-ocr page 1-
-
#
-ocr page 2-
Mn)
Ï01//U
Kast 436
PI. B No. 2 3
-ocr page 3-
.
-ocr page 4-
>
\'s
-ocr page 5-
YJ&, rs.</o.
IETS OVER DE
„LEER VAN DE VERSCHIJNSELEN" IN DE
WIJSBEGEERTE VAN DEN GODSDIENST.
Ten vorigen jare achtte ik mij geroepen en nam
ik de vrijheid een woord mede te spreken in de vrij
levendige gedachtenwisseling, die gedurende de laatste
jaren aan belangrijke wijsgeerige vragen betreffende
den godsdienst is gewijd.
"Wat ik in dezen te zeggen had sprak ik uit in
mijn geschrift „De taak en de methQ.de dor
wijsbegeerte-van den godsdienst", dat in het
laatst van Mei 1886 het licht zag.
Dit geschrift nu is door Dr. w. francken a*. in
de twee laatstverschenen afleveringen van „Geloof en
Vrijheid" (bl. 122—146, 226—252) besproken.
Gaarne betuig ik mijne erkentelijkheid voor de
eer, daardoor van zoo geachte zijde aan mijn boek te
beurt gevallen.
Fb.\'s verzekering van zijne „ingenomenheid en
hartelijke sympathie met de hoofdstrekking en vele ge-
deelten van mijn geschrift" kan wel niet anders dan
mij in hooge mate aangenaam zijn.
Natuurlijk echter doet het mij juist hierom leed,
\' 1
-ocr page 6-
dat mijn geachte beoordeelaar het op menig belangrijk
punt niet met mij eens schijnt te kunnen zijn. Te
meer betreur ik dit, naarmate het mij duidelijker wordt,
dat Dr. francken mij, althans ten deele, niet goed heeft
begrepen, en op vele bestanddeelen van mijn betoog
niet dat gewicht heeft gelegd, dat zij , naar mijne meer
of minder nadrukkelijk uitgesprokene bedoeling, hadden
en hebben moesten.
Ik stel er grooten prijs op het tusschen hem en
mij bestaande misverstand ten aanzien van vele der
door ons behandelde onderwerpen, zoo mogelijk, uit
den weg te ruimen, en, voor zoover wij in onze be-
schouwingen bepaald van elkander verschillen, te trachten
de mijne tegenover de zijne te handhaven.
Met dit doel werden de volgende bladzijden ge-
schreven.
Wegens den titel van mijn opstel is het misschien
niet onnoodig den lezer mede te deelen, dat ik het
reeds terstond na de verschijning van het eerste ge-
deelte van pr.\'s Gedachten en vragen" in schrift heb
gebracht.
In dat eerste gedeelte toch behandelt Dr. francken
enkel hetgeen ik in mijn boek over „de leer van de
verschijnselen", als deel der wijsbegeerte van den
godsdienst, heb geschreven.
Nu had ik met de beantwoording daarvan kunnen
wachten, totdat ons het vervolg van de „Gedachten en
vragen" zou zijn gegeven. Maar ik wist niet wanneer
wij dat zouden ontvangen, en vreesde, dat het wel
«ens geruimen tijd duren kon, eer „de kerkelijke re-
volutie te Rotterdam" den geachteu schrijver de gele-
-ocr page 7-
3
genheid zou laten om de „tot nader" nedergelegde pen
weder op te vatten.
Ik kon echter — gelijk de aandachtige lezer van
fr.\'s eerste artikel over mijn boek licht zal kunnen
begrijpen — niet wenschen, dat mijn antwoord misschien
vrij lang zou moeten uitblijven. Daarom toog ik ter-
stond aan den arbeid, om zoo spoedig mogelijk een
oogenblik gehoor te kunnen vragen, ook al liet het
door fr. beloofde vervolg zich misschien nog wachten.
Vandaar echter dat ik mij tot de door fr. in zijn
eerste stuk behandelde onderwerpen moest bepalen.
Intusschen heeft Dr. francken spoediger dan ik
verwachtte den aangevangen arbeid voortgezet, en in
het Maart-nommer van dit tijdschrift zie ik nu ook
zijne opmerkingen over het Psychologisch Deel
van mijn boek vóór mij liggen.
Daaruit blijkt mij evenwel, dat ik in mijn oor-
spronkelijk opgevat plan van beantwoording geene
verandering behoef te brengen. Immers fr.\'s bezwaren
tegen mijn geschrift betreffen vooral het Phaenome-
nologisch Deel daarvan. Ten opzichte van het
ontstaan van den godsdienst in den kring van
\'s menschen geestesleven — waarover in het Psycho-
logisch Deel van mijn boek, en door fr, in zijn
tweede stuk wordt gehandeld — zijn hij en ik, indien
ik mij niet bedrieg, het in de hoofdzaak eens.
Dit verheugt mij, al had ik het, eerlijk gezegd»
geen oogenblik anders verwacht. Ook geeft het mij
vrijheid om hetgeen ik naar aanleiding van fr.\'s eerste
„Gedachten en vragen" had geschreven, met slechts
geringe wijzigingen den lezers van dit tijdschrift voor
te leggen.
-ocr page 8-
4
Alleen wensch ik aan mijn oorspronkelijk opstel
een „Naschrift" toe te voegen, ter bespreking van het-
geen naar aanleiding van fr.\'s tweede artikel mijner-
zijds nog overweging vereischt.
Na deze veranderde inleiding laat ik nu volgen,
wat ik terstond na de verschijning van fr.\'s eerste
verhandeling in schrift heb gebracht.
Wat Dr. francken (blz. 125, v.) over mijn ge-
bruik van eenige niet-Nederlandsche — en ook van
sommige wèl-Nederlandsche — woorden „in \'t voor-
bijgaan" zegt, eischt geene opzettelijke beantwoor-
ding PIij zelf erkent, dat zulke woorden in een
wijsgeerig geschrift niet geheel kunnen gemist worden.
Enkele opmerkingen met betrekking tot sommige er
van zullen hier of daar wel eene geschikte plaats vinden.
Ik zal mijne lezers hierbij nu niet ophouden.
Alleen dit moet ik zeggen: ik wenschte wel, dat mijn
geachte beoordeelaar de opmerking „van een zijner
vrienden in een handelstad" (bl. 126) over mijne —
volstrekt niet splinternieuwe — uitdrukking : drijvende
factoren had verzwegen.
Herinneren wij ons nu eerst, welke de taak der
wijsbegeerte van den godsdienst is.
Naar mijn oordeel bestaat deze in het onderzoek
naar:
1°. het kenmerkend religieuze in de waarneembare
religieuze verschijnselen;
2°. de wording dier verschijnselen in den raensch;
3°. hunnen diepsten grond.
-ocr page 9-
5
Allereerst komt dus de vraag aan de orde: wat
in de verschijnselen, die wij als religieuze erkennen,
het eigenaardige is, dat ze tot religieuze verschijn-
selen maakt.
Bij dit onderzoek moet van het begin af iedere
vraag betreffende het onder 2°. en 3°. genoemde afgewe-
zen worden. Dr. francken heeft dit echter m.i. niet met
de noodige zorgvuldigheid gedaan, en van daar dat hij
(bl. 144,145) eene beschrijving van het kenmerkende der
religie geeft, die te veel elementen van verklaring
bevat, dan dat zij als eene juiste beschrijving van het
kenmerkende der religieuze verschijnselen zou
kunnen toegelaten worden.
Straks kom ik hierop terug.
Ik vermeld deze zaak reeds hier, omdat ik er bij
den lezer zeer op aandringen moet wél te bedenken,
dat de later, in een ander hoofdstuk der wijsbegeerte
van den godsdienst, aan te wenden poging tot ver-
klaring van de religieuze verschijnselen hier nog niet
te pas komt. In het hoofdstuk over de leer vande
verschijnselen is het er alleen om te doen datgene
te beschrijven, wat in al Ie religieuze verschijnselen
— de volkomenste zoowel als de minst ontwikkelde —
als gemeenschappelijk kenmerk waar te nemen
valt. Wat in fe.\'s beschrijving voorkomt omtrent het
gevoel van afhankelijkheid en de verwant-
schap aan het Opperwezen is eene proeve van
verklaring, die als zoodanig onmiskenbare waarde
heeft, maar een onwijsgeerig vooruitloopen moet heetea,
zoolang enkel eene beschrijving van het, in alle
verschijnselen waarneembare, kenmerkende van de
religieuze verschijnselen behoort gegeven worden.
-ocr page 10-
6
Het spreekt van zelf, dat het vraagstuk der me-
thode voor het geheele onderzoek, ook al dadelijk voor
de opsporing van het kenmerkende religieuze, van het
grootste gewicht is.
In mijn boek, dat immers vooral een methodo-
logisch onderzoek bevat, moest dat vraagstuk wel
vrij breedvoerig behandeld worden.
Welnu, ik heb dan ook getracht aan te toonen
hoe de denker wel, en hoe hij niet te werk behoort
te gaan (bl. 36, v.v.).
Het is natuurlijk onmogelijk dit alles hier opnieuw
ter sprake te brengen.
Mijn geachte beoordeelaar heeft echter tegen een
en ander van hetgeen ik over de te volgen methode
heb gezegd bedenkingen gemaakt, die ik niet stilzwij-
gend kan voorbijgaan.
Eerst echter wijd ik nog een oogenblik mijne aan-
dacht aan fr.\'s bezwaar tegen mijne, trouwens zeer
algemeene, stelling omtrent den ouderdom der wijsbe-
geerte van den godsdienst.
Mijn boek begint met die stelling. Zij luidt aldus :
„De wijsbegeerte van den godsdienst is eene betrekkelijk
nog zeer jonge wetenschap."
Hieromtrent — dus meende ik en meen ik nog
— kan wel geen verschil van gevoelen bestaan. Nu
zie ik echter, dat fr. er anders over denkt, al begrijp
ik niet recht wat zijn bezwaar tegen mijne bewering
beteekent, wanneer ik aandachtig nalees, wat ik tot
staving er van heb gezegd.
„Eu ja!" — zoo laat pe. zich hooren — „het
punt van uitgang is verschoven, de gang van het on-
derzoek veranderd."
-ocr page 11-
7
Welnu, zijn dat kleinigheden P Fe. had meteen
even moeten herinneren, dat de leidende beginselen
anders zijn geworden, en dat ook de stof niet precies
dezelfde is als vroeger. Of beduidt dit zóó weinig, dat
men gerust er van zwijgen kan? Mocht iemand dit
meenen, dan zou het eene vruchtelooze onderneming
zijn met hem in gedachtenwisseling te treden.
Zeker, de kiem der wijsbegeerte van den godsdienst
ligt in het verre verleden. Ik meen dit op bl. 4 van mijn
boek vrij duidelijk gezegd te hebben, wat fr. dan ook
wel heeft opgemerkt. Maar sprak ik in de door hem
veroordeelde stelling niet van haar als van eene be-
trekkelijk nog zeer jonge wetenschap ? De bedoe-
ling was, meende ik, duidelijk. Ik kon daarbij niet den-
ken aan zeker nadenken over God en het goddelijke.
Wie toch zou niet weten , dat de menschelijke geest
zich ten allen tijde met zulke vraagstukken op de eene
of andere wijze heeft bezig gehouden! Ik geloof zelfs
dat het vraagstuk van de religie altijd op den bodem
van alle diep ingrijpende problemen heeft gelegen.
