-ocr page 1-
_____2.
TWEE TOESPRAKEN
érehouden in de GROOTE KERK
TE
\'S-GRAYENHAGE
BIJ GELEGENHEID VAN
den 18den Verjaardag van H. M. de Koningin
(31 Augustus)
EN VAN DE
„Kerkelijke Plechtigheid\'\'
(9 September)
DOOR
Dr. G. J. VAN DER FLIER
ttofprediker van II. Al. de Koningin.
TWEEDE DRUK.
\'s-Gravenhaoe
W. A. BESCHOOR
1898.
428
-ocr page 2-
mm \\öy\\l)
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
s:
V&3
TWEE TOESPRAKEN
gehouden in de GROOTE KERK
TE
\'s-GRAYEKHAGE
BIJ GELEGENHEID VAN
den 18den Verjaardag van K. M. de Koningin
(31 A.-u.g\'u.stu.s)
EN VAN DE
„Kerkelijke Plechtigheid\'"
(9 September)
DOOR
Dr. G. J. VAN DER FLIER
Hofprediker van H. M. de Koningin.
TWEEDE DRUK.
Bil • * *
\'s-Gravenhage                        3?ï?-RCr^**;
W. A. BESCHOOR
1898.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
FEESTREDE
OP
31 Augustus 1898
-ocr page 8-
-ocr page 9-
VOORZANG.
Gezang 259 : l.
Hoe straalt uw goedheid telkens weer,
Hoe blinkt uw majesteit, o Heer!
Gestadig ons in d\'oogen!
Wat roept op nieuw deez\' morgen luid
Uw duizend wonderdaden uit
En sehittrend alvermogen!
En wij , uw woning ingegaan,
Waar \'t loflied op gaat rijzen,
Wij voelen \'t hart van vreugde slaan,
Dat smacht om U te prijzen.
GEBED.
Psalm 103 : 1.
Loof, loof den Heer, mijn ziel! met alle krachten;
Verhef zijn Naam, zoo groot, zoo heilig t\'achten.
Och! of nu al, wat in mij is, Hem preez\'!
Loof, loof mijn ziel! den hoorder der gebeden;
Vergeet nooit een van zijn weldadigheden;
Vergeet ze niet; \'t Is God, die z\' u bewees!
-ocr page 10-
6
Daar is hij dan weer voor ons aangelicht die 31ste Augustus,
die sints jaren reeds tot een nationalen feestdag gestempeld
is. Daar is hij dan weer, de onvergetelijke dag, die ditmaal
verhoogde beteekenis krijgt, nu onze geëerbiedigde
Koningin gereed staat de teugels der regeering in handen
te nemen. Wat hebben wij deze ure lang te voren met
toenemend ongeduld verbeid. Hoe was ze sints weken en
maanden het onderwerp van veler gesprekken en het
voorwerp van veler bemoeienis. Hoe voelden wij het
onwillekeurig: een feestdag als nimmer te voren staat
ons te wachten, waarop oud en jong zich vereenigt in
één hooggestemd lied. Wat anders ons moge scheiden,
wat op meer dan één gebied harten van elkander ver-
wijdert, hier stemmen alle zonen en dochteren van eenzelfde
vaderland saam, hier wordt wat verschilt en verdeelt ter
zijde gezet en over elke diepte en eiken scheidsmuur heen rei-
ken we elkander de hand met een: «van heeler harte geluk!»
Die gelukwensen zij allereerst U toegebracht, geëer-
biedigde Koningin. Spare God uw leven tot in lengte van
dagen en make Hij U den levensweg elfen. Zijn liefde
omringe U gelijk zij het dusverre deed; zijn Geest
bekwame U tot de taak, U betrouwd; zijn rechterhand
leide U overal waar Gij gaat; zijn genade bovenal zij
overvloedig uw deel, zij uw kracht, zij uw kroon! Dat
geldt ook U, geëerde Koninklijke Moeder, die dezen dag
in aller vreugde deelt. God doe U de rijpe vruchten
aanschouwen van het goede zaad, door U in het hart
uwer Koninklijke dochter gestrooid. Die wensch, die bede
van een dankend volk gaat ook voor U op tot God.
Hartverheffende gedachte! Op dezen zelfden oogenblik
-ocr page 11-
7
roepen van stad tot stad, van dorp tot het meest ver-
wijderde vlek, de kerkklokken de menigte saam en rijst
uit duizenden harten het: dankt, dankt nu allen God!
omhoog.
En ook wij zijn tot dat doel hier bijeen. O, wij danken
U, Vorstin! dat Gij zelve begeerd hebt met de gemeente
aan deze plaats saam te komen, om met ons Gods Naam
te loven en Gods zegen in te roepen over U en uw volk.
Wat zouden wij ook beter kunnen doen. gemeente! waar
immers elk ernstig gemoed de waarheid voelt van wat
de vrome dichter zong: van U zijn alle dingen, van U,
o God! alleen. En waar Hij ons dan dezen dag heeft
bereid, zou Hem niet ons eerste en hoogste woord gelden,
die zooveel stof tot blijdschap ons gaf? Neen, dat is geen
bloote plichtsbetrachting, dat is veelmeer spontane uiting
van diepe behoefte des harten. En Hij, die deze behoefte
verstaat, omdat Hij zelf ze in ons hart heeft gelegd, zal
gewis ook aan ons gebed een luisterend oor willen leenen
en het offer van dank niet terugwijzen, dat de gemeente
van Christus in ootmoed Hem biedt. Zoo zal het nieuwe
levensjaar voor onze Vorstin, het nieuwe tijdperk in\'s volks
historie niet onvruchtbaar, niet ongezegend zijn; want
wat zonder Hein wordt begonnen, kan nooit duurzaam
bestaan, maar wat in zijn kracht geschiedt, wordt zeker
voleind. Dat zegt ons de geschiedenis van vorsten en
volken, dat getuigt onze persoonlijke levenservaring, dat
is het onwrikbaar geloof van wie God kennen en dienen.
En daarom: Sursum corda, oog en hart omhoog! Wat
de eerste Christenen elkander op hun hoogtijden plegen
toe te roepen, dat worde door ons allen in dit uur gevoeld
-ocr page 12-
8
en betracht. Wijke alle wereldsch feestgedruisch thans
veri\'e van ons; laat elke ongewijde toon hier zijn buiten-
gesloten ; stellen wij ons als in de tegenwoordigheid Gods
en zij voor niets anders plaats en stemming dan voor het:
loof den Heer, mijne ziel! — Voor niets anders ? Dat
woord herroep ik aanstonds. Tot danken gewis, maar ook
tot denken dringt ons een morgen als deze. Denken over
het hooge gewicht van dezen dag, die als van zelf ons
de vraag op de lippen legt: wat zal het ook nu zijn? O, ik
voel het diep, hoe wij nog aan iets anders behoefte hebben,
dan aan een gelukwensch of een feestlied, aan een dank-
gebed zelfs. Zal ik het wagen die behoefte te vertolken,
ik doe het niet dan door tegelijk U te wijzen op wat haar
alleen bevredigen kan. Daartoe geeft mij uw aandacht,
en Gij, Heer der gemeente, zend uw licht en waarheid
neder, dat die ons geleiden en laat uw woord ons allen
een licht op ons pad, een staf op den levensweg zijn.
Zoo zij het!
Psalm 39: 8.
En nu, wat verwacht ik o Heer? Mijne hope, die is op U.
En nu, wat verwacht ik o Heer? Mijne hope is op U.
Dat is een echt koninklijk woord, in dubbelen zin.
Koninklijk omdat het gesproken is door een der machtigste
vorsten van Israël; Koninklijk ook omdat het een hoog
standpunt verraadt, een verheven stemming ademt. David
ziet zich op een keerpunt geplaatst; dit zegt ons het
«en nu.» Hij staat een wijle stil en ziet achter zich om.
