-ocr page 1-
DE SYMBOLISCH» SCHRIFTEN
1\\ )ERLANDSCHE HERVORMDE KERK
IN Zl IYEREN KRITISCH BEWERKTEN TEKST
r\'AAB AAN<*liiU>I>Fj; TCT WSÏTTO UliliJUJK
boa;»
Dr. X. J. TAN TOOKENENKEUGEN
Uud-JlooyUera"*
*;, _ ,^tu- --
-". \'l\';r.. I : 8
TWrEDE , HERZIE,-!£ UITGAVE
OOiOQr- - -
t-
$1
TE UTRECHT BIJ
KEIMNK & .KOON
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
4jz.*-M
I.
DB SYMBOLISCHE SCHRIFTEN
DER
NEDERLANDSCHE HERVORMDE KERK
IN ZUIVEREN KRITISCH BEWERKTEN TEKST
HAAR AANGEBODEN TOT WETTIG OEBKÜ1K
-
Br. J. J. VAN TOüRENENBERGEN
Oud- Hoogleernar
i Tim. I : 8
TWEEDE, HERZIENE UITGAVE
.
,.- jUJireN
y
.,*>
>o*oo-------
V..
TE UTRECHT BIJ
KEMINK & ZOON
1895
RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
A06000019479686B
1947 9686
-ocr page 6-
-ocr page 7-
VOORBERICHT.
Het is de vervulling van een wensch, dien men mij zeker wel
ten goede zal houden, mijne kritische bearbeiding van de Symbo-
lische Schriften der Nederlandsdie Hervormde Kerk herzien, en dus
verbeterd en vermeerderd
, te mogen nalaten. Mocht ik de uitgave
van den zuiveren kerkelijk geldigen tekst onzer Formulieren in
1869,
vóór de verschijning van de bekende werken van Dr. Doedes, eene
dringende behoefte noemen: het blijft m. i. noodig dat hij in een
beknopt handboekje onder ieders bereik zij. Daarbij acht ik het
van blijvende waarde dat hier aan den voet der bladzijden in
historisch-kritische aanteekeningeu rekenscfuip gegeven wordt van al
de wijzigingen, die door de onderscheidene Synoden van
1566—1619
in de Geloofsbelijdenis zijn aangebracht, en tevens van de varianten
in den Catechismus-tekst, sedert zijne eerste uitgave in
1563.
Uit de geschiedenis van den tekst der Geloofsbelijdenis, en uit
die van den Catechismus evenzeer, blijkt dat het der Gereformeerde
Kerk steeds te doen is geweest om „de substantie fier leer" die zij
belijdt te bewaren en niet om de harvlhaving van de oudheid der
letter. Het is in het voetspoor der vaderen voortgaan wanneer wij
er rekening mede houden dal twee en eene It/üve eeuw lang iedere
opzettelijke offictéele „herziening\'\'\'\' van de Symbolische Schriften
onzer Kerk is achterwege gebleven. Daardoor is de betrekking der
Kerk tot hare Formulieren noogwendig gewijzigd. „Al de stukken
der leer in alles" te fiandhaven is zonder de vernieuwing van het
actueel verband tussclien de gemeente en die voor haar nooit onver-
schillig of onnoodig te achten oorkonden van hruir wezen als Her-
virrmde Kerk eenvoudig onmogelijk, en buiten dit verband is elke
wettelijk opgelegde verplichting voor den Protestant ondragelijk.
-ocr page 8-
VI
De aanwijzing van de gevolgen dezer gewijzigde betrekking tus-
schen de Kerk en hare Belijdenisschriften, -van welker erken-
ning en totpassing eene wezenlijke standhouding van de Belijdenis
afhankelijk is, h\'ejt behoord tot de taak, die ik in een vijftigjarigen
dienst als leeraar, immers in onafgebroken verband met de Kerk
mijner vaderen, steetls getracht heb te vervullen. Daarvan strekt de
arbeid, toaarvan dit handboekje de vrucht is, met andere geschriften
ten bewijze.
Dat dit mijn pogen is miskend getvorden van de zijde dergenen
die, waarschijnlijk met het oog op een rechtsgeding voor de burgerlijke
rechtbank, van geen gexoijzigde betrekking in dit opzicht mochten
hooren, behoort tot hetgeen ik in mijne lange kerkelijke loopbaan
verdrietelijks beleefd heb. Wat mij werd toegedicht, dat ik, van
herziening sprekende, niet veel anders bedoelde dan hetgeen de
wensch der oude Remonstranten tan vóór
1618 ivas, met hun
voorop gestelden eisch tot verandering in fundamenteele punten,
wil ik liefst trachten te vergeten, te eerder nu het mij vergund
wordt nog eens in de historische inleiding, die aan deze kritische
uitgave van de Symbolische Schriften voorafgaat, en ook met acht-
neming op zidke onware voorstelling is herzien, mijne bedoeling
te staven. Zij ivas, zooals ik mij in het Voorbericht bij den eersten
druk uitsprak, „langs historischen weg aan te toonen, dat het
Credo der Kerk door hen, die het in schrift brachten en wenschten
te bewaren, niet eenzelvig geacht is met de letter van het Formu-
lier, en dat dit Credo daaruit te voorsehijn treedt tot een voort-
durend wettig en evangelisch gebruik, zoodra men die gedenk-
waardige oorkonden, in plaats van ze als partijvlag te misbruiken,
in het licht der geschiedenis ten licht stelt voor allen, die in het
huis zijn."
Amsterdam, 17 November 1894.                        J. J. v. T.
(50 Jaren na den dag
mijner inzegening ais
Evangeliedienaar )
-ocr page 9-
DE CONFESSIONEELE PRAKTIJK
IN DE
NEDERLANDSCHE HERVORMDE KERK
1561—ïeiO
-ocr page 10-
-ocr page 11-
De belijdenis der Evangelie-waarheid is de harteslag van
het kerkelijk leven en blijft voor de Kerk ten einde toe de
voorwaarde van haar bestaan. De stonde van de stichting
der Hervormde Kerk in Nederland valt dan ook samen met
het ontstaan van hare Symbolen of Geloofsleitzen, die in wél
verstaanbare schrift de uitdrukking bevatten van het ge-
meenschappelijk geloof, waarin men zich tot ééne Kerkge-
meenschap verbond. Die Symbolische. Schriften of Formn-
lieren van eenigheid,
gelijk men ze later naar het voorbeeld
der- Luthersche zusterkerk noemde, moeten nog altijd uit-
wijzen of wij kinderen van het kerkelijk huisgezin zijn.
Nooit heeft men nog die eerwaardige oorkonden kunnen ter
zijde stellen, waar het deze vraag gold. Immers de kunst,
waarmede men menigmaal óf haar zin heeft getracht te
verwringen, óf zich tegen haar wettig gebruik te verbergen
of te verweeren, is wel liet klaarste bewijs dat zij op dit
punt eene stem hebben, die niet te smoren is.
Men heeft evenwel, zelfs niet enkel van den tegenstander,
zoo dikwijls de exceptie van niet-ontvankelijkheid hooren
opwerpen tegen den eisch tot het doen gelden van de Sym-
bolische Schriften, op grond van hare onbruikbaarheid wegens
het tijd- en tijverloop sedert haar ontstaan en invoering,
dat de vraag bij elke poging tot kerkelijke werkzaamheid
op den grondslag der Belijdenis pleegt gedaan te worden:
hoe zijn de oorkonden van ons kerkelijk bestaan nu nog
te gebruiken?
Wanneer ik tot de beantwoording van die vraag eene
behulpzame hand bied, dan bedoel ik niet in de eerste
plaats hetgeen men gewoonlijk onder de „handhaving der
Formulieren" verstaat Het kan mijn doel niet zijn, lessen
-ocr page 12-
X
te geven voor eene kerkelijke rechtspraak, of het mocht
misschien de herinnering wezen aan het eerste en het laatste
artikel van de wet des geestes dos levens van Christus,
die iin de Kerk heerschappij voeren moet, waarbij bepaald
is dat \'s Heeren discipelen zich niet mogen laten brengen
onder de heerschappij der letter van Formulier of Reglement
Be vraag, tot welker beantwoording ik eene historische
bijdrage lever, is deze: hoe hebben wij de Belijdenisschriften
onzer Kerk te gebruiken als leuzen van samenwerking ook
voor dezen \'tijd, en tot aanwijzing van hetgeen in de Kerk
nog altijd gehandhaafd worden moet? Het antwoord op
deze vraag wordt met recht gevorderd van hen, die ge-
noegzaam den moed . van hunne overtuiging hadden, om
voor vriend en vijand uit te spreken, dat niet de geheele
Symbolische Schrift als zoodanig de blijvende belijdenis der
Kerk kan zijn, en die niet minder beslist, met die oorkon-
den van het nanzijn en het wezen der Kerk in de hand,
aandrongen op de handhaving van hetgeen de Kerk niet
verzaken kan zonder zich zelve te dooden, en de geloovige
niet verzaken mag, omdat het leven dor ziel daaraan hangt.
Geven de Symbolische Schriften der Gereformeerde Kerk
tot deze onderscheiding recht en zijn zij daarop ingericht?
Daarvan hangt het af, of zij nog bruikbaar zijn te achten
in het leven en den strijd der Kerk. Want die ons de
Belijdenisschriften zou willen voorleggen als den Codex,
naar welks letter de geloofsrechter heeft te oordeelen, hij
zou een onzinnig werk doen, dat vooraf geslagen zou wezen
met den ban van eene volstrekte onmogelijkheid en „on-
prorijtehjkheid" (Hebr. VII : 18). Wel nu, hij zou zich
ook niet kunnen streelcn met den reuk der rechtzinnigheid.
Onze Gereformeerde Symbolen zijn met die bestemming niet
geboren. Uit vooral wenschen wij aan te toonen, door eene
korte uiteenzetting van hetgeen de geschiedenis van het ont-
staan en de vroegste bewaring en handhaving oan onze For-
mulieren leert omtrent hun wettig en naar de echte kerkelijke
beginselen ingericht gebruik.
-ocr page 13-
XI
Drie punten wensch ik in hut licht te stellen:
1.     het ontstaan van de Symbolische Schriften;
2.     de wijze hoe men met den tekst dier Schriften heeft
gehandeld gedurende het eerste tijdperk van het bestaan
der Kerk;
3.     wat oorspronkelijk als het eigenlijk verbindende in
die Schriften werd aangemerkt.
1. Langs anderen weg dan in de Luthersche Kerk zijn
de meeste Geloofsbelijdenissen van de Gereformeerde Kerk
ontstaan. De Augustana en de Formula Concordia, die
ginds als de hoofdsymbolen gelden, zijn op vorstelijk bevel
door de Theologanten vervaardigd en aanstonds met het
gezag der Wet bekleed. De opperste Bisschop, de Land-
heer, wiens godsdienst ook de godsdienst van het land
moest zijn, heeft ze ingevoerd, en de handhaving van die
oorkonden der dus aangenomen kerkleer geschiedde als van
de Kerkwet des Lands met vorstelijk gezag l). De onder-
danen mochten de Wet niet veranderen. Aan de Gerefor-
meerde Kerk heeft het vooral ten goede medegewerkt, dat
zij of door hare geboorte in den schoot eener republikeinsche
staatsinrichting bij vrijwillige volkskeuze haar geloof belijden
mocht, of ook dat, zoo als in Frankrijk en in de Neder-
landen, de machthebbers dezer eeuw haar de belijdenis van
haar geloof niet oplegden, maar ontpersten met het zwaard
der vervolging. Daardoor zijn hare Confessiën en Symbo-
lische Schriften oorspronkelijk bovenal pj^fsssMu of persoon-
lijke verklaringen van de geloofsovertuiging der belijders,
of waar zij, als in Zwitserland, met medewerking van de
1) Zie W. Broes, Kerk en Staat, III, bl. 40, vgg. — Dit was ook het
leidend begiusel vati de kerkvisitatie van 1527 In Keur-Saksen. Het beginsel,
daarbij gevolgd, was ook de leer vau de Remonstranten (H. Orotius, De
imperia xummarutn potestatum circa sac-ra),
van Hohbes (Mementa philos.
de Cive;
— Leviathan) en ook van Spinoza (Tract. Theol. polit.)
-ocr page 14-
XTI
Overheid tot stand kwamen, daar was het toch de macht
des volks, door de stem der gemeente geleid, die zich dus
deed gelden. Er was geen hooger lastgeving en geen andere
band dan die gelegen was in de gehoorzaamheid aan God
en zijn Woord.
In de gemeente, die zich in de zestiende eeuw in Neder-
land van Rome scheidde, was een machtige invloed van
buiten van groote beteekenis, te weten van de Geneefsche
Kerk door middel van de leerlingen van Kalvijn en Beza,
die, gelijk in Frankrijk, zoo ook in de zuidelijke Neder-
landen als leeraren optraden, nadat zij te Genève hunne
opleiding hadden ontvangen \'). Op de oude Synoden was
vaak het geval wat van de te Tournay (a la Palme) in 1568
vergaderde staat opgeteekend, dat zij besloot „qu\'on suivrait
Ie conseil de ceux de Genève."
Bij het opstellen van hare
Belijdenis volgden de voorgangers der gemeente het voor-
beeld van de Gereformeerde Kerk in Frankrijk, met het
kennelijk streven om een weerklank te geven op hetgeen
daar beleden werd. Doch wanneer men den raad of het
voorbeeld van elders volgde, dan was het naar eigen over-
tuiging, gelijk in de wijze te zien is waarop men het deed.
Men gaf toch inderdaad eene eigene, eene Xederlandsche
Belijdenis. Waarom? Blijkbaar omdat in de Fransehe Belij-
denis, die in het jaar 1559 op de Parijsche Synode was aan-
genoineu, niet genoeg de wangevoelens der Wederdoopers
werden wederlegd, waaraan hier meer dan in Frankrijk
behoefte bestond. Het was een zelfstandig volgen bij deze
belijders, een voldoen allereerst en allermeest aan den drang
des harten en ook aan den nooddwang der behoefte aan
zelfverdediging tegen de bestrijding van hun geloof.
Ziedaar de oorsprong van de Nederlandsche Geloofsbelij-
denis. Zij was eene professie en eene apolojw, „faicte d\'un
1) Hoevelen uit de Nederlanden te Genève theologisch onderwijs gfnoten
hebben kau door ieder worden uagezien, sedert in 1800 werd uitgegeven:
Le livre du Mectew. Catalogue des Etudianis de l\'Acail. de Oenene de
1&5S -1SÓ9. Genene, J. O. Fiek.
-ocr page 15-
xin
commun accord par les fidèles qui conversent ès pays-bas,
lesquels desirent vivre selon la purefcé de 1\'Evangile de
nostre Seigneur Jésus ühiïst" \').
Hetzelfde karakter vertoont de alleroudste belijdenis onzer
Nederlandsche Gereformeerden, welke door a Lasco in 1550
of 51 aan Koning Eduard VI, in Engeland, waar zij als vreem-
delingen vertoefden, was aangeboden. „Het moet," schreef
Lasky aan den Koning, „aan allen openbaar worden, en
geen der vijanden zelfs zal liet kunnen ontkennen, dat de
ware Kerk van Christus hier door ons op uw gezag wordt
ingericht, omdat het blijkt dat wij haar op geen anderen
grond verzamelen, in stand houden en besturen dan op
die geloofsleer en hare openlijke belijdenis (professione), die
de Heere Christus zelf als den eenigen grondslag van ge-
heel zijne Kerk voor alle tijden heeft toegezegd." Op den
dus beleden geloofsgrond wilde men zich met gelijkgezinde
broeders vrijwillig vereenigen. Aan het slot toch der oude
Londensche belijdenis lezen wij: „Dit kort begryp deser
leeringhe hebben wij willen laten uitgaan, opdat alle deghene,
die haer willen voeghen tot der ghemeynten, versekert
wesen moghen, datse niet door eenighe menschelicke leeringhe,
maar bij de stemme Gods, door de Enghelen, Propheten
en Apostelen voortghebracht, tot der warachtigher kennisse
Gods ende Christi, ende oock tot den eeuwighen leven
vergadert en wtgheroepen werden" ).
Het was ook in Nederland de samenvloeiende gemeente,
die haar geloof vond uitgedrukt in de Geloofsbelijdenis,
welke door Guido de Bray aan den Koning van Spanje
en de Overheden in de Nederlanden werd voorgehouden.
Daarvoor erkend en aangenomen, werd zij als een algemeen
gevolgde standaart, als het Symbo\'um, het Parool der
strijdende en lijdende gemeente^ waaraan men elkander
en bepaaldelijk de leidslieden der gemeente herkennen zou,
in de eerste Synoden gebracht, waar b. v. reeds te Armen-
1)  Titel van 1561.
2)  Joh. a Lasco, Opera; ed. A. Kuyper, II, p. 290, 335.
-ocr page 16-
xtv
tières in 1568 werd bepaald, „que les Anciens et üiacres
signeront la Confession de Foy", hetwelk van de Neder-
landsche Geloofsbelijdenis moet vershaan worden \').
Opmerkelijk is vooral de betrekking van de Nederlandsche
en de Fransche Geloofsbelijdenis \') onderling, die immers in
1)   Hare oudste geschiedenis is uit de bronnen uu eerst goed besohreven
geworden door Dr. L. A. van Langeraad in zijn akademisch proefschrift:
Guido de Bray, zijn lenen en werken (1884). Daar verneemt men o. a. hoe
de Bray voor de Belijdenis en het beroep daarmede op den Koning audiëntie
zocht door het werpen over den buitenmuur van het kasteel te Doornik van
een pakket, waarin het kleiue boeksken geborgen was, met een bezwaarschrift
naar aanleiding van scherpe vervolging van „de ketters" in de stad Wat
men van bepaalde voorafgaande medewerking aan- en goedkeuring vau de
Confessie door Godgeleerden en Edelen heeft verhaald, berust meestal op een
verhaal van Mart. Schoock in de Voorrede voor zijn boek: De bonis ecclesi-
asticis.
Wat hij opgaf, als ontleend aan zekere (certa) maar ongeuoemde
documenten, is door Dr. van Langeraad op den keper beschouwd en daarbij
is gebleken, „dat de berichten van Schoock en ïhysius hieraan hun ontstaan
te danken hebben, dat men op de eerste verschijning van de Confessie ver-
halen heeft toegepast, die er in geen verband mede staan." Voorts „dat de
woorden" (op den titel): „faicte d\'un commuu aecord par les fideles, qui
conversent ès pays-bas" geen betrekking hebben op de „voorafgaande goed-
keuring van een groot aantal predikanten, wier instemming zou kunnen be-
schouwd worden als door hen voor het volk gedaan, maar dat zij alleen
beteekenen, dat de Bray wist in de 37 Artikelen de geloofsovertuiging uit te
spreken van zijne aanhangers te Doornik en elders in deze landen."
2)  Zie omtrent den oorsprong der Fransche Geloofsbelijdenis: Joa. Calvini
Opera, Tom. IX, in Corp. Reformatorum, Tom. XXXVII (Brunsv. 1870),
in de Prolegomena, p. LX, seq., conf. p. LV seq., en voorts p 721, seq.,
en p. 739, seq. — Hierop wees Dr. J. I. Doedes in de Stemmen voor Waarh.
en Vrede,
1880, bl. 61a, vgg. — Het heeft tot op de verschijning van het
hier aangehaalde deel van de Opera Calvini in het Corpus Reformatorum
als ontwijfelbaar gegolden dat de Confessio Gallicana uit den boezem der
Parijsche Synode van 1559 — hoe dan ook — is voortgekomen. Maar nu is
gebleken dat door die Synode slechts „een en ander U toegevoegd en zeer
weinig veranderd" aan een Concept, door Kalviju aan haar gezonden, uit
XXXV artikelen bestaande, dat op zijne beurt eene uitbreidende bewerking
was van eene Geloofsbelijdenis, door de gemeente te Parijs in 1557 aan Koning
Hendrik II aangeboden, naar aanleiding van de vervolging, die zij in dit
laatstgenoemde jaar te lijden had. Deze Parijsche belijdenis, waaraan Kalvijn
reeds dadelijk toen zij hem werd medegedeeld de hand gelegd had tot hare
vervollediging, vindt men in de Lettres de Calvin (T. II, p. lal), uitgegeven
door Jules Bonnet in 1854. — In de dus tot stand gekomen Confessio Gal-
lioana
moet niet voorbijgezien worden de in de Opera Calvini {Corp. Sef.
-ocr page 17-
XV
den gemeenschappelijken inhoud, waar hot do hoofdzaken
t. w. den inhoud van het Evangelie geldt gelegen is Blijk-
baar heeft de Bray de Fransche Confessie op den voet gevolgd
en nagevolgd, en naar het schijnt is zijn opstel later weder-
keerig ter uitbreiding van zjjn model ten voorbeeld genomen.
Wegens die innerlijke betrekking mochten de beide Confes-
siën als eene en dezelfde worden aangemerkt. Dit_ is in
het Convent te Wesel werkelijk geschied. De oude Gerefor-
meerden reikten elkander op den inhoud der gezamenlijke
belijdenis de hand, terwijl men het gemeenschappelijk ge-
loof uitsprak. Niet om het uitwerken van dogmatische stel-
lingen, maar om het Credo, de substantie der leer die
men beleed, was het te doen. De gemeente, op den Neder-
landschen grond geboren, had in Engeland getuigd van haar
geloof naar de behoefte van tijd en plaats, kennelijk met
de zucht, waarmede a Lasco haar bezielde, om geen partij
te kiezen in den strijd tusschen Luther en Kalvijn. Tien
jaren later getuigde zij in de Nederlanden, onder den in-
vloed van Kalvijn, met het doel om wel onderscheiden te
worden van de opkomende sekten en ook van de volgers
van Luther. Hare belijdenis is geen wet, die haar gesteld, l
maar integendeel eene overtuiging, die door haar uitge- »
sproken werd, en deze belijdenis vormde welhaast de banier
voor de gelijkgezinden, die zij handhaafden ten bloede toe.
Zij was inderdaad FormuUervaneendracht bij haar ontstaan,
vóórdat zij Formulier van eenigheid in de Kerkorde werd.
1. 1. p. 739—751) aangewezen overeenkomst met de Confesriou des Escholiert
(cl. i. Belijdenis der Akademiebiirgors, t. w. ia den ruiinsten zin : Professores,
Magistri et auditores publici), door Kalvyn opgesteld bij de stichting der
Akademie van Genevc in 1559. — Opmerkelijk is het streieu van Kalvijn naar
eenheid in de Belijdenis der Kerkeu, hetwelk ouder de redenen mag gerekend
worden, waarom hij zoo weinig ingenomen was met den ijver om eigen Geloofs-
belijdenissen openbaar te maken. Hoe het gekomen is dat als auteur van de
Gallicaim heeft kunnen genoemd worden de edelman en prediker Antoine de
Chandieu, v>o»dt verk\'nard uit het aandeel dat deze gehad heeft én aan de
Parijsche Geloofsbelijdenis vau 1557 én aan het tot stand komen van de Sy-
uode der Fransche gemeenten in 1559. Zie de Bistoire des JSglises réfor-
mees de France
(aan Beza toegeschreven) ï. I, p. 172, suiv.
-ocr page 18-
XVI
Tiet was een kritieke tijd, en dus ging men zeer critisch
te werk bij de onderteekening van de Belijdenis. Ja, wij
kunnen wel zeker zijn, dat men haren tekst goed verstond vóór
en aleer men er den hals voor wagen ging. Jac. Triglaud heeft
dit aan Uytenbogaert eens doen opmerken, toen hij schreef:
„Meent de historieschrijver dat die alle dage gaen in het
peryckel van haer leven, en dat om hares gelooves wille,
haer soo souden laten blinthocken, of soo los over hare
belijdenisse henen loopen, ende haer geloof, na de Paepsche
wijse, op het goed credyt van anderen aannemen ?" l) Later
tijd, toen men met den naam van confessioneel-rechtzinnig
lof en voordeel behalen kon, was voor de critiek niet half
zoo gunstig.
Doch ik mag nog niet van de confessioneele critiek der
vaderen spreken. Eerst slaan wij een blik op het ontstaan
van den Heidelbergschen Catechismus.
Dit kleinood onzer Kerk leeft in alle harten, die „gere-
formeerd zijn naar Joh. 3," zoo als Frederik de Vrome
placht te spreken, en het leefde vóór dat het geschreven
was in het hart van den Vorst, die het aan zijn land en
aan de Gereformeerde Kerk van alle landen schonk. Dit
is het wat aan onze Symbolische Schriften nog altijd kracht
en gezag geeft, dat zij leven in de harten vóór en na.
Bestond er geene Gereformeerde gezindheid meer, dan had-
den die Symbolen geen ander gezag of beteekenis meer,
dan dat zij getuigden tegen den naam, dien eene ontaarde
gemeenschap er van mocht willen ontleenen.
Algemeen is de mannelijke belijdenis bekend, welke.de
Keurvorst van de Paltz in 1566 op den Rijksdag te Augs-
burg heeft afgelegd met zijnen Catechismus vóór zich, maar
minder bekend is zeker een pas aan het licht gekomen
brief van zijne hand aan zijn schoonzoon, Johan Frederik
van Saksen-Gotha, den Lutherschcn ijveraar uit de dagen
1) J. Trigland, k\'erkel. Geschiedenissen, f° 102.
-ocr page 19-
XVII
toen men nog pas bezig was den Catechismus in schrift
te brengen (10 Juni 1562). Daarin schreef de Keurvorst,
nadat hij zich had verdedigd wegens zijne toegefelijkheid
in een geschil over eene erfenis met Hertog Wolfgang
van Tweebrugge: „Wat nu het eeuwige en alzoo het heil
mijner ziel belangt, ik dank mijnen lieven God, dat Hij mij
heeft leeren bidden, en wel het heilige Onze Vader. Welnu,
wanneer ik spreek: Vader onze, of Onze Vader, die in de
hemelen zijt! dan geloof en weet ik zeker, dat ik zijn kind
ben Omdat ik dan zijn kind ben, zoo ben ik ook een
broeder van Gods Zoon, onzen Heer en Heiland Jezus
Christus, en alzoo zijn medeërfgenaam van alle die geeste-
hjke goederen, die Hij allen zijnen geloovigen door zijne
menschwording, lijden, sterven, opstaan en hemelvaart in
zijn Koninkrijk, dat geestelijk is met alles wat daartoe be-
hoort, verworven heeft. Deze kan mij geen duivel, hel,
wereld of eenig mensch ontnemen; ik ben er zoo zeker van
door het geloof, als had ik ze in mijne hand. Laat mij
dit zijn tot een recht fondament, gelegd op den hoeksteen
Jezus Christus, waarvan Paulus zegt 1 Kor. 3: „Niemand
kan een ander fondament leggen dan hetgeen gelegd is,
Jezus Christus.
„Nu mag U. L. laten aankomen duivel, dood, hel en
wereld, met hun aanhang; ofschoon zij de tanden laten
zien, mij zuur aanzien, woeden, razen en pochen, zij heb-
ben niets aan mij, zoo min als aan mijn Heer en Hoofd
Christus, wins arm lid ik ben. Ja zij kunnen mij allen te
zamen zonder den wil mijns Vaders het kleinste haar niet
kreuken, zij mogen doen wat zij willen, al nemen zij mij
het tijdelijk goed, waar ik toch niet veel om geef, en het
tijdelijk leven, voor zoo ver hun dit door mijnen lieven
Vader mocht worden toegelaten. Zij helpen mij zoo toch
tegen hun wil en dank in het vaderland, waar ik, sedert
ik van nieuws geboren ben, naar Joh. 3, dagelijks naar
verlang, daar ook mijne ziel dan zal rusten, tot op den
dag dat het lichaam weder opstaan zal en ziel en lichaam
v. ï. Symb. Schr. 2e dr.                                                             n
-ocr page 20-
XVIII
weder vereenigd worden, om niet al de uitverkorenen eeuwig
te leven en te bezitten die goederen, waarvan ik zoo even
sprak. Dit is mijn geloof, troost en vreugde, waarbij ik
met blijdschap het Te Deum laudanus kan zingen. Ontbreekt
mij nu nog iets, zoo vaar ik in het gebed voort en bidde
God den "Vader om zijnen Heiligen Geest, en dat van
wege zijnen lieven Zoon onzen Heer Jezus Christus, en ik
ben in het geloof volkomen verzekerd en gewis, zoo als
mij mijn Heiland beloofd heeft, dat wanneer ik den Vader
in zijnen naam, en inzonderheid wanneer ik om den H.
Geest bid, ik zal verhoord worden. — Nu zegge mij IJ. L.
of ik hierin verkeerd geloof en of ik dit geloof van eenen
mijner raden of predikers heb geleerd, dan wel van mijnen
lieven Vader in den hemel, en of ik niet een fondament
heb, tegen hetwelk de poorten der hel niets vermogen.
„Dat IJ. L. echter in uw schrijven over Joh. 6 met mij
disputeert, in de meening mijn argument, in mijn vorig
schrijven aangevoerd, om te stooten, en dat gij mij be-
schuldigt als maakte ik God tot een leugenaar (waarvoor
God mij behoede), omdat ik niet wil toegeven, dat men
het lichaam en het bloed van Christus lichamelijk met den
mond, maar geestelijk ontvangt: — ik weet wel, dat die
de woorden van Christus niet voor zeker en recht en waar-
achtig houden wil God tot een leugenaar maakt. Maar dat
ik dit doe, daarvan ben ik God dank! nog niet overtuigd. —
Ik vind bij het vlijtig nalezen van de vier Evangelisten en
den Apostel Paulus, waar zij van dezen handel schrijven,
niets van een lichamelijk eten of drinken van het lichaam
en het bloed van Christus met den mond" \').
Is het niet, als hooren wij hier uit den mond van den
1) A. Kluckhohn, Brie/e Friedrich des Frommen. Kurfiirsten von der
F/alz, mi/ vertvamtten Schriftstiicken,
I, S. 310, fgg. — Dat de Keurvorst
in den inhoud en de inrichting vau den Catechismus te huis was blijkt o. a.
uit een brief, door diezelfde hand medegedeeld als bijlage in eene verhande-
ling tot beantwoording Tan de vraag: Wie ist Ktirfiirst Friedriclt III von
der F/ah Calvinist geworden.
In Jalirl. der kist. classe der K. (Bayerteheri)
Akad. der Witsenschaften.
1866.
-ocr page 21-
XIX
Keurvorst den Catechismus spreken? Inderdaad hij spreekt,
want zijn inhoud leefde in den kring, waarin hij ontstond,
toen die geloofsinhoud ontwikkeld en uitgedrukt werd in
de Vragen en Antwoorden, om „des christens eenigeu
troost in leven en sterven" te ontvouwen. Dit is de voor-
waarde, waarop een Catechismus alleen een symbolisch
karakter verkrijgen kan, dat hij eerst van binnen geleerd
zij vóór dat men hem aan een opkomend geslacht van
buiten laat leeven.
De oorsprong van het voortreffelijk Heidelbergsch leer-
boek is in den laatsten tijd met nauwkeurigheid in het
licht gesteld \'). De Keurvorst Prederik III had „bevonden," -
zoo schrijft hij, „dat in zijn vorstendom eene groote onge-
lijkheid en onrichtigheid in catechetische geschriften plaats
had en dat er aan menige plaats in het geheel geen ge-
bruikt werd," en dit deed hem aan Zacharias Ursinus,
Hoogleeraar te Heidelberg, en aan Caspar Olevianus, Pre-
dikant aldaar, de taak opdragen een leerboek te vervaar-
digen, „dat zoowel voor de jeugd, als voor de kerkdiena-
ren" dienen moest. Ursinus leverde in de latijnsche taal
een opstel, dat de grondstof voor het leerboek bevatte, en
een ander, dat als voorbeeld dienen kon. Olevianus arbeidde
met het oog op deze opstellen en leverde in de Hoogduitsche
taal het voortreffelijk werk, dat de eer heeft het algemeen
symbool der Gereformeerde Kerk te zijn, bekend en ge-
bruikt zoowel in de hooglanden van Schotland, als in de
dalen van Rhetië 2). Het blijkt niet slechts uit de andere
1)  Zie vooral K. Sudholl\', C. Olevianus und Z. Ursinus Leben und aus-
gewahlte Schriften,
1S57, S. 88, Hg.; J. I. Doedes, de Heidelb. Catech. in
zijne eerste levensjaren,
1867, bl. 17, vgg. Later verschenen de reeds aan-
gehaalde Brief e Friedrich d. Fr., in 1868, die veel belangrijks bevatteu voor
de geschiedenis van den Catechismus. Maar inzonderheid moet vermeld wor-
den voor zijne „wordingsgeschiedenis" het in 1890 verschenen werk van Dr.
M. A. Gooszeu: De Heidelbergsche Catechismus, Textus receptus met toe-
lichtende teksten,
en niet minder het in 1892 uitgegeven vervolg daarop: De
Heidelbergsche Catechismus en het boekje van de Breking des broods in het
• aar
1503—64 bestreden en verdedigd.
2)  Zie de belangrijke mededeelingeu van Dr. Doedes in zijne Merkwaardig-
II*
-ocr page 22-
XX
werken van Olevianus, maar ook uit de groote overeen-
stemming tusschen de zegswijze van den Catechismus en
die van den Keurvorst zelven, dat deze leeraar, aan wien
Frederik zoo nauw verbonden was, de eigenlijke redactqr
van den Catechismus geweest is. Het opstel, door den
Keurvorst met instemming ontvangen, werd door hem in
het begin van 1563 aan „eene vergadering van al de
Superintendenten, voornaamste Kerkedienaren en ïheolo-
ganten van de Paltz" medegedeeld, die het met de andere
opstellen „vergeleken" en daarna onderschreven l). Zoo
verscheen de Catechismus in Februari 1563 in druk en
werd aanstonds in des Keurvorsten landen ingevoerd, ook
in de Nederlandsche gemeenten, zoo als blijkt uit de Kerk-
orde en uit de Nederlandsche vertaling van den Catechismus,
in dat jaar te Heidelberg gepubliceerd. In hetzelfde jaar
werd hij, blijkens de oudste Emdensche uitgave, reeds naar
Nederland gebracht in de Nederlandsche taal.
Wij behoeven dus in de geschiedenis der wording van den
Catechismus het gezag van den Keurvorst, niet te miskennen
als een hoofd-factor van zijn ontstaan, om te doen uitkomen
hoe dat leerboek, als uit den schoot der Paltzische Kerk
geboren is en uit haren ijver in het belijden der geloofs-
overtuiging, die in de Paltz, in Zwitserland en in Neder-
land leefde, en dat zij dus het karakter der Gereformeerde
belijdenisschriften duidelijk vertoont.
Vooral is het der moeite waardig na te gaan, hoe dat
leerboek Belijdenisschrift geworden is in onze Nederland-
sche Kerk.
Het was door de overeenstemming, die bestond tusschen
de Hervormden hier te lande en die van de Paltz. Dit
wordt geheel miskend door Ypey en Dermout, als zij ons
heden uit den oude-boehen-schat, in de Godgel. Bijdr. van 1869, Ce stuk.
(De Engadijnsche vertaling van den Meid. Cal.).
I) Keurv. Frederik aan Johan Frederik dei; Middelste, bij Kluekhohn,
8. 390. Verg. eene M. S. aanteekeuing bij O. Thelemann, Handreiehung
zihii HM. Katechismns, 8.
570, aangehaald door Dr. (Joossmi, I, bl. 23.
-ocr page 23-
xxr
verhalen \'): „Door het landsheerlijk bevel werd hij dadelijk
door Datheen vertaald en te Emden uitgegeven. En toen
nu in 1566 in de Nederlanden de Hervormde kerk gesticht
werd, werd de psalmberijming van Datheen hier ingevoerd,
en dus ook de Catechismus." Men wist toen niet beter.
De vertaling van den Catechismus, te Emden in 1563
verschonen, is niet van Datheen. De Paltzische Kerkorde,
in het Nederlandsch eerst in 1560 uitgegeven, bevat mede
eene vertaling van den Catechismus, die insgelijks niet door
Datheen is vervaardigd ~). En, wat het voornaamste is,
de Hervormde Kerk is hier te lande niet gesticht in 1566.
Neen, de Hervormde Kerk is hier te lande gesticht, wan-
neer meent gij ? in 1528, toen het eerste martelaarsbloed
stroomde? of in 1561 , toen de Geloofsbelijdenis in het licht
verscheen? of in 1568, toen het Convent te Wesel sameii-
kwani ? of in 1578, toen de eerste Nationale Synode op
den Nederlandschen grond werd gehouden? — het was
niet in 1566. De Psalmberijming van Datheen is zeker
oen krachtig middel geweest tot bevordering van het ge-
bruik van den Catechismus, maar deze is niet met de
Psalmberijming ingevoerd. Hij is hier veeleer ingehaald.
Te Heidelberg en Emden werd hij in het Nederlandsch
uitgegeven in het jaar van zijne invoering in de Paltz. De
tweede Einder uitgave is schier te gelijk met de Psalmen van
\'Datheen verschenen, en reeds in het volgend jaar (1567)
werd hij te Deventer gedrukt: ook deze uitgave is geene
bloote reproductie van het werk van Üatheen. De Hoog-
leeraar Doedes leidt uit deze door hem aan het licht gebrachte
oudste geschiedenis van onzen Catechismus dit gevolg af,
„dat hij met eenige graagte ontvangen werd" 3): ik zou
liever zeggen: met honger. Ja, met honger en dorst naar
„den eenigen Troost." Ziedaar de grondslag van het gezag,
dat de Catechismus heeft in onze Kerk. Als kerkelijke
Ij Geschiedenis der Xed. //«re. Kurk, t, bl. 459.
2)  Zie IJoedcs, t. a. p.
3)  T. 8. p. bl. 115.
-ocr page 24-
XXII
Belijdenisschrift is hij eerst aangenomen nadat hij jaren
lang als leerboek was gebruikt, op aanbeveling van de ver-
gadering te "Wesel (1568) en van de Synode te Emden
(1571), en kerkelijk ingevoerd van provincie tot provincie >),
en voor de geheele Kerk door de Synode van Dordrecht
in 1619. Dus is de Catechismus evenmin als de Geloofs-
belijdenis van boven opgelegd, maar in de vaderlandsche
gemeenten ingehaald, „niet met dwang, maar gewilliglijk."
De Leerregelen der Synode van Dordrecht hebben uit den
aard der zaak eene geheel andere geschiedenis. Zij kunnen
niet op eenen zoo ouden, zoo echt confessioneelen adel
bogen; zij staan ook naar hun aart en oorsprong niet op
dezelfde lijn met de Confessie en den Catechismus, maar
behooren tot eene tweede klasse van Formulieren, die wij
van de eerste, de eigenlijk symbolische reeks moeten onder-
scheiden \'-). De oude kerkelijke praktijk leert ons dit reeds,
volgens welke zij niet in de gewone kerkbijbels als geloofs-
leuze der gemeente aan vriend en vijand werden uitgereikt.
Die merkwaardige leerregelen hebben als theologisch betoog
niet slechts een tijdelijk, maar ook een schoolsch karakter.
Daarom behooren zij tot de Symbolische «zóxpuCpx, en
moeten als een bijzonder deel van het Corpus doctrinae
worden aangemerkt. Als wapen tegen sommige vijanden
gekeerd, kan het niet voor alle vrienden even goed als
band van gemeenschap dienen. De Dordrechtsche Synode
zelve heeft deze leerbepalingen dan ook niet anders willen
beschouwd hebben dan als eene „breede verklaring van de
leer der Kerk over de vijf verschilpunten, die in de 17e
eeuw tusschen haar en de toenmalige Remonstranten aan
1)   In Groningen en Ommelanden in 1595; in Z. Holland 1601; in Drenthe
1602; in N. Holland 1608; in Zeeland 1610; in Gelderland 1610; in Fries-
land 1610
2)   Iu deze klasse behooren bij ons, wederom naar hun aart en oorsprong
op hun eigene ondergesnhikte plaats, de Vijf Artikelen, opgesteld door de
Classis- van Walcheren
(1693), aangemerkt te worden. Bij de Zwitsersche
kerken: de Consensus Tigurinus (15-19—1554) en de Consensus Oenevensis (1552).
-ocr page 25-
XXIII
de orde waren" \')• Het is daarom met de bedoeling van
de vaderen weinig strookende, wanneer sommige moderne
orthodoxisten de tegenstellingen, in de Canones voorko-
mende, nu nog voetstoots willen gebruiken tegen hetgeen
buiten verband met de Arminiaansche grondstelling van den
vrijen wil geloerd wordt. Toen de Gereformeerde Vaderen
in 1619 de Remonstranten naar behooren hebben weder-
sproken uit het van weerskanten gekozen gezichtspunt aan
de bovennatuurlijke zijde van de strijdvraag omtrent den
diepsten grond van des zondaars behoudenis, hebben zij
zich niet ingebeeld, daarmede het laatste woord over het
verband tusschen \'s menschen zedelijke vrijheid en Gods
souvereiniteit te hebben gezegd 3).
Het moet erkend worden, dat het gebruik, van onze
Symbolen gemaakt, iu sommige opzichten tot misbruik is
overgegaan.
2. De bewaring van den tekst der Symbolische Schriften
gedurende het tijdperk van hun ontstaan, dat is van 1561 —
1619, verdient in de tweede plaats al onze aandacht. Wij
hebben hierbij — het spreekt van zelf — alleen het oog
op de Geloofsbelijdenis en den Catechismus.
De tekst der Symbolische boeken moest met zorg be-
waard worden. Onnut is de leus, die onduidelijk is, even
1)   Zie liet Requeat dei- Synode aau de Stateu-Generaal, vastgesteld iu de
17Je Sessie (ju de PosUacta). Omtrent de Leerregelen is het oordeel van
Ypey en Dennout juist en billijk: „Die nader opgehelderde punten der leer
werden iu de algemeene Synode te Dordrecht vastgesteld, niet als een uieuw,
afzonderlijk, symbolisch geschrift, maar al» een aanhangsel van de Geloofs-
belijdenis en van den Catechismus, hetwelk alleen geschikt ware om sommige
artikelen, in die beiden wel vervat, maar niet duidelijk genoeg voorgesteld,
breeder te verklaren eu daaromtrent eeue meer duidelijke bepaling te inaken"
(Ii *&*)•
2)   Dit is tereeht onderscheiden door wijlen Dr. D Uliantcpte de la Saus-
saye, iu zijn Openbaren brie/ aan den Uooijl Scholten, Ernst eu Vrede, I,
bl. 264.
-ocr page 26-
XXIV
als de bazuin, die een onzeker geluid geeft. Onze Kerk
heeft dan ook van ouds den tekst der Geloofsbelijdenis,
die het eerst en het meest in aanmerking kwam, in wezen
gehouden, niet door hem te kristalliseeren, maar door hem
behoorlijk te hanteeren. De vaderen hebben wél begrepen,
dat het kristal springt, terwijl het woord, dat leeft, onver-
delgbaar is als de geest, die er in woont. Hoe de oudste
Synoden, tot die van het jaar 1618 toe, met den tekst der
Geloofsbelijdenis hebben gehandeld, is in de volgende blad-
zijden nauwkeurig aangewezen. Men kan zich nu overtuigen
dat de varianten der oudste uitgaven iets meer dan typogra-
phische fouten en verbeteringen zijn. Daarbij zal men moeten
erkennen, dat de Geloofsbelijdenis sedert 1565 in de oude
Synoden meermalen is herzien; dat zij in 1566 eene nieuwe
bewerking heeft ondergaan, en dat ook de handelwijze van
de Dordrecht8che Synode van 1618—19 ten bewijs strekt,
hoe ver de oude Kerk geweest is van de meening, dat de
letter der Belijdenis anders dan in ondergeschiktheid aan
haren inhoud zou moeten worden gehandhaafd.
Men heeft het elkander steeds nagezegd, dat die revisiën
niets beteekenend waren en zich tot een enkel woord hier
en daar bepaalden. Welnu, het zij voor het vervolg uit-
gemaakt, dat men zoo alleen spreken kon, omdat men de
moeite niet nam de waarheid van het beweerde naar eisch
te onderzoeken.
Het herzien van den tekst der Belijdenis behoorde naar
de meening van de grondleggers onzer Kerk evenzeer tot
hare handhaving als het ongeschonden bewaren van den
inhoud der Evangelieleer. Toen de gedelegeerden der Staten
Generaal te Dordrecht in 1619 de Synode opwekten om de
Geloofsbelijdenis te herzien, beriepen zij zich op „hetgeen
in eene Nationale Synode gebruikelijk was" \'). Met het
>*!>•                                                        ...-.-...               ...... .....
1) Sess. 144. — In de „Synode tenu a la Vigne a la Pentecoite, 1565"
werd bepaald (Art. 1), „qu\'au commencement de cliaque Synode on ait a faire
lecture de la Confession de Foy des Egliaes de ee pais; tant pour protcster
de notre nnion, que pour adviser s\'il n\'y a rieu a chaugcr ou amender."
-ocr page 27-
XXV
oog op dozen aangewezen weg weigerde de Synode aan don
eisch der Remonstranten toe te geven. Zij betwistten de
ontvankelijkheid van den eisch tot herziening niet, maar
wel het voorop stellen van de bepaling, dat er in den in-
houd verandering zou gemaakt worden. Trigland heeft het
onderscheid tusschen der Remonstranten eisch en de praktijk
der Gereformeerde Kerk duidelijk en puntig dus aangewezen:
„Hoewel wy de Nederlandsche Belijdenisse des gheloofs
houden den Woorde Godts conform, nochtans, omdat ze
een menscheljjk schrift is, houden wy die niet voor den
Reghel van ons gheloof, maar alleen de EL Prophetische
ende Apostolische schriften, aan dewelcke wij deselvo Con-
fessie houden altijdt te zijn examinabel. Kan yemant ons
overtuyghen datse in eenigh poinct afwijekt van Godes
Woordt, wy sullen dat poinct laten varen; meer eri mach
men ons niet afeyschen Dat wij die, sonder reden uyt
Godts Woort gehoort te hebben, souden moeten laten varen
om eenen libertijnschen loskop, houden wy onbillyck te
wesen" \').
De achtbare stem van Ursinus voegt zich hierbij op eene
wijs, die menigen handhaver der rechtzinnigheid in onzen
tijd verbazen kan. Hij zegt, sprekende van de Symbolische
Schriften: „Zoodanige schriften zijn te houden, niet als
schriften, die geloof meriteeren uit haar zelven, gelijk de
heilige Schriften, noch als schriften, die een onbewegelijke
en algemeene regel des geloofs en der waarheid zijn, gelijk
de Symbola der algemeene Kerk; maar zij zijn alleen een
norma, regel, uit welke men verstaan kan wat met het
gevoelen van de Kerk overeenkomt, die zoodanige Confessie
heeft uitgegeven. Doch zij zijn geen norma of regel, naar-
welken men behoort te oordeelen, of te vonnissen, wat
men moet gelooven en toestaan, wat verwerpen en con-
demneeren; wat waarheid of leugen, wat rechtzinnig of
kettersch is; naardien het niet altijd waarachtig is, dat
1) Kerkel. Geschiedenissen, f°, 169.
-ocr page 28-
XXVI
met de Confessie van eene Kerk accordeert; ook is het
niet altijd onwaar, dat juisr, daarmede niet overeenkomt.
Zoo behoort men dan niet alleen niet te begeeren, dat
alle Kerken het formulier van eene particuliere Kerk zouden
onderschrijven, maar daar is zelfs niet ééne Kerk, ja niet
één particulier persoon, die aan zoodanige Formulieren ver-
bonden, of daarbij te blijven gehouden is, anders dan met
deze conditie: voor zooveel zij met de H. Schrift en de
algemeene Symbolen overeenkomen. En daarom zijn dezelve
Formulieren onderworpen aan het oordeel en de censure
niet alleen van andere Kerken, maar ook van die Kerken,
die de Formulieren hebben uitgegeven, mitsgaders van die-
genen , die in dezelve Kerken leven en leeren; om, indien
in dezelve eenige foute mocht bevonden worden, die te
hooren, kennis daarvan te nemen en te examineeren. En
indien iets verbetering van doen te hebben bevonden wierd,
dat het met gemeene toestemming en met dezelve autoriteit
der Kerk, waarmede het gesteld is, verbeterd of verklaard
worde" i)-
Nooit hebben de oudste Gereformeerden aan eene onbe-
wegelijke letter van de Belijdenis gedacht. Dit is eerst op-
gekomen in later tijd. Het onderscheid tusschen de nieuwe
en de oude praktijk is groot; gene riekt naar de horlucht,
deze naar den mutsaard! Hieraan herkennen wij de ware
rechtzinnigheid.
De oudste geschiedenis van den tekst van den Catechis-
mus levert natuurlijkerwijs niet dezelfde verschijnselen op.
Maar zij levert dit merkwaardig resultaat, waarop in onze
aanteekeningen gewezen wordt, dat er geen door de Kerk
gearresteerde ofhciëele Nederlandsche tekst van dat leerboek
bestaat. Onze Kerk heeft zich bepaald bij de overneming
1) Ursini Opera (1612) f° 542. (De lïbro Uoncordiae quem voeant admo-
ni/io chrutiana.
Deze Admonilio is „tcripta et approhata\'a Theoloyis et
Minisiris Ecelesiarum in ditione lil. 1\'rincipis Joh. Casimiri Palalini ad
Wie,tam,
Edita 1581).
-ocr page 29-
xxvii
van de vertaling van Datheen on het aan de opzieners van
de gemeenten overgelaten voor de zuiverheid van den tekst
die gebruikt werd te zorgen \'). De Dordrechtsche Synode
heeft den Catechismus slechts herlezen 2) om over den in-
houd , in verband met zijne opneming onder de Symbolische
Schriften, te oordeelen, maar aan ee*ne revisie is niet ge-
dacht. Hij is en bloc aangenomen. Dit doende, heeft de
Kerk dan ook geen officiëelen tekst vastgesteld. Alleen op
den inhoud is gelet, en die alleen is aangenomen. Op de
letter van het Symbool wordt in onze Gereformeerde Kerk
alleen gehecht bij de opstelling en bij de herziening. Die
letter te willen handhaven omdat zij Symbolische schrift is,
is ongereformeerd.
Merkwaardig is met betrekking tot den Catechismus de
bekende bijzonderheid, dat hem in zijn eerste levensjaar
reeds eene merkelijke vermeerdering en verbetering is aan-
gebracht, door de toevoeging van de 80. Vraag en Ant- —
woord (Be Paapsche Mis)3). Hoe men ook over de ge-
1)   Dal daarvoor niet genoegzaam gezorgd is, zal uit ouze aauteekeningen
blijken, evenzeer als het duidelijk worden zal, dat de tukst van Datheen zelf
behoort te worden verbeterd.
2)   Sess. 147, 148.
3)   Het zij mij vergund te dezer plaatse iets in het midden te brengen over
de geschiedenis van Vr. en Antw. 80. Door tusschenkomst van den Directeur
der Kon. Bibliotheek te \'s Hage is mij de bezichtiging vergund geworden van
het exemplaar der eerste uitgave, dat ie Weenen in de K. K. Hof-bibliotheek
bewaard wordt, en ik meen daardoor zoo gelukkig te zijn eeuig licht over
die geschiedenis te kunnen verspreiden. — Dr. Doedes heeft de onderlinge
verhouding van den tekst der oudste uitgaven nauwkeurig opgegeven in het
aangehaalde werk, waarheen ik dus mag verwijlen. Het eenige, waarin ik
van mijn hooggeschatteu vriend verschil, is de beoordeeling van het gedrag
van deu Keurvorst in het laten invoegen van de genoemde Vraag en Antwoord
in de tweede uitgave als iets, dat in de eerste uitgave ,,übersehen" was, zoo
als het bericht aan den lezer zegt. Door Dr. Doedes (a. w. bl. 28) is eeniger-
mate voedsel gegeven aan twijfel aangaande de eerlijkheid van Keurvorst
Frederik. Het komt mij voor, dat Dr. Kohlbrügge, die daarover aan Dr. D.
schreef (zie Godgel. Bijdragen, 180\'J, (ie St.), juist heeft gezien, ofschoon ik
mij den loop der zaak «enigszins anders voorstel. JSr i», gelijk men uit de
mededceling van Dr. K. weet, in het present exemplaar, duor Frederik aan
Maximiliaan gezonden (want dat is het door mij bezichtigde zonder twijfel),
-ocr page 30-
XXVTII
schicdcnis dezer bijvoeging denke, het feit zelf doet zien,
dat men niet alleen in Nederland, maar ook in de Paltz
een ingeplakt blad, waarop Vrijen Antw. 80 staan., .overeenkomstig met de
eerste redactie, zoo als die Voorkomt in de tweede uitgave. Nu schijnt het
mij toe, dat eene nauwkeurige waarneming van het blad duidelijk aanwijst\'
dat wij daarop vóór ons hebben eene redactie van de genoemde Vr. en Antw.,
die ouder is dan die van den tweeden druk, ei in ieder geval, een afschrift
niet van den in de tweede uitgaaf gedrukten, maar van een geschreven tekst.
Men leest er twee maal Hachtmal voor Abendmal; di voor die; ook de
interpunctie is verkeerd. Daaruit leid ik af, dat Vr. eu Antw. 80 bestaan
hebben vóór het tijdpunt van de tweede uitgave, eu dat toen dus kon ge-
sproken worden van eene uitlating door .,ühersehen." Het ingeplakte blad
draagt ook al de kenmerken van aan het boekje te zijn toegevoegd vóór de
afzending; — dat het door Maximiliaan daarin zou zijn gehecht na het ont-
vangen van dit toevoegsel uit Heidelberg, zoo als Dr. K. gist, is zeer onwaar-
schijnlijk. Schrift uit dien tijd, is het met een duidehjk teeken van verwijzing
naar den gedrukten tekst in het boekje bevestigd en zouder dat eenig blijk
vau invoeging op den rand der bladzijden zichtbaar is. Het is een afschrift,
dat in eene kauselary schijnt gemaakt te zijn: zóó weinig correct is het, ja,
het is alsof de afschrijver nauwelijks heeft verstaan wat hij schreef — more
canceUario.
Dit in verband beschouwd met de vroege afzending ran het
exemplaar, t. w. waarschijnlijk reeds vóór de maand April (den 25en dier
maand berichtte de R. Koniüg de ontvangst, en den 31 e" Maart zijn andere
exemplaren door den Keurvorst verzouden), waardoor het bijna onmogelijk
was, dat de tweede uitgave toen reeds bestond, toont ons dat de 80. Vraag
en Antw. in hunne oorspronkelijke redactie zoo oud zijn als de Catechismus
zelf. Tot opheldering vergelijke men het antwoord zooals het in de 2e uit-
gavc gedrukt is met het H. S. i* het Exemplaar, dat te Weenen bewaard
wordt:
Geschreven bijvoegbel in het
Tweede uitgave (ik dktjk):
                        Weeneb-exemplaab.
Prag                                                           Frag.
Was ist für ein unterscheid zwi-           Wa« ist für eiu uutersuheid/ zwi-
schen dem Abendmal des Herrn und        schen dem Naehtmal desz Herrn und
der Babstliehen Mess?                              der Babstlichen Masz l
Antwort.                                                     A ntwort.
Das Abendmal bezeuget uns dass           Das Naehtmal bezeuget uus da*
wir volkoinne vergebung aller unser        wir volkAommene vergebuug aller un-
sünden haben durch das einige opfl\'er       ser sünden haben durch das einige
Jcsu Christi, so er selbst ein mal am        opH\'er Jesu Christi so er selbst ein-
creutz volbracht hat. Die Mess aber       mal am creutz volbracht hat. Di
f lehret dass die lebendigen und die        Mesz aber lehren, das die lebendigen
todten nit durch das leiden Christi        und die todteu, nit durch das leiden
-ocr page 31-
XXIX
onder de oude Gereformeerden van den aanvang af het oog
gericht had op de herziening van het geschrift, waaraan men
in den strijd der meeningen wilde gekend en erkend zijn.
vergebnng der simden habeu, eg sey Christi vergebuug der minden haben,
dan. dass Christus noch teglich i\'ür e» sei de» das Christus uoch teglich
sie tod dea Messpriestren geopffert Kb sie von den Meszpnesteren ge-
werde: EFnd ist also die Mess im opflerd werde. Und ist also die Mesi
grund ein abgöttische verleugnuug im grund ein abgöttische verleugnung
dess einigen opffers und leidens Jesu des einigen opffers und leidens Jesu
Cliristi.
                                                       Christi.
Maar maakt uiet het feit, dat de tweede redactie (Roedes, bl. 30, 31),
met nog zooveel meer opzet in den derden druk is ingewerkt (bl. 32, vgg.),
het oordeel over het „Woord aan den Chr. lezer" (waarbij de uitlating aan een
„übersehen" wordt toegeschreven) ongunstig zijn moet? Neen, want ook na
den derden druk, daar de exemplaren van den eersten reeds verspreid waren,
bleef de behoefte bestaan eene aanwijzing, dat men hier den verbeterden, den
compleeten tekst ontving. Aan dien tekst was zeker nu nog iets meer toe-
gevoegd, te weten eene uitbreiding van het vroeger gestelde, maar niet eene
nieuwe bestanddeel aan het catechetisch onderwijs, zoo
als de bestrijding van
de mis was bij de verschijning van de tweede uitgave. Dat men nu trachtte
de gelijkheid van den tweeden en den derden druk te doen uitkomen, of
liever, dat men trachtte het verschil te verbergen voor de Boomschgezinden
en het nog weinig onderwezen volk, hetwelk den Catechismus gebruiken moest,
was geen wonder en — geen bedrog. Van het laatste zou alleen sprake kunnen
zijn bij den tweeden druk. — Men heeft dikwijls gegist naar den oorsprong
van Vr. en Antw. 80, en men zegt gewoonlijk met Dr. Wolters (Der Heid.
