-ocr page 1-
*
(
r
GESCHRIFTBN UITGEGEVEN VANWEGE DEN
NEDERLAXDSCHEN PROTESTANTENBOND.
I.
61
@
ONS LEVEN IN GOD
DOOR
i
X
Dr. H. O O R T,
Hoogleeraar te Leiden.
Q)
19
DERDE DRUK.
A
Assen.
L HANSM A.
1904.
0k
-ocr page 2-
r*W oiötfi^
Kast 434
PI. H N».13
J. TE KIEFTE,
BOEKBINDERIJ
UTRECHT.
-ocr page 3-
\' -
-ocr page 4-
-ocr page 5-
ONS LEVEN IN GOD.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
GESCHRIFTEN UITGEGEVEN VANWEGE DEN
NEDERLANDSCHEN PROTESTANTENBOND.
1.
ONS LEVEN IN GOD
DOOR
o -- •
•• -
Dr. H. 0 0 R T,
V.
Hoogleeraar te Leiden.
DERDE DRUK.
Assen.
L. HANSMA.
1904.
-ocr page 8-
-ocr page 9-
VOORREDE.
In 1897 stelde ik eene Geloofsbelijdenis op, die door de „Vereeni-
ging tot verspreiding van stichtelijke blaadjes" bij van Holkema
Je Warendorf te Amsterdam werd uitgegeven. Toen nu de Commissie
vf n den Nederlandschen Protestantenbond die belast was met het
uitgeven en verspreiden van geschriften voor het Nederlandsche volk
over godsdienstige en zedelijke onderwerpen, mij verzocht zulk een
geschrift te leveren, bood ik haar aan, die Geloofsbelijdenis uit te
werken. Zij nam dit aan. Ziedaar de oorsprong van dit boek.
Onder uitwerking dier belijdenis versta ik het volgende. Voor-
eerst toelichting der vragen en der antwoorden door redeneeringea
en voorbeelden. Voorts handhaving van den inhoud tegen beden-
kingen. Eindeljjk aanwijzing van de verhouding dier belijdenis tot
de geestelijke stroomingen van onze omgeving.
Den vorm van vragen en antwoorden heb ik behouden. Het is
waar, hij brengt een gevaar mede ; dit, dat geestverwanten, de toe-
lichting slechts ten halve begrijpend en beamend, zich neerleggen
bjj de slotsom, in de antwoorden uitgesproken, en meenen het na
te weten, tevreden met die waarheden in hun geheugen te kunnen
epbergen, om ze te gebruiken wanneer zij ze behoeven. De sohade
hierdoor wellicht aangericht is onvermijdelijk en betrekkelijk gering.
Er staat eene winst tegenover. Een groot gevaar voor ons innerlgk
leven is dat wij niet omlijnen wat wij voelen en denken, ons tevre-
den stellende met zwevende beelden, vage indrukken, die wij niet
in staat zijn te doen herleven wanneer ze ons het meest te stade
zonden komen, ten dage der smart of der verzoeking. Eene waar»
heid in een passenden vorm gebracht komt ons lichter voor den
geest dan eene redeneering, en de oateohismus-vorm geeft dus een
hou-vast aan hem die zich door het boekske leiden laat.
Deze vorm maakt ook dat ik niet verplicht ben het onderwerp
te behandelen volledig en stelselmatig, zooals het voor geleerden zou
noodig zijn, maar dat ik het mag doen enkel met het oog op de
-ocr page 10-
6
behoeften van denkende tijdgenooten, het eene stuk uitvoeriger dan
het andere, naar den eisch der praktijk.
Het natuurlijk gevolg van het vragen met „gij", en het ant-
woorden met „ik" is, dat ook bij de daarop volgende bespreking
dikwerf de eerste persoon enkelvoud wordt gebruikt, soms vervan-
gen door „wij" of „de mensohen". In die afwisseling ligt geenerlei
bedoeling: het eene deel van dit boek bevat niet meer eene be-
kentenis of belijdenis van den schrijver dan het andere.
(ielijk zioh liet verwachten, heb ik in de vragen en antwoorden
der „Geloofsbelijdenis" veel gewijzigd ; niet omdat mijne zienswijze
in de laatste vier jaren merkbaar veranderd is, maar omdat bij de
uitwerking bleek dat sommige vragen liever moesten gesplitst,
andere vereenigd worden ; eenige antwoorden konden worden ver-
kort, terwijl bij andere uitbreiding verkieslijk was; herhalingen
moesten hier en daar vermeden, enkele leemten aangevuld worden.
Moge deze poging om ons leven in God te beschrijven sommigen
rjjker in Hem maken I
Leiden, Jan. 1902.                                                           H. O.
-ocr page 11-
i. Wat is uw grootste geluk?
Mijn grootste geluk is het zien van God.
Alle menschen zoeken geluk. Zelfs zij die in zieke-
lijken toestand zich zelven kwetsen en pijnlijke wonden
gedurig openrijten doen dit omdat zij óf daarin een
genot vinden, óf meenen zóo een grooter heil te
verdienen dan zij prijsgeven. Hoe moedwillig wij ook
vaak ons eigen geluk verstoren, niemand wil zich
zelven opzettelijk rampzalig maken. Doch zeer ver-
schillend is de aard der vreugde die de menschen
begeeren, en zeer uiteenloopend zijn de wegen waar-
langs zij haar zoeken te verkrijgen. Men zou de
menschen kunnen schatten naar hunne dierbaarste
begeerten, en zij zouden hun eigen oordeel uitspreken
door hun antwoord op de vraag waarin hun grootste
geluk was gelegen — indien dit antwoord slechts
volkomen waar was. Maar wij kennen ons zelven
gebrekkig en zouden ons in ons antwoord licht te
goed of te slecht maken. Anderen beoordeelen ons
somtijds juister dan wij ons zelven doen.
Wij smaken allerlei geluk.
Vooreerst zingenot. Of moeten wij het woord
„geluk" te hoog achten voor lichamelijke geneugten?
Valt niet over een woord, eene onderscheiding makende
die in het spraakgebruik niet leeft, en waarmede wij
toch geen ernst zouden maken. Luidt niet het be-
kende spreekwoord: Gezondheid is de grootste schat
— en wordt daarin niet een ontegenzeglijke waarheid
-ocr page 12-
8
uitgesproken? De grootste schat moge zij niet zijn,
de Satan in het boek Job heeft geen ongelijk wanneer
hij tot Jahwe zegt: Draagt de vrome lijder alles
zonder morren, tast zijn lichaam eens aan, en gij
zult iets anders Kien! Een geregelde, krachtige
bloedsomloop, eene onbelemmerde ademhaling, een
sterk zenuwgestel, eene gezonde spijsvertering, het
vrij gebruik van al onze zintuigen, geenerlei pijn
voelen — wat een geluk ligt daarin! Al wie eene
belangrijke stoornis ondervindt, beseft hoe heerlijk
het is gezond te zijn. En de groote rol die de
wensch naar bevrediging van de zinnelijke neigingen
in der menschen leven speelt toont, hoe hoog zij
die bevrediging stellen.
Vraagt men de menschen, wat naast gezondheid
de meeste waarde heeft, men zal licht hooren: zijn
dagelijksch brood te hebben, liefst wat ruim. En zij
hebben gelijk. Ei, mijn geestelijke vriend, meesmuil
niet, zeggende: Dat behoort toch slechts tot de
dingeti die door de wisseling van het lot worden
gegeven en ontnomen, de tijdelijke gaven waarmee
de mensch rampzalig, waarzonder hij gelukzalig kan
zijn. Volkomen waar. Wees echter niet overgees-
telijk, maar een natuurlijk, oprecht, gezond mensch.
Wanneer geldzorgen nijpen, blijft onze stemming
bezwaarlijk zonnig, en honger is een scherp zwaard,
dat niet alleen het lichaam doorsnijdt, maar ook
liooger leven vaak verstoort. Beneden zeker peil van
welstand kan zedelijkheid noch godsvrucht tieren.
En wie weet niet, welk een bron van geluk eenige
welvaart is? Het is niet alleen dat wij ons behoor-
lijk kunnen voeden en dekken, ook niet dat wij ons
-ocr page 13-
9
allerlei boven het noodige kunnen verschaffen tot
streeling der zinnen, maar den onzen liet hunne te
kunnen geven, onbezorgd te zijn voor den komenden
dag, niet afhankelijker van andere menschen te
wezen dan zij van ons, in staat te zijn onze naasten
bij te staan. Alleen een kortzichtige schimpt op het
geld als het aardsche slijk. Wij zullen de vierde
bede maar niet uit het „Onze Vader" schrappen,
liever recht dankbaar zijn als wij hebben wat wij
behoeven.
Wie meent onverschillig te zijn voor eer bij de
menschen bedriegt zich zei ven zeer. In niet geringe
mate toch verhoogt het ons levensgeluk dat wij te
goeder faam bekend zijn bij hen met wie wij ver-
keeren. Verbeeldt u dat ouders hunne kinderen ver-
boden bij ons aan huis te komen, dat men zich
schaamde in ons gezelschap gezien te worden, dat
met ons bevriend, zelfs bekend te zijn eene beden-
kelijke zaak werd gerekend. Wat een ongeluk! Een
goeden naam te hebben is een zegen.
Nog heel wat meer bronnen van geluk vloeien voor
den mensch. Of is het geen voorrecht iets te weten
van de wereld rondom ons en in ons, iets te begrijpen
van den samenhang der verschijnselen; nog meer —
werkende en denkende, eenigermate te peilen wat
ons onbekend en geheimzinnig was ? Is het geen
genot zijn hart op te halen aan de heerlijkheden der
natuur of aan hetgeen een kunstenaar heeft geschapen
in woorden, tonen, lijnen, kleuren; nog meer — zelf
iets schoons te scheppen? Is het geen bron van
vreugd ons dagelijksch werk te mogen doen, niet
omdat wij er ons brood mee verdienen, maar omdat
-ocr page 14-
10
wij er hart voor hebben en vermaak scheppen in de
vruchten van onzen handen* of liersenarbeid ?
Niet licht zal iemand die de zegeningen welke
wij kunnen genieten optelt een goed „te-huis" vergeten.
In het spreekwoord „Oost, West, Thuis best" wordt
dankbare erkenning van genoten zegen uitgedrukt.
Hetzij men dien als kind ondervindt als echtgenoot
of als bemind huisgenoot, ergens een plaats te hebben
waar men volkomen op zijn gemak is. waar men
zich aangenaam gestreeld voelt door de omgeving,
waar - wij hebben er geen betere uitdrukking voor
dan die welke ons alles zegt — waar men thuis is,
dat is een groot geluk.
Meer nog! Een bron van reine vreugd is het
gedreven worden door de begeerte een goed menscli
te zijn en trouw onzen plicht te vervullen. Niet
tevreden met wat wij te dezen bereikt hebben, steeds
te streven nnar hooger, wanneer die heilige aandrift
in ons is. bezitten wij een bron van frisehheid en kracht.
Hooger op nog! Een leven van teedere, ver-
standige, werkzame liefde te leiden, altijd vervuld te
zijn van den lust om menschen te helpen, op het
hart te dragen de belangen van betrekkingen, vrienden,
zieken, armen, kinderen — dat is heerlijk. Rijk is
het leven van hen die van liefde vervuld zijn. Zelf
bemind te worden moge streelend zijn, anderen te
beminnen maakt nog veel blijder. Is iets hoogers
denkbaar*?
Ja, zeer zeker.
Dat vele der genoemde genietingen slechts een
schraal en vluchtig genot opleveren weet ieder mensch
van eenige levenservaring. Al wat de zinnen streelt
-ocr page 15-
11
voldoet noode eene korte wijle. Wij genieten het
dankbaar, maar een dwaas die er zijn geluk in vindt!
Het bezit van geld en eer laat onze ziel arm; zij
verhongert er bij. Edeler genoegens, die welke onze
ziel raken, maken hen die er vatbaar voor zijn rijker:
met kennis en kunst kan men het lang doen; som-
migeu zijn er levenslang mee tevreden. Doch op den
duur voldoen zij niet. Vroeg of laat komt de ont-
goocheling. Wij weten bitter weinig, stuiten bij na-
denken ras op ondoorgrondelijke raadselen, beseffen
steeds duidelijker dat wij altijd zeer arm in kennis
zullen blijven. De kunstenaar voelt hoe verder hij
komt te dieper zijn onmacht, niet slechts om de hoogste
waarheid uit te drukken, maar zelfs om weer te geven
wat hem voor den geest zweeft. En wat bet ergste
is, reeds voordat de ouderdom het vermogen om te
scheppen, ja om te waardeeren, doet afnemen, maakt
de vraag: Waartoe dient dat alles\'? den geleerde en
den kunstenaar, indien hij er geen antwoord op weet,
ongelukkig.
Maar een leven van liefde dan, gepaard aan de
ernstige begeerte zelf goed te zijn, is dit niet vol-
doende voor ons? Neen, zelfs dit, hoe kostelijk en
zeldzaam ook, zelfs dit nog niet. Wij leggen er geen
nadruk op, hoeveel teleurstellingen deze hooge neigin-
gen hun die er door gedreven worden berokkenen:
ieder kent ze. Niets natuurlijker in een mensch wien
een beeld der zedelijke volkomenheid voor oogen staat
dan de verzucbting: ik ben toch een gebrekkig schep-
sel! En wat het liefdeleven betreft, reeds de ondervin-
ding baart smart dat wij weinig kunnen doen om het
leed onzer medemenschen weg te nemen en hen
-ocr page 16-
12
werkelijk gelukkig te maken. Ook dringt zich, evenals
bij den mensch van kennis en kunst, bij den liefde-
rijke vroeg of laat de vraag op: Waartoe dienen
al mijne pogingen ? en zij wordt niet voldoende be-
antwoord door verwijzing naar de vreugd die men
verschaft en het leed dat men lenigt.
Wat ons — waarin wij ons geluk ook zochten —
vooral doet uitzien naar iets hoogers en beters is het
besef dat elk eindig doel ons onvoldaan moet laten.
Mij zelven in eenigerlei opzicht te volmaken is eene
zaak van hooge beteekenis; maar ten slotte ben ik
toch slechts een gebrekkig schepsel, dat ook bij de
hoogste ontwikkeling een beperkt wezen blijft, en
dat zijn onze medemenschen, ieder voor zich en allen
te zamen, ook. Ja, ook allen te zamen. Zelfs het
werken voor de maatschappij, het menschdom, het
Godsrijk op aarde, is een eindig, beperkt doel. Geen
onzer medemenschen is de toewijding van ons geheele
hart waard; dat zijn zij allen te zamen niet; want
wij zijn geschapen voor het oneindige.
Daarom ligt ons grootste geluk in het zien van
den Oneindige, van God.
-ocr page 17-
2. Wat verstaat gij onder het zien van God?
Onder het zien van God versta ik het leven in
het bewustzijn dat er een oneindig wezen is. waar-
mede ik geestelijk verwant ben en in nauwe betrek-
king sta.
De uitdrukking „God zien" voor het hoogste
geluk is ontleend aan het beroemde woord (Matth.
5:8): Zalig zijn de reinen vanhart; want zij zullen
God zien. Zij is overgenomen uit ettelijke plaatsen
in het Oude Testament, waar den vromen wordt
toegezegd dat zij God zullen aanschouwen (b.v. Job
öo : 2(5). Trouwens, ook bij andere volken dan bij
Israël werd het zien van de goden of van een god
een zeer begeerlijk goed geacht, alleen voor enkele uit-
verkorenen weggelegd. Is dit volkomen verstaanbaar
als men denkt aan goden die met de oogen des
lichaams kunnen waargenomen worden, wanneer men
bij God aan een onzienlijk, geestelijk wezen denkt,
behoeft de uitdrukking toelichting, omschrijving.
Zullen wij ze door eene andere vervangen V Wij
hebben de keus uit verscheidene, door de vromen
van verschillende tijden en volken gebezigd, als:
wandelen voor Gods aangezicht, verkeeren met Hem,
in zijne tent wonen, vol zijn van God, Hem genieten,
leven in Hem. Altemaal beeldsprakige zegswijzen,
die toelichting vereischen. Dit was te verwachten.
Met het woord „God" geven wij weer het aller-
heerlijkste dat wij ons denken kunnen, dat wat alleen
-ocr page 18-
14
aanbiddenswaard is; en hoe zouden wij in staat
zijn het allerhoogste, op welk gebied ook, iets dat,
omdat het het allerhoogste is, met niets vergeleken
kan worden, naar waarheid te omschrijven en onze
betrekking daartoe in woorden uit te drukken? Al
wat wij van God zeggen is en blijft eene zeer ge-
brekkige poging om onder woorden te brengen
waarheden die wel in ons leven, maar wier diepte wij
slechts ten deele peilen.
Eéne uitdrukking voor het hoogste geluk is er
waartegen wij elkaar moeten waarschuwen, het is
deze: het geloof\' in God. Goed verstaan is het
volkomen waar dat een geloovige te zijn het edelste
geluk, ongeloof de bron van het grootste onheil is;
maar meestal wordt dit zeer slecht verstaan. Waar
is het wanneer „gelooven" beteekent: zich overge-
geven hebben, zich wijden aan God, Hem volkomen
vertrouwen. Doch meestal denken wij onwillekeurig
bij „gelooven" aan het koesteren van eene over-
tuiging, het aanhangen van eenige denkbeelden. Aan
die verstandelijke opvatting van het woord „gelooven"
heeft reeds liet Nieuwe Testament schuld, dat op
vele plaatsen (b.v. Hebr. 11 : 1) tot het wezen van
het geloof rekent een voor-waar-houden van bepaalde
denkbeelden over onzienlijke dingen: Gods bestaan
en wezen, de schepping der wereld door Hem, de
betrouwbaarheid zijner beloften en bedreigingen;
terwijl daarnevens het geloof in Jezus Christus, d. i.
mede eene overtuiging aangaande hem, als nood-
zakelijk ter zaligheid wordt aangeprezen. Dit wan-
bègrip heeft in de Christelijke Kerk alle eeuwen door
onnoemelijk veel kwaad gesticht; in het Protestan-
-ocr page 19-
K)
tisme nog meer dan in de Roonische Kerk. Hier
toch was en is wel de belijdenis dat men de leer dor
Kerk als de ware erkent de onmisbare voorwaarde
om tot de sacramenten toegelaten te worden en het
hemelsche heil te beërven, maar onder de Profestan-
ten wordt aan het bezit der ware leer vaak zooveel
waarde gehecht, dat het den schijn heeft alsof\' dit
reeds op zich zelf het hoogste geluk is. Zoo wordt
het godsdienstig leven dor.
Vraagt men, of niet aan alle verkeer met God
een denkbeeld over Hem, bewust of onbewust, ten
grondslag ligt, dan is dit zeker te beamen. Doch dit
sluit niet in zich dat wij altijd weten wat i:i oiis
omgaat. Wij loopen groot gevaar in onze belijdenis
61\' ver te blijven beneden onze gezindheid en ons
gevoel — dan zijn wij beter dan onze leer, óf heer-
lijke waarheden te belijden die niet inderdaad in ons
leven — dan is onze leer beter dan wij zijn en ver-
beelden wij ons slechts God te bezitten.
Daarom spreek ik niet bij voorkeur van „gelooven
in God", al kunnen wij de uitdrukking gebruiken,
maar bezig liever woorden die wijzen op eene richting
der ziel, eene gezindheid, eene stemming ; en wanneer
wij trachten bij benadering weer te geven, welke
opvatting van Gods wezen en werk daarin ondersteld
wordt, moeten wij steeds bereid zijn die denkbeelden
voor betere te verwisselen, daar wij innig overtuigd
zijn, hoe gebrekkig al onze pogingen zijn om geeste-
lijke dingen onder woorden te brengen.
Wanneer ik zeg dat ik met God verwant ben
of met Hem in nauwe betrekking sta, dan duid ik
daarmede aan dat God niet een wezen is dat buiten
-ocr page 20-
16
mij staat, uit de verte mijn lot bestiert en mij bevelen
geeft, maar dat Hij het licht mijner ziel, mijn leven
is. Mijn leven, ja; ons eigenlijke, ware leven toch is
niet dat hetwelk wij leiden door adem te halen en
ons te voeden; reeds dat hetwelk wij leiden door
denken, voelen, liefhebben, al wat goed is najagen
raakt veel meer onze persoon lij klieid ; welnu, dat
alles, dat denken, dat voelen, dat liefhebben, die
zucht tot zelfvolmaking, geheiligd en samengeknoopt
door ons bewustzijn „godskinderen" te zijn, bestemd
voor wat oneindig en eeuwig is, dat is ons leven in
God, of, wat hetzelfde is, Gods leven in ons.
Om dit zoo goed mogelijk weer te geven, heeft
men wel eens God „het ideaal" genoemd. Het zij
zoo ! Indien men onder dit woord slechts niet ver-
staat het beeld van menschelijke volkomenheid dat
wij ons vormen, en dat alleen bestaat voor zoover
wij het vormen, dat dus min of meer edel wordt
naarmate wij dalen of rijzen, ja, dat met ons wordt
en vergaat. Neen. Is God het ideaal, dat ideaal
wordt niet door ons gemaakt, maar integendeel, het
trekt, grijpt, vormt, i. é. w. maakt ons. God bestaat
en werkt onafhankelijk van onzen wil of onwil, ons
vermogen of onvermogen om met Hem te leven. Wel
verre van vrucht der verbeelding, ook der zuiverste
en heiligste verbeelding, te zijn, is God het aller-
wezenlijkste dat bestaat; waartegenover de geheele
stoffelijke wereld waarin wij verkeeren slechts schijn
is; Hij is het ware leven van ons en van de geheele
wereld. In dien zin zijn wij ,van Gods geslacht".
-ocr page 21-
3- Wat houdt het in, God den Oneindige te noemen ?
Als ik God den Oneindige noem, dan bedoel ik
daarmede dat Hij, door tijd noch ruimte omschreven,
de eenige is in hemel of op aarde waaraan ik mij
geheel wijden kan.
Niets is natuurlijker dan dat de menschen, zich
afhankelijk gevoelende van hoogere machten, geneigd
daarvoor te vreezen of daarop te vertrouwen, zich die
machten voorstellen als eindig, gebonden aan bepaalde
plaatsen, beperkt in vermogen, onderhevig aan men-
schelijke aandoeningen, vergankelijk zelfs. Zeg aan
een kind dat God niet op eene bepaalde plaats woont
en geen lichaam heeft, en het komt dra tot het besluit:
dan is God .... niets. En ook wij, die hebben
leeren nadenken over dergelijke dingen, wij moeten
erkennen dat woorden als eeuwig en alomtegenwoordig
voor ons grootendeels klanken zijn, en wij ons van
een oneindig wezen hoegenaamd geen denkbeeld kun nen
maken. Wij zeggen met die woorden wel wat God
niet is, maar zijn wezen, ook bij benadering, beschrij-
ven dat doen wij daarmede niet; dat kunnen wij
niet doen, omdat ons denkvermogen zoover niet reikt.
Toch hebbeu onder allerlei volken reeds eeuwen
vóór Chr. de vroomste en diepst denkende menschen
getracht zich te verheffen tot het denkbeeld: mijn
God is de Eenige; er is slechts één God, die alles
omvat en alles doet, dus de alleen aanbiddenswaardige
is. Kostte het zelfs dien voortreffelijksten menschen
veel moeite deze opvatting te veroveren, vast te houden,
2
-ocr page 22-
18
zoo goed zij konden onder woorden te brengen, aan
te bevelen, geen wonder dat de meesten hen niet
konden volgen, en het nog niet kunnen. Al belijden
het Jodendom, de Islam en het Christendom dat er
slechts één God is, in het Christendom vooral is het
er zeer verre vandaan dat met die belijdenis ernst
gemaakt wordt.
De Roornsch-katholieke Kerk predikt de eenig-
heid Gods, maar beveelt nevens den Oneindige vele
goddelijke wezens haren leden ter vereering aan.
In haar hemel troont Maria „de Moeder Gods", die
als voorspraak bij haar Zoon groote macht oefent
en nooit vergeefs wordt aangeroepen, en nevens haar
tal van Heiligen, mannen en vrouwen, wier aantal
op het machtwoord van den paus nog steeds toeneemt,
en die de eerbiedige hulde welke zij van de geloovigen
ontvangen niet onbeloond laten: hunne voorbede werkt
bij God veel uit. Dit veelgodendom wordt door de
onderscheiding van „aanbidding", die alleen aan God
toekomt, en „vereering", die aan Maria en de Heiligen
ten deel valt, niet dan in naam bedekt.
Kleine goden worden door kleine middelen gediend;
zoo komt het dat allerlei uitwendige handelingen met
die heiligenvereering eene groote plaats in het gods-
dienstig leven der Roomsch-katholieken innemen; de
Oneindige is niet gediend met waskaarsen, geschenken
en tal van gebeden, maar Maria en de Heiligen ver-
leenen daarvoor wel hun bijstand.
Geërgerd door die schromelijke krenking van Gods
eer, keeren zich de Protestanten met verontwaardiging
van dat alles af; maar daarmede zijn zij nog niet
in staat zich te houden aan het grootsche denkbeeld
-ocr page 23-
19
der oneindigheid en eenigheid Gods. Hieraan doet
onder hen, evenals in Rome\'s Kerk, de Christusver-
eering grooten afbreuk. Zij is zeer oud. Reeds in
de boeken des N. T.s, waar aan Jezus vanNazareth
eeretitels gegeven en eigenschappen toegekend worden
die het menschelijke ver te boven gaan, is de grondslag
voor zijne vergoding gelegd. Was het Jodendom hiervan
af keerig, in de heiden wereld, aan allerlei veelgodendom
gewoon, vond zij geen tegenstand. Integendeel. De
godsdienstige behoeften der vroomste en diepst door-
denkende menschen vonden geen bevrediging in de
vereering van den God der Joden of van den een of
anderen God der heidenen, al werd hij met den
naam van „den Allerhoogste" getooid: hij bleef een
wetgever, die uit de verte beloonend en straffend
regeerde; en zij vroegen een God van nabij, een die
medegevoel had met de zwakke, lijdende, zondigende
menschen ; zij vroegen om een redder, en dien vonden
zij in Jezus. Hiermede nog niet voldaan, zochten zij
naar een God die voortdurend zorgde voor zijne
uitverkorenen, die in hen leefde en werkte, en zij
vonden dien in den Heiligen Geest, den raadsman
der vromen, eigenlijk God zelf voor zoover Hij
woonde in hun hart. Dientengevolge ontstond in de
eerste eeuwen van onze jaartelling het leerstuk der
Drieëenheid of Drievuldigheid. Dit houdt in: er is
slechts één God, waarin drie personen zijn, de Vader,
de Zoon en de Heilige Geest, welke drie onderschei-
den zijn, niet in naam maar inderdaad en van
eeuwigheid, alle drie God, terwijl er toch slechts één
God is. Uit zielsbehoefte en denken geboren, heeft
dit leerstuk aan veler behoeften voldaan en is van
-ocr page 24-
20
harte aangehangen, hoe wonderlijk en tegenstrijdig
het moge zijn. Bij zeer vele Protestanten treedt liet
echter gaandeweg op den achtergrond, terwijl er van
overblijft eene hooge vereering van Jezus Christus,
feitelijk vaak die van den Oneindige verdringend.
