-ocr page 1-
M i.
P. JOLLY.
!
VOLLEDIGE
11III
VOOR HET
^^ // V. P. LMGLOIS DE LQM\'EVILLE
MET BIJVOEGING EENER
/ *^«5^ / BESCHBIJVING VAN HET SCHILDEREN OP
e^T / PORSELEIN, GLAS, SATIJN EN MEER
CfctSd ./
         ANDERE KUNSTOEFENINGEN.
.
4
-*&h
- __________.
._________
Km-
•
ARNHEM — YBE YB ES.
-
-ocr page 2-
AA. oct.
!\\ 6 o
-ocr page 3-
.
VOLLEDIGE HANDLEIDING
VOOR HET SCIIILDEKEN IN
SAP- EN DEKVERWEN
VRIJ VERTAALD KN VERMEERDERD
NAAR HET FRANSCH
F. R LANGLOIS DE LONGUEVILLE
MET MJVOEGING EENER
BESCHRIJVING VAN HET SCHILDEREN OP PORSELEIN, GLAS,
SATIJN EN MEER ANDERE SUNSTOEFENINGEN
F. JOLL TT.
Wó~i-r&?
ARNHEM — YBE YBES.
-ocr page 4-
TÏP. P. A. GEUKTS, NIJMEGEN.
-ocr page 5-
INLEIDING.
De teekenkunst heeft onmisbaar eenen grooten invloed op de
meeste kunsten en wetenschappen, waarvan vele zonder dezelve niet
in beoefening zouden kunnen worden gebragt, andere niet tot zulk
eene hoogte zouden gestegen zijn: dan het nuttige paart zich in
deze kunst in groote mate ook aan het aangename; door haar is
het den liefhebberen mogelijk om de heerlijke natuur door omtrek,
licht en bruin, of bijgebragte kleuren op eene platte oppervlakte,
oogeuschijnlijk rond en verheven, ja als het ware levende na te boot-
seu. Maar bovendien is de teekenkunst het fondament voor de schil-
derkunst, en daar zij uit zich zelve genoegzaam is, om hetgeen men
verlangt voor te stellen, is zij in dit opzigt boven het schilderen
verheven.
Franciscus Junius, door Vondel de regterhand der schilderkunst
genaamd, merkt daaromtrent aan, dat de antieke schilders, niet zoo
zeer de kracht van hunne kunst in het leggen der verwen, dan wel
in het verstand en de beoefening der teekenkunst stelden. Van hier
de lofrede van Philostratus in het leven van Apollonius. „Indien
iemand eenen zwarten Indiaan, in witte lijnen afbeeldde, hij zal niet
te min zwart schijnen;" daarmede willende uitdrukken, het vermo-
gen der lijnen zelfs met tegenstrijdige middelen.
ïeekeningen zijn in het algenwn, de gedachten of schetsen, die
de schilders meer of minder uitvoerig op het papier uitdrukken, ge-
schikt voor de uitvoering van een werk dat zij bedacht hebben, of
in welke bezigheid zij zich willen oefenen.
Men stelt ouder het getal der teekeningen ook de studiën van
groote meesters, dat is te zeggen, de partijen , die zij hebben ge-
teekend naar de natuur of het leven; gelijk als hoofden, handen,
voeten en geheele beelden, kleederen, dieren, booraen, planten, bloe-
men, en eindelijk alles wat in de zamenstelliug van een schilderstuk
kan nuttig zijn. Hetzij dat men eene goede teekening aanmerkt
door de overeenkomst die zij heeft, met het tafereel waarvan zij een
-ocr page 6-
INLEIDING.
II
voorafgaand denkbeeld geeft, of ten opzigte van eene partij, waarvan
zij de studie is, zij verdient altoos de aandacht der liefhebbers.
Alhoewel de kennis van teekeningen niet zoo in achting wordt
gehouden, noch zoo uitgestrekt is als de studie der schilderijen, zij
is daarom niet te min veelomvattend en doordringend, dewijl het
groot aantal teekeningen, wanneer deze namelijk goed bewerkt en
vol geest zijn, aan de liefhebbers meer gelegenheid aanbiedt tot
oefening van hun vernuft en scherpzinnigheid.
De teekeningen toonen meer het merkteeken of karakter van den
meester en doen zien of zijn eigen genie, levendig of zwaarmoedig
is; of zijne gedachten meer of minder verheven zijn; en eiudelijk
of hij eene goede behandeling heeft, en een goeden smaak in de
keuze van alle partijen die op het papier gebragt kunnen worden.
De schilder die een stuk wil uitvoeren, tracht om zoo te spreken,
zich zelven te overtreffen, ten einde geprezen te worden in die dee-
len, waarin hij gevoelt, het zwakst te zijn; maar eene teekening
makende, geeft hij zich ten eenemaal over aan zijn genie, en doet
zien hoedanig zijne begaafdheden zijn. Om deze reden is het, dat
in de kabinetten der kunstliefhebbers, niet alleen schilderijen, maar
ook teekeningen der beste meesters bewaard worden.
Ondertusschen zijn er niet zooveel liefhebbers van teekeningen,
welke zoo zij de behandeling daarvan al kennen, het innerlijke er
van verstaan en weten te waarderen.
De halve kenners hebben die geestdrift niet voor deze liefhebberij
omdat zij niet genoeg indringen in den geest van de teekeningen,
derhalve kunnen zij ook al het vermaak niet genieten, hetwelk in
deze aangename en uitgebreide liefhebberij ligt opgesloten. De pren-
ten met zorgvuldigheid naar goede schilderijen gegraveerd, zijn voor
ben ter beschouwing veel duidelijker en aantrekkelijker; er komt
bij, de vrees van bedrogen te worden, en, gelijk dikwijls genoeg
gebeurt, kopijen voor originelen te koopen, bij gebrek van ervaren-
heid in kunde in het beoordeelen derzelve.
In het algemeen zijn er drie dingen in de teekeningen aan te
merken: de wetenschap, den geest en de losheid. Door de wetenschap
verstaan wij eene goede ordonnantie, eene vaste teekening en van
goeden aard, met eene loffelijke kennis van het licht en bruin; on-
der de benaming van geest, begrijpen wij, de levendige en natuur-
lijke uitdrukking van het onderwerp in het algemeen en de voor-
werpen in het bijzonder; de losheid is niets anders dan eene heb-
belijkheid, welke de hand door gewoonte heeft verkregen, om het
denkbeeld, hetwelk de teekenaar in het hoofd heeft, stout en vaar-
dig uit te drukken, en naarmate deze drie dingen in eene teekening
zamenloopen, is dezelve meer of minder achting waardig.
Hoewel de losse teekeningen doorgaans met veel geest gepaard
-ocr page 7-
INLEIDING.
III
gaan, zijn echter al de los gehandelde teekeningen daarom niet
verstandig voorgesteld en getoetst; en zoo de verstandige teekeningen
niet altoos die losheid hebben, zoo wordt daar somtijds den geest
wel in gevonden.
Wij zouden hier eene menigte van schilders kunnen opnoemen,
wier teekeningen veel losheid hebben, zonder eenigen geest, en die
door eene stoute hand niets hebben voortgebragt dan onzekere uit-
drukkingen.
Wij zouden ook bekwame mannen kunnen noemen, wier teeke-
ningen eene zekere stijfheid hebben, hoewel in andere opzigten ver-
standig en geestig; omdat de hand teruggehouden was door het
oordeel, en omdat zij de regelmatigheid van hunne omtrekken, en
de uitdrukking van hun onderwerp, boven alles stelden.
Men kan tot lof van eene losse behandeling zeggen, dat zij zoo
aangenaam is, dat zij vele misslagen bedekt en doet verschoonen ,
welke men eerder toeschrijft aan de hevigheid der kunstdrift, als
aan het vermogen. Maar men moet ook zeggen, dat deze losheid
van de hand, geene losheid meer schijnt te zijn, wanneer zij is be-
perkt binnen de palen van eene groote regelmatigheid, ofschoon zij
het inderdaad is.
Daarom is het, dat men in de allernaauwkeurigste teekeningen
van Kafaël eene teedere losheid vindt, niet zigtbaar dan in de oogen
van de verstandigen, hetwelk ook blijkbaar is in verschillende Ne-
derlandsche meesters, zooals Gerrard Douw en anderen.
Eindelijk zijn er teekeningen, waarin men weinig zekerheid ontmoet,
die echter hare verdiensten hebbeu, omdat zij vol genie zijn en
eigenaardige kenmerken bezitten. Men kan onder deze soort stellen,
de teekeningen van Willem Baur, die van Rembrand, van Bene-
detto Castillioue en eenige andere.
Teekeningen, welke niet zeer net, maar luchtig getoetst zijn, be-
hagen veel meer en zijn. geestiger, dan dat zij uitvoeriger waren,
mits zij een goeden aard bezitten, en het denkbeeld van den be-
schouwer in den regten weg doen blijven: de reden hiervan is,
dat de inbeelding al de deelen aanvult, die er aan ontbreken, of
die niet uitvoerig genoeg zijn uitgedrukt, en een ieder vult dit ont-
brekende aan naar zijnen smaak en geest.
De teekeningen van meesters, die meer geest dan wetenschap
hebben, geven menigmaal gelegenheid om deze waarheid te bevestigen.
Maar de teekeningen van uitmuntende meesters voegen de vastheid
bij eenen schoonen geest en verliezen niets uit het oog, dat tot
eene goede uitvoering noodig is: alzoo moet men de teekeningen
waarderen, naarmate zij uitgevoerd zijn, verondersteld dat de andere
dingen in gelijke mate daarin gevonden worden.
Hoe men den voorrang moet geven aan die teekeningen, welke
-ocr page 8-
IV
INLEIDING.
uitmunten doov uitvoerigheid van ordonnantie, daarom behoeft men
zulke niet te verwerpen, welke maar eene hoofdstudie bevatten, of
welke een voorwerp voorstellen, mits dit op eene kunstmatige manier
uitgevoerd is, of eene bijzondere geestigheid bij zich heeft, welke
behaagt of onderwijst.
Men moet ook die niet verwerpen, welke slechts schetsen voor-
stellen, waarin men niets ziet, dan een zeer luchtig denkbeeld, en
gelijk als eene proef der inbeelding van den maker, omdat het ver-
makelijk is te zien, op welk eene wijze de ervaren schilders terstond
de natuur begrepen, en hunne gedachten wisten uit te drukken,
zonder veel overweging, en omdat de schetsen ook doen kennen van
welke toetsen de groote meesters zich bedienden, om de kenteek.ens
der dingen met weinig trekken aau te wijzen.
Om alzoo volkomen aan de liefhebberij te voldoen, zoude het
goed zijn, van dezelfde meesters teekeningen van allerlei slag te
hebben, dat is te zeggen: niet alleen, van zijne eerste, tweede en
derde manier, maar ook de luchtige schetsen, zoowel als de alleruit-
voerigste teekeningen. Ondertusschen staan wij toe, dat de liefhebbers,
welke de kuust slechts uit vermaak beschouwen, zulk een genoegen
daarin niet zullen vinden, dan diegenen welke ook in de praktijk
geoefend zijn, want deze zijn meer in staat, om het genoegen dezer
liefhebberij volkomen te genieten.
Er is iets dat als de kern der teekeningen is, en wij kunnen het
niet beter uitdrukken, dan door het woord karakter of merkleeken.
Dit karakter bestaat in de manier, hoedanig de schilder de dingen
bedenkt, het is het zegel dat hem van anderen onderscheidt, dat hij
uitdrukt in zijne werken, als het levende beeld van zijnen geest.
Het is dit merkteeken dat onze inbeelding gaande maakt, het is
door hetzelve dat de groote vernuften, naar gelang zij onder de
onderwijzing van hunne meesters, of naar de werken der antieken
gestudeerd hebben, zich door een zacht geweld gedrongen voelen,
om den vrijen teugel aan hunnen geest te geven en om op hun
eigen wieken te drijven.
Wij sluiten uit het getal van goede teekeningen, diegene, welke
zielloos zijn, zijnde deze van drie onderscheidene soorten. Vooreerst
van zulke schilders, die, hoewel zij naauwkeurigheid en vastheid heb-
ben, desniettegenstaande in hunne werken eene hardheid verspreiden
die eene koelheid en onverschilligheid aan de beschouwers veroor-
zaakt. Ten tweede de teekeningen van schilders die meer geheugen
dan vernuft hebbende, niet arbeiden dan door het herdenken aan
de werken die zij gezien hebben, of die zich vergenoegen, met al
te slaafsch te volgen, hetgeen voor hen gesteld is; en ten derde
zulke schilders die zich hechten aan de manier hunner meesters,
zonder daar buiten te gaan, of zonder door eigen vindingen, daar-
-ocr page 9-
INLEIDING.                                                           V
aan eenigen rijkdom bij te zetten; anders handelde hierin Gerard
Douw, hoewel hij de kracht en het ware koloriet zijns meesters be-
hield, volgde hij hem niet na in het overdrevene, hetwelk men soms
in de zeer donkere stukken van Rembrand vindt.
De kunde van teekeningen, even als die van de schilderijen; be-
staat eindelijk nog daarin, dat men kan ontdekken, den naam van
den meester, en de deugd van zijn werk. Om te kennen of eene
voorgestelde teekening van zoodanige meesters is, zoo moet men
vele andere van dezelfde band met oplettendheid hebben gezien, en
in het verstand een regt denkbeeld van het merkteeken van zijn
vernuft, en van zijne behandeling hebben; van sommigen is dit door
hunne eigenaardige manier gemakkelijk, van anderen zeer moeijelijk
te onderscheiden. Deze kennis vereischt ecne groote uitgestrektheid
en helderheid van geest, om de opgevatte denkbeelden te behouden
en niet te verwarren, en de kennis van het merkteeken der behan-
deling hangt grootendeels af van een uitgebreide\' praktikale kundig-
heid: daarom is het, dat de voornaamste schilders, niet altoos die-
genen zijn , die met het grootste oordeel eene regte uitspraak doen
in deze wetenschap.
Echter meenen wij, dat men niet met grond daarover kan oordee»
len, zonder behulp van eenige ervarenheid in de praktijk van het
teekenen. Om te onderscheiden of eene teekening inderdaad schoon
en of dezelve origineel of kopij is, zoo is er bij eene uitgestrekte
oefening in deze liefhebberij nog veel scherpzinnigheid en doordrin-
gendheid noodig, en toch kan men zich wel misleiden.
Het schijnt ons toe, dat hierbij gevoegd kan worden, de verge-
lijking der werken over de schilderkunst omtrent het denkbeeld van
een volmaakt schilder en teekenaar, en dat dit het beste middel is,
om de waardigheid en achting, die men aan dezulken verschuldigd
is, te leeren kennen. Maar gelijk men doorgaans geen groot getal
schilderijen in zijn vermogen heeft, of niet altijd tot veelvuldige be-
schouwing in de gelegenheid is, of genoeg uitgevoerde teekeningen
bezit om de kritiek hieromtrent te beoefenen, en in een weinig tijds
de bekwaamheid te verkrijgen, om hierover wel te oordeelen, zoo
kunnen de goede prenten naar de werken van meesters gegraveerd,
in plaats van schilderijen volstaan: want uitgezonderd de lokale kleur,
zoo zijn zij bekwaam om al de gedeelten hunner werken te vertoo-
nen, behalve dat het eene aangename bezigheid is, en den geest
met allerlei nuttige kundigheden kan verrijken,
Wij hebben het niet ongepast geoordeeld, dit als eene inleiding
voor de volgende handleiding te laten voorafgaan, als kunnende
aanleiding geven, tot het opzamelen van theoretische denkbeelden,
omtrent den goeden aard van teekeningen.
Het opgemerkte is dan ook toepasselijk zoowel op de teekeningen,
-ocr page 10-
VI                                                        INLEIDING.
behandeld in de verschillende manieren welke wij zullen opgeven,
als op de teekeningen eenvoudig in een tint bewerkt. Immers in
eene groote verzameling van teekeningen, ziet men genoegzaam alle
manieren beoefend, men beschouwt daar zoowel de uitvoerigste
denkbeelden in water en dekverwen, als de eenvoudige schetsen,
luchtig met de pen behandeld en O. I. inkt gewasschen; zoowel
de krachtigste teekenwerken met sepia, als de luchtige schetsen met
sapverwen, zoowel de uitvoerigheid van Douw en Denner, als de
luchtige teekeningen van Jan Steen en andere meesters, genomen
in de vlugtige oogenblikken, welke hun in de natuur voorkwamen.
Wij willen van dit uitgebreide onderwerp nu niet verder handelen,
maar hebben getracht aanleiding te geven om uitgebreider over dit
onderwerp te denken, en hebben daartoe de zaken slechts aange-
stipt, zoo veel als tot het doel eeiier inleiding ons geschikt voorkwam,
P. J.
-ocr page 11-
HANDLEIDING VOOR HET SCHILDEREN MET WATERVERW.
(a 1\' aquarelle.)
EERSTE AFDEELING.
§ I.
OVER DE LANDSCHAPPEN IN HET ALGEMEEN.
Door landschap verstaat men de voorstelling van eenig ge-
deelte land, eene ligging, een gezigt of een door den schilder
in de natuur gekozen verschiet; ook noemt men landschap, ver-
schillende op verscheidene plaatsen naar de natuur getoekende
fragmenten, of ook wel de vereeniging van verschillende door de
verbeelding van den schilder zoodanig daargestelde fragmenten,
dat zij aan het oog eene natuurlijke ligging vertoonen. Deze
laatste soort van landschappen wordt gerangschikt onder het ge-
tal diergenen, welk men ideale compositien noemt, of onder de
zoogenaamde compositien naar de natuur.
In elk geval moeten de voorwerpen door de schilderkunst
aan hot oog vertoond wordende, met oordeel en smaak gekozen
worden.
Men moet zeer naauwkeurig acht geven op hetgeen men schil-
deren wil, ten einde zich rekenschap te kunnen geven van zijne
gewaarwordingen. Men dient te letten: 1°. op de verscheidenheid
en waarheid der vormen;
2°. de perspectief; 3U. de verscheidenheid
en de menigvuldigheid der voorwerpen;
en eindelijk 4°. de groote
contrasten en de schoonste uitwerksels van licht en schaduw.
Door een weinig oefening zal men zich gemakkelijk overtuigen,
dat deze of gene ligging, welke voor het oog bekoorlijk is, op
1
-ocr page 12-
2
het papier geen het minste effekt zou doen, hetzij door te veel
ineengedrongenheid, hetzij door te veel eentoonigheid, of ook wel
door te weinig tegenstelling van licht en schaduw. Men ziet
daaruit dat de keuze van het tijdstip tot den arbeid almede niet
onverschillig is. en dat men dus dient te letten, op welk uur
van den dag het landschap zich het schoonste voordoet.
§ n.
OVER DE TEEKENING.
Daar het teekenen de basis is van het schilderen, dient men
alvorens het laatste te ondernemen, zich in het lijnteekenen of
de perspectief te oefenen, waardoor men de geschiktheid verkrijgt
om al de onderdeden van een landschap tot een geheel te vor-
men, mot inachtneming der proportien.
Alvorens een gezigt te teekenen moet men zich een denkbeeld
vormen van het voorwerp, hetwelk men wil voorstellen, en het
in zijne bijzonderheden onderzoeken, in al zjjne gedaanten en op
verschillende uren, om juist de treffendste voorstelling te kiezen,
en het te vertoonen in het oogenblik, waarin de voorkomende
vergezigten in de massa\'s van licht en schaduw de schoonste uit-
werking doen.
Wanneer men dit gevonden heeft, trekt men eerst de lijn van
den denkbeeldigen gezigteinder of horizont, waarboven en waar-
onder men naar omstandigheden en localiteit den wezenlijken ge-
zigteinder
plaatst. Daarna begint men de voornaamste massa\'s
te teekenen, kiezende zoo veel mogelijk tot vergelijkingspunt een
duidelijk in het oog vallend voorwerp, naar evenredigheid van
hetwelk men alle overige voorwerpen van hot landschap teekent.
Daartoe zoeke men ecnige kenmerkende punten, welke men
op eenen behoorlijken afstand van elkander plaatst; waarnamen
met een potlood de plaats en de naastbijkomende gedaante der
verschillende massa\'s afteekent, zoo als groepen, boomen, rotsen,
waters, bergen, bosschen, figuren enz., zonder zich met de détails
der omtrekken in te laten.
Deze eerste teekoning bewerkstelligd zijnde, zoekt men met
het potlood naauwkeurige vormen, en bepaalt die met een hard
potlood (Conti! >i°. 3). Bij deze tweede bewerking moet men het
potlood slechts zachtjes drukken, bij het schetsen der vergezigten
en der voorwerpen welke op lucht, water of andere lichte en
doorschijnende plaatsen moeten voorkomen, opdat er geen spoor
van overbljjve, wanneer het penseel er over heen geweest is.
Maar beneden den visuelen gezigteinder en naar mate men het
-ocr page 13-
3
grondplan nadert, dient men de potloodlijn trapswjjze te verster-
ken. ten einde do vereischte uitdrukking en sterkte op den voor-
grond te behouden. Alsdan zal men de valsehe lijnen in de
schets door middel van zeemlederen snippers, liever dan met
gom elastiek uitvegen.
Men zorge zijn werk altijd te dekken met een vel zuiver wit
papier, waarop men het potlood of penseel toetst, en hetwelk
tevens belet, dat men, door er de hand gedurig op te leggen,
zijn werk morsig maakt.
