18G1, Bjjl. A, bl. 68. Wat de ringen betreft, verg. art. 27 en
28 van hot Kegl. op de Vacaturen.
HOOFDSTUK II.
Uehandeling van kerkelijke geschillen duurde
kerkelijke besturen.
Art. 67. Kerkelijke geschillen tusschen de leden derzelfde gemeente,
niet geene kerkelijke betrekking bekleed, alsmede tusschen deze en
catechiseermeesters, krankbezoekers en kerkelijke bedienden, en
tusschen de genoemde personen onderling, worden gebracht voorden
Kerkeraad der gemeente, waartoe zij behooren.
Art. (58. Kerkelijke geschillen in of tusschen Kerkeraden, tusschen
deze en de ringen, of tusschen de ringen onderling, tusschen predi-
kanten, emeriti, candidaten tot de heilige dienst, alsmede de kerke-
lijke geschillen, de diakonie-administratie betreffende; voorts geschillen
over de benoemingen van kerkeraadsleden, catechiseermeesters, krank-
bezoekers en kerkelijke bedienden; geschillen tusschen vacante
gemeenten en consulenten; alle geschillen betrekkelijk vacaturen en
beroepingswerk, alsmede geschillen over het verkiezingswerk in de
gemeenten, en eindelijk geschillen over grensscheidingen tusschen de
onderscheidene gemeenten en de veranderingen hieromtrent, worden
(de laatst vermelde met inachtneming van art. 43, no. 7, van het
Algemeen Reglement) gebracht voor het Classikaal Bestuur, waar-
onder zij te zamen behooren.
Kerkelijke geschillen. In dit art. wordt evenmin als elders in onze wetgeving
ceno bepaling gevonden, waarin met zoovele woorden gesproken wordt van
aanklachten, door leden eener gemeente tegen handelingen van den Kerkeraad
ingebracht. Eene uitbreiding van art. 67, ten einde deze leemte aan te vullen,
voorgesteld door het Class. Bestuur van Franeker, is door de Synode niet noodig
geoordeeld, daar het recht van aanklacht of bezwaar uit den aard der zaak aan
ieder, die zich bezwaard acht, wettig toekomt; en wat klachten betreft, rakende
beroepingen en benoemingen, hierin wordt voorzien door de bepaling, dat „allo
geschillen" (dus ook tusschen gemeenteleden en den Kerkeraad), betreffende
vacaturen en beroepingswerk, gebracht worden voor het Class. Best., waaronder
zij behooren. 1868, bl. 85—87, 126, 127, Bijl. B, bl. 59—62. Ook op een
vernieuwd aanzoek van het Class. Best. heeft de Synode ten volgenden jare
geoordeeld, het genomen besluit te moeten handhaven. 1869, bl. 176—178, 199.
Art. 69. Kerkelijke geschillen tusschen de belanghebbenden bü
\'t vorig artikel opgenoemd, doch niet onder het Classikaal ressort
behourende; vourts geschillen in en tusschen Classikale besturen
-ocr page 220-
186               Reglement vook Kerkelijk Opzicht en Tucht.
worden gebracht voor het Provinciaal Kerkbestuur, waaronder zij te
zamen behooren.
Art. 70. Geschillen in en tusschen de Provinciale Kerkbesturen
en tusschen Classikale besturen, Kerkelijke Collegiën en personen,
onder verschillende Provinciale Kerkelijke ressorten behoorende. worden
gebracht voor de Algemeene Synode, of, wanneer deze niet vergaderd
is en de zaak spoed vordert, voor de Algemeene Synodale Commissie.
Geschillen in de Algemeene Synodale Commissie en tusschen deze
en de Provinciale Kerkbesturen worden behandeld uitsluitend door
de Algemeene Synode.
Art. 71. Aanvragen tot vernietiging van beslissingen in kerkelijke
geschillen in hooger beroep worden op dezelfde wyze gedaan en
behandeld als in de artt. 56, 58 en 59 voor zaken van tucht is
voorgeschreven.
Bij de beoordeeling dezer aanvragen slaat de Algemeene Synodale
Commissie uitsluitend acht op die gronden, welke door de partij, die
de vernietiging vraagt, aangevoerd en bewezen worden door stukken,
die gediend hebben bij het collegie, van welks uitspraak de vernieti-
ging gevraagd wordt, of wel door die uitspraak zelve.
SLOTBEPALING.
Art. 72. Dit reglement treedt in werking op den Isten Juli 1857,
na welks tijdstip alle vroegere reglementen en bepalingen, kerkelijk
opzicht en \'fcetcht en de behandeling van kerkelyke geschillen betreffende,
zijn afgeschaft en vervallen.
De zaken, welke bij de invoering van dit reglement nog bij de
Kerkelijke Collegiën aanhangig zijn, worden, voor zooveel de verdere
afdoening betreft, naar\\et vorig reglement behandeld en beslist.
Het vorig reglement. T.w. dat van 28 Sept. 1825 (bij hoouer, Kerkelijke
Wetten
enz., bl. 124 — 143), \'twe>k een nog vroeger (van 1816 — zie hoouer,
t. a. p., bl. 122, 123) had vervangen. Het vigeerende regl. is door de Alg.
Synode der Ned. Herv. Kerk gearresteerd in hare zitting van den 9 Aug. 1856,
en, na uitvaardiging door de Alg. Synodale Commissie, in werking gekomen
don 1 Juli 1857.
-ocr page 221-
3
N° 501. A.
Wijzigingen van het Algemeen Reglement, van
het Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht
enz., van het Synodaal Reglement voor de Kerke-
raden, het Reglement voor de Diakonieën, het
Regiem e\\it op de Vacaturen, het Reglement op het
H o o g e r ÖSn derwijs in de Godgeleerdheid, tot rege-
ling der rechtspraak in zaken van Bestuur.
Wijziging van Art. 14 van het Algemeen Reglement.
Art. 14. Besluiten in bestuurszaken worden, indien de aard
der zaak het vereischt, ter kennis van belanghebbenden ge-
bracht ; indien zij personen, met name genoemd, betreffen, door
toezending van een gewaarmerkt afschrift.
Kerkelijke besturen, ringen, lidmaten en leden der gemeente,
die door een besluit in bestuurszaken van het bestuur waaronder
zij onmiddellijk geplaatst zijn, vermeenen bezwaard te zijn,
hebben het recht, zich bij het in opklimmenden rang volgend
bestuur te beklagen, dat in deze zaak een eindbesluit nemen zal.
Wijziging van het Reglement voor kerkelijk opzicht
en tucht enz.
Den titel van dit Reglement aldus te lezen:
Reglement voor kerkelijk opzicht en tncht, en
voor de behandeling van kerkelijke geschillen en
van bezwaren tegen besluiten in bestuurszaken.
Achter Art. 71 te plaatsen:
Behandeling van bezwaren tegen besluiten in Bestuurszaken.
E enig Hoofdstuk.
Art. 72. Kerkelijke besturen, ringen, lidmaten en leden der
gemeente, die zich bezwaard gevoelen door eenig besluit in
bestuurszaken var. het kerkelijk bestuur, waaronder zij onmid-
dellijk geplaatst zijn, hebben het recht, zich bij het in opklim-
menden rang volgend bestuur te beklagen.
Het Moderamen van dit bestuur oordeelt of het in het belang
der zaak noodig is, dat het aangevallen besluit voorloopig van
-ocr page 222-
I
kracht blijft, dan wel tijdelijk buiten werking moet worden
gesteld, en geeft daarvan, binnen acht dagen, kennis aan het
betrokken bestuur en aan den klager.
Art. 73. Indien lidmaten of leden der gemeente meenen be-
zwaard te zijn door een besluit in bestuurszaken, waarvan zij
afschrift bekomen hebben, dan zenden zij hun beklag, met
overlegging van het afschrift, binnen tien dagen na den dag
van ontvangst, in.
Art. 74. Het hooger bestuur bij hetwelk men zich beklaagt,
neemt, na behoorlijk onderzoek, een eindbesluit, zoo noodig
met vernietiging van het besluit des lageren bestuurs.
Art. 75. De kosten van het hooren van bezwaarden of ge-
tuigen worden berekend naar Art. 23, 3U van dit Reglement.
Art. 76. De kosten, vallende op de behandeling van het
beklag, worden in het eindbesluit gebracht ten laste van de
Kerk, indien het ingediend bezwaar gegrond bevonden wordt;
ten laste van den klager, indien het aangevallen besluit be-
vestigd wordt.
Van lidmaten en leden der gemeente wordt door den Scriba
of den Secretaris vóór de behandeling der zaak gevorderd zeker-
heidstelling voor de kosten of overlegging van een wettig bewijs
van onvermogen.
Art. 77. Binnen acht dagen, na het nemen van een eind-
besluit, wordt daarvan een behoorlijk gewaarmerkt afschrift
gezonden aan den klager, aan het lager bestuur en aan het in
opklimmenden rang volgend bestuur.
Art. 78. Artt. 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14. 15, 16, 17,
18, 19 1°, 2°, 20, 21 1°, 23, 24, 25, 26, 29 en 31 van
dit Reglement zijn van toepassing op eindbesluiten.
Dit Reglement, zooals het in 1890 gewijzigd is, treedt in
werking den 15(\'en Februari 1891.
Wijziging tot vestiging van een vast spraak-
gebruik, in verband met \'bovenstaande wetsver-
anderingen, tot onderscheiding van besluiten, uit
spraken en beslissingen.
                \\
A. Wijzigingen in het Algemeen Ueglement.
Art. 9, 1° worde aldus gelezen:
Geen kerkelijk bestuur neemt eenig besluit in bestuurszaken
noch eenige beslissing in zake van kerkelijk geschil, noch doet
-ocr page 223-
REGLEMENT OP DE KERK VISITATIE.
Art. 1. In de gemeenten, krachtens art. 1 van het Algemeen
Reglement tot de Nederlandsche Hervormde Kerk behoorende, wordt
jaarlijks kerkvisitatie gehouden.
Kerkvisitatie. Toen dit reglement in behandeling was, heeft de Class. Verg.
van Onderdendam bezwaar gemaakt tegen de zaak zelve en tegen het woord
kerkvisitatie. Zij wenschte dat het reglement zich enkel zou bepalen tot „een
jaarhjksch verslag" (van den staat) „der gemeenten". Zij achtte „het denkbeeld
van visitatie nauw verwant met het begrip van iets laags, iets onedels". In
aanmerking nemende, dat visitatie nooit aanduidt „het onderzoek naar iets
goeds, om dat aan \'t licht te brengen, te doen uitkomen en beloonen, maar
altijd naar het kwade, dat hier of daar schuilen zou, om dit als wetsovertreding
of misdaad te kunnen qualificeren en straffen" — zooals b.v\\ door de dienaren
der politie, door de agenten van den fiscus e. a. geschiedt —, oordeelde zij,
dat het concept-reglement, als te zeer een inquisitoriaal karakter dragende
(vooral als men ook naar de belijdenis van predd. en kerkeraadsleden onderzoek
wilde doen), zóó behoordo gewijzigi te worden, dat door een eenvoudig jaar-
lijksch verslag
„het goede doel der Synode, konnis te erlangen van den uit- en
inwendigen toestand der gemeenten, beter bereikt mocht worden, dan door eenige
visitatie kan geschieden." De Synode heeft zich met deze beschouwing der
genoemde Class. Verg. niet kunnen vereenigen, daar zij met hare rapporteerendo
commissie „aan de kerkvisitatie, zoowel persoonlijke als schriftelijke, geeno andere
bedoelingen toekende, dan die om langs den weg van een bescheiden en betamelijk
onderzoek, de Synode op de hoogte te houden van den staat der kerk, en dezo
daardoor in staat te stellen hare belangen te handhaven en te bevorderen." Zie:
Syn. Handd. 1858, bl. 175, 176, 187, 188, 202.
Art. 2. De kerkvisitatie heeft ten doel het onderzoek naar den
uitwendigen en inwendigen staat der gemeenten, naar de geregelde
opvolging en handhaving der wettige kerkorde by de kerkeraden, en
naar de ambtstrouw en den christeln\'ken wandel van elk hunner leden.
Art. 3. De instelling van het onderzoek is opgedragen aan de
Classikale Besturen, een iegelijk voor de gemeenten en kerkeraden
in zijn ressort, behoudens de bepaling in art. 34 van het Reglement,
betreffende de Waalsche gemeenten.
-ocr page 224-
188                           Reglement op de Kerkvisitatie.
Voor de gemeenten en kerkeraden in zijn ressort. Indien gecombineerde ge-
mcenton hare afzonderlijke kerkeraden hebben, moot dan de kerkvisitatie ook
in elke dier gemeenten afzonderlijk geschieden? Op deze vraag heeft de Syn.
Comm. in 1867, met het oog op art. 2 van het destijds vigoerende llegl. (waarin
voorkwam: „De Class. Besturen — zorgen — dat elke gemeente in driejaren
ééns persoonlijk worde bezocht") bevestigend geantwoord (zie Bijl. B, bl. 47).
In 1877 heeft zij geoordeeld, dat dit volgens het tegenwoordig regl. niet ver-
plichtend is, maar naar plaatselijke omstandigheden on gebruiken kan geregeld
worden (Bijl. B, bl. 139. Verg. Handd., bl. 157).
Art. 4. Om de drie jaren wordt de kerkvisitatie persoonlijk ge-
liouden door twee leden van het Classikaal Bestuur, die het daartoe
met hunne secundi tijdig committeert.
De visitatie over het geheele ressort wordt naar gelang zijner uit-
gestrektheid gehouden door één en hetzelfde tweetal of door onder-
scheidene tweetallen van leden, met inachtneming van voegzame
afwisseling.
Persoonlijk. Op een voorstel, in 1874 gedaan, om de persoonlijke kerkvisitatie
af te schaffen en telken jaro alleen eene schriftelijke te doen houden, omdat,
naar liet oordeel des voorstellers, de beweerde nuttigheid der persoonlijke
visitatie niet opwoog tegen do kosten, die zij veroorzaakt, oordeelde de Synode,
dat juist het nut der persoonlijke kerkvisitatie te groot was, dan dat men haar
niet zou moeten in stand houden. Handd. van dat jaar, bl. 12, 13, 164, 165,
242, 248.
2) Secundi. Hier worden niet de gewone secundi van de leden bedoeld, maar
secundi, door hot Classikaal Bestuur uit zijne werkelijke leden, voor hot werk
der kerkvisitatie to benoemen, zooals blijkt uit het woord „committeert".
ii) De visitatie over liet yeheele ressort. Even als do persoonlijke kerkvisitatie
niet in al de dassen in hetzelfde jaar wordt gehouden, zoo is het ook aan de
regeling van de Class. Besturen overgelaten, die over hun geheel ressort to
houden in hetzelfde jaar, of haar zóó over driejaren te verdcelen, dat b. v.
tolken jare ongeveer een derde der gemeenten worde bezocht. Verg. 1850
Bijl. B, bl. 67.
Aht. 5. De Classikale Besturen zien bij de benoeming der gecom-
mitteerden toe, dat zij niet beiden tot ééne en dezelfde gemeente
behooren, waar de visitatie moet plaats hebben.
A.RT. 6. De kerkvisitatie wordt door de daartoe gecommitteerde
leden van de Classikale Besturen vóór het verloop van de eerste helft
der maand Mei gehouden.
Mei. Een voorstel van den Heer J. P. ott, in 1862 gedaan (in overeenstom-
ming met do in der tijd gogevene consideratiën van de Class. Verg. van Gouda,
vermeld Handd. 1858, bl. 178, 179), om artt. 6, 15, 18 en 20 zóó te wijzigen,
dat daardoor moer tijd zou verkregen worden tusschen hot houden der kerk-
visitatio en het indienen van het rapport aan de Synode, is door de Synode
onnoodig en alzoo onaannemelijk geacht. 1862, bl. 84, 85, 108, 347—349.
-ocr page 225-
Art. 3—12.                                           189
Art. 7. De visitatoren melden den dag en het uur hunner komst
ten minste veertien dagen te voren aan den Algemeenen Kerkeraad,
die haar op den naast hieraan voorafgaanden Zondag ter kennis brengt
van de gemeente.
Art. 8. Al de leden van den Algemeenen Kerkeraad, en in ge-
meenten waar de dienst door den ring wordt waargenomen ook de
consulent, z\\jn verplicht de vergadering, voor de kerk visitatie bestemd,
bij te wonen.
Wanneer iemand verhinderd wordt, zal hy daarvan ter vergadering
aan de visitatoren met opgave van redenen kennis geven.
Al de leden van den Kerkeraad. Naar aanleiding van eene door een Class.
Bestuur gemaakte opmerking, alsof eene persoonlijke kerkvisitatie niet zoudo
gelden, wanneer niet 2/a der kerkeraadsleden tegenwoordig zijn, heeft do Synode,
met erkenning, dat eene zooveel mogelijk voltallige vergadering bij die gele-
genheid zeer wenschelijk is, aan de Classikale Besturen doen opmerken, dat de
niet-aanwezigheid van 2/3 der leden de visitatie niet ongeldig maakt, vermits de
Kerkeraad daarbij geene besluiten heeft te nemen, maar slechts de visitatoren
oen onderzoek hebben in te stellen. 1883, bl. 71, 72.
Art. 9. Een der gecommitteerden is voorzitter, de andere is
scriba. Indien de visitatie bij eene gemeente wordt gehouden,
waartoe een hunner behport, neemt hij zijne plaats in onder de
leden des kerkeraads, en vervult de andere de betrekking van voor-
/.itter en scriba.
Art. 10. De praeses van den Kerkeraad, na de vergadering geopend
te hebben, doet de visitatoren door eene commissie binnenleiden, en
geeft aan den voorzitter der gecommitteerden de leiding der werk-
zaamheden over.
Art. 11. De voorzitter legt den last van visitatoren open, vraagt
of op den voorgaanden Zondag de dag en het uur der door hen
bepaalde komst aan de gemeente is ter kennisse gebracht, en doet
onderzoek of al de leden des kerkeraads tegenwoordig zijn.
Al de leden des kerkeraads tegenwoordig. De Synode heeft bij besluit van 17
.ruli 1871 een waarschuwend bericht in de Kerkelijke Courant geplaatst voor
kerkeraadsleden tegen het wegblijven van de persoonlijke kerkvisitatie, met
opmerking, dat zulke kerkeraadsleden aan hun plicht te kort doen en door hun
verzuim lichtelijk de herhaling der visitatie noodig kunnen maken, vermits deze
toch niet kan doorgaan, als het voor het nemen van een besluit gevorderde
getal kerkeraadsleden niet tegenwoordig is. 1871, bl. 75, 76.
Art. 12. De voorzitter, tot de visitatie zelve overgaande, stelt een
onderzoek in, of iemand verlangt bezwaren in te brengen omtrent
de belijdenis, den wandel en de vervulling der ambtsplichten vaneen
zijner medeleden, en betreffende de leden buiten de predikanten, of,
zooveel de zamenstelling van hun collegie betreft, artt. 3 en 4, en,
-ocr page 226-
190                           Reglement op de Kerkvisitatie.
zooveel hunne zitting daarin aanbelangt, art. 11, en, voor zooveel
noodig, art. 12 van het Synodaal Reglement, alsmede de verorde-
ningen der bijzondere reglementen voor de kerkeraden worden in
acht genomen.
Waar vacaturen of hiermede gelijkstaande gevallen aanwezig zijn,
onderzoeken visitatoren, of in de dienst wordt voorzien zooals door
het reglement op de vacaturen in de tweede afdeeling en haar aan-
hangsel wordt verordend.
Vervolgens onderzoeken zij, of de doop-, lidmaten-en trouwboeken,
de aanteekeningen van de kerkeraadshandelingen, de rekeningen der
diaconie-administratie, de liggers \') van de diaconie-goederen, van de
kosterij-goederen en inkomsten *) en van het traktement aan de pre-
dikantsplaats of plaatsen verbonden, mitsgaders de verzameling van
de reglementen en van al de overige ingekomen kerkelijke stukken
met register, alsook de index van het kerkelijk archief zich in goede
orde bevinden, al welke bescheiden belmoren ter tafel te zyn.
Voorts winnen zij berichten in aangaande het kerkelijk, zedelijk
en godsdienstig leven der gemeente. Meer bepaald doen zij onder-
zoek naar:
a.    de deelneming aan de openbare godsdienstoefeningen;
b.    het gezet gebruik van het h. avondmaal;
c.    de huwelijks-inzegening;
d.    de belangstelling in Christelijke instellingen, als bijbel- en
zendelinggenootschappen, enz.;
e.    de Zondagsviering;
ƒ. de wyze, waarop de weezen verpleegd worden;
g. de openbare zedelijkheid;
h, den staat van het godsdienstonderwijs, met name het getal
dergenen, die, nevens de predikanten, hierin bij de gemeente werk-
zaam zyn, naar art. 66a van het reglement op dit onderwerp; —
het getal van jeugdigen en meer gevorderden in de gemeente te zamen,
die in het jongstverloopen burgerlijk jaar van het godsdienstonderwijs
hebben gebruik gemaakt; — het getal der in hetzelfde tijdvak op
belijdenis des geloofs aangenomen lidmaten; — al wat door den
Kerkeraad wordt verricht in overeenstemming met artt. 33, 40, 48
en 66 c en ƒ van het Reglement op het Godsdienstonderwijs;
i. de overgangen uit de Hervormde Kerk tot een ander kerkge-
nootschap, en uit andere kerkgenootschappen tot het Hervormde,
welke in het laatst verloopen burgerlijk jaar hebben plaats gehad,
met opgave van oorzaken en redenen, voor zoo ver zij bekend zijn;
k. de godsdienstige behoeften der gemeenten aan leering, leiding
en opbouwing, en onderzoeken, of daaraan genoegzaam voldaan wordt,
en of anders de Kerkeraad ook middelen zou kunnen aanwn\'zen om
daarin te voorzien.
Voorts trachten visitatoren zich te vergewissen, dat de kerkelyke
-ocr page 227-
191
Abt. 12.
gebouwen tegen brandschade verzekerd zijn, en dat voor het onderhoud
naar vermogen wordt zorg gedragen.
Ten slotte onderzoeken visitatoren, of er leden der gemeente zijn
opgekomen, die een of ander hebben voor te dragen; trachten, in
den geest van art. 4, eerste lid, van het Reglement van kerkelijk
Opzicht en Tucht, zoo mogelijk, bezwaren uit den weg te ruimen,
en zorgen overigens, dat gehandeld worde naar art. 47 van hetzelfde
reglement, met inachtneming, zooveel noodig, van art. 42, 2°.
1)     Of iemand verlangt medeleden. Deze woorden zijn eene wijziging, in
werking gekomen den 1 Maart 1871. Het art. luidde oorspronkelijk: „De voor-
zitter, tot de visitatie zelve overgaande, stelt een onderzoek in, betreffende al de
leden, of zij bezwaren hebben, rakende de belijdenis en den ivandel van iemand
hunner medeleden1",
en dan wat er volgt. De meermalen opgedane ervaring van
gemoedelijk bezwaar bij het beantwoorden der in den zin van deze bepaling
gestelde vragen maakte de wijziging aannemelijk. Men zie het verhandelde over
deze zaak in de Syn. Handd., 1868, bl. 8, 147—150, 155, 156; 1860, bl. 236,
237, Bijl. B, bl. 79-8—; 1870, bl. 87—91, 152—154.
2)     De liggers, enz. Terwijl, volgens de oorspronkelijke bepaling in dit art.
alleen naar de liggers der predikantstraetementen onderzoek moet geschieden, is
in 1879, den 15 Jan. de vermelding van de kosterij goederen en inkomsten en
desgelijks den 1 Jan. 1886, die van de diaconiegoederen hier ingevoegd.
3)     Kosterijgoederen en inkomsten. In een belangrijk arrest van het gerechtshof
te Leeuwarden van den 29 Juni 1885 (Weekblad van het recht 27 Aug. 1885)
over den oorsprong, de aard van een eigendom en de bestemming der kosterjj-
of schoolgoederen in Friesland is aangenomen , dat kerkvoogden of kerspellieden
geene bevoegdheid hadden om op eigen gezag de bestemming dezer goederen
definitief te veranderen of de beneficien promiscue te gebruiken, en dat de kerk-
voogden in daden, die het gewoon beheer te boven gingen, gelijk stonden met
de voogden van minderjarigen en gelijk deze tot vervreemding of bezwaring het
■placet van de hoven van Friesland behoefden.
e. De Zondagsviering; en g. De openbare zedelijkheid. Een voorstel van den
hoer reijers om deze twee vraagpunten te schrappen, hoewel door do rappor-
teerendo commissie, in aanmerking nemende, dat de beantwoording te zeer van
individuëele zienswijze afhankelijk is, aanbevolen, is door de Synode onaanne-
melijk geacht, daar de bezwaren van den voorsteller ook tegen andere vragen
zouden kunnen worden ingebracht. 1862, bl. 264, 265.
Den staat van het Godsdienstondewijs. De Synode heeft in 1882 besloten, de
Class. Besturen uit te noodigen, bij de persoonlijke kerkvisitatio een onderzoek
in te stellen naar het overleg, dat tusschen kerkeraden en gemeente-autoriteiten
heeft plaats gehad over de regeling van uur en plaats, wanneer en waar het
godsdienstonderwijs gegeven wordt. Handd. bl. 68.
h. den staat van het godsdienstonderwijs, enz. In deze al. zijn eenige artt.
aangehaald uit het voormalig regl. op het godsdienstonderwijs. Daarvoor hadden,
na het in werking treden van het tegenwoordig regl. op dit onderworp, in de
plaats moeten komen, met betrekking tot het getal godsdienstonderwijzers, art.
5 en eenige volgg., en met betrekking tot hetgeen overigens voor het godsdienst-
onderwijs gedaan wordt, artt. 23—28, 30 en 35. Verg. bruna, op dit art.
Het getal van jeugdigen — gebruik gemaakt. De Synode heeft, volgens besluit
-ocr page 228-
192                           Reglement op de Kerkvisitatie.
van 19 Juli 1861, door middel van het kerkelijk orgaan, de kerkeraden er
opmerkzaam op gemaakt, dat bij de invulling van tabel B de schoolkinderen,
voor zoo ver zij buiten de schooluren godsdienstonderwijs ontvangen, ook onder
de catechisanten gerekend moeten worden. Syn. Handd. 1861, bl. 136.
i. de overgangen. De Synodale Commissie heeft bij circulaire van 16 Oct. 1841
de Kerkeraden en Classikale Besturen aangeschreven om naauwlettend kennis te
nemen van de overgangen, vooral tot de Roomsche Kerk en omgekeerd; terwjjl
de Synode des volgenden jaars bij circulaire van 22 Juli dezelfde zaak, en in
\' \'t bijzonder de oprichting van commissiën van toezicht op de overgangen en
hetgeen daartoe betrekking heeft,
aanbevelende, daarbij opzettelijk nog eens de
aandacht gevestigd heeft op het gevaar van gemengde huwelijken, op de nood-
zakelijkheid van het naleven der verordeningen op de godsdienstoefeningen en het
godsdienstonderwijs der krijgslieden
en op de verplichting der diaconiën om te
zorgen, dat gealimenteerden geen prooi worden van proselytenmakerij. Men vindt
dezo beide circulaires afgedrukt bij jibuna, t. a. p. Afd. II, § 11.
Aut. 13. De voorzitter der visitatoren geeft, na den afloop van
liet onderzoek, liet beleid der vergadering aan den gewonen praeses
terug, en deze draagt zorg, dat van de visitatie in het actenboek des
kerkeraads aanteekening geschiede.
Akt. 14. Van den afloop van het onderzoek geven visitatoren
verslag aan het Classikaal Bestuur in ziï\'ne vergadering van Mei. \'
Art. 15. Nadat de kerkvisitatie persoonlijk is gehouden, heeft zij
twee achtereenvolgende jaren, vóór den eersten Mei, schriftelijk plaats,
tenzij het om bn\'zondere redenen voor eene of andere gemeente door
liet Classikaal Bestuur anders wordt goed gedacht.
In de Waalsche kerken kan zij elk jaar schriftelijk geschieden.
Art. 16. De schriftelijke kerkvisitatie bestaat in de voorstelling
van vragen, in drie onderscheidene tabellen vervat, door het Clas-
sikaal Bestuur van het ressort tydig aan iederen Kerkeraad ingezonden,
betrekking hebbende tot dezelfde onderwerpen als in art. 12 vermeld,
met uitzondering van de vraag aangaande de belijdenis, den wandel
en het vervullen der ambtsplichten van predikanten en overige kerke-
raadsleden.
Vragen. Zie deze, zooals zij voor do laatste wijziging (nl. die van 15 Jan. 1879)
van art. 12 geredigeerd waren, achter dit regl.
Met uitzondering van, enz. Te gelijk met de wijziging van art. 12 (zie aant.)
is in werking gekomen de wijziging van art. 16, vervat in de woorden: „Met
uitzondering",
enz. tot aan het einde. In verband met de gewijzigde bepaling
omtrent het bij de persoonlijke kerkvisitatie in de eerste plaats in te stellen
onderzoek, mocht het wenschelijk geacht worden, dat de schriftelijke korkvisi-
tatie zich voortaan bepaalde tot het inwinnen van statistieke opgaven. Zie de bij
art. 12 aangehaalde plaatsen uit de Syn. Handd.
Art. 17. De vragen in de tabellen van wege het Classikaal Bestuur
worden bjj de schriftelijke visitatie door den voorzitter des Kerkeraads
-ocr page 229-
Art. 12-21.                                          193
in de vergadering gelezen; bij elke der vragen wordt het antwoord
bijgeschreven, en aan het einde worden de aldus ingevulde tabellen
onderteekend, in gemeenten van ééne predikantsplaats door al de
leden der vergadering, in de overige door den praeses, den scriba,
twee der ouderlingen en twee der diakenen.
Art. 18. De Kerkeraad zendt de ingevulde en geteekende tabellen
op aan het Classikaal Bestuur vóór of op den lOden der maand Mei.
Art. 19. De Olassikale Besturen geven van de persoonlijke en van
de schriftelijke kerk visitatie in het ressort verslag, door invulling van
de drie daarvoor bestaande tabellen, die zij met de tabellen der Ker-
keraden vóór den 15den Juni opzenden aan het Provinciaal Kerkbe-
stuur. De tabellen der Kerkeraden worden aan de Olassikale Besturen,
na gemaakt gebruik, teruggezonden, en bij deze besturen ten minste
gedurende den tijd van twee jaren bewaard.
Art. 20. De Provinciale Kerkbesturen maken uit de tabellen der
Glassikale Besturen drie onderscheidene rapporten op, en dienen ze
bij de vergadering der Synode van hetzelfde jaar, waarin de kerk-
visitatie heeft plaats gevonden, vóór den eersten Juli, te gelijk met
de Olassikale tabellen in, welke laatste hun uiterlijk vóór den eersten
September daaraanvolgende door de Synode worden teruggezonden.
De Waalsche Commissie zendt desgelijks hare rapporten, van de
tabellen der Kerkeraden vergezeld, waaruit zij zijn samengesteld, vóór
den eersten Juli ter Synodale vergadering in.
De Olassikale tabellen en die der Kerkeraden, in dit artikel ver-
meld, worden ten minste gedurende den tijd van twee jaren bij de
Provinciale Kerkbesturen en de Waalsche Commissie bewaard.
Teruggezonden. Deze terugzending geschiedt opdat de kerkbesturen de verslagen
ter hand kunnen nemen en ten aanzien der berichten, die daarin mochten voor-
komen, omtrent hier of daar plaatsgrijpende onregelmatigheden of verkeerde
handelingen, zooveel zij noodig zullen bevinden, in het belang van wet en orde
kunnen handelen. Syn. Handd. 1875, bl. 130.
Die der kerkeraden, in dit art. vermeld. D. i. der kerkeraden van het "Waalsche
ressort; deze toch worden in dit art. vermeld (al. 2), de overige kerkeraden zijn
vermeld in art. 19.
Art. 21. Aan gecommitteerden van de Olassikale Besturen worden
voor elke persoonlijke, hetzij gewone of buitengewone, kerkvisitatie
de kosten goedgedaan uit de Olassikale kas, overeenkomstig het Regie-
ment op de Olassikale kosten.
Voor eene buitengewone visitatie wordt geene schadeloosstelling
verleend, tenzn\' door eene schriftelijke verklaring van het Provinciaal
Kerkbestuur van het ressort, en waar het de Waalsche Commissie
geldt, van de Synode of van de Algemeene Synodale Commissie, hare
noodzakelijkheid zal zijn erkend.
Kerkelijk Wetboek, 2e druk.                                                                    13
-ocr page 230-
194                              Reglement op de Kerkvisitatie.
Reyl. op de dans. hosten. Thans: Reglement op de kosten van het bestuur der
Ned. Herv. Kerk..
Buitengewone visitatie. De bepaling in doze al. vervat is niet van toepassing
op eene buitengewone vergadering, door liet Class. Bestuur gehouden in zake
van tucht. Verg. Regl. voor K. O. en T. art. 2a, 1".
Akt. 22. Aan den secretaris der Algemeene Bynode zenden de
Provinciale Kerkbesturen bericht, in welke gemeente van het ressort
de visitatie persoonlijk, in welke zij schriftelijk is gehouden.
Den secretaris t/cr Alg. Synode. Wijziging van 1 Jan. 1876, in plaats van het
vroegere: „het Ministerieel Departement voor de zaken der Hervormde Eeredienst"
of\', zooals het 1 April 1804 gewijzigd was: „het daartoe aangewezen Ministerieel
Departement."
OVKRMANGSBKI\'AI. IN G.
Bovenstaande verordeningen treden in werking op den eersten
Juli 1859, na welk tijdstip alle vroegere verordeningen op de kerk-
visitatie worden verklaard te zijn vervallen.
Alle vroegere verordeningen, enz. Te vinden bjj hooi.ikk, Kerkelijke wetten
voor de Hervormden, enz., hl. 87—95.
-ocr page 231-
Bijlage.                                              195
B IJ L A G E.
VERSLAG VAN DEN KERKERAAD DER HERVORMDE GEMEENTE TE.........
WEGENS DE KERKVISITATIE OVER HET JAAR 18 , KRACHTENS
SYNODAAL BESLUIT VAN DEN 7l)EN AUGUSTUS 1858, VER-
VAT IN DE TABELLEN
OV RUBRIEKEN A, B, C.
A. Toestand des Kerkeraads.
1.    Samenstelling van den Kerkeraad. Worden ten haren aanzien
artt. 3 en 4, en, wat aangaat den diensttijd, de aftreding en de
bevestiging der kerkeraadsleden, art. 11 en, bjj tusschentu\'ds o pen-
vallende plaatsen, art. 12 van het Synodaal Reglement, alsmede de
verordeningen der bijzondere Reglementen voor de Kerkeraden in acht
genomen ?
2.    Handelingen van den Kerkeraad, bepaaldelijk in predikantsvacature.
Houdt men toezicht, dat door den consulent en den ring in de dienst,
wordt voorzien, zoo als door het Reglement op de Vacaturen in de
tweede afdeeling en haar aanhangsel is verordend?
3.     Onderzoek omtrent de hulppredikers. Indien er bü de gemeente
een of meer hulppredikers werden aangesteld, hoe luidt hun naam
en zijn er bezwaren tegen hunne ambtsbediening of wandel? Verg.
Reglemt op het Hulppredikerschap, art. 15.
4.    Staat der Kerkeraads-eigendommen. Bevinden zich de dubbele
doop-, lidmaten- en trouwboeken, de aanteekeningen van de Ker-
keraadshandelingen, de rekeningen der diaconie-administratie, de
door kerkvoogden gewaarmerkte ligger van het traktement aan de
predikantsplaats of plaatsen verbonden, mitsgaders de verzameling
van de reglementen en van alle overige ingekomen kerkelijke
stukken met registers, als ook de index van het kerkelyk archief in
goede orde?
• B. Staat van het godsdienstonderwijs.
1.    Welk is het getal van de godsdienstonderwijzers in de gemeente,
buiten de predikanten?
2.    Wordt er, ook door de predikanten, behoorlyk gezorgd voor
het onderricht van jongen en ouden in alle vakken, welke tot het
godsdienstonderwijs behooren, en wel het gansche jaar door, des
zomers zoowel als des zointers? Verg. artt. 1—3, 5, 23 en 35 van bet
Reglement op het Godsdienstonderwijs.
13*
-ocr page 232-
196                    Reglement op de Kerkvisitatie. Bijlage
3.    Wat geschiedt er door den Kerkeraad om het regelmatig bezoeken
der catechisatiën te bevorderen?
4.    Wat wordt er, ingevolge artt. 24—27 van het Reglement op
het Godsdienstonderwijs, in het bijzonder voor de godsdienstige op-
leiding der Hervormde jeugd en jongelingschap, in de onderscheidene
scholen verricht V
5.    Wat geschiedt er in het belang van het godsdienstonderwijs
van hen, die leven in de gestichten, de verbetering- en gevangen-
huizen, in de koloniën en op de schepen? Verg. 25—28 en 30 van
evengenoemd Reglement.
6.    Hoe velen hebben in het jongst verloopen burger lijk jaar gebruik
gemaakt van het godsdienstonderwijs, behalve de bedoelden in de
eerstvolgende vraag?
7.    Hoeveel lidmaten zijn aangenomen in het jongstverloopen hur-
gerlijk
jaar?
Bezoeken der catechisatie». Deze wijziging is door de Synode aangenomen 3
Augustus 1883 (Ilandl. bl. 72).
C. De gesteldheid der gemeente.
a. Inwendige gesteldheid; kerkelijk, zedelijk en godsdienstig leven.
1.    Ts er in het bijwonen der openbare godsdienstoefeningen vóór
of achteruitgang waargenomen?
2.    Maakt men gezet gebruik van het Heilig Avondmaal?
3.     Worden de voltrokken huwelijken kerkeln\'k ingezegend?
4.     Heeft de Kerkeraad ook iets te melden van voor- of achter-
nitgang in het verloopen (burgerln\'k) jaar ten aanzien der belang-
stelling in Christelijke instellingen, de Zondagsviering, de openbare
zedelijkheid of de overgangen, en, zoo daar niet genoegzaam aan de
godsdienstige behoeften der gemeenten voldaan wordt, heeft de Ker-
keraad ook middelen aan te wijzen om daarin beter te voorzien ?
Verg. Reglement op de Kerkvisitatie, art. 12, litt. d, e, ƒ, h en i.
Is er in het......voor of achteruitgang, aldus gewijzigd door de Synode
3 Augustus 1883 (Hand. bl. 72).
h. Uitwendige gesteldheid.
5.    Zn\'n de kerkelijke gebouwen tegen brandschade verzekerd en
wordt voor het onderhoud daarvan naar vermogen zorg gedragen?
Aldus het Verslag opgemaakt in de Kerkeraadsvergadering
te
                                  den                                  18
De Kerkerand. voornoemd:
-ocr page 233-
REGLEMENT OP HET IIIILPPREDIKERSCHAP.
Abt. 1. Het hulppredikerschap wordt in de Nederlaiidsche Her-
vormde Kerk toegelaten en erkend in gemeenten, waar het in het
belang der Evangeliebediening of der Evangeliebedienaren gevor-
derd wordt.
Akt. 2. Door het hulppredikerschap wordt verstaan de waarneming
van het herder- en leeraarsambt door predikanten buiten vaste be-
diening, of candidaten tot de heilige dienst, hetzij op gevestigde,
doch tijdelijk openstaande standplaatsen, hetzij nevens dienstdoende
predikanten, in het belang der gemeenten, of in het persoonlijk
belang dier predikanten.
Akt. 3. Hulppredikers kunnen in de gevallen, bö het voorgaande
artikel bedoeld, worden aangesteld:
1°. gedurende het jaar van gratie, of in meer dan gewoon lang-
durige vacaturen, wanneer de bijzondere behoeften van de gemeente
of van den ring zulks vorderen, of ook op nieuw gevestigde stand-
plaatsen, waarvan, om geldelijke of andere redenen, het vaste trak-
tement nog niet geheel verzekerd is:
2°. in bezwaarvolle combinatiën of uitgestrekte gemeenten ten
platten lande, waar, hetzij wegens tijdelijke, hetzij wegens blijvende
omstandigheden, de predikant niet in de noodwendige behoeften der
gemeente kan voorzien, en wegens het te geringe zielental, geene
vermeerdering van standplaatsen gevraagd kan worden;
:$°. in gemeenten, waar het getal der predikantsplaatsen niet in
verhouding staat tot het zielental, en voor alsnog niet kan worden
uitgebreid, of, wanneer in grootere gemeenten de gezamenlijke pre-
dikanten tot verlichting of tot aanvulling van hun werk eenen helper
verlangen;
4". wanneer een predikant, persoonlijk, wegens tn\'delijke onge-
steldheid naar het lichaam of naar den geest, zyne bediening of geheel
niet, öl slechts ten deele waarnemen kan;
5°. wanneer een predikant, door ouderdom of andere, oor/aken
-ocr page 234-
198                          Reglkment op het Hulppkdikerschap.\'
voor z\\jn dienstwerk ongeschikt geworden, zh\'n emeritaat heeft ge-
vraagd, en de inwilliging van dit verzoek wordt vertraagd;
(5U. wanneer een predikant in zijne dienst geschorst is;
7". wanneer een predikant, voor zijn ambtswerk geheel ongeschikt
geworden, zoodat zijn ontslag volstrekt noodzakelijk is, echter weigert
het emeritaat aan te vragen, en het Provinciaal Kerkbestuur op een
door den Kerkeraad of door de ouderlingen hierover ingediend beklag,
handelend optreedt.
Art. 4. Het verzoek om de dienst van een hulpprediker wordt
gericht aan het Classikaa] Bestuur, dat daarop niet beslist, dan na
de belanghebbenden gehoord te hebben.
Art. 5. De hulpprediker verkrijgt van den Kerkeraad zijne aan-
stelling krachtens eene beroeping, uit te brengen door hen, aan wie
de beroeping van predikanten is opgedragen, onder goedkeuring van
het (klassikaal Bestuur.
De hulpprediker verkrijgt-, enz. Dit art. heeft wijziging ondergaan (in werking
gekomen 1 Maart 1869), ten einde het beginsel, dat voor de beroeping van
predikanten is aangenomen (Regl. op de benoeming van Oudd. on Diakk., enz.)
ook in toepassing te brengen op de benoeming van hulppredikers. Do oorspron-
kelijke lezing was: „De hulpprediker erlangt de bevoegdheid tot zijne dienst,
krachtens eene wettige benoeming, uitgebracht door den Kerkeraad, ondergoed-
keuring van het Class. Bestuur." Tegelijk zijn gewijzigd artt. 6, 7, 8, 9, 10,
11, 12, 13.
Eene beroeping, uit te brengen door hen, enz. In het Heyl. op liet Hulppre-
dikerschap in de Ned. Herv. Kerk
van 1844 was als beginsel aangenomen, dat
de wijze van benoeming in verband staat met de wijze van bezoldiging (artt.
4 — 10). Dientengevolge was aan de regeering een betrekkelijk groote invloed op
de benoeming toegekend, die zelfs in sommige gevallen geheel aan haar word
overgelaten. Voor dit beginsel, met de vrijheid en rechten der Kerk niet be-
staanbaar, is dat van zuiver kerkelijke benoeming of, naar de wijziging van
1 Maart 1869, beroeping in de plaats getreden. Zie Memorie van toel. bij het
door de Syn. Comm. aangeboden concept: 1858, Bijl. B, blz. 31, 32.
Art. 6. De beroeping, in het voorgaande art. vermeld, wordt aan
den gekozene bekend gemaakt door de uitvaardiging van een wet-
tigen brief, ingericht naar het formulier, bij dit reglement gevoegd
en, bij de aanvrage om approbatie, over te leggen bg het Classikaa]
Bestuur.
Beroeping, gekozene. Deze woorden in plaats van benoeming en benoemde.
Zie de aant. op art. 5.
Art. 7. Tn de gevallen, in art. 3, sub 3°. laatste gedeelte, 4°. en
5°. vermeld, heeft de predikant (hebben de predikanten), na verkregene
toestemming van het (klassikaal Bestuur, ingevolge art. 4, het recht
om eene voordracht bij den Kerkeraad in te dienen. Zg, aan wie de
-ocr page 235-
Abt. 3-11.                                                199
beroeping van predikanten is opgedragen, veranderen deze voordracht
in eene benoeming.
Bij weigering doet de predikant (doen de predikanten) andermaal
eene voordracht. Na vernieuwde weigering geschiedt de beroeping
door het Classikaal Bestuur, zonder aan eenige voordracht gebonden
te zijn, en onder goedkeuring van het Provinciaal Kerkbestuur.
Zij, aan wie de beroeping, enz. Met deze woorden begint eene wijziging, over-
eenkomstig die van art. 5. Oorspronkelijk stond er: „De Korkeraad verandert
deze voordracht in eene benoeming. J$ij weigering doet de predikant andermaal
eene voordracht, en heeft de Korkeraad ook tegen deze bedenking, zoo verblijft
de benoeming aan het (\'lass. Hestuur, dat aan geene voordracht gebonden is,
waarop alsdan echter de goedkeuring van het Prov. Kerkbestuur gevraagd wordt."
Art. 8. Op gelijke wijze als aan het slot van het vorig artikel
bepaald is, wordt gehandeld wanneer het Classikaal Bestuur, naar
art. 1 van het Reglement voor de Kerkeraden, doende wat des ker-
keraads is, den hulpprediker beroepen heeft.
Beroepen. In plaats van benoemd. Zie op art. 5.
Art. 9. Een hulpprediker, tot wiens bezoldiging eene toelage uit
\'s lands kas benoodigd is, wordt niet beroepen, vóór dat de gelden
door het bevoegd ministerieel departement, op aanvrage, zijn toe-
gezegd.
Toelage. Van rijkswege wordt niet meer dan de helft van het benoodigde
traktement bijgedragen. Zie Hand. 1863, bl. 124.
Beroepen, in plaats van benoemd. Zie op art. 5.
Het bevoegd ministerieel departement, in plaats van: den Minister voor de zaken
der Hervormde eeredienst
, 1 April 1864.
Art. 10. De hulpprediker wordt aangesteld voor onbepaalden of\'
voor bepaalden t\\jd.
Vóór de aanvaarding van zijne bediening wordt hij door den pre-
tlikant (een der predikanten) of den consulent, zonder oplegging der
handen, kerkelijk bevestigd.
Aangesteld\', voor benoemd. Zie op art. 5.
Voor onbepaalden of bepaalden tijd. Het voormalige Regl. op het Hulpprc-
dikerschap maakte onderscheiding tusschen vaste en tijdelijke hulppredikers (artt.
2, 5, 8, 12, enz. Zie bij hooijer, t.a.p., bl. 83 en volg.); eene onderscheiding,
die moeielijk was vol te houden en nergens toe diende, maar ook nadeelig was
voor het rechte begrip, dat in de kerk van hot hulppredikerschap moet gevormd
worden. „Het mag niet gelijk worden gesteld met de vaste evangeliebediening,
ledere dienst van een hulpprediker is tijdelijk, en het is van belang dat de kerk
haar alzoo beschouwe. Zij vervangt slechts de plaats en den werkkring van den
evangeliedienaar daar en zoolang daarin niot is voorzien. Zij is altijd slechts eene
hulpe en dus tijdelijk, zoolang zij duurt, zoolang er behoefte aan is." Mem. van
toel., 1858, Bijl. 15, bl. 32, 33.
Abt. 11. In de gevallen, art. 3, sub 1°., 4°., 5°., 6°. en 7°. ver-
-ocr page 236-
200                         Reglement op iibt Hulppkei>ikeksciiap.
meld, wordt de hulpprediker voor niet langer dun voor zes maanden
aangesteld.
Om gewichtige redenen kan door het Classikaal Bestuur, op aanvrage
der belanghebbenden, verlenging van den diensttijd worden toegestaan.
Heeft dit bestuur bedenking daartegen, dan wordt op de aanvrage
door het Provinciaal Kerkbestuur beslist.
Aangesteld i. p. v. benoemd. Zie op art. 5
Akï. 12. Het voorgeschreveue in art. 70, alinea 1 van het regie-
ment op de vacaturen, is mede van toepassing op alle zaken, die op
de aanstelling eens hulppredikers betrekking hebben; liet doen eener
beroeping is hiervan uitgezonderd.
Beroeping, i. p. v. aanstelling. Zie op art. 5.
Art. 13. De werkzaamheden van den hulpprediker worden bij zijne
aanstelling geregeld door den Kerkeraad of, in de gevallen art. 3
sub 1°. eerste gedeelte, 6°. en 7°. vermeld, door den ring, en in de
gevallen sub 3°. tweede gedeelte, 4°. en 5". aangeduid, naar gelang
der omstandigheden, door den predikant (de predikanten) of door den
consulent, onder goedkeuring des Kerkeraads, steeds in overeenstem-
ming met de bestaande kerkelijke verordeningen.
De aldus geregelde werkzaamheden worden behoorlijk in eene in-
structie omschreven, die, na door het Classikaal Bestuur te zgn
goedgekeurd, tegelijk met den brief van beroeping in art. 6 vermeld,
aan den beroepene wordt toegezonden. Ingeval hij de beroeping aan-
neemt, onderteekent hij de beide stukken en zendt ze aan den Ker-
keraad terug, die daarop de noodige approbatie bij het Classikaal
Bestuur aanvraagt.
Aanstelling, beroeping, beroepene, i. p. v. benoeming, benoemde. Zie op art. 5.
Art. 14. De hulpprediker heeft als zoodanig zitting in den Ker-
keraad niet adviseerende stem. Tot bekleeding van het voorzitterschap
is hij echter niet bevoegd.
Art. 15. Bij de kerkvisitatie wordt ook onderzoek gedaan naar de
dienst en den wandel des hulppredikers.
Art. 16. Ingeval de hulpprediker in eene vacature op beroeping
gaat prediken, zorgt hij voor de waarneming van zijne predikdienst
in de gemeente waar hij werkzaam is.
Art. 17. Van den staat van het hulppredikerschap in het ressort,
wordt door de Provinciale Kerkbesturen, na ontvangen opgaven des-
wege van de Classikale Besturen, jaarlyks aan de Synode verslag
gedaan.
Verslag gedaan. De woorden: „en hiervan afschrift gezonden aan het minis-
teriëel departement", waarmede het art. eindigde, zijn den 1 Maart 1807 weg-
genomen.
-ocr page 237-
Akt. il—18. Formulier.                                 201
Art. 18. Dit reglement treedt in werking op den lsten November
1860. Met de invoering er van zijn de vroegere reglementaire bepa-
lingen, het hulppredikerschap betreffende, vervallen.
Dit Reglement. Op den hier genoemden datum is dit reglement in de plaats
gekomen van het vroegere, dat den 11 Juli 1844 finaal gearresteerd endoorden
Koning bij besluit van den 11 Oetobor v. d. j., no. 17, gesanctioneerd was. De
memorie van toelichting, waarvan de Syn. Comm. het door haar aangeboden
concept heeft doen vergezeld gaan, geeft rekenschap van de beginselen, waardoor
dit reglement zich van het toen vigeerende moest onderscheiden. 1858, Bijl. 1$>
bl. lil -38. De wijzigingen van den I Maart 1S69 hebben ook eenige verande-
ringen in het hierbij behoorende formulier aangebracht.
K o r in u 1 i e r.
(A.) De Kerkeraad der Hervormde gemeente te......., heden
wettig bijeengekomen , ter zake de beroeping van een hul prediker naar
de kerkelijke verordeningen: — gezien den uitslag van de daarvoor
gehouden stemming van het kiescollegie, — gezien den uitslag van
de daarvoor gehouden stemming der stemgerechtigden, — gezien de
voordracht ......
(15.) Heeft goedgevonden aan te stellen, gelijk hij aanstelt b\\j
dezen, voor den tijd van.....(voor onbepaalden tijd) tot hulppre-
diker dezer gemeente den weleerw. heer N.N., predikant buiten vaste
bediening, (den eerw. heer N. N., candidaat tot de heilige dienst bij
het Provinciaal Kerkbestuur van.......(ƒ...)
(C.) De Kerkeraad, deze beroeping ter kennisse van den weleerw.
heer N. N. (den eerw. heer N. N.) brengende, vertrouwt, dat hij,
deze beroeping opvolgende, na de approbatie van het daartoe bevoegde
kerkelijke bestuur verkregen te hebben, ten spoedigste tot deze ge-
meente zal overkomen, om door de getrouwe vervulling van de werk-
zaainlieden, in bijgevoegde instructie omschreven, en door het voor-
beeld van een godzaligen wandel, aan hare opbouwing en volmaking
mede te arbeiden;
(D.) terwijl de Kerkeraad wederkeerig al die achting, liefde en
medewerking belooft, welke den rechtgeaarden evangeliedienaar toe-
komen.
Gedaan in onze vergadering te........
den.......
(E.) De Kerkeraad der (Nederduitsche of WaaLsche) Hervormde
gemeente te........
Ingeval het (Jlassikaal Bestuur, hetzij naar art. 7 van het Regie-
ment op het Hulppredikerschap, hetzij naar art. 1 van het Reglement
voor de Kerkeraden, doen moet wat des kerkeraads is, hebben de
volgende wijzigingen plaats:
-ocr page 238-
202               Reglement op het HüiiiM\'UKniKERsciiAP. Formulier.
op A. Het Olassikaal Bestuur van......., handelende ten aanzien
van den Kerkeraad der Hervormde gemeente te........naar art. 7
van liet Reglement op liet Hulppredikerschap (doende in de Hervormde
gemeente te.......wat des kerkeraads is, naar art. 1 van het Regie-
ment voor de Kerkeraden);
op B. Heeft goedgevonden aan te stellen, gelijk het aanstelt bij
deze, enz.;
op C. Het Ol.assikaal Bestuur, handelende (doende) als boven, brengt
deze benoeming ter kennis van.......en vertrouwt, dat bij, deze
beroeping opvolgende, na de approbatie van het Provinciaal Kerk-
bestuur verkregen te hebben , ten spoedigste tot de voormelde gemeente
zal overkomen om, enz.;
op D. Vertrouwende het Olassikaal Bestuur, dat de wel eerw.
heer.......(eerw. heer........) zoo b\\j den Kerkeraad als bij de
gemeente (bij de gemeente voornoemd, en wanneer men in haar
midden weder tot de samenstelling van een kerkeraad zal kunnen
geraken, ook bij dezen) wederkeerig al die achting, liefde en mede-
werking zal ondervinden, enz.;
op E. Het Olassikaal Bestuur........, handelende naar art. 7 van
het Reglement op het Hulppredikerschap (doende naar art. 1 van liet
Reglement voor de Kerkeraden).
i
-ocr page 239-
REGLEMENT
OP IIK
ERKENNING VAN NIEUWE GEMEENTEN.
Art. 1. Nieuwe gemeenten worden opgericht: <i) door stichting;
/») door splitsing van combinatiën; c) door toekenning van een zelf-
standig bestaan aan een ot\' meer gedeelten eener gemeente, die op
grooten afstand van het kerkgebouw verwijderd zijn; d) door veree-
niging van kerkvrije buurtschappen met een deel van eene gemeente;
e) door samenvoeging van gedeelten van meer dan ééne bestaande
gemeente.
Kerkvrije buurtschappen zijn gehuchten en bevolkingon, zooals hier en danr,
vooral op heidon en in veenen, verre van kerkgemeenten ontstaan on nog bij
geen der naburige kerkgemeenten zijn ingelijfd. 18G5, bl. 114. Verg. het bericht
van de indeeling der kerkvrije buurt Botterwird onder Hiaure en Bornwerd en
van Hantumer Uitburen onder Hantum en Ilantumhuizen, alsmede van kerkvrije
huizen \'onder de gemeenten te Schagen en Valkoog, 1862, Bijl. B, bl. 142, 143.
Aet. 2. De aanvraag om als zelfstandige gemeente erkend te worden
geschiedt door den Kerkeraad, belanghebbende personen of hunne
gecommitteerden.
Art. 3. De aanvraag wordt, met redenen omkleed, aan het Clas-
sikaal Bestuur gericht, wanneer belanghebbenden onder dezelfde
Classis ressorteeren; aan het Provinciaal Kerkbestuur, wanneer zij
behooren onder meer dan ééne Classis; aan de Algemeene Synode,
of, als deze niet vergaderd is, aan de Algemeene Synodale Commissie,
wanneer zij behooren onder meer dan één provinciaal ressort.
Aan het Class. Bestuur, enz. Verg. Alg. Regl., artt. 43, 7°; 51, 7°; 55; 64;
66; 68, 6°.
Art. 4. De kerkelijke besturen, bij art. 3 vermeld, kunnen ook,
zonder dat eene aanvraag bij hen ontvangen werd, elk binnen zijn
ressort, de oprichting van eene nieuwe gemeente in overweging nemen
en, deze nuttig of noodig keurende, trachten te bevorderen.
-ocr page 240-
204           Reglement op dk Erkenning van Nieuwe Gkmeknten.
Art. 5. Hij de aanvraag, in art. 2 bedoeld, worden overgelegd:
a) eene kaart ol plattegrondsteekening, aanwijzende de kadastrale
uitgestrektheid, indeeling en begrenzing van de nieuwe gemeente,
welker oprichting wordt verlangd; h) eene .juiste opgaaf van he,t getal
der lidmaten en leden, die de nieuwe gemeente zullen uitmaken;
e) een voldoend bewijs, dat de gelden, voo rhet predikantstraktement
henoodigd, in den regel althans voor de helft gevonden zijn; rf) een
naauwkeurig bericht aangaande hetgeen bereids geschied is en, zoo
noodig, nog geschieden zal ten einde te voorzien in de behoeften der
nieuwe gemeente aan een kerkgebouw en eene pastorij; e) eene opgaaf
van de middelen, waaruit in de behoeften der openbare eeredienst zal
kunnen voorzien worden.
De gelden voor de helft gevonden. Bij liet stichten van eene gemeente moet
er tijdig gezorgd worden voor het verzamelen van het kapitaal, dat verefscht
wordt om, zoo mogelijk, uit de renten de helft van het predikantstraktement
te verzekeren, waarbij dan het alterum tantum van de Regeering kan gevraagd
worden. Nadat, overeenkomstig de wet van 10 Sept. 1853 (Staatsbl. no. 102),
de vroeger gebruikelijke erkenning van nieuwe gemeenten, van de zijde der
Regeering, onnoodig is geworden, geldt bij de Regeering de regel, dat de
kerkelijke erkenning van nieuwe gemeenten vooraf moet gaan, eer eene aanvraag
om rijksbijdrage tot liet predikantstraktement in overweging genomen kan worden.
De kerkelijke besturen moeten, bij de behandeling der aanvragen om erkenning
van gemeenten en der daarmede verbonden verzoeken om subsidie van regeerings-
wege, bet belang in liet oog houden, dat de daarbij benoodigde predikantstrak-
tementen behoorlijk worden verzekerd en dat ook niet een deel daarvan op
onvasten grondslag, als kerkcollecte of dergelijke, worde gebouwd. Verg. 1866,
Bijl. 15, bl. 15—19, Bijl. A, bl. 79, 80. Handd. bl. 40. Voorts kan ook uit het
Fond* ter voorziening in ile geestelijke behoeften van gemeenten waar eigen nii</-
delen ontbreken,
hulp verleend worden voor zoodanig predikantstraktement, als
noodig geoordeeld wordt om verwijderde gedeelten van gemeenten tot afzonderlijke
gemeenten te verheffen, naar art. 4, A, 1", en art. 5 van het Regl. op dat Fonds.
Art. 6. De kerkelijke besturen nemen op het verzoek om als eene
zelfstandige gemeente erkend te worden geen besluit, dan na alvorens
de betrokken Kerkeraden te hebben gehoord en in gemeen overleg
met de Provinciale Collegiën van toezicht, die de belanghebbende
administratiën hooren.
Na alvorens te hebben gehoord, enz. Verg Alg. Regl. artt. 43, 7" en 51, 7°.
In gemeen overleg, enz. Hoe art. 6 toe te passen voor de splitsing eener
gemeente, die zich vrij beheer van hare goederen heeft voorbehouden? Op eene
des betreffende vraag van het 1\'rov. Kerkbestuur van Friesland heeft de Syn.
Commissie geantwoord: „dat het zoowol in overeenstemming is met den\'geest
van het reglement, als met de besluiten der Synode ton aanzien van de aan-
vragen van subsidie voor zulke gemeenten, dat in de bedoelde gevallen de ker-
keljjke administratiën door tusscbenkomst van bet Class. llestüur gehoord worden."
1875, Bijl. 1!, bl. 164; goedgekeurd door de Synode, Hand. bl. 361.
Art. 7. De grensregeling der nieuwe gemeente, aangewezen op
-ocr page 241-
Akt. 5—13.                                           205
de naar art. 5 a) over te leggen kaart, kan door de kerkelijke besturen,
wanneer zij dit in het belang- der op te richten gemeente noodzakelijk
achten, door grensverandering van naburige kerkelijke gemeenten
gewijzigd worden op den voet als bij art. 43, 7". en art. 51, 7". van
het algemeen reglement is omschreven, en zulks in gemeen overleg
met het Provinciaal Collegie van toezicht.
Art. 8. Wanneer uit het bericht in art. 5 d) bedoeld, blijken
mocht, dat de gelden, voor den bouw van kerk en pastorij vereischt,
nog niet gevonden zijn, wordt aan de nieuwe gemeente de erkenning
toegezegd onder voorwaarde, dat voor het bijeenbrengen dier gelden
alsnog de noodige maatregelen worden genomen, en volgt de erkenning
eerst, wanneer in het ontbrekende zal zijn voorzien.
Akt. 9. Tot de erkenning van eene nieuwe gemeente wordt,
krachtens de aan het slot van art. 7 aangehaalde bepalingen van het
Algemeen Reglement, indien zij geschiedt door een Olassikaal Bestuur,
de goedkeuring van het Provinciaal Kerkbestuur, en, indien zij ge-
schiedt door een Provinciaal Kerkbestuur, de goedkeuring van de
Algemeene Synode vereischt of, als deze niet vergaderd is, van de
Algemeene Synodale Commissie.
