-ocr page 1-
■/■- %
Goed bedoeld - ook ml bedacht?
*—*
Bescheiden opmerkingen en wenken
naar aanleiding van het ontworpen Reglement op het
beheer der Kerkelijke goederen
en fondsen der gemeenten van de Nederlandsche
Hervormde Kerk.
. , ir. ï .
,-. - - .                                                                                                                                                                        , ■
^^^~~^---,----
Ongevraagd advies aan de Synode van 1897.
-ocr page 2-
yrt/n IO£f2ty
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
^ ^ K/p—
s
/$>
M bedoeld - ook goed bedacht?
Bescheiden opmerkingen en wenken
naar aanleiding van het ontworpen Reglement op het
beheer der Kerkelijke goederen
en fondsen der gemeenten van de Nederlandsche
Hervormde Kerk.
Ongevraagd advies aan de Synode van 1897.
ROTTERDAM, \\*
J. M. BREDÉE,\'
1897.
-ocr page 6-
•V i»\'\\ -/
-ocr page 7-
Een woord vooraf.
Ons advies dankt zijn ontstaan aan het adres d.d. 10 Juni 1897
van Mr. J. DE LOUTER, Hoogleeraar in de Rechtsgeleerdheid te Utrecht,
aan de Synode van dit jaar over het ter tafel gebrachte wetsontwerp tot-
regeling van het beheer, en het Praeadvies van een lid van het Classikaal
Bestuur van Arnhem, behandelende de bevoegdheid en de verplichting
tevens van de Synode der Nederlandsehe Hervormde Kerk tot regeling
van het beheer der Kerkelijke goederen en fondsen en het toezicht daarop,
uitgegeven te Utrecht bij
A. H. ten Bokkel Hüinixk, i897.
Onze beoordeeling van het optreden der Synode, oorspronkelijk voor
een onzer kerkelijke bladen bestemd, maar daarvoor te breed uitgevallen,
worde niet beschouwd als vijandig aan het synodale streven
— zij geldt
enkel, zooals ook uit de lezing blijken zal, den ingeslagen weg.
Wij hebben lang geaarzeld, of wij onze bezwaren wel kenbaar zouden
maken. Maar de overtuiging van het groote gewicht van de zaak en
van de groote belangen, die er met gemoeid zijn, heeft ons ten slotte
het zwijgen doen verbreken.
H. 5 Aug. \'97.                                                                                          Af.
-ocr page 8-
-ocr page 9-
Goed bedoeld - ooi goed bedacht?
Conor — een pscudonym waarachter een geacht Geldersch pre-
dikant zich verbergt — heeft wil gehad van zijn werk. Zijne brochures
hebben de Synode wakker geschud, in wier midden de kerkelijke
hoogleeraar, Dr. Cannegieter, weerklank gaf aan de klachten door
Conor aangeheven over het wanbeheer in sommige gemeenten der
vaderlandsche Kerk wat hare goederen en fondsen betrof, en zich tot
pleitbezorger opwierp, zoowel van de gemeenten, die haar goed zagen
verspillen als van het recht der Synode om te dien aanzien tusschen
beide te komen.
De vrucht van de ernstige overwegingen, die daarvan het gevolg
zijn geweest, de vrucht tevens van gemoedelijke onderzoekingen, die
daarmee gepaard zijn gegaan, ligt voor ons in het door de Synode
van verleden jaar ontworpen Reglement op het beheer der kerkelijke
goederen en fondsen der gemeenten van de Nederlandsche Kerk, waar-
omtrent de Provinciale Kerkbesturen en de Classicale Vergaderingen
die in Juni j. 1. bijeen zijn geweest hunne consideraties en adviezen
gegeven hebben aan de Synode van dit jaar, die in verband daarmee
en met zelfstandig gebruikmaking van de gemaakte opmerkingen het
vaststelt, bijaldien zij daarvoor termen vindt, en in zijne eindredactie
ter finale beslissing aan de leden der Provinciale Kerkbesturen voorlegt.
Wij hopen dat het ditmaal zoover niet komen zal, maar dat de
Synode zich gedrongen moge gevoelen om het voorstel des vorigen
jaars terug te nemen. En wij willen onze redenen daarvoor aanvoeren.
Wij zijn het eens met degenen, die den toestand waarin het zoo-
genaamde beheer zich hier en daar ten onzent bevindt, met een
zwarte kool teekenen, maar wij houden het daarvoor dat de weg,
die op dit oogenblik wordt ingeslagen om tot eone betere regeling
te komen, haar voor jaren zal verschuiven.