Niet toevallig dus, niet door menschelijke wille-
keur, heeft de Christusvereering zulk eene gioote
plaats in het godsdienstig leven der Kerk verkregen;
en evenals de huldiging van Maria en de Heiligen
tijdelijk voldoet aan de geestelijke behoeften van
Roomsch-katholieken, zoo is de Christusdienst naar
het hart van vele Protestanten. Zoowel met de ver-
eering van Maria en de Heiligen als met die van
den Christus kunnen goede, troostrijke en heiligende
gewaarwordingen gepaard gaan. Maar ook de Cbris-
tusvereering heeft schadelijke gevolgen. Het is toch
niet de kloeke verkondiger der waarheid, de strijder
voor Gods eer, dien men tot zijn God maakt, maar
bij voorkeur de zondaarsvriend, de lijder voor Gods
zaak, „het lam Gods dat de zonden der wereld weg-
neemt", en hiermee hangt eene weeke, zoetelijke
neiging des harten nauw samen.
Reeds wanneer wij denken aan den Oneindige,
beseffen wij duidelijk, hoe moeilijk het is mensch-
vormige voorstellingen te weren, neen, hoe wij zonder
het te willen, omdat wij het niet laten kunnen, van
Hem ons denkbeelden vormen die voor Hem te
gering zijn. En dit beseffen wij nog dieper als wij
trachten onder woorden te brengen wat wij gevoelen
vooi\' Hem. Spreken wij niet van zijn toorn, zijn
liefde? Kennen wij Hem daarmede niet deugden,
eigenschappen toe, alsof Hij een beperkt wezen was?
-ocr page 25-
21
Bidden wij Hem niet om zijn heiligen geest, alsof
Hij zelf niet in ons woont, maar Hij zijn geest buiten
zich uitzendt? Wanneer wij ons trachten te ver-
heffen tot God, te verkeeren met Hem, dan is zijne
oneindigheid voor die gemeenschap een bezwaar, dat
wij met moeite overwinnen. Wij begrijpen, dat som-
mige menschen hen benijden die hun god of hunne
goden zooveel dichter bij zich hebben, omdat die
goden zooveel eindiger, kleiner wezens zijn. Maar
elke afgoderij brengt schade aan. Ook die welke
vroom en innig is. Geen schepsel sta tusschen ons
en God! Plet grootste geluk is te vinden in het ver-
keer met Hem, met Hem alleen.
-ocr page 26-
4- Hoe openbaart zich God aan U?
Daar God geest is, kan Hij door geen onzer
zintuigen waargenomen worden en openbaart Hij
zijn wil en gezindheid uitsluitend aan onzen geest.
Waar men eindige wezens, hetzij onder den naam
van Goden, hetzij onder dien van Heiligen, veroertr
gelooft men uit den aard der zaak ook dat zij zich
in lichamelijke gedaante aan de menschen vertoon en
kunnen, en dezen met de ooren des lichaams hun
stem kunnen vernemen. Hoe verhevener de denk-
beelden over de godheid worden, des te bezwaarlijker
wordt het dit aan te nemen. Men gelooft dan, dat
het voorrecht haar te aanschouwen slechts aan eenige
uitverkorenen ten deel valt, dat het gevaarlijk is een
god te zien, zelfs dat sterft wie God ziet, dat men
Gods gedaante niet zien, maar wel zijne stem hooren
kan ; totdat men, in God den Oneindige aanbiddende,
dit alles voor ongerijmd verklaart en al wat verteld
wordt van menschen die God met de oogen gezien
en van aangezicht tot aangezicht met Hem gesproken
hebben voor fabelen houdt.
Onder Christenen bestaat het geloof dat men
God zelven met de zintuigen waarnemen kan niet
meer; maar de meening der Roomsch-katholieken
dat Maria of de Heiligen aan de geloovigen kunnen
verschijnen, en die der spiritisten, dat men door
zinlijke middelen zich in betrekking kan stellen met
geesten van afgestorvenen, hangen er nauw mee
samen, zijn er een overblijfsel of herleving van.
-ocr page 27-
23
Inmiddels kon en kan geen godsdienstig mensen
nalaten zich het goddelijke, dat wat hij aanbidt, zoo
goed hij kan voor te stellen. Hieraan danken de
beelden hun oorsprong. Menschen zonder kunstvaar-
digheid krijgen een indruk van het goddelijke bij een
steen, een boom, eenig voorwerp dat hun aandacht
trekt en om de eene of andere reden de verbeelding
prikkelt, een vuurvlam, een natuurverschijnsel, een
hemellichaam. Als zij dan leeren teekenen, een figuur
in hout snijden, een steenen of metalen beeld maken,
vervaardigen zij godenbeelden. Uit den aard der zi\\ak
worden de voorstellingen aan de zichtbare wereld
ontleend, aan de vormen van menscli, dier, hemel-
lichaam, die óf zoo getrouw mogelijk nagebootst of in
grillige vormen nagevolgd worden, om bet wezen der
godheid en dat wat zij voor hare vereerders is weer
te geven. Hierbij maakt men zich niet duidelijk, of
die beelden de goden zelven zijn, dan wel hunne goed
gelijkende afbeeldsels of zinnebeeldige voorstellingen.
Wat de Christelijke Kerk betreft, op schilderijen
is God vaak afgebeeld als een bejaard man. naar
Dan. 7:9; of als een grijsaard en daaronder een
man met een kruis, de Christus, en de Heilige Geest
in de gedaante van eene duif, naar Luc. 3 : 22, een
beeld der Drieëenheid; ook wijst wel eens een oog
in een driehoek op Gods alwetendheid. Maar terwijl
deze voorstellingen geen aanleiding tot misbruik
geven, is dit wel het geval met de beelden van
Christus aan het kruis — het crucifix — van de
Madonna en van de Heiligen, welke in de Roomsch-
katholieke Kerk zijn ingevoerd, ondanks den tegenstand
van allen die onder den indruk verkeerden van liet
-ocr page 28-
24
verbod van beelden in het O. T., en den afkeer der
Joden er van. Die beelden, en in de Grieksch-orthodoxe
Kerk de schilderijen en teekeningen, welke daar de
plaats der beelden innemen, geven tot grof bijgeloof aan-
leiding, daar zij door de onkundige menigte vereenzelvigd
worden met de personen die ze voorstellen, en dus tot
verlaging en verzinlijking van den godsdienst strekken.
Hierover gebelgd, hebben de Protestanten al wat
zweemt naar een beeld uit hunne bedehuizen ver-
wijderd en zich vergenoegd met de omschrijving van
Gods wezen en werk in woorden, zonder steeds
genoeg te bedenken dat ook deze eene afbeelding
Gods zijn, die evengoed een afgod worden en even
gevaarlijk misbruikt worden kan als een beeld van hout
of steen. Beeldendienst en overschatting der omschrij-
ving van Gods wezen en werk zijn loten uit één stam.
Zooals men tracht God en bet goddelijke af te
beelden, beproeft men ook op zinlijke wijze met Hem in
verbinding te treden. Dit ziet men in de tooverij en
waarzeggerij, die in geheel de oudheid een ontzaglijke
rol heeft gespeeld en het in allerlei vormen nog doet.
Het wezen der tooverij en wichelarij is de poging
om op de eene of andere wijze op den wil der god-
heid invloed te oefenen; de waarzeggerij, d. i. de kunst
om de toekomst uit te vorschen, is er een uitvloeisel
van; want de waarzegger is niet in de eerste plaats
een man die een vaststaand raadsbesluit der godheid
te weten komt en verkondigt, maar een die door
zijne kunsten of zijn woord haar gunstig tracht te"
stemmen voor den persoon die haar raadpleegt. Hij
die gelooft aan de mogelijkheid hiervan zoekt zoolang
naar een godsman die hem eene gunstige godspraak
-ocr page 29-
25
geven wil totdat hij eenen gevonden heeft, steunende
niet zoozeer op diens kennis als wel op zijne goede
gezindheid jegens hem en zijn invloed op de godheid.
Gaandeweg daalt onder beschaafde volken de
waarzeggerij af tot de donkere hoeken der maat-
schappij, waar zij nog steeds onheil sticht. Maar de
onware beschouwingen die er aan ten grondslag
liggen leven voort in de leer van de sacramenten
in de Roomsch-katholieke Kerk; daar deze de genade
Gods niet afbeelden, maar meedeelen, en wel alleen
door tusschenkomst van den priester, wiens gezindheid
onmisbaar is voor de goede uitwerking der handeling.
Het meest springt dit in het oog bij het sacra-
ment des altaars, waarin op het woord des priesters
de ouwel in het lichaam van den Christus en de
wijn in zijn bloed wordt veranderd, niet figuurlijk,
maar feitelijk; zoodat na de wijding „ons Heer"
tegenwoordig is en aangebeden wordt, en de geloovige,
wanneer hij den ouwel gebruikt, het lichaam van
Christus als elk ander voedsel in zich opneemt. Dit
groote ,mysterie", het middelpunt der Roomsche
godsvereering, is eene afbeelding van de waarheid
dat de Christus, het goddelijke, niet buiten den
mensch moet blijvren, maar in hem worden opgenomen,
één met hem worden, met hem leven. Dit sehoone
denkbeeld is door Rome in gro ven, zin lij ken vorm gekleed
en verlaagd tot een toovermiddel om den geloovige
door des priesters macht eeuwig heil te verschaften.
De bijgeloovige opvatting van de sacramenten is
onder de Protestanten wel zeer verminderd, maar leeft
nog in vele kringen voort, vooral in de waaide die
aan den doop, door een geordend predikant en met
-ocr page 30-
26
de rechte formule toegediend, gehecht wordt. Daar-
enboven is de macht die toegekend wordt aan het
gebed, als zou men daarmede God kunnen vermurven,.
, verbidden", en op den natuurlijken loop der omstan-
digheden invloed oefenen, eene schromelijke misken-
ning van het wezen des gebeds, in den grond der
zaak een overblijfsel van het geloof in tooverij en dus.
eene ontheiliging van Gods naam.
Van al die bijgeloovigheden blijf ik ver, wanneer
ik God zie op de eenige wijze waarop Hij gezien kan
worden, met mijne geestelijke vermogens. Men wil
God zien met de oogen des lichaams, zijne stem
vernemen met de ooren des lichaams, zijne gemeen-
schap genieten met den mond, zijn wil leeren kennen
door redeneeringen, altemaal — voor zoover niet over-
levering en gewoonte eene groote rol in de vervulling
der geestelijke behoeften spelen — omdat men Gods
tegenwoordigheid in eigen ziel niet genoeg ondervindt,
geen diepe indrukken ontvangt van zijne werking,
niet innig leeft met den Oneindige en Onzienlijke,,
niet eenswillend is met Hem, de hoogste macht.
-ocr page 31-
5. Wat verstaat gij onder Gods macht en
waarom gelooft gij daaraan ?
Ik geloof dat wat God tot stand wil brengen,
ondanks allen tegenstand, zelfs mede door dien
tegenstand, tot stand komen zal. Dit mijn geloof
steunt op de ervaring dat God onwederstaanbaar in
mij werkt, en ontvangt steun door de waarneming
dat de geheele schepping doelmatig is ingericht en
rusteloos streeft van het lagere naar het hoogere.
Omdat God de Almachtige is, leef ik te krachtiger
naarmate ik mij meer voeg naar zijn wil.
Strijd tusschen elkaar weerstrevende krachten is
overal, in de stoffelijke en in de geestelijke wereld,
te bespeuren. Het allerbest neem ik dien waar in
mij zelven. Tevreden met het heden ben ik nooit,
en geen verbetering komt vanzelf tot stand. Dat
God in mij leeft komt mij, zinlijk en gebrekkig
schepsel, op velerlei leed te staan. Al wilde ik ook,
ik kan dat goddelijke leven in mij niet wegredeneeren
of uitroeien, en doet het zich krachtig gelden, dan
heb ik een strijd te doorstaan, waarin het goddelijke
vroeg of laat overwint. Wondervreemde ervaringen
deed ik hierbij op. Niet alleen behaalt het geestelijke
in mij op het zinlijke de zegepraal, het doodend
of tot zwijgen brengend, maar de tegenstand zelf
geeft een eigenaardigen vorm aan het goddelijke
dat hem breekt. Ieder mensch heeft zijn eigen
strijd, welks karakter, duur en zwaarte afhangen van
zijne geaardheid en levensomstandigheden. Dienten-
-ocr page 32-
28
gevolge is er eene oneindige verscheidenheid in ons
geestelijk leven. Geen twee menschen, vooral geen
twee geloovigen, zijn aan elkander gelijk ; in tallooze
eigenaardigheden verschillen zij van elkander. Daar-
door is het leven, het meest in zijne hoogste en
reinste uitingen, zoo bont en belangwekkend. Wij
konden er toe komen te zeggen dat wij de kracht
van den overwonnen tegenstand niet zouden willen
missen, omdat die de zegepraal te schooner kleurt,
indien niet de gedachte aan de ontroerende smarten
die de zonde na zich sleept, de zonde, die eene zoo
groote rol in dien tegenstand vervult, ons dat woord
op de lippen deed besterven. Zoo vergenoegen wij ons
met blijde te getuigen van Gods groote macht over ons.
Hoe meer wij de onweerstaanbaarheid van God
in ons ervaren hebben, des te scherper wordt ons
oog om hetzelfde in de schepping rondom ons op te
merken. De denkende menschen zijn ten aanzien
van Gods verhouding tot de stoffelijke wereld steeds
twee kanten uitgegaan; óf zij stelden dat God de
geheele wereld, stof en geest, heeft geschapen, óf
dat de stoffelijke wereld zich, buiten Hem om, door
naar vaste regels werkende natuurkrachten heeft
ontwikkeld. Gelukkig kan ik Gods gemeenschap
genieten zonder over dit, en menig ander vraagstuk,
eene vaste meening te hebben veroverd. Doch bij
al het geheimzinnige, voor ons verstand ontoeganke-
lijke, dat ons omringt, is ééne opvatting der wetenschap
stellig aan te nemen, dat al wat is uit een lageren
toestand is ontstaan. Dit moge geschied zijn gelei-
delijk of met sprongen, hierin is veel onzeker, maar
de waarheid zelve is onloochenbaar. Zoowel op
-ocr page 33-
29
geestelijk als op stoffelijk gebied is het alsof een
kunstenaar in weerbarstige stof tracht te verwezen-
lijken wat hem als ideaal voor den geest staat en
dit met goed gevolg doet, maar vooralsnog steeds
gebrekkig door den taaien weerstand dien de stof
biedt. De kunstenaar is er en werkt voortdurend,
en van waar ook de stof gekomen is, zij wordt ge-
kneed. Onweerstaanbaar. Niet de stof beheerscht
den geest, maar de geest de stof. De mensch heeft
niet leeren zien omdat hij oogen had, maar de drang
om te zien heeft het oog geschapen; hij heeft niet
leeren hooren omdat hij ooren had, maar de geest
die behoefte had aan een oor heeft het doen ontstaan;
wij spreken niet omdat wij nu eenmaal de werk-
tuigen daarvoor bezitten, maar de wensch om onze
gedachten en gewaarwordingen mede te deelen heeft
die organen in het leven geroepen en de taal geseha-
pen. Voortdurend willen wij beter waarnemen,
denken, ons uitdrukken, en daardoor wordt steeds
ons denkvermogen veredeld en worden de hersenen
voor dat werk geschikter gemaakt. De blinde voelt
niet fijner omdat hij gevoeliger tastorganen bezit, maar
hij ontvangt, hij schept zich geschikter middelen om
door het gevoel waar te nemen dewijl hij aan die
waarnemingen behoefte heeft. Wij noemen dat oefe-
ning; maar wij zouden ons niet kunnen oefenen,
indien de geest in ons niet voortdurend werkte.
Altijd door openbaart zich de macht van een
hoogen, onweerstaanbaren wil. Daarom is het voor
ons van het hoogste belang dien wil te kennen. Wie
de natuurwetten waarvan onze gezondheid afhangt
in den wind slaat wordt ziek, wordt en blijft althans
-ocr page 34-
30
niet zoo sterk en frisch als hij zou kunnen zijn. Zoo
lijd ik ook schade, wanneer ik, op welk gebied ook,
door onkunde, onmacht of onwil, niet gehoorzaam
aan den wil van God, en leef ik te voller naarmate
ik dien wil tot den mijnen gemaakt heb; totdat al
wat daaraan weerstand biedt gebroken wordt.
-ocr page 35-
6. Wat is de wil van God?
God wil in mij boven alles reinheid van hart.
God is heilig.
Het woord „heilig" past eigenlijk niet goed bij
•God. Het beteekent oorspronkelijk niet: zedelijk rein,
maar: der godheid gewijd, en zoo wordt het nog
gebezigd wanneer men zegt dat een priester een
heilig man, de sabbat een heilige dag, het gebed
eene heilige handeling is. Op de godheid overge-
bracht, beteekent het: ongenaakbaar. Maar in het
•spraakgebruik der meeste Christenen, met name der
Protestanten, heeft „heilig" de beteekenis van zedelijk
rein gekregen: een ontuchtige heilige b.v. klinkt
hun niet alleen als iets ergerlijks, maar zelfs als iets
tegenstrijdigs in de ooren. Zij noemen zoo iemand
niet heilig. En als zij God den Heilige noemen, dan
bedoelen zij daarmede dat Hij al wat zedelijk kwaad
is haat en dat Hij zelf vlekkeloos is; zoodat wij
nimmer aan Hem, den Alleen-aanbiddenswaardige,
iets mogen of kunnen toekennen wat wij in ons
zelven of elkander zouden afkeuren.
De oudheid dacht zoo niet. Bij Grieken en
Romeinen verhaalde men zonder schroom van de
.goden en godinnen velerlei waarover menschen zich
zouden schamen; zij staan in de zoogenaamde
mythologische verhalen aan allerlei onzedelijkheid —
drift, wraakzucht, leugen, ontucht en overspel —
schuldig. Dat dit den goden, nog meer der Godheid,
onwaardig was, hebben de beste heidenen gaandeweg
-ocr page 36-
IV2
ingezien; maar nergens is dit in de voorchistelijke
wereld zoo diep gevoeld, krachtig uitgesproken en
algemeen erkend als onder Israël. Wanneer schrijvers
in hei O. T. aan hun god Jahwe iets toedichten wat
in ons oog afkeurenswaardig is — bijvoorbeeld:
toorn, wraak, zelfs bij wijlen oneerlijkheid — dan
gesebi-dt dit omdat zij er geen kwaad in zagen;
maar wal hun zondig toescheen in den mensen
schre en zij aan God niet toe.
D • Christenen evenmin. Maar wanneer hunne
begri; ">en omtrent goed en kwaad gebrekkig zijn,
zegge ook zij van hun God wat bij hooger ontwik-
keling zeer afkeurenswaardig is. Dit treedt vooral
aan on dag in twee voorname leerstukken der
Chrisi lijke Kerken, in dat der verzoening door het
bloed van Christus en dat der eeuwige verdoemenis.
C \'heel het menschelijk geslacht — dit is de
hoofdi boud van eerstgenoemd leerstuk — lag door
Adam overtreding onder een ongelooflijk zware
schui als begraven, was „in Adam gevallen"; God
kon, ndat Hij rechtvaardig is, die schuld niet ver-
geven voordat aan zijne gekrenkte eer of zijn
gesch nden recht voldaan was. Een offer moest
vallen de schuld worden betaald, voordat Hij kon
verge en. De Zoon Gods nu, de tweede persoon in
de Di sëenheid, is om de verloren wereld te redden
mens. i geworden, en heeft in zijn lijden en sterven
de sti f gedragen die millioenen menschen rechtens
moes, \'i ondergaan. Zoo heeft God zijne betaling
gekiv en en kan Hij zaligen allen die door tegeloo-
ven i i dien zoendood zich er de vruchten van toe-
eigem i. Afgezien van andere, talrijke, bezwaren
-ocr page 37-
33
tegen die voorstelling, een mensch die handelt zooals
hierin God doet wordt door ieder weldenkende
veroordeeld.
Hetzelfde geldt van het leerstuk der eeuwige
verdoemenis. Het Protestantisme heeft de voorstelling
dat God de zondaren na hun dood ter helle verwijst,
om daar tot in eeuwigheid gemarteld te worden,
van de Roomsche Kerk geërfd. Zij heeft haar nog
grover gemaakt dan ze door Rome werd, en wordt,
verkondigd. Volgens de leer van Rome toch is er
niet alleen een hemel en een hel, maar nog eene
derde plaats, het vagevuur, waarin een geloovig lid
der Kerk van zijne zonden gereinigd wordt, totdat
hij voor den hemel geschikt is. De Hervormers
hebbeu om deugdelijke redenen het bestaan van dit
vagevuur geloochend; want schandelijk was het mis-
bruik "dat er van gemaakt werd; de aflaathandel in
de eerste plaats. Maar zoo kwamen zij er toe te
verkondigen dat slechts een klein aantal menschen,
de ware geloovigen of echt bekeerden genoemd, ten
hemel gaan, terwijl verreweg de meesten vooraltijd
in de hel zullen lijden. Niet alleen treft dit lot alle
heidenen, Joden en Mohammedanen, al hebben zij
ook nooit van den Christus gehoord, alle ongedoopten,
al zijn het ook pasgeboren kinderen —ditafschuwe-
lijk denkbeeld hebben ze met Rome gemeen — maar
ook alle onbekeerden of half bekeerden, welke gele-
genheid zij al dan niet gehad hebben om God te
leeren kennen; op één die zalig wordt gaan duizenden
voor altijd verloren. God pijnigt zonder genade in
het hiernamaals hen die hier het groote ongeluk
hebben Hem niet te kennen en lief te hebben.
3
-ocr page 38-
34
In die leerstukken hebben de ouden onloochen-
bare waarheden willen uitdrukken: het kwaad loont
zijn meester, en niet alleen maait de mensen die
zich niet naar Gods wil voegt zelf wat hij gezaaid
heeft, maar onschuldigen lijden vaak met schuldigen;
vaak ondervinden de edelste menschen de schande en
schade door anderen verdiend, terwijl hunne gehoor-
zaamheid aan hunne omgeving en het nageslacht ten
goede komt. Die waarheden zijn echter zoo averechts
in die leerstukken opgenomen dat wij den menschen
die ze aanhangen dit alleen daarom niet euvel duiden
omdat zij veelal beter zijn dan hunne leer, en deze
alleen aanhangen omdat zij dit voor plichtmatig
houden. Zij is niettemin heilloos voor der geloovigen
geestelijk leven.
God is heilig. Dat wat in mijne allerbeste en
reinste oogenblikken mij voor den geest staat, dat
is het wat God wil, dat is wat ik wensch dat steeds
meer mij vervulle. Intusschen besef ik zeer wel dat
ik niet dan gebrekkig weet wat goed is. Niemand
is goed dan God alleen. Maar daar Hij in mij woont
en ik voortdurend met Hem verkeer, zal Hij mij
steeds beter openbaren wat waarlijk goed is, mij
trekkend en prikkelend tot onverdroten inspanning.
Zoo wordt mijn leven steeds rijker, en hoe reiner
ik word, des te beter zal ik God zien.
-ocr page 39-
7. Hoe is God jegens u gezind ?
God maakt al zijne schepselen zoo gelukkig als
waarvoor zij vatbaar zijn. God is liefde.
Ook in planten- en dierenwereld streeft alles
naar zelfbehoud, rijker leven en vreugde, en keert
alles zich af van wat schade aanbrengt en leed ver-
oorzaakt. De menschen zijn voor een hooger levens-
genot vatbaar dan plant of dier, maar ook zij in
verschillende mate. Hoe minder de mensen ontwikkeld
is, met te lager vreugd is hij tevreden; ja, de stomp-
zinnige kan het genot niet smaken dat voor den fijn
voelenden, helder denkenden, krachtig levenden mensch
onmisbaar is. Wij weten niet, in hoever ieder schepsel
Gods, met name elk mensch, den aanleg in zich
heeft voor het hoogste geluk. Maar dit weten wij:
het is Gods wil dat ieder zoo gelukkig wordt als hij
kan worden. Of koesteren wij niet eerbied voor de
natuur? voelen wij niet mede met het dier\'? keuren
wij niet af, tenzij hooger belang het vereischt, planten
te vernielen en dieren te kwellen of te dooden\'?
God wil het geluk van den mensch, zooals een
vader dat van zijn kind. Naar gelang van der men
schen verschillende omstandigheden en houding jegens
God noemen wij zijne liefde met onderscheiden
namen. Wij spreken van zijne mildheid en onver-
diende goedheid, wanneer wij denken aan de gaven
waardoor ons leven veraangenaamd en verrijkt wordt,
die ons als in den schoot geworpen worden, zonder-
dat wij er iets voor gedaan hebben. Van zijne ont-
-ocr page 40-
:;ü
ferming, wanneer wij zien op lijders die door Lh-m
worden getroost en krachl ontvangen om hun I» ed
moedig te dragen. Van zijne genade, als wij bedenken,
hoe Hij ons leidt en vormt, zich openbaart, ons geeste-
lijke gaven mededeelt. Van zijn geduld of lankmoe-
digheid, wanneer h<; ons \\oor den geest staat dat,
terwijl wij voor zijne slem menigmaal doof\' zijn en
niet doen wat Hij wil, Hij toch blijft zegenen en
roepen. Van zijne vergiffenis, wanneer ons te binnen
komt, hoc Hij onz.\' overtreding van zijne geboden
niet beantwoordt mei verwerping, maar met steeds
nieuwe pogingen om ons geheel aan Zich te verbinden.
Zoo spreken wij alsof wij met een mensch te doen
hebben; maar de hoofdzaak is de telkensterugkeerende
ervaring dat eene onverkoelbare liefde in ons en
voor ons werkt, wie wij ook zijn.