Daar gaat veel voorbij aan zijn geest. Wat is er al gebeurd
-ocr page 13-
9
sints hij tot Koning gezalfd werd en toch nog zoover van
de kroon was verwijderd. Menig verrassend blijk van Gods
zegenende liefde heeft hij ervaren maar ook menige storm
is over dat jeugdige hoofd heengegaan; bonte afwisseling
van lief en leed. En de toekomst.\' Want ook naar deze
staart zijn oog. Zij is onzeker en donker. Ernstig is zijn
toestand; de verhouding tot Saul is meer vijandig dan
ooit en wat zal de uitkomst nog zijn ? Zijn nadenken zegt
het hem niet, zijn vrienden weten het niet. En hijzelf...
Ziet, daar richt hij het hoofd naar omhoog; hij spreekt en
zijn woord wordt een lied, zijn lied een gebed, zijn gebed
de uiting van een onwrikbaar vertrouwen: en nu, Heer!
wat mij wacht en hoedanig mijn toekomst zal zijn, om \'t
even wat mij het leven zal brengen; mijne hope is op U.
Ik misken niet het groote verschil tusschen den tijd en
den toestand waarin zich David bevond en den onzen maar
toch meen ik, dat er meer dan één punt van overeen-
komst bestaat. Ook bij ons is voor Koningin en volk heden
een keerpunt gekomen; ook bij ons voor beiden een onzeker
verschiet; moge het ook bij ons zijn, een zelfde hope op
God. Daar is grond voor die hope, dat herinnert ons het
verleden; daar is behoefte aan die hope, daarop wijst ons
de toekomst; daar is vervulling dier hope, dat belooft
ons God zelf.
Een blik terug, een blik vooruit, een blik omhoog.
Zietdaar dan de lijnen langs welke ik in dit uur uwe
gedachten wil leiden.
Een blik terug. Van Eliëzer, den knecht van Abraham,
staat geschreven: die man zette zich neer, om heel den
weg te overdenken waar langs de Heer hem tot hiertoe
-ocr page 14-
10
geleid had. En o. \'t is goed, nu en dan de geschiedenis van
ons Jeven te herdenken, want «dan ontmoeten wij den God
van ons leven en die ontmoeting brengt ons altijd zegen aan.»
"Wanneer zouden wij het eer doen dan op een gedenkdag
als dezen, waarop zooveel ons Gods goedheid herinnert.
Zegenende liefde was het, die van onze jeugd aan ons
omgaf. Waar zoo menigeen weggerukt werd. staan wij
nog ongebroken daar, waar zoo menig ander aan het krank-
bed gebonden is, heeft God ons den levensweg dusver
voorspoedig gemaakt. Wat al weldaden die wij genoten,
vaak ongevraagd en altijd onverdiend, wat al uitkomsten
na beproeving, wat al overwinning in strijd.
De jaren snellen voorbij en terugziende vragen we: waar
zijn ze gebleven? Als een uurwerk loopt de levenstijd af met
rusteloozen slag maar overal, zoover ons oog reikt, zien wij
de voetsporen van Hem, die niet zijn liefde ons volgde en
met zijn zegen ons kroonde. Wie zegt ons, hoe menig gevaar,
waarvan wij ons zelf niet eenmaal bewust waren, door
zijn trouwe hand van ons hoofd is afgewend of ten goede
gekeerd. Bedreigd maar veilig, mag wel het opschrift
heeten onzer levensgeschiedenis. Wat al Eben-Haëzers op
ons pad, handwijzers naar Boven, waarop wij liet lezen:
\'t Is God, die ons tot hiertoe gebracht heeft, die
ons nooit naar wat wij verdienden heeft gedaan, maar
al wiens paden goedertierenheid en barmhartigheid zijn
geweest. Indien de Heer het ons eens hoofd voor
hoofd afvroeg: heeft u ook iets ontbroken? hoe zou niet
het antwoord moeten zijn: niets Heer, Gij hebt alles
wel gemaakt. Wel wandelden wij soms in raadselen
maar menigmaal bleek het bij de uitkomst, dat de
-ocr page 15-
/
11
eeuwige wijsheid nooit anders bedoelde dan ons wezenlijk
heil. Hij waakte over ons. onzichtbaar maai\' zeker,
Hij ging met ons, ook als wij Hem meenden ver van
ons verwijderd te zijn, Hij hield ons vast als wij
struikelden en waar wij vielen richtte de hand zijner
liefde ons weer op. Zeker, ook de donkere kant van het
leven bleef niemand bespaard. Waar is de mensch, wiens
weg nooit oneffen was en wiens leven geen enkele plooi
gaf te zien? \'t Is nu eenmaal niet anders: de aarde zal u
doornen en distelen voortbrengen; dat woord wordt aan
allen bevestigd. God huwde aan zonde smart en zoo min
als volmaaktheid hier beneden gekend wordt, zoo min
wordt ook storeloos geluk hier gesmaakt. En nochthans heeft
het nooit aan Gods hulpe ontbroken en bleken Gods ver-
troostingen ons nimmer te klein. Voor het oog des geloofs
waren de donkerste wolken altijd met zilveren randen
omzoomd.
Zoo ging liet in ons persoonlijk leven en ons volks-
leven gewaagt van geen minderen zegen. Ik heb niets
anders u te herinneren dan wat in aller hart leeft.
Ziet, als het hoofd van een gezin zijn geboortedag viert,
verheugen zich alle leden en danken God voor zijn goedheid.
Maar heden viert niet een enkel gezin, niet een enkele
gemeente maar heel een volk den geboortedag van zijn
Hoofd, zijn Vorstin en zou er dan geen dankbare blijdschap
zijn in ons hart; zouden wij niet gewagen van Gods oneindige
liefde, die dat kostbaar hoofd nu achttien jaar wou sparen
en de hope van duizenden zoo boven bidden en denken
vervulde? Wat rijken zegen toch ons volk in het Huis
van Oranje geschonken is, dat kan de landshistorie op elke
-ocr page 16-
12
bladzijde ons zeggen, en hoe nauw de banden zijn, die
beide vereenen, dat laat zich niet onder koude bewoor-
dingen brengen, dat wordt gevoeld en geleefd en staat in
elks oogen te lezen. Neen, ze is niet verkoeld, die liefde,
in een verleden van eeuwen geworteld en die het eene
geslacht aan het volgende heeft overgebracht, waarin ook
wij opgegroeid zijn en die we onze kinderen als een heilig •
pand nalaten willen. Oranje is een deel van ons zelf, zijn
belang is ons belang, zijn voorspoed ons heil, zijn terug-
zetting — spreke de geschiedenis! — was immer onze
teruggang.
Och, wel moet door zelfzucht of partijzucht verblind
zijn wie Gods zegenende hand niet ziet, niet wil zien, in
wat ons door ons koninklijk Stamhuis ten deel viel. Maar
de welvaart, die we genoten, de vrijheid, die we ver-
wierven, wat zeg ik, dat wij op dezen zelfden oogenblik
in dit bedehuis onbelemmerd God in geest en waarheid
mogen verheerlijken, door het volle licht van zijn Evan-
gelie bestraald, dat alles en zooveel meer nog, wij hebben
het naast God, aan Oranje te danken. En daar staan wij
dan nu, boven duizenden bevoorrecht, met een leven aan
blijde dagen zoo rijk en in droeve tijden zoo krachtig
gesteund; omstraald van Gods eeuwige liefde in Christus; —
want dat is toch het hoogste; wat zeggen alle andere
zegeningen bij dat eene: alzoo lief heeft God ook ons gehad,
dat hij zijn Zoon voor ons gaf. O, als wij het indenken,
en het verleden in dat licht voor ons opleeft, ja, dan
knielen wij neer in aanbidding en heel ons denken lost
zich op in een psalm des lofs: de Heer heeft groote dingen
aan ons gedaan, dies zijn wij verblijd.
-ocr page 17-
13
En daarin deelt zeker niemand meer dan onze Koningin.