Cat in seiner urspr. G-estalt,
S. )2ü fg.), dat die gelegen is in het bekend
worden (in 1563j van de uitspraken van het Concilie van Trente. Wij zullen
«iet ontkennen, dat dit van invloed kan geweest zijn op de nadere bearbeiding
van het antwoord vóór de laatste redactie, maar het is duidelijk, dat dit voor
den oorsprong van die vraag en antw. niets verklaart, wanneer deze ouder
jstjn dan 1563. Fabricius en Alting (aaugeh. bij Le Long, Kort J£ist. Ver-
haal,
bl. 111) weten daarvan ook niet, maar spreken slechts van de begeerte
van den Keurvorst om van eenstemmigheid met de andere Protestanten te
doen blijken. Het komt mij waarschijnlijker voor, dat de Vraag en het Antw.
over „de Paapsche Mis" aan de „Superintendenten, Kerkedieuaren en Theologi"
op uitdrukkelijk verlangen van den Keurvorst afzonderlijk ter overweging ge-
geven is, en dat zij eene nadere bearbeiding van het oorspronkelijke, zeker
niet volledige antwoord, hebben uoodig geacht; daardoor is er uchtereenvol-
gens drieërlei redactie van den Catechismus ontstaan: eene zonder de 80 Vr.;
eene met de door of van wege den Keurvorst voorgestelde redactie; eene met
de latere uitbreiding. Zoo is het alleszins verklaarbaar, dat eerst, bij ver-
-ocr page 32-
XXX
3. Toch bedoelden de grondleggers van de Gereformeerde
Kerk de instandhouding van het gebouw, dat zij tot den
duren prijs van goed en bloed hadden gesticht. Zij ver-
langden daartoe zeer bepaaldelijk de bevestiging voor de
Kerk van den eenmaal gelegden grondslag, m. a. w. zij
verlangden de handhaving van hunne Belijdenis. Dit was
evenwel in hunne oogen iets anders dan een zweren bij
al^ de deelen van het Formulier. Zjj onderscheidden in de
Symbolische Schriften eene onvergankelijke kern, die den
grondslag der kerkelijke gemeenschap uitmaakt.
Het teekent evenzeer dat reeds de oudste Gereformeerde
Kerk, d. i. de Kerk vóór 1618, hier en elders getoond heeft
zooveel waarde te hechten aan de overeenstemming tusschen
al de Gereformeerde belijdenissen in het wezen der zaak.
Hiervan getuigt de uitgave van een werk als de Harmonia
-    Confessionmn. in 1581 te Genève, in de Moederkerk, toen
het er op aankwam de belijdenis der Gereformeerden te
doen kennen bij dogmatisch verschil met de Luthersche
Zuster-Kerk l). In het gemeenschappelijke, t. w. in het
-   gemeenschappelijk Credo, achtte men de Gereformeerde
belijdenis gelegen. Geen wonder, want hierin is de levens-
kracht voor de Kerk, zoowel als voor iederen geloovige,
het ééne noodige. Het heeft een goeden grond, dat de
Gereformeerde Kerk niet spreekt — gelijk de Luthersche
wanneer zij de Augsburgsche Belijdenis noemt — van eene
„onveranderde" Confessio Belgica, of Helvetica of Galli-
cana, of Scotica Zij heeft iets anders, dat „onveranderd"
gissing of althans voorbarig, naar de oorspronkelijke kopij is gedrukt, dat
daarna op bevel van den Keurvorst zijne redactie is opgenomen, en eindelijk
op het verlangen zijni-r kerkelijke raadslieden de redactie, zoo als die was
vastgesteld in de vergaderiug der „Superintendenten, voornaamste Kerkedie-
naren en Theologi." Deze gang der zaak is zeer verklaarbaar bij de eigen-
aardige verhouding tusschen de kerkelijke redacteuren en deu Vorstelijken
auteur. Terg. de op lil. xvui aangehaalde verhandeling van Dr. Kluckhohn.
S. 500, fgg.
1) Zie bl. 4 iu het Mist. Overzicht van de officiëele uitgaven der Geloofs-
belijdenis,
waar in regel 10 v. b. gelezen worde: „te Genere" iu plaats van
„te Bern."
-ocr page 33-
XXXT
blijft in hare schatting, hot is „de substantie van hare -
leer" >)•
Een treffend bewijs daarvan levert het Convent van Wesel
(156S), wanneer in haar Ontwerp van Kerkorde (Cap. II,
Art. 8) op de ondubbelzinnigste wijs de >ïederlandsche Ge-
loofsbelijdenis met de Fransche vereenzelvigd wordt .Stellig
waren het twee onderscheidene Confessiën, gelijk ons bleek
bij de herinnering van beider ontstaan -), en toch heeft die
Kerkvergadering ze als ééne Belijdenis beschouwd. Tmmers
wij lezen t. a. p.: „Men zal den beroepene afvragen, of
hij in alles overeenkomt met die leere, welke in de Kerke
openbaarlijk wordt onderhouden, en vervat is in de Belij-
denisse
(welke eerst wan de Kerkendienaren in Vrankrijk
aan den Franschen Koning is overgelevert, ende daarna
in het Nederlandsen overgezet zjjnde aan den Koning van
Hispaniën ende andere Overheden van Nederduitschland is
toegeschreven en behandigd), gelijk ook in den Catechis-
tnus"
3). Ypey en Dermout hebben hier eene fout van de
afschrijvers willen vinden, doch zij hadden zich in de
Kloosterkerk te \'s Hage kunnen overtuigen, dat het alzoo
in het Latijnsche origineel der Acta geschreven staat \').
Misschien hebben wij te denken aan eene vergissing van
de leden der Synode, die niet zullen geweten hebben hoe
het met de zaak der Geloofsbelijdenis stond? Dit geloove
wie het kan van Datheen, Moded, van Zuyleu van Nyevelt,
de Rijcke, Ph. van Marnix . . . Voorwaar, deze „wakkere
geleerde en statelijke" mannen hebben wel geweten dat
men in de Nederlanden zelfstandig was te werk gegaan in
het wijzigen van de Fransche Belijdenis, maar zij hebben
geacht dat beide belijdenissen in oorsprong en inhoud, wat
de Evangelie-waarheid betreft, één waren.
1)  Zie Acta Synodl Nat. Dordrecht habila, Se=s. 145.
2)  Blz. xii.
3)  Er wordt voor het gebruik geen onderscheid gemaakt tuischen den
„Catechismus vau Genevcn" ea „den Heydelbergsen " Zie Cap. III, Art. 2.
4)  ïrigland en \'s Gravesande hadden de aanwezigheid der liatijnsche Acta
te vergeefs vermeld.
-ocr page 34-
XXXII
Zóó is liet: de wijzigingen, door de Bray in de Fransche
Geloofsbelijdenis aangebracht, hebban geen verandering ge-
maakt in het Credo; hierop wijzen ons de Weselsche Acten
met al dn eenvoudigheid, die aan de oude Kerk onder het
kruis oigen was, en zij wijzen alzoo tevens op hetgeen in
de Symbolische Schriften der Kerk als de hoofdzaak geldt
voor ieder, die deze hare eenvoudigheid niet verzaakt.
Dat dit in de Symbolen der liervorming duidelijk uit-
komt, is niet eerst door ons en ook niet alleen in de Ge-
reforinoerde Kerk erkend. Met juistheid en klaarheid is
hetgeen hier door ons als de oorspronkelijke beschouwing
van de grondleggers onzer Kerk langs historischen weg is
in het licht gesteld, uit den inhoud der Symbolische Schrif-
ten afgeleid door een der uitstekendste leeraren in de Lu-
thersche Kerk van onzen tijd, Ur. E. Sartorius. In een
zijner geschriften, die onder ons niet onbekend gebleven
zijn, laat hij zich dus hooren: „Deze symbolen zijn groot
van omvang in vergelijking met de kortheid der oecume-
nische, omdat zij niet, als dezen, slechts de eenvoudige
stellingen der belijdenis uitspreken, maar tevens eene ont-
wikkeling, bevestiging en verdediging van haar geven en
meestal ook de leer van de tegenstanders uitdrukkelijk ver-
werpen. Daarbij komen dan nog voor- en naredenen van
historischen inhoud, die slechts eene inleidende, occasioneele
beteekenis hebben en niet tot het Symbool zelf behooren.
Daartoe behooren wel de dogmatische, argumenteerende,
apologetische en polemische bestan ddeelen, zonder dat zij
evenwel daarom de eigenlijke, verbindende substantie der
Symbolen vormen. Zij betreffen deels ook alleen historische
bijzonderheden, deels geven zij voorbeelden van dogmatisch
betoog, die voor de Theologie vruchtbaar en niet zelden
voorbeeldig zijn, maar zij zijn niet in dien zin leidend en
verbindend, dat het dogma niet ook op andere wijs zou
kunnen en moeten betoogd en bewezen worden, deels ein-
delijk staan zij tegen stellingen, die in dezen vorm uitslui-
tend behooren tot den tijd van hun ontstaan, en in anderen
-ocr page 35-
XXXIII
vorm eene geheel andere wederlegging eischen. De sub-
stantie der Symbolen, die de Confessie uitmaakt, te midden
van de accidenteele omschrijving, is en blijft het eigenlijke
Credo, het: wij gelooven en belijden, de geloofswaarheden,
de artikelen des geloofs. Als artikelen van het geloof vor-
men zij echter niet maar eene som van leerstukken, van
welke men naar believen het eene of andere kan afnemen
of er aan toevoegen, maar het zijn geledingen, organische
bestanddeelen van de ééne waarheid van het Hoofd, onder
hetwelk alles vereenigd is (Efez. I : 10), hetwelk is Christus
de Heer, in de heerlijkheid van zijn persoon en in de heer-
lijkheid van zijn werk beide. Zij mogen van goddelijken
(theologischen) of menschelijken (anthropologischen) inhoud
zijn, de oorspronkelijke gemeenschap van de menschen met
God, of hunne scheiding door de zonde, of (theantropolo-
gisch) de hereeniging met God in en door Christus en de
toeëigening van zijne gerechtigheid in het geloof betreffen,
alles loopt uit op het ééne middenpunt: „Christus alles en
in alUn^
(Kol. III). Dit is de analogie des geloofs, .die-
regel en maatstaf is voor de afzonderlijke artikelen, in dien
zin, dat zij allen aan dit hoofdartikel moeten worden ge-
toetst en daarnaar geregeld. Vandaar dat iedere afdwaling
van een theologisch of anthropologisch artikel steeds ook
van nabij of van verre eene christologische afdwaling zijn
zal, en evenzoo omgekeerd. De kennis van God rust even-
zeer op den grond der kennis van ons zelven, als de kennis
van den mensch rust op de kennis van God, en beiden,
God en mensch, worden eerst volkomen en in hun gemeen-
schap gekend in den God-mensch, en deze wederom wordt,
als de Verzoener, eerst daar in het rechte geloof erkend en
aangenomen, waar de tot al het menschelijke doorgedrongen
vijandschap der zonde vooraf goed gekend en ervaren is" l).
Het wezenlijke, het hoofdzakelijke van de belijdenis der
1) E. Sartorius, Ueber die Nothnendlgkelt u. Verbindllchkeit der klrchl.
Qlaubensbekentnlsse.
S. 39—41.
T. T. Symb. Sehr. 2e dr.
                                                                   m
-ocr page 36-
XXXIV
Kerk treedt alzoo van zelf op den voorgrond, wanneer wij
de schriften, waarin zij nedergelegd is, raadplegen. Al
ware het echter, dat er omtrent den zin en de bedoeling
van de kerkelijke oorkonden verschil bestond, wij hebben
eene onbedriegelijke aanwijzing van den Heer der gemeente
wat de hoofdzaak van het Evangelie en dus van onze be-
lijdenis is, daar Hij zelf ons in Doop en Avondmaal, de
Symbolen heeft verordend, waarin Hij ons met de handen
doet tasten wat voor de gemeente van alle tijden verbindend
is te achten, wat voor alle volgende belijdenissen en ver-
bintenissen regel en norma moet zijn, en welke de voor-
waarde is van de gemeenschap met de door Hem gestichte
en door zijnen Geest bestuurde Kerk. Bij de erkentenis
van dezen maatstaf is de vraag naar hetgeen der Kerke
als het wezen des Christendoms en dus als hoofdzaak in
hare belijdenis gelden moet, niet moeielfjk te beantwoorden.
Het is de leer der dingen, die onmiddellijk met onze be-
houdenis in verband staan: de leer van God, den Vader en
den Zoon en den Heiligen Geest, tot wiens erkentenis in
de ondeelbare eenigheid van het wezen Gods, als de drie-
vuldige oorzaak van onze behoudenis, wij allen zijn ge-
doopt; van den eenigen Middelaar, in wiens dood wij ge-
doopt zijn, en van den weg der behoudenis in de offerande
zijns lichaams en in het bloed der verzoening, dien wij
verkondigen aan het Avondmaal, totdat Hij komt. Met de
belijdenis van die waarheid staat of valt de Kerk; het is
het pand haar toebetrouwd, dat zij tegen elk ongoddelijk
en ijdel geroep van wetenschap heeft te verdedigen, naar
het licht aan haar geschonken. Haar belijden moet de weer-
klank zijn en het Amen op het Evangelie, naar de heilige
Schriften, en uitdrukking geven aan het inzicht daarin,
waartoe de gemeente door den Heiligen Geest werd geleid.
Dus mag in de Hervormde Kerk niet worden afgelaten van
de leer der souvereine genade, tot welker belijdenis zij
geroepen is geworden.
Zoo heeft de Heer der gemeente haar niet onkundig
-ocr page 37-
XXXV
gelaten hoe zij zal stand houden, onafhankelijk van de gunst
of ongunst der tijden en omstandigheden. Menigmaal —
de geschiedenis onzer Kerk heeft het geleerd — is de ge-
loovige gemeente niet bij machte, ten gevolge van uit- of
inwendige oorzaken, hare belijdenis uit te spreken en in den
weg der kerkelijke orde te doen gelden naar de behoeften
van het oogenblik. In zulke tijden haar het voorvaderlijk
dogmatische kleed te willen omhangen, zou een streven ver-
toonen tot bet houden van eene kerkelijke parade, meer dan
de zucht om getrouw te zijn aan \'s Heeren Woord en Geest.
In zulke tijden, als die wij beleven, tijden van afval en
gisting te gelijk, heeft de geloovige in de Symbolische
Schriften aanwijzing van het fondament, waarop de Kerk is
gesticht, en tevens van het kenmerk, waaraan de kinderen
des huizes gekend worden, terwijl hij daaraan zijn recht
ontleent ojn in de Kerk te arbeiden aan het herbouwen op
het gelegde fondament en het hereenigen van het daarvan
afgedrevene. Hoe de belijder te handelen heeft, wat hem
steunpunt en richting geeft, daarin heeft de Heer voorzien,
want Hij heeft aan zijne discipelen voor alle lijden aange-
wezen, wat hen in den strijd voor zijnen ITaam vereenigen
en leiden moet; Hij heeft het aan geen twijfel onderhevig
gelaten wat het Evangelie is, waarop de gemeente uit den
aard van haar geloof haar Amen spreekt, en de Gerefor-
meerde Kerk heeft, door de genade aan haar geschonken,
eene belijdenis, die op dit hoofdpunt geen „onzeker geluid"
geeft. Zij wijst ons den „eenigen troost" bij de erkentenis
van de ellende der zonde, in de volkomenheid der verlos-
sing en de dankbaarheid voor haar bezit met klaarheid aan.
Daarin ligt hetgeen in de Confessie niet veranderen mag,
omdat het Evangelie eeuwig is. Dit staat altijd vast, altijd
helder, altijd bruikbaar, altijd onmisbaar voor het oog, dat
voor de behoefte aan dien eenigen troost niet gesloten is.
Het is voor alle tijden en voor alle omstandigheden geschikt,
en juist omdat het zich zamentrekt in de beteekenis van
het Kruis van Golgotha, geeft het met meer dan hoorbare
-ocr page 38-
XXXVI
stem en in helderder dan middaglicht de zekerheid aan het
geloof van rnefc die belijdenis — teeken dat wedersproken,
maar niet weggenomen kan worden — te zullen overwinnen!
Meent iemand, dat wij door deze onderscheiding in de
belijdenis der Kerk iets verrichten, wat alleen de geheele
Kerk zelve, wettig vertegenwoordigd, doen mag? Het ant-
woord is gereed. "Wij doen hier niets. Wij merken alleen
op en doen opmerken wat door den Heer zelven is gedaan
en wat de aard van ons evangelisch geloof medebrengt.
Het is de roeping van ieder evangelisch christen in de
Kerk wèl te onderscheiden wat de Kerk te belijden heeft
als het pand, dat aan haar en aan een iegelijk geloovige
is toebetrouwd.
Onze Gereformeerde Kerk heeft dit gedaan , wanneer zij
daartoe bij machte was, in hare Synoden. Daar verplichtte
zij met name hare leeraren om de leer haver belijdenis te
prediken, als voorwaarde waarop zij hen als zoodanig er-
kende. Men miskenne eene oude strenge bepaling niet, die
de verklaring eischte, „dat alle de Artikelen eu stukken
der leer — — in alles met Gods Woord overeenkomen" \').
Die bepaling werd gemaakt met de bewustheid, dat de
pas aangenomen belijdenisschriften de geloofsovertuiging van
de gevestigde Kerk in overeenstemming met de leer der
H. Schrift uitdrukten, en evenzeer in de onderstelling, dat
„de Nationale Synode ordinaarhjk alle drie jaren eens ge-
houdeu worden zou, ten ware dat er eenige dringende nood
ware om den tijd korter te nemen" -). Men bedenke, dat
het aangehaalde oude onderteekeningsformulier in dezelfde
kerkordening staat, waarin deze bepaling omtrent de alge-
meene Synode voorkomt, en dat daarbij de gewoonte van
kracht bleef om in elke zoodanige Synode de belijdenis te
1)  Onderteekenings-formulier van de Dordrechtsche Synode, vastgesteld
Sess. 162, in overeenstemming met vroegere provinciale Synoden. Zie Hooyer
t. a. p. lil. 444, vg.
2)   Kerkordening van Dordrecht (1619: Art. 50.
-ocr page 39-
xxxvn
herzien ]). Het zal niet kunnen ontkend worden, dat bij
dergelijken regel en praktijk de eisch tot trouw aan de
aangenomen kerkleer geheel iets anders was dan hetgeen
sommigen in onzen tijd als het kenmerk van getrouwheid
hebben willen doen voorkomen, te weten het zweren bij
de dogmatische nalatenschap van vroegere tijden, zonder
de erkenning van de natuurlijke verhouding, waarin de
Hervormde belijder van onzen tijd tot de Dogmatiek der
vaderen staat.
Nu dr herziening en ververschhig mn de belijdenis der
Kerk sedert eeuicen is achtergebleven, nu hangt de bruikbaar-
heid van hare oude oorkonden van de wettigheid en de juint-
f heid der onderscheiding fusschen het blijvend Credo en het
aan verandering onderworpen dogmatisch zamenstel af.
„De waarheid is boven al," zoo roept de Nederlandsche
Geloofsbelijdenis in een opmerkelijkcn tusschenzin in Art.
VII haren tegenstanders en haren hardhoorigen kinderen
in de ooren.
Niet slechts de oprechtheid, die de voorgangers der Ge-
meente schuldig zijn, eischt het uitkomen voor dezen stand
der zaak: het is ook de eisch der bedacht/aamheid tegen-
over den tegenstander, die ons de achtbaarste oorkonde
uit de hand slaat met de vraag, of wij ons zouden willen
verplichten tot hetgeen waartoe wij hem mochten willen
verbinden met betrekking tot al de dogmatische formulee-
ring, die de Symbolische Schriften, zoo als zij daar liggen,
ons hebben overgeleverd.
Ik laat opzettelijk de aanwijzing achterwege, dat er oor-
zaak is tot herinnering van deze dingen. Vóór vijftig
jaren, in de eerste frischheid van den réveil, werd dit alles
erkend door de voornaamste woordvoerders in den kerke-
lijken strijd. Later is het gevoel voor de behoefte aan
1) Dat ook te Dordrecht in Ifilg—19 die Synodale revisie der leer geen
ijdele klank is geweest, zal naar wij hopen in de volgende bladzijden blijken.
-ocr page 40-
XXXVTII
zooveel opi echtheid zoek geraakt. Was het de invloed
van politiek overleg \'), of een overmoedige ijver die tot
uitersten dreef, of de vrees voor den afval der menigte,
die voor geene zoogenoemde theologische onderscheidingen
oog of oor heeft, of de zwakheid van het geloof, ook bij
de voorgangers, die zich veiliger waande in het rusten bij
der vaderen werk, dan in de kritiek van de vaderlijke
erfenis? Misschien wel dit alles te zamen. Zeker is het,
dat wij eene confessioneele praktijk hebben zien opkomen ,
welke een onoverkomelijk bezwaar vinden moet bij hen, die
de practische belijdenis van het evangelisch beginsel der
Kerk en van hare voortdurende leiding door den H. Geest
even onmisbaar achten als het blijven bij de Evangelieleer.
indien het irenisch doel van den arbeid, waarmede ik in
deze bladen de Hervormde Kerk heb willen dienen, het
niet verbood, er zou dan overvloedige aanleiding zijn tot
aanhaling van menig verschijnsel op kerkelijk gebied, dat
tot deze klacht aanleiding geeft. Men kan ze gemakkelijk
genoeg waarnemen, ook zonder eene opzettelijke aanwijzing,
en het is buitendien wenschelijk, dat deze inleiding tot den
ernstigen inhoud van de volgende bladen niet het karakter
van een vlugschrift vertoone.
Mocht deze arbeid eenige vrucht dragen tot vereeniging
vooral van de voorgangers der gemeente op een standpunt,
voor zamenwerking geschikt in deze ernstige dagen, waarin
onze Nederlandsche Hervormde Kerk eene crisis heeft door
te staan; als in geen vroeger tijdperk van hare geschiedenis.
Het zij onze troost dat de gemeente van Christus op het
fondament, dat eenmaal gelegd is, zal blijven staan en
bestaan. Dit zij niet minder de overtuiging, die ons bij
onze werkzaamheid in haren dienst leide: de gemeente kan
1) „En politique, il s\'agit d\'obtenir certaius résultats; on fait volontiers
flèche de tout bois. Mais qui aert aa cause de mauvaises raisons, la trahit;
parceque les mauvaieea raisons aont comme dea brèohes dans une eneeinte
fortifiee; elles donnent passage a rcnnemi." Ern. Naville, T.ea adversaires
de la philosophie. Revue Chrét.
Janr. 18G9, p. 14,
-ocr page 41-
XXXTX
niet stil staan, want haar Heer he\'ef\'t het zelfs haren vijan-
den opgedragen haar voort te drijven tot steeds dieper
onderzoek van het Woord der openbaring. Zij kan niet
stilstaan, al konden wij ook staan luisteren naar de sirenen
van partijbelang of menschengunst. Hiertoe zijn wij met
haar geroepen, dat wij in woord en daad belijden den naam
des Vaders, uit Wien, door Wien en tot Wien alle dingen
zijn, en des Zoons, die ons tot den dienst der waarheid
heeft vrijgemaakt, en des Heiligen Geestes, die ons in al
de waarheid leidt!
-ocr page 42-
BELIJDENIS DES GELOOFS
DER
GEREFORMEERDE KERKEN IN NEDERLAND.
OVKRGEZIEN IN DE SYNODE NATIONAAL, LAATST GEHOUDEN
TE DORDRECHT,
EN UIT HAREN LAST UITGEGETEN, OM VOORTAAN IN DE
NEDERLANDSCHE GEREFORMEERDE KERKEN
ALLEEN VOOR AUTHENTIEK GEHOUDEN
TE WORDEN.
1619.
v. ï. Symb. Schr. 2 dr.
1
-ocr page 43-
-ocr page 44-
HISTORISCH OVERZICHT
VAK DE
OFFICIËELE UITGAVEN.
1°. Oorspronkelijke tekst (1561).
a.    La Confession de Foy, 1561. Oudste en oorspronkelijke uitgave bij
3. Crispin te Genève. Herdrukt in Eac-simile in 1855 (bij J. Fiok te
Genève) en in het door mij uitgegeven Gedenkschrift: Eene bladzijde
uit de Geschiedenis der Nederlandsche Geloofsbelijdenis,
1861. Deze
Walsene Tekst had een officieel karakter, daar hij ran den beginne (im-
mers reeds in 1563) synodaal werd erkend en gebruikt.
b.    Nederlandsche Vertalingen (zonder officieel karakter):
Belijdenisse des Gheloofs, 1562. Op nieuw uitgegeven door Dr. A.
van der Linde, 1864.
SeJcentenisse ofte Belijdenisse des Gheloofs, 1563. Op nieuw uitge-
geven door Anth. Thijsius in zijn Corpus doctrinae, 1615, en naar deze
uitgave afgedrukt in de \'Editie van de Symbolische schriften, te Dordrecht
bij de Vries, 1725.
Bekentenisse of Belijdenisse des Ghtloofs, 1564. Afgedrukt in de
Libri Symbolici Heel. Bef. Nederl. Ed. H. E. Vinke, 1846.
2°. Hehziene tekst (1566).
a.    Bewaard bij de Walsche Kerken in een H. S. op pergament van
1580. Het eerst gedrukt bij J. Crispin te Genève.
Van de „oude copiën" van 1566 zijn geene exemplaren bekend.
De oudste bekende officiëele uitgave van dezen Walsenen Tekst is die
welke op last van de Prov. Zeeuwsche Synode te Veere (1610) gedrukt
werd te Middelburg bij R. Schjldgrajn 1611 Later is hij uitgegeven
door Ant. Hulsins, te Leiden bij E. Luzac in 16f.9, op last van de
Walsche Synode te Leiden (1667), en nogmaals, op last van de Walsche
Synode te Breda (1786), te Rotterdam b\\J D. Vis in 1787.
b.    De Walsche Tekst van 1566 werd waarschijnlijk niet dadelijk in
1*
-ocr page 45-
4
het Nederlandsch vertaald en uitgegeven. Althans de bekende druk van
dat jaar vertoont den tekst van 1562, en ook de aanhaling door Coornhert
in zijn traktaat: Van de Praedestinatie (1590) van een druk met het
jaartal 1566 geeft er geen blijk van dat deze dien tekst bevatte. — De
oudste bekende officieele vertaling is die, welke volgens besluit van de
Middelburgsche Nationale Synode (1581) vervaardigd en op last van de Pro-
vinciale Hollandsche Synode, in 1582 te Haarlem gehouden, te Dordrecht
in 1583 uitgegeven is. Zij was het gevolg van eene herziening van den
Walsenen tekst in 1580, te Antwerpen, die plaats had ten behoeve van
\' de Harmonia Confessionum, in 1581 te Genève uitgegeven als protest
t tegen de Formula Concordiae, tegen welke men op de samenkomst van
Gereformeerde leeraren en staatslieden te Frankfort (26 Sept. 1577) eerst
\'. besloten had eene nieuwe Confessie uit te geven, waarvoor het ontwerp
" door Ursinus en Zanchius geleverd werd. Doch Danaeus schreef aan
Zanchius (1 Mei 1580) dat men in Zwitserland en Frankrijk de voorkeur
gaf aan eene Harmonia Confeisionum. Zie Gerdes Scrin. Ant. I: p. 198.
Daarop werd in eene Synode, te Antwerpen gehouden, de tekst der
Geloofsbelijdenis op nieuw vastgesteld. — In de Nationale Syno\'le te
Middelburg van 1581 (waarheen van de Walsche kerken afgevaardigd
waren J" Taffin en L. D\'outreleau, die in 1580 te Antwerpen de Con-
fessie mede onderteekenden) werd gelast eene nieuwe vertaling van de
Geloofsbelijdenis naar den Walschèni tekst van 1580 te maken. In de
Provinciale Synode te Haarlem van 1582 kwam zij ter tafel, van de hand
van Ara. Cornelissen Causius, en daar werd 24 Martij besloten, „dat
die van Delft die zouden oversien en daernaer drucken laten." Een in
1583 te Dordrecht gedrukt exemplaar werd in de Haagsche Synode van
dat jaar overgelegd. Zij komt voor in het Corpus doctrinae van Thysius. —
Deze vertaling is de beste niet. De Provinciale Zeeuwsche Synode te
Veere van 1610 droeg aan de Walchersche Classe op eene nieuwe uitgave
te bezorgen. zoo van „den Walschen als den Duytschen" tekst („om te
thoonen \'t mishaghen, dat de Broeders van Walcheren hadden in de
nieuwe opiniën, daer men in Hollant meest over twistte," zegt Sim.
Ruytinck, Geschiedenissen ende Handelingen, in de W. W. der Marnix-
Ver. Ser. III, Dl. 1, hl. 273): deze is de boven reeds genoemde van
1611 bij R. Schilders, waarin „de Walsche en Duytsche" tekst naast
elkander gedrukt zijn. Thysius schijnt door het gezag van de Nationale
Synode, te Middelburg in 1581 gehouden, die tot de vertaling van den
Walschen tekst van 1566 last gaf, verleid te zijn geworden om de uitgave
van 1582 boven die van 1611 te stellen Doch steeds is aan deze laatste
grooter verdienste toegekend, gelijk zij dan ook door de Dordtsche Synode
van 1618—19 bij hare revisie werd gebezigd, waartoe wel aanleiding kan
gegeven hebben, dat Hermannus Fankelius, die Vcorzitter was der oom-
missie, in de Walchersche Classe met hare vervaardiging belast, ook lid
was van de commissie, te Dordrecht benoemd om den officiëelen tekst
der Belijdenis „te formeeren." Zie de Postacta. Sess. 155.
-ocr page 46-
5
De nu geldige tekst van 1619.
(Omtrent de herziening in de Dordtscbe Synode zie men de Acta,
Sess. 144—146, 155).
De eerste officiëele Nederlandsche uitgave ia die van 1619, te Dordrecht
bij Pieter Verhagen en zijne medestanders (H. Jz. Canin, Joris Waters,
Jan Leendortsz Berewout, Francoys Bosseiaer (Borsaler), Niclaes Vin-
centen, Zacharias Jochemsz, Francoys Boels), onder den titel vermeld.
Met deze komt woordelijk overeen de tekst, die in de Handelingen der
Synode
in het Nederlandsch (Dordrecht bij H. Jz. Canin 1621) is uit-
gegeven.
De latynsche officiëele tekst wordt gevonden in de Acta Synodi Na-
tionalU
, Lugd. Bat. Typis Is. Elzeviri, 1620.
Deze officiëele uitgaven zijn sedert in de Kerk gevolgd met verandering
van de aangehaalde schriftuurplaatien naar de Statenvertaling, hetwelk
ook in deze uitgave is in acht genomen. Verg. de uitgave van de Sym-
bolische en Liturgische schriften, op last van de Synode van Zuid-Hol-
land, te Dordrecht bij F. Outman, 1737. Voorrede, bl. 8.
-ocr page 47-
WARE CHRISTELIJKE BELIJDENIS, INHOU-
DENDE DE HOOFDSOM DER LEER VAN
GOD EN DER EEUWIGE ZALIGHEID
DER ZIELEN.
HET EEKSTE ARTIKEL.
Wij gelooven allen met het hart en belijden met
den mond, dat er is een eenig en eenvoudig geeste-
lijk wezen, hetwelk wij God noemen: eeuwig, onbe-
grijpelijk, onzienlijk, onveranderlijk, oneindig, al-
machtig1); volkomen wijs, rechtvaardig, goed, en
eene zeer overvloedige fontein aller goeden.
II.
Wij kennen Hem door twee middelen 2). Ten
1)  Almachtig. Bijvoeging van de Dordr. Syn., ten gevolge van eene op-
iiierking der Remonstranten in hunne Considerationes ad Confess., die zij
in de 38e zitting overhandigden, nadat zij haar reeds vroeger b\\j de Staten
van Holland hadden ingediend. Zie Maresius, Confess. Exeg. p. 14. Acta
Syn.
f». 126, Ed. Elzev. Cf. Praefatio ad Heel.
2)  De aanhef van het 2e Art. was in de oude uitgaven bedorven. In den
oudsten Walsehen Tekst (1561) wa» het: „Nous eonfessons Ie cognoistre tel
par deux inoyens.
Dit werd in de alleroudste Nederlandsche uitgaven (1562—
64) overgezet: „Wij bekennen, dat Hij zulks is, en dat door twee middelen,"
Daardoor ging de vermelding van liet „keknkn van Ood door twee middelen"
te loor. Een blijk, dat men verkeerd doet door met Dr. A. van der Linde te
bcweeren, dat die oudste Nederlandsche drukken „het zuiverst den inhoud der
-ocr page 48-
7
eerste, door de schepping, onderhouding \') en regee-
ring der geheele wereld; overmits dezelve voor^onze
oogen is als een schoon boek, in hetwelk alle schep-
"sëlën, groote en kleine, gelijk als letteren zijn, die
ons de onzienlijke dingen Gods geven te aanschou-
wen, namelijk zijne eeuwige kracht en Goddelijk-
heid, ais de Apostel Paulus zegt, Rom. I : 20. Welke
dingen alle genoegzaam zijn om de mensehen te over-
tuigen en hun alle onschuld te benemen. Ten tweede,
geeft IIij zich zelven ons nog klaarder en volkome-
lijker 2) te kennen door zijn heilig en Goddelijk woord,
te weten, zoo veel als ons van noode is in dit leven
tot zijne eer en de zaligheid der zijnen. 3)
waarheid" teruggeven. De oudste uitgaven zijn liet wtrk van private personen
geweest en in de latere synodale uitgaven is voor den zuiveren inhoud der
belijdenis, naar den plicht der Synoden, beter gezorgd. De Synode van 1566
wilde dus gelezen hebben: „Nous Ie cognoissons en deux sortes." De weg-
lating van de woorden: „dat Hij zulks is," is eene verbetering; die van de
woorden: „Wij bekennen" (belijden) is onschadelijk; „en deux sortes" is min-
der juist dan: , par deux moi/ens." In den „allernauwkeurigsten druck," bij
R. Schilders te Middelburg in 1611 op last van de Prov. Zeeuwsche Synode
(Veere 1610; uitgegeven, is de oude lezing hersteld. Daar lezen wij: „Wij
kenue» hem door twee middelen,"
en zoo werd het ook in de Dordr. Synode
bepaald. Niet juist is dus de opgave van Voetius, Polit. Eccl. III, p. 66,
dat al de uitgaven van 1582 tot 1619 die van eerstgenoemd jaar volgen.
1)   Onderhouding. Verbetering, door de Dordr. Synode overgenomen uit de
Harm. Conf. om de leer der Voorzienigheid Gods volledig uit te drukken.
Oor»pr. (1561): „Par Ie monde créé, conduit et gouverné." In 1566: „Par
la création. conduite et gouvernement du monde universel."
In 15S2: „Door
de schepping, stiering en regeering der gansche wereld."
De verbetering was
reeds aangebracht in de oudste Ned. uitgaven (,1562—64), doch in 1582 ver-
loreu gegaan, omdat men toen „uit het Walsch in \'t Duitsoh vertaalde." Zie
A. Thysius, Corpus Doctrinae, in de Voorrede.
2)   Volkomelijker. Verbetering van de Dordr. Synode. — In den ouden
Franschen tekst (1561) en in den lateren van 1566: „plus manifestement et
évidemment."
In de oude Nederl. uitgaven (1562—64): „nog openbaarlijker
en klaarlijker,-" in de Synodale van 1582 en in die van 1612: „nog klaarder
en openbaarlijker."
De Dordr. Synode nam de tautologie weg door te lezen:
„nog klaarder en volkomelijker."
3)   Te weten — der zijnen. Wijziging der Synode van 1566. In de oude
>
-ocr page 49-
8
III.
Wij belijden, dat dit Woord Gods niet is gezonden
noch voortgebracht door menschelijken taille; maar de
heilige mannen Gods hebben gesproken, gedreven zijnde
door den Heiligen Geest,
gelijk de heilige Petrus zegt.
Daarna heeft God, door eene zonderlinge zorg, die
Hij voor ons en onze zaligheid draagt, zijnen knech-
ten den Profeten en Apostelen geboden zijn geopen-
baarde Woord l) bij geschrift te stellen, en Hij zelf
heeft met zijn vinger de twee Tafelen der Wet ge-
schreven. Hierom noemen wij zulke schriften: Hei-
lige en Goddelijke Schrifturen
IV.
Wij vervatten de H. Schrifture in twee Boeken,
des Ouden en des Nieuwen Testaments, welke zijn
canonieke Boeken, daar niet tegen valt te zeggen.
Deze worden aldus geteld in de Kerke Gods. De.
boeken des Ouden Testaments 2): de vijf boeken van
Mozes, te weten, Genesis, Exodus, Leviticus, Nu-
meri, Deuteronomium 3); het boek Jozua; der Rich-
teren; Ruth; twee boeken Samuëls, en twee boeken
der Koningen; twee boeken der Kronieken, genaamd
Paralipomenon; het eerste van Ezra, Nehemia; Esther;
Job; de Psalmen Davids; drie boeken Salomons, na-
melijk, de Spreuken, de Prediker en het Hooglied;
Walsche en Nederl. uitgaven staat: „SA la quelle il se donne a cognoistre
autant clairemenl aux hommes, qu\'il est de besoini) en eesfe vie el pour leur
salul."
1)  Oudste Walsclie Tekst: „Ses oracles."
2)   De blieken des Ouden Testaments. Bijvoegsel van de D. S.
3)   Te weten — Deuteronomium. Bijv. van de D. 8.
-ocr page 50-
9
de vier groote Profeten: Jesaja, Jeremia, Ezechiël en
Daniël; en voorts de andere twaalf kleine Profeten,
namelijk, Hozea, Joel, Amos, übadja, Jona,Mieha,
Nahum, llabakuk *), Zefanja. ! laggaï, Zacharia, Ma-
leachi 2). Van het Nieuwe Testament 3): de vier Evan-
gelisten, Mattheüs, Marcus, Lucas, Johannes *); de
Handelingen der Apostelen; de veertien Brieven van
den Apostel Paulus, te weten, tot de Romeinen,
twee tot de Korintheren, tot de Galateren, tot de
Efeziërs, tot de Filippenzen, tot de Kolossenzen, twee
tot de Thessalonicenzen, twee tot Timotheüs, tot
Titus, tot Filémon, tot de Hebreen5); de zeven
Brieven der andere Apostelen, te weten, de brief
van Jacobus, twee brieven van Petrus, drie van
Johannes, de brief van Judas 6), en de Openbaring
des Apostels Johannes.
V.
Alle deze boeken alleen ontvangen wij voor heilig
en canoniek, om ons geloof naar dezelve te regu-
leeren, daarop te gronden en daarmede te bevestigen 7).
1)  Mdbakuk ontbreekt in de Nederlandsche uitgaven, zoowel van de Jlan-
delingen der Synode (Dordr. bij Canin 1621) als van den offieiëelen tekst der
Geloofsbelijdenis in 4° (bij denz. 1619). In de Latijnsche, de oudste officièele
uitgave der synod. Handd. (Leiden, bij Elzevier, 1680) wordt het woord ge-
vonden: daarom is het hier ingevoegd.
2)  Namelijk — Maleachi. Bijv. van de D. S.
3)   Van het N. T. Dus te lezen naar de Lat. uitgave der Handell. De
Ned. officièele uitgaven hebbeu, min nauwkeurig: „Het N. T."
4)  De uitgave van 1582 had nog, gelijk al de vroegere, Walsche en Neder-
landsche, v<5ó> de namen der Evangelisten en Apostelen het oude kerkelijke
Sainct of S. De Dordtsche Syn. heeft zich daarvan in den regel onthouden;
hier en daar, zoo als in Art. 3, heeft zij het laten doorglippen.
5)  Te weten — Het reen. Bijv. van de D. S.
6)   Te toeten — Judas. Bijv. van de D. S. .
7)  In de uitgaven vóór 1566 stond alleen: „Four reinier et fonder noslre
-ocr page 51-
10
En gelooven zonder eenige twijfeling al wat in dezelve
begrepen is: en dat niet zoozeer omdat ze de Kerk
aanneemt en voor zoodanige houdt; maar inzonder-
heid, omdat ons de H. Geest getuigenis geeft in onze
harten, dat zij van God zijn, en dewijl zij ook x) het
bewijs van dien bij zich zelve hebben: gemerkt de
blinden zelve tasten kunnen dat de dingen, die daarin
voorzegd zijn, geschieden 2j.
VI.
Wij onderscheiden deze heilige boeken van de apo-
kryfen 3), als daar zijn: het derde en vierde boek
van Ezra; \'t boek van Tobias; Judith; het boek der
Wijsheid; Jezus Sirach; Baruch; hetgene bijgevoegd
is tot de historie Esthers; het gebed der drie mannen
in het vuur; de historie van Susanna, van het beeld
Hel en van den Draak; het gebed van Manasse, en
de twee boeken der Makabeën *) Dewelke de Kerk
wel lezen mag en daaruit ook onderwijzingen nemen,
foy." (Om ons gelooce daarna te reguleren en te öevesfen.) De Syn. van 15(i6
breidde den zin dus uit: „Puur regier, /onder et establir nostre foy." In
de Nederl. vert. van 1582 werd dit overgenomen. De Lat. vertaling van de
Dordr. Synode is sierlijker en niet minder duidelijk: „Iisque, tamquam firn-
damento, innitatur et stabiliatur,"
1)  En dewijl zij ook. — Aldus met den Latijnschen Tekst der Dordr. Sy-
node in overeenstemming met den ondster. Walsenen Tekst.
2)   Gemerkt — geschieden. Tot in 1566 in al de uitgaven: „Quand ils disent
quelque chose, et ainsi advient" (AU sy yet seggen en dat het also geschiet).
Kennelgk is onder den druk der vervolging het beroep op de in Jezus vol-
gelingen vervulde profetieën versterkt.
3)  Tot ia 1566 werd hier bijgevoegd: „en andere kerckelicke boeken.\' De
Synode van dit jaar liet deze woorden weg, omdat zij terecht begreep, dat
het hier het onderscheid geldt tusschen de cano«iekc boeken en de apokryfen,
die immers alleen met genen werden gelijk gesteld. In deze lijn voortgaande, heeft
de Dordtsche Synode de lijst der apokryfen des O. T. hier aan toegevoegd.
l) Als daar zijn Makabeën. Bijvoegsel van de D. S. Zie de vorige aant.
-ocr page 52-
11
voor zoo veel als zij overeenkomen met de canonieke
boeken; maar zij hebben zulk eene kracht en ver-
mogen niet, dat men door eenige getuigenis van dien
eenig stuk des geloofs of der christelijke Religie moge
bevestigen; zoo ver is het van daar, dat ze de au-
toriteit van de andere heilige boeken zouden mogen
verminderen l).
VII.
Wij gclooven dat deze H. Schrifture den wille
Gods volkomelijk vervat, en dat al hetgene de mensch
schuldig is te gelooven om zalig te worden daarin
genoegzaam 2) geleerd wordt. Want overmits de ge-
heele wijze des dienstes, die God van ons eischt,
aldaar in \'t lange beschreven is, zoo is het den men-
schen, al waren het zelfs Apostelen, niet geoorloofd
anders te leeren dan ons nu geleerd is door de heilige
Schrifturen; ja, al ware het ook een Engel uit den
1)  Maar zij hebben — verminderen. Tot in 1566 luidde het »lot van dit
Art. in al de Nederl. uitgaven: „Maer sy en mach daer tvt gheen getuyge-
nisse voortbrengen om yet van der Wet, ofte christelicke Religie te beves-
tigen."
Dit was eene gebrekkige vertaling van hetgeen in het oorspronkelijke
geleien werd: „Mais elle (1\'Eglise) ne peut alleguer tesmoignage d\'iceux pour
proutter quelque chose de la Loy ou religion chrestienne."
„Wet" staat
hier niet tegenover „christelijke godsdienst;" dus moest er vertaald zijn: —
„iets van de christelijke Wet of Godsdienst," d. i. de christelijke leer in haar
geheel. Nog al merkwaardig is, dat de Remonstranten zeer tegen dat Art.
ijverden (Consid. 3 et 5), en bepaaldelijk de Wet tegenover de ehr. Gods-
dienst
wilden vermeld hebben. „Misschien," eist Maresius 1. 1., „omdat dit
beter aan den sociniaanschen smaak voldeed." — De beteekenis van de uit-
breiding van het Art. in 1566 is duidelijk: de Roomschgezinden wilden altijd
tegen de canonieke Schriften uit de apokryfen bewijzen aanvoeren voor de
tusschenkomst der heiligen, het gebed voor de doodeu en de bezweringen, en
daarom werden hier de Apokryfen voor goed op hunne eigen plaats gezet.
2)   Genoegzaam. In de oudste Ned. uitgaven (1562—64) staat: „volkome-
lijk."
Het oorspronkelijke heeft juister eu tegen de Roomsche Kerk puntiger-
„suffissamment." Hiernaar werd de lezing in 1506 hersteld.
-ocr page 53-
12
hemel, gelijk de Apostel Paulus zegt. Want dewijl
het verboden is den Woorde Gods tets toe of iets af
te doen,
zoo blijkt daaruit wel, dat de leere deszelven
zeer volmaakt en in alle manieren volkomen is *).
Men mag ook geener menschen schriften, hoe heilig
zij geweest zijn, gelijken %) bij de Goddelijke Sehrif
turen, noch de gewoonte bij de waarheid Gods (want
de waarheid is bovenal;, noch de groote menigte,
noch de oudheid, noch de successie van tijden of
personen, noch de Conciliën, Decreten of besluiten:
ivant alle mensehen zijn uit zich zelve 3j leugenaars *j,
en ijdeler dan de ijdelheid zelve. Daarom verwerpen
wij van ganscher harten 5; al wat met dezen onfeil-
baren 6) regel niet overeenkomt, gelijk ons de Apos-
telen geleerd hebben 7J, zeggende: Beproeft de geesten
1)  Zeer volmaakt en — volkomen is. De Synode van 1566 heeft hier de
woorden: „en in alle manieren volkomen" ingebracht. Waarschijnlijk, om
niets aan de sterkte der uitdrukkingen in dit Art. te verminderen. Doch zij
heeft de onmiddellijk volgende zinsnede, die in al de oude (Walsche en Neder-
laudsche) uitgaven voorkomt, weggenomen: „Een yegelick moet hem dan wel
wachten
, daer yet toe te doen of af te doen: daarmede dat hij de mensche-
lieke tvijsheyt met de Godlicke tcijsheyt vermengden mochte."
Zeer wensche-
lijke bekorting.
2)   Gelijken. In het oorspr. was het veel flauwer: „Aussi ne faut preferer
les Escrits des hommes,"
etc. De oude Nederl. uitgaven hebben reeds: „tegen-
stellen tegen"
—. De Synode van 1566 heeft den zin nog versterkt door het
woord: „eomparer" te gebruiken.
3)   Uit zich zelve. Bijv. van de Synode van 1566, in den geest van Bom.
VII: 18.
4)  Hier werd in al de oude (Walsche en Nederlandsche) uitgaven eene vrije
aanhaling gevonden van Bom. VIII: 7, in deze woorden: „Et leur sagesse
ne peut estre assuiettie a Dieu." (Ende haer wijsheyt en kan God niet
onderworpen worden.)
5)   Van ganscher harten. Bijvoegsel van de Synode van 1566.
6)  Onfeilbaren. In de oude Ned. uitgaven (1562—64) staat: „onweder-
sprekelijken."
De oorspr. tekst heeft: „infallible." De Syn. van 1566 heeft
de lezing van den oorspr. tekst hersteld.
?) Geleerd hebben. De oorspr. tekst heeft: „Comme nous sommes enseignez
de faire."
Hiermede komen de oude uitgaven en die van 1566 overeen. Deze
-ocr page 54-
13
of zij uit God zijn l). Insgelijks: Zoo iemand tot u
komt en deze leer niet medebrengt, ontvangt hem in
uw huis niet.
VIII.
Achtervolgende deze waarheid en dit Woord Gods,
zoo gelooven wij in 2) een eenigen God, die een eenig
wezen is, in hetwelk zijn drie personen, in der daad
en waarheid en van eeuwigheid onderscheiden naar
hunne onniededeelbare eigenschappen 3), namelijk de
Vader en de Zoon en de Heilige Geest. De Vader
is de oorzaak, oorsprong en het begin aller dingen ,
heeft: „instruits et enseigne: de faire." De D. S. heeft de woorden: „te
doen"
weggenomen. Te recht.
1)  De oude uitgaven vóór 1566 hebben hier: „Il monstre que par ses escrits
on les cognoistra." (Mij bewijst, dat men se door sijn schriften kennen sal.)
De Synode van 66 nam deze noodelooze verklaring weg.
2)  In een eenigen God. De oude Nederd. uitgaven (62—64) laten het be-
teekenisvolle in weg, in strijd met het oorspr.: „En un seul D." De Synode
van 66 heeft de fout hersteld.
3)   Die een eenig — eigenschappen. Deze bepaling van de drievuldigheid
Gods is een van die deelen der belijdenis, waarin de zorg der oude Synoden
voor eene zuivere voorstelling der christelijke leer openbaar is. In den ouden
Franschen Tekst was het: „Lequel est seul en essence et substance: mais
trois en personnes, P. F. et St. E."
De oude Nederduitsche uitgaven (1562—
61) stemden hiermede overeen: „Welck is eenich in wesene ende substantie,
tnaer dry in persoonen."
Deze bepaling werd in de Syn. van 1566 dus ver-
sterkt en uitgebreid: „Die een eenich wesen is, inderdaet ende waerheyt ende
van eenwicheyt onderscheyden in drie persoonen, elclc hare lesondere eygen-
schappen hellende, namelic
—." De Dordtsche Synode heeft eerst het bestaan
van de drie personen in de Godheid doen uitkomen en dan de wezenlijkheid
van het onderscheid uitgesproken, door de aanwijzing dat zij onderscheiden
zjjn „naar hunne onmededeelbare eigenschappen," dus niet slechts als onder-
scheidene vormen der openbaring van het Goddelijk wezen, maar zoo wezenlijk
en eeuwig als het wezen Gods zelf. Dit geschiedde tegen het misbruik, het-
welk vooral Servet maakte van de bepaling der oude leerstellige schrijvers,
dat de drie personen vau het ééne Goddelijk wezen onderscheiden waren door
de wijze van hun bestaan (per rpóirovs üira\'f%ew$). Verg. mijne Bijdragen
tot de verklaring, toetsing en ontwikkeling\'van de leer der Serv. Kerk,
bl.
53, vg.
-ocr page 55-
14
zoowel zienlijke als onzienlijke. De Zoon is \') het
Woord, de Wijsheid en het Beeld des Vaders. De
Heilige Geest, de eeuwige Kracht en Mogendheid2),
uitgaande van den Vader en den Zoon 3). Alzoo noch-
thans, dat dit onderscheid niet maakt dat God in
drieën gedeeld zij k); aangezien dat de Heilige Schrif-
ture ons leert, dat de Vader en de Zoon en de Hei-
lige Geest elk zijne zelfstandigheid heeft, onderschei-
den door hare eigenschappen: doch alzoo, dat deze
drie personen maar een eenig God zijn. Zoo is het
dan openbaar, dat de Vader niet is de Zoon, en dat
de Zoon niet is de Vader, dat ook insgelijks de Hei-
lige Geest niet is noch de Vader, noch de Zoon.
llier-en-tusschen deze personen, zóó onderscheiden,
zijn niet gedeeld, noch ook ondereen vermengd.
Want de Vader heeft het vleesch niet aangenomen,
noch ook de Heilige Geest, maar alleen de Zoon.
De Vader is nooit zonder zijnen Zoon, noch zonder
zijnen H. Geest geweest: want zij zijn alle drie van
gelijke eeuwigheid in een zelfde wezen 5). Daar is
11 De Zoon is. In de oude uitgaven: „Le Fils est appellé." (De Zoon
is genaemt.)
In 1566 is liet veranderd in: „Le Fils qui est" —, hetwelk
in het Ned. onnauwkeurig vertaald werd: „De Zoon is." De Dordtsche Synode
had dit behooren te herstellen, daar er blijkbaar namen van den Zoon uit
de Schrift worden aangehaald. De oude belijders waren meer bevreesd voor
de ketterij dan voor den brandstapel; maar de vrees is nooit een goede uit-
legger.
2)   De H. Geest, de eeuwige kracht en mogendheid. In de oorspr. Fr.
uitgave: „Le S. 2?. est la vertu et puissance eternelle." In de oude Nederl.
(1562—61): „De H. <?. is de eeuwige wesentlicke cracht ende mogendheyt."
De Syn. van 1)66 herstelde de oude lezing.
3)   Uitgaande — Zoon. Bijvoegsel van de Synode van 1566.
i) Alzoo — gedeeld zij. Beter in de oude Walsche en Ned. uitgaven vóór
1566: „Ende hier-en-tusschen en maeckt sulck een onderscheyt niet, dat de
eenicheyt Qods in drie Ouden \'gedeylt sij."
5) In een zelfde wezen. In, de oude uitgaven vóór 1566 minder juist:
„Sij sijn alle drie van gelijcker eeuwigheyt ende wesen."
-ocr page 56-
15
noch eerste, noch laatste; want zij zijn alle drie een
in waarheid, in mogendheid, in goedheid en barm-
hartigheid.
IX.
f Dit alles weten wij, zoo uit de getuigenissen der
i H. Schrifture, als uit hunne werkingen, en voorna-i
: meiijk uit degene, die wij in ons gevoelen J). De |
getuigenissen der II. Schrifturen, die ons leeren deze
II. Drievuldigheid te gelooven, zijn in vele plaatsen
des ouden Testaments beschreven: welke niet noodig
is te tellen, maar alleen met onderscheid of oordeel
uit te kiezen 2). In Genesis, cap. 1 : 26, 27, zegt God:
Laat ons menschen maken, naar onzen heelde en naar
onze gelijkenis. Zoo schiep dan God den mensch naar
zijnen heelde, man en wijf schiep Hij ze.
Insgelijks
Gen. 3 : 22: Ziet, Adam is geworden gelijk een van^
ons.
Daaruit blijkt dat er meer dan een persoon 3)
1)  Dit alles — gevoelen. Bijvoegsel van de Synode van 1566, waaruit blijkt p
dat de oude belijders een ander gebruik van de E. Schrift kenden dan de
bloote aanhaling van dogmatische teksten. Zij wijzen op hetgeen in den samen-
hang der onderscheiden getuigenissen, in de H. Schrift vervat, waarheid blijkt
te lijn en dit in verband met de geestelijke ervaring der geloovigen. Hoe
dikwijls is dit door moderne confessioneele zeloten als ketterij aangemerkt!
üit de vergelijking met hetgeen in dit Art. onmiddellijk volgt, blijkt dat de
Synode van 1566 aan de oorspronkelijke opstellers van de Belijders in liet
redelijk en geestelijk gebruiken van de Schrift vooruit was. — Deze drie eerste
regels van dit 9e Art. zijn als de bijna eenige noemenswaardige verandering
in de Geloofsbelijdenis aangewezen door ö. H. M. Delprat in De Gids, Mei
1865, bl. 396. Volgens dezen geleerde „schijnt de Belijdenis in 1566 en zelfs
vroeger deze en eenige minder duidelijk sprekende verbeteringen te hebben
ondergaan!!" Na de aanwijzing van de belangrijke veranderingen, in en na
1566 aangebracht, zal men dit niet meer kunnen zeggen.
2)   Welke niet noodig is — uit te kiezen. Bijv. van de Synode van 1566.
Een gulden regel, dien men uiet altijd als kerkleer heeft aangemerkt.
3)  Meer dan een persoon. In de oude Walsche en Nederlandsche uitgaven
(1562—64): „Pluraliteyt of veelheyt van persoonen."
-ocr page 57-
16
in de Godheid is, als Hij zegt: Laat ons menschen
maken, naar onzen beelde ; en wijst daarna de eenig-
heid aan, als Hij zegt: God schiep, \'t Is wel waar,
dat Hij niet zegt hoe veel personen dat er zijn; maar
hetgene voor ons wat \') duister is in het oude Testa-
ment, dat is zeer klaar 2) in het Nieuwe. Want als
onze Ileere gedoopt werd in de Jordaan, zoo is de
stemme des Vaders gehoord geweest, zeggende: Deze
is mijn geliefde Zoon;
de Zoon werd gezien in het water,
j en de heilige Geest openbaarde zich in de gedaante
van eene duif3). Ook mede is in den Doop aller ge-
loovigen deze forme ingesteld van Christus k): Doopt
alle volken in den naam des Vaders en des Zoons en
des Heiligen Geestes.
In het Evangelium van Lucas
spreekt de Engel Gabriël tot Maria, de moeder des
Heeren, aldus: De Heilige Geest zal over u komen, en
de kracht des allerhoogsten zal u overschaduwen: en
daarom ook dat Heilige, dat uit u zal geboren worden
,
zal Gods Zoon genaamd worden 5j. Insgelijks: De ge-
nade onzes Heeren Jezus Christus en de liefde Gods
en de gemeenschap) des H. Geestes zij met u
6). Daar
1)   Wat duister. „Wat" is bijv. van de Dordtsche Synode.
2)   Zeer klaar. Veranderd in de Ned. uitgaven na 1566. Vroeger: „Ons
seer klaer,"
en ook nog in den Franschen Tekst van 1566: „Nous est tres-
clair au nouveau."
3)  Duif. Hierachter werd in de oude Walsche en Nederl. uitgaven vóór
1506 gelezen: „En zijnder daer niet dry?"
1) Mede is — van Christus. Bijv. van de Synode van 1566.
») Genaamd worden. Hierachter hebben de oude Walsche en Nederl. uit-
gaven vóór 1566: „Wij sten dat hier de Vader genoemt werd, de Alder-
hoochsle, daer na de Sone Gods, die van der Maget geboren wert, end» de
H. Geest, die de Maget omschaduuiet."
6) Vóór deze aanhaling van 1 Joh. V : 7 staat in de oude Walsche en
Nederl. uitgaven vóór .1566: „Ende hier siet mender klaerlicken dry ghe-
noemt."
"Dit deze en de vorige aanteekeuing blijkt, dat de Synode van 15661
vooral ook op bekorting is bedacht geweest.
-ocr page 58-
17
zijn drie die getuigenis geven in den Hemel, de Vader,
het Woord en de Heilige Geest, en deze drie zijn een.
On alle deze plaatsen wordt ons ten volle geleerd dat
r drie personen zijn in een eenig Goddelijk Wezen.
En hoewel deze leer de menschelijke verstanden verre l)
te boven gaat, nochtans gelooven wij die nu door het
Woord, verwachtende totdat wij de volkomen ken-
nisse en vrucht van dien genieten 2) zullen in den
hemel. Voorts staan ook aan te merken de bijzon-
dere ambten en werkingen 3; dezer drie personen t\' ons
waarts. De Vader is genaamd onze Schepper door
zijne kracht; de Zoon is onze Zaligmaker en Verlosser
door zijn bloed; de H. Geest is onze Heiligmaker
door zijne woning in onze harten. Deze leer van de
heilige drievuldigheid is altijd beweerd en onderhou-
den geweest bij de ware Kerk, van de tijden der
Apostelen af tot nu toe, tegen de Joden, Mahume-
tisten en eenige valsche christenen en ketteren, als
Marcion, Manes, Praxeas, Sabellius, Samosatenus,
Arius en andere diergelijken, die met goed recht
van de H. Vaders zijn veroordeeld 4) geweest. Over-
1)   Verre. Bijv. van de Dordtsche Synode.
