-ocr page 1-
-ocr page 2-
WJ
yV\\v^\\ [Q
AA. oct.
*28
-ocr page 3-
(sr.) »- *f,
IN MEMORIAM.
Johannes Bosboom
18 Februari 1817—14 September 1891
DOOK
f. fo.. M. J30ELE YAN j^ENSBROEK
Amsterdam
Uitgevers-Maatschappy „ Elsevier "
1891.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
1619 3900
-ocr page 4-
Gedrukt ter Zuid-Hollandsche Boek- en Handelsdrukkerij, \'s Hage.
-ocr page 5-
JOHANNES BOSBOOM.
Het was in Maart 1887. De Haagsche schildersbent met haren aanhang
van letterkundigen en van andere beminnaars van wat schoon is, de leden
van Pulchri Studio, hadden hun tempel nog in dat oude Hofje van Nieuwkoop
-ocr page 6-
3
s
BC
a
•O
I
u
-ocr page 7-
ÏOHANNES BOSÜOOM.
2
op de Prinsengracht, waar zij zoo vele jaren hunne onvergetelijke feesten
hadden gevierd; het „Hofje", waarvan Sam. Verveer eens beweerde, dat het
moeielijker was daar entree te hebben clan aan het Hof. Helaas, het zou
spoedig verlaten worden.
In het koepelzaaltje daarboven, met zijn houten zoldering, zijn fraaien
schoorsteen, zijne wanden versierd met teekeningen en schetsen van Pulchri\'s
leden, was het altijd in-gezellig, maar op den avond, waarvan ik spreek,
had die ruimte een bijzonder feestelijk aanzien. In de hoeken stonden groote
aanrechttafels, waarop de heerlijkste stillevens van wild en gevogelte in natura
-ocr page 8-
JOHANNES BOSBOOM.
3
waren aangebracht, stillevens met pauwen en fazanten, met blanke zwanen,
die aan de groote schilderij van Weenix in het Mauritshuis deden denken.
De muren waren bedekt met
tapijtschilderijen naar de oude,
vroolijke Hollandsche meesters.
Het geheel had een oud-hol-
landsch aanzien. Zoo omtrent
moet de feestzaal van het Am-
sterdamsche Sint-Lukasgilde in
den Sint-Joris Doelen er heb-
ben uitgezien, toen daar op 21
October 1653 Vondel werd ge-
vierd en gekroond.
Daar in Pulchri zat aan het
hoofd van den disch ook een
krachtig grijsaard, omstuwd
door de meesters van de groote
Hollandsche school van liet
heden, in het bijzijn van een
reeks van vrienden en bewon-
deraars. Die man was Jan Bos-
boom. Pulchri vierde Bosboom\'s
zeventigsten jaardag met al de
artistieke praal, die het aan
zijne feesten weet bij te zetten,
met al de oprechte opgewon-
denheid, die een man als Bos-
boom in de harten van kunste-
naars wekken kan. Daar werd getoast en gefeest; daar vertoonde zich ook
eensklaps in de geopende deur een kerk, zooals Bosboom er zoovelen
schilderde, terwijl een zacht koraal zich deed hooren. Het was eene diep-
gevoelde, eerbiedige hulde, die niet alleen den kunstenaar tranen in de oogen
dreef. Daar sprak eenige oogenblikken later de geest van den heer v. Nieuw-
koop zijn afscheidsgroet; en toen het uur kwam, dat Bosboom van scheiden
sprak, besloot men hem naar huis te geleiden. Op, om en achter het rijtuig
van den meester schaarden zich Pulchri\'s leden, en met flambouwen en
chineesche lampions toog — een eenig schouwspel — de opgewonden schare
door de hoofdstraten der stad naar Bosboom\'s woning.
Die hulde, in éen oogwenk gewekt en gebaard, was de eenvoudige maar
roerende uiting van genegenheid, die elkeen, die Bosboom persoonlijk kent,
bezielt voor den man met zijn groot en zijn goed hart. En welke Hagenaar,
wien kunst ter harte gaat, kent hem niet?
Bosboom werd op 18 Februari 1817 te \'s-Gravenhage geboren en heeft,
bijna onafgebroken, daar geleefd, éen der beroemde mannen, en wat voor
-ocr page 9-
JOHAXXES BOSBOOM.
4
den tijdgenoot meer zegt, een der meest sympathieke persoonlijkheden der
oude Gravenstad. Hij heeft heel het leven van zijn volk medegeleefd gedu-
rende vele jaren, en alles wat
belangrijk, groot en schoon
was heeft nagetrild in zijn
hart. Hij heeft vorsten zien heer-
schen en zien sterven ; hij heeft
ontelbare ministers zien komen
en zien gaan; hij heeft man-
nen zien bekend worden en
hunne glorie zien tanen. En hij
staat daar nog, bijna onver-
zwakt, met de innige overtui-
ging, dat hij allen overleven
zal en dat zijn naam nog zal
worden genoemd als de echo
van de meesten der anderen
zal zijn weggestorven, want
Bosboom weet, dat hij veel
schoons heeft gemaakt. Hij
heelt den moed hoog te staan.
Met zelfbewusten eenvoud weet
hij aantetooncn wat hem het
best is gelukt, en te zeggen
hoc schoon dat is.
Bosboom\'s kunst is mystiek.
Hij is een van die dichter-
schilders, die hun heerlijk credo
doen stralen uit hun werk. Zooals Israöls de zanger is van het intieme
leven der eenvoudigen, is Bosboom de man, wiens penseel het „Ave Maria"
doet zweven op de wierookwolken der katholieke kerk, en het psalmlied doet
klinken door den tempel der protestanten; wiens penseel den heiligen
Jahveh-naam uitspreekt in de synagoge.
Een kerk van Bosboom is nooit ledig. Is de kansel ook verlaten, gij droomt
er den 16*» eeuwschen godgeleerde in, die vurig strijdt voor de hervormde
kerkbeginselcn. Zijn de banken ook ledig, gij hoort de schare eerbiedig het
lied aanheffen Gode tot eer.
De geschiedenis van den strijd en van den triomf der gewetensvrijheid,
dus de geschiedenis van Nederland, zit Bosboom in merg en been. Als men
met hem praat en hij spreekt van Oranje, van Holland, van „de vrijheid",
dan krijgt zijn stem een bijzonderen klank. Hij zal over Frederik Hendrik
spreken in fiere, korte zinnen. „Holland" brengt eene uitdrukking van
vrome vereering in zijn stem; en „de vrijheid" voert hem op tot de
begeestering, die schalt in zijne woorden als een echo van het „Wilhel-
-ocr page 10-
JOHANNES BOSBOOM.
5
mus". Met allesoverheerschend optimisme spreekt hij van die tijden van
grootheid met eene genialiteit, die slechts hare wedergade vindt in zijne
kunstwerken. Hij gelooft aan Holland en alleen het geloof kan meester-
stukken baren.
Voor Bosboom is elk kunstwerk een daad, een stuk van zijn zieleleven.
Schildert hij de Nieuwe kerk te Amsterdam, dan denkt hij aan de Ruyter,
aan den tocht naar Chatham, aan den vierdaagschen zeeslag; beeldt hij
Engelbert van Nassau\'s tombe in de kerk te Breda af, dan denkt hij aan dien
anderen Nassau „schipper Mouring", en aan Heraugicres; en in de synagoge
te Amsterdam staat da Costa hem voor den geest en hij prevelt de woorden
van zijn vriend Potgieter:
Hervormd Amsterdam! gij, gelukkige moeder
Der fiere gemeent, die u glansrijk herschiep,
Bleek immer uw menschlijkheid vroomer of vroeder,
Dan toen zij \'t Huis Jacobs het wellekom riep?
En Bosboom heeft dubbele aanleiding om zóo te zijn; want, vond hij in eigen
hart en hoofd de bron van dien
gloed, dat vuur werd altijd gevoed
aan den huiselijken haard, waar
met hem mevrouw Bosboom-
Toussaint aanzat, zij, die hij
tijdens haar leven omgaf met
bewonderende liefde, die hij in
de laatste jaren vereert in alles
wat zij was en wat zij deed met
artistieke vroomheid. Het talent
van zijne vrouw wordt zoo vol-
ledig door hem gekend en be-
grepen, het is zoo een gewor-
den met zijn denken en schep-
pen, dat het eenen toekomstigen
biograaf van Bosboom een plicht
zal zijn tevens zijne gade te be-
handelen.
Twee groot voelende kunste-
naarszielen, die het geluk hadden
elkander te vinden. Groot waren
zij in den volsten zin des woords;
hij dichtende met het penseel;
zij schilderende met de pen.
Ofschoon hij vijfjaren jonger
was, traden beiden bijna tegelijkertijd in het leven op. In hetzelfde jaar,
-ocr page 11-
(3                                                          JOHANNES BOSBOOM.
1S36, toen mejuffrouw Toussaint haar „A/wagro" schreef, werd Jan Bos-
boom in Felix Meritis met den gouden eereprijs bekroond, voor zijn Stads-
gezicht met afvarend beurtsehip.
Om in zijn negentiende jaar die onderscheiding waardig te zijn had hij hard
moeten werken. Het geluk had
hem gediend door zijnen ouders
B. J. van Hove tot buurman te
geven. Reeds in 1831 kwam Bos-
boom bij hem op het atelier,
waar hij werkte met Sam. Ver-
veer en met Huib. van Hove.
Dat was een heerlijke, zonnige
tijd, toen die vroolijke kwanten
onder van Hove\'s leiding de
decoraties schilderden voor den
Haagschen schouwburg, voor de
nieuwe opera\'s, die in die jaren
gemonteerd werden. In 1833
schilderde hij gezichten op het
Binnenhof en van andere ge-
deelten van zijne geboorteplaats.
In 1S35 trok hij met een paar
vrienden naar den Rijn. Het
„Geziekt op de Moezelbrug te
Coblentz"
was o. a. de vrucht
van dat tochtje.