Hoe roept \'niet elk jaar van uw leven Gods goedertierenheid
over U uit. Van uw wieg af zijt Gij met de teederste
liefde omgeven en liefde is het beste, wat God ons kan
schenken. Onbezorgd ging uw leven dusverre voort; krank-
heden werden van U geweerd; rijke gaven zijn door God
U geschonken, die niemand uit zich zelven bezit. Het pad
der vorsten is meestal niet zacht maar Gij hebt tot hiertoe
op rozen getreden. Het aanzien van vorsten wordt dikwijls
bestreden maar Gij hebt in klimmende mate U mogen
verheugen in de liefde uws volks. Hoeveel duizenden oogen
zijn naar U gekeerd, in hoeveel duizenden harten bekleedt
Gij een plaats; wat meer zegt, hoeveel duizenden knieën
hebben zich nog dezen morgen gebogen, om over uw
hoofd Gods zegen te vragen. Gewis, ook Gij bleeft niet
verschoond van droevige dagen, toen in de prille jeugd
U uw Koninklijke Vader ontviel. Ü. Gij betreurt zijn
gemis maar Gij vergeet evenmin, hoe God U vertroost
heeft, waar Hij een teeder liefhebbende Moeder TJ liet,
die U opvoedde met een verstand, een liefde, een trouw,
die onuitwischbaar in uw hart staan geschreven, aan
wier knieën Gij het eerst leerdet bidden, die voor U heeft
gebeden en over IJ heeft gewaakt, zooals niemand, niemand
dan een Moederhart waken kan. Zoo ontmoet Gij overal de
hand van uw hemelschen Vader, die zijn woord heeft beves-
tigd: Ik ben met U, ook help Ik U, ook ondersteunt U mijn
rechterhand. En thans door Hem op zoo hooge plaats
gesteld, tot zoo groote taak geroepen maar ook met zoo
rijke liefde gekroond; — gewis, aan den morgen van dezen
dag hebt Gij ook wel het verleden tot uw hart laten spreken
-ocr page 18-
14
en het woord, dat van uw groote verwante, Amalia van
Solnis, de levensleus was, is ook U wel hoog uit het hart
gerezen: quid reddam Domino? Wat zal ik den Heer
vergelden voor al zijn weldaden en al zijn trouw ? Heil U,
waar dit op den bodem ligt van uw hart, dan gaat Gij
ook de toekomst in goeden moed tegen met het aloude
geloofswoord: en nu, wat verwacht ik ? Mijne hope is op U.
De toekomst, want ons oog richt zich heden onwille*
keurig vooruit. En wat ons de toekomst zal brengen? Op
die vraag geeft ons niemand het antwoord en het is goed
ook, dat ons verborgen bleef wat ons wacht. Nochthans
van ééne zaak zijn wij zeker: voor die toekomst is ons
een taak bereid. Een dubbele taak is het, dat ieder mensen
hier toebetrouwd is: een aardsche en een eeuwige taak,
die niet zijn te scheiden. Tot arbeiden heeft God ons
geroepen zoolang het dag voor ons is en aan ieder wees
Hij den kring waarin hij werken moet; ieder plaatste Hij
daar waar hij noodig is voor zich zelven en anderen.
Den een zette Hij in hoogheid, op een vooruitstekende
plek, den ander in de schaduw, soms in onopgemerkten
kring. Maar waar ook zijn wijsheid ons bracht, wij hebben
allen een roeping ontvangen. Tijd en kracht en gaven zijn
ons niet geschonken als doelloos bezit, allerminst als
middel tot louter genot. Wat wij hebben aan aardsch en
aan geestelijk goed, het is alles geleend; wij zijn er slechts
de rentmeesters van; God is de eenige Eigenaar. Maar
het is geleend tot gebruik voor den naaste. En wee hem,
van wien het eenmaal moest heeten, dat hij nutteloos zijn
-ocr page 19-
15
plaats heeft bekleed en die in de gelijkenis van den
onvruchtbaren vijgeboom zijn droevig beeld moet herkennen.
Arbeiden onze roeping en hierin ligt niet de kleinste zegen,
door God ons verleend. Maar arbeiden aan ons zelf aller-
eerst. O, verliezen wij het nooit uit het oog! De mensen
wordt op drieërlei wijze opgevoed: hij wordt opgevoed
door zijn ouders, hij wordt opgevoed door God in zijn
levenservaringen, maar hij moet ook zich zelf opvoeden,
opleiden voor die andere, hoogere bestemming, waartoe
dit leven voorbereiding\' is. En al kost dat niet weinig strijd en
al komt daar veel tegen op, de roeping blijft evenwel dezelfde.
God heeft de eeuwigheid in een menschenhart gelegd.
Ernstige roeping; daarom zoo ernstig, dat ze zoo groote
verantwoordelijkheid geeft. Want dat is het, waarop de
gedachte aan de toekomst ons wijst. Wij allen moeten
eenmaal rekenschap geven; rekenschap van de kracht ons
geschonken, van de taak ons betrouwd, van de trouw, door
ons betoond. Om het even, of ons tien talenten of slechts
een enkel toebetrouwd is, eens komt toch de eisch: Geef
rekenschap van uw rentmeesterschap. Hij, die ons geroepen
heeft, roept ons eenmaal weer af en vraagt ons: hoeveel
andere talenten hebt gij gewonnen? En hoe hooger onze
plaats, hoe grooter de verantwoording is; wien veel ge-
geven is, van dien zal veel afgeëischt worden. Och, voorgaan
is altijd veel moeijelijker dan volgen en gehoorzamen veel
gemakkelijker dan regeeren. En waar het dan geldt: het
Hoofd van heel een volk te zijn, hoeveel wijsheid is daartoe
noodig; hoeveel kracht maar die zich toch weer aan zacht-
heid moet paren; hoeveel liefde maar die toch ook weer
niet in zwakheid mag verslappen; hoeveel toewijding maar
-ocr page 20-
10
die toch ook weer onze krachten niet opteeren mag. Zeker,
schoon is die taak, vooral als wij in de frissche lente des
levens verkeeren en het hart vol is van poëzie. van idealen,
van geestdrift voor al wat lieflijk: is en welluidt, als nog
geen kille najaarsstormen het heilige vuur in ons uitgedoofd
hebben. Schoon de taak zoovelen ten zegen te zijn, de
banen aanwijzen, op te leiden, die tot ware ontwikkeling
des volks voeren; ja, dat is heerlijk. Maar dat heeft een
keerzijde ook; die taak is zwaar, vooral in een tijd als den
onzen waarin zoovele banden van gezag worden los gemaakt.
Geen wonder dat de gedachte aan die roeping onwillekeurig
de vraag op de lippen brengt: wie is tot deze dingen bekwaam ?
En het antwoord is: niemand in eigen kracht. Wat
Luther zong: in eigen kracht is niets gedaan, dat voelt
al wie zich zelf leerde kennen. Wij wanen soms zooveel
te vermogen en roemen in eigen wijsheid en kracht en
bouwen onze Babelstorens zoo hoog maar eer wij het
vermoeden storten ze ineen en wij zitten moedeloos bij
de puinhopen neer. Wat vermag een nietig menschenkind.
Wij kunnen de stormen niet bezweren, dat zij de bloe-
men voor onze voeten niet beschadigen, wij kunnen de
zon niet gebieden, dat zij haar stralen op ons levenspad
zendt. Onze beste voornemens lijden vaak schipbreuk en
vroeg of laat komen wij allen te staan voor een taak
waarbij eigen wijsheid te kort schiet. Arm hart, dat dan
geen andere wijsheid kent en over geen hoogere krachten
beschikt dan menschen ons bieden of die wij zelven
bezitten. Voorwaar! wel is ongelukkig te noemen wie
aan zich zelven is overgelaten, want alle zelfvertrouwen
dat niet wortelt in Godsbetrouwen wordt zeker beschaamd.