2)  Kennisse — genieten. Beter in deu tekst der Synode van 1566: „Tot-
dat mij de volcomen kennisse van dien genieten sullen in den hemel.\'\' De
Dordtsche Syuode heeft tot den oorspr. tekst willen terugkeeren, waarin toch
eigenlijk een ander denkbeeld was uitgedrukt: „Attendant d\'en auoir iouis-
sance au eiel."
Hier is het genot van de „werkingen" der drie Personen
bedoeld, waarin de keunis ligt opgesloten. De Synode van 1566 wilde op de
volkomenheid der kennisse Gods in den hemel gelet hebben. Die kleine ver-
anderingen zijn zoo gering niet, als het wel schijnt bij eene vluchtige inzage
waarmede onze symbolische schriften bij vriend ea vijand doorgaans tevreden
moeten zijn.
3)   Voorts staan — ambten en werkingen. In den Franschen Tekst van
1561, waarmede de oudste Nederl. uitgaven vóór 1566 overeenkomen: „Outre
plus chacune personne de la Trinité a son office envers nous."
4)   Veroordeeld. Kaar den oorspr. Franschen tekst van 1561 en 1566 (con-
v. T. Symb. Sehr. 2e dr.
                                                                     2
-ocr page 59-
18
zulks nemen wij in dit stuk gaarne aan de drie ge-
loofssommen, namelijk der Apostelen, van Nicea en
van Athanasius; insgelijks hetgeen dat daarvan bij
de ouden l) in gelijkvormigheid van dien besloten is.
X.
Wij gelooven dat Jezus Christus naar zijne god-
delijke natuur de eeniggeboren 2) Zoon Gods is, van
eeuwigheid geboren 3): niet gemaakt, noch geschapen
(want alzoo zoude Hij een schepsel k) zijn); maar
eenswezens 5j met den Vader, mede-eeuwig; het uit-
gedrukte 6; beeld der zelfstandigheid des Vaders en de
glans zijner heerlijkheid, Hem in alles gelijk zijnde 7).
Dewelke is Gods Zoon, niet alleen van dien tijd af
dat Hij onze natuur heeft aangenomen 8), maar van
alle eeuwigheid, gelijk ons deze getuigenissen leeren
damnez). In de Nederl. uitgaven van 1562—64: „verworpen en verdoemd;"
in die van 1582 en 1611: „verdoemd."
1) Bij de ouden. In de oude Walsolie en Nederl. uitgaven vóór 1566:
„Voor de H. Conciliën."
8) Eeniggeboren. In al de oude uitgaven vóór de Dordtsche Syn.: „unique"
(eenighe).
3)   Geboren. De Nederl. uitgave vau 1582 vertaalde letterlijker het Fransche:
„engendré" door: ,,gegenereerd." De oudste Nederl. uitgaven (1562—64)
hadden: „van Hem geboren."
4)  Schepsel. De oude Nederl. uitgaven vóór 1566 hadden: „creature en
schepsel."
Waarschijnlijk eene glosse, die in den tekst geraakt is.
5)   Eenswezens. De oude uitgaven v<5<5r 1566 hadden: „«» en essence" (een
in wezen.)
6)   Uitgedrukte beeld. In de oude Nederl. uitgaven vóór 1611: „eigen beeld"
(Fr. 1561: propre image). Waarschijnlijk veranderd naar den Bijbeltekst
Hebr. 1: 3.
7)  Mem in alles gelijk zijnde. De Synode van 1566 verkortte ook hier
den oorspr. tekst, waarin gelezen wordt: „Eiant en tout et par tout sem-
blable d lui."
8)  Niet alleen — aangenomen. Wijziging van 1566. Oorspr.: „Non seult-
mtnt il est E. d. D. apris eslre enfanté."
-ocr page 60-
19
wanneer zij met, elkander vergeleken worden \'): Mozes
zegt dat God de wereld heeft geschapen, en de heilige
Johannes zegt dat alle dingen zijn geschapen door
dat Woord, hetwelk hij God noemt; de Apostel zegt
dat God de eeuwen door zijnen Zoon gemaakt heeft;
insgelijks, dat God alle dingen door Jezus Christus
geschapen heeft; zoo moet dan degene die genaamd
wordt God, het Woord, de Zoon en Jezus Christus
toen al geweest zijn als alle dingen door Hem ge-
schapen werden 2). En daarom zegt de Profeet Micha :
Zijne uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwig-
heid.
En de Apostel: Rij is zonder begin der dagen
en zonder einde des levens
3). Zoo is Hij dan de
ware, eeuwige God, die Almachtige, denwelken wij
aanroepen, aanbidden en dienen 4).
XI.
Wij gelooven en belijden ook dat de H. Geest
van eeuwigheid van den Vader en den Zoon uit-
1)   Wanneer — ze worden. Bij», van de Syn. van 1566.
2)   De Apostel zegt — geschapen werden. Verkorting door de Synode van
156G aangebracht. Oorspr. „Et ce que S. Jean appelle la Parole, S. Paul
Vappelle Fils, disanl que Dien a fait les siècles par son Fils. Sainct Paul
dit encores que Dieu a creé toutes choses par Jesits Christ. Il ne pounoif
créer toutes choses par son Fils qu\'il ne faut desia des alors."
Zoo ook de
Nederl. uitg. van 1562—64.
3)  Mn de Apostel: — des levens. Oorspronkelijk was hier ook Kol. 1: 15b
aangehaald: „Il est Ie premier nag deoant toutes creatures, il est sans com-
mencement
," etc. De Synode van 1566 nam de eerste aanhaling (als eene
herhaling van het door Micha gezegde) weg. De Dordtsche Synode voegde
nu de woordeu: „En de Ap." in. Eene proeve van de nauwkeurigheid der
synodale revisiën en van hare vrijheid tevens.
4)   Aanroepen — dienen. Wijziging, door de Synode van 1566 aangebracht.
Oorspr. werd er gelezen: „Lequel nous inuoquons et adoront toute nostre
»»«." — Dit 10» Art. is, blijkens deze aanteekeningen, in 1566 geheel over-
gewerkt.
2*
-ocr page 61-
20
gaat1), niet zijnde gemaakt noch geschapen, noch
ook geboren2], maar alleen van beiden uitgaande;
welke in orde 3) is de derde Persoon der Drievul-
digheid, eens-zelvigen wezens, majesteit en heer-
lijkheid *) met den Vader en den Zoon; zijnde waar-
achtig s) en eeuwig God, gelijk ons de H. Schriften
leeren.
XII.
Wij gelooven dat de Vader 6) door zijn Woord, dat
is door zijnen Zoon, den hemel, de aarde en alle
schepselen uit niet heeft geschapen als het Hem heeft
goed gedacht7), een iegelijk schepsel zijn wezen, ge-
stalte en gedaante en verscheidene ambten gevende,
om zijnen Schepper te dienen. Dat Hij ze ook nn 8)
alle onderhoudt en regeert naar zijne eeuwige voor-
zienigheid en door zijne oneindelijke kracht, om
1)   Uitgaat. In de oude Ned. uitgaven (1562—64): „voortkomt." Oorspr.
Fr. ,,procèile."
2)   Geboren. De Synode van 1566: „gegenereerd," naar het oorspr.: „en-
gendré."
3)  In orde. Komt eerst voor in de uitgave van 1611. In de oude uit-
gaven: „en is de derde."
4)  Heerlijkheid. Ia de offl uitgave staat: „Eerlijkheid." Zeeuwsen taai-
eigen, overgenomen uit den Middelb. druk van 1611.
5)  Zijnde waarachtig. In de oude Ned. uitgaven (1562—84): „een ware"
Fr.: vvray et éternel D."
6)   De Vader door zijn Woord. In de oude Walsche en Nedei\'1. uitgaven
vuór 1566: „ce teul Dieu" (dese eenighe God). De Synode van 15B6 heeft
hierdoor eene bedenkelijke wijziging aangebracht. Het is niet zuiver bijbelsch
den Vader als door het Woord zich openbarende voor te stellen. Verg. Joh.
I: 1 met vs. 14. Qod en het Woord; de Vader en de eeniggeboren Zoon,
zijn de Bijbelsche tegenstellingen.
7)  AU het Bern heeft goed gedacht. Oorspr. Fr.: „Quand bon lui a temblé."
De
oudste Ned. uitg. (1562—64) hebben eene vrijere vertaling; „Naar zijn
welgevallen."
8)   Ook nu. Bijv. Tan de Syn. van 1566.
-ocr page 62-
21
den niensch te dienen, ten einde dat de mensch
zijnen God diene. Hij heeft ook de *) engelen goed
geschapen, om zijne zendboden te zijn, en zijne
uitverkorenen te dienen: van welke sommigen van
die uitnemendheid, in welke hen God geschapen had,
in het eeuwig verderf vervallen zijn, en de anderen
zijn door de genade Gods in hunne eersten staat
volhardig en staande gebleven. /De duivelen en
booze geestene/zijn alzoo verdorven, dat zij vijan-
den Gods en alles goeds zijn; naar al hun vermogen
als moordenaars 3) loerende op de Kerk en een ieder
lidmaat van die *), om alles te verderven en te ver-
woesten door hunne bedriegerijen b); en zijn daarom
door hunne eigene boosheid veroordeeld tot de eeuwige
verdoemenis, dagelijks 6) verwachtende hunne schrik-
1) De engelen. In de uitg. van 1566: „ses anges" (zijne engelen). Waar-
schijnlijk eene misstelling, die de Dordtsche Sj-n. terecht wegnam
2)   De duivelen en booze geesten. In de oude W. en Ned. uitgaven vóór
1566: „Les premiers (Ned. naar cene andere indeeling Tan den voorafgaand en
zin: „de laatsten") que nous appelloas diables et esprits malings." De be-
korting, in 1566 aangebracht, heeft hier aan den zin schade gedaan. Het is
nu, als werden de booze geesten van de duivelen onderscheiden, hetwelk de
bedoeling niet is.
3)   Als moordenaars. Bijv. van 1566. In de Walsene (oorspronkelijke)
uitgave van dat jaar staat: „comme brigans."
4)  En een ieder lidmaat van die. Bijv. van 1566.
5)   Bedriegerijen. De uitg. van 1561 heeft „tromperie," de oude Ned. uit-
gaven (1562—64): „listicheyt ende bedroch." In 1566 is het meervoud aan-
genomen, omdat men nu eene zeer opmerkelijke bekorting aanbracht, door
weglating van do woorden: „Voire iusques è se faire adorer d\'un chacun,
promettant grand choses aux hommes: et cela n\'est de merueille, attendu
qu\'il s\'est bien osé presenter a Christ pour se faire adorer de lag."
Zou
de weglating van deze woorden niet getuigen van de zucht der Hervormden
in de Nederlanden om do uitwassen van het volksgeloof omtrent den invloed
des duivels tegen te gaan? Van die zucht getuigt zeker het verschijnsel, dat
de heksenprocessen hier te lande vroeger dan in eenig land hebben opgehouden.
6)  Dagelijks. Bijv. van 1566. Beter in den Fr. tekst van dat jaar: „de
jour en jour."
-ocr page 63-
22
kelijke pijnigingen *). Zoo verwerpen en verfoeien 2)
wij dan hierover de dwaling der Sadduceë\'n, die
loochenen dat er geesten en engelen zijn, en ook
de dwaling der Manicheën, die zeggen, dat de dui-
velen hunnen oorsprong uit zichzelve hebben, zijnde
uit hunne eigene natuur kwaad, zonder dat zij 3)
verdorven zijn geworden.
XIII.
Wij gelooven dat die goede God, nadat Hij alle
dingen geschapen had, dezelve niet heeft laten varen 4),
noch aan het geval of de fortuin overgegeven, maar
stiert en regeert ze alzóó naar zijnen heiligen wil,
dat in deze wereld niets geschiedt zonder zijne ordi-
nantie 5), hoewel nochtans God noch auteur is , noch
schuld heeft van de zonde die daar geschiedt. Want
zijne macht en goedheid is zóó groot en onbegrij-
1)  Schrikkelijke pijnigingen. In de uitgaven v<iór 1566: „leur torment"
(hoer straffe ende pijne).
2)   Verwerpen en verfoeien. In de Walsche uitgaven, zoowel van 1561 als
van 1566: „détestons." De oude Ned. uitgaven (1562—64) hadden: „wij
verwerpen ende verbannen."
De Synode van 1566 wilde gelezen hebben: „wij
vervloecken."
De uitgave van 1611 heeft het eerst, in nauwer aansluiting
aan den Franschen tekst: „verwerpen en verfoeien." De invloed van deze
uitgave op den later vastgestelden tekst is onmiskenbaar. Zij is steeds, ook
reeds bij de Dordtsche Synode, als de standaart-editie aangemerkt. Ver*, bl.
19, Aant. 4.
3)  Zonder dat zij. Bekorting van 1566, in overeenstemming met den
oorspr. tekst. De oudste Nederl. uitg. (1562—64) hadden: „ende sijn niet
tot eeniger tijd verdorven geworden."
4)  Heeft laten varen, noch. — Bijv. van 1566.
i) Ordinantie, Lat. ordinatio. Het Fr. ordonnance, hier gevolgd, is dub-
belzinnig. Wij maken onderscheid tusschen ordonnantie rr bevel, en ordinantie
(ordinatie) = besturende bepaling,
en deze is bedoeld. Dit onderscheid is
veelal voorbij gezien. — „Cadit homo, Dei providentia sic ordinante, sed suq
vitio cadit." Calvini Institutio, III: 23, 8.
-ocr page 64-
28
pelijk, dat Hij zeer wel en rechtvaardiglijk zijn werk
beschikt en doet, wanneer ook de duivelen en god-
loozen onrechtvaardiglijk handelen *). En aangaande
hetgene Hij doet boven het begrip des menschelijken
verstands, hetzelve willen wij niet curieuselijk onder-
zoeken, meer dan ons begrip verdragen kan: maar
wij aanbidden met alle ootmoedigheid en eerbiedinge
de rechtvaardige oordeelen Gods, die ons verborgen
zijn, ons te vreden houdende dat wij leerjongens
van Christus zijn, om alleen te leeren hetgene Hij
ons aanwijst in zijn Woord, zonder deze palen te
overtreden. Deze leering geeft ons eenen onuitspre-
kelijken troost, als wij door dezelve geleerd worden,
dat ons niets bij geval overkomen kan, maar door de
beschikking onzes goedertierenen hemelschen Vaders,
die voor ons waakt met eene vaderlijke zorge, hou-
1) Dat Hij zeer wel — onrechtoaardiglijk handelen. In de oude Ned. en
Walsche uitgaven vóór 1566 werd gelezen: „Que mesme il ordonne et fait
tres bien et justement ce que Ie diable et les hommes font iniustement."
(Ned.: Hij ordineert, werkt — dat de duivel ende menschen onrechtveer-
dichliek wercken.)
De wijziging, in de Antwerpsche Synode (1566) aange-
bracht, is van groote beteekenis. De oorspronkelijke lezing bevat de volkomen
consequentie van Gods souvereiniteit ook over het kwaad. Daarin hooren
wij de leerlingen van Kalvijn, die zeide: „Quod permissionem voeant, non
satis est."
Instit. II : IV, 3. Bij de herziening van de Geloofsbelijdenis is de
reactie duidelijk merkbaar van de beschouwing, die van de menschel\\jke
vrijheid uitgaat bij de voorstelling van de betrekking tusschen God en de
zonde. De toenmalige leeraars te Antwerpen (Carpentier, Junius en C. Niëll)
dreven de praedestinatie „met den aankleve van dien" minder sterk dan de
opstellers der Belijdenis; waarschijnlijk was de polemiek der Luthersgezinden
bij hen niet zonder invloed gebleven. Maar vooral opmerkelijk is dat noch
de Synode van 1581, noch ook die van 1618—19 is teruggekeerd tot de oor-
spronkelijke redactie van het 13e en 16« Artikel. Daaruit blijkt, dat de oude
Gereformeerde Kerk niet reactionair was; dat zij niet met „de oudheid der
letter" van hare belijdenisschriften heeft gedweept, en dat zij, strijdende
tegen de Pelagiaansche leer van den „vrijen wil," niet geweigerd heeft te
rekenen met de opvatting, die de keerzijde in het genoemde vraagstuk op
den voorgrond stelt.
-ocr page 65-
24
dende alle schepselen onder zijne macht *), alzoo dat
niet een haar van ons hoofd [want die alle 2) geteld
zijn), ook niet een vogeiken op de aarde vallen kan,
zonder den wil onzes Vaders.
Waarop wij ons ver-
laten, wetende dat Hij de duivelen in den toom
houdt en alle onze vijanden, die ons zonder zijne
toelating en wil 3j niet beschadigen kunnen. En hier-
over verwerpen wij de verdoemelijke dwaling der
Epikureën, dewelke zeggen, dat zich God nergens
mede 4) bemoeit en laat alle dingen bij gevalle ge-
schieden.
XIV.
Wij gelooven dat God den mfmsch geschapen heeft
van het stof der aarde 5) en heeft hem gemaakt en
geformeerd naar zijn beeld en gelijkenis, goed, recht-
vaardig en heilig6), kunnende met zijnen wil in
1)   Onder zijne macht. Oude Walsche Tekst: „Subieltes a soy." „Macht,"
naar liet nederlandsch spraakgebruik, duidelijker dan „geweld."
2)  Alle. De Dordtsche Syuode heeft hier uitgelaten: „tot het allerminste
toe." Nauwere aansluiting aan den Bijbeltekst. Met vrijer gebruik van het
Bijbelwoord was de oorspronkelijke uitdrukking (1561) nauwkeuriger en pun-
tiger: „De sorte qu\'tin petit cheveu de nostre teste est nombré. Un petit
niseau ne tombera pas"
—.
3)   Wil. De uitgaven van 1562—64 hebben: „goeden wil" (Pr. bonne
volante
d. i. welbehagen). Eene gebrekkige vertaling, zoo als die oudste uitga-
ven dikwijls vertoonen. Zij waren het werk van private personen en hebbeu
daarom geenerlei gezag en ook geringe innerlijke waarde.
4)  Nergens mede. Dus nauwkeuriger sedert 1566. Vroeger: „plus de Wen."
{Niet meer yewers mede), t. w. na de schepping.
5)  Set stof der aarde. Vrije vertaling, reeds in de nitg. van Schildert
voorkomende, van den tekst van 1566: „du limon de la terre" (van den
slijm der aarde).
Oorspr. was het: „de la terre."
6)  Heilig. De Synode van 1566 nam hier de volgende woorden van het
oorspr. weg: „Et lout parfait en toutex choses.■" eene wijzigiging waarvan
al het gewicht in het oog valt. De oude Kerk kwam daarin op tegen de
overdreven voorstelling van het wezen van Gods beeld in den eersten Adam,
-ocr page 66-
25
alles overeenkomen met den wille Gods \'). Maar
P
als hij in eere iocis, zoo heeft hij het niet verstaan, . Q
noch zijne uitnemendheid erkend, maar heeft zich           . n
zilven willens der zonde onderworpen, en overzulks
den dood en vervloeking 2 , de oore biedende den
woorde des duivels. Want het gebod des levens,
dat hij ontvangen had, heeft hij overtreden, en heeft
zich van God, die zijn ware leven was, door zijne è^^j^^s
zonde3) afgescheiden *); hebbende zijne geheele na
tuur verdorven : waardoor hij zich schuldig gemaakt v"
heeft des lichamelijken en geestelijken doods. En in
alle zijne wegen goddeloos, verkeerd en verdorven            ~
geworden zijnde 5j, heeft hij verloren alle zijne uit-
die later de Dogmatiek beheerscht heeft. Zou de invloed van een theologant
als Junius in dergelijke wijzigingen zichtbaar zijn r Verg. Vita Junii in Gerdes\'
Scrinium antiq. I, p. 246.
1)  Hierachter volgde in den tekst van 1561, door de Ned. uitgaven van
1562—54 gevolgd, deze uitbreiding, welke de Synode van 1566, in den geest
der vorige wijziging, wegnam: „Dien done Va creé et compogé de deux choses,
du corps et de l\'ame: Ie corps a est\'t\' fait de la terre, et V\'esprit et vie a
estê inspirée de Dien, de sorte quen Vhomme on y voit une tetle excellence,
que l\'\'entendement humain defaut a l\'expliquer. Il a esté tel, dit David,
qu\'il ne luy restoit plus que d\'estre Die*: il a esté couronué de gloire et
d\'honneur."
2)  Maar heeft zich zelven — vervloeking. Belangrijke wijziging, door de
Synode van 1566 aangebracht. In den oorspr. tekst werd gelezen: ,.Ains a
asté fait semblable au jugement"
(verouderde of fautieve schrijfwijze voor
jument (van jugmentum), welk woord nog in de 16e eeuw gebruikt werd voor:
béte de somme. Zie Diction. de Littré i. v.}; in de oude Nederl. uitg. van
1562—64: „Maar is den vee gelijk gemorden." Eene overdrijving, die, naar
de Schrift, niet mocht blijven staan.
3)   Door zijne zonde. Zoo moet gelezen worden, naar den ofRcièelen Lat.
tekst (peccato suo). De uitg. van 1611 brengt deze woorden verkeerdelijk tot
het volgende: , Hebbende door z. z." enz.
*) Afgescheiden. Al de oudere uitgaven hebben: .,afges>ieden" (retranché)
De Dordtsche Synode gaf het rechte woord, naar het Evangelie. In den
latijnachen tekst: „penitut divulsit."
5) En in alle zijne wegen — zijnde. Vóór 1566 werd hier gelezen: „Bt
est devenu meschant, pervers, aveugle d\'entendement, corrompn en toutes ses
-ocr page 67-
26
nemende gaven, die hij van God ontvangen had, en
heeft niet anders overig behouden dan kleine over-
blijfselen \') derzelve, welke genoegzaam zijn om den
mensch alle onschuld te benemen 2): overmits al het
licht, dat in ons is, is in duisternis veranderd, gelijk
de Schrift ons leert, zeggende: Het licht schijnt in
de duisternis, en de duisternis heeft hetzelve niet be-
grepen;
alwaar de heilige Johannes de menschen
duisternis noemt. Daarom verwerpen wij al dat men
hiertegen leert van den Vrijen-wille des menschen,
aangezien de mensch niet dan een slaaf der zonde
is 3), en niets hebben kan, tenzij dat het hem gegeven
zij uit den hemel.
Want wie is er die zich beroemen
zal iets goeds te kunnen doen als uit zich zelven,
daar toch Christus zegt 4j: Niemand kan tot Mij komen
voyes." Blijkbaar heeft men bij de herziening het schuldige van de zoude
sterker willen doen uitkomen, en daarom in dit verband van hare verblin-
dende kracht niet willen spreken.
1)  Kleine overblijfselen. Oorspr.: „petites traces" {een cleyn overblijf); in
de vertaling van den tekst van 1566 (uitg. 1582): „kleyne voncxkens. Niet
maar: „kleine aanwijzingen, dat de gaven er geweest zijn," maar overblijfselen,
waarvan de Lat. officiëele uitgave de positieve aanwezigheid uitdrukt door
tegenover: „exigua" te stelleu: ,,qtiae tarnen ad — sufficiant." Kalvijn\'s op-
vatting van „het beeld Gods" als in den zondigen mensch niet vernietigd,
maar bedorven („nou prossns exiaanita ae deleta, sic tarnen corrupta ut quic-
quid superest horrenda sit deformitas. Tast. I: xr, 4) verklaart het verlorene
en overgeblevene van de Geloofsbelijdenis.
2)  Benemen. Hier nam de Syn. van 1566 de woorden weg: „Mais elles
ne sont pas suffisantes pour nous faire trouver Dien."
Al weder een bewijs
hoe men de schuld der zonde op den voorgrond bracht, en alles wegnam,
wat haar in de schaduw plaatste. Eene proef van de gebrekkigheid der oudste
Nederlandsche uitgaven (1562—64) is de zonderlinge fout, die zij allen heb-
ben in de vertaling van deze woorden: „Maar niet om ons goed te doen
vinden.\'
3)  Daarom — slaaf der zonde is. Lat. „servus peceati." Wij liging van de
Syn. van 1566. Iu de oude Walsehe en Ned. uitgaven: „Il appert quel veut
estre Ie franc-arbiire de l\'homme serf de pechr." „Slaaf djr zondert\'
is dus
eene fout iu den Nederl. tekst.
4)   Want mie — Christus zegt. Deze en de volgende vragen in dit Art.
-ocr page 68-
27
\'tenzij dat de Vader, die mij gezonden heeft, hem trekke?
Wie zal met zijnen wil voortkomen, die daar ver-
staat dat het bedenken des vleesches is vijandschap
tegen God? *)
Wie zal van zijne wetenschap spreken,
ziende dat \') de natuurlijke mensch niet begrijpt de
dingen, die des geestes Gods zijn?
Kortelijk, wie zal
eenige gedachte voorstellen, dewijl hij verstaat dat l)
wij niet bekwaam zijn van ons zelven iets te denken
als uit onszelven
, maar dat onze bekwaamheid uit God
is?
En daarom hetgene de Apostel zegt behoort met
recht vast en zeker gehouden te worden \'), dat God
in ons werkt het willen en het volbrengen, naar zijn
welbehagen.
Want daar is noch verstand, noch wille,
den verstande en wille Gods gelijkvormig, of Christus
heeft ze in den mensch gewrocht *); hetwelk Hij ons
leert, zeggende: Zonder mij kunt gij niets doen 2).
XV.
Wij gelooven dat door de ongehoorzaamheid Adains
de erf-zonde uitgebreid is geworden over het gansche
menschelijke geslacht, welke is eene verdorvenheid
der geheele natuur en een erfelijk gebrek, waarmede
de kleine kinderen zelfs besmet zijn in hun moeders
zijn door de Synode van 1566 in den tekst gebracht. Zij stelde deze eerste
vraag aldus: „Car qui est ce qui se vantera de pouvoir faire ce qu\'il veut!"
In de Dordtsche Synode werd zij nader gewijzigd in den gee»t van de aan-
gehaalde Bijbelwoorden. Deze wijziging toont duidelijk aan, dat de Gerefor-
meerde Kerk den ;!vrijen wil" niet bestreden heeft op grond van een wijs-
geerig determinisme, maar van de leer der zonde, naar de Schrift. Men ziet,
dat dit geheele Ue Artikel in 1566 en in 1619 is omgewerkt.
1)   Wie zal — tegen Ood, enz. Bijvoegsel van 1566.
2)   Niets doeh. Hierachter volgt in de oudste Walsche en üed. uitgaven
TÓÓr 1566: „Et Ckrist dit eruiore: Qui fait peché, il est serf de peché: ui\'
sera donc son franc-arbitre i"
-ocr page 69-
28
lichaam, en die in den mensch allerlei zonden voort-
brengt, zijnde in hem als een wortel derzelve: is
daarom zoo leelijk \') en gruwelijk voor God 3), dat
zij genoegzaam is om het menschelijk geslacht te
verdoemen. Zij is ook zelfs door den Doop niet
ganschelijk te niete gedaan, noch geheel uitgeroeid,
aangezien de zonde daaruit altijd als opwellend water
uitspringt, gelijk uit eene onzalige fontein 3): hoewel
1)  Is daarom zoo leelijk. In de oude Ned. uitgaven (1562—64): „Ja alle
dit groot gebreck is zoo schendtlick en boos "
2)  En gruwelijk voor God. Bij?, van 1566.
3)  Zij is ook zelfs — onzalige fontein. In den oorspr. tekst van 1461
wordt hier slechts gelezen: „Et riest pas aboli mesme par Ie Baptesme," en
in overeenstemming hiermede hebben de oude Neder], uitgaven (1562—64)
„Etide en werf ooc door den Doop niet wech ghenomen." De Synode van
1566, die dit geheele Art. aan eene nauwkeurige herziening onderwierp,
breidde deze stelling dus uit: „Et n\'est pas aboly mesme par Ie Baptesme,
ou desracinr du tont, oen que tousiours les bouillons en sortent comme d\'une
malheureuse souree."
De offieiëele vertaling hiervan luidde in de Nederl.
uitgave van 1 j82: „Sy wort ook selfs door den Doop niet te niete ghedaen ,
noch geheel uitgeroyt: aengesien datter altijd rivierkens wloloeyen als tvl
een onsalighe fonteyne."
De Middelburgsche offieiëele uitgave van 1611 heeft
het eerst: „Zij is oock selfs door den Doop niet gantschelick te niete gedaeii,"
en zoo werd het door de Dordtsche Synode vastgesteld. Blijkbaar heeft men
bij de nadere bewerking van dit Art. willen doea uitkomen, dat men niet te
kort wilde doen aan de kracht van den Doop, die de verzekering geeft, dat
de schuld d. i. het veroordeelingwaardigc der erfzonde aan „de kinderen Gods
___/.. ■- -r niet wordt toegerekend," en dus in zooverre de erfzonde te niet doet, maar
j. . •\'.           evenzeer dat de Gereformeerde belijder verre bleef van de Roomsche dwaling,
die leert, dat door de Doop-genade alles, wat de R. Kerk als erfelijk gebrek
—\'-\'-\'            erkent (het gemis der oorspronkelijke, bovennatuurlijke gerechtigheid en de
,- / \'               daardoor ontstane geneigdheid tot kwaad) hersteld is. Concil. Trid. Se»s. 14;
Catech. Bom. 2, 2, 50. — De uitbreiding van de reeds in de eerste redactie
van het Art. gemaakte onderscheiding („pas aboli, — combien toutesfoit pas
imputr," d. i. „te niet gedaan" wat de toerekening betreft, maar anders niet:
dus „niet ganschelijk" te niet gedaan) is derhalve alleszius gepast en van
groot gewicht. Hit zijn zeer onhandige verdedigers van onze kerkleer, die
in plaats van deze woorden zouden willen lezen: ..ganschelijk niet te niet
gedaan." Verg. Maresius, Confess. Exegesis, p. 230, en mijne Bijiragen,
bl. 113. Onze belijdenis leert hier wat Augustinus leerde (Contra Jul. c. 3,
8: „Transit reatn, manet actu"), en Art. 15 is volstrekt niet in strijd met
-ocr page 70-
29
zij nogtans den kinderen Gods tot verdoemenis niet
toegerekend, maar door zijne genade en barmhartig-
heid vergeven wordt; niet om in de zonde gerust
te slapen, maar opdat l) het gevoelen dezer verdor-
venheid de geloovigen dikwijls zuude doen zuchten,
verlangende om van dit lichaam des doods 2) verlost
te worden. Kn hierover verwerpen wij de dwaling
der Pelagianen, die zeggen dat deze zonde niet
anders is dan uit navolging.
XVI.
Wij gelooven dat \'t geheele geslacht Adams door
de zonde des eersten menschen in verderfenis en
ondergang zijnde 3), God zich zelven zoodanig be-
wezen heeft, als Hij is, te weten: barmhartig en
rechtvaardig. Barmhartig: doordien dat Hij uit deze
verderfenis trekt ai verlost degenen die Hij in zijnen
eeuwigen en onvergankelijken *) raad, uit enkele goe-
Art. 3\'\', zoo als Schollen beweert ia De Leer der Ban. Kerk, I, bl. 18,
eu ook Doedes, Da Nederl. Geloofsbel., en/.. I, bl. 173, vg.
1)  Niet om in de zonde — maar opdat —. Bijvoegsel van de Synode vau
1566. Eenvoudiger en krachtiger ia den oorspr. tekst: „Kt Ie sentiment de
ceste corruption fait souvent gémir les fidiles."
— „Opdat" en niet: „om-
dat"
zoo al* in de olTiciëele Nederl. uitgaven gelezen wordt, blijkens den
Lat. tekst (ut excitet) en uaar den eisch der rede.
2)   Des doods. Bijv. vim de Dordtsche Synode (Oorspr. „leurs corps"), in
aansluiting aan Bom. VII : 24.
3)   In verderfenis en ondergang zijnde. De synodale tekst van 1619 eu
1621 volgt hier weder de Middelburgsche uitgave, daar de uitgave vau 1582,
d. i. de Nederl. vertaling van den tekst van 1566, t. d. p. gelezen wil hebben:
„Nae dat \'tgheheel gheslachl Adams aldus in den val ende verderfenisse
door de sonde des eersten menschen gestooten was"
(niet: „gheslooten," zoo
als naar eene drukfout in de uitgave van 1725 bij Viuke, Libri Sgml. en bij
anderen, die haar volgden, gelezen wordt). De Lat. officiëele tekst van 1619
komt hiermede beter overeen: „praeeipitata f uit."
4)   Onvergankelijken raad. Beter: „onveranderlijken," zoo als in de Lat.
uitgave der synodale Handel. (lC20)r „immutabili consilio." Oorspr. ,,immuable."
-ocr page 71-
30
dertierenheid, uitverkoren l) heeft in Jezus Christus,
onzen Heere, zonder eenige aanmerking hunner wer-
ken 2>. Rechtvaardig: doordien Hij de anderen laat
in hunnen val en verderf, daar zij zich zelven in
geworpen hebben 3).
1)   Uitverkoren. Oorspr. ia 1561 en 1566: „esleus et choisis."
2)  Hunner werken. In den oorspr. Walsenen Tekst van 1561 is hier eene
merkwaardige drukfout: „Sans aucun esgard de leur.* oeuures justes." Dit
„justes" (1. juste) behoort bij het volgende en slaat op: „Miséricordieux" in
den aanhef van het Art. De oude Nederl. uitgaven hebben de fout overge-
nomen, daar zij vertalen: „goede werken" en dan: „Rechtvaardig" bij den
volgenden zin weglaten. Een nieuw bewijs, hoe verkeerd het zijn zou, de
oudste uitgaven blindelings te volgen, al had ook de Kerk hare Confessie
niet behoorlijk verbeterd.
3)  In geworpen. De uitgave van 1582 las hier: „in gestooten," en die van
1725 en bij hen, die haar naschreven, „ingeslooten." Tot in de uitgave van
1566 werd dus gelezen: „En laissant les alttres en leur ruin e et tresbuche-
ment ausquels Ut sont tresbuchez
," oude Nederl vert.: „daar tij in gevallen
zijn."
Beide, zoowel als de aangenomen tekst onderstelt, Adam en zijn ge- -
slacht solidair aansprakelijk. Even zoo in Ari. XVII. — Hierachter volgde
tot in het jaar 1566 eene uitvoerige verdediging en bevestiging van het leer-
stuk der praedestinatie, welke dus luidt: „En ce faisant il se demonstre Dieu
pitoiable et misericordieux vers ceux qu\'il sauue, ausquels il n\'estoit rien
redeuable: comme aussi il se declare eslre juste juge en demonstrant sa
seuerité tresjuste sur les aufres. Et ce temps pendant il ne leur foit aucun
lort; car en ce qu\'il en sauue aucuns ce nest pas par ce qu\'ils soyent meil-
leurs que les autres, veu qu\'ils sont tous trebuchez en une mesme ruine ius-
ques a tant que Dieu les separe el retire par son decret eternel et immuable
fondé en Jesus Christ deuant que Ie monde fust creé. Entendu donc cela
nul ne pourroit de soymesme paruenir a ceste gloire, d\'autant que de nous
mesmes nous ne sommes pas sujjfisans de penser quelque bien, si Dieu par
sa grace et pure bonté ne nous preuient, tant est nostre nature corronyque."
Men kan de bedoeling, waarmede dit alles in 1566 uit de Belijdenis is weg-
genomen, slechts bij gissing aanduiden. Van de acten der in het genoemde
jaar te Antwerpen gehouden Synoden is niets over dan eenige weinige bepa-
lingen, in de vergadering van den 16en April gemaakt (zie de mededeeling
uit het oude Livre Synodal in Kist en Boyaards, Archief voor Kerk. Oesch.
XX, bl. 159, en het bericht, 80 jaren te voren door den geleerden A. \'s Gra-
vezande in zijne Gedachtenis van de Synode Ie Wezel, bl. 80, gegeven): wij
weten dus niet wat de vergadering van Mei, toen de revisie heeft plaats ge-
had (zie Junii Vita, t. a. p.), daarbij heeft geleid. Zou de onderstelling te
gewaagd zgn, dat hier eene poging zichtbaar is om zoo veel mogelijk den
aanstoot weg te nemen, welke de politieke vrienden der onderdrukte öere-
-ocr page 72-
31
XVIT.
Wij gelooven dat onze goede God, door zijne won-
derlijke wijsheid en goedheid, ziende dat zich de
mensch alzoo in den lichamelijken en geestelijken
dood geworpen en geheel ellendig gemaakt had, zich
zelven begeven heeft om hem te zoeken, toen hij
al bevende voor Hem vlood , en heeft hem getroost,
belovende hem zijnen Zoon te geven, die worden zou
van eene vrouw, om het hoofd der slang te vertreden
en hem gelukzalig te maken.
XVIII.
Wij belijden dan dat God de belofte, die Mij den
Oud-vaderen gedaan had door den mond zijner hei-
lige Profeten, volbracht heeft, zendende zijnen eigen,
eeniggeboren \') en eeuwigen Zoon in de wereld, ten
tijde van Hem bestemd, dewelke eens knechts ge-
daante aangenomen heeft en den mensche gelijk
geworden is, waarachtiglijk aannemende eene ware
menschelijke natuur, met alle hare zwakheden (uit-
genomen de zonde), ontvangen zijnde in het lichaam
der gelukzalige maagd Maria, door de kracht des
formeerden in de door de Luthersgezinden veroordeelde leerstellingen vonden?
Gedurig werden de Gereformeerde leeraars door de Edelen vermaand om tocli
niet boven „de bevatting" hunner vrionden te gaan. Zoo b. v. lezen wij in
een brief van Nip. de Hames van 12 Juli 1566, uit St. Truyen geschreven:
„Que la coufession soit accommodée Ie plus qu\'il sera possible a la capacité
de l\'assernblée (t. w. de verbonden Edelen, toen te St. Trayen vergaderd)
puisqu\'elle s\'adresse a celle pour leur faire entendre et en prendre la sauve-
garde." Dit schrijven was gericht aan Gilles Ie Clero en den Heer van St.
Aldegonde.
1) Eeniggeboren. Zoo schreef eerst de Dordtsche Synode. Al de vroegere
uitgaven hebbeu steeds: „eenigen" (unique).
-ocr page 73-
32
H. Geestes, zonder mans toedoen. En heeft niet
alleen de menschelijke natuur aangenomen zoo veel
het lichaam aangaat 1), maar ook eene ware men-
schelijke ziel2), opdat Hij een ware menseh zoude
zijn. Want aangezien de ziel 3) zoowel verloren was
als het lichaam, zoo was het van noode dat Hij ze
beiden aanname, om dezelve beiden zalig te maken.
Daarom belijden wij (tegen de ketterij der Weder-
dooperen, die loochenen dat CEnsTu^menscheïijk
vleesch van zijne moeder 4) aangenomen heeft) dat
Christus is deelachtig geworden des vleesches en bloeds 5)
der kinderen; dat Hij eene vrucht der lendenen Davids
is naar den vleesche, geworden uit den zade Davids
naar den vleesche; eene vrucht des buiks van Maria;
geworden uit de vrouwe 6J; een spruite Davids; een
scheute uit den wortel Jesse; gesproten uit het geslacht
Juda; afkomstig van de Joden 7) naar den vleesche;
uit den zade Abrahams
8), aangezien Hij aangenomen
heeft het zaad Abrahams en is zijnen broederen in alles
gelijk geworden, uitgenomen de zonde:
alzoo dat Hij in
der waarheid 9) onze Emmanuël is, dat is God met ons.
1)  Zooveel — aangaat. Bijv. Tan de Synode van 1566.
2)  Menschelijke ziel. De oudste uitgaven vóór 1566 hebben: „mensche-
lijken geest" (esprit humain).
3)  Ziel. Vóór 1566: , geest."
4)   Fan zijne moeder. Bijv. van de Dordtsche Synode
5)   En bloeds. Bijv. van de Uordtsche Synode.
0)   Geworden uit de vrouwe. De Synode van 1566 wilde gelezen hebben:
,Fait d\'une femme," Ned.: „Gthemaeckt wt eener vrouw." De Middelb. uit-
gave (1611) heeft reeds: „Geworden uit de vrouw."
1)  De Joden. Zoo versterkte de Synode van 1566 de oorspr. uitdrukking;
„des Pires."
8)  Abrahams. De Synode van 1566 voegde hierbij: „en Davids." In de
Dordtsche Synode werd dit om de volgende aanhaling weggenomen: een be-
W(js, hoe nauwkeurig de revisie was.
9)  Alzoo dat Hij in der waarheid. De oude uitgaven voor de Synode
-ocr page 74-
33
XIX.
Wij gelooven dat door deze ontvangenis de per-
soon des Zoons onafscheidelijk vereenigd en te zamen
gevoegd is met de menschelijke natuur; zoodat er
niet zijn twee Zonen Gods, noch twee personen, maar
twee naturen in eenen eenigen persoon vereenigd l),
doch elke natuur hare onderscheidene eigenschappen
behoudende. Gelijk dan de Goddelijke natuur altijd
ongeschapen gebleven is, zonder begin van dagen of
einde des levens, vervullende hemel en aarde, alzoo
heeft de menschelijke natuur hare eigenschappen niet
verloren, maar is een schepsel gebleven, hebbende
begin van dagen2), zijnde eene eindige3) natuur,
en behoudende al hetgene dat een waar lichaam toe-
behoort. En hoewel Hij derzelve door zijne verrijzenis
onsterfelijkheid gegeven heeft, nogtans heeft Hij de
waarheid^ijner menschelijke 4) natuur niet veranderd,
dewijl onze zaligheid en verrijzenis mede hangen aan
van 1566 hebben: „Il a esté engendré de Marie: de sorte" —. Van de
Dordtsche Synode zijn de woorden: „in der waarheid."
1)   Twee naturen — vereenigd. Zoo vertaalde de Dordtsche Synode gelijk
de oude Nederl. uitgaven (1562—64). De Nederl. vertaling Tan den tekst
van 1566 (1582) heeft: „Twee vereenichde naturen in eenen eenighen Persoon."
Zoo heeft ook de uitgave van 1611. Bewijs, dat deze uitgave in 1619 niet
slaafs gevolgd werd, waarvan de opmerking van belang is om deze laatste
revisie wel te waardeeren.
2)  Begin van dagen. De oudste Walsche en Nederl. uitgaven laten hier
volgen: „et fin de vie" (en eynde des levens). De Synode van 1566 liet deie
woorden, met reden, weg.
3)  Eindige. Lat. finita. In de uitgave van 1582 wordt dit verklaard door
het woord: „omschrevene," dat te recht in den Middelburgschen druk van
1611 tusschen (•) werd geplaatst. De oudste Nederlandsche uitgaven (1562—
64) hebben gansch verkeerd het Fr. „fini" vertaald door: „is geegndicht"
4)   Waarheid zijner. In de oudste Walsche eu Ned. uitgaven: „vraye"
(warer).
De verandering is van 1566.
v. T. Sgmb. ScAr. 2e dr.                                                                     3
-ocr page 75-
34
de waarheid zijns lichaams *). Doch deze twee natu-
ren zijn alzoo te zamen vereenigd in een persoon2),
dat ze ook zelfs door zijnen dood niet gescheiden
zijn geweest. Zoo was dan hetgene Hij stervende in
de handen zijns Vaders bevolen heeft een ware raen-
schelijke geest, die uit zijn lichaam scheidde; maar
hier-en-tusschen bleef\' de Goddelijke natuur altijd
vereenigd 3j met de menschelijke, ook zelfs als Hij
in het graf lag; en de Godheid hield ook toen niet
op k) in Hem te zijn, gelijk zij in Hem was als Hij
een klein kind was, hoewel zij zich voor eenen klei-
nen tijd zoo 5) niet openbaarde. Hierom bekennen
wij dat Hij ware 6) God en ware mensch is: ware e)
God, om door zijne kracht den dood te overwinnen,
en ware mensch, opdat Hij voor ons mocht kunnen
sterven naar 7) de zwakheid zijns vleesches.
XX.
Wij gelooven dat God, die volkomen barmhartig
en rechtvaardig is, zijnen Zoon gezonden heeft om
aan te nemen de natuur, in welke de ongehoor-
zaamheid begaan was, om in dezelve te voldoen en
1)  Demijl onze zaligheid — lichaams. Bijvoegsel Tan de Synode van 1566.
De Dordtsche Synode voegde het woord: „mede" {etiam) inden tekst. Voor-
beeld van voortgezette en geleidelijke bewerking.
2)  In een persoon. Verandering van de Dordtsche Syn. — Vroeger: „JEnde
maken
(and. makende) eene persoon."
3)   üitg. van 1582: „fsamen ghevoecht."
4)  Hield ook toen niet op. Naar den ofliciëelen Lat. tekst: „negue turn
etiam."
5)  Zoo. Bijv. van de Dordtsche Synode.
6)   Ware. In de oude Ned. uitgaven (1562—64): „een ware."
7)  Mocht kunnen — naar. Lat.: „ut secundum carnetn suam infirmam pro
nobis mori passet.\'
-ocr page 76-
35
te dragen de straf der zonden l) door zijn zeer bitter
lijden en sterven. Zoo heeft dan God zijne recht-
vaardigheid bewezen tegen zijnen Zoon, als Hij onze
zonden op Hem gelegd heeft, en heeft uitgestort
zijne goedheid en barmhartigheid over ons, die schul-
dig en de verdoemenis waardig waren, voor ons
gevende zijnen Zoon in den dood door eene zeer
volkomene liefde, en Hem verwekkende tot onze
rechtvaardigmakinga), opdat wij door Hem hadden
de onsterfelijkheid en het eeuwige leven.
XXI.
«
Wij gelooven dat Jezus Christus een eeuwige Hooge-
priester is, met eede, naar de ordening Melchisedeks,
en heeft zich zelven in onzen naam voor zijnen Vader
gesteld om zijnen toorn 3) te stillen met volle genoeg-
doening, zich zelven opofferende aan het hout 4) des
kruises, en vergietende zijn dierbaar bloed tot reini-
ging onzer zonden, gelijk de Profeten hadden voor-
1)   Te voldoen en te dragen de straf der zonden. Tot op de Dordtsche
Synode werd hier gel oien: „Om — te boeten en te straffen de zonde," In
de Middelb. uitgave (1611): „Om — te voldoen, en de zonde te straffen;"
Fr.: „Powr en icelle satisfaire et punir Ie pesché." Dat het Artikel nu
meer in overeenstemming is met de H. Schrift, valt in het oog. De aan-
haling in al de oude uitgaven van Bom. VIII: 32 was reden genoeg om hier
wijziging aan te brengen. Niet de straf voor de zonden als zoodanig, maar
de behoudenis van zondaren door de voldoening is het doel der overgave van
Christus. Ook met het redebeleid van het Art. is hetgeen er nu staat beter
in overeenstemming.
2)   Tot onze rechtvaardigmaking. De uitg. van 1562 heeft: „onse recht-
veerdicheyt."
Onnauwkeurig.
3)   Toorn. De oudste Nederl. uitgaven (1562—64) lezen: gramschap."
4)  Aan het hout. Tot op de Dordtsche Synode: „snr l\'autel" (op den
altaar).
3*
-ocr page 77-
36
zegd. Want daar is geschreven *) dat de straffe op
den Zone Gods gelegd is opdat wij vrede hadden, en
dat wij door zijne striemen genezen zijn; dat Hij ter
dood geleid is als een lam; onder de kwaaddoeners
gerekend,
en als een kwaaddoener veroordeeld door
Pontius Pilatus, hoewel hij Hem onschuldig verklaard
had. Zoo heeft Hij dan betaald, dat Hij niet geroofd
had, en heeft geleden, Hij rechtvaardig voor de onrecht-
vaardigen;
en dat zoowel in zijn lichaam als in zijne
ziele, gevoelende de schrikkelijke straf, die onze zon-
den verdiend hadden, zoo dat zijn zweet werd gelijk
droppelen bloed, op de aarde afloopende 8). Hij heeft
geroepen: Mijn God, Mijn God! waarom hebt Gij Mij
verlaten?
en heeft zulks alles geleden tot vergeving
onzer zonden. Daarom zeggen wij wel te recht met
Paulus, dat wij niet anders weten, dan Christus en
dien gekruist; ivij achten het al voor drek, om de uit-
nemendheid der kennis onzes Heer en Jezus Christus;
wij vinden allerlei vertroosting in zijne wonden, en
hebben niet van noode eenig ander middel te zoeken
of te versieren 3j om ons met God te verzoenen dan
alleen deze eenig e offerande, eenmaal gedaan, door
welke de geloovigen in eeuwigheid volmaakt worden.
Dit
is ook de oorzaak, waarom Hij door den engel Gods
genaamd is Jezus, dat is Zaligmaker, overmits Hij
zijn volk verlossen zou van hunne zonden.
1)   GtélijTc de Profeten — geschreven. Tot in 1566: „Comme les oraclès
des Prophete* contenoyent. Esaye escrit" (Ghelyck de tpreuchen der Pr.
veruaten. Es. schryft).
2)   Zijn zweet tverd — afloopende. Al de oude uitgaven, ook die van
1566, hebben: „Il a sué Ie sang et l\'eau," 1566: „sang et eau" (Hij heeft
bloet ende water gesweet).
De Dordtsche Synode heeft zich ook hier nauwer
aan de Schrift willen houden.
3)   Versieren. In de oude Nederl. uitgaven (1562—64): „vinden." Oorspr.:
„inventer," hetgeen in 1566 hersteld werd.
-ocr page 78-
37
XXIT.
Wij gelooven dat om ware kennisse dezer groote
verborgenheid te bekomen \') de H. Geest \'in onze
harten 2j ontsteekt een oprecht geloof, hetwelk Jezus
Christus met alle zijne verdiensten omhelst, Hem
eieren maakt en niets anders meer buiten Mem zoekt."
Want het moet noodzakelijk volgen, of dat niet al
wat tot onze zaligheid van noode is in Jezus Chris-
tus zij; of, zoo het alles in Hem is, dat degene die
Jezus Christus door het geloof bezit zijne geheele
zaligheid heeft. Nu, dat men zeggen zoude dat Chris -
tus niet genoegzaam is, maar dat er nog benevens
Hem iets meer toe behoeft, ware eene al te onge-
sehikte godslastering: want daaruit zoude volgen dat
Christus maar een halve zaligmaker ware. Daarom
zeggen wij ten rechte met Paulus, dat wij door het
geloof alleen,
of door het geloof zonder de werken ge-
rec/ttvaardigd worden.
Doch wij verstaan niet, dat
het, om eigenlijk te spreken, het geloof zelf is dat
1)   Om te — bekomen. De Synode Tan 1566 heeft zich hier eene beden-
kriijkc verandering veroorloofd. In de oude W. en Ned. uitgaven staat:
„Que PAB la vraye cognoissance de ce grand mistere Ie St. E. vienl uppa-
roir
— une vraye foy." (Dook de ware kennisse dezer hoogher verborgen-
heyi ontsteeckt de H. Geest,
enz.)\' Ii 1566 las men: „Potrn la vraye vog-
noissance."
Het is duidelijk, dat hier eene afwijking van den waren zin plaats
had (misschien door eene drukfout), die de reviseurs in 1619 hadden moeten
herstellen. In dit Art. wordt tooh niet de oorsprong van het geloof, maar
de vrucht der kennis van den Middelaar beleden. De oorspronkelijke inhoud
van het Art. is geheel in overeenstemming met den Heidelb. Cat., antw. 21:
„Een zeker vertrouwen, hetwelk de II. Geest door het evangelie — werkt J\'
Het is van groot belang op te merken, hoe in de oudste Belijdenisschriften
onzer Kerk de onderscheidene factoren van liet geloof (hier de erkenning van
de chr. waarheid) worden erkend, hetgeen in de latere dogmatische scholastiek,
reeds in 1619, te veel werd verzuimd, bij eene eenzijdige vooropstelling van
de theologische opvatting van het geloof als gave Gods.
2)  In onze harten. De Syn. van 1506 voegde hierbij! „wonende." In 1619
werd dit weggelaten.
-ocr page 79-
38
ons rechtvaardigt; want het is maar een instrument,
waarmede wij Christus, onze rechtvaardigheid, om-
helzen. Maar Jezus Christus, ons toerekenende *)
alle zijne verdiensten en zoo vele heilige werken,
die Hij voor ons2) en in onze plaats 3j heeft gedaan,
is onze rechtvaardigheid: en het geloof\' is een in-
strument, dat ons met Hem in de gemeenschap aller
zijner goederen houdt, welke, de onze\'geworden zijnde,
ons meer dan genoegzaam zijn tot onze vrijspreking
van onze zonden 4j.
1)   Ons toerekenende. Door deze ter verklaring in 1566 aangebrachte woor-
den is de oorspronkelijke tekst inderdaad verduisterd en bedorven. Het moet
blijven zooals het in 1561 gezegd was: „Jesus Christ donc et ious aes merites,
tant de sainctes oeuvre» qu\'il a faites pour nous, est nostre justiee.
Zie
Doedes, a. w. bl. 281, vg.
2)   En zoovele heilige werken, die Hij voor ons heeft gedaan. Deze woor-
den waren in de Harmonia Confessionum (1612), wegens de disharmonie tus-
schen de Kerk in Frankrijk en f iscator te Herborn, weggelaten. De Dordtsche
Synode heeft deze weglating uitdrukkelijk afgekeurd. Zie de 172 en 173e
Zitting (Post-acta).
3)   En in onze plaats. Bijvoegsel van de Dordtsche Synode. Zie de 173e
Zitting (P. A.). Men heeft deze verandering wel eens als de eenige doen
voorkomen, die in 1619 zoude gemaakt zijn, doch men zag dan voorbij het-
geen van dezelfde synodale zitting vermeld staat, dat „nog eenige dingen met
gemeene toestemminge verandert zijn." *) De lange onvolledige lijst bij Voetius,
Polit. Sccles. III, p. 67—74, werd ook niet opgemerkt. Zelfs de Hoogl.
Scholten heeft (De Leer der Merv. Kerk in hare grondbeginselen, I, bl. 17
3e Uitg.) het zoo doen voorkomen, alsof de herziening in eene enkele zitting
was afgedaan. De voorlezing in de 145e Zitting diende slechts om een votum
uit te lokken aangaande de overeenstemming in „de leerpuncten en de sub-
atantie der leere" tusschen de Nederlandsche en buitenlandsche kerken. Daarna
zijn nog drie zittingen aan de revisie besteed: in de 17Ie is eene doorloopende
verbetering voorgelezen; in de 172e zijn de voorstellen van de Theologanten
van Genève, de Paltz en Hessen, bij hun vertrek achtergelaten, overwogen,
en in de 173e Zitting zijn door de Nederlandsche Godgeleerden „hunne aan-
merkingen ingebracht, en dezelve alle geëxamineert." Deze mochten niet
slechts de punten der kerkorde en „de manieren van spreken, maar ook de
methode" der leer raken.
4)   Tan onze zonden. Bijv. van de Dordtsche Synode.
1) Men Kg ook voorbij dat de bepaling: „geen verandering te maken" «lechts die ééne
gold, welke in de vorige zitting voorgesteld was.
-ocr page 80-
39
XXIII.
Wij gelooven dat onze gelukzaligheid gelegen is
- in de vergeving onzer zonden om Jezus Christus
f wil *), en dat daarin onze rechtvaardigheid voor
God begrepen is, gelijk David en Paulus ons leeren,
verklarende de gelukzaligheid des menschen te zijn dat
God hem de gerechtigheid zonder de werken toerekent.
En dezelfde Apostel zegt, dat wij om niet of uit gc-
nade gerechtvaardigd zijn, door de verlossing, die in
Jezus Christus is.
En daarom houden wij dit fon-
dainent altijd vast, Gode al de eere gevende, ons
vernederende en bekennende zoodanigen als wij zijn,
zonder iets van ons zelven of* van onze verdiensten
te vermeten, steunende en rustende op de gehoor-
zaamheid des gekruisten Christus alleen2), dewelke
onze is, wanneer wij in Hem gelooven; die is ge-
noegzaam om alle onze ongerechtigheden te bedekken
, en ons vrijmoedigheid te geven, de conscientie vrij
makende van vreeze, verbaasdheid en verschrikking
om tot God te gaan 3), zonder te doen gelijk onze
eerste vader Adam, welke al bevende zich met vijge-
bladeren bedekken wilde. En voorwaar, indien wij
voor God verschijnen moesten *), steunende op ons
zelven of op eenige andere schepselen, hoe weinig
het ook ware, wij moesten (helaas) verslonden wor-
1)   Om Jezus Christus wille. De Syn. van 1566 wilde hier, terechtwezen:
„qui est en J. C." In de vertaling van 1611: „die in J. C. geschiet is.\'\'
De Dordtsche Synode herstelde de oude lezing: „a catise de J. C."
2)  Alleen. Weggelaten in de oudste Nederl. uitg. (1562—64), in strijd
met den oorspr. tekst. Reeds hersteld in 1566.
3)  De conscientie — om lot Gfod te gaan. Bijv. van de Syn. van 15C6.
4)  Moesten. In de officiëele Ned. uitgave van 1619 staat: ,,moeten." Dit
moet naar de Latijnsche verbeterd worden: „si oporteret."
                           ,,
-ocr page 81-
40
den. En daarom moet ecu iegelijk zeggen met David:
Heer e! ga niet in het gericht met uwen knecht; want
niemand die leeft zal voor uw aangezicht rechtvaardig
zijn.
XXIV.
Wij gelooven dat dit waarachtig geloof, in den
mensch gewrocht zijnde door het gehoor des Woords
(iods en de werking des Heiligen Geestes, hem weder-
baart en maakt tot eenen nieuwen mensch, en doet
hem leven in een nieuw leven en maakt hem vrij
van de slavernij der zonde *). Daarom is het zoo verre
van daar dat dit rechtvaardigmakend geloof de men-
schen zoude doen verkouden in een vroom en heilig
leven, dat zij daarentegen zonder hetzelve nimmer-
meer iets doen zullen uit liefde Gods, maar alleen
uit liefde huns zelfs en uit vreeze van verdoemd te
worden. Zoo is het dan onmogelijk dat dit heilig
geloof ledig zij in den mensch: aangezien wij niet
spreken van een ijdel geloof, maar van zulk een
hetwelk de Schriftuur noemt een geloof, dat door de
liefde iverkt,
dat den mensch beweegt om zich te
oefenen in de werken, die God in zijn Woord gebo-
den heeft; welke werken, als zij voortkomen uit den
goeden wortel des geloofs, goed en bij Gode aange-
naam zijn, overmits zij allen door zijne genade ge-
I heiligd zijn2): hier en-tusschen komen zij niet in
H x I rekening om ons te rechtvaardigen. Want het is door
1)  Der zonde. De oude Neder], uitg. (1502—64) hebben verkeerdelijk:
„der souden."