Eenige teekenaars bepalen de omtrekken van alle voorwerpen
aan de lichtzijde door eene dunne potloodlijn, en aan den kant
der schaduw door eene dikkere; wij zijn van gevoelen, dat alle
voorwerpen , welke wolken moeten verbeelden, en zoodanige,
welke zich in schaduwen oplossen en in de ruimte verliezen, en
dus zoo als men het noemt een silhouet of schaduwbeeld daar-
stellen, alleen met het penseel moeten gemaakt worden, en nooit
met potlood, hetwelk dikwijls onuitwischbare harde sporen ach-
terlaat.
Wat de meer nabij zijnde voorwerpen, zoo als hoornen, rotsen,
beelden, kerken enz. aangaat, is het tevens raadzaam de teeke-
ning met potlood aan de schaduwzijde niet te versterken; het
potlood teekont zuiver, maar het penseel zet de noodige kracht
en uitdrukking aan de voorwerpen bij. In slechts één geval mag
men aldus handelen, namelijk, wanneer men enkel eene schets
heeft te geven; alsdan kan men de potloodteekening versterken
al moest men er ook later over heen wasschen.
Over den stijl. Er zijn twee soorten van stijl bij het landschap-
schilderen, de heldenstijl en de landelijke stijl.
De heldenstijl vertoont alleen grootsche, verhevene denkbeelden,
treffende, verbazende gezigten, majestueuse, trotsche kerken, waar
de bouwkunde al haren rijkdom ten toon spreidt; tempels, graf-
tomben, wouden, rotsklompen, bouwvallen, watervallen enz. Alles
wat in deze stijlsoort voorkomt, moet een denkbeeld van het
schoone ideaal opleveren.
De landelijke stijl, als zijnde meer nederig en nader bij de
natuur komende, stelt niets anders aan ons oog voor dan de da-
gelijksche eenvoudige tafereelen der landbewoners en de gewone
gezigten van bosch, akkerveld, weiland, bergen, vlakten, beken,
hutten met hare aanhoorigheden enz.
Het meest gestoffeerde landschap geeft de grootste afwijking
van lijnen of perspectief, zonder daarom een stijf voorkomen te
hebben.
-ocr page 14-
4
VOORNAAMSTE VOORWERPEN DIE BIJ DE COMPOSITIE VAN EEN
LANDSCHAP IN AANMERKING KOMEN.
Over de Lucht. De studie van de lucht is de moeijelijkste en
de verscheidenste, welke men bedenken kan, en men zal er, wat
dit gedeelte van het landschap betreft, niet in slagen, dan door
middel van pastel of met olioverw, die dadelijk de kleuren aan-
brengen, zoo als zij zich aan ons vertoonen; terwijl men in wa-
terverw schilderende, meer tijd noodig heeft om de gedaanten
der wolken af te malen, en men met pastel en olieverw terstond
de fiksche en sterke kleuren kan overbrengen, terwijl deze ver-
dwijncn zoo wel als de vorm der wolken, gedurende het droogen
van het papier bij waterverw. Nogtans maakt men in aquarel
ook eene zeer fraajje en natuurlijke lucht, maar men maakt ze
uit het geheugen, of men copieert ze, na de natuur om zoo te
zeggen op de daad te hebben betrapt.
De kleur der lucht is lichtblaauw, zij wordt, lichter naar mate
zij moer den gozigteindcr nadert, en verandert bij het ondergaan
der zon in een oranjegeel, hetwelk donkerder wordt naar mate
liet nader bij de aarde komt; bij het opgaan der zon is het ge-
deelte dat den horizont omzoomt eenigzins rooskleurig; somtijds
lakachtig, ook wel paarsch.
Alle aardseho ligchamcn worden met betrokking tot de lucht,
als de bron van het licht, op eene meer sombere wijze geschilderd.
Over de wolken. Om ze met waterverw dun te vertoonen, legt
men verscheidene locale tinten boven elkander aan, de lichte
plaatsen vermijdende, welke men later kleurt. Om er ligchaam
aan te geven, spaart men de lichtzijde en versterkt de schadu-
wen. Men smelt ongevoeliglijk derzelver uitersten in een, met
den achtergrond van de lucht en met de wolken die er digtst
bij zijn, waarvan zij nimmer eene harde scheiding mogen maken.
Over de vergezigten. Wanneer de lucht betrokken is, deelt
zich hare duisterheid in gelijke mate mede aan al de voorwer-
pen die onder haar goteekend worden, en de vergezigten hebben
tevens deel in deze somberheid. Wanneer zij daarentegen helder
is, hoeft zulks invloed op alle aardsche voorwerpen, en deze
worden alsdan veel meer schitterend. De bergen, die den hori-
zont bepalen, hebben bij nevelachtig weder weinig afstekends,
maar hun toppunt komt fiksch uit boven de neerhangende wol-
ken op den achtergrond van de lucht, terwijl het eigenlijk ge-
vaarte nog in dikke dampen gehuld ligt, welke zich verheffen
uit de door hen bestrekene vlakte.
In bergachtige streken, zijn gewoonlijk de hoogste wolken nog
altijd beneden de spits der bergen, en doen zij deze, door er
-ocr page 15-
5
zich als het ware mede te vereenigen, gedeeltelijk voor het oog
des aanschouwers verdwijnen.
Bij de trapsgewijze daarstelling van verheven bergen, geve
men naauwkeurig acht, dat men ze ongemerkt aan elkander
verbindt, door ze naar waarheid te doen reflecteren. Zij mogen
nooit op de lucht, noch op hun basis met hardheid zijn afge-
bakend.
Hieruit ziet men, dat men zich wel dient te wachten om aan
de vergezigten al die kracht bij te zetten, welke hun aanblik
schijnt te vorderen; want dan zou men aan de voorwei pen in het
midden en op den voorgrond voorkomende, de vereischte uit-
drukking niet meer kunnen geven; het palet zou daartoe de
kracht missen.
Het is nogtans goed aan te merkan, dat in de Zuidelijke stre-
ken, de vergezigten duidelijker en uitdrukkelijker worden voor-
gesteld dan in de Noordelijke landen.
Over het terrein. In de schilderkunst noemt men terrein eene
zekere uitgebreidheid van den grond, onderscheiden van eene
andere, welke zij bestrijkt, en die in massa niet vele in het oog
vallende voorwerpen, zoo als boomen, bergen, enz. oplevert.
Door het terrein verwijdert men den achtergrond van een schil-
derstuk, met het op gepaste wijze te gebruiken, en met daaraan
de kracht en waarde bij te zetten, naar mate het van de grond-
lijn verwijderd is.
Over het water. Dewijl de oppervlakte des waters zeer verander-
lijk is, zoo is het moeijelijk deze naauwkeurig te teekenen; het is
hiermede gelegen even als met de wolken, men moeijelijk kan
treffen. Nogtans kan men ondanks deszelfs beweging het water
voorstellen, maar zonder zich tot eene volstrekte copie te bepa-
len. Daar het dikwijls eene effen vlakte vertoont, spiegelen zich
de omstaande voorwerpen omgekeerd in den vloed, en deelen
aan het water hunne kleur mede, zoo als dit aan de voorwerpen
de zijne leent. In dit geval laat men van afstand tot afstand lichte
plaatsen, welke men met eene tint of halve tint dekt. In alle
geval neemt altijd de helderheid van het water de kleur aan
van de lucht, die zich er in spiegelt; de kleurlijnen welke het
water voorstellen, moeten altijd horizontaal zijn, dewijl het water
zich altijd op do oppervlakte effen tracht te vertoonen.
Wanneer men loopend water wil schilderen, dat schuimende
tegen rotsen aanspoelt, of golven door den wind gedreven, dan
wordt het schitterende door het witte papier gemaakt, hetwelk
men op die plaatsen zorgvuldig dient te besparen.
Over de gebouwen. Men onderscheidt tweederlei soort van ge-
bouwen, waarmede een landschap versierd is. Do eerste behoo-
-ocr page 16-
(!
ren tot den heroïschen of heldenstijl, de tweede tot den landelijken
stijl,
of alles wat het buitenleven betreft.
Deze soort van voorwerpen moeten met veel zorg geteekend
worden. Eene hut is over het algemeen het schilderachtigst, naar
mate zij ouder is en een bouwvallig voorkomen heeft, zoodat de
lijnen meer onregelmatig en afwisselend zijn.
Over de hoornen. De boomen zijn door derzelver gedaante, soort
en verscheidenheid een der schoonste sieraden van het landschap.
De verscheidenheid der stammen en gebladerte, de verspreiding
der takken, bieden door hunne contrasten aan het oog eenen
schilderachtigen aanblik. Om met goed gevolg een landschap te
schilderen, dient men zich in het teekenen van boomen vooral
wel geoefend te hebben. Men moet met den eersten opslag van
het oog de boomsoort kunnen onderscheiden, en zelfs wanneer
het mogelijk is den ouderdom; doch hieromtrent kan men goene
al te groote naauwgezetheid vorderen; men moet de natuur, den
vorm en de uitwendige gedaante van elke boomsoort, de rigting
der takken, den vorm der stammen, de kleur en de gedaante
der verschillende bladeren nabootsen naar de natuur met eene
hun eigene toets.
Elke soort van boomen heeft onderscheidene kenmerken, en
daar de soorten oneindig zijn, moet men ze even als de planten
onophoudeljjk bestuderen, van welke laatste men zich in de voor-
gronden der landschappen met voordeel bedient.
Om den ouderdom dor boomen te onderscheiden, heeft men do
volgende kenmerken. De oude boomen hebben vele korte, dikke
en knoestige takken, hunne toppen zijn met mos begroeid en de
bladeren zijn misvormd en ongelijk; de jonge hebben daarente-
gen lange takken, die dun en weinig in getal zijn, de top is goed
aangevuld en het blad is krachtig en wel gevormd.
Bij het bladerwerk legge men er zich minder op toe om elk
blad naauwkeurig af te malen, dan wel om eene goede uitwer-
king van het geheel te verkrijgen.
Deze arbeid vereischt eene gemakkelijke behandeling van pot-
lood en penseel, om het geteekende op zekeren afstand zigtbaar
te doen zijn ; maar nimmer behoeft men die strenge naauwgezet-
heid in acht te nemen, zoo als bij gebouwen, portretten en bloe-
men; dit zou integendeel eene verkeerdheid zijn, en een aldus
gewrocht bladwerk zou men getelde bladeren kunnen noemen.
Wanneer men dus bladwerk bestudeert, bepale men zich tot en-
kele gedeelten en bijzonderheden, zoo als een tak, eene groep
boomen, eene plant, kruiden enz., met in acht neming, dat men
de ledige plaatsen altjjd grooter laat dan zij behoeven te zijn,
dewijl men bij het einde van het werk altijd genegen is om ze
-ocr page 17-
7
meer aan te vullen, en de uitwendige gedaante te geven, welke
zij hebben moeten.
Over de rotsen. De rotsen brengen veel bij om aan een land-
schap een woest en schilderachtig aanzien te geven. Hunne ge-
daante, hardheid en kleur z[jn oneindig. Over het algemeen bieden
zij afscheidingen, scheuren, reten en bersten aan, alsmede gol-
vingen, ruwheid en eene groote mate van originaliteit. Dikwijls
zijn zij naakt en ontbloot, somtijds zijn ze beplant met bosschen
of enkele groepen van boomen, of wel met woningen, en vloeijen
er uit de rots beken of stroomen die zich in watervallen neer-
storten.
Niet zelden zijn ze bedekt met mos, boomleverkruid, gras-
zoden of heostergewas.
Over de gedaanten van menschen en dieren. Deze bijkomende
versieringen van het landschap, vooronderstellen reeds eene ge-
noegzame bedrevenheid in het akademisch teokenen, en in dat
der dieren, behoorendc tot het klimaat hetwelk men voorstelt.
Deze afbeeldingen veroischeu geenen doorwrochten arbeid, zij
moeten het oog kunnen verdragen zonder het te vestigen. Men
moet ze afmeten naar gelang der voorwerpen die hen omringen
en er mede in vergelijking komen, zoo als deuren, vensters,
pilaren, huizen, boomon enz. Zij moeten worden berekend naar
den afstand van het plan waarop zij zich bevinden, en volgens
de regelen van het lijnvormig perspectief. Hunne houding moet
gemakkelijk, bevallig on natuurlijk zijn; zij moeten stout en met
overleg, zuiver en met contrast geteekend zijn: dat wil zoggen,
dat men de ledige plaatsen zorgvuldig moet verschoonen en de
schaduwen versterken, maar zonder ze te voltooijen.
Men houde in het oog dat zij in de vergezigten schaduwbeelden
(silhouetten) vormen, en slechts bij eene meerdere nadering tot
den voorgrond worden opgehelderd. Ook moet men acht geven
op de kleederdragt en de gezigtsoorten van het land hetwelk men
voorstelt.
De afbeeldingen der dieren moeten eene natuurlijke en aan
hunne soort eigene houding hebben; hieromtrent kan men niet
te naauwgezet zijn.
Over de teekening naar de natuur. Wanneer men de schets van
een landschap wel kan copieren en zamenvoegen, dan is het
raadzaam in het open veld te gaan, er eenige voorwerpen te
kiezen, zoo als boomen van verschillende soort, water, rotsen,
hutten, dieren, akkergereedschappen, oude boomstammen, takken,
wortelen, planten, gebouwen, bouwvallen, beeldjes en over het
algemeen alle bijzonderheden, die tot de compositie van een
schilderstuk kunnen bijdragen, zorgende dat men stoutweg de
-ocr page 18-
8
omtrekken, de vormen en de uitwerking bepale, zonder zich
bij do voltooijing op te houden, waarmede men zich alleen te
huis bozig houdt. De hoofdzaak is de natuur te treffen terwijl
men ze met oordeel gadeslaat. Later kunnen deze bouwstoffen
aldus opgezamcld met vrucht in een schilderstuk gebruikt
worden.
Daarna bevlijtige men zich in het teekenen van gezigten, die
weinig gestoffeerd zijn, en die zooveel mogelijk uit terreinen
bestaan, waarna men alle bedenkelijke landschappen met hunne
schakeringen, gebouwen enz., zal mogen teekenen.
Al deze voorwerpen moeten met eono losse hand in potlood
(Conté m°. 3) getoekend worden, waarna men het ontwerp of de
schets met sepia kan wasschen. Bij stukken van meer aanbelang
worden de schaduwbeelden alleen met het penseel gemaakt.
De wijze, waarop men het potlood gebruikt is niet onverschillig.
Zie hier eenige ophelderingen omtrent teekeningen, welke men
geheel mot potlood wil behandelen.
Men snijde eerst het potlood met een daartoe bestemd zeer
scherp mesje, zoodanig dat het potlood ver genoeg buiten het
hout komt, en de punt altijd scherp zij; te dien einde moet het
hout altijd zeer schuinsch worden gesneden, on do snede moet
eene kegelvormige of langwerpig pyramidale oppervlakte vertoonen.
Na dan zuiver geschetst te hebben, zal men zachtjes de ver-
gezichten bewerken en daarna het middelplan; vervolgens ga
men over tot het versterken der schaduwen op den voorgrond
door evenwijdige en digt ineengedrongene kruisstiepen. Bij de
gebouwen volgen de kruisstrepen meestal de loodrogte of horizon-
tale lijn, zelden de diagonale, ten zij ze zich evenwijdig met de
eene of andere lijn moeten bevinden. Bij de boomstammen zijn
zij dan eens loodregt, dan weder horizontaal, naar mato zij de
bogten en hobbeligheden van den stam en der schors moeten
volgen. Nogtans dienen zij zoo veel mogelijk gebogen on per-
pendiculair te zijn op het midden van don stam, der takken of
zijtakken, maar op eeno wijze geheel ondergeschikt aan do soort
en den ouderdom van den boom. In het blad moeten zij diago-
naal en evenwijdig van elkander zijn.
Bij het water zijn zij horizontaal, bij de bergen moeten zij de
natuurlijke helling van den grond volgen, en evenwijdig zijn aan
de lijnen die denzelven aanwijzen; bij de rotsen volgen zij de
bijzondere rigting van elke massa en zijn dan eens loodregt,
dan weder horizontaal en dan eens diagonaal, naar het vereischt
wordt.
Deze regelen zijn algemeen wat de rigting betreft; maar zij
moeten ligter en meer ineengedrongen zijn, naar mate de ligcha-
-ocr page 19-
9
men waarop zij zich moeten bevinden, meer verwijderd en luchtig
zijn; of zwaarder en grover, naar mate zij naderbij en in de
schaduw zijn; en fijner en meer uiteenloopend, wanneer zij tot
half-tinten bohooren. Het licht brengt men aan door het witte
van hot papier.
Vervolgens ga men over tot de schaduwbeelden, en doorloope
zijn werk met volgens de opgegevene wijze kruisstrepcn te maken,
met gepaste kracht, om de tinten en halve tinton aan te brengen,
tot dat men de uitwerking verkrijgt, welke men verlangt.
Bij het aanloggen der schaduwen trachtte men die in eens
daar te. stellen, door het ineendringen of verwijderen der kruis-
strepen, welke men niet door en over elkander mag laten loopen.
Tot deze bewerking gebruikt men potlooden van verschillende
Nos. of kracht.
Over den passer. Eenige teekenaars gebruiken bij hunne werk-
zaamheden den camera obscura, anderen camera Ittcida, doch zie
hier een ander middel.
Het papier over den stirator of teekenraam gespannen zijnde,
neemt men een passer, aan welks scharnier een ring bevestigd
is, waardoor een touwtje loopt, hetwelk men naar goedvinden
kan verlengen of verkorten; dit touwtje doet de teekenaar bij
wijze van halssnoer om zijnen hals, en ondersteunt don passer.
Alsdan bevestigt men den stirator in eene vertikale rigting, het
papier gekeerd naar den persoon die toekent, zijnde de bovenste
rand van het raam volmaakt horizontaal en ter hoogte van de
oogen, zoodat men het landschap er over heen ziende, kan aan-
schouwen. Dan zoeke men op welken afstand men in de vertikale
rigtingen de meeste voorwerpen aantreft, en zoeke vervolgens
een optischen hoek van ten minste 60 en ten hoogste 90 graden;
alsdan bepaalt men het gezigtspunt op het papier, hetwelk zich
op het vertikaal moet bevinden, en hetwelk het punt dat men
in de natuur heeft genomen doorsnijdt. Dit punt moet zich op
de lijn van den wezenlijken horizont bevinden.
Deze schikkingen gemaakt zijnde, verlengt of verkort men het
touwtje van den passer, zoodat het gespannen zijnde, en het
oog gerigt zijnde op het toppunt van den optischen hoek, de
punten van don passer overal den stirator kunnen aanraken; op
deze wijze overziet men in zijn geheel het landschap en do tee-
kening. Daarna bepaalt men op den bovensten horizontalen rand
van het papier, den onderlingeu afstand der voornaamste voor-
werpen, alsmede hunne lengte en breedte, welke beide laatste
op de vertikale zijde van het papier, links en regts van het ge-
zigtspunt, in onderling verband moeten worden aangebragt. Door
dit middel plaatst men de kenmerkende punten, en men schetst
-ocr page 20-
10
ligtjcs de hoofdmassa\'s, waarna men begint te schetsen zoo als
wij gezegd hebben.
Er bestaat voor het teekenen naar de natuur nog een ander
zeer gemakkelijk werktuig; namelijk eene glasruit in een raam,
welke men vertikaal plaatst, door middel van eenen paal in den
grond. Aan dit glasraam in eene ijzeren roede bevestigd, waar-
aan een beweegbare ring zit, welken men naar goedvinden langs
alle rigtingen moet kunnen bewegen, doch altijd in eene even-
wijdige rigting met het glas. Men plaatst den ring op eenen ge-
pasten afstand en op het gezigtspunt van de schilderij; het glas
is verdeeld in verscheidene naast elkander staande en gelijke
vierkanten, alsdan teekent men met eenigzins dikker en opzet-
telijk daartoe vervaardigden inkt, uit olieverw bestaande, de om-
trekken op het glas der door middel van den ring ontdekt
wordende voorwerpen. Wanneer de inkt omtrent droog is, drukt
men de teekening af op papier. Op deze wyze kan men in weinig
tijds onderscheidene landschappen teekenen, wanneer men telkens
opzettelijk daartoe vervaardigde en ingerigte glasruiten neemt.
Maar van alle wijzen om naar de natuur te teekenen, is er
geene beter dan die mot het bloote oog; daartoe moot men de
afstanden, de proportiën, de hoeken, de lijnen, de vormen en
de soorten onderling vergelijken. Wanneer de schets voltooid is,
en men zijn werk wil afmaken, moet met den stirator zoo veel
mogelijk vierkant voor zich houden op eene tafel, in eene be-
neden den horizont hellende rigting, en eenen hoek van nage-
noeg 35 graden.
Wat de compositie aanbelangt, hieromtrent kunnen wij geene
vaste regelen voorschrijven; de smaak alleen moet de keuze be-
sturen der voorworpen, welke geschikt zijn om in een landschap
te worden opgenomen. Wanneer men meerdere voorwerpen bij
elkander voegt, moeten deze met zoo veel kunst en perspectief ver-
bonden worden, dat men het niet kan merken. Hetzelfde geldt ten
aanzien van ideale voorwerpen, welke men uit zich zelven schept.
