-ocr page 1-
k .....
.
I
-
.
-ocr page 2-
W\\ K"> i
¥f&
AA. ocL
7.18
-ocr page 3-
u *.
31$
NEERLANDS LEGER.
INLICHTINGEN,
BETREFFENDE:
den vrij willigen dienst bij de korpsen, het instructie bataljon, de
instructie compagnie, de instructie-batterij, de pupillenschool, de
militaire hospitalen, de marechaussee, de koloniale troepen, de
koloniale reserve, het korps mariniers en \'s Rijks zeedienst; de
Koninklijke militaire academie, de cadettenschool, den hoofdcursns,
de cursussen; de verbintenissen van studenten in de geneeskunde
voor officier van gezondheid en voor reserve-officier van gezond-
heid bij de Landmacht; de toelating als kweekeling bij \'s Rijks
veeartsenijschool; de verbintenis als militair apothekersbediende;
de militaire wielrijders; de opzichters bij den vesting-telegraaf-
dienst; het reservekader en den dienst bij de militie te land.
VEERTIENDE UITGAVE, OCTOBER 1893.
Uitgegeven op last van het Departement van Oorlog.
I\'r.js 1 l.OO.
Verkrijgbaar bij de voornaamste boekhandelaren van bet tiijk en
bij DE GEBK0EDEB8 VAN CLEEE te \'s Gravenhage*
-ocr page 4-
Gedrukt by G. J. Thierie, te Arnhem.
-ocr page 5-
VOORWOORD VAX DE EERSTE UITGAVE.
\'t Zou voorzeker moeielijk vallen, in den Staat eenig lichaam
aan te wijzen dat zóó onbekend is aan allen die daarvan geen
deel uitmaken als het Leger.
Vooral voor het Leger is de zegswijze uonbekend maakt onbe\'
/iiind"
waarheid — eene waarheid die treurig is te noemen, om-
dat zij eene onzer grondwettige instellingen betreft, van welke het
belang ten nauwste samenhangt met het heil van den Staat.
Meer bekendheid te verschaffen aan het Leger en het vrijwillig
indiensttreden daarbij te bevorderen : ziedaar het doel, dat met
de samenstelling van dit boekje voornamelijk werd beoogd.
De overtuiging heeft hierbij voorgezeten, dat het Leger door
meer algcmeene bekendheid niet dan winnen kan in de schat-
ting der Natie. Daartoe moge dit werkje bijdragen, dat een
overzicht bevat van de voornaamste bepalingen nopens de voor-
deelcn en vooruitzichten, welke het Leger den vrijwilliger biedt.
Ook de materieele zijde van het soldatenleven is daarin niet
onbesproken gelaten.
Onze jongelingschap iu de steden en ten platten lande wete :
dat ieder Nederlander, die vrijwillig bij het Nederlandsehe Leger
dienst neemt, tot de hoogste militaire rangen kan opklimmen,
mits hij zich zulks door kunde, ijver en gedrag waardig make;
zij verneme : dat ten gevolge van het bij alle korpsen heerschend
gebrek aan kader, zelfs aan officieren, overal de kansen op
bevordering gunstig staan, en men van die bevordering zeker
is wanneer men daartoe de geschiktheid bezit.
Zij wete nog: dat degenen die, bij gemis van de gestelde
vereisohten, niet geroepen worden tot het bekleeden van den offi-
-ocr page 6-
IV
VOORWOORD.
ciersrang, in de onderscheidene lagere graden in het Leger het
stoffelijk welzijn vinden, dat zij in billijkheid kunnen verlangen,
en bij liet verlaten van den dienst een behoorlijk pensioen ont-
vatigeii, geévenredigd aan den graad dien zij bckleedcn.
Moge dit werkje in veler handen komen en menig jongeling
den weg wijzen, welke hem leiden kan tot ceue eervolle loopbaan.
V. A.
10 Juni 1877.
-ocr page 7-
INHOUDSOPGAVE.
Blad zij de*
Hoofdstuk. I. § 1. De gewone verbintenis als vrijwilliger.
A.    § 1. Het aannemen en aanbrengen van vrijwilligers.
B.   § 6. Leeftijd voor vrijwilligers. C. § 14. Gewezen mili-
tairen als vrijwilliger. D. § 17. Vereischte lengte en
gewicht. E. § 21. Vereischte lichamelijke geschiktheid.
F. § 29. Bijzondere vereischten. G. § 33. Vereische stuk-
ken. II. § 40. Duur van engagementen en reëngagementen.
I. § 47. Premiën, aanbrenggelden en verlof\'. J. § 51.
Voorlezing van de krijgsartikelen.........1
Hoofdstuk II. § 53. De verbintenis van mïliiieplichtigen
als vrijwilliger...............23
Hoofdstuk III. § 65. Premïên, aanbrenggelden ens. . 27
Hoofdstuk IV. § 75. Dienst bij de korpsen. A. § 75.
Kleeding en wapening. B. § 79. Huisvesting en soldij.
C.   § 90. Menage. D. § 96. Verpleging in geval van ziekte
of ongesteldheid. E. § 113. Godsdienstplichten. Onderwijs.
E. § 125. Aanstelling en bevordering. G. § 137. Ver-
loven. H. § 141. Krijgsartikelen, krijgstucht, straften en
belooningen. I. § 148. Corveeën.........31
Hoofdstuk V. A. § 151. Huwelijken van vrijwilligers.
B. § 15 8. Fonds tot ondersteuning der weduwen en weezen
van vrijwilligers beneden den rang van officier . . . . 69
Hoofdstuk VI. § 161. De dienstverbintenis als adspiranU
Jeorporaal eu als adspirant-onderofficier
.......76
Hoofdstuk VII. § 169. Instructie-bataljon. A. § 169.
Bestemming, verdeeling en kader. B. § 171. Toelating. C.
§ 175. Kazerneering, menage en zakgeld. D. § 177. Cantine
en bibliotheek. E. §179. Onderwijs. F. §181. Godsdienstige
belangen. G. § 182. Bevordering en overgang naar de regi-
menten. H. § 186. Verloven. I. § 187. Verwijdering. K.
4 190. Corveeën..............78
-ocr page 8-
INHOUD.
VI
Bladzijde..
Hoofdstuk VIII. <j 191. Instructie-compagnie. A. § 191.
Bestemming. B. § 192. Toelating. C. § 196. Kazernee-
ring, menage en zakgeld. D. § 197. Cantine en biblio—
theek. E. § 199. Onderwijs. K. § 202. Practische oefe-
ningen. G. § 203. Godsdienstige belangen, tl. § 204.
Bevordering en overgang naar de korpsen. I. § 207. Ver-
loven. K. § 208. Verwijdering.........84
Hoofdstuk IX. § 210. Instructie-batterij. A. § 210.
Bestemming. B. § 211. Toelating. C. § 215. Kazernee-
ring, menage en zakgeld. D. § 216. Onderwijs. E. § 219.
Practische oefeningen. P. § 220, Godsdienstige belangen. G.
§ 221. Bevordering en overgang naar de korpsen. H. § 223.
Verloven. I. § 224. Verwijdering.........90
Hoofdstuk X. § 226. Pvpülemchool. A. § 226. Bestem-
ming. B. § 227. Vereischten tot toelating. C. § 229. Aan-
vraag tot plaatsing. D. § 230. Toelating. E. § 232. Gods-
dienstige belangen. P. § 233. Verloven. G. \\ 236. Straffen.
H. § 238. Vertrek.............94
Hoofdstuk XI. §240. Vaste h-ader bij de militaire hospitalen 99
HOOFDSTUK XII. ij 264. Dienstverbintenis bij de marechaussee. 112
Hoofdstuk XIII. § 279. Belooningen enz. A. § 279.
Chevrons, medailles en gratificatiën voor langdurigen trouwen
dienst. B. § 286. Burgerlijke en militaire Jtijksbedieningen.
C.   § 295. Verloven.............116
Hoofdstuk XIV. § 297. Pensioenen.......124
Hoofdstuk XV. § 312. De verbintenissen voor den Jcolonia-
len militairen dienst. A. § 312. Als gewoon soldaat. B. \\ 355.
Als soldaat-schrijver. C. § 365. Voor den dienst der genie.
D.   § 371. Als onderofficier, onderofficier-schrijver of-kwar-
tiermeester. E. § 374. Buitengewoon gunstige bepalingen
voor den dienst bij het Leger in Nederlandsch-Indië. P.
§ 382. Detacheering van onderofficieren bij het leger in
Xederlandsch-Indic.............131
Hoofdstuk XVI. § 384, Voorloopir/e reqélinrj betreffende
de oprichting en liet beheer der Koloniale Reserve.
A. § 384.
Vorming* en samenstelling van de Koloniale Reserve, be-
nevens algemeene dienstregeling. B. § 399. Huisvesting,
kleeding, voeding, uitrusting, bewapening en ziekenverple-
-ocr page 9-
vi r
IN HOL\'I).
Bladzijde,
ging, en voorts van de administratie. C. § 407. Trakte—
meuten, toelagen, soldijen en gratifieatién. D. § 412. Van
de reconvalescenten in het bijzonder........150
Hoofdstuk XVII. § 426. Eereteekenen......162
Hoofdstuk XVIII. ^ 431. De. verbintenis als vrijwilliger bij
het Korps Mariniers en bij \'s Rijks zeedienst.
I. Bij het
korps Mariniers. A. § 431. Aanneming van recruten. B. (j
434. Vereischten van recruten. C. § 43 7. Over te leggen
stukken. D. § 439. Duur der verbintenissen; hand-, aan-
breng- en daggelden. II. Bij \'s Sijks zeedienst. A. § 443.
Autoriteiten door welke verbintenissen worden gesloten.
B. § 444. Wie tot eene verbintenis worden toegelaten. C.
ij 446. Niet aanneembaar. D. § 447. Aanneming van
oud-gedienden met eenig licht gebrek. E. § 448. Lengte.
F. § 450. Leeftijd .............165
Hoofdstuk XIX. § 451. Koninklijke Militaire Academie. 174
Hoofdstuk XX. § 473. Üadettenschool. A. § 473. Be-
stemming en standplaats. B. § 475. Plaatsen en tijd van
het toelatingsexamen. G. § 481. Aanmelding en oproeping
voor het toelatingsexamen. D. § 486. Geneeskundig onder-
zoek. E. § 489. Programma voor het toelatingsexamen. F.
§ 491. Toelating. G. § 493. Bijdrage. H. § 499. Verbin-
tenis. I. § 502. Onderwijs. J. § 505. Kleeding, huisves-
ting, voeding, soldij en bijzonder groot-verlof. K. § 508.
Ontslag. L. § 5 IL. Godsdienstonderwijs en -oefening. M.
§ 514. Verwijdering. N. § 516. Ziekte. O. § 518. Vacan-
tiën en verloven. P. § 520. Overplaatsing. Q. § 521. Tijd
van de studiejaren. 11. § 523. Schorsing van het onderwijs.
S. § 524. Gadetien met groot-verlof.......180
Hoofdstuk XXI. § 539. Iloo/dcursus. A. § 539. Be-
stemming en standplaats. B. § 541. Plaatsen en toelatings-
examen. C. § 548. Geneeskundig onderzoek. ]). § 550.
Programma van het toelatingsexamen. E. § 553. Toelating.
F. § 555. Verbintenis. G. § 556. Schorsing van het onder-
wijs. H. § 5 5 7. Onderwijs. I. § 56 7. Ontslag, verwijdering
en opheffing van de verbintenis. J. § 5 72. Godsdienst-
onderwijs en -oefening. K. § 576. Verloven. L. § 577.
Eindexamen en benoeming tot tweede-luitenant .... 203
-ocr page 10-
INHOUD.
VIII
Bladzijde.
HOOFDSTUK XXII. § 580. Cursussen bij de Infanterie.
A. § 580. Bestemming en standplaats. B. § 582. Studie-
jaren. C. 584. Toelatingsexamen. D. $ 590. Onderwijs. E.
§ 598. Verloven. V. § 594. Ontheffing en verwijdering.
G. § 59 7. Schorsing van liet onderwijs.......226
Hoofdstuk XXIII. f 598. Verbintenis van studenten in de
geneeskunde................232
Hoofdstuk XXIV. § (516. Kiceekeling hij \'s Rijks veeort-
senijschool te Utrecht............242
Hoofdstuk XXV. § 638. Verbintenis van militieplic7i-
tige studenten in de geneeskunde, voor reserve-officier van
gezondheid................247
.Hoofdstuk XXVI. § 647. Militaire apotltekersbediende . 25 1
Hoofdstuk XXVII. § 659. Militaire IVielrijders. A. §
659. Vereischten voor de opleiding. B. § 663. Aanmelding
voor de opleiding. G. § 665. llegeling der opleiding. D.
{s 668. Aanstelling. E. £ 6 72. Verplichtingen en rechten.
V. § 687. Uniform. G. §689. Tusschen komst van den A1-
gemeenen Xederlandschen Wielrijdersbond......256
Hoofdstuk XXVIII. § 690. Oplichter hij den vesting-tele-
graafdiend.
A. § 690. Vereischten voor de opleiding. B. §
694. Aanwijzing der beambten en regeling der opleiding. C. §
701. Aanstelling. D. § 703. Verplichtingen en rechten. E.
§ 710. Bijzondere bepalingen..........267
Hoofdstuk XXIX. § 712. Reservekader. A. §712. Alge-
meene bepalingen. B. § 715. Aanneming. C. § 723. Voor-
bereidend onderricht in den wapenhandel. D. § 724. Ver-
bintenis en verplichtingen. E. § 728. Opleiding. F. § 735.
Ontheffing van de verbintenis. G. § 736. Uniform. II. §
737. Wapening, kleeding en uitrusting. I. (j 739. Bezol-
diging. .1. § 740. Nieuwe verbintenis. K. J 743. Examen
van den vaandrig. L. § 744. Hoofdofficier voor het reservekader 273
Hoofdstuk XXX. § 747. Militie te land. A. § 747. Op-
roeping en aflevering ter inlijving. B. § 775. Inlijving.
C. § 795. Ontheffing. D. § 802. Eerste-oefeningstijd. I. §
802. Ingelijfden die dadelijk tot eerste-oefening in werke-
lijken dienst worden gesteld. II. § 817. Oproeping onder
de wapenen tot eerste-oefening van miliciens, die niet da-
-ocr page 11-
INHOUD,
IX
niad\'ijile
delijk in werkelijken dienst zijn gesteld. E. § 820. Lotelin-
gen die binnen vier maanden na hunne inlijving voor den
dienst ongeschikt zijn. P. 8 20. Blijvend gedeelte. O. § S40.
Vrijwillig onder do wapenen komen of blijven. H. 5 845.
Militiekader. I. § 845. Militie-onderofficieren en "korporaals.
II. § S58. Miliciens-vestingtelegrafisten en miliciens-opy.icli-
ters der genie. III. § 870. Militie-luitenants. I. § 881.
Groot-verlof. K. § 902. Kleeding van miliciens-verlo(\'gau-
gers. L § 927. Milicien-verlofganger en zijne verplichtingen.
M. § 940. Jaarlijksch onderzoek van verlofgangers. N.
§ 901. Herhalingsoefeningen. O. § 988. Bijeenroeping der
militie te land ingeval van oorlog of andere buitengewone
omstandigheden. 1\'. § 998. Huwelijk en uitoefening van de
buitenlandsche zeevaart door ingeschreveven voor de militie
en ingelijfden bij de militie te land. Q. § 1007. Detaeheo-
ring van ingelijfden bij de militie te land bij de landmacht
in Oost-Indic. II. § 1016. (Jutslag uit den dienst. 8.
§ 1029. Vrijwillige oefeningen in den wapenhandel. T.
§ 1031. Eerste-oefeningstijd voor de lichting van 1894 . 280
-ocr page 12-
BIJLAGEN.
Bladzijde.
Eagugemeat-akte voor eciie gewone vrijwillige verbin-
tenis bij het Leger hier te hinde.......18.
Bewijs van toestemming tot hot aangaan van eene vrij-
willige verbintenis door minderjarigen.....21.
Staat van het bedrag der toelage voor kleeding en uit-
rusting...............62.
Tabel, aanwijzende de soldijen, per man ea per dag. 60.
Staat, aanwijzende het bedrag van de traktementen,
enz. van sommige categorieën van militairen wier be-
zoldiging per jaar is vastgesteld.......63.
Soldijverhoogingen...........64.
Dagelijks menu voor den soldaat.......67.
Tabel, aanwijzende de militairen en militaire geëm-
ployeerden beneden den rang van officier, die gehuwd
mogen zijn, mot vermelding hunner aanspraken, al dan
niet, op de algemeeue en de bijzondere voorrechten
en op de vrijstelling, bedoeld bij art. 5, § 2, letter
h, der wet op de Personeele belasting.....73.
Staat van de bezoldiging enz. der geëmployeerden bij
.de militaire hospitalen..........108.
Engagement-akte voor het vaste kader bij de militaire
hospitalen.......•......10!).
Staat van het bedrag der pensioenen van militairen
beneden den rang van officier on van de door hen na
te laten weduwen en kinderen........13 0.
Opgaat\' van de standplaatsen van de korpsen en iu-
richtiugeu der Landmacht.........409.
-ocr page 13-
VERKLARING VAN GEBEZIGDE VERKORTINGEN.
K. B. tieteel-ent: Koninklijk hesluit
M. T5.         Ministerieolc beschikking.
M. A. w                            aanschrijving.
M. K.                                      kennisgeving.
R. M.                  Recueil Militair.
f?. U.          ff         Beknopte Uitgave van het, Reeneil Militair.
I{. A.          ,/ Reglement van Administratie bij de Landmacht.
V. R. A. n         Voorschriften tot uitvoering van het Reglement
van Administratie bij de Landmacht.
St.bl.
                    Staatsblad,
a. v.                     als voren,
art.              ;/         artikel.
-ocr page 14-
V E R. B E T E RING E N.
Bladz. 64. Bijlage F. Onder d staat 51, te lezen: 15.
Bladz. 08. Bijlage G. Regel 8 v. o. Achter «Wortelen bij
zoutevisch cent" staat 0.05, te lezen: 1.
Bladz. 227. § 586. Onder a. te lezen:
//voor het eerste studiejaar:
«door onderofficieren en door korporaals, met dien verstande
«evenwel, dat deze laatsten op 1 Oetober niet. tot de lessen van
//den cursus worden toegelaten, zoo zij niet vooraf aan het examen
z/Voor onderofficier hebben voldaan."
-ocr page 15-
HOOFDSTUK I.
De gewone verbintenis als vrijwilliger.
A. Wie. hevoegd zij», tol het aannemen en aanbrengen van
vrijwilligers.
§ I. Zoolang er bij een korps vrijwilligers aan de organieke
sterkte ontbreken, kan de commandeerende officier van het korps
daarvoor vrijwilligers aannemen. (*)
Zoodra het voor de organieke sterkte bepaalde getal vrijwil-
gers, beneden den graad van korporaal, bij het korps aanwezig
is, doet hij daarvan mededeeling aan den Minister van Oorlog,
die vervolgens beslist, of er al dan niet nog vrijwilligers voor
het korps zullen worden aangenomen. (Instr.K. B. 27 Ang. 1881,
n\\ 20, art. 1, B. U. 646).
§ 2. Het blijft een der eerste plichten van de korpscomman-
danten, om, door gepaste maatregelen, het aanwerven van vrij-
willigers tot het voltallig houden van het korps onder hun bevel
te bevorderen.
Zij zullen echter alleen dan, wanneer dit volstrekt noodig blijkt,
onderofficieren belasten met het aanwerven van vrijwilligers buiten
hunne standplaats.
In geen geval zullen zij die taak toevertrouwen aan onder-
officieren, die daarvoor niet ten volle geschikt zijn of bij wie
neiging bestaat tot het maken van misbruik van sterken drank.
(M. B. 14 Sept. 1881, »° 1, ad art. 37, B. V. 646).
De buiten hunne standplaats op werving zijnde onderofficieren
behouden gedurende dien tijd hunne soldij, doch genieten geen
toelage voor brood.
(*) Waar de verschillende Korpsen der Landmacht in garnizoen liggen is
opgegeven in de achter Hoofdstuk XXX opgenomen Bijlage AB.
1
-ocr page 16-
2                         1. Aanneming van vrijwilligers.
Zij ontvangen bovendien eene dagelijksehc toelage, ten bedrage
van /\' 1.50. (ludr. a. »., art. 15).
§ 3- Bevoegd lot liet aannemen van vrijwilligers zijn :
a. Officieren van alle rangen, — de gepensionneerde officie-
reu daaronder begrepen ;
/). Onderofficieren;
c. Oud-militaireu beneden den rang van officier, die den-
militairen dienst op eervolle wijze hebben verlaten en aan
wie, door den Minister van Oorlog, het aannemen van
vrijwilligers voor de Landmacht is opgedragen.
/ij, die de voorschreven bevoegdheid bezitten en, volgens de
Wet, bekwaam zijn om als gevolmachtigde bij hel. sluiten eener
overeenkomst op te treden, kunnen, bij hel opmaken van de
engagement-akten, liet Kijk vertegenwoordigen, {lust. a. «., art. 2).
De plaatselijke (Mi garnizoenscommandanten zullen, indien zich
bij hen in alle opzichten geschikte vrijwilligers aanmelden voor
een regiment huzaren, waarvoor de werving tol nader order ge-
sloten is, deze personen eerst dan voor de geweuselite verbinte-
nis mogen afwijzen, indien het hun uit de van het betrokken
korps (desvereiseht langs telegrafischen weg) gevraagde iuliclitin-
gen gebleken is, dat daarbij geen vrijwilligers ontbreken. (M. A.
2 Maart 1886, »°. 49).
§ 4- De engagement-akten moeten, behoudens de door den
Minister van Oorlog ten aanzien van werklieden, schippers en
dergel ij ken gestelde of nog te stellen uitzonderingen, worden op-
gemaakt volgens de achter dit hoofdstuk gevoegde Bijlage A, (l) (\')
(M. B. a. »., ad art. 2, en 5 Jan. 1882, n°. 28, B. U. <>Sb).
(1)     De kleer- en schoenmakers moeten, wanneer zij als werkman onge-
schikt blijken te zij», van hunne verbintenis ontheven kannen worden.
Hunne engagement-akte moet dnn ook eene daarmede overeenstemmende
voorwaarde behelzen, in dien zin, dat alleen de Minister van Oorlog be-
voegd is, om in bedoeld geval het engagement zonder cenige formaliteit te
ontbinden. (Si A. 30 Maart en 2 Mei 1881, »•\'. 1)1 en 88).
(2)   De commaiulcerendc officier van het 4\'\'" Reg. Vest.-Art. (Korps l\'anterf.-
Art.) is gemachtigd in de engagement-akte ten aanzien van personen, die eene
verbintenis als machinist of als kanonnier-stoker bij het regiment onder zijn
bevel aangaan de voorwaarde te doen opnemen: ,,dat de aangenomene op
,,voordracht van den commandant van het korps biunenstijds kan ontslagen
,,worden ten gevolge van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor zijne betrek-
,,king, zonder aanspraak te kunnen maken op gratificatie of pensioen."
(Ut. A. 28 Juni 1886, «». 07).
-ocr page 17-
f. Aanneming van vrijwilligers.                         \'i
l\'ii- iiktcn worden in tweevoud opgemaakt door dr zorg van
hem, die, bij hel, aannemen van den vrijwilliger, het Rijk ver-
tegenwoordigt. Ken exemplaar wordt ter hand gesteld aan hem,
die de verbintenis aangaat; het andere wordt, met de verder
overgelegde bewijsstukken, bewaard bij de hoofdadministratie van
het korps, waarvoor de verbintenis is aangegaan.
Ook andere personen als die, onder «, /; en c van § 3 ge-
noemd, kunnen vrijwilligers aanbrengen en het daarvoor vastge-
stelde aanbrenggeld ontvangen.
De personen, in eenige garnizoensplaats aangeworven voor een
korps, waarvan geen onderdeel zich ter plaatse bevindt, worden
door de zorg van den plaatselijkeu of garnizoenscommandant per
reiswijzer gedirigeerd op den staf of, is het leger op voet van
oorlog, op het depot van liet korps.
Voor de reis derwaarts hebben de manschappen recht, op dag-
geld, mitsgaders op vervoer voor Rijksrekening, zooals een en
ander voor de militairen van het korps, waarbij zij zich ver-
binden, is vastgesteld. (M. Ji. 14 Sept. 1881, n°. 37, ad art.
2, li. U. 646).
De vergoedingen, in de vorige zinsnede bedoeld, worden slechts
toegekend aan personen, die bij het voorloopig geneeskundig
onderzoek voor den dienst geschikt worden geoordeeld, en bo-
vendien genoegzame zekerheid aanbieden, dat enkele bescheiden,
noodig voor het sluiten der verbintenis, spoedig kunnen verkre-
gen of verbeterd worden. {V. II. A. ad art. 29, §§ 20 en 21).
§ 5. Tot eenc verbintenis als vrijwilliger bij de Landmacht
mogen slechts zoodanige personen worden toegelaten, die volgens
de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen als vrijwilliger kun-
nen worden aangenomen.
De toelating is eene voorloopige, indien zij niet geschiedt door
den commandeerenden oflieier van het korps, waarbij de vrijwiU
liger in dienst wenscht te treden.
Voorloopige verbintenissen als vrijwilliger zijn voor het Rijk
eerst bindend, nadat zij door den commandeerenden oflieier van het
daarbij betrokken korps zijn bekrachtigd. (3) (Inttr. a. v., art. 3).
(8) Vermits punt 5 der bijzondere voorwaarden van de enjjaKement-akte
inhoudt, dat de overeenkomst dadelijk in werking treedt, moet de man,
-ocr page 18-
4
1. Aanneming tan vrijwilligers.
Militairen, die bij oen ander korps eenc vrijwillige vcrbinte-
nis wenschen aan te gaan, behooren niet eer uit de sterkte van
het korps te worden afgevoerd, dan nadat de door hen aange-
gane voorloopige verbintenis bekrachtigd is door den comman-
deerenden officier van eerstbedoeld korps. {Voorschr. M. B. 6
Juli 1883, n\\ 27, § 103, B. V. 747).
B. Op welken leeftijd vrijwilligers kunnen worde?/ aangenomen,
\\ 6* Als vrijwilliger worden, behoudens de na te noemen
uitzonderingen, alleen ongehuwde personen (Nederlanders en
vreemdelingen) aangenomen, die niet jonger dan 18 en niet ouder
dan 3S jaren zijn. {Instr. a. v., art. 4).
§ 7. Personen, die vroeger bij het Korps Mariniers of bij de
Landmacht hier te lande, of wel in Oost- of West-Indië, hebben
gediend, kunnen boven den leeftijd van 36 jaren als vrijwilliger
worden aangenomen. («. v., art. 4).
Personen boven den leeftijd van 36 jaren, die nog met eene
verbintenis als vrijwilliger mogen worden aangenomen, zullen tot
zoodanige verbintenis slechts worden toegelaten bij het wapen der
Infanterie, de regimenten Vesting-Artillerie, de Compagnie Werk-
lieden en de Compagnieën Hospitaalsoldaten.
Personen boven den leeftijd van 40 jaren worden niet aange-
nomen dan met machtiging van den Minister van Oorlog. (M.
B.
14 Sept. 1881, n\'. 37, ad art. 4, B. U. 646).
§ 8. Bij de regimenten Cavalerie en het Korps Genietroepen
kunnen jongelingen, die het 114" levensjaar ingetreden, van sterk
ontwikkelden lichaamsbouw en tevens goed onderwezen zijn, als
vrijwilliger worden aangenomen. («. v).
§ 9. Jongelingen, die aanleg voor de muziek hebben, kun-
nen, wanneer zij minstens 15 jaren oud zijn, bij het Kegiment
Grenadiers en Jagers en bij de overige regimenten Infanterie
tot eene verbintenis als gewoon vrijwilliger of tamboer worden
toegelaten, ten einde tot élève-muzikant te worden opgeleid.
(a. v.).
ree<l3 vóór de goedkeuring van zyn engagement als vrijwilliger, als militair
worden beschouwd. (Sent. H. M. G. 9 Sept. 1875, M. A. 25 Feb. 1885,
n". 60).
-ocr page 19-
I. Leeftijd voor vrijwilligers.                           5
\\ 10- Als tamboer of hoornblazer bij de Infanterie kunnen
tot eene vrijwillige verbintenis worden toegelaten, jongelieden,
die hun 14d" levensjaar volbracht hebben en, in verhouding tot
hunnen leeftijd, physiek goed ontwikkeld zijn. Ook dan, wanneer
het organiek getal tamboers of hoornblazers bij het korps aan-
wezig is, kunnen dergelijke jongelieden tot een getal van hoog-
stens 20 per regiment worden aangenomen. («. ».).
Telkens wanneer een geschikt vrijwilliger beneden den leef-
tijd van 18 jaren en niet vallende onder § 8, als tamboer bij
het Korps Genietroepen wenseht te worden toegelaten, zal door
den commandant van genoemd korps de machtiging tot aan-
neming aan den Minister van Oorlog moeten worden gevraagd.
(M. A. 25 Juni 1884, «°. 27).
§ 11. Bij elk regiment Vesting"Artillerie kunnen hoogstens
10 jongelieden, die hun 14de levensjaar volbracht hebben en,
in verhouding tot hunnen leeftijd, goed ontwikkeld zijn, tot
eene vrijwillige verbintenis als kanonnier 2Je klasse worden toe-
gelaten, uitsluitend om, bij voldoende geschiktheid, tot hoorn-
blazer te worden opgeleid. (Af. B. 14 Sept. 1881, «°. 37, ad
art.
4, B. U. 646).
§ 12. Bij het Regiment Grenadiers en Jagers, bij de overige
regimenten Infanterie en bij de regimenten Artillerie kan een
onbepaald getal jongelingen, die niet jonger dan 17 en niet
ouder dan 20 jaren zijn, overeenkomstig de thans daaromtrent
bestaande bepalingen, welke vermeld zijn in Hoofdstuk VI, als
adspiraut-korporaal of adspirant-onderoj/icier worden aangenomen.
(a. v.).
§ 13. Mochten er onder de personen, die zich tot plaatsing
in de betrekkingen van klter- en schoenmakers aanbieden, wor-
den aangetroffen, die den leeftijd ter admissie als vrijwilliger
hebben overschreden, doch voor den militairen dienst geschikt
en ook overigens in alle opzichten voor de hun op te dragen
taak berekend zijn, dan kunnen de chefs zich voor gemachtigd
houden, een gemotiveerd voorstel in te dienen om te hunnen
opzichte van de gegeven voorschriften af te wijken. (M. A. 80
Maart 1881, n". 94).
-ocr page 20-
I. Aanneming van geleezen militairen.
6
C. Wanneer gewezen, militairen als vrijwilliger kunnen worden
toegelaten.
§ 14. Het weder in dienst treden van ongehuwde gewezen
onderofficieren, korporaals en soldaten, die jonger dan 36 jaren
zijn en hij het verlaten van den dienst tot een reêngagement zouden
zijn toegelaten,
moet zooveel mogelijk worden bevorderd.
Ten aanzien van deze gewezen militairen, voor zoover zij bij
het verlaten van den dienst met eenen graad bekleed waren, heb-
ben de korps-commandanten de bevoegdheid, zoowel om hen in
dien vorigen graad, of in eenen lageren, tot eene vrijwillige
verbintenis toe te laten, als om hen, zonder aan eene bepaling
van tijd gebonden te zijn, te bevorderen, zoodra zij tot het
verkrijgen van een\' hoogeren graad geschikt worden geacht.
Gewezen militairen of schepelingen, aan wie, bij het verlaten
van den dienst, geen certificaat van goed gedrag is uitgereikt,
worden niet dan met machtiging van den Minister van Oorlog
aangenomen. (M. B. 14 Sept. 1881, »°. 37, ad art. 4, 7°,
B. U. 646).
§ 15. Gewezen onderofficieren der Infanterie, der Artillerie
en der Genie, die gehuwd of weduwnaar zijn, kunnen, mits zij
zich op den duur goed hebben gedragen, ook dan wanneer zij
een kind of kinderen te hunnen laste hebben, in den graad van
sergeant (wachtmeester) bij het wapen, waartoe zij laatstelijk be-
hoord hebben, worden aangenomen, indien zij, gerekend van
hun 18de levensjaar, minstens zes jaren als onderofficier hebben
gediend en er, sedert zij den dienst verlieten, nog geen drie
jaren verloopen zijn. (a. v., 8°).
§ 16. De schrijvers bij de korpsen der Landmacht en bij het
Wapen der Koninklijke Marechaussee worden bij voorkeur ge-
kozen uit de gepensionneerde en gegageerde militairen. (K. B.
4 Maart 1893, n°. 36, art. 1, R. M. 78).
Ten opzichte van gepensionneerden of gegageerden, die als
schrijver worden aangenomen, valt het navolgende in acht te
nemen.
De schrijvers hiervoren bedoeld, zullen niet mogen worden
aangesteld, verplaatst of ontslagen, dan met machtiging van den
Minister van Oorlog.
-ocr page 21-
I. Lengte en gewicht voor vrijwilligers,                   7
Wanneer de korps-commandanten een gepensionneerd of\' gegageerd
militair of schepeling als schrijver in dienst wenschen te stellen
op zoodanigen voet, dat de aan» te nemen persoon in het genot
blijve van zijn pensioen of gagement, zal hunne bedoeling ten
deze duidelijk behooren te blijken bij hun verzoek om machti-
ging tot de indienststelling.
Een schrijver, die op den voet van het bepaalde in het vorig
lid als schrijver moet worden in dienst gesteld, zal zich, buiten
genot van premie, en voor onbepaalden tijd,
behooren te verbinden
bij eene akte, waarvan het model bij M. B. 21 Maart 1892,
n°. 50, (R. M. 78), is gevoegd geweest, terwijl de overige schrij-
vers zich moeten verbinden of verbonden hebben op den voet,
bij de voorschriften op de werving voor het Leger hier te lande
bepaald. (M. B. 21 Maart 1892, n°. 50, R. M. 78).
D. Vereischte lengte en gewicht, (*)
§ 17. Het minimum der lengte, voor eene toelating als vrij-
williger gevorderd, wordt, voor hen die 18 jaar of ouder zijn,
bepaald op :
1.67 M. voor de grenadiers,
1.60 „ „ „ jagers,
1.55 w „ « overige infanterie,
1.60 w w cavalerie,
1.67 ii ii ii veld- en rijdende artillerie,
1.64 „ // overige artillerie, de genie en de hospitaal-
soldaten, {lnstr. a. v. art. 5).
§ 18. Jongelingen beneden den leeftijd van 15 jaren kunnen
worden toegelaten met eene lengte van 1.48 M. Zij, die ouder
zijn, doch het \\%^ levensjaar nog niet hebben volbracht, moe-
ten, om voor toelating in aanmerking te komen, minstens de
lengte hebben, hieronder aangewezen, als:
(*) De man wordt gemeten staande eu blootsvoets.
-ocr page 22-
8                   I. Lengte en gewicht voor vrijicilligern.
Op den leeftijd van
15 jaar j 16 jaar 17 jaar
1.62 M.
1.58 „
1.54
1.58
1.60 „
1.60 „
/ grenadiers
» 1 jagers
1.55 M.
1.52   
1.55    „
1.56    „
1.56
   
1.52 M.
1.5 „
3U
verige infanterie .
o i cavalerie
> f artillerie
» genie
1.52 „
(M. B. 14 Sept. 1881, n°. 37, ad art. 5, B. V. 646).
§ 19. Vrijwilligers kunnen in de betrekking van schoen-
of laarzenmaker, dan wel in die van kleermaker, bij alle korpsen
van de Landmacht worden aangenomen met eene minimum lengte
van 1.55 M. (A\'. B. 12 Nov. 1890, u\'. 38, B. U. 1140).
§ 20. Vrijwilligers en miliciens, die wenschen bij het wapen
der Cavalerie te worden overgeplaatst of daarbij eene verbintenis
als vrijwilliger aan te gaan, mogen, gekleed, niet zwaarder
wegen dan 70 KG. (M. A, 2 Maart 1886, n\\ 49, 3 Mei
1886, n°. 21, en 16 Juni 1886, »*. 38).
Voor zoover het echter betreft miliciens, die reeds voor eerste-
oefening onder de wapenen waren, en personen, die nog niet
gediend hebben en den leeftijd van 19 jaren hebben volbracht,
mag de bedoelde lighaamszwaarte iets hooger zijn, doch in geen
geval meer dan 75 KG. bedragen. (M. A. 8 Oct. 1891, Z 56).
E. Vvreischte lichamelijke geichihtheid.
§ 21. De geschiktheid voor den krijgsdienst van hen, die tot
vrijwilligen dienst bij Zee- of Landmacht wenschen te worden
toegelaten en van hen, die daarbij vrijwillig dienen, wordt
onderzocht en beoordeeld overeenkomstig het reglement A, vast-
gesteld bijK. B. van 2 Nov. 1883, St.bl. n\'. 151. (B. tT. 841).
§ 22. In den regel zullen alleen vrijwilligers, die, volgens
de daaromtrent gegeven of nader te geven voorschriften, door
-ocr page 23-
I. Lichamelijke geschiktheid voor vrijwilliger.               9
minstens een officier van gezondheid onderzocht en voor den
dienst als vrijwilliger lichamelijk geschikt verklaard zijn, toteene
verbintenis, als in dit hoofdstuk bedoeld, worden toegelaten.
(lnstr. a. v., art. 6).
§ 23. Het geneeskundig onderzoek, bij de vorige § bedoeld,
zal — zeer bijzondere gevallen uitgezonderd — alleenlijk ge-
schieden in een militair hospitaal en op uitnoodiging van den
plaatselijken of garnizoenscommandant, van chefs van korpsen of
diensten of van hooger geplaatste militaire autoriteiten.
Hij, die de uitnoodiging doet, zal daarbij voegen een voldoend
signalement van den te onderzoeken persoon en e. q. ook be-
scheiden en inlichtingen, waaruit blijken kan van den physieken
toestand van dien persoon. (M. B. a. v., ad art. 6, en Regl.
Geneesh. Dienst, vastgesteld hij Al. B.
16 Nov. 1881, n°. 108,
Art. 17, B. U. 663).
Ouders of voogden die zonen of pupillen, hetzij als volontair
bij het Instructie-Bataljon, de Instructie-Compagnie of de In-
structie-Batterij, hetzij als jongeling bij liet Korps Genietroepen
in dienst wenschen te doen treden en die vooraf eenigen waar-
borg willen hebben, dat die jongelingen de voor den militairen
dienst vereischte lichamelijke geschiktheid bezitten, kunnen hunne
zonen of\' pupillen in die gamizoensplaatsen, waar officieren van
gezondheid met den militairen geneeskundigen dienst belast zijn,
een voorloopig militair geneeskundig onderzoek doen ondergaan,
wanneer zij zich daartoe mondeling of schriftelijk wenden tot den
plaatselijken of garnizoenscommandant ter plaatse.
Deze autoriteiten die gemachtigd zijn tot het instellen van
zoodanig voorloopig onderzoek het noodige te verrichten, doen
van den uitslag schriftelijk mededeeling aan de betrokken ouders
of voogden. [M. B. 3 Feb. 1887, n°. 64, B. U. 941).
§ 24. Wanneer bij de admissie van recruten, of bij over-
plaatsing van militairen, omtrent hunne geschiktheid voor den
dienst door de bevoegde geneeskundige autoriteit uitspraak is
gedaan, en de officier van gezondheid, die zoodanig persoon bij
aankomst ter plaatse zijner bestemming opnieuw onderzoekt, ver-
meent in die uitspraak niet te kunnen berusten, dan moet het
daardoor ontstaan verschil van gevoelen aan de beslissing van
den Inspecteur van den geneeskundigen dienst der landmacht
worden onderworpen. Het tot dat einde uit te brengen verslag
-ocr page 24-
10             [. Lichamelijke geschiktheid voor vrijwilliger.
moet door laatstbedoelden officier van gezondheid worden opge-
rnaakt en ingezonden.
De bovenbedoelde personen, omtrent wier physieke geschiktheid
twijfel bestaat, moeten zoo lang bij het korps verblijven, totdat
bij een door voormelden inspecteur te bevelen nader geneeskundig
onderzoek, daaromtrent zal zijn beslist.
Het vorenstaande is almede van toepassing op de voor den
dienst in de overzeesche gewesten aangeworven wordende recruten
en op de militairen die uit het leger bij dien dienst worden
overgeplaatst; eveneens op de militairen, die van de korpsen
van het leger bij het Wapen der Koninklijke Marechaussee worden
overgeplaatst. Aangezien echter bij genoemd Wapen geen mili-
tairen in subsistentie kunnen worden opgenomen, zullen de betrok-
ken militairen in onderhoud moeten worden gesteld bij een der
korpsen, ter plaatse in garnizoen. {M. A. 13 April 1866, n°. 5
P, B. U. 307 en 27 Sept. 1893, n\\ 106, Tl. M. 665).
§ 25. Ieder voorloopig aangenomen vrijwilliger, die van el-
ders bij het korps aankomt, wordt, vóór de bekrachtiging zijner
verbintenis, opnieuw geneeskundig onderzocht, tenzij de Inspec-
teur van den Geneeskundigen Dienst der Landmacht omtrent
de lichamelijke geschiktheid van den vrijwilliger beslist heeft.
(Indr. a. v., art. 6).
§ 26. Personen, die vroeger wegens ziels- of lichaamsgebreken
uit den dienst bij de Zee- of Landmacht ontslagen of in het
genot van pensioen of gagement gesteld zijn, worden niet aangeno-
men dan met machtiging van den Minister van Oorlog, (a. v.).
§ 27. De eommandeerende officier van een korps is bevoegd,
een zich voor dat korps aanbiedend of aangeworven persoon, die
wegens lichte gebreken niet ten volle aan de voor eenen vrijwil-
liger bij de Landmacht gestelde eischen van lichamelijke geschikt-
heid voldoet, als vrijwilliger toe te laten, indien hij oordeelt, dat
zoodanig persoon bij het korps nog goede diensten bewijzen kan.
Van de bedoelde gebreken wordt alsdan in de engagement-
akte en op het stamboek melding gemaakt, (a. v., art. 7).
5 28. Personen, die bij geneeskundig onderzoek voor den
krijgsdienst geheel ongeschikt zijn verklaard, mogen, al zijn de
gebreken van lichten aard, zonder machtiging van den Minister
van Oorlog tot cene vrijwillige verbintenis niet worden toegc-
laten. (M. B. 14 Sept. 1881, «°. 37, ad art. 7, B. U. 646).
-ocr page 25-
I. Bijzondere vereischten.
11
F. Bijzondere ver endden.
§ 29. De kleer- en schoenmakers (als bestemd om bij het
korps, ook wanneer het te velde of in versterkte plaatsen is,
dienst te verrichten) moeten bij hunne toelating in alle opzichten
aan de vereischten voor de aanneming van recruten voldoen.
(M. ^.30 Maart 1881, n\\ 94).
3Ö- Voor den dienst als vrijwilliger bij de compagnieën hos-
pitaalsoldaten
moeten burgers en miliciens-hospitaalsoldaten zich
eerst bij een der korpsen infanterie verbinden om daarna — de
eersten na in den wapenhandel te zijn geoefend — bij eene
compagnie hospitaalsoldaten te worden overgeplaatst. (M. A.
10 April 1886, n". 44).
§ 31. Indien op de onder § 120 aangegeven wijze niet vol-
doende in de behoefte aan eskadrons-zadelmakers kan worden
voorzien, kunnen burgerpersonen als zoodanig worden aangeno-
men, mits zij zich op de gewone wijze als vrijwilliger voor eenen
bepaalden tijd verbinden en bij de Constructie-Werkplaatsen be-
wijzen van bekwaamheid in het zadelmakersvak hebben afgelegd.
(M. A. 33 Mei 1882, n\'. 23).
§ 32. Als vrijwilliger voor het Korps Pontonniers mogen voor-
loopig alleen worden aangenomen, personen die het beroep verstaan
van: schipper, visscher, veerman, vletterman, zeevarende, timmer-
man, scheepstimmerman, smid-bankwerker of ketelsmid. (M. B.
5 Aug. 1891, »°. 135, B. U. 1200).
G. VereiscMe stukken.
§ 33. Niemand wordt als vrijwilliger aangenomen, die, min-
derjarig zijnde, niet hoeft overgelegd een behoorlijk gelegaliseerd
bewijs van toestemming, afgegeven door den vader, den voogd
of de moeder-voogdes, ([nstr. a. v., art. 8).
Dat bewijs van toestemming moet opgemaakt zijn overeen-
komstig de achter dit hoofdstuk gevoegde Bijlage B. (M. B.
a. v., ad art.
8).
§ 34- De vrijwilligers moeten voorts, te hunner aanneming,
de volgende bescheiden overleggen, als: (4)
(4) Alle stukken betreffende de dienstnemingen en aanwervingen zijn van
liet zegelrecht vrijgesteld. (Wet op het Rechl van Zegel, art. 27). De snel-
-ocr page 26-
I. Verdichte stukken.
12
a.     De Nederlanders:
1*. een extract uit het geboortenregister of een ander autheu-
tiek stuk, waaruit hun leeftijd blijkt;
2°. een bewijs van goed gedrag, afgegeven door den burge-
meester der gemeente, waar zij laatstelijk gevestigd waren; (5)
3°. eene bevolkingkaart, mede afgegeven door het hoofd der
onder 2° bedoelde gemeente; (6)
4°. indien zij vóór den ls,e" Januari van het jaar, waarin zij
zich ter dienstneming aanbieden, hun 19de levensjaar ingetreden
zijn en op het tijdstip van het aangaan hunner verbintenis hun
40s18 jaar niet volbracht hebben, een authentiek bewijs, dat zij
hunne plichten ten aanzien der Nationale Militie vervuld hebben
of tot geen dienst bij de militie gehouden zijn of geweest zijn;
b.   de vreemdelingen :
1°. de stukken onder 1° en 2° bij a genoemd;
2°. een bewijs, dat in hun vaderland geen militaire plichten
op hen rusten, [Inntr. a. v., art. 9).
liug van namen en voornamen in de over te leggen stukken moet geheel
overeenkomen met die van de geboorte-akte, dewijl de recruut anders lich—
tulijk vertraging in de aanneming ondervindt.
(5) Het onderzoek naar het gedrag van de personen, die eene gewon*
vrijivillige dienstverbintenis bij het I.cger hier te Lande wenschen aan te
gaan, moet iu geen yeval verder worden uitgestrekt dan tot het tijdstip,
waarop de belanghebbende het elfde levensjaar is ingetreden, (jl/. A. 15 April
1884, n°. 53).
De burgemeesters zijn uitgenoodigd aan het afgeven van de bewijzen vau
goed gedrag, noodig voor eene militaire dienstverbintenis, hunne bijzondere
aandacht te wijden en de certificaten zoodanig in te richten, dat, behalve
hetgeen omtrent het doorgaand zedelijk gedrag der personen kan worden
verklaard, alle na het I0d" levensjaar tegen de betrokken personen gewezen
vonnissen, uitgezonderd die ter zake van jacht- en visscherijovertredingeii,
daarin worden vermeld, opdat door de militaire autoriteit zoo noodig nader
worde onderzocht of de bedoelde personen als vrijwilliger kunnen worden
toegelaten. {Hl. />. B. Z. 1 Mei 1885, »°. 1803).
De bedoeling is, dat telkens wanneer eene aanvrage om een bewijs van
goed gedrag geschiedt, een nauwkeurig onderzoek ingesteld worde.
Op veroordceliiigen, die den burgemeester niet bekend worden, kan hij,
gelijk vanzelf spreekt, geen acht slaan. (M. v. B. Z. 8 Juni 1885, «°. 2330).
((i) Wordt de aanvraag tot indiensttreding afgewezen, dan wordt de kaart
aan den belanghebbende teruggegeven. (K. Li. 27 Juli 1837, St.U. >/<>. 142,
art. 6, al. 3).
-ocr page 27-
1. Vermelde stukken.                               13
Ten aanzien van onderdanen van het .Duitschc Rijk zal, als
bewijs dat in hun vaderland geen militaire plichten op hen
rusten, slechts de zoogenaamde „Entlassungs-Urkunde" mogen
worden aangenomen. (M. B. a. o., ad art. 9).
§ 35. Vrijwilligers, die bij de Landmacht hier te lande of\'
in Oost- of West-lndié\' reeds hebben gediend, behoeven geen
bewijsstukken omtrent hunnen leeftijd, noch het bewijs, in de
vorige § bij h onder 2° bedoeld, over te leggen. Zijn zij nog
geen drie maanden buiten den dienst, dan behoeven zij evenmin
over te leggen het bewijs, waarvan sprake is bij a, sub 2*.
Verlieten zij den dienst na hun 22"\' levensjaar, dan zal ook het
overleggen van het bewijs, onder 4* van litt. a genoemd, niet
van hen worden gevorderd. Zij zijn echter gehouden tot het
overleggen van alle bescheiden betredende hunnen vroegcren dienst,
welke in hun bezit zijn, (Instr. a. n. art. 9).
\\ 36. Miliciens-vcrlofgangers bchooren over te leggen hunnen
verlofpas. De in § 34 bij a onder 1* en 4* genoemde stukken
zullen van hen en van de ingelijfden bij de Nationale Militie, die
zich in werkelijken dienst bevinden, niet worden gevorderd, [a. ».).
§ 37. Vrijwilligers bij de Nationale Militie en miliciens-
plaatsvervangers, tot eerste oefening onder de wapenen, behoeven
bovendien niet over te leggen het bewijs van goed gedrag, in
§34 bij 2" van litt, a bedoeld, (a. v.).
Ingelijfden bij de Militie, die zich, gedurende hun verblijf
onder de wapenen, niet goed gedragen hebben, worden tot eene
vrijwillige verbintenis niet toegelaten.
Voor miliciens-plaatsvervangers geldt hetzelfde. Deze zullen
bovendien de vrijwillige verbintenis niet kunnen aangaan dan na
gedurende zes maanden werkelijken dienst te hebben verricht.
(M. M. a. v., ad art. 9).
§ 38. Gehuwden worden niet toegelaten, tenzij door hen, be-
halve de overige van hen te vorderen stukken, ook worde over»
gelegd eene gelegaliseerde schriftelijke verklaring van hunne echt.-
genooten, dat deze bewilligen in hunne verbintenis. (Instr. a. ».,
art. 9).
§ 39. In den regel zal de vrijwilliger, die niet de vereischte
beseheiden kan overleggen, voor den dienst worden afgewezen.
In bijzondere gevallen kan hem echter, bij het ontbreken van
een enkel bewijsstuk en in afwachting dat dit wordt ontvangen,
-ocr page 28-
14                               I. Ve.reischte stukke*.
hoogstens gedurende acht dagen, ter voorziening in zijn levens-
onderhoud, een daggeld van f 0,75 worden uitbetaald ter plaatse,
waar hij zich aangeboden heeft.
Is, ter bekoming van het ontbrekende stuk, de tusschenkomst
noodig van eeuig ander Departement van Algemeen Bestuur dan
het Departement van Oorlog, dan kan de termijn van acht dagen
worden verlengd tot. hoogstens veertien dagen.
Voor die verlenging wordt de toestemming van den Minister
van Oorlog gevorderd, (o. v. art. 16 en F. B. A. ad art. 29,
§ 21). [Zie met betrekking tot miliciens, die verkeeren in het geval,
in deze
§ bedoeld: § 61].
H. Duur van de engagementen en van de reëngagementen. (7)
§ 40. Vrijwilligers beneden den leeftijd van 17 jaren moeten
zich voor den tijd van acht jaren verbinden, (a. v., art. 10).
§ 41 • Ingeschrevenen voor de Militie en daarbij ingelijfden
moeten, overeenkomstig art. 9 der Militiewet, tot eeue verbin-
tenis voor minstens zes jaren worden toegelaten.
Die verbintenis mag echter door hen voor niet langer dan
acht jaren worden aangegaan, (a. v.).
§ 42. Meesters-werklieden worden aangenomen voor eenen
onbepaalden tijd. (a. ».).
§ 43. Andere vrijwilligers mogen voor niet langer dan zes
jaren worden aangenomen, (a. v.).
Behoudens het bepaalde bij de drie vorige § § en de drie vol-
gende zinsneden zullen met eene vrijwillige verbintenis voor een,
twee, drie, vier
of vijf jaren worden aangenomen, personen, die
hun 22ste levensjaar ingetreden zijn en hun 405te nog niet vol-
bracht hebben.
Hebben deze vrijwilligers te voren niet, of niet langer dan één
jaar, bij het Korps Mariniers, het Leger hier te Lande, of de
Landmacht in Oost- en West-lndié gediend, dan zullen zij slechts
tot eene verbintenis voor den tijd van drie jaren worden toege-
laten.
(7) Door reëngagemenl verstaat men de nieuwe verbintenis als vrijwilliger,
aangegaan door eenen militair; wordt de verbintenis als vrijwilliger aangegaan
door eenen burger, dan wordt, ook al heeft hij te voren gediend, die over-
eeukomst een engagement genoemd. (Vounchr. op de Stamboeken, B. U, 747).
-ocr page 29-
I. I)nnr van de verbintenis voor vrijwilliger.             15
Zij, die te voren niet, of niet langer dan twee jaren, bij een
der bereden korpsen van liet Leger hier te Lande hebben gediend,
worden bij zoodanig korps voor niet korter dan drie jaren aan-
genomen.
Deze laatste bepaling is echter niet toepasselijk ten aanzien van
kleer- of laarzenmakers, of van werklieden in hout en ijzer. Zijn
zij ouder dan 22 jaren, dan kunnen zij tot eene verbintenis voor
minder dan drie jaren worden toegelaten. (M. B. a. »., ad artt.
10 en 11).
§ 44. Onderofficieren en vrijwilligers beneden dien graad kun-
nen, hetzij bij overgang naar een ander wapen of dienstvak,
hetzij wanneer zij hoogstens nog voor een half jaar aan den
dienst verbonden en bij geneeskundig onderzoek voor den mili-
tairen dienst geschikt bevonden zijn, of met inachtneming van
het bepaalde bij § 2 7, tot eene nieuwe verbintenis voor een,
twee of meer (doch in geen geval voor langer dan zes) jaren
worden toegelaten. (Instr. a. v., art. 11).
Wanneer onderofficieren, korporaals en soldaten, bij overgang
naar een ander wapen, nog voor drie jaren of langer aan den
dienst verbonden zijn, behoeven zij geen nieuwe verbintenis aan
te gaan, maar kunnen zij bij het andere wapen hunne loopende
verbintenis uitdienen.
Zijn zij echter uog slechts voor korter tijd verbonden, dan
zullen zij zich bij den overgang, en te rekenen van den dag
volgende op dien waarop hunne loopende verbintenis eindigt,
moeten reëngageeren voor een, twee of meer jaren, iii dier voege,
dat zij, na hunnen overgang, nog minstens drie jaren zullen
hebben te dienen. {M. B. a. v„ ad., artt. 10 en 11).
§ 45. De verbintenis moet, behoudens het bepaalde omtrent
de meesters-werklieden, worden aangegaan voor een geheel getal
jaren. (Instr. a. »., art. 10).
§ 46. De minderjarigen moeteu, tot het aangaan ook van
eene nieuwe verbintenis, een bewijs van toestemming overleggen.
(«. v., art. 11).
Dat bewijs van toestemming moet zijn opgemaakt overeen-
komstig de achter dit hoofdstuk gevoegde Bjlage B. (M. B. a. ».,
ad artt. 10 en 11).
-ocr page 30-
16                    1. Premie», aanhrenggeld en verlof.
I. Uitbetaling van premiën, en, aanhrenggeld en toekenning van verlof.
§ 47. Het maximum der premien voor engagementen en
reëngagementen kan, maar behoeft niet, aan eiken vrijwilliger
te worden toegekend. (Indr. a. »., art. 12). [Zie Iiierover § 6(5].
§ 48. He engagement-premie en het aanbrenggeld, bij eene
eerste verbintenis toegekend, worden eerst dan uitbetaald, wanneer
de verbintenis door den commandcerenden officier van het korps is
bekrachtigd en den vrijwilliger de krijgsartikelen zijn voorgelezen.
De plaatselijke en garnizoenscommandanten kunnen echter aan
vrijwilligers, die zij zonder eene bijzondere machtiging van den
Minister van Oorlog voorloopig hebben aangenomen, en die niet
uit de Ilijksgestichten te Oinmerachans en te Veenhuizen herkom-
stig zijn, ecu voorschot op de eventueel bedongen engagement-
premie doen uitbetalen voor rekening van de korpsen, waarvoor
de vrijwilligers bestemd zijn.
Dat voorschot mag in geen geval voor cenig vrijwilliger meer
dan twintig gulden bedragen en zal niet worden uitbetaald, dan
nadat den vrijwilliger de krijgsartikelen zijn voorgelezen. (*)
(a. v., art. 13).
§ 49. Het reëngageeren van geschikte onderofficieren, korpo-
raals en soldaten zal door de chefs van korpsen en inrichtingen
zooveel mogelijk worden bevorderd.
Zij zullen het daarheen trachten te leiden, dat dergelijke mi-
litairen twaalf achtereenvolgende jaren in de gelederen blijven.
Alle reëngagementen rekenen van den dag volgende op dien,
waarop de loopende verbintenissen eindigen. (M. B. a. v., ad
art.
14).
§ 50. Aan militairen beneden den graad van onderofficier,
die eene nieuwe verbintenis aangaan, kan, wanneer zij dit ver-
langen, een binnenlandsch verlof met behoud van soldij worden
toegestaan.
Het verlof zal aan eenen soldaat voor niet langer dan drie
weken
en aan eenen korporaal voor hoogstens eene maand wor-
den verleend.
Overigens wordt de duur van het verlof bepaald in verhouding
tot den termijn van de aangegane verbintenis, (Instr. a.v.,art. 14).
(*) Zie aangaande het voorlezen van de krijgsartikelen de §§ 51, 52 en 141.
-ocr page 31-
I. Krijgsartikelen.
17
J. Foorlezing van de krijgsartikelen.
\\ 51. De militaire overheid, welke de uitnoodiging tot het
geneeskundig onderzoek der aangeworvenen onderteekent, namelijk
de officier, bedoeld bij n°. 12 der modellen voor de engagement-
akten, doet de krijgsartikelen aan den aangeworvene voorlezen in
zijne tegenwoordigheid of wel in die van eenen officier, en wan-
neer de aangeworvene zijn naam niet kan teekenen ten overstaan
van twee meerderjarige ter goeder naam en faam staande getuigen.
Is er noch garnizoen, noch militaire overheid, bedoeld bij n*. 12
der engagement-akten, in de plaats der aanwerving aanwezig, dan
doet de werver zelf de voorlezing der krijgsartikelen in tegen-
woordigheid van twee ter goeder naam en faam staande getuigen.
Kan dit laatste niet geschieden, hetzij omdat er geene geschikte
getuigen te vinden zijn, hetzij omdat de omstandigheden zulks
verhinderen, dan leest de werver niettemin de krijgsartikelen zfelf
voor en maakt er een door hem en den aangeworvene, of zoo
deze niet schrijven kan, door hem alleen onderteekend bewijs
van op.
Overigens wordt in beide gevallen van de voorlezing een be-
hoorlijk bewijs opgemaakt, onderteekend door den officier, den
persoon die voorgelezen heeft en den aangeworvene, of zoo deze
niet teekenen kan, door de beide getuigen. (M. B. 28 Dec. 1867,
n°. 93 S, B. U. 321).
§ 52- Het vermelde in de voorgaande \\ is niet van toepas-
sing bij reëngagementen, noch ook bij engagementen, bij het korps
zelf aangegaan, in welke gevallen geene andere voorlezing ge-
schiedt, dan die bepaald bij het Reglement op den Inwendigen
Dienst [Zie § 141). Deze laatste voorlezing behoort overigens te
geschieden boven en behalve de voorlezing in § 51 omschreven. («.».).
-ocr page 32-
IS
Bijlage A. (*).
Ik (1)
als bevoegd volgens de bestaande bepalingen op de
vrijwillige werving om, ten aanzien van het onder-
werp dezer akte, het Kijk te vertegenwoordigen,
verklaar te hebben aangenomen den persoon van
(2)
om het Koninkrijk der Nederlanden als vrijwil-
liger bij (8)
                                                 te dfenen
gedurende den tyd van (4)
welke tijd zal verschenen zijn den (4)
van het jaar achttienhonderd
en ik (2)
verklaar, mij door (1)
te hebben doen aannemen tot gezegd einde.
Zijnde wijders de contractanten nopens de na-
volgende bijzondere voorwaarden overeengekomen:
1°. Dat het aan den Minister van Oorlog zal
vrijstaan, de\'n aangenomene onmiddellijk uit den
dienst te verwijderen, met of zonder paspoort, en
alzoo de tegenwoordige verbintenis zonder eenige
formaliteit te ontbinden:
n. wanneer het mocht blijken, dat dcaange-
nomene, vóór het aangaan van zijn tegenwoordig
engagement, rechterlijk veroordeeld is geweest
wegens eenvoudigen diefstal, bedrieglijke oplic/i-
ling
of andere de goede trouw of eerlijkheid
kwellende mixdriji\'eu
, of wanneer later een von-
nis wegens dergelijk misdrijf tegen hem mocht
worden uitgesproken;
b. wanneer het mocht blijken, dat de nange-
nomene voor den dienst ongeschikt is wegens eenig
lichaamsgebrek of eenige ziekte, bij het door hem
ondergaan militair geneeskundig onderzoek niet
waarneembaar, doch waarvan het bestaan hem
bekend en bij bedoeld geneeskundig onderzoek
opzettelijk verzwegen is;
e wanneer het mocht blijken, dat deaangeno-
menc den lande reeds als militair heeft gediend,
en deze omstandigheid door hem bij het aangaan
der tegenwoordige verbintenis, is verzwegen;
2". dat het den Minister van Oorlog zal vrij-
staan, den aangenomene met paspoort uit den
dienst te verwijderen:
Renvooien.
(1)  Naam en voornamen van
den werver, bevoegd om
het Ryk te vertegen-
woordigen.
(2)  Idem van den geworvene.
(S) Het wapen der Infante-
rie, der Cavalerie, der
Artillerie of der Genie ,
of wel de compagnieën
Hoipitaalsoldaten.
(4) In Bchryfletters op te ge-
ven.
(*) Dit model ook te ge-
bruiken voor akten van re-
engagement.
Alsdan moet op
regel 10 v. bM in plaats van
de woorden : „welke tyd zal
verschenen iyn den". wor-
den gesteld: „welke tijd zal
ingaan den .... en alzoo
zal verstreken zyn den... .\'*
-ocr page 33-
19
(f) Wanneer de aaugcno-
menn geen premie vordert,
moet de bepaling, daarop
betrekking hebbende, wor-
den doorgehaald en op den
kant gezet: de doorhaling van
(in letters invullen het Han-
tal doorgehaalde woorden)
woorden goedgekeurd. Deze
aanteekening moet door den
werver en den geworvenc
worden geparafeerd.
Wanneer hier of daar door-
lialingen noodig zijn,moet op
dezelfde wyze gehandeld en
de paraaf gesteld worden
door degenen, die het ge-
declte, waarin de doorhaling
geschiedt, onderteckenen
moeten.
Mochten in de akte of de
verschillende verklaringen
eni. wijzigingen noodig we-
/cn, dan moeten deze, met
een renvooi teeken aange-
duid, op den kant worden
gesteld, met de almede ge-
parafeerde aanteekening
daaronder: dit tentooi goed-
gekeurd.
Indien op den kant geen
genoegzame plaats voor de
vermelding der doorhalingen
of voorde renvooien is, kun-
nen beide ook aan het einde
van het stuk worden gesteld.
Wanneer bjj teèngagement
de aangenomene premie ver-
langt en daarvoor in aan-
merking kan komen, moet
punt 6°. der akte luiden als
volgt: „6°. dat de aangeno*
mene, wanneer hij bjj liet
ingaan van den termijn dezer
nieuwe verbintenis zjjneaan-
spraak op het ontvangen van
eene reëngagement-premie
niet mocht hebben verloren,
op dien datum van ingang
zal genieten eene som van...,
als premie vanwege het l)e-
partement van Oorlog aan
hem te betalen."
(|) Wanneer de aangeno-
mene zijnen naam niet kan
schrijven, wordt de daarop
betrekking hebbende verkla-
ring ingevuld en de woorden
„en aangeworven e" doorge-
naald.
(G) Handteekening van den
werver.
(6) Idem van den geworrene.
a.    wanneer deze ongeschikt mocht blijken te
zijn voor den dienst wegens eenig lichaamsgebrek
of ecnige ziekte, ontstaan na diens indiensttre-
ding, of vóór dat tijdstip, maar niet vallende
onder 1° b ;
b.    wanneer, op het daartoe door den aange-
nomene gedaan verzoek, de Minister van Oorlog
zulks in het belang van den dienst of van den
aangenomene geraden zal oordeelen;
3°. dat, wanneer het blijkt dat de aangenomene,
die bij deze verklaart ongehuwd te zijn, wel ge*
kutodfo,
hij, gedurende zijn loopend engagement,
voor zooveel militaire aangelegenheden betreft,
niet als gehuwd zal worden beschouwd;
4°. dat, wanneer er gedurende den diensttijd
van den aangenomene, door zijn toedoen , eenige
interruptie van dienst mocht plaats hebben, waar-
onder ook wordt gerekend de tijd, gedurende
welke hij bij het Algemeen Depot van discipline
aan de strengere krijgstucht mocht worden on-
derworpen, hij gehouden zal zijn, onmiddellijk
na het eindigen van die interruptie, het vóór den
aanvang daarvan nog onvervuld gebleven gedeelte
van zijne dienstverbintenis te volbrengen, tenzij
de Minister van Oorlog mocht goedvinden, bij
het eindigen der interruptie, de tegenwoordige
verbintenis, zelfs zonder eenige formaliteit, te
ontbinden, hetgeen dien Minister in dat geval
volkomen zal vrijstaan ;
5°. dat deze overeenkomst dadelijk in werking
treedt, doch dat, wanneer de chef van het korps,
waarbij de aangenomene zal worden ingedeeld,
de overeenkomst niet bekrachtigt, deze zal ver-
vallen en de aangenomene tot zijne vorige positie
zal terugkecren ;
6°. dat, na die bekrachtiging, de aangenomene
aanspraak zal hebben op eene som van (4)
als                                     va n-
wege het Departement van Oorlog aan hem te
betalen, (f)
Kn is hiervan te                               den (4)
deze akte in tweevoud opgemaakt
en door den voornoemden werver en aangewor-
vene (§) onderteekeud; zijnde voorts een exem-
plaar door ieder der contractanten behouden.
(5)
                                      (6)
De aangeworvene verklaart zijnen naam niet te
kunnen tcekenen, doch erkent in tegcnwoordig-
-ocr page 34-
20
(7) Namen en voornamen der
twee getuigen met ver-
melding hunner qualitei-
ten en woonplaatsen.
Als getuigen kunnen ^eno-
men worden, zoowel militai-
ren van allerlei rang, als bur-
gers, mits meerderjarig en
ter goeder naam en faam
bekend.
(8)  Jlandteekening der ge-
tuigen.
(9)   Naam en voornamen van
den aanbrenger.
(10)  Woonplaats van idem.
(11)  llandteekeniug        van
idem.
(12)  Plaatselijke of gami-
zoenscommandant, chef
van het korps of van
het onderdeel daarvan.
lii\'ïd vuu (7)                                            bovenstaand
engagement, hetwelk hem is voorgelezen , te heb-
ben aangegaan, ten blijke waarvan wij getuigen
alhier onze haudteekeuing hebben gesteld.
Te
                                        den (4)
(8)                                        (8)
De aangeworvene is aangebracht door
(9)
                                      te (10)
die daarvoor aanspraak heeft op eene som van (1)
(12)
                                          (11)
SIGNALEMENT VAN (2)
Vader
Aangezicht
Haar
Moeder
Voorhoofd
Wenkbrauwen
Geboren te
Oogen
Bijzondere teekenen
Den
Neus
Laatst gewoond te
Mond
Lang
Kin
Van te voren
gediend, waar en
}
op welke wijze
daarvan afgegaan.
Gedane veldtochten, bekomen won-
\\
den, uitstekende
daden . . . .
\\
UITNOOD1GING TOT HET DOEN VAN EEN
GENEESKUNDIG ONDERZOEK.
De ondergeteekende (12)
noodigt bij deze
om den persoon van
te
(13) De betrekking , waar-
roor het engagement
fuchiedt.
rnüen het een r\'?Mage-
mettt
is, moet dit worden
aangeduid.
hiervoren bedoeld, een geneeskundig onderzoek te
doen ondergaan, en hieronder te vermelden, of
hij al dan niet geschikt is, om als (lij)
te worden toegelaten.
Te                                 den
achttienhonderd
-ocr page 35-
•n
GENEESKUNDIGE VERKLARING.
De ondergeteekende,
te
                               verklaart, naar aanleiding der
bovenstaande uitnoodiging, dat de persoon van
(2)
overeenkomstig de bestaande bepalingen onderzocht,
en (14)
                                       bevonden is, om als
(18)                                          te worden toegelaten.
(15)
Te                                 den
achttien honderd
(14)  Geschikt of ongeschikt.
(15)  Indien de onderzochte
ongeschikt is moet liter
nog worden bijgevoegd:
uithoofde ran (de gebre-
ke», die hem ongeschikt
maken).
(1G) Naam en voornamen,
mitsgaders de rang van
den chef van het korps
waarbij het engagement
geschiedt.
(17) Handteekening van den
chef.
De ondergeteekendc (16)
verklaart het vorenstaande engagement te be-
krachtigen.
Te                                    den (4)
(17)
Bijlage BI.
(18) Naam, voornamen,quali-
teit en woonplaats van
den vader, den voogd of
de moeder-voogdes.
11e ondergetcekende (18)
verklaart bij deze,
vader
zijne
hare
hoedanigheid van voogd van den
moeder-voogdes
minderjarige (19)
er in toe te stemmen, dat gemelde minder-
jarige zich (20) verbindt om het Koninkrijk der Nc-
derlanden als vrijwilliger bij de Landmacht te
dienen en zulks onder al de daarvoor gestelde
voorwaarden en bepalingen.
(21)
(19)  Naam en voornamen van
den minderjarige. Hij re-
engagement,
zijnen naam,
zyne voornamen en zij-
nen graad,
(20)  Bij reëugagement tus-
schen te voegen : „op-
nieuw".
(21) Handteekening van den-
gene, die de toestem.
ming verleent, gelegali-
seerd door den burge-
meester zyner woon-
ptaata.
-ocr page 36-
HOOFDSTUK IL
Da verbintenis van militieplichtigen (ingeschrevenen voor de militie,
lotelingen, nammerverwisselaars en plaatsvervangers)
als vrijwilliger
§ 53. Elkj die voor de militie is ingeschreven, en een ieder,
die daarbij is ingelijfd (loteling, nummerverwisselaar of pl«ats-
vervanger) kan, behoudens de uitzondering bij de eerste zinsnede
van § 54 en die in de tweede zinsnede van § 57 nopens de
plaatsvervangers vermeld, overeenkomstig de daaromtrent bestaande
voorschriften, tot eene vrijwillige verbintenis voor den tijd van
zes jaren of langer worden toegelaten bij (Ie zeemacht,\' het korps
mariniers hieronder begrepen, bij het leger hier te lande of bij
het krijgsvolk, dienende in \'s Rijks overzeesche bezittingen.
Hij, die bij het aangaan van zoodanige verbintenis reeds bij
de militie is ingelijfd, of daartoe later wordt opgeroepen, strekt
altijd in mindering van het aandeel in de lichting, te dragen
door de gemeente, waar hij is ingeschreven. {Wet 19 Aug. 1861,
StM. n\\ 72, art. 9, B. U., Jank. 1).
§ 54. Plaatsvervangers worden gedurende den tijd der aan-
sprakelijkheid van de vervangenen niet als vrijwilligers bij de zee-
macht of het korps mariniers toegelaten, (a. v., art. 74),
De loteling is gedurende één jaar voor zijnen plaatsvervanger
aansprakelijk, te rekenen van den dag waarop deze is ingelijfd.
(«. »., art., 61).
Worden plaatsvervangers bij het leger hier te lande, of bij dat
in de koloniën, als vrijwilligers aangenomen, dan ontheft dit de
vervangenen van bedoelde aansprakelijkheid, (a. v., artt. 61 en 74).
§ 55. De voorschriften op de werving voor het leger hier te
lande en voor den kolonialen dienst zijn voor de vrijwillige ver-
bintenissen, bedoeld bij art. 9 der Militiewet, in het algemeen
van toepassing, en in het bijzonder, die omtrent het maximum
van leeftijd tot toelating (zie de \\ § 6 en 320), den termijn van
een eerste verbintenis (zie de §§ 41 en 343), het door minder-
jarigen te leveren bewijs van toestemming van ouders of voogden
(zie de §§ 33 en 334), en het minimum van lengte voor ieder
wapen (zie de §§ 17 en 323).
Ingelijfden bij de militie kunnen echter ter toelating als vrij-
willigers bij de Infanterie volstaan met de miliciens-lengte.
-ocr page 37-
II. Verbintenis van militieplichtigen ah vrijwilliger. 23
Ook kunnen railioieus, bij eonig wapen ingedeeld, daarbij eene
vrijwillige verbintenis aangaan, al voldoen zij niet ten volle aan
het gevorderde omtrent de lengte, mits zij overigens voor den
dienst daarbij voldoende geschikt worden geoordeeld. (Foorsclir.
M. B.
27 Dec. 1861, n\\ 492J, art. 1, B. U., Aanli. 23).
§ 56. Buiten en behalve het door minderjarigen te leveren bewijs
van toestemming van ouders ot\' voogden, moeten worden overgelegd :
a.     door ingeschrevenen voor de militie:
1°. het bewijs dier inschrijving;
2°. eene geboorte-akte;
8°. een bewijs van goed gedrag, afgegeven door den burge-
meester hunner woonplaats, d. i. der gemeente, waar zij
laatstelijk gevestigd waren [zie ook de noot 5 op § 34, 2°.);
4°. eene bevolkingkaart, mede afgegeven door het hoofd der
onder 3°. bedoelde gemeente; (8)
b.     door ingelijfden bij de militie, die zich in werkelijken
dienst bevinden:
het bewijs bij a sub 3°. vermeld,
tenzij zij zich, als vrijwilligers bij de militie of als plnats-
vervangers, voor eerste-oefening onder de wapenen bevinden;
c.     door miliciens-verlofgangers:
1°. hun verlofpas;
2°. het bewijs bij a sub 3°. en de kaart sub 4°. vermeld.
(a. »., art. 2).
§ 57. Afgescheiden van een en ander moeten ingelijfden bij
de militie, om tot eene verbintenis voor vrijwilligen militairen
dienst te kunnen worden toegelaten, zich in den dienst goed
hebben gedragen, en moet daarvan, ten aanzien van verlofgan-
gers, blijken uit een extract van het strafregister, (a. »., art. 3).
Plaatsvervangers kunnen, behoudens de uitzondering in art. 74
der Wet (§ 54, al. 1) evenals alle andere miliciens, ten allen
(8) üe inschrijving van miliciens, die ouder de wapenen zijnde, bij de staande
armee overgaan, behoort te geschieden door de zorg van den commandee-
rendeu officier van het korps, waarbij zij als vrijwilliger iu dienst treden, in
het afzonderlijk register, dut krachtens de bepalingen van het K. B. dd. 27 Juli
1887, St.M. «°. 142, in verband met de aanschr. van 26 Oct. 1877, n°. 58
S en van 27 Aug. 1887, n°. 22, gericht aan de Bevelhebbers iu de Mili-
taire Afdeelingen, op het bureau van den plaatselijke- of garnizocnscomman-
dant, moet worden aangehouden; en zulks zonder dat eene aanvraag oin
-ocr page 38-
24 II. Verbintenis van militieplichtigen ah vrijwilliger.
tijde, tot ecno vrijwillige, verbintenis worden toegelaten bij den
dienst of het wapen, waarop hunne keus mocht vallen, onver-
schillig bij welk korps zij zijn ingelijfd, mits zij voor den dienst
of het wapen hunner keuze volkomen geschikt zijn en gedurende
zes maanden werkelijken dienst hebben verricht, (a. v., artt. 3 en 4,
en M. B. 14 Sept. 1881, n\\ 37, ad art. 9, 1", B. U. 646).
§ 58. Om tot eene vrijwillige verbintenis, als waarvan in deze
sprake is, te worden toegelaten, melden de bedoelde perso-
nen zich aan op de wijze bij M. A. 21 Mei 1861, n°. 53 B,
bepaald, met dien verstande, dat verlofgangers van de militie te
land, die als vrijwilligers bij de zeemacht verlangen over te
gaan, zich daartoe moeten vervoegen bij den provinciale-adju-
dant in het gewest waar zij zich bevinden, en dat voor miliciens
die bij de korpsen ouder de wapenen zijn, tot zoodanigen over-
gang steeds de tusschenkomst van den provinciale-adjudant in het
gewest waar de milicien gestationneerd is, moet worden ingeroepen.
Tot overgang bij de marechaussee gelden de bijzondere voor-
schriften voor dat wapen. (9) {a. v., art. 6).
§ 59. De militaire autoriteit, behalve de chef van een of
ander korps, die eenen voor de militie ingeschrevene, of eencn
verlofganger van de militie te land, tot eene verbintenis voor
vrijwilligen militairen dienst heeft toegelaten, dirigeert hem op
het depot of op den staf van het korps, voor hetwelk hij hem
heeft aangenomen, en geeft daarvan kennis aan den commandant
van dat korps, onder overlegging van de engagement-staten en
daarbij behoorende bescheiden. Het vorenstaande is ook van toe-
passing op den overgang van verlofgangers der militie te land
bij een der korpsen van het leger of bij de koloniale troepen,
zullende wijders door de commandanten der korpsen waarbij de vrij-
willige verbintenis wordt aangegaan, na de bekrachtiging der akkoor-
den, c. q. aan het korps waartoe de verlofganger als militieplichtige
behoorde, verzocht moeten worden, op den overgang orde te stellen.
toezending cencr bevolkingkaart aan het betrokken gemeentebestuur behoort
te geschieden, hetzij al dan niet door tusschenkomst van de korpscomman-
danten onder wier bevelen de miliciens zijn ingedeeld geworden. (31. B. 4
Oct. 1888, «o. 17, b. V. 1030).
(9) Aangaande de dienstverbintenissen bij het Wapen dei\' Marechaussee zijn
bepalingen vastgesteld bij de K. B. van 14 Oct. 1851, n°. 29 en van 10
Jan. 1874, n». 21, B. V. 181 on 429. (Zit hierna hoofdstuk XII).
-ocr page 39-
IT. Verbintenis nnn militieplicJdigen ah vrijwilliger. 25
(«. »., art. 7 en M. B. S Oct. 1889, w°. 49, B. U. Jan/t. 137). (*)
§ 60. Do provinciale-adjudanten doen van de miliciens-verlof-
gangers, die zich tot vrijwilliger! overgang bij de zeemacht bij
hen hebben aangeboden, en van de werkelijk dienende miliciens,
nopens wie hun van de chefs der korpsen voordrachten tot zoo-
danigen overgang zijn geworden, opgave aan den directeur en
commandant der marine of aan den ambtenaar van de marine
met de werving van zeelieden belast, in de plaats het meest in de
nabijheid hunner standplaats gelegen, met uitnoodiging de ge-
schiktheid van de betrokken miliciens nader te doen onderzoeken
eu de plaats te doen kennen, waarop zij behooren te worden
gedirigeerd, wordende, na geschiktbevinding, door de provinciale-
adjudanten op de overplaatsing de vereischte orde gesteld. Voor
zooveel het korps mariniers betreft, geschiedt de overplaatsing
door evengemelde autoriteiten in overleg met den commandant van
dat korps. (M. B. 27 Dec. 1861, »°. 4!) B, art. 8, B. U. Aanli. 23).
§ 61. Aan milicicns-verlofgangers, die zich tot het aangaan
van eene verbintenis als vrijwilliger aanmelden, wordt over het
tijdvak van en met den dag der onderteekening tot en met
dien vóór de goedkeuring van de verbintenis, of tot en met
den dag vóór dien, waarop wordt geconstateerd, dat de ver-
bintenis niet bekrachtigd zal worden, toegekend de soldij en
verdere verstrekkingen en vergoedingen als voor van groot-verlof
teruggekeerden bepaald, uitgezonderd de dagelijksche toelage
voor kleeding en uitrusting. [Zie wijders de laatste zinsnede van
§ 4]. (V. R. A., art. 29, §§ 20 en 21).
\\ 62. Een zeemilicien in werkelijken dienst, die tot eene ver-
bintenis bij het leger hier te lande of bij het krijgsvolk, die-
nende in \'s Rijks overzecsche bezittingen, wenscht te worden
toegelaten, wordt door den directeur en commandant der marine
opgezonden naar den provinciale-adjudant in het gewest, waarin
hij, directeur, gevestigd is, ten einde de geschiktheid van dien
milicien voor den dienst zijner keuze worde onderzocht. Het
daartoe benoodigd reisgeld wordt door den directeur en comman-
dant aan den betrokken milicien verstrekt en op diens gage verhaald.
Is hij geschikt bevonden, dan wordt daarvan door den direo
teur en commandant kennis gegeven aan het Departement van
(*) Zie ook de voorlaatste zinsnede van § 4.
-ocr page 40-
2(5 II. Verbintenis van mililieplichtigen ah vrijwilliger.
Marine, dat tot de overplaatsing machtiging verleend, waarna
de betrokken persoon ter beschikking wordt gesteld van den
hiervoren bedoelden proviuciale-adjudant. (M. B. 22 Feb. 1862,
n°. 8 B, 2°. m 3°., B. U. 264).
Een zeemilioien met groot-verlof, die tot eene verbintenis bij
het leger hier te lande of bij het krijgsvolk, dienende in \'s Ilijks
overzeesehe bezittingen, wenscht te worden toegelaten, moet zich
daartoe rechtstreeks wenden tot den directeur en commandant
der marine, ter plaatse het naast bij zijne verblijfplaats gelegen,
die alsdan ten zijnen aanzien handelt, zooals in beide vorige
zinsneden is vermeld, met dien verstande echter dat aan den
betrokken verlofganger geen reisgeld wordt verstrekt, (a. »., 4".).
§ 63. Premiën, aan vrijwillige verbintenissen, als in dit hoofd-
stuk bedoeld, verbonden, worden niet toegekend aan de nalatige
militieplichtigen, de achtergeblevene voorloopig niet toegelaten
lotelingen en de miliciens, op wie de artt. 165, 171 en 178 der
Militiewet betrekking hebben dan voor zoover zij twee jaren onder
de wapenen hebben doorgebracht, of daartoe niet verplicht zijn
verklaard, en evenmin aan de achtergeblevene miliciens bedoeld
bij art. 173 dier wet, die gehouden zijn hunnen vijfjarigen dieust-
tijd ouder de wapenen te verblijven. (Voonchr. M.B. 27 Dec.
1861, n\'. 48 B, art. 10, B. U„ Aanh. 23).
§ 64. De miliciens-korporaals en de miliciens-sergeanten, die
de geschiktheid bezitten, voor het bekleeden van die graden
van de vrijwilligers gevorderd, kunnen, overeenkomstig het voor-
geschrevene in art. 9 der Militiewet, met behoud van hunnen
graad worden toegelaten tot eene vrijwillige verbintenis bij het
korps waartoe zij behooren, indien daarbij in dien graad vaca-
tnres bestaan, welke niet kunnen worden aangevuld door bevor-
dering van vrijwilligers, die vóór hen e bewijzen van geschiktheid
voor het bekleeden van dien graad als vrijwilliger hebben geleverd.
Voor zooveel zij behooren tot de Infanterie, de Cavalerie, de
Veld- of de Vesting-Artillerie, kunnen zij, wanneer er geen
vacature bestaat bij het regiment of het onderdeel waarbij zij
zijn ingedeeld, ook in hunnen graad bij een ander regiment of
onderdeel van hetzelfde wapen overgaan, eveneens met inacht-
neming van het bepaalde in de vorige zinsnede. (M. A. 8 Nov.
1886, n\\ 31, B U. Aanh. 121).
-ocr page 41-
HOOFDSTUK III.
Premiën, aanbrenggelden enz.
§ 65. Aan iederen recruut, die zulks verlangt, wordt zekere
som als premie toegekend.
§ 66. Het hoogste bedrag, dat, in gewone gevallen, voor de
premiën en aanbrenggelden mag worden uitgekeerd, wordt door
den Koning bepaald.
Bij liet toekennen van premiën en aanbrenggelden moet er op
worden gelet, dat de vastgestelde sommen het hoogste bedrag
uitmaken, hetwelk kan worden betaald, zoodat:
a.   geene uitbetaling moet geschieden aan hen, die geen premie
of geen aanbrenggeld verlangen, en
b.   wanneer de omstandigheden — zooals b. v. groote toeloop
van vrijwilligers, en dus ruime keuze — daartoe aanleiding ge-
ven, lagere dan de vastgestelde of geene premiën moeten toege-
kend worden.
c.   aanbrenggelden niet worden betaald, dan ingeval de betrok-
ken persoon werkelijk is aangebracht. (F. R. A., ad art. 98, § 2).
§ 67- Het hoogste bedrag in de vorige § bedoeld, kan in
zeer bijzondere gevallen voor enkele personen, op wier aanne-
ming voor den dienst bijzondere prijs wordt gesteld — doch
alleen op machtiging van den Minister van Oorlog — worden
overschreden. De premie in dit geval toe te kennen mag echter,
zonder \'s Konings toestemming, niet hooger zijn dan tweemaal
het bedrag der vastgestelde premie. (R. A., art. 99).
In het geval, bedoeld bij de vorige zinsnede, wordt door den
commandeerenden officier van het korps rechtstreeks een voorstel
aan den Minister van Oorlog gedaan, met opgave van de rede-
nen, die het toekennen eener hoogere premie noodig maken, en
van het bedrag dier premie. Het akkoord, in tweevoud, wordt
daarbij overgelegd.
-ocr page 42-
is                     111. Premiën, ainhrenggeWen ent.
Bij toestemmende beslissing wordt deze door den Minister
op het akkoord vermeld, en dit aan den eommandeereudeu
oflicicr teruggezonden om — zoo inmiddels geeue redenen zijn
ontstaan, die dit beletten — te worden bekrachtigd.
In afwachting der beslissing, blijft de belanghebbende in het
genot van de bepaalde vergoedingen (V. R. -A., ad art. 9\'.)).
§ 68. Behoudens het bepaalde bij de §§ (19 — 72 wordt het
hoogste bedrag der sommen, welke in gewone gevallen voor
premiën en aanbrenggclden bij de Korpsen der Landmacht, daar-
onder begrepen de Koninklijke Militaire Academie, de Pupillen-
school en het Vaste Kader van het Koloniaal-Werfdepot, mogen
worden uitgekeerd, vastgesteld als volgt :
a. Voor ieder als vrijwilliger aangenomen gewezen militair,
recruut of milicien, die den leeftijd van 18 jaren bereikt en
dien van 30 jaar niet overschreden heeft eene premie van f 10
voor elk jaar, waarvoor hij zich als onderofficier of soldaat ver-
bindt, doch niet meer dan f 60.
/;. Voor ieder als tamboer of hoornblazer aangenomen vrij-
williger beneden den leeftijd van 18 jaar, eene premie van ƒ 5
voor elk jaar, waarvoor hij zich verbindt, doch niet meer dan ƒ 30.
c.     Voor een persoon, als onder a bedoeld, zoo deze zich
verbindt als militair beneden den graad van korporaal, aan-
hrenggeld
voor elk jaar waarvoor hij zich verbindt f 1, doch
niet meer dan ƒ 6.
d.     Voor ieder vrijwillig dienend militair beneden den graad
van onderofficier, die zich, vóór den leeftijd van 30 jaar te
hebben bereikt, opnieuw verbindt, gelijke premie als onder a
omschreven. (A\'. B. 25 Ang. 1888, n°. 27, art. 14, B. U. 1007).
§ 69. De premiën en aan brenggel den, bij § 68 vermeld, worden :
a. niet toegekend, indien het verbintenissen geldt: van mees-
ters-wcrklieden, van kleeder-, schoen- of laarzen- en zadelmakers,
hoefsmeden, werklieden in hout en ijzer, en dergelijken, van hen,
die als adspirant-onderomcier of adspirant-korporaal worden aan-
genomen, van volontairs boven den leeftijd van 18 jaren, die
bij het Instructie-Bataljon, de Instructie-Compagnie, de Instructie-
Batterij cu dergelijken tot opleiding bij die inrichtingen worden
ciangenomen, van hen die in dienst zijn of treden met het be-
paalde doel, om tot den officiersrang te worden opgeleid, of die
op een cursus of op eene voorbereidende school voor zoodanigen
-ocr page 43-
III. Premiën, aanbrenggelden enz.                     29
cursus tot opleiding van dien rang onderwijs ontvangen, van
gepensionneerden of gegngeerden, die weder opnieuw in dienst
treden, van op verzoek ontslagen pupillen, die eene eerste ver-
bintenis aangaan, van hen, wier bezoldiging niet per dag is
bepaald, van miliciens, aangegaan met het doel, om bij het
Wapen der Marechaussee te worden overgeplaatst.
b. slechts genoten over de jaren der verbintenis, die, vóór
dat de belanghebbende zijn 3 lstc levensjaar zal intreden, geheel zul-
len zijn volbracht, (a. v , art. 1 5 en M. A. 26 Maart 1889, n°. 24;.
§ 70. De aanbrenggelden onder c van § 68 bedoeld, worden
niet genoten voor verbintenissen van personen:
a.     die in den titulairen graad van onderofficier of van kor-
poraal worden aangenomen,
b.     die op bijzondere machtiging van den Minister van Oorlog
worden aangenomen, en
c.     die herkomstig zijn uit gestichten en uit gevangenissen voor
jeugdige veroordeelden, zooals die te Ommerschans en Veenhuizen
en te de Kruisberg bij Boetinchem. (a. v., art. 16).
§ 71. De premiën en aanbrenggelden, bedoeld bij § 68,
worden uitbetaald : die bedoeld onder a, b en c, na de goed-
keuring van het akkoord; aan hen evenwel, die zich buiten de
standplaats van den commandant van het korps tot het aangaan
van eene verbintenis aanmelden, kan, na de voorloopige goed-
keuring voor den dienst, en nadat de vereischte bescheiden over»
gelegd en in orde bevonden en de krijgsartikelen voorgelezen
zijn, van de premie hoogstens een derde gedeelte in voorschot
worden uitbetaald; die bedoeld onder d, na ingang van de ver-
bintenis. (a. v.t art. 17).
§ 72. Gaat een vrijwillig dienend militair — onder genot
van premie — over bij de Koloniale troepen, de Zeemacht enz.,
of wordt hem ontslag uit den dienst op verzoek verleend, dan
moet de genoten premie worden terugbetaald voor elk jaar, waar-
over premie is genoten en dat niet geheel is volbracht, («. ».,
art. 18).
§ 73. De toelage voor eerste uitrusting voor een onderofficier
of soldaat wordt vastgesteld voor een tijdvak van zes of meer
jaren en toegekend bij ingang van eene dienstverbintenis. Bij
verbintenissen voor minder dan zes jaren wordt slechts te goed
gedaan een zesde der vastgestelde som voor elk jaar, waarvoor
-ocr page 44-
30                     ITI. Premiën, aanhrenggdden mis.
de verbintenis is gesloten. Voor een milicien wordt echter in
mindering gebracht de genoten vergoeding over den nog onver-
schenen militiediensttijd, berekend naar de vergoeding over het
dan loopende jaar vastgesteld voor een milicien van het korps,
waarvan hij afkomstig is. (TE. A., artt. 70 en 73).
Aan een onderofficier of soldaat (milicien) die zich, na zes
jaren militiediensttijd te hebben volbracht, onder de wapenen
bevindt, wordt na afloop van dat tijdvak opnieuw toelage voor
eerste uitrusting toegekend, met dien verstande dat de toelage
slechts wordt genoten over het. tijdvak dat hij onder de wape-
nen is en de berekening zal plaats hebben volgens het bepaalde
bij de tweede zinsnede van art. 72 van het Regl. van Adm. bij
de Landmacht. (A\'. B. 30 Aug. 1890, n°. 22, B. U. 1115).
§ 74. Het bedrag der toelage voor eerste uitrusting is be-
paald als volgt:
o. voor de soldaten-vrijwilligers bij de Cavalerie en bij de
Rijdende Artillerie, met uitzondering van de jongelingen
bij de Instructie-Batterij, op ƒ26; voor laatstbedoelde
jongelingen en voor de soldaten-vrijwilligers bij de Veld-
Artillerie op ƒ25; en voor de overige soldaten, zoowel
vrijwilligers als miliciens, op f 2 0.
b. voor de onderofficieren : bij de Cavalerie en bij de Rijdende
Artillerie op ƒ36; bij de Veld-Artillerie op ƒ35 en bij
de overige Korpsen op ƒ80; en voor de onderofficieren-
schrijvers op ƒ25. (£. B. 25 Aug. 1888, ra". 21, art. 11,
Staat A., B. ü. 1007).
-ocr page 45-
HOOFDSTUK IV.
Dienst bij de Korpsen.
A. Kleeding en wapening.
§ 75. Zoodra een recrimt definitief is aangenomen, ontvangt
hij een volledig stel kleedingstnkken, al de benoodigde kleine
uitrustingstukken en het noodige ondergoed.
Een en ander wordt hem verstrekt ten laste zijner uitrusting-
en reserverekening.
Tot gedeeltelijke bestrijding van de kosten voor het verstrekken
dezer goederen wordt van \'s Rijkswege eene toelage voor eerste
uitrusting
te goed gedaan. (Zie Hervorm onder § 73).
§ 76. Voor onderhoud en vernieuwing van deze goederen
wordt den vrijwilliger, voor eiken dag van presentie, of dat hij
als present wordt beschouwd, eene toelage op gezegde rekening
te goed gedaan, waarvan het bedrag is aangegeven op den als
Bijlage C achter dit hoofdstuk gevoegden staat. Ieder militair
wordt voorzien van een zakboekje, waarin o. a. zijne uitrusting-
en reserverekening wordt gehouden, zoodat hij die rekening kan
nagaan.
§ 77. Ieder onderofficier en soldaat mag zich voor eigen
rekening geheel of ten deele voorzien van voorwerpen van klee-
ning en uitrusting, mits die in goed bruikbaren staat en voor
den dienst geschikt zijn, en de bovenkleeding geheel overeen-
komstig de vastgestelde modellen zij.
Het voor eigen rekening aangeschafte komt in vervanging van
dat, van Rijkswege te verstrekken, wordt voorzien van de num-
mers en merken, bij het korps in gebruik, en blijft het eigen-
dom van den belanghebbende, (R. A., art. 95).
-ocr page 46-
32
IV. Kleed ing en tra pening.
\\ 78- De voorwerpen van wapening, ledergoed en nachtleger
voor onderofficieren en soldaten, en die van paardetuig voor
Rijkspaarden worden uit s Rijks magazijnen verstrekt en ver-
nieuwd, en voor Rijks rekening onderhouden, (a. v. art. 123).
]?. Huisvesting en soldij.
§ 79. De korporaals wonen, bij de Infanterie, met de sol-
daten en de tamboers of de hoornblazers, bij de Cavalerie, met
de trompetters, hoefsmeden en ruiters hunner escouade ; de ser-
geanten en wachtmeesters wonen afzonderlijk, zoo dicht mogelijk
bij de compagnie of het eskadron. De sergeant-majoor en de
opperwachtmeester wonen, zoo zij ongehuwd zijn, met den fourier
in een afzonderlijk vertrek ; zijn zij gehuwd, dan wordt hun een
bureel in de kazerne aangewezen. De sergeanten- en korporaals-
tamboer of -hoornblazer en de schrijvers wonen met de sergeanten.
De muzikanten worden in afzonderlijke vertrekken, zooveel mo-
gelijk vereenigd, gehuisvest. De meesters-werklieden wonen in,
of, zooveel mogelijk, nabij de kazerne. De adjudanten-onderofficier,
de vaandeldrager, de standanrddrager, de pikeur, de kapelmeester,
en de staftrompetter bewonen ieder eene afzonderlijke kamer ; een
der eerstgemelden meer bepaaldelijk in de kazerne en nabij het
bataljon, het eskadron of de batterij waartoe hij behoort. (Regl.
Inic. dienst).
§ 80. 10lk tot troepenvcrblijf bestemd lokaal wordt naar de
behoeften voorzien van meubelen.
Jaarlijks, vóór of op 1 November, wordt vanwege het Rijk
verstrekt voor elke gedurende den dag bewoonde onderofficiers-
en troepenkamer, eene kachel met bijbehoorende plaat, pijpen,
kolenbak, pook en schop. {Ka;, regl., artt. 14 en 21).
\\ 81. Onbeschoteu zolders mogen nimmer worden bewoond,
en beschoten zolders in gewone tijden niet, tenzij deze in ver-
trekken zijn afgedeeld. In de kamers voor logies bestemd mogen
in gewone omstandigheden niet meer personen worden gehuisvest
dan overeenkomt met ± 1\' M3 ruimte en 3.5 M5 grond-
oppeivlakte voor eiken bewoner, (a. v., artt. 10 en \\7).
§ 82. De kamers, bewoond door onderofficieren, worden
voorzien van nachtlegers, stoelen en sluitbare kribbekastjes [per
onderofficier\' van elk dier voorwerpen één, met uitzondering van
-ocr page 47-
IV. Huisvesting en soldij.
33
stoelen, waarvim eenige boven het aantal bewoners per kamer
worden verstrekt] ; tevens van één of meer geverfde tafels en van
één of meer waschtafels met wasehkom, waterkit en vuilwatercmmer.
In de eetzalen wordt, behalve het noodige aantal tafels en
kasten, voor eiken ongehuwden onderofficier van Rijkswege één
stoel verstrekt, (a. »., art. 15).
§ 83. De voorhanden zijnde kleine kleedingstukken worden
altijd in den ransel geborgen, met uitzondering van de schoenen,
de kwartiermuts en den handdoek.
Alle verdere voorwerpen, behoorende tot de uitrusting en de
bewapening van den man worden, voor zooveel zij niet in gebruik
zijn, op de meest ordelijke wijze, door den compagnies-comman-
dant te bepalen, in of op de daartoe bestemde kleerkastjes, rakken
en planken gelegd, of daaraan gehangen. Ook op de berging van
reglementen, boeken enz. wordt door den compagnies-comman-
dant orde gesteld.
Het gereedschap, dat tot het schoonmaken der kamers noodig
en bij de compagnieën in gebruik is, moet tot het volstrekt
noodige worden beperkt.
Het bezit van kistjes, mits deze gesloten kunnen worden en
zoodanige afmetingen hebben, dat ze onder de nachtlegers kun-
nen worden geplaatst, en overigens in zindelijken staat zijn, kan
door den bataljons-commandant worden toegelaten.
Van tijd tot tijd doet de compagnies-commandant die kistjes
nazien, en zoodra blijkt, dat de inhoud zich in onzindelijken
toestand bevindt, of uit voorwerpen bestaat, welke strijdig zijn
met de tenue, ontneemt hij aan den eigenaar de vergunning om
het kistje in de kazerne te hebben.
Bij afwezigheid van de eigenaars mogen deze kistjes niet op
de rustkamers worden geborgen.
Niet gebruikt wordende, moeten zij altijd gesloten zijn.
Het bezit van andere voorwerpen, welke tot gerief van den man
of tot verfraaiing van de kamer strekken, kan mede worden ver-
gund. De kamers der onderofficieren worden voorzien van een-
voudig en net huisraad, als : stoelen, tafels voorzien van schuif-
laden, kasten, waschtafels enz. (Regl. In», dienst).
\\ 84. De nachtlegers bij de korpsen en inrichtingen van het
leger in gebruik worden onderscheiden in eenmaus- en in
tweemans-naclitlcgers.
S
-ocr page 48-
] V. Huisvesting en soldij.
34
De eeumaus-nachtlegers zijn bestemd voor ongehuwde», de
twoemans-naohtlegors voor gehuwde militairen.
Ken eetiniaus-nachtlegor bestaat uit een ijzeren bedkrib met
raam van band ijzer, een linnen bcdzak en een linnen kusseuzak,
beide gevuld met stroo, een linnen bovenlaken, een linnen onder-
laken, een wollen deken van 1 Mei tot 30 September en twee
wollen dekens van l Oetober tot 30 April.
Bij strenge koude kan, wanneer dit door de comm:wuleereiide-
oftieieren van de troepen ter plaatse uoodig wordt geoordeeld en
de beschikbare voorraad het toelaat, door den toeziendc-chef\' van
het garnizoens-nachtlegermagazijn een derde deken worden verstrekt.
(Instructie betreffende o. a. den dienst bij de garnizoens—nachtleger-
magazijnen. M. 1)
20 Mei 1892, n". 112, art. 38, li. M 189).
§ 85. De onderofficieren bij de korpsen mogen zieh voorzien
van een matras en hoofdpeluw van paardenhaar of van kapok,
vervaardigd op de wijze als ten opziehte der tweemansmatrassen
en hoofdpeluwon is voorgeschreven, doch van zoodanige afmetin-
gen, dat ze in de ecnmans y ze ren bedkrib kunnen worden ge-
bruikt. Die voorwerpen moeten door en voor rekening van de
gebruikers worden aangeschaft en onderhouden en blijven hun
eigendom, (a. v., art. 39).
vj 86. In den loop der maand Maart van elk jaar — of,
wanneer eene garnizoensverandering in het voorjaar te voorzien
is, onmiddellijk na afloop daarvan — wordt het stroo van de bed-,
kussen- en stroozakken, bij. de compagnieën in gebruik, geheel
vernieuwd, en wel, zoo uoodig, achtereenvolgend bij gedeelten.
lu de maand Oetober van elk jaar wordt, gelijktijdig met de
verwisseling der zakken, het stroo behoorlijk uitgeschud en ge-
zuiverd, en daarna met nieuw stroo aangevuld. («. »., art. 43).
Ue bij de compagnieën in gebruik zijnde bed-, kusscn- en
stroozakken worden tweemaal in het jaar, en de bedlakens eens
per maand tegen schoone verwisseld.
Ejns in het jaar — in den regel gedurende het tijdvak van
1 Mei tot 31 Augustus — worden de dekens, waarvoor dit, naar
het oordeel van den toeziende-chef van het garnizoens-naehtle-
germagazijn, uoodig is, door schoone vervangen, (a. v., art. 44).
§ 87. lu elke kazerne worden, behalve de woonvertrekken,
zooveel mogelijk, nog voor bijzonder gebruik aangewezen, o. a.
per bataljon eene keuken voor de onderofficieren en eene voor de
-ocr page 49-
IV. Huisvesting en soldij.
35
mindere militairen, per bataljon eeue eetzaal voor de onderoffi-
cieren, eene scherm- en danszaal, één of meer schoollokalen naar
gelang van de behoefte, eene uitspanningszaal, eeue bad- of
reinigingskamer enz. {liegl. luw. dienst).
§ 88. Zoo eenigszins mogelijk worden voor onderofficieren en
voor mindere militairen afzonderlijke cautine-lokalen ingericht.
In de cantine worden, op door den commandeerenden officier
vast te stellen gedeelten van den dag, tegen contante betaling
verkrijgbaar gesteld: eet- en drinkwaren van eenvoudigen aard
doch goede hoedanigheid, alsmede zoodanige voorwerpen en
artikelen waarvan kan worden aangenomen dat de soldaat ze
dikwijls gebruikt.
De in de cantine te maken winst moet zooveel mogelijk wor-
den beperkt. Eventueel kunnen sommige artikelen als bier, koffie,
boter enz., zonder winst of zelfs met verlies worden verkocht
indien dit mogelijk is, doordien op andere artikelen, in het
bijzonder op sterken drank, winst wordt behaald. Wat van de
winst overblijft, wordt in de eerste plaats gebruikt voor het onder-
houd, den aanmaak of aankoop van hetgeen noodig is tot de
uitoefening van het bedrijf en het aanschaften van spellen en
couranten en verder uitsluitend en gelijkelijk ten bate van de
militairen besteed, op de wijze welke het meest tot hun nut en
genoegen kan strekken, (a. »., art. 146).
§ 89. Het dagelij ksch bedrag van de soldij en van de be-
zoldiging
van de onderofficieren en minderen wordt door den
Koning bepaald, en is thans vastgesteld, zooals vermeld wordt
in de achter dit hoofdstuk gevoegde staten. (Bijlagen D, Een I).
[Zie voorts: voor de hospitaalsoldij,
§ 102; voor de bezoldiging der
geëmploi/eerdeu bij de Militaire Hospitalen, Bijl. J.; voor de soldij
van onderofficieren en manschappen de Marechaussee,
§278; voor het
traktement van de apothekers-bedienden,
§ 648].
De soldij wordt op den 54m, 10de", \\bim, 20s,en, 25sle" en laatsten
der maand, na aftrek van hetgeen in de menage is besteed, en
zoo noodig aangevuld door bijslag, tot het bedrag als minimum
van het zakgeld vastgesteld, uitbetaald. (Regl. Inw. dienst). [Zie
aangaande de uitbetaling van soldij ook
§ 92].
C. Menage.
§ 90. De korporaals en manschappen van elke compagnie
-ocr page 50-
IV. Menage.
u
houden ie zamen menage. Zijn er echter weinig manschappen
onder de wapenen en is het in hun belang, dan kunnen twee of
meer compagnieën één menage uitmaken.
Door ieder, die aan de menage deelneemt, wordt per dag eene
som ingelegd, gelijkstaande aan de soldij van den soldaat die
de minste soldij geniet en aan de menage deelneemt, (a. v.,
artt.
114 en 115).
§ 91. In den regel moeten de maaltijden als volgt verdeeld
worden :
a. Wanneer \'s morgens soep wordt gebruikt:
1°. Vóór de morgen-oefening, brood met koffie; 2°. onmid-
dellijk na de morgen-oefening, soep met vleescJi; 3°. tusschen 3
en 4 uur, de middagkost.
b. Watmeer \'s morgens geen soep gebruikt wordt:
1 . Vóór de morgen-oefening, brood met boter, kaas en koffie;
2°. omstreeks 1 uur des namiddags, de middagkost.
Op de dagen dat \'s morgens geen soep wordt gebruikt en dus
koffie met brood, boter en kaas wordt verstrekt, bestaat de
middagkost uit vleesch, aardappelen en groente. Op de overige
dagen bestaat de middagkost uit: aardappelen met groente en
spek; of bruine boonen met spek; of grauwe erwten met spek ;
of erwtensoep met spek.
De, als Bijlage G, achter dit hoofdstuk gevoegde staat bevat
een overzicht van de hoeveelheid en de soort van levensmiddelen
die voor iederen man, eiken dag, worden verstrekt, m. a. w.
het dagelijkse/t menu voor den soldaat.
Het menu wordt overigens afgewisseld naar den tijd van het jaar.
De diensten bij de korpsen worden zoodanig geregeld, dat de
soldaat, na het middagmaal, minstens óun uur vrijen tijd heeft.
Het ontbijt en het middagmaal hebben plaats onder toezicht
van de officieren der orderweek.
Ofschoon het ration kaas, zooveel mogelijk, voor ieder man
in één stuk wordt verstrekt behoeft de kaas niet in eens te
worden genuttigd, doch wordt het den gebruiker zelfs aanbevo-
len een gedeelte van het brood, de boter en de kaas te bewa-
ren voor avondeten. {Voorschr. betreffende de Voeding enz.; M.
-ocr page 51-
IV. Menage.                                          37
B. 25 Oct. 1880, »•>. 81, e» M. B. 13 Oerf. 1881, u°. 41,
#. Ï7. 580 en 657).
§ 92- Hetgeen van den inleg, na aftrek der vertering in de
menage, overblijft, wordt alle vijf dagen den man als zakgeld
uitbetaald. Dit zakgeld mag in geen geval minder bedragen dan
vijf en vijftig cents voor de manschappen van het Regiment
Grenadiers en Jagers, vijftig cents voor die der overige regi-
menten Infanterie en vijf en zestig cents voor die der overige
wapenkorpsen. Hetgeen, b. v. ten gevolge van ongewone duurte
der levensmiddelen, aan deze minimale bedragen ontbreekt, wordt,
als bijslag op de soldij, van Rijkswege te goed gedaan.
Het zakgeld, dat den korporaal wordt uitbetaald, overtreft
dat van den soldaat steeds met zooveel, als de soldij van den
korporaal hooger is dan die van den soldaat. (K. B. 25 Aag.
1888, n". 27, art. 6, B. U. 1007).
§ 93. Bij elk bataljon houden de onderofficieren tezamen menage.
De gehuwde onderofficieren, zoomede de muzikanten, kunnen
desverkiezende daaraan deelnemen.
Ook militairen beneden den graad van onderofficier, kunnen
op voordracht van den commandant der compagnie en met toe-
stemming van den bataljons-commandant tot deze menage worden
toegelaten.
Door ieder, die aan de menage der onderofficieren deelneemt, wordt per
dag eene som ingelegd, uoodig om aan de deelnemers des morgens koffie
en boter, en des namiddags een voedzameu en den onderoffleiersstand pas-
senden maaltijd te kunnen verschaffen en overigens in de behoefte der menage
te kunnen voorzien.
Het bedrag dier som wordt door den commandeerenden officier bepaald.
Daarenboven betaalt ieder, die tot de menage toetreedt, tot het aanschaffen
en onderhoud van tafelgoed en keukengereedschap, bij hetzelfde korps, voor
ééns eene bijdrage.
Tot commissarissen van de tafel worden door hen, die aan de menage
deelnemen, uit hun midden drie onderofficieren gekozen.
Ben daarvan wordt als menagemeester en een ah plaatsvervangend mcna-
gemeester aangewezen.
Deze commissarissen worden maandelijks vervangen. Zij bepalen, onder
nadere goedkeuring van den bataljons-adjudant, de soort van spijs, welke
gegeten zal worden, en zijn belast met de regeling van alles, wat het dage-
lijksch beheer van de menage betreft.
De menagemeester is belast met den inkoop der levensmiddelen en verdere
benoodigdheden voor de menage, zoomcde met het aanhouden van het nieua-
geboek en het qnitantieboek,
-ocr page 52-
38
IV. Menage.
Het bestuur en het toezicht over de onderofficiersmenage is aan den
bataljons-adjudant opgedragen. (Jterjl. Tnm. diens/).
J)e ongehuwde onderofficieren kunnen ten behoeve hunner menages, voor
zooveel zij uit wenschen, levensmiddelen uit de garnizoensmagazijnen ont-
vangen. Ouk kunnen ten behoeve van de menages der onderofficieren, vleesch,
vet, spek, zout, koffie, melk, groenten, azijn, peper en mosterd tegen den
aannemingsprijs worden verkregen. (Vonrsclir. betreffende de Voeding enz.).
§ 94 Behalve zijne soldij, ontvangt ieder militair van Rijks-
wege, dagelijks nog een ration mnnUiehrood. Het ration moet
een gewicht hebben van 0.6 kilogram. Het brood is van tarwe
en moet van goede hoedanigheid zijn. (K. B. 25 Ang. 1888,
»°. 27, art. 7, B. U. 1007).
§ 95. Be officieren van gezondheid, bij de korpsen inge-
deeld, letten in het bijzonder op de huisvesting, voeding en
kleeding van den soldaat. Ontwaren zij daarbij iets, wat naar
hun gevoelen voorziening vereischt, dan geven zij daarvan on-
middellijk kennis aan den chef van het korps en aan den chef
van den geneeskundigen dienst ter plaatse.
Deze laatste, of wel de eerstaanwezende officier van gezond*
heid bij het korps, treedt, zoo noodig, met den korps-comman»
dant in overleg ten opzichte van de te nemen maatregelen, en
omtrent het onderzoek, gevorderd tot het opmaken van de ge-
zondheidskaart, model n°. 0. (ftegl. Geneesk. dienst, art. 40, M.
B.
16 Nov. 1881, n\\ 108, B. V. 663 en M. B. 10 leb.
1887, ».. 39, B. U. 942).
D. Verpleging in geval van dekte of ongesteldheid.
§ 96- Ingeval van ziekte of ongemak worden de militairen, van
Rijkswege, geneeskundig verzorgd en van geneesmiddelen voorzien.
§ 97. Het morgenhezoek in de kazerne geschiedt op een door
den korps-commandant, in overleg met den chef van den genees-
kundigen dienst ter plaatse, te bepalen uur, doch altijd minstens
een uur vóór den tijd, waarop de dienst in het hospitaal begint.
De officier, met den kazernedienst belast, wijst de zieken en
gekwetsten aan, die naar het hospitaal of de daarvoor in de
plaats tredende zieken "inrichting moeten worden overgebracht.
{Regl. a. »., artt. 41 en 42).
§ 98. Alleen bij ongesteldheid van lichten aard en in zeer
-ocr page 53-
TV. Verpleging.
3!)
enkele gevallen worden ongehuwde militairen in het kwartier
behandeld.
In den regel geschiedt dit, voor niet langer dan 24 uren.
De kwartierzieken van den vorigen dag moeten den officier van
gezondheid bij het morgenbezoek worden vertoond. («. v., art. 43).
5 99. Tndien de officier van gezondheid, met den kazerne-
dienst belast, het noodig oordeelt, kan hij vrijstelling van het
dragen van den ransel of van den halsdas, of wel van het paard -
rijden, het zwemmen en van andere oefeningen verkenen aan
manschappen, wier lichamelijke toestand die vrijstelling wcn-
schelijk of noodzakelijk doet achten.
Hij geeft van de door hem bevolen vrijstellingen schriftelijk
kennis aan den betrokken korps-commandant, met vermelding
van den tijd, door hem voor de vrijstellingen noodig geacht.
(a. v., art. 44).
§ 100. Na afloop van den dienst in de kazerne, neemt de
officier van gezondheid, met het morgenbezoek belast, inzage
van de bij den commandant der kazernewaeht ingekomen rap-
porten omtrent gehuwde militairen of leden hunner gezinnen,
voor wie genees- of heelkundige hulp verzocht is.
Hij bezoekt die zieken zoo spoedig doenlijk, daarbij evenwel
in acht nemende, dat dit bezoek moet afgeloopen of afgebroken
zijn tegen den tijd, waarop de morgendienst in het hospitaal
eenen aanvang neemt. (a. v., art. 4G).
§ 101. Zij, die bij den morgendienst ïvt opneming in de ziehen-
inrichting
worden aangewezen, moeten vóór elf uur in die in-
richting aanwezig zijn. Zoo noodig, geschiedt hun vervoer door
middel van den ziekenwagen of per brancard.
Aan de zieken wordt eene ligplaats aangewezen. Hun worden,
zoo noodig, de middelen verstrekt om zich behoorlijk te reinigen.
Hunne kleeding en uitrusting worden in ontvangst genomen,
nadat zij voorzien zijn van de voorgeschreven hospitaalklee-
ding. {Voorschr. betreffende de Hospitalen; M. D. 21 Sept.
1880, n°. 79, 5. U. 577).
§ 102. De militairen in een hospitaal opgenomen, ontvangen
daar alles, wat tot hunne verpleging en genezing kan strekken.
Zij genieten bovendien de hoapitaaholdy, waarvan het dage-
lijksch bedrag is bepaald op 30 cents voor de adjudanten-onder-
offieicr, 20 cents voor de sergeanten-majoors of opperwachtmcrs-
-ocr page 54-
40                                   IV. Verpleging.
ters, 15 cents voor de sergeanten, wachtmeesters of fouriers,
10 cents voor de cadetten, 8 cents voor de korporaals, 4 cents
voor de mindere militairen en 2 cents voor de pupillen.
Deze soldij wordt evenwel niet genoten door: a. de gehuwde
onderofficieren en manschappen, alsmede de weduwnaars met één
of meer kinderen j b. de militairen van de landmacht beneden
den rang van officier, wier bezoldiging per jaar is vastgesteld;
en c. de onderofficieren en minderen van liet wapen der Mare-
chaussee.
Gehuwde onderofficieren en minderen, weduwnaars met één
of meer bij hen inwonende kinderen daaronder begrepen, be-
houden hunne soldij, doch ondergaan gedurende den tijd
hunner verpleging in een militair hospitaal of andere zieken-
inrichting (de geneeskundige gestichten voor krankzinnigen daar-
onder begrepen) eene vermindering op hunne dagelijksche soldij,
naar gelang van de graden welke zij bekleeden, te weten : een
onderofficier 10 cents, een korporaal 7.^- cents en een minder
militair 5 cents.
De militairen der landmacht, beneden den rang van officier,
wier bezoldiging per jaar is vastgesteld, mitsgaders de onder-
officieren en mindere militairen van het wapen der Marechaussee
ondergaan gedurende den tijd hunner verpleging in voormelde
zieken-inrichtingen eene vermindering van bezoldiging, welke per
dag bedraagt: voor de marechaussees te voet 40 cents en voor
de overige militairen 55 cents. Deze vermindering van bezoldiging
wordt slechts tot het halve bedrag ondergaan, indien de betrok-
ken militairen gehuwd zijn (weduwnaars met één of meer kinderen
daaronder begrepen). [K. B. 7 Sept. 1880, n°. 9, arü. 19, 20
en 23, B. U. 577].
§ 103. De hospitaalsoldij wordt in den regel uitbetaald op den
6den, den llde", den 16den, den 21sten, den 26s,e" en den laat-
sten dag van elke maand. {Voorschr. op de Hospitalen; M. B.
21 Sept. 1880, »". 79, Ii. U. 577).
§ 104. De vertrekken en ziekenzalen in de militaire hospitalen worden
op eenvoudige en doelmatige wijze van meubelen voorzien.
De wandelplaatien bij de gebouwen moeten steeds in brnikbaren staat
verkecren en van rnstbanken zijn voorzien.
Daar, waar de localitiit zulks toelaat, worden leeskamers ingericht, ten
einde den patiënten, wier toestand dit gedoogt, gelegenheid te geven, dew,
-ocr page 55-
IV. Verpleging.
41
vrijen tijd, buiten de ziekenzalen, met lezen of cenig ander gepast spel door
te brengen. (A\'. B, a. v., arlt. 26, 28 en 76).
§ 105. De gewone volding der zieken wordt in vier maaltijden gebruikt,
n. 1.: 1* maaltijd: brood met boter en thee met melk j 2\' maaltijd .rijst met
melk, of havergort niet melk, of gort met boter. Voor verpleegden, die het
hospitaal verlaten, op den dag van hun vertrek, groentesoep met vleesch;
3" maaltijd: gebraden vleesch met aardappelen en groenten, met bier of
wijn; 4e maaltijd: brood met boler en thee met melk.
Voor de zieken, voor wie de chef van bet hospitaal zulks noodig acht,
kunnen buitengewone voedingsmiddelen norden voorgeschreven, als: versche
groenten, rijst met melk, chocolade, eieren, kaas, rookvleesch, haring, be-
schuit, vruchten, melk enz.
Gedurende den gcheelen dag moet er bouillon aanwezig zijn, om daarvan
de door de officieren van gezondheid aangewezen zieken te voorzien. De chef
der inrichting bepaalt de hoeveelheid vleesch, welke voor de bereiding
van dezen bouillon gebruikt moet worden. («. c, arlt. 184—180).
§ 106. De gewone verschooningen van de hospitaalgoederen, bij de zieken
in gebruik, hebben plaats als volgt: telken vijf dagen, de mutsen, hals-
doeken, zakdoeken, hemden, onderbroeken, sokken en handdoeken; telken
vijftien dagen, de beddelakeus, de overtrekken der hoofdpcluwen en linnen
pantalons; telken zes maanden, de stroozakken, stroopeluwcn en dekens;
telken jare, de jassen en laken pantalons.
De aangegeven verwisselingen sluiten echter niet uit de extra verschoo-
ningen,
welke de officieren van gezondheid wegens bijzondere redenen noodig
oordecleu.
De voorwerpen van kleeding, linnengoed en nachtleger, in gebruik geweest
bij eenen zieke of overledene, moeten vóór de uitgifte aan andere personen
behoorlijk gereinigd worden.
Het stroo uit de gebruikte stroozakken wordt, buitengewone omstandig-
heden uitgezonderd, op 1 Januari en 1 Juli vernieuwd. («. r„ arlt. 104,
106, 107 en UB).
§ 107. Zoowel aan Ce verpleegden, die zich in de leeskamers bevinden, als
aan de zieken, die hun bed niet mogen verlaten, moet, indien zij zulks verlangen,
schrijfgereedschap worden verstrekt. Het daarbij te gebruiken papier, de post-
zegels enz. worden hun tegen inkoopsprijs verschaft. («. »., art. 281).
§ 108 Wanneer een verpleegde zoodanig ongesteld wordt, dat et gevaar
voor zijn leven
bestaat, dan geeft de chef der inrichting daarvan kennis aan
de naaste bloedverwanten van den lijder.
In dit geval ziju de chefs der inrichtingen verplicht het bezoeken van
den lijder door naastbestaauden, zooveel mogelijk, gemakkelijk te maken,
(a. !., art. 158).
j 109- Overal waar eeuc militaire ziekcn-iniïchting bestaat, zal aan het
bestuur of de geestelijkheid van elke ter plaatse gevestigde gezindte, des-
verlangd, door deu chef der inrichting ecne toegangkaart uitgereikt worden,
tot het bezoeken van de klanken dier gezindte door een\' geestelijke, leeraar
of krankenbezoeker, aan wien dit door dat bestuur of die geestelijkheid
Miordt opgedragen.
-ocr page 56-
IV. Verpleging.
42
Dag en uur, ééns in de week, voor het bezoek bestemd, worden door
den chef der inrichting, in overleg met het bestuur of de geestelijkheid der
betrokken kerkelijke gezindte, bepaald en op de kaart aangegeven.
De toegangkaart kan wezen voor ren, twee, drie of meer personen, die
op de kaart moeten zijn genoemd; zij geldt voor dengene van hen, die
daarvan houder is.
Wanneer een zieke godsdienstige toespraak of hulp verlangt, hetzij van
den leeraar, geestelijke of krankenbezoeker, aan wien het wekelijksch bezoek
is opgedragen, hetzij van een ander door hem aangeduid, dan zal aan dezen
dit verzoek, vanwege den chef der inrichting, terstond overgebracht en de
gelegenheid tot bezoek gegeven worden.
Verlangen verwanten van eenen lijder, dat hij door een\'leeraar, geestelijke
of krankenbezoeker worde bezocht, dan geeft de chef daartoe verlof.
Oordeelt een officier van gezondheid, of bij diens ontstentenis de admi-
nistrateur der inrichting, dat een verpleegde met levensgevaar wordt bc-
dreigd, dan wordt vanwege de directie der inrichting onverwijld daarvan
kennis gegeven aan den geestelijke of leeraar, die haar voor dat geval is
aangewezen door de geestelijkheid of het bestuur van de ter plaatse geves-
tigde kerkelijke gezindte, waartoe de lijder behoort, opdat de gebruikelijke
plechtigheden of gebeden tijdig kunnen plaats hebben.
Een geestelijke, leeraar of krankenbezoeker, overeenkomstig het voren-
staande toegelaten, heeft vrijen toegang tot de kranken wie het geldt, zoo-
lang hij dit voor de vervulling zijner herderlijke plichten noodig acht.
Het is hem echter verboden, zich, bij het bezoeken van kranken, met de
behandeling of verpleging te bemoeien.
De herderlijke dienst moet bij iederen zieke afzonderlijk uitgeoefend worden; het
houden van redevoeringen, lezingen enz. op de zalen mag niet worden toegelaten.
De Roomsch-Katholieke lijders, die de sacramenten ontvangen, moeten
door middel van schermen aan het gezicht der op de zalen aanwezigen wor-
den onttrokken, (a. v., artl. 233—241).
§ 110. De officieren van gezondheid, bij korpsen dienstdoende,
dragen, met inachtneming van de Wet op de besmettelijke ziek-
ten, van art. 7 der Wet van 1 Juni 1865 (StM n°. 60) en
van de Kon. Bcsl. van 28 Feb. en 37 Mei 1873 (StM.n°s.B5
en
76), zorg voor de tijdige vaccinatie en revaccinatie van alle
tot die korpsen behoorende militairen en van hunne huisgezinnen,
indien namelijk de vaccinatie of revaccinatie van deze laatsten
door de hoofden dier gezinnen verlangd wordt. (Hegl. Geneesk.
dienst, art. 47).
§ 111. Voor militairen, voor wie het na verpleging wegens
ziekte of om andere redenen wenscholijk is gedurende de zomer-
maanden eenigen tijd in gezonde frissohe lucht door te brengen,
V» de legerplaats Milligen bestemd tot herstellingsoord.
-ocr page 57-
TV. Godsdiensiplic/den, Onderwijl.                    43
Tot huisvesting en verpleging voor dat doel is het ambulance-
gebouw aldaar aangewezen. (K. B. 18 Ang. 1885, n°. 21,
B. U. 953).
5 112. Aangaande de geneeskundige behandeling door specia-
liteiten van personen in wier geneeskundige verzorging voor reke-
ring van het Departement van Oorlog wordt voorzien, zijn regelen
vastgesteld bij de M. A. van 19 Jan. 1891, n°. 63, B. U. 11 55.
E. GodsdienstplicAten. Onderwijs.
§ 113. Op Zon- en feestdagen worden slechts de onvermijde-
lijke diensten van huishoudelijken aard, zoomede de vereischte
wacht- en patrouillediensten verricht.
Op bedoelde dagen moeten de onderofficieren, korporaals en
manschappen — voor zoover zij niet gestraft of in dienst zijn —
in de gelegenheid worden gesteld om gedurende de uren voor
de godsdienstoefening bestemd, naar de kerk te gaan van de
gezindte waartoe zij behooren. De commandeerende officieren
waken er voor, dat hun die gelegenheid worde verschaft, zonder
dat het noodig zij, dat door die militairen daartoe vooraf ver-
gunning worde gevraagd.
De Israëlieten moeten, zooveel mogelijk, in de gelegenheid
worden gesteld den Sabbath en hunne erkende godsdienstige feesten
te vieren. (Eegl. Inw. dienst, art. 174,).
De militairen, die hunne geloofsbelijdenis nog niet hebben
afgelegd, worden in de gelegenheid gesteld, het godsdienst" of
catechetisch onderwijs bij te wonen.
§ 114. Mede in verband met den inhoud van art. 1 der
Tteglementen op den inwendigen dienst van de Infanterie en de
Cavalerie, is de aandacht van de autoriteiten der landmacht er
op gevestigd, dat door hen, en in het algemeen door alle meer-
deren, te juister plaats en tijd alles in het werk moet worden
gesteld, wat kan bijdragen tot de zedelijke vorming van de onder
hunne bevelen gestelde militairen.
Vooral voor de jeugdige miliciens, die tot de vervulling van
hunnen dienstplicht in het leger worden geroepen, en daarbij
tijdelijk aan het toezicht van hunne ouders of betrekkingen wor-
den onttrokken, behooren zij in den waren zin des woords, zooals
de vermelde reglementen bedoelen, ook opvoeder* te zijn, die hen.
-ocr page 58-
44                    IV. Godsdienstplichten. Onderwijs.
leiden en voorgaan in de vervulling zoowel van hunne militaire,
als van hunne zedelijke en maatschappelijke verplichtingen.
De vermelde autoriteiten behooren deze aangelegenheid met
den meesten ernst ter harte te nemen en er voor te waken, dat
voornamelijk hunne onderhoorige officieren, in dit opzicht in
bovenbedoelden zin alles doen, wat in het belang van de zedelijke
ontwikkeling der militairen dienstig kan zijn en wat, gelet op
de groote verantwoordelijkheid, die voor het moreele welzijn van
den soldaat op hen rust, van hen mag en moet worden gevorderd.