2)  Overmits — geheiligd zij». Bijvoegsel van de Syn. van 1566. Nauw-
keuriger te vertalen: „voor zooverre zij" — (d\'autant qu\'elles sont —).
-ocr page 82-
il\'
[het geloof in Christus dat wij gerechtvaardigd wor-
den, ook eer wij goede werken doen; anderszins
zouden zij niet meer kunnen goed zijn dan eene
vrucht des booms goed zijn kan vóór dat de boom
goed is. Zoo doen wij dan goede werken; maar niet
om te verdienen (want wat zouden wij verdienen?),
ja, wij zijn in God gehouden \') voor de goede wer-
ken die wij doen, en niet Hij2) in ons: aangezien
Hij het is, die in ons werkt het willen en volbrengen
naar zijn tvelbehagen.
Laat ons dan letten op het-
gene dat er geschreven staat: Wanneer yij zult ge-
daan hebben al hetgene u bevolen is, zoo zegt: wij zijn
onnutte dienstknechten, want toij hebben maar gedaan
hetgene wij schuldig waren te doen.
Hier-en-tusschen
willen wij niet loochenen, dat God de goede werken
beloont; maar het is door zijne genade dat IIij zijne
gaven kroont. Voorts, al is het dat wij goede wer-
ken doen, zoo gronden wij toch onze zaligheid niet
daarop: want wij kunnen geen Averk doen of het is
besmet door ons vleesch en ook straf-waardig; en al
konden wij eenig voortbrengen, zoo is toch de ge-
dachtenis van eene zonde genoeg, dat hetzelve van
God zoude verworpen worden. Alzoo dan zouden
wij altijd in twijfel staan, herwaarts en derwaarts
drijvende zonder eenige zekerheid, en onze arme
conscientiën zouden altijd gekweld 3) worden, indien
zij niet steunden op de verdiensten des lijdens en
stervens onzes Zaligmakers.
1)  Lat. „Obslricli Deo;" oude overzetting: „dode schuldich."
2)  En niet Hij. Verbetering van de Syn. van 1566. Oorspr.: (plustost)
que luy."
3)   Gekweld. „Tourmentées." De oude Nederl. uitg. (1562—64) „bekommert
ende ghequelt"
-ocr page 83-
42
XXV.
Wij gclooven dat de ceremoniën en figuren der
wel opgehouden hebben met de komst van Christus,
en dat alle schaduwen een einde genomen hebben;
alzoo dat het gebruik van dien onder de christenen
weggenomen moet worden; nogtans blijft ons de
waarheid en substantie van dien in Christus Jezus,
in den welken zij hunne vervulling hebben. Hier-en-
tusschen gebruiken wij nog de getuigenissen, geno-
men uit de Wet en de Profeten, om ons in het
Evangelie te bevestigen, en ook om ons leven te
reguleeren in alle eerbaarheid tot Gods eere, volgens
zijnen wil *).
XXVI.
Wij gclooven dat wij geenen toegang hebben tot
God dan alleen door den eenigen Middelaar en Voor-
spraak , Jezus Christus den rechtvaardige, dewelke
1 hierom mensch geworden is, vereenigende te zamen
i de Goddelijke en menschelijke natuur 2), opdat wij
; menschen eenen toegang zouden hebben tot de God-
i delijke Majesteit, anderszins ware ons de toegang
gesloten 3). Maar deze Middelaar, dien de Vader ons
11 Volgens zijnen wil. Bijv. van de Syn. van 1560.
2)   Vereenigende — de Goddelijke en menschelijke natuur. Oorspr. werd
hier gelezen: „Joignant ensemlle Dan et l\'homme." De Synode van 1566
heeft reeds de verandering in den zin gehad, die iu 1619 is tot stand ge-
komen, doel» zij werd niei nauwkeurig wedergegevcn in den tekst van het
eerstgenoemde jaar. Daar lezen wij: „ Unissant ensemble la nature divine."
Blijkbaar is uitgelaten: „et humaine." Zoo heeft het de vertaler van 1611
■begrepen, die schreef: „ Vereenighende de mensheyt met de Goddelijke natuur."
De Dordtsche Synode volgde hem.
3)  De Synode van 1566 heeft hier weggenomen: „Non plus que les espines
-ocr page 84-
43
heeft gegeven tusschen Mem en ons, moet ons door
zijne grootheid niet verschrikken, om ons een ander,
naar ons goeddunken, te doen zoeken. Want daar
is niemand, noch in den hemel, noch op de aarde
onder de schepselen, die ons liever heeft dan Jezus
Christus, dewelke, hoeioel Hij in de gestaltenis Gods
loas, nogtans zich zelven vernietigd heeft, aannemende
de gestaltenis eens menschen
en eens knechts voor ons,
en is in alles zijnen broederen gelijk geworden *). In-
dien wij nu eenen anderen Middelaar zoeken moesten,
die ons goedgunstig 2) ware: wien zouden wij kunnen
vinden, die ons meer beminde dan Hij, die zijn leven
voor ons gelaten heeft, ook toen wij zijne vijanden
waren?
En zoo wij eenen zoeken die macht en aan-
zien 3J heeft: wie is er, die des zoo veel heeft als
degene \'die gezeten is ter rechterhand zijns Vaders,
en die alle macht heeft in den hemel en op de aarde?
En wie zal eer verhoord worden dan de eigen 4)
welbeminde Zoon Gods? Zoo is dan alleen door
een mistrouwen dit gebruik ingevoerd, dat men de
heiligen onteert, in plaats van die te eeren, doende
hetgene zij nooit gedaan noch begeerd 5) hebben,
ont enuers Ie feu. Nous eussions esté abismez a sa seule voix, comme il
appert par Adam, qui s\'enfuit de devant Ie Seigneur tout tremblant: Et
des Israelites au mont de Sina, qui demandot/ent un Mediateur, de peur
qu\'ils ne mourussent tous a la voioc du Seigneur."
. 1) Gelijk geworden. Hier nam de Synode van 1566 de woorden weg:
,,/.«// estant rivhe, s\'est foit pouvre pour nous."
2)   Goedgunstig. „Qui nous ait en affect ion" naar de veranderde lezing
van 1566. Oorspr.: „Qui nous ait en amour" (Die ons liefheeft).
3)  Macht en aanzien. In het Fr.: „crédit et puissance." In de oude
Nederl. vertalingen vóór en na 1566: „geloof en macht," of „macht en credyt."
De oude, echte beteekenis van het woord geloof. Verg. Eom. III: 3. St. Vert.
4)   Eigen. Fr.: „propre." De oudste Ned. vert. (1562—64) hebben zonder
eenigen grond: „eenighe."
5)  Begeerd. In den tekst gebracht naar de vert. van 1582.
-ocr page 85-
44
maar hebben het volslandiglijk en volgens hunnen
schuldigen plicht1) verworpen, als blijkt uit hunne
schriften. En hier moet men niet voorbrengen, dat
wij het niet waardig zijn; want het heeft hier de
meening niet, dat wij onze gebeden op onze waar-
digheid zouden voordragen, maar alleen op de uit-
nemendheid en waardigheid onzes Heeren Jezus
Christus, wiens rechtvaardigheid de onze is door
het geloof. Daarom de Apostel, willende deze zotte
vreeze, of veelmeer dat mistrouwen van ons nemen,
zegt ons, dat Jezus Christus zijnen broederen in alles
gelijk moest worden, opdat Hij een barmhartig en een
getrouw Hoogepriester zoude zijn om de zonden des
volks te verzoenen; want in hetgene Hij zelf, verzocht
zijnde, geleden heeft kan Hij degenen die verzocht
worden te hulpe komen.
En daarna, om ons nog
meer moed te geven om tot Hem te gaan, zegt hij:
Dewijl ivij dan eenen grooten Hoogepriester hebben,
die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus,
den Zone Gods, zoo laat ons deze belijdenis vast hou-
den. Want wij hebben geenen Hoogepriester, die niet
kan medelijden hebben met onze zivakheden, maar die
in alle dingen gelijk als ivij is verzocht geioeest, doch
zonder zonde. Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan
tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid
mogen verkrijgen en genade vinden om geholpen te
ivorden ter bekivamer tijd2).
Dezelfde Apostel zegt:
dat wij vrijheid hebben tot den ingang des Heiligdoms
door het bloed van Jezus; zoo laat ons dan toegaan,
1)   Volslandiglijk en — plicht Bijv. van de Synode van 1566.
2)  Bekwamer tijd. De Syn. van 1566 nam hier de woorden weg: „Il
change ici Ie Throne de gloire espouvantable en Throne de grace, pour nou»
faire approcher."
-ocr page 86-
45
zegt hij, in volle verzekerdheid des geloofs, enz. Ins-
gelijks: Christus heeft een onvergankelijk priesterdom ;
waarom Hij ook volkomen kan zalig maken degenen
die door Hem tot God gaan, alzoo Hij altijd leeft, om
voor hen te bidden.
Wat ontbreekt er meer, dewijl
Christus zelf deze uitspraak doet: Ik ben de weg en
de waarheid en het leven; niemand komt tot den Vader
dan door Mij?
Waartoe zouden wij eene andere
Voorspraak zoeken J)? Aangezien het God beliefd
heeft ons zijnen Zoon tot eene Voorspraak te geven,
laat ons Hem niet verlaten om eenen anderen te
nemen, of veel meer eenen anderen te zoeken, zon-
der Hem immermeer te vinden 2); want als God Hem
ons gegeven heeft, zoo wist Hij wel dat wij zon-
daars waren. Daarom, achtervolgende het bevel van
Christus, zoo roepen wij den hemelschen Vader aan
door Christus, onzen eenigen Middelaar, gelijk wij
in het gebed des Meeren geleerd zijn, verzekerd
zijnde dat al wat wij den Vader in zijnen naam
bidden zullen ons zal gegeven worden.
xxyn.
Wij gelooven en belijden eene eenige Katholieke
of algemeene Kerk, welke is eene heilige vergade-
ring 3) der ware Christ-geloovigen, alle hunne zalig-
11 Voorspraak zoeken. De Syn. van 1566 nam hier weg: ,,Pnisqu\'il dit
qu\'on ne peut aller a son Pere que par luy 7"
2)   Of veel meer — te vinden. Bijv. van de Syn. van 1566.» De ziuschei-
ding is van: „Waartoe zouden" — tot: „immermeer te vinden" in al de
Ned. uitgaven, zelfs in de offlciëele, verkeerd, en door ons naar den officiëelen
latijnschen tekst hersteld.
3)   Vergadering. Fr.: „congrégation." In den ouden en nieuwen Fr. tekst
volgt hier en in den aanhef van het volgende Art.: „et assemblee," hetwelk
in de Nederl. uitgaven sedert 1582 is weggelaten.
-ocr page 87-
4fi
heid verwachtende in Jezus Christus, gewasschen
zijnde door zijn bloed, geheiligd en verzegeld door
den H. Geest *). Deze Kerk is geweest van den beginne
der wereld af en zal zijn tot den einde toe; als
daaruit blijkt, dat Christus een eeuwig Koning is,
welke zonder onderdanen niet zijn kan. En deze
heilige Kerk wordt van God bewaard of staande
gehouden tegen het woeden der geheele wereld 2):
hoewel zij somwijlen een tijd lang zeer klein en als
tot niet schijnt gekomen te zijn in de oogen der
menschen. Gelijk zich de Heere gedurende den ge-
vaarlijken 3) tijd onder Achab zeven duizend men-
schen 4) behouden heeft, die hunne knieën voor Baal
niet gebogen hadden. Ook mede is deze H. Kerk niet
gelegen, gebonden of bepaald in eene zekere plaats
of aan zekere personen 5j, maar zij is verspreid en
verstrooid door de geheele wereld: nogtans te zamen
gevoegd en vereenigd zijnde met hart en wil in
eenen zelfden Ceest, door de kracht des geloofs.
1)   Gewasschen zijnde — door den H. Geest. Beter in de oude Nederl.
vertaling (1562): „Dewijl zij gewasschen zijn," enz. — In den otEciëelen Lat.
tekst staat: „Per Spiritum ejus," dat beter voegt in het redebeleid , zooals
Poedes, a w bl. 3G1, te recht opmerkt. — Verzegeld. Fr.: , marquezg" Lat.:
„obsignati." De vertaling van de Prov. Zeeuwsche Synode van 1611 heeft
hier verkeerdelijk: „Gerechtvaardigd."
2)   Oeheele wereld. De Syn. van laGG nam hier, zin en verband verstorend,
weg: „Et ne tera iamais destraite.
3)   Gevaarlijken. Uitgelaten in de Ned. vert. van 1582, maar in die van
1G11 weder opgenomen.
4)  Zeven duizend menschen. Oorspronkelijk: „Les sept mille hommes,"
waardoor de vertaling van: „Le Seigneur cependant s\'est reserve" door: „Ge-
lijk zich de Meere
— behouden heeft" gewettigd is. Het in 1 Kon. XIX : 18
vermelde feit wordt aangehaald.
5)  Aan zekere personen. De Syn. van 15GG nam hier weg het woord
„attachée."
-ocr page 88-
47
XXVIII.
Wij gelooven, aangezien deze heilige vergadering
is eene verzameling dergenen die zalig worden, en
dat buiten dezelve geene zaligheid is, dat niemand,
van wat staat of kwaliteit hij zij, zich behoort op
zich zelven te houden, om op zijn eigen persoon te
staan l); maar dat zij allen schuldig zijn zich zelve
daar bij te voegen en daarmede te vereenigen, on-
derhoudende de eenigheid der Kerke, zich onder-
werpende de onderwijzing en tucht derzelve, den
hals buigende onder het juk van Jezus Christus,
en dienende de opbouwing der broederen, naar de
gaven, die hun 2) God verleend heeft, als onderlinge
lidmaten eenes zelfden lichaams. En opdat dit te
beter mochte onderhouden worden, zoo is het ambt 3)
aller geloovigen, volgens het Woord Gods, zich af
te scheiden van degenen die niet van de Kerk zijn,
en zich te voegen tot deze vergadering, het zij op
wat plaats dat God haar gesteld heeft: al ware het
schoon zoo, dat de Magistraten en plakkaten der
Prinsen daar tegen waren, en dat de dood of eenige
lichamelijke straf daaraan hing. Daarom, al degenen
die zich van dezelve afscheiden of niet daar bij
voegen, die doen tegen de ordonnantie Gods.
1)   Om op — te staan. Beter in den Lat. tekst en meer in overeenstem-
miug met liet oorspr.: „Se ipso contentus" {Pour se contenter de sa personne).
2)  Hun. Sedert 1666 las men hier minder juist in het verband: „ons." Iu
de Marm. Confess. (1012): „unicuique," en zoo ook in de officiëeele Lat.
uitgave.
3)  Bet ambt. Al te „officiéele" vertaling van liet Lat. „officium," hetwelk
in 1582 in den Nederl. tekst werd opgenomen {het officie aller ghel.). Beter
was de oude vertaling: „schnldighe plicht" (devoir).
-ocr page 89-
48
XXIX.
Wij gelooven dat men wel naarstiglijk en met
goede voorzichtigheid uit den Woorde Gods be-
hoort te onderscheiden welke de ware Kerk zij:
aangezien dat alle sekten, die hedendaags in de
wereld zijn, zich met den naam der Kerk bedekken.
Wij spreken hier niet van het gezelschap der hypo-
krieten, welke in^de Kerk onder de goeden ver-
mengd zijn en hier-en-tusschen van de Kerk niet
zijn *), hoewel zij naar het lichaam in dezelve zijn :
maar wij zeggen, dat men het lichaam en de ge-
meenschap der 2) ware Kerk onderscheiden zal van
alle sekten, welke zeggen dat zij de Kerk zijn3).
J)e merkteekenen om de ware Kerk te kennen zijn
■i,..rnrinTT                                                           "
deze: zoo de Kerk de reine predikatie des Evange-
liums oefent; indien zij gebruikt de reine bediening
der Sacramenten, gelijk ze Christus ingesteld heeft;
zoo de kerkelijke tucht gebruikt wordt om de zon-
den te straffen. Kortelijk, zoo men zich aanstelt
naar het zuivere Woord Gods, verwerpende alle din-
gen, die daar tegen zijn, houdende Jezus Christus
voor het eenige Hoofd. Hierdoor kan men zekerlijk
de ware Kerk kennen, en het staat niemand vrij
1)   Van de Kerk niet zijn. De Syn. van 1566 heeft hier weggenomen:
„Et sont ensemble couverts de ce tiltre d Eglise."
2)  liet lichaam en de gemeenschap der —. Bijv. der Synode van 1566.
Waarschijnlijk uit het oorspr. H. S., dewijl in den eersten druk van 1561
deze woorden schijnen uitgevallen te zijn. Men leest daarin: Distinguer de
la vraye Egl. d\'avec
—."
3)  Dat zij de Kerk zijn. De Dordtsche Synode heeft dus puntig en naar
waarheid het uitsluitende karakter van de valsehe kerk en „van alle sekt™"
uitgedrukt. Vroeger werd hier altijd gelezen: „Qui se disent estre de VTZglise"
(«a« de Kercke). Lat. „quae se Eccl. memira esse falso gloriantur."
-ocr page 90-
49
zich daarvan te scheiden J). En aangaande degenen
die van de Kerk zijn, die kan men kennen uit de
merkteekenen der christenen, te weten uit het ge-
loof, en wanneer zij, aangenomen hebbende den
eenigen Zaligmaker Jezus Christus, de zonde vlieden
en de gerechtigheid najagen, den waren God en
hunnen naaste liefhebben; niet afwijken, noch ter
rechter noch ter linker hand, en hun vleesch krui-
sigen 2) met zijne werken. Alzoo nogtans niet, alsof
daar nog geene groote zwakheid in hen zij, maar
zij strijden daartegen door den Geest alle de dagen
huns levens; nemende gestadiglijk hunne toevlucht
tot het bloed, den dood, het lijden en de gehoor-
zaamheid des Heeren Jezus, in denwelken 3) zij ver-
geving hunner zonden hebben door het geloof in
Hem. Aangaande de valsche Kerk, die schrijft zich
en haren ordonnantie!^ ineer macht en autoriteit
toe dan den Woorde Gods en wil zich het juk van
Christus niet onderwerpen; zij bedient de Sacramen-
ten niet gelijk Christus in zijn Woord 4) verordend
heeft, maar zij doet daar af en toe, gelijk als het
haar goed dunkt; zij grondt zich meer op de men-
schen dan op Christus; zij vervolgt degenen die
heiliglijk leven naar het Woord Gods en die haar
1)  En het staat niemand vrij — te scheiden. Bijv. van 1566. — Al de
Nederl. uitgaven (1582, 1611, 1619, 1620) hebben: „Unde staet niemant toe;"
eeae
verouderde schrijfwijze, waarvoor wij naar den off. Latijnschen tekst (,4
qua f as non est quemquam se disiungere) nu moeten lezen: „En het staat
niemand vrij" —.
2)  Kruisigen. Naar den Lat. off. tekst, And.: „kruisigende."
3)  In denmeihen. In de oudste Nederl. uitgaven (1561—64): „door weleke."
Beide is onnauwkeurig. Het moet zijn: „Door hetwelk, namelijk door „het
bloed,"
waarvan de beteekenis zoo juist was omschreven: „den dood, het
lijden en de gehoorzaamheid des Heeren."
Zie: Doedes, a. w. bl. 407.
4)  Oorspr.: „Par sa Parole\'\'
v. T. Symb. Schr. 2e dr.                                                                      4
-ocr page 91-
50
bestraffen van hare gebreken, gierigheid en afgode-
rijen. Deze twee Kerken zijn lichtelijk te kennen
en van elkander te onderscheiden.
XXX.
Wij gelooven dat deze ware Kerk geregeerd moet
worden naar de geestelijke *) politie, die ons onze
Heer geleerd heeft in zijn Woord 2); namelijk dat
er Dienaars of3) Herders moeten zijn om Gods
Woord *) te prediken en de Sacramenten te bedie-
nen; dat er ook Opzieners en Diakenen zijn, om met
de Herders5) te zijn als6) de Raad der Kerke, en
door dit middel de ware Religie te onderhouden en
te doen dat de ware leer haren loop hebbe; dat ook
de overtreders op geestelijke wijze gestraft worden
en in den toom gehouden, dat ook de armen en
bedrukten 7) geholpen en getroost worden, naar dat
zij van noode hebben. Door dit middel zullen alle
dingen in de Kerk wel en ordelijk toegaan, wan-
neer zulke personen verkoren worden, die getrouw
1)  Geestelijke. Bijv. van de Syn. van 1566.
2)  Oorspr.: „Par sa Parole."
3)  Of Herders. Tot op de Dordtsche Synode: „en Herders."
4)   Gods Woord. Bijv. van de Dordtsche Synode, in overeenstemming met
den oorspronkelijken tekst: „la Parole de l\'Evangile," hetwelk de Synode
van 1566 weggelaten had.
5)  Met de Herders. Bijv. van de Dordtsche Synode. Niet onnoodig. „De
oudheid der letter" zou hier tot zonderlinge toepassing in liet gemeentelijk
kerkrecht kunnen leiden.
6)  Als, bet.: zooveel als.
7)   Bedrukten De Walsche tekst, zoowel van 1561 als van 1560, heeft
hier: „Afin que les poores et tous affiigez," die van 1619: „tous les pauvres
et affligez."
Wij missen de oorspronkelijke „liberale" uitdrukking in de Con-
)e8sie ongaarne De oudste lezing is de ware: „De armen en alle (allerlei)
hedrukten /" — zij stelt het geestelijk karakter van het Diakonaat in het licht.
-ocr page 92-
51
zijn, en naar den regel, dien de Apostel Paulus *)
daarvan geeft in den Brief tot Timotheüs.
XXXI.
Wij gelooven dat de Dienaars des Woords Gods,
Ouderlingen en Diakenen tot hunne ambten behooren
verkoren te Avorden door wettelijk verkiezing der
Kerk 2), met aanroeping des naams Gods en goede
orde, gelijk het Woord Gods leert. Zoo moet zich
dan een iegelijk wel wachten door onbehoorlijke
middelen zich in te dringen, maar is schuldig den
tijd te verwachten dat hij van God beroepen wordt,
opdat hij getuigenis hebbe van zijne beroeping, om
van dezelve verzekerd en gewis 3) te zijn dat zij van
den Heer is. En aangaande de Dienaars des Woords,
in wat plaats dat zij zijn, zoo hebben zij ééne zelfde
macht en autoriteit, zijnde alle-gader Dienaars van
Jezus Christus, des eenigen algemeenen Bisschops
en des eenigen Hoofds der Kerke *). Daarenboven,
1)   De Apostel Paulus. Als overblijfsel uit de uitg. van 1611 wordt hier
en elders in de olliciëele uitgaven gelezen S. Paulus. Die fout moet naar de
Lat. officiëele uitgave hersteld worden. Verg. Aant. 4, bl. S.
2)  Der Kerk. Bijvoegsel van de Synode van 1566, noodig wegens de ver-
andering, welke die Synode in liet Art. aanbracht. Oorspronkelijk (1565)
luidde het: „par élection légitime, avee l\'invocation de Dien et les suffrages
de l\'Eglise."
Daarop volgde nog: „puis confirmez par l\'imposition des mains
en leur office"
Deze woorden maakten plaats voor de korte aanwijzing: „par
bon ordre."
Alle verandering was geen verbetering.
3)  En gewis. Bijv. van de Syn. van 1566, beteekenende: „door de verze-
kering gewis."
4)  her Kerke. Hierachter werd in den ouden tekst vóór 1566 gelezen:
„"Et pourtant {daarom) nulle Eglise n\'a aucune authorité ny domination sur
l\'autre pour y seigneurier."
Dit grondbeginsel der Gereformeerde Kerk werd
door de wegneming van deze woorden niet verzaakt, maar opdat het des te
meer effect zou hebben, was het reeds in 1564 overgenomen ia de kerkorde-
4*
-ocr page 93-
52
opdat de heilige ordinantie Gods niet geschonden
worde of in verachting kome, zoo zeggen wij \',;, dat
een ieder de Dienaars des Woords en de Ouderlingen
der Kerk in zonderlinge achting behoort te hebben
om des werks wille dat zij doen, en in vrede met
hen te zijn zonder murmureering, twist of twee-
dracht 2), zoo veel mogelijk is.
XXXII.
Hieren-tusschen gelooven wij, hoewel het nuttelijk
en goed is dat die Regeerders3) der Kerk 4) zijn
onder zich zekere ordinantie instellen en bevestigen 5)
tot onderhouding van het lichaam der Kerk, dat zij
nogtans zich wel moeten wachten af te wijken van
hetgene ons Christus, onze eenige Meester, geordi-
neerd heeft. En daarom verwerpen wij alle mensche-
lijke vonden on alle wetten, die men zoude willen
invoeren om God te dienen en door dezelve de
conscientiën te binden en te dwingen, in wat manier
het zoude mogen zijn 6). Zoo nemen wij dan alleen
aan hetgene dienstelijk is om eendrachtigheid en
ning van de Synode te Antwerpen (« la Vignë). Zoo ook in die van Wesel,
IIfelst. VIII, Art. 20; in die van Emden staat het bovenaan. Wij zien hier
hoe de oude Kerk de kerkordening in verband met de Belijdenis beschouwde
en gebruikte.
1)   Opdat de h, ordinantie — zeggen wij. Bijv. van de Syn. van 1566.
2)   Twist of tweedracht. Bijv. van de Syn. van 1566.
3)   Regeerders. De Synode van 1516 voegde hier omschrijvend bij: „An-
ciens."
De Dordtsclic Synode nam dit woord weg: verg. bl. 50 , Aant. 5.
4)  Kerk. Hier in den zin van „gemeente," zooals blijkt uit den Frau-
schen tekst, te Dordrecht vastgesteld, waar gelezen wordt: „des Eglises."
5)  Instellen en bevestigen. De Synode van 1566 stelde deze woorden:
^establir et disposer" in de plaats van het oorspronkelijke, maar minder
gepaste: „ordonner."
6)  Mn te dwingen — ;ijn. Bijv. van de Syn. van 1566.
-ocr page 94-
53
eenigbeid te voeden en te bewaren, en allen *) te
houden in de gehoorzaamheid Gods, waartoe ge-
eischt wordt\') de excommunicatie of de Ban, die
daar geschiedt naar den Woorde Gods, met hetgene
daar aan hangt, i,
XXXIII.
Wij gelooven dat onze goede 3) God, acht hebbende
op onze grovigheid en zwakheid, ons heeft veror-
dend de Sacramenten, om in *) ons zijne beloften
te verzegelen, en om panden te zijn der goedwillig-
heid en genade Gods te onswaart, en ook om ons
geloof re voeden en te onderhouden, dewelke Hij
gevoegd heeft bij het Woord des Evangeliums, om
te beter aan onze uiterlijke zinnen voor te stellen,
zoowel hetgene Hij ons te verstaan geeft door zijn
Woord, als hetgene Hij inwendig doet in onze harten,
bondig en vast makende in ons de zaligheid, die Hij
ons mededeelt. Want het zijn zichtbare waarteekenen
en zegelen van eene inwendige en onzienlijke zaak,
door het middel derwelke God in ons werkt door
de kracht des H. Geestes. Zoo zijn dan de teekenen
1)  Allen Ie houden. Naar den officiëelen Lat. tekst. De oude Walsche en
Ned. uitgaven hebben: „Pont entretenir concorde — el entretenir tous" (alle
te houden).
De Synode van 1566 veranderde en bedierf den tekst door te
schrijven: „en alles te onderhouden,\' enz.
2)   Oeeischt wordt. Oorspr. vóór 1566: „nous sert grandement" (ons groo-
telijks dient).
3)   Ooede. Zonder oorzaak uitgelaten in de oude Nederl. uitgaven (1562—64).
4)  In. In de Nederl. officiëele uitgaven staat: „aan," op het voetspoor van
den Ned. tekst van 1011. Naar den officiëelen Lat. tekst en naar al de oudere
uitgaven (Walsche en Ned.) moet gelezen worden: „in." Het is gelijk verder
volgt: „Bondig en vast makende in ons de zaligheid, die Hij ons mededeelt"—,
Verg. bl. 28, Aant. 1.
-ocr page 95-
54
niet ijdel noch ledig om ons te bedriegen; want Jezus
Christus is de waarheid van dien, zonder wien zij
niets met allen zijn zouden. Verder zijn wij tevreden
met het getal der Sacramenten, die Christus, onze
Meester, ons heeft verordend, welke niet meer dan
twee zijn, te weten: het Sacrament des Doops en
des Heiligen Avondmaals van Jezus Christus.
XXXIV.
Wij gelooven en belijden, dat Jezus Christus, die
het einde der wet is,
door zijn vergoten bloed een
einde gemaakt heeft aan alle andere bloedstortingen,
die men zoude kunnen of willen doen tot verzoening
en voldoening der zonden *); en dat Hij afgedaan
hebbende de Besnijding, die met bloed geschiedde,
in de plaats derzelve heeft verordend het Sacrament
des Doops, door hetwelk wij in de Kerke Gods ont-
vangen en van alle andere volken en vreemde reli-
giën afgezonderd worden, om geheel Hem toegeëigend
te zijn, zijn merk- en veldteeken dragende; en dient
ons tot een getuigenis, dat Hij in eeuwigheid onze
God zijn zal, ons zijnde een genadig Vader. Zoo
heeft Hij dan bevolen te doopen al degenen die de
zijnen zijn in den naam des Vaders en des Zoons en
des H. Geestes
, alleen a) inet rein water; ons daar-
mede te verstaan gevende, gelijk het water de vuilig-
heid des lichaams afwascht wanneer wij daarmede
begoten worden, hetwelk i) op het lichaam desgenen
1)   Die men zoude — der zonden. Bijv. van de Syn. van 156C.
2)  Alleen. Bijv. van de Dordtsche Syn.
3)  Hetwelk. Oorspr. in 1561 en in overeenstemming daarmede de oude
Jïederl. uitg. (1562—64): „M aussi vrayement que" —. De Synode van
-ocr page 96-
55
die den Doop ontvangt gezien wordt en besprengt
hem, dat alzoo het bloed van Christus hetzelfde van
binnen in de zielen doet door den Heiligen Geest,
dezelve besprengende en zuiverende van hare zonden,
en ons \') wederbarende uit kinderen des toorns tot
kinderen Gods. Niet dat zulks door het uiterlijke 2)
water geschiedt, maar door de besprenging des
dierbaren bloeds 3) des Zoons Gods, dat") onze
Koode Zee is, door welke wij moeten doorgaan om
te ontgaan de tiranniën van Pharaö, welke is de
duivel, en in te gaan in het geestelijke land Kanaan.
Alzoo geven ons de Dienaars van hunne zijde het
Sacrament en hetgene dat zichtbaar is, maar onze
Heer geeft hetgene door het Sacrament beduid wordt,
te weten de gaven en onzienlijke genaden, wasschende,
zuiverende en reinigende onze zielen van alle vuilig-
heden, en onze harten vernieuwende en dezelve ver-
vullende met alle vertroosting, ons gevende eene ware
verzekerdheid zijner vaderlijke goedheid, ons den
nieuwen mensch aandoende en den ouden uittrek-
kende met alle zijne werken. Hierom 5) gelooven
1566 heeft, deu tekst als boven veranderende, willen uitdrukken dat de was-
sching of besprenging in den Doop als het symbool moet worden aangemerkt.
\' 1) Ons. T. w. die gedoopt zijn en nu ons gelosf belijden. Oorspr. werd
er gelezen: „te." Zoo scheen de wedergeboorte aan den Doop te worden
vastgemaakt, en daarom veranderde de Synode van 156G dit kleine woord.
De Doop beteekent niet wat aan den doopeling, maar wat aan den mensch
die gelooft geschiedt.
2)   Uiterlijke. Lat.: „materiali" (Fr. malériellé).
3)  Bespr. des dierbaren bloeds. Zoo wilde de Syn. van 1566 gelezen heb-
beu. Oorspr. minder bijbelsch: „Par Ie bain precieux du sang" —.
■l) Dat. Gewone lezing: „die," hetwelk zou kunnen terugslaan op: ,.be-
sprenging,"
indien niet de Lat. tekst het op „het bloed" liet slaan. Dit
laatste heeft beteren zin, en komt met het oorspronkelijke: „par Ie bain
precieux du sang"
overeen. Men leze dus: „dat."
5) Hierom. Oorspr.: „Outre plas" (Dat meer is).
-ocr page 97-
56
wij, dat, zoo wiens voornomen is in het eeuwige
leven te komen, die moet maar eens gedoopt wor-
den met den eeuigen Doop *), zonder dien immer-
ïneer te herhalen; want. wij kunnen ook niet twee-
maal geboren worden. Doch deze Doop is niet
alleen nut zoo lang het water op ons is en dat wij
het water ontvangen, maar ook al den tijd onzes
levens2). Hierom verwerpen wij de dwaling der
Wederdooperen, die niet tevreden zijn met een eenig
doopsel, dat zij eens ontvangen hebben, en daaren-
boven verdoemen den doop der kinderkens der ge-
loovigen, dewelke wij gelooven dat men behoort te
doopen en met het merkteeken des Verbonds te ver-
zegelen, gelijk drt-kinderkens in Israël besneden wer-
den op dezelfde beloften, die onzen kinderen gedaan
zijn. En voorwaar, Christus heeft zijn bloed niet
min v^goten om de kinderkens der geloovigen te
wasschen, dan Hij gedaan heeft om de volwassenen.
En daarom behooren zij het teeken te ontvangen en
het Sacrament van hetgene dat Christus voor hen
gedaan heeft; gelijk de Heere in de Wet beval hun
mede te deelen het Sacrament des lijdens en ster-
vens van Christus, kort nadat zij geboren waren,
offerende voor hen een lammeken, hetwelk was een
Sacrament van Jezus Christus. Daarenboven, het-
1)  Moet maar eens — den eeuigen Doop. In de oude Walsche en Sfed.
uitgaven vóór 1566 wordt gelezen achter: „gedoopt worden:" „et se contenter
de ce seul Bapteme" (ende hem vergenoegen laten met
—). In de oude Nederl.
uitgaven (1562—64) was eigenmachtig en tot bederf van den zin achter het
woord: „eenmaal" ingevoegd: „Soo verre hel\' eenichsins geschieden kan," alsof
hier de noodzakelijkheid van den Doop werd geleerd on dit gedeelte van het
Art. niet alleen tegen de Wederdoopers gericht was.
2)   Omes levens. Hierachter werd tot in 1566 gelezen (al te plastisch):
„Autrement il nous /audroit tousiours auoir la teste en l\'eau."
-ocr page 98-
57
gene de besnijdenis deed aan het Joodsche volk,
hetzelfde doet de Doop aan onze kinderen, welke
de oorzaak is, waarom Paulus den Doop noemt de
besnijdenis van Christus.
XXXV.
Wij gelooven en belijden, dat onze Zaligmaker
Jezus Cristus het Sacrament des heiligen Avondmaals
verordend en ingesteld heeft om te voeden en te
onderhouden degenen, die Hij aireede wedergeboren
en in zijn huisgezin, welke is zijne Kerk, ingelijfd \')
heeft. Nu hebben degenen die wedergeboren zijn in
zich tweeërlei leven: het ééne lichamelijk 2) en
tijdelijk, hetwelk zij van hunne eerste geboorte mede-
gebracht hebben, en is allen menschen gemeen ; het
andere is geestelijk en hemelsch, hetwelk hun ge:
geven wordt in de tweede geboorte, welke geschiedt
door het Woord des Evangeliums, in de gemeenschap
des lichaams van Christus 3); en dit leven is niet
algemeen dan alleen den uitverkorenen Gods. Alzoo
heeft ons God tot onderhouding des lichamelijken
en aardschen levens aardsch en gemeen *) brood ver-
ordend, hetwelk daartoe dienstelijk is, en is allen
gemeen zoowel als het leven. Maar om het geestelijk
en hemelsch leven te onderhouden, hetwelk de ge-
loovigen hebben, heeft Hij hun gezonden een leven-
1)   Ingelijfd. Vrfle vertaling vau het Fr.: „entez en!\' In de oude Nederl.
uitgavea: „ingegriffgt,-" Lat.: „insevit."
2)   Lichamelijk. Tot op de Dordtsche Synode: „charnelle" (vleesclielijk).
De verandering getaigt van exegetischen tact.
3)  In de gemeenschap — van Christus. Bijv. van de Syn. van 1566.
4)   Qemeen, d. i. gewoon. Fr.: „materiel." Bijv. van de Syn. van 1566.
-ocr page 99-
58
dig brood, dat van den hemel nedergedaald is, te
weten Jezus Christus, dewelke het geestelijk leven
der geloovigen voedt en onderhoudt als Hij gegeten,
dat is toegeëigend \') en ontvangen wordt door het
geloof in den geest. Om ons dit geestelijk en hemelsch
brood af te beelden 2) heeft Christus verordend een
aardsch en zienlijk brood, hetwelk een Sacrament
is van zijn lichaam, en den wijn tot een Sacrament
zijns bloeds, om ons te betuigen, zoo waarachtiglijk
als wij het Sacrament3) ontvangen en houden in
onze handen en hetzelve eten en drinken 4) met on-
zen mond, waarmede ons leven daarna onderhouden
wordt, dat wij ook zoo waarachtiglijk door het ge-
loof (hetwelk de hand en mond onzer zielen is 5)
het ware lichaam en het ware bloed B) van Christus,
onzes eenigen Zaligmakers, ontvangen in onze zielen
tot ons geestelijk leven. Nu, zoo is het zeker en
ongetwijfeld, dat ons Jezus Christus zijne Sacramen-
ten niet te vergeefs heeft bevolen. Zoo werkt Hij
dan in ons al wat Hij door deze heilige teekenen
ons voor oogen stelt: hoewel de wijze ons verstand
1)   Gegeten, dat is toegeëigend —. Bijv. van de Syu. van 1566. In den
oorspr. tekst (1561): „estant mangé et receu par foy en Vesprit."
2)   Om ons — af te beelden. Ditbr. van de Syn. van 15A6. Oorspr.: „a ce."
3)  Het Sacrament. In de oude Ned. uitg. (1562—64): „Het brood en (den)
wijn." Niet alzoo de oorspr. tekst van 1561.
4)  Mn drinken. Bijv. van de Doritsche Synode. De fout, die in den
Walsenen tekst van 1561 en 1566 bestaat, was ijeds hersteld in de oude
Nederl. uitg. (1562—64). In de uitgaven na 1566 ontbreekt het woord, het-
welk van de oorspronkelijkheid der vertaling van 1582 „uyt het Walsch in
het Duytsch" getuigt. Aan de genoemde oudste Nederl. uitgaven is nooit
gezag toegekend.
5)  \'t Welk de hand — is. Bijv. van de Syu. van 1566.
6)  Set ware bloed. In de ofliciëele Ned. uitgaven staat: „het bloed." In
den off. Lat. tekst: „verum sanguinem." De weglating is naar de Middelb-
uitgave (1611).
-ocr page 100-
59
te boven gaat en ons onbegrijpelijk is, gelijk de wer-
king des H. Geestes verborgen en onbegrijpelijk is t).
Daar-en-tusschen zoo feilen wij niet, als wij zeggen 2)
dat hetgene van ons gegeten en gedronken wordt
het eigen en natuurlijk lichaam en het eigen bloed
van Christus is; maar de wijze op welke wij dezelve
nuttigen is niet de mond, maar de geest, door het
geloof. Alzoo dan blijft Jezus Christus altijd zit-
tende ter rechterhand Gods zijns Vaders in de he-
melen, en laat toch daarom niet ons zijns3) deel-
achtig te maken door het geloof. Deze maaltijd is
eene geestelijke tafel, aan dewelke Christus zich zei
ven ons mededeelt met alle zijne goederen, en doet
ons aan dezelve genieten zoowel zich zelven als de
verdiensten zijns lijdens en stervens; voedende, ster-
kende en vertroostende onze arme troostelooze ziele
door het eten zijns vleesches en dezelve verkwikkende
un vermakende *THoo"r Hen drank zijns bloeds. Voorts,
hoewel de Sacramenten met de beteekende zaken
te zamen gevoegd zijn, zoo worden zij nochtans met
deze twee zaken van allen niet ontvangen. De god-
delooze ontvangt wel het Sacrament tot zijne ver-
doemenis, maar hij ontvangt niet de waarheid des
Sacrainents: gelijk als Judas en Simon de toovenaar
beiden wel het Sacrament ontvingen, maar niet
Christus, die door hetzelve beteekend wordt, het-
1)   Gelijk de werking — is. Bijv. van de Syn. van 156G.
2)  Als wij zeggen De Syn. vau 1566 nam hierachter verkeerdelijk weg:
„dat het door het geloof geschiedt. Zoo zeggen wij dan —." Dit kan in
het verhand niet gemist worden.
3)   Ons zijns. De oflïciëele uitg. heeft: „zich zelven ons zijns —", naar
die van 1611. Blijkbaar eene fout.
4)   Verkwikkende en vermakende. Wijziging van de Syn. van 1500, voor:
„1\'enyurant" (ende maeckt se droncken). „Vermakende" is zuivere vertaling
van het Franache: „recreant,"
-ocr page 101-
60
wolk (die) den geloovigen alleen medegedeeld wordt *).
Ten laatsten: wij ontvangen het heilige Sacrament
in de verzamelingen des volks Gods met ootmoedig-
heid en eerbieding, onder ons houdende eene heilige
gedachtenis des doods van Christus, onzes Zaligma-
kers, met dankzegging, en doen aldaar belijdenis
onzes geloofs en der christelijke religie. Daarom
behoort zich niemand daartoe te begeven zonder
zich zelven eerst wel beproefd te hebben; opdat hij,
etende van dit brood en drinkende uit dezen drink-
beker, niet ete en drinke zich zelven h/t oordeel.
Kortelijk, wij zijn door het gebruik des heiligen
Sacraments beweegd tot eene vurige liefde jegens
God en onzen naaste. Daarom verwerpen wij alle
vermengelingen en verdoemelijke vonden, die de
menschen bij de Sacramenten gedaan 2) en vermengd
hebben, als ontheiligingen derzelve, en zeggen, dat
men zich moet laten vergenoegen met de ordening
die Christus en zijne Apostelen ons geleerd hebben ,
en spreken gelijk zij daarvan gesproken hebben.
XXXVI.
Wij gelooven dat onze goede God, uit oorzaak
der verdorvenheid des menschelijken geslachts, Ko-
ningen, Prinsen en Overheden verordend heeft, wil-
lende dat de wereld geregeerd worde door wetten
en politiën, opdat de ongebondenheid der menschen
bedwongen worde en het alles met goede ordinantie
1) Hetwelk — medegedeeld wordt. Bijv van de Syn. van 1566. Iu den
Lat. tekst: „Qui (t. w. Christus) commuaicatur," hetwelk beter past in het
verband.
1) Gedaan. In de oudste uitgaven: „invenlées" (gevonden). Ve verandering
ii van 1566.
-ocr page 102-
61
onder de menschen toega. Tot dien einde heeft Hij
de Overheid het zwaard in handen gegeven tot straffe
der boozen en bescherming der vromen.
En hun ambt
is niet alleen acht te nemen x) en te waken over
de politie, maar ook de hand te houden aan 2) den
heiligen kerkendienst3): om te weeren en uit te
roeien alle afgoderij en valschen godsdienst; om het
rijk des Antichrists te gronde te werpen en het Ko-
ninkrijk van Jezus Christus te bevorderen; het Woord
des Evangeliums overal te doen prediken, opdat God
van een iegelijk geëerd en gediend worde gelijk Hij
in zijn Woord gebiedt. Verder: een ieder, van wat
kwaliteit, conditie of staat hij zij, is schuldig zich
den Overheden te onderwerpen, schattingen te be-
talen, hun eere en eerbieding toe te dragen en hun
gehoorzaam te zijn in alle dingen, die niet strijden
tegen Gods Woord, voor hen biddende in hunne gebe-
den, opdat hen de Heere bestieren wille in alle hunne
wegen, en dat wij een gerust en stil leven leiden in
alle godzaligheid en eerbaarheid.
En hierover ver-
werpen wij de Wederdoopers en andere oproerige
menschen, en in het gemeen 4) al degenen die de
Overheden en Magistraten verwerpen en de justitie
omstooten willen, invoerende de gemeenschap der
goederen, en verwarren de eerbaarheid, die God
onder de menschen gesteld heeft.
1)  Acht te nemen. Oorspr.: „reprimer" (te bedwingen).
2)  De hand te houden aan den H.. Kerken-dienst. Oorspr. stoud hier een.
voudig: „ains aussi sur les choses ecclésiastiques." Door hare bijvoeging
verzwakte de Syu. van 1566 het oorspr. gestelde, waarbij „les choses ecclé-
siastiquea" gesteld werden ouder het „reprimer et veilier" van de Overheid.
Men had aanleiding gehad om over het recht der Overheid na te denken.
3)  Den H. Kerken-dienst. Tot ie 1566: „les choses ecclésiastiques.
4)  De Wederdoopers en andere — in \'t gemeen. Bijv. van de Syn. Tan 1566.
-ocr page 103-
62
XXXVII.
Ten laatste gelooven wij volgens het Woord Gods,
dat als de tijd, van den Heere verordend (die allen
schepselen onbekend is), gekomen en het getal der
uitverkorenen vervuld zal zijn, onze Heere Jezus
Christus uit den hemel zal komen,
lichamelijk en zien-
lijk, gelijk Hij opgevaren is, met groote heerlijkheid
en majesteit om zich te verklaren een Richter te
zijn over levenden en dooden, deze oude wereld in
vuur en vlam stellende om dezelve te zuiveren 1).
En als dan zullen persoonlijk voor dezen grooten
Richter 2) verschijnen alle menschen, zoowel mannen
als vrouwen en kinderen, die van het begin der
wereld af tot het einde toe geweest zullen zijn,
verdagvaard zijnde door de stem des Archangels en
door het geklank der Goddelijke bazuin 3).
Want al
degenen die gestorven zullen wezen zullen uit de
aarde verrijzen, de geest te zamen gevoegd en ver-
eenigd zijnde met zijn eigen lichaam, in hetwelk
hij zal geleefd hebben 4). £n aangaande degenen die
alsdan nog leven zullen, die zullen niet sterven
gelijk de anderen, maar zullen in een oogenblik
veranderd en uit verderfelijk onverderfelijk worden.
Alsdan zullen de boeken (dat is de conscientiën) ge-
1)   Te zuiveren. Tot op de Synode van 1560 werd hier gelezen: „puur Ie
consumer" (om deselve te verteeren).
De herziening in 1566 betrof voorwaar
meer dan „enkel spreekwijzen."
2)   Richter. De Syn. van 1566 veranderde hier: „jour" in „juge."
3)  Door de stem des Archangels. Oorspr. en tot in 1566: „Par la voix
et cris espouvantahles des Anges et des Archanges."
4)  De geest — hij zal gelee/d hebben. Dus met den officiëelen Latijnscheu
en Frausehen tekst, en in overeenstemming met het oorspronkelijke (|561):
„l\'esprit johict — avec son propre corps, auquel il a" —.
-ocr page 104-
63
opend, en de dooden geoordeeld worden, naar hetgene
zij in de wereld gedaan zullen hebben, hetzij goed
of kwaad. Ja, de menschen zullen rekenschap geven
van alle onnutte woorden, die zij gesproken zullen heb-
ben ,
die de wereld niet dan voor kinderspel en voor
tijdverdrijf acht: en dan zullen de verborgenheden
en geveinsdheden der menschen openbaarlijk voor
allen ontdekt worden. En daarom is de gedachtenis
dezes oordeels met recht schrikkelijk en vervaarlijk
voor de boozen en goddeloozen, en zeer wenschelijk
en troostelijk voor de vromen en uitverkorenen,
dewijl alsdan hunne volle verlossing volbracht zal
worden, en zullen aldaar ontvangen de vruchten
des arbeids en moeite, die zij zullen gedragen heb-
ben; hunne onnoozelheid zal van allen bekend wor-
den, en zullen de schrikkelijke wrake zien, die God
tegen de goddeloozen doen zal, die ze getiranniseerd,
verdrukt en gekweld zullen hebben in deze wereld;
dewelke overwonnen zullen worden door het ge-
tuigenis hunner eigen conscientiën, en zullen on-
sterfelijk worden, doch in zulker voegen, dat het
zal zijn om gepijnigd te worden in het eeuioige vuur,
hetwelk den duivel en zijnen engelen bereid is,
en daaren-
tegen de geloovigen en uitverkorenen zullen gekroond
worden met heerlijkheid \') en eere. De Zone Gods
zal hunnen naam belijden voor God zijnen Vader
en zijne uitverkoren Engelen; alle tranen zullen van
hunne oogen afgewischt worden;
hunne zake, die nu
tegenwoordig van vele Richteren en Overheden 2) als
1)  Heerlijkheid. Eerlijkheid in de officiëele uitgaven, uaar die van 1566.
2)   Van vele Richteren en. Ooerheden. Tot op de Synode van 1019 staat
hier in al de oude kopieën: „Van de Richteren en O." De laatste herzie-
ning had plaats na de verlossing, maar het beteekeuisvolle bepalende Lid-
woord bleef gehandhaafd in 1563, iu 1566 en zelfs in 1582.
-ocr page 105-
64
kettersch en goddeloos verdoemd wordt, zal bekend
worden de zake des Zoons Gods te zijn, en tot eene
genadige l) vergelding zal hen de Meere zulk eene
heerlijkheid doen bezitten, als het hart eens men-
schen nimmermeer zoude kunnen bedenken. Daarom
verwachten wij dien grooten dag 2) met een groot
verlangen, om ten volle te genieten de beloften
Gods, in Jezus Christus3) onzen Heer4).
1)   Genadige. B\\jv. van de Syn. van 1566.
2)   Dien grooten dag. Tot in 1566 werd hierachter gelezen: „der Yergel-
ding."
De Verlossing werd bij nader inzien gesteld boven de Vergelding.
3)   Oodt, in J. C. Tot in 1566: „van Christus."
4)  In de uitgave van 1582 werd ouder de Confessie gesteld: „In de Opeu-
baringe Joh. C. 22 : 20. „Ja komt Heere Jesu."
-ocr page 106-
B IJ L A G E \')
Opschriften boven de Artikelen.
I.     Dat er een eenig God is...........     BI.    (i.
11.     Door wat middel God van ons gekend wordt ....      „      U.
III.     Van het geschreven. Woord Gods........      „      8.
IV.     Canonieke Boeken der H. Schrifture.......„      8.
V.    Waarvan de H. Schrifture haar aanzien en autoriteit
heeft..................      „      9.
VI. Onderscheid tusschen de canonieke en apokryfe boeken .       .10.
VII. Volkomenheid de- II. Schrifture om alleen te zijn een
regel des geloofs..............      „    11.
VIII. Dat God eenig is in wezen en nogtans in drie personen
onderscheiden................      .,     l.\'i.
IX. Bewijs des voorgaanden Artikels van de drieheid der per-
sonen in éénen God.............      ,    15,
X. Dat Jezus Christus waarachtig en eeuwig God is . . .      „    18.
XI. Dat de Heilige Geest waarachtig en eeuwig God is . .      „    19
XII. Van de schepping aller dingen en met name der engelen      „    20.
XIII.     Van de Voorzienigheid Gods en regeering aller dingen .      B    22.
XIV.     Van de schepping en val des mensehen en lijn onver-
mogen tot het ware goed...........
      „    24.
XV. Van de Erfzonde..............„27-
XVI. Van de eeuwige verkiezing Gods........„ 29.
1) In de officiëele uitgaven, na de verbetering door de Dordtsche Synode,
komeu de opschriften boven de Artikelen niet voor. In die van 1582 worden
zij gevonden en zoo ook in die vau 1611. Wij geven ze hier naar de laatste,
omdat zij daar korter en duidelijker zijn dan in de vorige. Men doet wel,
die opschriften boven de onderscheidene artikelen te plaatsen in uitgaven,
tot bijzonder gebruik bestemd.
v. T. Symb. Schr. 2e dr.                                                                      5
-ocr page 107-
6fi
XVII.     Van de wederoprichting des gevallen menschen . .     BI. 31.
XVIII.     Van de mensen wording van Jezus Christus ...      „    31.
XIX. Van de vereeniging en het onderscheid der twee na-
turen van Christus in e\'én persoon......
      „    33.
XX. God heeft zijne rechtvaardigheid eu barmhartigheid
bewezen in Christus...........      ,,    34.
XXI. Van de voldoening van ChrUtus, onzes eenigen
Hoogepriesters, voor ons..........      „    35.
XXII. Van onze reehtvaardigmaking door het geloof in
Jezus Christus.............      ,    37.
XXIII.     Dat onze reehtvaardigmaking bestaat in de vergeving
der zonden en toerekening der gehoorzaamheid van
Christus...............
      «39.
XXIV.     Van de heiligmaking des menschen en de goede
werken................
      »   40.
XXV. Van het afdoen der ceremoniale wet.....      „    42.
XXVI. Van de eenige voorbidding van Christus ....      „    42.
XXVII. Van de algemeene christelijke Kerk......      „    45.
XXVIII. Dat een iegelijk schuldig is zich bij de ware Kerk
te voegen. •••*■•...•••••      »    47.
XXIX. Van het onderscheid en de merkteekenen der ware
en valsche Kerk............      »    48.
XXX. Van de regeering der Kerk door kerkelijke ambten      „    50.
XXXI. Van de Dienaren. Ouderlingen en Diakenen. . .       „51.
XXXII. Van de orde eu discipline of tucht der Kerk. . .      „    52.
XXXIII.     Van de Sacramenten...........      »    J3.
XXXIV.     Van den Heiligen Doop..........      »    W.
XXXV. Van het Heilig Avondmaal onzes Heeren Jezus
Christus...............      „    57.
XXXVI. Van het ambt der Overheid........      »    60.
XXXVII. Van het laatste oordeel..........      ..62.
-ocr page 108-
CATECHISMUS
OP
ONDERWIJZING IN DE CHRISTELIJKE LEER.
WELKS IN DE GEREFORMEERDE EVANGELISCHE KURKEN EN
SCHOLEN DER NEDERLANDEN GELEERD WORDT.
5*
-ocr page 109-
-ocr page 110-
HISTORISCH OVERZICHT
TAH DB
OFFICIËELE UITGAVEN.
Op clou hiervóór voorkómenden titel van den Heidelbergschen Catechis-
inus ontbreekt niet zonder beteekenis liet jaartal eener officiëele vaststel-
ling van den Nederlandschen tekst. De Nederlandsche Gereformeerde
Kerk heeft den Catechismus voor kerkelijk gebruik overgenomen van de
1\'altzische Kerk zoo als hij was \') en dien nooit aan eeuige herziening
onderworpen. Het verbleef aan de zorg der bijzondere gemeenten, dat zij
I zich van correcte uitgaven bedienden.
Sedert de verschijning van het werk van Dr. J. I. Doedes: De Keidelbergsche
\\ Catechismus in zijne eerste levensjaren
(1867) mag de tekst, die sedert 1566
met de Psalmen van Datheen in kerkelijk gebruik kwam, niet langer ver-
ward worden met de vertaling van onbekenden oorsprong, te Einden reeds
in 1563 verschenen. Het is gelijk Dr. Doedes schrijft: „Het is de Dathecn-
sche, volstrekt niet de Emdensche overzetting; die in vele duizenden exem-
plaren, drie eeuwen lang, door de Hervormden in Nederland is gebruikt.—
In eene uitgave van de Belijdenisschriften der Nederlandsche Hervormde
Kerk verwachten wij dan ook te recht de nederlandsche vertaling van
P. Dathenus, omdat deze, en niet de hoogduitsche of latijnsche Catechis-
inus. in die Kerk aangenomen en erkend is.\'\' (t. a. p. bl. 92, vg.)
Deze tekst is ontelbare malen herdrukt. Reeds in 1580 schreef Gaspar
van der Heyden, de Voorzitter van de Emdensche Synode, in de Voorrede
zijner uitgave van den Catechismus (Antwerpen bjj C. van den Rade), dat
er „eene ontallycke meuichte exemplaren des Christelycken Catechismi ge-
\') Zie Handelingen der verzameling der Nederl. Kerken te Wesel (1568),
cap. III, S 2; Eniden (1571) § 5; Dordrecht (1578) § 54; \'s Gravenhage
(1586) § 48; Dordrecht (1618—19) Sess. 148.
-ocr page 111-
70
dnict" waren. Wij hebben, behalve met den oorspronkelijken Duitschei]
en den eersten in het Nederlandscli in 1563 te Heidelberg verschenen druk,
alleen met die uitgaven te doen, die eenig kerkelijk officieel karakter bezitten.
!\'e eerste is die, welke in het licht verscheen, op last van de Synode van
Veere (1610), in het Formulierboek bij Richard Schilders te Middelburg in
1611 (met de eerste officiëele uitgave van het Kort begrip der Middelburgsche
gemeente, dat nog bij ons in gebruik is); zij U de standaard-editie, welke
de volgende uitgaven hebben teruggegeven. Dit Formulierboek werd her-
drukt in 1639 bij E. Cloppenburg te Amsterdam, naar de Staten-overzetting
des Bijbels gewijzigd, en met de correctiën, door de commissarissen van
de Dordtsche Synode van 1618—19 (zie de Post-acta, Sess. 178) daarop
gemaakt. Honderd jaren daarna heeft de Zuid-Hollandsche Synode van
1734 te Schoonhoven (zie de Acta Sijn. fo. 418, M.S.) besloten eene nieuwe
uitgave van dit Formulierboek te bezorgen, welke verschenen is te Dordrecht
bij F. Outman in 1737. — De Catechismus, voorkomende in de uitgave
der Formulieren te Dordrecht, bij M. de Vries in 1725 (op last van de
Z.-Hollandsche Synode van 1723), is een herdruk naar het Corpus doclrinae
van A. Thysius. De Hoogl. Thysius gaf in dit werk in 1615 eene ver-
beterde uitgave van den tekst van 1611, welke men later veel schijnt ge-
raadpleegd te hebben.