Een lijst te geven van de gods-
huizen, die Bosboom aanleiding
gaven tot zijne gedichten in lijn en kleur blijve voor een kunsthistoricus be-
waard 1). Genoeg, dat zij bij tientallen te tellen zijn van Alkmaar tot Mechelen,
van Midwolde tot Trier. Niet alleen kerken, maar elk oud gebouw, elke pit-
toreske ruimte is hem lief. Wij denken aan de Kamer van kerkmeesteren te
Xij\'iiiegen,
aan den Kloostergang te Kleef, het bezit van Dr. van Rijckevorsel,
door Weissenbruch op steen gebracht, door Lefort geelst. Wij denken ook
aan yjCantabimus et psallemus" in het museum Fodor, en aan de veel later
ontstane Schepenkamer te Nieuw-Loosdr.eht.
Slechts een paar malen, jaren geleden, kwam Bosboom er toe, enkele
illustraties te geven. Zoo maakte hij in 1854 een fraaie teekening —
helaas! niet al te fraai door W. Steelink op staal gegraveerd — om tot
titelvignet te dienen voor Mevrouw Bosboom\'s Gideon Florensz. Die tee-
1) Kene vrij uitvoerige opgave van Bosboom\'s werken tot 1880 vindt men in: Vosmacr, Ome
litdemtaagscht schilders.
-ocr page 12-
7
w:,M\\^É?
-*»r
asÈf5^
•-
-:
^
De St. Joriskerk te Amsterdam, reproductie naar de aquarel van den meester.
-ocr page 13-
8
JOHANNES BOSBOOM.
kening stelt den held van den roman voor in gesprek met Cosmo Pesca-
rengis op de wallen van Sluis. Ken paar malen komt er een illustratie van
zijne hand voor in de prachtalmanakken, die tot voor 20 jaren in de mode
waren; nu eens bij een geschrift van zijne gade; een andermaal, in 1850,
bij „De schoonc onbekende\' van Ds. v. Koetsveld. Zoo teekende hij ook het
titelvignet voor „De valkenvangst" van zijn vriend van Zeggelen.
Als ik schrijf „zijn vriend", dan bedoel ik daar niet mede, dat er
groote verwantschap bestond tusschen Bosboom en van Zeggelen, twee per-
sonen, die waarschijnlijk slechts in een adem kunnen genoemd worden,
waar van eenvoud en waarheid sprake is; — maar Bosboom ontmoette van
Zeggelen altijd op Oefening kweekt kennis, en daar was Bosboom sedert jaren
en is hij nog heden een geëerd lid, gewoonlijk Bestuurslid. Het is een der merk-
teekenen van Bosboom\'s aard: „hij moet meedoen". Alles, wat goed is en
schoon, heeft zijne sympathie en hij steunt de zaak, die hem ter harte gaat,
met gloed en vuur. Een gezellig prater op de bijeenkomsten van „Oefening",
was hij ook een macht, waar het gold op eene vergadering te zeggen wat
goed en billijk was.
In 1863 was Bosboom een tijd lang de gast van Jhr. van Rappard
op diens buitengoed bij Utrecht. Daar vond hij in de boerendeelen
motieven, die hij met bijna eenige artisticiteit wist omtescheppen tot
kunstwerken. Later, in 1882, verbleef het echtpaar Bosboom eenigen tijd
in het fraaie dorp Zuidlaren, waar Bosboom velerlei boerendeelen en
-ocr page 14-
Kerk te Alkmaar. Reproductie naar de aquarel vau den meester iu het bezit van
den Heer H. \\V. Mesdag te \'s-Gravenhage.
-ocr page 15-
JOHANNES BOSBOOM.
9
landschappen op het papier bracht, die hij later tot compleete aquarellen
opvoerde.
Uit dien laatsten tijd dateert ook de kerk te Midwolde, met hare fraaie
marmeren graftombe, door den beeldhouwer Verhulst in 1660 bewerkt, en
eene schets van de kerk te Haeren, die eerst veel later voltooid, de
laatste bijdrage was, die Bosboom inzond op de kunstbeschouwing van tee-
keningen van werkende leden van Pulchri Studio, in Januari 1891.
In 1869, toen er sprake was om de Gevangenpoort te \'s-Gravenhage
weg te breken, schiep hij als eene herinnering, maar tegelijkertijd als
een welsprekend pleidooi voor het behoud van dit monument, de fraaie
teekening, die in het album van den Nederlandschen Spectator werd gere-
produceerd.
In de laatste jaren is het aantal van Bosboom\'s schilderijen, vooral in
verhouding tot dat zijner teekeningen, weinig vermeerderd. Van zijne kleinere
schilderijen uit den laatsten tijd verdient vooral het „Oremus et eantabimus"
in de verzameling van Dr. Blom Coster vermelding, dezelfde die ook twee
heerlijke aquarellen van den kunstenaar bezit, nam.: Gezicht aan het
Sclicveningsche strand
en de reeds genoemde Schepenkamer te N. Loos-
drecht.
In het museum Mesdag schittert zijne grootste teekening De kerk
te Alkmaar,
die voor eenige jaren op de Tentoonstelling der Haagsche
teeken maatschappij, waar Bosboom ook Het koor van de Groote kerk te
\'s-Gravenhage
en Eene schilderijen-auctie exposeerde, onder het schoonste
facile princeps was.
De goede reproductie van die teekening, die dit woord vergezelt, geeft toch
slechts een flauwen indruk van de schoonheid van het oorspronkelijke. Hoe
-ocr page 16-
JOHANNES BOSBOOM.
IO
rank rijzen die zuilen omhoog en met hoeveel talent is er partij getrokken
van de afhangende lichtkroon om een indruk te geven van de hoogte der
kerk! En toch is deze teekening slechts door een toeval voor ons bewaard.
Jaren geleden maakte Bosboom de schets ervan op een soort van calqueer-
papier en jaren lang lag die schets bijna "vergeten in zijn atelier. Maar op
een schoonen dag vond Bosboom ze wéér, en zag, dat zij mooi was en goed.
Toen werd die oude schets opgeplakt — de teekening draagt er de onmis-
kenbare sporen van — en, hier en daar aangeraakt door de hand van den
meester, wies er het wonder uit, dat den bezoeker van Mesdag\'s museum
thans treft in al zijne grootheid.
De herinnering aan den moord van Willem I, in 1884, voerde Bosboom
naar Delft, waar hij de graftombe van den Zwijger afteekende voor een album
aan Willem I gewijd, dat in die dagen verscheen, en waar hij de trap in
het Prinsenhof wedergaf, zooals hij, Bosboom, die alleen kon zien. Die fraaie
teekening, in het bezit van den heer Nijhoff, werd door P. J. Arendsen
uitstekend geëtst.
Het verlaten van het Hofje
van Nieuwkoop door Pul*
chri Studio, dat hij in 1848
mede had helpen stichten,
gaf hem in 1887 aanleiding
een twaalftal aquarellen te
maken, thans het benij-
denswaard bezit van den
heer Piek te Amsterdam.
Bosboom schilderde die
reeks met liefde en piëteit.
Voor elkeen, die ooit het
Hofje bezocht, zijn die tee-
keningen een verheven stuk
realiteit; voor elk ander een
droom van kleuren en lij-
nen. Hoe heerlijk ruim is de
vestibule; hoe prachtig die
keuken met de groote kast
op den achtergrond. Maar
vooral treft de vestibule
met opgang naar de groote
trap met het vrouwtje, dat
van de trap afdaalt; en
hoe schoon is het lichteffect
in de groote zaal met hare
deftige tafel; hoe monumentaal rijst de gebeeldhouwde schoorsteen op in
den hoogen koepel.
-ocr page 17-
JOIIANXES BOSBOOM.
I l
Neen, het is het Hofje niet, dat Bosboom ons gaf. Het is de schitterende
droom van den kunstenaar, oneindig schooner dan de werkelijkheid. Het is
de eenvoudige vrouw van het land door een Raphaël geïdealiseerd tot eene
Madonna „gratia plena"; het is het mollige knaapje, dat Rubens tot een
Amor wist om te scheppen.
Een paar jaren vroeger had Bosboom op dezelfde wijze zijn eigen atelier
vereeuwigd, zijn schilderachtige werkplaats, een der aantrekkelijkheden van het
huis op de Toussaintkade. Andere kunstenaars mogen rijker verzamelingen
hebben .aangelegd, of hun werkplaats in schitterender ruimten hebben ingericht,
zóo pittoresk als Bosboom\'s atelier is er geen. Zoowel het oude poortje, dat
het atelier in twee gedeelten splitst, en waarvan ook de heer Mesdag een
fraai aquarel bezit, als de interieurs, vooral dat waar het licht straalt op den
lezenden man; zoowel de standaard met den opengeslagen Bijbel in het volle
zonlicht, als de stillevens met boeken, kandelaars en monstransen, getuigen
hoe de kunstenaar ook zijn eigen atelier ziet, hoe hij de realiteit weet te
omstralen met zijne groote verbeelding.
Die teekeningen behooren aan een der trouwste vrienden van het echtpaar
Bosboom-Toussaint, Mr. van Tienhoven te Amsterdam, van wiens woning
Bosboom eveneens de herinnering bewaarde in een reeks aquarellen, van
wiens „Villa Erica" op den Scheveningschen weg hij een gedenkblad
schiep.
Als ik aan den Amsterdamschen Burgemeester denk, dan zie ik Bosboom
op een Zaterdag-namiddag, na een gezellig praatje gevoerd op den Scheve-
ningschen weg, — een praatje niet afgebroken, maar verlevendigd, geïllustreerd
door telkens een oogenblik stil te staan om op iets moois te wijzen, — op-
eens wegwippen met een „Bejour; ik ga even naar den Burgemeester". Op
Villa Erica achter het Hotel de la Promenade waren de schilder en de roman-
dichteres sedert jaren welkome gasten.
Maar ik denk ook — omdat ik daar toen juist Mr. van Tienhoven
ontmoette — aan het bezoek, dat ik aan Bosboom bracht een paar dagen
nadat mevrouw Bosboom was heengegaan. Niemand was er, die dat einde
zoo plotseling had verwacht. Nog enkele dagen vroeger was zij in vrij
goede gezondheid. Enkele weken te voren had zij nog de talrijke vrienden
ontvangen op Bosboom\'s verjaardag. Op eens, onverwacht was de dood
gekomen.