Art. 10. Van de erkenning eener nieuwe gemeente geeft het
kerkelijk bestuur, waardoor zij geschied is, zoodra het van de ver-
eischte goedkeuring bericht heeft ontvangen, onverwijld kennis aan
de itegeering, aan het Provinciaal Collegie van toezicht, aan den
quaestor-generaal der Synode en, wanneer zij door het Classikaal
Bestuur volbracht is, ook aan de Synode, alsmede aan het Algemeen
Collegie van toezicht.
Art. 11. Zoodra eene gemeente erkend is, zorgt het Classikaal
Bestuur, dat met den meesten spoed ouderlingen en diakenen worden
benoemd, en doet het de vereischte stappen tot aanstelling van kerk-
voogden, notabelen en plaatsvervangers van notabelen, bij eerbiediging
evenwel van de rechten van derden en met inachtneming der bestaande
algemeene en provinciale verordeningen.
Ouderlingen en diakenen. Verg. Regl. voor de Kerkeradon, art. 7.
. Art. 12. Het Classikaal Bestuur dient het Provinciaal Kerkbestuur
van advies, in welken ring de nieuwe gemeente behoort te worden
opgenomen, en geeft, na verkregen bericht van het desbetreffende
besluit van het Provinciaal Kerkbestuur, onverwijld kennis aan den
aangewezen ring, opdat deze met vereischten spoed, onder goedkeuring
van het Classikaal Bestuur, eenen consulent en daaraan toe te voegen
secundus benoeme.
Art. 13. Met de nieuwe gemeente wordt overeenkomstig art. 23
-ocr page 242-
206          Reglement op de Erkenning van Nieuwe Gemeenten.
van het Reglement op de Vacaturen gehandeld, zoodra er gelden
aanwezig zijn om in de reis- en verblijfkosten der leden van den ring
te voorzien.
Zoodra er gelden aanwezig zijn. Op con verzoek van de Syn. Comm., d.d. 11
Nov. 1862, dat bij Kon. lieal. mocht bepaald worden, „dat in liet algemeen bij
de vestiging van nieuwe gemeenten het traktement aan de standplaats verbonden
terstond worde uitbetaald, opdat de ringpredikanten, die de predikdienst in de
nieuwe gemeenten moeten waarnemen, daarvoor behoorlijk schadeloos gesteld
worden en hierdoor ook bevorderd, dat bij de stichting dier nieuwe gemeenten
onverhinderd in hare onmiskenbaar gebleken behoeften voorzien worde", heeft de
toenmalige Minister, belast met de Afdeeling Hervormde Eeredienst geantwoord:
„dat wel niet bet toegekende landstraktoment als zoodanig daartoe kan worden
aangewezen" (bedoeld wordt, dat de uitbetaling daarvan eerst aanvangt van den
dag der bevestiging van den te beroepen predikant), „maar dat op aanvragen
om voorziening te dier zake, in den regel eene toelage voor de waarnoming van
de predikdienst is beschikbaar gestold, gelijkstaande aan het landstraktement en
dat rooi\' het tegenwoordige geen reden bestaat om van dezen regel af te wijken.
1863, Bijl. B, bl. 96, 97.
Dit reglement is vastgesteld den 20 Juli 186.r>, maar nadat nog, ten
gevolge van opmerkingen der Ifegeering, langs wettigen weg eenige
wijzigingen waren aangebracht in artt. 5, (5, 7 en 10, in zijn geheel
eerst in werking gekomen den 1 Maart 1869.
-ocr page 243-
REGLEMENT OP HET liODSIlIEIfSTONDERWHS.
HOOFDSTUK T.
Over het godsdienstonderwijs in het,
algemeen.
Art. 1. Het godsdienstonderwijs omvat het onderricht in het bijbel-
lezen, in de bijbelsche en kerkelijke geschiedenis en in de christelijke
geloofs- en zedeleer.
Abt. 2. Het wordt aan kinderen gegeven, zoodra zij tot jaren van
onderscheid gekomen zijn, gaat trapsgewijze voort, en is altijd naar
de vatbaarheid der onderscheidene leerlingen ingericht.
Art. 3. Ook bij het onderwijs van mingevordorden wordt een
beknopt overzicht van den oorsprong, de uitbreiding en hervorming
der Christelijke Kerk gegeven.
Art. 4. Tot bewaring en vermeerdering van de verkregen kennis
en tot bevordering van de zegenrijke vruchten van het godsdienst-
onderwijs worden Zondagscholen, catechisatiën voor lidmaten en bijbel-
lezingen gehouden.
HOOFDSTUK II.
Over de godsdienstonderwijzers en hunne
vereischten.
Art. 5. Het godsdienstonderwijs is steeds een van de voornaamste
plichten van de herders en leeraren.
Waar het noodig is wordt dit onderwn\'s ook gegeven door daartoe
aangestelde godsdienstonderwijzers, onder welke benaming hier en in
de volgende artikelen mede onderwijzeressen begrepen worden. Ook
-ocr page 244-
208                       Reglement op het Godsdienstonderwijs.
candidaten tot de heilige dienst en geordende leeraren buiten vaste
bediening zijn bevoegd tot het geven van godsdienstonderwijs.
Artt. 5 en 6 verbieden niet dat particuliore lidmaten godsdienstonderwijs geven.
Zie de uitspraken der S. C, 1870 Bijl. 13, bl. 2C8 verv. en 1877 Bijl. B, bl.
235, vervv. Uit beginsel der vrijheid is eveneens door de Synode gehandhaafd,
toen zij in 1882 een voorstel van het Class. Bestuur van Franeker tot wijziging
van artt. 5, 7, 8 en 33 van het Regl. op het godsdienstonderwijs van de hand
wees. Handd. bl. 312—315.
Art. 6. Het recht, om godsdienstonderwijzers in eene gemeente
aan te stellen en te ontslaan, berust, overeenkomstig de bepalingen
in artt. 14 en 15 van het Synodaal reglement voor de Kerkeraden,
bij den Kerkeraad der gemeente. Bij ongevraagd ol niet eervol ontslag
is er beroep op het Classikaal Bestuur.
Bij den Kerkeraad. D. i., naar de aangehaalde artt., waar een bijzondere
Kerkeraad bestaat, bij dezen. Verg. verder het Alg. Regl. op het beheer der
kerkelijke goederen en fondsen van do Herv. Gemeenten in Nederland en het
toezicht daarop (1 Oct. 1870), art. 18, ook bepaling behelzende omtrent de
vaststelling van jaarwedden, enz.
Art. 7. De Kerkeraad maakt voor het godsdienstonderwijs in de
gemeente bepaalde verordeningen, hetzij in zijn huishoudelijk, hetzij
in een afzonderlijk reglement. Ook stelt de Kerkeraad de instructie
voor de godsdienstonderwijzers vast.
Art. 8. (Vervallen en buiten werking gesteld 15 Januari 1886.)
Art. 9. Van deze onderwijzers worden, waar dit noodig is, de
meest geschikte tot krankbezoekers verkozen.
Art. 10. in gemeenten, waar openbare catechisatiën gehouden
worden, zijn de aangestelde godsdienstonderwijzers verplicht, daartoe
gevraagd zijnde van de leeraren en onder de leiding van dezen, daarbij
hunne gaven tot stichting der gemeente te besteden.
Art. 11. Bovengemelde personen hebbende bevoegdheid, om bh\'bel-
lezingen en zoogenoemde oefeningen te houden, doch niet dan met
uitdrukkelijke toestemming van den leeraar of de leeraren der gemeente.
Hebben de bevoegdheid. De beperking in het vroeger vigeerende regl. voor-
komonde, dat door godsdienstonderwijzers oefeningen mogen gehouden worden
„niet dan alleen in de gemeente, tot welke zij behooren", is hier weggelaten
en kon ook veilig weggelaten worden onder behoud van de „uitdrukkelijke toe-
stemming", enz. Zie 1860, bl. 150, 151. 1864, bl. 32, Bijl. B, bl. 35, 36.
Toestemming van den leeraar. Deze toestemming zal in gemeenten met één
predikant, in geval van vacature, moeten gegeven worden door den consulent.
Verg. artt. 9 en 15 van het Regl. op de Vacaturen.
Art. 12. Het getal der godsdienstonderwijzers is in iedere gemeente
naar hare behoette bepaald. De keuze geschiedt door den Kerkeraad,
-ocr page 245-
Art. 5—14.
200
in gemeenten van één predikant, op voordracht van dezen; in andere
gemeenten op voordracht van hen, aan wie het toezicht over het
godsdienstonderwijs is opgedragen.
Het getal, enz. Eene in 1869 door de Synode voorloopig aangenomen wjjziging
van dit art., luidende: „De bepaling van het getal godsdienstonderwijzers en
hunne benoeming geschiedt door den Kerkeraad; in gemeenten van drie of meer
predikanten op voordracht der Commissie van Toezicht op het Godsdienston-
derwijs", is in 1870 verworpen. Zie: 1869, bl. 7, 8, 12ü—124, 157, 158, 166,
167, 180; 1870, bl. 85—87, 151, 152.
Art. 13. De bevoegdheid tot de betrekking van godsdienstonder-
wyzer wordt verkregen door het ondergaan van een examen.
Om tot het examen te worden toegelaten wordt gevorderd: \')
1°. dat men sedert 2 jaren lidmaat zij der Hervormde Kerk en zich
voorbeeldig hebbe gedragen;
2°. dat men zich tot het geven van godsdienstonderwijs gedurende
tan minste 2 jaren geoefend en voorbereid hebbe in alles, wat tot het
examen behoort, onder opzicht van één of meer leeraren der Her-
vormde Kerk;
3°. dat men op den dag der aangifte den leeftijd van 23 jaren
bereikt hebbe. \')
Bij de aangifte tot het examen moeten ten deze de noodige schrif-
telijke bescheiden worden overgelegd.
1)     Om tot het examen, enz. Een voorstel van leden der Class. Verg. van
Eindhoven, „om op te nemen de bepaling dat men, om tot het examen te worden
toegelaten, moet overleggen eeno acle als hulponderwijzer of onderwijzer voor
het gewoon lager onderwijs, en dan uit art. 15 te laten wegvallen de beide
laatstgenoemde vakken (Ned. taal en onderwijskunde)" is door de Synodeonaan-
nemelijk geacht als te veel eischende en gevaarlijk in de gevolgen. 1879, bl.
61, 62^90.
2)     Ven leeftijd van 23 jaren bereikt hebbe. Deze woorden zijn, volgens defi-
nitief besluit der Synode in 1877, gekomen in plaats van: „niet ouder zij dan
\'Sb jaren",
terwijl te gelijker tijd de laatste al. van dit art., luidende: „ Van de
bepaliny, den leeftijd betreffende, kan door de Synode of Syn. Comm. dispensatie
11 orden verleend, op verzoek van het Class. Best., met overleyyiny van gunstig
advies van den Kerkeraad",
is weggenomen, en zulks op grond voornamelijk:
dat de vermenigvuldiging van verzoeken om dispensatie de bestaande bepaling
onhoudbaar maakte; dat deze bepaling ook onnoodig is, daar toch het examen
dient om de geschiktheid voor de betrekking van godsdienstonderwijzer te beoor-
deelen; en dat, met het oog op hetgeen art. 50 van het Regl. op de Vacaturen
omtrent de beroepbaarheid van de predikantsbetrekking bepaald is, de wijziging
aannemelijker is. Zie Handd. 1876, bl. 18, 27, 201-203, 405, 406 en voorts
die van 1877.
Art. 14. Het examen wordt, na behoorlijke aangifte in eene voor-
gaande vergadering, kosteloos afgenomen door het Classikaal Bestuur,
waaronder de gemeente, tot welke de bedoelde personen behooi-en,
ressorteert; of, voor zooveel de Waalsche gemeenten betreft, door
Kerkelijk Welhoek, ie clnik.                                                                            14
-ocr page 246-
Reglement op het Godsdienstonderwijs.
210
de Commissie, aan welke de zaken der Waalsche kerken z\\jn op-
gedragen.
De Waalsche Commissie gedraagt zich ook naar de bepalingen van
dit reglement, behoudens de uitzonderingen, welke de byzondere
inrichting der Waalsche kerken vereischt.
Art. 15. Het examen gaat over de volgende vakken:
bijbelsche en kerkelyke geschiedenis;
algemeene inhoud en geschiedenis der bijbelboeken;
bijbellezen (verstandig);
Christel yke geloofs- en zedeleer;
gronden van de Nederlandsche taal;
onderwijskunde. \')
1) In 1888 zijn door de Synode voorloopig de vakken van art. 15 aldus
gewijzigd: „a. de gronden der Nederlandsche taal; b. de onderwijskunde (Voor
dit gedeelte van het examen is ten minste een half uur bestemd. Indien de exa-
minandus naar het oordeel van de meerderheid der vergadering bij dit gedeelte
van het examen geen voldoende blijken van kennis gegeven heeft, wordt hij,
zonder voortzetting van het examen, afgewezen); c. de Bijbelsche en Kerkelijke
geschiedenis; d. het lezen en verklaren van den Bijbel, meer bepaald het ver-
klaren van de historische boeken des Nieuwen Testaments; e. de algemeene inhoud
en geschiedenis der bijbelboeken; f. de Christelijke geloofs- en zedeleer." Hand.
1888, bl. 329—335.
Art. 16. Nog worden by het examen voldoende proeven gevorderd
van geschiktheid tot het geven van ondcrwys, zoowel aan kinderen
als aan meer bejaarden, in tegenwoordigheid van één of meer leeraren
af te leggen.
Art. 17. Het examen duurt ten minste twee uren.
Onder deze uren wordt niet berekend de tijd, voor proeven van
geschiktheid tot het geven van onderwijs gevorderd.
Art. 18. Wanneer iemand by zyn examen is afgewezen, wordt
hij door het Classikaal Bestuur niet weder tot een examen toegelaten,
dan na zich ten minste nog één jaar, volgens art. 13, 2U, geoefend
te hebben.
Ook bij verandering van woonplaats is alleen het Classikaal Bestuur,
dat hem heeft afgewezen, tot het afnemen van een hernieuwd examen
bevoegd.
Die driemalen is afgewezen wordt niet weder tot een examen toe-
gelaten.
Art. 19. Geene acte tot het geven van godsdienstonderwijs wordt
verkregen, dan nadat zich ten minste twee derden \') der stemmen
van het Classikaal Bestuur (der Waalsche Commissie), voor de toe-
-ocr page 247-
Art. 15 van het Reglement op het Godsdienstonderwijs worde
aldus gelezen :
„Het examen gaat over de volgende vakken :
a.   gronden van de Nederlandsche taal; meer bijzonder mon-
delinge en schriftelijke proeven van bekwaamheid om zich
in goed Nederlandsch uit te drukken ;
en van onderwijskunde :
b.   algemeene inhoud en geschiedenis der Bijbelboeken ;
c.   het behoorlijk lezen en verklaren van den Bijbel; inzon-
derheid van de historische boeken des Nieuwen Testaments ;
cl. bijbelsche en kerkelijke geschiedenis ;
e. Christelijke geloofs- en zedeleer."
Art. 17 van het Reglement op het Godsdienstonderwijs worde
aldus gelezen :
„Art. 17. Het examen duurt ten minste drie uren. Onder
deze uren wordt niet gerekend de tijd voor proeven van ge-
schiktheid tot het geven van onderwijs gevorderd."
Aldus vastgesteld door de Algemeene Synode der Nederlandsche
Hervormde Kerk, den 21sten Augustus 1889, en, na kennis-
geving aan Z. M. den Koning, volgens Art. 1 der Wet van
10 September 1853 (Staatsblad n°. 102), uitgevaardigd door de
Algemeene Synodale Commissie, om in werking te treden den
15den Januari 1890.
-ocr page 248-
Abt. 14-21.                                          211
kenning verklaard hebben, en de geëxamineerde hierop deze *) belofte
heeft onderteekend:
,Wü ondergeteekenden, bij het Classikaal Bestuur van.......(de
Waalsche Commissie), geëxamineerd en toegelaten tot het geven van
godsdienstonderwijs, beloven, dat wy daarin, overeenkomstig onze
roeping, met ijver en trouw zullen werkzaam zijn, en de belangen
van het Godsrijk, en, in overeenstemming hiermede, die der Neder-
landsche Hervormde Kerk, met opvolging harer verordeningen naar
vermogen zullen behartigen :\')."
1)   .Twee derden. Een voorstel van het Class. Best. van Utrecht om voor de
beslissing omtrent de toelating (ook tot de evangeliebediening) slechts de vol-
strekte meerderheid te vorderen, is niet aangenomen. 1867, bl. 98, 119.
2)    „Verklaring en" vervallen.
3)    Beloven datbehartigen. Deze gewijzigde belofte is in werking getreden
den 15 Januari 1883.
                                   *
Akt. 20. Na het onderteekenen van deze verklaring en1) belofte,
stelt het Bestuur (de Commissie) aan den geëxamineerde de volgende
acte van toelating ter hand:
„Het Classikaal Bestuur van........ (de Waalsche Commissie),
geëxamineerd hebbende N. N. .geboortig van ......... oud.....
jaren, wonende te......... verklaart hem (haar) bevoegd, om te
staan naar den post van godsdienstonderwijzer (godsdienstonderwij-
zeres) en gerechtigd om, na verkiezing door den Kerkeraad eener
gemeente, in die gemeente godsdienstonderwijs te geven, overeen-
komstig de bepalingen van het Reglement op het Godsdienstonderwijs
in de Nederlandsche Hervormde Kerk."
1) Hier moeten uitvallen de woorden verklaring en.
Na verkiezing, enz. Een voorstel om het beperkende in deze bepaling op te
heffen, zoodat althans aan den godsdienstonderwijzer, die niet door de gemeente,
waardoor hij is aangesteld, bezoldigd wordt, de bevoegdheid zou worden toege-
kend om in eene andere gemeente godsdienstonderwijs te geven, is onaannemelijk
geoordeeld, omdat daarmede aan den godsdienstonderwijzer eene bevoegdheid zou
worden gegeven, die niet aan gevestigde predd. bij de regll. is toegestaan en
daardoor ook de strekking van het geheele regl. zou worden uit het oog verloren,
als ingericht om de opleiding te regelen voor het bekleeden van den post van
godsdienstonderwijzer in eene of andere gemeente. 1864, bl. 32, 33, Bijl. B,
bl. 35, 36.
Art. 21. Op het vertoonen van deze acte van toelating is de
geëxamineerde verkiesbaar in het Classikale ressort, waartoe hij behoort.
Om in eenig ander Classikaal ressort verkiesbaar te zijn, wordt
zyne acte van toelating door het bestuur van dat ressort geldig
gekeurd op vertoon van voldoend bewijs omtrent zijnen Christelu\'ken
wandel gedurende de laatste twee jaren. Bij toepassing van art. 49
van het Reglement voor Kerkelijk Opzicht en Tucht wordt deze acte
ingetrokken.
u*
-ocr page 249-
212                     Reglement op het Godsdienstonderwijs.
Allen, die onder het bestaan van het reglement van 1816 tot het
geven van godsdienstonderwijs zijn toegelaten, behouden de rechten
hun in art. 25 van hetzelve gewaarborgd.
Op vertoontwee jaren. Deze woorden zijn eene toevoeging, in werking ge-
komen den 1 Februari 1865, naar aanleiding van een voorstel van den heer
BRUNA, en noodig gekeurd omdat het anders zou kunnen schijnen, öf dat de
acte van toelating in elk geval moest worden goedgekeurd, öf dat de bekwaam-
heden
van den eenmaal geëxamineerde nog weder zouden kunnen en moeten
onderzocht worden. Het geldig keuren der acte is noodig en heilzaam, maar
bepaaldelijk en alleen met het oog op des onderwijzers Christelijken wandel. De
bepaling van twee jaren is in overeenstemming met art. 13,1°. Zie: 1863, bl 11,
296, 297, 298; 1864. bl. 104, 108, 131.
Ingetrokken. Eene in 1868 voorloopig aangenomene aanvulling van dit art.,
houdende bepaling, „dat de intrekking wordt geacht geschied te zijn, als de
geëxamineerde bij vertrek naar elders niet binnen drie maanden de acte van
bevoegdheid heeft doen viseeren door het Class. Best., in welks ressort hij zich
metterwoon heeft gevestigd, behalve om voldoende redenen ter beoordeeling van
dat Class. Best., en dat van het vervallen der acte kennisgeving geschiedt in het
kerkelijk orgaan", is ten volgenden jare onaannemelijk geacht. 1868, bl. 181,
Bijl. B, bl. 72—76; 1869, bl. 79—82, 104.
Hun in art. 25 van hetzelve gewaarborgd. Dat art. luidde: „Deze acte van
admissie zal door elk ander Classikaal Bestuur, waaraan dezelve vertoond wordt,
geldig gekeurd worden, om verkiesbaar te zijn onder deszelfs ressort. Allen, die
dusverre door de Kerkeraden tot het geven van godsdienstonderwijs zijn toege-
laten, zullen worden opgeroepen, om te ontvangen, zonder examen, eene acte
tot voortzetting van het godsdienstonderwijs, onder verbindtenis en onderteekening
als in art. 22 is bepaald; bij verplaatsing nochthans zullen zij verplicht zijn,
zich aan het examen te onderwerpen van het Classikaal Bestuur, waaronder
hunne nieuwe woonplaats behoort."
Art. 22. B\\j de vervulling der posten van voorlezers, voorzangers,
kosters en andere personen, die onder dergelijke namen in het genot
treden van inkomsten uit kerkelijke goederen der Hervormden voort-
spruitende, zoeken de Kerkeraden het daarhenen te richten, dat, bij
gelijke bekwaamheid tot de bedieningen, waarvoor zij in aanmerking
komen, zij in den regel verkozen worden, die een bewijs overleggen
van bü een Classikaal Bestuur als godsdienstonderwijzer tezyngeëxa-
mineerd en toegelaten. Vóór hunne aanstelling in de kerkelijke
bediening verbinden deze zich alsdan schriftelijk, om godsdienston-
derwijs te geven aan Hervormde schoolkinderen, indien en zoolang
de predikant of commissie (art. 19) dit oorbaar acht en op zoodanige
wijze en met zoodanige bezoldiging, als de predikant of de commissie,
in overleg met hen bepaalt, zonder daardoor de bevoegdheid te hebben
om godsdienstonderwijs aan anderen te geven, tenzij ze door den
Kerkeraad daartoe zyn of worden toegelaten.
-ocr page 250-
f
Art. 21-28.                                          213
HOOFDSTUK III.
Over het godsdienstonderwys, inzonderheid
in scholen, godshuizen, openbare ge-
stichten en voor armen.
Akt. 23. Alle predikanten zyn gehouden het gansche jaar door
wekelijks even getrouw catechetisch onderwijs te geven, als zy wekelyks
Gods heilig woord verkondigen.
Art. 24. De Kerkeraden zorgen zooveel mogelyk, dat aan de
Hervormde schooljeugd ééns of meermalen in de week godsdienston-
derwh\'s gegeven worde.
Art. 25. In alle diaconiescholen, en voorts ook in alle godshuizen,
verbeterhuizen en gevangenissen, waar zulken gevonden worden die
tot de Hervormde Kerk behooren, als ook aan de Hervormde krijgs-
lieden wordt godsdienstonderwijs gegeven.
Zooveel mogelijk wordt desgelijks voor de openbare en bijzondere
lagere, alsmede voor de middelbare en hoogere scholen de gelegenheid
tot het ontvangen van godsdienstonderwys geopend.
Dit onderwijs wordt gegeven, hetzij door de leeraren, daartoe door
de Commissie van Toezicht uitgenoodigd, hetzij door anderen, daartoe
volgens dit reglement bevoegd.
De leeraren. Hierachter weggenomen: „of hoogleeraren". 15 Jan. 1879.
Art. 26. Die met dit onderwijs zijn belast, gedragen zich by het
geven daarvan naar de rechten, hun toegekend en naar de plichten,
hun opgelegd door de staatsverordeningen.
In het by zonder hebben zy, dien het aangaat, de bepalingen in
acht te nemen van de instructie wegens de godsdienstoefening in de
groote strafgevangenissen en in de burgerlijke en militaire huizen
van verzekering, vastgesteld by Koninklijk besluit van 11 October
1826, litt. C.
De uitreiking van deze instructie aan de betrokken personen by
hunne aanstelling wordt daarom aan de Commissie aanbevolen.
Koninklijk besluit, enz. Zie Bijlage I bij dit reglement.
Art. 27. Wanneer dit godsdienstonderwijs niet anders dan op tijden
van gewone godsdienstoefeningen kan gegeven worden, is het alleen
toegankelijk voor hen, die tot de bedoelde scholen en gestichten in
betrekking staan of op het godsdienstonderwijs toezicht hebben.
Art. 28. Wat de genoemde gestichten aangaat, wordt het onderwijs
in de gebouwen zelve gegeven. Alle Protestanten, daarin verpleegd,
worden daarbij toegelaten; maar geene personen van andere gezindten
-ocr page 251-
1
214                     Reglement op het Godsdienstonderwijs.
hebben toegang tot dit onderwas, tenzij zulks uitdrukkelijk door hen
verlangd wordt en zy hiertoe eene bijzondere vergunning van de
bestuurders of regenten verkregen hebben.
Art. 29. Aan behoeftige personen wordt het godsdienstonderwn\'s
om niet gegeven.
Abt. 30. Overeenkomstig de bepalingen door de Regeering gemaakt
of nog te maken ten aanzien van het godsdienstonderwijs, zoo in de
koloniën van den staat als op \'s lands schepen, wordt dit reglement,
naar gelang der omstandigheden toegepast op de vorming en het
examen van de daarvoor bestemde onderwijzers, geluk ook wat het
toezicht over hen betreft.
\'s Lands schepen. Zie Bijlage II bij dit reglement.
HOOFDSTUK IV.
Over het toezicht op het Godsdienstonderwijs.
Art. 31. De Classikale Besturen zien toe, dat niet alleen in vacature,
maar ook bij langdurige ongesteldheid des predikants of andere on-
voorziene omstandigheden, in de bestaande behoefte aan godsdienst-
onderwijs met gelijke zorgvuldigheid worde voorzien als ten aanzien
van de openbare evangelieprediking plaats vindt.
Art. 32. Den godsdienstleeraren is aanbevolen hun, die zich tot
het geven van Godsdienstonderwijs wenschen bekwaam te maken, de
vereischte hulp en opleiding daartoe te geven. In groote gemeenten
wordt dit werk aan één of meer leeraren opgedragen, die daartoe door
den Kerkeraad worden uitgenoodigd.
Art. 33. Het toezicht over het Godsdienstonderwn\'s, gegeven door
ondergeschikte personen, is opgedragen aan den Kerkeraad der ge-
meente (art. 6).
In iedere gemeente van drie of meer predikanten bestaat eene
commissie, die dit toezicht namens den Kerkeraad uitoefent.
Art. 34. De Kerkeraad benoemt deze commissie jaarlnks uit zn\'n
midden; zy bestaat uit een gel\\jk getal van predikanten en ouderlingen.
Art. 35. De keus der leerboeken en leervakken, voor onderge-
schikte godsdienstonderwijzers, wordt opgedragen aan hen, die in
hunne gemeenten het toezicht hebben over het godsdienstonderwijs.
Art. 36. De Oommissie van Toezicht beijvert zich om eene be-
hoorln\'ke bezoldiging te verkrijgen voor hen, die belast zijn met het
onderwys bij artt. 25 en 29 bepaald.
-ocr page 252-
Abt. 28-38.                                          215
Waar geene voldoende fondsen hiervoor bestaan, tracht zy zelve
de zoodanigen bijeen te brengen, en beheert deze onder verantwoor-
ding aan den Kerkeraad.
Zij biedt de behulpzame hand aan verdienstelijke krankbezoekers
en Godsdienstonderwijzers, die door ouderdom of ziekte tot waar-
neming van hun. werk onbekwaam geworden zijn, ter verkrijging van
een billijk pensioen.
Art. 37. Zij bezoekt de inrichtingen van Godsdienstonderwijs, die
aan hare zorg bepaaldelijk zijn aanbevolen, ten minste tweemalen des
jaars opzettelijk, terwijl elk van hare leden tot deze inrichtingen altijd
den toegang heeft, na overleg, waar dit vereischt wordt, met regenten
of bestuurders.
HOOFDSTUK V.
Over het aannemen en bevestigen van
lidmaten.
Art. 38. De aanneming van lidmaten geschiedt van wege den
Kerkeraad.
Zij, die als lidmaten der Kerk wenschen te worden aangenomen,
melden zich daartoe aan bij den predikant hnnner gemeente; in
gemeenten van twee of meer predikanten, bij den predikant, die hen
heeft onderwezen, of, zoo zij niet tot de leerlingen van een der pre-
dikanten behooren, by den predikant hunner keuze.
De Kerkeraad, na zich te hebben verzekerd, dat er tegen het zedelijk
gedrag der aannemelingen geene bezwaren zijn, vaardigt tot de aan-
neming af den predikant, by wien de aangifte heeft plaats gehad,
en één of meer ouderlingen.
Door den predikant wordt, niet inachtneming van de vatbaarheid
eu de ontwikkeling der aannemelingen, een onderzoek ingesteld naar
hunne kennis van de Christelijke geloofs- en zedeleer en van de bijbelsche
en kerkelijke geschiedenis, met name ook van die der Hervorming. Het
onderzoek wordt zóó ingericht, dat de aannemelingen gelegenheid er-
langen, niet alleen om van hunne verkregen kennis te doen blijken,
maar ook om belijdenis af te leggen van hun Christelijk geloof.
Wordt de maat der verkregen kennis door de meerderheid van de
afgevaardigden des Kerkeraads onvoldoende bevonden, dan heeft de
aanneming geen voortgang. Bezwaren tegen de geloofsovertuiging der
aannemelingen leveren geen grond tot afwijzing op, wanneer zij zich
bereid verklaren, toestemmend te antwoorden op de vragen, die hun
naar art. 39 zullen worden gedaan.
De aanneming geschiedt namens den Kerkeraad door den predikant.
-ocr page 253-
216                     Reglement op het Godsdienstonderwijs.
Elk predikant heeft het recht, zgne eigen aannemelingen te bevestigen.
Het zedelijk gedrag der aannemelingen. Naar aanleiding van een verzoek van
de Classikale Verg. van Dordrecht over do wijze van aanneming van militairen
in garnizoensplaatsen, heeft, op voorstel van den heer M. a. perk , de Synode
in 1885 besloten, over do/.o zaak een herhaald schrijven tot de daarbij betrokken
Kerkeraden te richten. Handd. bl. 364, 389—392. Zie hierachter Bijlage IV. —
Op nieuw besloot de Synode in 1888 eeno circulaire over dit onderwerp aan de
Kerkeraden te schrijven. Hand. 1888, bl. 293.
De aanneming, enz. Een voorstel van den heer mounieh, in 1824, om voor
te schrijven, dat men zich van iemands doop zal verzekeren bij het afnemen van
belijdenis, is door de Synode afgewezen in het vertrouwen, dat elk nadenkend
leeraar van zelf hierop behoorlijk acht geeft. Handd. van dat jaar, bl. 14, 15,
55 — 57. Dergelijke voorstellen, later door den ring Eist, door de Class. Verg.
van (iouda, door den Waalschen Kerkeraad te Amsterdam en door de Class.
Vergg. van Amersfoort en Wijk bij Duurstede ingediend om het overleggen van
een doopbewijs bij de aanneming tot lidmaten verplichtend te stellen , zijn, wegens
vele daaraan verbonden bezwaren, eveneens niet aangenomen. Zie 1837, bl. 98,
99, 131, 134; 1865, bl. 197—200, 202 — 205, 225, 226. 1874, bl. 367 — 371,
376. Verg. aant. bij art. 2 van het Alg. Reglement.
Van weye den Kerkeraad. Verg. Regl. voor de Kerkeraden, art. 14, 5°.
Zij, die ah lidmaten der kerk wenschen, enz. Sedert 1869 heeft de Synode
jaar op jaar zich bezig gehouden met pogingen, om door eene veranderde regeling
van de aanneming en bevestiging van nieuwe lidmaten aan vele tegen de bestaande
bepalingen ingebrachte bezwaren te gemoet te komen, doch zonder tot eene allen
bevredigende oplossing der z.g. belijdenisquaestie te kunnen geraken. De gedrukte
Handelingen der Synode geven mededeeling van de vele uitvoerige beraadslagingen
over de veranderingen van redactie der artt. 38 on 39. In 1877 heeft de Synode
op nieuw eene wijziging dezer artt. voorloopig aangenomen, waarvan eene geheel
nieuwe redactie van art 38 (in werking gekomen 15 Jan. 1879 en, wat betreft de
laatste al., d. 1 Jan. 1880) het gevolg is geweest. Het oude art. 38 luidde als volgt:
„ Het aannemen van lidmaten geschiedt van wege den Kerkeraad. Niemand,
in eene andere gemeente woonachtig, wordt tot lidmaat aangenomen en bevestigd
zonder dat hij overgelegd heeft een behoorlijk attest van zedelijk gedrag, afge-
geven door of van wege den Kerkeraad zijner gemeente. Van deze aanneming en
bevestiging wordt binnen acht dagen na de volbrachte handeling door of van wege
den Kerkeraad der gemeente, waar zij geschied is, schriftelijk kennis gegeven aan
den Kerkeraad der gemeente in de woonplaats, opdat de aangenomen en bevestigde
lidmaat als zoodanig in hot lidmatenboek dezer gemeente worde ingeschreven.
A.an de aanneming tot lidmaat gaat vooraf een onderzoek naar de verkregen
kennis van de Christelijke geloofs- en zedeleer, de bijbelsche en kerkelijke geschie-
denis, met name ook die der hervorming, vervolgens zoo deze kennis voldoende
bevonden wordt, eene belijdenis des geloofs door de aannemelingen af te leggen.
Een en ander geschiedt door een leeraar bijgestaan door cén of meer ouderlingen."
Art. 30. De bevestiging van lidmaten heeft plaats in eene daarvoor
bepaalde godsdienstoefening, bij welke hun de volgende vragen, althans
wat betreft den geest en de hoofdzaak van de daarin vervatte belijdenis,
verklaring en belofte, ter beantwoording worden voorgesteld:
„In tegenwoordigheid van God en van Zijne gemeente vraag ik u:
-ocr page 254-
Art. 38-10.                                          217
Vooreerst: Beln\'dt gü te gelooven in God den Vader, den Almach-
tige, Schepper des hemels en der aarde, en in Jezus Christus, Zynen
eeniggeboren Zoon, onzen Heer, en in den Heiligen Geest?
Vervolgens: Zht gh\' des zins en willens, bh\' deze belh\'denis door Gods
genade te volharden, de zonde te verzaken, te streven naar heiligma-
king, en uwen Heiland in voorspoed en tegenspoed, in leven en in
sterven getrouw te volgen, gelijk aan Zijne ware belijders betaamt?
Eindelijk: Belooft gij, tot den bloei van het Godsrijk in het alge-
meen en van de Nederlandsche Hervormde Kerk in het bijzonder,
met opvolging van hare verordeningen, naar uw vermogen volijverig
mede te werken?"
Na de toestemmende beantwoording van deze vragen, worden zü
plechtig en met gepaste toespraak tot lidmaten verklaard.
Vragen. Later is op herhaalden aandrang wijziging dezer vragen voorgesteld
en beproefd. In 1877 nam de Synode de volgende redactie voorloopig aan.
„In tegenwoordigheid van God en zijne gemeente vraag ik u:
„Verklaart gij, in oprechtheid des harten u te vereenigen met allen, die God
aanbidden als hunnen hemelschen Vader, die Jezus Christus vereeren als den
Zoon Gods, hunnen Leidsman tot den Vader, en zich door den Heiligen Geest
willen laten besturen ?
„Hebt gij het ernstige voornemen de zonde te verzaken en matig, rechtvaardig
en godzalig te leren, gelijk het ware Christenen betaamt?
„Belooft gij tot den bloei van het Godsrijk in het algemeen en van de Neder-
landsche Hervormde Kerk in het bijzonder, met opvolging van hare verorde-
ningen, naar uw vermogen mede te werken?
(Verg. Rapport ter zake der beljjdenisvragen en daarop betrekkelijke beraad-
slagingen en besluiten ter vergadering van de Algeméene Synode der Ned. Herv.
Kerk in 1877, \'s Gravenhage 1877 overgodrukt uit de Handelingen der Synodo
van 1878.) De Synode heeft echter, ten gevolge van de ingekomen ongunstige
consideratiën deze vragen niet kunnen vaststellen en besloten de oude vragen
onveranderd te laten. Ten einde evenwel aan de steeds voortdurende bezwaren,
zoo mogelijk te gemoet te komen heeft zij, behalve de toevoeging van de laatste
al. van art. 38 „Elk predikant heeft het recht" enz. de volgende wijziging van
art. 39 voorloopig aangenomen.
„De bevestiging van lidmaten heeft plaats in eene daarvoor bepaalde godsdienst-
oefening, bij welke hun de volgende of soortgelijke met het Christelijk Hervormd
karakter der Kerk overeenkomende
vragen ter beantwoording worden voorgesteld."
(1878 Zitting van 17 Aug.) Vergelijk Hand. bl. 195—220, 331—343. — Ten
slotte is het art. zooals het nu luidt aangenomen en, na door de eindstemming
bij de Provinciale Kerkbesturen goedgekeurd te zijn, in werking gekomen
1 Januari 1880 (Hand. 1879, bl. 255—260, 275—277, 325—338.
Tot lidmaten verklaard. In 1824 (zie Handd., bl. 65—77) heeft de Synodo
eene aanschrijving gericht tot de leeraren om bij het aannemen of bevestigen van
lidmaten te waarschuwen tegen de gevaren van den godsdienstijver der Room-
schen en bijzonder tegen gemengde huwelijken. Wij hebben dit stuk, dat ook in
onze dagen nog verdient behartigd te worden, hierachter gevoegd als Bijlage III.
Akt. 40. Elders woonachtigen worden tot de aanneming en beves-
-ocr page 255-
218                     Reglement op het Godsdienstonderwijs.
tiging als lidmaten niet toegelaten dan na te hebben overgelegd een
getuigschrift van goed zedelijk gedrag, afgegeven door of van wege
den Kerkeraad der gemeente hunner woonplaats. Binnen vier weken
na de indiening van het daartoe strekkend verzoek, wordt daarop
beschikt, ingeval van weigering, met schriftelijke opgaven van redenen,
hun gedrag betreffende. Dit verzoek geschiedt, namens de belangheb-
benden, door den Kerkeraad van de gemeente, waariii zij wenschen
aangenomen en bevestigd te worden*Ontvangt die Kerkeraad binnen
den gestelden tenn\\jn geen antwoord, dan geldt dit als bewijs, dat
tegen de aanneming en bevestiging geen bezwaar bestaat. Van zoo-
danige aanneming en bevestiging wordt binnen acht dagen na de
volbrachte handeling door of van wege den Kerkeraad der gemeente,
waar z\\j geschied is, schrifteln\'k kennis gegeven aan den Kerkeraad
der gemeente in de woonplaats, opdat de aangenomen en bevestigde
lidmaat als zoodanig in het lidmatenboek der gemeente worde inge-
schreven. /f-
Elders woonachtigen, enz. In 1853 heeft de Syn. Commissie op eene vraag
van den Kerkeraad van Assen, of deze uitdrukking, in het destijds vigeerende
Regl. art. 62 voorkomende, verstaan moest worden van een wettelijk domicilie,
of van alle meer gezet, hoewel ook tijdelijk verblijf, zoodat leerlingen op kost-
scholen, dienstboden, militairen, enz. door den predikant der gemeente, zonder
van elders te vragen vergunning, tot lidmaat kunnen worden aangenomen, geant-
woord, dat het bedoelde woord blijkbaar ziet op de personen, die daadwerkelijk,
hetzij tijdelijk of meer duurzaam, in de gemeente wonen; kunnende hiervan mede
dienen tot bewijs, dat minderjarige dienstboden of anderen, die van elders komen,
hunne attestatie indienen bij de kerkelijke gemeente, waarin zij verblijf komen
houden en dan ook door deze als hare lidmaten worden opgenomen. Bij dat alles
werd nog de opmerking gemaakt, dat de krijgslieden hun domicilie hebben, bij
de wet, daar ter plaatse, waar zij in garnizoen liggen. 1853, Bijl. B, bl. 14, 15;
goedgekeurd: Handd., bl. 27. Om deze en andere redenen is ook in 1863 aan
het verlangen van den ring "Winterswijk, dat de destijds vigeerende bepaling:
„niemand in eene andere gemeente woonachtig, wordt tot lidmaat aangenomen,
zonder toestemming van den Kerkeraad zijner gemeente", ook toepasselijk ver-
klaard mocht worden op hen, die, als dienstplichtigen naar garnizoensplaatsen
vertrokken, aldaar tijdelijk slechts verblijven, niet voldaan. 1863, bl. 297, 298.
Getuigschrift van goed zedelijk gedrag. Do Kerkeraad, die het getuigschrift
afgeeft, zal bij het opmaken daarvan denzelfden maatstaf moeten bezigen, dien
hij gebruikt bij het oordeel over den wandel van hen, die in zijne eigene gemeente
als lidmaten worden aangenomen. Syn. verkl. 1869, bl. 99; verg.Bijl.B, bl. 100.
Zedelijk gedrag niet in volstrekten zin, maar in betrekkelijke beteekenis; „een,
voor zoo ver wij weten, onberispelijk gedrag". 1865, bl. 124. In de Synode van
1888 wordt het volgende gevoelen over de beteekenis van zedelijk gedrag, in
onze reglementen aangetroffen, „dat, hoewel de, geloofsovertuiging van iemand
zijnen wandel beheerscht, waar in de reglementen van zedelijk gedrag gesproken
wordt, toch zeer zeker alleen het laatste bedoeld is". De Synode achtte het
onnoodig eene omschrijving van de beteekenis, zedelijk gedrag, die de Class.
Vergadering van Franeker had voorgesteld, te geven. Hand. 1888, bl. 140 en volg.
Afgegeven, enz. Tot het afgeven van zulk een attest zijn de Kerkeraden,
-ocr page 256-
■cl-
Ay^t.
■\'*r°J
-ocr page 257-
Abt. 40-42.                                          219
uitgezonderd nlleen de gevallen, waarin het door personen van een ergerlijken
levenswandel wordt gevraagd, ten stelligste verplicht. 1869, bl. 99, 100. Verg.
1870, Bijl. B, bl. 254—256.
Binnen vier wekenVan zoodanige. Deze aanvulling van dit art. is in werking
gekomen 15 Januari 1886.
Binnen acht dagen. De bepaling van dezen termijn (geen terminus fatalis)
strekt alleenlijk om te zorgen, dat de Kerkeraden, bij welke de aanneming en
bevestiging van elders wonenden plaats vinden, daarvan geregeld berichten aan
den Kerkeraad dor woonplaats van de nieuwe lidmaten. Zoo hierin verzuim plaats
vindt, kan de Kerkeraad, bij wien de aanneming en bevestiging zijn geschied,
daarover worden terechtgewezen, doch mag in geen geval zulk verzuim te kort
doen aan het recht der wettig bevestigde lidmaten, om in het lidmatenboek van
de gemeente hunner woonplaats als zoodanig te worden ingeschreven, en is de
Kerkeraad dezer gemeente hierdoor in geenen deele ontslagen van de verplichting
om, ook op later ontvangen bericht, onverwijld de insohrijving te doen plaats
hebben. 1870, bl. 57, 58; verg. bl. 21, 22, en 1869, bl. 247, Bijl. B, bl. 98—100.
In overeenstemming hiermede heeft ook de Synode in 1871 eene aanvulling van
dit art., door het tweede lid aldus te doen lezen: „Van de aanneming en beves-
tiging ontvangt de belanghebbende terstond een schriftelijk bewijs, en wordt
binnen acht dagen", enz., onnoodig geoordeeld, op grond o. a. dat „diebepaling
slechts maatregel van orde is, waarom het verzuim niet aan de waarde van het
bewijs noch aan het recht van de betrokken lidmaten op de inschrijving kan te
kort doen." 1871, bl. 131—133. Ook heeft de Synode reeds in 1866 geoordeeld,
aan het verlangen van eonige leden der Class. Verg. van Franeker, „dat de
elders aangenomen en bevestigde lidmaten verstoken zullen zijn van do bedeeling
der diaconie hunner woonplaats, ingeval van behoefte, on van het uitoefenen
der rechten, aan de gemeenteleden zijner woonplaats toegestaan", geen gevolg,
te moeten geven. 1866, bl. 73.
Art. 41. Indien de bevestiging niet in de daarvoor bestemde open-
bare godsdienstoefening kan plaats hebben, geschiedt zij, b\\j uitzon-
dering, in eene andere openbare godsdienstoefening, of, waar ook
hiertegen gewichtige zwarigheden bestaan, ten overstaan van eene
commissie uit den Kerkeraad.
Art. 41. De heer P. roodhuysbn heeft in de Synode van 1882 voorgesteld
bij dit art. eene alinea te voegen van dezen inhoud: „Niemand kan als lidmaat
ingeschreven worden, die, des gevorderd het bewijs niet kan leveren, dat hij een
Heiligen Doop heeft ontvangen." Tegelijk met eene door hem gewenschte bij-
voeging bij art 14, 5° van het Reglement op de Kerkeraden (zie deaant. t. d. p.)
ia het voorstel verworpen. Ook een voorBtcl van gelijke strekking ingediend door
de Classikale Verg. van Nijmegen is door de Synode niet aangenomen (zie de
aant. op art. 2 van het Alg. Regl.).
Art. 42. Niemand treedt in de rechten aan het lidmaatschap ver-
bonden, dan die, na afgelegde belijdenis, als lidmaat is bevestigd. /?
Tevens rusten op hem de verplichtingen aan het lidmaatschap in
de gemeente zyner woonplaats verbonden.
Niemand treedt, enz. Het afleggen der belijdenis is eene voorloopige handeling,
die haar beslag eerst erlangt door de openlijke bevestiging. In dezen zin heeft
-ocr page 258-
-ocr page 259-
220            REGLEMENT OP HET GODSDIENSTONDERWIJS. AliT. 42—44.
de Synode bij herhaling zich uitgesproken, toen onder het regl. van 1816 nog
twijfel kon ontstaan omtrent den tijd, waarop hot lidmaatschap aanvangt. 1832,
bl. 108, 109: 1844, bl. 242, 302.
SLOTIIE 1\' A L 1 3) Ci K N.
Art. 43. Na de uitvaardiging van dit reglement, overeenkomstig
artt. 12 en 62 van het Algemeen Reglement, is dat van 28 Juli 1847
vervallen en buiten werking gesteld.
Art. 44. De Synode behoudt zich het recht voor, om in het ver-
volg dit reglement zoodanig te veranderen of te vermeerderen, als
bevonden zal worden te behooren.
Dit reglement is eene herziening van het „Reglement op het Gods-
dienstig onderwü\'s in de Nederlandsche Hervormde Kerk" van 1847,
\'twelk destijds dat van 1816 (bij hooyer t. a. p., bl. i 19—108) had ver-
vangen. Het is door de Synode finaal gearresteerd den 7 Aug. 1861,
en, na uitvaardiging door de Alg. Synodale Commissie, in werking
gekomen den 1 October 1862.
-ocr page 260-
Bijlagen.                                             221
B IJ L A O E N
BIJ HET
REGLEMENT OP HET GODSDIENSTONDERWIJS.
I.
INSTRUCTIE WEGENS DE GODSDIENSTOEFENINGEN IN DE GROOTE STRAFGEVANGE-
NISSEN EN IN DE BURGERLIJKE EN MILITAIRE HUIZEN VAN VERZE-
KERING, VASTGESTELD BIJ KON. BESLUIT VAN
11 OCT. 1826, LETT. C.
Art. 1. De dagen, tot uitoefening van de godsdienst bestemd, zyn
de Zondagen, de groote feestdagen, alsmede de dank- en bededagen,
door den Koning uitgeschreven; deze bepaling zal echter niet verhin-
deren, dat ten deze de schikkingen zullen kunnen gemaakt worden,
welke de omstandigheden mochten vorderen, wanneer de dienstdoende
geestelijke door andere ambtsbezigheden belet wordt.
Art. 2. De kommandanten in de groote strafgevangenissen en de
conciërges in de huizen van verzekering zullen moeten zorgen voor
hetgeen behoort tot de behoorlijke viering van de godsdienst op de
uren, door de Commissie van administratie, of het Collegie van regenten
bepaald, na gemaakt overleg met de by het gesticht aangestelde
geestelijken.
Art. 3. Het zal aan de gevangenen, die noch tot de Rooinsch-
Katholieke, noch tot de Protestantsche Kerk behooren, worden vr\\j-
gelaten, om op zoodanige andere dagen als hunne godsdienst als rust-
of feestdagen voorschrijft, geen arbeid te verrichten; de toegang hunner
geesteln\'ken, door hen verzocht zgnde, zal niet mogen geweigerd te
worden.
Art. 4. De kommandanten en conciërges voornoemd zullen b\\j de
aankomst der gevangenen onderzoeken, tot welke kerk of geloof zy
behooren, en zullen daarvan, wanneer zy tot de Roomsch-Katholieke
of Protestantsche behooren, opgave doen aan de geestelyken van het
gesticht, en ten opzichte der overigen, aan de Commissie van admi-
nistratie of Collegiè\'n van regenten.
Art. 5. De kommandanten en conciërges zyn bijzonder belast met
de handhaving der goede orde by de godsdienstoefeningen.
Art. G. Geene gevangenen zullen om hun geloof mogen worden
verontrust, noch deswegens door eenigen geestelyke van een ander
geloof of iemand anders worden aangesproken of onderhouden.
-ocr page 261-
222                     Reglement op het Godsdienstonderwijs.
De kommandanten en conciërges worden op hunne verantwoorde-
ln\'kheid gelast, voor de strikte nakoming van dit artikel te zorgen,
en, ingeval zij eenige afwijking deswegens mochten ontdekken, daarvan
dadelijk aan de commissiën van administratie of collegiën van regenten
kennis te geven, op poene van suspensie of destitutie, naar gelegenheid
der zaak.
Art. 7. De gevangenen zijn verplicht, ieder naar hunne kerk, de
godsdienstoefening en het godsdienstig onderwijs bij te wonen.
Art. 8. Bijaldien in de groote strafgevangenissen de komiuandanten
of directeurs over den arbeid, en, in de huizen van verzekering, de
conciërges, eene meer bepaald verkeerde neiging of bedrijf\'der gevan-
genen ontwaren, en de ontwikkeling en uitbreiding daarvan mogen
vreezen, zullen zij daaromtrent aan de geestelijken van het gesticht.
telkens de noodige kennis en inlichtingen geven.
Akt. 9. Alle beambten in de gevangenissen zijn gehouden, de
geestelijken met eerbied te behandelen, en door hun voorbeeld het
gevoel van achting voor de voorgangers van de godsdienst bij de
gevangenen te bevorderen.
Art. 10. De geestelijken, welke bij iedere gevangenis aangesteld
zijn, houden in dezelve, op de dagen bij art. 1 vermeld, voor de
gevangenen van hun geloof, godsdienstoefening, hetzij voor mannen
en vrouwen tegelijk, hetzij (wanneer de localiteit van het huls zulks
toelaat) voor iedere kunne afzonderlijk; zij regelen zich hieromtrent
naar de bepaling door de Commissie van administratie of van het
Collegie van regenten over de gevangenis voorgeschreven, en zullen
met dezelve overeenkomen wegens het uur der Godsdienstoefening,
naar aanleiding van art. 2.
De lloomsch-Katholieken houden na de mis eene leerrede.
Art. 11. De geesteln\'ken zyn bevoegd, de gevangenen, die troost,
vermaning en onderricht behoeven, afzonderlijk te onderhouden; aan
eiken gevangene staat het vrn\', zoodanig onderhoud te verlangen.
Art. 12. De zieke gevangenen worden bijzonder aan de gods-
dienstige zorg der geestelijken aanbevolen, en ingeval de ziekte ver-
ergert, zn\'n de conciërges verplicht, hun daarvan dadelijk kennis te
geven, ten einde zy aan hunne verplichting omtrent de kranken mogen
kunnen voldoen.
Art. 13. De officieren van gezondheid in de gevangenissen moeten,
indien de ziekte eene onverwachte en gevaarlijke wending neemt,
zoodat het afsterven te verwachten is, dit zonder eenig verwijl ter
kennis der in het gesticht dienstdoende geestelijken brengen.
Art. 14. Aan de gevangenen zullen de hulpmiddelen en plechtig-
heden, welke de godsdienst, door hen beleden, voorschrijft, toege-
diend worden.
Art. 15. De geestelijken zullen zich ter bekoming der boeken, het
onderwijs in de godsdienst betreflende, en van hetgeen tot de uitoe-
-ocr page 262-
Bijlagen.
223
fening van de godsdienst benoodigd is, moeten wenden tot de com-
missiën van administratie of\' collegiën van regenten, welke daarin
zullen voorzien.
Art. 16. De godsdienstoefeningen worden in zoo verre als openbaar
beschouwd, dat gevangenen, die eene andere godsdienst beladen en
mochten verzoeken, dezelve bij te wonen, niet zullen mogen geweerd
worden, mits zich behoorlijk daarbij gedragende.
Art. 17. Bij afwezigheid of ziekte der geestelyken, zullen zij zich
door eenen geestelyke van hunne kerk doen vervangen, echter niet
dan na daartoe verkregene toestemming der commissie van adminis-
tratie of van het collegie van regenten.
Art. 18. De Koning behoudt zich voor, om de tegenwoordige
instructie te allen tijde te vermeerderen, te wijzigen of te veranderen,
zooals bij de ondervinding zal blyken nuttig en noodig te zn\'n.
(Vgl. Regl. op het (iodsd.onderw., Art. 26).
II.
CIRCULAIRE DER ALO. SYN. COMMISSIE VAN 21 NOV. 1850 OVEU DE
BEHARTIGING VAN DE GODSDIENSTIGE BELANGEN
DER ZEEVARENDEN.
Dé aandacht der Algemeene Christelyke Synode der Nederlandsche
Hervormde Kerk werd, voor eenigen tijd, gevestigd op de behoefte
aan godsdienstoefeningen, godsdienstig onderwijs en Christelijke zorg
op de Nederlandsche oorlog- en koopvaardyschepen. Na ingesteld
onderzoek is het haar gebleken, dat door een reglement op de in-
wendige dienst van Z. M. schepen en vaartuigen van oorlog, goed-
gekeurd den 28 December 1847, no. 55, in hoofdstuk I, getiteld
Godsdienst, art. 1—7, zulke verordeningen daarover zijn vastgesteld,
dat men billijkerwijze onder de tegenwoordige omstandigheden wel
niet meer van de Regeering kan vragen. Doch minder gunstig is het
haar voorgekomen gesteld te zyn met deze zaak op onze koopvaar-
dijvloot, waarop, in dit gewichtig belang, alles afhangt, zoo als zij
meent, van de persoonlijke denkwyze en het goeddunken der gezag-
voerders. Hoe wenschelijk zij evenwel hierin verbetering achtte, zy
meende, zelve niet onmiddel]yk die hier te kunnen aanbrengen, maar
alleen te kunnen en te mogen werken door U, Eerwaardige Broeders!
die als Kerkeraden in onze handelsplaatsen, elk in uwe woonplaats,
daarvoor geschikte maatregelen zult weten te beramen.
Aan de Algemeene Synodale Commissie is de aangename taak opge-
dragen, daartoe eene opwekking aan u te doen uitgaan. Ons daarvan
kwytende, meenen wy niet beter te kunnen doen, dan u eenige
-ocr page 263-
224                     Reglement op het Godsdienstonderwijs.
opmerkingen mede te deelen, hoe, onzes inziens, de zaak door u zou
kunnen worden aangevat.
Vooraf deelen wy daartoe aan u mede, welke verordeningen hierover
bestaan by \'s Lands oorlogschepen, waarvan wy reeds melding maakten.
De straks genoemde artikelen van het vermelde reglement luiden
als volgt:
Abt. 1. Daar de godsdienst de grondslag is van waren moed en
zedelijke gedragingen, en van oudsher het kenmerk was van den
Nederlandschen zeeman, zoo is dan ook de betrachting en \'handhaving
daarvan als de eerste plicht den commandeerenden en anderen officieren
aanbevolen.
Abt. 2. De openbare uitoefening daarvan bestaat in het doen van
een gebed, en het voorlezen aan de equipage van eene leerrede uit
een der godsdienstige boeken, die tot dat einde aan Zyner Majesteits
schepen en vaartuigen zullen worden medegegeven.
Abt. 3. Al de officieren en adelborsten zullen daarbij tegenwoordig
z\\jn, en de geheele equipage, mede zoodanige zieken, die, naar het
oordeel van den officier van gezondheid, daartoe in staat zyn, zullen
de godsdienstoefening bywonen, blyvende echter de officier van de
wacht en de schildwacht op hunne posten.
Abt. 4. Het begin der godsdienstoefening wordt aangeduid door
het zacht luiden der klok; daarop begeeft men zich naar hethalfdek,
moetende een ieder aldaar tegenwoordig zijn, vóór en aleer voor de
tweede maal geluid is.
Daarna ontvangt de kommandant vanden eersten officier het rapport,
dat de equipage boven is en geeft order tot het derde gelui.
Vervolgens leest de officier van het piket, met duidelijke stem, de
leerrede en het gebed voor.
Dit afgeloopen zynde, wordt door den kommandant bevel gegeven,
om het volk te doen afgaan.
Abt. 5. Gedurende de godsdienstoefening zal een ieder stil en eer-
biedig zijn, en tijdens het gebed het hoofd ongedekt houden.
Abt. 6. De Nederlandsche seinwimpel wordt met het eerste gelui
van den kruistop geheschen, en wederom neergehaald zoodra de
godsdienstoefening geëindigd is.
Abt. 7. Tydens de godsdienstoefening zullen er geene militaire
honneurs bewezen worden.
De godsdienstige boeken, in art. 2 bedoeld, zy\'n naar wy meenen,
de Christelijke Zeevaart van westebman, het Godsdienstig Handboek voor
Zeevarenden,
door chb. meeuse, de Leerredenen voor Zeelieden, door
Ds. van balen blanken en dergelyke geschriften, terwijl het Zeemans-
handboek
van mabtinet, het Zondagsboek, door a. biben opgesteld en
door de Maatschappij tot Nut van \'t Algemeen uitgegeven, gelyk ook
vele andere werken hier desgelyks in aanmerking konden komen.
Voorts meenen wy\', dat de strenge militaire voorschriften, voor de
-ocr page 264-
Bijlagen.
225
oorlogschepen verordend, b\\j onze koopvaardijvloot minder doelmatig
zouden z\\jn. Alleen wenschten wij, dat onze reeders, handelaars en
gezagvoerders wierden opgewekt en uitgenoodigd, om:
1°. eenige godsdienstige geschriften, voor zeevarenden geschikt,
aan boord te hebben;
2°. aan de bemanning en passagiers de gelegenheid te geven, deze
geschriften afzonderlijk of te zamen te lezen;
3°. op Zon- en feestdagen eene gemeenschappelijke godsdienstoe-
fening te houden voor allen, die daaraan willen deelnemen, onder
leiding van een daartoe geschikten persoon.
Het komt ons voor, dat behalve de gezagvoerder of stuurman, ook
wel de scheepsheelmeester, zoo deze aan boord is, een daartoe geschikt
persoon zou kunnen zijn, indien voortaan b\\j voorkeur zulke personen
als scheepsheelmeesters wierden aangesteld, die, behalve een bewijs
van geneeskundige kennis, tevens een blyk konden vertoonen van
goed zedelijk gedrag en goede kennis der Christelijke waarheid, door
een Protestantschen Kerkeraad of predikant afgegeven.
Op welke wijze uwe vergadering meent deze gewichtige zaak best
ter hand te kunnen nemen, laten wij gaarne aan haar zelve over;
alleen willen wij nog mededeelen, dat w\\j van deze onze aanschrijving
aan Uw Eerwaarden afschrift zenden aan de besturen der andere
Protestantsche kerkgenootschappen, met beleefde uitnoodiging, om
hunne pogingen met de onzen tot dit heilrijk doel te vereenigen,
als ook aan de besturen van bijbel-, zendeling- en tractaatgenoot-
schappen, met dankzegging voor hetgeen deze reeds ten behoeve van
zeevarenden doen, en uitnoodiging om in denzelfden geest voort
te gaan.
Eindelijk nemen wij nog de vrijheid, uwe vergadering uit te noo-
digen, jaarlijks, by gelegenheid der kerkvisitatie, aan het Classikaal
Bestuur, en door hetzelve aan de Synode bericht te doen geworden
van \'tgeen door u in deze zaak is gedaan, en van de uitkomst uwer
pogingen.
Moge de wijsheid, die van boven is, u verlichten, om in deze
belangrijke zaak die maatregelen te nemen, welke ten meesten nutte
van onze talrijke zeelieden kunnen strekken.
III.
CIRCULAIRE DER SYNODE, VAN DEN 17 JUNI 1824, N°. 22, OMTRENT
DE GEMENGDE HUWELIJKEN.
De Algemeene Synode der Ned. Herv. Kerk acht zich verplicht,
al de leeraren der kerk met den meesten ernst opmerkzaam te maken
op eene zaak, welker bedenkelijke gevolgen, onder den Goddelijken
Kerkelijk Wetboek, 2c druk.                                                                              IS
-ocr page 265-
226                     Reglement op het Godsdienstonderwijs.
zegen, inzonderheid ook door de omzichtige wijsheid en werkzamen
ijver der bedienaren van de Protestautsche godsdienst, kunnen afge-
wend of verminderd worden.