-ocr page 21-
17
Nog altijd blijft het waar: zonder Mij kunt gij niets doen;
helaas! een waarheid, die menigeen eerst na pijnlijke
teleurstelling leert. Welnu, bij het diepe besef van zoo
groot een taak en zoo kleine kracht, kan het wel anders
of het denken aan de toekomst doet ons opzien en
vreezen? Schame zich deswege niemand. De grootste
mannen hebben, juist omdat zij groot waren, zulk een
opzien gekend. ïk weet, daar is bij velen een zelfover-
schatting maar die op teleurstelling uitloopt, daar is een
wegdringen van het besef van zwakheid maar dat op het
droevigst zich wreekt. De wijze vreest, sprak eens een
groot man en hierin ligt een waarheid, die allerminst de
christen ontkent. Maar een vreezen, een opzien, dat
niet terugdeinzen doet voor de taak, die ons wacht
maar veelmeer dringt om te putten uit de eenige
Bron van kracht; dat afziet van allen en alles, van
zich zei ven het meest, om op gebogen knieën het den
dichter na te zeggen: en nu, wat verwacht ik? Mijne
hope is op O.
Staat gij meê in dat geloof, komt gemeente, laat ons
dit uitspreken in ons gemeenschappelijk lied:
Gezang 273 : 1 en 11.
Beveel gerust uw wegen,
Al wat u \'t harte deert,
Der trouwe hoed\' en zegen,
Van Hem die \'t al regeert;
Die wolken lucht en winden
Wijst spoor en loop en baan,
Zal ook wel wegen vinden,
Waarlangs uw voet kan gaan.
-ocr page 22-
18
Hoor onze smeekgebeden!
Heer, red uit allen nood!
Sterk onze wank\'le schreden
En leer ons tot den dood
Op uw hoed\' en zegen
Vertrouwen , vroom van zin ;
Zoo voeren onze wegen
Gewis ten hemel in!
En nu, wat verwacht ik? Mijne hope O Heer! is op U.
Oio verwachting wordt zeker vervuld, want het is God, die
tot elke taak ons bekwaamt, die op eiken weg ons geleidt,
die ons tot den einde toe nabij blijft.
Meer dan iemand had Israëls koninklijke zanger door-
leefd, dat al zijn bekwaamheid van God was. Hoe menig-
maal zien wij hem die kracht afsmeeken van God maar
hoe leefde hij steeds in het vertrouwen, dat zij hem niet
onthouden zou worden. Wel was soms de toekomst hem
donker en de last woog hem zwaar maar dan hiel\' hij
zijn oogen op naar de hergen vanwaar zijne hulpe
komen zou; dan greep weer de bevende! hand naar de
harp en liet lied des vertrouwens rees hoog uil zijn hart;
de lieer is mijn Herder, mij zal niets ontbreken.
En wij, die zooveel meer licht dan Da vid ontvingen, die
God aanbidden als onzen Vader in Christus, wat meent
ge, zouden wij met minder grond op Mem rekenen kunnen?
Maar die mensch moet nog geboren worden, die dat
vertrouwen bezit en dan nog moedeloos en machteloos op
den weg is neergevallen. Zonder Mij kunt gij nietsdoen,
zoo is \'t; maar het is ook waar: ik vermag alle dingen
door Christus, die mij kracht geeft. Een blik vooruit
-ocr page 23-
1!)
doet vreezen maar een blik omhoog vervult ons met
blijdschap en hope. Neen, God legt niemand een taak
op of ze is voor zijn klachten berekend en waar wij in
eigen bewustzijn ons zwak gevoelen, daar vervult Hij
altijd zijn woord: Mijne kracht wordt in zwakheid vol-
bracht. Hierin ligt het geheim van die wondere veerkracht,
die menigeen ontwikkelt, van wien wij dat te voren nooit
hadden vermoed, die het van zich zeil\'allerminst had
gedacht. Niet alsof God op onmiddellijke wijze de kracht
en de wijsheid ons ingaf, om onze taak naar eisch te
volvoeren maar wel dat hij onze oogen scherpt, onze
handen bestuurt, onze wegen effent. De Heer zal ons
toonen, dat onze hope op Hem nooit ijdel is; het ons
toonen, niet daarin, dat Hij al onze pogingen ons doet
gelukken; och! succes is nog geen zegen en menigeen
roemt op een succes, dat hem geen christen benijdt.
Niet daarin ook , dat Hij al onze vaak zelfzuchtige wenschen
vervult. Omgekeerd; bet schijnt wel menigmaal, dat op
het pad van wie buiten God leeft veel meer licht is dan
van wie op Hem bouwt. Maar hierin, dat Hij ons alle
onrust beneemt en die heilige kalmte in ons hart werkt,
die onvertsaagd de toekomst tegen doet gaan. Voorwaar!
nog is het woord niet gevallen: een koning wordt niet
behouden door een groot heir en een held wordt niet
gered door zijn kracht; zie, des Heeren oog is over
degenen, die Hem vreezen, over degenen, die op
zijn goedertierenheid hopen. Ja, zij heeft het wel be-
grepen, die vrome Princes van Oranje, toen zij die goede
keuze uitsprak in haar lied: een ander stelle zijn betrouwen
op krijgsgeweld en staatsgezag, op steunsels van een
-ocr page 24-
\'20
enk\'len dag; ik wil op God, den Eeuw\'gen bouwen,
die kronen geeft en tronen schraagt en \'t lot der
gansche wereld draagt. Zij heeft het begrepen toen zij
tot haar lijfspreuk koos: niets zonder God! O, laat het
mede de onze zijn. Niets zonder God, schrijf dat op den
gevel van uw woning, aan den wand van uw arbeids-
vertrek, schrijve Hij zelf dat niet onuitwischbaar schrift
in ons hart: niets, niets zonder God, en gij zult het
ervaren: het is de lieer, die tot elke taak ons bekwaamt
en op eiken weg ons geleidt.
Ja ook dit, en niets geeft ons zooveel rust, zooveel
moed, en doet zoo onbevreesd voortgaan, al voert ook
ons pad her-gen over en diepten dooi\'. Wij weten, dat wij
nooit aan ons zelven zijn overgelaten. Wij gaan nooit
alleen, al schijnt het ons toe. Wij hebben een Leidsman
die meegaat en voorgaat en dat is ons genoeg. Zeker,
het is begeerlijk als een reiziger nauwkeurig alle zijwegen
kent en zorgvuldig alle doolpaden mijdt, maar oneindig
rustiger en veiliger is het, als hij een uitnemende» Gids
heeft, die met alle gevaren vertrouwd, hem aan de hand
voortleidt, hem helpt waar hij weifelt, hem steunt waar1
de tocht hem vermoeit. En zulk een Gids biedt zich aan
ieder, die Hem behoeft. Met Hem feilen wij nooit en is
verdwalen onmogelijk; Hij brengt ons gewis aan het doel.
Dat was toch mee uw ervaring. Niet waar, hoeveel,
waartegen wij als bergen opgezien hadden en dat toch
op zijn tijd werd geëffend; hoeveel, dat ons met kommer
vervulde en dat toch, soms ongedacht en onverwacht, uit
den weg werd geruimd. Hoe menigmaal werd wel onze
vreeze maar nooit onze hope beschaamd.
-ocr page 25-
21
En nu dan; wat verwacht ik? Zoo vraagt gij. maar met
die hope op God kan het antwoord niet twijfelachtig zijn.
Wat wij verwachten? niet het liefste maar het beste, niet
altijd zachte maar wel veilige wegen waarlangs ons zijn
liefde wil leiden. Dat zij (jok ons vast vertrouwen. Mij kan
onze sterkte zijn. want Hij, die de hemelen schiep,spreekt
nog in elke duisternis: daar zij licht en gebiedt over alle
stormen op onze levenszee: tot hiertoe en niet verder.
Hij wil het zijn want daarvoor staat zijn liefde ons in, die
allen alles geeft en het goede niet onthoudt wie op zijn
goedheid bouwt. Hij zal het zijn want Hij. die u roept is
getrouw, die het ook zeker zal doen. Wordt liet donker
om 11, Hij is uw zon; moge de hitte u treilen. Ilij is uw
schaduw; moge nienschen u tegen zijn, Hij is uw schild
en rondas en zoo God vóór ons is, wie zal dan tegen ons
zijn? En zijn ons dan wellicht nioeielijke dagen bereid,
wat schade, zoo slechts ons geloof sterker, ons gebed
dringender worde en het woord iu ons leve: ten dage
als ik vrees, dan, ja dan allermeest zal ik op U betrouwen.