Zijne vrienden dachten Bosboom te vinden verslagen, moedeloos, ge-
knakt. Het was verwonderlijk te zien, met welk een veerkracht hij den
slag wist te dragen. Het verlies was onherstelbaar groot voor hem,
maar het werd overstraald door het bewustzijn, dat hij het geluk had
gehad zóó lang met haar te leven. Een zekere vrome dankbaarheid hief
hem boven het gewone menschenleed uit en de heilige vereering voor de
kunst steunde hem. Met stralende oogen verhaalde hij van hare triomfen,
maar vooral hoe goed zij was en hoe edel: hoe scherp zij zag en hoe diep
zij voelde.
-ocr page 18-
JOHANNES BOSBOOM.
12
En Bosboom behoeft dit voor hem zoo aantrekkelijke en voor iedereen zoo
belangrijke onderwerp niet aan te raken om te boeien. Hij weet niet alleen gemoe-
delijk, maar ook geestig te vertellen. Hij heeft elkeen gekend, die in Xeder-
land iets beteekend heeft in de laatste halve eeuw, en — het best de besten
onder hen. Hij kan verhalen van da Costa, van Groen van Prinsterer, van
Verhulst, vooral van Potgieter. Hij heeft vertrouwd omgegaan met alle
schilders, die Nederland in de laatste zestig jaren bezat, en hij weet ze soms
met een enkel woord te typeeren.
Toen ik b.v. eens met hem sprak over een Haagschen schilder, wiens
groote roem van voor 25 jaren zeer is gedaald, was Bosboom\'s karakter-
teekening, mij gegeven in den Haagschen tongval den bedoelden schilder
eigen: ,Ja, weetje, dat was een man, die kon „floiten" onder zijn
werk".
Uit dat sarcastische woord spreekt geheel de ernst, dien Bosboom van een
kunstenaar vraagt. Hier was hij tegenover een goed vriend, een kunstbroeder,
mild in zijn oordeel. Maar hij kan verachten zooals hij kan liefhebben, —
ik geloof niet, dat hij haten kan — en dan kan hij die verachting in krachtig
schilderende woorden uiten.
Zijn temperament is echter bovenal van waardeerenden aard. Nog voor
enkele weken zei hij mij: „Ach, je weet niet, hoeveel lieve menschen ik
heb ontmoet in mijn leven.\'\' Hij behoort niet tot hen, die in snoeien en
hakken het beste middel zien om planten te kweeken. Hij behoort niet
tot hen, die slechts ééne bloem erkennen: de roos, slechts één vogel:
-ocr page 19-
JOHAXXES 1SOSBOOM.
>3
den adelaar. Hem is ook het nederig viooltje lief, en het eenvoudigste plantje
tracht hij op te leiden tot idealer hoogten. Zelfs waar de poüzie der
kunst schuil gaat, bekoort hem de practische zijde des levens met groote
bekoring. Bosboom eert een ieder, die iets knap doet, wat en hoe nederig
dat iets ook zij.
Geheel Bosbooms natuur, geheel zijn persoon spreekt van waarheid en
eenvoud. Het is een vriendelijk interieur, dat hij, de kinderloozeweduwnaar,
zich heeft geschapen. Waar vroeger de geestige huisvrouw op de Zondag-
avonden de gasten hielp ontvangen, ziet Bosboom zich thans omringd door
de kinderen en kleinkinderen van zijn vroeg gestorven tweelingbroeder. Die
mannen, meerendeels sedert jaren het rijk met eere dienend, dat nichtje, het
petekind van „tante Truida", wier geest hier nog altijd schijnt rondtezwe-
ven, dragen hem op de handen.
Bosboom\'s levensavond is, naar het mij voorkomt, zoo schoon als hij kan
zijn. Hij weet, dat hij geliefd wordt door hen, die hem kennen; dat hij
geëerd wordt door de geheel wereld.
Het is onnoodig hier de talrijke bewijzen te noemen, de eerelidmaat-
schappen en de ridderteckens, die van die vereering de tastbare blijken zijn.
Zij zijn velen. Maar voor een man als Bosboom staat het „ars nobilitat"
boven elk ridderlijk insigne; en zoo ik mij goed kan verplaatsen in Bosboom\'s
levensopvatting, dan moet hij, mij dunkt, het meest vereerd zijn geweest
toen hem, den eenvoudigen Haagschen jongen, die zichzelven groot
maakte, de taak werd opgedragen bij de opening van het Rijksmuseum te
Amsterdam, op 13 Juli 1885, Rembrandts Nachtwacht te onthullen.
Toen heeft Rembrandt hem gegroet als den zoon van Nederlandschen
stam, die de eer der Hollandsche kunst hoog houdt, en — Bosboom wist,
dat hij Rembrandt waardig was.
Het vorenstaande schreef ik voor enkele maanden, toen Bosboom,
hoe ook ter neergedrukt door lichamelijk lijden, nog leefde te midden
van ons.
Nu is hij heengegaan in den vroegen morgen van 14 September, en de
uitgever dezer bladzijden wenscht, dat ik nog enkele woorden voege bij het
vroeger geschrevene.
Langen tijd — ik wilde dat niet te veel doen uitkomen, waar ik wist, dat
hij zelf het nog lezen zou — had Bosboom reeds gesukkeld. Had hij na den
dood van Mevrouw Bosboom ook in nieuwen arbeid, naar het scheen, jonger
levenskracht geput, voor twee of drie jaren werd het zijne vrienden droef te
moede, toen zij hoorden hoe hij zenuwachtig, overprikkeld was tot krank-
zinnigwordens toe. Maar die tijdelijke schaduw week, om echter gevolgd te
worden door eene beroerte, die hem gedeeltelijk verlamde. Eerst aan zijn
-ocr page 20-
JOHANNES ÜOSBOOM.
\'4
leger gekluisterd, werd liij toch langzamerhand weder beter. Nu en dan zelfs
reed hij uit in gezelschap van zijne trouwe oppasseres. Het is kenschetsend
voor Bosboom, dat ik hem eens ontmoette, in een rijtuig stilhoudend voor
de vensters van het huis Goupil, om toch nog even te genieten van de daar
tentoongestelde kunst.
Nu en dan teekende hij weder, zij het ook al niet, dat hij nieuwe schep-
pingen ontwierp. Half volmaakte werken werden nog met een enkelen toets
opgevoerd tot hooge kunst. Het zestal teekeningen, dat hij op de nu juist
gesloten tentoonstelling der Hollandsche Teekenmaatschappij inzond, is er
de vrucht van. En toen hij hoorde, dat zij succes hadden, was de grijsaard
daarmede nog even ingenomen als toen des jongelings eerste schilderij de
aandacht trok vóór meer dan een halve eeuw.
Bosboom\'s geest is nooit verouderd. Slechts zijn lichaam was onderworpen
aan de meedoogenlooze natuurwetten.
Dagelijks tot voor weinige weken zat hij aan een grooten lezenaar aan het ven-
ster
zijner woning. Daar groette hij den vriend, die voorbijging. En als gij bin-
nentradt, dan drukte hij u lang en hartelijk de hand, en dan sprak hij door,
altijd dóór, soms een oogenblik moetende nadenken, doch altijd het rechte,
het schilderende woord weder vindend. Want Bosboom was ook in zijn
spreken artiest.
Dan haalde hij oude souvenirs op van zijne tochten in België in vroeger
jaren of in het Kleefsche, zijne herinneringen aan levende en niet levende
kunstenaars, aan Potgieter, aan de talrijke vrienden van zijn vrouw, waarvan
hij altijd met de grootste piëteit sprak. Slechts de overtuiging, dat hij ver-
moeid werd — hijzelf merkte dat nauwelijks — kon u doen afscheidncmcn,
om het bezoek nooit te vergeten.
Op zijn laatsten verjaardag, 18 Febr., ontving hij nog met blijkbaar \\vel-
gevallen zijne talrijke vrienden en vriendinnen. Nog zie ik hem daar zitten
met een keurig bloemruikertje vóór zich, druk pratend met een ieder. En,
als de kring dan wat kleiner werd, pakte hij u in met de woorden: „Kom,
kom jij nou eens beetje dichter bij zitten."
Later, in Maart 1891, bracht ik hem nog menigmaal een bezoek. Dan
stond er een portefeuille teekeningen of photographiën tusschen ons, en hij
was onuitputtelijk in zijne herinneringen. Elk werk gaf hem gelegenheid te
spreken bf over het sujet, of over den tijd, dat hij het vervaardigde, öf over
den gelukkigen eigenaar.
Toen de zomer kwam, nam hij zichtbaar af. Zijn spreken werd moeilijk,
zijne handen werden zenuwachtig. Alles deed het eind verwachten. Toch streed
hij nog met den dood met een kracht begrijpelijk in iemand, die het leven
zóo lief had.
Nu, gisteren, op 14 September, heb ik hem mijn laatste bezoek gebracht.
In de tuinkamer, waar hij met zijn vrouw bij voorkeur huisde, lag hij neder
op een eenvoudig leger. Rustig en kalm; geen trek op zijn gelaat, die deed
denken aan de verschrikking van den dood.
-ocr page 21-
JOHANNES BOS1HH>M.
15
Niet de dood met zijn zeisen had hem geveld. Een vriendelijke genius
had hem den adem weggekust van de lippen.
Een enkele krans van bloemen dekte zijn borst en omringde zijn schedel.
De baar, die hem naar het graf bracht, was natuurlijk met tal van kransen
bedekt.
Nu rust hij aan de zijde van zijne „Truida", en de honderden, die zijn
overschot naar dat graf vergezelden, zullen eens aan hunne kindskinderen
verhalen, dat zij mede Bosboom hebben begraven.
Ten slotte geloof ik niet beter te kunnen doen, dan, als een herinnering
aan den grooten man, een gedicht af te drukken, door een bezoek aan Hos-
boom, op 16 Augustus 1890, geïnspireerd, een gedicht, waarmede hij zelf
hoogelijk was ingenomen.