Bovendien komt het mij voor, dat het niet van helder
inzicht noch van practischen zin zou getuigen, indien
iemand meende, dat alle wijsgeerige en theologische
quaestiën behooren tot den kring, waarbinnen de wijs-
begeerte van den godsdienst zich heeft te bewegen.
Maar ik dacht aan de wijsbegeerte van den gods-
dienst als wetenschap.
Hoe kan iemand nu meenen, dat zij lang vóór
het optreden der critische wijsbegeerte van kant waar-
lijk eene wetenschap, in den vollen zin des woords,
zou zijn geweest! Zijn de vergelijkende taalstudie,
de vergelijkende mythologie en de geschiedenis der
-ocr page 12-
8
godsdiensten — zonder welke alle onderzoek van den
godsdienst moeielijk aan den eisen der wetenschap zou
kunnen voldoen — zijn deze alle waarlijk reeds van
overlang, hetgeen zij in de tweede helft dezer eeuw
zijn geworden ?
De meening van Dr. o. ch. bernhard pünjeh (1),
die aan de wijsbegeerte van den godsdienst wil ge-
dacht hebben overal, waar de denkende geest met het
gezag der kerk in strijd kwam, zal wel niet gemak-
kelijk van eene zekere oppervlakkige onbezonnenheid
zijn vrij te pleiten. .
Immers niet alle denken is wijsgeerig denken.
Dat wordt het eerst dan, wanneer het onder strenge
wetenschappelijke tucht is geplaatst.
Die tucht nu, in haren vollen omvang, is — ten
minste wat het gebied der geestelijke dingen betreft —
nog niet zeer oud. Houden wij dit in het oog, dan is het
duidelijk: als wetenschap, in den vollen zin des
woords, is de wijsbegeerte van den godsdienst betrek-
kelijk nog zeer jong.
Het is met haar gelijk met zoo menige andere
wetenschap. Laat ons de zoogenaamde dogmatiek
maar als voorbeeld kiezen. Eerst na de Hervorming heeft
dit deel der theologie zich tot den rang van wetenschap
kunnen verheffen. Maar nu zou het eene dwaasheid
zijn te meenen, dat hare geschiedenis eerst in de 16de
eeuw begint. Het dogmatisch denken van den ouden
tijd en der middeleeuwen zou daarmede eenvoudig weg-
gecijferd worden. Zulk een bedrijf zou zeker niet van
wijsgeerigen tact noch van historischen zin getuigen.
Toch zal tegenwoordig niet licht iemand den
dogmatischen arbeid van apostolische vaders, apolo-
-ocr page 13-
9
geten, compilatoren en scolastieken als strikt weten-
schappelijk voorstellen.
Zoo blijft dan mijne bewering aangaande de wijs-
begeerte van den godsdienst volkomen in haar recht.
Door den invloed der nieuwere wijsbegeerte is op
het gebied van de theologie de stand van zaken inder-
daad een geheel andere geworden.
Ik meen niet, dat het „voor een groot deel"
gloednieuwe problemen waren, die toen ter sprake
kwamen. Want ik weet zeer goed, dat vele vraag-
stukken van den nieuweren tijd merkwaardige trekken
van overeenkomst met vroegere vertoonen. Maar gerust
durf ik zeggen, dat hij, die ook hier het bekende „er
is niets nieuws onder de zon"\' zonder eenig noemens-
waardig voorbehoud wil toepassen, de geschiedenis der
wijsbegeerte van den godsdienst niet tot haar recht
laat komen.
Stond men — toen de waan van het veilig bezit
van eene langs uitwendigen weg van boven gegevene
kennis van God en de goddelijke dingen voor goed was
verstoord — stond men toen inderdaad niet als ver-
bijsterd rond te zien, en moest men niet als op den
tast voortgaan ?
Zag men zich waarlijk niet voor nieuwe problemen
geplaatst ? Ik noem alleen de, trouwens veelomvattende
en voortaan alles beheerschende, vragen omtrent de
psychologische wording der religie, hare plaats in
\'s mensehen geestesleven en haar daarmede samenhan-
gend eigenaardig wezen.
Hoe lang moest het niet duren eer men zich van
den aard en de beteekenis dier vragen eenigermate
rekenschap kon geven, en met eenigen kans op een
-ocr page 14-
10
goeden uitslag zijne krachten aan de oplossing er
van — en van zoovele andere problemen, die er in
lagen opgesloten — kon beproeven!
Eerst schleieemachee heeft de geniale greep ge-
daan, die voor de wijsbegeerte van den godsdienst
beslissend is geweest. Aan niemand vóór hem is het
gelukt de vragen, waarop het voortaan zou aankomen,
wetenschappelijk zuiver te stellen.
En al kan zijn antwoord op verre na niet bevre-
digend heeten, toch heeft de wijsbegeerte van den
godsdienst het aan hem te danken, dat zij in de ware
richting is geleid, en zich van lieverlede eene eigene
plaats in den cyclus der theologische wetenschap heeft
veroverd (2).
Doch hierover genoeg.
Thans moet ik een oogenblik spreken over de
beteekenis, die de etymologische verklaring van de
woorden, waarmede wij het geheel der religieuze ver-
schijnselen plegen te noemen, voor de wijsbegeerte van
den godsdienst kan hebben. Dr. feancken schijnt die
beteekenis hooger te schatten dan ik. Intusschen raakt
zijne redeneering het eigenlijke punt niet, waarom het
mij — volgens bl. 37 van mijn boek — te doen is.
Geenszins ontken ik de eigenaardige waarde der namen,
waarmede de godsdienst of eenig godsdienstig ver-
schijnsel wordt beschreven. Inderdaad is de beteekenis
dier namen van groot belang bij het onderzoek naar
de voorstellingen van hen, die ze het eerst ge-
bruikten. Maar ik beweer, dat ze ons volstrekt geene
zekerheid kunnen geven aangaande het wezen der
religie. Eigenaardige opvattingen van dit verschijnsel
-ocr page 15-
11
doen ze ons kennen; maar zij kunnen ons de vraag:
wat de religie is, niet beantwoorden.
Toch is juist dit de vraag, waarmede de wijsbe-
geerte van den godsdienst zich vooral heeft bezig te
houden. Zij zou zich dus al zeer onwijsgeerig aan-
stellen , indien zij aan de verklaring der woorden, waar-
mede de religie wordt genoemd, voor haar doel groote
waarde — of zelfs ook maar een andere waarde dan die
zulk eene verklaring ter toelichting van het op andere wijze
gevondene hier en daar hebben kau — toekende. "Wan-
neer zij daartoe zich mocht laten verleiden, dan zou zij
zich bezig houden met hetgeen ik (bl. 38) onwijsgeerige
etymologische knutselarijen heb genoemd.
Ik kan in pr.\'s bedenkingen, op dit punt tegen
mij ingebracht, dan ook niet deelen. Het komt mij
voor dat zij van misverstand uitgaan. Hij toch denkt,
in zijn betoog, het meest aan voorstellingen om-
trent de religie, terwijl ik spreek over haar, van die
voorstellingen onafhankelijk, wezen.
Eer ik van dit punt afstap, nog enkele opmerkingen
over het gebruik van het woord religie.
Waarom ik dat woord heb aanbevolen, staat duidelijk
op bl. 38 van mijn boek te lezen. Het is niet omdat het
krachtens zijne afleiding eene beteekenis zou hebben, waar-
door het aan het ware wezen van den godsdienst uitdrukking
zou geven, maar eenvoudig omdat zich van lieverlede een
zeker spraakgebruik heeft gevormd, waardoor het woord
religie hoe langer zoo meer — juist wegens het be-
paald ondoelmatige van andere woorden — wordt ge-
bezigd om den godsdienst als wederkeerige levens"
en liefdesbetrekking tusschen God endenmenseh
voor te stellen.
-ocr page 16-
12
Ds. francken ergert zich aan dat wed er k eerige.
Nu geef ik gaarne toe, dat het niet aangaat van
Gods religie te spreken. Maar dit is dan ook de be-
doeling van de gewraakte uitdrukking niet. Het is
echter voor de kennis van het innigst wezen der religie
van belang steeds in het oog te houden, niet alleen
dat Gods levens- en liefdesbetrekking de grond is van
de menschelijke religie, maar ook hoe zij dat is. Onze
ervaring van Gods werkingen in ons, is met die wer-
kingen altijd onlosmakelijk verbonden. God wekt
niet enkel onze religie, maar voedt haar ook. Juist
omdat God zich zelven, zijn leven, zijne liefde aan
den mensch te ervaren geeft, is onze daaruit geborene
religie steeds innig één met de werkingen van Gods
liefde in ons. In het mensehelijk religieuze is te ieder
oogenblik iets van God mede werkzaam (3). Wanneer
wij nu, dit bedenkende, het innigst wezen der religie
willen beschrijven, dan moet in die beschrijving iets
van den grond der religie mede begrepen zijn, omdat
zij zonder haren grond nooit en nergens heeft bestaan,
noch kan bestaan. In de religie zijn hare beide factoren
— de goddelijke en de menschelijke — altijd vereenigd
werkzaam. Daarom moet in de wetenschappelijke
beschrijving van haar wezen aan beide recht wedervaren.
Dat ik in dezen niet alleen sta, maar mij op kloeke
denkers kan beroepen, behoef ik hier niet te betoogen.
In den hierboven aangegeven zin heb ik (bl. 30
van mijn boek) de uitdrukking „in de religie zijn on-
eindig en eindig één" bedoeld. Dr. francken heeft blijk-
baar gemeend, dat ik in dat verband door eindig het
zinnelijk waarneembare verstond. Uit den samen-
hang blijkt echter duidelijk, dat ik aan het religieuze
-ocr page 17-
13
in het geestesleven van den — als zinnelijk wezen
eindigen — mensen heb gedacht, en heb willen
aanduiden, dat de eindige mensch in de religie het
deelgenootschap aan het oneindige bezit.
Er bestaat dus niet de minste strijd tusschen deze
bewering en de meening, die ik een oogenblik eerder
heb uitgesproken: „het geestelijke en het stoffelijke zijn
geheel verschillende, niet vergelijkbare werkelijkheden."
Immers hier is van iets geheel anders sprake. De
bedoeling van dat niet vergelijkbare is uit het
onmiddellijk voorafgaande gemakkelijk op te maken.
Daarin toch heb ik gezegd, dat het object der
theologie, tot het gebied des geestes behoorende,
van geheel anderen aard is dan dat der natuurweten-
schappen, en daarom eene veelszins andere toepassing
van de overigens gelijke methode vereischt.
Misschien had ik van dat niet vergelijkbare
kunnen zwijgen. In geen geval zou ik willen beweren,
dat wij, om onze voorstellingen omtrent het geestelijke
uit te drukken, niet op velerlei wijze onze voorstellings-
vormen aan het eindige, het zinnelijke ontleenen.
Maar is de beteekenis van dit voor ons onver-
mijdelijk hulpmiddel deze, dat wij, zoo dikwijls wij er
onze toevlucht toe nemen, dan het geestelijke met het
eindige vergelijken — in dezen zin, dat wij het min of
meer met elkander vereenzelvigen of althans onafschei-
delijk met elkander verbinden ? Volstrekt niet! Het
door fr. gekozen voorbeeld, de voorstellingsvorm on-
eindig, toont dit wellicht beter dan eenig ander.
