-ocr page 1-
-ocr page 2-
FaaMRSsnnMBmMi^M
5 "%, r^^V^\'SvaP^Vf^fe015-,
• • ■              • sas • -..r •;.*•.\' « v? ej
,
; O » » » \' C*iOC.5«}«»«» fc**********^^
. Il
ÏVA\' ": u......■ ■««■■■■iiiwwiiiiwi
«onoot«»«»0«» ♦\'♦♦♦ ♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦ ♦.♦4:f*«:.*v# V::#\'*:*:*:*i**:*:*:**:*«.*:;*»>« * ♦««« ♦♦*;♦♦.<>>\';♦«♦ o-♦
-ocr page 3-
o <
* !
m
I \'mm I*
..I      V».         . . • , I
«Pal
it(£a
>#|
I \\V£rV
f"
m
m
/<i)
: i«
:•:■
::■::;
-ocr page 4-
.
\'
Yv\\W\\ \\OCfZCf
-ocr page 5-
-ocr page 6-
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
2973 405 4
-ocr page 7-
ONZE YOOliOrDERS.
-ocr page 8-
► f-
-ocr page 9-
fyr. A. z.
uc
\\
O
i)OR()UI)EK8
"M
DOOH
Mr J. VAN LENNEP.
MET PHOTOGRAVURES NAAR TEEKENINGEN
VAN
CH. EOCHÜSSEN EN W. DE FAMAES TESTAS.
I BIBLIOTHEEK
(RIJKSUNIVERSITEIT
I        UTRECHT
TE LEIDEN BIJ A. \\V. SIJTHOPP.
-ocr page 10-
-ocr page 11-
AAN
ZIJNE MAJESTEIT
KONING WILLEM III
WORDT DIT PRACHTWERK OPGEDRAGEN
DOOK
DEN UITGEVER
-ocr page 12-
-ocr page 13-
%\\m.
wee uren ongeveer had Alwart
zonder verpoozing gereden, toen
hy de eenzame woning, het doel
zijner reis, voor zich rijzen zag. Het was
een vierkante toren van witten steen, die, afgezonderd van elk ander menschelijk
verblyf op een kleine verhevenheid of zoogenaamden vliedberg, in het maanlicht
stond te prijken. De omtrek vertoonde niets anders dan een akelige eentonigheid
van drassig land, waardoor in de verte de Maas hare zilveren wateren zeewaarts
zond; en de naakte muren van het afgelegen gebouw zouden geheel verlaten hebben
geschenen, indien niet de tegenwoordigheid van een paar runddieren, die op een
kampje weiland lagen uitgestrekt, en het aanwezen van een kleinen moeshof met
twee of drie vruchtboomen (een vreemd verschijnsel op het eiland) hadden te
kennen gegeven, dat deze stille wijkplaats zelfs boven de gewone huizingen der
Batavieren van de geriefelijkheden des levens voorzien was.
Alwart deed nu zijn paard langzamer voortstappen: toen hij den toren onge-
-ocr page 14-
2
ONZE VOOROUDERS.
veer een steenworp wege genaderd was, steeg hij af, liet het getrouwe dier in
vryheid grazen en trad den vliedberg op. Dan, opeens stond hy stil: hij begon nu
eerst te bedenken, dat het nacht was, en dat wellicht zyn onverwachte komst de
wichelares zou kunnen verstoren. — Hij vond zich echter spoedig weer gerustgesteld;
want naderbijkomende zag hij de vrouw, die hij zocht, voor zich. Zij was nabij den
ingang op een ruwen steen gezeten, gewikkeld in een witten sluier, die, om het
hoofd gewonden, over de schouders in breede plooien neerviel en niets onbedekt liet
dan het ontzagverwekkend gelaat, dat, van Alwart afgekeerd, naar den kant der
Maas nederzag. Een vreemdeling zou deze witte gestalte, zooals haar thans de maan
bescheen, voor een marmeren standbeeld hebben aangezien: te meer, daar zy
onbeweeglijk bleef nederzitten, zonder dat zy zelfs de komst van Alwart scheen
op te merken.
De Batavier bleef huiverend op eenigen afstand voor haar staan, zonder het te
durven wagen, haar stille aandacht te verstoren. Na eenige oogenblikken wendde
zij, langzaam en zonder zich verrast te toonen over zijn verschijning, het hoofd naar
hem om, en, hem met hare donker blauwe oogen aanstarende, zeide zij:
• „Ik wist, dat gij komen zoudt, Alwart! en ik verbeidde u."
„Zoo gij wist dat ik komen zou, gewijde Moeder!" zeide Alwart, „kunt gij ook
de reden bevroeden, die mij tot u gezonden heeft."
„De hoofden der Batavieren zijn vergaderd," zeide de wichelares, „en Alwart
komt aan Gauna vragen, hunne gemoederen tot den stryd te neigen."
Alwart knikte toestemmend en vouwde smeekend de handen; de gewijde maagd
vervolgde:
„De smeekingen der menschen stygen op tot den wolkentroon des Alvaders.
Gauna is slechts het werktuig in zijn handen en vervult de bevelen van den
oppersten wil: zoolang die zich aan haar niet doet verstaan, is zij als de holle
rietschalm, die geen geluid van zich geeft, dan wanneer \'s menschen adem hem
bezielt."
Alwart stond verslagen. Moest hij dan overal teleurstelling ontmoeten? „Gauna!"
zeide hij, na eenige oogenblikken zwijgens: „Vergeef my mijn vrijmoedigheid; maar
is het niet de eeuwige wil der Goden, dat wij onze vervolgde broeders bijstaan
en ons op onze vyanden wreken? En hebt gij het noodig, dat die Goden zich
opnieuw verklaren, om uwe landgenooten aan te sporen, een zoo heiligen plicht te
betrachten?"
„Ik verschoon uw onbezonnen taal," zeide Gauna: „zij, die door droefheid
buiten zichzelven, en zy, wier hersens door het gerstebier bedwelmd zyn, staan
-ocr page 15-
;;
ONZE VOOROUDERS.
gelijk: zij spreken woorden der dwaasheid, die de wijze niet acht. De Goden hebben
tot nog toe gezwegen: — de nacht der vervulling is nog niet daar."
„Dan geef de Alvader aan mijn zwakke taal het vermogen om de harten
mijner landgenooten te buigen," zeide Alwart, en wilde zich verwijderen, toen hij
in de verte een ruiter van den Maaskant in vollen draf zag aankomen.
„Alwart!" zeide de wichelares, die den aankomende ook bespeurd had: „gij
moet Gauna niet verlaten zonder hare gastvrijheid genoten te hebben. Begeef u in
den toren: verversch ;u en rust uit van uwe vermoeienissen. Gij zult morgen uw
krachten noodig hebben. Hier, Walla!"
Een jeugdige dienstmaagd vertoonde zich aan den ingang des torens. Op een
wenk van Gauna nam zij Alwart bij de slip van zijn kleed en trok hem, half
gewillig, half onwillig, naar binnen. In het heengaan echter sloeg Alwart nog een blik
op den naderenden ruiter: hij meende in hem een reizenden koopman te herkennen,
een geboren Galliër, met name Erix, een dier lieden, welke in die onbeschaafde tijden,
met hun gewoon bedrijf dat van bode, van tolk, soms van verspieder vereenigden.
Binnengetreden zijnde, werd Alwart door het meisje op een teug gerstebier onthaald
en vervolgens achter een soort van beschot gebracht, waar een legerstede van
gedroogd riet gespreid was. Hij wierp zich mismoedig daarop neder, en welhaast deed
de vermoeienis hem zn"n grievende kwellingen in de armen des slaaps vergeten.
Nauwelijks had hij een paar uren op die eenvoudige sponde doorgebracht, toen
hij zich met drift aan den arm voelde trekken, en, ontwakende, het meisje weder
voor zich zag staan, hem wenkende op te rijzen en haar te volgen. Alwart gehoor-
zaamde ; het was reeds helder dag toen hij buiten den toren kwam: voor den ingang
stond een wagen met twee ossen bespannen, waarin de wichelares was gezeten.
Wat den koopman betrof, deze was weder vertrokken.
„Alwart!" zeide Gauna: „de Goden hebben gesproken: ik begeef mij naar de
volksvergadering."
„De Alvader zij geprezen!" riep Alwart verheugd uit: „en zullen uwe woorden
van oorlog of van vrede klinken?"
„Dit zal van ééne zaak afhangen," antwoordde Gauna: „bestijg uw paard:
begeef u naar den Maasoever en steek de rivier over: indien zjj, die u aan de
overzijde ontmoeten zullen, u gastvrij en welwillend behandelen, dan is het een
teeken dat de Goden onze ondernemingen begunstigen zullen, — in het tegenover-
gestelde geval ware het dwaasheid, iets te wagen."
„En," vroeg Alwart verbaasd: „wien zoude ik aan dien verlaten linkeroever
vinden, tenzy het de roovers waren, die my alles ontnamen wat mh\' dierbaar was?
-ocr page 16-
4
ONZE VOOROUDERS.
Indien daarvan de uitslag af moet hangen, kan ik reeds nu voorzien, dat mijn
zielswensch nimmer vervuld zal worden."
„De Goden hebben door mij tot u gesproken," zeide Gauna, het hoofd met
majesteit opheffende: „het voegt den kortzichtigen mensch niet, hunne geboden te
onderzoeken. Ga en gehoorzaam! Of — hebt gij den moed niet, de gevaren te tarten,
aan dezen overtocht verbonden?"
Alwart antwoordde niet: zijn oog vlamde van drift en verontwaardiging; hij
floot: zijn paard, getrouw aan het gegeven sein, kwam dartelend naar hem toe
gehuppeld; en met éénen sprong opstijgende, snelde hij den heuvel af naar den
Maaskant toe.
Onder het heenrijden merkte Alwart op, aan de versche, in de klei geteekende
sporen, dat de ruiter, die \'s nachts Gauna\'s toren bezocht had, langs denzelfden weg,
van waar hij kwam, was teruggekeerd: en hij besloot die voetstappen te volgen,
daar het hem toch onverschillig zjjn moest, waar hij de rivier overtrok. Het was
ongeveer na een halfuur rijdens dat hij aan de boorden der Maas aankwam.
Ondanks hetgeen Gauna gezegd had, was het niet zonder eenige verbazing, dat
hn\', bij den eersten blik, dien hij naar de overzijde wierp, aldaar den oever met een
talrijke ruiterbende bedekt zag. Hij hield stand op dit gezicht en trachtte te
ontdekken tot welken stam der Germanen die oorlogslieden behoorden, die hij zoo
vlug zag heen en weder rennen. Maar niettegenstaande zijn gezicht buitengemeen
scherp en de rivier te dezer plaatse niet breed was, kon hij zich die vraag niet
beantwoorden. Het waren geene Usipeten, dit zag hij duidelijk; maar de kleeding
der vreemdelingen was zelfs niet die, welke de Germanen doorgaans onderscheidde.
Het waren geene beesten vellen, die om hunne leden sloten, noch ook die wollen of
zijden kleederen, welke nu en dan door Gallische kooplieden werden aangebracht:
het was een veel glansrijker stoffage, hier en daar met metaal overdekt, waar de
zonnestralen schitterend op terugkaatsten. De hoofddeksels der ruiters hadden een
hem onbekenden vorm en schenen van glad gepolijst ijzer of van een kostbaarder
metaal vervaardigd. Ook de paarden waren van een fraaier ras, dan hij ooit had
aanschouwd, en alle op gelijke wijze getoomd en opgetuigd. Terwijl hij in deze
beschouwing verdiept was, wendde opeens de geheele bende den teugel en reed in
goede orde oostwaarts op, den oever langs.
Slechts een klein getal was achtergebleven: en juist dezen waren niet omgeven
van die blinkende rusting, welke hij bij de overigen had opgemerkt. Hunne kleeding
was niet zeer verschillend van die der Galliërs.
Een hunner trok, door het spierwit ros, waarop hij gezeten was, en door zijn
-ocr page 17-
Ondanks hetgeen Gauna gezegd had, was het niet zonder eenige verbazing, dat hij, b\\j den
eersten blik, dien h\\j naar de overzijde wierp, aldaar den oever met een ruiterbende bedekt zag. H\\j
hield stand op dit gezicht en trachtte te ontdekken tot welken stam der Germanen die oorlogslieden
behoorden.
Onze Voorouders. — Alwart, bh. 4.
•
-ocr page 18-
r>
ONZE VOOROUDERS.
hooge gestalte, bijzonder de oplettendheid van Alwart. Hij scheen, van verre gezien,
reeds bejaard; want zijn ongedekte kruin was kaal gelijk de steen der heiden; met
opmerkzaamheid beschouwde deze ruiter een grooten witten lap, welken een
voetknecht voor hem hield uitgespreid, en waarover een derde, mede te voet
zijnde persoon strepen en figuren scheen te trekken, terwijl hij nu de rivier, dan de
boomen in den omtrek, dan weder den lap aanduidde; \'t geen aan Alwart deed
gelooven, dat zij bezig waren met een bezwering of wichelarij. Behalve de drie
bovengenoemde personen bestond het gezelschap uit een paar ruiters en een dienst-
knaap, die de paarden van hen, die afgestegen waren, bij den teugel hield.
Iprittio*
Den volgenden morgen was het koel, eenigszins buiig weer. Aquilius
wandelde het binnenplein op en neder, bij zichzelven denkende, dat de
gelegenheid niet kwaad ware, om een rit door den omtrek te doen, ten
einde de eenzelvigheid van de levenswijze op Matilo eenigszins te breken, toen luj
Coponius zag verschijnen, zoo sierlijk uitgedost, alsof hij ter bruiloft ging.
„Wat beduidt deze fraaie kleeding?" vroeg hij: „zijt gij op een maal genoo-
digd? of gaat gij de feesten van Bacchus vieren?"
„Noch het een, noch het ander," antwoordde Coponius: „het gesprek, gisteren
aan tafel gehouden, heeft mij herinnerd aan iets, dat ik niet langer verzuimen wil.
Ik ga eens zien hoe de schoone Ada het maakt."
„Inderdaad!" zeide Aquilius, niet weinig verwonderd en zelfs eenigszins mis-
noegd over deze mededeeling: „het is u dan ernst, deze kennismaking voort te zetten?"
„By Hercules! Ik wil zien, of ik mij op deze wijze de fortuin gunstig kan
maken, en gij zult bekennen, dat ik geen betere keus kon doen."
„Ik weet niet of ik hetzelfde van haar kan zeggen," zeide Aquilius, glim-
lachende: — „maar ik ben bijna zeker dat uw moeite vergeefsch zal wezen. De
dochter van Werner zal geen Romein huwen:___en bovendien, is z\\) niet bereids
verloofd aan dien man met zijn barbaarschen naam, Markman, of hoe heet hn?"
„Om \'t even!" zeide Coponius: „men kan het beproeven."
-ocr page 19-
-ocr page 20-
G
ONZE VOOROUDERS.
„Maar, gesteld zij wilde u hebben, over drie weken vertrekken wij weder van
hier en worden dan wellicht naar Iberië of Palestina gezonden."
„Laat dat aan mij over. Zoo ik slaag, zeg ik den dienst vaarwel, ga by Brinio
inwonen—"
Aquilius haalde de schouders op: „Gij hebt dan vast besloten, dien tocht te
ondernemen," zeide hij.
„Onherroepelijk vast. Het weer is luchtig: de warmte zal mij niet hinderen en
mijn paard heeft beweging noodig."
„Wil ik u wat zeggen? Ik gevoel groote begeerte om u te vergezellen."
„Waarlijk? — Welnu! dat is kostelijk; maar gij moet mij mijn meisje niet
ontvrijen, Thuscus!"
„Wees niet bevreesd," zeide Aquilius: „ik steek immers te veel bij u af. —
Maar nog iets! Acht gij het niet veiliger, dat wij Rufus en Sextus medenemen? —
Het ware misschien gewaagd, door deze vreemde landstreek alleen te gaan."
„Recht goed bedacht," antwoordde Coponius.
Niet lang daarna reden onze beide vrienden, van Rufus en Sextus vergezeld,
den Rijnkant langs.
Met sneller vaart dan toen zij zich naar Matilo begaven, reed thans het viertal
van die plaats af, en het was eerst toen zij de schipbrug bij Albiniana lang voorbij
waren, en zich nog maar op een halve mijl afstands van Niger Pullus bevonden,
dat zij, om hun paarden op adem te doen komen, den draf tegen het stappen
verwisselden.
„Wij zullen weldra aan de kroeg zijn," zeide Aquilius: „en ik geloof, dat onze
paarden niet ongenegen zullen zijn, zich voor een oogenblik aldaar te verfrisschen."
„Bij Jupiter!" zeide Coponius: „laat ons daar niet heengaan. Wij mochten er
den spijsverzorger uit Lugdunum eens aantreffen en ik ben met dien man niet op
den besten voet."
„Ik heb daar iets van gehoord," zeide Aquilius, „maar het rechte niet verno-
men. Gij hebt gisteren twist met hem gehad, hoor ik."
„Bij Hercules! zoo gij er reeds iets van weet, zal ik u de gansche klucht maar
vertellen. Gij zult naderhand knorren zooveel gij wilt." — En na deze inleiding deed
hij zijn verhaal, waarover Aquilius, ofschoon nu en dan het hoofd schuddende, niet
nalaten kon te lachen.
„Wij zullen er maar niets over zeggen," merkte hij eindelijk aan: „maar
hoe zult gij nu blijven voldoen aan de verplichting, die gij in een oogenblik van
dwaasheid op u genomen hebt?"
-ocr page 21-
7
ONZE VOOROUDERS.
„Spreek er niet van," zeide Coponius: „ik zal beginnen met u om schadeloos-
stelling aan te spreken."
„Mij?" vroeg Aquilius: „en dat om welke reden?"
„Uzelven, Thuscus! — Hebt gij den Batavier zijn afscheid niet gegeven, en de
man had nog wel de goedheid gehad, mij eetwaren te zenden, die ik niet eens in
de gelegenheid ben geweest hem te kunnen betalen."
„Dan heb ik u integendeel van een schuldeischer bevrijd, en verdien ik dank,
in stede van bestraffing."
„Dat is waar; maar hoe zal het nu in het vervolg gaan? Ik moet er met die
zoetelaarster over spreken."
„Dat zou ik u niet aanraden. Haar vertrouw ik zoomin als Daginus. Na hetgeen
mjj Ada gezegd heeft, heb ik redenen om te vreezen, dat er iets broeit bij de
Kaninefaten, ja, dat wellicht de veiligheid der Romeinen in deze landstreek bedreigd
kan worden. Dat heen en weer loopen van Daginus, zijn gesprekken met Brinio
en de zoetelaarster, alles versterkt mijn vermoedens. Ware die Massa een ander
mensch, ik zou hem mijn verdenkingen mededeelen."
„Er ware ook niets aan verbeurd," zeide Coponius: „al kwam er eens een
oproer tegen dien gierigen vent, mits men maar gelieve te wachten tot wij weer
van hier zijn. — Maar met dat al wenschte ik wel, dat ik dien Daginus nog eens te
zien kreeg, al ware het maar om van hem te vernemen, waar hij zijn voorraad
vandaan krijgt."
„Welnu!" hernam Aquilius: „aan dat verlangen kan licht voldaan worden; want
zoo mijn oogen mij niet geheel misleiden, dan zie ik ginds zijn kloeke gestalte voor
ons uitloopen."
„Ja waarlijk, hij is het," zeide Coponius.
„Het zou mij niet verwonderen, zoo hij hetzelfde doel had als wij en insgelijks
een bezoek bij Brinio af wilde leggen. Spoedig! de paarden in den draf gezet, en
hem ingehaald."
Op dit oogenblik wendde de Batavier, die waarschijnlijk het geluid der
aankomende ruiters had vernomen, het hoofd om, en herkende hen. Zijne eerste
beweging was om zich naar den oever te begeven, als om zich aan de vervolging,
welke hij vreesde, te onttrekken, door de rivier over te zwemmen; maar hij bedacht
zich, bleef stilstaan en wachtte met bedaardheid de ruiters af.
„Zoo! vriend Daginus!" riep hem Coponius toe, zoodra zij naderbij gekomen
waren: „gij zijt heengegaan zonder afscheid van mij te nemen en zonder dat wn\'
onze rekening hebben vereffend."
-ocr page 22-
8
ONZE VOOROUDERS.
„Primipilus!" zeide de Batavier, zonder op de woorden van Coponius acht te
geven, en terwijl hij Aquilius, die nu naast hem op kwam rijden, ernstig aanzag:
„gij weet, dat Brinio en de zijnen ons gastvrij ontvangen hebben, toen wij laatst bij
hem waren."
„Dat hebben zij," zeide Aquilius, verwonderd: „en ongetwijfeld wilt gij opnieuw
van hunne herbergzaamheid gebruik gaan maken."
„Gij zoudt niet willen," vervolgde Daginus, „dat de zuster van Brinio ten
eenenmale rampzalig werd."
„Wat bedoelt gij?" vroeg Aquilius: „is er eenig ongeluk, dat haar bedreigt?"
„Ik ging haar waarschuwen tegen de lagen, die men tot haar verderf gespannen
heeft," zeide de Batavier.
„Voleind!" zeide de Primipilus: „en wees overtuigd, dat wij bereid zijn, alles
aan te wenden, om haar tegen leed te bewaren."
„Ja gewis, bij Pollux!" zeide Coponius: „op mijn bijstand althans kan zij
rekenen. Maar wie is het, die haar belaagt?"
„De mededeeling, die ik te doen heb, is alleen voor uwe ooren," hernam de
Priester, op Rufus en zijn makker wijzende.
„Gij hebt gelijk," zeide Aquilius en gaf last aan de ruiters een weinig achter
te blijven.
„Hetgeen ik u zeggen ga," vervolgde Daginus, op een halfluiden toon,
„stelt mijn leven in gevaar; want ik ga een Romeinschen Overste beschuldigen,
die geene beleedigingen vergeeft___; maar ik geloof juist niet, dat hij van uwe
vrienden is."
„Bij Hercules! Massa zal in de zaak gemoeid zijn," zeide Coponius.
„Gij zult bemerkt hebben, dat Massa gierig en hebzuchtig is," zeide Daginus.
„Ik meen zulks bespeurd te hebben," zeide Aquilius: „maar, ga voort."
„Doch, gij weet misschien niet," vervolgde de Batavier, „dat hij een overgegeven
wellusteling is. Aanzienlijk groote schatten heeft hij bijeengebracht door zijn kneve-
larijen en geldafpersingen; doch hij zou zeker eens zoo rijk zijn, indien hij niet de
helft van hetgeen hij heeft samengeraapt, had ten koste gelegd om zjjn lage
hartstochten te voldoen. De muren van Matilo en de Rijnstroom zelf zouden van
zy\'n gruweldaden kunnen getuigen; maar de muren zyn stom en de Rijn voert de
slachtoffers van Massa naar verre stranden heen."
„Bij de onsterfelijke Goden!" riep Aquilius uit: „en gelooft gij, dat Massa de
stoutheid zou hebben, om op dezelfde wyze de zuster van den edelen Brinio___"
„Ada is jong en schoon," zeide Daginus, „gelijk haar zuster voor haar is
-ocr page 23-
9
ONZE VOOROUDERS.
geweest. Hoe Rheime opeens oud en ijlhoofdig is geworden, weet misschien Massa
beter dan iemand te vertellen."
„En hoe komt gij aan dit nieuws?"
„Massa betrekt vier kamers op den burcht: — de eerste is zijn spreekkamer:
de tweede zijn eetzaal: in de derde slaapt hij en zit er met Vulpes geld te tellen:
in de laatste komt niemand dan hij alleen en de schoone gasten, die hij er in \'t
geheim ontvangt. Gisteren heeft de oude Brenda last bekomen, dat vertrek schoon
te maken: — een zeker bewijs, dat het een bewoonster verwacht."
„Goed! maar dit bewijst nog niet, dat Ada----"
„Massa heeft haar te Lugdunum gezien en haar geschenken gezonden: — dit
zou reeds veel bewijzen; doch er is meer: eenige woorden, door een zijner hand-
langers tot Thusnelda gesproken, en door haar aan mij oververteld, hebben mij de
verzekering gegeven, dat de aanslag Ada en niemand anders gelden moet."
„Gij hebt verkeerd gedaan, ons dit niet terstond mede te deelen," zeide Aquilius:
„ik veronderstel, dat het uw voornemen was, Brinio te gaan waarschuwen; — maar
hebt gij wel nagedacht, welke ernstige gevolgen de mededeeling hebben kan?"
„Dat zijn mijn zaken niet," antwoordde Daginus, op een onverschilligen toon: „ik
heb bij Brinio gastvrijheid ontvangen en ga hem berichten, welk onheil hem dreigt."
„En gij gelooft___ maar neen! wie zou vermetel genoeg zijn, de zuster van
Brinio uit het midden van haar talrijk gezin te durven wegrooven?"
„De wolf is bloeddorstig," zeide Daginus.
„Het kan zijn," zeide Aquilius: „doch de uitslag zal het moeten leeren: in allen
gevalle gaan wij ter goeder uur naar de hoeve. Wij zullen echter na het gehoorde
dubbelen spoed moeten maken. Gij vergezelt ons, Daginus! en zult naar bevind van
zaken beloond of gestraft worden. Stijg op achter Rufus, en bij Pollux! poog ons
niet te ontsnappen! Het zou u duur te staan komen."
„Indien ik u had willen ontsnappen," zeide de Batavier, terwijl hij achter den
ruiter klom, „zou mij zulks geen moeite geweest zijn. Ik had dien stroom tusschen
ons gezet eer gij nog gemerkt hadt, waar ik gebleven was."
„Kom! geen woorden meer, en voorwaarts!" zeide Aquilius.
Weldra kreeg het vijftal de kroeg van Niger Pullus in \'t gezicht, en nu riep
Daginus, zijn hoofd achter Rufus omstekende, met een forsche stem: „zie slechts
voor u uit, Primipilus! daar ligt het vaartuig, waar ik u van gesproken heb."
„Hoe!" zeide Aquilius: „is dat het scheepje niet, dat er laatst ook lag?"
„Bij Hercules!" zeide Coponius: „het is de schuit van Vegetus: is die aller-
bedrieglykste der spijsverzorgers mede in de zaak betrokken?"
-ocr page 24-
10
ONZE VOOROUDERS.
„Denkt gij," vroeg Daginus, „dat er eenig schelmstuk in het land der Kaninefaten
gepleegd wordt, waar hij geen deel aan heeft? — Ik ben overtuigd, dat gij hem
thans niet aan deze woning vinden zult."
„Daar kunnen wij ons gemakkelijk van verzekeren," zeide Aquilius, „door er
even op te houden en onze paarden te doen drinken."
Dit gebeurde: een boerenknaap, dien zij reeds, toen zij vroeger dezen weg
langs gingen, te Niger Pullus hadden gezien, en die hun toen, gelijk nu, vrij
onnoozel was voorgekomen, bracht water voor de paarden, en verklaarde, dat zijn
meester met Vegetus van huis was gegaan. Aquilius nam onderwijl nog meer
nauwkeurig dan te voren het vaartuig op, dat met een zeil en bovendien met zes
riemen voorzien was en waarvan het dek insgelijks met een zeil als met een tent
was overspannen.
„Noch de woning, welke slechts uit één vertrek bestaat, noch dat vaartuig
schijnen iemand te bevatten," zeide Aquilius. „Wij zullen ons dadelijk voortspoeden."
„Dat zal niet noodig zijn," zeide Daginus: „want ik bedrieg mij zeer, of daar
komen zij aan, die wij zochten."
Allen blikten vooruit: en inderdaad, langs een zijweg, die door het grasland
liep, kwamen eenige personen de heirbaan op, wier uiterlijk voorkomen wel geschikt
was om het vermoeden op te wekken, dat zij diegenen waren, die men verwachtte.
Zij waren vier in getal, en hun gewaad was oogenschijnlijk dat van reizende
kooplieden: groote reismantels bedekten hun leden en breedgerande hoeden over-
schaduwden hun gelaatstrekken. Twee hunner liepen vooruit, met lange stokken
gewapend: een derde volgde, een paard bij den toom leidende, hetwelk een soort
van rolwagen voorttrok, waarop een groote koffer stond, met een zeil bedekt. Naast
dien koffer was een vierde man gezeten, die niet naliet van gedurig heen en weer
te kijken.
„Zij zijn het," zeide Daginus tegen Aquilius, met een gesmoorde stem: „en
het zou mij zeer verwonderen, indien zij geen levende koopwaar in dien koffer met
zich voerden."
„Bij Jupiter!" riep Coponius: „ik ben grootelijks bedrogen, of de vent, die op
den wagen zit, is die allerslechtste Vegetus! Nu de handel in rundervleesch hem
tegengeloopen is, schijnt hij zich met dien in menschenvleesch op te houden."
„Wij zullen er ons van verzekeren," zeide Aquilius, opstijgende en met de
overigen vooruittredende: „bij alle Goden! zulk een stoutheid mag niet ongestraft
blijven."
De zoogenaamde kooplieden, die inmiddels van hun kant de ruiters ook ontdekt
-ocr page 25-
ONZE VOOROUDERS.                                                                     11
hadden, wisselden eenige haastige woorden samen, en, waarschijnlijk bespeurende,
dat er aan geen ontkomen te denken was, deden zij hun wagen ter zijde gaan als
om den doortocht vrij te laten, zonder twijfel zich vleiende, dat men hun geene
vraag zoude doen. Dit was echter het voornemen niet van Aquilius. Nabij hen
gekomen zijnde, deed hij zijn paard stilstaan, en, de reizigers met een strengen blik
aanziende: „waar zijt g\\j vandaan?" vroeg hij: „en wat voert gij daar met u?"
De beide personen, die voor den wagen uitgingen, zagen elkander even aan,
alsof zij uit elkanders blikken wilden lezen, welk antwoord zij geven moesten. De
een, in wien onze ruiters den waard van Niger Pullus herkenden, scheen geneigd
te zijn, de forsche taal van Aquilius even forsch te beantwoorden: de ander, een
tenger mannetje met sluwe oogen, scheen een minzamer bescheid beter te keuren.
Deze laatste nam het woord in dezer voege:
„Wij groeten u, allervoortreffelijkste Centurio! w\\j zijn kooplieden van Novesium
en rijden het land met wollen stoffen rond."
„En wij hebben grooten lust, wollen stoffen te koopen," zeide Coponius:
„derhalve, goede vrienden! ontsluit uw koffer, en laat eens zien, wat gij bij u hebt."
„Wij zijn uitverkocht," hernam de man, „en trekken naar Lugdunum, waar
wij een voorraad hebben."
„Om \'t even," hernam Aquilius: „Opent uw koffer."
„Maar Centurio! indien wij vragen mogen," zeide de waard, zijn meer vrees-
achtigen makker ter zijde stootende: „ik wilde wel weten, met welk recht gij ons
op den weg aanhoudt. Wij zijn vrome lieden, die geen mensch schade doen."
„Een stoet schelmen en bedriegers zijt gij," zeide Coponius: „of zijt gij zelf
niet de waard van Niger Pullus? en is de spijsverzorger, die daar op den wagen
zit, ook al een koopman geworden?"
„Bij Hercules!" zeide Vegetus, zich ontdekt ziende en begrijpende, dat onbe-
schaamdheid het eenige middel was om hem te redden: „die lieden hebben mij met
hen op de kar genomen, omdat ik wat vermoeid was; maar ik behoor niet tot
hen: — en zoo zjj iets van waarde in dien koffer hebben, raad ik hun, dien niet te
ontsluiten: anders mocht het er mede gaan als gisteren met mijn eetwaren, die wel
genomen, doch niet betaald werden."
„Te veel gesnaps!" zeide Aquilius: „opent dien koffer! ik geef u mijn woord,
dat, zoo wij er niets dan goederen in vinden, wij u ongestoord uwen weg zullen
laten vervolgen."
„Opent hem niet," zeide Vegetus: „zjj behooren niet tot de bezetting en hebben
geen recht zulks te vorderen."
-ocr page 26-
12
ONZE VOOROUDERS.
„Wij zullen u ons recht op het aangezicht schrijven," zeide Aquilius: „gehoor-
zaamt, of het zal u duur te staan komen."
„Maar, allerbeste Centurio!" zeide nogmaals een der vervoerders: „de koffer
is ledig."
In ditzelfde oogenblik werd deze bewering gelogenstraft door doffe tonen, niet
ongelijk aan het wiegelied, dat een voedster murmelt, welke uit den koffer voort-
kwamen.
„Ellendige schurk!" riep Aquilius: „welke logens durft gjj ons verhalen?
Ontsluit dien koffer, of het is met u gedaan."
„Centurio!" zeide de waard: „het is waar! er zit iemand in dien koffer: — een
gevangene, die op last des Bevelhebbers naar Matilo gevoerd moet worden. Het
zal u berouwen, indien gij u tegen mijn wil verzet."
„Ik wil uw gevangene zien," zeide Aquilius, „en neem de verantwoording op
mij. Daginus! gij zijt te voet, ontsluit gij dien koffer, daar zij het niet verkiezen
te doen."
Daginus trad toe, zonder een woord te spreken, greep met elke hand een der
gewaande kooplieden in de borst, wierp hen rechts en links van zich af, sprong op
den wagen, rukte het zeil van den koffer en sloeg het deksel open. Een gedaante,
in een mantel gehuld, richtte het bovenlijf in den koffer overeind; maar algemeen
was de verbazing, toen die mantel, bij het afvallen, niet de bevallige gelaatstrekken
van Brinio\'s jongste zuster, maar de verbleekte tronie van Rheime aan de oogen
der omstanders vertoonde.
„Rheime!" riep Aquilius uit, eenigszins teleurgesteld.
„Bij Pollux! Ik kan niet zeggen, dat op den smaak van Massa hoog te roemen
valt," mompelde Coponius.
„Eilieve!" zeide Rheime, terwijl zij zoo minzaam mogelijk rondom zich heen
zag: „waarom toch houdt gij reeds op? Ik lag zoo gemakkelijk; en wij gingen
immers naar de plaats, waar de duinroos bloeit___: ik heb nog eens in dien wagen
gezeten___; maar het is lang geleden___ hoe lang weet ik niet.... sedert dien
tijd is mijn geheugen zoo zwak___; maar ik moet daar niet van spreken....: stil!
stil!___ dat mogen zij niet hooren___ en als ik er aan denk doet mij het hoofd
zoo zeer, o wee!"
„En nu," zei Aquilius, „gij allerlogenachtigste schelmen! verhaalt mij eens, wat
uw oogmerk was met het wegvoeren van deze ongelukkige vrouw?"
„Centurio," zeide een der geleiders van den wagen: „die vrouw is niet wys,
gelijk gij wel zien kunt. Wij hebben haar op den weg gevonden en uit medelijden
-ocr page 27-
„Opent dien koffer!" zeide Aquilius: „ik geef u myn woord, dat, zoo wy er niets dan goederen
in vinden, wj) u ongestoord uwen weg zullen laten vervolgen."
„Opent hem niet!" zeide Vegetus.
Onze Voorouders. — Brinio, bh. 11.
-ocr page 28-
13
ONZE VOOROUDERS.
met ons genomen, daar de koffer toch ledig was, en wij niet wisten waar zij te
huis behoorde."
„De Goden mogen mij verderven, zoo ik er iets van geloof," zeide Aquilius:
„maar hoe dit zij, het is onze taak niet, de zaak verder te onderzoeken: gij kunt
u verwijderen en aan hen, die u gezonden hebben, bericht geven van den slechten
uitslag uwer onderneming."
„Hoe!" zeide Coponius: „gij wilt die schandelijke straatschenders ongestraft
laten weggaan?"
„Het ware misschien gevaarlijk, de zaak te diep te willen onderzoeken,"
fluisterde hem Aquilius in het oor: „beter is het, die, indien er mogelijkheid toe
bestaat, voor eeuwig te smoren. — Maar nu zal het er op aankomen, te weten, of
die arme vrouw met ons mede wil gaan."
Het ware een nuttelooze moeite geweest, aan Rheime, wier gedachten nog
altyd van het eene op het andere bleven dwalen, de noodzakelijkheid te willen
beduiden, om de Hoplieden naar Brinio\'s hoeve te vergezellen. Reeds stelde Coponius
voor, geweld te gebruiken, toen Aquilius, zich het vroeger gebeurde herinnerende,
gelukkigerwijze een middel verzon, hetwelk den voortreffelijksten uitslag had:
„Rheime!" zeide hij: „ik heb een fraaie duinroos gezien: ik geloof, dat hij, wien
gij zoekt, daaronder ligt. Willen wij hem gaan zoeken?"
Deze woorden werkten gelijk een electrieke schok op de waanzinnige: met
een vlugheid, welke men van haar verzwakt gestel niet had kunnen verwachten,
sprong zij op en uit den wagen, tevens uitroepende: „Waar dat? waar dat? Ik
ga met u."
„Pas op!" fluisterde Coponius zijn vriend in: „zij zal u de oogen uitkrabben,
indien .gü uw woord niet houdt."
„Een onschuldige logen is al wat ons overblijft," zeide Aquilius: en te geljjk
hielp hij Rheime, die hem nu gewillig begaan liet, met de meest mogelijke zorg
dwars op zijn paard, plaatste zich achter haar, den linkerarm om haar heen slaande;
waarna hij met de overigen zijn weg vervolgde, zoo snel als de paarden loopen
konden.
Brinio was, gelijk wij bereids verhaald hebben, toen hij de gewapenden van
Massa ontvluchtte, den Rijn overgezwommen en landwaarts ingegaan. Lang bleef
hjj recht voor zich uit loopen, zonder zelf te bedenken, waarheen hij zijn schreden
richtte, toen eindelijk het afgematte lichaam naar rust begon te verlangen. Men zal
2
-ocr page 29-
-ocr page 30-
14
ONZE VOOROUDERS.
zich herinneren, dat hij de beide verloopen nachten slapeloos had doorgebracht, en
ofschoon, gedurende de merkwaardige gebeurtenissen, welke de twee laatste dagen
gekenmerkt hadden, de staat van spanning, waarin zijn geest verkeerde, zjjn
krachten had opgehouden, thans begon de natuur haar rechten te hernemen: hij
bleef staan en zich achter eenige struiken werpende, welke hier langs den weg
groeiden, lei hij het hoofd op het groene mos neder en viel bijna dadelijk in een
diepen slaap.
Het was eerst laat op den volgenden morgen, toen de heete stralen der bran-
dende middagzon hem op het voorhoofd vielen, dat hij uit zijn sluimering ontwaakte.
Hij hief het hoofd op, wreef zich de oogen uit en zag om zich heen: in den beginne
scheen hem alles een droom te zijn; maar weldra keerde het verschrikkelijke
bewustzijn van zijn toestand voor zijn geest terug. Diepe neerslachtigheid overviel
hem: hij verborg het gelaat weder in het gras en snikte overluid.
„Neen!" zeide hij eindelijk tot zichzelven: „ik wil hier blijven en den dood
afwachten. O Werner! Werner! dat uw edele stam dus schandelijk met mij te
gronde moet gaan!"
Hij bleef echter niet lang in deze houding, waar een toevalligheid hem uit
deed oprijzen. De geschiedenis zoowel als de ondervinding leveren menigvuldige
bewijzen, dat somtijds schijnbaar nietige voorvallen op den wil des menschen een
invloed uitoefenen, welken de gewichtigste gebeurtenissen niet zouden hebben
teweeggebracht: en dat iemand, wien noch dwang van hooger macht noch over-
reding van menschen van zijn besluit hebben doen afzien, door een beuzelachtige,
onberekenbare omstandigheid daarvan werd afgebracht. Zoo ging het thans met
Brinio. Hij had vastgesteld, te sterven: en na al hetgene hij verloren had, vreesde
hij den dood niet; maar een heirleger van mieren, dat gedurende zijn slaap over
zijne leden gekropen was, begon hem aan hals en schouderen te steken; en tegen
de onaangename gewaarwording, hierdoor veroorzaakt, was hij niet bestand. Hij
rees op en poogde zich van die lastige gasten te ontslaan; maar het was vergeefsche
moeite: hij deed eenige schreden: een breede waterplas vertoonde zich aan zijn oog:
hij stapte derwaarts, en, zich in het kille nat badende, verdronk hij zijn tergende
vijanden. Op het droge gekeerd, was het hem of hij een ander mensch geworden
was: de invloed van het koude water had op zijn gestel heilzaam gewerkt; hu
voelde zich verfrischt: zijn weemoed was geweken: nieuwe levenszucht doorliep
zijn aderen: hij verlangde Ada, Rheime, Markman, terug te zien: en zijn te voren
gevormd besluit vergetende, trad hij verder.
Hij vermeed echter de gebruikelijke paden en koos de minst bezochte; niet
-ocr page 31-
16
ONZE VOOROUDERS.
slechts uit vrees voor de krijgslieden, die hij veronderstelde, dat Massa hem zou
kunnen nazenden; maar ook omdat hij zich schaamde een bondgenoot te ontmoeten,
en gevaar te loopen, dat de minste arbeider hem met den vinger na mocht wijzen
en zeggen: „daar gaat Brinio, die de voornaamste was onder allen, en nu geen plek
gronds meer bezit, groot genoeg om zijn hoofd op neder te leggen."
Wanneer men den afstand in aanmerking neemt, die de hoeve van Brinio van
Markmans woning scheidde, zal het geene verwondering baren, dat de nacht reeds
ten halve voorbij was, eer de jongeling het doel van zijne wandeling bereikte en
het huis van zijn vriend in het stille maanlicht zag prijken. Hij stond eenige
oogenblikken stil: het hart klopte hem hevig in de borst op de gedachte, dat hij
weldra zijn dierbaarste panden terug zou zien: en toch, het was of een voorgevoel
hem waarschuwde niet verder te gaan. Hij trad naderbij; alles was stil als het
graf: geen hof- noch huishond, die zijn nadering met luid geblaf vermeldde: geen
toorts, die, vriendelijk uit de huisramen schijnende, den moeden wandelaar aankon-
digde, dat hij hier een gastvrij onthaal zou vinden: geen levend schepsel, dat zich
daar binnen bewoog. Hij trad de heining binnen. Hij riep: geen stem gaf antwoord
aan de zijne: hij stootte de huisdeur open en stapte de woning in: — alles was
ledig en verlaten. — Een huivering doorliep zijn aderen. Waar was zijn zuster,
waar Markman, waar de gansche stoet gebleven, die niet meer dan een dag geleden
zijne hoeve verlaten had? Hij liep weder naar buiten en de heining uit: hij zag
rond, wrong zich de handen in pijnlijke onzekerheid en vroeg eindelijk, onwillekeurig
met luide stem: „waar moet ik hen zoeken?"
„Niet hier," antwoordde een zware stem, die van den hemel scheen te komen.
Brinio zag verbaasd om zich heen. Boven op het glanzende duin vertoonde
zich, als een sombere schaduw tegen de heldere lucht, een gedaante, die hem
wenkte, bij haar te komen.
Brinio rilde; maar hij gehoorzaamde: hy klauterde tegen het gulle zand op en
stond weldra naast den onbekende.
„Ik wachtte u," zeide deze, in wien hij thans eerst den Batavier Daginus her-
kende: „gij hebt lang getoefd Brinio!"
„Gij hier!" vroeg deze, verbaasd: „en waar is Markman? waar zijn mijn zusters?"
„Waar Hymer, waar Wolfert, waar al de voornaamsten uws volks zn"n: — in
de handen der Romeinen."
„In de macht der Romeinen!"
„Massa is eindelijk uit zijn slaap ontwaakt: zijn fluitje heeft vrede gespeeld en
de argelooze vogels hebben zich laten knippen."
-ocr page 32-
16                                                                    ONZE VOOROUDERS.
„Hoe! — En wie bracht u die tijding?"
„Een van Markmans bloedvrienden, die hem naar den Brittenburg vergezeld
had, heeft de tijding hier gebracht. Morgenavond voert een galei Markman en de
overigen naar Germanië."
„En mijn zusters?"
„Zij zijn geroofd, met list van hier gehaald — waarschijnlijk in\'t bezit van Massa."
„In \'t bezit van Massa! — Bij den wilden Wodan! — wraak! wraak op den
schendigen roover! — maar wat spreek ik van wraak? Hoe zal ik den booswicht
in zijn hol bestoken?"
„Door te handelen," zeide Daginus, „en wel terstond. Het oogenblik is gekomen.
Wapen uw landgenooten. Hun ontbreekt slechts een opperhoofd: en wien zouden
zij liever volgen dan den zoon van Werner?"
„Zullen zij willen gehoorzamen aan iemand, die zijn eigendom niet heeft weten
te bewaren? - Het is u wellicht onbekend: — Massa heeft mij alles afgewronnen
wat ik bezat."
„Ja, met den valschen teerling," zeide Daginus: — „en gij zult het met het
gerechte zwaard herwinnen. — Brinio! uw zusters, de edelsten uwer landgenooten
zijn in de macht des geweldenaars: en zoudt gn\' nog weifelen?"
„Weifelen! neen, bij Thor!" sprak Brinio, zijn priem uithalende: „hoor mijn
eed, Batavier! dezen ring, dien mijn vader, toen ik een jongeling werd, mij om den
hals liet smeden, zal ik niet eer afleggen, voor de hoon, mij aangedaan, in het
bloed des geweldenaars gewroken is: en dit haar zal door het mes niet eer worden
aangeraakt, voor de laatste Romein uit deze landstreek verjaagd is. — En waar zijn
nu de vrienden? waar zijn mijn gezellen? waar de aanhangers van Markman?"
„Zij zullen weldra hier zijn," antwoordde Daginus: „toen ik, uit de landpalen
der Friezen gekeerd, de noodlottige tijdingen hoorde, die ik u mededeelde, heb ik,
in afwachting uwer komst, gehandeld, gelijk ik begreep, dat gij doen zoudt. Jonge-
lingen en maagden, ouden van dagen en onnoozele kinderen, allen heb ik uitgezonden
om wrekers op te sporen, en deze plek als verzamelplaats aangewezen. Ik heb naar
de volgers van Hymer, naar de visschers van de zeekust, naar de Westfriezen
gestuurd: naar allen, wien in dezen omtrek de Romeinsche naam hatelijk is. Eer
de stralen der rijzende zon deze kruinen beschenen, zult gij hen zien opdagen, en,
zoo ik mij voorstel, niet zonder wapenen."
„Luister!" zeide Brinio: „mij dunkt, ik hoor reeds het gerucht der aanrukkende
bende. Hunne voetstappen herklinken door het eenzame dal gelijk het geruisch
eener murmelende beek in de verte."
-ocr page 33-
Brinio zag verbaasd om zich heen. Boven op het glanzende duin vertoonde zich, als een
sombere schaduw tegen de heldere lucht, een gedaante, die hem wenkte, bü haar te komen.
Onze Voorouders. — Brinio, bh. 15.
-ocr page 34-
ONZE VOOROUDERS.                                                                    17
En weldra kwam, van achter een der bosschages in de valei aan hunne
voeten, een gewapende drom te voorschijn, die zich als een reusachtige zwarte
slang over de in het maanlicht uitgespreide vlakte slingerde, tot hij aan den voet
des Blinkerts stand hield. Toen vertoonde zich op de toppen der duinen een tweede
bende, die van de zeekust aanrukte, en een derde, die uit het bosch te voorschijn
kwam; deze werden door meer gevolgd, en, gelijk Daginus voorspeld had, de
schemering was nauwelijks doorgebroken, of een duizendtal strijdbare mannen stond
aan den voet der hoogte bijeen.
Toen steeg Daginus van den hoogen Blinkert af, en Brinio, die reeds lang
beneden was om elke bende te verwelkomen, tot zich roepende, nam hij hem met
zich op eene kleine verhevenheid, door een oude linde beschaduwd. „Germanen!
landgenooten!" riep hij, zich wendende tot de hem omringende scharen: „toen ik
aan de heilige Velleda, die in het land der Brukteren den wil der Goden van haar
hoogen toren verkondigt, de vraag deed, wie de inwoners dezer landen uit de macht
der Romeinen verlossen zou, gaf zij mij ten antwoord: Brinio, de zoon van Werner,
zal dit doen. — De Goden zijn met hem, Germanen! en zij hebben dit nu reeds
getoond. Want van al de hoofden uws volks is hij alleen van de dwingelandij van
Massa gespaard gebleven. — Hij zal u ten strijde voeren, Kaninefaten! en met hem
zal de zege zijn. — Brengt een schild hier en huldigt hem als uwen aanvoerder."