Het is namelijk ter onzer zekere kennis gekomen, dat, bu\'demeer-
maals plaats hebbende huwelijksverbindtenissen tusschen Protestanten
en Roomschgezinden, de pauselijke stoel doorgaans weigert, vergun-
ning of dispensatie te verleenen tot derzelver kerkelijke bevestiging,
indien niet de Protestant vooraf plechtig toestemt en belooft dat alle
kinderen, uit die verbindtenis voortspruitende, uitsluitend in de
Roomsche kerkleer zullen worden opgevoed; en dat dit aan de Roomsche
geestelijken, vooral in die oorden van ons vaderland, waar hunne
geloofsgenooten de meerderheid der bevolking uitmaken, maar al te
gunstige gelegenheid geeft, om onze kerk op velerlei wijze te bena-
deelen en te ondermijnen. Wij vertrouwen nu, dat onze geliefde
medebroeders in de heilige bediening met ons gevoelen en bij gepaste
gelegenheden met wijze behoedzaamheid verklaren zullen, datProtes-
tanten, welke zulke of dergelijke beloften doen, zich zelven zeer
vergeten, en zich hunnen schoonen Godsdienst geheel onwaardig
betoonen; — maar dat zy het evenwel met ons op dezen oogenblik
onraadzaam achten, het afleggen dier beloften, van onze zijde, door
middelen van bestraffende kerkelijke tucht tegen te gaan; daar de
aanwending dier middelen ligtelijk eene schadelijke verbittering zoude
teweeg brengen. Maar insgelijks zullen zich onze medebroeders met
ons overtuigd houden, dat waarschuwingen en vermaningen, welke
dan eerst gedaan worden wanneer de huwelykskeuze reeds gevestigd
is, dikwyls te laat zullen gehoord worden, om haar heilzaam doel te
bereiken. "Wij wenschen dus hartelijk, dat de leeraren reeds vroeg-
tijdig zich mogen beijveren om hunne jeugdige leerlingen te wapenen
tegen die onverschilligheid, en te genezen van die onkunde, welke
helaas! bü velen onzer geloofsgenooten plaats heeft. Daartoe zal het
nuttig zijn, hen, zoodra hunne vatbaarheid dit toelaat, op de voor-
treffel\\jkheid hunner belijdenis opmerkzaam te maken; hun van die
dwalingen, welke den hoofdinhoud der evangelieleer verduisteren,
afkeer, getemperd door christelijke liefde jegens, en medelijden met
de dwalenden in te boezemen en tevens hen te overtuigen, dat,
hoewel onwillekeurige dwaling niemand van de hope der zaligheid
uitsluit, evenwel moedwillige verzaking der waarheid ons, voor ons
geweten en voor den Oppersten Rechter, ten hoogste strafbaar maakt.
Voorts zullen onze geachte medebroeders, ook zonder onze bijzondere
aanwijzing, gevoelen, welk eene schoone en bovenal geschikte gele-
genheid hun, door hunner kweekelingen aanneming tot Lidmaten en
openlijke bevestiging aangeboden wordt om aan dezelven de gemelde
leeringen en tevens de dure verplichtingen, die op Protestantsche
Christenen rusten, met plechtigen ernst, maar tevens in den geest
der Christelijke zachtmoedigheid op het hart te drukken.
-ocr page 266-
Bijlagen.                                          \' 227
Het spreekt van zelf, dat die gemeenteleden, welke reeds aan
Roomschgezinde echtgenooten verbonden zyn, meer nog dan andere,
de trouwhartige zorg en het herderlijk opzicht van hunnen leeraar
behoeven, en door hem met Christelijke behoedzaamheid behooren
opgewekt te worden, om aan de eenmaal afgelegde belijdenis getrouw
te bln\'ven. Doch wy moeten het geheel aan zijne me^ voorzichtigheid
gepaarde getrouwheid en kennis der verschillende omstandigheden
overlaten, te beoordeelen, in hoeverre hij pogingen aanwenden kan
om te voorkomen, dat de kinderen, uit een gemengd huwelijk
gesproten, zelfs boven en tegen aangegane verbintenissen in de
Roomsche kerkleer door de ouders worden opgevoed, of daartoe aan
anderen ter opvoeding toevertrouwd.
De Synode, deze aanschrijving, met last van verdere mededeeling,
aan de verschillende Provinciale Kerkbesturen toezendende, werd tot
derzelver uitvaardiging genoopt, niet door eenigen twijfel aan de
wijsheid of den ijver der leeraren, maar door diep gevoel van het
moeielijke der taak, welke de tegenwoordige omstandigheden der kerk
aan niet weinigen hunner ambtsbroeders opleggen, en door den vurigen
wensch om hen, zooveel mogelijk, met haren broederlijken raad en
voorlichting te dienen. Zij besluit deze aanschrijving met de bede,
dat God ons allen moge vervullen met den geest der wijsheid,
getrouwheid en kloekmoedigheid, opdat w\\j, door Zijne hulp, de aan
onze zorg vertrouwde kudde mogen staande houden in de reine leer
van haren eenigen Opperherder, Jezus Christus!
IV.
AANSCHRIJVING AAN DE KEEKEEADEN IN GAENIZOENSPLAATSHN,
DD. 20 AÜG. 1885.
(S. H. 1885, bl. 389-392.)
De opmerking is gemaakt, dat in enkele garnizoensplaatsen bij
sommige miliciens de toeleg bestaat om in den eersten of eenigen
winter van hun militairen dienst, tot lidmaat der Hervormde Gemeente
te worden aangenomen, hoewel zy het catechetisch onderwijs in hunne
vorige woonplaats geheel verwaarloosden. Deze treurige ervaring
noopte de Classikale Vergadering te Dordrecht, zich tot de Algemeene
Synode te wenden met het verzoek, „de Kerkeraden der garnizoens-
plaatsen op te wekken, alleen by buitengewone omstandigheden tot
de aanneming der militairen over te gaan en zorg te dragen voor
naauwkeurige maatregelen ter voorkoming van misbruik dezer heilige
handeling."
Niet voor het eerst is deze zaak een onderwerp onzer beraadsla-
gingen geweest.
is*
-ocr page 267-
228                     Reglement op het Öodsdiekstonderwijs.
Reeds in 1872 werd door de Synode naar aanleiding vaneen schrijven
van den Kerkeraad te Nieuwenhoorn betrekkelijk het lichtvaardig
aannemen van lotelingen in hunne garnizoensplaats, de aandacht der
betrokken Kerkeraden door middel van de Kerkelijke Courant op deze
aangelegenheid gevestigd. Achtte zij het niet geraden, aan de door
feiten gestaafde klacht te gemoet te komen door eene nieuwe bepaling
in het Reglement op het Godsdienstonderwijs op te nemen, zij was van
oordeel, dat de zaak werkelijk voorziening behoefde.
De Kerkeraden in garnizoensplaatsen immers zn\'n uit den aard der
zaak meestal niet behoorlijk ingelicht omtrent het gehalte der aanne-
melingen onder de militairen. Tal van voorbeelden konden daarenboven
aangevoerd worden van miliciens, die in de gemeente hunner woon-
plaats als onverschillig en zedeloos bekend stonden, en vaak, na slechts
weinige maanden de catechisatie voor de militairen te hebben bijge-
woond, tot de aanneming werden toegelaten. Vandaar de opwekking
gericht aan de Kerkeraden, waarbij °°k gewezen werd op den maat-
regel, door den Kerkeraad van \'s Hertogenbosch sinds eenigen tijd
ingevoerd om door middel van een daarvoor ontworpen tabel bij den
Kerkeraad der woonplaats van de betrokken jongelieden naauwkeurige
inlichtingen in te winnen, een maatregel, die bereids gewenschte
vruchten heeft gedragen.
Nochtans, deze aanschrijving, eerwaarde broeders! schijnt niet aan
haar doel te hebben beantwoord. Tot tweemaal toe, in 1876 en 1878,
kwam naar aanleiding van deswege ingediende adressen, aandringende
op het maken van wettelijke bepalingen deswege, deze aangelegenheid
op nieuw in onze vergadering ter tafel. Toch had de Synode bezwaar
algemeen verbindende voorschriften te geven omtrent eene zaak, die
slechts enkele Kerkeraden betrof, terwijl het daarenboven uit de
mededeelingen van onderscheidene harer leden bleek, dat het in de
garnizoensplaatsen niet ontbreekt aan gelegenheden om ten aanzien
van het zedelijk gedrag der jonge miliciens te worden ingelicht. Zij
besloot echter in de Kerkelijke Courant aan hare aanschrijving te her-
inneren, terwijl zij in 1878 in dergelijke omstandigheden geen naderen
maatregel nam, omdat door de voorstellers geen bepaald feit werd
genoemd van een in deze door eenen of anderen Kerkeraad gepleegd
verzuim.
Sinds verliepen er zeven jaren.
De herinnering aan de aanschrijving schijnt evenmin doel te hebben
getroffen.
Dit blijkt ten minste uit het bovenvermeld schrijven van de Clas-
sikale Vergadering van Dordrecht, gedagteekend 25 Juni 11. Het
wijst op een algemeen feit, dat bevestigd is door de mededeeling van
verschillende leden der Synode, die getuigden, dat tal van jongelieden
door wie of de grootste onverschilligheid omtrent het catechetisch
onderwijs in hunne woonplaats aan den dag werd gelegd of wiens
-ocr page 268-
Bijlagen.
229
zedelijkheid alles behalve onbesproken was, na de volbrenging van
hun diensttijd, eenige maanden later met het bewijs van lidmaatschap
der Hervormde Kerk huiswaarts keerden tot groote ergernis der
gemeente.
Waarschijnlijk is de geringe aandacht aan onze uitnoodiging en
aan de herinnering daaraan gewijd, aan de omstandigheid toe te
schrijven, dat de Kerkelijke Courant niet algemeen gelezen wordt.
\'t Is om die reden, eerwaarde Broeders! dat de Synode in deze
zienswijze harer voorgangsters betreffende het maken van nieuwe
bepalingen doelende, en waardeerende dat onderscheidene Kerkeraden
geheel in den geest der Synodale aanschrijving handelen, heeft gemeend
zich andermaal maar thans rechtstreeks tot u te moeten wenden met
de ernstige opwekking om in de gewichtige aangelegenheid, waarvan
hier sprake is, met de vereischte omzichtigheid te werk te gaan en
te herinneren aan het navolgingswaardig voorbeeld te dien aanzien
gegeven door den Kerkeraad van \'s Hertogenbosch.
Zij meent vooralsnog niet verder te moeten gaan. Immers zn\' acht
het bedenkelijk in den wensch der Classikale Vergadering van
Dordrecht te treden en aldus ook miliciens, die met vromen zin,
in het belang van hun godsdienstig leven als lidmaten tot de gemeente
zouden willen toetreden, in hun voornemen daartoe te dwarsbooraen.
Zü drukt evenwel haar vertrouwen uit, dat voor zoover dit tot
dusver niet door u is geschied, het gewenschte gevolg worde gegeven
aan de aanschrijving van 1872.
Zij neemt de vrijheid hierop aan te dringen, ter wille der jonge-
lieden zelven, die wat de heiligste en onvergetelijkste uren huns
levens moest zh\'n, tot een ijdelen vorm, of wie weet tot eene zaak
van berekening verlagen, en dit niet kunnen doen dan grootelijkstot
schade van hun godsdienstig en zedelijk leven; ter wille ook van onze
Vaderlandsche Kerk, wier eer u niet minder dan ons ter harte gaat
en wier goede naam onder de toetreding van onwaardige leden nood-
wendig moet lijden.
Bekrone God uwe beraadslagingen over dit ons schrijven met Zn\'n
onmisbaren zegen!
Aan de Kerkeraden in garnizoensplaatsen.
Met heilbede en broedergroete.
De Algemeene Synode der Nederlandschc
Hervormde Kerk.
-ocr page 269-
REGLEMENT
OP DE
BENOEMING VAN OUDERLINGEN EN DIAKENEN EN DE BEROEPING
VAN PREDIKANTEN.
Art. 1. Het recht der gemeente tot benoeming van ouderlingen
en diakenen en tot beroeping van predikanten (art. 23 Alg. Itegl.)
wordt, behoudens rechten van derden en met inachtneming van de
Synodale reglementen voor de Kerkeraden en op de vacaturen, door
hare stemgerechtigde leden uitgeoefend.
Stemgerechtigde leden eener gemeente zyn alle manslidmaten, die
onder haar ressort wonen, den ouderdom van 23 jaren bereikt hebben
en ten minste één jaar geleden bü den Kerkeraad geloofsbelijdenis
hebben afgelegd^ of op ingediende attestatie of bewys van lidmaat-
schap als lidmaten der gemeente erkend zyn.
Manslidmaten, die in het jaar, dat aan de stemming of verkiezing
voorafgaat, door eenig armbestuur zyn bedeeld geworden, en z\\j, die
onder censuur of curatele staan, zyn van deze stembevoegdheid uit-
gesloten.
Het recht der gemeente tot benoeming, enz. uitrecht, gegrond op de beginselen
van het Protestantisme, overeenkomende met het democratisch karakter der Herv.
Kerk, en erkend, hoewel niet altijd met consequente toepassing, in al de vroegere
Nederlandsche kerkordeningen, was bij de organisatie van 1816 der gemeente
ontnomen, om plaats te maken voor het stelsel van coöptatie (verkiezing van
kerkeraadsleden door den Kerkeraad zelven), en van beroeping van predikanten,
behoudens de rechten van derden, eveneens door den Kerkeraad; een stelsel,
dat van eene vertegenwoordiging der Kerk, in de ware beteekenis des woords,
niet veel meer dan eene schaduw overliet, in strijd met de woorden in het aloude
formulier van bevestiging der ouderlingen en diakenen. „ A Izoo maken de Dienaren
des Woorts ende de ouderlingen t\' samen een collegie ofte gezelschap, zijnde als
een raet der Kercke, ende vertoonende de geheele Gemeynte, daer van zy ver-
kooren zyn"; en niet minder met de vraag, die én den ouderlingen en diakenen
én den predikanten bij de bevestiging moest worden voorgesteld: „of gy gevoelt
in uw herte, dat gy wettelick van Oodt\'s gemeynte ende mitsdien van Godt zelve
tot dezen heyligen Dienst geroepen zyt f" (Verg. de belangrijke aanteekening van
-ocr page 270-
Art. 1.
231
c. hooijer, Kerkelijke wetten, enz., bl. 110). Het Alg. Regl. van 1852 heeft in
art. 23 aan de gemeente het haar toekomend recht weder verzekerd. De Synode
heeft echter in de naastvolgende jaren er niet in kunnen slagen om de door velen
gedurig met aandrang verzochte uitvoering aan de bepalingen van dat artikel te
geven, \'t Scheen wel dat eene regeling der stembevoegdheid, die voldoende goed-
keuring der kerk mocht verwerven, niet was te vinden. Dien ten gevolge kwamen
het Reglement voor de Kerkeraden en dat op de Vacaturen in Mei 1870 in wer-
king, zonder bepaling hoe de gemeenten haar recht zouden moeten uitoefenen,
en liet het eerste alleen in art. 16 1" ruimte voor zulke nader te maken bepa-
lingen, terwijl het tweede in art. 48 (later veranderd) te lezen gaf: „De beroeping
van predikanten blijft op den tegenwoordigen voet, totdat hierin nader zal zijn
voorzien." Eerst in 1866 heeft do Synode kunnen geraken tot het finaal arres-
teeren van een Reglement op de Benoeming van Ouderlingen en Diakenen en op
de Beroeping van Predikanten, dat ook de goedkeuring der kerk bij de eind-
stemming heeft mogen wegdragen.
Stemgerechtigde leden, enz. Verg. Alg. Regl. art. 3*. De vraag, „hoe te oor-
deelen over de stembevoegdheid van hen, die door gezette bijwoning van do
godsdienstoefeningen der afgescheidenen, eigenlijk met de Hervormde Kerk ge-
broken hebben?" door het Prov. Kerkbestuur van Noordbrabant gedaan in 1869,
vindt hare beantwoording in art. 3 van het Alg. Regl. (Zie de aant. aldaar);
zoodat het aan het eigen oordeel van den Kerkeraad der plaatselijke gemeente
moet worden overgelaten, of de bedoelde personen duidelijk genoeg door woord
of\' daad getoond hebben, zich van de Kerk af te scheiden. Verg. 1869, bl. 118,
119, 233.
Ten minste één jaar geleden. Dit slaat niet alleen op het eerstvolgende: „bij
den Kerkeraad geloofsbelijdenis hebben afgelegd", maar ook op het: „op inge-
diende attestatie of bewijs van lidmaatschap als lidmaten der gemeente erkend
zijn", zooals door het woordje „of", zonder scheiteeken, is aangewezen. Syn.
Verkl. 1867, bl. 22, Bijl. B, bl. 73.
Als lidmaten der gemeente erkend. Een voorstel om als nieuwe al. bij dit
art. op te nemen: „Dienstdoende predikanten zijn terstond na hunne bevestiging
in de gemeente stemgerechtigd", is door de Synode afgewezen, omdat predikanten,
die pas in hunne gemeente gevestigd zijn, niet gerekend kunnen worden genoeg-
zame bekendheid met de leden der gemeente te bezitten om eene zelfstandige
keuze te doen. 1875, bl. 149, 150. Verg. 1874, bl. 192—194, 230. \'t Spreekt
van zelf, dat dienstdoende predd. van het oogenblik hunner bevestiging af als
lidmaten in de gemeente erkend zijn, ook al zijn zij niet in het lidmatenboek
ingeschreven, en dat emeriti predikanten op vertoon van hunne acte van ontslag
als lidmaten behooren erkend te worden in die gemeente, waar zij zich vestigen.
Zie de aant. op art. 76 van het Regl. op de Vac.
In het jaar, datvoorafgaat. Niet alleen naar de letter van dezo zinsnede,
maar ook naar de zuivere toepassing van het beginsel om geene bedeelden onder
de stemgerechtigden op te nemen, moet dit verstaan worden niet van „het jaar,
dat aan het jaar der stemming voorafgaat", maar van „de twaalf maanden vóór
den dag der stemming." Verkl. der Syn. Comm., 1868, bl. 66; goedg. Handd.
bl. 177, 178.
Bedeeld geworden. Op eene vraag van de Commissie tot de zaken der Waalsche
Kerken, of de hier bedoelde bedeeling in den strengst mogelijken zin moet worden
genomen, dan wel of zij in milderen zin mag worden opgevat, het laatste inzon-
-ocr page 271-
232 Reulement op de Benoeming van Oüdeklinöen , enz.
derheid met het oog op do diaconie-scholen, waarin ook aan kinderen van ouders,
die gecne stoffelijke hulp genieten, gratis onderwijs pleegt verstrekt te worden,
heeft de Synode ton gunste van de luatstgemelde opvatting beslist. 1867, bl. 22,
23; verg. Bijl. B, bl. 78—80.
Onder censuur. Aan hot verlangen van de Classikale Vergadering van Gouda,
dat de vereischten van diakenen, aangewezen in art. 3 van het Regl. voor de
Kerkeraden, ook zouden toepasselijk verklaard worden op de stemgerechtigde
leden der gemeente, en alzoo aan art. 1 van het-Regl. op de benoeming, enz.
deze al. worden toegevoegd: „Stemgerechtigde leden eener gemeente behooren te
zijn onberispelijk in belijdenis en wandel, bekende voorstanders van de openbare
godsdienst en geene tegenstanders van kerkelijke verordeningen",
heeft de Synode
geoordeeld geen gevolg te moeten geven, daar toch de belangrijke bediening van
het diaconaat in do Herv. gemeente en de uit den aard der zaak slechts tijdelijke
en veel meer beperkte werkkring van een stemgerechtigd lidmaat der gemeente
in geenen deele op ééne lijn kunnen gesteld worden en daarom geheel verschil-
lende waarborgen vorderen, alsmede, omdat aan het gevraagde hoofdzakelijk
reeds voldaan is door de bepaling, waarbij zij, die onder censuur staan, van
de stembevoegdheid uitgesloten worden verklaard. 1868, bl. 74, 75, 145; 1869,
bl. 146.
Art. 2. Binnen drie maanden na de invoering van dit reglement
onderwerpt de Kerkeraad aan het oordeel der stemgerechtigden de
vraag, of zij het recht tot benoeming van ouderlingen en diakenen
en tot beroeping van predikanten zelven wenschen uit te oefenen op
de in dit reglement verder beschreven wy ze, dan wel den (algemeenen)
Kerkeraad bepaaldelyk machtigen om daarmede op den bestaanden
voet voort te gaan.
De meerderheid der behoorlyk uitgebrachte stemmen beslist. Bij
het stuken der stemmen blijft de bestaande wyze van benoemen en
beroepen voortduren.
Art. 3. Heeft de meerderheid het recht tot benoeming van ouder-
lingen en diakenen en tot beroeping van predikanten, volgens art. 2,
zich voorbehouden, dan wordt dit in gemeenten van minder dan 100
stemgerechtigden door de stemgerechtigde leden zelven uitgeoefend.
In gemeenten van 100 en meer stemgerechtigden geschiedt dit door
een kiescollegie. Dit collegie bestaat uit de gezamenlijke leden van
den (algemeenen) Kerkeraad en uit tweemaal zoo vele gemachtigden,
te benoemen door en uit de stemgerechtigden. Deze worden benoemd
voor den tijd van vier jaren. Jaarlyks treedt een vierde gedeelte af,
volgens een rooster, voor de eerste maal door het lot vastgesteld.
De aftredenden zyn terstond herkiesbaar.
Voor de vergaderingen, tot de benoeming van ouderlingen en
diakenen en tot de beroeping van predikanten belegd, gelden de
voorschriften van artt. 8 en 9 van het Algemeen Reglement.
Eenmaal \'s jaars, op den tijd in het plaatselijk reglement (art. 4)
voorgeschreven, wordt de kiezerslijst opgemaakt en vastgesteld.
-ocr page 272-
Art. 1-4.                                           233
Het al of niet aftreden van een kiescollegie hangt af van het getal
der stemgerechtigden op het tijdstip van de vaststelling der kiezers-
lijst; ten gevolge van de vermeerdering of vermindering van dat
getal ondergaat gedurende één jaar de ,wn\'ze van verkiezing geene
verandering.
Voor de vergadering tot de benoeming, enz. Tegen deze al. is door de Class.
Verg. van Appingedam bezwaar ingebracht, als gevende niet zelden ongelegen-
heid, naardien het vereischte getal stembevoegden dikwerf niet aanwezig is;
reden, waarom zij wenschte, dat art. 9, Alg. Regl., voortaan voor dergelijke
vergaderingen niet zou gelden. De Synode heeft daarentegen, in overeenstemming
met de deswege rapporteorende commissie geoordeeld, dat het beter is, dat de
stembevoegden tweemaal worden opgeroepen, dan dat de benoeming van onder-
lingen en diakenen of zelfs de beroeping van een predikant als bij verrassing zou
geschieden door eene — wellicht zeer kleine — minderheid, zonder dat aan de
afwezige meerderheid althans de gelegenheid gegeven is om zich, in eene tweede
vergadering, te laten gelden. 1869, bl. 108, 146. Hiermede overeenkomende is
ook aan den Kerkeraad van Bergum, die, wegens het onderscheid tusschen
kerkelijke vergaderingen en bestuursvergaderingen, de bepaling van art. 9 van
het Alg. Regl., in zijn plaatselijk reglement, buiten toepassing wilde laten op
de vergaderingen van stemgerechtigden tot het doen van benoeming, enz. en
nu, de goedkeuring daarop van het Classikaal Bestuur van Leeuwarden niet
kunnende verkrijgen, inlichting verzocht van de Synodale Commissie, geantwoord:
dat in casu het genoemde onderscheid niet mocht gemaakt worden, vermits wat
in art. 9 Alg. Regl. bepaald is omtrent de vergaderingen van kerkelijke besturen,
hier toepasselijk gemaakt is op de vergaderingen van kiescollegies en van stem-
gerechtigden, tot de benoeming van oudd. en diakk. en tot de beroeping van
predd. belegd; zoodat in dozen geene benoeming gedaan, evenmin als in genen
een besluit genomen kan worden, zoo minder dan twee derde der leden aan-
wezig zijn. 1872, Bijl. B, bl. 263—265; goedg. Handd. bl. 293, 294.
Eenmaal \'s jaars, enz. Ten einde verwarring te voorkomen in gemeenten,
wier getal van stemgerechtigden nu rijst boven de 100, dan daalt beneden dat
getal, waardoor zelfs in den loop van één jaar eene herhaalde verandering in
de wijze van verkiezing noodig zou kunnen worden, zijn de twee laatste alinea\'s
aan dit art. toegevoegd en in werking gekomen 1 Maart 1871. De kiezerslijst
blijft alzoo gedurende een jaar onveranderd, wat dan ook ten gevolge heeft, dat
zij, die niet op de lijst geplaatst zijn, ook gedurende dat jaar niet als kiezers
kunnen optreden, al hebben zij ook zelfs kort na het vaststellen der lijst de
vereischten tot stembevoegdheid, naar art. 1, verkregen.
Art. 4. Binnen zes maanden, nadat de meerderheid het recht tot
benoeming van ouderlingen en diakenen en tot beroeping van pre-
dikanten, volgens art. 2, zich heeft voorbehouden, wordt de uitvoering
van art. 3 door den Kerkeraad bij plaatselijk reglement geregeld. De
Kerkeraad zendt dat reglement ter beoordeeling aan het Classikaal
Bestuur. Wanneer het Classikaal Bestuur oordeelt, dat het plaatselijk
reglement niet in strijd is met dit reglement, noch met andere alge-
meene of bijzondere reglementen, zoo onderwerpt dat bestuur het
aan de goedkeuring van het Provinciaal Kerkbestuur. Met verande-
-ocr page 273-
234           Reglement op de Benoeming van Ouderlingen, enz.
ringen in meer genoemd plaatselijk reglement wordt op dezelfde wüze
te werk gegaan. Aanstonds na de goedkeuring treden zoowel geheel
het reglement als de daarin gemaakte veranderingen in werking.
Indien in de kosten van het werk der verkiezing niet op eene andere
wyze kan worden voorzien, verbindt de Kerkeraad de uitoefening van
het stemrecht aan eene contributie, die evenwel de som van één gulden
\'s jaars niet mag te boven gaan.
Bij plaatselijk reglement geregeld. Hoe te handelen in gecombineerde gemeenten,
wanneer in de ééne de oude wijze van benoeming en beroeping is blijven bestaan,
terwijl de andere gemeente de nieuwe wijze heeft aangenomen, of ook indien,
ten gevolge van art. 3, in de ééne gemeente een kiescollegie bestaat, in de
andere de stemgerechtigden zelve optreden ? Daar de kieswet niet meer dan de
algemeene regelen kan vaststellen, wier toepassing door de Kerkeraden behoort
te geschieden met het oog op den eigenaardigen toestand hunner gemeenten,
en daar meestal, bij de samenvoeging van twee of meer gemeenten, omtrent het
aandeel dat elke gemeento zal hebben in de beroeping van den gemeenschap-
pelijkon predikant, schikkingen zijn getroffen, die behooren te worden geëer-
biedigd, zoo heeft de Synode voor deze zaak geene aanvulling van het reglement
noodig gekeurd, maar alleen uitgesproken en ter algemeene kennis gebracht,
naar welke beginselen behoort gehandeld te worden, opdat in de plaatselijke
regll. der betrokken gemeenten daarmede overeenkomende bepalingen mochten
gemaakt worden. Wanneer nl.< in gecombineerde gemeenten de benoeming van
oudd. en diakk. niet op dezelfde wijze geschiedt (hetzij dat de eene den Ker-
keraad heeft gemachtigd, de andere niet; hetzij dat in de ééne een kiescollegie
bestaat, in de andere de stembevoegden zelve de keuze uitbrengen), dan behoort
de beroeping van den gemeenschappelijken predikant in het plaatselijk reglement
dus te worden geregeld, dat elke gemeente daarop zooveel invloed oefent, als
haar volgens daaromtrent bestaande overeenkomst wettig toekomt; bij gemis van
zoodanige overeenkomst worde de mate van dien invloed bepaald door het aantal
van de stembevoegden in elke gemeente. 1869, bl. 119, 120, 146. Verg. 1867,
bl. 129; 1868, bl. 101, 145; 1869, Bijl. B, bl. 76—78. Verg. ook het advies
der Syn. Comm. ter zake eene door de Class. Verg. van Nijmegen verlangde
regeling van de belangen, rechten en verplichtingen van gecombineerde gemeenten,
welke geoordeeld is niet noodig te zijn: 1877, Bijl. B, bl. 138, 139.
Met veranderingen, enz. Deze woorden tot aan het einde der al. zijn in wer-
king gekomen den 1 Febr. 1873, terwijl vóór dien tijd hier ter plaatse alleen
gelezen werd: „Aanstonds na de goedkeuring treedt het in werking." Tot do
aanvulling heeft geleid de overweging, dat de plaatselijke reglementen, van welke
hier sprake is, om meer dan ééne reden niet gelijk staan met de plaatselijke
reglementen tot regeling van de huishoudelijke belangen der gemeente, bedoeld in
art. 25 van het Alg. Regl., welke (met uitzondering van de tijdelijke bepaling
van art. 29 Regl. voor de Kerkeraden) vastgesteld en gewijzigd kunnen worden
alleen onder mededeeling aan het Classikaal Bestuur, en dat men uit misverstand
zeer ligt art. 25 van het Alg. Regl. ook op veranderingen in het plaatselijk
kies-reglement zou kunnen toepassen en zelfs hier en daar werkelijk had toe-
gepast. 1871, bl. 347, 348; 1872, bl. 90—93, 105, 106.
De som van één gulden niet mag te boven gaan. Eene hoogere contributie, ten
einde daardoor het stemrecht te beperken, is onraadzaam geoordeeld. 1874, bl.
-ocr page 274-
Art. 4—6.
235
381. De vigeerende bepaling mag alleen in toepassing gebracht worden, waar
zij tot dekking der kosten noodzakelijk is. Eene beperking van het stemrecht
was ook vroeger herhaaldelijk ter sprake geweest, doch telkens afgewezen. (Zie:
1868, bl. 100, 101, 104, 105; 1869, bl. 114—117, 145, 146). Ook in 1874 vond
zij geene ondersteuning (Handd., bl. 172).
Art. 5. De ouderlingen en diakenen, die b\\j het in werking treden
der nieuwe wyze van verkiezing in dienst z\\jn, blijven hunne betrekking
vervullen tot dat hun diensttyd verstreken is.
Art. 6. De in art. 2 bedoelde beslissing van de meerderheid der
stemgerechtigden bluft van kracht gedurende vier jaren. Na verloop
van dezen termijn, en vervolgens telkens na verloop van tien jaren,
roept de Kerkeraad van nieuws de stemgerechtigden op, om te
beslissen over de vraag, of zy het recht tot verkiezing der kerkeraads-
leden zelven wenschen uit te oefenen op de in dit reglement beschreven
wijze, dan wel den Kerkeraad daartoe bepaaldelijk machtigen. De
bepalingen van art. 2 worden daarbij steeds in acht genomen.
Na verloop van dezen termijnjaren. De eerste termijn is verloopen na den
1 Maart 1871, de tweede na den 1 Maart 1881; de derde verloopt na den 1 Maart
1881 en wel telkens op den dag, waarop de eerste beslissing, in 1867, genomen
is. De bedoeling van den wetgever is ongetwijfeld geweest, dat de nieuwe
beslissing telkens niet vóór, maar óf op denzelfden datum of, zoo door omstan-
digheden dit niet wel geschieden kan, toch zoo spoedig mogelijk plaats hebbe.
Men behoeft echter, o. i. met de oproeping der stemgerechtigden niet te wachten
totdat de bepaalde termijn verstreken is. Van die handelwijze, waartoe eene al
te letterlijke opvatting der bepaling zou kunnen leiden, zou het zonderlinge
gevolg zijn, dat telkens de beslissing wat later genomen werd, wat zeker tegen
de bedoeling van den wetgever was. Om alle onzekerheid weg te nemen, ware
eene bepaling als in art. 2: „binnen drie maanden" hier gepast geweest. In 1869
is door de Synode, naar aanleiding van verschillende voorafgegane voorstellen,
voorloopig aangenomen om na den eersten volzin te lezen: „Na verloop van dezen
termijn roept de Kerkeraad van nieuws de stemgerechtigden op om te beslissen
over de vraag, of zij het recht tot verkiezing der kerkeraadsleden zelven wen-
schen uit te oefenen op de in dit reglement beschreven wijze, dan wel den
Kerkeraad daartoe bepaaldelijk machtigen. In gemeenten, waar zich de meer-
derheid voor het eerste verklaart, blijft hare beslissing voortduren van kracht.
Doch waar de stemgerechtigden den Kerkeraad machtigen, wordt hun telkens
om de vier jaren dezelfde vraag gesteld. Het voorschrift van art. 2, 2e lid, geldt
ook voor deze herhaalde stemmingen." Deze wijziging is echter ten volgendejaro
niet vastgesteld, maar de vrijheid der gemeenten, om in beide opgenoemde
gevallen tot eene vroegere wijze van benoeming terug te keeren gehandhaafd.
Ook de in 1874 gearresteerde afschaffing van het coöptatie-stelsel, is tegelijk
met de opheffing der kies-collegiën en met het overbrengen van de beroeping
van predikanten bjj de Kerkeraden, door de eindstemming der ProvincialeKerk-
besturen verworpen. Zie 1869, bl. 145, 146; 1870, bl. 94—99, 156, 157; 1874,
bl. 170—175, dn verder; 1875, Bijl. B, bl. 128.
Tegen het verplichtend stellen van de wijze van verkiezen naar art. 3 en vóór
het behoud der bestaande bepaling heeft steeds de overweging gegolden, dat het
-ocr page 275-
236 Reglement op de Benoeming van Ouderlingen , enz. Art. 6—7.
recht tot benoemen van oudd. en diakk. wel der gemeente toekomt (art. 23 A.lg.
Regl.), maar bet aan haar moet overgelaten worden, in hoe verre zij van dat
recht gebruik wil maken. Het tegenwoordig reglement geeft aan de gemeenten
ruimte om op wettige wijze haar recht uit te oefenen of te doen uitoefenen.
Verg. 1867, b). 54.
Art. 7. Met de invoering van dit reglement zijn art. 6 van het
Synodaal reglement voor de Kerkeraden en art. 48 van het Reglement
op de Vacaturen vervallen.
Met de hier genoemde artt. zijn de vroeger vigeerende bedoeld, die echter den
1 Maart 1869 gewijzigd zijn, ten einde ze met dit regl. in overeenstemming te
brengen. Zie aantt. op art 5 Regl. v. d. Kerkeraden en 48 Reglement op de
Vacaturen. Te gelijk met die wijziging had eigenlijk dit art. 7 moeten zijn
weggenomen.
Dit Reglement is in werking gekomen den 1 Maart 1867. Het
concept, met eene memorie van toelichting aan de Prov. Kerkbesturen
en Classikale Vergaderingen toegezonden, is te vinden: Syn. Handd.
1865, bl. 106—112. Verg. ook het belangrijk rapport te dezer zake
het volgende jaar uitgebracht en de deliberatiè\'n daarover: 1866, bl.
140—166, 190—207. En niet minder belangryk is het rapport ter
handhaving van de beginselen, waarvan dit regl. uitgaat, tegen
bedenkingen door de Classikale Vergadering van Arnhem ingebracht:
1867, bl. 53—56.
-ocr page 276-
REGLEMENT
OP HET
HOOGER ONDERWIJS IN DE GODGELEERDHEID TOT VORMING VAN
EVANGELIEDIENAREN VOOR DE NEDERLANDSCHE
HERVORMDE KERK.
(Vastgesteld den 24 Augustus 1877.)
Art. 1. In de steden Leiden, Utrecht en Groningen wordt, tot
aanvulling van het aan de daar gevestigde Universiteiten gegeven
onderwijs in de godgeleerdheid, van wege de Nederlandsche Her-
vormde Kerk hooger onderwijs in de godgeleerdheid gegeven tot
vorming van hare aanstaande evangeliedienaren. Dit onderwijs wordt
ook te Amsterdam gegeven, indien het geschieden kan zonder geldelijk
bezwaar voor de Kerk.
Art. 2. Van wege de Nederlandsche Hervormde Kerk wordt
hooger onderwijs gegeven in:
a.    de geschiedenis der Nederlandsche Hervormde Kerk en hare
leerstellingen;
b.   de bybelsche godgeleerdheid;
c.    de leerstellige godgeleerdheid;
d.   de practische godgeleerdheid met de daarbij vereischte oefeningen;
e.    het Nederlandsch-Hervormd kerkrecht;
ƒ.
   de geschiedenis der Christelijke zending;
en, voor zoover zulks noodig is, in:
g. de oordeelkunde en uitlegkunde des bh\'bels;
h. de bn\'belsche geschiedenis;
i. de Christelijke zedekunde;
en voorts in alle andere vakken, waaromtrent te eeniger tijd blijken
zal, dat aanvulling van het universitair onderwijs noodzakelijk is.
Art. 3. In elke stad, waar het in art. 2 genoemd onderwijs gegeven
wordt, is dit opgedragen aan twee hoogleeraren.
-ocr page 277-
238 Rbol. op het Hoooer Onderwijs in de Godgeleerdheid.
Abt. 4. Tot hoogleeraar kunnen benoemd worden:
a. zij, die herder en leeraar zynof geweest zy\'n inde Nederlandsche
Hervormde Kerk;
h. candidaten tot de h. dienst in dezelfde kerk, mits zy doctor in
de godgeleerdheid zyn en niet geroepen worden tot het geven
van onderwas in practische vakken.
Het ambt van kerkelijk hoogleeraar is onvereenigbaar met het ambt
van hoogleeraar of buitengewoon hoogleeraar aan eene universiteit.
Abt. 5. De benoeming van hoogleeraren geschiedt door de Alge-
meene Synode uit eene alphabetisch gerangschikte, met redenen
omkleede voordracht van drie personen voor elke vacature.
Deze voordracht wordt opgemaakt door eene Commissie van voordracht
voor de benoeming van hoogleeraren in de godgeleerdheid van wege
de Nederlandsche Hervormde Kerk.
De leden dezer Commissie worden gekozen door de Provinciale
Kerkbesturen en de Commissie tot de zaken der Waalsche kerken,
die uit hunne leden of de secundi van dezen elk één lid en eenen
secundus voor den tijd van drie jaren benoemen.
»:**/ Zy zijn herkiesbaar, wanneer zij tijdens hunne aftreding leden of
*^%y~~ secundi van een Provinciaal Kerkbestuur of van de Commissie tot de
Pj jf/Sfi zaken der Waalsche kerken zijn.
7{^>w)r Hij, die tot eene voordracht heeft medegewerkt, wordt, indien liy
lid der Synode is, bij de benoeming uit die voordracht door zijnen
secundus vervangen.
Jaarlijks treedt, volgens een te maken rooster, zoo na mogelijk een
derde van de leden der commissie af. De eerste aftreding wordt door
het lot aangewezen.
Akt. 6. Wanneer een leerstoel van hooger onderwijs vacant wordt,
beslist de Synode, en, als deze niet vergaderd is, de Algemeene
Synodale Commissie of in het belang van het onderwijs eene buiten-
gewone vergadering van de Synode ter vervulling van de vacature
moet worden samengeroepen, en zoo ja, wanneer deze vergadering
zal plaats hebben.
Akt. 7. Uiterlijk vier weken vóór de vergadering der Synode,
waarin de benoeming van een hoogleeraar zal geschieden, komt de
commissie van voordracht te \'s Gravenhage byeen, door den secretaris
der Synode uiterlijk acht dagen te voren daartoe opgeroepen.
Inmiddels noodigt de secretaris der Synode ieder der van wege de
kerk aangestelde hoogleeraren uit, vóór de bijeenkomst der Com-
missie van voordracht advies in te zenden over de personen, die hy
voor deze betrekking aanbevelenswaardig acht.
Voor elke vergadering, bestemd tot het opmaken van eene voor-
-ocr page 278-
Abt. 4—11.                                          239
dracht, benoemt de Commissie uit haar midden eenen voorzitter en
eenen secretaris.
Ten opzichte van deze vergadering geldt het bepaalde in artt. 8 en
9 van het Algemeen Reglement voor de Ned. Herv. Kerk.
Ten aanzien van de adviezen der hoogleeraren, de gehouden beraad-
slagingen en de toelichting, waarmede de voordracht aan de Synode
wordt toegezonden (art. 5, Ie lid) is aan de leden der Commissie
geheimhouding opgelegd.
Abt. 8. De benoemde hoogleeraar. verklaart binnen ééne maand
na het ontvangen van de kennisgeving van zn\'ne benoeming, of hij
haar aanneemt.
Is die verklaring bij het verstreken van genoemden termijn niet
geschied, zoo wordt h\\j geacht de benoeming te hebbeu afgewezen.
Abt. 9. De hoogleeraar ontvangt bh\' z\\jne benoeming opgaaf, in
welke van de in art. 2 onder a—j vermelde vakken hij onderwas zal
hebben te geven.
Ten opzichte van het geven van onderwas in vakken, die niet onder
a—ƒ vermeld zyn, treedt de Synode met hem of hy met de Synode
in overleg.
Den hoogleeraren, in dezelfde universiteitsstad werkzaam, is onder
goedkeuring van de Synode onderlinge verwisseling van de hier aan-
gewezen vakken van onderwijs geoorloofd.
Abt. 10. Binnen drie maanden nadat de hoogleeraar verklaard
heeft, de op hem uitgebrachte benoeming aan te nemen, aanvaardt
h\\j zyn ambt door in de stad, waarin hij werkzaam zyn zal, in het
openbaar eene rede te houden, b\\j welke gelegenheid de Synode door
haar Moderamen wordt vertegenwoordigd.
Aan het houden van die rede gaat onmiddellijk vooraf eene door
hem in handen van den president der Synode af te leggen belofte,
,dat hy zijn ambt met ijver en trouw overeenkomstig de bepalingen
van dit reglement zal waarnemen, en de belangen der Nederlandsche
Hervormde Kerk naar vermogen zal blijven behartigen."
Het Moderamen neemt, indien de benoemde hoogleeraar dienstdoende
predikant is, deze belofte niet af dan nadat door hem de akte van
ontslag is overgelegd.
10*. De kerkelu\'ke hoogleeraar bekleedt geen andere openbare
betrekking noch eenig ambt, waaraan eene bezoldiging verbonden is,
noch zonder toestemming der Synode \')•
1) De bijvoeging der laatste alinea van art. 10 en het art. 10* is in werking
getreden den 15 Januari 1887.
Abt. 11. Den hoogleeraren is aanbevolen, toezicht te houden op
het gedrag van de aanstaande evangeliedienaren en hen in den loop
hunner studiën met goeden raad bij te staan.
-ocr page 279-
240 Reol. óp het Hoooer Onderwijs in de Godgeleerdheid.
Het getuigschrift van goed zedelijk gedrag, voor de toelating tot
het examen ter verkrijging van bevoegdheid tot de evangeliebediening
vereischt, wordt door hen afgegeven.
Art. 12. De namen der studenten in de godgeleerdheid, die zich
tot de evangeliebediening in de Nederlandsche Hervormde Kerk voor-
bereiden, worden jaarlijks door den in diensttijd oudsten hoogleeraar
in elke universiteitsstad in een album ingeschreven.
De inschrijving geschiedt kosteloos, op vertoon van het bewijs, dat
de in art. 16 bedoelde bijdrage betaald is.
In een album ingeschreven. Het blijft daarbij den hoogleeraren, als vroeger
volkomen vrijstaan zul ken, die, zonder zich tot de evangeliebediening in de
Ned. Herv. Kerk voor te bereiden, slechts uit belangstelling hen verlangen te
hooren, tot hunne lessen toe te laten, zonder dat zij in het album behoeven
ingeschreven te worden of verplicht zijn de bijdrage volgons art. 16 te betalen.
Eene uitbreiding van laatstgenoemd art. door den hoogl. accjüoi voorgesteld, is
daarom door de Synode onnoodig geoordeeld. 1879, bl 9, 10, 277, 278.
Intusschcn zullen zij, die zich willen voorbereiden voor de evangeliebediening
in de Ned. Herv. Kerk, ten einde bij den Rector magnificus der Universiteit
ingeschreven te worden als studenten in de godgeleerdheid, gehouden zijn, het
bewijs over te leggen van hunne inschrijving in het Album der Kerkelijke
inrichting voor H. O. (1885 Bijl. B, bl. 136—138, Handd. bl. 125.
Art. 13. Aan de hoogleeraren is het praesidium opgedragen by
de voorstellen, waartoe het Reglement op het Examen de studenten
in de godgeleerdheid verplicht.
Art. 14. Met het einde van het studiejaar, waarin een hoogleeraar
den ouderdom van zeventig jaren bereikt, wordt hem door de Synode
eervol ontslag verleend.
Het wordt hem vroeger verleend, wanneer hij door langdurige
lichaams- of geesteskrankheid naar het oordeel der Synode voor zun
werk ongeschikt is geworden.
Art. 15. Den hoogleeraren worden jaarwedde en pensioen verzekerd
tot hetzelfde bedrag, als den hoogleeraren aan de Rijksuniversiteiten
zijn toegekend of zullen toegekend worden.
Art. 16. Voor het bijwonen van de lessen der van wege de kerk
aangestelde hoogleeraren wordt, gedurende hoogstens vier jaren,
jaarlijks eene som van ƒ 25 betaald.
VaïvMleze verplichting kan door de Algemeène Synadale Commissie,
nadat zssde hoogleerareXj^hoord heeft, oispénsatie worden verleend.
Uit hat fonds door deze bijdragen gevormd, /worden betaald de kosten
voor kodger onderwijs, alsmede die van de vergaderingen van de
Commissife van Voordracht Ien de reis- en verblijfkosten of presentie-
gelden van hunne leden.
Deze laatstgenoemde koi ten worden berekend naar art. 13, al. 2,
van het Reglement op de \'. :osten van bestuur.
X                \' \\
-ocr page 280-
N° 498 C.
Wijziging van Art. 1G al. 2 en 3 van het Regie-
ment op het Hooger Onderwijs in de
Godgeleerdheid enz.
Art. 10 al. 2 en 3 aldus te doen luiden:
„Uit het Fonds, door deze bijdragen gevormd, worden betaald :
a.  de kosten voor het Hooger Onderwijs;
b.   de kosten voor de vergaderingen der Commissie van Voor-
dracht ;
c.   de kosten van de buitengewone vergaderingen der Synode
tot benoeming van kerkelijke Hoogleeraren en die van
hunne installatie;
d.   de kosten van de vergaderingen der gezamenlijke kerke-
lijke Hoogleeraren, door de Synode of door de Algemeene
Synodale Commissie bijeengeroepen;
e.   de reis- en verblijfkosten van Hoogleeraren, geroepen om
in eene" andere Universiteitsstad het kerkelijk voorbereidend
examen mede af te nemen.
Alle reiskosten , uit dit Fonds te betalen, worden , voor zoover
van een publiek vervoermiddel kan worden gebrnik gemaakt,
berekend naar het hoogste tarief door de ondernemingen dier
vervoermiddelen vastgesteld.
De verblijfkosten of presentiegelden worden berekend tegen
zeven gulden daags."
Aldus vastgesteld door de Algemeene Synode der Neder-
landsche Hervormde Kerk den 15\'lei\' Augustus 1891, en na
kennisgeving aan H. M. de Koningin-Regentes, volgens Art. 1
der Wet van 10 September 185.*} {Staatsblad N" 102), uitge-
vaardigd door de Algemeene Synodale Commissie, om in werking
te treden den lsten Februari 1892.
De Algemeene Synodale Commissie der
Nederlandsche Hervormde Kerk,
M. A. Pekk , President.
L. Overman, Secretaris.
-ocr page 281-
Abt. 11-23.                                          241
Gedurende hoogstens—ƒ25 betaald. Wijziging in werking gekomen 1 Januari 1882.
Uit het fondskosten van bestuur. Deze bijvoeging in werking gekomen 15
Januari 1884.
Abt. 17. De aanvang van het studiejaar en de duur der vacantiè\'n
zyn bepaald in overeenstemming met art. 46 der Wet tot regeling
van het Hooger Onderwijs.
Abt. 18. Vóór den 15 Juli van elk jaar onderwerpen de hoogleer-
aren aan het oordeel der Synode de lyst der lessen, in het volgende
studiejaar door hen te geven.
De Synode stelt de door haar goedgekeurde lyst vast.
Abt. 19. De hoogleeraren, in iedere universiteitsstad gevestigd,
zenden jaarlyks aan de Synode een verslag van den staat van het
onderwys gedurende het laatst geëindigde studiejaar.
Abt. 20. Een hoogleeraar, die zich aan plichtverzuim of wangedrag
schuldig maakt, wordt deswege gehoord door de Synode, by uitloting
op de helft harer leden verminderd, en, indien daartoe termenblyken
te bestaan, door haar uit zyn ambt ontslagen. Hy kan van die uitspraak
herziening vragen by de geheele Synode, die definitief beslist.
Artt. 16, 17, 18, 19 en 55 van het Reglement voor Kerkelyk opzicht
en tucht zyn hierbij van toepassing.
Abt. 21. By het in werking treden van dit Reglement worden
alle in andere reglementen hiermede strydige bepalingen buiten
werking gesteld.
OVEBGANGSBEPALINGEN.
Abt. 22. Vóór het opmaken van de voordracht voor de eerste
benoeming van hoogleeraren wordt het advies ingewonnen van die
leden der godgeleerde faculteiten, die benoemd zyn krachtens het
organiek besluit van 2 Augustus 1815, no. 14.
Abt. 23. Wanneer de benoeming van hoogleeraren voor de eerste
maal geschiedt, zal de in art. 5 van dit Reglement genoemde Com-
missie aan de Synode eene alphabetisch gerangschikte, met redenen
omkleede, voordracht aanbieden van een twaalftal (of zestiental), in
overeenstemming met .art. 1, waaruit de Synode zes (of acht) hoog-
leeraren kiest.
Dit Reglement is, nadat het, naar art. 62 van het Alg. Regl., aan
de eindstemming van de leden der Provinciale Kerkbesturen onder-
worpen en daarop ook, naar de Wet op de kerkgenootschappen, de
goedkeuring, zooveel noodig, door de Regeering verleend was, in
werking getreden den 15 Dec. 1877.
Kerkelijk Wetboek, 2e druk.
ir,
-ocr page 282-
VERORDENINGEN
OP HET
PREDIKEN VAN CANDIDATEN IN DE GODGELEERDHEID.
Abt. 1. Het is aan studenten vergund voor eene gemeente te
prediken, onder voorwaarde dat zy
a.    lidmaat zyn der Hervormde Kerk;
b.     candidaat in de godgeleerdheid;
c.     een voorstel onder voorzitting van een der door de Kerk aan-
gestelde hoogleeraren gedaan hebben, en
d.    van een goed zedelyk gedrag zn\'n.
De predikant, voor wien zij zullen optreden, verzekert zich vooraf,
dat zy deze vereischten bezitten, wat het eerste betreft door een
getuigenis van den Kerkeraad hunner woonplaats, en omtrent het
overige door een getuigenis van eender kerkelyke hoogleeraren, onder
wiens voorzitting zij een voorstel hebben gedaan.
Het getuigschrift aangaande het zedelijk gedrag zal niet langer dan
één jaar na de dagteekening geldig zyn.
De vergunning aan een candidaat in de godgeleerdheid om te prediken
in eene gemeente vervalt, wanneer hy niet binnen drie jaren na
dagteekening van zyn candidaatsexamen als candidaat tot de heilige
dienst is toegelaten.
Vergund voor eene gemeente te prediken. Yele leden der Synode van 1866
waren van gevoelen, dat het prediken voor de gemeente, als toch een voornaam
deel uitmakende van de evangeliebediening, volgens de bepalingen van het
reglement op het examen voor de toelating tot die bediening, niet mag worden
toegestaan alvorens dat examen met een gunstig gevolg is afgelegd en dat ook
het verbod van te prediken, in geval van afwijzing, na dat examen, den afge-
wezene slechts te dieper vernedert en tot allerlei verkeerde gevolgtrekkingen kan
leiden; terwijl de Verordeningen omtrent het prediken van candidaten, met hoe-
veel zorg ook gesteld, de misbruiken niet kunnen verhoeden, welke aan de
-ocr page 283-
Art. 1—5.                                           243
vergunning tot dat prediken noodwendig verbonden zijn. Andere leden ver-
klaarden evenwel, dat zij het zeer zouden betreuren, indien die Verordeningen
werden ingetrokken, niet slechts omdat het hier geldt een overoud gebruik,
even zoowel in andere Protestantsche gemeenten als in onze Hervormde Kerk
aangetroffen, maar bovenal omdat de candidaten daardoor eene gewenschte
gelegenheid bezitten om zich in het prediken te oefenen en met liefde voor
de evangeliebediening bezield te worden. De Synodale Commissie, aan welke
dientengevolge werd opgedragen, in overweging te nemen „of het ook
geraden zou zijn meergenoemde Verordeningen in te trekken", heeft in een
belangrijk advies hare zienswijze omtrent de ongegrondheid der bezwaren,
die tegen dat prediken aangevoerd waren, en de redenen, die voor het
behoud der bestaande bepalingen pleiten, uiteengezet, met welk advies de
Synode van 1867 zich vereenigd heeft. 1866, bl. 188; 1867, bl. 18, Bijl. B,
bl. 23—30.
Een der door de Kerk aangestelde hoogleeraren Ten gevolge van het in
werking komen van het Reglement op het Hooger Onderwijs in de Godge-
leerdheid, zijn in dit art. eenige wijzigingen aangebracht, nl. sub c de
invoeging van „door de Kerk aangestelde" vóór „hoogleeraren" en in al. 2
de bepaling omtrent de in de tweede plaats genoemde getuigenis, vroeger
af te geven door de godgeleerde faculteit, nu door den hier aangeduiden
kerkelijken hoogleeraar. Deze wijzigingen zijn in werking gekomen den 15
Jan. 1879.
De vergunning, enz.    Met deze al., in werking gekomen 1 Maart 1869, moet
vergeleken worden de   bepaling van art. 22, al. 2 Regl. op het Examen, dat
een candidaat, die bij   het examen ter toelating tot de evangeliebediening is
afgewezen, zich heeft   te onthouden van de openbare evangelieprediking, tot
den tijd toe, dat hij,   krachtens hernieuwd examen, tot de evangeliebediening
is toegelaten.
Art. 2. Zij mogen niet voor eene gemeente optreden, dan in tegen-
woordigheid, of althans met toestemming van den predikant dier
gemeente, of van één der predikanten.
Art. 3. In ééne en dezelfde gemeente mogen niet meer dan zes
predikbeurten, gedurende den t\\jd van één jaar, door candidaten in
de godgeleerdheid vervuld worden, tenzij met goedkeuring van den
Kerkeraad.
Art. 4. Geene openbare godsdienstoefening zal door candidaten in
de godgeleerdheid mogen geleid worden in eene vacante gemeente,
overeenkomstig art. 25 van het Reglement op de Vacaturen.
Art. 5. Een candidaat in de godgeleerdheid is evenmin be-
voegd tot de inzegening van het huwelijk en de bevestiging van
kerkeraadsleden, als tot de bediening van den Doop en het
Avondmaal.
1G*
-ocr page 284-
244                          Verordeningen , enz. Art. 67.
Art. 6. De predikanten in het bijzonder en de Kerkeraden in het
algemeen, zyn verplicht deze bepalingen in acht te nemen, en des-
wegens verantwoordelijk voor het Classikaal Bestuur, waaronder zy
ressorteren.
Art. 7. Het toezicht over de inachtneming dezer verordeningen
is aan de Kerkeraden en hoogere kerkelijke besturen bn\'zonder aan-
bevolen.
Deze Verordeningen, gearresteerd door de Algemeene Synode der
Nederlandsche Hervormde Kerk, bij besluit van den 28 Juli 1858,
zijn uitgevaardigd door de Algemeene Synodale Commissie, in hare
zitting van den 5 November deszelfden jaars, en zulks ter vervanging
van de Synodale Verordeningen omtrent het prediken van Studenten, van
den
8 Juli 1834 (bij hooijkr, t. a. p., bl. 352, 353).
-ocr page 285-
REGLEMENT
OP HET
FONDS DER NEDERLANDSCHE HERVORMDE KERK TER VOORZIENING
IN DE GEESTELIJKE BEHOEFTEN VAN HARE GEMEENTEN,
WAAR EIGEN MIDDELEN ONTBREKEN.
Art. 1. In de Nederlandsche Hervormde Kerk bestaat een Fonds
ter voorziening in de geestelijke behoeften van hare Gemeenten, waar
eigen middelen ontbreken,
waarvan het beheer berust by de Algemeene
Synode.
Fonds ter voorziening, enz. In 1863 heeft de Synode tot de oprichting van
dit fonds besloten; en nadat aan eene uitnoodiging tot het houden een er collecte
door vele Kerkeraden gevolg gegeven en alzoo de grondslag voor het fonds
gelegd was, kon het reeds in het volgend jaar als gevestigd beschouwd worden.
De door de Synode en Syn. Comra., voor het beheer en den tijd en de wijze
van de inzending der aanvragen om ondersteuning uit dit fonds, bij de oprichting
bereids vastgestelde regelen en bepalingen, zijn in 1868 in dit Reglement opge-
nomen, en hebben alzoo naar art. 61 van het Alg. Regl. een wettig karakter
verkregen. Zie de Handd. der Syn. in 1863, 1864, 1867 en 1868 op de in de
Registers aangewezen bladzijden.
Art. 2. Dit fonds bestaat uit een kapitaal van inschrijving\' op een
van de Grootboeken der Nederlandsche Schuld, hetwelk vergroot wordt
door hetgeen daaraan bij uiterste wilsbeschikking wordt vermaakt en
door de batige saldo\'s, alsmede, indien de behoeften het toelaten, door
een vierde deel zoo der jaarln\'ksche bijdragen als der giften.
Heticelk vergroot wordt, enz. Een voorstel van het lid der Synode, den Heer
von Reeken, in 1875 gedaan, om de baten der inzamelingen en gemaakte renten
in haar geheel voor de noodig geoordeelde ondersteuning jaarlijks beschikbaar
te stellen, is niet aannemelijk geacht met het oog op de vaste bijdragen voor
de pred. tractementen van nieuwe gemeenten, waarvan de geregelde uitkeering
door een voldoend bedrag der renten van een vast kapitaal verzekerd behoort
te blijven, terwijl ook de renten overigens mede moeten gebezigd worden voor
de voorziening in de tijdelijke behoeften. Zie Handd. van dat jaar, bl. 31, 32.
liet stelsel van kapitalisatie, zooals het in dit artikel is aangenomen, kan
alleen voldoenden waarborg verschaffen, dat de aan eene nieuwe gemeente
-ocr page 286-
246 Reöl. op het Fonds ter Voorz. in de Geestel. behoeften
toegezegde bijdrage, waarop het alterum tantum van de Regeering gevraagd en
verkregen wordt, aan haar verzekerd bljjve. Verg. 1868, bl. 37, 39, en deaant.
op art. 5 van het Regl. op de Erkenning van Nieuwe Gemeenten.
Indientoelaten. Wijziging in werking getreden 15 Januari 1883.
Abt. 3. Aan de Kerkeraden blijft het overgelaten, ten behoeve
van dit fonds jaarlijks gelden in te zamelen op zoodanige wijze en
tijden, als door hen meest geschikt zal geoordeeld worden.
Op zoodanige wijze, enz. De Synode heeft den Kerkeraden, behalve het houden
van collecten in de kerk of langs de huizen der gemeenteleden, bijzonder aan-
bevolen het vragen van vaste jaarlijksche bijdragen tot wederopzeggens toe, —
ook waar dit geschieden kan van de kerkelijke administratiën. 1863, bl. 376.
Ten einde meer algemeene belangstelling in het fonds te wekken, heeft de
Synode in 1876 de medewerking der Class. Besturen ingeroepen. Handd.
v. d. j., bl. 35.
Art. 4. Uit dit fonds worden gelden verstrekt:
A.   tot voorziening in de predikdienst:
1°. bij verwijderde gedeelten van gemeenten, door het bezoldigen
van eenen hulpprediker of godsdienstonderwijzer, en het verleenen
van hulp voor zoodanig predikantstractement\'), als noodig geoordeeld
wordt om ze tot afzonderlijke gemeenten te verheffen;
2°. by groote gemeenten, waar het getal predikanten te gering is,
door het verstrekken van hulp ter gedeeltelijke vervulling der pre-
dikbeurten;
3°. bij gemeenten, die door ziekte van eenen predikant of door
langdurige vacature tijdelijk schade lijden, door het geheel of gedeel-
tely\'k bezoldigen van eenen hulpprediker;
B.    tot voorziening in het godsdienstonderwijs en andere werkzaam-
lieden ten nutte der gemeenten, als:
1°. het houden van godsdienstoefeningen voor armen, voor krijgs-
lieden eu zeevarenden, of ook in hospitalen en liefdadige gestichten;
2°. het geven van godsdienstonderwijs aan de gewone catechisanten
en aan de schooljeugd;
3°. het houden van openbare bijbellezingen en voordrachten over
de kerkgeschiedenis;
4°. het bezoeken van kranken en hulpbehoevenden, en andere
dergelijke werkzaamheden;
C.    tot tegemoetkoming aan jongelieden van goeden aanleg en
gunstige verwachting in de kosten hunner opleiding tot de betrekking
van godsdienstonderwijzer.
1) Hulp voor zoodanig predikantstractement. Zie de aanmerkingen bij art. 7.
Tot afzonderlijke genieenten te verheffen. Ecne in 1871 voorloopig aangenomene
toevoeging t. d. p. van de woorden: „of ze in stand te houden", is in 1872 naar
daarover uitgebracht rapport teruggenomen. De Synode was met hure daarover
rapporterende Comm. van oordeel, dat het wel op den weg van het fonds voor
de schraalste predd. tractementen, maar niet op dien van het fonds tot voor-
-ocr page 287-
Art. 2-7.                                           247
ziening in de geestelijke behoeften ligt, om gemeenten door verhooging van het
predd. tractement in stand te houden, en dat, zoo de voorgestelde bepaling in
het Regl. werd opgenomen, de aanvragen niet weinig vermeerderen en de Synode
in niet geringe moeielijkheden brengen zouden. Zie 1871, bl. 46; 1872, bl. 216,
217, 266. Zie overigens omtrent de wijze, waarop verwijderde gedeelten van
gemeenten tot afzonderlijke gemeenten verheven worden, het Regl. op de
Erkenning van Nieuwe Gemeenten, boven bl. 160 enz.
Tegemoetkoming aan jongelieden, enz. Deze bepaling zou gelegenheid geven
tot de oprichting van lang gewenschte katecheten-scholen, indien de daarvoor
noodige gelden uit de inkomsten van het fonds konden worden bestreden. Verg.
het voorstel dienaangaande door de Syn. Comm. gedaan en het rapport te dezer
zake uitgebracht met de daarover gevoerde beraadslagingen: 1875, bl. 59—61,
105, 106, Bijl. B, bl. 193; 1876, bl. 11, Bijl. B, bl. 152—154.