Waarom? Omdat wij niet zoo bepaald en op niet zulk een
beslisten toon durven te spreken van de bevoegdheid van de Synode
-ocr page 10-
- c —
om die ter hand te nemen als de ongenoemde schrijver doet van de
brochure, die Prof. Mr. J. r>E Louter, wiens adres ons ongeveer ter-
zelfder ure in handen kwam, een onbepaald voorstander daarvan is.
Van den ongenoemden hoewel ous niet onbekenden praeadviseur
in meening te verschillen, zal niemand ons tot een verwijt aanrekenen.
Maar dat wij daarmee tegelijk in gevoelen verschillen met mannen als
de hoogleeraren Dr. T. Cannegieter en Dr. S. D. van Veen. en als de
rechtsgeleerden Mr. J. Knottenbelt en Mr. A. M. Stipriaan Luïsciüs
en daarbij Mr. J. de Louter in het aangezicht tegenspreken, zal
misschien een scherp oordeel over ons uitlokken. Toch schrikken wij
voor dat oordeel niet terug, en zullen trachten onze meening met
bewijsredenen te staven.
Wij laten daarbij onbesproken het verzet, dat het wetsvoorstel
heeft uitgelokt van de zijde van het Algemeen Collegie van Toezicht,
enkele Provinciale Collegies en een aantal Kerkvoogdijen; en evenmin
nemen wij in onze bewijsvoering op, dat in de meeste classicale ver-
gaderingen en ook bij de Waalsche réunie (wat inderdaad opraer-
keljjk mag heeten!) ongunstig ontvangen is geworden. Dat alles ga«t
buiten datgene om, waarop wij speciaal wenschen te komen bij het
behandelen van de vraag, die ons bezig houdt.
Een beroep op Art. 65 al. 2 van het Algemeen Reglement,
waarin de HH. de Louter en Cannegieter zich verschansen, komt
ons bij lange na niet afdoende voor, al achten zij dat ook eene on-
neembare sterkte.
Al zouden wij de grammatische verklaring aanvaarden, die ge-
noemde heeren van die veelbesproken alinea en dat raadselachtige
woord „ontwerpen" geven, — en zjj worden daarin terzjjde gestaan
door geen mindere dan Mr. Stipriaan Luïsciüs, lid van den Hoogen
Raad, op wiens gevoelen Mr. J. de Louter zich beroept in zijn
schrijven aan de Synode van 30 Juni jl., waarvan hij de heuschheid
had aan eiken Kerkeraad een afdruk te doen toekomen, waar-
voor hij onzen dunk verdient; al zouden wij willen vergeten, dat
één van de bekende elf résorves, waaronder het Algemeen Reglement
de Koninklijke goedkeuring ontving, de bedoelde alinea van meerge-
meld Artikel 65 betrof; wat hier voornamelijk in aanmerking komt
is het foit, dat de Regeering, die vroeger nog de Synode zoo duidelijk
en zoo krachtig haar „hands off" had doen hooren, haar voorbijging,
-ocr page 11-
— 7 —
toen zjj den 14dea Februari van -1866 verklaarde ten aanzien van het
beheer harer goederen nog de Hervormde Kerk geljjke vrijheid te
willen verzekeren als door andere gezindheden genoten werd, en daarbij
goedvond en besloot (Art. 5 van het Besluit van 9 Februari 1866) om
„de bevoegdheden, welke bij besluiten of reglementen ten aanzien van
bet beheer der kerkelijke goederen of van het toezicht daarop, aan
ons zijn voorbehouden of aan een onzer Ministers zijn toegekend,"
over te dragen „aan het na te noemen algemeen Collegie van Toezicht."
Van de Synode en haar meergemeld Artikel 65 alinea 2 werd
zooveel notitie genomen, dat haar, bij Artikel 6 van dat Koninklijk
besluit het recht werd toegekend, om drie harer leden in dat Collegie
af te vaardigen.
Nadrukkelijker verloochening van haar in Artikel 65 alinea 2
uitgesproken streven om zich in beheerszaken te doen gelden, kon
haar kwalijk gegeven worden. — En de Regeering had er hare goede
redenen voer.