Wat duiden wij door dien vorm omtrent het geeste-
lijke , het goddelijke aan ? Immers geen wezenlijke
eigenschap er van, maar eenvoudig dat het niet naar
-ocr page 18-
14
den maatstaf van het eindige beoordeeld moet worden,
daarboven verheven is, niet in de categorieën van tijd en
ruimte kan begrepen worden. Derhalve, wanneer wij het
geestelijke „oneindig" noemen, dan spreken wij daardoor
hetzelfde uit, als wat ik in mijn boek aldus had gezegd :
„het geestelijke en het stoffelijke zijn geheel verschil-
lende, niet vergelijkbare werkelijkheden." Dit moeten
wij bij het wetenschappelijk onderzoek naar het wezen
der geestelijke dingen des te zorgvuldiger in het oog
houden, naarmate het voor ons moeielijker is over het
geestelijke anders te spreken, dan in woorden en beelden
aan het zinnelijke, of liever aan onze voorstelling
daarvan, ontleend.
Wanneer wij ons van dit hulpmiddel bedienen —r
en in de meeste gevallen kunnen wij niet anders —
dan volgt daaruit volstrekt niet, dat wij het gees-
telijke met het stoffelijke zouden vergelijken in den
zin, waarin Dr. francken het schijnt op te vat-
ten. Gelijk wij het bij de uitdrukking oneindig
opmerkten, zoo zien wij in de meeste gevallen, dat die
vergelijking de waarde heeft van eene dikwijls zeer
scherpe tegenstelling. Doch ook waar van eigenlijke tegen-
stelling geen sprake is (b. v. waar wij de uitdrukkingen
„godsdienstige verheffing", „hemelsche vader"
en dergelijke-gebruiken) daar zijn onze uitdrukkingen
slechts aan het zinnelijke ontleende beelden en spreek-
wijzen , die meer of minder gebrekkig aan het geestelijke
beantwoorden, en waaruit wij het zinnelijke nog weer
zooveel mogelijk moeten verwijderen, om althans eeni-
germate het wezen der geestelijke dingen te erkennen.
De Heidelbergsche Catechismus vraagt, in zijn
onderwijs over het „Onze Vader" (468te Zondag):
-ocr page 19-
15
„waarom wordt hier toegedaan; Die in de hemelen
zijtp" en verklaart die toevoeging aldus: „Opdat wij
van de hemelsche majesteit Gods niet aardsch gedenken."
Dit antwoord getuigt van echt wijsgeerigen zin, en
strekt alleszins tot bevestiging van hetgeen ik hierboven
zeide.
Het komt mij dus voor, dat fb. het niet-zinne-
lijk karakter van het geestelijke te veel uit het oog
verliest, door aan de aan het zinnelijke ontleende voor-
stellingen of uitdrukkingen onwillekeurig eene grootere
waarde, dan die van gebrekkige pogingen om het on-
noembare te noemen, toe te kennen. Nu zou ik,
wanneer de poëzie van zulke beelden zich meester
maakt om iets van het onzienlijke als het ware te doen
aanschouwen, niet gaarne willen gerekend worden onder
hen, die fr. hoort zeggen: „dat is maar poëzie."
"Want ik ben, met hem, overtuigd, dat in poëzie niet
minder waarheid ligt dan in proza. Maar welke
waarheid ligt er in ? Dat is de vraag, die hier alles
beslist. Gelijk het niet ieder gegeven is in alle dingen
de poëzie te vinden, die er in schuilt, zoo is het ook
lang niet altijd even gemakkelijk de waarheid, die in
de poëzie ligt, te grijpen.
Eer ik verder ga, moet ik nog even terug komen
op hetgeen boven over de religie is gezegd, om een
oogenblik de aandacht te wijden aan de onderscheiding
tusschen religie en religieuziteit, zooalszij door
Dr. francken is gemaakt.
Nadat hij heeft beweerd, dat ik in mijne beschrij-
ving van het kenmerkend religieuze den wil heb
laten vallen — tegen welke bewering ik reeds nu
ernstig protesteer, terwijl ik later er op terug kom
-ocr page 20-
16
zegt hij, dat het niet duidelijk is of ik in geheel dit
hoofdstuk (over deleer van de verschijnselen)
over den godsdienst of alleen over het religieuze
spreek.
Dat Dr. fkancken hier op onduidelijkheid is ge-
stuit, heeft m. i. zijne oorzaak in de bovenbedoelde onder-
scheiding, door hem gemaakt. Naar zijn oordeel is
het religieuze: de onderstelling, de mogelijk-
heid van religie, terwijl hij religie alleen daar vindt,
waar de wil de religieuze indrukken aanvaardt.
Hiertegen het volgende: Er is zeer zeker iets, dat
men de onderstelling, de mogelijkheid van
religie kan noemen. Die mogelijkheid bestaat
echter niet, zoo als pe. meent (bl. 139), in de ge-
waarwordingen en indrukken van afhankelijk-
heid van bovenzinnelijke machten, d. i. dus in
de bepaald religieuze indrukken, maar in die eigen-
aardige gesteldheid of inrichting van den
menschelijken geest, waardoor hij zulke indrukken
kan ontvangen.
Zoolang zoodanige indrukken nog niet zijn ont-
vangen, kan men spreken van eene mogelijkheid
van religie. Wanneer echter eene religieuze gewaar-
wording , een indruk van afhankelijkheid van eene hooger
dan zinnelijke macht, ontvangen is, begint het bepaald
religieuze leven, kan en moet er van religie sprake
zijn. De aard dier gewaarwording brengt het mede.
De religieuze gewaarwording — hoe weinig ontwikkeld
ook nog — is een begin van zoodanige werkzaamheid
van den menschelijken geest, waardoor deze zich tot
hooger dan zinnelijke macht verheft. En bovendien
is in die werkzaamheid altijd, van het begin af, iets
-ocr page 21-
17
van de willende werkzaamheid des geestes opgesloten.
De gewaarwording kenmerkt zich dus mede door
datgene, wat voor pb. de voorwaarde is, waaronder hij
religie erkennen wil. Wat bezwaar is er nu om
daar, waar het te doen is om het kenmerkende
der religieuze verschijnselente onderzoeken, dus om
datgene, wat — ik zeg niet aan de verschijnselen ten grond-
slag ligt, maar — in de verschijnselen als bepaald re-
ligieus is waar te nemen — wat bezwaar is er om
daar dat kenmerkende, die eerste en duidelijke teekenen
van religie het religieuze te noemen? Te minder
kan dit bezwaar rijzen, als men bedenkt, dat in het
onderzoek naar de verschijnselen niet de indruk-
ken, die ontvangen worden, ter sprake komen maar
wel de uitingen van religieus leven, welke uit het
verwerken van die indrukken (dus ook mede door de
werkzaamheid van den wil) geboren worden.
In de leer van de verschijnselen is het de vraag:
als hoedanig kenmerkt zich de uiting van het religieuze
leven? derhalve: wat is het religieuze dat die uitin-
gen tot religieuze maakt? — Datgene wat fe. m. i.
ten onrechte de onderstelling, de mogelijkheid
der religie noemt, —de indrukken enz., waarmede het
religieuze leven van den mensch begint — dat komt in de
leervandeverschijnselen nog niet nader ter sprake.
Eerst waar de wording van de religie in den kring van
\'s menschen geestesleven wordt nagespoord, hebben wij
de vraag betreffende de indrukken enz., die de religie
doen ontstaan, te behandelen.
Dr. franckbn heeft, naar mij voorkomt, niet
voldoende in het oog gehouden, wat bij het onderzoek
naar het kenmerkende van de verschijnselen
2
-ocr page 22-
18
het hoofddoel is. Telkens betreedt hij het gebied der
verklaring, en brengt daardoor het onderzoek —
hetwelk eenvoudig tracht vast te stellen wat het eigen-
aardige is, dat de religieuze verschijnselen tot religi-
euze stempelt, maar eerst daarna naar de psychologische
motieven enz. van de verschijnselen vraagt — onver-
mijdelijk op een verkeerd spoor. Dientengevolge is,
gelijk ik straks hoop aan te toonen, de beschrijving)
door hem ten slotte van het kenmerkende der religie
gegeven geene juiste beschrij ving, maar voor een
deel verklaring van de verschijnselen geworden.
Tegen deze dooreenmenging van hetgeen scherp
onderscheiden — en ook tot op zekere hoogte gescheiden
— moet worden, kom ik nadrukkelijk op.
Indien ik mij niet vergis, moet ik het mede daar-
aan wijten, dat fr. klaagt over onduiddelijkheid in
mijne ontwikkeling van gedachten. Had hij in het oog
gehouden wat eigenlijk in het hoofdstuk over de ver-
schijnselen moest en ook alleen mocht onderzocht
worden, hij zou dan hebben bemerkt, dat ik in dit
hoofdstuk spreek — niet over den godsdienst, noch
over het religieuze maar — over datgene, wat in
alle religieuze verschijnselen als kenmerkend
zich laat waarnemen, wat deze tot religieuze ver-
schijnselen maakt.
Nu geef ik gaarne toe, dat minder duidelijke uit-
drukkingen mijnerzijds aanleiding tot misverstand kunnen
gegeven hebben, maar ik geloof toch, dat francken\'s
vraag: geldt het hier den godsdienst of het reli-
gieuze? mede uit minder juiste beschouwingen van
hem zelven is voortgekomen. Althans bij mij heeft,
in dit verband, de vraag betreffende het religieuze in
-ocr page 23-
19
de religieuze verschijnselen, een anderen zin dan de
vraag naar de onderstellingen van de religie, of
die naar de indrukken, welke het religieuze leven
in \'s menschen geest doen ontwaken.
Ik zal hierover nu niet verder uitweiden. In mijn
boek heb ik (bl. 36) de vraag, die in het phaeno-
menologisch deel aan de orde is, m i. duidelijk ge-
noeg gesteld.
Ook over de methode, die bij het zoeken naar het
juiste antwoord op de gestelde vraag behoort gevolgd
te worden, behoef ik hier niet verder te spreken.
In hoofdzaak schijnt mijn geachte beoordeelaar het ten
dezen wel met mij eens te zijn. Alleenlijk wil ik hem
nog in overweging geven, of het wel aanbeveling
verdient zoo min of meer uit de hoogte te spreken van:
„eenige stofwolken", door de positivisten opgeworpen.
Ik laat in het midden of daardoor niet wordt
te kort gedaan aan den ernst, waarmede vele ver-
tegenwoordigers dier richting in de wijsbegeerte, de
waarheid zoeken of hebben gezocht. Maar ook af-
gezien daarvan zal ieder ernstig en deskundig man
mij wel toegeven, dat die „stofwolken" van te groote
beteekenis zijn, en te belangrijken invloed op veler
oordeel over de religie uitoefenen, dan dat het ons vrij
zou staan ze met het bekende „nubecula est, mox
transibit," (\'t is maar een wolkje, \'t zal weldra voor-
bijdrijven) ernstige overweging onwaardig te keureD.
"Wat nu het antwoord zelf betreft, door mij op de
in dit hoofdstuk behandelde vraag gegeven, ook daar-
tegen brengt Dr. francken bedenkingen in, die ik
thans ga bespreken.
Laat mij even mogen herinneren welke beschrijving
-ocr page 24-
20
ik gemeend heb van het kenmerkende , het eigenaardige,
overal zich uitende religieuze in de religieuze verschijn-
selen te moeten geven.