Art. 5. Er worden geene jaarlyksche bydragen tot predikants-
tractementen, zooals in art. 4 onder Al0, bedoeld z\\jn, toegekend,
dan die door de renten van het vaste kapitaal ten volle kunnen
bestreden worden.
Art. 6. De aanvragen om ondersteuning uit het fonds worden
door den Kerkeraad of, waar het nieuw op te richten gemeenten
betreft, ook door belanghebbende personen of door hunne gecommit-
teerden ingezonden by de Algemeene Synodale Commissie door tus-
schenkomst van de Classikale Besturen en Provinciale Kerkbesturen,
opdat deze daarbij hunne adviezen voegen.
Art. 7. B\\j elke aanvraag wordt gevoegd eene naauwkeurige opgave
der bestaande behoefte en van het bedrag der verlangde hulp. Geldt
de aanvraag bestaande gemeenten, zoo moet bovendien worden over-
gelegd de volledige staat der inkomsten en uitgaven van hare ker-
kelyke administratie en van de goederen en inkomsten der pastorn\',
waar die in mindere of meerdere mate aanwezig zijn; terwn\'1 eindelijk,
ook voor nieuw op te richten gemeenten, moet worden opgegeven al
wat tot het doel, waarvoor de aanvraag geschiedt, reeds verzameld
of toegezegd is, of, de toestand der gemeente in aanmerking genomen,
redelijkerwijze verwacht mag worden.
Bij elke aanvraag. De aanvragen ook voor gemeenten, die eene z.g. vaste
toelage genieten (volgens art. 4. Al0), moeten jaarlijks geschieden. Eigenlijk
gezegde vaste toelagen kent het reglement niet. Men kan er alleen door verstaan
de zoodanige, die verleend worden, zoolang en in die mate als de behoefte blijft
bestaan. Waar de Regeering een rijkstractement verleend heeft onder voorwaarde,
dat het volle predikantsinkomen eene bepaalde som bedrage, daar kan men
voortdurend op deze uitkeering uit \'s lands kas rekenen, zoolang slechts het cijfer
der bijdragen, \'tzij van de Synode, \'tzij van de gemeente of gezamenlijk hoog
genoeg is om aan die voorwaarde te voldoen. Der regeering is het onverschillig,
uit welke fondsen het tractement wordt bijeengebracht, indien slechts het door
haar, bij de toekenning van subsidie, vastgestelde tantum niet vermindere-
Daarom heeft de Synode volle vrijheid, om, wanneer de gemeente-bijdrage klimt,
-ocr page 288-
248 Regl. op het Fonds ter Voorz. in de Geestel. behoeften.
de Synodale of geheel te doen ophouden of te verminderen. Uit een oogpunt
van billijkheid gaat zij echter hiertoe c.q. alleen over hij ontstane vacature.
1884, bl. 33—37.
Naauwkeurige opgave, enz. De gesubsidieerde gemeenten behooren, zooalso. a.
te Helenaveen geschiedt, pogingen aan te wenden tot het aanleggen van een
fonds, waarvan de rente strekken kan om geheel of ten deele de toelage van dit
fonds te kunnen ontbeeren. 1882, bl. 17, 18; Bijl. A, bl. 38.
Inkomsten der pastorij. Door het verleenen van persoonlijke toelagen hebben
dikwijls groote veranderingen in de inkomsten van den pred. plaats. Daar het
gewenscht is, dat die toestand in de betrokken gemeenten goed gekend worde,
heeft de Synode aan de Synodale Commissie opgedragen, bij de voordrachten
eene opgave over te leggen van de inkomsten, aan den predikant toegekend.
1882, bl. 19, 20.
Art. 8. De aanvragen moeten jaarlijks vóór 1 September ingediend
worden bij het Classikaal Bestuur. Dat Bestuur doet ze vóór den eersten
"Woensdag in October aan het Provinciaal Kerkbestuur toekomen,
hetwelk vóór den eersten Januari daaraanvolgende die aanvragen
verzendt naar de Algemeene Synodale Commissie.
Later ingekomen aanvragen, met uitzondering van die ter voor-
ziening in eene onverwacht ontstane tijdelijke behoefte, worden door
de Synodale Commissie niet in hare voorjaarsvergadering behandeld,
maar eerst by die van het volgend jaar aan de orde gesteld.
Art. 9. Bij gelijktijdige toezending van aanvragen om ondersteuning
doen de Classikale Besturen en Provinciale Kerkbesturen in hunne
adviezen bijzonder uitkomen, welke aanvragen wegens den aard en
den drang der behoeften het meest in aanmerking moeten komen.
Art. 10. De Algemeene Synodale Commissie benoemt in hare najaars-
vergadering uit haar midden voor de verschillende provinciale ressorten
correspondenten tot voorloopig onderzoek der in hunne handen te
stellen aanvragen.
Art. 11. Jaarlijks bepaalt de Algemeene Synode, op voordracht
van de Algemeene Synodale Commissie, welke betalingen uit het fonds
geschieden zullen, als ook over welke som de Commissie tot aan de
volgende Synode beschikken mag voor de in art. 4 onder A 3°. ver-
melde behoeften.
Art. 12. De Classikale quaestoren en de secretarissen van de Com-
missie voor de zaken der Waalsche kerken zenden jaarlijks, uiterlijk
vóór 31 December, aan den quaestor-generaal, met eene gespecificeerde
opgave, de door de Kerkeraden in dat jaar verzamelde gelden- en de
overige bij hen ingekomen giften voor het fonds.
Art. 13. De administratie van het fonds is opgedragen aan den
quaestor-generaal der Algemeene Synode, die lu. gemachtigd is tot
-ocr page 289-
Art. 7—14.
249
ontvangst der renten van de inschrijving op een der Grootboeken,
alsmede der legaten, giften en alle overige inkomsten en gelden, voor
het fonds bestemd; 2°. voor de tijdelijke belegging der beschikbare
gelden zorgt; 3°. aan de Algemeene Synodale Commissie, bij hare
voorjaarsvergadering, opgaaf doet van de beschikbare gelden; 4°. door
tusschenkomst der Classikale quaestoren en der secretarissen van de
Commissie voor de zaken der Waalsche kerken uitbetaling doet van
de toegekende uitkeeringen; 5°. door tusschenkomst der Synodale
Commissie aan de Synode jaarlijks rekening en verantwoording doet
van zijne gehouden administratie, benevens opgaaf van den staat van
het fonds; 6°. voor administratiekosten ƒ 400 \'s jaars geniet.
Art. 14. De Algemeene Synodale Commissie doet jaarlijks aan de
Kerkeraden mededeeling van den staat van het fonds en van de reke-
ning en verantwoording over het afgeloopen jaar met aanbeveling der
belangen van het fonds.
Mededeeling van den staat, enz. Tot meerdere bekendmaking van den toestand
van het fonds laten wij hier volgen de mededeeling, enz. van 1877.
„De Algemeene Synodale Commissie der Nederlandsche Hervormde Kerk deelt,
overeenkomstig art. 14 van het reglement op genoemde fonds, bij deze aan de
Kerkeraden den staat mede, waarin dit fonds zich bevindt.
„De ontvangsten over 1876 bedroegen:
Saldo van 1875..........f 66.48*.
Nagekomen bijdragen van 1875 f 271.56
Bijdragen van 1876 .... - 2722.26
------------- - 2993.82.
Afgeloste beleeningen........- 11000.00.
Rente v. f 117,700 Inschr. 2>t •/. - 3067.50
Van prolongatiën.....- 324.33*
f 3391.838
Af bijbetaalde rente van aange-
kochte f 10000 Inschr. 2* % - 96.53
------------- - 3295.30».
Buitengewone ontvangsten......- 11.00.
Te zamen . . . f 17366.61.
De uitkeering aan twaalf gemeenten:
Krommeniedijk, Heer-Hugowaard, Oos-
terdijk, Bakkeveen, Vroomshoop, Haaks-
bergen, Willemsoord, de Wilp, Helena-
vecn, Pesse, N. Amsterdam en N. Dord-
recht, vaste toelagen tot het tractement,
bij hare stichting haar toegekend (art.
4a Regl.)...........- 1850.00.
Aan zestien gemeenten: Laren, Fijenoord,
Capelle a/d IJssel, Hekendorp, Bussum,
Huizen , Haarlemmermeer, Vlieland, Sur-
huisterveen, Drogoham, Hoorns terz waag,
-ocr page 290-
250 Reosl. ch> het Fonds tee Vookz. in de Geestel. behoeften.
f 1850.00.
Over \'t Schild, Helenaveen, ISlitterswijk,
Huilen en Odoorn, voor ondersteuning in
tijdelijke behoeften (art. 4J Regl.) . . - 2927.78.
Geheel der uitkeering ... ƒ   4777.78.
Bij de uitgaven moet nog worden gevoegd:
Gelden op prolongatie.......f   5800.00.
Aangekochte Inschr. 1\\ %......-    6287.50.
Drukwerk............-       12.00.
Administratiekosten........-     400.00.
Te zamen ... ƒ 17277.28.
De ontvangsten waren.......- 17366.61.
„ uitgaven                   .......- 17277.28.
Saldo ... ƒ 89.33.
„Uit het medegedeelde blijkt, bij vergelijking met den staat van het voor-
gaande jaar, dat het cijfer der bijdragen niet weder aanmerkelijk verminderd
is, maar met f 63.13 is vermeerderd. Wij zouden ons hierover echter meer
verblijden, indien het ingezamelde in 1876 niet op zich zelf nog f 137.65
beneden dat in 1875 ware gebleven, en de vermelde gunstige uitkomst niet te
danken ware aan het hooger bedrag der nagekomen bijdragen van het voorgaande
jaar. — De uitkeeringen zijn van f 3929 tot f 4777.78 geklommen, en dus
toegenomen in 1876 met f 848.78. Hoogst wenschelijk is het dus, dat onze
opwekking van verleden jaar tot vermeerderde belangstelling in dit fonds door
aanzienlijke vermeerdering van het bedrag der inzamelingen in dit jaar blijke
ingang te hebben gevonden, en dit fonds op den duur krachtig worde on-
dersteund.
„\'sGravenhage, 30 Juni 1877.
De Algemeene Synodale Commissie voornoemd:
G. Molenkamp, President.
S. F. van Hasselt, Secretaris."
Dit Reglement is door de Synode vastgesteld in hare zitting van
den 9 Juli 1868, en, na vereischte kennisgeving aan de Regeering
en uitvaardiging door de Synodale Commissie, in werking gekomen
den 1 Maart 1869.
-ocr page 291-
KEOLEMENT
VOOR HET
DOOR GEMEENTEN DER NEDERLANDSCHE HERVORMDE KERK ONDER TOEZICHT
DER ALGEMEENE SYNODE GESTICHTE HULPPENSIOENFONDS VOOR
PREDIKANTEN, DIE HUN EERVOL EMERITAAT MET
RIJKSPENSIOEN HEBBEN VERKREGEN.
Art. 1. Het doel van het hulp-pensioenfonds is, aan predikanten,
die hun eervol emeritaat met rykspensioen hebben verkregen, eene
jaarlijksche toelage te verzekeren.
Het doel, enz. „Dat het pensioen van predikanten, die, na eene veertigjarige
dienst volbracht te hebben, hun emeritaat verkrijgen, onvoldoende is om in
hunne behoeften to voorzien, is sinds lang algemeen erkend geworden. Uit
\'s Rijks schatkist wordt hun het bedrag van het tractement, dat zij van wege
het land genoten, in den regel toegekend en, wanneer dit beneden de f 600
bedraagt, op laatstgemelde som bepaald; maar, hoe gunstig ook deze bepaling
moge schijnen, gaan daarbij alle inkomsten, welke zjj van de zijde hunner
gemeenten genieten, en voor velen het genot van eene vrije woning, verloren.
Dit verlies treft hen op een leeftijd, die zijne eigenaardige behoeften met zich
voert, en nadat zij al hunne krachten gedurende veertig en meer jaren aan het
heil hunner gemeenten hebben gewijd in eene betrekking, welker bezoldiging
bjj verreweg de meesten zeer karig mag genoemd worden en zeer zeker niet
toelaat daarvan iets over te leggen voor den ouderdom." Aanhef van de Cir-
culaire der Synodale Commissie van 27 Nov. 1873 aan de Kerkeraden , om tot
de stichting van het fonds op te wekken.
Art. 2. De inkomsten van het fonds bestaan uit:
a.   jaarlijksche bijdragen van gemeenten;
b.   giften en erfstellingen;
c.   rente van kapitaal.
Art. 3. Alle gemeenten, tot de Nederlandsche Hervormde Kerk
behoorende, kunnen aan dit fonds deelnemen en, met inachtneming
van het in art. 7 bepaalde, aan den predikant of de predikanten, bij
haar in dienst zijnde, die een eervol emeritaat met rijkspensioen
verkrijgen, eene jaarlijksche toelage verzekeren.
-ocr page 292-
252             Regl. op het Hulppensioenfonds voor Predikanten.
Alle gemeentenkunnen, enz. Het fonds moet aangemerkt worden als gesticht
door gemeenten der Ned. Herv. Kerk
(Zie het opschrift), door haar vrijwillig
bijeengebracht ten behoeve van hare leeraars.
Art. 4. De bydrage, door de gemeenten, die aan het fonds deel-
nemen, jaarlijks te voldoen, bedraagt voor elke predikantsplaats ƒ10.
Het staat echter aan de gemeenten vry deze bijdrage te verhoogen,
en evenzeer om in eens af eene som te storten, welker rente, berekend
tegen 4 ten honderd, met het bedrag der jaarlijksche bedrage
gelijk staat.
Voor elke predikantsplaats. De vraag, of eene gemeente met meer dan één
pred. kan deelnemen in dit fonds voor eene predikantsplaats, is door de Synode
met het oog op art. 3 en 4 in ontkennenden zin beantwoord. 1884, bl. 41, 142,
143. Onzes inzien te recht, indien de vraag onderstelt, dat dan alle predikanten
dier gemeente zouden kunnen deelen in het genot der uitkeering; maar te onrecht,
indien de gemeente verlangde alleen voor een bepaald aangewezen pred.plaats,
b. v. de oudste, deel te nemen. (Vergelijk Buiteng. Vergadering der Synode
1884, bl. 29, 30. — 1885, Bijl. A, bl. 80.
Art. 5. Het fonds treedt, met inachtneming van hetgeen in de
volgende artikelen bepaald wordt, in het leven in het loopende jaar
van 1875, zoodat de eerste bijdrage over dit jaar door de deelnemende
gemeenten behoort voldaan te worden vóór 1 Februari 1876.
Art. 6. Gemeenten, die vóór 1 Juli 1876 geen deel zullen genomen
hebben, zullen, indien z\\j later verlangen daaraan deel te nemen,
voor elk jaar, waarover de bijdrage door andere gemeenten betaald
is, eene som van twaalf gulden voldoen.
Door die gemeenten kan, indien de betaling in eens te bezwaarlijk
is, de geheele som der achterstallige bedragen in termijnen, ten
bedrage van minstens vijf gulden, worden voldaan. Het geheele bedrag
zal evenwel binnen tien jaren, na voldoening van den eersten termijn
moeten gestort zijn en zoolang dit niet geschied is, zal er geene
uitkeering kunnen plaats hebben.
De bepaling in het eerste lid van het artikel geldt niet voor nieuw
gestichte gemeenten, noch ook in gevallen van combinatiën of van
vermeerdering van predikantsplaatsen, indien de gemeente binnen
een jaar na de voorgevallen verandering verklaart aan het fonds deel
te nemen\').
De latere deelneming, in \'t eerste lid van dit art. genoemd, komt
niet ten goede van predikanten, die op het tijdstip der deelneming
hun 36ste dienstjaar hadden vervuld, of die in \'t geval der uitbreiding
van het Fonds, in den tweeden volzin van art. 7 vermeld, op het
tydstip der deelneming aan ziekte lijden, tenzij zy een getuigschrift
van een geneeskundige inleveren, dat deze ziekte niet noodzakelijk
tot emeritaat leiden moet8).
1)    Wijziging 1888, Hand. bl. 71.
2)    Deze vierde alinea in 1885, bl. 51; Bijl. B, bl. 113—115.
-ocr page 293-
Art. 3—8.                                            253
Abt. 7. De eerste toelage uit het foiids wordt uitbetaald aan pre-
dikanten, die in den loop van het jaar 1878 na veertigjarige dienst
hun eervol emeritaat zullen hebben verkregen en wier gemeenten aan
dit fonds hebben deelgenomen. Zoodra voor acht honderd predikants-
plaatsen aan het fonds zal zn\'n deelgenomen, of zooveel eerder als
de inkomsten van het fonds het zullen toelaten, worden de toelagen
verstrekt ook aan predikanten dier gemeenten, die in het genoemde
jaar of later om ziekte gepensioneerd worden.
Na veertigjarige dienst. „Eerst dan, wanneer de helft der vaderlandsche
gemeenten zal hebben deelgenomen, zal men met gerustheid de toelage ook aan
om ziekte gepensioneerden kunnen uitbreiden." Memorie van toelichting: 1875,
Bijl. B, bl. 154, 155. Veertig jaren als predikant in dienst der Kerk, en daarbij
mogen niet in aanmerking genomen worden de jaren niet in werkelijke dienst
doorgebracht. Hand. 1885, bl. 49.
Of zooveel eerdertoelaten. Bijvoeging, nadat twee malen over da aanneming
de stemmen hadden gestaakt, bij derde stemming aangenomen, 15 Augustus 1885.
Hand. 1885, bl. 51, 219, 223, 236, 349, 353. — Bijl. B, bl. 113.
Akt. 8. Gedurende de eerste vyf jaren, waarin het fonds bestaat,
bedraagt de jaarhjksche toelage aan, na veertigjarigen dienstt\\jd,
gepensioneerden niet meer dan ƒ 100.
Moge de staat van het fonds na verloop van dat tydperk eene ver-
hooging veroorloven, dan wordt deze op voordracht der Synodale
Commissie door de Synode vastgesteld.
Mocht het echter blijken, dat de inkomsten niet toelaten, aan
eiken rechtverkrijgende eene uitkeering van ƒ 100 te doen, dan wordt
het tantum over het afgeloopen jaar door de Synodale Commissie in
hare voorjaarszitting bepaald. In zoodanig geval zal echter het volle
bedrag der gemeentebü dragen en de rente van het kapitaal ter
bestrijding der uitkeeringen worden aangewend.
De toelage voor predikanten, die om ziekte gepensioneerd zyn,
wordt, evenals dit bij het rykspensioen plaats vindt, berekend voor
elk dienstjaar op \'/40 van het bedrag der toelage, die aan de na
veertigjarige dienst gepensioneerden wordt uitgekeerd.
„Bij een zeer groot getal personen, die na of voor een bepaalden tijd recht
verkrijgen op het genot van toelagen uit eenig fonds, zijn de bestaande sterfte-
tafels te raadplegen, en is \'t mogelijk met waarschijnlijkheid dat getal te bepalen.
Over een klein getal is dit zeer moeielijk, maar hier wordt het onmogelijk door
het verschil van leeftijd, waarop de predikantsbetrekking wordt aanvaard, en
niet het minst, omdat bij de oprichting van het fonds zij, die daardoor in de
toekomst kunnen gebaat worden, van zeer verschillenden ouderdom zijn.
„Bij het ontwerpen van dit reglement hebben gemeenten voor 415 predikants-
plaatsen deelgenomen. Het getal der na veertigjarige dienst door den Staat
gepensioneerde predikanten bedraagt gemiddeld 120. Indien men deze berekening
toepast op \',\\ van het geheele getal predikanten, zou men kunnen aannemen,
dat het maximum der op 415 predikantsplaatsen na veertigjarige dienst gepen-
sioneerden 30 zou bedragen en het fonds met zekerheid in staat zou kunnen
-ocr page 294-
254           Regl. op het Hulppensioenfonds vooe Predikanten.
geacht worden om de toelage voor elk hunner op minstens honderd gulden te
bepalen. Deze berekening zou echter kunnen falen, daar het tot de mogelijkheid
behoort, dat juist onder het getal der op dit fonds rechthebbenden een grooter
getal, dan \'/4 van het geheel, zou gevonden worden. Daar echter het maximum
van gepensioneerden eerst allengs verkregen en de batige sloten der eerste jaren
bij bet kapitaal zullen gevoegd worden, is het te verwachten, dat gedurende
de eerste tien jaren de toelage f 100 zal kunnen bedragen. Het reglement behoort
echter ook in het onverhoopte geval, dat er eene vermindering zou moeten
plaats hebben, te voorzien." Mem. van toel., t. a. p., bl. 155, 156, waarbij
moet opgemerkt worden, dat het concept-art. luidde: „Gedurende de eerste tien
jaren," enz.
                                           
Akt. 9. Wat er na aftrek van de uitbetaalde toelagen en admi-
nistratiekosten jaarlijks overblyft, wordt, evenals het bedrag der
geineentebydragen over 1875, 1876 en 1877, alsmede der giften en
erfstellingen gekapitaliseerd en op naam van het fonds op een der
Grootboeken N. W. S. ingeschreven.
Art. 10. Het toezicht over het fonds berust by de Algemeene
Synodale Commissie, die dit op gelijke wyze voert, als over de Synodale
fondsen. Zy doet jaarlyks verslag en opgave van den staat van het
fonds aan de Synode en deelt den hoofdinhoud van dit verslag mede
in het officieel orgaan der Kerk.
Het beheer over het fonds, de ontvangst, uitbetaling en belegging
der gelden is opgedragen aan den quaestor-generaal der Synode, die
hiervoor gedurende de eerste vijf jaren een honorarium van ƒ 150
\'s jaars geniet. Later zal het bedrag van het honorarium op voordracht
der Synodale Commissie door de Synode kunnen veranderd worden.
Bij de Algemeene Synodale Commissie. In het opschrift wordt het fonds om-
schreven als onder het toezicht der Synode te staan. „Hierdoor wordt het onder-
scheiden van de zoogenaamde Synodale fondsen, die ten bate der geheele kerk
zijn." Mem. v. toel., t. a. p., bl. 154.
Art. 11. Elke gemeente bezorgt hare bydrage over het afgeloopen
jaar vóór 1 Februari vrachtvry aan den quaestor van hare classis, die
het door hem ontvangene vóór 1 April met den quaestor-generaal
verrekent.
De quaestoren der dassen genieten voor kleine uitgaven 2\'\'2 pCt.
van de door hen over te maken gelden.
Art. 12. De uitbetaling der toelagen over het afgeloopen jaar
geschiedt aan de rechthebbenden in den loop der maand Juni van
het volgende jaar.
Indien een emeritus in de eerste helft van het jaar overlydt, hebben
zyne weduwe of, zoo hy geene weduwe nalaat, zyne kinderen of,
zoo hy ook geene kinderen nalaat, zijne tydens het overlyden wet-
tiglyk by hem inwonende verwanten, recht op de helft; en, indien
-ocr page 295-
Abt. 8—1G.
255
dit in de tweede helft van het jaar plaats vindt, op het geheel der
toelage.
Weduweverwanten. Bijvoeging 1885. Zie Hand. bl. 51, 52. Bijl. B, bl.
113—115.
Art. 13. Mocht eene gemeente ontrouw worden aan hare verbind-
tenis en ophouden de jaarlu\'ksche bijdrage te voldoen, dan verliest
zij daardoor alle rechten en aanspraak op het fonds. Wil zij later
weder onder de deelnemende gemeenten worden opgenomen, dan
betaalt z\\j, boven en behalve het achterstallige, berekend naar het
bepaalde in art. 6, al. 1, de som van ƒ50 voor iedere predikantsplaats.
Mocht die ontrouw plaats vinden in het tijdperk, dat een of meer
predikanten van zoodanige gemeenten toelagen uit het fonds genieten,
dan wordt aan dezen de toelage niet ontnomen, maar wordt telken
jare het bedrag van de jaarln\'ksche gemeentebijdrage afgetrokken.
Het ingehouden gedeelte der toelage wordt den predikant echter
geheel vergoed, indien de gemeente alle achterstallen heeft aan-
gezuiverd.
Art. 14. Predikanten, die op toelagen uit het fonds recht ver-
krügen, berichten zoo spoedig mogelijk aan den quaestor der classis,
waar zij zich metterwoon vestigen, wanneer hun emeritaat ingaat.
Art. 15. Gemeenten, die aan dit fonds wenschen deel te nemen,
geven daarvan bericht aan den quaestor der classis, onder welke zij
ressorteeren, die hiervan mededeeling doet aan den quaestor-generaal
der Synode.
Art. 16. In dit Reglement kunnen alleen door de Algemeene
Synode veranderingen gemaakt worden, na daarop, behalve over het
in artt. 8 en 10 bepaalde, de Kerkeraden der deelnemende gemeenten
gehoord te hebben.
„Deze bepaling schijnt wenschelijk om aan de gemeenten de zekerheid te geven ,
dat er met het door haar bijeengebrachte niet willekeurig zal worden gehandeld."
Mem. v. toel., t. a. p., bl. 156.
Dit Reglement is, als zijnde niet voor de gansche kerk, maar alleen
voor de vrijwillig toetredende gemeenten verbindend, na eenige in
het concept van de Synodale Commissie aangebrachte wijzigingen,
den 28 Juli 1875 aanstonds door de Alg. Synode gearresteerd, om in
werking te treden naar de bepaling in art. 5.
-ocr page 296-
REGLEMENT OP DE ALGEMEENS WEDUWENBEURS.
Aet. 1. Bü de Synode berust het beheer van een algemeen ker-
keljjk fonds, bestemd tot ondersteuning in de eerste plaats van de
weduwen en voorts van de minderjarige ouderlooze kinderen van de
predikanten der Nederlandsche Hervormde Kerk, en de predikanten
van Protestestantsche gemeenten in of buiten het vaderland, die,
oorspronkelijk tot deze kerk behoord hebbende, nog met haar in
betrekking staan.
De weduwen. Eene predikantsweduwe, die een tweede huwelijk aangaat, houdt
op predikantsweduwe te zijn , en kan, wanneer zij, met een particulier hertrouwd
geweest zijnde, op nieuw weduwe geworden is, niet als deelgerechtigde aan do
Algemeene "Weduwenbeurs aangemerkt worden. 1867, bl. 67, Bijl. A, bl. 102,
103; 1869, bl. 23, Bijl. A, bl. 85. Het vroeger geldende regl. op de weduwen-
beurs had in art. 6, 1° (Zie hooijer, Kerkelijke wetten, enz., bl. 161) hierom-
trent eene uitdrukkelijke bepaling, die in het tegenwoordige weggelaten is,
denkelijk omdat zij onnoodig geacht werd.
Die, oorspronkelijk tot deze kerk, enz. Slaat „die" op „predikanten" of op
„gemeenten"? O. i. op „predikanten". Zijn toch, naar art. ia al de dienstdoende
predikanten, in art. 1 vermeld, tot deelneming aan het fonds verplicht, die
verplichting kan moeielijk opgelegd worden aan andere predikanten dan die tot
de Ned. Herv. Kerk behooren of, hoewel nu niet meer in haar werkzaam, toch
met haar in betrekking gebleven zijn. De betrekking blijft bestaan, zoolang zij
de bevoegdheid behouden om in de Ned. Herv. Kerk als evangeliedienaren op te
treden. Intusschen is de redactie van deze bepaling niet gelukkig. — De Classikale
Vergadering van Einthoven van oordeel dat de woorden oorspronkelijk tot deze
kerk,
slaan op de gemeente en niet op de predikanten, verzocht de Synode in
1888 zich met dat gevoelen te vereenigen of het art. in dien zin te wijzigen.
De Synode vond geene termen op het besluit van de vorige Synode, waarbij was
aangenomen, dat zij, die niet meer tot de Ned. Herv. Kerk behooren, geen lid
der weduwenbeurs kunnen bljjven, terug te komen, noch tot eene wijziging,
door de Class. Vergadering van Einthoven bedoeld te besluiten. Hand. 1888,
bl. 52 en volg.
Art. 2. Om ondersteuning uit het fonds te genieten, wordt ge-
vorderd, dat de weduwen of de kinderen, die het aangaat, leden zhn
van eene der Protestantsche kerken.
Art. 3. De ouderlooze, minderjarige kinderen treden gezamenlijk
-ocr page 297-
Akt. 1-5.                                            257
op voor het aandeel, hetwelk de moeder in haar leven zou z\\jn
toegekomen.
Minderjarige kinderen. Het verzoek van een pred., om zijne meerderjarige
ongehuwde dochter als deelgerechtigde aan het fonds te instituëeren, door de
Synode afgewezen. 1857, bl. 84. Terg. 1861, Bijl. A, bl. 74.
Art. 4. Tot deelneming aan dit fonds zijn. verplicht:
a.   al de dienstdoende predikanten, in art. 1 vermeld;
b.   al de emeriti predikanten, die minstens ƒ 600 pensioen genieten.
Art. 5. Tot de deelneming zijn bevoegd;
a.   de predikanten, die, emeriti verklaard, een pensioen genieten
beneden het bedrag van ƒ 600;
b.   de predikanten, die emeriti zyn verklaard zonder pensioen en
die hun ontslag uit de dienst hebben genomen zonder emeritaat te
hebben aangevraagd of verkregen;
c.   de hoogleeraren aan de Nederlandsche Universiteiten, die vóór
de aanvaarding van deze hunne betrekking als predikanten in de
evangeliebediening werkzaam waren en de van wege de Kerk aan-
gestelde hoogleeraren;
d.   de hoogleeraren in de godgeleerdheid aan gemelde inrichtingen
voor hooger onderwijs, die als candidaten tot de evangeliebediening
in de Nederlandsche Hervormde Kerk zijn toegelaten.
De vermelde hoogleeraren verliezen evenwel hunne bevoegdheid tot
deelneming, wanneer zij niet binnen het jaar na de aanvaarding
hunner betrekking bg den quaestor der classe hun verlangen tot
deelneming hebben kenbaar gemaakt.
e.    de predikanten, die, in Protestantsche gemeenten dienende,
oorspronkelijk niet tot de Nederlandsche Hervormde Kerk hebben
behoord;
ƒ. de uit de dienst ontzette predikanten, indien zy binnen twee
maanden, na het ontvangen van de finale uitspraak tot ontzetting,
aan den quaestor der classe de verklaring van deelgenoot te blijven
hebben overgelegd.
«. de predikanten. Den predikanten, sub a en b bedoeld, is het, zoo zij
eenmaal van hunne bevoegdheid tot deelname aan de beurs gebruik hebben
gemaakt en door hunne toetreding deelgereehtigd zijn geworden, niet vergund
om later van het deelgenootschap afstand te doen, vermits zulks niet alleen
met de belangen en rechten der beurs, maar ook mot de verplichtingen der overige
«leelgenooten in strijd zou zijn. \'t Is daarom, dat zij bij verleend emeritaat of
genomen ontslag zich moeten verklaren, of zij deelgerechtigden van de beurs
willen blijven. Verg. de woorden in art. 9: „en tot het deelgenootschap zijn
toegetreden." 1858, bl. 102, Bijl. A, bl. 45, 46.
b.....zonder emeritaat, enz. Ken pred., die, zijn ambt neerleggende,
verklaart, dat hij tevens alle betrekking tot de Ned. Herv. Kerk heeft verbroken,
moet, inzonderheid op grond van art. 1 van het regl., geoordeeld worden van
Kerkelijk Wetboek, 2e druk.                                                                    17
-ocr page 298-
258                 Reglement op de Algemeene Weduwenbeurs.
alle deelgerechtigheid aan de Alg. Weduwenbeurs te zijn uitgesloten. 1878, bl. 35,
Bijl. A, bl. 84.
c.   De hoogleeraren, enz Hier worden niet alleen hoogleeraren in de godge-
leerdheid bedoeld, maar alle hoogleeraren, in welk vak ook, indien zij slechts
vroeger als evangeliedienaren zijn werkzaam geweest. Zie 1877, bl. 90, 91. Na
de invoering der Wet op het H. O. had o. i. hier achter „evangeliebediening"
ingevoegd moeten zijn: „in de Ned. Herv. Kerk", evenals onder d.
d.    Universiteiten. Na het in werking komen van de Wet op het Hooger
Onderwijs, alsmede van het Reglement op het Hooger Onderwijs in de godge-
leerdheid tot vorming van Evangeliedienaren voor de Ned. Herv. Kerk,
is het
woord „Universiteiten" gekomen in plaats van „hoogescholen en athenaea" en
is deze al. na „werkzaam waren" uitgebreid met de woorden: „en de van wege
de Kerk aangestelde hoogleeraren". Eveneens is in d na „evangeliebediening"
opgenomen: „in de Ned. Herv. Kerk".
Art. 6. Het fonds bestaat uit een kapitaal van inschrijving op het
Grootboek, ten name van het Algemeen Weduwenfonds der Predikanten
onder het ressort der Hervormde Synode in de Nederlanden,
welk fonds
vermeerderd wordt, door alle giften met bepaalde bestemming tot
vermeerdering van het kapitaal geschonken, door erfmakingen en door
batige saldo\'s en, gedurende 15 jaren, in te gaan 1 Januari 1888,
door de helft der bijdragen van de na dit tijdstip in dienst getreden
predikanten.
Welk fonds vermeerderd wordt. Reeds in 1865 (Handd. bl. 54, 55, Bijl. A,
bl. 116, 117, en in 1866 (bl. 48, 49, Bijl. A, bl. 106—110) zijn voorstellen
gedaan en ter Synode behandeld om het beginsel van kapitalisatie, zooals het
oorspronkelijk in het reglement was opgenomen, te beperken, ten einde aan de
predikant»-weduwen en weezen eene ruimere uitkeering (destijds niet boven ƒ90)
te kunnen doen. Art. 6 hield de bepaling in, dat, behalve de examengelden, de
opbrengsten vermeld in artt. 12, 13 en 14, alsmede die van het kerkelijk orgaan
en alle giften en erfmakingen moeten gekapitaliseerd worden, zoodat, naar
art. 7, alleen de renten van het ingeschreven kapitaal, benevens de jaarlijksche
contributiën der predikanten, met de renten der tijdelijke belegging voor de
uitkeeringen bestemd waren (zie 1856, bl. 218). De Synode heeft echter, om de
uitkeeringen niet van toevallige baten te zeer afhankelijk te maken, eerst eenige
jaren later tot beperking van de kapitalisatie kunnen overgaan, t. w. toen het
vaste fonds genoegzame waarborgen opleverde, dat op eene verhooging der uit-
keering later niet behoefde teruggekomen te worden. Verg. 1868, bl. 80, 81,
Bijl. A, bl. 106, 107; 1869, bl. 73—77, 102. De dientengevolge vastgestelde
wijzigingen van artt. 6 en 7 zijn in werking gekomen 1 Maart 1870.
Wijziging werd in dit art. nog gebracht door de daarin voorkomende woorden:
„door de examengelden der candidaten tot de heilige dienst, hier weg te nemen
en over te brengen in art. 7. In werking gekomen 15 Januari 1887.
Giften. Eene uitnoodiging in 1869 van wege de Synode aan alle collegië\'n van
kerkvoogden en overige beheerders der kerkelijke goederen in de verschillende
gemeenten gericht, om door eene vaste jaarlijksche bijdrage, groot of klein, naar
de middelen het toelaten, het fonds te ondersteunen, is niet zonder goede vruchten
gebleven. Jaarlijks geschiedt van deze bijdragen opgave in de Kerkelijke Courant.
De Synode van 1877 heeft ook een schrijven aan de ringen en aan de Kerkeraden
-ocr page 299-
Art. 5—8.                                           259
doen uitgaan, om hunne medewerking in het belang der beurs in te roepen; zie
Handd. bl. 91—95.
Met bepaalde bestemming. Kunnen giften zonder bepaalde bestemming begrepen
worden onder de batige saldo\'s en tot kapitaal vergrooting worden aangewend?
Ja. Mogen die giften, indien de stand van het fonds het toelaat, tot buiten-
gewone uitkeering worden gebezigd ? Ja. Over de giften zonder bepaalde
bestemming in den loop van een jaar geschonken, wordt, zoo zij niet noodig zijn
om aan de gewone uitkeering te voldoen, door de Synode des volgenden jaars
beschikt. Aldus besloten op voordracht der Synodale Commissie 1882, bl. 25
Bijl. A, bl. 75, 76.
En, gedurende 1 o jaren, enz. In werking getreden 1 Januari 1888.
Art. 7. Tot jaarlijksche uitkeeringen, aan deelgerechtigde weduwen
en minderjarige kinderen te doen, zijn bestemd: de renten van het
kapitaal op het Grootboek, de renten van tijdelijke geldbelegging,
de examengelden der candidaten tot den heiligen dienst, de jaarlijksche
contributiën, voor zoo ver die niet moeten worden gekapitaliseerd,
5 °/0 van het bruto bedrag der vacatuurgelden, behalve van die, welke
aan hulppredikers of aan godsdienstonderwijzers worden uitgekeerd,
de opbrengst van de middelen, vermeld in artt. 12, 13 en 14, en van
het kerkelu\'k orgaan.
Naar de berekening van die inkomsten en van de behoeften, welke
vermoedelijk aan het einde des jaars zullen binken te bestaan, wordt
de uitkeering jaarlijks door de Synode, volgens eene raming, naar
haar beste weten geregeld en vastgesteld.
Deelgerechtigde weduwen. Aan de echtgenoot van een afgezetten predikant,
ofschoon van tafel en bed gescheiden, heeft de Synode voortdurend recht toe-
gekend om na overlijden van haar man de gewone uitkeering te ontvangen.
1867, bl. 67, Bijl. A, bl. 102, 103.
De examengelden enz. Wijziging van 1888, zie het aangeteekende onder art. 6.
Voor zoo veruitgekeerd. Bijvoeging in werking gekomen 1 Januari 1888.
5 °.\'0 van het brutouitgekeerd. Wijziging 1 Januari 1888.
De opbrengst van de middelen, enz. Verg. de eerste aant. op art. 6.
Art. 8. De predikanten, in art. 4 tot deelneming verplicht ver-
klaard, dragen jaarlijks bij tot de beurs:
a.   de dienstdoende in de Nederlandsche Hervormde Kerk of bh\'
Hrotestantsche gemeenten in het vaderland, met of zonder lands-
tractement, ƒ 15, en zij die na 1 Januari 1888 in dienst treden, ƒ20;
b.   die met de bediening in de Indische \'kerken zh\'n bekleed, in
dienst of met verlof, ƒ 4J0;
c.    de emeriti predikanten, een pensioen boven ƒ 600 genie-
tende, ƒ 10.
Van het tractement, gedurende het jaar van gratie, door de weduwe
of ouderlooze minderjarige kinderen genoten, wordt mede opgebracht
de gewone contributie.
De quaestor der classis int de bijdragen, voor zoo ver die niet door
het Rn\'k worden ingehouden.
17*
-ocr page 300-
Art. 8, c worde aldus gelezen:
„de emeriti-predikanten, een pensioen van minstens / 600.
genietende, f 10.—." •«-^fe»./tP^if/.
-ocr page 301-
260                 Reglement op de Algemeene Weduwenbedrs
a.  f 15 en zij—ƒ 20. Wijziging in werking getreden 1 Januari 1888.
b.  . . . in de Indische kerken. De zaak der betaling van de contributiën in
Indië en van de uitkeeringen van de weduwenbeurs aan de daar verblijf hou-
dende predikants-weduwen, die moeielijkheden baarde, is in 1871 door tusschen-
komst van den Min. van Koloniën voor goed geregeld. 1872, bl. 50, Bijl. A,
bl. 72.
c.....een pensioen boven f 600 genietende. Deze woorden hadden kunnen
weggelaten zijn, daar hier toch geene andere emeriti bedoeld worden, dan de
in art. 4 onder b aangeduide. Bovendien is het woord „boven" hier klaarblij-
kelijk eene misstelling en zou naar art. 4 6 moeten zijn: mn minstens. Zie 1858,
Bijl. A, bl. 44, 45.
De quaestor. Bijvoeging in werking gekomen 1 Januari 1888.
Art. 9. Die in art. 5 tot deelneming worden bevoegd verklaard
en tot het deelgenootschap zijn toegetreden, brengen jaarlyks op ten
behoeve der beurs:
a.   de predikanten van Protestantsche gemeenten binnen het vader-
land ƒ 10; in de Indische kerken, in dienst of met verlof, .ƒ J!0;
b.   de emeriti-predikanten f 5;
c.   de hoogleeraren ƒ 15, doch de kerkelyke hoogleeraren na 5 jaren
dienst ƒ 20 en na 10 jaren dienst ƒ 25;
d.   de emeriti hoogleeraren ƒ10;
e.   de gepensioneerde Indische predikanten ƒ 10;
ƒ. de predikanten, die met of na 1 Maart 1870 hunne betrekking
nederleggen of op hunne aanvraag, buiten redenen van gezondheid
of leeftijd, ontslagen worden, ƒ 20;
g. de uit de dienst ontzette predikanten ƒ 10.
Tot het deelgenootschap zijn toegetreden. Zie de eerste aant. op art. 5.
c.  de hoogleerarenf 25. Wijziging in werking getreden 1 Januari 1888.
d.   de emeriti hoogleeraren. Deze bijvoeging 1 Januari 1888.
f.   de predikanten, enz. In plaats van de vroegere bepaling: „de predd., die
hunne dienst hebben nedergelegd, minstens f 10." De tegenwoordige bepaling
(in werking gekomen 1 Maart 1870) scheen noodzakelijk, ten einde, bij het in
den laatsten tijd veelvuldig voorkomend nederleggen van hunne betrekking door
jonge predd., in de verhoogde contributie eene vergoeding te vinden voor het
gemis der bijdragen, die bij trouwen en hertrouwen en verwisseling van stand-
plaats betaald worden, en alzoo de beurs geene schade te doen lijden. Door de
woorden: „met of na 1 Maart 1870" wordt aan de bepaling elke terugwerkende
kracht benomen. Verg. 1868, bl. 55, 56, Bijl. A, bl. 104 — 106; 1869, bl. 76,
77, 102. Op eene door den Quaestor-Oeneraal naar daartoe bekomen aanleiding
gestelde vraag, wat hij te vorderen hebbe van predikanten, die hunne betrekking
hebben nedergelegd on sedert niet meer tot de weduwenbeurs gecontribueerd
hebben, doch later op nieuw in dienst treden, heeft de Synode geoordeeld te
moeten antwoorden: „dat, aangezien zulke predikanten wel bevoegd waren,
volgens art. 5 van het Reglement, om bij het nederleggen van hunne bediening
aan de beurs te blijven deelnemen, maar daartoe niet verplicht waren, van hen
geene bijbetaling der contributiën voor de verloopen jaren kan worden gevorderd,
en op hen, die in dien tusschentijd geen tractement genoten, art. 14 van het
-ocr page 302-
Art. 8—11.                                           261
Reglement evenmin van toepassing is, maar zij in de daad gelijk zijn te stellen
met de candidaten, die nog geene standplaats hebben, en naar art. 12 bij hunne
indiensttreding slechts f 10 te storten hebben." 1870, bl. 52, 58. In denzelfden
zin heeft de Synode beslist in 1876; zie Handd. bl. 407.
y. Een uit de dienst ontzet, maar later gerehabiliteerd predikant, die nu
weer deelgerechtigde van de beurs wenscht te worden, moet — zoolang hij geene
eigene standplaats weer verkregen heeft — gerangschikt worden onder de emeriti-
predikanten, lit. b, en is diensvolgens verplicht tot eene jaarlijksche contributie
van f 5, benevens tot aanzuivering van het achterstallige over die jaren
gedurende welke hij naar litt. f. verplicht was f 10 te storten. 1859, bl. 40,
Bijl. A, bl. 50.
Art. 10. Buitenlandsche predikanten, in eene Nederlandsche ge-
meente beroepen, betalen, uiterlijk drie maanden na hunne beves-
tiging, vijfentwintig gulden aan den quaestor van de classe, tenzij
ze te voren bij een der Provinciale kerkbesturen waren geëxamineerd
en toen reeds de vastgestelde som hadden betaald. Boven die som
pro introitu contribuëeren zy nog tien gulden voor elk jaar, in bui-
tenlandsche dienst besteed; zullende echter deze laatstgenoemde con-
tributie niet hooger dan voor tien .jaren berekend worden.
Zij, die uit een ander kerkgenootschap tot de Nederlandsche Her-
vormde Kerk overgaan, en als predikant bij haar optreden, z\\jn aan
dezelfde bepaling onderworpen, in dien zin, dat dienst bij een ander
kerkgenootschap gelijk wordt gesteld met buitenlandsche dienst, in
de eerste alinea genoemd.
In denzelfden zin is deze bepaling van toepassing op hen, die pre-
dikanten worden b\\j de Protestantsche gemeenten in Oost- of\' West-
Indië en niet tot de Hervormde Kerk overgaan, voor zoo verre zjj
van hunne bevoegdheid tot deelneming gebruik maken.
De 2e alinea, eene uitbreiding, in werking gekomen 1 Febr. 1874.
Tot de Ned. Herv. Kerk overgaan. De vraag blijft hier, wat iemand, die
predikant wordt in eene Protestantsche gemeente en niet tot de Herv. Kerk
overgaat, moet betalen, wanneer hij van zijne, op grond van art. 5b onbe-
twistbare, bevoegdheid tot deelneming wil gebruik maken De Synodale Cora-
missie, die in hare najaarsvergadering 1877, naar aanleiding van een bepaald
geval, deze vraag te beantwoorden had, heeft erkend, dat het regl. hierin niet
heeft voorzien, en dat nu van zulk een predikant geene grootere bijdrage dan
de bepaalde contributie van /\' 20 kan worden gevorderd, behoudens de toepas-
seljjkheid van art. 13. De Synode, zich met de uitlegging der Syn. Comm. ver-
eenigende, nam op haar voorstel, ter aanvulling van de bestaante loemte, de
volgende uitbreiding, als nieuwe al. bij dit art., voorloopig aan en zond haar aan
de Prov. Kerkbesturen en Class. Vergg. tot inwinning van hunne consideratiën
toe: „In denzelfden zin is deze bepaling van toepassing op hen, die predikanten
worden in Protestantsche gemeenten en niet tot de Hervormde Kerk overgaan,
voor zoo verre zij van hunne bevoegdheid tot deelneming gebruikmaken." 1878,
bl. 35, 36, Bijl. A., bl. 84—86. De uitbreiding kwam in werking 1 Januari 1880.
Art. 11. Alle candidaten tot de heilige dienst, ook die voor de
-ocr page 303-
262                 Reglement op df Aigemeeme Wedüwenbeürs.
Indien bestemd zijn, betalen h\\] hun examen de contributie van vn\'f-
entwintig gulden.
Aet. 12. Een predikant betaalt by zyne indiensttreding tien gulden.
Tien gulden. Terg. over de toepasselijkheid van dit art. op predd., die na
hunne bediening te hebben nedergelegd, later weer in dienst treden, de tweede
aant. op art. 9 (2e gedeelte). — Een voorstel van de Classikale Verg. van
Appingedam tot verhooging van deze bijdrage, is niet aangenomen. 1874, bl.
260—262.
De tweede alinea, bevattende de bepaling, der bijdrage van de hoogleeraren
bij hunne deelneming, is vervallen 15 Januari 1887. — Zie art. 14.
Art. 13. Bij trouwen en hertrouwen wordt ƒ 10 bijgedragen, welke
gelden mede verschuldigd zn\'n door den predikant, die gehuwd zh\'nde
in dienst treedt.
Voor deze gelden wordt eene acte van inschrijving afgegeven,
waarvan een duplicaat te allen tn\'de, tegen betaling van f 3, wordt
verkrygbaar gesteld.
Tn geval het blijkt bij den dood van een predikant, dat h\\j niet is
ingeschreven, wordt door zijne nagelaten betrekkingen tot bekoming
van de acte tot deelgerechtigheid opgebracht eene som van ƒ 20.
De in dit artikel vervatte bepalingen zn\'n ook van toepassing op
de hoogleeraren.
Art. 14. By elke verwisseling van standplaats wordt twintig gulden
bijgedragen.
Dezelfde som wordt ook door de hoogleeraren betaald hg het aan-
vaarden hunner betrekking en bij iedere verplaatsing als zoodanig.
De Synode heeft geoordeeld , dat dit art ook van toepassing is op predikanten,
die hier te lande hunne opleiding genoten en alreeds eene vaste standplaats
bekleed hadden, en nu, na een tijdlang buitenslands in de bediening geweest te
zijn, weder in eene Nederlandsche Herv. gemeente bevestigd worden. Zij zullen
dus, behalve naar art. 10 de mogelijke achterstallige contributiën, f 20 voor
verwisseling van standplaats betalen moeten. 1867, bl. 9; verg. Bijl. A, bl.
111, 112.
Bij het aanvaardenbetrekking. Uitbreiding in werking getreden 15 Januari 1887.
Art. 15. De dienstdoende en emeriti predikanten, alsmede de
weduwen en weezen van eerstgenoemden gedurende het jaar van
gratie, worden gerekend den Staat te hebben gemachtigd tot de
inhouding hunner contributiën van het door hen van rnkswege genoten
wordende traktement of pensioen, om overgemaakt te worden aan den
quaestor-generaal.
Art. 16. In gemeenten, waar geen traktement uit \'s lands kas
genoten wordt, zyn de predikanten en hunne betrekkingen tn\'dens
het jaar van gratie, en de predikanten van den ring by vacature
verplicht, hunne jaarln\'ksche contributiën, de eerstgenoemden vóór
-ocr page 304-
Art. 11—23.                                         263
den laatsten der maand Maart, te betalen aan den quaestor der classe,
waartoe zn\' behooren.
By nalatigheid van twee jaren geeft de quaestor der elasse hiervan
kennis aan den quaestor-generaal, en deze aan de Synode of de
Synodale Commissie, ten einde dienaangaande de noodige maatregelen
te nemen.
Art. 17. Een uit de dienst ontzet predikant, deelgerechtigde van
de beurs gebleven, betaalt zyne contributie vóór den eersten November
van ieder jaar bh\' den quaestor van het Classikaal ressort, waartoe
zyne woonplaats behoort.
Bn\' nalatigheid van twee jaren is hu\' van zijne deelgerechtigheid
vervallen, na tweemalen door den quaestor der classe gewaarschuwd
te zh\'n, ééne maand na den eersten en ééne maand vóór den tweeden
vervaltijd.
Art. 18. Al de contributiën, door d^n quaestor der classe ont-
vangen, worden onverwijld door hem overgemaakt aan den quaestor-
generaal.
Art. 19. De examengelden ontvangt de quaestor-generaal door de
secretarissen der Provinciale kerkbesturen.
Art. 20. Het beheer van de beurs is opgedragen aan den quaestor-
generaal, op een jaarlyksch traktement vaD ƒ 600, zonder meer.
Art. 21. De quaestor-generaal is gemachtigd tot het ontvangen
van de renten en van alle andere inkomsten der weduwenbeurs.
Hh\' zorgt voor de tijdelijke belegging der beschikbare gelden.
Hij doet jaarlijks rekening en verantwoording van zijne admi-
nistratie aan de Synode.
Art. 22. De quaestor-generaal zal, wanneer de opvrage van de
uitdeeling geschiedt na den door de burgerlijke wet bepaalden termijn
van vyf jaren, de betaling niet doen volgen, dan na daartoe uit-
drukkelyk door de Synode te zn\'n gemachtigd.
Art. 23. De quaestor-generaal maakt jaarlijks een kort verslag van
den staat der beurs voor de deelgerechtigden op.
Dit Reglement is, ter vervanging van het „Reglement voor eene
Algemeene Weduwenbeurs" (goedgekeurd bn\' K.B. van 10 Nov. 1819,
no. 56, en te vinden bh\' hooyer, t. a. p., bl. 160—164), gearresteerd
door de Alg. Synode der Ned. Herv. Kerk in 1856 en in werking
gekomen 20 Mei 1857.
-ocr page 305-
REGLEMENT
FONDS VOOR NOODLIJDENDE KERKEN EN PERSONEN
Art. 1. In de Nederlandsche Hervormde Kerk bestaat een fonds
voor noodlijdende kerken en personen.
Abt. 2. De kapitalen, tot dit fonds behoorende, worden belegd
in inschrijvingen op een der Grootboeken der Niitionale schuld of\'op
hypotheken.
De inschrijvingen op een der Grootboeken geschieden onder het
algeineene hoofd:
Kerkelijke liefdefondsen onder het oppertoezichl en beheer van h?t
Algemeen Christelijk Synode der Hervormde Kerk in het Koningrijk der
Nederlanden.
Voor iedere belegging op hypotheek wordt de toestemming dei-
Synode of\' der Synodale Commissie gevorderd.
Art. 3. Het kapitaal van het fonds wordt vermeerderd doorschen-
kingen, legaten en erfstellingen, indien daaraan geene bepaalde be-
stemming tot uitdeeling gegeven is.
Art. 4. Jaarlijks worden de Kerkeraden uitgenoodigd tot het
houden van ten minste ééne collecte in hunne gemeente ten behoeve
van noodlijdende kerken en personen.
Art. 5. De inkomsten van het fonds bestaan uit:
a. de renten der kapitalen ingeschreven op de Grootboeken der
Nationale schuld;
h. de renten der hypotheken;
e. de renten van tijdelnk belegde gelden;
d.   giften en toevallige baten;
e.   de opbrengst der collecten.
Art. 6. Tot uitdeeling zijn, na aftrek der administratiekosten,
bestemd:
-ocr page 306-
Art. t—10.                                           265
«. het batig slot van \'t verloopen jaar;
h. alle renten, hoe ook genaamd;
c.    de opbrengst der collecten, alle giften van kerkvoogdijen, van
blondere personen en overige baten.
Ter voorziening in zeer dringende behoeften kan in buitengewone
omstandigheden een gedeelte van het kapitaal worden gebruikt. Voor
een daartoe te nemen besluit wordt de toestemming van drie-vierden
van de leden der Synode gevorderd.
Art. 7. Uit het fonds worden verstrekt:
1 °. groote toelagen tot het bouwen of herstellen van kerkgebouwen
en pastorijen;
2°. kleine toelagen aan gemeenten om in de gewone behoeften der
kerkelijke administratie te voorzien, en dus niet gebezigd te worden
tot verhooging van de jaarwedden van de predikanten of godsdienst-
onderwijzers;
3". kleine toelagen tot ondersteuning van betrekkingen van pre-
dikanten.
Art. 8. Bij de berekening van het bedrag, dat voor de groote
toelagen mag worden bestemd, wordt eerst voor de kleine toelagen
gelijke som afgezonderd als daarvoor ten voorgaanden jare besteed is.
Art. fl. Alle verzoekschriften om ondersteuning voor kerk- of pas-
torijbouw worden aan de Synodale Dommissie toegezonden door tus-
schenkomst van de Classikale Besturen en Provinciale Kerkbesturen
van het ressort, opdat deze deswege hunne overwegingen mededeelen
en, bij meer aanvragen uit dezelfde classis of provincie, tevens die
gemeenten aan wijzen, welke naar hun oordeel in de eerste plaats voor
hulp in aanmerking komen.
Art. 10. . Bij de verzoekschriften om eene groote toelage tot het
bouwen of herstellen van kerkgebouwen en pastorijen worden als
bewijsstukken overgelegd:
n. een specifieke staat van alle bezittingen en schulden en van de
ontvangsten en uitgaven over de laatste drie jaren, behoorlijk
geteekend door kerkvoogden en notabelen;
h. bestek, teekening en specifieke bej>rooting van het werk, dat
men wenscht te doen verrichten;
r.. eene verklaring van het Provinciaal Collegie van toezicht op het
beheer der kerkelijke goederen van de Hervormde gemeenten, waar-
onder de vragende gemeente behoort, dat zij werkelijk hulpbehoevend
is en dat het de gevraagde som althans niet overdreven keurt;
d.   een schriftelijk bewijs van het bedrag der gelden, welke de
gemeente zelve bijdraagt;
e.   een bewijs dat men — waar op de Provinciale begrootingen
-ocr page 307-
26(> Regl. op het Fonds voor noodlijdende kekken en personen.
daarvoor fondsen zijn aangewezen, of bijzondere provinciale fondsen
tot ondersteuning van hulpbehoevende gemeenten bestaan — zich tot
de Provinciale Staten of tot de bestuurders van die fondsen gewend
heeft, met opgaaf van de som, welke gevraagd en beloofd of ver-
kregen is;
f. bijaldien ondersteuning voor den bouw van eene nieuwe kerk
of voor aan te brengen zeer belangrijke veranderingen wordt gevraagd,
eene teekening van het te sloopen of nieuw in te richten gebouw,
welke als eigendom der Synode tot haar archief blijft behooren.
Art. 11. De gemeenten, welke niet onder het toezicht van het
Algemeen Collegie op \'t beheer staan, leggen in plaats van het in
art. 10 onder c bepaalde over:
a.   een door het Plaatselijk Collegie van beheer gewaarmerkt en
door den Kerkeraad voor met het oorspronkelijke overeenstemmend
verklaard afschrift der rekening en verantwoording van het kerkelijk
beheer over de laatste drie jaren;
b.   eene verklaring van genoemd collegie, dat het zich verbindt in
de eerstvolgende vijf jaren een afschrift van de rekening en verant-
woording in te zenden bij de Synode door tusschenkomst van het
Classikaal Bestuur, waaronder de gemeente behoort.
Art. 12. De verzoekschriften worden met de vereischte stukken
vóór 1 September ingediend bü de Classikale Besturen, die ze vóór
1 November met de noodige inlichtingen opzenden aan de Provinciale
Kerkbesturen. Van deze ontvangt de Synodale Commissie ze voor het
einde des jaars.
In buitengewone omstandigheden, ter beoordeeling van de Synodale
Commissie, worden ook later ingekomen verzoekschriften in over-
weging genomen.
Art. 13. Zoo dikwijls de Synodale Commissie het noodig acht,
onderwerpt zij het bestek en de begrooting van liet werk, waarvoor
subsidie wordt aangevraagd, aan de beoordeeling van een bouw-
kundige, door haar daarvoor ten laste van het fonds aan te wijzen,
en maakt van diens voorlichting gebruik bij hare in hare voorjaars-
vergadering op te maken voordrachten aan de Synode.
Bij de aanvrage om eene groote toelage voor geheele vernieuwing
van kerk of pastorie laat de Synodale Commissie door een bouw-
kundige onderzoeken of deze gebouwen niet voor herstelling vat-
baar zijn.
Bij de—vatbaar zijn. Toevoeging, 15 Januari 1887.
Art. 14. Geene ondersteuning wordt toegekend als de gemeente
niet naar vermogen heeft bijgedragen.
Uit het fonds verkrijgt geene gemeente subsidie, die gedurende
-ocr page 308-
Art. 10—19.                                          267
de laatste vijf jaren niet telkens eene collecte voor het fonds heeft
gehouden, tenzy gebleken is, dat het verzuim onwillekeurig is geweest.
Uit het fonds—onwillekeurig is geiveest. Deze toevoeging in werking getreden
15 Januari 1887.
Art. 15. G-eene hulp verkrygt eene gemeente, die elders tot het-
zelfde einde eene inzameling heeft gehouden, tenz\\j in geheel buiten-
gewone omstandigheden daartoe bijzonder gemachtigd, door het Pro-
vinciaal Kerkbestuur voor zoover de inzameling in hare provincie
betreft, door de Synode of de Synodale Commissie als de inzameling
zich uitstrekt tot gemeenten in andere provinciën.
Art. 16. Na het toekennen van ondersteuning wordt geene ver-
andering van bouwplan vergund dan door de Synodale Commissie,
die vooraf de betrokken besturen en, voor zoo veel noodig, den in
art. 13 vermelden bouwkundige hoort.
Worden wegens verandering van bouwplan de kosten lager geraamd
dan het cijfer der oorspronkelijke begrooting, dan komt het verschil
ten bate van het fonds: zn\'n de kosten hooger, dan wordt slechts
by uitzondering eene evenredige vermeerdering van ondersteuning
toegestaan door de Synode.
Art. 17. Bij het toekennen van ondersteuning voor kerk-of pastorij-
bouw wordt aan de beheerders van de kerkelijke goederen der betrokken
gemeente, of aan de in deze verantwoordelijke commissie de verplichting
opgelegd om, terstond na de openbare aanbesteding, hierop de goed-
keuring van het Provinciaal Kerkbestuur te vragen.
De goedkeuring wordt met den in dezen vereischten spoed door het
Provinciaal Kerkbestuur verleend, nadat het daarover het Classikaal
Bestuur heeft gehoord.
Zoodra de goedkeuring verleend is, wordt aan de Synodale Gom-
missie bericht gegeven van de som, waarvoor het werk is aangenomen.
Blykt daaruit dat de aannemingssom vermeerderd met de kosten van
besteding, van plannen, bestekken, teekeningen en toezicht, voor
zoo verre deze niet by de voorwaarden der besteding in de aanne-
mingssom begrepen zijn, beneden het cijfer der begrooting blijven,
dan komt het verschil ten bate van het fonds.
Blijkt daaruit dat de aannemingssom bate van het fonds. Wijziging in wer-
king getreden 15 Januari 1887.
Art. 18. Tot onderhandsche aanbesteding onder degeln\'ken borg-
tocht wordt de toestemming der Synodale Commissie op voordracht
der betrokken besturen vereischt. Die toestemming wordt niet ver-
leend, als de geraamde kosten het cn\'fer van ƒ 400 te boven gaan.
Art. 19. In buitengewone gevallen geeft de Synodale Commissie
vóór het toekennen van ondersteuning mede toestemming om al vast
-ocr page 309-
268 R,EGii. op het Fond? voor noodlijdende keuken en personen.
tot de aanbesteding en de uitvoering van het werk over te gaan;
doch met de uitdrukkelijke verklaring, dat de Synode vry blijft in
hare beschikking op de aanvraag, en met oplegging van de verplich-
ting tot onverwijlde kennisgeving van den uitslag der aanbesteding.