Het optreden van Koning Willem I in zake het beheer in de
jaren 1819. 20, 21 en 23 was een daad van willekeur geweest —
verklaarbaar uit de tijdsomstandigheden, verklaarbaar ook uit het
landsvaderlijke karakter van de Regeering van Willem I, en de op-
vatting, die men in die dagen had van \'s Konings souvereine macht,
terwijl ze bovendien ongetwijfeld voortsproot uit diens goede bedoe-
lingen ten opzichte van de Nederlandsche Hervormde Kerk, maar toch
uit het oogpunt der Kerk beschouwd niets minder dan een daad van
willekeur, evenals de bestuursregeling, de invoering der nieuwe
Kerkelijke organisatie van 1816 een inbreuk geweest was op het
recht der Kerk.
              ....
Op het laatste was al vroeger teruggekomen met de invoering
van het nieuwe Algemeen Reglement, waarmee de Kerk hare autono-
mie herkreeg. Maar eerst in 1866 zou de inmenging der Regeering
in het beheer ophouden en het onrecht een einde nemen, in 1819 en
volgende jaren in. zake het beheer harer goederon aan de Kerk
aangedaan. . .,-.
                  .;,.,. -.-. .
De Regeering. deed dat op de bekende wijze — terwijl het
Algemeen Collegie de Synode geheel op zij zette en verdrong, kon ze
niet verhinderen, dat in. tal van gemeenten het zoogenaamd vrijbeheer
het Algemeen Collegie elimineerde. En de Synode wachtte er zich
-ocr page 12-
— 8 —
voor om naar de teugels van het bewind te grijpen welke \'s Konings.
hand had losgelaten en hield het zich voor gezegd dat ze zich met
beheer niet had in te laten, hoewel er zich in haar midden stemmen
deden hooron, dat het nu tijd was om uit den hoek te komen en zich
als hoogste Bestuurscollegie in de Kerk te doen gelden, door eene
regeling van het losgelaten beheer.
Was het in het leven roepen van het Algemeen Collegie een
misgreep van de toenmalige regeering, het laatste, eene van de Synode
uitgaando en door haar gepousseerde regeling zou een misgreep
van deze geweest zijn.
Onder de organisatie van 1816 heeft de Synode nooit eenig recht
ten aanzien van het beheer bezeten. Waaraan zou de Synode sinda
de regeling van 1852 hare bevoegdheid in dit opzicht ontleenen? Aan
het Algemeen Reglement? Aan een Reglement gedrukt door de bekende
reserve? gedrukt bovendien deor het feit, dat de Regeering de Synode
op het meest gewichtige moment een eclatant dementi geeft wat de
vervulling harer wenschen betreft, en haar passeert? Och, had de
Regeering, die van die wenschen en intenties zoo goed op de hoogte
was, bij Artikel 5 van haar besluit aan de Synode de bevoegdheden
opgedragen, die zij aan het Algemeen Collegie overdroeg, de zaak zou
er anders uitzien, zou wat beter staan maar zelfs dan nog zou zjj niet
in het reine wezen.
Waaraan is het toch wel toe te schrijven, dat het zoogenaamde
„vrij beheer", wij zouden liever zeggen eigen beheer zich heeft kunnen
handhaven, niettegenstaande deszolfs opentlijke bestrijding door het
Algemeen Collegie van Toezicht en do geheime tegenwerking die het
van de zijde der Synode ondervonden heeft? Het Algemeen Collegie
heeft het moeten opgeven om het te beoorlogen, en de Synode heeft
zijn stelsel van dwarsboomen opgegeven. Hoe laat zich dit alleszins
opmerkelijke verschijnsel toch verklaren?
Omdat er eene geschiedenis is, die in deze zaak meespreekt en
aan die geschiedenis zullen alle aanspraken, zoowel die van het Alge-
meen Collegie als van de Synode, ten slotte getoetst moeten worden.
Die geschiedenis verhaalt ons, dat er een eigen beheer heeft bestaan,
lang voor het loslaten van het beheer door den Staat in 1866/69 in
tal van gemeenten vrij, eigen beheer in het leven riep, dat zich wist
te handhaven tegenover opgelegd toezicht en trots een naijverig bestuur;
-ocr page 13-
— 9 —
verhaalt ons, dat er zulk een eigen beheer bestond in de dagen, dat
de koninklijke besluiten van 1 819, 20, 21 en 23 in werking traden, en
zich staande hield, onderwijl deze in volle werking waren, tegen den
zin der regeering, die zich genoodzaakt zag er ten slotte in te berusten,
hoewel zij den schjjn trachtte te redden; verhaalt ons, dat Amsterdam,
Rotterdam en anderen het hoofd boden en bleven bieden aan een
staatsgezag, dat de hand naar hun beheer had durven uitstrekken,
en hun hunne zelfstandigheid, hunne vrijheid had willen ontnemen.