Een daverend vreugdegejuich beantwoordde deze toespraak des Bataviers. Vier
der kloekste Kaninefaten traden nader, een breed en sierlijk geverfd schild in hun
midden dragende, waar zij Brinio lieten opstappen. Toen hieven zij den jongeling
boven hunne schouders omhoog, en allen, de wapenen zwaaiende, begroetten hem
als hun vorst en legerhoofd en zwoeren hem gehoorzaamheid en trouw.
„En thans!" zeide Daginus, toen Brinio, een hem aangebracht ros bestegen
hebbende, aan \'t hoofd der zijnen optrok, „thans is mijn rol hier uitgespeeld. Ga! —
toon u den roem uwer voorvaderen waardig, en wees verzekerd, dat de krijgs-
klaroen, die op het vernielde Matilo zal klinken, van de hoogten te Noviomagum
zal beantwoord worden. — Vaarwel!"
En, Brinio met warmte de hand drukkende, scheidde de Batavier zich af van
de bende, die, zich in hoopen verdeelende, langs bedekte wegen zuidwaarts trok.
-ocr page 35-
-ocr page 36-
18
OXZE VOOROUDERS.
Cjjariëfto,
Het was reeds middag. Angstig en verlegen zat Wanda in het midden
der Saksische vrouwen en kinderen voor het hoofdgebouw. Nog had
men geen tijding van Wichman vernomen: nog geen hoorngeschal door
het woud hooren klinken. Reeds meermalen waren sommigen van Wanda\'s gezel-
linnen het boschpad een eindweegs opgegaan, in de hoop van een bode uit den
strijd te ontmoeten: maar telkens vruchteloos. Pijnlijke angst beklemde aller hart;
maar vooral het hart van Wanda; want niet slechts de uitslag der onderneming
wekte bij haar bekommernis; maar ook haar zoon, haar Odo, keerde niet terug: en
wat zou de smart, de woede van Wichman zijn, indien hij den geliefden knaap niet
wedervond!
Eindelijk deed zich een enkel krijgsman zien, die zich met wankelende schreden
langs het boschpad sleepte. Een voorgevoel van ramp en tegenspoed vervulde aller
ziel op dit gezicht. Een gedeelte der vrouwen rees op, om den aankomende te
gemoet te gaan: en het was slechts, toen zij naderbijkwamen, dat zij in den
afgematten, verbleekten, met bloed en slijk bedekten vluchteling, Wichman den
Zwarten herkenden. Toen hieven allen een erbarmelijk gehuil en gekerm aan; want
het deerniswaardig schouwspel, dat zij voor zich zagen, toonde haar genoeg, wat
het lot der onderneming geweest was.
„Wichman!" gilde Wanda, terwijl zij sidderende de handen van haar echtgenoot
vatte: „gij keert, en alleen! — waar zijn uw makkers?"
„Verslagen! — De aanslag was verraden en Bavo misleid. Ik ben alleen
ontkomen: gewond en ter dood toe afgemat. Maar, wat verhaal ik u dit alles,"
vervolgde hij op een bitteren toon: „de valsche tranen die gij schreit zouden weldra
in juichtonen veranderen, indien gij wist, aan wien ik mijn nederlaag te danken
heb. — Maar daarover nader. — Waar is die verwaten Romein?"
Men spreidde voor Wichman een rustbed in het gebouw: zijn diepe wonden
werden verbonden, en men bood hem een drank ter lafenis aan. Wanda ging hare
gezellinnen voor in de liefderijke verpleging van haar echtgenoot, wiens verwijten
zy niet begreep, doch met stille onderwerping verdragen bleef.
Toen brachten eenige vrouwen den zendeling van Decentius, die onder haar
opzicht in het verblijf der Quaden gebleven was. Hy was doodsbleek en zijn geheele
-ocr page 37-
19
ONZE VOOROUDERS.
lichaam trilde; want hij was door zijne bewaaksters op eenmaal gekneveld geworden
en voor Wichman gesleept, zonder te weten wat hij misdreven had: en de norsche
blik, welken deze hem van zijn legerstede af toewierp, voorspelde hem niets goeds.
„Ellendige bedrieger!" zeide Wichman: „wat hebt gij ons met schoone woorden
zoeken in slaap te wiegen? Wat is er van uw fraaien raad, om de bezettingen
aan te vallen? Het was een strik, die ons gespreid werd: en al de mijnen zijn
verslagen."
„Helaas!" zeide de Romein, de handen opheffende: „hoe kan ik dat gebeteren?
Ik bezweer u bij de onsterfelijke Goden, dat ik niets dan waarheid gesproken heb;
en zoo gij, voortreffelijke Wichman! gezanten zendt naar Decentius, zult gij
vernemen___"
„Gij zoekt uitvluchten, schelm! maar het zal u niet baten. Sleurt den verrader
van hier en hangt hem aan den eersten boom den besten, tot een aas der kraaien."
En de arme afgevaardigde werd, ondanks zijn smeeken, zijn angstig handen-
wringen en zijn bitter noodgekerm door zijn gestrenge bewaaksters afgerukt van
Wichmans voeten, welke hij in angst omhelsd had, en buiten de hut gesleept.
Sidderende stond Wanda na hun vertrek alleen naast Wichmans legerstede.
Ieder oogenblik beducht, dat hij naar Odo zou vragen, poogde zij haar eigene
ongerustheid te bedekken; maar hij sprak niet over den knaap; na eenig stilzwijgen
vroeg hij met een flauwe stem:
„Hebt gij niets van Vorda vernomen?"
Wanda schudde het hoofd. Maar nu liet zich een vroolijk geschal van buiten
hooren.
„Daar zullen vrienden zijn!" riep Wanda: „Hertha zij geprezen!" En op hetzelfde
oogenblik kwam Zwartvoet pijlsnel binnenloopen en leide zich bij zijn meester neer.
„Odo is terug!" riep Wanda in vervoering uit: en zij snelde naar den ingang
van het gebouw; maar hevig ontsteld bleef zij in de huisdeur staan. Het was niet
Odo, die tot haar trad: het was Chariëtto. Hij was aan het hoofd der zijnen het
bosch ingerukt; en de dog, door hem aan een touw medegevoerd, had hem den weg
naar Wichmans verblijf gewezen.
„Bernulf!" riep zij, verbleekende en met een gesmoorde stem.
„Noem mij geen Bernulf meer, Wanda!" zeide Chariëtto: „ik heb dien naam
vaarwelgezegd, sedert de laster van een booswicht mij dwong mijn vaderland te
verlaten; maar op mijn wapenen heb ik eindelooze wraak aan den lasteraar gezworen:
en dien eed heb ik niet vergeten. Waar is Wichman, de lafaard? roep hem, opdat
hij den begonnen kamp voleinde."
-ocr page 38-
20
ONZE VOOROUDERS.
„Wichman is niet hier," antwoordde Wanda bevend: „hij is niet uit den slag
teruggekomen."
„Gij misleidt mij," zeide Charietto: „kort bij dit verblijf heeft zijn dog het spoor
gevolgd, dat hij gegaan is: het langs het pad gevloeide bloed toonde dit bovendien
genoegzaam aan: en uw angstige blikken schenken mij zekerheid."
„Bernulf!" zeide Wanda: „ik heb u eens gekend, dat gij edelaardig en groot-
moedig waart."
„Zegt Wanda zulks? — En ik heb haar ook eens gekend, dat zij oprecht was
en getrouw. — Wie van ons beiden is veranderd?"
„Bernulf! laat ons het verledene niet opdelven. Wat ook de gevoelens, de
droomen onzer jeugd geweest zijn, ik ben de gade van Wichman — en hem alleen
getrouwheid en gehoorzaamheid verschuldigd. — Gij zult dezen drempel niet over-
schrijden dan over het lijk van Wanda."
En, zich opheffende, tartte zij met een fleren blik den ontzagverwekkenden
oorlogsman, die over haar stond.
„Wanda!" zeide hij, glimlachende: „gij weet, dat ik mijn wapenen niet tegen
u zoude keeren, en dat het mij weinig zou kosten, binnen dit verblijf te dringen in
weerwil van den zwakken tegenstand, dien gij mij kunt bieden. Maar hoor mn: ik
ben niet langer de ongelukkige zwerver, die geen plaats heeft om zijn hoofd neder
te leggen: ik ben op mijn beurt machtig en voorspoedig gemaakt, en uw aller lot
hangt van mijn wenken af. Maar ik wil geen gebruik maken van het recht der
overwinning: en, schoon meester van Wichmans leven, bied ik hem nog den
kampstrijd aan."
„Wees dan grootmoedig tot het einde. Ik weet, dat gij op geen overwonnen vijand
woedt. Wichman is gewond, zieltogend en buiten staat het wapentuig op te heffen."
„Om \'t even! ik wil hem zien," zeide Charietto: en zijn hand greep reeds den
arm van Wanda om haar van de plaats te schuiven.
„Zwartvoet! wat draalt gij?" riep Wanda: „help mij den ingang verdedigen."
„Die dog zal mij niet aanvallen," zeide Charietto, lachende: „hij heeft reeds
eenmaal de kracht mijner vuisten gevoeld."
Hier kwam opeens een schrikkelijk denkbeeld voor Wanda\'s geest. Die hond
was met Odo vertrokken — en zonder hem teruggekeerd. In bange vertwyfeling
wierp zij zich voor Charietto op de knieën.
„Bernulf!" kreet zij angstig: „één woord! één enkel woord! waar heeft die hond
u aangevallen? en wat is er van den knaap geworden, die met hem was? Hy was
mijn zoon, mijn eenige!"
-ocr page 39-
Uddo was inmiddels afgestegen en, een stevigen boomtak afgesneden hebbende, om zich daarvan
tot steun en verdedigingsmiddel te bedienen, stapte hij voort, het paard bij den toom geleidende en
den weg banende door het dichtbegroeide woud, waar nu eens de ineengewassen struiken, dan weer
moerassige plekken, hen in \'t voortgaan belemmerden.
Eindelijk bevonden z\\j zich aan den uitgang, en nu zagen zjj de onmetelijke vlakte voor zich,
door de heldere maan verlicht. Uddo liet den blik naar allo kanten weiden: eindelijk bespeurde hij
een man, die op eenigen afstand dwars door het veld liep. Hij toonde dien aan Vanissa.
Onze Voorouders. — De Koorknaap, blz. 32.
-ocr page 40-
21
ONZE VOOROUDEKS.
„Vraag het hem niet," liet de stem van Wichman zich hooren, die, met moeite
opgestaan, op dit oogenblik pijnlijk aan kwam hunkeren: „uw zoon ligt aan de
Maas, door de hand van Bernulf verslagen. Ik ben tot uw dienst, Bernulf!"
„Gij hebt mijn zoon verslagen?" gilde Wanda, met schrik terugtredende: „wee
mij! kon de jeugd van den schuldeloozen knaap u dan geen deernis inboezemen ? —
maar voor \'t minst zal ik u een nieuwen moord besparen. Neen!" vervolgde zij,
zich tusschen beiden stellende: „die afschuwelijke kamp zal geen plaats hebben."
„Dat zal hij niet," zeide Chariëtto, bespeurende, hoe Wichman onmachtig was
het staal omhoog te heffen: „gij hebt gelijk: — zijn eens zijn wonden geheeld, dan
zullen wij den strijd hervatten. Wat uw zoon betreft, zoo hij gevallen is, het is
onwillekeurig dat mijn arm hem getroffen heeft: en hij is een grootschen dood
gestorven; want zijn sneven heeft zijn vader het leven gered."
Op dit oogenblik kwamen eenigen van Chariëtto\'s volgers aan: zij hadden
grooten buit en gevangenen gemaakt in de omgelegen hutten, en eenigen hunner
brachten den zendeling van Decentius mede, dien zij den dood ontrukt hadden.
„Wij hadden niet veel later moeten komen, Chariötto!" zeide een der aanvoer-
ders, „of deze vriend was door die razende wh\'ven aan zijn levenseinde gekomen: z\\)
hadden hem reeds opgeknoopt, en het kostte ons moeite genoeg hem uit haar
handen te krijgen."
„Bij Balder!" zeide Chariötto, den Romein beschouwende: „ik geloof dat ik u
meer ontmoet heb."
„Inderdaad," antwoordde deze, die werkelyk niemand anders was dan onze
oude kennis Tigurinus: „en ik dank de Goden dat zij u ter goeder ure tot mijn
verlossing herwaarts zonden."
„Het is wel!" zeide Chariëtto; en zich tot Wichman wendende, vervolgde hij:
„Vorst der Quaden! gij zijt vrij. Ga, en predik aan uwe volgers de onderwerping
aan Juliaan. Of, verkiest gij den krijg, wees overtuigd, dat gij mij steeds bereid
zult vinden onzen kamp te hernieuwen."
„Hoe!" riep Tigurinus: „gij wilt hem ontslaan, dien roover, dien boozen schelm,
die mij ter galg verwezen heeft ? Vergeet gij, dat de beschikking over zijn lot alleen
van den Keizer afhangt?"
„Ik zal mij bij hem verantwoorden," zeide Chariëtto bedaard: „men make een
draagbaar gereed, en dat een behoorlijk geleide den Vorst der Quaden en zn\'n
echtgenoote naar de zn\'nen terugvoere. Ik kan uw zoon u niet teruggeven, Wanda!
maar ik wil voor het minst u toonen, dat Bernulf nog dezelfde is, die hij altyd
geweest is, en tegen geen verwonnelingen woedt!"
s
-ocr page 41-
-
-ocr page 42-
22
ONZE VOOROUDERS.
„Gij handelt edel, Bernulf," zeide Wichman: „en toch wenschte ik, dat uw arm
mij aan de Maas verslagen had: ik zou thans deze schande niet beleven."
Wanda zeide niets: haar gemoed was zoodanig geschokt door de gebeurte-
nissen, welke hadden plaats gehad, dat zij, onmachtig een woord te uiten, spraak-
en wezenloos voor zich bleef zien.
Niet lang daarna werden de beide echtgenooten, op een kar met twee paarden,
die in het kamp gevonden waren, naar de oostelijke grenzen van het woud geleid
en waren weldra met de hunnen hereenigd.
De achtste eeuw liep ten einde. Liefelijk lachte de lentezon op den Sint-
Markusdag, en talrijke scharen, van heinde en verre te zamen gevloeid,
stroomden de poorten van Rome binnen, om aldaar de grootere Litanieën,
door Gregorius den Eersten ingesteld, te helpen vieren. Het vroolijk uiterlijke dier
landlieden, hun schilderachtige dos, hun hooge hoeden, ter eere van het feest met
groene takken getooid, de versierselen en reliquieen die hen bedekten, dat bont
geheel, stak aangenaam af tegen den deftigen tabberd der Romeinsche Patriciërs,
den donkeren mantel, die de schouderen der mindere burgers dekte, en de grauwe
of bruine pij der monniken en scholieren. Maar bovendien kon men in de sombere
gelaatstrekken van velen onder de ingezetenen, in het geheimzinnig gefluister, dat
nu en dan plaats had, wanneer twee of meer elkander ontmoetten, in de half
gesmoorde verwenschingen, die somtijds aan hun lippen ontsnapten, ten duidelijkste
bespeuren, dat zij niet in die vrome en blijde stemming te feest gingen, welke de
buitenlieden bezielde, die met open blik in het rond zagen, en het prevelen hunner
gebeden niet zelden door psalmgezang, ja zelfs door het zingen van meer wereldsche
liederen afwisselden.
Te gelijker tijd met een stroom van deze landbewoners was een kloeke ruiter
de Volkspoort *) binnengestapt. Een reismantel van vreemde stoffage en met een
\') Thans nog Porta del Popolo geheeten.
-ocr page 43-
28
ONZE VOOROUDERS.
kap voorzien, onttrok zijn gelaat aan ieders oogen: en alleen de koperen stormhoed
en de met ijzer beslagen kolf, die aan den zadelknop hingen, gaven den man van
wapenen te kennen. Het overkleed zoowel als de hozen des ruiters waren met
reeds opgedroogde slijkspatten overdekt: en het blanke schuim kleefde aan de
breede borst en schoften van het gitzwarte krijgsros, dat hem droeg. Alles in één
woord verkondigde, dat hij een vreemdeling was en dien dag reeds een verren weg
had afgelegd. Een groene tak echter, dien hij in de hand hield, en waarvan hij zich
van tijd tot tijd bediende om zijn paard van de aanvallen der insecten te bevrijden,
scheen aan te duiden, dat ook hij de plechtigheid van den dag niet vergeten had.
Hij bleef dan ook stapvoets den weg volgen, dien de volksmenigte nam en die
op de kerk van Sint-Sylvester aanliep, waar de processie, wanneer zij zich van het
Pauselijk verblijf bij Sint-Johannes (de Lateranis) naar de kerk van Sint-Laurens
begaf, stand moest houden. Hij was echter nog maar halverwege gevorderd, toen
een verwijderd gerucht, dat luider en luider werd, een dof gemompel, dat van mond
tot mond rondliep, en eindelijk een groote drift onder de scharen, die hem omring-
den, en die opeens, met al den spoed, die hun beenen maken konden, vooruit-
snelden, hem overtuigden, dat er iets belangrijks was voorgevallen. Hij hield stil,
om af te wachten dat de volte zou verminderen; maar vergeefs: de toeloop hield
aan: het volk kruiste en bewoog zich in alle richtingen en woelde dooreen als een
bruisende zee. Ruwe kreten, angstig gegil, woeste smaadliederen, afschuwelijke vloek-
woorden, werden door elkander uitgegalmd: van tijd tot tijd blonk het staal van
messen, zwaarden en dolken boven de hoofden: men hoorde vrouwen weeklagen, die
in het gedrang haar kinderen verloren hadden: en kinderen schreien, die van hunne
ouders waren afgedwaald; in één woord: het was een tooneel van wanorde en rumoer.
Onze reiziger, schoon geen redenen hebbende om voor zichzelven bekommerd te
zijn in een stad, waar niemand hem kende, begreep echter eenige maatregelen van
voorzorg te moeten gebruiken: hij dekte zijn hoofd met den stormhoed, die met
twee breede banden voorzien was, die onder de kin werden vastgehecht en, evenals
de breede rand ver vooruitstekende, het aangezicht omsloten en beschutteden. Toen
trok hij een paar met ijzer beslagen handschoenen aan, en zich verzekerd hebbende,
dat de plooien van zijn mantel hem niet verhinderen zouden zijn strijdkolf te
vatten, gaf hij zich aan de leiding zyns beschermheiligen over en trachtte van elke
golving der volksmenigte, van elke ledige plaats gebruik te maken, ten einde verder
vooruit te komen: met gespannen aandacht zijn best doende, om hier en daar een
woord op te vangen, ten einde de ware oorzaak van die opschudding te vernemen,
maar dewyl de gesprekken om hem heen gevoerd werden in de lingua romana,
-ocr page 44-
24
ONZE VOOROUDERS.
een taal, welke, uit de vermenging der Duitsche en Italiaansche tongvallen ont-
sproten, het Latijn begon te vervangen en welke hij niet verstond, zag hij zich
teleurgesteld in zijn hoop om iets bepaalds dienaangaande te vernemen. Wel stak
hij, van zijn paard, boven de hoofden uit en kon dus verder zien dan de menigte,
die vruchteloos op haar toonen ging staan om iets te onderscheiden; maar hetgeen
hij gewaar werd leerde hem niets nieuws; want een kromming in den weg verborg
het hoofdtooneel van het treurspel, dat thans gespeeld werd, aan zijn oogen. Hij
had het eindelijk zooverre gebracht dat hij den hoek, die hem het uitzicht belem-
merde, was omgekomen, en nu recht voor zich de kerk van Sint-Sylvester in \'t oog
kreeg. Was het in de straat vol geweest, nog voller was het op het plein, dat zich
voor het kerkgebouw uitstrekte. Daar woelde alles dooreen: daar zag men raads-
heeren, voor wier tabberd en deftige bediening thans echter het volk niet, gelijk
anders, eerbiedig ter zijde week: geestelijken van alle orden en rangen, winkeliers
en ambachtslieden: Romeinen en landlieden: allen elkander verdringende en hun
uiterste pogingen aanwendende om nader te komen bij de fontein, die zich in het
midden der marktplaats verhief.
Terwijl de vreemdeling alle moeite in \'t werk stelde om voort te komen, reed
hij zonder opzet een jongeling tegen \'t lijf, die reeds een paar malen zijn aandacht
getrokken had en wiens lang gewaad en kap aanduidden, dat hij tot die scholieren
behoorde, die Koning Karel jaarlijks uit de onderscheiden deelen zijns rijks naar
Rome zond om aldaar in den Godsdienst en letteren onderwezen te worden. De
jongeling wendde het hoofd om, en, den ruiter aanziende met een toornigen blik,
die kluchtig afstak tegen zijn rond en vroolijk gelaat, zond hij hem, niet in het
Latijn of Romeinsch, maar in zuiver Friesch, een krachtigen vloek naar de ooren.
„Ik vraag u om verschooning, landsman!" zeide de vreemdeling, in dezelfde
taal: „het is moeilijk, elkander in zulk een volte te mijden."
„Bij den baard van Koning Radbout!" riep de scholier, hem verbaasd aansta-
rende: „zijt gij ook een Fries? Dan hadt gij voorwaar jegens uw landgenoot wat
voorzichtiger moeten zijn. Denkt gij, dat ik ijzeren scheenstukken draag?" En zijn
been oplichtende, zooveel de volte dit toeliet, wreef hij met de vlakke hand het
gedeelte, dat door den paardenhoef geschaafd was.
„Ik beloof u, die wond te zullen zalven," zeide de ruiter, „zoodra wij daartoe een
ruimer gelegenheid hebben; maar ik kan mij zoo erg niet beklagen, over uw
ongeval, daar ik, zonder dat, nooit geroken zou hebben, dat gij iemand waart, met
wien ik verstaanbaar spreken kon. Wat is toch de reden van die opschudding?"
„Opschudding!" herhaalde de andere: „\'t Is wel een heidensch oproer, zooals
-ocr page 45-
En terstond zfln paard een beweging latende doen, baande zich de ruiter met geweld een weg
door de menigte, terwtfl Okke alle krachten van vuisten en ellebogen in het werk stelde om zich
aan z;jn zijde te houden.
Op de trappen, die tot de fontein geleidden, lag het eerwaardige Hoofd der Kerk uitgestrekt,
zonder eenig teeken van leven of bewustzijn te geven.
Onze Voorouders. - Se Friezen te Rome, blz. 26.
-ocr page 46-
25
ONZE VOOROUDERS.
er nooit een te Rome geweest is. Gij hadt het voorwaar nimmer ongelukkiger
kunnen treffen, dan door dezen dag te kiezen."
„En wat is er dan geschied?"
„Geschied! — Bij den degen van Koning Gondebald! — Men heeft het onzen
landgenooten verweten, dat zij den vromen Bonifacius te Dokkum hebben vermoord
en zij waren nog blinde heidenen! Maar hier, in de hoofdplaats der Christenkerk,
hier maken de geloovigen het nog ruim zoo erg."
„Wat wilt gij zeggen?" vroeg de ruiter ongeduldig: „denkt gij, dat ik raadsels
versta?"
„Ik wil zeggen, dat men zooeven niet meer noch minder gedaan heeft dan den
Heiligen Vader om \'t leven brengen."
„Bij mijn Heiligen Patroon!" riep de vreemdeling, zich kruisende: „gij verhaalt
mij verschrikkelijke zaken. En wanneer, en hoe is dat gebeurd?"
„Nog geen kwartieruurs geleden, en hier kort bij, is onze Vader de Paus,
terwijl hij zich in processie naar de Sint-Laurenskerk begaf, door een troep gewa-
pende bandieten, of liever helsche duivels, aangevallen. Zij hebben hem van \'t paard
getrokken: de Bisschoppen en Priesters, die hem volgden, zijn naar alle kanten
weggevlucht, als lafaards, verraders, die zij zijn: en de booswichten, die God
vervloeke, hebben den grijsaard vermoord en halfnaakt aan den voet van gindsche
fontein gesmeten."
„\'t Is genoeg! Gij zult dus niet schuwen mij te helpen. — Uw naam___"
„Is Okko."
„Welaan dan, Okko! — Geen tijd langer met snappen verbeuzeld, maar in
Gods naam voortgerukt: en beproefd, wat wij vermogen."
En terstond zijn paard een beweging latende doen, baande zich de ruiter met
geweld een weg door de menigte, terwijl Okko alle kracht van vuisten en ellebogen
in \'t werk stelde om zich aan zijn zijde te houden.
Op de trappen, die tot de fontein geleidden, lag het eerwaardige Hoofd der
Kerk uitgestrekt, zonder eenig teeken van leven of bewustzijn te geven. Bloed
bezoedelde zijn pleeggewaad, dat, in flarden gereten, zijn naaktheid nauwelijks
bedekte; zijn grijze haren kleefden van geronnen bloed aaneen: bloed vloeide uit
mond en oogen langs het bleeke gelaat en verfde met rooden gloed den sneeuw-
witten baard. En toch wekte dit deerniswaardig schouwspel ternauwernood het
medelijden op der tallooze omstanders, die zich om hen heen drongen. Want de
laster was werkzaam geweest, en opeengestapelde betichtingen, de eene nog
onwaarschijnlijker en hatelijker dan de andere, maar die alle met gretigheid waren
-ocr page 47-
-ocr page 48-
26                                                             ONZE VOOROUDERS.
opgenomen door een lichtgeloovig en ergdenkend gemeen, hadden hem zwart
gemaakt in de oogen der Romeinen. Men had hem simonie, verkwisting, bloed-
schande te laste gelegd: men had hem beschuldigd, zijn voorganger door vergif uit
den weg geruimd en zichzelven door kuiperijen den Pauselijken zetel te hebben
verworven; in één woord: hy was, van het voorwerp van aller achting, het doel
van den algemeenen haat geworden; en vandaar dan ook had de tegen hem gesmede
aanslag zoo geheel zonder wederstand kunnen ten uitvoer gelegd worden.
De vreemdeling besloot echter in deze omstandigheden het uiterste te beproe-
ven, en, zijn mantel over den linkerschouder werpende, gelijk een redenaar die aan
gaat heffen, zoodat hij den rechterarm geheel vrij had, was hij op het punt van
stilte te verzoeken, en de menigte in het Latijn, zoo goed hij kon, aan te spreken,
toen de tusschenkomst van eenige nieuwe personages zijn bemiddeling voor dat
oogenblik onnoodig maakte. Hij zag namelijk van de breede straat recht over hem
af, tot aan de fontein toe, den volkshoop zich achtereenvolgens verdeelen en
eerbiedig nederknielen voor een kruisbeeld, hetwelk een geestelijke omhooghief,
die zich met behulp van dit middel een vrijen doortocht baande. Een Jonkvrouw —
want, hoewel haar aangezicht oversluierd was, alleen een maagd van edele geboorte
kon zulk een ranke leest en zulk een zwevenden gang bezitten — volgde den
Priester op den voet, en achter haar kwamen een paar gewapende dienaars, in
prachtige livreien uitgedost; maar die welhaast van hun meesteres werden afge-
scheiden door de volksmenigte, die, na het volbrengen harer eerbewijzing, achter
den Priester weder oprees en zich sloot. Reeds bevond zich deze laatste met zijn
gezellin nabij den vreemdeling, eer nog deze, door hun komst verrast, van zijn paard
gestegen was en door zijn eerbetooning het algemeene voorbeeld had nagevolgd.
Aan de fontein gekomen, knielde de jonge maagd bij des Pausen lichaam
neder, en het hoofd vooroverbuigende, scheen zij een wijl aandachtig te luisteren,
of eenige ademhaling ook aanduidde dat het leven hem nog niet verlaten had. Toen
richtte zij zich op, doopte een doek in den waterbak, zette zich neder, en, het
gewonde hoofd op haar schoot nemende, waschte zij hem het bloed van het aange-
zicht. Bij deze verpleging was het, of de ziel opeens in het lijk terugkeerde: de
grysaard gaf een pijnlijken zucht en hief de eene hand omhoog, als wilde hn" die
naar zijn oogen brengen.
-ocr page 49-
ONZE VOOROUDERS.                                                                    27
„Die ellendelingen!" riep de Jonkvrouw op een weemoedigen toon tot den
geestelijke, die, naast haar staande, het kruisbeeld omhoog bleef houden: „zij hebben
hem de oogen uitgestoken."
„Zoo hij slechts leeft, is uw vrome hulp niet te laat gekomen," fluisterde de
Priester, en, zich bukkende, poogde hij met haar den gewonde te helpen: deze
scheen een poging te doen, als wilde hij spreken; maar hij gaf slechts een schor
en onverstaanbaar geluid: en nu werd men met afgrijzen gewaar, dat hem de tong
was opengesneden. Op hetzelfde oogenblik deed een nieuw rumoer zich hooren, en
een bende, uit ruiters en voetknechten bestaande, en met eenige geestelijken aan
het hoofd, kwam door het volk heengedrongen.
„Onze Lieve Vrouw bescherme ons!" zeide de Jonkvrouw: „het zijn de
moordenaars, die terugkomen! De Heilige Vader is verloren, indien wij hem niet
terstond van hier voeren. Waar zijn mijn dienaars?"
Maar dezen van hun gebiedster afgescheiden, deden vruchtelooze moeite om
zich weder bij haar te vervoegen. Nu trad de vreemdeling met Okko nader, en zich
eerbiedig buigende, zeide hij: „gij kunt over ons beschikken: beveel, en wij zullen
gehoorzamen."
„Leeft de Heilige Vader nog?" vroeg met een donderende stem een monnik,
die aan het hoofd der aanrukkende bende nadertrad: „neemt hem op!" vervolgde
hij, zich tot zijn volgers wendende: „en handelt gelijk u bevolen is."
„Nadert niet!" zeide de Priester, die met de Jonkvrouw gekomen was: „de
Heilige Vader is onder mijn bescherming, en gij zult zijn lichaam niet aanraken."
„Heer Abt!" zeide de monnik, op een bitsen en schamperen toon; „verspil den
tijd niet met ijdele woorden. Het zijn de bevelen der vergaderde Bisschoppen die
ik opvolg: en mijn last is, den H. Vader naar ons klooster, het klooster van den
H. Erasmus, te vervoeren, ten einde zijn wonden aldaar geheeld worden."
„En waant gij, dat wij den herder aan de wolven zullen voorwerpen?" hernam
de Abt met waardigheid: „terug! ik erken alleen het gezag mijns Konings en dat
des H. Vaders: en geenszins de bevelen uwer oproerige Bisschoppen. Terug! en
verhinder ons niet in het uitoefenen van een heiligen plicht!"
„Ik ken den mijnen, en dien moet ik volgen," zeide de monnik: „volbrengt uw
last, dienaars!" vervolgde hij tot de zijnen. Twee of drie onder de gewapenden, die
meest uit leekebroeders bestonden, traden toe met het oogmerk om zich van den
Paus meester te maken; maar de Jonkvrouw, zich voor het lichaam stellende, deed
hen weifelend terugtreden.
Een hunner echter, meer ruw en stoutmoedig dan de vorigen, trad toe, en,
-ocr page 50-
28
ONZE VOOROUDERS.
haar bij het gewaad grijpende, wilde hij haar van de plaats scheuren, toen opeens
de gebalde vuist des onbekenden reizigers hem op den schedel nederdaalde met een
gerucht, gelijk aan dat, waarmede de moker op het aanbeeld neerklinkt. De slag
was zoo hevig, dat de leekebroeder, geloovende, dat de geheele Sint-Sylvesterkerk
hem op het hoofd stortte, of liever, niets geloovende, want hij was geheel bedwelmd,
de Jonkvrouw losliet, en, na een oogenblik gewankeld te hebben, den grond met
zijn geheele lengte ging meten.
„Goed geraakt!" riep Okko, zijn nieuwen makker met bewondering aanziende:
„bij den degen van Gondebald! die weet ook van zich af te slaan."
De jonge maagd sidderde; want zij was niet zonder reden beducht voor de
gevolgen, welke deze aanvang der vijandelijkheden kon teweegbrengen; en inderdaad
de overige leekebroeders, hunne wapenen opheffende, waren reeds toegetreden om
hun makker te wreken; maar de vreemdeling had insgelijks zijn ros weder beklom-
men, en zijn strijdkolf opheffende, zwaaide hij die dreigend boven zijn hoofd rond.
De monniken en leekebroeders bleven een poos verbleekt en weifelend staan,
terwijl zij den onbekende met verbaasdheid aanstaarden. Maar zijn forsche gestalte,
de gespierde arm, dien men zag opgeheven, de toorn, die van onder het helmet uit
zijn sterk sprekende oogen fonkelde, en vooral het voldingend bewijs, dat hij reeds
van zijn kracht gegeven had, deden hun weldra begrijpen, dat een gevecht met
hem misschien ten hunnen nadeele kon uitvallen: te meer daar Okko, zich terstond
meester gemaakt hebbende van den staf des neergeworpen leekebroeders, zich aan
de zijde van den Abt gesteld had, en luidkeels galmde: „brave Scholieren! Helpt
uw makker! — op, op! voor Friesland! leve de Paus! leve Koning Karel!"
Wat de volksmenigte betrof, deze scheen althans voor het oogenblik, ongezind
om de zijde der broeders van St.-Erasmus te kiezen. Bijna allen waren getroffen
door de deugd der edele Jonkvrouw, die zich zoo moedig gewaagd had om den
H. Vader te redden: en de wakkere daad des onbekenden was door velen met
warmte toegejuicht geworden. Bovendien, het gevoel van medelijden en van billijk-
heid, dat bij een volk wel sluimeren kan, maar nooit geheel onderdrukt wordt, was
bij sommigen weder bovengekomen: en de Paus scheen minder schuldig, sedert een
vrome Abt en een edele Jonkvrouw zich zijner aantrokken. „Het is de Abt
Wirundus, de Legaat van Koning Karel," zeiden enkelen, die den Geestelijke ken-
den: „het is de dochter van den waardigen Hertog," fluisterden anderen: „Koning
Karel zou het euvel opnemen, zoo hun een haar gekrenkt werd."
„Vrede heersche onder u allen," riep de Abt, vooruittredende en zyn stem
verheffende: „alle twist zij gestaakt. Als Stedevoogd van Koning Karel en in naam
-ocr page 51-
29
ONZE VOOROUDERS.
van mijn ambtgenoot, den Hertog van Ferrara, vorder ik, Wirundus, Abt van
Stablo, dat de Paus in mijn handen worde gesteld. Heeft hij misdreven, de Koning
zal hem richten, maar geen oproerige geweldenaren."
De monniken schenen besluiteloos. Hij, die het woord gevoerd had, was echter
niet van oordeel toe te geven; maar een zijner broeders, een man met een
schrander uitzicht, en die bekend was, het vertrouwen van den Kamerling Paschalis
te bezitten, fluisterde hem in het oor:
„Laat ons niet dwaas zijn, mijn broeder! gij weet wat er den Kamerling aan
gelegen ligt, den Hertog niet te beleedigen! Laat zijn dochter den Paus naar Sint-
Petrus voeren."
De andere scheen niet geheel door deze toespraak overtuigd: hij zag echter
om zich heen; en bemerkende, hoe reeds ettelijke Friesche, Duitsche en Frankische
scholieren, door het geroep van Okko opgewekt, voorwaarts waren gedrongen en
een dreigende houding aannamen, terwijl van vele kanten, eerst flauw en naderhand
meer overluid de kreet van: „leve Koning Karel! leve de vrome Abt Wirundus!"
werd uitgegalmd, oordeelde hij het raadzamer voor de omstandigheden te
zwichten, en trok met de zijnen af. De onbekende steeg weder af, en de teugels
van zijn paard aan Okko toewerpende, tilde hij den grijzen kerkvoogd van den
grond en droeg hem, alsof hij den last niet voelde, dwars door de menigte heen,
terwijl de Abt voor hem uitging, en de Jonkvrouw het hoofd des gewonden onder-
steunde. Weldra vervoegden zich \'s Hertogen dienaars weder bij hen en baanden
hun den weg tot de draagbaar, waarmede de Jonkvrouw gekomen was en die in
de naaste straat stond te wachten. Men legde den Paus daarin, en allen namen nu,
gezamenlijk en door een talrijke schaar achtervolgd, den weg naar den Tiber en
bereikten eindelijk de brug Elius, waar hun de bevelhebber der bezetting, welke
den daarover gelegen burcht van Hadrianus bewaakte, een genoegzaam aantal
krijgsknechten te gemoet zond, die den verderen toegang van het gepeupel belet-
teden: terwijl de trein, nu tot den Abt, de dochter des Hertogs, haar dienaren, den
onbekenden reiziger en den kloeken scholier verminderd, het kasteel doortrok en
weldra langs een bedekte gaanderij het Paleis der koninklijke landvoogden bereikte.
«
-ocr page 52-
30
ONZE VOOROUDERS.
]J avening, ofschoon voor vrees onvatbaar, was echter niet geheel zonder
~^ bezorgdheid. Op een driesprong, waar twee van verschillende veren der
_ ^LJ Maas afkomende wegen ineenliepen, had hij een aantal versche paarden-
hoeven in de klei bespeurd, en opgemerkt, dat een aanzienlijke ruiterbende hem
moest zijn vooruitgereden. Zooverre hem bewust was, had er geene verplaatsing
van oorlogsbenden langs dien weg kunnen plaats hebben: en voor gewone reizigers
of jagers scheen het getal te groot. Aan vijanden viel wel in dit oogenblik niet te
denken; want van waar zouden die hier gekomen zijn? — een strooptocht van de
Overrijnsche Saksers was echter mogelijk, en in allen gevalle was het verschijnsel
gewichtig genoeg om zekere ongerustheid bij hem te wekken; doch waarin hij
aanleiding vond tot dubbele waakzaamheid. Zijn vermoedens, dat er eenig kwaad
gebrouwd werd, stegen tot zekerheid, toen hij, verder gekomen, op een plek, waar het
bosch zich wederom over den weg heen strekte, dezen door talrijke omgehouwen
boomstammen versperd en door middel van doorgravingen onbruikbaar gemaakt vond.
„Hier broeit onraad!" riep hij: „neemt de vrouwen in uw midden en laat een
zestal uwer afstijgen en de hindernissen wegruimen."
De ruiters maakten zich gereed om aan het bekomen bevel te voldoen; maar
op hetzelfde oogenblik deed zich een gerucht van wapens hooren; men zag van
alle kanten krijgsknechten, te voet en te paard, uit het bosch en van achter de
hoornen oprijzen, en een aantal pijlen vloog sissende op de ruiters af.
„Sluit u in \'t gelid, mannen!" riep Ravening, zijn tegenwoordigheid van geest
niet verliezende: „die roovers zullen zien met wie ze te doen hebben. Hakon! draag
zorg voor Vanissa."
Het bevel werd zoodra het gegeven was ten uitvoer gebracht; de ruiters
sloten een vierkant om de vrouwen heen, aan wier zijde Hakon het uitgetogen
zwaard verhief. Door deze beweging waren de Proost benevens Landwerd en Uddo
alleen gebleven en aan den aanval blootgesteld. Het scheen echter, dat de roovers
(of wat zij zijn mochten) zich om hen niet bekommerden: althans zij reden en
sprongen hen voorbij en hieuwen op de Noormannen in.
„Bij Onze Lieve Vrouwe!" riep Uddo, die, met een gevoel dat hij nooit
gekend had, de zwaardslagen als hagel zag nedervallen: „waarom moet ik ongewa-
pend zijn? Had ik slechts een stok of kodde — maar dit zoo te moeten aanzien!"
-ocr page 53-
81
ONZE VOOROUDERS.
Op dit oogenblik voelde hij zich bij de hand grijpen: hij zag om en een don-
kere mansgedaante rees naast hem uit de boschstruiken op.
„Volg mij!" fluisterde deze hem nauwelijks hoorbaar toe: „ik zal u uit het
gedrang helpen."
Uddo herkende met een blijde verbazing de stem van Landerik den Valkenier,
wiens leven hij twee dagen vroeger door zijn tusschenkomst had gered. — „Berg den
Proost, zoo gij kunt," zeide hij, hem de hand drukkende: „wat mij betreft, ik blijf hier."
En, zonder het gevaar te achten, reed hij in op den strijdenden hoop; want
hij had door twee of drie der aanvallers den naam van Vanissa hooren uitspreken,
en het was hem zeker, dat de aanslag haar moest gelden. De krijgskans scheen
zich tegen Ravening en zijn dapperen te hebben gekeerd. Van alle kanten tevens
besprongen, was het hun niet mogelijk geweest, op den smallen, doorweekten
kleigrond de oorspronkelijke slagorde te blijven bewaren: hun paarden waren
grootendeels gewond en uiteengeraakt en het gelid hierdoor verbroken; het was nu
een gevecht geworden van man tegen man: en, naarmate de Noorsche ruiters
vielen, groeide het getal hunner tegenpartijders aan. Nog deed echter Ravening
nimmer falende slagen om zich heen vallen: nog weerde, zonder zijn plaats te
verlaten, de moedige Hakon, wiens arm de ouderdom niet verlamd had, eiken
vijand krachtdadig af; maar de hengst van Vanissa begon te steigeren en voerde
haar, ondanks haar pogingen, van Hakons zijde af. Radeloos blikte zij om zich heen,
niets dan dood of gevangenschap te gemoet ziende, toen de stem van Uddo zich
bemoedigend aan haar zijde deed hooren.
„Vertrouw op mij," fluisterde hij: „met Gods hulp zal ik u redden."
„Verzeker u van de vrouwen!" klonk het achter hem: en reeds zag hij, hoe
Tietburga naast hem werd aangegrepen en van het paard gesleurd. Snel wierp hij
nu den bruinen mantel, die hem tegen de nachtkoude beschutte, Vanissa om het
lijf, opdat haar lichtkleurig gewaad den aanvallers niet in \'t oog zoude vallen, tilde
haar van \'t paard, waarschuwde haar snel en zacht, zich door geene beweging te
verraden, plaatste haar voor zich op den zadel, en reed toen, dwars door den
strijdenden hoop, over struiken en boomstammen, het overbosch in, zonder de
snelheid van zijn ros te beteugelen, totdat hij zich eindelijk op een genoegzamen
afstand van het strijdperk achtte. Toen hield hij stil en zag om zich heen, ten einde
te overleggen, naar welken kant het zaak ware te vluchten.
„Wat zal er van ons worden?" zuchtte Vanissa.
„Gij zijt vooreerst uit het gedrang," zeide Uddo: „en dat is het voornaamste:
voor \'t overige beken ik, dat ik uw vraag niet weet te beantwoorden. Ik ken hier
-ocr page 54-
32
ONZE VOOROUDERS.
weg noch steg. Het veiligst zal wezen, ons zoover mogelijk van de strijdenden te
verwijderen, en een plaats te zoeken, waar gij onder dak kunt komen."
„Ach!" zuchtte zij: „deze landstreek is onbewoond: wat zal er van ons
worden? — En mijn goede Tietburga! En Wella! En de arme Proost! De Goden
weten, wat hun lot is! O! wij hebben dwaas en overijld gehandeld met te vluchten.
Ravening heeft nooit iemand den rug toegekeerd en Hakon werd nooit overwonnen.
Zij zijn voorzeker meesters gebleven van het slagveld, en ik, de dochter van
Godfried, zal om mijn lafhartigheid bespot worden. Mijn vader zal het mij nimmer
vergeven. O! ik heb verkeerd gedaan, u te volgen."
„Vergeef mij," zeide Uddo, geheel ternedergeslagen, door den toon van verwijt
te hooren, waar hij dank verwachtte: „ik had gedacht, wel te handelen, door u aan
de macht te ontrukken van hen, die u zochten te overweldigen."
„Ach! ik zeg het niet om u te bedroeven," zeide Vanissa: „gij hebt u kloek
en braaf gedragen: — maar, wat zal er van mij worden, hier in deze wildernis,
alleen met u, die ongewapend zijt en onmachtig iets tot mijn verdediging uit te
richten?" — En de anders zoo luchthartige Hertogsdochter, die zich nooit te voren
in zulk een verlaten staat had gevoeld, begon bitter te weenen.
„Zoudt gij niet kunnen terugkeeren en zien hoe het is afgeloopen?" vroeg zij,
na een korte stilte.
„En u hier alleen laten? Neen, bij alle Heiligen, dat in eeuwigheid niet. —
Maar zie, de maan is opgerezen: de nevel trekt op en wij bevinden ons aan den
uitgang van het bosch; want de stammen staan meer verwijderd en overal zie ik
de lucht doorschemeren. Zoo wij ons derwaarts, op het open veld begaven, zouden
wij een ruimer uitzicht hebben en misschien een torenspits of een licht onder-
scheiden."
„Handel gelijk u goeddunkt," zeide Vanissa, zuchtend: „ik moet mij aan uw
geleide wel onderwerpen."
Uddo was inmiddels afgestegen en, een stevigen boomtak afgesneden hebbende,
om zich daarvan tot steun en verdedigingsmiddel te bedienen, stapte hij voort, het
paard bij den toom geleidende en den weg banende door het dichtbegroeide woud,
waar nu eens de ineengewassen struiken, dan weder moerassige plekken, hen in
\'t voortgaan belemmerden. Eindelijk bevonden zij zich aan den uitgang, en nu
zagen zij de onmetelijke vlakte voor zich, door de heldere maan verlicht. Uddo liet
den blik naar alle kanten weiden: eindelijk bespeurde hij een man, die op eenigen
afstand dwars door het veld liep. Hij toonde dien aan Vanissa.
„Die man is geen der strijders," zeide hij: „anders zou ik den glans zn\'ner
-ocr page 55-
••5:5
ONZE VOOROUDERS.
wapenen in \'t maanlicht zien blinken. Waarschijnlijk is hij een landman uit den
omtrek, en dan kan hij ons dienst bewijzen. Hei daar, goede vriend! Hm! hei!"
Uddo ging voort met herhaalde reizen den wandelaar toe te roepen, eer deze
hem hoorde, daar de jongeling, uit vrees van ook door hun vervolgers gehoord te
worden, zijn stem niet verheffen dorst. Eindelijk echter werd de onbekende op het
geluid opmerkzaam. Hij zag om, en gaf antwoord.
„Het is Landerik, de Valkenier!" riep Uddo, verblijd: „hij bood mij zoo straks
zijn hulp aan: hij zal ons die ook thans niet weigeren."
„Wie zijt gij?" vroeg Landerik, stilstaande en de jonge lieden met een twijfe-
lenden blik beschouwende.
„Kunt gij tot ons komen?" riep hun Uddo toe: „ik vertrouw dezen moerassigen
grond niet."
„En gij hebt deugdzaam gelijk ook," zeide de Valkenier, terwijl hij, met zijn
stok den bodem voorzichtig peilende, naar hem toekwam. „Zijt gij het waarlijk
zelf, mijn brave knaap? en hebt gij toch de goede partij gekozen, den weg te
verlaten, waar meer slagen dan geld te verdienen waren?"
„Stil!" zeide Uddo, aan Landerik, die hen nu genaderd was, de hand druk-
kende: „het is de Jonkvrouw Vanissa, die wij op een veilige plaats moeten brengen."
„De Jonkvrouw!" herhaalde Landerik, verbaasd; „en hoe komt zij hier verdoold?"
„Hoe! wist gij niet, dat zij met graaf Ravening naar haar vader reisde?"
vroeg Uddo.
„Neen voorwaar niet!" antwoordde Landerik: „en nu begrijp ik, op wie Graaf
Everhard het gemunt had."
„Graaf Everhard!" herhaalde Vanissa: „was het zijn bende, die ons aanviel?"