Wie wij ook zijn dar is niet alleen om\'t «ven
van welke landaard, sekse of leeftijd, of wij rijk dan
wel arm. vrij dan wel dienstbaar zijn, of welk ander
uiterlijk onderscheid russchen ons bestaat, maar ook
onafhankelijk van onzen zedelijk-godsdienstigen toe-
stand, onze daden en onze gezindheid.
Geene godsdienstig" waarheid is zoo laat ontdekt,
geene wordt nog zoo zelden beleden, zoo stout, ook
door Christenen, geloochend, zoo bezwaarlijk van harte
aanvaard en in toepassing gebracht als deze. (leen
wonder! het is de allerhoogste.
Onder alle oude volken werd een deel der mensch-
heid voor minderwaardig beschouwd dan het overige:
vooral de buitenlander dan de volksgenoot. Op zich
zelf sluit dit niet in dat men die vreemden niet voor
voorwerpen van de liefde der godheid hield. Maar
-ocr page 41-
daar in de geheele voorchristelijke wereld de goden
goden van bepaalde volken waren, is het natuurlijk dat
zij die niet tot hun volk behoorden niet door
hen hcschermd werden, en dat, waar de volkshaat
in hef spel was, de vreemd •:;. iie vijanden der goden,
werdo gehouden voor wezens die ook door dezen
geha.u werden. Zoo was het hij Israël. De heidenen
waren zondaren, vijanden Gods, en de vrome Jood
bad /.ouder schroom dat God zijn toorn over hen zou
doeii ontbranden en hen verdelgen; zij waren zonder
twijfel prooi van het eeuwig verderf. Maar ook op
den Israëliet die zwaar tegen de geboden Gods zon-
digdo rustte diens toorn, niet te verzoenen dan in
sommige gevallen door offers en bekeering, in andere
niet dan door onheil en dood. Aan Gods recht moest
voldaan worden. In het latere Jodendom, waaronder
de leer van hemel en hel steeds meer ingang vond,
was liet geloof dat slechts weinigen gered werden, en
verreweg de meesten verloren gingen, voor velen
een schrikbeeld.
Nooit is het grootsche denkbeeld dat God ook
den zondaar, zelfs den verst afgedwaalden, liefheeft,
onafhankelijk van diens berouw of bekeering, zoo
krachtig uitgesproken als in de drie eerste evangeliën
bij monde van Jezus. Anders gezegd, nergens straalt
zoo duideljjk het geloof door dat elk mensch — wie
en wat hij ook zij — een tot geluk bestemd schepsel,
een kind Gods is, als daar.
Het behoort volkomen bij het beeld van Jezus
zelven, den zondaarsvriend.
Maar de Christenheid heeft dit niet begrepen en
de liefde Gods beperkt tot de geloovigen in Christus,
-ocr page 42-
38
predikend dat op hen die den Zoon ongehoorzaam zijn
de toorn Gods rust. Die Christelijke beschouwing
staat boven de Joodsohe, in zoover het heil niet
afhankelijk wordt gemaakt van \'s mensehen afkomst,
maar van zijn gemoedstoestand en wil. Toch is de
leer dat alle ongedoopten en ongeloovigen „ kinderen
des toorns" zijn eene grove miskenning der Blijde
Boodschap van Gods liefde voor alle mensehen.
In strijd met .de leer", zijn vele Christenen on-
genegen zulk eene beperkte liefde aan God toe te
kennen; maar zij — laat ons gerust zeggen: wij, wij
allen — hebben veel moeite vast te houden aan de
onverkoelbare liefde Gods jegens menschen wier gedrag
wij scherp moeten veroordeelen. Ons gevoel voor recht
komt er tegen op. Diep geworteld is in ons het
besef dat, wanneer het den brave goed en den deugniet
slecht gaat, het is zooals het behoort: een voorspoe-
dige zondaar stuit ons evenzeer als een vrome lijder;
wij willen dat de Albestuurder recht doe. Toch
komt het beste in ons hiertegen op ; altijd wanneer
die zondaars menschen zijn die wij lief hebben; vaak
ook als wij meenen te begrijpen hoe zij geworden
zijn wat zij zijn. In die gevallen vragen wij geen
recht, maar erbarming, liefde; en soms vragen wij met
het oog op zondaars van wie wij niets weten dan hunne
slechte daden: indien wij eens alles wisten, hun aan-
leg, hunne omstandigheden, zouden wij dan nog ver-
langen dat zij loon naar werken ontvingen\'? Zoo
pleit ons hart in onze reinste oogenblikken voor de
waarheid dat God liefde is voor alle menschen.
Er is een onuitsprekelijk groot geluk in zóó ge-
stemd te zijn dat men dit gelooft.
-ocr page 43-
\\
8. Waarop rust uwe verzekerdheid aangaande
Qod en zijne verhouding tot u?
Wat God voor mij is en ik voor Hem gevoel is
evenmin door redeneeringen te rechtvaardigen als de
weerkeerige liefde tusschen twee menschen. Maar
om zijne werking te begrijpen en zooveel mogelijk
tegen ingebeelde zielsbehoeften en ziekelijke neigingen
des gemoeds gevrijwaard te zijn gebruik ik, naden-
kende over Hem, mijn verstand en zorg ik bovenal
niets omtrent Hem aan te nemen waartegen mijn
zedelijk gevoel opkomt. Zoo ben ik, zooveel in mijn
vermogen is, waar.
In zijn geestig en diepzinnig sprookje .de Klok"
vertelt Audersen van een geheimzinnig geluid, ver
uit een bosch klinkend, vaak door stadsrumoer over-
stemd, maar dat niettemin altijd veler aandacht trok.
Niemand had de plaats van de klok waaraan het
ontlokt werd bereikt. Wel had menigeen er over
gepraat en geschreven; maar de meesten van hen
die hot wondervol instrument gingen opzoeken waren
niet verder gekomen dan bij een loods waarboven
een geteerde klok zonder klepel hing. Een eindweg
het bosch in stond een huisje, liefelijk door de natuur
getooid, met een kleine klok, en nagenoeg allen die
het op hun onderzoekingstocht zoover brachten waren
tevreden dit gevonden te hebben. Slechts een twee-
tal uit een schaar pas als lidmaat aangenomen jonge
lieden, een koningsboon en een doodarme knaap,
drongen met ontzaglijke inspanning dieper het bosch
-ocr page 44-
40
in en vonden, na moeite en zelfs gevaren getrotseerd
te hebben, langs verschillende wegen, de plek waar
de hemelsche klok weergalmde.
Bijtend is de spot op den naamgodsdienst der
meeste menschen: zij zitten in een loods waarboven
een geteerde klok zonder klepel; teeder de beschrij-
ving van het vriendelijk huisje, met rozen getooid
en met appelblocsems overregend, waar een fijne klok
de lieden in den waan brengt dat zij bet rechte
hebben gevonden — godsdienstigheid uit de tweede
hand: aandoenlijk juist de trek dat prins en arbeiders-
jongen niet in elkanders gezelschap het wondervol
geheim vinden: ook hierbij gaan de wegen van arm
en rijk gcnvoonlijk niet samen; treffend de hoofd-
waarheid, hier dichterlijk geteekend : alle menschen
hooren iets van Gods stem, velen gaan een eind op
weg om er naar te luisteren, slechts weinigen hooren
haar duidelijk.
Slechts weinigen? Dat is betrekkelijk. In alle
tijden zijn er onder allerlei volken mensclien geweest,
die zelven Gods stem hebben vernomen en niet van
hooren-zeggen wisten dat Hij is en wat Hij voor
hen is. Er zijn mannen en vrouwen onder, ouden
en jongen, machtigen en kleinen naar de wereld, ge-
leerden en onkundigen, menschen van de meest uit-
eenloopende karakters. Hij heeft zich geopenbaard
aan denkers en wijzen, aan priesters en profeten. Hij
doet het nog heden ten dage, even klaar als oudtijds,
neen, klaarder en onwederstaanbaarder. Hij open-
baart zich aan menschen die wij tegenkomen op straat,
met wie wij wellicht onder één dak wonen en aan
ééne tafel eten; misschien weten wij dat wel, maar
-ocr page 45-
41
het kan ook zijn dat het ons ontgaat: het alledaagsche
wordt nooit miskend, liet zeldzame vaak niet gewaar-
deerd. Men kan het den menschen die met God
verkeeren niet aanzien. Zij zelve u zijn er soms niet
zeker van, zij schromen dikwijls er voor uit te komen.
Zij nu die oudtijds iets van God wisten of meenden
te weten deelden dit aan anderen mede en werden
gaarne aangehoord. Het geluid der hemelsche klok
toch wordt door schier iedereen — hoe flauw dan ook —
vernomen, en duizenden die geen tijd hebben om er
naar te staan luisteren, en andere duizenden die iets,
veel of weinig, er voor over hebben om er naar te
zoeken, zij allen willen wel door de ingewijden iets
weten van de geheimzinnige wereld. Zij luisteren,
laten zich, met min of meer moeite, overtuigen van
de waarheid der onthullingen die hun medegedeeld
worden, en vormen vereenigingen om die te bewaren
en te verspreiden. Zoo ontstonden godsdiensten,
Kerken, genootschappen, vereenigingen, met Heilige
Schriften en priesters, met overgeleverde leeringen,
wetten, gebruiken, sacramenten en wat diesmeer zij.
Overal uit den drang der behoefte ontstaan,
hebben die vereenigingen velerlei zegen aangebracht;
maar de geestelijke traagheid van den grooten hoop,
in verband met de heerschzucht van vele leidslieden,
heeft schier overal dien zegen zeer verminderd, ja,
menigmaal in een vloek veranderd. De priesters
heetten God te kennen, en de menigte nam de waar-
heid uit hunne hand aan; de schare gaf zich ge-
willig, en de priesters werden daardoor in den waan
versterkt de waarheid te hebben. Wij zien dit van
nabij in .Rome\'s Kerk, die den priester, als Godsge-
-ocr page 46-
42
zalfde, den leeken geeft ten betrouwbaren leidsman
in allen deele, vooral in zake van godsdienst; terwijl
de paus de onfeilbare tolk Gods is.
De jammerlijke gevolgen der priesterheerschappij
ondervindend, hebben de Protestanten dat juk afge-
schud, maar om te bukken voor het gezag der
Heilige Schrift, als het onfeilbare woord Gods, daar zij
zich onmachtig voelden zelven de waarheid te vinden.
Nocli die priesters, noch die Schrift verdienen
zulk een vertrouwen; maar al waren zij ook feilloos,
dan zou nog de overgave aan bun gezag een ongeluk
zijn. Kinderen in leeftijd en kinderen in verstand
behoeven leiding en voorlichting; maar een verstandig
vader en onderwijzer doet zijn best hen die hij leert
tot zelfstandigheid op te voeden. Wanneer het slechts
even mogelijk is, zal hij hen die hij onderwijst zeggen,
waarom het waar is wat hij predikt, waarom het wijs
is het gebod dat hij hun geeft te gehoorzamen.
Alleen een dwaas of gewetenloos leidsman beantwoordt
de vraag: waarom? met: omdat ik het zeg! of: om-
dat deze of gene het gezegd heeft. Een wijs leids-
man laat hen die hij voorgaat zoo spoedig mogelijk
op eigen beenen staan, zelven hun weg zoeken; want
hij weet dat zij zóó alleen worden Avat zij worden
kunnen, dat een halve waarheid die zij zelven vinden
meer waard is dan de volle die hun voorgezegd is.
Onberekenbare schade heeft het blind geloof aan
echte of gewaande godsmannen, van heden of van
weleer, aan menschenzielon berokkend, door degeeste-
lijke traagheid in de hand te werken, en te versmoren
wat God zelf aan zijne kinderen leert. Ondragelijk
is de overmoed dier opgedrongen leidslieden. Hoe,
-ocr page 47-
43
men wil mij, die zelf God zie en met Hem verkeer,
die mijn verstand en mijn zedelijk gevoel heb, waar-
door ik mij duidelijk maak, wat Hij van mij wil en
hoe Hij in mij werkt, men wil mij vertellen dat ik
naar een priester gaan moet, om te worden voorgezegd,
wat ik heb te gelooven en te doen ! Men wil mij
verwijzen naar Mozes en profeten, naar evangelisten
en apostelen, die mij God moeten leeren kennen,
zonder wiens voorlichting ik niets stellig weet. Zij
.zijn mij welkom als raadgevers, maar ten slotte moet
ik zelf uitmaken, wat God voor mij is. Die gods-
mannen wisten of weten de waarheid zoogoed! roept
men mij toe. Gelukkig voor hen! Maar ik zie zelf
God; wat heb ik dan af te gaan op hooren-
zeggen ?
Durft menigeen dien weg niet op, en acht hij het
wellicht hoogmoed zoo te denken, welnu, zoolang uwe
priesters of uwe bijbelschrijvers naar uw hart spreken
en gij niet twijfelt aan de waarheid hunner woorden,
zoolang houdt gij u natuurlijk aan hen; maar
wanneer gij twijfelt, zijt gij niet gedekt door hun
gezag. Werp moedig uw krukken weg, zeg dien
leidslieden de gehoorzaamheid op, vraag hen naar
hunne geloofsbrieven en gebruik de gaven door God
u gegeven. Gij schroomt toe te geven aan de inspraak
van uw hart, want zinrijke wenschen, vermeende
zielsbehoeften, kunnen u onder dien naam parten
spelen, om die te onderscheiden hebt gij uw verstand
en hart gekregen. Gij zijt bevreesd te dwalen wan-
neer gij op eigen oordeel en gevoel afgaat; welnu,
gij zult wel dwalen, maar wie zoekt vindt. De maat-
staf van uw rede en zedelijk gevoel is niet volmaakt,
-ocr page 48-
44
maar zij zullen betrouwbaarder worden, wanneer gij
u oefent. Vrees is eene slecbte raadgeefster. Durf
zelf God zoeken, en gij zult zijne stem vernemen.
Dan eerst kent gij Hem recht.
Waarin wij ook dwalen wanneer wij afgaan op
de getuigenis van eigen gemoed, verstand, zedelijk
gevoel, in één opzicht zullen wij veel vóór bebben
boven al wie hun oordeel gevangen geven aan ande-
ren; wij zullen waar zijn. Wat wij zelven hebben
gezien van God, dat weten wij voorgoed: des Zondags
en op werkdagen, in vreugd en in smart; het is ons
eigendom, geen opgeplakt iets, maar een deel van
onze ziel. van ons leven.
-ocr page 49-
9- Welken invloed heeft het zien van God
op uwe waardeering van uw werk?
Al wat ik verrichten moet voor mijn dagelijksch
brood en maatschappelijken voorspoed, tot vermeer-
dering van mijne kennis en vorming van mijn smaak,
allen arbeid waartoe mijne neigingen, de drang der
omstandigheden en het verkeer in de wereld mij
roepen, beschouw ik, wanneer ik God zie, als iets dat
kan en moet dienen tot meerdere eer van Hem.
Zeer verschillend zijn de werkzaamheden waartoe
wij zijn genoodzaakt om des broods wil, of ons geroepen
voelen uit lust of plicht; dat hangt af van stand,
gelegenheid, vermogens, wat al niet. Zij veranderen
ook vaak met de jaren en de omstandigheden. Maar
hoe verschillend ook, er is in alle werk iets eentonigs,
dat dreigt verveling te wekken.
Dit wordt zelfs ervaren door hen die hoog op
den maatschappelijken ladder staan, zich wijden kun-
nen aan dat waartoe zij zich gedrongen voelen, die
dus zeer vrij zijn in vergelijking met de meeste
menschen. Ook zij, wanneer zij hun taak ernstig
opvatten, moeten vele dingen doen waarin zij geen
lust hebben, werktuigelijk werk, dat wel onafschei-
delijk is van het hooge doel dat zij beoogen, maar op
zich zelf allesbehalve verheffend, , vuil werk", zooals
men het wel eens noemt: onbeduidende menschen
geduldig te woord staan, tal van schrifturen door-
snuffelen om wellicht iets van belang te vinden, zoeken
naar eene fout in eene berekening. Daarenboven
-ocr page 50-
46
komen talrijke werkzaamheden gedurig terug. Zeker
is de taak eener huismoeder niet onbeteekenend,
maar hoevele kleine bezigheden moeten door haar
niet dagelijks, sommige meermalen daags, verricht
worden!
Is dit waar voor de bevoorrechten, in veel grooter
mate is het dit voor hen die gedwongen zijn in een-
tonigen handenarbeid, op fabriek of akker, winkel
of kantoor, jaar op jaar door te brengen, de slaven
van het werk. En dit zijn verreweg de meeste men-
schen. Zij denken niet altijd zoo diep na, zijn meestal,
indien zij hun brood verdienen en eenigen tijd voor
uitspanning overhebben, tevreden met hun bestaan
en stellen geen hooge eischen aan het leven. Trou-
wens, dit geldt ook van hen die tot edeler werkzaam-
heden geroepen zijn. Het is een gelukkige inrichting
van onzen geest dat wij ook ons eentonig en gering
werk doen zonder er over te morren, zelfs zonder
pijnlijke gewaarwording. Maar soms kan het ons
overvallen, en vroeg of laat stelt elk erustigmensch zich
de vraag: Waartoe dient mijn arbeid *? mijn leven ?
Is het niet alles „ijdelheid der ijdelheden"? Onge-
gelukkig wie hierbij blijft staan!
Uit dien nood redt ons het leven met God, door
ons op te trekken boven al dat eentonige en kleine;
het geeft ons de noodige opgewektheid om het te
verrichten, omdat het ons verhindert in dat werk
zelf ons geheele leven te vinden, er in op te gaan.
In het verkeer met God krijgen wij de kracht tot
redeneeringen als: elk van die kleine dingen is een
deel van een groot geheel, dat slechts door de samen-
werking van velen tot stand komen kan; van de
-ocr page 51-
47
meerdere of mindere voortreffelijkheid van elk stuk
werk hangt wellicht veel af: eenverkeerd vastgebonden
touw in het tuig kan het verlies van een schip met
menschenlevens en kostbare lading ten gevolge hebben;
geen arbeid is onnut: de maatschappij heelt evengoed
knechts als meesters noodig, zoowel menschen met
één talent als menschen met vijf. — Altemaal re-
deneeringen die, hoe waar ook, op een niet geloovig
menscli geringen invloed oefenen, hoogstens voor een
tijd ontevredenheid en onvoldaanheid smoren en tot
doffe onderwerping nopen. Doch wat zullen zij op
zich zelve den mensen troosten die zijn leven lang
niets doet dan punten aan spelden slijpen ?
Maar voor hem die Gods omgang geniet reent-
vaardigen die overwegingen het blij gevoel: wat ik
doe, klein of groot, moet goed gedaan worden, zoo
goed mogelijk; het strekt tot eer van God. Al is
mijn werk gering, ik ben daarin zijn medearbeider:
Hij wil de wereld gelukkig en beter maken, en dat
doet Hij ook door mijn arbeid. — Hierbij valt het onder-
scheid tusschen hoog en laag weg. Uit Gods oogpunt
bezien, is er geen merkbaar verschil tusschen hetgeen
een wereldhervormer verricht en het werk dat iemand
doet die in den tredmolen des levens loopt. En de
geloovige beziet, des bewust of onwillekeurig, zijn
bestaan en dat van anderen uit het oogpunt van God.
Zoo wordt alle arbeid helder gekleurd door het
leven met God.
-ocr page 52-
io. Welken invloed heeft het zien van God
op u bij het lief en leed van het leven ?
Dat ik God zie heeft ten gevolge, dat ik alle
redenen van blijdschap die het rijke leven mij biedt
aanneem als toegift op die allerhoogste vreugde, en ze
dus dankbaar geniet ronder buitensporige verrukking;
en dat ik de smarten en teleurstellingen berustend
draag, als eens rijken vaders kind, wiens grootste
heil door geen wisseling des lots weggenomen kun
worden.
Niets is gewoner dan dat de redenen van blijd-
schap en die van smart, vooral de ongedachte, ver-
rassingen en zware slagen, ons medesleepen tot een e
vreugd en eene droefenis ongeëvenredigd aan haar
wezenlijke waarde. Menschen zijn dood gebleven
door de plotselinge tijding van uitredding en
lotswisseling; velen zijn gebroken naar lichaam of
ziel onder het wicht van een verlies of gemis. Dit is
zeer goed te verklaren. Immers, wij leven in den tijd
en zijn aandoenlijk voor velerlei prikkels: eene voor-
bijgaande pijn kan ons de grootste zegeningen vergallon,
eene kleine weldadige aandoening doen glimlachen
onder het zwaarste \'eed. Geen wonder dan dat wij ge-
vaar loopen buitensporig te zijn in onze blijdschap of
onze smart: om ééne verrassing al wat ons te recht zwaar
drukt te vergeten ; ook, door één verlies of gemis
groote voorrechten voorbij te zien en te zeggen : al
deze dingen baten mij niet zoolang ik dit of dat
niet verkrijg.
-ocr page 53-
4!)
Het is gevaarlijk wanneer dit ons overkomt; want
op die buitensporige vreugd volgt de ontgoocheling,
en daarmede de inzinking, de dofheid, de ontevreden-
heid, de onvoldaanheid ; menigeen voelt zich onge-
lukkig kort na opgetogen te zijn geweest: het te-veel
wreekt zich. En wie weet niet, hoezeer slecht ge-
dragen smart de ziel afmat, de wilskracht verlamt,
het geheele leven donker kleurt?
De Stoïcijnen vonden het een bewijs van wijsheid
zich over niets te verwonderen en onaandoenlijk te
zijn voor vreugde en smart. Er is iets kloeks in dien
eisch, iets dat gunstig afsteekt bij de lichtbewegelijk-
heid waarmede volwassen menschen, als kinderen, bij
de geringste aanleiding juichen of klagen, alsof zij de
wereld winnen of verliezen. Doch die onverschilligheid
kan vaak niet anders dan voorgewend zijn: zij is
onnatuurlijk en ook niet goed. Wel verre van een
teeken van zielenadel te zijn, is geringe aandoenlijkheid
voor vreugd en smart een achterlijkheid, een gebrek.
De mensen met een rijk zieleleven is fijngevoelig,
speurt ras al wat liefelijk en al wat onaangenaam is,
ondervindt den invloed van het weer, de natuur, ge-
zond of onwel zijn, de houding der menschen rondom
hem, het lief en leed waarvan hij hoort; hij blijft
niet onbewogen bij wat gebeurt in de wereld. Maar
wie God kent wordt niet te ver meegesleept, omdat
hij zeer rijk is. Wie gevoelt en weet dat „één dag in
\'s Heeren voorhoven beter is dan duizend elders" wordt
verblijd wanneer hem in „\'s Heeren voorhoven" iets
aangenaams te beurt valt, maar jubelt niet alsof hij
de wereld gewonnen heeft; hij was immers reeds
schatrijk? En wie God bezit treurt niet bij een ver-
4
-ocr page 54-
50
lies, welk ook, alsof hij alles verloor; hij kan immers
niet alles verliezen? Hij zal treuren, maar niet als
iemand die geen hoop heeft. Door en door onge-
lukkig kan niemand hem maken; want het allerbeste
heeft hij voorgoed.
In dien zin staat wie God ziet boven alle lots-
wisseling.
-ocr page 55-
ii. In welke verhouding staat gij, God ziende,
tot uwe medemenschen?
Terwijl cle nauwe betrekking waarin ik tot som-
mige mijner medemenschen sta inniger en teederder
wordt wanneer zij en ik God kennen, voel ik mij met
al mijne medemensehen verbonden als met kinderen
Gods, evenals ik, voor groot heil bestemd. Daarom
draag ik te liever hun leed mede, deel te meer hunne
vreugde, verdraag hunne gebreken en tracht hun
leven zoo rijk en gezegend te maken als het leven
van Gods kinderen moet zijn.
De nauwste betrekking waarin menschen tot
elkander staan is het huwelijk. Wanneer een jonge
man en eene jonge vrouw zich met elkaar voor het
leven verbinden, speelt hierbij de zinlijke begeerte,
te recht, eene groote rol. Maar zij is niet bij machte
hun echt gelukkig te maken. Verschil van karakter,
gewoonten, behoeften, belangen veroorzaken onver-
mijdelij k kleinere of grootere botsingen, en al maakt
het gemeenschappelijk belang dat zij in vrij goede,
althans niet ongelukkige, verhouding samenleven, het
innigste huwelijksgeluk smaken zij niet tenzij zij één
zijn in iets hoogs, in iets dat hunne zielen bindt, waarin
zij elkander, ondanks alles waarin zij uiteenloopen,
terugvinden. Gelukkig de echtelingen die elkander
liefhebben in God!
De zegswijze „liefhebben in God" is voor hen die
aan taal van Bijbel en kerk gewend zijn zeer ver-
staanbaar ; want de uitdrukking „broeders en zusters
-ocr page 56-
52
in Christus" is hun gemeenzaam. Maar voor hen
wien die taal min of meer vreemd is klinkt de uit-
drukking „liefhebben in God" zonderling. Ja, wie ze
gebruikt loopt gevaar aangezien te worden voor een
die met klanken speelt. En toch is zij zeer goed
Nederlandsch en bij eenig nadenken ook verstaanbaar
voor hen die geen godsdienstig leven leiden. Of
spreken zij zelven niet van broeders in de eene of
andere wetenschap, in eene kunst ? Wat beteekent
dit anders dan dat die wetenschap, die kunst den
band vormt tusschen sommige mensclien; zoodat zij
bij alle verschil in die zaak één zijn ? En het aller-
hoogste dat zielen kan samenbinden is de liefde tot
God. Gelukkig dan de man en de vrouw die elkander
bezitten in God!
Wat van die innigste verhouding, het huwelijk,
geldt is waar van alle nauwe betrekkingen waarin
menschen tot elkander staan: van die van ouders tot
kinderen, van meesters tot dienstbaren en omgekeerd,
van vrienden en nabestaanden. Waar liefde tot
God woont, daar eerst is onvergankelijke liefde, vrede te
midden van krachtig leven, en waarachtig geluk.
Voorts komen wij met tal van menschen korter
of langer samen omdat wij gemeenschappelijke belan-
gen hebben; wij koopen en verkoopen aan elkander,
werken samen, gaan met elkander om — dikwijls niet
naar keus, maar omdat de omstandigheden ons samen-
brengen — wonen naast elkaar; en dat goed samen-
leven vaak moeilijk is weet ieder die eenige onder-
vinding heeft. Elk onzer heeft zijne eigenaardigheden,
zijne behoeften, zijn wereld. De noodzakelijkheid vrede
te houden, eigenbelang, fatsoenlijkheid, vrees voor het
-ocr page 57-
53
oordeel der menschen, gewoonte, maken dat wij meestal
in ordelijke verstandhouding met elkaar leven. Er is
daarin niet veel pij ulij ks, ook niot veel verheffends.