Baarbij zij opgemerkt, dat onder de middelen, welke kunnen
strekken om de zedelijke vorming van den soldaat te bevorderen,
alleszins de aandacht verdienen, de zoogenaamde Militaire Tehuizen,
RoomscJt-Katholieke Vereenigingen
, en dergelijke inrichtingen of in-
stellingen, die in den lateren tijd, met medewerking en onder be-
scherming van weldenkende personen, zijn opgericht, waar de soldaat
nuttig wordt bezig gehouden en onder behoorlijk toezicht gelegenheid
vindt om zich op gepaste wijze te ontspannen. De bedoelde Tehuizen
en Vereenigingen, en andere inrichtingen of instellingen van dien
aard, mogen dan ook alleszins aanspraak maken op den steun
van de militaire autoriteiten. Het is het bepaald verlangen van
den Minister van Oorlog, dut die autoriteiten hunne medewerking
zullen verleenen, tot bevordering van het doel, dat die inrich-
tingen en instellingen trachten te bereiken. Wanneer zulks door
hare besturen aan de commandeerendc-officieren wordt verzocht,
zullen vooral de miliciens door de betrokken compagnies-, eska-
drons- en batterij-commandanten met het bestaan dier Tehuizen,
Vereenigingen
en dergelijke bekend, en op het nut dier inrieh-
tingen opmerkzaam moeten worden gemaakt. Het spreekt even-
wel van zelf, dat bij die aansporing om die Tehuizen, Vereeni-
gingen,
enz. te bezoeken, geen dwang mag worden uitgeoefend;
dat ieders godsdienstige gevoelens daarbij behooren te worden
geëerbiedigd en dat de militairen geheel uit vrijen wil tot het
bezoeken van de Militaire Tehuizen, Vereenigingen, enz. moeten
overgaan.
De bedoelde autoriteiten zijn uitgenoodigd, in voorschreven zin
te handelen on voorts om, wanneer door Besturen van de Militaire
Tehuizen, Vereenigingen, enz. aankondigingen omtrent doel en
strekking der bedoelde inrichtingen en instellingen, tijdstippen
waarop zij tot bezoek openstaan, enz., worden aangeboden, ten,
-ocr page 59-
IV. Godsdiemtplickten. Onderwijs.                    45
einde deze in kazernelokalen, cantines, enz., op te hangen,
daaraan gevolg te doen geven. (Af. A. 14 Mei 1802, ?i". 8,
11. M. 178).
§ 115- Bij de verschillende korpsen en onderdeden wordt
gedurende de wintermaanden onderwijs gegeven in het lezen,
schrijven, rekenen, de geschiedenis des Vaderlands en de
aardrijkskunde op z. g. huishoudelijke scholen. Onderwijs en
schoolbehoeften worden kosteloos verstrekt.
Het bijwonen van dit onderwijs is aan alle militairen vergund,
doch verplichtend gesteld voor de korporaals en minderen, die
voor bevordering wenschen in aanmerking te komen, zoomede
in den regel voor alle miliciens.
Hiervan kunnen alleen worden uitgezonderd zij, die blijken
geven reeds die mate van kennis te bezitten, als op bedoelde
scholen kan worden verkregen.
Bij de Infanterie heeft de opleiding tot korporaal, fourier en
sergeant in den regel bataljonsgcwijze plaats. Bij de Cavalerie en
Artillerie worden de adspiranten voor die graden regimentsgewijze
vereenigd op z. g. korpsscholen. Aan de genoemde adspiranten
wordt, theoretisch en practisch, onderwijs gegeven in de regle-
menten en voorschriften, waarvan de kennis vereischt wordt; voorts
in het maken van dienstrapporten, en de adspiranten voor den
graad van sergeant, bovendien in het maken van menagerekeningen.
Wijders wordt aan het kader onderwijs gegeven in de militaire
administratie, door of onder het toezicht van eenen luitenant-
kwartiermeester.
Op de verschillende scholen worden de leerlingen, voor zoover
doenlijk, verdeeld in drie klassen, als: A. de onderofficieren,
B. de korporaals en C. de hoornblazers, tamboers en soldaten.
(M. B. 31 Juli 1868, »°. 102P, B. U. 322).
§ 116. Behalve het bajonetschermen voor de geweerd ragen-
den en het sabelschermen voor de met de sabel bewapenden,
dat tot de gewone oefeningen en africhtingen behoort, wordt bij
alle korpsen gelegenheid gegeven kosteloos onderricht in de scherm*
kunst te ontvangen ten einde het brevet van prevot (hulponder-
wijzer of meester (hoofdonderwijzer) op de verschillende wapens
te kunnen erlangen. (Lcidr. Schermoef. Al//. Bep. 1884). Ook het
schaatsenrijden wordt beoefend. (M. B. 6 Nov. 1847, »°. 1 B)-
Bij de onbereden korpsen ontvangen de recruten dagelijks ge-
-ocr page 60-
IV. Onderwijs.
16
durende een uur onderwijs in de gymnastiek. Voor de overige
militairen hebben de gymnastische oefeningen twee a driemaal
\'s weeks plaats; de regeling geschiedt door den commandeeren-
den officier, die bevoegd is de bejaarde manschappen van het
gymnastisch onderwijs geheel vrij te stellen, en hen, die naar
het oordeel van den compagniescommandant in alle oefeningen
voldoende bedreven zijn, slechts nu en dan tot het onderhouden
hunner geoefendheid daaraan te doen deelnemen.
Bij de bereden wapens hebben afzonderlijke gymnastische oefe-
ningen plaats, te regelen door den commandeerenden officier, naar-
mate van den beschikbaren tijd, in verband met de overige
diensten. (Handl. Gi/mu. oef.).
§ 117. Het onderwijs bij het Korps Genietroepen wordt
gegeven van 1 October tot in de eerste helft van April d.a.v.:
A.   op de Korpsschool tot vorming van kader en telegransten.
B.   op den opzichterscursus tot vorming van opzichters van
fortiticatiën.
De onder A genoemde \\Korpsschool is verdeeld in 3 Afdee-
lingeu, als:
de le bestemd tot vorming van korporaals,
„ 2e i,
         H         ii         ii onderofficieren,
„ 3° ;/         H opleiding van militaire telegransten.
Deze 1" Afdeeling is bovendien gesplitst in 3 klassen, waarin
de geniesoldaten 1° en 2e klasse en tamboers, naarmate hunner
practische bedrevenheid worden geplaatst.
Tot de le Afdeeling worden toegelaten alle vrijwilligers en
tamboers, die tot de school" en depotcompagnie behooren, en
die vóór hunne plaatsing daarbij bewijzen moeten hebben afge-
legd van goed onderwezen te zijn.
In de 2e Afdeeling worden geplaatst alle korporaals (ook
subsistenten) van de sehool- en depotcompagnie, en kunnen
worden toegelaten 16 korporaals van andere compagnieën, die
minstens 5 maanden in hun graad gediend en in alle opzichten
voldaan hebben; terwijl tot de 3" Afdeeling worden toegelaten
de milicieus-adspirant-vestiiigtelegralisten van de school- en
depotcompagnie en van alle compagnieën een jaarlijks door den
korps-commandant vast te stellen aantal onderofficieren, korporaals
en manschappen, voldoende handig en vlug van begrip om tot
tclegrafist te worden opgeleid.
-ocr page 61-
IV. Onderwijs.                                    47
liet onderwijs in du 1 Afdceling omvat de volgende vakkon :
a. de Nederlandsche taal, b. het schrijven, c. de rekenkunde,
d. de beginselen der meetkunde, e. de aardrijkskunde, /\'. de
vaderlandsche geschiedenis, g. het lijuteekenen, Ii. de pionier-
kunst, *\'. de sappeurkuust, k. de miueurkunst, l. de dienst- en
exercitiereglementen, m, het exerceeren en sehijfschieten en ». de
gymnastiek.
In de 2" Afdeeling dezelfde vakken als in de 1° Afdeeling
beuevens o. de beginselen der stelkuude en p. de militaire ad-
ministratie, terwijl in de 3" Afdeeling de volgende vakken wor-
den onderwezen: a. de dienst- en exercitieregleineuten, b. de tele-
grafie, e. de telegraafreglementen, d de beginselen der fransche
taal en e. het schrijven.
Jaarlijks wordt bij het einde van den sehoolcursus een examen
afgenomen door eene commissie, bestaande uit den korpscom-
mandant, den kapitein-directeur der scholen en eenen door den
Minister van Oorlog aan te wijzen compagnies-commandant. {Regie-
ment op de scholen, goedgekeurd bij M. B.
29 Oct. 1883, n°, 7)«
De regeling van het onderwijs in den sub B genoemden op-
zichterscursus is hierna in § 134 beschreven.
Buiten de hiervoreu bedoelde scholen wordt aan ongeoefenden
bovendien onderwijs in het lezen en schrijven gegeven.
§ 118. De aanwezigheid van werkplaatsen bij het Korps
Genietroepen geeft aan manschappen, die redelijk geoefend zijn
als timmerman, smid of instrumentmaker, gelegenheid zich verder
in hun ambacht te bekwamen.
Zijn zij zeer bedreven in hun vak, dan kunnen zij tot werkman
worden aangesteld; zij zijn alsdan gerechtigd tot het dragen van
een onderscheidingsteeken en genieten eene soldij verhooging van
10 ets. per dag. Het totaal aantal werklieden bedraagt 25.
§ 119. Bij de Rij- en Hoefsmidsschool te Amersfoort kunnen
opvolgend voor één jaar worden gedetacheerd telkens hoogstens
acht geschikte manschappen der regimenten Veld-Artillerie, om
aan die inrichting tot /we/smid te worden opgeleid. (Al. A. 25
Juli 1885, n\\ 105).
§ 120. Bij de Constructie-werkplaatsen heeft de opleiding
plaats tot eskadronszadelmaker van afgerichte huzaren, die daartoe
genegen zijn, zich goed gedragen, vóór hunne indiensttreding
het zadelmakersambacht hebben uitgeoefend en aldaar geschikt
-ocr page 62-
4 8                                    IV. Onderwijs.
worden geoordeeld voor bedoelde opleiding. Zoodra zij geschikt
worden geoordeeld om als eskadronszadelmaker op te treden,
worden zij, indien als zoodanig eene vacature bestaat, bij een
van de regimenten der Cavalerie als eskadronszadelmaker inge-
deeld. Bestaat geene vacature, dan blijven zij gedetacheerd bij
de Constructie-werkplaatsen tot eene plaats als eskadronszadel-
maker is opengevallen. (M. A. 23 Mei 1882, n". 23).
§ 121. Bij de constructie-werkplaatsen worden jaarlijks een
bepaald aantal vrijwilligers of miliciens (8 van de vesting-art il-
lerie en 12 van de bereden-artillerie) gedetacheerd, om in
zooverre te worden geoefend in de ambachten van smid, 7wut-
toerker, kuiper, timmerman, wagenmaker
en zadelmaker, dat zij
na een cursus van 6 maanden (voor de smeden der ber. art.
van 8 md.) de meest voorkomende kleine herstellingen van het
materieel der artillerie (veldmatcrieel of paardetuig) kunnen
aanbrengen.
Om voor deze detacheering in aanmerking te komen moeten
de manschappen voldoen aan de navolgende vercischten : goed
gedrag ; dat zij tot de categorie der geoefenden zijn overgegaan ;
dat zij vóór hun indiensttreden het ambacht hebben beoefend,
waarin zij bij het afleggen eener proef aan genoemde werkplaatsen
tot het beoogde doel geschikt geoordeeld zijn. (M. A. 8 Nov.
1878, n\\ 4, 12 Aug. 1880, n°. 12 en 4 Maart 1882, »°. 04).
§ 122. Bij de pyrotechnische school wordt jaarlijks van 1
October tot 1 Mei een cursus gehouden tot opleiding voor de
graden van korporaal- en van sergeant-vuurwerker. Tot het bij-
wonen van dien cnrsus worden in aanmerking gebracht korporaals,
sergeanten en fouriers der Vesting-Artillerie, die aan bepaalde,
door den Inspecteur der Artillerie te stellen eischen van geschikt-
heid voldoen. Na afloop van den cursus volgt, bij gebleken
bekwaamheid, naarmate er vacatures bestaan, de benoeming.
(M. A. 4 Juli 1881, n\\ 66).
§ 123. Voor het Korps Torpedisteu bestaat eene afzonder"
lijke school. (Af. B. 13 Sept. 1869, »°. 43P).
§ 124- Ten einde de bekwaamheid te erlangen, gevorderd voor
de vervulling der betrekking bij de Artillerie van adjudant-onder -
officier, dienstdoend officier
wordt aan onderofficieren, die wegens
aanleg en gedrag daartoe in aanmerking komen eene afzonderlijke
opleiding gegeven. (Af. B. 26 Feb. 1881, n\\ 8, 6°).
-ocr page 63-
IV. Aanstelling en bevordering.                       49
P. Aamtelling en bevordering.
§ 125\' De aanstelling van korporaals en onderofficieren ge-
geschiedt, op voordracht van de bataljonscommandanten of van de
betrokken hoofdofficieren, door en op de persoonlijke verantwoor*
delijkheid van den commandant van het korps, zoodat deze dan
ook volkomen vrij is, diegenen te bevorderen, welke aan de ge-
stelde eischen van bekwaamheid voldoen, en tevens — en zulks
dient als hoofdzaak te woorden beschouwd — door hun gedrag
en hunne militaire eigenschappen bevordering verdienen. Bij een
even goed gedrag en gelijke geschiktheid heeft de bevordering
plaats naar ouderdom in graad, gerekend over het geheele korps.
{M. A. 24 Juni 1868, n°. 62 P). [Zie ook § 14].
Evenwel moet voor de aanstelling tot korporaal en tot onderofficier wor-
den in acht. genomen:
1°. dat geen militair, van welke categorie ook, tot korporaal of tot
korporaal-titulair mag worden benoemd, vóórdat hij gedurende vijf
maanden werkelijken dienst heeft verricht — de tijd, dien hij langer
dan veertien dagen door verlof of ziekte aan den dienst werd ont-
trokken, niet medegerekend ;
2°. dat geen militair, van welke categorie ook, tot onderofficier mng
worden benoemd, vóórdat hij gedurende tien maanden werkelijken
dienst heeft verricht — de tijd, dien hij langer dan drie weken door
verlof of ziekte aan den dienst werd onttrokken, niet medegerekend.
(M. A. 21 April 1876, Kab. T. 8).
Miliciens mogen niet in een graad worden aaugesteld dan na te hebben
overgelegd een bewijs van goed gedrag, gelijk, blijkens $ 31 sub a 2". ver-
eischt wordt voor het aangaan van eene verbintenis als vrijwilliger. (M. A.
8 Sept. 1883, «°. 49, B. U. Aank. 89).
$ 126. Voor de Infanterie is ingetrokken en buiten werking gesteld de
aanschr. van 4 Juli 1874, n°. 77 P., waarbij bepaald was o. a. dat de
graad van sergeant-titulair alleen mocht worden toegekend aan die korpo-
raals, welke niet slechts de vereischten voor dien graad bezitten, maar ook
dadelijk aan het wetenschappelijk oudtrwijs kunnen deelnemen.
Die intrekking is gegrond op de overweging, dat bij genoemd wapen
weldra aan korporaals geen incompleet meer zal bestaan en het alsdan voor
dat Wapen van meer belang zul wezen, uit de voor den graad van onder-
officier geschikte korporaals tal van titulaire sergeanten te trekken en aldus
zonder nieuwe uitgaven ten laste der schatkist, het cijfer der onderofficieren
te vermeerderen, dan de betrokken personen als korporaal te laten voort-
dienen en den afvoer van het lnstructie-Bataljon daardoor te belemmeren.
De sergeanten-titulair zullen echter bij het Wapen geene hoogere dan de
gebruikelijke soldij als soldaat genieten en voorts, zoover dit mogelijk is, volko-
4
-ocr page 64-
50                       IV. Aanstelling en bevordering.
men dezelfde diensten moeten verrichten als de onderofficieren, die den effectieven
graad bekleeden, en zullen voor aanstelling in den effectieven graad in aan-
merking moeten komen, zoodra bij het betrokken korps korporaals tot dien
effectieven graad zouden moeten worden bevorderd, die na hen de bewijzen
van geschiktheid voor het bekleeden van dien graad hebben geleverd. (M.
J.
17 April 1888, »». 57).
§ 127. Een gewezen onderofficier, die als plaatsvervanger in dienst treedt,
kan tot geen andere bevordering in aanmerking komen, dan tot die van
scherpschutter of van kanonnier, stukrijder, pontonnier, torpedist of geniesoldaat
1" klasse en wordt niet toegelaten tot het examen voor den ofliciersrang.
(K. B. 19 Feb. 1825, n«. 97, B, U. 53. en M. A. 21 Sept. 1845, »». 3
B, B. V. 141).
§ 128. Bij alle regimenten Infanterie kan aan eenige élève-muzikanten de
titulaire graad van muzikant worden toegekend. (M. B. 23 Juli 1890, nn. 99).
\\ 129- Ongehuwde militairen, die vroeger een\' graad bij het
leger hebben bekleed, kunnen, wanneer de chefs der korpsen dit
in het belang van den dienst nuttig achten, dadelijk in den
vroeger door hen bekleeden graad worden aangenomen, of wel
spoedig een\' graad bekomen. (M. B. 20 April 1868, »". h\'2P).
\\Zie hierover ook § 14].
§ 130. He vereischten voor de aanstelling van vrijwillig dienende mili-
tairen tot korporaal, sergeant en fourier bij de Infanterie zijn vastgesteld bij
M. B. 24 Jan. 1887, »°. 55, B. U. 938 en 10 Mei 1893, «». 33, R.
M.
358.
Bij cerstbedoclde beschikking zijn aangegeven als algemeene voorwaarden
om te kunnen worden toegelaten tot het examen voor de aanstelling:
tot Korporaal: a. Minstens vijf maanden werkelijke dienst — de tijd, dien
de adspirant langer dan veertien dagen door verlof of ziekte aan den dienst
werd onttrokken, niet medegerekend; b. goed gedrag, dienstijver en goede
militaire houding; e. volledige bekendheid met de rechten en plichten van
den soldaat, voor zooverre die behandeld worden in de hoofdstukken I en II
van den leidraad tot het theoretisch onderwijs der miliciens bij de Infanterie;
tot Sergeant of Fourier: a. Minstens tien maanden werkelijke dienst —
de tijd, dien de adspirant langer dan drie weken door verlof of ziekte aan den
dienst werd onttrokken, niet medegerekend; b. zeer goed gedrag, dienstijver
en flinke militaire houding: c. volledige bekendheid met de rechten en plichten
van den soldaat en den korporaal.
§ 131. De sergeanten-scherpschutter — die onder de leiding van daartoe
aangewezen officieren in het bijzonder belast zijn met de opleiding van
korporaals en soldaten, aanleg hebbende om voor scherpschutter in aan-
merking te komen — worden gekozen uit de sergeanten, die den cursus
bij de Normaal-Schietschool hebben doorloopen en in het omtrent hen uit-
gebracht rapport, door den directeur dier school als goed schutter en goed
instructeur zijn gesignaleerd.
-ocr page 65-
IV. Aanstelling en bevordering.                       51
Voor sergeanten-onderwijzer bij de Infanterie — die in de eerste plaats
worden bestemd voor het schoolonderwijs en overigens werkzaam zijn op het
bureel van den bataljonscommandant —• worden bij voorkeur onderofficieren
bestemd, die in het bezit ziju van eene akte als onderwijzer.
$ 132. Tot adjudant-onderofficier, toegevoegd aan den kapitein-kwartier-
meester,
mogen alleen worden aangesteld zij, die door administratieve kennis
uitmunten. (U. S. 21 Feb. 1881, »». 20).
§ 133. Voor de aanstelling van adjudanten-onderofficier, dienstdoend
officier lij de Artillerie,
moet op den voorgrond staan, dat zij genoegzaam-
bedreven zijn in de tactiek, de dienst- en exercietiereglementcn (met name
de leiding van het vuur), het beheer van het materieel en de paardenkennis,
om als sectie-commandant te kunnen optreden. (M. B. 26 Feb. 1881, tfi. 8).
Overigens werden bij Kabinetsaanschrijving dd. 26 Oct. 1883, O5, pro-
gramma\'s goedgekeurd voor de examens vau vrijwilligers, die bij de Artillerie
voor den graad van korporaal en van sergeant, wachtmeester of Jourier in
aanmerking weuschen te komen.
§ 134. Om voor den graad van Opzichter van Fortificatiën in aanmer-
king te komen, moet een bij het korps Genietroepen te houden 3 jarigen
cursus gevolgd worden, die verdeeld is in 2 afdeelingen.
Tot de 1* afdeeling van dien cursus worden toegelaten onderofficieren
van het korps Genietroepen die minstens 5 maanden in hun graad gediend,
daarin in alle opzichten voldaan en met goed gevolg een vergelijkend examen
afgelegd hebben, hetwelk loopt over de volgende vakken:
a. Nederlandsche taal; b. schrijven; c. rekenkunde; d. beginselen der
meetkunde; e. beginselen der stelkundc; f. aardrijkskunde; g. geschiedenis
van het vaderland; h. rechtlijnig teekenen; i. pionierkunst; k. sappeurkunst;
/. mineurkunst; m. dienst- en exercitiereglementcn ; n. exerceeren en schijf-
schieten ; o. militaire administratie en p. gymnastiek.
Uit toelatingsexamen heeft plaats: 1°. ingeval in het eerstvolgende cursus-
jaar geen leerlingen in de 2° afdeeliug zullen ziju, in September van dat
jaar, en 2°. in overige gevallen eveneens in September doch om de twee
jaar, te rekenen van af het jaar, waarin het laatste toelatingsexamen voor
de l"" afdeeling heeft plaats gehad. Het aantal leerlingen der beide afdee-
lingen bedraagt in den regel niet meer dau 8.
De onderofficieren, die beide afdeelingen doorloopen hebben, nemen deel
aan het opzichtersexamen, ten overstaan van eene commissie door den Mi-
nistcr van Oorlog te benoemen, bestaande uit twee officieren van den staf
der Genie, den Commandant van het Korps Genietroepen en den Directeur
der scholen bij genoemd korps.
Dit examen loopt over de volgende vakken:
a. Nederlandsche taal; b. rekenkunde; e. stelkundc; d. meetkunde; e. be-
schrijvende meetkunde; /\'. gouio- en trigonometrie; g. natuurkunde;/<. laud-
metcn en waterpassen; i. aardrijkskunde; k. versterkingskunst; /. bouw-
kunde; m. algemeeue voorwaarden en tarief; «. teekenen en o. reglementen
en voorschriften betrekking hebbende op den dienst van opzichter vau for-
tificatiën.
De geslaagden worden — in afwachting van hunne benoeming tot On-
-ocr page 66-
52                     IV. Aanstelling en becorderivg.
zichter van fortiticatiën 3C klasse — voor overcompleet gevoerd bij h e
korps (art. 4 van het Koninklijk Besluit van 11 Februari 1881, n°. 10)
en gedetacheerd bij den staf der Genie onder toekenning vau den titnlairen
graad van Sergeant-Majoor. (lieg/, op de scholen, goedgekeurd bij M. B.
29 Oei. 1883, n°. 7).
De opzichters van fortiticatiën staan iu rang tusschcn de adjudaulen-onder-
oflicier en de tweede-luitenant» bij het leger. (A". Jl. 13 Ocl. 184.9, n". 53,
B. U. 151).
, Zij worden benoemd door den Minister van Oorlog, (K. B. 8 Feh. 1841,
«». 90).
j 135. Tot scherpschutters worden bij de Infanterie door den bataljuns-
cominaudaut aangesteld de korporaals en soldaten (korporaals-milicien en
miliciens daaronder begrepen), die voldaan hebben aan de vereischten, daar-
toe gesteld, bij het »Voorschrift betreffende de Wapenen en Schietoefeningen
bij de Infanterie."
Zij worden mede door den bataljonscommandant tot gewoon korporaal of
soldaat teruggebracht, zomin zij blijken geven aan de vereischten van scherp-
schutter niet meer te beantwoorden. (.1/. B. 21 Web. 1881, u". 26).
Tot scherpschutter kunnen bij de Cavalerie alleen en uitsluitend die kor-
poraals en huzaren worden aangesteld, welke alle individueele oefeningen,
voorkomende in $ 126 van het • Voorschrift betreffende de Wapenen en
Schietoefeningen bij de Cavalerie"
hebben doorloopeu en daaraan strikt
voldaan hebben.
De scherpschutters der Cavalerie, die, te rekenen van het begin van het
schietjaar, in twintig oefeningen niet de eerste zes oefeningen van § 126
van gemeld voorschrift hebben doorloopen, verbeuren de voorrechten, aan
scherpschutters toegekend.
Zij worden door den regimentscommandant, op voordracht van den eska-
dronscommaudant, tot de gewone klasse van korporaals en huzaren terug-
gebracht, {il. B. 13 Juni 1881, n°. 1).
« 136. Voor ecne aanstelling tot kanonnier, ponlonnier, torpcdist, stuk-
rijder
of geniesoldaat V klasse, komen alleen zij in aanmerking, die zich
die onderscheiding door gedrag en geschiktheid hebben waardig gemaakt.
Indien de aangcsteldcn niet aan deze voorwaarden voldoen, worden zij
tot de 2\' klasse teruggebracht. [M. B. 26 l\'eb. 1881, n". 8 en 9).
G. Verloven. (10)
§ 137. Aan militairen beneden den graad van onderofficier,
(10) Eene afwezigheid van het korps van twee dagen of minder wordt
niet beschouwd als een veilof in den eigenlijken zin van hel woord, zoodat
in dat geval geene verlofpassen behooren te worden uitgereikt en het doen
afteckenen van die passen, in plaatsen waar geen garnizoen ligt, mitsdien
achterwege kan blijven.
-ocr page 67-
IV. Verloren.
53
die een nieuwe verbintenis aangaan, kan, indien zij zulks ver-
langen, een verlof binnenslands met behoud van soldij worden
toegestaan.
liet verlof zal aan een\' soldaat voor niet langer dan drie weken
en aan een korporaal voor hoogstens ecne maand worden verleend.
Overigens wordt de duur van het verlof bepaald in verhouding
tot den termijn van de aangegane verbintenis. {Inalr. op de Werving
art.
14, B. U. 646).
§ 138- De vrijwilligers (onderofficieren en minderen), voor
zoover zij in de L5le klasse van het schijfschieten zijn, dingen
compagniesgcwijze in een wedstrijd, te houden op het tijdstip,
waarop de eerste miliciens met groot verlof gaan, om een prijs
van f 5,—, waaraan acht dagen verlof met behoud van soldij
verbonden is.
Allen, die aan de oefeningen der scherpschutters deelnemen,
daaronder begrepen de sergeant-instructeur, dingen bataljons •
gewijze naar twee of meer dergelijke prijzen. Dit wordt geregeld
door den bataljonscommandant naarmate van het aantal deel-
nemers en van de beschikbare gelden. {Foorsclir. betreffende de
Wapenen en Schietoefeningen hij de Infanterie,
§§ 159 en 100).
§ 139. Voor een onderofficier of soldaat met verlof wordt
soldij te goed gedaan:
a.     voor een onderofficier (vrijwilliger) — ook voor hem, die
een titulairen graad als zoodanig bekleedt — tot en met den
veertienden dag van het verlof;
b.     voor een soldaat (vrijwilliger) tot en met den vierden dag
van het verlof;
c.      voor een onderofficier of soldaat (milicien) tot en met den
dag van vertrek met verlof (R. A., art. 36).
§ 140. Behoud van soldij is steeds verbonden aan verlof,
verleend:
In hel garnizoen zelf kunnen, hetzij voor twee dagen of minder, hetzij
voor langeren tijd, permissiun of verloven worden verleend.
Aan de militairen die verguuning bekomen om gedurende twee dagen of
minder van liet korps afwezig te zijn, moet intusschen tot voorkoming van
moeielijkheden wanneer zij zich buiten het garnizoen ophouden, een permis-
sielnljel
worden verstrekt, waaruit blijkt dat en voor hoelang zij gerechtigd
zijn zich eventueel buiten de garnizoeii9plaats te bevinden. (Al, J. 11 Juli
1891, x«. 85, B. V. 1186).
-ocr page 68-
54                             IV. Krijgsartikelen en:.
a.     lot herstel v;ui gezondheid van den belanghebbende;
b.     in afwachting van pensioen, aan een onderofficier of sol»
daat, die daarvoor voorgedragen is;
c.     in afwachting van ontslag, aan een onderofficier of soldaat,
die niet meer voor den dienst geschikt is. (a. »., art. 37).
Verlof als bedoeld onder b en c van deze §, kan, zoodra
de belanghebbende voor den dienst ongeschikt is verklaard, en
hij verlof verlangt — zonder machtiging van hoogere autoriteit —
worden verleend door den commandant van hel korps of korps-
gedeelte, ter plaatse aanwezig. {V. R. A., ad art. 37, §2). [Zie
wijders aangaande verloven de
§§ 186, 207, 223, 233—235].
H. Krijgsartikelen, krijgstucht, straffen en belooningen.
\\ 141. Aan de recruten worden, zoodra doenlijk en in elk
geval binnen de 24 uren nadat zij bij het korps zijn aangeworven
of aangekomen, de krijgsartikelen (11) door een\' onderofficier
voorgelezen, in tegenwoordigheid van een officier, en wanneer de
recruut zijnen naam niet kan teekenen, ten overstaan van twee
meerderjarige getuigen.
Deze bepalingen zijn ook van toepassing op de miliciens bij
hunne eerste opkomst.
Het bewijs van die voorlezing, in tweevoud opgemaakt, wordt,
na door den officier, den onderofficier en den recruut, en zoo
deze zijnen naam niet kan schrijven, ook door de beide getuigen
te zijn onderteekend, in het daartoe bestemde register, bij de
hoofdadministratie berustende, opgelegd.
(11) Onder het woord «Krijgsartikelen» en onder de uitdrukking *JCrijgs-
artikelen voor het Krijgsvolk te Lande vastgesteld»
worden verstaan de in
het bij de Besch. van 28 Feb. 1887, n°. 40, gevoegd extract opgeuoraeu
artikelen van het C. W. voor het Krijgsvolk te Lande, zooals die in dat
uittreksel zijn gewijzigd in verband met de wetten vau 17 Sept. 1870 (Sl.il.
rfi.
162), 14 Nov. 1879 {St.U. «". 191), 15 April 1886 {St.il. n*. 64)
en 14 Feb. 1887 (Sl.il. n". 35); terwijl daar, waar het geldt de voorlezing
dier artt. aan een of meer miliciens, bovendien nog de inhoud van het
eveneens bij genoemde liesch. gevoegd extract uit de wet van 19 Aug.
1801 (St.il. n". 72) onder gemeld woord en gemelde uitdrukking begrepen
wordt. (B. U. 943).
[Zie aangaande hel voorlezen der krijgsartikelen ook de §§ 51 en 52].
-ocr page 69-
IV. Krijgstucht.
5 5
Op gelijke wijze worden de krijgsartikelon opnieuw voorgelezen
aan de miliciens die eene vrijwillige verbintenis aangaan, aan
de onderofficieren en verdere manschappen, die zich reéngugeeren,
en aan alle militairen, beneden den rang van ollicier, die voor
den krijgsraad hebben terecht gestaan.
Voor zooveel de militairen betreft, die eene nieuwe dienst-
verbintcnis aangaan, geschiedt de voorlezing op den dag waarop
die verbintenis aanvangt; wordende alsdan, zoo mogelijk, op het
vroeger door hen onderteekende bewijs, gesteld: „De krijgsarti-
kelen opnieuw voorgelezen, bij het aangaan van zijne nieuwe ver-
bintenk, den
. . . ."
Ook die bewijzen worden, als hiervoren vermeld, geteckend
en opgelegd. (Regl. Inw. dienst, Inf., art. 113; Cav., art. 147).
Krijgstucht.
§ 142. De krijgstucht bestaat in de hoogst mogelijke orde
en de allcrspoedigste uitvoering der gegeven bevelen, zonder de
minste tegenspraak, terwijl eene volstrekt lijdelijke gehoorzaamheid
van den mindere aan den meerdere er de grondslag van is.
Zij eischt niet alleen gehoorzaamheid, maar ook eerbied jegens
den meerdere, en, bij gelijken rang, dat de jongste in rang, bij
gelijken datum van aanstelling, dat de jongere in leeftijd, aan
den meerbejaarde, denzelfden eerbied en dezelfde gehoorzaamheid
bewijze, alsof deze laatste eenen hoogcren rang bekleedde en dit,
zoowel in als buiten dienst.
In den krijgsdienst bestaat alzoo geen gelijkheid, maar de
overtredingen tegen de ondergeschiktheid worden als van
ernstiger aard beschouwd, wanneer ze in dienst of onder de wa-
penen,
dan wanneer ze buiten den dienst begaan worden. (§ 1 en
arlt.
I en 2, Regl. van Krijgst.; en art. 3, Regl. Inw. dienst).
§ 143. Zijne Majesteit de Koning begeert, dat bij alle korpsen
eene trapsgewijze ondergeschiktheid worde onderhouden, welke,
zonder iets van hare kracht te verliezen, zacht en vaderlijk zij,
en, op rechtvaardigheid en standvastigheid gegrond, alle onder-
drukking uitsluit, terwijl zij de ondergeschikten tot het waar-
nemen hunner plichten aanhoudt.
De Koning wil dal de soldaten met zachtheid en menschlie-
vendheid worden behandeld, dat hun nimmer eenig onrecht worde
-ocr page 70-
IV. Krijg/ducht.
B S
aaugedaan, dat zij in hunne meerderen, in alle opzichten, welwil-
Jcndc voorgangers vinden ; dat de straften, welke sommigen hunner
mochten verdienen, overeenkomstig de Wet worden toegepast, en
dat de officieren hen leiden, besturen en beschermen met die zorg
en belangstelling, welke zij verschuldigd zijn aan mannen, van
wier dapperheid en gehoorzaamheid zij een gedeelte van hunnen
roem te verwachten hebben, (cirt. 1, llegl. luw. dienst).
§ 144- In alles wat het welzijn van den dienst en de open-
bare welvoegelijkJieid
betreft, beveelt de Koning, dat ieder mili-
tair zal gehoorzamen en eerbied betooncn aan zijne meerderen in
rang, en dat de gegeven bevelen onverwijld en zonder daartegen
te redeneeren
worden uitgevoerd, behoudens het recht van den
mindere, om, wanneer hij zich door die bevelen bezwaard ge-
voelt, daarna zijne klachten in te brengen. Bij het voorschrijven
dezer soort van gehoorzaamheid is het nochtans de begeerte van
den Koning, dat de bevelen zullen zijn overeenkomstig de Wet
en gegrond op rede en billijkheid; en Hij verbiedt aan eiken
meerdere, van welken rang ook, zich immer eenige beleedigende
uitdrukking tegen zijne ondergeschikten te veroorloven, (artt.
2—4, Regl. lnw. dienst, en art. 3 Regl. van Krijgst).
§ 145. Ook in den militairen stand moet een ieder den Gods-
dienst behartigen en zich op eene zedige levenswijze toeleggen ;
godslasteringen, het vloeken, het zweren en alle buitensporigheden
zijn verboden, terwijl de meerderen hierin, en in al wat de goede
zeden kan bevorderen, hunne minderen, met een goed voorbeeld
moeten voorgaan. Daarenboven wordt de beste eensgezindheid
aanbevolen; alle partijschappen moeten worden vermeden, en
rechtvaardigheid het richtsnoer van ieders daden zijn. Ieder moet
met genoegen en zonder morren zijnen plicht doen, zich beijveren
om zich en anderen te verbeteren en elkanders misstappen te
voorkomen ; de ongemakken geduldig verduren, elkander weder-
keerig achting toedragen, en eenstemmig tot het welzijn en de
eer van ieder in het bijzonder en van het korps in het alge-
meen, dus tot het wel betrachten van \'s Lands dienst, mede-
werken, (art 2, Regl. van Krijgst.).
-ocr page 71-
IV. Straffen; Bdooningen; Curtteèèn.                   57
SI ra//\'en.
§ 146- .Bestraffing is het onvermijdelijk gevolg van nalatig-
hcid, van misslagen en overtredingen der krijgstucht.
Hoezeer de krijgstucht door strenge maatregelen moet worden
gehandhaafd, mogen de straffen niet overdreven zijn ; zij moeten
met billijkheid en rechtvaardigheid worden opgelegd, en vooral
de strekking hebben om den gestrafte te verbeteren en hem terug
te houden van zich opnieuw aan strafbare handelingen schuldig
te maken ; terwijl vooral onderscheid zal worden gemaakt tusschen
degenen, die zelden misslagen begaan, en hen, die zich daaraan
dikwijls schuldig maken. Er mogen dan ook geen vaste straffen
op bepaalde feiten worden gesteld. {Regl. van Krijgst. artt. 53
en 54, en Regl. Inw. dienst der Inf., art. 188 ; der Cav.,
226 en 232).
Belooningen.
§ 147- Tegenover straffen, die het onvermijdelijk gevolg zijn
van plichtverzuim en overtredingen, staan voor iederen militair
de belooningen voor ijver en goed gedrag. Aan alle militairen
beneden den rang van officier (miliciens daaronder begrepen),
die zich volgens het gevoelen van den chef van het korps gedurende
hunnen geheelen diensttijd goed hebben gedragen, wordt bij het
ontslag uit den dienst een certificaat van goed gedrag uitgereikt,
dat gehecht is aan het paspoort. (12)
[Aangaande verdere belooningen raadplege men voorts de Hoofd\'
stukken
XIII en XIV].
I. Corveeën.
§ 148. Voor het verrichten van verschillende corveeën wordt
bij alle korpsen dagelijks per compagnie, eskadron of batterij,
één der geoefende manschappen aangewezen, die van alle andere
(12) Voorschriften aangaande het afgeven en liet onthouden van het cer-
tificaat van goed gedrag ziju gegeven bij de M. A. van 25 Xov. 1801,
no. 52 B (B. V. 256), vau 21 Sept. 1880, n». 44 (B. V. 570), van 8
Oct. 1892, n". 101 (K. M. 862) en Voortehr. op hel aanhouden tier
stamboeken,
§ 16, 4». (7?. ü. 747).
-<
-ocr page 72-
IV. Corveeën.
58
diensten kan worden vrijgesteld. Deze eorveediensten zijn in de
eerste plaats : het in orde brengen en schoonmaken van kamers,
trappen, gangen, plaatsen, privaten, strafkamers enz., en voorts,
het inkoopen en aandragen van levensmiddelen en brandstoffen
voor de menages en andere dergelijke werkzaamheden.
Wijders is het, met het oog op de plaatselijke toestanden en bij-
zondere omstandigheden, aan de korps-commandanten overgelaten,
om bovendien per compagnie, eskadron of batterij een\' kamer-
wacht van oefeningen en andere diensten vrij te stellen. Indien
gezorgd wordt, dat de kamers, door de manschappen bewoond,
gedurende de afwezigheid van het personeel gesloten blijven, be-
staat voor die vrijstelling geene noodzakelijkheid. (M. A. 80 Juni
1879, »". 88, B. U. 536).
§ 149. Bij den corveedienst staat het beginsel op den voor-
grond, dat het verrichten van de werkzaamheden, die in de huis-
houding van den soldaat voorkomen, eene verplichting is, welke
rust op allen, die van deze huishouding deel uitmaken. Dit belet
echter niet, rekening te houden met de omstandigheid, dat som-
mige huishoudelijke bezigheden door militairen, behoorende tot
den dienstbaren stand, zonder tegenzin en beter worden verricht
dan door jongelieden uit een\' maatsehappelijken kring, waarin
men niet gewoon is dergelijke diensten zelf te doen.
Daarom worden zoo mogelijk geene manschappen voor de hier-
bedoelde corveediensten aangewezen dan zij, die zich daartoe be-
reid hebben verklaard. Deze kunnen er gedurende eenigen tijd
achtereen, doch hoogstens gedurende eene maand, mede belast
blijven.
Zijn bij eenig onderdeel geen manschappen, die de corveeën
tegen vrijstelling van anderen dienst vrijwillig op zich willen
nemen, dan kan worden toegestaan, dat door hen, die daarvan
wenschen vrijgesteld te worden, eene billijke geldelijke tegemoet-
koming worde uitgekeerd, ten behoeve van anderen, die tegen
ontvangst daarvan bereid zijn de corveeën voor hen te verrichten.
Zijn er, ook bij het uitkeeren eener geldelijke vergoeding,
geen manschappen tot het doen van corveeën geneigd, dan kan
worden beproefd, voor de onreine corveeën burgerpersonen aan
te nemen, op kosten van hen, die tot het verrichten daarvan
verplicht zouden zijn, doch er van verschoond wenschen te
blijven, (a. v.).
-ocr page 73-
tV. Corveeën.                                     59
§ 150. Voor liet verrichten van persoonlijke diensten ten
behoeve van onderollieieren, mogen geene manschappen worden
gebezigd, die daartoe niet geneigd zijn ; eene billijke vergoeding
behoort voor dergelijke diensten — welke nimmer mogen worden
uitgestrekt tot verrichtingen, die met het dragen der uniform
minder goed zijn overeen te brengen — te worden uitgekeerd, (a.v.).
-ocr page 74-
\\f. w-i
t III 1
ï m m
is~
IH
««•SF
3-3 ï = =
r^s
31
il
a Sv
>2*ÏSa
ü £_-
•3=ï
*>
= » .
\'-^
^^.
> -C.
en
s .
^^
•~ S bb
ir;
» = *
CO"* L.
ï=>
I«l
^"
>) ,. ^<
s Ja
f II
11
« >- e —
121
\'* =
► Ks"
KW
« .. 5
UW
SSS5
;iiiïii:;i!!fl
il\'lï^eiJ
" ~\'= = «^
\'lurspjos
-]BBlldsOf J
N M N l> l\'- (M W l*
OiOCOiOCOtOOiO
\'uailaojjamag
•(IiuoQ.-jjosjncj
\'najsipadjoj,
•sjoinuojuoj
^ — o o -^
©3
c-
©ï
f**
t-
\'M
<m
O)
cc
zr,
CO
o
t-
^
o
us
o
o
O
i
o
o
-*
s
O
o
O ^ "- O
Cl
ia
er
o
o
o
o
o
r- t~ t-
00 33 O
O Ö -<
diuoQ
SllSjnQ lig --JJSUJ
\' 3IJ0||IJJlJ-gU!?83\\
t- r-> t— w ©3 (M
OS O CC OS O CO
O P-J --\' O* -H r-(\'
222
o o o
lil
"100l(3SSpiUISJ80]£
apuapnjj na -1>I8A
\'oijaiBAtig
Cl -H —< ~ ~«
«H «H »-t O ** •"<
C~ t- t^ O
00 C5 O \'.\'O
O\' Ö r-\' ©
Of
.>!
§
\'M
-1
~
er
(M
l-l
eq
e
es
-1
-1
•* o o
NM N N (M N
O —< •* O r-H Tj*
o
CM
o
O
o
o
1
i ,[ooi[osuo[[i(Infi
\'cliuoQ-siis-inopjooij
na \'}«g-*j}sill
\'auaiuujtq
5o «
t— t>- l~-
00 Cft O
O O r-i
0.30
0.45
0.70
fc- r-- e—
oo o o
o\' o —i
0.47
0.72
<N (N \'M l>
CO Cl N CO
© © -^ ©
09 =0
d d
^ 0Q
5» O
CO CO
o o
>9 lO IO O O O
CO ~ 0 i Z~. © CO
o o —i d -h i-J
•sjaSBf uo
sjajpenajg
Hf
-12
PC
<;
*:f.
;j i, *..-
.t ►\'S
•- •* «
2 «
«Ho
• CO
\' if5
CO
«SS
fes
SC O
\'M
S5 =J
;s
i
-ocr page 75-
\\f. w-i
t III 1
ï m m
is~
IH
««•SF
3-3 ï = =
r^s
31
il
a Sv
>2*ÏSa
ü £_-
•3=ï
*>
= » .
\'-^
^^.
> -C.
en
s .
^^
•~ S bb
ir;
» = *
CO"* L.
ï=>
I«l
^"
>) ,. ^<
s Ja
f II
11
« >- e —
121
\'* =
► Ks"
KW
« .. 5
UW
SSS5
;iiiïii:;i!!fl
il\'lï^eiJ
" ~\'= = «^
\'lurspjos
-]BBlldsOf J
N M N l> l\'- (M W l*
OiOCOiOCOtOOiO
\'uailaojjamag
•(IiuoQ.-jjosjncj
\'najsipadjoj,
•sjoinuojuoj
^ — o o -^
©3
c-
©ï
f**
t-
\'M
<m
O)
cc
zr,
CO
o
t-
^
o
us
o
o
O
i
o
o
-*
s
O
o
O ^ "- O
Cl
ia
er
o
o
o
o
o
r- t~ t-
00 33 O
O Ö -<
diuoQ
SllSjnQ lig --JJSUJ
\' 3IJ0||IJJlJ-gU!?83\\
t- r-> t— w ©3 (M
OS O CC OS O CO
O P-J --\' O* -H r-(\'
222
o o o
lil
"100l(3SSpiUISJ80]£
apuapnjj na -1>I8A
\'oijaiBAtig
Cl -H —< ~ ~«
«H «H »-t O ** •"<
C~ t- t^ O
00 C5 O \'.\'O
O\' Ö r-\' ©
Of
.>!
§
\'M
-1
~
er
(M
l-l
eq
e
es
-1
-1
•* o o
NM N N (M N
O —< •* O r-H Tj*
o
CM
o
O
o
o
1
i ,[ooi[osuo[[i(Infi
\'cliuoQ-siis-inopjooij
na \'}«g-*j}sill
\'auaiuujtq
5o «
t— t>- l~-
00 Cft O
O O r-i
0.30
0.45
0.70
fc- r-- e—
oo o o
o\' o —i
0.47
0.72
<N (N \'M l>
CO Cl N CO
© © -^ ©
09 =0
d d
^ 0Q
5» O
CO CO
o o
>9 lO IO O O O
CO ~ 0 i Z~. © CO
o o —i d -h i-J
•sjaSBf uo
sjajpenajg
Hf
-12
PC
<;
*:f.
;j i, *..-
.t ►\'S
•- •* «
2 «
«Ho
• CO
\' if5
CO
«SS
fes
SC O
\'M
S5 =J
;s
i
-ocr page 76-
62
Bijlage C.
het bedras
hetwelk voor dagclijksche
STAAT van
kleeding en uitrusting, van 1 Januari
toelage voor
1889 af bij de Landmacht wordt genoten
Dagelijksche toelage
(ia centen.)
KORPSEN KNZ.
Muzikanten
Schrijvers .        .        .
Mr. werklieden .
De overigen
X f Volontairs bg de Militaire
15
15
13
15
18
18
18
13
13
15\'
15»
15*
18
13
15
18
13
10
18
15
15
15
15
35
School
•11.3
en bij de Cursus-Comp
Muzikanten ,
• «>
Schrijvers .
Mr. werklieden . ,
De overigen
33
Schrijvers.
Mr. werklieden .
De overigen
èt
35
, r:
^% ^ i Mr. werklieden .
(. De overigen
35
vat Vuurwerkers en schiyvers
e E i Mr. werklieden .
\'SyB 1 Jongelingen bij de Instructie
S^ [ l)e overigen
Batt
35
S B éi Schrijvers .
2 "^(Di overigen
33
. g\' t Schrijvers .
\'S S4 i Mr. werklieden
O j (.De overigen
35
Bij de Koninklijke Militaire Academie genieten de onderofficieren en sol-
daten de toelagen, als voor het wapen, waartoe zij behooren, vastgesteld.
(K. B. 25 Auy. 1888, »°, 27, art 11, staat A, B. U. 1007).
            »
[Zie wijders Bijlage F, onder >].
-ocr page 77-
(13
Bijlage K.
STAAT, aanwijzende liet bedrag van de traktementen
enz. van sommige categorieën van militairen, wier
bezoldiging per jaar is vastgesteld.
Besluiten, waarbij
de^traktementen
zijn vastgesteld.
Staven,
korpsen enz.
GRADEN.
e klasse
/
800 ~) Staf der \\ K.B. 23 Juni 1881
Conducteur
u
700 j Artillerie. ) n°. 74 (B. V. 036) |
De conducteurs der Artillerie-werkplaatsen en die van \'s Rijks Gieterij
van bronzen geschut genieten eene toelage van ƒ100 \'sjaars.
f"
2e
klasse . ƒ1100 11e12e en | R ^Maartl8S6>
13eComp4e^o
Machinisten
\'J50
Rcg.Vest.-Art. )            v
Aan een der machinisten Ie kl., hiervoren bedoeld, kan, bij uitzondering
een jaarlijksch traktement van ƒ1200 worden toegekend.
Machinisten
Ie klasse
ƒ 1100
2e
K. B.25 Febr. 1893,
«o.38 (11. M. 184).
Korps Tor-
pedisten.
Opperschipper i g® *
Hoofdopzichters van fortui
catiën .
950
1500
1300
1200
1000
/ K. B. 16 ^«#.1876,
l no. 12 (B. V. 470).
Opzichters
van
fortificatiën
I Ie klasse
] 2e »
| 3e
Staf der
Genie
/bij aanstelling
en minder dan
/ Militaire
I Ziekeninrich-
Militaire
12 jaren dienst
apothekers. \'fls,mil\' aPoth "
bedienden Jbed,ende . \'
\\ tingen en j
900 < \'s Rijks Ma-
K. B. 1 Oef. 1880,
no. 12 (B. f/. 577).
j gazijn van \\
f geneesmidde- ]
1100 \\ len. /
De militaire apothekersbedienden, dienstdoende bij \'s Rijks Magazijn
van geneesmiddelen, genieten eene toelage van ƒ 100 \'s jaars.
Adjudanten-onder- ]
officier, admini- (2e klasse
strateurs derHos-13e *
pitaleu van de )
K. B. 21 Sec. 1880,
no. 86 (B. V. 612),
enK.B.S Juli 18S9,
«o.26 (B. U. 1056).
ƒ 800-1000 | Militaire
» 700- 900 j Hospitalen
,f\\l00 max.\\ , R...
•f» lOOOmin, * KlJ.kS
o.ioom, MagaziJn
.L 700 min. t Van.,
.j-1000
             g«»ef"»d.
. . 800                \'k\'lc"-
Boekhouder
Opzichter over de iustru
mentkamer .
Machinist,
Molenaar .
Jat.
r«„.
1 Maarl 1887,
(B. V. 957),
9 J«w 1889, no.
31.
-ocr page 78-
T V. Soldijverhoogingen,
r,i
n ij la ge V.
SOLDIJ VERIIOOGINGENT.
a.     Onderofficieren, belast niet het geven van onderricht bij de Normaal\'
Sc/iiet\'school,
en zij die tot het nemen van proeven bij die school worden
gedetacheerd, genieten eene soldijverhoogin;; van IS et. daags.
De overige bij die inrichting gedetacheerde onderofficieren en minderen
der Inlauterie genieten gelijke soldij als bij het Regiment Grenadiers en Jagers.
b.     Onderoff. en minderen van de Inf., de Art. en de Genietr., gebezigd
tot het bewaken van het materieel in de legerplaatsen,
genieten eene soldij-
verhooging van 10 et. daags.
c.     Onderoff. en minderen van de Inf., de Art. en de Genietr., die
artillerie-werkzaamheden in de forten verrichten en daiir moeten verblijven,
genieten, indien zij niet met genot van voeding bij de ingezetenen inge-
kwartierd zijn, eene soldijverhooging van 10 et. daags.
d.     Onderoff en minderen van de Inf., de Cav., de Art. en de Genietr.,
tjebezigd tot het verrichten van werkzaamheden in de kampplaats der cadet •
ten,
genieten eene soldijverhooging per dug, voor een\' onderofficier ad 20
cent, voor een\' korporaal ad 51 cent en voor een\' soldaat ad 10 cent.
e.    Bij het Instr.-Balaljon, bij de Instr.-Comp. en de Ins/r. Balt. genie-
ten eene soldijverhooging van 5 cent per dag: de adj-onderoff., die by het
bataljon dienst doet; de onderofficieren van het kader der Compagnieën en
der Batterijen (niet die, ter hunner instructie daarbij aanwezig); en bij het
lnstr.-Bat. ook de korporaals-titulair.
f.     Onderoff. en korporaals van de Cav., de Veld- en de Rijd. Art., bij
de Rij- en lloefsmidsseliool gedetacheerd tot het volgen van een\' cursus in
de rij- en af richtingskunst,
genieten eene soldijverhooging, resp., van 25 en
van 10 cl. daags.
g.     De korporaalt—, soldalen- en huzaren-scherpschutters (vrijw. en mil.)
alsmede de remonte-berijders, genieten eene soldijverhooging van 5 et. daags.
/(. Bij de Piipillenschool, genieten de onderoff. en de korporaal-tamboer
eene soldijverhooging van 20, de korporaals van 10 et, daags. (M. 11. 5 Jan.
1889, «°. 84, B. V. 1040).
i. De Sergeanten; de Korporaals^ en de pontonniers scheepsti mmerl. van
het Korps Pont. genieten eene soldijverhooging, resp, van 20, 40 en 50
cl. daags.
Ingeval van detacheering buiten de standplaats van het korps, zal over
den geheelen duur dier detacheering aan de daarbij betrokken gehuwde
-ocr page 79-
i
IV. Soldijverhoogingen.                                  f>5
aolJy gcuietcnde onderofficieren van het Korps 1\'onlonuiers ceue vcrhooging
o[) Je soldij kunnen worden toegekund ten bedrage van ƒ 0.25 per dag.
(AT. B. 7 Xov. 189U, »>. 48, if. IA 1139).
k. \\)e schrijnen, werkzaam op de bureelen van de Iusp. der Wapens,
van den Chef van den Gen. Staf, van deu Hoofdinteudant of van andere
militaire autoriteiten, aan wie gecne vaste som voor bureelkosten wordt toe-
gekend, genieten cene soldijverhooging van 35 et, daags.
I. Bij de hoofdeursas-compagnie en bij de cursus-compagnie der Art.
genieten de onderofficieren (geen leerlingen) ecne soldijverhooging van
5 cl. daags.
m. Aan ouderoiT. en minderen, die, wegens bijzondere geschiktheid voor
speciale, hiervoren niet genoemde diensten, lot het verrichten van derge-
lijke diensten builen hunne vaste standplaatsen worden gezonden,
kan eene
buitengewone soldijverhooging van ten hoogste 50 cl. daags worden toegekend.
(K.B. 3 t\'eb. 1883, «°. 11 en 1 Juni 1883, u". 29, B. U. 721 en 746).
«. Een hoefsmid van het Wapen der Artillerie, ter adsislentie van den
wacklmeesler of korporaal-hoe/smid bij de Jlij- en Uoefsmidsschool gedela-
che.erd,
geniet, bovcu zijne gewone dagclijksche soldij, eene verhooging ad
een gulden vijftig cent (f 1.50) per dag. (K. B. 8 Feb. 1886, «°. 25,
B. U. 905).
o. De onderofficieren, korporaals en mindere militairen bij het llemonte-
Depot
gedetacheerd, genieten soldijverhooging: de adjudant-onderofficier van
50, de opperwachtmeesters van 40, de wachtmeesters en de hoefsmid van
30, de korporaals en de hospitaalsoldaat van 15 en de huzaren en stuk-
rijders vau 10 ets. daags. (K. B. 17 duni 1889, n". 23).
/). De huzaren, die bij de llj- en Uoefsmidsschool gedetacheerd zijn om
tot remonte-berijders te worden opgeleid, genieten eene soldijverhooging van
5 ets. per dag. Wauueer zij tijdens die detacheeriug lot korporaal worden
bevorderd, dan blijven zij die soldijverhooging genieteu. (K. B. 30 Jan.
1887, n. 9, B. U. 942 en K. B. 8 Dec. 1891, ».». 30, B. ü. 1276).
q. Bij hel Korps Genietroepen kunnen 25 werklieden en voorts 1 sergeant-
majoor, 8 sergeantcn-, 8 korporaals, en 16 vrijwilligers-telegrafisteu en 1
sergeant-kabellasscher zijn, die 10 cents soldij-vcrhooging genieten. (K. B.
3 Maart 1890, n. 24, Bijl. B).
r. In de uavermelde gevallen worden de daarbij omschreven vergoedingen
voor buitengewone slijting van kleeding enz. aan onderofficieren en soldaten
toegekend i a. voor hen die tot den arbeid aan 1\'ortilicatiën of andere werk-
zaamheden ten dienste der genie worden gebezigd, voor eiken werkdag hoog-
5
-ocr page 80-
»
06                              IV. Soldij vvrhoogingen.
stens: voor een onderofficier f 0..\'i0, voor een korporaal /\' 0.25 en voor
een minder militair f 0.20 ; 6. voor lien, die werkzaam zijn bij het maken
van de telegrafische verbinding van verdedigingswerken en posten, voor eiken
werkdag hoogstens: voor een onderofficier f 0.90, voor een korporaal
ƒ 0.70 en voor oen minder militair ƒ 0.50 ; e. voor hen, die worden gebezigd
bij, niet onder a en b genoemde buitengewone artillerie* of andere werk-
zaamheden in of buiten de magazijnen van oorlog, bij transporten als
anderszins, waarbij buitengewone slijtage van klecding plaats heeft, hoogstens
per hoofd daags ƒ 0.15; d ingeval, ten gevolge van buitengewone omstandig-
heden, eenig kleeding- of uitrustingstuk geheel onbruikbaar wordt of daaraan
schade wordt veroorzaakt, eene vergoeding van hoogstens het bedrag, waarop
de geleden schade wordt geschat.
De bedragen hicrbedocld, worden in den regel toegekend als vergoeding
voor kleeding en uitrusting. De Minister van Oorlog kan die, onder a, b
en e, omschreven, evenwel gedeeltelijk als bijslag op de dagelijksche soldij
toekennen. (K. B. 25 Auj. 1888, n°. 27, arlt. 9 en 10, B. V. 1007).
1. Wanneer militaire telegralisten vau het Korps Genietroepen bij een
Rijkstelegraafkantoor worden gedetacheerd ter vervanging van beambten van
den Rijkstelegraafdienst, die bij genoemd korps worden opgeleid om in
oorlogstijd als opzichter van den vestingtelegraafdicnst op te treden, dan
genieten zij gedurende den tijd hunner detacheering eene soldijverhooging
vau vijftig cents (ƒ0.50) per dag. (K. B. 11 Feit. 1892, «°.20, R.M. 45).
-ocr page 81-
«7
Bgiage Cw.
DA.GELIJKSCH MENU VOOR DEN SOLDAAT.
Koffie
Melk
Vleesch
Spek
Aardappelen
Rijst
Zout
Peper
Azijn          .
Soepgroenten
Middaggroenttn
Koffie
Melk
Kaas
Boter
Vleesch
Aardappelen
Zout
Peper
Azijn
Mostaard .
Middaggroen ten (
Koffie
Melk
Vleesch
Spek
Rijst
Boonen
O.006
0.02
0.25 ,.
0.03 ^
(**)
0.05
0 03
0.001
0.03
7.
2
0.000
0.02
0.10
0.025
0.25
(**)
0.015
0.0005
0.03
\'A
2
0.000
0.02
0.15
0.10
0.05
0.5
KG.
L.
KG.
L.
KG.
\'s Morgens.
Soep met vleesch.
\'s Middags.
Aardappelen met
groenten en spek,
of het
Visrhration,
éénmaal per week.
I Wanneer dit bij de
soort van groenten te
\\ pas komt.
L.
cent
KG.
L.
KG.
\'s Morgens.
Koffie met brood,
boter en kaas.
L.
KG.
L.
cent
KG.
L.
KG.
(•Wanneer dit by de
soort van groenten te
pas komt.
\'s Middags.
Vleesch, aardappelen
en groenten.
1)
(1) De soort dezer
groenten zoodanig te
kiezen, dat ze met het
gekookte vleesch en de
aardappelen een aange-
naam voedsel opleveren,
b. v. wortelen, uien, ap-
pelen
, witte kool.
\'s Morgens,
Soep met vleesch.
L.
(-j-) De in deze kolom aangegeven hoeveelheden bijspijzen, als: zout, peper enz,
moeten als een maximum worden beschouwd.
(*) Oesverkiezende gedeeltelijk door cichorei of koltiestroop te vervangen.
(§) De voedings-commissiën kunueu deze hoeveelheden vleesch en spek doen ver-
vangen door: 0 22 KG. vleesch en 0.07 KG vet.
of door: 0.20 »
         » en 0.06 » spek.
(**) Van 1 Juli tot 1 October 1.80 Liter.
» 1 October - 1 April 2.00 «
1 April " 1 Juli 2.25 •<
Zoolang in de maand Juli aardappelen van het gewas van het vorige jaar verstrekt
worden, blijft het ration 2.25 Liter.
-ocr page 82-
(iS                         ï)agelijk*ch meun voor (ten soldaat.
110K-
RATIONS.
BESTANDDEELEN.
VEEL-
AANMERKINGEN.
llfcll).
!
\'* Middags.
Zout .
KG.
0.03
Peper .
0.0005
Bruine booncn met
spek.
Azijn .
Mostaard
L.
ceut
0.03
Walmeer de Toedings-
commissie dit noodig
oordeelt.
Soepgroenten
»
\'/.
1 Koffie .
KG.
0.006
Melk .
L.
0.02
\'s Morgens.
Vleesch
KG.
0.15
Soep met vleesch.
1 Spek
.
0.10
) Rijst .
.
0.05
. Erwten
L.
0.5
JZout .
KG.
0.03
\'s Middags.
| Peper .
Aziju .
m
0.0005
Grauwe erwten met
L.
0.03
«pek.
Mostaard
cent
\'/«
\\ Soepgroenteu.
V,
f Koffie .
KG.
0.006
Melk .
L.
0.02
\'s Morgens.
Vleesch
KG.
0.15
Soep met vleesch.
| Spek
it
0.10
] Kijst .
t *
0.05
Groene erwten
L.
0.3
IZout . .
KG.
0.03
\'* Middags.
| Peper .
w
0.0005
Erwtensoep met spek.
Soepgroenten (\'s mit
dags)cent
#
ld. (\'smo
rgens) •
Aardappelenrueel
Op Goeden Vr
KG.
\'jdag.
0.01
i Koffie .
KG.
0.006
Kaas .
m
0.10
\'s Morgens.
Boter .
0
0.025
Koffie met brood,
Melk .
L
0.02
boter en kaas.
Stokvisch (geweekt
s) KG.
0.5
(*)
of
Stokvisch (gedroog
of
Zoutevisch .
de) KG.
0.25
m
0.30
Rijst bij stokvisch
»
0.05
\'* Middags.
Wortelen bij zoute
risch cent
0.05
Viseh met aardap-
Boter .
KG.
0.025
appelen.
Aardappelen .
L.
2.25
Zout
i Mostaard
KG.
0.03
/*\\ TV* .»*!.... 1\',,..
cent
1* u___4.
\'A
(*) Dit ration kan van tijd tot tijd ook op andere dagen van het jaar verstrekt
worden, mits de gemiddelde kosten die van de andere rations, per week genomen ,
niet te boven gaan.
-ocr page 83-
HOOFDSTUK V.
A. Huwelijken van vrijwillig dienende militairen beneden den
rang van officier.
(13)
§ 151. Bij de wapens, korpsen en inrichtingen van het Leger
mogen gehuwd zijn: a. de adjudanten-onderofficieren; b. de ser-
geant-majoors en opperwachtmeesters; c. de sergeanten, wacht-
meesters en fouriers, die nii hun 18de levensjaar, onafgebroken
zes of meer jaren als onderofficier hebben gediend, en d. alle
verdere militairen, in de als Bijlage II, •achter dit hoofdstuk
gevoegde tabel vermeld.
Voorts:
a.   bij de Koninklijke Militaire Academie en bij de Cadetten-
school alle onderofficieren (de schrijvers daaronder begrepen), die
daarbij eene vaste plaatsing hebben verkregen, alsook eenige
korporaals en de oppassers, die daarbij in eene vaste betrekking
werkzaam zijn, — zooals bijv. bij de Koninklijke Militaire Aca-
demie de koks (niet de bijkoks) voor de cadetten en voor de
onderofficieren. De oppassers werkzaam in de machinekamer, de
modelzaal, de bibliotheek, de steendrukkerij, het physisch kabinet,
het scheikundig laboratorium en het kleedingmagazijn;
b.    bij de Koninklijke Militaire Academie drie oppassers der
cavalerie en drie tamboers; en
c.    bij de Cadettensehool de schoenmaker, de kleermaker, de
timmerman, de koks, een tamboer en van de bijkoks, stokers en
oppassers te zamen drie. (M. B. 15 Maart 1881, «°. 63, B. U.
623, M. B. 6 Juli 1885, n°. 36, B. U. 887 en 2 JttnilSVS,
n\'.
69, R. M. 507).
§ 152. De toestemming tot het aangaan van een huwelijk
wordt verleend: door de commandeerende officieren van korpsen
of van inrichtingen aan de onder hen dienende onderofficieren en
(13) Ten opzichte van het huwen van onderofïicieren eu manschappen,
die niet tot de Militie behooreu, zijn nog altijd vau kracht de artt. 2 en 8
yan het Keizer/ijk Dti-ree/ van 16 Juni 1808 (Buil. ile.i Loix n". 195).
-ocr page 84-
V. Huwen van vrijwilligers.
70
mindere militairen, door de commandanten in de artillerie* en
genie-commandementen, aan de onder hen dienende conducteurs
der artillerie en hoofdopzichters en opzichters van tbrtificatién.
{M. B. 15 Maart 1881, n". 63, B. U. 623).
§ 153. In het algemeen zal de vergunning tot huwen slechts
mogen worden verleend, wanneer de overtuiging bestaat, dat
de betrokken militair de gevraagde gunst door plichtsbctrach-
ting en ijver ten volle verdient en dat de aanstaande echlge-
noote van een onbesproken gedrag is.
Nimmer mag den onderofficier of den minderen militair het
aangaan van een huwelijk worden vergund, wanneer hij niet
wordt waardig gekeurd zich te reëngageeren.
Voorts zullen de vergunningen tot huwen alleen dan mogen
worden verleend, wanneer de betrokken militair zich verbindt
om deelgenoot te worden van het „Fonds lol ondersteuning der
weduwen en weezen van vrijwillig dienende militairen beneden den
rang van offwierT
De gehuwden in het genot van bijzondere voorrechten, die
ophouden deelgenoot te zijn van genoemd fonds, verliezen hunne
aanspraak op die voorrechten, (a. v.).
§ 154. De gehuwde militairen, hunne vrouwen of de bij hen
inwonende betrekkingen, mogen geen sterken drank verkoopen.
Aan marketentsters kan echter het verkoopen van sterken drank
in bijzondere gevallen door den commandeerenden officier wor-
den vergund.
Bij overtreding van het bij de eerste zinsnede dezer § be-
doelde verbod, zullen — ter beoordeeling van den chef — de
voorrechten, aan gehuwden toegekend, ten aanzien van den daarbij
betrokken militair onmiddellijk kunnen worden gesehorst of inge-
trokken, onverminderd de disciplinaire straf, welke den militair
voor de overtreding mocht worden opgelegd, (a. ».).
§ 155. De gehuwde militairen beneden den rang van officier,
weduwnaars met een of meer bij hen inwonende kinderen daar-
onder begrepen, hebben aanspraak op:
vrije geneeskundige behandeling van hen en hun gezin;
het gebruik ran een Iweemans-nachtleger en vervoer van hun huis-
raad, bij verandering van standplaats in het belang van \'s Rijks
dienst, overeenkomstig art.
140 van het Reglement van Adminhtra-
tie bij de Landmacht.
-ocr page 85-
V. Huwen van vrijwilligers.                          71
De bij § 151 bedoelde tabel wijst aan, wie hunner bovendien
het bijzonder voorrecht zullen genieten, bestaande in:
behoorlijke huisvesting voor hen en htm gezin, in of buiten de
kazerne.
(14)
Voor zooveel de aanspraak op dit bijzonder voorrecht betreft,
zijn weduwnaars met kind of kinderen gelijkgesteld met de ge-
huwden, mits zij (de weduwnaars) met hun wettig gezin te zamen
wonen en hun kind of een hunner kinderen bij hen inwonende,
minderjarig en onverzorgd is. (a. v., M. B. 26 April 1881, n". 32,
B. U. 681, M. A. 27 Maart 1883, »°. 40, en M. B. 6 Juli
1885, »°. 36, B. U. 887).
Met uitzondering van de adjudanten-onderofficieren wonen de
gehuwde onderofficieren en minderen zooveel mogelijk buiten de
kazerne. De plaatselijke of garnizoenscommandant wijst de binnen
de kazerne gelegen woningen aan en tevens die, welke buiten
de kazerne voor de gehuwden met bijzondere voorrechten bestemd
zijn. De niet met bijzondere voorrechten gehuwden behoeven
slechts zijne toestemming bij het kiezen eener buiten de kazerne
gelegen woning. (Regl. Inw. Diëtist, Inf., art. 43).
§ 156. De vrijstelling, bedoeld bij art. 5, § 2, lett. b,
der Wet op de Personeele belasting van 29 Maart 1833 (St.bl.
n°.
4) wordt geacht toepasselijk te zijn, niet slechts op de zoo-
genaamde kazernen, maar ook op alle andere gebouwen of ge-
deelten van gebouwen, waarin militairen, bij gebrek aan ruimte
in de kazerne, door en voor rekening van het Rijk worden ge-
kazerneerd. üiensvolgens strekt de bedoelde vrijstelling zich uit
tot de gebouwen, of gedeelten van gebouwen, welke door en voor
rekening van het Rijk zijn in huur genomen en dienen tot wo-
ningen van gehuwde onderofficieren en verdere militairen. (Af. B.
31 Oct. 1876, n\\ 63 1, B. U. 473).
Achter dit hoofdstuk is, als Bijlage II, eene tabel opgenomen
betreffende de militairen en militaire gecmployeerden der Land-
macht, beneden den rang van officier, die al dan niet aanspraak
hebben op de bedoelde vrijstelling. (M. A. 19 April 1883, n". 60
en M. B. 17 Mei 1892, »». 37,\' R. M. 182).
(14) Bij M. A. dJ. 30 Juli 1884, u». 39, is vastgesteld een .Voor-
schrift "uitrent het gebruik van rijkswoningen voor gehuwde militairen en
militaire-geèmployeerdeu beneden den rang van officier."
-ocr page 86-
72                          V. ff meen van vrijwilligers.
§ 157- l?oven eii behalve de militairen, bij § 151 bedoeld,
kunnen ook korporaals en soldaten van alle wapens, die als vaste
geëmployeerden bij kleeding- of wapenmagazijnen of op zieken-
stallen goede diensten verrichten, wanneer zij na het 18de levens-
jaar 12 jaren gediend en zich doorgaand goed gedragen hebben,
tot het erlangen van de vergunning tot het aangaan van een
huwelijk in aanmerking komen.
Tot het verleenen dezer vergunning zal echter telkens de mach-
tiging van den Minister van Oorlog behooren te worden ge-
vraagd. (M. B. 15 Maart 1881, n°. G3, B. V. 623).
Aan de muzikanten-titulair bij de regimenten Infanterie (zie
§ 128) mag de vergunning worden verleend om buiten genot
van bijzondere voorrechten te huwen. (Af. B. 23 Juli 1890, n°, 99).
13. Fonds tot ondersteuning der weduwen en weezen, na te laten
door vrijwilligers dienende beneden den rang van officier.
§ 158. Onder dezen naam bestaat er, sedert 1 December 1876,
een fonds, waarvan het doel is: aan de weduwen en ouderlooze
kinderen van alle vrijwillig dienende militairen beneden den
rang van officier, bij het overlijden van de echtgenooten of vaders,
uit onderlinge bijdragen, te verstrekken: 1°. eene uitkeering voor
céns, onmiddellijk na het, overlijden; 2°. een jaarlijksch pensioen.
(M. B. 18 April 18 77, u°. 35 P, li. U. 4S3).
§ 159. Aan hel fonds kunnen deelnemen, alle bij het leger hier te lande
gehuwde, vrijwillig dienende militairen beneden den rang van officier, tot den
leeftijd van 00 jaren, weduwnaars met kinderen hieronder begrepen, (a. ».).
Gepensionueerde of gepasportcerde militairen, of de zoodanigen, die op
andere eervolle wijze den dienst verlaten kunnen, desverkiczende, lid van
het fonds blijven. Wanneer zij bij het verlaten van den dienst voor het
lidmaatschap bedankt hebben en binnen den tijd van zes maanden weder in
dienst treden, dan herkrijgen z:j hunne vorige rechten, onder bijbetaling der
bijdragen voor de termijnen, gedurende welke zij afwezig zijn geweest. («.».).
$ 160. Jaarlijks wordt aan de leden rekening en verantwoording gedaan
omtrent de administratie over het afgeloopen jaar, en blijven de boeken en
registers gedurende nagenoeg drie weken, ter inzage voor de leden. («. ».).
Blijkens het laatste jaarverslag telde het fonds op 1 Januari 1893 reeds
3016 leden; bedroeg het saldo in kas, op 17 Maart 1893, f955.45, en
bezat het nog aan inschrijvingen op het Grootboek der 2% pCt. Nat. Werk.
Schuld, f 255000.
In den loop van het jaar 1892 werd betaald, aan uitkeering voor eens,
aan 27 weduwen f 378fi, en, aan onderstand en pensioen, met inbegrip
der verhooging uit \'s Uijks subsidie, aan 203. weduwen f 9100.27.
-ocr page 87-
IÜJIHR.- II.
73
TABJiL, aanwijzende de militairen on militaire gcëmplogcerden beneden den rang
van officier, die hij de rersehillende Wapent en Korpsen der Landmacht gehuwd
moffen zijn, en niet bedoeld zijn bij punt VI der il. B.
ra» 15 Maart 1881, «°. 68
(B. V. 623), met vermelding van hunne aanspraken, al dan niet, op de alge-
meene en de bijzondere voorrechten en op de vrijstelling, bedoeld bij art,
5, $ 2,
letter b, der Wet op de 1\'ersoneele Belasting van 29 Maart 1833, St.il, no. 4.
Aanspraak op
BIJZONDERE
BEPALINGEN.
GRADEN en BETREKKINGEN.
voorrechten
algc- I bijzon-
roeene. dere.
vrijstelling
van Personeele
Belasting.
ja.
neen.
neen.
ja.
u een.
ja.
neen.
ja. (a)
ja. (*)
ja.
ja.
neen.
neen.
ja-
ja
neen.
neen.
ja.
ja
ja.
ja.
ja. («)
ja.
ja
ja.
ja.(n)
ja.(*)
j\'a.
ja.
ja
ja.(*)
ja.
Hoofdopzichters ~>          , ... ....
Opzichters          j Va" f°ltlfic""™-
Magazijnm. d.artill. geen oflic. zijnde
Conducteurs der Artillerie .
Militaire Apothekersbedienden
Onderofficier-vuurwerkers der Art.
Militairen beneden
üen rang van officier,
die eene woning bewo-
nen, welke hun in eigen-
dom toebehoort, al
wordt ook door het Rijk
voor die woning een
huurprijs betaald, ge-
nieten geene vrijstelling
van personeele belas-
ting.
Evenmin genieten
bedoelde vrijstellinK zij,
voor wie i)e woninghuur
slee hts gedeeltelijk door
het Rijk wordt vergoed.
(a) Voor zoover zij,
na hun !8<ie levensjaar,
zes of meer jaren, onaf-
gebroken. in den graad
van onderofficier als
vrijwilliger hebben ge-
diend.
ib) Voor zooveel zij
met de wasch van eene
batterij, een eskadron
of eene compagnie be-
last zijn.
J».
ja.
j».
ja.
ja.
Korporaal-vuurwerkers
idem.
Machinisten
Opperschippers
Schecpstimmerlieden
Timmerlieden
bij het
Korps
Torpedistcn.
)«•
Smid-vuurwerkers
ld. -bankwerkers
Sergeant-schippers
idem.
bij het Korps
Pantserfort"
Artillerie.
Idem.
Korporaal\' id.
idem stokers
Machinisten
Smid-vuurwerkers
ld. -bankwerkers
Sergeant-schippers
ja.
ja.
ja.
ja.
ja.
ja.
j;\'-
j\'a
ja.
ja.
Korporaal .schippers
Adjudant-Onderofficier of Sergt.-
Majoor-Magazijnmeester
Serg.-Maj,-Ondermagnzijnmeester
Sergeant- idem.
Adjudaut-Onderoflic.-of Sergeant\'
Majoor-instrumentmaker.
i timmerman.
Sergt.-Majoor . smid
*
f vuurwerker
! instrumentmaker
timmerman
             _
smid                       3"
vuurwerker
Korporaal-werklieden .
Oppcrwachtm. b. h. Wap. d. Marech.
Adjudant-Onderofficieren
Wijcutm. b.h. Wap. d.Maiechaussee.
(") Xiet de Conciërge
bij de Kon. Milit. Aca-
demie.
-ocr page 88-
74
Aanspraak op
GRADEN en BETREKKINGEN.
voon
echten
vrijstelling
BIJZONDERE
alge-
meene.
| llijznll -
dere.
van Personeele
Belasting.
BEPALINGEN.
De schrijvers bij de korpsen en
(c) Alleen voor zoo-
het wapen der Kon. Marechaussee.
Idem bij de Kon. militaire
ja-
ja. («)
ja. (t)
ver zij, na hun 18e le-
vensjaar, zes of meer
jaren onafgebroken,het-
Academie .
ja. (t)
zij in hunne betrekking,
Idem bij andere Inrichtingen.
neen
hetzij in den graad van
onderofficier, hetzij in
Sergeant" M ajoors en Opperwachtm.
ja
ja-
ja-
een en ander gezarnen-
Brigadiers bij het Wapen der Kon.
lijk als vrijwilliger heb-
marechaussee ....
ja.
ben gediend.
Hoefsmeden bij idem .
ja.
Gepensionneerde of
gegageerde militairen,
De Staf hoorubl. en Staftrompetters.
ja.
ja.
ja.
als schrijver aangeno-
De administrateurs en verdere geém-
ployeerden bij deMilit. Hospitalen,
men op den voet als
bedoeld bij de punten
2o, 3o en 4o. der M.B.
alsook de ziekeuopzichters en
van 21 Maart 18\'J2, no.
ziekenoppassers bij de Kon. Milit.
50, R. M.) 78), zullen
allen genieten het bij
punt V der M. B. van
Academie en de Cadetteuscbool
neen.
/ de Militaire Bak-
15 Maart 1881, no. 63
Dc admiuistra-1 kerijen, de Garni-
teurs en min-i zoens-nachtleger-
(B. U. 623) bedoeld bij-
zonder voorrecht.
dere geëin- \\ en kleeding-maga-
ployeerdeu bij/ zijnen of de slaeh-
1 terijen
neen.
(-]-) Voor zoover zij
Sergeanten, Wachtmeesters, Fou-
niet zijn gepensionneer-
riers, Sergeaut-Onderwijzers en
de of \'gegageerde mili-
Sergeant-Scherpschutters («)
ja.
ja-
ja. (*)
tairen.
Marechaussees ....
ja-
Trompetters bij het Wapen der
(\') Met de Conciërge
Kon. Marechaussee .
ja.
bij de Cadettenschuol.
/ bij het Regiment Grenadiers en
Jagers (waaronder de ka-
£ V pelmeester en de onder-kapel-
§ ) mees/er) ....
j"
neen.
neeu.
(d) Niet meer dan
vijf (5) per regiment.
"5 ) bij de overige Regimenten
£ f Infanterie (waaronder de
kapelmeester en de onder-
\\ kapelmeester)
ja.
ja. (e)
ja.(rf)
Muzikanten en muzik.-tit. bij de
overige Heg. Infanterie. .
ja.
ja. {e)
ja. (d)
De Serg.-tamboer8 of •hoornblazers.
ja.
ja. («)
ja-
De Korp tamboers of -hoornblazers
ja.
ja- (*)
ja-
-ocr page 89-
78
Aanspraak op
GRADEN en BETREKKINGEN. voorrechten
vrijstelling
BIJZONDERE
alge-
meene.
| bijzon-
1 dere.
van Peraoneele
Belasting
BEPALINGEN.
i Kleermakers .
ja.
neen.
neen.
(e) Niet meer dan
Schoenmakers . ,
Laarzenmakers
ja-
ja-
neen.
neen.
neen.
neen.
vijf (5) bij elk regiment
en in geen geval muzi-
kanten-titulair.
Zadelmakers. ,
ja.
neen.
neen.
Geweerm. en Zwaardregers
bij de K. M. Academ
Timnierl. J « « Cadettensch.
ja
ja(/)
ja-
ja.
ja-
(ƒ) Alleen voor zoo-
d
( » \' Korpsen.
ja
ver zij, na hun 18e le-
iede
Wagen m. » » »
ja
vensjaar, zes of meer
jaren, onafgebroken in
g ameuen
ja
hunne betrekking ge-
Ö .Houtw. of amid-Baukwerk.
ja-
diend hebben.
* JHoefsincden, waaronder ook de
Opperw.-meester-, Wachtm.-o
Korp -hoefsmid en de hoefsm
dienstdoende als onderbaas, bi
\'
1
de Rij- en Hoefsmidsschool
Op wie toepasselijk is de Wei
van 18 Juli 1890 (St.bl. »°
109). . . .
ja-
ja.
ja.
neen.
De hoefsmeden en trompetters
ja-
ja. (*)
ja-
De houtwerk, en smid-bankwerki rs
bij de Veld-en Rijdende Artillerie
ja
ja. (f)
ja.
De wagenmakers, timmerlieden en
smeden bij het Korps Pontonniers.
ja.
j"- (ƒ)
ja-
De korporaals, tamboers, hoornbla-
zers, trompetters en verdere miri-
dcre militairen, bij de verschil-
lcndc korpsen en inrichtingen (4).
ja-
ja-
ja.
NB. Ue kanonnier-stokers bij het Kurps Torpedisten, aan wie op grond van vroegere
bepalingen de toestemming tot het aangaau van een huwelijk reeds werd verleend, blijven,
zoolang zij in hunne betrekking blijven voortdienen, in het genot der bijzondere voorrechten
en behouden hunne aanspraak op vrijstelling van de betaling van personeele belasting.
-ocr page 90-
HOOFDSTUK VI.
De dienstverbintenis bij de korpsen als adspirant korporaal of
als adspirant onderofficier.
§ 161 • Bij de korpsen der Infanterie en der Artillerie kan een
onbepaald aantal jongelingen worden aangenomen als adspirant-
korporaal
of adipirant-onderoflicier. Zij mogen bij aanneming niet
jonger dan 17 en niet ouder dan 20 jaar zijn; zij moeten zich
voor zes jaren verbinden tot den dienst, voldoen aan de vereischten
voor gewoon vrijwilliger, en wijders met gunstig gevolg een toela-
tingsexamen afleggen. (M. B. 17 Nov. 1873, n\'. 41P, B. U. 427, M.
B.
16 Nov. 1874, »°. 27P, B. U. 439, K. B. 3 Fel. 1883,
n\'. 11, B. U. 724, en M. B. 7 Sept. 1888,»°. 29, B. U. 1007).
§ 162\' Dit examen omvat:
Voor den adspirant-korporaal voor de Infanterie,
a.   het schrijven van eene leesbare hand;
b.   het duidelijk lezen;
c.   de kennis der vier hoofdregels der gewone rekenkunde.
Voor den adspirant-korporaal voor de Artillerie,
a. en b. als voren;
c.   het maken van een eenvoudig opstel;
d.   het rekenen met gewone en tiendeelige breuken;
e.   de kennis van het Nederlandsche stelsel van maten en gewichten.
Voor den adspirant-onderof/icier voor de Infanterie of Artillerie,
a.   het schrijven van eene goed leesbare hand;
b.   de kennis van de gronden der spelling van de Nederlandsche
taal, van welke moet blijken uit een te vervaardigen opstel;
c.    het rekenen tot en met de gewone en tiendeelige breuken;
d.   de kennis van het Nederlandsche ^stelsel van maten en ge-
wichten ;
e.   eenige bekendheid met de Vaderlandsche geschiedenis;
f.    voldoende kennis der aardrijkskunde van Nederland, (a. ».).
5 163- Deze examens worden afgenomen ten overstaan eetier door den
commandeerenden officier ter plaatse te benoemen commissie, bestaande uit
3 officieren, en wel voor de Infanterie, bij den staf van het bataljon, voor
-ocr page 91-
Vf. Adspiranlen-korporaaï en \'onderofficier.
77
de Artillerie, bij liet detachement onder commando van een\' hoofdofficier,
waarbij de jongeling wenscbt in dienst te treden.
Van hel gebonden examen wordt door de commissie een beknopt proces-
verbaal opgemaakt, waaruit blijken moet, iu hoeverre de adspiranten aan
de verdachten hebben voldaan, (a. v.).
§ 164- De adspirant-onderofficier kan, bijaldien liij overigens
aan de gestelde eischen voldoet, (zie ook § 125, tweede zinsnede)
bij de Infanterie na vijf maanden dienst, bij de Artillerie na ses
maanden dienst, tot korporaal worden bevorderd; bij gemis aan
vacature in dien graad tot korporaal-titulair. Minstens tien maan-
den na zijne indiensttreding kan de adspirant-onderofficier tot
sergeant, tburier of wachtmeester worden aangesteld; bij gemis
aan vacature in die graden, tot sergeant-, fourier- of wacht-
meester-titulair. Eenmaal onderofficier, treedt hij in al de rechten
en verplichtingen der overige onderofficieren, en kan hij derhalve
ook te zijner tijd op den cursus worden toegelaten.
De adspirant-korporaal kan bij de infanterie na vijf maanden,
bij de Artillerie na zes maanden dienst, tot korporaal worden
aangesteld; bij gemis aan vacature in dien graad tot korporaal-
titulair. («. v.).
§ 165. De opleidiug der adspiranten naar den graad van korporaal of
onderoflicier wordt toevertrouwd aan de bijzondere zorgen, bij de Infanterie,
van de bataljons, en compagnies-commandanten, bij de Artillerie, van de
detachement"\'" en compagnies of batterij-commandanten, onder toezicht van
de chefs der korpsen, (a. v.).
§ 166. Ter zake hunner aanneming wordt geen aanbrenggeld
betaald. (K. B. 25 Aug. 1888, n\\ 27, art. 15, B. U. 1007).
§ 167. De adspirant-korporaal en adspirant-onderofh\'cier ge-
nieten de soldij, vastgesteld voor den vrijwilliger van het korps,
waarbij zij in dienst treden. (M. B. 17 Nov. 1873, n\'. 41P,
B. U. 427, M. B. 16 Nov. 1874, u\\ 27P, B. U. 439, en
K. B. \'i leb.
1883, »°. 11, B. U. 724).
§ 168. Zoodra de adspirant-korporaal den effectieven graad
van korporaal, en de adspirant-onderofficier dien van sergeant,
fourier of wachtmeester heeft verkregen, zijn alle bepalingen
voor verdere bevorderingen, welke ten behoeve van het kader
korporaals en onderofficieren zijn of zullen worden voorgeschre-
ven, ook op hen van toepassing. (M. B. 17 Nov. 1873, n°. 41i°,
B. U. 427, en M. B. 16 Nov. 1874, »°. 27P, B. U. 439).
-ocr page 92-
HOOFDSTUK Vlf.
Het Instructie Bataljon te Kampen.
§ 169. A. Bestemming^ verdeeling en kader. Het Instructie-
Bataljon is bestemd om, door het opleiden van jongelingen tot
korporaal der Infanterie mede te werken ter voorziening in de
behoefte aan korporaals bij dat Wapen.
Bovendien worden bij voornoemd bataljon jongelingen opge-
leid tot korporaal eu tot onderofficier bij de koloniale troepen.
(Voorschr. M. B. 3 Feh. 1888, n\'. 56, art. 1, B. U. 975).
§ 170- Het Instructie-Bataljon bestaat, voor wat de soldaten
betreft, uit volontairs, die daarbij worden aangenomen. Het getal
daarbij aanwezige militairen voor het leger in Oost-Indië raag
hoogstens honderd bedragen. Zij worden bij het Instructie-Bataljon
gevoerd als gedetacheerd van het Koloniaal-Werfdepot, doch
rekenen overigens in de sterkte van gemeld Bataljon, (a. »., art. 2).
§ 171. B. Wijze en voorwaarden van toelating. Ingeval van
vacatures, kunnen op elk tijdstip volontairs bij het Instructie-
Bataljon worden aangenomen, (a. v., art. 3).
§ 172. Ouders of voogden, die verlangen, dat hunne zonen
of pupillen als volontair bij het Instructie-Bataljon worden toe-
gelaten, moeten zich onder opgave van de lengte van den adspi-
rant en van den datum zijner geboorte, daartoe schriftelijk wenden
tot den Commandant van het Bataljon, die den dag van oproeping
bepaalt naar gelang; er vacatures zijn. (a. v., art. 4).
Bij de aanvrage moet tevens worden vermeld of de adspirant
wenscht te worden aangenomen voor het leger hier te lande of
voor dat in Ooit-lndië.
-ocr page 93-
VII. Tmtructie- Bataljon.                            79
§ 173. De vereisohten tol, toelating zijn:
1°. Keu leeftijd van 16, 17 of 18 jaren.
2°. Geschiktheid voor den krijgsdienst, geconstateerd door een
geneeskundig onderzoek van den Chef van den genees-
kundigen dienst bij het garnizoen.
3°. Een goed voorkomen • en eene aan de jaren geüvenredigde
lengte, als:
minstens 1.52 M. op 16 jarigen leeftijd;
ti 1.54 „ „17 //
           n
// 1.55„ // 18 //           
4°. Het schrijven van eene goed leesbare hand, het duidelijk
lezen, en het goed bekend zijn met de vier hoofdregels
der rekenkunde, op geheele getallen toegepast; van welke
bekwaamheden de adspiranten, bij een af te leggen examen
moeten doen blijken.
Tot toelating voor den dienst hier te lande wordt voorts
vereischt, dat de adspirant Nederlander zij. (a. »., art. 5).
§ 174. De verbintenis voor den dienst hier te lande wordt
op 16 jarigen leeftijd voor acht en op 17 jarigen en hoogeren
leeftijd voor zes jaren aangegaan. Daarbij wordt gevorderd de
overlegging der bescheiden, vermeld in § 33, al. 1 en § 34 a.
De verbintenis voor den Kolonialen militairen dienst wordt
aangegaan voor den tijd van negen jaren, waarvan zes te dienen
in Oost-Indië. Bij vertrek naar Jndië binnen drie jaren na aan-
komst bij het Instructie-Bataljon wordt de nog te volbrengen
diensttijd verminderd tot zes jaren, te rekenen van den dag van
inscheping. Voor deze verbintenis wordt gevorderd de overleg-
ging van de bescheiden, welke moeten worden overgelegd bij aan-
neming als vrijwilliger voor den Kolonialen militairen dienst.
Zij, die reeds bij het Instructie-Bataljon eene verbintenis voor
den dienst hier te lande hebben aangegaan, kunnen na be-
komen machtiging van den Minister van Oorlog tot eene ver-
bintenis voor den kolonialen militairen dienst worden toegelaten.
De verbintenis voor den dienst hier te lande komt in dat geval
evenwel eerst te vervallen, indien de betrokken militair zijne
bestemming voor Oost-Indië volgt.
Overigens gelden voor de aanneming van volontairs bij het
Instructie-Bataljon de bepalingen betreffende de vereischte licha-
melrjke geschiktheid, de over te leggen bescheiden — waaronder
-ocr page 94-
Vil. Indructie-Bataljm).
8(1
ook het bewijs van toestemming, afgegeven dooi\' den vader, den
voogd of do moeder-voogdes — en het opmaken der engagement-
akte, opgenomen onder de §§ 4 al. 1 en 2, 23, 27, 33 al. 2,
34 laatste al. en 45 van Hoofdstuk 1. («. o., art. ö, en
Instructie op de Werving, vailgedeld bij K. B.
27 Aug. 1881,
n\\ 20, en M. B. 14 Sèpt. 18S1, u\\ 37, B. U. (546).
§ 175. (J. Kazerneering, menage en zakgeld. De volontairs
worden gehuisvest in de kazerne.
De soldij der volontairs is gelijk aan die van een vrijwilliger
bij de infanterie (thans 34 eents daags,).
Deze wordt ingelegd in de menage en in dier voege beheerd,
dat aan icderen volontair, die niet aan korting op zijne soldij
onderworpen is, per vijf dagen minden* 50 cents zakgeld wordt
uitgekeerd.
Zoodra de volontair korporaal-titulair wordt, ontvangt hij per
dag 5 cents meer.
§ 176. Voor korporaals en minderen bestaat de voeding voor
het ontbijt uit gort; op het middaguur uit brood, waarbij boter
wordt verstrekt en koffie, en \'s namiddags om 4 uur uit vleesch
met groente en aardappelen, of met boonen en erwten enz. (K.
B.
3 Feb. 1883, u°. 11, B. U. 724 en Voonolir. a.v.,art. 29).
§ 177. D. Cantine en bibliotheek. Tot plaats voor uitspan-
ning, na of tusscheii de verschillende oefeningen, bestaat er in
de kazerne eene keurig ingerichte cantinezaal: een groot en ruim
verblijf, waar kosteloos gelegenheid wordt gegeveu tot het lezen
van couranten en tijdschriften en de liefhebbers van dammen,
dominospelen, biljarten, pianospelen en kegelen hunne gading
vinden. Het spelen om geld is daarbij uitdrukkelijk verboden.
In dit gezellige, goed verwarmde en verlichte lokaal doet eiken
zaterdagavond, van 7-£—(J uur, de muziek van het bataljon, op
een smaakvol ingericht orkest, zich hooren. Verder zijn in de
cantine allerlei ververschingen van de beste qualiteit, tegen de
laagst mogelijke prijzen, verkrijgbaar gesteld, benevens borstels
en verdere poetsbenoodigdheden, zoodat ieder volontair, na zijne
inlijving, zich aldaar op de beste en meest goedkoope wijze vart
deze benoodigdheden kan voorzien.
De winsten door de cantine, in weerwil der lage prijzen, be-
-ocr page 95-
VII. Instructie-Bataljon.
81
haald, worden ten bate van het personeel van het bataljon aan-
gewend.
§ 178. De bij het bataljon opgerichte leesbibliotheek strekt,
om aan de onderofficieren en minderen, nuttige en aangename
uitspanningslectuur te verschaften tegen vrijwillige, weinig kost-
bare maandelijksche abonnementen.
§ 179. E. Onderwijs. Het theoretisch en practisch onder-
wijs wordt door den Commandant van het Bataljon zoodanig ge-
regeld en afgewisseld, als hij, in het belang van de opleiding
en vorming der volontairs, doeltreffend acht. (Voorschr. a. v.,
art.
12).
§ 180. De opleiding moet vooral in practischen zin geschie-
den; het aankweeken van soldatengeest moet daarbij op den
voorgrond staan. (a. v., art. 13).
§ 181. I*1. Godsdienstige belangen. Aan de ouders of voogden
der volontairs moet worden gevraagd, of zij verlangen dat hun
zoon of pupil godsdienstonderwijs zal ontvangen en de gods-
dienstoefeningen bijwonen, en zoo ja, bij welken leeraar.
Aan dat verlangen moet worden tegemoet gekomen, (a. v.,
art.
14).
§ 182- G. Bevordering en overgang naar de regimenten of
naar het Koloniaal-Werf depot.
De volontairs, die aan de eischen,
door den Bataljons-Commandant daartoe gesteld, hebben vol-
daan, worden, bij goed gedrag, aangesteld tot korporaal-titulair.
De tot korporaal-titulair aangestelde volontairs kunnen, indien
zij dit verlangen, een binnenlandsch verlof van hoogstens 14
dagen bekomen, [a. v., art. 17).
§ 183. Om tot korporaal te kunnen worden aangesteld, wordt
voor de korporaals-titulair een diensttijd van minstens 8 maanden, de
leeftijd van minstens 17 jaren en eene lengte van 1.54 M. en
bij 18jarigen ouderdom van minstens 1.55 M. vereischt. (a.v.,art. 18).
§ 184. Korporaals-titulair, die zoowel theoretisch als prac-
tisch aan de eischen van korporaal hebben voldaan, worden door
den Bataljons-Commandant op gezette tijden (in den regel acht-
maal in het jaar) aangesteld tot korporaal en voor zooveel zij
bestemd zijn voor den dienst hier te lande, in verhouding tot
de bestaande vacatures, naar de regimenten infanterie gezonden.
6
-ocr page 96-
82                            VII. ]nstructie-Bataljon.
Korporaals-titulair, die voor het leger in Ood-Indïè zijn be-
stemd, en op het tijdstip hunner aanstelling tot korporaal door
te voldoen aan eenige door den Bataljons-Commandant te stellen
eischen van wetenschappelijke en theoretische ontwikkeling den
waarborg geven om in hoogstens drie jaren — te rekenen van
den dag van hunne indiensttreding — tot onderofficier te kun-
nen worden bevorderd, en voorts een doorgaand goed gedrag
hebben, kunnen tot dat doel bij het Instructie-Bataljon verblijven.
Zij worden, behoudens het hierna vermelde geval, na hunne
aanstelling tot onderofficier of — indien zij het onderofficiers-
examen niet met goed gevolg konden afleggen — na afloop
van den zooeven vermelden termijn, tot het volgen hunner be-
stemming op het Koloniaal-Werfdepot gedirigeerd.
Korporaals-titulair, die voor het leger in Oost-Indië zijn
bestemd en tot korporaal worden aangesteld, doch niet in de
termen vallen om bij het Instructie-Bataljon te blijven, worden,
indien zij den leeftijd van 18 jaren hebben bereikt, tot het
volgen hunner bestemming op het Koloniaal-Werfdepot gedirigeerd.
Hebben zij den leeftijd van 18 jaren niet bereikt, dan worden
zij tot dat tijdstip bij een de regimenten infanterie gedetacheerd.
Dit laatste is ook het geval met hen, die vóór hun 18dc jaar
tot onderofficier worden aangesteld, (a. »., art. 19).
§ 185. Uit de korporaals-titulair bestemd voor het leger hier
te lande, die bij uitmuntenden dienstijver, zich onderscheiden
door wetenschappelijke ontwikkeling en gunstigen aanleg, wordt
een gedeelte van het kader korporaals en onderofficieren van
het Instructie-Bataljon gevormd. Dit gedeelte is behulpzaam bij
het geven van het lager onderwijs bij het bataljon, (a. v , art. 20).
§ 186\' H. Verloven. Bij algemeen erkende Christelijke feest-
dagen kan de commandeerende officier een kortstondig verlof
toestaan; overigens wordt, behoudens hetgeen hieromtrent in § 182
voorkomt, aan de volontairs alleen in dringende gevallen verlof
gegeven, (a. v., art. 22).
§ 187. I. Verwijdering. De verwijdering van volontairs van
het Bataljon kan alleen geschieden op machtiging : van den In-
specteur der Infanterie, voor zooveel betreft volontairs bestemd
voor den dienst hier te lande; van den Minister van Oorlog,
-ocr page 97-
VIL Instructie-Bataljon,
83
voor zooveel betreft volontairs, bestemd voor den Kolonialen
dienst, (a. v., art. 23).
§ 188. Een volontair kan, onverminderd het bepaalde in de
engagement-akte tot verwijdering uit den dienst in aanmerking
worden gebracht, indien hij bij het intreden van zijn 19de jaar
niet de lengte heeft van 1.5 5 M. («. v., art. 24).
§ 189. Een volontair kan tot verwijdering uit den dienst of
tot overplaatsing als soldaat bij een der regimenten infanterie
worden voorgedragen :
1°. ten gevolge van slecht gedrag, gepaard met onbuig-
zaamheid en eene bestendige ongevoeligheid voor alle
vermaningen ;
2°. ten gevolge van zedenbederf, dat hem voor anderen ge-
vaarlijk zou maken.
Bovendien kan een volontair als soldaat bij een der regimenten
infanterie worden overgeplaatst wanneer het blijkt, dat hij noch
aanleg noch vlijt betoont.
Is zoodanig volontair aangenomen voor den kolonialen mili-
tairen dienst, dan wordt hij, den leeftijd van 18 jaar bereikt
hebbende, als soldaat op liet Koloniaal-Werfdepot gedirigeerd,
ten einde zijne bestemming te volgen. Heeft hij dien leeftijd
niet bereikt, dan wordt hij tot dat tijdstip bij een der regi-
menten infanterie gedetacheerd.
Het bepaalde in de vorige alinea is mede van toepassing op
de voor den Kolonialen militairen dienst aangenomen volontairs,
die ingevolge punt 1°. en 2°., hiervoren vermeld, als soldaat bij
een der regimenten infanterie zouden moeten worden overge-
plaatst. (a. ».).
§ 190. K. Corveeën. Bij het Bataljon wordt een genoegzaam
getal soldaten gedetacheerd, bestemd om als oppassers bij de
officieren en in de magazijnen, als koks, enz. te worden gebe-
zigd, en tevens die corveeën te verrichten, welke om verschil-
lcnde redenen niet aan de volontairs worden opgedragen.
(a. v., art. 31).
-ocr page 98-
HOOFDSTUK VIII.
De Instructie-Compagnie te Schoonhoven.
§ 191. A. Bestemming. De Instructie-Compagnie is bestemd
om, door het opleiden van jongelingen tot korporaal der Vesting-
Artillerie, mede te werken ter voorziening in de behoefte aan
korporaals bij dat gedeelte van het Wapen der Artillerie.
Bovendien worden bij voornoemde Compagnie jongelingen
opgeleid tot korporaal bij de korpsen Pontonniers en ïorpedisten,
met dien verstande, dat de vakopleiding bij die korpsen plaats
heeft. (AT. B. 11 Mei 1862, n\\ 51, B. U. 267 en 14 Feb.
1881, n". 9, art. 4, en Voorsch. M. B. 17 Ang. 1891, W». 61,
art. 1, B. U. 1201).
§ 192- B. Toelating. Ingeval van vacatures, kunnen op elk
tijdstip volontairs bij de Instructie-Compagnie worden aange-
nomen. (Foorschr. a. v., art. 3).
§ 193. Ouders of voogden, die verlangen dat hunne zonen
of pupillen als volontairs bij de Instructie-Compagnie worden
toegelaten, moeten zich onder opgave van de lengte van den
adspiraut en van den datum en het jaar zijner geboorte, daartoe
schriftelijk wenden tot den commandant van gemelde compagnie,
die hunne zonen of pupillen, naar gelang er vacatures zijn,
oproept. («. v., art. 4).
§ 194. De vereischten tot toelating zijn:
1°. dat de adspirant Nederlander zij ;
2°. in den regel een leeftijd tusschen 15£ en 19 jaar;
3°. geschiktheid voor den krijgsdienst, geconstateerd door
een geneeskundig onderzoek van den Chef van den geneeskundi-
gen dienst bij het garnizoen;
-ocr page 99-
VtTI. Instructie-Compagnie.                          8 5
4°. een goed voorkomen en eene aan de jaren geëvenredigdc
lengte, (*) als:
op 15 jarigen leeftijd minstens 1.52 Meter.
n 16
           u             ii 1.56 u
II 17       /;           ii             li        1.60       //
• 18 *                        „ 1.64 „ (15);
5°. het schrijven van eene goed leesbare hand, het duidelijk
lezen en het goed bekend zijn met de vier hoofdregels der reken-
kunde op geheele getallen toegepast, van welke bekwaamheden
de adspirant bij een af te leggen examen moet doen blijken.
Het examen kan naar omstandigheden vergelijkend worden
afgenomen, (a. v., art. 5).
§ 195. Be verbintenis voor den dienst wordt op löjarigen
en lageren leeftijd voor acht en op 17jarigen en hoogeren leeftijd
voor zes jaren aangegaan. Daarbij wordt gevorderd het over-
leggen der beseheiden, vermeld in art. 8 en 9a der Instructie op
de werving, vastgesteld, bij Koninklijk Besluit van 27 Augustus
1881, n°. 20. (ff. v., art. 6).
§ 196. C. Kazerneering, menage en zakgeld. De volontairs
worden gehuisvest in de kazerne. Zij worden op kosten van het
Rijk gekleed en gevoed en bekomen aan zakgeld telken vijf
dagen minstens 65 cents. De korporaals-titulair ontvangen 25
cents meer.
I)e voeding bestaat uit gort, uit brood, waarbij boter en
koffie worden verstrekt, uit gebraden vleesch met groente en aard-
appelen, of boonen of erwten met spek, of erwtensoep, enz.
(a. »., art. 30).
Elk etmaal wordt per man 0.60 kilogram brood van zuivere
ongebuilde tarwe verstrekt, dat in brooden van 1.20 kilogram
wordt geleverd, (a. v., art. 31).
(*) Zie ook de noot op bladz. 7.
(15) De Inspecteur der Artillerie is gemachtigd, om, zoolang het tekort
aan kader bij de Artillerie nog aanzienlijk is, te beslissen nopens de toe-
lating van adspiranten voor de Instractie-Compagnie of Instructie-Batterij,
die niet geheel voldoen aan hetgeen ten opzichte van de lengte van volon-
tairs, die jonger dan 18 jaren zijn, in deze § voorkomt. (M. A. 15 Nov.
1864, »°. 40).
-ocr page 100-
8(5                          VUT. Instructie-Compagnie.
§ 197. H. Cantine eu bibliotheek. Tot plaats voor uitspanning
na of tusschen de verschillende oefeningen bestaat er in de
kazerne eene keurig ingerichte cantinezaal: een groot en ruim
verblijf, waar kosteloos gelegenheid wordt gegeven tot het lezen
van couranten eu tijdschriften, en liefhebbers van dammen,
domino* en kaartspelen hunne gading vinden. In de zaal staan
2 biljarten, tegen eene kleine vergoeding, ter beschikking van de
bezoekers die daarop spelen willen. Het spelen om geld is
echter uitdrukkelijk verboden. In dit gezellige, goed verwarmde
en verlichte lokaal wordt nu en dan muziek ten gehoore gebracht,
die betaald wordt uit de baten der cantine. Verder zijn hier
allerlei ververschingen van de beste qualiteit, tegen de laagst
mogelijke prijzen verkrijgbaar gesteld, benevens borstels en verdere
poetsbenoodigdheden, zoodat ieder volontair na zijne inlijving,
zich aldaar op de beste en meest goedkoope wijze van benoodigd*
heden kan voorzien.
De winsten van de cantine, in weerwil der lage prijzen,
behaald, worden ten bate van het personeel van de compagnie
aangewend.
§ 198. In de cantine is eene bibliotheek opgericht, waaruit
aan onderofficieren en minderen nuttige en aangename uitspan-
ningslectuur kosteloos wordt verschaft.
\\ 199. E. Onderwijs. Het onderwijs wordt in vier afdee-
lingen gesplitst als:
1°. het schoolonderwijs waartoe behoort:
a.    lezen ;
b.    schrijven ;
c.    de beginselen der Nederlandsche taal en het maken
van rapporten ;
cl. de compagnies-administratie ;
e.    het rekenen met tiendeelige en gewone breuken, benevens
de kennis van het tientallig stelsel van maten en ge-
wichten, een en ander toegepast op de menage* en
administratierekening ;
f.    de Vaderlandsehe geschiedenis ;
g.    de aardrijkskunde van Nederland.
2°. de theorie der dienst- en exercitiereglementen voor zoo-
verre die voor de korporaals der Vesting-Artillerie wordt vereischt;
-ocr page 101-
VIII. Ïnstrnclie-Compagnie.                          87
3°. de artilleriewetenschappen, waarbij als grondslag voor het
onderwijs liet Handboek voor de onderofficieren en korporaals der
niet Bereden-Artillerie
benevens de Leidraad voor het schieten
met vestinggeschut,
wordt aangenomen ; voorts theoretisch onder-
richt in de ernstvuurwerkerij ^een en ander voor zooveel zulks
voor de korporaals wordt vereischt), alsmede het overbrengen
van berichten langs optischen en electrischen weg ;
4°. het practiscb onderwijs in de vakken van de sub 2°. en
3°. genoemde afdeelingen, in de compagniesschool, het schermen
en de .gymnastiek, (a. v., art. 2).
§ 200. Het onderwijs wordt door den commandant der com-
pagnie zoodanig geregeld en afgewisseld, als hij in liet belang van
de opleiding en vorming der volontairs doeltreffend acht ; daarbij
in het oog houdende, dat vooral moet worden getracht, het oor-
deel der volontairs te scherpen en te ontwikkelen, (a. v., art. 10).
De opleiding moet vooral in practischen zin geschieden, het
aankweeken van soldatengeest moet daarbij op den voorgrond
staan. (a. i\\, art. 11).
§ 201. Voor het schoolonderwijs worden de volontairs naar-
mate van hunne bekwaamheid verdeeld in drie klassen.
Voor dat in de militaire vakken mede in drie klassen, als:
1°. die der roeraten; 2°. die der geoefenden en 3°. die der
korporaals" titulair.
De uitvoerige programma\'s van onderwijs voor de verschillende
leerklassen, worden door den Inspecteur der Artillerie vastge-
steld. (a. v., art. 13).
§ 202. F. Practisclte oefeningen. De volontairs worden ge-
oefend in het schieten met geschut en geweer, het leggen van
beddingen, het vervaardigen van bekleedingsraiddelen, hetopwer-
pen en bewapenen van batterijen en verder in alle verrichtingen,
welke gerekend worden tot den werkkriDg van den vesting-
artillerist te behooren. (a. v., art. 14).
§ 203. G. Godsdienstige belangen. Aan de ouders of voogden
der volontairs moet worden gevraagd of zij verlangen, dat hun
zoon of pupil godsdienstonderwijs zal ontvangen en de gods-
dienstoefeningen bijwonen, en, zoo ja, bij welken leeraar.
Aan dat verlangen moet worden tegemoet gekomen. («. v.,art. 15).
-ocr page 102-
88                           VIII. Instructie* Compagnie,
§ 204. H. Beoordering en overgang naar de korpsen. De
volontairs, die aan de eischen, hierna in § 205 gesteld, voldoen,
worden door den compagnies-commandant aangesteld tot korpo-
raal-titulair.
Voor bevordering van de korporaals-titulair tot korporaal bij
de Vesting-Artillerie doet hij, in verband met § 20fi, de noodige
voordrachten aan den Commandant der Vesting-Artillerie, (a. c,
art. 17).
§ 205. Om in aanmerking te komen voor bevordering tot
korporaal-titulair wordt vereischt: a. een goed zedelijk en militair
gedrag; b. goed schrijven; c. het maken van een eenvoudig
dienstrapport, zonder zinstorende fouten; d. het rekenen met
tiendeclige en gewone breuken benevens de kennis van het tien-
tallig stelsel van maten en gewichten; e. het met goed gevolg
doorloopen hebben van de tweede klasse van het onderwijs in
de militaire vakken; /. een diensttijd van minstens zes maanden.
(a. v., art. 18).
5 206. Om als korporaal bij een der regimenten Vesting-
Artillerie te kunnen worden overgeplaatst, wordt gevorderd:
a.     dat de korporaal-titulair met goed gevolg de derde of
hoogste klasse van het onderwijs in de militaire vakken heeft
doorloopen;
b.     dat hij zich een militairen toon en eene militaire houding
heeft eigen gemaakt, waardoor het te verwachten is, dat hij zijn
gezag over zijne minderen zal weten te handhaven;
c.     een diensttijd van minstens één jaar. (a. v., art. 19).
Om in aanmerking te komen voor overplaatsing bij het Korps
Pontonniers of het Korps Torpedisten, ten einde daarbij verder
tot korporaal te worden opgeleid, wordt vereischt:
a.    de theoretische en practische kennis van de Eecrutenschool
V en 2e Afdeeling;
b.     de practische kennis van de Recrutenschool 3\' Afdeeling;
c.     de theoretische en practische kennis van het reglement
voor den garnizoensdienst en de theoretische kennis van het
reglement op den inweudigen dienst der Infanterie, voor zooverre
de korporaal daarmede bekend moet zijn;
d.     het leggen van de verschillende gebruikelijke knoopen en
hunne toepassing, zoomede de behandeling van touwwerk.
Deze overplaatsing geschiedt op voordracht van den compa-
-ocr page 103-
VUT. Indnwtie-Oompagnie.                          89
gilles-commandant, door den Inspecteur der Artillerie. («. v.,art. 2 0).
§ 207. L oerloven. Van 15 September tot 15 October
of, wanneer de Compagnie heeft gekampeerd, eenige dagen na
terugkomst uit de legerplaats, worden verloven verleend aan de
volontairs en korporaals-titulair. Die verloven worden zoodanig
geregeld, dat de dienst er niet onder lijdt. (a. v., art. 21).
Bij algemeen erkende Christelijke feestdagen kan een kortstondig
verlof worden toegestaan; overigens wordt, behoudens het be-
paalde in de vorige zinsnede, alleen in dringende gevallen verlof
verleend, (a. v.t art. 22).
§ 208. K. Verwijdering. De verwijdering en verplaatsing
van volontairs van de Instructie-Compagnie geschiedt, behalve
in het geval, bedoeld bij § 206, door den Commandant der
Vesting-Artillerie. («. v., art. 24).
§ 209. Een volontair kan, onverminderd het bepaalde in de
engagements-akte, tot verwijdering uit den dienst in aanmerking
worden gebracht, indien hij bij het intreden van zijn 20ste jaar
niet de lengte heeft bereikt van 1.64 M.
Een volontair kan tot verwijdering uit den dienst of tot ver-
plaatsing als kanonnier bij een der Ilegimenten Vesting-Artillerie
worden voorgedragen:
1°. ten gevolge van slecht gedrag, gepaard met onbuigzaam-
heid van karakter en eene bestendige ongevoeligheid voor ver-
maningen en straffen;
2°. ten gevolge van zedenbederf, dat hem voor anderen
gevaarlijk zou maken.
Bovendien kan een volontair als kanonnier bij een der Regi-
menten Vesting-Artillerie worden overgeplaatst:
a.     wanneer het blijkt dat hij geen aanleg bezit of geen vlijt
betoont;
b.     wanneer zulks door of ten behoeve van hem, op grond
van particuliere belangen wordt verzocht;
c.     na van korporaal-titulair wegens slecht gedrag te zijn
terugge3teld tot kanonnier van de 2de klasse. (a. o., art. 25).
-ocr page 104-
HOOFDSTUK IX.
De Instructie-Batterg te Arnhem.
§ 210. A. Bestemming. Dr Instructie-Batterij is bestemd om,
door het opleiden van jongelingen tot korporaal der Veld- of
Rijdende Artillerie, mede te werken ter voorziening in de be-
lioefte aan korporaals bij het bereden gedeelte van het wapen der
Artillerie, tot opleiding van kader voor de regimenten Vcld- en
het Korps Rijdende Artillerie. (K. B. 14 leb. 1881, »°. 9, art. 4,
en Voorsclir. M. B. 17 Aug. 1891, n\\ 51, art.\\,B. f7.1201).
§ 211. B. Toelating. [Als in § 192 voor de Instructie-
Compagnie]. (Voorschr. a. ?;., art. 3).
§ 212. [Als in § 193 voor de Instructie-Compagnie]. («.».,
art. 4).
§ 213. De vereischten tot toelating zijn :
1°. dat de adspirant Nederlander zij;
2°. in den regel een leeftijd tusschen 15£ en 19 jaar;
3°. geschiktheid voor den krijgsdienst, geconstateerd door een ge-
neeskundig onderzoek van den Chef van den geneeskundigen dienst,
bij het garnizoen;
4°. een goed voorkomen en eene aan de jaren geëvenredigde
lengte, (*) als:
op 15 jarigen leeftijd minstens 1.55 M.
// 16 „
           ff             /,• 1.59 w
ii 17 ii             ii               ii 1.63 ii
18 „                        „ 1.67 „(**);
&?. het schrijven van eene goed leesbare hand, het duidelijk
(*) Zie ook de noot op bladz. 7.
(**) Zie ook de noot 15 bij § 194.
-ocr page 105-
IX. lnstrnctie-Batterij.                             1)1
lezen eu liet goed bekend zijn met de hoofdregels der rekenkunde,
op geheele getallen toegepast, van welke bekwaamheden de adspi-
rant, bij een af te leggen examen, moet doen blijken.
Het examen kan, naar omstandigheden, vergelijkend worden
afgenomen, (at. »., art. 5).
§ 214- [Als in § 195 voor de Instructie-Compagnie]. (a.v.,
art. ti).
§ 215. C. Kazerneering, menage en zakgeld. De volontairs
worden gehuisvest in de kazerne.
Zij worden op kosten van het Kijk gekleed en gevoed en
bekomen aan zakgeld, telken vijf dagen, minstens 05 cents. De
korporaals-titulair ontvangen 25 cents meer.
De voeding van.de korporaals-titulair en volontairs bestaat uit
soep met vleesch, uit brood, waarbij boter en koffie worden ver-
strekt, en uit gebraden vleesch met groente en aardappelen of
boonen of erwten met spek, of erwtensoep, enz. (a.v., art. 31).
Elk etmaal wordt per volontair verstrekt 0.60 Kg. brood
van zuivere ongebuilde tarwe, dat in brooden van 1.20 Kg.
wordt geleverd, (a. »., art. 32).
§ 216\' D. Onderwijs. Het onderwijs wordt in vier afdee-
lingen gesplitst, als:
1°. het schoolonderwijs, waartoe behoort: a. lezen; b. schrij-
ven; c. de Xederlandsche taal en het maken van rapporten;
d. de administratie eener batterij ; e. het rekenen met tiendeelige
en gewone breuken, benevens de kennis van het tientallig stelsel
van maten en gewichten, een en ander toegepast op de menage-
en administratierekening; f. de Vaderlandsche geschiedenis; g.
de aardrijkskunde van Nederland en /(. de Paardenkennis;
2°. de theorie der dienst- en exercitiereglementen voor zoo-
verre die voor de korporaals der Bereden-Artillerie wordt vereischt;
3°. de artillerie-wetenschappen, waarbij als grondslag voor het
onderwijs het Handboek voor de onderofficieren en korporaals der
Bereden Artillerie
wordt aangenomen, voorts theoretisch onder-
richt in de ernstvuurwerkerij, een en ander voor zooveel zulks
voor de korporaals wordt vereischt;
4°. het practisch onderwijs in de vakken van de sub 2°. en
3". genoemde afdeelingen en voorts het schermen en de gymna-
stiek. («. »., art. 12).
-ocr page 106-
92                             ÏX. tnstrnctie-Battertj.
§ 217. [Als in § 200 voor de Instructie-Compagnie], (a. ».,
artt. 10 en 11).
§ 218. [Als in \\ 201 voor de Instructie-Compagnie], (a. v„
art.
13).
§ 219. E. Practische oefeningen. De volontairs worden ge-
oefend in het schieten met geschut en revolver, het schatten van
afstanden, het terreinrijden, den velddienst, het opwerpen van
vluchtige dekkingen, en verder in de practische werkzaamheden,
welke van den korporaal der Bereden-Artillerie gevorderd kunnen
worden. («. »., art. 14).
§ 220. P. Godsdienstige belangen. [Als in § 203 voor de
Instructie-Compagnie], (a. v., art. 15).
§ 221. Ct. Bevordering en overgang naar de korpsen. Om in
aanmerking te komen voor bevordering tot korporaal-titulair
wordt vereischt: a. een goed zedelijk en militair gedrag ; b. goed
schrijven ; c. het maken van een eenvoudig dienstrapport, zonder
zinstorende fouten; d. het rekenen met tiendeelige en gewone
breuken benevens de kennis van het tientallig stelsel van maten
en gewichten ; e. het met goed gevolg doorloopen hebben van
de tweede klasse van het onderwijs in de militaire vakken en/, een
diensttijd van minstens één jaar, welke diensttijd alleen bij gunstige
uitzondering tot 9 maanden kan worden teruggebracht, (a. v.,art. 18).
§ 222. Om als korporaal bij een der regimenten Veld-Artillerie
of het korps Rijdende Artillerie te kunnen worden overgeplaatst,
wordt gevorderd, dat de korporaal-titulair met goed gevolg de
derde of hoogste klasse van het onderwijs in de militaire vakken
heeft doorloopen en dat hij zich een militairen toon en eene
militaire houding heeft eigen gemaakt, waardoor het te verwachten is,
dat hij zijn gezag over zijne minderen zal weten te handhaven.
(a. »., art. 19).
§ 223. H. Verloven. [Als in § 207 voorde Instructie-Com-
pagnie]. (a. v., artt. 20 en 21).
§ 224. I. Verwijdering. [Als in § 208 voor de Instructie»
Compagnie], (a. v., art. 23).
-ocr page 107-
IX. Listructie-Batterij.                              93
§ 225. Een volontair kan, onverminderd het bepaalde in de
engagement-akte, tot verwijdering uit den dienst in aanmerking
worden gebracht, indien hij bij het intreden van zijn 20,le jaar
niet de lengte heeft bereikt van 1.67 Meter.
Een volontair kan tot verwijdering uit den dienst of tot ver-
plaatsing als kanonnier bij een der bereden korpsen van het wapen
worden voorgedragen :
1°. ten gevolge van slecht gedrag, gepaard met onbuigzaam-
heid van karakter, en eene bestendige ongevoeligheid voor ver-
maningen en straften;
2°. ten gevolge van zedenbederf, dat hem voor anderen
gevaarlijk zou maken.
Bovendien kan een volontair als kanonnier bij een der voor-
melde korpsen worden overgeplaatst:
a.     wanneer het blijkt, dat hij geen aanleg bezit of geen vlijt
betoont;
b.     wanneer zulks door of ten behoeve van hem, op grond
van particuliere belangen, wordt verzocht;
c.     na van korporaal-titulair wegens slecht gedrag te zijn
teruggebracht tot kanonnier van de 2de klasse, (a. v., art, 24).
-ocr page 108-
HOOFDSTUK X.
De Pupillensohool te Nieuwersluis.
§ 226. A. Bestemming. De Pupillenschool, waarvan Zijne
Majesteit de Koning, als blijk van Hoogst Deszelfs groote be-
langstelling, het beschermheerschap heeft gelieven te aanvaarden,
is bestemd tot opleiding van knapen voor den krijgsdienst.
(K. B. 27 Jan. 1877, n°. 6 en 8 Feb. 1877, »°. 28, B. U.
478 en 479, en Voorschrift, vastgesteld bij M. B. 7 Vee.
1881, »°. 10).
§ 227. B. VereiscMen tot toelating. Tot de Pupillenschool
worden toegelaten, voor zooveel er plaatsen zijn, knapen, die
niet jonger dan 12 en niet ouder dan 14 jaren zijn en ove-
rigens aan de na te noemen voorwaarden voldoen.
In den regel worden geen knapen ter opleiding aangenomen
die op 12 jarigen leeftijd kleiner dan 1.4 M. of op 13 jarigen
leeftijd kleiner dan 1.43 M. zijn. (*)
Zonen van niet-militairen kunnen tot de school \'worden toege-
laten, tegen betaling eener jaarlijksche bijdrage van vijf\'tiggulden.
(Foorstfir. a. v., art.
3, geiv. M. A. 21 Jan. 1886, n. 26).
§ 228. De betaling van de jaarlijksche bijdrage door de ouders
of voogden der pupillen, die daartoe verplicht zijn, geschiedt in
termijnen, telkens voor een vierde gedeelte en bij vooruitbetaling,
als volgt:
a.       Bij den aanvang van elk kwartaal een vierde van het jaar-
lijksch bedrag, en wel de eerste maal, vóór de aanneming,
en de volgende malen, op, of uiterlijk binnen 14 dagen
na, den eersten dag van het kwartaal;
b.      Voor pupillen, in den loop van een kwartaal aangenomen,
voor elke maand of elk gedeelte van eene maand van het
ingetreden kwartaal een twaalfde van het jaarlijksch bedrag,
en wel vóór de aanneming. Voor pupillen, die in den loop
(*) Zie ook de noot op bladz. 7.
-ocr page 109-
X. Pupillenschool.                                  95
van een kwartaal de school verlaten, geschiedt terugbeta-
ling van gestorte bijdragen, en wel een twaalfde der jaar-
lijksche bijdrage voor elke volle nog niet verstreken maand
van dat kwartaal, (a. v,, art. 4).
229. C. Aanvraag tot plaatsing. Het verzoekschrift om
plaatsing moet, op zegel geschreven, aan den Minister van Oor-
log worden ingediend en vergezeld gaan:
a.       van eene verklaring, waaruit blijkt, dat de adspirant Ne-
derlander is;
b.       van de geboorte-akte van den adspirant;
c.       van een bewijs van goed gedrag, af te geven door het
bestuur der gemeente, waar de knaap de laatste drie jaren
gewoond heeft;
d.      van de gelegaliseerde toestemming van den vader of voogd
tot het aangaan eener dienstverbintenis voor den tijd van
8 jaren, in te gaan met het 16de levensjaar;
e.       van eene verklaring van een\' geneesheer, dat de adspirant
gevaccineerd is of de kinderpokken heeft gehad en een
gezond lichaamsgestel zonder gebreken heeft; (16)
/\'. wanneer de vader militair is, of geweest is, van een
extract-stamboek, hem betreffende;
ff. van eene opgave der lengte van den adspirant, zonder
schoeisel gemeten, (a. v., art. 6).
§ 230. D. Toelating. De toelating heeft in den regel plaats drie-
maal \'s jaars, en wel den eersten Dinsdag der maand April, en den
derden Dinsdag van de maanden Juli en October. («. e., art. 5).
§ 231. De Minister van Oorlog wijst de knapen aan, die
voor toelating in aanmerking komen.
(16) Ook adspiranten voor de Pupillenschool, zonen of inwonende
pupillen van dienende militairen of in het algemeen van alle tot de Land-
macht behoorende personen, die aanspraak hebben op vrye geneeskundige
behandeling, kunnen in die gainizoensplaatsen, waar officieren van gezondheid
met den militairen geneeskundigen dienst zijn belast, kosteloos een poorloopiy
militair geneeskundig onderzoek ondergaan.
De officieren van Gezondheid, Chefs van den Militairen Geneeskundigen
Dienst in garnizoensploatsen, zijn gemachtigd, op aanvrage van belangheb-
benden, tot het instellen van zoodanig onderzoek het noodige te verrichten
en van den uitslag \\:iu c\'at onderzoek mie schriftelijke mededceling aan de
betrokken ouders of voogden te verstrekken. (JU. A. 1 Jpril 1889, »°. 22).
-ocr page 110-
96                                  X. Pupülentckool.
De aldus aangewezenen worden door den directeur der school
opgeroepen en, na geneeskundig geschikt te zijn bevonden, als
pupil aangenomen, (a. »., art. 7).
§ 232 E. Godsdienstige belangen. Aan de pupillen wordt
gelegenheid gegeven, om onderwijs in den godsdienst te ont-
vangen; zij wonen op Zon- en feestdagen de openbare godsdienst-
oefening bij. Een en ander geschiedt overeenkomstig het verlan-
gen en de keuze hunner ouders of voogden, (a. v., art. 71).
§ 233. F. Verloven. Aan de pupillen wordt tweemaal
\'s jaars — in den regel van 1 tot en met 14 Juli en van 24
December tot en met 6 Januari d. a. v. — verlof verleend.
De ouders, voogden of als zoodanig optredenden moeten even-
wel dat verlof 14 dagen te voren bij den directeur schriftelijk
aanvragen.
Het verlof wordt niet toegestaan naar plaatsen of gemeenten,
waar eene besmettelijke ziekte (mazelen en diphtheritis uitgezon-
derd) epidemisch heerscht. (a. v., art. 51).
§ 234. Bij ziekte \'of overlijden van betrekkingen wordt, op
een door het hoofd der gemeente gelegaliseerd bewijs (door een\'
geneesheer af te geven), door den directeur een verlof toegestaan,
voor zooveel dagen als met het oog op den afstand, dien de
belanghebbende moet afleggen, en het doel, waarvoor hij met
verlof gaat, noodig wordt geacht.
In het hiervoreii bedoeld bewijs moet de aard der ziekte
worden vermeld. Is deze besmettelijk, of is het verlof verleend
naar eene plaats of gemeente, waar eene besmettelijke ziekte
(mazelen en diphtheritis uitgezonderd) epidemisch heerscht, dan
zal de directeur, in overleg met den geneesheer, maatregelen
tot ontsmetting beramen, waaraan de van verlof terugkeerende
zich te onderwerpen heeft, alvorens in de gebouwen van de
school te worden toegelaten.
Ook bij andere dringende gevallen, ter beoordeeling van den
directeur, kan door dezen een kort verlof worden verleend.
(a. v.. art. 52).
§ 235- Alle verloven worden verleend met behoud van trak-
tement of soldij.
Aan de pupillen kan de soldij, voor zooveel noodig, in voor-
-ocr page 111-
X. PnpillenscJtool.                                  97
schot worden betaald, ten einde hen van reisgeld te voorzien.
(a. »., art. 55).