Art. 20. De toegekende bijdragen voor het bouwen of herstellen
van kerkgebouwen of pastorijen worden niet uitbetaald, vóórdat door
tusschenkomst van het Classikaal Bestuur bij de Synodale Commissie
een voldoend bewijs zal zijn ingediend, dat het werk overeenkomstig
het bestek is afgeleverd en de kerkelyke gebouwen behoorly\'k tegen
brandschade verzekerd zyn.
Wanneer echter f 2000 of meer voor subsidie uit het fonds is toe-
gestaan , wordt de begunstigde gemeente, als zy bij .den eersten termijn
minstens een vierde van de aannemingssom betaald heeft,
tot betaling
van den tweeden termijn door uitkeering van de helft en tot betaling
van den laatsten termijn door uitkeering van de wederhelft der sub-
sidie in staat gesteld, behoudens op gelyke wijze over te leggen
voldoend bewijs der behoorlijke aflevering van het werk bij elk dier
termijnen.
Art. 21. De ondersteuning, die niet binnen vyf jaren na de toe-
kenning is opgevraagd, vervalt ten bate van het fonds.
Art. 22. By een eerste verzoek om eene kleine tvelage ter voor-
zienina in de konten der eeredienst
wordt gevoegd:
re. eene opgaaf van het getal leden, lidmaten en armen;
h. een naauwkeurige staat van alle bezittingen en schulden;
e. eene gespecificeerde opgaaf van de ontvangsten en uitgaven by\'
de kerk en diaconie gedurende de laatste vijf jaren, van elk jaar
afzonderlijk, en bericht omtrent den toestand van kerk en pastorij.
Voorts wordt bij elk verzoek gevoegd eene voordracht van de
betrokken besturen tot toewijzing of afwijzing en bij die tot toewijzing
opgaaf van de redenen, waarom de gemeente zelve in de behoeften
van de eeredienst niet kan voorzien.
Art. 23. By elk verzoekschrift om eene toelage voor noodlij-
deinde personen
wordt door de betrokken besturen by de voordracht
gevoegd:
A. eene opgaaf:
a.   van de hulpbehoevende betrekkingen van predikanten;
b.   van de namen en voornamen, de laatste standplaats en den dag
van het overlyden der predikanten, die haar hebben nagelaten;
c.    van de namen en voornamen van hen, die toelagen verzoeken,
van hunne betrekking tot den overleden predikant, van hunnen
ouderdom en woonplaats;
d.   van het getal en den ouderdom der nog onverzorgde kinderen
van weduwen;
-ocr page 310-
Art. 19 25.                                          269
e. van hunne inkomsten, den aard der inkomsten, pensioenen,
kinder-, school- en academiegelden; van de kassen en fondsen, waaruit
toelagen worden genoten; van het bedrag van iedere soort dier
inkomsten in het voorgaande jaar en van het geheel van alle inkomsten;
/. verder van de bijzondere omstandigheden van personen of huis-
gezinnen;
g. van de onderlinge verhouding der aanvragenden ten opzichte
van behoefte kan ondersteuning.
B. eene voordracht tot toewijzing of afwijzing.
Betrekkingen van predd. De vraag, of aan predikantsdochters, die weduwen
zijn, eene toelage kan worden uitgekeerd, is door de Synode in bevestigden zin
beantwoord, op grond van de bepaling van het regl., die van predikantsbetrek-
kingen spreekt, waartoe predikantsdochters, die gehuwd zijn geweest, blijven
behooren. Elk verzoek van dien aard, ook van betrekkingen, die in een ver
verwijderden graad nabestaanden zijn van een predikant, moet op zich zelf
beoordeeld worden. 1882, bl. 35, 36.
Art. 24. De veizoekschriften worden met de vereischte stukken
vóór 1 September ingediend bij het Classikaal Bestuur van het res-
sort, hetwelk ze vóór 15 October met de noodige inlichtingen opzendt
aan het Provinciaal Kerkbestuur.
De Provinciale Kerkbesturen verzenden de ontvangen aanvragen
vóór het einde des jaars aan de Synodale Commissie, die alsdan in
hare voorjaarsvergadering eene met redenen omkleede voordracht
vaststelt en deze met al de daarbij gevoegde bescheiden aan de Synode
opzendt, welke daarover definitief beslist. In buitengewone omstan-
digheden, ter beoordeeling der Synode, kunnen ook later ingezonden
verzoekschriften in overweging worden genomen.
Dit artikel is gewijzigd en aldus vastgesteld in de zitting van 21 Aug. 1888
en komt in werking den 1 Augustus 188S).
Art. 25. Het beheer van het fonds is opgedragen aan den quaestor-
generaal , die:.
1". gemachtigd is tot ontvangst der reuten van de inschrijving op
de Grootboeken, alsmede van de legaten, giften en alle overige
inkomsten en gelden voor het fonds bestemd, terwyl afschrijvingen
door hem alleen op uitdrukkelijke machtiging der Synode geschieden;
2°. de beschikbare gelden tijdelijk belegt;
3U. aan de Synodale Commissie in hare voorjaarsvergadering opgaaf
doet van de middelen, die voor het loopende jaar vermoedelijk be-
schikbaar zijn;
4°. de toegekende groote en kleine toelagen uitbetaalt; de toege-
wezen ondersteuning voor het bouwen en herstellen van kerkgebouwen
en pastorren, echter niet dan na ontvangen bericht van de Synode
of de Synodale Commissie, dat aan de in art. 20 omschreven verplich-
tingen voldaan is;
-ocr page 311-
270 Reul. op het Fonds voor noodlijdende kerken en personen.
5°. door tusschenkomst der Synodale Commissie jaarlijks rekening
en verantwoording doet van z\\jn gehouden beheer, en daarby opgaaf
inzendt van den staat van het fonds; en
6°. voor beheerskosten jaarlijks ƒ 400 geniet.
Art. 26. De Synodale Commissie is bevoegd op aanbeveling der
kerkelijke besturen van het ressort in onvoorzienen nood te helpen
met eene toelage van hoogstens 50 gulden.
Art. 27. De Classikale quaestoren en de secretaris van de Com-
missie voor de zaken der Waalsche kerken zenden vóór het einde
van ieder jaar aan den quaestor-generaal, met eene gespecificeerde
opgaaf, de door de Kerkeraden in dat jaar verzamelde gelden en de
en de overige by hen ingekomen giften voor het fonds.
Art. 28. De Algemeene Synodale Commissie doet jaarlijks bij het
toezenden van den collecte-brief aan de Kerkeraden mededeeling van
den staat van het fonds en van de rekening en verantwoording over
het afgeloopen jaar met aanbeveling der belangen van noodlijdende
kerken en personen.
slotbepaling.
Bij de invoering van dit Reglement worden alle vroegere besluiten
en voorschriften betrekkelijk op de aan te vragen of te verleenen
ondersteuning uit het fonds voor noodlijdende kerken en personen
buiten werking gesteld.
Dit Reglement is, ter vervanging van verscheidene bestaande ver-
ordeningen (Zie brüna, t. a. p., Afd. II, § 17) vastgesteld door de
Synode den 22 Aug. 1878, en, na uitvaardiging door de Syn. Comm.,
in werking getreden den 15 Januari 1879.
-ocr page 312-
REGLEMENT
OP IIKT
FONDS TER VERBETERING DER SCHRAALSTE PREDIKANTSTRACTE-
MENTEN IN DE NEDERLANDSCHE HERVORMDE KERK.
Art. 1. In de Nederlandsche Hervormde Kerk bestaat een fonds
tot verbetering der schraalste predikantstraktementen.
Art. 2. De bronnen van inkomst voor dit fonds zyn:
a. vrijwillige bijdragen;
/». buitengewone giften;
c.    legaten en erfstellingen;
d.   de renten van kapitalen ingeschreven in een van de Grootboeken
der Nationale Schuld;
e.   de renten van tydelijk belegde gelden.
Art. 3. De kapitalen, niet ter uitdeeling bestemd, zn\'n ingeschreven
in een der Grootboeken ten name van het Fonds tot verbetering van de
schraalste predikantstraktementen onder het oppertoezicht en beheer van het
Algemeen Christelijk Synode dei- Hervormde Kerk in het Koningrijk der
Nederlanden.
Tot hunne vergrooting worden gebruikt, na aftrek der kosten van
beheer:
a.   het bedrag der legaten en der erfstellingen, niet uitdrukkelyk
ter uitdeeling geschonken;
b.   de helft van de vrijwillige bijdragen, of van deze bydragen zoo
veel meer als daarvan ten voorgaande jare ongebruikt is gelaten;
c.   het bedrag der buitengewone giften.
Uit alinea b zijn weggenomen de woorden: „van het bedrag der venten en in
werking getreden 15 December 1880.
Art. 4. Van de inkomsten worden ter uitdeeling bestemd het
volle bedrag der renten, in het voorafgaande jaar ontvangen efi op
zyn hoogst de helft van de vrijwillige bedragen.
Het volle—. Wijziging in werking getreden 15 December 1880.
-ocr page 313-
272 Regl. op het Fonds der schraalste Predik.tractementen enz.
Art. 5. Uit dit fonds wordt bij voorkeur uitgekeerd ten behoeve
van predikantsplaatsen, waaraan, b\\j gemis van vr\\je woning, een
tractement verbonden is, hetwelk, alle gewone en buitengewone toe-
lagen daaronder begrepen, de som van f 1000 niet te boven gaat.
Nut te boven gaat. Ingevolge een voorstel van de Syn. Commissie heeft de
Synode in 1885 in beginsel aangenomen om het tractement van alle gemeenten,
dat aan zuiver inkomen minder dan f 900 bedraagt, op dat cijfer te brengen.
Handd. bl. 35, 36; Bijl. A, bl. 53.
Art. 6. Alleen de Synode is bevoegd eene toelage toe te kennen
en het bedrag daarvan te bepalen.
Die toekenning geschiedt tot wederopzegging.
Art. 7. De Classikale Besturen brengen jaarlijks vóór den 10 Mei,
omtrent alle inkomsten der toelagen genietende predikantsplaatsen in
hun ressort, verslag uit aan de Algemeene Synodale Commissie, ter
beoordeeling of er voortdurend behoefte bestaat aan de toelage.
Verslag. Ten einde de Class. Besturen in staat te stellen, aan het voorschrift
van dit art. te voldoen, heeft de Synode de Kerkeraden van gemeenten, die voor
hare predikantsplaatsen eene toelage uit het fonds genieten, aangeschreven, dat
zij voor 1 Januari aan de Class. Besturen telken jare de noodige opgaven doen,
waaruit deze de bedoelde verslagen moeten opmaken. 1879, bl. 50.
Voortdurend behoefte. Een verzoek om ook in vacaturen de toelagen aan de
gemeenten toe te staan, is door de Syn. Comm. afgewezen als in strijd met het
door de Synode aangenomen beginsel en de bestemming van het Fonds. 1885,
Bijl. B, bl. 136. Handd. bl. 124. Verg. 1884, bl. 38. De Class. Besturen behooren
de gemeenten, die er eenigszins toe in staat zijn, op te wekken tot eigene
krachtsinspanning in zake van noodzakelijke tractements-verhooging. 1884, bl. 38.
Door de Synode werd in de zitting van 24 Augustus 1888 voorloopig vastgesteld
de volgende wijziging van art. 7 achter de woorden: „m hun ressort" te voegen
„na inzage en met overlegging van de rekening en verantwoording der Kerkelijke
administratie over de laatste drie jaren." Hand. bl. 498.
Art. 8. De verzoeken om eene toelage uit het fonds worden voor
de eerste maal en. zoolang er niet op beschikt is, bij bluvende behoefte
telken jare door den Kerkeraad ingezonden bü de Algemeene Synodale
Commissie door tusschenkomst van de Classikale Besturen, opdat deze
. hunne adviezen daar byvoegen.
Voor de eerste maalbehoefte. Wijziging in werking getreden 15 December 1S80.
Art. 9. Bü elk verzoek wordt gevoegd eene naauwkeurige opgaaf
van de inkomsten aan de predikantsplaats verbonden, een door pre-
sident en secretaris van het plaatselijk collegie van beheer gewaarmerkt
afschrift van de rekening en verantwoording zijner administratie over
de laatste drie jaren, benevens eene door volledige opgaven omtrent
den, toestand der gemeente te bevestigen verklaring, dat de gemeente
zelve bezwaarlijk iets tot verbetering van het traktement of de trak-
tementeu bydragen kan.
-ocr page 314-
Art. 7 van het Eeglement op het Fonds tot verbetering der
schraalste predikantstraktementen worde aldus gelezen:
„De Classicale Besturen brengen jaarlijks vóór den lO\'en Mei
omtrent alle inkomsten der toelagen genietende predikantsplaatsen
in hun Ressort, na inzage en met overlegging van een afschrift
der rekening en verantwoording der Kerkelijke Administratie over
de laatste drie jaren,
verslag uit aan de Algemeene Synodale
Commissie ter beoordeeling of er voortdurende behoefte bestaat
aan de toelage." /V-ryW- /Wf*,/.
-ocr page 315-
Art. 5—12.                                           273
Art. 10. De verzoeken worden vóór den 1 Januari ingediend b\\j
het Classikaal Bestuur van het ressort, hetwelk ze met zijn advies
vóór den 15 April overmaakt aan het Provinciaal Kerkbestuur. Dit
bestuur zendt ze insgelijks van zyn advies vergezeld, vóór den 10 Mei
aan de Algemeene Synodale Oommissie, die ze met haar advies over-
brengt aan de Synode.
De verzoeken worden voor den 1 Januari enz. De vraag, of de verzoeken in
art. 9 en 10 bedoeld alleen slaan op verzoeken voor de eerste maal, is door
Synode in 1888 ontkennend beantwoord. Hand. 1888, bl. 494. — Bijl. A, bl. 92.
Het Class. Bestuur. De Synode heeft per circulaire v. d. 24 Juli 1882, de
Class. Besturen gewezen op hot gebruik der gedrukte staten tot liet doen der
voordrachten en daarbij opgemerkt, dat op voordrachten in anderen vorm geen
acht zal worden geslagen. 1882, bl. 25.
Art. 11. Het beheer van het fonds is opgedragen aan den quaestor-
generaal, die:
1°. gemachtigd is tot ontvangst der renten van de inschrijvingen
op de Grootboeken, van de hem telken jare vóór 31 December door
de Classikale quaestoren en den secretaris van de Commissie tot de
zaken der Waalsche kerken overgemaakte gelden, alsmede van de
legaten, giften en alle overige inkomsten en gelden voor het fonds
bestemd;
2". de beschikbare gelden tyctelijk belegt;
3°. aan de Synodale Commissie in hare voorjaarsvergadering eene
opgaaf inzendt van de voor uitkeering beschikbare gelden;
4°. uitbetaling doet van de door de Synode toegekende toelagen
door tusschenkomst van de Classikale quaestoren en van den secretaris
der Commissie tot de zaken der Waalsche kerken;
5°. door tusschenkomst van de Synodale Commissie jaarlyks rekening
en verantwoording doet van zyn gehouden beheer met afzonderlijke
opgaaf van den staat van het fonds;
6°. voor beheerskosten jaarlijks ƒ 100 geniet.
Art. 12. De Algemeene Synodale Commissie verzendt jaarlyks aan
de Kerkeraden een verslag van den staat van het fonds met aanbe-
veling van zn\'ne belangen.
Dit Reglement is, na door de Synode in hare vergadering van 1878
te zh\'n vastgesteld, door de Syn. Commissie uitgevaardigd, om in
werking te treden den 15 Jan. 1879. Over den oorsprong en de aan-
vankelijke werking van het fonds vergeln\'ke men bruna, t. a. p.,
Afd. II, § 35, D.
Kerkelijk Wetboek, 2e druk.                                                                   18
-ocr page 316-
REGLEMENT
Ol\' 1)K
KOSTEN VOOR HET BESTUUR DER NEDERLANOSCHE
HERVORMDE KERK.
Art. 1. De kosten voor het bestuur der Nederlandsche Hervormde
Kerk worden bestreden uit een fonds, dat den naam draagt van
Algemeene kas der Nederlandsche Hervormde Kerk, ten behoeve van
li aar bestuur.
Abt. 2. De beschikking over deze kas behoort by de Synode, naar
de regelen bij dit reglement vastgesteld.
Art. 3. De administratie dezer kas wordt onder behoorlijken borg-
tocht gevoerd door den quaestor-generaal der Algemeene Synode,
volgens zijne instructie.
Art. 4. Het toezicht op de administratie van den quaestor-generaal
wordt namens de Synode uitgeoefend door de Algemeene Synodale
Commissie, die daarvoor jaarlijks eene commissie van twee leden en
twee plaatsvervangers uit haar midden benoemt.
Deze commissie is ten allen tijde bevoegd inzage te nemen van de
boeken en verdere bescheiden der administratie, de kas op te nemen
en alles te verrichten, wat zij voor het toezicht noodig acht.
Dezelfde commissie neemt de jaarrekening op, uïterlyk in de maand
April, en brengt verslag uit in de voorjaarsvergadering der Synodale
Commissie.
De Synodale Commissie sluit de rekening voorloopig af, en brengt
deze met het bij haar ingekomen rapport van hare gecommitteerden
by de eerstvolgende Synode ter tafel tot definitieve afsluiting.
Indien de Synodale Commissie bezwaar maakt tegen de voorloopige
afsluiting, geeft zg de zaak aan de Synode over ter eindbeslissing.
Van de afgesloten rekening wordt, wat de eindcijfers van elk hoofd-
stuk betreft, een afdruk met de noodige toelichtingen door de zorg
-ocr page 317-
Abt. 1-6.                                            275
der Synode ter kennis gebracht van de Kerkeraden en de kerkelijke
administratiën der gemeenten van de Nederlandsche Hervormde Kerk.
Van de afgesloten rekening, enz. Uit het Overzicht van den Staat der Alg.
KaB over 1877, aan de Kerkeraden, enz. verzonden d.d. 23 Juli 1878, zij hier
medegedeeld de volgende opgave van ontvangsten en uitgaven:
ONTVANGSTEN.
1.    Saldo van het voorgaande jaar . . . .    f       77.81.
2.    Toelage van het Rijk.......    -  39899.32.
3.    Bijdragen der gemeenten......    -  23897.50.
4.    Benten van beleeningen.......    -      774.535.
5.    Opbrengst van de Handelingen der Synode    -    1071.46.
6.    Buitengewone baten........    -      173.50.
7.    Afgeloste beleeningen.......    -  26700.—.
Te zamen . . . f 92594.12*.
UITGAVEN.
1.    Synodale kosten.........f 12228.71.
2.    Kosten der Provinciale Kerkbesturen . . - 12062.65.
3.    Kosten der Classikale Besturen en toelagen
voor de Ringen.........    -  28815. —.
4.    Ko9ten der Kerkvisitatie......    -    4424.97*.
5.    Toelagen voor de Classikale Vergaderingen    -    3900. — .
6.    Kosten der Synodale Handelingen ...    -    1067.62\'\'.
7.    Overige drukloonen........    -      668.25.
8.    Vergoeding van kerkelijke en burgerlijke
proceskosten..........- 276.50.
9.    Buitengewone uitgaven.......- 821.45.
10.    In beleeningen en prolongatie geplaatste
gelden............- 26800.—.
11.    Administratiekosten........- 1500.—.
Te zamen........f 92565.16.
Als ontvangsten komen voor . - 92594.125.
Saldo in kas.......- 28.96*.
Abt. 5. De inkomsten der Algemeene kas zn\'n:
1°.   toelage van het Ruk;
2°.   bydrage van de gemeenten der Nederlandsche Hervormde Kerk;
3°.   renten van inschrijvingen, certificaten en beleeningen;
4".   giften en legaten;
5°.   opbrengst der Synodale handelingen;
6°.   buitengewone baten.
Art. 6. De bn\'dragen der gemeenten worden verkregen door eenen
omslag, waarby iedere gemeente wordt aangeslagen voor een bedrag,
door haar telken jare aan den quaestor der classis, waaronder ztf
18*
-ocr page 318-
Reglement op de kosten voor het bestuur.
276
resorteert, en, zooveel de Waalsche gemeenten betreft, aan den
Secretaris der Commissie voor de zaken der Waalsche kerken, en door
de bedoelde quaestoren en den genoemden secretaris aan den quaestor-
generaal der Algemeene Synode over te maken.
Door de bedoelde quaestoren. Xa de opheffing van het Kerkbestuur van Lim-
burg bij de den 31 Maart 1875 in werking gekomen veranderingen in het Alg.
Regl., waardoor Liraburg eene classis onder het 1\'rov. ressort van Noordbrabant
met Limburg geworden is, heeft dit art. de noodige wijziging ondergaan, in
werking gekomen den 15 Dec. 1877. Desgelijks\'art. 12, 5*.
Art. 7. Voor dezen omslag worden de gemeenten in 5 klassen
gerangschikt.
Tedere gemeente draagt de som bü, welke zij naar hare klasse te
betalen heeft, vermenigvuldigd met het chfer van het getal van hare
predikantsplaatsen.
De jaarlijksche omslag bedraagt in de verschillende klassen, behou-
dens de vermenigvuldiging hierboven bedoeld: in de eerste klasse ƒ 5;
in de tweede ƒ 10; in de derde f 15; in de vierde f 20; in de
vnïde f 25.
Art. 8. De Algemeene Synodale Oommissie stelt, na gehoord te
hebben de Provinciale Kerkbesturen, die de Classikale Besturen raad-
plegen, de bh\'dragen van alle gemeenten volgens art. 7 voorloopig
vast, en brengt den daarvan opgemaakten staat met de ingekomen
adviezen bü de eerstvolgende Synode ter tafel, onder mededeeling,
zoo zü van de bedoelde adviezen is afgeweken, van de redenen, die
haar daartoe hebben geleid.
De Synode beslist en stelt de omslagen definitief vast.
Zü zendt een afschrift van de lyst der omslagen aan den quaestor-
generaal.
Art. 9. Bü de bepaling tot welke klasse eene gemeente behoort,
wordt gelet op de talrükheid en de welvaart van hare leden, alsmede
op de inkomsten van hare kerkgoederen.
B\\j gecombineerde gemeenten wordt het aandeel, door elk van haar
in den gemeenschappelüken aanslag te dragen, met het oog op dit
artikel geregeld, tenzy by vroeger gesloten onderlinge overeenkomsten
daarin nader mocht zijn voorzien.
Bij gecombineerde gemeenten, enz. Deze al. (vastgesteld 2 Aug. 1878) is aan
het art. toegevoegd, ten einde te gemoet te komen aan moeielijkheden, die zich
soms opdeden waar aanmerkelijk verschil is tusschen de gegoedheid der gecom-
bineerde gemeenten.
Akt. 10. Het quotum van iedere gemeente wordt jaarlyks door
den Kerkeraad vóór 1 April overgemaakt.
De Kerkeraad vraagt het tydig van het Collegie der kerkelyke
administratie van de gemeente.
-ocr page 319-
Art. 6-13.                                           277
Art. 11. Elke vijf .jaren, te beginnen met het vijfde jaar na het
in werking treden van dit reglement, wordt, behoudens de quoti-
seering tusschentijds, voortvloeiende uit de stichting van nieuwe
gemeenten, de opheffing van combinatiën en de verandering in het
getal der predikantsplaatsen van reeds bestaande gemeenten, de tabel
van den omslag door de Synodale Commissie herzien en op dezelfde ,
wijze, als bij art. 8 is bepaald, vastgesteld.
Met het vijfde jaar. D. i. voor het eerst in het jaar 1880.
Art. 12. De uitgaven ten laste der kas zijn:
1°. de reis- en verblijfkosten of presentiegelden van de leden der
Synode en der Synodale Commissie en van de uit haar midden gecoiu-
mitteerde leden;
2°. het honorarium en de bureaukosten van den secretaris der
Synode;
3°. het honorarium van den quaestor-generaal wegens de admi-
nistratie der kas;
4°. de vergaderingskosten der Synode en der Synodale Commissie;
5°. de reis- en presentiegelden van de leden der Provinciale Kerk-
besturen, de Commissie voor de zaken der Waalsche kerken daaronder
begrepen, alsmede van hunne secundi;
6°. de honoraria en bureaukosten van de secretarissen dier besturen;
7°. de reis- en presentiegelden van de leden der (klassikale Besturen;
8". de honoraria en bureaukosten van de scriba\'s en quaestoren der
Classikale Besturen, alsmede van den Classikalen quaestor;
9°. de kosten der kerkvisitatie;
10°. de toelagen voor de Classikale vergaderingen;
11°. de toelagen aan de ringen;
12°. drukloonen;
13°. vergoeding van kerkelijke en burgerlijke proceskosten;
14°. de algemeene administratiekosten voor de algemeene kas;
15°. buitengewone uitgaven.
1°. en 4°. Hier zijn 15 Januari 1884 weggenomen de woorden .... alsook
van de leden der commissie,
welke, ten gevolge van het in werking komen van
het Regl. op het H. O. in de Godgeleerdheid, waren vastgesteld. Zoo ook in het
volg. art. in de tweede al. — Zie art. 16 Regl. op het H. O.
5°. Zie op art. 6.
8°. Alsmedequaestor. Bijvoeging in werking getreden 15 Januari 1884.
Art. 13. Het honorarium en het bedrag der bureaukosten ten
behoeve van den secretaris der Synode en het bedrag van het hem
te verleenen pensioen, als ook het honorarium van den quaestor-
generaal , worden door de Synode vastgesteld.
De reiskosten voor de leden der Synode en der Synodale Com-
missie worden berekend op ƒ 1.20, voor elk uur afstands heen en
terug te zamen, de verblijfkosten op ƒ6 voor eiken dag, uitgezonderd
-ocr page 320-
278                  Reglement op de kosten voor het bestuur.
voor de leden te \'s (Jravenhage woonachtig, die daarentegen f 3 voor
eiken dag presentiegeld genieten. De president ontvangt ƒ 2 voor
eiken dag boven zijn verblijf- of presentiegeld als lid.
Het bedrag der honoraria van de secretarissen, scriba\'s der Pro-
vinciale en Classikale Besturen, alsmede dat van den Classikaleu
quaestor, worden door de Synode vastgesteld op voordracht van de
Synodale Commissie, na de betrokken besturen te hebben gehoord.
Het bedrag van de overige kosten der vermelde besturen, met
inbegrip der bureaukosten, alsmede van de toelagen aan de Classikale
vergaderingen en aan de ringen, wordt insgelijks op voordracht van
de Synodale Commissie, die de Provinciale kerkbesturen hoort, door
de Synode geregeld, doch de onderlinge verdeeling er van aan de
respectieve besturen overgelaten.
De secundi en tertii, die by de Provinciale kerkbesturen krachtens
het Reglement op het examen van Candidaten ter toelating tot de
Evangeliebediening opgeroepen worden, ontvangen voor reiskosten
ƒ 1.20, voor elk uur afstands heen en terug te zamen, en ƒ 6 voor
eiken dag verbln\'f, of, als z\\j in de hoofdplaats der provincie wonen,
f 3 presentiegeld voor eiken dag.
In de tweede alinea zijn weggevallen „alsmede van de Commissie van voor-
dracht voor de benoeming van hoogleeraren". 15 Januari 1884. — Zie art. 16
Eegl. op H. O.
In de derde alinea zijn weggevallen de woorden en quaestoren van de en
ingelascht de woorden alsmedequaestor. In werking getreden 15 Januari 1885.
Zie ook aant. 2 op art. 49 Algem. Reglement. Handel. 1861, bl. 60 en 1882,
bl. 233—236.
Art. 14. Voor de kosten der persoonlijke kerkvisitatie wordt eene
som voor iedere classis door de Synode vastgesteld op voordracht van
de Synodale Commissie, die de Provinciale kerkbesturen en door deze
de Classikale besturen hoort.
Aan gecommitteerden voor eene buitengewone kerkvisitatie wordt
als vacatiegeld toegekend, voor ieder de som van ƒ 4 voor eiken dag
ten laste der Algemeen e Kas, voor zooverre de kosten niet kunnen
gebracht worden ten laste van de betrokken gemeente, en evenzeer
voor reiskosten ƒ 1,20 voor elk uur afstands heen en terug.
Aan gecommitteerden, enz. Om in eene meermalen gevoelde leemte te voorzien,
is in 1878 het art. met deze al. aangevuld.
Art. 15. De Synodale Commissie geeft de noodige voorschriften
betreffende het model der declaratiën, de wijze en den tn\'d van
betaling en alles wat de comptabiliteit betreft.
Art. 16. Wanneer één of meer leden van een Classikaal Bestuur
voor zaken, niet vallende in de termen van het Reglement voor
Kerkelijk opzicht en tucht of van dat op de kerkvisitatie, zich van
hunne woonplaats begeven moeten, komen de kosten hiervan ten
-ocr page 321-
Abt. 13—18.                                          279
laste van de personen, collegiën of gemeenten, ten wier behoeve zulks
geschiedt. Het bedrag dezer kosten wordt voor reisgelden op ƒ 1.20,
voor elk uur «ifstands heen en terug te zamen, en voor verblijfkosten
op ƒ 3 daags vastgesteld. Deze kosten worden voldaan binnen één maand
na de inzending der declaratie.
In het Waalsche ressort worden de reis- en verblijfkosten berekend
naar een tarief\', ontworpen door de Waalsche Commissie en goed-
gekeurd door de Algemeene Synode.
Deze kosten worden voldaan. Hier zijn d. 15 Dec. 1877, ten gevolge van de
veranderingen in art. 5 van het Regl. op de Vacatures, weggenomen de woorden,
die betrekking hadden op de kosten van Classikale Besturen bij losmaking of
ontslag van een predikant. Zie boven bl. 108.
In het Waalsche ressort, enz. Deze al. is, nadat de overige bepalingen reeds
vroeger waren vastgesteld, in 1874 aangenomen, wegens den exceptionoolen
toestand, waarin het Waalsche ressort verkeert door het ver uiteen liggen van
hare gemeenten. Verg. aant. op art. 20 van het Regl. op de Vac. en op art. 23
Regl. voor Opz. en Tucht.
Art. 17. De kosten van het bestuur over iedere bijzondere gemeente
blijven ten haren laste, en worden op de gewone wijze gevonden.
Art. 18. Dit Reglement treedt in werking den 1 Januari 1876.
Met dien dag vervalt het Reglement op de Classikale kosten met alle
daartoe betrekkelijke besluiten, als ook alle regeling van honoraria
en toelagen, voor zoover zij met dit reglement in strijd worden
bevonden.
Ter vervanging van het „Reglement op de Classikale kosten", goed-
gekeurd bij Kon. Besluit van 30 Juli 1816, no. 1 (bü hooyer, t. a. p.,
bl. 145 en volgg., en bij rrüna, de Regll. enz., vijfde uitg., bl.
143—151), \'twelk, wegens de vele van Regeeringswege daaraan toe-
gekende, met het oorspronkelijke niet overeenstemmende verorde-
ningen, reeds jaren lang herziening behoefde en, door de veranderde
betrekking tusschen de Kerk en den Staat, onbruikbaar was geworden,
is het tegenwoordig Regl. door de Synode den 16 Juli 1872, en wat
betreft de tweede al. van art. 16 den 11 Juli 1874 vastgesteld en eerst
na voorbereidende regeling, zoo van de bijdragen der gemeenten als
van de verschillende bestuurskosten, alsmede na kennisgeving aan de
Regeering, volgens art. 1 der Wet op de Kerkgenootschappen, uit-
gevaardigd door de Synodale Commissie den 20 Nov. 1875 en in wer-
king getreden den 1 Januari 1876.
-ocr page 322-
280                  Reglement op de kosten voor het bestuur.
B IJ L A G E N
1SJJ HET
REGLEMENT OP DE KOSTEN VOOR HET BESTUUR DER
NEDERLANDSCHE HERVORMDE KERK.
J.
ALGEMEEN REGLEMENT
OP HET
BEHEER DER KERKELIJKE GOEDEREN EN FONDSEN VAN DE IIEKV.
GEMEENTEN IN NEDERLAND, EN HET TOEZICHT DAAROP.
Art. 1. Het beheer der kerkelijke goedereu en tondsen der Her-
voriude gemeenten in Nederland en de zorg voor de kosten van hare
eeredienst zijn in iedere gemeente opgedragen aan kerkvoogden, onder
medewerking van notabelen en onder toezicht van Provinciale col-
legiën en van een algemeen collegie.
De Waalsche gemeenten vormen een bh\'zonder ressort, met een
eigen collegie van toezicht, dat ten aanzien van zn\'nen werkkring en
zyne bevoegdheid niet de provinciale collegiën gelijk staat.
EERSTE HOOFDSTUK.
VAN HET BEHEER.
EERSTE AFDEELING.
Organisatie der gemeenten ten aanzien van het beheer.
Art. 2. Stemgerechtigde leden eener gemeente zh\'n alle manslid-
maten, die bg het vaststellen der lijst, vermeld in art. 5, onder haar
ressort wonen, den ouderdom van 23 jaren bereikt, en ten minste
een jaar geleden bij den Kerkeraad geloofsbelijdenis afgelegd hebben,
of op ingediende attestatie of bewys van lidmaatschap als lidmaten
der gemeente erkend zyn.
-ocr page 323-
Bijlagen.                                             281
Van de steuigereehtigheid zijn uitgesloten zij, die in liet laatste jaar
door eenig armbestuur zijn bedeeld geworden, die onder eensuur of
curatele staan, alsmede die nalatig zyn in het voldoen van het aan
de gemeente verschuldigde, hetwelk op den dag van de sluiting der
stemlijst opvorderbaar is.
Voorts zal in iedere gemeente de uitoefening van het stemrecht
ter verkiezing van notabelen bij plaatselijk reglement van eenen
census of\' van andere beperkende voorwaarden afhankelijk kunnen
worden gesteld.
In gemeenten, waar het aantal der stemgerechtigde manslidmaten
in verhouding tot het zielental zeer gering is, kunnen bij plaatselijk
reglement met hen tot de uitoefening van het stemrecht geroepen
worden de mansleden, die den ouderdom van 23 jaren bereikt hebben
en, hetzij door betaling in den hoofdelijken omslag, hetzij door huur
van zitplaatsen of op andere wijze, jaarlijks tot stijving van de
inkomsten der gemeenten bijdragen.
Art. 3. Notabelen worden door stemgerechtigde leden der gemeente,
kerkvoogden door notabelen, hoogstens voor den tijd van zes jaren,
benoemd.
Abt. 4. Tot kerkvoogden en notabelen zijn alleen benoembaar
stemgerechtigde leden der gemeenten, voor welke de benoeming
plaats heeft.
In gemeenten, waar slechts één kerkvoogd is, kan van deze bepa-
ling, onder goedkeuring van het Provinciaal (\'ollegie, worden af-
geweken.
De betrekkingen van kerkvoogd en notabel zijn onvereenigbaar.
Bij plaatselijk reglement kan de benoembaarheid van stemgerech-
tigden tot kerkvoogd van eenen census of andere beperkende voor-
waarden afhankelijk worden gesteld.
Art. 5. De leiding der verkiezing van notabelen is opgedragen
aan kerkvoogden.
Zij zorgen, dat de lijst van stemgerechtigden jaarlijks vóór den
1 October voorloopig wordt opgemaakt of herzien en, nadat de
gemeenteleden gedurende acht dagen in de gelegenheid zijn gesteld
daarvan kennis te nemen en hunne bezwaren bij kerkvoogden in te
brengen, wordt vastgesteld.
De beslissingen over geschillen betreffende de zamenstelling der
lijst van stemgerechtigden zijn, binnen acht dagen na de vaststelling,
aan hooger beroep bij het Provinciaal Collegie onderworpen.
Art. 6. Kerkvoogden z\\jn gezamenlijk voor het hun opgedragen
beheer verantwoordelijk.
Behoudens deze verantwoordelijkheid kunnen z\\j, hetzij uit hun
midden, hetzij uit andere meerderjarige manslidmaten van hunne of
van eene naburige gemeente, tot wederopzegging, eenen rentmeester
of* ontvanger benoemen.
-ocr page 324-
282                  Reulement ov vk kosten voor iikt bestuur.
In elk geviil is de rentmeester of ontvanger, die geen kerkvoogd
is, gehouden ten genoegen van kerkvoogden zekerheid te stellen.
Akt. 7. De kerkvoogd, die zich aan ontrouw of verregaand plicht-
verzuim of wangedrag schuldig maakt, kan uit zijne betrekking
worden ontzet.
Zoodanige ontzetting heeft niet plaats, dan op voordracht van het
Provinciaal Oollegie, door het Algemeen Oollegie, nadat de betrokken
kerkvoogd door dit laatste is gehoord, althans tot verdediging in de
gelegenheid is gesteld.
Hij, die van de bediening van kerkvoogd is ontzet, kan in den
loop der eerstvolgende vn\'f jaren niet tot kerkvoogd of notabel worden
benoemd.
Het Provinciaal Collegie is bevoegd om, hangende het onderzoek,
den beklaagden kerkvoogd in de uitoefening van zijne bediening te
schorsen.
Art. 8. Het aantal van kerkvoogden en notabelen, de graad van
bloedverwantschap of zwagerschap, waarin zij elkander niet mogen
bestaan, de aanwijzing der met hunne bediening onvereenigbare be-
trekkingen, de duur van hunnen diensttijd, de tijd en rooster van
aftreding, de tijd, wijze en leiding der verkiezingen, mitsgaders de
gang en onderlinge verdeeling der werkzaamheden, worden in iedere
gemeente bij plaatselijk reglement geregeld.
TWEEDE AFDEELING.
Van den werkkring ran kerkvoogden en notabelen..
Art. 9. Kerkvoogden voeren het beheer over de kerkelijke goederen
en fondsen van de gemeente, en voorzien uit de inkomsten in de kosten
van de eeredienst en in het onderhoud van kerken, pastorijen en
andere eigendommen.
Zij zorgen, dat de inkomsten der kerkelijke goederen niet aan hare
bestemming worden onttrokken.
Voor zoover eenige der gemelde goederen en fondsen, krachtens
voldoenden rechtstitel, onder het beheer van een ander staan, zien
kerkvoogden toe, dat de belangen der gemeente niet worden verkort.
Meer bepaald is hun het toezicht en, bh\' klaarblijkelijk misbruik,
de tusschenkomst aanbevolen, ten aanzien van het beheer der pastorij-
en kosterygoederen, waar dit, hetzij door hen, die tot de inkomsten
zijn gerechtigd, hetzij door anderen, wordt gevoerd.
Indien de beheerders ontbreken, voorzien de kerkvoogden in het
beheer der pastorij- en kosterijgoederen.
Kerk-rooyden voeren het beheer enz. Zie de aant. oj) art. 12 Rogl. op do
Kerkvisitatie.
-ocr page 325-
Bijlagen.
283
Abt. 10. Kerkvoogden bewaren alle stukken, die tot de kerkelijke
goederen en fondsen van hunne gemeente betrekking hebben.
Bh\' de invoering van dit reglement maken zh\' onder medewerking
van notabelen inventarissen van de goederen, fondsen, baten, schulden
en lasten.
Van de onroerende goederen, waaronder worden begrepen alle
zakelijke rechten in zulke goederen, worden daarbij aangeduid de
kadastrale indeeling en grootte, de jaarlyksche vaste of gemiddelde
opbrengst, de plaatselijke benaming en ligging, met eene naauwkeurige
opgave van de voordeden en lasten, daaraan verbonden.
Deze inventarissen worden, voor zooveel de pastorh\'- en kosterh\'-
goederen betreft, na overleg met de tijdelijke gebruikers of beheerders,
vastgesteld.
Een afschrift van deze inventarissen, door kerkvoogden gewaarmerkt,
wordt aan het Provinciaal Collegie gezonden en een ander, voor zooveel
de pastorügoederen betreft, aan d<m Kerkeraad.
Zoo dikwerf daartoe aanleiding bestaat, worden gemelde inventa-
rissen bijgewerkt, waarvan aan genoemde collegiën kennis wordt
gegeven.
Abt. 11. In iedere gemeente wordt jaarln\'ks eene begrooting opge-
maakt van al hare inkomsten en uitgaven, loopende van den 1 Januari
tot 31 December.
Het ontwerp dier begrooting, ingericht naar een door het Provin-
ciaal Collegie te bezorgen model, wordt vóór den 1 November, voor-
afgaande aan het jaar waartoe zij betrekking heeft, door kerkvoogden
in eene gecombineerde vergadering van kerkvoogden en notabelenter
tafel gebracht, en door deze vergadering, na onderzoek, zoo noodig
gewijzigd, vóór den 15 derzelfde maand vastgesteld.
Is na de vaststelling eene verandering in de begrooting noodig, dan
wordt daartoe door kerkvoogden en notabelen besloten.
Van deze begrooting en de besluiten tot verandering wordt aan
het Provinciaal Collegie afschrift gezonden.
Abt. 12. Indien de gewone inkomsten niet voldoende zn\'n om de
uitgaven te dekken, kan het ontbrekende gevonden worden door eenen
hoofdelyken omslag.
In den hoofdelijken omslag worden begrepen alle personen, die
een eigen middel van bestaan hebben, binnen de kerkelyke ge-
meente hun hoofdverblijf houden en volgens het Algemeen reglement
vóór de Hervormde Kerk in het Koningrijk der Nederlanden
tot haar
behooren.
De grondslagen, naar welke de hcofdelh\'ke omslag geheven wordt,
en de wn\'ze van invordering worden bn\' plaatselijk reglement geregeld.
Abt. 13. Het kohier van den hoof del\\j ken omslag wordt door kerk-
voogden opgemaakt en, na aankondiging, gedurende acht dagen voor
de gemeente ter inzage gelegd.
-ocr page 326-
ReüLEMENT OP DB KOSTEN VOOR HET BESTOUR.
281
Omtrent bezwaren, tegen den aanslag binnen dien termijn inge-
bracht, wordt beslist door kerkvoogden en notabelen. Z\\j stellen
daarna het kohier vast.
Van de beslissing van kerkvoogden en notabelen kan binnen drie
weken in hooger beroep worden gekomen bij het Provinciaal Collegie,
dat in bet hoogste ressort beslist.
Art. 14. Kerkvoogden doen vóór den 1 Juni in eene gecombineerde
vergadering aan notabelen rekening en verantwoording van hun beheer
over het afgeloopen jaar.
Deze rekening, ingericht naar de orde der begrooting, wordt binnen
vier weken opgenomen en vastgesteld. Kerkvoogden onthouden zich
hierbij van medestemming.
Art. 15. Nadat de rekening door notabelen is vastgesteld, ligt zij
gedurende acht dagen ter inzage van de gemeenteleden, op tyd en
plaats bij openbare afkondiging aangewezen.
Binnen veertien dagen zenden kerkvoogden een afschrift der reke-
ning aan het Provinciaal Collegie.
Art. 16. Elk stemgerechtigd lid der gemeente is bevoegd de be-
zwaren, welke hn\' tegen de rekening en verantwoording van kerk-
voogden mocht hebben, aan het Provinciaal Collegie mede te deelen.
Art. 17. De regeling van het gebruik der kerkgebouwen voor de
godsdienstoefeningen bluft aan den Kerkeraad.
Tot veranderingen, welke invloed hebben op de inkomsten of\' uit-
gaven der gemeente, is overleg met kerkvoogden noodig.
Art. 18. Organisten, kosters en andere kerkelijke bedienden, met
uitzondering van voorlezers, voorzangers, godsdienst-onderwijzers en
krankbezoekers, worden door kerkvoogden benoemd, van instructiën
voorzien, geschorst en ontslagen, den Kerkeraad gehoord.
De jaarwedden of andere belooningen aan kerkelijke beambten, die
niet ter benoeming staan van kerkvoogden, uit de kas der gemeente
te betalen, worden, na overleg met den Kerkeraad, door kerkvoogden
en notabelen in eene gecombineerde vergadering vastgesteld.
Art. 19. Kerkvoogden vertegenwoordigen de gemeente b\\j alle
handelingen, de kerkelijke goederen en fondsen of de kosten van de
eeredienst betreffende.
Zoodra die handelingen echter de perken van het gewoon beheer
te buiten gaan, doen zij deswege een voorstel aan de gecombineerde
vergadering van kerkvoogden en notabelen, en gedragen zich naar
de besluiten, in die vergadering gevallen.
Tot conservatoire maatregelen zijn kerkvoogden inmiddels bevoegd.
Tot de besluiten, waarbij de medewerking van notabelen wordt
gevorderd, behooren die tot het onderhands verhuren van onroe-
rende goederen en tot onderhandsche aanbesteding van werken of
leveringen, wanneer de aannemingsprijs meer dan drie honderd
gulden beloopt.
-ocr page 327-
Bijlagen.
285
Art. 20. Aan de goedkeuring van het Provinciaal Collegie zijn
onderworpen de besluiten der gecombineerde vergadering van kerk-
voogden en notabelen, tot:
a. het opnemen van gelden;
/). het vervreemden, bezwaren of verpanden van onroerende goe-
ileren of van inschrijvingen op het Grootboek en andere sehuld-
brieven;
c.     het aanvaarden van schenkingen, erfenissen of legaten, waaraan
lasten verbonden zijn;
d.   het voeren van rechtsgedingen, behalve tot invordering van
kerkelijke belasting, van huur van zitplaatsen of van andere in
het openbaar verhuurde eigendommen, van interessen en van
andere dergelijke inkomsten;
e.    het aangaan eener dading of van een compromis, of het berusten
in eene rechtsvordering.
Art. 21. De gelden der gemeente mogen, zonder machtiging van
het Provinciaal Collegie, niet anders worden belegd, dan door aankoop
van onroerende goederen, van inschrijvingen op een der Grootboeken
van de Nederlandsche Nationale Schuld, of\' bij uitleening onder eerste
hypothecair verband op landerijen, welker waarde het bedrag der
leening ten minste met een derde overtreft.
Art 22. Kerkvoogden mogen middellijk, noch onmiddellijk deel-
nemen aan onderhandsche huur of pacht van goederen of inkomsten
onder hun beheer, aan leveringen of aannemingen ten behoeve der
gemeente of aan het koopen van schiddvorderingen ten haren laste,
waaronder echter niet z\\jn begrepen aandeelen in geldleeningen.
Ontheffing van deze bepaling kan in het belang der gemeente door
notabelen worden verleend onder goedkeuring van het Provinciaal
Collegie.
Art. 23. De kerkvoogden, die zich veroorloven tot eene der han-
delingen in de artikelen 19 en 20 vermeld, zonder de vereischte goed-
keuring te hebben verkregen, over te gaan, of de gelden der gemeente
anders dan op den voet, bij art. 21 aangewezen, te beleggen, blijven
daarvoor persoonlijk aansprakelijk.
Art. 24. Geschillen omtrent de toepassing van dit reglement of
van de plaatselijke reglementen worden door het Provinciaal Collegie
beslist.
Art. 25. De werkzaamheden, b\\j dit hoofdstuk aan de Provinciale
Collegiën opgedragen, worden, wanneer zij betreffen het beheer der
kerkelijke goederen én fondsen van eene Waalsche gemeente, door
het Collegie van toezicht voor de Waalsche gemeenten, met het oog
op hare eigenaardige behoeften en omstandigheden, verricht.
-ocr page 328-
Reglement op de kosten voor het bestuur.
286
TWEEDE HO O V D S T U K.
VAN HET TOEZICHT.
EERSTE AFDEKLINO.
Van de Provinciale Collegïèn.
Art. 26. In iedere provincie is een Provinciaal Collegie van toe-
zicht op het beheer der kerkelijke goederen en fondsen van de Her-
vormde gemeenten.
De kerkelijke adininistratiën der Waalsche gemeenten in alle pro-
vinciën staan onder het toezicht van een bijzonder collegie.
Elk dezer collegiën bestaat uit zeven leden.
Art. 27. Een lid van elk Provinciaal kerkbestuur, uit zh\'n midden
daartoe afgevaardigd, is rechtens lid van het Provinciaal Collegie;
evenzoo een lid der Commissie tot de zaken der Waalsche kerken
van haar collegie.
De overige leden moeten zijn stemgerechtigde leden eener gemeente
onder het ressort van het collegie.
Het lidmaatschap is onvereenigbaar met de betrekkingen van kerk-
voogd en notabel.
Art. 28. Behoudens het bepaalde in al. van art. 27 worden de leden
der Provinciale Collegiën rechtstreeks gekozen door afgevaardigden uit
de gecombineerde vergaderingen van kerkvoogden en notabelen in
het ressort.
De afgevaardigde eener gemeente van niet meer dan 1000 zielen
heeft bij de verkiezing ééne stem; die eener gemeente van 1001 tot
5000 twee stemmen; die van 5001 tot 15000 drie stemmen; terwijl
die van grootere gemeenten voor elke 10000 zielen meer ééne stem
daarboven heeft.
Art. 29. Wanneer in een Provinciaal Collegie een of meer plaatsen
te vervullen zijn, geeft dat collegie daarvan kennis aan de kerk-
voogden en notabelen in de provincie, en roept tegelijk de door deze
te benoemen afgevaardigden op om zich in de hoofdplaats op bepaalden
tijd en in een aangewezen locaal te vereenigen, om aldaar onder de
leiding van genoemd collegie hunne stem uit te brengen.
Voor het Collegie van Toezicht der Waalsche gemeenten worden
de afgevaardigden opgeroepen in eene plaats, door het collegie aan
te wijzen.
Art. 30. De leden der Provinciale Collegiën worden benoemd voor
den tijd van zes jaren.
Om de drie jaren treedt de helft dier leden met den eersten
Januari af.
-ocr page 329-
Bijlagen.                                             287
De verkiezingen ter vervulling dier vacaturen hebben plaats vóór
den 1 October bevorens.
T usschentn\'ds ingevallen vacaturen kunnen tegelijk met de periodieke
worden vervuld, ten ware het getal der leden tot minder dan vyf
mocht zijn gedaald.
Art. 31. Elk collegie verkiest uit zijn midden eenen voorzitter,
alsmede uit of buiten zijne leden eenen secretaris.
Aan den secretaris kan een honorarium worden toegelegd.
Art. 32. Elk provinciaal collegie heeft zijnen zetel in de hoofd-
plaats der provincie. Het vergadert ten minste eens in de drie maanden,
en voorts zoo dikwijls de voorzitter het noodig oordeelt, of drie leden
zulks, met opgaaf van redenen, schriftelijk verlangen.
Het Collegie van toezicht der Waalsche gemeenten vergadert ter
plaatse, door zijnen voorzitter te bepalen, ten minste eenmaal\'s.jaars.
Art. 33. De wijze, waarop spoed eischende zaken tusschentijds zullen
worden afgedaan, wordt door elk collegie bij zn\'n reglement van orde
geregeld.
Art. 34. Door de zorg van elk collegie worden de inventarissen,
in art. 10 vernield, verzameld, in orde gehouden en zooveel mogelijk
bijgewerkt.
Art. 35. Zoo dikwijls een Provinciaal Collegie het voor een be-
lioorlyk toezicht noodig acht, kan het van kerkvoogden en notabelen
inlichting en overlegging van bescheiden vragen.
TWEEDE APDEELING.
Van het Algemeen Collegie.
Art. 36. Het Algemeen Collegie van toezicht op het beheer der
kerkelijke goederen en fondsen van de Hervormde gemeenten bestaat
uit dertien leden.
Door elk Provinciaal Collegie en door het Collegie van toezicht voor
de Waalsche gemeenten wordt één lid uit hun midden benoemd.
Deze benoeming geschiedt voor den tijd van drie jaren.
Een derde der aldus benoemde leden treedt jaarlijks met den 1
Januari volgens daartoe op te maken rooster af.
De vervulling der plaatsen, door zulk aftreden open te vallen, heeft
bij voorraad plaats in de laatstvoorafgaande vergadering van het
betrokken collegie; die van andere vacaturen in de eerste vergadering
na haar ontstaan.
Verder wordt door de Algemeene Synode één lid uit haar midden
aangewezen.
Aan elk lid wordt een secundus toegevoegd, die de vereischten heeft
om als lid op te treden.
-ocr page 330-
288                    Reglement op de kosten voor hbt bestuur.
i
Art. 37. Het Algemeen Collegie kiest jaarlijks uit zyn midden
eenen voorzitter en eenen onder-voorzitter, alsmede uit of buiten zb\'ne
leden eenen secretaris en des noodig een thesaurier.
Aan den secretaris en aan den thesaurier kan een honorarium worden
toegelegd, door het collegie vast te stellen.
Akt. 38. Het Algemeen Collegie vergadert eens in het jaar te
\'s Gravenhage.
De tijd dier vergadering wordt door den voorzitter bepaald.
Indien de voorzitter het noodig oordeelt, of vijf leden hem daartoe,
niet opgaaf van redenen, een schriftelijk voorstel doen, wordt er eenc
buitengewone vergadering belegd.
Art. 39. De wijze, waarop in de afdoening van spoed eischende
zaken, buiten den tn\'d der vergaderingen, zal worden voorzien, wordt
bij reglement van orde bepaald.
Art. 40. Het Algemeen Collegie waakt voor de belangen der
Hervormde gemeenten, ten aanzien van hare kerkelijke goederen en
fondsen en van andere middelen om in de kosten der eerediensst te
voorzien.
Het neemt, behoudens de uitzondering in art. 13, al. 3, in hooger
beroep kennis van alle besluiten en beslissingen van de Provinciale
Collegiën en van het Collegie van toezicht voor de Waalsche gemeenten,
waar belanghebbenden dit vorderen.
Zoodanig beroep moet binnen drie weken na de dagteekening der
kennisgeving van het besluit of\' de beslissing worden ingesteld.
Bij de behandeling eener zaak in hooger beroep kan het lid, dat
voor het betrokken collegie zitting heeft, inlichtingen geven, maar
niet aan de stemming deelnemen.
Geldt het de ontzetting van een of meer kerkvoogden, zoo ont-
houdt het lid, benoemd door het collegie van hetwelk de voordracht
is uitgegaan, zich eveneens van alle medewerking tot de te nemen
beslissing.
Art. 41. Indien eene gemeente mocht te niet of zoodanig terug-
gaan, dat hare goederen en fondsen als buiten wettig beheer kunnen
worden beschouwd, geeft het betrokken Provinciaal of Waalsch col-
legie daarvan kennis aan het Algemeen Collegie, dat alsdan in dat
beheer voorziet en beschikkingen maakt, die strekken kunnen om
gemelde goederen en fondsen bij voortduring, althans zoo na mogelijk,
aan hunne bestemming te doen beantwoorden.
Art. 42. Wanneer het Algemeen Collegie oordeelt, dat dit regie-
ment wijziging of aanvulling noodig heeft, zal het daartoe een besluit
ontwerpen en dit ontwerp, met de noodige toelichting, aan de Pro-
vinciale Collegiën en aan het Collegie van toezicht voor de Waalsche
gemeenten doen geworden, met uitnoodiging om kerkvoogden en
notabelen by de gemeenten in hun ressort daarop te hooren, en om
voorts, onder mededeeling van den zakelijken inhoud der aldus inge-
-ocr page 331-
Bijlagen.
289
wonnen berichten, het Algemeen Collegie binnen een door dit laatste
te bepalen termijn van ten minste drie maanden met hunne eigene
beschouwingen bekend te maken.
Wanneer deze termijn verstreken is, zal het Algemeen Collegie,
na kennis te hebben genomen van de ontvangen adviezen, het oor-
spronkeiyk ontwerp, tenzij het mocht worden ingetrokken, zooveel
noodig wijzigen of aanvullen, om vervolgens dat ontwerp in beraad-
slaging of ter beslissing te brengen in eene vergadering, bestaande
uit de gewone leden van het collegie, versterkt door een lid der Synode,
door haar aan te wijzen, en door een stemgerechtigde uit iedere
provincie, en uit de Waalsche gemeenten, te kiezen door afgevaar-
digden van de vergaderingen van kerkvoogden en notabelen, op de
wijze by art. 28 van dit reglement bepaald.
Wanneer ten minste twee Provinciale collegiën van toezicht of ten
minste een tiende der toegetreden gemeenten wijziging verlangen, is
het Algemeen Collegie verplicht die in beraadslaging te brengen,
overeenkomstig het in dit artikel bepaalde.
Art. 43. De voorzitter, onder-voorzitter en de secretaris van het
Algemeen Collegie vervullen dezelfde betrekkingen in het aldus ver-
sterkt collegie.
A L G E M E E N E BEPALINGEN.
Abt. 44. De leden van de in dit reglement of bij plaatselijke regle-
menten genoemde collegiën genieten geen honorarium, dan voor
zoover dit hiervoor is bepaald.
De vergoeding voor reis-, verblijf- en bureaukosten wordt door het
Algemeen Collegie, voor zooveel de Provinciale Collegiën betreft, op
hunne voordracht, geregeld.
Wanneer de uit anderen hoofde te verkrijgen gelden niet voldoende
mochten zijn, worden de kosten gevonden uit bijdragen van dekerk-
voogdijen der provincie voor het collegie van hare provincie, uit
bijdragen van de Waalsche gemeenten voor het Collegie van Toezicht
dier gemeenten en uit bijdragen van alle gemeenten voor het Algemeen
Collegie.
De bedragen worden voor iedere gemeente bepaald door het Alge-
meen Collegie, zoo veel mogelijk in evenredigheid van de inkomsten
der gemeenten, de Provinciale Collegiën en het Collegie voor de
Waalsche gemeenten gehoord.
Art. 45. Verlies van het radikaal tot eene der naar dit reglement
opgedragen kerkelijke betrekkingen heeft aftreding ten gevolge.
Art. 46. Bij de benoeming ter vervulling eener tusschentijds inge-
vallen vacature treedt de nieuw benoemde, ook ten aanzien van den
tijd van aftreding, in de plaats van zijnen voorganger.
Kerkelijk Wetboek, \'la druk.                                                                              19
-ocr page 332-
290                  Reglement op de kosten voor het bestuur.
Art. 47. Aan elk collegie, krachtens dit reglement samengesteld,
wordt overgelaten, den gang zijner werkzaamheden hy een reglement
van orde te bepalen.
Art. 48. In de vergaderingen van het Algemeen Collegie wordt
geen besluit genomen, zoo niet ten minste twee derden, in de ver-
gaderingen der overige in dit reglement genoemde collegiën, zoo niet
meer dan de helft van het bepaalde getal leden tegenwoordig is.
Wanneer het in de voorgaande alinea vereischte getal ontbreekt,
wordt na verloop van ten minste vier en twintig uren eene nieuwe
vergadering belegd.
In deze laatste vergadering worden de besluiten door de dan tegen-
woordige leden genomen.
Art. 49. Bij het nemen van een besluit wordt de volstrekte meer-
derheid van stemmen vereischt.
Bij staking van stemmen is een aanhangig voorstel afgewezen of
eene aanklacht ten voordeele van den bezwaarde beslist.
Abt. 50. Benoemingen geschieden bü gesloten en ongeteekende
billetten.
Levert eene eerste stemming geene volstrekte meerderheid op, zoo
heeft er eene nieuwe vrye stemming plaats.
Is er ook bij deze geene volstrekte meerderheid verkregen, zoo wordt
er herstemd tusschen de twee personen, die de meeste stemmen hebben
bekomen.
Verkregen onderscheidene personen het grootste aantal stemmeD,
zoo geschiedt de herstemming tusschen deze allen.
Heeft het grootste getal stemmen zich op één persoon vereenigd,
terwijl het daarop volgend getal door twee of meer is verkregen, zoo
wordt bij eene tusschenstemming uitgemaakt, wie van de laatsten in
de herstemming zal deelen.
Indien bij eene herstemming de stemmen staken, beslist het lot.
B\\j het plaatselijk reglement, regelende de verkiezing van notabelen,
kan van deze bepaling worden afgeweken.
Art. 51. De plaatselijke reglementen, waarvan in dit reglement
sprake is, worden, na op voordracht van kerkvoogden of notabelen,
in eene gecombineerde vergadering vastgesteld te zyn, ten minste
veertien dagen voor de stemgerechtigden ter inzage gelegd en ver-
volgens aan de goedkeuring van het Provinciaal Collegie onderworpen.
Elk stemgerechtigd lid der gemeente is bevoegd binnen evenge-
noemden termijn de bezwaren, welke h\\j tegen het vastgestelde regie-
ment hebben mocht, aan het Provinciaal Collegie mede te deelen.
Art. 52. De uitvoering van een besluit, waarvan belanghebbenden
in hooger beroep z\\jn gekomen, wordt geschorst, tot dat op dit beroep
zal /.ijn beslist.
Art. 53. De afkondigingen en bekendmakingen, waarvan in dit
reglement sprake is, geschieden des Zondags in of aan de kerkgebouwen.
-ocr page 333-
Bijlagen.
291
OVERGANGSBEPALINGEN.
Art. 54. Dit reglement treedt in werking op den 1 October 1870.
Art. 55. De Hervormde floreenplichtigen in Friesland bleven in
iedere gemeente, waar zij bestaan, voorloopig den werkkring vervullen,
elders aan notabelen toegekend, en zulks voortaan in overeenstemming
met de voorschriften van dit reglement.
De door hen benoemde en verder te benoemen kerkvoogden gedragen
zich eveneens naar dit reglement en naar plaatselijke reglementen,
daarmede zooveel mogelük in overeenstemming gebracht.
Deze plaatseln\'ke reglementen behoeven de goedkeuring van het
Provinciaal Collegie.
Art. 56. De kerkvoogden en notabelen, benoemd naar de voor-
schriften van het besluit ter voorloopige organisatie van de Neder-
landsche Hervormde Kerk aangaande het beheer der kerkelyke goe-
deren en fondsen van hare gemeenten en het toezicht daarop, vast-
gesteld den 12 October 1868, blü\'ven bü het in werking treden van
dit reglement in functie, voor zoover zy de overige bepalingen van
dat besluit hebben nageleefd.
Evenzoo de Provinciale Collegiën en het Algemeen Collegie van
toezicht, krachtens hetzelfde besluit samengesteld.
Art. 57. Binnen zes maanden na het tydstip bü art. 54 bepaald,
zorgen de dan fungeerende kerkvoogden, dat de noodige plaatseln\'ke
reglementen tot stand gebracht zy\'n, en binnen denzelfden tn\'d maken
z\\j zoowel als notabelen, ieder voor zich, in eene gecombineerde ver-
gadering eenen rooster van aftreding op, in dier voege, dat b\\j hen
eene eerste aftreding plaats heeft den 1 Januari 1872, en dat het
ledental hunner collegiën alsdan tevens in overeenstemming wordt
gebracht met de bepalingen van het plaatselijk reglement.