Gelukkig de mensch, die eiken morgen zijn dagtaak begint
met dat woord: wat verwacht ik, o I leer ? mijne hope is op IJ.
En meene nu niemand, dat zulk een hope slechts
tijdelijk, slechts voor een oogenblik kracht geeft, in
belangrijke tijden , in bijzondere toestanden. Helaas! ik weet,
dat menigeen God alleen zoekt in droeve dagen, wanneer
hij Hem bijzonder meent noodig te hebben. Maar de
christen, die aldoor Hem behoeft en het: niets zonder
God, tot zijn levensregel koos, hij ondervindt voor-
durend zijn steun, want ook dit woord is waarachtig:
God is getrouw. Neen, Hij is geen veranderlijk Vriend,
-ocr page 26-
22
wiens aangezicht heden zoo heel anders als gisteren staat.
Hij belooft wie op hem houwen, zijn blijvende trouw en
wij weten: zoo vele beloften Gods als er zijn, die zijn
in Christus ,1a en Amen. Mensehen vallen weg, vallen
tegen en wezenlijke trouw is zoo zeldzaam maar de Vader
in den hemel blijft zich zelven altijd gelijk; Hij is Dezelfde,
gisteren 011 lieden en eeuwig. Hij breekt nooit zijn woord
en zelfs indien wij ontrouw zijn, dan nog blijft Hij getrouw.
Hij gaat met ons niet een eind weegs maar tot het einde
toe mee.
Daarvan kon Israöls Koning meespreken en als hij straks
op zijn lange regeering nog eenmaal terugziet, ja, dan
is veel hem ontvallen waarop hij zoo vast had gerekend;
maar wat ook ontviel en wat ook teleurstelde, niet Hij,
zijn God, op wien hij zijn hope gebouwd had. Zijn laatste
woord wordt een laatste lied ter verheerlijking van Hem,
die trouwe houdt van geslacht tot geslacht, trouw ook al
wisselen mensehen en tijden. En daarvan kan ieders leven
getuigen. Ik de lieer wordt niet veranderd. Och! als
wij dat ook niet wisten, hoe zou de moed ons ontzinken,
hoe onzeker zou alles ons worden. Maar hoe vaak door
ons ook verlaten, Hij verlaat nooit en hoe vaak ook ver-
geten, Hij vergeet nimmer de; zijnen: in rust en vreugd,
in nood en strijd, blijft hij Dezelfde \'t aller tijd. Onuit-
sprekelijke liefde, die vasthoudt en volhoudt, die waakt
ook over uw hoofd. Zoo bewaakt geen teedere moeder
haar kind als de henieJsche Vader u doen zal, die op Hem
uw hope gebouwd hebt. Onder zijn hoede zijt gij wel
geborgen, aan zijn liefdehart volkomen gerust. De lieer
zal u behoeden, Hij zal uwen ingang en uwen uitgang
-ocr page 27-
t>:{
bewaren, voorwaar! bergen mogen wijken on heuvelen
wankelen, zijn goedertierenheid wankelt in eeuwigheid niet.
Welaan! in die hope, geliefde Koningin, gaat Gij liet
nieuwe leven tegen met een opgericht hoofd. In zijn
kracht drukt de kroon U niet zwaar, met zijn licht
wordt het in U nooit donker, aan zijn hand valt de
arbeid U licht. Blijve slechts die hope U bij. lieer! toon
mij den weg, dien ik te wandelen heb, zoo luidde eenmaal
de bede eens Konings. Zij worde ook de uwc eiken dag.
Dan zal uw weg voorspoedig zijn en eens aan het einde;
zij het spade, zeer spade; als ook voor IJ de dag is
gedaald en de taak is voleind ende aardsc.he Kroon door O
neergelegd wordt, dan zal Hij, die uwe hope geweest is,
een andere Kroon II toebereid hebben, de Kroon dei-
genade, de Kroon des levens, die weggelegd is voor
allen, die den Heer hebhen lief gehad. Dat vragen wij
voor IJ van Boven. De wereld moge IJ toewenschen al
wat dit leven lichter en blijder kan maken, de gemeente
van Christus doet meer. Wij hebben IJ lief en willen
onze liefde IJ toonen, niet bloot in een luiden feestgroet
daarbuiten, maar veelmeer in de stille binnenkamer, op
de knieën voor God. Wij smeeken voor U af, dat uw
regeering gezegend en ten zegen moge zijn, onder vele
gewenschte getuigen, niet bet minst van uw Koninklijke
Moeder; dat alles, wat God over IJ beschikt of gehengt
IJ medewerke ten goede; dat bovenal de lieer de liefde
van uw hart, het leven van uw leven zij. Hij nu, die
machtig is te doen boven al wat wij bidden en denken ,
Hij zegene en behoede IJ, Hij doe zijn aangezicht over
U lichten en geve U zijn vrede.
-ocr page 28-
24
En voorts: nog eenmaal willen wij het belijden; Koningin
en gemeente te saam; hoort het, gij volk van Nederland!
hoort het, »;ij Engelen Gods! hoort het, Gijzelt Alwetende
God! Wat wij verwachten, onze hope is op U, U alleen,
U geheel, [I voor eeuwig, ja voor eeuwig. Amen.
Dan k zegging.
NAZANG.
Gezang 90.
Halleluja! een wig dank en eere,
Lof\', aanbidding, wijsheid kracht,
Word\' op aard en in den hemel, Heeve!
Voor uw liefde U toegebracht!
Vader! sla ons steeds in liefde gade;
Zoon des Vaders! sehenk ons uw genade;
Uw gemeenschap, Geest van God!
Amen! zij ons eeuwig lot.
-ocr page 29-
FEESTREDE
OP
9 September 1898.
-ocr page 30-
Gebed.
VOORZANG.
Gezang 259 : 1 en 0.
Hoe straalt uw goedheid telkens wéér,
Hoe blinkt uw majesteit, o Heer!
Gestadig ons in d\'oogen.
Wat roept opnieuw deez\' morgen luid
L w duizend wonderheden uit
En schittrend alvermogen!
En wij, uw woning ingegaan,
Waar \'t loflied op gaat rijzen,
Wij voelen \'t hart van vreugde slaan,
Dat smacht om U te prijzen.
Bewaar, o Heer! ons volksbestaan!
Zie Xeêrland in ontferming aan
En deel uw heil ons mede!
Weer van ons vaderland het leed;
Laat ons, wat ook ons volk misdeed,
Den zegen van den vrede!
O, zie in liefd\' op Neêrland neer
En blijf het trouw beveil\'gen.
Maar wil vooral, uw naam ter eer,
Ons volk in Christus heil\'gen!
-ocr page 31-
Wees mij welkom aan deze plaats, geliefde Koningin,
die wij het voorrecht hebben voor het eerst als gekroond
hoofd in ons midden te zien; gekroond in drievoudigen
zin: gekroond door de wetten des lands; wat meer zegt:
gekroond door de liefde des volks; wat alles zegt: gekroond
bij de gratie van God. Want ja, op het gevaar af, achterlijk
te heeten, belijden wij nog altijd een koningschap bij de
gratie Gods, een vorstelijk gezag, niet voortgesproten uit
den volkswil maar wortelend in het gezag van God zelf.
Wees mij welkom, Gij ook, geëerbiedigde Koninklijke
Moeder, die wij zoo gaarne, zij het in lengte van dagen,
de eerste plaats naast den troon zien bekleeden.
Weest mij welkom, Vorsten en Vorstinnen aan het
Huis van Oranje verwant.
Weest mij welkom, gij allen, die meê opgegaan zijt,
om uiting te geven aan de behoefte des harten, die tot
danken ons dringt, \'t Is een feesture in den vollen zin
des woords, die thans voor ons is geslagen en waarin het mij
is, als riep God zelf ons toe: «treedt voor mijn aange-
zicht met vroolijk gezang."