§ 236. O. Wegzending. Do pupil wordt van du school
weggezonden ter zake van onzedelijke handelingen, diefstal, mis-
handeling van kameraden en in het algemeen wanneer het blijkt,
dat hij niettegenstaande vermaningen en straffen, zich voortdu-
rend slecht gedraagt, ongehoorzaam blijft of bepaalden onwil
toont om te leeren. Hij wordt in dat geval naar zijne ouders,
zijnen voogd of den als voogd fungeereude teruggezonden. Hem
worden slechts de kleedingstukken medegegeven, noodig om
voegzaam gekleed te wezen : des zomers in mouwvest en linnen
pantalon, des winters in laken pantalon en mouwvest of kapot,
ter beoordeeling van den directeur. Die kleedingstukken worden
van uitmonstering en blinkende knoopen ontdaan, welke laatsten
door overtrokken knoopen worden vervangen.
Het wegzenden geschiedt voor het front der vereenigde pupillen,
op indrukwekkende wijze. (a. »., art. 66).
§ 237. Geen pupil kan van de school worden weggezonden
dan krachtens machtiging van den Minister van Oorlog, (a. ».,
art. 67).
§ 238. H. Vertrek van de school. Bij de intrede van het
I6dl! levensjaar gaat de pupil eene vrijwillige dienstverbintenis
aan voor den tijd van acid jaren en worden hem de krijgs-
artikelen voorgelezen, (*) waarvan hij de gebruikelijke verklaring
teekent. (a. »., art. 10).
§ 239. De pupillen verlaten de inrichting vóór zij hun 16de
levensjaar geheel hebben vervuld. Zij worden overgeplaatst,
hetzij als volontair naar het Instructie-Bataljon of de Instructie-
Compagnie, hetzij als jongeling naar een der regimenten Cavalerie
of naar het Korps Genietroepen, hetzij (wanneer zij geen aanleg
hebben om bruikbare onderofficieren of korporaals te worden) als
tamboer of hoornblazer naar een der korpsen van het leger. Zij
genieten alsdan vergoeding voor eerste-uitrusting.
De overplaatsingen geschieden in de maanden Maart, Juli en
October van ieder jaar, op dagen, door den Inspecteur der In-
fauterie te bepalen, (a. »., art. 11).
(*) Zie aangaande het voorlezen der krijgsartikelen ook § 141.
7
-ocr page 112-
98                                 X. Pupïllenschool.
In verband met het bepaalde betrekkelijk den leeftijd, ver-
eischt voor cenc toelating bij het Instructie-Bataljon [zie § 173),
moet de overgang van pupillen naar gemeld bataljon door den
Directeur der Pupillensehool zoodanig worden geregeld, dat die
pupillen zoo dicht mogelijk nabij hun zestiende jaar de school
verlaten. (M. A. 28 Juli 1884, n\\ 97).
-ocr page 113-
HOOFDSTUK XI.
Het vaste kader bij de Militaire Hospitalen.
§ 240- De militaire inrichtingen, bestemd tot het verplegen
van zieke militairen, dragen den naam van Militaire Hospitalen
en Militaire Ziekenkamers. (K. B. 1 Sept. 1880, »°. 9, B. V. 577).
§ 241. Militaire Hospitalen zijn gevestigd: die der lsle klasse
te Amsterdam, \'s Graven/iage en Utrecht; die der 2de klasse, te
Arnhem, Bergen op Zoom, Breda, Haarlem, Leeuwarden en Leiden,
en die der 3de klasse, te Amersfoort, Delft, Deventer, Doesburg,
Dordrecht, Gorinchem, Gouda, Grave, Groningen, Harderwijk, Hei-
der, Kampen, Maastricht, Middelburg, Naarden, Nijmegen, Schoon-
hoven, Venlo, Vlissingen, Willemstad
en legerplaats bij Mïlligen,
(a. v., en M. B.
21 Sept. 1880, n°. 79, B. U. 5 77 en M. B.
16 April 1888, »\'. 59, B. U. 1002).
§ 242. Aan het hoofd van ieder militair hospitaal staat een
officier van gezondheid, met den titel van „Chef van het Mili-
tair Hospitaal te . . . ."
Hem is het beheer over de inrichting opgedragen.
Het personeel, bij het hospitaal geplaatst, staat onder zijne
bevelen. Hij heeft te dien opzichte dezelfde rechten en verplich-
tingen als een korpscommandant. (M. B. 21 Sept. 1880, »°. 79,
B. U. 577).
§ 243. Bij ieder militair hospitaal wordt een administrateur
geplaatst.
De administrateurs van de militaire hospitalen hebben den rang
van kapitein, P\'e of 2de luitenant, of den graad van adjudant-
onderofficier, met dien verstande, dat bij de hospitalen der l"e
klasse alleen de rang van kapitein, bij die der 2de klasse de rang
van l"e of 2de luitenant, of de graad van adjudant-onderofficier,
-ocr page 114-
10Ó                              XI. Hospitanldienst.
bij die der 3de klasse uitsluitend de graad van adjudant-onder*
officier bekleed mag worden.
De administrateurs vau de hospitalen der 3Ue klasse worden
uit de gepensionneerde, eervol ontslagen of actief dienende on-
derofficieren van de Landmacht getrokken. (K. B., a. ».).
§ 244. De administrateurs van de militaire hospitalen met
den rang van kapitein, van 1"° luitenant of van 2de luitenant
worden door den Koning benoemd en ontslagen; die met den
graad van adjudant-onderofficier worden als zoodanig door den
Minister van Oorlog aangesteld en ontslagen.
De administrateurs zullen, overeenkomstig de daaromtrent be-
staande verordeningen, borgtocht moeten stellen, waarvan het
bedrag voor die der hospitalen van de ltl° en 2de klasse op
ƒ 1000, en voor de hospitalen van de 3dc klasse op / 400 is
vastgesteld, (as. ».).
§ 245. Het personeel der militaire hospitalen, vormende met
de administrateurs, het vaste kader dier hospitalen, bestaat uit:
schrijvers, magazijnmeesters, geëmployeerden der l"e klasse; zie-
kenopzichters, portiers, koks, tisaniers, geëmployeerden der 2"e
klasse; bijkoks en ziekenoppassers, geëmployeerden der Sie klasse.
In bijzondere omstandigheden kunnen bij de militaire hospita-
len, tijdelijke ziekenoppassers in dienst gesteld worden, waarvfin
het getal door den Minister van Oorlog wordt bepaald.
De geëmployeerden in deze § bedoeld, worden getrokken uit
gepensionneerde, eervol gepasporteerde of actief dienende onder-
officieren en mindere militairen.
Zoo noodig kunnen ook burgers, die nimmer gediend hebben,
daarvoor bestemd worden, (a. v.).
Bij de militaire hospitalen l"e en 2de klasse kunnen zijn, resp.
2 en 1, ziekenopzichters 2de klasse, welke als zoodanig behooren
tot de geëmployeerden der 2de klasse.
Bij de militaire hospitalen van de l"e klasse kan behooren een
amanuensis bij het bacteriologisch laboratorium, die als geëmplo-
yeerde der 2de klasse, zal bekleeden den graad van korporaal of
dien van sergeant en als zoodanig zal genieten een daggeld,
gelijk aan dat van een ziekenopzichter, wanneer hij den graad
van sergeant, en aan dat van een ziekenopzichter der 2de klasse,
wanneer hij dien vau korporaal bekleedt. (A\'. B. 4 Nov. 1890,
»\\ 126, B. U. 1137).
-ocr page 115-
XI. lloapilualdienst.                              101
Voor aanstelling tot ziekenopzichter der 2d\' klasse komen alleen
in aanmerking geëmployeerden van uitstekend gedrag, met veel
geschiktheid voor de verpleging van zieken en gewonden en met
aanleg voor de betrekking van ziekenopzichter (sergeant). [K. B.
8 Mei 1888, »•. 13, en M.B. 14 Mei 1888, »°. 107,5. V. 1008].
§ 246. De geëmployeerden, met uitzondering van de schrij-
vers bij de militaire hospitalen der lste klasse, ontvangen bij
hunne aanstelling van Rijkswege kleeding en uitrustingstukken.
De herstelling en het onderhoud, alsmede de vernieuwingen
dezer kleeding, voor zoover deze moeten plaats vinden vóór het
verstrijken van den bepaalden drachttijd, komen voor rekening
van de bezitters. (K. B. 7 Sept. 1880, w". 9, B. U. 5 77).
§ 247. De traktementen van de adjudanten-onderofficieren,
administrateurs der hospitalen van de 2d\' klasse en van de 3dc klasse
bedragen resp. ƒ 800 en ƒ 700. (K. B. 21 Dec. 1880, u\'. 36,
B. U. 612).
Zij die niet in het genot van pensioen of gagement zijn, en
bij eenen leeftijd van vijftig jaren en eenen, voor pensioen gel-
denden diensttijd van dertig jaren in hunne betrekking gehand-
haafd blijven, genieten eene verhooging van traktement van f 200
\'sjaars. (A". B. 3 Juli 1889, n°. 20, B. U. 1056).
De bezoldiging der geëmployeerden is naar gelang van ver-
schillende omstandigheden, waarin zij kunnen verkeeren, aan-
gewezen op de Bijlage J, achter dit Hoofdstuk gevoegd. (K. B.
7 Sept. 1880, m°. 9, en M. B. 21 Sept. 1880, n\'. 79, B. U. 577).
§ 248. De bepalingen omtrent het verkrijgen en dragen van
medailles en chevrons voor langdurigen trouwen dienst bij het leger,
zijn mede op hen en op de adjudanten-onderofficieren, admini-
strateurs van hospitalen van toepassing. De daaraan verbonden
geldelijke belooningen worden door hen niet genoten, met deze
uitzondering dat aan de adjudanten-onderofficier, administrateurs
bij de militaire hospitalen, alsmede aan de hospitual-geümployeer-
den, bij het verleenen der gouden medaille voor 36 jarigen trouwen
dienst, eene gratificatie ad ƒ 50 wordt toegekend. (K. B. a. v.,
en K. B.
2 Juli 1887, »°. 3, B. U. 964).
De geëmployeerden van de onderscheidene hospitalen worden,
ook wat liet pensioen betreft, gelijkgesteld met de volgende
graden: schrijvers bij de militaire hospitalen der ls,e klasse aan
den graad van adjudant-onderofficier ; schrijvers bij de militaire
-ocr page 116-
XT. Hospitaaldiemt.
102
hospitalen der 2de klasse en magnzijnmeestcrs, aan dien van sergeant-
majoor ; ziekenopzichters en portiers, aan dien van sergeant;
ziekenopzichters 2de klasse, tisaniers en koks, aan dien van
korporaal ; bijkoks en ziekenoppassers, aan dien van soldaat.
(A\'. B. 7 Sept. 1880, »". 9, B. U. 577).
§ 249. De administrateurs en de geëmployeerden bij de
militaire hospitalen zullen, ingeval van verplaatsing, of wanneer
zij om andere redenen verplicht zijn voor dienstzaken te reizen,
deswege de hierna te melden vergoeding ontvangen.
De administrateurs, rang van officier hebbende, vergoeding
voor reiskosten, zooals die voor hunne rangen, voor de officieren
van het leger bepaald zijn.
De administrateurs, den graad van adjudant-onderofficier heb-\'
bende, boven hun traktement, vrij vervoer en daggeld, zooals
dit voor de adjudanten-onderoiïicieren van het leger is bepaald.
De geëmployeerden ontvangen, boven hunne bezoldiging en
vergoeding voor gemis van vrije voeding in het hospitaal, vrij
vervoer en daggeld, volgens de bepalingen hiervoor bij het leger
gemaakt, en overeenkomstig de graden, waaraan zij volgens de
vorige § zijn gelijkgesteld.
De bestaande of nader te maken bepalingen, omtrent het op
\'s llijks kosten vervoeren van meubilaire goederen van gehuwde
onderofficieren en minderen van het leger, die in het belang van
\'s Rijks dienst verplaatst worden, zijn ook van toepassing op de
administrateurs, den graad van adjudant-onderofficier hebbende,
en op de geëmployeerden bij de militaire hospitalen, (a. ».).
f 250. De administrateurs en ziekenopzichters van de hos-
pitalen wonen, indien zij ongehuwd zijn, steeds, en wanneer zij
gehuwd zijn, zooveel mogelijk in de inrichting.
Alleen bij bepaalde onmogelijkheid om gehuwde administrateurs
in de hospitalen te laten wonen, wordt hun vergoeding voor huur
van eene woning gegeven.
In dit laatste geval moet de in rang op den administrateur
volgende geëmployeerde in het gebouw wonen.
Zoo er gelegenheid bestaat om de gehuwde portiers in een
gedeelte van het gebouw, afgezonderd van de ziekenzalen, te
laten wonen, dan moet daartoe vergunning worden gegeven.
Meer gehuwde geëmployeerden mogen in de ziekeninrichtingcn
niet wonen.
-ocr page 117-
XI. Ilospitaaldienst.                              103
Het meubileeren der vertrekken en het onderhouden van de
zindelijkheid moeten door de zorg en voor rekening der be-
woners plaats hebben.
Aan de ongehuwde verdere geëmployeerden kan, zoo daartoe
gelegenheid bestaat, toestemming gegeven worden om in de
gebouwen te wonen.
De daartoe af te zonderen localiteit wordt van meubels en
nachtlegers van het hospitaal voorzien. (M. B. 21 Sept. 1880,
n". 79, B. U. 577).
§ 251. In de militaire hospitalen kunnen, ingeval van ziekte
of verwonding, verpleegd worden: de administrateurs van de
militaire hospitalen, den graad van adjudant-onderofficier heb-
bende, en de geëmployeerden bij do militaire hospitalen in dienst.
Gedurende de dagen der verpleging ondergaan zij eene korting
op hunne bezoldiging; te weten: de ongehuwden van 50 cents
per dag; de gehuwden, of weduwnaars met een of meer bij hen
inwonende kinderen, van 25 cents per dag.
De geëmployeerden bij de hospitalen zullen, ingeval van ziekte
of verwonding, in de ziekeninrichting moeten worden opgenomen,
tenzij omstandigheden dit onmogelijk maken. (a. »., en K. B. 7
Sept. 1880, n\\ 9, B. U. 577).
§ 252. Het militair pensioen van de administrateurs bij de
militaire hospitalen met den graad van adjudant-onderofficier, en
dat van de geëmployeerden van de verschillende klassen bij die
ziekeninrichtingen kan, in zijn geheel, gelijktijdig worden genoten
met hun militair traktement of daggeld. (K. B., a. v.).
§ 253. De officieren van het leger, die voor de betrekking
van administrateur bij een der militaire hospitalen in aanmerking
wenschen te komen, moeten het verzoek daartoe, door de ge-
wone tusschenkomst, aan het Departement van Oorlog indienen.
(M. B. 21 Sept. 1880, n". 79, B. U. 577).
§ 254- Voor de betrekking van administrateur bij de mili-
tairc hospitalen met den graad van adjudant-onderofficier komen
in aanmerking gepensionneerde, of eervol gepasporteerde, of actief
dienende adjudanten-onderofficieren en sergeant-majoors van de
Landmacht. Zij moeten, behalve een gezond lichaamsgestel, een
doorloopend goed gedrag en veel dienstijver bezitten, alsmede
genoegzame ontwikkeling en zelfstandigheid om die betrekking
naar behooren waar te nemen.
-ocr page 118-
104                              XI. Ilospitaaldienst.
Zij mogen bij hunne benoeming niet ouder dan 55 jaren zijn.
Zij moeten de bewijzen leveren, dat zij in staat zijn den ver-
eischten borgtocht te stellen.
Zij, die op tle lijst der sollicitanten voor administrateur ge-
plaatst zijn, moeten zich beijveren, de noodige kennis voor de
uitoefening der gevraagde betrekking op te doen. (a. v.).
§ 255- Alvorens als administrateur in dienst gesteld te \\vor-
den, moeten de stukken betreffende de borgstelling door het
Departement van Oorlog in orde zijn bevonden.
Bij de aanvaarding der betrekking leggen de administrateurs,
met uitzondering van de officieren, die reeds een eed (belofte)
bij hunne benoeming hebben afgelegd, den gevorderden eed
(belofte) in handen van den chef der inrichting af. {a. ».).
§ 256- De benoeming der gcëmployeerden geschiedt als volgt:
die van de 1"" en 2de klasse door den Minister van Oorlog; die
der 3Je klasse door de dirigeerende officieren van gezondheid in
de districten voor den militairen geneeskundigen dienst, op voor-
dracht van de chefs der militaire hospitalen.
Zij, die voor eene betrekking als geëmployeerde der 1"% 2Je of
3dc klasse in aanmerking wenschen te komen, wenden zich daartoe
tot den Minister van Oorlog, die de noodige maatregelen neemt
om zich van de al dan niet geschiktheid van den belangheb-
bende voor de gevraagde betrekking te overtuigen. (17).
Zij, die verzoeken om voor geümployeerde der Zie klasse in
aanmerking te komen, wenden zich daartoe tot den chef van het
militair hospitaal ter plaatse, die zich voorloopig van de al dan
niet geschiktheid overtuigt.
Ingeval van geschiktheid wordt de verzoeker in het register
der sollicitanten, dat bij elke inrichting wordt aangehouden, ge-
boekt en in volgorde van den datum van inschrijving voor eene
plaatsing opgeroepen, opnieuw onderzocht en, na het teekenen
van het akkoord, bedoeld in de volgende \\, tot indienststelling
voorgedragen.
(17) Nopens de behandeling van aanvragen van gepensionneerde, gegngeerde
of gepasporteerde militairen om plaatsing in eeuc betrekking, waarvan de
toekenning, krachtens bestaande verordeningen, buiten dadelijke bemoeiing van
den Minister van Oorlog geschiedt of kan geschieden, zijn regelen vastgesteld
bij M. A. 9 Nov. 1880, h». 111, B. V. 592,
-ocr page 119-
XI. Ilospilaaldiend.                              105
Van de personen, die in het sollicitantenregister geplaatst
zijn, moet aan den dirigeerenden officier van gezondheid in het
district kennis worden gegeven. Alleen bij bepaald gebrek aan
geschikte gepensionneerde en eervol gepasporteerde militairen,
knnnen ook burgers, die nimmer gediend hebben, als geëm-
ployeerde der 3de klasse aangenomen worden. De dirigeerende offi-
cieren van gezondheid der 1"" klasse moeten zich daarom vooraf
overtuigen, dat ook in de andere districten geen geschikte ge-
pensionneerde of eervol gepasporteerde militairen in de sollici—
tantenregisters voorkomen, die genegen zouden zijn de opengevallen
plaats aan te vullen. De dirigeerende officieren van gezondheid in
de districten, zoowel als de chefs der ziekeninrichtingen, zullen
om het groote belang dat het hier geldt, al het mogelijke in het
werk stellen om zich, behalve van de lichamelijke geschiktheid
van de personen die zich aanbieden, ook te overtuigen van hun
zedelijk gedrag, ijver en verder van al die hoedanigheden, welke
men aan een goed ziekenoppasser moet stellen.
De geschiktheid zal niet beoordeeld worden naar de bepalingen,
voorkomende in het reglement op het geneeskundig onderzoek,
doch zij zullen daarentegen allen moeten kunnen lezen en
schrijven, (a. v.).
§ 257. De administrateurs der militaire hospitalen beneden
den rang van officier, alsmede de geëmployeerden bij die inrich-
tingen, moeten eenc schriftelijke verbintenis aangaan voor den tijd
van één jaar, onder de voorwaarden, aangewezen in de Bijlage K,
achter dit Hoofdstuk opgenomen, moetende deze bijlage tevens
dienen tot model voor eene engagement-akte.
Bij expiratie van den diensttijd wordt eene nieuwe verbintenis
aangegaan, telkens voor den tijd van één jaar.
Aan hen worden, vuór het aanvaarden der betrekking en bij
het aangaan van een reëngagement, in tegenwoordigheid van den
chef der inrichting, de krijgsartikelen voorgelezen. (*)
De bewijzen van voorlezing van de krijgsartikelen in tweevoud
opgemaakt, worden onmiddellijk na het voorlezen geteekend en
in het archief van het hospitaal bewaard.
Op 1 Januari van ieder jaar worden de krijgsartikelen aan het
(*) Zie aangaande het voorlezen der krijgsartikelen ook de ff 51, 58 eo 141,
-ocr page 120-
XI. Hospitaaldiemt.
106
gezamenlijke personeel in ieder hospitaal, op vorenbedoelde wijze
voorgelezen, (a. ».).
§ 258 Het is aan de geëmployeerden van de militaire hos-
pitalen toegestaan een huwelijk aan te gaan, wordende aan al de
geëmployeerden der l!le en 2d0 klasse en aan de geëmployeerden
der 3ie klasse, die (5 jaren dienst bij de hospitalen hebben, het
gebruik van een tweemans-nachtleger, dat uit de garnizoens-
nachtlegermagazijnen, op aanvrage van den chef van het hospi-
taal wordt verstrekt, toegestaan, (a. v.).
§ 259. Het bij de hospitalen dienstdoend personeel heeft,
zoowel voor eigen persoon als voor vrouw en inwonende kinderen,
aanspraak op vrije geneeskundige behandeling. («. v.).
§ 260- ï>e geëmployeerden der Vl\\ 2ie en 3de klasse ontvangen
de voeding van Kijkswege of wel vergoeding daarvoor. («. v.).
§ 261. Wanneer ten gevolge van bijzondere omstandigheden
(b. v. bij epidemieën) noodig mocht wezen, dat bij een hospitaal
tijdelijk eene vermeerdering van geoefend personeel plaats heeft,
dan doet de chef der inrichting daartoe het voorstel aan den
dirigeerenden officier van gezondheid in het district, die een of
meer hospitalen zal aanwijzen, waaruit het te bepalen getal ge-
ëmployeerden tijdelijk bij de inrichting, die ze noodig heeft,
gedetacheerd wordt.
Kan in dien dienst niet door het personeel ziekenoppassers in
het district worden voorzien, dan wordt de tusschenkomst van
den Inspecteur van den Geneeskundigen Dienst ingeroepen. («. v.).
§ 262- Indien de omstandigheden het noodzakelijk maken,
om het getal geëmployeerden der \'óde klasse (ziekenoppassers) tijdelijk
te vermeerderen, wordt daartoe de machtiging gevraagd aan den
inspecteur van den Geneeskundigen dienst, die, zoo hem de
aangevoerde redenen gegrond voorkomen, de noodige autorisatie
daartoe verleend.
Deze tijdelijke geëmployeerden blijven burger; zij hebben, behalve
op daggeld en voeding of vergoeding hiervoor, geen aanspraak
op eenigerlei voorrechten aan de vaste geëmployeerden toege-
staan. Zij worden, zoo spoedig mogelijk, weder ontslagen, na
8 dasren vooraf daarvan te zijn verwittigd. («. ».).
§ 263. Valt eene plaats in de betrekking van administrateur
bij de hospitalen, den graad van adjudant-onderofficier hebbende,
en van geëmployeerde der lsle of 2de klasse open, dan geschiedt
-ocr page 121-
XI. lloapitaaliiend.                              107
de aanvulling van de ontstane vacature in de eerste plaats door
bevordering in het personeel der geëmployeerden bij alle militaire
hospitalen in dienst.
Hiertoe worden iedere zes maanden voordrachten tot bevordering
aan het Departement van Oorlog ingediend.
Wanneer zich na, het indienen van de staten tot bevordering,
omstandigheden mochten voordoen, waardoor de aanspraak daarop
verloren gaat, wordt daarvan onmiddellijk, met vermelding van
de redenen, door den chef der inrichting aan genoemd hoofdbe-
stuur kennis gegeven.
Alleen dan, wanneer eene opengevallen betrekking niet uit het
in dienst zijnde personeel kan worden aangevuld, wordt overge-
gaan tot aanstelling van een actief dienend, gepensionneerd of
eervol gepasporteerd militair, en bij gemis van dezen, van een
burgerpersoon, die niet gediend heeft. («. ».).
-ocr page 122-
Bijlage J.
STAAT van de bezoldiging der geëmployeerden bij de militaire
hospitalen en verder aan de betrekkingen verbonden voordeden.
3.
Daggeld in gewone om<
standigheden.
AANWIJZING
DEI
BETREKKINGEN.
Opmerkingen.
T3 -3 q
a «5 —
gil
lil
1.30
1.40
1.40
1.20
1.30
1.35
1.10
1.20
1.25
095
1.05
1.10
0.90
1.00
1.05
1.10
1.20
1.25
1 00
1.10
1.15
0.90
1.00
1.05
1.00
1.10
1.15
0.90
1.00
1.05
0.75
0.80
0.85
0 85
0.90
0.95
0.75
0.80
0.85
0.90
1
Bij het vaste kader
der Militaire Hospi-
talen le kl. kan be-
hooren een Amnnuen-
sis bij het Bacterio-
lngisch laboratorium,
die, als geëmployeerde
2e kl. zal bekleeden
den graad van korpo-
raal of sergeant en zal
genieten een daggeld
gelijk aan dat van een
ziekenopzichter als hij
sergeant en aan dat
van ziekenopzichter
2° kl. als hij korpo-
ranl is.
1« kl.
„ ... f Militaire hospitalen
Schrijver i
                       \'
Magazij
;er j.
meest
2\' en 3«
Zieken- ƒ
opzichter (^
f
id. 2\' kl
Portier
1\'
« 2e en 3«
Kok
Tisan
ier <
o 2\' en 3«
Bijkok.........
Ziekeii" ) De grootste helft
oppassers | De kleinste helft •
Tijdelijke ziekenoppassers .
BUZONDEHU MEPALINGEN.
1°. 13ij liet tijdelijk dienstdoen in eene militaire ziekeninrichting on eene andere plaats,
ontvangen de geëmployeerden eene verhoogina van dasjield, bedragende voor dieder 1\'kl.
en voor de ziekenopzichters sergeanten) 40 cent en voor de overige vaste geëmployeerden
25 cent; terwijl voorts, bij verzorging van aan besmettelijke ziekte lijdende personen, ook al
is die ziekte niet epidemisch verklaard, hot daggeld van de ziekenopzicliters wordt verhoogd
met 40 cent en dat van alle ziekenoppassers met 30 cent.
2°. De geëmployeerden genieten hoven hun daggeld vrije voeding in liet hospitaal.
Aan hen die gehuwd ot weduwnaar met een of meer kinderen zijn, kan in stede van vrije
voeding, eene verhooging van daggeld van 40 cent worden verleend.
3" De geëmployeerden der 1« kl. hebhen allen en die der 2\' kl. indien zij niet in de
ziekeninrichting kunnen wonen, alleen dan recht op vrije woning of schadevergoeding voor
het gemis daarvan, wanneer zij zes jaren of langer onafgebroken als zoodanig hebben gediend.
4°. De verhooging van daggeld voor ü en 12jarigen dienst zal niet worden genoten door
hospitaal-geümployeerden, die in het genot zijn van vrije woning of schadevergoeding voor
het gemis daarvan, als bedoeld bij K. B. 23 Juni 1885, n°. 43.
5°. Wanneer onderofficieren en minderen van de Compagnieën Hospitaalsoldaten bestemd
zijn om dienst te doen in het Civiel Hospitaal te \'s Hertogenbosch, genieten zij, over de dagen
dat zij in die Inrichting dienst doen, de gewone voor hen bepaalde soldii, per dag verhoogd:
voor een onderofficier met.........f 0.55
en voor een korporaal of minder militair met . . . » 0.3U
Vervullen zij een functie van geëmployeerde bij de militaire hospitalen, of doen zij dienst
bij de ziekenkamers dan lullen zij per dag eene verbooging van soldij genieten van f 0.\'25.
Doen zij dienst bij aan besmettelijke ziekten lijden ie personen, dan ontvangen zij bovendien
per dag e;ne verhooging van soldij bedragende :
voor een onderofficier.....f 0.40
voor een korporaal......> 0.35
en voor een soldaat......» 0.30
ü°. De tijdelijke ziekenoppassers genieten, behalve daggeld en voeding en behoudens liet
bepaalde sub 1». hierboven geen verdere voordeeleu. (A\', IS. 6 Vee. 1888, »°. 27, B. (J. 103&
en M. Ii. 12 Ncv. 181)0, no. 97, is. U. 1137).
-ocr page 123-
Ik (1)
door den Miuislcr van Oorlog gemacli-
tigd om, ten aanzien van het onderwerp dezer
akte, het Rijk Ie vertegenwoordigen, verklaar Ie
hebben aangenomen (2)
om het Koninkrijk der Neder-
landen als (3)
                                  bij de perma-
nente militaire hospitalen te dienen, gedurende
den tijd van een jaar, welke tijd zal verschenen
zijn (4)
                                                            van
het jaar achttienhonderd
; en ik (2)
verklaar, mij door (1)
te hebben doen aannemen tot ge-
noemde betrekking vau (3
terwijl wij contractanten, wijders nopens
de navolgende bijzondere voorwaarden, zijn ovcr-
eengekomen:
1°. dat het aan den Minister van Oorlog vrij
zal staan om, wanneer het mocht blijken, dat
de aangenomeuc vóór het aangaan van zijn tegen-
woordig engagement, rechterlijk veroordeeld is
geweest wegens ecnvoudigen diefstal, bedrieglijke
oplichting of andere, de goede trouw of eerlijk-
heid kwetsende, misdrijven, of, wanneer later een
vonnis wegens dergelijk misdrijf tegen hem mocht
worden uitgesproken, hem onmiddellijk uit den
dienst te verwijderen, met of zonder paspoort,
en alzoo de tegenwoordige verbintenis zonder
eenige formaliteit te ontbinden;
2°. dat genoemde Minister mede gerechtigd
is hem, met of zonder paspoort, uit den hospi-
taaldienst te ontslaan en alz oo de tegenwoordige
verbintenis te verbreken:
a.     Wanneer het gedurende de loopende ver-
bintenis blijken mocht, dat hij ongeschikt is of
wordt voor de betrekking, waarvoor hij is aan-
genomen.
b.     Wanneer hij zich aan dronkenschap, aau-
houdend slecht gedrag, nalatigheid in dienst of
andere laakbare handelingen schuldig maakt.
c.     Wanneer het blyken mocht, dat hij reeht-
streeks of zijdelings in eenige leverantie, ten be-
hoevc van de inrichting, betrokken is,
3°. dat hij in tijd van oorlog of in andere
buitengewone omstandigheden, desgevorderd, in
Renvooien.
(11 Naam en voornamen
van tien chef van het hos-
pitaal
waarvoor do per-
soon wordt aangenomen.
(2)   Naam en voornaam
van den aangenomene.
(3)   Administrateur of
geümployeerde eerste,twee-
de of derde klasse.
(4)  In schr lletters op te
geven.
-ocr page 124-
110
zijne betrelikiug bij den hospitaaldienst, bij het
leger te velde of bij de gemobiliseerde troepen
zal kunnen worden geplaatst, zullende zijn trak-
tement of daggeld in dit geval verhoogd worden ;
4°. Dat hij zal deelen in de bevordering van
het personeel bij den permanenten militairen hospi*
taaldienst, wanneer kundigheden, gedrag, ijver en
diensttijd hem daarop aanspraak geven;
5°. Dat hij de betaling en verdere voordeelen
zal genieten, die verbonden zijn aan de door hem
bekleed wordende betrekking;
6°. Dat deze overeenkomst dadelijk in werking
treedt, nadat de dirigeerende officier van gezond-
heid in het district haar zal bekrachtigd hebben;
7°. Dat hij niet langer dan tot zijn (5)
bij de militaire hospitalen in dienst kan blijven ; en
8°. dat, wanneer de loopende dienstverbintenis
eindigt gedurende den tijd, dat de Militie te Land
krachtens Art. 185 der Grondwet geheel of ten
deele buitengewoon is bijeengeroepen, het paspoort
niet verleend wordt, dan nadat die maatregel is
ingetrokken.
En is hiervan te                    den (4)
deze akte in tweevond
opgemaakt en door den voornoemden aannemer
en den aangenomene ondertcekend, zijnde voorts
één exemplaar door ieder der contractanten be-
houden.
(G)                                       (7)
Signalement van den aangenomen
persoon.
(5) 6Je jaar voor de ge-
ömployeerden dor Ie en 2e
klasse en 60 jaar voor die
der Se klasse.
(6)   Handteekening van
den aannemer.
(7)  Idem van denaange-
nomene.
Vader
Moeder
Aangezicht
Voorhoofd
Haar
Wenkbrauwen
Geboren te
Den
Oogen
Neus
Bijzondere i
teekenen j
Laatst gewoond te
Lang
Mond
Kin
-ocr page 125-
111
Geneeskundige verklaring.
De. ondergeteekende, oflicier vau gezondheid,
chef vau liet militair hospitaal te
verklaart den persoon van (2)
onderzocht en hem geschikt
bevonden te hebben, om als (3)
te worden toegelaten.
(8)
Te
                           den                        achttien-
honderd
De ondergetcekende                            dirigecrendc
officier van gezondheid der Ie klasse in het
district, verklaart het vorenstaande engagement
te bekrachtigen.
Tc                            den                        18 .
N. B. Bij het ter bekrachtiging zenden van
deze stukken moeten, betreffende den aangcuo-
mene, overgelegd worden:
a.  Eene geboorte- of doopakte. )
b.   De bewijzen van vroeger be- l Voor gewe-
wezen militaire diensten l zeu militairen.
c.   Een extract-strafregister. ]
d.  Eene geboorte- of doopakte. ) Voor burger-
e.   Bewijs van goed gedrag. ) personen.
(8) Wanneer de onder-
zoclite persoon licliaamsge-
breken heeft, die niet tot
afkeuring aanleiding geren,
moeten die hier vermeld
worden.
\'
-ocr page 126-
HOOFDSTUK XII.
De dienstverbintenis bij het Wapen der Marechaussee.
§ 264. Het wapen der Marechaussee wordt, voor zooveel de
marechaussees betreft, in den regel en bij voorkeur, voltallig
gehouden door vrijwilligen overgang van onderofficieren, korpo-
raals en verdere manschappen uit het leger.
Daaronder zijn de miliciens (ook de miliciens-plaatsvervangers)
begrepen, die zich, ingevolge Art. 9 der Wet van 19 Augustus
1861 (St.bl. n°. 72), bij het leger hier te lande hebben verbon-
den. (K. B. 10 Jan. 1874, »\\ 81, art. 5, B. U. 429).
Wanneer een bij een korps van de Landmacht ingedeeld
milicien kan worden toegelaten tot overgang bij het wapen der
Koninklijke Marechaussee, moet hij de voor dien overgang ge-
vorderde vrijwillige verbintenis aangaan bij het Korps, waartoe
hij behoort.
Miliciens, niet tot een der korpsen van de Landmacht be-
hoorende (waaronder in de eerste plaats zeemiliciens), moeten,
indien zij voor zoodanigen overgang in aanmerking komen, de
bedoelde vrijwillige verbintenis aangaan:
zij, die bestemd zijn voor de l"e Divisie van genoemd Wapen,
bij het 8!te Regiment Infanterie;
zij, die overgaan bij de 2de Divisie van dat Wapen, bij het
2de Begiment Infanterie; en
zij, die overgaan bij de 3ic Divisie van het Wapen, bij het
1"" Regiment Infanterie. (M. B. 26 Juni 1891, n\\ 36, B. V. 1183).
§ 265. Wanneer een onderofficier uit het leger bij het wapen
der Marechaussee overgaat, blijft hij, bijaldien hij hiertoe bij
zijnen overgang
het verlangen te kennen geeft, ook als mare*
chaussee, deelgenoot van het onderofliciersfonds, onder voorwaarde
-ocr page 127-
XII. Marechaussee.                               113
evenwel, dat hij daaraan voor hetzelfde bedrag blijve contribu-
eeren, als toen hij den graad van onderofficier bekleedde. (K. B.
14 Oef. 1851, »\\ 29, art. 6, B. U. 181).
§ 266. Wanneer het wapen der Marechaussee, op de wijze
bij § 264 vermeld, niet voltallig kan worden gehouden, mogen
daarbij ook burgerpersonen worden aangenomen. Deze moeten
evenwel vroeger in militairen dienst zijn geweest en vier jaren
onder de wapenen hebben doorgebracht, (a. v., art. 7).
§ 267. In zeer bijzondere gevallen kunnen ook burgerperso-
nen, die een\' buitengewonen aanleg voor den dienst der mare-
chaussee bezitten, bij dit wapen worden aangenomen, al hebben
zij minder dan vier jaren of in het geheel niet bij het leger
gediend, (a. v., art. 8).
§ 268. Alleen Nederlanders, die ongehuwd zijn, worden bij
het wapen der Marechaussee toegelaten; voor de admissie daarbij
wordt verder vereischt: a. eene lengte van ten minste 1,674 M.; (*)
b. een leeftijd tusschen de 20 en 40 jaar; c. goede geestvermo-
gens en een gezond en sterk lichaamsgestel zonder eenige gebre-
ken; d. onbesproken gedrag; e. het vlug en duidelijk lezen van
geschreven en gedrukte stukken, en het schrijven eener leesbare
hand; f. het storten eener som van ƒ150 in het uitrusting* en
reservefonds of het stellen van eenen borgtocht van f 300. (K.
B.
10 Jan. 1874, n\\ 21, art. 9, B. U. 429). (**)
§ 269. De dienstverbintenissen bij het wapen der Marechaus-
see worden voor eenen bepaalden tijd aangegaan. (K. B. 14 Oct.
1851, n\\ 29, art. 1, B. U. 181).
§ 270- Bij eene eerste verbintenis en ook bij overgang bij dat
wapen van onderofficieren en manschappen van het leger, wordt die
tijd op 6 en bij reëngagement op 1 jaar, of 2, 3, 4, 5 of 6 jaren
vastgesteld. (K. B- 10 Jan. 1874, n\\ 21, art. 2, B. U. 429).
§ 271. Aan de leden van het wapen, beneden den graad van
brigadier, wordt, wanneer zij zich reëngageeren, eene premie van
ƒ 25 toegekend voor ieder jaar, dat zij zich opnieuw voor den
dienst verbinden, waarvan het bedrag aan het Rijk wordt in
rekening gebracht en op de rekening van het uitrusting" en
(* ) Zie ook de noot op bladz. 7.
(**) Zie ook $*24.
8
-ocr page 128-
XII. Marechaussee.
114
reservefonds overgeschreven, op het tijdstip, dat de nieuwe ver-
bintenis ingaat. (a. ».).
§ 272. Niettegenstaande de voor eenen bepaalden tijd aan-
gegane verbintenis, blijft het aan de onderofficieren en verdere
manschappen vergund, om het wapen ten alle tijde te verlaten,
mits zij zich door een\' alleszins geschikten, aan de vereischten
voldoenden, persoon doen vervangen. (A. B. 14 Oct. 1851, n". 29,
art. 4, B. V. 181).
§ 273. Op het bepaalde bij punt f van § 268 wordt echter
eene uitzondering gemaakt ten behoeve van de militairen, bedoeld
bij § 264, terwijl de personen, bedoeld bij het slot van § 272,
bijaldien zij vier of meer jaren werkelijk gediend hebben, zoo-
mede die bedoeld bij de §§ 266 en 267, wanneer zulks ter
bevordering van het belang van den dienst der marechaussee
raadzaam wordt geacht, almede ontheven kunnen worden van
de bij opgemeld punt bepaalde storting of borgtocht. (A\'. B.
10 Jan, 1874, n". 21, art. 9, B. U. 429).
§ 274. De onderofficieren en korporaals, die uit de korpsen
van het leger bij de marechaussee overgaan, worden niet anders
dan als eenvoudig marechaussee toegelaten, om, eerst later, naar
verdiensten te worden bevorderd. (A. B. 14 Oct. 1851, «°. 29,
art. 11, B. U. 181).
De marechaussees der 2dc klasse worden, bij goed gedrag en
dienstijver, na zes jaren dienst bij het wapen, tot de ls" klasse
bevorderd. (K. B. 4 Maart 1893, n". 16, R. M. 207).
§ 275. Aan alle onderofficieren en hoefsmeden van het wapen
der Marechaussee kan de toestemming tot het aangaan van een
huwelijk worden verleend , terwijl van het overige personeel het
een vierde gedeelte gehuwd mag zijn. {K.B. 10 Jan. 1 888, n". 4,
B. U- 975 en 8 Juni 1890, n°. 21, B. ü. 1101).
§ 276. Onderofficieren en manschappen van het wapen der
Marechaussee hebben recht, zoo voor zich als voor hunne vrouwen
en de bij hen inwonende kinderen (doch niet voor hunne dienst-
boden), op het erlangen, door de zorg van het Departement van
Oorlog van geneeskundige hulp en medicijnen, wanneer zij zich
bevinden in plaatsen, waar militaire officieren van gezondheid
aanwezig zijn en de geneesmiddelen uit eene militaire apotheek
kunnen worden verstrekt. [Zie wijders aangaande de hospitaal-
soldij
§ 102].
-ocr page 129-
XII. Marechaussee.                               115
\\ 277. Van liet personeel van het wapen der Marechaussee
hebben :
de opperwachtmeesters den graad van adjudant-onderofficier;
de wachtmeesters den graad van sergeant-majoor;
de brigadiers den graad van sergeant;
de marechaussees en de hoefsmeden den graad van korporaal.
(K. B.
20 Juli 1893, n\'. 34, R. M. 606).
§ 278. Onderstaande tabel wijst aan de jaarwedden en de
dagelijksche soldijen van de onderofficieren en manschappen bij
het wapen der Marechaussee.
Verhooging
Jaarwedden
van soldij bij
buitenwachten
en
van meer dau
GRADEN.
soldijen
24 uren bij
diensten (a)
OPMERKINGEN.
te
te
te
te
paard.
voet.
paard.
voet.
Jaarwedde».
(a) De soldijverhoo-
ging wordt genoten
Opperwachtmeester .
f 1000
f
rt
van en met den dag van
vertrek tot en met dien
Soldijen per dag
voor de terugkomst.
Uit die verhooging
Wachtmeester . .
f2.27
» 1.99
f 1.25
f 0.90
moeten de kosten voor
Brigadier ....
. 1.90
» 1.63
. 1.15
» 0.80
huisvesting en stalling
Schrijver ....
»
- 1.10
»
en de meerdere kosten
Trompetter
.1.37
»
. 1.05
» 0.70
van fourage worden
Marechaussee ƒ l*kl.
Hoefsmid . l2"kl.
» 1.47
» 1.20
« 1.05
.0.70
bestreden.
» 1.37
» 1.10
H
//
1887, n\'. 29, JS. U. 973 en 4 Maart 1893, n\'. 16,
(AT. B. 31
li. M. 207.)
Bec
-ocr page 130-
HOOFDSTUK XIII.
Belooning en onderscheiding voor langdnrigen trouwen dienst.
A. Chevrons, medailles en gralificatiën voor trouwen diëtist.
§ 279. A.an alle vrijwillig dienende militairen beneden den
rang van officier, tot de korpsen van het leger behoorende, \\vor-
den, wegens het volbrengen van een\' trouwen dienst van zes
jaren, gerekend van den aanvang van het IV*\' levensjaar, en naar
gelang zij zich in dier voege langer aan den dienst hebben gewijd,
de navolgende onderscheidingsteekenen en militaire belooningen
toegekend, te weten : a. na zes dienstjaren eene chevron benevens
eene soldijverhooging — voor onderofficieren van 5 cent en voor
minderen van 2i- cent daags ; b. na twaalf dienstjaren, eene bron-
zen medaille
en opnieuw eene soldijverhooging als voren; c. na
achttien dienstjaren, eene tweede chevron ; d. na vier en twintig
dienstjaren, eene zilveren medaille; e. na dertig dienstjaren, eene
derde chevron; f. na zes en dertig dienstjaren, eene gouden medaille
met vijftig gulden gratilicatie. {K. B. 1 Sept. 1869, n°. 10,
B. U. 369).
De onder a en b bedoelde soldijverhooging wordt niet genoten
door onderofficieren en andere militairen, in bijlage D (blz. 60)
genoemd, die in het genot zijn gesteld van de in die bijlage aan-
gegeven soldij verhoogingen wegens drie- of .««jarigen onafgebroken
dienst. (K. B. 3 Feb. 1883, n\\ 11, B. U. 724).
§ 280. De voorschriften der Wet van 28 Augustus 1851 (St.il. «». 129)
[B. U. 1831 omtrent het berekenen vau den diensttijd tot het bekomen
vau pensioen, worden, voor zooveel de militaire diensten betreft, bij het
berekenen van den diensttijd tot het erlangen der medailles en chevrons tot
maatstaf genomen; met uitzondering nochtans:
1°. dat met afwijking van het bepaalde bij art. 10 dier Wet, voor hen,
-ocr page 131-
XlTT. JUloaningen,
117
die na de vervulling van het achttiende levensjaar in dienst treden de dien»t-
tijd wordt gerekend aan te vangen met den dag, waarop zij de vrijwillige
verbintenis hebben aangegaan, of — milicien geweest zijude — met den
dag, waarop zij in wcrkclijken dienst zijn gesteld; en
2". dat ten aanzien van militairen, die weder in dienst zijn getreden na
te zijn gepasporteerd ter zake van lichaamsgebreken, niet het gevolg van
eigen moedwillige handelingen of ongeregeld gedrag, art. 80 van genoemde
Wet niet wordt toegepast, en dat voor deze categorie van vroeger gepaspor-
teerden zal gelden het beginsel, ten grondslag liggende aan art. 28, in ver-
band met art. 8 dier Wet, toepasselijk ten aanzien van gewezen gepension-
neerde militairen die weder in dienst treden. (K. B. 24 Juni 1891, «°. 39,
B. V. 1185).
De diensten, bewezen, hetzij «Is leerling bg \'s Kijks geweerwiukel te Delft,
hetzij in het algemeen als mindere geëinployeerde, werkman of bediende bij
inrichtingen van \'s Uijks Zee- en Landmacht, in de Wet van 24 Juni 1854
{Stil. n°. 92) [B. U. 418] bedoeld, zijn, tot het verkrijgen van chevrons
en medailles voor trouwen militairen dienst, niet als militaire diensten te
beschouwen en behooren alzoo bij de berekening van den diensttijd tot het
verkrijgen van gemelde cereteekonen buiten aanmerking te blijven. (31. B.
23 Nop 1881, n". 47, B. V. 6C.4).
§ 281. Bij het toekennen van bclooniugcu voor trouwen, langdurigen
dienst, wordt niet in rekening gebracht de tijd, gedurende welke de mi-
lieien met groot verlof is geweest, die, welke de militair aan de strengere
krijgstucht is onderworpen geweest en die der hechtenis — ook de preven-
tieve — van een\' militair, die tot correctioneele gevangenisstraf of tot mili-
taire detentie veroordeeld u.(ll\'el 6 Jpril 1869, Sl.il. n». 40, B. V. 348).
f 282. Gewezen onderofficieren of korporaals, die na eene interruptie
van dienst van meer dan een jaar, en gewezen mindere militairen, die na
eene interruptie van meer dan zes maanden, neder iudiensttreden, blijven
gehandhaafd in het bezit van de medailles en chevrons en komen dienten-
gevolge ook dadelijk weder in het genot van de soldijveihooging, hun vóór
hun ontslag, uithoofde van bewezen diensten, toegekend. Bij volgende toe-
keuningen van den hier bedoelden aard, komt hun vroegere diensttijd slechts
voor de helft in rekening. (.1/. B. 9 Sept. 1869, »°. 58i\', B. V. 369).
§ 283. De chevron is een onderschcidingsteekeu van rood kemelsgaren
galon, breed 0.015 M , met wit laken bies, dat op den linkerarm der laken-
kleedingstukken wordt gedragen. (M. A. 8 Maart 1859, u°. 4\'AB.B. V. 223).
De medaille voor trouwen dienst prijkt aan de eene zijde met den ko-
ninklijkcn mantel en eene gekroonde W; op de andere zijde is \'s Uijks
wapen, rustende op militaire zinnebeelden, met het randschrift: „voos
trouwen diknst" gestempeld.
De bronzen en zilveren medailles zijn van gelijke grootte, de gouden
medaille is ter halve grootte van de zilveren. (K. B. 19 1\'ei. 1825, »°. 97,
B. U. 53, en K. B. 11 Fei. 1859, n°. 40, B. U. 223).
§ 284. De medailles worden op plechtige wijze uitgereikt en moeten
op de linkerborst aan een oranjelint worden gedragen. Buiten dienst kunnen
medailles van kleiner formaat worden gedragen.
-ocr page 132-
118                               XIII. lielooningen.
De medailles kunnen duur Jni begiftigde, na zijn ontslag uit den dienst,
behouden en gedragen worden; bij overlijden van den begiftigde blijven zij het
eigcnd\'jm van de erven. (<r. e., en K. B. 1 Hi\'jU. 1809, *>. 10, B. U. 360).
§ 285- Ter aanmoediging en tot belooning van langdurige
en trouwe diensten door mindere geëmployeerden, werklieden en
bedienden, op daggeld werkzaam bij inrichtingen van \'s Rijks
Landmacht, na het 205" levensjaar volbracht, worden, voor zoo-
veel zij vóór 1 Januari 1891 in dienst zijn getreden, toegekend :
a.    voor twaalf jaren ijverigen en trouwen dienst, eene bronzen
medaille
van ovalen vorm, waarop aan de eene zijde het borst-
beeld des Konings, en aan de andere zijde het opschrift: „voor
ijver en trouw", omringd dooreen\' krans van eikenbladeren;
b.    voor vier en twintig jaren ijverigen en trouwen dienst, eene
zilveren medaille van gelijken stempel, benevens eene gratificatie
van ƒ50 {vijftig gulden); c. voor zes en dertig jarigen ijverigen
en trouwen dienst, eene gouden medaille van gelijken stempel met
eene gratificatie van f 100 (honderd gulden). (K. B. 14 Feb.
1877, »°. 18, B. U. 480,e» 16 Dec. 1890, »°. 24, B. U. 1140.)
B. Burgerlijke en militaire Rijksbedieningen.
§ 286. De Koning heeft, ten bewijze hoezeer trouwe diensten
door Zijne Majesteit worden op prijs gesteld, bepaald, dat mili-
tairen van het leger, die met eene medaille voor trouwen dienst
zijn versierd, bijaldien zij daartoe geschikt en genegen zijn, bij
voorkeur in aanmerking zullen komen tot het verkrijgen van
onderscheidene rijksbedieningen. (A\\ £.15 April 1869, «*. 2,
B. U. 334.)
Bij genoemd besluit van 15 April 1869 en bij dat van 4
April 1891, n°. 26 (B. U. 1105), zijn opgaven gevoegd van die
onderscheidene betrekkingen, zoomede van de vaste bezoldigingen
en toelagen, aan deze betrekkingen verbonden, en van de ver-
eischten, daarvoor gevorderd.
Personen, die thans werkzaam zijn in betrekkingen bij laatst-
genoemd besluit opgegeven, doch niet in de bermen vallen vaii
de K. B. van 19 Feb. 1825, n°. 97 (B. U. 53) en van 15
April 1869, n°. 2 (B. U. 334), kunnen toch bij het dienst-
vak, waartoe zij behooren in aanmerking komen voor een der
bij hetzelfde dienstvak bestaande hoogere of andere betrekkingen,
-ocr page 133-
XIII. Belooningen                               119
bedoeld bij K. B. 4 April 18\'Jl, n". 20, wanneer zij, ten ge-
noege van hunne chefs minstens ze» jaren bij dat dienstvak
werkzaam zijn geweest. (K. B. April 1891, n\\ 26, B. U. 1165).
Behoudens het bepaalde in de vorige alinea zijn de daarbij
bedoelde betrekkingen uitsluitend voor militairen bestemd, tenzij
er ouder hen geen geschikte sollicitanten gevonden worden, in
welk geval andere personen, doch bij voorkeur gewezen onder-
officieren, in deze betrekkingen kunnen worden benoemd. {K. B.
4 April 1891, n\\ 26, B. U. 1165).
§ 287. De onderofficieren en verdere manschappen, die tot
het bekomen eener burgerlijke bediening in aanmerking wenschen
te komen, worden door de zorg van bet Departement van Oorlog
aan de betrokken departementen voorgedragen, telkens wanneer
het verlangen daartoe door de bedoelde militairen te kennen
gegeven wordt. (a. v.) Bij benoeming in de door hen gewenschte
betrekking wordt hun dadelijk ontslag uit den dienst verleend.
(M. A. 9 Maart 1864, n\'. 57 P, B. U. 281). (18) (19)
(18)   De benoeming tot eene Kijks uf andere betrekking levert geen grond
op tot het verleencn van vervroegd ontslag uit den dienst aan eenen inge-
lijfde bij de Militie.
Zoodanig ontslag kan hem, behoudens het geval van
ongeschiktheid voor den dienst en enkele bijzondere gevallen in de Militie-
wet omschreven, slechts worden verleend bij het stellen van eenen plaats-
vervanger. (M. A. 12 Feb. 1889, «°. 73).
(19)   Extracten uit het strafregister, betreffende actief dienende militairen
beneden den rang van oflieier (milieiens-verlofgangers daaronder begrepen)
en betreffende gewezen militairen beneden dien rang worden verstrekt aan
autoriteiten van de zee- en landmacht en van de justitie, wanneer deze als
zoodanig, om welke reden ook, hiertoe aauvrage doen.
Extracten uit het strafregister, welke worden aangevraagd in verband met
eene sollicitatie naar eene burgerlijke bediening, worden ook aan audere dan
de in het vorig lid bedoelde autoriteiten, ter inzage verstrekt, wanneer de
aanvrage betreft actief-dieneude militairen beneden den rang van officier
(milieiens-verlofgangers daaronder begrepeu) of gewezen militairen beneden
dien raug, die den dienst met pensioen of met een certificaat van goed gedrag
hebben verlaten, en de bediening ressorteert ouder het Rijk, eene provincie,
eene gemeente, een waterschap of eene maatschappij, welke ten doel heeft
de exploitatie van een openbaar middel van vervoer.
Iu de gevallen, hiervoren bedoeld worden de extracten uit het strafregister
nimmer uitgereikt aan den betrokken militair of gewezen militair zelven,
maar alleen aan deugene die tot het doeu der aauvrage, volgens het hier-
voreu bepaalde bevoegd is.
-ocr page 134-
XTIT. \'Belooningen.
120
§ 288. Wanneer gepensionneerdc, gegageerde of gepaspor-
teerde militairen en militaire schepelingen, die hier te lande of
in de koloniën en overzeesche bezittingen des Rijks, trouw en
eerlijk gediend en zich ook na dien tijd goed gedragen hebben,
aan het Departement van Oorlog eene aanvrage inzenden om
plaatsing in eenige betrekking, waarvan de toekenning, krachtens
bestaande verordeningen, buiten dadelijke bemoeiing, van den
Minister van Oorlog geschiedt of kan geschieden, dan wordt van
die aanvrage bij genoemd Departement aanteekening gehouden,
voor zoover de verzoeker voor de gevraagde betrekking in aan-
merking kan komen. Van de aldus aangeteekende aanvragen
wordt iedere maand, bij algemeene order voor het Leger, aan de
autoriteiten der Landmacht opgave gedaan.
De militaire autoriteiten, die over betrekkingen beschikken,
als waarvan in deze § sprake is, moeten bij het begeven dier
bedieningen op de bedoelde opgave nauwkeurig letten, bij voorkeur
uit de daarin vermelde personen, de openvallende of opengevallen
plaatsen aanvullen, en van de plaatsing van dusdanig persoon,
onder vermelding van de toegekende betrekking en van den naam
van den geplaatsten persoon, aan het Departement van Oorlog
bericht geven. (M. A. 9 Nov. 1880, n\\ 111, B. ü. 592).
§ 289. Voor eene detacheering als tijdelijk schrijver bij het
Departement van Oorlog
— op eene toelage van vijftig cents
(f 0.50) daags — kunnen in aanmerking komen onderofficieren
van het leger, die: a. het verlangen daartoe, door tusschen-
komst hunuer chefs, aan den Minister van Oorlog hebben ken-
baar gemaakt en, op grond van de ministerieele beschikking
van 3 Dec. 1844, n°. 27B, zijn geplaatst op de lijst van solli-
citanten naar de betrekking van schrijver bij voormeld departe-
ment; b. zes jaar of langer in gemelden graad hebben gediend ;
en c. het in de volgende zinsnede omschreven vergelijkend examen
met gunstigen uitslag hebben afgelegd.
Voor zooverre het tweede lid betreft, moet als bevoegd beschouwd wor-
den niet alleen hij, die de verlangde betrekking te begeven heeft, maar ook
degenen, die aan dezeu laatste eeue voordracht tot de vervulling der betrek\'
king doen, of wel omtrent den betrokken persoon inlichtingen verstrekken moet.
In andere dan de in het eerste en tweede lid bedoelde gevallen mogen
extracten uit het strafregister niet worden afgegeven, dan met speciale mach-
tiging van den Minister van Oorlog (tl. B. 2 Dec. 1891, »•. 18, B. U. 1275).
-ocr page 135-
XllT. Belooningen.                                   1&1
Het vergelijkend examen zul loopen over de volgende onderwerpen: a. de
Nederlandsche taal; het schrijven van een opstel over cenig militair onder-
werp zonder taal- of spelfouten; 6. de aardrijkskunde van Nederlandjc,de
voornaamste feiten uit de Vaderlaudsehe geschiedenis na het jaar 1813 D.C.;
d. het lezen vaneen stuk in de Fransche taal; e. de rekenkunde; het vlug
bewerken der vier hoofdregels, met toepassing daarvan up gewone en tien-
deelige breuken; f. vlugheid en nauwkeurigheid van schrijfwerk.
Telkens wanneer een onderofficier als tijdelijk schrijver bij het Departement
van Oorlog moet worden geplaatst, zullen tot het afleggen van evengemcld
vergelijkend examen worden opgeroepen de vier, op de biervoren bedoelde
lijst geplaatste ondcrotlicieren, die het langst in dien graad hebben gediend,
nog iu actieven dienst zijn en alsnog tot de bedoelde detachecring wenschen
in aanmerking te komen, en zulks nadat alsnog aan genoemd Departement
zal zijn gebleken dat hun gedrag goed is geweest en dat zij eene zeer nette
en duidelijke haud schrijven. Zijn er twee of meer vacatures in de betrekking
van gedetacheerd schrijver, dan worden er meer adspirantcn opgeroepen, doch
nooit meer dan vier voor elke vacante plaats.
Voor bedoelde oproeping komen alleen in aanmerking die onderofficieren,
die onafgebroken in militairen dienst iiiju geweest sedert het tijdstip, waarop
zij op de in de eerste zinsnede dezer § bedoelde lijst zijn geplaatst, en van
wie het uit, vóór de oproeping door het Departement van Oorlog opge-
vraagde, extracten uit het strafregister blijkt, dat hun gedrag hen eene
plaatsing bjj het Departement waardig doet zyu.(JA B. 30 Juni 1879, n". 77,
B. U. 534, 17 Maart 1884, »°. 57, B. U. 858, en 6 Hei 1887, •\'. 1»,
B, U. 959).
Voor de betrekking van eerste-klerk bij het Departement van
Oorlog
kunnen alleen in aanmerking komen de onderofficieren,
die, op de wijze in de voorgaande § vermeld, bij het Departe-
ment van Oorlog als tijdelijk schrijver zijn gedetacheerd, (a. ».).
§ 290. Onderofficieren der Artillerie kunnen in aanmerking
komen voor eene benoeming tot conducteur der artillerie.
§ 291. Gepensionneerde militairen kunnen o. a. als j\'ortwachter
bij de verdedigingswerken of als schrijver bij de korpsen worden
aangesteld.
Worden zij als schrijver in dienst gesteld, dan geuieten zij, ingevolge de
tabelleu, gevoegd bij het K. B. van 14 Feb. 1881, n" 7, 8, 9 en 10,
bij wjjzc van belooning voor hunnen arbeid, de soldij voor schrijvers vast-
gesteld, terwijl zij tevens in het onverkort genot blijven van hun pensioen.
(K. A. 4 Maart 1882, »°. 57).
De aldus in dienst gestelde schrijvers moeten geenc andere verbintenis
aangaan, dan eene zoodanige, die hen verplicht, tot wederopzeggens toe,
als schrijver werkzaam te zyn cu de daaraan verbonden plicbten nauwgezet
te vervullen. Zij worden beschouwd als militaire geëmployeerdcn, die\'niet tot
-ocr page 136-
ia
XI II. Belooningen.
het dragen van uniform uf van uitrustingstukken verplicht zijn. Zij worden
evenwel in de stamboeken ingeschreven en dus geacht tot de korpsen te
behooren. (M. A. 13 April 1883, n". 43).
§ 292. Voor de betrekking van fortwuchter worden bij voorkeur gepen-
sionueerde onderofficieren van de Genie of van de Artillerie in aanmerking
gebracht. (Zie aangaande het gelijktijdig genot van pensioen met andere
bezoldigingen de
§§ 306 en 307).
§ 293. De administrateurs van de hospitalen der 3de klasse
worden uit de gepensionneerde, eervol ontslagen of actief die-
nende onderofficieren van de Landmacht getrokken; de overige
geümployeerden, met de administrateurs het vaste kader der hos-
pitalen
vormende, worden getrokken uit de gepensionneerde, eervol
gepasporteerde of actief dienende onderofficieren en mindere mili-
tairen. (K. B. 7 Sept. 1880, n\'. 9, B. U. 577). [Zie overigens
de
§§ 243 en 245].
§ 294. Bij de Centrale Magazijnen van militairekleeding en
uitrusting
te Amsterdam, Delft en Woerden, worden bij voorkeur
in dienst genomen gepensionneerde, gegageerde of gepasporteerde
militairen, die daarvoor in de Algemeene Legerorders in aan-
merking zijn gebracht en voor de te verrichten werkzaamheden
de vereischte geschiktheid hebben. (Instr. M. B. 20 Mei 1892,
n". 112, art. 28, R. M. 189).
C. Verloven met behoud van soldij.
§ 295. Onverminderd hetgeen omtrent het genot van verlof
met behoud van soldij bij bijzondere instructiën, reglementen en
voorschriften is of nader wordt bepaald, wordt, bij uitzondering
op den regel, behoud van soldij toegekend bij binnenlandsche
verloven;
1°. Eens per jaar en voor hoogstens eene maand:
a. aan enkele onderofficieren en korporaals van elk wapen,
die bijzonderen ijver hebben betoond bij het onderwijs der recruten,
en als zoodanig, door den Inspecteur van het Wapen, eene be-
looning waardig worden geacht en aan het Departement van Oorlog
zijn opgegeven ;
l. aan niet meer dan vijf onderofficieren en korporaals van
elk regiment infanterie en twee onderofficieren en korporaals van
-ocr page 137-
XIII. lielooningen.                               123
elk regiment cavalerie of artillerie die bijzoiidercn ijver bij liet
geven van onderwijs op de huishoudelijke seiiool hebben betoond ;
2°. Eens per jaar en voor hoogstens veertien dagen aan sol-
daten (vrijwilligers) die zes of meer jaren hebben gediend, en
zich door goed gedrag onderscheiden.
3°. Eens voor hoogstens veertien dagen, aan lotelingen en
nummerverwisselaars, die zich als vrijwilliger bij een der korpsen
van de Landmacht verbinden.
4°. Eins per jaar en voor hoogstens veertien dagen aan
werklieden in hout en ijzer, bij de korpsen dienende.
5°. Eens per jaar en voor hoogstens veertien dagen aan
remonte-berijders bij de cavalerie en artillerie, die zich bij het
africhten van paarden bijzonder onderscheiden hebben.
6". Eens per jaar en voor hoogstens veertien dagen aan sol-
daten (vrijwilligers) van het eskadron ordonnansen, die zich door
bijzondere geschiktheid, goed gedrag en zorg voor hunne paarden
onderscheiden.
7°. Voor hoogstens ééne maand aan onderofficieren en solda-
ten (Nederlanders) bij het Kolonaal-Werfdepot, ter uitzending
voor den dienst in Oost- of Wed-Indië beschikbaar. (V. 11. A.,
ad art.
36).
§ 296. Behoud van soldij is steeds verbonden aan verlof
verleend:
a. tot herstel van gezondheid van den belanghebbende;
h. in afwachting van pensioen aan een onderofficier of soldaat,
die daarvoor voorgedragen is;
c. in afwachting van ontslag aan een onderofficier of soldaat,
die niet meer voor den dienst geschikt is. (R A,, art. 37).
-ocr page 138-
HOOFDSTUK XIV.
Pensioenen.
§ 297. Het militair pensioen wordt, ten laste van den Staat,
door den Koning verleend, zoo tot belooning van langdurigen
dienst als ter geheele of gedeeltelijke verzorging van verminkte
of gebrekkig geworden militairen. [Wel 28 Aug. 1851, St. hl.
»\\ 129, B. U. 15 8).
§ 298- Door militairen beneden den rang van officier wordt
het recht op pensioen verkregen in de navolgende gevallen:
a.    ter zake van langdurigen, dat is dertig jarig en dienst, met
vijftigjarigen ouderdom ;
b.    ter zake van verwonding of verminking in den strijd beko-
men, of veroorzaakt door gevorderde of bevolen militaire diensten,
alsook ter zake van zieh- of lichaamsgebreken, welke het gevolg
zijn van omstandigheden, verrichtingen en vermoeienissen, aan de
uitoefening van den militairen dienst verbonden, voor zoover die
verwonding, verminking of gebreken den belanghebbende tot de
verdere waarneming van den militairen dienst voor altijd onge-
schikt maken, en hem tevens voortdurend geheel of gedeeltelijk,
dan wel tijdelijk geheel of gedeeltelijk, buiten staat stellen, om
door handenarbeid in zijn levensonderhoud te voorzien;
c.   ter zake van gelijke redenen als ad b vermeld, al wordt de
belanghebbende niet buiten staat geacht, om door handenarbeid
in zijn levensonderhoud te voorzien, mits hij eenen diensttijd van
niet minder dan twintig jaren hebbe;
d.   ter zake van ongeschiktheid of onbekwaamheid tot de ver-
dere waarneming van den militairen dienst — hoezeer ontstaan
door andere oorzaken, als die ad b vermeld doch niet het ge-
volg van eigen raoedwilligo handelingen of ongeregeld gedrag —
voor zoover die ongeschiktheid of onbekwaamheid den belang-
hebbende voortdurend geheel of gedeeltelijk, dan wel tijdelijk
-ocr page 139-
XIV. Pensioenen.                                125
geheel of gedeeltelijk, buiten staat stelt, om door handenarbeid
in zijn levensonderhoud te voorzien, mits hij eenen diensttijd van
niet minder dan twintig jaren hebbe;
e. ter zake van vijf tig jarigen ouderdom, ofschoon geen dertig
jaren dienst hebbende, voor zooveel de belanghebbende, uithoofde
van dien leeftijd, tot de verdere waarneming van den militairen
dienst voor altijd ongeschikt is geworden, mits hij eenen dienst-
tijd van niet minder dan twintig jaren hebbe. (a. v.).
Het bedrag van de pensioenen voor militairen beneden den
rang van officier is vermeld op den achter dit hoofdstuk ge-
voegden staat. {Bijlage L).
§ 299. Het volle bedrag van het pensioen wordt voortdurend
toegekend aan de militairen, aangewezen onder a; ook aan die
onder b, ingeval de verwonding, verminking, zieh- of lichaams-
gebreken
van zoodanigen aard zijn, dat zij den militair niet
slechts voor den militairen dienst voor altijd ongeschikt maken,
maar hem daarentegen voortdurend geheel of lijdelijk geheel
buiten staat stellen in zijn levensonderhoud te voorzien, mits hij
in het laatste geval eenen diensttijd van niet minder dan ticinlig
jaren hebbe.
Is de bedoelde militair voortdurend gedeeltelijk buiten staat
om door handenarbeid in zijn levensonderhoud te voorzien, dan
wordt het pensioen berekend voor elk dienstjaar op een dertigste
deel
van het volle pensioensbedrag. Bij minderen diensttijd dan van
vijftien jaren, wordt het pensioen op de Jielft van het volle be-
drag vastgesteld. Is hij slechts tijdelijk gedeeltelijk buiten
staat om door handenarbeid in zijn levensonderhoud te voorzien,
dan geniet hij eveneens voor elk dienstjaar een dertigste deel van
het volle pensioen, mits hij eenen diensttijd hebbe van niet min-
der dan twintig jaren.
De laatste berekening voor het pensioen geldt ook voor de
militairen, bedoeld onder c en e.
Bijaldien de militair moet worden ontslagen ter zake van on-
geschiktheid of onbekwaamheid tot de verdere waarneming van
den militairen dienst, ontstaan zooals ouder d is vermeld, wordt,
in het geval dat hij voortdurend geheel buiten staat is om door
handenarbeid in zijn levensonderhoud te voorzien, liet pensioen
bepaald op drie vierde gedeelten van het volle bedrag. Wanneer
hij daartoe voortdurend gedeeltelijk buiten staat is, wordt het
-ocr page 140-
126                                XIV. Pensioenen.
pensioen op de helft van datzelfde bedrag vastgesteld, (a. ».).
§ 300. Het bedrag van het volle pensioen wordt met een
vierde
gedeelte vermeerderd, wanneer de verwonding, verminking
of lichaamsgebreken, hiervoren bedoeld, het verlies ten gevolge
hebben van een der ledematen of het gemis van het gebruik
daarvan, of wel dat de toestand van dien aard is, dat deze met
zoodanig verlies of gemis kan worden gelijk gesteld.
Het bedrag van het volle pensioen wordt met de helft ver-
meerderd voor het verlies, door gelijke oorzaken als zooeven ver-
meld, van twee of meer ledematen, of bij het gemis van het ge-
bruik daarvan, of wel, wanneer de toestand van dien aard is,
dat deze met zoodanig verlies of gemis kan worden gelijkgesteld ;
zoo ook bij geheel en onherstelbaar verlies van het gezichtsvermo-
gen der heide oogen.
Door ledematen worden hier bepaaldelijk verstaan handen en
voeten, onverschillig of zich aan het verlies daarvan dat van
armen en beenen paart. (a. ».).
§ 301. Het pensioen wordt geregeld naar den graad, dien
de militair de laatste twee jaren heeft bekleed, of naar den graad
waarmede zijne betrekking gelijk gesteld is, en bij gemis daarin
van twee volle jaren dienst, naar den onmiddellijk voorafgaan-
den graad; doch wordt het verleend aan militairen, aangewezen
onder b en c dan naar den graad, waarin hij op dat tijdstip dient.
Titulaire graden komen bij de berekening van het pensioen
niet in aanmerking.
De militair, die zes jaren den graad, waarnaar zijn pensioen
moet worden berekend, heeft bekleed, erlangt, boven het pensioen
waarop hij recht heeft, eene verhooging van een tiende gedeelte
van dat pensioen.
Voor elk jaar, dat hij langer denzelfden graad heeft bekleed,
wordt het pensioen nog met een zestigste deel verhoogd, met dien
verstande evenwel, dat de geheele verhooging over niet meer dan
twaalf jaren en derhalve tot geen hooger bedrag dan een vijfde
(van het pensioen, waartoe de militair overigens gerechtigd is,
wordt vastgesteld.
Ingeval een militair, volgens deze bepaling, recht op hooger
pensioen zou gehad hebben, wanneer hij in den laatstelijk door
hem bekleeden minderen graad ware blijven dienen, dan zal hem
dat hooger pensioen worden toegekend.
-ocr page 141-
XIV. Pensioenen.
127
De bepalingen dezer § zijn echter niet toepasselijk op de be-
trekkingen van hoofdopzichter en opzichter van fortificatiën, ma-
gazijnmeester der Artillerie van de 3de klasse, geen officier zijnde,
conducteur der Artillerie, schrijver bij het Departement van Oorlog,
opperwachtmeester bij het wapen der Marechaussee en hospitaal-
geëmployeerde, voor zooveel de laatstgemelde met den graad van
onderofficier of korporaal is gelijkgesteld. («. ».).
§ 302- Het pensioensbedrag, waarop de militair aanspraak
heeft, wordt verhoogd voor elk jaar verblijf in \'militairen dienst
in \'s Rijks overzeesche bezittingen en koloniën na 1 Juni 1877
met vijftien gulden voor een\' onderofficier, met seven gulden en
vijftig cents
voor korporaals en minderen. (Wet 29 Mei 1877,
St.bl. n". 114, B. U. 491).
§ 303. Tijdelijk pensioen wordt bij gemis van twintig dienst-
jaren,
verleend aan de militairen, hiervoren aangegeven onder
b, wanneer zij tijdelijk geheel buiten staat zijn om in hun
levensonderhoud te voorzien, tot het volle bedrag; zijn zij slechts
tijdelijk gedeeltelijk daartoe buiten staat, dan tot minstens het
halve bedrag; eveneens aan de militairen, hiervoren aangewezen
onder d, en wel tot drie vierde gedeelten of tot de helft van het
pensioen, naar gelang zij geheel of gedeeltelijk buiten staat zijn
om door handenarbeid in hun levensonderhoud te voorzien. (Wet
28 Aug. 1851, SUL n°. 129, B. U. 158).
§ 304. Het tijdelijk pensioen wordt niet korter dan voor
een jaar en niet langer dan voor vijf jaren toegekend. Dit pen-
sioen komt na verloop van het tijdvak, waarvoor het werd toe-
gekend, te vervallen, of wordt opnieuw tijdelijk dan wel voort-
dnrend
verleend, naar gelang van den uitslag van een in te
stellen nader geneeskundig onderzoek, (a. v.).
§ 305- De soldij en de toelage, verbonden aan de Militaire
Willems-Orde en aan de benoeming van broeder der orde van
den Nederlandschen Leeuw worden te gelijk met het militair
pensioen genoten, (a. v.).
§ 306. Met \'s Konings toestemming kan het militair pen-
sioen worden genoten, hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk, met mili-
tair traktement of met eenige andere aan den militairen dienst
verbonden belooning. (a. v.).
§ 307. De gepensionneerden of onderstand genietenden welke
onder het Departement van Oorlog bchooren, mogen hun pen-
-ocr page 142-
XIV. Pensioenen.
128
siocn of onderstand in zijn geheel gelijktijdig genieten met in-
komsten of belooningen uit de geldmiddelen van den Staat, van
\'s Itijks koloniën en bezittingen in andere werelddeelen of uit
fondsen onder het beheer des TCijks geplaatst, in betrekkingen,
waaraan geen uitzicht op burgerlijk pensioen verknocht is,
— mits
die inkomsten of belooningen niet te boven gaan eeue som van
f 1000. — voor gepensionneerden met den rang van officier en
van f 800. — voor de militaire gepensionneerden van minderen
rang, voor hen die pensioen of onderstand genieten volgens de
III\' Afdeeling der Wet van 28 Augustus 1851 (St. hl. n\\ 129),
en voor gepensionneerden of onderstand genietenden volgens de
Wet van 24 Juni 1854 (StM. n". 92) en van 18 Juli 1890
(SLM. n". 109) [K. B. 10 Juni 1884, n\\ 59, B. U. 862,
en 4 Nov. 1890, n\\ 125, B. U. 1139].
Het gelijktijdig genot van militair pensioen met inkomsten of
belooningen, verbonden aan burgerlijke betrekkingen waaraan wel
het uitzicht op burgerlijk pensioen verknocht is,
wordt mede toe-
gestaan, doch daarop heeft, wanneer het gezamenlijk bedrag van
het traktement en pensioen de som van f 1 000 overtreft, eene kor-
ting plaats naar eenen bij art. 24 der Wet op de burgerlijke
pensioenen bepaalden maatstaf.
Bij latere aftreding wordt de belanghebbende in het onver-
kort genot van het militair pensioen hersteld, terwijl hem boven-
dien een burgerlijk pensioen wordt toegekend, naar evenredigheid
van de dienstjaren in de burgerlijke betrekking gepresteerd.
§ 308. In het belang van ieder militair, wien in de uit-
oefening van den dienst eenig ongeval mocht treffen, hoe weinig
beduidend dit hem ook moge voorkomen, is bevolen, dat hij
daarvan dadelijk mededeeling doe aan zijnen onmiddellijken chef,
en dat, na behoorlijk onderzoek, van de bekomen mededeeling
de noodige aanteekening worde gehouden, ten einde zoo noodig
te kunnen gelden voor latere aanspraak op pensioen. (M. B. 30
Sent. 1851, n\'. 235, B. U. 158).
§ 309. Militairen van goed gedrag, die wegens ziels- of
lichaamsgebreken den dienst, zonder aanspraak op pensioen,
moeten verlaten, en die daarbij in eenen toestand verkeeren
waarin geldelijke ondersteuning niet alleen zeer te stade zou
komen, maar ook goed besteed zou zijn, worden tot het bekomen
van eene gratificatie voorgedragen. (V. R. A., ad art. 58, \\ 1).
-ocr page 143-
XIV. Pennoenen.
129
§ 310. De weduwen van militairen, die in den strijd of in
en door gevorderde of bevolen dienstverrichting gesneuveld of
omgekomen zijn, of aan de onmiddellijke gevolgen daarvan,
binnen één jaar, zijn overleden, hebben recht op pensioen.
Het pensioen wordt geregeld naar den graad, door den echt-
genoot werkelijk bekleed. {Wet 28 Aug. 1851, StM. n°. 129,
B. V. 158).
§ 311. Wanneer de militair, die op de wijze in de voor-
gaande § vermeld, het leven heeft verloren, geen weduwe, maar
eeii kind of kinderen, geboren uit een wettig huwelijk, achterlaat
wordt aan dat kind of die kinderen, zoolang zij beneden den
ouderdom van achttien jaren en ongehuwd zijn, en in het geval
dat zij geen verzorging uit \'s ltijks geldmiddelen genieten, een
onderstand verleend ten gelijke bedrage als het pensioen, dat
aan de weduwe zou zijn toegestaan.
Zoodra een der kinderen ophoudt gerechtigd te zijn tot onder-
stand, gaat zijn aandeel over op de overig blijvende rechtheb-
bende kinderen, {a. v.).
Het bedrag van het pensioen, dat aan de achtergelaten weduwe
of kinderen wordt toegekend, is mede vermeld op den achter
dit Hoofdstuk gevoegden staat. {Bijlage L).
II
-ocr page 144-
180
Hij lage li.
STAAT van het bedrag der pensioenen van militairen beneden
den ransr. van officier en van hunne weduwen en kinderen.
SM
CS * ^
• i—»
** fl ö
jj J §
van
pens
wen
6IJ 3
M O T3
m -o «
| ë *
g\'
M£o-
C
0J
- tJ
"O
a
.• 1
^
e
ai:
[01
0
e
OJ
sa
.6
>
5
M
,—
~
-
5
£
t-
a
o
u
•=>
-o
GRADEN
KN
BEÏREKK1N6EN.
AANA1EKK1NGEN.
«!Ü
Voor de toekenning van liet
pensioen, zijn sommige betrek-
kingen hij de Landmacht, niet op
dezen staat vernield, gelijkgesteld
met de rangen, graden en betrek-
kingen, wel op den staat voor-
kooiende.
Zoo zijn gelijkgesteld aan den
graad van fortificatie-opzichter Ie
Hoofdopzichter van fortificaticu .
Opzichter van de fortifi-j „,
catiën van de. . . / „ ,
L ode f .
Magazijnmeester der artillerie van
de 3de klasse, geeu officier
zijnde........
Conducteur der ( 1ste klasse .
artillerie van de | 2de »
Schrijver bij het ( 1ste klasse .
Departement van < 2de »
Oorlog van de (. 3de »
Opperwachtmeester bij het wapen
der Marechaussee.....
Adjudant-onderofficier ..•..")
Wachtmeester bij het wapen der r
Marechaussee......)
Sergeant-majoor (opperwachtmees- \\
ter)........./
ƒ 350
300
275
250
ƒ 700
600
550
500
250
230
200
250
225
200
300
250
500
440
860
500
450
400
540
440
kl. : de machinisten lc kl. bij
het korps paiHserforl-artille-
rie e» het korps torpedisten ;
uan dien van fortilicatie-op-
zichter 2e kl.: de machinist 2e
klasse van evenvermelde korp-
sen; aan dien van udjudant-i><t.
derofjicier:
o.a. de militaire apo*
thekers-bedienden, de machinis-
ten en de opperschi|>pera der lc
klasse en de kapelmeesters j aan
dien van sergeanl-inujoor • o. a.
de sergeanten-tamboer, de staf-
hoornblazers en staltrompetters,
Ie machinisten en de 0[>perschip-
pers der 2e klasse , en de onder*
kapelmeesters; aan dien van ser-
geunt
: o. a. de foui-icrs, de niu-
zikanten, de trompetters, db
meesters-kleeder-, schoen-, laar-
zen-, geweer, en zadelmakers,
de aicesters-zwaardvegers, de
schryvers bij de korpsen ofMil.
Aut., de wachtmeester" of kor-
poraal-hoefsmid bij de Rü- en
hoefsmidsschool; aan dien van
korporaal: o. a. de militaire werk-
lieden,als daar zij n\'.schoenmakers,
laarzenmakers, kleedermakers ,
225
400
Brigadier bij het wapen der M
Ia-t
rechaussee ....
Sergeant (wachtmeester) . . .)
Marechaussee.......)
Korporaal........
Trompetter bij het wapen der
Marechausee......
Soldaat vau alle wapens . . ,
200
360
550
150
200
110
scheeps timmerlieden, timmer*
lieden, wagenmakers, houtwer*
{Wei 29 Mei 1877, SIM. tt«. 114, B. U. 491).
kers, smeden, smeden-bauk-
werkers, smeden.vuurwerkers,
zadelmakers en hoefsmeden;aan
dien van .loldaat: de tamboers, hoornhlazers, ea élève-muzikanten. (*) (A\'. II. 28 Xept. 1861,
H-, 1», II. U. 177; K. Jl. 6 Jan. 1801, >l-. 48, B. V. 240; K. B. 16 Maart 1805, »\'. 54, B.
U. mi; K. II. 8 Muurt 187!), »\'. 15, B. IJ. 624; Wet 2 /Ing. 188U, St.il. >i: 145, ir. (7.570 ;
A\'. B. 14 feb. 1S81, »».. 7, 8 en 9, M. ü. Ü23 ; A\'. II. 2\'J Maart 18811, «•. U, B. U 905, M
ilS Fet. 1893, u". 38. 11. M. 181).
•) Zie voor de graden van de geemployeerden bij de Militaire Hospitalen de 5§ 243 en 248
-ocr page 145-
HOOFDSTUK XV. (*)
e verbintenissen voor den kolonialen militairen dienst en de
buitengewoon gunstige bepalingen voor dezen dienst
vastgesteld.
A. De verbintenis als gewoon soldaat.
§ 312- Alle autoriteiten bij de Landmacht zijn gehouden
de werving van vrijwilligers voor de Koloniale troepen zooveel
mogelijk te bevorderen.
Met die werving zijn in het bijzonder belast de commandee-
rende officier van het Koloniaal-Werfdepot en de plaatselijke en
garnizoenscommandanten. Deze autoriteiten zullen aan de voor-
waarden, waarop Nederlanders en vreemdelingen zich voor den
kolonialen militairen dienst kunnen verbinden, door gepaste
middelen op den duur meer algemeene bekendheid trachten te
geven.
Achten zij de omstandigheden gunstig, dan zullen zij door
daartoe bevoegde personen vrijwilligers voor dien dienst doen
aanwerven. Militairen in werkelijken dienst bij de Landmacht
mogen daartoe echter niet dan met machtiging van den Minister
van Oorlog buiten hunne standplaatsen worden gezonden. (Voor-
schrift M. B.
15 Dec. 1881, u°. 50, art. 1, B. U. 6 75).
§ 313. Onderofficieren, buiten hunne standplaats op werving
zijnde, behouden gedurende dien tijd hunne soldij, doch genieten
geen toelage voor brood. Zij ontvangen bovendien voor rekening
vuu het Koloniaal-Werfdepot, ecne dagelijksche toelage, ten be-
drage van ƒ 1.50. (a. v., art. 1, | 2).
§ 314. Bevoegd tot het aannemen van vrijwilligers zijn:
a. Officieren van alle rangen, de gepensionueerde officieren
daaronder begrepen ;
(*) De vojrachriftcu en bepalingen in dit lioofdatuk vernield, ondergaan
geen veranduriug door de in hoofdstuk XVI opgenomen Vuurliwpiye re:je-
limj betreffende de oprichting en hel beheer der Koloniale lieseree.
-ocr page 146-
XV. Koloniale dienrf.
132
b. Onderofficieren;
e. Oud-militairen beneden den rang van officier, die den
militairen dienst op eervolle wijze hebben verlaten en aan
wie, door den Minister van Oorlog, liet aannemen van
vrijwilligers voor de koloniale troepen is opgedragen.
Zij, die de voorschreven bevoegdheid bezitten en volgens de
wet, bekwaam zijn om als gevolmachtigde bij het sluiten eener
overeenkomst op te treden, kunnen, bij het opmaken van de
engagement-akte, het Rijk vertegenwoordigen, (a. v., art. 2, § 1).
§ 315. De engagement-akten komen, in hoofdzaak, overeen
met het model, als Bijlage A, achter hoofdstuk I gevoegd. Het
model is vastgesteld bij de M. B. van 5 Oct. 1892, no. 39,
(R. M. 633).
De wijzigingen en bijschrijvingen welke in de akte moeten worden
aangebracht om te kunnen dienen voor de verbintenis op proef,
bedoeld in § 354, zijn opgegeven bij M. A. 6 April 1887, n°. 99,
terwijl bij M. B. van 29 April 1892, n°. 54, (R. M. 138) aan
de akte is toegevoegd de bepaling //dat, wanneer de aangenomene
«afkomstig is van het Leger hier te lande en hij, nadat de over-
«eenkomst door den commandeerende-officier van het Koloniaal-
z/Werfdepot is bekrachtigd, vóór den dag van inscheping naar zijne
//bestemming van die verbintenis wordt ontheven, de verplichting
z/op hem blijft rusten om het onvervulde gedeelte der bij het
//Leger hier te lande aangegane verbintenis alsnog te volbrengen,
vten ware hij ook van deze uitdrukkelijk ontheven wordt".
Zij worden in tweevoud opgemaakt door de zorg van hem,
die, bij het aannemen van den vrijwilliger het lüjk vertegen-
woordigt.
Eén exemplaar wordt ter hand gesteld aan hem, die de ver-
bintenis aangaat; het andere wordt, met de verder overgelegde
bewijsstukken, bewaard bij de hoofdadministratie van het Kolo-
niaal-Werfdepot. («. »., § 2).
§ 316- Ook andere personen als die, onder a, b en e van
§ 314 genoemd, kunnen vrijwilligers aanbrengen (*), en het daar-
voor vastgestelde aanbrenggeld ontvangen, (a. v., § 3).
§ 317. Pfi persoon, elders dan te Harderwijk voorloopig
aangenomen, worden dóór de zorg van den plaatselijken of gar-
(*) Zie ook j 350.
-ocr page 147-
XV. Koloniale dienst,                             133
nizoenscommandant per reiswijzer gedirigeerd op het Koloniaal"
Werfclepot. Voor de reis derwaarts hebben de manschappen recht
op soldij met daggeld, mitsgaders op vervoer voor Rijks reke-
ning, zooals een en ander voor de militairen van genoemd depot
is vastgesteld, (a. v., § 4).
§ 318. Tot eene verbintenis als vrijwilliger bij de Koloniale
troepen mogen slechts zoodanige personen worden toegelaten, die
volgens de bepalingen van dit hoofdstuk als vrijwilliger kunnen
worden aangenomen. De toelating is eene voorloopige, indien
zij niet geschiedt door den commandeerenden officier van het
Koloniaal-Werfdepot. (a. v., art. 3, \\ 1).
§ 319. De voorloopige verbintenissen als vrijwilliger zijn voor
het llijk eerst bindend, nadat zij door genoemden commandee-
renden officier zijn bekrachtigd, (a. v., § 2).
Militairen, die bij een ander korps eene vrijwillige verbintenis
wenschen aan te gaan, behooren niet eer uit de sterkte van het
korps te worden afgevoerd, dan nadat de door hen aangegane
voorloopige verbintenis bekrachtigd is door den commandeerenden
officier van bedoeld korps. (Foorsc/tr. jll. B. 6 Juli 1883, n°.
27, § 103, B. U. 747).
§ 320. Als vrijwilliger worden, behoudens de na te noemen
uitzonderingen, alleen ongehuwde personen (Nederlanders en
vreemdelingen) aangenomen, die niet jonger dan 18 en niet
ouder dan 36 jaren zijn. {Voorzcltr. M. B. 15 Dec. 1881,»°. 50,
art. 4, § 1, B. ü. 675).
§ 321. Personen, die vroeger bij het Korps Mariniers of bij
de Landmacht, hetzij hier te lande of wel in Oost- of West-Indië,
hebben gediend, kunnen, met machtiging van den Minister van
Oorlog, boven den leeftijd van 36 jaren als vrijwilliger worden
aangenomen, (a. v., § 2).
§ 322. Met machtiging van den Minister van Oorlog zullen
tevens, bij uitzondering, gehuwde personen, weduwnaars met
kinderen, en jongelingen beneden den leeftijd van 18 jaren,
als vrijwilliger kunnen worden aangenomen. («. »., § 3).
§ 323. Het minimum der lengte, (*) voor eene toelating als
vrijwilliger gevorderd, bedraagt 1,55 M.
(*) Zie de noot op bladz. \\.
-ocr page 148-
134                             XV. Koloniale rlierisf.
Voor liet wapen der Cavalerie bij het leger in Oost-ludic,
bedraagt het maximum der lengte 1,7 M. (a. v., art. 5).
§ 324. Tri den regel zullen alleen vrijwilligers, die, volgens
de daaromtrent gegeven of nader te geven voorschriften, door
minstens één officier van gezondheid onderzocht en voor den
dienst als vrijwilliger bij de Koloniale troepen lichamelijk ge-
schikt verklaard zijn, tot eene verbintenis, als in dit hoofdstuk
bedoeld, worden toegelaten. («. v., art. 6, § 1).
\\) 325- Ieder voorloopig aangenomen vrijwilliger, die van
elders bij het Koloniaal-Werfdepot aankomt, wordt, vóór de be-
krachtiging zijner verbintenis, opnieuw geneeskundig onderzocht,
tenzij de Inspecteur van den geneeskundigen dienst der Land-
ïnacht omtrent de lichamelijke geschiktheid van den vrijwilliger
beslist heeft. (o. «., § 2).
§ 326• Rijst er verschil van gevoelen tusschen den militairen
geneeskundige of den waarnemenden offficier van gezondheid, die
den persoon het eerst keurde, en den officier van gezondheid te
Harderwijk, dan beslist de Inspecteur van den geneeskundigen
dienst der Landmacht.
De man blijft dan, in afwachting van de te nemen beslissing,
op de gewone wijze in onderhoud onder genot van het daggeld,
bedoeld bij § 352. (a.v., § 3).
| 327. Het geneeskundig onderzoek zal — zeer bijzondere
gevallen uitgezonderd — geschieden in een militair hospitaal en
op uitnoodiging van den plaatselijken of garnizoenscommandant,
van chefs van diensten en van hoogcr geplaatste militaire auto-
riteiten.
Hij, die de uitnoodiging doet, zal daarbij voegen een voldoend
signalement van den te onderzoeken persoon en c. q. ook be-
scheiden en inlichtingen, waaruit blijken kan van den physieken
toestand van dien persoon, (a. »., § 4). (*)
§ 328. Personen, die vroeger wegens ziels- of\' liehaamsge-
breken uit den dienst bij de Zee- of Landmacht ontslagen of ter
zelfdcr zake in het genot van pensioen of gagemeut gesteld zijn,
worden niet aangenomen dan met machtiging van den Minister
van Oorlog, (a. ?;., § 5).
§ 329. Militairen of schepelingen, die ter zake van hart- of
(*) Zie ook $ 24.
-ocr page 149-
XV. Koloniale dienst.
135
borstgcbrekeu uit clou dienst ontslagen, gcpensionuecrtl of in het
genot van gagement gesteld zijn, mogen, al zijn die gebreken
volkomen genezen, voor den kolonialen militairen dienst niet
worden aangenomen. («. »., § 6).
§ 330. De commandeerende officier van het Koloniaal-Werf-
depot is bevoegd, een zich voor den kolonialen militairen dienst
aanbiedend of aangeworven persoon, die wegens lichte gebreken
niet ten volle aan de voor een\' vrijwilliger bij de Koloniale
troepen gestelde eischen van lichamelijke geschiktheid voldoet,
als vrijwilliger toe te laten, indien hij oordeelt, dat zoodanig
persoon bij die troepen nog goede diensten bewijzen kan. Van de
bedoelde gebreken wordt aldan in de engagement-akte en op het
stamboek melding gemaakt, (a. v., art. 7, § 1).
§ 331. Personen, die bij geneeskundig onderzoek voor den
krijgsdienst in de overzeesche bezittingen en koloniën des Rijks
geheel ongeschikt zijn verklaard, mogen, al zijn de gebreken van
lichten aard, zonder machtiging van den Minister van Oorlog tot
eene vrijwillige verbintenis niet worden toegelaten, (a. v., § 2).
§ 332\' Personen, die in Ooat-Indïv geboren zijn of aldaar
minstens twee jaar vertoefd hebben, worden niet geacht onge-
schikt te zijn voor den kolonialen militairen dienst door de
gebreken, vermeld onder de nummers 7 en 27 van kolom A van het
reglement onder A vastgesteld bij K. B. van 2 Nov. 1SS3, St.bl.
n°. 151. (K. B. 11 Maart 1891, St.bl. n\'. 73, B. U. 1164).
§ 333. Personen, die bij hunne aanmelding ter dienstneming
voor West-lndig nog geen twee effectieve voor pensioen (gage-
inent) geldende dienstjaren in rekening kunnen brengen en in-
gevolge Reglement R, vastgesteld bij Koninklijk besluit van 2
November 1883 (St.bl. n". 151), physiek geschikt bevonden
worden ter toelating bij de nationale militie, worden geacht
mede physiek geschikt te zijn voor den militairen dienst in Weü-
ludii\',
mits zij niet ten gevolge van malaria lijden aan bloed-
armoede of wel aan vergrooting van lever of milt. (/»\'. ö. 20 Juli
1891, St.bl. u°. 150, B. U. 1200).
5) 334. Niemand wordt als vrijwilliger aangenomen, die,
minderjarig zijnde, niet heeft overgelegd een behoorlijk gelegali-
seerd bewijs van toestemming, afgegeven door den vader, den
voogd of de moeder-voogdes, en opgemaakt volgens een model,
overeenkomende met dat, als Rijlaae B, achter Hoofdstuk f ge-
-ocr page 150-
XV. Koloniale dienst.
13(5
voogd, met deze uitzondering dat daarin //Landmacht" is ver-
vangen door //Koloniale troepen". De datum van de onderteeke-
ning van het stuk moet in letters geschieden. (Voorschr. M. B.
15 Dec. 1881, »°. 50, art. 8, B. U. 675).
Bijaldien bedoeld bewijs van toestemming is afgegeven door
den voogd, of door de moeder-voogdes, moet worden overgelegd:
in het eerste geval, eene verklaring van den kantonrechter, wicn
het aangaat, waaruit moet blijken dat hij die toestemming geeft,
wettig als voogd is benoemd; in het tweede geval, de akte van
overlijden van den vader en bovendien eene verklaring, dat zij
(de moeder) niet van de voogdij is ontzet, noch die op andere
wijze verloren heeft. (Al. A. 16 Mei 1882, w°. 40, 1 Maart
1883, »". 39 en M. B. 16 Maart 1885, «°. 37).
Den Inspecteurs van de Wapens is verzocht, hunne onderhoo-
rige korpscommandanten uit te noodigen, geen minderjarige mi-
litairen, wier vader of wier beide ouders zijn overleden, voor
eene overplaatsing bij het Leger in Nederlandsch-Indië in aan-
merking te brengen, omtrent wie, behalve de toestemming van
den voogd of van de moeder-voogdes, en e. q. ook de akte
van overlijden van den vader, niet tevens is overgelegd eene
verklaring van den kantonrechter, wien het aangaat, dat degene
die de toestemming heeft gegeven, wettig voogd of voogdes is.
(M. A. 13 Jan. 1885, n\\ 16).
Voor minderjarige weezen, die toevertrouwd zijn aan de zorg
of het toezicht van regenten van gestichten van liefdadigheid
wordt genoegen genomen met een bewijs van toestemming van
bedoelde regenten. (M. A. 1 Dec. 1886, »°. 43).
§ 335. De vrijwilligers moeten voorts, ter hunner aanneming,
de volgende bescheiden overleggen, als:
a. de Nederlanden:
1°. een extract uit het geboorteregister of een ander authen-
tiek stuk, waaruit hun leeftijd blijkt;
2°. een bewijs van goed gedrag, afgegeven door het hoofd der
gemeente, waar zij laatstelijk gevestigd waren (zie ook de noot
op
§ 84, 2°);
3°. eene bevolkingskaart, afgegeven door het hoofd der ge-
meente, waar zij laatstelijk gevestigd waren;
-ocr page 151-
XV. Koloniale dienst.                             137
4". indien zij vóór den lste" Januari van het jaar, waarin
zij zich ter dienstneming aanbieden, hun I9d0 levensjaar inge-
treden zijn en op het tijdstip van het aangaan hunner verbin-
tenis hun 40slc niet volbracht hebben, een authentiek bewijs,
dat zij hunne plichten ten opzichte van de Nationale Militie
vervuld hebben, of tot geen dienst bij de militie gehouden zijn
of geweest zijn.
b. de vreemdelingen:
1°. de stukken bij a onder 1°. en 2". genoemd;
2". de onderdanen van het Duitsehe rijk eene Fmtlassimgsurkunde;
3°. de overige vreemdelingen een bewijs, dat in hun vader-
land geen militaire plichten op hen rusten, en de Zwitsers boven-
dien eenen Heimalhschein. (FoorscJir. M. B. 15 Dee. 1881,
n\\ 50, art. 9, § t, B. ü. 675).
§ 336. Vrijwilligers, die bij de Landmacht hier te lande ol\'
in Oost- of West-lndië reeds hebben gediend, behoeven geen be-
wijsstukken omtrent hunnen leeftijd, noch, wanneer zij vreem-
delingen zijn, het bewijs of de bewijzen, bij h onder 2° en 3°
bedoeld over te leggen.
Zijn zij nog geen drie maanden buiten den dienst, dan be-
hoeven zij evenmin over te leggen het \'bewijs, waarvan sprake
is bij a sub 2°.
Verlieten zij den dienst na hun 22sle levensjaar, dan zal ook
het overleggen van een bewijs bij § 335 onder 4°. van litt. a
genoemd, niet van hen gevorderd worden.
Zij zijn echter gehouden tot hét overleggen van alle bescheiden
betreffende hunnen vroegeren dienst, welke in hun bezit zijn.
(«. »., § 2).
§ 337. Miliciens-verlofgangers behooren over te leggen hun-
nen verlofpas, (a. v., § 3).
§ 338- Gehuwden worden niet toegelaten, tenzij door hen,
behalve de overige van hen te vorderen stukken, ook worde
overgelegd eene gelegaliseerde schriftelijke verklaring van hunne
echtgenooten, dat deze bewilligen in hunne verbintenis. («.
»., § 4).
§ 339. Ingelijfden bij de Militie, die zich, gedurende hun
verblijf onder de wapenen niet goed gedragen hebben, wor-
-ocr page 152-
XV. Koloniale dienst.
138
den, zouder voorafgaande vergunning van den Minister van
Oorlog, tot eene vrijwillige verbintenis niet toegelaten. (a. v.,
art.
10, § 1).
§ 340. Gewezen militairen, mariniers of schepelingen, aan
wie bij het verlaten van den dienst, geen certificaat van goed
gedrag is uitgereikt, worden niet dan met machtiging van den
Minister van Oorlog aangenomen, (a. v., § 2).
§ 341 • Voorts worden tot eene vrijwillige verbintenis niet
toegelaten :
a. deserteurs en personen, die vroeger in Nederlandschen
dienst zijn geweest en van den militairen stand vervallen zijn
verklaard of wel met een briefje van ontslag, zonder paspoort,
of met een bijzonder gemerkt paspoort uit den dienst bij de Zee-
of Landmacht zijn weggezonden ;
Ij. personen, die ter zake van staatkundige misdrijven hun
vaderland hebben verlaten ;
c.     Zwitsers, die den leeftijd van 21 jaar nog niet hebben be-
reikt, en bovendien Franxchen^ Walen, Tjngvlschen, Amerikanen
en Maliomedanen, tenzij zij reeds vroeger in kolonialen militairen
dienst geweest zijn ;
d.     andere vreemdelingen, die niet de Nederlandsche ofDuit.-
sche taal goed kunnen verstaan. («. v., \\ 3).
§ 342. De aanneming geschiedt als soldaat voor liet wapen
der Infanterie. Zij echter, die bij de Cavalerie, Artillerie of
Genie hebben gediend, kunnen, behoudens andere bepalingen,
bij bestaande behoefte, na hunne aanneming, door den com-
raandeerenden officier van het Koloniaal-Werfdepot worden
bestemd voor het wapen, waartoe zij behoord hebben, (a. v.,
art.
11, § 1).
§ 343. Ingeschrevenen voor de militie en daarbij ingelijfden
worden in verband met art. 9 der Militiewet, slechts tot eene
verbintenis voor zes jaren toegelaten.
Ook vreemdelingen en Nederlanders, die, krachtens art. 10
der Wet van 28 Juli 1850 (SlaatsMud n°. 44), den staat van
Nederlander hebben verloren, zullen slechts een engagement voor
zes jaren mogen aangaan.
Andere vrijwilligers worden, behoudens het bepaalde bij de
volgende § en hij liet onderdeel D van dit hoofdstuk voor vier
of voor zes jaren aangenomen, (a. o., \\ 2).
-ocr page 153-
XV. Koloniale dienst,                             139
§ 344. Verbintenissen voor den dienst bij de Landmacht in
IFest-Indië moeten voor den tijd van ses jaren worden aangc-
gaan. (as. »., § 4).
§ 345. Het maximum der premién, voor de engagementen
vastgesteld, kan, maar behoeft niet, aan eiken vrijwilliger te
worden toegekend, (a v., art. 12, § 1).
§ 346- Ten aanzien van de preiniën worden met Ntder-
landers
gelijkgesteld de vreemdelingen of de den staat van
Nederlander verloren hebbende personen, die reeds in kolonialen
militairen dienst zijn geweest en dien dienst op eervolle wijze
hebben verlaten, (a. i>., § 2).
§ 347. Gewezen militairen der Landmacht in Ooü- en Weat~
Indië,
in het genot van voortdurend gagement wegens volbrach-
ten dienst volgens de thans bestaande bepalingen, genieten bij
hun weder indiensttreden geen engagement-premie, (a. •«., § 3,
en K. B. 24 Aug. 1883, n°. 17, B. U. 811).
§ 348. De engagement-premie en het aanbrenggeld worden,
behoudens het bepaalde bij de volgende zinsnede, zonder eenige
inhouding, doch eerst dan uitbetaald, wanneer de verbintenis
door den commandeerenden officier van het Koloniaal-Werfdepot
is bekrachtigd en den vrijwilliger de krijgsartikelen zijn voorgelezen.
Aan vrijwilligers, herkomstig uit de Rijksgestichten te Ommer-
achans
en te Veenhuizen, kan \\- van de engagement-premie, die
hun is toegekend, worden uitbetaald, terwijl van. het overblij-
vende datgene wordt gekort, wat zij, na hunne vrijwillige ver-
bintenis, aan het gesticht, dat zij verlaten hebben, nog schuldig
zijn. (Foorsc/tr. a. »., art. 13, § 1).
§ 349- Het aanbrenggeld bedraagt, behoudens hot hierachter
bepaalde, f 10.— voor iederen vrijwilliger.
De uitbetaling daarvan geschiedt door de zorg van het Kolo-
niaal-Werfdepot, zoo mogelijk ter plaatse, waar de aanbrenger
dit verlangt, doch niet eer dan nadat de vrijwilliger te Harder-
wijk
definitief aangenomen is. («. »., 5 2).
§ 350. Het aanbrenggeld wordt niet toegekend voor : (20)
(20) Tot nader order wordt geen aanbrengpremie uitbetaald wegens het
aanbrengen van vreemdelingen, die zieh voor den kolonialen militairen dienst
verbinden. (M. /{. 1 Fei. 1882, «». 15, B. 11. (586).
Het toekennen van aanbrenggeld ter zake van bet indiensltreden van
militairen komt overigens niet te pas, wanneer zij zich zonder iemands tus-
-ocr page 154-
XV. Koloniale dienst.
140
a.    Vrijwilligers die te llardemijk zich aanbieden en inwoners
zijn van die plaats en onderhoorigheden ;
b.     te Harder/rijk gepasporteerde militairen van de koloniale
troepen, tenzij sedert hunne pasporteering meer dan één
jaar vcrloopen is, of wel dat zij vreemdelingen zijn, die
na hunne pasporteering naar hun vaderland zijn terugge-
keerd en later van daar, door andere personen, op risico
en kosten dezer laatsten, herwaarts zijn geleid ;
e. vreemdelingen of Nederlanders, die geheel afzonderlijk of
door vader, broeder of een ander lid der familie geleid
naar ILardertcijk komen, met het bepaalde doel, zich aldaar
in kolonialen militairen dienst te begeven ;
d.    vrijwilligers, herkomstig uil de Bijksgestichten te Ommer-
schans
en te Veenhuizen;
e.    gewezen gegradueerden, die zich opnieuw verbinden. («.»., § 3).
§ 351- De plaatselijke en garnizoenscommandanten kunnen
aan Nederlandera of in dit hoofdstuk met hen gelijkgestelden,
die zij zonder eene bijzondere machtiging van den Minister van
Oorlog voorloopig hebben aangenomen, en die niet uit de Rijks-
gestichten te Ommerscnans en te Veenhuizen herkomstig zijn, een
voorschot op de eventueel bedongen engagement-premie doen
uitbetalen, voor rekening van het Koloniaal"VVerfdepot.
schenkomst bij de bevoegde autoriteit aanmelden om dienst te nemen, uoch
ook wanneer zij, of wel anderen voor ben, zich tot het Departement van
Oorlog hebben gewend, om, met afwijking van de eene of andere bepaling
van de voorschriften op de werving, tot den kolonialen dienst te worden
toegelateu. (.V. A. 24 Jan. 1867, »°. 28 1).
Met afwijking van het vastgestelde in de M. A. vau 24 Jan. 1867,
n°, 28 I, is bepaald, dat het aaubrenggeld zal worden toegekend voor de hier-
onder genoemde categorieën van personen, voor zoover die, na zich bij het
Koloniaal-Werfdepot of bij een der plaatselijke of garnizoenscommandanten
ter dienstneming voor het Leger in Oost-Indië, of voor de Landmacht iu
West-ludië te hebben aangemeld, met machtiging van genoemd Departement
voor dien dienst worden aangenomen; als: a. voor hen, die niet den ver-
eischten leeftijd bezitten, of wel den vastgestelden leeftijd hebben overschre-
den; b. voor hen, die de vereischte lengtemaat missen; o. voor gehuwden
(weduwnaars met kind of kindereu hieronder begrepen); d voor hen, die
wegens lichaamsgebreken uit den dienst zijn ontslagen. (M. ••»\'. 4 Ocl. 1886,
V 40 Kali.); e. voor ben die alleen wegens lichte lichaamsgebreken voor
den kolonialen militairen dienst ongeschikt zijn. (M. A. 10 Arno, 1888, »°. SI).
-ocr page 155-
XV. Koloniale dienst.                             141
Dat voorschot raag in geen geval voor ecnig vrijwilliger meer
dan twintig gulden bedragen en zal niet worden uitbetaald dan
nadat den vrijwilliger de krijgsartikelen zijn voorgelezen, (a.
o., § 4).
§ 352. In den regel zal de vrijwilliger, die niet de ver-
eischte bescheiden kan overleggen, voor den dienst worden
afgewezen.
In bijzondere gevallen kan hem echter, bij het ontbreken van
een enkel bewijsstuk en in afwachting dat dit wordt ontvangen,
hoogstens gedurende acht dagen, ter voorziening in zijn levens-
onderhoud, een daggeld van f 0.80 worden uitbetaald, ter plaatse,
waar hij zich aangeboden heeft.
Is, ter bekoming van het ontbrekende stuk, de tusschenkomst
noodig van eenig ander Departement van Algemeen Bestuur dan
het Departement van Oorlog, dan kan de termijn van acid dagen
worden verlengd tot hoogstens veertien dagen.
Voor die verlenging wordt de toestemming van den Minister
van Oorlog gevorderd. («. v., art. 14, § 1).
§ 353. Extracten-strafregister van gewezen mariniers kunnen
door de militaire autoriteiten rechtstreeks aan de betrokken com-
mandanten der bataljons van het Korps Mariniers worden aan-
gevraagd. (a. »., § 2).
De Directeuren en Commandanten der Marine zijn uitgenoodigd,
de door plaatselijke en garnizoenscommandanten aan hen ge-
vraagd wordende extracten uit de conduiteboekjes van gewezen
schepelingen rechtstreeks aan die autoriteiten te doen toekomen.
(M. K. 22 Dec. 1885, n°. 6, B. U. 902).
§ 354. Ten aanzien van vrijwillig dienende militairen van
het leger hier te lande, en ten opzichte van ingelijfden bij de
militie, niet met onbepaald verlof van het korps afwezig, bc-
staan, voor wat den overgang bij de Koloniale troepen betreft,
bijzondere bepalingen. {Voorschr. a. v., art. 15).
Voor het aangaan van eene verbintenis op proef door bepaald
aangegeven categorieën van recruten zijn voorschriften gegeven
bij M. A. 25 Maart 1887, Kab. Cw.
-ocr page 156-
XV. Koloniale dienst.
142
I\'. i)c verbiuteui» voor de betrekking van soldaat-schrijver. (Cl).
§ 355- Als soldaat-schrijver bij de militaire administratie van
het Leger in Ned. Indië worden aangenomen ongehuwden, niet
ouder. dan vijf en dertig jaren, die voldoen aan een door den
Minister van Koloniën te regelen examen, phvsiek geschikt be-
vondei: worden voor den dienst bij het voormelde Leger, en de
stukken overleggen, vereiseht tot het aangaan eener militaire
verbintenis als soldaat bij dat Leger. (22) [foortehr. K. H. 9
Sept. 1886, u°. 25, art. 1, B. U. 929].
§ 356. Het examen voor soldaten-schrijver, bestemd voor
deu dienst der militaire administratie bij het Leger in Neder-
landsc\'i-lndiii
wordt op den eerden en derden Woensdag van elke
maand gehouden aan het Departement van Koloniën.
Tot dat examen worden toegelaten allen, die zich daartoe bij
het Departement van Koloniën aanmelden, onder overlegging
eener daartoe betrekkelijke schriftelijke verklaring van den plaat-
selijke commandant te \'s Graoenhage. (J/. 13. 28 Sept. 1886,
u°. 52, art. 1, B. U. 929).
§ 357. Het examen omvat: a. het schrijven van eene vaar-
dige en duidelijk leesbare hand; b. het maken van een opstel
over een eenvoudig onderwerp iii de Nederlandsche taal, zonder
zinstorende taal- en stijltbuten; c. het vlug en zonder grove
zinstorende fouten schrijven onder eenvoudig Hollandsen dictee;
d. het vlug en verstaanbaar lezen van gedrukt en geschreven
schrift; e. de vaardige toepassing van de vier hoofdregels der
rekenkunde, met gebruik van tiendeelige breuken, («. v., art. 2).
1,21) Du chefs dei\' kurken en inrichtingen van do Landmacht zijn uitge-
noodigd, de hierna volgende bepalingen betrekkelijk de verbintenis van soldaat-
schrijver den eersten Maandag of den eersten Zaterdag van elk kwartaal aan
hunne onderboorigeu beneden den rang van officier te doen voorlezen. (.tl.
«. 28 Se/d. 1886, u°. 52, B. U. \'J2<J).
(22) De artt. 1, 2, 3, i en 8 van het K. 15. dd. 9 Nov. 1879, n°. 27,
zijn van toepassing on de actief dienende militairen beneden den rang van
officier van de Landmacht in Nederland, die zich (met machtiging of op
last van den Minister van Oorlog) naar \'s Gravenhage begeven tot het afleggen
van het in deze § genoemd examen voor soldaat schrijver bij de militaire
administratie van het Leger in Nederlandsch-Indië. (AT. H. 6 Juni 1884,
»". 81, B. V. 801).
-ocr page 157-
XV. Koloniale dienst.                             142
§ 358- De commissie van examen, bestaande uit twee of
meer door den Minister van Koloniën aan te wijzen officieren of
gepeusionueerde officieren van de militaire administratie hij bet
Leger in Nederlaitdxcll-lndië, brengt binnen 24 uur na den afloop
van bet examen, aan dien Minister schriftelijk rapport uit nopens
hare bevinding en geelt daarbij omtrent, eiken candiduat bepaal*
(lelijk aan, of zij hem al dan niet geschikt acht om als soldaat-
schrijver te worden aangenomen. («. v., art. \'S).
5 359. De candidaten, die ter aanneming geschikt geacht
worden, melden zich opnieuw aan bij den plaatselijken commandant
te \'s Gravenhage, voorzien van de hun door deze autoriteit, over-
eenkomstig § <35fi afgegeven verklaring, die — ten blijke hunner
geschiktheid —• namens den Minister van Koloniën wordt aange-
vulcl met de woorden : //heeft aan het examen voldaan". Zij wor-
den, door de zorg van den plaatselijken commandant gedirigeerd
op het Koloniaal-Werfdepot te Harderwijk, (a. v., art. 4).
§ 360. Hij, die als soldaat-schrijver wordt aangenomen, gaat
eene militaire dienstverbintenis aan voor den tijd van zes jaar
onder genot van handgeld ten bedrage van /\' 200 {tweehonderd
gulden)
en overigens op den gebruikelijken voet. (FoorscAr.
a. v., art.
2).
§ 361 - Nadat bij aan de zesjarige dienstverbintenis ten volle
voldaan heeft, wordt hem — behoudens het bepaalde bij § 362 —
eene gratificatie uitgekeerd, ten bedrage van ƒ 50 (vijftig gulden)
voor elk buiten Nederland in die verbintenis doorgebracht effec-
tief dienstjaar; daarbij wordt echter niet in rekening gebracht
de diensttijd, die ingevolge art. 8 van het Reglement, vastge-
steld bij K. B. van 24 Aug. 1875, n°. 42 (hid. StM. 1876,
n". 44) bij de toekenning van gagement niet in rekening zou
kunnen worden gebracht.
De gratificatie valt mede ten deel over den reeds volbrachten
diensttijd aan hem, die vóór het einde der zesjarige dienstver*
biuteuis de gelederen verlaat, in het genot tredende van tijdelijk
of van voortdurend gagement. Bij toepassing van deze alinea geldt
voor de berekening van den diensttijd de regel, dat een over-
schietend gedeelte van een jaar voor een geheel jaar telt als het
zes maanden of meer bedraagt, doch overigens verwaarloosd wordt.
(a. v., art. 3).
§ 362. De gratificatie wordt niet toegekend aan hem, die
-ocr page 158-
144
XV. Koloniale dienst.
den dienst op niet-eervolle wijze verlaat, d. i. ingevolge rech-
terlijk vonnis of wel met een zoogenaamd paspoort Litt. B.
(a. v., art. 4).
§ 363. De Gouverneur-Generaal is bevoegd om, bijaldien
bijzondere omstandigheden dit raadzaam doen achten, den mi-
litairen schrijver, hoewel hij niet geheel voldaan heeft aan
de zesjarige dienstverbintenis, in het bezit te stellen van de
gratificatie berekend overeenkomstig het slot van § 3G1. (a. ».,
art. 5).
§ 364. Komt de militaire schrijver vóór het volbrengen van
de zesjarige dienstverbintenis te overlijden, dan komt aan zijnen
boedel toe het bedrag der gratificatie, mede berekend overeen-
komstig het slot van § 361. (a. v., art. 6).
C. Be verbintenis voor den dienst der Genie.
§ 365. Ter opleiding voor den dienst der Genie worden jaar-
lijks aangenomen eenige krachtig gebouwde jongelingen, die den
vollen ouderdom van 16 jaren hebben bereikt, het 19de levens-
jaar nog niet zijn ingetreden, behoorlijk kunnen lezen en schrijven,
bedreven zijn in de toepassing van de vier hoofdregels der reken-
kunde op geheele getallen, en overigens voldoen aan de eischen
voor eene toelating tot een engagement als soldaat der Infanterie
bij het Leger in Nederlandsch-Indië.
In verband met de werving dezer jongelingen, worden door den Minister van
Koloniën, in de maanden Januari en Februari de noodige oproepingen ge-
daan, met vermelding van het aantal beschikbare plaatsen en met nitnoodiging
aan de sollicitanten om zich tnsschen 1 en 20 Maart d a. v. aan te melden
bij een der plaatselijke of garnizoenscommandanten of bij den commandant
van bet Korps Genietroepen.
De jongelingen, die onder overlegging van voldoende papieren, aan bc-
doelde uitnoodigiug gevolg geven en daarna, bij geneeskundig onderzoek, phy-
siek geschikt bevonden worden, zullen worden toegelaten tot het afleggen van
een mondeling en schriftelijk examen ten overstaan van een\' door de betrok-
ken commandant aan te wijzen officier, welk examen strekken moet ter be-
oordeeling, wie van de jongelingen voldoen aan de eischen van schoolkennis,
hiervoren in deze § vermeld.
De overgelegde bescheiden worden, met het door de jongelingen bij het
examen verrichte werk, zoo spoedig mogelijk door de plaatselijke en garni-
Koenscnmmandantcn gezonden aan den conimandcerendcn officier van liet
Korps Genietroepen, die omtrent de eigenlijke aanneming beslist en, zoo
-ocr page 159-
XV. Koloniale dienst.
145
noodig, de adspiranten op een der laatste dagen van Maart naar de stand-
plaats van den staf van het korps ontbiedt tot het afleggen van een ver-
gelijkend examen ten overstaan vau den directeur der school van het korps
en van een der luitenants-oiulerwijzers dier school.
Kan op vourschreveu wijze hut gevorderd aantal adspiranten worden ver-
kregcu, dan zal voortaan jaarlijks op gelijke wijze worden gehandeld, (il/. B.
7 Stpt. 1875, «°. -2oP, H. V. 453, 26 t\'eb. 1879, «°. 57, B. V. 524,
M. A. 27 Nov. 1879, »•. 29 en H. .1. 30 Oct. 1880, »•. 29, IS. V. 590).
\\ 366- De verbintenis moet worden aangegaan voor den tijd
van tien jaren, waarvan drie jaren te dienen in Nederland en
zeven in Xedvrlandscli-lndië. (a. v.).
jj 367- De opleiding heeft plaats bij het Korps Genietroepen.
De voorloopige verbintenis moet door den ohef van dat korps
worden bekrachtigd, (a. ».).
§ 368. De aangenomene ontvangt bij zijn indiensttreden eene
gratificatie van 50 gulden, en wordt verder, gedurende zijn
verblijf bij gemeld korps, wat kleeding, uitrusting en soldij be-
treft, gelijkgesteld aan de overige bij dat korps dienende jongelingen.
Hem worden, bij bevordering, uitsluitend titulaire graden ver-
leend; doch als sergeant-titulair wordt hem, hoven, zijne soldij,
de inleg in de menage der onderofficieren vergoed.
§ 369. Zoodra hij, ter uitzending naar Nederlandsch-lndië, bij
het Koloniaal-VVerfdepot aankomt, wordt hem eene gratificatie
van 300 gulden uitgekeerd.
Gelijktijdig wordt hij dan definitief aangesteld bij het kader
der Genietroepen in den graad, waarvoor hij geschikt is bevon-
den. (a. v.).
§ 370. Zijn dienstverband wordt, bij inscheping naar Neder-
landsch-lndië, verminderd
met een jaar, wanneer hij als korporaal,
en met twee jaren, indien hij als sergeant vertrekt, (a. »,).
D. De verbintenis ah onderofficier, onderofficier-schrijver of
~hoartiermeeder.
§ 371. Aan iederen gewezen onderofficier vau het Leger hier
te lande, het Korps Mariniers of de Landmacht in Oost- of
Wed-Indïi, die in den graad, laatstelijk door hem werkelijk be-
kleed, met eene verbintenis voor den tijd van drie jaren voor den
militairen dienst in Nederlaudsc/i-Indië wordt aangenomen, kan
— behoudens het bepaalde bij art. 19 van het Reglement op het
10
-ocr page 160-
1 40                             XV. Koloniale dienst.
toekennen van gagcment aan de Kuropeeschc militairen beneden
den rang van officier van de Landmacht in Nederlandsck-lndiè en
aan de met iicn gelijkgestelde miltaire personen — een liandgeld
worden toegekend ten bedrage van drie //ouden! gulden, (f 300).
(A\'. 11. 10 Sept. 18 75, n". 86, 71. U. 454 en M. 5. 20 Dec.
1875, »°. 32/J, B. ^. 458).
§ 372. leder gewezen onderofficier kan op den voet, in de
voorgaande § omschreven, tot eene koloniale militaire verbintenis
worden toegelaten, wanneer hij: 1°. niet ouder is dan 44 jaren ;
2°. de gelederen laatstelijk, en niet langer dan zes jaren geleden,
in den graad van onderofficier (echter niet als vuurwerker, ge-
weermaker en dergelijken) met pensioen, gagement, of certificaat
van goed geding verlaten heeft; en 3°. voldoet aan de overige
voor de toelating tot den kolonialen dienst gestelde eischen.
(M. B. 18 Sept. 1875, »•. 56P, B. U. 454).
§ 373. Gewezen onderofficieren-schrijver of -kwarticrmeester
kunnen, ongeacht hunnen leeftijd en behoudens het bepaalde bij
art. 1 0 van het gagements-reglcnient, vastgesteld bij Zr. Ms.
besluit dd. 24 Augustus 1875, n°. 42, in Nederland tot eene
koloniale verbintenis op den voet, als in § 371 omschreven,
worden toegelaten in den graad en de betrekking, welke zij als
zoodanig laatstelijk hebben bekleed, wanneer zij: 1°. eene goede
gezondheid genieten en lichamelijk geschikt zijn om in dezelfde
betrekking bij gemeld leger te dienen; 2°. de bewijsstukken
hebben overgelegd, voor de koloniale verbintenissen gevorderd.
(M. B. 3 Juni 1870, «°. 02, B. U. 528).
K. Buitengewoon gunstige bepalingen, vastgesteld voor den
dienst bij het Leger in Nederlandsch-Indië.
§ 374 Het aannemen van liandgeld, premie of gratificatie
staat de bevordering van den vrijwilliger bij het. Indische leger
niet in den weg. (M. A. 6 Jan. 1860, n". 51 li, 23 Jan. 1881,
u\\, 12B, en B. Gouv. Gen. van N. I. dd. 5 Juni 1877,»". 87).
§ 375. Voor bevordering komen in aanmerking zij, die, bij
goed gedrag, de vereischte geschiktheid voor den naasten hoogeren
graad bezitten.
5 376- De militaire schrijvers moeten van die geschiktheid
bij examen doeu blijken.
-ocr page 161-
XV. Koloniale dienst
147
De soldaat-schrijver kan achtereenvolgens bevorderd worden tot
korporaal-schrijver, sergeant-schrijver, sergeant-majoor-schrijver,
adjudant-onderofficier-schrijver der 2d0 klasse en adjudant-onder-
officicr-schrijver der l"e klasse.
In laatsbedoelden graad geniet hij een traktement van 125
gulden per maand, benevens vivres of vergoeding deswege ad
f\' 0.40 daags.
§ 377. Aan reëngagementen zijn in IndiS hooge premiën
verbonden.
§ 378. Het gagement (pensioen) bedraagt per jaar:
minstens        hoogstens
voor een\' adjudant-onderofficier f 320 f 480
„ „ sergeant-majoor
              // 290 ;, 450
« n sergeant                         » 260 „ 420
„ „ korporaal                       „220 „38 0
„ „ soldaat                          „200 „320
{K. B. 24 Auff. 18 75, n\\ 42, B. U. 458).
§ 379. De aanspraak op het minimum-gngement wordt ver-
kregen na twaalf, en die op het maximum na twintig Tndische
dienstjaren.
Voor elk jaar dienst in Indië boven de twaalf klimt alzoo
het minimum-gs.geme.nt met 20 gulden \'s jaars tot dat het
maximum van het gagement bereikt is.
Bij de berekening van het gagement gelden ook dienstjaren,
die gevolgd zijn door eene interruptie van dienst.
Zij gelden ten volle, indien de interruptie minder dan een ge-
heel
jaar duurde. Bij interruptie van langer dan een jaar wor-
den de dienstjaren voor de helft in rekening gebracht.
Voor de helft komen ook in rekening geldende dienstjaren bij
het Leger hier te lande of dienstjaren bij de Zeemacht, niet met
Indische dienstjaren gelijk te stellen. («. v.).
Voorts wordt het gagement toegekend wegens verwonding,
verminking, ziels- of lichaamsgebreken, niet het gevolg van eigen
moedwillige handelingen of van ongeregeld gedrag, mits de be-
trokken militair voor de verdere waarneming van den militairen
dienst ongeschikt zij.
Voortdurend gagement wordt alsdan verleend bij voortdurende
ongeschiktheid voor den militairen dienst, tijdelijk gagement in
alk andere gevallen. (a, v.).
-ocr page 162-
148                             XV. Koloniale dienst.
Het tijdelijk gagement vervalt met ultimo December van het
jaar, volgende op dat der toekenning; het wordt echter opnieuw
voor één jaar verleend, indien — ten hoogste drie maanden
voor den vervaldag of binnen drie maanden daarna — blijkt,
bij een geneeskundig onderzoek in Nederland, ten genoege van
den Minister van Koloniën, in Nederlandsch-Iudië ten genoege
van den Gouverneur-Generaal dier gewesten, dat de belangheb-
bende nog ongeschikt is voor de waarneming van den militairen
dienst; het kan in geen geval langer genoteu worden dan gedu-
rende vier jaren. (K. B. 23 Maart 1882, w°. 7, B. U. 600).
§ 380. Ongeschiktheid, ontstaan in en door den dienst, of
wel ontstaan na acid geldende Indische dienstjaren, geeft aan-
spraak op het Minimum van het gagement, tenzij de belangheb-
benden, wegens meer dan 12 dienstjaren, op hooger gagement
aanspraak hebben.
Is de ongeschiktheid niet in en door den dienst ontstaan, en
telt de belanghebbende daarbij geen acht geldende dienstjaren,
dan wordt het gagement tot de helft van het minimum bedrag
toegekend.
Het gagement wordt bij verwonding, verminking, ziels- of
lichaamsgebreken (niet ontstaan door eigen schuld), in de na-
volgende gevallen aanmerkelijk verhoogd, en wel:
met \\, wanneer de belanghebbende een der ledematen of wel
het noodzakelijk gebruik daarvan mist, of volkomen blind is
aan cdu oog;
met k, bij verlies of gemis van het noodzakelijk gebruik van
twee of meer ledematen, of bij volkomen blindheid op beide oogen.
Gaat het volkomen onherstelbaar verlies van het gezichtsver-
mogen gepaard met het verlies of gemis van het noodzakelijk
gebruik van een of meer ledematen, dan wordt de verhooging
van het gagement toegekend, zoowel ter zake van het een, als
van het ander.
De militair kan dus, b. v. wanneer hij aan blindheid, het
verlies of gemis van het gebruik van twee ledematen paart, het
dubbele van het gagement bekomen waarop hij anders aanspraak
zou hebben. (A\'. B. 24 Jut/. 1875, »". 42, B. V. 458).
§ 381. De bepalingen in de §§ 378—380 vermeld, gelden
echter niet voor militairen, bestemd om naar Nederlanduch-Iudi\'è
te worden uitgezonden en als zoodanig in de sterkte van het
-ocr page 163-
X.V. Koloniale diend.
149
KoloniaaUWerfdepot gevoerd. Deze militairen worden ingeval van
ongeschiktheid voor den militairen dienst gepensionneerd volgens
de bepalingen, vastgesteld voor militairen van het leger hier te
lande. (K. ~B. 1 Dee. 187!), n\\ 36, B. V. 547).
Bovendien hebben gegageerde militairen van het Indische leger
aanspraak op plaatsing in het Koninklijk Koloniaal Militair ln-
validenhnU te Bronbeek, /raar :ij, gelijk algemeen bekend is, op
uitstekende wijze worden verzorgd. (K. B.
31 Oct. 1862, n°. 86).
P. Detacheering van onderofficieren bij het Leger in
Nederlandsch-Indië.