Eerst wees ik er op (bl. 53) dat de religieuze
verschijnselen van samengestelden aard zijn, en bestaan
in zoodanige uitingen van den menschelijken geest,
waarin eene voelende en eene willende werkzaam-
heid op den voorgrond treden, terwijl mede in meerdere
of mindere mate de werkzaamheid van het denken
zich er in laat onderkennen.
Daarna betoogde ik , dat deze werkzaamheid niet
enkel eene werking is, die de menschelijke geest onder-
gaat, maar tegelijk zulk eene, die hij verricht, en
door welke hij zich tot eene hoogere macht, tot
den oneindigen geest verheft (bl. 54, 55).
Zoo kwam ik tot deze gevolgtrekking: het ken-
merkend religieuze in de religieuze verschijnselen be-
staat in eene e i g e n a a r d i g e, op iets bovenzinnelijks,
op den oneindigen geest, gerichte activiteit van
den menschelijken geest (bh 56)."
Hiermede was — gelijk ik nadrukkelijk uitsprak
— alleen nog maar de algemeene indruk wederge-
geven , dien de religieuze verschijnselen dadelijk op den
waarnemer maken. De eigenlijke hoofdvraag, waarop
het nu verder bovenal zou aankomen, de vraag: waar-
in het eigenaardige van die activiteit bestaat, was
hiermede nog niet beantwoord, maar moest op de vol-
gende bladzijden van mijn boek behandeld worden.
Dit is door francken te veel voorbijgezien.
Doch ook in hetgeen door mij in mijne beschrijving
van het kenmerkend religieuze — als eene eigenaar-
dige activiteit van den menschelijken geest—
-ocr page 25-
21
is gezegd , vind ik meer dan voldoende aanleiding om mij
te verzetten tegen fr.\'s verwijt, ten aanzien van deze
beschrijving mij gedaan. Zijne grief is namelijk, dat ik
den wil daaruit zou hebben laten vallen, en dienten-
gevolge den godsdienst te weinig als eene daad of
een doen zou hebben voorgesteld.
Wat is hiervan aan ?
Ik begin met de opmerking , dat het ons in dit ver-
band alleen moet te doen zijn om zulk eene beschrijving,
waarin niet alleen het eigenaardige van de religieuze
verschijnselen op den hoogsten trap van ontwikkeling,
maar ook dat van het minst ontwikkelde gods-
dienstige begrepen is.
Wanneer Dr. feancken nu in die beschrijving aan
den wil eene zoo groote plaats wil inruimen, dat het ei-
genaardig religieuze van alle religieuze verschijnselen zal
voorgesteld worden als zulk eene werkzaamheid, waar-
door „de wil de religieuze indrukken aanvaardt, ze
niet afwijst, maar verwerkt en als richtsnoer van han-
delen aanneemt", dan houdt hij met bovenbedoelden
eisch niet voldoende rekening, daar hij van de willende
werkzaamheid des menschehjken geestes dingen zegt, die
zeker niet in de godsdienstige verschijnselen op den
laagsten trap van ontwikkeling zijn waar te nemen
Niet alleen het aanvaarden, maar ook en vooral
het verwerken en het als richtsnoer van
handelen aannemen van religieuze indrukken wijst
op een te hoog standpunt van godsdienstige ontwikke-
ling , dan dat het als een duidelijk waarneembaar ken-
merk van het eigenaardig godsdienstige in zijn minst
ontwikkelden vorm erkend kan worden.
Of dan in de beschrijving van dat overal waar-
-ocr page 26-
22
neembare eigenaardig religieuze aan het element van
den wil in \'t geheel geene plaats moet gegeven worden ?
Zeer zeker wèl. Maar niet die plaats; omdat in
de minst ontwikkelde godsdienstige verschijnselen het
willen zich niet op zulk eene wijze, als waarop dat
naar pr. s voorstelling geschiedt, laat gelden.
Toch is de eigenaardige activiteit van den men-
schelijken geest, waarin het religieuze leven van den
eersten aanvang af zich openbaart, wel degelijk niet
alleen eene voelende, indrukken ontvangende werk-
zaamheid , maar ook eene willende, een zeker reke-
ning houden met de ontvangene indrukken, een zeker
zich daarnaar richten, eene daardoor opgewekte, naar
den oorsprong dier indrukken zich keerende werkzaam-
heid van den menschelijken geest.
Dat dit niet buiten de werkzaamheid van het
voorstellen omgaat, zal ik later nog even moeten
aanwijzen.
Wat nu die willende werkzaamheid aan-
gaat, zij is door mij geenszins uit het oog verloren,
maar integendeel opzettelijk en nadrukkelijk als consti-
tueerend bestanddeel, of liever als eene kenmerkende
eigenschap van de religieuze werkzaamheid des geestes
op den voorgrond gesteld.
Men leze slechts bl. 53 v.v. van mijn boek.
Ik moet bekennen, niet te begrijpen, hoe pb.
heeft kunnen zeggen, dat ik den wil heb laten vallen.
Heb ik mij zóó onduidelijk uitgedrukt? Of komt het,
althans mede , hierdoor, dat hij een verkeerd oogpunt
van beoordeeling heeft gekozen ?
Ik weet waarlijk niet hoe ik zijne bovengenoemde
bedenking beter zou kunnen afweren, dan door te her-.
-ocr page 27-
28
halen al hetgeen ik op bladz. 53—60 van mijn boek
heb geschreven. Natuurlijk echter moet ik mij van
uitvoerige aanhalingen onthouden. Daarom zie ik mij
verplicht den belangstellenden lezer dringend te ver-
zoeken , de aangewezene bladzijden nog eens aandachtig
te overwegen.
Toch moet ik hier enkele dingen even bespreken.
Dr. prancken keurt het af, dat ik het kenmerkend re-
ligieuze eerst in het algemeen als eene eigenaardige acti-
viteit van den mensehehjken geest heb beschreven. Hij
vindt dat verkeerd én omdat het een vreemd woord is,
én vooral daar hij meent, dat ik onder die activiteit versta:
„eene werking die wordt opgewekt en in gang w o r d t
gebracht", maar in welke de wil niet betrokken wordt,
eene werking dus, die van de zijde van het subject
volstrekt passief is, en niets heeft van eene daad»
eene handeling.
Nu wil ik over het woord niet twisten. Ik
meende, dat het woord activiteit, als tegenstelling
tegen alles wat lijdelijk, niet-handelend is, mij
juist uitnemend dienen kon, om de opvatting te voor-
komen als zou de geest enkel werkingen ondergaan,
en niet zelf in het ontstaan van het religieuze leven
werkzaam zijn. Ook nu geloof ik nog niet, dat
ik mij hierin heb vergist.
De gewraakte uitdrukking moge van vreemden
oorsprong zijn, toch is zij voor den wetenschappelijken
man geene onbekende.
Doch ik geef gaarne toe, dat ik wel het woord
werkzaamheid had kunnen gebruiken, hoewel ook
dit zuiver Nederlandsch woord, zonder de toelichting,
-ocr page 28-
24
die in den samenhang door mij werd gegeven, nog
geenszins alle misverstand zou voorkomen hebben.
Doch dit daargelaten. Hetzij wij van activi teit
of van werkzaamheid spreken, het is gewis gansch
niet onverschillig waaraan wij die werkzaamheid toe-
schrijven. Hier is hot de menschelijke geest, waar-
aan zij wordt toegekend. Nu zou eene juiste psychologie,
m i., de bedenking van Dr. francken voorkomen hebben.
Immers wanneer door een ontvangen indruk eene werking
inden menschelijken geest wordt opgewekt, dan is die
werking, van het oogenblik af dat zij in gang wordt ge-
bracht , eene werkzaamheid van dien geest zelven
geworden, zulk eene, waarin deze zelf handelen d
optreedt. De eigenaardigheid van den menschelijken
geest brengt dit mede. Tot dit handelend optreden van
den geest behoort ook — gelijk boven reeds werd op-
gemerkt — het willen, daar nooit eenige werk-
zaamheid van den geest de eene of andere zijner func-
tiën geheel buitensluit. De hoofdvraag is hier niet:
in welke maat het willen in die werkzaamheid
van den geest betrokken is. Waar het hier op aan-
komt is: dat iedere werkzaamheid ran den geest, van
haar eerste begin af, een werken, een zich laten
gelden, een handelend optreden vanden geest
zelven is geworden, en dus in meerdere of mindere
mate het willen in zich sluit.
Welnu, juist dit — wat trouwens uit den aard
van den geest reeds vanzelf volgt; en dus ook zonder
nader betoog als vaststaande zou mogen beschouwd
worden —juist dit heb ik telkens waar het pas gaf her-
innerd , en waar het steeds in het oog gehouden moest
worden nadrukkelijk uitgesproken. Zoo staat bv. op.
-ocr page 29-
25
bl 53 van mijn boek het volgende te lezen : „ten op-
zichte van die aandoeningen of gewaarwordingen dient
men van meet aan in het oog te houden, dat zij niet
enkel als passief, als werkingen, die de menschelijke
geest ondergaat, mogen gedacht worden, maar dat
zij tevens een element van activiteit in zich be-
vatten, en in zoover tegelijk werkingen zijn, die de
menschelijke geest verricht."
Fr. heeft dit wel opgemerkt Maar het woord
„reflectie\'\', dat ik in den volgenden volzin heb ge-
bruikt, heeft hem weder in moeielijkheid gebracht.
"Waardoor dan toch? Hierdoor, dat Dr. fr. meent,
dat er, waar dat woord door mij wordt gebruikt,
wordt gedacht aan eene terugwerking, die vrij wel gelijk
staat met de terugkaatsing des lichts.
Hierbij zou dan ook zeer zeker geen sprake kunnen
zijn van den wil in den ernstigen zin des woords.
Intusschen is eene terugwerking van den mensche-
lijken geest eene geheel andere zaak, dan de terug-
kaatsing van het licht door b. v. een spiegel, een witten
muur of eenig ander voorwerp Ligt dit niet voor de hand ?
De menschelijke geest is immers geen onbewust, wille-
loos, volstrekt lijdelijk ding, gelijk een muur of iets
dergelijks!
Naar ik meende — en mijn gevoelen is op dit
punt nog niet veranderd — sprak het van zelf, dat, als
er werd gehandeld over eene reflectie van den inwen-
digen mensch, d. i. van onzen geest, daarbij dan
gedacht moest worden aan zoodanige door indrukken
opgewekte werking, die eene handelende werking
van den geest zelven is, waarin deze — alweder
uit zijnen aard — in zijn geheel betrokken is, zoodat
-ocr page 30-
26
ook het willen in de eene of andere maat zich daarbij
laat gelden.
Enkel wanneer dit wordt voorbijgezien ontstaat de
moeielijkheid, waarin fr. zich ziet gebracht.
Tot mijn leedwezen moet ik bekennen, dat ik
mijnen geachten beoordeelaar ook hier een zekere on-
billijkheid moet telastleggen, gelijk hij zelf wel ver-
moedde, dat het geval zou zijn (bl. 140). Immers van
de hier besprokene eigenaardige activiteit van den men-
schelijken geest heb ik (bl. 55 van mijn boek) o. a. gezegd,
dat zij bestaat „in zoodanige uiting van den menschelijken
geest, waardoor hij zich in zekere verhouding weet, en zich
zelf in zekere verhouding stelt tot den oneindigen geest."