Maar wanneer wij in al die medemenschen kinderen
Gods zien, en onwillekeurig — want wij geven er
ons zelden rekenschap van — hen beschouwen en
behandelen als wezens met een innerlijk leven en
evenals wij bestemd voor geluk, dan komt er kleur,
karakter in het maatschappelijk verkeer. Dan eerst
treuren wij echt met de treurenden en verblijden
wij ons met de blijden. In het algemeen menschelijke
medelijden met iemand die lijdt speelt gemeen-
Mjk een vrij zelfzuchtige en laffe afkeer van het aanzien
der droefheid een groote rol, en de zeer natuurlijke
aangename gewaarwording die het zien van een vroolijk
gezicht opwekt is eene goede, maar niet bijzonder edele
aandoening. Beide worden dieper en fijner wanneer wij
het hoogste geluk kennen, en beseffen hoe onze droeve
of blijde medeburgers ook voor dat geluk vatbaar
zijn, en door de tijdelijke oorzaken hunner smart of
vreugde daarheen geleid kunnen worden, of ook er
van verwijderd.
De gebreken onzer medemenschen ergeren ons
gewoonlijk het meest wanneer wij er last van hebben.
Wat bezien wij ze met andere oogen als hun geestelijk
heil ons ter harte gaat, en wij zelven, rijk in God, eenige
vreugd kunnen missen die anderen ons onthouden en
eenig leed aanvaarden dat zij ons aandoen, zonder
ons nog ongelukkig te gevoelen! Indien wij God
hebben, wat zullen menschen ons doen ?
Dat wij anderen gelukkig zoeken te maken behoeft
geen betoog: wie God kent heeft de broeders lief.
-ocr page 58-
54
Maar wel moeten wij er nadruk op leggen, hoeveel
vruchtbaarder onze liefde wordt naarmate wij Gods
omgang meer genieten. Om slechts op één punt onze
aandacht te vestigen, op de taak van den rijke tegen-
over den arme — zij is zwaar en vaak zeer pijnlijk.
Geven, geven, altijd geven, komt gewoonlijk op
weinig opoffering te staan, vernedert den arme in eigen
oog, doolt zijne geestkracht uit en maakt de armoede
op den duur eer meer dan minder. De hedendaagsche
armenzorg stelt zich daarom hiermede niet tevreden
en vat haar taak breeder op. zoekende naar de oorzaken
der ellende en trachtende die weg te nemen. Zij beproeft
hiertoe zich te verplaatsen in de omstandigheden van
den nooddruftige en hem in staat te stellen zich zelven te
helpen; zij geeft ja, doch niet alleen geld, maar ook per-
soonlijke toewijding. Godsdienstigen en ongodsdien-
stigen vereenigen zich in dit edel streven, en meer dan
dezen vermoeden is die richting de vrucht van het geloof
dergenen die God kennen, en daardoor in de armen
menschen zien van gelijke beweging als zij zelven,
die niet alleen aan brood behoefte hebben, maar nog
meer cian geestkracht, aan moed, aan hoop, aan de
beste gaven die God aan zijn kinderen geeft.
Wat wordt ons maatschappelijk leven heerlijk,
indien wij God kennen!
-ocr page 59-
12. In welk licht vertoont zich aan u, wanneer
gij God ziet, uwe toekomst ?
Ik weet dat mijn geloof tot geluk bestemd te zijn
niet beschaamd zal worden, ja, dat hun die God lief-
hebben alles ten zegen wordt. Dientengevolge heb
ik het vaste vertrouwen dat van al wat goddelijk in
mij is niets vergaan kan.
Gelukkig wie de toekomst hoopvol te gemoet gaat;
want het is den mensch onmogelijk alleen in het heden
te leven; wij zien gedurig vooruit. Reeds bij het
kind speelt de toekomst, in den vorm van hoop of
vrees, eene rol, en hoe meer wij opwassen en ons
innerlijk leven sterker wordt, des te minder kunnen
wij de vraag: waar gaat het met ons heen? van ons
zetten. Dat de toekomst in bijzonderheden ons vol-
slagen onbekend is weet ieder; soms zouden wij haar
sluier willen oplichten, meestal erkennen wij dat het
een geluk voor ons is dit niet te kunnen doen.
Vrees voor de toekomst vergalt alle genot; een blij
vooruitzicht, eene levende hoop is een der grootste
zegeningen die wij kunnen genieten. En het
vertrouwen dat de toekomst ons heil brengen zal is
een onmiddellijk uitvloeisel van ons geloof in Gods
almachtige liefde, een vrucht van ons leven met God.
Het is onbewijsbaar; wij hebben het of wij hebben
het niet; bet kan sterker of zwakker in ons zijn,
naarmate wij God duidelijker of minder duidelijk zien;
maar wie beseft Gods kind te zijn kan niet anders
dan aan een blijde toekomst van zijn innerlijk leven
-ocr page 60-
56
gelooven, en daarmede is hem het duurzaam bezit van
het beste dat hij heeft gewaarborgd. Al het overige,
hoe kostelijk ook, is van ondergeschikt belang.
Met die hoop staan wij ook tegenover dat groote
raadsel, den dood. Een raadsel, niet uit een
stoffelijk oogpunt: er behoort niet veel kennis van
ons lichaam toe om te weten dat het onvermijdelijk
eenmaal ontbonden zal worden: al wat geboren is
sterft ook weder. Maar een raadsel is het dat het
geestelijke in mij, mijn persoonlijkheid, die met God,den
Oneindige, zoo nauw verbonden is, vergaan zou. Nu, in-
dien reeds onze aardsche toekomst, waarvan wij ons
althans eenigermate eene gewenschte voorstelling kun-
nen maken, ons duister is, hoe zou eene toekomst waarin
de aardsche vormen verdwenen zijn ons ook slechts
eenigermate duidelijk kunnen wezen? Alle vragen
omtrent het hoe en waar van een hiernamaals zijn
ijdel en onnut, en de wenschen dienaangaande geuit
zijn gemeenlijk zinlijk of kinderachtig. Wij weten slechts
dat al het goddelijke onvernietigbaar is, dus ook het
goddelijke in ons. En in die overtuiging zien wij blijde
onze toekomst — onze naaste en onze latere —
te gemoet. De werkelijkheid zal altijd de stoutste ver-
wachtiug overtreffen.
Hoewel uit den aard der zaak de gegrondheid onzer
hoop onbewijsbaar is, is het toch natuurlijk dat wij
steunsels voor onze verwachtingen zoeken; er is zooveel
dat ze schijnt te logenstraffen! En dan komt ons
eene heerlijke ervaring te hulp. versterkt door wat wij
in anderen zien. Alles, het meest verblijdende en het
meest bedroevende, werd mij ten zegen. Voorspoed
heeft mij vaak verwarmd, aan God nader gebracht,
-ocr page 61-
57
tegenspoed gestaald en Hem beter doen zien ; uit
gunst zoowel als uit ongunst van menschon heb ik
geleerd ; aanraking met edelen heeft mij vooruitge-
bracht, ontmoeting met lichtzinnigen eene toevlucht
doen zoeken bij God ; de natuur heeft mijn hart voor
Hem geopend, omdat ik Hein er in medebracht; het
alledaagsche werk is mij ten zegen geweest, omdat
ik er geduld en trouwe plichtsbetrachting uit leerde ;
ik heb gedwaald, vaak, terwijl ik trachtte het beste
te doen, verkeerde wegen ingeslagen, en ik ben er
nederiger door geworden, terwijl toch te gelijk mijn
zelfvertrouwen er niet door gebroken is. Kan dan
niet ook voortaan uit alles een zegen voor mij spruiten"?
Ja, uit alles zal dit geschieden — maar alleen in zoover
mijn hart gericht is op God.
Dezegroote, onontbeerlijke voorwaarde vergetende,
heeft men uit die geestelijke ervaringen een leerstuk
opgebouwd, dat schijnbaar allervroomstj klinkt en
vaak heet een onmisbaren troost te bieden, doch dat
inderdaad voor velen niet anders is dan een geeste-
lijke slaapdrank: het leerstuk der Voorzienigheid Gods,
in den vorm waarin men het telkens weer kan hooren
verkondigen. God, zoo heet het, beschikt alles met
wijsheid en goedheid, ten bate van alle menschen-
kinderen; terwijl wij niet weten, wat heilzaam voor
ons is, vreugd of smart, weet Hij het wel, en Hij,
die over alles gebiedt, regelt den loop der dingen zóó
dat alles ons ten goede komt; Hij zendt ons vreugd
of ongeval toe naardat wij het op dat oogenblik
behoeven.
Zij die dit verkondigen en toornen wanneer men de
waarheid er van in twijfel trekt, alsof men dan aan het
-ocr page 62-
58
allerheiligste raakt, loopen gewoonlijk hoog weg met
den Bijbel, en vreemd schijnt het dat zij eene opvat-
ting van het Godsbestmir huldigen die noch in het
O.T. noch in het N.T. anders dan in schijn steun
vindt.
Wanneer wij over God spreken en over zijne
regeering, dan kunnen wij niet anders dan uitdruk-
kingen ontleenen aan menschelijkeeigenschappen, maar
wij gaan daarbij steeds uit van geestelijke ervaringen
en zoeken wijsheid uit hetgeen wij rondom ons zien
gebeuren. Welnu, niemand heeft ooit ervaren of
gezien dat alle dingen aan alle menschen altijd ten
goede komen. Er is zelfs iets grofs, bijna belachelijks,
in de onderstelling dat wanneer een ramp, schipbreuk,
overstrooming, ziekte, oorlog, honderden te gelijk treft,
die slag niet alleen voor al die slachtoffers en voor hunne
betrekkingen een zegen zou zijn. maar dat God opzet-
telijk die ramp zou beschikt hebben omdat die slag
voor al die menschen een bron van heil zou wezen.
De onderstelling waarvan de ongerijmdheid bij zulk
een grof voorbeeld in het oog springt blijkt in menig
bijzonder geval zelfs ergerlijk te zijn. De goddelooze
opvoeding dooi\' slecht geaarde ouders aan hunne kin-
deren gegeven kan immers nooit dezen ten goede
komen?
Liefelijk klinken woorden des vertrouwens,als: God
geeft kracht naar kruis en kruis naar kracht; Hij
laat het water wel tot aan maar nooit over de lippen
komen; Hij verzacht den wind voor zijn geschoren
lam; geen muschje valt ter aarde zonder den wil des
Hemelschen Vaders, vrees dan niet, gij gaat vele
muschjes te boven ; God kastijdt die Hij liefheeft —
-ocr page 63-
59
maar dit zijn altemaal uitingen van eene ziel die haar
God gevonden heeft, en die ook anderer ziel, waarvan
zij hetzelfde onderstelt, troost en bemoedigt; altemaal
inkleedingen van het heerlijke denkbeeld: hun die
God liefhebben zal alles ten zegen strekken.
-ocr page 64-
I3- Ziet gij God altijd en duidelijk?
Ik zie God slechts bij tusschenpoozen, en ook dan
slechts als uit de verte en door nevelen.
In het voorafgaande sprak ik uit wat in mijne ziel
leeft, maar het leeft er enkel in mijn beste oogen-
blikken. Of een mensch altijd onder den indruk van
Gods tegenwoordigheid, altijd vol van Hem en in hooge,
gewijde stemming kan zijn, weet ik niet. Slechts dit
weet ik, dat ik het niet ben en niet kan zijn. Ook
hoor ik de klacht daarover van allerlei godsdienstige
menschen uit vroeger en later tijd. Zoo betuigden
de profeten van Israël dat God tot hen slechts bij
wijle, en niet dan in droom of gezicht, sprak, en
zagen zij op tot iemand van wien zij meenden dat
hij altijd van aangezicht tot aangezicht met God
verkeerde, als tot eene heilige figuur uit den voortijd.
In overeenstemming hiermee luidt de klacht dat God
zwijgt, zijn aangezicht verbergt, ver is van dengeloovige,
en legt de overlevering in de twee eerste evangeliën
op de lippen van den Christus aan het kruis de klacht:
Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten\'? Het
lijkt mij ook ongeloofelijk dat een mensch temidden
van zooveel dat hem naar beneden trekt altijd in de
allerhoogste stemming zou zijn. Wie zegt: ik geloof
altijd — bedriegt zich zelven zeer, weet waarschijnlijk
niet, wat eigenlijk „gelooven" is.
Dat ik God niet altijd zie wil niet zeggen dat ik
-ocr page 65-
61
Hem zou loochenen, zelfs niet dat ik zou twijfelen aan
zijne macht of liefde; maar het beteekentdatmijnleven
vaak voortgaat zouder hoogere neigingen, integendeel
bewogen wordt door alledaagsche, algemeen mensche-
lijke, wereldsehe drijfveeren: ja, dat ik mij zelfs buiten
staat gevoel mij altijd boven deze te verheffen. Vaak ligt
als een sluier over mijn ziel, het waas van onverschillig-
heid omtrent het hoogste. Zelfs kan ik spreken en s(\'.brij-
ven over God zonder iets voor Hein te voelen, terwijl
ik mij toch niet beter wil voordoen dan ik ben of
onoprecht wil zijn. Het gaat ei\' mede als met onze
liefde voor mensehen : het gebeurt dat wij een onge-
lukkige ontmoeten wiens toestand deerniswaardig is;
wij voelen ons gedrongen hein te helpen, doen het
ook, funk, met opoffering, en waarlijk niet om dank
van hem of lof van anderen in te oogsten; neen,
wij zouden bijkans zeggen: uit het ware beginsel;
maar het is zoo niet; het geschiedt uit plichtsgevoel,
uit het besef dat het zoo behoort, en wij betrappen
er ons op dat wij eigenlijk niet veel voor dat leed
voelen, dat wij koud zijn; wij zouden wel liefde
willen hebben, maar zij laat zich niet dwingen. —
Zoo gaat het dikwijls, soms tijden achtereen, met
onze liefde voor God.
Dat gemis, die onmacht om God duidelijk te zien,
veroorzaakt soms pijn. Zoo wanneer ik, zelf flauw
gestemd, in aanraking kom met menschen wien het
leven met God vreemd is; ik zou willen rekenschap
geven van hetgeen in mij is, en ik kan, durf het niet
doen. Is dat uit schroom het heilige te ontwijden
door er van te spreken tot onvatbaren? of uit men-
schenvrees of valsche schaamte ? Dit kan wel zijn.
-ocr page 66-
&2
Maar ik ontveins mij niet dat ik dien schroom
niet hebben en waarschijnlijk ook die valsche schaamte
wel overwinnen zou, indien ik slechts meer verzekerd-
heid had, God zoo klaar zag als ik Hem in mijn beste
oogenblikken zie. Ik kan er mij recht ellendig onder
gevoelen en loop soms gevaar de menschen te benijden
die te allen tijde gereed zijn om, zoo het heet: getuigenis
van hun geloof af te leggen. Ik schaam mij over die
dwaze afgunst, maar, hoewel dat opzeggen van eene
geloofsles mij tegen de borst stuit, voelde ik ze wel
eens bij mij oprijzen.
Wachten wij ons echter voor de dwaling terneenen
dat ons leven verdeel* 1 kan worden in tijden waarin
wij God wèl, en die waarin wij Hem niet zien. Ook
dan wanneer wij wanen dat Hij ver van ons is onder-
vinden wij de heerlijke gevolgen van zijne gemeen-
schap. Het gaat er mede als met twee menschen die
elkaar hartelijk liefhebben: zij zeggen dat nietgedurig;
zij denken er zelfs niet altijd aan; ja, de goede ver-
standhouding kan van ééne zijde tijdelijk verstoord
zijn, terwijl inmiddels de betrekking inderdaad even
innig is gebleven en blijft. Zoo kunnen wij tijdelijk
voor God onverschillig zijn, zelfs aan Hem twijfelen,
tegen Hem opstaan, terwijl wij in den grond van ons
hart tot niemand onze toevlucht nemen dan tot Hem.
Er ligt eene diepe waarheid in het woord : Indien ons
hart ons veroordeelt, God is meer dan ons hart, en
Hij weet alle dingen (1 Joh. 3 : 20). Dat gevoel van
door Hem verlaten te zijn is vrucht van onze ge-
meenschap met Hem ; wij zouden Hem niet missen
indien wij Hem niet reeds gevonden hadden. Straks
zal die sluier weer worden weggenomen en zullen
-ocr page 67-
63
wij Hem beter zien dan vroeger. Inmiddels derven
wij tijdelijk het geluk van zijn omgang, en ook wan-
neer wij Hem terugzien zal dit zien gebrekkig wezen
en telkens gestoord worden.
-ocr page 68-
14. Waaraan is het toe te schrijven dat gij God
zoo gebrekkig ziet?
Dat ik God zoo gebrekkig zie is vooreerst het
gevolg mijner zinnelijke natuur en de daarmede
samenhangende beperktheid van mijn vermogen om
in eene hooge stemming te verkeeren. Ook komt de
gemeenschap met God niet dan van lieverlede tot
stand, en ik sta\' eerst aan het begin mijner ontwik-
keling. Daarenboven is de gang hiervan van jongsaf
gestoord door zonde.
Wij mensehen zijn tweeslachtige wezens; half
dier half engel, zegt men wel eens; en al is dit grof
uitgedrukt, er schuilt eene on wederlegbare waarheid in.
Er is in ons iets dat naar boven streeft, eene behoefte
waaraan alleen voldaan wordt door hooge gedachten,
verheven stemming, reinheid ; en daarnevens doet
zich vleeseh en bloed duchtig gelden, vaak onweder-
staanbaar, in den eisch van voldoening onzer zinne-
lijke behoeften, spijs, drank, slaap, enz. Wij moeten
onverbiddelijk naar die eischen des lichaams luiste-
ren. Vaak heeft men — vooral in Hindostan, maar
ook elders en in de Christelijke Kerk — getracht
door gedwongen onthouding\' die zinnelijke prikkels
af te stompen, zoo mogelijk weg te nemen; en die
asceten, gelijk men ze noemt, geven een beschamend
voorbeeld van wilskracht^ beschamend tegenover ver-
wijfdheid en laffe inwilliging van zinnelijke lusten;
maar de door hen verminkte natuur wreekt zich
altijd door ook de ziel ziek te maken; de overspan-
-ocr page 69-
65
ning der geestelijke krachten leidt tot inzinking
beneden het gewone peil; de geestelijke hoogmoed
bederft veel edels; de zelfkweller derft ten slotte het
hoogste geluk en ziet God alleen zooals een koorts-
lijder zijne omgeving aanschouwt. Willen wij gezond
van gemoed zijn, dan moet ook de zinnelijkheid in
ons het hare ontvangen. Maar het is onloochenbaar
dat wanneer aan haar, zelfs in alle betamelijkheid en
matigheid, voldaan wordt, onze stemming niet de
verhevenste is. Wij hebben ons te dezen niets te
verwijten, er ons niet over te schamen, maar het is
zoo en maakt dat onze hoogste stemming slecht»
tijdelijk bestaat.
Voorts is een kind niet vatbaar voor velerlei genot
waarin zich volwassenen verheugen, en wij begonnen
allen met den kinderstaat. Ook het kind kan vroom
zijn, maar het is het op kindertrant, in overeen-
stemming met zijn gebrekkig doorzicht en luttele
ervaring. Het kind kent het leven met al zijn raad-
selen niet; het oordeelt boud, acht iets volstrekt goed
of volstrekt kwaad, omdat zijn gezichteinder beperkt
is. De dagen komen waarin zijn oogen opengaan
voor veel waarvan het vroeger niets zag: grove zonden
en groote deugden, diepten van stoffelijke ellende en
hoogten van wereldsche vreugd, allerlei raadsels
waarvan het het bestaan zelfs niet kon vermoeden.
En al deed het al die ondervinding op zonderdat
zijn gemeenschap met God ooit door twijfel verstoord
en zonderdat het ooit van de rechten weg afge-
trokken werd, elke nieuwe ervaring, al wat zijn
kennis en inzicht vermeerdert, zou zijn innerlijk geluk
vergrooten. Welnu, blijven wij niet ons leven lang
5
-ocr page 70-
m
in sommige opzichten kinderen? Gemeten met den
wereldschen maatstaf, werden wij wellicht volwas-
senen. dat wil zeegen dat wij in de wereld onzen
weg vonden, met menschen leerden omgaan, kennis
en karakter genoeg kregen om met eere onze plaats
in de maatschappij in te nemen. Doch tegenover het
allerhoogste en allerbeste, tegenover de heerlijkste
opvatting der levenstaak die wij ons kunnen denken,
die wij het ideaal noemen, blijven wij altijd aanvan-
gers; en het allerbeste wat wij ons denken kunnen
is toch altijd slechts een flauwe glimp der goddelijke
waarheid. Elke vooruitgang opent ons een nieuw ver-
schiet. Het kind mag wanen God te kennen, hoe
meer wij opwassen, niet in jaren alleen, maar ook
naar den geest, des te verder schijnt Gods heerlijkheid
van ons te wijken en zijn wij gelukkig in hope.
Hoe meer wij God genieten, des te dieper gevoelen
wij dat er oneindig veel meer van Hem te genieten is.
Zoo zou ik dus God alleen bij wijle en als uit
de verte en door nevelen zien, ook indien ik mij
van jongsaf\' zonder stoornis ontwikkeld had. Maar
hiervan is geen sprake; de opklimming van het
lagere naar het hoogere is en wordt in mij telkens
afgebroken en verstoord door zonden.
-ocr page 71-
IS- Waarin bestaan uwe zonden ?
Zonden zijn alle daden, woorden, gedachten, op-
wellingen welke mij als menscli die met God leeft
onwaardig zijn.
Ziedaar een moeilijk te vatten waarheid.
Zeer vele leidslieden op geestelijk gebied hebben
zedewetten gegeven, dat wil zeggen: hebben aange-
wezen, wat volgens hen zondig heette, dus verboden
was en door de Godheid gestraft zou worden. Vaak
waren het staatslieden die vooral het oog hadden
op het belang der maatschappij die zij bestierden, en
zich dus boofdzakelijk bepaalden tot de afkeuring
van daden die schadelijk waren voor die gemeenschap.
Maar onder meer dan één volk zijn sommigen dieper
doorgedrongen in het wezen der zaak en hebben,
door hun zedelijk gevoel geleid, ook handelingen en
gezindheden afgekeurd en als strafwaardig voorgesteld
die oogenschijnlijk geen schade aan anderen berok-
kenden, en daarentegen aangeprezen wat, ook af-
gezien van de gevolgen, op zich zelf prijzenswaardig
is — vergevensgezindheid, kuischheid, mildheid, waar-
heidsliefde, vertrouwen op God.
Toch, hoezeer zulke wetten dengenen die ze
opstellen en uitvaardigen, zelfs het volk waarin ze
konden gegeven worden, tot eer verstrekken, aan al
die zedewetten kleefde één groot gebrek: zij waren
in dezen zin „wetten" dat er in omschreven werd,
wat bepaald vermeden moest worden, wilde men zich
niet den goddelijken toorn op den hals halen ; terwijl
-ocr page 72-
68
de handelingen, woorden en gezindheden die het
gewone peil der deugd te boven gingen werden
voorgesteld als goede werken waarvoor men op eene
bijzondere belooning van de zijde der Godheid rekenen
kon. Aan al die wetgevingen ligt het denkbeeld ten
grondslag dat men met zekere middelmatigheid van
deugd en de vermijding van grove overtredingen
der zedewet kan volstaan.
Vandaar dat geen dier wetgevingen geleid heeft
tot een krachtig gezond geestelijk leven. Onder haar
schut werden en worden allerlei handelingen en
gezindheden onverschillig voor het godsdienstig-
zedelijk leven geacht die het geenszins zijn. Men
vreest een meineed te doen, niet om te liegen; wel
om plompweg te liegen, niet om te draaien; men
steelt niet, maar haalt zonder schroom naar zich toe;
men mishandelt niemand, maar wrokt zonder zich
daarover voor zich zelf te schamen ; men keurt over-
spel en hoererij af, maar denkt er niet over dat ook
in het huwelijk zelfbeheersching plicht is.
Erger nog. In allerlei kringen ontstond de nood-
lottige richting die men de casuïstiek noemt. Men
stelt gevallen (casus) waarin een rnensch zich af-
vraagt: wat moet of mag ik nu doen ? en tracht
daarop een voor ieder geldend antwoord te geven.
Dat deze manier van denken leidt tot de onderhou-
ding eener gelieel uitwendige zedelijkheid ligt voor
de hand : men kan immers geen stemming of ge-
zindheid voorschrijven ? Daarenboven vervalt men
zoodoende noodwendig tot haarkloverijen, die den
mensch kleingeestig maken. En wat het ergste is,
de waarheidsliefde wordt jammerlijk ondermijnd.
-ocr page 73-
69
De vraag toch, of men altijd en overal de waarheid
zeggen moet, speelt bij die zedeleeraars een groote
rol, en waartoe men vervalt wanneer men haar be-
antwoorden wil door scherpe omschrijving der ge-
vallen waarin men hiertoe gehouden is, toont de
de leer der Jezuïten over ,het stilzwijgend voorbe-
houd", volgens welke het geoorloofd is eene onwaarheid
te zeggen mits men door het gebruik van een dubbel-
zinnig woord, of door in de gedachten iets te voegen
bij hetgeen men spreekt, iets gansch anders ten ge-
hoore brengt dan men bedoelt.
Het is niet genoeg zulke schandelijkheden te ver-
oordeelen, het beginsel waarvan zij slechts uitwassen
zijn deugt niet: het denkbeeld dat men kan omschrij-
ven welke daden, woorden en gedachten zondig zijn.
Er is slechts één weg om aan dit ten slotte altijd
doodelijke beginsel te ontkomen ; namelijk: met vol
bewustzijn te aanvaarden dat wij tot niets minder
dan de volmaaktheid zijn bestemd, en dat dus alles
wat daarmede in strijd is afkeuring verdient. Het
is de onvergankelijke verdienste van Jezus dit met
nadruk, in het algemeen en op bijzondere deugden
toegepast, te hebben verkondigd.