Hoe kwamen toch die gemeenten, die mannen zoo stout om tegen-
stand te bieden aan de voorschriften der regeering, aan de besluiten
des Konings?
Het standpunt, dat zij innamen, was dat van hun recht Zij konden
er zich op beroepen, dat de grondwet van 1815 hun de rechten ge-
waarborgd had onder een vroeger régime bezeten en uitgeoefend;
zij konden volstaan met te zeggen, dat zij geen andere rechten opvor-
derden, dan die hun door de staatsregeling van 1797 geschonken waren
geworden. De opheffing van de vorige Staatskerk, de gelijkstelling van
de Kerkgenootschappen, bij die constitutie vastgesteld en nader geregeld,
beroofde de Hervormde Kerken dezer landen van den tot dusverre genoten
steun der overheid, van tal van vroeger haar en hare leden toegekende
voordeelen en bevoorrechtingen, maar verzekerde te gelijkertijd aan de
plaatselijke gemeenten de volle en vrije beschikking van hare goederen,
die tot op dezen tijd van wege de overheid voor haar beheerd waren
geworden.
Wat behelsde nu die Staatsregeling?
Art. 745 bepaalde als volgt: „Alle bezittingen en inkomsten
der onderscheidene godsdienstige Genootschappen en kerkgemeenten,
die aan dezelve door vrijwillige dispositiën, donatiën, collecten, aankoop
of opbouw sedert den jare 1581 zijn eigen geworden, worden als
derzelver eigendom en erkend, en voor altijd aan hunno vrije be-
schikking overgelaten."
De Kerkgemeente is bij dat artikel als eigenares erkend, en
zonder eenige daaraan verbondere voorwaarde of voorbehoud is aan
de Kerkgemeenten, d. w. z. de plaatselijke gemeenten, de beschikking
over hare goederen toegekend geworden De voogdij van den Staat
hield op; de gemeente werd mondig verklaard.
Zoo bleef het tot 1819 en de volgende jaren, toen de bekende
-ocr page 14-
- 10 -
Koninklijke Besluiten de gemeenten wederom onder voogdij plaatsten;
evenwel niet zonder met goed gevolg bekroond verzet van sommige —
niet enkel groote gemeenten.
Hoe kwam. Koning Willem I er toe om in den bestaanden
toestand in te grijpen, en waaraan ontleende hij zijn recht om dat
te doen?
Zijn recht was van denzelfden aard als dat, waarmee hij in 1815
aan de Hervormde Kerk hare nieuwe organisatie had opgedrongen.
Maar reden om het te doen was er te over. Was er vroeger wel
eens gesproken geworden van confiscatie van kerkegoederen door den
Staat, in den laatste» tijd had men — en voorzeker nog met meer
recht! — mogen spreken van aprobutie van kerkegoederen door par-
ticulieren. Het beheer in vele gemeenten had niet weinig te wenschen
overgelaten, en allerlei misbruiken en malversaties waren langzamerhand
aan het licht gekomen. Dat was de reden, dat de koning ingreep;
en waarschijnlijk ook de reden, dat er, bij de erkenning van zijne
goede bedoelingen en van de noodzakelijkheid van maatregelen tegen
kwade trouw en ontrouw, berust werd inderdaad, waarvoor feitelijk
geen enkele deugdelijke rechtsgrond kon worden bijgebracht. Utiliteits-
gronden, opportuniteitsgronden, dat waren de gronden waarmee men
zich behelpen moest om \'s konings besluiten omtrent het beheer te
rechtvaardigen.
Zal de Synode van 1897 datzelfde voorbeeld volgen, de Synode
die niet met een gezag bekleed is en niet zulk een aanzien geniet
als in die jaren het deel waren van Willem I, wiens naam overal aan
den volke verkondigd werd — en tot op zekere hoogte te recht! —
als dien van den weldoenenden voedsterheer der Hervormde Kerk?