„Ja voorwaar," antwoordde de Valkenier: „ik heb hem, ondanks zijn vermom-
ming, wel herkend, toen mij zijn dienstmannen presten, om hun den weg te
wijzen. Ik wist niet dat zij op zulk edel wild jacht maakten, en dacht, dat het
alleen op Ravening gemunt was, en daar zag ik juist zooveel kwaads niet in. Maar
waarom vlucht gij voor Graaf Everhard, lieve Jonkvrouw? Hij is immers uw
verloofde, en van hem hebt gij toch geen kwaad te vreezen."
„Helaas!" antwoordde Vanissa, „ik weet zelve niet, wie vriend of vijand is, en
het eenigste, dat ik verlang, is, een veilige schuilplaats te vinden, van waar ik aan
mijn vader of aan mijn grootmoeder een bode zenden kan, en om hulp vragen. Gij zijt
voorwaar hier recht van pas gekomen om raad te verschaffen. Wat moeten wij doen ?"
„Hetzelfde," zeide Landerik, „als de vos doet, wanneer hem de honden nazitten:
namelijk, alle middelen in \'t werk stellen om aan de vervolging te ontkomen."
-ocr page 56-
■M
ONZE VOOROUDERS.
„Goed!" zeide Vanissa: „maar de vos is met al de wegen bekend, en weet de
schuilhoeken te vinden, die het bosch of het duin hem opleveren: en wij zijn nooit
te dezer plaatse geweest."
„Maar ik wel," zeide Landerik: „ik heb niet voor niets hier honderden
malen het veld doorkruist om de plekken op te sporen, waar de reiger zich
ophield, en ofschoon het lang geleden is, toch ben ik in deze oorden niet vreemd
geworden. — In allen gevalle zal ik u niet verlaten voordat ik u in veiligheid
zie. Gij hebt mij het leven gered, en Landerik is geen ondankbare slang, die de
hand bijt, welke hem verwarmd heeft. — Maar nu blnTt de vraag: waar wilt gij
heengaan ?"
„Waar gingt gij zelf heen?" vroeg Uddo: „mij dunkt, wij konden u derwaarts
vergezellen."
„Ik was op weg naar mijn goede meesteres, de Gravin Bertrada, toen mij de
wapenknechten medevoerden," antwoordde Landerik: „en ik houd mij overtuigd, dat
zij u met blijdschap zal ontvangen. Maar gij moet weten, de weg is ver en moeilijk,
en gij zult den geheelen nacht wel dienen door te loopen."
„Hoe!" zeide Uddo: „staat hier geen enkele boerenwoning, geen hut, waar de
Jonkvrouw rusten kan?"
„Helaas!" zeide Landerik met een zucht: „toen de goede Graaf Tietbold nog
het bestuur voerde, stond menige woning hier, waarvan de deur voor den reiziger
niet gesloten was; maar sedert het zwaard van den gevioekten Noorman___"
„Voorzichtig, goede Landerik!" viel hem Uddo in de rede; „gij vergeet, dat gij
tegen de dochter des Noorman s spreekt."
„Ach!" zeide Vanissa: „laat hem spreken: hij heeft recht, en ik zelve zou tranen
kunnen storten bij de gedachte aan al het leed, dat mijn stamgenooten hier aan den
andzaat hebben berokkend. — Maar gelooft gij waarlijk, Landerik! dat de weduwe
van Tietbold ons goed onthaal zal bieden?"
„Voorzeker geloof ik dat," antwoordde Landerik: „zij is de beste vrouw van
de wereld, al is zij van Noorsche afkomst: en, ofschoon zij weinig gezag meer heeft,
zij is toch een nicht van den Hertog, en Graaf E verhard zal zich tweemaal bedenken,
eer hij u durft aanranden zoolang gij onder hare bescherming staat."
„Gij hebt gezien, hoever zijn stoutheid gaat," zeide Vanissa: „heeft hij het
geleide geëerbiedigd, dat mijn Vader mij gegeven had? In waarheid! nog kan ik het
mij niet voorstellen."
„Laat ons toch niet langer tijd verliezen," zeide Uddo: „Ik vrees ieder oogenblik,
dat zij ons op het spoor komen."
-ocr page 57-
Arpad volgde hem met gevelde lans over de vlakte achterna. Het was een rennen op leven
en dood.
Toen Weender aan de hoeve kwam, was zün vervolger zoo kort achter hem, dat hy zich van
het paard en over de onderdeur naar binnen liet vallen, terwjjl de lans van Arpad naast hem den
deurstyi trof met zulk een kracht dat het ijzer in het hout bleef vast zitten.
Onze Voorouders. — De Hunenborg, blz. 36.
-ocr page 58-
85
ONZE VOOROUDERS.
„En uw vrees is niet ijdel," zeide Landerik: „want, zoo mijn ooren mij niet
bedriegen, dan ritselt het ginds in het bosch."
Allen luisterden in gespannen verwachting: eensklaps hoorde men een paard
in de verte hinniken en de schimmel van Vanissa brieschte ten antwoord terug.
„Nu zijn zij ons op \'t spoor," zeide Landerik: „en er blijft geen andere uitkomst
dan in de vlucht."
„Maar," zeide Uddo; „zullen zij ons niet des te spoediger zien en inhalen, wanneer
wij de opene vlakte opgaan?"
„Zien ja: maar inhalen — dat zal zoo gemakkelijk niet gaan," zeide Landerik,
terwijl hij het paard bij den toom nam en het veld intrad: „als wij slechts zooveel
op hen vooruit zijn, dat het hun onbekend blijft, welk pad wij genomen hebben."
ft* ft***
TV
ooit had hij die geheimzinnige verschansing van den Hunenborg zoo van
nabij gezien. De Hunenborg bestond uit een mengelmoes van lage gebou-
wen, welker daken slechts even boven den sterken ringmuur uitstaken,
die bovendien verdedigd werd door een breede gracht, welke in den winter vol water
stond en in den zomer een ondoorwaadbaar moeras vertoonde. De eenige toegang
tot den Borg was langs een smalle kaai, die op de binnenpoort toeliep en welke
in het midden verdedigd werd door een zoogenaamd vechthuisje, met een kleiner
poortje voorzien, slechts even wijd genoeg om aan eenen ruiter tevens den doortocht
te vergunnen. Voor dit poortje nu stond Weender te vloeken, terwijl hij in dolle
spijt met het hout van zijn spies op de getraliede deur sloeg, en met luider stem:
„Barta! Barta!" riep.
Het scheen echter, dat men zijn geroep van binnen niet geheel onbeantwoord
wilde laten. Hoewel na een geruimen tijd toevens, werd eindelijk de binnenpoort
ontsloten. Een Madschaar, jonger en edeler van gestalte dan Doltschoff, reed op een
gitzwart ros naar buiten en hield, aan de andere zijde van het poortje, tegenover
Weender stand.
„Wat wilt gij ?" vroeg de Madschaar, in wien wij Arpad herkennen.
•
-ocr page 59-
-ocr page 60-
>
30                                                                     OXZE VOOROUDERS.
„Wat ik wil?" antwoordde de boerenknaap: „Barta wil ik, die met euvele en
schendige kunstenarijen uit het huis van haar ouders is ontvoerd."
„Ontvoerd!" herhaalde Arpad: Ja, toen zij op het punt stond van naakt en
hulpeloos te worden uitgedreven. — Maar keer terug, knaap! want Barta is mijn
gade: en niemand, wie hij zij, heeft het recht haar mij te ontnemen."
„De uwe! Barta de uwe!" riep Weender, bevende van droefheid en toorn.
„Zoo is het," hernam Arpad: „vrijwillig heeft zij mij haar hand geschonken.
Onderwerp u aan het noodlot, goede Weender! Ik weet, gij hebt haar ook liefgehad:
gij alleen zijt haar blijven verdedigen, toen ieder haar schuldig hield: en daarvoor
dank ik u. Daarom, laat er geen vijandschap bestaan tusschen ons, onderwerp u aan
hetgeen niet meer hersteld of veranderd worden kan, en neem de hand aan, die u
welwillend wordt aangeboden."
Dit zeggende stak Arpad hem de ontbloote rechterhand door de traliën toe.
Weender, \'t zij door spijt en wraakzucht vervoerd, \'t zij misschien huiverig om den
Heiden de hand te reiken, leide, in de plaats van deze, de punt zijner spies in de
handpalm van Arpad.
„Dat is een harde hand!" riep de Madschaar, en, niet zonder recht vertoornd
over deze bejegening, boog hij met zijne sterke vingeren de punt van het ijzer krom,
terwijl hij met de slinke beweging maakte van de deur te openen. Weender, door dit
kracht-bewijs van den Madschaar ontsteld, zag de gevolgen zijner dwaasheid in: en
zich niet tegen hem bestand achtende, wendde hij den teugel en toog met snelheid
op de vlucht. Arpad had intusschen do deur geopend en volgde hem met gevelde
lans over de vlakte achterna. Het was een rennen op leven en dood: in twee minuten
was de afstand, die den Hunenborg van Scholte Linde scheidde, afgelegd: en onge-
twijfeld had Arpad den vluchteling achterhaald, zoo het paard van dezen niet te veel
vooruit ware geweest en den stal geroken had. Met dat al, toen Weender aan de
hoeve kwam, was zijn vervolger zoo kort achter hem, dat hij den tijd niet had om
de dubbele deur te ontsluiten, maar, ten einde den op hem gemunten steek te
ontwijken, zich van het paard en over de onderdeur naar binnen liet vallen, terwijl
de lans van Arpad naast hem den deurstijl trof met zulk een kracht, dat het ijzer
in het hout bleef vast zitten. Arpad deed geen moeite om het er uit te halen: maar,
zich wellicht over zijn drift schamende, wendde hij zijn paard en keerde op een
bedaarden stap naar den Hunenborg terug.
-ocr page 61-
ONZE VOOROUDERS.                                                              37
|fe 0cstodri{c (miilüft*
Doorluchte Graaf! vóór Gunther van Lunenburg plaats neemt, moet hij u
verzoeken, deze vreemde vrouw te hooren, die u tijdingen brengt, waar-
van de mededeeling geen uitstel lijdt."
„Zij spreke," zeide Aernout meer en meer verwonderd.
Nu trad Tetta vooruit en boog de knie. Bij deze beweging ontviel haar de
mantel, die haar oversluierde, en een algemeen gemompel van bewondering liep
onder de aanwezigen rond; want zelden had men een gelaat aanschouwd, zoo
regelmatig van vorm en edel van uitdrukking. Zoo de lieve bruid, door de fijnheid
van haar leest en de aanminnige onschuld, welke in haar heldere oogen speelde,
het toonbeeld opleverde eener bekoorlijke maagd, de Westfriezin was, in den volsten
zin des woords, een schoone vrouw. Haar gestalte was trosch en verheven: de
boezem gevuld: de blanke hals en armen sierlijk gerond. De tinten op. haar gelaat,
waarop de verlegenheid van het oogenblik het rood beurtelings rijzen en verdwijnen
deed, waren zoo teeder en doorschijnend, dat men die zou hebben aangemerkt als
bewijzen eener zwakke gezondheid, zoo niet de frischheid der lippen en de schitte-
rende zuiverheid der welgevormde tanden het tegendeel hadden bewezen. Tn haar
donkerblauwe oogen, waarboven zich twee gitzwarte, volkomen gewelfde wenk-
brauwen vertoonden, wisselden, naar de aard der gemoedsbewegingen medebracht,
fierheid, ernst en zachtaardigheid elkander af; haar voorhoofd, meer breed en
verheven dan doorgaans bij vrouwen het geval is, kondigde een buitengewone
geestkracht aan; doch de kuiltjes in kin en wangen zetteden aan het geheel iets
zachts en kinderlijks bij, \'t welk de meer strenge uitdrukking van het bovendeel
temperde.
De gasten, in \'s Graven hal vergaderd, sloegen echter met minder nauwkeurigheid
de bekoorlijke schoonheid gade der onbekende, dan zij wel in andere omstandigheden
zouden gedaan hebben, dewijl het belang der tijdingen, welke zij bracht, spoedig
hun aandacht nog sterker innam dan de persoon, welke die tijdingen mededeelde.
In den Westfrieschen tongval, en met een stem, die, eerst bevend en ongewis,
langzamerhand in vastheid van uitdrukking won, gaf zij den Graaf een kort verslag
van de ontmoeting, welke het vaartuig van haar man met de Noorsche vloot
6
-ocr page 62-
:38
ONZE VOOROUDERS.
gehad had, en van het oogmerk, door de zeeroovers gekoesterd, om aan den
Rijnmond bij Katwijk in te zeilen en een aanval op den burcht van Leiden te wagen.
Geen geringe ontsteltenis en verwarring bracht, gelijk men denken kan, dit
bericht onder de aanwezige gasten teweeg; want, hoezeer men, in de laatste jaren,
minder dan vroeger van de zeeschuimerijen der Noormannen last gehad had, ouderen
van dagen herinnerden zich nog klaar de rampen, welke zij aan deze gewesten
berokkend hadden: en allen waren evenzeer overtuigd, hoe ondernemend en dapper
hun Zeekoningen waren. De vrouwen scholen angstig bijeen, als zagen zij die
gevreesde plunderaars de zaal reeds binnendringen: de edellieden sprongen op en
riepen om hun wapenen: jonker Dirk stelde zich voor zijne bruid, als wilde hij haar
tegen een dreigend gevaar behoeden. Graaf Aernout alleen bleef bedaard: hij rees
op van zijn zetel: en, terwijl hij door zijne hooge en majestueuse gestalte boven
allen uitstak, zoo ook overheerschte het geluid zijner zware, krachtvolle stem het
ontstane rumoer, en bracht allen op eenmaal tot zwijgen.
„Indien deze vrouw waarheid gesproken heeft," zeide hij, „zullen de Zwarte
Raven niet lang vertoeven met hun voornemen te bewerkstelligen. Voor den avond
echter verwacht ik hen niet: want ook zij moeten van den storm geleden hebben
en de wind is hun tot nu toe niet gunstig geweest om den Rijnmond te bereiken.
Ga daarom heen, mijn zoon! laat den ingang der rivier met gezonken schepen
worden verstopt en poog den vijand te beletten, zijn volk aan den duinkant aan
wal te zetten. — Gij Halewijn van Leiden! handel evenzoo aan de monden van
Merwe en Lier; want ook daar kunnen zij een aanval beproeven. Ik zal intusschen
met wie mij volgen wil, mij naar Eikenduinen begeven, gereed om hulp te verleenen
aan die zijde, waar ze het noodigst wezen mocht. Gij, vrouwke! zult op dezen
burcht den loop der gebeurtenissen afwachten en loon of straf ontvangen, naarmate
gij waar of onwaar zult gesproken hebben."
Met deze woorden ontdeed de Graaf zich van het lang en slepend opperkleed,
dat hem versierde, en omgordde zich met de ijzeren wapenrusting. Dirk, gewoon
zijns vaders bevelen blindelings te gehoorzamen zonder die te onderzoeken, had
zijn bruid reeds vaarwel gekust en de zaal verlaten met een aantal dappere edelen,
die, \'t zij om aan den leenplicht te voldoen, \'t zij uit zucht naar krijgsroem, tot
den tocht bereid waren. Ook Halewijn van Leiden was met een uitgelezen bende
vertrokken. Nu trad Gunther van Lunenburg naar Withilde toe en nam haar bij
de hand.
„Met verlof!" zeide hij tot den Graaf: „Withilde is nog niet aan uw zoon
verbonden. Tot zoolang is zij door haar vader aan mijne zorgen toevertrouwd. Hier
-ocr page 63-
39
ONZE VOOROUDERS.
kan zij bij een strooptocht wellicht gevaar loopen. Sta dus toe, dat ik haar weder
aan boord van onze schepen voere, ten einde zij in staat zij, bij de nadering der
roovers, de rivier weder op te varen en zich aan hun vervolging te onttrekken.
Valt er van hen aan die zijde niets te duchten, zoo keer ik aan \'t hoofd mijner
volgers terug en kom als een trouw bondgenoot u onze diensten aanbieden."
Het gelaat des Graven werd donker als de nacht. „Indien gij van oordeel zijt,"
zeide hij, „dat de jonkvrouw op uw schepen minder gevaar loopt dan op Aernouts
grafelijken burcht, zoo voer haar met u en vlucht waarheen gij wilt! Maar bij de
wonden onzes Heeren! ik heb, om de Xoren van de kust te houden, de hulp van
zulke voorzichtige bondgenooten niet van doen."
Dit gezegd hebbende verwijderde hij zich in drift, gevolgd van zijn hofstoet.
Gunther schudde het hoofd; maar liet daarom het opzet, dat hij verstandigst
oordeelde, niet varen: en weldra zat Withilde achter hem op het ros, dat met
vluggen spoed den weg naar de Mervve opdraafde.
mm
At jtttttjjer.
Ook nu had de harp hare gewone uitwerking gedaan, en de lieftallige
schoonen, om Othilde vergaderd, opgetogen van bewondering gelaten; —
maar vooral was de edele Gravin zelve verrukt, wederom eens zangen te
hooren, zooals zij die te zelden vernam, sedert zij de Saksische landpalen verlaten
had. Haar blik rustte met een uitdrukking van dankbaarheid op den begaafden
zanger; maar weldra sloeg zij dien weder op haar tapijtwerk: want de ingeving,
welke den jongeling bezield had, was geweken; zijn gelaat was weder effen en
zonder tinten, gelijk de natuur na den ondergang der zon, en zijn oogen stonden
flets en levenloos, als ware hijzelf, gelijk zijn harp, slechts een onbezield werktuig,
door een kunstrijke hand te zamen gesteld om akkoorden voort te brengen.
Een oogenblik later echter, wanende, dat de zanger aan haar stilzwijgen een
ongunstige uitlegging zou kunnen geven, en zijn eergevoel niet willende kwetsen,
lichtte Othilde weder het bevallige hoofdje op en sprak hem toe in de volgende
woorden, die met een betooverenden glimlach verzeld werden:
-ocr page 64-
40
ONZE VOOROUDERS.
„Waarlijk! meester Ulrieh! wij zijn grooten dank verschuldigd aan die booze
ziekte, die u binnen het Markgraafschap gehouden heeft, en zonder welke gij onge-
twijfeld verre van hier zoudt zijn om de gasten, op het steekspel te Luik aanwezig,
te vermaken."
„In waarheid," zeide Ulrieh, terwijl zijn aangezicht door die gedachte even werd
opgeklaard: „daar moest ik zijn: daar zal om den prijs gezongen worden, en nu zal
Eberhard van Heiningen daarmede gaan strijken: want Koen van Zwaben, mijn
beste leerling, bevindt zich in Utrecht: — nu! men moet anderen ook wat gunnen:
Eberhard heeft reeds dikwijls genoeg zijn keel heesch geschreeuwd zonder iets te
ontvangen. — En mijn goede Heer Engelhart zal ook weinig in zijn schik zijn, dat
hij zijn Ulrieh niet heeft om hem als verwinnaar op het steekspel te begroeten."
Bij het hooren van dit gezegde des meistreels zagen de jonge meisjes elkander
glimlachende aan en de Gravin sloeg de oogen neder. Slechts eene van uit den hoop,
Aleide van Brederode, wierp een ontevreden blik op den zanger: zij, een bloedver-
wante van Graaf Dirk, begreep, dat het den vreemdeling weinig betaamde, aan het
Vlaardinger hof iemand anders als vermoedelij ken overwinnaar op het steekspel aan
te duiden dan het doorluchtige Hoofd van haar geslacht. „Naar het mij toeschijnt,"
zeide zij, zich met een spijtigen lach tot de Gravin wendende, „weet deze vinder
niet dat de Graaf van Holland zich mede te Luik bevindt; anders zou hij met wat
minder gewisheid den zegepalm aan dien Engelhart van Lach toekennen."
„Heil en eere den edelen Grave!" zeide Ulrieh, een weinig verlegen over de
woorden, die hij zonder nadenken geuit had: „maar voorwaar! hij zal aan mijnen
Heere Engelhart van Lach een geduchte tegenpartij hebben en de hulp van zijn
H. Patroon behoeven om niet uit den zadel gelicht te worden; want hoe grooter
zijn roem is, zooveel te eerder zal zich Engelhart tegen hem overstellen."
„Heilige Maagd! wat zegt gij daar?" vroeg de Gravin, verbleekende en den
draad aan hare vingers latende ontsnappen.
„Dwaasheden!" zeide Aleide: „het bloed van Gerolf vreest de gevelde lansen
niet: en uw doorluchte gemaal zal den roem van zijn geslacht wel weten op te
houden."
„Neen! mijn lieve nicht!" hernam Othilde, zich naar Aleide buigende en zacht
genoeg sprekende om niet door den vinder te worden verstaan: „ik vrees, dat hij
maar al te zeer de waarheid spreekt. Vanwaar anders die merkwaardige overeen-
stemming tusschen zijn waarschuwing en die, welke wij hedenmorgen ontvingen?"
„Wat bedoelt de Gravin?" vroeg Aleide, die op dien morgen van het kasteel
was verwijderd geweest.
-ocr page 65-
41
ONZE VOOROUDERS.
„Och!" antwoordde deze: „ik had den Bijbel in de Hofkapel laten raadplegen
om naar het lot van mijn gemaal te vernemen: en de plaats die zich voordeed luidde,
volgens de verklaring van Pater Wolf brand: „en de engel stond op tegen Balaam..."
engel, Engelhart, nu beseft gij de oorzaak mijner bekommering."
„Maar!" zeide Aleide: „ik zie niet, dat zulks nog bewijst dat de Graaf over-
wonnen moet worden."
„En dan," vervolgde Othilde, „het gekras van dien nachtvogel, die alle avonden
op den lindeboom recht tegenover mijn slaapsalet gaat zitten, is ook niet zonder
voorbeduiding. Och! ik zorg, er heeft een ongeval plaats gehad."
Op ditzelfde oogenblik deed zich een luidruchtig rumoer buiten het slot hooren.
Het was een verward geschreeuw en gegalm, een gedraaf en een gedruisch, alsof
de gansche bevolking van Vlaardingen op de been was.
|f* Jfwstlje $jimtUHtttt$t*t
Zoo Ubbo, gelijk de held van \'Israël, bezweken was, hij was niet,gelijk deze,
begonnen met een valsch middel aan de hand te doen. Dit bleek daaruit,
dat, na weinige proefnemingen, de wel door Burkhart met zijn mede-
arbeiders gestopt was. De rechte wijze, waarop zulks geschiedde, vindt men niet
vermeld; het afbeeldsel van een zwarten stier, in een der kerkpilaren gesneden, en
de daaronder geplaatste regels:
Accipe posteritas, quod per tua secula narres.
Taurims cutibus fundo solidata columna est. \')
doen vermoeden, dat het wellicht ten deele heeft bestaan in het wringen van
ossenhuiden in de wel, die het vocht hebben opgeslorpt en het doordringen belet.
Het was avond. Vreugde heerschte bij de werklieden, daar zij zagen, dat hun
\') Nakomeling, verhaal eeuw in, eeuw uit:
Dees zuil staat hier gevest op stierenhuid.
-ocr page 66-
42
ONZE VOOROUDERS.
arbeid deze reis een beter gevolg zoude beloven. Vroolijk en onder blij gezang
omringden zij den kuil, dien zij meteen zouden verlaten om den dag daaraan met
het leggen der grondslagen te beginnen. Vader Burkhart wreef zich de handen en
was recht in zijn schik; maar zijn uitbundige blijdschap werd eenigszins getemperd,
toen hij, zich omwendende, op zijn gewone plaats aan de heining, den ouden
Kuldeeer gewaarwerd.
Hij vermande zich echter: en, een ongedwongen toon pogende aan te nemen,
trad hij naar hem toe.
„Zoo, meester!" zeide hij; „gij ziet dat de Stichtsche bouwmeesters het ook
kunnen, al zijn zij niet op de school te York geweest. De wel is gedicht, vader!
en gij zult ons nu niet langer meer uitlachen."
„De wel gedicht!" herhaalde Plebo, ieder woord, dat hij uitsprak, latende vallen,
alsof er een pond gewicht aan hing: „en mijn zoon—"
„Hoor oude!" zeide Koert, al lachende: „wees op een anderen dag wijzer en
vertrouw uw geheim aan geen verliefde knapen."
Een vreeselijke blik van den ouden man deed Koert met ontzetting terugtreden.
„Kom, meester Plebo," zeide Burkhart: „de Bisschop en gij hebben fijn tegen
fijn gespeeld; maar dat alles vergeten en vergeven zij, en laat ons ten minste
vrienden worden. Help mij slechts uw zoon terug te vinden; want waar hij schuilt,
dat weten noch ik, noch zijn bruidje. En gij beseft, dat daar hij nu toch mijn
toestemming heeft om met mijn dochter te trouwen —"
„Ha! ha!" zeide Plebo, in een schaterend, afschuwelijk gelach uitberstende:
„uw dochter en mijn zoon___ha! ha!___" en deze woorden geuit hebbende, drong
hij door de omstanders heen en verdween als het weerlicht.
„Hij is gek geworden, de arme man!" zeiden sommigen.
„Dat alles staat mij maar matig aan!" zeide Burkhart, met een angstig voor-
gevoel: „ik ga eens zien, hoe mijn dochter het maakt."
En dit gezegd hebbende, begaf hij zich naar huis. Zijn dochter was er niet.
Een kleine knaap had haar een boodschap gebracht, die haar terstond had doen
vertrekken. Volgens het zeggen der buren, was zij de poort uitgetrokken, en wel
naar de zijde der Amerongsche heide.
Wij zullen den beangsten vader in zijn onzekerheid laten, om die van onzen
lezer weg te nemen. De boodschap, door het knaapje aan Maaike gebracht, hield
in, dat Ubbo haar op de heide bij de drie eikeboomen wachtte. Maaike kende die
plaats; want zij had er Ubbo meer ontmoet, voordat zijn bezoeken nog door haar
vader gedoogd werden; maar nooit in het donker avonduur. Intusschen, zij bedacht
-ocr page 67-
1H
ONZE VOOROUDERS.
zich niet lang; maar, haar mantel omslaande, snelde zij naar het bestemmingsoord
toe. Het was een gure najaarsavond: de wind gierde met een akelig gehuil door
de dorrende takken en dreef de \'witte wolken voor zich uit, wier breede schaduwen
als onmetelijke nachtvogels over de grijze vlakte vlogen. De maan, die slechts nu
en dan te voorschijn kwam, gaf aan ieder voorwerp een onbestemden phantastischen
schijn: en menigeen, althans in die eeuw, die zich op de eenzame heide bevonden
had, zou van angst terug zijn gekeerd. Maar Maaike zag niets en hoorde niets van
wat om of boven haar gebeurde. Zij ging den geliefde zoeken, en zonder omzien
snelde zij voorwaarts. Weldra ontdekte zij van verre de drie gewenschte boomen,
den eindpaal van haar tocht. Zij verhaastte haar tred: — en weinige oogenblikken
later bevond zij zich bij haren Ubbo.
Ach! zij had zoo verlangd hem terug te zien: waarom stond zij nu sprakeloos
en bevend voor hem? — \'t Is, dat zij, niettegenstaande al de drogredenen, haar
door den Bisschop voorgehouden, en al de troostwoorden, door haar vader Burkhart
gegeven, en al de redeneeringen, waarmede zij haar geweten had zoeken te paaien,
te wel gevoelde, hoezeer zij hem, den geliefde, beleedigd had.
Hij ook, hij stond zwijgend en doodsbleek haar aan te staren, die hij zoo teeder
had bemind.
Deze toestand was echter te hartverscheurend voor beiden om lang te kunnen
duren. Maaike, die |het gevoel had als ware zij op het punt van te stikken, brak
het eerst de stilte en trachtte aan haar toespraak een blijmoediger wending te geven.
„Ubbo!" zeide zij: „waarom zijt gij drie dagen weggebleven? Ik had u zulk
een blijde tijding mede te deelen. Mijn vader stemt in ons huwelijk: hij wilde u
voorstellen, u hier te vestigen en zijn medehelper te worden."
„Waarlijk?" zeide Ubbo: „ik ben hem veel dankbaarheid verschuldigd. Jammer
maar, dat ik aan zijn bedoelingen niet beantwoorden kan___Utrecht mag mij niet
meer in zijn muren zien. — Ik heb u daarom verzocht hier te komen;___want ik
wilde niet vertrekken, zonder u het laatst vaarwel te zeggen."
„Ubbo!" kreet Maaike. Meer kon zij niet uitbrengen: zij gevoelde opeens het
gansche gewicht der schuld, die haar drukte.
„Ik wil u geen verwijtingen doen," vervolgde hij op een kouden, schijnbaar
onverschilligen toon, die haar door de ziel sneed: „gij waart slechts een werktuig
in de handen des machtigen Bisschops. Ook hij is verschoonbaar: hij kon zijn kerk
niet stichten zonder het geheim te kennen. Ik alleen ben de schuldige, en ik moet
mijn straf zonder morren dragen."
Hier zweeg hij een oogenblik en zuchtte. Het scheen beiden toe of die zucht,
-ocr page 68-
>
44                                                             ONZE VOOROUDERS.
op nog droeviger toon, kort nabij hen, herhaald werd. Zij luisterden;___ maar
hoorden alleen den wind, die door den hollen eikentronk gonsde.
„En waarom— waarheen wilt gij nu gaan?" vroeg Maaike, terwijl zij de
koude hand van Ubbo poogde te omvatten.
„Waar mijn plicht mij roept," antwoordde de jongeling: „naar de Kuldeeërs,
om mij aan te klagen als een verrader hunner verborgenheden."
„Ubbo! om onzer Lieve Vrouwe wil!" gilde het arme meisje, zich aan hem
vast klemmende: „doe dat niet! zij zullen u dooden."
„De dood zou mij welkom zijn," zeide Ubbo: „maar dien heb ik niet van hen
te vreezen: erger nog, de schande der afzetting— de onwaardig-verklaring___
om \'t even; ik moet die dragen.... en kunnen zij mij zwaarder straffen, dan ik
mijzelven doe door deze scheiding?"
„Neen!" vervolgde zij, hem al gedurig sterker omvattende: „gij moet niet tot
hen wederkeeren: gij moet uw banden met die kinderen Belials voor altijd ver-
breken en bij mij blijven en u weder tot een vroom en Christelijk leven begeven!....
O kom hier, hier aan mijn hart, voor eeuwig hun vloekverbond afzwerende
„En het eene verraad op het andere stapelen, nietwaar!" zeide Ubbo, het
hoofd schuddende: „Maaike! daar spraakt gij niet; het was de Bisschop, die zich
door uwen mond deed hooren. In geenen opzichte verdienen de Kuldeeërs den
schandnaam, dien gij hun geeft. Gij vindt wellicht bij hen meer oprechte vereerders
van den grooten Schepper, op wiens voorbeeld zij arbeiden, dan bij uw vadzige
kloosterlingen. Dat zij geheim zijn met hun kennis, kan niemand met recht mis-
prijzen. Hij, die den boom plant en opkweekt, heeft ook recht op de vruchten.
Neen! tot hen moet ik wederkeeren: uit mijnen mond zullen zij mijn schande
vernemen en tevens mijn berouw. Vaarwel Maaike! voor \'t laatst vaarwel!"
Met deze woorden drukte hij een afscheidskus op haar bestorvene lippen, maar
zij hield hem zoo vast omsloten, dat hij geweld zou hebben moeten gebruiken om
zich van haar te ontslaan.
„Neen!" riep zij met de kracht der wanhoop: „gij zult niet gaan. Mij hebt gij
liefde en trouw gezworen en ook die eed is heilig. Ik zal niet meer op uw Kuldeeërs
vloeken; maar wat behoeft gij tot hen te gaan en u aan onnoodige schande bloot
te stellen? Blijf hier! hier zullen wij vereenigd en gelukkig zijn. De Bisschop zal u
gunstig wezen: hij zal u werk verschaffen, hij heeft het mij beloofd: hij zal u tot
vader strekken."
Deze woorden brachten Ubbo, die reeds begon te wankelen, weder tot het
-ocr page 69-
Een oogenblik later echter, wanende dat de zanger aan haar stilzwegen een ongunstige
uitlegging zou kunnen geven, en z\\)n eergevoel niet willende kwetsen, lichtte Othilde weder het
bevallige hoofdje op en sprak hem toe in de volgende woorden, die met een betooverenden glimlach
vergezeld gingen....
Onze Voorouders. — Ulrich de Zanger, blz. 3.9.
-ocr page 70-
ONZE VOOROUDERS.                                                                    45
volle besef van zijn plicht. „Mijn vader!" riep hij, en hij bedekte zich het gezicht
met de beide handen.
„Uw vader," herhaalde Maaike, misleid omtrent het gevoel dat dezen uitroep
had ingegeven; „o! zoo uw vader mij hoorde, zou ook hij niet zijn gebeden bij de
mijne voegen, om u te beletten van hier te gaan en u aan schande bloot te stellen?"
„Daarin bedriegt gij u, deerne!" zeide een holle stem, die uit den grond scheen
op te rijzen: en de maan, die van achter een wolk te voorschijn kwam, vertoonde
het somber gelaat van den ouden Plebo aan hun oogen. Maaike stortte als verplet
ter aarde.
„Vader!" gilde Ubbo, zich voor den bouwmeester op de knieön werpende.
„Had ik dat van u kunnen verwachten?" vroeg Plebo, op een langzamen, bit-
teren toon, „van u, mijn eenige, mijn lieveling, dat gij uw weldoeners om een paar
schoone oogen verraden, en mij in eeuwigen rouw zoudt gestort hebben?"
Ubbo zweeg en hield de oogen neergeslagen.
„Ik heb uw besluit gehoord," vervolgde Plebo, „en ben over uw berouw voldaan.
Ach! dat ik een middel wist, om u aan de schande te onttrekken, die u wacht."
Ubbo lichtte het hoofd op: een flikkering van hoop blonk in zijn oogen: „dood
mij, vader!" zeide hij.
„Ik dacht daarover," hernam Plebo, terwijl hn\' een dolk beschouwde, die in
zijn hand blonk: „maar vooraf— omhels mij, mijn Ubbo!"
De jongeling stortte zich in de armen zijns vaders.
Den volgenden morgen vond de oude Burkhart twee lyken onder de eikeboomen
op de heide liggen.
Het was echter niet de warmte van het vertrek, gelijk zij aan haar
gemaal verteld had, die de oorzaak was geweest van Petronella\'s onge-
steldheid. Nauwelijks had de Graaf zich verwijderd, of zij had zich op
haar sponde neergeworpen en was in bittere tranen uitgebarsten. Vergeefsch was
het, of de juffers poogden te vernemen, wat haar deerde: zij gaf geen antwoord en
liet zich ontkleeden zonder spreken. Langzamerhand echter bedaarden die teekenen
-ocr page 71-
-ocr page 72-
40                                                              ONZE VOOROUDERS.
eener innerlijke ontroering; zij zeide, dat zij zich beter gevoelde, en begaf zich te
bedde. Kort daarna kwam de Graaf naar haar vernemen, zij hield zich slapende en,
nu volkomen gerustgesteld, verliet hij haar. Vroeg in den morgen hief zij zich op
van \'t ledikant: er was niemand bij haar dan Mathilde, de vriendin harer jeugd, die
bij haar sponde was blijven waken.
„Ik wil opstaan," zeide Petronella: „ik wil mij aankleeden: het is mij hier
ondraaglijk."
„Wil ik uw vrouwen roepen?" vroeg Mathilde: „maar inderdaad, ik geloof, dat
gij rust behoeft, en dat het beter ware___"
„Neen!" hernam de Gravin: „ik kan niet rusten: ik verlang geen hulp dan de
uwe. Werp mij slechts een mantel om en geef mij mijn sluier: ik wil de buitenlucht
inademen: hier is het mij, of ik stikken zal."
Mathilde poogde vruchteloos bedenkingen te maken: zij moest gehoorzamen.
Met een luchtig wit opperkleed om de leden en een blauwen sluier over \'t hoofd
geslagen, daalde Petronella de achtertrap af, die naar den hof geleidde: een kleinen
boomgaard, waarin enkele bloemen bij een aanzienlijke hoeveelheid moeskruid
groeiden, en van de eene zijde aan \'t kasteel palende, van de andere door hooge
muren omsloten. De gelegenheid tot wandelen was er gering; maar er was ten
minste hetgeen de Gravin wenschte te vinden: eenzaamheid en vrije lucht.
„Zeg mij toch, in naam Onzer Lieve Vrouwe!" smeekte Mathilde, nadat Petro-
nella eenige reizen het vierkant der lanen was op en af geloopen: „zeg mij wat u
deert. Of is het voor de eerste reis, dat de vriendin uwer kindsheid u vergeefs naar
de oorzaak moet vragen van uw verdriet?"
„Gij zijt de vriendin mijner kindsheid, gij kent mij," zeide Petronella, stil-
staande en haar strak in de oogen ziende; „en gij vraagt mij naar de oorzaak van
mijn verdriet?"
„Dat doe ik," antwoordde Mathilde: „en wel des te gereeder, omdat ik meende,
dat gij eerder aanleiding hebt tot vreugde en dankbaarheid. Hoe! terwijl een razende
koorts al de Vorsten en Heeren van Europa schijnt te bevangen en naar den
overzeeschen krijg te drijven, terwijl men weldra door heel de wereld niets hooren
zal dan weeklachten en jammeren van vrouwen, die door heur mans, en meisjes,
die door heur minnaars verlaten worden, zijt gij boven duizenden gezegend door
de zekerheid, dat uw echtgenoot wijzer is dan zjj allen en zijn hartelief niet
verlaten zal."
„En ziedaar juist, wat mij grieft," zeide Petronella, met een bitterheid van
uitdrukking, die Mathilde verbaasde.
-ocr page 73-
47
ONZE VOOROUDEBS.
„Versta ik wel?" vroeg deze, haar met groote oogen aanziende: „zulk een
schoonen, beminnenswaardigen Vorst! en dien zijt gij nu reeds moede?"
„Neen! gij verstaat mij niet," hernam de Gravin, van spijt met den voet
stampende: „zoo hij, op het voorbeeld van zooveel wakkere Ridderen, het kruis
had aangenomen, ik zou misschien tranen van droefheid bij ons scheiden gestort
hebben, maar ik had mij getroost met de gedachte, dat hij daarheen trok, waar zijn
ridderplicht hem riep. — Of nog beter, ik ware hem gevolgd, ik ware met hem ten
strijde getogen: ik had met hem in de gevaren van reis en zee en krijg gedeeld.
Maar hem in de oogen van zooveel wakkere mannen onteerd te zien, dat grieft
mij in mijn binnenste, dat doet mij tranen schreien, die nimmer zullen opdrogen."
„Onteerd," zeide Mathilde: „de edele Graaf zou onteerd zijn, omdat hij uit
liefde voor zijn onderzaten in Holland blijft!"
„Helaas!" vervolgde Petronella, zonder naar haar vriendin te luisteren: „toen
mijn vader mij de tijding bracht, dat hij mijn hand aan den Erfzoon van Holland
had verloofd, toen verheugde ik mij; want ik wist, hoe dapper en beroemd Dirk V
en zijn vader en al de nazaten van Gerolf, Thietbouts zoon, geweest waren: en ik
waande, dat zoo edel en doorlucht een bloed nooit kon ontaarden: en mijn boezem
zwol hoog bij de gedachte, dat ik zou deelen in de eer, aan dien stam van helden
beloofd. En toen ik hem zag, toen werd ik in mijn dwaling versterkt: want de
Graaf is schoon, gelijk gij zegt: zijn houding is vorstelijk en edel, en zijn blik kan
waardig en minzaam tevens zijn. — Maar ach, hoe vond ik mij bedrogen! Hij bemint
mij, \'t kan zijn; hij voorkomt de wenschen die ik uit: en ik ware ondankbaar, zoo
ik mij over zijn gedrag jegens mij beklaagde, maar hoe geheel verschillend is hij
van dien Floris, dien ik mij had voorgesteld! De ridderlijke oefeningen worden door
hem verwaarloosd, weinig geacht, ja zelfs bespot: den Adel des lands behandelt hij
met onverschilligheid, terwijl hij zich met dorpers en gemeene lieden uren achtereen
bezig houdt en zijn tijd doorbrengt aan het beramen van plannen tot droogmaking
van moerassen — alsof het gansche land geen moeras ware — tot het uitroeien van
een bosch of het slechten van wat men hier, God beter \'t, een berg noemt! Zijn
dat handelingen, een Graaf van Holland waardig? O! het is schrikkelijk om te zien,
hoe de Edelsten des lands, de Brederodes, de Arkels, achter zijn rug de schouders
over hem ophalen."
„Maar de menigte heeft hem lief."
„Wie bekreunt zich om hare liefde? — Toont hij niet juist daardoor zijn laag-
heid, dat hij de gunst der boeren zoekt te winnen? — Foei! dat ik hem dus in aller
oog moet vernederd zien. Nu al wat vroom en edel denkt de wapenen opvat om
-ocr page 74-
48
ONZE VOOROUDERS.
zich door brave daden den Hemel te verwerven, zal hij alleen te huis blijven, gelijk
een landhoorige lijfeigene. Die gedachte is onduldbaar."
„Wie weet," waagde het Mathilde te uiten, „of het niet juist zijn liefde voor
u is, welke hem wederhoudt. Wellicht, zoo hij wist, hoe groothartig gij denkt, hoe
bereid gij wezen zoudt om met hem den overzeeschen tocht te aanvaarden, dat hij
van gedachten veranderen zoude."
„IJdele troost," zeide Petronella: „zijn eigen eer, niet zijn genegenheid te
mijwaarts, moest hem tot dien tocht doen besluiten. — O mijn vader! mijn vader!
gij hebt een roemzuchtigen echtgenoot voor mij willen uitzoeken en gij hebt te
deerlijk in de keuze misgetast. Ach! waarom hebt gij mij niet voor hem bewaard,
wien ik als een kind reeds voor mij bestemd waande en tot alles wat groot en
goed was in staat kende. O Robbert! Robbert!"
„Petronella!" zeide een bevende stem: en de Ruwaard van Vlaanderen stond
voor haar.
De Gravin kon den schreeuw van verrassing niet bedwingen, welken deze
onverwachte verschijning haar afperste. Er was echter niets wonderbaars in \'t spel.
Aan Robbert was een verblijf aangewezen geworden in den tweeden toren, die
insgelijks een uitgang had in den hof. Hij had Petronella van uit zijn kamervenster
ontdekt, was naar buiten gegaan, achter een heining, welke hem genoegzaam
verborg, tot in haar nabijheid geslopen, en haar nu onverhoeds genaderd.
Beiden stonden een oogenblik zwijgend en in een verlegen houding tegenover
elkander. Robbert was de eerste, die het stilzwijgen brak:
„Gij hebt mij, geloof ik, geroepen, Petronella!" zeide hij, met een onvaste stem.
„En gij, gij hebt mij beluisterd," zeide Petronella, met een blos van verwarring
op \'t gelaat: „is dat ridderlijk, is dat wel van u gehandeld?"
„O! wees niet vertoornd op mij, Petronella!" hernam de jongeling, haar met
een smeekenden blik beschouwende: „gisteravond hebt gij ons ongesteld verlaten:
en toen ik u hier zag op en neder gaan, was het mij een behoefte, af te komen en
te vernemen wat u deerde."
„En gij ziet, dat mij niets deert," zeide de Gravin, met een houding, zoo koel
als het haar mogelijk was aan te nemen.
„Ach! zoek u zelve zoomin als mij te misleiden," zeide Robbert, op een droef-
geestigen toon: „ik kan noch mag het u verhelen: ja, ik heb, onwillekeurig, uw
laatste woorden aangehoord. Die echtgenoot, wien de keuze van een onberaden
vader u opdrong___"
„Genoeg, mijn Heer!" viel hem Petronella in de rede: „dit zijn woorden, die een
-ocr page 75-
4!)
ONZE VOOROUDERS.
eerlijke vrouw niet aan mag hooren. Laten wij naar binnen gaan, Mathilcle! daar
het schijnt, dat ik niet in mijn eigen hof kan wandelen, zonder aan onbescheiden
bezoeken te worden blootgesteld."
„Neen! zoo moet gij u niet verwijderen," zeide Robbert, haar tot den ingang
van den toren volgende; „het is misschien voor \'t laatst, dat het mij vergund zal
zijn, u zonder getuigen te ontmoeten; want mijn oude vriendin Mathilde, dit weet
ik, zal mij niet verraden. Een enkel oogenblik, Petronella! een enkel oogenblik smeek
ik u om gehoor."
„Wat doet gij? Zijt gij razend?" zeide de Gravin, ziende, dat hij zich voor haar
op de knieën nederliet: „bedenk, zoo iemand u zag___"
Maar Robbert had alles wel bedacht, en de beste plaats gekozen van den
ganschen hof om zijn voetval te doen. Want zij bevonden zich op dit oogenblik
alle drie in den hoek, welken de toren met den buitenmuur maakte, zoodat deze
muur aan de eene zijde en de vooruitspringende toren zelf aan de andere hen voor
alle bespiedende oogen beveiligde.
„Ik rijs niet op van deze plaats," zeide Robbert, „voordat gij beloofd hebt, mij
aan te hooren. Bedenk, slechts weinige dagen blijf ik hier, en trek dan naar verre
landen, om er wellicht mijn dood te vinden."
„Dat u God en zijn Heiligen geleiden!" zeide Petronella, op zachter toon.
„En is dat alles wat gij aan den vriend uwer jeugd te zeggen hebt, Petronella!"
zeide Robbert, opstaande: „aan hem, die nooit ophield u te aanbidden, die zich
eenmaal vleide, u niet geheel onverschillig te zijn. Heb ik dan zoo geheel verkeerd
verstaan, toen ik daareven meende, dat ook gij die blijde dagen nog herdacht, toen
wij te zamen alles voor elkanderen waren? — Neen! zie mij zoo ernstig niet aan:
ik kan uw toorn niet verdragen: en toch___"
„Ik mag u niet aanhooren," zeide de Gravin, „zoolang gij bij voortduring ver-
geten blijft, dat de band des huwelijks mij aan den Graaf van Holland verbindt."
„O! gij behoeft mij zulks niet te herinneren," zeide Robbert met bitterheid:
„er gaat geen oogenblik voorbij, waarin ik vergeet, in welke onwaardige handen
men u heeft overgeleverd. Maar gij bemint hem niet, dien lafhartigen Graaf: o!
wederspreek mij niet: ik zou u toch niet gelooven: ik ken uw grootmoedige ziel te
wel, om niet te weten in welk een licht gij hem beschouwt: of waant gij dat ik
gisteravond de bron van uw verdriet niet heb doorgrond? De oogen der liefde zien
scherp, Petronella!"
„En ik betuig u, dat gij u bedriegt," zeide de Gravin, „en dat Floris___"
„Een held is, nietwaar?" viel Robbert haar met een hoonenden lach in de rede:
-ocr page 76-
50                                                              ONZE VOOROUDERS.
„welnu! het zij zoo. Veel geluks met uwen held! welke liefelijke, welke vreedzame
dagen vooral zult gij met elkander doorbrengen, hij met landkaarten en perkamenten
voor zich, gij met uw borduurwerk, te zamen bij den haard zittende, misschien wel
in \'t opwekkend gezelschap van dezen of genen hoevenaar met zwarte handen of
vuilen fabrikant! — En dat waren dan de schoone vooruitzichten, welke zich voor
Petronella van Lotharingen openden?"
„Robbert!" zeide Petronella, terwijl de opgekomen tranen haar spraak belem-
merden: „is dat edelmoedig van u? Ben ik niet ongelukkig genoeg?"