„NON OMN1S MORIAR."
Le vieillard, qui revient vers la source première,
Entre aux jours éternels et sort des jours changeanfs;
En Ton voit de la flamme aux yeux des jeunes gen1;,
Mais dans 1\'oeil du vieillard on voit de la lumière.
V. Hugo,
De grijze kunstnaar zit in \'t schemerlicht
Diep in zijn leunstoel. Zij het lichaam zwak,
De geest is krachtig. In het helder oog,
Den njngevoel\'gen mond, geheel omlijst
Van zilvren haren, tintelt het genie. —
Geestdriftig, opgewonden, vol gevoel
Verhaalt hij van wat was, van heel dien tijd,
Dien hij doorleefde; dat hij leefde, leed,
Toen hij nog meedeed in den rondedans,
De kermis vol van ernst, die leven heet.
En thans, — zoo spreekt hij — zit ik uren lang
Hier voor mijn venster tot het avond wordt,
Tot \'t bijna duister is. Een ander ziet
Dan niets meer, niets; maar als het laatste goud,
Dat op de boomen ginds de zonne werpt,
Verglimt, dan nog zie \'k in het groen gewelf,
Slechts flauw verlicht, hoe alles zich beweegt,
Hoe alles leeft en van het zijn geniet,
Het menschzijn, dat zoo schoon is en zoo goed;
En als het onweert na een zwoelen dag,
Als zwarte wolken strijden met het licht,
Dat tóch verwint, dan is het treffend schoon.
-ocr page 22-
l6                                                 JOHANNES UOSBOOM.
Als hij zoo spreekt, de grijze, krijgt zijn geest
Den ouden gloed terug en kracht zijn stem.
Hij ziet dan in \'t geboomte voor zijn raam
In \'t avondgrauw gehuld den rijz\'gen bouw-
Van hooge kerkgewelven, waar zijn geest
Als vroeger \'t al in denkt, wat, grootsch en schoon,
Het leven maakt tot wat hem leven was.
De donder is voor hem de reuzenkamp
Der elementen, beeld van eigen strijd
Voor al wat groot was, edel. \'t Bliksemlicht
Is hem de godenstraal, die, forsch genie,
De wereld overwint. Geen sterv\'ling weet,
Waar het zijn oorsprong nam, wien \'t treffen zal.
Tevreden ziet de grijsaard voor zich heen,
Herdenkend al wat sterflijk bleek voor hem.
Hij ziet de menschen, d\'elementen strijden,
De stammen groenen, strakjes weer ontblaadren,
Om daarna weer te groenen. Voor hem, óm hem
Ruischen er stemmen, die van leven spreken,
Van kunst, van liefde, van een aureool,
Dat ook haar, die hem \'t liefste was, omstraalt;
En, sterflijk, blikt hij in d\'onsterflijkheid.
-ocr page 23-
EEN GETUIGE
VAN
\'T Ware, t Schoone en t Goede.
WOORDEN VAN
DANKBARE HULDE
AAN
Dr. LAURENS REINHART BEUNEN,
OP DIENS 80sten VERJAARDAG
nooit
A. PIJNACKER HORDIJK.
NIJMIïtiRN. - i\'n.MA FT. TKN HOKT LS«)1.
< - I
\'** \'
*
\'
-ocr page 24-
Psalm 119 : 9, 33. Spreuken 16 : 31, 32.
-ocr page 25-
Den 29stcn September viert dr. Laurens Beinhart Beijnen,
oud-rector van het gymnasium der Hofstad, zijn tachtigsten
verjaardag. Naar aanleiding van deze heuglijke gebeurtenis
schreef de Avondpod de volgende woorden, die we spoedig
ook in vele andere bladen lazen:
„De heer Beijnen is door zijne langdurige werkzaamheid
aan het Haagsche gymnasium (van 1838 af praeceptor, van
1862 —1878 rector) in het bijzonder bij de Hagenaars, een
bekende en geliefde figuur."
En door de plaats, die dr. Beijnen in de geschiedenis
onzer letteren toekomt, zal ook in brecder kring deelgeno-
men worden in het feest van den nog krachtigen grijsaard.
Als literator behoort dr. Beijnen voorzeker tot een gene-
ratie, die schier uitgestorven moet heeten. De gave van
het woord — waardoor hij bovenal beroemd was — ont-
wikkelde hij gelijk een Van der Palm \'t zal hebben gedaan.
Ook Beijnen\'s opvattingen in dit opzicht strooken geheel
met de begrippen, door een vroeger geslacht verdedigd.
Maar wie zich eenmaal geschaard hebben onder het gehoor,
-ocr page 26-
4
dat een\' Beijnen als redenaar mocht volgen, zullen getuigen
hoe verdiend zijn roem was. Meer dan iemand verstond hij
de kunst om even krachtig en gloedvol als onherispelijk en
gekuischt van vorm te zijn. Bij de Van der Palm\'s en
De Clercq\'s, die onze letteren schonken, mag hij voorzeker
met eere worden gerekend. Schier zijn geheel werkzaam
en zoo nuttig besteed leven heeft dr. Beijnen aan het
Haagsch gymnasium gewijd.
Na zich op Noorthey voor de academische studiën te
hebben voorbereid en van 1829 af in het ,,Album Studi-
osorum" te zijn ingeschreven, werd dr. Beijnen, gelijk wij
hierboven herinnerden, reeds in 1838 aan het gymnasium
verbonden.
Behalve zijne werkzaamheid als praeceptor, wist de heer
Beijnen tijd te vinden om zoowel aan literatuur als geschie-
denis des lands bijzondere en zeer gewaardeerde studiën te
wijden. Zoo verschenen van zijne hand: in 1847 „mr. I.
da Costa en de Referent zijner\' voorlezingen"; in 1874
„Historische schetsen en beelden"; het talrijk herdrukte en
algemeen bekende „Kort overzicht van de staatsregeling van
ons vaderland," enz. enz. Bovendien was dr. Beijnen een
der ijverigste medewerkers aan tal van tijdschriften, aan
kunst, godsdienst of geschiedenis gewijd.
Hoe hem, na het afsluiten zijner loopbaan aan het gym-
nasium, de onderscheiding te beurt viel, wijlen Prinses
Hendrik der Nederlanden, daarna Prinses Emma van Wal-
deck-Pyrmont, de aanstaande Gemalin van wijlen Z. M.
Willem III, in de Nederlandsche taal te onderrichten, is
bekend.
Dr. Beijnen, de minzame, geliefde grijsaard, zal onge-
twijfeld den 298ten September a.s. zeer vele blijken van
-ocr page 27-
5
vriendschap en dankbare genegenheid ontvangen. Zij het
ook dat hij thans tot de „rustenden" onzer literatoren
behoort, zijne populariteit, ook buiten de hofstad, heeft als
hij zelf den tand des tijds weten te weerstaan!"
Wij weten niet wie de schrijver is van deze in velerle
opzicht waardeerende woorden. Misschien is hij een der
leerlingen van den beminden reetor. Gaarne scharen wij ons
aan zijne zijde; gaarne geven wij gehoor aan het verzoek
der firma Ten Hoet te Nijmegen en trachten wij in eenige
regelen het beeld weer te geven van den beminnelijken
man, zooals dat voor onzen geest zich plaatste, toen wij op
de banken van het gymnasium zaten en zooals dat nu reeds
25 jaren in ons hart eene eereplaats heeft.
Wezieling schonkt gij al uw dagen
Hik leerling, wijsheid komend vragen
•Hn \'t Haagsen gymnasium, waar w\' U, ons voorbeeld, zagen;
^Ha dat herdenkend, wil ik wagen
5zJ;iai- boven deze. beé te dragen:
Eden volle maat geef mij van \'t reine hart van Beijnen,
S^eem uit mijn ziel \'t onlout\'rc en blijf mijn smaak verfijnen.
Het is toch zooals Beijnen zelf schreef in „Herinnering
aan de feestelijke bijeenkomst op den 24sten Juni 1870, ter
viering van het Vijftigjarig Bestaan (1820—1870) van
Noorthey" blz. 21: „Zoo er door Gods genade iets in ons
of door ons tot stand kwam dat Hem welgevallig was,
welnu, dan hebben we dit voor een groot deel, ook aan
onze opvoeding te danken. Want wat de mensch van zijn
twaalfde tot zijn zeventiende of achttiende jaar van zijne
opvoeders ziet en hoort en ondervindt, dat laat zeer diepe
sporen in de harten na voor den tijd, ja! reikt verder en
is blijvend ook over zijne grenzen."
-ocr page 28-
6
In latere jaren, als student te Utrecht, kwamen wij met
andere mannen in aanraking, maar Beijnen woonde in ons hart.
Welk een voorrecht prof. Dr. W. G. Brill te leeren kennen !
Ziehier zijn portret en onze hulde:
Worst vol bewondering, ziel vol barmhartigheid,
Sticin, fijn en schrander brein, geest door Gods gunst verblijd,
Mii \'t waar en \'t goed\' en \'t schoon, in \'t heiligst\' ingewijd,
t^aat veler vroom gemoed, ten hemel opgeleid,
fiefd\' U dit leven biên, danken in d\' eeuwigheid.
Brill was vvijsgeeriger dan Beijnen, Beijnen niet minder
bezielend en aantrekkelijk als paedagoog.
In Utrecht genoten wij het onderricht van prof. Dr. J. I.
Doedes:
üoorkundig doctor, vorscher, wakkre, scherpe geest,
Oprecht geinige, trouw, strijdvaardig, onbevreesd.
Ëdcrst LIall, toen Rotterdam, dan Utrechts school, \'s lands kerk
doorwrochte reednen, boeken biedend, bijbel werk,
feliiiciiius eerst recht, als God u roept van d\'aard,
CQchat uit d\' ons dierbre faculteit, blijf lang ons nog gespaard.
Doedes was criticus, Beijnen kunstcriticus.