Men moet ook de verscheidenheid van stijl in het oog houden,
en deze niet met elkander verwarren. Elk voorwerp moet op
eene gepaste en natuurlijke wijze geplaatst worden; de voort-
brengselen van eene luchtstreek, de bewoners en de dieren van
een land, kunnen noch mogen zich vereenigd vinden met land-
streken, waar de zeden en de temperatuur weer anders zijn;
ten zij de schilderij een geschiedkundig onderwerp ten doel hebbe,
moeten de beelden het kenmerk der inboorlingen dragen, zoowel
door uitdrukking en houding, als door kleeding, zeden en ge-
bruiken , dien landaard meest eigen en kenmerkende.
-ocr page 21-
TWEEDE AFDEELING.
§ I.
OVER HET PAPIER EN DE KEUZE DAARVAN.
Een der hoofdvereischten om in het vak van teekenen, waar-
mode wij ons gaan bezig houden, goed te slagen, is de keus
van het papier, waarop met waterverw gewerkt wordt. Men
moet hieromtrent oplettend zijn.
De goede hoedanigheid kent men aan de nerf, de witheid, de
dikte en de wijze waarop het gelijmd is.
De nerf moet fijn, effen en digt zijn, de kleur sneeuwwit, het
papier dik en zoodanig gelijmd zijn, dat wanneer men het met
eene natte spons bevochtigt, er geene donkere vlekken opkomen,
dat het niet vloeit en wanneer men het tegen het licht houdt,
de eene plaats niet doorschijnender is dan de andere.
Wanneer er eene van deze hoedanigheden ontbreekt, dan keure
men het af. Eenige personen bedienen zich van Bristol papier,
omdat zij dan vrij zjjn van het spannen; anderen verkiezen het
papier van Whatman, of het Hollandsch papier van Kool of Honig.
Wederom anderen gebruiken bij voorkeur Fransch fabrikaat.
Het doet weinig ter zake welke soort men gebruikt, wanneer
het slechts de hoedanigheden bezit, welke wij hebben opgegeven.
§ II.
OVER DEN STIRATOR OP TEEKENRAAM, BESCHRIJVING EN GEBRUIK.
De stirator is een ledig eikenhouten raam, met eene sponning
aan ééne zijde, welke over het geheele raam loopt, en waarin
een paneel geplaatst wordt, hetwelk effen en dunner dan het
raam is, rondom welk paneel zich eene keep bevindt, zoodanig,
-ocr page 22-
12
dat wanneer het in het raam ligt, het zich waterpas met de op-
pervlakte van dit laatste bevindt en beide slechts eene vlakte
daarstellen. Er moet aan alle zijden van het paneel zoo veel
speelruimte zijn, dat het papier er kan omgewonden en mede
in hot raam gesloten worden.
Aan de zijde waarop men wil schilderen, maakt men het papier
nat met eene kleine zindelijke spons; gedoopt in zuiver klaar
water, verzadigd met aluin, en van de tegenovergestelde zijde
met dun stijfselwater hetwelk men winddroog laat worden. Ver-
volgens spant men een blad gewoon droog papier over de plank,
waarop men het teekenpapier legt, met do gestovene zijde naar
beneden, sluit het in het raam, waarin men het vast maakt door
middel van twee scheeden, welke aan de uiteinden plat zijn,
waarvan elk een gedeelte van eenen cirkel beschrijft, en met
kracht in twee langwerpige keepen worden vastgemaakt. Deze
keepen zijn in de dikte van het raam aangebragt. Men laat het
papier aldus gespannen en met de oppervlakte van het raam
gelijk zijnde, droogen. De teekenramen zijn overigens genoeg
bekend.
De oplossing van aluin, waarmede men het papier bevochtigt,
dient om do poriën te sluiten, belet het om sponsachtig te zijn
en vlakken achter te laten. De stijfsel geeft stevigheid aan het
papier, ingeval dit laatste \'slecht gelijmd waro en belet de kleur
door te dringen: het drooge papier hetwelk men onder het teeken-
papier op het paneel legt, verhindert dat dit laatste door het
hout morsig wordt, en dient om het te spoediger te doen op-
droogen, daar het een gedeelte der vochtigheid inzuigt.
Sommigen verkiezen bij het gebruik van den stirator in plaats
van een paneel een ledig raam, waarop stevig gespannen linnen
zit vastgespijkerd, hetwelk men dan met een blad sterk gelijmd
papier overdekt, dewijl zij vinden dat dit gemakkelijker is, en
daardoor de stirator ligter, minder hard en handelbaarder wordt.
Andoren bevestigen hun papier op eene effen plank, met
mondlijm of met stijfsel; het gebruik van den stirator is het
raadzaamste middel.
Wanneer men eene schilderij wil vervaardigen op bordpapier
gelijmd, dan moet dit laatste zeer dik, goed geklopt en gelijmd
zijn, zoodat het aan eene plank gelijk is. Men bevochtigt het
papier zoo als gezegd is, en men maakt het op het bordpapier
vast, er insgelijks een blad gewoon papier onder doende, en de
randen van het papier van achteren omslaande, lijmt men die,
na er hier en daar eenige regte sneden in gemaakt te hebben.
Om dit te doen is gewone lijm veel beter dan mondlijm. Het
bordpapier aldus in gereedheid gebragt zijnde, legt men het
-ocr page 23-
13
tusschen verscheidene bladen wit papier onder de pers, waar
men het laat droogen.
Wanneer men dun bordpapier gebruikte zou het buigen, en
slechts eene halfschuinsche oppervlakte vertoonen, men zou het
teekenpapier wel kunnen spannen, doch het zou eindelijk door
de te sterke spanning bij het opdroogen scheuren.
Collatje of belijming van papier. Het papier hetwelk niet ge-
noeg gelijmd is, kan men ook verbeteren op de volgende manier.
Neem witte zeep en zeer blanke Vlaamsche lijm, van elk even
veel, en eenige vingergrepon poeder van aluin, welke men in
kokend water oplost. Smelt de zeep in kokend water, insgelijks
de lijm, voeg dit bij elkander, waarna men er de aluin bij mengt.
Voeg bij dit vocht eenige druppels wijngeest (alcohol), om
hetzelve voor bederf en ontbinding te bewaren: en doe het in
een wolgesloten flesch. Met een fijne spons brengt men deze
belijming op het papier.
Het ivoorpapier is niets anders dan papier met dit ingrediënt
bestreken en geglansd.
Het papier hetwelk bard en ruw van nerf is, slorpt somwijlen
de kleuren ongelijk op: het is genoeg tot verbetering wanneer
men de oppervlakte mot eene spons met schoon water bevochtigt:
of met water, hetwelk lichtelijk verzadigd en een weinig ver-
mengd is met witte zeep.
Het smelten van aluin. Kies hiertoe beste witte rots-aluin,
maak dezelve door stamping of wrijving zeer fijn, en doe vier
theelepeltjes van dit poeder in een theekop kokend water, en
laat dit nog eens met elkander door koken, waarna men het in
een gesloten fleschje bewaren kan.
Men beweert, dat de aluin glans aan de kleuren mededeelt,
doch te veel gebruikt, dezelve verbrandt.
Het Bristol-papior zeer glad zijnde, zoodat het de tinten niet
wil aannemen, wordt met dit smoltsel verbeterd, of door het
bevochtigen met brandewijn door middel van een penseel, zoo
ver de schets gaat.
De aluin kan men ook op gewoon papier leggen, zoo ver men
geschetst heeft, en doet eene goede werking.
-ocr page 24-
14
§ HL
OVER DE POTI.OODEN, DE ELASTIEKE GOM EN HET ZEEMLEDER.
Om te schetsen bedient men zich van Engelsche harde pot-
looden •), bij gebrek van deze neemt men die van Conté te
Parijs. N°. 3 gebruikt men bij voorkeur. Deze potlooden zijn met
cederhout omkleed.
De elastieke gom dient om de zware potloodlijnen te verdrijven,
of wel de valsche trekken in de schets weg te nemen; doch men
bediene zich er van met veel omzigtigheid, en zoo min mogelijk
vooral in schilderingen van lucht, water enz., omdat het de nerf
van het papier wegneemt. Het aan vierkante gegoten stukken is
het slechtste.
Men gebruike liever het zeemleder, hetwelk terwijl het do pot-
loodhjnen uitwischt, in geene deele het papier beschadigt en
geene vlakken veroorzaakt.
§IV.
OVER DE PENSEELEN , MANIER OM ZE UIT TE ZOEKEN EN GEREED
TE MAKEN.
De keuze der penseelen heeft veel invloed op het schilderen
met wafcerverw; om dus eene goede keus te doen zonder zich
aan bedrog bloot te stellen, laat men ze weeken in eene kom
of glas met water en schudde ze daarna ter dege, zoodat zjj
slechts eene gladde en effen spits uitmaken. Wanneer zij zich
krommen, verschillende punten vormen, of wanneer zelfs de
punt, die zij willen daarstellen, plat wordt, dan keurt men ze af.
Als men nu zijne keuze gedaan heeft, doopt men ze andermaal
in een glas water, en schudt ze weder goed uit om het over-
vloedige water er uit te werpen, waarna men ze ijlings door de
vlam eener kaars haalt, om de te lange haren die buiten de
punt uitsteken af te branden. Om dit goed te doen brengt men
het penseel vlug aan de vlam en haalt het op dezelfde wijze
terug, zoodat het slechts de vlam aanrake; dit is beter dan die
haartjes met eene schaar af te snijden, waardoor zij van onderen
vierkant worden, en daarom voor het gebruik ongeschikt zijn.
Men kan de penseelen ook beproeven door te zien of er goede
veerkracht in is, zij moeten als staal altijd terug en regt springen,
\') De gemerkte 11. B. Brookman worden als de fijnste en zuiverste geacht.
Zij zijn zoo wel als die van Conié te Parijs, in Holland en overal nagemaakt
geworden.
-ocr page 25-
15
tevens fijn en zacht van haar zijn, en eene goede punt vormen.
Nat gemaakt zijnde moet men ze op de nagel, op de punt eenig-
zins drukkende, omdraaijen, bij welke bewerking de punt toch
weder in de natuurlijke rigting moet terugkeeren. Een ongelijk
haartje hebbende, kan men dit verbeteren door het penseel nat
te maken, gelijk te strijken, en een of tweemaal vlug door de
kaars te halen: gemeenlijk is eene keer reeds genoeg.
Het verschil van penseelen is zeer groot: men heeft ze van
2}£ Cent tot ƒ2,75 per stuk. De zwart mardor penseelen zijn de
beste soort, dan volgen de rood raarder en de petit gris, doch
er bestaat veel namaaksel en bedrog in dit werk. De kleinste
penseelen zijn voor miniatuur, porselein schilderen, en verder
voor zeer kleine partijen. — Men heeft ook penseelen van kemel-
haar, welke vrij goed zijn en niet hoog in prijs. De groote
zoogenaamde zwaneschachten zijn voor zeer groote partijen , en
de platte penseelen voor luchten in sap- en dekverw.
De minst goede penseelen zijn omwonden met katoen, vorder
klimmen zij op met zijde, koper, zilverdraad en eindelijk goud-
draad op zijde, \'t welk men op de beste soorten vind. De duurste
penseelen winnen op don duur uit door hare deugdzaamheid.
Men zorgo altijd vele penseelen zoo wel groote als kleine te
hebben, en allen moeten van een steel voorzien zijn. Het is
goed dat men lange en korte heeft, de eene voor do lijnen en
de andere voor de vlakten.
Diegene welke men voor de sepia bestemd, zal men afzonderlijk
houden van dezulke welke voor de waterverw gebruikt worden.
Diegene welke voor het portretteren moeten dienen, houde men
mede afzonderlijk, zoo wel als die waarmede de geest van terpentijn
gebruikt wordt. Deze laatste moeten zeer dun zijn, omdat de
terpentijn, met kobalt en ivit vermengd, de penseelen zeer doet
zwellen.
Deze afscheiding heeft ten doel, om voor elke soort van arbeid,
de daartoe eigene penseelen te gebruiken, om die zuiver en
schoon te houden, en eene mengeling van vreemdsoortige zelfstan-
digheden te voorkomen, waardoor de schoonheid der teekening
en de frischheid van het koloriet zouden kunnen benadeeld worden.
Onder de penseelen voor de waterverw houdt men ze voor
elke kleur afzonderlijk, en om zich hiermede niet te vergissen,
schildert men den steel met dezelfde kleur in olieverw.
De dikte van het penseel dat men gebruikt, moet altijd geëven-
redigd zijn aan het onderwerp dat men behandelt.
Een aantal willende bewaren, kan men dit doen met kamfer
er bij te leggen met een paar peperkorrels, waardoor de mot er
niet bij komt, en de kamfer voor vervliegen bewaard blijft.
-ocr page 26-
1(1
§ v.
OVER HET PALET EN DE KELKJES.
Om de kleuren te vermengen en niet te bederven, bedient
men zich van een palet van zuiver wit en dik glas, gevat in
een houten raam; en van onder met helder witte terpcntijnverw
geschilderd, ofwel van een zuiver wit porseleinen palet.
Op deze wijze kan men de verschillende tinten en schakeringen,
welke men noodig heeft, onderscheiden. Men gebruikt het palet
niet dan voor de lichte en bijkomende tinten; wat de locale
doorschijnende tinton en de watervorw-kleuren, die menigvuldig
moeten zijn, aanbelangt, deze verdunt men in porseleinen kelkjes
of verwbakjes opzettelijk daartoe vervaardigd. De gemakkelijkste
zijn die, wier bodem zich vereenigt met den vertikalen rand,
op eene ongevoelige wijze .en door eene geringe helling. Men
verkiest ze boven die, wier bodem de wanden in eene regten
hoek afsnijdt, omdat zij zich gemakkelijker dan deze laatste laten
schoonmaken, en omdat men minder moeite heeft om er de
kleuren in te wrijven. De sterkste zijn, die eene regthoekige
holte aanbieden. In het algemeen houdt men den regel, dat
groote en waterachtige tinten uit verwbakjes, en tinten van
geringe plaatselijke grootte van het palet genomen worden, gelijk
ook de retoucheringen.
§ VI.
OVER DE OORSPRONKELIJKE KLEUREN.
Wanneer men door middel van een straalbrekend prisma, eene
straal helder licht ontbindt, dan ontdekt men daarin de zeven
hoofdkleuren van het zonnebeeld, in de volgende rangorde: rood,
oranje, geel, groen, Maauw, indigo
en paarsch. Onder deze zeven
kleuren zijn er drie, namelijk: het rood, liet geel en hot blaauw,
welke men oorspronkcljjke kleuren noemt, en waarmede men
oranje, groen en paarsch maakt; de indigo blijft op zich zelve.
Het wit en het zwart worden onder do kleuren niet opgenomen.
Het eerste stelt het licht voor, en bij gevolg het aanwezen van
al de kleuren van het prisma, het tweede verbeeldt de donker-
heid en diensvolgens de algeheele afwezendheid dier kleuren.
. Wanneer men tood, geel en blaauw elk afzonderlijk op de
spitsen van eenen gelijklijnigen driehoek A. B. C. aanbrengt en
gesloten in een cirkel, wanneer men buiten dezen driehoek er
eenen tweeden vormt gelijk aan den eersten, en dat men op de
-ocr page 27-
17
tegenovergestelde punten nieuwe cirkels F. E. D. aanlegt, kan
men deze vullen met de tint gevormd uit de combinatie der
kleuren, geplaatst op de spitsen van den eersten driehoek, en
deze tint zal de afleiding zijn van de twee kleuren der basis.
Zoo is F. welke het oranje aanduidt het resultaat van de com-
binatie A. en C. welke het rood en het geel aanwijzen. E. het
groen voorstellende, komt van de combinatie C. en B. zijnde
geel en blauwt); D. stelt het paars voor, als komende van A.
en B. het blaauw en rood.
Wanneer men uit het middelpunt O. van den kleinen driehoek
A. C. B. en met een straal O. H. een cirkel L. K. J. I. H. G.
beschrijft, grooter dan de driehoek F. E. D. en men op dezen
cirkel snijlijnen aanbrengt, waaraan men de kleur geeft, welke
beantwoordt aan de straal, die hem in twee gelijke deolen snijdt,
dan kan men tusschen die snijlijnen er nieuwe vormen, welke
elkander gelijk zijn. Deze zal men kleuren met de tinten twee
en twee trapsgewijze te combineren, en wel zoodanig dat hoe
meer zij de zes kleuren van den driehoek naderen, de tinten
ook hoe langer zoo meer de schakering dier kleuren zullen aan-
nemen, zonder echter op te houden van te deelen in de aan-
vankelijk aangelegde tint.
Op deze wijze zal men zich eene trapswjjze kleurladder bezorgen,
van al de kleuren van het prisma, de indigo alleen uitgenomen.
Wanneer men door het punt O. eene naald steekt en men op
deze spil den cirkel L. K. J. I. H. G. snel laat ronddraaijen,
zal men op het eerste gezigt de gewaarwordingen van het wit
ondervinden.
Men zal bevinden, dat de kleuren aangebragt op de spits van
elk der hoeken F. E. D. zeer hard afsteken bij de drie kleuren
op de tegenzijde aangelegd, en dat zij het koord van hunnen
boog vormen.
§ VII.
waterverwkleüren; tempering dezer kleuren twee aan
twee; wijze om er eenioe te
bereiden ; trapswijze rangschikking ; voorbeeld.
De waterverw kleuren zijn:
Guttegom, Geel-oker, Bruin-oker, Napelsch geel, Chromaat geel.
Indiaansen geel (van Newmann) Indian yellow.
Cineesche vermilloen , Hollandsche vermilloen , Saturnus rood,
Drakebloed, Full Red.
Carmijn en gebrande dito.
2
-ocr page 28-
18
Bruin rood.
Florentjjnsche lak.
Terra di siena gebrand, en dito ongebrand.
Galsteen.
Chicorei.
Ultramarijn.
Berhjnsch blaauw, Kobaltblaauw, Blaauw von Thenard.
Indigo Guatimala.
Sepia, Bister, van Dijeksbruin, Keulsehe en Kasselsehe aarde.
Oostindische inkt. (Bruine, zwarte en blaauwe tint.)
Noir de bougie en Ivoor zwart.
De Italiaansche schilders beteekenen de lichte plaatsen, welke
zij niet genoegzaam hebben uitgespaard met dekverw, en bedienen
zich daartoe van de volgende kleuren:
Kremser wit of zilver wit, Napelsch geel, Geeloker en Chro-
maat geel.
"Wij zullen in het voorbijgaan aanmerken, dat het Chromaat
geel weinig vastheid van kleur heeft, en dat men het alleen ter
vervanging van het geel oprement gebruikt, omdat het zoovele
gevaren van vergift niet aanbiedt, en men dit laatste tot dusverre
nog niet heeft kunnen vervangen door een ander geel, hetwelk
genoegzame duurzaamheid belooft. Wat het Napelsch geel aan-
belangt, dit is houdend, doch men mag het niet met ijzer of
staal in aanraking brengen, want anders wordt het groen. Het
Napelsch geel en het blanc leger of zilvericit, zijn twee tegen-
strijdige elkander vijandige kleuren. Men mengt ze dus niet met
elkander, omdat de eene de andere vernietigt.
Middel om de détails op den voorgrond te verlichten, welke men
niet heeft uitgespaard.
Kremser of zilverwit. ) . £.           ,
Kobaltblaauw.                | ln ^ P0eder-
Verdikte geest van terpentijn om deze twee kleuren te verbinden.
Om den geest van terpentijn te doen dik worden, heeft men
dezelve slechts vier a vijf dagen aan de lucht bloot te stellen,
of eenige weinige uren in een kamer op een schoteltje in de
zon te plaatsen.
Kremnitzer wit. Eene schitterende zuiver witte kleur, welke
men uit lood trekt, doch eene veel zuiverder behandeling onder-
gaat dan het loodwit; het beste is zeer zwaar en zuiver wit, en
moet niets naar het grijze, blaauwe of geel trekken, het moet
als men het in de verwwinkels koopt, hard, niet brokkelig maar
bij het breken glad zijn; bovendien moet het op de tong gebragt
een weinig kleven.
Het zilverwit is mede eene uitmuntende kleur in de dekverwen,
-ocr page 29-
19
het is nog witter dan kremser wit, en wordt uit tin geoxydeerd.
Deze beide kleuren worden gebezigd om verschillende voorwerpen
bijzonder in dekverwen te tinten en te hoogen, en kunnen ook
dienen om zekere gedeelten van landschappen, welke men te
donker heeft gemaakt, op te helderen, of op geheel donkere
plaatsen te hoogen.
Ook dient het om de meer verlichte plaatsen te doen uitkomen
bij eene wassching met sepia of roetzwart op gekleurd papier,
hetzij zuiver wit of gemengd met tinten, welke overeenstemmen
met de kleur van het papier, waarop men werkt, ook wel om
op de tint van Chineesch papier te hoogen.
Guttegom. Eene plantaardige verwstof. Men bedient er zich
met voordeel van in het schilderen van lucht, hoornen, weilanden,
groene vlakten,
enz. Men verkiest de ruwe boven die, welke tot
tabletten of stukjes gevormd zijn, dewijl de eerste zuiverder is.
Met sepia, oostindischen inkt, Berlijnsch blaauw of indigo vermengd
verkrijgt men verschillende soorten van groen; met carmijn ver-
mengd, geeft het oranje, en is alsdan zeer geschikt bij een on-
dergaande zon, om derzelver pikante kleuren na te volgen.