Rij ze dan nu ons loflied omhoog, laat zingen al wat
adem heeft, laat stem aan snarenspel zich paren en ons
« Te Deum» door lucht en wolken dringen: « Wij loven
-ocr page 32-
28
U, o God! Wij prijzen uwen Naam! Zulk een vreugdedag
heeft geen onzer immer beleefd en zullen onze oogen
ook nimmer weer zien, waarop een vorstin uit het Huis
van Oranje als Koningin wordt gehuldigd. Een geheel
eenige dag van louter zonneschijn, waarop het hart ons
hooger klopt dan anders en het feestgevoel als een electrische
vonk zich meedeelt aan allen. Dat kan wel niet anders
want de liefde voor Oranje zit ons in het bloed en den
naam van rechtgeaard Nederlander zou hij verbeurd heb-
ben, die bij zoo heugelijk feit, onaandoenlijk van verre
bleef staan. Verstomme thans iedere klacht, die eenaan-
klacht van ondankbaarheid zou wezen; trekt uw feest-
kleedij aan en laat ons «verheugd van zorg ontslagen, Hem
roemen die ons blijdschap gaf.» Maar blijve dan ook elke
wanklank verre, die onze blijdschap zou kunnen ver-
storen, om onvermengd en onverdeeld met dankbaarheid
den zegen te gedenken, dien God over ons heeft beschikt.
Aan die vreugde wensch ik wijding en leiding te geven
door een kort woord, dat ik vastknoop aan een Schrift-
woord, ontleend aan Ezra 3 : 11, en dat aldus luidt:
«.En al het volk juichte met groot gejuich».
Ziet, daar komen in het leven van volken zoowel als
van enkele personen hoogtijden voor, die als bergspitsen
boven de vlakte van het gewone, alledaagsche leven
uitsteken; hoogtijden, waarop men bijzonderen zegen
gedenkt en die daarom tot vreugde en dankbaarheid
stemmen.
Zoo was het bij Israël, toen in Ezra\'s dagen de tempel
herbouwd en de godsdienst hersteld en het volk uit Babels
diensthuis uitgeleid was. Wat een oogenblik, als daar de
-ocr page 33-
29
gemeente saamkwam en bij het krachtig geluid der muziek
het loflied uit duizenden harten oprees en heel de natuur
tot een heiligen tempel hun werd.
Zulk een hoogtijd brak ook voor ons aan; heel Nederland
is in feestdos gehuld; van Noord en Zuid, van Oost en
West gaan de juichtonen op onder ons en de echo herhaalt
ze ginds, ver in het Oosten, in Insulinde\'s gebied.
Zeker wij hebben een anderen, maarniet minder recht-
matigen grond
voor onze vreugde. Of\' is er geen oorzaak,
waar een Vorstin uit het roemrijke Huis van Oranje
den troon heeft beklommen?
Oranje! Ik heb dat woord slechts uittespreken en
onwillekeurig voelen wij de diepste snaren daarbinnen
trillen van heilige aandoening. Oranje en Nederland, die
beide behooren bijeen; twee helften van het Geheel en
waarvan gij u de een zonder de andere niet indenken
kunt. Oranje en Nederland saamgebonden, saamgeweven,
saamgewassen; Zoo was het eeuwen her. Hoe zouden wij
het op een dag als deze kunnen vergeten? Hoe Gij liet
vergeten, geëerde Koningin?
Welk eene wolke van getuigen uit een grootsch verleden
omzweeft U? Willem 1, Maurits, Willem III, Juliana
van Stolberg, Louise de Coligny, Amalia van Solms;
zoovele namen, zoovele herinneringen; en nog deed ik
slechts een greep in den blinde uit die lange reeks van
Vorsten en Vorstinnen, met wier machtige persoonlijk-
heden de opkomst en welvaart, ja, heel het bestaan van
ons volk op het nauwst is vereenigd. Want, in waarheid,
geen vorstenhuis in Europa is zoo innig aan zijn volk
verbonden, als Oranje\'s roemrijke dynastie aan ons dier-
-ocr page 34-
30
baar Nederland. Waar in menig Rijk de Vorst zich hand-
haven moet door kracht van geweld, daar genieten wij hier
het onschatbare voorrecht, dat het gezag van Oranje geen
verdediging behoeft omdat het leeft in de harten des volks.
Geen wonder; wat stroom van zegeningen is over onze
natie uitgegaan van Oranje! Wie heeft ons een plaats in
de rei der volken verworven; wie heeft ons de vrijheid
van geweten, het hoogste goed, dat een mensch kan
bezitten, verschaft; wie heeft ons tegen soms overmach-
tige vijanden, beveiligd, verdedigd, gered; wie heeft
voor den naam van Nederland, een vergeten plek in een
uithoek der aarde, eerbied afgedwongen aan de mach-
tigste staten en van een klein volk meer dan eens de
heerscheres over landen en zeëen gemaakt? En wederom:
wie heeft de wonden, door heel andere, door natuurlijke
vijanden van stormen en stroomen ons toegebracht, weer
verzacht en gelenigd en in de ellende des volks gedeeld
alsof het eigene was ? Daar is op al die vragen maar een
antwoord te geven en dat antwoord ligt in een enkelen
naam, den naam van Oranje! Maar bevreemdt het dan
nog iemand, dat wij ze in dankbare herinnering houden,
die vorstelijke helden op meer dan één gebied, die hun
tijd en kracht, hun goed en bloed, die, in één woord,
zich zelf aan hun volk hebben gegeven ? Van den eersten
Willem af, den heldhaftigen Prins, die nog met ster-
vende lippen Gods ontfermende liefde over zijn volk
inriep, tot den laatsten Willem toe, den weldadigen
Koning, die het openlijk uitsprak: «nooit kan een
Oranjevorst genoeg voor Nederland doen», hebben zij allen
zich een monument opgericht in de harten des volks,
-ocr page 35-
31
duurzamer dan van metaal of graniet. Zij gaan in dezen
oogenblik aan onzen geest voorbij, die eerbiedwaardige
gestalten, op wier leven en streven, bij alle verschil van
kracht, van talent, van karakter, van toepassing is, wat
op hun tombe te Delft staat gegrift: dat zij de welvaart
van Nederland op hooger prijs hebben gesteld dan hun
eigen belang. Slaat de historie op en elke bladzijde spreekt
U van die prinsen, stadhouders, koningen, die, «door
voorspoed niet verblind, door heerschzucht niet vervoerd»,
Nederland groot gemaakt hebben; wier naam niet slechts
met de geschiedenis van ons Vaderland maar met de
wereldhistorie is saamgevlochten. — Schitterende starren,
heengegaan maar niet zonder een lichtend spoor achter
te laten.
En nu dan, een erfgename van dat grootsch verleden,
laatste telg uit zoo roemvol geslacht, een Oranje weer
op den troon, een Koningin, die wij in ons midden zagen
opgroeien, naar wie zooveler oog zich gekeerd heeft, op
wie zooveler hope gebouwd is! Ja, in U leven ze voort,
die heilige tradities van eeuwen; op U wordt ze overge-
gebracht, die liefde, die ons volk altijd voor zijn vorsten
gevoeld heeft; van U verwachten wij veel, omdat Gij zelf
zooveel belooft.
Heil U, Koningin! die de scepter aanvaard hebt over
een volk, dat in zijn breedste en beste kringen niets liever
zal doen dan U dienen, en bij wie het «Oranje Boven»
geen ijdele klank maar heerlijke werkelijkheid is!