Wij geven hier den in de Kerk aangenomen tekst in het tegenwoordig
spraakgebruik, herzien naar de uitgaven van 1563 en ontdaan van blijk-
bare fouten, die men van elkander in den loop der tijden heeft nageschreven
Van elke zakelijke verandering is in de aanteekeningen rekenschap gegeven.
Onder aan de bladzijden vindt men de varianten van de oudste uitgaven
(in het Duitsch, Nederlandsch en Latijn), en van die van van der Heyden
(1580). De belangrijkste afwijkingen iu de latere uitgaven zijn mede door-
gaans opgegeven.
De Schriftuurplaatsen achter de antwoorden zijn ontleend aan de derde
lloogduitscho (oorspronkelijke) uitgave, omdat met die teksten naar de
meening van de opstellers en hun vorstelijken voorganger, Keurvorst Fre-
derik III, aangetoond werd, zooals deze zich uitsprak op den Rijksdag in
1566, dat „de Catechismus van woord tot woord uit de heilige Schrift was
samengesteld.\'\'
-ocr page 112-
CATECHISMUS,
OF
ONDERWIJZING IN DE CHRISTELIJKE LEER, DIE IN
DE NEDERLANDSCHE GEREFORMEERDE KERKEN
EN SCHOLEN GELEERD WORDT.
DE EERSTE ZONDAG.
Eerste Vraag.
Welke is uw eenige troost, beide in het leven en
sterven ?
Antw. Dat ik met lichaam en ziel beide in het
leven en sterven *), niet mijn 2), maar mijns getrouwen
Zaligmakers Jezus Christus eigen ben3), die met zijn
dierbaar bloed 4) voor alle mijne zonden volkomenlijk
betaald 5) en mij uit alle macht °) des duivels verlost
heeft6), en alzoo bewaart7), dat zonder den wil mijns
hemelschen Vaders geen haar van mijn hoofd vallen
kan8), ja ook dat mij alle ding tot mijne zaligheid
a) Macht. De gewone lezing: „geweld" is een Germanisme (ffetoalt), dat
als "een gewone taalfout behoort te worden verbeterd. De Lat. Vert liceftt
„ab omni potestate."
-ocr page 113-
72
dienen moet9), waarom Hij mij ook door zijnen Hei-
ligen Geest des eeuwigen levens verzekert10) en Hem
voortaan te leven van harte willig en bereid maakt \'*).
1) Rom. 14. 2) 1 Kor. 6. 3) 1 Kor. 3. 4) 1 Petr. 1. 5) 1 Joh.
1 en 2. 6) 1 Joh. 3. 7) Joh. 0. 8) Matth. 10. Luc. 21. 0) Rom. 8.
10) 2 Kor. I. Efez. 1. Rom. 8. 11) Rom. 8.
2.   Vr. Hoe veel stukken zijn u noodig te weten,
opdat gij in dezen troost zaliglijk leven en sterven
moogt ?
Antio. Drie stukken n). Ten eerste: hoe groot mijne
zonde en ellende zijn 13). Ten tweede: hoe ik van alle
mijne zonden en ellendigheid verlost worde14). Ten
derde: hoe ik God voor zulke verlossing zal dank-
baar zijn ls).
12) Luc. 24 l Kor. 6. Tit. 3. 13) Joh. (j en 15. 14) Joh. 17.
15) Efez. 5.
HET EERSTE DEEL.
Van des menschen ellendigheid.
II. zondag
3.   Vr. Waaruit kent gij uwe ellendigheid?
Antio. Uit de Wet Gods lfi).
•16) Rom. 3.
4.   Vr. Wat eischt de Wet Gods van ons?
Antw. Dat leert ons Christus in eene hoofdsom,
Matth. _22; Luc. 10: Gij zult liefhebben den Heere
iiwériGod met geheel uw hart, met geheel uwe ziel,
met geheel uw verstand en met geheel uioe krachta).
a) En mei geheel uwe kracht. Deze woorden worden in de uitgave van
1737 en die haar volgen, uitgelaten. De aanhaling van \'s Heilands woorden
geachiedde toch in al de oude uitgaven naar Matth. XXII en Irac. X.
-ocr page 114-
73
Dit is het eerste, en het groot gebod. En het tweede,
dezen gelijk is: Gij zidt uwen naaste liefhebben als u
zelven. Aan deze twee geboden hangt de gansche Wet
en de Propheten.
5. Vr. Kunt gij dit alles volkomenlijk houden ?
Antw. Neen ik *); want ik ben van nature geneigd
God en mijnen naaste te haten2).
i) Rom. 3. 1 Joh. 1. 2) Rora. 8. Efez. 2.
III. ZONDAG
(ï. Vr. Heeft dan God den mensch alzoo boos en
verkeerd geschapen ?
Antw. Neen Hij 3); maar God heeft den mensch goed
en naar zijn evenbeeld geschapen *), dat is in ware
gerechtigheid en heiligheid, opdat hij God zijnen
Schepper recht kennen, Hem van harte liefhebben
en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zoude,
om Hem te loven en te prijzen 5).
3) Gen. 1. 4) Gen. I. 5) 2 Kor. 3. Koloss. ;!. Efez. 4.
7.    Vr. Van waar komt dan zulke verdorvenheid
des menschen\'?
Antio. Uit den val en ongehoorzaamheid onzer
eerste voorouderen, Adam en Eva, in \'t paradijss),
waar onze natuur alzoo is verdorven") geworden,
dat wij allen in zonde ontvangen en geboren worden7).
(i> Gen. :i. Rom. 5. 7) Ps. 51.
8.    Vr. Maar zijn wij alzoo verdorven, dat wij
a) Verdorven. Oorspr. Hoogd.: „vergiftet." Onze vertaling is met liet,
oog op den Latijnschon tekst vervaardigd. Deze heeft: , depratiata" De ver-
vaardigers van den Lat. tekst veroorloofden zich meermalen ïulke vrijheden.
B. v. nog in dit Antw,: „Sikc natura nostra."
-ocr page 115-
74
ganschelijk onbekwaam zijn tot eenig goed en ge-
neigd tot alle kwaad?
Antw. Ja wij *); ten zij dan dat wij door den Geest
Gods wedergeboren worden 2).
1) Joh. 3. Job 14 en 15. Jes. 53. 2) Joh. 3.
IV. ZONDAG
t*. Vr. Doet dan God den raensch geen onrecht,
dat Hij in zijne Wet van hem eischt wat hij niet
doen kan ?
Antiu. Neen Hij3); want God heeft den menseli
aJzoo geschapen, dat hij dat konde doen: maar de
rnensch heeft zich zelven en alle zijne nakomelingen ,
door het ingeven3) des duivels en door moedwillige
ongehoorzaamheid, van deze gaven beroofd.
3) Efez. 4.
10.   Vr. Wil God zulke ongehoorzaamheid en afval
ongestraft laten?
Antw. Neen Hij, geenszins 4); maar Hij vertoornt
zich schrikkelijk beide over de aangeboren en wer-
kelijke zonden, en wil die door een rechtvaardig oor-
deel tijdelijk en eeuwiglijk straffen, alzoo Hij ge-
sproken heeft: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft
in al hetgene geschreven is in het boek der Wet, om
dat te doen
5).
               \'
•1) Rom. 5. Hebr. \'.). b) üeut. \'27. Gal. 3.
11.    Vr. Is dan God ook niet barmhartig?
Antw. God is wel barmhartig6), maar Hij is ook
I rechtvaardig 7); daarom zoo eischt zijne gerechtigheid,
dat de zonde, welke tegen de allerhoogste majesteit
a) Ingeven. Beter: „aanstoken." H. D.: „au.i anxiiftung;" Lat. „impul-
sore diabolo."
-ocr page 116-
75
Gods gedaan is, ook met de hoogste, dat is met de
eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft worde.
6) Exod. 34. 7) Exod. \'20. Pg. 5. 2 Kor. 6.
HET TWEEDE DEEL.
Van des menschen verlossing.
V. zondag
12.   Vr. Aangezien wij dan naar het rechtvaardig
oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf verdiend heb-
ben , is er eenig middel a) waardoor wij deze straffe
ontgaan mochten en wederom tot genade komen ?
Antw. God wil dat zijner gerechtigheid genoeg ge-
schiede 8): daarom moeten wij aan haar óf door ons
zelven, óf door eenen anderen volkomenlijk betalen.
8)   Exod. 20 en 23.
13.   Vr. Maar kunnen wij door ons zelven betalen?
Antw. In geenerlei wijze, maar wij maken ook de
schuld nog dagelijks meerder9).
9)   Job <J en 15. Matth. C
14.   Vr. Kan ook ergens een bloot schepsel gevon-
den worden, dat voor ons betale?*)
Antw. Neen10), want ten eerste wil God aan geen
ander schepsel de schuld straffen, die de mensch ge-
maakt heeft; ten andere zoo kan ook geen bloot
schepsel den last des toornsc) Gods tegen de zonde
dragen en andere schepselen daarvan verlossenu).
10)   Hebr. 2. 11) ps. 138. \'
a)  Is er eenig middel. Naar den Lat. tekst. — H. D.: „Wie mochten wir."
b)   Vr. 14. H. Ti.: „Kan ober irgend eine blosse creatur für uns bezalen?"
c)  Des toorns. Met de Lat. uitg. üitg. van 1563: „des eeuwigen toorns."
-ocr page 117-
7fi
15. Vr. Wat moeten wij dan voor een Middelaar
en Verlosser zoeken?
Antw. Eenen zulken, die een waarachtig1) en reeht-
vaardig mensch2) zij, en nochtans ook sterker dan
alle schepselen, dat is, die ook waarachtig God zij 3).
I) 1 Kor. 15. 2) Jerem. 33. P*. :>X 2 Kor. 5, Hebr. 7. 3) Jes. 7.
Mom. K Jerem. \'23.
VI. ZONDAG
16.   Vr. Waarom moet Hij een waarachtig en rechfc-
vaardig3) mensch zijn?
Antw. Omdat de rechtvaardigheid Gods vorderde k),
dat de menschelijke natuur, die gezondigd had, voor
de zonde betaalde, en dat een mensch, zelf een zon-
daar zijnde, niet konde voor anderen betalen5).
4) Rom. ."). 5) 1 Petr. :(. Jes. *>:{.
17.    Vr. Waarom moet Hij te gelijk4) een waar-
achtig God zijn?
Antw. Opdat IJ ij uit kracht zijner Godheid den
last des toorns Gods aan zijne menschheid c) dragen B)
en ons de gerechtigheid en het leven verwerven 7)
en wedergeven mocht *).
Ö) Jes. 53. Hand. \'2. i Petr. 3. 7) Joh. :i. Hand. \'20. 8) Job. 1.
18.    Vr. Maar wie is deze Middelaar, die te ge-
a) Rechtvaardig. De uitgave vau 1506 heeft: „oprecht," in strijd met den
oorspronkelijkeu Nederlaudschen tekst (Heidelb. 1563). Iu de uitgave van
1.580 is de eerste lering hersteld.
h) Te gelijk. In de gewone uitgaven staat van den beginne af: „te samen."
De Emdensche van 1563 heeft (naar den Lat. tekst): „te ghelijk mede" (sitnul
etiam)
H. D.: „zugleich." Er is geene enkele reden om de onjuistheid van
uitdrukking in den gew. tekst te behouden.
c) Aan zijne menschheid. In den Lat. tekst: „carne sua,"
-ocr page 118-
77
lijk waarachtig«) God en een waarachtig recht-
vaardig mensch is?
Antw. Onze Heer Jezus Christus *), die ons van
Gode tot wijsheid, rechtvaardigmaking, heiligmaking
en tot eene volkomene verlossing geschonken is h)2).
1) Matth. 1. 1 Tim. 3. Luc. 2. 2) 1 Kor I.
19.   Vr. Waaruit weet gij dat?
Antw. Uit het heilig Evangelie, hetwelk God zeh
eerstelijk in het paradijs 3) geopenbaard heeft en na-
maals door de heilige Patriarchen *) en Profeten
laten verkondigen, en door de offeranden en andere
ceremoniën der Wet laten voorbeelden 5), en ten laatste
door zijnen eeniggeboren c) Zoon vervuld 6).
3) Gen. 3. 4) Gen. 22 en 49. Rom. 1. Hebr. 1. Hand. 3 en 10.
5) Joh. 5. Hebr. 10. 0) Rom. "10. Gal. 4.
VII. ZONDAG
20.   Vr. Worden dan alle menschen wederom door
Christus zalig, alzoo zij door Adam zijn verdoemd
geworden ?
Antw. Neen zij; maar alleen degenen, die Hem
door een oprecht geloof worden ingelijfd en alle zijne
weldaden aannemen 7).
7) Joh. 1. Jes. 53. Ps. 2. Rom. 11. Hebr. 4 en 10.
a)   Waarachtig. Niet: „een waarachtig God," gelijk Datheen verkeerdelijk
vertaalde en men hem sedert gevolgd is. H. D.: „zugl. ivahrer Oott."
b)  Die ons — geschonken is. In de oude uitgaven tot op die van 1580
werd de Hoogd. tekst gevolgd, die alleenlijk heeft: „der uns znr volkommenen
erlösung und gerechtigheid geschenkt ist."
Casp. van der Heydeu sloot zich
aau den Lat. tekst aan, waar het antwoord bestaat uit de letterlijke aanhaling
van 1 Kor. 1: 30, en breidde het uit gelijk het nu is.
c)  Eeniggeboren. In de Heidelb. uitgave (1563): „Eenigeu geboren." De
Hoogduitsche tekst heeft: „eingeliebten." In de Emdensche uitgave van 15031
„eengeliefden," welk woord in eene oude Nederlaudsche Vertaliug (bij S.
Steenbergen te Deventer, 1576), die met de Emdensche nauw verwant was,
juist is wedergegeven door: „eenigen beminden." Zie over die vertaling, door
S. Steenbergen gedrukt: Doedes, a. w. bl. 126, en het door mij opgemerkte
in de Stemmen voor Waarheid en Vrede, van Febr. 1877
-ocr page 119-
78
21.   Vr. Wat is een oprecht geloof?
Antw. Een oprecht geloof is niet alleen een zeker
weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig
houde dat ons God in zijn Woord geopenbaard heeft *),
maar ook een hartelijk vertrouwen3), hetwelk de Hei-
lige Geest 3) door het Evangelie in mij werkt °J4), dat
niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der
zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God
geschonken zij5), uit loutere genade, alleen om de
verdienste van Christus wille 6).
1) Hebr. 11. Jac. 2. 2) Rom. 5 en 10. 3) 2 Kor. 4 Efei. 2. 4) Rom.1.
5) Hebr. 2. Rom. 1. (5) Efez. 2. Rom. 3.
22.    Vr. Wat is dan eenen christen noodig te ge-
looven ?
Antw. Al wat ons in het Evangelie beloofd wordt7),
hetwelk ons de Artikelen onzes algemeenen en on-
getwijfelden christelijken geloofs in eene hoofdsom
leeren.
7) Joh. 20. Matth. 28.
23.   Vr. Hoe luiden die Artikelen?
Antw. Ik geloof in God den Vader, den Almach-
tige, Schepper des hemels en der aarde.
, . a) Een hartelijk vertrouwen, hetwelk de H. O. — in mij werkt. Deze
lezing is die van den oorspr. Hoogd. tekst en van de oudste Nederl. uitgaven.
Naar den Lat. tekst werd door van der Heydeu in 1580 dus vertaald: „een
,. zekee vertrouwen, hetwelk de B.. O. — \'in Mljy babi werkt." Dat de
oorspr. lezing, door Datheen gevolgd, de voorkeur verdient, valt in het oog:
de zekerheid van het vertrouwen (eig. verzekerdheid) spreekt van zelve, maar
op de hartelijkheid daarvan, in verband met een verstandelijk weten of er-
. kennen (erkanntnusi) komt het aan. — Men heeft hier een klaar bewijs, dat
1 de tegenwoordig algemeen gebruikte redactie eene naar den Latijnschen tekst
!; veranderde, en niet altijd verbeterde is. Eene herstelling van de oorspronke-
1\'yke lezing op sommige plaatsen is te gepaster, omdat wij geene algemeen gel-
dige revisie bezitten. De uitgave van 1611 (bij R. Schilders) is slechts eene
correcte herhaling van den tekst van 1580.
-ocr page 120-
79
En in Jezus Christus, zijnen eeniggeboren Zoon,
onzen Heere, die ontvangen is van den Heiligen
Geest; geboren uit de Maagd Maria; die geleden
heeft onder Pontius Pilatus, is gekruist, gestorven
en begraven, nedergedaald ter helle; ten derden dage
wederom opgestaan van de dooden; opgevaren ten
hemel, zittende ter rechterhand Gods des alinach-
tigen Vaders, van waar Hij komen zal om te oor-
deelen de levenden en de dooden.
Ik geloof in den Heiligen Geest. Ik geloof eene
heilige, algemeene, christelijke Kerk, de gemeen-
schap der heiligen; vergeving der zonden; wederop-
standing des vleesches en een eeuwig leven.
VIII. ZONDAG
24.   Vr. Hoe worden deze Artikelen gedeeld?
Antw. In drie deelen. Het eerste is van God den
Vader en onze schepping. Het andere, van God den
Zoon en onze verlossing. Het derde, van God den
Heiligen Geest en onze heiligmaking a).
25.   Vr. Aangezien dat er maar een eenig Goddelijk
wezen is *), waarom noemt gij b) den Vader, den Zoon
en den Heiligen Geest?
Antw. Omdat God zich alzoo in zijn Woord geopen-
baard heeft2), dat deze drie onderscheiden personen
de eenige waarachtige eeuwige God zijn.
-1) Deut. 6. 2) Jes. 61. Ps. 110. Matth. 3 en 28. 1 Job. 5.
a)  Heiligmaking. De uitgave van Datheen van 1S6G heeft: „zaligmaking."
Zoo wordt ook gelezen in de eerste (1563), maar op de laatste bladzijde staat
verbeterd: „heilichmaekinge."
b)   Waarom noemt gij. H. D.: „ Waruml Hennest du drey."
-ocr page 121-
80
Van God den Vader.
IX.    zondag
26.    Vr. Wat gelooft gij met deze woorden: Ik
geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper
des hemels en der aarde\'?
Antw. Dat de eeuwige Vader onzes Heeren Jezus
Christus, die hemel en aarde met al wat er in is
uit niet geschapen heeft1), die ook dezelve nog door
zijnen eeuwigen raad en voorzienigheid °) onderhoudt
en regeert2), om zijns Zoons Christus wille, mijn God
en mijn Vader zij 3), op welken ik alzoo vertrouw,
dat ik niet twijfel, of Hij zal mij met alle nooddruft
des lijfs en der ziele verzorgen 4), en ook al het kwaad,
dat Hij mij in dit jammer dal toeschikt, mij ten beste
keeren5): want Hij zulks doen kan als een almachtig
God6), en ook doen wil als een getrouw Vader7).
1) Geu.1. Ps.33. 2) Ps. 104. Matth.10. Hebr. 1. Ps. 115. 3) Joh.1.
Rom. S. Gal. i. Efez. 1. 4) Ps. Tw. Mattb. 0. Luc. 12. 5) Rom. 8.
(J) Rom. 10. 7) Matth. <ï en 7.
X.      ZONDAG
27.    Vr. Wat verstaat gij door de voorzienigheid
Gods?
Antw. De almachtige en alomtegenwoordige *) kracht
Gods1), door welke Hij heme! en aarde, mitsgaders
a) Voorzienigheid. De oudste uitgaven (15C3, 1566) hebbeu: „Vooraich-
■ tichheydt."
Men behield dit woord nog in 1737 (uitg. bij Outman). De
Emdcnsche uitgave (1563) beefti „foorsieninghe."
h) Alomtegenwoordige. H. D.: „gegenwertige." Datli.: „tegenwoordige."
Zoo ook iu de andere oude vertalingen, en in de uitgaven van onzen tekst
van 1580, 1611, 1737. De verandering is gemaakt naar den Lat. t«kst.
-ocr page 122-
81
alle schepselen, gelijk als met zijne hand nog onder-
houdt ~), en alzoo regeert, dat loof en gras *), regen
en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze
en drank3), gezondheid en krankheid4), rijkdommen
armoede5) en alle dingen niet bij geval *), maar van,
zijne vaderlijke hand ons toekomen. .;,;
1) Hand. 17. ,2) Hebr. 1. .3).Jerem. 5.! Hand. 14. 4)■ ■■ Jol(. 0.
5) Spr. 22.
28. IV. Waartoe dient ons dat wij weten, dat Hod
all^s geschapen heeft en nog door zijne voorzienig:,
heid onderhoudt?
Antiv. Dat wij in allen tegenspoed geduldig6), in
voorspoed dankbaar7) zijn mogen, en in alles dat
ons nog toekomen kan \'■) een goed toevoorzicht heb-
ben op onzen getrouwen God en Vader, dat ons
geen schepsel van zijne liefde scheiden zal *), aangezien
dat alle schepselen alzoo in zijne hand zijn, dat zij
tegen zijnen wil zich noch roeren noch bewegen
kunnen 9).
0) Kom. 5. Ja.\'. I. Job 1. 7) Dent. 8. 1 Thess. 5. 8) Rom. N.
!>) Job 1. Hand. 17. Spr. 21.
Van God den Zoon.
XI. ZONDAG
Vr. 29. Waarom wordt de Zoon Gods Jezus, dat
is Zaligmaker, genoemd?
Antw. Omdat Hij ons zalig maakt en van onze
a)  Loof en gras. Lat. tekst: „omnia quae terra nascuntur."
b)  Bij genat. H. O.: „ohnegefehr." Lat.: „temere aut fortuito.\'\'
e) In alles dat ons nog toekomen la». Uitbreiding van Datbeeu. Oorspr.
H. D.: „auffs zuknnflig;" Lat.: „in futurum."
v. T. Sgmb. Sc/ir. 2e dr.                                                                     6
-ocr page 123-
82
zonden verlost")1); daarbenevens, dat bij niemand
anders eenige zaligheid te zoeken ofte vinden is2).
-1) Mattli. d. \'2) Hand. 4.
30.     IV. Gelooven dan die ook aan den eenio-en
Zaligmaker Jezus, die hunne zaligheid en welvaart bij
de heiligen, bij zich zelven of ergens elders zoeken?
Anlw. Neen zij; maar zij verloochenen metter-
daad den eenigen Heiland en Zaligmaker, Jezus, of-
schoon zij zich in Hem met den mond beroemen l\') 3;;
want van tweeën één: <\')f Jezus moet geen volkomen
Zaligmaker zijn, óf die dezen Zaligmaker met waar
geloof aannemen moeten alles in Hem hebben, dat-
tot hunne zaligheid van noode is4).
3) 1 Cor. ]. Ual. :\',. 4) Jes. !l. Kol. 1. 2. Joh. 1.
XII. ZONDAG
31.     Vr. Waarom is Hij Christus, dat is een Ge-
zalfde , genaamd ?
Antw. Omdat Hij van God den Vader verordineerd
is en met den Heiligen Geest5; gezalfd tot onzen
* hoogsten Profeet en Leeraar, die ons. den verborgen
raad en wil Gods van onze verlossing volkoinenlijk
a)   Omdat — eerlost. H. D.: „Darumb dass er uns selig macht von »»•
sern sunden."
b)   Ofschoon zij zich in Hem met den mond beroemen. Zoo vertaalde Datheen
woordelijk (O/se hen schoon zijns met den mondt roemen). Ook de Lat. tekst
is hiermede niet in strijd (E/si verbo eo Servalore gloriantur). De afwijking
komt eerst voor in 1735, waarschijnlijk omdat in de uitgave bij de Vries
(1725), naar Thyaius (Corpus doctrinae), eene drukfout was ingeslopen, die
den zin onverstaanbaar maakte: „Of zij hem schoon zijns met den monde
roemen."
De oude Emdensche vertaling (15C3) heeft: „Ist dat sij haer sijner
gelijcl-e wel beroemen."
Zeer juist, want het oorspr. II. D. heeft: „Ob sie
sich sein gleicli rhiimen.
                                              .
-ocr page 124-
83
geopenbaard heeft6), en tot onzen eenigen ") Hooge-
priester, die ons met de eenige offerande zijns lichaams
verlost heeft, en voor ons met zijne voorbidding steeds
intreedt*) bij den Vader7;, en tot onzen eeuwigen\')
Koning, die ons met zijn Woord en Geest regeert8),
en ons bij de verworven verlossing beschut en be-
houdtrf).
5) Hehr. 1. <>) Ps. 110. Hebr. 7. Rom. 8. 7) Ps. 2. Lue. 1. 8) Rom. 5.
Mattli. 28.
32.   Vr. Maar waarom wordt gij een Christen ge-
naamd?
Antw. Omdat ik door het geloof een lidmaat van
Christus9) en alzoo zijner zalving deelachtig ben ioj,
opdat ook ik e) zijnen naam bekenne n) en mij zelven
tot een levendig dankoffer Hem offere 12), en met een
vrij geweten/) in dit leven tegen de zonde en den
duivel strijde, en hiernamaals in eeuwigheid met
Hem over alle schepselen regeere.
0)   Hand. 11. 1 Joh. 2. 10) Hand. 2. Joel 2. Mare. 8. 11) Rom.12.
Openb. 5. 12) Rom. 8. Openb. 1.
XIII. ZONDAG
33.    Vr. Waarom is Hij Gods eeniggeboren Zoon
genaamd, zoo wij toch ook Gods kinderen zijn? ;
a) Eenigen. De Latijnsche vertaling heeft willekeurig: „summus."
1)   Voor onx — intreedt. H. D. „verfrit." „Voortreedt", dat in alle uit-
gaven gevonden wordt, drnkt de beteekenis van het hoogduitsche woord niet uit.
c)   Eeuwigen. Uitgelaten in de Lat. vert.
d)   Behoudt. „Behoedt," zoo als gewoonlijk gelezen wordt, is eene zeer
oude drukfout (t. w. van Thysius in zijn Corpus docirinae, 1615).
e)   Opdat ook ik. H. D. uitg.: „auff dasz aueh icb."
f)   Een vrij geweten. De uitgave van 1580 voegt er bij: „en goede" (conscien-
tie), naar den Lat. tekst. In de uitg. van 1011 is: „vrije en" weggelaten.
Wij herstellen de oorspronkelijke lezing.
6*
-ocr page 125-
84
Antw. Daarom dat Christus alleen de eeuwige na-
tuurlijke Zoon Gods»)1) is,.maar wij zijn om zijnent-
wil uit genade tot kinderen Gods6) aangenomen2).
1) Jotu "1. Hebr. 1. l2) Roni. 8. Efez. 1.
34.   Vr. Waarom noemt gij Hem onzen Heer?
Antw. ümdat Hij ons met lichaam en ziel van de
zonden en uit alle macht des duivels, niet met goud
of met zilver, maar met zijn dierbaar bloed zich ten
eigendom verlost en gekocht heeftc)3).
:ï) 1 Petr. 1 en 2. 1 Kor. 6.
XIV. ZONDÜG
35.   Vr. Wat is dat gezegd: Die ontvangen is van
den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria?
Antw. Dat de eeuwige Zoon Oods, die waarachtig
en eeuwig God is4) en blijft5), ware menschelijke
natuur uit het vleesch en bloed der maagd Maria 6)
door de werking des Heiligen Geestes aangenomen
heeft 7), opdat Hij ook het ware zaad Davids zij 8),
zijnen broederen in alles gelijk9), uitgenomen de
zonde l0).
4) Joh, 1. Rom. 1. 5) Kom. 9. Gal. 4 C) Joh. 1. 7) Mattli. 1.
Luc. 1. Efez. \'1. 8. Ps. 132. Rom. 1. 9) Filipp. 2. 10) Hebr. 4.
36.   Vr. Wat nuttigheid bekomt gij door de heilige
ontvanging en geboorte van Christus?
Antw. Dat hij onze Middelaar is, en met zijne on-
o) Gods. Hiervoor heeft de Lat. tekst: „aeterni patois."
b) Tot kinderen Oods. In plaats hiervan heeft de Lat. tekst: „a Patre."
e) Omdat Mij ons — gekocht heeft. Datheen heeft in dit antwoord den
Latijnsiïlien tekst te letterlijk en daardoor het Hoogduitsch zeer onnauwkeurig
vertaald. W\\j hebben de fout hersteld. De oude Emdeusche vert. (I503)
volgt ook hier deu hoogduitschen tekst op den voet.
-ocr page 126-
85
schuld en volkomene heiligheid mijne zonde"), waarin
ik ontvangen *) en geboren*) ben, Voor Gods aarige-
Kicht bedekt. - \'*\'li\'\'<!
1) Ps. 32. 1 Kor. 1.
XV. ZONDAG
37.    Vr. Wat verstaat gij bij het woordeken: Ge-
leden?
                                                        I 1 !
Antw. Dat Hij aan lichaam en ziel den gansenen
tijd- zijns levens op de aarde, maar inzonderheid
aan het einde zijns levens, den toorn Gods. tegen de
zonde des ganschen menschelijken geslachts gedragen
heeft2), opdat hij met zijn lijden, als met het eeriige
zoenoffer3), ons lichaam en ziel van de eeuwige Ver-
doemenis verloste, en ons Gods genade, gerechtig-
hefd en het eeuwige leven verwierve.
( -2) \\Vn\\x. 2. Jes. .J3. 3) 1 Joh. 2 en 4. Rom. 3.
38.    Vr. Waarom heeft Hij onderden Rechter Pon-
tiius Pilatus geleden?
            . ,
üjdntw. Opdat Hij, onschuldig onder den wereld-
lijken Rechter veroordeeld zijnde4;, ons daaj-nuglu
van het strenge oordeel Gods, dat over .«mangaan
zoude1), bevrijdde5).
                           j«W .-v\'I .\':i
4) Luc. 23. Joh. 19.\' 5) Ps. 69. Jes. 53* ftJCwbiujtóÖÖ. yb ÏU)
39.    Vr. Heeft dat iets .jnfeemjm.Tdab LMjl gekcüist
is geweest, dan of HfyjichefojQèmik-jtyids^nrAbqpf.higèï
storven ware? .. tsno ui mnbwAv aub aai&iil asood yb
a) ZoUÊe^tié\' \'de\'tat»VerValirig\' \'\'hêêfrie \'iHfe:\'*lAi AbWi^zoVdeh* (fa.
cata)
hetwelk hier geen zin heeft. De oorspr. H. D. tekst heeft: „ttiOglP*
"ij Én ffltiórmt: \'\'Bij*bégsei\'W\'n«he&. " \'"\' \'"""\' \'"Wik \'••**1 li
c) Dat over ontgaan zoude.\'^VISk- A%:\\Mtt;$ila*)imef imMiir
-ocr page 127-
8fi
Antio. Ja het; want daardoor ben ik zeker dat
Mij de vervloeking, die op inij lag, op zich geladen
heeft1): want de dood des kruises was van God
vervloekt 2).
1) Gal. 3. \'2) Deut. \'21. Gal. 3.
XVI. ZONDAG.
40.      Vr. Waarom heeft Christus zich tot in den
dood moeten vernederen?")
Antw. Daarom dat van wege de gerechtigheid en
waarheid 3J Gods niet anders voor onze zonden konde
betaald worden dan door den dood des Zoons Gods 4).
3) Gen. \'2. 4) Hebr. \'2.
41.    Vr. Waarom is Hij begraven geworden?
Antw. Om daarmede te betuigen, dat Hij waar-
achtiglijk gestorven is 5).
5)  Matth. 27. Luc. \'23. Joh. 1». Hand. 13.
42.    Vr. Zoo dan Christus voor ons gestorven is,
hoe komt het dat wij ook moeten sterven?
Antw. Onze dood is geene betaling voor onze zon-
den, maar alleen eene afsterving der zonden en een
ingang b) tot het eeuwige leven 6).
6)  Joh. 5. Filipp. 1. Roui. 7.
43.    Vr. Wat verkrijgen wij meer voor nuttigheid
uit de offerande en dood van Chi\'istus aan het kruis?
Antio. Dat door zijne kracht onze oude mensch met
Hem gekruist, gedood en begraven wordt7): opdat
de booze lusten des vleesches in ons niet meer regee-
a)  Vr. 40. Naar de Lat. vert. — H. I).: „ Warum kat Chr. den tod mussen
leiden f
b)  Ingang. Aldus naar het H. D- in de tiitg. van 1563. Naar de Lat.
vertaling (transitus) reeds in 1580: „doorgang."
-ocr page 128-
87
ren8), maar dat wij ons zelven Hem tot eene oflfe-
rande der dankbaarheid ") opofferen 9).
7) Rom. 0. Koloss. 2. 8) Kom. 0. (J) Rom. lü.
44.  Vr. Waarom volgt daar: Nedergedaald ter helle ?
Antw. Opdat ik in mijne hoogste aanvechtingen
verzekerd zij en mij ganschelijk vertrooste, dat mijn
Meere Christus door zijne onuitsprekelijke benauwd-
heid, smarten, verschrikking en helsche kwale, in
welke Hij in zijn gansche lijden (maar inzonderheid
aan het kruis) gezonken was, mij van de helsche
benauwdheid en pijn verlost heeft*)10).
10) Jes. 53. Matth. \'27.
XVII. ZONDAG
45.    Vr. Wat nut ons de opstanding van Christus?
Antw. Ten eerste heeft Hij door zijne opstanding
den dood overwonnen, opdat Hij ons de gerechtig-
heid, die Hij door zijnen dood ons verworven had,
konde deelachtig .maken u). Ten andere, worden ook
wij nu c) door zijne kracht opgewekt tot een nieuw
a)   Offerande der dankbaarheid. Omschrijving naai- den Xjat. tekst. —
Oorspr. i ,.•\'"\' danksagung." Datli.: „tot eene dankbaerheif." Kmdeu: „tot
danvsegghinghe."
b)   Opdat ik — verlust heeft. Dit antw. is door Datheuus naar den Lat.
tekst uitgebreid en gewijzigd. Oorspr. H. D.: „Dasz ich in meinem hochsten
anf\'echt\'tingen cersichert seg, mein Herr Christus habe mïch durch seine unausz-
sprechliche angst, schmerzen und schrecken, (fie er auch an seiner seele am
Creutz und zueor erlitten, von der hellischen angst und pein erloset."
De
Lat. vertaling heeft het antw. aldus: „Vt in summis doloribus et grauissimis
tentationibus, me cousolatione hae sustentem, quod Dominus meus Jesus Chris»
tas Inenarrabilibus animi sui angustiis, cruciatibtts et terroribus, in quos
cttin antea, turn maxime in cruee pendens fnerat demersus, me ab angustiis
et cruciatibtts infemi liberaverit."
c)   Ook wij nu. Zoo moeten wij lozen. H. D.: „Auch mir jetzunder ;"
Lat.: „nos jam quoque." Dath.: „oock wij."
-ocr page 129-
88
leven ?2). Ten d«rde,,is ons de opstanding van Christus
een zeker pand onzur zalige opstanding i3).i •\'.< Auun
II) I Kor. ir>. Rom, i. I lVtr. I. 12) Rom. 0. Kuliis». li. Efez. \'2.
131,1 Kor. 1.\\. Roni. 8.". ...           .                                .,.\'\',
v OiJ.\'iii \'i jj J)!i;)-Li\'j\'^,i\'.)l.):.) ■\' :m.jjj;U i^.i\'Y illoIJji; /\' .\'\\ ! .o!
UüVilijd-.-jV.IJUJ ■-• -X\'Vill:11 ibNDACÏ1 •J!i><! ^
lljiill Jl.Ji .. \'■ >.( nri \'1 ■\'" >lji l\'Jii\'ir.lIi; : \\ (tl li\'1 |iN lvji>>|-.iXT_.V
I 46.i,i -lrr. Wat verstaat, gij daai*uiede: Opgevaren
ten heinol?; .-: ui ■ •• ■^■\\ï-A-A\\\'n\\\\<>-i v .«v\'
Jtntoi: Dat Christus voor de oogeuzijner jongeren
vtiu ide aarde ten hemel is opgeheven **), en dat Hij
ons ten goede daar is16)a), tot dat Hij wederkomt
om te oordeelen de levenden en de dooden 16).;
14) Hand. I. Matth. 26. Mare. 16. Luc. 24 15) Hebr. 4, 7 en 9.
Roru. 8. Efez. 4. Koloss. :?. 10) Hand. f. Matth. 24-,
47.    Vr. Is dan Christus niet bij ons tot aan het
einde .der wereld, alzoo IIij ons beloofd heeft?17)
\'Antw, Christus is waarachtig rnensch en waarachtig
God. Naar zijne menschelijke natuur is Hij nu niet
meer op aarde18); maar naar zijne Godheid, majesteit,
genadeden Geest wijkt Hij nimmermeer van ons19).
\'\' 17). Matth. 28. 18) Matth. 20. Joh. 10 en 17. Hand. 3. 19) Joh.
ii\'eh 10. Matth. 28. Efez. 4.
48.    Vr. Maar zoo de menschheid niet overal is
waar de Godheid is, worden dan de twee naturen
in Christus niet van elkander gescheiden?
Antw. Ganschelijk niet; want mitsdien de Godheid
onbegrijpelijk en overal tegenwoordig is2u), zoo moet
volgen, dat \'zij wel buiten hare aangenomen rnensch*
heid „is, ennqchtans oqk in haar is en*) persoonlijk
met hater vereenigd blijft 2V ^ ; v
■ ;
W Handï\'TÏJerem. "$£\'\'\'$i) Koloss. "2. joh. Il en H. Matth. 28.\' \'\'
a)   Daar is. l)e Lat. tekst heeft daarbij: „et erit?*
b)  Nvehians ook in haar is en. Ontbr. sedert de uitgave van 1566; Tu den
oorspr. H. I) en den Lat. tekst staatr „VnA êennooh vicKts de$to weniger
-ocr page 130-
80
49.   Vr. Wat nut ons de hemelvaart; van! Christus?
lAntw. Ten eerste, dat Hij in den hemel voor\'hét
aangezicht zijns Vaders onze Voorspreker is4). Ten
andere dat wij ons vleesch in den hemel tot een
zeker pand hebben, dat Hija), als hét Hoöld, Ons
zijne lidmaten ook tot zich zal nemen\'). Tett derde,
dat Hij i ons zijnen Geest tot een tëgèlipand zendt3),
door welks kracht wij zoeken dat daar boven\'Is,
waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods", eh
niet dat op de aarde is4).
                     ü \'
\'■V$"t Jbh. *J.; Rom. 8. 2) Joh.\' 11 en \'JO. Etö.\'i.\' \'Sf\'iih. Ï4
Hand. \'2.(2 Kor. 1 en,.5.■. 4) Koloss..\' 3. Fit. 3, vb .ii nobtiaijv
jih -luimn! ab ui ii\'i:; \' ■: uaif-rlo^-iavl.UJ al Ijs Jam [ü;;
.\'vcfjj.\\XIXyJiadiiKiÉ(ihjad na qsii\\o>.b\\y<::
50.   Fr. Waarom wordt daartoe gezet: Zittende
ter rechterhand Gods i? , V,M ,.v, ,, . :
Antw. Dat Christus daarom ten hemel gevaren is,
opdat Hij zichzelven \' daar bewijze als het Hoofd
zijner Christelijke Kerk5), door hetwelk*) de1 Vader
allo ding i regeert 6). ,j\\ m [il 3al> , ;i[ii-jJ;.\'iu».,l .v.\\ul.
,51 Efea.\'t.i Koloss. tv;-\',«) Mattb. 28. Joh; W> ïlouX üyb Ma
;51> F"n Wat nuttigheid brengt ons\'deze heer\'tójk1-
heid onzes Hoofds Christus?-^-: "liamqo ".-ju \'iuüJj
ii:jln/w.: Eerstelijk, dat Hij. door zijnen Heiligen Géésk
\'■ av[ik! Jjilviv/u: j
atfchïn derselien ut, und" —r-(Sed niJiilominus tamenéése in eadem). Datheen,
(tie de uitgafe van 1563) heeft zich deze weglntfug niet veroorloofd. .■■■■>\'.
a) Dat Mij, Datheen heeft in strijd met den oorspr. H. D. en fiat.:tekst,
en tot verstoring van den zin: „en dat Hij" —. De oude uitgevers hebbun
deze fout eenparig nagesohréven.\' De Emdensche vert. maakt ook\'hier eene
gunstige uitzondering:\' \' A
          \'\'\'\'"\'-\'\' \' \' \' ^ "
h) Door hetwelk. Zóó moet gelezen worden naar den H. D. en\'\'den\' Lat.
tekst en niet met Datheeti (ook Emderij: „dóór ioelïcè," en ook iïièt met de
uitgaven van 1580 en 1611: „door welken." De uitgave vau 1737 heeft de
gixjve1 foiit van\' de eerste editie wèdei*1 opgënomeh:~ „dóór"welkeJ* ^\'
-ocr page 131-
90
in ons, zijne lidmaten, de hemelsche gaven uitgiet1).
Daarna, dat IIij ons met zijne macht tegen alle vijan-
den beschut en bewaart 2).
7) Kfez. 4. 8) Ps. •_>. Joh. 10. Kfez. 4.
52.   Vr. Wat troost u de wederkomst van Christus
om te oordeelen de levenden en de dooden?
Antiv. Dat ik in alle droefenis en vervoknnjr met
opgerichten hoofde even denzelfde *), die zich tevoren
om mijnentwille voor Gods gericht gesteld en al den
vloek van mij weggenomen heeft, tot eenen Rechter
uit den hemel verwachte3), die al zijne en mijne
vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen 4), maar
mij met alle uitverkorenen tot zich in de hemelsche
blijdschap en heerlijkheid nemen zal 5).
3) Luc. 21. Rom.8. Fil. 3. Tit. ± 4) 2Thess.l. 1 Thess. 4. Vlatth.\'iö.
.">) Matth. \'25.
Van God den Heiligen Geest.
XX. ZONDAG
53.    Vr. Wat gelooft gij van den Heiligen Geest V
Antw. Eerstelijk, dat Mij te zamen met den Vader
en den Zoon waarachtig\'\') eeuwig God isK). Ten
andere, dat Hij ook mij gegeven is7), opdat Hij mij
door een oprecht geloof Christus en aller zijner wei-
daden deelachtig make")8), mij trooste"), en bij mij
eeuwiglijk blijve 10;.
C>) Gen. I. Jes. 48. 1 Kor. li. I Kor. 6. (land. 5. 7) Matth. \'28.
•1 Kor. I. 8) Gal. 3. 1 Petr. 1. I Kor. C>. 9) Hand. 0. 10) Joh. 14.
1 Petr. 4.
a)  Even éénzelfde. De vertaling vau Datheen volgt liier den Lat. tekst.
De oorêpr. Hoogd. heeft: ,,\'JZben des Richters, der sich — aus dem himmel
//ewerfig bin."
b)   Waaraeküg. Naar den Lat. tekst. Het woord ontbreekt in den H.
IX tekst.
•■) Vpi«l Jlij — make — trooste — blijve. Naar den Lat. tekst: de oorspr.
-ocr page 132-
91
XXI. ZONDAG
54.   Vr. Wat gelooft gij van de heilige algemeene
christelijke Kerk?
Antw. Dat de Zoon Gods *) uit het gansehe men-
schelijke geslacht2) zich eene gemeente, tot het eeuwige
leven uitverkoren3), door zijnen Geest en Woord4)
in eenigheid des waren geloofs5) van den beginne
der wereld tot aan het einde B) vergadert, beschermt
en onderhoudt7) en dat ik van haar een levendig
lidmaat ben sy en eeuwig zal blijven 9).
1) Joh. 10. 2) Gen. 26. 3) Rom. 8. Efez. 1. i) Jes. 5«J. Kom. I
en 10.
.">) Efez. 5. 6) Vs. 71. 1 Kor. 11. 7) Matth. 10. Joh. 10.
1 Kor. 1. 8) 1 Joh. 3. 9) 1 Joh. 2.
55.   Vr. Wat verstaat gij door de gemeenschap der
heiligen?
Antw. Eerstelijk, dat alle geloovigen en elk hun-
nera) als lidmaten aan den Heei\'e Christus en alle
zijne schatten en gaven gemeenschap hebben 10). Ten
andere, dat elk zich moet schuldig weten, zijne gaven
ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gc-
williglijk en met vreugde aan te leggen u).
10) 1 Joh. 1. 1 Kor. 1. Rom. 8. 11) I Kor. 12 en 13. Tit. 2.
56.    Vr. Wat gelooft gij van de vergeving der
zonden ?
Antw. Dat God, om het genoegdoen van Christus
wille12), al mijne zonden, ook mijnen zondelijken
aard, waarmede ik al mijn leven lang te strijden
heb13), nimmermeer wil gedenken, maar mij uit ge-
H. D. tekst heeft: „mich machet — troitet n»d — bleihen wird." Zoo ook
Emden.
«) Alle gelooeigen en elk hunner. Datheen schreef: „alle en elke r/eloovi-
gen"
naar het ET. D.: „alle. mul Jede glaubigen" of naar liet Latijn: „nnwersi.
et singuli credentes."
-ocr page 133-
te
nade de gerechtigheid van Christus schenken, opdat
ik nimmermeer in het gericht Gods kome11)-
•U\'iTI Job; 2. 2JSor. 5. I3) Jerem. M. I\'s. 103. Rom. 7 én S. 14) Jol». 3.
-. /l-i.-.\'/l ,\'/l|iiiiri-iii:\'
: li XXII. ZONDAG\'^ :>b \'M . "nl
-■^iv/.,jL. Jlui ,\'(>; .u;n. ui ■;. .. > <i:»i.\\ (-Jil-jJii«-j^-.»l{il li:*
57.    Pr. Wat troost geeft u de opstanding des
vleesches? i
Antw.. Pat niet alleen mijne ziel na dit leven van
stonden aan tot Christus, haar Hoofd, zal opgeno-
men worden 15), maar dat ook dit mijn vleesch, door
de kracht van Christus opgewekt zijnde, wederom
met mijne ziel vereenigd en aan het heerlijk lichaam
van Christus gelijkvormig zal worden 16).
; ÏSriliük: ^3. FH; i. 46) 1 Kor. 45.\' \'Joh. -19. I Joii\'. :t. Fil. £\'•
58.   Vr\'. Wat troost schept gij uit het Artikel\'v&n
het\'eeuwige leven?
Ariho \' Dat nademaal ik nu het beginsel dei* eeuwige
vreugd °)\'! in inijn hart gevoele 17), ik na dit\'leyen
volkdinënex zaligheid bezitten zal, dié geen oög,Jg^
zien, géén oor gehoord heeft, ëniri geéns menscheh
hart gekomen is iH), en dat óm God daaHn eeüwigïïjk
te prijzen11\'). -\' ■\'•
              •              \' \'"/ " ";\'\'
il) $ Kór. 5. 18) 1 Kor. 2. Ï9) Jol.. 17.
: U\'jlMOX
XXIII, zondag \'[\'}\' ,J;(! ,MirtL.
iiu>t[ilyi>in>.\\ : ^.;\'\';.( .\'..          :...;■ - L\'üjun !: ., ■jlliv:
59L•iTtVti Maar. wat baat het u nu, dat gij dit al
geJooft?;ii; •*
                       l         ■iO-iiiï-i-Jiisiiiui .( lyi!
Antw. Dat ik in Christus voor God rechtvaardig
ben, en een erfgenaam des eeuwigen levens20)\'. , . .r,
20) Hab. % Kom. 4. Joh. 3. H .,-...•.•
,■,..."              :■\'(•\'                                                   \'A-\'1* v                                           \'»\',» : .f-l .Tl I\' i \'lUilQ ". ^-*V*,
\'D 7/^ beginsel der eeuwige vreugd. Lat.: „<ntf«e aeterndë iniüd.*
-ocr page 134-
v 93
60.   Vr. Hoe zijt gij rechtvaardig voor Cod?
Antw. Alleen door een oprecht geloof in Jezus
Christus \'), alzoo dat al is het dat mij mijn geweten
beklaagt, dat ik tegen alle de geboden Gods zwaarlijk
gezondigd en derzelven .geen gehouden heb 2) en nog
steeds tot alle boosheid geneigd ben 3), nochtans God,
zonder eenige verdienste van mij*), uit loutere genade5)
mij de volkomen genoegdoening B), gerechtigheid en
heiligheid van Christus schenkt en toerekent 7), even
als hadde ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja als
hadde ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die
Christus voor mij volbracht heeft9), zoo verre") ik
zulke weldaad met geloovigen harte aanneem l0;.
I)  Rom. 3. Gal. 2. Efez. 2. Fil. 3. 2) Rom. 3. 3) Kom. 7. A) 2 Tira. 3.
r>) Rom. 3. Efez. \'2. 6) 1 Joh. 2. 7) 1 Joh. \'2. 8) Rom. 4. \'2 Kor. 5.
01 \'2 Kor. f>. 10) Rom. 3. Joh. 3.
61.   Vr. Waarom zegt gij, dat gij alleen door het
geloof rechtvaardig zijt?
Antw. Niet dat ik van wege de waardigheid mijns
geloofs Gode aangenaam zij, maar daarom, dat alleen
de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van
Christus mijne gerechtigheid voor Ciod is u), en dat
ik die niet anders dan alleen door het geloof aan-
nemen en mij toeëigenen kan l2).
II)   i Kor. I en \'2. 12) 1 Joh. 5.
n) Zoo verre. De vertaling van Datheen is hier nog nl vrij. Het K D.
heeft: „irenn ich allein,-" — de Lat tekst: „mo\'lo — ampUctar." In nieuwere
Aederlandsehe uitgaven heeft men wel eens, in letterlijke overeenstemming met
liet oorapr., willen lezen: „bijaldien." Mochde kerkelijke uitgaven hebben allen:
„voor zoo terre," en men heeft terecht prijs gesteld op hei: behoud yau deze
woorden, omdat daardoor wordt aangeduid, dat „de toeeigening van de ge-
rechtigheid van Christus van Gods zijde niet geschiedt, zonder deze onze
toeeigening door het geloof" Zie het Schatboeek der Verklaringhe over den
Cat.
I, bl. 247.
-ocr page 135-
04
XXIV.     ZONDAG
62. Vr. Maar waarom kunnen onze goede werken
niet de gerechtigheid voor God of een stuk derzelve
zijn ?
Antw Daarom dat de gerechtigheid , die voor Gods
gericht bestaan kan, gansch volkomen en der Wet
Gods in alle stukken gelijkmatig zijn moet\') en dat
ook,onze beste werken in dit leven allen onvolkomen
en met zonden bevlekt zijn 2).
1) Gal. :?. Deut. \'27. 2) Jes. G4.
GS. Vr. Hoe? Verdienen a) onze goede werken niets,
die nochtans God in dit en in het toekomende leven
wil beloonen?
Antw. Deze belooning geschiedt niet uit verdienste,
maar uit genade 3j.
:*) Luc. 17.
64.   Vr. Maar maakt deze leer niet zorgelooze en
goddelooze menschen?
Antw. Neen zij; want het is onmogelijk, dat zoo
wie Christus dooreen waarachtig geloof ingeplant is ,
niet zoude voortbrengen vruchten der dankbaarheid 4).
4) Mntth. 17.
Van de Sacramenten.
XXV.     ZONDAG
65.   Vr. Aangezien dan alleen het geloof ons Chris-
tus en aller zijner weldaden deelachtig maakt, van
waar komt zulk geloof?
a) lloe\'t Verdienen. In het oorspr staat dit: „Hoe?\'\' niet. Ook niet in
den Lat. tekst, wanr men leosi: Quomodo lona opera nihil promereantur."
-ocr page 136-
95
Antio. De Heilige Geest werkt "■) dat in ons hart\')
door de verkondiging\' des heiligen Evangeliums en
sterkt het door het gebruiken van de Sacramenten ~ .
1) Kfc/. 9. Job. 3. 2) Matth. 28. I Petr. !.
66.    Vr. Wat zijn de Sacramenten\'?
Antw. De Sacramenten zijn heilige zichtbare waar-
teekenen en zegelen, van (iod ingezet, opdat, Hij ons\'
door het gebruik daarvan de belofte des Evangeliums
des te beter te verstaan geve en verzegele: namelijk,
dat Hij ons*) van wege des eenigen slachtoffers van
Christus, aan het kruis volbracht, vergeving der
zonden en het eeuwige leven uit genade schenkt3;.
3)   Gen. 17. Rom. i. Deut. 30. Levit. 0. Hebr. 9. Eiech. 20.
67.   Vr. Zijn dan beiden, het Woord en de Sacra-
menten, daarhenen gericht, of daartoe verordend
dat zij ons geloof op de offerande van Jezus Christus
aan het kruis, als op den eenigen grond onzer zalig-
heid wijzen ?
Antw. Ja zij toch; want de Heilige Geest leert ons
in het Evangelie en verzekert ons door de Sacra-
menten dat onze volkomene zaligheid in de eenige
offerande van Christus staat, die voor ons aan het
kruis geschied *) is •).
4)   Rom. (5. Gal. 3.
68.     Vr. Hoe veel Sacramenten heeft Christus in
het Nieuwe Verbond of Testament ingezet?
(i) De 11. Geest werkt. Dus iu de eerste uitgave (15G3) naar liet oorspr.
H. D.: „Der 11. Geisf würclctt (Lat.: acvendit) deiiselben in uiiserii hertzen
durch die prettig des h. Ec.
\' Deze oorspronkelijke lezing verdie.it de voor-
keur, ook omdat zij belet het antwoord zóó op te zeggen, als stond er eeiio
zinsclieiding acliter: „H. Geest." — ,.Ons hart" Trije vert vau: „unsern
hertzen."
Zie de volgende noot.
b)   Dat Hij ons. Hierachter heeft de Lat. tekst: „Son universis tantum,
serum etiam singulis credentibus.\'\'
c)   Die voor ons aan het kruis geschied is. Lat.: „pro nobis in c^ruce oblati."
-ocr page 137-
9fi
Antw, Twee: den heiligen Doop en het heilige
Avondmaal.
" «h il.: / if-./l . i\'l >:. I\'i\'l •;..<!)\' t\'n! i >l !\'it-
Tan rfe?i heiligen Dooi).
XXVI. ZONDAG
C>9. Pr. Hoe wordt gij in den heiligen Doop ver-
maand en verzekerd, dat de eenige offerande van
Christus, aan het kruis geschied, u ten goede komt?
Antw. Alzoo, dat Christus dit uitwendig waterbad
ingezet en daarbij toegezegd heeft, dat ik zoo zekerlijk
met zijn bloed en Geest van de onreinigheid mijner
ziel, dat is van alle mijne zonden, gewasschen ben,
als ik uitwendig met het water, hetwelk de onzuiver-
heid des lichaams *) pleegt weg te nemen, gewas-
schen ben 1j.
1)   Mare. 1. Luc. 3.
70.    IV. Wat is dat: met het bloed en den Geest
van Christus gewasschen te zijn ?
Antw. Het is vergeving der zonden van God uit
genade te hebben om des bloeds van Christus wille,
hetwelk Hij in zijne offerande aan het kruis voor
ons uitgestort heeft2); daarna ook door den Heiligen
Geest vernieuwd en tot lidmaten van Christus ge-
heiligd te zijn, opdat wij hoe langer hoe meer der
zonden afsterven en in een godzalig, onstraffelijk
leven wandelen 3).
2)   Hebr. 12. 1 1\'etr. 1. Openb. 1. Zacli. 13. Kzech. :i<>. 8) Joh. i.
Joh. 3. I Kor. (i en 1\'2. Kom. 0. Koloss. \'2.
71.    Vr. Waar heeft ons Christus toegezegd dat
o) Des lichaams. Onnauwkeurig bij Datheen: „des vleesches."
-ocr page 138-
97
Hij ons zoo zekerlijk met zijn bloed en Geest wasschen
wil, als wij met het doopwater gewasschen worden?
Antw. Tn de inzetting des Doops, welke alzoo luidt:
Gaat dan henen, onderwijst alle de volkeren, dezelve
doopende in den naam des Vaders en des Zoons en des
Heiligen Geestes.
Matth. 28 : 19. En: Die geloofd zal
hebben en gedoopt zal zijn zal zalig worden, maar
die niet zal geloofd hebben zal verdoemd worden.
Mare.
16 : 16. Deze beloftenis wordt ook herhaald °) waar
de Schrift den Doop het bad der loedergeboorte en de
afwassching der zonden
noemt. Tit. 3:5; Hand. 22 : 16.
XXVII. ZONDAG
72.    Vr. Is dan het uiterlijk waterbad de afwassching
der zonden zelve?
Antw. Neen het*); want alleen het bloed van Jezus
Christus en de Heilige Geest4) reinigt ons van alle
zonden2).
1) Matth. 3, 1 Petr. 3. Efez. 5. 2) 1 Joh. 1. \\ Kor. 6.
73.    Vr. Waarom noemt dan de Heilige Geest den
Doop het bad der wedergeboorte en de afwassching
der zonden?
Antw. God spreekt alzoo niet zonder groote oor-
zaak; namelijk niet alleen om ons daarmede te leeren,
dat gelijk de onzuiverheid des lichaams door het
water, alzoo ook onze zonden door het bloed en den
Geest van Jezus Christus weggenomen worden3),
maar veelmeer, dat Hij ons door dit goddelijk pand
en waarteekenc) wil verzekeren, dat wij zoo waar-
a)  Herhaald. H. D.: „widerholet" (Lat.: repetitur). In de vroegere uit-
gaven, naar verouderd spraakgebruik: „verhaald."
b)   En de H. Geest. Deze woorden zijn uitgelaten in den Lat. tekst van 1563
<•) WaarteeTce». De uitgave van 1566, die wij gebruiken (het exemplaar is
v. T, Syml. Sehr. 2e druk.                                                                  7
-ocr page 139-
98
achtiglijk van onze zonden geestelijk gewasschen zijn,
als wij uitwendig met water gewasschen worden *).
3) Openb. -1 en 7. I Kor. B. 4) Mare. 16. Gal. !i.
74. Vr. Zal men ook de jonge kinderen doopen?
Antw. Ja; want mitsdien zij alzoowel als de vol-
wassenen\')*) in het verbond Gods en in zijne ge-
meente begrepen zijn, en dat hun door Christus
bloed de verlossing van de zonden ö) en de Heilige
Geest, die het geloof\' werkt, niet weiniger als den
volwassenen") toegezegd wordt7), zoo moeten zij
ook door den Doop, als door het teeken des ver-
bonds, der christelijke Kerke ingelijfd en van de
kinderen der ongeloovigen onderscheiden worden **),
gelijk in het Oude Verbond of Testament door de
Besnijdenis geschied is9), voor welke in het Nieuwe
Verbond de Doop ingezet is 10).