Art. 58. Op denzelfden voet als in het voorgaande artikel ten
aanzien van kerkvoogden en notabelen is bepaald, wordt de aftreding
der leden van de Provinciale Collegiën en van het Algemeen Collegie
van toezicht, binnen zes maanden na het in werking treden van dit
reglement geregeld, en heeft de eerste aftreding bij die collegiën mede
op den 1 Januari 1872 plaats.
Art. 59. In gemeenten, waar aan het organiek besluit van 12
October 1868 geen of geen volledig gevolg is gegeven, doch die zich
aan de bü dit reglement vastgestelde organisatie wenschen aan te
sluiten, worden notabelen en kerkvoogden met inachtneming van de
voorschritten van dit reglement benoemd, en geven kerkvoogden,
zoodra zü deze benoeming hebben aanvaard, van gemelde aansluiting
kennis aan het Collegie van toezicht, waaronder zü resorteren.
Art. 60. Het Collegie van toezicht voor de Waalsche gemeenten
wordt, onmiddellyk nadat de meerderheid dier gemeenten zich tot
19*
-ocr page 334-
Reglement op de kosten voor het bestuur.
292
aansluiting bereid heeft verklaard, naar de voorschriften van dit
reglement benoemd en treedt alsdan, na kennisgeving aan het Alge-
meen Collegie, in functie.
Alzoo vastgesteld door hét dubbele Algemeen Collegie
van toezicht op het beheer der goederen van de Her-
vormde gemeenten in zijne vergadering van 17 Juni
1870, en krachtens besluit dier vergadering door het
enkele Algemeen Collegie, na kennisgeving aan de
Regeering, volgens de Wet van 10 September 1853
(Staatsblad no. 102), uitgevaardigd den 21 Juli 1870.
II.
ADRES DER SYNODE AAN DE TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAT.,
VERZOEKENDE MEDEWERKING OM TE KUNNEN KOMEN TOT
BENE WETTELIJKE REGELING VAN HET I1EHEKR DER
KERKELIJKE GOEDEREN VAN DE GEMEENTEN
EN HET TOEZICHT DAAROP.
Mijne Heeren!
De Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk gevoelt
zich gedrongen de aandacht van Uwe Vergadering te vestigen op den
onhoudbaren toestand, waarin die Kerk verkeert met betrekking tot
het beheer der kerkelijke goederen van hare gemeenten.
De Synode onthoudt zich van een geschiedkundig overzicht te leveren
van het beheer dier goederen vóór en na 1816. Het is eene algemeen
bekende zaak, dat tot 1806 het oppertoezicht op dat beheer bij de
Hooge Regeering berust heeft, naar de door haar ingevoerde organi-
satie, die bij onderscheidene arresten van den Hoogen Raad rechts-
geldig verklaard was. Aan dat oppertoezicht werd door het Koninklijk
besluit van 9 Februari 1866 (Staatbl. no. 10) plotseling een einde
gemaakt. Bij dit besluit, waarvan adressante de hoog te waardeeren
strekking niet miskennen wil, van namelijk aan de Hervormde Kerk
gelijke vrijheid te verzekeren als door andere gezindheden werd
genoten, werd echter, naar hare bescheiden meening, niet voldoende
rekening gehouden met de eigenaardige toestanden dier Kerk ten
aanzien van het beheer der kerkelijke goederen. Wel werd by genoemd
Koninklijk besluit eene ruimte van driejaren voor eene nieuwe regeling
gelaten, en intusschen deze tjjd nog met een half jaar verlengd, maar
geenszins gezorgd, dat voor zulk eene organisatie aan de Kerk een
onbetwistbare rechtsgrond verschaft werd. Zelfs werd aan het bij
meergemeld besluit ingesteld Algemeen Collegie van toezicht, waaraan
-ocr page 335-
Bijlagen.
293
de door de Regeering uitgeoefende bevoegdheden volgens art. 5 werden
overgedragen, herhaaldelijk te verstaan gegeven, dat daarvan het
regelend gezag was uitgesloten.
Dank hebben de loffelijke pogingen, door het Algemeen Collegie
van toezicht aangewend om de dreigende verwarring te verhoeden.
Door zijnen verdienstelijken arbeid werd er althans eene organisatie
in het leven geroepen, tot welk een groot deel van de gemeenten
toetrad. Doch, daargelaten dat deze op het beginsel van vrn\'willigheid
steunende toetreding alles behalve algemeen was; bleef aan die orga-
nisatie de wettelijke grondslag en dien ten gevolge eene genoegzaam
verbindende kracht voor de toegetreden gemeenten ontbreken.
Aan de moeielijkheden. waarmede het Algemeen Collegie door dezen
onzekeren toestand reeds te kampen heeft, paart zich buitendien de
onwil van onderscheiden beheerders van kerkelijke goederen om het
verbindend gezag van kerkelijke bepalingen betrekkelijk het beheer
of het toezicht daarop te erkennen; doch niet het minste blnkt het
onhoudbare van den toestand uit de vele geschillen, die voor den
burgerlijken rechter gebracht worden, en van eene schromelijke hier
en daar bestaande wanorde getuigen, zelfs van een volslagen gemis
der vereischte waarborgen, dat de kerkelijke goederen niet aan hunne
bestemming onttrokken worden.
Deze stand van zaken deed de Synode in 1874 besluiten zelve een
reglement op het beheer der kerkelijke goederen en het toezicht
daarop te ontwerpen. De tegenstand echter, dien dit ontwerp van vele
zijden ontmoette, moest haar doen besluiten daaraan geen verder
gevolg te geven.
Ook de in 1874 aan art. 3 van het Algemeen Reglement van de
Hervormde Kerk toegevoegde 2 en 3 alinea\'s, waarbij de stembe-
voegdheid der gemeenteleden geregeld werd, bleek tot hiertoe door
sommige hoogere en lagere rechtbanken zoo weinig als een vaste
grondslag erkend te worden, dat niet alleen de wettigheid van vele
kerkvoogdijen daarom betwist wordt, maar dat men met het oog op
art. 1696 Burgerlijk Wetboek het algemeen stemrecht in de kerkelijke
gemeenten ook tot vrouwen, ja tot kinderen zou willen uitgebreid zien!
De Synode, overtuigd van de dringende noodzakelijkheid om aan
die verwarring een einde te maken en de zaak tot eene bevredigende
oplossing te brengen, besloot eindelijk in 1876. nadat zoo vele pogingen
tot herstel schipbreuk geleden hadden, niet zonder overleg met het
Algemeen Collegie van toezicht, zich bij adres tot Z. E. den Minister
van Justitie te wenden, aan wien zn\', met uiteenzetting van de
moeielijkheden, waarin de Kerk zich ten gevolge van het Koninklijk
besluit van 9 Februari 1866 gebracht zag, verzocht dat nu nog
geschieden mocht, wat in 1866, naar de bescheiden meening der
Synode had moeten geschieden, maar achterwege was gebleven, namelijk
eene aanwijzing by de wet van den rechtsgrond, waarop de regeling
-ocr page 336-
294              Regl. op de kosten voor het bestuur. Bijlagen.
van het beheer der kerkelijke goederen en fondsen in de gemeenten
kan gebouwd worden, eene aanwijzing, waar het wetgevend gezag,
tot 1866 door den Staat uitgeoefend, maar sedert losgelaten, thans
te vinden is.
Toen de toenmalige Minister van Justitie tegen het indienen van
zulk eene gelegenheidswet bezwaar maakte, maar zich bereid ver-
klaarde om, indien daar punten mochten zijn, waartoe de Regeering
tot verbetering /van den toestand zou kunnen medewerken, deze in
ernstige overweging te nemen, werd nog door de Algemeene Synodale
Commissie namens de Synode bij dien Minister eene poging gedaan,
om althans eene wettelijke regeling van de bestemming der kerkelijke
goederen van de gemeenten te verkrijgen, en werd ook door het
Algemeen Collegie van toezicht deze poging ondersteund. In hare
hoop, dat deze stap een gunstig gevolg zou hebben, vreest de Synode
echter eene nieuwe teleurstelling te zullen ondergaan, daar haar
Moderamen, dezer dagen by Z. E. den tegenwoordigen Minister van
Justitie toegelaten, van dezen, behoudens gewaardeerde verklaring
van welwillende belangstelling, moest vernemen, dat h\\j vooralsnog
bezwaar maakte aan den wensch der Synode te voldoen.
Het is om deze redenen, dat de Algemeene Synode der Nederlandsche
Hervormde Kerk, niets onbeproefd willende laten, wat zou kunnen
leiden tot eene wettelijke regeling van de gewichtige aangelegenheid,
waarbij niet alleen het algemeen belang der Hervormde Kerk in het
bijzonder, maar ook het belang van den Staat betrokken is, de vry-
heid neemt zich tot Uwe vergadering te wenden met het eerbiedig,
maar ernstig verzoek, dat zn\', naar hare wijsheid en bevoegdheid,
maatregelen berame, waardoor een einde kunne gemaakt worden aan
den onhoudbaren toestand, waarin de Hervormde Kerk met betrekking
tot het beheer der kerkegoederen gebracht is door meergenoemd
Koninklyk besluit van 9 Februari 1866 (Staatsbl. no. 10).
\'s Gravknhage, 24 Augustus 1878.
De Algemeene Synode der Nederlandsehe Herv. Kerk:
\'G. MOLENKAMP, President.
S. F. VAN HASSELT, Secretaris.
-ocr page 337-
REGLEMENT
OP HET
EXAMEN TER TOELATING TOT DE EVANGELIEBEDIENING IN DE
NEDERLANDSCHE HERVORMDE KERK.
Art. 1. Ter toelating tot de evangeliebediening in de Nederlandsche
Hervormde Kerk wordt gevorderd een examen by een der Provinciale
Kerkbesturen of by de Commissie tot de zaken der Waalsche kerken.
Art. 2. Die zich aangeven voor de evangeliebediening by de
Nederduitsche, Presbyteriaansch-Engelsche of Scbotsche gemeenten,
worden geëxamineerd door een Provinciaal kerkbestuur; die zich
aangeven voor de evangeliebediening in de Waalsche gemeenten, door
de Commissie tot de zaken der Waalsche kerken.
Art. 3. By de Provinciale kerkbesturen, welker ressort uit niet
meer dan drie classen bestaat, worden de secundi der predikanten
en, des noodig, de tertii tot het afnemen van examens opgeroepen,
onder toekenning van vergoeding voor reis- en verblijfkosten of van
presentiegelden.
Leden, die den examinandus tot den vierden graad van bloed- of
aanverwantschap bestaan, worden door hunne secundi of, des noodig,
door hunne tertii vervangen.
Art. 4. De Provinciale kerkbesturen nemen, naar de volgorde, in
art. 34 van het Algemeen Reglement aangewezen, achtereenvolgens
aan niet meer dan vier candidaten het examen af.
Art. 5. Het examen kan bygewoond worden door studenten, die
den graad van candidaat in de godgeleerdheid hebben verkregen, en
zich daartoe, met overlegging van hun diploma, by het kerkbestuur
aanmelden.
Art. 6. De aangift tot het examen geschiedt met overlegging van
de naar art. 7 vereischte stukken by den secretaris der Synode, in
Februari voor de eerste, in Juni voor de tweede, in Augustus voor
-ocr page 338-
29(5 ReOJ,. OP HET EXAMEN TER TOELATING TOT DE EVANOELIKBEDIENING.
de derde der gewone vergaderingen van de Provinciale kerkbe-
sturen.
Door hen, die bij de Commissie voor de zaken der Waalsche kerken
wensehen geëxamineerd te worden, geschiedt de aangift bij den
secretaris der Commissie.
Abt. 7. De voor de toelating tot het examen vereischte stukken zyn:
a.   bew\\js, dat de examinandus den graad van candidaat in de
godgeleerdheid aan eene Nederlandsche universiteit heeft hekomen (*).
b.   bewijs, dat hij het kerkelijk voorbereidend examen met goed (jevolg
heeft afgelegd.
Dit examen wordt met open deuren gedurende ten minste één uur
afgenomen door de twee kerkelijke hoogleeraren bij de universiteit, waar
hij gestudeerd heeft.
Bij ziekte van een der Hoogleeraren of hij vacature wordt een der Hoog-
leeraren van de andere universiteiten, volgens door de Synode opgemaakten
rooster, tot het mede afnemen van dit examen afgevaardigd.
Het examen loopt over:
de hijbelsche godgeleerdheid;
de leerstellige godgeleerdheid;
de geschiedenis der Nederlandsche Hervormde Kerk en harer leerstellingen;
de geschiedenis der Christelijke zending.
Wanneer het oordcel der examinatoren over de toelating eenparig ongunstig
is, wordt hij afgewezen. Hij wordt niet dan na een half jaar op nieuw
geëxamineerd.
c.   bewijs, dat hij met vrucht de lessen van kerkelijke hoogleeraren
heeft bijgewoond gedurende twee jaar over de practische godgeleerdheid
met de daarbij behoorende oefeningen, gedurende één jaar die over
het Nederlandsch-Hervormd kerkrecht, en, voor zoover zij gegeven
zijn, de lessen over de oordeelkunde en uitlegkunde des bn\'bels, de
bybelsche geschiedenis en de Christelijke zedekunde.
(*) Volgens het Koninklijk besluit van 27 April 1877 omtrent de examina en
promotion aan de universiteiten, wordt voor de toelating tot het caudidaatsexamen
in de godgeleerdheid
vereischt hot bewijs van een met gunstig gevolg afgelegd examen
in de Hebreeuwsche taal en Israëlitische oudheden, en is het candidaats-examen in
twee gedeelten gesplitst, afzonderlijk binnen een jaar aan dezelfde universiteit af
te leggen in: lu. a. de geschiedenis der godsdiensten in het algemeen; b. degeschie-
denis der leer aangaande God; e. de uitlegging van het Oude Testament (historische
schriften\'); d. de Israëlitische letterkunde in hare hoofd trekken j 2". a. de wijsbegeerte
van de godsdienst; b. de geschiedenis van het Christendom; c. de uitlegging van het
Nieuwe Testament (historische schriften); d. de oudchristelijke letterkunde in hare
hoofdtrekken. — Het doctoraal examen omvat: a de uitlegging van vooraf opgegeven
hoofdstukken uit het Oude en Nieuwe Testament; b. de geschiedenis der Israëlitische
godsdienst; c. de geschiedenis der leerstellingen van de Christelijke godsdienst; rf.de
zedekunde.
-ocr page 339-
Akt. 6-7.                                            297
d.   bewys, dat hy aan eene Nederlandsche universiteit heeft ge-
volgd(*):
gedurende drie jaren, de lessen in de uitlegging van het Oude en
Nieuwe Testament; of gedurende twee jaren aan eene Nederlandsche
universiteit en gedurende een derdejaar aan eene buitenlandsche wettig
erkende inrichting van hooger onderwijs;
gedurende één jaar, de lessen in de encyclopaedie der godgeleerd-
heid, in de geschiedenis van de Israëlitische godsdienst, in de geschie-
denis van do leerstellingen der Christelijke godsdienst, in de zede-
kundeden in de logica, in de Nederlandsche taal.
Zij, die by de Commissie tot de zaken der Waalsche kerken wen-
schen geëxamineerd te worden, behoeven het bewijs niet over te
leggen, dat zy de lessen in de Nederlandsche taal hebben bijgewoond.
Zij die vóór 15 Januari 1887 als studenten aan eene Nederlandsche
universiteit zijn ingeschreven, zullen kunnen volstaan met bewyzen,
verkregen volgens de bepalingen, welke van kracht waren tot het
in werking treden van deze veranderingen \').
Zijn de lessen, onder c. en d. vernield, gegeven in eenen halfja-
rigen cursus, dan wordt deze den examinandus voor een geheel jaar
toegerekend.
Van de bepalingen onder c. en d. wordt, op vertoon van eene ver-
klaring van den daarbij betrokken hoogleeraar, door het kerkbestuur,
dat voor het afnemen van het examen is aangewezen, den examinandus
dispensatie verleend, ten opzichte van lessen, die gedurende zyn
verblyf aan de universiteit niet gegeven zyn.
Die den graad van theologiae doctor verworven hebben, zyn van
de bepalingen onder a. en d. vrijgesteld.
e.   bewys, dat de examinandus onder voorzitting van eenen hoog-
leeraar een voorstel gedaan heeft (art. 13 van het Reglement op het
Hooger onderwijs in de Godgeleerdheid), hetwelk hem echter niet
wordt vergund, voordat hy het onder b. bedoeld examen heeft afgelegd.
ƒ. getuigschrift van goed zedelyk gedrag, afgegeven overeenkomstig
art. 11, al. 2 van het Reglement op het Hooger onderwijs in de
Godgeleerdheid;
g. eene kerkelijke attestatie, mede inhoudende, dat de examinandus
meer dan twee jaren lidmaat is van de Hervormde Kerk.
(*) Volgens art. 42 1" van de Wet op het Hooger Onderwijs wordt aan elke uni-
vcrsiteit onderwijs gegeven door de faculteit der godgeleerdheid, in a. de encyclo-
paedie der godgeleerdheid, l>. de geschiedenis der leer aangaande God, c. de geschie-
denis der godsdiensten in het algemeen, (/. de geschiedenis van de Israëlitische
godsdienst, c. de geschiedenis van het Christendom, f. de Israëlitische en oud-
Christelijke letterkunde, g. de uitlegging van het Oude en ^Nieuwe Testament; h. de
geschiedenis der leerstellingen van de Christelijke godsdienst, l. de wijsbegeerte van
de godsdienst, k. de zedekunde.
-ocr page 340-
298 Regl. op het examen tee toelating tot de evangeliebediening.
b.    ten minste. Wijziging in werking getreden 1 Januari 1880.
Bij ziekteafgevaardigd. Bijvoeging in werking gekomen 1 Januari 1888.
Wanneergeëxamineerd. Wijziging in werking gekomen 1 Januari 1880.
d. In de Nederlandsche taal. Weggevallen, „of een der vakken vermeld in
art. 42, 5° i, l en in. van de Wet tot regeling van het Hooger onderwijs: de
geschiedenis der wijsbegeerte, de metaphysica, de zielkunde" en daarvoor in de
plaats „in de Nederlandsche taal". In werking gekomen 15 Januari 1887.
1) Deze beide alinea, in werking gekomen 15 Januari 1887.
Art. 8. Die buitenslands hunne studiën hebben volbracht, leggen,
ook wanneer zij aldaar het recht tot de evangeliebediening bij een
Hervormd kerkgenootschap bekomen hebben, zonder nochthans als
predikanten werkzaam geweest te zy\'n, vóór hunne toelating tot het
examen over:
a. bewijs, dat zij aan eene wettig erkende inrichting van Hooger
onderwijs den graad van candidaat in de godgeleerdheid of een
datumede gelijkstaan den verworven hebben, of, indien dergelijke graad
aan die inrichting niet wordt verleend, bewijs, dat zy de vereischten
bezitten om aldaar tot het eindexamen te worden toegelaten;
h. bewijzen omtrent door hen gevolgde lpssen in de godgeleerdheid,
gelijkstaande met die, welke in het voorgaande artikel geëischt worden
onder c en d, en voorts, dat zy geëxamineerd zijn in de vakken, die
tot het candidaats-examen in Nederland en tot het kerkelyk voorbe-
reidend examen behooren.
Kunnen zij de onder b van dit artikel vereischte bewijzen niet vol-
ledig leveren, dan leggen zy, behalve in de vakken, waarin zij volgens
dit reglement moeten geëxamineerd worden, ook in de vakken, waarvan
de attesten ontbreken, met uitzondering van de geschiedenis der
Christelijke zending en het Nederlandsch Hervormd kerkrecht, examen
af. Doctoren in de godgeleerdheid leveren alleen de bewijzen, dat zy-
lessen gevolgd hebben gelijkstaande met die, welke in art. 7 onder b.
en c. zjjn aangewezen;
c.   voldoende getuigschriften aangaande hun zedelijk gedrag, afge-
geven dopr de godgeleerde faculteit of de leeraren der inrichtingen
van hooger onderwijs, aan welke zij hebben gestudeerd, alsmede door
het kerkelijk bestuur, waaronder zij buitenlands hebben geressorteerd;
d.   eene attestatie, gelijk in het vorig artikel onder g is bedoeld.
Art. 9. Candidaten tot de heilige dienst b\\j andere Protestantsche
kerkgenootschappen in Nederland, die verlangen tot het examen te
worden toegelaten, leggen over:
a.   bewijs dat zij den graad van candidaat in de godgeleerdheid aan
eene der Nederlandsche universiteiten hebben verkregen;
b.   bewn\'s, dat zy aan eene Nederlandsche universiteit of aan eene
inrichting van hooger onderwijs, aan welke door hun kerkgenootschap
de opleiding zyner evangeliedienaren is opgedragen, de lessen in de
-ocr page 341-
Art. 7-12.
299
vakken, in art. 7 onder b, c en d vermeld, met vrucht hebben
bijgewoond.
Ook hieromtrent geldt het in het vorig artikel onder b, al. 2
bepaalde;
c.   bewijs, dat zij gedurende meer dan twee jaren lidmaten geweest
zyn by een Protestantsch kerkgenootschap;
d.   bewys, dat zy tot lidmaten der Nederlandsche Hervormde kerk
zijn aangenomen;
e.   verklaring van het Classikaal Bestuur, tot welks ressort hunne
woonplaats behoort, dat het tegen hunne toelating tot het examen
geen bezwaar heeft.
Art. 10. Die bij een ander Protestantsch kerkgenootschap als
evangeliedienaars werkzaam zijn geweest en dezelfde betrekking in
de Nederlandsche Hervormde Kerk wenschen te bekleeden, onder-
werpen zich aan een colloquium doctum, na vooraf de vereischte
stukken te hebben overgelegd.
Die vereischte stukken zijn:
a.    bewijs, dat zij aan eene Nederlandsche universiteit of aan eene
wettig erkende inrichting voor hooger onderwijs in het buitenland
den graad van candidaat in de godgeleerdheid of een daarmede gelijk-
staanden graad hebben verworven;
b.   bewu\'s, dat zij tot lidmaten der Nederlandsche Hervormde Kerk
zü\'n aangenomen;
c.   getuigschrift van goed zedelijk gedrag, ten genoegen van het
Provinciaal kerkbestuur, afgegeven door een bevoegd collegie of door
bevoegde personen.
Art. 11. Die vroeger in de Roomsch-Katholieke kerk den gees-
telyken stand bekleedden en tot de evangeliebediening in de Neder-
landsche Hervormde Kerk wenschen toegelaten te worden, leggen het
in art. 21 omschreven examen af by het aangewezen kerkbestuur, dat
vooraf hunne aanvraag onderzoekt en over de toelating tot het examen
beslist. By die aanvraag leggen zy over:
a.   de bewyzen, in art. 7 onder a, c, d en g vermeld;
b.   eene verklaring van het Classikaal Bestuur, waaronder hunne
woonplaats ressorteert, dat het tegen hunne toelating tot het examen
geen bezwaar heeft.
Art. 12. Predikanten, die buitenslands als zoodanig by een Her-
vormd kerkgenootschap werkzaam zyn of geweest zijn en niet tot de
evangeliebediening in de Nederlandsche Hervormde Kerk zyn toege-
laten, onderwerpen zich in het geval, waarin by art. 57 van het
Reglement op de Vacaturen is voorzien, en nadat aan het voorschrift
in het 3e lid van dat artikel is voldaan, aan een colloquium doctum
over de vakken, in art. 21 onder a tot e van dit reglement genoemd,
-ocr page 342-
300 Rkgi,. oi\' het kxamen ter toelating tot de evangeliebediening.
met hen te houden door het Provinciaal Kerkbestuur, tot welks res-
sort de gemeente behoort, die de beroeping wenscht uit te brengen.
Een colloquium doctum heeft plaats met gesloten deuren.
Overigens gelden daarvoor dezelfde bepaliugen. die in de volgende
artikelen omtrent het examen zyn vastgesteld, voor zoover daarop in
die artikelen niet uitdrukkelijk uitzondering wordt gemaakt.
Colloquium doctum. Ernstig te nemen. Handd. 1869 en K. C. 9 Aug. 1869,
n". 32. Verg. over eol. doet. 1862; 1863; 1869, bl. 149, 150, 194, 195. De
Synode verlangt van de colloquia doeta tabellarische verslagen te ontvangen.
1875, bl. 85.
Abt. 13. De secretaris der Synode zendt de bn\' hem ingekomen
getuigschriften en verdere stukken zonder verwijl en naar de orde,
waarin zij ingekomen zijn, aan den secretaris van het kerkbestuur,
waarbij het examen moet plaats hebben, en geeft bij elke aangifteen
bewijs af, waaruit blijkt, dat de in art. 4 vermelde volgorde in acht
genomen is.
Art. 14. De secretaris van het kerkbestuur, waarby het examen
moet plaats hebben, geeft, wanneer de getuigschriften en verdere
stukken door hem en den president in orde zijn bevonden, aan den
examinandus bericht, op welken dag, op welk uur en waar ter plaatse
het examen zal worden afgenomen.
De getuigschriften en verdere stukken moeten in de vergadering
van het kerkbestuur ter tafel zijn
Art. 15. Ten minste zes weken vóór het examen zendt het kerk-
bestuur aan den examinandus opgaaf van de hoofdstukken des Bijbels,
die in art. 21 onder a. worden vermeld.
Bij het kiezen van die hoofdstukken wordt eene behoorlijke afwis-
seling in acht genomen.
Art. 16. Uiterlijk één maand vóór den dag van het examen zendt
de examinandus eene door hem opgestelde duidelijk geschreven leer-
rede in bij den secretaris van het kerkbestuur, die haar onder de
examinatoren ter kennisneming doet rondgaan.
Deze bepaling is niet van toepassing op hen, die een colloquium
doctum afleggen.
Art. 17. Bij gunstigen uitslag van het examen of van het collo-
quiuin doctum betaalt de geëxamineerde de som van vijf en twintig
gulden ten behoeve van de Algemeene Weduwenbeurs.
Art. 18. Het examen wordt afgenomen in de gewone vergaderingen
der kerkbesturen, zonder dat daarvoor de leden geldelijk voordeel
genieten.
Eene buitengewone vergadering van het kerkbestuur kan tot dat
-ocr page 343-
Aet. 12—21.
301
einde gehouden worden op verlangen van den examinandus, kenbaar
gemaakt met opgaaf van redenen, die door het kerkbestuur worden
beoordeeld. De reis- en verblijfkosten, of de presentiegelden voor
deze buitengewone vergadering worden vooraf door den examinandus
gestort.
Indien een examinandus zich op den bepaalden tyd aan het examen
niet onderwerpt, neemt het kerkbestuur, na beoordeeling van de
redenen van zijn terugblyven, een besluit omtrent den tijd, waarop
hij weder tot het examen kan worden toegelaten, en geeft hem daarvan
kennis met opgaaf\' van andere hoofdstukken des bijbels.
Art. 19. Niet meer dan een tweetal wordt gelijktijdig geëxamineerd.
Aan het onderzoek van twee examinandi worden ten minste vier,
aan dat van een ten minste drie uren besteed. Bij het houden van
een colloquium doctum is het kerkbestuur aan deze tijdsbepaling niet
gebonden.
Er hebben geen tentamina plaats. Ook wordt den examinandus
vooraf geen opgaaf van den gang en de w\\jze des onderzoeks gedaan.
Akt. 20. Het examen wordt afgenomen in de Nederlandsche en
by de Commissie voor de zaken der Waalsche kerken in de
Fransche taal.
Wanneer iemand, die de evangeliebediening in eene Presbyteriaansch-
Engelsche of Schotsche gemeente wenscht te bekleeden, of als predikant
in de Hoogduitsche taal bij eene Nederlandsch-Hervormde gemeente
wenscht te worden aangesteld, de Nederlandsche taal niet machtig
is, heeft het onderzoek mondeling of\' schriftelijk in eene andere
taal plaats.
Art. 21. Het examen wordt afgenomen in:
a. de uitlegging des Bijbels. Voor die van het Oude Testament
worden den examinandus één hoofdstuk uit de historische en twee
uit de overige schriften op den in art. 15 bepaalden tijd opgegeven.
Bö deze uitlegging worden blijken gevorderd van bekendheid met
de Alexandrijusche vertaling en met de geschiedenis der boeken,
waarvan de opgegeven hoofdstukken een gedeelte uitmaken. Voor de
uitlegging van het Nieuwe Testament wordt geëischt, dat de exami-
nandus bedreven zü in het vertalen en verklaren van de historische
boeken, en dat hy de twee hem (naar art. 15) opgegeven hoofdstukken
uit de overige boeken grondig versta; voorts dat hjj bekend zn\' met
de geschiedenis der boeken van het Nieuwe Testament.
Ook moet blij ken, dat hij geoefend is in de oordeelkunde en uit-
legkuude des bijbels.
Voor dit gedeelte van het examen is ten minste een, of, zoo twee
examinondi gelijktijdig ondervraagd worden, ten minste anderhalf
uur bestemd. Indien de examinandus naar het oordeel van de meer*
-ocr page 344-
302 Rbgl. op het examen tee toelatino tot de evangeliebediening.
derheid der vergadering by dit gedeelte van het examen geene vol-
doende blyken van kennis gegeven heeft, wordt hy, zonder voort-
zetting van het examen, afgewezen;
b.   de bijbelsche geschiedenis en de bybelsche godgeleerdheid, inzon-
derheid het leven en de prediking van Jezus;
c.   de leerstellige godgeleerdheid en de geschiedenis van de leer-
stellingen der Christelijke Kerk;
d.   de geschiedenis der Christelijke, byzonder der Nederlandsche
Hervormde Kerk en harer leerstellingen;
e.   de Christelijke zedekunde;
ƒ. de practische godgeleerdheid met de beginselen van het Neder-
landsch-Hervormd kerkrecht.
De duur van het onderzoek in elk der vakken, onder b tot ƒ aan-
geduid, wordt vooraf door de vergadering bepaald.
Geene voldoende blijken. Indien de kennis van den candidaat in een der vakken
van het eerste gedeelte van het examen door de meerderheid der examinatoren
onvoldoende geoordeeld wordt, mag hij niet worden toegelaten. 1884, bl. 59.
Art. 22. Alle leden der vergadering, ook de secretaris, in geval
hy slechts eene adviseerende stem heeft, en de ouderlingen, tenzy
ze wenschen daarvan verschoond te blijven, nemen deel aan het
onderzoek.
Alle leden wonen het examen van het begin tot het einde by, en
brengen over toelating of afwijzing hunne stem bepaald uit.
Ingeval hij slechts eene adviserende stem heeft. De bedoeling is: „ook al heeft
hij slechts eene adviseerende stem."
Zie 1879, bl. 114, 115.
Abt. 23. Voor de toelating tot de evangeliebediening wordt ge-
vorderd, dat zich ten minste twee derden der stemhebbende leden
daarvoor verklaren.
Twee derden. Het hier gestelde vereischte werd ook in de vroegere regll. op
het examen, als een waarborg voor het verkrijgen van wel toegeruste evangelie-
dienaren, aangetroffen en is o. a. in 1867 gehandhaafd. Zie Syn. Handd. bl. 98,
119. In de Comm., die in 1885 verslag uitbracht over de examina, rees de vraag,
of een cand., wiens kennis in een der vakken van het tweede gedeelte imvol-
doende bevonden was, mocht toegelaten worden. Terwijl sommigen die vraag
ontkennend beantwoordden, meenden anderen, dat do letter van het reglement
dit niet verbiedt. De Synode heeft op dit punt geen oordeel uitgesproken. Handd.
bl. 326.
Abt. 24. By de kennisgeving van een besluit tot afwyzing wordt
den geëxamineerde voorloopig medegedeeld, in welke vakken hy te
zwak bevonden is; binnen veertien dagen na het examen wordt hem
daarvan eene nadere schriftelijke opgaaf toegezonden.
Voordat hy, krachtens hernieuwd examen, tot de evangeliebediening
is toegelaten, onthoudt hy zich van de openbare evangelieprediking
in de Nederlandsche Hervormde Kerk.
-ocr page 345-
Art. 21—27.
303
Abt. 25. Na afwijzing wegens gemis van de vereischte bekwaamheid
verloopt ten minste één jaar, voordat het exa\'men wordt hervat.
Het hernieuwd examen gaat over al de vakken, in art. 21 genoemd,
en wordt afgenomen door hetzelfde kerkbestuur, in mindering van
het getal examinandi, die aan dit bestuur, volgens art. 4, worden
toegewezen.
Een afgewezen examinandus wordt echter op zijn verzoek, aan den
secretaris der Synode gedaan, voor het nieuwe examen verwezen naar
een ander Provinciaal kerkbestuur, dat volgens art. 4 aan de orde is.
Na de derde afwijzing wordt geen hernieuwd examen toegestaan.
Abt. 26. De Provinciale Kerkbesturen zenden aan de Synode aan-
gaande elk examen een naauwkeurig verslag, mede bevattende eene
opgaaf van de gedeelten des bijbels, bn\' de uitlegging van het Oude
en Nieuwe Testament behandeld, en van den tijd, aan het onderzoek
in elk vak besteed.
Aan het Classikaal Bestuur, onder welks ressort een geëxamineerde
zu\'ne woonplaats heeft, wordt door het Provinciaal Kerkbestuur bericht
gegeven van zh\'ne toelating tot de evangeliebediening. Bij verandering
van woonplaats geeft de geëxamineerde daarvan kennis aan het Clas-
sikaal Bestuur, en daarenboven aan het bestuur der classis, waartoe
zijne nieuwe woonplaats behoort.
Abt. 27. De geëxamineerde, die, naar de uitspraak der vergadering,
aan de vereischten bij het examen heeft voldaan, verklaart, „dat hy
ter verkrijging van eenige standplaats geene overeenkomst heeft aan-
gegaan of giften gegeven, of immer zal aangaan of geven, en dat
het hem niet bekend is, dat zij door iemand van zijnentwege of te
zy\'nen behoeve aangegaan of gegeven zyn, of aangegaan of gegeven
zullen worden; en dat h\\j ook nimmer eene standplaats zal zoeken
of aannemen, welke hu\' kan vermoeden, dat door eenige bedingen,
beloften, of welke middelen ook van voorafgegane overeenkomst, aan
hem wordt opgedragen."
Daarenboven leggen de geëxamineerden de navolgende verklaring
en belofte af en bekrachtigen die met hunne onderteekening:
„Wh\' ondergeschrevenen, door het Provinciaal Kerkbestuur van
......(of door de Commissie tot de zaken der Waalsche kerken)
tot de openbare evangeliebediening in de Nederlandsche Hervormde
Kerk toegelaten, beloven in het diep besef van onze roeping en in
vertrouwen op God, dat wn\' daarin met ijver en trouw zullen werk-
zaam zn\'n om overeenkomstig de beginselen en het karakter van de
Hervormde Kerk hier te lande, het Evangelie van Jezus Christus te
verkondigen en de belangen van Gods Koningrijk en in overeenstem-
ming hiermede die van de Nederlandsche Hervormde Kerk met op-
volging van hare verordeningen naar vermogen te behartigen \').
1) Art. 27 is, aldus gewijzigd, in werking getreden 1 Januari 1888.
-ocr page 346-
304 ReGL. OP HET EXAMEN TER TOELATING TOT DE EVANGELIEKED1ENING.
Akt. 28. De geëxamineerde wordt hierop met toespraak van den
president tot de evangeliebediening toegelaten, en ontvangt het navol-
geude, door president en secretaris onderteekende, getuigschrift:
„ Vermits voor ons verschenen is N. N., verlangende tot de evan-
geliebediening in de Nederlandsche Hervormde Kerk te worden toe-
gelaten, en wij bevonden hebben, dat de vereischte getuigschriften,
ook dat aangaande zijn zedelijk gedrag, in goede orde waren, zoo
hebben wn\' geene zwarigheid gevonden tot het voorgeschreven examen
over te gaan. En hebben wij hem naauwkeurig onderzocht in al
hetgeen tot de onderwerpen van het examen behoort, met dien uit-
slag, dat wij voornoemden N. N., nadat hij de gevorderde verklaringen
en beloften afgelegd en die, zoo veelnoodig, door zynehandteekening
bekrachtigd had, tot de evangeliebediening hebben toegelaten.
«Het Provinciaal Kerkbestuur van......
(of: de Commissie tot de zaken der Waalsche kerken)."
In den aanhef van het getuigschrift wordt, achter den naam van
den geëxamineerde, zijn wetenschappelijke titel (candidaat, of doctor
in de godgeleerdheid aan de Universiteit te......) of, zoo hg zulk
een titel niet bezit, zijne vroegere kwaliteit vermeld.
Art. 29. Die aldus toegelaten zijn, verkrijgen den titel van Can-
didaten tot de Heilige dienst en zijn bevoegd om te staan naar de
evangeliebediening.
Zoo lang zij echter niet als predikanten bevestigd zijn, missen zij
de bevoegdheid, om doop en avondmaal te bedienen.
Art. 30. De officiëele bekendmaking der toelating geschiedt door
het kerkbestuur, met deze woorden:
„Door het Provinciaal Kerkbestuur van.....(of: door de Com-
missie tot de zaken der Waalsche kerken) is N. N. na afgelegd examen
als Candidaat tot de Heilige dienst toegelaten."\'
Van de toelating van predikantszonen geschiedt daarenboven ken-
nisgeving aan den Minister van Financiën.
OVERGANGSBEPALINGEN.
1.    Die vóór 1 October 1877 den graad van candidaat in de god-
geleerdheid aan eene voormalige hoogeschool hebben verkregen,
worden geëxamineerd naar het tot hiertoe vigeerend Reglement op
het Examen.
2.    Die nu 1 October 1877 den graad van candidaat in de godge-
leerdheid aan eene Nederlandsche universiteit hebben verkregen, zullen,
voor zoover zn\' de in art. 7 onder b, c en d genoemde bewijzen niet
kunnen overleggen, tot 1 Mei 1880 kunnen volstaan met de over-
-ocr page 347-
Abt. 28—30.                                          305
legging van bewezen, dat zy de lessen der hoogleeraren aan de
Nederlandsche universiteiten hebben gevolgd in vakken, met de in
dat artikel genoemde zooveel mogelijk gelijkstaande.
Ten gevolge van het in werking treden van het Regl. op het Hooger
Onderwijs in de Godgeleerdheid (zie bl. 237—241) was eene herziening
van het Regl. op het Examen noodzakelijk geworden. De Synode heeft,
op voordracht der Syn. Comm., in 1877 deze herziening ter hand
genomen en een voorloopig aangenomen reglement, met inachtneming
van de consideratiën der Prov. Kerkb. en Class. Vergg., in 1878
zooveel noodig gewijzigd, evenwel nog niet terstond vastgesteld, daar
zü zich verplicht achtte, ook nog eerst de consideratiën der genoemde
collegies in te winnen op een nieuw daarin gebracht beginsel, nl.
van een voorbereidend door de Kerkelijke Hoogleeraren af te nemen examen,
neergelegd in art. 7, b. Nadat ook hierop de consideratiën waren
ingekomen, heeft de Synode in 1879 het regl. finaal gearresteerd en
is dit in werking gekomen den 1 Jan. 1880.
kerkelijk Wetboek, 2c drak.
-ocr page 348-
AANHANGSEL,
EENIGE FINANCIËELE BELANGEN VAN KERKELIJKE COLLEGIËN EN
PERSONEN BETREFFENDE.
I.
VRIJDOM VAN PORT.
A. DE VOOR KERKELIJKE PERSONEN MEEST BELANGRIJKE BEPALINGEN VAN
HET KON. BESL. VAN 7 NOV. 1876 (sTAATSBL. N°. 192).
Art. 1. Geene aanspraak op vr\\jstelling van port wordt door de
postbeambten erkend dan uit kracht van een door Ons genomen besluit.
Onze Minister van Financiën doet Ons daaromtrent de vereischte
voordrachten, na gehouden overleg, zooveel noodig, met de hoofden
der in de zaak betrokken Departementen van Algemeen Bestuur.
Art. 2. De brieven en verdere stukken, voor welke vrijstelling is
toegestaan, kunnen, naar verkiezing der afzenders, hetzij onder ge-
sloten omslagen of onder kruisband worden verzonden.
Voor de verzending van kaarten, teekeningen en dergelijke, is het
bezigen van borden, kokers en rollen toegelaten.
Art. 3. Voor ambtelnke mededeelingen tusschen ambtenaren en
autoriteiten, die voor hunne onderlinge briefwisseling port-vrijdom
genieten, maar uitsluitend tusschen deze, kan worden gebruik gemaakt
van open kaarten, geheel of gedeeltelijk geschreven of gedrukt.
De afmetingen dier kaarten mogen niet zijn minder dan 9 centi-
meters in de breedte en 12 centimeters in de lengte, en niet meer
dan 13 centimeters in de breedte en 18 centimeters in de lengte.
Het voor de kaarten te bezigen papier mag van geene mindere
-ocr page 349-
AaNHANGEI,.                                                307
stevigheid zn\'n dan der door het Bestuur der Posteryen verstrekte
brief kaartformulieren.
Art. 4. De afzenders der portvrije stukken of pakketten zijn ver-
plicht te zorgen, dat die stukken behoorlijk ingepakt en tegen bescha-
diging op de Post voldoende verzekerd zijn. Pakketten van eenigen
omvang worden stevig met touw omgebonden.
Akt. 5. Geen pakket mag het gewicht van 2\'/2 kilogram te boven
gaan. Alleen voor het geval dat de te verzenden stukken volstrekt
onscheidbaar zn\'n, kan een pakket tot een gewicht van 5 kilogram
worden toegelaten.
De afzender is echter verplicht er in dat geval eene onderteekende
verklaring op te plaatsen, als volgt:
Bevat stukken, die niet van elkander kunnen worden gescheiden.
Portvrije stukken mogen geene meerdere afmeting hebben dan 45
centimeters in lengte, breedte en hoogte. Voor kaarten, teekeningen
en dergelnke, op rollen of in kokers wordt, bij uitzondering, eene
lengte van 75 centimeters toegelaten.
Pakketten en stukken, die niet aan de bij dit en bij bet vorige art.
gestelde vereischten beantwoorden, worden niet ter verzending aan-
genomen, of, indien eerst na de afgifte op de post wordt ontdekt,
dat zij aan die vereischten niet voldoen, aan de af zenders terug bezorgd.
Art. 6. De afzender van portvrije brieven, pakketten, open kaarten
of andere stukken, is verplicht ze op den omslag, van onder ter
linkerzijde te waarmerken, door het stellen zijner gewone naamtee-
kening en met vermelding der ambtsbetrekking, waarin door hem
aanspraak op portvrijdom wordt gemaakt, ten ware hem, bij het
verleenen van dien vrijdom, werd vergund de eigenhandige waar-
merking door den afdruk van eenen stempel, het collegie of de
ambtsbetrekking, waaraan de vrijstelling is verleend, vermeldende,
te vervangen.
De waarmerking van stukken, afkomstig van colleges of com-
missiën, geschiedt door den voorzitter, den secretaris of griffier. Bij
afwezigheid of wettige verhindering van den titularis, geschiedt de
waarmerking door hem, die tijdelijk met de waarneming der betrekking
is belast.
Bij verzuimde of onvoldoende waarmerking, overeenkomstig de
bepalingen van dit artikel, worden de brieven en verdere stukken
met port belast.
Wegens dit port, voor zoo veel het door den geadresseerde wordt
betaald, is verhaal op den afzender.
Indien echter door den geadresseerde de opening der brieven of
stukken op het postkantoor in tegenwoordigheid van den Directeur
of den eerst aanwezenden ambtenaar geschiedt, en alsdan blijkt, dat
hun inhoud inderdaad zuivere dienstaangelegenheden betreft, wordt
tot ontheffing van het port overgegaan.
20*
-ocr page 350-
«308
Aanhangsel.
Aet. 7. De stempels, enz.
Art. 8. Portvrije brieven en open kaarten mogen in alle postbussen
worden geworpen.
Brieven evenwel, wier afmetingen 24 centimeters in de lengte, 14
centimeters in de breedte en 5 millimeters in de dikte te boven gaan,
waardoor zij voor de postbussen ongeschikt zijn en verstopping zouden
kunnen veroorzaken, moeten door of\' van wege den afzender op de
postkantoren worden bezorgd.
Eveneens en om dezelfde reden is bezorging op bet postkantoor
verplichtend bij gelijktijdige verzending van groote hoeveelheden van
brieven door denzelfden afzender.
De afzender, die in strijd daarmede handelt en aldus tot de ver-
stopping van eene brievenbus heeft aanleiding gegeven, wordt voor
de eerste maal gewaarschuwd, doch bij herhaling worden de brieven
met port belast. Wegens dit port, voor zoo veel het door den geadres-
seerde wordt betaald, is verhaal op den afzender.
(De overige artt., behelzende o. a. bepalingen omtrent de taak der
postbeambten om te waken tegen misbruik van de verleende vrijstel-
lingen en omtrent maatregelen, die bh\' vermoeden van zoodanig
misbruik moeten genomen worden, alsmede wat zij te doen hebben,
wanneer de inhoud der brieven of stukken blijkt geheel of\'gedeeltelijk
bijzondere belangen te betreffen, vreemd aan de dienst, waarop de
vrijstelling is toegestaan, kunnen hier worden weggelaten.)
          *
B. LUST VAN C0LLEG1ÉN EN GEQÜALIFICEERDE PERSONEN DER
NED. HERV. KERK, AAN WELKE VRIJDOM VAN
PORT IS TOEGESTAAN.
De Synode der Hervormde Kerk, de Secretaris en de Quaestor en
Penningmeester er van correspondeeren vrij met alle Colleges en Amb-
tenaren der Hervormde Kerk.
De Algemeene Synodale Commissie der Hervormde Kerk en de
President en Secretaris dier Commissie met alle Colleges en Ambte-
naren der Hervormde Kerk, ook de Leden dier Commissie onderling.
De Provinciale Kerkbesturen en hunne Secretarissen onderling en
met de Colleges en Ambtenaren der Hervormde Kerk binnen de
provincie.
De Commissie tot de zaken der Waalsche kerken en de Secretarissen
met alle Colleges en Ambtenaren der Waalsche Kerken.
De Commissie tot de zaken der Protestantsche Kerken in Neder-
landsch Oost- en West-Indië, gevestigd te \'s Hage, de Presidenten
of Secretarissen met de Consulenten dezer Commissie.
De individuëele Leden van de Provinciale Kerkbesturen der Her-
-ocr page 351-
Aanhangsel.
309
vormde Kerk en van de Commissie tot de zaken der Waalsche Kerken
met hunne medeleden, zitting hebbende in hetzelfde College.
De Provinciale Colleges van Toezicht op de Kerkelijke administratie
der Hervormden, hunne Secretarissen onderling en met alle Colleges
en Beambten der Hervormde Kerk binnen den omtrek hunner
provincie.
Het Algemeen College van Toezicht op het beheer der goederen in
de Hervormde gemeenten met de Leden en den Secretaris van dat
college. Dat College, zijne individuëele Leden en de Secretaris met
de Provinciale colleges van Kerkvoogdij der onderscheidene gemeenten
in het Hervormd Kerkgenootschap.
(Getrokken uit de alphabetische lijst van vrijdommen van
binnenlandsch briefport, in het „Nederlandsch Jaarboekje
der Posterijen", door p. keg czn., Middelb., 1877, bl. 194,195.)
II.
TRACTEMENTEN EN PENSIOKNEN VAN PREDIKANTEN.
(De tractementen, pensioenen enz. zyn door de Grondwet gewaar-
borgd. Nieuwe tractementen kunnen toegelegd of de bestaande ver-
meerderd worden. Zie boven, bl. 44. De wijze van uitbetaling is
geregeld bij Kon. Besl. van 14 Maart 1815, no. 88, overgenomen door
bruna, t. a. p. Afd. II, § 35, B.)
REGELING DER PREDIKANTS-TRACTEMENTEN IN 1NDIE.
1. Koninklijk Bednit van 26 Nov. 1863, Af0. 60.
Art. 1. Bü de Protestantsche gemeente in Nederlandsch Indië
worden aangesteld vijfendertig predikanten en drie hulppredikers.
Van de vijfendertig predikanten genieten: negen eene bezoldiging
van ƒ 500 \'smaands; zesentwintig eene bezoldiging van ƒ400\'smaands.
Aan elk der drie hulppredikers wordt eene bezoldiging toegekend
van f 250 \'s maands.
Art. 2. De regeling der standplaatsen en de aanwijzing der daar-
onder behoorende gemeenten wordt opgedragen aan Onzen Gouverneur-
Generaal, die het Bestuur der Protestantsche Kerken in Nederlandsch
Indië daarop hoort.
Art. 3. Onze Gouverneur-Generaal bepaalt, naar gelang van de
meerdere of mindere belangrijkheid der standplaatsen, welke der in
art. 1 vermelde jaarwedden elk predikant geniet.
-ocr page 352-
Aanhangsel.
310
Art. 4. Onder de predikanten te Batavia zal er steeds één zijn,
gekozen uit het Evangelisch-Luthersch kerkgenootschap.
Aet. 5, De door Ons, voor de dienst in Nederlandsch Indië te
benoemen predikanten en hulppredikers genieten:
a.    eene voorloopige bezoldiging, ingaande met den dag der in-
scheping naar Nederlandsch Indië en voortdurende tot op den dag,
waarop zij hunne dienst aldaar aanvaarden. Voor de predikanten
bedraagt deze bezoldiging ƒ 150, voor de hulppredikers ƒ 100\'s maands;
b.    vóór hun vertrek naar Indië, een voorschot van vier, of des
verkiezende van zes maanden op de sub a vermelde bezoldiging, en
c.    eene gratificatie tot bestrijding der kosten van uitrusting, ten
bedrage van:
voor de predikanten:
f 1800 voor gehuwden, mitsgaders voor weduwnaren, met één of\'
meer kinderen ten hunnen laste;
f 1200 voor ongehuwden;
voor de hulppredikers:
ƒ 1200 voor gehuwden, mitsgaders voor weduwnaren, met één of
meer kinderen ten hunnen laste;
f 800 voor ongehuwden;
d.     bij aankomst in Indië, een gratificatie tot tegemoetkoming in
de kosten van vestiging ten bedrage van ƒ 1500 voor gehuwden,
mitsgaders voor weduwnaren met één of meer kinderen ten hunnen
laste, en van ƒ 1000 voor ongehuwden;
e.    vrnen overvoer naar Batavia op den gebruikelijken voet, als
passagier der eerste klasse, met genot van gewone scheepsvoeding,
ook voor hunne vrouwen en kinderen.
Zn\', die tijdens hunne benoeming reeds in Nederlandsch Indië zijn,
ontvangen alleen de sub d vermelde gratificatie.
Art. 6. Zoo zij hunne dienst op de hun aangewezen standplaats
hebben aanvaard, treden de predikanten in het genot van vrn\'e woning
of van eene schadeloosstelling deswege, boven hunne vaste bezoldiging,
bedragende:
te Batavia, f 160 \'s maands;
te Samarang en Soerabaija, ƒ 130 \'s maands;
elders, 80 \'s maands.
B\\j gemis van vrne woning wordt aan de hulppredikers eene gelijke
schadeloosstelling toegekend tot een bedrag van ƒ 60.
Art. 7. Na verloop van het eerste vnftal dienstjaren, gerekend van
den dag waarop zij hun dienstwerk in Indië hebben aanvaard, wordt
aan de predikanten, genietende eene bezoldiging van ƒ500 \'s maands,
verleend eene tractementsverhooging van ƒ 150 \'s maands, en aan de
overige predikanten eene verhooging van ƒ 100 \'s maands.
Na verloop van het tweede en derde vn\'ftal dienstjaren, ontvangen
de predikanten andermaal eene gelijke tractementsverhooging.
-ocr page 353-
311
Aanhangsel
Art. 8. Na eene in In dié\' vervulde dienst van ten minste tien jaren,
te rekenen van den dag van aankomst daar te lande, hebben de
predikanten en hulppredikers aanspraak op pensioen uit \'s lands kas,
mitsgaders op vrijen terugvoer ook voor hunne vrouwen en kinderen
naar Nederland, op den voet bedoeld sub. e art. 5.
Aan predikanten en hulppredikers, die uit hoofde van ziels- of
lichaamsgebreken voor verdere dienst in Nederlandsch Indiè\' ongeschikt
zn\'n (mits de oorzaak der ongeschiktheid worde bewezen door een
onder aanbod van eede afgegeven verklaring van eene geneeskundige
commissie, of waar deze niet aanwezig is, van een bevoegden genees-
heer) kan ook pensioen worden verleend, mits zij den lande in Neder-
landsch Indiè\' minstens vyf jaren hebben gediend, en zulks voor het
overige, overeenkomstig de algemeene grondslagen voor het pensio-
neeren in dit besluit nedergelegd.
Art. 9. Het pensioen bedraagt:
ƒ 140 voor elk jaar Indische dienst, voor hen. die gedurende de
twee laatste jaren, ten gevolge eener vaste benoeming, in het genot
zn\'n geweest eener vaste bezoldiging (de periodieke tractementsver-
hooging niet medegerekend) van ƒ 500 \'s maands;
ƒ 120 voor elk jaar Indische dienst, voor de predikanten niet in
de eerste categorie vallende;
ƒ 100 voor elk jaar Indische dienst, voor de hulppredikers;
behoudens een maximum voor de drie categoriën, respectievelijk
ten bedrage van ƒ 2800, ƒ 2400 en ƒ 2000 \'s jaars, bij twintig of meer
jaren dienst.
Art. 10. Voor de berekening van het pensioen voor predikanten
en hul[ipredikers:
a.    wordt van elk verlof tot herstel van gezondheid buiten Neder-
landsch Indië doorgebracht, de helft, doch in geen geval meer dan
één jaar als Indische diensttijd aangerekend;
b.    wordt elk verlof, binnen Nederlandsch Indië doorgebracht,
medegerekend, mits in geen geval langer dan zes maanden;
c.    worden, ten aanzien van hen, die meer dan tien volle jaren
Indische dienst tellen, de overschietende gedeelten van één jaar, mits
ten minste zes volle maanden bedragende, aangerekend voor een geheel
jaar, wanneer de gezondheidstoestand van den belanghebbende hem
verhindert het volle jaar uit te dienen.
Art. 11. Onder de dienstjaren voor de berekening, hetzy van
het pensioen, hetzy van de tractementsverhooging, worden niet
begrepen:
o. de tn\'d met verlof, om andere reden dan wegens ziekte, buiten
Nederlandsch Indië doorgebracht;
6. de tjjd uit hoofde van berispeln\'k gedrag, op wachtgeld of onder
suspensie doorgebracht;
c. vroegere Nederlandsche dienst, onverschillig in welke betrekking.
-ocr page 354-
Aanhangsel.
312
Art. 12. Het pensioen gaat in met de maand, volgende op die,
waarin de bediening wordt nedergelegd.
B\\j terugkeer naar Nederland kan daarop een voorschot van vier
maanden worden uitbetaald.
Art. 13. De bepalingen omtrent het Indisch civiel weduwen- en
weezenfonds, die nopens het verleenen van verloven aan burgerlijke
ambtenaren in Nederlandsch Indië, die betreffende reis- en verblyf-
kosten in Nederlandsch Indië, alsmede die ten aanzien van het
cumuleeren van pensioenen en tractementen, vastgesteld by Ons besluit
van 21 April 1863, n°. 96 (Nederlandsch Staatsblad n°. 25) zyn van
toepassing op de in dit besluit bedoelde predikanten en hulppredikers.
Art. 14. De koninklijke besluiten van 3 Augustus 1849, n°. 64,
van 10 Februari 1855, n°. 72, van 7 November 1855, n°. 75, van
8 Juni 1860, nu. 74 en van 14 Maart 1861, n°. 63, zyn ingetrokken,
met dien verstande evenwel, dat de thans in Nederlandsch Indië
gevestigde predikanten, wat het geldelijke aangaat, onverkort blyven
in de aanspraken welke zy, volgens die besluiten, kunnen doen gelden.
2. Koninklijk Besluit van 25 Febr. 1870, houdende eenige aanvullingen
en wijzigingen van het Kon. Besl. van
26 Nov. 1863.
Art. 1. Art. 7 van Ons besluit van 26 Nov. 1863, n°. 60, wordt
aangevuld als volgt:
Onder de dienstjaren, voor de erlanging van periodieke tractements-
verhoogingen gevorderd, wordt niet gerekend:
a.    de tijd met verlof buiten Nederlandsch Indië doorgebracht;
b.    de tijd, met verlof voor langer dan zes maanden, binnen Neder-
landsch Indië doorgebracht;
c.    de tyd, gedurende welken de ambtsbediening, uithoofde van
schorsing, als kerkelijk bestraffingsmiddel, niet is uitgeoefend, of die
op wachtgeld of non-activiteit is doorgebracht, vóórdat na terugkeer
van verlof eene standplaats is aangewezen.
Art. 2. De eerste alinea van art. 11 van voormeld besluit en lit. b
van dat art. worden gelezen als volgt:
Onder de dienstjaren voor de berekening van het pensioen wordt
niet begrepen: a. enz.
b. de tyd, gedurende welken de ambtsbediening uithoofde van
schorsing, als kerkelijk bestraffingsmiddel, niet is uitgeoefend; c. enz.
Art. 3. De op de dagteekening van dit besluit in Nederlandsch
Indië gevestigde en voor de dienst aldaar benoemde predikanten
blijven onverkort in de aanspraken, welke zij krachtens vroegere
besluiten, voor zooveel die van het tegenwoordig besluit afwyken,
kunnen doen gelden.
(By Kon. Besl. van 22,Dec. 1867, n°. 154, is bepaald de aanstelling
•.
-ocr page 355-
313
Aanhangsel.
van tien hulppredikers, ter voorziening in de godsdienstige behoeften
van inlandsche christen-gemeenten in Ned. Indië; te kiezen uit de
zendelingen,
die tot de uitoefening van het leeraarsambt door de Comm.
tot de zaken der Prot. Kerken in Ned. O. en W. Indië of door het
Bestuur der Prot. Kerk in Ned. I. gerechtigd zyn verklaard. Zy\'
genieten een maandelijksch inkomen van ƒ 150, hetwelk, door ver-
meerdering met ƒ40 elke vyfjaren, tot ƒ 270 klimmen kan. Door
daarop gevolgde Besluiten (31 Oct. 1872, n°. 110; 3 Aug. 1874,n°. 114;
7 Juni 1877, n°. 143; 25 Mei 1878, n°. 76)is, behoudens enkele andere
wyzigingen van ondergeschikten aard, het getal dezer hulppredikers
op twaalf, daarna op vijftien gebracht en ten laatste geheel onbepaald
gelaten.)
III.
BEGINSELEN, WELKE DOOR DE REGEERING GEVOLGD WORDEN
BIJ HET VERLEENEN VAN ALTERUM TANTUM.
MINISTERIËELE AANSCHRIJVING AAN DE PROVINCIALE COLLEGIËN
VAN TOEZICHT, VAN 25 AUG. 1827, n°. 15.
Nadat nu weder door Zy\'ne Majesteit een aanzienlijk getal Hervormde
gemeenten, op daartoe door mij gedane voordracht, zy\'n begunstigd
met het alterwm tantum, en de commissorialen en verzoeken, daartoe
betrekkelijk, bij myn Departement zyn aangezuiverd; heb ik geoordeeld,
het nuttig te wezen, de verscheidene Provinciale Collegiën van Toezicht
op de kerkelijke administratiën te onderhouden omtrent de verzoeken
om het alterum tantum, en den voet, op welken aan dezelve dient
gehoor gegeven te worden; daar bij de behandeling derzelve my\'
gebleken is, dat niet alle de collegiën op dezelfde wijze de zaak
beschouwen, en dus overal niet van dezelfde beginselen wordt uit-
gegaan by de beoordeeling der belangen der gemeenten, welke die
verzoeken aangaan. Hetgene nochthans noodzakelijk is, zal de eene
niet meer of\' minder dan de andere begunstigd worden; en opdat
niemand zich kunne beklagen over ongelijke behandeling en ver-
schillend wedervaren.
Om deze redenen heb ik de eer, uwed. gestr. by deze te verzoeken,
om bij de beoordeeling van het onderwerp van het alterum tantum,
door eene gemeente verzocht wordende, de volgende punten, als
hoofdgronden, in acht te nemen; — als buiten welke het verzoek om
het alterum tantum niet kan worden geaccordeerd, als:
1. Dat het Reglement op de kerkelijke administratiën der Her-
vormden volledig by\' de gemeente is ingevoerd.
-ocr page 356-
314
Aanhangsel.
2.    Dat de toelage, waarvan het alterum tantum wordt gevraagd,
geen oude, maar eene geheel nieuwe toelage zy, kunnende geene, in
vorige jaren, door de gemeenten aan de predikanten toegekend, in
aanmerking komen: vermits door het verleenen van het alterum tantum
op eene vroeger toegekende toelage, en dus niet op eene nieuwe poging
der gemeente tot verbetering van het leeraars-bestaan, in efïecte van
de zyde van het Rijk alleen die verbetering wordt aangebracht; —
zoodat zulks dan geen verleenen van het alterum tantum, maar,
zonder dat de gemeente nieuwe bijdragen doet, eene eenvoudige ver-
hooging van het leeraars-traktement uitmaakt.
3.    Dat de door de gemeente alzoo aan den predikant toegekende
nieuwe toelage niet als tijdelijk of personeel zij aan te merken; maar
dat dezelve toelage vast en altijddurend aan de predikantsplaats (zonder
dat een bijzonder persoon daarbij in aanmerking kan komen) moet
zijn verbonden.
4.    Dat geheel voldoende zekerheid behoort te zyndaargesteld, dat
de uitbetaling van alle toelage, — zoo oude als nieuwe — door de
gemeente, zonder hinder, zal kunnen plaats hebben. Weshalve voor
de zekerheid der uitbetaling van de nieuwe toelage zoodanig fonds
zal dienen te zamen gebracht of daargesteld te zijn, welks intressen,
uitsluitend voor de toelage bestemd, zooveel opbrengen, dat, na aftrek
van administratie-loon of andere kosten, uit het zuivere overschot de
gemeente-toelage aan den predikant kan worden voldaan.