Ik heb dan ernst te maken met eene waarheid
die voor mijne eigenliefde allesbehalve streelend is
— zonde is elke opwelling van toorn, elke onnoo-
dige bevestiging der waarheid van hetgeen ik zeg,
elke wellustige aandoening, elk gemis van hartelijke
liefde, ook jegens mijn vijand ; evenzoo elke opwelling
van begeerlijkheid, inhaligheid, van karigheid in het
geven, van ijdelheid, van ongeduld over eens anders
onbevattelijkheid of onwil, van afgunst over mijns
-ocr page 74-
70
naasten voorspoed, van bezorgdheid voor den dag
van morgen, van mismoedigheid bij eene teleurstelling;
zonde is gemis aan ijver voor al wat een mensen
siert. Van slechte woorden, gebaren, daden behoeven
wij zells niet te spreken; op elk levensgebied geldt
het: reeds de eerste stap tot het kwade, neen, zelfs
de kiem der onheilige gedachte is zonde.
Immers, dat alles past mij niet omdat ik God
ken; het vloekt met de stemming van iemand die
met God leeft. Als Gods geest mij geheel vervulde,
dan zouden die onheilige aandoeningen er niet zijn.
Daarmede zijn ze geoordeeld, tot zonde gestempeld.
Het is onzinnig ze te willen tellen.
-ocr page 75-
i6. Zijt gij verantwoordelijk voor al die
overtredingen?
Zeer zeker: want zij zijn geen vrachten van het
toevak maar vloeien voort uit mijn karakter. Dien-
tengevolge komt mij zelfs dat wat ik in onwetendheid
verkeerd deed voor als eene schuld die ik op mij
geladen heb. Maar terwijl ik mij dit vergeven kan,
voel ik, onafwijsbaar, zelfverwijt over wat ik slechter
doe, spreek of denk dan ik weet dat goed is.
Wanneer ik terugzie op mijn leven, dan duiken
uit het verleden, dat grootendeels uit mijn geheugen
verdwenen is, o. a. verkeerde daden, woorden en ge-
dachten op, en komt mij het geheel, mede tengevolge
daarvan, als een jammerlijk knutselwerk voor: ik heb
in menig geval een treurig gemis aan doorzicht ge-
had; misbruiken hebben in mijne omgeving bestaan
die ik niet zag, of waarbij ik mij zonder hartzeer
neerlegde; vooroordeelen deelde ik of liet ik als na-
tuurlijk en onuitroeibaar zonder tegenspraak bestaan;
ik heb veel kostelijken tijd verdaan aan dingen die
de moeite niet waard waren; ik heb dikwijls verkeeid
gesproken omdat ik in de zaak niet genoeg in was,
menschen zelfs gekrenkt omdat ik hunne behoeften
niet begreep, niet met hen medevoelde. Nog daar-
gelaten grovere overtredingen, reeds wanneer ik op
dat zie waarover geen mensch mij hard viel of
hard vallen kan, is mijn leven een zeer gebrekkig
stuk werk.
Zou ik mij daarvoor niet verantwoordelijk voelen ?
-ocr page 76-
72
Het valt licht verontschuldigingen bij te brengen, en
ik wil dit ook doen, als het anderen geldt: zij wisten
niet wat zij deden, dwaalden te goeder trouw, hadden
die vooroordeelen als met de moedermelk ingezogen,
ja, die eigenaardige karaktertrekken van hunne
ouders geërfd; men moet hun dus die dwaasheden
en feilen niet te hoog aanrekenen ; zij kunnen het
niet helpen, enz. enz. Maar als het mij zei ven geldt,
zeg ik dit niet en hoor zelfs niet gaarne dat anderen
het van of tot mij zeggen. Is dan van mij nietwaar
wat ik tot verontschuldiging van anderen, als men
hen hard valt, inbreng? Heb ik die vergrijpen ge-
pleegd met mijn wil? Zeer zeker niet; het waren
onwillekeurige, menigmaal streden ze met mijn
wensch; liet was vaak „hetgeen ik wil, dat doe ik
niet, en wat ik niet wil, dat doe ik" (Rom. 7 : 19).
Dikwijls heb ik mijn best gedaan en toch, bij nader
inzien, verkeerd gehandeld, gesproken. Kon ik dat
helpen? En ik antwoord mij zelven: Zeer zeker.
Hoe zijt ge eoo blind, zoo gevoelloos, zoo onhandig
geweest! — Maar die verkeerdheden kwamen voort
uit uw karakter, hangen samen met uw verleden,
en dit is niet weg te cijferen, dat was niet ineens te
veranderen. — Dit alles weet ik maar al te goed!
Is dat echter een reden om mij niet verantwoorde-
lijk te voelen voor wat ik deed of naliet? Ja, als
men mij hard valt en meent dat ik met opzet deed
wat slechts geschiedde omdat ik niet beter wist of
kon, dan zal ik mij verweren, gelijk ik anderen ver-
dedig. Maar tegenover God doe ik dat niet. Juist
omdat die verkeerdheden voortvloeien uit mijn ka-
rakter ben ik er verantwoordelijk voor en wil ik
-ocr page 77-
73
dat zijn. Evenals een groot en machtig koning zich
schaamt over zijne kleingeestigheid, indien hij, wan-
neer een man die de hofgebruiken niet kent hein de
gewone eer niet heeft bewezen, ook slechts even de
wenkbrauwen gefronsd heeft, zoo schaam ik mij, ik,
die mij een kind van God weet en Hem ken, dat ik
vaak onwillekeurig zoo diep beneden mijn bestemming
en roeping stond. Ik kan mij begrijpen dat een Paulus
zich den grootsten der zondaren noemt omdat hij de
gemeente Gods vervolgd heeft (1 Kor. 15 : 9), al deed
hij dit in den waan Gode een dienst te bewijzen.
Evenwel, er is erger. Niet van al wat ik ver-
keerds deed of sprak durf ik zeggen dat ik het uit
onkunde, in overijling of onwillekeurig deed.
De grens tusschen de eene soort van overtredingen
en de andere is niet te trekken ; maar bij veel ver-
keerds dat ik deed en goeds dat ik naliet kan ik niet
anders zeggen dan: dat geschiedde opzettelijk.
Opzettelijk? Men kan de juistheid van dat woord
bestrijden, en ik kan heel wat redeneeringen vinden
om de scherpte van het zelfverwijt weg te nemen en
mij wijs te maken dat ik niet anders doen kon dan
ik deed. Die verkeerde daad toch kwam mij op het
oogenblik dat ik ze bedreef niet verkeerd voor, wel
een uur vroeger en een uur later; maar toen had
ik mij zelven overtuigd dat ze niet verkeerd was.
Ik werd, toen ik zoo slecht sprak, medegesleept door
eene neiging waaraan ik op dat oogenblik geen weer-
stand kon bieden, en dat ik toen zoo sterk niet was
hing onverbrekelijk samen met mijn zoo geworden
karakter en de omstandigheden ; enz. enz. Wij kennen
al die redeneeringen, slaapmiddelen voor ons zedelijk
-ocr page 78-
74
gevoel, .doekjes voor het bloeden". De omstandig-
heden! — Ben ik dun een pop, waarvan de armen
en beenen door draadjes worden bewogen, en die de
oogen door een inwendig aangebracht werktuigje
opent en sluit V De omstandigheden waren mij te
machtig! — Maar zij hadden mij niet te machtig
mogen zijn ; ik ben geroepen ze te beheerschen. IIarts-
tochten hebben mij medegesleept! -~ Hoe zijn die
zoo sterk geworden of gebleven ? Buiten mijn schuld
soms? Mensehen hebben mij verleid! —Mag ik dan
een slaaf van menschen zijn?
De vraag in hoever een misdadiger toerekenbaar
is wordt met steeds grooter nadruk gesteld, door
wetgevers en rechters. En het is billijk en barm-
hartig dat zij rekening houden met eens menschen
afkomst, natuur, opvoeding, omstandigheden; want,
geroepen om de veiligheid der maatschappij te be-
sehermen, moeten zij vragen naai\' de meerdere of
mindere gevaarlijkheid der menschen over wier schuld
zij hebben te oordeelen, ei, moeten zij beslissen hoe
met hen te handelen. Doch dit is en blijft, hoeveel
moeite zij zich ook geven cm goed te onderscheiden,
grof werk, waarbij duizenden feilen onvermijdelijk
begaan worden. En de oordeelen die zij strijken
mogen niet verward worden met het oordeel dat wij
over ons zelven vellen: het een heeft met het ander
weinig gemeen.
Verantwoordelijk ben ik voor al wat ik verkeerds
deed, hetzij onwillekeurig, hetzij opzettelijk; wordt
mij dat alles dus toegerekend als een schuld? Ver-
antwoordelijkheid en toerekenbaarheid zijn woorden
die vaak in denzelfden zin gebruikt worden; maar
-ocr page 79-
7.">
wat ook gelde voor den menschelijken rechter die
oordeelt en vonnist, wanneer wij iets verstaan van
Gods verhouding tot ons en van de onze tot Hem,
dan heelt dat woord .toerekenbaar\'\' geen zin. God
houdt geen rekening met ons, nooit ofte nimmer,
en wij willen het ook niet doen tegenover Hem.
Verbeeld u een kind dat tot zijn vader zegt: Hoe
staat mijn rekening met u? heb ik u genoeg geëerd ?
wegen mijn daden van gehoorzaamheid tegen mijne
opzettelijke en onopzettelijke vergrijpen op ? — Welk
een onzin!
-ocr page 80-
I7- Welke gevolgen hebben uwe zonden
voor u zelven?
Indien eene zondige neiging niet bedwongen wordt,
dun verflauwt mijn leven met God, doordat mijn
oordeel over goddelijke dingen bedorven, mijn gevoel
voor wat rein is afgestompt en mijn wil ten goede
verzwakt wordt.
Een innig leven met God kan gepaard gaan, neen,
gaat dikwerf gepaard, niet alleen met zeer gebrekkige
denkbeelden over Hem. maar ook met zeer groote
ondeugden. Ik zie het in mij zelven, en nog duide-
lijker in anderen; want in anderen merk ik uit* den
aard der zaak beter op, welke verkeerde denkbeelden
over Gog zij koesteren en welke ondeugden hen
ontsieren, dan in mij zelven; terwijl ik geen reden
heb de oprechtheid hunner vroomheid te betwijfelen.
Mij zelven bedrieg ik welliclit.
Wij zien dan dat een mensch te gelijk God kan
liefhebben en koel zijn voor het lief en leed zijner
medemenschen. ja, dezen en genen bitteren haat
toedragen; hij kan ijveren voor Gods eer, voor waar-
heid en recht, en dat van ganscher harte, terwijl
hij een tiran in zijn huis is; hij kan van harte op
God vertrouwen en te gelijk ergerlijk ijdel of hoog-
moedig zijn; de eigengerechtigheid der psalmisten
belette niet dat het hun goed was „nabij God te
zijn"; er zijn mensehen die anderen ergeren door
hunne traagheid, en wier ziel toch menigmaal ver-
zinkt in verrukking voor Gods grootheid. Ja, wat
-ocr page 81-
77
het vreemdst schijnt en menigeen aan geveinsdheid
doet denken, sommige vormen van vroomheid hangen,
vooral bij vrouwen, maar ook bij mannen, zoo nauw
samen met zeer zinlijke aandoeningen dat ze niet
te scheiden, nauwelijks te onderscheiden zijn; in een
kloosterlinge die dweept met den hemelschen brui-
degom loopt het hoogere met het lage op wonderlijke
wijze ineen; onder Protestanten neemt de zaak andere
vormen aan, maar komt hetzelfde voor. — Indien
het goede en het slechtere niet kon samengaan in
eene menschenziel, wie onzer zou dan werkelijk
met God verkeeren"?
Evenwel, die verkeerde neigingen schaden; zij
geven een eigenaardigen, niet goeden plooi aan ons
godsdienstig leven ; de eigengerechtige kan verkeeren
met God, maar hij zal zich onwillekeurig zijn God
denken als een die rekening met hem houdt; de
heerschzuchtige kan verkeeren met God, maar die
God zal zijn karakter vertoonen en hij zich liefst
buigen voor den Machtige; de overzinlijke kan ver-
keeren met God, maar Diens aangezicht zal licht
weeke, zoetelijke trekken dragen : de ijdele kan leven
met God, maar het geluk zich zonder voorbehoud
over te geven aan zijn Vader zal hem ontgaan.
Toch blijft onze godsvrucht oprecht, onze band
met God innig, zoolang wij ons niet bewust zijn van
onze zondige neigingen, en in onkunde omtrent onze
gebreken, naïefweg voortleven met God. Maar als
onze oogen daarvoor zijn opengegaan, dan schaadt
elke overtreding der ons bekende zedewet aan ons
verkeer met Hem. Wie van den boom der kennis
van goed en kwaad gegeten heeft wordt, indien hij
-ocr page 82-
78
ongehoorzaam is, uit het paradijs verjaagd. Immers,
welke denkbeelden wij ons ook over God vormen,
Hij wil gehoorzaamd worden; met God leven en
willens en wetens zijn wil niet doen, dat gaat niet
samen, :dat verstoort die gemeenschap. Wie weet
dit niet bij ervaring?
Gaandeweg wordt dan mijn oordeel bedorven.
Dat is zeer goed te begrijpen. Op den duur kan
ik het niet uithouden bij het denkbeeld : ik overtreed
opzettelijk Gods wil — en in mijn onwil of onmacht
om mij daarnaar te voegen, ga ik mij zelven wijs-
maken dat het niet kwaad is wat ik doe, dat ik althans
niet anders kan, of dat God wel met iets anders dan
gehoorzaamheid aan zijne zedewet genoegen neemt.
Hoe komt het anders dat te allen tijde onder alle
volken het denkbeeld leeft dat God tevreden is met
allerlei uiterlijk eerbetoon:offers,gebeden,ceremoniën,
onderhouding van wetten op spijs en reinheid, alte-
maal zaken die met zedelijkheid niets te maken hebben ?
Het zou zeer oppervlakkig zijn dit enkel te verklaren
uit den onwil om Gods zedewet te vervullen; oude,
kinderlijke opvattingen van de natuur der goden,
opvattingen die van geslacht op geslacht gaan, al
passen zij niet meer bij de geestelijke ontwikkeling
der jongeren, de macht der gewoonte, allerlei werkt
mede. Maar zonder twijfel speelt de onwil om te
bukken voor de eischen Gods, welker zegenrijkheid
wel erkend wordt maar welker vervulling te zwaar
valt, een groote rol in de handhaving van de dwaze
meening alsof God die uiterlijkheden begeert.
Door gemis aan oefening gaat het zedelijk gevoel
achteruit. Ik verhard mij een en andermaal, tegen
-ocr page 83-
79
mijn geweten in, tegen den nood van een ongeluk-
kige; na hem tweemaal voorbij te zijn gegaan met
eenig medegevoel voor zijn ellende, ga ik hem een
derden keer voorbij zonder dat, en een vierden keer
zie ik hem zelfs niet meer; ik wen aan alles, ook
aan het zien van ellende. Zoo verliest de wellusteling
den eerbied voor de vrouw, de ijdele het gevoel voor
wat de manlijke fierheid medebrengt: hij gaat bedelen
om menschengunst. Bij geene zonde treedt die ach-
teruitgang van het zedelijk gevoel wellicht zoo dui-
delijk aan het licht als bij de onwaarheid. Ik lieg,
waarom dan ook, wellicht in overijling; straks word
ik genoodzaakt om, ten einde mij er uit te redden,
een tweede leugen te bedenken, en ik leer die ver-
derfelijke kunst: het onwaarheid spreken kan zoozeer
een tweede natuur worden dat ik niet meer weet
of ik de waarheid zeg al dan niet.
Het ergste is dat door de inwilliging van eene
booze lust mijn wil ten goede, dat is de kern van
mijn persoonlijkheid, verzwakt wordt. Grods gebod
is mij duidelijk geweest, en ik heb het niet opgevolgd ;
dit doet mij leed en ik neem mij voor, mij morgen
beter te gedragen; weer overtreed ik, en weer; en
gaandeweg vat het denkbeeld in mij post, het wan-
hopige: ik kan niet. Niets is zoo doodend vooreene
mensehenziel als het gevoel van onmacht. Moed
verloren, al verloren. Wat zal er van een willenloos
mensen worden? Bij geen zondigen toestand is dit
zoo vaak opgemerkt als bij de drankzucht; maar het
geldt van elke onheilige aandrift.
Zoo blijft geen deel mijner persoonlijkheid on-
gerept wanneer ik aan zondige neigingen toegeef.
-ocr page 84-
18. Welken invloed heeft de zondige toestand
van u en uwe medemenschen op
uw onderlinge verhouding ?
De zonde is de voornaamste oorzaak dat onze
onderlinge verhouding in alle deelen gebrekkig, soms
zeer slecht is en blijft. Noch die tusschen de leden
van het gezin, noch die tusschen de deelen der maat-
schappij, noch die tusschen de volken, noch die tus-
schen de godsdiensten, is wat zij moest en kon wezen.
Van tijd tot tijd treden die wanverhoudingen op pijn-
lijke wijze aan het licht.
Wij behoeven nog niet te verkeeren in de hooge
stemming der gemeenschap met God om in te zien
dat de menschenwereld niet is wat zij kon en moest
zijn. Klachten over haar ellende en slechtheid zijn
eer te talrijk dan te schaarsch. worden door menschen
van edel en onedel gehalte geslaakt, en zijn vaak
niet meer dan uitingen van ontevredenheid en per-
soonlijke grieven. Doch te recht treuren en ergeren
zich alle ernstige menschen over veel dat zij zien of\'
waarvan zij hooren; en wanneer wij verkeeren in
onze heiligste stemming, dan treft ons de in menig
opzicht erbarmelijke toestand der menschenwereld ;
niet slechts hare kleinzieligheid, kenbaar in het najagen
van wat alleen tijdelijk en gebrekkig genot aanbrengt,
maar ook bare scheve verhoudingen, jammerlijke mis-
standen, waardoor menigeen zwaar lijdt, zeer velen
het geluk derven dat zij konden smaken. De wan-
-ocr page 85-
81
verhoudingen bestaan op elk gebied waarop menschen
samenwerken.
Schromelijk oppervlakkig is het al die wanverhou-
dingen kortweg aan de zonde te wijten. Zij zijn vooreen
groot deel de natuurlijke gevolgen van der menschen
gebrekkige ontwikkeling, gemis aan doorzicht en zede-
lijk gevoel, onvermijdelijk ontstaan, en in de omstan-
digheden waarin ze ontstonden noodzakelijk, zelfs
heilzaam. Om slechts op één, zeer belangrijk, punt
te wijzen, de onbeperkte macht toegekend aan een
vader in zijn huis. een overheidspersoon in zijn stam
en volk, een geestelijk hootd in zijne gemeente of
Kerk, ieder machtige in zijn kring, was oudtijds een
groote zegen voor de maatschappij, bolwerk tegen
wanorde, die vreeselijkerampvoorelke menschengroep
die moet samenleven en samenwerken. En nog is in
menigen kring de alleenheerschappij, al worden <Jaar-
door wellicht tijdelijk de rechten van sommige men-
schen gekrenkt, een onwaardeerbaar goed. De gezag-
voerder van een schip houdt in den storm geen ieke-
ning met wat dezen of genen zijner passagiers of
scheepslieden aanstaat, noch met hun persoonlijk be-
lang, hij beveelt kortaf en moet onmiddellijk, zonder
tegenspraak of aarzeling, gehoorzaamd worden. Dit
moet; anders vergaat het schip. Menigmaal is een
deel der maatschappij, niet eene korte wijle, maar
een langen tijd, aan zulk een schip gelijk. Dan is
zelfs dwingelandij met kort, scherp recht noodzakelijk.
En tucht, gehoorzaamheid aan één mensch, volgzaam-
heid met terzijdestelling van eigen inzicht en wensch,
is gedurig noodig, zullen wij samenwerken tot
een goed doel.
6
-ocr page 86-
82
Maar die onderwerping van den eenen mensen aan
den anderen mag niet langer geëischt, geduld worden
dan noodig is voor het doel dat men samen wil
bereiken. En het gevolg der geestelijke traagheid, der
zelfzucht, der zonde, is dar verhoudingen welke tijde-
lijk n ooi lig waren bestendigd zijn, dat de machtheb-
benden weigeren hun gezag te laten beperken, ook
al kan dit zonder schade gebeuren, en de onderge-
schikten niet genoeg bekwaamheid, zelfbeheersching,
karakter hebben om zich behoorlijk te doen gelden.
Op elk gebied bestaan ergerlijke wanverhoudingen.
In de huisgezinnen : de vader „een leeuw in zijn huis",
de moeder te toegefelijk, de verhouding der ouders
meer een muist elkaar dan met elkaar leven, een on-
waardig zich plooien zonder oprechtheid, de kinderen
beurtelings slaat\'sch en den baas spelend. In de maat-
schappij: er zijn rijken en armen, dat kan niet anders
— maar zij staan niet tot elkander zooals het be-
hoort; in naam is in de Christennatiën de slavernij
afgeschaft, inderdaad bestaat zij daar waar de eene
mensch voor zijn brood geheel en al afhankelijk is
van den anderen, soms honderden van éénen, eu\'waar
werklieden, ondanks ijver, kennis en spaarzaamheid,
niet genoeg verdienen om zich en de hunnen te on-
derhouden, terwijl sommige menschen, door eerlijke
of oneerlijke middelen, met geringe moeite schatten
verdienen. In de verhouding der volken: zij heffen
in- en uitgaande rechten van hun arbeid en de op-
brengst van hun land; zij leven in voortdurend wan-
trouwen naast elkander, door den gevvapeuden vrede
zich zelven te gronde richtend, althans merkbaar
benadeelend. In de godsdiensten: dat de menschen
-ocr page 87-
83
verdeeld zijn in Kerken en genootschappen is natuur-
lij1 en goed, want zij verschillen te veel in denken
en gevoelen om samen naar Gods gemeenschap te
zo: <.e:i ; maar dat zij elkander niet verdragen, elkander
te.i nwerken, dat zij zoo weinig gevoelen van de
gr re waarheid dat zij bondgenooten en medestrijders
zij i. dit is voor een groot deel gevolg van gemis aan
ze ."lijken ernst, van hoogmoed en zelfzucht, in één
w< >rd van zonde.
Van dat op elk gebied gebrekkig samenleven
zij wij zoo gewend dat wij vaak de wanverhoudingen
ni\'-i zien, of denken dat zij toch niet veranderd kunnen
werden. Maar van tijd tot tijd worden wij wakker-
g< -. iuid. liet kwaad barst uit. Twist tusschen huis-
gc , ">ten en naaste betrekkingen ergert zelfs de
bi istaanden, na reeds korter ot langer tijd het
Ie "i van de daarbij betrokkenen te hebben vergald.
Zwaar lijden van misdeelden en brooddronken ver-
kwisting van rijken stuit den gevoeligen mensen die
er getuige van is. Hevige klachten over ondergaan
onrecht van de zijde van machtigen of over onhandel-
i); iieid en onbetrouwbaarheid van ondergeschikten
dringen buiten de muren van fabriek of werkplaats;
werkstakingen bereiden aan duizenden leed. Oorlogen
tu -ehen de volken verspreiden namelooze ellende.
BI i \'Uige vervolgingen om het „geloof" doen den toe-
sciiouwer huiveren; kleinzielige uitbarstingen van
geloofshaat doen ongeloovigen lachen over de dwaas-
he li.\'ii dergenen die zich geloovigen noemen.
Zoo brengen wij, ilie geroepen zijn om elkander
bi, ie staan en gelukkig te maken, elkander ten val,
belemmeren althans elkaar in het zoeken van het
-ocr page 88-
*4
allerbeste. Hoevele verbeteringen zijn niet aan te
brengen in ons leven! Och of de schatten die nu
verkwist worden in oorlogen en oorlogstoebereidselen,
in alkoholgebruik en ontzenuwende weelde, gebruikt
werden tot stichting van scholen, kerken, volkshuizen,
boekerijen, toevluchtsoorden, ziekenhuizen! och of
daardoor loonen verhoogd en vruchtdragende werkver-
schafhngen ingericht werden! Wat zou er meer stott\'e-
lijk en geestelijk genot gesmaakt worden!
-ocr page 89-
10. Waarop loopt de heerschappij der zonde uit?
Eene steeds toenemende ontaarding onzer natuur
doet een toestand ontstaan waaruit geen herstel
schijnt te zijn, en die geheele vernietiging van zielen-
adel en volkomen rampzaligheid ten gevolge heeft.
Maar de kiem van het geestelijk leven sterft niet;
zoodat redding mogelijk blijft.
Het is de vraag, of het goed is dat wij, het leven
in God beschrijvende, het oog vestigen op de diepte
van ellende waartoe het leven buiten God voeren kan.
Zeker zou het niet goed zijn er lang bij stil te staan;
want het aanschouwen van het onreine en dienten-
gevolge rampzalige sticht niet. Toch kunnen wij het
niet voorbijgaan.
In ons geestelijk leven wordt voortdurend het
woord bewaarheid: wie heeft, dien zal gegeven worden,
en hij zal overvloed hebbon; maar van hom die niet
heeft zal nog ontnomen worden wat hij heeft (Matth.
25 : 29). Terwijl hun die God liefhebben alles mede-
werkt ten goede, trekt hen die God den rug toekeeren
alles naar omlaag: de voorspoed ontzenuwt en maakt
overmoedig, de vreugde verwildert, de tegenspoed
verbittert en dooft de geestkracht, de smart slaat
neer, de arbeid verdriet of maakt tot een slaaf. Zelfs
wat het ontroerendste is, de ontmoeting met hoog-
Btaande menschen doet geen goed, maar kwaad;
schaamte prikkelt tot te heviger verzet, het goede
waaraan men geen gehoor wil geven wekt haat en
afkeer.
-ocr page 90-
86
Dientengevolge ka» een mensch van stap tot stap
dalen tot eene hopelooze diepte, zijne geheele natuur
zoo ontaarden dat in zijn hart geen kwetsbare plek
schijnt overgebleven te zijn ; de aandrift ten kwade
wordt steeds onweerstaanbaarder, en de meegesleepte
loopt met open oogen in zijn verderf.
De gevallen die voor de hand liggen zijn die van
de dronkaards en de ontuchtigen; gelukkig voor de
maatschappij, zijn de zedelijke monsters zeldzaam die
in koelen bloede en met verfijnde wreedheid, uit
wellust of begeerlijkheid, mishandelen en moorden.