Men kan de guttegom door menigvuldige wasschingen geheel
van dezelver gom ontdoen, waardoor ze tot gebruik meer ge-
schikt wordt, dewijl ze bij het gewoon gebruik in het mengen
tot groen, wat. al te gomachtig is. — Men doet eenige onsen
guttegom in eenen nieuwen verglaasde pot; men giet er gefiltreerd
water op en laat het zinken. Men giet er iederen dag al het
water af, ophoudende wanneer men het geel bezinksel op het
punt ziet om met het geele water, dat men weg wil gieten, af
te vloeijen, gietende er ander water op in plaats van het geene
men afgegoten heeft, en wel zoo veel, dat het geel vier of vijf
duimen onder staat. Men zet deze bewerking ten minste zes weken
voort, waarna men het geel vergadert, hetwelk gedroogd wordt
en even als Napelsch geel kan dienen om te hoogen, zoo zeer
is het ontgomd.
Verscheidene landschapschilders in Zwitserland, maken er ge-
bruik van, zoo voor waterverw en dekverw, als miniatuur.
Napelsch geel. Dit geel is van een zeer nuttig gebruik voor
landschap- en bloemschilders, en men bezigt het ook met goed
gevolg voor alle soorten van schilderwerk. Het maakt zeer mooije
licht-groenen, wanneer men het met Berlijnsch blaauw of ultra-
marijn vermengt. Het zelf willende bereiden, moet men het zeer
zindelijk wrijven, en vooral het met geen stalen tempermesje,
ijzer of eenig ander metaal opnemen of temperen, daar het dan
dadelijk groen wordt. De witte hoornen of ivoren tempermesjes
zijn de eenige bruikbare, voor de geele kleuren.
-ocr page 30-
20
Indiaansch geel. Mede eene plantaardige venvstof van eene
schoone schakering en donkerder dan de guttegom. Men trekt
ze uit de kleurende stof van de bezien eens booms die in Indië
groeit. De zuiverste is die van Newman in tabletten, en bekend
onder den naam van Indian yelloic. Deze kleur is zeer vast en
dekt goed. Zij is tweederlei, de eene trekt naar het groen en de
andere is fraai goudgeel. Deze laatste is best en vervangt zeer
goed de geele lak, welke geenszins hecht is en op den duur zwaar
wordt, en is ook beter dan de guttegom tot het temperen
van groen.
Licht geele oker. Dit geel is uitmuntend, ofschoon in schijn
zeer gemeen. Het kan voor het vleesch niet gemist worden, en
is goed voor zeer veel vermengingen.
Het is een zeker soort van aarde, van eene zeer vaste kleur,
wordt op voorgronden in de landschappen en in veel voorko-
mende gevallen gebruikt.
Chromaat geel. Het chromaat geel is een hel schitterend goud-
geel , hetwelk goed dekt, waarvan men drie of vier zeer onder-
scheidene schakeringen heeft; maar deze kleur heeft geene
duurzame vastheid; echter is men genoodzaakt om er zich van
te bedienen, dewijl men het tot dusverre door niets anders hoeft
kunnen vervangen. In waterverw heeft ze echter meer vastheid
dan in olieverw. Men moet wel zorg dragen van het penseel niet
aan den mond te brengen, evenmin als bij het gebruik van Na-
pelseh geel, oprement en wit. Het zijn alle zeer sterke vergiften.
Deze opmerking\' dient voor vele verwen.
Bruine oker of donker geel. Mede een zeker soort van aarde;
dit geel vervangt den licht geelen oker in alle mengsels van
schaduwen, welke een krachtige kleur moeten hebben. Deze kleur
is van een uitgebreid nut in de behandeling. Met Berlijnsch
blaauvv getemperd maakt het zeer nuttige warme groenen, en
met zwart en een weinig bruinrood gemengd, geeft zij uitmun-
tende toonen voor gronden, huisraad, en is ook van nut in
gebouwen, voorgronden in landschappen, rotsen enz. In de En-
gelsche stukjes waterverw, wordt zij genaamd Roman ochre; de
onder deze stukjes genaamde Browit ochre is meer rosachtig en
niet de echte bruin oker tint.
Chineesche vermilloen. Is eene schitterende genoegzaam hechte
kleur, welke men trekt uit de sublimatie van het vermilloen.
Men bezigt het met nut als getinteerd ivater om de lucht, de wolken
en de vergezigten leven bij te zetten; maar men dient deszelfs
ondoorschijnendheid altijd wel in het oog te houden. Men gebruikt
het ook bij het portretteren voor de lippen, het rood der wangen,
en gemengd met geel oker, voor de lokale vleeschkleur.
-ocr page 31-
21
Het wordt zeer mooi van tint, wanneer men het mengt met
carmijn of purper. Het is echter waar, dat de Hollandsche ver-
milloen beter is om lokale vlecschkleuren te maken, zij brengt
veel lichter tinten voort, roosachtig en minder paarsch.
Carmijn. Is een levendig roode kleur, welke men uit meekrap
trekt, en waarvan Morimée de uitvinder is. Zij is zeer hecht.
Men gebruikt ze om zekere gedeelten van landschappen te ver-
levendigen; vermengd met guttegom vormt zij oranje tinten,
zeer geschikt om eene ondergaande zon te vergulden. Met Ber-
lijnsch blaauw
of\' indigo vermengd, geeft zjj verschillende paarsche
schakeringen; met sepia vertoont zij warme fiksche toonen; met
Oostindische inkt geeft zij krachtige tinten aan, welke het noch
aan levendigheid, noch aan doorschijnendheid ontbreekt. Zij be-
neemt daarenboven aan den laatsten gedeeltelijk zijne hardheid
en stijfheid: is ook onontbeerlijk voor de bloemen.
Florentijnsche lak of purper. Is een donkerder rood dan het
carmijn en meer paarsch, hetwelk men ook uit de meekrap trekt
en aan Merimée verschuldigt is. Deze kleur is zeer hecht; zij
wordt veel gebezigd om het harde en stijve van andere kleu-
ren weg te nemen, zoo als het Berlijnsch blaauw en de Oostin-
dische inkt.
Deze lak heeft de asch van den wijnstok vermengd met gom-
lak tot basis, vermengd met het kleurend beginsel van de meekrap.
Gebrand carmijn. Deze verw welke men zelf brandt, is zeer
merkwaardig en nuttig uithoofde van haar kracht, en het tevens
behouden van een purpere kleur. Men bekomt eene kleur welke
alleen vergeleken kan worden bij het goud precipitaat van Cassius,
of bij de rijke kleur der donkere paarsche papaver, welke geen
ander mengsel dan zeer onvolkomen geven kan. Men bedient er
zich van met veel vrucht voor de grootste kracht van purper
of carmijn. Zij wordt ook nog gebruikt in veel mengingen, hetzij
met Bister, Sepia of Berlijnsch blaauw, indigo, gebrande Terra
siena,
enz. Dan, men moet er niet overvloedig gebruik van maken,
maar dit middel gebruiken in de laatste krachtige schaduwen
en toetsen, in alle partijen die dezelve vereischen.
Bruin rood. Light Red. {Eng.) Dit is een oker van een don-
ker rood trekkende op het bruin. Men moet zijne donkerheid
wantrouwen; overigens is hij zeer hecht, en nuttig in veel gevallen.
Full Eed. (Eng.) Deze kleur, welke men voor de waterverwen
in de stukjes Eng. waterverwen van Ackerman vindt, is zeer
nuttig en aangenaam in het gebruik, en kan bij gemis van ge-
brand carmijn
dezelve eenigermate vervangen; men veronderstelt
dat het een product van gebrand carmijn is.
Drakebloed. Mede een zeer levendig rood, van een nuttig ge-
-ocr page 32-
22
bruik en voor veel mengingen vatbaar, bijzonder nuttig voor
sommige tinten in bloemen en vruchten.
Saturnus rood. Een voortbrengsel uit lood, waarom het dan
ook zeer zwaar en dekkend is, van eene schitterende roode kleur;
eene kleur welke in sommige bloemen van deze tint niet gemist
kan worden.
Oranje chromaat. Een nog schitterender rood of oranje dan
het voorgaande, heeft tamelijke vastheid van kleur in de water-
verw, is zeer zwaar en dekkend in het gebruik en is alleen nuttig
in de bloemen. Deze kleur is het vierde nommer in het Chro-
maat geelen.
Terra di Siena (ongebrand). Is eene kleur van oen bruin rood,
trekkende naar het goudgeel; zij is zeer hecht. Het is een oker,
welke men trekt uit Siena in Toscane, en welken men brandt
om hem donkerder te maken en vastheid te geven.
Met Bcrlijnsch blaauw en Indigo vermengd, geeft dezelve een
donker groene tint; met sepia vermengd verlevendigt hij deze
kleur; de gebrande terra di siena wordt bij het opdroogen bleeker.
Is eene nuttige en aangename kleur. De ongebrande is ook zeer
bruikbaar.
Pierre de pel. Galsteen. Is eene hechte goudgeele kleur, welke
men uit de gal trekt van verschillende dieren. De beste is die
uit de palinggal, omdat zij het lichtste is en het beste dekt.
Vermengd met carmijn of lak geeft zij levendige en doorschij-
nende kleuren.
Chicorei. Eene plantaardige verwstof van een rotsachtig geel,
zeer doorschijnend en die wel dekt. Gepast en op vlakten boven
de sepia aangewend, gelijkt zij volmaakt naar den ljjmachtigen
toon van de olieverw.
In de teekeningen met sepia bezigt men ze veelal om de lucht,
het water en de vergezigten te kleuren, en de teekening in har-
monie te brengen. Met Sepia, Berlijnsch blaauw en indigo ver-
mengd, geeft zij krachtige tinten. De chicorei is eene zeer hechte
kleur \')•
Ultramarijn. Eene hemelsblaauwe kleur, min of meer donker en
zeer hecht. Men trekt ze uit den Oosterschen lapis lazuli. Men
gebruikt het voor de lucht liever dan Berlijnsch blaauw als trek-
kende dit op het groen. Bij de portretten is deze kleur onmis-
baar ; om ze vloeibaarder te maken, ontbindt men ze met Arabische
gom en een weinig kandijsuiker. De donkerste van de korenbloem
kleur, is de beste, zij heeft eene vastheid welke voor niets zwicht.
Kobalt blaauw. Dit blaauw komt de kleur van ultramarijn
\') Van de bereiding dezer kleur zal later gesproken worden.
-ocr page 33-
23
zeer nabij, hebbende nogtans de echte tint een weinig paarsch-
achtiger oog, het is echter niet zoo duurzaam als de ultramarijn,
het kan in de waterverwen met nut en genoegen gebruikt worden,
en is minder in prijs.
Blaauw van Thenard. Dit blaauw draagt den naam van des-
zelfs uitvinder, een beroemd Fransch scheikundige, het is een
vrij donkere blaauwe tint en vast van kleur. Wordt vervaardigd
van de acetate (azijnzuurzout) van kobalt. Deze kleur vindt men
niet in de Engelsche tabletten of stukjes verw, maar moet men
zelf met gomwater vervaardigen.
Berlijnsch blaauw. Deze kleur wordt uit het ijzer getrokken
door behandeling van waterstofhoudend blaawczuur. Zij is fraai
blaauw, dekt goed en is levendig van tint. Aan de lucht bloot-
gesteld wordt zij eindelijk groenachtig. De zuurstof maakt haar
groen; eertijds gebruikte men ze voor de lucht, maar thans ver-
kiest men het kobalt blaauw of ultramarijn, ofschoon dit niet
zoo handelbaar is. Het Berlijnsch blaauw wordt voornamelijk
gebruikt voor het groen. Met sepia of Oostindischen inkt, of met
noir de bougie vermengd, geeft zij krachtige koude toonen, met
guttegom vermengd, vertoont zij een fraai groen.
Indigo. Is eene uiterst donker blaauwe kleur uit de Indien
afkomstig; de echte is van eene duurzame vastheid en trekt naar
het paarsachtige. Is nuttig voor alle donkerblaauwe kleedingen,
bloemen en in het temperen van donker groene tinten. Onder de
Engelsche tabletten vindt men ook nog Deep Prussian blue welke
de donkerste van die tint is, en een meer levendig blaauw dan
de Indigo.
Sepia. Is eene bruine rosachtige zeer hechte kleur. Zjj is voor
de waterverwstoifen van een zeer uitgestrekt gebruik. Zij zet
warmte en kracht aan de voorwerpen bij, en is alleraangenaamst
in het gebruik, en bezit bij de grootste kracht ook veel zachtheid.
Bister. Is eene lichter tint dan sepia, en meer geschikt voor
kleine teekeningen, in sommige gevallen vindt men in deze tint
meer localiteit dan in de sepia; zjj is ook zeer geschikt om
donker geele partijen te schaduwen.
Van Dijcks bruin. Is eene nog lichtere en meer levendige
tint dan de bister; overigens van hetzelfde gebruik en nut.
De Engelschen hebben ook nog Broivn Pink en Browu Madder.
Kasselsche aarde. Deze uitmuntende verw zoude bijna onder
de zwarte kunnen gerangschikt worden, want zij heeft eene ver-
bazende kracht, sterker dan de sepia, is zij van een uiterst
krachtig bruin, als zij op een aanleg van sepia gelegd wordt.
Maar men moet deze kracht niet gebruiken dan bij uiterst don-
kere partijen, en om eene teekening af te werken. Zij zal u alle
-ocr page 34-
24
wenschelijke bruinen geven, door ze te mengen, hetzij met ge-
brand carmijn, donker groenen of andere dergelijke mengsels.
Zij is zeer nuttig tot het afwerken van alle soorten van tinten
van haar, van die af, welke men kastanjebruin noemt, tot die
welke zwart schijnen. Zij zal u de krachtigste toetsen opleveren
voor do zwarte donkerbruine draperiën. Zij is vooral van een
groot behulp in het landschap, voor de grootste kracht der boom-
stammen en voorgronden, alsmede om spelonkachtige rotsen of
diepe gaten bij de bouwkunde te schilderen.
Keulsche aarde. Deze aarde is minder doorschijnend en van
eenen meer violetachtig rooden toon dan de voorgaande; zij kan
van nut zijn tot het maken van zekere draperiën, wier kleur
met deze tint overeenstemt, zij is echter niet van zulk een uit-
gebreid nut als de voorgaande verwstof.
Oostindische Inkt. Eene grijs-zwarte koude kleur. De beste
helt naar het bruine; om goed te zijn moet een pennetrek wan-
neer men er met het penseel over wascht niet uitgewischt worden.
Om hem smediger te maken en gedeeltelijk zijne hardheid weg
te nemen, vermengt men hem met een weinigje lak of carmijn.
Voorheen oefenden de meesters hunne leerlingen in het was-
schen met Ooslindischen Inkt, thans verkiest men de sepia. De
Oostindische inkt vertoont aan het oog niets anders dan het koude
contrast van wit en zwart; de sepia is zachter, warmer, sme-
diger en geeft reeds een beginsel van kleuring aan. De Oostiu-
dische inkt
is eene zeer hechte kleur. Men vindt drie soorten
van inkt, zwarte, blaauwachtige en bruine, welke laatste de
krachtigste en aangenaamste is.
Zoo men echter inkt gebruikt van eene bruine tint, dan heeft
zij geenszins dat koude wit en wart, dat onaangenaam voor het
gezigt is , maar integendeel een warme bruine tint, door welke
men tot veel kracht en uitdrukking kan geraken. Het is waar,
dat men door eene uitvoerige teekening in inkt te maken, zich
veel tijd en moeite moet getroosten; maar het heerlijke effect
en de duurzaamheid dezer manier, weegt daartegen op; eene
manier welke eeuwen verduren kan. De laatste tentoonstellingen
hebben bewijzen opgeleverd, tot welke hoogte deze methode kan
worden gebragt. Wie herinnert zich niet met genoegen de heer-
lijke teekening van Tetar van Elven, Couwenberg en andere
meesters in dit vak? Uitmuntend is de behandeling van den inkt
ook voor den leerling welke van het krijt tot het penseel wenscht
over te gaan. Zij bereidt hem voor tot de behandeling der kleuren,
en leert hem het penseel goed beoefenen, dewijl alleen door kunst
de Oostindische inkt zich goed voordoet. Ook voor schetsen naar
de natuur te maken, biedt zij de beste middelen aan, dewijl in
-ocr page 35-
25
eene teekening met de pen met spijker-inkt of krijt geschetst,
de schaduwen op eene luchtige en spoedige wijze kunnen aan-
gewezen worden, zoo noodig in het teekenen naar de natuur,
van welke manier dan ook de vaderlandsche kunstenaars te allen
tijde overvloedig gebruik hebben gemaakt.
Om de voornaamste schaduwen in verschillend soort van tee-
kenwerk in kleuren aan te leggen, is de bruine inkt ook zeer
geschikt en geeft hiervoor een zeer goeden grond om vervol-
gens met kleuren op te werken.
De beste inkt laat zich goed onderscheiden door ligtheid in
gewigt en fijnheid in het gevoel, sterke muskus-reuk en glan-
zigheid als dezelve op den nagel der vingers gewreven en op-
gedroogd is. Er is zeer veel onderscheid in kwaliteit, en de
beste is niet zeer goedkoop. De echte Japansche inkt houden wij
voor de uitmuntendste.
Noir de bougie. Is het schoonste zwart dat men bij waterverw
kent; het is zeer hecht. Men verkrijgt het door verbranding
van was, waarvan de rook opgevangen en met gomwater ge-
mengd wordt.
Ivoorzwart. Is een zeer lijvig zwart, uit gebrand ivoor, en
kan voor sommige partjjen, welke sterk gedekt moeten zijn, van
veel nut wezen. •— Men heeft thans nog meer andere zwarten,
zoo als: kurkzwart, papierzwart, wjjngaardzwart, koffijzwart,
perzikzwart, Berlijnschzwart, welke men alle door kunstmatige
branding verkrijgt; doch zij kunnen in de waterverw ontbeerd
worden.
Bij de beschrijving dezer kleuren zijn de voornaamste opge-
noemd. Er bestaan meer andere kleuren, welke meer of minder
nut hebben, doch van welke men ook verscheidene kan ontberen,
bijzonder de gemaakte groenen, men kan dezelve temperen op
het palet zoo menigwerf men verkiest, in allerlei schakeringen.
Onder de nuttige kleuren welke men in tabletten of stukjes te
koop vindt, behooren nog de volgende:
Scharlaken (schitterend rood).
Crimson (carmijnachtige tint).
Smalt (hemelsblaauw).
Painés (neutrale tint).
Ackermans zwart (om aan te leggen).
Sapgroen (voor transparante donkere toetsen in het groen).
De beste bereide soorten in tabletten vindt men in de fabriek
van Ackermann te Londen Strand N°. 101, en verkrijgbaar in
-ocr page 36-
26
alle winkels van teekengereedschappen; dezelve zijn zéér fijn
gewreven, zuiver van kleur en aangenaam in het gebruik. Men
kan in deze winkels doorgaans eene lijst vinden van alle kleuren,
welke op deze fabriek vervaardigd worden; genoegzaam alle
kleuren welke wij hebben opgegeven, kan men in tabletten ver-
krijgen. In alle voorname steden vindt men dergelijke magazijns
van teeken- en schilderbehoeften. Te Parijs Ge\'rard, landschaps-
schilder, Rue de la Michaudière; Bello;/ en Rey, beide in de Rue
de 1\'arbre sec; Girond, Rue de coq St. Honoré, en verscheiden
anderen van wie men veilig kan ontbieden. In ons land heeft
men te Amsterdam C. 1. L. Portman, Singel over de Appelmarkt,
Nu. 437; te Rotterdam van Oosterzee, Hoogstraat; \'s Qravenhage
Bakhuizen en van Baden; te Dordrecht Koomen.
Wij hebben het niet ondoelmatig geoordeeld eene lijst met de
prijzen op te geven van de waterverwkleuren, zoo als menden-
zelve in de voornaamste teekenwinkels kan verkrijgen. Wij heb-
ben de Engelsche benamingen behouden, welke zeer gemakkelijk
kunnen overgebragt worden.
Groote stukk. Kleine stukk.
Ultramarine .... ƒ12,00.            ƒ6,00.
Scarlett......- 4,00.            - 2,00.
Burnt Carmine . . . - 4,20.             - 2,25.
Carmine......- 3,00.            - 1,50.
Intense Blue . . . . - 2,00.            - 1,00.
Cobalt Blue . . . . - 1,50.            -0,75.
Permanent Crimson, Smalt, Galstone, extra Madderlake, Purple
Madder, Ultramarine Ashes, and Imperial Permanent Blue, groote
stukjes ƒ3,00, kleine dito ƒ1,50.
Groote  stukk. Kleine stukk.
Pink and Rosé Madder . . .     ƒ1,80.            ƒ0,90.
Burnt Lac Lake.....     -1,50.             - 0,75.
Prout\'s Black and British. Ink.     - 1,20.            - 0,60.
Purple Lake.......     - 1,20.             - 0,60.
Sepia.........     -1,20.            - 0,90.
Indian Yellow......     - 1,20.             - 0,60.
Ackerman\'s prepared Black or
inlaying........     - 1,20.            - 0,60.
Crimsuu Lake......     - 1,20.            - 0,60.
Scarlet Lake.......     - 1,20.            - 0,60.
Brown Madder......     - 1,20.            - 0,60.
Permanent White.....     - 1,20.            - 0,60.
-ocr page 37-
27
Ackerman\'s Yellow.
Lamp Black.
ld. Green.
Light Red.
ld. White.
Mineral Blue.
Antwerp Blue.
Naples Yellow.
Bistre.
Neutral tint.
Blue Black.
Olive Green.
Blue verditer.
Orange Chrome.