Welke fondsen zullen kunnen bestaan in het bezit van landerijen
of lands-effecten, als werkelijke schuld ingeschreven in het Grootboek
der Nationale Schuld ; onder verband, dat de revenuen en intressen
zullen moeten dienen tot betaling der bepaalde toelage, als predikants-
tractement bij de gemeente.
Bü gebrek van deze middelen zal moeten worden verzekerd, dat
de toelage jaarlijks op de kerkelijke begrooting zal worden gebracht,
en uit de genoemde inkomsten zal kunnen worden voldaan; zoodanig,
dat er geene vreeze is, dat de gemeente, hetzij zonder of met eenen
hoofdelijken omslag, zulks ten allen tyde niet zoude kunnen volhouden.
5.    Dat de fondsen der gemeente zoodanig staan, dat men niet behoeft
te vreezen, dat de uitbetaling der toelage zwarigheid in het vervolg
zou ontmoeten. Het is dus duidelijk, dat, wanneer eene gemeente
door drukkende schulden bezwaard is, of hare kerkelyke gebouwen
in slechten staat zijn, het ongerijmd moet geacht worden, dat zoo-
danige gemeente eene nieuwe toelage aan haren leeraar zoude verleenen,
om daarop het alterum tantum te verzoeken.
6.    Dat de billijkheid, in vergelijking van de inkomsten der pre-
dikanten bij andere gemeenten met die gemeente, voor welke het
alterum tantum gevraagd wordt, vordert of toelaat, het gevraagde
alterum tantum of een gedeelte daarvan te verleenen: opdat de
inkomsten bh\' de eene gemeente in evenredigheid tot die by andere
-ocr page 357-
315
Aanhangsel.
staan; en zoo geene wezenlyke redenen tot klachten over ongelijkheid
van bestaan en belooning, ook ten aanzien van het leeraars-werk,
dat hier of daar meer of minder te verrichten valt, gegeven zn\'.
Aangenaam zal het mij zijn, indien uwed. gestr. de voormelde
hoofdpunten in acht gelieven te nemen en zich daarnaar regelen bg
het uitbrengen uwer rapporten.
Ik verzoek uwed. gestr. derhalve, om, wegens elk van dezelve in
het hijzonder,
die opening te geven, welke mij in staat stelt, bij het
doen van rapport of voordracht wegens eene gemeente aan Zijne
Majesteit, aan Hoogstderzelver verlangen naauwkeurig te voldoen.
Ten slotte moet ik uwed. gestr. hierbij opmerken, dat Zijne Majesteit
de verhooging van predikants-tractement, bij wijze van alterum tantum,
toestaande, niet gewoon is, verder te gaan dan ten montante van
één honderd guldens, ook wanneer de nieuwe toelage der gemeente
meer bedraagt.
IV.
DE BEPALINGEN OMTRENT KINDER-, SCHOOL- EN
AKADEMIEGELDEN,
NAAR DE VERSCHILLENDE KON. BESLUITEN, VOOR ZOO VER ZIJ BETREKKING
HEBBEN OP DE HERVORMDEN.
Kinder-, school-en akademiegelden worden ten behoeve der kinderen
genoten door de predikanten of bij overlijden van beide ouders, door
hunne voogden (K. B. 1 Aug. 1816, n°. 65).
Predikants-zonen, die in eenige militaire of burgerlijke betrekking
bij eene vreemde Mogendheid dienen, zijn daardoor vervallen van
het genot van kinder-, school- of akademiegelden (K. B. 2 Juni
1828, n°. 28).
Het genot dezer gelden, eenmaal hebbende opgehouden, kan niet
weder aanvangen (K. B. 2 Juni 1828, n°. 28).
Het gewone kindergeld is bepaald op ƒ 25 \'sjaars voor elk der kin-
deren, die den ouderdom van twee en twintig jaren nog niet volkomen
hebben vervuld en nog tot geen gevestigden stand gekomen of gehuwd,
maar ten laste der ouders gebleven zh\'n (K. B. 1 Aug. 1816, n°. 65).
De kinderen worden gerekend tot gevestigden stand gekomen te
zn\'n: wanneer zij epn inkomen hebben verkregen, of in eenigenstand
z\\jn getreden, waaraan een inkomen verbonden is van drie honderd
gulden of daarboven, waaronder inzonderheid gerekend worden alle
zoodanige predikantszonen, die in \'s Rnks land- of zeedienst, of in
eenige burgerlijke betrekking zijn aangesteld onder genot eener bezol-
-ocr page 358-
Aanhangsfi,.
316
digïng of belooning, hoe ook genaamd, ten beloope van evengemelde
som; voorts wanneer zij eenig bedrijf of eenigen handel, op eigen
naam en na verkregen patent, uitoefenen; eindelijk wanneer zij in
den huwelijken staat getreden zijn. — De belanghebbende predikanten
zijn verplicht om op het in te leveren bewijs van het leven hunner
kinderen, de uitdrukkelijke (onderteekende) verklaring te stellen, dat
die kinderen in den vermelden zin, tot geen gevestiffden stand zijn
gekomen, zoo mede om, bijaldien de betrokken predikantskinderen,
binnen den tijd, voor het genot van kindergelden bestemd, tot zoo-
danigen gevestigden stand mochten komen, zulks alsdan op dat bewijs
uitdrukkelijk te vermelden. — In gevallen, waarin zich twijfelingen
mochten opdoen, wordt naar deze beginselen door den Minister beslist
(K. K. 2 Juni 1828, n°. 28).
Boven het gemelde kindergeld wordt voor eiken zoon van een
predikant, wanneer hij de Latijnsche scholen (voortaan: een gymnasium)
bezoekt, of bijzonder onderwijs in de Latijnsche taal genietende, (vol-
doend) bewijs daarvan door een Rector der Latijnsche school (of van
het gymnasium) kan produceeren, een jaarlijksch schoolgeld van f 25
voldaan (K. B. 1 Aug 1816, n°. 65).
De voor het verkrijgen van schoolgeld vereischte attestatie is twee-
ledig. Het eerste gedeelte bevat eene door den vader, de moeder of
den voogd van den betrokken predikantszoon onderteekende verklaring
betreffende jaar en dag van geboorte, den aanvang van het onderwijs
en de inrichting, bn\' welke of den persoon, van wien de predikants-
zoon het bedoelde onderwijs geniet; het tweede bevat eene verklaring,
door den Rector van een der gymnasiën onderteekend, dat de jon-
geling, door hem persoonlijk ondervraagd, zoodanige blijken van
kennis der Latijnsche taal of der Grieksche en Latijnsche talen gegeven
heeft, als billijkerwijze na een onderwijs van (zeker bepaald getal)
jaren geëischt mogen worden. Het cijfer der hier in te vullen jaren
moet overeenkomen met de mate der gebleken vorderingen, waarbij
(voor hen die bijzonder onderwijs genieten) de eischen behooren
gesteld te worden overeenkomstig met hetgeen van den discipel op
het gymnasium, na even langdurig onderwijs, als onmisbare voor-
waarde voor zijne bevordering tot hoogere klasse pleegt gevorderd te
worden (Min. dispositie van 14 Sept. 1S63, tot vaststelling van een
nieuw formulier van attest voor schoolgeld).
Voor eiken zoon van een predikant, die aan eene Nederlandsche
Universiteit studeert, kan boven het kindergeld een akademiegeld
genoten worden, op attest van den Rector der Universiteit, dat hy
werkelijk tot het afleggen van examens aan de Universiteit kan
worden of is toegelaten (K. B. 1 Aug. 1816, n°. 65 en K.B. 19 Juni
1861, n°. 53).
Het akademiegeld is ƒ 50 \'sjaars. Tndien de predikants/oon in de
godgeleerdheid studeert, wordt deze som tot / 200 verhoogd onder
-ocr page 359-
317
Aanhangsel.
den naam van theologisch akademie-geld (K. B. 1 Aug. 1816, n°. 65,
K. B. 15 Nov. 1820, n°. 29).
Het akademiegeld kan gedurende den tijd van zes jaren genoten
worden. Aan den Minister is overgelaten, aan studenten, zonen van
predikanten, schoon niet in de godgeleerdheid studeerende, boven den
tyd van zes jaren, nog één jaar het genot van het gewoon akademie-
geld toe te staan (K. B. 1 Aug. 1810, n°. G5, K. B. 31 Dec. 1831, n". 1).
Het theologisch akademiegeld kan niet meer genoten worden, zoodra
de student kandidaat tot de h. dienst is geworden; weshalve in het
Regl. op het examen ter toelating tot de evangeliebediening de bepaling
is opgenomen van art. 30, al. 3.
Het genot der kinder-, school-, gewone en theologische akademie-
gelden gaat in met den eersten dag van het kwartaal, volgende op
dat, in den loop waarvan de aanspraak op die gelden, overeenkomstig
de daaromtrent bestaande verordeningen, is verkregen. Daarentegen
worden die gelden nog uitbetaald over het volle kwartaal, in den
loop waarvan die aanspraak, volgens de bedoelde verordeningen, heelt
opgehouden (K. B. 14 Dec. 1874, nu. 70).
De uitbetaling der kinder-, school- en akademie-gelden geschiedt
éénmaal \'s jaars, na den afloop van ieder jaar, die der theologische
akademiegelden by den aÜoop van ieder kwartaal. Deze betalingen
worden geluk gesteld met die der zoogenaamde vaste posten, zoodat
daarop toepassely\'k zyn de bepalingen, voorkomende inartt. 252, 265,
271 en 355 van het Algemeen Keglement wegens het beheer der
geldmiddelen (K. B. 3 Maart 1825, n". 155).
Belanghebbenden vragen tydig van den Scriba des Class. Bestuurs,
waaronder zij ressorteeren, of van den Secretaris der Waalsche Com-
missie de voor het verkrygen van kinder-, school-of akademie-gelden
bestemde gedrukte attestatiën in duplo, en zenden die, overeenkomstig
de op dezelve gegevene aanwijzing, ingevuld en onderteekend na de
intrede van
het laatste kwartaal, waarover het kinder-, school- en
gewoon akademie-geld loopt en, zooveel het theologisch akademie-
geld aangaat, van het des betreflende kwartaal, ten spoedigste terug.
De attestaties voor het kindergeld moeten vergezeld gaan van eene
geboorteacte van ieder kind, voor \'twelk het kindergeld voor \'t eerst
aangevraagd wordt (Min. disp. 5 Febr. 1828, n". L\').
V.
VRIJSTELLING VAN DE MILITAIRE EN SCHUTTERSDIENSTEN.
(Wet van 1 Jan. 1862, op de Nationale Militie, art. 127, al. 1:
„Aan de Geestelijken en Bedienaren van de Godsdienst by erkende
-ocr page 360-
318                                           Aanhangsel.
Kerkgenootschappen en aan de Studenten in de Godgeleerdheid, die
daartoe aan erkende inrichtingen van onderwijs worden opgeleid,
wordt door Ons, op hunne aanvrage, telkens voor een jaar, ontheffing
van de wezenlijke dienst verleend."
Wet op de Schutterijen, van 11 April 1827, art. 3: „Van deel-
neming in de dienst der Schutterden worden vrügesteld: Onvoorwaar-
delijk,
enz.; Voorwaardelijk, c., enz., d. de geestelyken van alle gezind-
heden, zoolang zij niet van stand veranderen; e., enz.; f. de studenten
in de Godgeleerdheid.")
SYNODALE CIRCULAIRE VAN 18 JULI 1862.
De Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk, kennis
genomen hebbende van Z. M. besluit van den 8 Mei 1.1., behelzende
voorschriften tot verdere uitvoering van de Wet betrekkeluk de
Nationale Militie, heeft geoordeeld aan heeren studenten en candidaten
in de godgeleerdheid en predikanten door deze bekend te maken, dat
uit die voorschriften, voor zoo verre zij betrekking hebben op hunne onl-
heffing van de werkelijke krijgsdienst,
het volgende blijkt:
dat rnet opzicht tot de eerste zinsnede van art. 127 der bedoelde
wet, voor zooveel het Hervormde Kerkgenootschap betreft, als bedie-
naren van de godsdienst worden beschouwd:
1°. zy die den rang van candidaat in de godgeleerdheid hebben
bekomen;
2°. zy, die predikant zijn by eene gemeente;
dat als studenten in de godgeleerdheid geacht worden zy, die
onderricht ontvangen aan eene erkende inrichting van hooger onderwijs,
met het stellig gebleken voornemen, om tot bedienaars van de gods-
dienst te worden opgeleid;
dat tot het afgeven van de bewijsstukken, vereischt om aanspraak
te kunnen maken op de ontheffing van de werkelijke dienst, over-
eenkomstig de bedoelde zinsnede van art. 127 der wet, uitsluitend
bevoegd zijn: voor de bedienaren van de godsdienst, de candidaten
in de godgeleerdheid uitgezonderd, het Classikaal Bestuur in welks
ressort zij gevestigd zyn, en voor de studenten en candidaten in de
godgeleerdheid, de rector magnificus aan de Hoogeschool of het
Athenaeum;
dat de hiervoren genoemde bewysstukken ingericht moeten zyn
overeenkomstig de by het koninklijk besluit gevoegde modellen, en
dat de daarop gestelde handteekeningen worden gewaarmerkt door
den burgemeester der gemeente, alwaar de afgifte is geschied;
dat de aanvraag om ontheffing van de werkelijke dienst, in meer-
genoemde zinsnede van art. 127 der wet vermeld, door hem, die als
dienstplichtige is aangewezen, en, ten gevolge van zyn getrokken
nummer, bü de militie moet worden ingelyfd of die daarby reeds is
-ocr page 361-
Aanhangsel^                                           319
ingelijfd, jaarlijks tusschen den 20 Maart en den 1 April met het
bewysstuk moet worden ingediend bij den burgemeester der gemeente,
binnen welke h\\j voor de militie is ingeschreven; eindelijk
dat de bedienaren van de godsdienst en de studenten in de godge-
leerdheid, die ter inlijving bij de militie zijn bestemd, doch die door
den Koning van de werkelijke dienst zyn ontheven, niet ter aflevering
aan de militaire autoriteiten worden opgeroepen noch naar de plaats
der aflevering overgebracht, maar dat hunne inlijving geschiedt een-
voudig op overgifte van uittreksels uit eenen staat door den burge-
uieester van iedere gemeente opgemaakt, naar een bij het Koninklijk
besluit gevoegd model, van alle in het aandeel zijner gemeente in de
lichting begrepen manschappen.
VI.
WEDUWEN-PENSIOENEN.
De predikants-weduwen, aan welke van 7-ijkswege pensioen wordt
verleend, behooren bij hare aanvrage over te leggen hare geboorte-
acte, hare huwelyks-acte en de dood-acte van haren echtgenoot.
Aan weduwen van Hervormde Predikanten in de Provincie Friesland
wordt uit \'s lands kas geen pensioen toegekend, maar wordt, wanneer
de overleden pred. de daarvoor gestelde voorwaarden heeft vervuld,
pensioen toegekend uit de Friesche Predikants-Weduwen- en Wee-
zenbeurs, aan welke tot dat einde jaarlijks eene bepaalde som uit
\'s rijks schatkist wordt verstrekt, in overeenstemming met hetgeen
van oude tyden af pleegt te geschieden. Volgens resolutiën der Staten
van Friesland van 26 April 1651, 15 Febr. 1661 en 18 Maart 1787,
beliep de vaste toelage eerst ƒ 1200, die vervolgens op ƒ 2400, en na
1787 op f 3400 gebracht is. — Deze som is evenwel sedert 1856 niet
meer evenredig aan het bedrag, \'twelk de betrokken weduwen uit
\'s lands kas zouden ontvangen, indien het landspensioen in Friesland,
even als in andere Provinciën, personeel aan de weduwen werd toe-
gekend. Om die reden wordt nu sedert gemeld jaar eene verhoogde
Rijks-toelage, geëvenredigd aan de behoeften, jaarlijks aan gemelde
beurs uitbetaald.
(Getrokken uit: van alphen, Nieuw Kei\'kelijk Handb. Eerste
Vervolg.)
Wed.-pensioenen. Verg. de Kon. Besluiten: van 16 April 1816, n°. 26, art. 7,
en van 24 Sept. 1830, n°. 58 (voor zoo ver de Friesche weduwen betreft, art. 3).
Beide besluiten zijn medegedeeld door G. v. D. tüük, Handboek, St. 1, bl. 84,
en lste verv., bl. 179.
-ocr page 362-
Aanhangsel.
320
VIT.
HET FONDS STEIJN-SCHELLINOER.
Douairière Mr. P. Steun , geb. Schellinger , heeft bfj testament van
26 Januari 1774 een minimum van 50 aandeelen bepaald, ieder groot
ƒ 200 \'s jaars, ten behoeve van predikants- en officiers-weduwen,
ieder tot een geljk getal. Onder de voorwaarden voor het genot
daarvan behoort:
a.    dat de weduwe moet belijdenis gedaan hebben van de Gereformeerde
Godsdienst, zoo als in de publieke Kerk dezer landen gebruikelijk is.
b.    dat de Weduwe, behalve hetgeen zy als predikants- of officiers-
weduwe geniet, uyt ecnigerhande hoofde geen vijfhonderd gulden \'s jaars
inkomen heeft.
Voor predikants-weduwen wordt bovendien nog vereischt:
dat de man in dienst bij de Nederduitsche gemeente in een der provinciën
van de Yereenigde Nederlanden of het ressort van H. Hoogmogenden is
beroepen, en ook dadelijk geweest, en als bedienaar van Gods icoord
gedurende zijn dienst is overleden.
(v. Alphen, t. a. p.
-ocr page 363-
36
2°. aan meerderjarige studenten als onder 1°. c. bedoeld en
ingeschreven.
Art. 6. Ouders of voogden van in art. 5, 1°. a, b en c
bedoelde zonen of pupillen en meerderjarige studenten in art.
5, 2° bedoeld, die uit dit Studiefonds ondersteund wenschen te
■worden, wenden zicb bij schriftelijke aanvrage, order overleg-
ging der vereischte stukken , tot bet Classicaal bestuur, waar-
onder zij ressorteeren.
Deze aanvragen, jaarlijks op nieuw vóór 15 September bij
het Classicaal Bestuur ingediend, worden door dit Bestuur vóór
1 November opgezonden aan het Provinciaal Kerkbestuur met
eene gemotiveerde voordracht omtrent toekenning of afwijzing.
Dit Kerkbestuur zendt de aanvragen met de voordracht van
het Classicaal Bestuur en zijn eigen advies vóór het einde des
jaars op aan de Synodale Commissie, die vóór 15 Juli eene voor-
dracht doet aan de Algemeene Synode, welke daarover besluit.
Art. 7. Bij elke aanvrage moet worden overgelegd:
A.   Voor leerlingen, die voornemens zijn een gymnasium te
bezoeken:
1°. Bewijs dat zij behooren tot de Nederlandsche Hervormde
Kerk en met vrucht godsdienstonderwijs genieten of lidmaten zijn.
2°. Een getuigenis van goed gedrag, af te geven door den
Kerkeraad der gemeente van hunne woonplaats.
Wordt op deze aanvrage eene toelage toegezegd , dan wordt
deze niet uitbetaald voordat de leerlingen gedurende een half
jaar het Gymnasium hebben bezocht en een gunstig getuigenis
van den Rector omtrent hun aanleg en vlijt hebben overgelegd.
B.   Voor leerlingen aan een Gymnasium of die eindexamen
hebben afgelegd :
1°. De bewijzen sub A 1° en 2° vermeld;
2°. Gunstig getuigenis van den Rector omtrent vlijt, vorde-
ringen en gedrag.
C.  Voor minderjarige en door meerderjarige studenten in de
Godgeleerdheid :
1°. Bewijs dat zij lidmaten zijn van de Nederlandsche Her-
vormde Kerk;
2°. Getuigenis, af te geven door de Hoogleeraren in de God-
geleerdheid van wege de Nederlandsche Hervormde Kerk, dat
zij geschiktheid hebben voor de Evangeliebediening en door
bekwaamheid, vlijt en goed gedrag zich onderscheiden.
Art. 8. Toelagen uit dit Studiefonds kunnen worden verleend
-ocr page 364-
N°. 630?.
Reglement op het .Studiefonds der Nederlandsche
Hervormde Kerk.
Art. 1. Er bestaat in de Nederlandsche Hervormde Kerk een
Studiefonds tot ondersteuning van hen , die wenschen zich voor
te bereiden tot de Evangeliebediening in die Kerk.
Art. 2. Dit Fonds wordt gevormd en gesteund:
a.  door schenkingen en makingen , die, wanneer zij meer dan
f 100 bedragen, en door de gevers of erflaters niet voor uit-
deeling bestemd zijn, worden belegd in inschrijvingen in een
van de Grootboeken der Nationale Werkelijke Schuld ten name
van het „Studiefonds tot ondersteuning van hen, die wenschen
zich voor te bereiden tot de Evangeliebediening in de Neder-
landsche Hervormde Kerk";
b.  door de opbrengst van collecten;
c.  door vrijwillige jaarlijksche bijdragen van Kerkelijke Ad-
ministratiën of van bijzondere personen ;
Art. 3. De Kerkeraden zenden de opbrengst der collecten en
andere bijdragen aan de Classicale (Quaestoren , die deze vóór 31
December van elk jaar met eene gespeciliceerde opgave doen
toekomen aan den Quaestor-Generaal.
Art. 4. De Synode kan jaarlijks ter ondersteuning beschikken
over de gelden, die niet moeten worden belegd , over de renten
van het kapitaal van dit Fonds en over de inkomsten sub b en
e genoemd.
Art. 5. Uit dit Fonds kan eene toelage worden verstrekt :
1°. Aan ouders of voogden ten behoeve hunner zonen of
pupillen :
a.    die een jaar na de aanvrage op een gymnasium hopen
toegelaten te worden ;
b.  die reeds hunne studiën aan een gymnasium hebben aan-
gevangen of volbracht;
c.    die als studenten in de Godgeleerdheid ter voorbereiding
voor de Evangeliebediening in de Nederlandsche Hervormde Kerk
zijn ingeschreven in het album van de kerkelijke Hoogleeraren
bij eene der Nederlandsche Universiteiten , doch den leeftijd van
drie-en-twintig jaren nog niet hebben bereikt;
-ocr page 365-
ALPHABET1SCH
5681
(De cijfers wijzen de bladzijden aan; wij hebben het niet noodig geacht de afzon-
dorlijke artt. aan te wijzen, daar men die gemakkelijk vinden kan.)
Aanklacht, bij den Kerkeraad, 176, 177; bij het Class. Best., 28; in
zaken van beheer, 282, 290.
Aanleg (Zaken in eersten), bij den Kerkeraad, 16, 176; bij het Class.
Best., 26, 178; bij het Prov. Kerkb., 31, 179; bij de Synode 179.
Aanneming van beroeping, 136, 140. Wat te doen, wanneer eene aange-
nomene beroeping niet opgevolgd wordt, 140.
Aanneming tot lidmaten, 215—220; van elders woonachtigen, 218; van
kerkelijke personen uit een ander kerkgenootschap, 60, 63.
Aanslag. Zie Omslag.
Aansprakelijkheid. Zie Verantwoordelijkheid.
Aanstelling.
Zie Godsdienstonderwijzers, Hulppredikers, Voorlezers en
Voorzangers, Organisten, Kosters, enz.
Aanteekeningen van Kerkeraadshandelingen, enz., 68, 167.
Aanvaarden van donatien, 93.
Aanvaarden van kerkelijke bedieningen (Onbevoegdverklaring tot het),
162, 177.
Aanverwanten (Rechten van inwonende) van overleden predd., 108.
Aanvrage. Zie Emeritaat, Herziening, Beslissing, Vernietiging, Subsi-
die ,
enz.
Aanwending (Doelmatige) van verleende subsidie, 267—269.
Abnormale toestand van diaconiën, onderscheiden van illegale handt-
lingen, 91.
Acte van beschuldiging tegen een beroepen pred., 137.
Acte van geboorte en van toelating , door candd. tot de h. d. te vertoonen , 129.
Acte van inschrijving in de Weduwenbeurs, 262.
Acte van lidmaatschap der Classis, 143, 148.
Acte van ontslag van een verroepen pred., 108, 140; in te leveren, 143;
aan emeriti enz., 147; wanneer niet af te geven, 139.
Acte van toelating voor godsdienstonderwijzers, 210—212; id. tot de
h. dienst, 304.
Administratie van kerkelijke goederen, 280—289; toezicht des Kerkeraads
daarop, 16, 66; der Synode, 38. Zie verder Reglement.
Kerkelijk Wetboek, 2e druk.                                                                              21
-ocr page 366-
37
van hoogstens f 400.—, voor hoogstens zes jarens aan leerlingen
van gyiunasiën en voor hoogstens vier jaren aan Studenten in
de Godgeleerdheid.
Art. 9. Ouders of voogden van leerlingen of minderjarige
studenten, aan wie eene toelage uit dit Fonds is toegezegd,
verbinden zich tot terugbetaling, indien de Synode dit verlangt,
van de genoten gelden, ingeval hunne zonen of pupillen niet
in de Godgeleerdheid tot voorbereiding voor de Evangeliebedie-
ning in de Nederlandsche Hervormde Kerk gaan studeeren of
blijven studeeren.
Meerderjarige studenten verbinden zich tot gelijke terugbe-
taling, wanneer zij wiliekeurig hunne studiën staken, of in
eene andere Faculteit overgaan, of binnen vijf jaren na hunne
bevestiging als predikant bij een ander Kerkgenootschap gaan
dienen of eenen anderen werkkring hebben gekozen.
Art. 10. De administratie van dit Fonds is opgedragen aan
den Quaestor-Generaal, die
1° gemachtigd is tot inschrijving in een der Grootboeken van
de daartoe bestemde gelden, tot ontvangst der renten der inschrij-
vingen, alsmede van alle schenkingen en makingen en van alle
andere gelden, voor dit Fonds bestemd;
2° zorgt voor de tijdelijke belegging van de niet dadelijk
benoodigde gelden;
3° aan de Synodale Commissie bij hare voorjaarsvergadering
opgeeft, welke gelden beschikbaar zijn;
4° de toegekende ondersteuningen uitbetaalt in twee termijnen,
Mei en October, ten behoeve van minderjarige leerlingen en
studenten aan hunne ouders of voogden en, wat meerderjarigen
betreft, aan dezen zelven;
5° jaarlijks aan de Synode rekening en verantwoording doet
van zijne administratie;
6° voor de administratie jaarlijks 4 pCt. geniet v.\\n het uit
te keeren bedrag, met dien verstande, dat die vergoeding niet
meer dan f 100.— jaarlijks zal bedragen.
Art. 11. De Algemeene Synode doet jaarlijks aan de Kerke-
raden en Kerkelijke Administratiën mededeeling van den staat
van dit Fonds en van de rekening en verantwoording over het
afgeloopen jaar, met uitnoodiging om collecten te houden en
bijdragen te schenken ten behoeve van dit Fonds.
Aldus vastgesteld door de Algemeene Synode der Nederlandsche
Hervormde Kerk, den 21sten Augustus 1889, en, na kennis-
-ocr page 367-
38
geving aan Z. M. den Koning, volgens Art. 1 der Wet van
10 September 1853 {Staatsblad n°. 102), uitgevaardigd door de
Algemeene Synodale Commissie, om in werking te treden den
15den Januari 1890.
De Algemeene Synodale Commissie der
Nederlamlsche Hervormde Kerk,
M. A, Peuk, President.
L. Overman, Secretaris.
Voor eensluidend afschrift,
])e Secretaris van de Algemeene Synode
der Nederlamhclie Hervormde Kerk,
L. OvEiurAX.
-ocr page 368-
322                                  Alphabetisch Register.
Administratie over de algem. kerkel. fondsen, 38.
Administreer end diaken, 94.
Admissie. Zie Candidaten tot de h. dienst, Godsdienstonderwijzers.
Adressen aan de Synode, 49, 50, 265, 266.
Advies ter aanbeveling van personen voor de betrekking van kerkeljjk
hoogleeraar, 239, 241.
Adviseerende stem, in den Kerkeraad, 113; in de Synode, 33; in de
Alg. Syn. Comm., 40.
Afgescheidenen (Doop van), 63.
Afgevaardigden ter Class. Verg., 22, 23; ter Synode, 6, 33 , 34.
Afgewezenen bij examen. Zie Afwijzing.
Afgezette predd.,
175, 176; hunne bevoegdheid ten aanzien der wedu-
wenbeurs, 257.
Afkondiging van ben. oudd. en diakk., 57; van ber. predd., 137; van
de kerk visitatie, 189; in zaken van beheer, 281, 283, 284, 290.
Afrekening wegens pred.-traktement tijdens en na vacaturen, 117—121.
Afscheiding van de Herv. Kerk, 3.
Afschrift van beslissingen in zaken van tucht, 171; van den inventaris
van het kerkelijk archief, 113; van den ligger der diaconiegoederen , 92;
van de diaconie-rekening, 94 ; van den ligger van het pred. tractement,
66, 67, 136; van de kerkelijke begrooting en rekening, 283, 284.
Afstand (Vrijwillige) van de predikants-bediening, 110.
Aftreding, bij de Kerkeraden, 6, 58, tusschentijds, 59; bij de Kerkelijke
Besturen en de Synode, 6; bij de Alg. Syn. Comm., 40; bij de kerk-
voogden en notabelen, 282; bij de Prov. Collegiën v. Toezicht en bij
het Alg. Collegie, 286.
Afvaardiging. Zie Afgevaardigden.
Afwezigheid,
bij de kerkvisitatie, 189; van een pred^ uit zijne gemeente
wegens het bijwonen van hooge kerkvergg., 124; 125; van een pred.
zonder dat in de dienst voorzien is, 124, 125.
Afwijzing van Candd., 301, 302; van geëxamineerden voor godsdienst-
ond., 167.
Afzetting, van kerkelijke personen, 31, 32, 111, 178, 179; van gods-
dienstonderwijzers, 178, 179; van kerkvoogden, 282.
Ayreatie (Recht van). Zie Derden (Rechten van).
Akademie-gelden. 7A& Kinder-, school- en akademie-gelden.
Algemeen Coll. van Toez.
Zie Collegie van Toez.
Algemeens Kas
der N. H. K., 274—280.
Algemeene Kerkeraad, 15, 54, 66, 67.
Algemeene Synodale Commissie. Zie Synodale Commissie.
Algemeene Synode der Ned. Herv. Kerk.
Zie Synode.
Algemeene verordeningen,
regel voor bjjzondere, 10, 18, 19.
Algemeene Weduwenbeurs. Zie Weduwenbeurs.
Algemeen Reglement, 1—43; (veranderingen te maken in het), 43.
Alterum tantum, 246, 313—315.
-ocr page 369-
Alphabetisch Rkoister.                                     323
Ambtsgewaad, 46; (aanbevolen), 86.
Ambtsplichten. Zie Diakenen, Ouderlingen, Predikanten.
Andere Prot. Kerkgenootschappen (Hoe Pandd. van) tot het ex. kunnen
worden toegelaten, 298; (hoe Prodd. van) pred. kunnen worden in onze
Kerk, 298, 299; (in hoeverre attestatiën uit) worden aangenomen, 64.
Zie Aanneming.
Annus gratiae. 7A& Gratie.
Appèl. Zie Hooger beroep.
Approbatie van beroeping, van predd., 138, 139; van buitenl. predd., 138 ;
van niet eervol ontslagen predd., 138; van candd., 137, 138,139; bij
weigering of vertraging van agreatie, 131; door het Prov. Kerkb. en
door de Synode of Syn. Coram., 13!); (vertraging der), 139; (kennis-
geving van de) aan het Min. Dept., 140; van hulppredikers, 198, 199.
Archief des Kerkeraads, (Bewaring en registers van het), 60, 68; (on-
derzoek van het) bij kerk visitatie, 190; (hoe met het) te handelen bij
vacature, 113, 143.
Armen, voorwerpen van de zorg des Kerkeraads, 66, bijzonder van de
diakenen, 70, 88; welke vooral, 88, 89; worden gratis onderwezen,
214; die van elders komen en die sterken drank gebruiken, 90.
Armenverzorging (Beginselen en regelen van kerkelijke) 87—91,96 —100.
Armenwet (De voor de Kerk belangrijke bepalingen uit de burgerlijke),
100—105.
Assessor bij het Class. Best., 25; vervangt den praeses en wordt ver-
vangen, 28. Verg. 7.
Assurantie. TAs Brandschade.
Attest. Zie Getuigschrift.
Attestatie van lidmaatschap, 60. Synodale verordeningen omtrent het
indienen er van, 64; voor een pred. onnoodig, 142.
Avondmaal, alleen door predd., 16; niet door candd. te bedienen, 243,
304; zorg van den Kerkeraad omtrent de viering van het Av., 59;
hoe de viering van het Av. in te richten, 76—79. Voorbereidingspre-
dikatie vóór de bediening van het Av., 59. Vragen vóór het Av., 77,
78; het gebruik hiervan facultatief, 69. (Ontzegging van het) als tucht-
middel, 162, 175.
B.
Batig saldo der diaconie-kas ter leen aan de kerkekas, 93.
liedanken voor eene beroeping maakt onberoepbaar in dezelfde vacature,
133. Verg. Aanneming. (Wat geschiedt na het), 137.
Bedeeling. Zie Armen en Diaconie.
Bedienden
(Kerkelijke) bezorgen schrifturen enz., 166; onder verantwoor-
delijkheid, ald.; genieten in sommige gevallen schadeloosstelling, 169,
170. Welke door den Kerkeraad on welke door kerkvoogden aangesteld
worden, 65, 284.
21*
-ocr page 370-
324                                          Ai.riiABF.TisoH Register.
Bediening van Doop en Avondmaal (Synodale Verordd. omtrent stichtelijke
en plechtige), 76—79. Zie voorts de Artt. Doop en Avondmaal.
Bedieningen (ontzegging van bevoegdheid tot kerkelijke), 162, 177, 178.
Begrafenisdag van een pred. als tijdmerk, 115.
Begrenzing der gemeenten, bepaald, 14, 15; hoe te bepalen en te veran-
deren, 25, 26, 31, 32.
Begrooting der diaconie, facultatief, 92; der kerkelijke administratie , 283.
Beheer der algemeene kerkelijke fondsen, 38, 39; over: de Alg. Kerkelijke
Kas, 274, 275; de Alg. Weduwenbeurs, 256; het Fonds voor Noodl.
kerken en perss., 264; het Fonds voor geestelijke behoeften, 245; het
Fonds tot verbetering der schraalste pred. tractementen, 271; het Hulp-
pensioenfonds voor predd., 251.
Beheer van en waken voor Classikale en Prov. Weduwenbeurzen, 24, 25,
26, 31.
Beheer der goederen van de bijzondere gemeenten, 280—285; het toezicht
daarop, 286 — 289; wanneer eene gemeente te niet gaat, 288; (het
ontbreken van een rechtsgrond voor het), 38, 39, 292—294.
Bekendmaking van toelating tot de h. d., 304.
Beklag van een kerk. best. over een hooger, 12, 13.
Beleeningen door de diaconie niet aan te gaan zonder toestemming des
Kerkeraads en goedkeuring van het Cl. Best., 66, 67, 92.
Belegging van gelden door diakenen, 92.
Belijdenis des geloof», 60, 215; krijgt haar beslag door de bevestiging,
enz., 219; geeft rechten, 2; (Syn. Verord. omtrent de) van hen, die
eene kerkelijke bediening bij een ander kerkgenootschap bekleeden of
bekleed hebben, 63.
Belijdenis-vragen, 216, 217.
Benoeming van Hoogleeraren, 237.
Benoeming van Leden en Secundi der Hoogere Besturen, 6, 7, 22, 25,
29, 30, 33, 40; (kennisgeving van), 8; (hoe te handelen bij vruchteloos
gedane) door de Class. Verg., ald.
Benoeming van Leden der Commissie van voordracht, enz., 31, 238.
Benoeming van Ouderlingen en Diakenen, 17, 56, 66, 230—236; tus-
schentijds, 55; diensttijd en herkiesbaarheid, 58 , 59.
Benoeming van Leden der Collegiën van beheer, 281, 286, 287, 288.
Beraad ((Tijd van), na ontvangene beroeping, 136; voor een benoemden
kerkdijken hoogleeraar, 239.
Bergplaats voor het archief des Kerkeraads, 113.
Berichten (Inzending van), enz., 11; van benoemingen, 8.
Beroep. Zie Hooger Beroep.
Beroepbaarheid voor de Ev.bed. en beperking daarvan, 133; van buiten].
Candd. en Predd., 134.
Beroepbrief, aan den beroepene met opgave van inkomsten te verzenden,
135, 136; in welk geval met het opmaken te wachten, ald.; wanneer
en met welke bescheiden op te zenden aan het Class. Best., 138, 139;
-ocr page 371-
Alphabetisch Register.                                      325
in welk geval aan het Prov. Kerkb., de Synode, de Syn. Cotnm., 139;
(Formulier van), 134; voor een hulppred., 198, 201.
Beroepene, wat hij te doen heeft, 136; wat geschiedt, indien hij de aan -
genoraono beroeping niet opvolgt, 140; (behandeling van bezwaren
tegen een), 137, 138; (indien de) een niet eervol ontslagen pred. is,
138; indien hij vóór zijne bevestiging overlijdt, 109.
Beroeping van hulppredikers, 198, 200. Beroepbrief, 201.
Beroeping van predikanten (Recht der gemeente tot de), 17; (uitoefening
van het recht der), 230 — 236; (zorg van den Kerkeraad omtrent de),
66, 128 — 131; (het (\'lass. Best. werkzaam in zake van), 130; zie verder
Approbatie;(wat geschiedt bjj de), 131-136; (na de), 136— 142; (rechten
van derden bij de), 17, 18, 131, 135; (spoed te maken met de), 130;
(vertraging van de), 131, 132. Zie verder verschillende op deze zaak
betrekkelijke artt.
Beroeping van vreemdelingen, Candd. of Predd., 134.
Beroepingscommissiën (Kosten van), 142.
Beroeping«kosten, 141, 142.
Beroepingswerk (Termijnen voor het), 130; (vertraging in het), 131.
Bescheiden of stukken. Zie de zaken, waarbij ze behooren.
Beslissingen (Hooger beroep en vernietiging van), 13; zie Hooger beroep;
(definitieve), ald.; hoe zij geschieden in zaken van tucht, 169; wie er
niet toe medewerken, 168; (openbaarmaking en in werking treden van),
172; in zaken van kerkelijke administratie, 288.
Besluiten van een kerkelijk bestuur, hoe te nemen, 8, 9, 168; van Col-
legiën van beheer, 290.
Besluiten in bestuurszaken, wel te onderscheiden van beslissingen in zaken
van tucht en geschillen, 12, 13.
Besluiten van den Kerkeraad (Voorwaarde voor de uitvoering van), 68, 113.
Besturen (Burgerlijke), ontvangen inlichting van de diaconiën, 91, 103;
(Geen subsidiën worden door diaconiën aangenomen van de), 90.
Besturen (Hoe hoogere en lagere) tegenover elkander handelen, 10—13,
172, 173, 174; blijven binnen de grenzen hunner bevoegdheid, 11.
Besturen (Kerkelijke). Zie Kerkeraad, Class. Bestuur, Prov. Kerkbestuur>
Synode, Syn. Commissie, Benoeming. Hunne werkzaamheden, 11—14;
wijze van besluiten, 8; hoe zij stemmen, 8; zich beklagen, 12; inlich-
tingen vragen, 11, 12.
Beurtgezang bij de openb. godsd. aanbevolen, 73.
Beurtwisseling bij het benoemen van een buitengew. lid des Prov. Kerk-
bestuurs ( 29; in \'t examineeren, 295.
Bevestiging, van lidmaten en rechten daardoor gegeven, 216, 217; van
oudd. en diakk., 57; van Predd., 142, 143; van candd. als pred. en
kennisgeving daarvan, 143; van hoogleeraren als pred., 134.
Bevoegdheid der kerkehjkelijke besturen, 11.
Bewaarplaats van archieven. Zie Bergplaats.
Bewaren
van stukken, de diaconie betreffende, 91.
-ocr page 372-
\'526                                      Am\'habetisch Rkoistbr.
Bewijs van goed zedelijk gedrag. Zie Getuigschrift.
Bewijs van lidmaatschap in de plaats van eene volledige attestatie, 65.
Bezoldiging. 7Ae De f royement en Kosten.
Bezwaar tegen benoemde Oudd. en Diakk.; tegen beroepen l\'redd.; tegen
Kerkeraadsleden en Hulppredikers; tegen handelingen van hoogere be-
sturen. Zie Bezwaren.
Bezwaarde,
hoe te verhooren, 166; kan inzage en afschrift ontvangen
van stukken, 166; ontvangt afschrift van de beslissing of hare vernie-
tiging, 171, 182; in welk geval hij de kosten draagt, 169.
Bezwaren, bij den Kerkeraad, 57, 94,137,138,177; bij het (\'lass. Best.,
57, 178; bij het 1\'rov. Kerkb., 176, 177,179; bij de Synode, 176 , 179;
bij kerkvoogden en notabelen , 284; bjj het Prov. Coll. van toez., 284.
Biddagen. Zie Feestdagen.
Bloedverwantschap,
verhinderende het mede-examineeren, 295; — het
medeoordeelen in zaken van opzicht en tucht, 168. Zie ook Aanver-
wanten.
Boden,
166, 169.
Boeken (Keus van), enz. bij het godsdienstonderwijs, 214.
Boekhouder. Zie Administreerend diaken.
Boete,
in vacaturen, 122, 123, 127.
Borgstelling, in zaken van tucht, 172; in geschillen, 184; van een ker-
kelijken rentmeester, 182.
Brandschade (Verzekering tegen), 190.
Brieven (Uitgevaardigde), 68; (portvrijdom van), 306 — 308.
Buitengewoon lid van een Prov. Kerkb., 29.
Buitenlandsche Oandd. en l\'redd., 134, 261, 298, 299.
Burgerlijk bestuur. Zie Besturen.
Burgerlijken rechter (Gedingen voor den). Zie Gedingen.
Bijbellezingen,
207, 208.
Bijbeloefeningen aanbevolen, 74.
Bijdragen der gemeenten tot de kosten van beatuur, 275, 276; wanbe-
taling in vacature, 128. Zie ook Quota.
Bijwonen
van de openb. godsdienst, 70; der kerkvisitatie, 55, 189.
Bijzondere Kerkeraad, 15, 54, 59, 67.
Bijzondere reglementen, 10, 18, 68, 94, 233, 234.
c.
Candidaten in de godgeleerdheid, onder welke voorwaarden zij mogen
prediken, 242—244; wanneer de vergunning daartoe vervalt, 242,
243, 302; mogen niet prediken in eene vacature, 116, 243.
Candidaten tot de h. dienst; hunne toelating, zie Examen; hunne be-
voegdheid, 116, 132, 197, 208, 304; toezicht over hen, 16, 26;
schorsing, 26, 179; atzetting, 32; waartoe verplicht bij het prediken
-ocr page 373-
Alphabetisch Register.                                     327
op beroep, 129; welke stukken zij, beroepen zijnde, hebben over te
leggen, 138, 139; hunne bevestiging, 143; in geval van benoeming
tot hoogleeraar, 134.
Cassatie. 7Ae Vernietiging.
Catechisanten, ook schoolkinderen daaronder te rekenen, 192.
Catechisatiën (Openbare), 208.
Catechisaties. Zie Godsdienstonderwijs. (Lidmaten-), 207.
Catechiseermeesters. Zie Godsdienstonderwijzers.
Catechiseeren, door predd., 69, 207, 213, door candd. en geordende leer-
aren buiten vaste bediening, 208; door catechiseermeesters, 207, 208,
209. Zie yerder Godsdienstonderwijzers.
Catechismus (Heidelbergsche), 69.
Censuur, door en over wie, 16, 17, 25, 26, 161, 162.
Classen, 20, 21; (veranderingen in de grensscheiding der), 21; (verga-
dering der), zie Classikale Vergadering; (ontslag uit de), 108, 110,
146, 147. Acte van lidmaatschap, 142.
Classikaal Bestuur (Leden van het), 25; (benoembaarheid voor het), 6;
(benoeming tot lid van het), 22; defroyementen, 193, 277, 278, 279.
Classikaal Bestuur (Werkzaamheden van het)
A.   in het algemeen, 5, 9 —15, 15—19, 208.
B.     in het bijzonder omtrent:
1.    de diaconie, 88, 92—95;
2.    het examen voor de ev.bediening, 299, 303,
3.    voorziening in de geestelijke behoeften pan gemeenten, 248,
4.    het godsdienstonderwijs, 189, 190, 195, 196, 210, 211, 214,
5.    het hulppredikerschap, 197—201.
6.    nieuwe gemeenten, 202—206,
7.    de kerkvisitatie, 186—196,
8.    noodl. kerken en personen, 265—269,
9.    het ongevraagd ontslag run predd., 124—127,
10.    de benoeming van oudd. en diakk., 52—54, 55, 56-58,
11.    reglementen, 10, 18, 68, 94, 233, 234.
12.    de ringen, 19, 20, 111, 112, 115, 116, 121, 122.
13.    zaken van tucht, 16, 17, 171, 178, 179,
14.    vacaturen en daarmede gelijkstaande gerallen, 108, 110—114,
115, 121—130, 132, 134, 135, 137—140, i43, 145-148.
Classikale Kas. Zie Algemeene Kas der Ned. Herv. Kerk.
Classikale kosten. Zis Kosten.
Classikale quaestor. Zie Quaestor.
Classikale quota. Zie Bijdragen der gemeenten en Quota.
Classikale rekeningen, 24.
Classikale ressorten. Zie Classen; (reglementen voor), 10.
Classikale vergadering, hare leden, 22; haar bestuur, 23; hare werk-
zaamheden, 22, 23, 25, 26, 36, 43.
Classikale weduwenbeurs. Zie Weduwenbeurs.
-ocr page 374-
328                                      Alphabetisch Register.
Collatie ree ht, in hoeverre geëerbiedigd door de Kerk, 17, 135; (de uit-
oefening van het) geregeld, 17 , 131 , 156 - 160. (Regl. op de uitoefening
van het) in de voorm. Ommelanden , 157, 158; mag niet meer ontstaan ,
17; (afkoopbaarheid van het), 18; (het koninklijke) afgeschaft, 18.
Collecten voor de diaconie, 16, 66, 67, 70.
Colleclebrief, 270.
Collecten voor Noodl. kerken en pers*., 264 , 265; (opgaaf van de), 270.
Collecte (bijzondere). Zie Inzameling.
Collegie van Toezicht op de kerkelijke administratie (Algemeen) ,287—289.
Collegie van Toezicht, enz. (Provinciaal), 286, 287; waartoe het goed-
keuring of machtiging geven moet, 285; in welke geschillen het beslist,
284, 285; (medewerking van liet) met, en adviezen aan de kerkelijke
besturen, 26, 31, 265; waarop het te letten heeft bij aanzoeken om
het rijks alterum tantum, 313—315.
Colloquium doctttm, 134, 29!), 300.
Combinatien, hoe zij gesplitst worden en tot stand komen, 26, 31;
(afvaardiging door) ter Olass. Verg., 32; (hulppredikers in), 197; (wijze
van benoeming en beroeping in), 234; (de quotisatie in), 277.
Commissie (Algemoene Synodale). Zie Synodale Commissie.
Commissie voor de O. en W. I. kerken. Zie Indische kerken.
Commissie oan voordracht tot het benoemen van Kerkelijke Hoogll. Zie
Hoogleeraren.
Commissie van toezicht op het godsdienstonderwijs. Zie Godsdienstonderwijs.
Commissie tot de zaken der Waalsche kerken. Zie Waalsche Commissie.
Conciërges in gevangenissen. Zie Kommandanten.
Consideratiën, wanneer en van wie gevraagd, 23, 36, 43, 134.
Consulent (Benoeming van een), 19, 112; (optreden, werkzaamheden en
plichten van den), 111 —115; (betrekking van den) tot den Kerkeraad,
53, 113; (rechten van den), 113, 117; (schadeloosstelling van den),
108, 113, 114, 143; (geschillen tusschen den) en den Kerkeraad, 113;
(geen) in gemeenten met twee of meer predd., 111, 112.
Continuatie van den Quaestor-generaal en zijn secundus, 35.
Contributie bij de uitoefening van het stemrecht, 234.
Gontributiën voor de Alg. Weduwenbeurs, 257—263; (maatregelen tegen
nalatigen in het betalen der), 263.
Copiën van processtukken, 166; (kosten van), 169.
Correspondentie, van het Class. Rest., 28; van het Prov. Kerkbest., 32;
(wijze van) tusschen alle kerkelijke collegiën, 49, 50. Verg. Adressen.
D.
Dag (laatste en eerste) des jaars. 7Ae Oude- en Nieuwjaarsdag.
Dag run vergadering
, der dassen, 22 ; der Class. Besturen , 28; der Prov.
Kerkbesturen , 30; der Synode, 35.
-ocr page 375-
Alphabetisch Register.                                      329
Dagteekening van uitspraken, 172, 180.
Declaratie van reis- en verblijfkosten. Zie Konten.
Deelneming (Verplichte en vrijwillige) aan de Alg. Weduwenbeurs. Zie
Weduwenbeurs.
Defroyement van den ring in buitengewone gevallen, 124. Overigens zie
Kosten.
Departement (Wat in kerkelijke zaken behoort tot het) van Financien,
wat tot dat van Justitie en wat tot dat van Koloniën, 47, 48.
Departement (Het daartoe aangewezen Ministerieel) ontvangt bericht van
gronsregelingen , 21, 22, van overlijden van predd., met opgave enz.,
107, van ongevraagd ontslag en afzetting van een pred., 110, van
approbatie eener beroeping, 140, 153, van vervulling eoner vacature,
143, 144; verleent de machtiging tot het aanbieden van het tractement
aan een te beroepen pred., 128; wordt soms ingeroepen tot opheffing
van bezwarer. of wegneming van twijfel in zaken van vacature, 139.
Derden (Hechten van) worden geëerbiedigd, 17, 60, 66, 131, 135. Zie
verder Collatierecht en Hechten {Vervallenrerklaring oan de uitoefening
ian kerkelijke).
Diakenen (Ambt der), 70; (vereisehten der). 15, 54—56; (getal der), 56;
(benoeming der), 17, 57—59, 230—236; (diensttijd en herkiezing der),
58, 59, (plichten der), 16, 66, 67, 70, 88—95; (verhouding der) tot
den Kerkeraad, 20, 54. 60, 70, 88, 92—94; zijn onderworpen aan
de tucht van het C\'lass. Best., 178.
Diaconiën (Doel, zuiver kerkelijke aard, werkkring, enz. der), 87—90,
96-100; (verhouding der) tot het burgerlijk bestuur, (normale en
abnormale toestand der), 90, 91, 100 — 105; zelfstandigheid, 105; (liet
voeren van rechtsgedingen en het aanvaarden van legaten door), 93;
(belegging van gelden der), 92; (kosten van beroepingscommissiën,
enz. niet ten laste der), 142.
Diaconie-goederen (Zorg voor de), 66, 67.
Diaconie-reglement (Beginselen en werking van het), 96—100.
Diaconie-rekening, 66 , 94.
Diaconie-scholen, 213.
Dienstdoende (Ouderll. en predd. moeten) zijn, als Leden van de Class.
Vergg., 22; (predd. moeten) zijn om zitting te nemen in het Class.
Best., 25, in het Prov. Kerkbestuur, 29, in de Syn. Oomm., 40.
Diensttijd, voor kcrkeraadsleden, 58; voor gemachtigden ter verkiezing
van oudd., enz., 232; voor predd. om in sommige gevallen beroepbaar
te zijn, 132, 133; voor leden van besturen boven den Kerkeraad, 6;
voor leden der Commissie van voordracht voor \'t benoemen van hoog-
leeraren, 238; voor tusschentijds optredenden, 7, 59; bij Collegiën van
kerkelijke administratie, enz., 281, 287.
Diligentverklarlng, gevraagd door den Kerkeraad, 130; door liet Class.
Best., 140; aan den Kerkeraad geweigerd, 131.
Dispensatie, wanneer alleen mogelijk, 10; ten aanzien van den leeftijd
-ocr page 376-
330                                                 Am\'HARKTISCII RF.filSTEK.
der ouderlingen, 55; aan diaconiën ten aanzien van normalen toestand,
91; aan diakenen ten aanzien van het niet doen van levering aan do
diaconie, enz., 92; aan ringen, ten aanzien van het vervullen der
vaeatuur-heurten, 115; aan predd. ten aanzien van beroepbaarheid, 133;
ten aanzien van bevestiging, 142; aan leden van kerkelijke besturen
ten aanzien van het uitbrengen van stem, 9; aan studenten in de
godgeleerdheid ten aanzien der jaarlijksche storting, 240; aan exarai-
nandi ten aanzien van testirnonia, 298.
Doctoren theologiae (Vrijstelling der) bij \'t examen, 298.
Domicilie van onderstand, 88.
Donatiën (Aanvaarden van) door diaconiën, 93.
Doop, wanneer, aan wie en hoe te bedienen, 60 64, 76; door predd.,
16, 69; niet door candd., 243; wie daarvoor zorgen, 59. Zie verder
Kinderdoop.
Doop van Afgescheidenen, 63.
Doop van kinderen uit eene andere gemeente, 61, 62, 63.
Doop-, lidmaten- en trouwregisters, (50, 61.
Doopbewijs (Overlegging van een) bij aanneming tot lidmaat niet ge-
eischt, 2, 216.
Doop-predikatiën, 76.
Driejarige zitting van bestuursleden, 6.
E.
Eed van getuigen, 166.
Eerediensl (Syn. Verordeningen omtrent de), 72—79. Zie verder Gods-
diensl\'oefeningen.
Eerediensten
(Kon. Besl. omtrent behandeling van zaken der), 47, 48.
Eerste dag des jaars. Zie Oude en Nieuwjaarsdag,
Eerste instantie.
Zie Aanleg.
Eercol ontslag.
Zie Emeritaat.
Eigendommen
(Kerkelijke). Zie Goederen.
Electie
(Recht van), 135, 156. Zie verder Derden {Rechten van) on
Collatie-recht.
Emeritaat,
107, 109,110, 138,147. Zie verder Pensioen en Pensioenfonds.
Emeriti pred.
staan onder toezicht van het Class. Best., 26; het h. dienst-
werk kan hun verboden worden, 32.
Emolumenten (gewone) van predd., 136.
Engelsche (Presbijteriaansch-) gemeenten, 1, 21; (examen der candd. tot
de h. dienst bij de), 295, 301.
Evangeliebediening, aan wie opgedragen, 16, 69; hoe de bevoegdheid er
toe verkregen wordt, zie Examen; hoe verloren, 32, 162.
Examen ter toelating tot de ev.bediening, 295—304,
Examen coor godsdienstonderwijzers, 209—211; voor de koloniën en op
\'s lands schepen, 214, verg. 223—225.
-ocr page 377-
331
Alphabetisch Register.
P.
Feestdagen (Viering van), in vacaturen, 115; in gevangenissen, 221;
gebruik van zang- en toonkunst op hooge feestdagen, 73.
Floreenplichtigen (Benoeming van predd. door) vervallen, 17, 18. (Bo-
trekking der) tot het beheer, 291.
Fransche taal (Examen af te nemen in de), 301.
Fondsen (Algemeene kerkelijke), hoe ze worden beheerd, 38, 274. Zio
voorts Kan (Algemeene) der Ned. llerv. Kerk en de woorden onder
Liefdefondsen.
Fonduen (Bijzondere gemeente-),
38, 31), 280—292. Zie verder Goederen
(kerkelijke).
Fondsen (Diaconie-),
hoe ze worden beheerd, 92—95, wat daaruit niet
mag betaald worden, 142.
Formulieren van kerkelijke handelingen. Zie Acte van lidmaatschap, van
ontslag, van toelating, enz., en Beroepbrief.
Formulieren van verklaring en belofte,
van Godsdienstonderwijzers, 211;
van candd. tot de h. dienst, 303, 304.
Formulieren (Liturgische), 69 , 76—79.
G.
Gealimenteerden, niet stembevoegd , 4.
Gebeden bij de godsdienstoefening, 73, 74.
Geboorte uit Herv. ouders, 2.
Geboorte-acte, te vertoonen door candd. tot de h. d., 129; over te leggen
ter verkrijging van kindergeld, 316; door weduwen ter verkrijging van
rijkspensioen, 319.
Geboorte-jaar, aan te duiden op de lidmaats-attostatiën, 65.
Gebouwen (Kerkelijke) tegen brandschade verzekerd en naar vermogen
onderhouden, 190, 196; (ondersteuning tot het opbouwen of herstellen
van), 264—270. Zie ook Kerkgebouwen.
Gecombineerde geiveenten.
Zie Combinatië\'n.
Gecommitteerde
tot de ontvangst der vacatuurpenningen, 122, 151, 152.
Zie verder Afgevaardigde.
Gedingen voor den burgerlijken rechter,
93, 121, 122, 184.
Geestelijke behoeften (Fonds ter voorziening in de) enz., 245—250.
Geestelijken in de gevangenissen (Rechten, bevoegdheden en plichten der),
213, 22i, 222.
Geestelijken stand (Wie gerekend worden te behooren tot den) niet be-
trekking tot de vrijstelling van militaire en schutters-diensten, 317 , 318.
Geheimhouding opgelegd, 168.
Geldbelegging enz. door diakenen, 92.
Gelijktijdige zitting (In welke verschillende besturen) niet geoorloofd is, 6.
-ocr page 378-
332                                      Alphabbtisch Register.
Geloofsbelijdenis. Zie Belijdenis des Geloofs.
Geloofs- en zedeleer (Examen van godsdienstonderwijzers in), 210; (kennis
van de) bij aaniiomelingen, 215.
Gemachtigde tot ontvangst der vacatuur gelden. Zie Gecommitteerde, enz.
Gemachtigden om met den Kerkeraad te benoemen en te beroepen. Zie
Kiescollegic.
Gemachtigden, niet toegelaten voor kerkelijke collegiën, 166.
Gemeente (Splitsing eener), die zich rrij beheer heeft voorbehouden, 204.
Gemeenten, wie er toe behooren ,2,3; hare grenzen, 14 (zie verder
Grensscheiding); hare rechten, 14, 17; haar bestuur, 15 — 19; (stich-
ting van nieuwe), 203—206; tijdstip, waarop zij gemeenten met drie
predd. worden, 133; (wat te doen bij te niet gaan van), 288. Zie ook
Combinatie en Predikantsplaatsen.
Gemeenten (Erkenning van nieuwe), 203, 206; (eerste benoeming van
oudd. en diakk. in nieuwe), 57. Aanstelling van kerkvoogden, nota-
beien , enz., 205. Zie Nieuwe gemeente.
Gemeentefondsen en eigendommen (Beschrijving of ligger van de), 66.
Gemeenteleden en lidmaten (Onderscheiding tusschen), 2. Zie Lidmaten.
Gemengde huwelijken (Raadgevingen omtrent), 225—227; (doop van kin-
deren uit), 59.
Geruchtmakend bezwaar, 178.
Geschiedenis (Kennis van bijl), en kerk.) bij aanstaande lidmaten, 215.
Geschillen (Kerkelijke), door welke collegiën en hoe te behandelen,
183—186; worden gebracht voor: het f\'lass. Bestuur, 20, 26, 28,94,
113, 185; het I\'rov. Kerkbestuur, 31, 185; de Synode, 32, 37, 186.
de Synodale Commissie, 186.
Geschillen in zaken van beheer (Behandeling van), 285.
Gestichten (Godsdienstonderwijs in openbare), 213, 214.
Getal ouderlingen en diakenen in cene gemeente, 56; godsdienstonder-
wijzers, 208, 209.
Getuigen in zaken van O. en T. enz., hunne beëediging, 166; reis- en
verblijfkosten, 169.
Getuigschrift, over te leggen: door candd. in de godgeleerdheid bij de
vervulling van een predikbeurt, 242; door examinandi tot de ev.be-
diening, 296—299; door candd. tot de h. dienst bij het prediken op
beroep, 129; door dezelfden ter verkrijging van approbatie op eene
beroeping, 138, 139; door adspirant-godsdienstonderwijzers, 209; door
godsdienstonderwijzers, om verkiesbaar te zijn, 211; door predd. ter
verkrijging van approbatie bij verroeping, 138; door hen die elders
als lidmaten willen aangenomen worden, 217, 218; door ouders die
elders hunne kinderen willen laten doopen, 59, 62, 63. Zie ook
Acte, enz.
Gevangenissen (Bevordering der godsdienstige belangen in), 213, 221—223.
Verg. Geestelijken en Kommandanten.
Gevestigde stand, met betrekking tot het kindergeld, 315.
-ocr page 379-
Alphabetisch Register.
333
Gezang (Godsdienstig), 73.
Gezangen (De), 69.
Godgeleerdheid. Zie Hooger Onderwijs; (Doctoren in de), zie Doctores
Theologiae.
(Candidaats- en doctoraal examen in de), 296.
Godsdienst (Bepalingen der Grondwet voor het Kon. der Ned. omtrent de), 44.
Godsdienstig en kerkelijk leven, 24, 60.
Godsdienstoefeningen, in het algemeen en in al hare deelen, 73—76;
(leiding der), 15, 16, 69; in vacaturen, 111, 115; (zorg voor de beta-
melijke viering der), 59; (behartiging van de belangen der), 70;
(getrouw bijwonen der), 70; (in hoeverre candd. tot de h. d. bevoegd
zijn tot de leiding der), 116, 304; in hoeverre candd. in de godge-
leerdheid, 242, 243; in hoeverre godsdienstonderwijzers, 208.
Godsdienstonderwijs (Omvang van het), 207; hoe, aan wie en wanneer
te geven, 207, 213, 214; (wie bevoegd zijn tot het geven van), 208;
(toezicht op het), 214, 215; in de koloniën en op \'slands schepen,
214, 223—225.
Godsdienstonderwijzers (Toelating van), zie Examen; (aanstelling, schor-
sing, ontslag, ontzetting van), 60, 178, 179, 208, 209; (getal der)
in eene gemeente, 209; (verplichting en bevoegdheid van), 208; in
vacaturen, 116; (leeftijd van), 209; (voorkeur van) bij het vervullen
van sommige posten, 212; (hulp en opleiding tot het vormen van),
214; (bezoldiging en pensioen der), 214, 215.