5) Gen. 17. G) Matth. 19. 7) Luc. 1. Ps. 22. Jes. 46. Hand. 2.
8) Hand. 10. 9) Gen. 17. 10) Koloss. 2.
Van het heilige Avondmaal onzes Heeren Jezus Christus-
XXVIII. ZONDAG
75. Vr. Hoe wordt gij in het heilige Nachtmaal
vermaand en verzekerd, dat gij aan de eenige offer-
ande van Christus, aan het kruis volbracht, en aan
al zijn goed gemeenschap hebt?
Antw. Alzoo, dat Christus mij en allen geloovigen
tot zijne gedachtenis van dit gebroken brood te eten
en van dezen drinkbeker te drinken bevolen heeft,
vermeld bij Doedea, a. w. bl. 93, b.), heeft hier de zonderlinge drukfout:
„waterteeken."
a) Volwassenen. In den Hoogd, tekst: „die alten," letterlijk vertaald in
de Emdensohe uitgaaf van 1563: „de ouden."
-ocr page 140-
99
en daartoe ook beloofd, eerstelijk, dat zijn lichaam
zoo zekerlijk voor mij aan het kruis geofferd en ge-
broken en zijn bloed voor mij vergoten is als ik
met oogen zie, dat het brood des Meeren mij ge-
broken en de drinkbeker mij medegedeeld wordt; en
ten andere, dat Hij zelf mijne ziel met zijn gekruist
lichaam en vergoten bloed zoo zekerlijk tot het
eeuwige leven spijst en laaft als ik het brood en
den drinkbeker des Heeren, als zekere waarteekenen
des lichaams en bloeds van Christus, uit des dienaars
hand ontvang en mondelijk a) geniet.
76.   Vr. Wat is dat te zeggen, het gekruiste lichaam
van Christus eten en zijn vergoten bloed drinken?
Antw. Het is niet alleen met een geloovig hart
het gansche lijden en sterven van Christus aannemen
en daardoor vergeving der zonden en het eeuwige
leven verkrijgen x), maar ook daarbenevens door den
Heiligen Geest, die te zamen in Christus en in ons
woont, alzoo met zijn heilig lichaam hoe langer hoe
meer vereenigd worden2), dat wij, al is het dat Ghristus
in den hemel3) is en wij op de aarde zijn, nochtans
vleesch van zijn vleesch en been van zijne beenen
zijn4), en dat wij van éénen Geest (als de leden onzes
lichaams *) van ééne ziel) eeuwiglijk leven en geregeerd
wordens).
1) Joh. 6. 2) Joh. 6. 3) Hand. 3. 1 Kor. 11. 4) Efez. 5. 1 Kor. 0.
1 Joh. 3 en 4. Efez. 3. Joh. 14. 5) Joh. G en 15. Efez. 4.
77.    Vr. Waar heeft Christus beloofd, dat Hij de
geloovigen zoo zekerlijk alzoo met zijn lichaam en
o) Mondelijk. Lat.: „Ore corporit." H. D.: „Leiblich."
b) Als de leden onzes lichaams. Duidelijker dan de gewone lezing: „als
de leden eens lichaams" en naar het oorspronkelijk H. D. Ook in de Einder
uitgave: „Gfelijck de lidtmaten onzes lichaams*\' — {wie die glieder unsers
leibs
—).
7*
-ocr page 141-
100
bloed wil spijzen en laven, als zij van dit gebroken
brood eten en van dezen drinkbeker drinken?
Antw. In de inzetting des Avondmaals, welke
alzoo luidt: De Heer e Jezus, in den nacht in welken
Hij verraden werd, nam het brood, en als Hij gedankt
had brak Hij het en zeide: Neemt, eet: dat is mijn
lichaam, dat voor u gebroken wordt. Doet dat tot
mijne gedachtenis. Desgelijks nam Hij ook den drink-
beker na het eten des avondmaals, en zeide: Deze drink-
beker is het Nieuwe Testament in mijn bloed. Doet
dat, zoo dikwijls als gij dien zult drinken, tot mijne
gedachtenis. Want zoo dikwijls als gij dit brood zidt
eten en dezen drinkbeker zult drinken, zoo verkondigt
den dood des Heeren tot dat Hij komt.
] Kor. 11 : 23—26.
Deze toezegging wordt ook herhaald door Paulus,
waar hij spreekt: De drinkbeker der dankzegging, dien
toij dankzeggende zegenen
, is die niet eene gemeenschap
des bloeds van Christus? Het brood, dat wij Weken,
is dat niet eene gemeenschap des lichaams van Christus ?
Want één brood is het: zoo zijn toij velen één lichaam,
dewijl wij allen ééns broods deelachtig zijn.
1 Kor.
10 : 16, 17.
XXIX. ZONDAG
78. Vr. Wordt dan uit brood en wijn het wezenlijk
lichaam en bloed van Christus?
Antw. Neen; maar gelijkerwijs het water in den
Doop niet in het bloed van Christus veranderd wordt,
noch de afwassching der zonden zelve is, waarvan
het alleen een Goddelijk waarteeken en verzekering
is 1), alzoo wordt ook het brood °) in het Nachtmaal
niet het lichaam van Christus zelf2), hoewel het naar
«) lief hrood. H. D.: „dan heilig brod."
-ocr page 142-
101
den aard en eigenschap") der Sacramenten3) het
lichaam van Christus Jezus genaamd wordt.
1) Matth. 26. Mare. 14 2) 1 Kor. 10 en 11. 3) Gen. 17. Exod. 12.
Tit. 8. 1 Petr. 3. 1 Kor. 10.
79. Vr. Waarom noemt dan Christus het brood
zijn lichaam en den drinkbeker zijn bloed, of het
Nieuwe Verbond in zijn bloed, en Paulus de ge-
meenschap des lichaams en bloeds van Christus?
Antw. Christus spreekt alzoo niet zonder groote
oorzaak: namelijk niet alleen om ons daarmede te
leeren, dat gelijk als brood en wijn dit tijdelijk leven
onderhouden, alzoo ook zijn gekruist lichaam en zijn
vergoten bloed de waarachtige spijs en drank zijn,
waardoor onze zielen ten eeuwigen leven gevoed
worden 4); maar veelmeer om ons door deze zicht-
bare teekenen en panden te verzekeren, dat wij zóó
waarachtiglijk zijns waren lichaams en bloeds door
de werking des ^Heiligen Geestes deelachtig worden,
als wij deze heilige waarteekenen met den lichame-
lijken mond tot zijne gedachtenis ontvangen5], en
dat al zijn lijden en gehoorzaamheid zoo zekerlijk
ons eigen zijn, als hadden wij zelven in onzen eigen
persoon alles geleden en Gode voor onze zonden
genoeg gedaan.
4) 1 Joh. G. 5) 1 Kor. 10.
XXX. ZONDAG
80. Vr. Wat onderscheid is er tusschen het Avond-
maal des Heeren en de Paapsche *) Mis?
a)  Eigenschap. H. D.: „brauch," Emd.: .^ebruyek." De Lat. tekst heeft
in de plaats van dit woord: „ei (pro) usitata Spiritui sancto de his loquendi
forma."
b)  Paapsche. H. D.: „Babstlicheii" — Pauselijke, zoo als gelezen wordt
in de Emdenschc uitgave van 1566.
-ocr page 143-
102
Antw. Het Avondmaal des Heeren betuigt ons,
dat wij volkomen vergeving van alle onze a) zonden
hebben door de eenige offerande van Jezus Christus,
die Hij zelf eenmaal aan het kruis volbracht heeft1),
en dat wij door den Heiligen Geest Christus worden
ingelijfd2), die nu naar zijne menschelijke natuur
niet op de aarde, maar*) ia den hemel is, ter rech-
terhand Gods zijns Vaders, en daar wil van onsc)
aangebeden zijn3). Maar de Mis leert, dat de leven-
den en de dooden niet door het lijden van Christus
vergeving der zonden hebben, tenzij dat Christus
nog dagelijks voor hen van de mispriesteren geofferd
worde, en dat Christus lichamelijk onder de gestalte
des broods en wijns zij, en daarom ook daarin moet
aangebeden worden4): en alzoo is de Mis in den
grond anders niet dan eene verloochening van de eenige
offerande en het lijden van Jezus Christus en eene
vervloekte afgoderij d).
1) Hebr. 7, 9 en 10. Joh. 19. Matth. \'26. Luc. 22. 2) 1 Kor. Gen 10\'
Hebr. 1 en 8. 3) Joh. 4 en 21. Luc. 24. Hand. 7. Koloss. 3. Filipp. 3.
1 Thess. 1. 4) In Can. de Missa. Item, De Consecr. distinct. 2.
o) Onze. Dit wordt reeds uitgelaten in de uitgave van Thysius, eu waar-
schijnlijk op zijn voetspoor in de uitgaven van 1737 en van latere jaren.
b)  Die nu — niet op de aarde, maar — Vrije vertaling van het oorspron-
kelijk H. D.: „der jetzund mit seinem waren leib im himmel zur Rechten
des Vaters ist."
c)   Van ons. — Naar den Lat. tekst ingevoegd.
d)  De geschiedenis van dit antwoord behoort niet in deze aauteekenineen
te huis. Alleen hebben wij te vermelden dat de Emdensche vertaling van
1563 het antw. in zijne eerste redactie heeft naar den tweeden Hoogd. druk
in deze woorden:\'„Dat Nachtmael belugcht ons, dat mij volkomen verghevinge
aller onser sonden hebben door dat eenighe Offer Jesu Christi, dat hij selfs
eenmael aan \'t Cruyce volbracht heeft.
— Maar de Misse leert, dat de leven-
digen ende de dooden niet door dat lijden Christi vergevinge der sonden en
hebben, ten sij sake, dat Christus noch dagelicx voor haer van de Mispriesters
\')
1) Lat.: „a Sacrificulis."
-ocr page 144-
103
81.    Vr. Voor wie is het Avondmaal des Heuren
ingesteld ?
Antiv. Voor diegenen, die zich zelven van wege
hunne zouden mishagen en nochtans vertrouwen, dat
zij hun om Christus willea) vergeven zijn, en dat
ook de overblijvende zwakheid met zijn lijden en
sterven bedekt zij; die ook begeeren hoe langer hoe
meer hun geloof te sterken en hun leven te beteren.
/ Maar de hypocrieten en *) die zich niet met waren
harte tot God bekeeren, die eten en drinken zich
zelven een oordeel 1).
1) 1 Kor. II) en 44.
82.   Vr. Zal men ook die tot dit Avondmaal laten
komen, die zich met hunne bekentenis en leven als
ongeloovige en goddelooze menschen aanstellen ?
Antw. Neen; want alzoo wordt het Verbond Gods
ontheiligd en zijn toorn over de gansche gemeente
verwekt2). Daarom is de christelijke Kerk schuldig,
naar de ordening van Christus en zijner Apostelen,
zulken — tot dat zij betering huns levens bewijzen —
door de Sleutelen des hemelrijks uit te sluiten.
2) 1 Kor. 14. Jes. 1 en 66. Jerem. 7. Ps. 50.
geoffert mor ds: Ende aha is de Misse in den gtont een afgodische ver-
loocheninghe des eenighen Offers en Lijdeas Jesu Christi."
Bij hetgeen
hiervóór in de beschouwing van de confessioneele praktijk der oude Gerefor-
meerden omtrent de geschiedenis van dit antwoord gezegd is vergelijke men
Dr. A. Wolters: Der Heidelberger Kalechismus \'m seiner nrsprilnglichen
Oestalt.
S. llü, fgg., en het meermalen aangehaald werk van Dr. J. I
Doedes, bl. 24, vgg., bij wien de oudere en nieuwere schrijvers met uauw-
keurigheid worden vermeld.
a)   Om Christus wille. Invoegsel uit den Lat. tekst.
b)  De hypocrieten en —. Deze woorden worden niet gevonden in de
oorspronkelijke vertaling van Datheen, maar zijn in de uitgaaf van 15S0 op-
genomen uit den Lat. tekst. In het H. D. wordt gelezen: „Die unbuszfertigen
aber und heuchler,"
hetwelk door Datheen vrij maar goed werd uitgedrukt.
-ocr page 145-
104
XXXI. ZONDAG
83.   Vr. Wat zijn de Sleutelen des hemelrijk» ?a)
Antio. De verkondiging des heiligen Evangeliums
en de christelijke ban of uitsluiting uit de christe-
lijke gemeente b), door welke twee stukken het hemel-
rijk den geloovigen ontsloten en den ongeloovigen
toegesloten wordt.
84.   Vr. Hoe wordt het hemelrijk door de prediking
des heiligen Evangeliums ontsloten en toegesloten?
Antw. Alzoo als naar het bevel van Christus allen
geloovigen en een iegelijken van hen verkondigd en
openlijk betuigd wordt, dat hun, zoo dikwijls als zij
de beloftenis des Evangeliums met een waar geloof
aannemen, waarachtiglijk alle hunne zonden van God
om der verdienste van Christus wille vergeven zijn:
daarentegen allen ongeloovigen en die zich niet van
ei) Wat zijn de SI. d. h.! Dus naar den Lat. tekst. In het H. D.: „Was
ist das ampt der Schlüsself"
Zoo ook iu de Emdensche uitgave van 1563.
b) De christelijke ban — gemeente. Oorspr. Hoogd.: „die christliche Busz-
zucht;"
Lat.: „Ecclesiastica disciplina." Het valt in het oog, hoezeer de
ijverende liaud van Datheen hier de leer van deu Catechismus verscherpt en
bedorven heeft. „De Christelijke Boettuchte," zoo als de Emdensche vertaling
Tan 1563 heeft, bestaat, ook naar antw. 85, toch niet enkel in een „christelijk
bannen." Opmerkelijk is dat de uitgave te Emden van 1566 ook te dezen
aanzien, gelijk in zoo menig opzicht, naar den Datheenschen tekst gewijzigd
werd. Men zag toen en later te veel naar „dat één," hetwelk Datheen leerde
en dreef. Mocht men nu willen letten op dat andere, hetwelk \'s mans ge-
schiedenis ons leert, namelijk, dat het zelotisme, ook der orthodoxie, teeken
van innerlijke zwakheid en voorlooper van twijfel en ongeloof is. Twintig
jaren later, toen de „boetetucht" op hemzelven moest worden toegepast, ver-
klaarde Dathenus in het onderhoud, dat Gerobulus, Pezelius en Menso Al-
ting met hem te Staden hadden: „Aliter apostolos, aliter martyres fecissei
non probare se etiam, quod nimium cererr.oniis addictus ipsefuisset, neglecto
eo quod principale esset, ut populus ad interiorem poenitentiam revocaretur."
Zie den merkwaardigen brief van Pezelius, uit Breinen geschreven aan de
leden der Haagsche Synode van 1586, en in 1858 uitgegeven door H. Q-
Janssen, in de Bijdragen tot de oudheidkunde en geschiedenis inz. san Z-
Vlaanderen,
III, bl, 1—27 en 73—82.
-ocr page 146-
105
harte bekeeren ") verkondigd en betuigd wordt, dat
de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen
ligt, zoo lang als zij zich niet bekeeren *): naar welke
getuigenis des Evangeliunis God beide in dit en in
het toekomende leven oordeelen wil.
1)   Joh. 20. Matth. 16.
85. Vr. Hoe wordt het hemelrijk toegesloten en
ontsloten door den christelijken ban ? 6)
Antw. Alzoo als naar het bevel van Christus dege-
nen, die onder den christelijken naam onchristelijke
leer of leven voeren, nadat zij menigmaal broederlijk
vermaand zijnde van hunne dwalingen of schandelijk
leven niet afstaan willen, der gemeente, of dengenen
die van de gemeente daartoe verordineerd zijn aan-
gebracht worden, en zoo zij naar de vermaning niet
vragen, van henlieden door het verbieden van de
Sacramenten uit de christelijke gemeente, en van
God zelven uit het Rijk van Christus gesloten wor-
den, — én wederom als lidmaten van Christus en
zijner gemeente aangenomen, zoo wanneer zij waar-
achtige betering beloven en bewijzen 2).
2)   Matth. 18. 1 Kor. 5. 2 Thess. 1. 2 Joh.
HET DERDE DEEL.
Van de dankbaarheid.
XXXII. ZONDAG
86.. Vr. Aangezien wij uit onze ellendigheid zon-
der eenige verdienste van ons, alleen uit genade,
a)  En die zich — bekeeren. Vrije vertaling van: „heuchler" (hypocritis).
Einden (63): huychelaars."
b)   Christelijken ban. Zie noot b op de vorige bladz.
-ocr page 147-
106
door Christus verlost zijn, waarom moeten wij dan
nog goede werken doen?
Antw. Daarom dat Christus, nadat Hij ons met
zijn bloed gekocht en vrijgemaakt heeft, ons ook
door zijnen Heiligen Geest tot zijn evenbeeld ver-
nieuwt, opdat wij ons met ons gansche leven Gode
dankbaar voor zijne weldaden bewijzen *) en Hij door
ons geprezen worde 2). Daarna ook dat elk bij zich
zelven van zijn geloof uit de vruchten verzekerd
zij3), en dat door onzen godzaligen wandel onze
naaste ook voor Christus gewonnen worde *).
]) Rom. 0 en 12. 1 Petr. 2. 1 Kor. (i. 2) Matth. 5. 1 Petr. 2.
3) 1 Petr. 1. Matth. 7. Gal. 5. 4) 1 Petr. 3. Rom. 14.
87.   Vr. Kunnen dan die niet zalig worden, die,
in hun goddeloos ondankbaar leven voortvarende,
zich tot God niet bekeeren?
Antw. In geenerlei wijze; want de Schrift zegt,
dat geen onkuische, afgodendienaar, echtbreker, dief\',
gierige, dronkaard, lasteraar, noch roover, noch der-
gelijke het Rijk Gods erven zal5).
5)"l Kor. 0. Efez. 5. 1 Joh. 3.
XXXIII. ZONDAG
88.    Vr. In hoeveel stukken bestaat de waarach-
tige bekeering des inenschen?
Antw. In twee stukken: in de afsterving des ouden,
en in de opstanding des nieuwen menschen6).
6)  Rom. G. Efez. 4. Koloss. 3. 1 Kor. 5.
89.   Vr. Wat is de afsterving des ouden menschen?
Antw. Het is een hartelijk leedwezen dat wij God
door onze zonden vertoornd hebben °), en die hoe
langer hoe meer haten en vlieden 7).
7)  Rom. 8. Joel 2.
a) Het is — vertoornd heiben. Naar den Lat. tekst. — H. D.: „lm dit
simde von hertzen lassen leidt sein,"
-ocr page 148-
107
90.  Vr. Wat is de opstanding des nieuwen menschen?
Antw. Het is eene hartelijke vreugde in God x, door
Christus, en lust") en liefde orn naar den wille Gods
in alle goede werken te leven 2).
\\) Rom. 5 en 44. Jes. 57. 2) Ro.n. 6. Gal. 2.
91.   Vr. Maar wat zijn goede werken?
Antw. Alleen die uit waren geloove 3) naar de Wet
Gods 4j Hem ter eere geschieden5), en niet die op ons
goeddunken of menschen-inzettingen gegrond zijn B).
3) Rom. 14. 4) 1 Sara. 15. Efez. 2. 5) 1 Kor. 10. 0) Deut. 12.
Ezech. 20. Jes. 29. Matth. 15.
XXXIV. ZONDAG
92.   Vr. Hoe luidt de Wet des Heeren?
F.xoil. 20 : \'2 enz. Do ut. 5:0 enz.
Ik ben de Heere uw God, die u uit Egypteland,
uit den diensthuize, uitgeleid heb.
Het eerste gebod.
Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht
hebben.
Het tweede gebod.
Gij zult u geen gesneden beeld, noch eenige ge-
lijkenis maken van hetgene dat boven in den hemel
is, noch van hetgene dat onder op de aarde is, noch
van hetgene dat in de wateren onder de aarde is.
Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen:
a) Lust. Sommige uitgaven (die van 1580 en van 1611) hebbeu: „een
ernstige lu3t," naar het Latijn: „serium et promtum studium." Het is hier en
daar duidelijk, dat de herziening van den Catechismus hier te lande geschiedde
naar den Lat. tekst.
-ocr page 149-
108
want Ik: de Hecre uw God, ben een ijverig God,
die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen,
aan het derde en aan het vierde lid dergenen die
mij haten, en doe barmhartigheid aan duizenden
dergenen die mij liefhebben en mijne geboden onder-
houden.
Het derde gebod.
Gij zult den naam des Heeren uws Gods niet,
ijdelijk gebruiken, want de Heere zal niet onschul-
dig houden die zijnen naam ijdelijk gebruikt.
Het vierde gebod.
Gedenkt des Sabbathdags, dat gij dien heiligt. Zes
dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen, maar
de zevende dag is de Sabbath des Meeren uws
Gods: dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw
zoon, noch uwe dochter, noch uw dienstknecht,
noch uwe dienstmaagd, noch uw vee, noch de vreein-
deling, die in uwe poorten is. Want in zes dagen
heelt de fleere den hemel en de aarde gemaakt,
de zee en alles wat daar in is, en Hij rustte ten
zevenden dage: daarom zegende de Heere den Sab-
bathdag, en heiligde denzelven.
Het vijfde gebod.
Eert uwen vader en uwe moeder, opdat uwe dagen
verlengd worden in het land, dat u de Heere uw
God geeft.
Het zesde gebod.
Gij zult niet doodslaan.
-ocr page 150-
109
Het zevende gebod.
Gij zult niet echtbreken.
Het achtste gebod.
Gij zult niet stelen.
Het negende gebod.
Gij zult geene valsche getuigenis spreken tegen
uwen naaste.
Het tiende gebod.
Gij zult niet begeeren uws naasten huis; gij zult
niet begeeren uws naasten vrouw, noch zijnen dienst-
knecht, noch zijne dienstmaagd, noch zijnen os, noch
zijnen ezel, noch iets dat uws naasten is.
93.   Vr. Hoe worden deze tien geboden gedeeld ?
Antw. In twee tafelen 1): waarvan de eerste °) leert,
hoe wij ons jegens God zullen houden, de andere6),
wat wij onzen naaste schuldig zijn 2).
1) Kxod. 34. Deut. 4 en 10. 2) Matth. 22.
94.   Vr. Wat gebiedt God in het eerste gebod?
Antw. Dat ik, zoo lief als mij mijner ziele zalig-
heid is, alle afgoderij3], tooverij, waarzeggingc)\'),
bijgeloof, aanroeping der heiligen of andere schep-
selen 5i mijde en vliede, en den eenigen waren God
recht leere kennen 6), Hem alleen vertrouwe7), in alle
ootmoedigheid8) en lijdzaamheid9j mij Hem alleen
onderwerpe, van Hem alleen a\'lles goeds verwachte 10),
Hem van ganscher harte liefhebbe u), vreeze n) en
a)   De eerste. Hierachter in het oorspr. (H. D. en Lat.): „in vier gebotten\'t
(quatnor praeceptis).
b)   De andere. Hierachter oorapr.: „in sechs gebot ten" (sex praeceptis).
c)   Waartegging. Vrije vertaling van het oorspr.: „aberglaubische segen"
(incantationem)
-ocr page 151-
110
eere 13): alzoo dat ik eer van alle schepselen afga en
die varen late °), dan dat ik in het allerminst tegen
zijnen wil doe u).
3) I Kor. 6 en 10. 4) I.ev. 19. Deut. 18. 5) Matth. 4. Openb.
19 en 22. G) Joh. 17. 7) Jerem. 17. 8) 1 Petr. 5. 9) Hebr. 10.
Koloss. 1. Rom. 5. 1 Kor. 10. Filipp. 2. 10) Ps. 104. Jes. 45. Jac. 1.
11) Deut. 0. Mattli. 22. 12) ücut. 0. Ps. 111. Spr. 1 en !>. Mattb. 10.
13) Matth. 4. Deut. 10. 14) Matth. 5 en 10. Hand. 5.
95.   Vr. Wat is afgoderij?
Antw. Afgoderij is in de plaats des eenigen waren
Gods, die zich in zijn Woord geopenbaard heeft, of
benevens Hem iets anders versieren of hebben, waarop
de mensch zijn vertrouwen zet15).
15) Efez. 5. 1 Kron. 16. Filipp. 3. Gal. 4. Efez. 2. 1 Joh. 2. 2 Joh.
Joh. 5.
XXXV. ZONDAG
96.   Vr. Wat eischt God in het tweede gebod?
Antw. Dat wij God in geenerlei wijze afbeelden 16),
noch op eene andere wijze vereeren dan Hij in zijn
Woord bevolen heeft17).
10) Deut. 4. Jes. 40. Rom. 1. Hand. 17. 17) 1 Sam. 15. Deut 12.
Matth. 15.
97.   IV. Mag men dan ganschelijk geene beelden
maken ?
Antw. God kan noch mag in geenerlei wijze afge-
beeld worden. Maar de. schepselen, al is het dat zij
kunnen afgebeeld worden, zoo verbiedt toch God
hunne beeldtenis te maken en te hebben om die te
vereeren of God daardoor te dienen 18).
18) Exod. 23 en 34. Niun. 33. Deut. 7, 12 en 10. 2 Kon. 18.
o) Van alle schepselen afga en die varen late. Oorepr.: „alle creaturen
iihergele."
Emden, 1563: „Alle creatueren overgeve."
-ocr page 152-
111
98.   Vr. Maar zoude men de beelden in de kerken
als boeken der Ieeken niet mogen lijden?0)
Antw. Neen; want wij moeten niet wijzer zijn dan
God, dewelke zijne christenen niet door stomme
beelden*)1), maar door de levendige verkondiging
zijns Woords wil onderwezen hebben 2).
1) Jerem. 10. Hab. 2. 2) 2 Petr. 1. 2 Tim. 3.
XXXVI. ZONDAG
99.   Vr. Wat wil het derde gebod?
Antw. Dat wij niet alleen met vloeken 3) of met
valschen eed 4), maar ook met onnoodig zweeren5)
den naam Gods niet lasteren noch misbruiken, noch
ons met ons stilzwijgen en toezien zulker schrikke-
lijke zonden deelachtig maken, en in het algemeen
dat wij den heiligen naam Gods anders niet dan met
vreeze en eerbieding gebruiken6), opdat Hij van ons
recht bekend7), aangeroepens) en in al onze woorden
en werken 9) geprezen worde.
3) Levit.24. 4) Lev.19. 5) Matth. 5. Jac. 5. 6) Jes. 45. 7) Matth.10.
8) 1 Tim. 2. 9) Rom. 2.
100.   Vr. Is het dan zoo groote zonde Gods naam
met zweeren en vloeken te lasteren, dat God zich
ook over die vertoornt, die, zoo veel als hun mo-
a)  98. Vr. De vraag is ia het H. D. sterker: „mogen aber nicht dit
bilder, als der leijen biicher, in den Kirchen
gedttldet werden?" Daarop
luidt het antwoord: „Nein, denn," u. s. w. Lat.: „Minime." Meu zou, niet
zonder grond, den Catechismus van medeplichtigheid aan den beeldstorm
kunnen beschuldigen, even als alle geschriften en personen, die in den tijd
der invoering van dit leerboek overtuigd waren en leerden, dat „de beelden
in de kerken niet mochten geduld worden."
b)   Niet door stomme beelden. In het H. D. staat: „Nie durch ulamme
Qötzen"
en in het Lat.: „simulacris." Het antwoord is dus, even als de
vraag, eigenlijk aanmerkelijk verzacht, naar den Lat. tekst. Trouwens Oatheen
heeft gewis niet tot de onmiddellijke aanstokers van het beeldstormen behoord.
-ocr page 153-
112
gelijk is, het vloeken en zweeren niet helpen weeren
en verbieden?
Anlw. Ja gewisselijk \'); want daar is geen grooter
zonde, noch die God meer vertoornt, dan de laste-
ring zijns naams, waarom Hij die ook met den dood
te straffen bevolen heeft 2).
1) Levit. 5. 2) Levit. 24.
XXXVII. ZONDAG
101.   Vr. Mag men ook godzaliglijk bij den naam
Gods eenen eed zweren?
Antw. Ja, als het de Overheid van hare onderda-
nen of anderszins ook de nood vordert om trouw en
waarheid daardoor te bevestigen, en dat tot Gods
eere en des naasten zaligheid; want zulk eedzweren
is in Gods Woord gegrond3) en daarom ook van
de heiligen in het Oude en Nieuwe Testament recht
gebruikt geweest *).
3) üeut. 0 en 10. Jes. 48. Hel». 6. 4) Gen. 21 en 31. Jes. fl-
1 Sam. 24. 2 Sam. 3. 1 Kon. 1. Rom. 1. 2 Kor. 1.
102.   Vr. Mag men ook bij de heiligen of bij eenige
andere schepselen eenen eed zweren ?
Antw. Neen, want een recht eedzweren is (ïod
aanroepen, dat Hij, als die alleen het harte kent,
der waarheid getuigenis wil geven en mij straffen,
indien ik valsehelijk zweer5): welke eer aan geen
schepsel toebehoort \'\'•).
5) 2 Kor. I. 0) Matth. 5. Jac. 5.
XXXVIII. ZONDAG
103.    Vr. Wat gebiedt God in het vierde gebod?
-ocr page 154-
113
Antio. Eerstelijk, dat de kerkedienst, of") het
predikambt en de scholen onderhouden worden x),
en dat ik, inzonderheid op den Sabbath, dat is b) op
den Rustdag, tot de gemeente Gods naarstiglijk kome3)
om Gods Woord te hooren3), de Sacramenten te ge-
bruiken4), God den Heere openlijk aan te roepen5)
en den armen christelijke handreiking te doen 6); ten
andere, dat ik alle de dagen mijns levens van mijne
booze werken viere, den Heere door zijnen Geest in
mij werken late en alzoo den eeuwigen Sabbath in
dit leven aanvange 7).
1) Tit. 1. 1 Tim. 3, 4 en 5. 1 Kor. 0. 2 Tim. 2 en 3. 2) Ps. 40
en 68. Hand. 3. 3) 1 Kor. 14. 4) 1 Kor. 11. 5) lTim.2. 1 Kor. 14.
6) 1 Kor. 16. 7) Jes. 66.
XXXIX. ZONDAG
104. Vr. Wat wil God in het vijfde gebod?
Antw. Dat ik mijnen vader en moeder en allen
die over mij gesteld zijn alle eere, liefde en trouwe
bewijze, en mij hunner goede leere en straffe met
behoorlijke gehoorzaamheid onderwerpen8); en ook
met hunne zwakheid en gebreken geduld hebbe9):
aangezien het God belieft ons door hunne hand te
regeeren 10).
8) Efez. 5 en 6. Koloss. 3. Spr. 1, 4, 15 en 20. Exod.21. Rom.13.
0) Spr. 23. Gen.ï). lPetr.2. 10) Efez. 6. Koloss. 3. Rom.13. Matth.22.
a)  De kerkedienst, of —. Tusschenvoegsel vaa van der Heyden iu de uit-
gare van 1580.
b)   Den Sabbath, dat is. — Tusschenvoegsel van Datheen. Het oorspr.
H. D. zegt: „sonderlich am feiertag." De Lat. tekst heeft: „cum aliis, turn
praecipue festis diebus.
De Heidelbergsche Catechismus is dus ook op het
punt van den „Rustdag\'" door Dathenus gewgzigd. De Emdensche vert. van
1563 hoeft: „Sonderlinge op den Vyerdach."
v. T. Symb. Sehr. 2e dr.
8
-ocr page 155-
114
XL. ZONDAG
105.   Vr. Wat eischt God in het zesde gebod?
Antw. Dat ik mijnen naaste noch met gedachten,
noch met woorden of eenig gelaat, veel weiniger
met de daad door mij zelven of door anderen ont-
eere, hate, kwetse of doode*); maar dat ik alle
wraakgierigbeid aflegge2), ook mij zelven niet kwetse")
of moedwilliglijk in eenig gevaar begeve3), waarom
ook de Overheid het zwaard draagt om den dood-
slag te weeren 4).
1) Matth. 5 en \'26. Gen. 0. 2) Efez. 4. Kom. 12. Matth. 5 en 18.
3) Rom. 13. Koloss.\'2. Syr. 3. Matth. 4. 4) Gen. 9. Exod. 21. Matth 26.
Kom. 13.
106.    Vr. Maar dit gebod schijnt alleen van het
doodslaan te spreken?
Antw. God, verbiedende den doodslag, leert ons
dat Hij den wortel des doodslags, als nijd5), haat6),
toorn 7) en wraakgierigheid, haat en zulks alles voor
eenen doodslag houdt s) b).
5) Kom. 1. 6) 1 Joh. 2. 7; Jac. 2. Gal. 5. 8) 1 Joh. 3.
107.    Vr. Maar is dat genoeg dat wij onzen naaste,
als gezegd is, niet dooden P
Antw. Neen; want God, verbiedende den nijd,
haat en toorn, gebiedt dat wij onzen naaste liefhebben
als ons zelven9), en jegens hem geduld, vrede, zacht-
moedigheid 10), barmhartigheid n) en alle vriendelijk-
heid 12) bewijzen, zijne schade, zoo veel als ons mogelijk
is, afkeeren 13) en ook onzen vijanden goed doen1*).
!)) Matth. 7 en 22. 10) Efez. 4. Gal. 6. Matth. 5. Rom. 12. 11)
Matth. 5. Luc. 6. 12) Rom. 12. 13) Exod. 23. 14) Matth. 5. Rom. 12.
a) Niet kwetse. H. Ü.: „nit beschedigen." De Emdensche rert. van 1563
heeft geheel verkeerdelijk: „mij selven niet schuldich maken!\'
V) Zulks alles — howdt. Naar den Lat. tekst. De H. D. heeft: „dasz
tolehet (Met für ihm ein heimlicher lodtschlag ei/."
-ocr page 156-
115
XLI. ZONDAG
108.   Vr. Wat leert ons het zevende gebod?
Antw. Dat alle onkuischheid van God vervloekt
is *), en dat wij daarom, haar van harte vijand zijnde 2),
kuisch en tuchtelijk leven moeten3), het zij in den
heiligen huwelijken staat, of buiten denzelven *).
1) Levir. 18. 2) Judas 1. 3) 1 Tliess. 4. 4) Hehr. 13. 1 Kor. 7.
109.   Vr. Verbiedt God in dit gebod niet meer
dan echtbreken en dergelijke schanden ?
Antw. Dewijl ons lichaam en ziel tempelen des
Heiligen Geestes zijn, zoo wil Hij dat wij ze beide
zuiver en heilig bewaren: daarom verbiedt Hij alle
onkuische daden, gebaren, woorden5), gedachten,
lusten6) en wat den mensch daartoe trekken kan 7).
5) Kfez. 5. I Kor. ü. 6) Matth. 5. 7) Efei. 5. 1 Kor. "15.
XLII. ZONDAG
110.   Vr. Wat verbiedt God in het achtste gebod?
Antw. God verbiedt niet alleen stelen8; en roe-
ven9)"), hetwelk de Overheid straft, maar Hij noemt
ook dieverij alle booze stukken en aanslagen, waar-
mede wij onzes naasten goed denken aan ons te
brengen, het zij met geweld of schijn des rechts10),
als met onrecht gewicht n), el, maat n), waar, munt,
woeker"13), of door eenig middel, van God verboden:
daartoe ook alle gierigheid u), alle misbruik en ver-
kwisting zijner gaven 15).
8) 1 Kor. 0. 9) 1 Kor. 5. 10) Luc. 3. 1 Thess. 4. 11) Spr. 11
en 16. 12) Ezech. 45. Deuk 25. 13) Pg. 15. Luc. C. 14) 1 Kor. 6.
16) Spr. 5.
a) Stelen en rooven. In de uitgaaf van 1580 is, naar den Lat. tekst, ver-
keerdelijk liet aanw. voornw. „dat" \\66r „stelen en rooven" in den tekst ge«
8*
-ocr page 157-
116
111. Vr. Maar wat gebiedt u God in dit gebod?
Antw. Dat ik mijns naasten nut, waar ik kan en
mag, bevordere; met hem alzoo handele, als ik wilde
dat men mij handelde1); daartoe ook dat ik tron-
welijk ar beide, opdat ik den nooddruftige helpen
moge 2).
1) Matth. 7. 2) Efez. 4.
XLIII. ZONDAG
112. Vr. Wat wil het negende gebod?
Antw. Dat ik tegen niemand valsche getuigenis
geve3), niemand zijne woorden verkeere *), geen ach-
terklapper of lasteraar zij 5), niemand lichtelijk en
onverhoord oordeéle of helpe verdoemen6); maar
allerlei liegen en bedriegen, als eigene werken des
duivels7), vermijde, ten zij dat ik den zwaren toorn
Gods op mij laden wil8). Insgelijks dat ik in het
gericht en alle andere handelingen de waarheid lief-
hebbe, oprechtelijk spreke en bekenne9); ook mijns
naasten eer en goed gerucht naar mijn vermogen
voorsta en bevordere 10).
3) Spr. 10 en 21. 4) Ps. 15. 5) Rom. 1. 6) Matth. 7. Luo. 6.
7) Job. 8. 8) Spr. 12 en 13. 9) 1 K»r. 13. Efez. 4. 10) 1 Petr. 4.
XLIV. ZONDAG
113. Vr. Wat eischt van ons het tiende gebod?
Antw. Dat ook de minste lust of gedachte tegen
eenig gebod Gods in ons hart nimmermeer kome,
maar dat wij ten allen tijde van ganscher harte aller
bracht. De tegenstelling wordt daardoor bedorven: ,,stelen en rootten" staat
tegenover geheime „dieverij."
-ocr page 158-
117
zonden vijand zijn en lust tot alle gerechtigheid
hebben *).
1)   Rom. 7.
114.   Vr. Maar kunnen degenen, die tot God be-
keerd zijn, deze geboden volkoraenlijk houden?
Antw. Neen zij; maar ook de allerheiligsten, zoo
lang als zij in dit leven zijn, hebben maar een klein
begin •) dezer gehoorzaamheid 2); doch alzoo, dat zij
met een ernstig voornemen niet alleen naar sommige,
maar naar alle de geboden Gods beginnen te leven 3).
2)   1 Joh. 1. Rom. 7. Pred. 7. 3) Rom. 7. Jac. \'2.
115.    Vr. Waarom laat ons dan God alzoo scher-
pelijk de tien geboden prediken, terwijlb) ze toch
niemand in dit leven houden kan?
Antw. Eerstelijk, opdat wij ons leven lang onzen
zondelijken aard hoe langer hoe meer leeren kennen *)
en des te begeeriger zijn de vergeving der zonden
en de gerechtigheid in Christus te zoeken 5); daarna,
dat wij zonder onderlaten ons benaarstigen, en God
bidden om de genade des Heiligen Geestes, dat wij
langs zoo meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd
worden, tot dat wij tot deze voorgestelde volkomen-
heid na dit leven geraken 6j.
4) 1 Joh. 1. Ps. 32. 5) Rom. 7. 6) 1 Kor. 9. Filipp. 3.
Van het gebed.
XLV. zondag
116. Vr. Waarom is het gebed den christenen
van noode?
a)  Begin. H. D.: „an/ang," Lat.: „initia;" dus, naar het tegenwoordig
spraakgebruik, niet: „beginsel." Ve Emdensche uitgave heeft: „aenvanck off
beghin."
b)   Tertoijl. H. D.: „weil."
\' r
-ocr page 159-
118
Antw. Daarom dat het \'t voornaamste stuk der
dankbaarheid is, welke God van ons vordert1), en
dat God zijne genade en den Heiligen Geest alleen
dien geven wil, die Hem met hartelijke zuchten zon-
der ophouden daarom bidden en daarvoor danken 2).
I)   Ps. 50. 2) Matth. 7 en 13. Luc. 11.
117.    Vr. Wat behoort tot zulk een gebed, dat
Gode aangenaam is en van Hem verhoord wordt?
Antw. Eerstelijk, dat wij alleen den eenigen waren
God, die zich in zijn Woord ons geopenbaard heeft3),
om al hetgene dat Hij ons geboden heeft te bidden 4)
van harte aanroepen5); ten andere, dat wij onzen
nood en ellendigheid recht en grondig kennen6),
opdat wij ons voor het aangezicht zijner majesteit
verootmoedigen7); ten derde dat wij dezen vasten
grond hebben8), dat Hij ons gebed, niettegenstaande
dat wij zulks onwaardig zijn, om des Heeren Christus
wil zekerlijk wil verhooren9), gelijk Hij ons in zijn
Woord beloofd heeft10).
3) Joh. 4. 4) Rom. 8. 1 Joh. 5. 5) Joh. 4. 6) \'2 Kron. 20. 7)
Ps. 2 en 34. Jes. 66. 8) Rom. 10. Jac. 1. (J) Joh. 14. Dan. 9. 10)
Matth. 7. Ps. 143.
118.   Vr. Wat heeft ons God bevolen van Hem te
bidden ?
Antw. Alle geestelijke en lichamelijke nooddruft "),
welke de Heere Christus begrepen heeft in het ge-
bed, dat Hij ons zelf geleerd heeft.
II)  Jac. 1. Matth. 6.
119.   Vr. Hoe luidt dat gebed ?
Antw. Onze 12j Vader, die in de hemelen zijt,
Uw naam worde geheiligd.
Uw koninkrijk kome.
Uw wil geschiede gelijk in den hemel alzoo ook
op de aarde.
-ocr page 160-
119
Geef ons heden ons dagelijksch brood.
En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij ver-
geven onzen schuldenaren.
En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons
van den booze.
Want U is het, koninkrijk, de kracht en de heer-
lijkheid in der eeuwigheid. Amen.
12)  Matth. C. Luc. 11.
XL VI. ZONDAG
120.    Vr. Waarom heeft ons Christus geboden, God
alzoo aan te spreken: Onze Vader?
Antw. Opdat Hij van stonde aan in het begin °)
onzes gebeds in ons de kinderlijke vreeze en toever-
zicht tot God verwekke, welke beiden b) de grond onzes
gebeds zijn, namelijk, dat God onze Vader door
Christus geworden is en dat Hij ons veel weiniger
afslaan zal hetgene dat wij Hem met een recht geloof
bidden, dan onze vaders ons aardsche dingen ont-
zeggen 13).
13)   Matth. 7. Luc. 11.
121.    Vr. Waarom wordt hier toegedaan: die in
de hemelen zijt?
Antw. Opdat wij van de hemelsche majesteit Gods
niet aardsch e) gedenken \'*) en van zijne almachtigheid
alle nooddruft des lichaams en der ziel verwachten 15).
14)  Jerera. 23. Hand. 17. 15) Rom. 10.
a) Van stonde aan in het begin. H. D.: „gleich im anfang."
I) Beiden. Bijvoegsel van Datheen.
c) Aardsch. Lat.; „humile quippiam aut terrenum."
-ocr page 161-
120
XLVII. ZONDAG
122.    Vr. Welke is de eerste bede?
Antw. Uw naam worde geheiligd. Dat is: Geef ons
eerstelijk dat wij U recht kennen*) en U in alle
uwe werken, in welke uwe almachtigheid, wijsheid,
goedheid, gerechtigheid, barmhartigheid en waarheid
klaarlijk schijnt, heiligen, roemen en prijzen 2); daarna
ook dat wij al ons leven, gedachten, woorden en
werken alzoo schikken en richten, dat uw naam oin
onzent wille niet gelasterd, maar geëerd en geprezen
worde 3J.
1) Joh. 17. Matth. 16. Jac. 1. 2) Ps. It\'J. Rotu. H. 3) Pa. 71
en 115.
XL VIII. ZONDAG
123.    Vr. Welke is de tweede bede?
Antio. Uw koninkrijk kome. Dat is: Regeer ons
alzoo door uw Woord en uwen Geest, dat wij ons
langs zoo meer U onderwerpen4); bewaar en ver-
meerder uwe Kerk 5); verstoor de werken des duivels
en alle macht, welke zich tegen U verheft, mitsga-
ders alle booze raadslagen, die tegen uw heilig Woord
bedacht worden6), tot dat de volkomenheid uws
Rijks toekome7), waarin Gij alles zult zijn in allen 8).
4) Matth. Ü. Ps. -119 en 143. 5) Ps. 51 en 122. 6) 1 Joh. 3.
Rom. 10. 7) Openb. -1% Rora. 8. 8) 1 Kor. 15.
XLIX. ZONDAG
124.    Vr. Welke is de derde bede?
Antw. Uw wil geschiede gelijk in den hemel alzoo
ook op de aarde. Dat is: Geef, dat wij en alle men-
-ocr page 162-
121
schen onzen eigen wil verzaken *) en uwen wil, die
alleen goed is, zonder eenig tegenspreken gehoor-
zaam zijn2), opdat alzoo een iegelijk zijn ambt en
beroeping zoo gewilliglijk en getrouwelijk moge be-
dienen en uitvoeren 3), als de engelen in den hemel
doen*).
1) Matth. 16. Tik \'2. 2) Luc. 2\'2. 3) 1 Kor. 7. 4) Ps. 103.
L. ZONDAG
125. Vr. Welke is de vierde bede?
Antw. Geef ons heden ons dagelijksch brood. Dat
is: Wil ons met alle nooddruft des lichaams ver-
zorgen4), opdat wij daardoor bekennen, dat Gij de
eenige oorsprong alles goeds zijt 5), en dat noch onze
zorg en arbeid a), noch uwe gaven zonder uwen zegen
ons gedijen 6), en dat wij derhalve ons vertrouwen
van alle schepselen aftrekken en op U alleen stellen 7).
4) Ps. 104 en 145. Matth. 0. 5) Hand. 14 en 17. 0) 1 Kor. 13.
üeut. 8. Ps. :S7. 7) Ps. 55 en ti\'2.
LI. ZONDAG
12ö. Vr. Welke is de vijfde bede?
Antw. Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij
vergeven onzen schuldenaren. Dat is: Wil ons, armen
zondaren, alle onze misdaden en ook de boosheid,
die ons nog altijd4) aanhangt, om des bloeds van
a)  Noch — arbeid. Datheen heeft: „noch onze zorg, noch arbeid, noch
ook uwe gaven.
Daardoor is de tegenstelling eenigszins verzwalt. H. D.:
„weder unsere sorgen und arbeid, noch deine gaben."
b)  Nog altijd. „Nog" is door Dal hoen niet zonder schade voor de juiste
uitdrukking van den zin weggelaten. De Bmdensehe vert. van 1563 heeft
het behouden.
-ocr page 163-
122
Christus wille niet toerekenen\'), alzoo wij ook dit
getuigenis uwer genade in ons bevinden, dat ons
gansche voornemen is onzen naaste van harte te
vergeven 2;.
1) Ps. 51 en 143. 1 Joh. 2. 2) Matth. 6.
LIL ZONDAG
127.   Vr. Welke is de zesde bede?
Antw. Leid ons niet in verzoeking, maar verlos
ons van den booze. Dat is: Dewijl wij van ons zelven
zoo zwak zijn, dat wij niet één oogenblik kunnen
bestaan3), en daartoe onze doodvijanden, de duivel ),
de wereld5) en ons eigen vleesch6), niet ophouden
ons aan te vechten: wil ons toch behouden a) en
sterken door de kracht uws Heiligen Geestes, opdat
wij in dezen geestelijken strijd niet onderliggen7),
maar altijd sterken wederstand doen, totdat wij ein-
delijk ten eenen male de overhand behouden 8).
3) Joh. 15. Ps. 103. 4) 1 Petr. 5. Efez. 6. 5) Joh. 15. 0) Rom. 7.
Gal. 5. 7) Matth. \'26. Mare. 13. 8) 1 Thess. 3 en 5.
128.   Vr. Hoe besluit gij uw gebed?
Antw. Want uw is het koninkrijk, de ki\'acht en
de heerlijkheid in der eeuwigheid. Dat is: Zulks
alles bidden wij van U daarom dat Gij, als onze
Koning en aller dingen machtig, ons alles goeds te
geven den wil en het vermogen hebt9;, en dat alles
opdat daardoorh) niet wij, maar uw heilige naam
eeuwiglijk geprezen worde 10).
0) Rom. 10. 2 Petr. 2. 10) Joh. 14. Ps. 115.
a)   Behouden. H. D.: „ErJialten." De uitg. van 1735 heeft: „behoeden\' \'
en de fout is trouwelij k nageseh reven.
b)  JEn dat alles opdat daardoor. — Onze vertaling volgt hier den Lat
tekst. Het H. D. heeft eenvoudig: „und dasz dadurch." Zoo ook de Em-
densche vert. van 1563.
-ocr page 164-
123
\\2jp Vr. Wat beduidt het woord: Amen?
Antw. Amen is te zeggen: het zal waar en zeker
zijn; want mijn gebed is veel zekerder van God
verhoord dan ik in mijn hart gevoel, dat ik zulks
van Hem begeere *).
1) 2 Kor. i. 2 Tim. 2.
-ocr page 165-
BELIJDENIS DES GELOOFS 1),
GESTELD IN HET CONCILIE VAN NICEËN (325), EN IN
DAT VAN CONSTANÏTNOI\'EL (381) VERNIEUWD.
Wij gelooveu in éénen God, den almachtigen Vader,
Schepper des hemels en der aarde en aller dingen,
zienlijke en onzienlijke. En in éénen Heer, Jezus
Christus, den eeniggeboren Zoon Gods, geboren uit
den Vader vóór alle eeuwen, licht uit, licht, waar-
achtig God uit waarachtig God, geboren en niet ge-
maakt, van hetzelfde wezen met den Vader, door
welken alle dingen gemaakt zijn; die om ons, men-
schen, en om onze zaligheid is nedergekomen uit
den hemel en vleesch geworden is uit den Heiligen
Geest en de maagd Maria en een mensch is gewor-
den; die voor ons gekruisigd is onder Pontius Pilatus,
1) Ia Art. IX van de Nederlandsche Geloofsbelijdenis is de instemming
der Gereformeerde Kerk betuigd met de drie oudste algemeene Symbolen:
het zoogenoemde Apostolische, het Niceensch-Oonstantinopolitaansche en dat,
hetwelk naar Athanasius genoemd wordt. Daarom behooren zij in eene ver-
zameling der Gereformeerde Belijdenisschriften te worden opgenomen. Zij
worden het geschiktst achter den Catechismus gesteld, omdat zij dus achter
de 12 Geloofsartikelen volgen, die daar in het 23. Antw. voorkomen. Wij
geven hier den tekst,- die in de oude kerkboeken voorkomt, verbeterd naar
de beste oude lezing. Over deze Symbolen zie men de Inleiding op de Sym-
bolisehe boeken van Dr. H. E. Vinke, in zijne Libri Symb. Hccles. Bef,
Federl.
p. XL—L, waar de vroegere schrijvers worden aangehaald.
-ocr page 166-
125
geleden heeft en begraven is, en ten derden dage
opgestaan is naar de Schriften, en die opgevaren is
ten hemel en zit ter rechterhand des Vaders; en Hij
zal wederkomen met heerlijkheid om te oordeelen
de levenden en de dooden, wiens rijk geen einde
zal hebben. En in den Heiligen Geest, den Heere,
den Levenwekker, die van den Vader uitgaat, die
met den Vader en den Zoon wordt aangebeden en
verheerlijkt, die gesproken heeft door de Profeten.
In ééne heilige, algemeene, apostolische Kerk. Wij
belijden éénen Doop tot vergeving der zonden; wij
verwachten de opstanding der dooden en het leven
der toekomende eeuwe. Amen.
-ocr page 167-
BELIJDENIS: „QÜICUNQUE"1),
GENOEMD DE BELIJDENIS VAN ATHANASIUS.
1. Zoo wie wil zalig zijn dien is vóór alle dingen
noodig dat hij het algemeen geloof houde. 2. Het-
welk zoo wie niet geheel en ongeschonden bewaart,
die zal zonder twijfel eeuwiglijk verloren gaan. 3.
Het algemeen geloof is dit, dat wij den eenigen God
in de drievuldigheid en de drievuldigheid in de een-
heid eeren. 4. Zonder de personen te vermengen,
of het wezen en de substantie te deelen. 5. Want
het is een ander persoon des Vaders, een ander des
Zoons, een ander des Heiligen Geestes. 6. Maar de
Vader, Zoon en Heilige Geest hebben ééne Godheid,
gelijke heerlijkheid en gelijke eeuwige majesteit. 7.
Hoedanig de Vader is, zoodanig is ook de Zoon,
zoodanig is ook de Heilige Geest. 8. De Vader is
ongeschapen, de Zoon is ongeschapen, de Heilige
Geest is ongeschapen. 9. Onmetelijk is de Vader,
onmetelijk is de Zoon, onmetelijk is de Heilige Geest.
10. De Vader is eeuwig, de Zoon is eeuwig, de
Heilige Geest is eeuwig. 11. Nochtans zijn het niet
drie eeuwigen, maar één eeuwige. 12. Gelijk ook
1) Naar liet woord vaa deu aanhef dua genoemd, daar dit Symbool gewis
niet vau Athanuaius afkomstig ia. Het wordt niet vóór omstreeks het jaar
1000 als z\'(jn werk ■vermeld, hetwelk bij de hoogschattiug van al hetgeen door
dien kerkvader geschreven was ondenkbaar is, en er zijn zóó vele innerlijke
blijken van een lateren oorsprong, dat er geen twijfel overblijft. Zie Vinke,
t. a. p. en vooral G. J. Vossins, Diss. tres de tribus Symbb. Amst. 1662
(Bd. sec.) p. 39, seqq. en de Diatribe in de Benedictijner uitgave van Atha-
nasius werken (1698), Tom II.
-ocr page 168-
127
niet drie ongeschapen en, noch drie onmetelijken, maar
één ongeschapene en één onmetelijke. 13. Desgelijks
is de Vader almachtig, de Zoon almachtig, de Heilige
Heest almachtig. 14. En nochtans zijn het niet drie
almachtigen, maar één almachtige. 15. Alzoo ook
is de Vader God, de Zoon God, de Heilige Geest
God. 16. En nochtans niet drie Goden, maar het is
één God. 17. Alzoo is de Vader Heer, de Zoon Heer,
de Heilige Geest Heer. ! 8. En nochtans zijn het niet
drie Heeren, maar één Heer. 19. Want gelijk wij
door de christelijke waarheid genoodzaakt worden
eenen iegelijken persoon bijzonder als God of\' Heer
te belijden, alzoo is ons ook door het algemeen ge-
loof verboden drie Goden of Heeren te noemen. 20.
De Vader is van niemand gemaakt, noch geschapen,
noch gegenereerd. 21. De Zoon is van den Vader
alleen, niet gemaakt, noch geschapen, maar gegene-
reerd. 22. De Heilige Geest is van den Vader en
den Zoon, niet gemaakt, noch geschapen, noch ge-
genereerd, maar uitgaande. 23. Zoo is daar dan
één Vader: niet drie Vaders, één Zoon: niet drie
Zonen, één Heilige Geest: niet drie Heilige Geesten.
24. En in deze Drievuldigheid is niets eerst of laatst,
niets meest of minst, maar de gansche drie personen
hebben onderling gelijke eeuwigheid 1). 25. Zoodat
alom, gelijk reeds boven gezegd is, de eenheid in
de drievuldigheid en de drievuldigheid in de eeu-
heid moet geëerd worden. 26. Daarom, zoo wie wil
zalig zijn, die moet aldus van de Drievuldigheid
gevoelen.
27. Maar het is tot de eeuwige zaligheid noodig,
1) Dus moet vertaald worden: „coaeternae nibi mnt et coaequalei."
-ocr page 169-
128
dat, hij ook de menschwording onzes Heeren Jezus
Christus trouwelijk geloove. 28. Zoo is dan het recht
geloof\', dat wij gelooven en belijden, dat onze Heer
Jezus Christus, Gods Zoon, te gelijk God en mensch
is. 29. Hij is God, uit het wezen des Vaders vóór
alle tijden gegenereerd, en mensch, uit de substantie
zijner moeder in den tijd geboren. 30. Volkomen
God, volkomen mensch, hebbende eene redelijke ziel
en menschelijk vleesch. 31. Den Vader gelijk naar
de Godheid, minder dan de Vader naar de mensch-
heid. 32. Die, hoewel Hij d\'od is en mensch, noch-
tans niet twee, maar één Christus is. 33. Hij is één,
niet door verandering der Godheid in het vleesch,
maar door aanneming van de menschheid in God.
34. Hij is één, niet door de vermenging der sub-
stantie, maar door de eenheid des persoons. 35. Want
gelijk de redelijke ziel en het vleesch één mensch
zijn, alzoo is God en mensch één Christus. 3G. Die
geleden heeft voor onze zaligheid, nedergedaald is
ter helle, ten derden dage weder opgestaan van de
dooden. 37. Opgevaren ten hemel, zittende ter rech-
terhand des Vaders, en zal van daar komen om te
oordeelen de levenden en de- dooden. 38. Bij wiens
komst alle menschen zullen opstaan met hunne licha-
men en zullen rekenschap geven van hunne eigene
werken. 39. En die het goede gedaan hebben, zullen
gaan in het eeuwige leven, maar die het kwade ge-
daan hebben in het eeuwige vuur. 40. Dit is het
algemeen geloof, hetwelk zoo wie niet trouwelijk en
vast gelooft, die zal niet kunnen zalig zijn.
-ocr page 170-
OORDEEL
VAN DE
SYNODE NATIONAAL
DER
«FORMEERDE KERKEN VAN DE VËRËËNItiDE NEDERLANDEN,
GEHOUDEN BINNEN DORDRECHT IN DEN
JARE 1618 EN 1619,
Welke geassisteerd is geweest met vele treffelijke Theologen, uit ile
Gereformeerde Kerken van Groot-Brittannië, den Keurvorste-
lijken Paltz, Hessen, Zwitserland, de Wedderavische
Correspondentie, Genóve, Bremen en Einden:
lle bekende vijf Hoofdstukken der Leere, waarvan in de Gereformeerde
Kerken dezer Vereenigde Nederlanden verschil is gevallen,
UITGESPROKEN OP DEN 6. MEI 1619.
Uit het Latijn getrouwelijk in het Nederlandsch overgezet.
16 19.
T. T. 8</ml. Schr. 2e dr.
9
-ocr page 171-
-ocr page 172-
HISTORISCH OVERZICHT
VAN DE
OFFICIËELE UITGAVEN.
De officièele uitgave der Dordrechtsche Leerregelen komt natuurlijkerwijs
voor in de Handelingen der Synode, eerst in het Latijn in 1620, en daarna
in het Nederlandsch in 4621 uitgegeven, waarvan de titels vermeld zijn
hierboven op bl. 5.