In Utrecht hoorden wij Nicolaas Beets:
Weminlijk mensch, bezielde tolk van Hollands taal en trant;
Hélaardig kind van Haarlem, zoon van Leiden, dichter, Hildebrand ;
telerwaard karakter, fijn kenschetsend kruisgeza.nl,
trouwhartig herder eens, hoogleeraar naderhand,
COtein, stichtend Heemstee, \'t Sticht, ja gansch het Vaderland.
Beets en Beijnen waren in Leiden als studenten contuber-
nalen, ons hart is nog hun beider contubernium.
Ook volgden wij de lessen van professor Ter Haar.
Nog hoor ik hem op een tentamen tot mij zeggen:
-ocr page 29-
7
Gij zijt gelijk een meelzak, jongon; inderdaad
Dan komt er nog wat uit, als men er hard op slaat.
En wij antwoorden nn in stilte:
Gij hadt gelijk, professor; ja, in \'s levens lang tentamen
Slaat God ons duchtig, opdat w\' eens voldoen bij \'t eindexamen.
Erasmiaansche luim, geleerdheid, klassieke ernst, roman-
tisehe weemoed, dat alles was in Ter Haar vereenigd,
Beijnen had niet minder gloed, niet minder smaak, niet
minder ernst als dichterlijk prozaïst.
Hoe boeide ons de welsprekende stem van prof. dr.
J. J. van Oosterzee!
In Parijs, Rue d\'Arras, Maart 1891 pere Hyaeinthe
hoorende, dachten wij in stilte aan onzen grootsten kansel-
redenaar.
\'t Is Hyaeinthe, die mij hier houdt opgetogen
Zijn rede sleept mij zegevierend meê,
Maar als hij spreekt ontwelt een traan mijn vochtige oogen
Ik hoor uw stem niet meer, Van Oosterzee.
Beijnens vurig voorgedragen meditaties en improvisaties
lieten echter toch nog blijvender indruk achter.
In Utrecht hoorden wij de bezielende voordracht van prof.
Quack, van prof. Donders en van vele anderen.
In Utrecht gaf, zooals Allard Pierson nog onlangs bij
gelegenheid van Opzoomers 703ten verjaardag zich terecht uit-
drukte, Opzoomer onze hersenen wat te doen. Voorzeker
en niet weinig ook. Maar bleef hij niet op den zoom staan?
Hij doopte ons als Kant tot den Vader, tot God, deugd
en onsterfelijkheid en het was een ontnuchterende doop.
Maar Beijnen doopte ons tot in den Vader en den Zoon.
Eerst dan gevoelen wij ons bevredigd als wij in de volheid
-ocr page 30-
8
der godheid ondergedompeld worden om gelouterd op te staan
met de parel van het eeuwige leven.
Dit alles doorleefden wij in later jaren. Nu verwijlen wij
niet onze herinneringen het liefst in onzen gymnasialen tijd.
Zeer diepe sporen heeft dat tijdperk inzonderheid achtergelaten.
Het was zooals ik eens niet een enkel woord vernield
heb in een „in memoriam" gewijd aan de nagedachtenis van
den zoo vroeg gestorven Van Haaften (zie een toen inge-
zonden stuk in het dagblad van Zuid-Holland en \'s Gravenhage.)
Wij zaten naast elkander op de schoolbanken. Dr. Mulder
doceerde niet den meesten tact de beginselen der oude talen.
Van Osenbruggen, Beijnen en Rutgers hielpen ons verder.
Des toennialigen (1866 — \'70) conrectors geduld werd wel
op zware proef gesteld. Rutgers was, als voor vroegere leer-
lingen Van Herwerden, uit de school van Cobet en dus daarom
al een meester. Beijnen liet naast de grammaticale ook de
eischen der aesthetische verklaring gelden. De voortreflijke
Van Oordt gaf les in algemeene geschiedenis en waarin al
niet. Nog zie ik zijn arm, manchetloos uit een lustre jasje
te voorschijn komend, als de tuit van een trekpot gebogen,
zijn met lange maar onberispelijke nagelen gewapenden wijs-
vinger op ons gericht. De lessen in Fransch, Duitsch en
Engelsch werden, helaas! wel eens als uren van uitspanning
beschouwd, wel is waar niet door de docenten. Ernstiger
werd de mathesis opgevat, doch dat moest ook wel. Maar
de liefste lessen waren voor velen onzer die in de Hollandsche
taal en letterkunde, de Vaderlandsche geschiedenis en aard*
rijkskunde.
Daar was Beijnen in zijn element. Daar hoorden wij, wat
wij later in zijne Historische Schetsen en Beelden lazen. Hoe
bezielend kon hij spreken over den Nederlandschen opstand
-ocr page 31-
9
tegen Spanje, hoe ernstig over de Fransclie revolutie, hoe
keurig waren zijne Schetsen, hoe treffend zijne Beelden, hoe
aangrijpend zijne lessen, hoe onvergetelijk zijne gevleugelde
woorden. Een genot was het hem een stuk van Van Lennep
of van Bilderdijk te hooren reciteeren, een feest te luisteren
naar zijne met gloed voorgedragen meditatiën. Nooit zal ik
dien tijd vergeten en toch een gelukkige tijd was het voor
mij nu juist niet. Ik was in veel opzichten ten achteren.
Ik moest heel wat inhalen en bijwerken. Ik kwam van bui-
ten en toen later in Utrecht de hoogleeraar Miquel mij,
bedeesden knaap, in het album inschrijvende „e pago" vroeg,
(met andere woorden „ex urbe" zult gij wel niet komen,)
begreep ik ook daaruit dat er ook toen nog heel wat
veranderen moest.
Nu, ik kwam e pago Dorpii en met wat volharding
komt men ook daaruit waar men wil wezen. Mijn vader
deed mij in huis bij den Christelijken onderwijzer Smelik,
die toen in de Nobelstraat aan het hoofd stond eener bijzon-
dere school, en als des avonds de bestuursleden dier school
(Beijnen behoorde tot dien kring en andere, niet allen,
althans later, geheel met de richting van Mr. Groen van
Prinsterer meegaande heeren,) als des avonds de bestuurs-
leden dier school beneden mij druk beraadslaagden, zat ik
boven te blokken in Pluygers. Het is wel gebeurd dat ik
\'s morgens voor dag en voor dauw gewekt werd en des
winters midden in den nacht in een kamerjapon van Sme-
lik gehuld zat te werken. Want de leeraren spoorden tot
den arbeid aan, in vier jaren moest men toen klaar zijn;
het voorbeeld des rectors werkte bezielend. Gelukkig,
ofschoon het werken mij niet verdriette, was die tijd echter
niet, niet\' in alle opzichten. Ik wilde predikant worden
-ocr page 32-
10
on tot mijne verbazing was ik op het gymnasium ongeveer
de eonige toen. Voor mijne verbeelding was de theologische
faculteit de eerste on de hoogste, ik zag dat die overtuiging
niet door allen werd omhelsd. Sommigen zagen mij wat
spotachtig aan, niet ieder scheen te kunnen hegrijpen, dat
men argeloos, vrijwillig, uit volle overtuiging daartoe kon
konion. Nu heeft men dikwijls iets onbeholpens, iets schuch-
ters on verwarde op dien leeftijd en met zulke neigingen.
Men streeft naar het hoogste en men gevoelt zich zoo zwak.
Het is zooals ik het eens uitgedrukt heb on Beijnon wilde
mij begrijpen : „Wanneer men oen open oor hooft niet
alleen voor alle vragen, voor alle vraagstukken, voor alle
behoeften van den geest, maar ook een hart dat in het
woord dor openbaring het antwoord op die vragen blijft
zoeken, omdat men bij ervaring weet dat men hot daar
vindt, hoe heerlijk en aantrekkelijk moet dan de evan-
gelieprediking zijn. Daarnaar te streven bleef steeds
mijn lust. Er zijn tijdon van strijd on ontroering in de
wereld, tijden, waarvan geschreven staat in den elfdon
psalm: „zekerlijk, de fondamenten worden omgostooten."
Zidk een tijd hebben wij, wier loven bij het begin der
tweede helft dezer eeuw oen aanvang nam, in ons land on
in onze kerk gekend, toen wij uit den knapen* in don
jongelingsleeftijd overtraden. Iederoen sprak toen over de
moderne theologie. De strijd in Duitschland en elders
gestreden trilde na in deze gewesten. Wat een vraagpunten
voor gevoelige harten en ongevormde geesten! Wat een
slingeringen! En als men dan zelf zijn weg moet kiezen!
Als men niet altijd don steun en de hulp bij de hand heeft,
die men behoeft, hoe moeielijk is het dan om in zulk een
krisis voor een geestelijk bankroet bewaard te blijven! Het
-ocr page 33-
11
is gemakkelijk in de haven te blijven liggen, vastgemeerd
aan de drie formulieren van eenigheid, of aan het een of
ander kerkelijk leerstelsel, wat dan ook! Maar Hollandselie
jongens zijn speculatiever aangelegd. Zij kiezen zee en
wagen alles niet (Jod. Het geloof is als eene zee. Het
geloof is het element voor een dapper en edel hart. Het
geloof dringt aanstonds door tot den diensten grond der
dingen en vindt nergens rust dan in God. Dat iemand
inconsequent is. is niets. Dat iemand bedenkelijke stellin-
gen inneemt evenmin. Wanneer men het maar eerlijk meent,
wanneer men zich zelf maar niet zoekt, wanneer het slechts
om waarheid te doen is. Ik heb het altijd als een opmer-
kelijk voorrecht beschouwd te rechter tijd in aanraking
gekomen te zijn met een man, die daarom zulk een toege-
negen oor vond bij vele jonge menschen, omdat ieder het
in zijn oog kon lezen en uit zijn mond kon hooren, dat
hij met hen mee worstelde, begrijpende de behoefte van hun
hart. Men beweert dat leeraren apodictisch moeten optreden.