Ook in dit verband straalt m. i. duidelijk mijn streven
door om die werkzaamheid des geestes als eene han-
delende werkzaamheid van den geest zelven te
doen beschouwen. Dr. pranckbn vindt het eene te sterke
uitdrukking, en meent dat „het op die wijze althans
den schijn heeft, alsof dit zich tot God in verhouding
plaatsen iets willekeurigs is, dat de mensch ook even
goed laten kan." Is het billijk, dit te meenen ? Een
oogenblik moge die schijn kunnen ontstaan, het is toch
ook niet meer dan een s c h ij n, die door den samenhang
voldoende wordt gelogenstraft.
„In dé religie stelt", meent fr., „de mensch geen
verhouding."
Werkelijk niet ? Men bedenke, dat ik het woord
verhouding in bovenbedoeld verband heb gebruikt,
en dat verhouding niet hetzelfde is als betrekking.
De van de menschelijke werkzaamheid geheel onaf-
hankelijke betrekking van (vooral innerlijke) af-
hankelijkheid is de grondslag der religie. Die b e t r e k?
-ocr page 31-
27
king stelt de mensch niet. Hij roept haar niet in het
leven, maar gevoelt en aanvaardt haar door de in
gang gebrachte werkzaamheid van zijnen geest, dus
ook met zijnen wil. Maar juist dit aanvaarden is
het zich in zekere verhouding stellen tot den
oneindigen geest.
"Welnu, is hiermede dan niet gezegd, dat de men-
schelijke geest in de religie, van het eerste oogenblik
harer wording af, handelend en willeDd werk-
zaam is ?
Dr. feancken zou dit misschien nog hebben willen
toegeven, indien ik niet, naar zijne meening, eenige
regels verder, mijn geheele betoog had omvergeworpen,
door van het wordingsPROCES der religie te gewagen.
Ben ik hier inderdaad zóó onnadenkend en als een
spelend kind aan het werk geweest ? Ik kan het
waarlijk niet inzien.
Fe. beweert, dat „proces veel meer aan een onbe-
wuste, althans buiten den wil omgaande ontwikkeling,
dan aan een met bewustheid en wilsbepaling verricht
doen denken doet."
Dat is te zeggen : er zijn gevallen, waarin dit
zoo is, maar het is op verre na niet altijd zoo Dit hangt
eenvoudig af van den aard der dingen, van welke in
elk bijzonder geval wordt gesproken. Immers door het
woord proces duidt men in het algemeen niets meer
aan dan een zekeren noodwendigen gang van zaken,
waarin het eene moment onverbrekelijk met het andere
verbonden is, en dus noodwendig en geleidelijk daarop
volgt.
Moet die gang van zaken nu, enkel omdat wij
hem proces noemen, altijd eene onbewuste, buiten
-ocr page 32-
28
den wil omgaande ontwikkeling zijn ? Geenszins! Alles
hangt immers van den aard der dingen af, die in zulk
eene ontwikkeling betrokken zijn. De drie maten meels,
waarin het zuurdeeg is gelegd, zijn zich niet bewust
van hetgeen er vervolgens plaats heeft, en nemen niet
met bewustheid eenig werkzaam, willend aandeel daar-
in. Maar wanneer nu het koninkrijk Gods bij zulke
drie maten meels wordt vergeleken, dan zal het eigen-
lijk punt van vergelijking toch zeker wel niet in dat
onbewuste, buiten den wil omgaande moeten ge-
zocht worden.
En hoe, indien wij spreken van een denkproces?
Wie zal dan meenen, dat wij te doen hebben met een
buiten de bewustheid, en buiten den wil omgaand
proces ? Willen wij niet lichtvaardig met woorden
spelen, dan kunnen wij toch niet in ernst gewagen van
een onbewust denkproces (4).
Welnu, men vergete niet, dat de aard der dingen
zelve den aard bepaalt van het proces, waarin die
dingen betrokken worden. Toen ik van het wordings-
proces der religie sprak, dacht ik daarbij natuurlijk
aan den eigenaardigen gang der ontwikkeling van
\'s menschen religieus leven. Tot dien gang van zaken
behoort, als een noodwendig bestanddeel er van, ook
hetgeen, eenige regels eerder, door mij was genoemd, nl.:
dat „de mensch zichzelf in zekere verhouding stelt tot
den oneindigen geest."
Derhalve: dit zich stellen, deze bewuste}
handelende en ook willende werkzaamheid van
den menschehjken geest is in het wordingsproces der
religie — in dien noodwendigen gang der ontwikkeling
waardoor de religie wordt d. i. ontstaat en zich verder
-ocr page 33-
29
ontwikkelt — begrepen, maakt een gewichtig moment
daarin uil.
De desbevoegde lezer beslisse nu zelf of ik op
bl. 55 vv. van mijn boek werkelijk dermate in tegenspraak
met mij zelven ben gekomen, als Dr. pranckex hem
heeft doen denken. Ik kan niet zien, dat mijn ge-
achte beoordeelaar mij op dit punt een billijk verwijt
heeft gedaau.
Men neme hierbij nog in aanmerking, dat de
vragen: hoedanig dat proces is, en: hoe zijn ont-
staan in den mensch verklaard moet worden, in dit
hoofdstuk van mijn boek nog buiten onderzoek moesten
blijven, en dat ik hier van het wordingsproces der
religie melding maakte, enkel om als vanzelfsprekend
op den voorgrond te stellen, dat het religieuze in
\'s menschen geestesleven niet anders dan langs psycho-
logischen weg, binnen de sferen van dat geestesleven
zelf, tot stand komt.
In verband met het hier gevoerde betoog over den
aard dier activiteit — of werkzaamheid — van den
menschelijken geest, heb ik nog eene andere bedenking,
door Dr. fhancken tegen mij ingebracht, te beantwoorden.
De geachte auteur beweert (bl. 136), dat ik „van
de verschijnselen de geloofsstellingen, ja zelfs de voor-
stellingen" heb buiten gesloten.
Moet dit beteekenen, dat ik het bestanddeel van
voorstelling, als vrucht van de denkende werk-
zaamheid des geestes, niet in de verschijnselen zou
hebben opgemerkt?
Maar men hebbe dan de goedheid bl. 53 en v. v.
van mijn boek nog eens aandachtig te lezen! Het zal
dan blijken hoe onjuist fr.\'s bewering is.
-ocr page 34-
30
Bedoelt hij echter, dat ik bij het zoeken naar en
het bepalen van het kenmerkend religieuze van
de te beoordeelen verschijnselen, de voorstellingen op
zich zelve , ook zelfs de belangrijkste , dat is dus : den
eigenaardig en inhoud der voorstellingen, buiten
rekening -wil gelaten zien — ja, dan heeft fr. gelijk.
"Werkelijk meende ik, dat de voorstellingen, zooals zij
daar liggen, met haren inhoud, bij het in te stellen
phaenomenologisch onderzoek niet in aanmerking moeten
komen. En zoo oordeel ik nog. Immers, hoe die
voorstellingen zijn, wat daarin omtrent God en het
goddelijke wordt uitgesproken — ja, dat heeft wel zeer
zeker groote waarde, maar dat doet voor het onder-
zoek naar het kenmerkende, overal en bij elke
voorstelling terug te vinden religieuze waarlijk niets
af. Om de eenvoudige reden, dat het kenmerkende
religieuze niet in de voorstellingen met haren in-
houd ligt.
Het bidden van den heiden is evengoed als het
bidden van den christen — nl. indien beider bidden
niet enkel eene zaak van gewoonte of vorm is — eene
zekere verheffing van den geest tot de als godheid
erkende hoogere macht, ofschoon de dat bidden lei-
dende voorstellingen ontzaglijk veel verschillen. Wordt
dit vergeten, dan vervalt men maar al te licht tot dat
dogmatisme, waardoor het eigenaardig religieuze,
a priori, eerst onafscheidelijk wordt verbonden aan, en
strak? wordt vereenzelvigd met bepaalde geloofs-
stellingen. Tegen zulk dogmatisme heb ik — en
terecht, dunkt mij — gewaarschuwd (bl. 38 v.v. van
mijn boek).
Men vergete toch niet, dat het bij het onderzoek
-ocr page 35-
41
naar het kenmerkend religieuze eenig en alleen
aankomt op het karakter der uitingen van religieus
leven, hetzij deze al of niet door bepaalde, scherp
omlijnde voorstellingen, hetzij ze door deze of andere
voorstellingen geleid worden (5).
Maar dit neemt niet weg, dat in de eigenaardige
religieuze verheffing — op welk standpunt van religieuze
ontwikkeling zij ook worde aangetroffen — de werk-
zaamheid van het denken altijd, in welke maat dan
ook, betrokken is. Er is geen religieus verschijnsel,
waarin de werkzaamheid van het voorstellen zich
niet laat onderkennen. Het is deze voorstelling s-
werkzaamheid, welke altijd begrepen is in die werk-
zaamheid, waardoor de menschehjke geest zich tot
den oneindigen geest verheft. En hierop komt het in
dit verband aan, maar niet op wat men zich voor-
stelt.
Die ééne werkzaamheid van den geest, die wij de
religieuze verheffing kunnen noemen, is altijd
van zoodanigen aard, dat én het voelen én het willen
én het denken (of het vormen van voorstellingen) op
de eene of andere wijze er in vereenigd zijn.
Had ik dit uit het oog verloren, Fr\'s oordeel zou
juist zijn. Ik kan echter niet inzien dit werkelijk ver-
geten te hebben, en zie mij dus genoopt fr.\'s beden-
king als ongegrond af te wijzen.
Thans rest mij nog mijne nadere beschrijving van
de religieuze activiteit van \'s menschen geest — zooals
en voor zoover die in de waarneembare verschijnselen
is op te merken — tegenover fe/s bezwaren te ver-
dedigen.
Doch, voordat ik hiertoe overga, nog een enkel
-ocr page 36-
32
woord over hetgeen ik heb gezegd (bl. 43 — 45) aan-
gaande het onmisbaar onderkenningsmiddel, zonder
hetwelk alle onderzoek in dezen volstrekt onmogelijk
zou zijn.
Wij moeten een middel hebben om het religieuze als
zoodanig te kunnen onderkennen. Anders kunnen wij niets
beginnen. De vraag is: waar moeten wij dat onder-
kenningsmiddel zoeken? Mijn antwoord luidt: daar,
waar het religieuze zich het duidelijkst, in zijne meest
ontwikkelde gedaante vertoont. Waarom juist daar ?
Eenvoudig omdat het kenmerkend religieuze daar zich
het krachtigst doet gelden, en het meest in het licht
treedt. Daar nu doet de verheffing des geestes tot God
zich in haar ware wezen, in hare hoogste ontwikkeling ,
kennen als „liefde tot den hemelschen Vader".
Zóó redeneerde ik op bl. 43—45 van mijn boek.
Wat moet de wijsbegeerte, in haar phaenomeno-
logisch onderzoek, met den aldus verkregen indruk van
het eigenaardig religieuze in zijne hoogste ontwikkeling
doen ? Moet zij hem tot toetssteen verheffen , om
daarnaar te bepalen wat al of niet religieus geacht
kan worden te zijn?