§ 382. Onderofficieren van het Leger hier te lande, op wie
het K. B. van 20 Juli 1873, St.bl. n°. 119 (de § 984) niet
toepasselijk i?, kunnen met hunne toestemming — en, zoo zij
minderjarig ziju, met toestemming van hunne ouders of voogden —
door den Minister van Oorlog voor den tijd van vier jaren,
de heen- en terugreis daaronder begrepen, worden gedetacheerd
bij het Leger in NederlandscJi-lndië. De aldus gedetacheerde
onderofficieren kunnen eene gratificatie genieten van f200. (K.
B. 22 April 1887, n\\ 33, B. U. 959.)
Voor de bedoelde detacheering komen alleen in aanmerking
onderofficieren, die als vrijwilliger nog minstens een jaar te
dienen hebben. (.17. B. 17 Mei 1887, n\\ 25, B. U. 959).
§ 383. De onderofficieren, die in voege voorschreven bij het
Indische leger worden gedetacheerd, zijn bestemd om het diend-
doend
kader bij dat Leger te versterken. Op dien grond kunnen
zij gedurende den tijd hunner detacheering niet tot de lessen
van den voorbereidenden cursus of van de Militaire School te
Meester-Cornelis worden toegelaten, en kan hun derhalve alleen
dim worden toegestaan in Indië het examen voor den rang van
tweede-luitenant af te leggen, indien zij zich voor bedoeld examen
bekwamen, zonder aldaar de lessen van eenigen cursus bij te
wonen. (M. A. 20 Jidi 1888, n\\ 71).
-ocr page 164-
HOOFDSTUK XVI.
Voorloopige regeling betreffende de oprichting en bet
beheer der Koloniale Reserve.
A. Vorming en samenstelling van de Koloniale Re-serve, benevens
algemeene diens, (regeling.
§ 384. De Kulouialo Reserve, ofschoon deel uitmakende van
het leger in Nederlandsch-Indië, staat, behoudens hare in deze
regeling omschreven aanrakingen inet het Departement van K0I0-
üiën, rechtstreeks onder de bevelen van den Minister van Oorlog.
{K. B.1A Aug. 1890, //". 1 8, Voorl. Regeling; art. 1, § 1, B. U. 1124).
§ 385. /\'\'ij wordt gevestigd te Nijmegen en te Zutphen en
samengesteld uit een staf en vijf compagnieën, waaronder ten
minste ééne reconvalescenten-compagnie, een en ander geleidelijk
op te richten.
Het korps behoort tot het wapen der Infanterie, tenzij het
nader mag blijken mogelijk te zijn daarbij ook artilleristen in te
deelen en te oefenen, in welk geval ééne der compagnieën tot dit
doeleinde kan worden bestemd, (a. v., § 2).
§ 386. Bij den staf kunnen worden ingedeeld :
1 luitenant-kolonel of majoor, commandant van het korps;
1 kapitein- of luitenant-adjudant; 1 officier van gezondheid der
l"e of 2d° klasse; 1 kapitein- of luitenant-kwartiermeester; 1 ad-
judant-ouderomcier; een sergeant-majoor- of sergeant-gymnastiek-
en schermmeester; 1 korporaal-tamboer; 1 kleermaker en 1
schoenmaker, beiden geassimileerd met den graad van korporaal;
l mr. geweermaker en 2 schrijvers. («. ?>., § 3 en K. B. 21 Juli
189 2, u\\ 2fi, 11. M. 445).
-ocr page 165-
XVI. Koloniale ttewrte.
161
§ 387. Bij eene reconvnlescenteu-corupiignie kunnen worden
ingedeeld:
1 kapitein; 1 ofrficier van gezondheid 1"° of 2\'1\' klasse en 3
luitenants;
en voorts : a. vast personeel : 1 adjudant-onderofHcier-kwar-
tierrneester; 1 militair-apothekersbediende; 1 sergeant-majoor;
1 fourier; 4 sergeanten; G korporaals; 2 tamboers en 20
soldaten ;
h. • reconvalescenten : 25 onderofficieren (adjudai)tcn-onderofti-
cier, sergeanten-majoor, sergeanten of fouriers), 20 korporaals
en 152 soldaten, tamboers en hoornblazers. (a. o., § 4).
§ 388\' Bij elk der overige compagnieën kunnen worden inge-
deeld : l kapitein ; 4 luitenants; 1 sergeant-majoor; 1 fourier;
10 sergeanten; 16 korporaals; 212 soldaten; 2 tamboers of
hoornblazers. (a. v., § 5).
§ 389. Bij de Koloniale Keserve kunnen worden ingedeeld
de volgende categorieën van officieren :
a. officieren, behoorende tot de troepen in Ood- of ll\'est-
Itidië
die in Nederland vertoeven, met verlof, of wel in
afwachting van hun vertrek naar de koloniën ;
Ij. officieren van liet leger hier te lande, geschikt en genegen
om gedetacheerd te worden bij de troepen in Ood- of
Wed-lndiè;
c.
gepensionneerde officieren van liet leger in Nederlandsch-
Indii
door den Koning voor een\' bepaalden tijd van ten
hoogste vijf jaar in activiteit hersteld.
De sub c genoemde officieren worden in den regel alleen bij
eene reconvalescenten-compagnie geplaatst, (re. v., § 6).
§390. Behoudens het bepaalde bij de §§ 391 en 412,
kunnen bij de Koloniale Reserve worden opgenomen :
a. bij de reconvalescenten-compagnieën ;
1°. als reconvalescenten, ongehuwde (bij uitzondering met
speciale machtiging van den Minister van Oorlog — na
overleg met den Minister van Koloniën — ook gehuwden)
gewezen militairen, gediend hebbende bij de troepen in
Oost- of Wcü-Indïè die wegens ziekte van daar zijn terug-
gekeerd naar Nederland en omtrent wie de uitslag van een
militair geneeskundig onderzoek doet verwachten, dat zij
bij eene reconvalescenten-compagnie verpleegd, binnen twee
-ocr page 166-
152                          XVI. Koloniale Reserve.
jaar tic geschiktheid voor don actieven militairen dienst
zullen herwinnen ;
2°. als va9t personeel, zouveel mogelijk gepensionneerde of
gegageerde militairen (ook niet-Nederlandcrs) van het
Leger hier te Lande of wel gediend hebbende bij de
troepen in Oost- of JVest-Indië, van wie de commandant
van het korps, na kennisneming van den uitslag van een
militair geneeskundig onderzoek nog goede diensten ver-
wacht gedurende een door hem te bepalen tijdsverloop
overeenkomstig hetwelk de duur der verbintenis wordt
bepaald, tot een maximum van zes jaar;
b. bij de validen-compagnieën :
Nederlanders, die bij een militair geneeskundig onderzoek
geschikt bevonden zijn voor den actieven militairen dienst;
Niet-Nederlandere, kunnen, — doch alleen nadat in elk
speciaal geval daartoe eene bijzondere machtiging is verleend
door den Minister van Oorlog — ook bij de validen-compag-
nieën worden ingedeeld, voor zooveel zij zijn ingezetene
van of zoon van een ingezetene van het Rijk of van zijne
koloniën en bezittingen in andere wcrelddeelen. [a. v., § 7
en K. B. 21 Juli 1892, n\\ 26, R. M. 445).
De gebreken vermeld onder de nummers 7 en 27 van
kolom A. van het reglement onder A vastgesteld bij K.
B. van 2 Nov. 1883, St. bl. n°. 151, sluiten de geschikt-
lieid voor den dienst bij de Koloniale Reserve niet uit.
(A\'. IS. 11 Maart 1891, St. ld. u°. 73, B. U. 1164).
§ 391. Ongerekeud \' de reconvalescenten wordt niemand be-
neden den rang van officier, in de Koloniale Reserve opgenomen,
dan nadat hij zich schriftelijk heeft verbonden om den Staat der
Nederlanden gedurende ten minste zes achtereenvolgende jaren
als militair zoowel in — als buiten Europa te dienen.
Voor de werving tot aanvulling van de Koloniale Reserve
gelden overigens, voor zooveel deze voorloopige regeling" niet
anders bepaalt, de voorschriften, die van kracht zijn of zullen
zijn voor de werving bij liet leger hier te lande. (a. v., § 8).
§ 392. Bij het aangaan der verbintenis in § 391 bedoeld,
wordt den geworvene eene premie toegelegd van ten hoogste
drie honderd gulden, waarvan hem echter niet meer dan vijftig
gulden
wordt uitgekeerd, terwijl het overige, overeenkomstig
-ocr page 167-
XVI. Koloniale He$efte,                           153
regelen daarvoor v;ist te stellen bij gemeenschappelijke beschik\'
king van de Ministers van Koloniën eu van Oorlog, wordt be-
heerd, na ten name van den eigenaar te zijn ingelegd in
\'s Rijkspostspaarbank, onder zoodanig verband als de genoemde
Ministers zullen bepalen, (a. v,, § 9).
§ 393. Het aaubrenggeld bedraagt ten hoogste tien gulden
per hoofd, docli wordt niet toegekend voor reconvalescenten,
noch ook voor het vaste personeel bij de reoonvalescenten.com-
pagnieën. (a. v., § 10).
§ 394- De commandant der Koloniale Reserve wordt door
den Koning benoemd op de gemeenschappelijke voordracht van
de Ministers van Koloniën en van Oorlog.
De overige officieren worden aangewezen bij eene gemeenschap-
pelijke beschikking van de genoemde Ministers. («. v., § 11).
§ 395. De ofïieieren vau het leger hier te lande, die bij de
Koloniale Reserve worden ingedeeld, worden boven de formatie
van het genoemde leger gevoerd en kunnen door den Koning,
op gemeenschappelijke voordracht van de Ministers van Koloniën
en van Oorlog, worden gedetacheerd voor den tijd van ten
hoogste vijf jaar bij de troepen in OoH- of West-Indiê, zijnde
in het genoemde tijdsverloop de tijd begrepen voor de reis heen
en terug. (a. v., § 12).
§ 396. Geen officier of minder militair van de Koloniale
Reserve wordt aangewezen tot vertrek naar Onst- of Wett-lndië,
dan nadat bij een militair geneeskundig onderzoek is gebleken,
dat hij op het oogeublik dier aanwijzing physiek geschikt is voor
den actieven militairen dienst aldaar.
De militair beneden den rang van officier, aldus uitgezonden,
kan in de koloniën niet anders dan na eene speciale machtiging
vau den Minister van Koloniën den dienst verlaten.
Hij kan zich daar te lande zonder zoodanige machtiging wel
reëngageeren, maar alleen om te dienen zoowel in als buiten
Europa en met dien verstande, dat hij in geen geval langer dan
zes jaar onafgebroken in de kolonie verblijve; naar Nederland
terugkeerende wordt hij weder opgenomen in de Koloniale Reserve,
een en ander overeenkomstig regelen, nader door den Minister vau
Koloniën en van Oorlog bij gemeenschappelijke beschikking vast
te stellen. («. »., § 13).
| 397. De Koloniale Reserve is, zoolang dienaangaande bij
-ocr page 168-
154                          XVI. Koloniale Henene.
gemeenschappelijke beschikking van de Ministers van Oorlog eil
van Koloniën niet anders is bepaald, vrijgesteld van liet ver-
richten van garnizoensdienst, — de inwendige dienst wordt
zooveel in dit voorschrift niet anders is bepaald, zooveel inoge-
lijk geregeld in overeenstemming met de bepalingen geldende
voor het wapen der Infanterie bij het leger hier te lande, van
welke bepalingen — behoudens het vorenstaande — niet mag
worden afgeweken dan na bekomen machtiging van drn Minister
van Oorlog. («. v., § 14).
§ 398. De oefeningen worden geleid en gehouden in over-
eenstemming met de reglementen, geldende voor het leger hier
te lande. («. ik, § 15).
B. De huLiovsling, Meeding, voeding, uitrusting, bewapening
en ziekenverpleging, en voorts van de administratie,
§ 399. Voor zooveel in deze regeling niet anders is bepaald,
wordt de Koloniale Reserve gehuisvest en gevoed overeenkomstig
de bepalingen, vastgesteld of nog vast te stellen voor de korpsen
van het leger hier te lande. (a. v.. art II, § 1).
5 400. Officieren en minderen van de Koloniale Reserve
dragen de uniform van de Infanterie van het leger in Ood-Indiii,
behoudens de volgende verschillen:
a.    het personeel beneden den graad van adjudant-onderoffi-
cier draagt op den linker bovenarm een hoorn, voor de
onderofficieren van geborduurd gouddraad, voor de overi-
gen van geel kemelsgaren;
b.     de kraag en de opslagen der mouwen van de kapotjas
zijn van lichtblauw laken met gelen bies;
c.     de distinctieven van het kader worden aangebracht over-
eenkomstig de modellen daarbij geldende voor de Infan-
terie van het leger hier te lande. (a. v., § 2).
§ 401- De Koloniale Reserve wordt gewapend en van Ieder-
goed alsmede van munitie voorzien door de zorg van het Depar-
tement van Oorlog.
Wordt overgegaan tot de oprichting van eene artillerie-com-
pagnie, dan worden dienaangaande met betrekking tot de wape-
nen en het ledergoed door den Koning nadere bevelen gegeven.
(as. v., § 3).
-ocr page 169-
XVT. Koloniale ftcserne.                           155
§ 402. De administratie van de Koloniale Reserve wordt,
voor zooveel in deze regeling niet anders is bepaald, geheel gc-
voerd overeenkomstig het Reglement, vastgesteld bij Koninklijk
besluit van 7 Februari 1880, n". 14, en overeenkomstig de
voorschriften tot uitvoering van dat reglement gegeven oi\' nog
te geven door of vanwege den Minister van Oorlog, een en
ander met inachtneming van het volgende:
a.    bij toepassing van de artikelen 60, 61, (Sa, 66, 84, punt
e, 91, punt c, 99, 117, 129, 130, 133, 134, 135, 149,
163, 172, 173, 175, 179, 209, punt a, b en ff, 278,
307 en 309 van het administratie-reglement, treedt de
Minister van Koloniën op in stede van den Minister van
Oorlog;
b.    met betrekking tot de Koloniale .Reserve, zijn de 2d* alinea
van art. 151 en voorts art. 304 van het reglement niet
toepasselijk;
c.     de rekening en verantwoording van het korps wordt bij
het Departement van Koloniën onderzocht, waarbij mutatis
mutandis de regelen gelden, vastgesteld in het zesde
Hoofdstuk van het meergenoemde reglement, met dien
verstande, dat de Minister van Koloniën, dit noodig oor-
deelende, overleg met het Departement van Oorlog aan de
verevening doet voorafgaan;
d.     de opgaven, beuoodigd tot het aanhouden der stamboeken
(art. 320 van het reglement) worden bij het einde van
elke drie maanden ook gezonden aan het Departement
van Koloniën. («. v., § 4).
§ 403. Bijaldien de menagerekening slechts eene uitdeeling
gedoogt van minder dan vijftien cents per man en per dag, dan
wordt hetgeen aan dat bedrag ontbreekt, bijgepast ten laste van
den lande. (a. v., § 5).
§ 404. De gewone vergoedingen voor aanschaffing, vernieuwing,
wijziging en onderhoud van kleeding en uitrusting, door onder-
officieren en soldaten te genieten, worden bepaald als volgt:
-ocr page 170-
156
XVT. Koloniale Reserve.
GRADEN.
TOELAGE
voor eerste uitrusting
(in guldens).
DAGELUKSCHE TOE-
LAGE.
(in centen).
onder-
officieren.
soldaten.
adjudant*
ondcr-
officicr.
overige
onder-
officieren.
de
overigen.
schrijvers
mr. werklieden
dn overigen
25
//
32
20
n
2fi
il
n
35
13
13
15
11
12
13
(«. e., § 6).
§ 405. De schadeloosstelling voor uniformverandering voor
een officier van het leger hier te lande die overgaat naar de
Koloniale Reserve, wordt bepaald op twee honderd gulden, (a. v.,§ 7).
\\j 406. De kosten van bureaubehoeften worden vergoed naar
reden van:
voor den eommandeerenden officier                     f 300 \'s jaars,
// ii commandant eener reconvalescenten-
compagnie
                                          „ 200 .,
ii de commandanten van elk der overige
compagnieën, per compagnie             ,/ 75 ff
w den kapitein- of luitenant-adjudant          ,, 30 „
ii         H kapitein- of luitenant-kwartiermeester » 750 „
(«. »., § 8).
C. De traktementen, toelagen, soldijen en gratificatïèn,
§ 407. De officieren der Koloniale Reserve genieten trakte-
ment, als volgt:
luitenant-kolonel f 3400(drie duizend vierhonderd gulden) \'s jaars.
majoor f3000 (drie duizend gulden) \'s jaars.
kapitein t 2200 (twee duizend twee honderd gulden) \'s jaars.
eerste-luitenaut f 1400 (veertien honderd gulden) \'s jaars.
tweede-luitenant f 1050 (duizend en vijftig gulden) \'s jaars.
kapitein-kwartiermeester f2200 (twee duizend twee honderd
gulden) \'s jaars.
-ocr page 171-
XVI. Koloniale Reserve.                           157
eerste—luitenant-kwartiermeester f 1400 (veertien honderd gul-
den) \'s jaars.
officier van gezondheid ls\'° klasse f 3400 (twee duizend vier
honderd gulden) \'s jaars.
officier van gezondheid 2de klasse f 1600 (zestien honderd gul-
den) \'s jaars.
De inkomsten van den militaire-apothekersbediende worden
behoudens liet bepaalde aan het slot van § 408, geregeld geheel in
overeenstemming met hetgeen voor dergelijke apothekersbedienden
bij het leger hier te lande geldt. (a. o., art. III, § 1).
§ 408. Zij genieten boven\'dien toelage naar den volgenden
maatstaf:
de commandeerende officier f 1000 (duizend gulden) \'s jaars.
ii kapitein-adjudant f 800 (acht honderd gulden)
           ff
luitenant-adjudant f500 (vijf honderd gulden)          u
ii kapitein f 600 (zes honderd gulden)                          #
// eerste-luitenant f 400 (vier honderd gulden)             u
ii tweede-luitenant f 200 (twee honderd gulden)           w
de kapitein-kwartiermeester f 800 (acht honderd gulden)\'s jaars.
de eerste-luitenant-kwartiermeester f500 (vijfhonderd gulden
\'s jaars.
de officier van gezondheid l"\'" klasse f 600 (zes honderd gulden)
\'s jaars.
de officier van gezondheid 2d° klasse f 400 (vier honderd gulden)
\'s jaars.
De militaire apothekersbediende geniet eene toelage naar reden
van f 100 (honderd gulden) \'s jaars. {a. v., § 2).
§ 409. Aan den commandeerenden officier en aan den kapi-
tein-adjudant kan bij gemeenschappelijke beschikking van de
Ministers van Oorlog en van Koloniën de verplichting opgelegd
worden een dienstpaard te houden, onder genot van fouragegeld.
(a. v., § 3).
§ 410- Uitgenomen het vaste personeel bij de reconvalescenten-
compagnieën, en du reconvalescenten, geniet het personeel beneden
den rang van officier soldij als volgt:
-ocr page 172-
X VI. Koloniale Reserve.
158
G R ADEN.
per dag
in centen.
adjudant-onderofficier .
225
sergeant-majoor .
175
sergeant-majoor, gymnasti
>k- en scherm meester.
160
sergeant of fourier
....
100
sergeant, gymnastiek\' on
scherm meester .
135
korporaal-tamboer
. .
80
korporaal .
....
50
mr. geweermaker
....
90
schoenmaker
....
40
kleermaker .
....
40
soldaat
....
40
tamboer
.
42
(«."»., § 4, en K. B. 21 Juli, 1892, n\\ 20, R. M. 445).
Voor de aan scherpschutters toe te kennen geldelijke voor-
deelen en onderscheidingsteekenen gelden hij de Koloniale Reserve
de voorschriften, die ter zake van kracht zijn of worden bij het
leger in Nederlandxch-Indië, echter met dien verstande, dat het
onderseheidingsteeken door den man zelf bekostigd wordt. (A\'. B.
21 Juli 1802, »». 20, R. M. 445).
§ 411. In verband met de tweede alinea van § 396 is het
Koninklijk besluit van 5 Maart 1888, n°. 17 niet van toepas-
sing op militairen verbonden om den Staat der Nederlanden te
dienen in of buiten Europa. (</.. v., § 5).
I). Van de reconvalescent/m in liet bijzonder.
§ 412. Alleen zij worden als reconvalescenten opgenomen,
die zich schriftelijk verbinden:
a. voor zooveel betreft Nederlanders — om den Staat der
Nederlanden, zoodra zij physiek geschikt bevonden wor-
den voor den actieven militairen dienst, gedurende ten
minste vier jaar — of, indien nog militieplichten op hen
rusten, gedurende ge» jaar — te zullen dienen als militair
zoowel in- als buiten Europa.
-ocr page 173-
XVI. Koloniale Reserve.                          159
h. voor zooveel de overigen aangaat — om den Staat der
Nederlanden, zoodra zij physiek geschikt bevonden wor-
den voor den actieven dienst in Oost- of\' West-IndiS,
aldaar,
als militair te zullen dienen, gedurende ten minste
vier jaar, gerekend van en met, den da<r, waarop zij zich
bij vertrek uit Nederland inschepen.
Voor niet-Nederlauders geldt ook hier het bepaalde bij
§ 3!)0 punt li, laatste alinea, (o. »., art. IV, § 1).
§ 413. Bij het aangaan van de verbintenis in § 302 bedoeld
wordt den reconvalescent eene premie uitbetaald van f 20
(twintig gulden), (a. v., § 2).
§ 414. De reconvalescent wordt, telkens na verloop van
drie maanden, geneeskundig onderzocht, ten einde zekerheid te
verkrijgen aangaande zijne al of\' niet geschiktheid voor den
actieven militairen dienst. Blijkt bij zoodanige keuring, dat vnn
zijne verdere verpleging geen voldoende verbetering van zijnen
toestand is te verwachten, dan wordt, hij van de verbintenis
ontheven en geacht voortdurend ongeschikt te zijn voor den
actieven militairen dienst.
Wijst de keuring uit, dat de reconvalescent geschikt is om den
actieven militairen dienst, te hervatten, dan gaat hij — naargelang
hij de verbintenis aanging omschreven sub a, dan wel die om-
schreven sub Ij van § 412 — over bij eene der validen-compagnieën
van het korps of\' bij het Koloniaal.Werfdepot. («. ?>., § 3).
§ 415. Het geneeskundig onderzoek, bedoeld in $ 300 punt
a, alsmede de keuringen bedoeld in ij 414 worden verricht door
den bij de reconvalescenten-compagnie ingedeolden officier van
gezondheid, in gemeenschap met een door den Minister van
Oorlog aan te wijzen officier van gezondheid van het Leger
hier te lande. Bestaat er verschil van meening tusschen deze
beide geneeskundigen, dan beslist, de Inspecteur van den ge-
neeskundigen dienst der Landmacht, na, zoo noodig eene her-
keuring te hebben bevolen, (a. »., § 4).
§ 4I6- Kan een reconvalescent, na twee jaren bij de daartoe
bestemde compagnie te zijn verpleegd, niet overgaan naar een
der andere compagnieën van het korps of\' naar het Koloniaal-
VVcrfdepot, overeenkomstig de slotalinea van § 414, dan wordt
hij geaffht voortdurend ongeschikt te zijn voor den actieven
militairen dieast en van de verbintenis ontheven, (a. ?>., § 5).
-ocr page 174-
160                          XVI, Koloniale ïleseree.
§ 417- Bij overgang overeenkomstig de slotalinea van §414,
ontvangt de militair eene premie van f 30 (dertig gulden), uit
te betalen volgens regelen nader door de Ministers van Koloniën
en van Oorlog, bij gemeenschappelijke beschikking vast te stellen.
Bovendien wordt bij dien overgang te zijnen name een bedrag
van f 150 (honderd vijftig gulden) ingelegd in \'s lüjks post-
spaarbank, welke som verder wordt beheerd overeenkomstig
regelen, door de Ministers van Koloniën en van Oorlog bij ge-
meenschappelijke beschikking vast te stellen. De inleg geschiedt
onder zoodanig verband als de genoemde Ministers zullen be-
palen. («. e., § 6).
§ 418. In verband met § 421 hierna, worden de gagementen
en pensioenen van de reconvalescenten en van het vaste per-
soneel eener reconvalescenten-compagnie, met uitzondering van
den adjudant-onderoftieier-kwartiermeester, leji voordeele van den
lande ingehouden.
Behoudens toepassing van § 420 hierna, geniet het vaste
personeel :
1°. uitgezonderd de adjudant-onderofficier-kwartiermeester,
eene bezoldiging, gelijk aan het normale gagementsbedrag
voor eiken graad vastgesteld bij artikel I van het gagements-
reglement, gearresteerd bij Koninklijk besluit van 24
Augustus 1875 n°. 42 (Ind. Staatsblad 1876, n». 44) en
2°. daggeld als volgt:
de adj.-onderofticier-kwart. f 2.— (twee gulden)            daags ;
de sergeant-majoor              ,/ 1.— (een gulden)                  H
de sergeant of fourier          n 0.60 (zestig cents)                 ;/
de korporaal                         » 0.25 (vijf en twintig cents) n
de soldaat of tamboer         # 0.18 (achttien cents)              u
(«. v., § 7).
§ 419. De reconvalescenten genieten daggeld als volgt:
een adjudant-onderofficier f 0.50 (vijftig cents)
            daags;
een sergeant-majoor              0.35 (vijf en dertig cents)
een sergeant of fourier         /, 0.25 (vijf en twintig cents) ,,
een korporaal                        » 0.15 (vijftien cents)               »
een soldaat of tamboer u 0.10 (tien cents)                    »
(a. v., § 8).
§ 420. Wordt het vaste personeel, bij uitzondering, aange-
vuld door daarin personen op te nemen, die niet iii het genot
-ocr page 175-
XVI. Koloniale Reserve.                           161
zijn van pensioeu of gagement, wat alleen onder nadere goed-
keuring van de Ministers van Oorlog en van Koloniën mag ge-
schieden, dan worden hunne inkomsten door den Minister van
Koloniën speciaal geregeld, («. v., § 9).
§ 421. Zoowei het vaste personeel bij de reconvalescenten-
compagnieën, uitgenomen de adjudant-onderofficier-kwartier-
meester, als de reconvalescenten zelven, worden gevoed overeen-
komstig regelen nader door den Minister van Koloniën vast te
stellen, en zulks geheel ten laste van den lande. (a. v., § 10).
§ 422. De officier van gezondheid ingedeeld bij een recon-
valescenten-compagnie, is belast met den geneeskundigen dienst
bij die compagnie in zijn geheelen omvang en is dienaangaande
rechtstreeks verantwoording schuldig aan den commandant van
het korps en aan den Inspecteur van den geneeskundigen dienst
der Landmacht, (a. v., § 11).
§ 423. In de kazerne bestemd tot huisvesting der reconva-
lescenten-compagnie wordt eene ziekenkamer ingericht en beheerd
overeenkomstig regelen, vast te stellen bij gemeenschappelijke
beschikking van de Ministers van Oorlog en van Koloniën,
derwijze, dat de officier van gezondheid bij de reconvalescenten-
compagnie bevoegd zij om op zijne verantwoordelijkheid kwar-
tierzieken in de ziekenkamer te verplegen zoolang hij dit nuttig
oordeelt, (a. v., § 12).
§ 424. Overeenkomstig regelen, nader vast te stellen bij
gemeenschappelijke beschikking van de Ministers van Oorlog en
van Koloniën, wordt de gelegenheid geopend om de reconva-
lescenten, zooveel doenlijk, te verplegen in het herstellingsoord
voor zieke militairen te Milligen. [a, v., § 13).
Die regelen zijn vastgesteld bij gemeenschappelijke beschikking
van de Ministers van Koloniën en van Oorlog dd. 6/11 Juni
1891, litt. C n°. 4 en n°. 130. (B. U. 1184).
§ 425. De inwendige dienst bij de reconvalescenten-compagnieën
wordt — behoudens nadere goedkeuring door de Ministers van Oorlog
en van Koloniën — door den commandant van het korps
geregeld, voor zooveel noodig in overleg met de bij die compa-
gnieën ingedeelde officieren van gezondheid, (a. »., § 14).
11
-ocr page 176-
HOOFDSTUK XVII.
Eereteekenen.
§ 426- Het schoonste sieraad voor den krijgsman is de
Militaire Willemsorde. Deze orde strekt tot belooning voor nit,-
xtekende krijffsdaden,
dat zijn de zoodanigen, welke nagelaten
hadden kunnen worden zonder zich daardoor aan plichtverzuim
schuldig te maken, en welke dus een meer dan gewonen graad
van moed, beleid en trouw openbaren.
Het versiersel der orde bestaat in een wit geëmailleerd kruis
met acht gouden gepareld* punten. Op de armen van het kruis
staan vermeld de woorden: Foor Moed, Beleid, Trouw. Over
hetzelve ligt het Bourgondische Kruis, bestaande uit groene lau-
rierstokken, saam verbonden door een gouden vuurslag; op de
tegenzijde vervangen door een blauw geëmailleerd medaillon,
waarop in het midden van eenen laurierkrans de letter VV, alles
gedekt door eene gouden koninklijke kroon. Het lint is van
oranje met twee smalle donkerblauwe strepen.
De orde bestaat uit vier klassen.
De ridders van de 4de klasse dragen een kleiner ordeteeken,
waarvan de punten, vuurslag en kroon in zilver, aan een lint,
een\' vinger breed, in het knoopsgat. [IVet 30 April 1815,
St.bl. n\'. 33*. B. U, 24).
§ 427. De ridders van de 4dl\' klasse erlangen van de dag-
teekening hunner benoeming: ridder\'soldij\', volgens den graad,
bekleed op het oogenblik, dat zij zich de ridderorde hebben
waardig gemaakt. Het jaarlijksch bedrag dier soldijen is voor
een adjudant-onderofficier ƒ200, voor een sergeaut-majoor ƒ 160.
voor een sergeant of fonrier ƒ130, voor een korporaal ƒ75 en
voor een soldaat ƒ60.
-ocr page 177-
XVII. Eereteeken en.
168
Vlet dubbele bedrag van die riddnrsoldij wordt toegekend aan
de ridders van de \'iie klasse. {IVet 22 April 1864, SIM. >/". 33,
B. 11. 282).
De riddersoldij wordt behouden na liet verlaten van den dienst,
hetzij met paspoort, hetzij met pensioen, en ook na ecne be-
vordering tot officier, (23)
§ 428. De verheffing tot ridder, of bevordering in de orde,
wordt bij legerorder bekend gemaakt.
Schildwachten moeten aan onderofficieren, korporaals en sol-
daten, ridders van de Militaire Willems-Orde, dezelfde eerbe-
wijzen doen als aan officieren.
leder ridder moet altoos met het versiersel in het openbaar
verschijnen. (A". B 25 Jmd 1815, »•. 10, B U. 24).
§ 429- Aan hen, die aan belangrijke krijgsbedrijven deel-
genomen hebben, wordt een eereteeken uitgereikt.
Dit eereteeken bestaat uit een kruis van Berlijnsch zilver met
vier armen, op welks voorzijde \'s Koning beeltenis voorkomt,
omgeven van een jarretière, waarop de woorden /,voor krijgsver-
richtingen", te midden van eenen krans van eikenloof, dragende
elk der vier armen van het kruis cene W.
Vlet kruis wordt op de linkerborst gedragen, aan een lint
ter breedte van 3.8 centimeters, bestaande uit verticale strepen,
waarvan de middelste streep de helft en elke zijspreep een vierde
gedeelte der geheele breedte beslaat.
De middelste streep is groen, de beide zijstrepen zijn oranje.
Vlet lint wordt niet zonder eereteeken gedragen.
Over het lint wordt eene gesp gedragen, waarop de naam en
het jaartal van het krijgsbedrijf, waarvoor het eereteeken wordt
uitgereikt, vermeld staan.
Vlij, die meer dan één krijgsbedrijf\' heeft bijgewoond, waar-
voor het eereteeken wordt uitgereikt, draagt de verschillende
gespen, de namen en jaartallen der krijgsbedrijven bevattende,
aen het lint boven elkander.
Het kruis wordt aan den rechthebbende slechts eenmaal uit-
gereikt. (AT. B. 19 Feb, 1869, StM. n\\ 24, B. U. 328),
(23) Bepalingen ten opzichte vau de betaling en verrekening van ridder»
soldij van Ridders van de M. \\V. O. nijii vervat in het Y. 11. A. ad art.
45, U 2—12.
-ocr page 178-
XVII. Eereteekenen.
ir,4
§ 430- Aan lien, dis ter zake van eenig wapenfeit eervol
vermeld worden, wordt daarvan een schriftelijk huwijs afgegeven.
De eervol vermelde is, krachtens dit bewijsstuk, gerechtigd,
ten blijke der liem ten deel gevallen onderscheiding, eene ko-
ninklijke kroon van verguld metaal, volgens een door den Koning
bepaald model, op de linkerborst te dragen, op het lint van het
eereteeken, voor belangrijke krijgsbedrijven, vlak boven het eere-
teeken, en derhalve onder de gespen, waarmede het lint eventueel
versierd is. Is hij met dat eereteeken niet versierd, dan wordt
het hem tevens uitgereikt, doch zouder gesp.
Wordt dezelfde persoon meer dan eenmaal eervol vermeld, dan
is hij gerechtigd, op het lint van het eereteeken voor belang-
rijke krijgsbedrijven, onder de kroon een Arabisch cijfer te dra-
gen van verguld metaal, aangevende het aantal malen, dat hem
eene eervolle vermelding te beurt viel. (A". B. 8 Sept. 1877,
StM. n\'. 179, B. U. 479, en M. B. 13 Feb. 1878, »°. 4<iP,
B. U. 505).
-ocr page 179-
HOOFDSTUK XVIII. (*)
De verbintenis tot vrijwilligen dienst bij bet korps Mariniers en
hij \'s Rijks Zeedienst.
I. Bij het Korps Mariniers.
§ 431. A. Wie bevoegd zijn tot aanneming van reenden. Het
aannemen van recrulen tot het voltallig houden van het Korps
Mariniers op do bepaalde sterkte, behoort tot de zorg van den
kommandant van dat korps.
Hij kan tot dat einde, mot toestemming van den Minister van
Marine, binnen het Rijk, onderofficieren of minderen op werving
uitzenden.
Overigens is ieder militair in Nedcrlandschen dienst bevoegd
als werver op te treden en, bij het opmaken der hierna ver-
melde verbintenissen, het Rijk te vertegenwoordigen. (Instr. Wer-
ving Korps Mar.,
vastgesteld bij K. B. 21 Dec. 1883, n°. 26,
zooals zij thans luidt, art. 1).
§ 432. De plaatselijke» of garnizoenscommandanten zijn ge-
machtigd om personen, die zich bij hen tot indiensttreding bij
het korps aanmelden, indien deze aan de hierna vermelde ver-
eischten voldoen, voorloojdy te doen aannemen. («. v., art. 2).
§ 433. Wanneer liet korps volgens de samenstelling bijna
bijna voltallig is, geeft de commandant daarvan tijdig kennis aan
den Minister van Marine, die alsdan beslist of de werving al
dan niet zal gesloten worden. Van de sluiting wordt door den
Minister kennis gegeven aan het Departement van Oorlog, {a. v.,
art.
3).
(*) De bepalingen betreffende «Ie werving van liet Korps Mariniers en voor
\'s Rijks Zeedienst worden hier slechto vermeld voor zooveel bekendheid niet
die bepalingen voor autoriteiten der Iinndinnrhl van belang kan zijn.
-ocr page 180-
XVII [. Korps Mariniers.
166
§ 434. B. FereUcMen van recruten. Als recruten kunnen
worden aangenomen: ongehuwde personen van 18 tot 34 jaren
oud, en tot 40 jaren zoo zij te voren gediend hebben, alsmede
een zeker aantal jongelingen van l(i tot 18 jaren oud; en voor
tamboer of pijper, zij die hun 14de levensjaar hebben vol-
bracht, mits hun physick, in verhouding tot hunnen leeftijd,
goed ontwikkeld zij.
In buitengewone gevallen kunnen ook gehuwde personen onder
goedkeuring van den Minister van Marine worden aangeuomen.
Tot het ooorloopig aannemen van jongelingen beneden de 18
/aar, moet vooraf de toestemming van den commandant van het
/corps gevraagd worden.
Tot het aannemen van vreemdelingen en van personen die
veroordeeld zijn geweest tot gevangenisstraf of hechtenis, zoo-
mede van hen, die ter zake van misdrijf, waarop gevangenisstraf
is gesteld of van overtreding in een Rijksopvoedingsgesticht, dan
wel in eene Rijkswerkinrichting zijn geplaatst geweest, wordt de
machtiging van den Minister van Marine gevraagd.
Gewezen onderofficieren of korporaals van het Korps Mariniers
of\' van de Landmacht, die zich bij het korps weder zouden
willen verbinden, zoomede sergeanten- en korporaals-miliciens van
het wapen der Infanterie, die met eene vrijwillige verbintenis bij
het korps wenschen over te gaan, kunnen worden aangenomen in
den graad dien zij het laatst bekleedden; mits daarin vacature
besta cu zij, bij bewijzen van goed gedrag, blijken geven dat zij
de geschiktheid voor hunne vroegere qualiteit niet hebben ver-
loren. (a. v., art. 4).
$ 435. Het minimum van de lengte der recruten en van de
miliciens die bij het korps overkomen, is 1.56 Meter; voor
tamboer of pijper 1.5 Meter. (*) («. »., art. 5).
§ 436. Behoudens de hierna vermelde uitzonderingen wordt
geen recruut noch overkomend milicien aangeuomen, dan nadat
hij door den geneeskundige, die met de visitatie van recruten is
belast of ecu ander officier van gezondheid der marine onder-
zocht (ii voor den militairen dienst geschikt verklaard zij.
(a. »., art. 6).
Recruten en overkomende miliciens, die van elders bij het
(*) 7m II! li).1 i)() blz. 7.
-ocr page 181-
XVIII. Korps Mariniers.                          167
korps aankomen, worden opnieuw aan een geneeskundig onder-
zoek onderworpen. («. v., art. 7).
Wanneer het geneeskundig onderzoek geen voldoende zekerheid
oplevert omtrent de geschiktheid van den recruut, of wanneer
gepasporteerde onderofficieren of minderen, die tijdelijk onge-
schikt waren geoordeeld, na volkomen herstelling zich weder
voor den dienst aanbieden, kunnen zij, wanneer door den genees-
kundige de voorloopige geschiktheid wordt geconstateerd, tot eene
voorloopige verbintenis voor onbepaalde» tijd worden toegelaten, en
wanneer na verloop van zes maanden gebleken is dat zij voor
alle diensten geschikt zijn en bij herkeuring hunne voldoende ge-
schiktheid verklaard is, kunnen zij eene verbintenis voor bepaal*
den tijd aangaan en komen dan eerst in het genot van hanclgeld
en eerste uitrusting; aanbrengpremie wordt voor hen niet betaald.
(a. v., art. 8).
Bijaldien de commandant van het korps oordeelt dat een
recruut, hoezeer niet volkomen aan alle vereischten voldoende,
evenwel zou kunnen worden toegelaten en goede diensten pres-
teeren, is hij bevoegd zoodanig recruut voor het korps aan te
nemen. Ingeval de betrokken persoon met lichte gebreken be-
hept is, worden deze door den geneeskundige, met de visitatie
. belast, in het contract vermeld en wordt daarvan in het stam*
boek van het korps aanteekening gehouden. (a. v., art. 9).
In geval van twijfel omtrent de physieke geschiktheid van den
persoon die zich tot dienstneming aanmeldt, wordt, alvorens tot
de goedkeuring over te gaan, de belissing van den dirigeerenden
officier van gezondheid der Zeemacht, en in plaatsen waar zoo-
danig hoofdofficier niet aanwezig is, de zienswijze van den In-
specteur van tien Geneeskundigen Dienst der Zeemacht gevraagd.
(«. v., art. 10).
Wanneer door den Inspecteur van den Geneeskundigen Dienst
der Zeemacht omtrent de geschiktheid van den aan te nemen
persoon voor den dienst is beslist, zijn de artt. 6 en 7 van
vorenbedoelde Instructie niet van toepassing, (a. v., art. 11).
§ 437. (\'. Over te leggen bewijsstukken. Ieder recruut of
overkomend milicien, die zijn 23\'1" levensjaar nog niet heeft vol-
bracht, moet, behalve de in § 438 vermelde bescheiden, over-
leggen een door de bevoegde autoriteit gelegaliseerd bewijs van
-ocr page 182-
Ifi8                          XVIII. Korps Mariniers.
toestemming vau dengeiie die het ouderlijk gezag over den
minderjarige wettelijk uitoefent; welk bewijs moet inhouden dat
de jongeling zich tot den militairen dienst bij het Korps Mari-
niers verbinden mag. («. v., art. 12).
§ 438 Voorts moeten ter hunner aanneming de navolgende
bescheiden worden overgelegd:
a. Door Nederlanders, die nimmer in militairen dienst
zijn geweest:
1°. een extract uit het geboorteregister of een ander authentiek
stuk waaruit hun leeftijd blijkt;
2°. een bewijs van goed gedrag, afgegeven door den burge-
meester hunner woonplaats;
3°. een bewijs van voldoening aan de Wet op de Nationale Militie;
4°. eene bevolkingskaart, model A.
b. Boor Nederlanders die bij de Zee- of Landmacht
hebben gediend:
1°. het paspoort van Nederlandschen dienst;
2". een bewijs als bij sub a is vermeld, zoo zij langer dan
drie maanden buiten dienst zijn geweest;
3°. een extract uit hun strafregister of conduileboekje;
4°. eene bevolkingskaart model A.
Is bij het paspoort een certificaat van goed gedrag uitgereikt,
dan is het bewijs, bij punt 3 vermeld, niet noodig.
Ontbreken de bescheiden bij punt 3 genoemd, dan kunnen
die worden opgevraagd bij de korpsen der Landmacht of bij de
Directie der Marine, waar het paspoort is uitgereikt.
c.    Door miliciens die bij het korps wensclien over te komen:
Het bewijs bij 2" sub a genoemd; bevinden zij zich met groot
verlof,
bovendien hun verlofpas.
d.    Door vreemdelingen die niet in Nederlandschen militairen
dienst zijn geweest:
1°. hun pa*- of wande/boek, geviseerd door den consul van
hun land. Wanneer de pas voor een bepaalden tijd is afgege-
-ocr page 183-
XVTII. Korps Mariniers.                         160
ven, en die tijd verstreken is, moeten de belanghebbenden ecu
nieuwen pas van den consul vragen;
2°. indien zij eenigen tijd hier te laude zijn verbleven, een
bewijs van goed gedrag,
af te geven door de bevoegde autoriteit
in hunne laatste woonplaats en eene bevolkingskaart A.
e. Boor vreemdelingen die bij de Nederlandsche Zee- of
Landmacht hebben gediend
•\'
Dezelfde bescheiden als sub b zijn vermeld. («. v., art. 13).
§ 439. D. Buur der verbintenissen ; Jtand-, aanbreng^ en dag-
gelden.
De verbintenissen van een recruut van 18 jarigen
leeftijd of daarboven en van een overkomend milicien moet
worden aangegaan voor 6, van recruten van 16 —18 jarigen
leeftijd voor 8 en beneden 16 jarigen leeftijd voor 10 jaren.
(a. v., art. 14).
§ 440. Nadat de officier van gezondheid de geschiktheid van
den persoon, die aangenomen wenscht te worden, geconstateerd
heeft, wordt door den werver of een ander daartoe bevoegd
militair eene verbintenis in duplo opgemaakt en door hem en
den aangeworvene onderteekend.
Na de goedkeuring door den commandant van het korps die
tevens daarbij bepaalt het hand- en aanbrenggeld dat wordt
toegekend, is die verbintenis van kracht, (a. v., art. 15).
§ 441. Het maximum van het toe te kennen handgcld bedraagt:
1°. bij een engagement van 6 jaren, voor militairen beneden
den graad van adjudant-onderofficier;
a.     boven de 1-8 doch beneden de 19 jaar oud, f 120;
b.     boven de 19 doch beneden de 34 jaar oud, f 140.
Boven 34 jaar oud zijnde, wordt het handgeld slechts toege-
staan voor £ van het bedrag van f 140 voor ieder jaar, dat tot
het volbrengen van het 40818 levensjaar nog verloopen moet. De
berekening van dat tijdvak geschiedt bij volle jaren ; een o ver-
schietend deel van minstens 6 maanden rekent voor een vol jaar;
voor minder dan zes maanden wordt niets genoten.
2°. bij een engagement van 8 jarnn, voor jongelingen, hoven
de 17 doch beneden de 18 jaar oud, I\' 100.
-ocr page 184-
170                          XVIir. \'.v Rijks Zeedienst.
3°. bij ecu engagement van 8 jaren, voor jongelingen boven
de l(i doch beneden de 17 jaar oud, f 80.
In het eerste geval bedraagt het maximum van het aanbreng»
geld f 15 ; in het tweede geval f 10, en in het derde geval f 5.
[a. v., art. 16).
Nadat den aangenoinene de krijgsartikelen zijn voorgelezen,
worden de toegekende hand- en aanbrenggelden ten volle uitbe-
taald ; aan de overgekomen miliciens kan daarbij een verlof met
behoud van soldij voor 14 dagen worden verleend, (a. v.,
art.
17).
§ 442. Bijaldien tot het erlangen van de noodige bescheiden,
of om eenige andere reden, het noodig mocht zijn, dat een
reeruut eenige dagen verblijve in de plaats waar hij zich ter
aanneming aanbiedt, kan aan hem, ten einde in zijn onderhoud
te voorzien, hoogstens gedurende acht dagen daggeld, en in ieder
geval van de plaats zijner aanneming tot die zijner bestemming
reisgeld worden verstrekt, op de wijze als bepaald is voor
alleenreizende onderofficieren en manschappen van het korps.
(Inslr. a. v., art. 18).
II. Bij \'s Rijks Zeedienst.
\\ 443. A. Autoriteiten door welke verbintenissen worden gesloten.
De verbintenissen in \'s Ttijks zeedienst worden gesloten naar de
daarvoor vastgestelde bepalingen, binnenslands door den Commies
van aanneming, in tegenwoordigheid van den Officier, belast
met de werving. (Regl. betr. de Werving, K. B. 5 Bec. 1888,
»°. 25, art. 1).
De functiën van commies van aanneming zijn in de maritieme
directiën opgedragen aan de griffiers ter directie (*); op andere
plaatsen aan speciaal daartoe aangewezen officieren of ambte-
naren.
De functiën van officier van werving zijn in de maritieme
directiën opgedragen aan de adjudanten van de directeuren en
commandanten der Marine; op andere plaatsen aan speciaal
daartoe aangewezen officieren. (a. »., art.)
(1) De directiën der marine zijn te Willemsoord, Auislndam en Ihlle-
vacltluit
gevestigd.
-ocr page 185-
XVIII. \'s Rijk* Zeedienst.
171
Do commies van aanneming is belast met de briefwisseling
betrell\'ende de werving, (a. v.. art. 29).
§ 444. B. Wie tot eene verbintenis worden toeijelaten. Tot
de verbintenissen worden in deu regel slechts Nederlanders en
zeevarenden uit de Overzeesche bezittingen toegelaten.
§ 445. De personen, die zich voor eene verbintenis aanmelden
moeten in alle opzichten in staat zijn de inlichtingen te geven
en de bewijsstukken te leveren, welke door de commiezen van
aanneming worden gevraagd, en overigens de vereischten bezitten,
bij het Reglement betreffende de werving en het hoofdstuk
,/Exainina voor de verschillende korpsen der Zeemacht" voorge-
sehreveu. (a. v., art. 3).
§ 446. C. Niet aanneembaar. Niet aangenomen worden per-
sonen: 1°. die in kennelijken staat van dronkenschap verkeeren;
2°. die met een ontslagbrief der 2de soort, dan wel met een
briefje van ontslag of een bijzonder gemerkt paspoort uit \'s Rijks
dienst zijn ontslagen; 3°. wien het recht is ontzegd om bij de
gewapende macht of als militair geëmployeerde te dienen, ge-
durende den tijd, waarvoor de ontzegging is uitgesproken;
4". die vervallen zijn verklaard van den militairen stand of van
de betrekking van militair geëmployeerde; 5°. die als plaats-
ver vanger in dienst zijn, gedurende den tijd der aansprakelijkheid
van de vervangeneu. (a. v., art. 4).
§ 447. D. Aanneming van oudgedienden met eenig licht gebrek.
Bekwame en overigens geschikte personen, die geruimeu tijd bij
de Marine gediend hebben, doch behept zijn met eenig lichaams-
gebrek, dat niet hinderlijk is voor den militairen dienst, waar-
voor zij echter volgens eene strikte toepassing van het Reglement
op het geneeskundig onderzoek omtrent de geschiktheid voor den
krijgsdienst zouden moeten worden afgewezen, zonder recht op
pensioen te kunnen doen gelden, mogen tot eene verbintenis
worden toegelaten, wanneer zij zich binnen twee jaren na hun
ontslag daartoe aanmelden, en de overtuiging bestaat, dat van
hen nog goede diensten te verwachten zijn.
Van de waargenomen gebreken wordt melding gemaakt op het
extract uit de werfrol. («. v., art. 8).
§ 448. EL Lengte. Voor onbevaren manschappen wordt bij
aanneming de volgende lengte als maatstaf aangenomen :
-ocr page 186-
172                         XVIII. \'s Rijk» Zeedienst.
Van   IS1/» tot   14\'/ï jaren   als  minimum   1.4     M.
      Hl/a //   18 ,,      ,1                   1.48   
11      15 11    15\'/., //       11          11           1.45   
      15 V" 11    16 „      »         »          1.48   
«      16 //   17 »      //         11          1.51    11
11      17 »    18 11       11          11           1.58    «
      18 jaren en daarboven  als  minimum  1.55    »
§ 449. Aanneming met afwijking van de vastgestelde lengte
heeft slechts na bekomen machtiging van den Minister van
Marine plaats, (a. »., art. 10).
§ 450. h1. Leeftijd. Omtrent den leeftijd om in den Zeedienst
te worden aangenomen, geldt het volgende:
a.    jongens moeten den ouderdom van 13 ^ jaar bereikt
hebben en hun 17\'le levensjaar nog niet zijn ingetreden;
b.     lichtmatrozen moeten den ouderdom van 17 jaren bereikt
hebben en hun 25stc levensjaar nog niet zijn ingetreden;
c.     matrozen der 3d0 klasse moeten den leeftijd van 18 jaren
bereikt hebben en hun 30"° levensjaar nog niet zijn ingetreden;
d.     matrozen der l*" en 2\'le klasse kunnen worden aangenomen
tot den leeftijd van 35 jaren;
e.     vuurstokers voor den actieven dienst moeten den leeftijd
van 18 jaren bereikt, doch van 30 jaren niet overschreden
hebben ;
/. vuurstokers der 1* en 2dc klasse voor binncnlandschen
dienst mogen niet jonger dan 30 en niet ouder dan 45 jaren zijn;
ff. voor leerling-muzikanten is van toepassing het bepaalde
voor de jongens; zij kunnen echter tot het 20"e jaar worden
aangenomen ;
U. torpedomakers moeten den leeftijd van 20 jaren bereikt,
doch dien van 30 jaren niet overschreden hebben ; ter beoordeeling
van den Directeur en Commandant der Marine te Willemsoord
kunnen zeer bekwame vuurstokers tot den 35 jarigen leeftijd
als korporaal-torpedomaker worden aangenomen;
i. torpedisten moeten den leeftijd van 20 jaren bereikt, doch
dien van 25 jaren niet overschreden hebben;
/•. voor personen, die door de Oommandcercndc Officieren
tot. de aanneming als hofmeester, kajuit,s- en officierskok worden
voorgedragen, is geen leeftijd vastgesteld;
-ocr page 187-
XVIII. \'s Bgk* Zeedienst.                           173
l. bij ilc aanneming tot de overige qualiteiten, is voor hen,
die den lande niinmei\' als militair hebben gediend, het maximum
van den ouderdom bepaald op 35 jaren;
m. personen beneden de 20 jaren mogen niet dan op mach-
tiging van den Minister van Marine worden aangenomen voor
qualiteiten, waaraan de onderoffieiersgraad, tot en met dien van
korporaal is verbonden;
n. personen beneden de 20 jaren mogen niet als scheerder
worden aangenomen;
o. ten opzichte van personen, die den Zeedienst nog geen volle
twee jaren verlaten hebben, mag van het maximum van den
daarvoor bepaalden leeftijd worden afgeweken, (a. ?>., art. 11).
-ocr page 188-
HOOFDSTUK XIX.
De Roninklgke Militaire Academie te Breda.
j 451. De opleiding voor den oflieiersrang bij de Landmacht,
ook — voor zooveel die opleiding in Nederland plaats heeft —
ten behoeve van den dienst in de Koloniën en bezittingen van
het Uijk in andere werelddeelen, geschiedt, o. a. voor de Infau-
terie, de Cavalerie, de Artillerie en de Genie, aan de Koninklijke
Militaire Academie. {Wet van 21 Juli 1890, StM. n\\ 126,
art. 1, B. U. 1115).
§ 452. De Koninklijke Militaire Academie is gevestigd te
Breda. (a. v., art. 4).
§ 453. Het bestuur over de Koninklijke Militaire Academie
is aan eenen Gouverneur opgedragen, (a. v., art. 45).
§ 454. Aan de Koninklijke Militaire Academie wordt door
den Minister van Oorlog een Raad van Bijstand benoemd uit
officieren en leeraren dier Inrichting, (a. v, art. 46).
§ 455- Aan de leerlingen van de Koninklijke Militaire Aca-
demie wordt gelegenheid gegeven, overeenkomstig het verlangen
en de keuze der ouders of voogden, onderwijs in den godsdienst
te bekomen, (a. v., art. 5).
§ 456. Jaarlijks wordt door den Minister van Oorlog het
aantal leerlingen bepaald, die aan de Koninklijke Militaire
Academie kunnen worden toegelaten en dat wel voor zooveel
meer bepaaldelijk betreft den dienst in de Koloniën en bezit-
tingen van het llijk in andere werelddeelen, na gehouden overleg
met den Minister van Koloniën.
Daarbij wordt vastgesteld, hoeveel van de opengestelde plaat-
sen ter beschikking komen bij de Koninklijke Militaire Academie
voor elk der beide categorieën van adspiranteu, bedoeld onder
-ocr page 189-
175
XIX. Academie.
1 en onder II van § 4fi5 en wel voor elk Wapen afzonderlijk;
en met dien verstande, dat het gezamenlijk aantal voor eerstge-
melde categorie beschikbaar te stellen plaatsen gelijk zal moeten
wezen aan het aantal te verwachten adspiranten van deze categorie.
liet aantal en de verdeeling dier plaatsen worden in de
Staatscourant bekend gemaakt. Voor zooveel de Koninklijke
Militaire Academie aangaat, worden daarbij tevens de eischen
medegedeeld, waaraan bij het toelatings-examcn voor deze lnrich-
ting moet worden voldaan. (a. v., art. (>).
§ 457. Bij Reglement worden vastgesteld :
«. de inwendige regeling van de Koninklijke Militaire Aca-
demie, daaronder begrepen de werkkring en de bevoegdheid van
het hoofd dezer Inrichting, en van den bij § 454 genoemden
Raad van Bijstand;
/;. de voorschriften, volgens welke de toelatings- en eind-
examens aan de Koninklijke Militaire Academie worden afgeno
men; zoomede de wijze van samenstelling der Commissiün, ten
overstaan van welke die examens plaats hebben, (a. v., art. 7).
§ 458. De toelatings- en de eindexamens worden in liet
openbaar afgenomen. Omtrent den loop en de uitkomsten dier
examens wordt, voor zoover zij op de Koninklijke Militaire
Academie betrekking hebben, een verslag opgemaakt, hetwelk in
de Staatscourant wordt medegedeeld, (a. v,, art. 8).
§ 459. Leerlingen van de Koninklijke Militaire Academie
mogen niet langer dan twee jaren in hetzelfde studiejaar door-
brengen.
Van deze bepaling kan worden afgeweken ten gunste van hen,
die wegens ziekte verhinderd waren het onderwijs geregeld te
volgen.
Overigens worden bij lieglement bepaald de regelen, waarnaar
de leerlingen;
a.     wegens hunne gedragingen als anderszins van bedoelde
inrichting verwijderd kunnen worden ;
b.     van de overeenkomstig de § 470 aangegane dienstverbin-
tenis ontheven kunnen worden. («. »., art. !)).
§ 460. Tot tegemoetkoming in de kosten van de Koninklijke
Militaire Academie wordt jaarlijks, voor iederen leerling eene
bij Koninklijk Besluit vast te stellen som — het bedrag van
vierhonderd gulden niet te boven gaande — bijgedragen, welke
-ocr page 190-
XIX. Academie.
176
in \'s Tlijks kas wordt gestort. Van het betalen dier bijdragen
kan bij Koninklijk Besluit geheele of gedeeltelijke vrijstelling
worden verleend, volgens bij Reglement vast te stellen regelen.
(a. v., art. 10).
§ 461. De leerlingen der Koninklijke Militaire Academie
wordfin wanneer zij dienst bij den troep verrichten in eiken graad
gevoerd boven de organieke sterkte, voor elk korps vastgesteld.
(«. v., art. 11).
§ 462. In geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buiten-
gewone omstandigheden, bedoeld bij art. 185 der Grondwet, kan
bij Koninklijk Besluit het Onderwijs aan de Koninklijke Militaire
Academie worden geschorst, en over de leerlingen, alsmede over
het aan die Inrichting verbonden militair personeel beschikt
worden in het belang van \'s Lands verdediging, (a. v., art. 12).
j 463. Aan de Koninklijke Militaire Academie wordt onderwijs
gegeven in :
a.    de wiskunde;
b.    de toepassingen der natuurkunde op militair gebied ;
c.    de toepassingen der scheikunde op militair gebied ;
d.    de mechanica en hare toepassing op bouwkundige construc-
tiën en werktuigen ;
e.    het landmeten en waterpassen en de geodesie;
f.    de Maleische taal:
ff, de land- en volkenkunde van Nederlandsch-Indie ;
h. de militaire aardrijkskunde ;
i. de hoofdbegrippen der strategie en de krijgsgeschiedenis j
k. de tactiek ;
I.     de oorlogsgebruiken;
m. het militair strafrecht;
n. de artillerie*wetenschap j
o. de pionier* en de versterkingskunst;
p. de burgerlijke, de militaire en de schoone bouwkunde;
q. de waterbouwkunde en de hydrographie van Nederland ;
r. de wetten en de voorschriften betreffende de uitvoering
van genie-werken;
s. de paardenkennis; de rij- en de africhtingskunst j
t. het rechtlijnig en het topograpisch teekenen;
II.    de dienst- en de exercitie-reglementen, benevens de dienst-
voorschriften en de militaire wetten ;
-ocr page 191-
XIX. Academie.                                 177
v. de militaire administratie ;
w. de exercitiën en de verdere practisehe oefeningen ;
x. de gymnastiek, het schermen, het zwemmen en het paard-
rijden. (a. v., art. 23).
§ 464. Het leerplan wordt verdeeld over drie studiejaren.
(a. v., art. 24).
§ 465. Het recht, om aan het toelatings-examen voor de
Koninklijke Militaire Academie deel te nemen, wordt ver-
leend aan :
I.     alle leerlingen der Cadettenschool, die het onderwijs aan
deze Inrichting geheel hebben gevolgd.
II.     Nederlanders en zoons van Europeesche of daarmede
gelijk gestelde ingezetenen der Koloniën of bezittingen van het
Rijk in andere werelddeelen, die :
a.     op het tijdstip van den aanvang van het eerstvolgende
leerjaar den vollen ouderdom van zeventien jaren bereikt, en dien
van een en twintig jaren niet overschreden hebben;
b.     zich, onder overlegging der bij Reglement aangewezen
bescheiden, bij den Minister van Oorlog, vóór het door dien
Minister te bepalen tijdstip, tot het afleggen van het examen
hebben aangemeld.
Zij, die, hetzij aan het onder I of aan het onder II gemelde
niet voldoen, mogen aan het examen niet deelnemen.
De Koningin behoudt zich nochtans voor jongelieden, geen
Nederlander en geen zoon van een ingezetene der Koloniën of
bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen zijnde, bij uit-
zondering tot het volgen van de lessen aan de Koninklijke
Militaire Academie toe te laten. (a. v., art. 25).
§ 466. Het programma van het bij § 465 genoemde toe-
latingsexamen omvat:
a.    de reken-, de stel- en de meetkunde, de gonio- en
trigonometrie en de beginselen der beschrijvende meetkunde ;
b.    de beginselen van de theoretische en toegepaste mechanica;
c.     de natuurkunde en hare voornaamste toepassingen ;
d.    de scheikunde en hare voornaamste toepassingen;
e.    de beginselen der cosmographie ;
f.    de gronden van de gemecnte-, provinciale- en staiitsinrich-
ting van Nederland ;
ff. de staathuishoudkunde en de statistiek, inzonderheid van
12
-ocr page 192-
178                                  XIX, Academie.
Nederland <;n van zijne Koloniën on bezittingen in andere
werelddeelen ;
h. de aardrijkskunde ;
i. de geschiedenis;
/\'. de Xederlandsche, de Fransche, de Hoogduitsehe en de
Engelsche taal- en Letterkunde;
l. het hand- en het rechtlijnig teekenen.
Bedrevenheid in het excreeeren uit de recrutenschool strekt
tot aanbeveling.
De cisehen van kennis, volgens vorenvermeld programma te
stellen, worden bij de in § 457, onder b, bedoelde voorschriften
nader omschreven en toegelicht, (a. v., art. 2(5).
§ 467. Alle leerlingen der Cadettenschool, die voor den
militairen dienst bij geneeskundig onderzoek geschikt zijn be-
vonden en, blijkens do uitspraak der examen-commissie, met goeden
uitslag het bij § 465 vermelde examen hebben afgelegd, worden
tot de Koninklijke Militaire Academie toegelaten voor den dienst,
waarvoor zij meer bepaaldelijk bestemd zijn.
Zij worden, zooveel mogelijk, bij het Wapen hunner keuze in-
gedeeld, voor zoover zij daartoe in aanmerking komen in ver-
band met:
a.    den uitslag van hot zooeven gemelde geneeskundig onderzoek ;
b.    het aantal plaatsen, ingevolge het bepaalde bij § 456
jaarlijks, ten behoeve dier categorie, voor de onderscheidene
Wapens opengesteld ;
c.    de rangorde, welke zij bij het examen, blijkens de uit-
spraak der exainen-conimissic, hebben verkregen; daarbij
gelet op hetgeen, krachtens het laatste lid van § 466 is
voorgeschreven ten aanzien van de cischen van kennis in
de wiskundige vakken, voor cene plaatsing bij het Wapen
der Artillerie of bij dat der Genie. («. a., art. 27).
§ 468. Do jongelieden bedoeld onder II van § 465, die,
blijkens de uitspraak der examen-commissie, aan "het examen
hebben voldaan, komen voor toelating tot de Koninklijke Mili-
taire Academie en voor indeelihg bij het Wapen hunner keuze
in aanmerking, voor zoover zij, voor den dienst bij dat Wapen,
bij geneeskundig onderzoek geschikt zijn bevonden, en, inge-
volge hot bepaalde bij § 456, ten behoeve dezer categorie,
plaatsen bij do verschillende Wapens zijn opengesteld.
-ocr page 193-
XIX. Academie.                                 179
Overtreft het aantal adspiranten voor ecnig Wapen dat der
daarvoor beschikbaar gestelde plaatsen, dan geschiedt de toelating
naar de rangorde, door die adspiranten blijkens de uitspraak der
examen-commissie, bij het examen verkregen, met inachtneming,
voor wat de indeeling bij het Wapen der Artillerie of bij dat
der Genie betreft, van dezelfde eischen, als waarvan bij e van
§ 4fi7 sprake is, en met dien verstande, dat hij, wiens vader
in den dienst van den Staat gesneuveld, of binnen één jaar ten
gevolge van in dezen dienst voor den vijand bekomen wonden
overleden is, op grond hiervan, des verlangd, ecne beschikbare
plaats voor het Wapen der Infanterie inneemt, wanneer hij vol-
gens voormelde rangschikking niet voor eene benoeming tot
cadet bij het Wapen zijner keuze in aanmerking kan komen.
(«. v., art. 28).
§ 469. Ingeval sommige der voor de leerlingen van de Oa-
dettenschool opengestelde plaatsen aan de Koninklijke Militaire
Academie, niet mochten worden vervuld, kan daarover worden
beschikt ten behoeve van do jongelieden, bedoeld onder II van
§ 465. (a. v., art. 29).
§ 470. Hij, die overeenkomstig § 408 tot de Koninklijke
Militaire Academie wordt toegelaten is, te rekenen van het tijd-
stip waarop zijn verblijf aan deze Inrichting een aanvang neemt, ver-
bonden, om den Staat gedurende zeven jaren als militair te dienen.
Van deze zeven jaren behoort hij er vier in den rang van
officier te dienen, zoodat, wanneer de officiersrang niet in drie
jaren wordt bereikt, de dienstverbintenis stilzwijgend met den
langeren duur van den opleidingstijd wordt verlengd.
Deze verbintenis verplicht hem tevens, om — voor zooveel
hij daartoe niet reeds uit anderen hoofde mocht gehouden zijn —
na het verlaten van den werkelijken dienst nog vijf jaren, als
hij langer dan vier jaren als officier heeft gediend, als reserve-
oflicier ter beschikking van de Koningin te blijven.
De Koningin behoudt zich nochtans voor van de verplichting
bij het vorige lid bedoeld, geheel of ten deele ontheffing te
verleenen. («. v., art. 30).
§ 471. De leerlingen der Koninklijke Militaire Academie
worden, in het belang van hunne practische vorming, volgeus
bij Eegleinent vast te stellen regelen, gedetacheerd bij het Wapen,
waarvoor zij worden opgeleid, (a v., art. 31).
-ocr page 194-
180                                 XIX. Academie.
§ 472. De leerlingen der Koninklijke Militaire Academie
worden door de Koningin tot tweede-luitenant benoemd bij het
Wapen, waarvoor zij zijn opgeleid — ook al mocht er geene
vacature in gemelden rang bij dat Wapen bestaan — indien zij :
a.    volgens de uitspraak der examen-commissie aan het bij
lleglemeut voor het eind-examen vastgestelde programma
hebben voldaan;
b.    naar het oordeel van die commissie — gegrond ook op
de kennisneming van de te hunnen aanzien uitgebrachte
rapporten — voldoende prachtisehe geschiktheid en bruik-
baarheid bezitten en van goed gedrag zijn ;
c.    voor den militairen dienst bij geneeskundig onderzoek
geschikt zijn bevonden, (a. v., art. 32).
-ocr page 195-
HOOFDSTUK XX.
De Cadettenschool te Alkmaar.
§ 473. A. Bestemming en standplaats. Voorbereidend onder-
wijs wordt gegeven, voor toelating tot, de Koninklijke Militaire
Academie, aan de Cadettenschool. [Wet van 21 Juli 1890 (St.bl.
h\\
126), art. 2, B. U. 1115).
§ 474. De Cadettenschool is gevestigd te Alkmaar. {Wet a.
»., art. 4, en K. B. 18 Juli 1891, {St.bl. n\'. 149), B. V. 1193).
§ 475. B. Plaatsen en lijd van het toelatingsexamen. Jaar-
lijks wordt door den Minister van Oorlog het aantal leerlingen
bepaald, die aan de Cadettenschool kunnen worden toegelaten en
dat wel voor zooveel meer bepaaldelijk betreft den dienst in de
Koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen,
na gehouden overleg met den Minister van Koloniën.
Het aantal en de verdeeling dier plaatsen worden in de Staals-
courant
bekend gemaakt. Voor zooveel de Cadettenschool aangaat,
worden daarbij tevens de eischen medegedeeld, waaraan bij het
toelatings-examen voor deze Inrichting moet worden voldaan.
{Wet a. v., art. 6).
§ 476. Bij Reglement worden vastgesteld de voorschriften,
volgens welke het toelatings-examen aan de Cadettenschool wordt
afgenomen; zoomede de wijze van samenstelling der Commissiën,
ten overstaan van welke dat examen plaats heeft. {Wet a. v., art. 7).
§ 477. Het toelatings-examen wordt in het openbaar afge-
nomen. Omtrent den loop en de uitkomsten van dat examen
wordt, voor zoover zij op de Cadettenschool betrekking hebben,
een verslag opgemaakt, hetwelk in de Staatscourant wordt mede-
gedeeld. {Wet a. v., art. 8).
-ocr page 196-
XX. Öadettensehool,
isa
§ 478. Hier te lande wordt het loelaüngs-cxamcn voor de
Cadettensehool jaarlijks afgenomen in de maanden Juli en
Augustus ; het tijdstip waarop dit examen aanvangt wordt door
den Minister van Oorlog bepaald.
Volgens bij Koninklijk besluit in overeenstemming met dit
reglement vast te stellen bepalingen, kan voorts aan jongelieden, die
aan de bij art. 15 der Wet (§ 480) gestelde eischen voldoen, worden
vergund in Kcderlandsch-lndïè het toelatingsexamen voor de
Cadettensehool af te leggen. Het aantal ten behoeve van deze
jongelieden open te stellen plaatsen bedraagt in den regel jaar-
lijks niet meer dan zes.
Voor zooveel de plaatsen die respectievelijk voor adspiranteii
hier te lande of in Nederlanduch-Indië zijn opengesteld, niet
worden vervuld, kunnen deze worden ingenomen door jongelieden
die in Nederlandsclt-Indiè of hier te lande aan het examen hebben
voldaan en geschikt zijn bevonden voor den dienst voor welken
de door hen in te nemen plaats onvervuld is gebleven. In ver-
band daarmede zendt de Gouverneur-Generaal van Nederland$ch-
Indië,
onmiddellijk na afloop van het aldaar gehouden toelatings-
examen, aan den Minister van Koloniën per telegram opgave van
de namen en de volgnummers van alle jongelieden die aan dat
examen hebben voldaan. De Minister van Kolouiëu brengt deze
opgave onverwijld ter keunis van den Minister van Oorlog, die,
dadelijk nadat de toelating der adspiranten door hem is vastge-
steld, daarvan mededeeling doet aan eerstgenoemden Minister.
De Minster van Koloniën stelt alsdan den Gouverneur-Generaal
per telegram in kennis met de namen der toegelaten jongelieden,
voor zooveel deze het examen iu Nederlandscli-Indië hebben
afgelegd. {Regl. K. B. 5 April 1893, StM. n". 58, art. 1,
R. M. 365).
\\ 479. Ten aanzien van den zoon van een Europeesch of
daarmede gelijkgesteld ingezetene der koloniën of bezittingen van
het llijk in andere werelddeelen, als bedoeld bij art. 15 der wet
(§ 480), die aan het toelatingsexamen wenscht deel te nemen met
het doel om voor den dienst hier te lande te worden opgeleid,
doch die de hoedanigheid van Nederlander, volgens de wet van
12 December 1892 {Staatsblad u°. 2G8), niet bezit, moet eene
gelegaliseerde verklaring van den vader, de moeder of den voogd
worden overgelegd, waaruit blijkt dat het den belanghebbende
-ocr page 197-
XX. CaielteitseJtool.                              183
bekend is, c!at de bedoelde adspirant eventueel niet tot olt\'icier
voor vermelden dienst kan worden benoemd, dan nadat hij
genaturaliseerd is. (Regt. a. e., art. 2).
§ 480. Nederlanders en zoons van Europeesche of daarmede
gelijkgestelde ingezetenen der Koloniën of bezittingen van het
Kijk in andere werelddeelen, hebben het recht aan het toelatings-
examen voor de Cadettenschool deel te nemen, wanneer zij:
a.     op het tijdstip van den aanvang van het eerstvolgende
leerjaar, den vollen ouderdom van vijftien jaren bereikt en dien
van achttien jaren niet overschreden hebben ;
b.    zich, onder overlegging der bij Reglement aangewezen be-
scheiden, bij den Minister van Oorlog, vóór het door dien
Minister te bepalen tijdstip, tot het afleggen van het examen
aangemeld hebben.
Zij, die aan de onder a of b gestelde eisenen niet voldoen,
mogen aan het examen niet deelnemen.
De Koningin behoudt zich nochtans voor, jongelieden, geen
Nederlander en geen zoon van een ingezetene der Koloniën of
bezittingen van het Kijk in andere werelddeelen zijnde, bij uit-
zondering tot het volgen van de lessen aan de Cadettenschool
toe te laten. (Wet a. v., art. 15).
§ 481. C. Aanmelding en oproeping voor het toelatingsexamen.
Bij de aanmelding bedoeld bij art. 15 (\\ 480), onder b der wet,
moeten — behalve, in voorkomend geval, de verklaring, waarvan
bij § 479 en de kennisgeving waarren bij art. 19 der wet (§ 524)
sprake is — de navolgende bescheiden worden overgelegd:
1°. eeue verklaring, waaruit blijkt dat de adspirant Neder-
lander is volgens de wet van 12 December 1892 (Staatsblad
»°. 268) of zoon van een Europeesch of daarmede gelijkgesteld
ingezetene der Koloniën of bezittingen van het llijk in andere
werelddeelen;
2°. een extract uit liet register der geboorten (geboorteakte)
betreffende den adspirant;
3°. een bewijs inhoudende de verklaring van een geneesheer,
dat de adspirant gevaccineerd is of de kinderpokken heeft gehad ;
4°. een bewijs van goed gedrag, af te geven door den burge-
meester der gemeente of de burgemeesters der gemeenten, waar
de adspirant gedurende de laatste drie jaren heeft gewoond j
-ocr page 198-
184                              XX. Oadettenschool.
5". ooiic gulegaliseerde toestemming vau vader, moedor of
voogd tot het aangaan van ecne militaire dienstverbintenis; deze
toestemming kan ook worden verleend door eenen daartoe bij
notarieele akte speciaal gemachtigde, mits onder overlegging
der akte.
Voor den adspirant die zich reeds in militairen dienst bevindt,
worden de onder 2°. en onder 4". genoemde bescheiden respec-
tievelijk vervangen door hem betreffende extracten uit het stam-
boek en uit het strafregister.
Ten aanzien van den adspirant voor wien aanspraak wordt
gemaakt op plaatsing ingevolge het bepaalde bij het slot van
art. 17 der wet (§ 491), moet daarvan bij de aanmelding, met
opgaaf van reden, kennis worden gegeven.
Adspiranten die bij het toelatingsexamen proeven van bekwaam*
heid in het teekenen wenschen af te leggen, moeten daarvan bij
de aanmelding doen blijken. (Regl. a. v., art. 67).
§ 482. De aanmelding om tot het examen te worden toe-
gelaten geschiedt door het inzenden aan het Departement van
Oorlog van eene kennisgeving, ingericht volgens het daarvoor
vastgesteld model.
De daarbij over te leggen verklaring, bedoeld bij het eerste lid
van § 481 en het bewijs van toestemming, bedoeld bij punt 5
van die §, zijn ingericht volgens de daarvoor vastgestelde modellen.
Op aanvragen van adspiranten strekkende tot wijziging van
de opgave nopens den wensch om in aanmerking te komen voor
den dienst hier te lande of voor dien in Nederlandscli-Indië, dan
wel van de volgorde, waarin de keuze zich ten deze heeft ge-
vcstigd, wordt geen acht geslagen, voor zooveel deze aanvragen
aan het Departement van Oorlog inkomen, na het tijdstip be-
doeld bij art. 15 onder h. der Wet (§ 480). (Voorschr. Cad.
Sc/wol, art.
10, R. M, 402).
§ 483. Hij die tot het afleggen van het examen wordt toe-
gelaten, wordt door of vanwege den Minister van Oorlog opge-
roepen, om zich op een bepaald tijdstip aan te melden, op een
der plaatsen, bedoeld bij § 486 tot het ondergaan van het ge-
neeskundig onderzoek en tot het afleggen van het schriftelijk
gedeelte van het examen.
Het geneeskundig onderzoek heeft plaats vóór den aanvang
van het schriftelijk examen.
-ocr page 199-
XX. CadettuHSchool.
185
Adspiranten die bij dit onderzoek worden afgekeurd, mogen
niettemin, desverlangd, deelnemen aan het schriftelijk examen,
indien zij verzoeken om zich aan eene herkeuring te mogen
onderwerpen.
De herkeuring wordt in elk geval toegestaan. Zij heeft plaats
te Alkmaar vóo\'r den aanvang van het mondeling examen; de
adspiranten ontvangen de hiertoe vereischtc oproeping van den
voorzitter der examen-commissie. [Begl. a. v., art. 68).
§ 484. De oproeping bedoeld bij § 483 geschiedt, ten op-
zichte van den adspirant die zich reeds in militairen dienst be-
vindt, door tusschenkomst van den betrokken Korps-Commandant.
Alle op het door dien adspirant at\' te leggen toelatingsexamen
vallende kosten komen te zijnen laste. (Foorsc/e. a. o, art, 11).
§ 485. Wanneer zulks, gelet op het aantal adspiranten dat in
eene van de daartoe aangewezen gemeenten het geneeskundig on-
derzoek wenscht te ondergaan, noodig is, kan aan dat onderzoek
meer dan één dag worden besteed en wordt de oproeping dien-
overeenkomstig geregeld. (Voorschr. a. »., art. 12).
\\ 486. D< Geneeskundig onderzoek. De samenstelling van
de commissü:u met het geneeskundig onderzoek der adspiranten
hier te lande te belasten, alsmede de tijdstippen waarop en de
gemeenten waar dat onderzoek wordt gehouden, worden jaarlijks
door den Minister van Oorlog bepaald. (Regl. a. v., art 3).
§ 487. Het geneeskundig onderzoek, bedoeld bij § 483, wordt
ingesteld, door eene commissie, bestaande uit drie officieren van
gezondheid, op voordracht van den Inspecteur van den Oenees-
kundigen Dienst der Landmacht, daartoe door den Minister van
Oorlog aangewezen.
Genoemde Inspecteur ontvangt vanwege den Minister van
Oorlog tijdig nominatieve opgaven in tweevoud, van de adspi-
ranten, ingericht volgens het daarvoor vastgesteld model.
Van den uitslag van het onderzoek wordt door den voorzitter
der betrokken geneeskundige commissie aan de adspiranten mede-
deeling gedaan met bepaalde vermelding daarbij of zij voor den
dienst of voor de diensten waarvoor zij zich hebben aangemeld,
geschikt dan wel ongeschikt zijn bevonden, zoomede van de even-
tueel bij hen waargenomen lichaamsgebreken.
Alle adspiranten, die ongeschikt zijn verklaard, worden des-
-ocr page 200-
18 ft                              XX. Öadeltenwhool.
verlangd herkeurd; aan hen wordt door voornoemden voorzitter
afgevraagd, ot\' zij zich al dan niet aan ecne herkeuring wenscheu
te onderwerpen.
Onmiddellijk na afloop van liet in het eerste lid van deze
§ vermelde geneeskundig onderzoek wordt van de hiervoren
bedoelde nominatieve opgaven, nadat deze door de betrokken
commissie verder zijn ingevuld, één exemplaar aan den Inspecteur
van den Geneeskundigen Dienst der Landmacht en één aan den
Voor/.iter der examen-commissie gezonden. (Voorschr. a. v., art. 13).
§ 488. De commissie voor de herkeuring, bedoeld bij het
laatste lid van §483, wordt door den Minister van Oorlog, op
voordracht van den Inspecteur van den Geneeskundigen Dienst
der Landmacht, benoemd.
Voornoemde inspecteur zendt tijdig aan laatstvermelde com-
missie de nominatieve opgaven, bedoeld in het laatste lid van § 487.
Het door haar na afloop van het nader ingestelde geneeskundig
onderzoek aan genoemden Inspecteur uit te brengen rapport, is
ingericht volgens het daarvoor vastgesteld model. Een afschrift
van dit rapport wordt zoo spoedig mogelijk toegezonden aan den
Voorzitter der commissie voor het toelatingexamen.
Van den uitslag van de herkeuring wordt door den Voorzitter
der commissie aan de adspiranten mededeeling gedaan, in den
zin als bij het derde lid van § 487 ten opzichte van den uitslag
der keuring is voorgeschreven.
Een adspirant die ook bij de herkeuring voor den dienst voor
welken hij zich heeft aangemeld — of indien hij zich zoowel
voor den dienst hier te lande als voor dien in Nederlandse?/-lndïè
heeft aangemeld, voor beide diensten — ongeschikt is bevonden,
raag niet worden toegelaten tot het afleggen van het mondeling
gedeelte van het examen. (Poorsc?ir. a. v., art. 14).
§ 489. E. Programma voor het toelating* examen. Het pro-
gramma van het bij § 480 genoemde toelatings-examen omvat:
a.    de reken-, de stel- en de meetkunde;
b.    de eerste beginselen der natuurkunde;
c.    de aardrijkskunde;
d.    de geschiedenis;
e.    de Nederlandsche, de Eransche, de Hoogduitsche en de
Engelsche taal.
-ocr page 201-
XX. Co fielten ir.1i nnl.                              187
Bedrevenheid in het leekenen strekt tot aanbeveling.
De ciaehen van kennis, volgens voren vermeld programma te
stellen, worden, bij de in § 476 bedoelde voorschriften, nader
omschreven en toegelicht. {Wet a. v., art. 16).
§ 490. Het programma voor het toelatings-examen omvat het
navolgende:
a. Rek e u k u n d e.
De hoofdbewerkingen met gcheele getallen, gewone en tien-
deelige breuken, zoomedc de eigenschappen waarop die bewerkin-
gen berusten; het metrieke stelsel van maten en gewichten; de
kenmerken van deelbaarheid en de leer der evenredigheden met
hare voornaamste toepassingen; oplossing van vraagstukken.
h. Stelkunst.
De hoofdbewerkingen met geheele en gebroken stelkunstige
vormen; de behandeling van wortelvormen en van vormen met
gebroken en negatieve exponenten ; de tweede- en de derdemachts-
worteltrekking uit rekenkundige getallen; de theorie en de oplos-
sing van vergelijkingen van den eersten graad met één onbekende
en met meer onbekenden, van onbepaalde vergelijkingen van den
eersten graad, van vergelijkingen van den tweeden graad met één
onbekende en van exponentieele vergelijkingen; de reken- en
de meetkundige reeksen; de leer der logarithmen en het gebruik
van logarithmentafels; oplossing van vraagstukken.
c. Meetkunst.
De vlakke meetkunst (kennis van de leer der transversalen en
der harmonische snijding wordt niet gevorderd); meetkunstige
constructiën van stelkunstige vormen; oplossing van vraagstuk-
ken, ook met toepassing van de stelkunst.
d. De eerste beginselen van de natuurkunde.
De algemeene eigenschappen van krachten en van lichamen;
de zwaartekracht en hare verschijnselen en wetten bij vaste licha-
men, vloeistoffen en gassen; oplossing van eenvoudige vraagstukken.
e. A a r d r ij k s k u n d e.
De aardrijkskunde van de verschillende werelddeelen; in de
-ocr page 202-
18S                              XX. Oadeltensc/tool.
eerste plaats die van Europa; meer in\'t bijzonder die van Xeder-
laiul
en van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen.
/. Geschiedenis.
De voornaamste personen en gebeurtenissen uit de algemeene
geschiedenis tot het jaar 1789 en die uit de vaderlandsche ge-
schiedenis tot het jaar 1795.
g. Nederlandse li e taal.
De hoofdregelen der spraakleer; vaardigheid om zich, zoowel
mondeling als schriftelijk, in zuiver en beschaafd Nederlandsen
uit te drukken.
h. F r a n s c h e taal.
Lezen met beschaafde uitspraak; vertaling uit het Fransen in
goed Nederlandsen en van een niet te moeielijk stuk van liet
Nederlandsen in het Fransen, zonder grove fouten; de voor-
naamste taalregels, ook de syntaxis, waarvan de kennis moet
blijken bij de mondelinge verklaring van een eenvoudig Fransch
prozastuk.
i. H o o g d u i t s c h e en Engelsche talen.
Lezen met beschaafde uitspraak, vertalen van een niet te
moeielijk stuk uit het Hoogduitsch en uit liet Engelsen in goed
Nederlandsen en van een gemakkelijk stuk uit het Nederlandsen
in elk van die talen, zonder grove fouten; de voornaamste taai-
regels, waarvan de kennis moet blijken bij de mondelinge ver-
klaring van eenvoudige stukken in die talen.
Bij de beoordeeling van het door de adspiranten te leveren
schriftelijk werk, zal er inzonderheid ook op gelet worden of het
schrift duidelijk leesbaar is.
TSïj de vertaling van het Nederlandsen in een vreemde taal
kan van een woordenboek worden gebruik gemaakt.
In verband met het bepaalde bij het tweede lid van art. 16
der wet (§ 489), kunnen de adspiranten, desverlangd, proeven van
bedrevenheid in het teekenen afleggen. {Eegl, a. v., art. 09).
-ocr page 203-
XX. Caitttewsclioov.
18\'.)
§ 491. ï". Toelating. Voor zoover de adspiranlcn voor den
militairen dienst bij geneeskundig onderzoek geschikt zijn be-
vonden, en blijkens de uitspraak der examen-commissie, aan het
examen hebben voldaan, komen zij voor toelating tot de Cadetten-
school in aanmerking.
Indien het aantal dier adspiranten grooter is dan het aantal
beschikbare plaatsen, geschiedt de toelating naar de rangorde,
die zij bij het examen, blijkens de uitspraak der examen-com-
missie, hebben verkregen; met dien verstande, dat hij, wiens
vader in den dienst van den Staat gesneuveld of, binnen één
jaar ten gevolge van in dezen dienst voor den vijand bekomen
wonden overleden is, op grond hiervan eene beschikbare plaats
inneemt. (Wet a. v., art. 17).
§ 492. Hij, die in verband met den uitslag van het hier te
lande of in NederlandscJi-Indië afgelegd examen en van het on-
dergane geneeskundig onderzoek, tot de Cadettensehool wordt
toegelaten, ontvangt van den Minister van Oorlog een bewijs
van benoeming tot cadet. (Regl. a. v., art. 4).
§ 493. Gr. Bijdrage. Tot tegemoetkoming in de kosten
van de Cadettensehool wordt jaarlijks, voor iederen leerling ecne
door de Koningin vast te stellen som — het bedrag van vier
honderd gulden niet te boven gaande — bijgedragen, welke in
\'s Rijks kas wordt gestort. Van het betalen dier bijdragen kan
door de Koningin geheele of gedeeltelijke vrijstelling worden
verleend, volgens bij Keglement vast te stellen regelen. (Wet
a.
»., art. 10).
De bijdrage is vastgesteld op vierhonderd gulden (f 400).
(K. B. 29 April 1893, n°. 32, R. M. 467).
§ 494. Van het betalen der bijdrage bedoeld bij art. 10 dei-
wet (5 493), wordt — met inachtneming, van het bepaalde bij
§ 49 5, tweede lid, — verleend:
a. geheele vrijstelling, ten behoeve van:
1°. den cadet, bestemd voor den dienst in Nederland$ch-
Indië;
2°. den cadet, bestemd voor den dienst hier te lande,
wiens vader in den dienst van den Staat gesneuveld
of binnen één jaar ten gevolge van in dezen dienst voor
den vijand bekomen wonden overleden is;
-ocr page 204-
XX. Cadettenschool.
190
/). gedeeltelijke vrijstelling, ten behoeve van den cadet, zoon van :
1°. een officier, een eervol ontslagen of een gepensionneerd
officier, betzij in leven of reeds overleden;
2». een verdienstelijk onderofficier of gepensionneerd onder-
officier, hetzij in leven of reeds overleden ;
en zulks voor zooveel men tot het betalen van de ge-
heele bijdrage voor een cadet als onder 1°. of 2°. bedoeld,
niet in staat is;
c. gelieele of gedeeltelijke vrijstelling, ten behoeve van den
cadet, die tijdens zijn verblijf aan de Cadettenschool zijne ouders
of een hunner verliest en voor wien de bijdrage dientengevolge
verder niet meer of slechts gedeeltelijk meer kan worden betaald,
zoodat hij verplicht zou zijn de Cadettenschool te verlaten, {jftegl.
a. v., art.
21).
§ 495. Be vrijstellingen, bedoeld onder h en e van § 494,
worden jaarlijks bij Koninklijk besluit bepaald.
Aan niet meer dari -i van het aantal der cadetten, die in
beide studiejaren voor den dienst hier te lande zijn geplaatst en
die als leerling aan de Cadettenschool verblijf houden, mag
gedeeltelijke vrijstelling worden verleend.
Wanneer het aantal van hen die voor gedeeltelijke vrijstelling
in aanmerking komen, het in het vorige lid aangeduide maximum
overschrijdt, hebben de reeds geplaatste cadetten voor de toe-
kenning den voorrang en is de toekenning voor de nieuw be-
noemden afhankelijk van het bij het toelatingsexamen verkregen
rangnummer. (Begl. a. v., art. 22).
§ 496. Be adspirant, die in de termen valt voor toekenning
van geheele vrijstelling, op grond van het bepaalde bij § 494
onder a, bij 1°., dan wel voor gedeeltelijke vrijstelling op grond
van het bepaalde bij genoemde § onder h, wordt niet tot
cadet benoemd, dan nadat, door borgstelling, bij authentieke
akte, voldoende zekerheid is verkregen, dat de som, voor welke
vrijstelling zal worden verleend, zal worden terugbetaald, ingeval
de cadet op verzoek wordt ontslagen of om andere redenen
afhankelijk van eigen wil of van eigen toedoen zijne bestemming
niet volgt.
Het model van de bedoelde authentieke akte wordt door den
directeur der Cadettenschool aan belanghebbenden toegezonden;
-ocr page 205-
XX. Cadettensclioul.                              191
daarvan moot door hen een eerste grosse in execntorialen vorm
aan dien directeur worden ingediend. (Regl. a. v., art. 23).
f 497. De bijdrage wordt betaald aan den Raad van Admi-
nistratie der Cadettenschool en wel de eerste helft vóór of op 1
October, de tweede helft vóór of op 1 April. {Regl. a. v., art. 24).
§ 498. De bijdrage is niet verschuldigd over de nog niet
ingetreden maanden van het leerjaar, en wordt, voor zooveel zij
reeds betaald is, teruggegeven:
I.  indien een cadet:
a.   krachtens het bepaalde bij § 517 wegens ziekte bij zijne
betrekkingen wordt verpleegd;
b.   ontheven wordt van de dienstverbintenis bedoeld bij art.
18 der wet ($ 499);
c.  gedurende zijn verblijf aan de Cadettenschool overlijdt;
II.    wanneer het onderwijs aan de Cadettenschool, krachtens
het bepaalde bij art. 12 der wet (§ 523), geschorst wordt en
zoolang zulks liet geval is.
In de bij I onder a en bij II bedoelde gevallen moet bij
terugkeer van den cadet aan de Inrichting, de bijdrage voor hem
evenwel voldaan worden, te rekenen van den aanvang van de
alsdan ingetreden maand.
In de gevallen bij I onder b en e vermeld, blijven de boe-
ken en de instrumenten van den cadet het eigendom van de
Cadettenschool en wordt de waarde zijner kleeding berekend naar
den onverschenen drachttijd.
Ingeval van ontheffing blijft de kleeding het eigendom van
den betrokken cadet en moet deze waarde door ouders of voogden
worden vergoed; bij overlijden van den cadet kunnen deze be-
trekkingen, zoo zij het verlangen, de kleeding overnemen, mits
de waarde daarvan door hen wordt vergoed, (lïegl. a. »., art. 25).
§ 499. H. Verbintenis. Hij, die tot de Cadettenschool wordt
toegelaten, is, te rekenen van het tijdstip waarop zijn verblijf
aan deze Inrichting een aanvang neemt, verbonden om den Staat
gedurende den tijd van negen jaren als militair te dienen.
Van deze negen jaren behoort hij er vier in den rang van
officier te dienen, zoodat, wanneer de ofliciersrang niet in vijf
jaren wordt bereikt, de dienstverbintenis stilzwijgend met den
langeren duur van den opleidingstijd wordt verlengd.
-ocr page 206-
192
X X. Cadeltemchool.
Deze verbintenis verplicht hem tevens, om — voor zooveel
hij daartoe niet reeds uit anderen hoofde mocht gehouden zijn —
na het verlaten van den werkelijken dienst nog vijfjaren, of zoo
veel minder dan vijf jaren, als hij langer dan vier jaren als of-
fioier heeft gediend, als reserve-officier ter beschikking van de
Koningin te blijven.
De Koningin behoudt zich nochtans voor van de verplichting,
bij het vorige lid bedoeld, geheel of ten deele ontheffing te
verlcenen. (Wet a. v, art. 18.)
§ 500. De toelating tot de Oadettcnschool heeft jaarlijks plaats
omstreeks het midden van de maand September. De juiste datum
wordt telkens door den Minister van Oorlog bepaald.
Voor zooveel de toepassing betreft van het bepaalde bij art.
15, (§ 480) sub a der wet, wordt het leerjaar gerekend aan te
vangen op 16 September. (Regl. a. »., art, 5).
§ 501. Op den dag hunner aankomst bij de Cadettcnschool
gaan de tot die Inrichting toegelaten jongelieden schriftelijk de
verbintenis aan, bedoeld bij art. 18 der wet (§ 49!!). Onmiddellijk
daarna worden hun de krijgsartikelen voorgelezen; het bewijs
dat zulks geschied is, wordt door hen onderteekend.
Op dien dag vervalt voor hem, die zich reeds als vrijwilliger
in militairen dienst bevond, de als zoodanig aangegane verbin-
tenis. (Regl. a. v., art. 19).
§ 502. I. Onderwijs. Aan de Cadettenschool wordt onder-
wijs gegeven in:
a. de wiskunde ;
I). de beginselen der theoretische en toegepaste mechanica;
c.     de natuurkunde en hare voornaamste toepassingen;
d.    de scheikunde en hare voornaamste toepassingen;
e.     de beginselen der eosmographie;
f.    de Nederlandsche taal- en letterkunde;
r/. de Fransche taal- en letterkunde;
//. de Hoogduitsche taal- en letterkunde;
i. de Engelsche taal- en letterkunde;
k. de aardrijkskunde;
l. de gronden van de gemeente-, provincialc- en staatsin-
richting van Nederland;
m. de staathuishoudkunde en de statistiek, inzonderheid van
-ocr page 207-
XX. Cadetten scJtool.
198
Nederland en van zijne Koloniën en bezittingen in andere
werelddeelen;
n. de geschiedenis;
o. het hand- en het rechtlijnig teekenen;
p. de infanterie exercitiën;
q. de gymnastiek, het schermen, het dansen en het zwemmen.
[Wet a. v.\\ art. 13).
§ 503. Het leerplan wordt verdeeld over twee studiejaren.
(Wet a. v„ art. 14).
§ 504. Leerlingen van de Cadettenschool mogen niet langer
dan twee jaren in hetzelfde studiejaar doorbrengen.
Van deze bepaling kan worden afgeweken ten gunste van hen,
die wegens ziekte verhinderd waren het onderwijs geregeld te volgen.
Overigens worden bij Reglement bepaald de regelen, waarnaar
de leerlingen:
a.   wegens hunne gedragingen als anderszins van bedoelde In-
richting verwijderd kunnen worden;
b.   van de overeenkomstig \\ 499 aangegane dienstverbintenis
ontheven kunnen worden. [Wet a. v., art. 9).
§ 505. J- Kleeding, huisvesting, voeding, soldij en bijzonder ff root-
verlof.
De cadetten, leerlingen der Cadettenschool, worden voor
rekening van het Rijk gekleed, gehuisvest en gevoed, alsmede
van leerboeken, atlassen, schijf- en teekenbehoeften voorzien.
Het bedrag van het aan de cadetten van elk der beide studie-
jaren wekelijks uit te keeren zakgeld, wordt bij Koninklijk be-
sluit bepaald. [Eegl. a. v., art. 26).
Het bedrag is bepaald op een gulden (ƒ 1). Het zakgeld wordt
alleen genoten gedurende den tijd waarin de leerling werkelijk
aan die Inrichting verblijf houdt; alzoo niet, wanneer hij met
verlof of om eenige andere reden afwezig is. [K. B. 29 April
1893, n\\ 32, R. M. 467).
§ 506. De cadetten over wie, gedurende den tijd, waarin het
onderwijs aan de Cadettenschool krachtens het bepaalde bij art.
12 der wet (§ 5 23) geschorst is, in het belang van \'s Lands
verdediging wordt beschikt, ontvangen gelijke soldij, en ook
overigens gelijke verstrekkingen en vergoedingen, als de met hen
in positie of in graad gelijkstaande militairen van het korps
waarbij zij alsdan zijn ingedeeld. [Regl. a. v., art. 27).
13
-ocr page 208-
XX. PfiflctieiiicJimil,
194
§ 507. Aan cadetten, die als leerlingen op de Cadettenschool
verblijf houden, kan door den Minister van Oorlog in bijzon-
dere gevallen groot-verlof worden verleend op den voet van het
bepaalde bij art. 19 der wet(§ 524). Het verlof wordt niet vcr-
leend dan op verzoek van ouders of voogden en niet dan na
alloop van het ingetreden studiejaar.
Tot het verkrijgen van dit verlof behooren de betrekkingen
van don eadet zich met opgaaf van redenen tot den Minister
van Oorlog te wenden.
De kleeding, de boeken en de instrumenten van een cadet,
als bij deze § bedoeld, die in het genot van groot-verlof
wordt gesteld, worden aan de Cadettenschool ingeleverd. {Regl.
a. v., art,
28).
§ 508. K. Ontslag. Ken eadet wordt van zijne plaatsing op de
Cadettenschool ontslagen en in verband daarmede van de door
hem aangegane dienstverbintenis ontheven, wanneer:
a.     hij het overgangsexamen naar het tweede studiejaar aan
de Cadettenschool of het toelatingsexamen tot de Koninklijke Mi-
litaire Academie voor de tweede maal met onvoldoenden uitslag
heeft afgelegd en zulks niet kan worden toegeschreven aan de om-
standigheid, bedoeld bij het tweede lid van art. !) der wet (§504);
b.     hij in verband met den uilslag van het door hem afgelegde
toelatingsexamen voor de Koninklijke Militaire Academie, niet aan
deze Inrichting kan worden geplaatst voor het wapen zijner keuze
en hij niet bij het wapen, waarvoor hij in aanmerking komt,
weuscht te worden ingedeeld;
c.     hij wegens ontstane ziels-of lichaamsgebreken, ongeschikt is
voor den militairen dienst;
cl. ouders of voogden langer dan drie maanden in gebreke
blijven de bepaalde bijdrage te voldoen. {Regl. a. v., art. 29).
§ 509. Hen cadet kan van zijne plaatsing op de Cadettenschool
worden ontslagen en, in verband daarmede, van de door hem aan-
gegane dienstverbintenis ontheven:
a.  op verzoek van zijne ouders of voogden, mits daarvoor
geldige redenen bestaan;
b.   wanneer blijkt dat hij wegens gemis aan ijver de studiën
niet kan volgen, (llegl. a. v., art. 30).
§ 510. Ingeval van ontslag, overeenkomstig het bepaalde bij
-ocr page 209-
XX. Cadeltetiurhonh                              195
§ 508, ouder b of d, of bij § 509, onder a of b, kan geheele
of gedeeltelijke teruggave worden gevorderd van hetgeen door het
Rijk ten behoeve der opleiding van een eadel, als hiervorenbe-
doeld, is ten koste gelegd.
De beslissing omtrent het verleenen van ontslag in de ge-
vallen bedoeld bij de §§ 508 en 509 en omtrent de terugbet.v
liug van gelden bedoeld in het eerste lid, geschiedt door den
Minister van Oorlog, voor zooveel noodig, ua gehouden overleg
met den Minister van Koloniën.
De ouders of voogden van een cadet wien ontslag is verleend,
worden daarvan door of vanwege den Minister van Oorlog
onderricht, in voorkomend geval met mededeeling van de be-
slissing omtrent de terugbetaling van gelden, ingevolge het voor-
gaande lid genomen. (Regl. a. v., art. 31).
§ 511. L. Godsdienstonderwijs en -oefening. De cadetten
zijn verplicht op Zon- en feestdagen de godsdienstoefening van
hunne gezindte bij te wonen, tenzij hunne ouders of voogden
aan den directeur schriftelijk hebben te kennen gegeven, dat zij
uitdrukkelijk verlangen hunne zonen of pupillen daarvan te zien
vrijgesteld. {Regl. a. v., art. 32).
\\ 512. Aan de leerlingen van de Cadetteuschool wordt ge-
legenheid gegeven, overeenkomstig het verlangen en de keuze
der ouders of voogden, onderwijs in den godsdienst te bekomen.
(Wet a. v., art. 5).
§ 513. Een cadet die met provoost is gestraft, woont geene
lessen, godsdienstoefeningen of diensten bij. {Regl. a. v. art. 40).
§ 514. M. Verwijdering. Een cadet wordt van de Cadet-
tenschool verwijderd, in verband daarmede van de door hem
aangegane dienstverbintenis ontheven, en naar zijne betrekkingen
teruggezonden:
a. wegens zedenbederf of ondeugden, die hem voor anderen
gevaarlijk kunnen doen worden;
/;. wegens doorgaand slecht gedrag, blijkende uit ongevoelig*
heid voor straffen en vermaningen;
c. wanneer hij door den militairen of den burgerlijken rech-
ter is gevonnisd en zijne verwijdering in het belang der andere
cadetten noodig wordt geoordeeld ;
-ocr page 210-
)CX. Öadeitemchool.
190
d. waaneer zulks in het belang van de handhaving van orde
en tucht aan de Cadettenschool noodzakelijk is. (Regl. a. v.,art. 41).
§ 515. Omtrent de verwijdering van cadetten van de Cadet-
tenschool beslist de Minister van Oorlog. {Regl. a. v., art. 42).
§ 516. N. Ziekte. Wanneer een cadet in de ziekeninrich-
ting is opgenomen, geeft de directeur hiervan op den dag na
dien der opneming kennis aan diens ouders of voogd, met
mededeeling van den aard der ziekte en van den toestand van
den lijder. Blijkt de ziekte van ernstigen aard te zijn of te wor-
den, dan wordt daarvan onmiddellijk kennis gegeven, opdat de
ouders of de voogd desverkiezende een geneesheer kunnen aan-
wijzen, om met den officier van gezondheid der Cadettenschool
over den zieke te raadplegen. {Foorschr. Cad.sc/iool. art. 6, R.
M.
1893, 402).
§ 517. Cadetten, die in de ziekeninrichting zijn opgenomen,
kunnen, bijaldien daartoe door ouders of voogden aan den
directeur der Cadettenschool het verzoek wordt gedaan en zij
naar het oordeel van den officier van gezondheid vervoerbaar
zijn, naar de woonplaats en naar het huis van hunne ouders,
van hunne voogden of van andere betrekkingen worden overge-
bracht, ten einde aldaar op hunne kosten te worden verpleegd.
De directeur stelt, eventueel in overleg met den officier van
gezondheid en zooveel mogelijk te gemoet komende aan de ten
deze door ouders of voogden kenbaar gemaakte wenschen, de
vereisehte orde op het vervoer van den zieke. {Regl. a. v., art. 43).
§ 518. O. Vacantiën en verloven. Voor vaeantiën zijn be-
stemd :
1°. 10 a 12 dagen tegen het einde van het jaar;
2°. de dagen van Goeden Vrijdag tot en met den dag na
Paschen;
3°. de maand Augustus en ongeveer de eerste helft van de
maand September. {Regl. a. v., art. 61).
§ 519. Aan de leerlingen kan — voor zooveel de eischen
van den dienst, ter beoordeeling van den directeur, het toelaten —
door den directeur binneulandsch verlof worden verleend:
1°. gedurende de bij § 518 bedoelde tijdperken;
2°. op Zon- en algemeen erkende Christelijke feestdagen;
-ocr page 211-
XX. CadeUauekool.                              1!)7
3°. aan hen die den Israëlietischen godsdienst belijden, ook
op de voor dien godsdienst geldende feestdagen;
met dien verstande nochtans dat aan cadetten het verlof op
de dagen bedoeld onder 2°. en 3°., niet wordt verleend, tenzij
een daartoe strekkend verzoek door ouders of voogden schriftelijk
aan den directeur is ingediend.
Overigens mag alleen in dringende gevallen verlof worden
verleend. (Ret/l. a. v., art. fi2).
§ 520. 1\'. Overplaatsing. Verzoeken om overplaatsing van
cadetten bestemd voor den dienst hier te lande, bij dien in
Nederlandsch-lndië of omgekeerd, worden niet toegestaan, dan
wanneer daarvoor door den vader, de moeder of den voogd
dringende redenen, ter beoordeeling van den Minister van Oorlog,
worden aangevoerd.
Ten aanzien van zoodanige verzoeken beslist de Minister van
Oorlog, na gehouden overleg met den Minister van Koloniën.
(Regl. a. v., art. 20).
f 521. Q. Tijd van de studiejaren. In het eerste studiejaar
wordt aan de leerlingen, behoudens het bepaalde bij § 518,
onder 1°. en 2°., onderwijs gegeven van den aanvang van het
leerjaar tot omstreeks 15 Juni d. a. v.
Het overgangsexamen heeft in de tweede helft der maand
Juli plaats.
Het tijdperk van 15 Juni tot 15 Juli wordt in het bijzonder
bestemd voor repetitiën, terwijl de gelegenheid tot eigen studie
voor de leerlingen in dat tijdvak wordt uitgebreid.
Voor zooveel de cadetten die niet in allen deele aan het
overgangsexamen hebben voldaan een nader examen in een
vak of in meer vakken moeten afleggen, heeft dat nader
examen vóór den aanvang van het nieuwe leerjaar. (Ret/l. a. v.,
art.
6).
§ 522. In het tweede studiejaar wordt aan de leerlingen,
behoudens het bepaalde bij § 518, ouder 1°. en 2°., onderwijs
gegeven van den aanvang van het leerjaar tot 1 Juli.
Het tijdperk van 1 Juli tot aan het begin van het toelatings-
examen voor de Koninklijke Militaire Academie, wordt in het
bijzonder bestemd voor repetitiën, terwijl de gelegenheid tot
-ocr page 212-
XX. Cadetten-school.
198
eigen studie voor de leerlingen in dat tijdvak wordt uitgebreid.
(Regl. a. v., art. 7).
§ 523. R. Schorsing van het onderwijs. Ingeval van oorlog,
oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden, bedoeld
bij art. 185 der Grondwet, kan door de Koningin het Onderwijs
aan de Cadettenschool worden geschorst, en over de leerlingen,
alsmede over het aan die Inrichting verbonden militair personeel
beschikt worden in het belang van \'s Lande verdediging. (Wet
a. v., art.
12).
§ 524. S. Cadetten met groot-verlof. Hij, die tot de Ca-
dettcnschool is toegelaten en bij de in § 480, onder h, voor-
geschreven aanmelding kennis heeft gegeven van zijn verlangen
om het voorbereidend onderwijs voor toelating tot de Koninklijke
Militaire Academie elders dan aan genoemde school te volgen,
wordt daartoe, naar bij Reglement te bepalen regelen, in het
genot van groot-verlof gesteld.
Hij staat, voor de toepassing der meergenoemde Wet, gelijk
met hem die hot onderwijs aan de Cadettenschool geniet, doch
is gedurende zijnen verloftijd vrijgesteld van het betalen der bij-
drage bedoeld bij § 498.
Het Crimineel Wetboek en het Reglement van krijgstucht voor
het krijgsvolk te lande zijn op hem niet toepasselijk, zoolang hij
zich in het genot van groot verlof bevindt. (Wet a. v., art. 19).
§ 525. Ten aanzien van bem, die bij de aanmelding tot
deelneming aan het toelatingsexamen, ingevolge art. 15 onder
b der wet (§ 480), keunis heeft gegeven van zijn verlangen om
het voorbereidend onderwijs voor toelating tot de Koninklijke
Militaire Academie elders dan aan de Cadettenschool te volgen
en die voor toelating tot de Cadettenschool in aanmerking komt,
behoort vóór liet daartoe door den Minister van Oorlog kenbaar
te maken tijdstip, aan dien Minister opgave te worden gedaan
van de gemeente, waarheen de cadet zich met groot-verlof
wenscht te begeven en van de inrichting van onderwijs, waaraan
hij het bedoeld voorbereidend onderwijs zal volgen. (Jleffl. a. ».,
art. 45).
<j 526- De cadetten bedoeld bij § 525 worden, onmiddellijk
nadat te hunnen aanzien en door hen voldaan is aan hef bepaalde
bij § 501, in het genot van groot-verlof gesteld.
-ocr page 213-
XX. Caclellensclwol.
199
Hun wordt daarbij door den directeur der Cadettenschool een
verlofpas uitgereikt. (Regl. a. v., art. 46).
§ 527. Een cadet aan wien groot-verlof is verleend, behoort
zich binnen vier dagen, nadat hem de verlofpas is uitgereikt,
aan te melden bij den plaatselijken- of den garnizoenscommandant,
of — indien ter plaatse geen zoodanige commandant gevestigd
is — bij den burgemeester van de gemeente, bedoeld bij § 525,
ten einde zijn verlofpas voor //gezien" te doen teekenen. {Regl,
a. v., art.
47).
§ 528. Wanneer een cadet met groot verlof, zich in eene
andere gemeente vestigt, of wel het onderwijs aan eene andere
inrichting gaat volgen, behoort daarvan schriftelijk kennis te
worden gegeven aan den directeur der Cadettenschool; in liet
eerstbedoeldc geval met overlegging van den aan den cadet uit-
gereikten verlofpas.
In dat geval zendt de directeur aan zoodanigen cadet een
verlofpas naar de nieuwe woonplaats, liet bepaalde bij § 527
is alsdan toepasselijk. {Regl. a. »., art. 48).
§ 529. Een cadet met groot-verlof mag zich zonder toestem-
ming van den Minister van Oorlog niet buitenslands begeven.
Aanvragen om zoodanige toestemming worden schriftelijk en
vrachtvrij aan den directeur der Cadettenschool gericht. {Regl.
a. v., art.
49).
§ 530. Een cadet met groot-verlof, legt het overgangsexamen
tot het tweede studiejaar — en zoo noodig het nader examen
bedoeld bij de slotalinea van § 521 — aan de Cadettenschool af.
De directeur roept zoodanigen cadet ten minste acht dagen
vóór den aanvang van dat examen schriftelijk tot deelneming
daaraan op.
Op het daarvoor bepaalde tijdstip, meldt de cadet zich bij
genoemden directeur aan, waarbij hij den aan hem uitgereiktcn
verlofpas overlegt.
Hij wordt intusschen niet tot het afleggen van bedoeld examen
toegelaten, indien te zijnen opzichte niet voldaan is aan het ge-
stelde bij § 533, onder 6,
Vóór den aanvang van het overgangsexamen wordt de cadet
aan een geneeskundig onderzoek onderworpen, ten einde na te
gaan of hij alsnog geschikt is voor den militairen dienst. Bijal—
djen hij bij dat onderzoek ongeschikt wordt bevonden, kan hij
-ocr page 214-
XX. Cadettenschool.
200
desverlangd niettemin aan het overgangsexamen deelnemen, indien
aan den directeur der Cadettenschool wordt verklaard dat te
zijnen behoeve aan den Minister van Oorlog eene herkeuring zal
worden aangevraagd.
Heeft de cadet aan het overgangsexamen of aan het bij de
slotalinea van § 521 bedoelde nader examen voldaan, en is hij
bovendien bij de gehouden keuring of herkeuring geschikt be-
vonden voor den militairen dienst, dan ontvangt hij van den
directeur der Cadettenschool een bewijs van overgang naar het
tweede studiejaar.
Na afloop van het overgangs- en, zoo hij er aan deelgenomen
heeft, ook van het nader examen, wordt de cadet opnieuw in
het genot van groot-verlof gesteld, behoudens het geval dat hij
krachtens het bepaalde bij § 53 7 na het afleggen van het nader
examen, als leerling op de Cadettenschool wordt geplaatst.
Het bepaalde bij § 519 is alsdan van toepassing.
Ten behoeve van een cadet die zich, in verband met het voren-
staande naar of uit Alkmaar begeeft of zich aldaar ophoudt,
worden geene kosten wegens reizen, noch wegens huisvesting of
voeding ten laste van het Eijk gebracht. (liegl. a. v., art. 50).
§ 531. Zoodra het onderwijs aan de Cadettenschool, in verband
met het bepaalde bij art. 12 der wet (§ 523) wordt geschorst,
deelt de directeur aan de in het genot van groot-verlof zijnde
cadetten hunne nadere bestemming mede en roept hij hen zoo
noodig op, om zich bij de Cadettenschool of eenig korps aan
te melden. {Regl. a. v., art. 51).
§ 532. Voor de opleiding en de verzorging van een cadet met
groot-verlof worden geene kosten ten laste van het Eijk gebracht.
Hem is verboden in militaire uniform gekleed te gaan. (Regl.
a. v., art.
52).
§ 533. Ten aanzien van den cadet met groot-verlof moeten
door ouders of voogden de hierna vermelde opgaven op de
daarbij aangegeven tijdstippen vrachtvrij aan den directeur der
Cadettenschool worden ingezonden :
a. vóór of op 15 Januari, 15 April en 15 Juni eene ver-
klaring van het houfd der inrichting waaraan de cadet het voor-
bereidend onderwijs voor toelating tot de Koninklijke Militaire
Academie volgt, nopens de vlijt en de vorderingen van den cadet,
bij het onderwijs in de verschillende vakken ;
-ocr page 215-
XX. L\'adetlemcJtool.                              201
b. zoolang de cadet niet in het tweede studiejaar is overge-
gaau : tusschen 15 en 30 Juni, een bewijs van goed gedrag,
over den tijd gedurende welken hij in het genot van groot-verlof
is geweest, afgegeven door den burgemeester van de gemeente
of de burgemeesters van de gemeenten waar de cadet gedurende
dien tijd heeft gewoond. (Rigl. a. v., art. 58).
§ 534. Indien niet wordt voldaan aan de bepalingen, vervat
in de §§ 527, 528, 529, 532, tweede lid, of 533 onder a, kan
het groot-verlof, van deu cadet, door den Minister van Oorlog
worden ingetrokken. De cadet wordt alsdan opgeroepen om zich
op een bepaalden dag aan de Cadettenschool aan te melden.
Cadetten, die zonder geldige redenen, ter beoordeeling van
den Minister van Oorlog, verzuimen te voldoen aan deze oproe-
ping of wel aan die bedoeld bij § 531, worden als deserteur
beschouwd en behandeld. (Regl. a. v., art. 54).
§ 535. Een cadet met groot-verlof wordt van zijne plaatsing
op de Cadettenschool ontslagen en in verband daarmede van de
verdere vervulling van de door hem aangegane dienstverbintenis
ontheven :
a. op verzoek van ouders of voogden ; mits daarvoor geldige
redenen bestaan en hij zich niet heeft schuldig gemaakt aan een
verzuim als bedoeld bij het tweede lid van § 534 ;
6. indien het bewijs van goed gedrag bedoeld bij § 533,
onder b, niet of — zonder geldige redenen, ter beoordeeliug van
den Minister van Oorlog — te laat wordt overgelegd ;
c.     wanneer hij in het geval verkeert, bedoeld bij § 508,
onder a, met dien verstande, dat zoo vermeend wordt dat het
bepaalde bij het tweede lid van art. 9 der wet (§ 504) op hem
van toepassing is, daarvan door eene gelegaliseerde geneeskundige
verklaring moet blijken;
d.     indien hij niet voldoet aan de oproepingen bedoeld bij
§ 5 30, tenzij daarvoor geldige redenen, ter beoordeeling van den
Minister van Oorlog, worden aangevoerd ;
e.     indien hij, bij de ingevolge j 530 gehouden keuring of
herkeuring, ten gevolge van ziels- of lichaamsgebreken bevonden
wordt ongeschikt te zijn voor den militairen dienst;
f.     wanneer hij, in verband met den uitslag van het door
hem afgelegde toelatingsexamen voor de Koninklijke Militaire
Academie, niet aan deze Inrichting kan worden geplaatst voor
-ocr page 216-
202                              XX. CadeUemcJwol.
het wapen zijner keuze en hij niet bij het wapen, waarvoor hij
in aanmerking komt, wenscht te worden ingedeeld, {llegl. a. v.,
art.
55).
§ 536- Voor de beslissing omtrent het verkenen van ontslag
in de gevallen bij § 535 bedoeld, geldt het bepaalde bij § 510,
tweede lid.
Aan de ouders of voogden van een cadet met groot-verlof,
wien ontslag is verleend, wordt daarvan door of vanwege den
Minister van Oorlog kennis gegeven. {Regl. a. v., art. 56).
§ 537. Ten aanzien van een cadet als bedoeld bij art. 19
der wet (§ 524) kan op verzoek van zijne ouders of voogden
door den Minister van Oorlog het hem verleende groot-verlof
worden ingetrokken, met dien verstande dat zulks niet mag ge-
schieden dan op liet einde van het ingetreden studiejaar, en dat
de cadet alzoo niet dan bij den aanvang van een nieuw leerjaar
als leerling op de Cadettenschool mag worden geplaatst.
Ter zake van eene plaatsing als in het eerste lid bedoeld
mogen geene kosten ten laste van het Rijk worden gebracht.
{Regl. a. v., art. 5 7).
§ 538. Ouders of voogden van cadetten, als bedoeld bij art.
19 der wet (§ 524), worden door den directeur der Cadetten-
school met den inhoud van de artt. 19 tot en met 57 van het
Reglement op de Cadettenschool in kennis gesteld, {llegl. a. v.,
art.
58).
-ocr page 217-
HOOFDSTUK XXI.
De Hoofdcursus te Kampen.
§ 539. A. Bestemming en standplaats. De opleiding voor
den officiersrang bij de Landmacht, ook — voor zooveel die
opleiding in Nederland plaats heeft — ten behoeve van den
dienst in de Koloniën en bezittingen van het Rijk in «andere
werelddeelen, geschiedt, o. a. voor de Infanterie en de Militaire
Administratie, aan den Hoofdcursus. (Wet van 21 Juli 1890
(SIM. n°. 126), art. 1, B. ü. 1115).
§ 540. De Hoofdcursus is gevestigd te Kampen. [Wet a.v.,
art.
4.)
5 541. T>. Plaatsen en toelatingsexamen. Jaarlijks wordt door
den Minister van Oorlog het aantal leerlingen bepaald, die aan
deif Hoofdcursus kunnen worden toegelaten en dat wel voor zoo-
veel meer bepaaldelijk betreft den dienst in de Koloniën en be-
ziltingen van het Kijk in andere werelddeelen, na gehouden over-
leg met den Minister van Koloniën.
Daarbij wordt vastgesteld, hoeveel van de opengestelde plaatsen
ter beschikking komen voor de Infanterie en voor de Militaire
Administratie, met dien verstande, dat, behoudens buitengewone
omstandigheden, voor de Infanterie het aantal opengestelde plant-
seu niet meer bedraagt dan ongeveer de helft van het aantal
plaatsen, voor dat Wapen aan de Koninklijke Militaire Academie
opengesteld.
Het aantal en de verdeeling dier plaatsen worden in de Staats-
courant
bekend gemaakt. (Wet a. v., art. 6),
§ 542. Bij "Reglement worden vastgesteld de voorschriften
volgens welke de toelatings- en eindexamens aan den Hoofdcursus
worden afgenomen ; zoomede de wijze van samenstelling der Com-
missiën, ten overstaan van welke die examens plaats hebben,
(//\'et a. v., art. 7).
-ocr page 218-
XXI. Hoofdennat*.
204
§ 543. De toelatings- en de eindexamens aan den Hoofd-
cursus worden in het openbaar afgenomen. Omtrent den loop
en de uitkomsten dier examens wordt een verslag opgemaakt,
hetwelk in de Staatscourant wordt medegedeeld. {Wet a.v., art. 8).
§ 544. Hier te lande wordt het toelatingsexamen tot den
Hoofdcursus jaarlijks afgenomen in de maanden Juli en Augustus;
het tijdstip waarop dit examen een aanvang neemt, wordt door
den Minister van Oorlog bepaald.
Volgens bij Koninklijk besluit, in overeenstemming met dit
reglement vast te stellen bepalingen, kan voorts aan onderofficie-
ren van het leger in Nederlandsclt-Indië worden vergund, aldaar
het toelatingsexamen tot den Hoofdcursus af te leggen.
Het aantal ten behoeve van deze onderofficieren open te stel-
len plaatsen, wordt door den Minister van Koloniën, in overleg
met den Minister van Oorlog bepaald, met dien verstande, dat
dit aantal in den regel niet meer dan zes per jaar zal bedragen
en dat, ingeval een of meer der opengestelde plaatsen niet wordt
of worden vervuld, deze eventueel kan of kunnen worden inge-
nomen door onderofficieren welke hier te lande aan het examen
hebben voldaan.
Het examen moet in Indiê op zoodanig tijdstip aanvangen dat
de onderofficieren, die tot den Hoofdcursus worden toegelaten,
uiterlijk op l Augustus in Nederland aanwezig kunnen zijn. Zij
worden alsdan tot het tijdstip van hunne plaatsing op den Hoofd-
cursus, hier te lande bij door den Minister van Oorlog aan te
wijzen korpsen van het wapen der infanterie gedetacheerd, ten
einde de voor dat wapen van kracht zijnde reglementen en voor-
schriften theoretisch en practisch te beoefenen. (Reffl. A\'. H. 22
Sept. 1892, StM. »*. 221, art. 1, R. M. 643).
§ 545. De deelneming aan het toelatingsexamen wordt slechts
vergund aan onderofficieren die ongehuwd zijn.
Ten aanzien van een onderofficier die aan dat examen wenscht
deel te nemen, met het doel om voor den dienst hier te lande
te worden opgeleid, doch die de hoedanigheid van Nederlander,
volgens de ter zake bestaande wettelijke bepalingen niet bezit,
moet eene gelegaliseerde verklaring worden overgelegd, waaruit
blijkt, dat het dien onderofficier bekend is, dat hij eventueel niet
tot officier kan worden benoemd, dan nadat hij genaturaliseerd
zal zijn.
-ocr page 219-
XXI. Iloofdciirmis.                               205
Is een zoodanig onderofficier meerderjarig, dan mout de bc-
doelde verklaring door hem persoonlijk, is hij minderjarig, dan
moet zij door zijnen vader, zijne moeder of zijnen voogd zijn
onderteekend.
Het geneeskundig onderzoek waaraan de adspiranten, die aan
het toelatingsexamen deelnemen, moeten worden onderworpen,
heeft vóór den aanvang van dat examen plaats.
De samenstelling der commissicn met bovenbedoeld genees-
kundig onderzoek te belasten, alsmede de tijdstippen waarop en
de plaatsen waar dat onderzoek zal worden gehouden, worden
door den Minister van Oorlog bepaald. [Regl. a. v., art. 2).
§ 546. Aan de onderofficieren van het Wapen der Infanterie
wordt, ongeacht zij al dan niet de lessen op eenen Cursus heb-
beu gevolgd, vergund het toelatingsexamen tot den Hoofdcurstis,
volgens het daarvoor bij Reglement vastgestelde programma, af
te leggen, wanneer zij :
a. op het tijstip van den aanvang van het eerstvolgende
leerjaar, den vollen ouderdom van negentien jaren bereikt, dien
van vijf en twintig jaren niet overschreden hebben ; drie jaren
als militair gediend hebben en minstens één jaar den graad van
onderofficier hebben bekleed ;
h: door practische geschiktheid, gedrag en dienstijver, naar
door den Minister van Oorlog te stellen regelen, daarvoor in
aanmerking kunnen komen ;
c. voor den militairen dienst, bij geneeskundig onderzoek,
geschikt zijn bevonden.
Aan onderofficieren der overige Wapens, die aan de onder
a, b en c omschreven eischen voldoen, wordt eveneens de ver-
gunning verleend bedoeld examen af te leggen, wanneer zij tot
tweede-luitenant bij de Militaire Administratie wenschen te worden
opgeleid. {Wet a. v., art. 35).
§ 547. De onderofficieren, die, ingevolge het bepaalde bij
art. 35 van meergenoemde wet (§ 546), aan het examen voor
den Hoofdcursus hebben deelgenomen, en blijkens de uitspraak
der examen-commisie, daaraan hebben voldaan, worden tot die
Inrichting toegelaten, voor zoover daarbij, in verband met het
bepaalde bij § 541, ten behoeve dier onderofficieren, plaatsen
zijn opengesteld.
Overtreft het aantal adspiranten dat der beschikbaar gestelde
-ocr page 220-
XXI. Ttnnfrtciirstn.
20(5
plaatsen, dun geschiedt de toelating naar de rangorde door die
adspirauten, blijkens de uitspraak der examen-commissie, bij het
examen verkregen; niet dien verstande, dal liij wiens vader in
den dienst van den Staat gesneuveld of binnen ecu jaar ten ge-
volge van in dezen dienst voor den vijand bekomen wonden
overleden is, op grond hiervan eene beschikbare plaats inneemt
voor het Wapen of Dienstvak, waarvoor hij krachtens het be-
paalde bij § 546 in aanmerking komt. (lï\'et a. v., art. 36).
§ 548. O. Geneeskundig onderzoek. Jaarlijks tussclien 1 en
5 Juni heeft het geneeskundig onderzoek plaats van de onder-
officieren, die het toelatingsexamen tot den Hoofdcursus wen-
schen af te leggen. Aan dit onderzoek worden alleen zoodanige
onderofficieren onderworpen, die voldoen aan de bij art. 35
onder a der Wet (§ 546) omschreven eischen.
Het onderzoek geschiedt in elk garnizoen, waar een Cursus is
gevestigd, door commissiën bestaande uit drie officieren van ge-
zondheid, aangewezen door den Inspecteur van den Geneeskun-
digen Dienst der Landmacht.
De Inspecteur van het Militair Onderwijs verstrekt, tijdig te
voren, aan den Inspecteur van den Geneeskundigen Dienst der
Landmacht, de vereischte opgaven van de namen der onderoffi-
cieren, die het onderzoek moeten ondergaan en van de plaatsen
waar het moet worden gehouden.
Het door de commissiën ter zake uit te brengen rapport in
tweevoud, moet zijn ingericht volgens het daarvoor vastgesteld
model; het wordt door tusschenkomst van den betrokken Com-
mandeerendeu Officier aan den Inspecteur van den Geneeskun-
digen Dienst der Landmacht toegezonden.
Deze Inspecteur beslist daarna of voor een of meer der onder-
zochte adspirauten, herkeuring moet plaats hebben. Ten aanzien
van de onderofficieren voor wie zulks moet geschieden, doet hij
daarvan aanteekening in vermeld rapport, waarna hij één exem-
plaar aan de commandeerende officieren terug zendt.
Als regel geldt dat herkeuring plaats heeft, ten aanzien van
alle adspirauten, bij wie, bij het eerste onderzoek, lichaamsgebreken
zijn waargenomen. (Voorschr. M. B. 6 Oct. 1892, »°. 35, art. 4,
K. M. 690).
§ 549- De herkeuring geschiedt eventueel, voor alle udspi-
-ocr page 221-
XXI. Ilonfrlrttr***.                               2ft7
rantcn die daaraan moeten worden onderworpen, door eene com-
niissie van drie officiereu van gezondheid, die op voordracht
van den Inspecteur van den Geneeskundigen Dienst tier Lnnd-
niaeht, door den Minister van Oorlog wordt benoemd.
De commissie belast met de herkeuring, brengt van den uit-
slag van het nader geneeskundig onderzoek aan den Inspecteur
van den Geneeskundigen Dieust der Landmacht een rapport uit,
ingericht volgens het daarvoor vastgesteld model.
In verband met den inhoud van dat rapport zendt genoemde
Inspecteur vóór of op 15 Juni aan den Minister van Oorlog,
twee staten, resp. ingericht overeenkomstig de daarvoor vastge-
stelde modellen.
De Minister van Oorlog beslist, in verband met den uitslag
van de eventueele keuringen, of de betrokken adspirant, gelet op
de bij hem waargenomen lichaamsgebreken, al dan niet van deel-
neming aan het examen moet worden uitgesloten.
Deze beslissing wordt ter kennis gebracht van den Inspecteur
van het Militair Onderwijs, ten einde daarmede rekening te
houden bij de beslissing nopens de voordrachten tot deelnemen
aan het toelatingsexamen. {Voorachr. a. v., art. 5).
§ 550. D. Programma van het toelatingsexamen. Het pro-
gramma van examen voor toelating tot den Hoofdcursus omvat
het navolgende:
a. 8 c h r ij v e n.