Voor velen mag dat goed zijn. Van den Messias staat
geschreven: „de rookende vlaswiek zal Hij niet uitblusschen,
het gekrookte riet zal Hij niet verbreken." In een ledigen
haard moet vuur aangebracht worden, maar als er zijn, in
wie vanzelf iets gloort, hunne adspiratiën gaan uit naar de
inspiratiën van den Heiligen Geest, zij hebben behoefte aan
grenzenlooze sympathie. Militairen en juristen, wanneer zij
christelijke neigingen hebben, zijn dikwijls een prooi voor
eenig leerstelsel, de anti-revolutionairen en ultramontanen
zijn met twee zwaarden gewapend, dat van Themis en dat
van Mars. Geestelijke kwestiën laten zich echter niet als de
Gordiaansche knoop behandelen. Zij vereischen geduld. Zij
vereisehen nadenken. Zij smeeken om een alzijdige en gron-
-ocr page 34-
12
dige behandeling. De meer wijsgeerig aangelegden, de theo-
logisch gevormden, allen die studie gemaakt hebben van
den geest der tijden, komen niet zoo spoedig gereed. Welnu,
wat mij aangaat, terwijl ik al mijne leeraren erkentelijk
blijf en in allen veel vind na te volgen en te bewonderen,
als ik denk aan hunne geleerdheid, hunne nauwkeurigheid,
hunne frischheid, hunne bezieling, onder allen blijf ik toch
steeds in de eerste plaats dankbaar aan hem, die mij eer
en meer dan velen vertrouwen ingeboezemd heeft door zijne
alzijdigheid en den diepen ernst van zijn persoonlijkheid."
In het bovenstaande citaat uit mijn „Het Begin en het
Einde" werd gedoeld op den toemnaligen Haagsclien predi-
kant Gunning, den tegenwoordigen Leidschen Hoogleeraar.
Zijn beeld staat voor mij in het volgende naamversje, waarin
ik het tracht weer te geven:
Qeen Chantepie de la Saussaye en Beek, wier oogen gloed verspreidden,
Ö,w blik, zoo helder blauw, wil peinzend zich het liefst in \'t Al verblijden;
ÖJmr geest, natuur, beginsel, mecning, wezen, vorm, naar alle zijden
!2jaar eenheid vorsehend, blijft g\' uw hoofd en hart aan \'t hoogste en \'t
diepste wijden ;
Mn kerk en school en staat met woord en pen een edlen strijd te strijden,
S^aar \'tvleesch geworden Woord steeds meer verlangen d\'armen uit te breiden,
Qezalfde Geestvan God, doe \'t met verjongde kracht ook nu te Leiden.
Ook zijn leiding genoot ik te \'s Gravenhage en steeds gedenk
ik Beijnen en Gunning met gelijke dankbaarheid. O, hoe-
veel was er toen in de Hofstad op geestelijk gebied te genie-
ten. Aan doleantie werd nog niet gedacht. Confessioneele
strijd der meeningen was er evenwel genoeg aanwezig. Met
den heer Smclik ging ik wel eens naar de kerken der chris-
telijke gereformeerden; daar vond die waardige man meer
zijne overtuiging beleden. Mij trok Schuurman boven velen
aan, de ernstige Luthersche prediker maar vooral ook Gun-
fa
-ocr page 35-
19
ning, die in den strijd met de modernen daarom zooveel
vertrouwen wekte, omdat men zijn vrede ziende besefte, dat
hij met hunne beginselen bis auf\'s Messer geworsteld had.
In Beijnens optreden was groote frisehheid en energie.
Hem bekoorde gelijkelijk de antieke ernst, de rijkdom der
renaissance en het aantrekkelijke in het romantieke. Hoe-
veel had hij op met de klassieken, maar ook met Ra fa cl
en Ary Schetter. Welk een hart had hij voor de literatuur
en welk een oog op de kunst. En hoe werd alles doorademd
met zijn ehristelijken zin. Niet moeielijk zou het vallen
trekken van overeenkomst aan te toonen in hetgeen de pas
overleden schilder Bosboom penseelde en wat Beijnens pen
te voorschijn riep. Hij had zijn eigen stijl, een ongemeen
vloeiende en gloedvolle stijl. Hij nam U mede op zijne
vleugelen naar het rijk der idealen en voorwaar zijn idea-
lisme was geen idealisme zonder ideaal, maar getuigende van
de realiteiten, die zijn leven bezielden. Wat een voorrecht,
zulke aanvoerders gehad te hebben en nog te bezitten in den
strijd des geloofs. Zoo naar het rijk des lichts te worden
heengewezen, zoo te worden aangevuurd en opgeheven. Dat
alles bedenkende wordt mij het karakter duidelijk van den
noordpoolreizigcr Laurens Reinhart Koolemans Beijnen, die
Beijnen tot zijn meer dan naamgevenden peetoom had; maar
dat alles bedenkende begrijpen wij van ons zelven niet dat
wij niet meer onafgebroken en vol vertrouwen de reize naar
de hemelstad vervolgden en de poolstar boven ons niet
vaster in het\' oog bielden.
Het zij mij vergund hier eenige proeven van Beijnens stijl
in te vlechten.
Hoe voortreffelijk is het opstel, getiteld: Herinnering aan
mijn vriend Kruseman. Zie Fantasieën bl. 347.
-ocr page 36-
14
In liet volgend jaar mocht ik hem te Rome bezoeken en gedurende
cene maand getuige zijn van hetgeen voor een ernstig en ijverig
kunstenaar nis hij kan geleerd en beleefd worden in die groote en
cenigc stad. Il< stond getroffen, toen hij mij voor het eerste werk
bracht, dnt hij weder onder Itnlië\'s hemel op het heerlijke Isehin,
voltooid had. Het was de Procitane. Het stuk werd krachtig door
Itnlië\'s zon beschenen, en ik was opgetogen over de natuurlijke,
levendige uitdrukking der figuren en over het helder sprekend en
toeh liefelijk harmoniccrend coloriet. l)e jeugdige vrouw van het
eiland Proeidn met haar prachtig kostuum, met hare ideale, vertcc-
derende schoonheid, met haar slapend kind, waarover het zachte
wans van jeugd en onschuld, allerkunstigst nis uit de porieën oprij-
zend, zweefde, stak sterk af tegen de tanige kleur en de strakke
trekken der moeder naast haar, sterker nog tegen de ruwe en for-
schc vormen van den bruinen bedelmonnik tegenover haar geplaatst,
wiens hand op cene bus rust, waarin hij de aalmoezen opzamelt en
om wiens arm aan de andere zijde cene mand hangt, waarin hij den
teerkost opgaart voor zijn klooster. Hare zuster, ecu weinig minder
schoon en ter halver lijve slechts zichtbaar, leunt aan den kant der
Procitane op den arm der oude. Deze spint vlijtig voort, maar staait
met rustigen blik den beschouwer zoo natuurlijk en gemeenzaam aan,
dat \'t u soms is, alsof ge als vijfde persoon bij het vreedzaam
gezelschap tegenwoordig waart. Aan den vensterboog van buiten
kronkelt zich langs cenigc boomstammen en een bovenaan bevestigd
dwnrshout een wingerd, die als afdak aan den muur gehecht, het
gezelschap in de koelte plaatst. Eene vrij groote opening werd er
echter van boven gelaten, waardoor een gloed van gouden zonne-
Btralcn langs bladeren en trossen ncderschoot, waarvan de warmte
ook door den beschouwer als gevoeld werd, zonder dat de hitte of
het verblindend licht de rust van de aanwezigen stoorde. Door het
venster eindelijk blikte men tusschen de oude en den monnik, onder
het wingerddak door, op het tweede en derde plan over de blauwe
wateren der golf tot op de Xapclsche kust. Ik was bekoord over
zooveel zuidelijke kleurenpracht en schoonheid. Het rijke nationale
kostuum der procitane, eene korte groen fluweelcn japon met gouden
borduursels op de schouderen en daarop afhangende oorsierscls, de
-ocr page 37-
15
hagelwitte platte Italiaauschc hoofddoek der oude, do bruine pij van
don monnik, de groene wingerd, het blauwe water, de azuren lucht,
de schitterende zon van Napels, met al de overgangen on schakcc-
ringen daartusschen; hot was alles te vamen cene frisschc harmonie
van de krachtigo uitingen «les zuidelijken hemels, eene heerlijke
vrucht van het verrijkte talent des Meesters, eene sierlijke kroon op
zijn ijverig streven in het schoonc Italië voor den roem en den
luister der vadcrlandsehc kunst.
Aangrijpend is de schildering in liet stuk met het op-
schrift: Een bezoek in het bidvertrek van Johnnnn van
Arragon. Men kan het lezen in den Bundel Schetsen en
Beelden:
Op een der laatste Septembernachtcn van het jaar 1506, greep
er te Burgos ecu verschrikkelijk tooncel plaats in het bidvertrek
van Johanna van Arragon. De ongelukkige dochter van Fcrdinand
en Isabella beleefde daar toen uren zoo geheimzinnig, zoo ontzet-
tend, dat men niet licht de wedergade daarvan zou kunnen aan-
wijzen in de geschiedenis. Die nacht heeft in onze dagen de aan-
dacht getrokken van ecu groot schilder en met den tooverslag zijner
kunst is hij er in geslaagd, de vervlogen eeuwen te overschrijden,
dat bidvertrek, met hetgeen er op dien nacht in voorviel, weder te
openen en ons getuigen te doen zijn van de poging eencr krunk-
zinnige vrouw, om het lijk van haar gemaal in het leven terug te
roepen; — een toestand, die ons in de werkelijkheid zwaar zou
hebben geschokt, maar die thans, geïdealiseerd in opvatting on
uitvoering, en tot in de minste deelen als bedauwd door den adem
van het genie, ons ce» waar kunstgenot te smaken gaf.