Brown ochre.
Paine\'s Neutral tint.
Brown Pink.
Prussian Blue.
Bronze.
Purple.
Burnt siena.
Red Ochre.
Burnt Italian Earth.
Red Orpiment.
Burnt Umber.
Raw Siene.
Burnt Roman ochre.
Raw Umber.
Chrome Yellow N°. 1, 2, 3, 4.
Roman Ochre.
Cologne Earth.
Sap Green.
Dragons Blood.
Saturuine Red.
Dutch Pink.
ïranspt. Yellow Ochre.
Emerald Green N°. 1 , 2.
Van Dycks Brown.
Egyptian Brown.
Yarley\'s Green.
Erench Green.
ld. Neutral Tint.
Full Red.
ld. Warm Grey.
Gamboge.
ld. Purple Grey.
Green verditer.
ld. Warm Green.
Green Bice.
ld. Dark Green.
Hookers Green N°. 1, 2.
Yarley\'s Orange.
Indigo.
Vermillon.
Indian Red.
Venetian Red.
Italian Pink.
Yellow Ochre.
Ivory Black.
Yellow Lake.
King\'s Yellow.
Yellow Orpiment.
Lac Lake.
York Brown.
De groote stukken 50 Cents
en de kleine 30 Cents.
Over het matglas, glazen looper en tempermes. Men heeft som-
mige waterverwen welke men niet bereid kan verkrijgen en dus
zelf bereiden moet; om de verwstoffen daartoe bestemd, fijn te
wrijven, gebruikt men een matglas van goede dikte, waarop men
met een glazen looper of wrijver, de benoodigde verwen met
gomwater fijn wrijft, door kringsgewijze rondom het middelpunt
van het glas te wrijven, en dan eens weer met regte streken
alles door elkander wrijvende, waarna men weder op nieuw in
-ocr page 38-
28
kleine kringen het vierkant van het glas met cirkels beschrijft,
gestaag de verw met het tempermes van den kant des loopers
op het glas brengende, dewijl de niet fijn gewreven korrels zich
gedurig aan dezelve zetten, en naderhand eene anders wel ge-
wreven partjj geheel bederven zouden: het is altijd goed weinig
verw tegelijk te wrijven. Men kan den graad van fijnheid ge-
makkelijk zien en onderscheiden; de eene verwstof vereischt ook
langduriger behandeling dan de andere, sommigen hebben ook
een sterker of zwakker gomwater noodig, naarmate dezelve gom-
achtig van aard zijn, waarop men dient te letten.
Om de verw nu en dan onder de wrijving op te nemen en
door elkander te temperen, gebruikt men stalen en ivoren tem-
permessen: voor de geele kleuren, inzonderheid het Napelsch
geel en Indiaansch geel, moet men nimmer staal gebruiken, de-
wijl zij daardoor geheel bederven; deze mesjes gebruikt men ook
bij tempering op het palet, bjj het maken van grooto partijen,
bij de behandeling der geele verwen, gebruikt men in allen ge-
valle het ivoren terapermes.
Zulke gewreven verwen kan men aan korrels in fleschjes be-
waren tot gebruik, en maakt dezelve dan weer op nieuw met
water bruikbaar.
Nimmer moet men van gewoon glas voor het wrjjven gebruik
maken, dewijl de verwen op het gladde niet vatten, ook moet
de looper altijd mat zijn.
Sommigen maken de glazen zelf mat door het wrijven van
gezift zand, biksteen, Brusselsche aarde of puimsteen, doch dit
is af te raden, men krijgt nimmer de fijne oppervlakte, zoo als
op die glazen welke men daartoe koopt in de teeken- en schil-
derwinkels, men heeft dan ook altijd een goed dik glas, en men
kan dezelve van verschillende grootte verkrijgen.
Deze gereedschappen zijn in veel gevallen nuttig, en zijn on-
ontbeerlijk, bij het schilderen op porselein, spahout, matglas en
doorschijnend glas.
Daar, waar wij van de bereiding der verwen melding maken,
veronderstellen wij, dat men die zelf vervaardigen wil, en ze
niet in tabletten bezit.
Over het gomwater. De gewone proportie is een achtste vlaam-
sche lijm, van de blankste soort, op zeven achtste Arabische
gom, mede van de beste kwaliteit. Men moet eene zekere hoe-
veelheid gomwater in eens gereed maken, en in een welgesloteu
wit glazen fieschje bewaren. Wanneer men het wil gebruiken,
giet men daarvan zoo veel men omtrent noodig heeft in een
kommetje, waarin men echter niet met den vinger noch met het
penseel doopt, maar met een glazen buisje of eene pennenschacht
-ocr page 39-
29
hetzelve op de te wrijvene kleur brengt, of er een mengsel tot
dekverw van maakt.
In plaats van vlaamsche lijm, gebruiken sommige schilders
een vierde kandijzuiker op drio vierde Arabische gom.
Maar wanneer men dit laatste gomwater in den zomer of in
den herfst bezigt, dan moet men telkens zijn werk zorgvuldig
weg sluiten, ten einde de vliegen, die door de suiker gelokt wor-
den, er niet kunnen bijkomen.
Men zegt echter dat men dit ongemak kan verhoeden, door
een ligt aftreksel van coloquint in het water te mengen, alvo-
rens de Arabische gom er in te laten smelten.
Het gommen oener kleur, moet geëvenredigd zijn aan den aard
en het gebruik dier kleur; zoo vorderen b. v. de lichte kleuren,
als lak, geeloker en vermilloon eene geringe hoeveelheid gom.
De donkere kleuren zoo als: Italiaansche aarde, bruinrood,
bruinoker, bister, ultramarin
, vereischen integendeel meer gom
en dikwijls eene tweede wrijving; de schaduwen, waartoe de
aardkleuren bij voorkeur gebezigd worden, verkrijgen daardoor
te meer kracht en doorschijnendheid, en het gebruik er van valt
minder moeijelijk.
Men gomt nimmer Iris groen noch de guttegom; deze kleuren
hebben hare gom en dikwijls zelfs, te overvloedig bij zich, wes-
halve men zich in derzolver gebruik eenigzins moet beperken.
Over het algemeen is eene kleur genoog gegomd, wanneer zij
droog zijnde niet te sterk blinkt, en geene spleten zoekt te vor-
men, of met den vinger gewreven er niet aan blijft kleven of
afverwt. In het eerste geval zou zij weldra in schilfers of bladen
afvallen; in het tweede laat zij bij vakken los, of zij behoudt de
kleuren niet, welke men er op aanlegt.
Te veel gom, zelfs op de donkerste plaatsen van het werk,
brengt eene harde en drooge uitwerking te weeg, welke de leer-
ling moet trachten te vermijden, door zijn penseel met meer of
min gomwater te beladen, alvorens de kleur van het palet te
nemen. De glans en dikte die hiervan het gevolg zijn, schaden
aan de harmonie, zelfs onder het glas hetwelk aan de teekening
tot vernis zal moeten dienen.
EENIOE VERBINDINGEN DER WATERVERWKLECREN TWEE EN TWEE.
1.  Guttegom en Vermiljoen.
2.       idem.               Carmijn.
3.       idem.               Lak.
4.  Indiaansch geel. Vermiljoen.
5.       idem.                   Carmijn.
-ocr page 40-
30
6.
Indiaansch
geel. Lak.
7.
Vermiljoen
Carmijn.
8.
idem.
Lak.
9.
Carmijn.
Lak.
10.
idem.
Berlijnsch blaauw.
11.
idem.
Indigo.
12,
Lak.
idem.
13.
Carmijn. Gebrande Terra di Sienna.
14.
idem.
Bruin rood.
15.
idem.
Galsteen.
1(5.
Guttegom.
Bruinrood.
17.
idem.
Gebrande Terra di Sienna.
18.
Bruin rood
Chicorei.
19.
Carmijn.
Chicorei.
20.
Chicorei.
Gebrande Terra di Sienna.
21.
Bruin rood.
idem.
22.
Carmijn.
Oostindische inkt.
23.
Lak.
idem.
24.
Berlijnsch blaauw. idem.
25.
idem.
Sepia.
26.
idem.
Noir de bougie.
27.
idem.
Guttegom.
28.
idem.
Indiaansch geel.
29.
idem.
Galsteen.
30.
idem.
Chicorei.
31.
Guttegom.
Sepia.
32.
Berlijnsch blaauw. Gebrande Terra di Sienna,
33.
Indigo.
Guttegom.
34.
idem.
Indiaansch geel.
35.
idem.
Galsteen.
30.
idem.
Gebrande Terra di Sienna.
37.
idem.
Chicorei.
38.
Carmijn.
Sepia.
39.
idem.
Noir de bougie.
40.
Chicorei.
Sepia.
41.
idem.
Oostindische inkt.
42.
idem.
Noir de bougie.
43.
Sepia.
idem.
44.
Oostindische inkt. idem.
Wij hebben in dit lijstje alleen de onvermijdelijke vermengin-
gen opgegeven; men begrijpt ligt dat deze tinten tot in het on-
eindige kunnen gebragt worden.
Wat nu de kleuren aanbetreft, welke men tot het schilderen
-ocr page 41-
31
in dekverw gebruikt, deze mengt men met de sap-of water ver w-
kleuren, en dusdoende verkrijgt men al de vereischte tinten, en
wordt de dekverw tegemoet gekomen in zeer fijne nuances.
MANIER OM VERSCHEIDENE KLEUREN TE VERVAARDIGEN.
Chicorei. Neem een klein pakje gebrande en fijn gestampte
suikerijwortel, zoo als men die voor de koffij gebruikt. Laat
dit poeder in eene kan water koken gedurende vier uren. Zijg
het vervolgens door een fijn zuiver linnen lapje, en laat het vocht
door eene waterstoof verdampen, het overblijfsel zal de gezochte
kleur zijn. Laat deze kleur in de schaduw en in een verglaasd
potje droogen, en bewaar ze voor te groote hitte en vochtigheid.
Ultramarijn. De wijzen waarop men deze kleur uit den lapis-
lazuli
trekt, zijn te onderscheiden en vooral te menigvuldig om
ze hier aan te halen. De schoonste kleur vordert ook de moeije-
lijkste en naauwkeurigste behandeling.
Men moet niet te veel vertrouwen op het Ultramarijn dat uit
Italië komt, omdat het zelden van den Oosterschen lapis lazuli
afkomstig, dikwijls slecht gezuiverd en veelal met vreemdsoortige
zelfstandigheden vermengd is.
Daar deze kleur moeijelijk te gebruiken is, verwijzen wij den
lezer naar het artikel der dekverwen, waar wij de manier aange-
ven om ze te bereiden en zich er van te bedienen.
Berlijnsch blaauw. Deze kleur, zeer overhellende tot het groen
worden, kan men in de schilderkunst niet gebruiken zoo als zij
in de winkels verkocht wordt, men is derhalve verpligt haar de
volgende bewerking te doen ondergaan, zoo men dezelve onbe-
reid koopt.
Men stampt het Berlijnsch blaauw zeer fijn en zuivert het
naauwkeurig; daarna doe men het door een fijne zijden zeef, in
een verglaasd potje en giete er kokend water op naar gelang
der hoeveelheid kleur welke men maken wil. Dit water laat men
koud worden en giet het zachtjes over in een ander potje waar
het een bezinksel vormt. Deze bewerking herhaalt men tot vier
malen, telkens het afgegotene water in verschillende potjes doende.
Deze giet men wederom zachtjes af, en werpt het aldus bezon-
ken water weg, waardoor men vier verschillende bezinkels ver-
kregen heeft, welke men in een potje doet, en waarmede men
wederom handelt even als met de eerste grondkleur. Dit laatste
bezinksel aldus gezuiverd, wordt voor de fijne schilderingen ge-
bruikt, en in schelpen of in tabletten gedaan, met Arabische gom
en kandij suiker. Het overige der kleur kan insgelijks tot alle
schilderwerk gebruikt worden, en is veel minder aan het groen
-ocr page 42-
32
worden onderhevig. Deze wassching zuivert het Berhjnsch blaauw
van vreemde oplosbare zouten, en van het waterstofhoudend
blaauwzuur.
Sepia. Deze kleur komt van de zwartachtige stof, welke zich
bevindt in de blaas van een visch dien men inktvisch noemt; in
het Latijn sepia. Deze visch behoort tot de klasse der zeeivor-
men
, even als de blakvisch aan welken hij veel gelijkt, en die
mede hetzelfde zwarte vocht bij zich heeft.
Wanneer deze dieren door eenen vijand achtervolgd worden,
ontlasten zjj het vocht dat zij in een daartoe bestemd blaasje
dragen, maken al het water dat hen omringt daardoor troebel,
en ontsnappen dus doende aan het gevaar dat hen bedreigt. Men
vindt er vele in do Middellandsche zee, zoowel als in de Adria-
tisehe en Atlantische zeeën en in het kanaal.
Men laat de blaas van dezen visch in de zon droogen, terwijl
zij nog het vocht bevat; met een groot getal dezer blazen vormt men
trossen welke aan de kooplieden in verwstoffen worden verhandeld.
Gewoonlijk vindt men na een onweder en bij de ebbe na eenen
hoogen vloed, deze visschen of wel hunne beenderen in groote
menigte op het strand.
Om de kleur te bereiden, begint men met een zeker getal
der blazen te openen, en men laat de drooge kleurstof welke
zjj bevatten, weeken in een verglaasd kommetje vol zuiver ko-
kend water; men ontbindt ze ter dege, roert het vijf of zes maal
om, en laat het eindelijk bezinken. Men giet het water tot vier
maal toe zachtjes af, en de bezinksels dienen tot de fijne ta-
bletten. Het overige is eene kleur van de tweede soort.
Wanneer nu de verschillende bezinksels goed droog zijn, wrjjve
men ze elk afzonderlijk op eenen porphyrsteen, met een weinig
gomwater en een weinig kandijsuiker daarbij, en men neemt
het op met een hoornen of elpenbeenen mes, om het in vormen
te doen en er tabletten van te maken. Eenige fabrikanten men-
gen ze met roetzicart, Cassehche aarde of florentijnsche lak; de
zuiverste is de beste.
Men kan zelfs deze verwstof vloeijend medenemen in een fleschje
wanneer men uitgaat om op het terrein naar de natuur studiën
te gaan nemen.
De beenderen van den inktvisch worden door de zilversmeden
gebruikt om de metalen te ontglanzen. Wanneer men ze calci-
neert en tot fijn gezift poeder brengt, dan verkrijgt men met
weinig kosteu een uitmuntend middel om het ivoor te ontglanzen
voor miniatuur teekeningen. Bij het aquarel bedient men zich
er ook van om witte plaatsen weg te nemen. Dit noemt men
geporphyriseerd inktvisch-been.
-ocr page 43-
33
Noir de bougie. Neem een porseleinen kopje, hang dit het
onderst boven, boven de vlam eener kaars van zuiver was. Wan-
neer na een kwartieruurs de rook genoegzaam zwart in het kopje
heeft aangezet, doe dan de kaars uit en laat het kopje koud
worden. Verzamel daarna met een penseel al het Noir de bougie
en ontbind het door middel van een oud penseel met gomwater
gemengd met een weinig kandijsuiker; hoe meer deze kleur ge-
mengd wordt hoe donkerder zij is.
TRAPWIJZE KLEURVERZACHT1XG.
Voorbeeld. Vooronderstel een regthoekige geometrische vlakte
A. B. L. K., verdeeld in zeven gelijke vierkanten A. B. C. D.
en aangewezen door de nummers 7, 6, 5, 4, 3, 2, 1.
Wanneer men den regthoek A. B. L. K. door de lijn F. Z.
in twee gelijke deelen snijdt, en men op deze lijn F. Z. die
daaraan tot diagonaallijn dient, op de groote gelijke vierkanten
A. B. C. D. andore gelijke vierkanten E. F. G. II. aanbrengt,
door op F. H. de perpendiculairlijn E. G. te trekken en de punten
E. H. G. F. vereenigende, dan kan men de zijde A. 11. tot basis
nemen, als zijnde het naaste bij het oog, en de zijde K. L. als
de zijde naar den horizont.
Wanneer men alsdan met eene gelijke tint van Oostindischen
inkt de vierkanten 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 afteekent, en men vervol-
gens N°. 1 daarlatende, dezelfde bewerking begint op al de vier-
kanten nadat men die heeft laten droogen; vervolgens beginnende
met N°. 3, daarna met Nu. 4 en zoo tot het laatste nummer toe,
dan zal zich elk vierkant met zoo vele lagen kleur gedekt vinden
als zijn nummer eenheden bevat, en zal juist gekleurd zijn.in eene
regte rede, naar evenredigheid van zijnen afstand van het punt F.
Wij zullen do tint van elk gegeven vierkant als de middeltint
van zjjne vlakte aannemen, dat is, als de tint van de vertikalo
vlakte, die de diagonaallijn E. G. of m. n. evenwijdig van den
horizont doorsnijdt.
Wanneer wij nu voor do grondlijn de lijn A. B. nemen, en
voor die van den gezigteinder de lijn Q. P. en het punt P. het
gezigtspunt of hoofdpunt zijnde, willen wij uit dit punt P. de
perpendiculaire lijn P. F\', tot op den grondlijn A. B. doen af-
dalen. Uit het punt P. zullen wij tot Q. den afstand F. Z! trek-
ken, op ,\', der wezenlijke lengte. Vervolgens van elke zijden van
F\', de gedeelten A\'. F\', en F\'. B\'. gelijk makende met de deelen
A. F. en F. B., dan zullen wij tot basis verkrjjgen A\'. B\'. =
A. B. Wanneer wij thans uit do punten A\'. en B\'. de lijnen A\'.
P. en B\'. trekken, dan zullen deze lijnen perspectievelijk even-
3
-ocr page 44-
34
wijdig zijn aan de lijn F\'. P. en zullen de zijden A. K.- en B.
L. van de geometrische vlakte A. B. L. K. voorstellen.
Om het geometrisch vierkant A. B. C. D. van den platten grond
in perspectief te brengen , zullen wjj uit het punt B\'. naar het
afstandspunt Q\'. of ZJr de lijn B\'. Q\'. trekken, welke de lijn A\'.
P. zal snijden in het punt D\'., waardoor wij zullen trekken D\'.
C\'. paralel aan A\'. B\'.
A\'. B\'. C\'. D\'. zal het perspectief vierkant zijn, voorstellende
het geometrisch vierkant A. 6. C. D. van den plattengrond.
Op dezelfde wijze voortgaande, zal men al de overige perspec-
tieve gelijke vierkanten verkrijgen van F\', tot Z\'.
Wanneer men door het punt I. hetwelk bepaald wordt door
de door snijding van de perpendiculaire lijn F\'. P. met de diago-
naallijn B\'. D\'. een ljjn E\'. G\'. trekt evenwijdig aan A\'. B\'. die
het perspectieve vierkant A\'. B\'. C\'. D\'. in twee perspectief ge-
ljjke deelen deelt, en men vervolgens de punten F\'. G\'. H\'. E\',
zamenvoegt, dan zal men hot perspectief vierkant E\'. F,. G\'. H\'.
hebben uitgetrokken op het perspectief vierkant A\'. B\'. C\'. D\'.r
op dezelfde wjjze zal men al de perspectieve vierkanten verkrij-
gen, welke zijn ingeschreven op de gemeene diagonaallijn F\'. P.
alsmede hunne diagonaallijnen welke paralel zijn aan de grond-
lijn A. B.
Wanneer men deze diagonaallijnen verlengt in 7\', 6\', 5\', 4\',
3\', 2\', 1\', en men op elke verlenging eene vertikale vlakte brengt,
waaraan de hoogte 7\'. R. 6\'. S. enz. bepaald wordt door eene
lijn P. R. welke perpendiculair moet zijn met het schilderij en
perspectievelijk paralel aan de lijn P. 7\'. in de vlakte waarin
zij zich bevindt in R. S. T. U. V. X. Y.: dan zullen deze ver-
schillende vlakten de vertikale vlakte vertoonen, welke elk in-
geschreven vierkante zou doorsnijden door zijne diagonaallijn,,
paralel aan de grondlijn.
Deze verschillende perspectieve vierkanten en hunne betrekke-
lijk vertikale vlakten zal men kleuren met eene gelijke tint, op
dezelfde wijze als men de vierkanten heeft gekleurd van het ge-
ometrisch vlak A. B. L. K., beginnende met de van de grondlijn
verwijderde vlakten, dan zal men eene trapswijze kletirverzachtint/
verkrijgen van de vlakten naar gelang van hunnen betrekkehjken
afstand van het punt F.
Daar de tint van deze verticale vlakten slechts de middelbare
tint van het vlak voorstelt, of die van het vlak hetwelk de diago-
naallijn evenwijdig aan den grondlijn in elk vierkant doorsnijdt,
kan zij niets anders dan een model aanbieden, om langs dien
weg meer stellige uitkomsten te erlangen.
Immers wanneer men aanneemt, dat elk tusschenpunt van de
-ocr page 45-
35
eene diagonaallijn tot de andere ook zijn verticaal vlak heeft,
zoo wordt de tint dezer vlakten eene laag lichter of hooger,
naarmate zij zich meer voor of achter slechts één punt der
diagonaallijn bevindt, en bijgevolg de grondljjn nadert of zich
er van verwijdert; ook worden de vlakten ligter naarmate zij
zich van deze lijn verwijderen, en sterker naarmate zij er nader
bij komen.