Het schrift van den adspirant moet duidelijk en goed lees-
baar zijn.
b. lt e k e n k u n d e.
De kennis van de getallen; de hoofdbewerkingen; de deel-
baarheid; de leer van de verhoudingen en van de evenredig-
heden; de vierkante" en de derdemachtsworteltrekking; de benoemde
gelallen; het oplossen van vraagstukken, waaronder eenvoudige
berekeningen in den handel en in het dagelijkse» leven voor-
komende; de samengestelde interest-rekening, ook met toepassing
van de logarithmen. (Bekendheid met de leer en de toepassing
der verkorte bewerkingen wordt niet gevorderd.)
-ocr page 222-
XXI. Hoofdennat.
208
c. Stelkunst.
De behandeling van geheele, gebroken en wortel vormen; de
gebroken en de negatieve exponenten; de vergelijkingen van den
eersten graad met één onbekende en met meer onbekenden; de
vergelijkingen van den tweeden graad met één onbekende; de
logarithmen; de reken- en de meetkundige reeksen; de exponen-
tiaal- en de onbepaalde vergelijkingen.
d. Vlakke meetkunst.
De vlakke meetkunst in haar geheelen omvang (kennis van de
leer der transversalen en de harmonische snijding wordt niet
gevorderd).
e. N e d e r 1 a n d s e h e taal.
Kennis van de hoofdregels der spraakleer en vaardigheid ora
zich, zoowel mondeling als schriftelijk, in zuiver en beschaafd
Nederlandsch uit te drukken.
f. F r a n s c h e taal.
Lezen met beschaafde uitspraak en mondeling vertalen van het
gelezene; het schriftelijk vertalen van een niet te gemakkelijk
stuk proza van liet Fransch in liet Nederlandsch en van een
gemakkelijk stuk van het Nederlandsch in het Fransch. (Bij
eerst vermelde vertaling mag niet, bij laatstvermelde mag wel van
een woordenboek worden gebruik gemaakt).
g. Aardrijkskunde.
De natuur* en de staatkundige aardrijkskunde van Nederland,
alsmede die zijner koloniën en bezittingen.
li. Geschiedenis.
1*. De nieuwe geschiedenis van de vorming van het eerste
Fransche Keizerrijk tot 1848;
2". de vaderlandsche geschiedenis met inbegrip van die der
Nederlandsche koloniën en bezittingen in andere werelddeelen
van 1795 tot 1848.
Bij het examen in de geschiedenis zal meer gelet worden op
-ocr page 223-
XXI. Ifoofdcurms.                               209
de kennis van de ontwikkeling der imuitsehappclijke en staat-
kundige toestanden en van het onderling verband der gebeurte-
nissen, dan op eene volledige bekendheid met de bijzonderheden
der gevoerde oorlogen.
i. Dienst- en exercitie-reglementen en
dienstvoorschriften.
Voor zoover de kennis van die reglementen en voorschriften
van een sergeant der Infanterie wordt gevorderd, met dien ver-
staude, dat zij, die uitsluitend voor ecne opleiding tot tweede-
luitenant bij de militaire administratie in aanmerking wenschen
te komen, van het afleggen van examen in deze reglementen en
voorschriften zijn vrijgesteld. (AT. B. a. v., art. 40).
§ 551. Voor adspiranten die het onderwijs op een Cursus
niet hebben gevolgd, strekt het examen behalve over de hier-
voren bij § 550 omschreven vakken, zich uit over:
a. Aardrijkskunde.
De natuur- en de staatkundige aardrijkskunde van de vijf
werelddeelen, doch slechts in hoofdzaken.
h. Geschiedenis.
I.     Een zeer algemeen overzicht van de oude- en middel-
geschiedenis, als inleiding tot de nieuwe geschiedenis;
II.   een algemeen overzicht van de nieuwe geschiedenis tot
aan de wording van het eerste Fransche Keizerrijk, waarbij voor-
namelijk zullen worden gevorderd, voor zooveel betreft:
1°. het tijdperk van 1492—1789:
de kennis van personen en gebeurtenissen, die, hetzij een over-
wegenden invloed op de ontwikkeling der volken hebben uitge-
oefend, hetzij meer in het bijzonder op Nederland betrekking
hebben gehad;
2°. de Fransche Staatsomwenteling van 1789:
een duidelijk begrip van de oorzaken en het algemeen verloop
dier staatsomwenteling, zoomede de gevolgen daarvan uit een
maatschappelijk oogpunt;
3°. het tijdperk van 1789—1804:
bekendheid met de voornaamste daarin voorgevallen gebeur-
tenissen.
14
-ocr page 224-
210                               XXI. Iloofdcursus.
III. de vaderlandsche geschiedenis :
1°. tot 1568 in groote trekken;
2°. van 1568 —1795 meer in bijzonderheden, vooral wat de
verhouding van Nederland tot andere Europeesche Staten betreft;
8°. overzicht van het ontstaan en de ontwikkeling der kolo-
niën en bezittingen van Nederland in andere vverelddeelen tot
1795. (K. B. a. v., art. 41).
§ 552. Behalve in de bij de §§ 550 en 551 bedoelde vak-
ken kunnen de adspiranten, desverlangd, ook proeven van be-
kwaamheid afleggen in de Duitsche en in de Engclsche talen en
in onderdeden der wiskunde, welke niet in het programma zijn
vermeld. (K. B. a. v., art. 42).
§ 553. E. Toelating. De toelating tot den Iloofdcursus
heeft jaarlijks plaats op den l!te° October.
Op dien datum begint het leerjaar voor de beide studiejaren.
§ 554. De onderofficieren van den Hoofdcursus worden in
eiken graad gevoerd boven de organieke sterkte, voor elk korps
vastgesteld. (Wet a. v., art. 11).
§ 555. E. Verbintenis. Een onderofficier, die tot den Hoofd-
cursus wordt toegelaten, is — onafhankelijk van den duur van
zijn loopend dienstverband — verbonden, na zijne benoeming
tot officier, den Staat gedurende vier jaren in dien rang te
dienen, ouder verplichting tevens, om — voor zooveel hij daartoe
niet reeds uit anderen hoofde mocht gehouden zijn — na het
verlaten van den werkelijken dienst nog vijf jaren, of zooveel
minder dan vijf jaren, als hij langer dan vier jaren als officier
heeft gediend, als reserve-officier ter beschikking van de Koningin
te blijven.
De Koningin behoudt zich nochtans voor van de verplichting,
bij het vorige lid bedoeld, geheel of ten dcele ontheffing te
verleenen. (Wet a. v., art. 37).
§ 556. Gr, Schorsing van liet onderwijs. Ingeval van oorlog,
oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden, bedoeld
bij art. 185 der Grondwet, kan door de Koningin het onderwijs
aan den Hoofdcursus worden geschorst, en over de leerlingen,
alsmede over het aan die Inrichting verbonden militair personeel
-ocr page 225-
XXI. Huofdcurstts.                               211
beschikt worden in liet behing vnn \'s Lancls verdediging. {Wet
u.
y., art. 12).
§ 557- H. Onderwijs. Het leerplan van den Iloofdcursus
wordt verdeeld over twee studiejaren. {Wet a. v, art. 34).
§ 558. Aan den Iloofdcursus wordt onderwijs gegeven in :
a. de wiskunde; h. de natuurkunde; c. het landmeten en
waterpassen ; d. de Nederlandsche taal; e. de Fransche taal;
f. de Hoogduitsche taal; g. de Maleische taal; h. de land- en
volkenkunde van Xederlandtch-Indië; i. de wis-, natuur* en
staatkundige aardrijkskunde en de gronden der militaire aard-
rijkskunde van Nederland; k. de geschiedenis; l. de tactiek;
m. de oorlogsgebruiken ; ». het militair strafrecht; o. de wapen-
leer ; p. de pionier- en de versterkingskunst; q. het rechtlijnig
en het topographisch teekenen ; r. de warenkennis; s. het boek-
houden ; t. de dienst- en de exercitie-reglementen, benevens de
dienstvoorschriften en de militaire wetten ; u. de militaire admi-
nistratie; v. de exercitiën en de verdere practische oefeningen ;
w. de gymnastiek, het schermen en het zwemmen. [Wet a. v.,
art,
33).
§ 559. Behalve in de bij art. 83 der wet (§ 558) genoemde
vakken, wordt aan den Iloofdcursus onderwijs gegeven in:
de Engelsche taal, de scheikunde, en het paardrijden. (A". B.
a. v., art.
4).
§ 560. De onderofficieren van den Iloofdcursus worden, in
het belang van hunne practische vorming, gedurende een bij
Eeglement te bepalen tijd bij korpsen van het leger gedetacheerd.
De Koningin behoudt zich daarbij voor, deze detacheering te
doen achterwege blijven voor de onderofficieren, die voor den
militairen adiniuistratievcn dienst in de Koloniën en bezittingen
van het Rijk in andere werelddeelen worden opgeleid. {Wet a.
»., art. 88).
§ 561 • In het eerste studiejaar wordt aan de leerlingen, be-
houdens liet bepaalde bij art. 35 (§ 576), onderwijs gegeven van
1 October tot omstreeks 15 Juni d. a. v.
Het overgangsexamen heeft in de maand Juni plaats.
Gedurende de vier weken, die aan dat examen onmiddellijk
voorafgaan, wordt door vermindering van het aantal lesuren dé
gelegenheid tot eigen studie voor de leerlingen uitgebreid.
-ocr page 226-
XXI. Hoofdcursus.
212
Van 1 Juli tot 15 September worden de leerlingen, voor
zooveel zij niet voor de militaire administratie van het Neder-
landsch-Indische leger worden opgeleid, gedetacheerd in den zin
van art. 88 der wet (§ 560). Bijaldien op laatstgenoemden
datum de najaarsoefeningen van het leger nog niet zijn geëin-
digd, kunnen deze detacheeringen duren tot na afloop van die
oefeningen, mits niet langer dan tot 20 September.
Voor zooveel door hen, die niet in allen deele aan het over-
gangsexamen hebben voldaan, een nader examen in een vak of
in meer vakken moet worden afgelegd, heeft dat nader examen
plaats onmiddellijk vóór den aanvang van het nieuwe leerjaar.
[K. B. a. »., art. 5).
§ 562- In bet tweede studiejaar wordt aan de leerlingen, be-
houdens het bepaalde bij art. 35 (§ 576), onderwijs gegeven
van 1 October tot omstreeks 15 Augustus d. a. v.
Het eindexamen wordt afgenomen in de maanden Augustus
en September en neemt een aanvang op een door den Minister
van Oorlog te bepalen tijdstip, met dien verstande dat het vóór
20 September moet zijn afgeloopen.
Gedurende de vier weken die aan het examen onmiddellijk
voorafgaan, wordt door het verminderen van het aantal lesuren,
de gelegenheid tot eigen studie voor de leerlingen uitgebreid.
Het geneeskundig onderzoek waaraan de leerlingen die aan
het eindexamen deelnemen, moeten worden onderworpen, heeft
vóór den aanvang van dat examen plaats. De regeling geschiedt,
voor zooveel noodig, overeenkomstig het bepaalde in de laatste
alinea van § 545.
Aan hen die bij dat onderzoek voor den militairen dienst
ongeschikt worden bevonden, kan niettemin worden vergund het
eindexamen af te leggen, indien zij het verlangen daartoe schrif-
telijk aan den directeur te kennen geven. (K. B. a. v.,arl. 6).
§ 563. Na afloop van het eindexamen worden aan de leer-
lingen van het tweede studiejaar de navolgende bestemmingen
gegeven:
a. Zij die volgens de uitspraak der examen-commissie aan de
eischen van het eindexamen hebben voldaan en ook in verband
met het bepaalde bij art. 39 der wet (§ 579), in alle andere
opzichten voor eene benoeming tot officier in aanmerking kun-
nen worden gebracht, keeren, in afwachting van die benoeming,
-ocr page 227-
XXI. Iloofdcnrsui,
213
naar hun korps terug, om daarbij iu hunnen graad dienst te
verrichten, met dien verstande, dat zij die voor de militaire
administratie zijn opgeleid, met Jidministratieve werkzaamheden
worden belast.
Desverlangd wordt aan de bij dit punt bedoelde onderofficie-
ren gedurende ten hoogste één maand verlof verleend.
b.   Zij, die aan de eischen van liet eindexamen hebben voldaan,
doch wier practische geschiktheid en bruikbaarheid onvoldoende
zijn geoordeeld of die wegens hun gedrag niet voor ecne be-
noeming tot tweede-luitenant kunnen worden voorgedragen,
worden gedurende een door den Minister van Oorlog te bepalen
tijdperk, gedetacheerd op den voet daarvoor bepaald.
c.     Zij, die het eindexamen met onvoldoenden uitslag hebben
afgelegd, worden desverlangd tot aan het begin van het nieuwe
leerjaar in het genot van verlof gesteld, tenzij deze uitslag aan
gebrek aan ijver is te wijten, in welk geval zij tot aan vermeld
tijdstip op den voet daarvoor bepaald worden gedetacheerd.
(K. B. a. v., art. 7).
§ 564. Ten aanzien van de bij § 563 onder b bedoelde
leerlingen, wordt, tegen het einde van het aldaar bedoelde tijd-
perk, door den commandant van het korps, onder wiens bevelen
zij zijn geplaatst, aan den Minister van Oorlog een rapport uit-
gebracht aangaande hun gedrag en hunne practische geschiktheid
en bruikbaarheid.
Dit rapport wordt ingezonden door tusschenkomst en vergezeld
van de adviezen van de militaire autoriteiten, onder wie dat
korps is gesteld; voorts van den inspecteur van het Militair
Onderwijs en — voor zooveel het leerlingen betreft, die voor
den dienst der militaire administratie hier te lande zijn opgeleid
— ook van den Hoofdintendant.
Naar aanleiding van de in bedoeld rapport uitgebrachte beoor-
deeling en van de door vermelde autoriteiten uitgebrachte adviezen,
wordt door den Minister van Oorlog beslist of een leerling als
hier bedoeld, al dan niet voor eene benoeming tot tweede-luitenant
in aanmerking komt.
Is die beslissing ontkennend, dan is de leerling gehouden zijn
nog loopend dienstverband te volbrengen. Ten aanzien van een
leerling, die als onderofficier van het Nederlandsch-Indische leger,
op den voet van het bepaalde bij § 544, tot den Hoofdcnrsus
-ocr page 228-
2 11                               XXF. Ttoofieurm.
is toegelaten, beslist de Minister van Oorlog, na overleg met
den Minister van Koloniën, of hij al dan niet naar Iitdië zal
worden teruggezonden.
Aan leerlingen als in het vorig lid bedoeld, kan evenwel, op
den voet van het bepaalde bij de §§ 570 en 571 ontheffing van
de dienstverbintenis worden verleend. (AT. B. a. v., art. 8).
§ 565. Leerlingen van den Hoofdcursus mogen niet langer
dan twee jaren in hetzelfde studiejaar doorbrengen.
Van deze bepaling kan worden afgeweken ten gunste van hen,
die wegens ziekte verhinderd waren het onderwijs geregeld te volgen.
Overigens worden bij Reglement bepaald de regelen, waarnaar
de leerlingen van den Hoofdcursus:
a.     wegens hunne gedragingen als anderszins van bedoelde
Inrichting verwijderd kunnen worden;
b.     van de overeenkomstig art. S7 van meergenoemde wet
(§ 55 5) aangegane dienstverbintenis ontheven kunnen worden.
\\lFel a. v., art. 9).
§ 566. Door den Minister van Oorlog kunnen, zooveel noodig in
overleg met den Minister van Koloniën, leerlingen van het ls"
studiejaar, van wie blijkt, dat zij de studiën voor het wapen of
het dienstvak waarvoor zij worden opgeleid, bezwaarlijk kunnen
blijven volgen, worden aangewezen om voor eene andere bestem-
ming te worden opgeleid, wanneer zij daarvoor geschikt worden
geoordeeld en waarborgen aanwezig zijn dat zij alsdan den
officiersrang zullen bereiken.
Eene zoodanige verwisseling van bestemming kan aan leerlingen
van liet ls" studiejaar op hun verzoek worden toegestaan, doch
slechts om dringende redenen, ter beoordeeling van den Minister
van Oorlog, zooveel noodig iu overleg met den Minister van
Koloniën. (A\\ B. a. »., art. 18).
§ 567. I. Ontslag, verwijdering en opheffing van de verbintenis.
Een onderofficier wordt als leerling van den Hoofdcursus ont-
slagen en naar zijn korps terug gezonden :
a.     op verzoek;
b.     indien hij het overgangs* of liet eindexamen voor de
tweede maal met ongunstigen uitslag heeft afgelegd en die uit-
slag niet kan worden toegeschreven aan de omstandigheid, bedoeld
bij de 2*\' alinea van art. 9 der wet (§ 565);
-ocr page 229-
XXl. ITonfitriirma.
êl 5
c. indien hij door gemis aan aanleg niet in staat blijkt de
studiën te volgen. (K. B. a. »., art. 19).
\\ 568. Ken leerling wordt van den Hoofdcursus verwijderd
en naar zijn korps teruggezonden:
a.     wegens zedenbederf en ondeugden die liem voor anderen
gevaarlijk zouden kunnen doen worden;
b.     wegens slecht gedrag;
c.     wanneer hij door den militairen of den burgerlijken rechter
is gevonnisd en zijne verwijdering in het belang van de overige
leerlingen noodzakelijk is;
d.     indien hij, wegens gemis aan ijver, de studiën niet kan
volgen;
e.     wanneer zulks in het belang van de handhaving van de
krijgstucht noodzakelijk is.
Het bepaalde bij het laatste lid van § 5 71 is, ten aanzien
van leerlingen die van den Hoofdcursus worden verwijderd, toe-
passelijk. (K. B. a. v., art. 30).
§ 569. Omtrent het verwijderen van leerlingen van den Hoofd-
cursus beslist de Minister van Oorlog. (K. B. a. v., art. 31).
§ 570. Een leerling wordt van zijne dienstverbintenis ontheven :
a. wegens lichaams- of zielsgebreken, die hem ongeschikt
maken voor den militairen dienst;
h. op verzoek, mits de door den Staat te zijnen behoeve
gemaakte kosten, tot een door den Minister van Oorlog, zooveel
noodig in overleg met den Minister van Koloniën, te bepalen
bedrag, worden terugbetaald. (K. B. a. v., art. 20).
§ 571. Het ontslag van den Hoofdcursus en de opheffing
van de dienstverbintenis, bedoeld bij de §§ 567 en 568, worden
door den Minister van Oorlog, zooveel noodig in overleg met
den Minister van Koloniën, verleend.
Ten aanzien van een leerling die als onderofficier van het
Nederlandsch-Indische leger, op den voet van het bepaalde bij
§ 544, tot den Hoofdcursus is toegelaten, wordt — ingeval hij
van den Hoofdcursus wordt ontslagen en hem niet, krachtens
§ 570 onder b ontheffing van zijne dienstverbintenis wordt ver-
leend — door den Minister van Oorlog, in overleg met den
Minister van Koloniën, bepaald, of hij naar Indiê zal worden
teruggezonden, dan wel of hij zijne dienstverbintenis hier te lande
zal ten einde brengen. (K. B. a. v., art. 21).
-ocr page 230-
XX T. Ttoofdr.Hrmt.
816
§ 572. •\'. (tudsdknd-onilcriciJH en -oefvn\'uiy. Aan de leer-
lingeu van den lloufdeursus wordt gelegenheid gegeven, over-
eenkomstig liet verlangen en de keuze der ouders of voogden,
onderwijs in den godsdienst te bekomen. (fFet a. v., art. 5).
§ 573. De directeur, alsmede de officieren en de burgerleernren
bij den Hoofd cursus werkzaam, wijden bijzondere zorg aan de
zedelijke en de karaktervorming der leerlingen.
Gelijke verplichting rust, gedurende het tijdperk van de bij
f 5fil vermelde detacheeringen, op de officieren onder wier
bevelen de leerlingen alsdan zijn gesteld.
Van handelingen of tekortkomingen der leerlingen, die, uit
eeu militair of een zedelijk oogpunt beschouwd, op hun gedrag
of hun karakter een minder gunstig licht doen vallen, wordt aan
den directeur of — gedurende de bovenbedoelde detacheerin-
gen — aan de betrokken militaire autoriteit kennis gegeven.
(K. B. a. »., art. 22).
§ 574. De leerlingen worden op Zon- en feestdagen in de gelegen-
heid gesteld de godsdienstoefening van hunne gezindte bij te wonen.
De minderjarige leerlingen zijn verplicht deze godsdienstoefe-
ning bij te wonen, tenzij hunne ouders of voogden aan den
directeur schriftelijk hebben te kennen gegeven, dat zij uitdruk-
kelijk verlangen, hunne zonen of pupillen daarvan te zien vrij-
gesteld. (K. B. a. v„ art. 23).
§ 575. Een leerling die met provoost is gestraft, woont de
lessen, de exercitiën en de inspectiën, zoomede de godsdienst-
oefeningen, niet bij. (K. B. a. v., art. 29).
§ 576. K. Verloven. Binnenlandsch verlof kan worden
verleend:
a.     Aan den directeur, de leeraren en de leerlingen en, voor
zooveel de belangen van den dienst het toelaten, aan het vaste
personeel beneden den rang van officier:
1°. tegen het einde van het jaar voor den duur van 10 ü
12 dagen ;
2°. van Goeden Vrijdag tot en met den dag na Paschen;
3". op Zon- en algemeen erkende Christelijke feestdagen;
4°. aan hen, die den Israclietischen godsdienst belijden, ook
op de voor dien godsdienst geldende feestdagen.
b.     Aan leerlingen:
-ocr page 231-
XXT. Jtoofieurm.                               217
1°. in het eerste studiejaar onmiddellijk na afloop der deta-
chcering, bedoeld in de slotalinea van § 561 tot den aanvang
van het nieuwe leerjaar;
2°. in het tweede studiejaar op den voet als bij § 563 is
bepaald.
c.     Aan de onderofficieren en de korporaals van het vaste
personeel:
jaarlijks gedurende één maand, hetzij in eens, hetzij in twee
termijneu.
d.     Aan de oppassers :
jaarlijks gedurende 14 dagen.
De onderofficieren en de verdere militairen beneden den rang
van officier, behoorende tot het vaste personeel van den Hoofd-
cursus, blijven, gedurende een hun, krachtens dit artikel verleend
verlof, gehandhaafd in het genot van soldij.
In verband met de bijzondere bepaling aangaande de detachee-
ring van de leerlingen, die voor de militaire administratie van het
Nederlandsch-Indische leger worden opgeleid, kan aan hen, ingeval
zij niet worden gedetacheerd, het onder b bedoelde verlof, voor
den tijd van 14 dagen worden verleend en wel in het, met het
oog op hunne practische vorming bij den Hoofdcursus meest
geschikte tijdperk, vallende tusschen 15 Juli en ultimo
September.
Overigens mag alleen in dringende gevallen verlof verleend
worden. (K. B. a. v., art. 35).
§ 577. L- Eindexamen en benoeming tot tweede-luitenant.
Het programma van het eindexamen aan den Hoofdcursus omvat
het navolgende :
A. Infanterie van het leger hier te lande.
a.     Natuurkunde. Een juist begrip van de hoofdzaken
uit de leer van de warmte, de electriciteit en het licht, zonder
dat daarbij de kennis van formules wordt geëischt.
b.     Landmeten en waterpassen. Kennis van de
inrichting, de regeling en het gebruik der voornaamste meet-
instrumenten, benevens die van een der waterpasinstrumenten in
het leerplan omschreven; de wijze waarop een terrein moet
worden opgemeten en in teekening gebracht.
-ocr page 232-
SIS                               XXh Iïonf,km\'.m>
c.     Nederlandsche taal. Vaardigheid om zich, zoo-
wel mondeling als schriftelijk, volgens de regelen der spraak-
kunst en van den stijl, in zuiver en beschaafd Nederlandsen uit
te drukken, waarvan o. a. uit een te vervaardigen opstel moet
blijken.
d.     Franse h e taal. Lezen met beschaafde uitspraak en
voor de vuist vertalen van Fransch proza; schriftelijk vertalen
van het Fransch in het Nederlandsch en omgekeerd. Alleen
bij laatstbedoelde vertaling mag van een woordenboek worden
gebruik gemaakt.
e.     Hoogduitsche taal. Lezen met beschaafde uit-
spraak cu voor de vuist vertalen van Hoogduitseh proza; vol-
doende bekendheid met die taal om een Hoogduitseh prozastuk
schrifelijk te kunnen vertalen in het Nederlandsch, zonder behulp
van een woordenboek; het schriftelijk vertalen van eenvoudige
volzinnen uit het Nederlandsch in het Hoogduitseh, met behulp
van een woordenboek.
/. Aardrijkskunde. 1°. Kennis van de militaire
aardrijkskunde van Nederland: geographische toestanden uit een
militair oogpunt beschouwd ; algemeen overzicht van het verde-
digingsstelsel van Nederland;
2°. de staatsinrichting van Nederland: in hoofdtrekken ;
3°. de natuur* en de staatkundige aardrijkskunde van de
Nederlandsche koloniën en bezittingen in andere werelddeelen;
4°. de wiskundige aardrijkskunde: algemeene bekendheid met
ons zonnestelsel en de voornaamste wereldlichamen daarbuiten;
de gedaante en de bewegingen der aarde; de verschijnselen, welke
uit die bewegingen en uit de beweging van de maan om de
aarde ontstaan; de bepaling van plaatsen op aarde; het oplossen
van vraagstukken met behulp van de aardglobe.
g. Tactiek. Kennis van de elementaire tactiek, de ge-
vechtsleer en de toegepaste tactiek.
h. Oorlogsgebruiken. Een beknopt overzicht van
het recht en de gebruiken in den oorlog te land en ter zee,
alsmede van de rechten en de plichten der neutralen.
i. Militair strafrecht. Kennis van het reglement
van krijgstucht voor het krijgsvolk te lande; het crimineel
wetboek voor het krijgsvolk te lande; de rechtspleging bij de
landmacht.
-ocr page 233-
XXI. Tlnnfilcm •min.
êiö
fc, W a p c 11 1 c c r. I. Grondige kennis van de blanke
wapenen, zoomede van de inrichting, de munitie en het schot
der hand vuurwapenen bij het Nederlaiidscbe leger en het Nedcr-
landsch-Indischo leger in gebruik;
II. bekendheid met:
1°. de inrichting en de uitwerking van de voornaamste der
overige tegenwoordig in gebruik zijnde geweren;
2°. de inrichting van het gesehut der Nederlandsche landmacht
en van de daarbij behoorende projectielen en ontstekings-
middelcn, de wijze van vuren uit dat geschut en de uit—
werking der projectielen;
3°. de inrichting der affuiten en de wijze van bediening van
het onder 2". vermelde geschut, zoomede de ont- en de
verbranding van het buskruit in vuurmonden en draag-
bare wapenen;
4°. het gebruik van het geschut bij den aanval op en de
verdediging van linie\'n en stellingen.
I.     P i o n i e r- en versterkingskunst. I. Pionier-
kunst : de door infanterie te verrichten pionierarbeid;
II.     Veld versterkingskunst: de dekkingen tegen front- en
andere vuren; het tracé; de inrichting en het opwerpen van
vluchtige versterkingen; de aanval op en het verdedigen van
dergelijke verschansingen;
III.     Tijdelijke en duurzame versterkingskunst:
1°. een algemeen overzicht van de inrichting der voornaamste
tijdelijke, duurzame en kustversterkingen, (meer uitvoerig de
inrichting van een der voornaamste forten in Nederland);
2°. het in staat van verdediging brengen dier versterkingen,
zoomede een denkbeeld omtrent de wijze waarop de verdediging
van en de aanval op duurzame werken worden gevoerd.
m. liechtlijning en topographisch teekenen.
Het vervaardigen van topographische teekeningen en van con-
structiën op het gebied van pionier- en versterkingskunst; het
lezen van eenvoudige fortificatieteekeningen en topographische
kaarten.
n. Dienst- en exercitie-reglementen be-
nevens dienstvoorschriften. 1°. De dienst- en de
exercitie-reglementen voor het wapen der Infanterie;
2°. de dienstvoorschriften: voor zoover de kennis dezer voor-
-ocr page 234-
S20
XX T. Jïoofdcnrsn*.
schriften va» den luitenant der infanterie, bij de vervulling van
de hem opgedragen diensten moet gevorderd worden.
o. Militaire wetten. Bekendheid met de voornaam-
ste bepalingen uit de wetten welke met de inrichting van het
Nederlandsche krijgswezen verband houden.
p. Diens t-c orrespondentie.
q. Militaire administratie. De administratieve voor-
schriften, waarvan de kennis van den luitenant der infanterie
moet gevorderd worden.
r. Ex er ei tien en veldd ien sto e f eningen.
s. Gymnastiek en schermen.
t. I\' a a r d r ij den.
De onder n bedoelde dienst- en exercitie-reglementen en dienst-
voorschriften, de onder o bedoelde militaire wetten, benevens de
administratieve voorschriften, waarvan onder q sprake is, worden
in het leerplan voor den Hoofdcursus nader omschreven.
B. Militaire administratie van liet leger kier te lande.
a.     Natuurkunde. Als bij A onder a.
b.     Nederlandsche taal. Als bij A onder c.
c.     Pransche taal. Als bij A onder d.
d.     Hoogduitsche taal. Als bij A onder e.
e.     Aardrijkskunde. Als bij A onder f.
f.     Oorlogsgebruiken. Als bij A onder h.
ff.
    Militair strafrecht. Als bij A onder i.
li. Warenkennis. 1° De melk: hare verontreinigingen
en vervalschingen;
2°. kenmerken van ouderdom en gezondheidstoestand van
slachtvee; de behandeling van het vee vóór het slachten; de
slachtwijzcn;
3°. de anatomie van het rund, voor zoover de kennis daar-
van noodig is ter onderscheiding van de verschillende deelen van
het geslachte dier; de voornaamste kenmerken van gezond vleesch
en spek;
4°. doelmatige oplegging en bewaring van voedingsmiddelen;
5°. de grondbeginselen der voedingsleer.
». Boekhouden. Grondbegrippen van het boekhou*
den; de inrichting en het gebruik van de hoofdboeken bij het
-ocr page 235-
XXI. Hoofdcursus.
221
enkel en bet dubbel boekhouden; de behandeling van de voor-
naamste rekeningen, voorkomende bij het dubbel boekhouden;
het journaliseeren; het afsluiten en heropenen vati de rekeningen.
k. Dienst reglementen en dienstvoorschriften.
Voor zoover de kennis van deze reglementen en voorschriften
van den luitenant-kwartiermeester bij de vervulling van de hem
opgedragen diensten moet gevorderd worden.
I. Militaire wetten. Als bij A onder o.
m. D i e n s t-c o r r e s p o n d e n t i e.
n. Militaire administratie. 1°. Grondige kennis van
alle reglementen en voorschriften betreffende de administratie bij
de korpsen van het leger en vaardigheid in de toepassing daar-
van bij de uitvoering van schriftelijke opdrachten ;
2 . grondige kennis van de werkzaamheden en de verplichtin-
gen van den luitenant-kwartiermeester, als secretaris eener gar-
nizoens-voedingscommissie;
8°. kennis van de te verrichten werkzaamheden bij de hoofd-
administratie van korpsen en van de voorschriften betreffende
het beheer van militaire bakkerijen, het garnizoens-nachtleger, de
garuizoens-kleedingmagazijnen en de vveduwen- en weezenkas
voor de officieren van de landmacht;
é*. kennis van de verplichtingen van den luitenant-kwartier-
meester, als verplegingsofficier bij troepen te velde en in ver-
sterkte plaatsen.
o. Gymnastiek en schermen.
p. Paardrijden.
De onder k bedoelde dienstreglementen en dienstvoorschriften
en de onder l bedoelde militaire wetten, worden in het leerplan
voor den Hoofdcursus nader omschreven.
C. Infanterie van liet Leger in Nederlandsch-Indie.
a.     Natuurkunde. Als bij A onder a.
b.    Landmeten en waterpassen. Als bij A onder b,
c.     Nederlandsche taal. Als bij A onder c.
d.     F ransche taal. Al bij A onder d.
e.     Maleische taal. Het behoorlijk kunnen lezen van een
eenvoudig, met Maleische karakters geschreven stuk; de kennis
van de meest voorkomende regels der spraakkunst, blijkende uit
-ocr page 236-
XXI. Hoofdcttrstts.
222
het vertalen van liet Maleisen in liet Nederlandsen en omgekeerd
van eenvoudige volzinnen, waarbij van latijnsclie karakters en van
een woordenboek gebruik kan worden gemaakt.
f. Land- en volkenkunde van Nederlandsch-Tndi\'è. In
lioofdtrekken : de laud- en volkenkunde van Nederlandscli-Indïê;
in bijzonderheden die van Java en Sumatra.
ff. Aardrijkskunde. 1°. De Koloniën van Nederland in
Wed-Indïè en van andere rijken in Azië en Australië; de aard*
rijkskunde van Aclder-Indic, Cliina en Japan in algemeene
trekken;
2°. de wiskundige aardrijkskunde: als bij A, onder /, bij 4°.
h. Tactiek. Als bij A onder ff.
i. Oorlogsgeb ru iken. Als bij A onder li.
h. Militair strafrecht. 1°. Als bij A onder »\';
2°. algemeene kennis van het reglement op de 2dc klasse van
militaire discipline en het, reglement voorde strafdetachementenj
zooals een en ander voor het Indische leger van kracht is.
I.    Wapen leer. I. Als bij A onder k, bij I en II, 1".
II.  Bekendheid met :
1°. de inrichting van het geschut der Nederlandsen-Indische
landmacht en de daarbij behoorende projectielen en ontstekings-
middelen ; de wijze van vuren met dat geschut en de uilwerking
der projectielen;
2°. de inrichting der affuiten van de onder 1° vermelde
vuurmonden en de wijze van bedienen dezer vuurmonden;
3°. de inrichting en de uitwerking der vuurmonden bij de
Nederlandsche landmacht in gebruik;
4°. de ont- en de verbranding van het buskruit in vuur-
monden en draagbare wapenen.
m. Pionier* en versterkingskunst. 1". Pionier-
kunst: als bij A onder l bij I, doch in overeenstemming met
de daaromtrent in Indiö bestaande voorschriften;
2°. veldversterkingskunst: als bij A onder l bij II; boven-
dien de algemeene inrichting van versterkingen tegen inlandsche
vijanden ;
3°. tijdelijke en duurzame versterkingskunst: een algemeen
overzicht van de inrichting van tijdelijke en duurzame werken,
inzonderheid van kustversterkingen, verder als bij A onder /,
bij III onder 2°.
-ocr page 237-
XX f. Hoofdcursus,
2 23
w. 11 e c h 11 ij n i g e n topographisch t e e k e n e n.
Als bij A onder m.
0.     Dienst- en exercitie-reglementen b e n c-
vens dienstvoorschriften. 1°. De exercitie-reglemen-
tcn als bedoeld bij A onder n bij 1°;
2°. de dienstreglementen en dienstvoorschriften als bij A onder
n bij 1°. en 2°., doch in overeenstemming met hetgeen uitslui-
tend voor den Indischen dienst wordt gevorderd.
p. Militaire administratie. De administratieve
voorschriften, waarvan de kennis van den luitenant der infanterie
moet gevorderd worden.
q. üienst-correspondentie.
r. Exercitiën en velddienstoefeningen.
*. Gymnastiek en schermen.
t. P a a r d r ij d e n.
De onder o bedoelde dienst- en exercitie-reglementen en dienst-
voorsehriften, benevens de administratieve voorschriften, waarvan
onder p sprake is, worden in het leerplan voor den Hoofdcursus
nader omschreven.
D. Militaire administratie van het leger in Nederlandsch-Indië.
- a. Natuurkunde. Als bij A onder a.
b.     Nederlandse h e taal. Als bij A ouder c.
c.     Franse h e taal. Als bij A onder d.
d.     Engelsche taal. Genoegzame bekendheid met die
taal, om een eenvoudig werk te kunnen lezen en het gelezeue
met behulp vau een woordenboek te kunnen vertalen.
e.     Maleische taal. Als bij C onder e.
f.     Land- en volkenkunde van Nederlandtsch-Indïè.
Als bij C onder /.
g.     Aardrijkskunde. Als bij C onder g.
h,    Oorlogsgebruiken. Als bij A onder k.
i.     Militair strafrecht. Als bij C onder k.
k.    Warenkennis. Als bij I> onder h.
1.      Boekhouden. Als bij B onder i.
m. Dienstreglementen en d i e n s t v o o r s c h r i f-
t e n. Voor zoover de kennis dezer reglementen en voorschriften
van den luitenant-kwartiermeester moet gevorderd worden; (in
het leerplan voor den Iloofdcursus nader te omschrijven).
». Militaire administratie. 1°. Grondige kennis
-ocr page 238-
224
XXI. Hoofdcurstu.
Vim alle instructiën en voorschriften, zoomede van de algemeene
en bijzondere legerorders betreffende de administratie bij de
compagnieën, korpsen en garnizoenen, ziekeninrichtingen, garni-
zoens- en gewestelijke magazijnen van kleeding en uitrusting, en
vaardigheid in de toepassing daarvan bij het maken van schrif-
t el ij k werk;
2°. grondige kennis van de bepalingen omtrent de openbare
aanbestedingen en van de algemeene voorwaarden voor leveringen
ten behoeve der militaire administratie, van de bepalingen betref-
fende marcheerende troepen en alleen reizende militairen, zoomede
van die aangaande de uitgaven voor geniewerken ;
3°. kennis van de reglementen op de militaire pensioenen en
gagementen en van die betreffende de militaire en civiele weduwen-
en weezenfondsen.
o. Dienst-correspondentie.
p. Gymnastiek en schermen.
q. Paardrijden. (IC B. a. v. art. 59).
§ 578. In verband met liet bepaalde bij de vierde alinea van
art. 6 van het Reglement § 562 treedt de Inspecteur vnn het Mili-
tair Onderwijs tijdig met den Inspecteur van den Geneeskundigen
Dienst der Landmacht in overleg, omtrent de aanwijzing, door
laatstgenoemden Inspecteur van een commissie voor het genees*
kundig onderzoek der leerlingen die aan het eindexamen zullen
deelnemen.
Met betrekking tot dat geneeskundig onderzoek, en de even-
tueel te houden herkeuring, wordt gehandeld overeenkomstig het
bepaalde bij de §§ 548 en 549; met dien verstande evenwel,
dat de staten, ingericht volgens de Modellen, in §549 derde lid
bedoeld, welke na afloop van bedoelde herkeuring aan het Depar-
tement van Oorlog moeten worden ingezonden, uiterlijk op 15
Juli dat Departement moeten hebben bereikt, opdat de Minister
— voor zooveel noodig na gehouden overleg met den Minister
van Koloniën — zijne beslissing, in verband met het bepaalde
bij de laatste alinea van art. 6 van het Reglement § 562, tijdig ter
kennis van eerstgenoemd en Inspecteur kan brengen. (Voorschr.
a. v., art.
6).
§ 579. De onderofficieren van den Hoofdcursus worden door
de Koningin tot tweede-luitenant bij het Wapen of Dienstvak,
waarvoor zij zijn opgeleid, benoemd — óók al moeht er geene
-ocr page 239-
XXI. Iloofdcurms.                               225
vacature in gemelden rang bij dat Wapen of Dienstvak bestaan —
indien zij :
a. volgens de uitspraak der examen-commissie aan het bij
Eeglement voor het eind-examen vastgestelde programma
hebben voldaan ;
h. naar het oordeel van die commissie — gegrond ook op
de kennisgeving van de te hunnen aanzien uitgebrachte
rapporten — voldoende practische geschiktheid en bruik-
baarheid bezitten en van goed gedrag zijn ;
c. voor den militairen dienst bij geneeskundig onderzoek
geschikt zijn bevonden. (Wet a. v., art. 39.)
15
-ocr page 240-
HOOFDSTUK XXII.
De Cursussen bij de Infanterie.
§ 580. A. Bestemming en standplaats. Voorbereidend onder-
wijs wordt gegeven, voor toelating tot den Hoofdcursus, aan
eenen Cursus bij het Wapen der Infanterie. (Wet 21 Juli 1890
(SIM. n\\ 136), art. 2, B. ü. 1115).
§ 581. Ken Cursus, als bedoeld onder b van art. 2 der Wet
van 21 Juli 1890 (Staatsblad n\\ 126) (§ 580), wordt ingesteld bij
het Kegiment Grenadiers en Jagers, bij elk der acht overige rc-
gimenten van de Infanterie en bij het Instructie-Bataljon. [K.
B.
22 Sept. 1892, SIM. n\\ 222, art. 1, R. M. 796).
De Cursus is den regel gevestigd bij den Staf van het Korps.
(Voorschr. M. B. 0 Oct. 1892, n\\ 39, art. 1, R. M. 797).
§ 582. B. Studiejaren. Het leerplan van eenen Cursus wordt
verdeeld over twee studiejaren. (Wel a. v., art. 21).
§ 583. Een leerling van een Cursus mag niet langer dan
twee jaren in hetzelfde studiejaar doorbrengen.
Hiervan kan worden afgeweken ten gunste van hem, die:
a.   wegens ziekte verhinderd was het onderwijs geregeld te
volgen;
b.  aan de eischen van het laatstelijk door hem afgelegd toe*
latingsexamen tot den Hoofdcursus heeft voldaan, doch, in ver»
, band met het bij dat examen door hem verkregen nummer op
de algemeene ranglijst, niet voor eene plaatsing op deze In-
richting in aanmerking kon komen. (Voorschr. a. «., art. 18).
§ 584- C. Toelatingsexamen. Het toelatingsexamen wordt
afgenomen:
-ocr page 241-
XXn. ï)e Öurmiien hij de Infanterie.               227
a.   voor het eerste studiejaar in de eerste helft van de maand Juli;
b.   voor liet tweede studiejaar, tegelijk met het overgangs-
cxamen, in de tweede helft van de maand Juli.
De toelatingsexamens zijn niet vergelijkend.
Voor zooveel door hen, die niet in allen deele aan het over-
gangsexamen hebbeu voldaan, een nader examen in een vak of
in meer vakken moet worden afgelegd, heeft dat nader examen
plaats, onmiddellijk vóór den aanvang van het nieuwe leerjaar.
{Voortckr. a. v., art. 4).
§ 585. Het volgen van de lessen in het eerste studiejaar is
geen vereisehte, om aan het afleggen van het examen tot toela-
ting iii het tweede te kunnen deelnemen. {Foorschr. a. v., art. 3).
§ 586. Aan het hierna bij § 587, te vermelden toelatings*
examen voor den Cursus kan worden deelgenomen:
a.   voor het eerste studiejaar:
door korporaals die aan het examen voor onderofficier hebben
voldaan en door onderofficieren ;
b.   voor het tweede studiejaar:
alleen door onderofficieren.
De adspiranten moeten: 1°. ongehuwd zijn; 2°. niet als plaats*
vervanger in dienst zijn getreden; 3°. den 1\'"" October van het
jaar waarin zij de vergunning erlangen om het toelatingsexamen,
hetzij voor het eerste of voor het tweede studiejaar af te leggen,
respectievelijk den leeftijd van 23 en 24 jaar niet hebben over-
schreden; 4°. theoretisch, en wat de onderofficieren betreft, ook
practisch geschikt zijn voor den dienst, welke van hen in hun-
nen graad gevorderd kan worden; 5°. zich door gedrag en dienst*
ijver gunstig onderscheiden.
Een adspirant kan, mits hij aan de hiervoren gestelde eischen
voldoet, desverlangd aan de beide genoemde toelatingsexamens
deelnemen. (Voorschr. a. o., art. 35).
§ 587. Het programma van examen voor toelating tot het
eerste studiejaar
omvat:
a.     S e h r ij v e n. Het schrift van den adspirant moet dui*
delijk en goed leesbaar zijn.
b.     Rekenkunde. De kennis van de geheele getallen en
van de gewone en tiendeelige breuken (vorming dier getallen,
de hoofdbewerkingen met uitzondering van de worteltrekking, de
deelbaarheid); liet metrieke stelsel; het oplossen van vraagstukken.
-ocr page 242-
228               XXII. De Cursussen bij de Infanterie.
c.     Stelkunst. De hoofdbewerkingen zonder \\vortellrok-
kiug met geheele en gebroken vormen; de merkwaardige produe-
ten en quotiënten, alsmede liet ontbinden van eenvoudige vormen
in factoren.
d.     Vlakke meetkunst. De ligging van rechte lijnen;
de eenvoudigste eigenschappen der drie- en der veelhoeken
(hieronder begrepen de parallelogrammen en trapeziums, maar
niet de regelmatige veelhoeken in het algemeen) tot en met de
congruentie; het oplossen van vraagstukken.
e.     Nederlandsche taal. Lezen met een beschaafde
uitspraak; kennis van de voornaamste taal- en spelregels, blij-
kende uit het schrijven onder dictee; het maken van een opstel
zonder zinstorende fouten.
f.     F r a n s c li e taal. Eenige bedrevenheid in het lezen en
het vertalen van een gemakkelijk stuk proza van het Fransch
in het Nederlandsch, waarbij het gebruik van een woordenboek
is toegestaan.
g.     Aardrijkskunde. 1°. Nederland: grenzen, ligging,
eilanden, spoor- en waterwegen, bodem, voortbrengselen, indee-
ling in provinciën met de voornaamste plaatsen;
2°. Europa: grenzen, ligging, voornaamste zeeën, golven, straten,
enz; berg- en rivierstclsel, verdeeling in staten met de voor-
naamste steden, ligging dier staten ten opzichte van elkander.
k. Geschiedenis. 1°. Oude en middelgeschiedenis:
in groote trekken en alleen als inleiding tot de nieuwe
geschiedenis ;
2°. nieuwe geschiedenis : een algemeen overzicht van de nieuwe
geschiedenis tot 1648, voornamelijk betreffende personen en
gebeurtenissen, die een overwegenden invloed op de ontwikkeling
der volken in het algemeen hebben uitgeoefend, of meer in het
bijzonder op Nederland betrekking hebben gehad ;
3°. vaderlandsche geschiedenis : tot 1568 in groote trekken ;
van 1568—1648, daaronder begrepen die van de Nederlandsche
koloniën en bezittingen sedert de vestiging van ons gezag aldaar,
meer in bijzonderheden. {Voorschr. a. »., art. 38).
§ 588. Het programma van het examen voor toelating tot
het tweede studiejaar omvat: behalve de eischen bij art. 43 van het
voorschrift gesteld om in dat studiejaar te kunnen overgaan, boven-
dien hetgeen voor toelating tot het eerste studiejaar van aardrijkskunde
-ocr page 243-
XXII. De Cursussen bij de Infanterie.               229
en geschiedenis, overeenkomstig het vermelde bij art. 38 (§587),
onder g en 7i, gevorderd wordt. {Voorscltr a. »., art. 39).
§ 589. Aan onderofficieren der cavalerie, der artillerie of der
genie, die in verband met het bepaalde in de laatste alinea van
art. 35 der Wet (§ 546), zich voor het toelatings-examen tot
den Hoofdcursus wenschen voor te bereiden, kan voor zooveel
het belang van den dienst bij het korps waartoe zij behooren
zulks toelaat, worden vergund de lessen van het eerste of van
het tweede studiejaar van den Cursus te volgen, mits deze on-
derofiicieren voldoen aan de bij art. 35 van dit Voorschrift ge-
stelde eischen.
De daarop betrekking hebbende voordrachten worden behan-
deld op den voet als bij art. 36 is aangegeven.
Omtrent de aanwijzing van het korps van het Wapen der In-
fanterie, waarbij een adspirant als voren bedoeld, het toelatings-
examen tot een der beide of tot de beide studiejaren van den
Cursus (zie \\ 586 laatste alinea) zal afleggen en waarbij hij
eventueel de lessen zal volgen, — zoomede omtrent de diensten
waarvan hij, in verband daarmede, bij het korps waartoe hij
behoort of waarbij hij wordt gedetacheerd, zal worden vrijge-
steld — treedt de Inspecteur van het betrokken wapen in overleg met
den Inspecteur van het Militair Onderwijs. {Voorscltr. a. »., art. 6).
§ 590. D. Onderwijs. Aan eenen Cursus wordt onderwijs
gegeven in:
a. de wiskunde; 6. de Nederlandsche taal; c. de Fransche
taal; d. de aardrijkskunde; e. de geschiedenis; f. de dienst- en
de exercitie-reglementen benevens de dienstvoorschriften. [Wet a.
v., art.
20).
§ 591. Aan den Cursus wordt onderwijs gegeven van 1 Oc-
tober tot ongeveer 15 Juni.
Gedurende den tijd, die vervolgens vóór den aanvang van
het overgangsexamen en van het toelatingsexamen tot den Hoofd-
cursus verloopt, wordt met in achtneming van het bepaalde bij
art. 20 onder I en art. 21 onder I, door vermindering van het
aantal lesuren voor de leerlingen van het eerste en van het
tweede studiejaar, de gelegenheid voor eigen studie uitgebreid.
Na afloop vau bedoeld overgangsexamen en van het schrifte-
lijk gedeelte van vermeld toelatingsexamen, wordt hun mede ge-
-ocr page 244-
230               XXII. De Cursussen bij de Infanterie.
legcnheid gegeven door eigen oefening het geleerde te onder-
houden, doch alleen voor zooveel zij daardoor niet, behoudens
het bepaalde bij art. 20 onder I, bij b en bij art. 21 onder I,
aan een of anderen dienst bij het Korps worden onttrokken.
(Voorschr. a. v., art. 8).
§ 592. Aan de leerlingen van oenen Cursus wordt gelegenheid
gegeven, overeenkomstig het verlangen en de keuze der ouders of
voogden, onderwijs in den godsdienst te bekomen. (Wet a. v., art. 5).
De directeur alsmede de leeraren van den Cursus wijden bij-
zondere zorg aan de zedelijke vorming en de karaktervorming
der leerlingen.
Van handelingen of tekortkomingen der leerlingen die, uiteen
militair of een maatschappelijk oogpunt beschouwd, op hun
gedrag of hun karakter een minder gunstig licht doen vallen,
wordt aan den directeur kennis gegeven.
Aan de leerlingen wordt gelegenheid gegeven op Zon- en
feestdagen de godsdienstoefening van hunne gezindte bij te wonen.
{Voorschr. a. v., artt, 22 en 23).
§ 593. E. Verloven. Binnenlandsch verlof kan worden verleend:
a.     aan de leerlingen :
gedurende 10 a 12 dagen tegen het einde van het jaar;
van Goeden Vrijdag tot en met den dag na 1\'aschen, zoomede
op Zon- en algemeen erkende christelijke feestdagen;
aan hen die den israëlietischen godsdienst belijden ook op de
voor dien godsdienst geldende feestdagen ;
b.   gedurende 14 dagen :
1°. bij de regimenten der Infanterie:
na afloop der najaarsoefeningen op groote schaal;
2°. bij het Instructie-Bataljon:
aan die van het eerste studiejaar na alloop van het over-
gangsexamen; aan die van het tweede studiejaar nadat zij het
mondeling gedeelte van het toelatings-examen tot den Hoofdcur-
sus hebben afgelegd. (Voorscltr. a. e,, art. 32).
$ 594. P. Ontheffing eu verwijdering. Een onderofficier of kor-
poraal wordt van zijne plaatsing als leerling op den Cursus ontheven :
I.   op verzoek;
II.    indien hij op den Isten October van het jaar waarin hij
-ocr page 245-
XXII. De Cursussen bij de Infanterie.               231
in de termen zou vallen opnieuw het overgangsexamen bij die
Inrichting of het toelatingsexamen tot den Hoofdcursus af te
leggen, respectievelijk den ouderdom van 24 en van 25 jaren
zou hebben overschreden;
III.   wanneer hij, gelet op het bepaalde bij art. 18 (§ 588), na twee
jaren in het eerste of in het tweede studiejaar te hebben door-
gebracht, respectievelijk niet voor overgang tot laatstvermeld
studiejaar of voor toelating tot den Hoofdcursus in aanmerking
komt, tenzij een der beide bepalingen, onder a en b van dat
artikel vermeld, op hem van toepassing is ;
IV.  wanneer hij door gemis aan aanleg niet in staat blijkt de
studiün te kunnen volgen. (JFoonekr. a. »., art. 25)
§ 595. Wegens berispelijk gedrag of gebrek aan vlijt kunnen
de leerlingen voor eene tijdelijke verwijdering van den Cursus
worden voorgedragen. De tijdelijke verwijdering duurt niet
minder dan zes maanden.
De duur eener tijdelijke verwijdering geldt, voor zooveel het
bepaalde bij § 588 betreft, voor verblijf op den Cursus. {FoorscJir.
a.   v., art. 28).
§ 596. Een leerling wordt voor definitieve verwijdering van
den Cursus voorgedragen : a. wegens zcdenbederf en ondeugden
die hem voor anderen gevaarlijk zouden kunnen doen worden;
b.   wegens sltcht gedrag; c. wanneer hij door den militairen of
den burgerlijken rechter is gevonnisd en zijne verwijdering in
het belang van de overige leerlingen noodzakelijk is; d. indien
hij wegens gemis aan ijver de studiën niet kan volgen; e.
wanneer zulks in het belang van de handhaving van de krijgs-
tucht noodzakelijk is. {Voorschr. a. »., art. 29).
§ 597. Gr. Schorsing van het onderwijs. Ingeval van oorlog,
oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden, bedoeld
bij art. 185 der Grondwet, kan door de Koningin het onderwijs
aan de Cursussen worden geschorst, en over de leerlingen, als-
mede over het aan die Inrichtingen verbonden militair personeel
beschikt worden in het belang van \'s Lands verdediging. {Wet
a, v., art.
12).
-ocr page 246-
HOOFDSTUK XXIII.
Toelating van stadenten in de geneeskunde tot eene verbintenis
voor den geneeskundigen dienst der Landmacht
§ 598- Jaarlijks kunnen eenige studenten in de geneeskunde
aan de universiteiten hier te lande worden toegelaten tot de
verbintenis om, na het verkrijgen van den titel van arts, eene
benoeming tot officier van gezondheid der 2\'ie klasse bij het
personeel van den geneeskundigen dienst der Landmacht aan
te nemen.
Het aantal studenten, dat tot zoodanige verbintenis kan wor-
den toegelaten, wordt telken jare door den Minister van Oorlog
bepaald.
Uit aantal wordt in de Staatscourant bekend gemaakt.
{Wet 2 Jut/. 1880, St.bl. n°. 145, art. 18, B, U. 570).
§ 599. Studenten, die de verbintenis hebben aangegaan, bij
de voorgaande § bedoeld, genieten van llijkswege, hetzij eene
tegemoetkoming in studiekosten, hetzij premién na voldoend
afgelegde examina, hetzij zoodanige tegemoetkoming en premién
te zamen, volgens regelen, door den Koning bij algemeenen
maatregel van inwendig bestuur te stellen, (a. v., art. 19).
§ 600. Ue verbintenis, bedoeld bij § 598 is eene tweeledige.
Zij omvat voor den student:
1°. de verplichtingen, omschreven bij art. 9 der Wet van 2
Aug. 1880, SUL »°. 145; (24) en
2°. de verplichting om het Kijk gedurende vijf achtereenvol-
(24) Bedoeld art. 0 luidt als volgt: Ue aanneming der benoeming tot
officier van gezondheid der 2Jc klasse en tot militair apotheker der 2\'* klasse
verplicht den benoemde, bij de Landmacht te dienen gedurende een tijdvak
van zes achtereenvolgende jaren.
-ocr page 247-
XXIII. Verbintenis van studenten in de geneeskunde. 233
gende jaren als gewoon vrijwilliger bij de Landmacht te dienen,
indien hij wegens slecht gedrag, wegens gebrek aan vlijt of
wegens onwil, overeenkomstig \\ 614, van de sub 1° bedoelde
verplichtingen wordt ontheven, of wel indien hij, door de be-
noeming tot officier van gezondheid niet aan te nemen of aan
de uitnoodiging der militaire autoriteit tot het afleggen van den
voor den officier bepaalden militairen eed niet te voldoen, zich
aan die verplichtingen onttrekt.
Onverminderd het omschrevene bij § 614, kan de student,
bij uitzondering, op eigen verzoek, door den Koning geheel of
ten deele worden ontheven van de voorschreven verbintenis, (art. 1,
Foorschrift M. JB. 25 Nov. 1880, n°. 99, B. U. 602 (25) ).
§ 601. Tot eene verbintenis, als bij de voorgaande $ om-
schreven, worden, behoudens het bepaalde bij § 602 toegelaten
studenten in de geneeskunde aan de universiteiten hier te lande,
Nederlanders volgens de Wet op het Nederlanderschap en het
ingezetenschap, die:
a.     lichamelijk in allen deele voor den militairen geneeskun-
digen dienst geschikt zijn, en
b.     van een goed zedelijk gedrag zijn en, indien zij vroeger
bij \'s Rijks Zee- of Landmacht hebben gediend, den militairen
dienst op eervolle wijze hebben verlaten, (a. v., art. 2).
§ 602. Tot de verbintenis, bedoeld bij de twee voorgaande
§ §, worden niet toegelaten:
1°. zij, die volgens art. 3 der Wet van 25 December 1878
{StM. n". 222) tot het afleggen van het practisch arts-examen
bevoegd, ouder zijn dan 27 jaren;
2°. zij, die aan het candidaats- (tweede natuurkundig-examen
Zij verplicht tevens den officier van gezondheid en den militairen apotheker,
om, na het verlaten van den wcrkelijkeu dienst, nog gedurende vier achter-
eenvolgende jaren als reserve-officier vau gezondheid en reserve militairen
apotheker te Onzer beschikking te blijven.
Wij behouden ons voor, van de verplichting, bedoeld bij het vorige lid
bij uitzondering, geheel of ten deele ontheffing te verleenen.
(25) Het hier bedoelde reglement is toepasselijk verklaard ook op de stu-
denten in de geneeskunde aan de universiteiten hier te lande, bevoegd tot
het afleggen van, of voldaan hebbende aan de examens, genoemd onder de
artt. 4, 5 en 6 der Wet van 25 December 1878 (StM. N°. 222), gewijzigd
bij de Wet van 27 Juni 1881, (SIM. N\\ 103). [K. B. 14 Sept. 1883,
StM. No. 135, B. V. 816].
-ocr page 248-
234 XXIIT. Verbintenis van studenten in de geneeskunde.
in de geneeskunde hebben voldaan, maar tot het afleggen van
een practisch arts-examen nog niet bevoegd en ouder dan 25
jaren zijn ;
3°. zij, die ouder dan 23 jaren, nog niet bevoegd zijn tot
het afleggen van het candidaats- (tweede natuurkundig) examen
in de geneeskunde, (a. v., art. 3).
§ 603. In de maand Januari van elk jaar wordt in de
Staatscourant bekend gemaakt, hoeveel studenten in het ingetreden
jaar tot de bij § 000 omschreven verbintenis zullen worden
toegelaten.
Zoo nood ig, kan dat getal in den loop van het jaar bij nadere
oproeping worden vermeerderd, (a. v., art. 4).
§ 604. Verzoeken tot het aangaan van zoodanige verbintenis
worden binnen den tijd, door den Minister van Oorlog bij de
in de voorgaande § bedoelde aankondiging te bepalen, schriftelijk
aan den minister ingediend.
Het verzoek wordt gedaan door den student zelven, indien
hij meerderjarig is; in het tegenovergestelde geval, door hem
of door haar, die de ouderlijke macht of de voogdij over den
student uitoefent, (a. »., art. 5).
§ 605. Bij het verzoek, waarvan bij de voorgaande § sprake
is, moeten worden overgelegd:
a.   eene geboorte-akte van den student;
b.   een bewijs, dat hij Nederlander is volgens de Wet op het
Nederlanderschap en liet ingezetenschap;
c.   een bewijs van goed zedelijk gedrag, ten zijnen aanzien afge-
geven door het hoofd der gemeente, of de hoofden der gemeen-
ten, waar hij gedurende de laatste drie jaren vóór den aanvang
zijner studiën gevestigd was;
d.   indien de student minderjarig is, eene gezegelde en gere-
gistreerde verklaring van hem of van haar, die de ouderlijke
macht of de voogdij over den student uitoefent, dat hun zoon
of pupil nooit lijdende is geweest aan krankzinnigheid of aan
vallende ziekte; is de student meerderjarig, dan eene gelijke
verklaring van hem zelven;
e.   zoo mogelijk, eene door de faculteit der geneeskunde van
de universiteit, waarbij de student is ingeschreven, afgegeven
verklaring nopens zijn gedrag, zijnen aanleg en zijnen ijver.
f.   een bewijs, dat hij zijne plichten ten aanzien der Nationale
-ocr page 249-
XXIII. Verbintenis van studenten \'m de geneeskunde. 235
Militie heeft vervuld, of dat hij tot geen dienst bij de militie
gehouden is, of geweest is; (26) en eindelijk
ff. iudien hij bij de universiteit reeds aan een of meer examens
heeft voldaan, de bewijzen daartoe betrekkelijk, (a. v., art. 6).
§ 606- Indien het getal der zich aanbiedende studenten
grootcr is dan dat, bedoeld in § 603, komen voor cene toelating
in de eerste plaats in aanmerking de studenten, die bereid zijn
de verbintenis aan te gaan tegen genot der premiën, waarvan
sprake is sub a van § 608.
Evenzoo hebben zij, die de verbintenis wenschen aan te gaan
onder genot van tegemoetkoming en premiën, als bedoeld sub
b van \\ 608 de voorkeur boven hen, die slechts toelating ver-
laugeu tegen het genot van tegemoetkomingen, als bedoeld bij
c van genoemde §.
Bedraagt het getal der studenten, die naar dien maatstaf ge-
lijke aanspraken op toelating hebben, meer dan het voor hen
beschikbare getal plaatsen, dan zal het lot beslissen, wie hunner
voor plaatsing in aanmerking komen. (ii. v., art. 7).
§ 607. De student, die tot het aangaan der verbintenis
wordt toegelaten, zal, indien hij meerderjarig is, aan het Depar-
tement van Oorlog moeten inzenden :
1\'. eene authentieke akte, opgemaakt overeenkomstig het daar»
voor vastgesteld model, betreflende de verbintenis van den student
en de eventueele terugbetaling van het geld, door hem uit
\'s .Rijks kas te genieten;
2°. eene gezegelde verklaring, overeenkomstig het daarvoor
vastgesteld model, strekkende tot staving van het vermogen der
borgen tot de terugbetaling sub 1° bedoeld. Is de student min-
derjarig, dan geldt de bedoelde verplichting niet den student,
maar zijn\' vader of zijn\' voogd. De akte wordt alsdan opge-
maakt volgens een ander daarvoor vastgesteld model, terwijl dan
tevens nog moet worden overgelegd, behalve de sub 2° bedoelde
verklaring, eene verklaring, opgemaakt volgens het daarvoor
(26) Bij K. 15. van :il Juli 1882, n*. 8, is beslist, dat zij, die de verbintenis
hebben aangegaan, bedoeld in de artt. 18 en 19 der Wet van 2 Aug.
1880, St.il. n". 146, van ltijkswcge voor den militairen geneeskundigen dienst
worden opgeleid en mitsdien vallen onder de toepassing van art. 47, 6°. der
Wet vau 1\'J Ang. 1861, .V il. u°. 72, betrekkelijk de Nationale Militie.
-ocr page 250-
286 XXIII. Verbintenis van studenten in de ffeneeskunde,
vastgesteld model, waarbij de student de verbintenis aangaat,
bedoeld bij § 600.
De toelating geschiedt niet, indien de in deze § genoemde
stukken — van de authentieke akten de eerste grosse in exe-
cutorialen vorm — niet op het daartoe door den Minister van
Oorlog te bepalen tijdstip bij het Departement van Oorlog zijn
ingekomen. (a. »., art. 8).
§ 608. De student, die de bovenbedoelde verbintenis heeft
aangegaan, zal genieten :
a.     premtón, op den voet en tot het bedrag, aangewezen bij
§ 61.0, of
b.     eene tegemoetkoming en de premie\'n, volgens § 611, ofwel,
c.     eene tegemoetkoming, hem per drie maanden te voldoen, tot
het bedrag en onder de voorwaarden, bij § 612 omschreven.
Wordt de student ontheven van de verplichtingen, bedoeld
sub 1° van § 600, dan wordt de betaling dier tegemoetkomin-
gen en premie\'n te zijnen aanzien gestaakt, (a. »., art. 9).
§ 609. De tegemoetkomingen, bedoeld sub b en e van
de vorige §, worden bij het einde van elke drie maanden uit-
gekeerd.
Zij worden uitbetaald aan den studeut zelven, indien deze
meerderjarig is, en aan hem of aan haar, die de ouderlijke macht
of de voogdij over hem uitoefent, zoolang hij de rechten van
meerderjarige niet bezit. (a. v., art. 10).
§ 610. De premiën, bedoeld sub a van § 608, worden uit-
gekeerd tot het bedrag en in voege, als bij onderstaande tabelle
is aangewezen:
-ocr page 251-
XXIII. Ve.rUntenia van studenten in ie geneeskunde,. 237
bedraagt de premie, nu liet voldoen aan het
Wanneer
de student de verbintenis
heeft aangegaan,
A.
examen,
bevoegd-
heid geven-
de tot het
afleggen
van het
candidaats*
(tweede
natuur-
kundig)
examen.
B.
caudidaats-
(tweede
natuur-
kundig)
examen in
de genees-
kunde.
c.
doctoraal
(theore-
tisch ge-
neeskundig)
examen in
de genees-
kunde.
D.
nractisrh
arts-
examen.
• 1. reeds bevoegd zijnde tot het
afleggen van het practisch-arts-
examen
.....
i. na het met goed gevolg af-
leggen van het candidaats- (tweede
natuurkundig) examen
in de ge-
neeskunde en vóór het voldoen aan
het doctoraal (theoretisch genees-
kundig) examen
in de geneeskunde.
c.  bevoegd zijnde tut het afleggen
van het candidaais- (tweede na-
tuurkundig) examen
in de genees-
kunde ......
d.    vóór dat hij de bevoegdheid
tot het afleggen van het candidaalt-
(tweede natuurkundig) examen
in
de geneeskunde bezit
M
II
f 800
m
f 1000
» 1000
*
/ 2400
» 1500
« 1500
/ 5000
« 2000
. 2500
» 2000
(a. »., Art. 11).
§ 611. De tegemoetkoming en premiën, bedoeld sub b van
\\ 608 worden uitgekeerd tot het bedrag en in voege, als bij
onderstaande tabelle is aangewezen:
-ocr page 252-
£38 XXlIf. Verbintenis van studenten in de geneeskunde,
bedraagt de premie, na het voldoen aan het
li.
doctoraal
r>.
candidaats-
(theore-
(tweed e
natuur-
tisch ge-
nceskimdig)
practisch arts-
kundig)
examen in
examen.
examen.
de genees-
kunde.
Zooveel als de
ii
*
student aau te-
gemoetkoming
mindergenoten
heeft dan
/ 5000.
Zooveel als de
student aan tc-
gemoetkoming
en premie te
zamen minder
genoten heeft
dan ƒ 5000.
ƒ 1000
f 500
» 800
ia.
. 500
, 800
ld.
A.
examen,
bcvocgd-
hcid gcveU"
de tot het
afleggen
van het
candidaats-
(tweede
natuur-
kundig)
examen.
bedraagt de
tegemoet-
koming per
3 maanden.
Wanneer de student
de verbintenis
heeft aangegaan,
a. reeds bevoegd
zijnde tot het afleggen
van het practisch
arts-examen .
ƒ300
i. na het met goed
gevolg afleggen van
het candidaats-(iwee-
de natuurkundig)
examen
in de gences-
kande en vóór het
voldoen aan het doc-
toraal {theoretisch
geneeskundig) exa-
men
in de geriees-
kunde .....
c.  bevoegd zijnde
tot het afleggen van
het candidaals-{lwee-
de natuurkundig)
examen
in de ge-
neeskuude. . . .
d.  vóór dat bij de
bevoegdheid tot het
afleggen van het can-
didaats- (hceede na-
tuurkundig) examen
iu de geneeskunde bezit
200
150
/ 250
100
(«. v., Art. IV).
-ocr page 253-
XXIIT. Verbintenis van studenten in de geneeskunde. 239
§ 612. Do tegemoetkoming, waarvau sprake is sub c van
§608, bedraagt:
a.   400 gulden per drie maanden voor hem die bij de toela-
ting tot de verbintenis reeds bevoegd was tot het afleggen van
het practiscli arts-examen;
b.   300 gulden per drie maanden voor den student, die de
verbintenis heeft aangegaan na aan het candidaats- (tweede na-
tuurkundig) examen
in de geneeskunde te hebben voldaan en
zonder nog de bevoegdheid te bezitten, sub a van deze § bedoeld;
c.   200 gulden per drie maanden voor den student, die de ver-
bintenis heeft aangegaan na de bevoegdheid tot het afleggen van
het candidaats- (tweede natuurkundig) examen te hebben verkregen,
doch nog vóór dat aan dit examen door hem is voldaan;
d.   150 gulden per drie maanden voor den student, tot de ver-
bintenis toegelaten, zonder nog de bevoegdheid te bezitten, bij
c van deze § genoemd.
Wanneer den student, die tegemoetkoming, volgens deze §
genoten heeft, bij het verkrijgen van den titel van arts nog geen
volle vijf duizend gulden aan tegemoetkoming is uitbetaald, zal
hem het minder genotene worden uitgekeerd, nadat hij het bewijs,
bedoeld bij art. 19, sub a, der Wet van 25 December 1878
(St.bl. «°. 222), aan het Departement van Oorlog heeft inge-
zonden. (a. v., art. 13).
§ 613. De uitkeering der tegemoetkomingen, volgens de
§§ 611 en 612, wordt geschorst, wanneer de student niet bin-
nen den tijd, bij onderstaande tabelle aangewezen, het in die
tabelle mede aangewezen examen met goed gevolg heeft afgelegd.
-ocr page 254-
240 XXIII. Verbinteni» van studenten in de geneeskunde.
Voor den student, die
de verbintenis
heeft aaugegaan.
A.
Examen,
bevoegdheid
gevende
tot het afleggen
van het
candidaats-
(tweede
natuurkundig)
examen.
B.
Candidaats-
(tweede
natuurkundig)
examen.
C.
Doctoraal-
theoretisch
geneeskundig)
examen in de
geneeskunde.
D.
Practiseh
arts-
examen.
a.   reeds bevoegd zijn-
de tot het afleggen van
het praclisch arts-exa-
b.  na het met goed
gevolg afleggen van het
candidaats- (tweede na-
tuurkundig) examen
in
de geneeskunde en vóór
het voldoen aan het doc-
toraaU {theoretisch ge-
neeskundig) examen
in
de geneeskunde .
e. bevoegd zijnde tot
het afleggen van liet can-
didaats- (tweede natuur-
kundig) examen
in de
geneeskunde ....
d. vóór dat hij de be-
voegdheid tot hetafleg-
gen van het candidaats-
(ttceede natuurkundig)
examen
in de genees-
kunde bezit ....
0
twee jaren
*
twee jaren.
vier jaren.
i
twee jaren,
vier jaren.
zes jaren.
twee jaren.
vier jaren.
zes jaren.
acht jaren.
De betaling der tegemoetkoming wordt hervat, nadat de stu-
dent binnen den bovengenoemden voor zijne categorie aangewezen
tijd aan het naastvolgende examen heeft voldaan, («. »., art. 14).
§ 614. De student wordt van de verplichtingen, omschre-
ven sub 1°, van § 600, in de volgende gevallen ontheven:
-ocr page 255-
XXIII. Verbintenis van /studenten in de geneeskunde. 241
a.     indien uit een, jaarlijks door hem te ondergaan, militair
geneeskundig onderzoek blijkt, dat bij physiek ongeschikt is
geworden om later als officier van gezondheid der Landmacht te
dienen;
b.     indien hij, naar het oordeel van den Minister van Oorlog,
— den rector-magnificus der universiteit gehoord — door slecht
gedrag moet geacht worden niet waardig te zijn om eenmaal tot
officier van gezondheid te worden benoemd;
c.     indien hij, door gebrek aan vlijt, onwil of gemis van aau-
leg, naar het oordeel van de hoogleeraren der medische faculteit
bij de universiteit, in zijn studiën dermate achterlijk is, dat hij
vermoedelijk nimmer, en althans niet vóór de intrede van zijn
31"e levensjaar, den titel van arts zal kunnen verkrijgen.
Heeft de ontheffing plaats wegens eene lichamelijke ongeschikt-
heid, welke niet het gevolg is van ongeregeld gedrag of van
eigen moedwillige handelingen, dan wordt tevens de ontheffing
verleend van de verplichtingen, omschreven sub 2°. van § 600
en van die, aangegaan bij eene der authentieke akten, waarvan
sprake is bij § 007. («. v., art. 15).
5 615. De student, die de verbintenis heeft aangegaan, wordt
nadat hij den titel van arts verkregen heeft, en mits hij niet
ouder dan 30 jaren zij, tot officier van gezondheid der 2do klasse
bij de Landmacht benoemd, al bestaat er op dat tijdstip geen
vacature in die betrekking, (a. v., art. 16).
16
-ocr page 256-
HOOFDSTUK XXIV.
De toelating als kweekeling bij \'sRps veeartsenijschool te Utrecht.
§ 616- Op \'s Rijks veeartsenijschool te Utrecht zullen eenige
kweekelingen voor rekening van het Departement van Oorlog worden
opgenomen, ten einde voor den militairen vétérinairen dienst te
worden opgeleid. (K. B. 27 Aug. 1855, n\\ 32, B. U. 205).
§ 617. De jaarlijkschc bijdrage voor ieder der kweekelingen
welke op twee honderd gulden (f200) is vastgesteld, zal in twee
termijnen en wel op den Vlm October en den l""1 April van
ieder jaar door liet Departement van Oorlog aan de administra-
tie van \'s Rijks veeartsenijschool worden voldaan, (a. »., en K.
B.
7 April 1860, n\'. 5 5).
§ 618. Do kweekelingen, die het onderwijs bij \'s Rijks vee-
artsenijschool voor rekening van het Departement van Oorlog
gedurende een of meer jaren hebben bijgewoond, verbinden zich
om het Rijk in de betrekking van paardenarts gedurende tien
achtereenvolgende jaren te blijven dienen. (K. B. 27 Aug. 1855,
»•. 32, B. U. 205).
§ 619. De benoeming der kweekelingen geschiedt door den
Minister van Oorlog, (a. ».).
§ 620- De toelating bij \'s Rijks veeartsenijschool heeft slechts
eenmaal in het jaar plaats en wel op den eersten Dinsdag in
September, zijnde de eerste dag van het studiejaar. (M. B. 16
Juli 1875, m°. 48 F).
De jongelieden, op \'s Rijks veeartsenijschool voor rekening van
het Departement van Oorlog toegelaten, moeten zijn Nederlander.
7A] moeten op den l"on September van het jaar, waarop zij
aan \'s Rijks veeartsenijschool wenschen te worden toegelaten, den
vollen leeftijd van zeventien jaar hebben bereikt, en niet ouder
zijn dan een-en-twintig jaar.
-ocr page 257-
XXIV. Kiveekelingen bij \'s Bijles veeartsenijschool. 243
Zij zullen van een onberispelijk gedrag, vrij vau alle lichaams-
gebreken en lichamelijk genoegzaam ontwikkeld moeten zijn. (a. v.).
§ 621. De onders of voogden, wier zonen of pupillen de
toelating verlangen, bij \\ 620 bedoeld, moeten zich verbinden,
om, zoolang het verblijf van hunne zonen of pupillen aan
\'s Rijks veeartsenijschool zal duren, voor hunne kleeding, boeken,
instrumenten, enz, naar behooren te zorgen en wel overeen-
komstig de bepalingen daaromtrent vastgesteld of nog vast te
stellen. («. v ).
Zij moeten van hun verlangen doen blijken in een verzoek-
schrift aan den lieer inspecteur vau den geneeskundigen dienst
der Landmacht, door wien de jongelieden vervolgens tot het
afleggen van een examen bij \'s Rijks veeartsenijschool zullen
worden toegelaten. (a. v.).
§ 622. Dit verzoekschrift moet inhouden den naam, de
woon- of geboorteplaats vau vader en moeder, van den voogd
of van de voogdesse. (a. v.).
§ 623. Het verzoekschrift moet vergezeld gaan :
1°. van eene verklaring, waaruit blijkt dat de adspirant Neder-
lander
is; 2°. van de geboorte-akte van den adspirant; 3°. van
eene verklaring van een\' deskundige, inhoudende dat de adspirant
met, goed gevolg of meer dan eens gevaccineerd is, of aan de na-
tuurlijke kinderpokken heeft geleden;
4°. voor hen, die door hun
leeftijd in de termen der wet op de Nationale Militie mochten
vallen, van een bewijs, dat zij aan hunne verplichtingen op dat
stuk hebben voldaan,
en 5°. van een betvijs van goed gedrag, af-
gegeven door het gemeentebestuur der woonplaats van den ad-
spirant. (a. ».).
§ 624- De aankondiging betrekkelijk het tijdstip van examen
wordt in de Staatscourant geplaatst met opgave tevens der ver-
eischte voorwaarden, (a. ».).
§ 625. Rij het examen moet blijken, dat de adspirant goed
leesbaar schrijft en kennis heeft van: a. de gronden van de
spraakkunst der Nederlandsche taal; b. de beginselen van de
Hoogduitschc en Fransche taal, zoodat de adspirant vlug uit
beide talen in het Nederlandsch kan overbrengen; c. de begin-
selen der Algemeenc en Vaderlandsehe geschiedenis; d. de begin-
selen der aardrijkskunde; e. reken- en stelkunde, met inbegrip
van vergelijkingen met meer dan ééne onbekende, vergelijkingen
-ocr page 258-
244 XXIV. Kiceehelingen bij \'s Rijks veeartsenijschool.
van den 2den graad, reken- en meetkundige reeksen en het prac-
tisch werken met logarithmen; f. meetkunde : de planimetrie.
Bovendien wordt verlangd, dat de adspirant, ook al is hij
niet bekend met den geheelen omvang van hoek-, driehoeks- en
lichaamsmeting, toch de voornaamste formules kan toepassen,
welke dienen voor de oplossing van recht- en scheef hoekige platte
driehoeken en ter berekening der oppervlakken en inhoudeu van
prisma, pyramide, kegel, cylinder, bol, bolvormig segment en
sector, (a. v.).
§ 626- De adspiranten «worden vóór het examen genees-
kundig onderzocht aan het militair hospitaal te Utrecht; zij die
voor den militairen dienst niet geschikt of lichamelijk niet genoeg-
zaam ontwikkeld worden bevonden, worden niet tot het afleggen
van examen toegelaten. (a. e.).
§ 627. Het examen wordt bij \'s llijks veeartsenijschool, in
het openbaar afgenomen door de leeraren der school, zoo noodig
bijgestaan door deskundigen.
De directeur der school is voorzitter der examen-commissie,
die omtrent den uitslag van het examen een tabellarisch verslag
opmaakt, waarin de aspiranten geplaatst worden naar orde van
de kunde, door hen in de hierboven opgegeveu vakken aan den
dag gelegd. Bij gelijke kunde komt bij de adspiranten in de
eerste plaats in aanmerking de kennis in verschillende talen, in
de rekenkunde en in de geschiedenis en aardrijkskunde, (as. ».).
§ 628- Dat tabellarisch verslag zal door den directeur van
\'s Rijks veeartsenijschool worden overgelegd aan den inspec-
teur van den geneeskundigen dienst der Landmacht, die ver-
volgens aan het Departement van Oorlog die jongelieden ter
plaatsing als leerling voorstelt, die naar de rangorde van kunde,
bij het examen verkregen, het eerst daarvoor in aanmerking
komen. («. ».).
§ 629. De toegelatenen zullen zich aan de bepalingen, bij
het reglement van orde voor de veeartsenijschool vastgesteld of
nog vast te stellen, moeten onderwerpen, (a. ».).
§ 630. De geheele cursus van het onderwijs in de veear,se-
nijkunde aan \'s ltijks veeartsenijschool duurt 4 jaren. (a. ».).
§ 631. De directeur der veeartsenijschool zal na elk school-
jaar aan den inspecteur van den geneeskundigen dienst der
Landmacht doei:, toekomen een verslag omtrent de leerlingen,
-ocr page 259-
XXIV. Kmeekelmgeu hij \'s Rijks veeartsenijschool. 245
die voor rekening van het Departement van Oorlog in het afge-
loopen jaar op de school tegenwoordig zijn geweest. Dat verslag
zal de noodige inlichtingen moeten bevatten wegens het gedrag,
de vlijt en de gemaakte vorderingen der leerlingen, {a. ».).
§ 632. Een leerling kan uit zijne betrekking worden ontslagen :
a. ten gevolge van ziels— of lichaamsgebreken, welke hem voor
zijne bestemming ongeschikt maken; of\' wel, indien het na ver-
loop van een a twee studiejaren blijkt, dat zijn gestel geen voor
de uitoefening van den dienst genoegzame ontwikkeling van het
lichaam doet verwachten; h. wanneer het na twee jaren studietijd
blijkt, dat hij ten gevolge van onvoldoenden aanleg de noodige
kennis tot het afleggen van het natuurkundig examen niet zal
verkrijgen. {Art. 9 der wet van 8 Juli 1874, SIM. n°. 99);
e. wanneer hij na verloop van drie jaren studie het natuurkundig
examen met geen voldoenden uitslag heeft, afgelegd; (/. wanneer
hij na verloop van drie jaren studie na het natuurkundig examen
het diploma van veearts niet heeft verkregen (Artt. 8 en 10 der
wet van
8 Juli 1874, St.il. u°. 99); e. wegens zedenbederf,
dat hem voor anderen gevaarlijk zou maken; f. wanneer hij
wegens herhaald onordelijk gedrag gedurende de lessen, wegens
onzedelijk gedrag, of herhaalde ongehoorzaamheid aan de reglc-
mentaire voorschriften in het algemeen, door den Minister van
Binnenlandselie Zaken van \'s Itijks veeartsenijschool verwijderd
is; ff. wegens mishandeling van medeleerlingen, (a. v.).
§ 633. Wanneer een leerling in een of meer der gevallen,
bij § 632 genoemd, uit zijne betrekking moet worden ontsla-
gen, zullen zijne ouders of voogden bijtijds daarvan worden
onderricht, ten einde het ontslag voor hunnen zoon of pupil te
kunnen aanvragen.
Indien de ouders of voogden in gebreke mochten blijven hier-
aan te voldoen, zal het ontslag aan zoodanigen leerling door den
inspecteur van den geneeskundigen dienst der Landmacht aan
den Minister van Oorlog worden aangevraagd, (a. v.).
§ 634. De leerlingen zullen op voordracht van den inspec-
teur van den geneeskundigen dienst der Landmacht door den
Minister van Oorlog uit hunne betrekking worden ontslagen, (a. ».).
§ 635. De ouders of voogden van de jongelieden, die voor
de hierbedoelde plaatsing als leerling aan \'s Eijks veeartsenij-
school in aanmerking komen, zijn gehouden, om voor de toe-
-ocr page 260-
iHC> XXIV. fcweekdbirjeii bij \'» Rijks veeartsenijschool.
lating van liuniic zonen of pupillen, bij authentieke akte, een\'
voldoenden borgtocht te stellen, om daarvan de sommen door
de zorg van liet Departement van Oorlog ten behoeve der op-
leiding van die jongelingen verstrekt, geheel of ten deele aan
dat departement te vergoeden, indien de leerling zich aan zijuo
bestemming onttrekt, of krachtens het bepaalde sub b, c, d, e, f
en ff van § 032 wordt ontslagen.
De te passeeren akte van borgtocht, opgemaakt volgens een
bepaald model, wordt door tusschenkomst van den inspecteur
voornoemd ingezonden aan het Departement van Oorlog.
Wordt van zoodanige akte, binnen den aan belanghebben-
deu te stellen termijn, geen eerste grosse in executorialen vorm
ingeleverd, dan worden de ouders of voogdeu geacht te hebben
afgezien van hun verzoek om toelating voor hunne zonen of
pupillen. («. ».).
§ 636- De leerlingen, die het diploma van veearts hebben
verkregen, zullen, bij nader examen, bewijzen moeten geven
van hunne geschiktheid voor de betrekking van paardenarts bij
het leger.
Dat examen zal onder het voorzitterschap van den inspecteur
van den geneeskundigen dienst der Landmacht, of, bij ontsten-
tenis van dezen, van eenen door den Minister van Oorlog aan
te wijzen officier van gezondheid, worden afgenomen door eene
commissie van paardenartsen der 1"° of 2de klasse, (a. v.).
§ 637. De leerlingen zullen vervolgens naar gelang van de
geleverde bewijzen van verkregen bekwaamheden worden gerang-
schikt, en in die volgorde door den inspecteur van den genees-
kundigen dienst der Landmacht voor eene benoeming tot paar-
denarts bij den Minister van Oorlog en door dezen bij den
Koning in aanmerking worden gebracht, (a. v.).
-ocr page 261-
HOOFDSTUK XXV.
Toelating van railitieplichtige studenten in de geneeskunde aan eene
van \'s Rps Universiteiten tot eene vrijwillige verbintenis
voor reserve-officier van gezondheid.
§ 638- De reserve-officieren van gezondheid zijn: o. a,, artsen,
die, te rekenen van de dagteekening waarop hun het diploma
als zoodanig is uitgereikt, gedurende vijf achtereenvolgende jaren
als reserve-officier van gezondheid tot \'s Konings beschikking zijn
krachtens, eene vrijwillige verbintenis, door hen, als militieplich—
tigen, overeenkomstig art. 9 der Militiewct aangegaan naar rege-
len, in de hierna volgende §§ omschreven. (Wet 2 Aug. 1880,
St.bl. n\'. 145, art. 21, B. U. 570).
§ 639. De verbintenis in de vorige § bedoeld is eene tweeledige.
De militieplichtige zal zich, buiten genot van premie of hand-
geld, hoe ook genaamd, moeten verbinden:
~1°. om het Koninkrijk der Nederlanden als militair bij de
Landmacht te dienen gedurende den tijd van tien jaren, welke tijd
zal gerekend worden in te gaan met den dag, waarop de verbin-
tenis door of namens den Minister van Oorlog is bekrachtigd;
2". om, voor het geval dat hij gedurende den loop van de
sub. 1°. bedoelde verbintenis den titel van arts volgens de be-
staande of nader te stellen wettelijke bepalingen verkrijgt, als
reserve-officier van gezondheid bij de Landmacht tot \'s Konings
beschikking te blijven gedurende een tijdvak van vijf achtereen-
volgende jaren, gerekend van den dag, waarop hem het diploma
als arts is uitgereikt; alles onder de voorwaarde en overeenkom-
stig de bepalingen, in de §§ 641 — 646 vervat. (K. b. 30 Oct.
1880, St.bl. n\\ 188, art. 1, B. U. 608).
De verbintenis moet worden aangegaan bij gezegelde en gere-
gistreerde akte, volgens het daarvoor vastgesteld model. Dade-
lijk na het sluiten der verbintenis worden den vrijwilliger de
krijgsartikelen voorgelezen en wordt van het aangaan der ver-
bintcnis door den korpscommandant kennis gegeven aan het
-ocr page 262-
248             XXV. Toelating van militiepUrJitigeii en:.
Departement van Oorlog. (M. B. 30 Nov. 1880, «°. 111, 2°.
B. U. f,08). (27)
§ 640. Tot de bij de vorige § bedoelde verbintenis worden
toegelaten alle zich daartoe aanbiedende militieplichtigen, die als
student in de geneeskunde bij eene van de universiteiten hier te
lande zijn ingeschreven, zich niet hebben verbonden overeenkom-
stig art. 28 der wet van 2 Augustus 1880 (SIM. n\\ 145), en
ten genoege van den Minister van Oorlog kunnen aantoouen:
a. dat zij voor de militie ingeschreven of wel als loteling
ingelijfd zijn;
h. dat zij ongehuwd zijn en tevens Nederlander volgens de
wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap;
c.     dat zij zijn van een goed zedelijk gedrag, en, indien zij
vroeger bij Zee- of Landmacht hebben gediend, den militairen
dienst op eervolle wijze hebben verlaten;
d.     dat, indien zij minderjarig zijn, hun vader of voogd, bewilligt
in de tweeledige verbintenis, door hen aan te gaan. (K. B. a.v., art. 2).
§ 641. De militieplichtige, die tot de verbintenis, in de
twee voorgaande § § bedoeld, is toegelaten, wordt, onmiddellijk
daarna, tot het voortzetten zijner studiën, in het genot gesteld
van een binnenlandsch verlof tot nadere oproeping, fa. v., art. 3).
Dit verlof wordt verleend door den korpscommandant en naar
de gemeente, waar de universiteit gevestigd is, bij welke de
vrijwilliger als student is ingeschreven. (M. B. a. »., 3".).
Is de gemeente, waarheen het verlof verleend i3, niet tevens
de standplaats van den korpscommandant, door wien het verlof
is toegekend, dan is de vrijwilliger gehouden, binnen 24 uur
na aankomst in die gemeente zich met zijnen verlofpas te ver-
toonen bij den plaatselijken of garnizoenscommandant aldaar, en
dien commandant tevens mededeeling te doen van zijn domicilie.
ia. v., 4°.).
Verandert de vrijwilliger van domicilie, dan moet hij daarvan
schriftelijk bericht geven aan den bedoelden korpscommandant,
(27) De dienst eens broeders, die ingevolge art. 9 der militiewet eene
vrijwillige verbintenis heeft aangegaan naar de regelen bedoeld bij Koninklijk
.Besluit van 30 October 1880 {Sl.il. n°. 188), moet geacht worden als broe-
derdienst in aanmerking te komen. (Besluit van Gedeputeerde Staten van
ZuidUolland van
28 April 1891, «°. 91).
-ocr page 263-
XXV. Toelating van mililieplicMigen enz.              249
of aan dcu plaatsolijken of garnizoenscommandant, naar gelang hij
al dan niet verblijf houdt in de standplaats van den staf van
het korps, waartoe hij behoort, (a. v. 5°.).
§ 642. De vrijwilliger bij de voorgaande § bedoeld, zal,
behoudens het bepaalde bij de volgende twee § § in gewone tijden
niet onder de wapenen worden teruggeroepen.
Wanneer echter de geheele militie te land, krachtens art. 184
der Grondwet, buitengewoon is bijeengeroepen, zal het hem ver-
leende verlof, voor den tijd dat de militie buitengewoon onder de
wapenen is, worden ingetrokken en hij voor dien tijd, naar gelang
hij dit verlangt, in dienst worden gesteld, hetzij bij een der korpsen
van het leger te zijner keuze, hetzij bij eene der militaire zieken-
inrichtingen te velde, of in de vestingen en garnizoensplaatsen
te lande; terwijl hij in het eerste geval, wanneer hij niet uitdruk*
kelijk verzoekt om met de wapenen te dienen, ter beschikking
zal worden gesteld van den chef van den geneeskundigen dienst
bij het door hem gekozen korps. (K. B. a. v., art. 4).
5 643. De in de voorgaande § § bedoelde vrijwilliger, die
binnen den tijd van acid jaren den titel van arts niet verworven
heeft, wordt, tenzij er door den Koning termen worden gevon-
den om anders te bepalen, van de verbintenis, bedoeld sub 2°.
van § 639, ontheven en bij het korps, waartoe hij behoort,
teruggeroepen, om daarbij gedurende den nog loopenden tijd
zijner sub 1°. van §639 genoemde verbintenis als gewoon vrij-
williger te dienen, (a. v., art. 5).
§ 644. Het bepaalde bij de voorgaande § zal, behoudens het
bepaalde in het tweede en het voorlaatste lid van deze §, mede wor-
den toegepast ten opzichte van de hierbedoelde vrijwilligers, die:
a.     willens en wetens, bij hun verzoek om toelating tot de
verbintenis, stukken hebben overgelegd, welke valsch zijn of
valschheid inhouden, of wel:
b.     hunne studiën in de geneeskunde stfiken, — van de uni-
versiteit verwijderd worden, — ter zake van eenvoudigen dief-
stal of andere de goede trouw of eerlijkheid kwetsende misdrijven
rechterlijk veroordeeld zijn, of, naar het oordeel van den Minister
van Oorlog, den rector-magnificus der universiteit gehoord, we-
gens slecht gedrag niet waardig worden geacht om eenmaal tot
reserve-officier van gezondheid te worden benoemd.
Deze vrijwilligers kunnen voorts ten allen tijde, indien daartoe
-ocr page 264-
250             XXV. Toelating van mïïitieplichUr/en <?wr.
tonnen zijn, mcl een do redenen van hun ontslag vermeldend
paspoort uit dea dienst worden verwijderd.
De Koning behoudt zich voor, van het bepaalde bij het eerste
lid van deze § af te wijken ten gunste van de vrijwilligers, die,
naar Hoogstdeszelfs beoordecling, om billijke redenen hunne
studiën in de geneeskunde staken. (K. B. a. o., art. 6).
Het paspoort in deze § bedoeld, wordt niet uitgereikt dan
met machtiging van den Minister van Oorlog. (M. B. a. v., 10°.).
§ 645. De vrijwilliger, die binnen den tijd van acht jaren,
bij § 643 genoemd, of zooveel later als hem dit door den Koning,
met toepassing van het bepaalde bij deze § wordt toegestaan,
den titel van ark verkrijgt, zal daarvan, onder overlegging van
het hem uitgereikte diploma, onverwijld mededeeling moeten doen
aan den Minister van Oorlog.
Na benoeming tot en beéediging als reserve-officier van gezond-
heid der 2Je klasse zal hij onmiddellijk door den Minister van Oor-
log worden ontheven van de verbintenis, bedoeld sub 1°. van § 639.
Komt hij het bepaalde bij het eerste lid van deze § niet na, of
weigert hij den eed af te leggen, door den Koning voor reserve-
officieren van gezondheid voorgeschreven of voor te schrijven, dan
kan § (543 op hem worden toepast. (K. B. a. v., art. 7).
§ 646. De vrijwilliger is bevoegd, zonder nader verlof daar-
toe, de standplaats der universiteit, waarbij hij als student is
ingeschreven, te verlaten gedurende den tijd der vacantién ge-
noemd bij art. 146 der wet van 28 April 1876 (StM. »°. 120)
tot regeling van het Hooger Onderwijs.
Van die bevoegdheid gebruik makende, geeft hij aan deauto-
riteit, aan wie hij c. q. het bij § 641 bedoeld bericht heeft te
zenden, schriftelijk kennis van zijn vertrek en van de gemeente of
de gemeenten, waarin hij zich gedurende de vacantie zal ophouden.
VVenscht hij zich buitenslands te begeven, dan vraagt hij daar-
toe de vergunning van den korpscommandant, die de aanvrage
onderwerpt aan de beslissing van den Minister van Oorlog.
Tot het verlaten der standplaats op andere tijden dan gedurende
de bovenbedoelde vacantién, moet de vrijwilliger, indien hij zich
voor langer dan vier dagen wenscht te verwijderen, vergunning
vragen aan de militaire autoriteit, aan wie hij c. q. het hier-
voren bedoelde bericht behoort te zenden. (M. B. a. v,, 8".).
De vrijwilliger is, zoolang hij zich met verlof bevindt, niet
verplicht om militaire kleeding te dragen. («. »., 9°.).
-ocr page 265-
HOOFDSTUK XXVI.
De dienstverbintenis als militaire apothekersbediende.
§ 647. De militaire apothekersbedienden worden door den
Minister van Oorlog benoemd en ontslagen. Zij moeten met
goed gevolg het examen hebben afgelegd, bedoeld bij art. 17
der wet van 25 December 18 78 {StM. n°. 222).
Zij zijn bevoegd om, onder toezicht van een\' officier van ge-
zondheid of van een\' militairen apotheker, in militaire apothe-
ken recepten gereed te maken. {Wet 2 Aiig. 1880, StM. n\'. 145,
art. 7, B. U. 570).
Hun aantal bedraagt 30. Zij worden ingedeeld bij de mili-
taire ziekeninrichtingen en bij \'s Eijks magazijn van geneesmid-
dèlen. (AT. B. 15 Atig. 1880, n°. 1).
§ 648. De militaire apothekersbedienden genieten een jaar-
lijksch traktement.
Dat traktement bedraagt:
Bij aanstelling en minder dan twee jaren dienst als militair
apothekersbediende ƒ 900;
na twee jaren dienst in die betrekking ƒ1100. (K. B. 1 Oct
1880, n\\ 12, art. 1, B. U. 577).
§ 649. De militaire apothekersbedienden, bij \'s Rijks ma-
gazijn van geneesmiddelen dienstdoende, genieten boven hun
traktement eene toelage, berekend tegen een bedrag van f 100
\'sjaars. (a. »., art. 2).
§ 650. De militaire apothekersbedienden zijn gekleed en uit-
gerust als de militaire apothekers der 2de klasse; met dit onder-
scheid echter, dat zij geen sterren op den kraag van de korte
jas en geen sjerp dragen en dat hun halssnoer met kwasten ge-
lijk is aan dat der adjudanten-onderofficier van het wapen der
cavalerie. (K. B. 1 Oct. 1880, u\\ 12, art. 3., B. U. 577).
-ocr page 266-
252                XXVI. Militaire apothekersbedienden.
\\ 651. De militaire apothekorsbedieuden bcklecdcn den graad
van adjudant-onderofficier. (Ifet 2 Jug 1880, StM. n\\ 145,
art. 5, B. U. 570).
Ten opzichte der bepalingen omtrent de toekenning enz. van
medailles en chevrons voor trouwen militairen dienst, zijn zij
gelijkgesteld met de hospitaal-geömployeerden der P" klasse.
(A". B. 1 Oct. 1880, h*. 12, art. 4, B. U. 577).
§ 652. Voor eene benoeming tot militair apothekersbediende
komen in aanmerking, zoowel gehuwde, als ongehuwde Neder-
landers
die:
a. met goed gevolg het examen hebben afgelegd, bedoeld bij
art. 17 der wet van 25 December 1878 (StM. n\\ 222);
h. niet ouder dan 30 jaren en tevens van een goed zedelijk
gedrag zijn ;
c. bij militair geneeskundig onderzoek voor de bedoelde be-
trekking lichamelijk geschikt zijn bevonden.
Geringe lichaamsgebreken, niet hinderlijk voor eene goede
waarneming van den dienst als militair apothersbediende, staan
eene benoeming in die betrekking niet in den weg.
Zij, die met liesbreuk behept zijn, al kan deze door eenen
band worden ingehouden, worden geacht lichamelijk ongeschikt te
zijn (28). (M. B. 11 Oct. 1880, u°. 26, 1°, B. U. 5 77).
§ 653. Bij de aanvrage om benoeming tot militair apothekers-
bediende behooren door den belanghebbende te worden overgelegd :
a.  het bewijs, dat hij Nederlander is volgens de wet op het
Nederlanderschap en het ingezetenschap ;
b.   het bewijs, dat hij aan het in de voorgaande § onder litt.
a bedoelde examen heeft voldaan;
c.  eene geboorte-akte of doopcedul, hem betreffende ;
d.   een certificaat van goed gedrag, te zijnen aanzien afgegeven
door het hoofd der gemeente of de hoofden der gemeenten,
waar hij de laatste drie jaren verblijf heeft gehouden;
e.  liet bewijs, dat hij aan zijne verplichtingen ten opzichte der
Nationale Militie heeft voldaan of tot geen dienst bij de militie
gehouden is of geweest is;
(28) Voor eene benoeming komen in de eerste plaats in aanmerking die
apothekersbedienden, die ongehuwd zijn, aan al de gestelde eischen voldoen
en aanleg en lust hebben, om zich voor militair-apotheker te bekwamen.
(M. A. 4 Jpril 1888, »». 29).
-ocr page 267-
XXVI. Militaire apothekersbediendett.                253
f. indien hij minderjarig is, het bewijs, dat zijne aanvrage
geschiedt met toestemming van zijnen vader (of van hem of haar,
die de voogdij over hem uitoefent), en dat deze bewilligt in
zijne verbintenis volgens het bepaalde in de volgende §.
Zij, die in militairen dienst zijn en zich onder de wapenen
bevinden, behoeven niet over te leggen de stukken, sub c, d en e
genoemd; terwijl door hen, die in militairen dienst geweest ziju,
in stede van eene geboorte- of doop-akte behoort te worden inge-
zonden het paspoort of de ontslagbrief, hen betredende, (a. v., 2°.).
§ 654. Zij, die tot militairen apothekersbediende worden be-
noemd, zijn gehouden zich bij eene akte, van het daarvoor vast-
gesteld model, te verbinden om het Koninkrijk der Nederlanden
gedurende twee achtereenvolgende jaren in de genoemde betrek-
king te dienen.
Hun worden de krijgsartikelen voorgelezen, en het bewijs dier
voorlezing wordt door hen medeonderteekend. (a. v., 3°.).
§ 655. De militaire apothekersbediende, die gedurende den
in de voorgaande § bedoelden tijd met ijver en ten genoege
van zijn chefs heeft gediend, wordt, indien hij voor zijne be-
trekking nog geschikt is, toegelaten tot eene nieuwe verbintenis
voor den tijd van minstens zes jaren.
- Bij het eindigen van die verbintenis kan de militaire apothe-
kersbediende, die voor zijne betrekking in ieder opzicht ge-
schikt is, zich opnieuw voor bepaalden of onbepaalden tijd ver-
binden, (a. v., 4°.).
§ 656. De militaire apothekersbediende* wordt uit zijne be-
trekking ontslagen:
a.     indien hij, zonder aanspraak te hebben op militair peusi-
oen, door ziels- of lichaamsgebreken voor zijne betrekking
ongeschikt is geworden;
b.     indien hij, bij het einde zijner verbintenis, zich niet opnieuw
voor den dienst wenscht te verbinden;
e. indien hij niet wordt toegelaten tot eene nieuwe verbin»
tcnis, als bedoeld in de voorgaande §;
d. wegens aanhoudend wangedrag, opzettelijke en herhaalde
ongehoorzaamheid, onzedelijkheid, groote achteloosheid bij de
waarneming zijner dienstplichten, of handelingen in het open-
baar, strijdig met het karakter van den graad van adjudant-
onderofficier;
-ocr page 268-
254                 XXVI. Militaire apotltekersbedieuden.
e. indien de verbintenis, bedoeld in de beide voorafgaande §§,
wordt ontbonden op grond van een der voorwaarden bij de
engagement-akte gesteld.
Het ontslag wordt eervol verleend in gevallen, bedoeld sub
a, b en c. (a. »., 5".).
§ 657. Do militaire apothekersbedienden, die den titel van
apotheker volgens art. 11 der wet van 25 Deeember 1878
(SLM. u". 222) verkregen hebben, kunnen, indien zij dit ver-
langen, voor eene benoeming tot militairen apotheker der 2d\'
klasse in aanmerking worden gebracht, mits zij niet ouder zijn
dan 30 jaren en hun gedrag steeds onberispelijk geweest is.
(a. v., 0°.) (29)
§ 658. De militaire apothekersbediende, dienstdoende bij eene
militaire ziekeninrichting, is verplicht, om, indien eene \\voon-
kamer in of nabij die inrichting te zijner beschikking wordt ge-
steld, die kamer te betrekken.
In alle militaire ziekeninriehtingen, waar de gelegenheid hiertoe
bestaat, wordt den militairen apothekersbediende eene woonkamer
met tafel, stoelen en nachtleger verstrekt, (a. v., 7°.).
Indien in de militaire ziekeninrichtingen geene woningen voor
de militaire apothekersbedienden beschikbaar kunnen worden ge-
steld, dan kunnen voor hen woningen worden gehuurd, zoo
doenlijk in de nabijheid dier inrichtingen. T)e huur van die
woningen moet worden aangegaan door de plaatselijke of gami-
zoenscommandanten, in overeenstemming met de bepalingen en
tegen den gemiddelden prijs, door den Minister van Oorlog voor
het huren van woningen voor gehuwde militairen vastgesteld,
(il/. B. 5 Mei 1882, n°. 50, B. U. 701).
Aan militaire apothekersbedienden, voor wie tot dusver geen
woningen voor llijks rekening zijn gehuurd, wordt, behoudens
(29) Ala regel 19 aangenomen, om in de aanvulling van vacaturen als
militair apotheker bij de Landmacht te voorzien door bevordering van mili-
taire apothekersbedienden, voldoende aan de eischen, vermeld in § 057.
Alleen ingeval van volstrekte noodzakelijkheid zal die aanvulling mede
geschieden door de benoeming tot militair apotheker van andere voor die
betrekking geschikte personen, die den titel van apotheker volgens art. 11
der wet van 25 Dcc. 1878, 67. W. tfi, 222, verkregen hebben. Eene nfzon-
derlijke opleiding voor militair apotheker bij het leger hier te lande bestaat
niet meer, (Jf. K. C Maart 1889, »°. 48).
-ocr page 269-
XXVI. Militaire apotJtekersbedienden.                25 5
het bepaalde in de eerste twee zinsneden dezer paragraaf, voort-
aan geen vrije woning of schadevergoeding voor het gemis
hiervan toegekend.
Indien echter bijzondere gevallen afwijking van dezen regel
noodzakelijk of wenschelijk maken, kunnen, door de chefs der
militaire hospitalen, door tusschenkomst van den inspecteur
van den geneeskundigen dienst der Landmacht, aan den Minister
van Oorlog voorstellen tot het voor Eijks rekening huren van
woningen voor genoemde militairen of tot het verlcenen van
schadeloosstelling voor het gemis hiervan worden gedaan. (M. B.
31 Oct. 1885, n\\ 42, B. U. 900).
Militaire apothekersbedienden, die van Rijkswege gehuurde
woningen bewonen, kunnen bij eventueele verplaatsing alleen
dan in het genot van vrije woning worden gehandhaafd,
wanneer zij op hunne nieuwe standplaats in een hospitaal of
ander Rijksgebouw kunnen worden gehuisvest. (M. A. 11 Awj,
1886, n°. 70).
-ocr page 270-
HOOFDSTUK XXVII.
Militaire Wielrijders.
§ 659. A. Vereischten om voor de opleiding tot Militair Wiel\'
rijder in aanmerking te komen.
Leden van den Algemeenen Ne-
derlandsclien Wielrijdersbond,
die daartoe in aanmerking wenschen
te komen en aan de daarvoor in § 660 vermelde eischen vol-
doen, kunnen bij de daarvoor door den Minister van Oorlog aan
te wijzen korpsen van het Leger worden opgeleid tot Militair
Wielrijder. (K. B.
11 Feb. 1893, »°. 25, art. 1, 11. M. 161).
§ 660. Om tot de in § 659 vermelde opleiding te worden
toegelaten moeten de daarbij bedoelde leden van den Algemeenen
Nederlandschen Wielrijdersbond: a.
Nederlander zijn in den zin
der Wet; b. den ouderdom van een en ttcintig jaren hebben be-
reikt; c. blijkens eene door het Bestuur van den Algemeenen
Nederlandschen Wielrijdersbond
over te leggen verklaring — waar-
van het Model door den Minister van Oorlog wordt vastge-
steld — in het bezit zijn van een rijwiel, dat voldoet aan de
eischen van bruikbaarheid, snelheid en soliditeit, door het Bestuur
van den Bond te stellen; voorts een zeer voldoenden graad van
geoefendheid in het wielrijden hebben bereikt en grondig bekend
zijn met de samenstelling van het rijwiel; d. bij een militair ge-
neeskundig onderzoek, overeenkomstig het //Reglement op het
geneeskundig onderzoek" Litt. A, vastgesteld bij Koninklijk Be-
sluit van 2 November 1883 (Staatsblad n°. 151), lichamelijk
geschikt zijn bevonden voor den militairen dienst; e. een certi-
jicaat van goed gedrag
overleggen, afgegeven door den burgemeester
der gemeente of de burgemeesters der gemeenten, waar de be-
trokken persoon gedurende de laatste drie jaren verblijf heeft
gehouden; en/. het bewijs overleggen dat zij hunne plichten ten
aanzien van de nationale militie hebben volbracht, of dat zij er
geene te vervullen hebben, (a, v., art. 2).
-ocr page 271-
XXVII. Militaire meirijders.                     257
§ 661. Ingeval de adspirant minderjarig is, moet door hem
bovendien worden overgelegd: een bewijs van toestemming van
deu vader, de moeder-voogdes of den voogd, tot deelneming aan
de opleiding en tot het eventueel aangaan van eene vrijwillige
verbintenis als Militair Hrielrijder. (a. v. art. 3).
§ 662. Tot het ondergaan van een militair geneeskundig onder-
zoek, overeenkomstig het vermelde sub d van § 660, kan de
adspirant Militair W-ielrijder zich wenden tot den Chef van den
militairen geneeskundigen dienst in eenig garnizoen.
De Chefs van den militairen geneeskundigen dienst zijn gehou-
deti de adspiranteu die zich daartoe bij hen aanmelden, kosteloos
geneeskundig te doen onderzoeken en, bij gebleken geschiktheid,
hun eene verklaring dienaangaande ai\' te geven. (i/. B. 8 Maart
1893, n\\ 32, § 1, R. M. 161).
5 663- B. Aanmelding voor de opleiding tot Militair Wiel\'
rijder.
De aanmelding van hen, die aan de opleiding tot
Militair Wielrijder wenschen deel te nemen, moet, met opgave
van het garnizoen waarin de adspiranten, zoo mogelij/c, het onder-
richt wenschen te ontvangen, jaarlijks geschieden bij het Bestuur
van den Algemeenen Nederlandschen W\'ielrijdersbond onder over-
legging: a. van een bewijs dat de belanghebbende is Nederlander,
in den zin der Wet van 12 December 1892 (Staatsblad n°. 26S),
op net Nederlanderschap en liet ingezetenschap; b. door minder-
jarigen, van het bewijs van toestemming, bedoeld bij § 661,
volgens het daarvoor vastgesteld model; c. van eene geboorteakte
of een extract uit het geboorteregister, waaruit blijkt dat de be-
langhebbende den ouderdom van een en twintig jaren heeft be-
reikt; d. van de in § 662 bedoelde geneeskundige verklaring;
en e. van het sub e van § 660 bedoeld certificaat van goed ge-
drag. {M. B. a.
»., § 2).
§ 664. Het Bestuur van den Bond zendt de in § 663 be-
doelde aanvragen, met de daarbij behoorende stukkeu en met de
verklaring, bedoeld sub c van § 660 volgens het daarvoor vastgesteld
model, uiterlijk op 15 Januari aan den Chef van den Generalen Staf.
Deze opperofficier doet, voor zooveel noodig na gehouden
overleg met de Inspecteurs der betrokken Wapens en in verband
met het aantal adspiranten, die zich voor verschillende garni-
zoensplaatsen hebben aangemeld, uiterlijk op 1 Februari een voor-
17
-ocr page 272-
258                     XKVII. Militaire Wielrijden.
stel aan den Minister van Oorlog voor de aanwijzing van de
garnizoenen en de korpsen, bij welke de opleiding tot Militair
Wielrijder
zal plaats hebben.
Van de ter zake, door den Minister van Oorlog genomen be-
slissing wordt, door tusschenkonist van den Chef van den Gene-
ralen Staf, mededeeling gedaan aan het Bestuur van den Bond,
dat zorg draagt voor de noodige kennisgeving aan de zich aan-
gemeld hebbende leden. (M. B. a. v., § 3).
§ 665. C. Regeling der opleiding tot Militair Wielrijder.
De regeling van de opleiding tot Militair Wielrijder en de duur
der detacheering van de adspiranten bij de korpsen van het
Leger, worden door den Minister van Oorlog vastgesteld. (K.
B. a. v., art.
4).
§ 666. Het onderricht begint omstreeks 1 Maart en eindigt
omstreeks 30 April d. a. v.
Het wordt ten minste ticee maal \'s weeks gegeven, op de
dagen en de uren te bepalen door den Commandeerenden officier
van het korps of het onderdeel waarbij het plaats heeft; en
zulks, onder diens toezicht, door een officier, daartoe door den
Commandeerenden officier aangewezen.
Hiervoor wordt bij voorkeur een officier bestemd, die het
wielrijden beoefent.
De opleiding omvat: a. de kennis van de indeeling, de rangen
en de graden, de uniformen en de onderseheidingsteekenen van
het Nederlandsche Leger; b. de kennis der verplichtingen van
den Militairen Wielrijder, ook in verband met de bestaande
wetten, reglementen en voorschriften; c. het lezen van militaire
kaarten; het rijden op de kaart; alsmede het vervaardigen van
en het rijden op calques; voorts het oriënteeren met en zonder
kompas; d. het overbrengen van mondelinge en schriftelijke
orders en berichten; e. de kennis en het begrip van de meest
belangrijke benamingen, voorkomende in het „Voorschrift op
den Velddienst van het Nederlandsche Leger"; f.
de kennis van
de samenstelling, het onderhoud en de behandeling van de
revolver. (M. B. a. v., § 4).
§ 667. Hij die zich voor het ontvangen van het onderricht
heeft aangemeld, doch daaraan drie malen, zonder geldige rede-
nen — ter beoordeeling van den Commandeerenden officier —
-ocr page 273-
XXVII. Militaire Wielrijders.                      259
nicl deelneemt, wordl verder niet meer tot liet deelnemen aan
het onderricht toegelaten. (M. li. a. v., § 5).
§ 668. D. Aanstelling tot Militair Wielrijder. De Minister
van Oorlog is gemachtigd : de adspiranten die "blijkens een ge-
tuigschrift, waarvan het Model door hem wordt vastgesteld:
a. de in § 659 bedoelde opleiding met goeden uitslag hebben
genoten;
h. voor zooveel zij niet aan de meerbedoelde opleiding heb-
ben deelgenomen, ten genoegen van den Commandeerenden
officier van een der korpsen of onderdeelen van het Leger,
blijken hebben gegeven, dat zij de voor den Militairen
Wielrijdersdienst
vereisehte geschiktheid, alsmede de noo-
dige ontwikkeling en beschaving bezitten;
op hunne daartoe strekkende aanvrage, aan te stellen tot
Militair Wielrijder, met dien verstande, dat het aantal dezer Militaire
Wielrijders niet meer zal mogen bedragen dan vijf en zeventig (Tb).
Aan de Militaire Wielrijders, wordt bij hunne aanstelling door
den Minister van Oorlog een brevet als zoodanig uitgereikt.
Zij, die voor zoodanige aanstelling in aanmerking komen
moeten zich verbinden om het Kijk gedurende vijf achtereen-
volgende jaren, te rekenen van den dag der aanstelling, als
Militair Wielrijder te dienen, met dien verstande, dat zij in-
geval van mobilisatie van het Leger en zoolang dit geheel of
gedeeltelijk gemobiliseerd is, voor den militairen wielrijdersdienst
beschikbaar moeten zijn; en voorts, in gewone omstandigheden,
elk jaar, éénmaal voor ten hoogste drie weken kunnen worden
opgeroepen om, tot het deelnemen aan militaire oefeningen, onder
de wapenen te komen.
Zij moeten zich binnen 24 uren na afkondiging van het
Koninklijk Besluit, waarbij de militie te land geheel oftendeele
buitengewoon onder de wapenen is geroepen, aanmelden bij den
commandant van de troepenafdeeling of van de verdedigings-
stelling waarbij zij door den Minister van Oorlog zijn ingedeeld.
Na het verstrijken van de bovenbedoelde vijf jaren, kunnen
zij, wanneer zij gedurende hunnen diensttijd redenen tot tevre-
denheid hebben gegeven, voor zooveel zij alsnog voor den mili-
tairen dienst geschikt zijn, andermaal in aanmerking komen om
zich voor een gelijk tijdvak te verbinden. (K. B. a. v., art. 5)
-ocr page 274-
300                     XXVIT. MUUair<\' Wielrijder».
§ 669. Du yetuigschrifteu, bedoeld sub a en sub b vansjfiGS,
worden opgemaakt volgens de daarvoor vastgestelde modellen.
Eerstbedoeld getuigschrift wordt door den Commandeerenden
officier uitgereikt, op grond van diens persoonlijke bevinding en
in verband met het rapport van den officier, die met de oplei-
diug van den adspiranl is belast geweest.
Het in de tweede plaats bedoeld getuigschrift wordt afgegeven
door den Commandeerenden officier, te wiens genoegen de adspi-
rant van voldoende geschiktheid heeft doen blijken en die nopens
hem verklaart, dat hij de voor den Militairen Wielrijdersdienst
noodige ontwikkeling en beschaving bezit.
Hij die na het bijwonen van hel onderricht, het getuigschrift
niet ontvangt, kan een volgend jaar opnieuw tot het volgen
van het onderricht worden toegelaten. (Af. B. a. o., § 6).
§ 670. De aanvragen om tot Militair Wielrijder te worden
aangesteld worden jaarlijks vóór L Juni, door tussohenkomst van
het Bestuur van den Bond, ingezonden aan den Chef van den
Generalen Staf. (M. B. a. v., § 7).
§ 671. Na ontvangst van de bij § 670 bedoelde aanvragen
om tot Militair Wielrijder te worden aangesteld, doet de Chef
van den Generalen Staf, onder raadpleging van de hieronder sub
4°. van § 689 bedoelde adviezen van het Bestuur van den
Bond, de noodige voorstellen aan den Minister van Oorlog be-
treffende de aanstelling en de indeeling der betrokken Wielrijders.
Aan de adspiranten wordt daarna door den Minister van
Oorlog, door tussohenkomst van den Chef van den Generalen
Staf, een korps aangewezen waarbij zij zich moeten aanmelden
tot het aangaan van de verbintenis, bedoeld bij § 668.
Van het aangaan der verbintenis wordt eene akte opgemaakt,
volgens het daarvoor vastgesteld model.
Onmiddellijk na het aangaan van de verbintenis worden aan
den Militairen Wielrijder de krijgsartikelen voorgelezen; het
bewijs dat zulks geschied is, wordt opgemaakt overeenkomstig
het daarvoor vastgesteld model.
Aan den Militairen Wielrijder wordt daarna door den betrok-
ken Korpscommandant, namens den Minister van Oorlog, verlof
verleend tot nadere oproeping bij de troepenafdeeling of de
verdedigingsstelling waarbij hij wordt ingedeeld. Hem wordt
daarbij een verlofpas uitgereikt.
-ocr page 275-
XXVII. Militaire Wielrijder».
261
De vorenbedoelde akte, zoomede het bewijs dut den Militairen
Wielrijder
de krijgsnrtikelen zijn voorgelezen, worden door tus-
schenkomst van den Chef van den Generalen Staf aan het. Dcpar-
tement van Oorlog ingezonden. (M. B. a. v., § 8).
§ 672. E. Verplichtingen en redden van den Militairen
Wielrijder.
De Militaire Wielrijders mogen zich — onvermin-
derd de verplichtingen bij § 668 omschreven — wanneer zij niet
onder de wapenen zijn, zonder vergunning van den Minister van
Oorlog niet voor langer dan acht dagen naar het buitenland
begeven. (K. B. a. v., art. 6).
§ 673. De Militaire Wielrijder behoort zich, telkens wan-
neer hem verlof is verleend, binnen vier dagen, na den dag
waarop hem de verlofpas is uitgereikt, aan te melden bij den
plaatselijke- of den garnizoenscommandant in de gemeente waar-
heen hem verlof is verleend — indien aldaar geen zoodanige
commandant gevestigd is, bij den burgemeester van die gemeente —
ten einde zijnen verlofpas voor «gezien" te doen teekenen.
Aan de autoriteit bij wie hij zich, in voege als hiervoren is bc-
paald, aanmeldt, doet hij opgaaf van zijne woning. {M. B. a.v.,\\ 9).
§ 674. Verandert de Militaire Wielrijder van woning binnen
de gemeente alwaar hij zich met verlof bevindt, ot vestigt hij
zich in eene andere gemeente, dan meldt hij zulks in persoon
aan den plaatselijke- of den garnizoenscommandant of wel aan
den burgemeester, in § 673 genoemd.
Bij verhuizing naar eene andere gemeente meldt hij zich
bovendien binnen vier dagen na aankomst, in zijne nieuwe woon-
plaats bij de autoriteit in § 673 bedoeld, tot gelijke doeleinden
als aldaar zijn aangegeven. (M. B. a. »., § 10).
§ 675- De Militaire Wielrijder is verplicht zorg te dragen
dat de Chef van den Generalen Staf en het Bestuur van den
Algemeenen NederlandscJten, Wielrijdertthond ten allen tijde bekend
zijn met zijne woon- of verblijfplaats. (M. B. a. v., § 11).
§ 676. Jaarlijks worden door den Chef van den Generalen
Staf, onder gelijke raadpleging als in § 671 is voorgeschreven,
aan den Minister van Oorlog de noodige voorstellen gedaan, met
betrekking tot de oproeping onder de wapenen van de Militaire
Wielrijder-i,
tot het deelnemen aan militaire oefeningen, overeen,*
komstig art. B van het Besluit (§ 66 8).
-ocr page 276-
1
362                      XXVII. Militaire Wielryders.
De oproeping van den Militairen Wielrijder om onder de \\vape-
nen te komen tot het deelnemen aan militaire oefeningen, ge-
schiedt op last van den Minister van Oorlog door den Comman-
dant van de troepenafdeeling of van de verdedigingsstelling,
waarbij de Militaire Wielrijder is ingedeeld en door tusschen-
komst van het Bestuur van den Algemeenen NederlandscJien
Wielrijdernbond.
Na het verstrijken van den tijd voor welken de Militaire
Wielrijder
was opgeroepen, wordt hem door de autoriteit onder
wier bevelen hij gesteld was, onder uitreiking van een verlofpas,
opnieuw verlof verleend tot nadere oproeping. {M. B. a. v., § 12).
§ 677- We Militaire Wielrijder» worden wanneer zij — met
verlof zijnde — daartoe aan den betrokken Commandeerenden
officier den wensch te kennen geven, in de gelegenheid gesteld
om oefeningen van eenig troependeel bij te wonen en zich van
tijd tot tijd, ouder militaire leiding, in het schieten met de
revolver te oefenen.
Ingeval zij, overeenkomstig deze bepaling\', vrijwillig deelnemen
aan militaire oefeningen, worden de Militaire Wielrijders — ook
voor zooveel betreft het dragen der uniform — gerekend zich
onder de wapenen te bevinden; — doch hebben zij geen aan*
spraak op de vergoedingen, vermeld in § 088. (M. B. a. v., § 13).
§ 678. Hoor den Minister van Oorlog wordt aan den Milt\'
tairen Wielrijder
eervol ontslag als zoodanig verleend, bij zijne
benoeming tot eene met den militairen dienst niet vereenigbare
betrekking. Voorts kan voormelde Minister aan den Militairen
Wielrijder
desgevraagd — gelet op diens persoonlijke belangen —
ontheffing van de dienstverbintenis verleenen.
Ingeval van eervol ontslag of van ontheffing van de dienst*
verbintenis als hiervoreu bedoeld, moet een aan het nog niet
verstreken aantal dienstjaren evenredig bedrag van de kosten
voor de unifonnkleeding door den belanghebbende aan het Eijk
worden vergoed.
De Minister van Oorlog is gerechtigd de dienstverbintenis te
verbreken : 1°. wanneer de Militaire Wielrijder wegens ziels- of
lichaamsgebreken ongeschikt is geworden voor den militairen
dienst; 2". wegens handelingen van den Militairen Wielrijder,
strijdig met het karakter van den hem verleenden graad. (K. B,
a. v., art.
7).
-ocr page 277-
XXVI[. Militaire meirijders.                      263
§ 679. Tijdens den duur van de bij $ 668 bedoelde ver-
bintenis is de Militaire Wielrijder verplicht steeds een rijwiel
met de noodige verwisselstukken daarvoor te bezitten en geniet
hij, ten laste van de begrooting van het Departement van Oorlog
als tegemoetkoming in de kosten van aanschaffing en van onder-
houd van dat rijwiel — onverminderd het vermelde bij § 685 —
eene vergoeding van vijftig gulden (ƒ 50) \'s jaars, te betalen in
twee halfjaarlijksche termijnen, elk van vijf en twintig gulden [f 25).
Ten einde recht op de ontvangst van eiken termijn te verkrij-
gen, moet hij in den aanvang van elk halfjaar eene verklaring
van het Bestuur van den Algemeenen Nederland.Ái.en Wielrijders-
bond
overleggen, waaruit blijkt dat zijn rijwiel en de door ge-
noemd Bestuur noodig geoordeelde verwisselstukken, op den
eersten dag van dat halfjaar alsnog voldeden aan de daarvoor
door het Bestuur van den Bond gestelde eischen.
De uitbetaling geschiedt alsdan na afloop van het betrokken
halfjaar. (K. B. a. v., art. 8).
§ 680. De zorg voor het medenemen van de noodige ver-
wisselstukken voor zijn rijwiel, blijft aan den Militairen ^iel-
rijder
persoonlijk overgelaten. Hierop wordt alleen uitzondering
gemaakt voor de kleinere verwisselstukken, welke kunnen worden
aangemaakt door de Mr. Geweerraakers of de Ali.-Zwaardvegers der
korpsen, waarbij de Militaire Wielrijders tijdens de oefeningen
van het Leger zijn ingedeeld of waarbij zij zich alsdan bevinden.
Beparatiën, aan de rijwielen vereischt, kunnen, waar dit mogelijk
is, door de genoemde werklieden worden uitgevoerd. De kosten
daarvan worden op behoorlijk opgemaakte en door de betrokken
militaire autoriteiten geviseerde rekeningen aan die werklieden
betaald en bij het korps aan het Rijk in rekening gebracht.
Ter zake van het verrichten van vernieuwingen en herstellin-
gen aan de rijwielen, die niet door de voormelde werklieden
kunnen geschieden, wordt, wanneer die noodig zijn geweest ten
gevolge van gebruik tijdens de Militaire Wielrijder onder de
wapenen was — waarvan uit eene verklaring van de betrokken
militaire autoriteit behoort te blijken — door den betrokken
wielrijder eene aanvrage om teruggave der gemaakte kosten aan
het Departement van Oorlog ingediend. (M. B. a. v., § 14).
§ 681. De Militaire Wielrijder die voor langer dan acht
dagen buitenlandse!» verlof wenscht te bekomen, richt het daartoe
-ocr page 278-
264                     XXV I\'T. Militaire Wielrijders.
strekkend verzoek schriftelijk uan den Commandant van de troe-
penafdeeling of van de verdedigingsstelling, waarbij hij is inge-
deeld, met opgaaf van de plaats of de plaatsen waarheen hij zich
wenscht te begeven en van den duur van het door hem verlangde
buitenlandsch verlof. Bedoelde Commandant, zendt dit verzoek,
vergezeld van zijn advies, door tusschenkomst van den Chef van
den Generalen Staf, aan den Minister van Oorlog.
Bij vertrek met en bij terugkomst van buitenlandsch verlof,
handelt de Militaire Wielrijder zooals in § 674, eerste lid, is
voorgeschreven. (M. B. a. v., § 15).
§ 682. De Militaire Wielrijder heeft den graad van adjudant-
onderofficier. Hij heeft als zoodanig, wat zijne militaire dienst-
verhouding betreft, al de rechten en verplichtingen aan dien
graad verbonden.
Hij draagt, wanneer hij zich onder de wapenen bevindt, en
bij de in § 683 bedoelde reizen, de bij dit Besluit voor de
Militaire Wielrijders vastgestelde uniform.
Deze uniform wordt hem, bij de in § 668 bedoelde aanstel-
ling, vanwege het Departement van Oorlog ten laste der begroo-
ting van dat Departement verstrekt.
Bij mobilisatie ontvangt hij vanwege het Departement van
Oorlog een revolver met toebehooren, van het model, zooals dit
bij het Leger in gebruik is, alsmede de noodige patronen.
Hij is onderworpen aan de bepalingen van het Crimineel
Wetboek voor het Krijgsvolk te lande en van het Reglement
van Krijgstucht.
Hij wordt, volgens de bepalingen op de militaire pensioenen bij de
landmacht, bij Koninklijk Besluit op pensioen gesteld, indien hij,
tijdens zijn verblijf onder de wapenen door verwonding, vermin-
king, ziels— of lichaamsgebreken, bij of door bevolen dienstver-
richtingen ontstaan, ongeschikt is geworden om verder in zijn levens-
onderhoud te voorzien, of wel, binnen één jaar na dat verblijf, te
zelfder zake de geschiktheid tot het voorzien in dat onderhoud verliest.