„Vergeef mij," riep de jongeling, een blik van verrukking op haar vestigende:
„de smart over uw gemis voert mij van \'t spoor: ik weet zelf nauwelijks wat
ik zeg. Gij zijt ongelukkig, zegt gij: o! de Hemel weet het, ik zou alles willen
opofferen om uw geluk te bevestigen; — en wellicht is nog niet alle uitzicht
voorbij. — Hoor mij aan: de Hollandsche Edelen, te recht op hun onwaardigen
Graaf verstoord, hebben zich verbonden, hem den leenplicht te ontzeggen en den
Keizer te bidden, het Graafschap eenen meer waardige op te dragen. Hun keus, ik
mag het niet verheelen, heeft zich op mij bepaald: de Keizer zal die wettigen,
en de Bisschop daarmede genoegen nemen en zijn aanspraken laten varen. Is het
eenmaal zooverre, dan zal het niet bezwaarlijk vallen, de banden, die u aan
Floris hechten, te doen ontbinden: en dan wellicht zult gij niet weigeren uw
hand te reiken aan hem, die eenmaal meende, op het bezit van uw hart te kunnen
roemen."
Misschien, zoo Robbert ware blijven voortgaan gelijk hij in \'t eerst begonnen
was en zich vergenoegd had met de ontevredenheid van Petronella tegen haar
echtgenoot te voeden en zijn eigen liefde te schetsen, dat hij zijn doel bereikt en
een volkomen zegepraal behaald hadde. Maar, gelukkig voor de nog onervaren, doch
tevens hooghartige vrouw, hij dacht zich reeds zijner zaak zeker: en de ontwik-
keling zijner plannen maakte op de Gravin een indruk, juist tegenovergesteld aan
dien, welken hij zich gevleid had teweeg te brengen.
„Heilige Moeder!" zeide zij, terwijl zij zich het gloeiend voorhoofd met beide
handen vasthield: „maar al wat gij daar zegt is afgrijselijk! hoe! men spant hier
samen tegen mijn echtgenoot, gij, de Edelen, de Bisschop, de Keizer, en God weet
wie al meer: en dat alles komt gij mij, zijn vrouw, in koelen bloede verhalen? En
dat alles zou gebeuren, op een tijdstip, waarin gij te zamen u plechtig verbindt, om
ten kruistocht te trekken en geen zwaard meer te voeren."
„Er zal geen zwaard behoeven getrokken te worden," zeide Robbert: „men zal
zich van Floris afscheiden, gelijk men van een melaatsche doet."
-ocr page 77-
„Bedenk, de vloek van een gehoonden echtgenoot, de vloek, die den meineed vervolgt!"
klonk een zware stem in hun nabijheid.
Petronella gaf een gil en Robbert bleef een oogenblik roerloos staan. Toen sloeg ht] de hand
aan den degen en zag om zich heen.
Onze, Voorouder8. — De Bedevaartganger, blz, 51.
-ocr page 78-
5]
ONZE VOOROUDERS.
„En gij vreest niet," vroeg de Gravin, terwijl haar oogen van verontwaardiging
glinsterden, „dat ik hem bekend zal maken met de ontwerpen, die gij smeedt?"
„Dat ware nutteloos en zou slechts zijn val verhaasten," zeide Robbert: „boven-
dien, hij zal spoedig genoeg van alles onderricht zijn. O, Petronella! gij ook, gij moet
hem verlaten, den nietswaardige. Bedenk het, de kroon van Vlaanderen bij die van
Holland, het gebied over de rijkste gewesten van Europa, en de liefde van een hart,
dat u aanbidt!"
„Bedenk, de vloek van een gehoonden echtgenoot, de vloek, die den meineed
vervolgt!" klonk een zware stem in hun nabijheid.
Petronella gaf een gil en Robbert bleef een oogenblik roerloos staan. Toen sloeg
hij de hand aan den degen en zag om zich heen.
„Wee hem, die de gastvrijheid misbruikt tot verraad en verleiding!" herhaalde
dezelfde stem.
„Bij alle Heiligen!" riep Robbert uit in hevige vervoering: „dat is de stem
van___ maar neen! het is niet mogelijk! In allen gevalle ik wil zien wie de stout-
heid had ons te beluisteren! Het geluid kwam van daar," zeide hij, op een der
naastbüzijnde lichtgaten van den toren wijzende: en hij wilde naar binnen snellen.
„Terug!" zeide Petronella, op een gebiedenden toon, en vervolgens, de stem
verheffende: „wie hij ook moge geweest zijn," zeide zij, „die hier gesproken heeft,
zijn waarschuwing bevatte waarheid, en ik neem die dankbaar aan."
Vervolgens zich met majesteit naar Robbert wendende, groette zij hem met
de hand en begaf zich met Mathilde binnen den toren.
Het was dan in het hoofdvertrek op de onderste verdieping, dat, in den
achtermiddag van den dag, waarop de in het vorige hoofdstuk vermelde gebeurte-
nissen hadden plaats gehad, zich het gezelschap bijeen bevond, hetwelk wij thans
bij onzen lezer moeten inleiden.
Op de eereplaats onder de hooge schouwe, waar thans reeds, hoezeer het
naseizoen nog niet verre gevorderd was, een vuurtje van plaggen op de plaat lag
te smeulen, meer als een behoedmiddel tegen de vochtigheid dan tegen de koude,
zat de schoone Mabelia van Rijnegom aan \'t spinnewiel. Moeilijk had men op tien
mijlen in \'t rond een bevalliger maagdelh\'n kunnen vinden. Zij was klein en tenger
van gestalte; en haar trekken waren nog zoo jeugdig, haar leest zoo fijn, de uit-
\'
-ocr page 79-
-ocr page 80-
52
ONZE VOOROUDERS.
drukking van haar gelaat zoo onschuldig, dat men haar nauwelijks zestien lentes
zoude hebben toegekend, schoon zij er inderdaad achttien had zien bloeien.
\'t Zij uit zuinigheid, \'t zij omdat zij werkelijk weinig onkosten aan haar kleedij
besteden kon en het Zondagsche pronkgewaad in waarde houden moest, zij had nog
altijd, gelijk zij bestendig deed wanneer zij zich te huis bevond, het eenvoudige
grijze kleed aan, dat zij in het klooster te Bennebroek reeds gedragen had: en een
bidsnoer van fraaie bloedkoralen, met amber afgewisseld en aan welks einde een
gouden kruis prijkte, hing van haar zijde af. Den kaper echter had zij sedert lang
vaarwelgezegd en een bos van goudblonde krullen golfde in weelderigen overvloed
over den blanken hals neer en omgaf een gezichtje, rond, aanminnig, frisch en
rozevervig als dat van een kind. De helderblauwe oogen waren verscholen achter
pinkers, zoo lang, dat zij een flauwe schaduw verspreidden over de blozende wan-
gen, met twee bevallige kuiltjes voorzien; het neusje was buitengewoon fijn van
vorm: het welbesneden mondje, als een kers zoo rood, scheen kleiner nog dan de
oogen: en de geheele uitdrukking van het gelaat ademde onschuld en oprechtheid.
De arbeid, waarmede zij zich onledig hield, is bijzonder geschikt om de bevallige
vormen eener schoone te doen uitkomen en verdiende daarom juist meer in zwang
te zijn, dan tegenwoordig het geval is: ieder oogenblik toch schonk hij de gelegen-
heid om \'t zij de blankheid op te merken der poezele hand, half in \'t grauwe vlas
verward: \'t zij de rondheid te bewonderen van den keurig gevormden arm, als zij
den draad optrok: \'t zij de fijne leest te bespieden van het kleine voetje, dat zich
op en neder bewoog om het wiel te doen snorren.
Aan haar linkerhand, en een weinig achterwaarts van haar hoogen greenhouten
stoel, zaten op een bank Mabelia\'s gezellinnen, insgelijks met vrouwelijk handwerk
bezig. De oudste, die het dichtst nevens haar geplaatst was, droeg een kleed van
donkerkleurige wol en een hagelwitten doek om den hals; terwijl een zwart kapje
de reeds grijzende haren aan het oog onttrok en de regelmatige schoon eenigszins
scherpe trekken overschaduwde. Haar ouderdom kon ongeveer vijftig zijn: en men
kon aan de deftige houding, aan den beslissenden toon, welken zij jegens iedereen,
haar meesteres niet uitgezonderd, aannam, en aan den sleutelbos, die aan haar zijde
hing, in Barta Japiks de huishoudster van het slot erkennen, die het opperbestier
voerde over keuken, kelder en voorraadkamer: die in den zomer bij het inmaken
der vruchten en in het najaar bij het bereiden van appeldrank en perenwijn, en in
alle seizoenen bij het wasschen en stijven en plooien het voorzitterschap bekleedde,
en zich door de bewoners van den omtrek Juffer liet noemen. In al de bovenge-
noemde vakken was Barta van haar jeugd af bedreven geweest: en zij had die niet
-ocr page 81-
ONZE VOOROUDERS.                                                              53
weinig volmaakt gedurende haar verblijf in het klooster te Bennebroek, wenvaarts
zij haar jonge meesteres had vergezeld.
De andere gezellin of dienstmaagd der Jonkvrouw was een frissche deerne van
vier en twintig jaar, met groote blauwe oogen, die altijd lachten, bolle gezonde
wangen en hagelwitte tanden: zij was blootshoofds en had het haar, dat ongeveer
dezelfde kleur bezat als het vlas op Mabelia\'s spinrokken, van achteren saam-
gebonden ongeveer op de wijze van een Indiaanschen vorst: zij droeg vier of vijf
rokken over elkander, die tot even onder de knieën reikten en waarvan de bovenste
donkerrood van kleur was: een lijfje van zwart wadmer omsloot niet dan met
moeite haar vollen boezem: en de kort afgesneden mouwen lieten twee bloote,
purperkleurige armen zien, aan welker geschiktheid tot alle werkzaamheid men niet
behoefde te twijfelen; de beenen waren insgelijks bloot, doch de wat al te zware
voeten binnenshuis in bonte pantoffels gestoken, die, als zij uitging, met holsblokken
verwisseld werden. Rijkje, gelijk zij heette, was de jongste dochter van den dienst-
man, die de hoeve van Rijnegom bestuurde, en de Jonkvrouw had haar boven
anderen de betrekking waardig gekeurd, welke zij aan het slot vervulde. Daar zij
leerzaam en gewillig van aard was, had zij zich onder de leiding van Barta ook
spoedig bekwaam gemaakt om haar met goeden lof behulpzaam te zijn in alles
wat de huishouding betrof: terwijl zij het overige van haar taak, dat in het schoon-
houden van vertrekken en gangen bestond, met lust en ijver volbracht.
Schuins tegenover Mabelia en omtrent in \'t midden van het vertrek zat de
eenige mannelijke inwoner van het slot (want den ouden Alfert, die bijna nooit
verder kwam dan het plein, kon men nauwelijks als zoodanig beschouwen). Deze
was Vader Volkert, de Biechtvader van den Huize. Reeds dertig jaren had hij deze
betrekking vervuld, welke thans niet bijzonder zwaar kon wezen; want zelden had
de goede man zwaardere overtredingen te vergeven, dan b. v. een klein leugentje
van Rijkje, als deze den honig zelve opgesnoept en er de kat van beschuldigd had:
of een oorvijg, die Barta in een oogenblik van drift aan de dienstmaagd gegeven
had: of een onwillekeurige onoplettendheid van Mabelia, als gedurende de gods-
dienstoefening een wereldsche gedachte zich aan de geestelijke gemengd had. Hij
had dus ledigen tijd genoeg over; doch daar wist hij zeer goeden weg mede. Wel
hield hij zich niet lang met overpeinzingen of diepzinnige studiën op; want wanneer
de goede Vader lang over iets denken moest, viel hij in slaap: en, wat de studie
betrof, hij had het nooit veel verder gebracht dan het lezen van zijn getijboek en
het schrijven van een kwijtschelding onder een rekening. Maar tot vergoeding
daarvan, wist hij zich nuttig te maken in de huishouding, en de tafel met eenig
-ocr page 82-
54
ONZE VOOROUDERS.
smakelijk gerecht te voorzien. Niemand in den ganschen omtrek wist beter dan
Vader Volkert den baars in het voorjaar te verschalken of den vratigen snoek te
plompen en ondanks zijn tegenspartelen aan wal te brengen: niemand was er
vroeger bij dan hij, wanneer het er in \'t najaar op aankwam, het vinkgetouw te
spreiden of de leeuwerikenbaan in gereedheid te brengen en de zangerige vogels
onder de listige netten te vangen. Zelfs beweerden enkele kwaadsprekers uit de
buurt, dat hij zich niet ontzien had, nu en dan, en zelfs wel op den grond der
Abdij, strikken uit te zetten en hazen of konijnen te vangen; maar niemand die
toch dorst verklaren, zulks gezien te hebben of te kunnen bewijzen: en de goede
eensgezindheid, welke ook tusschen hem en den jager bestond, toonde genoeg het
lasterlijke aan van zoodanige geruchten.
Behalve zijn behendigheid in de visch- en vogelvangst, had de goede monnik
nog een aantal begaafdheden, welke in een kleine huishouding als die van het slot
te Rijnegom op prijs gesteld moesten worden, en het gemis van mannelijk dienstvolk
eenigermate vergoedden. Hij hield namelijk boek van de kleine uitgaven en ont-
vangsten, ;\\velke op het slot plaats hadden, en deed daarvan alle drie maanden
verantwoording bij den Abt, die, gelijk wij vroeger gezegd hebben, de voogd was
van Mabelia. Wel is waar, dit boekhouden geschiedde op een zeer bijzondere wijze:
namelijk door met een stuk krijt ettelijke strepen, cijfers en andere kabalistische
figuren te stellen op het eikenhouten paneel in de spreekkamer: en schoon niemand
buiten hem, en hijzelf soms niet eens in staat was uit dat gekrabbel wijs te
worden, toch beschouwden de bewoonsters van het slot die hiëroglyphen met geen
minderen eerbied en verwondering dan heden ten dage een Parijsche keukenmeid
aan de geschriften der obelisk bewijst. Ten anderen was Vader Volkert, althans naar
zijn beweren, niet onbedreven in de geneeskunst: ofschoon hem echter zelden de
gelegenheid werd gegeven zijn bekwaamheid in dat vak ten toon te spreiden: eens-
deels, omdat Mabelia en haar beide gezellinnen over het geheel frisch en gezond
waren: anderdeels, omdat hij in Barta een geduchte mededingster vond, die zijn
kunst niet achtte, en altijd een zak vol huismiddeltjes bezat, waarvan zij zulke
wonderen wist te verhalen, dat de ongeloovigste er wel krediet voor moest hebben:
ja, dat, onder anderen Alfert, de oude portier, de eenige lijder aan het slot, wiens
genezing den Biechtvader eer aan had kunnen doen, zich geheel aan hare leiding
had overgegeven: met dat gelukkig gevolg, dat hij, na het zwelgen van onnoerrielijk
veel [afkooksels en het gebruiken van tallooze conserven, het zooverre gebracht had,
van, in de tusschenpoozen, welke de koorts en de jicht hem vergunden, somtijds
vrij wel in staat te zijn om, hoewel met veel moeite, zijn betrekking te vervullen.
-ocr page 83-
55
ONZE VOOROUDERS.
Maar, zoo het Vader Volkert niet ten deel mocht vallen, de lijdende mensch-
heid te heelen, hij mocht ongestoord zijn kunst uitoefenen op het gebrokene of
beschadigde huisraad en slaagde bijzonder goed in het lijmen van stoelen en tafels,
mits men die naderhand niet te dicht aan het vuur plaatste: en in het krammen
van schotels, mits men er geen vocht in deed, want dan sijpelde het wel eens door
de barst: ook was hij in \'t bezit van een geheim om roestvlekken weg te nemen
uit alle mogelijke stoffages: ofschoon het wel eens gebeurde, dat de vlek slechts
verdween om voor een gaatje plaats te maken; \'t geen intusschen des te meer de
kracht van het aangewende middel bewees. Nog wist hij de deuken, die in de tinnen
kroezen of borden kwamen, zoo heftig met zijn hamer te bewerken, dat zij niet
slechts verdreven werden, maar dikwijls ook in bulten veranderden; \'t geen, volgens
hem, altijd dat voordeel medebracht, dat de inhoud van het bord of de kroes er
door vermeerderde. Om kort te gaan, de vrome man verdiende vooral het verwijt
niet, wel eens den geestelijken van dien tijd voorgeworpen, dat zij lui en ledig
waren; want hij was bedrijvig van den morgen tot den avond toe, en, niettegen-
staande al wat hij deed, was het verbazend, zooveel als hij altijd, naar zijn zeggen
althans, nog te doen had.
Al de beweging, welke hij zich gaf, had echter den goeden man niet belet, met
ieder jaar in zwaarlijvigheid toe te nemen: en reeds herhaalde malen had hij zich
in de noodzakelijkheid gezien, een nieuwe baan te laten zetten in zijn opperkleed,
hoe ruim dit ook oorspronkelijk geweest moge zijn: en, wat zijn halsboord betrof,
het was hem sedert lang onmogelijk geworden, het over zijn dubbele onderkin vast
te strikken, wilde hij zich niet aan een dood door middel van wurging blootstellen.
Dezelfde kwade tongen, die er steeds op uit waren, het ergste van den man te
verspreiden, beweerden, dat die overmatige dikte zoowel als de purperroode vlekken,
die zich op zijn breeden neus en goedig gelaat vertoonden, haar oorzaak vonden in
een meer dan betamelijk gebruik van zwaar bier en geestrijke dranken; maar Vader
Volkert beweerde, dat men het uitwerksel voor de oorzaak nam, en dat, zoo hij
meer dronk dan anderen, zulks alleen daarom geschiedde, omdat hij een grootere
ruimte te vullen had dan anderen. In allen gevalle, wat hij dronk kwam uit de
kelders van de Jonkvrouw, en noch deze, noch haar Voogd hadden het hem ooit
misgund; terwijl hij aan anderen er geen rekenschap van verschuldigd was.
Voor \'t overige, zij die kwaad spraken van Vader Volkert deden het wel alleen
uit aangeboren zucht tot gebabbel en achterklap, en niet uit eenige veete tegen den
goeden man; want niemand was er ooit geweest, wien hij een stroobreed had in
den weg gelegd: en mits men hem slechts in zijn onschuldige bedrijvigheid niet
-ocr page 84-
56
ONZE VOOROUDERS.
.stoorde, kon men geen hupscher, gedienstiger, gemakkelijker mensen aantreffen. Hij
zou dan ook nooit den laster met gelijke munt betaald hebben; want niet slechts
was hij altijd geneigd het beste van zijn evenmensen te denken, maar hij bezat zelfs
de in een Biechtvader gelukkige hoedanigheid van het verkeerde, dat hij vernomen
had, terstond na afgeloopen biecht, weer te vergeten.
Ook heden was de waardige man weder bezig, gelijk altijd. Hij had zijn pij
uitgetrokken, om gemakkelijker te werken: en die ineengerold en op zijn stoel
gelegd, om gemakkelijker te zitten. Naast hem stond een mand, die vol was met
allerlei snippers en prullen, hoedanige een alledaagsche werkmeid zou wegwerpen,
maar die aan iemand van zijn karakter en gewoonten onontbeerlijk waren, als:
houten klossen, spijkers, duimen, eindjes touw, stukjes leder, werk, bindgaren, ijzer-
draad, teentjes, potscherven, lood en honderd andere voorwerpen, zonder bestemming,
maar bestemd om er eene te verkrijgen. Op de tafel, en zoodanig geplaatst, dat zij
altijd binnen het bereik zijner handen bleven, bevonden zich een vuurtest, een pot
met lijm, een andere met zand, eenige fleschjes met harst, terpentijn, olie, enz., een
houten doos met allerlei gereedschappen, een zandlooper, welken hij zooeven weder
in orde had gebracht, en eindelijk een tinnen bierkan, waaruit hij nu en dan zijn
dorst leschte; want het zweet parelde den goeden man op \'t aangezicht: zooveel
werks had hij reeds verricht en zooveel werks had hij nog voor zich. Met de linker-
hand hield hij een muizenval op de knieën, welke hijzelf vervaardigd en volgens
een nieuwe methode had ingericht: en met den rechterduim en wijsvinger was hij
bezig het deurtje op en neder te laten gaan, dat achter de viervoetige snoepers
neder moest vallen, en niet minder dan de hellepoort bij Dante, alle hoop voor
eeuwig buitensluiten.
Na aldus de nieuwe personages, welke de loop van ons verhaal ons noodzaakt
ten tooneele te voeren, aan den lezer te hebben voorgesteld, zullen wij hen zelven
laten spreken en daartoe een nieuw hoofdstuk beginnen.
„Ziezoo!" zeide Vader Volkert, terwijl hij zijn muizenval met een zegepralenden
blik op de tafel naast den zandlooper neerzette: „nu hebben die spekdieven maar
te komen: ik wil wedden, dat ik er meer in één nacht vang, dan de kat in zes
weken gedaan heeft. Gelieft het u te zien?" vervolgde hij, het verraderlijke werktuig
opnemende en aan Mabelia ter bezichtiging aanbiedende.
-ocr page 85-
57
ONZE VOOROUDERS.
„In waarheid!" zeide zij, terwijl zij, om de eigenliefde des goeden mans te
streelen, de muizenval van alle kanten aandachtig bekeek: „dat hebt gij handig
gedaan, Vader! — zie slechts, Barta!"
„Wij zullen haar op het donkere kamertje naast de wapenzaal plaatsen," zeide
Barta, terwijl zij, na ze even terloops te hebben bezien, haar aan Rijkje overhan-
digde: „het is juist boven ons hoofd en de muizen hebben er verleden nacht een
leven gemaakt, dat ik geen oog heb kunnen toedoen."
„Voorwaar!" zeide Rijkje: „naar mijn gedachten ware zij beter in de provisie-
kast \'esteld, waer de kat toch niet in kan komen, en waer ik gisteren nog een potje
bessengelei in vond, daer zij al an \'eweest waren."
„De muizen? — de muizen in de provisiekast!" herhaalde Barta, ontsteld: „je
meent het immers niet?"
„\'t Is zoo zondig als ik hier zit," antwoordde Rijkje: „niet later dan gister-
namiddag."
„Wel! hoe kan het haast mogelijk zijn?" hernam Barta: „de muizen in een
gesloten kast, waar ik zelve den sleutel van bij mij draag! dan moeten zij door
den muur heen vreten; — maar als ik het wel bedenk, hoe weet je \'t? En hoe
kwam je in de kast?"
„Wel! je hadt gisteren de kast opengelaten, toen Mabelia u riep," antwoordde
Rijkje, een weinig rooder wordende dan zij gemeenlijk was: „en toen dacht ik, ik
moest de planken even wat aanvegen, die zoo stoffig waren, en___"
„En je zult er uitblijven in \'t vervolg," zeide Barta: „de kast is schoon genoeg,
en je bent anders zoo keurig niet op een stofje meer of min. Je hebt er niets in
noodig, zoolang ik het je niet heet, en ik vertrouw er jou nog minder in dan de
muizen."
„Nu!" zeide de Monnik, lachende: „Rijkje zal maar eens nieuwsgierig geweest
zijn om te weten, hoeveel goeds en zoets gij voor ons in gereedheid hebt, Barta!
en wij zijn haar in allen gevalle dank verschuldigd voor haar waarschuwing. Er is
zeker hier of daar een gat in den muur, dat gestopt moet worden: of de deur heeft
een reet, daar wij een plankje tegen aan zullen moeten lijmen: laat mij daarvoor
zorgen, Barta! Ik wil er intusschen de val wel terstond heenbrengen, als gij mij
namelijk den sleutel vertrouwt?" — Dit zeggende nam hij de val terug en stak de
hand uit om den sleutel te ontvangen.
„Dat zullen wij morgen wel zien," zeide Barta: „maar dat nieuwsgierige ding
zal er haar neus niet insteken."
„Ei wat!" zeide Rijkje: „\'t is of ik machtig veel kwaed had \'edaen: als ik dat
-ocr page 86-
58
ONZE VOOROUDERS.
\'eweten had, dat je \'t zoo zoudt nemen, ik had er liever bot van \'ezwegen. — Maer
kaik!" liet zij er plotseling op volgen, waarschijnlijk om van onderwerp te veran-
deren: „zooals die val daer is, zei je er toch niet veel mee vangen, Vader!"
„Niet!" herhaalde Vader Volkert, met eenige drift de muizenval van alle kanten
beschouwende: „en wat hapert er dan aan, als ik vragen mag?"
„Wel! het voornaamste van alles," antwoordde de deerne, met een effen gezicht
en zich op de lippen bijtende om niet te lachen.
„Ik zie het bij mijn zolen niet," zeide de Biechtvader, het valletje weder op en
neer doende gaan. „Ziet de Jonkvrouw iets, of gij Barta, dat er aan ontbreken zou?"
„Ik betuig u, goede Vader! dat ik er geen verstand van heb," antwoordde
Mabelia: „doch gij kent Rijkje: en het zou mij niet verwonderen, dat er weer een
of andere gekheid achterstak. Zie maar eens, zij heeft werk, om zich van \'t lachen
te onthouden."
„Wel jae!" zeide Rijkje, terwijl zij het uitproestte, dat haar de oogen over-
liepen: „ik lach omdat Vader Volkert zoo maer de muizenval naar de kast wou
brengen___hi! hi!"
„Welnu?" vroeg de oude man: „en?...."
„Mijn vader heit ook een muizenval," vervolgde zij: „maer___"
„Maar die is lang zoo goed niet als deze," hernam Vader Volkert: „denkje dat
ik die van uw vader niet ken: zie eens: deze heeft vier hokjes, en ieder hokje...."
„Alles wel mogelijk!" zeide Rijkje: „maer die van mijn vader heit toch iets
dat an deuzen ontbreekt, en dat is___een stukje spek."
„Jou oolijk nest!" zeide de Biechtvader, terwijl hij haar met de val op de
vingers tikte: „daar hebje mij beetgehad; maar nu zelje mij voor je straf terstond
een stukje spek gaan halen."
Eenigen van Galama\'s gevolg, die nog de brug niet over waren, zagen om op
dit geroep, en bespeurende, hoe hun opperhoofd, naar \'t scheen gewond, was achter-
gebleven, keerden zij terug om hem te ontzetten.
„Terug, dorpers!" riep Robbert, zich voor de brug plaatsende met opgeheven
zwaard: „terug! ziet gij niet, dat gij in uw verderf loopt. Daar zijn de Kennemers!
Vlaanderen! Vlaanderen!"
„Vlaanderen?" vroeg de Ruwaard, die op dit oogenblik met Graaf Floris en de
-ocr page 87-
59
ONZE VOOROUDERS.
zijnen kwam aangereden: „Wie verstout zich, daarbinnen onzen oorlogsroep aan
te heffen?"
„Wie hij zij," antwoordde Graaf Floris, „hij heeft ons goede diensten gedaan,
en zal niet onbeloond blijven. De Heiligen mogen geloofd zijn, schoone Jonkvrouw!"
riep hij vervolgens, met zijn lans Mabelia begroetende, die haar redders van den
toren toewuifde: „ik had reeds gevreesd, dat gij in de handen dier schelmen waart
gevallen. — Komt, spitsbroeders! hen achterna! Wij moeten hun die strooptochten
eens voor altijd verleeren." — En meteen, zijn paard de sporen gevende, reed hij
met zijn dapperen vooruit, den Ruwaard en de overige, door hunne gelofte terug-
gehouden, Edelen bij het slot achterlatende, van waar zich nu al de aanvallers hadden
verwijderd.
Intusschen, het viel niet zoo licht een volkomen zegepraal te behalen als men
wel gedacht zoude hebben. De Westfriezen waren geenszins van moed ontbloot,
en toen zij van hun eersten schrik waren teruggekomen, en bemerkten, dat het
slechts een kleine bende was, die hen vervolgde, schaamden zij zich hun vlucht. Zij
herinnerden zich daarbij, wat Galama gezegd had, dat de Edelen geen aandeel aan
eenigen strijd meer zouden nemen: en werkelijk zagen zij, dat onder de aannade-
rende ruiters slechts enkelen in ridderlijken wapendos gehuld waren; zij hielden
dienvolgens stand, en zich op de vlakte aan den duinkant in kleine hoopen verdee-
lende, begonnen zij hun pijlen op de Kennemers af te zenden, zorg dragende bij
voorkeur de paarden te treffen, waarvan slechts een klein getal met borstplaten
voorzien was. Het wonden van menig ros was hier het gevolg van en bracht
weifeling in de gelederen teweeg, en Floris zag, dat, waar hij op een lichte over-
winning gehoopt had, hij tot strijden, ja, tot zelfverdediging zoude genoodzaakt
zijn. Hij bleef echter moedig voorwaarts rijden, in de hoop, dat ook weldra de
voetknechten uit de nabij gelegen dorpen te zijner hulp zouden komen opdagen.
Maar, hoe geweldig ook zijn aanval was, en schoon die menigen Fries het leven
kostte, de zwermen dier woeste krijgers omsingelden weldra zijn kleine macht en
maakten zijn toestand gevaarlijk.
„Bij Sint-Bavo!" riep de Ruwaard, die van waar hij stond het gevecht tusschen
de boomen door aanschouwen kon, en ontwaren welk een keer het nam: „zullen wij
het aldus lijdelijk aanzien, dat de wakkere Graaf het offer zijner dapperheid wordt?"
„Hoe!" zeide Somerghem, hem verbaasd aanziende: „Uw Edelheid schijnt
machtig van gevoelen omtrent den Graaf veranderd."
„Ik heb als een dwaas gehandeld," zeide Robbert: „en zou al wat in de ver-
loopen week gebeurd is, wel voor eeuwig uit mijn geheugen willen wisschen. —
-ocr page 88-
00
ONZE VOOROUDERS.
Waar blijven die luie dorpers? Is er dan niemand, die den Edelen Graaf kan
gaan redden."
„Dat zal ik doen, zoo het nog mogelijk is," zeide een stem in zijne nabijheid.
Robbert zag om en ontdekte den krijgsman, die kort te voren den wapenkreet van
Vlaanderen had aangeheven, en die nu met Berwout en Mabelia uit het slot kwam
aangetreden.
„Gij!" riep de Ruwaard: „wie zijt gij? wat wilt gij?"
„Doen, wat gij hadt moeten doen, maar waarvan gij u onwaardig hebt gemaakt,"
antwoordde de onbekende, zijn helmvizier oplichtende.
„Mijn vader!" riep Robbert, van verbazing buiten zichzelven: „is het waarheid
en geene verschijning?"
„Stijg af," zeide de Graaf van Vlaanderen op een gestrengen toon, „en blijf mij
hier wachten. Op! mijne Heeren!" vervolgde hij, na het ros, dat zijn zoon hem
beschaamd en zwijgend afstond, te hebben bestegen. "Wie wil nog eenmaal eer
behalen met Robbert den Fries?"
Een luid gejuich verhief zich onder de Edelen, niet slechts onder de Vlamingen,
maar ook onder allen, die medegekomen waren: de gelofte was voor een oogenblik
vergeten, en als een orkaan holde de bende tusschen het geboomte door, terwijl de
kreet van „Vlaanderen! Vlaanderen!" ten hemel klonk. Berwout was hen nagesneld:
en, onderweg een paard vindende, dat, zijn ruiter verloren hebbende, van het slagveld
gevloden en met den teugel in het kreupelhout verward was geraakt, maakte hij
er zich meester van en kwam nu de overigen achterna.
„Heugt u Robbert nog?" schreeuwde de oude Graaf, toen hij op het slagveld
kwam aangerend: „hier is hij weer terug, om u te kastijden."
Die naam, die, overal met roem bekend, den Friezen zoo vaak een sein van
neerlaag was geweest, miste ook thans zijn gewone uitwerking niet. Terwijl hij
den Kennemers nieuwen moed gaf, spreidde hij een doodschen schrik onder hun
tegenstanders, die de wapens wegwierpen en naar alle zijden wegvloden. Twee
hunner echter, die Graaf Floris waren aangevallen, schenen nog tot wijken ongezind,
toen deze den eenen zijn zwaard door de borst joeg, terwijl de bijl van Berwout
hem van den anderen verloste.
Men kan zich de verwondering van Floris voorstellen, over de tijdige hulp,
welke hij ontvangen had, vooral toen het hem duidelyk bleek, wie de held was, die
de onwillige Edelen zoo opeens tot strijden genoopt had.
„Voorwaar, Grootvader!" zeide hij, terwijl hij aan de zijde van Robbert den
Fries terugreed: „zonder uwe wonderdadige komst was het met mij gedaan geweest:
-ocr page 89-
rZiezoo!" zeide Vader Volkert, terwijl hii ztfn muizenval met een zegepralenden blik op de
tafel naast den zandlooper neerzette; „nu hebben die spekdieven maar te komen: ik wil wedden,
dat ik er meer in één nacht vang, dan de kat in zes weken gedaan heeft. Gelieft het u te zien?"
vervolgde hl), het verraderlijk werktuig opnemende en aan Mabelia ter bezichtiging aanbiedende.
Onze Voorouder». — De Bedevaartganger, blz 56.
-ocr page 90-
01
ONZE VOOROUDERS.
en nog zou die mij niet gebaat hebben, had niet een wakkere Ridder — maar waar
is hij? ik heb hem mijn dank nog niet betuigd. Ha! daar schuilt hij achter al de
overigen. Rijd wat voorwaarts, dappere Ridder! ik ben uw schuldenaar."
„Ik ben geen Ridder, Heer Graaf!" zeide Berwout, naderbij komende.
„Zijt gij het, mijn wakkere Jager?" hernam Floris: „voorwaar! zoo gij geen
Ridder zijt, verdient gij, dat wij het u maken. Wat dunkt u, Grootvader?"
„Hij is twaalf uren lang mijn krijgsmakker geweest," antwoordde Robbert: „en
ik zou moeilijk beteren verlangen."
„Waarlijk?" hernam Floris: „wel, zoo past het uwe hand alleen, hem den
ridderslag te geven. — Maar wat zie ik? Is het uw zoon niet, die daarginds nevens
de schoone Jonkvrouw van Rijnegom en haar vromen Biechtvader staat? Hij is
dan niet met u getogen?"
„Hij was zulks onwaardig," antwoordde Robbert, op een koelen toon.
„O!" hernam Floris: „gij moet hem na zulk een lange scheiding niet te hard
vallen. Eergisteren nog zeide mij te zijnen opzichte een Pelgrim, — maar nu is mij
alles duidelijk! gij waart het zelf, die mij kwaamt waarschuwen, en wiens tijdige
vermaning mijn wat al te gevoelige Gravin in de ooren klonk. — Ik had reeds eenige
vermoedens, toen ik het terugtrekken van het Vlaamsche leger vernam. Maar hoe! —
Galama ook hier?"
„Hij was het, die de stroopers hier bracht," zeide Graaf Robbert, afstijgende;
want de ruiterbende was nu de gracht van het slot genaderd.
„Zoo ik misdaan heb," zeide Galama, die langzamerhand de brug was over-
gegaan, met bitterheid, „het is op het aandrijven van uw zoon geweest."
„Ik verloochen u," zeide deze, terwijl hem het bloed in \'t aangezicht steeg.
„Ei zoo!" hernam de Fries: „zoo zult gij wellicht het handschrift ook verloo-
chenen, dat gij geteekend en gezegeld hebt." En te gelijk zocht hij in zijn boezem
om het voor den dag te halen.
„Wij willen dit niet onderzoeken," zeide Floris: „keer naar uw goederen terug,
Galama! of liever, neem deel aan den kruistocht, en tracht daar te vergoeden, wat
gij hier verkorven hebt."
„De raad is niet slecht," zeide Galama, met een bitteren lach, „en ik zal er
over nadenken. Vaarwel! mijn schoone Nicht! gij ziet, wat ik gedaan heb om uw
bezit; maar het heeft niet mogen baten. — Gij zult haar nu zeker aan dien Jager
uithuwelijken, tot belooning voor de goede diensten, welke hij u bewezen heeft,"
vervolgde hij op een spotachtigen toon, zich tot Graaf Robbert wendende.
„Gij, de Jonkvrouw van Rijnegom uithuwelijken?" vroeg Floris den Graaf van
8
-ocr page 91-
-ocr page 92-
02
ONZE VOOROUDERS.
Vlaanderen met verwondering aanziende: „en welke betrekking bestaat er tusschen
u en haar?"
„Zij is mijn dochter," antwoordde Robbert: „maar hetgeen die vervloekte Fries
daar zegt___"
„O! spreek het niet tegen," hernam Galama: „gij kunt niet weten wat ik weet.
Vraag het slechts aan die deerne daar," vervolgde hij, op Rijkje wijzende, die nevens
Barta naar buiten was gekomen: „zij heeft straks, toen ik daar in de poort zat
en zij mij niet zag, niets dan kermen en klagen gedaan, dat de Jonkvrouw haar
haar vrijer had onttroggeld. — En hiermede, mijne Heeren! wensch ik u allen wel
te varen."
Met deze woorden verwijderde zich Galama, in de overtuiging dat hij zich
dapper gewroken had. Aan de hoeve van Nan vond hij zijn paard en keerde alleen
naar zijn goederen terug, van waar hij zich werkelijk naar Palestina begaf. Dat hij,
kort na zijn terugkomst, op de jacht zijnde, met Graaf Floris twist kreeg, hem
wondde en door \'s Graven knapen doodgeslagen werd, is aan een iegelijk, al ware
het slechts uit het prentje bij Wagenaar, bekend.
Zijn woorden hadden intusschen een geduchten naklank achtergelaten [in de
gemoederen der aanwezigen: en Mabelia, gelijk zij daar, nu eens doodsbleek, dan
weder bloedrood, en beschaamd, in hun midden stond, zoowel als de Jager, die zich
zooveel mogelijk aan de oogen zocht te onttrekken en niet wist, welke houding aan
te nemen, en als Graaf Robbert, die peinzend en somber voor zich nederzag, waren
het voorwerp van ieders aandacht geworden.
„Bij Sint-Japik!" zeide Floris eindelijk tegen den Graaf van Vlaanderen: „wan-
neer ik uwe dochter aanzie — ofschoon ik nog niets van die maagschap begrijp —
dan moet ik wel gelooven, dat die kwaadaardige Fries de waarheid heeft gesproken.
Wat dunkt u? — Zij is een spruit op onzen bodem gewassen en die niet dan tot
haar schade in Vlaanderen herplant zoude worden. — Het is beter, dat zij hier
blijve — en zich hier een echtgenoot naar haar zin kieze. Dien knaap zult gij tot
ridder slaan: en ik zal verder voor hem zorgen."
„Wij zullen daarover nader spreken," zeide Graaf Robbert: „thans geloof ik,
dat niemand het mij ten kwade zal duiden, indien ik beken, vermoeid te zijn en
naar rust te verlangen."
„Dat is wel gesproken," zeide Floris: „en daarom, allen naar de Abdij."
Men begaf zich naar de Abdij, nadat eerst, ten gevolge eener tijdige herinnering
van Vader Volkert, de geldkist van Adgild van Rijnegom, die gelukkig door de
plunderaars niet was opgemerkt, weder opgegraven was en nu mede werd gevoerd.
-ocr page 93-
63
ONZE VOOROUDERS.
Welke middelen van overreding Graaf Floris bezigde om de bezwaren, welke
Robbert tegen een echtverbintenis tusschen zijn dochter en Berwout voeden mocht,
uit den weg te ruimen, is ons onbekend. Wij veronderstellen, dat, om den grijsaard
ten gunste des jongelings te stemmen, in de eerste plaats van gewicht was de
overweging, dat deze zoowel aan hem als aan Mabelia het leven had gered, en daden
had verricht, die hem den ridderslag waardig maakten. Daarbij kwam, dat hij, zoo
niet van adel, dan toch vrijgeboren was, en dat hem nu op eenmaal de schoonste
vooruitzichten geopend werden. Immers, de Abt van Egmond wilde van zijn neef
niets meer hooren, die, om voor zichzelven te zorgen, de belangen der Abdij ver-
waarloosd had, en tot wiens last, zoodra het bekend werd dat hij in ongenade was,
zich talrijke beschuldigingen opdeden. Koert Jaspersz werd afgezet, en zijn zoete
droom van de Schermvoogdij met het Rentmeesterschap te vereenigen, werd door
Berwout verwezenlijkt. Niet slechts aanvaardde hij deze beide betrekkingen; maar
Graaf Floris beleende hem met aanzienlijke gronden; terwijl het geld van den ouden
Adgild, en de bruidschat, door Graaf Robbert aan zijn dochter geschonken, toen
deze na verloop van weinige maanden haar hand aan den gelukkigen Berwout gaf.
dezen laatsten in staat stelde, een nieuw en schooner slot op eenigen afstand van
het Huis te Rijnegom te bouwen. Dit werd alzoo door de laatste bewoonster van
dien naam verlaten: en toen ook de laatste druppelen van den hier vroeger stroo-
menden arm des Rijns in het onder opzicht van Berwout gegraven kanaal wegliepen,
werd de voorspelling vervuld, en verdween de naam van Rijnegom. Maar Berwouts
zoon, Dodo, en diens afstammelingen, eerlang den Abt in macht, in rijkdom en
aanzien boven het hoofd gewassen, maakten den naam van egmond, dien zij eerst
slechts ter aanduiding hunner geboorteplaats droegen, wijd en zijd als stamnaam
beroemd.
„Floris!" zeide Petronella, toen zij, van Haarlem in vollen draf naar de Abdij
gereden, aldaar van haar echtgenoot het voorgevallene vernam: „Floris!" herhaalde
zij, hem in haar armen sluitende: „was dat wèl van u gehandeld, uw leven dus
roekeloos te wagen!"
-ocr page 94-
»
64                                                             ONZE VOOROUDERS.
Aan al wie geen volslagen vreemdeling is in de geschiedenis der middel-
eeuwen, is het bekend, hoe de achtste en laatste kruistocht tegen de
ongeloovigen in 1270 door den vromen en dapperen Koning van Frankrijk,
Lodewijk den Negenden, werd ondernomen: hoe die Vorst, in de maand Augustus
van dat jaar, aan de roode loop overleed: hoe, kort daarna, Prins Eduard van
Engeland, met zijn vloot aldaar aangeland, getuige was van den vrede met den
Sultan van Tunis gesloten, en, na den winter in Sicilië te hebben doorgebracht, in
het voorjaar naar Akkaron \') stevende, waar hij den moed in het hart der Christenen
van Palestina herleven deed, door roemruchtige bedrijven de zegevierende legers
der Saracenen stuitte, ja voor een wijl de krijgskans in \'t Oosten herstelde.
Maar minder algemeen bekend is het, ofschoon door bijna alle geschiedschrijvers
getuigd, dat, onder en nevens de volgers van den Engelschen Rijksvorst, zich een
aantal Friezen bevonden, welke stamnaam te dier tijd, evenals thans die van Hol-
landers, aan alle Noord-Nederlanders, gelijk die van Vlamingen aan alle Belgen
gegeven werd. Het zijn de lotgevallen van enkelen dier Friezen, waaruit wij het
onderwerp van dit ons verhaal hebben genomen.
Met, of kort na prins Eduard, verlieten ook de meeste Friesche kruisvaarders
het Heilige Land. De afwezigheid van sommigen, die zich meer in de binnenlanden
bevonden, en het gebrek aan scheepsgelegenheid, waren echter oorzaak, dat een
geruime tijd verliep, eer allen de thuisreis konden aannemen. Het laatste vaartuig,
dat de haven van Akkaron uitzeilde, bevatte dan ook een gemengden hoop, uit bijna
al de streken van Nederland herkomstig: menschen van wijd verschillenden stand
en betrekkingen, en die bijna niets onderling gemeen hadden buiten het kruis dat
zij op den schouder voerden, en de bereidwilligheid, waarmede zij allen, even geree-
delijk, het hoofdbestier van den terugtocht hadden opgedragen aan den meest
vermaarde en dapperste onder de Hollandsche kruisvaarders, Jonker Jan van Arkel.
Toen men, Sicilië genaderd zijnde, aldaar van de eerste vermoeienissen hoopte
uit te rusten en verschen leeftocht op te doen, stak een geweldige storm op, die
\') Of — zooals men ook in Nederlandsche dagbladen kan lezen, die van Lille, Cambrai, Karls-
ruhe en Munich praten — st. jeax d\'acre.
-ocr page 95-
„Hoe!" zeide Somerghem, hem verbaasd aanziende: „L\'w Edelheid schijnt machtig van
gevoelon omtrent den Graaf veranderd."
„Ik heb als een dwaas gehandeld," zeide Robbert: „en zou al wat in de verloopen week
gebeurd is, wel voor eeuwig uit myn geheugen willen wisschen. — Waar bleven die luie dorpers?
Is er dan niemand, die den Edelen Graaf kan gaan redden?"
„Dat zal ik doen, zoo het mij mogelnk is," zeide een stem in z\\jne nabijheid. Robbert zag
om en ontdekte den krijgsman, die kort te voren den wapenkreet van Vlaanderen had aangeheven
en die nu met Berwout en Mabelia uit het slot kwam aangetreden.
„Gij!" riep de Ruwaard: „wie zi)t gij? wat wilt gij?"
„Doen, wat gij hadt moeten doen, maar waarvan gij u onwaardig hebt gemaakt." antwoordde
de onbekende, zijn helmvizier oplichtende.
Onze Voorouders. — De Bedevaartganger, bh. HO.
-ocr page 96-
ONZE VOOROUDERS.                                                             05
het vaartuig op de rotsige kust wierp en geheel verbrijzelde. Slechts aan Arkel, met
enkelen zijner reisgenooten, gelukte het, hun leven te redden: en sommigen zelfs,
die aan het geweld der baren ontkomen waren, vielen door het moordgeweer der
onbarmhartige door plunderzucht gedreven strandbewoners.
Beklagenswaardig voorzeker was de toestand der weinigen, die de Voorzienig-
heid gespaard had. In een vreemd gewest, ver van het land hunner geboorte
verwijderd, schier van alles beroofd, wisten zij niet, tot overmaat van rampspoed,
wat hun méér te duchten stond, de overmoed der roofzieke eilanders, of de
gestrengheid van het Siciliaansche bestuur.
Eindelijk bereikte men Trapani: en nu werden terstond alle middelen in het
werk gesteld om het verlangde oogmerk te bereiken. Bij het gezelschap bevonden
zich twee Friesche jongelingen, die, voor zij ter kruistocht waren uitgetrokken, te
Padua ter schole hadden gelegen en door hun verblijf aldaar genoeg in het Italiaansch
bedreven waren om aan hun reisgenooten tot tolken en gidsen te verstrekken, gelijk
zij dan ook reeds op de landreis het woord gevoerd hadden. Hun werd opgedragen,
al wat de schipbreukelingen hadden overgehouden, voor zooverre het nog eenige
waarde bezat, als een paar ringen, gouden halskettingen, enz. tot geld te maken:
en den verkregen schat ten algemeenen nutte op de beste wijze te besteden. De
uitslag zegende hun pogingen: en ofschoon zij van de Joden en Koarcijnen (of Lom-
baarden) nauwelijks een derde van de waarde der verkochte voorwerpen bekwamen,
zoo was echter de helft der ontvangen som toereikend om een Genueeschen schipper,
die zeilree in de haven lag, te bewegen, hen aan boord te nemen en naar Genua te
voeren. De andere helft van het geld strekte om tot den dag der afreize huisvesting
en onderhoud te bekomen en den noodigen scheepsvoorraad aan te koopen.
Men kan denken, met welk ongeduld de blijde dag te gemoet werd gezien,
waarop men Siciliës ongastvrije kusten vaarwelzeggen en de reis aanvaarden zou.
Wel werd dat heuglijke tijdstip gedurig al verder en verder verschoven door den
Genuees, die, hoezeer zijn vaartuig reeds tot zinkens toe bevracht scheen, altijd
bleef beweren, dat hij de helft zijner lading nog miste; doch alle zaken hebben een
einde: en de tijd brak ten lesten aan, waarop de schipper verklaarde, dat, zoo weer
en wind gunstig bleven, zijn vaartuig op den volgenden morgen van wal zou steken,
waarom de passagiers uitgenoodigd werden, zich met het vallen van den avond aan
boord te bevinden.
Reeds lang voor het ondergaan der zon waren dan ook de meesten onzer
reizigers op het dek bij elkander: onze lezers zullen het niet ongepast oordeelen,
-ocr page 97-
-ocr page 98-
66
ONZE VOOROUDERS.
indien wij deze gelegenheid waarnemen om hen met de tochtgenooten, wier avon-
turen wij beschrijven, bekend te maken.