Licht vergapen wij ons aan den schijn : de zichtbare
goddeloosheid en ellende van sommigen doet ons
meenen dat die uitvaagsels der maatschappij, vaak
door het menschelijk gericht vervolgd, de rampzaligste
slachtoffers der zonde zijn. Toch is het lot van den
nijdigaard en den vrek niet minder beklagenswaardig
dan het hunne; en wie zal peilen de ellende der
koudheid van den mensch wiens hart gesloten is voor
anderer welzijn, den mensch die alleen voor zich
zelven leeft? Niet allen die ons diep ongelukkig
schijnen voelen zich zelven zoo. Menigeen is in eene
hel, die, zoo hij zich al niet verbeeldt in den hemel
te zijn, zich toch het gemis hiervan volstrekt niet
bewust is. Geestelijke hoogmoed is geen zeldzaam
verschijnsel in menschen bij wie iemand met weinig
menschenkennis schuldgevoel verwacht; in bordeelen
en gevangenissen is zeker niet minder farizeïsme dan
in de kerken. Betrekkelijk zeldzaam komt ook daar
het knagend zelfverwijt, de wanhopige wroeging voor.
Wee wie er door gejaagd wordt!
Het is onbegrijpelijk, hoe men, zulke verschijnselen
-ocr page 91-
87
kennende, zonde eene geringe ontwikkeling van het
zedelijk leven, eene achterlijkheid, kan noemen. Trou-
wens, wat wij in ons zelven opmerken veroordeelt die
flauwe, onware opvattingen leert ons duidelijk genoeg
dat zonde een ziekteverschijnsel is. Men kan niet
evenveel recht een doodelijk gezwel in het lichaam
het teeken noemen dat dit nog niet volgroeid is, als
eene met bewustheid begane zondige (laad een bewijs
van verkeerd inzicht of nog niet genoeg ontwikkeld
zedelijk gevoel. Zonde, zeer zeker gevolg van zedelijke
zwakte, is eene ziekte, die afgrijselijke vormen aan-
nemen kan, en de geheelc ziel sloopt.
De vraag: van waar de zonde? heeft van oudsher
denkende menschen beziggehouden en menigeen geleid
tot het geloof aan een Satan of Duivel, een volstrekt
slecht wezen, het kwade in eigen persoon, door wien
de menschen verleid worden, neen, die in hen vaart
en hen tot al wat slecht en laag is brengt. Wie dit
denkbeeld aanhangt toont meer besef te hebben van
het verschrikkelijke karakter der zonde, dan zij die
meenen dat zij niet anders is dan een staat van
overgang van bet lagere naar het hoogere; maar het
lost in geenen deele het geweldige, geheimnisvolle
vraagstuk der zonde op. Immers, het is niet de vraag,
hoe het komt dat een mensch tot zulk een diepte kan
zinken: dit zien wij voor onze oogen gebeuren en
kunnen wij voor een deel verklaren ; wij drukken die
verklaring zelfs uit in spreekwoorden als: van kwaad
tot erger; geef den Duivel den vinger, en hij neemt
de geheele hand. Wat ons pijnigt wordt uitgedrukt in
de vraag: hoe de mogelijkheid van zulk eene geeste*
lijko ellende te rijmen met de macht van God, den
-ocr page 92-
88
Algoede? Eu hierover geeft het Duivelgeloof niet
alleen geen licht, maar het verschuift het vraagstuk
slechts en maakt het nog raadselachtiger. Want ook
in den diepstgezonken mensen blijft iets goeds over,
en dus de mogelijkheid op herstel; maar van een
volstrekt slecht wezen, dat het kwade doet krachtens
zijn aard en omdat het het kwade liefheeft, is dit
onmogelijk. Zijn bestaan onder of naast God is dus
ondenkbaar.
Op het voetspoor van Joodsche leeraars, hebben
de Christenkerkvaders, om licht in het raadsel der
zonde te verkrijgen, gezien naar het verhaal van Gen. 3,
en gemeend dat Adams schuld door God verhaald
wordt op zijne nakomelingen, of dat zijne zondigheid
door hen is geërfd. Waarbij men zich dan verloor
in de vraag, of de zonde van Adam al dan niet door
God beschikt was. IJdele bespiegelingen, zonder anderen
grond dan de waarneming dat het karakter der kin-
deren vaak nauw samenhangt met dat hunner ouders;
ze brengen ons geen stap nader aan de oplossing van
het pijnlijke vraagstuk waarvoor wij staan en wel
zullen blijven staan.
Er is slechts één troost in; het goddelijke in
den mensen sterft, voor zoover wij zien kunnen,
nooit geheel: in ieder mensch, ook in den meest ont-
aarden, is een vonk van geestelijk leven over, een
vonk die wellicht nog aangeblazen kan worden. Dit
geloof maakt dat wij elk mensch heilig achten, ook
hem in wien alles verwrongen en het goddelijke
nauwelijks meer bespeurbaar is; het drijft tot groote
opofferingen, om vooral verwaarloosde en verwilderde
kinderen, maar ook volwassenen van wier ziel schier
-ocr page 93-
81)
niets schijnt overgebleven te zijn, te redden; het noopt
wetgevers en machthebbers om, met hulp van weten-
schap en ervaring, in de rechtspleging en de behan-
deling van overtreders zoo goed mogelijk de zorg voor
de veiligheid van maatschappij en eigen kring te
verbinden met pogingen om de misdadigers te spareu
en terecht te brengen, en doet terughuiveren voor de
doodstraf; het predikt: wanhoop nooit, al schijnt
menig geval hopeloos.
-ocr page 94-
20. Moe wordt gij bewaard voor de zonde
en verlost uit hare macht?
Bewaard en verlost werd ik door God, die ondanks
al mijne afdwalingen, mij onwederstaanbaar bleef
aantrekken en het steeds doet; zoodat mij steeds
duidelijker wordt, waar mijn waar geluk is te vinden,
en het beeld van volkomenheid waarnaar ik lieb te
streven altijd sehoon<T vóór mij staat.
Er bestaat onder de Protestanten van alle landen
eene godsdienstige richting, van Engelsehen oorsprong,
die althans in Engeland het eerst onder bepaalde
vormen krachtig opgetreden is, zelfs tot de stichting
van kerkgenootschappen geleid heeft, volgens-welke
elk mensen die den hemel beërft naar dezellde
„methode" bekeerd wordt. Hiernaar heeten hare
aanhangers: Methodisten. Zij leeren dat elk mensen
die bestemd is op den goeden weg te geraken eerst
zware aanvechtingen van den Duivel heeft te ver-
duren en zich zeer benauwd voelt over de zaligheid
zijner ziel, om dan, gemeenlijk op een voor hem
zelven kenbaar oogenblik, te worden bekeerd of
zich te bekeeren, d. i. het leven der zonde te ver-
laten en een Gode gewijd leven te beginnen. Wie
eenmaal zoo door God bekeerd is kan wel struikelen,
maar nimmer van de genade vervallen, en is dus
verlost, gered. — Bij deze voorstelling van den weg
ten leven past volkomen de uitdrukking: „verlost
worden van de macht der zonde", die zich aanbeveelt
door den eeretitel „Verlosser", in het N. T. aan Jezus
-ocr page 95-
91
gegeven, omdat hij hen ilie in hem gelooven verlost
uit de macht van de Wet, den Dood of den Duivel.
Niet te miskennen is het dat in de methodistische
beschouwing een groot deel waarheid ligt. Zij is
zonder twijfel eene vrucht der levenservaring van
velen. Vooral monschen van hartstochtelijken aard,
in wie zich eene zondige neiging zeer sterk en ken-
haar ontwikkeld heeft, die diep gevoelen hoe ramp-
zalig zij daardoor geworden zijn en niet dan na hangen
strijd met dat verleden breken, doorleven de Metho-
distische bekeering.
Maar zoo gaat het niet met iedereen die God
vindt. Wij verschillen allen van elkander in honderd
opzichten, en daarom komen wij langs zeer onder-
scheiden wegen tot God. Allerlei voor ons zieleleven
zeer gevaarlijke neigingen doen zich gelden, open-
baren zich in daden, woorden, gedachten en worden
weder krachteloos, verdwijnen spoorloos, zonderdat
wij ons bewust zijn geweest van het gevaar waarin
wij verkeerd hebben. Het zal wel waar zijn dat
ieder mensch min of meer tegen alle geboden Gods
gezondigd heeft en gevaar loopt er weder tegen te
zondigen; doch daarmede is niet gezegd dat wij allen
eens onwaarachtig, oneerlijk, afgunstig, wreed, hoog-
moedig, wellustig en driftig zijn geweest, evenmin
als wij dit alles thans zijn. Niet elke onheilige nei-
ging had of heeft altijd vat op ons. Wij worden
voor velerlei geestelijke ellende bewaard, evenals
wij voor vele ziekten bewaard bleven, al was en is
het onder andere omstandigheden zeer goed mogelijk
dat wij ze kregen of nog zullen krijgen.
Ook wanneer eene zondige aandrift zich in ons
-ocr page 96-
92
zoo heeft ontwikkeld dat wij haar gevoeld hebben,
zoodat wij te recht van verlossing uit haar macht
gewagen, dan nog wordt de overwinning op haar
gewoonlijk niet behaald op een oogenblik dat wij ons
later als beslissend kunnen herinneren, maar verliest
zij vaak van lieverlede haar kracht en sterft meer
af dan dat zij met geweld wordt te niet gedaan.
Wat veel medewerkt om de Methodistische op-
vatting van den weg ten heil in stand te houden is
de waan dat het in ons geestelijk leven gaat om :
uitverkoren of verworpen, gered of verloren zijn,
ten hemel of ter helle gaan. Immers, hij die dit
gelooft wenscht allereerst voor zichzelven, daarna
ook voor anderen, de zekerheid dat hij tot de uit-
verkoienen behoort, zoekt daarom naar kenteekenen
dei\' uitverkiezing, duidelijke openbaringen der be-
keering. Die waan wordt gevoed door ons spraak-
gebruik, dat wij bezwaarlijk kunnen veranderen:
wij spreken van goede en slechte, geloovige en on-
geloovige, ook van betrouwbare en onbetrouwbare,
eerlijke en oneerlijke, hoogmoedige en nederige,
kuische en onkuische menschen.
Heillooze gevolgen heeft die splitsing in uilver-
korenen en verworpenen: aan den éénen kant zelf-
bedrog, ijdele gerustheid, zelfverheffing, aan den
anderen moedeloosheid en onverschilligheid. En die
indeeling is valsch: noch onze eigen ervaring noch
wat wij zien in anderen toont haar ons. Wij zijn
niet óf goed óf slecht, óf geheel geloovig óf ongeloovig.
Neen, wij zien God, maar niet altijd, niet steeds even
duidelijk, en daarmede hangt ons zedelijk leven nauw
samen: goed en kwaad is in ons op alle denkbare
-ocr page 97-
93
wijzen met elkander vermengd. Wij. met ons ge-
brekkig oordeel en onze gebrekkige taal, wij moeten
wel, niet elkander sprekende, grove indeelingen en
onderscheidingen maken, maar wij mogen nooit ver-
geten dat zij de werkelijkheid slechts zeer gebrekkig
aanduiden. Wij bezitten geestelijke gaven, ieder in
eigen mate en eigen vorm.
Doch boe verschillend ook de geschiedenis van
ons innerlijk leven is, wanneer wij God hebben
gevonden en weder teruggevonden na atdoling, dan
hebben wij dit te danken aan Hem, die zich heeft
laten vinden, ons als het ware opgezoebt en het
verleden vergeven beeft. Die uitdrukking „vergeven"
is hoogst gebrekkig; want zij onderstelt de verhouding
van een schuldeisciier tot een schuldenaar, en dat
is nimmer die van God tot ons. Maar wanneer wij
denken aan onze overtredingen, dan komen ze ons
voor als eene schuld en gelijkt Gods onverkoelde
liefde op kwijtschelding daarvan. Hetzij wij dan,
met het oog op ons eigen of anderer verleden en
heden, liefst spreken van bewaard blijven voor
velerlei afdwaling, of van gered worden uit de macht
der zonden waartoe wij vervallen zijn, of van voor-
uitgang in kennis van God en zedelijke kracht —
wij doen te recht nu eens het een, dan weder het
ander — onloochenbaar is het de macht der waarheid
die het kwade terugdringt en overwint, door hare
onweerstaanbare aantrekkelijkheid. Ons hart is
onrustig in ons totdat het rust vindt in God. Wie
haar vindt is vóór alles dankbaar; want hij weet
niets te bezitten dat hij niet ontvangen heeft.
-ocr page 98-
21. Hoe werkt Qod in u?
Voor een groot gedeelte is dit onnaspeurlijk: ik
weet niet, hoe het komt dat eenc waarheid mij
duidelijk wordt en steeds meer vervult; evenmin,hoe
eene goede opwelling in mij ontstaat en ik den lust
en de kracht verkrijg om eene verkeerd!leid tegen
te gaan. Maar zeker ben ik veel aan andere inen-
schen verplicht.
liet is niet zeer nuttig veel na te denken over
den weg waarlangs wij God hebben gevonden. Wel
is het niet zoo gevaarlijk als het peinzen over onze
zonden; want dit is gemeenlijk zeer onstichtelijk;
maar wij loopen toch. wanneer wij nagaan, hoe wij
ontkomen zijn aan zedelijke euvelen en opgericht uit
een val, gevaar hel goede in ons karakter en gedrag
dat zoo tot stand gekomen is te overschatten; en het
is heilzamer te staren op een groot, heerlijk beeld
van volkomenheid en op het geluk waarnaar wij
streven dan te blijven hangen aan het betrekkelijk
geringe dat ons deel is geworden. In het „vergeten
van hetgeen achter is" (Kil. 3:14) is een groot deel
wijsheid. Doch wij kunnen niet altijd nalaten over
ons verleden te denken; onwillekeurig komt het ons
soms voor den geest; dankbaarheid dringt ons er den
zegen van te roemen; van tijd tot tijd halen wij het
op tot troost of vermaning van ons zelven en van
anderen.
Als wij dan de geschiedenis van ons zieleleven
ons voor den geest brengen, en trachten te verklaren
-ocr page 99-
95
hoe wij gekomen zijn tot een helderder inzicht, tot
lietde voor iets goeds en schoons, tot afkeer van iets
leelijks en onreins, dan bespeuren wij ras, hoe weinig
wij daarvan weten. Het is met ons gegaan als met
den man in de gelijkenis van Mare. 4 : 2<> v.: hij
strooit zaad in zijn akker, gaat slapen en staat op,
nacht en dag, en het zaad spruit uit en wordt lang,
hij weet zelf niet lioe. Ja, bij goed toezien bemer-
ken wij, hoe wij groot gevaar loopen ons schromelijk
te vergissen, door de naaste aanleiding tot een voor-
uitgang of omkeer aan te zien voor de oorzaak. Ik
vang een woord op of lees een boek, mijn oogen
gaan open voor eene hoogere waarheid, en ik dank
dit aan dat woord, dat boek; maar ik weet niet, ik
heb het nooit bespeurd of heb het vergeten, hoe,
wellicht jaren geleden, andere menschen, andere
boeken op mij een indruk gemaakt hebben geheel in
dezelfde richting. Eene groote blijdschap verwarmt
mijn hart, tilt mij op, zoodat ik God beter zie dan te
voren, of een grievend leed drijft mij om troost tot
Hem; maar die vreugd of die smart deed dit slechts
omdat in mij veel daaraan was voorafgegaan dat mij
derwaarts stierde. Luther ging niet in het klooster
omdat hij zijn vriend op zijn bed vermoord vond of
omdat de bliksem naast hem insloeg; hoogstens kan
zoo iets den laatsten stoot tot zijn besluit gegeven
hebben. Somtijds gebeurt het dat wij zonder ken-
bare oorzaak of aanleiding eene waarheid zien ol op-
gejaagd worden uit den dommel; het is alsof „God
het zijnen beminden in den slaap geeft" — hét gaat
in wetenschap en kunst juist zoo. Wij zijn wellicht
vergeten dat wij jaren geleden naar die waarheid
-ocr page 100-
96
gezoclit en dat wij over die slaperigheid dikwerf
getreurd hadden. Wij weten weinig, zeer weinig,
van Gods werk in ons.
Dit mogen wij ook niet vergeten, wanneer wij
van groote mannen en vrouwen de levensgeschiedenis
willen kennen; dat wil zeggen de geschiedenis van
hun inwendig leven; hunne uiterlijke omstandigheden
zijn alleen van belang in zoover zij daarmede samen-
hangen. Wanneer wij eenigen wetenscliappelijken
zin hebben, dan stellen wij ons niet tevreden met
bewonderen; wij willen ook begrijpen en vragen dus:
hoe .zijn zij zoo geworden \'? en zijn blijde als wij iets
te weten komen van het karakter hunner ouders en
hierin iets vinden dat met het hunne overeenkomt;
wij overwegen, welken invloed hun ouderlijk huis op
hen kan gehad hebben, welke leermeesters hen hebben
geleid, voor welke vragen zij bij hun opgroeien ge-
steld worden, welke voorloopers zij gehad hebben op
den weg dien zij tot anderer heil betraden, enz.
En als wij dan daarvan het een en ander hebben
verzameld, dan meenen wij min of meer te begrijpen,
hoe zij geworden zijn wat zij waren. Zulke onder-
zoekingen zijn volstrekt niet onvruchtbaar. Integen-
deel, evenals een natuuronderzoeker niet rust zoolang
hij iets verder kan doordringen in de geheimen der
natuur en steeds blijft vragen: wat kan ik te weten
komen van de wetten waaraan het leven van plant
en dier is gebonden ? al beseft hij steeds beter dat
hij in een peilloos raadsel tuurt, zoo wil ieder mensch
die God liefheeft ook zoo duidelijk mogelijk zien, hoe
de Machtige, Heilige en Liefderijke werkt in zijne
kinderen. Maar hij vergete nooit dat hij ten slotte
-ocr page 101-
97
voor een ondoorgrondelijk geheiranis staat. Men zegt
vaak: Wie zal de wording van een genie, ook van
een genie op godsdienstig gebied, doorgronden?
Wat praat men van genie\'? Ja, voor ons is er een
hemelsbreed onderscheid tusschen een genie en een
mensch op den laagsten trap van ontwikkeling: maar
inderdaad is het even ondoorgrondelijk, hoe een zeer
weinig ontwikkeld mensch eene schemering opvangt
van hooger licht, als hoe aan Jezus het wereldher-
scheppend denkbeeld van Gods vaderliefde voor alle
menschen is geopenbaard.
Alles één groot geheimnis.
Toch is daarin ééne waarheid die zich te sterker
aan ons opdringt hoe dieper wij Gods werk in den
mensch trachten te peilen: wij vinden God door eik-
ander en met elkander. Tijdelijke afzondering van
de menschen moge somtijds heilzaam, zelfs dringend
noodig, ja, het eenige redmiddel zijn, wie zich voor-
goed van de menschen afzondert loopt groot gevaar
God steeds minder duidelijk te zien, al verbeeldt
zich een kloosterling in zijne cel het tegendeel.
7
-ocr page 102-
22. Wat zijt zijt gij voor uw geestelijk leven
aan andere menschen verplicht?
Met dankbaarheid erken ik, èn dat vroegere
geslachten mij woorden en beelden hebben nagelaten
waardoor ik gevormd ben; zoodat ik, indien ik daar-
van verstoken was, zeer arm zou zijn; èn dat het
samenleven, samenspreken en samenwerken met tijd-
genooten een machtigen invloed ten goede op mij
heeft gehad en voortdurend heeft.
Onder hen die opgevoed zijn in een Protestantsche
omgeving zijn er waarschijnlijk niet velen die aar-
zelen zullen op de vraag, aan welke personen uit vroegere
geslachten zij de grootste verplichtingen voor hun
geestelijk leven hebben, te wijzen op den Bijbel met
name op het N. T., en op Jezus, het middelpunt er
van. Geletterde onkerkelijke menschen mogen wei-
licht een oogenblik wanen dat zij aan de zoogenaamde
klassieke schrijvers, van ouder of jonger tijd, meer
te danken hebben, eenig nadenken zal hen ras doen
terugkomen van die dwaling; want hoe mild die
bronnen ook vloeien, hoeveel wij er ook uit putten
tot verfijning van onzen smaak, tot verscherping van
ons oordeel, tot vermeerdering van onze kennis, wat zij
opleveren tot voeding van het allerbeste in ons
innerlijk leven: verfijning van ons zedelijk gevoel
en aankweeking van de reinste vreugd, haalt in de
verte niet bij wat O. en N. T. ons geven, of is hier-
aan rechtstreeks of zijdelings ontleend. Zoowel de
geletterden onder ons als de ongeletterden, onze ge-
-ocr page 103-
99
heele maatschappij, althans het Protestantsch gedeelte
er van. heeft in ruime mate Bijbelsch voedsel ont-
vangen.
Onder de Godstolken uit. Israël en de eerste
eeuw van het Christendom wier woord en beeld
ons ten zegen zijn geweest en voortdurend zijn, treedt
zonder twijfel op den voorgrond Jezus. Wij behoeven,
om dit te erkennen, niet te komen in de geleerde
onderzoekingen over het al of niet geschiedkundige
van hetgeen omtrent hem is overgeleverd ; wij mogen
vrij oordeelen over elk woord, hem in de evangeliën
op de lippen gelegd, het aanvaardende of verwer-
pende; wij kunnen ons thuis gevoelen in de rede-
neeringen die zijne volgelingen, meenende in zijn
geest te schrijven, ten beste gaven, of ze wonderlijk
en gebrekkig noemen — als menschen die zelven
God zien en niet op hooren zeggen van Hem spreken,
laten wij ons door niemand, wien ook, binden in ons
oordeel; maar uit de wereld van gewaarwordingen
en beelden waarin het N. T. — gebrekkiger ook het
O. T. — ons verplaatst komt zooveel reins, verheffends,
waars, diepzinnigs en teeders ons te gemoet dat wij,
bij vergelijking met wat wij nu bezitten, doodarm
zouden zijn indien wij buiten den invloed daarvan
waren opgegroeid.
Grooter invloed dan door denkbeelden en rede-
neeringen is te allen tijde op de meeste menschen
geoefend door levensbeelden. De figuur van Jezus,
den wijzen prediker, den kloeken strijder voor Gods
zaak, den vriend van kinderen en zondaren, vooral
den grooten lijder, heeft eeuwen lang duizenden bij
duizenden geleerd, vermaand, niet het minst ge-
-ocr page 104-
100
troost, en gaat voort dit te doen. Nevens hem heeft
onder de Roomsch-katholieken Maria, „Madonna",
veler harten geroerd. Elders heeft de Buddha en
zijne groote zelfverloochening de zeden verzacht,
ruwe volken getemd. En overal hebben mannen
en vrouwen van naam — heiligen of hoe ook ge-
heeten, geschiedkundige personen of vruchten der
verbeelding - velen ontrukt aan den sleur van het
gewone leven en heilige of teedere gewaarwordingen
gewekt.
Had de Christelijke Kerk niet zoo schromelijk
den geest van Jezus miskend, door hem wel te
vergoddelijken, maar zijne beginselen, tot onkenbaar
wordens toe, te verwateren en te verontreinigen, de
zegen zou voor velen grooter zijn: maar reeds nu,
nu het evangelie meestal niet dan zeer verminkt
wordt verkondigd, is het eene milde bron van gees-
telijk leven.
Wat ons door den Bijbel aangeboden wordt is
niet het eenige geestelijk voedsel dat wij van het
voorgeslacht hebben ontvangen. Menig dichter en
denker „van Gods genade" — zooals men hen beet
die oorspronkelijke warme en ware dingen zeggen —
heeft ons in zijn werk een schat gegeven. Wij
kunnen ons niet indenken in de geestelijke duisternis
die ons zou omringen, wanneer wij niets lazen en
geen mensehen hoorden spreken die door boeken
gevoed zijn. Niet voor ieder past hetzelfde voedsel.
Zij die God kennen kunnen geleerden zijn die uit
de diepzinnigste boeken het allerbeste zich toeëigenen,
of onkundigen die zich stichten met eene eenvoudige
vertelling, een lief vers, een begrijpelijk gezegde,
-ocr page 105-
101
•een roerend sprookje; tussehen die uitersten iseene
oneindige verscheidenheid. Doch in schier alles wat
ons troost, vermaant, leert, verheft, veredelt, in één
woord rijker maakt, spreken menschen uit ouderen
of jongeren tijd tot ons.
Dat ouders, onderwijzers, vrienden en allen
wier goed woord of voorbeeld ons ten zegen strekt
vaak aan dien schat het hunne toevoegen behoeft
slechts te worden aangestipt. En al doen zij dit niet,
zij brengen ons de hun overgeleverde waarheden en
bewijzen ons daarmede een groote weldaad.
Maar nog op eene geheel andere wijze zijn onze
tijdgenooten ons ten onberekenbaar groot voordeel.
De menscli is bestemd voor de samenleving, alleen
voor zich zelven te leven is voor ons onnatuur.
Wij vormen dientengevolge eene maatschappij, huis-
gezinnen, volken, staten, kerken, vereenigingen, ge-
nootschappen, of met welke andere namen men men-
schengroepeu aanduidt. Ons aller belangen zijn zoo-
zeer met elkaudör saamgeweven dat, al heeft ieder
zijne persoonlijke behoeften, des éénen schade en
voorspoed ten slotte de schade en de voorspoed van
allen is. Dit is het groote opvoedingsmiddel van God;
want door hun nauwen samenhang hebben de men-
schen van lieverlede allerlei deugden leeren waar-
deeren en beoefenen, die hen sieren en voor het
innigste en heiligste leven met God onmisbaar zijn:
zelfbeheersching, rechtvaardigheid, eensgezindheid,
geduld en gemeenschapszin, handhaving van zelfstan-
digheid, naast opoffering van eigen wensch, eerlijkheid
en waarheidszin, moed en voorzichtigheid. En die
opvoeding duurt voort. Wat leeren wij niet veel
-ocr page 106-
102
van elkander indien wij voor een goed doel samen-
werken! Niets bindt hechter dan dit. Wij leeren
van elkaar, niet omdat ik zooveel meer doorzicht
heb dan gij, of\' gij dan ik; maar juist omdat wij
samen zoeken naar de waarheid: wat de een niet
juist inziet begrijpt een ander; waar de een onge-
voelig blijft is zijn buurman verteederd; wij vullen
elkander aan, nemen van elkander over en groeien
zoo samen op.
Niet zonder schijn van waarheid klaagt men
vaak dat het leven te midden der maatschappij, waarin
op zoo onheilige wijze gejaagd wordt naar bevrediging
van persoonlijke wenschen, slecht maakt, naar be-
neden haalt ten minste. Zeker, in de samenleving
schuilen vele verleidingen, en menigeen wordt mede-
gesleept ten verderve; maar wie ze overwint wordt door
den strijd daartegen gestaald, gerijpt, veredeld, en
ontwikkelt eene kracht die zonder die worsteling
zou zijn blijven slapen. Er is veel ellende die ge-
vaar loopt te ontmoedigen en te verstompen, omdat wij
ze niet dan een weinig kunnen lenigen en buiten staat
zijn ze op te heffen; maar wanneer wij hierin het
onze doen, dan wordt ons zieleleven er door gebaat,
worden wij liefderijker, wijzer, gelooviger. Taai zijn
de vooroordeelen, schreeuwend de misbruiken ; des
te kloeker het karakter dergenen die ze aandurven.