Dat de Synode roeping gevoelt om deze zaak ter harte te nemen,
en dienaangaande naar machtsuitbreiding staat, wij kunnen het ons
begrijpen. Ja, het verwondert ons veeleer, dat ze niet al veel vroeger
met ernst op dit gebied is opgetreden en doorgegaan; dat ze het niet
al dadelijk in 1869 gedaan heeft, toen de kans voor haar zoo mooi
stond. Maar zij liet zich toen weerhouden door allerlei overwegingen,
vooreerst de gebleken onwil der toenmalige regeering om haar hierin
ter wille te zijn, en ten andere de overtuiging door velen gekoesterd
omtrent de onaantastbaarheid van de rechten der floreenplichtigen in,
Friesland.
-ocr page 15-
— 11 —
; ;■\'• .Be-zaak van het beheer — wij geven dat volmondig toe — is
een specifiek kerkelijk belang. Te dien aanzien bestaat er geen
verschil tusschen ons en wie wij tegenstaan.
ty[aar is daarmee nu gezegd, dat de Synode met de voorgestelde
kerkelijke regeling van het beheer op den goeden weg is?
Dat hebben wij nog te onderzoeken.
Fr is niet alleen veel, er is letterlijk alles voor te zeggen, dat
do collegies van beheer kerkelijke collegies zijn; niet alleen collegies
ten behoeve van de Kerk, — zooals het met de overheid het geval
was in de dagen van de republiek, toen de regeering als zoodanig
voor de rechten en behoeften van de Kerk als Staatskerk opkwam —,
maar collegies die een kerkelijk karakter dragen on wier leden een
kerkelijk mandaat ontvangen en eene kerkelijke functie uitoefenen.
Dit stellen wij op de voorgrond.
Dat de Synode vertrouwen verdient op dit gebied, lijdt gewis
geen tegenspraak.
Dat vertrouwen heeft ze zich verworven door de wijze, waarop
door haar de algemeene kerkeljjke fondsen geadministreerd en besteed
worden.
En nu voegen wij er nog iets bij om de zucht van de Synode
naar machtsuitbreiding en naar verwezentlijking van het ideaal, dat
zij in art. 65 van het Algemeen Reglement zich voorgehouden ziet.
in het licht te stellen en te rechtvaardigen.
Wat Koning Willem I deed besluiten om met zijn Koninklijke
macht tusschen beide te komen, bestaat nog. Bij elke kerkvisitatie,
schriftelijke en persoonlijke, worden den Synode klachten overgebracht,
onbehoorlijke dingen aangebracht, is het dan wonder, dat zij, bomer-
kende, dat er geen paal en pork gesteld kan worden aan schromelijke
en schandelijke misbruiken, prijst met een: Quos ego......!
Wijzelf hebben er indertijd te veel van gehoord en te veel van
gezien om de verzuchtingen van Conor niet te begrijpen en niet in zijn
smartgevoel te doelen. Zjjne klachten vinden weerklank bij ons en wij
deelen in zijn verlangen naar eene goede kerkelijke regeling van het
beheer.
-ocr page 16-
— 12 —
Hiermee hebben wij ook uitgesproken, welke waardeering wij
zouden over hebben voor den arbeid der Commissie, die de Synode gediend
heeft van advies, en den arbeid heeft voorbereid waarvan wij de uit-
komst hebben ontvangen in een veelzins voortreffelijke proeve van
kerkelijke wetgeving............ als er maar evenwel recht voor was, als
er rede voor bestaat om met zoo iets te komen.
Maar zoolang als zij er niet toe bevoegd is, kan noch mag ze het
doen, zonder gevaar te loopen van zich te hooren toeroepen, dat zij
overmoedig en stout te werk gaat, en met de rest van de kerk als
inzet, hoog spel speelt.
Inderdaad is zij kwalijk geraden geworden op dit punt, en als zij
zich in deze richting verder waagt, dan kunnen wij er, de zaak in
abstracte
beschouwende, bezwaarlijk iets anders in zien dan machtsover-
schrijding, die, als na eindstemming van de leden der Provinciale
Kerkbesturen het onderhavige Reglement van wege de Synodale Com-
missie op de gebruikelijke wijze uitgevaardigd wordt, noodzakelijker wijze
bij toepassing van Artikel 78, zal leiden tot machtsmisbruik — maar
dan zal ten slotte, bij het aanwenden van kerkelijk geweld, de Synode
er nadrukkelijk aan herinnerd worden: „qu\'il y a encore des juges
è, Berlin."