Men merkte aan, dat het aldus gemakkelijk zou worden een
aantal verticale vlakten te bepalen, en daaraan de trapwijze kracht
te geven die hun past, maar dat deze bewerking zeer veel ver-
warring zou te weeg brengen. Wij hebben er genoeg van gezegd,
om de middelen aan de hand te gewen tot proefnemingen.
Voorbeeld. In het landschap A. B. C. D. kan men de toepas-
sing dezer grondstellingen zien.
Het vlak E. J. S. E. het verst afgelegen zijnde, vertoont zich
het zwakste. Het vlak F. K. T. Q. wordt sterker; het vlak G.
L. U. O. is nog krachtiger: I. M. N. H. als het digst bij zijnde,
is nog sterker dan al de andere.
-ocr page 46-
DERDE AFDEELING.
§ I.
VAN DE SEPIA. MANIER OM ZE TE GEBRUIKEN EN VAN HET SCHRAPMES.
Om de sepia te ontbinden bedient men zich van porseleinen
verwschoteltjes ten getale van vier, on wel drie voor de sepia
en een voor de terra di siena of voor de chicorei.
Men ontbindt sepia in een verwschoteltje op eene middelbare
sterkte, en deze tint verdeelt men in drieën van verschillende
sterkte naar gelang van den afstand der vlakten in het landschap.
Wanneer men de sterkte dezer tinten moet wijzigen, maakt men
ze donkerder door er kleur bjj te voegen, en lichter door ze
met zuiver water te verdunnen. Ook moet men twee glazen vol
water bij zich hebben staan, het oene om de penseelen te was-
schen, het andere om de verwstoffen des noods te verdunnen.
De schets van het schilderstuk afgewerkt zijnde, behalve den
voorgrond, maakt men eerst met een grof penseel in zuiver water
gedoopt, al dat gedeelte der lucht, hetwelk wit is, vochtig, zonder
zich op te houden met de omtrekken der meer nabij zijnde voorwer-
pen, die ei\' op geteekend worden. Wanneer het water in het pa-
pier getrokken is en men het niet meer ziet blinken, dan wascht
men het mot een ligte tint, maar sterk genoog om den graad
van kracht aan te duiden, dien mon aan de lucht wil geven, do
wolken en de lucht, zonder zich te veel bezig te houden met
eene slaafscho nabootsing, trachtende hier en daar eenige lichte
tinten te geveu, die zich in de lucht verliezen.
Wanneer men eene tint op het papier hoeft aangelegd, dan
beginne men niet met de tweede er over te brengen, alvorens
de eerste goed droog zij, anders zou men vlakken maken. De
wolken moeten stout en los geteekend worden; de lucht moet
ophelderen, naarmate zij do aarde nadert.
-ocr page 47-
37
Daarna ga mon over tot den gezigteinder door aan de verge-
zigton zwakke dampachtigo tinten te geven zoo wel als aan de
bergen en bosschen die er zich bevinden, en die om zoo te zeg-
gen slechts aangewezen moeten worden, terwijl de afstand waarop
deze voorwerpen zich bevinden, aan het oog niet toelaat om ze
genoegzaam te onderscheiden.
Daarna ga men over tot de middenvakken, beginnende met
de voornaamste schaduwen welke men overdekt met halve tinten
en reflecteringen.
Wat de meer nabij zijnde vakken aangaat, voor deze zoekt
men ook do grooto massa\'s schaduwen, welke men aanlegt met
eene tint van den tweeden of derden graad sterkte, vervolgens
den afstand waarop het vak waaraan men werkzaam is, zich van
den voorgrond bevindt, ten einde al het karakter der compositie
te behouden, zonder nogtans deze schaduwen te zeer te ver-
sterken, omdat men er mogelijk dikwijls over heen moet wasschen.
De sterkte der tinten wordt berekend naar den voorgrond,
en wordt zwakker hoe nader zij bij den achtergrond van het
landschap komen, dit noemt men verzachting der tinten.
Over het algemeen, op slechts weinig uitzonderingen na, wor-
den eerst de schaduwen, vervolgens de tusschentinten en daarna
de halve tinten aangelegd.
Men houde in het oog, dat later de halve tinten welke men
op de schaduwen legt, door hun contrast, met het licht te ver-
nietigen, de kracht dor schaduwtinten aanmerkelijk verzwakken,
en dat zij een gedeelte van hare kleur verliezen. Ziedaar, waarom
men daaraan van den beginne af dien graad van waarheid en
kracht moet geven, welke zij hebben moeten wanneer de halve
tinten zijn aangobragt.
Ook zij men indachtig, dat de versche en nog natte tinten,
zeer wel den vereischten toon kunnen hebben van het voorwerp
hetwelk men voorstelt, maar eenmaal droog zijnde, zij een derde
van hunne sterkte verliezen. Men moet ze dus een derde sterker
maken om ze den vereischten toon te doen verkrijgen.
Men doodverwt de boomen, beginnende met de schaduwen,
terwijl men de lichte deelen geheel wit spaart; men bootst zoo
veel doenlijk het blad en de takverdeeling na van elke soort,
zonder zich nogtans bij één blad of éénen tak op te houden;
hierdoor zou men de vrije behaiiding van het penseel verliezen
welke men moet trachten te verkrijgen.
Bij het schilderen van gebladerte, trachte men veel verschei-
denheid van blad daar te stellen, zoodat men wel de soort kan
onderscheiden, maar de bladeren onderling niet gelijk zijn, anders
zou men in het gebrek vervallen hetwelk men gemaaktheid noemt.
-ocr page 48-
38
De boomen zijn het moejjelijkste gedeelte van een landschap, er
wordt eene groote studie der natuur toe vereischt om er wel in te
slagen. Men trachte dus in den winter er eenige te teekenen,
met den grond waarop zij staan, om het hout en de verdeeling
der takken te kennen, alsmede de rigting van den stam, ten
einde een denkbeeld te krijgen van de wijze, waarop de ver-
schillende soorten groejjen, zich in groepen vormen, overhellen
enz. In den zomer zal men insgelijks dergelijke studiën teekenen,
om de soort van blad te leeren kennen, zoo wel als den uit-
wendigen vorm der massa\'s en het koloriet.
Men denke er om, dat de takken welke onder den horizont
geplaatst zijn, door de bladeren welke men er als dan boven
ziet, verborgen worden, en dat zjj geheel te voorschijn treden,
wanneer zij zich boven den horizont bevinden en door de bla-
deren welke men alsdan onderaan ziet, ontmaskerd worden.
Nog dient hier herinnerd te worden, dat de boomen, welke
in de schaduw op eenen lichten grond gctcckend worden en die
men vlakke partijen noemt, hetzij in de lucht of op eene opper-
vlakte van water, van het begin af aan, luchtig moeten worden
aangewezen.
Deze regel is voor de vlakke partijen zonder uitzondering; men
zoekt dan de tint die daaraan voegt, omdat men er nooit meer
mag overgaan. Wat de voorwerpen betreft die op groote massa\'s
schaduwen in het licht moeten voorkomen, hiervan moet men
de omtrekken zorgvuldig ontzien en ze met potlood schetsen,
terwijl men ze daarna met het penseel doodverwd, trachtende
ze altijd grooter te maken, omdat men die later meer en meer
verkleint, ten einde ze tot den vorm te brengen dien zij ver-
eischen. Wanneer men hierop geen acht sloeg zou men soms
tweederlei soort van bladeren op denzelfden boom zien, de eene
helder en de andere donker, hetwelk eene koddige en onwaar-
schjjnlijke wanstaltigheid zou daarstellen.
De boomen die zich op den voorgrond bevinden, hebben dui-
deljjke welbesnedene bladeren, goed zigtbare takken en wel om-
schrevene omtrekken. Van die verder staan, meent men de
bladeren te zien, doch men ziet slechts kruinen en groote par-
tijen: nog verder ziet men alleen eene massa gebladerte, en bij
den horizont zijn deze kruinen, deze massa\'s slechts aangewezen
door eene locale tint; men raadt ze eerder dan men ze ziet, zij
verliezen zich in het ruim en in de nevelachtige toonen der ver-
gezigten.
Men trachte eene vrije stoute behandeling aan te nemen, bij
het aanleggen der locale tinten in plaats van met stipjes en krul-
letjes te werken; echter zorge men voor eene goede houding van
-ocr page 49-
39
het geheel, de waarheid der natuur zoo veel mogelijk voor-
stellende.
Men schikt het gebladerte op do meest schilderachtige en meest
verscheidene wjjze. Wanneer men derhalve te veel takken hoeft
die zich uitspreiden , dan hrenge men hier en daar eenige ruige
bosschen aan, om het eentoonige weg te nemen. Men menge de
verschillende boomsoorten door elkander, met inachtneming nog-
tans van ze niet te plaatsen dan daar, waar de natuur gedoogt
dat zij groeijen, doende de takken dan eens aan deze, dan we-
derom aan gene zijde overhellen, om daardoor de beweging dei-
lucht aan te duiden, en de bijna onophoudelijke slingering der
twijgen.
De planten, struiken , waters, bosschen, gedaanten van men-
schon en dieren, planten, gebouwen enz., worden alle op de-
zelfde wijze behandeld.
Men begint de rotsen met de schaduwen en de spleten, en
eindigt met locale tinten, waarover men desnoods nog eens
henen wascht.
De voorgrond eener schilderij moet stout aangelegd worden.
De details moeten daarin meer afgewerkt en naauwkeuriger zijn,
de schaduwen sterker uitgedrukt en zoo mogelijk van den be-
ginne af aan, ten einde aan het geheel van het stuk terstond
de algemeene uitwerking bij te zetten. Het water wordt luchtig
gedoodverwd door halve tinton, deszelfs schaduw wordt later
aangebragt. Bij de watervallen kenmerkt men de vooruitste-
kende rotspunten, deze moeten in een helderder daglicht ver-
schijnen dan de watervlakte, terwijl diegene welke het water
slechts verdeden of breken, donkerder moeten zijn. Men laat
van afstand tot afstand eenige holten, deze moeten zwaar be-
schaduwd worden. De stroom schuimt met witte golven en ver-
liest zich in de beneden oppervlakte des waters hetwelk troebel
wordt, terwijl de val eene golvonvormige beweging er in ver-
oorzaakt. Op sommige plaatsen teekent men waterplanten, zoo
als riet, renufar enz., somtijds zelfs figuren van menschen en
dieren.
De figuren worden ligt en met veel naauwkeurigheid geschetst,
en men doodverwd terstond de schaduwen met het penseel, ten
einde niet later de omtrekken te verliezen, mits men ze ten
laatste nog eens over toetse.
Wanneer men op die wijze het geheel van een schilderstuk
heeft voorbereid, dan legt men over de beschaduwde deelen eene
genoegzaam sterke locale tint, en men laat zijn werk droog worden.
Wanneer men de lucht of eenig ander gedeelte te donker heeft
gemaakt, dan wascht men dit gedeelte met het penseel, gedoopt
-ocr page 50-
40
in zuiver water, waarna men door middel eener kleine zachte
spons het water tegelijk met de kleur opneemt, tot dat men ge-
komen is tot dien graad van sterkte, welken het hebben moet;
vervolgens laat men het papier droogen alvorens er op te werken.
Men moet de spons dikwijls wassehen, het water en de kleur
er sterk uitwringen, en ze niet op nieuw gebruiken voor en aleer
zij geheel zuiver is. Ook moet men met do spons niet te zeer
op het papier drukken, omdat men alsdan de nerf zoude weg-
nemen , hetwelk vlakken zoude veroorzaken, die men niet zou
kunnen vermijden, dan door de beschadigde plaats te beplakken.
Men kan volstaan met deze voorwerpen te wassehen door mid-
del van een dik penseel, gedoopt in zuiver water, en ze laten
droogen, waardoor alle tinten in elkander loopen.
Om meer zachtheid en eone nevelachtige tint aan het land-
schap bij te zetten, maakt men alvorens de vergezigten en de
tusschenvlakten af te werken, in een vierde schoteltje eene ligte
tint gereed van gebrande terra di sienna met een weinig sepia
vermengd, en met deze tint wascht men de geheele teekening,
uitgezonderd die gedeelten, welke zeer licht en zelfs schitterend
moeten zijn, zoo als de heldere wolken, het lichte gedeelte van
het water en der gladde ligchamen, waarop het licht loodregt
nederschiet. Deze tint smelt al do andere in een, geeft daaraan
meer zachtheid, en tevens meer fijnheid en harmonie. Daartoe
bedient men zich van een grof penseel, terwijl men de fijnere
bezigt voor de details, zoo als het gebladerte, do gebouwen,
de figuren enz. Men zal zoo veel mogelijk den voorgrond en de
daarop voorkomende bijzonderheden niet schetsen, dan na dat
men deze algemeene tint heeft aangelegd, om niet hot papier
door de wrijving van den onderlegger vuil te maken, en de om-
trekken dezer bijzonderheden daardoor mede te verliezen.
Wanneer alles goed droog en het papier gespannen is, ga men
aan het opwerken. Men brengt na alvorens den voorgrond te
hebben geschetst, de massa\'s schaduwen aan, zoo zwaar als
noodig is om de vergezigten te doen afsteken, zoowel als de
tusschengronden. Vervolgens schetst men naar de potloodljjn,
met de punt van het penseel de omtrekken der massa\'s licht,
welke men altijd grooter maakt dan zij zijn moeten, en terwijl
men do donkere deolen met kleur aanvult, zorge men deze vor-
men en deze omtrekken niet te beschadigen, vooral in het bla-
derwerk, de figuren, de planten enz. Men eindigt met aan den
voorgrond de uitwerking te geven, welke men verwacht, door
halve tinten on terugkaatsingen en men late het droogen.
Eindelijk legt men de laatste hand en retoucheert het werk
met donkerder kleuren, alsdan bootst men de spleten na door
-ocr page 51-
41
de schaduwen te versterken, men doet de ruige struiken en de
bladeren zoo wel in het licht, als in do schaduwen uitkomen,
doch altijd met verschooning van de grootere lichtvakkcn, om
langzamerhand den vereischten omtrek te krijgen, door om zoo
te zeggen deze omtrekken af te snipperen, met al wat hen om-
ringd in de schaduw te stellen.
Men moet altijd met de punt van het penseel werken, welke
men bijna loodregt op het papier houdt. Van tijd tot tijd moet
men eenige zware toetsen geven in het blader werk van de licht-
zijde, om de schaduw van beneden te volgen, zoowel als op
de lichte plaatsen der boomstammen, om daardoor de ruwheid
en ongelijkheid der schors voor te stellen; daartoe is het vol-
doende, wanneer men het penseel met een weinig meer tint
aanvult, dit is beter dan er meermalen over heen te strijken;
en geeft aan het werk een kenmerk van waarheid, oorspronke-
lijkheid en netheid, welke men anders niet zoude verkrjjgen.
Men verdooft vervolgens de doelen, die in de schaduw geplaatst
zijn; men onderscheidt de massa\'s bladeren door halve tinten,
die ze digter bjj of verder af brengen, of ze doen wenden. Men
doet do bladeren uitkomen, en men laat er hier on daar van
achter de takken eenige zien, welke men veronderstelt in de
schaduw geplaatst te zjjn; deze zijn donker, en daartusschen
komen eenige heldere liehtplaatsen, daardoor vermijdt men stijfheid
in de massa. Ook laat men van afstand tot afstand takken en
twijgen te voorschijn komen, bestemd om deze ruigten te dragen.
Daarna werkt men den voorgrond af, welken men ook noemt
de geheime drevel, omdat hij inderdaad diont om de vergezigten
terug te drijven. Vervolgens vergelijkt men het geheel en de
bijzonderheden van zijnen arbeid, door dien van tijd tot tijduit
de verte te beschouwen, om over de uitwerkingte oordeelen,
waarop men vooral moet letten, zonder zich met de bijzonder-
lieden in te laten, welke men daarom niet mag verwaarloozen.
Een stelregel, waarvan men wel moet doordrongen zijn, is
deze: dat de verbeelding altijd den handenarbeid moot voorafgaan,
zoodat men van het voorwerp, hetwelk men wil afbeelden, een
juist begrip in het hoofd hebbe, als ook van de uitwerking, die
het moet voortbrengen, voor dat het potlood of het penseel zulks
voorstellen, want anders zou men op goed geluk werken.
Wanneer men een klein en lichtgedeelte heeft donker gemaakt,
kan men dit verhelpen door het met het penseel te wasschen ,
latende het water in het papier trekken; daarna omwindt men
den vinger met vloeipapier en drukt dien sterk daarop, waarna
men hem vlug terugtrekt. Op deze wijze hecht zich de kleur
aan het vloeipapier, verlaat de teekening en de plaats wordt
-ocr page 52-
42
lichter. Men kan dit middel aanwenden om eene massa gebladerte
en andere bijzonderheden op te helderen. Ook kan men de plaats
met geporphyrisocrden vischgraat wrijven.
In andere gevallen kan men zich van het radeermes bedienen;
men radeere alsdan zeer ligt de doelen welke helder moeten zijn,
waarna men met elasticke gom er zachtjes over henen wrijft.
Des vereischt wordende, gebruikt men andermaal het penseel,
om de omtrekken te zuiveren, doch dit moet met veel omzigtig-
heid geschieden. Zie hier een ander middel, hetwelk wij van
den Heer Merimée hebben.
Om de lichte doelen van zekere teekeningen op don voorgrond
te verschoonen, maakt men, na alvorens de omtrekken daarvan
zuiver geschetst te hebben, een mengsel van gelijke doelen
loodwit en kobaltblaauw zeer fijn gewreven; dit mengsel verdunt
men in een kommetje met verdikten geest van terpentijn en
maakt er een papje van. Vervolgens toekent men met dit papje
door middel van een zeer fijn penseel de omtrekken der details,
door ze geheel er mede te bedekken en laat hot goed droog
worden. Daarna legt men met eene sombere krachtige tint eene
ligte laag kleur aan en stuksgewijze rondom datgene wat door
den terpentijn is bedekt, zorgende van niet op het penseel te
drukken, en zoodanig, dat men al de donkere deelen van den
achtergrond, waarop de details in het licht verschjjnen, met
kleur aanvulle; op deze wijze neemt men slechts zeer weinig
kobalt weg, men wassche dikwijls het penseel alvorens kleur te
nemen. Na dit alles laat men het werk volmaakt droog worden,
waarna men met kruim van wittebrood de plaatsen afwrijft
tot dat het papier terug verschijnt, hetwelk onmiddellijk plaats
heeft.
Vervolgens zuivert men de omtrekken met een fijn penseel,
en men geoft aan de aldus gedoezelde details het koloriet en
den vorm die daaraan voegen. Deze methode is uitmuntend, en
heft eene der groote moeijelijkheden bij hot wasschen op, die
namelijk, van de lichte plaatsen uit te sparen. Zij is oneindig
beter dan het radeermes. Nogtans zijn er gevallen waarin dit
met voordeel kan gebruikt worden, vooral bij het water.
Wanneer men met de sepia kan omgaan, kan men de land-
schappen op gekleurd papier wasschen met sepia, bister, kasselsche
aarde
en oostindischen inkt, elk afzonderlijk voor iedere teekening
te gebruiken. Men spaart de lichte deelen en hoogt ze door
blanr leger of zilverwit. In dit geval maakt de kleur van het
papier de halve tinten uit, de schaduwen en terugkaatsingen
worden bepaald door de heerschende kleur. Deze zeer eenvoudige
en fraaije methode zet aan soms middelmatige stukken veeltijds
-ocr page 53-
43
eenige waarde bij. Het is cene soort van wassching welke men
kennen, maar met overleg gebruiken moet.
Eenige personen gebruiken met voordeel dropivater maar men
dient het voor de vliegen te bewaren.
Eene andere manier van teekenen, door namelijk sepia en
Oostindischen inkt te gelijk voor dezelfde teekening te gebruiken,
is mede zeer bevallig, aangenaam in de behandeling, krachtig
en van eene groote zachtheid in de uitwerking.
Deze manier gebruikende op wit papier, kiest men blaauwen
Oostindischen inkt voor de luchten, vergezigten en het water,
bruinen inkt voor de middol- en voorgronden; de krachtigste
plaatsen op de voor- en middelgronden beteekent men over den
inkt met sepia, waardoor men soms tot eene verbazende kracht
kan geraken; dezelve is ook zeer geschikt voor bijzonder groote
teekeningen, de kenners dezer manier zullen dezelve aan een ieder
aanbevelen, als eene van de aangenaamste en doelmatigste wijzen,
in welke men de kracht en harmonie gelijktijdig leert beoefenen.
Men kan deze manier ook te werk stellen op getinte papieren,
bijzonder op de tint van Chineesch papier, zoo als men dit
gebruikt voor de lithographiën: om deze tint te verkrijgen,
neemt men gewoon koffijwater vermengd met eenige wrijvingen
bruinen Oostindischen inkt, welke men dan met een groot penseel
over de schets en het kader zijner teekening een of tweemalen
legt, naarmate men oordeelt de tint krachtig genoeg te zijn.
Men kan deze manier zelfs bezigen op meer krachtig getinte
papieren, zoo als men dezelve gebruikt voor het teekenen met
zwart en wit krijt, en kiest hiertoe de tint welke niet te donker
is en veel van de lichte sepia of bister kleur heeft, waardoor
deze tint in harmonie komt met de verwstof welke men gebruikt,
namelijk de sepia: verder kan men de lichte plaatsen met
kremser of zilverwit hoogen.