Heil U, mijn Vaderland! dat door een vaste hand aan
een vasten wil gepaard, geregeerd zult worden; dat uw
hoogste wensch ziet bekroond en uw hulde moogt bieden
-ocr page 36-
32
aan een Koningin, zoo voorbereid tot haar taak, zoo
welbewust van haar plicht en die gewis het devies van
Oud-Engelands koningen: «Ik dien», met dat van Neder-
lands vorsten vereenigen zal: «Ik zal handhaven». —
Maar verwondert het dan nog iemand, dat al het volk
juicht met een groot gejuich, dat er feestvreugde is meer
dan ten dage eener overwinning; een vredefeest, een
kroningsfeest! O! \'t Is een dag van licht en heil, die met
gulden letteren in \'s lands historie, in het eigen levensboek
staat geschreven, waarvan wij onze kinderen en kinds-
kinderen zullen verhalen. Zulk eene blijdschap wordt niet
gemaakt maar gevoeld in het diepst van ons hart.
Onze eerbiedigste hulde aan U, Koningin, om Wie onze
vreugde zich keert maar ook en bovenal onze ootmoe-
dige dank aan God, die van zooveel heil de eenige Bron is.
Dit juist is het wat geen onzer mag voorbijzien. En
daarom, rij ze onze jubelstem op maar laat onze feest-
vreugde haar geheiligd karakter niet derven.
Dit was het eigenaardige, dat Israëls vreugde kenmerkte.
«Zij juichten», zoo staat ons geschreven, maar — en dit
teekent — «zij loofden den Heer, omdat Hij goed is en
zijn weldadigheid groot over Israël.» o, Indien ooit, dan
voelt de ernstige mensen heden de bevestiging van dat
woord ook aan ons.
Een vorstin uit het Huis van Oranje op den troon; het
had zoo heel anders kunnen zijn; het dreigde zoo heel
anders te worden; daar was vreeze, dat de Oranjestam
ontbladerd, tot verdorren gedoemd was en het: wat dan ?
zweefde reeds op veler lippen.
Maar God beschikte het anders en beschaamde onze
-ocr page 37-
:*;{
vrees, en deed weer een rijske uitspruiten. Ja, waarlijk de
Heer is goed en heeft weldadigheid bij ons gedaan. En
het is dit besef, dat van ons juichen den grondtoon bepaalt,
\'t Is Gods goedheid, die den rafelenden band weer nieuwe
vastheid schonk; \'t is zijn hand, die onze Koningin heeft
gespaard en bewaard en gevoerd tot den troon, door
Hem Haar bestemd. Niet ons, o Heer! niet ons, Uw Naam
alleen zij de dank van Vorstin en Volk te saam. Ja, gij hebt
het verstaan, toen Gij, naar den wensch van uw hart, na
de intocht in uw residentie, de eerste schreden naar dit
Bedehuis richtet. En het is ons goed U hier te zien, Koningin
en onderdaan tevens van aller Koningen Heer; op den
troon in zijn naam, maar ook in het stof aan zijn voeten.
Neen, het is niet zonder beteekenis, dat het eerste woord
waarmee wij U begroetten, «dankt, dankt nu allen God», is
geweest. Dat woord was een daad van ootmoedig erkennen
van Hem, wien wij eeren als de Bron van wat wij goeds
ontvingen, niet het minst van den zegen, dat Hij U tot
gebiedster ons gaf. Toch sluit die dank aan God de hulde
aan menschen niet uit. En hoe zouden wij het kunnen
verzwijgen, hoeveel ons volk aan U, geëerde Koningin-
Moeder, heeft te danken. Ook waar Gij elke kroon aan
de voeten van uw Heiland wilt neerleggen, daar wijst
Gij toch de hulde van \'s volks erkentelijkheid niet terug. Wat
offers van tijd en kracht. van U zelve, Gij hebt gebracht;
met wat kennis en toewijding Gij uw hooge taak hebt
volvoerd; dat kan geen onzer ten volle omvatten; maar
Gij oogst er de heerlijke vrucht van, in de kroning uwer
Koninklijke Dochter, in den dank van Nederlands volk,
bovenal in de stille goedkeuring Gods in uw hart. Neen!
-ocr page 38-
34
wij vergeten U niet, die U zelve menigmaal voor ons
hebt vergeten, die het heil des volks als uw hoogste
doel hebt geacht. Van aftreden hebt Gij gesproken, maar
ik zeg U: Gij treedt nooit af van uw plaats in onze harten.
Ons volk is begonnen met U te achten, het is geëindigd
met U lief te hebben en het bidt thans voor U af; blijf
nog lang gespaard, den troon ten steun en ten raad.
En zoo gaan wij dan vol blijden moed en vertrouwen
het onbekende pad op. Te ontkennen valt het niet: de
teeken der tijden zijn ernstig en ook voor vorsten is
de hemel niet zonder wolken. Maar het blijft waar, wat
Koning Willem III eenmaal sprak: «als de nood aan
den man komt zijn Oranje en Nederland steeds bij elkaar.»
En hierdoor zijn wij sterk.
Van deze waarheid verzekerd, zult Gij, Geliefde
Koningin, met de wijsheid U geschonken, het Staats-
scheepke wel weten te sturen en de klippen vermijden,
die het bedreigen.
En waar dan — het hoogste en het beste — uw levens-
regel is: «niets buiten God», en het oude lied des
vertrouwens in uw hart oprijst: «Ik hef mijn oogen op
naar de bergen, van waar mijn hulpe komen zal; mijn
hulpe is van den Heer!» daar kan geen vreeze, geen
twijfel ook maar een schaduw over onze feestvreugde
brengen; dan staan wij vast, dan gaan wij voort met
altijd goede hope; God, Oranje, Nederland! dit drievou-
dig snoer wordt nimmer verbroken.
En daarom, daar is plaats voor ons lied. Roept het
uit, gij zangerskoor en dringen uw tonen uit het hart
geweld, in aller harten door!
-ocr page 39-
35
KOORGEZANG.
«En al het volk juichte met groot gejuich.» — Zoo was
het in Israël eens, zoo herhaalt het zich heden bij ons.
Maar zal die feestvreugde de rechte zijn, dan moet zij
ten slotte een blijvende waarde bezitten. Och! juichtonen
zijn soms als zeepbellen, schoon gekleurd, maar als ze op
\'t schoonst zijn, spatten ze uiteen. Wat is gunst en lof
en eer van menschen. Wie heden op de armen gedragen
wordt, laat men morgen weer vallen.
Maar dat mag, dat zal bij ons zoo niet wezen.
Alleen, onder de drievoudige voorwaarde, dat bij ons
gevonden worden: onveranderlijke trouw, onderlinge liefde,
gemeenschappelijk gebed. God zij dank, wat ons volk ook
moge ontsieren, het karakter van trouw kan daaraan niet
worden ontzegd. Het woord van onzen laatsten Koning, bij
de aanvaarding zijner regeering gesproken, dat Hij wist
te doen te hebben met een trouw volk, is een getuigenis
even schoon als waar. Nederland\'s trouw tot den bedelzak
toe, niet zonder grond vond zij haar symbool in den leeuw
van ons wapen. Geen wonder, dat waar menige troon is
gevallen en menige andere wankelde, Oranje\'s troon onwan-
kelbaar vaststond. Dat juist maakt onze feestvreugde zoo
onbezorgd, dat zij niet is een opwinding, kunstmatig te
voorschijn geroepen maar uiting van wat in het hart des
volks omgaat; dat volk waarop Oranje nooit vergeefs een
-ocr page 40-
30
beroep heeft gedaan en nog altijd rekenen kan. In die trouw
ligt de kracht van den troon en waar thans een Vorstin
uit het Huis van Oranje den troon heeft bestegen, roepen
wij het elkander met verhoogden nadruk toe: «Komt
riddertrouw gezworen, der jonge Koningin!" O laat het
blijken. dat het ons volle ernst daarmee is. Dat moet blijken
niet uit hooggestemde lofzangen, die de indruk van h^t oogen-
blik ingeeft en die eerlang met de feestelijke stemming
voorbijgaan, maar uit die geheele toewijding, dat geven
van zich zelf onbepaald en beslist, dat den troon zijn
vastigheid geeft. Dat moet blijken niet maar in zonnige
dagen: dat valt zoo moeilijk niet; maar in uren van
gevaar en beroering: — verhoede het God, dat onze Koningin
ze immer doorleve; — dan nog moge er geen woord van
het aloude « houw en trouw tot in den dood » zijn gevallen.