Reeds in 1619 verscheen eene Latijusche en eene Nederlandsche officièele
uitgave van de Leerregelen afzonderlijk in kwarto. De eerste bij J. Bere-
wout en Francois Bosselaar, de tweede bij J. Jz. Canin en zijne medestan-
ders, beide te Dordrecht. — De Hoogl. Vinke spreekt in de voorrede voor
zijne lAbri Symbolici, p. C1V, op het voetspoor van Walch (Bihliotheca
Theól. sel.)
van eene tweede Latijnsche uitgave in 1619. Dit is waarschijnlijk
eene vergissing, waartoe misschien de dubbele titel van de oudste editie
aanleiding gaf
Van wege de Kerk zijn zij nooit uitgegeven achter de gewone kerkboeken.
Het eigenaardig karakter dezer Canones eischt ook dat men ze niet uit-
geve zouder de Voorrede, waarin hunne strekking en beteekenis naar eisch
wordt verklaard, noch zonder de handteekening van de leden der Synode
en de Sententie over de veroordeelde Remonstranten. Alle deze stukken
behooren bijeen, want de Canones zijn niet anders dan de dogmatische
inleiding voor de Sententie. Wij geven ze daarom als historisch-dogmatische
bijlage bij het Credo der Kerk met kleinere letter.
De tekst der Leerregels kan verder geene geschiedenis hebbeu, omdat
geene revisie van den tekst dezer Synodale uitspraak te pas kwam.
-ocr page 173-
-ocr page 174-
VOORREDE.
Onder de zeer vele vertroostingen, welke onze Heer en Zalig,
maker Jezus Christus aan zijne strijdende Kerk in deze ellendige
pelgrimage gegeven heeft, wordt deze met recht onder de voor-
naamste geacht, die Hij haar heeft nagelaten als Hij tot zijnen
Vader in het hemelsche Heiligdom zoude ingaan, zeggende: „I&
ben met u alle de dagen tot aan de voleindiging der ivereld." De
waarheid van deze vriendelijke belofte is blijkbaar in de Kerk van
alle tijden. Want alzoo zij niet alleen door openbaar geweld der
vijanden en goddeloosheid der ketteren, maar ook door bedekte
listigheid der verleiders van den beginne is bestreden, voorwaar,
indien de Heere haar te eenigen tijde van de heilzame hulp zijner
beloofde tegenwoordigheid had ontbloot, zij zoude al over lang óf
door geweld der tyrannen zijn verdrukt geweest, èf door de arge-
listigheid der bedriegers ten verderve verleid. Maar de goede Her-
der, die zijne kudde, voor welke Hij zijn leven heeft gelaten, zeer
volstandiglijk bemint, heeft het woeden der vervolgers steeds ten
rechten tijd en door zijne uitgestrekte hand, dikwijls wonderlijk,
ter nedergezet en de kromme wegen en bedrieglijke raadslagen der
verleiders ontdekt en te-niet gedaan: in beide bewijzende dat Hy
waarachtiglijk bij zijne Kerk tegenwoordig is. Hiervan hebben wij
een zeer klaar bewijs in de historiën der godzalige Keizers, Ko-
ningen en Prinsen, welke de Zone Gods zoo menigmaal tot hulp
-ocr page 175-
134
van zijne Kerk heeft verwekt, met eenen heiligen ijver zijns huizes
ontstoken en door hunnen dienst niet alleen het woeden der tyran-
nen bedwongen, maar ook zijne Kerk, wanneer zij met valsche
leeraars te strijden had, tegen hen met middelen ter genezing van
heilige Synoden voorzien, in welke de getrouwe dienstknechten van
Christus mot gezamenlijke gebeden, raad en arbeid kloekmoediglijk
zich hebben gesteld voor de Kerk en waarheid Godes tegen de
knechten des Satans, alhoewel zij zich in engelen des lichts veran-
derden, en hebben het zaad der dwalingen en der tweedracht weg-
genomen, de Kerk in eendracht der reine religie behouden en den
oprechten Godsdienst ongeschonden op de nakomelingen voortgezet.
Met eene gelyke weldaad heeft onze getrouwe Zaligmaker zy\'ne
genadige tegenwoordigheid aan de Kerk van Nederland, die eenige
jaren zeer is verdrukt geweest, in dezen tijd bewezen. Want deze
Kerk, van de tyrannie des Roomschen Antichrists en de schrikke-
lyke afgoderij des Pausdoms door Godes machtige hand verlost en-
in de gevaren van zoo langdurigen oorlog menigmaal wonderbaarlijk
bewaard zijnde, en in eendracht der ware leer en tucht tot lof van
haren God, tot wonderlijken wasdom van het gemeene beste, en
vreugde van de geheele Gereformeerde wereld zeer heerlijk bloeiende,
is van jacobus arminius en zijne navolgers, dragende den naam
van Remonstranten, door verscheidene zoo oude als nieuwe dwa-
lingen eerst heimelijk, daarna openlijk aangevochten, en door erger-
lijke twisten en scheuringen hardnekkig verstoord zijnde, in zoo
groot gevaar gebracht, dat die zeer bloeiende kerken door eenen
. schrikkelijken brand van tweedrachten en verdeeldheden ten laatsten
zoude zijn verteerd geworden, ten ware de ontferming onzes Zalig-
makers ten bekwamen tijd daartusschen ware gekomen. Doch ge-
prezen zy in der eeuwigheid de Heere, dewelke, nadat Hij zyn
aanschijn een oogenblik tyds van ons (die wij op menigerlei wjjze
zijnen toorn en gramschap hadden verwekt) verborgen hadde, voor
de gansche wereld heeft bewezen, dat Hy zyns verbonds niet ver-
geet en het zuchten der zijnen niet veracht. Want als daar nauwe-
lyks eenige hope van herstel naar menschelyk oordeel scheen voor-
-ocr page 176-
135
handen te zyn, heeft Hij aan de Doorluchtige en Hoog-Mogende
Heeren, de Generale Staten der Vereenigde Nederlanden, dit in
het harte gegeven, dat zij, met advies en directie van den Door-
luchtigsten en kloekmoedigsten Prinse van Oranje, besloten hebbende
deze woedende zwarigheden met wettelijke middelen te bejegenen,
welke door de voorbeelden der Apostelen zelve en der christelijke
Kerk na hunnen tijd doorgaans zijn goed gekend, en zelfs ook in
de Kerk van Nederland met groote vrucht vóór dezen gebruikt, en
hebben eene Synode uit al de Provinciën van hun gebied door hunne
autoriteit te Dordrecht bijeengeroepen, nadat zij daartoe van te
voren verzocht en door gunst des Grootmachtigsten Konings jacobus ,
Koning van Groot-Brittannië, enz. en der Doorluchtige Prinsen,
Doorluchtige Graven en machtige Republieken verworven hadden vele
voortreffeiyke Godgeleerde mannen, opdat door gemeen oordeel van
zoovele theologanten der Gereformeerde Kerk de leeringen van ar-
minius en zijne navolgers in zoo eene vermaarde Synode rijpelijk
zouden worden onderzocht en alleen uit Gods Woord geoordeeld,
de ware leer bevestigd, de valsche verworpen, en der Nederlandsche
Kerken eendracht, vrede en rust door Godes zegen wedergebracht.
Over deze weldaad Godes is het, dat de Nederlandsche Kerken zich
verheugen en de getrouwe ontfermingen haars Zaligmakers ootmoedig
bekennen en dankbaar roemen.
Deze Eerwaardige Synode (na voorgaand algemeen vasten en bid-
den door autoriteit der Hooge Overheid in al de Nederlandsche
Keiken tot afbidding van Gods toorn en verwerving van zynen
genadigen bystand uitgeschreven en gehouden) in des Heeren naam
binnen Dordrecht vergaderd zijnde, ontsteken in liefde tot God en
den welstand der Kerk, en wezende na aanroeping van Godes naam
met eenen heiligen eed verplicht van alleen naar het richtsnoer der
H. Schriftuur te oordeelen, en in het onderzoek en oordeel van deze
zaak met eene goede en oprechte conscientie te handelen, heeft
zeer naarstiglijk en met groote lankmoedigheid gearbeid om de voor-
naamste voorstanders dezer leeringen, voor haar geciteerd zijnde
te bewegen, dat zij hun gevoelen van de vijf bekende Hoofdstukken
-ocr page 177-
136
der leer, mitsgaders de redenen van dien volkomenlijk wilden ver-
klaren. Maar als zij het oordeel der Synode verwierpen en op de
vraagstukken, zoo als billijk was, weigerden te antwoorden, en dat
voorts geene vermaningen der Synode, noch resolutiën der Welgc-
boren, Edele Gedeputeerden van de Heeren Generale Staten, ja
zelfs niet de bevelen van de Doorluchtige, Hoog-Mog. Heeren Gene-
rale Staten bij hen iets vorderden, is de Synode genoodzaakt, met
last van hunne Hoog-Mog. en naar de gewoonte der oude Synoden,
eenen anderen weg in te gaan: en is het onderzoek van de voorg.
vijf leerstukken uit de schriften, bekentenissen en verklaringen eens-
deels te voren uitgegeven, anderdeels ook aan deze Synode overge-
leverd, by der hand genomen. Hetwelk alzoo het nu door Godes
bijzondere genade met zeer groote vlyt, getrouwheid, conscientie
en overeenstemming van allen en een iegelijken is voleind, zoo is
het dat deze Synode tot Godes eere, behoudenis van de oprechtig-
heid der zaligmakende waarheid, gerustheid der conscientiën, vrede
en welstand der Nederlandsche kerken, besloten heeft het navolgend
oordeel (waarin het waarachtige en met Godes Woord overeenko-
mende gevoelen van de vyf voorg. leerpunten wordt verklaard, en
het valsche en met Gods Woord strydende verworpen) openlijk uit
tt spreken en eenen iegelyken bekend te maken.
-ocr page 178-
HET EERSTE HOOFDSTUK DER LEER,
NAMELIJK
VAN DE OODDELIJKE VERKIEZING EN VERWERPING.
1.     Aangezien alle menschen in Adam gezondigd hebben, en
des vloeks en eeuwigen doods zijn schuldig geworden, zoo zoude
God niemand ongelijk hebben gedaan, indien Hij het gansche
menschelijke geslacht in de zonde en vervloeking had willen
laten on om de zonde verdoemen, volgons deze woorden van den
Apostel: De geheele wereld in rooi- God verdoemelijk. Zij hebhen
allen gezondigd en derven de heerlijkheid Godx
(Rom. 3 : 19, 23);
en: De bezolding der zonde is de dood (Rom. 6 : 23).
2.     Doch, hierin is de liefde Gods geopenbaard, dat Hij zijnen
eeniggeboren Zoon in de wereld gezonden heeft, opdat een iegelijk
die in Hem gelooft niet verderve
, maar het eeutvige leven hebbe
(1 Joh. 4:9; Joh. 3 : 16).
3.     En opdat de menschen tot het geloof worden gebracht,
zendt Godt goedertierenlijk verkondigers van deze zeer blijde
boodschap tot wien Hij wil, on wanneer Hij wil; door wier dienst
de menschen geroepen worden tot bekeering en hot geloof in
Christus, den gekruisten. Want hoe zullen zij in Hem gelooven,
van wien zij niet gehoord hebben ? en hoe zullen zij hooren, zonder
die hun prediken ? hoe zullen zij prediken, tenzij dat zij gezonden
worden?
(Rom. 10: 14, 15).
4.. Die dit Evangelie niet gelooven, op hen blijft de toorn
Gods: maar die het aannemen en den Zaligmaker Jezus met
een waarachtig en levendig geloof omhelzen, die worden door
Hem van den toorn Gods en van het verderf verlost en met het
eeuwige leven begaafd (Joh. 3 : 36; Mare. 16 : 16).
5. De oorzaak of schuld van dat ongeloof, gelijk ook van alle
andere zonden, is geenszins in God, maar in den mensch. Maar
-ocr page 179-
138
het geloof in Jezus Christus, en de zaligheid door Hem, is eene
genadige gave Gods, gelijk geschreven is: Uit genade zijt gij
zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave
(Efez. 2:8); als ook: Het is u gegeven, in Christus te gelooven
(Pil. I : 29).
6.     Dat God sommigen in den tijd met het geloof begaaft,
sommigen niet begaaft, komt voort van zijn eeuwig besluit. Want
alle zijne werken zijn Hem van eeuwigheid aan bekend
(Hand.
15 : 18), en Hij doet alle dingen naar den raad zijns willens.
(Efez. 1 : 11). Naar welk besluit Hij de harten der uitverkorenen,
hoewel zij hard zijn, genadiglijk vermurwt en buigt om te ge-
looven; maar degenen, die niet zijn verkoren, naar zijn recht-
vaardig oordeel, in hunne boosheid en hardigheid laat. En hier
is het, dat zich ons voornamelijk opdoet die diepe, barmhartige
en t\' samen rechtvaardige onderscheiding der menschen, zijnde
in even gelijken staat des verderfs, of het besluit van verkiezing
en verwerping, in het Woord Gods geopenbaard. Hetwelk, gelijk
als het de verkeerde, onreine en onvaste menschen verdraaien
tot hun verderf, alzoo geeft het der heilige en Godvreezende
zielen eenen onuitsprekelijken troost.
7.     Deze verkiezing is een onyeranderlijk voornemen Gods,
door hetwelk Hij vóór de grondlegging der wereld eene zekere
menigte van menschen, niet beter of waardiger zijnde dan de
anderen, maar in de gemeene ellende met de anderen liggende,
uit het geheele menscheljjk geslacht, van de eerste rechtheid
door hunne eigene schuld vervallen in de zonde en het verderf,
naar het vrije welbehagen zijns willens tot de zaligheid, uit
loutere genade, uitverkoren heeft in Christus, denwelken Hij ook
van eeuwigheid tot een Middelaar en Hoofd van alle uitverkorenen
en tot een fundament der zaligheid gesteld heeft. En opdat zij
door Hem zouden zalig gemaakt worden, heeft Hij ook besloten
hen aan Hem te geven en krachtiglijk tot zijne gemeenschap door
zijn Woord en Geest te roepen en te trekken, of met het ware
geloof in Hem te begaven, te rechtvaardigen, te heiligen, en
in de gemeenschap zjjns Zoons krachtiglijk bewaard zijnde, ten
laatste te verheerlijken, \'ot bewijzing van zijne barmhartigheid,
en ten prijs van de rijkdommen zijner heerlijke genade. Gelijk
geschreven is: God heeft ons uitverkoren in Hem vóór de grond-
legging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn
-ocr page 180-
139
voor Hem in de liefde, die ons te voren verordineerd heeft tot aan-
neming tot kinderen, door Jezus Christus in Hem zelven, naar
het welbehagen zijns willens, tot prijs der heerlijkheid zijner ge-
nade, door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde
(Ef.
1:4, 5, 6); en elders: Die Hij te voren verordineerd heeft, dezen
heeft Hij ook geroepen, en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij
ook gerechtvaardigd, en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft
Hij ook verheerlijkt
(Kom. 8 : 30).
8.    De voorgemelde verkiezing is niet menigerlei, maar eene
en dezelfde van alle degenen die zalig worden, beide in het
oude en nieuwe Testament. Gemerkt ons de Schriftuur een eenig
welbehagen, voornemen en raad van den wil van God voorstelt,
waardoor Hij ons van eeuwigheid heeft verkoren, beide tot de
genade en tot de heerlijkheid, tot de zaligheid en tot den weg
der zaligheid, denwelken Hij bereid heeft opdat wij daarin wan-
delen zouden (Efez. 1:4, 5 en 2 : 10).
9.    Deze zelfde verkiezing is geschied, niet uit het voorgezien
geloof en gehoorzaamheid des geloofs, heiligheid, of eenige an-
dere goede hoedanigheid of geschiktheid, als eene oorzaak of
voorwaarde, te voren vereischt in den mensch die verkoren zou
worden; maar tot het geloof en de gehoorzaamheid des geloofs,
tot heiligheid, enz., en dus is de verkiezing de fontein van alle
zaligmakend goed, waaruit het geloof, de heiligheid en andere
zaligmakende gaven, en eindelijk het eeuwige leven zelf, als
vruchten voortvloeien, naar het getuigenis van den Apostel: Hy
heeft ons uitverkoren
(niet omdat wij waren, maar) opdat wij
zouden zijn heilig en onberispelijk voor Hem in de liefde
(Efez. 1: 4).
10.    De oorzaak van deze genadige verkiezing is het eeuwig
welbehagen Gods, niet daarin bestaande, dat Hij eenige hoeda-
nigheden of werken der menschen uit alle mogelijke voorwaarden
tot eene voorwaarde der zaligheid heeft uitgekozen: maar hierin,
dat Hij eenige zekere personen uit de gemeene menigte der zon-
daren zich tot een eigendom heeft aangenomen, gelijk geschreven
is: Als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of
kwaads gedaan hadden
enz., is tot haar (namelijk Rebekka) gezegd:
de meerdere zal den mindere dienen; geUjk geschreven is: Ik heb
Jakob lief gehad en Ezau gehaat
(Rom. 3 : 11, 12, 13); en: Daar
geloofden er zoo velen, als er ten eeuwigen leven verordineerd waren
(Hand. 13 : 48).
-ocr page 181-
140
11.     En gelijk God zelf\' op hot hoogste wijs, onveranderlijk,
alwetend en almachtig is, zoo kan de verkiezing, van Hem ge-
daan , niet ontdaan en wedergedaan, noch veranderd, noch weder-
roepcn, noch afgebroken, noch de uitverkorenen verworpen, noch
het getal derzelven verminderd worden.
12.     Van deze hunne eeuwige en onveranderlijke verkiezing
ter zaligheid worden de uitverkorenen te zijnen tijd, hoewel bij
verscheidene trappen en met ongelijke mate, verzekerd (2 Kor.
13 : 5). Niet, als zij de verborgenheden on diepten Gods nieuws-
gierig doorzoeken, maar als zij de onfeilbare vruchten der ver-
kiezing, in het Woord van God aangewezen, (als daar zijn: het
waar geloof in Christus, kinderlijke vreeze Gods, droefheid die
naar God is over de zonde, honger en dorst naar de gerechtig-
heid, enz.) in zichzelven met eene geestelijke blijdschap en heilige
vermaking waarnemen.
13.     Uit het gevoel en de verzekerdheid van deze verkiezing,
nemen de kinderen Gods dagelijks meerder oorzaak om zichzelven
voor God te verootmoedigen, de diepte van zijne barmhartigheden
te aanbidden, zichzelven te reinigen, on Hem, die hen eerst zoo
uitnemend heeft lief gehad, wederom vurig te beminnen. Zóó
verre is het van daar, dat zij door deze leer van de verkiezing
en door do overlegging van dezelve in het onderhouden van Gods
geboden vertragen, of vleoschelijk-zorgeloos zouden worden; het-
welk door Gods rechtvaardig oordeel dengenen pleegt te gebeuren,
die, óf zichzelven van de genade der verkiezing lichtvaardiglijk
vermetende, óf ijdel en dartel daarvan klappende, in de wegen
der uitverkorenen niet begceren te wandelen.
14.     Voorts gelijk deze leer van de Goddelijke verkiezing, naar
Gods wijzen raad, door de Profeten, Christus zelf en de Apostelen,
zoowel in het oude als in hot nieuwe Testament, gepredikt is, en
daarna in de Heilige Schriften voorgesteld en nagelaten, alzoo
moet zij ook ten huidigen dage te zijner tijd on plaats in de
Kerke Gods (dewelke zij bij zonderlijk is toegeëigend) voorgesteld
worden, met den geest des onderscheids en Goddelijke eerbieding,
heiliglijk, zonder nieuwsgierige onderzoeking van de wegen des
Allerhoogsten, ter eere van Gods heiligen naam en tot eenen
levendigen troost van zyn volk (Hand. 20 : 27; Rom. 12 : 3 on
Hoofdst. 11 : 33, 34; Hebr. « : 17, 18).
15.     Deze eeuwige en onverdiende genade van onze verkiezing
-ocr page 182-
141
wijst en prijït ons de H. Schriftuur daarmede allermeest aan,
wanneer zij wijders getuigt dat niet alle menschen zjjn verkoren,
maar sommigen niet verkoren, of in Gods eeuwige verkiezing
voorbijgegaan, namelijk die, welke God naar zijn gansch vrij,
rechtvaardig, onberispelijk en onveranderlijk welbehagen besloten
heeft in de gemeene ellende te laten, in dewelke zij zichzelven
door hunne eigene schuld hebben gestort, en met het zaligmakend
geloof en de genade der bekeering niet te begaven, maar hen
in hunne eigene wegen on onder zijn rechtvaardig oordeel ge-
laten zijnde, eindelijk niet alleen om het ongeloof, maar ook om
alle andere zonden, tot verklaring van zijne gerechtigheid, te
verdoemen en eeuwiglijk te straften. En dit is het besluit der
verwerping, hetwelk God geenszins maakt tot eenen Auteur van
de zonde (hetwelk Godslasterlijk is te denken), maar stelt Hem
tot eenen verschrikkelijken, onberispelijken en rechtvaardigen
Richter en Wreker van dezelve.
16. Die het levendig geloof in Christus of het zeker vertrou-
wën des harten, den vrede der conscientie, de betrachting van
de kinderlijke gehoorzaamheid, den roem in God door Christus
in zich nog niet krachtiglijk gevoelen, en nochtans de middelen
gebruiken, door welke God beloofd heeft deze dingen in ons te
werken, die moeten niet mismoedig worden wanneer zij van de
verwerping hooren gewagen, noch zichzelven onder de verwor-
penen rekenen, maar in het waarnomen der middelen vlijtig voort-
. *gaan, naar den tijd van overvloediger genade vurig verlangen,
en dezelve met eerbieding en ootmoodigheid verwachten. Veel
min behooren voor deze leer van de verwerping verschrikt te
worden degenen, die ernstig begoeren zich tot God te bekeeren,
Hem alleen te behagen en van het lichaam des doods verlost te
worden, en nochtans in den weg der godzaligheid on des geloofs
zoo ver nog niet kunnen komen als zij wel willen. Gemerkt de
barmhartige God beloofd heeft, dat Hij het rookende vlas niet
zal uitblusschen en het gekrookte riet niet zal breken. Maar
deze leer is met recht schrikkelijk dengenen, die, God en Christus
den Zaligmaker niet achtende, zichzelven der zorgvuldigheden
der wereld en den wellusten des vleesches geheel hebben over-
gegeven, zoo lang zij zich met ernst tot God niet bekeeren.
17. Nademaal wij van den wil Gods uit zijn Woord moeten
oordeelen, hetwelk getuigt dat de kinderen der geloovigen heilig
-ocr page 183-
142
zijn, niet van nature, maar uit kracht van het genadeverbond,
in hetwelk zij met hunne ouderen begrepen zijn, zoo moeten de
godzalige ouders niet twijfelen aan de verkiezing en zaligheid
hunner kinderen, welke God in hunne kindschheid uit dit leven
wegneemt (Gen. 17 : 7; Hand. 2 : 39; 1 Kor. 7 : 14).
18. Tegen degenen, die over deze genade der onverdiende
verkiezing en strengheid der rechtvaardige verwerping murmu-
reeren, stellen wij deze spreuk des Apostels: O mensch, wie zijt
gij, die tegen God antwoordt?
(Rom. 9 : 20) en deze van onzen
Zaligmaker: Is het mij niet geoorloofd te doen met het mijne wat
ik wil?
(Matth. 20 : 15). Wij daarentegen, deze verborgenheden
met eene Godvruchtige eerbieding aanbiddende, roepen uit met
den Apostel: O diepte des rijkdoms, heide der wijsheid en der
kennis se Gods! Hoe ondoorzoekelijk zijn zijne oordeelen, hoe on-
naspeurlijk zijne wegen! Want wie heeft den zin des Heeren ge-
kend, of wie is zijn raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst
gegeven, en het zal hem vergolden worden? Want alle dingen zijn
uit Hem, en door Hem, en tot Hem; Hem zij de heerlijkheid in
eeuwigheid, Amen
(Rom. 11 : 33).
VERWERPING DER DWALINGEN, DOOR WELKE DE NEDERLANDSCHE
KERKEN EENEN TIJD LANii ZIJN BEROERD GEWORDEN.
De rechtzinnige leer van de verkiezing en verwerping verklaard
zijnde, verwerpt de Synode de dwalingen dergenen
1. Die leeren, dat de wille Gods van zalig te maken degenen,
die zouden gelooven en in het geloof en de gehoorzaamheid des
geloofs volharden, is het gansche en geheele besluit van de Ver-
kiezing ter zaligheid, en dat er niets anders van dit besluit in
het Woord Gods is geopenbaard. Want dezen bedriegen de een-
voudigen, en wederspreken klaarlijk de H. Schriftuur, die getuigt
dat God niet alleen degenen, die gelooven zullen, wil zalig maken,
maar dat Hij ook eenige zekere menschen van eeuwigheid heeft
uitverkoren, welke Hij in den tijd vóór anderen met het geloof
in Christus en met volstandigheid zoude begaven, gelijk geschreven
is: Ik héb uwen naam den menschen geopenbaard, die Gij mij uit
de wereld gegeven hebt
(Joh. 17:6); en: Daar geloofden zoo velen,
als er ten eeuwigen leven verordineerd waren
(Hand. 13 : 18); en:
Hij heeft ons uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat
wij zouden heilig wezen,
enz. (Efez. 1:4).
-ocr page 184-
143
2.    Die leeren, dat de Verkiezing Gods ton eeuwigen leven
velerlei is: eene algemeene en onbepaalde, de andere bijzonder
en bepaald; en dat deze weder óf onvolkomen, wederroepeljjk,
niet zonder weerspraak en voorwaardelijk is, óf volkomen, on-
wederroepelijk, zonder weerspraak en volstrekt. Insgelijks dat
er eene andere verkiezing is tot het geloof, eene andere tot do
zaligheid, alzoo, dat de verkiezing tot het rechtvaardigmakende
geloof kan zijn zonder de beslissende verkiezing ter zaligheid.
Want dit is een gedichtsol van \'s menschen hersenen, buiten de
Schrift versierd, waardoor de leer van de verkiezing verdorven,
en deze gulden keten van onze zaligheid verbroken wordt: Die
hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen, en
die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd, en
die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt
(Rom. 8 : 30).
3.    Die leeren, dat het welbehagen en voornemen Gods, van
hetwelk de H. Schrift in de leer van de Verkiezing gewag maakt,
niet daarin bestaat, dat God eenige bijzondere menschen vóór
anderen heeft uitverkoren, maar daarin, dat God uit alle moge-
lijke voorwaarden (onder welke ook zijn de werken der Wet), of
uit die geheele orde van alle dingen de onedele daad des geloofs
en de onvolmaakte gehoorzaamheid deszelven tot eene voorwaarde
der zaligheid heeft uitgekozen, welke Hij voor eene volkomene
gehoorzaamheid genadiglijk zou hebben willen houden, en der
belooning des eeuwigen levens waardig achten. Want met deze
schadelijke dwaling wordt het welbehagen Gods en de verdienste
van Christus krachteloos gemaakt, en de menschen door onnutte
vragen van de waarheid der genadige rechtvaardigmaking en
van de eenvoudigheid der Schriftuur afgetrokken, en deze spreuk
des Apostels van onwaarheid beschuldigd: God heeft ons geroepen
met eene heilige roeping, niet naar onze werken, maar naar zijn
voornemen en genade, die ons gegeven is \'in Christus Jezus, vóór
de tijden der eeuwen
(2 Tim. 1 : 9).
4.    Die leeren, dat in de verkiezing tot het geloof deze voor-
waarde te voren vereischt wordt dat de mensch het licht der
natuur recht gebruike, vroom zij, klein, nederig en ten eeuwigen
leven geschikt, gelijk alsof aan die dingen de verkiezing eenigs-
zins hinge. Want dit smaakt naar het gevoelen van Pelagius,
en strijdt tegen de leer des Apostels, daar hij schrijft: Wij heb-
-ocr page 185-
144
ben eertijds verkeerd in de begeerlijk/zeden onzes vleesches, doende
den wil des vleesrhes en der gedachten, en wij waren van nature
kinderen des toorns, gelijk ook de anderen; maar God, die rijk
is in barmhartigheid, door zijne groote liefde, waarmede Hij ons
lief gehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft
ons levendig gemaakt met Christus (uit genade zijt gij zalig ge-
worden) en heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in
den Hemel in Christus Jezus, opdat Hij zon befoonen in de toe-
komende eeuwen den uitnemenden rijkdom zijner genade door de
goedertierenheid over ons in Christus Jezus. Want uit genade zijt
gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u: het is Gods
gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme
(Efez. 2:3—9).
5. Die lecron, dat do onvolkoinene en niet beslissende Ver-
kiezing van bijzondere personen ter zaligheid is geschied uit het
voorgezien geloof, bekeeriiig, heiligheid, godzaligheid, die óf
eerst begonnen, óf ook eenen tijd lang geduurd hebben; maar
dat de volkomene en beslissende verkiezing geschied is uit de
voorgeziene eindelijke volharding in het geloof, bekeering, heilig-
heid en godzaligheid; on dat dit is de genadige en evangelische
waardigheid, om welker wil hij, die verkoren wordt, waardiger
is dan hij, die niet verkoren wordt; on dat derhalve het geloof,
de gehoorzaamheid des geloofs, heiligheid, godzaligheid en vol-
harding niet zijn vruchten van de onveranderlijke Verkiezing ter
heerlijkheid, maar dat hot zijn voorwaarden, die te voren ver-
eischt en als volbracht wezonde voorzien zijn in degenen, die
ten volle verkoren zullen worden, en oorzaken, zonder welke do
onveranderlijke verkiezing tor heerlijkheid niet geschiedt. Het-
welk strijdt tegen de geheele Schriftuur, die deze en dergelijke
spreuken in onze ooren en harten doorgaans inscherpt: De ver-
kiezing is niet uit de werken, maar uit den roepende
(Rom. 9 :11
12). Daar geloofden zoo velen, als er ten eeuwigen leven verordi-
neerd waren
(Hand. 13 : 48). Hij heeft ons uitverkoren in Hem,
opdat wij heilig zouden zijn
(Efez 1 : 4). Gij hebt Mij niet uit-
verkoren, maar Ik heb u uitverkoren
(Joh. 15 : 16). Indien het
door genade is, zoo is het niet meer uit de werken
(Rom. 11 : 6).
Hierin is de liefde, niet dat wij God lief gehad hebben, maar dat
Hij ons lief heeft gehad en zijnen Zoon gezonden heeft
(1 Joh. 4 : 10).
G. Die leeren, dat niet alle verkiezing ter zaligheid onveran-
derlijk is, maar dat sommige uitverkorenen, niettegenstaande
-ocr page 186-
145
eenig besluit Gods, kunnen verloren gaan en gaan ook eeuwig
verloren. Met welke grove dwaling zij God veranderlijk maken
en stooten om den troost der godzaligen, dien zij scheppen uit
de vastheid van hunne verkiezing, en wederspreken de Heilige
Schriftuur, welke leert, dat de uitverkorenen niet kunnen verleid
worden
(Matth. 24 : 24); dat Christus degenen, die Hem van zijnen
Vader gegeven zijn, niet verliest
(Joh. 6 : 39), en dat God die
Hij te voren verordineerd, geroepen en gerechtvaardigd heeft, de-
zelven ook heeft verheerlijkt
(Rom. 8 : 30).
7.    Die loeren, dat er in dit leven geene vrucht, noch geen
gevoel is van de onveranderlijke verkiezing ter heerlijkheid; ook
geene zekerheid, dan die hangt aan eene veranderlijke en on-
zekere voorwaarde. Want behalve dat het ongerijmd is te stellen
eene onzekere zekerheid, zoo strijdt dit ook tegen de bevinding
der heiligen, die uit het gevoel van hunne verkiezing zich met
den Apostel verheugen en deze weldaad Gods roemen (Efez. 1);
die volgens Christus vermaning zich met de discipelen verblijden,
dat hunne namen in den hemel geschreven zijn (Luk. 10 : 20);
die ook het gevoel van hunne verkiezing stellen tegen de vurige
pjjlen van de aanvechtingen des duivels, vragende: Wie zal be-
schiddiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods?
(Rom. 8 : 33).
8.    Die leeren, dat God niemand uit zijnen louter rechtvaar-
digcn wil besloten heeft in den val van Adam en in den ge-
meenen stand der zonde en verdoemenis te laten, of in de mede-
deeling van de genade, die tot het geloof en de bekeering noodig
is, voorbij te gaan; want dit staat vast Hij ontfermt zich diens
Hij wil, en verhardt dien Hij wil
(Rom. 9 : 18); en ook dit:
Het is u gegeven de verborgenheden van het koninkrijk der hemelen
te toeten, maar dien is het niet gegeven
(Matth. 13 : 11). Insgelijks:
Ik dank u, Vader! Heer des Hemels en der aarde, dat Gij deze
dingen voor de wijzen en verstandigen vtrborgen hebt, en hebt de-
zelve den kinderen geopenbaard. Ja Vader! want ulzoo is geweest
het welbehagen voor U
(Matth. 11 : 25, 26).
9.    Die leeren, dat de oorzaak, waarom God tot het eene volk
meer dan tot het andere het Evangelie zendt, niet is het louter
en eenig welbehagen Gods, maar omdat het eene volk beter en
waardiger is dan het andere, aan hetwelk het Evangelie niet
wordt medegedeeld. Want dit ontkent Mozes, het Israëlitische
volk dus aansprekende Ziet des Heeren uws Gods is de hemel
i. ï. Symb. Suhr. 2e druk.                                                                10
-ocr page 187-
146
en de hemel der hemelen, de aarde en al wat daarin »\'.s; alleenlijk
heeft de Heer lust gehad aan uwe vaderen om die lief te hebben,
en heeft hun zaai na hen, tdieden, uit alle volken verkoren, gelijk
het te dezen dage is
(Deut. 10 : 14, 15); en Christus, zeggende:
Wee u, Chorazin! wee u, Betsa\'ida! want zoo in Tyrus en Sidon
de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden
zich eertijds in zak en asch bekeerd hebben
(Matth. 11 : 21).
HET TWEEDE HOOFDSTUK DER LEER,
TAN DEM DOOD VAN CHRISTUS, EN DE VERLOSSING DER
HENSCHEN DOOR DENZELVEN.
1.    God is niet alleen ten hoogste barmhartig, maar ook ten
» hoogste rechtvaardig, en zijne gerechtigheid (gelijk Hij zich in
zijn Woord geopenbaard heeft) vereischt, dat onze zonden, tegen
zijne oneindige Majesteit begaan, niet alleen met tijdelijke, maar
ook met eeuwige straffen, beide naar ziel en lichaam, gestraft
worden: welke straffen wij niet kunnen ontgaan, tenzij dat der
gerechtigheid Gods genoeg geschiede.
2.    Maar alzoo wij zelve niet kunnen genoeg doen en ons
van den toorn Gods bevrijden, zoo heeft God uit oneindige barm-
hartigheid zijnen eeniggeboren Zoon ons tot oenen borg gegeven,
die, opdat Hij voor ons zoude genoeg doen, voor ons of in onze
plaats zonde en vervloeking aan het Kruis geworden is.
3.    Deze dood des Zoons Gods is de eenige en volmaakte oife-
rande en genoegdoening voor de zonden; van oneindige kracht
en waardigheid, overvloediglijk genoegzaam tot verzoening van
de zonden der gansche wereld.
4.    En deze dood is daarom van zoo groote kracht en waar-
digheid, omdat de persoon, die denzelven geleden heeft, niet
alleen een waarachtig en volkomen heilig mensch is, maar ook
de eeniggeboren Zoon Gods, van éénzelfde eeuwig en oneindig
wezen met den Vader en den Heiligen Geest, zoodanig als onze
Zaligmaker wezen moest.. Daarenboven, omdat zijn dood is ver-
gezelschapt geweest met het gevoel van den toorn Gods en den
vloek, dien wij door onze zonden verdiend hadden.
5.    Voorts- is de belofte des Evangelies, dat een iegelijk, die
-ocr page 188-
147
in den gekruisten Christus gelooft, niet verderven, maar het
eeuwig leven hebben zal; welke belofte allen volken en menschen,
tot welke God naar zijn welkehagen zijn Evangelie zendt, zonder
onderscheid moet verkondigd en voorgesteld worden, met bevel
van bekeering en geloof.
6.    Doch dat velen, door het Evangelie geroepen zijnde, zich
niet bekeeren, noch in Christus gelooven, maar in ongeloof ver-
gaan , zulks geschiedt niet door gebrek of ongenoegzaamheid van
de offerande van Christus, aan het kruis geofferd, maar door
hunne eigene schuld.
7.    Maar zoo velen als er waarachtig gelooven, en door den
dood van Christus van de zonden en het verderf verlost en be-
houden worden, die genieten deze weldaad alleen uit Gods ge-
nade, hun van eeuwigheid in Christus gegeven, welke genade
Hij niemand schuldig is.
8.    "Want dit is geweest de gansch vrije raad, de genadige
wil en het voornemen Gods des Vaders, dat de levendigmakende
en zaligmakende kracht van den dierbaren dood zijns Zoons zich
uitstrekken zoude tot alle uitverkorenen, om die alleen met het
rechtvaardigmakend geloof te begaven, en door hetzelve onfeil-
baar tot de zaligheid te brengen, dat is God heeft gewild, dat
Christus door het bloed zijns kruises, (waarmede Hij het nieuwe
Verbond bevestigd heeft) uit alle volken, stammen, geslachten
en tongen diegenen allen en alleen krachtiglijk zoude verlossen,
die van eeuwigheid tot de zaligheid verkoren en van den Vader
Hem gegeven zijn; dezelven begaven met het geloof, hetwelk
Hij hun, gelijk ook andere zaligmakende gaven des Heiligen
Geestes, door zijnen dood heeft verworven, en van alle hunne
zonden, zoo de aangeborene als werkelijke, zoo na als vóór het
geloof begaan, door zijn bloed zoude reinigen, tot den einde toe
getrouwelijk bewaren, en ten laatste zonder eenige vlek en rimpel
heerlijk voor Hem stellen.
9.    Deze raad, voortkomende uit de eeuwige liefde Gods tot
de uitverkorenen, is van het begin der wereld tot op dezen tegen-
woordigen tijd, (de poorten der hel zich te vergeefs daar tegen-
stellende) krachtiglijk vervuld geweest, en zal ook voortaan ver-
vuld worden, alzoo dat de uitverkorenen te zijnen tijd tot één
vergaderd zullen worden, en dat er altijd zal zijn eene Kerk der
geloovigen, gefundeerd in het bloed van Christus^dewelke Hem,
10*
-ocr page 189-
148
hunnen Zaligmaker, die voor hen, ais een bruidegom voor zijne
bruid, aan het kruis zijn leven overgegeven heeft, standvastiglijk
beminnen, geduriglijk dienen en hier en in alle eeuwigheid prijzen.
VERWERPING DEK DWALINGEN.
De rechte leer verklaard zijnde, verwerpt de Synode de dwa-
lingen dergenen
1.    Die leeren, dat God de Vader zijnen Zoon tot den dood
des kruises verordineerd heeft zonder zekeren en bepaalden raad
van iemand zekerlijk zalig te maken: alzoo dat de noodzakelijk-
heid, nuttigheid en waardigheid van de verwerving des doods
van Christus wel zoude hebben kunnen bestaan, en in alle deelen
volmaakt, volkomen en in haar geheel blijven, al ware het schoon
dat de verworvene verlossing niet één oenig mensch immermeer
met der daad ware toegeëigend geweest. "Want deze leer strekt
tot versmading van de wijsheid des Vaders en van de verdiensten
van Jezus Christus, en strijdt tegen de Schriftuur, want zoo
zegt onze Zaligmaker: Ik stel mijn leven voor mijne schapen en
hen dezelcen
(Joh. 10 : 15, 27); en de Profeet Jesaja van den
Zaligmaker: Wanneer zijne ziel zich tot een schuldoffer zal gesteld
hebben, zoo zal Hij zaad zien: Hij zal de dagen verlengen en het
welbehagen des Heeren zal door zijne hand gelnkkiglijk voortgaan
(Jes. 53: 10). Eindelijk zij stoot om het artikel des geloofs,
waarmede wij gelooven de algemeene Christelijke Kerk.
2.    Die leeren, dat dit het einde van den dood van Christus
niet geweest is, dat Hij met der daad het nieuwe Verbond der
genade door zijn bloed zoude bevestigen, maar alleen dat Hjj
den Vader een bloot recht zou verwerven om met de menschun
wederom zoodanig verbond als het Hem believen zou, het zij der
genade of der werken, te mogen oprichten. Want zulks strijdt
tegen de Schriftuur, die leert, dat Christus geworden Is Borg en
Middelaar eens beteren,
dat is des nieuwen verbonds (Hebr. 7 : 22),
en dat het Testament in de dooden eerst bevestigd is (Hoofdst.
9 15, 17).
3.    Die leeren, dat Christus door zijne genoegdoening voor
niemand zekerlijk de zaligheid zelve en het geloof, waardoor
deze genoegdoening van Christus tot zaligheid krachtigljjk toe-
geëigend wordt, verdiend heeft, maar alleen voor den Vador
-ocr page 190-
149
verworven heeft de macht of den volkomen wil om op nieuw met
de menschen te handelen, en nieuwe voorwaarden, zulke als Hij
zou willen, voor te schrijven, van dewelke de volbrenging aan
den vrijen wil van den mensch hangen zou: en dat het derhalve
had kunnen geschieden, dat of óf niemand, óf alle menschen die
zouden vervullen. Want dozon gevoelen al te verachtelijk van
den dood van Christus, erkennen geenszins de voornaamste vru<ht
of weldaad, door denzelven verkregen, en brengen wederom uit
de hel hervoort de Pelagiaansche doling.
4.    Die leeren, dat het nieuwe Verbond der genade, dat God
de Vader door de tusschenkomst van den dood van Christus
met de menschen gemaakt heeft, niet daarin bestaat, dat wij
door het geloof, voor zoo veel het de verdiensten van Christus
aanneemt, voor God gerechtvaardigd en zalig gemaakt worden,
maar daarin, dat God, afgeschaft hebbende het afeischen van de
volmaakte gehoorzaamheid der Wet, hot ge\'oof zelf en de ge-
hoorzaamhoid des geloofs, alhoewel onvolmaakt, voor de volmaakte
gehoorzaamheid der Wet rekent, en der belooning des eeuwigen
levens uit genade waardig acht. Want dezen wederspreken de
Schriftuur: Zij wordtn om ni-t gerechtvaardigd uit zijne genade,
door de verlossing, die in Christus Jezus is, welken God voorge-
steld heeft tot eene verzoening, door het geloof, in zijn bloed
(Kom.
3 24, 25), en brengen met den godde\'oozen Socinus voort eene
nieuwe en vreemde rechtvaardigmaking des menschen voor God,
tegen de eendrachtige overeenstemming van de gansche Kerk.
5.    Die leeren, dat alle menschen in den staat der verzoening
en genade des Verbonds zijn aangenomen: alzoo, dat niemand om
de erfzonde de verdoemenis schuldig is of verdoemd zal worden;
maar dat alle menschen van de schuld dezer zonde vrij zijn; want
dit gevoelen strijdt tegen de Schrift, welke zegt, dat wij van
nature kinderen des toorns zijn
(Efez. 2 : 3).
6.    Die het onderscheid tusschen verwerving en toeëigening
daartoe gebruiken, opdat zij den onvoorzichtigen en onervarenen
dit gevoelen mochten inplanten, dat God, zooveel Hem aangaat,
allen menschen die weldaden, die door den dood van Christus
verkregen worden, even gelijk heeft willen mededeelon; maar dat
sommigen do vergeving der zonden en het eeuwige leven deel-
achtig worden, anderen niet, dat zulk onderscheid hangt aan
hunnen vrijen wil, dewelke zich voegt bij de genade, die zonder
-ocr page 191-
150
onderscheid aangeboden wordt, on dat het niet hangt aan die
bijzondere gave der barmhartigheid, die krachtiglijk in hen werkt,
opdat zij zichzelven die genade boren anderen zouden toeëigenen.
Want dezen, zich gelatende alsof zij dit onderscheid in eene
gezonde meening voorstelden, trachten het volk het verderfelijk
venijn van de Pelagiaansche dwalingen in te geven.
7. Die leeren, dat Christus voor diegenen, die God ten hoogste
lief heeft en ton eeuwigen leven verkoren, niet heeft kunnen
noch moeten sterven, ook niet gestorven is, naardien dezulken
den dood van Christus niet noodig hebben; want zij wederspreken
den Apostel, die zegt: Christus heeft mij lief gehad, en heeft
zichzelven voor mij overgegeven
(Gal. 2 . 20). Insgelijks: Wie zal
beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het,
die rechtvaardig maakt. Wie is het, die verdoemt? Christus is
het, die gestorven is
(Eom. 8 : 33, 34), namelijk voor hen; en
den Zaligmaker, die zegt Ik stel mijn leven voor mijne schapen,
en: Dit is mijn gebod, dat gij elkander lief hebt, gelijk ik ulieden
lief gehad heb. Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand
zijn leven zet voor zijne vrienden
(Joh. 10 : 15 en 15 : 12, 13).
HET DERDE EN VIERDE HOOFDSTUK DER LEER,
TAN DES HENSCHEN VERDORVENHEID EN BEKKERING TOT GOD ,
EN DE MANIER DERZELVE.
1.    De mensch is van den beginne naar het beeld Gods ge-
schapen, versierd in zijn verstand met ware en zalige kennis
zijns Scheppers en met andere geestelijke dingen; in zijnen wil
en zijn hart met gerechtigheid; in alle zijne genegenheden met
zuiverheid; en is over zulks geheel heilig geweest: maar door
het ingeven des Duivels en zijnen vrijen wil van God afwijkende,
heeft hij zichzelven van deze uitnemende gaven beroofd, en heeft
daarentegen in de plaats van dien over zich gehaald blindheid,
schrikkelijke duisternis, ijdelheid en verkeerdheid des oordeels in
zijn verstand; boosheid, wederspannigheid en hardigheid in zijnen
wil en zijn hart; mitsgaders ook onzuiverheid in alle zijne ge-
negenheden.
2.    Zoodanig als nu de mensch geweest is na den val, zoo-
danige kinderen heeft hij ook voortgebracht, namelijk hij, ver-
-ocr page 192-
151
dorven zijnde, verdorvene; alzoo dat de verdorvenheid, naar
Gods rechtvaardig oordeel, van Adam op alle zijne nakomelingen
(uitgenomen alleen Christus) gekomen is, niet door navolging,
gelijk eertijds de Pelagianen gedreven hebben, maar door voort-
planting der verdorvene natuur.
3.    Overzulks zoo worden alle menschen in zonden ontvangen
en kinderen des toorns geboren, onbekwaam tot eenig zaligmakend
goed, geneigd tot kwaad, dood in zonden en slaven der zonden,
en willen noch kunnen tot God niet wederkeeren, noch hunne
verdorvene natuur verbeteren, noch zichzelven tot de verbetering
van haar schikken, zonder de genade des wederbarenden Heiligen
Geestes.
4.    "Wel is waar, dat na den val in den mensch eenig licht
der natuur nog overgebleven is, waardooi hij behoudt eenige
kennis van God, van de natuurlijke dingen, van het onderscheid
tusschen hetgeen eerlijk en oneerlijk is, en ook betoont eenige
betrachting tot de deugd en uiterlijke tucht: maar zóó ver is
het van daar, dat de mensch door dit licht der natuur zoude
kunnen komen tot de zaligmakende kennis van God en zich tot
Hem bekeeren, dat hij ook in natuurlijke en burgerlijke zaken
dit licht niet recht gebruikt; ja, veel meer hetzelve, hoedanig
het ook zij, geheel op verscheidene wijze bezoedelt en in onge-
rechtigheid te onder houdt, hetwelk dewijl hij doet, zoo wordt
hem alle onschuld voor God benomen.
5.    Gelijk het met het licht der natuur toegaat, zoo gaat het
ook in dezen toe met de "Wet der Tien geboden, van God door
Mozes den Joden bijzonderlijk gegeven: want nademaal zij de
grootheid der zonde wel ontdekt en den mensch meer en meer
van zijne schuld overtuigt, doch het middel daartegen niet aan-
wijst, noch eenige krachten toebrengt om uit deze ellende te
kunnen geraken, en dat zij alzoo, door het vleesch krank gewor-
den zijnde, den overtreder onder den vloek blijven laat, zoo kan
de mensch daardoor de zaligmakende genade niet verkrijgen.
6.    Hetgene dan noch het licht der natuur, noch de "Wet doen
kan, dat doet God door de kracht des Heiligen Geestes, en door
het Woord of de bediening der verzoening, welke is het Evangelie
van den Messias, waardoor het God behaagd heeft de geloovige
menschen zoo in het oude als nieuwe Testament zalig te maken.
7.    Deze verborgenheid van zijnen wil heeft God in het oude
-ocr page 193-
152
Testament aan weinigen ontdekt, doch in hot nieuwe Testament
(het onderscheid der volkeren nu weggenomen zijnde) heeft Hij
haar aan meer menschen geopenbaard; van welke verscheidene
uitdeelingen de oorzaak niet moet gesteld worden in de waardig-
heid van het eene volk meer dan het andere, of in het beter
gebruik van het licht der natuur, maar in het gansch vrije wei-
behagen en de onverdiende liefde Gods, waarom ook diegenen,
wien buiten, ja, tegen alle verdiensten zoo groot eene genade
geschiedt, haar met een nederig en dankbaar hart moeten erken-
nen; maar in de anderen, wien deze genade niet geschiedt, moeten
zij met den Apostel de strengheid en rechtvaardigheid van Gods
oordeelen aanbidden en die geenszins nieuwsgierig onderzoeken.
8.     Doi-h zoo Telen als er door het Evangelie geroepen wor-
den, die worden ernstiglijk geroepen. "Want God betoont ern-
stighjk en waarachtiglijk in zijn Woord wat Hem aangenaam is,
namelijk dat de geroepenen tot Hem komen: Hij belooft ook met
ernst allen, die tot Hem komen en gelooven, de rust der zielen
en het eeuwige leven.
9.     Dat er velen, door de bediening des Evangelies geroepen
zijnde, niet komen en niet bekeerd worden, daarvan is de schuld
niet in het Evangelie, noch in Christus, door het Evangelie aan-
geboden zijnde, noch in God, die door het Evangelie roept en
zelfs ook dien Hij roept verscheidene gaven mededeelt, maar in
degenen die geroepen worden, van dewelken sommigen zorgeloos
zijnde, het Woord des levens niet aannemen; anderen nemen het
wel aan, maar niet in het binnenste huns harten, en daarom is
het, dat zij na eene verdwijnende blijdschap van het tijdelijk ge-
loof wederom terugwijken; anderen verstikken het zaad des Woords
door de doornen der zorgvuldigheden en wellusten der wereld en
brengen geene vruchten voort: hetwelk onze Zaligmaker leert in
de gelijkenis van het zaad (Matth. 13).
10.     Maar dat anderen, door de bediening des Evangelies ge-
roepen zijnde, komen en bekeerd worden, dat moet men den mensch
niet toeschrijven, als of hij zichzelven door zijnen vrijen wil zou
onderscheiden van anderen, die met even groote of genoegzame
genade tot het geloof en de bekeering voorzien zijn, (hetwelk de
hoovaardige ketterij van Pelagius stelt) maar men moet het
Gode toeschrijven, die, gelijk Hij de zijnen van eeuwigheid uit-
verkoren heeft in Christus, alzoo hen ook in den tijd krach-
-ocr page 194-
153
tigljjk roept, met het geloof en de bekeering begaaft, en uit
de macht der duisternis verlost zijnde tot het rijk zijns Zoons
overbrengt, opdat zij zouden verkondigen de deugden dosgenen,
die hen uit de duisternis tot zijn wonderlijk licht heeft geroepen,
en opdat zij niet in zichzelven, maar in den Heer zoudeu roe-
men, gelijk de apostolische Schriften doorgaans getuigen.
11.     Voorts wanneer God dit zijn welbehagen in de uitver-
korenen uitvoert en de ware bekeering in hen werkt, zoo is
het dat Hij niet alleen het Evangelie hun uiterlijk doet prediken,
en hun verstand krachtiglijk door den Heiligen Geest verlicht,
opdat zij recht zouden verstaan en onderscheiden die dingen, die
des Geestes Gods zijn; maar Hij dringt ook in tot de binnenste
deelen des menschen met de krachtige werking deszelven weder-
barenden Geestes; Hij opent het hart, dat gesloten is; Hij ver-
murwt dat hard is; Hij besnijdt dat onbesneden is. In den wil
stort Hij nieuwe hoedanigheden, en maakt dat dezelfde wil, die
dood was, levend wordt; die boos was, goed wordt; die niet wilde,
nu dadelijk wil; die wederspannig was, gehoorzaam wordt; Hij
beweegt en sterkt dien wil alzoo, dat hij als een goede boom
vruchten van goede werken kan voortbrengen.
12.     En dit is die wedergeboorte, die vernieuwing, nieuwe
schepping, opwekking van de dooden en levendigmaking, waarvan
zoo heerlijk in de Schriftuur gesproken wordt, dewelke God zon-
der ons in ons werkt; en deze wordt in ons niet te weeg gebracht
door middel van de uiterlijke predikatie alleen, noch door aanra-
ding, of zulke manier van werking, dat, wanneer nu God zijn
werk volbracht heeft, het alsdan nog in de macht des menschen
zou staan wedergeboren of niet wedergeboren te worden, bekeerd
of niet bekeerd te worden; maar het is eene gansch bovennatuur-
lijke, eene zeer krachtige, en te gelijk zeer zoete, wonderlijke,
verborgene en onuitsprekelijke werking, dewelke, naar het ge-
tuigenis der Schriftuur, (die van den Auteur van deze werking
is ingegeven) in hare kracht niet minder noch geringer is dan
de schepping of opwekking der dooden; alzoo dat allo diegenen,
in wier harten God op deze wonderbaarlijke wjjze werkt, zeker-
lijk, onfeilbaar en krachtig wedergeboren worden en dadelijk
gelooven. En alsdan wordt de wil, zjjnde nu vernieuwd, niet
alleen van God gedreven en bewogen, maar van God bewogen
zijnde, werkt hij ook zelf: waarom ook te recht gezegd wordt)
-ocr page 195-
154
dat de mensch door de genade, die hij ontvangen heeft, gelooft
en zich bekeert.
13.     De wijze van deze werking kunnen de geloovigen in dit
leven niet volkomen begrijpen; ondertusschen stellen zij zich daarin
gerust, dat zij weten en gevoelen dat zij door deze genade Gods
met het hart gelooven en hunnen Zaligmaker liefhebben.
14.     Zoo is dan het geloof eene gave Gods; niet omdat het
den vrijen wil des menschen van God wordt aangeboden, maar
omdat het den mensch dadelijk wordt medegedeeld, ingegeven
en ingestort; ook niet daarom, dat God de macht alleen om te
gelooven zoude geven, en daarna de toestemming of het dadelijk
gelooven van den vrijen wil des menschen verwachten, maar om-
dat Hij, die daar werkt het willen en volbrengen, ja, alles werkt
in allen, -in den mensch te weeg brengt beide den wil om te
gelooven en het geloof zelf.
15.     Deze genade is God aan niemand schuldig: want wat zoude
Hij schuldig zijn dengenen, die Hem eerst niets geven kan, op-
dat het hem vergolden worde ? Ja, wat zoude God dien schuldig
zijn, die van zichzelven niet anders heeft dan zonde en leugen?
Diegene dan, die deze genade ontvangt, die is Gode alleen daar-
voor eeuwige dankbaarheid schuldig en dankt Hem ook daarvoor;
diegene, die deze genade niet ontvangt, die acht ook deze geeste-
lijke dingen gansch niet en behaagt zichzelven in het zijne, of
zorgeloos zijnde, roemt hij ijdelijk dat hij heeft hetgeen hij niet
heeft. Voorts, van diegenen, die hun geloof uiterlijk belijden en
hun leven beteren, moet men naar het voorbeeld der Apostelen
het beste oordeelen en spreken: want het binnenste des harten is
onbekend. En wat aangaat anderen, die nog niet geroepen zijn,
voor zulken moet men God bidden, die de dingen die niet zijn,
roept alsof zij waren, en moeten ons geenszins tegen dezen ver-
hoovaardigen, alsof wij onszelven onderscheiden hadden.
16.     Doch gelijk de mensch door den val niet heeft opgehou-
den een mensch te zijn, begaafd met verstand en wil, en gelijk
ile zonde, die het gansche menschelijke geslacht heeft doorge-
\'1 rongen, de natuur des menschen niet heeft weggenomen, maar
vordorven en geestelijker wjjze gedood: alzoo werkt ook deze
goddelijke genade der wedergeboorte in de menschen niet als in
stokken en blokken, noch vernietigt den wil en zijne eigenschap-
pen, noch dwingt hen met geweld tegen hunnen dank, maar
-ocr page 196-
155
maakt hen geestelijk levendig, heelt, verbetert en buigt hen te
gelijk liefelijk en krachtiglijk: alzoo dat waar de wederspannighoid
en tegenstand des vleesches te voren ten eenenmale de overhand
had, daar begint nu eene gewillige en oprechte gehoorzaamheid
des geestes de overhand te krijgen, waarin de waarachtige en
geestelijke wederoprichting en vrijheid van onzen wil gelegen is.
En ten ware dat die wonderbaarlijke werkmeester alles goeds in
dezer voege met ons handelde, de mensch zou gansch geene hoop
hebben van uit den val te kunnen opstaan door zijnen vrijen
wil, waardoor hij zichzelven toen hij nog stond in het verderf
heeft gestort.