Den bruinen Oostindischen inkt kan men ook gebruiken op
zich zelven, zonder sepia op de tint van Chineesch papier, het-
welk eene zeer groote zachtheid in het effekt veroorzaakt en
spoediger voortwerkt dan op wit papier, dewijl het dan reeds
van een zekere hoeveelheid verwstof verzadigd is, en men op
eenen betinten grond werkt.
§11.
OVER DE ONZIJDIGE TIKT OP MENGELING.
De onzijdiye lint of mengeling, is eene zamenvoeging van
Berlijnsch blaauw, florentijnsche lak en Oostindischen inkt.
-ocr page 54-
44
Van deze drie kleuren vormt men eene tint van een grijs-
achtig blaauw, welke men in drie deelen van verschillende
sterkte trapswijze opklimmende verdeelt, zoo als bij de wassching
met sepia, om de vergezigten en de tusschengronden te bewerken.
Naarmate de vakken digter bij elkander komen, maakt men
de tint donkerder door er kleur bij te doen, maar altijd in
dezelfde evenredigheid. Wanneer de leerlingen hierin een weinig
geoefend zijn, kunnen zij de vergezigton met de onzijdige tint
schilderen, on do nader bjj zijnde vakken met sepia, vermengd
met lierlijnsch blaauw. Deze is de beste manier ora het koloriet
te leeren bevatten en beoefenen. Deze soort van arbeid houdt
het midden tusschen de wassching met sepia en het schilderen
met waterverw.
-ocr page 55-
VIERDE A.FDEELING.
§1.
VAN DE WATERVERW.
ALGEMEENE BESCHOUWINGEN. ---- ARBEID IN WATERVERW. — OVER HET
PORTRET IN WATERVERW. ---- HET OPZETTEN VAN TEEKENINGEN.
Alvorens te spreken over den handenarbeid in waterverw,
meeneu wij dat het niet ondienstig zal zijn, in eenige vooraf-
gaande bijzonderheden te treden, gegrond op de studie dor natuur
en op de ondervinding der ouden.
Opgang der Zon. Wanneer de zon op het punt is om boven
den gezigteinder te verschijnen, dan verwen zich de wolken
donkerblaauw, hellende naar het paarsch; vervolgens nemen zij
lichtere tinten aan en worden paarsch; daarna lakachtig on
eindelijk carmijnrood, en naarmate de zon den gezigteinder na-
dert, worden zij rooder en schitterender.
Weldra verschijnt de zonneschijf met eene vuurroode kleur,
zij verheft zich boven de nevelen van den dampkring, welke zij
met eene min donkere tint kleurt, die allengskens geelachtig en
later wit wordt, hoe meer de zon don meridiaan nadert. De
aardsche voorwerpen zijn onder den invloed dezer kleurvorzachting:
hunne lichte doelen zijn van eene rosachtige lakkleur, zich ver-
liezende in de morgendampen; de vergezigten zijn bij den op-
gang der zon zeer nevelachtig, alles gevoelt den invloed der
beweging, welke door het aanbreken van eenen nieuwen dag,
aan de geheele natuur gegeven wordt.
Het midden van den dag. In dit oogenblik kleurt de zon de
wolkeu met eene blanke schitterende tint, welke zich stadig aan
het azuur van het uitspansel vertoont, en waarvan het oog moeije-
-ocr page 56-
4(J
lijk den glans kan verdragen. Het ligchaam der wolken is als-
dan van eene grijsachtige kleur; de aardsche voorwerpen, welke
door de zon verlicht worden, bieden alsdan in het oogloopende
kontrasten van licht en schaduw aan; zij scheiden zich minder
van elkander af; de vergezigten zijn van een donkerder blaauw;
de lucht is volmaakt helder en de aardsche voorwerpen worden
er op eene allezins duidelijke wijze in voorgesteld.
Ondergang der Zon. Bij het naderen van den ondergang dei-
zon , is de lucht door het vuur van den dag in gloed; geheel
het benedenste gedeelte der lucht en der wolken is verlicht, en
verandert van schakering, naarmate de zon naar den gezigteinder
afdaalt. Eerst heeft zij eene geelachtige tint, daarna wordt zij
licht oranje en achter volgens donker oranje, licht purper-rood,
donker purper-rood
, rood paarsachtig, paarsch, blaauivachtig en
hlaauw-zic ar tachtig, tot dat de zon geheel verdwijnt. Bij eene
heldere lucht blijft haar benedengedeelte, ter oorzake der straal-
buiging nog eenen geruimen tijd verlicht, en met schitterende
tinten gekleurd, nadat de zon verdwenen is.
De aardsche voorwerpen moeten in hunne lichte deelen, onder
den invloed staan van de tinten der wolken en der lucht.
Men houde in het oog, dat bij hot opgaan en bij het onder-
gaan der zon, de spitsen der bergen licht óp de lucht moeten
worden voorgesteld, waarmede zij zich schijnen te vereenigen,
terwijl hunne ligchamen in dampen schijnen gehuld te zijn, welke
opstijgen uit de vlakten die zij bestrijken. Dikwijls zijn de wol-
ken, die do zon voor ons verbergen in haar bovenste gedeelte
geheel of ten deele verlicht; doch de tint, die alsdan aan dit
verlichte gedeelte voegt, is bijna altijd die van het benedenste
gedeelte der lucht; in dit geval vormt het midden der wolken
eene ondoorschijnende oppervlakte. In de warme landen zijn er
minder dampen, en de vergezigten teekenen zich zuiverder op
de lucht, die meer donker blaauw is dan in onze hemelstreek.
Op dit uur is alles stil en duidt de rust van alle wezens aan,
bijgevolg ziet men weinig beweging.
Maneschijn. Het is zeer moeijelijk om den maneschijn naauw-
keurig voor te stellen, omdat men het slechts door het geheugen
kan uitvoeren, terwijl de landschappen bij den dag geschilderd
nader bij de waarheid komen, door dien de schilder zijne tinten,
met die der natuur kan vergelijken, hetgeen des nachts niet kan
plaats hebben.
De voorwerpen bij maneschijn geschilderd, moeten geheimzin-
nige toonen aanbieden, talrijke en onderscheidene terugkaatsingen,
en zelve weinig in getal zijn. Al het licht moet voor de lucht
en het water gespaard worden; deze zijn de wezenlijke hoofd-
-ocr page 57-
47
voorwerpen, die den achtergrond van het schilderstuk moeten
uitmaken.
Somtjjds stelt men tegenover den bleeken schijn van de maan
de schitterende roodkleurige vlammen van eenen brand, eener
vulkanische uitbarsting, of wel het licht van flambouwen of dat
van woningen.
Regenachtige lucht. Men bootst den stortregen na, door even-
wijdige gekleurde streepen die zich langzamerhand in de wolken
verliezen, en die op de aarde nedervallen, dan eens loodregt, dan
eens in eene schuinsche rigting, naarmate de wind waait, het-
welk moet worden aangeduid door de buiging der boomtakken,
het wapperen der wimpels, de rigting der weerhanen, of wel door
de rigting, naar welke de wolken, door den wind gejaagd, zich
schijnen zamen te pakken. Deze piasregens kunnen aan den ho-
rizont vallen met welkers massa zij zich verliezen; maar ook
kunnen zij digter bij vallen, en alsdan worden zij op eene don-
kere sombere wijze aan de lucht voorgesteld, terwijl zij op de
aardsche voorwerpen blaauwachtig, grijs en nevelachtig worden
voorgesteld, en somtijds door hunne digtheid dat geheele gedeelte
van den horizont bedekken hetwelk zich achter hen bevindt.
Men houde in het oog, dat de voorwerpen die eene groote
hoogte hebben en digt bij ons zijn, zeer beschaduwd zijn over
al dat gedeelte, hetwelk zich op de lucht vertoont, en dat hunne
verlichte deelen slechts schitterend worden voor zoo verre zjj
het onderstel naderen en zich op aardsche voorwerpen afkaatsen;
dat hunne schaduw- en lichtzijden meer in het oog vallen, naar-
mate zij meer tot ons overkomen.
Onweder. Een onweder vereenigt dikwijls treffende tegenstel-
lingen van licht en schaduw; een gedeelte der lucht kan met
dikke wolken bedekt zijn, en dan weder met wolken van de rijk-
ste kleuren, welker warmte en beschouwing het oog vleijen, maar
die door den schilder niet dan gebrekkig en door tegenstelling
kunnen worden nagebootst. De lucht kan even als bij zonson-
dergang in gloed staan; soms bedekken drijvende wolken een ge-
deelte der lucht, terwijl de zon een ander gedeelte schitterend
verlicht; somtijds is de uitwerking van het flikkeren des blik-
sems in volle tegenspraak met de diepe duisternis die de aarde
bedekt. De denkbeelden en de tinten van deze soort van lucht-
verschijnsels moet men uit de studie der weerkunde en de waar-
neming der natuur putten.
Regenboog. In een bergachtig land is het niets zeldzaams dat men
plaatselijke stortregens ziet vallen; somtijds zelfs verschijnt de re-
genboog te midden van het gebergte en verdwijnt langzamerhand
in de lucht. In dit geval ontdekt men de bergspits achter den
-ocr page 58-
48
regen, bijna niet meer, en slechts met moeite onderscheidt men
de nevelachtige omtrekken der voorwerpen welke zij verbergt.
Om den regenboog voor te stellen, spaart men het geheele
gedeelte hetwelk hij bestrijkt, zoo wel in de lucht als op de
aarde, en men geeft hem de wel onderscheidene en juist gerang-
schiktc kleuren van het prisma. Deze kleuren zijn bij elkander
vereenigd veelal bleek, somtijds levendig, maar altijd naar even-
redigheid van de helderheid der zon en de dikte van den regen;
zij loopen door een onzigtbaar verband in elkander. Het rood is
dikwijls aan de zijde der zon, doch het kan zich ook aan de
tegenovergestelde zijde bevinden, ingeval b.v. wanneer de kleuren
van het prisma zich bevinden in twee verschillende evenmiddel-
puntige regenbogen.
In dit laatste geval kan het rood van elk dezer regenbogen
worden tegenovergesteld aan dat van den anderen, en de an-
dere kleuren volgen in de orde van het prisma, maar in eene
tegenovergestelde schikking van den andoren regenboog; men
kan het maken met vermilloen gemengd met florentijnsche lak.
De gecle streep moet de helft smaller zijn dan de breede, en
alles moet op de uiteinden met de lucht ineenloopen. De kracht
dezer kleuren, verandert, zoo als wij reeds gezegd hebben, in
het oneindige, dan eens ter oorzake van den digten of verstrooiden
regen, dan wederom omdat de stralen der zon bijna horizontaal
door wolken of dikke nevelen schieten, die ze opvangen; alsdan
is het rood veel breeder, het geel en de indigo zijn bijna altijd
hetzelfde.
Het gebeurt dikwijls dat twee of drie regenbogen bij den eersten
gevoegd zijn, doch zij kunnen er vóór of achter wezen, nooit
z[jn zij zoo duidelijk als de voornaamste; zij vereenigen zich, en
vormen eone reeks van ronde tinten, welke zeer aangenaam voor
het oog zijn; somtijds is de regenboog slechts gedeeltelijk zigtbaar.
Er is nog eene andere soort van regenbogen; dit is de maan-
regenboog;
deze biedt bijna geen schijn aan van de kleuren van
het prisma en vertoont slechts een witachtig spoor, hetwelk,
schitterend aan de lucht voordoet. Dit luchtverschjjnsel heeft
plaats, wanneer de toeschouwer geplaatst is tusschen eene dikke
•wolk, waaruit een overvloedige regen valt, en de helderschij-
nende wolkelooze maan, welker stralen zich breken in de regen-
droppelen.
Om dezen regenboog na te bootsen, is het voldoende de plaats
er voor te sparen, en de toonen der naastbijzijnde kleuren met
de uiteinden te doen ineenloopen , waarna men hem eene nevel-
achtige tint geeft, door middel van chineezen inkt, gemengd met
berlijnsch blaauw en florentijnsche lak.
-ocr page 59-
49
Zeegezigten. Over het algemeen leveren de zeegezigten eene
grootte verschillendheid op van voorwerpen en van talrijke en
treffende tegenstellingen, zoowel in de lucht als in het water,
in de schaduwen zoowel als in de lichtplaatsen. Dit gewigtig
gedeelte der natuur vordert eene bijzondere studie, om geene
tegenstrijdigheden te begaan, en elk gedeelte van zijn stuk met
elkander in onderling verband te brengen, maar vooral om zich
naauwkeurig aan de waarheid te houden van de uitwerking van
licht en schaduw en vorm der golven.
Onder de talrijke voorstellingen van de zee, zijn er eigenlijk
maar twee, die geschikt zijn om groote uitwerking te doen, na-
melijk: storm en kalmte.
Storm. Bij eenen storm zal men zich aan de waarheid der uit-
werking houden, aan de doorschijnendheid des waters, aan het
natuurlijke van het geraas en der wanorde, waardoor lucht en
water in beweging worden gezet. Men zet aan het tooneel loven
bij door schipbreuk, door schuimende golven, booten, wrakken,
matrozen, drenkelingen, zee- en roofvogels, wolken, bliksemstra-
len, windvlagen en alle die hulpmiddelen, welke de verbeeldings-
kracht, door den smaak bestuurd, kan opleveren ; maar men hoede
zich voor het gedwongene of het onwaarschijnlijke.
Kalmte. De kalmte, welke veel gemakkelijker is na te bootsen,
wordt voorgesteld door de effene vlakte des waters, door de on-
beweeglijkheid van wimpels en zeilen, die langs de masten moe-
ten neerhangen. Somtijds echter kan er eene koelte oprijzen, en
zachtjes de zeilen van een schip doen zwellen en hetzelve voort-
stuwen. Men zet een zoodanig zeegezigt leven bij door alle mid-
delen, welke de beweging eener haven aan de hand geven, en
door de spiegeling der voorwerpen.
Uitwerkingen van de sneeuw. Dit gedeelte van het landschap
wordt even als al het overige behandeld; men geeft aan de voor-
werpen het koloriet en den vorm, en men laat het papier geheel
wit blijven op de plaatsen waar de sneeuw zich moet bevinden.
De besneeuwde gedeelten, die in de schaduw staan worden door
eene blaauwachtige tint aangeduid, terwijl diegene, welke door
de zon verlicht worden, dof wit blijven, en op den voorgrond
door het sterke zonlicht soms geelachtig wit. De achtergrond
van de lucht moet grijsachtig blaauw zijn, waarop de sneeuw,
die de naastbjjzijude voorwerpen bedekt, wit wordt afgebeeld,
terwijl diegene, welke zich bij den horizont bevinden, nevel- en
grijsachtig worden voorgesteld.
Men kan de uitwerkingen van de sneeuw op gekleurd papier
voorstellen en met wit verhoogen. Hemelsblaauw papier is het
doelmatigst voor dit oogmerk.
4
-ocr page 60-
50
ARBEID IN WATERVERW.
Bereiding van het mineraal of ultramarijn. Men moet het fijn-
ste en zuiverste tot bijna onvoelbaar poeder gestooten ultrama-
rijn gebruiken. Op het oogenblik, dat men zich er van wil be-
dienen, doet men eene zeer geringe hoeveelheid in een porse-
leinen schoteltje, zooveel als men noodig acht en men giet er
genoeg water op, zoodat de geheele verwstof daarvan doortrok-
ken wordt; vervolgens roert men ze terdege om en men laat
het water op zijn gemak er in trekken, daarna mengt men deze
kleur met eene verdunde oplossing van arabische gom en een
weinig kandijsuiker, terwijl men zich van een penseel ad hoc be-
dient, en men verdunt de verw met genoegzaam water, zoodat
de kleur in zekeren zin er aan hangt. Om deze kleur te ver-
vangen neemt men kobaltblaauw.
Voor het bovenste gedeelte der lucht maakt men eene don-
kerder tint gereed, op dezelfde wijze te werk gaande, doch veel
minder water gebruikende.
Het ultramarijn geeft veel kleurstof, waardoor eene zeer ge-
ringe hoeveelheid op eene vrij groote kwantiteit water voldoende
is, daar het tot bijkans onvoelbaar poeder gestampt wordt.
Ondergaande zon. De schets van het schilderstuk afgewerkt
zijnde, maakt men even als bij de wassching met sepia geheel
het gedeelte der lucht, waar men het blaauw moet aanloggen,
vochtig; het overige moet, wanneer het noodig is uitgespaard
worden door uitgesneden papier in den vorm van wolken, wan-
neer die aanwezig zijn, en altijd op dat gedeelte, hetwelk het
naast bij den horizont komt, waarop men geen blaauw aanbrengt.
Dit papier wordt op de buitenzijde van het raam, door middel
van spelden, lijm of dikke gom bevestigd. Het gedeelte, dat
op de teekening ligt, wordt door de linkerhand vastgehouden en
gedrukt, wanneer men met het penseel in de omstreken waschtJ).
Wanneer het water waarmede men de lucht heeft gewasschen
niet meer glinstert, dan bedekt men het geheele gedeelte, het-
welk blaauw moet zijn, met een weinig ftorentijnsche lak, en men
verdunt deze tint met zuiver water, hetwelk men er al meer en
meer bijvoegt naarmate men tot den horizont afdaalt. Men laat
deze tint eerst droogen, en men wacht met arbeiden tot dat het
papier geheel droog en gespannen is.
Alsdan maakt men in een schoteltje eene paarsachtige tint met
florentijnsche lak, ultramarijn en blaauwen oostindischen inkt, om
\') De mapier om de wolken te verdrijven, zoo als dit bij de behandeling der
sepia is aangegeven, komt ons echter verkieseiijker voor.
-ocr page 61-
51
de schaduwen der wolken te doodverwen en dezelve ligchaam te
geven, terwijl men de terugkaatsingen spaart. Deze eerste tint
moet zwak zijn.
"Wanneer lucht is gedoodverwd, houdt men zich met de ver-
gezigten bezig; te dien einde kleurt men ze ligt met eene zwakke
tint van zuivere florentijnsche lak, welke men laat droogen en
waarop men eene andere zeer lichte tint legt van ultramarijn,
om er doorschijnendheid aan te geven. Met deze twee tinten
brengt men de bergen, het water en alle verwijderde voorwer-
pen voorloopig in gereedheid.
Nadat alles goed droog is, keert men de teekening het onder-
ste boven, en met eene lichte tint van vermilloen kleurt men dat
gedeelte der lucht, hetwelk den gezigteinder bepaalt, zorgende
dat men niet de omtrekken beschadigt van de vergezigten, wol-
ken enz.; te dien einde neme men het papier weg, dat al deze
deelen vrijwaarde, en men menge het rood met zuiver water,
hetwelk men vermeerdert naarmate men de wolken of het blaauw
nadert. Alvorens het door vermilloen getinte water aan te leg-
gen, is het raadzaam al dit gedeelte met eene lichte tint van
florentijnsche lak te wasschen.
Het papier droog en gespannen zijnde neemt men donkerder
ultramarijn, met een plat penseel op de wijze van een borstel
gesneden, en men geeft aan het bovenste gedeelte van de lucht
eene tweede krachtiger tint dan de eerste, terwijl men het pen-
seel met de vingers drukt om er de kleur te doen uitkomen op
dat gedeelte der lucht en ze vervolgens uitbreidt, terwijl men ze
langzamerhand in den horizont doet verdwijnen.
Men laat het papier andermaal droogen, waarna men met eene
sterke en overvloedige tint van guttegom en carmijn al dat gedeelte
der lucht bestrijkt hetwelk roodachtig geel moet zijn, terwijl men
de sterkte der tint met zuiver water vermindert, naarmate men het
blaauwe nadert, zorgende dat men steeds de omtrekken der ver-
gezigten verschoont. Men breidt deze tint uit, terwijl men ze met
de lucht doet ineenloopen, zuiver water in het penseel neemt, en
de tint verzacht naarmate men digter bij het blaauw komt, zoo
dat men bij deze kleur komende er niets meer dan water in het
penseel is, en het oranjegeel op eene onzigtbare wijze in het blaauw
verdwijnt. Alsdan werkt men de wolken af, en met verdund gom-
water bestrijkt men het hemelsblaauw gedeelte en de verwij-
derde voorwerpen, welke met mineraalblaauw gekleurd zijn. Ver-
volgens kleurt men het lichte gedeelte der wolken met eene zeer
verdunde tint van lak, vermilloen en guttegom, of liever men legt
deze tinten de eene op de andere, zorgende dat de guttegom de
laatste zij.
-ocr page 62-
52
Men wachte zich wel deze oranjetint op het blaauiv te brengen,
omdat men daardoor de lucht groen zou maken; maar wanneer
men dit soms bij vergissing mogt gedaan hebben, dan laat men
zijn werk droogen, waarna men het met een zuiver penseel en
schoon water kan wegnemen. Bij het aanleggen dezer tint ver-
mijdt men zorgvuldig de voorwerpen te raken die zich op den
gezigteinder bevinden, men zou ze te donker maken en nader
bij brengen dan het behoort; ook voegt deze tint daaraan niet.
Men kan niet ontveinzen dat hot ultramarijn vele moeijelijk-
heden in het gebruik aanbiedt, maar men wordt door de schoon-
heid en zuiverheid zjjner tinten daarvoor schadeloos gesteld.
Men moet de scheurtjes en spleten die het mineraalblaauw bij
het gebruik op het papier achterlaat, met het penseel aanvullen
en dekken.
Eertijds gebruikte men Berlijnsch blaauw voor de lucht en
vergezigten, en wanneer het droog was, waschte men het met
een grof penseel met schoon water om de hardheid en stijfheid
weg te nemen. Deze methode gaf aan den arbeid veel zachtheid
en harmonie; men begon met het hlaauw, daarna kwam het rood
en vervolgens het geel.