Dat moet blijken, nogeens. in het hoog houden van het
Gezag, door woord en daad, door heel het leven en
streven van wie het dichtst bij den troon staan aller-
eerst, maar ook van al wie invloed heeft in enger of wijder
kring, niet minder. Trouw in lief en leed. in nood en
dood, tot het einde getrouw. O, Heerlijk voorrecht voor
U, mijn Koningin, uw regeering te aanvaarden in de
vaste overtuiging, dat Gij woont te midden van trouwe
onderdanen, die voor het grootste en beste deel tegelijk
uw warme vrienden zijn. Maar heilige roeping tevens
voor Neêrlands volk, om, van der vaderen aard niet ver-
vreemd, den band der trouw steeds nauwer toe te halen
en te waken tegen al wat die trouw zou schenden. Voor-
waar ! dan eerst, maar dan ook zeker zal Gods zegen ons
kronen, want zelfs in zijn oog is trouw het hoogste wat de
-ocr page 41-
37
mensch kan geven, wat Hij zelf van ons vraagt, wat meer
zegt, wat Hij zelf\'is, de Getrouwe van geslacht tot geslacht.
Alleen: een trouw in wederkeerige liefde geworteld;
want waar deze ontbreekt, daar treedt de zelfzucht op,
die altijd wantrouwen zaait en de hechste banden ver-
breekt. Arm volk, dat in zijn liefde verkoelde en daarmee
zijn eenheid verspeelde en zijn krachten verloor. Arme
Vorst, wien de liefde een onbekend goed was en die juist
hierom zijn hoogste macht inboeten moest. Want liefde
is macht, de hoogste macht; wat voor de liefde niet
wijkt, wijkt nergens voor. Daarom is God almachtig,
omdat Hij de liefde is. Die liefde is als het cement,
dat de steenen van het staatsgebouw bijeenhoudt. Neem
het weg en de eene steen brokkelt na den anderen
af, totdat het gebouw zelf ineenstort. Liefde is levens-
voorwaarde; evenals een plant buiten warmte en zonne-
schijn verdort en verkwijnt, zoo ook kan de mensch geen
leven in hoogeren dan plat alledaagschen zin leiden. indien
hem niet de stralen der liefdezon koesteren. Dat geldt het
persoonlijke leven; dat geldt meer nog het leven des volks.
Als een volk het voelt: daar woont streng recht in de
paleizen, dan is het stil maar als het verstaat: daar klopt
ook een hart op den troon, dan is het gelukkig. En weder-
keerig, als een Vorst zich bewust is, dat hij het hart des
volks bezit, dan gaat er kracht van hem uit, want dan
is er voor geen onwil of achterdocht plaats, dan is er
een lijn tusschen beiden, een band der liefde , sterker dan
eenige andere, want de liefde is de band der volmaaktheid.
En uit zulk een verhouding vloeit de eenheid voort, die
wij in onzen tijd meer dan ooit behoeven. Eenheid, niet
-ocr page 42-
38
eenerleiheid, niet eenvormigheid ook; waar vrijheid woont
is altijd verschil en een vrij volk zijn wij en hopen wij
altijd te blijven, dank zij Oranje, door wien wij naast
God onze vrijheid verkregen. Maar die hoogere eenheid
bedoel ik, die ook bij verscheidenheid kan bestaan, de
eenheid door de liefde gewekt, omdat zij ons leert niet
ons zelf\' te zoeken maar offers te brengen ook van per-
soonlijke inzichten en geliefkoosde meeningen, om het
hooge doel te bereiken: het wezenlijk heil van Vorstin en
Volk. Eenheid: zij hebben het begrepen, onze Vaderen,
die het: «eenheid, maakt macht», tot leuze kozen. Het
begrepen ja, maar helaas! niet immer betracht en hiervan
hebben zij dan ouk de bittere vruchten geplukt. Wel
menigmaal hebben partijschap en partijzucht de scherpste
oogen verblind en de krachtigste handen verslapt en
den rijksten zegen doen missen. En wij? O, gij volk
van Nederland, hoort: «verdeeldheid is de kanker der
natiën maar in de eenheid der harten ligt de veelheid
van zegen».
En toch, hoeveel beteekenend, zelfs dit kan niet ons
laatste woord zijn. Zeker! ik neem er niets van terug;
de kracht van den troon ligt in de liefde en trouw van
het volk; maai\' beider hoogste kracht ligt veelmeer nog
in de liefde en trouw jegens God. En daarom noem ik
u ten slotte het gebed als eisch voor een gezegende toekomst.
«Alles ligt in Gods hand», zoo schreef nog voor kort
een vorstelijke pen. Alles in Gods hand, dan ook ons
lot, ons heil, ons volksgeluk; dan ook uw kracht, uw
licht, uw leven, geliefde Koningin. Als die waarheid ons
bezielt, het kan niet anders, of dan wordt onze hulde
-ocr page 43-
39
van eerbied een gelofte van trouw en onze gelofte van
trouw een gebed voor elkander. «Het gebed», heeft een
groot man gezegd. «is de eenige weg, om in onze levens-
roeping te slagen»; ik voeg er bij. ook om duurzaam
gezegend te zijn. Dat gebed hebben allen van noode.
Vorsten hebben het noodig, want het is een waar woord
dooi\' onzen laatsten Koning gesproken: «ook Vorsten
kleven menschelijke zwakheden aan». En zeker, de liefde
bedekt ze. maar het gebed drijft ze weg en verandert
de zwakheid in kracht. En volken hebben het noodig,
want de diepste oorzaak van alle ellende is, dat men
God niet in erkentenis houdt. Och! of de geest des gebeds
over allen vaardig mocht worden, om U, om elkander
op te dragen, vragend van God alles, wat wij behoeven,
om onze roeping naar eisch te volvoeren. Gelukkig, drie-
werf gelukkig het land, het volk, de vorst, waar allen
saam voor God als Vader knielen en aan zijn dienst zich
ieder heeft gewijd; waar aller oog blijft op zijn wenken
staren en elke dag ons aan zijn voeten vindt.
Dan zult Gij, o Koningin, niet alleen hoog staan maar vast
staan, geworteld in de liefde uws volks, beschaduwd door
de liefde van God. En moest dan Gods hand in de diepte
ons leiden, dan nog zal het classieke woord, eenmaal de
lijfspreuk van den grooten Zwijger, ook onze ervaring
zijn: «saevis tranquillus in undis», gerust te midden van
de woedende baren. Gerust, omdat een Oranje den
scepter voert en het: «ce sera moi Nassau», nooit zal
vergeten; gerust, omdat het oude randschrift van onze
munt: «hac nitimur, hanc tuemur», de vrijheid be-
schermen en op Gods Woord steunen wij, aller zin en keus
-ocr page 44-
iO
is; gerust allermeest, omdat Hij, der Vaderen God, de
Rots van ons vertrouwen blijft.
Dat wachten we, dat vragen we, \'t is ons laatste woord,
onze hoogste bede tevens:
Wees Heer! der Koningin ten sterkte! Schenk Haar uw
gerechtigheid,
Geef Haar Koningskracht bij zwakheid — bij oprechtheid,
wijs beleid.
Voor geheel \'t Oranje stamhnis, voor gansch Nederland te saam,
Overstort haar Hoofd met zegen in de vreeze van uw Naam!
Die bede is daarboven gehoord. Zij worde zichtbaar
vervuld. Dat geve God. Amen.
KOORGEZANG.
Dankgebed.
NAZANG.
Psalm 118 : 1.
Laat ieder \'s Heeren goedheid loven,
Want goed is d\'Oppermajesteit!
Zijn goedheid gaat het al te boven;
Zijn goedheid duurt in eeuwigheid,
Laat Isrel nu Gods goedheid loven
En zeggen: roemt Gods Majesteit:
Zijn goedheid gaat het al te boven;
Zijn goedheid duurt in eeuwigheid!