Die daar zeggen, dat er maar eens een uitspraak van den rechter
uitgelokt moet worden, kunnen bezwaarlijk voor de beste zonen der
Kerk en de beste vrienden van de Synode gehouden worden. Moedig,
vurig, trouw mogen zij wezen, maar doorzicht, bezadigdheid en geduld
behooren ook tot de deugden, die nog mogen meetellen, als daardoor
de oorlog voorkomen en met de vrede, de waarheid en gerechtigheid
bevestigd kunnen worden.
Daarvoor moeten ons do Kerk en haar rust te heilig zijn, daarvoor
moet ons de Synode als hoogste Bestuurscollegie te hoog staan om ze
te wagen. Een échec op dit gebied geleden, kan meer dan voorbijgaand,
kan allernoodlottigst zijn. Wie durft er voor instaan dat de Kerk
als lichaam, dat de Synode als bestuursmacht van zulk een échec niet
onherstelbare schade zouden lijden? Het is ze aan eene allezins
gewaagde, een meer dan gevaarlijke proefneming blootstellen?
Want het Algemeen Collegie van Toezicht zal niet wijken, en
het vrij beheer wijkt evenmin.
Zal de Synode in den aangebonden krijg do gunstigsto plaats innemen ?
-ocr page 17-
_ 13 —
Zij zal, als aanvallende partij, haar goed recht hebhen te bewijzen
— de anderen zullen dat enkel hebben te ontkennen.
Al zou de Synode zegevierend kunnen aantoonen, dat het Alge-
meen Collegie geen deugdelijken rechtsgrond had en geen geldiger
rechtstitel kon vertoonen, daaruit kon nog geenszins volgen, dat zij
recht heeft en zich op betere titels beroepen kan. Het is mogeljjk,
dat de Rechter haar oordeel omtrent het Algemeen Collegie deelt en
omtrent de organisatie die daarmee samenhangt, evenzoo denkt, maar
de eisch van de Synode zou niettemin worden afgewezen. Het geding
gaat juist over het goed recht, het beter recht der Synode. En dat
recht volgt nog geenszins zonneklaar en logisch uit het onrechtmatig
bestaan van het aangevallen Collegie, dat bovendien op de Synode
nog voor heeft een vroeger verkregen votum dan do tot zijne orga-
nisatie toegetreden gemeenten.
En voorzeker zou de Synode nog zwakker rechtspositie innemen
tegenover de gemeenten met zoogenaamd vrij beheer, zoowel van vroeger
als van later\' tijd. Een beroep op Art. 65 van het Algemeen Regle-
ment van de zijde der Synode zou aanstonds beantwoord worden met
een beroep op de constitutie van 1797, en met de opmerking, dat
het jus constituendum het jus constitutum niet te niet kon doen dan
met bewilliging en goedkeuring van de gemeente, welke de Synode
nooit gevraagd, nog veel minder verkregen heeft.
Want wat de Synode goed vindt in 1897 vast te stellen, om het
in 1898 te laten decreteeren, op grond van eene in 1852 tot stand
gekomen kerkelijke organisatie en een artikel in onze kerkelijke wet-
geving kan geen rechten aantasten en te niet doen die in 1797 ver-
kregen zjjn geworden, rechten door de toenmaals rechthebbenden aan
de Kerkgemeenten overgedragen.
Op die rechten kon niemand inbreuk maken of terugkomen.
Aan die rechten kan ook de Synode niet tornen; ze kan die
niet verkorten of opheffen — die rechten staan onder de bescherming
van alle Staatswetten.
Wel is waar kan de Synode geacht worden de Kerk te ver-
tegenwoordigen, en zijn hare besluiten bindend en hebben hare ver-
ordeningen kracht van wet — mits gegeven en vastgesteld volgens
de kerkelijke voorschriften — maar behoort het beheer, waarop geen
kerkeljjk gezag tot dusverre gold, tot het terrein waar de Synode
-ocr page 18-
- 14 -
eene representatieve macht uitoefent. Het is de Synode er juist om
te doen om het beheer kerkelijk te maken, heoft de Synode daarover
te beslissen?
De eenig-rechthebbenden in deze zijn de Gemeenten, de Kerkge-
meenten, die de constitutie van 1857 als eigenares van de goederen
erkent, en waarover zij aan deze voor altijd de vrije beschikking
toekent.