Worstelingen om strijdende belangen zijn er te allen
tijde overal geweest; ze nemen steeds grooter af\'me-
tingen aan, veroorzaken gestadig meer nood, maar
roepen ook te grooter deugd te voorschijn. Geducht,
in menig opzicht heilloos is de strijd op vele plaatsen
gevoerd tusschen werkgevers en werklieden: tirannie
-ocr page 107-
103
aan den eenen kant, oogendienst of onbeschoftheid
aan den anderen kenmerken hem maar al te veel.
Maar wij aanschouwen ook te eener zijde liefderijke,
verstandige zorg voor onderhoorigen, met terzijde-
stelling van eigen eer en genoegen, te anderer zelf-
opofferende samenwerking. Zonder die geduchte
worsteling — mogelijk geworden door verbeterde
middelen van voortbrenging en verkeer — zouden
patroons en werklieden beiden bekrompener en klein-
geestiger zijn gebleven. Nu wordt hun gezichteinder
verruimd, hun blik verhelderd, hun verstand gescherpt,
hun wil geoefend, hun gemeenschapszin ontwikkeld,
hun onderlinge liefde vergroot. Zoo worden zij vat-
baar voor hooger geluk, voor reiner leven met God.
Niet uit de ongerechtigheid wordt de gerechtig-
heid geboren, maar door dezelfde omstandigheden
die, in schijn althans, tot klimmende ongerechtigheid
aanleiding geven leidt God hen die Hem liefhebben
tot hooger licht.
-ocr page 108-
23. Arbeidt gij zelf aan uw geestelijk leven?
Ja. Hoe zou het mogelijk zijn het geluk te zien
en mij niet in te spannen om het te verkrijgen?
Deze vraag klinkt zoo onnoozel,Sen het antwoord
spreekt zoozeer vanzelf, dat men geneigd is te zeggen:
waartoe haar te stellen? Doch wie geen vreemdeling
is in het godsdienstig leven der menschheid, met
name in dat der Christenheid, weet dat er alle reden
is die vraag te doen. en dat het antwoord niet zoo
Vanzelf spreekt als het schijnt. En wat somwijlen
in ons eigen hart omgaat doet ons te meer den ernst
der zaak beseffen.
Immers, geestelijke traagheid is ons geen vreemd
verschijnsel en zij zoekt veelsoortige verontschuldi-
gingen: men wenscht gelukkig te worden, tracht
toch de moeite aan het betreden van den weg tot
het geluk verbonden te vermijden, en naait zich dan
met eene ijdele hoop. Bij Israël was het: ik ben
lid van het uitverkoren volk, en dus van mijn heil
gewis; bij Home en elders: ik ben geloovig lid der
Kerk, en zij brengt mij ten hemel; bij rechtzinnige
Protestanten: Christus,\' heeft voor mijne zonden be-
taald, en daar ik hem door het geloof heb aangeno-
men, zal God mij de zaligheid geven; bij duizenden
van allerlei gezinte: ik ben niet zoo heel slecht, en
dus zal God mij wel vergeven en mij gunst betoonen.
Zoo wiegt een mensen zich zelven in slaap.
Eene groote rol wordt in de geschiedenis van
het zelfbedrog gespeeld door de leer van Gods vrije
-ocr page 109-
105
genade. Toen onder de Joden door de schriftgeleerden
met nadruk verkondigd werd dat elke gunst van God
verdiend moest worden en Hij ieders tijdelijk en
eeuwig geluk afmat naar zijne goede werken, roen
jammerlijke verdorvenheid en verslapping van het
zedelijk gevoel hiervan de vrucht was, trad het „Evan-
gelie van Jezus Christus" met kracht hiertegen op,
die „rechtvaardiging uit de Wet" scherp veroordeelend,
en luide verkondigend dat God den zondaar omniet
redde door het geloot in Jezus Christus. Dit was
geestelijke ervaring der eerste belijders van Jezus,
maar werd een leerstuk, welks eenzijdigheid blijkt uit
de onware tegenstelling: „zoo staat het dan niet aan
hem die wil, noch aan hem die loopt, maar aan den
ontfermenden God" fRom. 9 :16).
Terwijl in de zich, maar al te snel, uitbreidende
Christelijke Kerk dergelijke leeringen vaak zedelijke
flauwheid, ja, ergerlijke zedeloosheid in de hand
werkten, predikten te allen tijde rechtschapen inan-
nen zonder diep gemoedsleven dat de mensen zelf
zich de zaligheid verwerven kan en moet door ijver
in het onderhouden van Gods geboden, terwijl hij
hierbij steeds van Gods grenadigen bijstand zeker kan
zijn. In het begin der vijfde eeuw trad met die leer
Pelagius op. De kerkelijke strijd door hem en zijne
medestanders veroorzaakt is vooral belangrijk omdat
die den kerkvader Augustinus genoopt heeft zijne,
door langdurigen zielestrijd verworven, overtuiging
dat de verloste zijn heil alleen aan Gods reddende
macht heeft te danken, te ontwikkelen. De Kerk,
geroepen in dat geschil uitspraak te doen, beaamde
wat Augustinus leerde, maar buiten staat van die
-ocr page 110-
106
waarheid de diepte te peilen en onmachtig om met
de prediking daarvan hare kinderen op den weg ook
der middelmatige zedelijkheid te houden, verheerlijkte
zij wel Augustinus, maar nam de opvatting van
Pelagius, gewijzigd, over, en leerde dat het in des nien-
schen macht stond den hemel te verwerven door hetdoen
van goede werken, daar Gods genade door middel
van de Kerk en hare dienaren medewerkte.
Die oppervlakkigheid en de met haar gepaard
gaande prijsstelling op allerlei uitwendige „goede
werken" droegen wrange vruchten, en de hervormers
der zestiende eeuw kwamen er daaiom tegen op en
verkondigden opnieuw met nadruk de leer van Paulus:.
God redt uit vrije genade door het geloof in Jezus
Christus. En weer werd dit een dood leerstuk, hier
en daar voerend tot het zoogenaamd lijdelijk Chris-
tendom, dat inhoudt: wie het hoogste geluk begeert
moet niet zijn best doen, maar wachten; alleen God
kan redden; men beware slechts het zuivere geloof.
— Wat in vrome leidslieden eene ernstige overtuiging
kan zijn, waarmede een reine levenswandel gepaard
gaat, terwijl de wensch naar „het geloof in Jezus
Christus" inderdaad een prikkel tot zelfwerkzaamheid
is, wordt voor hunne volgelingen en napraters aller-
gevaarlijkst, een dekmantel van geestelijken hoog-
moed en van onzedelijkheid.
Deze en andere verkeerde leeringen zijn niet
de oorzaken der zedelijke traagheid, maar slechts de
drogredenen waarmede het geweten in slaap gewiegd
wordt: de ware oorzaak dier traagheid is deze dat
wij het waar geluk niet begeeren, omdat wij niet
weten, hoe zalig het is met God te leven. Als wij
-ocr page 111-
107
het wisten, terdege wisten, wij zouden niet slechts
er naar reikhalzen, maar er alles voor opofferen;
zooals in de gelijkenissen Matth. 13:4446 de koop-
man in edelgesteenten die het allerkostelijkste na
zoeken vindt, of de man die graaft en zonder zoeken
op den grooten schat stuit, al wat hij bezit prijsgeeft
om het hoogst begeerlijke machtig te worden. Als
wij goed de zaligheid aan het zien van God verbonden
kennen, dan is het woord: „zoekt en gij zult vinden,
klopt en u zal opengedaan worden" (Matth. 6:7) geen
vermaning — die behoeven wij dan niet — maar
eene belofte, een steun tegen moedeloosheid. Als wij
het hoogste geluk kennen, dan is het eenige wat wij
behoeven het geloof dat het niet onmogelijk is het
te verwerven, niet te vermetel er naar te streven.
Van het woord „het staat niet aan liem die wil of
loopt, maar aan den ontfermenden God" voelen wij
wel de waarheid,"wanneer wij ons best doen schijnbaar
zonder vrucht; en beter nog voelen wij haar wanneer
wij ongedacht ons zelven in het een of ander vooruit»
gegaan vinden; maar het wiegt ons niet in slaap.
Juist omdat wij weten dat liet aan den ontfermenden
God staat, worden wij niet moede zelven „te willen
en te loopen". Hij wil blijkbaar ons geluk; want
Hij heeft er onze oogen voor geopend en ons den
wensch er naar in de ziel gegeven. Wij werken
dan met alle macht ons eigen heil, omdat Hij alles
in ons werkt.
-ocr page 112-
24. Wat doet gij voor uw geestelijk leven?
Velerlei. Vooreerst zamel ik zooveel mogelijk kennis
op van al wat mijn leven kan verrijken, vooral van
wat op mijn geestelijk bestaan betrekking heeft. Voorts
tracht ik van tijd tot tijd door overpeinzing en gebed
mij te ontrukken aan den sleur en de bekoring der
zinnelijkheid. Dan oefen ik mij in hetgeen ik plicht
acht te zijn, mij onder tucht brengende. Een en
ander doe ik in het vertrouwen dat Gods wil mij van
lieverlede een tweede natuur zal worden.
In vele kringen van godsdienstige menschen
heerscht wantrouwen tegen wetenschap. Uit heeft
zijn goeden grond. Vooreerst oefent zij onbarmhartig
kritiek op gebruiken en denkbeelden die, door over-
levering en gewoonte, met het godsdienstig leven
zóó zijn samengegroeid dat het pijn doet ze te moeten
prijsgeven.
Dit geldt o.a. van het geloof aan wonderen, dat
wil zeggen vermeende gebeurtenissen en daden die
in strijd zijn niet de regelen der natuur. De verstan-
delijk weinig ontwikkelde menschen zijn uit den aard
der zaak zeer lichtgeloovig, nemen, indien het strookt
met hunne wenschen, zonder aarzeling het wonder-
baarlijkste aan — dat zon en maan op eens menschen
bevelwoord stilstaan, dat een lijk weder levend wordt
enz. Onder eenigermate ontwikkelde Protestanten
bestaat het wondergeloof niet meer, dan alleen in
zoover zij de J3ijbelsche wonderverhalen voor waar
houden. Onder de Roomsen-katholieken heerscht het
-ocr page 113-
109
geloof o. a. aan wonderdoende Maria- en fleiligen-
beelden nog steeds. Het spreekt vanzelf dat men in
kringen waar h.v. wonderdadige genezingen als waar
aangenomen worden niet ingenomen is met de weten-
schap, die het onmogelijke er van aantoont.
Doch ook afgezien van dir bijgeloof, de zucht om
alles, ook het teerste, te onderzoeken, de begeerte om
te weten, te begrijpen, te oordeelen. komt vaak in
botsing met de neiging om te bewonderen, te ver-
trouwen, te aanbidden, te danken. Zij kunnen wel
naast elkander bestaan, zelfs uitstekend samenwerken,
maar zij trekken ons toch wel eens naar tegenover-
gestelde kanten.
Met dat al. ook ten bate van myn geestelijk leven
wil ik kennis verzamelen. Blijkt het dat in de denk-
beelden en gebruiken waarin mijn leven met God
gekleed is iets is dat door de wetenschap veroordeeld
wordt, welnu, dat leven zal nieuwe vormen aannemen,
het slaat noch valt met denkbeelden of gebruiken.
Integendeel, ik vertrouw vast dat God te beter gekend,
dus te meer geëerd en geliefd zal worden, naarmate
wij de zichtbare, en vooral de onzichtbare, schepping
beter kennen.
Natuurlijk is vooral wat op de geestelijke wereld
betrekking heeft van groote waarde voor mijn innerlijk
leven. Te weten, hoe menschen van ouder en nieuwer
tijd over God en zijn dienst hebben gedaeht, hoe de
tegenwoordige toestand der godsdienstige wereld, met
name het hedendaagsche Christendom, is ontstaan, te
begrijpen wat in menschenharten omgaat, de wetten
te kennen waarnaar het goddelijke zich ontwikkelt in
eene menschenziel — hij wien van dit alles iets dui-
-ocr page 114-
110
delijk wordt ziet Gods werk, en dat is opbouwend,
verrijkend.
Naast het zoeken naar kennis noemen wij afzon-
dering en gebed.
Wij willen geen kwaad spreken of denken van
ons dagelijksch werk, den omgang met de menschen
en het woelige leven in de wereld; integendeel, wij
erkennen daarin een schat te bezitten; maar het is
niet te loochenen dat veel daarin gelijkvloersch is,
wel niet slecht, maar toch kwalijk passend bij de
hoogtepunten van ons leven, omdat het alleen voor
het zinnelijke leven waarde heeft. Wie opgaat in het
alledaagsche loopt groot gevaar daardoor te worden
naar de laagte getrokken en het hoogste uit het oog
te verliezen. Daarom wil ik mij van tijd tot tijd
onttrekken aan den sleur van het leven, den tred-
molen van het dagelijksch bestaan, het soms ver-
bijsterend gewoel der wereld. Hiertoe dient de tijde-
lijke afzondering, in huis of daarbuiten, lichamelijk
of alleen in den geest. Voor zeer velen is de gemeen-
schappelijke godsdienstoefening het aangewezen mid-
del; weinigen verwaarloozen het straffeloos.
Op welke wijze wij in de eenzaamheid trachten
ons gemoed te voeden niet goede gedachten en te
verheffen tot God, hangt van onzen aard af. Te allen
tijde is voor velen het aantrekkelijkste, eenvoudigste
en vruchtbaarste middel het gebed geweest. Om goed
te bidden verzamelen wij onze gedachten, stellen wij
ons voor oogen wat ons op dat tijdstip het meest ter
harte gaat: onze overtredingen, indien ze ons vanzelf
voor den geest komen, maar liefst onze hoogste wen-
schen voor ons en de onzen. Zijn dit alleen aardsche,
-ocr page 115-
111
dat schaadt niet; vóór alles moeten wij eerlijk tegen-
over ons zelven zijn, en niet, ons opschroevende, iets
zeggen te begeeren waaromtrent wij eigenlijk onver-
schillig zijn. En als wij weten wat wij begeeren,
dan spreken wij bet uit voor God. Hebt gij hiermede
moeite, omdat gij niet weet, hoe gij tot den Onzien-
lijke met een „Gij" spreken zult, welnu, doe het dan
niet; dit is een dier gevallen waarin het wikkend
verstand en het warm gevoel met elkander wel eens
in botsing komen; waarheid boven al! Anderen hebben
er geen moeite mede. De vorm is onverschillig.
Vergenoeg u dan met ernstig na te denken over uwe
bestemming en roeping. Zelfs eene klanklooze ver-
zuchting wordt door God verstaan. Maar kunnen
wij in klare woorden zeggen wat wij begeeren, het
zal ons goed doen. Licht krijgen onwillekeurig ook
onze zuiver aardsche wenschen een geestelijken tint,
een hoogere wijding. Het gebed op vaste tijden is
voor menigeen onontbeerlijk. Zelfs het gebruik van
een formuliergebed, mits met eerbied opgezegd, kan
heilzaam 7.ijn: het nazeggende, leert men het wellicht
nadenken en navoelen; zoo dringt de waarheid er van
in de ziel door.
Daarbij oefen ik mij in het volbrengen van mijn
plicht. Er is iets zeer kouds in het woord „plicht";
het doet denken aan iets dat wij niet verrichten omdat
wij er genoegen in scheppen of ons hart er toe dringt,
maar omdat wij er toe gedwongen worden door eene
macht buiten ons. Dit duidt het woord ook inderdaad
aan; althans, in dien zin bezigen wij het hier. Er
zijn tal van dingen waarin ik geen lust heb en die
ik toch begrijp te moeten doen; andere waarin ik
-ocr page 116-
112
wel lust heb en die ik moet nalaten. „Moet", omdat
eene zedewet waarvan ik de rechtmatigheid inzie tot
dat doen of nalaten noopt. Ik heb mijn ambt en
moet doen dat waartoe ik door dat ambt gehouden
ben; al ben ik wellicht een weinig .ongesteld, al heb
ik vele zorgen, al deed ik op zeker oogenblik honderd-
maal liever iets anders, mijne ambtsplichten heb ik
te vervullen zooveel mij maar eenigermate mogelijk
is. Waarom? Omdat ik er voor betaald word?
omdat ik inzie door verzuim anderen schade te berok-
kenen? omdat ik niet wil te boek staan voor nalatig?
Ik beredeneer het wellicht, wellicht ook niet; in elk
geval ik doe mijn plicht. — Ik houd het op zekeren
Zondag voor dienstig naar de kerk te gaan. Opge-
wektheid er toe heb ik ditmaal niet: maar het is
goed, meen ik: ik wil de gewoonte niet verliezen;
het is eigenlijk niets dan traagheid indien ik niet ga;
ik heb geen lust omdat een mooi boek dat ik bezig
ben te lezen mij aantrekt; of ik moet het doen om
een goed voorbeeld te geven — er is nog heel wat
meer te bedenken; en ik ga, omdat ik meen dat het
mijn plicht is. — Een arme vraagt mijn hulp; ik
voel op dat oogenblik niets voor hem, begrijp alleen
dat ik goed doe met hem te helpen; en ik help.
In deze en vele andere gevallen waarin ik besef
dat mijn plicht het meebrengt, lust of geen lust, doe
ik iets of laat ik iets na, mij zelven er toe dwingende.
Zoo houd en breng ik mij zelven onder tucht. Maar
dat is het rechte niet! zegt men; het goede moet
gedaan worden uit liefde en met lust. Volkomen
waar. Wie alleen uit koud plichtgevoel handelt heeft
het rechte niet. Verkeerde ik in de ware stemming,
-ocr page 117-
113
dan vervulde ik al mijne plichten omdat mijn hart
mij dreef. Maar ik heb mijne stemming niet in mijne
macht, en kies nu van twee kwaden het beste: dat
wat ik meen dat verricht moet worden na te laten
is zeker slechter dan het te doen. Door mijne ge-
hoorzaamheid, al is het eene aarzelende, desnoods
zuchtende gehoorzaamheid, oefen ik mij. mijne lagere
begeerten onderdrukkend, mijn wil ten goede stalend.
Niemand die zich zelven en anderen eenigszins
kent meent dat deze drie middelen tot aankweeking
van geestelijk leven de eenige zijn, of dat ze van
elkander zijn te scheiden, of dat deze drie voor alle
menschen dezelfde waarde hebben. Er zijn er die te
veel peinzen en bidden, en liever zich zelven tot
allerlei werk moesten dwingen ; er zijn ook menschen
die altijd-door plichten volbrengen, voor wie het
dienstig is zich af te zonderen en tot zich zelven in
te keeren. Ieder onzer moet zijn eigen weg zoeken.
Voor dezen zal het een weldadig geestelijk genot zijn
eene godsdienstoefening bij te wonen; gene zal, om
de hoogste stemming te veroveren, de vrije natuur
opzoeken; een derde vindt God het eerst voor zijn
schrijftafel. Hier gaat er een „met een boekske in
een hoekske" ; zijn naaste ontmoet God in zijne werk-
plaats: zijne vrouw wanneer zij \'s avonds langs de
bedden van haar slapende kinderen gaat. De eene
dag is voor elk onzer niet gelijk aan den anderen;
wat ons heden sticht laat ons morgen koud, en
omgekeerd.
Alle pogingen die ik aanwend om geestelijk leven
in mij aan te kweeken zijn slechts oefeningen. Het
rechte is dat Gods wil niet buiten mij staat, als een
8
-ocr page 118-
114
macht waaraan ik mij onderwerp, maar mijn tweede
natuur wordt; zoodat ik door aandrang des harten,
vanzelf, omdat ik het niet nalaten kan, het goede doe.
Daarheen moet het. Ja. daarheen gaat het inderdaad.
De booze lust die onderdrukt wordt sterft uit, de
goede neigingen waaraan wordt toegegeven wortelen
steeds dieper in. Ik houd het er voor dat ook mijn
lichaam, dat immers voortdurend afslijt en weer nieuw
opgebouwd wordt, daarnaar vervormd wordt. Bij
beoefening van matigheid wordt de prikkel tot onmatig
gebruik afgestompt; dwing ik mij voortdurend tot
ijver, dan zal mijne loomheid verminderen en de
afstand tusschen plannen maken en ze uitvoeren kleiner
worden. Maar daargelaten welke rol het lichaam
hierbij al dan niet vervult, alles, ook het goede, kan
een gewoonte worden. Het wordt een tweede natuur
om, als iemand ons een beleediging toevoegt, niet
dadelijk scherp te antwoorden, maar, „eene wacht voor
onze lippen zettende", eerst ons te bezinnen ; eene
tweede natuur om, als iemand onze hulp inroept, niet
óf er ons van af te maken óf blind weg te geven,
maar te trachten in te komen in zijn nood en te
overleggen, hoe wij kunnen helpen ; eene tweede natuur
meer dan aan ons zelven aan anderen te denken :
met de vraag, hoe men aan dezen of genen een ge-
noegen kan doen, op te staan en naar bed te gaan.
Al doende leert men. Ziel en lichaam plooien zich
naar Gods wil, en van lieverlede doen wij vanzelf,
uit lust en liefde, wat wij eerst aarzelend en niet
zonder tegenzin volbrachten.
-ocr page 119-
25- Staat gij anderen bij in het streven naar
het hoogste geluk
?
Anderen den weg te wijzen naar het geluk dat
ik gevonden heb is eene groote vermeerdering van
mijne blijdschap en van mijn eigen geestelijk welzijn.
Het ligt in onzen aard wat wij denken en voelen
mede te deelen aan anderen, vooral hen deelgenooten
te maken van onze vreugd. Hoe dringt ons het hart
om bij de aanschouwing van iets schoons te vragen:
Ziet gij dat wel? wat is dat prachtig! Hoe sterk is
de begeerte van hen wien eene verrassing is te beurt
gevallen om een vriend, een bekende, desnoods een
vreemde, te vertellen, wat hun is geschied ! Zou het
dan niet eene groote vermindering mijner heerlijkste
en reinste vreugde zijn. als ik ze moest versmoren ?
Indien ik den weg tot geluk ken, kan ik niet nalaten
dien anderen te toonen.
Dit doe ik te liever, omdat mijne levenservaring
en de waarneming van anderer zieleleven mij heeft
geleerd dat mijn hoogste geluk in menig opzicht af-
hangt van anderer zedelijk welzijn. Wanneer ik met
God verkeer, zoodat mijne stemming hoog en rein is,
doet het omgaan met menschen die daarvan niets
gevoelen niet alleen pijn, maar het brengt groote
verleidingen mede, al was het slechts die om hoog-
moedig te worden. Reeds dit is geen gering gevaar.
Doch er is meer. Mijne medemenschen voeren mij
door hunne onwaarheid en de ergernis die zij in mij
verwekken tot allerlei zonden. Het is goed zeggen
-ocr page 120-
116
dat elke onnoodige bevestiging van mijne woorden
uit den Booze is, ik erken volmondig de waarheid van
Matth. 5 : 37 ; maar als ik te doen heb met menschen
die zoo gewoon zijn aan onwaarachtigheid dat zij een
eenvoudig woord niet gelooven, die mij herhaaldelijk
vragen of het wel waar is wat ik zeg, wat moet ik
dan doen? Al wat ik antwoord zal gaan boven het
eenvoudige „ja" of .neen" en zal eene zonde zijn.
Toornig worden mag ik niet, wil ik niet; want liet
verstoort mijn verhouding tot God en menschen;
maar als ik eene laagheid zie begaan, onrecht, ver-
drukking, het mishandelen van een kind b.v., dan
kan, dan mag ik niet kalm blijven, en ik zondig, zoo
niet in daden, dan toch in woorden en gedachten.
Goed van vertrouwen zijn, dat is heerlijk, dat is wat
een kind is; maar als ik weet, ja, door droeve ervaring
geleerd, instinktmatig gevoel dat een die mijne hulp
inroept mij voorliegt, dan wantrouw ik hem, en dat
is uit den Booze. Neen, één mensen alleen kan niet
zalig worden. Wij worden het met elkaar. Zou ik
dan anderen niet voorthelpen?
Maar ook afgezien van het voor- of nadeel dat ik
zelf van anderer deugd of ondeugd voor mijn innerlijk
leven heb, wil ik hen bijstaan om het geluk te be-
erven dat ik geniet, om hunnentwil. Daar waar men
meent dat Gods liefde beperkt is tot de leden van
stam of volk, of dat het hoogste geluk is weggelegd
alleen voor de leden eener Kerk, daar kan men het
voor goed houden te juichen over den ondergang der
goddeloozen, zelfs zich verbeelden dat de aanschouwing
van de eeuwige ellende der zondaren de zaligheid der
uitverkorenen vergroot; zulke God en menschen on-
-ocr page 121-
117
waardige voorstellingen zijn vaak door godsdienstige
wanbegrippen, zoo niet gewekt, dan toch versterkt.
Maar wij komen daartegen in verzet. Wij hebben
erbarming met hen die God niet kennen, erbarming
ook met hen die zich moedwillig van Hem afkeeren;
hun onheil vermindert onze blijdschap; en kunnen
wij hen leeren, helpen, redden, wij zullen het niet
nalaten.
Het woord „propaganda-\' heeft voor velen een
leelijken klank; men verstaat er gemeenlijk de poging
onder om door alle middelen inenschen over te halen
tot eigen partij of Kerk. Dit is de vrucht van over-
dreven liefde voor een Kerk, een liefde die in de
verbeelding van den ijveraar samenvloeit met den
wensch bet zieleheil van den naaste te bevorderen,
omdat men meent dat wie lid van die Kerk is reeds
daardoor het hoogste geluk verkrijgt. In den grond
der zaak is die ijver meer vrucht van partijzucht
dan van godsvrucht, en leidt licht tot de onzalige
poging ook door middelen die het daglicht niet zien
mogen „zieltjes te winnen." Zoo vermoordt men
menschenzielen.
Neen, zoo willen wij niet te werk gaan. Bij
ervaring wetende dat God niet te vinden is dan in
vrijheid, als hart en verstand voor Hem zijn gewonnen,
willen wij niemand door overreding of omkooping
brengen tot eene belijdenis die niet uit zijn hart is.