Tusschen hen allen blonk, zoo door de majesteit zijner houding als door de
gewoonte van te bevelen, Jonker Jan van Arkel uit. Zelfs onder de grove en
armoedige pij, die thans zijn leden bedekte, was het onmogelijk, den Edelman, den
wakkeren Ridder te miskennen, die zijn dapperheid, dat erfdeel van zijn geslacht,
in menigen veldslag getoond, die aan menig schitterend hof blijken van zijn heuschen
aard gegeven, en zich de achting en eerbied van al wie hem kende verworven had.
Ofschoon nooit voor eenig gevaar terugdeinzende, was hij echter naar den aard
zijner landgenooten, bedaard en voorzichtig, en geen voorstander van onbesuisde
vermetelheid: zijn toon was hoffelijk en bescheiden, en zijn manieren zachtzinnig
als die eener jonge maagd: ja, de spraak ging, dat hij nooit, aan wie \'t ook zijn
mocht, een beleedigend woord had toegevoegd. In één woord, hij was het voorbeeld
van een volkomen Ridder. Ofschoon niet zoo hoog van gestalte als zijn grootvader,
Jan de Sterke, stak hij echter boven al zijn tochtgenooten, op eenen na, uit: wanneer
men hem echter alleen zag, scheen zijn gestalte minder rijzig dan zij werkelijk was,
ter oorzake der juiste evenredigheid zijner welgevormde ledematen onderling. Zonder
eenige aanspraak op schoonheid te kunnen maken, had hij een bij uitstek gunstig
voorkomen. Dichtgekrulde blonde lokken, waaronder, hoewel de Ridder nog geen
veertig jaren telde, zich enkele grijze haren begonnen te vertoonen, omsloten een
breed, open voorhoofd, dat zelden door rimpels werd ontsierd: dichte, fraai gewelfde
wenkbrauwen overschaduwden een paar heldere blauwe oogen, wier uitdrukking
doorgaans kalmte en welwillendheid te kennen gaf: de eenigszins platte neus ver-
raadde de Sarmatische afkomst der Arkels en wedersprak het gevoelen der vleiende
minnezangers, die in het gelijkluidende der namen aanleiding gevonden hadden om
Hercules als den stamvader van het doorluchtige Huis te beschouwen. Een zware,
thans ongekemde en ongeschoren baard verborg mond en kin: slechts de onderlip
was ter linkerzijde zichtbaar, waar een breed litteeken en het gemis van twee of
drie der overigens hagelwitte tanden een wond herinnerden, hem in den strijd voor
Adingen door den kolf eens Franschen krijgers toegebracht.
Van Arkels onmiddellijke volgers waren slechts drie uit de schipbreuk gered.
De een was zijn page en bloedverwant, Albert van Haastrecht, een twintigjarige
knaap, met een rond en blozend gelaat, waarvan de wederwaardigheden, op den
tocht geleden, noch de frissche kleur, noch de blijgeestige uitdrukking hadden weg-
gevaagd. Een bestendige glimlach speelde om zijn bloedroode lippen, waarboven het
eerste dons zich nauwelijks vertoonen kwam, en zijn schalksche lichtbruine oogen
-ocr page 99-
07
ONZE VOOROUDERS.
waren in gedurige beweging. Altijd verliefd, gelijk men het op dien leeftijd is, was
hij zeker de eenige onder de reizigers, die bij het verlaten van den Siciliaanschen
bodem eenig leedwezen gevoelde; want hij had gedurende zijn kortstondig verblijf
aldaar reeds drie of vier minnarijen aan de hand gehad.
Maar, zoo onze page het vermaak najoeg, men wane echter niet, dat hij zich
daarom minder ijverig en getrouw betoonde in \'t volbrengen der plichten, welke
zijner betrekking voegden. Hij verstond zoo goed als iemand het verzorgen zoowel
als het berijden van een strijdros: nooit ontbrak er een haak of gesp aan de klee-
ding of wapenrusting van zijn Ridder, en niemand had glanzender schild en beter
gescherpte kling dan de Jonker van Arkel. Ook in \'t behendig opsnijden en met
bevalligheid voordienen van alle soorten van vleesch en gevogelte werd Albert van
Haastrecht door weinigen overtroffen, en geen druppel spilde hij, wanneer hij den
beker tot den rand moest volschenken. In alle lichaamsoefeningen was hij vlug en
vaardig: en in het gevecht week hij nooit een duimbreed van zijn plaats achter zijn
meester af.
Een volkomen tegenbeeld met den bloeienden, levenslustigen jongeling, leverde
Arkels oude wapenturer Gerlach. Deze had den Jonker zien geboren worden, hem
het eerste onderricht in wapenoefening en krijgskunst gegeven, en, op den aandrang
der bekommerde moeder, hem bij zijn eerste tochten vergezeld. Hadden de jaren
Gerlachs vroegere kracht en wakkerheid doen afnemen, toch was hij nog in den
strijd een gevaarlijke weerpartijder voor al wie bloot op moed en sterkte steunde:
want hij wist nog door beleid en bedrevenheid te vergoeden wat hem aan physieke
kracht begon te ontbreken.
Even koel en onbeweeglijk als in het gevecht was hij in den dagelijkschen
omgang. Het is te gelooven, dat hij den Jonker liefhad, wien hij altijd gevolgd en
trouw had bijgestaan; maar die gehechtheid was dan ook alleen uit zijn daden en
nooit uit zy*n woorden gebleken: hij was even stuursch en kort van stof tegen zijn
meester als tegen alle andere menschen: en niemand was er, die getuigen kon, ooit
een vriendelijk woord uit den mond des ouden wapenturers gehoord te hebben. Zijn
tochtgenooten vermeden dan ook zijn gezelschap zooveel in hun vermogen was.
De derde volgeling van Arkel, en wien ik misschien in de eerste plaats had
behooren te noemen, was Broeder Steven, een monnik uit de abdij van Bern aan
de Maas. De omstandigheid, dat hij vroeger meermalen voor het klooster gereisd
had, zich in onderscheidene vreemde talen had leeren uitdrukken, waar \'t noodig
was zich wist te behelpen, en schrander was in \'t uitdenken van hulpmiddelen, had
aanleiding gegeven dat hij door den Jonker was uitgenoodigd en overgehaald
-ocr page 100-
68
OXZE VOOROUDERS.
geworden om hem op den kruistocht te vergezellen, en tot biechtvader en kapelaan
te strekken. Ook had de goede Jonker geen berouw over zijn keuze gehad. In al de
monniksorden had men vruchteloos naar iemand gezocht, meer bekwaam om, op
de reis, door aangenamen kout en gepaste boert, het gesprek levendig en het gezel-
schap in goede luim te houden. In zijn vaderland had Broeder Steven gemeenzamen
omgang gehad met alle welgeboren lieden en zelfs met de adellijkste vrouwen van
den omtrek. De juffers en vrijsters zagen hem gaarne komen; want zijn buidel was
doorgaans, als die van den bedelmonnik waar Chaucer van gewaagt, vol mesjes,
kammetjes, spelden en gespen, welke hij haar ten geschenke bood. Ook gedurende
zijn verblijf in Sicilië was hij zijnen reisgenooten van grooten dienst geweest: menige
reaal had hij ten behoeve der algemeene kas aan de vrome bewoners van kasteelen
of kloosters weten af te bedelen, na hen door zijn verhalen of liederen vermaakt
te hebben.
Wat \'s mans geleerdheid betrof, hij wist zich, gelijk reeds gezegd is, in de
meeste levende talen redelijk uit te drukken, en had bovendien genoeg Latijn uit
zijn gebedenboek onthouden, om nu en dan een volzin te pas te kunnen brengen:
schoon thans met minder goed gevolg dan gewoonlijk; want sedert hij zich met de
twee gewezen scholieren uit Padua in gezelschap bevond, gebeurde het wel eens
dat hij zich kleine spotternijen en terechtwijzingen over zijn uitgekraamde belezen-
heid getroosten moest.
Deze gewezen scholieren waren volle neven en uit het talrijk en aanzienlijk
Friesch geslacht der Hermana\'s gesproten. De oudste, Eelco, was een welgebouwde,
kloeke jongeling van ongeveer dertig jaren. Zijn gelaat muntte uit door die even-
redigheid van vorm, aan het echte Friesche ras zoo eigen, en had tot een uitmuntend
model aan den beitel des kunstenaars verstrekt. Maar zijn groote blauwe oogen
misten alle uitdrukking, en het scheen, of de hemelsche vonk nog moest nederdalen
om er leven en bezieling aan te schenken. Al zijn bewegingen kenmerkten loome
onverschilligheid en traagheid. En echter zou men zich bedrogen hebben, indien men
hem voor een botterik of traag vernuft had aangezien, of indien men, naar het
uiterlijke oordeelende, hem van gebrek aan moed had verdacht. Integendeel, wat de
vermogens van zijn geest betrof, hij was aan de Hoogeschool te Padua, waarheen
hij zich reeds op jeugdigen leeftijd begeven had, een vlijtig student geweest, en zoo
hij niet onder de vlugsten in \'t aanleeren en bevatten was, wat hij eens goed wist
bleef in zijn geheugen als op een marmeren tafel gegrift. En, zoo hij slechts met
moeite tot het besluit was gekomen om naar Palestina te trekken, eens daar
gekomen, had hij bewezen, dat hij in den strijd zijnen naam nimmer oneer zoude
-ocr page 101-
Reeds lang voor het ondergaan der zon waren dan ook de meesten onzer reizigers op het
dek in een kring bij elkander gezeten.
Onze Vooroudere, - De Reisgenooten, bh. >>ö.
-ocr page 102-
69
ONZE VOOROUDERS.
aandoen. Zonder zich ooit roekeloos in gevaar te begeven, zonder, gelijk anderen,
het gevaar om het gevaar zelf te beminnen, was hij, zoodra het eens op vechten
aankwam, een der hardnekkigste en onverschrokkenste volhouders: in stede van
zich van het zwaard of de strijdbijl te bedienen, klemde hij gewoonlijk zijn vijanden
om \'t lijf met den linkerarm, terwijl zijn rechterhand de plaats zocht, waar de dolk
het zekerste treffen mocht.
Duco Hermana was een paar jaren jonger dan zijn neef, en even zoo leelijk
van uiterlijk als deze fraai was: niettemin had hij het bij de Paduaansche schoonen
ruim zooverre gebracht: en zoo hij weinig gestudeerd had en alzoo bij de geleerden
en doctoren niet in aanzien was geweest, des te hooger stond hij aangeschreven bij
herbergiers en paardenkoopers. Hij dronk als een Tempelier, maakte altijd dubbele
vertering, en leefde zonder zorg voor den dag van morgen; totdat hij, zijn geld
zoowel als zijn krediet ten einde ziende, aan Eelco had weten te beduiden, dat zij
nu geleerd genoeg waren, en dat de heilige plicht op hen rustte, het voorbeeld
hunner voorvaderen te volgen en tegen de ongeloovigen ten strijde te trekken. Zij
waren dan samen naar Palestina getogen, waar Duco zich wakker genoeg in den
strijd, maar voor \'t overige even los en liederlijk als altijd gedragen had.
Behalve Eelco was er nog een Fries bij het gezelschap, die de plagerijen van
Duco te lijden had. Deze was zekere Agge Jelles, een lange slungel, die, bijaldien
hij niet gewoon was geweest met kromme knieën, ingevallen borst en voorover-
gebogen hoofd te gaan, den Jonker van Arkel nog wel over \'t hoofd had kunnen
zien: een dier menschen, wier rechte ouderdom zich met geen schijn van juistheid
bepalen laat, die er op hun twintigste jaar niet jonger dan op hun vijftigste, en
op hun vijftigste niet ouder uitzien dan op hun twintigste. Onze Fries had een
goedhartig voorkomen, weinige, doch zeer lange lichtblonde haren, die hem als vlas
over de magere tronie en in den schralen nek hingen: bijna geen baard: grove,
vooruitstekende beenderen en botten; armen, die hem, evenals bij sommige apen,
tot aan de knieën nederhingen, en, wanneer hij voortging, op en neder sloegen als
de slinger van een pomp. Wanneer hij gezeten was, rustte zijn kin doorgaans op
zijn knieën. Hij was met buitengewone kracht begaafd, doch zonder zelf daarvan
bewust te zijn.
Trok Agge Jelles de opmerkzaamheid door zijn lengte en schraalheid, niet
minder deed zulks Machiel van Goor door den verbazenden omvang van zijn kort
ineengedrongen lichaam. Deze Machiel was geboortig van Twente, en alzoo een
leenman van den Bisschop van Utrecht, wien hij in verscheidene oorlogen gediend
had. Vervolgens had hij, eerst te Utrecht en later te Dordrecht, in een brouwerij
o
-ocr page 103-
-ocr page 104-
70                                                                    ONZE VOOROUDERS.
gewerkt, en, zoo men naar zijn figuur oordeelde, was hij zelf een der beste kalanten
van de fabriek geweest.
Na hem moeten wij melding maken van zekeren Roelif Meeuwisz., poorter van
Haarlem en lid van het Sint-Jozefsgilde aldaar, een timmerman en werktuigkundige,
die, uithoofde zijner bekwaamheid in zijn vak, was aangezocht geworden tot den
tocht naar Palestina, waar hij bij het herstellen der havens en vestingwerken van
Akkaron en op andere wijze belangrijke diensten bewezen had. Hij was een man
van reeds middelbaren leeftijd, gedienstig en gewillig van aard.
Nog bevonden zich bij het gezelschap drie zeelieden van beroep: de een was
een Zeeuw, Geeraert de Roode genaamd, wegens de kleur van zijn haar, \'t welk
veel op ongekemde meede geleek. Deze was een echte waterrot, die, sedert hij
kruipen kon, mede ter vischvangst was gevaren en meer op de zee dan op het
land had geleefd.
De tweede zeeman was van het land van Putten herkomstig en Kees Dirksz
geheeten: hij was een echt toonbeeld van den matroos, kort, stevig, breed van
handen en schouders, goedhartig en ondernemend, altijd naar pek riekende, en geen
volzin uitende zonder dien te doorspekken met allerlei zeemanstermen en spreek-
woorden.
Wat Peer Eenoog betreft, aldus genoemd sedert de pijl van een Kurd hem
van een zijner gezichtsorganen beroofd had, hij was wel is waar een zeeman zoowel
als de beide anderen van wie ik gesproken heb, maar hij had nog wel twaalf
ambachten bovendien bij de hand gehad, en had het spreekwoord niet doen liegen,
dat er dertien ongelukken bijvoegt.
De dertiende eindelijk van het gezelschap was zekere Koen van Emmerik,
aldus naar zijn geboorteplaats genoemd, en die aan boord van het gestrande vaar-
tuig den rang van kok en spijs verzorger had bekleed.
Een voorspoedige wind deed het vaartuig in weinige dagen een geruimen weg
vorderen. Een kompas werd, tot groot genoegen van Geeraert, op het (schip nog
niet gebezigd; maar de patroon behoefde het dan ook minder op een vaarwater,
waar hij van kindsbeen af zijn weg had weten te vinden als op de straten van
Genua. Met dat al hield hij, naar de gewoonte dier tijden, zoodanig koers, dat hij
zich zoo min mogelijk van het land verwijderde, en dat hem nu en dan een bergtop
of eiland tot baak of seinpaal verstrekte: terwijl, zoodra de nacht inviel, de hemel-
lichten tot veilige geleiders dienden.
Inmiddels had, zooals het gewoonlijk gaat, de eerste verwarring en overvolte
aan boord voor rust en orde plaats gemaakt, toen de verveling zich onder de
-ocr page 105-
71
ONZE VOOROUDERS.
passagiers begon te doen gevoelen. Alle stof tot onderhoud scheen uitgeput: zelfs
Duco Hermana begon wars te worden van zijn neef te vervolgen met zijn aardig-
heden, waar niemand meer om lachte. Alle bekende liedjes waren reeds opgedreund
dat de kelen er schor van waren, en zelfs Broeder Steven wist er zich geen nieuwe
meer te herinneren. Noordsche ridderromans, die allen uitliepen op het dooden van
den schrikkelijken draak of van den torenhoogen Reus, die de schoone Prinses
bewaarden, en op haar huwelijk met den moedigen Ridder, die haar verlost had, —
Italiaansche novellen, waarvan listige vrouwen en bedrogen mans altijd de hoofd-
personen uitmaakten, — noch fabelen van Reynaert en zijn slimme treken, waren
meer in staat eenig belang op te wekken. Men gaapte bij de geestigste boerden en
kwinkslagen; want wie ze voortbracht, gaapte doorgaans zelf het eerst. Vergeefs
had men tot de dobbelsteenen de toevlucht genomen: wat aardigheid, wat vermaak
stak er in, den teerling te werpen, waar geen geld te winnen of te verliezen was? —
In \'t kort, er was een nevel van zwaarmoedigheid, een geest van stompheid en
druiloorigheid over het gezelschap gevallen, die de laatste dagen der reis lang en
ondraaglyk dreigde te maken.
„Hoe is het, Broeder Steven!" vroeg eens Arkel, al geeuwende, den monnik:
„is uw voorraad van verhalen uitgeput?"
„Wat zal ik u verder vertellen, Jonker?" vroeg op zijn beurt de monnik: „ik
heb tot vermaak van het gezelschap mijn geheugen al op de pijnbank gezet, en
weet er niets meer uit te krijgen. Bovendien, aan onzen disch op uw Heer vaders
slot te Arkel zoudt gij mijn verhaal of mijn lied met een welgekruiden dronk
vergolden hebben: en hier moeten wij ons met gekleurd water behelpen."
„Welnu!" zeide Arkel: „de wijnzak is nog niet ledig, en zoo gij het gezelschap
vermaakt, zal niemand u een nap met onvermengd druivenvocht weigeren."
„Dat schut ik," zeide Koen van Emmerik: „den wijn kan ik niet missen: dien
heb ik tot de sausen te veel noodig: en bovendien is hij te drabbig en te zuur om
onvermengd gedronken te worden."
„Welnu dan!" hernam de Ridder: „gh" zult een vijg, of een paar olijven hebben,
naar uw keuze. Het is niet meer dan billijk, dat zij, die ons vermaken, een buiten-
gewoon aandeel erlangen."
„Wel!" zeide Broeder Steven, na zich een wijl bedacht te hebben: „wilt gy de
historie hebben van Elius met den Zwaan?"
„Die hebben wij al tot walgens toe gehoord," zeide Albert.
„Of die van de vier Heemskinderen?"
„Overbekend," zeide Duco.
-ocr page 106-
7-2
ONZE VOOROUDERS.
„Van Floris en Blanchefloer?___ Van Perceval!___Van het vrouwtje van
Efesen!___ Maar gij schudt voor alles het hoofd: bedenkt dan zelf iets meer
onderhoudends."
„Bij mijn trouw!" zeide Arkel: „al die boerden zijn geestig en vermakelijk om
te hooren; maar op den duur komen zij nagenoeg op \'t zelfde neer: bovendien,
zooals mij meermalen verzekerd werd, is de helft daarvan versierd en opgesmukt.
Neen! liever luisterde ik naar een vertelling, die even belangrijk was en tevens het
voordeel had van waar te zijn."
„Maar mij dunkt," zeide Duco, „dat de verhalen van dien grooten en vernuf-
tigen geest, Pietro Aretino, van welke ik er ettelijke heb medegedeeld, die beide
hoedanigheden bezitten."
„Daar sta ik niet voor in," zeide Arkel: „en ook daarmede is het koekoek één
zang. Welnu, monnik! wat zegt gij?"
„Hm!" antwoordde Broeder Steven, na een poos te hebben nagedacht: „ik zou
u wel een verhaal kunnen geven, dat aan uw eisch beantwoordde; — maar, daar
wij nog eenige dagen voor ons hebben en ik geene reden hoegenaamd zie om mij
alleen te vermoeien, zoo zal ik er twee voorwaarden aan verbinden, en wel eerstelijk,
dat elk uwer op zijn beurt een dergelijke vertelling doe."
„Aangenomen!" zeide Arkel.
„En in de tweede plaats," vervolgde de monnik, „zal ieder, die iets vertelt, dat
onwaar of althans onwaarschijnlijk blijkt te zijn, geen aanspraak kunnen maken op
de dubbele portie, welke anders den verhaler ten deel zal vallen."
De reisgenooten keken elkander aan, als wilden zij zeggen, dat zij deze laatste
voorwaarde eenigszins hard vonden.
„Wie zal beslissen," vroeg eindelijk Eelco, „wat waar of onwaar zij? Daar hebt
gij den grooten geschiedschrijver Vincentius, en den wijdberoemden natuuronder-
zoeker Plinius, die niet zelden zaken verhalen, welke wij voor boerden en fabelen
zouden aanzien, indien hun geloofwaardigheid niet buiten allen twijfel ware."
„Bah!" zeide Duco: „alsof men niet terstond merken kon, wanneer iemand
ons knollen voor citroenen venten wil. Zoo gij, neef Eelco, ons b. v. wildet doen
gelooven, dat een edele jonkvrouw uit Padua op u verliefd ware geworden, of dat
gij de kleine Viola van den touwslager een kus hadt gegeven: — of zoo onze lange
vriend Agge ons diets wilde maken, dat Prins Eduard hem geluk had gewenscht
met zijn hoofsche manieren, zouden wij dan niet terstond uit eenen mond schreeuwen
dat het onwaar, onwaarschijnlijk en onmogelijk was?"
„Gij hebt gelijk, neef Duco," zeide Eelco, terwijl hij, zonder zich over het
-ocr page 107-
78
ONZE VOOROUDERS.
aangevoerde voorbeeld te ergeren, alleen over het argument nadacht: „er zijn
probationes internae, namelijk dezulke, die uit de meerdere of mindere waar-
schijnlijkheid van het gezegde zelf voortspruiten: en externae, die van de geloof-
waardigheid des verhalers afhangen: b. v. wanneer de Jonker van Arkel mij iets
zegt, dan behoef ik zijn ridder woord niet om hem te gelooven; maar wanneer neef
Duco mij iets bij zijn ziel en zaligheid verzekert, dan leert de ondervinding mij, dat
ik zijn woorden moet wantrouwen."
„Wat duivel meent gij ?...." vroeg Duco, opvliegende: „weet gij, dat dit een
beleediging is, die___"
„Stil! stil! Jonker Duco!" zeide Arkel, evenals al de overigen hartelijk lachende
over de duchtige wijze, waarop de goede Eelco, logisch doorredeneerende, en zonder
erg of list, den spotter zijn scherts had betaald gezet: „indien uw neef zich nooit
wrevelig maakt tegen u, hebt gij geen recht, u tegen hem te vertoornen: en wat
ons betreft, wij zijn hem dank schuldig; want hij heeft ons met zeer veel juistheid
aangetoond, aan welke kenteekenen men de waarheid van een verhaal weet te
toetsen: — zoodat ik geloof, dat er geene zwarigheid bestaan zal, om ook de tweede
voorwaarde van Broeder Steven aan te nemen."
„Maar naar welke orde zullen wij verhalen?" vroeg een der aanwezigen.
„Dat moge het lot beslissen," zeide Broeder Steven: „ik zal rondtellen: wie
uitvalt, ligt na mij het eerst aan de beurt, en zoo vervolgens."
En terstond ving hij aan met bij al zijn reisgenooten rond te gaan, onder het
opdreunen van een oud rijmpje, evenals thans nog de kinderen doen, wanneer zij
beslissen willen wie de krijger wezen zal, elk van het gezelschap beurtelings aan-
rakende onder het noemen van een der woorden des lieds; terwijl degene, die het
laatste woord treft, uit den kring treedt, en men met de overblijvenden denzelfden
dreun weder van voren af aan begint. — Daar geen der aanwezigen schrijfgereed-
schap bij zich had, en de rang, welke ieder bekwam, alzoo door geen loten of briefjes
kon uitgedrukt worden, bedacht Broeder Steven een vernuftig middel om dien te
bepalen, zoodat er later geen twist over ontstaan kon: hij gaf namelijk hem, die
nummer één had, eene olijvenpit: nummer twee bekwam er twee, en zoo vervolgens.
De Patroon en zijn zoon zagen deze voorbereidende maatregelen met nieuwsgierige
blikken en open monden aan, niet beseffende, welk spel men speelde en waarheen
het leiden moest. Toen alles geregeld was en men in behoorlijken kring had plaats
genomen, ving Broeder Steven op deze wijze aan: [Hier volgt het genoemde verhaal
en daarna dat van Hermana].
-ocr page 108-
74
ONZE VOOROUDERS. •
VERHAAL VAN EELCO HERMANA.
Eindelijk gebeurde het, dat Foelkje het tijdstip van haar verlossing voelde
naderen. Haar man was in de kroeg, en niemand bevond zich bij haar om den zoo
noodigen bijstand te verleenen. Op haar gekerm en geschrei kwam echter een
drietal buurvrouwen toeschieten, en weldra bracht zij een dochtertje ter wereld;
doch zij was zoo zwak en afgetobd, dat zij scheen het te zullen besterven. Eene
der buurvrouwen liep daarop naar den Priester, ten einde zij niet onberecht zoude
sterven, en eene naar Edzard, om hem de geboorte van het kind te boodschappen.
Zoo wilde het geval, dat beiden, Edzard en de Priester, gelijktijdig de stins binnen-
traden. De ruwe dronkaard scheen op dat oogenblik zijn verbod aan vader Wichbold
vergeten te hebben: hij schonk een kroes vol bier en bood dien den Priester aan,
die hem afsloeg, zeggende, dat hij geen spijs of drank mocht proeven, terwijl hij
het lichaam des Heeren droeg. Edzard, over deze weigering verstoord, vergat zich
zooverre, dat hij met zijn kroes op de blikken bus sloeg, waarin zich het hoogwaar-
dige bevond, zoodat deze den Priester uit de hand viel en de hostiën over den
vloer verstrooid raakten. Maar nu gebeurde er een wonder, dat wel in staat ware
geweest, het meest verstokt gemoed tot boetvaardigheid te brengen. Op elke hostie
vertoonde zich een lichtende ster, die een buitengewonen glans van zich gaf, zoodat
het geheele vertrek er door verlicht werd. Al de buurvrouwen vielen op de knieën;
maar Foelkje rees op in \'t bed, en, zich tot haar man wendende: „Edzard!" zeide
zij, „indien gij geen boete doet voor dit vergrijp, zult gij er in deze wereld zoowel
als hiernamaals voor gestraft worden. En gij, Priester, haast u, mij het lichaam des
Heeren te geven; want ik voel, dat ik sterven ga." — Maar de kleinhartige Priester,
vir timidus et imbecillus, in stede van aan haar begeerte te voldoen, raapte
snellijk de hostiën op en vluchtte de deur uit, zoo bevreesd was hij voor de gram-
schap van Edzard: — zoodat de arme vrouw onberecht stierf. Een der buurvrouwen
nam het kind tot zich, daar Edzard het niet wilde zien, en vader Wichbold werd
ziek van ontsteltenis, zoodat men genoodzaakt was, een anderen Priester te halen,
om de begrafenisplechtigheid te verrichten.
De buurvrouw, die het kind had medegenomen, was een goed en vroom
schepsel, en, ofschoon zij zelve het niet te breed had en hard voor den kost moest
werken, zoo droeg zij echter evenveel zorg voor het arme wicht, alsof het haar
eigen ware geweest. Eens op een nacht wakker wordende, zag zij, niet zonder
grooten schrik, Foelkje naast haar bed zitten, die haar dochterken op haar schoot
-ocr page 109-
75
ONZE VOOROUDERS.
in slaap suste. Zij zou van angst wel geschreeuwd hebben; maar het was haar
alsof het geluid haar in de keel bestierf, en Foelkje zag haar met zulk een vrien-
delijken blik aan, dat langzamerhand de vrees van haar week en voor een zachtere,
volkomen rustige aandoening plaats maakte. — „Theda!" zeide de gestorvene: „ontstel
u niet; want gij hebt van mij niets te vreezen. Daar ik van deze wereld heb moeten
scheiden zonder biecht of berechting, zoo is mij het Paradijs ontzegd, tot zoolang
vader Wichbold aan zijn plicht jegens mij zal voldaan hebben; maar het is mij
vergund geworden, tot dien tijd voor mijn kind te waken. Daarom ga heen, en zeg
aan den Priester, dat hij zich te middernacht naar de kerk begeve en in den
biechtstoel zitte: dan zal ik tot hem komen: en daarna zal hij mij het Heilige doen
gebruiken, opdat mijn ziel rust hebbe: — en zeg Edzard, dat hij zich bekeere en
boete doe, of hij is voor altijd verloren."
Dit gezegd hebbende, leide zij het slapende kind weder op het bed en verwij-
derde zich. Theda bleef dien nacht met waken en bidden doorbrengen, en ging,
zoodra de dag aan den hemel was, aan den Priester, en vervolgens aan Edzard, de
boodschap doen, die haar was opgelegd. De Priester zuchtte en scheen bitter ver-
legen: maar hij was te kleinmoedig, om te doen wat de afgestorvene van hem
verlangde: — en wat Edzard betrof, de verharde booswicht spotte met de hem
overgebrachte vermaning, en grauwde Theda toe, dat, indien zij hem weder met
dergelijke boodschappen uit de andere wereld aan boord kwam, hij haar wederkeerig
met een boodschap derwaarts zenden zou.
Intusschen had de godin fama, welke de goddelijke Maro beschrijft als met
honderd oogen, honderd monden en honderd ooren voorzien, het gebeurde bij
Foelkjes sterfbed ruchtbaar gemaakt. Zoowel Edzard, wegens zijn heiligschennis,
als de Priester, wegens zijn verzuim, werden gedagvaard voor den Bisschop van
Munster, onder wiens geestelijk rechtsgebied Wytwerd behoort. Edzard bleef weg;
maar vader Wichbold verscheen voor den Bisschop en gaf een verhaal van het
gebeurde, ook niet verzwijgende de laatste boodschap, hem door Theda gedaan. De
Bisschop, niet durvende beslissen of deze verschijning van Foelkje uit den Hemel
of uit de Hel kwam, leide den Priester op, naar Rome te gaan en de zaak den
Paus voor te leggen; terwijl hij Edzard bij verstek veroordeelde en den kerkban
tegen hem uitsprak, dewelke naar \'t gebruik in alle kerken afgelezen en op alle
openbare plaatsen aangeplakt werd.
Toen Edzard nu weder in de herberg kwam, weigerde de waard hem te ont-
vangen: en ieder schuwde en ontvluchtte hem als een verworpeling. Bij den bakker
kon hij geen brood en bij den boer geen melk bekomen, en had hij niet gelukkig
-ocr page 110-
70
ONZE VOOROUDERS.
nog eenige beschimmelde eetwaren in zijn woning gevonden, hij ware van honger
gestorven, als zijnde, gelijk de Romeinen het noemden, aqua et igne inter-
dictus. Doch ook deze voorraad hield weldra op en nu zag hij zich genoodzaakt,
overdag te huis te blijven, terwijl hij \'s nachts rondliep en op de erven of in de
boerenwoningen binnensloop, de spinde of spijskorf, waar hij kon, beroovende, om
zijn honger te boeten. Zoo kwam hij eens op een donkeren nacht aan de hut van
Theda. De gedachte, dat Foelkjes kind zich daarbinnen bevond, deed zijn toorn
ontvlammen: en het gruwzame denkbeeld rees bij hem op, om zijn haat en woede
aan dat onschuldig voorwerp te koelen, aan welks geboorte hij de schuld van al
zijn ellende gaf. Omzichtig sloop hij binnen, maar hoe hevig ontstelde hij, toen hij
Foelkje naast de bedstede zag zitten, met haar dochterken in den arm. „Ellendig
mensen!" zeide zij, oprijzende en hem met een meer droefgeestigen dan grammen
blik beschouwende: „ik weet, met welke bedoelingen gij hier komt; maar ik zal dit
kind voor uw onstuimige drift beveiligen. Zorg gij intusschen u te bekeeren: want
deze is de laatste waarschuwing, welke gij ontvangen zult." Meteen trok zij haar
sluier over \'t aangezicht neer en gleed hem voorbij, het kind met zich nemende.
VERHAAL VAN ALBERT VAN HAASTRECHT.
De Rijn loopt, gelijk algemeen bekend is, van Keulen naar Arnhem door een
lage en weinig behaaglijke landstreek. Daar gekomen wordt het oog verrast door
bevallige heuvelen, met fraai geboomte beplant, boven welks toppen de spitsen en
torens oprijzen van menig klooster en burchtslot. Deze streek, door vele beken
aangenaam doorsneden, en met vlijt beteeld en bebouwd, vormt de zuidelijke grens
der anders zoo dorre en schrale Veluwe, en wordt daarom ook door de Gelderschen
„de fluweelen rand van het vale kleed" genoemd. In dat gezegend oord, en niet
verre van het dorp Oosterbeek, ziet men tusschen wild geboomte de grijze tinnen
doorschemeren van het slot Wolfhees, een oud en ruim gebouw, welks bewoners
sedert eeuwen over een uitgestrekt gedeelte des omliggenden gronds te bevelen
gehad, en geen geringe rol in de geschiedenis der Veluwe gespeeld hadden. Voor
eenige jaren leefde aldaar Berndt van Wolfhees, de laatste mannelijke afstammeling
van dat machtige geslacht. Hij was een vroom en wakker Ridder, die menigen
-ocr page 111-
Omzichtig sloop mj de hut van Theda binnen, maar hoe hevig ontstelde hjj, toen hU Foelkje
naast de bedstede zag zitten, met haar dochterken in den arm. „Ellendig mensch I" zeide rij], ople-
zende en Edzard met een meer droefgeestigen dan grammen blik beschouwende: „ik weet, met
welke bedoeling gy hier komt; maar ik zal dit kind voor uw onstuimige drift beveiligen. Zorg gjj
intusschen u te bekeeren: want deze is de laatste waarschuwing, welke gy ontvangen zult." Meteen
trok z\\) haar sluier over \'t aangezicht en gleed hem voorby; het kind met zich nemende.
Ome Voorouders. — De Reisgenooten, blz. 76.
-ocr page 112-
ONZE VOOROUDERS.                                                              77
tocht bijgewoond en ook de ongeloovigen bestreden had; maar nu waren zijn jaren
geklommen: een wond aan \'t been en daarbijkomend voeteuvel verhinderden hem,
zich verre van huis te begeven, en hij achtte genoeg voor zijn roem te hebben
gedaan, om het overige zijner dagen rustig op zijn slot te kunnen blijven door-
brengen. Zijn bezitting was dan ook goed genoeg ingericht om er aangenaam en stil
te leven, zonder dat er toch gebrek was aan afwisseling en vermaak. De hofstede
toch was ruim en van alle gemakken voorzien: op den voorhof, tusschen den
buitenwal en de middelste gracht, stonden aanzienlijke schuren, door de vlijt der
eigenhoorigen en thijnsgenooten altijd welgevuld: voorts een hooge molen, waar
het graan voor het gezin niet alleen, maar voor de geheele buurt gemalen werd:
een gruithuis, waar de gruit voor al de buren werd afgeleverd, en eindelijk nog een
brouwerij, waar uitmuntend bier gebrouwen werd: terwijl de kelders bovendien altijd
gevuld waren met treflijken wijn. Aan vleesch en visch van alle soorten ontbrak
het evenmin: groote kudden varkens voedden zich met de eikels van het omliggende
woud: honderden schapen graasden op de heide daarachter, en ontelbare hoenders
en kalkoenen pikten hun voeder op het burchtplein. De bosschen leverden grof
en fijn wild, de velden patrijzen in overvloed: riviervisch was zonder moeite te
bekomen, en wanneer de burchtheer zeevisch begeerde, had hij slechts \'s avonds
een ruiter met een korf naar de zeeplaatsen te zenden, om den volgenden middag
smakelijke bot, versche tarbot of zelfs een bruinvisch op schotel te hebben. En
nooit ontbrak het Berndt van "Wolfhees aan bereidwillige gasten, altijd even gereed
om met hem de reebokken na te jagen, het zwijn in zijn schuilhoek op te sporen
of de netten in den stroom te werpen, als om het gevangene te helpen orberen,
zijn keurigen gerstendrank of ouden wijn te proeven, en de ooren der lieve Cunera
met zoeten minnekout bezig te houden.
Cunera was de eenige dochter van den Heer Berndt, en zoo lief en onschuldig
een maagdelijn als ooit binnen tien mijlen in den omtrek was te zien geweest. Niet
ééne edelmansdochter wist met meer behendigheid en smaak de borduurnaald te
hanteeren, noch verstond zich beter op het inleggen en konfijten van smakelijke
vruchten: en behalve deze begaafdheden bezat zij, wat meer zegt, een goed en
milddadig hart, vrij van allen hoogmoed en ijdelheid, zoodat zij door aanzienlijken
en geringen, door ouden en jongen, evenzeer bemind en geëerd werd. Bij de kennis,
welke men bezat aan het vermogen haars vaders, wiens eenige erfgename zij was,
kon het wel niet anders zijn, of al de jonge edellieden uit de nabijheid, en zelfs
sommigen, die niet jong meer waren, moesten om hare hand dingen; maar de oude
Berndt sloeg alle aanzoeken van dien aard af, en, wat haar zelve betrof, ofschoon
10
-ocr page 113-
-ocr page 114-
78
ONZE VOOROUDERS.
zij zich vriendelijk en minzaam jegens allen betoonde, haar hartje had nog voor
niemand in \'t bijzonder gesproken.
De reden, waarom Heer Berndt bestendig ook de beste partijen voor zijn
dochter was blijven weigeren, lag niet, gelijk sommigen waanden, in de zucht om
het lieve meisje, dat, sedert haar moeders dood, zijn eenig gezelschap op den burcht
was, bij zich te behouden. Wel had hij die reden nu en dan tot voorwendsel
genomen; maar de ware was deze, dat hij haar, reeds vóór haar geboorte, aan den
zoon eens wapenbroeders verloofd had. Hij had dit altijd voor haar verzwegen; maar
eindelijk was de tijd gekomen, waarop het geheim moest ophouden een geheim te
zijn. Op een stormachtigen avond van Maart gebeurde het, dat een vreemdeling,
die vermoeid en bezweet van \'t veerhuis kwam aangeloopen, zich aan den slot-
wachter aanmeldde met een brief voor Heer Berndt. Deze betoonde zich recht
verheugd, toen hij het zegel losbrak; want hij herkende het wapen van den wak-
keren Heer Wolfgang van Altenaar, met wien hij menigen tocht gedaan en menig
genoeglijk uur gesleten had. Hij liet terstond zijn kapelaan roepen, om den brief te
lezen, die nagenoeg van den volgenden inhoud was:
„Wolfgang van Altenaar aan Berndt van Wolf hees.
Groete en ridderhandslag vooraf.
Waarde Vriend en Wapenbroeder!
Deze is dienende om u te melden, dat mijn zoon, die, gelijk ik zelf, Wolfgang
heet, met Pinksteren zijn vijf-en-twintigste jaar volbracht zal hebben, en het alzoo
hoog tijd voor hem wordt een vrouw te nemen. Nademaal wij ons voor jaren
verbonden hebben, dat uwe dochter, welke thans achttien jaren oud moet wezen, de
echte vrouw van mijnen Wolfgang worden zoude, zoo herinner ik u bij dezen aan
het gegeven woord, en zend ik hiernevens den verlovingsring, biddende, dat de Jonk-
vrouw dien ter liefde van haar aanstaanden echtgenoot moge dragen; en verzoek
u, aan onzen bode wederkeerig een ring mede te geven, om tot minnepand van hare
zijde te verstrekken. Mijn zoon bevindt zich vooralsnog bij den Keizer te Regensburg,
maar zal met St.-Jan afreizen om zijn bruid te komen halen. Onderwijl zend ik u een
vat van den besten rooden wijn, dien onze wijnbergen opleveren, en hoop, dat gij
hem in gezondheid moogt ontvangen en opdrinken: waarmede wij u Gode bevelen.
Ik Pater Hildebrand, mijns Heeren Kapelaan, heb dezen brief geschreven met
mijn eigen hand, die door mijn voorschreven Heere met zijn eigen merk is geteekend,
den dag voor Oculi, van het slot tot Altenaar."
-ocr page 115-
ONZE VOOROUDERS.                                                             79
Dit bericht verblijdde Heer Berndt uitermate: hij zond dadelijk een kar naar
het veer om den wijn te halen, onthaalde den bode op het beste, dat in keuken of
kelder te vinden was, en stuurde hem na acht dagen terug met een kostbaren
verlovingsring en een fraaien brief, tot het schrijven waarvan Vader "Wenzel, zijn
Kapelaan, wel drie dagen besteed had, en die dan ook wel een pronkstuk mocht
heeten, zoo sierlijk waren de hoofdletters geteekend en gekleurd: ja om het boven-
schrift slingerde zich een fraaie krul, met beeldjes en figuren van den Heiligen
Simson, die zijn bruid af komt halen, en van den leeuw naast hem, door een
minnegoodje geleid, alles zeer geestig zinspelende op het aanstaande paar. Toen nu
de bode weg was, deelde Heer Berndt aan Cunera mede, wat tijding de man op
Wolfhees was komen brengen, en verhaalde haar, welk een vroom en dapper Ridder
de Heer van Altenaar was, en hoe gelukkig zij zich te achten had, indien de zoon —
gelijk hij er ook niet aan twijfelde — even braaf en wakker en welgemaakt als de
vader was. Cunera werd beurtelings bleek en rood, toen zij dit bericht vernam, en
antwoordde zediglijk en gelijk een gehoorzame dochter betaamde, dat zij gehoopt
had, niet zoo vroeg haar lieven vader te verlaten, doch dat zij zich in alles naar
zijnen wil zou voegen. Gij kunt denken, of de ontvangen mededeeling haar stof had
gegeven tot peinzen en overdenken, en of zij nieuwsgierig en bezorgd was, hoe de
verwachte bruidegom er uit zoude zien, wien zij bij haarzelve beurtelings vergeleek
met al de jonge Edellieden, die zij kende; doch altijd hopende, dat hij de goede
hoedanigheden van elk hunner bezitten en hun gebreken missen zou. „Zie," dacht
zij bij haarzelve: „ik had gaarne, dat hij zoo vroolijk was als Otto van Walfoort;
maar dan moest zijn neus minder lang wezen: hij zou mij wel behagen, indien zijn
haar zoo zwart en gekruld was als dat van Rolf van Eylar; mits hij wat meer
verstand had: en dan moest hij geestig kunnen vertellen als Wolf van Bylandt;
doch zich niet zoo krom houden: ook had ik er niet tegen, indien hij een zoo vlugge
ruiter was als Koen van Wachborn, en minder met zichzelven ingenomen dan
deze." — En wanneer de lieve maagd zich op deze wijze een hersenpop had
gevormd, dan ging zij naar de kapel, en bleef daar dikwijls bijna een uur bidden,
dat haar bruidegom toch mocht beantwoorden aan de voorstelling, welke zij zich
van hem gevormd had.
Ondertusschen heerschte er vrij wat drukte op het kasteel: de juffers en
dienstmaagden waren onverpoosd bezig met het vervaardigen van Cunera\'s uitzet,
en met het borduren van het bruidskleed. Juweliers, passementmakers en kramers
wisselden elkander af op het slot. Alle breuken en gaten in muur of wal werden
gelapt en hersteld: het houtwerk, waar \'t verrot of vermolmd was, door nieuw
-ocr page 116-
NO
ONZE VOOROUDERS.
vervangen: en de schilderkwast ijverig gebruikt om aan alles een frisch en vroolijk
aanzien te geven.
Men was in de laatste dagen van April, en reeds begon het lentekleed boomen
en velden te overdekken. Eens, op een dier fraaie voorjaarsmorgens, wanneer de
zoele lucht, de verkwikkende, gebalsemde geur van kruiden en bloemen, en het
gevoel der ontwakende natuur de ziel tot zachte en weemoedige aandoeningen
stemmen, was Cunera, met Brecht, haar voedster, het bosch ingewandeld. Van
\'t loopen vermoeid, had zij zich onder een ouden eikeboom nedergezet, welks wortels
in verschillende grillige vormen half over den rand hingen eener diepe kloof, over
wier bodem een helder beekje liep, dat, van de hooge heide afgedaald, het bosch in
alle richtingen doorkronkelde. Haar voorschoot was vol met veelkleurige veld-
bloemen, waarvan zij bezig was een kransje te vlechten, terwijl zij inmiddels met
verstrooide aandacht luisterde naar het gesnap der oude Brecht, die haar onderhield
over het onschatbaar voorrecht haar beschoren, eerlang zulk een wakker edelman,
als "Wolfgang van Altenaar, tot echtgenoot te erlangen. De goede voedster was
verwonderd, dat Cunera geen antwoord gaf: „Men zoude waarlijk zeggen, Kniertje!"
zeide zij eindelijk, „dat gij het geluk, dat u wacht, niet op prijs stelt. Waar denkt
gij toch over?"
„Ik denk," antwoordde Cunera, of Kniertje, gelijk zij in de wandeling genoemd
werd, „dat ik bijwijlen ondankbaar ben, en zelfs de zoodanigen benijd, die naar het
uiterlijke oneindig minder bevoorrecht zijn dan ik. Gisteren heb ik molenaars Lijsbeth
zien verloven aan "Warner den jager. Wat waren beiden vroolijk en opgeruimd! En
geen wonder; want zij hebben elkander van kindsbeen af gekend en boven alle
anderen uitgekozen: terwijl ik niet weet of ik mijnen bruidegom, noch of hij aan
mij gevallen zal. — Zie, ik zou waarlijk, geloof ik, liever een echtgenoot hebben, die
van min hoogen adel en min door de fortuin begunstigd was, maar dien ik te voren
gekend en mijner liefde waardig had bevonden."
Eer dat Brecht de verbazing nog had kunnen uitdrukken, welke deze zonderlinge
bekentenis der Jonkvrouw bij haar teweegbracht, deed zich, op korten afstand,
tusschen het geboomte, een zoetklinkend snarenspel hooren, en terstond daarop
zong een volle, welluidende mansstem het navolgende lied:
\'t Is weder lente, zacht en zoel. —
Tot levenslust en mingevoel
Is al, wat leven heeft, ontwaakt.
Zie alles ademt, alles blaakt
Van zoet verlangen.
-ocr page 117-
Zoodra het gezang had opgehouden, keek Cunera naar de /.üde, waar het vandaan was
gekomen.....Brecht, niet minder nieuwsgierig dan zy, was reeds naar dien kant heengeklotst; maar
bleef plotseling staan, toen de zanger van achter een kleine verhevenheid, welke hem tot op dit
oogenblik aan hun oogen had onttrokken, te voorschijn trad, en, zich met heuschheid tot Cunera
wendende, voor ztjn vr^postigheid verschooning vroeg.
Onze Voorouders. - De Reisgenooten, blz. 81.
-ocr page 118-
81
ONZE VOOROUDERS.
De zilvren zwaan in \'t oeverriet,
Het vischje in den heldren vliet,
De zwaluw op het gastvry dak,
De vlasvink op den wilgentak,
\'t Zoekt al te paren:
En ieder kiest en ieder vindt
Een lieve weerga, hem gezind:
Aan allen staat het vryen vrü:
En, schuldloos, weet hun vryerfl
Van geen bezwaren.
De niensch alleen — al gloeit z\\jn hart
Van liefdedrift en liefdesmart -
H\\j moet te vaak in \'t vol gemoed
De teedre zuchten, die luj voedt,
Met kracht versmoren.
Hem scheiden stand, geboorte en rang,
Der oudren wil, der magen dwang,
Te vaak van haar, die h\\) het reedst,
— Zoo \'t kiezen waar\' vergund geweest —
Zich had verkoren.
Gelukkig nog, indien h\\) niet
Zich aan een voorwerp huwen ziet,
Welks loutre aanblik \'t jeugdig bloed,
Dat bruisend door zj}n aad\'ren woedt,
Tot ijs doet vriezen. —
Béng dan nimmer, bljj gediert\'!