De bepalingen voorkomende in de artt. 48 en 50—72 der
Wet van 28 Augustus 1851 (Staatsblad \\\\\\ 129), zooals die Wet
o. a. is gewijzigd door de Wet van den 29!,en Mei 1877 (Staats-
Had
n°. 114), zijn van toepassing op de weduwe en kinderen
van den Militairen Wielrijder, die als zoodanig ingevolge § 668
onder de wapenen was. (A". B. a. v., art. 9.)
-ocr page 279-
XXVTT. Militaire meirijders.
265
§ 683. Gedurende den tijd dat de Militaire Wie/rijder onder
de wapenen is geniet hij, onverminderd het bepaalde bij de §§
6 79 en 68 5, eene vergoeding van vijf ff ui den (ƒ5) per dag,
benevens teruggave van gemaakte kosten voor de reizen en voor
het vervoer van zijn rijwiel en van zijne bagage, van zijne woon-
plaats naar de standplaats alwaar hij zijn dienst als Militair
Wielrijder
zal aanvangen en van de plaats waar zijn dienst als
zoodanig eindigt naar zijne woonplaats terug, waarbij wegens
vervoer voor zijn persoon de vracht voor eene plaats in een
rijtuig der eerste klasse in rekening kan worden gebracht. (A\'.
B. a. v., art. 10).
§ 684. De uitbetaling van de tegemoetkomingen en verdere
vergoedingen, bedoeld bij de § § 679 en 683 geschiedt door de
Hoofdadministratie van het in 5688 bedoelde korps. {M. B.a.v.,\\\\ 7).
§ 685. Reparatiën aan rijwielen vereischt, tijdens de Mili-
taire Wielrijder
onder de wapenen is, geschieden voor \'s Rijks
rekening. (K. B. a. v., art. 11).
§ 686. De Militaire Wielrijder heeft, tijdens hij ingevolge
§ 668 onder de wapenen is, recht op de diensten van een soldaat
als oppasser; deze mag daardoor echter op geenerlei wijze aan
den gewonen dienst worden onttrokken. (M. B. a. v., § 18).
§ 687. F. Uniform van den Militairen Wielrijder. De uni-
form voor de Militaire Wielrijders bestaat uit: 1°. eene kwartier-
of politiemuts van donker blauw laken, van het model, zooals
dat bij Koninklijk Besluit van 5 Mei 1865, 11°. 51, voor de
adjudant-onderofficieren van het Leger is vastgesteld; de bol
gebiesd met lichtblauw laken; de band van effen zilveren galon;
de oranje zijden cocarde omzet met vier rijen zilveren torsade;
daaronder een zilveren lisje met zilveren knop; 2°. eene attila
van fijn donkerblauw laken, van het model, zooals dat bij Ko-
ninklijk Besluit van 21 Maart 1866, n°. 59, gewijzigd bij het
Koninklijk Besluit van 25 Maart 1868, n°. 49, voor de adjudant
onderofficieren van het wapen der cavalerie is vastgesteld, het
koord en treswerk van donkerblauw kemelsgaren; voorts met
dien verstande, dat aan weerszijden van den kraag, in vervan-
ging van het gouden, gebombeerd, rond, glad plaatje, een zil-
veren plat uitgeslagen wieltje is geplaatst; 3". een korte, wijde
pantalon van fijn donkerblauw laken ; aan de buitennaden voorzien
van eene bies van lichtblauw laken; onder de knie gesloten met
-ocr page 280-
866                     XXVII. Militaire Wielryder».
een 4 cM. breeden band met gesp; 4°. wollen kousen, van de
kleur als het laken; 5". rijgschoenen tot boven de enkels reikende;
6°. een regenmantel van donkerblauwe impermeable stof, met
breeden omgeslagen kraag; de mantel reikende tot aan het
zadel van het rijwiel; 7°. een overjas van donkerblauw laken,
met twee rijen, elk van acht met laken overtrokken knoopen;
om het middel een band tot sluiting om het lijf. De jas reikt
tot aan den enkel en is aan de achterzijde voorzien van een
split, dat met drie knoopjes kan worden gesloten; 8°. hand-
sohoeneu van wit zeemleder. (A". B. a. »., art. 12).
§ 688- De uniform, bedoeld bij art. 12 van het Koninklijk
Besluit (§6 8 7), wordt, na bekomen machtiging van den Minister
van Oorlog, aangeschaft door de zorg van den Commandeerenden
officier van het korps, waarbij de Militaire Wielrijder de ver-
bintenis als zoodanig heeft aangegaan en waarbij hem de krijgs-
srtikelen zijn voorgelezen.
Voor de vermelde aanschaffing moet telkens een voorstel —
met opgaaf van de kosten der aanschaffing — op de gewone
wijze aan liet Departement van Oorlog worden ingediend. (M. B.
a. o.,
§ lfi).
§ 689. G. Tusschenkomst van de» Algemeetien NederlandscJien
Wielrijderahond.
De Algerneene Nederlandsche Wielrijdembond ver-
leent zijne tusschenkomst of hulp: 1°. tot het geven der verkla-
ringen, bedoeld sub c van § 080; 2°. tot het inzenden aan den
Chef van den Generalen Staf van de aanvragen en verdere be-
scheiden, overeenkomstig het vermelde in § 664; 3°. tot het
doen van de kennisgeving, bedoeld in § 664 en het uitreiken
van de brevetten, bedoeld bij § 668; 4°. bij het ontwerpen
van de indeeling van de Militaire Wielrijders, bij de troepen-
afdeelingen of verdedigingsstellingen; in dier voege, dat hier-
bij zooveel doenlijk op de belangen der betrokken personen
wordt gelet; 5". bij het toezicht op de Militaire Wielrijders,
met betrekking tot het blijven voldoen aan de vereischten, sub
c van § 660 gesteld en in verband daarmede, bij het verstrekken
van de verklaringen, bedoeld in § 679; 6°. in andere gevallen,
waarin het door de Militaire autoriteiten nuttig geoordeeld wordt.
(\'M. B. a. v. I 19).
-ocr page 281-
HOOFDSTUK XXVIII.
Opzichter bij den vesting-telegraafdienst
§ 690- A. Fereischten om voor de opleiding tot opzichter
bij den vesting-telegraafdienst in aanmerking te komen.
Beambten
van den Ilijkstelegraafdienst, die daartoe in aanmerking wenschen
te komen en aan de daarvoor bij § 692 gestelde eischen
voldoen, kunnen bij het Korps Genietroepen worden opgeleid,
om in oorlogstijd op te treden als opzichter bij den vesting-tele-
graafdienst. (K. B.
11 Mei 1891, »\'. 45, art. 1, B.U. 1188).
§ 691. Het aantal der beambten van den Ilijkstelegraafdienst,
die gelijktijdig tot de in § 090 bedoelde opleiding kunnen
worden toegelaten, bedraagt ten hoogste vijf. (M. B. 22 Juli
1891. h°. 116, l". B. U. 1188).
§ 692- Om tot de in § G90 vermelde opleiding te worden
toegelaten, moeten de daarbij bedoelde beambten van den B.ijks-
telegraafdienst: a. niet ouder zijn dan vijf en dertig jaar; b. bij
een militair geneeskundig onderzoek, overeenkomstig het //Begle-
ment op het geneeskundig onderzoek" Litt. A, vastgesteld bij
het Koninklijk Besluit van 2 November 1883 {Staatsblad n°. 1 51),
lichamelijk geschikt zijn bevonden voor den militairen dienst;
c. op grond van de bij den Ilijkstelegraafdienst omtrent hen
uitgebrachte rapporten, wat karakter, gedrag en dienstijvcr betreft,
door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, voor
die opleiding geschikt worden geacht; d. behooren tot de onder-
directeuren der telegraphie of tot de commiezen der telegraphie,
bedoeld sub f en sub g van art. 2 van het Koninklijk Besluit
van 31 Maart 1891, n°. 23. (A\\ B. a. v., art. 2).
§ 693. Tot het ondergaan van een militair geneeskundig
onderzoek, overeenkomstig het bepaalde sub b van § 692, kan
-ocr page 282-
2(5S XXVIII. Opzichter bij den vesting-telegraafdienst.
de betrokken beambte van den Rijkstelegraafdienst zich wenden
tot den Chef van den militair geneeskundigen dienst in eenig
garnizoen.
De Chefs van den militair geneeskundigen dienst zijn gehou-
den, de beambten van den Rijkstelegraafdienst, die zich daartoe
bij hen aanmelden, kosteloos geneeskundig te doen onderzoeken
en, bij gebleken geschiktheid, hun eene verklaring dienaangaande
af te geven. (M. B. a. v., 2°.).
§ 694- 15. Aanwijzing der beambten en regeling der opleiding
tot opzichter bij den vesting-telegraafdienst.
De aanwijzing der
beambten, die voor de meervermelde opleiding in aanmerking
komen, geschiedt, met inachtneming van het bepaalde bij \\ 692
door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid.
De regeling hunner opleiding wordt door den Minister van
Oorlog bepaald, terwijl de duur hunner detachecring bij het Korps
Genietroepen door de beide genoemde Ministers in onderling
overleg wordt vastgesteld. (A". B. a. v., art. 3).
§ 695. De beambten, die voor de vermelde opleiding worden
aangewezen, worden ter beschikking gesteld van den Comman-
dant van het Korps Genietroepen te Utrecht om aldaar en op
enkele forten, de hun tot oefening of uit anderen hoofde op te
dragen werkzaamheden te verrichten.
Zij staan gedurende den tijd huner opleiding, voor zooveel
hunne verhouding tot den Rijkstelegraafdienst aangaat, onder
de rechtstreeksche bevelen van den Directeur van het Rijkstele-
graaf kantoor te Utrecht, met wien voornoemde Commandant zich
ten hunnen aanzien in betrekking stelt. (M. B. a. »., 3°.).
§ 696. De duur der opleiding wordt vastgesteld op drie
maanden. (M. R. a. v., 4".),
§ 697. De opleiding omvat: a. grondige kennis van de ver-
schillen tusschen den kantoordienst bij de Eijks- en bij de Mili-
taire telegraphie; b. grondige kennis van het materieel, bij den
militairen telegraafdienst in gebruik; c. bekendheid, in het alge-
meen met de inrichting en de ligging van het militaire tele-
graafnet; en tot m bijzonderheden met dat net in de groepen
der liniën en stellingen waarvoor de betrokken beambten kunnen
worden aangewezen; d. kennis van de verschillende typen van
kantoorsohakclingen; e. prnctiselio kennis van het maken van alle
-ocr page 283-
XXVUÏ. Opzichter bij den eesting-telegraafdiemt. 269
verbindingen, die iu de groepen kuunen voorkomen, zoomede
van hel, Koeken naar on liet opheffen vau storingen, in en buiten
de kantoren; ƒ. het, leiden en beheeren (praotisch) van den tele-
graafdieost in een of meer groepen van verdedigingswerken;
{/. geschiktheid ora met militair personeel om te gaan en daar»
mede de werkzaamheden, sul) e en ƒ genoemd, te verrichten.
Voor zooveel wijziging of\' aanvulling van voorschreven oplet*
dingsprograinmu noodig of wenschelijk mocht blijken, doet de
Inspecteur der Genie daaromtrent, na gehouden overleg met de
administratie vau den Rijkstelegraafdieust, ecu voorstel aan den
Minister van Oorlog. (M. B. a. v., 5°.).
§ 698. Omtrent het aantal in eenig jaar te houden opleidings-
cursussen, alsmede omtrent het tijdstip waarop elk dier cuisus-
sen zal aanvangen, worden door den Inspecteur der Genie, na
gehouden overleg met de administratie van den llijkstelegraaf-
dienst, tijdig voorstellen gedaan aan den Minister vau Oorlog.
(M. B a. v., 6°)).
§ 699. Gedurende den tijd hunner opleiding genieten de
ineerbedoelde beambten, behalve hunne bezoldiging vanwege
den llijkstelegraafdienst, eene toelage van drie gulden per dag,
ten laste van de begrootiug van het Departement van Oorlog,
gerekend van eu met den dag van vertrek uit, tot en met den
dag van terugkeer in hunne standplaats; benevens vergoeding
der kosten van de hun in het belang van den militairen dienst
bevolen reizen, volgens de klasse van het Tarief, vastgesteld bij
het Koninklijk Besluit van 5 Januari 1884 {Staatsblad n°. 4),
waarin zij als beambte van de Rijkstelegraaf zijn gerangschikt.
Zij behouden gedurende vermelden tijd hunne eventueele aan-
spraken op verhooging van bezoldiging en op rangsverhooging
bij den Rijkstelegraafdienst. (K. B. a. v., art. 4).
§ 700. De Inspecteur der Genie regelt, met inachtneming van
het vorenstaande, verder de opleiding der beambten van den
Rijkstelegraafdienst bij het Korps Genietroepen, alsmede de wijze
waarop die beambten kunnen doen blijken of zij die opleiding
met vrucht hebben genoten. (M. B. a. »., 7°.).
§ 701. C. Aanstelling tot opzichter bij den, vesting-lelegraa.f-
dienst.
De Minister van Oorlog is gemachtigd de beambten, die
de opleiding iu § (590 bedoeld met vrucht hebbeu genoten, aan
-ocr page 284-
270 XXVlEf. Opzichter bij den vesting-telegraafdienst.
te stellen als h Opzichter bij den Vetting\'telegraafdienst vuur tijd
van oorlog",
met dien verstande dat liet aantal dezer opzichters
niet meer zal mogen bedragen dan twintig.
Zij, die voor zoodanige aanstelling in aanmerking komen,
moeten zich te voren verbinden om gedurende vijf achtereenvol-
geude jaren, te rekenen van den dag der aanstelling, ingeval
van mobilisatie van het Leger, binnen 24 uren na de oproeping,
en zoolang het Leger geheel of gedeeltelijk gemobiliseerd is,
voor den vesting-telegraafdienst beschikbaar te zijn.
Na het verstrijken van de bedoelde vijf jaren kunnen zij,
wanneer zij gedurende hunnen diensttijd redenen tot tevredenheid
hebben gegeven, en voor zooveel zij alsnog voor den militairen
dienst lichamelijk geschikt zijn, andermaal in aanmerking komen
oin zich voor een gelijk tijdvak te verbinden. {K. B. a.v.,art. 5).
§ 702. De Inspecteur der Genie dient aan den Minister van
Oorlog, op grond van den uitslag van het onderzoek, bedoeld in
§700, een voorstel in, omtrent de beambten die, overeenkomstig
liet bepaalde bij §701, in aanmerking komen voor eene aanstelling
tot „Opzichter bij den Vesting-telegraaj\'dienst voor tijd van Oorlog".
Bij het voorstel moeten gezegelde en geregistreerde verklarin-
gen van de betrokken beambten worden overgelegd, waarbij deze
de verbintenis aangaan, bedoeld in de 2de alinea van de zoo-
even aangehaalde § 701.
Aan deze beambten worden dadelijk na het aangaan der ver-
bintenis, bij § 701 bedoeld, de krijgsartikelen voorgelezen.
Het bewijs daarvan, tevens inhoudende de verklaring hunner-
zijds, dat zij ten volle bekend zijn met de bepalingen van voor-
schreven Koninklijk Besluit moet door hen worden onderteekend.
Vermeld bewijs is ingericht overeenkomstig het daarvoor vastge-
steld model. (M. B. a. v , V. en 8°).
§ 703. L)- Verplichtingen en rechten van den opzichter bij
den vesting\'telegraafdienst.
Tijdens den duur der in jj 701 be-
doelde verbintenis geniet de Opzichter bij den Vesting-telegraaf-
dienst voor tijd van Oorlog, ten laste van de begrooting van
het Departement van Oorlog eene tegemoetkoming van twee lion~
derd gulden
\'s jaars, te betalen in vier driemaandelijksche termijnen,
elk van vijftig gulden. Ten einde recht op de ontvangst van
eiken termijn te verkrijgen, moet hij in den aanvang van elke
-ocr page 285-
XXVlH. OpsicJder bij den veathiij-tcïeijraafdiend. 271
drie maanden van den duur der verbintenis, eeue verklaring van
de Administratie van de Rijks telegraaf overleggen, waaruit blijkt
dat hij op den eersten dag van die drie maanden, de geschikt-
heid voor den telegraafdienst alsnog bezat.
I)e uitbetaling geschiedt alsdan na afloop van de betrokken
drie maanden. (K. B. a. »., art. 6).
§ 704. De Opzichter bij den Vesting-telegraafdienst voor tijd
van Oorlog, kan in gewone omstandigheden, tijdens den duur
der in § 701 bedoelde verbintenis, elke twee jaren, telkens voor
niet langer dan drie weken, worden opgeroepen om, bij oefenin-
gen in den vestingoorlog of wegens andere redenen in zijne
militaire betrekking op te treden. (K. B. a. »., art. 7).
§ 705. De beambten van den Rijkstelegraafdienst, die aan-
gesteld zijn tot Opzichter bij den Vesting-telegraafdienst voor tijd
van oorlog, mogen zich niet naar het buitenland begeven, zonder
toestemming van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijver-
lieid en van den Minister van Oorlog. {M. B. a. v., 9°.).
§ 706- Tijdens hij ingevolge § 701 of § 704 in militairen
dienst is, is de Opzichter bij den Vesting-telegraafdienst voor
tijd van oorlog gelijk gesteld aan den graad van adjudant-onder-
officier, en heeft hij als zoodanig, wat zijne militaire dienstver-
houding betreft, al de rechten en verplichtingen aan dien graad
verbonden.
Hij draagt alsdan de uniform van dien graad bij het Korps
Genietroepen, zooals die laatstelijk is gewijzigd bij het Koninklijk
Besluit van 18 Mei 1868, n°. 52, met het onderscheidingsteeken
voor de veldtelegrafisten, vastgesteld bij het Koninklijk Besluit
van 20 Maart 1874, n". 18.
Deze uniform wordt hem bij de in § 701 bedoelde aanstelling
door het Departement van Oorlog ten laste der begrooting van
dat Departement verstrekt.
§ 707. De uniform, bedoeld bij de derde zinsnede van § 70ö
wordt, na bekomen machtiging van den Minister van Oorlog,
door de zorg van den Commandeerende-officier van het Korps
Genietroepen aangeschaft.
Daartoe moet, zoo dikwijls dit noodig is, een voorstel — met
opgaaf van de kosten der aanschaffing — op de gewone wijze
worden ingediend. (M. B. a. »., 11°.).
§ 708. De opzichter bij den vesting-telegraafdienst is gedu-
-ocr page 286-
272 XXVIII. Opzichter hij den vesting-telegraafdienst.
rende den in § 706 bedoelden tijd onderworpen aan de bepalin-
gen van het Crimineel Wetboek voor het Krijgsvolk te lande en
van het Reglement van Krijgstucht.
Hij wordt volgens de bepalingen op de militaire pensioenen
bij de landmacht bij Koninklijk Besluit op pensioen gesteld,
indien hij, tijdens zijn verblijf\' in militairen dienst, door verwon-
ding, verminking, ziels- of lichaamsgebreken, bij of door bevo-
len dienstverrichtingen ontstaan, voor de uitoefening van zijne
betrekking als telegraafbeambte ongeschikt is geworden, of wel,
binnen een jaar na dat verblijf, te zelfder zake de geschiktheid
voor die betrekking verliest.
De bepalingen, voorkomende in de artt. 48 en 50—72 dei-
Wet van den 2S"C" Augustus 1851 (Staatsblad n°. 129), zooals
die wet o. a. is gewijzigd door de Wet van den 29sle" Mei 1877
(Staatsblad n°. 114), zijn van toepassing op de weduwe en kin-
deren van den Opzichter bij den Vesting-telegraafdienst voor tijd
van oorlog, die als zoodanig ingevolge art. 5 of art. 7 van dit
Besluit (\\ 701 of § 704)in militairen dienst was. (K. B. a. v., art 8).
§ 709. O verminderd het bepaalde bij § 703 is voor den
Opzichter bij den Vesting"telegraafdienst voor tijd van oor-
log, het bepaalde bij § 699 ook van toepassing tijdens hij
ingevolge § 701(of § 704 in militairen dienst is. (K. B. a. »., art. 9).
§ 710- E. Bijzondere bepalingen. De uitbetaling van de toe-
lage en andere vergoedingen, in de §§ 699 en 703 vermeld,
geschiedt door de Hoofdadministratie van het Korps Genietroepen.
(M. B. a. v., 12».).
§ 711. Tijdens en voor den duur der opleiding van beambten
van den Rijkstelegraafdienst bij het Korps Genietroepen, alsmede
tijdens en voor den duur van de deelneming in tijd van vrede
van die beambten aan den militairen telegraafdienst, overeen-
komstig het bepaalde in § 704, wordt, wanneer de Administratie
van den Rijkstelegraafdienst zulks verlangt, een gelijk aantal
militaire telegrafisten, die geschikt zijn bevonden voor den dienst
op de Rijkstelegraafkantoren — hetzij behoorende tot het kader
of tot de geniesoldaten — ter beschikking gesteld van den
Rijkstelegraafdienst. Die militaire telegrafisten ontvangen daarvoor
vanwege het Departement van Waterstaat, Handel en Nijverheid
geenerlci belooning. (M. B. a. »., 10".).
-ocr page 287-
HOOFDSTUK XXIX.
Het Reservekader.
§ 712. A. Algemeene bepalingen. Voor het wapen der infan-
terie en dat der artillerie wordt rexervekader opgeleid uit de
vrijwilligers, aangenomen ingevolge § 715. (K. B. 29 Sept. 1893,
»". 5, art. 1, R M.).
§ 713. Het reservekader bestaat uit: adspiranten-vaandrigs;
reserve-korporaals; reserve-onderofficieren, en vaandrigs. (A.*. B.
a. v., art.
2).
§ 714. De vaandrig heeft eenen graad, onmiddellijk beneden
den rang van tweede-luitenant en is, voor wat het pensioen aan-
gaat, gelijkgesteld met de betrekking van hoofd opzichter van
fortificatiën. (ra. v., art. 3).
§ 715. B. Aanneming. Bij de korpsen der infanterie en
die der vesting-artillerie kunnen een onbepaald aantal vrijwilligers
voor het reservekader, als adspirant-vaandrig, worden aangenomen.
(a. v., art. 4).
§ 716- Hij die tot het reservekader behoort, wordt gevoerd
boven de sterkte van het korps.
Onder de wapenen dient hij in den regel te gelijk met, en
behoudens de uitzonderingen, vermeld in de §§ 730—739, op
dezelfde wijze als de overige vrijwilligers bij het leger. (a. v., art. 5).
§ 717. Ter zake van de toelating van vrijwilligers voor het
reservekader wordt aanbrenggeld noch engagementspremie genoten.
(«. e., art, 6).
§ 718. Om als vrijwilliger voor het reservekader te worden
toegelaten mag men niet jonger dan 17 en niet ouder dan 24
jaar zijn,
18
-ocr page 288-
XXIX. Het Beservekader,
274
Voorts moet meu: a. ongehuwd wezen; h. ingezeten zijn van
het Rijk, overeenkomstig artikel 15 der wet van 19 Augustus
18ft 1 {Staatshlad n°. 72), betrekkelijk de nationale militie; c.
lichamelijk geschikt zijn voor den krijgsdienst bij de militie; d.
overleggen het bewijs, bedoeld in art. 10 van dit besluit (§ 721),
benevens de beseheiden, voor eene toelating als gewoon vrijwil-
liger bij de landmacht gevorderd. (a. v., art. 7).
§ 719. Als vrijwilliger voor het reservekader wordt niet aan-
genomen: 1°. hij die tot de zeemilitie behoort; 2°. hij die bij
de militie te land is ingelijfd en wiens tijd van eerste oefening
niet is volbracht, (a. »., art. 8).
§ 720- Be vrijwilliger die tot het reservekader is toegelaten,
nadat door of voor hem aan de loting voor de militie is deel-
genomen, en die bij de militie wordt ingelijfd, is, met den dag
zijner inlijving, ontheven van zijne vrijwillige verbintenis en
alzoo gehouden zijn dienst bij de militie te volbrengen, (a. v., art. 9).
§ 721. Het bewijs, in § 718, tweede lid, onder d genoemd,
wordt uitgereikt aan hem, die met goed gevolg een examen
heeft afgelegd, dat zich uitstrekt over: a. de Nederlandsche taal;
b. de Pransche taal; c. de Iloogduitsche of de Engelsche taal;
d. de geschiedenis; e. de aardrijkskunde; f. de wiskunde; g. de
eerste beginselen der natuurkunde, en //. den wapenhandel.
De eischen van kennis en bedrevenheid in bovengenoemde
vakken en de wijze, waarop van die kennis en bedrevenheid
blijken moet, worden door den Minister van Oorlog omschreven
en vastgesteld, (a. v., art. 10).
§ 722. Het bewijs, genoemd in § 721 kan, volgens nader
bij Koninklijk besluit vast te stellen regelen, met geheele of
gedeeltelijke vrijstelling van het examen in de vakken onder
ag van die § bedoeld, worden uitgereikt aan hem van wien,
als leerling of oud-leerling eener inrichting van openbaar of
bijzonder onderwijs, of wel door eenig examen, gebleken is, dat
hij in de vakken, waarvoor hij vrijstelling erlangt, de kennis
bezit, ingevolge meergemelde § gevorderd.
Vrijstelling van het alleggen van proeven van bedrevenheid in
den wapenhandel bekomt ieder die in het bezit is van een mili-
tiiir getuigschrift, hem uitgereikt volgens regelen door den Minister
van Oorlog vastgesteld. («. »., art. 11).
-ocr page 289-
XXIX. Eet Reservekader.                         275
§ 723. C. Voorbereidend onderricht in den wapenhandel. In
elke gemeente, waar infanterie of vesting-artillerie garnizoen
houdt, wordt gelegenheid gegeven kosteloos voorbereidend onder-
richt in den wapenhandel te ontvangen en, voor zooveel de
vesting-artillerie betreft, ook in de bediening van het geschut.
(a. v., art. 12).
\\ 724. D. Verbintenis en verplichtingen. De vrijwilliger voor
het reservekader verbindt zich :
I.     Voor den tijd van zes jaar ter beschikking te staan van
den Minister van Oorlog tot het vervullen van alle diensten, die,
ingeval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone om-
standigheden, bedoeld bij artikel 185 der Grondwet, ten aanzien
van \'s lar.ds verdediging van hem gevorderd worden;
II.   a. zoolang hij minder dan 8 maanden in het leger heeft
gediend, telkens wanneer hij door den Minister van Oorlog
daartoe wordt opgeroepen, gedurende het tijdvak van 1 Mei tot
1 October ten hoogste gedurende 3 maanden onder de wapenen
te komen;
b, tot hij den graad van reserve-onderofficier heeft bereikt,
deel te nemen:
1°. aan ten hoogste 8 oefeningen per jaar van het leger, elk
van niet langer dan één dag;
2°. ter plaatse, waar hij verblijf houdt, aan de militaire oefe-
ningen, die de Minister van Oorlog hem aanwijst, ten hoogste
gedurende 6 maanden per jaar en 3 uren per week. (a. v., art. 13).
§ 725- Hij flie tot het reservekader behoort, is verplicht in
uniform gekleed te zijn, zoowel wanneer hij zich onder de wa-
penen bevindt, als wanneer hij, zonder onder de wapenen
geroepen te zijn, aan militaire oefeningen deelneemt, (a. ».,
art. 14).
§ 726- Hij die tot het reservekader behoort en niet onder
de wapenen is, noch aan oefeningen deelneemt, behoeft de toe-
stemming van den Minister van Oorlog tot het dragen van de
uniform. («, v., art. 15)
§ 727. Hij die tot het reservekader behoort, wordt onder de
wapenen geroepen bij het korps en het onderdeel zijner keuze,
voor zooveel zulks strookt met de belangen van den dienst.
Hem kan, op de voorwaarden door of vanwege den Minister
-ocr page 290-
XXIX. Het Reservekader.
270
van Oorlog gesteld, vergund worden buiten de kazerne te wo-
nen. («. v., art. 16).
§ 728. E. Opleiding voor het reservekader. In de gemeen-
ten, in § 723 bedoeld, wordt aan hen, die zich als vrijwilliger
voor het reservekader hebben verbonden, onderricht gegeven ter
opleiding voor den graad van reserve-korporaal, [a. v., art. 17).
§ 729. In elke gemeente waar nene kweekschool voor onder-
wijzers, eeno hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus of een
gymnasium is gevestigd, wordt aan hen, die zich als vrijwilliger
voor het reservekader hebben verbonden, onderricht gegeven
ter opleiding voor reserve-onderofficieren, (a. »., art. 18).
§ 730. In elke gemeente waar eene Uijks-universiteit of
daarmede overeenkomende inrichting van onderwijs, alsmede in
die waar de Polytechnische school is gevestigd, wordt aan hen,
die zich als vrijwilliger voor het reservekader hebben verbonden,
onderricht gegeven ter opleiding voor den graad van vaandrig.
Dit onderricht omvat de vakken, genoemd in het programma
ter aanduiding van de eischen om voor eene benoeming tot
militie-officier bij het wapen in aanmerking te komen. (a. v., art. 19).
§ 731. Indien de Minister van Oorlog het noodig oordeelt,
kan het onderricht, genoemd in de §§ 723, 728, 729 en 730,
ook in andere dan de aldaar bedoelde gemeenten worden ge-
geven, (a. »., art. 20).
§ 732. Met inachtneming van het bepaalde in de §§ 728,
729 en 730 geschiedt de opleiding en de bevordering tot reserve-
korporaal, reserve-onderofficier en vaandrig, naar regelen, door
den Minister van oorlog vastgesteld.
Om tot vaandrig te kunnen worden bevorderd moet de reserve-
onderofficier zijn Nederlander of zoon van een Europeesch of
daarmede gelijkgesteld ingezetene der koloniën of bezittingen van
het Rijk in andere werekldeelen.
De vaandrig die ophoudt Nederlander te zijn, wordt terugge-
bracht tot den graad van reserve-onderofficier, (a. v., art. 21).
§ 733. Hem die tot het reservekader behoort en die verlangt
voor een bepaalden tijd vrijwillig onder de wapenen te blijven
of te komen, kan zulks door of vanwege den Minister van
Oorlog worden vergund. (a. »., art. 22).
§ 734- De reserve-korporaal die minstens eene maand onder
-ocr page 291-
XXIX. Het Re&ervekader.
277
de wapenen is geweest, nadat hij voldaan lieert aa» de ingevolge
§ 732 gestelde eischen voor bevordering tot reserve-onderofficier,
wordt niet verplicht tot het bijwonen van de militaire oefeniu-
gen genoemd onder § 724, II, b, 2°. (a. v., art. 23).
§ 735. ï1. Ontheffing van de verbintenis Hij die tot het
reservekader behoort, en, naar het oordeel van den Minister van
Oorlog, de geschiktheid bezit om tot militie-officier benoemd te
worden, en die als vrijwilliger bij de militie wordt toegelaten,
wordt geacht door die toelating van zijne vrijwillige verbintenis
voor het reservekader te zijn ontheven, (a. v., art. 24).
§ 736. Gr. Uniform. Hij die tot het reservekader be-
hoort, draagt de uniform van het korps, waarbij hij is aange-
nomen, met dien verstande :
«. dat de groote kleedingstukken vervaardigd worden van fijner
laken; b. dat de kraag van de kortejas aan weerszijden voorzien
is van eene lus, vervaardigd, voor den vrijwilliger beneden den
graad van vaandrig van oranje zijde en voor den vaandrig van
goud galon; c. dat de vaandrig de uniform draagt van den adju-
dant-onderofficier, met dien verstande dat het aan weerszijden
van den kraag der kortejas geplaatste gebombeerd, rond, glad
plaatje, vervangen wordt door de lus onder b bedoeld, (a. v., art. 25).
§ 737- H. Wapening, Meeding en uitrusting. Het personeel
van het reservekader, beneden den graad van vaandrig, wordt
gewapend, gekleed en uitgerust voor rekening van het Eijk.
(a. o., art. 26).
§ 738. De vaandrig ontvangt, als tegemoetkoming in de
kosten van aanschafting van wapenen, kleediug en uitrusting, bij
zijne aanstelling eene som van f 200. (a. v., art. 27).
§ 739. I. Bezoldiging. Gedurende het verblijf onder de
wapenen en op de dagen, waarop wordt deelgenomen aan oefe-
ningen van het leger, ingevolge het bepaalde bij § 724, II, b,
1°., bedraagt de bezoldiging per dag:
voor den adspirant-vaandrig f 0,40;
„ ,/ reserve-korporaal
          0,60;
reserve-onderofficier 1,00;
w „ vaandrig
                        2,50.
-ocr page 292-
XXlX. tiet Reseroekader.
278
Bovendien wordt eene toelage geuoten per jaar:
van f 30,00 door den reserve-korporaal;
ff
         50,00 * v reserve-onderofficier;
,/ 150,00 „ „         n               ,i          die naar de eisenen
van dit besluit tot vaandrig benoembaar is;
ii 200,00 door den vaandrig;
met dien verstande dat voor dezen laatste, per jaar, de bezol-
diging met de toelage de som van f 900 niet overschrijdt.
(a. »., art. 28).
§ 740. J. Nieuwe verbintenis. De reserve-onderofficier of
de vaandrig, die bij het einde zijner verbintenis niet ouder is
dan 30 jaar, kan tot eenc nieuwe verbintenis worden toegelaten
vjor ten hoogste zes jaar. (a. v., art. 29).
§ 741. Behoudens het bepaalde onder b van het tweede lid
van deze § is hij die ingevolge § 740 tot eene nieuwe verbintenis
wordt toegelaten, verplicht zich te kleedon voor eigen rekening.
Door hem wordt genoten:
a.   eene toelage, niet hooger dan die genoemd in § 739 en
tot een bedrag en op de voorwaarden, door den Minister van
Oorlog te bepalen;
b.  zoo hij vaandrig wordt, de tegemoetkoming, genoemd in § 73S.
Indien hij die tot eene nieuwe verbintenis toegelaten is, de
toelage, in het tweede lid onder a vermeld, niet ontvangt, is
hij niet verplicht onder de wapenen te komen, dan in het geval,
bedoeld in § 724 onder I. (a. v., art. 30).
§ 742. Hij die ingevolge § 740 tot eene nieuwe verbintenis
wordt toegelaten, is verplicht, in zijn graad deel te nemen aan
de oefening der schutterij, ter plaatse waar hij verblijf houdt,
indien hij daartoe door de bevoegde autoriteit wordt aangewezen.
(«. v., art. 31).
§ 743. K. Examen van den vaandrig. De vaandrig kan,
met toestemming van den Minister van Oorlog, deelnemen aan
een examen, ter beoordeeling van zijne geschiktheid voor den
rang van tweede-luitenant.
Heeft hij aan het bij Koninklijk besluit vast te stellen pro-
gramma voor dat examen voldaan, dan wordt hem daarvan een
bewijs uitgereikt.
-ocr page 293-
XXIX. Bet lieservekader.                          279
Dit bewijs geeft uitzicht noch aanspraak op eeiie benoeming
tot tweede-luitenant bij het leger. {a. v., art. 32).
§ 744. Jj. Hoofdofficier voor het reservekader. Het bestuur
en het toezicht over het militair onderricht genoemd in de
§§ 723, 728, 729, 730 en 731 is opgedragen aan een daartoe
door den Minister van Oorlog aan te wijzen hoofdofficier van
een der korpsen van het leger.
Deze hoofdofficier staat voor zijn voorschreven dienst recbt-
streeks onder de bevelen van den Minister van Oorlog, (a. v.,art. 33).
§ 745- De officieren, onderofficieren en minderen, vereischt
bij het in § 744 vermelde onderricht, worden volgens aanwijzing
van den Minister van Oorlog van de korpsen der infanterie en
der vesting-artillerie ter beschikking gesteld en onder de bevelen
gedetacheerd van den in die § bedoelden hoofdofficier.
Voor zooveel de officieren betreft, geschiedt deze aanwijzing
eerst nadat de betrokken commandeerende officieren der korpsen
en de verdere autoriteiten van het wapen, omtrent de ter zake
door voormelden hoofdofficier gedane voorstellen, door den Minister
zijn gehoord, (a. v., art. 34).
§ 746. Hij die tot het reservekader behoort, staat, voor
zooveel betreft zijne opleiding bij het in de §§ 728, 729, 730
en 731 genoemde onderricht, onder de bevelen van den hoofd-
officier, bedoeld in § 744 die met betrekking tot dat onderwerp
over hem het gezag van detachementscommandant uitoefent, (a.
v., art.
35).
-ocr page 294-
HOOFDSTUK XXX.
Dienst bij de militie te land.
A. Van liet oproepen en afleveren ter inlijving.
§ 747. De voor den dienst aangewezen lotelingen worden
tot het voltallig maken van het aandeel van elke gemeente in
de lichting opgeroepen naar de volgorde der door of voor hen
getrokken nummers, te beginnen met het laagste; met dien ver-
stande, dat ten aanzien van hen, aan wie tijdelijk het recht is
ontzegd oin bij de gewapende macht of als militair gecmployeerde
te dienen, de oproeping wordt uitgesteld tot na afloop van den
tijd, waarvoor de ontzegging is uitgesproken.
Elk loteling, in dat aandeel begrepen, en elk vrijwilliger voor
de militie ontvangt, ten minste vijf dagen vóór den dag, waarop
hij zal worden afgeleverd, door tusschenkomst van den burge-
meester zijner woonplaats, van den Commissaris in de provincie
een brief van oproeping\', vermeldende den dag, het uur en de
plaats voor de aflevering bepaald. (Militiewet, art. 111, B. U.
Aanh.
1, gewij:. bij wet 24 April 1884, St.bl. n". 70, B. U.
Aanh. 114).
§ 748. Behoudens de uitzonderingen bij de wet gemaakt,
geschiedt jaarlijks tusschen 1 en 15 Mei (*) de aflevering van de
in dat jaar tot den dienst aangewezen en in de lichting begrepen
lotelingen, van hunne plaatsvervangers of nummerverwisselaars en
van de vrijwilligers voor de lichting van dat jaar. (a. v., art. 112).
§ 749. De aflevering geschiedt aan de daartoe door den
Koning aan te wijzen militaire autoriteit door of vanwege den
Commissaris in de provincie, die daarvoor dag, uur en plaats
bepaalt, (a. »., art. 113).
§ 750. De militaire autoriteit, aan wie de aftevering van
de bij de militie in te lijven manschappen geschiedt, is de pro-
(*) Tot 1 Mei 1895: tusschen 1 en 15 Maart.
-ocr page 295-
XXX. Aflevering ter inlijving.                         281
vinciale-adjudaut. (30) Deze handelt, wat do overneming van de
manschappen, linuue toewijzing aan en opzending naar de korpsen
betreft, in naam en op last van den bevelhebber in de militaire
afdeeling, waartoe de provincie behoort. (31) (K. B. 8 Mei 1862,
St.bl. n\'. 46, art. 43, B. U., Jank. 42).
5 751. De provinciale-adjudant ontvangt eene opgave van
het aandeel, door de provincie in de lichting van het jaar te
leveren, met aanduiding van het getal manschappen, in dat
aandeel begrepen, bij ieder korps en bij de zeemilitie in te lijven.
(a. v., art. 44).
§ 752. De burgemeester van elke gemeente maakt eenen
staat op in dubbel, ingericht overeenkomstig een gegeven model
{model n°. 19), van al de in het aandeel zijner gemeente, in
de lichting begrepen manschappen.
Die staat wordt bij de aflevering van de manschappen aan den
Commissaris der Koningin in de provincie of aan dengene, die
hem vertegenwoordigt, overgegeven, en een uittreksel uit den
staat van eiken daarop gebrachten persoon, die ter aflevering
opkwam, aan den provinciale-adjudant overhandigd, ten einde
te dienen tot inschrijving in de stamboeken, (a. v., art. 45).
§ 753. Ten minste drie dagen vóór den dag, waarop de
(30)  De proviuciale-adjuilauteu zijn gevestigd in de hoofdplaatsen der
provinciën, met uitzondering van den provinciale-adjudant in de provincie
Noordbrabant, die gevestigd is te Breda. {K. B. 25 Mei 1880, n". 8-1).
(31)   Het Kijk is verdeeld in drie militaire afdeelingen, te weten:
de l!t0 (standplaats Amsterdam) omvattende: Noordholland en Zuid holland
ten noorden van de Lek, de Nieuwe Maas, het Schuur en de Nieuwe-
waterwetj van Rotterdam naar Zee;
de Zie (standplaats Utrecht) omvattende: Groningen, Friesland, Drenthe,
Overijssel, Gelderland,
(ten noorden van den Rijn) en Utrecht;
•de 3de (standplaats Breda) omvattende: Zeeland, Noordbrabant, Limburg,
Gelderland
(ten zuiden van den Rijn en de Lei) en Zuidholland ten zuiden
van de Lek, de Nieuwe Maas, het Scheur en den Niéuwe-waterweg van
Rotterdam naar Zee.
(&". B. 24 April 1885, n". 19, art. 1).
Door den Koning daartoe aan te wijzen opper- of hoofd-officieren worden,
bij de betrekking die zij reeds beklceden, tevens belast met het bevel in de
militaire afdeelingeu.
Voor zooveei dit bevel betreft, voeren zij deu titel van Bevelhebber in
de
.. . , . Militaire Afdeeling (a. v., art. 2).
-ocr page 296-
282                         XXX. AfleVerh>() \'\'\'7\' \'ntijvhifl.
in art. 112 der wet (§ 748) vermelde aflevering geschiedt, zendt
de burgemeester liet dubbel van den in de voorgaande § ver-
melden staat aan den provinciale-adjudant. (a. v., art.46).
$ 754. Jongelingen uit de gestichten te Ommerschans en
Veenhuizen of uit de koloniën der Maatschappij van Weldadig»
heid, die bij de militie moeten worden ingelijfd voor cene andere
provincie, dan die waarin het gesticht of de kolonie gelegen
is, kunnen worden afgeleverd aan de militaire autoriteit in de
provincie, alwaar zij zich ophouden.
Dienovereenkomstig zijn de provinciale-adjudanten uitgenoo-
digd, om, voor zooverre daartoe bij hen aanzoek wordt gedaan,
zoodanige miliciens, op overgifte van de extracten model N°. 1 9,
over te nemen, hen toe te wijzen aan een korps, dat uit het
gewest waarvoor zij optreden miliciens ontvangt, en hen daarop
te dirigeeren, nadat hun de krijgswetten zijn voorgelezen.
Van die inlijving moet door hen aan den provinciale-adju-
dant in het laatstbedoeld gewest kennis worden gegeven, met
vermelding tevens van het korps waaraan die miliciens zijn toe-
gewezen. {M. A. 29 Juni 1864, n\\ 91i>, B. U. Aaiih. 79).
§ 755. Van het niet ter aflevering opkomen of het ontbreken
van hem, die op den staat (model N°. 19) is gebracht, wordt
achter zijnen naam in de kolom Aanmerkingen van den staat,
aanteekening gedaan met vermelding van de reden van het ach-
tcrblijven of van het ontbreken, zoo die bekend is. (A\'. B. a. ».,
arl. 47).
§ 756. Nadat op den staat het korps is ingevuld, waarbij
elk opgekomene is ingelijfd, en daarvan aanteekening is gedaan
op het lotingsregister en op het dubbel van dat register, wordt
de staat ter provinciale griffie nedergelegd.
Het dubbel van den staat blijft onder den provinciale-adju-
dant berusten, (a. v., art. 48), (32).
§ 757. De burgemeester van elke gemeente zorgt voor liet
verzamelen van de tot het aandeel zijner gemeente behoorende
manschappen en voor hunne overbrenging naar de voor de afle-
vering bestemde plaats.
(32) Aangaande de bewaring van deze staten en aangaande de archieven
van de provinciale-adjudanten zijn regelen gesteld bij il. B. 11 Jnn. 188(5,
»°. 19 (B. U. 903), 17
.Vov. 1886, «». 33 (Jï. V. 930) eu V. R. J, „d
art.
124).
-ocr page 297-
XXX. Aflevering ter inlijving.                      283
Algeniecue voorschriften omtrent liet verzamelen en de over
brenging worden door den Commissaris in de provincie gegeven.
(Militieivet, art. 114, B. U., Aauk. 1).
§ 758. De Commissaris in de provincie zorgt, dat, ter vervul-
liug van de plaatsen der manschappen, die op den l\'lm Augustus
van het jaar der aflevering aan het aandeel van elke gemeente
in de lichting ontbreken, de houders van de aan de beurt liggende
hoogere nummers onverwijld ter inlijving worden opgeroepen.
Ten aanzien van hem, wien tijdelijk het recht is ontzegd om
bij de gewapende macht of als militair geémployeerde te dienen,
wordt de oproeping uitgesteld tot na afloop van den tijd, waar-
voor de ontzegging is uitgesproken, (a. v., art. 115, gewijz. bij
wet
24 April 1884, SLM. u°. 70, B. U. Aanh. 114).
\' § 759. Wanneer een loteling binnen vier maanden na zijne
aflevering blijkt voor den dienst ongeschikt te zijn, wordt zijne
herkeuring bij Gedeputeerde Staten der provincie, voor welke hij
heeft geloot, aangevraagd.
Binnen veertien dagen na die aanvraag doen Gedeputeerde
Staten den loteling voor zich verschijnen en, is de herkeuring
aangevraagd wegens ziekelijke gesteldheid of gebreken, door ge-
neeskundigeii onderzoeken.
Daarbij geldt hetgeen in de laatste twee zinsneden van art.
21 is bepaald.
Van de uitspraak van Gedeputeerde Staten, in deze § bedoeld,
is geen beroep toegelaten, (a. v., art. 116).
§ 760. Indien de loteling, in de voorgaande § bedoeld,
door Gedeputeerde Staten wordt afgekeurd, wordt hij uit den
dienst ontslagen.
Geschiedt die afkeuring vóór den 15de" December van het jaar,
waarin hij is ingelijfd, dan wordt de houder van het aan de
beurt liggend hooger nummer der lichting van dat jaar en van
de gemeente, voor welker aandeel hij is opgetreden, of, was hij
numraerwisselaar, de loteling, voor wien hij in den dienst was op-
getreden, onverwijld ter inlijving opgeroepen. Hierbij geldt het
tweede lid van art. 115 (§ 758). [a. v., art. 117].
Het tweede lid van art. 117 der militiewet (zie vorig lid) geeft
geen grond tot oproeping van den houder van een hooger num-
mer in de plaats van den loteling, die, ingevolge genoemde
wetsbepaling opgeroepen, na 1 Augustus ter inlijving moest op-
-ocr page 298-
284                     XXX. Aflevering ter inlijving.
komen, doch aan de oproeping niet heeft voldaan. (3t. v. B. Z.
16 Aug. 1889, u\\ 1085 JU).
§ 76I- Het overbrengen en afleveren van hen, die bij de
uitspraak van Gedeputeerde Staten of\' in hooger beroep voor den
dienst zijn aangewezen, en in het algemeen van alle na het tijd-
stip, bedoeld in art. 112 der wet (§ 7-18) in te lijven man-
schappen, gesehiedt overeenkomstig de artt. 111, 113 en 114
(§§ 747, 749 en 757). [a. v„ art. 118].
Bij de aflevering van de manschappen, die volgens art. 165,
171, 173, 176 of 178 der wet moeten worden ingelijfd, wordt
aan den provinciale-adjudant ter hand gesteld het dubbel van
den staat, vermeld in § 752 en van uittreksels uit den staat,
betreffende eiken daarop gebrachten persoon.
De staat wordt, voor deze gevallen, opgemaakt door den Com-
missaris der Koningin in de provincie. (A\'. B. 8 Mei 1862, St.bl.
n\\
46, artt. 87 en 88, B. U., Aznh. 42).
§ 762. Zoodra de manschappen, die ter aflevering worden
opgezonden, hunne woonplaats verlaten, komen de kosten van
hunne reis, voeding en huisvesting en de reis- en verblijfkosten
hunner geleiders ten laste van \'sUijks kas. [Wel a. v.,art. 119).
§ 763. De dienstplichtigen, ter aflevering voor de nationale
militie bestemd, genieten, zoo zij dit verlangen, op den dag
der aflevering aan de militaire autoriteit, en op de dagen der
reis van hunne woonplaats (33) naar de plaats van die aflevering,
een daggeld van 25 cent, waarvan liet bedrag hun door den
burgemeester hunner woonplaats wordt betaald. (34)
Zij, die, vóór de overgave aan de militaire autoriteit, gedurende
de reis, of na volbrachte reis in de plaats, voor de aflevering
bestemd, moeten overnachten, worden voor Rijks rekening bij
de ingezetenen gehuisvest en gevoed. Daarvan worden verkla-
ringen opgemaakt volgeus een der modellen n°. 1 of 2, naar
gelang het overbrengen naar de ter aflevering bestemde plaats al
(33)   Door woonplaats wordt hier verstaan de gemeente, waarin de dienst"
plichtigen binnenslands gevestigd zijn. (Voorschr. M. B. 27 J/ei 1892, »°.
105, § «1, en noot, 11. SI. 328).
(34)   Met krijgsvolk op marsch worden gelijk gesteld de manschappen der
nationale militie, die ter aflevering of ter inlijving worden opgezonden, als-
nieue zij, die met onbepaald verlof vertrekken of weder onder de wapenen
opkomen. [Wel 14 Sept. 1866, St.U. u«. 138, art. 2, B. U. 629).
-ocr page 299-
XXX. Aflevering ter inlijving.                        285
of niet onder geleide geschiedt. (35) {VonrscJir. M. B. 27 Mei
1S92, »°. 105, § 1, R. M. 328).
§ 764. De reis van de woonplaats naar de plaats, voor de
aflevering bestemd, wordt, in den regel, te voet afgelegd. (3(5)
Is de afstand to groot om — zoo de reis op den dag der
inlijving wordt aangevangen — de bedoelde plaats op het be-
paalde uur te voet te bereiken, dan worden de manschappen,
zoo daartoe gelegenheid bestaat, voor "Rijks rekening over spoor-
of tramwegen of met stoombooten daarheen overgebracht. Dit ge-
schiedt ook dan, wanneer daardoor het aantal marschdagen kan
worden verminderd.
Bij do keuze van de vervoermiddelen moet de voorkeur wor-
den gegeven aan die, waaraan de minste kosten zijn verbonden.
(«. v., § 2).
§ 765. Tn verband met het slot der vorige § wordt opge-
merkt, dat voor het vervoer over spoorwegen van krijgsvolk (37),
in het belang van \'s Rijks dienst reizende, omstreeks de helft
van den vrachtprijs volgens tarief verschuldigd is, en dat in
overleg met verschillende tramweg- en stoombootmaatschappijen
(35)  Met de straffen, voorkomende in de reglementen van krijgstucht
voor het krijgsvolk te water en te lande, wordt, behoudens de toepassing
van zwaardere straffen overeenkomstig de algemeene of militaire strafwet,
gestraft elk krijgsman, die in de woning, waar hij ingekwartierd is, of met
betrekking tot. geleverde middelen van vervoer en de daarbij bchoorende per-
sonen, of ten opzichte van de leverantiën, zcdelooze, baldadige of kwellende
handelingen heeft gepleegd of doen plegen.
De manschappen der nationale militie, die ter aflevering of ter inlijving
worden opgezonden en zich aan bovenstaande misdrijven schuldig maken,
worden gestraft met eene gevangenisstraf van één tot vijf dagen, behoudens
de toepassing van zwaardere straffen, volgens het algemeen strafwetboek.
Bij dergelijke handelingen wordt de ingekwartierde, op verzoek van den
inwoner, dadelijk uit het kwartier verwijderd. {Wet 14 Sepl. 1866, St.bl.
»». 138, art. 44, li. U. 629).
(36)   Voor het gedeelte der reis, dat door de miliciens te voet wordt af-
gelcgd, hebben zij recht op vrijen overtocht van rivieren en stroomen; —
voor het passeeren van veren, bruggen, enz. worden passagebiljetten (model
n". 5) aan de miliciens afgegeven door den burgemeester; het geval bij i
991 bedoeld (opkomst met spoed) uitgezonderd. (Zie echter ook § 992).
{Voonchr. M. B. 27 Mei 1892, m. 105, § 18, li. M. 328).
(37)  Onder «krijgsvolk* worden hier ook verstaan de ter inlijving opge-
roepen, alsmede de niet van uniform voorziene dienstplichtigen der nationale
militie.
-ocr page 300-
XXX. Afieverimj ter inlijving.
286
tarieven voor militair vervoer zijn vastgesteld. Voor zooveel de
burgemeesters van laatstbedoelde tarieven geenc kennis dragen,
kunnen daaromtrent aan den Commissaris der Koningin in de
provincie inlichtingen worden gevraagd. Ten einde de Commis-
saris der Koningin tot het geven van die inlichtingen in staat
te stellen, worden de tarieven voor militair vervoer over tram-
wegen en met stoombooten door het Departement van Oorlog
ter hunner kennis gebracht. Vermits de bij die tarieven bepaalde
prijzen slechts dan van invloed op de keuze van de vervoer-
middelen kunnen zijn, wanneer gelegenheid bestaat, van meer
dan één middel gebruik te maken, behoeven die prijzen niet ter alge-
mecne kennis van de burgemeesters gebracht te worden, (a. v., § 3).
§ 766. Voor het vervoer over spoor- en tramwegen van meer
dan 10 dienstplichtigen, uit eenzelfde gemeente herkomstig, die
in werkclijken dienst of ter inlijving opkomende, op hetzelfde
tijdstip en in dezelfde richting reizen, moet door den burgemeester
van de gemeente kennis worden gegeven aan de bestuurders der
ondernemingen.
üe burgemeester zorgt dat die kennisgeving minstens 24 uren
vóór den dag, waarop het vervoer zal geschieden, bij debestuur-
ders per dienstbrief of per telegram is ingekomen.
In de kennisgeving wordt opgaaf gedaan van het aantal dienst-
plichtigen, van het station van vertrek, van de plaats waarheen
het vervoer moet geschieden en, zoo mogelijk, ook van de treinen,
door hem voor het vervoer aangewezen.
Doorloopt, het vervoer, in de kennisgeving vermeld, wat de
spoorwegen betreft, van het station van vertrek tot dat van
bestemming, lijnen van meer dan één spoorwegdienst, onderling
door sporen verbonden (*), dan geschiedt de kennisgeving alleen
aan de bestuurders van den spoorwegdienst van die lijn, waarop
het vervoer begint; dezen zorgen dan, voor zooveel noodig,
voor de kennisgeving aan de opvolgende spoorwegdiensten.
Is het vervoer niet aansluitend (**), dan moet de kennisgeving
(*) De stoombootveerdieust EaihuizenStavoren wordt ten deze beschouwd
als met de spoorwegen te zijn verbonden.
(**) Het vervoer wordt als niet aansluitend beschouwd, wanneer overgang
plaats heeft:
a. te \'s Gravenhige, van het 9tation van den Hollandscben Uzeren- op dat
van den Staatsspoorweg, en omgekeerd ;
-ocr page 301-
XXX. Aflvvtrmg ter inlijving.                      287
bovendien geschieden aan de bestuurders van de niet aansluitende
lijn of lijnen.
De kennisgevingen, aan bestuurders van spoorwegdiensten eu
tramwegen te zenden, moeten op het adres behelzen de woorden
„Militair vervoer", en worden gericht voor elke der door de
maatschappijen geëxploiteerde lijnen:
a.    Voor de spoorwegen, aan:
1°. de Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij te Amsterdam,;
2°. ii Nederlandsche Centraal Spoorwegmaatschappij te Utrecht;
3°. // Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen te
Ulrecld;
4°. Noord-Brabantsch-Duitsche Spoonvegm. te Gennep.
Hetzelfde geschiedt;
voor de Spoorwegmaatschappij Grand Central Beige, aan den
Inspecteur dier maatschappij te Maastricht;
voor de Spoorwegmaatschappij Luik-Maastricht, aan den stations-
chef dier maatschappij te Maastricht;
voor elk der spoorwegen Ïerneuzen-Mechelen en Terneuzeu-
Gend, aan den stationschef te Nemen.
b.   Voor de tramwegen:
aan het adres der directie ter plaatse, waar die, volgens de
tarieven bij § 765 bedoeld, is gevestigd, (a. v., § 4).
§ 767. Tot verrekening van de kesten van het vervoer over
spoor- en tramwegen en met stoombooten worden door den
burgemeester ingevulde bewijzen (Model n". 3) verstrekt, en wel:
a.    zoo de dienstplichtigen zonder geleide reizen, aan ieder
hunner één of meer bewijzen, en
b.    zoo zij onder geleide worden overgebracht, aan den geleidereen
of meer bewijzen voor alle dienstplichtigen onder zijn geleide.
(38) De geleider zelf mag hierop niet voorkomen, (a. «.,§ 5).
b.   te Utrecht, van liet station van den Hollandschen IJzeren Spoorweg
op het vereenigd station vau den Staatsspoorweg en van den Neder-
landscben Centraalspoorweg, en omgekeerd;
c.   te Rotterdam, van het station Maas van den Hollandschen Uzeren- en
Staatsspoorweg op de stations Delftsehe-Poort en Beurs van den Staats-
en den Hollandschen IJzeren Spoorweg, en omgekeerd.
(38) Aan veldwachters en andere beambten vau politie tot liet begeleiden
van militieplichtigen ook langs alle lijnen der voormalige Rijnspoorweg-
Maatschappij moet een reisorder wordeu verstrekt, op vertoon waarvan vrij
vervoer plaats heeft. (M. v. B. Z. 23 Dec. 1891, n". 8165).
-ocr page 302-
288
XXX. Aflevering ter inlijving.
§ 768. Ten aanzien van het aantal op te maken bewijzen
gelden de navolgende regelen:
a. bij vervoer over tramwegen of met stoombooten worden
voor elke tramweg- of stoombootmaatschappij, van welker mid-
delen men zich bedient, afzonderlijke bewijzen opgemaakt;
h. bij aansluitend vervoer over spoorwegen (*) wordt slechts
één bewijs opgemaakt, ook al wordt voor de reis gebruik ge-
maakt van twee of meer spoorwegmaatschappijen;
c. bij niet aansluitend vervoer over spoorwegen (cie noot **
op hladz. 28(j) wordt voor eiken overgang eveneens een nieuw
bewijs opgemaakt. («. v., § fi).
§ 769. Die bewijzen worden steeds afgegeven:
a.   bij vervoer over spoor- en tramwegen, aan den chef van
het station in het hoofd van liet bewijs aangegeven als station
van vertrek, of aan den beambte belast met het afgeven van
plaatsbewijzen;
b.  bij vervoer per stoomboot aan den gezagvoerder of aan den
beambte met, bet afgeven van plaatsbewijzen belast, (rr. v., § 7).
§ 770. He formulieren voor bewijzen bij § 767 bedoeld,
moeten gedrukt zijn, en worden door het Departement van Oorlog
op aanvraag verstrekt aan de Commissarissen der Koningin in de
provinciën, die de burgemeesters, op hunne aanvraag, daarvan
voorzien. De gemeenten kunnen de formulieren ook voor eigen
rekening doen drukken, mits ze in afmeting, vorm en inhoud gelijk
zijn aan die, door het Departement van Oorlog verstrekt. (**)
{a. v., § 8).
§ 771- Bij vervoer over spoorwegen nemen de dienstplichtigen
plaats in rijtuigen der 3He klasse. Voor het geval echter, dat
het — zoowel om de dienstplichtigen tijdig op hunne bestemmings-
plaats te doen aankomen, als om hen in één dag de reis te kunnen
doen volbrengen — volstrekt noodzakelijk is, gebruik te maken
van een trein, waarin geene rijtuigen der 8d* klasse zijn opge-
nomen, kan het vervoer in rijtuigen der 2j0 klasse plaats hebben.
Alsdan wordt door den burgemeester, die het bewijs afgeeft, op
(*) Het vervoer met den stoombootveerdienst BnhhdsenStavoren wordt
als aansluitend en in het algemeen als vervoer per spoorweg beschouwd.
(**) Zoolang de thans aanwezige voorraad formulieren van het bestaande
model niet is uitgeput, moet daarvan gebruik worden gemaakt. De namen
der dienstplichtigen moeten op de achterzijde der formulieren vermeld worden.
-ocr page 303-
XXX. Aflevering ter inlijving.                      289
dat stuk ecue aanteekening gesteld, als volgt: 21b vervoeren van
.... . . naar.....in een rijtuig der 2Je klasse met den trein
van.....uur .... minuten, tegen de hiervoor verschuldigde
hoogere vracht.
Bij vervoer over tramwegen eu met stoombooten wordt in de
laagste klasse plaats genomen, (a. v., § 9).
5 772. De voldoening der vrachtkosten voor de bewijzen,
onder de §§ 767—771 bedoeld, geschiedt, zonder verdere tus-
schenkomst der burgemeesters, door de zorg van het Departe-
ment van Oorlog, (a. «., § 10).
§ 773. Komt het in bijzondere gevallen noodig voor om,
tot vervoer van de dienstplichtigen, van andere middelen clan
van spoor- en tramwegen of stoombooten gebruik te maken,
dan wordt deswege door de burgemeesters, door tusschenkomst
van den Commissaris der Koningin in de provincie, een voorstel
aan den Minister van Oorlog ingediend, met opgave van den
aard der te bezigen vervoermiddelen, van de redenen, die het
gebrnik daarvan noodig maken, en van de kosten, aan het ver-
voer verbonden. Het bepaalde bij het slot van § 764 is ook
hier van toepassing.
Na bekomen machtiging worden die kosten door de burge-
meesters betaald, en gestaafd door quitantiën, model u". 4,
welke — zoo het te betalen bedrag de som van f 10 overtreft,
en het vervoer met andere dan openbare vervoermiddelen heeft
plaats gehad — op zegel worden opgemaakt. (39) (a »., § 11).
(39) Ia verband met de bepalingen betreffende openbare middelen van
vervoer wordt opgemerkt, dat vrijstelling vau zegelrecht is verleend voor:
a. alle declaratiën en quitantiën van gemeentebesturen, wegens schuldvor-
deringen, waarvan het bedrag bij voorschot uit de kassen der ge-
meenten ten behoeve vau de Land- of Zeemacht is betaald, mitsga-
ders declaratiën en quitantiën wegens alle voor de Laud- en Zeemacht
gedane uitschotten, die door het Kijk moeten terugbetaald worden;
4. alle bescheiden, ten ge.olge van de voorschriften der tweede en derde
hoofdstukken van de wet op de inkwartiering eu van de reglementaire
bepalingen, in art. 3 dier wet bedoeld, opgemaakt, voor zoo verre zij
geene overeenkomsten inhouden of geenc betrekking hebben op
rechtsgedingen;
o, alle stukken noodig voor het vervoer van militairen en militaire goe-
deren met alle openbare middelen van vervoer te land en te water,
het overzetten van veren daaronder begrepen, mitsgaders voor de
19
-ocr page 304-
XXX. Inlijving.
290
§ 774. Onverminderd het genot van daggeld volgens § 703
treden de miliciens in het genot der soldij en verdere toelagen,
voor het korps, waarbij zij worden ingedeeld, vastgesteld, met
den dag van aankomst bij het korps. (B. A., art 31).
B. Van de inlijving bij de militie.
\\ 775. De plaats, den dag en het uur voor de aflevering
van de manschappen, zoomede het op eiken dag af te leveren
deel der lichting, bepaalt de Commissaris der Koningin in de pro-
vincie, in overleg met den bevelhebber in de militaire afdeeling,
waartoe de provincie behoort, of met den provinciale-adjudant.
De Commissaris der Koningin in de provincie geeft, indien zich
in zijne provincie lotelingen voor de zeemilitie hebben aangeboden,
van de plaats, den dag en het uur, voor de aflevering van die
lotelingen bepaald, dadelijk kennis aan den Minister van Marine.
{K. B. 8 Mei 1862, St.bl. n°. 46, art. 50, B. U., Aanh. 42).
Inlijving van lotelingen bij de zeemilitie op een zaterdag worde
zooveel mogelijk vermeden. (M. v. B. Z. 28 Sept. 1891, n".
1158 M en 28 Jan. 1892, n°. 105 M).
§ 776. De provinciale-adjudant vraagt van de comman-
danten der korpsen, waarbij de inlijving zal geschieden, het noodig
aantal geleiders voor de manschappen. Deze worden, in detache-
menten vereenigd, naar de korpsen gezonden.
De Minister van Marine zorgt voor het overbrengen van de
lotelingen, die bij de zeemilitie zijn ingelijfd, naar de voor hen
bestemde schepen. (K. B. a. v., art. 51).
§ 777. Alvorens de manschappen aan de korpsen worden
toegewezen, wordt door den daartoe aangewezen zeeofficier uit
de lotelingen, die zich voor de zeemilitie hebben aangemeld en
daarvoor lichamelijk geschikt zijn, het door de provincie daarvoor
te leveren getal afgezonderd.
De provinciale-adjudant geeft de aldus voor de zeemilitie be-
stemde lotelingen aan den zeeofficier over en stelt hem de uit-
declaratiën, verklaringen, ordonnantiën van betaling, ijnitantiiin en
verdere stukken, bcnoodigd tot de voldoening van de kosten van ver-
voer van militairen en militaire goederen met gemelde middelen.
(Voorschr. M. B. 27 Md 1892, n\\ 105, § 25, R. M. 328).
-ocr page 305-
XXX. Inlijving.                                  291
treksels uit de staten, vermeld in de tweede zinsnede van §752
ter hand. («. v., art. 52).
Lotelingen, die zich voor de zeemilitie hadden aangeboden
en buiten het tijdstip der algemeene aflevering moeten worden
ingelijfd, kunnen — mits niet te hunnen aanzien door Gede-
puteerde Staten is beslist, dat geene omstandigheden van hunnen
wil onafhankelijk hen hebben belet aan de oproeping te vol-
doen — indien zij bij de allevering lichamelijk voor den zee-
dienst geschikt worden bevonden, tot voltalligmaking van het
aandeel der provincie, door de provinciale-adjudanteu, nadat deze
hun de krijgswetten voor het krijgsvolk te water hebben doen
voorlezen, per reiswijzer, naar den Helder worden gedirigeerd,
met last zich bij den directeur en commandant der marine te
Willemsoord aan te melden. De uittreksels uit de stalen, model
n . 19, hen betreffende, worden, zoo noodig, onder couvert van
den plaatselijke-commandant van den Heidei, aan dien direc-
teur toegezonden.
De vergoeding voor reis- en verblijfkosten, aan de voormeldt;
manschappen te verstrekken, moet berekend worden naar de
regelen, vermeld in de M. B. van 27 Maart 1888, n°. 31
(B. U. 990).
Mochten onverhoopt de betrokken manschappen bij aankomst
ter plaatse hunner bestemming voor den dienst bij do Zeemacht
onbekwaam worden geoordeeld, dan moeten zij voor rekening van
het Departement van Marine naar den proviuciale-adjudant ge-
renvoyeerd en door dezen nader bij een der korpsen van de
Landmacht ingedeeld worden. (M. A. 19 Mei 1864, ;*". 98P,
B. U., AanL 78).
§ 778. De afgeleverde voor de militie te land bestemde
manschappen worden, volgens de door den Koning te geven
voorschriften, bij de korpsen van het leger ingelijfd.
Vrijwilligers bij de militie worden, voor zoover zij daartoe
geschikt bevonden zijn, en er gelegenheid toe bestaat, ingelijfd
bij het korps hunner keuze. (Alilitiewet,art. 120, B. U.,Aanh. 1).
§ 779. De miliciens worden, voor zoover dit is overeen
te brengen met de algemeene verdeeling der lichting over de
onderscheidene korpsen der landmacht en de ter zake betrek-
kelijke bijzondere voorschriften, ingelijfd bij korpsen ofonderdee-
len daarvan, welke in of nabij hunne woonplaats garnizoen houden.
-ocr page 306-
XXX. Inlijving.
292
Den commandeer/enden officieren van de acht regimenten in-
fauterie is verzocht te willen zorgen, dat de miliciens, die bij
de aflevering aan hun onderhebbend regiment worden toegewezen,
zooveel doenlijk, worden ingelijfd bij een onderdeel van het korps
in of nabij de plaats waar zij woonachtig zijn.
Het spreekt van zelf, dat daardoor de bevoegdheid van de
chefs om oenen milicien, op wiens gedrag en dienstijver het ver-
blijf in zijne woonplaats blijken mocht van nadeeligen invloed te
wezen, naar een ander garnizoen over te plaatsen, niet wordt
beperkt. (*) (M. A. 7 Jan. 1870, «°. 48P).
§ 780. De afgeleverde voor de militie te land bestemde
manschappen worden ingelijfd bij de korpsen, voor welke zij door
hun lichaamsgestel en hunne lengte, het meest geschikt zijn. (40).
Alvorens de manschappen worden ingelijfd bij andere korpsen
dan die der gewone infanterie worden zij geneeskundig onder-
zocht. (41)
Voor de grenadiers in het bijzonder worden manschappen be-
stemd van een goed voorkomen en eene groote gestalte; bij
voorkeur voor de bereden korpsen zij, die gewoon zijn met
paarden om te gaan; voor het Korps Pontonniers, schippers,
veerlieden en scheepstimmerlieden; voor het Korps Genietroepen,
(*) Van deze aanschrijving is een afdruk toegezundeu aan de provinciale-
adjudanten.
(40)  Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren wordt gestraft:
1°. hij die zich opzettelijk voor den dienst bij de militie of bij de schut-
terij ongeschikt maakt of laat maken.
2°. hij die een ander, op diens verzoek opzettelijk voor den dienst onge-
schikt maakt.
Indien in het laatste geval het feit den dood ten gevolge heeft, wordt
gevangenisstraf voor ten hoogste zes jaren opgelegd. {Wet van 3 Maart 1881,
St.il. n". 35, lot vaststelling van een Wetboek van Strafrecht, art. 206).
(41)   De geschiktheid voor den krijgsdienst van militiepliehtigen en van
hen die als vrijwilliger, plaatsvervanger of nummervcrwisselaar bij de militie
vvenschen te worden toegelaten of als zoodanig zijn ingelijfd, wordt onder-
zocht en beoordeeld overeenkomstig het reglement B, vastgesteld bjj K. B.
van 2 Nov. 1883, SIM. n". 151, (B. U. 841); terwijl bij K. B. van 30
Nov. 1S83, Sl.il. n°. 162, regelen zijn gesteld zoowel ten aanzien van het
middel tot ophefling van het accomodatie-vermogen bij het onderzoek om-
trent de geschiktheid voor den dienst bij de Zee- en Landmacht, als aan-
gaande. de letters en frgnren, ter bepaling van de gezichtsscherpte bij dat
onderzoek te bezigen.
-ocr page 307-
XXX. Itdijving.
293
aardwerkers, timmerlieden, metselaars, smeden en mandenmakers.
(K. B. 8 Mei 1862, Stil. n°. 46, art. 53, B. U., Aanh. 42).
§ 781. Er bestaat bezwaar tegen, om, ter voorziening in
de behoefte aan geschikte paardenoppassers bij de infanterie,
bij de indeeling der lichtingen van de militie een zeker aantal
plaatsvervangers, die te voren bij een der bereden korpsen
hebben gediend, aan elk regiment infanterie te doen toewij-
zen. Zoolang het gebrek aan geschikte paardenoppassers bij de
infanterie zich niet meer algemeen doet gevoelen dan thans,
is in de hier en daar voorkomende behoefte te voorzien door
overplaatsing of detacheering van geschikte manschappen van an-
dere korpsen van het wapen. Voor het geval echter (lat te ecniger
tijd bij het wapen geen voldoend aantal daartoe geschikte per-
sonen zon kunnen worden gevonden, kan de Inspecteur der in-
fanterie zich voor gemachtigd houden om, in overleg met dien
der artillerie, of, zoo noodig, niet dien der cavalerie, geschikte
en daartoe genegen veldartilleristen of anders cavaleristen bij de
infanteriekorpsen te detachceren, dan wel over te plaatsen om
daarbij dienst te doen als paardenoppasser. (M. A. 6 en 18
Maart 185ï>, n\\ 67 en 60).
§ 782. De ter inlijving opgekomen lotclingcn, die in het
oog vallende gebreken hebben of de gevorderde lengte missen,
worden ingelijfd bij een van de korpsen der infanterie, welke in
of het meest in de nabijheid van de plaats, waar de aflevering
geschiedt, garnizoen houden.
Geschiedt hunne inlijving niet bij een korps, dat in de hoofd-
plaats der provincie garnizoen houdt, dan worden zij in die
hoofdplaats achter gehouden of derwaarts opgezonden en bij
een der korpsen in onderhoud opgenomen, waarna art. 116
der wet zonder verwijl op hen wordt toegepast, (a. v.,
art.
56).
§ 783. De manschappen die bij de korpsen der infanterie,
het ltegiment Grenadiers en Jagers daaronder begrepen, de ves-
ting-artilleric, het Korps Pontonniers of het Korps Genie-
troepen zijn ingelijfd, worden dadelijk in werkelijken dienst ge-
steld.
Zij die voor bereden korpsen zijn aangewezen, worden, na
hunne inlijving, tot nadere oproeping met verlof gezonden.
Hiervan zijn uitgezonderd de plaatsvervangers en nummerver-.
-ocr page 308-
XXX. Inlijving.
294
wisselaars; deze worden dadelijk in werkelijken dienst gesteld.
(«. »., art. 57). (42)
Wenschen zij die tot nadere oproeping met verlof kunnen
worden gezonden, van dat verlof geen gebruik te maken, dan
mogen zij niet in werkelijken dienst worden gesteld dan na be-
komen machtiging van den Minister van Oorlog. (M. A. 1 April
1889, n°. 43).
§ 784. De provinciale-adjudant en, betreft het lotelingen
die voor de zeemilitie zijn bestemd, de zeeofficier, in § 777
vermeld, doet de krijgswetten aan de ingelijfde manschappen
voorlezen, alvorens zij de plaats der aflevering verlaten.
Van die voorlezing wordt door den officier, in wiens tegen-
woordigheid zij heeft plaats gehad, een algemeen proces-verbaal,
volgens een bepaald model (model n°. 21), opgemaakt en door
hemen twee meerderjarige getuigen onderteekend. (a. v., art. 58).
Mocht een milicien weigeren het bewijs van voorlezing der
krijgsartikelen te teckenen, dan wordt op bedoeld stuk van die
weigering melding gemaakt en deze bijvoeging door do getuigen
onderteekend. (48) [M. B. 18 leb. 1801, n\\ 59 B, B. U. 247].
(42)   Door dim diensttijd der militie wordt vcrsttiaii, niet opzicht tot
het algemeen stelsel van militaire belooningen, de werkelijke dienst en mits*
dien, in vredestijd, de tijd gedurende welken de milicien werkelijk onder de
wapenen is, hetzij voor eerste oefening, hetzij om opnieuw in den wapcn-
haudel te worden geoefend, hetzij uit andere hoofde; de gewone dienstplich-
tighcid volgens de Wet, zal bij die berekening overigens in geen aanmerking
komen. (A". B. 19 leb. 1825, u". «7, art. 19, 13. IJ. 53).
(43)  De weigering om het bewijs van voorlezing der krijgsartikelen te
teekenen ontheft den milicien geenszins van zijne verplichtingen; zij maakt
eenen plaatsvervanger niet ongeschikt om, eenmaal ingelijfd zijnde, als zoo-
danig te blijven dienen, en evenmin maakt die weigering twijfelachtig of
hij, ter zake van eenige overtreding, zoo daartoe overigens termen zijn,
voor den krijgsraad kan worden gesteld. — Die weigering op zich zelve is
noch misdrijf, noch overtreding. — Zij behoeft op de verdere behandeling
van den weigerachtigen loteling, nummerverwisselaar of plaatsvervanger van
geencrlci invloed te zijn. — Mocht evenwel zoodanig ingelijfde weigeren te
marcheeren of zich naar het aangewezen korps te begeven, dan behoort hij
in alle opzichten behandeld te worden als ieder ander militair, die de
gegeven bevelen niet opvolgt, zoodat dan ook een ingelijfde als boven be-
doeld, in het evenvermeld geval, onder militair geleide naar het korps waar-
aan hij is toegewezen, zal moeten worden opgezonden, om daar, naar ge-
lang van omstandigheden, disciplinair gestraft of voor den krijgsraad gebracht
te worden. (M. A. 18 Feb. 1801, »". 595, B. U. 247).
-ocr page 309-
XXX, Inlijving.                                 295
\\ 785. (44) Het Crimineel Wetboek en het Reglement van
Krijgstucht voor het Krijgsvolk te Lande zijn op de manschappen
der militie te land, die zich onder de wapenen bevinden, van
toepassing, en, met opzicht tot de verschillende gevallen van
desertie, op al de bij de militie te land ingelijfden.
Die manschappen worden geacht onder de wapenen te zijn:
1°. zoolang zij zich bij hun korps bevinden; 2°. gedurende den
tijd, dien het in § 940 bedoeld onderzoek voor de verlofgangers
duurt; 3". in het algemeen, wanneer zij in uniform gekleed zijn.
{Wet a. »., art. 130).
§ 786. De geestelijken en bedienaren van den godsdienst
en de studenten in de godgeleerdheid, welke ter inlijving bij de
militie zijn bestemd, doch die door den Koning van den wer-
kelijkeu dienst zijn ontheven, worden niet ter aflevering aan de
militaire autoriteit opgeroepen, noch naar de plaats der aflevering
overgebracht.
Hunne inlijving geschiedt eenvoudig op overgifte van uittrek-
sels uit den staat, model n°. 19, vermeld in § 752. (K. B. % Mei
1862, StM. n\\ 46, art. 74, B. U., Aanli. 42).
§ 787. Nopens de manschappen, die, bij de aflevering van
het contingent, op den staat, model n°. 19, vermeld in § 752,
opgegeven zijn als, na hunne inschrijving voor de militie, eene
vrijwillige verbintenis op grond van art. 9 der wet te hebben
aangegaan, zal van hunne aanwijzing voor den dienst, door den
provinciale-adiudant, onder toezending van de extracten uit
voormelden staat, die manschappen betreffende, aan de chefs der
betrokken korpsen van het leger kennis gegeven moeten worden,
met uitnoodiging onder de mutatie betrekkelijk de inschrijving
te doen vermelden:
ffOp den.....ter inlijving bij de militie bestemd."
Bijaldien de bedoelde manschappen zich als vrijwilliger bij de
Zeemacht of bij de koloniale troepen in dienst bevinden, zal van
hunne aanwijzing voor den dienst der militie aan het Departe-
ment van Oorlog kennis behooren te worden gegeven, met toe-
(41) De milicien, die bij een der korpsen vim het leger is ingedeeld, is
aan de militaire wetten onderworpen, zelfs al blijkt niet dat hem de krijgs-
wettenz ija voorgelezen. {Sententie II. 31. G. 29 Sepl. 1877).
-ocr page 310-
XXX. Inlijving.
206
zending van tic extract-staten aangaande de manschappen. (M. B,
7 Juni 1862, n\\ 56B, ad art. 120, B. U. Aank. 42). (45)
§ 788. De manschappen, bestemd voor korpsen infanterie,
waarvan een of meer bataljons en het depot in verschillende
plaatsen garnizoen houden, worden door den provinciale-ad-
judant evenredig daarover verdeeld en rechtstreeks opgezonden
naar de plaatsen, waar die onderdeden of hunne staven geves-
tigd zijn.
De manschappen voor de regimenten der vesting-artillerie
aangewezen, worden rechtstreeks naar de standplaatsen der com-
pagnieën, waarvoor zij bestemd zijn, opgezonden.
De voor de overige korpsen bestemde manschappen, die dadelijk
in werkelijken dienst moeten worden gesteld, worden opgezonden
naar de standplaatsen van de slaven dier korpsen. (ST. B. a. v.,
art.
59, en K. B. 19 Tel. 1863, StM. n\\ 11, art. 4, B. U„
Aan/t.
49).
§ 789. De bevelhebbers in de militaire afdeelingen zenden
jaarlijks aan het Departement van Oorlog :
1°. een onder dagteekening van den l"en October door den pro-
vinciale-adjudant opgemaakt beknopt verslag, behelzende de op-
merkingen en voorstellen waartoe de loop der indeeling van de
miliciens, die als aandeel van elke provincie in de lichting van
(45) Betreffende do indeeling enz. van schepelingen en mariniers, die uit
den zeedienst worden ontslagen en nog behooren tot de militie te land, is
liet navolgende bepaald:
Militieplichtigen als vorenbedoeld, worden opgenomen in de sterkte van
het 7de Regiment Infanterie. Wordt het ontslag uit den zeedienst verleend
wegens geëindigde vrijwillige verbintenis, dan kan de commandeerende officier
van genoemd korps zich voor gemachtigd houden, op ontvangen kennisge-
ving van de bij de zaak betrokken maritieme autoriteit, den militieplichtige
in de sterkte van het korps op te nemen en hem onmiddellijk in het ge-
not van onbepaald verlof te stellen.
Het zakboekje, voorzien van verlofpas, van reisroute voor eene opkomst
met spoed en c. q. van vervoerbewijzen, zal tijdig aan bedoelde maritieme
autoriteit behooren te worden toegezonden, ten einde door hare tusschen-
komst aan den belanghebbende te worden uitgereikt.
Indien het ontslag uil den zeedienst aan den ingelijfde bij de militie te
land wordt verleend om eene andere reden als de vorenvermelde, zal in
elk voorkomend geval door den M. v. O. worden bepaald, of de man met
groot-verlof gezonden, dan wel bij het korps in werkelijken dienst gesteld
moet worden. [Hf. A. 8 Vee. 1888, «°. 42].
-ocr page 311-
XXX. Inlijving.
297
dat jaar zijn geleverd aanleiding heeft gegeven alsmede een
onder die dagteekening door den provinciale-adjudant opgemaakt
voorloopig tabellarisch overzicht model litt. a met staat model
litt b, als onder 2°. bedoeld ;
2°. een onder dagteekening van den 31slen December door den
provinciale-adjudant opgemaakt tabellarisch overzicht, ingericht
naar het daarvoor bepaald model litt. «., aanduidende de indee-
ling bij de korpsen van de manschappen, in het aandeel der
provincie begrepen, vergezeld van een staat, opgemaakt volgens
het daarvoor bepaald model litt b, vermeldende het beroep van
de bij de militie ingelijfden. (Voorschr. M. B, 19 Sept. 1892,
n\\ 3G, art. 38, R. M. 574).
§ 790. De miliciens, die na de inlijving dadelijk in werke-
lijken dienst worden gesteld, worden zooveel mogelijk in deta-
chementen vereenigd, (46) onder geleide naar hunne korpsen
gezonden. Zij, die in dezelfde richting reizen, worden in één
detachement vereenigd, om het even of de plaats van bestem-
ming al dan niet dezelfde is, en ongeacht het korps of wapen,.
waarbij zij zijn ingedeeld.
De marschorder wordt verstrekt door den provinciale-adjudant.
Gedurende den marsch zijn voor die detachementen van toe-
passing de bepalingen, in het algemeen voor marcheerende troepen
vastgesteld. (*)
Onverminderd het daggeld, hun door den burgemeester der
gemeente verstrekt, genieten de in detachement vereenigd rei-
(46) Het aantal geleidere van miliciens, die in detachement vereenigd
reizen, zal in den regel zijn, als volgt:
van 6 tot en met 25 man: een sergeant of een korporaal;
van 26 tot en met 100 man: een sergeant en een korporaal;
van 101 tot en met 300 man: een officier met de noodige onderofficieren
en korporaals en een tamboer, boornblazer of trompetter;
van 301 man en meer: twee officieren met de noodigc onderofficieren en
korporaals en een tamboer, hoornblazer of trompetter.
Zoo bijzondere redenen dit vorderen, kan van dien regel worden afgeweken.
Bij het geleiden van in detachemeot vereenigde verlofgangers worden,
naar gelang de sterkte der manschappen vermindert, de geleiders met reis-
wijzer naar hunne standplaats teruggezonden. De hoofdgeleider van het
detachement keert evenwel niet terug dan nadat het detachemeut geheel
ontbonden is. (V. 71. A., ad art. 29, § 19).
(*) Zie de noten 83 eu 34 op $ 763.
-ocr page 312-
XXX. Inlijving.
298
zende miliciens, over de dagen vóór dien van aankomst bij het
korps, de soldij, zooals die voor de miliciens bij het wapen
der infanterie is of nader zal worden vastgesteld, onaangezien
het wapen waartoe zij bchooren.
Van de kosten der reis gedurende den marsen — de soldijen
der geleiders en miliciens daaronder begrepen — wordt eene
monsterrol opgemaakt volgens een gegeven model {model n". 36),
waarvan de bedragen bij het korps, waartoe de hoofdgeleider behoort,
aan het llijk in rekening worden gebracht. [V. 11. A., ad art. 29, § 2).
§ 791. Js het aantal miliciens, die in dezelfde richting reizen,
vijf of minder, dan worden zij door den provinciale-adjudant
niet in detachement, maar afzonderlijk naar hunne korpsen gezonden.
Zij, die in de verzamelplaats huisvesting met voeding hebben
genoten en een afstand van meer dan 30 kilometer moeten afleg-
gen, en zij, die aldaar geene huisvesting en voeding hebben
genoten en meer dan 15 kilometer moeten afleggen, worden — on-
verminderd het daggeld, hun door den burgemeester der gemeente
verstrekt — door den provinciale-adjudant van een reiswijzer,
zoo noodig, van vervoerbewijzen en van daggeld voorzien. Dit
daggeld bedraagt: a. over de dagen vóór de aankomst bij het
korps 7 5 ets.; h. voor den dag van aankomst bij het korps
50 ets. (a. v., § 3).
§ 792. De extraeten uit den staat, model n°. 19, vermeld
in § 75 2, behooren door de provinciale-adjudanten niet aan de
geleiders van de ingelijfde miliciens te worden medegegeven, maar
moeten, behoorlijk bataljons- of compagniesgewijze gesorteerd en
afgescheiden, rechtstreeks aan de hoofdadministratie van het
daarbij betrokken korps opgezonden worden.
Zoodanige regeling is noodig, omdat het medenemen van de
bedoelde stukken, die bij de hoofdadministratiën voor de inschrij-
ving van het stamboek moeten dienen en daarbij vervolgens wor-
den opgelegd, voor de geleiders ongelegenheid oplevert, en die
stukken, daar toch de geleiders van lijsten van de manschappen
voorzien worden, bij de onderdeelen van de korpsen eigenlijk
van geen nut zijn. (M. A. 27 April 1864, n°. 5P).
§ 793. Aan de miliciens, die na de inlijving dadelijk tot
nadere oproeping met verlof naar hunne woonplaatsen (47) worden
(47) Door woonplaats wordt hier verstaan de gemeente, waarin de mili*
clous binnenslands gevestigd zijn. (/•\'. A. IL, ml art. 24, § ]fi)u
-ocr page 313-
XXX. Ontheffing van den icerkelijken dienst.           299
teruggezonden, en overeenkomstig het bepaalde bij de 2de zin-
snede van § 791 een afstand van respectievelijk meer dan 30 of
15 kilometer hebben af te leggen, wordt, door de zorg van den
provinciale-adjudant, bij het uitreiken der verlofpassen, een dag-
geld van 50 ets. zonder meer verstrekt, terwijl zij tevens, zoo
noodig, door hem van vervoerbewijzen worden voorzien.
Kan een milicien, als in de vorige zinsnede bedoeld, op den
dag der inlijving zijne woonplaats niet bereiken, dan wordt hem
voor dien dag een daggeld van 75 cent zonder meer verstrekt.
Voor den volgenden dag heeft hij alléén dan recht op het dag-
geld, in de vorige zinsnede bedoeld, en op vervoer voor Rijks
rekening, wanneer do op dien dag af te leggen afstand de 30
kilometer te boven gaat. Ken zoodanig milicien wordt, zoo noo-
dig en mogelijk, op den dag van de inlijving op reis gezonden,
zoodat de afstand op den volgenden dag af te leggen, niet
grooter zij dan noodig is, en de milicien dus zco vroegtijdig
mogelijk zijne woonplaats kunne bereiken. (F. R. A., ad art.
29, § 4).
§ 794. Tot het doen der betalingen, bij de §§ 791 en 793
bedoeld, wordt zoo noodig door een der korpsen van het leger
aan den provinciale-adjudant een voorschot verstrekt.
Van het betaalde wordt een staat opgemaakt, met de noodige
wijzigingen ingericht als die van de betaalde soldij met daggeld
op aanwijzing der plaatselijke en garnizoenscommandanten, model
no. 31. Waar dit te pas komt, wordt in de laatste kolom van
den staat en na de omschrijving der reis op de vervoerbewijzen
vermeld: «Heeft ia de plaats voor de aflevering bestemd, (jeune
huisvesting en voeding genoten."
Na afloop der inlijving wordt het betaalde — tegen overneming
van den hiervorenbedoelden staat, en onder verrekening der in
voorschot ontvangen gelden — door het korps, dat het voor-
schot verstrekt heeft, aan het Rijk in rekening gebracht, (a. e., § 5).
C. Van de ontheffing van den werkelijken dienst.
§ 795. Aan de geestelijken en bedienaren van den godsdienst
bij de erkende kerkgenootschappen en aan de studenten in de
godgeleerdheid, die daartoe aan erkende inrichtingen van onder-
wijs worden opgeleid, wordt door den Koning, op hunne anrv
-ocr page 314-
300          XXX. Ontheffing van dat werkelyken tliemt.
vrage (48) telkens voor een jaar, ontheffing van den werkelijken
dienst verleend. ("49)
Ook in andere bijzondere gevallen kan door den Koning aan
de overige bij de militie ingelijfden ontheffing van den werke-
lijken dienst worden toegekend. Van deze ontheffing wordt telkens
mededeeling gedaan in de Staatscourant, met opgave van de
redenen, die daartoe geleid hebben.
Wordt de ontheffing niet opnieuw verleend en heeft de inge-
lijfde nog niet, krachtens art. 122 der wet (§ 803) zijnen eerste-
oefeningstijd volbracht, dan is hij daartoe alsnog verplicht.
Indien, krachtens art. 51 der Wet, tengevolge der ontheffing,
een broeder van dengene, aan wieu zij verleend was, bij de
militie was ingelijfd, dan wordt die broeder uit de militie ont-
slagen, zoodra de ontheffing niet wordt vernieuwd. {Militieicet,
art.
127, B. U., Aanh. 1). Is die broeder nog niet ingelijfd,
doch is hem bij de loting een nummer ten deel gevallen dat
tot dienst verplicht, dan is zijne oproeping ter aflevering en
inlijving noodig. De C. d. K. kan, alvorens het tijdstip te be-
palen waarop de loteling ter inlijving moet opkomen, den M. v.
O. verzoeken, den provinciale-adjudant te machtigen, aan den
loteling dadelijk na inlijving en voorlezing van de krijgswetten
een verlof van zes weken te verleeuen. Gedurende dien verloftijd
kan door den Commissaris der Koningin het noodige worden
verricht, ter bevordering van des lotelings ontslag. (M v. B. Z.
9 Juli 1889, n°. 943 M).
§ 796- De geestelijken en bedienaren van den godsdienst en
de studenten in de godgeleerdheid, welke ter inlijving bij de
militie zijn bestemd, doch die door den Koning van den werke-
lijken dienst zijn ontheven, worden niet ter aflevering aan de
(48)  Betrekkelijk de aanvrage en de overige voor de ontheffing gevor-
derde stukken raadplege men de artt. 08—73 van het K. B. dd. 8 Mei
1862, Sl.H. »". 46 (li. V., Aanh. 42), en de K. B. van 29 Maart 1872,
Stil. «o.20 (». U., Aanh 83) en van 10 Juni 1892, StM. »°. 137 (E.
JU.
442). Ook de aanschrijvingen van den Minister van Binnenlandsche
Zaken van 11 Maart 1891, n°. 279, en van 11 Maart 1892, n°. 349JZ,
hebben op bedoelde aanvragen en stukken betrekking.
(49)   Studenten aan een gymnasium, zij \'t ook met liet doel om zich later
aan de studie der godgeleerdheid te wijden, kunnen in de hierbedoelde onthef-
fing van den werkelijkeu dienst niet deelen (il/, v. li. Z. 8 April 1881, «", 460).
-ocr page 315-
XXX. OtttJteffiug van (Jeu werkelijke» dienst.           301
militaire autoriteit opgeroepen, noeh naar de plaats der aflevering
overgebraeht. (*)
Hunne inlijving geseliiedt eenvoudig op overgifte van uittrek-
sels uit den staat model n°. 19, vermeld in § 75 2. (K. B. 8
Mei 1862, SIM. n\\ 46, art. 74, B. U., Aanh. 42).
§ 797. Miliciens die, krachtens het bepaalde bij art. 127
der militiewet, voor eenen bepaalden tijd van den werkelijken
dienst ontheven zijn en binnen éene maand na het verstrijken
van den termijn, voor welken de ontheffing is verleend, daarin
niet zijn gehandhaafd, worden door tusschenkomst van den
Commissaris der Koningin in de provincie, waaruit zij herkom-
stig zijn, tegen eenen bepaalden datum onder de wapenen ge-
roepen, ten einde alsnog den eerste-oefeningstijd te volbrengen
zooals deze bepaald werd voor de lichting, waartoe zij behooren.
(Voorsclir M. B. 19 September 1892, n". 36, art. 17, 11. M. 574).
§ 798. /iju de manschappen in de voorgaande § bedoeld,
binnen drie dagen na den tijd voor hunne opkomst vastgesteld,
niet bij het korps aangekomen, dan wordt daarvan door den
commandeerende-olficier van het korps rechtstreeks aan het De-
parteraent van Oorlog rapport gedaan, (a. v., art. 43).
§ 799. De ingolijfden bij de militie, die door den Koning
van den werkelijken dienst zijn ontheven, (50) zijn gedurende
den tijd, voor welken de ontheffing is verleend, niet onderworpen
aan het jaarlijksch onderzoek voor de verlofgangers der militie
te land, bedoeld in § 940. (K. B. 8 Mei 1862, St.il. n°. 46,
art. 83, B. U., Aanh 42).
§ 800. Aan eenen militieplichtige, die gedurende zijnen ge-
heelen diensttijd van den werkelijken dienst ontheven is geweest,
kan bij zijn ontslag geeu certificaat van goed gedrag afgegeven
worden.
Daarvan zal echter in het stamboek geen bijzondere aanteekening
behoeven te geschieden, vermits het onthouden van het certificaat
(*) Te hunnen aanzien kan alzoo de in § 784 bedoelde voorlezing van
de krygswettcn niet plaats hebben.
(50) Bovenbedoelde ingelyfden maken eene bijzondere categorie uit, zeer
onderscheiden van de verlofgangers; in de wet komt geene bepaling voor,
die hen aan dezelfde verplichtingen onderwerpt als voor de verlofgangers zijn
voorgeschreven. (M. v. B. Z. 31 Oct. 1804, n°. 235).
-ocr page 316-
302           XXX. Ontheffing van den teer keiijken dienst.
vanzelf volgt uit de nopens zijn ontslag te doene omschrijving:
z/üen......met paspoort wegens geëindigden militiediensttijd.
Heeft nimmer werkelijken dienst verricht."
(31. A. 25 JSfov. 1861, n°. 525, 1°. en 5°., B. IJ. 256 en
Voorschr. M. B.
6 Juli 1883, n\\ 27, § 93, B. U. 747).
§ 801. Bij wijze van proef\' is in 1886 een maatregel toege-
past, waardoor de onthefling van den werkelijken dienst, bij
art. 127, al. 1 der militiewet bedoeld, ook kan worden genoten
door degenen, die zich voor het leeraarsambt bij een erkend
kerkgenootschap voorbereiden, ook dan, wanneer zij het bij art.
69 van het K. B. dd. 8 Mei 1862, St.bl. n°. 46, bedoelde
bewijs nog niet kunnen overleggen op het tijdstip hunner inlij-
ving; daartoe wordt hun tijdelijk verlof verleend.
Zij die voor het bedoelde tijdelijk verlof in aanmerking wen-
schen te komen, moeten zich daartoe bij gezegeld verzoekschrift
tot den Minister van Oorlog wenden, met overlegging, hetzij van
eene verklaring van den rector van een gymnasium met zesjarigen
cursus, waaruit blijkt dat de aanvrager leerling is der zesde
klasse en zich voorbereidt voor het eindexamen ter verkrijging
van een getuigschrift van bekwaamheid voor de studie aan eene
universiteit in de faculteit der godgeleerdheid, hetzij van zoo-
danige andere stukken, waaruit op voor genoemden minister aan-
nemelijke gronden kan worden afgeleid, dat de belanghebbende
nog in dat jaar zal kunnen overleggen het bewijs, bedoeld bij
de artt. 69 en 70 van het K. B. dd. 8 Mei 1862. (St.bl. n°. 46).
Het verlof wordt verleend uiterlijk tot 1 December van het
jaar der inlijving. Heeft de belanghebbende op dat tijdstip de
bedoelde ontheffing niet verkregen, dan moet hij zich onmiddel-
lijk vervoegen bij het korps, waarbij hij is ingelijfd, terwijl de
dienstplichtige aan wien bedoeld verlof is toegestaan, en die om
welke reden ook, hetzij tijdens dat verlof, hetzij na liet verstrij-
ken daarvan, in een toestand komt te verkeeren, waarvan zijne
indienststelling het gevolg is, zijnen cerste-oefeningstijd geheel
volbrengen en dus zijnen verloftijd inhalen moet.
Het verlof stelt in geen geval vrij van het in persoon voldoen
aan de oproeping, bedoeld in art. 111, al. 2, der militiewet.
Vorcnomschreven maatregel is tot wederopzegging bestendigd.
(M. A. 26 Oct. 1887, n\\ 41).
-ocr page 317-
XXX. Eersff-oefeninp.                            303
1). V a n (I o n eerst e-o e f e n i n g s t ij d.
I. Van de behandeling bij de korpsen van de ingeüjfdtn bij
de militie te land, die dadelijk na hunne inlijving tot
eerde-oefening in werkelijken dienst worden gesteld.
§ 802. De bij de militie te land ingelijfden dienen te
gelijk met, en op dezelfde wijze als de vrijwilligers bij het leger.
De lotelingen en de vrijwilligers bij de militie te land mogen
echter niet dan met hunne toestemming naar de koloniën en
bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen gezonden worden.
(Militiewet, art. 121, B. U., Aanh. 1).
§ 803. De bij de militie te land ingelijfden worden tot
eerste-oefening
gedurende het geheele eerste jaar van hunnen
diensttijd onder de wapenen gehouden, tenzij de Koning zulks
niet noodig acht. (fVet a. v., art. 122). (51) (52)
§ 804. Zij, die niet op den bestemden tijd onder de wape-
nen zijn gekomen of niet voortdurend aan de oefeningen hebben
(51)  De Inspecteurs der wapens, de Divisie-Commandanten, de Comman-
danten der Vestiug- en der Bereden-Artillerie, alsmede de commandeercnde-
officieren der korpsen welke gedeeltelijk uit militie zijn samengesteld, zijn
bevoegd aan miliciens in werkelijken dienst, op een daartoe strekkend ver-
zoek, om redenen ter beoordeeling van de autoriteit die het verlof verleent
en met inachtneming van de eischen en de belangen van den dienst binncn-
landsch verlof toe te staan, voor den duur van ten hoogste vier maanden.
(K. B. 26 Oet. 1891, n". 35, B. U. 1246).
De Inspecteurs der wapens zenden op den 15den der eerste maand van elk
kwartaal aan het Departement van Oorlog, eene nominatieve opgave in, van
de, bij het Wapen onder hun bevel, in de afgeloopen drie maanden, krach-
tens vorenstaand besluit, verleende verloven aan miliciens in werkelijken dienst.
Daarbij moeten worden vermeld:
1°. de autoriteit door wie het verlof is verleend;
2°. de duur van het verlof;
3°. de redenen waarom het verlof is verleend.
Met betrekking tot het gesteld sub 3°. wordt opgemerkt dat, wanneer aan
miliciens, op aanvrage, verlof wordt verleend, in verband met eene aanschrij-
ving van het Departement vau Oorlog, kan worden volstaan met de ver-
melding dier aanschrijving. [M. B. 6 Nov. 1891, »°. 33, B. V. 1246).
(52)   De aanvragen om verlof, ingediend door of voor officieren, burger»
lijke ambtenaren en militairen beneden den rang van officier — milicieus-
verlofgangers daaronder begrepen —, zijn niet nan het recht van zegel
onderworpen. (il. A.. 4 Mei 1892, »°. 53, R. M. 149).
-ocr page 318-
304                            XXX. JSersle-oefenittff.
deelgenomen — daaronder dus ook begrepen de detachcering bij
liet Algemeen Depot van Discipline — of achterlijk zijn gebleven
in bet aanleeren van den wapenhandel, worden zooveel langer
onder de wapenen gehouden als de commandant van het korps
noodig acht, mits de tijd, in art. 122 der wet (§ 803) bepaald,
niet worde overschreden. (K. B. 8 Md 1862, St.il. n\'. 46, art.
60, B U. AanJt. 42, en M. B. 4 Aug. 1881. n\\ 83, art.
11, B U. 639).
§ 805. De miliciens van het wapen der infanterie en die
van de korpsen der vestingartillerie worden ter plaatse, wer-
waarts zij zijn opgezonden, gekleed, uitgerust en, wat betreft die
der infanterie, eventueel met inachtneming van de groepsindee-
ling, welke tot grondslag voor de indeeling der lichting dient,
over de onderscheidene compagnieën verdeeld, ten einde daarbij
te worden geoefend.
Alleen dan, wanneer zulks wegens plaatselijke of andere om-
standigheden aan bezwaren onderhevig is, kan hiervan worden
afgeweken, echter met dien verstande, dat de manschappen, na
geoefend te zijn, steeds bij de compagnieën worden ingedeeld,
waarvoor zij aanvankelijk bestemd waren.
De bevelhebber in de militaire afdeeling geeft dienaangaande
alsdan cle noodige bevelen. (Foorsc/tr. M. B. 19 Sept. 1892,
n°. 36, art. 1, 11. M. 5 74).
\\ 806. De miliciens, bij het wapen der cavalerie ingelijfd,
worden bij de depots gekleed, uitgerust en geoefend, doch eerst
door de commandanten der korpsen, in verhouding tot de for-
matie, verdeeld over de onderscheidene veld-eskadrons, waartoe zij
ook gedurende den tijd hunner africhting bij de depots blijven
behooren. (53) (a. v., art. 2).
Niettemin worden jaarlijks, in Januari, de miliciens van de
regimenten der cavalerie, tot de derde lichting van dat wapen
behoorende — het militiekader uitgezonderd — overgeplaatst bij
de treincoinpagnieën der regimenten van de veld-artillerie, voor
zooverre zij, ter beoordeeling van den Minister van Oorlog, bij
het wapen der cavalerie kunnen worden gemist en er bij ge-
(53) Den Inspecteur der Cavalerie ia de machtiging verleend om de mili-
ciens bjj de korpsen van het wapen, voor zooveel noodig of wenschelijk, te
doen africhten bij de veldeskadrons van die korpsen. (if.A. 7 Ocl. 1893, n°. 36).
-ocr page 319-
XXX. Eerste-oefening.                            305
zegde compagnieën behoefte aan manschappen bestaat. (A". B.
4 Aucj. 1882, n\\ 33, art. 3, B. U. Aanh. 88,ffercije.ljjK. B.
15 Jan. 188C, n\\ 15, B. IJ. Aanh. 118).
In die overplaatsing worden ook begrepen de miliciens van
bedoelde lichting die zich krachtens art. 126 der militiewet
vrijwillig in werkelijken dienst bevinden. (M. A. 27 liec. 1886,
n\'. 61).
De gedeponeerde kleeding van de overgeplaatste miliciens moet
steeds zoodra mogelijk aan de daarbij betrokken regimenten der
veld-artillerie worden gezonden. De verzending moet geschieden
door tusschenkomst van de toeziende chefs over de garnizoens-
kleedingmagazijnen ter plaatse. (M. B. 14 Au//. 1882, n°. 30,
4°., B. U. Aanh. 88).
§ 807. De miliciens, bij de korpsen der bereden-artillerie, het
korps genietroepen, het korps pontonniers of het korps torpedisten
ingelijfd, worden bij aankomst bij het korps door den comman-
dant van het korps over de onderscheidene batterijen en compa-
gnieën verdeeld. (Voorschr. a. v., art. 3).
§ 808- Alvorens te worden gekleed ondergaan de miliciens bij
het korps een nauwkeurig geneeskundig onderzoek. (*) (a, v., art. 4).
§ 809. Ten aanzien van lotelingen, nummerverwisselaars en
zonder loting ingelijfden die voor den dienst ongeschikt worden
bevonden, wordt, zoo er geen vier maanden na hunne aflevering
ter inlijving verloopen zijn, eene herkeuring op grond van art.
116 der militiewet aangevraagd.
Die aanvrage geschiedt op de wijze als hierna in de §§ 823
en 824 is medegedeeld, (a. v., art. 5).
§ 810. De plaatsvervangers die bij hunne aankomst bij het
korps, of later, zoomede de lotelingen, nummerverwisselaars en
zonder loting ingelijfden die, hetzij later dan vier maanden na
hunne aflevering, hetzij na bij herkeuring voor Gedeputeerde
Staten te zijn goedgekeurd, desniettemin bij het korps voor den
dienst ongeschikt worden bevonden, worden door den korpscom-
mandant dadelijk tot ontslag uit den dienst in aanmerking ge-
bracht, (a. v., art. 6).
§ 811. De miliciens worden na hunne inlijving, om het even
of zij terstond in werkelijken dienst zijn gesteld, dan wel tot
(*) Zie de noten bij § 780.
20
-ocr page 320-
XXX. Eerste-oefeniuff.
306
nadere oproeping met verlof zijn gezonden, dadelijk op het
stamboek van liet korps ingeschreven naar het uittreksel uit
den staat, model N°. 19 (zie § 752) bij de inlijving afgegeven,
(a. v., art. 7).
§ 812. Aan de miliciens die dadelijk na hunne komst bij
het korps voor den dienst ongeschikt worden geoordeeld, wordt
slechts de hoogst noodige kleeding verstrekt, (o. v., art. 8).
§ 813. (*) Binnen 24 uren na de aankomst van de man-
schappen bij het korps worden hun de krijgsartikelen voorge-
lezen en teekenen zij de bewijzen daarvan, een en ander op de
wijze als in het reglement op den inwendigen dienst is voor-
geschreven.
Mocht een milicien weigeren het bewijs van voorlezing te
teekenen, dan wordt op dat stuk van die weigering melding
gemaakt en deze bijvoeging door twee meerderjarige getuigen
onderteekend. («. v., art. fl).
§ 814- Binnen acht dagen na de aankomst van de miliciens
bij de korpsen wordt onderzocht en aangeteekend, wie van hen
kunnen lezen en schrijven, of alleen lezen, en wie niet.
Bij het onderzoek, dat plaats heeft bij de compagnieën, eska-
drons en batterijen, door een van de officieren, mag niet op de
bloote verklaring van den man worden afgegaan, doch moet
deze van zijne kennis van lezen of schrijven doen blijken.
De geleverde proeven in het schrijven, waarbij behoort gevoegd
te worden eene noininatieve opgave van de miliciens, die ver-
klaarden niet te kunnen schrijven of lezen, moeten gedurende
drie maanden bewaard blijven. (a. v., art. 10).
§ 815. Jaarlijks wordt onder dagtcekening van 31 December
door de commandeerende-officiereu der korpsen rechtstreeks aan
het Departement van Oorlog mcdedceling gedaan van den uitslag
van het onderzoek, in de vorige § bedoeld, ten aanzien van al
de in den loop van het jaar in wcrkelijken dienst gestelde
ingelijfden der militie, daaronder dus ook begrepen de in dienst
gestelde ingelijfden die inmiddels uit den dienst ontslagen zijn.
De mededeeling geschiedt door middel van eenen numerieken
staat, volgens het daarvoor aangegeven model litt. d. In dien
(*) Zie ook hiervoien de noten op §J Hl en 784.
-ocr page 321-
XXX. Eerde-oefening.                            307
staat worden voor elke provineie de gemeenten (54), waar de mi-
lioiens, volgens hunne verklaring, de schooljaren of het grootste
gedeelte dier jaren hebben doorgebracht, vermeld in de volg-
orde van de alphabetische lijst der gemeenten van de inkwar-
tieringstafelen.
Voor elk van de drie categorieën van ingelijfden — lotelin-
gen, nummervervvisselaars en plaatsvervangers — worden daarin
de opgaven afzonderlijk verstrekt, (a. v., art. 41).
§ 816- Jaarlijks worden bij elk der acht regimenten infanterie
van het daarbij ingelijfd contingent een aantal miliciens bestemd
om, na gedurende eenige weken in de eerste beginselen van de
dienstreglementen te zijn geoefend, bij de compagnieën hospitaal-
soldaten over te gaan.
Hun aantal bedraagt 23 voor het 4de, 22 voor het 7d8 regiment
Infanterie en 15 voor elk van de overige bedoelde regimenten.
In het belang van den dienst is het wenschelijk, dat, van
de daartoe geschikte manschappen, tot eene overplaatsing bij
den hospitaaldienst in de eerste plaats worden in aanmerking
gebracht zij die genegen zijn, bij de compagnieën hospitaalsol-
daten over te gaan. (55) [M. A. 28 Mei 1881, n\\ 1 en 13
Juli 1881, n°. 19 en K. B. 30 Juni 1881, n°. 99].
II. Van de oproeping onder de wapenen tot eerde-oefening
van miliciens, die niet dadelijk bij hunne inlijving in
werkelijken dienst zijn gesteld,
§ 817. De bevelhebbers in de militaire afdeelingen outvan-
gen van het Departement van Oorlog opgave van den dag, waar-
op de tot opkomst in werkelijken dienst verplichte miliciens, die
bij de inlijving tot nadere oproeping met verlof zijn gezonden,
zich bij hun korps moeten bevinden.
Bedoelde bevelhebbers brengen zulks ter kennis van de com-
(54)   De in art. VII van de »Additioneele Artikelen» der herziene Grond-
wet aangenomen spelling van de namen der gemeenten des Rijks moet als
de officieele beschouwd en derhalve gevolgd worden. (M. A. 20 Jan. 1888,
n". 95).
(55)  Een «Voorschrift, strekkende tot leidraad lij het te genen onder•
richt aan de manschappen, die bij de militaire hospitalen voor d;n dienst
van hospitaalsoldaat worden opgeleid/
is vastgesteld bij M. B. 5 Mei 1886 ,
»°. 84, B. U. 910).
-ocr page 322-
XXX. Ongeschiktheid binnen
308
mandanten der korpsen, waarbij de miliciens moeten opkomen,
voor zoover de staven dier korpsen in hunne militaire afdeeling
gevestigd zijn. (Voorschr. M. B. 19 September 1892, n°. 36,
art. 11, M. M. 5 74).
§ 818. De commandanten der korpsen doen van al de op
te roepen miliciens nominatieve staten opmaken, in dubbel en
voor elke provincie afzonderlijk, met aanduiding tevens van de
standplaats, waarheen de manschappen moeten worden gezonden.
Zij zenden zoo spoedig mogelijk, in gewone omstandigheden
binnen tien dagen nadat de oproeping te hunner kennis is ge-
komen, één van die staten aan den bevelhebber in de militaire
afdeeling en den anderen aan den Commissaris der Koningin in
de provincie, waaruit de miliciens herkomstig zijn. Bij eene
oproeping evenwel als in § 990 bedoeld, blijft het opmaken
dezer staten achterwege, (a. v., art. 12).
§ 819. Al hetgeen hierna in de §§ 967—972, 977—981 en
983—987 is medegedeeld ten aanzien van de miliciens-verlof-
gangers, die krachtens art. 125 der militiewet zijn opgeroepen
om opnieuw in den wapenhandel te worden geoefend, is ook
toepasselijk op de in wcrkelijken dienst geroepen miliciens, die
bij de inlijving tot nadere oproeping met verlof zijn gezonden.
E. Behandeling van lotelingen, die linnen vier maanden na
hunne inlijving Wijken voor den dienst ongeschikt te zijn.
§ 820. Wanneer een loteling binnen vier maanden na zijne
aflevering blijkt voor den dienst ongeschikt te zijn, wordt zijne
herkeuring bij Gedeputeerde Staten der provincie, voor welke
hij heeft geloot, aangevraagd.
Binnen veertien dagen na die aanvraag doen Gedeputeerde
Staten den loteling voor zich verschijnen en, is de herkeuring
aangevraagd wegens ziekelijke gesteldheid of gebreken, door
geneeskundigen onderzoeken. (\'*)
Daarbij geldt hetgeen in de laatste twee zinsneden van art.
71 der militiewet is bepaald.
Van deze uitspraak van Gedeputeerde Staten is geen beroep
toegelaten. (Militiewet, art. 116, B. U., Aanh. 1).
(*) Zie de neten bij § 780.
-ocr page 323-
vier maanden na de inlijving.                        309
§ 821. De milicien?, die binnen vier maanden na hunne
inlijving behept bevonden worden met gebreken, welke moeielijk
zijn waar te nemen of die moeten worden geconstateerd, moeten
opgenomen\' of overgebracht worden in de militaire ziekeniurichting
in de hoofdplaats der provincie, waar zij het onderzoek, bedoeld
bij art. 116 der militiewet {zie de vorige §), moeten ondergaan.
Bij uitzondering op dien regel, moeten miliciens als boven-
bedoeld, uit de provinciën Zeeland, Drenthe en Overijssel, respec-
tievelijk in de ziekeninrichtingen te Vlissingen, Groningen en
Kampen worden behandeld. (M. B. 24 Fel). 1866, n°. 9P, B. U.,
Aan//.
80).
§ 822. Ten aanzien van lotelingen, nummerverwisselaars en
zonder loting ingelijfden, die voor den dienst ongeschikt worden
bevonden, wordt, zoo er geen vier maanden na hunne aflevering
ter inlijving zijn verloopen, eene herkeuring op grond van art.
116 der militiewet (zie § 820) aangevraagd.
Die aanvraag geschiedt op de wijze, als in de §§ 823 en 824
is aangegeven. (Foorschr. M. B. 29 Sept. 1892, n°. 3S, art. 5,
R. M. 5 74).
§ 823. Ten aanzien van lotelingen, die, dadelijk bij hunne
aflevering, uithoofde van in het oog loopende lichaamsgebreken
of gemis van de gevorderde lengte (zie § 782), voor den dienst
ongeschikt zijn geoordeeld, en van de zoodanigen, die, na in-
lijving, in de hoofdplaats der provincie ter beproeving in eene
militaire ziekeniurichting opgenomen, binnen vier maanden na
hunne aflevering voor den dienst ongeschikt blijken te zijn,
wordt door den provinciale-adjudant herkeuring bij Gedeputeerde
Staten der provincie aangevraagd.
Voor zooveel het lotelingen betreft, die naar de korpsen zijn
opgezonden, bij welke zij zijn ingelijfd, en die binnen vier
maanden na hunne aflevering blijken voor den dienst ongeschikt
te wezen, wordt daarvan, met opgave der gebreken, door den
korpscommandant onverwijld aan den provinciale-adjudant in het
gewest, waarvoor de milicien geloot heeft, kennis gegeven, die
daarop terstond diens herkeuring bij Gedeputeerde Staten aanvraagt.
Tot lotelingen worden in dit opzicht ook gerekend de num-
mervenvisselaars en de militieplichtigen, die krachtens art. 163
der militiewet, zonder loting voor den dienst zijn aangewezen.
(M. B. 7 Juni 1862, n\\ 56B, B. U., Aanh. 42).
-ocr page 324-
310                       XXX. Ongeschiktheid tinnen
5 824- üe aanvrage om herkeuring van een milicien, op
wien art. 116 der mililiewet van toepassing is (zie § 820),
geschiedt steeds door den provinciale-adjudant, onder overleg-
ging van de geneeskundige verklaring, op grond waarvan de
herkeuring wordt gevraagd.
In die aanvrage moeten worden vermeld de naam en de voor-
namen van dengene, wien de herkeuring geldt, zoomede de
gemeente, waarvoor hij bij de militie is ingelijfd, en, betreft
zij eenen loteling, het nummer, dat hem bij de loting is ten
deel gevallen.
Te dien einde moeten de provinciale-adjudanten de noodige
aanteekeningen houden uit de extract-staten, model N°. 19,
betredende de miliciens, bedoeld in de eerste zinsnede van
§ 823, wordende alsdan door den chef van den militairen ge-
neeskundigen dienst bij het garnizoen de geneeskundige verkla-
ring toegezonden aan den provinciale-adjudant.
Voor do miliciens, bedoeld in de tweede zinsnede van § 823
— waaronder ook gerekend moeten worden te behooren degenen,
die, naar de korpsen opgezonden bij welke zij zijn ingelijfd,
ingevolge de dispositie van 24 Februari 1866, N°. 9 1\' (zie § 821),
naar eene der daarbij bedoelde ziekeninrichtingen zijn overge-
bracht — moeten de vereischte opgaven in de kennisgeving be-
treli\'endc de aanvrage om herkeuring aan den provincialc-adju-
dant worden verstrekt. J5ij die kennisgeving wordt tevens gevoegd
de geneeskundige verklaring, welke in dit geval door den chef
van den militairen geneeskundigen dienst bij het garnizoen moet
worden toegezonden aan den commandcercndeii officier van het
korps, waartoe de milicien behoort. (M. B. 31 Aug. 1876, n°. 7 L-P,
B. U., Aanli. 85),
§ 825. Indien de loteling, in \\ 820 bedoeld, door Gedepu-
teerde Staten wordt afgekeurd, wordt hij uit den dienst ontsla-
gen. (Wet a. v., art. 117, eerste lid).
§ 826. De manschappen die bij de hervisitatie worden afgekeurd
worden, uitgezonderd het geval in § 827 voorzien, niet naar
de korpsen teruggezonden, maar onmiddellijk aan den provin-
ciale-adjudant overgegeven, die hen naar hunne haardsteden
doet vertrekken en zorg draagt dat zij bij hun korps uit den
dienst worden ontslagen.
Dit ontslag zal eenvoudig bestaan in de afvoering van den
-ocr page 325-
rirr maanden na de inlijving.                       311
betrokken persoou in liet stamboek, met aauteekeniug dat zulks
is geschied, op grond d;it hij, bij herkeuring voor Gedeputeerde
Staten, ingevolge art. 116 der wet van 19 Augustus 1861,
(Staatsblad N\'. 72) voor den dienst is afgekeurd. (M. B. 7 Juni
1862, n\\ 565, B. U., Aanh. 42).
§ 827. Wordt een milicien krachtens art. 117 der militie-
wet afgekeurd ter zake van lichaamsgebreken, waaruit blijkt dat
zij door den dienst zijn ontstaan, dan zal hij, op grond van
art. 254 der wet van 28 Augustus 1851 (Staatsblad n°. 129),
tot pensioen worden voorgedragen, onder overlegging van een
afschrift der geneeskundige verklaring, welke tot de aanvrage
om herkeuring heeft gediend.
De bedoelde milicien zal dan, met afwijking in zooverre van
het voorbeschrevene bij de dispositie van 7 Juni 1862, i;°. 56B
ad art. 117 der militiewei [zie § 826), niet eer uit den dienst
worden ontslagen, dan nadat op de hem betreffende voordracht
tot pensioen is beschikt. (M. B. 31 Amj. 1S76, n°. HF,
B. U., Aanh.
85).
f 828. De plaatsvervangers, die bij hunne aankomst bij het
korps of later, zoomede de lotelingen, nummer ver wisselaars en
zonder loting ingelijl\'den, die, hetzij later dan vier maanden na
hunne aflevering, hetzij na bij herkeuring voor Gedeputeerde
Staten te zijn goedgekeurd, desniettemin bij het korps voor den
dienst ongeschikt worden bevonden, worden door den korps-
commandant dadelijk tot ontslag uit den dienst voorgedragen.
(Voorzch: M. B. 19 Sept. 1892, n°. 36, art. 6, R. M. 574).
F. Van het blijvend gedeelte.
§ 829. Behalve de lichting, die voor het eerst dient, kan
steeds een zevende van het geheele bedrag der vijf (*) lichtingen
van de militie te land onder de wapenen worden gehouden of
geroepen.
Dat zevende wordt samengesteld uit de manschappen:
1°. die krachtens art. 165 der militiewct zonder loting zijn
ingelijfd en hun eerste dienstjaar hebben volbracht;
2°. die krachtens de artt. 171 en 173 dier wet zijn in dienst
(*) Tot 1 Mei 1895: der jongste vijf.
-ocr page 326-
XXX. Blijvend gedeelte.
312
gesteld cu hun eerste dienstjaar hebben volbracht, voor zooverre
omtrent hen is beslist, dat zij gedurende twee of vijfjaren onder
de wapenen zullen worden gehouden;
3°. die krachtens art. 177 van evengeuoerade wet in dienst zijn
gesteld en hun eerste dienstjaar hebben volbracht;
4°. die, na hun eerste dienstjaar te hebben volbracht, verlan-
gen onder de wapenen te blijven of te worden geroepen. (Mili-
tieicet, art.
123, B. U., Aauh. \\).
\\ 830- Is het in de vorige § bedoelde zevende deel niet op
de daar bepaalde wijze voltallig te maken, dan wordt het in de
hieronder volgende orde aangevuld :
1°. door de niet voor hunne broeders opgetreden plaatsver-
vangers, die hun eerste dienstjaar hebben volbracht;
2°. door de overige manschappen, die hun eerste dienstjaar
hebben volbracht;
3°. door de niet voor hunne broeders opgetreden plaatsver-
vangers, die hun tweede dienstjaar hebben volbracht;
4°. door de overige manschappen, die hun tweede dienstjaar
hebben volbracht.
Is slechts een deel van eene van deze soorten van manschap-
pen ter aanvulling noodig, dan wordt dat deel aangewezen door
loting, op de door den Koning te bepalen wijze te houden.
(a. v., art. 124).
§ 831. De loting, vermeld in art. 124 der wet (§ 830)
heeft elk jaar plaats:
bij de korpsen, waarbij de manschappen in het algemeen
dadelijk tot de eerste oefening in werkelijken dienst zijn gesteld,
tusschen den I5dwl en den 208""1 Juli;
bij de korpsen, waarbij die indienststelling later is geschied,
twee maanden na het tijdstip, waarop de opkomst onder de
wapenen was bepaald.
Klke van de in art. 124 der wet vermelde klassen loot afzon-
derlijk. {K. B. 8 Mei 1862, St.bl. n\'. 46, art. 61, B. U.,
Aanh.
42).
§ 832. De loting geschiedt:
bij de infanterie voor elk bataljon afzonderlijk; bij de vesting-
artillerie voor elke compagnie afzonderlijk;
bij de overige korpsen voor het geheele korps.
Zij wordt in het openbaar gehouden ten overstaan van den
-ocr page 327-
XXX. Blijvend rjedvelte.                           313
commandant van hot korps, ot\' dien van het onderdeel waar-
voor wordt geloot, in tegenwoordigheid van de daartoe door
hem aan te wijzen officieren. («. v., art. 62).
§ 833. Van al de manschappen, die aan de loting behooren
deel te nemen, wordt, voor elke klasse afzonderlijk, eene lotings-
lijst opgemaakt, ingericht overeenkomstig een bepaald model.
De uitslag van de loting wordt op de lijst vermeld. (a. v., art. 63).
§ 834. De loting geschiedt door middel van even zooveel
lotingsbiljetten als het getal manschappen, in de loting begrepen,
bedraagt.
Elk biljet vermeldt in duidelijke cijfers en in letters een num-
mer, te beginnen met N°. 1 en eindigende met het laatste num-
mer van het getal manschappen, dat voor elke klasse moet loten.
De biljetten worden geparafeerd door den commandant, ten
overstaan van wien de loting geschiedt.
De commandant doet elk biljet oprollen en, op eenvormige
wijze, in een koker of ring bevestigen; vervolgens doet hij de
biljetten, na ze te hebben doen voortellen, in een daartoe ge-
schikt voorwerp, schudt ze door elkander en herhaalt dit zoo
dikwerf hij het noodig acht.
Het voorwerp, waaruit de trekking geschiedt, is geplaatst in
het midden van eene tafel, zoo hoog dat het voor de omstan-
ders zichtbaar is. De commandant plaatst zich aan de tafel recht
tegenover en op den kortsten afstand van het voorwerp. Hij ziet
nauwkeurig toe, dat daaruit door eiken man slechts een lotings-
biljet worde genomen, (a. v., art. 64).
§ 835. De commandant doet elk van de manschappen af-
roepen om te loten, naar de volgorde, waarin zij op de lotings-
lijst voorkomen.
Elke man trekt zelf zijn nummer.
Voor hem, die niet tegenwoordig is, wordt het nummer door
den commandant getrokken.
Nadat elk nummer overluid is voorgelezen, wordt het lotings-
biljet aan hem, die het trok, teruggegeven.
Trekt de commandant een nummer voor eenen afwezige, dan
wordt op de buitenzijde van het lotingsbiljet de naam van hem,
voor wien het getrokken is, vermeld en deze vermelding door
den commandant geparafeerd. Hij doet het biljet aan hem, voor
wien het getrokken is, ter hand stellen, (a. v., art. 05).
-ocr page 328-
XXX. BlijrenA gedeelte*
314
§ 836. Du aanwijzing voor bet onder de wapenen te houden
ot\' te roepen gedeelte geschiedt naar volgorde van de getrokken
nummers, te beginnen met het laagste. («. »., art. 66).
§ 837. Het is aan de manschappen vergund, onderling van
nummers te verwisselen, mits zij, wat de infanterie betreft, tot
hetzelfde bataljon en wat de vesting-artillerie betreft, tot dezelfde
compagnie behooren.
Binnen eene maand na den dag, waarop de loting plaats had,
geven zij van die nummerverwisseling kennis aan den comman-
dant van het korps waarvoor is geloot. De commandant van het
korps kan de nummerverwisseling ook later toestaan.
Van de nummerverwisseling wordt op de lotingslijst aantee-
kening gedaan. (a. v., art,. 6 7).
De commandeerendc officieren der korpsen zijn gemachtigd om
de nummerverwisseling, in de eerste zinsnede dezer § bedoeld,
toe te staan ook na het tijdstip, in art. 67 van het K. B. van
8 Mei 1862, St.bl. n . 46, vermeld, voor zooveel die ruiling
van nummers naar hunne meening met de belangen van den dienst
is overeen te brengen. (M. B. 27 Non. 18 84, u\\ 33, B. U.
Aan//.
117).
§ 838. Voor de nummerverwisseling in de vorige paragraaf
bedoeld behoort de minderjarige milicien, die van de bevoegd-
heid tot het onverplicht onder de wapenen komen of blijven,
gebruik weiischt te maken, over te leggen een bewijs van toe-
stemming van vader, voogd of moeder-voogdes. (M. A. 30 Nov.
1881, h\\ 89, B. U„ Aanh. 87).
§ 839. Moeten verlofgangcrs worden opgeroepen om, krach*
tens de artt. 123 en 124\'der wet (§§ 829 en 830) het één
zevende van liet geheele bedrag der militie te land, dat steeds
onder de wapens kan wezen, aan te vullen, dan is op hen toe-
passelijk al hetgeen hierna in de §§ 962, 964—973 en 977—
987 is medegedeeld ten aanzien van de miliciens-verlofgangers,
die krachtens art. 125 der militiewet zijn opgeroepen om opnieuw
in den wapenhandel te worden geoefend, met dien verstande
evenwel dat bij bedoelde oproeping van verlofgangers tot aanvul-
ling van het blijvend gedeelte steeds moet worden in acht geno-
mcu, dat het bepaalde getal worde opgeroepen naar volgorde van
de klassen, bij art. 124 der wet aangewezen, en van de num-
mers, vroeger door hen bij de loting voor het blijvend gedeelte
-ocr page 329-
XXX. frijidllifi verblijf onder de wapenen.          815
getrokken. (Voorse.h. M. B. 19 Sept. 1803, «°. 36, artl. 27
en 3-i, R. M. 574).
G. F«« het vrijwillig onder de wapenen komen of olijven,
§ 840. Aan de bij de militie te land ingelijfden, die verlangen
na volbrachten oefeningstijd minstens voor zes maanden onder de
wapenen te blijven of te komen, zonder zich als vrijwilliger te
verbinden, wordt zulks vergund. (Militiewet, art. 126, B. U.,
Aanli.
1).
§ 841- Er bestaat geen bedenking tegen, dat aan miliciens,
die na krachtens art. 126 der militiewet zes maanden in wer-
kelijken dienst te zijn geweest, onder de wapenen wenschen te
blijven, wordt vergund, hun verblijf onder de wapenen te ver-
lengen telkens met minstens éene maand. Echter moeten zij zich
vooraf verklaren omtrent den tijd gedurende welken zij onder
de wapenen wenschen te blijven.