Dr. francken meent, dat ik dit heb gewild. Ik
beken hiertoe zelf eenigermate aanleiding te hebben
gegeven, door op bl. 43, onderaan, het woord „toets-
steen" te gebruiken, wat ik, om alle misverstand te
voorkomen, had moeten nalaten. Toch blijkt het uit
de geheele redeneering duidelijk, dat ik dacht aan het
onmisbaar onderkenningsmiddel, waardoor wij
in staat zijn de uitingen van het religienze leven, ook
op de lagere trappen van ontwikkeling, als r e 1 i-
-ocr page 37-
\\
33
gieus to erkennen. Bovendien heb ik er op gewe-
zen hoe onbehoorlijk het zou zijn bij dien arbeid den
eisch te stellen, dat ook daar, waar nog slechts ge-
ringe godsdienstige ontwikkeling aanwezig is de religi-
euze verheffing des geestes tot God, om als zoodanig
erkend te worden, blijken moet het karakter van liefde
totden hemelschen Vader te dragen, zooals zij
dit bezit in de sfeer van het meest ontwikkeld religieuze,
dat wij in de geschiedenis der menschheid ontmoeten.
Wat overigens de uitdrukking: liefde tot den
hemelschen "Vader betreft — ik geloof niet, dat
ik er eenig bezwaar tegen zou hebben het woord he-
melsch in heilig te veranderen. Maar ik zie niet in,
dat wij ons dan zoo bijzonder vee wijsgeeriger zouden
uitdrukken. De erkenning van God, als den heilige,
is toch ook in de eerste plaats eene vrucht van het
religieus gevoel, althans geenszins een resultaat van
het wijsgeerig denken alleen, zonder het krachtig werkend
en leidend motief van dat gevoel. Bovendien mag
ik vragen of de beteekenis van hemelsch in dezen
samenhang niet geheel, of althans nagenoeg, met
die van heilig samenvalt. Nogmaals (zie hier-
boven bl. 328) herinner ik aan het treffend ant-
woord van den II. Catech. op de vraag: „waarom
wordt hier toegedaan: Die in de hemelen zijt?"
(Zondag 46).
Voor het overige kan ik mij met fr\'s opmerkingen
omtrent de liefde tot den hemelschen Vader
(bl. 142, v.) zeer goed vereenigen. Maar het is mij toch
niet recht klaar waartoe ze hier eigenlijk moeten dienen.
Want, vooreerst, ik heb over deze zaak niets gezegd, wat
tegen het door vr. aangevoerde zou strijden. En, vervol-
3
-ocr page 38-
34
gens, ik had — in het verband waarin ik er van sprak —
niet de minste aanleiding om over de liefde tot den
hemelschen Vader, als hoogste verheffing des gemoods
tot God, verklarend uit te weiden. Het was mij alleen
te doen om het feit, dat daar, waar die liefde zich
doet gelden, de op den oneindigen geest gerichte werk-
zaamheid van onzen geest — beter dan elders is op te
merken — blijkt eene persoonlijke verheffing des
geestes tot God te zijn.
Laat mij nog de verzekering hierbij voegen, dat
ik, van de liefde tot den hemelschen Vader
sprekende, evenmin als Dr. francken in den waan
leefde het volmaakte religieuze leven in eene bepaling
te kunnen uitdrukken.
Waarlijk, ik weet te goed, dat wij bij ons streven
om op het gebied van de religie het wezen der dingen
te leeren kennen, en dit in juiste woorden uit te spreken,
met allerlei bezwaren te worstelen hebben, die wellicht
enkel dan te overwinnen zouden zijn, wanneer wij
zelven tot de hoogte van het volmaakte godsdienst-leven
waren opgeklommen.
Maar — het wordt tijd, dat ik de bezwaren in
overweging neem, door Dr. feancken tegen mijne be-
schrijving van het algemeen kenmerkend religieuze als
vpersoonlijke verheffing van den menschelijken geest
tot den oneindigen geest\'1 ingebracht.
Vooreerst dan een woord over zijnen twijfel of ik
mijn recht wel heb bewezen, om, begonnen zijnde met
te spreken van „bovenzinnelijke macht*\', over te gaan
tot „oneindigen geest."
Uitdrukkelijk heb ik (t. a. p. bl. 55) gezegd, dat de
laatstgenoemde voorstelling omtrent de Godheid in dit
-ocr page 39-
35
verband slechts in den algemeensten zin mag verstaan
worden, zoodat zij zoowel de primitiefste voorstellingen
omtrent de hoogere macht vertolkt, als tegelijk de
grondbeginselen van de hooger ontwikkelde ideeën over
God in zich sluit.
Nu vinden wij in de voorstellingen omtrent de
Godheid, ook in den kring der minst ontwikkelde gods-
diensten , deze twee bestanddeelen :
1°. de voorstelling, hoe primitief zij vaak moge wezen,
van eene hoogere, boven het eindig-zinnelijke ver-
hevene macht;
2°. de voorstelling van zekere bedoeling en zekeren
wil bij de Godheid of de goden — hoe dan ook
gedacht — ten opzichte van de wereld en van den
mensch; de voorstelling dus van eene wederkeerige
van de zijde der Godheid of der goden gewilde ver-
houding. Hierin ligt eene zekere verpersoonlijking
van de hoogere macht opgesloten, of liever, hier-
uit blijkt, dat men, ook bij de minst ontwikkelde
voorstelling omtrent God, zich de hoogere macht
altijd min of meer als de macht van eene p e r-
soonlijkheid denkt. Daardoor alleen wordt de
hoogere macht voor het ontwakend religieus be-
wustzijn God.
Terwijl nu in het onder 1°. genoemde het begrip
oneindig gegeven is, zoo kan het onder 2°. aange
duide niet anders dan in het begrip geest saamge-
vat worden.
Intusschen zijn in de religieuze voorstelling de door
ons onderscheidene bestanddeelen wezenlijk één. Daar-
om hebben wij niet alleen het recht, maar zijn wij ook
verplicht om, bij de nasporing van het ontstaan en den
3*
-ocr page 40-
36
aard der allereerste religieuze voorstellingen, van „bo-
venzinnelijke macht" over te gaan tot „oneindigen
geest (6)",
Misschien echter had ik hier misverstand kunnen
voorkomen, indien ik op bl. 55 in plaats van „eene
macht die zekere bedoeling en zekeren wil heeft" had
gezegd, b. v.: „eene macht van eene — in haar, nl.
in die macht, werkende — persoonlijkheid, die zekere
bedoeling en zekeren wil heeft".
Immers Dr. francken beweert (bl 142): „Men h e e f t
macht, men is geest. Eene macht, die eene zekere bedoe-
ling en wil heeft, is iets ondenkbaars, tenzij dan dat men
achter die macht eene persoonlijkheid denkt". Nu ja,
strikt genomen is dat waar. Maar hoe dikwijls worden
niet macht uitoefenende persoonlijkheden machten
genoemd, die zus of zoo willen, dit of dat doen ? Een
onvergeeflijk vergrijp is het dan toch zeker niet, dat
ik sprak van „eene macht, die zekere bedoeling en
wil heeft".
Dr. fbancken vat zijne bezwaren tegen mijne
omschrijving van het algemeen kenmerkend religieuze,
als „persoonlijke verheffing van den menschelijken geest
tot den oneindigen geest\'\', ten slotte samen in deze drie:
1°. er wordt niet in uitgedrukt, dat deze verheffing
uitvloeisel is van het gevoel van afhankelijkheid;
2°. evenmin blijkt er uit, dat die verheffing geboren
wordt, of liever door den mensch voltrokken wordt,
krachtens \'s menschen verwantschap aan dien on-
eindigen geest, krachtens zijn niet kunnen berusten
in de afhankelijkheid van de zinnelijke , dus lager
dan hij-zelf staande wereld;
3°. men mist er in het zedelijk (ethisch) bestanddeel,
-ocr page 41-
37
De eerste twee dezer bezwaren moet ik voor geheel
onontvankelijk verklaren. Wat Dr. feancken in mijne
omschrijving van het algemeen kenmerkend religi-
euze — dat immers overal, ook op de laagste trappen
van religieuze ontwikkeling te onderkennen moet zijn —
niet kan vinden, dat mooht er ook volstrekt niet in
opgenomen worden.
Dat gevoel van afhankelijkheid, van verwantschap
aan den oneindigen geest — in mijne omschrijving
niet genoemd, maar daarom toch geenszins bestreden —
springt niet overal in het religieus verschijnsel in het
oog, ligt vooral daar, waar het religieuze nog zeer
onontwikkeld is, niet voldoende in het bewustzijn, om
het als een duidelijk uitkomend kenmerk van het reli-
gieuze te mogen vermelden.
Eerst waar wij den psychologischen oorsprong der
religie navorschen, kunnen en moeten wij dat gevoel
van afhankelijkheid, van verwantschap met de Godheid,
in rekening brengen. Maar daarmede betreden wij het ge-
bied der verklaring van het ontstaan der religieuze
verschijnselen. En eerst wanneer het onderzoek zoover is
gevorderd, komt het opsporen van de motieven der religi-
euze verheffing aan de orde, en kan de vraag naar de
plaats van de religie in \'s menschen geestesleven over-
wogen worden. Men houde dit toch zorgvuldig in het
oog, om het onderzoek op elk deel van het groote
gebied, dat het doorloopen moet, zuiver te houden,
en zoo in de telkens te verkrijgen resultaten geene
bestanddeelen op te nemen, die eerst door verder voort»
gezet onderzoek kunnen verkregen worden.
Wat overigens de zaak zelve betreft, dat de reli-
gieuze verheffing haren psychologischen grond heeft in
-ocr page 42-
38
\'s menschen wezensbetrekking tot den onein digen geest
daarin ben ik het geheel met fr. eens. Het hoofdstuk
van mijn boek, dat aan het psychologisch onderzoek
gewijd is, laat hieromtrent wel geen gegronden twijfel
over. Ik geloof echter, dat ik aan dien diepsten, in
\'b menschen ziel liggenden grond der religie nog
grootere beteekenis hecht, dan, naar mij voortkomt,
Dr. francken doet.
Ten aanzien van zijn derde bezwaar — dat in mijne
omschrijving van het kenmerkend religieuze het zedelijk
(ethisch) bestanddeel niet te vinden zou zijn — moet
ik eensdeels in hoofdzaak hetzelfde zeggen. Fr. wil
in die beschrijving het denkbeeld van zedelijke ver-
antwoordelijkheid duidelijk uitgedrukt hebben.
Maar hierdoor loopt hij het onderzoek vooruit. Bo-
vendien begaat hij de fout — en ziehier, wat ik
anderdeels tegen dit bezwaar heb in te brengen — dat
hij datgene, wat alleen op hooger standpunt van gods-
dienstige ontwikkeling zich duidelijk als besef van
zedelijke verantwoordelijkheid doet kennen
ook, in dit bepaalde, sterk sprekende karakter, als
kenmerk van de religieuze verschijnselen in hunnen
minst ontwikkelden vorm wil voorstellen.
Dit mag niet. Wij mogen van het algemeene
kenmerkend religieuze enkel zulk eene beschrijving
geven, waarin de allereerste beginselen van het besef
van zedelijke verantwoordelijkheid, zonder uitdrukkelijk
genoemd te worden, begrepen zijn.
Dit nu is het geval wanneer wij dat algemeene
kenmerkende „eene persoonlijke verheffing van
den menschelijken geest tot den oneindigen geest" noemen.
Voor zoover in bedoelde beschrijving eene plaats voor
-ocr page 43-
30
het zedelijk bestanddeel ingeruimd mag worden, is het in
mijn betoog toch waarlijk wel tot zijn recht gekomen.