Als ge in de lente uw hoogttjd viert,
BenU den mensch ztJn rechten niet:
Daar u Gods gunst het grootste liet;
Van zelf te kiezen.
Het onderwerp van dit gezang was zoo geheel in overeenstemming met hetgeen
in de ziel van Cunera omging, dat zij tot het einde bleef luisteren, zonder eens om
te zien en zonder er aan te denken, wie de zanger wezen kon, die deze bevallige
akkoorden had voortgebracht. Zoodra echter het geluid op had gehouden, scheen zij
tot het besef der wezenlijkheid terug te keeren, en oprijzende, keek zij naar de
zijde, waar het vandaan was gekomen, ten einde, zoo mogelijk, te ontdekken, aan
wien zij deze verrassing te danken had. Brecht, niet minder nieuwsgierig dan zij,
was reeds naar dien kant heengeklotst; maar bleef plotseling staan, toen de zanger
-ocr page 119-
-ocr page 120-
82
ONZE VOOROUDERS.
van achter een kleine verhevenheid, welke hem tot op dat oogenblik aan heur oogen
had onttrokken, te voorschijn trad, en, zich met heuschheid tot Cunera wendende,
voor zijn vrijpostigheid verschooning vroeg.
„Zoo ik geweten had," zeide hij, „dat ik een meer beschaafd gehoor had dan
de vogels in het woud, ik had mij wel gewacht, schoone Jonkvrouw! uwe eenzaam-
heid op een zoo onbescheiden wijs te storen."
Cunera bloosde geweldig, toen zij zich door den vreemdeling op deze wijze
hoorde aanspreken in een eenigszins uitheemschen tongval, die niet zonder beval-
ligheid was. De maatschappelijke stand, welken zijn kleeding verried, was echter
niet van dien aard om haar eenige verlegenheid in te boezemen: het eenvoudige
buis van groen laken, welke kleur zelfs eenigszins verschoten was, de roode kaproen
van grof doek en de kalfslederen hozen verkondigden iemand van geringe geboorte;
en de zilveren sleutel, aan een ketting van hetzelfde metaal op de borst hangende,
zoowel als het speeltuig, met een fluweelen band over den schouder gedragen, deden
den meistreel of minnezanger van beroep kennen; maar de houding en gestalte des
onbekenden verrieden toch zekere waardigheid en de gewoonte om met welgeboren
lieden om te gaan; terwijl zijn gelaatstrekken niet tot de zoodanige behoorden,
welke, eens gezien, lichtelijk vergeten worden. De kaproen, op dit oogenblik achter-
over geslagen, liet de schoonste gitzwarte haren zien, die, in \'t midden gescheiden,
aan weerskanten in zware krullen over nek en schouderen nedergolfden: de donkere
oogen, welke hij, bij het buigend naderen, op den grond gevestigd hield, blonken,
toen hij ze, bij het eindigen zijner toespraak, naar Cunera richtte, haar zoo schitterend
tegen, dat zij zich gedrongen gevoelde, de hare neder te slaan. Op het hooge
voorhoofd lag een uitdrukking van nadenken en droefgeestigheid verspreid, welke
aan een meer rijpen leeftijd eigen scheen, dan dien de zanger bereikt kon hebben,
en die in tegenspraak was met den jeugdigen blos op de wangen en de zachte
omtrekken van mond en kin. Het onaanzienlijke gewaad sloot zoo juist om de
welgevormde ledematen en deed de volkomen evenredigheid der deelen zoo bevallig
uitkomen, dat men de stof vergat waaruit het was samengesteld: — in \'t kort, den
jongeling ontbrak slechts een meer sierlijke dos, om voor een edelman van hooge
geboorte, ja voor een vorstenzoon te worden aangezien. Bespeurende dat Cunera,
\'t zij uit maagdelijke schroomvalligheid, \'t zij omdat zijn onverwachte verschijning
haar te sterk verrast had, zijn toespraak niet beantwoordde, herhaalde de minne-
zanger zijn verontschuldigingen en gaf tevens te kennen, dat hij, de gastvrijheid en
milddadigheid van den Heer van Wolfhees hebbende hooren roemen, op weg was
naar zijn kasteel, in de hoop dat men den armen meistreel zoude vergunnen, zjjn
-ocr page 121-
ONZE VOOROUDERS.                                                             83
zwakke gaven aldaar te doen hooren, — toen hij, van de wandeling vermoeid en
door het bevallige oord verlokt, zich een wijl onder de schaduw van het geboomte
nedergezet en, zich alleen wanende, een nieuw, onlangs door hem vervaardigd, lied
had beproefd.
„En wij zijn er u dank voor verschuldigd, meistreel!" zeide Cunera, die eindelijk
haar verlegenheid had weten te overwinnen: „immers, zoo het slot Wolf hees altijd
een gul onthaal biedt aan den vermoeiden reiziger, het zal u thans met dubbel
genoegen verschaft worden, nu wij de overtuiging bezitten, dat gij het met zulke
fraaie zangen weet te vergelden. Ik ben de dochter van Heer Berndt."
VERHAAL VAN KEES DIRKSZ.
Zoo sprekende voer hij met zijn vier man de sloot op, terwijl vier anderen,
krek als de ganzen achter elkaar gaande, het dijkje hielden. Zij waren nauwelijks
uit het gezicht, of Lijsken sprong op en vroeg toen, fluisterend, aan Berthout, of hij
niets hoorde.
„Wat zou ik hooren?" vroeg de schildknaap: „ik hoor niets buiten het geplas
der riemen in \'t water: en het gedruisch dat die anderen maken, terwijl zij met
hun kolven om zich heen slaan en zich op de arme heesters wreken, dat zij hem,
wien zij zoeken, niet vinden kunnen."
„Neen, niet aan die zijde," zeide Lijsken: „\'t is rechts, dat ik iemand heb hooren
loopen: geen drie pas hier vandaan verdeelt zich de dijk in tweeën, en hij kan al
zoo goed rechts, als links gegaan zijn."
„En dat tweede pad," hernam Berthout, terwijl hij haar scherp onder de oogen
zag: „waar voert dat heen?"
„Dat tweede pad is blind zoowel als \'t andere," hernam Lijsken: „en geen
twintig pas lang; maar gij voelt, dat ik geen trek heb, om dien vreemden gast te
redden ten koste van mijn hals."
„Wel, dat zou een heerlijke zaak zyn," riep de schildknaap: „als wij hem hier
betrapten, terwijl zij hem ginds loopen zoeken. Wacht mannen! daar moeten wij
de grap van hebben."
„Met verlof, Jonker Berthout," zei een der wapenknechten: „zoo deze twee
intusschen eens met de hoogaars schootgingen ?...."
-ocr page 122-
84
OXZE VOOROUDERS.
„Zij zullen wel wijzer wezen," zeide Berthout: „wij zouden hen gauw genoeg
met de roeischuit achterhalen, zoo zij \'t beproefden, en dan ware hun vonnis geveld."
Met sprong hij aan wal, en, al was het dan schoorvoetende, de overige vier
volgden hem: pas waren zij op het dijkje, of Lijsken ging vlak over Kees staan en
schudde het hoofd:
„Kees Dirksz, Kees Dirksz!" zei zij: „heb ik dat aan u verdiend? kon ik denken,
dat gij de man zoudt zijn, die mij verraden en vervolgen ging?"
„Wat zal ik zeggen?" antwoordde Kees, terwijl hij niet weinig beteuterd voor
zich keek: „als gij met een anderen vrijer het pad opgaat___"
„Een anderen vrijer!" herhaalde zij: „een armen vluchteling uit Dordrecht,
wiens leven meer waard is dan dat van al die hem zoeken; maar \'t is nu geen
zaak daarover te praten, \'t is zaak hem te redden."
„Hem te redden!" zei Kees: „en gij stuurt dat volk op hem af, om hem te
vangen."
„Onnoozele bloed, die gij zijt," hernam Lijsken: „denkt gij waarlijk, dat ik zoo
dom ben: — zet de hoogaars maar wat af: hier is de man dien zij zoeken."
„Waar?" vroeg Kees, terwijl hij een eind terugvoer en om zich heen zag.
„Hier," zeide iets, dat uit de lucht naast hem neer kwam vallen.
„Wel heb ik van mijn leven!" zei Kees, terwijl hij beurtelings den man met
den gelen sorkoet bekeek en de dichte takken van den vlierboom, waarin hij ver-
scholen had gezeten: „maar wat zal \'t helpen," vervolgde hij: „als zij terugkomen
en u hier vinden?"
„Zij moeten niemand vinden," antwoordde Lijsken: „werk de hoogaars slechts
uit het spui, dan mogen zij vrij met de roeiboot achteraan komen: die zullen wij
wel af weten te houden."
„\'t Is te laat," zei Kees; „daar zijn zij al terug: wat nu gedaan?"
„Berg u onder \'t zeil," zeide Lijsken, tegen den vreemdeling: „gij hebt den tijd
niet meer, om in den boom te klimmen."
„Mij bergen," zeide de onbekende, terwijl hij naar zijn knijf voelde: „en dat,
als zij slechts met hun vieren of vijven___"
„Wilt gij ons in \'t ongeluk en om hals helpen?" fluisterde hem Lijsken met
drift in: „spoedig, onder het zeil."
De vreemdeling gehoorzaamde en strekte zich op den bodem van de hoogaars
uit, terwijl Lijsken de zeilen over hem heen wierp: nog was zij daarmede bezig,
toen zij de stem van Berthout hoorde:
„Dat is een lief weggetje, dat gij ons hebt opgezonden," riep deze: „\'t mag een
-ocr page 123-
„Onnoozele bloed, die g\\j zijt," hernam Lhsken: „denkt gjj waarlijk, dat ik zoo dom ben: —
zet de hoogaars maar wat af: hier is de man, dien zy zoeken.\'-
„Waar?" vroeg Kees, terwijl h\\j een eind terugvoer en om zich heen zag.
„Hier," zeide iets, dat uit de lucht naast hem neer kwam vallen.
„Wel heb ik van imjn leven!" zei Kees, terwijl mj beurtelings den man met den gelen sorkoet
bekeek en de dichte takken van den vlierboom, waarin h\\j verscholen had gezeten ....
Onze Voorouders. — De Reisgenooten, blz. 84.
-ocr page 124-
85
ONZE VOOROUDERS.
pad wezen voor reigers en roerdompen; maar een mensen zakt er in tot de knieën,
of glijdt zijwaarts in het water. Zoo onze vluchteling daar zit, mag hij er den nacht
doorbrengen, ik zal hem niet gaan zoeken. Maar waar is nu die vermaledijde schuit?
Waarom zijt gij niet blijven liggen waar gij u bevondt?"
„Omdat wij hier beter liggen," zeide Kees, terwijl hij den schildknaap de hand
toestak, om hem aan boord te helpen, „\'t Was daar zoo ondiep, dat ik vreesde vast
te raken."
„Al wel, al wel!" zeide Berthout, met zijn gezellen in de schuit stappende:
„ware het niet dat wij zulk fijn wild op \'t spoor hadden, ik zou zeggen, dat dit de
misselijkste jacht is, die ik van mijn leven gemaakt heb. — Brr! ik kan nauwelijks
meer op mijn beenen staan, zoo vermoeid ben ik. — Maar daar hoor ik onze makkers
terugkomen."
Gij kunt begrijpen, zonder dat ik het u uitleg, in welken angst Lijsken en
haar vrijer zich bevonden. Berthout en de zijnen hadden zich gelukkig bij \'t roer
geplaatst; maar wanneer ook de overigen weer in de hoogaars kwamen, zouden zij
zich natuurlijkerwijze voor en achter moeten verdeelen, dan was het alleen een
mirakel, dat hen zou kunnen beletten, den vluchteling te vinden. Het duurde nu
niet lang meer, of Heer Rogier en zijn volk kwamen met de roeiboot en langs het
dijkje terug.
„Wij hebben niets gevonden," riep de Heer van Meerhem: „maar hij zal ons
daarom niet ontsnappen: van \'t eiland kan hij niet af, en, dood of levend, hij moet
in onze handen vallen; — \'t is nu een blind zoeken; maar wij zullen den dag
afwachten en dan een nieuwe klopjacht beginnen."
„Den gansenen nacht hier blijven!" riep Lijsken met een bedrukt gezicht; „wat
zal mijn arme vader bedroefd wezen, als hij thuis komt en mij niet vindt!"
„Dan hadt gij niet van huis moeten gaan," zei Heer Rogier, terwijl hij een
gezicht zette als een bok uit Noorwegen: „en uw vader zal het nog zijn Patroon
mogen dank weten, zoo hij u ooit weder levend terugziet. Neen zusje! gij zult hier
met ons blijven, en vinden wij hem niet, dien wij zoeken, dan zal het slecht met
u afloopen."
„Hu kan zich toch niet met zwemmen gered hebben," zeide Berthout, terwijl
hij gaapte als een bakkersoven.
„Waar zou hij heen zijn gezwommen?" vroeg Heer Rogier: „Flakkee is wat
verre, en in Voorne of Putten loopt hij ons volk in den mond; neen, hier moet hij
schuilen, en hier zullen wij hem opjagen. Luistert, mannen! wat mijn voornemen
is. Ik blijf hier in de roeiboot, met acht man: en zoodra het dag is, gaan wij aan \'t
11
.
-ocr page 125-
-ocr page 126-
86
ONZE VOOROUDERS.
rondkruisen, en houwen desnoods alle boomen en heesters om, tot wij hem
vinden: waar hij kruipen kan, kunnen wij \'t ook: gij, Berthout, zult onderwijl met
de hoogaars het eiland rond blijven varen, en een wakend oog houden, dat hij niet
ontsnappe."
„Maar, Heer Rogier!" zei een van \'t volk! „\'t is bij mijn zolen wat veel
gevergd: zullen wij hier den ganschen nacht op een droogje zitten?"
„Verbruid volk!" zei Heer Rogier, „dat altijd om schaften denkt. Morgen zult
gij immers kunnen uitrusten en uw hart ophalen."
„Mij dunkt, wij hadden toch een teug verdiend," hernam de wapenknecht:
„\'t is bijkans een etmaal, dat wij niets gedaan hebben als vechten en jagen: en
onderwijl de lippen kwalijk nat gemaakt: — ondertusschen doen de anderen zich
in Puttenland te goed en halen den besten buit weg."
„En wat buit mogen zij halen, die zoo goed is en zoo duur betaald zal worden
als de prooi die wij zoeken?" vroeg Heer Rogier: „zwijg dus, en heb geduld; want
gij weet, dat wat ik gezegd heb, gezegd blijft: — en nu, Berthout! maak dat gij
van hier komt."
Het geschiedde, gelijk hij gelast had: Kees zette zich aan \'t boomen, en alras
was de hoogaars weer in \'t open vaarwater.
„Haalt gij het zeil niet op, schipper?" vroeg Berthout, toen zij een poos op
stroom gedreven hadden.
„Waar zou \'t voor dienen?" vroeg Kees op zijn beurt: „wij zakken nu zoetjes
en zachtjes den stroom af: en als wij aan den hoek van \'t eiland zijn en weerom
moeten, dan kan ik de riemen nemen: dat houdt een mensch nog warm in den
kouden nacht."
„Wel!" zeide Berthout: „in dat geval zal ik mijn voordeel doen van die zeilen,
en beproeven of ik een uurtje slapen kan; want ik kan nauw uit mijn oogen zien
van de vermoeidheid."
Zoo sprekende, wierp hij zich zoo lang als hij was, op het zeil neer, zonder iets
te merken van hetgeen daaronder verborgen lag: en, eer men een zoo mosselen had
kunnen gaarkoken, snorkte hij alsof hij den geeuwhonger had: een van de wapen-
knechten volgde zijn voorbeeld en ging naast hem liggen; gelukkig was het zeil
zoo in-een-gefrommeld, dat men het zou hebben moeten weten, om te voelen, dat
er wat onder was: en juist dat zij met hun beiden daar vertuid lagen, gaf aan
Lijsken de gerustheid, dat een ander er niet onder zou gaan kijken.
„Wel, heb je ook geen slaap?" vroeg een van de wapenknechten aan zijn
buurman.
-ocr page 127-
87
ONZE VOOROUDERS.
„Neen!" antwoordde deze: „dat kan ik juist niet zeggen; maar des te meer
dorst: en kijk! als er een herberg hier in de buurt ware—"
„Wel!" zei Kees: „als het anders niet is: vlak over Lijs \'r woning, aan de
andere zij van de Bornisse, staat het veerhuis, waar gij \'t maar voor \'t vragen hebt,
en volop kunt krijgen wat gij verlangt."
„Wel, bij mijn zolen, daar konden wij gebruik van maken," zeide de wapen-
knecht: „is \'t hier wijd vandaan?"
„Toch niet," antwoordde Kees! „wij drijven er met den stroom naar toe: en
met wat stevig aan te roeien zijn wij in een half uur weer bij \'t eiland terug."
„Kostelijk bedacht," zei Lijsken: „dan kon ik meteen thuis komen."
„Neen, dat niet," zei Kees, die zijn eigen inzichten had en geen vermoedens
wilde opwekken: „gij blijft bij ons: en naar uw woning gaan wij niet. Wat zou Heer
Rogier wel zeggen, zoo wij zonder u terugkwamen? en hij moet immers niets van ons
uitstapje weten, zoomin als die slapende schildknaap daar. — Nu, wat zegt gij, mannen?"
„Wat mij betreft van harte gaarne," zei een van de wapenknechten: „want
mijn keel is zoo droog of ze van hondeleer was gemaakt. — Als maar Jonker
Berthout niet wakker wordt."
„Ei wat!" zeide een ander: „op zijn jaren wordt men niet wakker; — bovendien:
als hij er tegen had gehad, had hij niet moeten gaan slapen."
„Dat is wel gezeid," zeide Kees: „doch hebt geen zorg, wij laten ons met de
neer wegdrijven en zijn er zoo flusjes."
En inderdaad, niet lang duurde \'t, of zij waren in de nabijheid van het veerhuis
aangeland; twee der wapenknechten sprongen terstond aan wal; de derde riep eerst
nog spottenderwijs zijn slapenden makker toe:
„Goede nacht! vriend Peer! wij gaan een kleine hartversterking nemen."
„Een hartversterking!" riep Peer, die maar een hazeslaap deed, of die althans
wakker werd op dat woord: „ik ,ga mee:" — en meteen sprong hij op en volgde
zijn kameraden.
Wat nu Berthout betrof, die sliep wel vaster, doch het stilhouden van de schuit
en het gedruisch deden hem ook ontwaken; hij wendde zich om en zag, toen hij
zyn oogen opendeed, een ander paar oogen, stijf op hem gevestigd, en een gezicht,
dat van onder het zeil te voorschijn kwam en \'t welk door het volle licht der maan
beschenen werd. Een korte wijl wist hij niet recht hoe hij \'t had en vroeg zichzelven
af, of hij droomde dan of hij betooverd was; maar straks ging het voorbij: hij sprong
op, trok zijn knijf en riep zoo luid hij kon: „Op mannen! op! daar is de man, dien
wy zoeken."
-ocr page 128-
88
ONZE VOOROUDERS.
De gezellen, die aan wal en al halverwege in het veerhuis waren, keerden zich
om op het geroep: en niet weinig stonden zij te kijken, toen zij van onder uit het
zeil een menschelijke figuur omhoog zagen rijzen, die den armen schildknaap bij de
keel greep en op den grond drukte.
„Verraad! verraad!" riepen zij als uit éénen mond en liepen zoo hard zij mochten
naar het vaartuig terug: maar zij kwamen te laat: Lijsken had den haak al opge-
nomen en de schuit van wal gestooten:
„Smakelijke maaltijd!" riep Kees: „bewaar wat voor ons, tegen dat wij terug-
komen. En gij, Jonker!" vervolgde hij tegen den schildknaap, die vergeefs onder de
sterke vuist van den onbekende lag te spartelen: „houd u maar bedaard, en denk,
dat wij twee tegen één zijn — of ik mag wel zeggen, drie tegen één; want Lijs weet
de handen ook te roeren, als \'t er op aankomt, \'t Is zeker hard, niet van het gebraad
te hebben gegeten, en met het spit te worden gesmeten; maar wie in de schuit is
moet. meevaren, en de beste zeeman wordt ook wel eens nat. Maak dus maar van
uw strooien kruis geen looien kruis en denk: alles komt af behalve pompen."
De schildknaap scheen te begrijpen dat Kees gelijk had, te meer, daar de man
met den gelen sorkoet hem ontwapend had, en hij zich weerloos in diens handen
bevond.
„Ik geef mij gevangen," zeide hij: „ik heb niets meer, dan wat ik voor mijn
gebrek aan waakzaamheid verdien."
De onbekende liet Berthout los, die nu met een verdrietig gelaat op de plecht
ging zitten. Zij waren ondertusschen met de schuit midden in de vaart gekomen en
Kees vroeg den vreemdeling, waar hij hem zou afzetten.
„Vriend!" antwoordde deze: „Ik ben u het leven en de vrijheid schuldig; maar
nog ben ik van gevaren omringd: bekroon thans uw brave handelwijs, door mij naar
Goeree te brengen."
„Naar Goeree!" herhaalde Kees: „dat is bylo een slechte gelegenheid: \'t is blak
stil, en met den morgen vrees ik, dat de wind zal krimpen: bovendien, ik ben een
dienstman van den Heer van Putten, en als de zon aan den Hemel is, moet ik op
het kerkplein te Spijkenisse zijn."
„Het kerkplein te Spijkenisse zal wel reeds door de krijgsknechten van Loon
zijn bezet," zeide de onbekende: „maar wat er ook gebeure, ik sta u borg, dat de
Heer van Putten u eer beloonen dan straffen zal voor den tocht, dien gij om mijnent-
wille doet."
„Volbreng zijn verlangen," zeide Lijsken: „het moet gebeuren."
„O! bij mijn trouwe! zoo gij het begeert, heb ik er niets tegen," zei Kees,
-ocr page 129-
89
ONZE VOOROUDERS.
terwijl hij, de riemen opvattende, lustig weder tegen den stroom oproeide: „want
des te langer zal ik u bij mij houden; — maar wat schort er aan? Ik geloof
waarachtig, dat ik tranen zie."
„Och!" snikte Lijsken, „als ik om mijn vader denk, hoe boos hij wezen zal,
wanneer hij mij niet ziet: — en wie weet, of die wapenknechten hun teleurstelling
niet op den ouden man zullen wreken."
„Verbruid!" zei Kees: „wat gedaan is, is gedaan: een stroom keert niet naar
zijn oorsprong terug: en wij moeten maar hopen, dat vader Symen uit de kinken
zal staan: in allen gevalle zou het nog veel erger geweest zijn, zoo wij u bij hem
teruggebracht hadden: dan zoudt gij allebei met de spillen in de asch liggen. — Nu
kan hij altijd nog zeggen, zooals ook waar is, dat hij van de zaak niet af geweten
heeft, en er zoo onschuldig aan is als een pasgeboren kind."
„En wat mij betreft," zeide de onbekende, „ik zweer u, dat zoo zij den ouden
man een haar deren, ik bloedige wraak op hen nemen zal."
„Wanneer gij kunt," zei de schildknaap met een spottenden lach: „maar voor
\'t oogenblik zal hun de belofte weinig baten."
„Gij spreekt boud," zeide de onbekende, terwijl hij zich omkeerde, „en kraait
al vrij vroeg voor een nog zoo jongen haan. Maar toch, uwe terechtwijzing is juist.
Hoe is uw naam?"
„Berthout van Altena," antwoordde de knaap: „en schilddrager van den edelen
Heer Rogier van Meerhem."
„Gij zijt een wakkere borst," hernam de vreemdeling: „en ik wil uw Heer niet
van uw diensten berooven. Schipper! is er geene gelegenheid om dien jongeling aan
\'t eiland af te zetten?"
„Aan \'t dijkje wel," zeide Kees: „dan kunnen zij hem met de roeiboot komen
halen."
„Welaan!" ging de vreemdeling voort: „indien wij u daar ter plaatse aan wal
laten gaan, belooft gij dan, niet te verraden, waar ik ben heengegaan?"
„Ik kan zoodanige belofte niet aangaan," zeide Berthout: „indien ik den Heer van
Meerhem terugvinde, zal ik hem niet verzwijgen, welken koers gij genomen hebt."
„Nu, dat is braaf gezegd," zei de onbekende: „ik zal u dan in vrijheid stellen
zonder voorwaarden — of neen — eene enkele moet gij op u nemen — gij zult, op
uw eer, den vader van dit meisje van alle schuld aan mtfn ontkomen vrijpleiten en
hem onder uwe bescherming nemen."
„Dat zal ik," antwoordde Berthout: „ik verpand u mijn woord als edelman dat
wie hem deert, met mij te doen zal hebben. Graaf Willem! gij zijt een edel Heer!
-ocr page 130-
\'10
ONZE VOOROUDERS.
en zoo mijn plicht mij niet aan den Heer van Meerhem verbond, ik zou geen
anderen meester wenschen te dienen als u."
„Graaf Willem!" zei Kees, terwijl hij een paar oogen opzette als kluisgaten,
en de hand aan de muts sloeg: „is die daar—"
„Wist gij het niet?" vroeg Berthout, verwonderd.
VERHAAL VAN AGGE JELLES.
„Gij hebt reeds door Jonker Eelco hooren aanmerken, hoe Friesland meermalen
door zware zeevloeden geteisterd wordt. Vooral waren gedurende de laatste eeuw,
de landen, langs de Middelzee gelegen, daaraan blootgesteld. Wel is waar, die Mid-
delzee had met de Noordzee op twee plaatsen gemeenschap, en men zou alzoo,
oppervlakkig oordeelende, van meening zijn, dat. het water altoos behoorlijk zijn
uitloozing vinden kon; de noordelijkste gemeenschap, bij Dokkum, is maar smal en
onbeduidend: de westelijke, tusschen Franeker en Bolsward, is wel breeder, maar bij
stormweer uit het Westen werd vroeger het zeewater met geweld naar binnen
gedreven en veroorzaakte alzoo telkens zware overstroomingen, waarvan de schade
onberekenbaar was. Ja ook zelfs in gewone tijden bleef het altijd een hachelijke zaak,
het Borndiep (gelijk de Middelzee ook genoemd wordt) op zijn peil te houden; want
de Usel, met zijn breede wateren door het Graafschap Kuinre stroomende, voerde,
behalve zijn eigen nat, ook de golven van het Fliemeer landwaarts in, en ontlastte
zich met den eenen arm in de Ooster-, met den anderen in de Middelzee, zoodat, uit
welke streek de wind ook woei, hij schier altijd verderf of ongemak aanbracht.
De ingezetenen, niet bij machte om het geweld van den invretenden vijand uit
eigen middelen te breidelen, wendden zich reeds voorlang tot de kloosters, die, daar
zij over een aanzienlijk getal handen beschikken konden, zich in staat bevonden,
krachtiger middelen in \'t werk te stellen dan ooit door de op zichzelve staande
pogingen van afzonderlijke personen konden worden beproefd: de Geestelijken
bedongen, in zoodanige gevallen, tot loon voor hun arbeid, een gedeelte van het
beveiligde land, benevens den eigendom van de aangeslibde gronden; somtijds zelfs
gebeurde het, dat de inwoners hunne eigendommen aan de kloosters opdroegen,
onder het bloote voorbehoud van gerust bezit en bebouwing. Op deze wijze verwierven
zich de geestelijke heeren in Friesland die rijkdommen, welke hun door allen benijd,
door velen als met onrecht verworven beschouwd worden: intusschen, zij hadden
-ocr page 131-
„Dat zal zü niet!" zeide een schelle stem, die zich in de nabijheid boven het vogelgeschrei
verhief.
„Wie sprak daar?" riepen allen, en zagen naar de zijde, waar het geluid vandaan geko-
men was.
Vlak b\\j hen rees een vrouw van meer dan gewone lengte van achter den duinrug op.
Ome Voorouders. — De Reisgenooten, blz. 95.
-ocr page 132-
01
ONZE VOOROUDERS.
er werk voor gedaan en zich aanspraak op de erkentenis der landzaten verworven;
want zonder hun vereende pogingen zou wellicht het geheele land een prooi der
golven geworden zijn. Men herinnere zich slechts, hoe een dienstman van Igo Galama,
in \'t Kreiler bosch een greppel gravende, in het zoute water, dat onder zijn spade
opwelde, een levenden haring vond, en hoe de Potestaat, door dit verschijnsel
beangstigd, zijn stins aldaar verliet en een veiliger woonplaats op ging zoeken.
Al het verrichtte zou echter nog ontoereikend geweest zijn om mijn geboorte-
grond van een eindelijk verderf te redden, zoolang de Middelzee jaarlijks aan haar
perken ontwassen bleef: en lang had men er vruchteloos op uit geweest, om zich
door een krachtig middel tegen haar te beveiligen, toen, omstreeks de helft dezer
eeuw, een man te voorschijn trad, wien nog onze laatste naneven in dank zullen
moeten gedenken. Deze was Syard Syersma, Abt van Luidingakerke. Evenals een
verstandige arts, die beseft dat geen pleisters of zalven zullen baten, zoolang men
de kwaal zelve niet naar buiten gedreven heeft, zoo ook was hij van oordeel, dat
geen dijken of waterkeeringen, al werden zij jaarlijks verhoogd, op den duur het
water in bedwang zouden kunnen houden, maar dat men aan het Borndiep een
behoorlijke uitloozing moest verschaffen. Hij raadpleegde den natuurlijken loop van
den stroom, die, bij ons te lande, bestendig Noordwaarts afvloeit, en besloot een
vaart te laten graven, die uit de Middelzee, Noordwaarts op, langs het Grind, tusschen
Terschelling en Vlieland, in de Noordzee zoude uitloopen. Hij wendde zich om ver-
gunning tot Koning Willem, die, het belang der onderneming inziende, deze niet alleen
goedkeurde, maar zelfs aan den Abt bij open brief de uitgebreidste volmacht schonk
tot aanwending van alle oorbare middelen om het gewenschte doel te bereiken.
Duizenden van arbeiders werden weldra in \'t werk gesteld om het reusachtige
plan te volvoeren; en met lust en ingenomenheid namen zij de taak op zich; want
niet slechts werden zij welbetaald, maar ook werd, bij een herderlijken brief des
Bisschops, de verrichte arbeid hun even zoozeer als een goed werk aangerekend,
alsof zij een kerk of klooster hadden helpen bouwen. De Abt zelf moedigde herhaal-
delijk het werkvolk door zijn tegenwoordigheid en toespraak aan, en bleef van den
beginne af tot aan het einde toe al wat er geschiedde gadeslaan en als \'t ware
bezielen.
Slechts weinige jaren waren er verloopen, toen men reeds de voltooiing der
belangrn\'ke onderneming te gemoet begon te zien.
Ofschoon de Abt zelf het hoofdbestuur der onderneming aan zich behouden had,
en daarvoor ook, door zijn kennis in al wat water-, bouw- en werktuigkunde betrof,
genoeg berekend was, had hij echter de eigenln\'ke uitvoering opgedragen aan zekeren
-ocr page 133-
i «
>
•
- ^
■ .
-*
4
l
-ocr page 134-
92
ONZE VOOROUDERS.
broeder Bouwe, een schranderen monnik, die, van kindsbeen af aan het klooster van
Luidingakerke tot de wetenschap opgeleid, een zonderlinge bekwaamheid in het vak
verkregen had.
De arbeid was nu zooverre gevorderd, dat men alleen nog het zeeduin had
door te \'graven, om het werk voltooid te zien. De Vlielandsche duinen zijn, gelijk
men weet, buitengemeen rijk in konijnen; doch wat er toen ten tijde vooral de
opmerkzaamheid trok, was de overvloed van zeevogelen, die er in \'t zand nestelden.
Geen stap kon men er, vooral in den broeitijd, doen, of men zag zich omgeven van
duizenden en tienduizenden van vogels, onderscheiden in grootte, kleur en vederpracht.
Daar zwommen in de plassen der duinvaleien de bontgekleurde bergeenden: daar
stapten de vlugge strandloopers en bevallige grietoos met zwierigen tred over \'t
zand: daar krijschten de lieuwen met hun dikke sneb en alle slag van grootere en
kleinere meeuwen: in den wintertijd trokken er wilde zwanen en ganzen overheen,
en niet zelden zette zich op de hoogste toppen van het duin de eene of andere uit
Noorwegen verdwaalde bergarend neder, met trotsche blikken rondziende op het
kleiner gevogelte om hem heen. Sedert de duinen bestonden, hadden deze zee- en
luchtbewoners hun rust niet gestoord gezien en zich als de vrije en rustige beheerders
van het geheele strand kunnen beschouwen; want, zoo nu en dan een hunner door
een pijl getroffen was, zoo jaarlijks in den broeitijd eenige eieren geraapt waren,
voor één vogel, die nedergeschoten werd, bleven tienduizend vroolijk rondgieren, en
voor één ei, dat uit het nest genomen was, bleven duizenden onaangeroerd liggen;
en het gemis kon nauwelijks gevoeld of opgemerkt worden. Maar thans was de tijd
gekomen, dat die rust verstoord en het vogelenheir gedwongen zoude worden, zich
een ander woonverblijf te zoeken.
Eens op een morgen in de maand Juni was de Abt, slechts door broeder Bouwe
en een paar Conversen vergezeld en door een Flielandschen gids geleid, van het
uiterste punt der doorgraving duinwaarts in gewandeld, met het oogmerk om de
richting op te nemen, welke aan het kanaal gegeven moest worden, ten einde het
op de minst kostbare en meest met het doel overeenkomstige wijze naar zee te leiden.
Immers, ten gevolge van bekomen onderrichtingen aangaande de juiste ligging der
zeebanken, had men goedgevonden het oorspronkelijke plan eenigszins te wijzigen en
den mond van het kanaal meer westwaarts te leiden, waardoor men gemakkelijker
uitloozing en dieper vaarwater verkrijgen zoude. Altijd onvermoeid, en recht dankbaar
over den zegen, die tot nu toe zijn moeite bekroond had, stapte de goede Abt door
het dikke duinzand voort, zonder er acht op te geven, dat zijn kap hem in den nek
woei en zijn lang gewaad gedurig in de hoogte fladderde, hoofd en beenen aan den
-ocr page 135-
ONZE VOOROUDERS.                                                                    93
wind blootstellende. Onder een levendig gesprek met den opzichter was hij al meer
en meer het hooge zeeduin genaderd, \'t welk het doel zijner wandeling was, en
van waar hij een overzicht van den geheelen omtrek genieten en alzoo het best zoude
kunnen oordeelen, welke richting de minste zwarigheden aan de doorgraving zou in
den weg stellen. Reeds was menig konijn voor hun voeten opgesprongen en in zijn
hol een schuilplaats gaan zoeken: reeds was, fladderend en krijschend, menige
zeevogel om hen heen gevlogen: en hoe hooger men klom, hoe meer hun getal
vermeerderde, angstig rondgierende en bange geluiden slakende, als bezorgd voor de
veiligheid hunner nesten; het gedruisch, het gezwirrel en wiekgeklep werd al gedurig
luidruchtiger en dreigender: men kon elkander bijna niet meer verstaan en schier
geen voetstap doen zonder gevaar te loopen een nest te vertrappen: ja men zag
zich genoodzaakt nu en dan met een stok van zich af te slaan om geen wiekslag
van deze of gene meer stoutmoedige meeuw om de ooren te krijgen.
Eindelijk had men, niet zonder moeite, het hoogste punt bereikt, en vertoonde
zich aan \'t oog der wandelaars een uitgestrekt verschiet. Voor hen uit, de ruime
zee: rechts en links, de witte duinen, met hun zandvaleien, op enkele plaatsen met
water bedekt: achter hen, schrale weiden, waarop hier en ginds een kudde schapen
graasde, en op verre afstanden enkele hutten zichtbaar waren. Nadat men eenige
oogenblikken had stilgestaan om adem te halen en vruchteloos gepoogd een gesprek
aan te vangen, daar het gedruisch der vogelen niet ophield, en de wind ook behalve
dat hun woorden verwaaien deed, bemerkte Bouwe, de opzichter, iets lager een
vlakke verhevenheid, waar men, althans naar de Oostzijde, hetzelfde uitzicht had en
door den hoogen duinrug tegen den zeewind beschut was. Daar begaven zij zich
heen: de Abt zette zich in het gulle zand, en Bouwe, voor hem staande, strekte
den arm uit en begon zijn aanwijzingen.
„Zie," zeide hij: „indien gij, langs mijn vinger, over dat witte duinhoofd heen-
kijkt, dan hebt gij juist de streek voor u, langs welke ik de vaart wenschte te leiden.
Recht hier tegenover, waar het schuim als witte wol over de koppen der golven
krult, was, naar de overlevering zegt, voorheen een goede reede voor schepen, die
later verzand moet zijn. Wij hadden eerst gemeend, dat de uitloop meer "Westwaarts
moest plaats hebben: maar daar zouden de banken in zee de vaart voor de schepen
belemmerd hebben: — nu hebben wij alleen het zand weg te werken tusschen het
duin waar wij op staan en de witte punt ginds, en voorts het strandduin, dat niet
hoog is, door te steken: dan breekt de zee met den eersten Noordwestenstorm den
besten naar binnen."
„Indien wy werkelijk, door van richting te veranderen, een beter vaarwater
12
-ocr page 136-
04
ONZE VOOROUDERS.
kregen," zeide de Abt, „zou ons zulks gewis tot groot voordeel strekken; — maar
onze vriend daar schijnt niet volkomen met u in te stemmen, Broeder Bouwe!"
Dit zeggende wees hij op den gids, die, gedurende de redenen van den opzichter,
eenige reizen met het hoofd geschud en een bedenkelijk gezicht had gezet.
„Hoe dan?" vroeg Bouwe, zich tot den Vlielander wendende: „ziet gij eenige
zwarigheden in mijn ontwerp?"
„Wat zal ik zeggen?" antwoordde de gids, de schouders ophalende: „gij moogt
graven wat gij wilt; maar de zee zal niet binnenstroomen voor de profetie vervuld
is: en daar is vooreerst nog geen kans op."
„Een profetie!" herhaalde de Abt: „en welke is die?"
„Er is," hervatte de Vlielander, „vanouds voorspeld geweest, dat wanneer een
zoon uit het geslacht van Wicholf den Saks, die in oude dagen hier het bevel voerde,
zijn broeder vermoorden zou, de haven hier verzanden moest: en dat, wanneer
zoodanige misdaad zich ten tweeden male herhaalde, het zeewater vrij door Vlieland
heen zou stroomen."
„En heeft zoodanige broedermoord werkelijk eens reeds plaats gehad?" vroeg
de Abt.
„Gewis," antwoordde de gids: „voor weinige jaren is het gebeurd, dat twee
broeders uit dat geslacht met een aanzienlijke vloot uit deze reede naar Engeland
zijn overgestoken, en het meerendeel daarvan aan zich hebben onderworpen; —
waarna zij twist bekomen hebben over de heerschappij, ten gevolge waarvan Hengst,
de oudste, Horse, zijn broeder, overhoop stak. Toen de moordenaar later schepen
herwaarts zond, was de reede verstopt, en zij is het sedert dien tijd gebleven."
„Zeer merkwaardig," zeide de Abt, peinzende: „maar gij zeidet dat de herhaling
van een dergelijk gruwelstuk de instrooming van het water binnen Vlieland zou
moeten voorafgaan?"
„Licht mogelijk," merkte glimlachend de Opzichter aan: „maar wie waarborgt
ons, dat de daad niet reeds geschied zij ? Wij zullen ons toch niet van de volvoering
van ons plan laten afschrikken om den wille der kinderen Wicholfs, die niemand
kent en die misschien niet eens meer bestaan."
„Wel zeker bestaan zij nog," zeide de Vlielander: „en Wicholfs toren ook, al is
die niet meer wat hij vroeger was."
„Inderdaad?" vroeg de Abt: „en waaromtrent?"
„Niet ver van hier," antwoordde de gids: „juist tegen de helling van dat witte
duin, waar uw vinger zooeven op wees. \'t Moet voorheen een sterke plaats zijn geweest
en welbevolkt: nu woont er niemand meer op, buiten Worp Hessels en de oude Wanda."
-ocr page 137-
!)ö
ONZE VOOROUDERS.
„En is die Worp Hessels uit Wicholfs geslacht?" vroeg de Opzichter.
„De laatste en de eenige, zoover men weet," antwoordde de gids: „want de
Engelsche tak moet lang zn"n uitgestorven."
„Dan lijdt vooreerst de vervulling der profetie niet veel nood," zeide Bouwe,
lachende.
„Maar indien ik dezen man wel versta," zeide de Abt, „dan staat de toren juist
in de streek, waar onze vaart gegraven moet worden. Ik wist niet, dat hier in \'t
duin nog menschen woonden."
„Wel! zij zullen dienen te verhuizen," zeide Bouwe: „en zij zullen de eersten
niet zijn."
„Gij zult de oude Wanda niet van de plaats krijgen," zeide de Vlielander, het
hoofd schuddende.
„En waarom niet?" vroeg de Opzichter.
„Hm! hm! \'t is te zien, dat gij haar niet kent," hernam de Vlielander: „gij
zult praten als een Sant, en haar al de schatten van de wereld aanbieden, dat zij
er nog niet zie zooveel om geven zoude. Geloof mij, zie van dit ontwerp tot
verandering af: de profetie is stellig, en zoolang zij niet vervuld is, zal uw moeite
Üdel zijn."
„Zotheid!" hernam de Opzichter: „ik zal om een dwaas volkspraatje mijn plan
niet laten varen, en het zeewater zal in de vaart stroomen, in weerwil van alle
profetieën en oude vrouwen, die in de wereld zijn. Die moeder Wanda zal wijs
wezen, en toegeven wat zij niet beletten kan."
„Dat zal zij niet," zeide een schelle stem, die zich in de nabijheid boven het
vogelgeschrei verhief.
„Wie sprak daar?" riepen allen, en zagen naar de zijde, waar het geluid van-
daan gekomen was. Vlak bij hen rees een vrouw van meer dan gewone lengte
van achter den duinrug op. Haar kleeding was niet verschillend van die, welke de
bewoonsters van dit gewest onderscheidde; maar, behalve dat het onverwachte
van haar verschijning op zichzelf reeds iets verrassends had, zoo waren haar
houding en gelaat wel geschikt om opmerkzaamheid te wekken, ja ontzag in te
boezemen. Ofschoon door ouderdom vermagerd, door wind en zonneschijn verbrand,
waren haar gelaatstrekken regelmatig en edel, en men kon zien, dat zij vroeger
schoon geweest moest zijn: haar oogen, door zware grijze wenkbrauwen over-
schaduwd, waren op dit oogenblik door het vuur der gramschap ontstoken en
schenen als twee gloeiende kolen in \'t hoofd te branden: de grijze haarvlechten,
van buitengewone lengte, fladderden wild om haar heen: en evenzoo deed de
-ocr page 138-
M
ONZE VOOROUDERS.
mantel van grof wadmer, die met een gesp om haar hals was vastgehecht: haar
linkerhand hield een staf tusschen de dorre vingeren geklemd, terwijl haar rechter
dreigend naar den Opzichter was uitgestrekt: in \'t kort, zij geleek volkomen op een
dier Noordsche waarzegsters, waarvan men zoovele wonderen verhaalt. Broeder
Bouwe, zoomin als de beide Konversen, konden zich, op haar gezicht, wederhouden,
een zekeren angst te gevoelen: de Abt beschouwde haar met verbazing, en de
Vlielander liet van schrik den stok vallen, dien hij in de hand droeg.
Een oogenblik bleef men elkander over en weder aanzien, zonder een woord
te spreken: toen liet de oude vrouw langzamerhand den rechterarm zakken, bracht
de beide handen op het boveneinde van haar staf bij elkander, en zag, terwijl zij
daarop leunde, beurtelings elk der aanwezigen met donkere blikken aan, totdat zij,
ten laatste de oogen op den Vlielander vestigend, hem op een gestrengen toon
toesprak:
„Wat beteekent dit, Rienk! dat gij vreemdelingen in den broeitijd op het
duin brengt?"
„Wel!" antwoordde Rienk, verlegen voor zich ziende en zijn muts tusschen de
breede handen frommelende: „denkt gij dan, Wanda! dat deze mannen hier komen
om uw eieren te rapen? Zij voeren heel wat anders in hun schild."
„Ja," hernam Wanda, „ik weet wat zij voorhebben. Zij willen de natuurwetten
omkeeren en den stroom voeren over \'t land. — Gelooft gij, dat ik zoo onkundig
ben van wat op de wereld gebeurt, om niet te weten, met wat oogmerk die vaart,
daar ginds door \'t lage land, gegraven is? en wel zijn zij met blindheid geslagen
geweest, die het aan deze monniken vergund hebben, hun woningen om te halen,
hun akkers door te steken, hun erven te smaldeelen en te bederven, en dat alles
om geene andere reden, dan om meer water in het land te halen. — Maar met wat
recht, vraag ik thans" — en hier keerde zij zich plotseling tot den Abt en zijn
metgezellen — „komt gij gewelddadig een spade steken op den grond der kinderen
Wicholfs?"
„Moeder!" zeide de goede vader Syard, terwijl de minzaamheid van zijn stem
en de welwillende uitdrukking zijner oogen een opmerkelijk tegenbeeld opleverden
met den verwijtenden toon en de gestrenge blikken van Wanda: „men heeft u
misleid, indien men ons aan u heeft afgeschilderd als roovers en geweldenaars, die
inbreuk maken op verkregen rechten, en zonder vergoeding door de eigendommen
van anderen heentrekken. — Maar deze duinen behooren koning Willem, onzen
Graaf, en deze zelf heeft ons bij open brief vergunning verleend, er zoodanige door-
gravingen in te maken, als het belang van ons ontwerp medebracht."
-ocr page 139-
Er bevond zich namuiyk een groote kast in den muur, met dubbele deuren voorzien, waarin
de roemers, bekers en kannen geborgen werden, en tevens plaats genoeg was voor vier menschen
om in te staan: ik opende een der deuren, en de onbekende trad binnen zonder zich langer te
bedenken: op hetzelfde oogenblik stapten onze beide Nymegenaars binnen.
Onze Voorouders. — De Reisgenooten, blz. 112.
-ocr page 140-
ONZE VOOROUDERS.                                                                    07
„Uwen Graaf!" zeide Wanda, op een spottenden toon: „hm, ja! ik heb gehoord,
dat hij, die zich Graaf van Holland noemt, zich ook den eigendom en de vrije
beschikking aanmatigt over de Vlielandsche duinen, en in zijn eigenwaan vergeet,
hoe deze streek van oudsher aan de afstammelingen van Wicholf heeft behoord,
aan de kinderen van den Saks, die nooit eenigen Heer gediend noch meester gekend
hebben."
„\'t Is mogelijk!" hernam de Abt, den glimlach pogende te verbergen, welken
de bewering van Wanda bij hem op deed rijzen: „de rechten uwer voorouderen
kunnen nader onderzocht worden, en ik wil thans geen oordeel daarover vellen;
maar ik moet u in elk geval doen opmerken, dat de Graaf, als Roomsch Koning,
toch wel het oppergezag bezitten zal: en zoo ik hier iets verricht, ik doe zulks
krachtens de van hem ontvangen machtiging. — Maar geloof mij, zoo gij schade
lijdt door onze vergravingen, wij zijn niet onwillig, die te vergoeden."
„Gij zult onze woning sloopen," zeide Wanda: „en gij denkt ons met vergoeding
te paaien?"
„Wij zullen er u een betere bouwen," zeide de Abt: „\'t zij verder op in het
duin, \'t zij aan de Middelzee: een goede, gemakkelijke woning, waar gij uw dagen
in rust zult kunnen slijten."
„En zult gij," vroeg Wanda, „ook aan de beenderen onzer voorvaderen zeggen:
„ry\'st op en trekt van hier"?"
„Zoo gij ons die aanwijst," antwoordde de Abt, zich gelatende, alsof hij de
beeldspraak van Wanda ernstig opnam, „dan zullen wij ze opgraven en elders een
plaats in gewijde aarde bezorgen."