De meeste mijner lezers hebben dat bidvertrek van Gallait gezien
en hebben, bij de eerste blikken, die zij er op wierpen, met mij
getroffen gestaan over de scherpe tegenstellingen van het tafereel,
waarin zoowel de zwakheid als de kracht van het talent diens kun-
stenaars, als van die der romantische school onzer dagen, waartoe
hij behoort, gelegen is. Of sprak het niet luide en ingrijpend tot
-ocr page 38-
10
ons gemoed, die mengeling van vorstelijke pracht en diep mcnschc-
lijk leed ? Ken goudlakcnsch kleed en eene sponde niet koninklijke
wapens versierd, maar wat er op ter neder ligt is — een lijk, waar-
van de sporen der ontbinding reeds afstootclijk zijn. Ken jeugdige
vrouw, achteloos in een satijnen gewaad gehuld, niet eenige paarlen
nog tussehen de ontwoeldc haren, leunt daarover, maar de vrouw
is — eene krankzinnige. Ken scepter, rijk liezet met edelgesteente,
schittert ons tegen, maar niet onikneld door eene koninklijke hand,
neen, ter aarde geworpen en als vertreden, niet eenmaal hij de trap-
pen van een troon, maar — hij de knielbank van een hidstoel. Op
het donker achterheschot ontwaart men flauw het groote teeken der
Verzoening, het Kruis onzes Heeren, en daaronder, dicht hij de
sponde van den doode, leest men de wonderlijke bede : „o God ! o
eeuwige (Jod ! die het menschelijk lichaam uit het stof der aarde
geformeerd hebt, verhoor mijn gebed." Die wanklanken, die schrille
tonen uit het leven worden echter zoo opgelost en vereffend door
een zekere natuurlijkheid, eene noodzakelijkheid, zou ik bijna zeggen,
die de kunstenaar wist te betrappen in den onnatuurlijken toestand
van Joliauna, dat het tafereel bevredigend, ja ! schoon wordt voor
den denkenden beschouwer, (iallait heeft in zijne verbeelding een
gelukkigen greep gedaan in Johanna\'s ziclcleven, en heeft ter uit-
drukking daarvan zoo weten te werken met lijnen en kleuren, dat
de sprekende en lichtende tinten van het leven, en de vale en de
doffe van den dood, door middel van hoogsels en schakeeringen en
onmerkbare overgangen, zoo tegen elkander opwegen, zoo ineengc-
strengeld en dooreengeweven worden op het doek, dat het gchcele
stuk, ondanks den jammer en de verschrikking der voorstelling, als
een schoon harmonisch akkoord wordt, dat ons trekt en hoeit, roert
en treft, en ons met het onderwerp verzoent, omdat het waarheid
wordt en omdat die waarheid het haar passende gewaad der schoon»
heid draagt.
........Het lijk werd naar haar bidvertrek overgebracht. Een
geheelcn nacht zou zij daar alles aanwenden, wat zij in hare onzin-
nigheid meende te moeten doen om haar doel te bereiken. Aan de
hand van den kunstenaar zijn wij in den geest daar binnen geleid.
-ocr page 39-
17
Wij aanschouwen daar eene bidbank niet een gebedenboek, terwijl
haar gebed op den wand staat uitgedrukt. Dat gebed moet verhoord
worden, de koude des doods mort wijken voor hare liefkozingen en
koesteringen. De ziel mort wederkeeren. Johanna zal om haar gemaal
roepen en smeeken, zonder af te laten ot\' te vertragen in haar
gemoed. Het zal eindelijk gelukken. Heinelsehe en aardsehe kraeh-
tcn zal zij bezweren .... Of heeft zij het niet in vroeger dagen van
hare vrome moeder vernomen uit de Heilige bladen, hoe voor
ecuwen dooden zijn wedergebraeht tot het leven ? Of heeft de
monnik het haar niet verzekerd, hoe het in latere tijden gebeurd
is ? Welnu, dit zou, dit moet ook nu geschieden. Zoo worstelt de
arme Johanna uren lang op vreeselijke wijs .... Maar de nacht ver-
strijkt, het licht der lamp verflauwt, de eerste morgenschemering
daagt door de ruiten en werpt haar bleeke waas langs het beschot —
maar, daar vóór haar blijft nog dezelfde koude, dezelfde blauwe
tint over die kaken, nog immer dezelfde diepe, vaste, zware slaap
des doods. Johanna is afgemat, is uitgeput. Zij staat en verzinkt in
een mijmering en laat hare gedachten den vrijen loop. Hare zwakke
rede doet geheel onder en zonder bewustheid van hetgeen zij denkt
of doet, geraakt zij in dien toestand, waarin men wakend droomt
en op het schimmengebied der verbeelding treedt. Wat zij begeert,
wordt haar inwendig voorgespiegeld, en wat zij daar aanschouwt,
meent zij, dat werkelijk plaats grijpt. Zoo is zij ongevoelig het lijk
dicht genaderd en strak voor zich uitstarend, zonder iets waarlijk te
zien of te onderscheiden, buigt zij zich over den doode. Ja! het
oogenblik is thans daar, het lang verbeden oogenblik. Haar geniaal
gaat herleven, zij zal hem weder bezitten om gelukkig, om zalig te
zijn. — Zij vat zijne verstijfde hand. — Maar hoe ? — Het is haar
of er eenige beweging bespeurd wordt — weldra — weldra — zal
hij ontwaken, — zal hij openen die lippen, — die oogen. — Haar
hand strijkt over het voorhoofd, glijdt in de haren, houdt daar een
lok. Bij den eersten oogopslag moet zij het eerste wezen, wat zijn
blik aanschouwt in het land der levenden. — Een straal van vreugd,
een straal van licht en schoonheid verspreidt zich over haar gelaat —
de eerste weder na een langen en hangen tijd van innig hartewec
en zware zielesmart, maar helaas ! de laatste wel van haar leven,
-ocr page 40-
18
de laatste uiting ook van hare verbeeldingskracht, de laatste en
ecnigste, dien de kunstenaar met het oog zijner ziel moet opvangen
om zijn tafereel te rechtvaardigen. Van dat oogcnblik hangt alles
af. Johanna is daar tcaar, Johanna is daar .schoon ; zij sleept ons
mede in haar tooverkring. Ook wij wachten, wij hopen, wij staren.
De dood heeft ook voor ons zijne verschrikking verloren, want die
doode daar leeft. Het oogenblik is eenig, grijp het aan, o kunste-
naar! en vereeuwig \'t door uwc verwen. Het is hier de klcurscha-
keering van de waterbel, — zij prijkt het schoonst, op het punt dat
ze vervliegt.
Hoe vriendelijk is de schets van een maaltijd te Scheve-
ningeii, te vinden in het gedenkschrift Jsoorthey.
Het overige gedeelte van den dag zou meer uitsluitend aan de
vreugd zijn gewijd. Daartoe zouden wij ons scharen aan een feest-
disch te Scheveningen. Te vijf uur kwamen wij er aan en te half
zes namen we plaats.
De oudsten schaarden zich aan beide zijden en tegenover den
President, den Heer de Jonge v. Ellemeet, die in het midden van
de tafel was gezeten. Aan hem sloten zich mm weerszijden zooveel
mogelijk de volgende geslachten aan. De President opende op een
zeer gepaste wijs het middagmaal met een liartelijken welkomstgroet,
die onder \'t uiten van woorden van dankbaarheid zeer geleidelijk
in een zegensmeeking over \'t aangerechte overging. Te gelijk met
het maal vingen ook de gesprekken aan en lieten de vreugdetonen
zich liooren, als van een waar convivinm, dat is een maaltijd, waar-
aan niet alleen gegeten en gedronken wordt, maar ook gesproken
en waarlijk geleefd. Een stroom van vreugd vloot ei1 door de har-
ten, die zich openbaarde hier door een kreet, daar door een vroolijk
gelach, ginds door een woord of een heildronk tusschen oude vrien-
den of tijdgenooten, elders weder door het aanheffen van eenige
tonen uit bekende aria\'s. De voornaamste incidenten waren echter,
gelijk altijd bij gastmalen pleegt te geschieden, de toasten.
De toasten kunnen echter hier evenmin herhaald worden als het maal
verder beschreven. Een feestmaal laat zich, trots Plato, Xcnophon,
-ocr page 41-
19
Athcnaeus, Scott, Bulwcr, Janin, Dumas, v. Lcnncp, — want die
groote schrijvers lieten de personen hunner gastmalen zeggen wat
hun goed docht, — niet beschrijven, en een toast, zoo hij waarlijk
dien naam verdient en geene van buiten geleerde les is, vermag
men zoo zelden goed weer te geven. Dat alles is te vluchtig, het
is \'t leven in een van zijn vrije, ongedwongen toestanden. Of kent
ge er een, waar meer voor alles plaats is? Aan een maal viert men
den doop zijner kinderen, aan een maal zit men aan op zijne gedenk-
dagen, men juicht er bij zijn huwelijk, men beschreit er zijne dooden,
men verovert er harten, men smeedt er samenzweringen, men ver-
wekt er oorlogen, men maakt er vrede, tronen worden er onder-
mijnd, rijken worden er bevestigd, ja! zelfs over de grenzen van
den tijd staart het geloofsoog van heiden en van christen nog op
heilige maaltijden in het land der zaligheid.
Hoe verheven is zijn beschouwing van kunst in de toe-
spraak, gehouden op de evangelische alliantie te Amsterdam
in \'t jaar 1867.
Die gave — en dit is ons laatste woord, — die dichterlijke gave
van hartsverheffing, door alles, ook de meest gewone dingen van
het dagelijksch leven als te brengen onder het licht der eeuwigheid,
door zelf met zijn innigste gemoedsleven steeds te staan onder het
kruis des Heercn, en van dififr alles te beschouwen uit het verheven
standpunt der waarheid, door alles wat goed en schoon en edel is
te acccntueercn, en met den wonderstaf der liefde aan te roeren en
te veredelen, — die gave zal in ieder onzer hoe langer zoo meer
ontwikkeld worden en schoone vruchten dragen, zoo we steeds
trachten zelve dagelijks meer kunststukken Gods te worden, want ook
God wordt een Kunstenaar genoemd in de Schriften, en hetpronk-
werk zijner handen is de mensch, die geschapen is naar Zijn beeld
en naar Zijne gelijkenis.