Aan die rechtsverhouding wordt niets veranderd door de Wet op
de Kerkgenootschappen, uitgezonderd 10 September 1853, welke aan
elk kerkgenootschap de vrijheid laat zich inwendig naar eigen .goed-
vinden te constitueeren, op voorwaarde dat zulk eene regeling geen
gevaar oplevere voor het Staatsbelang en niet in strijd zij met zijne
wetten.
Evenmin wordt daarin verandering gebracht door het Koninklijk
Besluit van 9 Februari 1866, waarbij de rechtstreeksche tusschenkomst
van den Staat bij het beheer der goederen van de Hervormde Kerk
ophoudt, en aan die Kerk gelijke vrijheid wordt verzekerd als door
andere gezindheden wordt genoten. Integendeel wordt de oorspronke-
lijke rechtsverhouding daardoor weer in volle kracht hersteld en treedt
weer in volle werking. Komt men herinneren, dat de Koninklijke
besluiten van 1819, \'20, \'21 en \'23 toch wel de kerkelijke gemeenten
in het beheer harer goederen gekortwiekt hebben, dan zullen wij
vriendelijk verzoeken niet te vergeten, dat de tijdsomstandigheden
verschilden; dat het gezag van de Synode met dat van Willem I
niet gelijk te stellen is; en dat in elk geval de koning zich op staats-
gebied bewoog, waar vroeger het beheer dier goederen thuis behoorde.
Het optreden van de Synode dagteekent alleen van den laatsten,
den allerlaatsten tijd.
Ze treedt op meer dan 40 jaar, nadat ze in Art. 65 van het
Algemeen Reglement al. 2 opnam — ingekleed in bewoordingen over
wier interprelatie men het nog altijd niet eens is.
Ze treedt op 30 jaar na de uitvaardiging van het Koninklijk
Besluit van 1866.
Zij treedt op, nadat ze telkens bewijzen beeft gegeven van weife-
ling, van twijfel aan haar goed recht.
Daarom worde het niet te aanmatigend van ons geacht, dat wij
onze stem laten hooren, en met het oog op de vele en groote belangen,
-ocr page 19-
r- 15 r-
die op het spel staan en vertraging van de beoogde zaak ton gevolge
zullen hebben, haar toeroepen: Gij zijt den verkeerden weg opgegaan.
Gij hebt met de Gemeente te doen. Gij zult moeten beginnen met
allereerst de gemeenten te hooren.
Wil men het niet te min voor een stout, een zeer stout stuk van
ons houden, dat wij mannen daarin tegenspreken die de Synode hebben
geadviseerd, alzoo te doen als zij deed; mannen wier namen zoo gezag-
hebbend klinken als die van Mr. J. Knottenbelt, Mr. J. de Louter,
Mr. A. M. Stipriaan Luïsciüs, Dr T. Cannegieter en Dr. S. D. van Veen.
welnu tegenover het gezag van die scherpzinnige, hoogst bekwame
rechtsgeleerden en hooggeleerden handhaven wij, wat er te lezen staat
in de vrijmaking van de Friesche Kerk, bladzijde 34. (*)
„De bevoegdheid van do Synode om het beheer van de goederen
„der plaatselijke Gemeenten zonder uitdrukkelijke lastgeving harerzijds
„te regelen kan op te ernstige gronden bestreden te worden, dan dat
„in dezen op haar de oogen zouden kunnen gevestigd worden" en
beroepen wij ons, evenals toen, op het gezag van geen mindere dan
den Minister van Justitie, die van oordeel was: „dat de zaak van het
„beheer alleen hare oplossing kan vinden bij de kerkelijke autoriteit,
„waaronder hij in deze materie niet verstaat de Synode, welke volgens
„Artikel
65 al. 2 van het vigeerend Algemeen Reglement van de Her-
„vormde Kerk zou kunnen meenen de zaken van bolleer der Kerkelijke
„goederen in Friesland en elders naar goedvinden te kunnen regelen,
„maar bepaaldelijk de plaatselijke kerkelijke autoriteit.
Zoolang als de Synode die kerkelijke autoriteit voorbijgaat, met
die plaatselijke kerkelijke autoriteit geen rekening houdt, zal zij schip-
breuk lijden in haar pogen — hoe goed bedoeld ook! De zaak moet
anders aangevat.
Hellendoorn, 5 Augustus 1897.
                                     \',                       M.
*) Uitgegeven in 1875 bij J. J. Wierda te Sneek.
Die bladzijde is blijkbaar ontsnapt aan den aandacht van den schrijver van
het Praeadvies.