Godsdienstonderwijzers in scholen en gestichten, 213, 214.
Goede- Vrijdag-viering, 75, 79, 80; in vacaturen, 115.
Goederen Kerkelijke) zijn voorwerpen van zorg: voor de Kerkeraden, 16;
voor de Class. Besturen, 26; voor de Prov. Kerkbesturen, 31; voor
de Syn. Commissie, 41. (Beheer der) enz., 280—292; niet wettelijk
geregeld, 38. Zie voorts Fondsen, Pastorij-goederen, Kosterij-goederen.
Goedkeuring van reglementen door hoogere collegiën, 10; in zake van
combinatie of van grensregeling, 26, 27, 31, 32.
Graden van verwantschap, enz. in acht te nemen, 168, 295.
Gratie {Jaar van), 107; zoo mogelijk in te korten, 108; (hetberoepings-
werk tijdens het), 129, 130.
Gratis procedeeren. Zie Kosteloos procedeeren.
Grensscheidingen (Kerkelijke), 14, 21, 26, 31, 32.
Grondwet (De) waarborgt de tractementen, enz., 44.
Grootboek (Inschrijvingen in het) der Nationale Schuld, 92, 245, 258,
264, 269, 271, 285.
Gymnasim (Godsdienstonderwijs op), 213.
Gymnasium (Attest van den Rector van een) ter zake van schoolgeld, 316.
H.
Handhaving der leer zoo van de Christelijke Kerk in \'t algemeen als van
de Hervormde in \'t bijzonder, 9; wat daaronder te verstaan, 10, 11.
-ocr page 380-
334                                      Alphabetisch Register.
Handopening. Zie Machtiging.
Handoplegging bij bevestiging van een cand. tot de h. d., 134, 143;
heeft geen plaats bjj bevestiging als hulpprediker, 199.
Heerlijke rechten. Zie Derden (Rechten van) en Collatierech/.
Hemelvaartsdag (Viering van den) in vacaturen, 115.
Herderlijke zorg, door predd. en oudd., 69, 70; in vacaturen, 19, 113;
door hulppredikers, 197.
Herkiesbaarheid van oudd. en diakk., 58.
Herstelling van afgezette predd., enz., 175.
Hertrouwen van een pred., met betrekking tot de Weduwenbeurs, 262.
Hervatting van het beroeping:;werk, 137; van examen, 303.
Hervormde Kerk (Ned.). Zie Kerk.
Hervorming. Zie Kerkhervorming.
Herziening van Synodale uitspraken, 180, 241.
Honoraria en bureaukosten van den Secretaris der Synode (ook pensioen),
den Quaestor-Generaal, de Secretarissen der Prov. Kerkbesturen, den
Secretaris der Waalsche Commissie, van de scriba\'s en quaestoren der
Class. Besturen, 277, 278; van de secretarissen der Prov. Collegiën
van toezicht, 287; van den secretaris en den thesaurier van het Alg.
Collegie, 288 (verg. 289, art. 44).
Hoofdelijke omslag, 283.
Hoofddoel van alle kerkelijke besturen, 9.
Hoofdplaatsen der dassen, 20, 21; (jaarlijksche vergadering in de), 22;
(verandering in de bepaling van de), 21.-
Hoofdplaatsen der prov. ressorten, 30, 31.
Hoofdstukken des Bijbels voor het examen van candd., 300, 301.
Hooyer beroep of appèl (slechts één) toegelaten, 13, 174; (wie recht heeft
tot), 165; (alleen de bezwaarde in zake van tucht kan in) komen, 172,
173; (behandeling der zaak en beslissing in), 13, 14, 173, 174; (wie
niet mogen handelen in zaken van), 167; (provisioneele schorsing duurt
voort ondanks), 178, 179; (van de provisioneele schorsing is geen), 178.
Hooyer Onderwijs in de Godgeleerdheid, van wege de Ned. Herv. Kerk,
waar het gegeven wordt, welke vakken het omvat, aan wie het opge-
dragen wordt, 237, 238.
Hooyer Onderwijs (Vakken, waarin volgens de Wet op het) aan de Uni-
versiteiten onderwijs gegeven wordt door de faculteit der Godgeleerd-
heid, 297. Zie ook Godgeleerdheid.
Hoogeschool. Zie Universiteit.
Hooyleeraren (Welke) bevoegd zijn tot deelneming aan de Weduwenbeurs,
257, 258.
Hooyleeraren in de godgeleerdheid, kunnen, nog cand. zijnde, als pred.
bevestigd worden, 134. (Door de kerk aangestelde), hunne benoeming,
hun onderwijs, de aanvaarding van hun ambt, hunne bemoeiingen,
voorrechten en verhouding tot de Synode, 237—241; hunne zitting in
de Synode, 32—35; testimonia door hen af te geven, 243, 296, 297.
-ocr page 381-
A.LPHA.BETISCH RüOISTKR.                                                335
Huisdoop, 61, 62.
Huis- en krankenbezoek, opgedragen aan predd. en oudd., 69, 70.
Huishoudelijke bepalinyen, der gemeenten, 14, 18; met opzicht tot het
benoemen en beroepen, 233, 234; van de ringen, 19, 122; bij de
kerkelijke administratie, 282. Verg. Plaatselijk Reglement.
Hulp oun den ring (Een pred. gerechtigd de) in te roepen, 123, 124.
Hulppensioenfonds, 251 —255.
Hulppredikers, waar en wanneer aan te stellen, 111, 197, 198; hoe,
198, 199; voor hoe lang, 199, 200; (bevestiging van), 199; (werk-
zaamheden en bevoegdheid van), 200; (toezicht op), 200; (toelage voor)
uit \'s lands kas, 199; (aanstelling, bezoldiging, enz. van) voor prot.
gemeenten in Indië, 309—313; voor inlandsche christenen, 312, 313.
Hulpprediker schap, 197; (verslag van den staat van het), 200.
Huwelijken. Zie Gemengde huwelijken.
Huwelijks-inzegening, 16, 60, 63, 69, 82, 83.
I.
Illegale handelingen van diakonen, 91.
Index van het archief des Kerkeraads, 68, 190.
Indische kerken, 5, 6.
Indische predikanten, (Q-etal, tractementen, pensioenen, enz. der), 309 -313;
(deelneming van) aan de weduwenbeurs, 259, 260.
Informeel ingezonden stukken, bij de Synode of Syn. Comm., 50.
Inkomsten van de Algemeene Kas der Ned. Herv. Kerk, 275, 276.
           „ het fonds voor Geestelijke behoeften, 245.
           v n Hulppensioenfonds, 251.
           » » fonds voor Noodl. kerken en personen, 264.
Inkomsten van predikantsplaatsen (Ligger der), 66; (opgave van) aan
beroepenen, 136, 138; (verandering in de), 136; (al de) bij vacaturen,
117—121; (geen, geheel of gedeeltelijk verlies van) bij schorsing,
174, 175.
Inkomsten van het fonds ter verbetering der schraalstepred.tractementen, 271.
         der Alg. Weduwenbeurs, 256—263.
Inlichtingen, van hoogere besturen aan lagere, 11, 12; van den Ker-
keraad aan diakenen, 66; van diakenen aan het burgerlijk bestuur, 91.
Instantie (Zaken ter eerste). Zie Aanleg.
Instructie,
voor godsdienstonderwijzers, voorlezers en voorzangers, 60;
voor organisten, kosters en andere kerkelijke bedienden, 284; voor
secretarissen en scriba\'s, 30; voor den secretaris der Synode, 35; voor
den quaestor-generaal, 35, 274; voor de godsdienstoefeningen in de
gevangenissen, 213, 221—223.
Inventaris van pastorij- en kosterijgoederen, 290,291; van alle goederen,
fondsen enz. der gemeente, 283. Verg. Ligger.
-ocr page 382-
336                                  Alphabetisch Register.
Inwoning van verwanten bij een pred. tijdens diens overlijden, 108.
Inzage van stukken, 166.
Inzameling, (Bijzondere) voor hulpbehoevende gemeenten, slechts voor-
waardelijk geoorloofd, 267.
Inzending van voorstellen. Zie Adressen.
J.
Jaar van gratie. Zie Gratie.
Jaar (Oud- en Nieuw-) hoe te vieren, 75; in vacaturen, 115.
Jaarlijksche voorlezing van Afd. 3 en 4 van \'t Regl. op de Kerkeraden , 59.
Jaarwedden van kerkelijke beambten, 284. Zie verder Tractemenl.
Jaren.
Zie Leeftijd.
K.
Kandidaten. Zie Candidaten.
Kajntaal-belegging door diakk., 92.
Kas (Algemeene) der Ned. Herv. Kerk, 274, enz.
Kennisgeving, van benoemingen, 8; van ontdekte verkeerdheden in de
administratie der kerkelijke goederen, 16, 66; van veranderingen in
den ligger van het pred.tractement, 66, 67; van beslissingen in zaken
van tucht, 171 ; van te houden persoonlijke kerk visitatie, 189.
Kerk {Nederlandsche Hervormde), 1—3; (bestuurder), 5—7; (jaarlijksch
overzicht van den staat der), 42; (kosten, te dragen door de), 169, 184.
Kerkbestuur. Zie Provinciaal Kerkbestuur.
Kerkbestuur van Limburg, geworden Class. Best. van Maastricht, 21.
Kerkekas (Plaatselijke) kan gelden van de diaconie leenen, 93; betaalt
de jaarlijksche quota, 275—277.
Kerkelijke administratie. Zie Administratie der kerk. goederen.
Kerkelijke bedienden. Zie Bedienden.
Kerkelijke bedieningen en ambten (Ontzetting van), 162, 168, 179; (her-
stelling in de bevoegdheid tot het bekleeden van), 175.
Kerkelijke besturen. Zie Besturen.
Kerkelijke fondsen. Zie Fondsen.
Kerkdijk leven. Zie Godsdienstig en kerkelijk leven.
Kerkelijke reglementen en oerordeningen. Zie Reglementen.
Kerkeraad (In elke gemeente een), 15, 53; (onderscheiding tusschen
algemeenen en bijzonderen), 15; (samenstelling van den), 54, 55; (de)
vertegenwoordigt en bestuurt de gemeente, 15,55; (vergaderingen van
den), zie Kerkeraadsvergg.; (het class. in plaats van), 15, 55. Zie
verder het volg. art.
Kerkeraad (Plichten en werkzaamheden van den),
A. In \'t algemeen, 5, 15—19, 59—69.
-ocr page 383-
337
Alphabetisch Register.
B. In \'t bijzonder omtrent:
1.  de aanneming tot lidmaten, 60, 215—219, 226, 227.
2.  de administratie der kerkelijke goederen, enz., 16, 66.
3.  de kerkelijke archieven, 60, 61, 66, 68.
4.  de avondmaalsviering, 59, 61, 76—79.
5.  de benoeming van oudd. en diakk., enz., 56—59, 230—236.
6.  de candd. tot de h. d., 129, 130.
7.  de Class. Verg., 22, 60.
8.  consulenten, 107, 112—115, 117, 143.
9.  het diaconie-beheer, 16, 54—56, 60, 66, 67, 70, 88, 92—95,
96—100.
10.  de doopbediening, 59—63, 76.
11.  geschillen, 183, 185.
12.  de openbare godsdienstoefening, 59, 61, 69, 73—76, 284.
13.  het godsdienstonderwijs, 60, 178, 208, 213, 214, 215, 284.
14.  het hulpprediker schap , 197—202.
15.  de kerkvisitatie, 189, 190—192.
16.  de quota der gemeente, 176.
17.  den ring, 116.
18.  het prediken van studenten, 242, 243.
19.  zaken van tucht, 167, 168, 176—178.
20.  vacaturen en gevallen met vacaturen gelijk staande, 106,107,111,
123, 130, 131, 136—138, 140, 143.
21.  voorlezers en voorzangers, 60, 65, 212, 284.
Kerkeraadshandelingen (Aanteekening van) enz., 68.
Kerkeraadsvergaderingen, 67. (Voorzitter der), 68, 113; (stemmingen en
besluiten in de), 8,9, 168; (voorlezing in eerste) des jaars, 59. Zie
verder Vergaderingen (Besluurs-).
Kerkgebouwen moeten tegen brandschade verzekerd zijn en goed onder-
houden worden, 190; (regeling van het gebruik der), 284.
Kerkgenootschappen (Verhouding der) tot den Staat, 45—46.
Kerkhervorming, jaarlijks te vieren, 81, 82; (kennis van de geschiedenis
der) bij aanstaande lidmaten, 215.
Kerkvisitatie, waar, wanneer, waartoe en door wie te houden, 187;
(persoonlijke), 188—192; (schriftelijke), 192 — 193; (verslagen van de)
en wat daarmede gebeurt, 192, 193, 195, 196. Zie ook onder Class.
Best.
en Kerkeraad.
Kerkvoogden, (Benoeming, getal, diensttijd, aftreding, ontzetting uit hunne
betrekking, werkkring, enz. van), 280—286.
Kerkvrije buurtschappen, 203.
Kerstdag (Eerste en tweede) in vacaturen , 115.
Keuze (Vrije) bij benoemingen in de Class. Vergg., 25; in hoeverre bij
het beroepen van candd., 129.
Kiescollegie, 231, 233.
Kiezerslijst, 231, 233.
Kerkelijk Wetboek, 2a druk.                                                                   22
-ocr page 384-
338                                 Alphabetisch Register.
Kinderen van arme lidmaten en andere, 89. Verg. Weezen.
Kinderen van overledenpredd., (Minderjarige), 107; (meerderjarige), 108;
(ondersteuning van), 265, 268, 269.
Kinderdoop, 2, 76.
Kinder-, school- en akademiegelden (Bepalingen omtrent), 315—317.
Kist of bergplaats voor \'t archief des Kerkeraads, 113.
Klassiflcatie der gemeenten met opzicht tot de quota, 275, 276.
Kohier van hoofdelijken omslag, 283.
Kommandanten in gevangenissen, 221.
Koning (Toestemming van den) noodig voor het aanvaarden van de pre-
dikdienst en kerkelijke bediening door vreemdelingen, 45,134; (mede-
deeling aan en in sommige gevallen goedkeuring van den) van bepa-
lingen der kerk, 45.
Kortheid in de openbare gebeden en prediking aanbevolen, 73, 74.
Kosteloos examen van adspirant-godsdienstonderwjjzers, 209; godsdienst-
onderwijs aan behoeftige personen, 214; procedeeren, 172, 184.
Kosten, ton laste van de Alg. Kas, 274, 277—279; der afvaardiging ter
Class. Verg., 22, 23; van secundi en tertii bij het examen, 295; van
burgerlijke gedingen, 184; van kerkelijke geschillen, 184; der kerk-
visitatie, 195; in zaken van opz. en tucht, 169, 170; in vacaturen en
daarmede gelijkstaande gevallen, 108, 110, 114, 124, 125, 127,129,
141, 142, 143; van collegiën van beheer, 289.
Kosters, waaruit bij voorkeur te kiezen, 212; (hoe) benoemd worden, 284.
Kosterijgoederen, 38, 39, 190, 191, 282.
Krankbezoekers, 208; (pensioen van) en godsdienstonderwijzers, 215.
Krankheid van een pred. Zie Ziekte.
Krankzinnigheid van een pred. (Voorziening in de dienst bij), 123; (hoe
te handelen door het kerk. best. bij), 124, 125.
Krijgsdienst (Vrijstelling van de), 317, 318.
Krijgslieden (Behartiging der godsdienstige belangen van), 75, 213.
Kwartalen (Uitbetaling van akademiegelden bij), 317.
Kwitantie. Zie Quitantie.
L.
Laatste dag des jaars. Zio Oude- en Nieuwjaarsdag.
Landstractement, gewaarborgd, 44; (inning van het) in vacature, 122,
151, 153; (machtiging ter aanbieding van het) aan een te beroepen
pred., 128; (uitbetaling van het) aan een beroepen pred., 140; (toe-
zegging van het) aan een hulpprediker, 199; (wat van het) wordt
ingehouden, 259, 262.
\'eden der Herv. Kerk. Zie Lidmaten.
^den van kerkelijke besturen, hunne benoeming, diensttijd, aftreding,
6—8; (vereischten om benoemd te worden als), 6; (secundi der) en
hunne optreding, 7; (vereischt getal tegenwoordig zijnde) om een
-ocr page 385-
Alphabetisch Register.
339
besluit te nemen, 8; (het stemmen der), 9; (wanneer) zich onthouden
moeten van medewerking aan do besluiten, 167, 168; (hoofddoel der),
9—10. Zie voorts Kerkeraad, Class. Bestuur, enz.
Leeftijd (Vereischte) voor godsdienstonderwijzers, 209; voor oudd. en voor
diakk., 54, 55; voor predd. in het algemeen en in grootere gemeenten ,
133, 134.
Leen (Gelden ter) van de diaconie, 93.
Leens (Procedure van den ring), over de uitbetaling der vacatuurpen-
ningen, 118, 119, 120.
Leer der Chr. Kerk in \'t algemeen en der Herv. in \'t bijzonder, 9—10.
Leer van geloof en zeden. Zie Geloofs- en zedeleer.
Leerstellige godgeleerdheid,
302.
Leerstellingen (Geschiedenis van de) der Christelijke en bijzonder der
Ned. Herv. Kerk, 302.
Leerboeken voor het godsdienstonderwijs, 214; (bekomen van) in de ge-
vangenissen, 222.
Leerredenen (Wenken met opzicht tot de), 74, 77.
Legaten aan de diaconie, 93; (adressen om machtiging tot aanvaarding
van), 93; aan alg. Synodale fondsen, 244, 251, 258, 264, 271, 275.
Leveringen aan de diaconie, enz. den diakk. verboden, 92.
Lidmaats-attestatie. Zie Attestatie.
Lidmaatschap,
der classe, zie Acte van l.; der Kerk, zie Aanneming;
(ontzetting van het) der Ned. Herv. Kerk, 162, 164, 171, 177, 179;
opheffing van die ontzetting, 175.
Lidmaten (Onderscheiding tusschen) en leden, 2, 280; (vereischten om) te
worden, 215. Militairen in garnizoen tot lidmaten aannemen, 227, 228.
Zie verder Aanneming, Bevestiging. (Verplichtingen der), 165, 216, 219;
(arme) hebben do voorkeur bij bedeeling, 89. Zie ook Manslidmaten.
Liefdefondsen
(Kerkeljjke) onder het oppertoezicht en beheer der Synode,
264. Zie voorts Geestelijke behoeften, Hulppensioenfonds, Noodlijdende
kerken en pp., Weduwenbeurs, Schraalste tractementen.
Liefdegaven,
16, 70, 90.
Ligger, van gemeente-fondsen en eigendommen, 66; van het pred.trac-
tement en afschrift daarvan, 66, 190; (het gebruik dat de Kerkeraad
en het Class. Best. maken van den) van het pred.tractement, bij be-
roeping, 136; van de kosterijgoederen en inkomsten, 190, 191; van
do diaconie-goederen, 92.
Limburg (Noordbrabant met). Zie Kerkbestuur van L.
Liturgie-formulieren.
Zie Formulieren.
Losmaking,
101, 108, 110.
Lot (Beslissing door het), 8.
Lijst, van kiezers, 232, 233; van kosterij-goederen en van pred.tracte-
menten en emolumenten, zie Ligger; van predikbeurten in vacature, 115.
22*
-ocr page 386-
340                                 Alphabetisch Register.
M.
Maastricht (Classis van). Zie Kerkbestuur van Lintburg.
Machtiging voor het uitbrengen eener beroeping aan te vragen , 128 , 129;
van den Kerkeraad door de gemeente tot het benoemen enz., 132.
Mamlidmaten (Stemgerechtigde), wie dat zijn, 4, 230—232; waartoe zij
bevoegd zijn, 57, 232; (bevoegdheden van niet onder censuur staande),
in vacature, 137; in zaken van tucht, 176.
Medestemming (Hecht van) bij beroepingen, 135, 156.
Meerderheid van stemmen (Wanneer volstrekte) noodig is en hoe die
verkregen wordt, 8; in zaken van tucht, 168.
Meerderjarige kinderen van overl. predd. Zie Kinderen.
Meerderjarigheid.
Zie Leeftijd.
Memorie
van gronden tot vernietiging eener kerkelijke beslissing, door
wien, waar en wanneer in te dienen, 180; kan aan partij in handen
gesteld worden, 183.
Middelbare scholen (Godsdienstonderwijs in), 213.
Militaire dienst. Zie Krijgsdienst.
Militairen
in garnizoen tot lidmaten aannemen, 226, 227. Zie verder
Krijgslieden.
Minderjarige
kinderen. Zie Kinderen.
Ministerie.
Zie Departement.
Minute
(Wat als) moet bewaard blijven, 168.
Misbruiken (Wering van), met het bestaan of de uitoefening van het
collatierecht gepaard gaande, 17, 18, 131, 156—160.
Moderamen, der Class. Besturen, 25; der Class. Verg., 25; der Prov.
Kerkbesturen, 30; der ringen, 19; der Synode, 35, 36; der Syn.
Comm., 40.
Moeders behooren bij den doop van hare kinderen tegenwoordig te zijn, 77.
N.
Nabetrrichting. Zie Avondmaal.
Nachtmaal. Zie Avondmaal.
Nederlander (Beroeping van iemand, die geen) is, 134.
Nieuwe gemeente (Oprichting en erkenning van eene), 203, 204; (be-
noeming van kerkeraadsleden in eene), 205; (pred.tractement voor eene),
204, 206; (gelden voor kerk- en pastorijbouw in eene), 205; (bepaling
van den ring, waarin eene) zal opgenomen worden, 205. Zie verder
Grensscheidingen.
Nieuwjaarsdag. Zie Oude- en Nieuwjaarsdag.
Nominatie van candd., 129.
Nominatien (Volstrekte meerderheid bij het opmaken van) geen vereischte, 8.
Nominatie-preeken door predd., 129.
-ocr page 387-
Alphabetisch Register.                                  341
Noodlijdende kerken en personen (Fonds voor), collecte, 264—270; in-
komsten, 264; bestemming, 265; aanvragen om en voorwaarden ter
verkrijging van ondersteuning, 265—269; beheer en administratie,
269, 270.
Noordbrabant met Limburg. Zie Kerkbestuur van Limburg.
Normale toestand der diaconie, 91.
Notabelen, 267, 280—282.
Notulen. Zie Aanteekeningen.
O.
Oefeningen (Bevoegdheid tot het houden van), 208, 209; (toestemming
tot het houden van) in vacaturen, 117.
Oefeningen (Bijbel-) aanbevolen, 73.
Officieren van gezondheid ("Wat aan) is opgedragen met betrekking tot
do godsdienstige belangen der gevangenen en der zeevarenden op
\'slands vloot, 221, 223.
Ommelanden (Collatie-recht in de voormalige), 157, 158.
Omslag. Zie Bijdragen, Hoofdelijke O., Quota.
Onberoepbaarheid (Gevallen van) van een predd., 133; (dispensatie van), 132.
Onderhoud van gebouwen. Zie Gebouwen.
Onderstand van de diaconie, aan wie te verstrekken, 89, 90.
Ondersteuning, uit het fonds: voor Noodl. kk. en pp., 264—270; voorgees-
telijke behoeften, 245—250; voor de schraalste pred.tractementen, 272.
Onderteekening door candd. tot de h. dienst, 303; door godsdienstonder-
wijzers, 211; van uitspraken , 167; van de tabellen der kerkvisitatie, 193.
Onderwijs. Zie Godsdienstonderwijs.
Ongeschiktheid
van een pred. door krankzinnigheid, 124,125; door andere
redenen, 126, 127.
Ontslag van godsdienstonderwijzers, 60, 66, 208; van predd., bij vrij-
willigen afstand, 110; bij beroeping, 108; bij emeritaat, 109, 110;
bij krankzinnigheid, 124, 125; bij ongeschiktheid, 126,127; van voor-
lezers en voorzangers, 60. Zie ook Acte.
Ontvanger
(Kerkelijke). Zie Rentmeester.
Ontvangst
van predd. in vacaturen en gevallen daarmede gelijkstaande,
117, 124.
Ontzegging van het Avondmaal. Zie Avondmaal.
Ontzetting
van kerkelijke ambten en bedieningen. Zie Afzetting en Reha-
bilitatie.
Oost- en West-Indische kerken.
Zie Indische kerken.
Openbaarmaking
van uitspraken, 172.
Openbare catechisatien, 208.
Openbare godsdienst. 7Ae Godsdienstoefeningen.
Opgave
aan het burgerlijk bestuur. Zie Bestuur.
Opgave
van hoofdstukken. Zie Hoofdstukken.
-ocr page 388-
342                                  Alphabetiscii Register.
Opheffing, van combinatiën, zie Combinatie; van censuur, 175; van
gemeenten, 288.
Oplegging der handen, 134, 143; (een hulpprediker wordt bevestigd
zonder), 199.
Optreding van secundi. Zie Secundus.
Opzicht {Kerkelijk), wat het bedoelt, en over wie het gaat, 161; door
wie en hoe het uitgoefend wordt, 161 , 165.
Opzicht en Tucht (Eenheid van en onderscheid tusschen), 161, 162.
Orde in de gemeente (Handhaving van), 16, 60.
Orgaan (Mededeelingen in het kerkelijk), 143, 172.
Organisten (Benoeming, schorsing, ontslag van), 284.
Orgel (Gebruik van het), 73.
Oude- en Nieuwjaarsdag, 75; in vacaturen, 115.
Ouderdom. Zie Leeftijd.
Ouderlingen in de gemeente, hun ambt, 70; vereischten, 55, 56; getal,
56; benoeming, 17, 57, 230—235; diensttijd, 58; aftreding tusschen-
tjjds, 59; herkiezing, 58; werkzaamheden, 16, 68, 70; in vacature,
114; bevoegdheden, 6; (censuur over), 26; (ontzetting van), zie Afzetting.
Ouderlingen, in Hoogere Besturen, 6; in het Class. Best., 25; in het
Prov. Kerkbest., 29; (deelneming der) aan het examen, 302; in de
Synode, 33; in de Syn. Commissie, 40.
Ouderlingen en diakenen: vereischten, 54; getal, 56; verkiezing, 57; in
nieuwe gemeenten, 57; voorstelling aan de gemeente, 57; bezwaren
tegen hunne benoeming, 57, 58; bevestiging, 57; aftreding, 58; tus-
schentijds openvallende plaatsen, 59.
Oud-Ouderlingen, 6, 25.
Ouders bij don doop hunner kinderen, 59, 76.
Overgangen tot en uit de Herv. Kerk, 190, 192.
Overlijden van predd. (Kennisgeving van het), 107; (nagelaten betrek-
kingen bij het), 107, 108; (tot welke gemeente een ontslagen pred.
behoort bij zijn), 109.
Overvaart van wateren (Grootere reiskosten bij) in zaken van tucht, 170.
P.
Paaschdag (Tweede) in vacaturen, 115.
Pastor loei in vacature, 113.
Pastorij (Gebruik der) na overlijden van den pred., 107, 108; (subsidie
voor bouwen of herstellen eener) en verzoekschriften daartoe, 265—267;
(Onderhoud der), 282. Zie ook Brandschade.
Pastorijgoederen,
38, 39, 117, 118; (voorziening in het beheer der), 282.
Pensioen (Rijks-) van predd., hoe te verkrijgen, 109, 110, 149, 150;
van weduwen, zie Wed.pensioen.                                                       t
Pensioenfonds (Hulp-), 250—255.
-ocr page 389-
Alphabetisch Register.                                 343
Plaats van samenkomst der: Class. Besturen, 28; Class. Vergg., 22;
Prov. Kerkb., 30, 31; Syn. Commissie, 42; Synode, 35; ringen, 19.
Plaatsen in de kerk voor krijgslieden, voor wees- en armenkinderen, 75;
voor ouders van doopelingen, 77.
Plaatselijke reglementen. Zie Beglementen.
Platteland (Ilulppredikers in uitgestrekte gemeenten op het), 197.
Port (Vrijdom van), 306—309.
Portefeuille voor inkomende stukken, 68.
Praeadciseerende stem in de Synode, 33.
Praeses van het Class. Bestuur, zijne verkiezing, 25; is ook praeses der
Class. Verg., 23; zijn aanblijven als zoodanig, 25; vervanging, 28;
(recht en plicht van den), 28; wanneer zijne toestemming vereischt
wordt tot bevestiging van een pred., 143.
Praetor van den ring, 19; zijn werk in vacature, 107, 111, 115; in
gevallen, met vacaturen gelijkstaande, 123—127. Zie Vacature.
Predikant (Hoe men) wordt. Zie Examen, Beroeping, Bevestiging.
Predikanten (Ambtsbediening der), 16, 69, 207, 213, 215, 221, 222;
(verhouding der) tot den Kerkeraad, 15, 54, 68, 69, 70; zie verder
Consulent en Vacature; vereenigd tot ringen, 19; leden der Class. Verg.,
22; (zitting van) in het Class. Best., 25; in het Prov. Kerkb., 29; in
de Synode, 33; in de Syn. Comm., 40; (alleen dienstdoende) kunnen
leden zijn van do Class. Verg., het Class. Best., het Prov. Kerkbestuur
en de Syn. Comm., 40; (Censuur over), 178, 179; (bezwaren tegen),
177; (wanneer worden) stemgerechtigd? 231.
Predikantsplaatsen (Vestiging en opheffing van), 26.
Predikants-tractement. Zie Tractementen.
Predikants-weduwe, 107, 109. Zie voorts Weduwenbeurs en Wed.pensioen.
Predikatié\'n. Zie Leerredenen.
Predikbeurten (Regeling der), 59; in vacature, 111, 115; (welke) door
den consulent waar to nemen, 115, 143; in gevallen met vacature
gelijkstaande, 123, 124.
Predikdienst. Zie Evangeliebediening.
Prediken op beroep door candd. tot de h. d., 129.
Prediking, het werk der predd., 15, 69; in hoe verre veroorloofd aan
candd. tot de h. d.; in hoeverre aan studenten, zie Candidaten.
Prediking in vacature, door wie waar te nemen, 111; wanneer, 115;
(boete bij het niet vervullen der), 123, 127; (door wie geene) mag
geschieden, 116, 243.
Predikstoel (Aflezen van verkoopingen en verpachtingen van den) ver-
boden, 75.
Preek. Zie Leerredenen.
Presbyteriaansch-Engelsche genteenten. Zie Engelsche.
Presentie-gelden. Zie Meis- en verblijfkosten.
President van het Prov. Kerkbestuur (Verkiezing van den en den Vice-
president), 30; (werkzaamheid van den) bij \'t examen, 300, 304; van
-ocr page 390-
344                                  AuuiABF.Tiscn Register.
de Synode en Synodale Commissie, 36, 40,42; zijn presentiegeld, 278.
Privaatdoop, 59, 60.
Procedure. Zie Gedingen.
Proceskosten
(Welke) gedragen worden door de Kerk, 169, 170, 184.
Zie voorts Kosten.
Proces-stukken
(Kosten van het copiëeren van), 169.
Professoren. Zie Hoogleeraren.
Proef-
en voorbereidings-predikatiën, 59, 77, 78.
Proselietenmakerij (Waken tegen), 190, 192.
Protestanten uit andere kerkgenootschappen (Lidmaats-attestaticn van), 65;
(examen van), 299, 300; (opgave van) in gevangenissen, 221.
Provinciaal Collegie van toezicht, enz. Zie Collegie van toezicht.
Provinciaal Kerkbestuur
(Leden van het), 29, 30; (benoembaarheid voor
het), 6; (benoeming dor leden van het), 22; (reis- en verblijfkosten
van de leden van het), 277.
Provinciaal Kerkbestuur (Plaats en tijd van vergadering van het), 30, 31.
Provinciaal Kerkbestuur {Werkzaamheden van het):
A.  in het algemeen, 10, 15, 29—32, 36, 37, 43.
B.  in het bijzonder omtrent:
1.  het examen ter toelating tot de Ev.bediening, zie Examen;
2.  gedingen voor den burgerlijken rechter, 184. Zie voorts Gedingen;
3.  geschillen, 31, 185;
4.  Grensregeling, zie Grensscheidingen;
5.  de benoeming van hoogleeraren, 238.
6.  het hulppredikerschap ,199, 200;
7.  nieuwe gemeenten, 204, 205.
8.  ondersteuningen, 247, 248, 265, 266, 267, 269, 273.
9.  ongevraagd ontslag, 124, 126;
10.  opzicht en tucht, 161, 170, 176, 178, 179, 180, 182;
11.  reglementen, 10, 31, 36, 37, 43, 233;
12.  vacaturen, 111, 116, 121, 130, 133, 134, 135, 138, 139;
13.  de kerkvisitatie, 193, 194.
Provinciale Reglementen. Zie Reglementen.
Provinciale ressorten,
10, 20, 29.
Provinciale verordeningen (Plaatselijke regll. in overeenstemming met), 18.
Provisioneele schorsing, 178, 179.
Psalmen (Gebruik der), 69.
Q.
Quaestor van de classis (Benoeming van den), 24; (werkzaamheid van
den) met opzicht tot de alg. weduwenbeurs, 263; met opzicht tot het
fonds voor noodl. kk. en pp., 270; met opzicht tot de kosten van het
bestuur, 276; met opzicht tot het fonds voor geestelijke behoeften, 248;
-ocr page 391-
345
AiiPHABETiscn Register.
met opzicht tot het hulppensioenfonds, 254; (verantwoording van den),
24, 25; (belooning van den), 248, 278.
Quaestor der class. weduwenbeurs (Benoeming en verantwoording van
den), 24.
Quaestor-generaal (Benoeming, continuatie, instructie van den), 35; (werk-
zaamheden van den), in het algemeen, 38; met opzicht tot de alg. kas,
274, 276; tot het fonds voor geestelijke behoeften, 248; tot het hulp-
pensioenfonds , 254, 255; tot het fonds voor noodl. kk. en pp., 269,
270; tot het fonds voor schraalste pred.tractt., 273; tot de alg. wed.-
beurs, 263; (belooning van den), 263, 273, 277; (verantwoording van
den), 38, 248, 249, 276.
Quaestor van den ring, 19, 122, 152, 175.
Quota voor de kosten van bestuur (Hoe de) worden verkregen, 275;
(classificatie der gemeenten ten opzichte van de), 276; (vaststelling
der), 276; tusschentijds, 277; (herziening van de lijst der), 277; (rcge-
ling der) in combinatiën, 276; (waaruit en wanneer de) betaald en
door wien ze opgevraagd en overgemaakt worden, 276; (machtiging
tot het doen van beroeping wordt niet aangevraagd, tenzij de ver-
schenen) voldaan zijn, 128; voor de kosten van beheer der-gemeente-
fondsen, 288.
R.
Raadsman of zaakgelastigde in kerkelijke procedures niet toegelaten, 166.
Rapport. 7A& Verslag.
Regenten (Bestuurders of) van scholen, gestichten en gevangenissen met
betrekking tot het godsdienstonderwijs, 213, 221, 222.
Regeering (\'s Lands). Zie Koning en Departement.
Register
of ligger bij de diaconie. Zie Ligger.
Registers
, door den Kerkeraad te houden, 68; in duplo, 60.
Reglement {Algemeen) der Ned. Herv. Kerk, hoe daar veranderingen in
gemaakt kunnen worden, 43.
Reglementen {Algemeen verbindende), hoe die worden vastgesteld of ver-
anderd, 10, 36, 37.
Reglementen {Bijzondere), voor: gemeenten, 18, 19, 68, 70, 233, 234;
diaconiën, 94; in zaken van beheer, 281, 282, 283, 290; ringen, 10,
19; Classikale ressorten, 20, Provinciale ressorten, 10, 68, 71.
Recht van aanklacht (Wie) heeft, 176.
Recht van appèl (Wie) heeft, 165.
Recht der gemeente: tot het benoemen van oudd. en diakk. en het beroepen
van predd., 17; (regeling van het), 230—236; tot het afvaardigen ter
Class. Verg., 22, 23.
Rechten (Vervallenverklaring van de uitoefening van kerkelijke), 162,175.
Rechten van Collatoren. Zie Collatierecht.
Rechten van Derden.
Zie Derden.
-ocr page 392-
346                                 Alphabetisch Register.
Hechten van lidmaten. Zie Lidmaten.
Hechter (Gedingen voor den burgerlijken). Zie Gedingen.
Rechtsprekende (Hoogste) macht, 36, 37.
Rehabilitatie, 175.
Reis- en verblijfkosten, van candd. tot de h. d., 129; van consulenten.
Zio Consulent; van getuigen en leden van besturen in zaken van tucht,
169, 170; van leden van collegiën van beheer, 289. Zie ook Defroye-
ment
en Kosten.
Rekening (Jaarlijksche) der Algemeene kas, 274, 275; der diaconie, 94;
van het fonds voor geestelijke behoeften, 249; van het hulppensioen-
fonds, 254; van het fonds voor noodl. kk. en pp., 270; van het fonds
voor de schraalste pred.tractementen, 273; van de Alg. wed.beurs, 263;
van de Class. wed.beurs, 23, 24; der kerkelijke admin., 284.
Rentmeester der kerkegoederen, 281.
Restitutie van beroepingskosten, 141.
Réunie (Waalsche), 22.
Revisie. 7az Herziening.
Ringbeurs, 122.
Ringen, hunne samenstelling en bestuur, 19; werkzaamheden, plichten
en rechten, 19, 20; (wat de) te doen hebben in vacatures, enz., 15,
123, 124, 125, 127; (aanspraak der) en handhaving van hun rechtop
de inkomsten der vacante pred.plaatsen, 117—123; (afrekening van den)
met opzicht tot de vacatuurgelden, 122, 123.
Ringsvergaderingen. Zie Ringen.
Roomsche Kerk (Hoe voormalige geestelijken der) tot de evangeliebedie-
ning in de N. H. K. kunnen toegelaten worden, 299; (huwelijken met
leden der), 225 — 227; (overgangen uit en tot de), 192.
Rijkstractement, gewaarborgd, 44; (ook waar geen) is, machtiging te
vragen tot het doen van beroeping, 128; (toekenning van) aan nieuwe
gemeenten, 204; (toekenning van) bij beroeping, 153; (bepalingen
omtrent het) voor predd. en hulppredikers in Necrlandsch Indië, 309—313.
s.
Salaris. Zie Honoraria.
Saldo (Batig) der diaconie-rekening, 95.
Schadeloosstelling. 7Ae Consulent, Defroyement, Kosten, Reis- en verblijf-
kosten.
Schenkingen. 7A& Donatiën.
Schepen
(Godsdienstonderwijs en godsdienstoefeningen op \'slands), 214,
223—225.
Scholen (Godsdienstonderwijs op de verschillende) en toezicht daarop,
213-214.
Schoolgeld. Zie Kinder-, school- en akademiegelden.
-ocr page 393-
Alphabetisch Register.
347
Schoolkinderen, ook onder de catechisanten te rekenen, 191.
Schorsing, van candd. tot de h. d., hulppredikers, oudd. en diakk. en
predd., 28, 178, 179.; (kennisgeving van de — en voorziening in de
dienst ingeval van) eens pred., 123, 127; (bepalingen omtrent het
tractement bij) van een pred., 127, 174, 175; van godsdienstonder-
wijzers, 60, 178, 179; van voorlezers en voorzangers, 60, 66, 284.
Schorsing (Proeisioneele), 178, 179.
Schotsche Gemeenten. Zie dezelfde plaatsen als op Engelsche.
Schraalste predikants-tractementen, 271—273.
Schriftelijke kerkvisitatie. Zie Kerkvisitatie.
Schrifturen (Bezorgen van), 166.
Schuttersdienst (Vrijstelling van), 317.
Scriba\'s en Secretarissen (Aanteekeningen der) in zaken van tucht, 167;
(staat van kosten, ten laste van de kerk, op te maken, kosten ten
laste van bezwaarden te ontvangen door), 170; (zekerheid voor de
kosten te stellen in handen van) in zaken van hooger beroep, 172.
Scriba van het Class. Bestuur (Benoeming van den), 25; (vervanging van
den), 7, 28, 29; (werkzaamheden van den) in zaken van vacature,
135, 136, 137, 140, 143; in zaken van opzicht en tucht, 174; (hono-
rarium en bureaukosten van den), 277.
Scriba van den ring, 19.
Secretaris van het Prov. Kerkbestuur (Benoeming en vervanging van den),
30; (werkzaamheden van den), in zaken van beroeping, 139; in zaken
van hooger beroep, 174; in zake van examen, 294, 300—305; (hono-
rarium en bureaukosten van den), 277.
Secretaris van de Synode en de Alg. Syn. Commissie (Benoeming en in-
structie van den), 35; (adviserende stem van den), 34, 40; (berichten,
aanschrijvingen en stukken door den) te zenden, 33, 182, 238, 239,
300, 303. Overigens zijn zijne werkzaamheden in zijne instructie om-
schreven.
Secundus (Aan wie een) wordt toegevoegd, welke zjjne vereischten zijn,
wanneer en hoe hij optreedt, 7; (benoeming van een), 8, 25, 29, 31,
40, 238; (niemand mag tegelijk) zijn van meer dan één bestuurslid, 6;
(optreden van een) in zaken van opzicht en tucht, 168; in geschillen,
184; bij het examen, 295.
Secundus van een Praeses of van een Assessor van het Class. Best., van
een Secretaris of van een Scriba, 7, 28, 29.
Secundus bij het Prov. Kerkbestuur (Vereischten van een), 7; kan afge-
vaardigd worden ter Synode, 6; wordt in sommige provinciën, pred.
zijnde, altijd opgeroepen tot het examineeren, 295.
Secundus van den Quaestor-generaal, 35.
Secundus van den Secretaris der Synode, 35.
Secundus van een lid der Synode, 33.
Secundus voor de Commissie van voordracht, 238.
Separatisten. Zie Afgescheidenen.
-ocr page 394-
348                                  Alphabetisch Register.
Simonie (Verklaring omtrent), af te leggen door collatoren, 158; door
candd. bij hunne toelating, 303.
Spoed, in beroepingszaken, 130, 140; in het benoemen van gecommit-
teerden tot de vacatuurpenningen, 152, 153; in de opgave van benoe-
mingen, 8.
Spoedvorderende zaken (Behandeling van) door de Syn. Comm., 41; door
de collegiën van beheer, 287, 288.
Staat (Verhouding van den) tot de kerk, 44—48.
Stuken van stemmen (Hoe te handelen bij het), bij benoemingen, 8; in
zaken van tucht, 168; in geschillen, 183 , 184; in zaken van beheer, 290.
Standplaats (Verwisseling van) kan niet altijd zonder dispensatie, 133;
of zonder vergoeding van kosten, 141; verplicht tot eene bijdrage voor
de weduwenbeurs, 262.
Standplaats (Hulpprediker op eeno nieuw gevestigde), 197.
Stem (Adviseerende) in den Kerkeraad, 94, 113, 200; in het Prov. Kerk-
bestuur, 30, 302; in de Synodale Commissie, 40; (adviseerende of
praeadviseerende) in de Synode, 33, 42.
Stemgerechtigden, 3, 280, 281.
Stemming (Wijze van) bij benoemingen, 8; over zaken, 9; bij examen
van godsdienstonderwijzers, 210; bij het aannemen van lidmaten, 215;
bij het examen voor de evangeliebediening, 301, 302; door de leden
der Prov. Kerkbesturen over wets-veranderingen, 36; over verande-
ringen in het Alg. Eegl., 43; in zaken van tucht, 108; in geschillen,
183, 184; in zaken van beheer, 290.
Sterf\'kwartaal, met jaar van gratie, 107.
Studenten (Prediken van). Zie Candidaten in de godgeleerdheid.
Studenten in de godgeleerdheid
(Vrijstelling van) van militaire en schut-
tersdiensten, 317, 318.
Subsidiën van burgerlijke besturen aan diaconiën verboden, 90.
Subsidiën uit kerkelijke fondsen. Zie de woorden onder Liefdefondsen.
Suspensie. TAe Schorsing.
Synodale Commissie (Algemeene)
, hare samenstelling, benoeming, werk-
zaamheden, enz., 40—42; werkzaamheid omtrent diaconiën, 91; be-
voegdheid en werk in zaken van tucht en geschillen, 170—172,
180 — 182, 184, 186; verder omtrent de financiëele aangelegenheden
der Kerk, omschreven in het Regl. op de kosten voor het bestuur, enz.
en in de verschillende regll. op de Synodale en kerkelijke fondsen;
hare verantwoordelijkheid, 42.
Synode (Algemeene) der Ned. Herv. Kerk, hare samenstelling, 32—35;
vergaderingen, 35.
Synode (Adressen aan en correspondentie met de). Zie Adressen en Cor-
respondentie.
Synode
(De besturende, wetgevende en rechtsprekende macht der) in het
algemeen, 10, 21, 33, 35, 36, 42, 43.
Synode (Werkzaamheden der), in het bijzonder, omtrent:
-ocr page 395-
349
Alphabetisch Register.
1°. candd. tot de h. dienst, 303;
2°. de Class. Vergaderingen, 23, 24 , 36;
3°. grensregelingen, 21, 32;
4°. het hooger onderwijs in de godgeleerdheid en de hoogleeraren,
236—241;
5°. de algemeene kas, 274—279;
6°. het hulppensioenfonds, 251, 253—255;
7°. hulppredikers, 200;
8°. de Kerkeraden, 71;
9°. de kerkelijke liefdefondsen, 242—244, 264—270, 271;
10°. de kerkvisitatie, 193, 194;
11°. het ongevraagd ontslag van predd., 126, 127;
12°. de Prov. Kerkbesturen, 29, 30, 36, 37;
13°. reglementsveranderingen, 10, 36, 43;
14°. de Synodale Commissie, 42;
15°. zaken van tucht en geschillen, 12—14, 161, 175, 177, 179,183,
184, 186;
16°. vacaturen, 126, 127, 133, 139;
17°. de Alg. Weduwenbeurs, 258, 259, 263.
T.
Taal, waarin geëxamineerd wordt, 301.
Teekeningen van voorgenomen kerk- of pastoriebouw, en van de oude
gebouwen bij do verzoekschriften om subsidie te voogen, 265, 266.
Tegenpartij (wat der) in tuchtzaken en in geschillen kan in handen gesteld
worden, 166, 183.
Tegenstrevers van kerkelijke verordeningen kunnen geen ouderling of diaken
zijn, 54.
Tentamina voor het examen van candd. hebben geen plaats, 301.
Termijn van drie weken voor een beroepene, 136.
Termijn te stellen aan collatoren, enz., 131.
Tertii bij do Prov. Kerkbesturen, 29; wanneer op te roepen, 168, 295.
Theologiae Doctores. Zie Doctores th.
Thesaurier
bij het Alg. Coll. van toez., 288.
Toelating van godsdienstonderwijzers. Zie Godsdienstonderwijzers en Acte
van toelating.
Toelating tot de evangeliedienst.
Zie Candidaten tot de h. dienst.
Toelating tot het Lidmaatschap. Zie Lidmaatschap.
Toezicht
(Collegie van). Zie Collegie van Toezicht.
Toezicht,
op do Diakenen, 94; op de gemeenteleden, 60, 70; op het
godsdienstonderwijs, 214, 215; op de alg. kerkelijke fondsen, 38, 39;
op de overgangen, 192; op het beheer der kerkelijke goederen, 286, 287.
Tractementen van godsdienstonderwijzers in scholen en gestichten, 214.
-ocr page 396-
350                                 Alphabetisch Register.
Tractementen van predd. Zie Rijkstractement, Ligger, Verrekening.
Trouwen
(Betaling aan de weduwenbeurs bij), hertrouwen of gehuwd in
dienst treden, 262.
Tucht (Doel, beginsel en voorwerpen der kerkelijke), 161, 162; (uitoe-
fening der kerkelijke door Kerkeraden, Classikaal Best., Prov. Kerk-
bestuur, de Synode, zie op deze woorden.
Tuchtmiddelen, 162—165.
Tusschentijds (Vervulling van) openvallende plaatsen in den Kerkeraad,
58, 59; in de collegiën van beheer, 289.
Tusschentijds optreden van bestuursleden of hunne secundi, 7. Zie verder
Secundus.
Twijfelachtige gevallen
met opzicht tot het recht van benoeming eens
predikants, 131.
Tijd van inzending der verzoekschriften om ondersteuning uit het fonds
voor geestelijke behoeften, 248; voor noodl. kk. en pp., 266; ter ver-
betering der schraalste pred.tractementen, 272.
Tijd van zitting van benoemden in kerkelijke besturen en commissiën.
Zie Diensttijd.
u.
Uitbetaling. 7A& Kinder-, school- en academiegelden, Kwartalen, Gecom-
mitteerde, Vacaturen.
Uitkeeringen,
uit het fonds voor geestelijke behoeften, 248, 249; uit het
hulppensioenfonds, 253; uit het fonds voor schraalste pred.tractementen,
271, 272; uit de weduwenbeurs, 259, en bij verzuim van opvrage, 263.
Zie verder Noodl. Kerken.
Uitkeering
van vacatuurgelden. Zie Verrekening,
Uitloting
van leden der Synode, 13, 14.
Uitstel van agrealie, 131. Zie verder Vertraging.
Uitspraak.
Zie Beslissingen.
Unicus Collator.
Zie Collatierecht.
V.
Vacant (Meer dan een derde der pred.plaatsen in den ring), 116.
Vacature (Ontstaan eener) en wat er dan geschiedt, 105—110; (voor-
ziening in de dienst gedurende de), 111—116; (werkzaamheden van
Consulent en Ring in eene), zie deze woorden; (predikbeurten in de),
115—116; hulpprediker in vacature, 111, 117, 131; (gevallen gelijk-
staande met), 123—127; (vervulling der), 128 — 144; zie Machtiging,
Beroepbaarheid, Beroeping, Beroepbrief, Beroepene, Bevestiging;
(ken-
nisgeving van de vervulling der), 143, 154.
Vacatuurpenningen (Welke) de consulent en de ring genieten, 117—121;
geschillen over de), 121,122. Zie verder Gecommitteerde en Verrekening.
-ocr page 397-
Alphabetisch Eegister.                                     351
Vaste bediening (Bevoegdheden van predd. buiten), 197, 208.
Vaststelling van de kiezerslijst, 232—233; van het kohier van den hoof-
delijken omslag, 283, 284.
Veranderingen, in de grensscheidingen der classen en in de bepaling der
hoofdplaatsen, 21; in die der gemeenten, 26, 27, 31,32; in het getal,
den tijd en de plaats der godsdienstoefeningen, 69; in de reglementen,
10, 36, 37; in het alg. regl., 43; in het regl. op het beheer der ker-
kelijke goederen en fondsen, 288, 289; in de ringverdeeling, 19.
Verantwoordelijkheid, van bedienden in zaken van opzicht en tucht, 166;
van diakenen, 91; van kerkvoogden, 281, 282; van den quaestor-
generaal, zie Quaestor-generaal; van de Synodale Commissie, zie Sgno-
dale Commissie.
Verbeterhuizen. Zie Gevangenissen.
Verblijfkosten. Zie Kosten en Reis- en verblijfkosten.
Verdeeling, van ringen en consulentschappen, 19; van vacatuurgelden,
122, 123.
Vergadering. TAe op de namen der collegiën.
Vergaderingen der Synode (Goedkeuring des Konings omtrent de plaats
van de), 45, 46.
Vergoeding van kosten aan een verroepen pred. Zie Beroepingskosten.
Verhoor van een bezwaarde, 166.
Verkeerdheden (Onderzoek naar bestaande), 165; (nieuwe) bij een onder-
zoek ontdekt, worden mede in behandeling genomen, 177; (kennis-
geving door den Kerkeraad aan het Class. Bestuur van ontdekte) in
de kerkelijke administratie, 16, 66.
Verkiesbaarheid van godsdienstonderwijzers, 211.
Verkiezing. Zie Benoeming.
Verkiezing van kerkeraadsleden in nieuwe gemeenten. TAs Gemeenten
(Nieuwe).
Verklaring {Schriftelijke) der kerkelijke administratie eener vacante ge-
meente, 128; van collatoren in de voorm. Ommelanden, 158.
Verklaring en belofte, van candd. tot de h. d., 303; volharding daarin,
138; van godsdienstonderwijzers, 211; van hoogleeraren, 239.
Verkoopingen en verpachtingen (Aflezing van) van den predikstoel ver-
boden, 75.
Verlaten (Ontijdig) van de gemeente door een pred., 123, 124.
Vernietiging van beslissingen (Aanvrage tot), 13, 180—183, 186; (me-
morie, te voegen bij de aanvrage tot), 180; (wat de Syn. Comm. te
doen heeft bij aanvrage tot), 181, 182.
Verordeningen (Kennisgeving van kerkelijke) aan de Regeering, 45; (dis-
pensatie van), 10 ; (plaatselijke) in overeenstemming met algemeene of
provinciale, 18.
Verrekening van vacatuurgelden, 117—123; van pred.tractementbij schor-
sing, 174, 175.
Verschillen. Zie Geschillen.
-ocr page 398-
352                                 Alphabetisch Register.
Ver sla ff, van afgevaardigden ter Class. Verg. aan den Kerkeraad, 23;
van het Class. Best. aan de Class. Vergadering, 26; van het Class.
Best. aan het Prov. Kerkbestuur en van het Prov. Kerkb. aan de
Synode aangaande het hulppredikerschap, 200; van Kerkeraad of con-
sulent aangaande de bevestiging van een pred., 143; van den quaestor-
generaal en de Syn. Comm. aangaande financiëele zaken, 249, 254,
263, 270, 273, 275; van de Synodale Commissie aan de Synode, 42
en de laatst voorgaande cijfers: van de ringen aangaande hunne werk-
zaamheden, 20.
Versloffen van bedienden in zaken van tucht, 166.
Vertegenwoordiging, der gemeente door den Kerkeraad, 15; van den
Kerkeraad ter Class. Verg., 22.
Vertraging in het beroepingswerk, bij den Kerkeraad of bij derden,
130—132; bij het Class. Bestuur, 140.
Vertrekkende lidmaten (Attestatie voor) en die reeds lang uit de gemeente
verwijderd zijn, 60 , 64.
Vervallenverklaring van het lidmaatschap. Zie Lidmaatschap.
Vervulling eener vacature. Zie Vacature.
Vervulling van de predikdienst in vacaturen. Zie Vacature.
Verwantschap (Onbevoegdheid door). Zie Bloedverwantschap.
Verwisseling van standplaats (Betaling aan de weduwenbeurs bij), 262.
Verzekering (Huizen van). Zie Gevangenissen.
Verzekering. Zie Brandschade.
Verzoek. Zie Aanvrage.
Verzuim van predikdienst in vacaturen, enz., 122, 127.
Vice-praetor, 19.
Vice-president van het Prov. Kerkbestuur, 30; der Synode en Syn. Com-
missie, 36, 41.
Viering. Zie Avondmaal, Feestdagen, Zondag, enz.
Viertal (Door het Class. Best. op te maken) van predd. voor de vervulling
eener vacature, 132.
Visie (Ter) worden gelegd: de diaconie-rekening, 94; het kohier van den
hoofdelijken omslag en de kerkerekening, 284.
Visum van het Prov. Kerkb. bij de beroeping van een cand., 139.
Volstrekte meerderheid van stemmen bij benoemingen, 8.
Voorbereidingspredikatie. Zie Avondmaal.
Voordracht van hulppredikers, 198.
Vooolezers en voorzangers (Aanstelling, schorsing en ontslag van), 60,66;
(wie bij voorkeur tot) behooren benoemd te worden, 212; (bevoegdheid
van) om kerkeraadsleden te zijn, 66.
Voorlezing uit de h, schrift bij de godsdienstoefeningen, 73.
Voorlichtingen. Zie Inlichtingen.
Voorschriften van hoogere kerkelijke besturen, door de lagere op te
volgen, 12.
Voorschot van gelden, in zaken van tucht, 170.
-ocr page 399-
Alphabetisch Register.                                  353
Voorstellen van kerkelijke besturen, 11; van ringen, 20; van leden der
Classikale Vergaderingen en van deze vergaderingen zelve, 24.
Voorstelling van benoemde oudd. en diakk. en van beroepen predd. Zie
Afkondiging.
Voorzangers. Zie Voorlezers.
Voorziening in de dienst bij vacaturen en daarmede gelijkstaande gevallen.
Zie Vacature.
Vragen, bij de bevestiging van lidmaten, zie Bevestiging; vóór het Avond-
maal , zie Avondmaal.
Vreemdelingen. Zie Buitenlandsche.
Vreemde taal bij \'t examineeren. Zie Taal.
Vrijdag {Goede). Zie Goede-Vrijdag-viering.
Vrijdom van port. 7Ae Port.
Vrije beroeping (Recht van) mag niet veranderd of overgedragen worden , 17.
Vrijstelling van hosten in zaken van tucht, 172.
Vrijstelling van militaire en schuttersdiensten, 317, 318.
w.
Waalsche Commissie (Samenstelling der), 29; (vergaderplaats der), 31;
(werkzaamheden der), zie Provinciaal Kerkbestuur; (leden der) ter
Synode, 33; (examen voor de), 295, 296, 301, 303.
Waalsche Gemeenten behooren tot de Ned. Herv. Kerk, 1; maken een
afzonderlijk kerkressort uit, 21.
Waalsche predikanten zijn leden der ringvergaderingen, 19.
Waalsche reunie (Belangen aan de) toevertrouwd, 22; (tijd en plaats van
vergadering der), 22; vervangt de Class. Vergadering, 22. Zie verder
Class. Vergadering.
Waarneming van de dienst
in vacaturen enz. Zie Vacature.
Weduwenbeurs (Algemeene),
hare bestemming, 256; wie daaruit trekken,
256, 257; wie verplicht en wie bevoegd zijn tot deelneming, 257, 258;
hare inkomsten, 258—263; wijze van inning der contributie, 262,263;
haar beheer, 263.
Weduwen- en weezenbeurs (Friesche Predikants-), 319.
Weduwenbeurzen (Classikale), 23, 24, 26; ontslag uit de classis en beves-
tiging in eene andere classis heeft plaats zonder overlegging van bewijs
van betaaldo gelden pro exitu en pro introitu, 108, 109, 142, 143.
Weduwenbeurzen (Provinciale), 31.
Weduwen-pensioen (Aanvrage van) van rijkswege, 319.
Wees- en armenkinderen (Zitplaatsen in de kerken voor), 75.
Weezen (Zorg der diaconiën voor), 89; (godsdienstonderwijs aan) in
gestichten, 213; (onderzoek naar de wijze van verpleging der), 190.
Weigering van kerkeraadsleden om langer aan te blijven, (Wat te doen
bij), 58.
Kerkelijk Wetboek, 2e druk.                                                                              23
-ocr page 400-
354                                  A.LPHABKTI8CH IIeGISTEK. NAAMLIJST.
Weigering of uitstel van agreatie (Wat te doen bij), 131.
Wet, regelende het toezicht op de kerkgenootschappen, 45—47.
West-Indische kerken. Zie Indische.
Woonplaats van aannemelingen, 217, 218; van ouders die een kind
willen laten doopen, 60, 62, 63; van candd. tot de h. dienst, 303.
Wijzigingen. 7Ae Reglementen en Veranderingen.
Z.
Zaakgelastigde. Zie Raadsman.
Zamenslelling der kerkelijke besturen. Zie op de namen der verschillende
besturen.
Zangoefeningen (Bevorderen van godsdienstige), 73.
Zeevarenden (Godsdienstige belangen der), 214, 223—225.
Zieke predikanten (Waarneming van de dienst voor), 124.
Zingen bij de openbare godsdienstoefeningen, 73.
Zitplaatsen in de kerk (Behoorlijke) voor armen en weezen, voor mili-
tairen en voor doopouders, 75, 77.
Zomercatechisatiën, 195, 213.
Zondag (Predikbeurten op den), 59, 61; in vacaturen, 115; (doopsbe-
diening in den regel op), 59, 76; afkondigingen en bevestiging van
oudd. en diakk., alsmede afkondigingen van beroepen predd. op), 57,
137; afkondigingen en bekendmakingen in zaken van beheer op), 290.
Zondagscholen, 207.
Zonen van Predd. Zie Kinder-, school- en akademiegelden.
MAAMLUS ï.
M. W. L. VAN ALPHEN, 159, 304.
Dr. j. (i. u. aoi^uoi, 240.
Dr. F. W. B. VAN BELL, 22.
Jhr. Mr. m. j. sohurbeque boeije, 14, 162.
Mr. w. b. s. hoei.es, 159.
g. bkuna, 4, 68, 93, 125, 173, 175, 191, 192, 212, 270, 273, 279.
m. ii. deeleman , 182.
Dr. .1. 1. DOEDËS , 41.
J. H. DE DOMl\'lEKRE DE CHAUFBPIÉ, 30.
<3. W. VAN EERDE, 55.
-ocr page 401-
Alpiiabktisch Register. Naamlijst.                            355
Mr. h. frima, 160.
S. F. VAX HASSELT, 250, 291.
J. HERINGA, 129.
Mr. j. p. hofstede, 159.
T. W. HOFSTEDE, 176.
c. iioouEK, 87, 125, UI, 186, 194, 218,220,226,240,217,256,264.
P. A. C. HUGENHOLTZ , II.
Mr. E. A. JOUDEXS, 119.
i*. KEG CA., 293.
Ia. ritenen, 37.
c. e. van koetsveld, 173.
KONING , 34.
C. K. MEUK IS, 39.
tOLKNKA.MP, 230, 294.
OTT, 188.
A. PEUK, 216.
j. .i. prins , 1 , 5, 6, 18.
| L. PROES , 64.
\'. C. G. VON REEKEN, 245.
J. P. II. REI.7ERS, 131 , 191.
1\'. ROODIIUIJSEN, 3, 63, 219.
Douairière steun—schkllinger, 319.
J. A. STOOP, 62.
Dl\\ S. K. THODEN VAN YELSEN , 194.
O. VAN DER TUUK, 118, 144.
1\'. VAN BORSSUM WAALKES, 182.
.1. T. WETTER, 103.
Dr. j. e. zaalberg, pzn. , 127, 167.
Dr.
Dr.
R. I
Mr.
o.
j. 1
Mi-
Dr
Dr
D.\'