Men leze slechts bl. 55—60 van mijn boek, en beoor-
deele of ik de elementen van wil uit het oog heb verloren,
en niet duidelijk heb gezegd, dat „zij bestaan in zekere,
hoe dan ook genuanceerde, gezindheid, en in zekere,
welken vorm dan ook aannemende, handelingen."
Alleenlijk, ik mocht die gezindheid en handelingen, uit
den aard der zaak — om van het algemeene kenmerkend
religieuze niet meer te zeggen, dan tegenover het
minst ontwikkeld religieus verschijnsel werkelijk te recht-
vaardigen is — niet nader aanduiden dan geschiedt,
wanneer wij van „eene persoonlijke verheffing van den
menscbelijken geest tot den oneindigen geest" spreken.
Ik kan dus niet anders dan mijne beschrijving
tegenover die van fk. handhaven. De methode van
onderzoek, die hem tot de zijne heeft gevoerd, is, naar
mij voorkomt, van bedenkelijke gebreken niet geheel
vrij te pleiten.
Utrecht, 15 Maart 1887.         Dr. T. OANNEGIETER.
NASCHRIFT.
Het bovenstaande had ik — gelijk reeds gezegd
is — geschreven nog voordat het tweede gedeelte
van Dr. feanckëm\'s „Gedachten en vragen" het licht
zag.
-ocr page 44-
40
Bedoeld vervolg nu van fr\'s betoog betreft, zooals
de lezer weet, het „Psychologisch Deel" van mijn boek.
Na zorgvuldige overweging van hetgeen de geachte
schrijver daarin uitspreekt, heb ik geene reden gezien
om noemenswaardige wijzigingen in het reeds geschrevene
te brengen.
Gaarne herhaal ik, dat een woord van sympathie, in
fr.\'s tweede stuk uitgesproken, mij zeer aangenaam was.
Toch vind ik ook hierin nog veel, dat mij tot
spreken dringt. Maar ik zou van de welwillendheid der
Eedactie en van het geduld der lezers licht te veel vergen,
indien ik nu niet menig punt stilzwijgend liet rusten.
Misschien zou eene bespreking daarvan, thans en
te dezer plaatse, ook geenszins tot vereffening van het
verschil kunnen leiden.
Misverstand schijnt op het gebied van de gewis niet
gemakkelijke vraagstukken, die ons in deze gedachten-
wisseling bezig houden, bijna onvermijdelijk te zijn.
Aan wie dat ligt ? Zeker, ook aan hen, die er
over spreken, maar stellig niet minder aan de moeie-
lijke onderwerpen zelve.
Intusschen leidt dat misverstand mijnen geachten
beoordeelaar menigmaal tot eene meening omtrent mijnen
arbeid, waarin ik moeielijk kan berusten.
Wat mij vooral getroffen heeft, is dat Dr. francken
mij op zoo menig punt met mij zei ven in strijd heeft
geacht. Zóó was het in het eerste gedeelte zijner
„Gedachten en vragen". Zóó is het ook weer in het
tweede gedeelte.
Ik voed de hoop, dat nadere overweging van het
door mij — en ook van het door hem — geschrevene
in vele opzichten fr\'s oordeel zal wijzigen. Zoo
-ocr page 45-
41
zal hij b. v. mij ten slotte wel moeten toegeven, dat
de erkenning Tan een specifiek religieus gevoel zeer
goed kan samengaan met de verwerping van een
speciaal orgaan voor den godsdienst. Door het
eerste toch stelt men inderdaad iets geheel anders, dan
hetgeen door het laatste wordt ontkend.
Maar er zijn een paar andere zaken, waarover ik
een oogenblik spreken moet.
Dr. francken verhaalt (bl. 237), dat ik, na her-
haaldelijk van onmiddellijke ervaring, onmiddel-
lijke aandoeningen gesproken te hebben, later die
aandoeningen rechtstreeksch genoemd, en dan mij
zelf verbeterd zou hebben door er op te wijzen, dat
onmiddellijk en rechtstreeksch niet hetzelfde zijn.
"Welnu, men leze bl. 132—135 van mijn boek,
en beoordeele of fr.\'s mededeeling wel juist is.
Ik merk hierbij alleen nog op, dat ik nergens
de religieuze aandoeningen, of de religie, voorge-
steld heb als iets, dat tot stand komt „door God aan
de eene zijde en de menschelijke psyche" — later door
fr. de bloote psyche genoemd — „aan den anderen
kant,"derhalve zonder eenigen bemiddelenden
invloed.
Uit zulk eene hersenschimmige voorstelling zou
moeten volgen, dat de godsdienst „ook tot stand zou
komen, waar afgezonderd van alle menschen, zelfs af-
gezonderd van bezield-lichamelijk organisme een men-
schelijke geest bestond". Ze is mij echter vreemd.
Mijne phantasie kan zeer gebrekkig zijn, maar ze is
in elk geval niet zóó wild, dat ze mij ergens „zulk
eene bloote psyche" zou hebben doen aanschouwen of
vermoeden.
-ocr page 46-
42
Dr. francken vraagt (bl. 238) : „waar ter wereld
is oen mensch aan te wijzen, bij wicn de godsdienst
begon met dien rechtstreekschen, door geenerlei tus-
schenliggende, niet direct religieuze invloeden voorbe-
reiden indruk van God , inwerking van God , aanraking
van God?"
Wat zal ik zeggen ? Ik begrijp hoe fr. tot die
vraag komt. Maar het ligt niet op mijn weg er een
antwoord op te geven , daar ik nergens het bestaan van
zulk een mensch heb beweerd, en ook nergens heb
laten doorschemeren, dat ik het werkelijk bestaan van
zulk een schepsel der verbeelding denkbaar zou achten.
Moet ik herhalen wat op bl. 134 en 135 van mijn
boek voor iedereen te lezen staat?
Maar — waartoe zou het dienen ? Men bedenke
ook, dat, bij het onderzoek naar den psychologischen
oorsprong van den godsdienst, in elk geval de vraag
naar de eigenlijk werkende oorzaak (causa efficiens)
de allerbelangrijkste , de alles beslissende is. Deze vraag
was het dan ook vooral, die ik mij ter beantwoor-
ding had voorgesteld. Aan het slot van dit „naschrift"
kom ik daarop nog even terug.
Er ligt nog eene, door fr. beweerde, tegenspraak
tegen mij zelven, of ten minste eene verwarring van
denkbeelden, voor mijne rekening, die ik niet geheel
stilzwijgend kan voorbijgaan.
De vraag, door fr. op bl. 238 gedaan — de eerste
der twee, die daar voorkomen — laat ik rusten. Alleen
merk ik op, dat tusschen idee, voorstelling en
gedachte, aan de eene zijde, en het allereerst
begin der werkzaamheid van het denken,
aan de andere zijde, een vrij grooto afstand ligt.
-ocr page 47-
43
Maar ik hoor een veel ernstiger verwijt. Immers
Dr. feancken beweert, (bl. 239) dat ik, na de hoogste
ontwikkeling van de religie als éénheid met God te
hebben voorgesteld , op bl. 114 van mijn boek datzelfde
woord „éénheid met God" op Hegeliaansche manier
zou gesteld hebben aan den aanvang, (d. i. dus: dat
woord zou gebezigd hebben om ook het godsdienstige
inzijn allereersten ontwikkelingsstaat te ken-
schetsen).
Het is echter zoo niet Laat mij trachten dit aan te
toonen. Na Dr. bruining\'s onjuiste voorstelling van de
mystiek te hebben afgewezen, heb ik op bl. 114 de opmer-
king gemaakt, dat de beschouwingen der onderscheidene —
door brüining aldus genoemde — mystici (7) over den,
door hen allen als specifiek religieus erkenden,
grond der religie nog al ver uiteenloopen.
Van de Ethisch-Orthodoxen heb ik vervol-
gens gezegd, dat zij „met betrekkelijk geringe wijziging
evenals de Hegelianen, dat specifiek religieuze als
eene rechtstreeksche innerlijke ervaring omtrent God —
bepaaldelijk als ervaring van éénheid met God (Hege-
lianen) — beschouwen.1\'
Men ziet het, hier sprak ik niet mijn gevoelen
uit, maar vermeldde ik eenvoudig iets kenmerkends
van anderer (der Ethisch-Orthodoxen en der Hegelianen)
zienswijze (8).
Op deze omstandigheid heeft fk. niet gelet. En
het is toch geene kleinigheid!
Nergens heb ik de eerste beginselen van de religie
„éénheid met God" genoemd.
Dat zou ik ook niet hebben kunnen doen, noch in
den zin, waarin ik de religie in hare hoogste ontwik-
-ocr page 48-
44
keling als „éénheid met God" beschouw, noch „op
Hegeliaansche manier."
Wel durf ik evenmin als fr. mij er voor uitgeven
hegel in alles te begrijpen, maar toch is het ook mij
niet ontgaan, dat in zijn stelsel éénheid uitloopt op
eene zekere vereenzelviging van God en den mensch (9).
Maar nergens heb ik iets van dien aard bedoeld,
noch waar ik van de religie in haren heerlijksten vorm
sprak, noch waar ik aan hare allereerste beginselen dacht.
Op de laatste bladzijde van mijn boek wees ik
daarom ook — wel vermoedende dat men mij Hege-
liaan zou willen noemen — op het groote verschil,
dat er tusschen de door mij gegevene voorstelling en
hegel\'s identiteitsphilosophie bestaat.
Maar al kunnen wij ons met vele resultaten van
hegel\'s denken niet vereenigen, dit verhindert ons toch
niet om de grondgedachten zijner wijsbegeerte op hoo-
gen prijs te stellen.
Inderdaad rust deze mede op de erkenning van de
innigste verwantschap van den mensch met God, op
de overtuiging, dat wij in God „leven, ons bewegen
en zijn" (10).
Welnu, dit is ook de grondgedachte van al mijne
beschouwingen over den godsdienst. In zóóver ben ik
dus Hegeliaan, en hoop ik het ook te blijven.
Nu nog een enkel woord over fb.\'s opvatting van
\'s menschen godsdienstigen aanleg.
Het eerste gedeelte der „Gedachten en vragen"
drong mij reeds daarover een en ander te zeggen. Ik
moet er hier op terugkomen.
Naar fe.\'s voorstelling is \'s menschen godsdienstige
-ocr page 49-
45
aanleg in zijn allereersten toestand, dus voordat eenige
godsdienstige gewaarwording, om zoo te zeggen, tot
de bewustheid doordringt, niet meer dan de onder-
stelling, de mogelijkheid van godsdienst (zie hl.
139), de vatbaarheid om God gewaar te worden
(bl. 240). De menschelijke geest is „voorbeschikt voor
de vroeger of later ontstaande feitelijke aanraking met
de Godheid" (bl. 243).
Nu ben ik er niet volkomen zeker van hoe fr.
zich dat, „voorbeschikt zijn", die mogelijkheid van aan-
raking met de Godheid denkt. Waarschijnlijk bedoelt
hij niet, dat de menschelijke natuur, met haren aanleg
voor godsdienst, gelijk is aan eene „tabula rasa", aan
een onbeschreven blad papier, of aan eene duiventil,
die wel eene voortreffelijke woning voor duiven kan
worden, maar dit toch eerst dan is, wanneer deze
feitelijk daarin hare nesten bouwen.