Maar in een goeden zin willen wij „propaganda"
maken, mededeelen van het beste dat wij hebben,
menschen wijzer, reiner, vromer, geestelijk rijker, dus
gelukkiger maken, en waar wij persoonlijk niet mede-
werken kunnen, daar willen wij hen die het doen
-ocr page 122-
118
naar vermogen steunen. Zij die arbeiden onder onge-
doopte en gedoopte heidenen, ver weg of dicht bij,
doen dat werk zeker gebrekkig; wij zouden het wellicht
niet beter doen, want het is zeer moeilijk. Bij
voorkeur geven wij hulp aan hen van wie wij nieenen
te weten dat zij het het best doen, aan geestverwanten.
Maar, hoe dan ook, mede te werken tot het goede
doel rnenschen nader tot God te brengen, dat verzui-
men wij niet.
Vooral is het een voorrecht zelven werkzaam
te zijn tot bevordering van anderer wasdom, in
ruimer of enger kring: een voorrecht te spreken
over het hoogste en heerlijkste dat in ons leeft, een
voorrecht kinderen te leiden tot God, een voorrecht
door smart verslagenen op te beuren en met nieuwe
kracht te vervullen, een voorrecht een onkundige de
oogen te openen en zijne vooroordeelen weg te
nemen, een voorrecht een zondaar in het hart te
grijpen en een verlorene terecht te brengen, een
voorrecht de tallooze moeiten aan dat werk verbonden
met geduld en volharding te overwinnen; dat alles
is, ondanks de daaraan verbonden teleurstellingen,
een voorrecht, ja, een lust — indien wij God lief-
hebben.
-ocr page 123-
26. Hoe durft gij aan het zieleheil van anderen
arbeiden, terwijl gij uw eigen zwakheid
en onkunde kent?
Ik durf dat doen omdat ik weet dat God mijn
gebrekkig werk gebruikt voor zijn doel.
Op elk gebied des levens waarop wij anderen
tot hulp eu voorlichting zijn kunnen is het besef van
geringheid hinderlijk, het gevoel van onmacht doodend.
Op geen gebied verlamt het denkbeeld : ik ben klein
en vermag niet veel zoo licht als op dat van het
godsdienstig zedelijk leven. Zal ik, die God zoo ge-
brekkig zie, die zelf\' zoovele fouten bega. zal ik
anderen, die wellicht beter zijn dan ik, voorgaan,
vermanen, leeren, troosten? Dikwijls wordt die vraag
ingegeven door traagheid of menschenvrees, die zich
hult in den mantel der nederigheid; maar zij kan
opwellen uit een hart vol ootmoed en schuldgevoel.
Dat besef van onmacht moet overwonnen worden;
want wij hebben onze gaven niet ontvangen voor ons
zelven alleen, maar ten bate van allen aan wie wij
iets kunnen mededeelen, en wij verzuimen onzen plicht
wanneer wij ons licht niet laten schijnen. Aarzelend
werken, weifelend spreken, flauw doen wat wij te doen
hebben, dat baat niet; dat geven wij ook weldra op.
Wij moeten durven.
Er is slechts ééne reine bron voor den moed dien
wij voor geestelijken arbeid behoeven, dezelfde die
ten slotte de bron van alle kracht is, de gemeenschap
met God, die zich voor deze zijde van ons leven be-
-ocr page 124-
120
lichaamt in het heerlijk geloof: ik ben het niet die
het goede werkt, het is de macht der waarheid zelve,
der waarheid die sterk of zwak, vroeg of laat, weer-
klank vindt in aller menschen ziel, het is God zelf,
die het doet, en ik ben slechts zijn werktuig. Ik
heb mijn plicht te vervullen: zoo goed ik kan mijn
hart te laten spreken ; wat er van komt is mijn zaak
niet, dat is Gods zaak.
Dit is voor iedereen de krachtigste, en alleen in
stand blijvende, drijfveer om het goede te doen, ook
voor hen die vele talenten hebben ontvangen. Maar
terwijl dezen licht andere prikkels hebben, door de
menschen op den voorgrond gezet en te hulp ge-
roepen worden, hunne kracht voelen omdat zij meer
weten dan anderen, is dat geloof: ik ben een werk-
tuig in Gods hand, niets meer, maar ook niets minder
— onmisbaar voor de kleinen naar de wereld. Zij, die
naar oogeuschijn weinig vermogen, geen naam hebben
en weinig gelegenheid tot arbeiden voor anderen, die
geringe kennis bezitten en de kunst van goed spreken
niet hebben geleerd, zij zien licht hoog op tegen
de menschen die kunnen spreken of schrijven voor
duizenden, van wie, om hunne plaats in de maat-
schappij, niet zonder reden veel verwacht wordt; zij
zien tegen hen op, alsof die alleen veel vermogen en
dus de vrijmoedigheid mogen hebben Gods werk voor
anderen te doen. Doch voor God is er geen verschil
tussclien de menschen met één en de menschen met
twee of vijf talenten, behalve dat de laatsten meer
hebben te verantwoorden. Laat de schijn ons niet
bedriegen! Het is soms de vraag, wie duurzamer
invloed ten goede oefent, iemand wiens woord duizen-
-ocr page 125-
121
den bereikt, of iemand die één kind leert of één
zondaar bekeert. Wie zal vooruit zeggen, hoeveel
heil dat ééne kind, die ééne terechtgebrachte der
wereld zal aanbrengen\'? Maar het doet er niet toe,
wie veel of weinig uitricht. Wij zijn slechts gehouden
tot dat waartoe wij in staat zijn. En ook hij wien de
wereld benijdt om zijn gaven, die, zou men zeggen,
alle recht heeft om te durven arbeiden voor anderen,
ook hij doet dit slechts goed, nederig en volhardend,
als hij, onder de tallooze teleurstellingen die zijn deel
zijn, gesteund wordt door het geloof Gods mede-
arbeider te zijn.
-ocr page 126-
27- In welke stemming denkt gij aan het
verleden der menschheid?
Ik denk aan het verleden der menschheid wel
met schaamte en rouw over veel dwaasheid en zonde,
maar vooral met groote bewondering en erkentelijk-
heid voor (Jods zegenrijke leiding.
Ieder die iets weet van de geschiedenis der
menschheid erkent het hoogst gebrekkige van haar
verleden. Dat men vroeger op elk gebied in kennis
bij het heden achterstond en die onkunde velerlei
onnoodig leed veroorzaakte, dit ergert ons niet. Maar
wij zien ook grove onzedelijkheid, heerschappij van
onbeteugelde zelfzucht, schromelijke misbruiken, hard-
nekkigen tegenstand tegen vooruitgang op allerlei ge-
bied, niet het minst in zake van godsdienst: vele der
beste menschen gekruisigd en verbrand. Daarover
schamen wij ons; dat zouden wij willen vergeten.
Het is soms noodig de euvelen van het verleden
op te halen. Tegenover de onverstandige lofredenaars
op den ouden tijd, die te weinig oog hebben voor het
goede van het heden, is het onvermijdelijk het verleden
te beschrijven zooals het was. Ja, dit is in vele gevallen
heilzaam. Wel brengt die kennis alleen geen genezing
aan, maar zij kan toch medewerken om de oogen van
blinden te openen. Wij moeten dus wel eens, wanneer
Rome, prat op de heiligheid harer Kerk, haar zondig
verleden bemantelt, zeggen: Vergeet niet dat de ver-
dor ven beid dier Kerk in meer dan één tijdvak zoo
groot was dat zij, ook naar het oordeel harer trouwste
-ocr page 127-
123
zonen, dringend „hervorming aan hoofd en leden"
hehoefde. Wij moeten wel eens de klagers over de
ongodsdienstigheid der hedendaagsche Protestanten
wijzen op veler onkerkelijkheid, op jammerlijke kerk-
twisten, op de ongeloofelijke onkunde van voorgangers
en gemeenten in vroeger tijd. Wij moeten hen die
onze dagen van onverdraagzaamheid beschuldigen
wijzen op inkwisitie en heksenprocessen. Wij moeten
hen die de maatschappelijke wanverhoudingen van
heden aan de willekeur van eenige machthebbers toe-
schrijven wijzen op de gruwelen van vroeger, op de
ruwheid en brooddronkenheid in alle klassen der
oude maatschappij.
Een en ander moet wel somtijds geschieden;
maar wij doen liet niet niet leedvermaak. Wij staan
niet met genot stil bij de dwaasheden en zonden van
het verleden — evenmin als wij er genoegen in
scheppen onze eigen zonden er. dwaasheden op te
halen — de vorige geslachten zijn ons voorgeslacht;
daaruit zijn wij voortgekomen, en wie weidt gaarne
uit over de schande zijner ouders?
Wij zien iets beters dan zonde, als wij het ver-
leden der menschheid in oogenschouw nemen. Geleerd
door wat met ons zelven gebeurd is, waarin wij met
dankbaarheid Gods leidende en reddende hand zien,
ontdekken wij zijne werkzaamheid ook in de gesehie-
denis der menschheid.
Achter ons ligt niet — zooals Grieksche en La-
tijnsc\'.ie dichters fabelden — een gouden eeuw, gaande-
weg door een zilveren vervangen, die op haar beurt
plaats maakte voor tijden van steeds geringer allooi,
maar een in alle opzichten lagere toestand der wereld.
-ocr page 128-
124
Hoe verder wij in de geschiedenis teruggaan, des te
donkerder is het tafereel. Niet alleen waren de oudste
menschengeslachten waarvan de heugenis bewaard
is veel afhankelijker van de natuur dan latere, en
dus genoodzaakt zich schier geheel te wijden aan
den strijd voor het stoffelijk bestaan; niet alleen was
het leven zeer ongeriefelijk en waren verreweg de
meesten gedoemd tot hopelooze slavernij; maar ook
de meest bevoorrechten waren arm in vergelijking
met ons, omdat hunne kennis gering, hun zedelijk
gevoel weinig ontwikkeld was. In alle opzichten is
het menschdom langzamerhand, nu geleidelijk, dan
als met sprongen, vooruitgegaan.
En in alle tijden, in allerlei landen, onder zoo-
genaamde heidenen en Israëlieten, Christenen en Mo-
hammedanen, Roomsen-katholieken en Protestanten,
kerkelijke en onkerkelijke menschen, waren er die,
meer bestraald door Gods licht, boven de menigte
uitblonken in gaven van verstand en hart, in kracht
van innerlijk leven. Wij treffen ze vooral in het
Christendom aan; maar dit kan zijn omdat wij hier-
van meer weten dan van andere godsdiensten, en
omdat wij het goddelijke in Christelijke vormen het
best verstaan. Die uitnemendsten van ons geslacht
zijn vaak miskend, somtijds vervolgd, gedood. Doch
wat zij het eerst zagen is gaandeweg door enkelen,
door velen, gezien, totdat het gemeengoed der wereld
werd.
De macht van misbruiken, misstanden, vooroor-
deelen scheen dikwijls onoverwinlijk, en het was
menigwerf voor menschelijke wijsheid ondoenlijk den
weg uit het duister te vinden; maar, zooals een
-ocr page 129-
125
levende wortel een zwaren steen optilt en scheurt,
zoo heeft de waarheid, langs onnaspeurlijke wegen,
vaak door middelen waaraan niemand gedacht had,
haar onweerstaanbare kracht geopenbaard.
Daarom zien wij met groote dankbaarheid en
bewondering terug op het heerlijk werk Gods dat het
verleden der menschheid ons toont.
-ocr page 130-
28. Durft gij, ondanks alle zonden en dwalingen
die gij in u zelven en anderen waarneemt,
hopen op de toekomst?
Zeer zeker. De toekomst kan niet anders dan
goed zijn; want, wat ook sta of valle, aan waarheid,
goedheid en schoonheid, aan God, behoort de toekomst,
en Hij is het leven van ons leven.
Evenals in de stoffelijke wereld, heerschen in
de geestelijke onverbrekelijke wetten. In ons dage-
lijksch leven, voor onze lichamelijke behoeften, reke-
nen wij stellig op de vastheid der natuur; de zon
zal niet vergeten op te gaan, het vuur niet ophouden
warmte te verspreiden. Eveneens vertrouwen wij
dat dezelfde macht die zich tot heden in ons geeste-
lijk leven en in dat der menschheid deed gelden ook
in de toekomst zal blijken almachtig te zijn. God
is getrouw. Heeft Hij in het verleden de menschheid
opgevoed tot handhaving van orde en recht, tot be-
oefening van kunst en wetenschap, tot onderlinge
hulpvaardigheid en zedelijkheid, in één woord: tot
een hooger peil van leven, heeft Hij gedurig in het
hart zijner kinderen gesproken, hen nopend om, trots
alle bezwaren, naar Hem te luisteren en zijn wil te
doen, heeft Hij telkens den sterksten tegenstand ge-
broken, dan zal Hij hetzelfde ook in de toekomst doen.
Het komt ons dikwerf voor dat de on vatbaarheid
voor het goede heden veel grooter is dan weleer;
maar dit is niets dan schijn. Zijn wij zelven ont-
groeid aan verkeerde meeningen en toestanden van
-ocr page 131-
127
vroeger, dan verbeelden wij ons dat die oudtijds
gemakkelijker te overwinnen waren dan de euvelen
waartegen thans gestreden moet worden. Dit is het
gevolg onzer kortzichtigheid. De hedendaagsche voor-
oordeelen en misbruiken zijn evengoed te overwinnen
als die van weleer, en zullen evengoed vallen.
Vóór ons is licht. Het is de onvergankelijke
verdienste van Israël aan het geloot\' in eene blijde
toekomst onwrikbaar te hebben vastgehouden. Al
was het heden donker, eenmaal zou de dag aanbreken,
waarin Israëls god voor alle volken een maaltijd zou
aanrichten op den heiligen berg, waarin van aller
oogen de tranen zouden worden afgewischt. Wel
beperkten zij het heil nagenoeg tot hun volk, wel
waren hunne verwachtingen zeer zinnelijk en in
grillige vormen gekleed, maar van groote beteekenis
blijft het dat zij geloofden in een koninkrijk Gods
op de oude aarde of op eene nieuwe aarde, een rijk
waarin God de Heer de eer zou ontvangen die Hem
toekwam en alle vromen heil zouden erlangen. De
Christelijke Kerk heeft de zaligheid meer in den
hemel dan op aarde gezocht, maar het geloof in eeuwig
leven, een on verderfelijk geluk en Gods verheerlijking
is ook door haar voortdurend verkondigd en aange-
kweekt. En dat is van groote waarde; want zonder
hoop kan ons geestelijk leven niet gezond zijn.
Door de bonte inkleedingen van dat geloof in
het Godsrijk, waaronder de kern vaak schuil gaat,
afkeerig geworden van die uitspattingen der gods-
dienstige verbeelding, vergenoegen vele ernstige men-
schen zich met soberder voorstellingen en duidelijker
geteekende beelden van geluk; zij zien met vertrou-
-ocr page 132-
128
wen uit naar een heilstaat op aarde, eene gereinigde,
gelukkig gemaakte maatschappij, eene orde van dingen
waarin aan de armoede paal en perk zal gesteld
zijn, waarin de verhouding tusschen de menschen
rechtvaardiger zal wezen, waarin onderlinge teedere
en verstandige hulpvaardigheid allen in staat zal
stellen om hunne vermogens te ontwikkelen en ge-
lukkiger te worden, waarin de hartstochten gebreideld,
zonde en onkunde overwonnen zullen zijn.
Ziedaar een heerlijk vooruitzicht, maar te beperkt.
Zulk een Godsrijk op aarde, een toestand waarmede
wij vrede kunnen hebben, kan nooit komen. Gesteld
dat wij bereikt hadden wat wij ons als het hoogste
en heerlijkste gedacht en gedroomd hadden, dan
zouden terzelfder tijd in het liart der uitnemendsten
zoovele nieuwe, weer hooger en heiliger, wenschen
zijn opgerezen dat de tevredenheid steeds verstoord
was. Nooit rust! altijd hooger! dat is de leus van
het menschdom dat God kent. Wij zijn gescha-
pen voor het oneindige, voor het eeuwige, het vol-
maakte, en geen aardsche maatschappij, hoe volkomen
ook, kan aan dat verlangen geheel voldoen. Daarom
kunnen de heiligste wenschen die in menschenharten
oprijzen evenmin vervuld worden in de vormen
waarin kinderen van onzen tijd ze kleeden als in die
waarin oud-Israël ze uitsprak: gene zijn niet minder
bekrompen dan deze; ook het scherpste geestelijk
oog ziet slechts weinige schreden voor zich uit, en
eene eeuwigheid ligt vóór ons.
Zijn dan de stoute verwachtingen der geloovigen
van den ouden tijd onvervuld gebleven\'? Neen; maar
ze zijn door de werkelijkheid verre overtroffen. Zoo
-ocr page 133-
129
zal het ook in de toekomst gaan. Wij zien vooruit
en beproeven wellicht, evenals voor onszelven, zoo
ook voor de menschheid, een toekomstig geluk te
teekenen. Laten wij dit gerust doen. De voor Gods
kinderen weggelegde vreugde gaat al ons denken en
droomen even ver te boven als het heil dat Jezus\'
Evangelie bracht de stoutste droomen van Israëls
grootste profeten te boven ging. De toekomst be-
hoort, niet aan ons, niet aan de menschheid, maar
aan God. En dit is ons genoeg ; want, wat ook staat
of valt rondom ons en in ons, door Hem, met Hem
en in Hem leven wij.
De bede: Onze Vader die in de hemelen zijt,
uw naam worde geheiligd! is niet slechts een wensch,
maar de uiting van een geloof\' dat niet beschaamd
wordt.
9
-ocr page 134-
-ocr page 135-
INHOUD.
------.---------.                                 blz.
Voorrede . . . . !...........5
/. Wat is uw grootste geluk? . ! . • I . . . 7
Geluk geven gezondheid, geld, goede naam, kennis,
kunst, ons dagelij ksch werk, een te-huis, de begeerte goed
te worden, liefdeleven. Doch dit alles, zelfs het hoogste
er van, voldoet niet. Wij hebben behoefte aan het zien
van God.
2.     Wat verstaat gij onder het zien van God? . 13
Uitdrukkingen die ongeveer hetzelfde beteekenen, even
gebrekkig als deze. De uitdrukking: gelooven in God.
De zin van «verwantschap met God".
3.     Wat houdt het in, God den Oneindige te noemen f 17
Wij kunnen ons den Oneindige niet denken. Vandaar
belijdenis der eenigheid Gods alleen in naam. Maria- en
Heil igenvereering. Drieëenheid en Christusvereering.
Onvermijdelijkheid van aan het menschelijke ontleende
uitdrukkingen.
4.    Hoe openbaart God zich aan u?.....22
God kan met geen onzer zintuigen waargenomen worden.
Beeldendienst. Overschatting der leer. Tooverij en waar-
zeggerij. Het sacrament des altaars. Bijgeloof aangaande
de waarde van doop en gebed.
5.    Wat verstaat gij onder Gods macht, en waarom
gelooft gij daaraan?............
27
De ervaring dat het goede in mij het kwade overwint.
Daardoor gescherpt, ziet ons oog iets dergelijks in de
wereld rondom ons; de geest beheerscht de stof. Het
hooge belang der kennis van Gods wil.
6.     Wat is de wil van God?........
Beteekenis van »heilig" in de vóór-christelijke wereld;
bq de Christenen. Het leerstuk der verzoening door het
bloed van Christus, en dat der eeuwige verdoemenis.
De ware zin van »Gods heiligheid".
7.    Hoe is God jegens u gezind ?.......
God wil der menschen geluk voor zoover zjj er vatbaar
31
35
-ocr page 136-
132
voor zijn. Namen voor Gods liefde. Zjj strekt zich
over allen uit. Moeilijkheid om dit te erkennen. Het
«Evangelie".
8.     Waarop rust uwe verzekerdheid aangaande God
en zijne verhouding tot u?..........39
Weinigen hooren zelven Gods stem. Er waren en er zijn
tolken van Hem. Wording van Kerken. Zegen daardoor
aangeWracht. Gevolgen der priesterheerschappijen. Nood-
zakelijkheid zelven te oo-rdeelen. Geluk daaraan verbonden.
9.     Welken invloed heeft het zien van God op uwe
waardeering van uw werk?
.........45
Geene werkzaamheid waartoe wij gehouden zijn be-
waart ons op den duur voor onvoldaanheid. Hoe het
leven met God daarvoor behoedt.
10.     Welken invloed heeft het zien »an God op u hij
het lief en leed van het leven ?........48
Gevaren van buitensporige vreugd en smart. De
onaandoenlijkheid der Stoïcijnen. De zedelijke kracht der
geloovigen.
11.    In welke verhouding saai gij, God ziende, tot
moe medemenschen ?
............51
Heiliging van het huwelijk. Iemand «liefhebben in
God". Veredeling van alle aardsche betrekkingen. Deel-
neming in anderer lot. Verdraagzaamheid, als hunne
gebreken aan den dag komen. Armenzorg.
12.     In welk licht vertoont zich aan u, wanneer gij
God ziet, uwe toekomst ? ...........
55
Hoop doet leven. Wie God ziet gelooft aan den wasdom
van zijn geestelijk leven. Ook tegenover het raadsel van
den dood. De grond onzer verwachtingen: hun die God
liefhebben werkt alles mede ten goede. De leer der
Voorzienigheid.
13.    Zie\' gij God altijd en duidelijk/.....60
De algemeenheid der klacht dat God niet altijd gezien
wordt. Wat het beteekent God tijdelijk niet te zien.
Daaruit voortvloeiende onmacht om over Hem goed te
spreken.\' Hij is echter ons meer nabq dan wij zien.
-ocr page 137-
133
14.     Waaraan is het toe te schrijven dat gij God
rzoo gebrekkig ziet?
.............64
De zinnelijke natuur heeft hare rechten. Ondoelmatig-
heid der pogingen haar met geweld te onderdrukken.
Het kind kan God niet zoo goed zien als een volwassene.
Daarenboven stoort de zonde.
15.     Waarin bestaan uwe zonden ?......67
Dat al wat den mensen die met God leeft onwaardig
is zonde moet heeten wordt miskend door alle predikers
van eene zedewet. Het bedenkelijke van elke wettelijke
richting. Onze bestemming voor de volmaaktheid.
16.    Zijt gij verantwoordelijk voor al die overtre-
dingen ?
.................71
Wij zijn verantwoordelijk ook voor onze onopzettelijk
begane misdrijven. Verontschuldigingen die wij voor an-
deren laten gelden, voor ons zelven alleen als anderen
onzen goeden wil miskennen. Verontschuldigingen voor
opzettelijk begane zonden troosten niet. Toerekenbaarheid.
17.   Welke gevolgen hebben uwe zonden voor u zelven ? 76
Leven met God kan gepaard gaan met groote ondeug-
den, al schadpn deze daaraan. Opzettelijk begane zonden
vernielen het leven met God gaandeweg. Verzwakking
van het oordeel; de waan dat God met uiterlijkheden
gediend is. Afstomping van het zedelijk gevoel. Ver-
slapping van den wil.
18.   Welken invloed heeft de zondige toestand van u
en uwe medemenschen o f uwe onderlinge verhouding? 80
De slechte toestand der menschenwereld is voor een
groot deel het gevolg, niet van zonde, maar van des
mensehen gebrekkige ontwikkeling. B. v. het onbeperkt
gezag van één mensch. Maar de zonde maakt datmis-
standen die verbeterd konden worden in stand blijven.
Wanverhoudingen in huisgezin, maatschappij, volkeren-
verkeer, kerk. Uitbarstingen van het kwaad.
19.     Waarop loopt de heerschappij der zonde uit? 85
Alles werkt hem die zondigt ten kwade. De vreesehjke
diepte waarin een mensch kan verzinken. De zonde niet
hetzelfde als teeken van geringe ontwikkeling, maar ont-
-ocr page 138-
134
blz.
aarding. De leer over den Duivel en die over den zonde-
va\\. Het goddelijke in den mensch sterft niet geheel.
20.    Hoe wordt gij bewaard voor de zonde en ver-
lost uit hare macht?
............90
Waarheid en eenzijdigheid van het Methodisme. On-
opgemerkte bewaringen en genezingen. Het gaat niet
om : gered of verloren. Langs welken weg ook wij God
vinden, het geschiedt altijd door zijne reddende liefde.
21.    Hoe werkt God in ons ?......... 94
Onnaspeurlqkheid van Gods werking in ons, en zelf-
bedrog waaraan wij bij het speuren daarnaar blootstaan.
Onbegrijpelijkheid der ontwikkeling van groote mannen
en vrouwen, ja van elks menschen zieleleven. Zeker
vinden wij God ook door elkander.
22.     Wat zijt gij voor uw geestelijk leven aan an-
der e menschen verplicht f
..........98
De Bijbel; Jezus; dichters en denkers >van Gods
genade". De opvoeding door de samenleving.
23.    Arbeidt gij zelf aan uw geestelijk leven? . . 104
Geen overbodige vraag. De leer van Gods vrije genade
en die der rechtvaardigheid door het geloof alleen. Wie
het waar geluk kent geeft er alles voor. Troost gelegen
in het geloof dat God in ons werkt.
24.     Wat doet gij voor uw geestelijk leven ?             108
Ongegrondheid van het wantrouwen tegen wetenschap.
Waarde der kennis van de godsdienstige wereld. Af-
zondering en gebed. Oefening en plichtsbetrachting.
Niet voor alle menschen is hetzelfde het nuttigste. Gods
wil wordt eene tweede natuur.
25.    Staat gij anderen bij in het streven naar het
hoogste geluk?
............. . 115
Het is een genot anderen deelgenoot te maken van
onze blijdschap. Ook noodig voor ons eigen zedelijk
welzijn. Daarenboven dringt ons de liefde om anderen
bjj te staan. Valsche en ware «propaganda". Het groote
voorrecht anderen te kunnen helpen.
-ocr page 139-
135
bb.
26.    Hoe durft gij aan het zieleheil van anderen
arbeiden, terwijl gij uw eigen zwakheid en zonde kent ?
119^
Het besef van onmacht is heilloos. Wij zijn mede-
arbeiders van God.
27.    In welke stemming denkt gij aan het verleden
der menschheid?
..............122
Soms is het noodig de zonde van het verleden op te
halen. Beter is het hierin Gods werkzaamheid te zien.
28.    Durft gij, ondanks alle zonden en dwalingen
die gij in u zelven en anderen waarneemt, hopen op
de toekomst*}.............. 126
Gods getrouwheid grond van ons vertrouwen. Israëls
geloof aan eene blijde toekomst, en dat der Christelijke
Kerk. Het geloof in eene volmaakte maatschappij is
te beperkt. De toekomst behoort aan God.
131
Inhoudsopgave