Het vrijwillig onder de wapenen komen ingevolge mcerge-
noemd wetsartikel kan den milicien-verlofganger in geen geval
worden toegestaan voor minder dan zes maanden, al is hij reeds
eens of meermalen krachtens dat wetsartikel in werkelijkcn dienst
geweest. (M. A. 6 Mei 1893, n\\ 124, R, M. 357).
§ 842. Naardien het opkomen in werkelijkcn dienst van
manschappen der Nationale Militie, waartoe bij art. 126 der
militiewet vergunning is verleend, niet is in het belang van \'s Rijks
dienst,
maar alleen in dat van degenen, die daarvan gebruik
maken, kunnen, te dier zake, van Kijkswege gcene reiskosten
worden vergoed; weshalve dan ook zij, die van de voormelde
vergunning willen gebruik maken, gehouden zijn, zich op eigen
kosten
naar de standplaatsen te begeven van de korpsen, waartoe
zij behooren. (31. A. 8 Juli 1862, n°. 41 B).
§ 843. Boor den minderjarigen milicien, die van de be-
voegdheid tot het onverplicht onder de wapenen kemen of blijven,
in art. 126 der militiewet gegeven, gebruik wenscht te maken,
behoort een bewijs van toestemming van vader, voogd of\'moeder-
voogdes te worden overgelegd. (31. A. 30 Nov. 1881, »°. 89,
B. U., Aanlt. 87).
§ 844. Komt een verlofganger der militie te land overeen»
komstig art. 126 der militiewet vrijwillig onder de wapenen,
-ocr page 330-
XXX. Militiekader.
316
dan wordt door don oommandeerende-officier van liet korps van
zoodanige opkomst onmiddellijk en rechtstreeks kennis gegeven
aan den burgemeester der gemeente, welke blijkens den verlofpas
van den opgekomen milicien als diens laatste woonplaats moet
worden aangemerkt. (Foorsc/tr. M. B. 29 September 1892, «".36,
art. 45, R. M. 5 74).
H. Van Let m i 1 i t i e k a d e r.
I. Van de militie-onderofficieren en -korporaals.
§ 845. Bij alle korpsen der Landmacht, welke gedeeltelijk
uit de Nationale Militie zijn samengesteld, kunnen, boven het
getal van de als vrijwilligers dienende korporaals en sergeanten
of wachtmeesters, bij de organieke besluiten vastgesteld, per
compagnie, per eskadron en per batterij, van elke lichting drie
miliciens als korporaals en bovendien een milicien als sergeant
of als wachtmeester worden aangesteld.
De programma\'s der vereischten, waaraan de miliciens moeten
voldoen om voor eene aanstelling als korporaal en als sergeant
of als wachtmeester in aanmerking te komen, worden door den
Minister van Oorlog vastgesteld. (K. ff. 19 Aug. 1883, n". 81,
artt. 1 en 2, B. U., Aanli. 89).
Bedoelde programma\'s zijn vastgesteld bij M. A. 8 Sept. 1883,
n\\ 49 (ff. U., Aanh. 89), M. B. 12 Feb. 1887, n°. 45 (ff.
U„ Aanh. 122), M. B. 10 Feb. 1888, n°. 23 (ff. ü. 123)
en M. B. 10 Mei 1893, n°. 33, (R. M. 358).
§ 846- De ingelijfden bij de militie te land, die in aan-
merking komen om voor eenen graad te worden opgeleid, worden,
zooveel mogelijk, bij elkander gehuisvest in de kazerne en kunnen
desverkiezende, zoo daartoe maar eenigszins gelegenheid is, met
elkander, met de adspiranten-onderofficieren of met de adspiranten-
korporaals menage houden, mits zij, althans wanneer zij niet
reeds vóór hunne inlijving aan een examen tot het verkrijgen
der bedoelde voorrechten hebben voldaan, binnen eene maand
na hunne aankomst bij het korps met goed gevolg een examen
afleggen, volgens onderstaand programma: 1°. het schrijven van
eene goed leesbare hand; 2°. de kennis van de gronden der
spelling van de Xederlandsche taal, welke blijken moet uit een
-ocr page 331-
XXX. Militiekader.
317
te vervaardigen opstel; 3°. de vier hoofdbewerkingen der reken-
kunde, roet geheele getallen; 4°. de kennis van het Nederland-
sche stelsel van maten en gewichten; 5°. eenige bekendheid met
de Vaderlandsche geschiedenis; fl°. voldoende kennis der aard-
rijkskunde van Nederland.
De bepaling van de wijze, waarop het examen zal worden
gehouden, wordt aan den commandeerenden officier van het korps
overgelaten. (M. B. 30 Dec. 1884, n°. 33, B. U., Aan7i.\\\\l).
§ 847. Uit de militie wordt kader gevormd ten einde daar-
door in het leger zelf ten allen tijde dadelijk over bruikbaar
kader te kunnen beschikken, tot voorziening in mogelijk tekort
aan vrijwillig dienende korporaals en onderofficieren, en om, zoo
in het belang van het leger als in dat der schutterijen, op min
kostbare wijze geschikt personeel tot uitbreiding van de kaders te
erlangen. {K. B. a. v. Cons.).
§ 848. Het militiekader dat bij de korpsen, welke gedeeltelijk
uit de Nationale Militie zijn samengesteld, is aangesteld, zal
voor zooveel het overcompleet komt, in rang of graad worden
overgeplaatst bij het depot dier korpsen en daarbij boven de
sterkte worden gevoerd, terwijl het bij het Korps ïorpedisten
bij de compagnieën in rang of graad boven de sterkte zal worden
gevoerd. (K. B. 12 April 1886, n°. IC).
§ 849. Met de bestemming van het militiekader dient rekening
ie worden gehouden bij de eerste aanstelling tot milicien-korporaal.
§ 850. Zoodra er eene lichting van de militie tot eerste
oefening in werkelijken dienst wordt gesteld, zal bij de compa-
gnieën, eskadrons en batterijen een onderzoek worden ingesteld
naar de herkomst van de miliciens, ten einde uit hunne vroegere
maatschappelijke positie, hunne opleiding en den graad van ge-
noten onderwijs, te kunnen afleiden, wie hunner vermoedelijk
het meest geschikt zullen zijn om later in het militiekadcr te
worden opgenomen en gezag te voeren. Aan de opleiding van
deze moet al dadelijk de meeste zorg worden besteed.
Voorts zal een ieder, die met de vorming en eerste oefening
der miliciens belast is, voortgaan hen oplettend waar te nemen,
ten einde meer en meer diegenen te leeren kennen, die met
vrucht eenen graad zouden kunnen bekleeden.
§ 851. De eigenlijke regeling der opleiding voor het militie-
kader is overgelaten aan de korpscommandanten.
-ocr page 332-
318                               XXX. Militiekader.
§ 852. Men wachte zich er voor, den milicien reeds bij den
aanvang van zijnen oefeningstijd af te schrikken om zich te be-
kwamen voor eencn graad, door hem het hoofd te vermoeien
met het doen vanbuiteu leeren van de theorie der reglementen;
in den beginne worde hij uitsluitend in practischen zin onder-
wezen. Daardoor wordt de milicien allereerst bekwaam gemaakt
het bevel te voeren aan den graad verbonden en komt zijne ge-
schiktheid om als onderwijzer te kunnen optreden eerst in de
tweede plaats in aanmerking. (M. A. 8 Sept. 1883, n°. 49,
B. U. Aanh. 89).
§ 853. Miliciens mogen uiet in een\' graad worden aangesteld
dan na te hebben overgelegd een bewijs van goed gedrag, gelijk,
blijkens § 34 a, 2°., vereischt wordt voor het aangaan van eene
verbintenis als vrijwilliger.
§ 854. De miliciens-korporaals en de miliciens-sergeanten
mogen niet voor zoogenaamde speciale diensten worden bestemd,
doch moeten de gewone diensten bij het korps verrichten, (a. r.).
«S 855. De miliciens-korporaals en de miliciens-sergeanten, die
de geschiktheid bezitten, voor het bekleeden van die graden van
de vrijwilligers gevorderd, kunnen, overeenkomstig het voorge-
schrevene in art. 9 der militiewet, met behoud van hunnen
graad worden toegelaten tot eene vrijwillige verbintenis bij het
korps waartoe zij behooren, indien daarbij in dien graad vaca-
tures bestaan, welke niet kunnen worden aangevuld door bevor-
dering van vrijwiligers, die vóór hen de bewijzen van geschikt-
heid voor het bekleeden van dien graad als vrijwilliger hebben
geleverd.
Voor zooveel zij behooren tot de infanterie, de cavalerie, de
veld- of de vesting-artillerie, kunnen zij, wanneer er geen
vacature bestaat bij het regiment of het onderdeel waarbij zij
zijn ingedeeld, ook in hunnen graad bij een ander regiment of
onderdeel van hetzelfde wapen overgaan, eveneens met inacht-
neming van het bepaalde in de vorige zinsnede. (M. A. 8 Nov.
1886, n°. 31, B. U. Aanh. 121).
§ 856. De miliciens-korporaals en de miliciens-sergeanten
behouden, bij vertrek met groot-verlof, het distinctief van hun-
ncn graad en blijven in hunnen graad op de controles gevoerd.
Bij het aanleggen van de compagnies•administratieboeken moeten
de beide eerste bladen van de controles, voor de miliciens be-
-ocr page 333-
XXX. MüUkkader.                              319
Btemd, worden gebezigd tot het inschrijven van de korporaals-
miliciens, van welke de aankomende soldij enz. in de monster-
rollen bij de korporaals-vrijwilligers, doch volgende op deze,
moet worden uitgetrokken. {M.AA Oct.l&60,n°. UB, \'è°.en 5°.).
§ 857. Behoudens het bepaalde in art. 25 van het Kouink-
lijk Besluit van 19 Februari 1825, n°. 97 (B. U. 53), staat
het den commandeerenden officieren van de korpsen volkomen
vrij om miliciens-plaatsvervangers, die daarvoor geschikt worden
geoordeeld, in den onderofficiersgraad aan te stellen. Van zoo-
danige aanstelling bchooren dus, overeenkomstig het aangehaalde;
artikel van evengemeld Koninklijk Besluit, uitgezonderd te blijven
alleen de plaatsvervangers, die, vóór hun optreden als zoodanig,
in den graad van onderofficier in het leger hadden gediend.
{M. A. 23 Mei 18S4, n". 70).
II. Van de milicieiis-vestiiigteler/ra/isten en van de
miliciens-opzichters der genie.
§ 858. Bc telegraaf beambten — telegrafisten, adsistenten en
klerken — als militieplichtigen bij liet korps genietroepen in-
gedeeld, worden, wanneer zij met duidelijk loopend schrift, zon-
der zinstorende fouten, Nederlandsch kunnen schrijven, daarbij
opgeleid tot vestingtelegrafist. (A". B. 29 Web. 1884, n". 13,
art 1, B. U. Aanh. 104).
Zoodra mogelijk na hunne inlijving worden de hiergenoemde
lotelingen door den commandeerenden officier van het korps
genietroepen in de gelegenheid gesteld te doen blijken, of zij
de gevorderde bedrevenheid in het schrijven der Nederlandsche
taal bezitten. (M. B. 11 Maart 1884, n\\ 66, ad art. I,
B. U. Aanh. 104).
§ 859. Nadat de militieplichtigen in § 858 bedoeld, zijn
afgeexerceerd, leggen zij proeven af omtrent hunne bedrevenheid
in toestcldicnst. Alsdan vangt hunne speciale opleiding als adspi-
rant-vestingtelegrah\'st aan. (IC. B. a. »., art. 2).
De noodige regelen voor de wijze, waarop de hierbedoelde
proef behoort te worden afgelegd, worden door evengenoemden
commandeerenden officier vastgesteld. Deze chef maakt almede
een programma op voor de speciale opleiding van adspirant-
-ocr page 334-
320                               XXX. Militie/kader.
vestingtelegrafisten. Zij worden alleen met de sabel gewapend en
verrichten geen wachtdienst.
Aan hen wier bedrevenheid in toesteldienst bij liet eerste
onderzoek niet voldoende wordt geacht, kan nog vijf malen, tel-
kens met tusschenruimte van eene maand, de gelegenheid worden
gegeven tot het alleggen der in de eerste zinsnede dezer para-
graaf bedoelde proeven. Diegenen hunner, welke aan geen proef om-
trent bedrevenheid in toesteldienst hebben weten te voldoen, komen
in den toestand van gewoon milicien. (M. B. a. v., ad. art. 2).
§ 860. 15ij gunstigen atloop der in § 859 bedoelde proef
wordt hun de soldij volgens het, bepaalde sub d van Tabel L*P,
behoorende bij het Koninklijk Besluit van 3 Februari 18 83,
n°. 11, alsmede het onderscheidingsteeken, voor veldtelegralisten
vastgesteld, toegekend. (A\\ B. a. »., art. 3).
j 861. Te beginnen met het tijdstip, waarop zij zes inaan-
den in werkelijken dienst hebben doorgebracht, wordt een onder-
zoek ingesteld naar de bedrevenheid der adspirant-vestingtelegra-
fisten, die reeds met het onderscheidingsteeken zijn bedeeld.
Het programma voor dit onderzoek wordt door den Minister van
Oorlog vastgesteld, (a. e., art. 4).
§ 862. Het programma, iu § 861 vermeld, is vastgesteld
als volgt: 1°. Het behoorlijk kunnen onderhouden van kleeding
en uitrusting; 2°. de kennis der plichten van den soldaat in het
algemeen, bepaaldelijk zijner verplichtingen jegens meerderen en
gelijken; 3°. De kennis van de verplichtingen en rechten van
den soldaat, wanneer hij ingekwartierd is; 4°. De kennis van
artikel 128 tot en met 145 der wet van den 19im Augustus
1861 {Staatsblad n". 72) betrekkelijk de Nationale Militie, voor
zooveel die kennis voor den milicien noodig is; 5°. De kennis
van het materieel bij den militairen telegraafdienst en van de
meest voorkomende militaire termen; 6°. De kennis van het re-
glement op den telegraafdienst te velde, 2de gedeelte; 7°. De
kennis van de voornaamste voorschriften van den rijkstelegraaf-
dienst, voor zooverre deze op de militaire telegraphie toepasselijk
zijn. (M.. B. a. v., ad. art. 4)
§ 863. Zij, die aan dit programma voldoen, worden onver-
wijld als vestingtelegTcifist met verlof tot nadere oproeping huis-
waarts gezonden, althans indien zij zich gedurende hunnen
diensttijd goed hebben gedragen.
-ocr page 335-
XXX. Militiekader.
321
Dat verlof wordt veranderd in onbepaald verlof, zoodra zij,
volgens de bepalingen, geldende voor de miliciens van de lich-
ting en van het korps waartoe zij behooren, op onbepaald ver-
lof recht verkrijgen. (K. B. a. »., art. 5, gew. bij K. B. 26
Mei 1888, »°. 44, B. U. Aanii. 133).
Voor hen, die de eerste maal niet aan dit programma voldoen,
kan het onderzoek naar hunne bedrevenheid nog vijf malen,
telkens met tusschenruimte van eene maand, worden herhaald,
immers voor zooverre zij intusschen niet nader mochten zijn
geslaagd. [M. B. a. v., ad art. 4).
§ 864. Miliciens-vestingtelcgralistcn moeien, zoolang zij in
het genot van onbepaald verlof zijn, jaarlijks op de tijden en
in den vorm, door den Minister van Oorlog te bepalen, het
bewijs overleggen, dat zij als telegrafist werkzaam zijn. Zij wor-
den in dat geval in gewone tijden slechts tot éene herhalings-
oefening van hoogstens 10 dagen onder de wapenen geroepen.
Mocht hierbij blijken, dat hun voldoende bedrevenheid als mili-
tair telegrafist ontbreekt, dan vallen zij, evenals degenen, die
niet als telegrafist werkzaam zijn gebleven, in de termen van de
gewone herhalingsoefeningen. (K. B. a. »., art. 0).
Bedoeld bewijs bestaat in eene telken jare onder dagteekening
van 1 Mei aan den commandeerenden officier van het korps
genietroepen in te zenden schriftelijke verklaring van den chef,
onder wien de verlofganger werkzaam is. Deze verklaring moet
eene opgave bevatten dat en sedert hoelang de verlofganger bij
den telegraafdienst in betrekking is.
De handteekening van bedoelden chef zal door het hoofd der
gemeente, waar die chef gevestigd is, moeten zijn gelegaliseerd.
(M. B. a. v., ad art. 0).
§ 865. Miliciens die bij hunne inlijving bij het korps genie-
troepen voldoen aan het daarvoor vastgesteld programma, worden
tot milicien-opzichter der genie opgeleid. (K. B. a. »., art. 7).
§ 866 Naar gelang de in § 865 bedoelde miliciens voldoen
aan de daarvoor vastgestelde programma\'s B en C, worden zij
boven de formatie van het korps aangesteld tot milicien-korporaal
en tot milicien-sergeant en genieten zij als zoodanig de soldijen
van vrijwillig dienende militairen van hunnen graad bij het korps.
(«. »., art. 8).
§ 867. VVanneer de zooeven bedoelde miliciens-sergeanten
21
-ocr page 336-
XXX. Militithider.
322
voldaan hebben aan een onderzoek, dat het daarvoor vastgestelde
programma I) omval, kunnen zij lot müicien-opzichter der genie
bij het korps genietroepen worden aangesteld. («. «;., art. !)).
§ 868. Na als milicien-opzichter der genie te zijn aangesteld,
worden deze miliciens onverwijld met groot verlof huiswaarts
gezonden. Zij worden in gewone tijden niet meer opgeroepen
tot het bijwonen van herhalingsoefeningen. («. »., art. 10).
De adspirantcu-opzichters der genie, die gedurende hunnen
eerste-ocfeningstijd niet hebben kunnen voldoen aan het pro-
gramma D, worden op denzelfden tijd als de overige miliciens
der lichting, waartoe zij behooren, in het genot van onbepaald
verlof gesteld, tenzij zij mochten verlangen op grond van art.
126 der wet van I1.) Augustus 1861 (Sl.bl. n°. 72) betrek-
keiijk de Nationale Militie, voor minstens zes maanden vrijwillig
onder de wapenen te blijven.
Mochten zij in dat tijdsverloop tot milicien-opzichter der
genie worden aangesteld, dan moeten zij in elk geval tot na
afloop van evengezegden termijn in werkelijken dienst vertoeven.
(M. B. a. v., ad art. 10).
§ 869. De miliciens-opzichters der genie hebben den graad
van sergeant-majoor, en genieten, wanneer zij zich in werkelijken
dienst bevinden, de soldij, aan dien graad bij het korps genie-
troepen verbonden. (K. B. a. v., art. 11).
III. Van de militie-luitenants.
\\ 870. Bij de korpsen en het dienstvak der Landmacht, in
de volgende zinsnede vermeld, kunnen boven het organiek getal
luitenants van het vaste korps officieren, een bepaald aantal
militie-onderofficieren worden benoemd tot militie-luitenant.
Het aantal van de militie-luitenants mag niet meer bedragen
dan: 20 bij de militaire administratie en bij elk van de regi-
menten der infanterie, 10 bij elk van de regimenten huzaren en
van de vesting-artillerie, 16 bij elk van de regimenten der veld-
artillerie en bij het korps genietroepen, 4 bij het korps rijdende
artillerie, het korps pontonniers en het korps torpedisten. (K. B.
14 J)ec. 1883, n\\ 36, artt. 1 en 2, B. U., Aan/t. 96).
§ 871. De militie-luitenants hebben den rang van tweede-
luitenant, met dien verstande, dat zij steeds geacht zullen wor-
-ocr page 337-
•> .1 <•
XXX. MilitieMtr.
den jonger in rang to zijn dun de jongste tweede*luitenant van
het vaste korps officieren der Landmacht bij het wapen of dienst-
vak, waartoe zij behooren. («. o., art. \'6).
§ 872. De militie-luitenunts blijven militieplichtig en dragen,
gedurende den tijd, dat zij zich in werkelijken dienst bevinden,
de uniform en de onderscheidingsteekenen, verbonden aan den
rang van tweede-luitenant van het korps of dienstvak waartoe
zij behooren, met dien verstande, dat bovendien aan iedere voor-
zijde van den kraag van kortcjas, attilla of dolman, een laken
patje wordt gedragen, zooals voor de plaatsclijke-adjudanten is
voorgeschreven. De kleur dezer patjes is die van de biezen van
den pantalon, uitgezonderd voor de militie-luitenante, tot de
militaire administratie behoorende, voor welke de patjes van ge-
lijke kleur moeten zijn als het laken van den pantalon. Met
onbepaald verlof zijnde is hun het dragen der uniform en der
onderscheidingsteekenen, bovenbedoeld, niet geoorloofd dan voor
zooverre hun dit door den Koning wordt toegestaan.
Do militie-luitenante ontvangen, na hunne benoeming tot dien
rang, tegelijk met de eerste uitbetaling van hun traktement, als
eene geldelijke tegemoetkoming in de bekostiging van hunne
uniform, eene som in eens ten bedrage van f\\ 20 bij de cavalerie
en de bereden-artillerie en /"100 bij de overige wapens, korp-
sen of dienstvak.
Zij, die tot de bereden korpsen behooren zijn niet verplicht
tot het aanschaffen en houden van dienstpaarden. («. »., art. 4).
§ 873. De militie-luitenante genieten gedurende den tijd,
dat zij zich in werkelijken dienst bevinden, een jaarlijksch trak-
temeut van ƒ 900. (a. v., art. 5).
§ 874. De militie-luitenante worden door den Koning be-
noemd en ontslagen.
De benoeming der militie-luitenante geschiedt voor den tijd,
dat de benoemde nog militieplichtig is en op voordracht van
den Minister van Oorlog.
De militie-luitenant, wien ontslag wordt verleend, als bedoeld
bij art. 27 der wet van 28 Augustus 1851 {Staatsblad n". 128),
blijft militieplichtig. (a. v., art. 6).
§ 875. Om in aanmerking te kunnen komen voor eene be-
noeming tot militie-luitenant moet de militieplichtige Nederland»
zijn, minstens vijftien maanden achtereenvolgend in werkelijken
-ocr page 338-
324                              XXX. Militiekader.
dienst hebben doorgebracht, en overigens voldoen aan de ver-
eischten, omschreven in de bij Koninklijk Besluit van 14 Decem-
ber 1883, n". 36 (B. U., Aan/t. 96) behoorende programma\'s
gewijzigd bij Koninklijk Besluit van 10 December 1885, n". 26
(B. U., Aanh. 117).
Vrijwilligers voor de militie, die te voren, hetzij bij de Land-
macht, hetzij bij de militie, den rang van ofHcier hebben bekleed,
en dien rang op eervolle wijze hebben verloren, kunnen dadelijk
na hunne inlijving voor eene benoeming tot militie-luitenant wor-
den voorgedragen, mits zij de vereischten van bekwaamheid be-
zitten in de voorgaande zinsneden bedoeld.
Voor eene benoeming tot militie-luitenant kunnen niet in aan-
merking komen de plaatsvervangers, die niet voor hunne broeders
zijn opgetreden, en de nummerverwisselaars. (a. »., artt. 7 en 8).
§ 876• Uit de programma\'s in de eerste zinsnede der vorige
§ bedoeld, blijkt, dat de opleiding der toekomstige militie-
officieren zich in hoofdzaak op practisch terrein behoort te be-
wegen. Voor de diensten, van deze categorie van officieren te
vorderen, staat practische geschiktheid om als peletonscom-
mandant, bij de bereden-artillerie als sectiecommandant, op
te treden of om de administratie bij een gemobiliseerd bataljon
te voeren, op den voorgrond. Eene hooge mate van weten-
schappelijke kennis is voor die officieren geen vereischte en de
voor hunne vorming beschikbare tijd behoort dan ook voornamelijk
te worden besteed om hen tot practisch bruikbare aanvoerders of
administrateurs in den hierboven bedoelden zin op te leiden.
De termijnen, in de eerste zinsnede der vorige § en in liet
hoofd der programma\'s gesteld, schijnen voldoende om te be-
oordeelen of de adspirant-militie-officier de noodige fermeteit tot
het voeren van gezag en de overige verlangde eigenschappen bezit.
Het behoeft echter nauwelijks te worden gezegd, dat die tcr-
mijnen minimale diensttijden aangeven; dat het dus slechts aan
de meest uitstekende adspiranten zal gelukken, dadelijk na het
verstrijken dier termijnen voor eene benoeming in aanmerking te
komen en dat in den regel het gros der adspiranten daarvoor eerst
na langoren tijd geschikt zal worden bevonden. (M. A. 22 I)ec.
1883, n\\ 4, B. U., Aanh. 96).
§ 877. De militie-luitenants zullen niet eer tot eene vrij-
willige verbintenis, krachtens art. 9 der wet van 19 Augustus
-ocr page 339-
XXX. Militiekader.
335
1861 (Staatsblad n". 72), betrekkelijk de Nationale Militie, kun-
nen worden toegelaten, dan nadat zij als militie-luitenant zullen
zijn ontslagen. (K. B. a. v., art. 9).
§ 878. Betreffende de opleiding van militie-luitenaiits is bij
M.\'A. dd. 22 April 1884, n". 10, (B. ü„ Aanh. 108) een
voorschrift vastgesteld.
§ 879. De voord lachten tot benoeming van militie-luitenante,
welke als een gevolg van het daartoe ingesteld onderzoek aan
den Minister van Oorlog behooren te worden gedaan, zullen steeds
zoo spoedig mogelijk door de gewone tussehenkomst aan het Depar-
temeut van Oorlog moeten worden ingezonden.
Daarbij zullen ten aanzien van den adspirant de navolgende
stukken moeten worden overgelegd: 1°. het proces-verbaal van
het onderzoek, met alle bescheiden, welke daarop betrekking heb-
ben, aangevuld met de consideratién en het advies van de bij de
zaak betrokken autoriteiten; 2°. het bewijs van Nederlanderschap
van den voorgedragene; 3°. een extract uit het stamboek, hem
betreffende.
§ 880- Het is de bedoeling van den Minister van Oorlog
dat de adspiranten voor den rang van militie-luitenant, met uit-
zondering van die bij de militaire administratie, zooveel mogelijk
aan alle oefeningen deelnemen. Hunne verdere diensten moeten
zoodanig worden geregeld, dat zij niet aan de lessen worden
onttrokken. Het zal daarom bij voorbeeld overweging verdienen,
hen alleen op Zaterdagen of Zondagen wachtdiensten te laten
verrichten. Ook kunnen zij geheel of gedeeltelijk van zulke dien-
sten worden vrijgesteld, welke, naar het gevoelen van den com-
mandeerenden officier van het korps, voor hunne verdere vor-
miug weinig of geen nut opleveren.
De officieren, die met de opleiding der aanstaande militie-
luitenants belast zijn, behooren hen nauwlettend gade te slaan,
ook wat betreft hunne gedragingen buiten den dienst, ten einde
ook op deze wijze den noodigen waarborg te verkrijgen, dat zij,
tot gemelden rang benoemd, zich die onderscheiding waardig
zullen betoonen.
Omgekeerd dienen welwillendheid en voorkomende behandeling,
welke volstrekt de militaire vormen niet uitsluiten, hun van de
zijde der officieren ten deel te vallen, opdat hunne positie tegen-
over degenen, die mogelijk later hunne minderen zullen zijn,
-ocr page 340-
XXX. Vertrek met verlof.
326
worde gereleveerd. \\M. A. 22 Jprü 1884, «o. lo, B. U„
Aan/t.
108).
I. Fan hel met verlof huiswaarts zenden van de ingelijfde-u
hij de militie te land.
§ 881 • De bij de militie te land ingelijfden worden, wan-
neer zij niet meer krachtens de artt. 122, 123 en 124 der
inilitiewet (§§ 803, 829 en 830) in werkelijken dienst behooren te
blijven, met verlof huiswaarts gezonden. (Müiliewet, art. 131,
-B. U., Aunlt. 1). (56) (*)
§ 882. De manschappen die in het tijdvak, bij art. 112
der militiewet (§ 748) vermeld, zijn afgeleverd en dadelijk bij
hunne inlijving in werkelijken dienst zijn gesteld, of daarvoor
eerst later zijn opgeroepen, worden, zoo zij niet in de termen
vallen van de tweede zinsnede van art. 60 van het Koninklijk
Besluit van 8 Mei 1S62 (StM. n°. 46), [§ 804] na afloop van
den tijd, voor eerstc-oefening bepaald, of, indien zij voor het
blijvend gedeelte zijn aangewezen, op daartoe door het Depar-
tement van Oorlog te geven bijzonderen last, met groot-verlof
huiswaarts gezonden. (Voorsehr. M. B. 19 September 1892, n°.
36, art. 18, R. M. 574).
§ 883. Voor de miliciens wier eerste— oefeningstijd op negen
maanden, dan wel op cru jaar is bepaald, en die in het tijdvak,
bij art. 112 der inilitiewet vermeld, zijn ingelijfd en in dienst
gesteld, wordt die oefeningstijd gerekend te zijn aangevangen op
den lsl™ der in gezegd artikel genoemde maand.
Alle overige miliciens worden, bijaldien zij niet voor het
blijvend gedeelte zijn aangewezen, in het genot van groot-verlof
gesteld bij liet verstrijken van hunnen cerstc-ocfeningstijd gere-
kend van den datum, hetzij hunner inlijving, hetzij hunner
indienststelling.
(5(!) De meeuiug dut een milicien, die op hut tijdstip, waarop hij in het
genot van verlof gesteld of gepaaportcerd zonde behooren te worden, zich in
arrest bevindt krachtens art. 10 der Rechtspleging bij de Landmacht, of wel
eene disciplinaire straf ondergaat, op voorschreven tijdstip uit het arrest moet
worden ontslagen of van liet verden gedeelte der hem opgelegde straf moet
worden ontheven, ten einde met verlof of met paspoort te kunnen vertrek-
ken, is niet juist. (.1/. A. 13 JuU 188:1, «°. 88, B. V. 807).
{*) Zie ook de noot op § 787.
-ocr page 341-
XXX. Vertrek met verlof.
327
Is de dag, waarop bedoelde miliciens recht verkrijgen op
groot-verlof, een Zondag of een algemeen erkende Christelijke
feestdag, dan wordt dat verlof op den naastvoorgaanden werkdag
verleend.
Voor de Israëlietische miliciens wordt het vertrek met groot-
verlof zoo noodig nog zooveel vervroegd dat zij niet op een
Zaterdag of op een hunner kerkelijke feestdagen hebben te reizen.
(Foorschr. a. v., art. 20).
§ 884. De manschappen die jaarlijks vóór het tijdstip der
loting voor het blijvend gedeelte bij de korpsen zijn ingelijfd,
nemen aan de loting deel voor zoover zij niet behooren tot de
klassen, bij art. 123 der militiewet (§ 829) vermeld.
Van manschappen die na den afloop der evcnbedoelde loting
worden ingelijfd, worden de niet voor broeders opgetreden plaats-
vervangers, voor zooveel zij niet voor het blijvend gedeelte
moeten worden bestemd, steeds gedurende een jaar onder de
wapenen gehouden ; terwijl de overigen, uitgezonderd immers de
ingelijfden op wie art. 1G5, of het eerste gedeelte der tweede
zinsnede van de artt. 171 en 173, de eerste zinsnede van art.
177, of de derde zinsnede van art. 178 der militiewet betrek-
king hebben, met groot-verlof huiswaarts worden gezonden zoodra
zij den bepaalden oefeningstijd onder de wapenen hebben door-
gebracht. {Foorsc/ir. a. v., art. 19).
§ 885. Manschappen van de militie te land, die zich,
tijdens zij bij hun korps tot eerste-oefening of voor het blijvend
gedeelte, in werkelijkeu dienst zijn, aan misdrijven schuldig
maken, vallende ia de toepassing van het Crimineel Wetboek
voor het krijgsvolk te Lande, en die, deswegens door eenen
krijgsraad tot detentie worden veroordeeld, of wel die, gedurende
bovengemelden dienst, door den burgerlijken rechter tot gevan-
genisstraf worden veroordeeld, moeten, na het ondergaan van die
detentie of gevangenisstraf, bij het korps zooveel langer onder
de wapenen worden gehouden als zij aan den werkelijken dienst
waartoe zij verplicht waren, onttrokken zijn geworden. (jW. B.
7 Juni 1862, u°. ZC>B, B. U., Aanlt. 42 e» M. A. 8 Nov.
188(i, m°. 06).
§ 886- Wordt een milicien, tijdens hij voor eerste-oefening
onder de wapenen is, bij het Algemeen Depot van Discipline
gedetacheerd, dan zal hij na terugkomst bij het korps, nog ii\\
-ocr page 342-
328                        XXX. Vertrek met verlof.
werkelijken dienst worden gehouden gedurende den tijd, welke
door die detacheering aan den eerste-oefeningstijd is blijven
ontbreken.
Heeft de detacheering plaats, terwijl de milicien voor het
blijvend gedeelte onder de wapenen is, dan kan hij onmiddellijk
na terugkomst bij het korps, in het genot van groot-verlof
worden gesteld. {Foorscïtr. M.B. 4 Awg. 1881, »". 83, art. 11,
B. V. 639).
§ 887. Aan de miliciens moeten op den dag van hun vertrek
met groot-verlof, of daags te voren, worden herinnerd de ver-
plichtingen, welke op hen als verlofganger rusten en in hun
zakboekje of op de keerzijde van den verlofpas zijn vermeld. Bij
die gelegenheid moet hun tevens de goede zorg voor hunne
klecding eu uitrusting nadrukkelijk worden aanbevolen.
Worden de miliciens, ook zij die voor herhalingsoefeningen
onder de wapenen zijn geweest, herinnerd aan de verplichtingen,
hun bij de artt. 133 en 134 der militiewet opgelegd, dan
moet hun worden geraden, zich terstond na aankomst in de ge-
meente, waar zij zich metterwoon gaan vestigen of uiterlijk den
volgenden dag in persoon aldaar ter secretarie te vervoegen, tot
het voor gezien laten teekenen van hunneu verlofpas door den
burgemeester. (Voonch. M. B. 19 Sept. 1892, «°. 36, art.
21, R. M. 574).
In de zakboekjes der miliciens moet de staat, aanwijzende
welke kleedingstukken bij vertrek met groot-verlof zijn mede-
genomen, nauwlettend worden ingevuld, opdat de militie-com-
missarissen bij het jaarlijksch onderzoek kunnen beoordeelen of
de verlofgangers art. 140 der militiewet (§ 946) naleven, (a.
v., art.
22).
§ 888. In de verlofpassen, aan miliciens uit te reiken, moet
als de plaats waarheen zij zich begeven, de naam der gemeente
worden ingevuld waar de man vóór zijne opkomst onder de
wapenen woonde, tenzij hij verlangt zich in eene andere ge-
meente te vestigen, in welk geval de naam dezer laatste in den
verlofpas behoort te worden gesteld.
Voor zooverre de gemeente, werwaarts de verlofganger ver-
trekt, eene andere is dan die waarvoor hij is opgetreden, zal
ook de naam dezer laatste in den verlofpas behooren te worden
vermeld, (a. »., art. 23).
-ocr page 343-
XXX. Vertrek met verlof.                         329
Op den verlofpas, zoowel van den nummerverwisselaar als van
den plaatsvervanger, moeten ook vermeld worden de geslachts-
naam en voornamen van den loteling, voor wien hij is opgetre-
den, en op dien van den plaatsvervanger moet tevens ingevuld
worden het lotingsnummer van den vervangen loteling, een en
ander opdat de 6de en 7d° kolom van het register der verlof-
gangers model n°. 2G, voorgeschreven bij art. 75 van het Ko-
ninklijk Besluit van 8 Mei 1862, (St.il. n°. 46), met behulp van
den verlofpas naar behooren kunnen worden ingevuld. {a. v., art. 24).
f 889. Het zakboekje van den milicien bevat een viertal
groot-verlofpassen, waarvan telkens bij vertrek met groot-verlof
één in te vullen en te bekrachtigen; bij terugkomst wordt de
vervallen verlofpas doorgehaald. (V. R. A., ad art. 269, § 2, l).
I)e verlofpassen in de zakboekjes van miliciens, die met groot
verlof vertrekken, kunnen op last worden geteekend door de
bataljons-commandanten (infanterie), de afdeelings-commandanten
(bereden-artillerie), de hoofdofficieren belast met het speciaal
bevel over compagnieën of eskadrons (vesting-artillerie en cava-
lerie), alsmede door de commandanten van detachementen, uit
een of meer compagnieën, batterijen of eskadrons bestaande.
(M. B. 13 Feb. 1893, n\\ 50, E. M. 85).
Voor het stellen der visa, voorgeschreven bij de artt. 133 en
134, tweede zinsnede, der militiewet bestaat gelegenheid aan den
voet van eiken verlofpas en op de daarop volgende bladzijde.
§ 890. Met uitzondering van die, bij § 897 bedoeld, worden
de met groot-verlof naar hunne woonplaats (57) vertrekkende
miliciens, die, — ouverschillig tot welke provincie of tot welk
korps zij behooren — in dezelfde richting moeten reizen, in
detachement vereenigd, (*) teruggeleid tot zoodanig punt, als in
het belang der goede orde noodig voorkomt. (**)
De onderscheidene in eene garnizoensplaats aanwezige comman-
deerende officieren van korpsen of korpsgedeelten, waarvan gelijk-
(57) Door woonplaats wordt hier verslaan Je gemeente, waarin de mili-
ciens binnenslands gevestigd zijn.
Zij, die, bij vertrek met verlof, niet naar hunne vroegere woonplaats, doeh
naar eene andere plaats wenschen te reizen, worden door de zorg van de
korpsen naar deze laatste plaats gedirigeerd, (V. R. A, ad art. 29, $ 16).
(*) Zie de noot 46 op § 790.
(**) Zie de noot 34 op § 763.
-ocr page 344-
330                        XXX. Vertrek met verlof.
tijdig miliciens met groot-verlof vertrekken, verstaan zich onder-
ling omtrent het samenstellen van de detachementen.
De marsehorder wordt uitgevaardigd en de marschroute aan-
gewezen door den commandeerenden officier van het korps of
korpsgedeelte, of — zoo miliciens van meer dan een korps bij
het detachement zijn ingedeeld — door den oudst of hoogst in
rang zijnden commandeerenden officier. In de opgaven, dienaan-
gaande aan de provinciale-adjudanten te doen, moet melding
worden gemaakt van de verminderingen, welke de sterkte gedu-
rende den marsch, ten gevolge van het door miliciens onderweg
verlaten van het detachement, zal ondergaan.
Ongeacht het korps of wapen, waartoe de miliciens behooren,
genieten deze, over de dagen van den marsch vóór dien van het
verlaten van het detachement (Zie de \\\\ 892—894) de soldij
tot de bedragen, voor de verschillende graden bij het wapen der
infanterie, zonder eeuige verhooging, vastgesteld. (V. R. A., ad
art.
29, § 6).
§ 891. De commandant van het detachement ontvangt staten
in tweevoud, model »". 37, op te maken door de commaudee-
rende officieren, bedoeld bij de tweede zinsnede van § 890.
Deze staten worden, overeenkomstig de aanwijzingen op het
model, ingevuld door de zorg van gemelde commandeerende
officieren en door die van den detachementscommandant (a. »., § 27).
§ 892. De miliciens, in detachement vereenigd reizende, wier
woonplaats, naar de richting der marschroute, is gelegen aan deze
zijde van de plaats, voor de ontbinding van het detachement
aangewezen, veilaten het detachement:
a.    zoo de woonplaats op de marschroute ligt, bij aankomst
in die plaats;
b.     zoo de woonplaats buiten die route ligt, op het punt dier route,
daartoe door den commandeerenden officier, bedoeld bij de
tweede zinsnede van ij 890, het meest geschikt geacht;
daarbij wordt als regel aangenomen, dat zij, die recht heb-
ben op vervoer voor Itijks rekening, worden vervoerd tot
het station of de aanlegplaats, het meest nabij de plaats
gelegen werwaarts de miliciens zich begeven, (a. »., § 8).
§ 893. Wordt het detachement vóór do aankomst in de plaats,
voor de ontbinding aangewezen, gehuisvest en gevoed, dan ver-
laten de miliciens, wier woonplaats 30 kilometer of minder vev-
-ocr page 345-
XXX, Vtrtrtk niet verlof.
331
wijdere! is van de plaats waar naohtkwartiei wordt gehouden,
liet detachement vóór dat dit den marscli voortzet, en wel:
a.    zij, die dit wenschen, dadelijk na aankomst in het nacht-
kwartier;
b.    de overigen dadelijk na gehouden nachtkwartier. («. »., § 9).
§ 894. Bij aankomst in de plaats, voor de ontbinding van
het detachement aangewezen, verlaten de miliciens, die in die
plaats te huis behooren, het detachement.
Met de overigen wordt gehandeld, als volgt:
a.    komt het detachement met middelen van versneld vervoer
aan ten 12 ure op den middag of vroeger, dan worden zij
onverwijld naar hunne woonplaatsen gezonden ;
b.    komt het detachement met middelen van versneld vervoer
na 12 uur op den middag aan, of is — ongeacht het uur
van aankomst — de marscli zonder middelen van versneld
vervoer afgelegd, dan worden zij, die dit wenschen, op den
dag van aankomst bij de ingezetenen gehuisvest en gevoed.
Met hen, die geene huisvesting en voeding verlangen, wordt
gehandeld als bij a omschreven, (a. v., § 10).
§ 895. Aan ieder milicien, die het detachement verlaat, wordt
door de zorg van den hoofdgeleider een daggeld verstrekt van
50 ets. zonder meer, ongeacht het korps of wapen, waartoe hij
behoort, of den graad, dien hij bekleedt.
Bovendien worden hem, zoo noodig, bewijzen voor verder ver-
voer afgegeven, en wel:
a.    zoo hij het detachement dadelijk na gehouden nachtkwartier
verlaat, ingeval de afstand meer dan 30 kilometer bedraagt, en
b.    zoo hij op den dag, dat hij het detachement verlaat, den
dagmarsch reeds geheel of ten dcele heeft medegemaakt, en de
nog af te leggen afstand meer dan 15 kilometer bedraagt.
De bewijzen van vervoer en, zoo noodig, de passagebiljetten voor
de miliciens en, tijdens de terugreis, voor de geleiders, worden
opgemaakt door de zorg van de commandeerende officieren, be-
doeld bij de tweede zinsnede van § 890, en aan den commandant
van het detachement mcdegegeven. In gemelde bewijzen wordt,
in het geval bedoeld onder h dezer §, omschreven: Heeft den
daymamch van
(benaming der plaats) af medegemaakt, (a. v.,§ 11).
| 896- Bij terugkomst bij het korps stelt de detacliements-
eommandant een exemplaar van den staat of van de staten, hr-
-ocr page 346-
XXX. Fe/\'t rek met verlof.
332
dockl bij § 891 ter hand aan den commandant van bet korps
op korpsgedeelte, waartoe hij behoort, door wiens zorg — indien
manschappen van andere korpsen in het detachement zijn begre-
pen geweest — de staten, die korpsen betreffende, aan de be-
trokken commandanten worden toegezonden.
Het andere exemplaar strekt als bewijs tot verrekening van het
betaalde op de wijze, bepaald bij de slotzinsnede van § 790.
(a. i>., § 12).
§ 897. De navermelde miliciens worden rechtsteeks naar hunne
woonplaats gezonden, en dus niet bij een detachement, als be-
doeld bij § 890, ingedeeld :
«. zij, die in de garnizoensplaats te huis behooren, of wier
woonplaats 30 kilometer of minder van de garnizoensplaats
verwijderd is;
h. zij, die — ongeacht den af te leggen afstand — den
wensch te kennen geven, om afzonderlijk voor eigen reke-
ning naar hunne woonplaatsen te reizen, indien tegen de
inwilliging daarvan geen bezwaar bestaat;
e. zij, wier woonplaats meer dan 30 kilometer van hun gar-
nizoen verwijderd is, doch : 1°. die door met een detache-
ment te reizen, niet op den dag, waarop zij dit onderweg
zouden moeten verlaten, hunne woonplaats kunnen bereiken;
2°. die, omdat zij, door met een detachement te reizen,
een min of meer grooten omweg zouden moeten maken.
De in deze bedoelde miliciens hebben voor den dag van ver-
trek recht op de gewone soldij; alleen die, onder e bedoeld,
bovendien op het gewone twee-derden daggeld en, zoo noodig,
op vervoer voor llijks rekening, (a. v., § 13).
§ 898. In de verantwoordingstukken der compagnieën wordt
bij de vermelding van het verlof, voor zooveel noodig, om-
schreven, naar welke plaats de miliciens zijn vertrokken, of dit
in detachement of afzonderlijk is geschied, en bij die, onder b
van § 897 bedoeld, dat hun is vergund voor eigen rekening
naar hunne woonplaats te reizen, (a. v., § 14).
§ 899. Op de verlofpassen wordt door den burgemeester
aanteekening gedaan van de betaalde daggelden en van de ver-
strekte vervoerbewijzen.
Tot het bekomen van inkwartiering moet de verlofpas worden ver-
toond. {Voorsch: M. B. 27 Mei 1898,V. 105, f 2», E. M. 828).
-ocr page 347-
XXX. Vertrek met verlof.
833
§ 900. Van het zenden met groot-verlof krachtens art. 131
(§ 881) der wet van ingelijfden bij de militie te land, zoo-
mede van het uit den dienst geraken, het overplaatsen bij een
ander korps of het overlijden, gedurende den tijd dat zij zich
onder de wapenen bevinden, wordt door de commandeerende
officieren der korpsen maandelijks kennis gegeven aan den Com-
missaris der Koningin in de provincie en door dezen aan de
burgemeesters der gemeenten, voor welke die manschappen bij de
militie zijn ingelijfd. (K. B. 8 Mi 1862, StM. n°. 46, art. 76,
B. U., Aan/i. 42).
Ingevolge het bepaalde in de vorige zinsnede vermeld, zenden
de commandanten der korpsen op den lsum van elke maand,
ten aanzien van de tot het korps behoorendc manschappen der
militie, waaronder echter niet zijn begrepen diegenen, welke
daarbij eene vrijwillige verbintenis hebben aangegaan, aan de
Commissarissen der Koningin, wien het aangaat, eenen staat van
de mutatiën, welke er in de afgeloopen maand, met die man-
schappen hebben plaats gehad, wat betreft: vertrek van het korps
met onbepaald verlof; het op de een of andere wijze uit den dienst
geraken, waaronder ook moet worden begrepen de afvoering als
deserteur van een milicien; overplaatsing bij andere korpsen;
ontslag of overlijden tijdens zij zich bij het korps onder de
wapenen bevinden.
Deze mutatiënstaat moet worden ingericht overeenkomstig het
daarvoor gegeven model litt. aa. In dien staat moet. in de kolom
«Aanmerkingen" aanteekening geschieden van de gemeente in
welke de verlofganger opgeeft zich te zullen gaan vestigen, bijal-
clien deze eene andere is dan die, waarvoor hij is opgetreden.
{M. B. 7 Juni 1862, »°. 56B, B. U., Aanh. 42; M. A. 14
Mei 1884, n". 58, B. U. Aanh 114 en Foorsch: M. B. 19
Sept. 1892, n\\ 36, art. 25, R. M. 574).
§ 901. De commandeerende-officieren der korpsen, gedeeltelijk
uit militie samengesteld, doen jaarlijks tusschen 20 en 25 Mei
staten (58) opmaken, bevattende opgaven betreffende de \\voon-
(58) Bedoelde staten zijn bestemd om niet de gelijksoortige opgaven be-
treffende de zeemiliciens welke door tusschenkomst van het departement van
Marine worden verstrekt, dezerzijds te worden toegezonden aan de Perma-
nente Militaire Spoorweg-Commissie, en door die Commissie voor zooveel
noodig ter beschikking te worden gesteld van den chef van den Generalen
Staf. (W. B. 24 Jmil 189», »\\ 125, R M. 644).
-ocr page 348-
334 XXX. Van de Meeding en ran liet opleggen der
plaatsen van de verlofgangers waaronder ook te begrijpen zijn
de manschappen van de bereden korpsen die bij de inlijving tot
nadere oproeping met verlof zijn gezonden.
Bedoelde staten worden ingericht overeenkomstig de daartoe
door den chef van den generalen staf aan de korpsen te ver-
strekken aanwijzingen en worden door de korpsen uiterlijk 25
Mei aan het Departement van Oorlog gezonden, (a. v. artt. 39
en 40 en M. B. 24 Juni 1893, n\\ 125, R. M. 544).
K. Van de Meeding en van hel oplet/yen der goederen van
de miliciens-verlofgangers.
§ 902. De Minister van Oorlog bepaalt het getal der voor-
werpen, van klceding en uitrusting van elke soort, waarvan
ieder onderofficier en soldaat moet zijn voorzien, de prijzen,
waartegen de nieuwe voorwerpen aan hen worden verstrekt en de
prijzen, die voor herstellingen aan die voorwerpen kunnen betaald
worden. (R. A., art. 66).
§ 903. De miliciens worden niet gekleed dan na een nauw-
keurig geneeskuudig onderzoek te hebben ondergaan. Voorschr.
M. B.
19 Sept. 1892, »°. 36, Jï. M. 574).
§ 904- Aan de miliciens, die dadelijk na hunne komst bij
het korps voor den dienst ongeschikt worden geoordeeld, wordt
slechts de hoogst noodige kleeding verstrekt. (a. v., art. 8).
§ 905. Bij vertrek met groot-verlof van een\' milicien wordt
— behoudens het bepaalde bij § 906 hierna — met zijne klee-
ding- en uitrustingstukken gehandeld als volgt:
a.     aan hem worden medegegeven:
de laken pantalon of rijbroek, het mouwvest of stalbuis, de
kwartier- of stalmuts, de schoenen of de laarzen met sporen,
de spoorfoedraals, één hemd, écu onderbroek, één paar sokken,
de halsdas, het naaizakje, de kleer- en de schoen- of laarzen-
borstel, de was- of vetdoos, de haarkam, het zakboekje, de kleer-
klopper, de knoopensehaar, de broekdraagbanden, de poetszak en
de linnenzak voor verlofgangers of één mondzak.
b.     tegen schatting der waarde worden in de magazijnen inge-
leverd :
bij de grenadiers en jagers, de infanterie, de vesting-artillerie,
de pontonnier») de torpedisten en de genietroepen:
de kortejas met
-ocr page 349-
gnrderen van de milieiem-vrrinfyanfffTS,                335
halssnoer en schouderpassanten; deze voorwerpen worden bij
terugkomst onder de wapenen niet weder aan den milicien ver-
strekt, tenzij daarvoor bijzondere machtiging wordt gegeven ;
bij de cavalerie en de rijdende artillerie: de kol bak met toe-
bebooron; de milicien wordt bij terugkomst onder de wapenen
weder dadelijk daarvan voorzien; met uitzondering van de mili-
ciens, afkomstig van de cavalerie, rijders van voertuigen bij
onbereden korpsen. Mocht voor deze laatsten — met het oog
op de door dezen te verrichten diensten — in oorlogstijd, ver-
strekking van kolbakken bepaald noodzakelijk worden geacht,
dan kunnen hun die — doch niet dan op machtiging van den
M. v. O. — zoodra zich de gelegenheid daartoe voordoet, uit
den voor de cavalerie te veel aanwezigen voorraad worden uit-
gereikt. {V. 11. A„ ad art. 257, § 2, M. B. 7 Jan. 1883,
n\\ 82, en M. B. 11 Feb. 1892, n°. 42, R. M. 42).
§ 906- Heerseht bij het met groot-verlof zenden van mili-
ciens strenge koude, dan kan, zoo de commandeerende officier van
het korps of korpsgedeelte ter plaatse dit noodig oordeelt, aan hen,
die dit verlangen, de kapot-, mantcl- of overjas worden medegegeven.
In dit geval wordt aan de miliciens gelast, dat kleedingstuk, dadelijk
bij aankomst in hunne gemeente, ter beschikking te stellen van
den burgemeester, om door diens zorg te worden teruggezonden
aan den commandeereuden officier voornoemd. De burgemeesters
zijn uitgenoodigd, tot die terugzending hunne tusschenkomst te
verleenen, en daarvan, onder opgave van de namen der miliciens,
aan den commandeereuden officier voornoemd mededeeling te doen.
Met het opzenden der goederen, bedoeld in de uitzonderingen,
bij het slot van § 1)05 vermeld, moet, voor zooveel noodig, ge-
wacht worden totdat de hierbedoelde goederen zijn terug ont-
vangen. («. v., § 4).
De bovenbedoelde militaire kleeding- en uitrustingstukken
knnnen ongefrankeerd worden verzonden door de gewone mid-
delen van vervoer. De kosten op de verzending vallende, wor-
den door de administratie der korpsen betaald en verrekend. (M. v.
B. X.
4 Mei 1871, n\\ 152). (59)
(59) Wordt door burgemeesters van de brievenpost gebruik gemaakt tot
portvrije verzending van militaire kleedingstiikken aan de magazijnen e»
depots van kleeding, dan wordt daardoor in strijd gehandeld met de beloe-
-ocr page 350-
336 XXX. Van de Meeding en tan hel opleggen der
§ 907. Het opleggen van de goederen, niet onder a en b
van § 905 bedoeld, heeft plaats in daartoe geschikte lokalen, bij
voorkeur in de kazerne. Daarbij wordt, zooveel doenlijk, het
navolgende in acht genomen:
a.    de laken kleedingstukken en het hoofdtooisel worden, elk
stuk afzonderlijk, doch voor elk man bijeen, aan rekken gehangen ;
daarbij worden gevoegd het linnengoed en de verdere voorwer*
pen, te zamen geborgen in de linnen handdoeken ;
b.     aan elk laken kleedingstuk, aan het hoofdtooisel en aan
elk pakje linnengoed wordt een kaartje gehecht, houdende aan-
wijzing van den naam en het wapennummer van den belang-
hebbende en van het bataljon en de compagnie, waartoe hij
behoort. (V. 11. A., a. e., § 5).
§ 908. De goederen wordeu vóór de oplegging behoorlijk ge-
reinigd en, zoo zij dit behoeven, hersteld. Voor zooveel dit be-
paald noodig is, worden de schako\'s van nieuwe voering voorzien.
In het algemeen moeten de goederen zich bij de oplegging
iu zoodanig bruikbaren staat bevinden, dat ze — buitengewone
omstandigheden uitgezonderd — na weder in gebruik te zijn
gesteld, nog gedurende drie maanden kunnen worden gedragen,
zonder dat herstellingen van eenig belang daaraan noodig zijn.
Daarbij moet evenwel steeds gepaste zuinigheid in acht genomen
worden, (a. v., § 6).
§ 909. De bewaring wordt opgedragen aan een luitenant-
kwartiermeester van het bataljon of van het gedeelte van het
korps, op de plaats aanwezig, of — zoo geen luitenant-kwar-
tiermeester aanwezig is — aan ecu ander officier.
De officier, met de bewaring belast, ontvangt, bij elke opleg-
ling der wet van 22 Juli 1870, (St.il. n". 138), art. 30, en van het
Koninklijk Besluit van 7 November 1876, (Sl.il. n°. 142), art. 2. Portvrij-
dom is enkel voor brieven en stukken — waaronder zijn te verstaan ge-
schreven en gedrukte stukken, bescheiden, kaarten en teekeningen — toe-
gestaan, zoodat alle andere voorwerpen strikt genomen zijn uitgesloten. Dit
behoeft echter niet te beletten, dat voorwerpen, die, als zij behoorlijk zijn
ingepakt, voor de verzending per post niet meer hinder of last geven dan
pakketten met stukkeu of kokers en rollen met kaarten en teekeningen, ter
verzending kunnen worden toegelaten ; doch daaronder zijn nooit te iegrij-
pen militaire kleedingslukken of dergelijke, die uil hunnen aard voor ver-
zending met de irievenpost niet in aanmerkini) komen. (tl. v. B. Z.
19
Jan. 1891, »•, 134).
-ocr page 351-
goederen eau de miliciens-verlofgattgers,                337
ging, van den compagniescommandant een\' staat in tweevoud,
aanwijzende de op te leggen kleeding- en uitrustingstukken, op-
gemaakt volgens het daarvoor bepaald model.
Een exemplaar van den staat wordt door gemelden officier voor
ontvangst geteekend en aan den commandant der compagnie
teruggegeven.
De goederen welke, volgens het bepaalde bij de §§ 912—916
hierna, aan den commandant der compagnie worden teruggegeven,
worden op de staten doorgehaald, en de commandant stelt —
ten bewijze van de terugontvangst — zijne handteekening in de
laatste kolom. («. »., § 7, en M. B., a. v.).
De werkzaamheden, bij deze § en bij § 910 opgedragen aan
den kwartiermeester of een ander officier, worden voor de goe-
deren van de torpedisten verricht op de wijze, daartoe door den
inspecteur der artillerie aan te geven.
§ 910. De officier, in § 909 bedoeld, is verantwoordelijk
voor de goede bewaring der opgelegde goederen. Deze worden
minstens eens in de 14 dagen gelucht en, zoo noodig, uitgc-
klopt en gereinigd, tot welk einde de vereischte manschappen
ter zijner beschikking worden gesteld, (a. v., § 8).
§ 911. De commandant van het bataljon, de hoofdofficier,
met het bevel over het gedeelte van het korps belast, of de
commandant van het detachement houdt nauwkeurig toezicht over
de opgelegde goederen en zendt op den lslen van elke maand
aan den commandant van het korps een rapport van zijne be-
vinding dienaangaaude. (a. v., § 9).
§ 912. Wordt een milicien, in zijne positie als zoodanig,
overgeplaatst bij een ander korps, dan worden de van hem
opgelegde goederen onverwijld naar dat korps gezonden en daarbij
opgelegd, (a. v., § 10).
§ 913. Gaat een milicien met eene vrijwillige verbintenis
over bij een der korpsen van het leger, dan worden de van hem
opgelegde goederen — voor zooveel deze overeenkomen met de
modellen, in gebruik bij het korps, waarbij de overgang plaats
heeft — gezonden aan den commandeerenden officier van het
korps of korpsgedeelte ter plaatse, waar de belanghebbende als vrij-
williger verblijf houdt, en — door tusschenkomst van den comman-
dant der compagnie — aan hem uitgereikt. Kleedingstukken, welke
hem niet meer passen, worden ingeleverd bij laatstbedoeld korps.
22
-ocr page 352-
838 XXX. Van de kleeding en van het opleggen der
De goederen, welke niet overeenkomen met de bedoelde mo-
dellen, zoomede al de opgelegde goederen van een\' milicien,
die met cene vrijwillige verbintenis overgaat bij het Korps
Mariniers, de Zeemacht of de Koloniale troepen, worden aan den
commandant der compagnie teruggegeven, en in de magazijnen
ingeleverd, (a. »., § 11).
§ 914- Komt een milicien onder de wapenen terug dan
worden diens opgelegde goederen — door tusschenkomst van den
commandant der compagnie — aan hem teruggegeven.
Kleedingstukken, welke niet meer passen, worden tegen schat-
ting in de magazijnen ingeleverd en door andere — in vredes-
tijd zooveel mogelijk gedragene — vervangen. («. »., § 12).
§ 915- De opgelegde goederen van een\' milicien, die vóór
het eindigen van zijnen militiediensttijd ontslag uit den dienst
bekomt, overleden is of op andere wijze uit den dienst geraakt,
worden aan den commandant van de compagnie teruggegeven,
en door diens zorg in de magazijnen ingeleverd, (a. »., § 13).
§ 916- Bij het pasporteeren van eene lichting wordt gehan-
deld, zooals bij § 915 is bepaald. Met het. schatten van de
goederen en het afsluiten van de rekeningen wordt tijdig, doch
niet voor 1 April begonnen. Een en ander moet echter tot
stand gebracht zijn op het tijdstip, waarop de paspoorten aan
de Commissarissen der Koningin in de provinciën worden ge-
zonden. De goederen worden, door de zorg van de compagnieën
van inleveringsbriefjes, model n°. 59, voorzien, doch blijven
op de wijze bij § 907 bedoeld, opgelegd tot het tijdstip van
pasporteering der lichting. Onmiddellijk na die pasporteering
worden ze in de magazijnen ingeleverd. («. »., § 14 en M. B., a. v.).
§ 917. VVat betreft de aan miliciens, afkomstig van de cava-
lerie, rijders van voertuigen bij onberaden korpsen toebehoorende
goederen, waarvan de modellen niet overeenkomen met die van
het korps waarbij ze zijn opgelegd, wordt gehandeld als volgt:
a. De goederen worden omstreeks 1 April, door de zorg van
de compagnieën, voorzien van inleveringsbriefjes, model n°. 59,
geheel ingevuld, uitgezonderd de waarde der goederen en de
onderteekening.
h. Van de goederen wordt door den officier, bedoeld bij
§ 909, een staat in tweevoud opgemaakt, bevattende voor ieder
rnan, de aanwijzing van de soort der goederen, mitsgaders van
-ocr page 353-
goederen van de miliciens verlofgangen.                339
korps, bataljon, compagnie en wapennummer, — en eene blanco-
kolom, tot invulling van de te schatten waarde.
De goederen worden, vergezeld van dien staat, ter schatting
overgebracht in het magazijn ter plaatse, indien aldaar — ot\'
gezonden naar dat in de meest nabijgelegen plaats, alwaar —
cavalerie garnizoen houdt, waarvan de uitmonstering der klee-
ding van gelijke kleur is als de te schatten goederen.
c.    De schatting geschiedt door een eskadronscommandant in
de plaats onder b bedoeld, waartoe door den toeziende-chef
van het magazijn, in overleg met den commandeerenden officier
van het cavaleriekorps of korpsgedeelte, de noodige maatregelen
worden getroffen.
d.   Na de schatting wordt de waarde ingevuld op de inleve-
ringsbriefjes en worden deze door den eskadronscommandant, die
de schatting heeft verricht, namens den compagniescommandant
bekrachtigd.
e.    In den staat, onder b bedoeld, wordt door de zorg van
den toeziende-chef, de geschatte waarde ingevuld; een exemplaar
blijft onder zijne berusting, en het andere wordt aan den com-
mandant van het betrokken korps of korpsgedeelte gezonden, om
de waarde in de rekeningen te kunnen doen inschrijven.
f.    De goederen blijven — voor ieder man afzonderlijk —
bijeengevoegd, in het magazijn, onder b bedoeld, opgelegd, tot
het tijdstip van pasporteering der lichting. Op dat tijdstip wor-
den ze in het magazijn ingeleverd.
Mocht echter, naar het oordeel van den betrokken korps-
commandant de aanwezigheid der goederen ter plaatse, waar de
miliciens moeten opkomen, wenschelijk zijn dan worden de
goederen onverwijld derwaarts teruggezonden, en zoo noodig,
na pasporteering der lichting, weder naar het onder b bedoelde
garnizoensmagazijn overgebracht. {M. B. 7 Jan. 1889, n". 82).
§ 918. De kosten, vallende op de verzending van de goede-
ren, bedoeld bij §§ 906 en 913 en op het reinigen en herstellen
der goederen, bedoeld bij § 908, komen ten laste van de uit-
rusting- en reserverekening der belanghebbenden; die vallende
op de verzendingen, onder b en ƒ van § 917 bedoeld ten laste
van het Rijk. (a. »., § 15, en M. B., a. v.).
§ 919. De kleeding en uitrusting van elk man, die onder
de wapenen is, moet — voor zooverre die bij mobilisatie niet
-ocr page 354-
3 tO XXX. Van de kleeding en van hel opleggen der
wordt achtergelaten — zich steeds in zoodanigen toestand van
bruikbaarheid bevinden, dat hij behoorlijk gekleed daarmede te
velde kan trekken, zonder dat het te voorzien is, dat in de
eerste weken van eene eventueele mobilisatie, vernieuwing of
belangrijke herstelling zal noodig zijn. (Al. B. (5 Feb. 1890,
n°. 92, § 1, B. V. 1089). (*)
§ 920- Dezelfde eisch van bruikbaarheid moet worden ge-
steld aan de kleeding en uitrusting van hen, die zich met groot-
verlof bevinden, in verband waarmede moet worden gehandeld,
als volgt:
a.    Is een kleeding- of uitrustingstuk, bij vertrek van den
man met groot-verlof, hetzij na eerste- oefening of na het bij-
wonen van herhalingsoefeningen nog bruikbaar, doch niet meer
geschikt, voor den dienst te velde, dan wordt een nieuw ofwel
een nog zeer goed gedragen stuk op rekening verstrekt. Dit
geldt evenwel niet voor het schoeisel, dat zich echter bij vertrek
met groot-verlof in bruikbaren staat moet bevinden.
b.    De kleeding- en uitrustingstukken, welke volgens punt a
door andere vervangen zijn, worden na schatting al dan niet
met waarde ingeleverd, met uitzondering van: de lakensche pan-
talons, de rijbroeken, de mouwvesten of stalbuizen en de kwar-
tier- of stalmutsen, welke in het bezit blijven van den man.
c.    Worden de lakensche kleedingstukken, in het slot van
punt b genoemd, bij vertrek van den man met groot-verlof
vervangen, dan wordt het ontvangen nieuw of nog zeer goed
gedragen stuk opgelegd bij de gedeponeerde kleeding, en het
oude aan den man medegegeven. Bij terugkomst onder de
wapenen voor oefeningen wordt het gedeponeerde stuk niet uit-
gereikt dan bij hooge noodzakelijkheid.
d.     Het reinigen der goederen, bedoeld bij § 6, ad artikel
257, van de //Voorschriften tot uitvoering van het lteglement van
Administratie" (zie § 908), moet met de meeste zorg geschieden.
Kan dit tot bereiking van het doel leiden, dan kunnen, zoowel
(*) Opdat elk onderofficier en soldaat steeds — zooveel eenigszins moge-
lijk — voorzien zij van kleeding en uitrusting, in zoodanigen behoorlijken
staat, dat hij daarmede te velde kan trekken, en tevens om de voorraden
in de garnizoensmagazijnen van kleeding te regelen, is met wijziging in zoo-
verre van de deswege bestaande voorschriften bepaald, wat in de 919—
92C is opgenomen.
-ocr page 355-
goederen van de miliciens-verlofgangers.               341
de reeds gedeponeerde als de in het vervolg te deponeeren
lakensche kleedingstukken — zoo daartoe gelegenheid bestaat en
de kosten niet te hoog zijn — voor Hijks rekening worden uit-
gestoomd; ten deze handelen de commandeerende officieren der
korpsen in overleg met de toeziende-chefs over de garnizoens-
magazijnen, die volgens het gestelde hierna bij § 926, den voor-
raad met waarde opgelegde gedragen lakensche kleedingstukken
eveneens op die wijze kunnen doen reinigen.
e. Bij vertrek met groot-verlof — zoowel na eerste opkomst
als na terugkomst onder de wapenen — moet steeds gezorgd
worden, dat de te deponeeren goederen, overeenkomstig het voor-
afgaande, zich in goed bruikbaren toestand bevinden, niet alleen,
maar ook goed passen. Zoo noodig moeten niet behoorlijk pas-
sende tegen schatting ingeleverd en door passende, op rekening
te verstrekken, vervangen worden.
Met opzicht tot de thans reeds gedeponeerde kleeding moet
voor zooveel mogelijk al dadelijk overeenkomstig het vorenstaande
worden gehandeld, in dien zin, dat de voorwerpen, welke ten
eene male ongeschikt worden geacht om ze den man bij roobili-
satie mede te geven, door betere (nieuwe of goede gedragen)
goederen worden vervangen, (n. v., § 2).
§ 921. Het bepaalde bij de §§ 919 en 920 moet worden
toegepast in dien zin dat — met uitzondering van het schoei-
sel —• bij mobilisatie, voor de onderofficieren en soldaten, die
alsdan onder de wapenen zijn of van groot-verlof terugkeeren,
niets of alhans zeer weinig uit de garnizoensmagazijuen wordt
ontvangen, en zulks, omdat in de eerste weken eeucr mobilisatie,
op verstrekking daaruit alleen in zeer beperkte hoeveelheid kan
en mag gerekend worden.
Vooral bij den aanvang en ook tijdens de mobilisatie toch,
moet ieder, die verantwoordelijk is voor den toestand van bruik-
baarheid van de kleeding der troepen, zijn doordrongen van de
onvermijdelijke noodzakelijkheid, om ook te letten op het alge-
meen belang van het leger, zoodat wel gezorgd worde, dat ieder
onderofficier en soldaat, naar omstandigheden, behoorlijk van het
noodige voorzien zij, doch dat aan geene onnoodige of overdre-
ven eischen gevolg worde gegeven. Immers door kleeding en
uitrusting, die nog voegzaam dienen kan, voor den dienst onge-
schikt te verklaren, en door andere te vervangen, zou de ver-
-ocr page 356-
3 2 XXX. fan de kleeding e» nnn Ju-t, opleggen iet
aorgiug van het leger — door uitputting van de» voorraad —
spoctlig in gevaar kunnen gebracht worden. («. v., § 3).
§ 922. Aan ieder onderofficier of\'soldaat, die nieuw in dienst
treedt, moet steeds een stel nieuwe ot\' zeer goede gedragen
lakensche kleeding worden verstrekt, voor zooverre die namelijk
bestemd is, om te velde te worden medegenomen.
Bovendien kan — voor zooverre de aanwezige voorraad strekt
— aan hem een gedragen lakenseh klecdiugstuk van elke soort
worden uitgereikt, om te worden gedragen bij exercitiën, corvees,
enz. Daarvoor worden genomen de gedragen kleedingstukken:
a. met tcaarde, doch niet geschikt om als ffzeer goed" te
worden verstrekt; de waarde wordt ten laste van de uitrusting-
en reserverekening van den belanghebbende gebracht;
h. zoogenaamd zonder icaarde.
Nadat de onder a en b vermelde kleedingstnkkcn voor het.
beoogde doel niet meer geschikt zijn, moeten ze zonder waarde
in de magazijnen ingeleverd worden, (a. v., § 4).
§ 923. Ten einde behoorlijk in de behoefte aan schoeisel te
kunnen voorzien, moet in elk garnizoensmagazijn steeds voor
ieder man, die zich met groot-verlof afwezig bevindt, voorhan-
den zijn een paar passende schoenen of laarzen, naar gelang van
het wapen, waartoe hij behoort.
Tot dat doel moet thans al dadelijk en voortaan jaarlijks op
1 Oetober door de commandeerende officieren van de korpsen in
elk garnizoen, aan den toeziende-chef van het garnizoensraagazijn
opgaaf worden gedaan van de hoeveelheid schoenen en laarzen
van elke afmeting, welke bij eventueele mobilisatie noodig wordt
geacht.
De toeziende-chef zorgt, dat die hoeveelheid schoenen en laar-
zen steeds aanwezig is, boven en behalve den gewonen voorraad,
bij § 924 hierna bedoeld. Ten einde ten allen tijde spoedig
kunne worden geconstateerd, dat de voorraad voldoende is, moe-
ten de zoo even bedoelde opgaven met eene verzameling daarop
in het magazijn voorhanden zijn. (a. »., § 5).
§ 924. In de garnizoensmagazijnen moet in den aanvang van
elk kwartaal voorhanden zijn een voorraad kleeding en uitrusting,
ruim voldoende voor de gewone behoefte in vredestijd gedurende
drie maanden, waarin geene lichting miliciens ouder de wapenen
komt. De aanvragen om goederen worden daarnaar ingericht.
-ocr page 357-
goederen van de n/ilicienK-verlofgangert.                343
§ 925- De voorraad, welke volgens § 924 in elk magazijn
aanwezig moet zijn, wordt door den hoof\'dintcndant bepaald in
overleg met de tocziende-chefs over de magazijnen.
Tot dat einde wordt al dadelijk zoodra mogelijk door gemelde
chefs aan den hoofd intendant een voorstel gedaan. Een staat
van den bepaalden voorraad wordt in het magazijn opgehangen,
opdat elkeen, die daartoe geroepen is, zich kunne overtuigen, dat
het bepaalde in de vorige § wordt nageleefd.
Op den vastgestclden voorraad moet voortdurend het oog
worden gehouden, en dus — zoo die te groot of te klein blijkt —
voorstellen tot wijziging gedaan worden, (a. »., § 7).
§ 926. Zoo daartoe tegen billijken prijs gelegenheid bestaat,
zal de voorraad gedragen lakeusehe klerdingstukken, met. waarde
ingenomen, voor \'s üijks rekening worden uitgestoomd en die
bewerking ook worden toegepast op de lakensche kleedingstukken,
die gaandeweg met waarde worden ingeleverd. De toeziende-chefs
van de garnizoensmagazijnen doen daartoe een voorstel aan den
hoofdintendant, die deswege beslist, (a. v., § 8).
L. Van den milicien-verlofganger en van zijne verplichtingen. (60)
§ 927. De verlofganger geniet gedurende zijnen verloftijd
geen soldij, noch toelage uit \'s llijks kas. {Militiemet, art. 132,
B. U., Jan//. 1).
{ 928. De verlofganger meldt zich binnen dertig dagen na
(60) De ingelijfde loteling, wien krachtens art. 137 der militiewet (§ 795)
ontheffing van den werkelijken dienst is verleend, is in den eigenlijken zin
des woords geen verlofganger, in dier voege, dat de bepalingen van de artt.
133—137 der wet (§§ 928, 029, 931 en 935) op hem van toepassing zijn.
Gedurende den tijd zijner ontheffing is hij tot geenerlei opkomst verplicht.
(Jf. v. B. Z. 31 Oct. 1864, n\\ 235).
Miliciens, aan wie dadelijk na hunne inlijving verlof tot nadere oproe-
ping wordt verleend {zie o. a. de §§ 817—819), zijn, hoezeer hun een
verlofpas wordt uitgereikt, niet te beschouwen als verlofgangcrs in den
zin van art. 131 der militiewet (§ 881). Zij verkeeren toch in geen der ge-
vallen, bij dat artikel bedoeld; de strafbepaling van art. 137 dier wet
(i 935) kan dus niet op hen toepasselijk ziju. Aan de oproeping voor den
werkelijken dienst niet voldoende, moeten zij overeenkomstig art. 145
(§ 981) als deserteur afgevoerd en behandeld worden. (M. v. B. Z. 1 Sepl.
1874, »°. 88).
-ocr page 358-
344                        XXX. Milicien-verhfganger.
den dag, waarop hem de verlofpas is uitgereikt, bij don burge-
meester zijner woonplaats (*) aan, ten einde deze zijnen ver-
lofpas voor gezien teekene. (61) [a. »., art. 133].
De verlofganger, die zich in eene andere gemeente gaat ves-
tigen, geeft daarvan kennis aan den burgemeester zijner vroon-
plaats. Binnen dertig dagen na den dag, waarop hij komt in
de gemeente, waarin hij zich vestigt, meldt hij zich aan bij den
burgemeester dier gemeente, ten einde deze zijnen verlofpas voor
gezien teekene. (61) [a. v., art. 134],
§ 929. De burgemeester van elke gemeente houdt een afzon-
derlijk register van de in zijne gemeente gevestigde verlofgangers
en teekent daarin aan wie vau hen de gemeente hebben verlaten
of overleden zijn. (a. »., art. 135).
Het register, vermeld in art. 135 der wet {vorig lid) is
ingericht overeenkomstig het daarvoor gegeven model n°. 26.
{K. B. 8 Mei 1862, Sl.bl. n°. 46, art. 75, B. U„ Aanh. 42).
§ 930. Binnen acht dagen na het overlijden van eenen ver-
lofganger geeft de burgemeester der gemeente, waar het o ver-
lijden plaats had, daarvan kennis aan den Commissaris der
Koningin in de provincie, zoomede aan den commandeerendcn
officier van het korps, waartoe de overledene verlofganger bc-
hoorde. (a. »., art. 78).
§ 931. De verlofganger van de militie te land mag zicli
zonder toestemming van den Minister van Oorlog niet langer
dan gedurende vier weken buitenslands begeven. {Wet a. v.,
art.
136).
§ 932. De Minister van Oorlog heeft op de Commissarissen
der Koningin de bevoegdheid overgedragen, om aan verlofgan-
gers, die zich voor hun bestaan of onderhoud voor hoogstens
zes maanden naar een der aangrenzende vreemde Kijken — België
of Duitschland — wenschen te begeven, daartoe, namens hem,
de toestemming te verleenen, onder verplichting van te zorgen,
(*) Door „woonplaats" wordt hier verstaan de gemeente, waar de milicien
zich, na bekomen verlof, vestigt.
(61) De veïlofpa3 moet dus worden afgeteekend door den burgemeester
zelven, of door dengene, die hem, bij ongesteldheid, afwezigheid of ontsten-
tenis, overeenkomstig art. 77 der Gemeentewet vervangt en niet door den
gemeente-secretaris of een beambte der Secretarie. {31. v. B. Z. 7 April
1886, >,". 453).
-ocr page 359-
XXX. Milkien-verlofganger.                       345
dat hun adres buitenslands steeds bij den burgemeester hunner
erkende woonplaats hier te lande bekend zij, en op de eerste
oproeping, hetzij voor inspeetiën, hetzij tot opkomst in wer-
kelijken dienst, onverwijld naar Nederland terug te keeren.
(M. A. 2 Oct. 1863, n\\ \\P).
§ 933. Voor het deelnemen aan de vissc/terij behoeven de
verlofgangers van de militie te land de toestemming niet van
den Minister van Oorlog. Aan deze verlofgangers is derhalve
volkomen vrijheid gelaten om het visschersberoep uit te oefenen,
tenzij ze zich daartoe langer dan vier weken buitenslands moeten
begeven, in welk geval zij de in § 931 bedoelde toestemming
behoeven.
De Minister van Oorlog heeft op de Commissarissen der Koningin
de bevoegdheid overgedragen, om aan verlofgangers der militie
te land, die zich tot het deelnemen aan de kust- of de haring-
visscherij
voor hoogstens zes maanden buitenslands verlangen te
begeven, daartoe, namens hem, de toestemming te verleenen.
Bedoelde verlofgangers worden door de aan hen te verleenen
vergunning tot verblijf buitenslands niet ontheven van de op hen
rustende verplichting tot het verschijnen voor den militiecommis-
saris om door dezen te worden onderzocht, en evenmin van die,
om te voldoen aan eene eventueele oproeping in werkelijker!
dienst. Van de verplichting tot opkomst voor herhalingsoefeningen
wordt hun uitstel verleend tot na afloop der visscherij, mits ze
zich daartoe, per gezegeld request, aan den Minister van Oorlog
wenden en indien de belangen van den dienst zulks toelaten en
er overigens geen redenen mochten bestaan om hun de gevraagde
gunst te weigeren. (M. A. 3 Mei 1882, n\\ 33).
§ 934. Aan verlofgangers van de militie te land — plaats-
vervangers en nummerverwisselaars uitgezonderd —, die met hun
gezin naar Noord-Amerika of naar andere buiten Europa gelegen
landen willen uitwijken en die, wanneer zij alleen moesten ach-
terblijven, wellicht hun middel van bestaan zouden verliezen wordt,
indien zij niet in werkelijken dienst zijn opgeroepen, de toestem-
ming tot landverhuizing niet geweigerd, met dien verstande even-
wel, dat van die toestemming moet worden gebruik gemaakt
binnen den tijd van ééne maand na den datum, tegen welken zij
is verstrekt geworden, zullende zij daarna als vervallen worden
beschouwd. Ook zullen de miliciens daardoor vóór hun vertrek
-ocr page 360-
346                       XX.X. Milicien-verin fi/anff r-f.
van geene hunner verplichtingen ten opzichte van de militie
ontheven zijn.
Overigens wordt de vergunning tot uitwijking hiervoren be-
doeld slechts verleend aan miliciens, die hun vierde dienstjaar
hebben volbracht.
Miliciens-verlofgangers, die bij het korps schuld ten laste van
hunne uitrusting" en reserverekening hebben achtergelaten, moeten,
onverminderd hunne voldoening aan de overige gestelde voor-
waarden, vooraf hunne schuld aanzuiveren. De burgemeesters
zijn met deze bepaling in kennis gesteld, ten einde de belang-
hebbenden eventueel in deze te kunnen voorlichten; terwijl de
Commissarissen der Koningin zijn uitgenoodigd bij hunne ter zake
betrekkelijke adviezen ook te willen opgeven, of de milicien-
verlofganger die zich in een ander werelddeel wenscht te vestigen,
bereid is tot gemelde aanzuivering over te gaan. (M. A. 7 Fe/>.
1873, n\\ 65P, 26 Juni 1880, n". 31, 24 Mei 1884, n\\ 71
en 6 Sept. 1889, n\\ 55).
§ 935. De verlofganger, die art. 133, 134 of 136 (§ 928
of 931) niet naleeft, wordt in werkelijken dienst geroepen en
gedurende drie maanden gehouden. (Wet a. »., art. 137).
Wanneer een verlofganger niet heeft voldaan aan art. 133
of 134 der wet (§ 928) of art. 136 (§ 931) heeft overtreden,
geeft de burgemeester daarvan, na gedaan onderzoek omtrent
de verblijfplaats van den verlofganger, kennis aan den Commis-
saris der Koningin in de provincie.
De Commissaris der Koningin in de provincie doet daarvan
mededeeling aan den Minister van Oorlog indien de verlofganger
tot de militie te land behoort.
Deze minister zorgt dat aan art. 137 der wet (zie al. 1 dezer §)
worde voldaan. (K. B. a. v., art. 77).
§ 936. De oproeping van verlofgangers die ingevolge art. 137
der militiewet onder de wapenen moeten komen, geschiedt door
de korpscommandanten, na daartoe bekomen machtiging, door
tussohenkomst van de Commissarissen der Koningin. {Voorscltr.
M. B.
19 September 1892, n. 36, art. 31, R. M. 574).
De manschappen die op grond van art. 137 der militiewet
onder de wapenen komen, worden, in overeenstemming met ge-
zegd artikel, gedurende drie maanden in werkelijken dienst ge-
houden, (a. »., art. 32).
-ocr page 361-
XXX. Milicicn-nerhffffingpf.                        347
Aan hen mag, al verkeercn zij daartoe overigens in de termen,
het paspoort niet worden uitgereikt voor en aleer zij aan hunne
verplichtingen in dit opzicht hebben voldaan. (M. B. 3 Maart
1881, n\\ 39).
Gelijk rapport als in § 798 bedoeld wordt aan het Departe»
raent van Oorlog ingezonden, indien verlofgangers, krachtens art.
137 der militiewet opgeroepen, binnen drie dagen na den tijd,
voor hunne opkomst vastgesteld, niet bij het korps zijn aange-
komen. (Voonehr. a. v., art. 44).
§ 937. Al hetgeen hierna in de §§ 967 — 974, 977—983
en 985—987 is medegedeeld ten aanzien van de miliciens ver-
lofgangers, die krachtens art. 125 der militiewet zijn opgeroepen
om opnieuw in den wapenhandel te worden geoefend, is ook
toepasselijk op de verlofgangers, die krachtens art. 137 dier wet
in werkelijken dienst worden geroepen, met dien verstande, dat
het afschrift, in § 986 bedoeld, behoort te worden overgelegd
bij het rapport in de voorgaande § vermeld.
§ 938. Het Crimineel Wetboek en het lleglement van krijgs-
tucht voor het krijgsvolk te lande zijn op de manschappen der
militie te land, die zich onder de wapenen bevinden, van toe-
passing, en, met opzicht tot de verschillende gevallen van desertie
op al de bij de militie te land ingelijfden.
Die manschappen worden geacht onder de wapenen te zijn:
1°. zoolang zij zich bij hun korps bevinden;
2°. gedurende den tijd, dien het in art. 188 (§ 940) bedoeld
onderzoek duurt;
3°. in het algemeen, wanneer zij in uniform zijn gekleed. (62)
[Militiewet, art. 130, B. U., Janh. Ij.
Op de overweging, dat tot dusver niet was voorgeschreven
hoe moet gehandeld worden ten aanzien van miliciens-verlofgan-
gers, aan wie, krachtens art. 130 der militiewet, door eene
(62) De bepaling onder 3°. van art. 130 der militiewet onderscheidt niet
tusschen miliciens met groot- en met klein-verlof; die bepaling is integen-
deel zoo algemeen mogelijk en in ondubbelzinnige woorden gesteld, en er
kan dus voor den rechter geen reden zijn om eenig milicien, hetzij dan met
groot", hetzij met klein-verlof, die in het geval verkeert van «in uniform
te zijn gekleed",
daaronder niet te begrijpen, of in strijd met die uitdrukke-
lijke bepaling, te beschouwen als niet onder de wapenen zijnde. {Arrest
Hoogen Raad der Ned.
10 Maart 1873).
-ocr page 362-
348                       XXX. Milicim-terlojganger.
andere militaire autoriteit dan de müitiecomrnissarissen cene dis-
ciplinare straf wordt opgelegd, is bepaald, dat zij die straf zullen
ondergaan in de arrestkamer van een der korpsen ter plaatse
aanwezig en tot dat einde, zoo noodig bij dat korps in subsistentie
behooren te worden gesteld, onder genot van soldij en brood.
(Jf. B. 15 Aug. 1874, n". 47P, B. U., Jank. 83).
§ 939. Verlofgangers van de militie te land, op wie het
Crimineel Wetboek voor het krijgsvolk te lande is toegepast,
worden, bijaldien, door den krijgsraad hunne bestraffing aan de
krijgstucht is overgelaten naar hun korps gerenvoyeerd, en wel
rechtstreeks, zoo liet in de hoofdplaats gestationneerd is, of anders
door tusschenkomst van den provinciale-ndjudant ten einde daarbij
de hun op te leggen straf te ondergaan, waarna zij dadelijk weder
in het genot van verlof worden gesteld.
Verlofgangers van de militie te land, die enkel tot detentie
zijn veroordeeld, worden, na het ondergaan daarvan, aan den
commandant van hun korps, bijaldien dit in de hoofdplaats ge-
stationneerd is, of anders aan den provinciale-adjudant overge-
geven en door dezen weder met verlof huiswaarts gezonden.
In het geval dat verlofgangers der militie te land van eene
tegen hen ingebrachte beschuldiging, onder anderen van desertie
worden vrijgesproken, worden zij op gelijke wijze als in de vorige
zinsnede is vermeld, aan de militaire autoriteit overgegeven, ten
einde te worden behandeld, zooals hunne positie en de aard der
zaak medebrengt, terwijl bij onzekerheid daaromtrent, te hunnen
aanzien, de bevelen van het Departement van Oorlog moeten
worden gevraagd. (M. B. 7 Juni 1862, n\\ 56.8, ad art. 130
der wet, B. U., Aanh. 42).
M. Van het jaarlijksch onderzoek van de verlofgangers der
militie te land.
§ 940. De verlofgangers van de militie te land worden
jaarlijks ten minste eenmaal op den door den Koning te bepalen
tijd door den militiecommissaris onderzocht. {Militieioet, art. 138,
B. U., Aanh. 1).
Het onderzoek van de verlofgangers der militie te land,
vermeld in art. 138 der wet, geschiedt eenmaal \'s jaars in de
-ocr page 363-
XXX. Jaarlij ksuh onderzoek.
349
maand Juni. (*) (K. B. 8 Mei 1862, St.bl. n". 46, art. 79,
B. U., Aunli. 42).
Aan de verlofgangers der militie te land uit Liraburg die
gedurende geruimen tijd van het jaar in Pruisen werkzaam zijn
met het vervaardigen van brik- en tichelsteenen, en aan die,
welke het beroep van binnenvaarder of schelpvisscher uitoefenen,
kan worden vergund, om het bij art. 138 der militiewet be-
doelde onderzoek, op een ander tijdstip te ondergaan, dan
waarop het volgens art. 79 van het K. B. dd. 8 Mei 1862
(St.bl. n". 46) plaats heeft, mits zij zich dan daartoe op den
door den Commissaris der Koningin nader te bepalen tijd in de
hoofdplaats der provincie bij den militiecommissaris vervoegen.
Van den uitslag van het onderzoek dier verlofgangers moet
te zijner tijd door tusschenkomst van den Commissaris der Ko-
ningin een verslag aan het Departement van Binnenlandsche Zaken
worden ingezonden. (M. J. 20 April 1864, n°. WIP, 5 Nov.
1868, n\\ 62P, en 17 Maart 1880, n\\ 27).
De verlofgangers, aan wie ingevolge de op de Commissarissen
der Koningin in de provinciën verstrekte machtiging uitstel van
het jaarlijksch onderzoek is verleend in het jaar, hetwelk bij dit
uitstel betrokken is, kunnen van dit onderzoek worden vrijgesteld,
zoo zij inmiddels aan eene krachtens art. 125 der militiewet
bevolen oproeping tot opkomst onder de wapenen hebben vol-
daan. (M. v. B. Z. 4 Mei 1892, n\\ 730 M).
§ 941. De Commissaris der Koningin in de provincie bepaalt
de plaatsen, dagen en uren, waarop het onderzoek zal plaats hebben.
Hiervan geschiedt in elke gemeente door burgemeester en
wethouders, ten minste tien dagen te voren, openbare kennis-
geving. (Wet a. v., art. 139).
Deze openbare kennisgeving moet worden gesteld in dien zin,
dat daaruit blijke, dat alle verlofgangers der militie te land,
om het even tot welke lichting zij behooren, voor zooveel zij
vóór 1 April van het jaar der inspectie in het genot van on-
bepaald verlof zijn gesteld, aan het onderzoek moeten deelnemen.
(M. v. B. Z. 14 Jan. 1880, Litt. A).
(*) In 1894 zal het onderzoek van de verlofgangers, aan wie is toege-
staan dat onderzoek later dan in Juni te ondergaan, plaats hebben in Novem-
ber of in December.
-ocr page 364-
XXX. Juarüjksch onderzoek.
350
§ 942. De ingelijfd en bij de militie, die door den Koning
van den werkelijken dienst zijn ontheven, zijn, gedurende den
tijd voor welken de ontheffing is verleend, niet aan het onder-
zoek onderworpen. (K. B. a. »., art. 83).
§ 943. Door den burgemeester van de woonplaats der be-
langhebbenden worden, zoo noodig, passage-billettcn voor veren,
op de heen- en terugreis over te gaan, afgegeven aan de mili-
ciens, die door den militiecommissaris moeten worden onder-
zocht, en zich daartoe, in uniform gekleed, begeven naar de
plaatsen, waar het onderzoek moet geschieden, of daarvan terug-
keeren.
Worden de in deze bedoelde miliciens door stremming der
communicatie verhinderd, na het onderzoek naar hunne woon-
plaats terug te keeren, en moeten zij dus op reis overnachten,
dan worden zij voor rekening van het Rijk bij de ingezetenen
gehuisvest en gevoed. Daarvoor worden verklaringen model u°. 2
opgemaakt. [Foorschr. M. B. 27 Mei 1892, «°. 105, § 19,
R. M. 338).
§ 944. Ten minste veertien dagen vóór den eersten dag van
het onderzoek, d. i. vóór den dag, waarop het onderzoek in het
algemeen
aanvangt, zendt de burgemeester van elke gemeente het
register, in § 929 vermeld, aan den militiecommissaris.
De militiecommissaris maakt uit de ontvangen registers eene
lijst op van de verlofgangers, die tot liet onderzoek moeten op-
komen, en zendt de registers, na afloop van het onderzoek, aan
de burgemeesters terug. (A*. B. a. v., art. 80, en M. B. 3 Feb.
1863, n°. 129).
§ 945. In plaatsen waar garnizoen aanwezig is, zal aan de
militie-commissarissen, tot uitoefening van hunne functiën en van
hun gezag bij het houden van inspectiën over miliciens-verlof-
gangers, militaire hulp en bijstand worden verleend. (M. B. 6
Maart 1893, n°. 30, art. 6,\'§ 1, R. M. 138).
De militiecommissaris wordt in het onderzoek bijgestaan door
twee onderofficieren, die daartoe worden aangewezen, op aanvrage
van den militieeommissaris, door of vanwege den bevelhebber
in de militaire afdeeling, waartoe de provincie behoort. {K. B.
a. v., art.
81).
§ 946. De verlofganger verschijnt bij het onderzoek in uniform
gekleed en voorzien van de kleeding- en uitrustingstukken, hem
-ocr page 365-
XXX. Juarl\'ijkxch uudersoei.                       351
bij zijn vertrek met verlof medegegeven, van zijn zakboekje en
van zijn verlofpas. {Wet a. v., art. 140).
§ 947. In de zakboekjes der miliciens moet de staat, aan-
wijzende welke klcedingstukken bij vertrek met groot-verlof zijn
medegenomen, nauwlettend worden ingevuld, opdat de militie-
commissarissen bij het jaarlijksch onderzoek kunnen beoordeelen
of de verlofgangers art. 140 der militiewet naleven. {Voorschr.
M. B.
19 Sepi. 1892, n°, 36, art. 22, R. M. 574).
§ 948. Behoudens liet bepaalde in art. 130 kan een arrest
van twee tot zes dagen, te ondergaan in de naastbij gelegen
provoost of\' het naastbij zijnde huis van bewaring of arrest, door
den militiecommissaris worden opgelegd aan den verlofganger:
1°. die zonder geldige reden niet bij het onderzoek verschijnt;
2°. die, daarbij verschenen zijnde, zonder geldige reden, niet
voorzien is van de in de voorgaande § vermelde voorwerpen ;
3". wiens kleeding- of uitrustingstukken bij het onderzoek niet
in voldoenden staat worden bevonden;
4°. die klceding- of uitrustingstukken, aan een ander bchoo-
rende, als de zijne vertoont. {Wet a. »., art. 141).
§ 949. Is de verlofganger, wien krachtens de voorgaande
paragraaf arrest is opgelegd, bij het onderzoek tegenwoordig, dan
kan hij dadelijk onder verzekerd geleide in arrest worden gebracht.
I9 hij niet tegenwoordig en onderwerpt hij zieh niet aan de
hem opgelegde straf, dan wordt hij, op schriftelijke aanvrage van
den militiecommissaris, te richten aan den burgemeester der woon-
plaats van dien verlofganger, aangehouden en onder verzekerd
geleide naar de uaastbijgelegen provoost, of het naastbij zijnde
huis van bewaring of arrest overgebracht, (a. v., art. 142).
De verlofgangers der militie, aan wie door eenen militiecom-
missaris de strafte van gevangenis wordt opgelegd, zullen daartoe
in de naastbij gelegen provoost moeten worden opgenomen en
behandeld, zooals met andere ten gevolge van geïnfligeerde cor-
rectie aldaar bewaard wordende militairen gebruikelijk is; de
kosten, op het firrest bij den provoost vallende, zullen door den
gestrafte worden betaald. (K. B. 18 Juni 1819, »». 97, 2°,
B. ü. 37).
De verplcgingskosten van onvermogende verlofgangers der
militie, die bij gelegenheid der inspectie door den militiecom-
missaris tot gevangenisstraf zijn verwezen, kunnen door de pro-
-ocr page 366-
XXX. Jaarlijklek onderzoek.
352
voost-geweldigen op hunne declaratiën wegens deteutiekosten van
militaire gevangenen worden gebracht, mits het onvermogen van
de gestraften door eene verklaring van den militiecommissaris,
na ingewonnen informatie bij het plaatselijk bestuur waartoe zij
behooren, naar vereischte worde gestaafd. (\'A\'. B. 11 Dec. 1822,
»°. 170, B. U. 44).
§ 950. Den burgemeesters is aangeschreven, om te zorgen,
dat bij de opname in de gevangenis van door de militiecommis-
sarissen gestrafte verlofgangers, die zich niet onmiddellijk in
arrest begeven maar wier strafbrieven, ter uitreiking aan de
gestraften, worden toegezonden aan de burgemeesters der gemeenten
waar de gestraften verblijf houden, hunne identiteit door een\'
politiebeambte der betrokken gemeente worde geconstateerd.
Den gestrafte moet worden aangeschreven om zich op een be-
paalden tijd in de gevangenis te bevinden, om daar in bijzijn
en onder controle, wat de identiteit betreft, van den dienaar
van de openbare macht te worden opgenomen. De reiskosten van
politiebeambten, belast met het constateeren der identiteit van
disciplinair gestrafte miliciens-verlofgangers, komen ten laste van
het Departement van Oorlog.
Begeleiding van eenen gestraften verlofganger naar de aange-
wczen gevangenis door een\' politiebeambte mag alleen dan plaats
hebben, wanneer de verlofganger niet mocht voldoen aan de
aanschrijving om zich op een bepaald tijdstip in die gevangenis
te bevinden. (Jf. v. B. Z. 22 Dec. 1882, »°. 1560 M. en van
23 Juli 1890, »•. 4159).
§ 951. Onverminderd de straf in art. 141 (§ 948) vermeld,
is de verlofganger verplicht, op den daartoe door den militie-
commissaris te bepalen tijd en plaats, en op de in art. 140
(§ 946) voorgeschreven wijze, voor hem te verschijnen om te
worden onderzocht. {Wet a. v., art. 143).
§ 952. De verlofganger, die zich bij herhaling schuldig maakt
aan het feit, sub 4. van art. 141 (§948) bedoeld, of niet over-
eenkomstig art. 143 (§ 951) voor den militiecommissaris verschijnt,
of, aldaar verschenen zijnde, in het geval verkeert sub 2°. en 3°.
van art. 141 (§ 948) vermeld, wordt onder de wapenen geroepen
en van drie tot zes maanden gehouden, (a. »., art. 144).
§ 953. De militiecommissarissen hebben, met opzicht tot de
toepassing van het Reglement van krijgstucht voor het krijgs—
-ocr page 367-
XXX. JaarUjkscIt onderzoek.
353
volk te lande op de verlofgangers, bij gelegenheid van de in-
spectiën, dezelfde bevoegdheid, als bij art. 43 van het reglement
aan de commandanten van gedetacheerde onderdeden van korpsen
is toegekend, terwijl zij de krachtens dat reglement op te leggen
straffen op gelijke wijze zullen doen ondergaan als die, welke
ingevolge art. 141 der wet (§ 948) worden opgelegd. {M. B.
7 Juni 1862, n°. 565, ad art. 141, B. U., Aanh. 42).
§ 954- De militiecommissarissen zijn uitgenoodigd, van de
door heil aan de miliciens-verlofgangers opgelegde en door dezen
ondergane straffen rechtstreeks opgave te doen aan de comman-
deerende officieren der korpsen, die moeten zorgen dat van die
straften in de strafregisters aanteekening geschiedt. (Jüf., A.\\b
Sept.
1859, »°. 40fl, B. U. 226).
§ 955. De militiecommissaris doet, overeenkomstig de hem
daaromtrent door den Minister van Binnenlandsche Zaken gege-
ven voorschriften, van het gehouden onderzoek verslag met op-
gave van de door hem gestrafte manschappen en van hen, die,
volgens art. 144 der wet, (§ 95 2) onder de wapenen moeten
worden geroepen. {K. B. 8 Mei 1862 , StM. n. 46, art. 82,
B. £/., AanJi. 42).
Dit verslag moet bevatten een algemeen overzicht van de op-
komst en van het gedrag der manschappen gedurende het onder-
zoek, zoomede van den toestand hunner kleeding- en uitrusting-
stukken.
Bij het verslag moeten worden overgelegd twee staten: de
eeue, gemerkt A, van de verlofgangers, op wie art. 130 of de
artt. 141—143 der militiewet zijn toegepast en die de hun op-
gelegde straf hebben ondergaan; de andere, gemerkt B, van de
verlofgangers, welke op grond van art. 144 der militiewet onder
de wapenen behooren te worden geroepen. Ten aanzien van laatst-
bedoelde verlofgangers behooren bij het verslag te worden over-
gelegd afschriften van de plaats gehad hebbende openbare ken-
nisgevingen. (*)
Alvorens achtergeblevenen vau het onderzoek op den staat B
te brengen, behoort de militiecommissaris zooveel mogelijk te
onderzoeken, of voor het achterblijven geldige redenen hebben
bestaan, opdat niet noodeloos manschappen ter oproeping worden
(*) Zie aaugaaude deze afschriften de noot 67 op $ 983.
23
-ocr page 368-
354                       XXX. Jaarlij ksch onderzoek.
aangewezen, die voor diligent zijn te houden, gelijk b. v. de zoo-
danigeu, welke vóór den aanvang van het onderzoek ingevolge
art. 9 der militiewet eene vrijwillige verbintenis bij het leger
hebben aangegaan of die overeenkomstig art. 126 dier wet of
uit anderen hoofde onder de wapenen zijn gekomen. (Jf. v. B. Z.
80 Mei 1862, n\\ 253, en 12 April 1876, u°. 34).
De geneeskundige verklaringen, aan den militiecommissaris
ingeleverd ten blijke dat verlofgangers wegens ziekte of ge-
breken in de onmogelijkheid verkeeren om ten bepaalden dage
ter inspectie of na-inspectie te verschijnen, behoeven niet bij
het verslag te worden overgelegd, maar kunnen onder den
militiecommissaris blijven berusten. (Jf v. B. Z. 1 Mei 1889,
»". 617-M).
Wanneer verlofgangers aan het onderzoek geen deel hebben
genomen, omdat zij zich in hechtenis bevonden, moeten in het
verslag worden opgegeven hunne namen en voornamen, de ge-
meente en hut lichtingsjaar, waarvoor zij zijn ingelijfd, hunne positie
en het korps, waartoe zij behooren, met vermelding, zoo zij
gevonnisd zijn, van de dagteekening van het vonnis, van het
rechterscollege waardoor het gewezen is, van het feit waarvoor
de straf is uitgesproken, en van de opgelegde straf; van deze
uitspraken behoeven geen afschriften of uittreksels gevraagd of bij
het verslag gevoegd te worden. De hierbedoelde verlofgangers
mogen niet op den staat B ter oproeping worden voorgedragen.
De reden, waarom zoodanige verlofgangers niet bij het onderzoek
verschenen, geldig zijnde, kuunen zij wegens hun achterblijven
noch gestraft, noch onder de wapenen geroepen worden. (M v.
B. Z.
31 Oct. 1864, n\\ 234 en 1 Mei 1889, n\\ 617 M).
Uit de verslagen van de militiecommissarissen moet blijken,
dat door hen aan de korpscommandanten opgaaf is gedaan van
de verlofgangers, wier militaire kleedingstukken door brand of
andere ongevallen zijn vernield. (M. v. B. Z. 6 Feb. 1867, n°. 194).
Aan de militiecommissarisseu is opgedragen, om, indien door
hen bij het onderzoek, ten aanzien van miliciens-verlofgangers,
die zich van de eene gemeente in de andere hebben gevestigd,
zakboekjes worden aangetroffen waarin de aangegeven marsch-
routen en het vervoerbewijs (zoo noodig) niet veranderd zijn,
daarvan in het verslag te doen blijken, met vermelding der
namen van de verlofgangers, alsmede der gemeeuten waar zij
-ocr page 369-
XXX, JaarlijfacJi onderzoek.                       855
woonachtig zijn en van het korps waartoe zij behooven. (M. v.
B. Z.
1 Ma 188!), n\\ 617 M.).
Uit de verslagen van liet jaarlijkscb onderzoek is gebleken,
dat terwijl door verschillende militiecommissarissen de zakboekjes,
voor zooveel noodig, aan de bij de zaak betrokken korpscom-
mandanten ter verbetering zijn opgezonden, enkele zich die zak-
boekjes daarna weder hebben doen vertoonen, ten einde zich te
overtuigen, of de verbeteringen waren aangebracht.
Hoezeer het alleszins noodig is dat de militiecommissaris van
den in dezen betrokken burgemeester bericht ontvangt, dat de
vereischte verbeteringen geschied zijn, is het niet wenschelijk,
dat de zakboekjes aan den militiecommissaris opnieuw ter inzage
worden opgezonden, omdat de milicien-verlofganger daardoor langer
dan noodig is verstoken blijft van de vervoerbewijzen voor eene
opkomst met spoed. (M. v. B. Z. 22 Juni 1891, »". 708 M).
§ 956. De oproeping van verlofgangers die ingevolge art.
144 der militiewet (§ 952) onder de wapenen moeteu komen,
geschiedt door de korpscomraandanten, na daartoe bekomen mach-
tiging, door tusschenkomst van de Commissarissen der Koningin.
{Foorschr. M. B. 19 Sept. 1892, n°. 36, art. 81, R. M. 574).
§ 957. Ten aanzien van degenen die ingevolge art, 144 der
militiewet (§ 952) moeten worden opgeroepen, wordt door het
Departement van Oorlog telkens bepaald hoelang zij onder de
wapenen moeten blijven, (a. »., art. 32).
§ 958. Ten opzichte van de ingevolge art. 144 der militie-
wet (§ 952) opgeroepen verlofgangers wordt overigens in acht
genomen: 1". dat aan hen die door den militiecommissaris met
provoostarrest zijn gestraft, doch dat arrest niet hebben onder-
gaan, de bedoelde straf dadelijk na hunne opkomst bij het korps
ten uitvoer gelegd worde; 2°. dat zij die bij de opkomst uit-
rustingsstukken missen, of van wie deze onbruikbaar worden
geacht, van andere voorwerpen van uitrusting, echter van geene
dan de volstrekt noodige, worden voorzien; 3°. dat zij, die in
evengemeld geval verkeeren, tot aanzuivering zooveel mogelijk
van de schuld, uit de voormelde verstrekking voortgevloeid, zoo
noodig tot zes maanden toe of tot de expiratie van hunnen
diensttijd, zoo deze vroeger invalt, in werkelijken dienst worden
gehouden, (o. »., art. 33); 4". dat aan hen, al verkeeren zij
daartoe overigens in de termen, het paspoort niet mag wordeu
-ocr page 370-
350
XXX. Jaarlijkse?/ onderzoek.
uitgereikt vóór en aleer zij aan hunne verplichting in dit opzicht
hebben voldaan. (M. A. 2 Feb. 1881, u°. 19).
§ 959. Gelijk rapport als in § 7\'J8 bedoeld wordt aan het
Departement van Oorlog ingezonden, indien verlofgangers, krach-
tens art. 144 der militiewet (§ 952) opgeroepen, binnen drie
dagen na den tijd, voor hunne opkomst vastgesteld, niet bij het
korps zijn aangekomen, (a. v., art. 44).
§ 960. Al hetgeen hierna in de §§ 967—974, 977 — 983
en 985 — 987 is medegedeeld ten aanzien van de milicicns-ver-
lofgangers, die krachtens art. 125 der militiewet zijn opgeroepen
om opnieuw in den wapenhandel te worden geoefend, is ook
toepasselijk op de verlofgangers, die krachtens art. 144 dier
wet in werkelijken dienst worden geroepen, met dien verstande,
dat het afschrift, in § 986\' bedoeld, behoort te worden overge-
legd bij het rapport in de voorgaande § vermeld.
Voorts worden betreffende den verlofganger die niet voldaan
heeft aan eene te zijnen aanzien gedane oproeping voor den wer-
kelijken dienst krachtens art. 144 der militiewet bewerkstelligd,
aan den commandeerende-officier van het korps door het Depar-
tement van Oorlog toegezonden de afschriften der openbare ken-
nisgevingen van de oproepingen ter inspectie en ter na-inspectie;
deze stukken behooren eveneens te worden bewaard tot gelijk
einde als in § 987 is vermeld, («. »., art. 48).
N. Van de herhalingsoefeningen,
§ 961. De militie te land komt in gewone tijden jaarlijks
eenmaal te zamen om gedurende niet langer dan zes weken in
den wapenhandel te worden geoefend, tenzij de Koning het raad-
zaam mocht oordeelen, dat samenkomen geheel of gedeeltelijk
achterwege te laten. (*) {Militiewet, art. 125, B. U., Aanli. 1).
§ 962. Moeten de manschappen der militie te land, die
daartoe krachtens art. 125 der militiewet (§ 961) gehouden zijn,
allen of ten deele worden samengeroepen om in den wapenhandel
te worden geoefend, dan ontvangen de bevelhebbers in de militaire
(*) Tot 1 Mei 1895: de verlofgangers der militie te land die hun vijfde
dienstjaar niet hebbeu volbracht.
-ocr page 371-
XXX. Herhalingsoefeningen.                        357
afdeelingen van den Minister van Oorlog opgave van liet aantal
miliciens of van de lichting of lichtingen, die moeten worden
opgeroepen en van den dag, waarop de manschappen, bij de
oproeping betrokken, zich bij hunne korpsen moeten bevinden.
Bedoelde bevelhebbers brengen een en ander ter kennis van de
commandanten der korpsen waarbij de miliciens moeten op-
komen, voor zooveel de staven dezer korpsen in hunne militaire
afdeeling gevestigd zijn. {Voorschr, M. B. 1!) Sept. 1892, n°. 36,
art. 26, B. M. 574).
§ 963. Wordt voor de samenkomst, bij art. 125 der militie-
wet (§ 961) bedoeld, slechts het gedeelte eener lichting opge-
roepen, dan worden daartoe in de eerste plaats aangewezen de
manschappen die indertijd niet tot samenstelling van het blijvend
gedeelte hebben gestrekt; terwijl voorts, zoo noodig, zooveel van
de overige miliciens dier lichting tot de opkomst in werkelijken
dienst worden bestemd, als vereischt worden om aan de bataljons,
eskadrons of compagnieën de bepaalde sterkte te geven, waarbij
steeds moet worden in acht genomen, dat het bepaalde getal
worde opgeroepen naar volgorde van de klassen, bij art. 124
der wet (§ 830) aangewezen, en van de nummers, vroeger door
hen bij de loting voor het blijvend gedeelte getrokken, (a. ».,
artt. 27 en 28).
§ 964. De commandeerende-officieren van korpsen doen van
al de op te roepen miliciens nominatieve staten opmaken, in
dubbel, voor elke provincie afzonderlijk en, voor zooveel de
korpsen der infanterie betreft, bataljonsgewijze ingericht, waarin
in het algemeen behoort te worden aangeduid naar welke stand-
plaats die manschappen moeten worden opgezonden.
Met deze staten wordt op gelijke wijze gehandeld als bij § 818,
tweede zinsnede, is bepaald.
Bovendien zenden die commandeerende-officieren aan de Per-
manente Militaire Spoorweg-Oommissie eene numerieke opgave,
ingericht overeenkomstig het daarvoor aangegeven model/, (a. ».,
art. 30 en M. B. 24 Juni 1893, n°. 125, B. M. 544).
§ 965. Bij eene oproeping onder de wapenen van verlofgan-
gers zorgt do burgemeester van elke gemeente voor hunne op-
zending naar de korpsen, waartoe zij behooren, of voor hunne
overbrenging naar de door den Commissaris der Koningin in de
provincie aan te wijzen plaats, alwaar de aflevering aan de
-ocr page 372-
358                        XXX. Herhalingsoefeningen.
militaire autoriteit, in § 750 genoemd, geschiedt. (K. B, 8 Mei
1862, SIM. n°. 46, art. 84, B. U., Aanli. 42). (63)
Miliciens-verlofgangers, die, opgeroepen om onder de wapenen
te komen, zonder geldige reden niet op het door den Commissaris
der Koningin in de provincie bepaalde tijdstip op de plaats voor
de aflevering bestemd, verschijnen, worden disciplinair gestraft.
(M. A. 6 Juni 1874, n\\ 26P).
§ 966. Indien eene der ziekten, vermeld onder B, h en c,
der M. B. 34 Mei 1882, n°. 56, B. U. 703, — mazelen uit-
gezonderd — in eene gemeente epidemisch heerschende is ver-
klaard, mogen verlofgangers der militie te land, in die gemeente
woonachtig, niet onder de wapenen komen zoolang die epidemie
aldaar blijft aanhouden, ook al mochten zij daartoe krachtens
door het Departement van Oorlog gegeven bevelen bereids zijn
opgeroepen.
Deze bepaling geldt echter niet ingeval bij mobilisatie van
het leger de militie met spoed onder de wapenen moet komen.
(Foorschr. M. B. 19 September 1892, n°. 36, art. 37, R. M. 574).
§ 967. De miliciens die van groot-verlof onder de wapenen
worden geroepen en in de plaats, voor de opkomst onder de
wapenen aangewezen, wonen, vervoegen zich op het bepaalde tijd-
stip bij het korps. Aan hen wordt geen daggeld verstrekt. (*)
{Voorschr. M. B. 27 Mei 1892, »°. 105, § 12, Jl. M. 328).
§ 968. De miliciens, opgeroepen als in de vorige § bedoeld,
die buiten de plaats, voor de opkomst onder de wapenen aange-
wezen, wonen, begeven zich rechtstreeks derwaarts.
Aan hen, die daartoe een afstand van 30 kilometer of minder
moeten afleggen, wordt, zoo zij dit verlangen, op den dag der
reis, een daggeld toegelegd van 25 cents, hun door den burge-
meester der gemeente te betalen. (**) Zij hebben geen recht op
vervoer voor Rijks rekening.
Op hen, die daartoe een afstand van meer dan 30 kilometer
hebben af te leggen, is het bepaalde bij de §§ 763—773 van
(63) Volgens de regeling, vastgesteld bij M.B. van 27 Mei 1892, n°. 106,
moeten de miliciens-verlofgaugcrs, die in werkelljken dienst worden geroepen,
zich rechtstreeks naar het korps begeven. (Zie dienaangaande de $ $ 907 en 968),
(*) Zie de noot 36 bij § 764.
(♦*) Zie ook § 991, e.
-ocr page 373-
XXX. Herhalingsoefeningen.                        359
toepassing, met dien verstande, dat het daggeld, bij § 763 be-
doeld, bedraagt 25 cent, ongeacht den graad, door de miliciens
bekleed, (a. v., § 13). (*).
§ 969. Onverminderd het genot van daggeld volgens de voor-
gaande §, treden de miliciens in het genot der soldij en verdere
toelagen, voor het korps, waartoe zij behooren, vastgesteld, met
den dag van aankomst bij het korps. (R. A., art. 31).
\\ 970. Op reizen van miliciens, die, uithoofde van ziekte,
zich niet naar hunne korpsen kunnen begeven, doch naar eene
militaire zieken-inrichting moeten worden gezonden, is almede
het bepaalde bij de §§ 7G3—773 van toepassing.
Is het, in verband met den aard der ziekte, noodig, voor eene
reis, die volgens § 764 te voet zou moeten worden afgelegd,
van vervoermiddelen gebruik te maken, dan wordt door den
burgemeester in het vervoer voorzien. Alsdan is, bij het bezi-
gen van vervoermiddelen volgens § 773, de daarbij bedoelde
machtiging niet noodig. Tot staving der noodzakelijkheid van
het vervoer wordt op de daarvoor af te geven bewijzen of te
nemen quitantiën door den burgemeester eene verklaring gesteld
en bekrachtigd, inhoudende, dat de belanghebbende buiten staat
is, de reis te voet af te leggen, en het noodig is, dat hij per
(spoorweg, tramweg, stoomboot, trekschuit, diligence, wagen of har
met één paard, enz.)
naar de bestemming wordt overgebracht.
(Voorschr. a. v, § 14).
§ 971. De miliciens, bij de §§ 967, 968 en 970 bedoeld,
moeten, vóór hun vertrek, door den burgemeester hunner woon-
plaats (64) op hunne verlofpassen den dag van vertrek doen
vermelden.
Zij moeten op den dag, voor de opkomst in werkelijken dienst
bepaald, vóór vier uur na den middag bij het korps aanwezig
zijn. Kan echter daardoor het onderweg inkwartieren van de
miliciens, of het geval bedoeld bij § 771 worden vermeden,
dan kan de aankomst later op den dag plaats hebben. In dat
geval wordt op den verlofpas door den burgemeester eene aan-
(*) Zie de noot 34 bij § 763.
(64) Door «woonplaats\' wordt hier verstaan de gemeente, waarin de
miliciens binnenslands gevestigd zijn. (Vnorschr. M. B. 27 Mei 1892, »". 105,
\\ 21, X. M. 327).
-ocr page 374-
360                       XXX. Herhalingsoefeningen.
teekening gesteld en bekrachtigd als volgt: lt Kan niet vóór . . .
uur in den namiddag bij zijn korps aankomen.\'" (a. v.,
§ 15).
§ 972. Op de verlofpassen wordt door den burgemeester
aanteekening gedaan van de betaalde daggelden en van de ver-
strekte vervoerbewijzen.
Tot het bekomen van inkwartiering moet de verlofpas worden
vertoond, (a »., § 22).
§ 973. Aan de miliciens die bij de opkomst onder de
wapenen bevonden worden hunne kleed ing en uitrusting te
hebben verwaarloosd of zoek gemaakt, wordt eene disciplinaire
straf opgelegd, althans voor zooveel zij op grond van art. 144
der militiewet opgeroepen, daarvoor door den militiecommissaris
niet zijn gestraft. (Voorsclir. M. B. 19 September 1892, n". 36,
art. 33, R. M. 5 74).
§ 974. Miliciens, die, tijdens zij voor herhalingsoefeningen
onder de wapenen zijn, cachot-, provoost- of gevangenisstraf
ondergaan, moeten zooveel langer onder de wapenen worden
gehouden als zij door gemelde oorzaken aan de oefeningen wor-
deu onttrokken, met dien verstande evenwel, dat in geen geval
de geheele duur van hun verblijf onder de wapenen langer dan
tot zes weken mag worden verlengd. (M. A. 24 Juni 1880, n°. 1).
§ 975. De milicien die, krachtens art. 125 der militiewet
opgeroepen om in den wapenhandel te worden geoefend, zonder
geldige reden — ter beoordeeling van den commandeerende-
officier van het korps — niet op den bepaalden tijd onder de
wapenen komt, wordt, zoo hij later opkomt, gedurende zes we-
ken in werkelijken dienst gehouden. (Voorsclir. a. v. art 35).
§ 976- Verlofgangers der militie te land, die voor herha-
lingsoefeningen onder de wapenen zijn, moeten op hnnne beurt,
volgens de wachtrolle, tot den garnizoensdienst worden gecom-
mandeerd, vermits het niet dan zeer noodzakelijk is te achten,
dat zij ook weder in dit zeer belangrijk gedeelte van den dienst
eenige instructie erlangen.
Deze vermeerdering aan dienstdoende manschappen zal echter
geenszins aanleiding mogen geven tot vermeerdering van de
wachten of posten, zullende deze gedurende het tijdvak der her-
halingsoefeningen bezet blijven, zooals deze vóór dien tijd be-
trokken waren. (Af. A. 22 Ang. 1825, n". 53, Ti. U. (37).
§ 977. Yeertieu dagen na den bepaalden dag tot opkomst
-ocr page 375-
XXX. Herhalingsoefeningen.
361
onder de wapenen van krachtens art. 125 der wet in werkelij-
ken dienst geroepen miliciens wordt door den korpscommandant
bij den Commissaris der Koningin, wien het aangaat, onderzoek
gedaan naar de reden van het achterblijven van de manschappen,
die niet aan de oproeping hebben voldaan. [Voorschr. a. v.,
artt.
13 en 34).
\\ 978. De korpscommandant verzoekt ten aanzien van die-
genen onder evenbedoelde manschappen, die wegens ziekte zijn
achtergebleven, aan den Commissaris der Koningin, wien het
aangaat, te willen zorgen dat zij, zoodra hun toestand zulks
gedoogt, zich naar het korps begeven.
Bijaldien door een behoorlijk geneeskundig getuigschrift (65)
wordt gestaafd dat zij daartoe niet in staat zijn, kunnen zij ter
zake van de opkomst voorloopig voor diligent worden gehouden,
zonder dat het noodig zij hen al dadelijk naar ecne militaire
ziekeninrichting te doen overbrengen, (a. »., artt. 14 en 34).
§ 979. Zes weken na den bepaalden dag tot opkomst onder
de wapenen van de in de voorgaande § bedoelde miliciens wordt
door de korpscommandanten aan de Commissarissen der Koningin,
wie het aangaat, verzocht, dat de wegens ziekte achtergebleven
miliciens door de zorg van het bestuur hunner woonplaats naar
de naastbij gelegen militaire ziekeninrichting worden overgebracht,
(o. »., artt. 15 en 34).
§ 980. De korpscommandant vraagt de bevelen van den
Minister van Oorlog, wanneer het blijkt dat op den tijd, bij de
vorige § bepaald, de toestand van eenen milicien zoodanig is
dat hij niet zonder nadeel voor zijne gezondheid kan worden
vervoerd; terwijl, wanneer hij in eene militaire ziekeninrichting
mocht zijn opgenomen, daarvan aan het Departement van Oorlog
kennis geseven behoort te worden, (a. v., artt. 16 en 34).
§ 981. De verlofganger der militie, die niet voldoet aan
eene oproeping voor den werkelijken dienst, wordt als deserteur
behandeld. (Militiewet, art. 145, B. U., Jan/i. 1).
§ 982. Van het uit den dienst geraken van ingelijfden bij
(65) Geneeskundige getn:gschriften, afgegeven ten behoeve van manschappen
der militie, die, tot dienst geroepen, door ziekte verhinderd worden aan de
oproeping te voldoen, zijn aan zegelrecht onderworpen. De in art. 10 der
militiewet bepaalde vrijstelling van zegelrecht is op zoodanige getuigschriften niet
van toepassing. (M. v. B. Z, 18 Oct. 1865, n", 226, en 2 April 1878, »°. 41).
-ocr page 376-
XXX. Herhalingsoefeningen.
363
de militie te land, wordt door de commandeerende officieren
der korpsen maandelijks kennis gegeven aan den Commissaris der
Koningin in de provincie en door dezen aan de burgemeesters
der gemeenten, voor welke die manschappen bij de militie zijn inge-
lijfd. (A\'. B. 8 Mei 18(52, St.M. n". 46, art. 76, B. U., Aan-h. 24).
Ingevolge het bepaalde, in de vorige zinsnede vermeld, zenden
de commandanten der korpsen op den lstc" van elke maand,
ten aanzien van de tot het korps behoorende manschappen der
militie, waaronder echter niet zijn te begrijpen diegenen, welke
daarbij eene vrijwillige verbintenis hebben aangegaan, aan den
Commissaris der Koningin, wien het aangaat, eenen staat van de
mutatiün, welke er, in de afgeloopen maand, met die manschap-
pen hebben plaats gehad, wat betreft o. a. het op de eene of
andere wijze uit den dienst geraken, waaronder ook moet worden
begrepen de afvoering als deserteur.
Deze mutatiënstaat moet worden ingericht overeenkomstig het
daarvoor gegeven model litt. aa. [M. B. 7 Juni 1862, »°. 562?.
JB. U„ Aanh. 42, en M. A. 14 Mei 1884, n\\ 58, B. U., Aanh. 114).
Ten aanzien van miliciens die als deserteur worden afgevoerd,
moet door middel van den maandelijkschen staat, model litt. aa.
aan den daarbij betrokken Commissaris der Koningin mededeeling
worden gedaan van elke rechterlijke uitspraak, welke ter zake
van de desertie mocht plaats hebben, om het even of ten gevolge
dier uitspraak de man weder bij het korps terugkeert of niet
meer in de sterkte der militie wordt opgenomen. (M. A. 13 Maart
1882, n". 63, B. U., Aanh. 87).
§ 983. De oproeping in werkelijken dienst van milioiens-
verlofgangers geschiedt bij openbare kennisgeving, te doen bij
aanplakking ter plaatse, als daartoe bij gemeentelijke verordening
aangewezen of algemeen gebruikelijk is. (66)
(66) Indien de oproeping van milicieus-verlofgangers, behoorende tot een-
zelfde onderdeel van een korps, bij gedeelten geschiedt, dan kan uit den
aard der zaak die oproeping niet anders worden bewerkstelligd dan hoofde-
lijk
en bij name.
Den Commissarissen der Koningin in de provinciën is verzocht, voor dat
geval den burgemeesters aan te bevelen, nauwkeurigheid te betrachten bij
het vermelden in de openbare kennisgevingen van de namen en voornamen
der op te roepen verlofgangers en van de tijdvakken, waarvoor de oproeping
geschiedt. {Hf. 4. 24 Jan. 1887, «°. 84).
-ocr page 377-
XXX. Herkulint/soefeiiingen.
363
Bij circulaire van den Minister van Binnenlandsche Zaken zijn
de Commissarissen der Koningin in de onderscheidene provinciën
uitgenoodigd, den onder hen staande burgemeesters aan te sohrij-
ven, om, wanneer commandeerende-officieren van korpsen dit
aanvragen, hun afschrift te doen toekomen van alle openbare
kennisgevingen waarbij miliciens-verlofgangers onder de wapenen
zijn geroepen.
Bovendien is daarin bepaald, dat die afschriften — welke, bij
vervolging van achtergebleven verlofgangers ter zake van desertie,
kunnen strekken tot bewijs dat behoorlijke oproeping heeft plaats
gehad — voorzien moeten zijn van eene door den burgemeester
onderteekende verklaring dat ude openbare kennisgeving is gedaan
BIJ AANPLAKKING, ter plaatse als daartoe hij gemeentelijke ver-
ordening aangewezen of algemeen gebruikelijk is.1\'
(67)
Bij nadere circulaires van voornoemden Minister is verder
bepaald, dat, in verband met de jurisprudentie door het Hoog
Militair Gerechtshof in deze aangenomen, in geicone omslandig-
keden
bij oproeping onder de wapenen van miliciens-verlofgangers
en andere ingelijfden bij de militie, steeds een termijn van ten
minste tien dagen bekoort te icorden gelaten lusseken de afkondi-
ging der openbare kennisgeving en den datum, voor de opkomst in
werkelijken dienst vastgesteld,
zullende noch de dag van de aan-
plakking der openbare kennisgeving noch de datum, voor de
opkomst bepaald, in dien termijn van tien dagen mogen worden
medegerekend.
Wijders is gewezen op de omstandigheid dat in sommige
openbare kennisgevingen eene clausule voorkomt, waarbij nadere
(67) De afschriften, bedoeld in de 3d* zinsnede van § 955, moeten op
aanvraag van den militiecommissaris worden afgegeven door burgemeester en
wethouders. De verklaring moet worden onderteekend door den burgemeester
en den secretaris. (M. v. B. Z. 12 April 1876, n«. 34).
De woorden «of gebruikelijk» in de verklaring waarvan hier sprake is,
komen alleen te pas, wanneer voor de aanplakking van publicatiën geene
plaats bij gemeentelijke verordening is aangewezen. Is zoodanigen aanwijzing
geschied, dan moet de verklaring slechts inhouden, dat de openbare kennisge-
ving is gedaan bij aanplakking ter plaatse daarvoor bij gemeentelijke verordening
aangewezen. Is de plaats voor de aanplakking van publicatiën niet bij veror-
dening aangewezen, dan behoort de verklaring enkel in te honden, dat de
openbare kennisgeving is gedann bij aanplakking ter plaatse daarvoor in de
gemeente gebruikelijk [M. v. B. Z. 9 Mei 1892, «". 6923/.).
-ocr page 378-
XXX. Herhalingsoefeningen.
364
hoofdelijke oproeping of kennisgeving in uitzicht wordt gesteld.
Bij het afschrift van eenc in dien zin gedane openbare ken-
nisgeving zou dan, ingeval van vervolging ter zake van deser-
tie, een authentiek bewijs moeten worden overgelegd, dat ook
die hoofdelijke oproeping of nadere kennisgeving werkelijk heeft
plaats gehad.
Ten einde bij eenc eventueele terechtstelling van achtergeble-
ven verlofgangers moeilijkheden te voorkomen ten aanzien van
de vraag of de oproeping van zoodanige manschappen in behoor-
lijken vorm is geschied, wordt het wenschelijk geacht dat de
clausule, Kaarlij nadere hoofdelijke, oproeping of kennisgeving in
uitzicht wordt gesteld, achterwege hlijve.
Voorts is bepaald, dat eene oproeping steeds den datum behoort
te vermelden, waarop de opgeroepene zich bij zijn korps moet le-
vinden,
en dat niet kan worden volstaan, zooals soms heeft
plaats gehad, met de vermelding in de openbare kennisgeving
dat de verlofganger, wien het aangaat, zich «zoo spoedig mo-
gelijk" naar zijn korps moet begeven.
Nog is voorgeschreven dat openbare kennisgevingen, om als
rechtsgeldig bewijs te kunnen dienen dat de oproeping onder
de wapenen van verlofgangers in behoorlijken vorm heeft plaats
gehad, een woordélijken last tot opkomst in werkelijken dienst van
den burgemeester moeten inhouden.