17. Gelijk ook die almachtige werking Gods, waardoor Hij
dit ons natuurlijk leven voortbrengt en onderhoudt, niet uitsluit,
maar vereischt het gebruik der middelen, door welke God naar
zijne oneindige wijsheid en goedheid deze zijne kracht heeft willen
uitstrekken, alzoo is het ook dat de voorgemelde bovennatuurlijke
werking Gods, waardoor Hij ons wederbaart, geenszins uitsluit
noch omstoot het gebruik des Evangelies, hetwelk de wijze God
tot een zaad der wedergeboorte en eene spijze der zielen veror-
dineerd heeft. Daarom dan, gelijk de Apostelen en de Leeraars,
die hen zijn gevolgd, van deze genade Gods het volk godzalig-
lijk hebben onderricht, Hem ter eere, en tot nederdrukking van
allen hoogmoed des menschen, en ondertusschen nochtans niet
hebben nagelaten hen door heilige vermaningen des Evangelies
te houden onder de oefening des Woords, der Sacramenten en
kerkelijke tucht: alzoo moet het ook nu verre van daar zijn dat
diegenen, die anderen in de gemeente leeren of die geleerd wor-
den, zich zouden vermeten God te verzoeken door het scheiden
dier dingen, die God naar zijn welbehagen heeft gewild dat te
zamen gevoegd zouden blijven; want door de vermaningen wordt
de genade medegedeeld, en hoe dat wij ons ambt vaardiger doen,
hoe dat ook de weldaad Gods, die in ons werkt, zich heerlijker
vertoont, en zijn werk gaat dan allerbest voort. Welken God
alleen toekomt, zoo van wege de middelen als van wege de zalig-
makende vrucht en kracht derzelven, alle heerlijkheid in der
eeuwigheid. Amen!
-ocr page 197-
156
VEBWBKPIXU DEK DWALINGEN.
Do rechtzinnige leer verklaard zijnde, vorworpt de Synode de
dwalingen dergenen
1.     Die leoren, dat men eigenlijk niet zeggen mag, dat de
erfzonde in zichzelve genoegzaam is om het menschelijk geslacht
te verdoemen, of om tijdelijke en eeuwige straffen te verdienen;
want dezen wederspreken den Apostel, die daar zegt De zonde
is door éénen mensch in de wereld ingekomen, en door de zonde
de dood, en alzoo is de dood tot alle menschen doorgegaan, in
welken allen gezondigd hebben
(Rom. 5 : 12); en: De schuld is uit
e\'éne misdaad tot verdoemenis
(Hoofdst. 5 : 16); on: De bezoldiging
di-r zonde is de dood
(Rom. 6 : 23).
2.     Die leeren, dat de geestelijke gaven of de goede hoedanig-
hoden en deugden, als daar zijn: goedheid, heiligheid, rechtvaar-
digheid, in den wil des menschen als hjj eerst geschapen werd
niet konden zijn, en dat zij diensvolgens in zijnen val niet hebben
kunnen gescheiden worden; want zulks strijdt tegen de beschrij-
ving van het ovenbeeld Gods, welke de Apostel stelt Efez. 4:24,
alwaar hij getuigt, dat het bestaat in gerechtigheid en heilig-
heid, welke beide ongetwijfeld in den wil hare plaats hebben.
3.     Die leeren, dat in den geestelijken dood de geestelijke ga-
ven van des menschen wil niet zijn gescheiden, nademaal de wil
in zichzelven nooit is verdorven geweest, maar alloen door de
duisternis des verstands en ongeregeldheid der goneigdheden ver-
hinderd: welke verhinderingen weggenomen zijnde, alsdan de wil
zijne vrjje aangeboren kracht zou in het werk kunnen stellen,
dat is allerlei goed, hetwelk hem voorkomt, uit zichzelven zou /
kunnen willen en verkiezen, of niet willen en niet verkiezen.
Dit is eene nieuwigheid en dwaling en strekt daartoe, dat zij de
krachten van den vrijen wil verheft tegen de spreuk van den
Profeet: Arglistig is het hart meer dan eeriiy ding, ja dooddijk is
hH
(Jer. 17: 9), en des Apostels: Onder dewelke (kinderen der
ongehoorzaamheid) wij ook allen eertijds verkeerd hebben in de be-
geerlijkhedcn onzes vleeschcs, doende den wil des vleesches en der
gedachten
(Efez. 2 : 3).
4.     Die leeren, dat de onherboren mensch niet eigenlijk noch
geheellijk dood is in de zonde, of ontbloot van alle krachten tot
het geestelijk goed, maar dat hij nog kan hongeren en dorsten
-ocr page 198-
157
naar de gerechtigheid en het leven, en offeren eene offerande
eens verslagen en verbroken geestes, die Gode aangenaam is.
Want deze dingen strijden tegen de klare getuigenissen der Schrif-
tuur: Gij waart dood door de zonden en misdaden (Efez. 2:1,5),
en: Al het gedichtsel van de gedachten des harten is ten allen dage
alleenlijk boos
(Gen. 6 : 5 en 8 : 21). Daarenboven, hongeren en
dorsten naar de verlossing uit de ellende en naar het leven, en
Gode eene offerande van eenen gebroken geest opofferen, komt
eigenlijk toe den wedergeborenen en dengenen, die zalig genoemd
worden (Ps. 51 : 19 en Matth. 5 : 6).
5.    Die leeren, dat de verdorvene en natuurlijke mensen, de
gemeene genade (waardoor zij verstaan het licht der natuur) of
de gaven, hem na den val nog overgelaten, zóó wel gebruiken
kan, dat hij door dat goed gebruik eene meerdere, nameljjk do
evangelische of zaligmakende genade en de zaligheid zelve allengs-
kens en bij trappen zoude kunnen bekomen, en dat in dezer
voege God zich van zijne zijde betoont gereed te zijn om Christus
aan alle menschen te openbaren, naardien Hij de middelen, die
tot de kennis van Christus, tot het geloof en tot de bekeering
noodig zijn, genoegzaam en krachtig allen toedient. Want be-
nevens de ervaring van alle tijden betuigt ook de Schriftuur,
dat zulks onwaarachtig is: Hij maakt Jakob zijne woorden be-
kend, Israël zijne inzettingen en zijne rechten. Alzoo heeft Hij
aan geen volk gedaan, en zijne rechten kennen zij niet
(Ps. 147 : 19,
20). God heeft in de verledene tijden alle de Heidenen laten wan-
delen in hunne wegen
(Hand. 14 : 16); en: Zij (te weten Paulus
en de zijnen) werden door den Heiligen Geest verhinderd het Woord
in Azië te spreken, en aan Mysië gekomen zijnde, poogden zij
naar Bithijnië te reizen, en de Geest liet het hun niet toe
(Hand.
16 : 6, 7).
6.    Die leeren, dat in de ware bekeering des menschen geeno
nieuwe hoedanigheden, krachten of gaven in den wil van God
kunnen ingestort worden, en dat over zulks het geloof, waardoor
wij eerst bekeerd worden en waarvan wij geloovigen genoemd
worden, niet is eene hoedanigheid of gave, van God ingestort,
maar alleen eene daad des menschen, en dat het niet anders kan
gezegd worden eene gave te zijn, dan ten aanzien van de macht
om tot hetzelve te komen; want daarmede wederspreken zij do
H. Schriftuur, die getuigt dat God, nieuwe hoedanigheden des
-ocr page 199-
158
geloofs, der gehoorzaamheid en van het gevoel zijner liefde in
onze harten uitstort: Ik zal mijne Wet in hun binnenste geven,
en zal die in hun hart schrijven
(Jor. 31 : 33); en: Ik zal water
gieten op den dorstige, en stroomen op het drooge: Ik zal mijnen
Geest op uw zaad gieten
(Jes. 44 : 3); en: De liefde Gods is in
onze harten uitgestort door den Heiligen Geest, die ons gegeven is
(Rora. 3 : 5). Zulks strijdt ook tegen het gedurig gebruik der
Kerke Gods, dewelke bij den Profeet aldus bidt: Bekeer mij, zoo
zal ik bekeerd zijn
(Jer. 31 : 18).
7.    Die leeren, dat de genade, waardoor wij tot God bekeerd
worden, niet anders is dan eene zachte aanrading, of (gelijk an-
deren dit verklaren) dat dit de alleredelste manier van werking
is in de bekeering des menschen en die best overeenkomt met
de natuur des menschen, welke door aanrading geschiedt, en dat
er niets is waarom deze aanradende genade alleen niet zou ge-
noegzaam zijn om den natuurlijken mensch geestelijk te maken,
ja, dat God niet anders de toestemming van den wil voortbrengt
dan door deze wijze van aanrading, en dat de kracht der God-
delijke werking, waardoor zij de werking des Satans te boven
gaat, hierin bestaat, dat God eeuwige, maar de Satan tijdelijke
goederen belooft. Want dit is gansch Pelagiaansch en strijdig
tegen de geheele H. Schriftuur, dewelke, behalve deze, nog eene
andere en veel krachtiger en Goddelijker manier van werking des
Heiligen Geestes in de bekeering des menschen erkent, gelijk
bij Ezechiël: Ik zal u een nieuw hart geven en zal eenen\' nieuwen
geest geven in het binnenste van u: en Ik zal het steenen hart uit
uw vleesch wegnemen en zal u een vleeschen hart geven
(Hoofdst.
36 : 26).
8.    Die leeren, dat God zulke krachten zijner almogendheid
in de wedergeboorte dos menschen niet gebruikt, waardoor Hij
deszelfs wil krachtiglijk en onfeilbaar zou buigen tot bekeering,
maar dat al de werkingen der genade volbracht zijnde, dewelke
God gebruikt om den mensch te bekeeren, de mensch nochtans
Gode en den H. Geest, wanneer Hij de wedergeboorte deszelven
voorheeft en hem wederbaren wil, alzoo kan wederstaan en
metterdaad ook dikwijls wederstaat, dat hij zijns zelfs .weder-
geboorte ganschelijk belet, en dat het over zulks in zijne eigene
macht blijft wedergeboren te worden of niet. Want dit is anders
niet dan al de kracht van de genade Gods in onze bekeering
-ocr page 200-
159
wegnemen, en de werking des almachtigen Gods den wil des
menschen onderwerpen, en dat tegen de Apostelen, die leeren,
dat wij gelooven naar de werking der sterkte zijner macht (Efez.
1 : 19); en, dat God het welbehagen zijner goedheid en het werk
des geloof» in ons vervult met kracht
(2 Thess. 1 : 11); en, dat
zijne Goddelijke kracht ons alles wat tot het leven en de godzalig-
heid behoort geschonken heeft
(2 Petr. 1:3).
9. Die leeren, dat de genade en de vrije wil gedeeltelijke
oorzaken zijn, die beide te zamen werken het begin van de be-
keering, en dat de genade in orde van werking niet gaat vóór
de werking van den wil; dat is: dat God niet eer den wil des
menschen krachtiglijk helpt tot de bekeering, dan wanneer de
wil des menschen zich zelven beweegt en daartoe bepaalt. Want
de oude Kerk heeft deze leer al overlang in de Pelagianen ver-
oordeeld, uit den Apostel: Zoo is het dan niet desgenen die wil,
noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods
(Rom. 9 :16);
zoo ook: Wie onderscheidt u? en wat hebt gij, dat gij niet hebt
ontvangen
(1 Kor. 4:7)? en: het is God die in u werkt beide het
willen en het werken, naar zijn welbehagen
(Fil. 2 : 13).
HET VIJFDE HOOFDSTUK DER LEER,
VAK DE VOLHARDING DER HEILIGEN.
1.    Die God naar zijn voornemen tot de gemeenschap zijns
Zoons, onzes Heeren Jezus Christus, roept en door den H.
Geest wederbaart, dezelven verlost Hij wel van de heerschappij
en slavernij der zonde, doch Hij verlost hen in dit leven niet
ganschelijk van het vleesch en het lichaam der zonde.
2.    Hieruit spruiten de dagelijksche zonden der zwakheid, en
aan de allerbeste werken der heiligen kleven ook gebreken. Het-
welk hun gestadig oorzaak geeft om zich voor God te veroot-
moedigen, hunne toevlucht tot den gekruisten Christus te nemen,
het vleesch hoe langer hoe meer door den geest des gebeds en
heilige oefeningen der godvruchtigheid te dooden, en naar hot
perk der volmaaktheid te zuchten, totdat zij, van dit lichaam
des doods ontbonden zijnde, met het Lam Gods in de hemelen
zullen regeeren.
3.    Uit oorzaak van deze overblijfselen der inwonende zonde,
-ocr page 201-
160
en ook van wege de aanvechtingen der wereld en des Satans,
zouden de bekeerden in die genade niet kunnen volstandig blijven,
zoo zij aan hunne eigene krachten overgelaten werden, maar
God is getrouw, die hen in de genade, hun eenmaal gegeven,
barmhartiglijk bevestigt en ten einde toe krachtig bewaart.
4. En alhoewel die macht Gods, waardoor Hij de ware ge-
loovigen in de genade bevestigt en bewaart, meerder is dan dat
zij van het vleesch zoude kunnen overwonnen worden, zoo wor-
den nochtans de bekeerden niet altijd alzoo van God geleid en
bewogen, dat zij in sommige bijzondere daden door hunne eigene
schuld van do leiding der genade niet zouden kunnen afwijken,
en van de begeerlijkheden des vleesches verleid worden en die
volgen. Daarom moeten zij gestadiglijk waken en bidden, dat
zij niet in verzoeking geleid worden, hetwelk zoo zij niet doen,
zoo kunnen zij niet alleen van het vleesch, de wereld en den
Satan tot zware en ook gruwelijke zonden weggerukt worden,
maar worden ook inderdaad, door Gods rechtvaardige toelating,
tot dezelve somwijlen weggerukt; gelijk de droevige vallen van
David, Petrus en andere heiligen, die ons in de Schriftuur be-
schrevon zijn, bewijzen.
5.    Met zoodanige grove zonden vertoornen zij God zeer, ver-
vallen in schuld des doods, bedroeven den H. Geest, verbreken
voor eenen tijd de oefening des geloofs, verwonden zwaarlijk hun
geweten, en verliezen somwijlen voor eenen tijd het gevoel der
genade, totdat hun, wanneer zij door ernstige boetvaardigheid
op den weg wederkeeren, het vaderlijk aanschijn Gods op nieuw
verschijnt.
6.     Want God, die rijk is in barmhartigheid, neemt, naar het
onveranderlijk voornemen der verkiezing, den H. Geest van de
zijnen, ook zelfs in droevige vallen, niet geheel weg, noch laat
hen zoo ver niet vervallen, dat zij van de genade der aanneming
en van den staat der rechtvaardigmaking uitvallen, of dat zij
zondigen ter dood of tegen den H. Geest, en van Hem geheel
verlaten zijnde rich zelven in het eeuwig verderf storten.
7.     Want, eerstelijk, in zulke vallen bewaart Hij nog in hen
dit zijn onverderfelijk zaad, waaruit zij wedergeboren zijn, opdat
het niet vorga, noch uitgeworpen worde. Ten anderen, vernieuwt
Hij hen zeker on krachtig door zijn Woord en zijnen Geest tot
bokeering, opdat zij over de bedreven zonden van harte en naar
-ocr page 202-
161
God bedroefd zijn, vergeving in het bloed des Middolaars door
het geloof met een verbroken hart begeeren en verkrijgen, de
genade Gods, die nu met hen verzoend is, wederom gevoelen",
zijne ontferming en trouw aanbidden, en voortaan hunne zalig-
heid met vreeze en beven des te naarstiger werken.
8.    Alzoo bekomen zij dan dit, niet door hunne verdiensten of
krachten, maar uit de genadige barmhartigheid Gods, dat zij
noch ganschelijk van het geloof en de genade uitvallen, noch tot
den einde toe in den val blijven of verloren gaan. Hetwelk,
zoo veel hen aangaat, niet alleen lichtelijk zoude kunnen ge-
schieden, maar ook ongetwijfeld geschieden zoude; doch ten aan-
zien van God kan het ganschelijk niet geschieden, dewijl dat
noch zijn raad veranderd, noch zijne belofte gebroken, noch de
roeping van zijn voornemen wederroepen, noch de verdienste,
voorbidding en bewaring van Christus krachteloos gemaakt, noch
de verzegeling des H. Geestes verijdeld of vernietigd kan worden.
9.    Van deze bewaring der uitverkorenen tot de zaligheid en
van de volharding der ware geloovigen in het geloof kunnen zelfs
de geloovigen verzekerd zijn, en zij zijn het ook naar de mate
des geloofs, waarmede zij zekerlijk gelooven dat zij zijn en altijd
blijven zullen ware en levendige leden der Kerk, dat zij hebben
vergeving der zonden en het eeuwige leven.
10.    En volgens dien spruit deze verzekerdheid niet uit eenige
bijzondere openbaring, zonder of buiten het Woord geschied, maar
uit het geloof der beloften Gods, die Hij in zjjn Woord zeer over-
vloedig tot onzen troost geopenbaard heeft; uit het getuigenis
des H. Geestes, die mede met onzen geest getuigt, dat wij zijn
kinderen en erfgenamen Gods
(Rom. 8:16); eindelijk, uit de
ernstige en heilige betrachting van een goed geweten en van
goede werken. En zoo de uitverkorenen Gods dezen vasten troost
in deze wereld niet hadden dat zij de overwinning behouden
zullen, mitsgaders dit onbedriegehjk pand der eeuwige hoerlijk-
heid, zoo zouden zij wezen de ellendigste van alle menschen.
11.    Ondertusschen getuigt de Schriftuur dat de geloovigen,
in dit leven tegen verscheidene twijfelingen des vleesches strijden,
en in zware aanvechting gesteld zijnde, dit volle betrouwen des
geloofs en zekerheid der volharding niet altijd gevoelen; maar
God, de Vader aller vertroosting, laat hen boven hun vermogen
niet verzocht worden, maar geeft met de verzoeking ook de uitkomst
T. T. Symb. Sohr. 2e dr.                                                                    11
-ocr page 203-
162
(1 Kor. 10 : 13), en wekt in hen de verzekerdheid der volhar-
ding door den H. Geest wederom op.
12.     Doch zóó ver is het van daar, dat deze verzekerdheid der
volharding de ware geloovigen hoovaardig en vleeschelijk zorgeloos
zoude maken, dat zij daarentegen een ware wortel is van nederig-
heid, kinderlijke vreezc, ware godzaligheid, lijdzaamheid in allen
strijd, vurige geheden, standvastigheid in het kruis en in de
belijdenis der waarheid, mitsgaders van vaste blijdschap in God,
en dat de overdenking van die weldaad hun is een prikkel tot
ernstige en gedurige betrachting van dankbaarheid en goede
werken, gelijk uit de getuigenissen der Schriftuur en de voor-
beelden der Heiligen blijkt.
13.     Wanneer ook het vertrouwen der volharding wederom
levendig wordt in degenen, die van den val weder opgericht
worden, zoo brengt dat in hen niet voort eenige dartelheid of
onachtzaamheid der godzaligheid, maar eene veel grootere zorg
om de wegen des Heeren waar te nemen, die van te voren be-
reid zijn opdat zij daarin wandelende de verzekerdheid van
hunne Volharding zouden mogen behouden, en opdat het aan-
schijn des verzoenden Gods (welks aanschouwing den godvruch-
tigen zoeter is dan het leven, en welks verberging bitterder is
dan de dood) om het misbruik van zijne vaderlijke goedertieren-
heid niet wederom afgekeerd worde, en zij alzoo in zwaarder
kwellingen des gemoeds vervallen.
14.     Gelijk het God nu beliefd heeft dit zijn werk der genade
door de prediking des Evangelies in ons te beginnen, alzoo be-
waart, achtervolgt en volbrengt Hij het door het hooren, lezen
en overleggen daarvan, mitsgaders vermaningen, bedreigingen,
beloften en het gebruik der H. Sacramenten.
15.     Deze leer van de volharding der ware geloovigen en
heiligen, mitsgaders van de verzekerdheid dezer volharding, welke
God, tot zijns naams eere en troost der godvruchtige zielen, in
zijn Woord zeer overvloedig geopenbaard heeft en in de harten
der geloovigen indrukt, wordt wel van het vleesch niet begrepen,
en wordt van don Satan gehaat, van de wereld bespot, van de
onervarenen en schijnheiligen misbruikt en van de dwaalgeesten
bestreden, maar de Bruid van Christus heeft haar altijd als eenen
schat van onwasirdeerlijken prijs zeer teederlijk bemind en stand-
vastig verdedigd. Hetwelk dat zij ook voortaan doe, zal God
-ocr page 204-
163
bezorgen, tegen denwelken geen raadt geldt, noch eenig geweld
iets vermag, welken eenigen God, Vader, Zoon en H. Geest,
zij eere en heerlijkheid in eeuwigheid. Amen.
VERWERPING DER DWALINGEN.
De rechte leer verklaard zijde, verwerpt de Synode de dwa-
lingen dergenen
1.     Die leeren, dat de volharding der ware geloovigen niet is
eene vrucht der verkiezing of gave Gods, door den dood van
Christus verworven, maar eene voorwaarde des nieuwen Verbonds,
die de mensch, gelijk zij spreken, vóór zijne beslissende verkie-
zing en rechtvaardigmaking door zijnen vrijen wil moet volbrengen.
Want de H. Schriftuur getuigt, dat zij uit de verkiezing volgt
en door de kracht des doods, der verrijzenis en voorbidding van
Christus den uitverkorenen gegeven wordt. De uitverkorenen
hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden
(Rom.
11 : 7). Insgelijks: Die ook zijnen eigen Zoon niet gespaard heeft,
maar heeft Hem voor ons allen overgegeven: hoe zal Hij ons ook
niet Hem niet alle dingen schenken? Wie zal beschuldiging in-
brengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, die rechtvaardig
maakt. Wie is het, die verdoemt? Christus is het, die gestorven
is; ja, dat meer is, die ook opgewekt is; die ook ter rechterhand
Gods is; die ook voor ons bidt. Wie zal ons scheiden van de
liefde van Christus ?
(Rom. 8 : 32—35).
2.    Die leeren, dat God den geloovigen mensch wel voorziet
met genoegzame krachten om te volharden en bereid is die in
hem te bewaren, zoo hij zijnen plicht doet: doch ook alschoon
nu alle die dingen, die noodig zijn om in het geloof te volharden
en die God gebruiken wil om het geloof te bewaren, in het werk
gesteld zijn, dat het dan nog altijd hangt aan het believen van
den wil, dat hij volharde of niet volharde; want dit gevoelen
begrijpt in zich een openbaar Pelagianisme, en als het de men-
schen wil vrij maken, zoo maakt het hen roovers van Gods eere,
tegen de gedurige overeenstemming der Evangelische leer, die
den mensch alle stof van roemen beneemt en den lof dezer wei-
daad aan de genade Gods alleen toeschrijft, en tegen den Apostel,
die getuigt, dat het God is, die ons tot den einde toe zal beves-
tigen om onstraffélijk te zijn in den dag onzes Heeren Jezus
Christus
(1 Kor. 1:8).
11*
-ocr page 205-
164
3.     Die Ieeren, dat de ware geloovigen en herborenen niet
alleen kunnen van het rechtvaardigmakend geloof, insgelijks van
de genade en zaligheid ganschelijk en eindelijk uitvallen, maar
ook dikwijls metterdaad van haar uitvallen en in der eeuwigheid
verloren gaan. Want deze meening maakt de genade, rechtvaar-
digmaking, wedergeboorte en gedurige bewaring van Christus
krachteloos, tegen de uitgedrukte woorden des Apostels: God
bevestigt zijne liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is
als wij nog zondaars waren; veel meer dan, zijnde nu gerecht-
vaardigd door zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden
van den toorn
(Rom. 5:8, 9); en tegen den Apostel Johannes:
Een iegelij\';, die uit God geboren is, die doet de zonde niet; want
zijn zaad blijft in hem en hij kan niet zondigen, want hij is uit
God geboren
(1 Joh. 3 9); en ook tegen de woorden van Jezus
Christus: Ik geef mijtten schapen het eeuwige leven, en zij zullen
niet verloren gaan in eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit mijne
hand rukken. Mijn Vader, die ze mij gegeven heeft, is meerder
dan allen, en niemand kan ze rukken uit de hand mijns Vaders
(Joh. 10 : 28, 29).
4.     Die Ieeren, dat de ware geloovigen en herborenen kunnen
zondigen de zonde tot den dood of tegen den H. Geest, dewijl
dezelfde Apostel Johannes, nadat hij in het 5. Kap. van zijnen
eersten Zendbrief, vers 16 en 17, van degenen die tot den dood
zondigen gesproken had en verboden voor hen te bidden, ter-
stond in het 18e vers daarbij voegt: Wij weten, dat een iegelijk
die uit God geboren is niet zondigt
(verstaat met zulke zonde),
maar die uit God geboren is bewaart zich zelven en de Booze vat
hem niet
(1 Joh. 5 : 18).
5.     Die Ieeren, dat men geene zekerheid van de toekomende
volharding in dit leven kan hebben zonder bijzondere openbaring.
Want door deze leer wordt de vaste troost der ware geloovigen
in dit leven weggenomen en de twijfelingen dor Pausgezinden in
de Kerk weder ingevoerd: daar de H. Schriftuur deze zekerheid
doorgaans trekt, niet uit eene bijzondere en buitengewone open-
baring, maar uit de eigene merkteekenen der kinderen Gods en
uit de zeer standvastige beloften Gods; inzonderheid de Apostel
Paulus: Geen schepsel kan ons scheiden van de liefde Gods, welke
is in Christus Jezus onzen Heer
(Kom. 8:39); en Johannes: Die
zijne geboden bewaart blijft in Hem en Hij in denzelven; en
-ocr page 206-
165
hieraan kennen wij, dat Hij in on* Mij ft, namelijk uit den Geest,
dien Hij ons heeft gegeven
(1 Joh. 3 : 24).
6.    Die leeren , dat de leer van de verzekerdheid der volhar-
ding en der zaligheid uit haren eigen aard en natuur is een
oorkussen des vleesches, en der godvruchtigheid, goede zeden,
gebeden en andere heilige oefeningen schadelijk, maar daaren-
tegen dat het prijselijk is daaraan te twijfelen. Want dezen be-
toonen dat zjj de kracht der Goddelijke genade en de werking
des inwonenden H. Geestes niet kennen, en wederspreken den
Apostel Johannes, die het tegendeel met uitgedrukte woorden
leert in zijnen eersten Zendbrief: Geliefden! nu zijn wij kinderen
Gods, en het is nog niet ijeopmbaard wat wij zijn zullen; maar
wij weten dat als Hij zal geopenbaard zijn wij Hem zulltn gelijk
wezen, want wij zullen Hem zien gelijk Hij is; en een iegelijk,
die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zich zelven gelijk Hij rein
is
(Joh. 3:2, 3). Daarenboven worden dezen wederlegd door
de voorbeelden der Heiligen, zoo des ouden als des nieuwen
Testaraents, dewelken, alhoewel zij van hunne volharding en
zaligheid zeker waren, nochtans in de gebeden en andere oefe-
ningen der god/.aligheid gedurig zijn geweest.
7.    Die leeren, dat het geloof dergenen, die maar voor eenen
tijd gelooven, van het rechtvaardigmakend geloof niet verschilt
dan alleen in de gedurigheid. Want Christus zelf, Matth. 13 :20
en Luk. 8 : 13 en vervolgens, stelt merkelijk daarbeneven nog
drieërlei onderscheid tusschen degenen, die maar voor eenen tijd
gelooven, en de ware geloovigen, als Hij zegt dat genen het
zaad ontvangen in eene steenachtige aarde, maar dezen in eene
goede aarde of goed hart; dat genen zonder wortel zijn, maar
dezen een vasten wortel hebben; dat genen vruchteloos zijn, maar
dezen hunne vrucht in verscheidene mate met standvastigheid of
volstandigheid voortbrengen.
8.    Die leeren, dat het niet ongerijmd is dat de mensch, zijne
eerste wedergeboorte verloren hebbende, wederom op nieuw, ja
menigmaal wedergeboren worde. Want dezen loochenen door deze
leer de onverderfelijkheid van het zaad Gods, waardoor wij weder-
geboren worden, tegen het getuigenis des Apostels: Die gij wederom
geboren zijt niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad
(1 Petr. 1 : 23).
9.    Die leeren, dat Christus nergens gebeden heeft, dat de
-ocr page 207-
166
geloovigen in het geloof onfeilbaar zouden volharden. Want zij
wederspreken Christus zelven, die zegt: Ik heb voor u gebeden,
Petrus, dat uw geloof niet ophoude
(Luk. 22 : 32), en den Evan-
gelist Johannes, die getuigt dat Christus niet alleen voor de
Apostelen maar ook voor alle degenen, die door hun woord ge-
looven zouden, gebeden heeft: Heilige Voder! bewaar ze in uwen
naam,
en: Ik bid niet dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar
dat Gij hen bewaart van den booze
(Joh. 17: 20, 11, 15).
BESLUIT.
En dit is de naakte, eenvoudige en oprechte verklaring van
de rechtzinnige leer der vijf Artikelen, die in Nederland in ver-
schil zijn, en meteen de verwerping der dolingen, waardoor de
Nederlandsche kerken een tijd land zijn beroerd geweest, welke
verklaring en verwerping de Sypode oordeelt uit den Woorde
Gods te zijn genomen en met de belijdenis der Gereformeerde
Kerken overeen te stemmen; waaruit klaarlijk blijkt dat degenen,
denwelken zulks het minst bestaande, tegen alle waarheid, billijk-
heid en liefde hebben gehandeld, die het volk hebben willen
wijsmaken, „dat de leer der Gereformeerde Kerken van de Pre-
destinatie en de aanklevende hoofdstukken door haren eigen aard
en drijving de harten der menschen van alle godvruchtigheid en
godsdienst afleidt; dat zij een oorkussen is voor het vleesch en
den duivel, en een burg des Satans, waaruit hij allen menschen
lagen legt, het meerendeel van hen verwondt en velen van hen
met de pijlen óf der wanhoop, óf der zorgeloosheid doodelijk
doorschiet. Dat die leer God maakt eenen Auteur der zonde,
onrechtvaardig, een Tiran en Huichelaar, en dat zij niets anders
is dan een vernieuwd Stoïcismus, Manicheïsmus, Libertijnschap
en Turkendom; dat zij de menschen vleeschelijk zorgeloos maakt,
als zich zelven daardoor wijs makende dat het den uitverkorenen
niet kan hinderen aan hunne zaligheid hoe zij ook leven, en zij
daarom allerlei gruwelijke schelmstukken onbekommerd mogen
bedrijven; dat het dengenen die verworpen zijn ter zaligheid
niet kan baten, al ware het dat zij schoon alle de werken der
heiligen waarlijk mochten gedaan hebben; dat daarmede geleerd
wordt, dat God door het bloote en loutere goeddunken van zijnen
wil, zonder eenig opzicht of aanmerking van eenige zonde, het
-ocr page 208-
167
grootste deel der wereld tot de eeuwige verdoemenis voorbeschikt
en geschapen heeft; dat de verwerping op gelijke wijze de oor-
zaak is der ongeloovigheid en goddeloosheid, gelijk de verkiezing
is de fontein en oorzaak des geloofs en der goede werken; dat
vele onnoozele kinderkens der geloovigen van de borsten der
moeders worden afgerukt en tyranniglijk in het helsche vuur
geworpen, alzoo dat hun noch het bloed van Christus baten kan,
noch de Doop, noch het gebed der Kerke bjj hunnen Doop," en
wat dergelijke andere dingen nog veel meer zijn, die de Gerefor-
meerde Kerken niet alleen niet bekennen, maar ook van ganscher
harte met verfoeiing verwerpen.
Daarom, zooveel als ei- den naam onzes Zaligmakers Jezus
Christus godvruchtiglijk aanroepen, dien betuigt deze Synode van
Dordrecht door den naam des Heeren dat zij van het geloof der
Gereformeerde Kerken willen oordeelen, niet uit lasteringen, die
hier en daar uit zamengeraapt zijn, ook niet uit private of bij-
zondere spreuken van sommige, zoo oude als nieuwe Leeraren,
die dikwijls ook ter kwader trouw aangetrokken, of verdorven en
in eenen verkeerden zin verdraaid worden: maar uit de openbare
belijdenissen der Kerken zelve, e» uit deze verklaring der recht-
zinnige leer, die met eendrachtige overeenstemming van allen,
en een ieder lid der geheele Synode bevestigd is.
Daarna vermaant dezelve Synode ook ernstiglijd de lasteraars,
dat zij toezien wat zwaar oordeel Gods zij op zich laden, die
tegen zoovele Kerken en zooveler Kerken belijdenissen valsch ge-
tuigenis spreken, de gewetens der zwakken beroeren, en bij velen
de gemeenschap der ware geloovigen zoeken verdacht te maken.
Ten laatste vermaant deze Synode alle mede-dienaars in het
Evangelie van Christus, dat zij zich in het verhandelen van deze
leer, beide in Scholen en Kerken, godvruchtiglijk en godsdienstig-
lijk gedragen; haar zoowel met de tong als met de pen tot Godes
eer, heiligheid des levens en vertroosting der verslagene gemoe-
deren richten; dat zij met de Schriftuur naar de regelmaat des
geloofs niet alleen gevoelen maar ook spreken; en eindelijk van
alle zulke wijzen van spreken zich onthouden, die de palen van
den rechten zin der H. Schriftuur, ons voorgesteld, te buiten
gaan, en die den dartelen sophisten rechtvaardige oorzaak geven
mochten om de leer der Gereformeerde Kerken te beschimpen
of ook te lasteren.
-ocr page 209-
168
De Zone Gods, Jezus Christus, die ter rechterhand zijns
Vaders zittende den menschen gaven geeft, heilige ons in de
waarheid; brenge diegenen die verdwaald zijn tot do waarheid;
stoppe den lasteraars van de gezonde leer hunne monden, en
begavo de getrouwe dienaars zijns Woords met den Geest der
wijsheid en des onderscheids, opdat alle hunne redenen mogen
gedijen ter eere Gods en tot stichting der toehoorders. Amen.
Onder stond \')
Dat wij alzoo gevoelen en oordeelen, getuigen wij met onder-
teekening onzer handen, en was onderteekend
Johannes Bogermannus, Pastor Ecclesiae Leoverdiensis & Synodi
Praeses. — Jacobus Rolandus, Pastor Ecclesiae Amstelodamensis &
Praesidis Assessor. — Hermannus Faukelius, Pastor Ecclesiae Mid-
delburgensis & Praesidis Assessor. — Sebastianus Damman, Pastor
Ecclesiae Zutphaniensis, & Synodi Sriba. — Festus Hommius, Pastor
Ecclesiae Leydensis & Synodi Scriba.
Uit Groot Brittannië.
Georgius, Episcopus Landavensis. — Joannes Davenautius, Pres-
byter, Doctor ac sacrae Theologiae publicus Professor in Academia
Cantabrigiensi, & Collegii Reginalis ibidem Praeses. — Samuel
Wardus, Presbyter, S. Theologiae Doctor, Arehidiaconus Faunton-
nensis, <fe Collegii Sidneyani in Academia Cantabrigiensi Praefectus. —
Thomas Goadus, Presbyter, S. Theologiae Doctor, Cathedralis Ee-
clesiae Paulinae Londonensis Praecentor. — Gualterus Balcanquallus,
Scoto-Britannus, Presbyter, S. Theologiae Baccalaureus.
Uit de Keurvorstelijke Paltz.
Abrahamus Scultetus, S. Theologiae Doctor & Professor in Aca-
demia Heydelbergensi. — Paulus Tossanus, S. Theologia Doctor,
& Consiliarius in Senatu Ecclesiastico inferioris Palatinatus. — Hen-
ricus Alting, S. Theologiae Doctor, & Professor in Academia Hey-
delbergensi.
Uit Hessen.
Georgius Cruciger, S. Theologiae Doctor, Professor, & pro tem-
pore Rector Academiae Marpurgensis. — Paulus Steinius, Con-
1) De onderteekening van de Leden der Synode in in de authentieke uil-
gave» achter ieder Hoofdstuk gesteld.
-ocr page 210-
169
cionatur Aulicus & S. Theologiac in Collegio Nobilitatis Adelphino
Mauritiano Professor, Cassellis. — Daniël Angelocrator, Ecclesiae
Marpnrgensis Pastor, & vicinarum ad Lanum & Aederam Superin-
tendens. — Rodolphus Goclenius Senior, Philosophiae purioris in
Academia Marpurgensi Antecessor primarius, & nunc Decanus.
Uit Zwitserland.
Joannes Jacobus Breytingerus, Ecclesiae ïigurinae Pastor. —
Marcus Rutiraeyerus, S. Theologiac Doctor & Ecclesiae Bernensis
Minister. — Sebastianus Beckius, SS. Theologiae Doctor & Novi
Testament! Professor in Academia Basileënsi, ibidemque Facultatis
Theologicae Decanus. — Wolgangus Mayerus, SS. Theologiae Doctor,
Ecclesiae Basileënsis Pastor. — Joannes Conradus Kochius, Ecclesiae
Scaphusianae Minister.
Van de Wedderavische Correspondentie.
Johannes Henricus Alstedius, in Illustri Schola Nassovica, quae
est Herbornae, Professor ordinarius. — Georgius Fabricius, Ecclesiae
Windecensis in Comitatu Hannovico Pastor & vicinarum Inspector.
Uit de Stad en Kerk van Geneve.
Joannes Deodatus, in Ecclesia Genevensi Pastor, & in eadem
Schola SS. Theologiae Professor. — Theodorus Tronchinus, divini
verbi Minister in Ecclesia Genevensi, & ibidem SS. Theologiae
Professor.
Uit de Stad en Kerk van Bremen.
Matthias Martinius, lllustris Scholae Bremensis Rector, & in ea
Divinarum litterarum Professor. — Henricus Isselburg, S. Theologiae
Doctor, in Bremensi Ecclesia ad B. Virginis Jesu Chisti servus, <fe
in Schola Novi Testament! Professor. — Ludovicus Crocius, S.
Theologiae Doctor, Ecclesia Bremnnsis ad S. Martini Pastor, & in
Illustri Schola Veteris Testamenti & Philosophiae practicae Professor.
Uit de Stad en Kerk van Emden.
Daniël Bernardus Eilshemius, Emdanae Ecclesiae Pastor Senior. —
Ritzius Lucas Grimershemius, Emdanae Ecclesiae Pastor.
-ocr page 211-
170
De Nederlandsehe Professoren.
Joannes Polyander, SS. Theologiae Doctor atqne in Academia
Leydensi Professor. — Sibraudus Lubbertus, SS. Theologiae Doctor
& Professor in Academia Frisiorum. — Franciscus Gomarus, Sacro-
sanctae Theologia Doctor & Professor in Academia Groeningae &
Omlandiae. — Antonius Tysius, sacrae Theologiae in Illustri Schola
Geldro-Velavica, quae est Hardervici, Professor. — Antonius Wa-
laeus, Pastor Ecclesiae Middelburgensis, & ex ejusdem urbis Illustri
Schola inter Theologos ad Synodum evocatus.
Uit Gelderland en \'t Graafschap Zutphen.
Guilielmus Stephani, SS. Theologiae Doctor & Arnhemiensis Eccle-
siae Pastor. — Ellardus a Mehen, Ecclesiae Hardrovicenae Pastor. —
Johannes Bouillet, Pastor Warnsfeldensis. — Jacobus Verheydeni
Senior Ecclesiae Noviomagensis, & Scholae Rector.
Uit Zuid-Holland.
Balthasar Lydius M. F., Pastor Ecclesiae Dei in urbe Dordrechto. —
Henricus Arnoldi, Ecclesiastes Delphensis. — Giebertus Voetius,
Ecclesiae Heusdanae Pastor. — Arnoldus Musius ab Holy, Baillivus
Suydhollandiae, Senior Ecclesiae Dordrechtanae. — Joannes de Laet,
Senior Ecclesiae Leydensis.
Uit Noord-Holland.
Jacobus Triglandius, Pastor Ecclesiae Amstelodamensis. — Abra-
hamus a Dooreslaer, Pastor Ecclesiae Enchusanae. — Samuel Barthol-
dus, Pastor Ecclesiae Monachodamensis. — Theodorus Heyngius,
Senior Ecclesiae Amstelodamensis. — Dominicus ab Heemskerck,
Senior Ecclesia Amstelodamensis.
Uit Zeeland.
Godefridus Udemannus, Pastor Ecclesiae Ziriczeanae. — Cornelius
Regius, Ecclesiae Goesanae Pastor. — Lambertus de Rycke, Eccle
siae Bergizomianae Pastor. — Josias Vosbergius, Senior Ecclesiae
Middelburgensis. — Adrianus Hofferus, Urbis Ziriczeae Senator, &
Ecclesiae ibidem Senior.
-ocr page 212-
171
Uit de Provincie van Utrecht.                :
Johannes Dibbezius, Pastor Dordracenus, Synodi Orthodoxae Ul-
trajectinae Deputatus. — Arnoldus Oortcampius, Ecclesiae Amers-
fortianae Pastor.
Uit Vriesland.                                     i\'
Florentius Johannis, Jesu Cbristi crucifixi servus in Ecclesia
Snecana. — Philippus Danielis Eilshemius, Pastor Ecclesiae Har-
lingensis. — Kempo Harinxma a Donia, Senior Ecclesiae Leover-
diensis. — Tacitus ab Aysma, Senior Ecclesiae in Buirgirt, Hichtum
& Hartwart.
Uit Overijssel.
Casparus Sibelius, Pastor Ecclesiae Daventriensis. — Hermannus
Wiferding, Ecclesiae Swollanae in Euangelio Christi Minister. —
Hieronymus Vogellius, Hasseltanae Ecclesiae Pastor, tempore depu-
tationis inserviens Ecclesiae Orthodoxae Campensi. — Johannes
Langius, Ecclesiastes Vollenhovianus. — Wilhelmus a Broickhuisen
ten Doerne, tanquam Senior deputatus. — Joannes a Lauwick tan-
quam Senior deputatus.
Uit de stad Groningen en de Ommelanden.
Cornelius Hillenius, servus Jesu Christi in Ecclesia Groningana. —
Georgius Placius, Pastor Ecclesiae Appingadammonensis. — Wolf-
gangus Agricola, Pastor Ecclesiae Bedumanae — Wigboldus Ho-
merus, Ecclesiae Midwoldanae Pastor. — Egbertus Halbes, Eccle-
siae Groninganae Senior. — Joannes Rufelaert, Senior Ecclesiae
Stedumanae.
Uit Drenthe.
Thenio ab Asscheberg, Pastor Ecclesiae Meppelensis. — Patroclus
Romelingius, Pastor Ecclesiae Rhuinensis.
Uit de Waalsche Kerk.
Daniel Colonius, Pastor Ecclesiae Leydensis & Regens Collegii
Gallo-Belgici in Acadcmia Leydensi. — Joannes Crucius, Pastor
Haerlemensis. — Joannes Doucher, Pastor Flissinganus. — Jeremias
-ocr page 213-
172
de Pours, Ecclesiae Gallo-Belgicae Middelburgensis Pastor. — Euerar-
dus Beckerus, Senior Ecclesiae Gallo-Belgicae Middelburgensis. —
Petrus Pontanus, Senior Ecclesiae Amstelodamensis.
Dat dit alles over de vijf gecontroverseerde Hoofdstukken der
Leer alzoo besloten is, getuigen wij, van wege de Hoog-Mog.
Heeren Staten Generaal tot deze Synode gecommitteerd, met
onderteekening van onze handen.
Uit Gelderland.
Martinus Gregoii D. Consiliarius Ducatus Geldriae & Comitatus
Zutphaniae. — Henricus van Essen, Consiliarius Ducatus Geldriae
& Comitatus Zutphaniae.
Uit Holland en West-Vriesland.
Walravus de Brederode. — Hugo Muys van Holy. — Jacobus
Boelius. — Gerardus de Meuburch.
Uit Zeeland.
Symon Scotte, Consiliarius <fe Secretarius Civitatis Middelbur-
gensis. — Jacobus Campe, Ordinum Zeelandiae Consiliarius.
Uit de Provincie van Utrecht.
Fredericus van Zuylen van Nyevelt. — Wilhelmus van Hardevelt.
Uit Vriesland.
Ernestus ab Aylua, Ordinum Frisiae Consiliarius, Orientalis Dou-
griae Grietmannus. — Ernestus ab Harinxma, Consiliarius primarius
in Curia Provinciali Frisiae.
Uit Overijssel.
Henricus Hagen.
Uit de Stad Groningen en de Ommelanden.
Hieronymus Isbrants. I. U. ü. — Edzardus Jacobus Clant a, Stedum.
En
Daniel Heinsius, der Welgeborene en achtbare Heeren Gecommit-
teerdm Secretarius.
-»♦*------
-ocr page 214-
8 E N T E N T I E.
Aangezien dan door Gods genade tot hiertoe de waarheid ver-
klaard en bevestigd is, de doling verworpen en veroordeeld en
de onbilljjke lasteringen afgeweerd zijn: zoo is \'t, dat deze Sy-
nodus van Dordrecht (welke zorg haar voorts nog overig is)
ernstig, op het allerhoogste en volgens de autoriteit, die zij uit
Gods "Woord over alle de leden van hare kerken heeft, in den
naam van Christus bidt, vermaant, verplicht en belast allen en
eenen iegelijken, zoo Dienaars des goddelijken Woords, als Pro-
fessoren, Rectoren, en Meesters van de Akaderaiën en Scholen
in de Vereenigde Nederlanden, ja allen in \'t gemeen, denwelken
of de zorg der zielen, of de onderwijzing der jeugd bevolen is,
dat zij, latende varen de vijf bekende Artikelen der Remonstran-
ten, die op de eene zjjde van de waarheid afwijken, op de andere
zijde anders niet dan schuilholen van dwalingen zijn, deze gezonde
leer der heilzame waarheid, die uit de allerzuiverste fontein des
goddelijken Woords voortgebracht is, oprecht en ongeschonden
naar hun vermogen en ambt bewaren, haar den volke en der
jeugd getrouwelijk en voorzichtiglijk voordragen en uitleggen en
het zeer liefelijk en voordeelig gebruik daarvan, beide in leven en
sterven, naars tiglijk verklaren; dat zjj diegenen, die uit de kudde
verdwaald zijn, die anders gevoelen en door de nieuwigheid der
opiniën weggerukt zijn, door de klaarheid der waarheid zacht-
moediglijk onderwijzen, of God hun ten eenigen tijd bekeering
gave om de waarheid te bekennen, opdat zij, tot beter verstand
gebracht zijnde, met éénen geest, mond, geloof en liefde tot de
Kerke Godes en gemeenschap der heiligen zouden mogen weder-
keeren, en alzoo ten laatste de wond der Kerke worde geheeld
en alle hare leden één hart en ééne ziel zijn mochten in den Heer.
Doch nademaal sommigen, die van ons uitgegaan zijn onder
-ocr page 215-
174
den titel van Remonstranten (welken naam van Remonstranten,
als ook Contra-Remonstranten, de Synodus oordeelt dat in eeuwige
vergeting behoort gebracht te worden) door eigen bedrijf en
raad en met onwettige wijze van doen, met schending van de
tucht en orde der Kerk en verachting van de vermaningen en
het oordeel hunner medebroederen, de zeer bloeiende en in ge-
loof en liefde vereenigde kerken van Nederland in deze stukken
der leer zeer zwaarlijk en zorgelijk hebben beroerd, schadelijke
en oude dwalingen wederom te voorschijn gebracht en nieuwe
gesmeed, die openlijk en heimelijk niet mond en schriften onder
het volk gestrooid en op het hevigste voorgestaan; de leer, die
tot hiertoe in de Kerk was aangenomen, met lasteringen en on-
geschikte smaadredenen zonder mate en einde bezwaard en alles
alom met ergernissen, oneenigheden, ongerust-makingen en be-
roeringen der conscientiën vervuld ; welke zware zonden tegen het
geloof, tegen de liefde, tegen de goede zeden, tegen de eenigheid
en vrede der Kerk, alzoo zij in geen mensch rechtvaardiglijk
geleden kunnen worden en in kerke-dienaren met zware censuur,
ten allen tijde in de Kerk gebruikt, noodzakelijk moeten gestraft
worden. Zoo is het, dat de Synodus, na de aanroeping van den
H. name Gods, uit zijn Woord genoegzaam bewust zijnde van de
macht, die haar toekomt, navolgende ook de voetstappen van
alle wettelijke zoo oude als nieuwe Synoden, en gesterkt zijnde
met de autoriteit der Hoog-Mog. Heeren Staten-Generaal, ver-
klaart en oordeelt dat die Kerke-dienaren, die zich gedragen
hebben als aanleiders van de partijschappen in de Kerk en
leeraars der dwalingen, schuldig en overwonnen zijn van verval-
sching der religie, scheuring van de eenigheid der Kerk en van
zeer zware gegeven ergernissen, en bijzonder die tot deze Synodus
zijn geciteerd geweest, nog daarenboven van onverdragelijke hard-
nekkigheid tegen de resolutiën der Hooge Overheid, in deze
Synodus gepubliceerd, en tegen deze eerwaardige Synode zelve.
Om welke oorzaak de Synodus ten eersten de voornoemde geci-
teerde personen alle kerkelijke diensten verbiedt, hen van hunne
ambten afstelt en ook der Akademische bedieningen onwaardig
oordeelt, tot den tijd toe dat zij door ernstige bekeering, die
met woorden, werken en betrachting van het tegendeel genoeg-
zaam zal bewezen zijn, der Kerke genoeg doen en met haar
waarlijk en ten volle zullen verzoenen en tot hare gemeenschap
-ocr page 216-
175
wederom aangenomen worden. Hetwelk wij tot hunnen beste en
tot vreugde der geheele Kerk ganschelijk in Christus onzen
Heere wenschen.
Maar de anderen, van welke tot deze Nationale Synode de •
kennis niet is gekomen, beveelt zij, naar de gebruikelijke orde,
den Synoden Provinciaal, Classen en Kerkeraden, die met alle
naarstigheid zullen bezorgen dat de Kerk tegenwoordiglijk geene
schade ljjde, noch in het toekomende geene hebbe te vreezen:
alzoo nochtans, dat zij degenen die deze dolingen aanhangen en
volgen door den geest der voorzichtigheid recht onderscheiden;
de hardnekkige roepers, aanrichters van rotterijen en beroerten,
zullen zij met den eersten afzetten van hunne diensten in de
Kerken en Scholen, die tot hunne kennisse en zorge behooren;
welker oorzaken halve zij vermaand worden dat zij zonder ver-
trek, na het ontvangen van het oordeel dezer Nationale Synode,
verkregen hebbende hiertoe consent der Overheid, te zamen komen,
opdat het kwaad door vertraging niet toeneme en versterkt worde.
Maar die uit zwakheid en door de verdorvenheid der tijden zijn
gevallen of verrukt, en die mogelijk in zaken van minder gewicht
twijfelen of ook anders gevoelen, doch stil, zedig, onstraiFelijk
van leven zijn en zich leerzaam stellen, die zullen zij met alle
zachtmoedigheid, diensten der liefde en lijdzaamheid tot ware
en volmaakte eendrachtigheid met de Kerk zoeken te brengen;
doch alzoo, dat zij zich naarstiglijk wachten, dat zij niemand tot
den H. Kerkedienst toelaten, die de leer, in deze Synodale be-
sluiten verklaard, weigert te onderteekenen en te leeren; niemand
ook in deze diensten behouden, door wions werkelijk verschil of
dissensie de leer, in deze Synode met zoo groote eenstemmigheid
bevestigd, gekrenkt en de eendrachtigheid der Kerke-dienaren
en de rust der Kerken wederom mocht worden verstoord.
Daarenboven vermaant deze Eerwaardige Synodus ernstiglijk
alle kerkelijke vergaderingen, dat zij naarstige wacht houden
over de kudden, die haar bevolen zijn; dat zij in tijds zich stellen
tegen alle nieuwigheden, die in de Kerk zouden mogen oprijzen,
en die als onkruid uit den akker des Heeren uitroeien; dat zij
goede acht nemen op de Scholen en de Leeraren in dezelve,
opdat uit bijzondere gevoelens en kwade meeningen, die de jeugd
zouden mogen ingeplant worden, niet wederom eenig verderf
voor de Kerk en de Republiek veroorzaakt worde.
-ocr page 217-
Ten laatsten, gelijk de Synodus de Doorluchtige en Hoog-
mogende Heeren Staten Generaal van de Vereenigde Nederlanden
eerbiediglijk dankt voor dat hunne Hoog-mogenden de bedroefde
en vervallen zaken der Kerke in zoo noodigen en bekwamen tijd
door het middel dezer Synode goedertierenhjk zijn te hulp ge-
komen, de vrome en getrouwe dienstknechten Gods in hunne
bescherming hebben genomen, het pand van alle zegening en der
goddelijke tegenwoordigheid, namelijk de waarheid van Godes
Woord, in de plaatsen huns gebieds heiligljjk en religieuselijk
hebben gehandhaafd, en noch arbeid noch kosten gespaard om
zulk een groot werk te bevorderen en te volbrengen: voor welke
uitnemende weldaden zij hen uit ganscher harte overvloedige
vergelding, geestelijke en tijdelijke, zoo in het gemeen als in
het bjjzonder, van den Heere toewenscht: alzoo bidt zjj dezelve
zeer goedgunstige Heeren ernstiglijk en ootmoediglijk dat hunne
Hoog-Mog. deze heilzame leer, die van de Synodus zeer getrou-
welijk naar het Woord Gods en de overeenstemming der Gerefor-
meerde Kerken uitgedrukt is, alleen en zuiver in hunne landen
openbaarlijk gelieven te doen leeren, alle oprijzende ketterijen
en dolingen weeren; de ongeruste en oproerige geesten bedwin-
gen; zich ook voortaan als ware en goedertieren Voedster-Heeren
en beschermers der Kerk voortvaren te vertoonen; de sententie
over de voornoemde personen, volgens het recht der Kerke, door
dezer Landen Wetten bevestigd, van waarde houden, en de Sy-
nodale besluiten door hunne Autoriteit vast en gedurigljjk doen
onderhouden.
Was onderteekend,
In den naam en door bevel der Synode,
Sebastiamis Damman, Scriba Synodi.
Festus Hommius, Synodi Actuarius.
En nog lager,
Tot getuigenis, dat dit alzoo
gepasseerd is,
DAXIEL HEIN8IUS.
-ocr page 218-
-
APPROBATIE
VAN DE H0OGMOGJCNDE HEEREN, MIJN HEBREN
DE STATEN OENEKAAL.
De Staten Generaal der Vereenigde Nederlanden, Allen dengenen
die deze zullen zien, of lezen, Saluut. Doen te weten, Alzoo wij
tot wegneming van de droevige en schadelijke geschillen en misver-
standen, sedert eenige jaren herwaarts tot groote ondienst van het
Land en onrust van de Kerk gerezen over de vrjf bekende Hoofd-
stukken der Christelijke Leer en het aankleven van dien, volgende
de orde in Godes Kerk en zelfs in de Nederlanden vóór dezen ge-
bruikelijk, goedgevonden hebben binnen de Stad Dordrecht te con-
voceeren een Nationaal Synode van alle de Kerken dezer landen:
en om de voorschr. Synode tot der Landen meesten dienst te doen
celebreeren, tot dezelve met groote moeite en onkosten verzocht en
verkregen vele voortreffelijke, hoog-geleerde en vermaarde uitheemsche
Theologanten van de Gereformeerde Kerken, als uit de onderteeke-
ning der Decreten achter ieder Hoofdstuk van de voorschr. Synode
is te zien: hebbende daarenboven tot goede directie onze Gedepu-
teerden uit de respectieve Provinciën gecommitteerd om de gemelde
vergadering van den beginne tot den einde toe te assisteeren, opdat
alles aldaar in Godes vreeze en met goede orde alleen naar den
regel van Godes heilig Woord, volgende onze goede meening, mocht
worden verhandeld. En de voorschr. Synode nu door Gods gena-
digen zegen met zoo groote eenstemmigheid van alleu en een iege-
lijken, zoo wel uitlandsche als inlandsche, van de voorschr. vijf
Leerpunten en de Leeraars van dien heeft geoordeeld, en met ons
voorweten jen consent op den 6. Mei laatstleden gepromulgeerd de
Decreten en Sententie hiervoren staande. Zoo is het, dat wij om
de vruchten van dit groot en heilig werk, diergelijken nooit vóór
dezen van den aanvang der Reformatie is gezien, de Kerken dezer
landen te doen genieten, en niets meer ter harten nemende dan de
eere van Gods heiligen naam, de behoudenis\' en voortplanting van
de ware Gereformeerde Christelijke Religie (wezende het fondament
-ocr page 219-
178
van den welstand en den band van de eeuigheid der Vereenigde
Nederlanden), mitsgaders de cenigheid, rust en vrede der Kerken,
alsmede de behoudenis van de eenigheid der Kerken dezer Landen
met alle de uitlandsche Gereformeerde Kerken, van dewelke wij ons
niet hebben kunnen noch mogen afzonderen: het voorschr. oordeel
en Sententie der Synode gezien, rijpelijk verstaan, geëxamineerd en
overwogen hebbende, dezelve in alles volkomen hebben gapprobeerd,
gecontinueerd en geratificeerd, Approbeeren, Confirmeeren en Rati-
ficeeren dezelve mits dezen, willende en statueerende, dat geene
andere Leer aangaande de voorschr. Leerpunten in de Kerken dezer
Landen zal worden geleerd of gedreven, als dewelke het voornoemde
oordeel conform is. Ordonnccrcndc en bevelende dien volgende alle
Kerkelijke Vergaderingen, Kerkedienaren, Professoren en Doctoren
in de Heilige Theologie, Regenten van Collegiën, en voorts allen
en een iegelijken, dien dit eenigszins concerneeren of aangaan mag,
zich in het exerceeren van hunne diensten en bedieningen getrouwelijk
en opreehtelijk in alles hiernaar te reguleeren en te gedragen. En
ten einde onze goede intentie in dezen volkomen alommc mag wor-
den nagekomen, ontbieden en bevelen wij de Staten, Stadhouders,
Gecommitteerde Raden en Gedeputeerde Staten van de Provinciën,
respective van Gelderland en Graafschap Zutphen, Holland en West-
vriesland, Zeeland, Utrecht, Vriesland, Overijssel, Stad Groningen
en Ommelanden, en allen Officieren, Rechteren en Justicieren, het
oordeel der Synode voornoemd met het achtervolg van dien te main-
teneeren en doen mainteneeren, zonder dienaangaande eenige ver-
andering te doen of te gcdoogen bij iemand gedaan te worden in
eenige manieren, want wij zulks tot vordering van Godes eere,
welstand van den Staat dezer landen, mitsgaders rust en vrede der
Kerke verstaan te behooren. Gegeven onder onzen Cachette, Para-
phure en Signature van onzen Griffier, in \'s Gravenhage den tweeden
Juli An. 161i>. Was geparapheerd.
A. Ploos, vt
Onder stond
Ter ordonnantie van de Hoog-gemelde
Heeren Staten Generaal
Geteekeud                  C. Aerssen.
En was op \'t spatium opgedrukt \'t voorschr.
Cachet in Rooden Wassche.