En dat beeld moge treurig misvormd zijn, die gelijkenis vaak niet
meer te herkennen van wegc de zonde; er bestaat herstel. Een
nieuwe weg is er voor ons geopend, een weg des geloofs, der bekee-
-ocr page 42-
20
ring en der liefde. Op dien weg worden wij een nieuw maaksel,
een maaksel Gods geschapen in tien Heer Jezus Christus tot goede
werken. Opgebouwd moeten we dan worden in den Geest tot eene
woonstede CJods, van wien alle genie en ieder talent en iedere kracht
afdaalt in de mensehen, opdat zij Hem weêrkeerig daarmede zouden
verheerlijken in zijn uitneinendstc gave, welke is Jezus Christus onze
Heer. Deze moet heersenen in al ons streven en werken, in onze
kunst en wetenschap. Hij moet onze eer, onze roem, onze hecrlijk-
heid, onze onverstoorbare, hcmclschc vreugde blijven in leven en in
sterven !
Hoe edel is het woord, gesproken bij het graf van Mr.
Groen van Prinsterer.
Het geloof, de wortel des eeuwigen levens, is even als \'t natum,-
lijke leven van den niensch en van \'t geringste levendragend infusie-
diertje een mysterie, \'t ontsnapt aan alle bewijs, \'t wordt alleen door
ervaring in eigen bewustzijn of in een ander, met \'t oog des onbc-
vooroordeelden geestes, aanschouwd. En wat men den Christen ook
moge betwisten, dit staat bij hem vast, juist in onze dagen, onom-
stootelijk vast, helderder en krachtiger dan in vorige tijden, dat,
wanneer geloovigen en ongeloovigen zich rondom een graf scharen,
gelijk bij dat van Groen van Prinsterer plaats greep, de ontkenning
der ongeloovigen van \'t bestaan der eeuwige dingen en van dat der
bovennatuurlijke wereld, niet in het geringste van meer beteekenis is,
niet in het minste van dieper kennis, of van meer doordringend
verstand, of van grootcr wetenschap, of van hoogere beschaving
getuigt, dan de bevestiging daarvan door de geloovigen.
De oprechte geloofsbelijdenis van den eenvoudigste, den onge-
leerde of ongeletterde weegt, voor den onbevooroordeelden schcids-
rechter tusschen de twee partijen, even zwaar of even licht, hoe wil
men ? als \'t ongeloof van den geleerdsten en meest ontwikkelden
tegenstander.
\'t Geloof, dit mogen wij tenslotte verklaren, was steeds de grootste
kracht onder de mensehen, in \'t algemeen, maar in zijn heerlijkste
openbaring toonde \'t zich wanneer \'t tot voorwerp had, Dengene,
-ocr page 43-
21
Dien de Schrift noemt den Oversten Leidsman en Voleinder des
Geloofs, Jezus. Van dit geloof wordt gezegd, dat \'t een vaste
grond is der hoop en een bewijs der dingen, die men niet ziet.
Dit is \'t geloof geweest der Vaderen, waarvan Groen van Prinsterer
tot zijn volk gedurende een lang menschcnleven had gesproken, dat
hij zelf had beleden tot den einde, dat een iegelijk onzer, die \'t in
zijn harte draagt, door belijdenis in woord en wandel moet over-
maken aan \'t nageslacht.
In een geschriftje: Vorstenhuis en Volk in vreugde en
droefheid tot God geroepen, gedachtenisrede Koning Willem
III betreffende, heb ik uitgedrukt hoeveel ik voor mijn
vaderlandsch en vorstelijk gevoel aan Beijnen verschuldigd
ben. Hij wist liefde in te boezemen voor Vaderland en
Oranje, maar welk gebied was er, dat Beijnen onverschillig
liet? Als hij iets aanraakte met zijn tooverstaf begon het
te leven en kreeg het bezieling. Zoo staat hij voor ons als
voorganger, als opvoeder, als leeraar. Zoo is hij, in zijne
mate, wat Vinet was als literarisch criticus, als beoordee*
laar op het gebied der kunst. Zoo doet hij denken aan
Hofdijk, wanneer er sprake is van het roemen der vaderen,
zoo treft ons zijn zedelijk oordeel op Christelijk gebied en
behoort hij tot de uitnemendsten, die ons hebben voorge-
licht. Partijman kon hij niet zijn; enge, confessionneele ban-
den konden hem niet gebonden houden en toch wie leed
meer mede in den geest met de geloofsgetuigen van alle
eeuwen, wie was inniger belijder en wie streed meer den
goeden strijd des geloofs ? Er zijn vele kerken hier beneden,
doch er is maar één lichaam van Christus. In stilte zeggen
wij, wat God alleen weet, deze en die moet tot dat lichaam
behooren. Zoo zijn er vele inrichtingen van onderwijs in
den lande, doch uit onze voorgangeren en oudere tijdge-
genooten, uit leeraren en hoogleeraren zijn wij geneigd een
-ocr page 44-
22
keuze te doen en enkele uitnementlen te vereenigen tot een
kring, waarvan wij altoos willen leoren. Tot die ideale hooge*
Bchool, tot onze autoriteiten, behoort Eeijnen. De gustibus non
est disputandum. Gelijk er vele boeken zijn en elk zijn
eigen eanonieken heeft, zoo zijn er vele uitnemende gees-
ten, ook in ons vaderland, als wij maar een oog hebben om
te zien en een hart om te bewonderen, aanwezig. Zij nemen
de wereld gelijk zij is en laten hun Hebt schijnen in kerk en
staat en school. Zij wachten zich voor den zuurdeesem der
rechter- en voor dien der linkerzijde. Wacht u er voor, heeft de
Heiland gezegd! Eén gist laten wij met hem op ons inwerken,
de heilige Geest. Wij voeden ons met het brood, dat uit
den hemel is nedergedaald. Wij eten het in den kring der
broederen, verkondigende den dood des Heeren, Zijn lijden,
Zijn kruis, Zijn zelfverloochening, totdat Hij komt. Zoo
worden wij niet slechts beschaafd of hervormd, dat zou alleen
de oppervlakte raken, maar veranderd, wedergeboren; zoo
sterven wij en wandelen als kinderen der opstanding. Zijn
wij oud geworden, het kleinste sprankje; vuur, dat nog blijft
gloren blaast Hij aan, in den opstandingsmorgen voorziet hij
het van nieuwe brandstoffen.
Voor mij ligt „die Bouc van Seden," een geschrift door
den 86jarigen dr. Suringar te Leiden nog onlangs in het
licht gegeven. Merkwaardige! veerkracht en werkkracht! Be-
nijdenswaardige gezondheid en levenslust, waarover ik onlangs
met een jongeren maar toch ook reeds meer dan SOjarigen
tijdgenoot van Beijnen, des Leidsehen Suringars eveneens
hoog bevoorrechten broeder te Maastricht, met dank aan
God mocht spreken. In den grijzen ouderdom zullen zij nog
vruchten dragen, zegt de Psalm. Ook Beijnens leven was
een werkzaam leven en zijn otium op Carolinenhof waarlijk
-ocr page 45-
23
niet onvruchtbaar en ongezegend. Beproevingen bleven U
niet gespaard, edele grijsaard! Vele dierbaren zijn U voor-
gegaan, teleurstellingen en moeiten des levens waren Uw
deel. Toch staat gij nog opgericht als op de grenzen van
twee werelden, aan het strand der eeuwigheid. Hoe dikwijls
hebt gij ons op het verleden gewezen, op het woord van
Göthe: „dat is een beschaafd man, die het kenmerkende van
alle eeuwen in zijn geest en hart heeft opgenomen," maar
hoe dikwijls ook en zooals gij alleen het kondt zeggen
op de toekomst, op de eeuwigheid. Voor mij en voor
velen zijt gij een geloofsgetuige; voor mij en voor velen
waart gij steeds een opgericht teeken der Hope en de aan-
trekkingskracht der Liefde, die van U uitging bleef merk-
baar, ook al was er afstand door leeftijd of plaats en kring
van werkzaamheden. Een getuige zijt gij van \'t ware, en \'t
goede en \'t schoone. Een gezant uit het rijk der harmonie
en van den koning des Vredes. Vormende kracht ging er
van U uit, educatief waart gij en paedagoog als weinigen.
„Ach, dat er eens een man verrees" hoort men wel eens
klagen. „Exoriare aliquis" is een kreet uit veler mond.
Maar wie zou dat dan moeten wezen, vragen wij.
De rechte man is opgestaan en het regiment is in goede
handen. Laat ons liever wcnschen: ach, dat er meer mid-
delpunten waren van zedelijke kracht, meer zelfstandigen,
meer karakters. Aan opvoeders hebben wij behoefte. Aan
mannen van groote beschaving en groote barmhartigheid,
van veel menschenkennis en veel zelfkennis.
Dr. Beijnen, gij waart een hunner. Wij gevoelen ons
dankbaar gestemd U nog te mogen bezitten. Naast Uwe
bloedverwanten staan uwe geestverwanten, naast zij die U
liefhebben, zij die U ook vereeren.
*
-ocr page 46-
24
Ach, toef nog wat in ons midden. Hoevelen uit den kring
van het Réveil, hoevelen uit de school van Bilderdijk, hoe-
velen uit het worstelperk der geesten en uit den strijd der
meeningen onderde „oudere tijdgenooten" zijn heengegaan. De
eene hoorn wordt geveld na den anderen. Wat moet er van
het jonge hakhout groeien, vragen wij. Die dunne stammen,
hoe staan z\' aan wind en weer nu hloot. Wat Beijnen hetreft,
den SO jarigen, wat onze voorgangeren aangaat voor zoover
wij nog het voorrecht hebhen hen te bezitten, de bede rijst
op tot Gods troon:
Barmhartig God, ach, laat hen nog wat toeven,
Veel zijn er niet mij, die hun lommer nog behoeven,
Hun val kwam krakend neer op \'t hart van vele droeven.
Dit, wat dit aardsche leven betreft. Voor het eeuwige
leven worden onze wenschen voorkomen door zeer vaste
beloften. Een woord nog, aan Uhland afgeluisterd, een bede
nog, geliefde rector, op uwen gedenkdag:
Behalve d\' aardsche Lente,
Die telkens weer verjaart,
Houdt God in \'s Hemels tente
Een eeuw\'ge Lent bewaard;
Zij blijv\' U voorbehou\'en
Aan \'t eind van \'s levens baan;
O zalig Gods betrouwen,
Daar boven breekt zij aan.