(68)
Eindelijk is er de aandacht op gevestigd dat de afschriften
der openbare kennisgevingen, ten blijke dat zij met den inhoud
dezer laatsten overeenstemmen, voor gelijkluidend afschrift moeten
zijn onderteekend, terwijl in de openbare kennisgevingen, krach-
(68) Vermits in hot algemeen bij art. 84 van het K. 13. van 8 Mei 1862,
St.il. n°. 62 (5 965), aan den burgemeester van de gemeente, waartoe een
verlofganger behoort, de zorg voor diens opzending naar zijn korps is opge-
dragen, moet die burgemeester door of vanwege den Minister van Oorlog
aangeschreven, om den verlofganger der militie in werkelijken dienst op te
roep;n, geacht worden — mits te dien aanzien noch bij de wet betrekkelijk
de Nationale Militie, noch bij voormeld Koninklijk Besluit anders is be-
paald — de voor die oproeping aangewezen ambtenaar te zijn; die oproeping
bij schriftelijke kennisgeving is derhalve eene akte, van deu daartoe bevoeg-
den ambtenaar uitgegaan, en de door den burgemeester onder die akte ge-
plaatste en ondcrteekemle verklaring, betreffende de aanplakking, maakt met
die akte een geheel uit, aangezien de oproeping eerst door die aanplakking
naar buiten werkt en alzoo wordt voltooid. (Sent. H. JU. 6. 7 Juli 1888),
-ocr page 379-
XXX. Herhalingsoefeningen.                        365
teus ccn der artt. 137, 143 en 144 der militiewet te doen, bij
de namen en voornamen der opgeroepen verlofgangers ook moeten
worden vermeld de Helding en het korps, waartoe zij behooren.
(M. B. 19 Sept. 1892, »°. 36, E. M. 574).
§ 984. Zes weken na den tijd bepaald voor de opkomst in
werkelijken dienst van de ingelijfden bij de militie, die bij hunne
indeeling tot nadere oproeping met verlof zijn gezonden of die
krachtens art. 123, art. 124 of art. 125 der militiewet onder
de wapenen worden geroepen, wordt door de commandeerende-
oflicieren van de korpsen nopens de opkomst van de opgeroepen
miliciens rechtstreeks aan het Departement van Oorlog een verslag
ingezonden, overeenkomstig een daarvoor vastgesteld model litt. e.
Bij dat verslag moeten aangaande de reden van het niet
opkomen van miliciens volledige inlichtingen worden gegeven,
en zooveel noodig en mogelijk de stukken tot staving van de
wettigheid van het achterblijven worden overgelegd. (Voorsc/ir.
a. v., art.
42).
§ 985. Onverminderd het bepaalde bij de §§ 977—980 be-
Uoort door den commaudeerende-officier van het korps, den
derden dag na dien voor de opkomst in werkelijken dienst vast-
gesteld, van het niet voldoen aan de gedane oproeping door
verlofgangers der militie te land mededeeling te geschieden aan
den burgemeester der gemeente, voor welke de verlofganger bij
de militie is ingelijfd, {a. v., art. 46).
De burgemeesters zijn uitgenoodigd, om : 1°. bij ontvangst
van bericht omtrent de niet-opkomst in werkelijken dienst van
onder de wapenen geroepen miliciens-verlofgangers, welke in
hunne gemeenten in het verlofgangersregister, model n°. 26, zijn
ingeschreven, onderzoek te doen naar de redenen van achterblij-
ven en te bevorderen, dat, zoo mogelijk aan de oproeping
alsnog ten spoedigste voldaan worde; 2°. wanneer een niet opge-
komen verlofganger ingeschreven is in hel verlofgangersregister
eener andere gemeente dan waarvoor hij bij de militie is inge-
lijfd, de bij hen ontvangen kennisgeving van het achterblijven,
onverwijld, tot het onder 1°. vermelde einde mede te deelen aan
den burgemeester der gemeente waar de achtergeblevene op het
verlofgangersregister voorkomt. (M. v. B. Z. 10 Juli 1878, n°. 3).
§ 986. Voor iederen verlofganger die, zonder geldige reden
aan de te zijnen aanzien gedane oproeping voor den werkelijken
-ocr page 380-
8(5(5                        XXX. Herhalingsoefeningen.
dienst niet voldaan heeft, behoort een afschrift van de openbare
kennisgeving te worden aangevraagd bij den burgemeester van de
laatste wettig erkende verblijfplaats van den verlofganger, om
het even of deze daar al dan niet verblijf houdt.
Dit afschrift behoort te worden overgelegd, bf bij het verslag
bedoeld iu § 984 öf bij het rapport vermeld in de §§ 936,
vierde lid, en 959.
Als laatste wettig erkende verblijfplaats van eenen verlofganger
moet worden aangemerkt de gemeente, waarin het laatst door
den burgemeester zijn verlofpas werd afgeteekend en hij derhalve
het laatst ingeschreven werd op het register der verlofgangers,
model n°. 26, voorgeschreven bij art. 75 van het Koninklijk
Besluit van 8 Mei 1862 [St.bl. n\\ 46). [Zie § 929].
Deze verblijfplaats behoort steeds bekend te zijn aan den
burgemeester van de gemeente, waarvoor de verlofganger bij de
militie is ingelijfd. (Pooncir. a. v., art. 47).
§ 987. Het in de voorgaande paragraaf bedoelde afschrift
dat den comraandeerende-officier van het korps wordt terug-
gezonden bij den last tot afvoering als deserteur van den nala-
tigen verlofganger, behoort in het archief van het korps te
blijven berusten, ten einde te kunnen dienen bij de vervolging
ter zake van desertie, (a. »., art. 48).
De procureurs-generaal bij de gerechtshoven zijn doorden Minister
van Justitie uitgenoodigd, zooveel mogelijk tegen te gaan of te doen
gaan, dat verlofgangers van de militie te land, krachtens art. 125 der
militiewet onder de wapenen geroepen, tot het ondergaan van ge-
vangenisstraf aan den werkelijken dienst wordeii onttrokken.
In verband hiermede moet van eiken last tot eene oproeping
in werkelijken dienst, krachtens voormeld wetsartikel gedaan,
mededeeling geschieden in de Staatscourant en in het Algemeen
Politieblad. (M. v. J.
13 Juni 1876, n\\ 150).
O. Van, de bijeenroeping der militie te land ingeval van oorlog,
oorlogsgevaar of andere buitengeioone omstandigheden.
§ 9BÖ. Wanneer ingeval ran oorlog, oorlogsgevaar of andere
buitengewone omstandigheden de dienstplichtigen die niet in
werkelijken dienst zijn, door den Koning geheel of ten deele
buitengewoon onder de wapenen worden geroepen, wordt onver-
-ocr page 381-
XXX. Mobilisatie.
867
wijld ecu voorstel van wet aan de Staten-Geueraal gedaan, om
het onder de wapenen blijven der dienstplichtigen zooveel noo-
dig te bepalen. (Grondwet, art. 185).
§ 989. Nadat, het Koninklijk Besluit tot oproeping der militie
(zie de vorige §) is genomen, zullen de milicieus-verlofgangers
overeenkomstig de daarvoor vastgestelde voorschriften onder de
wapenen moeten komen. (Voorschrift mobilisatie, art. 24).
§ 990. Wanneer de militie, hetzij in haar geheel, hetzij voor
een gedeelte, met spoed onder de wapenen moet komen, worden
de burgemeesters in de onderscheidene gemeenten van het Rijk,
rechtstreeks door het Departement van Oorlog, per telegram,
(»Militietelegram") uitgenoodigd, onverwijld de verlofgangers
van de aangewezen lichtingen in werkelijken dienst op te roepen. (69)
Gelijktijdig met de nitnoodiging tot oproeping aan de bur-
gemeesters worden de Commissarissen der Koningin in de onder-
scheidene provinciën, alsmede de plaatselijke- en garnizoens-
comraandauten door het Departement van Oorlog op dezelfde
wijze van die oproeping onderricht.
De plaatselijke- en garnizoenscommandanten dragen zorg, dat
onmiddellijk na ontvangst van het bericht der oproeping, al de
militaire autoriteiten in hunne standplaats daarmede in kennis
worden gesteld.
Voornoemde commandanten treffen daartoe de vereischte voor-
bereidende maatregelen. Op hun bureel is eene lijst voorhanden,
vermeldende aan welke autoriteiten de mededeeliug moet worden
gedaan, alsmede door hoeveel ordonnansen dit moet geschieden,
terwijl de kennisgevingen reeds van te voren zooveel mogelijk
gereed moeten worden gemaakt.
De oproeping geschiedt volgens het register der verlofgangers,
model n°. 26, in de gemeenten voorhanden, althans indien zij
niet bij algemeene aanwijzing van de op te roepen lichtingen
wordt bewerkstelligd.
Voor de oproeping is afkondiging bij openbare kennisgeving
rechtens voldoende.
(69) Bjj Besch. van den M. v. AV., H. en N. dd. 20 Jan. 1893. n°. 142,
afd. Posterijen, is vastgesteld een •Instructie voor de telegraaf kantoren in
Nederland, betreffende de verzending van telegrammen, waarbij de militie
buitengewoon bijeengeroepen, en de opkomst met spoed bevolen wordt.
-ocr page 382-
XXX. Mobilisatie.
308
Ofschoon derhalve de openbare kennisgeving den verlofganger
bij niet-opkomst in verzuim slelt, en deze kennisgeving dient
als uitsluitend rechtsgeldig bewijs, dat de oproeping behoorlijk is
geschied, wordt den burgemeesters niettemin dringend aanbevolen,
alle zoodanige maatregelen te nemen, waardoor de oproeping op
de snelste en zekerste wijze ter kennis komt van den opgeroepene,
bijvoorbeeld :
a.    door het alarmeeren van de bevolking door het doen
luiden der klokken van alle torens;
b.    door omroeping in de kom der gemeente;
c.     door waarschuwing van de op te roepen verlofgangers door
boden, die te voet gaan, te paard zijn gezeten of wel ge-
bruik maken van rijtuigen of andere middelen van ver-
sneld vervoer. Het verdient daarbij aanbeveling het uur
van oproeping schriftelijk aan de boden op te geven, ten
einde vergissing te voorkomen.
De openbare kennisgeving, waarvan aan de burgemeesters door
het Departement van oorlog een voldoend aantal exemplaren is
verstrekt, wordt ingevuld overeenkomstig het militietelegram.
In bedoeld militietelegram worden de dag en het uur der
oproeping vermeld. (Foorsclir. M. B. 10 September 1892, n°. 36,
art. 29, 11. M. 574, en M. B. 24 Juni 1893, u". 125, R. M. 544).
§ 991. Bij eene opkomst met spoed is het bepaalde bij § 971
niet van toepassing, en worden de vervoerbewijzen en het dag-
geld, bedoeld bij § 968, niet door den burgemeester verstrekt.
Bij die opkomst wordt gehandeld als volgt:
a.     De miliciens, die in de plaats voor de opkomst bestemd,
wonen, melden zich op het in hun zakboekje daartoe aangewezen
tijdstip bij hun korps aan, en hebben geen recht op daggeld.
b.     De miliciens, die — om de plaats, voor de opkomst be-
stemd, te bereiken — een afstand van niet meer dan 20 kilometer
moeten afleggen, begeven zich eveneens rechtstreeks daarheen en
moeten zich op het in hun zakboekje daartoe aangewezen tijdstip
bij hun korps aanmelden. Behoudens het bepaalde bij d, hebben
zij geen recht op vervoer voor Kijks rekening. Zoo noodig,
maken zij evenwel gebruik van het passage-biljet of de passage-
biljetten, daartoe in hun zakboekje voorkomende.
c.     De miliciens, die — om de plaats, voor de opkomst be-
stemd, te bereiken — een afstand van meer dan 20 kilometer
-ocr page 383-
XXX. Mobilisatie.                               369
hebben af te leggen, begeven zich eveneens rechtstreeks daarheen,
overeenkomstig de reisroute, in hun zakboekje aangewezen. Zij
maken voor de reis gebruik van de bons of passage-biljetten,
daartoe in dat zakboekje voorhanden.
d.     Opkomende groot-verlofgangers, die niet vrijwillig door
de ingezetenen met rijtuigen, wagens, enz. naar de voor hen
aangewezen plaats van opkomst of plaats van vertrek worden
vervoerd, moeten, wanneer zij een afstand van meer dan 10
kilometer hebben af te leggen, zoo eenigszins mogelijk, door de
zorg van dun Burgemeester,
voor Rijks rekening daarheen worden
vervoerd.
De voor een en ander gemaakte kosten worden gestaafd door
bewijzen model n°. 4 en komen ten laste van het Rijk.
Bij afzonderlijke kennisgeving maken de Burgemeesters bekend,
vanwaar zulke bijzondere vervoermiddelen naar de stations, aan-
legplaatsen of plaatsen van opkomst vertrekken, en waar zij tot
het opnemen van opkomende groot-verlofgangers zullen voorbij
komen.
Hierbij wordt echter den dienstplichtigen nadrukkelijk in her-
innering gebracht, dat de hiervoren bedoelde hulp hen geenszins
ontheft van de verplichting om op het aangegeven uur op de
aangegeven plaatsen van vertrek of in de aangewezen plaatsen
van opkomst aanwezig te zijn, ook dan wanneer ten gevolge van
eene of andere oorzaak,
welke ook, van die hulp geen gebruik
kan worden gemaakt of deze niet wordt verleend.
e.     Het daggeld, waarop de miliciens, volgens § 969 recht
hebben, wordt hun, onmiddellijk na aankomst bij en door de
zorg van het korps betaald. (Voorsclir. M. B. 27 Mei 1892,
n\\ 105, § 16, B. M. 328).
§ 992. Is een milicien, als onder l> of c van § 991 bedoeld,
bij eene opkomst met spoed niet in het bezit van zijn zakboekje,
of zijn daarin de vcreischte bons en passage-biljetten niet voor-
handen, dan worden hem door de zorg van den burgemeester,
in overeenstemming met het daar bepaalde, voor zooveel noodig,
passage-biljetten (punt V) of vervoerbewijzen en passage-biljetten
(punt c) verstrekt volgens de modellen nM. 3 en 5.
Kan een milicien zich niet met de overige miliciens op reis
begeven, dan voorziet de burgemeester hem — zoodra de reis
kan worden aanvaard — van de noodige vervoerbewijzen en
24
-ocr page 384-
XXX. Mobilisatie.
370
passage-biljetten, om de plaats, voor do opkomst bestemd, te
bereiken. Is vervoer in de aangewezen richting niet meer moge-
lijk, dan moet de milicien zich op de meest doelmatige wijze
begeven naar de het best te bereiken standplaats van afdeelingen
van het Leger, en zich aldaar bij de militaire autoriteit aanmel-
den. De burgemeester voorziet hem daartoe, zoo noodig, van
vervoermiddelen of van vervoerbewijzen en passage-biljetten.
(«. v., § 17).
§ 993. Wanneer de verlofgangers der Militie, hetzij geheel,
hetzij ten deele, buitengewoon mei spoed, onder de wapenen
moeten komen, waarbij die verlofgangers rechtstreeks op hun
korps worden gedirigeerd, moeten van het tijdstip af, waarop
het militievervoer aanvangt, totdat het geacht kan worden te zijn
afgeloopen, door de zorg van de plaatselijke- en garnizoens-
commandanten in de daartoe ingevolge het Voorschrift betref-
fende de Mobilisatie van liet Leger
in aanmerking komende sta-
tions, wachten worden geplaatst, onder bevel van een officier;
en zulks zoowel tot het handhaven der orde, als tot het naar de
kazernes geleiden van aankomende miliciens. (M. B. 6 Maart
1893, n°. 30, R. M. 108).
§ 994. Om ten behoeve van de regelingen voor de opkomst
der militie met spoed, de woonplaatsen (gemeente en onderdeel)
te kennen, waar de met groot-verlof zijnde miliciens zich op-
houden, moet in den Staat a van het administratieboek, en
wel in de kolommen, tot aanteekening van de veranderingen en
bewegingen bestemd, melding worden gemaakt van de provincie
en de gemeente, zoo noodig met aanduiding van het onderdeel
der gemeente, werwaarts de milicien met groot-verlof is ver-
trokken.
Telkens wanneer het zakboekje van een milicien, ten gevolge
van verhuizing in de gemeente of naar eene andere gemeente,
aan het betrokken korps wordt opgezonden, moeten vorenbe-
doelde aanteekeningen met deze nader ontvangen opgaven in
overeenstemming worden gebracht.
Hierbij wordt opgemerkt, dat de vermelding van de onder-
deelen der gemeenten moet geschieden overeenkomstig de aan de
korpsen verstrekte Lijst der gemeenten, ten behoeve van de
opgaven, betrekking hebbende op de opkomst der militie met
spoed.
-ocr page 385-
XXX. Mobilisatie.                                 371
Voorbeelden :
.....18 . . met groot-verlof naar Vlissingen; Prov. Zeeland.
.....18 . . met groot-verlof naar Leeuwarden (Onderdeel
kom); Prov. Friesland.
.....18 . . met groot-verlof naar Sneek (Onderdeel bui-
ten de kom); Prov. Friesland.
.....18 . . met groot-verlof naar Wijmhritseradeel (On-
deldeel Nijhuizum); Prov. Friesland.
.....18 . . met groot-verlof naar Houten (Onderdeel
Tlest der gemeente); Prov. Utrecht.
.....18 . . met groot-verlof naar Serooskerke (Eiland
Schouwen); Prov. Zeeland.
Aangezien in de Provincie Zeeland twee gemeenten den naam
van Serooskerke dragen — eene op het eiland Schonicen, de
andere op het eiland Walcheren — moet achter den naam van
een dier beide gemeenten steeds de naam worden vermeld van
het eiland waarop zij ligt. (Af. B. 29 September 1891, n°. 46,
B. U. 1215).
§ 995. Aan de Commissarissen der Koningin in de onder-
scheidene Provinciën is bij M. A. van 25 Juni 1892, n°. 82
toegezonden, ook ter uitreiking aan de burgemeesters, een aantal
exemplaren van een:
//Overzicht van de tegenwoordige [regeling der opkomst met
//Spoed van miliciens-verlqfgangers, voor zoover de Burgemeesters
ndaarbij zijn betrokken of de kennis daarvan voor hen van belang
ukan zijn.»
Van dat overziebt volgt hieronder de inhoud, gewijzigd over-
eenkomstig nadere ter zake betrekkelijke bepalingen.
1°. Beisroutes, bons en passage-biljetten. Ten einde bij eene
opkomst van de Militie met spoed ongewenschte vertraging te
voorkomen, worden de groot-verlofgangers in dat geval niet,
zooals bij opkomst voor herhalingsoefeningen, door den Burge-
meester der gemeente hunner inwoning op de korpsen gedirigeerd,
maar begeven zij zich alsdan rechtstreeks op reis of op raarsch
naar de daarvoor bestemde plaatsen.
Hiertoe worden vóór het vertrek der miliciens met onbepaald
verlof, achter in hunne zakboekjes, de bij eene opkomst met
spoed
door hen te volgen reisroute, alsmede de voor hen ver-
eischte bons en passage-biljetten voor die reis ingeplakt.
-ocr page 386-
372                               XXX. Mobilisatie.
Aau miliciens, die na hunne inlijving dadelijk met groot-verlof
worden gezonden om eerst later in werkelijken dienst te worden
opgeroepen, worden zakboekjes, voorzien van hetgeen betrekking
heeft op hunne reisroute bij eene opkomst met spoed, door hun
korps en door tusschenkomst van de Burgemeesters, toegezonden.
[Aanwijzingen voor het opmaken der marschregelingen voor de mili-
ciens-verlofgangers bij eene opkomst met spoed. M. A.
5 Januari
1892, Lilt. T. Geheim).
2°. Daggelden. Het daggeld, waarop de miliciens recht heb-
ben, wordt hun onmiddellijk na aankomst bij en door de zorg
van het korps betaald. {Voorschr. M. B. 27 Mei 1892, N\\ 105,
§16. [Zie ook § 991, laatste lid, e}).
3°. Verlofgangers die niet in het bezit zijn van hun zakboekje
of van de benoodigde bons en passage-biljetten.
Verlofgangers, ook die
welke elders woonachtig zijnde zich tijdelijk in eene gemeente
ophouden, worden, indien zij niet in het bezit zijn van hun
zakboekje, of indien in hun zakboekje de benoodigde bons of
passage-biljetten voor de reis naar de plaats, waarheen zij zich
moeten begeven, niet voorhanden zijn, door den Burgemeester
voor zooveel noodig van vervoerbewijzen en van passage-biljetten
voorzien.
Kan een milicien zich niet met de overige miliciens op reis
begeven, dan voorziet de Burgemeester hem — zoodra de reis
kan worden aanvaard — van de noodige vervoerbewijzen en
passage-biljetten, om de plaats, voor de opkomst bestemd, te
bereiken. Is vervoer in de aangewezen richting niet meer mogelijk,
dan moet de milicien zich op de meest doelmatige wijze bege-
ven naar de het best te bereiken standplaats van afdeelingen
van het Leger, en zich aldaar aanmelden bij de militaire auto-
riteit. De Burgemeester voorziet hem daartoe, zoo noodig, van
vervoermiddelen of van vervoerbewijzen en van passage-biljetten.
(Voorscltr. a. v., § 17. [Zie ook § 992] ).
Ten einde de Burgemeesters in staat te stellen, de hierbe-
doelde verlofgangers op de voor hunne opkomst met spoed aan-
gewezen standplaatsen te dirigecren, wordt door het Departement
van Oorlog jaarlijks aan de Burgemeesters toegezonden: eene
opgave van de korpsen en van hunne standplaatsen, met ver-
melding tevens waarheen de verlofgangers der Militie te land
door de Burgemeesters moeten worden gedirigeerd bij het onder
-ocr page 387-
XXX. Mobilisatie.                                873
de wapenen komen met spoed, indien die verlofgaugers alsdan
niet in het bezit zijn van hun zakboekje en niet met zekerheid
weten op te geven naar welke standplaats zij zich moeten be-
geven. (M. A. 11 Juni 1887, »°. 69 en 25 Juni 1892,
n\'. 68).
4°. Opzending der zakboekjes bij woonplaatsverandering casu quo
met vermelding van het onderdeel der Gemeente alwaar de verlof-
ganger zich vestigt.
De zakboekjes van miliciens-verlofgangers,
die zich in eene andere gemeente gaan vestigen en die zich
alsdan, overeenkomstig het bepaalde bij art. 134 der Militiewet,
bij den Burgemeester der gemeente aanmelden, worden door dezen
Burgemeester voortaan opgezonden aan den Provinciale-Adjudant
in het Gewest.
Hetzelfde geschiedt met de zakboekjes van de miliciens-ver-
lofgangers, die binnen de gemeente verhuizen, ingeval deze verhui-
zing van invloed is op de alsdan door hen te volgen reisroute,
zooals dit blijkt uit de Lijst der gemeenten, met hare verdeeling
in onderdeelen, ten behoeve van de opgaven, betrekking hebbende op
de opkomst der Militie
met spoed *).
De Provinciale-Adjudant wijzigt, volgens in zijn bezit zijnde
voorschriften, de reisroute in het zakboekje, en plaatst, in som-
mige gevallen, den groot-verlofganger over bij een ander onder-
deel of korps.
Betreft de wijziging enkel de reisroute voor eene opKomst
onder de wapenen met spoed en is de groot-verlofganger dus
niet bij een ander onderdeel of korps overgeplaatst, dan zendt
de Provinciale-Adjudant het zakboekje rechtstreeks terug aan den
Burgemeester.
Wordt daarentegen de groot-verlofganger door den Provinciale-
Adjudant bij een ander onderdeel of korps overgeplaatst, dan
ontvangt de Burgemeester het zakboekje terug van het korps
waarbij die overplaatsing is geschied.
Na het terugontvangen van het zakboekje zorgt de Burgemee-
ster dat dit den betrokken persoon weder ter hand wordt ge-
steld en deze casu quo tevens opmerkzaam wordt gemaakt, op
zijn veranderd korps of onderdeel van zijn korps en garnizoen en
(*) Op blz.. 1 van deze Lijst moeten tweemaal de woorden \'het korps»,
worden vervangen door de woorden uden Provinciale-Adjudant».
-ocr page 388-
XXX. Mobilisatie.
374
op zijne plaats van opkomst, uur van opkomst cu wijze van
opkomst met spoed.
Dringend wordt aanbevolen dit niet te verzuimen, zijnde
de toezending van het zakboekje de eenige oïticieele
kennisgeving, welke de man van een en ander ontvangt.
(M. A. 25 Juni 1895, ».". 68).
5°. Ontvangst van het Militietelegram. Wanneer de Militie, hetzij
in haar geheel, hetzij voor een gedeelte, met spoed onder de
wapenen moet komen, worden de Burgemeesters in de onder-
scheidene gemeenten van het Kijk rechtstreeks door het Depar-
tement van Oorlog per telegram (Militietelegram) uitgenoodigd,
onverwijld de verlofgangers van de aangewezen lichtingen in
werkelijken dienst op te roepen.
Het telegram, voor de Burgemeesters bestemd, wordt bezorgd
in de plaatsen, waar het gemeentehuis van elke gemeente is ge-
vestigd (*). Houdt de Burgemeester zelf aldaar niet zijn verblijf,
dan moet door hem een persoon ter plaatse zijn aangewezen, be-
last met het in ontvangst nemen van het telegram.
Op het adres van het bedoelde telegram wordt vermeld het
woord „Militieteleguam". (Voorsch: M. B. 19 Sopt. 1892,
»°. 36, art. 29, R. M. 544. [Zie ook § 9\'JO]).
Aan den persoon, belast met het in ontvangst nemen van het
militietelegram, moet door den Burgemeester niet alleen de last
worden verstrekt om hem eventueel onverwijld met die ontvangst
in kennis te stellen, opdat de Burgemeester de officieele oproe-
ping kunne doen, maar tevens de opdracht om onmiddellijk na
ontvangst van het telegram, daaraan in de gemeente de meest
mogelijke openbaarheid en zoodoende aan de oproeping een be-
gin van uitvoering te geven; zoodat de aldaar verblijvende ver-
lofgangers, in afwachting van de openbare kennisgeving door den
Burgemeester, reeds van de oproeping onderricht worden en de
vereischte voorbereidingen voor hun vertrek kunnen treffen.
Verder is het wenschelijk, dat aan den hiervoren bedoelden
persoon het nemen van eenige voorbereidende maatregelen door
den Burgemeester wordt opgedragen; zooals het invullen van de
openbare kennisgevingen, het bijeenbrengen van het vereischte
(*) Op dezen regel bestaat uitzondering voor eenige Burgemeesters, die
bekend zijn gemaakt met de uitzondering.
-ocr page 389-
XXX. Mobilisatie.
375
aantal boden Ie voet, te paard, in rijtuigen, enz. om de open-
bare kennisgeving iiiiar andere onderdeden der gemeente over te
brengen en aldaar aan te plakken; in het kort al die maatrege-
len, waardoor de oproeping kan worden bespoedigd. (M. v. B,
Z.
29 April 1885, n°. 649).
Ten einde elke vertraging bij het in ontvangst nemen van het
militietelegram en het ter algemeene kennis brengen van de op-
roeping te voorkomen, is het van groot belang, dat steeds
.iemand aanwezig zij, die gemachtigd is om, ingeval de persoon
aan wien liet militielegram moet worden bezorgd, door deu be-
steller niet wordt aangetroffen, dat telegram in ontvangst te
nemen en te handelen, zooals hiervoren is vermeld. [M, A, 21
November 1887, n". 23).
6°. Mededeeling van den inhoud vu» hel militietelegram aan de
brigade-commandanten van het wapen der Koninklijke Marechaussee.
De Burgemeesters van
alle gemeenten waarin eene brigade van het
Wapen der Koninklijke Marechaussee, doch geen Divisie- of Dislricls-
commandant van dat Wapen is gevestigd, worden uitgenoodigd
maatregelen te nemen om den Brigade-commandant zoo spoedig
mogelijk nu de ontvangst van het militietelegram, met den inhoud
daarvan in kennis Ie stellen of\' te doen stellen.
Dringend wordt verzocht dit niet te verzuimen, zijnde de be-
doelde kennisgeving de eenige officieele mededeeling, welke de com-
mundanten der brigudes Marechaussee, die gevestigd zijn
BUITEN
de standplaatsen van de divisie- en de districts-commandanten, ter
zake ontvangen.
7°. Maatregelen om de oproeping ter algemeene kennis te brengen.
De openbare kennisgeving, waarvan aan de Burgemeesters door het
Departement van Oorlog een voldoend aantal exemplaren is ver-
strekt, wordt ingevuld overeenkomstig het militietelegram.
In bedoeld militietelegram worden de dag en het uur der op-
roeping vermeld.
Voor de oproeping is afkondiging bij openbare kennisgeving
rechtens voldoende.
Ofschoon derhalve de openbare kennisgeving den verlofganger
bij niet-opkomst in verzuim stelt, en deze kennisgeving dient
ajs uitsluitend rechtsgeldig bewijs dat de oproeping behoorlijk is
geschied, wordt den Burgemeesters niettemin dringend aanbevo-
len, alle zoodanige maatregelen te nemen, waardoor de oproe-
-ocr page 390-
370                               XXX. Mobilisatie.
ping op de snelste en zekerste wijze ter kennis komt van den
opgcroepcne, b. v.:
a.    door het alarmeereu van de bevolking door het doen
luiden der Hokken van alle torens;
b.    door omroeping in de kom der gemeente;
c.    door waarschuwing van op te roepen verlofgangers door
boden, die te voet gaan, te paard zijn gezeten of wel ge-
bruik maken van rijtuigen of andere middelen van versneld
vervoer. Het verdient daarbij aanbeveling het uur van op-
roeping schriftelijk aan de boden op te geven, ten einde
vergissing te voorkomen. (Toorschr. M. B. 19 Sept. 1892,
n\\ 36, art. 29, gtw. bij M. B. 24 Juni 1893, n\\ 125,
R. M. 5 74 en 544. [Zie ook § 990]).
Door de bedoelde boden moeten tevens worden bekend ge-
maakt : de plaats waar en het tijdstip waarop de hierna in punt
8°. bedoelde bijzondere vervoermiddelen gereed zullen staan of zullen
voorbijkomen. (M. A. 25 Juni 1892, n\\ 68).
8°. Maatregelen om het bereiken der plaatsen van opkomst of
der stations van vertrek voor de verlofgangers te bespoedigen.
Voor
miliciens, die een afstand grooter dan 10 Kilometer moeten
afleggen om de plaats van opkomst of het voor hen aangewezen
station van vertrek of de aanlegplaats van stoombooten te be-
\'reiken en door wie, «.volgens hunne reisroute, geen gebruik kan
worden gemaakt van trams of andere middelen van versneld
vervoer, moeten de Burgemeesters de hun verleende bevoegdheid
toepassen om die miliciens, op kosten van het llijk, met bijzondere
vervoermiddelen
(rijtuigen, karren of wagens, vaartuigen, enz.) te
doen overbrengen naar de plaats van opkomst of naar het station
of de aanlegplaats van vertrek.
Afgescheiden van liet vorenstaande verdient het aanbeveling
dat de Burgemeesters onmiddellijk na de ontvangst van het
militietelegram een beroep doen op de ingezetenen, om de ver-
trekkende verlofgangers vrijwillig met rijtuigen, wagens, enz.,
naar de voor hen aangewezen plaats van opkomst of naar het
station of de aanlegplaats van vertrek te vervoeren.
Bij een en ander moet echter door de Burgemeesters aan de
verlofgangers nadrukkelijk in herinnering worden gebracht, dat
eene hulp als hiervoren bedoeld, hen geenszins ontheft van de
verplichting om op liet aangegeven uur op de aangegeven plaatsen
-ocr page 391-
XXX. Mobilisatie.
377
van vertrek of in de aangewezen plaatsen van opkomst aanwezig
te zijn, ook dan, wanneer ten gevolge van de eeneuf\'andere oorzaak,
welke ook, van zoodanige hulp geen gebruik kan worden
gemaakt of deze niet wordt verleend. (M. A. 25 Juni 1892,
n°. 68).
Ten slotte wordt den Burgemeesters dringend aanbevolen om,
zoowel ter bevordering van de geregelde opkomst met spoed der
groot-verlofgangers, als in het belang van de betrokken personen
zei ven, tegen het tijdstip van vertrek de tapperijen in de gemeente,
zoo eeuigszins mogelijk, te doen sluiten, en tevens de ingezetenen
uit te noodigen aan de vertrekkenden geen sterken drank te
schenken,
vermits het misbruik daarvan in de ernstige omstan-
digheden eener mobilisatie, zeer nadeelige gevolgen kan hebben,
zoowel voor den militairen dienst, als voor hem die zich daar-
aan schuldig maakt.
§ 996. De permanente militaire spoorwegcommissie heeft in
tijden van oorlog of andere buitengewone omstandigheden, het
recht aan bestuurders, hoofdambtenaren, beambten en bedienden
eener spoorwegonderneming, die militieplichtig zijn, verlof te
verkenen van den krijgsdienst, voor zoolang als zij, gedurende
de bedoelde omstandigheden, bij die spoorwegonderneming \\verk-
zaam zijn; deze verloven brengt zij onmiddellijk ter kennis van
den commandeerenden officier van het korps, waartoe» de in het
genot van verlof gestelde behoort, welke commandeerende officier
dan, zoo noodig, zijnerzijds terstond uitvoering doet geven aan
de beschikking der commissie, (llegl. K. B. 16 Sept. 1876,
St.bl. n\'. 182, art. 17).
§ 997. Al hetgeen hiervoreii in de §§ 977—987 is mede-
gedeeld, ten aanzien van de miliciens-verlofgangers, die krach-
tens art. 125 der militiewet zijn opgeroepen om opnieuw in den
wapenhandel te worden geoefend, is ook toepasselijk op de ver-
lofgangers, die, overeenkomstig de §§ 988 en 989 worden op-
geroepen om met spoed onder de wapenen te komen, met dien
verstande evenwel, dat in dit geval het opmaken der staten
in de §§ 818 en 964 bedoeld en van de opgave in § 964 ver-
meld achterwege blijft en dat de termijnen bij § 979 en § 984
genoemd worden bekort beide tot op eeue maand. (M. B. 24
Juni 1893, »°. 125, R. M. 544).
-ocr page 392-
XXX. Itnndijlt en seernari.
378
i 998. De bepalingen welke betrekking hebben op de oproeping en de
opkomst in wcrkelijkeu dienst voor het geval dat de verlol\'gaugers met spoed
onder de wapenen moeten komen, met name derhalve ook de daartoe bctrck-
kelijke bepalingen, vervat in de §§ 984—987, \'J90 eu 997 gelden, immers
voor zooverre toepasselijk, eveneens voor de verlofgaugers der zcemilitie. In
verband hiermede worden ook de Directeuren en Commandanten der marine
te Willemsoord, Amsterdam en Hellecoclsluis op de in de tweede zinsnede
van § 99U medegedeelde wijze van de oproeping onderricht.
Voormelde Directeuren en Commandanten der marine zijn door den Minister
van Marine uitgenoodigd bij eene eventnecle mobilisatie zich naar bedoelde
bepalingen te gedragen en de taak in de §§ \'J77—980, 984 en 985, al. 1,
aan de korpscommandanten opgedragen, voor zooveel de zecmilitic betreft,
over te nemen, met dien verstande, dat, waar i:i deze paragrafen sprake
is van het doen van opgaven aan het Departement van Oorlog, deze moeten
geschieden aan het Departement van Marine. (Voorschr. il. B. 19 Sept. 1892,
n". 86, art. 36, 11. M. 574).
1\'. Van het huwen en het uitoefenen van de buitenlandsche
zeevaart dooi\' ingeschrevenen voor de militie en
inijelijfden bij de militie te land.
§ 999. Hij, die cip den lsle" Januari van liet jaar zijn ]9den
jaar was ingetreden, maar zijn 40"\'8 niet had volbracht, wordt
niet tot het aangaan van een huwelijk of van eene verbintenis
tot uitoefning van de buitenlandsche zeevaart toegelaten, dan
na te hebben bewezen, tot op het tijdstip van de aangifte tot
het aangaan van een huwelijk of van eene verbintenis voor de
buitenlandsche zeevaart, zijne plichten ten aanzien van de militie
te hebben vervuld of tot geen dienst bij de militie gehouden te
zijn of geweest te zijn. {Wet 19 Aug. 1861, St.bl. n°. 72, art.
8, B. U., Aanh. 1).
§ 1000. Het bewijs van de plichten ten aanzien van de militie
te hebben volbracht en bedoeld in de voorgaande §, wordt afge-
geven, voor de ingeschrevenen, omtrent welke nog geene bij
den Commissaris der Koningin in de provincie bekende uit-
spraak door den militieraad is gedaan, door den burgemeester
der gemeente, waar de inschrijving is geschied; voor alle andere
ingeschrevenen door den Commissaris der Koningin in de provincie,
in welke de inschrijving is geschied. (K. B. 17 Dec. 1881, St.bl,
n°.
127, art. 2, B. U., Ainh. 23).
Wordt een bewijs van voldoening tuin den militieplicht afge-
gevcn ten behoeve van iemand, die, na voor zich zelf aan dien
-ocr page 393-
XXX. Huwelijk en :eeranrt.                       379
plicht te hebben voldaan, als plaatsvervanger bij de militie is
opgetreden, dan moet hiervan melding worden gemaakt aan den
voet van dat bewijs. (M. v. B. Z. 17 Oct. 1878, L* 11).
Bij de opmaking van bewijzen van voldoening aan den militie-
plicht ten behoeve van dienstplichtigen bij de militie, die, in-
gevolge art. 9 der militiewet eene verbintenis als vrijwilliger
hebben aangegaan, kan met de vermelding hiervan worden vol-
staan. Brengt het belang van den betrokken persoon mede te be-
wijzen, dat en op welke wijze hij uit den dienst is ontslagen,
dan zal hij, nevens het hem door den Commissaris der Koningin in
de provincie uitgereikte bewijs, hebben over te leggen een paspoort
of ander bewijs van ontslag uit den dienst of een uittreksel uit
het stamboek; zoolang zoodanig aanvullend bewijs niet is bijge-
bracht, zal hij beschouwd worden, als gevolg van de door hem
aangegane, in het hem afgegeven bewijs, model n°. 1, litt. B,
vermelde verbintenis, zich nog in dienst te bevinden. (M. v. B.
Z.
8 Bec. 1877, n°. 19, 4de afd.).
§ 1001\' Het bewijs, dat iemand, als geen ingezeten geweest
zijnde, geene plichten ten aanzien van de militie te volbrengen
heeft gehad, wordt afgegeven door den Commissaris der Koningin
in de provincie, waarin hij, wien het bewijs geldt, woont, of,
heeft hij geene woonplaats in het ltijk, waarin hij tijdens de
afgifte van het bewijs, verblijf houdt. {K. B. a. v„ art. 3).
§ 1002- De bij de militie te land ingelijfden worden niet
tot het aangaan van een huwelijk toegelaten zonder schriftelijke
toestemming vanwege den Minister van Oorlog.
Die toestemming wordt in gewone tijden niet geweigerd aan hen,
die hun vierde dienstjaar hebben volbracht. ( Wet a.v.,art. 128). (70).
(70) Vermits alle aklcn en stukken, voortvloeiende nit de Wet van 19
Aug. 1861 (St.il. m°. 72) betrekkelijk de Nationale Militie, (met uitzonde-
ring van de overeenkomsten van vervanging in den dienst) vrij van zegel
kunnen worden geacht op grond van art. 10 dier Wet, zijn daaronder b. v.
ook begrepen de verzoeken van en voor miliciens, gegrond op de artt. 129
en 136 van meergemelde Wet, alsmede de verzoeken van bij de militie inge-
lijfdcn om toestemming tot het aangaan van een huwelijk.
In den aanhef van de eerste alinea en in de tweede alinea van art. 21A,
n°. 12, der wet van 3 October 1843 (SIM. «°. 47) Is vrijstelling van
zegelrecht verleend voor de toestemmingen tot het aangaan van huwelijken,
de aanstellingen, getuigschriften, reis- en ontslag* of afscheidsbrieven, welke
van Kegeeringswege worden verleend of uitgereikt aau personen beneden den
-ocr page 394-
880                       XXX. Huwelijk en zeevaart.
§ 1003. De commandeerende-officieren der korpsen en iurieh-
tingen van het leger zijn bevoegd, om, met inachtneming van
het hierna voorgeschrevene, de toestemming tot het aangaan van
een huwelijk, namens den Minister van Oorlog, schriftelijk te
verleenen aan iederen tot het korps onder hun bevel of de
inrichting onder hun beheer behoorenden militieplichtige, die zich
niet in werkelijken dienst bevindt.
In liet schriftelijk bewijs van die toestemming moet er uit-
drukkelijk aan herinnerd worden, dat de verlofganger door zijn
huwelijk in geen geval wordt ontheven van het volbrengen der
verplichtingen, welke hij krachtens de militiewet heeft te ver-
vullen, zoodat hij deswege ook niet zal worden vrijgesteld van
den werkelijken dienst waartoe hij, voor herhalingsoefeningen of
uit anderen hoofde, mocht worden opgeroepen.
Is de uitrusting" en reserverekening van den verlofganger, die
zijn vierde dienstjaar nog niet heeft volbracht, bezwaard met
schuld als bedoeld onder de punten a en b van art. 81 van hec
Reglement van Administratie bij de Landmacht, dan zal hem
de vergunning tot het aangaan van een huwelijk slechts mogen wor-
den verleend nadat bedoeld gedeelte van de schuld is aangezuiverd.
Aan den militieplichtige die zijn vierde dienstjaar heeft vol-
bracht moet, in gewone tijdeu, meerbedoeld schriftelijk bewijs
steeds worden uitgereikt, zoodra door hem of te zijnen behoeve
daartoe aanvrage wordt gedaan. (M. B. 11 April 1892, »°. 72,
B. M. 126). (71) (72).
rang van officier, tot de Landmacht behoorende, alsmede voor de verlof-
passen en reisbrieven, aan alle personen zonder onderscheid, tot de Land-
ïnacht behoorende, uitgereikt wordende.
Het ligt in de bedoeling van deze wetsbepalingen, dat de vrijstelling ook
wordt toegepast op de stukken, welke ter verkrijging van de gemelde be-
scheiden moeten worden opgemaakt. (M. A. 4 Mei 1892, n". 53, R. M. 149).
(71)   De bij art. 128 dor militiewet bedoelde schriftelijke toestemming tot
het aangaan van eeu huwelijk, door eencn bij de militie te land ingelijfde
overgelegd, is een stuk, dat bij de huwelijksakte wordt gevorderd, en behoort
als zoodauig tot de stukken, die ingevolge art. 23 B. \\V. moeten worden
aangehecht aan het register van huwelijken, dat ter gritlic vau de arrondissements-
rechtbank moet worden overgebracht. (Arrest H. R. d. N. dd. 14 Maart 1879).
(72)   Aanvragen ter bekoming vau het bewijs vau voldoening aan de
nationale militie ten behoeve van vcrlofgangers die een huwelijk wenschen
aan te gaan, moeten vergezeld gaan van de toestemming van den korps»
commandant. {M. v. C. d. R. in Limburg 23 Juli 1889).
-ocr page 395-
XXX. Huwelijk en teevaart.
38]
§ 1004. De burgemeesters zijn uitgenoodigd, zoo dikwijls een
huwelijk van een bij de militie ingelijfde voltrokken is, daarvan
dadelijk kennis te geven aan de hoofdadministratie van het
korps waartoe de ingelijfde behoort. (M. v. B. Z. 8 Jug. 1874,
»♦. ]93).
Is hij in het genot van groot-verlof, dan moet van het aan-
gegaan huwelijk aanteekening worden gedaan in de kolom wAan-
merkingen" van het verlofgangersregister. (M. v. B. Z. 7 Oct.
18 74, V. 36).
§ I005- De bij de militie te land ingelijfden worden niet
tot het aangaan van eene verbintenis voor de buitenlandsche
zeevaart toegelaten zonder schriftelijke toestemming van den
Minister van Oorlog.
Die toestemming wordt slechts verleend aan de lotelingen,
die reeds vóór hun inlijving bij de militie hun beroep van de
buitenlandsche zeevaart maakten en die zich overeenkomstig art.
150 der militievvet voor de zeemilitie hebben aangeboden, doch
daarbij niet zijn kunnen worden aangenomen (*) [Wet a. v.,
art.
129].
§ 1006. Met boete van ten minste vijftig cents en ten hoogste
f 200 wordt gestraft: de ambtenaar van den burgerlijken stand,
die in strijd handelt met art. 8 (§ 999)j of art. 128 (§ 1002);
de ambtenaar, belast met de monstering van scheepsofficieren
en scheepsgezellen, of de schipper, die in strijd handelt met art.
8 (§ 999) of art. 129 (§ 1005). [a. v., art. 187, ffew. wet
15 April 1886, SIM. n\\ 64, art. 11].
§ 1007- De Commissarissen der Koningin in de provinciën
zijn gemachtigd, om aan de ingelijfden bij de militie te land
— plaatsvervangers uitgezonderd — die, na het volbrengen van
den aanvankelijk van hen gevorderden werkelijken dienst, in het
genot van groot-verlof gesteld zijn, voor zooveel zij, hetzij
reeds voor hunne inlijving bij de militie hun beroep van de
buitenlandsche zeevaart maakten, hetzij zich overeenkomstig art.
150 de Militievvet voor de zeemilitie hebben aangeboden, en
zij aan voormelde staatsambtenaren zullen hebben aangetoond,
werkelijk weder de gelegenheid te hebben om hun beroep
(*) Zie in verband hiermede ook § 933.
-ocr page 396-
XXX. Huwelijk en zeevaart.
382
van zeevarende buitenslands op schepen, voor Nederlandsche
rekening uitgerust uit te oefenen, daartoe, tot wederopzegging,
namens den Minister van Oorlog, de vereischte schriftelijke toe-
stemming te verkenen.
Ter voorkoming zooveel mogelijk dat van de verleende ver-
gunning misbruik worde gemaakt, en ten einde men onderricht
zij, op welken bodem de belanghebbende zich tot het doen van
cene nieuwe zeereis heeft verbonden of waar bij zich, niet wederom
vertrekkende, ophoudt, zal de toestemming steeds behooren te
worden verleend, onder gehoudenheid van den belanghebbende,
om zich bij zijne terugkomst dadelijk weder bij den Commissaris
der Koningin aan te melden, en voor elke volgende zeereis,
zoolang hij geen paspoort zal hebben bekomen, eene nieuwe
vergunning aan te vragen.
Overigens zal voorschreven toestemming niet mogen worden
verleend, wanneer de belanghebbende verlofganger, vóór of tijdens
zijne aanvrage, is opgeroepen om aan wapenoefeningen deel te
nemen en het zich niet laat voorzien dat hij van die reis zou
zijn teruggekeerd vóór den aanvang dier oefeningen. (M. A. 18
Jan. 1862, n\\ 555, 10 Jan. 1874, »°. 28P, 2 Mei 1874,
n\\ 34P, 18 Auff. 1876, n\'. 68P en 7 leb. 1893, n\\ 75).
Q. Van detaclwering van ingelijfden lij de militie te land
bij de landmacht, dienende in Nederlandsch-Ood-Indië.
§ 1O08- Ingelijfden bij de militie te land kunnen, onder
behoud hunner positie als milicien, met hunne toestemming en,
voor zooveel minderjarigen betreft, ook die hunner ouders of
voogden, voor den tijd van ten minste twee jaren, bij de
landmacht dienende in Nederlandsch-Ood-Indië gedetacheerd
worden, met dien verstande, dat zij die, binnen den tijd hun-
ner detacheering, recht verkrijgen op ontslag uit den militie-
dienst, behoudens dat ontslag, den tijd, voor welken zij bij de
landmacht dienende in Nederlaudsch-Ood-lndië zijn gedetacheerd,
zullen volbrengen.
Aan de ingelijfden bij de militie te land die voor den tijd
van minstens twee jaren (gerekend van den dag der ontscheping
in NedetiandscJt-lndië) worden gedetacheerd, kan eene gratificatie
-ocr page 397-
XXX. Detacheering bij liet leger in O. I.            3 83
van twee honderd gulden (f 200) worden uitbetaald. (K. B. 29
Juli 1873, SIM. n\'. 119, B. U. 420, en 24 Juni 1874,
n". 44, B. U. 435).
Voornoemd besluit is voorshands niet toepasselijk op de mili-
ciens der bereden korpsen, die zich in werkelijken dienst bevinden
of hunnen eersten oefeningstiid nog niet hebben volbracht. (M. B.
12 Aug. 1873, n". 41P, 1»., B. U. 420).
§ 1009. Omtrent de toelating van miliciens tot detacheering bij
de landmacht dienende in Nederlandsch-Oost-Indië, gelden in
het algemeen de voorschriften, die voor de vrijwillige werving
daarbij zijn vastgesteld; in stede echter van een engagements-
akte zal door eiken betrokken milicien een bewijs in tweevoud
worden geteekend, ingericht volgens het daarvoor vastgesteld
model, terwijl voorts geen aanbrengpremie wordt toegekend tenzij
de milicien in het genot van onbepaald verlof is, in welk geval
den aanbrenger eene premie van f 10 zal worden uitgekeerd.
(a. v., 2°. en M. B. 22 Juni 18S7, n°. 53, B. U. 964).
§ 1010. De miliciens die, in voege voorschreven, bij de Land*
macht, dienende in Nederlandsch-Oost-Indië gedetacheerd zijn,
zullen op de stamboeken der korpsen waartoe zij behooren, als
gedetacheerd gevoerd worden, moetende hiervan in de 4de kolom
op de navolgende wijze nanteekening worden gedaan:
„Krachtens Zr. Ms. Besluit van 29 Juli 1873, n°. 39 (Slaats-
blad n\\ 119), op den......,.......
gedetacheerd bij de Landmacht in Nederlandsch-Oost-Indië voor
den tijd van..............."
Bij het koloniaal-werfdepot worden zij onder de navolgende
bewoordingen in het stamboek ingeschreven:
„Krachtens Zr. Ms. Besluit van 29 Juli 1873, n°. 39 (Staals-
blad n". 119), op den.............
overgenomen als gedetacheerd van het.....regiment
..........voor den tijd van ....
ingaande van en met den dag der ontscheping in Nederlandsch-
Oost-Indië,
met f . . . . gratificatie." (a. »., 4°.).
§ 1011. Van het eventueel verleend ontslag uit den militie-
dienst, zoomede van het overlijden of op eenige andere wijze uit
den dienst geraken van miliciens bij de Landmacht, dienende in
Nederlandsch-Oost-Indië, gedetacheerd, zal door het Departement
van Oorlog aan de betrokken korpsen onder overlegging der
-ocr page 398-
384            XXX. Detacheering bij het leger in O. I.
betrekkelijke extracten-stamboek uit Indië, opgave geschieden,
tot bijschrijving der stamboeken.
Die mutatiën, evenals ook de detacheering zelve, worden
door de korpscommandanten vermeld op den eerstvolgenden
mutatiënstaat model litt. aa., gevoegd bij de M. A. van 7
Juni 1862, n°. 56 E. {a. »., 5°).
§ 1012. De zakboekjes van de miliciens, bij hun korps hier
te lande aan hen uitgereikt, worden bij het koloniaal-werfdepot
opgelegd en weder aan hen afgegeven na terugkeer uit Indië.
Bij hun terugkeer worden de miliciens, behoorende tot eene
lichting die nog niet is ontslagen, bij het koloniaal-werfdepot
niet weder in de sterkte gebracht, doch onverwijld in het genot
van onbepaald verlof gesteld ; immers indien zij ook overigens
niet in de termen verkeeren om uit den dienst te worden ontslagen.
De commandeerende officier van genoemd depot draagt zorg
voor de inschrijving in bedoelde zakboekjes van de door de
miliciens in Indic bewezen militaire diensten en voor de in-
vulling van de verlofpassen, welke laatstcn hij voorziet van zijne
handteekening.
Bij het uitreiken van den verlofpas zal de milicien uitdruk-
kelijk moeten worden herinnerd aan het bepaalde bij art. 133
en 136—145 der militiewet, en aan zijne verplichtingen om, door
tusschenkomst van den burgemeester, zijn zakboekje onmiddellijk
op te zenden naar zijn korps, indien hij zich in cene andere
gemeente vestigt dan die, waarvoor in het zakboekje reisroute en
vervoerbewijzen voor eene opkomst met spoed zijn aangebracht.
Van het tijdstip waarop en de gemeente waarheen de miliciens
met groot-verlof vertrekken, wordt door genoemden commandee-
renden officier onmiddellijk aan de in deze betrokken korpscom-
mandanten mededeeling gedaan, terwijl hun daarbij tevens door
dien chef worden toegezonden de betrekkelijke extracten-stam-
boeken uit Indië, tot bijschrijving van het stamboek, (a. v., 6°.,
gew. bij M. B. 5 Juni 1889, n\\ 39, B. U. AanJi. 131).
De in deze § bedoelde miliciens worden bij de korpsen tot
welke zij behooren, na ontvangen kennisgeving van het kolo-
niaal-werfdepot, van gedetacheerd terug en op dato met groot-
verlof gemeld, (a. v., 7°).
§ 1013. Komen echter deze teruggekeerde miliciens dadelijk
in aanmerking voor pensioen of voor ontslag uit den dienst met
-ocr page 399-
XXX. Delavheering bij hel leger in O. 1.            385
gratificatie, of moeten zij worden voorgedragen om met een
briefje van ontslag te worden weggezonden, dan worden zij door
het koloniaal-werfdepot gedirigeerd op het korps, waartoe zij hier
te lande behooren, bij welk korps in beide eerstgenoemde gevallen
te hunnen opzichte zal moeten worden gehandeld als bepaald is
bij § 2 ad art. 87 van de voorschriften tot uitvoering van het
«Reglement van Administratie bij de Landmacht", terwijl in
laatstbedoeld geval eene voordracht tot hunne wegzending aan het
Departement van Oorlog zal moeten worden ingediend, (a. v. 6°.,
gen: bij M. B. 5 Juni 1889, n\\ 39, B. U., Jank. 131).
§ 1014- Aan hen, wier militiediensttijd geëindigd is bij hunne
terugkomst in Nederland, zal, door den commandant van het
koloniaal-werfdepot onverwijld op de gewone wijze het paspoort
wegens diensteindiging worden uitgereikt. (M. B. 12 Aug. 1873,
n\\ 41P, 8°., B. U. 420).
§ 1015. Overeenkomstig het bepaalde in art. 123, 4°., der
militiewet moeten de miliciens, die in voege voorschreven zijn
gedetacheerd, worden beschouwd krachtens art. 126 dier wet,
voor het blijvend gedeelte onder de wapenen te zijn. (a. »., 9°.,
gew., bij M. B. 5 Juni 1889, n°. 89, B. U., Aanh. 131).
§ 1016- De bestaande voorschriften omtrent het inleveren van
kleeding- en uitrustingstukken, het sluiten der rekening in de
uitrusting" en reserve-rekening en bet verrekenen der saldo\'s schuld
en tegoed, bij overgang van militairen naar het leger in ludi\'è,
blijven van kracht voor de miliciens die, op grond van voor-
noemd besluit, bij het leger in Nederlaudsch-Oust-lndië worden
gedetacheerd. De miliciens die bij terugkomst in Nederland in
het genot van groot-verlof worden gesteld, worden, wanneer zij
later bij hunne korpsen onder de wapenen komen, opnieuw van
kleeding en uitrusting voorzien, (a. v., 10°.).
lt. Van het ontslag uit den dienst der militie.
§ 1017. Voor de ingelijfden bij de militie te land duurt de
dienst vijf (*), voor die bij de militie ter zee vier (**) jaren.
(Militieicet art. 6, lae lid, B. U., Aanh. 1).
(*) Tot 1 Mei 1895: zeven.
(**) Tot 1 Mei 1895 : vijf.
25
-ocr page 400-
XXX. Ontslag.
380
Elk bij de militie te land ingelijfde ontvangt, vijf (*) jaren
na den dag zijner inlijving, een bewijs van ontslag uit den dienst.
{Wet a. v., art. 146, gewijzigd door de wet van 24 April 1884,
St.bl. n°. 70, B. U., Aanh. 114). (73) (74).
\\ 1018. Eene aangegane vrijwillige verbintenis en de daaruit
voortvloeiende rechten en verplichtingen worden door de vroeger
plaats gehad hebbende aanwijzing tot den dienst der militie niet
verkort.
Eene bij bijzondere vergunning plaats gehad hebbende vernie-
tiging van de aangegane vrijwillige verbintenis, ontheft niet van
den uit kracht der wet te vervullen militiediensttijd. (K. B. 17
Dec. 1861, SIM. n°. 127, art. 7, B. U., Aanh. 23).
Eene aangegane vrijwillige verbintenis kan, zoolang de be-
trokken persoon nog militieplichtig is, niet bij speciale vergun-
ning worden vernietigd dan onder bepaling, dat hij zijnen nog
onvervulden diensttijd als milicien volbrenge, hetzij in persoon
hetzij door het stellen van eenen plaatsvervanger, op de wijze
bij de wet voorgeschreven.
Ook indien de vrijwillige verbintenis eindigt vóór dat de ver-
plichte militiediensttijd is vervuld, komt eene bepaalde over-
brenging in de positie van milicien te pas. (M. B. 27 Dec.
1861, n°. 495, B. U., Aanh. 23).
§ 1019. Be vervallenverhlaring van den militairen dandof van
de betrekhing van militairen ge\'èm/ployeerde
heeft van rechtswege
ten gevolge, ontzetting van het recht om ooit weder bij de
(*) Tot 1 Mei 1895: zeven.
(73)  Bij de Landmacht worden twee soorten van paspoorten afgegeven.
Het model van het gewone paspoort, alsmede van het daaraan gehechte ge-
tu.ig8ch.rift van goed gedrag, en het model van het in rood te drukken
paspoort van de 2J|! soort zijn vastgesteld bij de M. B. van 8 Oct. 1892,
n°. Ï01, Ji. M. 8C2. [Aangaande de certificaten van r/oed gedrag raadple-
ge men
$ 147].
(74)  De meening dat een milicien die op het tijdstip, waarop hij gepas-
porteerd zoude behooren te worden, zich in arrest bevindt krachtens art. 16
der Rechtspleging bij de Landmacht, of wel eene disciplinaire straf onder-
gaat, op voorschreven tijdstip nit het arrest moet worden ontslagen of van
het verdere gedeelte der hem opgelegde straf moet worden ontheven, ten
einde met paspoort te kunnen vertrekken, is onjuist. (M. A. 13 Juli 1883,
na. 33, B. U. 807).
-ocr page 401-
XXX. Ontslag,                                   387
gewapende macht te dienen, of eene betrekking van militairen
geëmployeerde te bekleeden\'.
Door de vervallenverklaring worden bovendien alle rechten
aan vorigen dienst ontleend of verbonden, verloren, daaronder
begrepen de aanspraak op pensioen, en tevens het recht om
ridderorden, medailles of andere onderscheidingsteekenen, voor
zoover deze laatste ter zake van vorigen dienst zijn verkregen,
te dragen. {Wet 14 Nov. 1879, St.bl. n". 191, art. 11).
Be ontzegging van het recht om hij de gewapende macht of als
militaire geëmployeerde te dienen
wordt uitgesproken voor den
tijd van minstens drie en hoogstens vijf jaren.
Zij heeft van rechtswege ten gevolge de opheffing van de be-
staande dienstbetrekking of het ontslag uit de betrekking van
militairen geömployeerde, door den veroordeelde bekleed.
Door de ontzegging worden bovendien alle rechten aan vorigen
dienst ontleend of verbonden, verloren, daaronder begrepen de
aanspraak op pensioen, en, gedurende den tijd waarvoor de ont-
zegging is uitgesproken, ook het recht om ridderorden, medailles of
andere onderscheidingsteekenen, voor zoover deze laatste ter zake van
vorigen dienst zijn verkregen, te dragen. {Wet a. v., art. 12).
Bij de veroordeeling van een\' minderen militair tot de straf
van militaire detentie ter zake van eenig misdrijf tegen den dienst
of de subordinatie of van herhaalde desertie kan de rechter be-
palen, dat de veroordeelde na zijn ontslag uit de detentie zal
worden geplaatst in eene klasse van militairen, aan eene gestren-
gere krijgstucht onderworpen,
voor eenen tijd bij het vonnis te
bepalen, niet te boven gaande een jaar. {Wet a. v., art. 14).
Wanneer een militair tot militaire gevangenisstraf of tot ge-
vangenisstraf zonder de in art. 12 {zie de zinsneden 3—5 dezer §)
vermelde ontzegging, tot hechtenis of tot militaire detentie is
veroordeeld geweest, wordt de tijd zijner opsluiting, ook der
preventieve, niet als diensttijd medegerehend, eveneens wordt niet
als diensttijd medegerekend
de tijd, krachtens vonnis, in de klasse
van militairen, aan eene gestrengere krijgstucht onderworpen {zie
de vorige zinsnede)
doorgebracht. {Wet a. v., art. 15, gew. wet
15 April 1886, St.bl. n\\ 64 en Voorschr. M.B. 4 Aug. 1881,
n\\ 83, art. 17, B. U. 639).
§ 1020. De tijd, gedurende welken een gedeserteerd milicien
van zijn korps afwezig is geweest, behoort niet te worden mede-
-ocr page 402-
XXX. Ontslag.
388
gerekend onder het tijdvak, bedoeld in art. 140 der militiewet.
(K. B. 5 Dec. 1870, St.il. n". 192T en M. A. 2 Fei. 1881,
»*. 19).
§ 1021. Is de Staat in oorlog of in andere buitengewone
omstandigheden, zoo kan eene wet, jaarlijks te vernieuwen, de
ingelijfden bij de militie te land tot langoren dan vijfjarigen
dienst verplichten. (Militiewet, art. 6, 2de lid, B. U., Aanlt. 1).
Is de Staat in oorlog of in andere buitengewone omstandig-
heden op den tijd, waarop den ingelijfde bij de militie het
bewijs van ontslag moet worden uitgereikt, en wordt het door
den Koning noodig geacht, hem langer in dienst te houden, dan
wordt de afgifte van dat bewijs geschorst, totdat omtrent de bij
de Staten-Generaal ingediende voordracht van wet, die hem
tot langereu dienst verplichten zou, beslist is. (Militiewet,
art.
147).
§ 1022. De artt. 46, 58, 165, 171, 173 en 176—178 der
militiewet (B. U., Aanlt. 1) vermelden gevallen waarin — ten
gevolge van nadere inlijving van andere müitieplichtigen — aan bij
de militie ingelijfde lotelingen of aan door hen gestelde plaatsver-
vangers, tusschentijds ontslag uit den dienst moet worden
verleend.
Het ontslag, krachtens de aangehaalde wetsartikelen te ver-
Jeenen, wordt, voor zooveel dit ingelijfden bij de militie te land
betreft, bij den Minister van Oorlog aangevraagd door de heeren
Commissarissen der Koningin in de provinciën.
Die aanvragen geschieden door het overleggen van eenen staat,
ingericht overeenkomstig een daartoe door den heer Minister van
Binnenlandsche Zaken vastgesteld model, terwijl daarbij worden
gevoegd de bewijzen van werkelijken dienst, voorgeschreven bij
de beschikking van het Departement van Oorlog dd. 27 Januari
1862, n°. 15B, (B. U„ Aanli. 39) zoowel van den loteling
of van zijnen plaatsvervanger, die uit den dienst moet worden
ontslagen, als van hem, door wiens inlijving het recht op ont-
slag verkregen is.
De machtiging tot hfct verkenen van ontslag uit den dienst
wordt rechtstreeks aan den commandeerenden officier van het
korps verstrekt. (M. A. 10 Oct. 1879, iï. 45, B. V.,
AaitA.
86).
Indien miliciens die zich in werkelijken dienst hevinden zonder zich
-ocr page 403-
XXX. Ontslag,                               389
als vrijwilliger te hebben eerbonden recht op bedoeld ontslag ver-
krijgen, wordt hun verlof toegestaan in afwachting van dat ont-
slag. Het verlof — natuurlijk zonder behoud van soldij — wordt
verleend door den korpscommandant zoodra deze van den C. d.
K. kennisgeving heeft ontvangen van het recht op ontslag. Die
kennisgeving geschiedt per telegraaf.
Wegens hun aanstaand ontslag behooreu deze militicplichti-
gen bij hun vertrek van het korps geen andere voorwerpen van
kleeding en uitrusting mede te nemen, dan die hun bij hun ont-
slag moeten worden gelaten.
Mocht aan een militieplichtige als hier bedoeld eene provoost-
of cachotstraf zijn opgelegd, of hij schuldig worden gehouden
aan eene overtreding, waaromtrent door den militairen rechter
uitspraak moet worden gedaan, dan mag voormeld verlof niet
worden verleend vóór dat het ter zake ingesteld onderzoek af-
geloopen en c. q. de opgelegde straf ondergaan is.
Vorenbedoeld verlof mag evenmin worden toegestaan aan den
militieplichtige die zich, wegens het als verlofganger overtreden
van de bepalingen der militiewet, krachtens art. 137 of art. 144
dier wet in werkelijken dienst bevindt, vermits aan dezen het
ontslag uit den dienst eerst kan worden verleend na afloop van
de hem wegens die overtreding opgelegde straf. (M. ^1. 17 Juli
1886, n°. 74, B. ü., Aan//. 118).
§ 1023. Aan ingelijfden bij de militie, die, krachtens de
wetsartikelen in § 1022 aangehaald, recht op ontslag uit den dienst
hebben verkregen, moet voor het geval dat die nadere inlijvingen
geschieden vóór het verstrijken van het jaar in hetwelk zij
zelven zijn ingelijfd, een bewijs van ontslag worden uitgereikt,
waarin achter het woord ^paspoort" wordt vermeld: „behoudens
bevoegdheid tot wederoproeping vóór den
31s,e" December aanstaande,
aan den, enz?\'
Moeten miliciens, behoorende tot eene vroegere
lichting dan die van het loopende jaar, op voorschreven grond
worden ontslagen, dan wordt de bepaling omtrent het voorbe-
houd weggelaten.
In het stamboek moet in het eerste geval eenvoudig worden
vermeld, dat zij voorwaardelijk worden ontslagen, terwijl de
reden van het ontslag in het paspoort en op het stamboek in
dezer voege moet worden uitgedrukt: „en zulks uithoofde hij, ten
gevolge van de nadere inlijving van een1 anderen milicien, boven het
-ocr page 404-
XXX. Ontdag,
390
contingent zijner gemeente dient". (75) Bijaldien een milieien, die
krachtens art. 9 der militiewet eene vrijwillige verbintenis bij
het leger hier te lande of bij de koloniale troepen heeft aan-
gegaan, bij eene nadere inlijving is betrokken, wordt te zijnen
aanzien in het stamboek van het korps, en, betreft het eenen
soldaat van de koloniale troepen, in dat van het koloniaal-werf-
depot vermeld: ffop den . . . ., door de nadere inlijving van
eenen anderen milicien, van zijne betrekking tot de militie ont-
heven." (M. B. 7 Juni 1862, n". 565, B. U., Aanh. 42).
\\ 1024. Indien een milicien, die ingevolge art. 31 van het
//Reglement van krijgstucht voor het krijgsvolk te lande" in
de 2de klasse is geplaatst, tijdens zijn verblijf in die klasse,
krachtens de bepalingen der militiewet uit den dienst moet
worden ontslagen, wordt hem een paspoort van de 2de soort
uitgereikt. (Foorschr. M. B. 4 Aug. 1881, n°. 83, art. 11,
B. U. 639).
Eveneens wordt een paspoort van de 2de soort uitgereikt, aan
de manschappen, die, terwijl zij aan de strengere krijgstucht
onderworpen zijn, wegens lichaamsgebreken den dienst verlaten,
ten ware zoodanig militair na verloop van korten tijd, ter be-
oordeeling van den depot-commandant en van den hoofdofficier,
bedoeld bij art. 3 van het K. B. van 2 Juni 1878, n°. 28,
naar alle waarschijnlijkheid in aanmerking zou zijn gekomen om
bij de gewone klasse van militairen over te gaan, in welk geval
hem, indien daartoe de goedkeuring van het Departement van
Oorlog is verkregen, een gewoon paspoort wordt uitgereikt.
(«. »., artt. 21 en 22).
Onverminderd de bepalingen van de twee vorige leden dezer
§ komen voor een paspoort van de 2d<! soort in aanmerking
militairen of militaire geëmployeerden, wier gedrag van dien aard
is geweest, dat zij, hoewel niet in de termen verkeerende om
met een briefje van ontslag weggezonden of zonder paspoort uit
den dienst verwijderd te worden, niettemin in geen geval tot
eene nieuwe verbintenis als vrijwilliger kunnen worden toegelaten.
Tot het uitreiken van het paspoort van de 2d0 soort moet
(75) Verzuim van de vermeldiug in het paspoort van het voorbehoud tot
wederoproeping kan den loteling niet ontheffen van de dienstverplichting,
welke volgens de wet aan het hem bij loting te beurt gevallen nummer is
verbonden. (M. v. B. Z. 30 Ooi. 1879, Lilt. C).
-ocr page 405-
XXX. Ontslag.
391
steeds, onder overlegging van extracten uit het stamboek en het
strafregister betrekkelijk den te pasporteeren militair, door den
commandant van het korps tijdig eene gemotiveerde voordracht
aan den M. v. O. worden gedaan. (M. B. 8 Oet. 1898,»". 101,
E. M. 86 2).
§ 1025. Het bewijs van ontslag wordt gezonden aan den
burgemeester der woonplaats van den ingelijfde en aan dezen
door hem uitgereikt.
Bevindt de ingelijfde zich op het tijdstip van zijn ontslag in
werkelijken dienst, dan wordt hem het bewijs door zijnen be-
velhebber uitgereikt. {Wet a. »., art. 14S).
Ten einde de coramandeerende officieren van de regimenten
infanterie en van die der artillerie van een deel der vele hun
opgedragen bemoeiingen van administratie ven aard te ontlasten,
is bepaald, dat de paspoorten, met de daarbij behoorende be-
wijzen van goed gedrag, worden onderteekend, bij de infanterie,
door de bataljonscommandanten, bij de veldartillerie, door de
afdeelingscommaudanten, en bij de vestingartillerie, door de hoofd-
officieren belast met het bevel over de compagnieën of door de
commandanten van detachementen uit een of meer compagnieën
bestaande. (Af. A. 23 Juni en 4 Juli 1892, Kal. T 84 en J7 36).
Voor verlofgangers der militie, die vergunning hebben ver-
kregen om zich in den vreemde te vestigen en van die vergun-
ning hebben gebruik gemaakt, moet het paspoort worden gezonden
aan den burgemeester der gemeente, waarvoor de milicien is
opgetreden, vermits de afwezige, indien hij te eenigcr tijd in
het bezit mocht wenschen te geraken van een bewijs van vol-
doening aan zijne verplichtingen ten aanzien der Nationale Militie
of van het hem toekomend saldo tegoed, tot dien burgemeester
zal worden verwezen. Die toezending moet evenwel geschieden
door tusschenkomst van den Commissaris der Koningin in de
provincie waartoe bovenbedoelde gemeente behoort. (M. A. 6
Juni 1885, u\\ 91).
§ 1026- Jaarlijks, op den \\öicn April moeten de paspoorten
bestemd voor de miliciens-verlofgangers, die vóór 1 Juni van
elk jaar recht op ontslag hebben, ingevuld onder den datum
der dieusteindiging, gezonden worden aan de heereu Commissa-
rissen der Koningin, door wier zorg die paspoorten aan de bur-
gemeesters worden overgemaakt om aan de miliciens, die zich
-ocr page 406-
392                                 XXX. OnMag.
met verlof in de gemeente bevinden, te worden uitgereikt op
den dag waarop hun diensttijd expireert; zijnde tevens de lieeren
Commissarissen der Koningin in de provinciën uitgenoodigd, den
Minister van Oorlog op den 20""" April van elk jaar rapport te
doen, bijaldien op dien dag, de bovenbedoelde paspoorten van
eenig korps, gedeeltelijk uit militie samengesteld, nog niet bij
hen mochten zijn ontvangen. (M. A. 6 Sept. 1870, n". 83 P,
B. U„ Aanh.
82).
Onmiddellijk na ontvangst der paspoorten moeten die stukken
voor hen die zich elders bevinden, naar hunne bestemming wor-
den verzonden; zij mogen niet worden |afgegeven aan bezorgers
van plaatsvervangers. (M. v. li. Z. 14 Nov. 1863, »\'. 220,
4de Afd,\\
§ 1027- In het hoofd van de wegens diensteindiging aan de
miliciens uit te reiken paspoorten, moet steeds, tenzij in het geval
in § 1021 bedoeld, de besch. van 11 Dec. 1861, n°. 8B, als
algemeene machtiging worden vermeld; de aanteekening van deze
machtiging moet in het stamboek achterwege worden gelaten.
\\ 1028. Het ontslaan van vrijwilligers en van miliciens, die
eene vrijwillige verbintenis hebben aangegaan, geschiedt bij ex-
piratie van hunnen diensttijd door de commandeerende officieren
der korpsen, almede zonder speciale autorisatie van het Uepar-
tement van Oorlog.
In de uit te reiken paspoorten moet de beschikking van het
Departement van Oorlog van 20 Augustus 18(53, n". 5 8 P, als
algemeene machtiging worden vermeld, doch de aanteekening
van deze machtiging in het stamboek behoort achterwege te worden
gelaten. (M. B. 2(5 Awj. 1863, »°. 58 P, B. U, 270).
§ 1029. Van het uit den dienst geraken van ingelijfden bij
de militie te land, wordt door de commandeerende officieren
der korpsen maandelijks kennis gegeven aan den Commissaris der
Koningin in de provincie, en door dezen aan de burgemeesters der
gemeenten, voor welke die manschappen bij de militie zijn ingelijfd.
(K. B. 8 Mei 1802, SIM. n\'. 40, art. 76, B. U., Aanh. 42).
Ingevolge het bepaalde, in de vorige zinsnede vermeld, zenden
de commandanten der korpsen op den lslen van elke maand, ten
aanzien van de tot het korps behoorende manschappen der militie,
waaronder echter niet zijn begrepen diegenen, welke daarbij eene
vrijwillige verbintenis hebben aangegaan, aan de Commissarissen
-ocr page 407-
XXX. Vrijwillige oefeningen.                       393
der Koningin, wie het aangaat, eenen staat van de mutatiën,
welke er in de afgeloopcn maand met die manschappen hebben
plaats gehad, wat betreft o. a. het op de eene of andere wijze
uit den dienst geraken en het ontslag.
Deze mutatiënlrjst moet worden ingericht overeenkomstig het
daarvoor gegeven model litt. aa. (M. B. 7 Juni 1862, n°. 56B,
B. U„ .dank.
42).
S. Vrijwillige oefeningen in den wapenhandel in verband met den
dienst bij de militie.
§ 1030. Om den lust tot het houden van vrijwillige oefenin-
gen in den wapenhandel aan te wakkeren en tevens te bevorde-
ren, dat die vrijwillige oefeningen ten bate komen van hen, die
den militieplicht persoonlijk willen vervullen en zich, hetzij enkel
daartoe, hetzij mede tot het spoedig erlangen van een\' graad in het
leger wenschen voor te bereiden, ten einde ook daardoor in aan-
merking te kunnen komen voor de gunstige bepalingen, welke jaar»
lijks worden getroffen ten aanzien van miliciens, die binnen een\'
bepaalden termijn blijken geven een\' zekeren graad van geoefend-
heid te bezitten of tot milicien-korporaal of milicien-sergeant zijn
bevorderd; en om wijders meer in het bijzonder de meer gevor-
derde leerlingen van inrichtingen van onderwijs aan te moedigen
om zich in den wapenhandel te bekwamen en hun daarbij steun
te verleenen, ten einde langs dien weg zooveel mogelijk te verkrij-
gen, dat voldoende stof in het leger aanwezig kome om in de
toekomst over een talrijk reservekader te kunnen beschikken;
is, in afwachting eener meer uitgebreide regeling, waarin alsdan
zullen worden begrepen de plaatsen waarin inrichtingen van mid-
delbaar- en hooger onderwijs gevestigd zijn, doch alwaar geen
.garnizoen ligt, en aan welke regeling zoo mogelijk ook het ver-
krijgen in de toekomst van reserve-officieren ten grondslag zal
liggen, voorloopig bepaald:
1°. in plaatsen, waar infanterie of vesting-artillerie in gar-
nizoen ligt, zal aan jongelingen van 17 jaren tot aan den
militieplichtigen leeftijd, die zich daartoe bij den commandee-
rende-officier aanmelden, gelegenheid worden gegeven om bij
de korpsen infanterie en vesting-artillerie kosteloos onderwijs te
-ocr page 408-
394                       XXX. Vr\'ijiciüige oefeningen,.
ontvangen in den wapenhandel en, voor zooveel de vesting-
artillerie betreft, ook in de bediening van het geschut.
Voor dezen practischen cursus zullen vanwege het korps de
noodige wapens en munitiën worden verstrekt.
2°. In de sub 1°. gemelde garnizoenen, zal tevens aan jonge*
lieden, die den practi&chen cursus bijwonen,
de gelegenheid worden
gegeven, om kosteloos deel te nemen aan een\' theoretischen
cursus,
strekkende tot voorbereiding voor den graad van milicien-
korporaal
bij de infanterie of bij de vesting-artillerie.
3°. Een practische cursus en een theoretische cursus, als sub
1°. en 2". bedoeld, zullen almede kunnen worden gehouden in
gemeenten, waar voor de oefeningen der schutterijen instructeurs
van het leger beschikbaar worden gesteld, voor zooveel zich in
die gemeenten \'bij den commandant der schutterij een genoeg-
zaam aantal jongelieden tot deelneming aanmeldt en voor die
oefeningen door de zorg van het gemeentebestuur over eene
bruikbare localiteit en over wapenen van de schutterij ter plaatse
kan worden beschikt. De regeling der cursussen heeft plaats in
overleg met den commandant dier schutterij.
Deze vrijwillige oefeningen moeten worden gehouden op dezelfde
dagen, waarop het kader van het leger voor de oefeningen der
schutterijen beschikbaar wordt gesteld en met inachtneming van
het bepaalde bij punt 4°. der beschikking van 21 December 1887,
IIde afd., n°. 63.
De beslissing omtrent de vraag, of zich in eene gemeente een
genoegzaam aantal jongelieden tot deelneming aan de hierbedoelde
oefeningen hebben aangemeld, om de aan hunne instructie ver-
bonden moeite te rechtvaardigen, blijft overgelaten aan den
daarbij betrokken commandant der schutterij, in overleg met
den officier van het leger, met de leiding der oefeningen van
die schutterij belast.
4°. Melden zich in een der garnizoenen of gemeenten meer"
jongelieden aan tot deelneming aan bovenbedoelde cursussen dan
bij de beschikbare oefeningsuren door de instructeurs kunnen
worden geoefend, dan worden, voor zooveel noodig, de jongsten
in leeftijd niet tot deelneming toegelaten.
5°. Jongelieden, in het bezit van het hierna sub 10° te ver-
melden getuigschrift voor den practischen en den theoretischen
cursus, zullen, nadat zij militiedienst verricht hebben en met den
-ocr page 409-
XXX. Vrijwillige oefeningen.                       395
graad van milicien-korporaal met onbepaald verlof zijn gezonden,
in staat worden gesteld, gedurende dat verlof, ook in het 2"" en
het 3de jaar van hunnen militiediensttijd, een\' practUchen en
theoretkcJten cursus te doorloopen, tot voorbereiding voor den
graad van milicien-sergeant.
Er zal, zooveel mogelijk, moeten worden getracht, de oefening
van het bedoelde militie-kader te doen samenvallen met &eprac-
tisc/te oefeningen
van hen, die nog geen militiedienst hebben
verricht.
6°. De sub 1°. en 3°. bedoelde aanmelding zal jaarlijks vóór
1 September moeten geschieden.
Zij, die zich vóór dien datum niet hebben aangemeld, worden
niet tot de cursussen toegelaten.
De commaiideerende-ofticieren en, voor de gemeenten sub 3°.
bedoeld, de officieren met de leiding der oefeningen belast, kun-
nen ingeval zij dit noodig mochten achten, van jongelieden, die
zich tot deelneming hebben aangemeld of die reeds tot de oefe-
ningen zijn toegelaten, overlegging vorderen van een extract uit
het geboortenregister of van eenig ander stuk, waaruit voldoende
van hunnen leeftijd blijkt, en van een certificaat van goed
gedrag.
De aanmelding voor de cursussen sub 5°. bedoeld, moet ge-
schieden jaarlijks vóór 1 November, onder overlegging van het
zakboekje en van het daar vermelde getuigschrift. Ook milicien-
korporaals, aan wie bedoeld getuigschrift niet werd uitgereikt,
zullen tot deelneming aan deze cursussen kunnen worden toege-
laten, indien zij, naar het oordeel van de officieren in de vorige
zinsnede bedoeld, daartoe de vereischte ontwikkeling en den
noodigen aanleg bezitten. Het bepaalde in de tweede alinea is ook
voor deze aanmelding van toepassing.
7°. De sub 2°. en 3°. hiervoren genoemde cursussen beginnen
jaarlijks in de onderscheidene gemeenten, zoodra mogelijk nadat
aldaar, tusschen 7 October en 7 November, de loting voor de
nationale militie heeft plaats gehad, en eindigen op ultimo Fe-
bruari d. a. v. met dien verstande dat in bedoeld tijdvak zoo
mogelijk gemiddeld omstreeks veertig oefeningen plaats hebben.
Dïe, sub 5°. vermeld, vangen jaarlijks aan, zoo mogelijk gelijk-
tijdig met die sub 2°. en 3°. bedoeld, doch uiterlijk op 1 No-
vember en eindigen eveneens op ultimo Februari d. a. v.
-ocr page 410-
896                       XXX. Vrijwillige oefeningen.
Wanneer de dienst bij het korps het slechts eenigszins gedoogt,
Eulleu evenwel ook na laatstgenoemden datum — vooral gedu-
rende den vacantietijd der scholieren — eenige practische en, zoo
mogelijk, ook eenige theoretische oefeningen plaats hebben, ten
einde het in de wintermaanden geleerde te onderhouden.
8°. De uren bestemd voor het practisch en theoretisch on-
derwijs zullen zoodanig moeten worden gekozen, dat daarbij zoo-
veei mogelijk rekening wordt gehouden met de werkzaamheden
der deelnemers en tevens met de omstandigheid, dat aan den-
zelfden persoon gelegenheid behoort gegeven te worden om zoowel
den practischen als den theoretischen cursus te volgen.
In verband met het vorenstaande kan het practisch en het
theoretisch onderwijs aan jongelieden, die schoolonderwijs genie-
ten, in afzonderlijke klassen worden gegeven aan inrichtingen,
waar laatstbedoeld onderwijs door hen wordt ontvangen.
De regeling hiervan geschiedt in overleg met de hoofden dier
inrichtingen van onderwijs, of met de gemeentebesturen waaronder
die inrichtingen ressorteeren.
Afgescheiden hiervan zal het streven steeds daarheen moeten
worden gericht, zooveel doenlijk, te vermijden, dat jongelieden
wier graad van algemeene ontwikkeling en geoefendheid te zeer
uiteenloopt, in ééae klasse worden bijeengebracht.
9°. Voor het bijwonen van den hiervoren sub 2°. en 3 .
bedoelden theoretischen cursus wordt in het algemeen noodig ge-
acht, dat de jongelieden zich minstens de kundigheden hebben
eigen gemaakt, welke worden gevorderd, om respectievelijk bij
de korpsen der infanterie en der vesting-artillerie als adspirant-
onderojficier
te worden aangenomen.
Deze kundigheden zijn (Zie de beschikking van 17 November
1873, n°. 41 P (B. U., 437 en „Neerlands Leger", Veertiende
uitgave, bladz. 76) :
a.     het schrijven van eene goed leesbare hand;
b.     de kennis van de gronden der spelling van de Neder-
landsche taal;
c.     het rekenen, tot en met de gewone en tiendeelige breuken ;
d.     de kennis van het Nederlandsehe stelsel van maten en
gewichten;
e.     eenige bekendheid met de vaderlandsche geschiedenis;
f.     voldoende kennis der aardrijkskunde van Nederland.
-ocr page 411-
XXX. Vrijwillige oefeningen.                       3\'J7
Jongelieden, van wie — in verband met het door hen ge-
noten onderwijs — kan worden aangenomen, dat zij bedoelde
kundigheden niet in voldoende mate bezitten, zullen niet tot den
theoretiseren cursus mogen worden toegelaten.
Zij, die gedurende den loop van het cursusjaar, door gemis van
die kundigheden, de blijken geven van het te geven onderricht
niet naar behooren te kunnen volgen, zullen door den com-
mandeerende-officier of, voor de sub 3°. bedoelde gemeenten door
den officier met de leiding der oefeningingen belast, van genoem-
den cursus worden verwijderd.
Laatstbedoelde maatregel zal eveneens moeten worden toege-
past op hen, die hetzij den tlteoretkchen, hetzij den practischen
cursus
niet geregeld genoeg volgen.
10°. Tegen het einde van de hiervoren bedoelde cursussen
zal, tusscheu 15 en 20 Februari, door den commandeerende-offi-
cier of, voor zooveel betreft de sub 3°. bedoelde gemeenten,
door den officier met de leiding der oefeningen belast, aan
ieder die aan deze cursussen met voldoenden ijver heeft deel-
genomen en reeds voor de militie heeft geloot, een getuig-
schrift
worden uitgereikt, overeenkomstig het daarvoor gegeven
model A..
11°. De officieren, met de leiding der vrijwillige oefeningen
in den wapenhandel belast, zullen aan de daaraan deelnemende
jongelieden zooveel mogelijk inlichtingen verstrekken aangaande
de wijze waarop zij — ingevolge de te dier zake jaarlijks vast
te stellen bepalingen — c. q. persoonlijk den militiedienst zul-
len kunnen volbrengen.
12°. De commandeerende-officieren brengen, door tusschen-
koinst van den inspecteur van het wapen, jaarlijks op 1 April
en 1 November aan den Minister van Oorlog een verslag uit
omtrent de respectievelijk van 1 October tot en met ultimo Fe-
bruari en e. q. van 1 Maart tot en met 30 September d. a. v.
gehouden theoretische en practische oefeningen, ook omtrent die
sub 3°. bedoeld, voor zooveel de instructeurs door het korps of
korpsgedeelte onder hunne bevelen zijn verstrekt geworden.
Behalve de beschouwingen en voorstellen, waartoe die oefe-
ningen aanleiding mochten geven, zal in dat verslag een tabel-
larisch overzicht van de gehouden oefeningen moeten worden
opgenomen, ingericht overeenkomstig het daarvoor gegeven model.
-ocr page 412-
31)8                       XXX. Vrijwillige oefeningen.
(M. B. 4 Nov. 1887, n°. 44; 2 Sept. 1889, n\\ 57; 7 Juli
1892, n°. 43; 21 Juli 1893, »°. 14).
§ 1031. Op grond tlat vrijwillige oefeningen in den wapen-
handel, als bedoeld bij § 1030, alleszins nuttig zijn, niet alleen
omdat jongelieden die voor den militiedienst kunnen worden
aangewezen, zich daarbij voor de vervulling van dezen dienst en
voor de opleiding tot eenen graad bij het militiekader kunnen
voorbereiden, maar ook omdat zij, in het algemeen, strekken tot
verhooging van de volksweerbaarheid; ten einde in verband daar-
mede, eenige voorloopige maatregelen te nemen om aan die oefe-
ningen geleidelijk verdere uitbreiding te geven, — ook door de
gelegenheid tot deelneming aan zoodanige oefeningen, zooveel
het mogelijk zal blijken, open te stellen in gemeenten waar geen
garnizoen ligt en waar, voor de oefeningen der schutterijen,
geen instructeurs van het Leger beschikbaar worden gesteld —
en voorts om het verkrijgen van goede uitkomsten te bevor-
deren, door het brengen van meer eenheid in de toepassing van
de regeling dier oefeningen; is, met wijziging en aanvulling, in
zooverre, van het medegedeelde onder § 1030, het navolgende
bepaald :
1°. De uitvoering van al hetgeen betrekking heeft op de
vrijwillige oefeningen in den wapenhandel voor den dienst der
infanterie en der vesting-artillerie, wordt geregeld door de be-
velhebbers in de militaire afdeelingen, welke autoriteiten tevens
toezicht houden op die oefeningen en de daarbij verkregen uit-
komsten nagaan.
2". Voor de onder 1". vermelde werkzaamheden worden de
bevelhebbers in de militaire afdeelingen ieder ter zijde gestaan
door een hoofdofficier of een kapitein van het wapen der infan-
terie, door den Minister van Oorlog daartoe aan te wijzen. De
bedoelde hoofdofficieren of kapiteins worden, in tijd van vrede,
van het korps waartoe zij behooren, bij de bevelhebbers gedeta-
cheerd.
3°. De coramandeerende officieren en de commandanten van
schutterijen, vermeld in § 1030, zenden de vereischte opgaven
en inlichtingen aangaande de jongelieden, die zich bij hen tot
deelneming aan de vrijwillige oefeningen aanmelden, aan den
bevelhebber in de militaire afdeeling.
De bevelhebber stelt, zooveel noodig in overleg met de be-
-ocr page 413-
XXX. Vrijwillige oefeningen.                       399
trokken militaire autoriteiten, orde op de regeling der oefenin-
gen, de aanwijzing van instructeurs, de beschikbaarstelling van
wapenen, materieel, munitién, lokalen, terreinen, enz.
4\'. Voor zooveel, in gemeenten waar geen garnizoen ligt en
waar de oefeningen der schutterijen niet geschieden met mede-
werking van instructeurs van het Leger, jongelieden — daar-
onder begrepen miliciens-korporaals — wensclien deel te nemen
aan vrijwillige oefeningen in den wapenhandel, mits uitsluitend
voor den dienst der infanterie, en door de burgemeesters dier
gemeenten ter zake aan den betrokken bevelhebber de vereischte
opgaven on inlichtingen worden toegezonden, ontwerpt de bevel-
hebber eene regeling voor het doen houden van oefeningen door
die jongelieden, en om daarvoor instructeurs, wapenen, muni-
ticn, enz. te doen verstrekken.
Daarbij dient evenwel op den voorgrond te staan, dat het
aantal deelnemers aan de oefeningen voldoende groot zij, om
de daaraan verbonden bemoeiingen en kosten te wettigen en dat
in of nabij de gemeenten geschikte localiteiten en terreinen,
zonder belangrijke uitgaven voor bet Kijk, kunnen worden be-
schikbaar gesteld.
Een voorstel nopens een en ander wordt door den bevelheb-
ber, zooveel noodig na gehouden overleg met de betrokken mi-
litaire autoriteiten en burgemeesters, met bijvoeging van eene
begrooting van kosten, aan de goedkeuring van den Minister
van Oorlog onderworpen.
5°. De bevelhebbers in de militaire afdeelingen zijn gemach-
tigd, door de onder 2°. vermelde hoofdofficieren of kapiteins,
dienstreizen te doen verrichten, hetzij tot het houden van monde-
ling overleg, namens hen, met militaire of burgerlijke autoriteiten,
nopens aangelegenheden de vrijwillige oefeningen in den \\vapen-
handel betreffende; hetzij tot het doen van onderzoekingen aan-
gaande gebouwen, lokalen, terreinen, schietbanen enz, ten dienste
van die oefeningen, het houden van toezicht op die oefe-
ningen, enz.
6°. De bevelhebbers in de militaire afdeelingen beslissen, in
den zin van het bepaalde bij de Beschikking van 2 September,
1889, no. 57 (Zie \\ 1030), omtrent de toelating van jongelieden
tot de te houden practkcïie en theoretische cursussen, zoomede
omtrent de verwijdering van die cursussen. De officieren met de
-ocr page 414-
•100                        XXX. Lichting van 1894.
leiding der oefeningen belast doen hun, nopens deze laatste,
eventueel de noodige voorstellen.
7°. De bevelhebbers voornoemd beslissen mede omtrent de
uitreiking van de getuigschriften, bedoeld bij de vorenaangehaalde
beschikking; en zulks zoowel op grond van het door of van-
wege hen op die oefeningen gehouden toezicht, als naar aanlei-
ding van de rapporten der officieren met de leiding der oefe-
ningcn belast.
8°. De verslagen, bedoeld bij punt 12°. der meervermelde
beschikking, worden voortaan opgemaakt en aan den Minister van
Oorlog ingezonden, door de bevelhebbers in de militaire afdee-
lingeu.
9°. De bevelhebbers doen aan den Minister van Oorlog de
voorstellen, die zij, in het belang van de regeling der vrijwillige
oefeningen en ter bevordering van de deugdelijkheid der daarbij
te verkrijgen uitkomsten, noodig of nuttig zullen achten. (M. B.
12 Sept. 1891, h\\ 74).
ï. Bijzondere hepalingen aangaande den eerste-oe/eniugslijd vuor
ingelijfden der militie te land van de lichting voor
1894.
§ 1032- De militieplichtigen, voor de lichting van 1894 bij
de onderscheidene korpsen van het leger in te lijven, worden —
behoudens de uitzonderingen bij K. B. van 29 Peb. 1884, n°.
13, ten aanzien van de daarbij bedoelde veslingtelegrafisten en
miliciens-opzichters der genie vastgesteld, en die, in de volgende
§§ vermeld — tot eerste-oefening gedurende het geheele eerste
jaar van hunneu diensttijd onder de wapenen gehouden. (K. B.
25 Sept. 1893, n\\ 25, art. 1).
§ 1033. Aan lotelingen en nutnmervenvisselaars, die vóór
hunne inlijving door vrijwillige oefening in den wapenhandel
reeds eene zekere mate van geoefendheid hebben verkregen, kan,
voor zoover zij in de maand Maart worden ingelijfd en bij een
onbereden korps worden ingedeeld, dadelijk bij de inlijving een
verlof\' worden verleend tot 3 April 1894.
Aan lotelingen, die vóór hunne inlijving met voldoenden uit-
slag hebben deelgenomen aan eenen practischen en theoretischen
cursus tot voorbereiding voor den graad van milicien-korporaal,
kan bij de inlijving een verlof worden verleend tot 17 April 1894.
-ocr page 415-
XXX. Lichting van 1894.
401
De tijd voor eerde-oefening wordt tot op negen maanden
verminderd voor de lotelingen van genoemde lichting, geen
graad bekleedende, die, bij het regiment grenadiers en jagers, de
overige regimenten infanterie, de regimenten vesting-artillerie,
het korps pontonniers, het korps torpedisten of het korps genie-
troepen ingedeeld, binnen genoemden termijn de blijken geven,
dat zij hunne verplichtingen als milicien in alle opzichten
kennen.
De in deze $ bedoelde geoefendheid en kennis worden beoor-
deeld naar daartoe door den Minister van Oorlog te stellen eischen.
De Bevelhebbers in de Militaire Afdeelingen doen zoo tijdig
mogelijk vóór 1 Maart, aan de betrokken provinciale-adju danten
eene opgave toekomen van de militieplichtigen, aan wie het in
de eerste of in de tweede zinsnede van deze § bedoelde verlof
bij de inlijving kan worden verleend. Hierbij geldt als maatstaf,
dat deze militieplichtigen bij hunne opkomst onder de wapenen
niet achterlijk zullen mogen zijn, vergeleken bij de manschappen
hunner lichting, die tusschen l en 15 Maart b. v. in werkelij-
ken dienst zijn gesteld, doch niet aan vrijwillige oefeningen in
den wapenhandel hebben deelgenomen.
De Bevelhebbers vournoemd doen bovendien op de aan die
militieplichtigen uit te reiken getuigschriften, vermeld sub 10°.
der M. B. van 2 September 1889, n°. 57 (zie § 1030), eene
aanteekening stellen, dat de jongeling geacht kan worden vol-
doende geoefendheid te hebben verkregen om dadelijk na de
inlijving verlof te erlangen tot S/17 April 1894. Dit verlof wordt
verleend door de provinciale-adjudanten op mondeling verzoek
van den belanghebbende en nadat hem de krijgsartikelen zijn
voorgelezen.
Om in aanmerking te komen voor de in de derde zinsnede
van deze § bedoelde vermindering van eerste oefeningstijd moet
de loteling daartoe worden voorgedragen door den compagnies-
commandant.
Voor de vereischte kundigheden wordt verwezen naar de daar-
voor vastgestelde programma\'s. Het is de bedoeling dat die
programma\'s eenvoudig ten richtsnoer strekken; daaraan behoeft
dus niet altijd en onder alle omstandigheden volledig te worden
vastgehouden. (K. B. a. v., art. 2, en M. B. 3 Oct. 1893,
«°. 6G7, ad art. 2).
26
-ocr page 416-
XXX. LieMing «au 1894.
402
§ 1034- De tijd voor eerste-oefening wordt verminderd tot,
op vijf maanden voor de bij de infanterie of bij de vesting-
artillerie ingedeelde lotelingen van genoemde lichting, die, naar
den daartoe door den minister van Oorlog te stellen eisch, vóór
hunne inlijving door vrijwillige oefening in den wapenhandel
voldoende practische en theoretisclie militaire kennis hebben ver-
kregen en die binnen drie maanden werkelijken diensttijd tot
milicien-korporaal worden aangesteld, indien zij binnen den in
den aanhef dezer § genoemden termijn blijken geven van bruik-
bare korporaals te zijn.
Zij worden alsdan in hun tweede en in hun derde dienstjaar
telkens voor eene maand in werkelijken dienst geroepen, zulks
ongeacht hunne verplichting om ook in hunne overige dienst-
jaren voor herhalingsoefening onder de wapenen te komen, indien
bij het korps de lichting waartoe zij behooren daarvoor mocht
worden opgeroepen. Vindt dit laatste plaats in hun derde dienst-
jaar, dan kunnen zij in het vierde dienstjaar worden opgeroepen
voor de maand werkelijken dienst, waartoe zij overeenkomstig
het vorenstaande in hun derde dienstjaar verplicht zijn. (AT. B.
a. v., art.
3).
De in deze § vastgestelde eersto-oefeningstijd vangt aan met
het tijdstip van de in-werkelijken-dienststelling van den loteling.
De loteliug moet in het bezit zijn van het krachtens het be-
paalde sub 10°. ;ter beschikking van den Minister van Oorlog
dd. 2 September 1889, n°. 57 (»\'« § 1030, 10°.) aan hem
uitgereikt getuigschrift, waaruit blijkt, dat zij met voldoenden
ijver heeft deelgenomen aan den practischen en den theoretischen
cursus tot voorbereiding voor den graad van milicien-korporaal
Indien hij, na zes weken in werkelijken dienst te zijn geweest,
blijk geeft geen voldoende practische en theoretische kennis of
geschiktheid te bezitten om binnen den in deze § bedoelden
termijn van drie maanden tot milicien-korporaal te worden op-
geleid, kan hij door den korps-commandant van die opleiding
worden uitgesloten.
Lotelingen die genoemde cursussen niet hebben bijgewoond,
maar die binnen eene maand na hunne indienststelling niettemin
blijk geven voldoende practische en theoretische kennis te bezit-
ten, worden gelijkgesteld met de lotelingen in de vorige alinea
bedoeld.
-ocr page 417-
XXX. TAehüng mn 1894.                        403
Met afwijking in zooverre van het bepaalde bij de aanschrij-
vingen dezerzijds van 21 April 1S76, kab. T 8 (zie § 125) en
van 8 September 1883, N°. 49 (li. U. Aanli 89), kunnen de
in deze § bedoelde miliciens worden aangesteld tot milieien-
korporaal, zoodra zij voor die aanstelling in allen deele geschikt
worden geoordeeld. Voor eene bevordering tot milicien-sergeant
kunnen deze miliciens in aanmerking komen, nadat zij in den
graad van korporaal vier maanden werkelijken dienst hebben
verricht. Zij kunnen echter ook binnen dien termijn tot milicien-
sergeant worden aangesteld, wanneer zij in het bezit zijn van het
getuigschrift, waaruit blijkt, dat zij met voldoenden ijver hebben
deelgenomen aan den practischen en den theoretischen cursus tot
voorbereiding voor den graad van milicien-sergeant, bedoeld sub
5°. van genoemde beschikking van 2 Sept. 1889, n°. 5 7 (zie
§ 1030).
De termijn van drie maanden, binnen welken de lotelingen
tot milicien-korporaal moeten zijn aangesteld, om aanspraak te
kunnen verkrijgen op de bij deze § vastgestelde vermindering van
eerste-oefeningstijd, vangt aan met liet tijdstijd van hunne in-
dienststelling, zoodat derhalve, daarbij niet mag worden mede-
gerekend de tijd sedert hunne inlijving met verlof doorgebracht.
Wijders komt bij dien termijn niet in rekening de tijd, gedu-
rende wolken de loteling wegens ziekte of om andere geldige
redenen, ter beoordeeling van den korps-uom nandant, aan den
dienst onttrokken is geweest. Zijn op het tijdstip dat zij aan de
vereischten voor de aanstelling tot milicien-korporaal voldoen,
alle plaatsen in dien graad reeds vervuld, dan zullen zij, in
afwachting van eene vacature in dien graad, tot milicieu-korpo-
raal-titulair behooreu te worden aangesteld, met behoud van
hunne aanspraken op de in deze § vermelde vermindering van
oefeningstijd.
Behoudens het bepaalde bij de laatste zinsnede van § 1035
behooren deze miliciens-korporaals of c. q. miliciens-sergeanten
in hun tweede en in hun derde of vierde dienstjaar in werke-
lijken dienst te worden geroepen, telkenmale tegen 9 of 10 Juli.
Op 31 December 1894 wordt door de coramandeerende-officie-
ren van de regimenten infanterie en vesting-artillerie aan den
Minister van Oorlog eene nominatieve opgaaf gezonden van de
miliciens-korporaals of c. (j. miliciens-sergeanten van hun onder-
-ocr page 418-
404                        XXX. lichting mn 1894.
hoorig korps, aan wie krachtens deze § vermindering van oefc-
ningstijd is toegestaan. In die opgaaf moet tevens worden vermeld :
1". waar de daarin genoemde militteplichtigen de cursussen hebben
bijgewoond, bedoeld sub 1°. en 2°. of sub 3°. der meergenoemde
beschikking dd. 2 September 1889, n°. 57 (zie § 1030); en
2°. of zij de lessen hebben gevolgd aan eene inrichting van
hooger of van middelbaar onderwijs, of aan eene normaalschool-
of kweekschool voor onderwijzers. (M. B. a. v. ad art. 3).
§ 1035. Om aanspraak te kunnen doen gelden op de in de
beide vorige \\\\ bedoelde vermindering van oefeningstijd, moet de
milicien zich voortdurend zeer goed hebben gedragen.
Waren de in die §§ bedoelde miliciens door de loting, ver-
meld in art. 124 der wet van 19 Augustus 1861 {Staatsblad
n°.
72), betrekkelijk de Nationale Militie, voor het blijvend ge-
deelte aangewezen, dan behouden zij aanspraak op het hun toe-
gekend voorrecht, mits zij het door hen getrokken nummer
verwisselen met een nummer, dat hun op grootverlof recht zou
hebben gegeven.
Maken zij van deze bevoegdheid geen gebruik, dan wordt hun
een verlof van gelijken duur als de toegestane vermindering ver-
leend, dat evenwel moet zijn verstreken met het einde van hun
eerste dienstjaar, en worden de lotelingen, in de vorige § bedoeld,
vrijgesteld van de maand werkelijken dienst in hun tweede en
in hun derde dienstjaar. (K. B. a. v. art. 4).
§ 1036- Het verlof bij de inlijving genoten ingevolge de eerste
of de tweede zinsnede van § 1033, wordt als oefeningstijd me-
degerekend voor de lotelingen bedoeld bij de derde zinsnede van
die §, doch strekt niet in mindering van de vijf maanden eerste-
oefening bedoeld bij § 1034 (K. B. a. v. art. 5).
§ 1037. De lotelingen der lichting van 1894, die vóór hunne
inlijving bij de militie met gunstig gevolg een examen afleggen,
waarvan het programma door den M. v. O. wordt vastgesteld,
worden, voor zoover zij daartoe geschikt bevonden zijn en dit met
de belangen van den dienst is overeen te brengen,
ingelijfd bij
het korps en geplaatst in het garnizoen hunner keuze. Zij worden,
eveneens voor zooveel dit met de belangen van den dienst strookt,
bij elkander gehuisvest en kunnen, desverkiezende, zoo daartoe
gelegenheid bestaat, met elkander afzonderlijk spijzen.
Ook de lotelingen van genoemde lichting, die in het bezit zijn
-ocr page 419-
XXX. Lichting van 18!)4.
405
van het daarvoor door den Minister van Oorlog vastgesteld ge-
tuigschrift (zie § 1030, 10°), dat zij met voldoenden ijver hebben
deelgenomen aan den practischen cursus en den theoretischen cursus
tot voorbereiding voor den graad van milicien-korporaal, deelen
in de voorrechten, in de vorige zinsnede van deze § omschreven.
Aan hen die, naar den daartoe door den Minister van Oorlog
te stellen eisch, vóór hunne inlijving door vrijwillige oefening
in den wapenhandel voldoende practiiche en theoretische militaire
kennis hebben verkregen, kan bovendien op aanvraag van ouders
of voogden worden toegestaan buiten de kazerne te wonen.
(K. B. a. v., art. G).
Het programma van examen bedoeld in de eerste zinsnede
dezer § is vastgesteld als volgt:
1°. het schrijven van eene goed leesbare hand; 2\\ de kennis
van de gronden der spelling van de Nederlandsche taal, welke
blijken moet uit een te vervaardigen opstel; 3°. de vier hoofd-
bewerkingen der rekenkunde, met geheele getallen; 4°. dekennis
van het Nederlandsche stelsel van maten en gewichten; 5". eenige
bekendheid met de Vaderlandsche geschiedenis: 6°. voldoende
kennis der aardrijkskunde van Nederland.
Het examen wordt gehouden in ieder garnizoen, waar de staf
van een bataljon infanterie aanwezig is, ten overstaan eener oom-
missie van drie officieren, te benoemen door den commandeeren-
de-officier van het korps, uitmakende het infanterie-garnizoen;
bovendien te Brielle, Dordrecht, Gorinc/iem, Harderwijk, Roer-
mond, Schoonhoven, Venlo, Zutphen
en Zwolle, eveneens ten
overstaan eener commissie van drie officieren, te benoemen door
den garnizoens-commandant.
De lotelingen die aan dit examen wenschen deel te nemen,
behooren zich daartoe vóór 20 Januari 1894 schriftelijk te wen-
den tot bedoelden commandeerende-officier of garnizoens-com-
mandant, ter plaatse alwaar zij verlangen tot het examen te
worden toegelaten.
In de schriftelijke aanvrage behooren de lotelingen te ver-
melden : hunnen naam, hunne voornamen, hunne woonplaats,
alsmede het wapen of het korps waarbij, en het garnizoen of de
garnizoenen waarin zij bij voorkeur hunnen militieplicht wen-
schen te volbrengen.
Aan de lotelingen, die ?ich daartoe intijds hebben aangemeld.
-ocr page 420-
406                        XXX. lic/ding van 1894.
zullen, vóór 25 Januari 1894, eveneens schriftelijk, worden
kenbaar gemaakt: dag, uur en plaats, voor het afnemen van
het examen bepaald.
De hiervoren bedoelde commandeerende-officieren en gnrnizoens-
commandanten zorgen, dat het examen op den dag, daarvoor
door hen bepaald, ook afloope, ten einde de belanghebbenden
niet langer worden opgehouden dan noodzakelijk is.
Van het gehouden examen wordt door de commissie een be-
knopt proces-verbaal opgemaakt, waaruit blijken moet, of de
adspiranten aan de vereischten al dan niet hebben voldaan.
Na kennisneming van dit proces-verbaal wordt door voormelde
commandeerende-officieren en garnizoens-commandanten aan ieder
van de lotelingen schriftelijk medegedeeld, of hij aan de ver-
eischten al dan niet voldaan heeft. Die officieren zenden op 6
Februari 1894 rechtstreeks aan den Minister van Oorlog eene
nomiuatieve opgave van de lotelingen, die aan het examen heb-
ben deelgenomen, ingericht overeenkomstig het daarvoor gege-
ven model.
Het in de tweede zinsnede van § 1037 bedoelde getuigschrift
is het model A. b, vastgesteld sub 10". der meermalen aange-
haalde 31. B. 2 Sept. 1889, n\\ 57. {zie § 1030).
Zij, die in het bezit zijn van genoemd getuigschrift en wen-
schen bij een bepaald korps of een bepaald garnizoen te worden
ingedeeld, moeten daartoe, met overlegging van het getuigschrift
en onder opgave van de gemeente waar zij voor de militie zijn
ingeschreven, vóór 25 Februari 1894 aanvrage doen aan den
provinciale-adjudant in de provincie waartoe bedoelde gemeente
behoort. De provinciale-adjudanten kunnen zich voor gemachtigd
houden aan deze aanvragen te voldoen, indien die lotelingen de
voor het korps hunner keuze vereitohte lengte bezitten en het
door hen uitgeoefend beroep hen voor dat korps niet onge-
schikt maakt.
De vergunning tot wonen buiten de kazerne kan worden ver-
leend aan de lotelingen bedoeld in de derde en vierde zinsnede
van § 1034 en behoort schriftelijk door ouders of voogden te
worden gevraagd aan den commandeerende-officier van het korps.
De naamteekening der aanvrage moet voor echtheid zijn gewaar-
merkt door den burgemeester der woonplaats van den aanvrager.
De miliciens, aan wie de vergunning om buiten de kazerne te
-ocr page 421-
XXX. Lichting van 1894.                        407
wonen wordt verleend, storten tien cents daags ten voordeele der
menage, welke door hunne afwezigheid anders schade zou lijden.
Zij zijn gehouden dezelfde diensten te verrichten als de mili-
ciens, in de kazerne gehuisvest. Wordt hun eene disciplinaire straf
opgelegd, dan moeten zij, zelfs het geval van gewoon arrest niet
uitgezonderd, gedurende hunnen straftijd in de kazerne wonen en
aan de menage der soldaten deelnemen. Indien de milicien zich
niet zeer goed gedraagt, of indien het wonen buiten de kazerne
aanleiding geeft tot dienstverzuim of tot nalatigheid in het ver-
vullen zijner dienstverrichtingen, wordt de vergunning tot wonen
buiten de kazerne terstond ingetrokken. Die vergunning wordt
ook ingetrokken, indien de milicien binnen den in den aanhef
van § 1034 genoemden termijn geen blijken geeft van bruikbaar
korporaal te zijn, of indien hij voor de opleiding tot korporaal
ongeschikt is geoordeeld.
Ingeval van ongesteldheid of ziekte gelden voor hen, zoowel
wat geneeskundige behandeling als verpleging betreft, de bestaande
voorschriften. (M. B. a. v., ad art. 6).
§ 1038. De plaatsen, waar de staf van een bataljon infanterie
zich bevindt, en waar dus de lotelingen zich ook kunnen aan-
meldcn tot het afleggen van het examen in de eerste zinsnede
van § 1037 bedoeld, zijn:
Amersfoort, Amsterdam, Arnhem, Bergen op Zoom, Breda, Helft,
Deventer, Boesburg, Geertruidenberg, Gouda,
\'.s Gravenhage, Gro-
ningen, Haarlem, den Helder, \'s Hertogenlosch, Hoorn, Kampen,
Leeuwarden, Leiden, Maastricht, Middelburg, Haarden, Nijmegen,
Utrecht en Vlissingen.
§ 1039. Het is raadzaam, dat de lotelingen, die bij een der
speciale korpsen wenschen te worden ingedeeld, tevens een infan-
terie-korps opgeven, waaraan zij bij vvorkeur zouden worden
toegewezen, ingeval zij niet mochten voldoen aan de vereischten,
voor het door hen gekozen speciale korps gesteld.
§ 1040. Bij de indeeling der miliciens worden deze zooveel
doenlijk ingelijfd bij de korpsen en bij de onderdeelen daarvan,
welke in of nabij hunne woonplaatsen garnizoen houden.
De telegraaf-beambten (telegratisten, assistenten en klerken),
die in den dienst der militie optreden, worden bij het korps
genietroepen ingedeeld en, voor zoover zij blijken geven daartoe
do noodige geschiktheid te bezitten, opgeleid tot vesting-telegrafist.
-ocr page 422-
XXX. Lichting van 1894.
40S
Bij den Rijkstelegraafdienst is het regel, de ambtenaren, die tot
het vervullen van hunnen militieplicht afwezig zijn, voor nadeel
in bevordering of plaatsing te vrijwaren, zooveel dit met de
billijkheid tegenover anderen overeen te brengen is.
§ 1041. De lotelingen der lichting van 1894, die binnen
tien maanden werkelijken dienst blijken geven van bruikbare kor-
poraals te zijn, en zich door een zeer goed gedrag onderscheiden,
verkrijgen daardoor aanspraak op verlof met behoud van soldij
voor den tijd van twee maanden.
De lotelingen van genoemde lichting, die tot onderofficier
worden bevorderd en geen verlof hebben genoten krachtens het
bepaalde in de voorgaande zinsnede, verkrijgen door hunne aan-
stelling aanspraak op verlof met behoud van soldij, voor den
tijd van ééne maand.
De verloven, bij deze § bedoeld, worden verleend door den
chef van het korps, en wel op het tijdstip dat, naar zijn oordeel,
het meest met de belangen van den dienst overeenkomt.
Voor de toekenning van deze verloven komen alleen in aan-
merking miliciens, die niet vallen onder de toepassing van de
derde zinsnede van § 1033 of van de §§ 1034 en 1035. (K.
B. a. v. art.
7).
Om in aanmerking te komen voor het verlof van twee maan-
den, bedoeld in de eerste zinsnede van deze §, moet de milicien-
korporaal daartoe worden voorgedragen door den compagnies-
commandant.
Behoudens de uitzondering, hiervoren vermeld in § 1034,
vijfde zinsnede, worden de militie-onderofficieren getrokken bij
voorkeur uit de miliciens die voor het blijvend gedeelte zijn
aangewezen, of die zich verbinden krachtens art. 126 der wet
van 19 Augustus 1861 (Staatsblad n°. 72), betrekkelijk de
Nationale Militie, minstens zes maanden onder de wapenen te
blijven na het tijdstip waarop zij anders in het genot van onbe-
paald verlof zouden worden gesteld. (M. B. a. v., ad art. 7).
§ 1042- De gunstige bepalingen voor lotelingen in de §§
1033—1041 bedoeld, gelden ook voor vrijwilligers bij de militie.
(K. ff, a. v.., art. 8).
-ocr page 423-
409
Bijlage AH.
Opgave der standplaatsen van de korpsen en de
onderdeelen van korpsen der Landmacht, alsmede
van de staven en de hoofdadministratiën dier korp-
sen op 1 Mei 1893, met vermelding tevens waarheen
de verlofgangers der militie te land door de Bur-
gemeesters moeien worden gedirigeerd
bij het onder
de wapenen komen
MET SPOED, indien die verlof-
gangers alsdan niet in het bezit zijn van hun zakboekje
en niet met zekerheid xvelcn naar welke standplaats
zij
zich moeten begeven.
De standplaatsen, van de staven, der korpsen zijn
aangeduid door een kruisje
(-j-); die der hoofdadmi-
nistratièn door een, sterretje
(*).
-ocr page 424-
410
Waarheen de verlof,
gangen* door de -Burj.-c-
meestcrs moeten worden
gedirigeerd hü opkomst
met s/>ue<l, indien de ver-
lofgan\'\'ers nisdan nietiii
het bezit zyn »an hun zak-
boekje en niet met zeker*
heid weten naar welke
standplaats zij zich moe*
ten begeven.
STANDPLAATS.
O N D E K D E E L E N.
KORPSEN.
INFANTERIE.
regiment grenadiers
jagers.
\'s Gravenhage. f *
Leeuwarden, f *
Assen.
Groningen,
den Helder.
Roermond.
Venlo.
\'s Hertogenbosch. f"
\'s Gravenhage.
Leeuwarden.
Leeuwarden.
Groningen,
den Helder.
Roermond.
Venlo.
\'s Hertogenbosch.
, lste en !2de bataljon, en staf,")
I lste, 2de en 3de compagnie >
\\
van het 4de bataljon.
           )
4de compagnie van het 4de)
bataljon.
                                  )
3de bataljon.
Sde bataljon.
/lste compagnie van het lste 1
/ bataljon.
                                  )
I 2de compagnie van het lde)
l bataljon.
                                  )
/Staf, Sde en 4de compagnie S
van het lste balaljon, 4de f
1ste regiment infanterie.
2de regiment infanterie.
3de regiment infanterie.
4de regiment infanterie.
5de regiment infanterie.
6de regiment infanterie.
7de regiment infanterie.
8ste regiment infanterie,
instructie-bataljou.
en 5de bataljon.                   .\'
[ Sde bataljon.
\\3de bataljon.
/•lste, 3de en 6de bataljon.
} 2de bataljon.
t^4de bataljon.
/ lste bataljon.
>2de en 4de bataljon.
>3de bataljon.
\\5de bataljon.
ƒ lste, 2de, 3de en 4e bataljon.
\\hie bataljon.
{]stc, 2de, 3deen 4debataljon
Sde bataljon.
{lste bataljon.
2de, 3de en 4de bataljon.
Sde bataljon,
lste bataljon.
18de bataljon.
\'3de en 4de bataljon, en 4de)
comp. van het Sde bataljon. )
Maastricht.
\'s Hertogenbosch.
Nijmegen.
\'s Hertogenbosch.
Bergen op Zoom. f *
Bergen op Zoom
Middelburg.
Middelburg.
Vlissingcu.
Vüssingen.
Delft.
Delft.
Leiden, f *
Leiden.
Haarlem.
Haarlem.
Gouda.
Gouda.
Amersfoort, f *
Amersfoort.
Utrecht.
Utrecht.
Breda, t *
Breda.
Gcertruidenberg.
Gcertruidenberg.
Hoorn.
Hoorn.
Amsterdam f *
Amsterdam.
Naarden.
Naaiden.
Doesburg.
Doesburg.
Deventer.
Deventer.
Arnhem, f *
Arnhem.
Utrecht.
Utrecht.
Kampen, f *
[SI
af, lste, 2de en Sde coin-)
< paguie van het 5de bataljon. )
-ocr page 425-
11
Waarheen de verlof-
^anyers door de Burgc-
meesters moeten worden
gedirigeerd l>ü opkomst
mei spoed, indien de vei-
lolVan^ers alednn niet in
het bezit zijn van hoDzak*
hoekje en niet met zeker,
heid weten naar welke
standplaats zy zich moe-
ten begeren.
O N 1) E II D E E L E N.
KORPSEN.
STANDPLAATS
CAVALERIE.
Deventer, f
Zutpheii.
Amersfoort. *
Venlo. f
\'s Herlogenbosch.
Haarlem. *
f lste, 3de en 4de eskadron.
J 2de en 5de eskadron,
(depot-eskadron.
( lste, 2de en 5de cska\'-on,
3de en 4de eskadron.
lste regiment huzaren
2Je regiment huzarSD.
•ide regiment huzaren
\' Irmi ordonnansen.
.Amersfoort.
I
.Haarlem.
depot-eskadron.
(lste eskadron.                             Amsterdam,
j 2de, 3de 4deen 5de eskadron, \'s Gravenliage.
(depot-eskadron.
                           Leiden. *
(in MlminhtratJe bij het lste) Amersfoort
regiment huzaren).
             )
JLei
den.
ARTILLERIE (»).
lste regiment veld-nrtillerie.
(staf lste afd. Utrecht.
2de afd. Amersfoort)
2de regiment veld-artillerie
(staf lste afd. \'s Graveuhage.
" 2de afd. Leiden).
ode regiment veld-artillerie.
(staf lste afd. Roermond.
" 2de afd. Bergen op Zoom).
lste, 2de, 3de en 4de batterij;").,. ,. , ,.
lste en 2de treincompagnie j
              \' \'
5de en 6de batterij.                   I Amersfoort.
lste, 2de, 3de en 4de batterij.") \'8 Graveuhage. f*
lste en 2de treincompagnie. j
5de en Cde batterij.                     Leiden.
lste en 2de batterij.                     Roermond.
3de en 4de batterij; lste en) jjreQa *
2de treincompagnie.              )
5de en fide batterij.                  | Bergen op Zoom.
Utrecht.
Amersfoort.
\'s Graveuhage.
Leiden.
Breda.
Breda.
Bergen op Zoom.
C) De miliciens van de lichting van het loopend jaar, tot de regimenten veld-artillerie behoo-
feade, die nog niet in wcrkelijken dienst gesteld en gekleed zijn, moeten, in het geval in de 4de
»»lom vermeld, worden gedirigeerd:
die van het lste Regiment Veld-Artillerie naar Utrecht;
h * » 2de
          »             *            »            » \'s Graveuhage;
» »            3de           «             »            «•            » Breda.
De verlofganger8 der trciucouipaguiecn, die zijn aangewezen als rijders van voertuigen bij andere
"oependeelen, begeven zich naar de plaatsen alwaar de nilieicus opkomen der ouderdeeleu, bij welke
1Ü reeds in vredestijd zijn gedetacheerd.
-ocr page 426-
412
Waarheen de Terlof.
gangers door de Burgc-
meesters moeten worden
gedirigeerd by opkomst
met spaeil, indien de ver-
lofganger. alsdan niet ia
het bezit zgn ran hun zak-
hoekje en niet met zeker-
lieid «eten nanr welke
standplaats zy zich moe-
ten begeven,
O ND ER DE EL EN.
STANDPLAATS.
KORPSEN.
r
ste en 2de batterij en in-
structie-batterij.
Arnhem, f *
Dordrecht, f
Utrecht, f *
Zwolle.
Arnhem.
Dordrecht.
Utrecht.
Zwolle.
Naarden.
[ Amsterdam.
> Gorinchem.
Arnhem.
Ilellevoctsluis.
\'s Gravenhagc.
den Helder.
Willemstad.
den Helder.
Haarlem.
\'s Gravcnhage.
Muiden.
Briellc.
korps rijdende artillerie.
korps pontonniers.
lstc—8ste\' compagnie
9de en 10de compagnie.
lste
artillerie.
2de regiment
artillerie.
vesting-
lste, 3de, 5de, 8ste en 9de l Naar(jen
compagnie.                       J
2de, 4de, 6de, 7de en 10de j Aastetatm, ,
vesting-
pasrme
lste—7de, Ode en 10 com- >
pugnie.
8ste compagnie,
lste compagnie.
2de eu 5 de compagnie.
3de, 6de—10de compagnie.
4de compagnie.
Gorinchem. f *
Arnhem.
Ilellevoctsluis.
\'s Gravcnhage.
den Helder. *
Willemstad.
den Helder.
Haarlem, f
\'s Gravcnhage.
Muiden.
3de regiment
artillerie.
vesting-
4de regiment
artillerie.
vcsting-
(lste
2de
compagnie,
compagnie,
korps panlserfort-
(in administratie bij
compagnie.
regiment vesting artillerie). ïUe compagnle
(in administratie bij het korps lu_-.ii,
pontonniers.)
                     )
GENIE.
{
kurps torpedistcn.
Utrecht, f *
Utrecht
korps genietroepen.
HOSPITAALSOLDATEN.
lste comp. hospitaalsoldaten.
(in administratie bij het
7de reg inf.).
(idem 5de idem),
(idem 6de idem).
Amsterdam, f
Utrecht, f
Breda, ï
Amsterdam.
Utrecht.
Breda.
2de
3de
idem
idem
BIJZONDERE KORPSEN
EN INRICHTINGEN,
(in administratie bij het
8ste reg. inf.).
(idem 3 de idem),
(idem lste reg. huzaren).
idem,
(in betaling bij het regiment
gren. en jagers).               I
(in administratie bij het 1 ste |
Nieuwcrslnis. f
Vlissingen. f
Amersfoort, t
Lcgerpl. bij Milligcn,
s Gravcnlinge. f
Zwolle, t
pupillcnschool.
algem. depot van discipline.
rij- en hoefsmidsschool.
remonte-depot.
norinaal-sehietschool.
Mtilleric-scliietsobool.
veg. vest.-art).                   {
-ocr page 427-
413
KORPSEN.
STANDPLAATS.
ONDERDEEL EN.
instructie-compaguie.
Koninkl. mil. academie.
Iioofdcursus.
i\'ajettenschool.
rutillcriedirsuscompaguie.
militaire schoolcompagnie.
koloniaal-wcrfdeput.
koloniale—reserve.
(in administratie bij het 1ste rcg. vest.-ait.).
(idem bij het instructie-bataljon).
(Idem bij de Kon. mil. academie),
(idem bij het 2de reg. vest.-art.).
(Idem bij liet, 4de regiment infanterie).
(Stal en validen-compagnieën (aanvankelijk één).
i. Reconvalescenten-compagnie,
/Directie.
I Stapelmagazijnen
IConstructie-werkplaatseii.
Pyrotcchnische werkplaatsen.
Werkplaatsen voor Draagbare Wapenen,
\'(icschutgicterij.
Commissie van Proefneming.
Schoonhoven, f
Breda, f *
Kampen, f
Alkmaar, f
Delft. *
1 f aarlem f
Harderwijk, f *
Nijmegen, f *
y.iit])!n\'n.
Delft
Delft.
\'s Grarcnhage.
an illcric-iii richtingen.
MARECHAUSSEE.
District \'s Rerlotjenbosch.
Boxtel, Dussen, Geffeo, \'a Hertogenbosch, Heus-
den, Rijen, Tilburg, Vcghel, Waalwijk en Won-
drichem.
District Eindhoven.
Asten, Bergeijk, Bladel, Budel, Eindhoven,
Gemert, Heeze, Helmond, Hilvarenbeek, Oirschot
en Valkenswaard.
District Breda.
Alphen, Bergen op Zoom, Breda, Fij naart
(oude molen), Moerdijk, Ossendreoht, Ondenbosch,
Raamsdonksveer, Roosendaal, Sprundel, Steen-
bergen, Zevenbergen en Zundert.
District Sas van Gent.
Aardenburg, Axel, Breskens, Ilontenisse, Hnlst,
Nenzen, Oostburg, Sas vai Gent, Sluis, West-
Kapelle en IJzendijke.
I»te divisie (omvattende het
z. gedeelte van Zeeland,
benevens het w. deel van
Walcheren; voorts Noord-
brabant
met uitzondering
van het n.-o. gedeelte).
\'s Hcrtogcubosch. f *
-ocr page 428-
414
District Maastricht.                        i
Beek, Eijsdcn, Gulpen, Heerlen, Kerkrade, Maas- I
itricht, Noorbeek, Sehiuveld, Simpelveld, Sittard, I
\\Vaals en Valkenburg.
                                            /
,                       District Roermond.
\\ Arcen, Echt, Heythuizen, Horst, Panningen, Reu- )
,ver, Roermond, Thorn, Venlo, Vlodrop en Weert.
/
                        District Nijmegen.
Boxmeer, Gennep, Grave, Nijmegen, Oss, Uden
en Well.
2e divisie (omvattende Lim-
burg,
het n.-o. gedeelte
van Noordbrabant, bene-
vens het z.-o. gedeelte
van Gelderland).
Maastricht, f \'
I
I
District Zwolle.
Ambt-Ommen, Dwingelo, Hardenberg, Heerde,(*)
Hoogeveen, de Lichtmis, Meppel, Steenwijk, Wol-
vcga en Zwolle.
District Almelo.
Almelo, Deventer, Enschede, Hengelo, Mavkelo,
Ootmarsum en Raalte.
District Zutphen.
Apeldoorn, Doetinchem, Neede, Ruurlo, Ulft,
Winterswijk, Zevenaar en Zutphen.
District Assen.
Assen, Beetsterzwaig, Borger, Hoogezand-Sappe-
mcer, Muntendam, Nieuw-Amsterdam, Niéuwe-
Schans. Oosterwoldc, Oud-Schooncbeek, Roswinkel,
Stads-Kanaal, Vlagtwedde, Winschoten en Zweelo.
District Zeeuwarden.
St.Anna-Parochie, Buitenpost, Dokkum, Drachten,
Franeker, Heerenveen, Leeuwarden en Veenwouden.
3e divisie (omvattende Gel-
derland
ten o. van den
IJssel met uitzonderi n g van
het gedeelte gelegen op
den linkeroever van den
IJssel, en van enkele ge-
meenten in het n.-w. ge-
deelte; voorts Drenthe als-
raede het z.-o. gedeelte
van Groningen en het z.-o.
gedeelte van Friesland).
Zwolle, f *
(*) Wordt alleen in de wintermaanden uitgezet.
<P
cis
J