Toch betwijfel ik of fr. eene diepere opvatting
van den religieuzen aanleg wel voldoende heeft doen
uitkomen.
Wel is waar leert hij (bl. 139) dat „in zeker op-
zicht alle menschen gewaarwordingen en indrukken
hebben, dat zij afhankelijk zijn van nog andere dan
zinnelijke of natuurmachten, van bovenzinnelijke macht
of machten." En nu zon ik meenen, dat zulke gewaar-
wordingen en indrukken van afhankelijkheid zelve reeds
eene feitelijke aanraking met de Godheid zijn, en daar-
aan dus niet voorafgaan. Maar fr. doet duidelijk als zijne
meening uitkomen, dat zulk eene „feitelijke aanraking",
door welke het werkelijk religieuze in den mensch begint,
eerst, vroeger of later, op het voorbeschikt zijn volgt.
Al is zij hierdoor, wat den mensch betreft, mogelijk,
-ocr page 50-
46
toch is — altoos naar fr.\'s gevoelen — in en met die voor-
beschiktheid nog niets aanwezig, dat naar éene feitelijke
aanraking met de Godheid zweemt. Die voorbeschik t-
heid is dus, volgens pr., blijkbaar hetzelfde als „de
vatbaarheid om God gewaar te worden" (bl. 240),
het daarop „aangelegd zijn" (bl. 236), de aanleg voor
religie.
Derhalve toch zóó, gelijk papier er op aangelegd
is om beschreven te worden ? of eene duiventil om
gevleugelde bewoners te herbergen ?
Ik weet, dat Dr. francken zal zeggen: neen,
want die vatbaarheid heeft de mensch „krachtens zijne
verwantschap aan God" (bl. 240), die voorbeschiktheid
bezit hij „krachtens zijn geworteld zijn in het eeuwige"
(bl. 243). De mensch is „naar zijn diepste wezen geest en
dus aan den oneindigen geest verwant". „Het eeuwige
is hem in het hart gelegd (bl, 246)."
Juist, zóó is het. Maar wie dat zoo onvoorwaar-
delijk erkent, als fr. heeft gedaan, moet ook ten volle
de alzoo uitgesprokene grondgedachten, met al wat er
in ligt, aanvaarden. De vraag wordt dus: wat be-
teekent dat „verwant zijn aan God", dat „geworteld
zijn in het eeuwige" P Is de mensch daardoor enkel
vatbaar voor indrukken van God? alleen nog maar
voorbeschikt om vroeger of later feitelijk met de
Godheid in aanraking te komen ? Dit kan ik onmoge-
lijk toegeven. Naar mijne beschouwing is de menschehjke
aanleg meer daneene mogelijkheid van godsdienst,
is hij een begin van werkelijkén godsdienst,
eene gesteldheid van \'s menschen geestesleven, waardoor
metterdaad iets van God — noem het een indruk of
hoe ge wilt, maar in elk geval iets, waardoor God zich
-ocr page 51-
47
met den mensch in betrekking stelt — is gegeven,
Het eeuwige, dat den mensch in het hart is gelegd —
ja, maakt hem vatbaar voor steeds inniger betrekking
tot God, maar is toch ook zelf eenefeitelijke aanraking
met Hem. Immers dat eeuwige is iets van God zelven,
een beginsel van zijn leven, een straal van het eeuwige
licht, geest uit deD oneindigen geest (11). De men-
schelijke natuur is niet enkel door God, maar ook
„naar zijn beeld", uit Hem geschapen. Wij hebben
die natuur, niet alleen naar haar bestaan, maar ook
naar haar wezen, van God, uit God. In datgene nu,
wat wij van God, uit God hebben, bezitten wij iets, dat
God in ons werkt, waarin God in ons leeft, waardoor
wij in aanraking zijn met God. Tenzij spinoza ge-
lijk mocht hebben met zijne bewering, dat grond
en gevolg juist in datgene van elkander
verschillen, wat zij met elkander gemeen
hebben. Maar niemand zal de verdediging van
deze stelling in ernst op zich willen nemen. Ik kan
niet anders zien, dan dat de menschelijke geest in zijn
eigenaardig wezen, dat hij heeft uit Gods geest, iets
van God zelven, goddelijk leven, bezit. Het is voor-
zeker niet, gelijk spinoza. leert (12), enkel de naam
van „geest", dien hij met Gods geest gemeen heeft.
Is men het hierover eens, dan zal men, bij het
verklaren van het ontstaan van den godsdienst in den
mensch, toch ook telkens weer op die werking Gods,
waardoor Hij den mensch deelgenoot maakte van zijnen
geest, van zijn leven, als op den diepsten grond
van de menschelijke religie moeten wijzen.
Hiermede doen wij niets tekort aan de waarheid,
dat de religie enkel langs middellijken wegdoor
-ocr page 52-
48
God in den mensch wordt gewekt, gevoed en tot steeds
hoogeren trap van ontwikkeling gebracht.
Dat echter ook deze waarheid tot haar recht moet
komen, spreekt van zelf.
Maar al zou de godsdienst zonder de medewerking
van middelen ongetwijfeld nooit in den mensch ont-
waakt zijn, wij mogen toch stellig ook wel zeggen,
dat die middelen zonder God den mensch nooit
godsdienstig zouden hebben kunnen maken.
Hoe belangrijke plaats de bemiddelende oorzaken
ook in de wording der religie bekleeden, toch is de
eigenlijke, de diepste oorzaak (de causa efficiens)
datgeen, waarop het hier allermeest aankomt. En die
diepste oorzaak is en blijft eene — hoe dan ook nader
te omschrijven — werking van God.
Ik moet eindigen. Dr. francken zie in al hetgeen
ik hier geschreven heb een bewijs, dat ik er grooten prijs
op stel door hem goed begrepen, en ten aanhooren van
het publiek juist beoordeeld te worden.
Ten slotte betuig ik aan hem mijne erkentelijk-
heid voor de belangstelling, die hij aan mijn geschrift
heeft gewijd, en aan de Eedactie van dit tijdschrift
mijnen dank voor de gelegenheid tot spreken, die zij
mij schonk.
Utrecht, April 1887.
Dr. T. CANNEGIETER.
-ocr page 53-
AANTEEKENINGEN.
(1)    Gesohiohte der christlichen Rcligiousphilo-
sophie u. s. w. 1880—1883.
(2)    Vergl. Prof. Dr. g. h. lamers „De wijsbegeerte
van den godsdienst, enz." in „Nieuwe Bijdragen enz "
III, 4. Dr. 6. cint. bernhaed pünjeb, Grundriss der Re-
ligionsphilosophic, 1886, S. 2.
(3)    Vergl. Dr. is. van dijk, „De cisehen der historie
en deeischen der wijsbegeerte op het gebied der
godsdienstwetenschap," Groningen 1883, bl. 31, v.v.
(4)    Hierover handelde ik in mijn boek op bl. 97 v.v. Ik
kan volstaan met den lezer daarheen te verwijzen.
(5)    Zie bl. 39 van mijn boek.
(6)    Vergl. Dr. a. e. biedebmann, christliche Dogma-
tik, I, § 70 (Zweite erweiterte Auflage, S. 195 ff.)
(7)    Dr. bbuining noemt hen Schleiermacherianen,
Hegelianen en E thisch-0 rt ho d ox en, in „De Gids,"
Juni 1884.
(8)    Bovendien deed ik dit zooveel mogelijk in overeen-
stemming met de voorstelling van de grondgedachten dier
theologen, zo o als zij door Dr. bbuining in zijn „De theologie
in den kring der wetenschappen" (Gids, Juni 1884)
is gegeveu. Het kwam mij voor, dat het verband dit wenschelijk
maakte.
Nu laat ik in het midden of de gevoelens der Ethisch-
Orthodoxen en Hegelianen volkomen juist worden weergegeven,
indien men zegt, dat zij den religieuzen grond der religie
achten te bestaan in //ervaring van éénheid met God". Misschien
ware daarop wel wat af te dingen. Hoe dit echter zij, ik sprak
-ocr page 54-
50
op de aangehaalde plaats niet van m ij n e, maar van a n d e r e r
beschouwing.
(9)    Vergel. mijn /\'Het uitgangspunt en de lei-
dende gedachte der dogmatische wetenschap,"
1880, bl. 18 , v.
(10)    Hoe Dr. francken , met de laatste bladz. van mijn
boek vóór zich, nog een oogeublik heeft kunnen meenen, dat ik
in mijne beschouwing ergens eene plaats kon vinden voor éénheid
met God in Hegeliaanschen zin — dat begrijp ik volstrekt niet.
(11)    Zie ook mijn "Het uitgangspunt en de lei-
dende gedachte der dogmatische wetenschap,"
bl. 19.
(12)    Ethices, pars I, propos. XVII, scholium, «Dei intel-
lectus est et essentiae et existentiae nostri intellectus causa;
ergo Dei intellectus...... a nostro intellectu tam ratione essen-
tiae , quam ratione existentiae differt, nee in ulla re, praeter-
quam in nomine, cum eo convenire potest."
Ik breng deze zonderlinge plaats bij spinoza opnieuw onder
de aandacht, omdat fk., in zijne aanteekeningen, (bl. 251)
haar min of meer in bescherming neemt. Toch is bet duidelijk,
dat spinoza dit bedoelt: eene zaak kan in wezen met eene
andere zaak alleen dan overeenkomen, indien zij dat wezen niet
aan de andere zaak, die haar oorzaak is, te dauken heeft.
Indien zij echter ook haar wezen aan hare oorzaak ontleent,
dan is daarom ook hare overeenstemming met hare oorzaak ten
opzichte van haar wezen eene volstrekte onmogelijkheid.
S. licht zijne bedoeling toe, door er op te wijzen dat ouders
en kinderen van elkander verschillen door het individueel
bestaan (ratione existentiae). Naar hun wezen kunnen ze
geheel overkomen, omdat de kinderen dat niet aan de ouders,
als aan de bemiddelende oorzaak van hun bestaan, maar aan de
"aeterna veritas" te danken hebben. Hoe ongerijmd dit ook zij —
8. beweert het, en daarom is het ons hier te doen. S. steltjeerst het
onwegneembaar onderscheid tusschen den eenen en den anderen
mensch vast, en acht dat gelegen in het individueel bestaan.
Nu zegt hij: dit is het juist — en dit alleen — wat de eene
mensen aan den andereu te dankeu heeft. En dan komt hij
-ocr page 55-
51
tot de stelling: derhalve verschilt het gevolg van zijnen grond,
juist in datgene, wat het van dien grond heeft ontvangen.
Nu is — dus gaat de redeneering voort — nu is Gods
geest de grond niet enkel van het bestaan, maar ook van
het wezen van den menschelijken geest; derhalve moet deze,
niet enkel naar zijn bestaan, maar ook naar zijn wezen, van
Gods geest verschillen, en kan daarmede in geen enkel opzicht,
behalve in den naam, overeenkomen.
Zóó is spinoza\'s onderwijs ter aangehaalder plaatse. Men
bestudeere deze slechts om zich te overtuigen, dat er niet precies
datgene staat, wat Dr. francken er heeft gelezen.
Zeide ik te veel, toen ik spinoza\'s uitspraak eene dwaasheid
noemde? Wie kan haar in overeenstemming brengen met deze
andere stelling van S. (Ethica I, propos. III): //Quae res nihil
commune inter se habent, earuin una alterius causa esse non
potestf\'P \'t Wil mij niet gelukken.
«