„Gewijde aarde!" herhaalde de oude vrouw, schamper lachende: „waant gij
dat de kinderen van Wicholf ooit verlangd hebben, na hun dood tusschen zes
planken op uw Christenkerkhoven te rotten? Het witte duinzand, waar de zee hun
overblijfsel bespoelen, de wind over hen heen spelen, en de zeevogel den lijkzang
krijschen mag, dat was vanouds het graf, \'t welk zij zich wenschten. En die
zeevogels, zult gij hun ook een nieuwe plaats aanwijzen om hun nesten te bouwen,
als gij hen van hier verdreven hebt?"
„Voorwaar," zeide de Abt, „ik had er niet op gezonnen, dat de vogels ook
schadeloosstelling verlangen zouden?"
„Gij hadt er niet op gedacht," zeide Wanda: „en met welk recht durft gij
hen van de plaats drijven, welke hun de Alvader heeft aangewezen om zich
te verzamelen en er hun eieren uit te broeien? Of denkt gij, dat zij ooit terug
zullen keeren, wanneer gij met uw bende werklieden er een zomer doorge-
-ocr page 141-
-ocr page 142-
os
ONZE VOOROUDERS.
bracht, de nesten vernield, de ouden geschoten of verjaagd, de eieren geroofd en
gegeten hebt?"
„En gijzelve, vrouw!" vroeg Bouwe: „hebt gij hun eieren nooit geraapt? Gij
noch iemand van de uwen?"
„Monnik!" zeide Wanda: „gij hebt gewis een akker — neen velen — bij uw
klooster. Eet gij met de uwen al de boonen, die er op groeien?— Neen, gij bewaart
er een genoegzaam getal van, om die te zaaien en in \'t volgende jaar nieuwe vrucht
te hebben. Zoo ik een ei raap, beroof ik nooit het gansche nest, en neem ik er
zelfs geen weg zoodra zich de vogels tot broeien zetten: wat zegt dan het weinigje,
\'t welk ik behoef, in vergelijking met hetgeen er overblijft? Maar als gij met uw
duizenden hier slechts een seizoen doorbrengt, zal het volgende jaar hier geene
vogels meer zien."
De Opzichter haalde de schouders op en zweeg. „Vrouw!" zeide toen de Abt:
„ik hoor, gij woont hier kort bij, op den toren."
„En waar zoude de weduw van Hessels, de dochter van Gerulf, anders wonen
dan op het erf van beider stamheer?" vroeg Wanda met een trotschen blik: „Ja!
ik woon daar, met mijn zoon, den laatste van Wicholfs nazaten."
„Welaan!" zeide de Abt: „kom dan bij mij in de keet: of laat uw zoon komen,
en wij zullen overleggen, hoe wij u best tevreden stellen; — want gij gevoelt, de
zaak zelve kan geene verandering lijden: de vaart moet gegraven worden, en wel
in die richting als wij bepaald hebben."
„En gij denkt, monnik! uw oogmerk te zullen bereiken?" vroeg Wanda: „hebt
gij dan niet gehoord, hoe de voorspelling luidt, en hoe de zee niet landwaarts in
zal stroomen, eer een zoon uit Wicholfs huis zijn handen met broedermoord bevlekt
heeft? Den Alvader zij dank, Worp Hessels heeft broeder noch kinderen: — de
vogels kunt gij verjagen, ons erf sloopen, ons in ballingschap wegdrijven; — maar
het zeewater zal uw vaart niet vullen, eer al wat voorzegd werd, geschied is."
„Laat dat aan ons over, moeder!" — zeide de Abt opstaande, en meer ernst en
nadruk in zijn woorden leggende, dan hij tot dat oogenblik gedaan had: „en verwaar-
loos gij, uit dwaze stijfhoofdigheid, uw waarachtig belang niet; want kort en goed, de
zaak moet voortgang hebben en gij noch die zeevogels zullen die verhinderen."
Dit zeggende groette hij haar met de hand en verwijderde zich met de
overigen. Lang stond Wanda hem na te oogen; en toen, haar staf schuddende:
„Onmogelijk!" zeide zij: en begaf zich naar beneden.
Nog altijd droeg de woning van Wanda den ouden naam van Wicholfs toren,
-ocr page 143-
00
ONZE VOOROUDERS.
ofschoon zij sedert lang daarop geen aanspraak meer scheen te kunnen maken: immers
van hetgeen vroeger een vaste sterkte geweest was, bleef thans niet meer over dan
de laagste verdieping, welker vier muren zelfs ongelijk in hoogte en vrij onaanzienlijk
waren. Alleen getuigde de dikte van het muurwerk, en de zonderlinge wijze waarop
het samengesteld was, van hoogen ouderdom, zoodat sommige geleerde lieden
de oorspronkelijke stichting van het gebouw aan de Romeinen toeschreven. Het
schuins liggend dak, samengesteld uit eenige ruwe planken en latten, aan \'t strand
geraapt, en welker voegen met zeewier en hooi gestopt waren, verhief zich niet
veel hooger dan tot op de helft van het daarachter liggend duin, en was bij den
minsten wind half onder het stuifzand bedolven. De naar oud Saksische wijze
gebouwde poort getuigde van de zorg en kosten, vroeger aan het gebouw besteed;
maar van een deur was niets meer te zien, en de ingang was vrij en open:
trouwens het weinigje huisraad, dat zich binnen het gebouw bevond, ware de
moeite van \'t weghalen niet waardig geweest. Alleen in den winter, wanneer de
woning rijk met konijnevellen, geschoten wilde ganzen en zelfs fraai gevederde
zwanen voorzien was, en in \'t voorjaar, wanneer geheele manden vol eieren van
zeevogelen in huis gebracht waren, kon men zeggen, dat aldaar geen onaanzienlijke
schat bijeen was; maar zelden bleven er die verschillende voorwerpen lang onder
dak: spoedig werden zij door Worp Hessels op zijn vaartuig gesleept en zoo naar
Tessel ter markt gebracht — alwaar hij altijd vaste kooplieden vond, die ze van
hem kwamen afhalen. Alleen bij die gelegenheden maakte Worp van zijn schuit
gebruik, welke hij overigens meestal aan visschers in de nabuurschap verhuurde.
Zijn vader daarentegen was meer visscher dan jager geweest en had niet alleen
veel op de Noordzee rondgezwalkt, maar was ook meermalen de Middelzee in
geweest, om zijn visch aan de bewoners van het daar omheen gelegen land te
slijten. Nooit was hem, met zijn eigen schuit varende, eenige tegenspoed over-
komen; maar eens, dat deze eenige herstelling behoefde, was hij met een anderen
visscher uit geweest, en men had sedert noch van dezen, noch van Hessels, noch
van diens oudste zoontje, een kind van ongeveer drie jaren, dat hij met zich
genomen had, iets vernomen.
Worp was geheel anders gezind als zijn vader en voer niet uit dan uit
noodzakelijkheid. In den winter, als het er op aankwam, bij snerpendén wind en
nijpende koude, geheele nachten met half bevroren ledematen op de loer te liggen
en de statige trekvogels met zijn pijlen uit de lucht te doen tuimelen, klaagde hij
over moeite noch ongemak; — maar was het jachtseizoen voorbij, dan was Worp
Hessels de luiheid in persoon: en meestal bracht hij zijn tijd door met slapen en
-ocr page 144-
100
ONZE VOOROUDERS.
in de zon liggen, slechts nu en dan de spade ter hand nemende om een kleinen
hof te bewerken, waar enkele moeskruiden en knollen, maar meerendeels onkruid
in groeide. Op deze wijze was het dat "Worp tot zijn vijfendertigste jaar had voort-
geleefd: omgang met de overige Vlielanders had hij weinig: Wicholfs toren was
van de meer bewoonde gedeelten verwijderd. Worp was ongezellig van aard en
Wanda was over \'t algemeen meer gevreesd dan bemind; immers niet slechts was
de trotschheid, welke haar, als dochter uit Wicholfs huis, ondanks haar armoede
bijbleef, aan de landlieden ondraaglijk; maar ook de meesten zagen, evenals Rienk,
haar als een tooveres aan, voor wier hekserijen men zich zorgvuldig te wachten had.
Zij had dan, gelijk ik u verhaald heb, het hooge duin verlaten en zich met
een haastigen stap naar den toren begeven. Reeds van verre zag zij Worp, die,
naar zijn gewoonte, met den rug tegen den muur geleund, zich in [de zon lag te
bakeren. Een boog, die dwars over zijn knieën lag, en eenige pezen, welke hij van
de eene hand in de andere liet gaan, schenen te moeten aanduiden, dat hij niet
geheel ledig was.
„Daar ligt gij weder lui en werkeloos!" zeide Wanda, toen zij hem genaderd
was: „Is er dan niets wat u uit uw vadsige rust kan opwekken? Ook zelfs de
gedachte niet, dat uw vaderlijk erf een prooi der zeebaren worden moet?"
„Wat zegt gij, moeder?" vroeg Worp, haar aanziende met een paar vakerige
oogen: „\'t is het fraaiste weer dat men uit kan denken, en de zee denkt er niet
aan, ons overlast aan te doen."
„Niet de zee," hernam Wanda: „maar de boosheid der menschen. Of zijt gij
zoo geheel onverschillig, zoo onbekend met al wat om u heen gebeurt, dat gij niet
eens bemerkt hebt, hoe de Vlielandsche duinen, van den erfgrond der Kamminga\'s
af tot aan het Grind toe, worden platgeloopen door monniken en werklieden ?"
„Ik weet het," antwoordde Worp, zich uitrekkende: „zij graven een vaart;
maar die moet een eind weegs van hier in zee loopen."
„Die moet hier doorloopen," hervatte "Wanda, „en de overblijfselen wegspoelen
van "Wicholfs ouden toren."
„Bij mijn kruisboog!" zeide Worp, omziende en een spottenden blik op het
gebouw werpende: „heel veel zou er niet aan verloren zijn."
„Onwaardige! riep "Wanda uit: „zijt gij een nazaat van "Wicholf den machtige?
van den hoofdeling der Vlielanders?"
„Wat wilt gij, dat ik er aan doe?" vroeg "Worp, de schouders ophalende.
„Wat gij doen zult?" herhaalde Wanda: „doen wat uwe voorouders gedaan
zouden hebben: uw rechten handhaven en uw erf verdedigen."
-ocr page 145-
101
ONZE VOOROUDERS.
„Gij spreekt als een kind, moeder!" zeide Worp: „ik kan doen wat mijn
voorouders deden, wanneer zij een vijand zagen, en den hoorn blazen; maar wie
zal er komen wanneer ik blaas?"
„Gij kunt de Vlielanders opwekken," zeide Wanda: „ongaarne zullen zij het
zeewater door hun duinen zien stroomen en hen afscheiden van het vaste land:
hun bestaan staat in de weegschaal: zij zullen zich om u heen verzamelen, wanneer
zij eenmaal in u een waardigen naneef van Wicholf herkennen. Zie! nooit stond
de gelegenheid schooner dan thans om de macht en den invloed te herwinnen, dien
wjj door uws vaders onverschilligheid en door uwe traagheid verloren hebben.
Verdrijf, aan \'t hoofd der landzaten, die vreemde benden: — en herwin het gezag,
dat u wettig behoort."
„Gij bouwt ijdele luchtkasteelen, moeder!" zeide Worp: „beelden, die nooit
verwezenlijkt kunnen worden. Toen nog de toren met zijn hooge tinnen over de
landstreek gebood, toen nog een vijftigtal gewapende knapen binnen deze muren
altijd gereedstond de bevelen des hoofdelings te volgen, toen kon een zoon van
Wicholf zich zonder laatdunkendheid vleien, dat hem de landzaten ten oorlog zouden
volgen. Maar nu? — Zij zouden mij bespotten en den rug toekeeren."
„Lafhartige!" zeide Wanda: „uw voorzaten vroegen niet of zij veel dan weinig
knechten in het veld brachten. Zij rekenden op eigene krachten en op de rechtvaar-
digheid hunner zaak."
,,\'k Mag het lijden," hernam Worp: „maar ik blijf er bij, het is kinderpraat,
tegen duizenden te willen strijden."
„Ook begeer ik dit niet," hernam Wanda: „maar wie zet die duizenden in
beweging? Wie doet hen werken? Is het niet de wil van één man? — Drijf uw
pijl dien verwaanden Abt door de borst, en gij zult de overigen van zelve zien
verloopen, als schapen, wier herder gevallen is."
„Ik dank u, moeder," zeide Worp: „ik ben geen moordenaar, die achter heggen
en duinen op menschenlevens loert: zelfs het wild schiet ik niet zonder vooraf te
waarschuwen en het gelegenheid te geven, de loopers of de vlerken te gebruiken."
„En wil hij ons niet zelfs met geweld van hier drijven?" vroeg Wanda: „en
is het niet betamelijk, geweld met geweld te keeren?"
Worp haalde de schouders op: „het ware een onnutte misdaad," zeide hij, „al
schoot ik vijftig Abten dood: zouden er niet telkens nieuwe komen om het plan
voort te zetten?"
„Gy hebt misschien gelijk," zeide Wanda peinzende: „wel! niet hem — maar
zijn raadsman, den Opzichter, die \'t werk bestuurt. — Als deze geveld is, wordt de
13
-ocr page 146-
102
ONZE VOOROUDERS.
arbeid gestaakt en eer men een ander heeft, die de plannen vervolgen kan, is
Vlieland gewapend en in staat, dat vreemde volk van hier te drijven."
„Noch Abt, noch Opzichter, noch wie het ook wezen moge," zeide Worp: „ik
heb geen zin, om mijn nek nutteloos in de waagschaal te stellen!"
„Maar bedenk toch, Worp!" zeide Wanda: „zij vernielen uw huis en verdrn\'ven
de vogels."
„Zeker, dat is hoogst onaangenaam," riep Worp: „maar wat zal ik er toch
aan doen?"
Lang nog praatte Wanda voort om haar zoon uit zijn onverschilligheid op te
wekken, en dag aan dag, naarmate de werkzaamheden vorderden, kwam zij op de
zaak terug; doch zonder dat hare redenen eenige andere uitwerking op hem hadden,
dan om hem knorrig en baloorig te maken. Ook liep zij de hutten der Vlielanders
rond, om hen tot wederstand aan te sporen; maar bij de meesten was de Abt
haar voor geweest: en de zoodanigen waren vrij wel met het ontwerp verzoend:
terwijl ook zij, die er ontevreden over waren, geen moed bezaten om zich openlijk
te verzetten.
Inmiddels ging de doorgraving haar gang: maar naarmate men den toren
naderde, was het, of Broeder Bouwe tegenzin kreeg in de nieuwe richting, welke
volgens zijn eigen voorstel aan de vaart gegeven was. Zijn aard scheen te veran-
deren: hem, vroeger altijd wakker en opgeruimd, zag men thans meermalen
lusteloos en verdrietig, alsof een geheime kwaal hem had aangetast; soms, wanneer
hij naar gewoonte tegenwoordig was bij de werkzaamheden, was het te zien aan
zijn strakke, sombere blikken dat hij slechts in schijn acht sloeg op hetgeen om
hem heen gebeurde. Deze verandering trok de opmerkzaamheid van den Abt, die,
zich ongerust over hem makende, eens vroeg, welke kwelling hem deerde.
„Ik weet het niet," antwoordde de monnik: „sedert wij van richting veranderd
zijn, is het mij, of mij een koorts op \'t lijf gevallen is. \'t Zij ik slaap of waak,
gedurig staat mij die oude vrouw in een dreigende houding voor oogen. Zie ik van
verre dat gebouw, \'t welk zij Wicholfs toren noemen, het schijnt mij toe, als stond
er een gewapende schim op, die mij dreigend toewenkte om van mijn voornemen
af te zien. Ja, wat zonderlinger is, meermalen komt het mij voor, als ware ik
vroeger hier geweest en als waren mij deze duinen en zeegezichten zoo bekend als
onze tuin te Luidingakerke. Gisternacht nog droomde ik, dat ik op het duin
stond, en dat, vlak voor mij, de toren van Wicholf in puin lag: op dat puin lagen
doodsbeenderen verspreid, tot een vervaarln\'k geraamte op mij afkwam: hoe het
geschiedde, weet ik niet; maar ik had het klare bewustzijn, dat die rammelende
-ocr page 147-
Nu, dacht ik: ik zal er wel meer van hooren, en zoo ging ik aan wal naar de tapperij, om
den waard te zoeken, die mij doorgaans nujn waren afkocht; maar jawel! zijn huis was vol, en noch
hy noch iemand anders had ooren voor mij.
Onze Voorouders. - De Reisgenooten, bh. 118.
-ocr page 148-
103
ONZE VOOROUDERS.
schenkels mijn vader hadden toebehoord. Het geraamte hief den arm op en bracht
mij een slag op \'t voorhoofd toe, die mij gillende ontwaken deed.
„Muizenissen!" zeide de Abt, glimlachend: „een wandeling in de frissche lucht
zal u wel genezen. Hoor eens! [ik wacht des Graven Schout hier, die de werken
komt bezichtigen: zorg dus, dat alles in orde zij.
Bouwe schudde het hoofd en vertrok: hij ging bij de werklieden rond: maar,
in weerwil van de drukten, welke hem het ophanden zijnde bezoek bezorgde, was
het hem onmogelijk, de gedachten, welke hem vervolgden, uit zijn geest te bannen.
Hij bleef al even ongedurig: en velen onder de werklieden, met wie hij gesproken
had, zeiden, toen hij hen verliet, dat de Opzichter er uitzag als iemand die veeg
was. Om zijn weg te bekorten had hij een pad genomen, dat over het duin liep;
daar vlogen de vogels weer om hem heen en vervolgden hem met hun geschreeuw:
vergeefs poogde hij zich van hen te ontslaan: al dichter en dichter zwermden en
krijschten zij hem om hals \'en schouderen in gedurig enger kringen. Hij werd
eindelijk toornig, en zijn staf opheffende, deed hij dien zoo snel in \'t ronde draaien,
dat hij een paar meeuwen van de grootste soort dood op den grond deed vallen.
Op dat oogenblik stond Worp Hessels voor hem:
„Waarom," vroeg deze, „mishandelt gij die arme vogels?"
„Ik zou hen ongehinderd laten vliegen," antwoordde de Opzichter, „indien zij
mn" ongehinderd mijn weg lieten vervolgen. — Ik poogde hen slechts te verdrijven."
„Ja, verdrijven wilt gij ze," zeide Worp: „en mij uit mijn bestaan helpen."
„Gij hadt u tot schadevergoeding kunnen aanmelden," hernam Bouwe: „waarom
zijt gij niet gekomen?"
„Wij willen geen schadevergoeding," antwoordde Worp: „wij willen onzen
toren bewonen en onze eieren rapen, gelijk onze voorzaten vóór ons gedaan hebben."
„Onmogelijk!" zeide de monnik.
„Bedenk u wel!" hernam Worp: „kunt gij aan uw vaart geen andere richting
geven?"
„Geene andere! — het is eenmaal bepaald en moet er zoo mede door.
Vaarwel!"
„Maar luister toch," zeide Worp: „ik wil u geen kwaad doen: maar het geldt
hier mijn eigendom. Spaar den toren."
„Hm!" zeide de Opzichter met een schamperen lach: „het oude gebouw stort
toch t\' avond of morgen in: er is niets aan verbeurd, al valt het wat vroeger."
„Nog eens, bedenk!___" riep Worp, hem bij het kleed houdende.
„Ik heb niets te bedenken," zeide Bouwe: „laat mij los; \'t is eene afgedane zaak."
-ocr page 149-
"*tj
<f-
r**:
•f*
!&iK
kt_J
a^
JÉ IE
mi >
JBÊSk
\'T
A..".v}\'.ï
^
IP1
P(j{
HhLa
■ \'VI\'
53^ V"\'
3! »*5
P
-ocr page 150-
104
ONZE VOOROUDERS.
Maar Worp, \'t zij dat hij op dat oogenblik door een boozen geest bezeten was,
\'t zij dat de gedurig herhaalde aansporingen zijner moeder hem uit zijn traagheid
opgewekt en het hoofd op hol hadden gebracht, scheen de gelegenheid niet te willen
laten voorbijgaan, en hield den Opzichter slechts te steviger vast.
„Gij wilt mij dan niet loslaten?" vroeg deze eindelijk met een gramstorigen
blik: „dan zal ik geweld moeten gebruiken."
En, zijn staf opheffende, gaf hij den Vlielander een stoot op de borst. Worp
duizelde terug; maar toen, den monnik met wilde oogen aanziende: „gij hebt het
gewild," zeide hij: „uw bloed zij op uw hoofd."
Op \'t zelfde oogenblik had hij zijn mes getrokken en het tot aan het heft den
Opzichter in \'t hart gestooten.
Nauwelijks had hij de daad gepleegd, of hij voelde zich door schrik en berouw
aangegrepen en vlood naar den toren terug: „Moeder!" riep hij, toen hij binnenstoof:
„gij hebt mij tot een moordenaar gemaakt."
„Wat zegt gij?" vroeg Wanda: „wien hebt gij gedood?"
„Den Opzichter: hij ligt op het meouweduin dood."
„Waarlijk?" riep Wanda, hem met blijdschap in de armen drukkende, „nu
voorwaar zijt gij Wanda\'s zoon en de nazaat van Wicholf. Maar wat staat gij daar
somber en verslagen: wees goedsmoeds: de toren van Wicholf zal blijven staan."
Zij schonk hem een kan bier in. Hij dronk die ledig en ging toen zwijgend
in een hoek zitten. Na verloop van eenige uren zag Wanda, die zich voor den
ingang had geplaatst, eenige gewapenden, die van verre naar den toren kwamen.
„Is er iemand bij geweest, toen uw hand den monnik nederstootte ?" vroeg zij,
zich met drift tot haar zoon keerende.
„Niemand," antwoordde Worp, somber voor zich ziende: „maar daarom zal het
toch wel bekend worden."
De gewapenden kwamen nader: „waar is uw zoon?" riep een hunner van
verre tot Wanda.
„Wat wilt gij van hem?" vroeg deze.
„Hij wordt van den moord des Opzichters beschuldigd," zeide de wapenknecht.
„En wie beticht hem?" vroeg Wanda.
„Zijn eigen mes," was het antwoord, „dat in de wonde is blijven steken en
door Vlielanders herkend is."
Worp kwam den toren uit, en zoo men nog eenigen twijfel gevoed had, zoo
zouden zijn verslagen voorkomen, zijn gezonken oog en bleeke gelaatstrekken hem
wel als den moordenaar hebben aangeduid.
-ocr page 151-
105
ONZE VOOROUDERS.
„Stil!" zeide zijn moeder, hem wenkende, dat hij zwijgen zou: „waar is het
vrijgeleide?" vroeg zij, zich tot de gewapenden wendende: „en op wiens last komt
gij hem halen?"
„Op last van \'s Graven schout," zeide een gerechtsbode: „hij is aan de keet,
juist heden aangekomen: hij spant de vierschaar, en zoo deze man onschuldig is,
behoeft hij niet te vreezen."
„Hoe wilde hij schuldig zijn?" vroeg Wanda, „hij heeft den geheelen morgen
den toren niet verlaten, gelijk ik getuigen zal. Zijn mes heeft hij reeds lang gemist,
zoo \'t al zijn mes is: — op zulke gronden zal men toch niemand veroordeelen."
Allen begaven zich nu naar eene opene plaats bij de keet: daar was de Schout
al gezeten, met het bloote zwaard in de hand en eenige oude Vlielanders als
bijzitters nevens hem: om hen waren de monniken en arbeiders vergaderd: en
voor hem op het gras lag het lijk van den ongelukkigen Opzichter. Een dof
gemurmel rees op bij de aanwezigen, nu zij den beschuldigde zagen naderen. Worp
voelde al zijn leden beven, toen hij er voorbijging: zijn moeder wierp een haastigen
blik op den verslagene, waarin een opmerkzame beschouwer een uitdrukking van
zegepraal had kunnen lezen.
Zoodra de beschuldigde voor hem stond, verklaarde de Schout het gericht
te heegen, bande vrede en gebood stilte; een overtollig gebod; want ieder stond
met gespannen aandacht te verbeiden wat er gebeuren zoude, en men hield den
adem binnen, uit vrees van een woord te missen: toen zag de Rechter om, en
vroeg, wie als aanklager optrad.
„Dat doe ik, Syard, Abt van Luidingakerke," zeide de Abt, vooruitkomende.
„Doet gij dit als bloedmaag des verslagenen?" vroeg de Schout.
„De verslagene had vrienden noch magen," antwoordde de Abt met een zucht:
„hij is als kind in het klooster opgenomen en gevoed geworden; wij zijn in zoo-
verre als zijn pleegouders te beschouwen."
„\'t Is wel! en wien beschuldigt gij van den moord?"
„Dezen man, "Worp Hessels van Wicholfs toren."
„Uw bewijzen?"
„Het mes, dat in de wonde is gevonden, en de bedreigingen, door hem en zijne
moeder meermalen tegen den verslagene en mij geuit."
Het mes werd voor den dag gebracht en door onderscheidene personen herkend
als dat, waarvan zich Worp Hessels gewoonlijk bediende. Andere Vlielanders
staafden de verklaring van den Abt ten opzichte der uitdrukkingen, welke Wanda
en haar zoon zich bij verschillende gelegenheden tegen de doorgraving en tegen
-ocr page 152-
106
ONZE VOOROUDERS.
hen, die ze doordreven, hadden laten ontvallen. Hier bleef het echter bij, en geen
stellig bewijs kon voor den moord worden aangevoerd.
Eindelijk wendde zich de Schout tot Worp en vroeg hem of hij zich schuldig
kende aan \'t gepleegde feit.
„Ik ben er onbewust van," antwoordde Worp, ;voor zich kijkende: „ik ben den
geheelen dag te huis geweest."
„Herkent gij uw mes?" vroeg de Schout, op het moordtuig wijzende, \'t welk
men volgens zijn last op het lijk, nevens de wonde, gelegd had.
„Ja," antwoordde Worp, zonder er een blik op te slaan.
„Beschouw het ten minste," zei de Schout.
„Ik zeg u, dat ik het herken," hernam Worp, op een koppigen toon.
„En hoe verklaart gij de omstandigheid, dat het in de wonde stak?"
„Ik heb het al eenige dagen vergeefs gezocht," antwoordde Worp: „wat
leed zou ik dien man gedaan hebben: ik kende hem nauwelijks: \'t is waar, die
doorgraving brengt ons tot armoede: maar de dood van dezen eenen man zal die
toch niet verhinderen."
„Kan iemand getuigen, dat gij te huis zijt geweest?"
„Mijn moeder alleen."
„Dat zij voor mij kome."
Wanda trad voorwaarts, even fier en onversaagd als altijd.
„Zeg mij eerst," vroeg de Schout: „of gij dit mes voor dat uws zoons erkent."
De weduwe boog zich over het lijk, dat met de borst ontbloot op het gras
lag; maar op hetzelfde oogenblik verschoot haar kleur: zij gaf een gil, viel op de
eene knie neder en stak haar hand uit, niet naar het moordtuig, maar naar een
klein versiersel van schelpjes of zoogenaamde katten gemaakt, dat om den hals
van den verslagene aan een koord was vastgemaakt.
„Wat is dat?" vroeg zij, wild om zich heen ziende: „wat is die schelp? hoe
komt hij daar aan?"
De kreet, welken zij geslaakt had, was zoo ijzingwekkend, de woeste uitdrukking
van haar oogen zoo ontzettend geweest, dat men schier den moord vergat. De Abt
naderde haar:
„Dat schelpenversiersel," zeide hij, „droeg de overledene om zijn hals, toen hij,
als een twee- of driejarig kind, half verstijfd, op een jjsschol aan kwam drijven."
„Als kind! op een ijsschol!" herhaalde Wanda, werktuiglijk: „waar? wanneer?"
„Op de Middelzee, nu acht en dertig jaar geleden: twee nachten na Kerstmis."
„Wee! wee mij!" gilde Wanda, zich de haren uit het hoofd rukkende: „de
-ocr page 153-
107
ONZE VOOROUDERS.
vloek van Wicholfs huis is volkomen; de profetie vervuld! Worp! gij hebt uw
broeder vermoord."
„Ik heb gedaan, waar gij mij toe hebt aangespoord, moeder!" zeide Worp
rillende: „maar het heeft zoo moeten zijn."
„Ja vloek over mij!" vervolgde de ellendige moeder: „ja voorwaar, dat was de
schelproos, die ik Runo om den hals bond, toen hij twee jaren oud was. Ha! hal
wat zeg ik? Deze kan immers mijn Runo niet zijn. Runo was een schoon kind met
blonde lokken, en geen monnik met grijsgrauw haar als deze: — en heeft Worp
hem vermoord? — maar Worp was nog niet geboren: hij heeft zijn broeder nooit
gekend: — en \'t is toch zoo: de nazaat van Wicholf heeft zijn broeder omgebracht:
de toren zal vallen: de zee zal landwaarts inspoelen: — daar komen de wilde baren
al aan: zij voeren mij mede! Voort! voort!"
Zoo riep en maalde zij al voort, tot zij eindelijk uitgeput nederzonk. Zij werd
in de keet gebracht en verzorgd: en het onderzoek tegen Worp voorloopig uitgesteld:
en daar er, toen er weder gericht gehouden werd, niemand tegen hem optrad als
aanklager, werd hij verder niet lastig gevallen. De Abt had hem woorden van boete
en vermaning toegesproken en weinige maanden daarna nam hij het ordekleed aan.
Wanda had zich reeds vroeger aan aller oog onttrokken; en men waande, dat
zij in een vlaag van krankzinnigheid zich van \'t leven had beroofd. Maar op den
dag toen de doorgraving voltooid was en de zee voor \'t eerst in de bedding der
nieuwe vaart stroomde, zagen sommigen plotseling op een der naastbijgelegen
duinen haar hooge gestalte verschijnen, met opgeheven arm de binnenstormende
golven bedreigende. Toen men de plaats nabij kwam waar men haar gezien had,
was zn\' verdwenen, en sedert zegt men, dat zij, of althans haar schim, zich nog bij
hooge vloeden op het duin vertoont, met opgeheven staf, als wilde zij de zee naar
haar palen terugdrijven.
VERHAAL VAN KOEN VAN EMMERIK.
„Gij moet weten, dat ik geboortig ben van de goede stad Emmerik, welke in
de eerste helft dezer eeuw gelijke rechten en poorterschappen verkregen heeft als
door Zutfen bezeten werden, en later, toen Graaf Otto de Tweede de stad van
den Bisschop van Utrecht eerst in leen, en vervolgens, tegen een jaarlijksche
uitkeering van tien pond, in vrijen eigendom verkreeg, met nog aanzienlijker voor-
-ocr page 154-
103                                                            ONZE VOOROUDERS.
rechten werd beschonken. Mijn vader was niet de minst aanzienlijke onder de
poorters; immers hij hield de voornaamste, zoo niet de eenige deftige herberg, die,
ik zeg niet te Emmerik, maar in geheel het omliggende land op tien mijlen verre
te vinden was. Algemeen bekend was het, dat geen herbergier in Veluwe of Lijmers,
in Betuwe of Gelre, in Zutfen of Kleef, zulke goed voorziene kelders en keuken had,
en zoo op een prik wist, waar alles vandaan te halen: Doesburgsch bier voor
dagelijksch gebruik: Haarlemmer voor den lekkerbek: Rijnschen wijn, dien hem
een koopman van Keulen bezorgde: Franschen wijn, die met de zeeschepen aan-
kwam: aan alles had hij overvloed. — De Veluwe verschafte hem schapen en de
Betuwe runderen: uit Harderwijk liet hij zeevisch komen, en snoek uit het Udeler
meer: aan kreeften had hij nooit gebrek: de Grafelijke jager van den Hardenberg
zond hem zwijnsvleesch, de tolgaarder te Lobith wist hem druiven en fruit en de
ontvanger der landpacht hoenders te bezorgen. Wat mijne moeder betrof, geen
vrouw was er in het gansche Rijk, die beter de kookkunst verstond: zoodat het
niemand wonder geven moet, indien de mij aangeboren neiging tot het vak zich
spoedig ontwikkelde en goede vruchten voortbracht. Reeds als kind had ik geen
grooter genoegen, dan wanneer mijn moeder mij vergunde onder haar opzicht
gehakt vleesch tot balletjes te kneden, of warmoes te snijden, en ik weet niet,
dat ik in mijn leven blijder dag heb gehad, dan toen de goede vrouw mij voor \'t
eerst een voorschoot ombond, en na mij met vereischte bestanddeelen voorzien te
hebben, gelastte mijn krachten aan het vervaardigen eener korst te beproeven,
\'s Ochtends was ik nooit buiten de keuken en \'s avonds verliet ik den gemeenen
haard niet, waar het mijn post was, de gasten van ververschingen te bedienen: ja
gewis, gij zoudt van hier tot Genua kunnen blijven doortellen, zonder het getal te
bereiken der kannen, welke ik in die blijde avonden mijner jeugd al getapt heb.
Ik werd langzamerhand grooter en kon van meer dienst zijn: somtijds werden
mij geheele schotels toevertrouwd: ja, sedert ik eens, dat mijn moeder ongesteld
was, een kiekenpastij geheel alleen bereid had, waaraan de Heer van "Wisch, die
het maal bij ons gebruikte, hoogen lof had toegezwaaid, verwierf ik het volle
vertrouwen mijner ouders en heerschte in de keuken naar welgevallen. Ik had dus
reeds vroeg als kok een naam verkregen; en niet weinig bij mijn medepoorters,
wien ik ook in andere opzichten een orakel was. In een herberg hoort men velerlei:
ons huis was altijd vol: want Emmerik ligt, zoo gij weet, aan den Rijn: geen
vaartuig, dat op- en afvaart, of \'t legt er aan: wij hadden dus altijd gezelschap bij
ons uit allerlei plaatsen: en zoo de groote Heeren, zoolang zij nuchteren zijn, zich
weinig over de zaken uitlaten, de pages en dienstlui praten des te meer. Zoo wist
-ocr page 155-
Weldra werd h(j uit zijn onzekerheid geholpen. Een lange gedaante, van top tot teen in een
dichten mantel gewikkeld en een lamp in de hand houdende, vertoonde zich voor hem: zij ontblootte
het gelaat, en hy herkende Olwina. Met verbazing staarde h\\] haar aan en wachtte af, wat dit vreemd
bezoek zou aanbrengen.
Onse Vooronders. — De Koorknaap, blz. 121.
-ocr page 156-
109
OXZE VOOROUDERS.
ik al vroeg wat er in de wereld omgaat, en kreeg ondervinding van allerlei zaken,
waar een ander niet van droomt; maar tevens wekte bij mij het gehoorde een
geweldige eerzucht op: ik begon, misschien dwaaslijk genoeg, te gelooven, dat de
herberg mijns vaders een te beperkte kring was voor mijn bekwaamheden, en dat
ik een grooter veld behoefde om die in al haar luister te doen schitteren. Helaas!
het heeft mij later genoeg berouwd aan de inblazingen van den hoogmoed gehoor
te hebben gegeven en het rustig lot, dat mij als een rijken poorter van Emmerik
verbeidde, aan de zorgen van een zwervend en moeitevol leven te hebben opge-
offerd; — doch ter zake.
Het gebeurde eens op een avond — ik was toen ongeveer twintig jaar oud —
dat geheel Emmerik in opschudding was: ik bevond mij juist bij den slachter, die
aan de poort woonde en bezig was een onzer varkens te hakken, toen wij vier
Edellieden te paard, elk met zijn schildknaap achter hem, de poort zagen binnen-
rijden. Zij waren zoo rijkelijk uitgedost en de paarden zoo fraai opgetuigd, dat het
niet te zeggen is; elk liep uit om hen te zien: ja geen oud wijf bleef aan het
spinnewiel: Jorynen. de slachter, liet zijn hakmes van verbazing uit de hand vallen
en bleef de ongewone vertooning met een open mond aangapen: ik was ook op
straat gekomen: en juist op het oogenblik, dat een dier Heeren vroeg, waar de
herberg was. Ik haastte mij, mijn diensten aan te bieden en hen bij mijn ouders
te brengen, waarna ik, vernemende, dat z\\) vooreerst bij ons vertoeven zouden,
als de wind weder naar Jorynen liep, om, behalve het varken, nog een paterstuk
en een kalfskop te bestellen. Toen ik terugkwam, vond ik de Edellui reeds aan den
gemeenen haard bij elkander, waar zij, van hun overkleed ontdaan, onder het genot
van een kan Haarlemmer, met mijn vader zaten te keuvelen. Ik vervoegde mij bij
de schildknapen om den oven, en vernam van hen de reden hunner komst. Onze
Graaf had namelijk zijn dienst en goede geldsommen bovendien (wel drie duizend
mark zilver, zoo men zeide), aan Koning Willem verstrekt, en daarvoor van hem
het Rijk van Nijmegen, zooals men \'t noemt, in pand bekomen; maar het was nog
onzeker, of de Stad, die, gelijk men wist, Willems tegenstander, Koenraad, was
toegedaan, zich wel genegen zoude toonen om de poorten voor den Graaf te openen:
en dientengevolge was er bepaald, dat, tot tijd en wijle Nijmegen de banier des
Graven voerde, vier edele Ridders te Emmerik leisting zouden houden. Gij kunt
denken, of dit in onze kraam te pas kwam! Vier Ridders, elk met zijn schildknaap,
en dat voor een onbepaalden tijd! — want, naar men de Nijmegenaars kende,
zouden zij zich niet dan door dwang aan Graaf Otto onderwerpen, terwijl deze, als
bekend was, op dit oogenblik geen macht tegen hen te velde kon brengen: — en
u
-ocr page 157-
1 . :
f .
4
i
M*\\7y■-•i\'Ai..^fc» "* • *** i» ~**ti4*it\' v?*t«r\'
B.
*%:
•
$! \'
* i
" - ^J^^I^f\'VB^HHÜgMMSs^^B^^^^i
I
\'\\
^\';^r\' ■ ■■.-■•■■ .,v;;^-
1
i

i
*l^tMBtóaSiÖ^S^»iMlW\'ff^to\'\'ï*tf \'*"*
Dr
i^"jÉLjLJ
1 E
\'«•■••\' ?•
\\c
te
SRf 1
ff
*
Sg^? j ^
\' \'• !&-\'>
\' \'
1,1
■ft
{v^Sjp,
:\' ;
f*£V^ j»^ ** \'^Mbb^I Ik
\'( ■!►
i ^
* ^y
- t
r- \' *-■• \' MIé^éÉ
r !f •
>
«R
ft
i ft
.» f ....,- . \'T^ -■;
-
^v^JhT «4.* -
.■\'
•"\'
1 ;■ 3t . - i^rS»
-
\\t.\' ■
•\'s\'\'-
\'-r*\';l
K->1
1
• 1,
I -\'V$1S-^
?*n 1i
1
/*iL- . . \'«.„VIN
•
v|n|
i 1
/WIS\' 3--SKI
/■ ■
\', (
■\'■ SPm* .• •*$$&<
i ■
\\
ii. n.:< -*v ^^ i ïfc\'- _, vT\'^jtfSBlff ■
.
\\
r)£rfiP \'\'lL \'V ^
* -j .
•$£;~4\' \'•. \\ -:4d
i
WjTic- ^ft ^/>*Y w^.T^liyol 1
\'.\',
. y . ■ - ■■>.■*%
,
\'V \' 5v. r--:;;-agm^B|. ^
\'
fKcV* v« Vlï \' % -^jiwH
> r^pj^ppr .
*
\'
1
* Tt.^ idjlL\'i*» \' \'ïcA->-■ "SJhi*
i
-"•*ÉEhnpvA•* * -> \'Jjïf *.
H<sf ^rjp^i.- >wv> wit - • rna^^^^^^^
\' SEB^ttftf \'f *^ \\ "\'
^*" ï"1^^* \'l^Vv\'^yfefcti * *^M \'***
•
■\'• 3-; •
■ ■.
-ocr page 158-
110
ONZE VOOROUDERS.
dan nog wel waren zij — onze Edellui meen ik — gehouden en verplicht goede
sier te maken: — nu, zij lieten het zich ook aan niets ontbreken, en aten en
dronken ten minste voor vier tornooische stuivers daags. Zoo iets was te Emmerik
nooit gehoord: mijn moeder en ik hadden geen uur rust: want niet alleen moest
er gedurig, en van \'t beste, worden opgeschaft, maar elk had weer zijn bijzonderen
smaak. Daar was de Heer van Falckestein, zoo goedhartig en vroolijk een man als
immer wijn geproefd heeft, die uit een land kwam, waar de ossen niet veel grooter
noch vetter zijn dan bij ons de slachtershonden, die kon zich maar niet goed verza-
digen aan het heerlijke rundvleesch, en at op een maal een gansche rib voor zijn
hoofd op: — de oude Heer van Mulkhoven, die vroeger met lazerij was gekweld
geweest en sedert geen varkens- of schapenvleesch verdragen kon, maar daarentegen
dagelijks een half dozijn kuikens orberde: de Jonker van Duimen, die nooit zeevisch
geproefd had, en alle dagen om tarbot riep: de dikke Heer van Hulderen, die in
warme landen was geweest, en noch boter noch honig lustte, maar alles met suiker
wilde toebereid hebben, \'t welk geen kleintje kostte. — Maar ik had ieders smaak
weten te raden, en was dienvolgens niet weinig in hun gunst: daarbij was de Heer
van Hulderen zelf een eerste kenner van spijzen en deelde mij menige nuttige les
en onderrichting mede, waarmede ik best mijn voordeel gedaan heb. — En dan, als
het amelaken was weggenomen, dan kwam \'t verkeerbord voor den dag en rolden
de steenen tot laat in den nacht. — Dat was een leventje! — Niet zelden ook
kwamen Edellui uit den omtrek, of wel de Kapittelheeren uit het klooster, onze
gasten bezoeken, en dan behoef ik u niet te zeggen, dat er dubbel moest worden
opgeschaft: zoodat ons karretje op een zandweg reed en mijn ouders dagelijks de
goede Heiligen baden, dat Nijmegen nog lang de zijde van Koenraad houden en
aan het gezag van Graaf Otto onttrokken mocht blijven. Het was echter anders
in den Hemel besloten.
Onze gasten waren ongeveer een maand bij ons geweest, toen wij, eens op een
middag, dat zij aan den disch zaten, paarden voor de deur hoorden stilhouden. Ik
liep naar voren en zag twee ruiters, beiden op fraaie rossen gezeten, doch met de
kaproenen zoo dicht over de oogen gedrukt en den rijmantel zoo hoog om de kin
geslagen, dat men nauwelijks meer dan de punten hunner neuzen gewaar kon
worden. De een, die de Heer scheen, verzocht mij, den Jonker van Duimen af te
roepen, dien hij wenschte te spreken. Het kostte mij niet weinig moeite, onzen
gast, die juist bezig was een zware schol door de saus te halen, te bewegen aan
het verzoek te voldoen: eindelijk toch begaf hij zich naar de voordeur, en naderde
het paard van den eenen ruiter, die, zich vooroverbuigende, hem een paar woorden
-ocr page 159-
111
0XZE VOOEOUDEKS.
aan \'t oor zeide. Het gelaat van den Jonker drukte geen geringe verbazing uit: ja
ik geloof, dat hij het uitgeschreeuwd zoude hebben, zoo niet de ruiter, door den
vinger op den mond te leggen, hem stilzwijgen geboden had. Zij fluisterden toen
nog een poosje met elkander, waarna de vreemdeling afsteeg en met den Jonker
naar boven ging, terwijl de dienaar de paarden naar stal bracht. Na den staljongen
geroepen te hebben om hem zijn hulp te verleenen, begaf ik mij weder naar de
eetzaal, waar ik den onbekende reeds met de Edellieden gezeten zag en terstond
last bekwam, een schoon teljoor en een schoonen nap te brengen. De nieuwaange-
komene viel dadelijk mede aan \'t eten en drinken, alsof hij zijn leven lang niet anders
gedaan had, doch sprak weinig: en in \'t geheel was het gesprek sedert zijn komst
begonnen te verflauwen, zoodat ik al vermoeden kreeg, dat ik te veel was. Bij
gelegenheid dat ik naar den kelder was gegaan om een versche kan te halen, vroeg
ik den bediende, wie zijn Heer was. „Gij zijt wel nieuwsgierig," zeide deze — en daar
bleef het bij. Nu nieuwsgierig was ik: ik had gaarne op dat oogenblik mijn geheim
om bessenwijn voor \'t gisten te bewaren voor een prijsje verkocht aan hem, die mij
eenige inlichting omtrent den vreemdeling had willen geven, zoo had mij \'s mans
voorkomen getroffen. Hij was nog jong, immers op \'t best van zijn leven: zeker
zoo lang als de Heer van Arkel en vrij gezet bovendien; en hoewel men niet kon
zeggen dat hij een schoon man was, had hij toch een van die gezichten, die men,
wanneer men ze eenmaal gezien heeft, nooit weer vergeet, zelfs in een herberg
niet, waar men er dagelijks zoovele ziet. Men kon dadelijk aan hem bespeuren dat
hij in hooge kringen te huis en meer gewoon was tot zijn minderen dan tot zijn
meerderen, ja zelfs tot zijn gelijken, te spreken. Ook was het mij niet ontgaan,
dat onze gasten hem met een onderscheiding behandelden, welke zij, in mijn bijzijn,
nog aan niemand in die mate betoond hadden, en dat hij zich zulks liet aanleunen
als iemand, die niet anders verwacht en begrijpt dat het hem toekomt.
Mijn verlangen om zijn naam en stand uit te vorschen werd spoediger bevre-
digd dan ik had durven hopen. Toen ik den disch geruimd en het verkeerbord daarop
had geplaatst, kreeg ik last om het vertrek te verlaten: ik ging naar beneden; maar
nauwelijks was ik daar, of twee personen traden binnen, die ik terstond, daar zij
wel meer ten onzent geweest waren, voor poorters van Nijmegen herkende.
„Wij moeten uw vader spreken," zeide een van hen, zekere Hans Hessels,
een hoovaardige, koppige vent, die, als Overman der wolwevers en Schepen der
stad, zich niet weinig liet voorstaan, ja zich den Keizer bijna gelijk achtte. Nu, hij
besloeg zijn plaats wel waar hij kwam; want hij had een buik als onze vriend
Machiel, met een gezicht als een volle maan en een gang als een pauw.
-ocr page 160-
112                                                            ONZE VOOROUDERS.
„Mijn vader is naar Lobith," zeide ik: „doch ik ben hem ieder oogenblik te
wachten."
„Dat is lastig," hernam de Overman: „want wij hebben weinig tijd: — nu!
wij zullen toch een oogenblik toeven: breng maar een kan bier boven: — van \'t
beste, hoor!"
„Goed!" zeide ik: „maar onze gasten zitten boven, en ik zal u even gaan
aanmelden."
Niet ontevreden van een reden te hebben om binnen te gaan, liep ik naar
onze Edellieden en kondigde hun het bezoek der poorters aan: ik bemerkte terstond,
dat mijn boodschap eenige verlegenheid bij hen verwekte.
„Bij Sint-Lieven!" zeide de vreemdeling: „zij moeten mij niet hier zien. Kunt
gij hen niet op een andere plaats brengen, knaap?"
„Wat zal ik zeggen?" zeide ik, de schouders ophalende: „\'t Is hier een open
herberg en vrij gelag; — zij zullen zich niet laten terughouden — maar gij zult niet
lang last van hen hebben."
„\'t Is te laat om weg te komen, zonder ontdekt te worden," zeide de Jonker
van Duimen: „er is hier slechts éóne deur, en daar zoudt gij hen ontmoeten."
„Geen nood!" zeide ik: „zoo deze Heer niet gezien wil wezen, kan hij zich
immers hier in de kast verbergen."
Er bevond zich namelijk een groote kast in den muur, met dubbele deuren
voorzien, waarin de roemers, bekers en kannen geborgen werden, en tevens plaats
genoeg was voor vier menschen om in te staan: ik opende een der deuren, en de
onbekende trad binnen zonder zich langer te bedenken: op hetzelfde oogenblik
stapten onze beide Nijmegenaars binnen.
„God ten groete, mijne Heeren!" zeide Hans Hessels, het gezelschap met een
beschermenden hoofdknik groetende: „ik hoop, dat het den Heeren hier bij voort-
during wel gevalt."
„Uitmuntend!" antwoordde de Heer van Duimen.
„Dat is gelukkig\'" hernam de wolwever, op een spotachtigen toon: „want gij
hebt kans, hier eenige meimaandjes te slijten: althans zoo gij hier blijven zult, tot
de Graaf van Gelre binnen Nijmegen wezen zal."
„Inderdaad?" vroeg de Heer van Falckestein.
„Zoo is \'t!" zeide de andere poorter, een kort dik ventje, met een gezichtje,
zoo rond en zoo gerimpeld als een grauwe reinet, die een halfjaar op zolder gelegen
heeft: „Hans van Edingen bewaart den Burcht voor onzen rechten Koning Koenraad,
en wat de stad betreft, wij poorters hebben besloten, de poorten niet te openen:
-ocr page 161-
113
0XZE VOOROUDERS.
en wij weten te goed, dat de Graaf niet bij machte is, om ons te dwingen. Ik zou
u dus maar raden, Heeren! u hier te Emmerik van een graf te voorzien," en hij
zette een gezicht als een kikker, terwijl hij zijn best deed om over deze gewaande
geestigheid te lachen.
„Neen, neen!" hernam de wolwever: „wij weten genoeg, hoe volhandig het
Graaf Otto tegenwoordig heeft: en hoe ledig zijn kas is, die hij, dwaas genoeg, aan
z\\jn buurman van Holland heeft ten beste gegeven. Bovendien, Nijmegen is een
vrije rijksstad, die van geen Heer wil weten. Maar hoe is \'t, vriend Koen! waar
blijft de kan Doesburger? \'t Is nu lastig, dat uw vader niet te huis is."
„Die zal zich niet laten wachten," zeide ik: „ik heb de voordeur hooren
opengaan, en het zou mij niet verwonderen zoo hij het was geweest."
„Tot uw dienst," zeide mijn vader, die juist binnentrad: „wat is er van uw
believen?"
„Ha, juist van pas, vriend Jasper!" zeide Hans: „wij hadden al naar u verlangd!
Daar staat Loef Hermans de voller, die over acht dagen mijn schoonzoon wordt:
nu zijn wij voornemens te dier gelegenheid, feest te vieren, als het rijken Nijme-
genaars betaamt; en daar wij weten, dat niemand zich er beter op verstaat om
goed op te schaffen dan gij, zoo hebben wij bepaald, dien dag hier te komen
doorbrengen en eens lekker te smullen. Geld maakt geen zwarigheid, dat weet
gij:" — en meteen sloeg de verwaande gek op zijn beurs, als droeg hij er al de
schatten der wereld in met zich rond.
„Bij mijn trouwe!" zeide mijn vader: „gij kondt het niet beter bedenken. En
op hoevele gasten moet ik rekenen?"
„Laat zien!" antwoordde Hans, terwijl hij bij zichzelven uitrekende: „daar zijn
de schepenen, Joris Jorisz met zijn vrouw en Klaas Bakker met zijn dochter — en
de wolwevers, elk met een vrouw of een meisken — en de vollers van \'s gelijken —
en mijn drie dochters en de zusters van Loef — en broer Geeraert met zijn
kinderen — en de Pater — dat zal zoo wat veertig in al zijn, behalve de speellui
en de schipper met zijn roeiers, die ook wel wat lusten zullen. Wij zullen het
stadsvaartuig nemen."
„Veertig personen!" herhaalde mijn vader, bij zichzelven overleggende: „ik
hoop, dat ik ze zal kunnen bergen."
„Wel!" zeide Hans, rondziende: „mij dunkt in deze kamer is plaats genoeg."
„Ja maar," hernam mijn vader: „dit is de gemeene haard, en ik kan deze
Heeren er niet uitjagen."
„O wat!" zeide de Schepen, een verachtenden blik op de Edellui werpende:
-ocr page 162-
114                                                                   ONZE VOOROUDERS.
„die Heeren zullen zich voor éénen dag wel willen schikken! — De zaak blijft dus
afgesproken: op den bepaalden dag ziet gij ons terug."
Na een korte woordenwisseling en een nog korter groet, vertrokken beiden
met mijn vader, en de vreemdeling kwam weder uit zijn schuilhoek.
„Die onhebbelijke dorpers!" riep de Jonker van Duimen uit: „ik zou bijkans
lust gevoelen, hen te plunderen wanneer zij hier komen, en hun vrouwen weg te
rooven."
„Wat wilt gij?" zeide de Heer van Mulkhoven: „de tijd van den adel is voorbij,
en die lompe dorpers spelen den baas."
Op hetzelfde oogenblik — ik weet nu zelf niet meer hoe het kwam — viel mij
een kluchtig denkbeeld in: „Voor den drommel!" zeide ik: „indien onze Graaf de
lucht had van de partij, dan zou \'t hem niet veel moeite kosten, zich van Nijmegen
meester te maken."
„Wat bedoelt gij ?" vroeg de onbekende, mij onverwachts bij den arm nemende,
terwijl zijn oogen flonkerden: — „op welke wijze zoudt gij dat aanleggen?"
„Dat zal ik u voorwaar niet zeggen," hernam ik lachende: „men moet geen
koren van den molen zenden: als Nijmegen in handen van den Graaf raakt, verlaten
ons deze edele Heeren, en daar zouden wij slecht onze rekening bij vinden."
„Daarvoor geef ik u mijn woord als Edelman, dat uw vader schadeloos gesteld
zal worden, zoo gij mij___ zoo gij Nijmegen in \'s Graven handen levert," zeide de
vreemdeling.
„Hm!" zeide ik: „de Graaf zou dit kunnen doen zonder dat het hem veel
kostte, ja zelfs op eene wijze, dat hij er dagelijks genot van had."
„Wat meent gij?" vroeg de vreemde Edelman.
„Indien hij mij tot zijn kok aanstelde," antwoordde ik.
„Mij dunkt, voor iemand van uwe jaren, hebt ge geen kleinen dunk van uw
bekwaamheden," zeide de vreemdeling, glimlachende.
„Wat zal ik zeggen?" hernam ik: „ik heb trek om vooruit te komen en ik voel
dat ik voor een hooger werkkring geboren ben dan om hier te Emmerik te muffen."
„Bij Sint-Ursel!" zeide de Heer van Hulderen: „men zou slechter kunnen treffen:
onze vriend Koen hier heeft den voortreffelijksten aanleg van de wereld, en hu"
heeft niet vele lessen meer noodig, om een Alexander in zijn vak te worden."
„Welnu dan!" zeide de onbekende Heer: „ik beloof het u: gij zult \'s Graven
kok worden, zoodra uw plan met een goed gevolg bekroond is."
„\'k Wil \'t gelooven!" hernam ik: „maar liever had ik, dat mij zulks zwart op
wit gegeven werd."
-ocr page 163-
115
ONZE VOOROUDERS.
„Schavuit!" riep de vreemdeling: „mistrouwt gij mijn woord! Dat is de eerste
maal, dat daaraan getwijfeld wordt."
„Wat zal ik zeggen?" hernam ik, de schouders ophalende: „onbekend maakt
onbemind: en ik had liever, dat de Graaf zelf mij die belofte gaf."
„Welnu!" hernam hij, mij naderende en met een gesmoorde stem: „het is de
Graaf zelf, die tot u spreekt."
Ik deed van verbazing een stap achterwaarts: een oogenblik twijfelde ik en
zag de vier Edellieden aan: maar toen ik in hunne oogen de bevestiging las van
\'s Graven woorden, haastte ik mij, naar plicht, op beide knieën te vallen en vergeving
te vragen voor mijn stoute taal.
„Gij hebt die, gij hebt die," zeide de Graaf, „en ik zal mijn woord houden
bovendien, zoo uw plan slechts uitvoerbaar is. Maar bij uw plicht als onderzaat
bezweer ik u, aan niemand een woord van mijn aanwezigheid te openbaren. Ik was
juist naar Zutfen gegaan om middelen te beramen, ten einde Nijmegen in mijn
bedwang te krijgen, en wilde in \'t voorbijgaan deze Heeren bezoeken: — maar men
behoeft in de Waalstad niet te weten, dat ik zoo dicht in de nabijheid ben: men waant
mij te Aken bij den Keizer; doch genoeg! — laat hooren welk plan gij hebt uitgedacht.
Ik ontwikkelde mijn ontwerp, \'t geen door den Graaf niet dan met een
ongeloovig hoofdschudden en herhaald gelach werd aangehoord. „Bij Sint-Lieven!"
zeide hij, toen ik uitgesproken had: „\'t is te dol! dat kan nimmer gelukken."
„Vergun mij, met uw Genade van gevoelen te verschillen," zeide de Heer van
Falckenstein: „\'t is hier misschien: hoe doller hoe beter! en in allen gevalle, \'t kan
beproefd worden."
„Ik ben van \'t zelfde gevoelen," zeide die van Mulkhoven: „\'t is een waagstuk;
maar een stad als Nijmegen is waard, dat men iets voor haar wage."
„Ik vind het plan te fraaier," zeide de Jonker van Duimen, „omdat het
volkomen strookt met den wensch, dien ik zoo straks geuit heb."
„En ik keur het mede goed," voegde er de Heer van Hulderen bij: „al betreur
ik het, dat wij, zoo het gelukt, er onze goede tafel te Emmerik door missen zullen."
„Dat zult gij niet, mijne Heeren!" zeide Graaf Otto: „immers, \'t zij wij in onze
onderneming slagen of niet, er zal altijd aan mijn disch een plaats voor u openstaan,
en zoo vaak gij dien met uw bijzijn vereeren zult, zal onze vriend hier, hoop ik,
zijn beste beentje vooruitsteken en zorg dragen, u de Emmeriksche maaltijden in \'t
geheugen terug te roepen. — Welaan! daar ge allen van gevoelen zijt, dat de zaak
gelukken kan, zal ik mij onderwerpen. En nu nog eens alles bedaard overwogen."
-ocr page 164-
110
ONZE VOOROUDERS.
VERHAAL VAN GEERAERT DEN ROODEN.
„Ik behoef aan niemand uwer als iets nieuws te vertellen, hoe vele jaren
achter elkander Vlaanderen en Holland te zamen in krakeel zijn geweest. De
grootvader van Kees Dirksz wist er al van mee te praten: onze achterkleinzonen
zullen er waarschijnlijk nog het eind niet van zien: want al leven zij misschien
voor \'t oogenblik als goede buren, er is slechts een zuchtje winds noodig om \'t vuur
weer aan te blazen en als een brandende berg te doen blaken. Die twisten en
oorlogen golden, als gij weet, voornamelijk het bezit van Zeeland: dat was de bruid
daar elk mee dansen wou; maar, wat gij niet weet, is, dat, zoo heden ten dage
Graaf Floris van Holland in onze eilanden als Graaf en Heer wordt erkend, hij zulks
misschien in de eerste plaats — gij moogt er om lachen of niet — aan mij te
danken heeft. Maar helaas! wat hem een graafschap bezorgde, heeft mij mijn
bestaan gekost.
Gelijk ik u bij vroegere gelegenheden verteld heb, ben ik van kindsbeen af
bij de visscherij geweest; bij mijner ouderen dood had ik zooveel overgegaard, dat
ik een goede schuit in eigendom had, waarmede ik niet bloot op de vangst uitging,
maar ook hier en daar zoo het uitkwam, voordeelige negotie dreef. Wij hebben
afgesproken, de waarheid te zeggen, en dus mag ik hier ook niet verzwijgen, dat
mijn handel niet altijd van dien aard was, waar men openlijk voor uitkomt, en dat
ontvangers noch tolgaarders veel reden hadden om over mij tevreden te zijn; want
de booze hale mij, indien een van beiden ooit een penning van mij heeft te zien
gekregen voor al de koopmanschap, die ik in mijn leven aan boord heb gehad.
Ook vroeg ik er weinig naar, of ik aan Vlaming of Hollander verkocht: zij waren
mij even na, en ik bleef tusschen hen beiden volkomen onpartijdig. Zoo ik vandaag
aan de galeien van Zwarte Griet krijgsbehoeften verkocht om den Hollanders
afbreuk te doen, ik leverde den volgenden dag proviand aan de schepen van Koning
Willem om zee te kunnen houden, en maakte zoo altijd de rekening effen. Maar.
wie kon het mij kwalijk nemen? ik had immers het voorbeeld voor mij van zoovele
aanzienlijke Edelen, die het zeker beter moesten weten dan een gemeene visscher, en
die toch mede niet anders handelden dan de vleermuis uit het sprookje, die zich bij
de muizen voor een muis en bij de vogels voor een vogel liet doorgaan. En dan bleef
ik nog getrouwer mijn rol volhouden dan die groote Heeren; want dezen hielden
zich er slechts zoo lang aan, als zij er gunsten mede konden verwerven; maar
wanneer het er op aankwam, manschap te leveren of gelden op te brengen, veran-
-ocr page 165-
Ulrich wierp een somberen blik op zijn boog, en vervolgens Koen aanziende, scheen hij door
een plotseling denkbeeld getroffen. „Koen!" zeide hij: „geef mij mijn harp terug."
„Hoe," zelde deze: „nu? op dit oogenblik?"
„Geef mij haar terug, Koen!" herhaalde Ulrich op een dringenden toon: „zij is mijn eigendom:
ik kan haar thans niet ontberen ...."
„Zie, daar is zij!"
„En nu!" zeide Ulrich, nadat hij zijn harp hernomen had: „verlaat mij: en denk aan uw
eed... ."
Met deze woorden snelde hij de ladder naar den zolder weder op.
Onze Voorouders. - Ulrich de Zanger, bh. 125.
-ocr page 166-
117
ONZE VOOROUDERS.
derden zij terstond van wit tot zwart: kwam de Graaf van Holland hun diensten
opeischen, dan verontschuldigden zij zich met den eed, aan Vlaanderen gedaan; en
riep Vlaanderen hun hulp in, dan gaven zij voor, dat zij onder Holland stonden.
Ik was dan met beide partijen wel en mijn zaakjes gingen voor den wind. Wat
mij echter het meeste voordeel aanbracht, was een akkoord, \'t welk ik gemaakt
had met zekeren Razo van Duinkerken, die zijn beroep niet, gelijk ik, op de
binnenwateren, maar in open zee dreef, als eigenaar zijnde van een scherpzeilend,
boosaardig krengetje van een vaartuigje, met een twintigtal koppen bemand; allen
lieve jongens, die van het land niets wilden afweten, wegens ettelijke kleine
oneenigheden, die zij met de Heeren van den gerichte hadden gehad en met wie
men desnoods tot voor de poorten van de hel gevaren zou hebben. Met deze
manschap nu boegkruiste vriend Razo op de Noordzee, ongenoodigd bezoeken
afleggende bij de koopvaarders, die hij, uit loutere bezorgdheid voor hun welzijn,
van hun overlast, en soms van een beetje meer bevrijdde: ja, enkele reizen gebeurde
het wel, dat hij, om zeker te wezen, dat de schipper of een van zijn volk het niet
aan de klok zouden hangen dat hij bij hen geweest was, hen aan de visschen
prijsgaf, of hun schip voor lekkage bewaarde, door er een Sint-Maartensvuurtje van
te stoken; maar dat gebeurde alleen wanneer men wat na aan de kusten was of
dat er gewapende galeien in \'t gezicht waren; — want in den grond was Razo een
goed kalf van een vent, die geen kind gemoeid zou hebben. Deze Razo nu wist ik
doorgaans waar op zee te vinden, en dan kocht ik zijn lading van hem af, welke
ik naderhand met goede winst ter markt wist te brengen.
In den tijd, waar ik van spreek, waren Koning Willem en de Gravin van
Vlaanderen — Zwarte Griet, gehjk zij in de wandeling genoemd werd — geducht
aan \'t haspelen. Er was namelijk, voordat de eerstgemelde nog Graaf was, een
verdrag aangegaan, waarbij Holland Zeeland van Vlaanderen ter leen hield, en nu
begeerde Griet, dat "Willem haar voor Zeeland hulde zou komen doen. Maar Willem,
die in dien tusschentijd Roomsch Koning geworden was, gaf daar mooi den brui
van: „Zoo gek niet," zeide hij, „om aan mijn eigen onderdaan hulde te gaan doen
van \'t geen mij als Koning rechtens toekomt," en hij weigerde \'t glad af. — De
Hertog van Brabant, die een goedhartige ziel was en geen krakeel tusschen buren
zien mocht, zocht het geschil te vereffenen en stelde aan partijen voor, te Antwerpen
te komen om de zaak door zijn bemiddeling te vinden. Koning Willem scheen ook
van de leer te zijn, dat een mager vergelijk beter was dan een vet proces, en
reisde naar Antwerpen, waar die slimme feeks van haren kant gezanten zond. Maar
z;j voerde wel wat anders in haar schild: en terwijl zij tegen Willem: „schipper
ie
-ocr page 167-
I \' \\
:* ) \'■
-ocr page 168-
118
ONZE VOOROUDERS.
wat hebje een mooi wijfje!" spelen liet, ging zij stilletjes haar eigen gang, zooals
gij zult komen te hooren.
Het was in de maand Juli van \'t jaar drie en vijftig, en ik was met mijn
schuit naar Waterduinen gegaan, dat een zeedorpje is aan de Vlaamsche kust;
want gij moet weten, ik zocht zelden groote havens op, waar men door tolgaarders
en zulk slag van volk wordt lastig gevallen; doch Waterduinen was een stil en
afgelegen plaatsje, waar mij nooit iemand was komen moeien of lastige vragen naar
mijn lading doen, en waar ik altijd mijn waar goed kon slijten. Het was met den
avond, dat ik er aankwam — en reeds had ik vreemd opgekeken, van meer zeilen
langs de kust te zien, dan ik daar anders verwachtte, maar nog had ik geen erg
wat zulks te beduiden kon hebben, en ik liet in alle gerustheid mijn anker vallen.
Maar toen ik den volgenden morgen uit mijn kooi kroop en rondkeek, wreef
ik wel honderdmaal mijn oogen uit; zulk een vloot had ik om mij heen: zoo oud
ik was, nooit had ik zulk een aantal schepen bij elkander gezien, zij waren
van alle grootte en makelei, en telkens vertoonden zich nieuwe zeilen aan den
gezichteinder, die zich bij de overige kwamen voegen. Nu, dacht ik: ik zal er wel
meer van hooren, en zoo ging ik aan wal naar de tapperij, om den waard te zoeken,
die mij doorgaans mijn waren afkocht; maar jawel! zijn huis was vol, en noch hij
noch iemand anders had ooren voor mij. Men stond mij kwalijk te woord, en het
was in- en uitloopen en roepen en schreeuwen en snateren, dat ik een wijl dacht,
of de menschen van \'t dorp allen krankzinnig waren geworden. En wat mij nog het
minst aanstond, was, dat er naast den tap een groote zwarte kerel gezeten was,
met een gemalieden kolder aan \'t lijf en een geduchten knijf in den gordel, die
den hoogsten toon voerde en nu links dan rechts bevelen gaf, zoo aan de
visscherslui als aan enkele ge wapenden, die er zich mede bevonden. Ik dacht al
bij mijzelven: „dat loopt hier mis, zoo ik langer blijf," en ik wandelde weer naar
buiten, te eerder, daar ik had opgemerkt, dat gezegde kerel mij van \'t hoofd tot
de voeten opgenomen en toen een paar woorden met den waard gewisseld had,
welke ik vermoedde dat mij golden. Ik kuierde dus het strand weer langs, van
meening om naar mijn vaartuig te keeren, wanneer ik zware stappen achter mij
hoorde, en, omziende, dien rauwen gast uit de herberg ontdekte, die mij op de
voeten volgde.
„Holla, makker!" riep hij uit al zijn macht: „waar moet dat zoo heen?"
„Al voorwaarts uit," antwoordde ik: „dan val ik over de huizen niet: regelrecht
naar boord, man! en dan met de eb weg."
„Dat heeft zulk een haast niet," zeide hij: „wij hebben uw schuit noodig."
-ocr page 169-
119
ONZE VOOROUDERS.
„En ik dan?" vroeg ik: „denkt gy altemet, .dat ik lust heb om naar Zeeland
te zwemmen?"
„Geen praatjes!" hernam hij, met een barsch gezicht: „of gij zwemmen wilt
of niet, is onze zaak niet, wij hebben uw schuit noodig, en daarmede uit."
Ik keek mooi zuinig: er hadden zich, in den tijd dat die korte woorden-
wisseling geduurd had, al eenige dorpelingen bij ons gevoegd en, wat mij minder
beviel, ook eenige gewapenden, die als konijnen uit de duinen voor den dag schenen
te komen. Ik zag rond of ik niemand vond, die mijn voorspraak bij dien barschen
hopman wezen mocht, en ziedaar, daar werd ik zekeren Fobert gewaar, een schipper
uit Sluis, met wien ik meermalen zaken gedaan had: „Eilieve, Fobert," zeide ik:
„beduid toch eens aan dien hopman, dat ik volstrekt met mijn schuit hier
vandaan moet."
Ik dacht mij tot den rechten man gewend te hebben; maar jawel! zoodra de
schavuit mij herkende, begon hij te lachen: „bij Sint-Nicolaas, hopman!" zei de
hondsvot, „dat is Geraert de Roode uit Arnemuiden: en geschikter kerel kunt gij
niet vinden om voor loods te dienen: hy kent alle banken en slaken tusschen hier
en Geervliet."
„Uit Arnemuiden!" herhaalde een ruiter, die juist naar ons toe was komen
ryden: „en is het lang geleden, vriend! dat gij die haven verlaten hebt?"
„Niet langer dan gistermorgen lag ik er nog aan de palen," antwoordde ik.
„Uitmuntend!" zeide hij: „zoo volg mij: wij moeten een oogenblik onderhoud
hebben met elkander."
Wat zou ik doen? Ik volgde den ruiter, die ten minste een geschikter toon
voerde en er minder barbaarsch uitzag dan de hopman. Terwijl ik naast hem het
pad volgde, dat binnenwaarts over \'t duin liep, had ik den tijd hem op mijn gemak
op te nemen. Hij was nog in den bloei van zijn jaren, en zat met bijzonderen zwier
op een prachtigen witten hengst, wiens voorhoofd en breede borst met punten van
glinsterend staal voorzien waren, terwijl de nek en het lijf met een schitterend
karmozynen kleed overtogen waren, waar het staal en het goud op blonken. De
jongeling zelf was blootshoofds; alleen een klein geel mutsje, waarvan een zwarte
pluim nederhing, met een kostbaar juweel vastgemaakt, beveiligde zijn hoofd tegen
het branden van de zonnestralen, en bedekte het pikzwarte haar, dat kort en gekruld
was. Het gelaat was bruin van verf, en de donkerbruine oogen schenen van fierheid
en verwachting te glinsteren. Overigens was hij van den hals tot aan de voeten in
\'t harnas, waarboven hij een zwarten wapenrok droeg, die met fijn goud was geboord.
Toen wn\' boven op het duin waren gekomen, hielden wij beiden een oogenblik
-ocr page 170-
120
ONZE VOOROUDERS.
stil, om het prachtige schouwspel te bewonderen, dat zich aan ons opdeed. De
geheele vlakte voor ons was met tenten en paviljoenen bedekt, voor welke van
afstand tot afstand standerds geplant waren, van wier top veelkleurige banieren
wapperden, de aanwezigheid verkondigende, niet slechts van al wat Vlaanderen
edels opleverde, maar ook van de poorterschappen en gilden der goede steden, wier
wapens en blazoenen niet weinig vertooning maakten. Zoover het oog reiken kon,
zag men versche benden oprukken, zoo te voet als te paard, en allen met schitte-
rende wapenen bedekt. Het was heerlijk om te zien, hoe de lanspunten flikkerden
en hoe de breede schilden, de gladgeschuurde helmen en harnasplaten overal de
stralen der morgenzon terugkaatsten. Alles was leven en beweging: hier renboden,
die elkander in alle richtingen kruisten: daar zwaar geladen karren met mondbe-
hoeften en wapentuig: verder geestelijken, in hun ordekleeding, langzaam en statig
optrekkende, en eindelijk, voor het grootste paviljoen, waar de groote banier van
Vlaanderen woei, een bonte klomp menschen, waar men nauwelijks het oog op
houden kon, zoo blonk het daar van goud en van staal, welke klomp het middelpunt
scheen, dat leven en beweging gaf aan het geheel.
„Nietwaar?" vroeg de ruiter, half tot mij, half tot zichzelven: „dat is schoon —
en dat niet minder," voegde hij er bij, omziende, en op de blauwe zee wijzende, die
met witte zeilen bedekt was: „maar vooruit! wij hebben geen tijd te verliezen."
Ik daalde met hem in de vlakte, en de eerbiedige houding, welke niet slechts
de legerwachten, maar ook de Edellieden, die wij nu en dan tegenkwamen, op het
zien van mijn leidsman aannamen, overtuigde mij, dat deze, gelijk ik reeds dadelijk
vermoed had, een Jonker van hooge geboorte wezen moest. Intusschen was het vrij
heet en de weg door \'t zware zand niet gemakkelijk: ik had werks genoeg om te
voet mijn metgezel bij te houden, zoodat ik hartelijk verlangde dat de wandeling
een einde name, en bij elke tent, die wij in \'t gezicht kregen, al hoopte, dat deze
het doel van onze reis zou zijn. Maar ik vond mij telkens teleurgesteld, en de
Jonker bleef voor zich uit rijden, tot wij ten laatste het gezelschap weder in \'t oog
kregen, dat ik voor den standerd van Vlaanderen bijeen had gezien en naar \'t welk
hij zich nu begaf.
-ocr page 171-
ONZE VOOROUDERS.                                                            121
i
De kerker, waarin men Uddo bij zijn aankomst op het Steenen Huis
gebracht had, bevond zich in de uitgestrekte kelders van het slot, en
kwam, evenals de overige gevangenissen, met een open poortje op een
lange, op zware kolommen rustende gaanderij uit. Nauw en vochtig, leverde zijn
verblijf niet veel meer op dan de ruimte, welke hij noodig had om al zijn ledematen
vrijelijk te bewegen.
Uren waren reeds verloopen, en de flauwe weerschijn van den dag, die, door
een, met traliewerk en spinrag bezette opening in de gaanderij vallende, van daar
een schier onmerkbare schemering aan zijn verblijf mededeelde, had reeds voor een
diepe duisternis plaats gemaakt. Niettegenstaande het aantal der bewoners van het
Steenen Huis en het onmisbaar gedruisch, dat daarvan het gevolg was, belette de
dikte van het gewelf, dat men iets hoorde van hetgeen boven plaats had, en
vernam Uddo geen andere geluiden of bewegingen dan die, welke de talrijke ratten,
met hem de eenige bewoners van dit somber verblijf, bij het uitvoeren hunner
marschen en wendingen maakten. Opeens echter was het hem, als hoorde hij in de
nabijheid een langzamen stap, gelijk dien van iemand, die een trap afdaalt: hij
luisterde een wijl; dan op het oogenblik, dat het gerucht vlak naast hem kwam,
hield het op.
Een koude rilling doorliep zijn aderen: zou het wellicht een afgezonden moorder
ztfn, die naast hem stond, gereed hem te treffen, zonder dat hijzelf kon nagaan,
waar de slag of stoot vandaan kwam. Vergeefs poogde zijn oog de duisternis te
doordringen: vergeefs tastte hij om zich heen: vergeefs hield hij den adem in, om elk
geluid, hoe flauw ook, op te vangen: hij zag of bespeurde niets meer: — en opeens
gebeurde er iets, dat hem het gehoorde vergeten deed en aan zijn gedachten een andere
wending gaf; een deur kraakte in de verte en het gewelf werd plotseling verlicht.
Hn* vermoedde in \'t eerst, dat het de stokwaarder was, die hem zijn voedsel
brengen kwam; maar de tred, dien hij naderen hoorde, klonk minder zwaar en was
meer afgemeten dan die van den korten, dikken, loggen grijsaard, die hem hier
gebracht had. Weldra werd hjj uit zijn onzekerheid geholpen. Een lange gedaante,
van top tot teen in een dichten mantel gewikkeld en een lamp in de hand
houdende, vertoonde zich voor hem: zij ontblootte het gelaat, en hij herkende
Olwina. Met verbazing staarde hij haar aan en wachtte af, wat dit vreemd bezoek
16
-ocr page 172-
122
ONZE VOOROUDERS.
zou aanbrengen. Olwina bleef hem een wijl zonder spreken en met opmerkzame
aandacht beschouwen. Toen zette zij de lamp neer, leunde met de beide handen
op haar staf en zeide, terwijl zij hem ernstig in de oogen zag:
„Gij zijt dan die vermetele knaap, die het waagt, de oogen tot Godfrieds
dochter op te heffen?"
„Ik?" was de eenige uitroep, dien de verwonderde jongeling in staat was te
doen; want het gezegde van Olwina deed een licht voor hem opgaan, waar zijn
brein voor duizelde. Nu was hem opeens alles klaar: de ontevredenheid van
Godfried: zijn gevangenschap: de verlegenheid van Vanissa, toen zij samen gevonden
werden: de zorg van Bertrada, om hen van elkaar verwijderd te houden: — en — hej;
gevoel van zijn eigen hart: ja! hij beminde, hij aanbad Vanissa, hij verdiende de straf,
die hem ongetwijfeld beschoren was: de gramschap des Hertogs was gewettigd.
„Uw vermetele onbezonnenheid ware de strengste kastijding waardig," ver-
volgde Olwina: „en toch___"
Hier zweeg zij een oogenblik en vestigde nogmaals een scherpen blik op Uddo.
„En toch___" herhaalde deze onwillekeurig, niet beseffende, waar de trotsche
Vorstin heen wilde.
„Hebt gij moed?" vroeg deze: „nooit won een lafaard de gunst der schoonen."
„Stel hem op de proef," zeide Uddo, met een verheugden blik: „of laten anders
Ravening en de knapen van Graaf Everhard getuigen of mij moed ontbreekt."
„Ik weet het," hernam Olwina: „hoor! Ik wil u redden: u in staat stellen, den
prijs te winnen, die uw hart boven alles dierbaar is. — Volg mij."
„Zoo ik kon," zeide Uddo, op de touwen wijzende, waarmede hy gebonden was.
„Daar is raad op," zeide Olwina, terwijl zij een offermes voor den dag haalde;
„ik ben bereid uw banden te slaken; maar vooraf belooft gij te zullen volvoeren
wat ik van u vorder."
„Wat is het?" vroeg Uddo: „ik verbind m\\j alleen tot hetgeen ik weet te
zullen kunnen uitvoeren."
„O! Het werk is licht," zeide Olwina: „een stoot en het is gedaan."
„Een moord!" riep Uddo verbleekende.
„Qij wilt u wreken op hem, die u beleedigd heeft, nietwaar?" vroeg Olwina:
„Welaan, hij rust hier boven, en hij moet niet weer ontwaken!"
„Wie? — van wien toch spreekt gij?" vroeg Uddo, rillende.
„Gij verstaat mij dan nog niet? — Wie is het, die u in dezen kerker heeft
doen werpen? — Wie is het, wiens leven alleen tusschen u en uw liefde staat?"
„Bij alle Heiligen! Versta ik u? Hertog Godfried — uw zoon? — afschuwelijk!"
-ocr page 173-
123
ONZE VOOROUDERS.
„Hij is mijn zoon niet meer," zeide Olwina op een doffen toon: „hij heeft zelf
den band verbroken, die tusschen ons bestond: maar dit is om \'t even: zult gij
mijn wil voldoen, ja dan neen?"
„Vrouw!" riep Uddo: „bedenk wat gij vordert! — Is dan alle menschelijk
gevoel uit uw borst geweken? Zelfs de wolvin bemint haar jongen: moet gij, die
reeds eenen voet in \'t graf hebt, de eeuwigheid ingaan met zulk een euveldaad op
uw geweten?"
„Knaap!" zeide Olwina: „spaar mij het ijdel gesnap uwer monniken. De dochter
der Noorsche vorsten heeft andere en hoogere plichten te vervullen dan die, waar
uw priesters van droomen. Ik moet volvoeren, wat mijn godsdienst beveelt."
„Dat moet wel een afschuwelijke godsdienst zijn, die den kindermoord gebiedt,"
zeide Uddo: „maar reken niet op mijne hulp: want de leer, die ik belijd, vervloekt
den moordenaar."
„De daad komt voor mijne rekening," zeide Olwina: „gij zijt niet meer dan de
arm, het bloote werktuig, dat mijn wraak volvoert —"
„Ik neem het aan," antwoordde Uddo, na zich bedacht te hebben: „maak
slechts mijn banden los."
„Ik dacht zoo," zeide Olwina en trad nader; maar nauwelijks had zij de koord,
die Uddo\'s armen vastbond, losgesneden, of de jongeling greep haar met een sterke
vuist aan, ontweldigde zonder moeite het mes aan haar stramme vingeren, en
knevelde haar met dezelfde banden, waarvan zij hem bevrijd had.
„Ziezoo!" zeide hij tegen de oude vrouw, die in haar woede geen woord
vermocht uit te brengen: „nu zult gij vooreerst geen ander vinden om uw begeerte
te doen:" — en met deze woorden de lamp opnemende, trad hij den kerker uit.
Het was op den dag na deze gebeurtenis, dat onze vroolijke minnezanger
Koen van Zwaben, nieuwsgierig om te zien of de voorgevallen strijd
veel schade in Dordrecht veroorzaakt had, den burcht te Vlaardingen
verliet. Hij was aldaar sedert het verdwijnen van Ulrich met welgevallen door de
altijd op zang en snarenspel beluste Gravin ontvangen geworden, en, al wist hij
-ocr page 174-
124
ONZE VOOROUDERS.
niet zoo meesterlijk de harp te hanteeren als zijn voorganger, deze minderheid
werd vergoed door de opgeruimde vroolijkheid van zijn aard, die hem bij het
gansche hof bemind en welgezien maakte.
Hij was dan in Dordrecht gekomen en droeg de hem toevertrouwde harp aan
een zijden koord om den hals, als een beschermend wapen tegen allen overlast.
Terwijl hij, zonder bepaald doel, de vrijgevochten stad ronddwaalde en rechts en
links naar de huizen rondkeek, tegen wier muren men hier en daar nog de bloedige
sporen zag van den strijd, bracht hem het toeval ook op de Voorstraat, waar meer
nog dan elders de blijken aanwezig waren van het hevig gevecht. Onwillekeurig
opziende, ontdekte hij, aan het zolderraam eener bouwvallige woning, een hoofd, dat
even uitkeek, maar terstond weder binnengehaald werd: echter niet spoedig genoeg,
of Koen had de vale gelaatstrekken herkend van zijn voormaligen meester in de
kunst, den Lutzelburger Ulrich. Nieuwsgierig om te weten, hoe deze zich daar ter
plaatse bevond, stiet hij de loshangende deur van het huis open en trad naar
binnen. Nauwelijks bevond hij zich in het eenige benedenvertrek dat hier aanwezig
was, of hij bemerkte, dat dit verblijf waarschijnlijk in den vorigen nacht tot het
tooneel verstrekt had van een dier gevechten, zoo menigvuldig binnen Dordrecht
geleverd; want de posten en stijlen waren met bloed geverfd; hier en daar lag
gebroken wapentuig: en overal heerschte wanorde en vernieling. Niemand echter
antwoordde op zijn geroep; maar toen hij, ongeduldig wordende, de ladder wilde
opklimmen, die naar den zolder voerde, gleed opeens een gedaante, welke de
duisternis hem niet dadelijk toeliet te herkennen, door het valluik naar beneden, en
Ulrich stond aan zijn zijde.
„Bij de elfduizend Maagden! wie verwachtte u hier?" vroeg Koen, terwijl hij
zijn kunstgenoot beschouwde, die, zwijgend en somber, met een boog zonder koord
in de hand, in de kazak eens krijgsknechts en met een pijl in den gordel, hem
aanstaarde. „Hebt gij waarlijk het oorlogsbedrij f bij de hand genomen? Pas maar
op, dat men u niet beetkrijge; want dan is het: hangen zonder genade."
„Hoe komt gij hier?" vroeg Ulrich, op zijn beurt.
„Wel, dat ziet gij, man! ik kom hier den boel eens opnemen en tevens dacht
ik: als Graaf Dirk van de vervolging zijner vijanden terugkomt, kon ik hem wel
te gemoet gaan en een zegelied spelen, gelijk mij wel verhaald is, dat de dochter
van den Hertog Jefta deed, toen haar vader als winnaar uit het steekspel weder-
keerde; maar, wat u betreft, pak u weg, voordat het zegevierend leger terugkomt
en zoolang de stad nog van krijgsvolk verlaten is: en ontdoe u van die kazak en
dien boog, die toch buiten dienst is."
-ocr page 175-
„Van harte gaarne," antwoordde Berwout: „immers zoo de Vader Abt nujn diensten niet van
doen beeft."
Met deze woorden verliet h\\\\ het vertrek.
„Een wakkere knaap," zeide de Pelgrim tegen Geerlof, torwyi hy ztfn broeden hoed afzette
en hem naoogde.
Onze Voorouders. — De Bedevaartganger, blz. 128.
-ocr page 176-
125
ONZE VOOROUDERS.
Ulrich wierp een somberen blik op zijn boog, en vervolgens Koen aanziende,
scheen hij door een plotseling denkbeeld getroffen. „Koen!" zeide hij: „geef mij
mijn harp terug."
„Hoe!" zeide deze: „nu? op dit oogenblik?"
„Geef mij haar terug, Koen!" herhaalde Ulrich op een dringenden toon: „zy is
mijn eigendom: ik kan haar thans niet ontberen."
„Aha! ik begrijp al! Gij wilt den krijgsknecht uitschudden en uw vorig beroep
weder opvatten. Nu, bij Sinte-Ursel! gij hebt gelijk! en schoon het mij in de ziel
grieft van dit speeltuig te scheiden, het past in uwe handen beter dan in de mijne.
Zie, daar is zij."
„En nu!" zeide Ulrich, nadat hij zijn harp hernomen had: „verlaat mij: en
denk aan uw eed. Gij weet het, ik ben dood voor iedereen." — Met deze woorden
snelde hij de ladder naar den zolder weder op.
Koen verliet de woning met een bedenkelijk hoofdschudden: „ik wilde wel,"
zeide hij, „dat ik dien dwazen eed nooit had afgelegd. Wat zijn voornemen is,
besef ik niet; maar, dat hij weinig goeds in den zin heeft, daarvan houd ik mij
overtuigd!"
Terwijl hij aldus peinsde, hoorde hij een uitbundig gejuich en gedruisch in de
verte. Het was de Graaf, die, aan \'t hoofd van zijn zegevierend leger van het
najagen der vijanden terugkeerende, langs den waterkant aan kwam trekken.
Koen bleef staan, en weldra zag hij met levendige belangstelling den ganschen
drom door een der belendende stegen op hem afkomen. De trein werd, gelijk bij
alle dergelijke omstandigheden plaats heeft, geopend door een zingenden en
galmenden hoop kinderen en ledigloopers uit de heffe des volks: na hen volgde
een krijgsbende, buit en gevangenen met zich voerende: en vervolgens Graaf Dirk
te paard gezeten en omstuwd van zijn machtigste vazallen.
„Hij komt hier langs!" dacht Koen, en te gelijk, door een onverwinbaren
argwaan aangedreven, wendde hij den blik naar de woning, waarin zich Ulrich
bevinden moest. Hoe groot was zijn verbazing, toen hij dezen tusschen twee daken
in de goot zag staan, zich half achter de nok van het huis verbergende.
„Wat wil hij!" dacht Koen: „daar loopt hij immers in \'t oog; maar bij alle
Heiligen! wat gaat hij nu uitrichten?"
Hij had een boog, en nu welgespannen, in de handen van Ulrich gezien.
Op dit oogenblik was de Graaf op een korten afstand genaderd en had Koen
herkend: „Komaan! meester zanger!" riep hij hem toe op vroolijken toon: „maak
u thans gereed t\'avond een fraai lied te zingen, ter eere van onze overwinning."
-ocr page 177-
-ocr page 178-
126
ONZE VOOROUDERS.
„Bij Sinte-Ursel! nader niet!" schreeuwde Koen, zich voor de paarden werpende
en angstig naar boven wijzende.
„Hoe nu! wat is er?" vroeg Graaf Dirk, zijn paard intoomende.
Maar hij was reeds te ver gekomen. Een pijl snorde door de lucht en de Graaf
stortte gewond achterover in den zadel.
Een algemeene kreet wedergalmde door de lucht, „\'t Is niets," zeide de Graaf
zich weder opheffende en zoo luid mogelijk sprekende: „de wond is slechts in de dij."
„Des te erger voor u, Graaf! want de pijl was vergiftigd," schreeuwde Ulrich
van boven en te gelijk verdween hij uit elks gezicht.
„Vergiftigd!" herhaalden galmend al die zich op straat bevonden: en een
aantal gewapenden drong in de huizen om den moordenaar te zoeken. Deze was
het echter ontkomen; men vond drie dagen daarna, toen reeds de Graaf overleden
was, zijn half bevroren lijk, met de harp daaromheen gebonden, in een der nabij-
gelegen plassen.
Koen was de krijgsknechten in de verlatene woning gevolgd: op een binnen-
plaats ontdekte hij den weggeworpen boog, en nam dien op.
„Goede God!" riep hij, de boogpees met aandacht beschouwende: „het was
een harpsnaar!"
I
Gij hebt gelijk," zeide de Pelgrim, na een oogenblik te hebben nagedacht:
„en ik geloof, dat ik mij op u kan verlaten. Hier! geef hem dezen ring
en hy zal geen zwarigheid meer maken."
Dit zeggende had hij een beurs uit zijn boezem gehaald en er een ring uitge-
nomen, welken hij aan den jongeling ter hand stelde. Deze beschouwde het kleinood
met niet weinig verwondering; want de ring was van fijn goud en met een kost-
baren steen voorzien, waarop een zegel gegrift scheen. Een vraag zweefde hem op
de lippen; maar een ingeboren gevoel van bescheidenheid, hetwelk hem deed
beseffen, dat hij geen recht had, in de geheimen des vreemdelings te dringen,
weerhield hem, die te uiten.
„Rust hier zoolang op deze bank wat uit," zeide hij: „ik ben voort weder bjj u."
En, zich omwendende, liep hy een paar spyskamers door en bevond zich weldra
-ocr page 179-
127
ONZE VOOROUDERS.
in het vertrek, waar de gewichtige man, wien hij zoeken kwam, in het volle besef
zijner waardigheid, op zijn staf leunende, rechts en links aan gaanden en komenden
zijn bevelen uitdeelde.
„Vader Geerlof!" zeide de jongeling, zich voor hem stellende: „de Heer Abt
beklaagt zich, dat de honden, welke hij mede heeft gebracht, hedenmorgen nog
geen voedsel hebben bekomen___"
„Welnu! ga dan hiernaast in de keuken," bromde Geerlof: „en zie wat gij
krijgen kunt: of koop anders wat gij noodig hebt en breng het mij in rekening,
maar breek mij het hoofd niet met zulke nietigheden. Wel! wat is er nu weer?" vroeg
hij, zich tot een ander\' dienstknecht wendende, die zooeven was binnengekomen.
„De Graaf van Werla laat u om eenige kannen zedewaers vragen," zeide deze,
„de wijn smaakt hem bijzonder: en uw meester heeft gelast, dat men hem daarvan
zooveel zou brengen, als hij verkoos."
„Hm!" mompelde Geerlof: „de Graaf van Werla wil mijn meester uitzuigen
zoolang hij kan; maar ik zal het hem doen bezorgen---- Welnu! Berwout! staat
gij daar nog?" vroeg hij, ziende, dat de Jager nog niet vertrokken was: „moet gij
nog meer hebben?"
„Ik niets," antwoordde de jongeling: „maar daar is een Pelgrim in de gaanderij,
die u verlangt te spreken."
„Een Pelgrim!" herhaalde Geerlof: „wat begeert hij? Een reispenning zeker!
gekheid! — ik heb wel wat anders te doen dan zyn Jobsklachten aan te hooren.
Laat hij opkrassen — of morgen terugkomen."
„Hij heeft mij gezegd, dat wanneer gij dezen ring zaagt, gij hem wel zoudt
willen spreken," zeide Berwout.
„Een ring!" bromde Geerlof, de schouders ophalende, terwijl luj dien uit de
handen van Berwout aannam. Maar nauwelijks had hij er de oogen op geslagen, of
zijn kleur verschoot, zijn hand begon te beven en de uiterste verbazing teekende
zich op zijn gelaat.
„En dezen ring," riep hij uit met een trillende stem, „heeft een Pelgrim u
gegeven? — Onmogelijk! — en echter___breng hem hier! ik wil hem spreken."
„Gü vergeet niet," zeide de dienstman van den Graaf van Werla, „dat mijn
meester zijn zedewaers wacht___"
„Laat hy verzuipen in z}jn zedewaers," riep de Hofmeester met ongewone
drift: „waar is de Pelgrim? breng hem hier! of liever, men gelei hem in myn
kamertje: \'t is hier te onrustig: spoedig, spoedig, lieve Berwout!"
De Jager glimlachte en keerde naar den Pelgrim terug, dien hij nog op dezelfde
-ocr page 180-
\'.
128                                                           ONZE VOOROUDERS.
plaats vond staan: hij noodigde hem uit, te volgen, en geleidde hem in een klein
vertrek, waar zij Geerlof reeds vonden, die van ongeduld scheen te branden en in
hevige gemoedsbeweging heen- en wederliep. De Pelgrim lei bij het binnenkomen den
vinger op den mond: en Geerlof, dien wenk verstaande, keerde zich eerst tot Berwout.
„Ga nu," zeide hij: „ga! uw honden lijden honger: — vraag maar aan den
kok, dat hij u van \'t beste geve: ga nu — en mijn groetenis aan den Heer Abt."
„Gij woont onder Egmond?" vroeg de Pelgrim, zich tot Berwout keerende.
„Halverwege tusschen de Abdij en. Rijnegom, indien gij daar bekend zijt,"
antwoordde de Jager.
„Voortreffelijk! — welaan, als gij uw honden gevoerd hebt, kom dan nog eens
hier terug: ik wensch u iets te vragen."
„Van harte gaarne," antwoordde Berwout; „immers zoo de Vader Abt mijn
diensten niet van doen heeft."
Met deze woorden verliet hij het vertrek.
„Een wakkere knaap!" zeide de Pelgrim tegen Geerlof, terwijl hij zijn breeden
hoed afzette en hem naoogde: „hij verdient een betere bestemming dan spijsbezorger
van een convent te zijn: maar hoe nu! Ik geloof waarachtig dat gij weent, oude!
zijt gij waarlijk bang, dat ik een kennis van vroegere dagen voor een nieuwen
kennis vergeten zoude? Geef mij de hand, oude! en laat het vergeten zijn."
„Mijn H. Patroon weet het," zeide Geerlof, terwijl hij de hem toegestoken
hand des Pelgrims kuste: „zoo ik schrei, het zijn enkel vreugdetranen: maar het
is of ik droom. Hoe is het mogelijk dat___"
„Stil! Ik weet wat gij zeggen wilt! Over dat alles nader: ik ben verheugd, te
zien, dat gij mij niet vergeten hebt."
„Vergeten!" herhaalde de Hofmeester, de handen opheffende: „zulk een
goeden___"
„Geen woord daarover! — Uw tijd is kostbaar, dat weet ik: elk oogenblik kan
men ons komen storen: en het zou bovendien vermoeden baren, indien gij te lang
gemist werdt. Kan ik tot morgen hier verborgen blijven?"
„Verborgen! gij ? maar welke redenen___"
„Ik ben op dit oogenblik niet meer dan een Bedevaartganger naar Heilo," zeide
de Pelgrim op een toon, die alle verdere vragen afsneed: „en eerst nadat ik daar
mijn plicht volbracht heb, kan ik mn" openlijk doen kennen."