Daar hot Berlijnsch blaauw door den tijd groen wordt, ver-
kiest men thans het ultramarijn, waarvan de hechtheid sedert
lang erkend is, of in de plaats daarvan, zoo als gezegd is, het
kobalt.
Eenige schilders brengen wanneer zij eene bewolkte onstuimige
lucht willen voorstellen, of wel eene drooge verzengde lucht-
streek, aan den horizont in plaats van eene oranjetint, eene
locale tint van lak en vermilloen, en wanneer zij droog is leggen
zij daarover eene tint van zuivere guttegom. Deze methode is de
beste, dewijl alsdan de tinten elkander onderling niet bederven.
Wanneer het noodig is, geeft men alsdan meer ligchaam aan
de wolken, door op elkander gelegde locale tinten van Chinee-
schen inkt, lak
en ultramartn. Men verschoont de terugkaatsing,
ten einde de wolken te doen draaijen en met de andore te doen
in een kronkelen; zij moeten niet hard op de lucht of op de
naburige wolken zijn afgeteekend; zij moeten er zich op eene
onmerkbare wijze in verliezen.
Wanneer men de lucht en de vergezigten aanlegt, moet men
het over het algemeen doen, door locale tinten, zonder de kleuren
te mengen, omdat het dikwijls gebeurt dat de eene de andere
bederft; men legge ze dus afzonderlijk op, oerst het blaauw, ver-
volgens het rood en daarna het geel. Men moet altijd zijn werk
laten droogen, alvorens eene andere tint op de vroeger aange-
legde te brengen; ook moet men de kleuren niet anders dan
-ocr page 63-
53
twee en twee mengen, en nooit drie en drie, uit vrees van daar-
door vuile tinten te erlangen. Wanneer het blaauwe gedeelte
van de lucht moet overgeteekend worden, dan doe men zulks
door middel van ultramarijn met gom aangezet, hetwelk men
met veel voorzigtigheid aanbrengt.
Wanneer de lucht is afgewerkt, houdt men zich met de ver-
gezigten bezig. Men brengt er eene ligte tint over henen van
lak en carmiju, vervolgens mengt men carmiju en Berlijnsch
blaauw,
en men maakt eene zeer lichte paarsche tint, waarmede
men in de vergezigten arbeidt, zoodat men de voorwerpen, welke
men er in ziet, een weinig in het ruim laat, hetwelk slechts door
locale tinten wordt aangewezen. Voor de digter bij zijnde voor-
werpen, mengt men bij deze tint een weinig oostindischen inkt,
en men maakt ze te donkerder, naarmate men den voorgrond
nadert. Men doodverwd de nevenvoorwerpen, die zich op zekeren
afstand bevinden, met eene meer paarsche tint, door er een weinig
meer lak bij te voegen. Wanneer deze schets droog is, dan wascht
men de vergezigten met schoon water en men laat het droogen.
Wanneer men ze met ultramarijn hoeft voorbereid, dan moet
men ze niet wasschen; dit heeft slechts plaats, wanneer men
zich van Berlijnsch blaauw heeft bediend.
Deze methode geeft nevelachtige toonen en doet alles in elkan-
der loopen; zij is uitmuntend, doordien zij de lichte plaatsen,
welke men verschoond heeft, verzacht en een weinig verdooft,
daar deze zich in de schaduw bevindende, slechts halve tinten
of terugkaatsingen moeten aanbieden; daarenboven ontneemt zij
aan de reeds aangebragte tinten de overvloedige kleur welke
deze mogton hebben, en verwjjdert ze daardoor eenigermate.
Wanneer de vergezigten koud en nevelachtig zijn, dan maakt
men ze met de onzijdige tint, terwijl men slechts den platten
vorm der massa\'s aangeeft. Het ultramarijn moet het laatste en
wel zeer licht worden aangelegd in deze nevelen.
Om de tusschonvakken to doodvorwen, gebruikt men eene
donkere paarsachtige tint, zamengesteld uit Berlijnsch blaauw,
carmijn
en Oostindischen inkt; maar men verdeelt deze tint in
drie schoteltjes, waarvan elk eene tint van onderscheidene sterkte
bevat, die naar de onzijdige tint helt, maar meer paarsch is dan
deze. De Engelschen hebben ze in tabletten vervaardigd, waarvan
ze een veelvuldig gebruik maken; maar deze vorm kan men ze
niet dan door water wijzigen, of wel men moet er eene grootere
hoeveelheid kleur bijvoegen waaruit zij zjjn zamengesteld, terwijl
men ze zelf makende, de schakering naar goedvinden kan wijzigen,
door meer blauw, rood of zwart. Nogtans kan de onzijdige tint
in tabletten nuttig zijn in zekere gevallen, doch hun getal is
-ocr page 64-
54
zeer bepaald; die van Newman is de beste, zij wordt verkocht
in tabletten, bekend onder den naam van neutral teint.
Met de hier bovengenoemde drie tinten, werkt men als met
de sepia, door dadelijk al de verwijderde schaduwbeelden te doen
uitkomen. Mogten er zich watervlakken in het papier bevinden,
dan bedekt men die door een boom, een struik, een vogel, eene
rots, een tak, een blad enz.
De boomen die zich op de verwijderde vakken bevinden, moeten
stout en met do verscheidenheid van vormen die hen kenschetsen,
gewerkt worden, maar men duidt ze alleen aan door eene locale
min of meer donker-paarsche tint, volgens hunnen afstand van
het oog.
De gebouwen, die zich op deze vakken bevinden, worden ook
licht en op eene kenschetsende wijze met dezelfde tinten aangelegd;
maar de digter bij zijnde en die reeds zekere details aanbieden,
moeten met eene donkerder kleur worden gedoodverwd, ten einde
aan elk vak de trapswijze kracht te geven die het van de andere
afscheidt, en die dient om aan het geheel van het schilderstuk
harmonie bij te zetten. Men moet de lichte deelen met de meeste
zorg sparen.
Vervolgens kleurt men met eene oranjetint even als die der
lucht, al de door de ondergaande zon verlichte deelen, ten einde
daaraan een weinig van de roodschijnende kleur der lucht te
geven. Deze oranjetint wordt aangelegd door elke kleur afzon-
derlijk er op te brengen, zoo als reeds gezegd is. Al de schaduw-
deelen der vergezigten moeten nevelachtig zijn, bedekt door eene
tint met blaauw gemengd, hetwelk eene wijkende kleur daarstelt.
Het water moet vooral met zorg worden behandeld. Wanneer
het stil staat, moeten de baren van afstand tot afstand door
blaauwachtige horizontaal loopende strepen worden aangeduid,
welke in donkerheid moeten toenemen, naarmate zij den voor-
grond naderen. De voorwerpen op de oevers en te midden van
het water zich bevindende, moeten ook op de oppervlakte aan-
wezig zijn, en wel het onderste boven er zich in spiegelen met de
hun eigene kleur, ofschoon minder donker, en met de naastbij-
komcnde gedaante hunner omtrekken. Er zijn echter gevallen
waarin deze voorwerpen met meer kracht zich moeten vertoonen,
dan zij wezenlijk in den dampring hebben; zoo als de boomen
op den oever van het water staande, en waarvan men het on-
derste gedeelte natuurlijk donkerder ziet dan het bovenste.
Men legt het in de verte gelegene water aan met ultramarijn
of kobalt, in de tusschonvakken met de onzijdige tint en op den
voorgrond met sepia, gemengd met Berlijnsch blaauu:
Het gedeelte, dat naast bij den horizont komt deelt in het
-ocr page 65-
55
koloriet van de lucht die er in terugkaatst. Tusscben het land,
dat het water omgeeft, en het water zelve, is er altijd eene min
of meer verlichte lijn, welke dient om het eene van het andere
af te scheiden; deze tint toont het uiteinde van de oppervlakte
des waters aan, daar waar het de aarde raakt; men moet ze
zorgvuldig sparen.
Men bevolkt het water door schuiten, schepen, zeilen enz.
maar om het grootsche aan zijn werk bij te zetten, maakt men
zoo mogelijk deze nevenzaken gansch in het klein, hetwelk zeer
aangename contrasten oplevert, mits nogtans deze soort van
voorwerpen tot de omringende in evenredigheid staan.
"Wat nu het water aangaat, waarvan de oppervlakte door he-
vigen wind of storm in beweging is gezet, hierbij worden de
golven, die vaak in de hoogte stuiven, wit en aan de uiteinden
met schuim bedekt, terwijl zjj zich in zeer onderscheidene vor-
men van de groote massa afscheiden : dikwijls bedekt een zoo-
danige golf een gedeelte der schilderij. Hoe meer zij zich ver-
wjjderen des te minder wordt hare beweging zigtbaar, en ten
laatste is zij bij den horizont om zoo te zeggen, niet meer te zien.
De loopende waters, zoo als die van eenen stroom, van eene
rivier of beek, die na eenen aanmerkehjken val op eene rots of
op boomstammen breken, worden wit van schuim, en verspreiden
in den omringenden dampkring eenen dikken nevel, die als een
fijne regen nedervalt, welken men vaak met de kleuren van den
regenboog ziet prijken.
Over het algemeen zijn de kleuren van het water in de ver-
gezigten blaauw en afwijkend, groenaehtig en donker in de meer
nabijzijnde vakken.
Het landschap gedoodverwd zijnde, begint men met de figuren,
die daaraan het leven moeten bijzetten, en hierbij houde men
zich aan hetgeen gezegd is over de wassching met sepia, maar
men gebruike alleen zuiveren Oostindischen inkt.
Alsdan onderscheidt men de verschillende terreinen door locale
paarsachtige
tinten, die ze beschaduwen.
Vervolgens verdunt men in vier verschillende schoteltjes, en
elke kleur in het bijzonder, Berlijnsch blaauw, florentijnsche lak,
Oostindischen inkt
en guttegom. Daarna maakt men door de men-
geling dezer vier kleuren een groenachtigo min of meer donkere
tint naarmate van den afstand, en hiermede kleurt men al het-
geen bosch of boom is in de tusschenvakken. Als men deze tint
aanlegt, verschoont men de lichte plaatsen, het gras, de weilan-
den, de wijngaarden, de akkervelden, en over het algemeen alles
wat geen bosch is, en hetwelk door locale en bijzondere tinten
moet gekleurd worden.
-ocr page 66-
56
Men kleurt de gebouwen naar het vak, waarin zij zich bevin-
den, men kan ze zelfs aanleggen vóór de verwijderde vakken,
om te weten welken graad van sterkte men aan deze laatste
moet geven. Tegelijkertijd geeft men de kleur der daken aan,
men tracht aan elk voorwerp de daaraan eigene tint en kleur
te geven.
Om aan de naderbijzijnde terreinen de noodige kracht te geven,
doodverwd men ze met zuiveren bruinen Oostindischen inkt, terwijl
men ze donkerder maakt hoe nader men bij de grondlijn komt.
Met dezelfde kleur schaduwt men ook eenige gedeelten van het
landschap, om de schaduwen der wolken op de aarde na te bootsen,
en eenige verlichte deelen te meer te doen uitkomen.
"Wanneer er in het eerste vak wilgenboomen staan, dan make
men eene koude groene tint met blaautcen Oostindischen inkt en
guttegom, en met deze tint toekent men locale massa\'s; daarna
doet men do verlichte massa\'s uitkomen, door ze te snijden met
eene warmere en donkerder tint, vervaardigd uit sepia en gntte-
gom.
De jonge takken, die zich van de hoofdmassa\'s afscheiden,
moeten eene groenachtige kleur hebben.
Hetgeen wij hier zeggen ten opzigte van ééne soort van boomen,
heeft betrekking tot alle boomsoorten. Wanneer men echter
massa\'s bladeren heeft, die door de zon verlicht worden, dan
spare men hunne plaats en men teekene ze naauwkeurig; waarna
men ze geel of rosachtig kleurt naar gelang van het jaargetijde.
Tot deze soort van studie raden wij het gebruik van het Pastel
aan, hetwelk men voor wrjjving zal bewaren, wanneer men het
in een stuk vloeipapier wikkelt, uit vreeze van aan de teekening
het wollige en het doorschijnende van het potlood te benemen.
Alsdan maakt men eene groene tint met guttegom, een weinig
lak of Derlijnsch blaauw, om de weilanden en al wat gras moet
voorstellen te kleuren, altijd de voorwerpen die zich er op be-
vinden verschoonende. Deze tint wordt geeler naarmate zij ver-
der van het oog verwijderd is.
Men maakt nog eene andere tint van een donkerder groen,
waarmede men de nader bij zijnde terreinen kleurt, om traps-
gewijze tot den vereischten toon te komen en er waarheid aan
bij te zetten. Men kleurt de boomen die het moeten zijn, terwijl
men de schaduwen spaart, want in de verte bieden deze schaduwen
bijna geene kleur aan. De figuren, welke op dezen afstand zijn
geplaatst, vertoonen wat het koloriet aangaat, de soort van
gelijke tinten, welke er bestaan in het vak, waar zij zich
bevinden.
Over den voorgrond. De vergezigten en de middelvakken af-
gewerkt zijnde, begint men den voorgrond van het schilderstuk,
-ocr page 67-
57
hetwelk men ook wel drevel noemt, omdat hij als het ware door
zijne kracht de vergezigten tot in den achtergrond van het land-
schap schijnt terug te drijven.
Over de hoornen. De boomstammen worden dikwijls alleen met
sepia gedoodverwd, of men mengt ze met carmijn of met Ber-
Ujnsch blaauw,
of met ynttegom of ook wel met Oostindischen inkt,
volgens den graad van warmte dien men daaraan geven wil.
Men verschoont de lichte plaatsen met veel zorgvuldigheid, en
men legt de schaduwen met stoutheid, breed en krachtig aan,
terwijl men de terugkaatsingen naauwkeurig spaart, om terstond
de uitwerking van den arbeid te kunnen zien. Om de lichte
plaatsen te sparen, bedient men zich met vrucht van den terpentijn,
zoo als wij, over de sepia handelende, gezegd hebben.
Men bootst de ruwheid, ongelijkheid en rimpeligheid der schors
na, vervolgens zoekt men de tint die er aan voegt; men legt
de sterke streken aan, men doet de stammen en takken wenden,
en somtijds plaatst men ze in de verte. Men moet er zich op
toeleggen, om de doorschijnendheid der terugkaatsingen te leeren
sparen, ten einde de voorwerpen te doen ronden.
De verscheidenheid der bladeren is talloos, naar den ouderdom,
den afstand, de soort, de verspreiding der takken, de kleur en
den vorm, eigen aan elke bladersoort in het bijzonder, volgens
het uur en de wijze waarop de zon ze verlicht. Er zijn nogtans
algemeene regelen, waarvan men nimmer mag afwijken.
1°. De vlakke tinten moeten krachtig en in eens aangelegd
worden, zonder er op terug te komen.
2°. De vorm der bladeren en takken moet zoo veel mogelijk
gevolgd worden, zonder nogtans eene slaafsche nabootsing te zijn.
3°. Naarmate de bladeren het licht nabijkomen, worden zij
door eene lichtere kleur geverwd en door een schitterender geel,
terwijl zij integendeel, die er van verwijderd zijn, zwarter groen
in de schaduw, en blaauwachtig naar de zijde der terugkaatsing
gekleurd worden.
Men legt dan de generale tint der hoofdmassa\'s van de be-
schaduwde bladeren aan, welke men licht en met kleine gedeelten
doodverwd, terwijl men terstond de vlakke tinten doet uitkomen.
Men brengt hier en daar op de takken en stammen ruigten van
bladerwerk, om den vorm eenigzins te veranderen; men leidt
de takken in alle rigtingen, den eenen ter regter-, den anderen
ter linkerzijde, eenige in de lucht, andere naar achteren en
wederom andere naar voren, doch altijd lettende op de bijzondere
eigenschap van eiken boom, zijne kleur, vorm, natuurlijken
stand enz.
Wanneer men doode of herfstbladeren wil nabootsen, dan wrijft
-ocr page 68-
58
men op het palet eene goede hoeveelheid guttegom, welke men
met gebrande terra di siena vermengt, of wel met sepia of met
indian yellow, en men neemt deze twee tinten elk afzonderlijk,
om er warme, verscheidene en zelfs donkergroene tinten van
te maken, wanneer men er Berlijnsch blaauw bij doet.
De takken worden gedoodverwd met guttegom, gemengd met
sepia, om daaraan een weinig van de kleur der bladeren die
hen bedekken, en die hare tinten daarop terugkaatsen, bij te
zetten. De jonge takken hebben eene ligte schors, en bij vele
boomen zijn zij groen.
Het onderste van den boomstam bij den wortel, moet ook hier
en daar met groenachtige toonen bedekt worden, om het mos
aan te duiden dat hen bedekt, of wel de klimmende planten die
er zich aan vasthechten, zoo als de klimop, de wjjngaardrank
enz. Alsdan spaart men de plaatsen van de bladeren dezer
planten.
Om het koloriet en de schakeringen van deze stammen te
varieëren, bedekt men ze op sommige plaatsen met eene koude
tint, bestaande uit zuiveren blaauwen Oostindischen inkt. Elders
verwarmt men ze met eene tint zamengosteld uit zuiver carmijn,
en somtijds met zuivere gebrande terra di siena. Deze tinten
van afstand tot afstand geplaatst, breken de eentoonigheid van
het koloriet af. Men kan ze met eene blaauwachtige tint afronden.
"Wanneer de massa\'s van het gebladerte wel gedoodverwd zijn,
en de stammen, het mos en de kruipende planten wel zijn uit-
gedrukt, komt men op de volgende wijze op zijn werk terug.
Men mengt sepia met Oostindischen inkt, en met een kort
penseel vol met deze tint, zuivert men de omtrekken der ver-
lichte massa\'s van het gebladerte. Men overloopt nog eens het
gebladerte met locale tinten, alsmede de takken, in het oog
houdende, dat men hier en daar kleine takken laat ontsnappen,
die zich in het overige van het gebladerte verliezen, onafhankelijk
van diegene welke bestemd zijn om de groote massa\'s te onder-
steunen; deze moet men niet te zwaar en te vol maken, doch
men late van afstand tot afstand de lucht er door henen
dringen.
De omtrekken dezer massa\'s moeten niet regelmatig zijn; maar
tallooze kleine takjes moeten langs alle kanten uitspringen, ver-
sierd met hunne groene, geele, of zwartachtig groene bladeren.
Nu behandelt men op nieuw het mos, de klimop, wijnranken
enz., die zich aan de boomen vasthechten, met eene donkere
tint, vervolgens kleurt men hunne verlichte deelen met een zoo
veel donkerder geel, naarmate het meer tot het licht nadert.
De purpertint van den wijnstok, wordt gemaakt met guttegom,
-ocr page 69-
59
carmijn en sepia, of met gebrande terra di siena, gemengd met
carmijn en guttegom of met galsteen gemengd met carmijn. De
groene boomen worden gemaakt door de menging van indigo,
terres chaudes
of guttegom, van indiaansch geel of galsteen.
Over de planten. Men teekent ze naauwkeurig en spaart ze
zorgvuldig, zoo als bij de wassching met sepia, waarna men ze
beschaduwt mot do klour die haar voegt. Men eindigt met hare
lichte plaatsen te kleuren, alsmede de terugkaatsingen, met door-
schijnende tinten die haar eigen zijn: gemeenlijk bezitten zij eene
sterke groene kleur.
Over het ivater. Somtjjds is het water op den voorgrond groen-
achtig, en moet door de schaduwen met kracht worden gedood-
verwd; deze legt men aan met eene koude tint, bestaande uit
Oostindischen inkt en Berlijnsch blaauw, somtijds uit sepia en
Berlijnsch blaamv; daarna legt men de halve tinten en do terug-
kaatsingen aan met dezelfde tint, doch meer door water verdund.
Vervolgens als alles droog is, verzacht men de lichte plaatsen
met een weinig guttegom, gemengd met lak of een weinig carmijn.
Men laat andermaal zijn werk droogen, waarna men de rotsen
en keisteenen, de planten en andere voorwerpen die er zich be-
vinden afwerkt. Eindelijk overstrijkt men de schaduwdeelen met
eene lichte tint van suikerij, hetgeen daaraan veel doorschijnend-
heid geeft, en aan het oog de begoocheling geeft der vernistoonen
bij hot schilderen met olieverw.
Over de rotsen. De rotsen moeten met kracht en stoutheid
worden gedoodverwd; men moet terstond hare spleten en hollig-
heden aanduiden. Daartoe bedient men zich met voordeel van
de warme tinten, gemaakt met sepia gemengd met carmijn, of
van koude tinten, bestaande uit Oostindischen inkt of uit sepia,
elk afzonderlijk met Berlijnsch blaauw gemengd. Somtijds gaat
men er over henen met locale en doorschijnende kleuren; somtijds
ook met zeer dikke guttegom, gemengd met carmijn of Berlijnsch
blauuw
of gebrande terra di siena. Alsdan verschoont men zorg-
vuldig, zoo als wij reeds gezegd hebben, de planten, bloemen,
kruiden en andere bijzonderheden, welke men zich voorbehoudt
later af te werken, zoo als wij hiervoren hebben aangewezen.
Dikwijls kleurt men de verlichte deelen der rotsen met eene
oranjetint, en men vernist de schaduwen met zuiveren carmijn,
in welker tint men groenachtige toonen mengt, en men over-
stnjkt alles met suikerij.
Men zorge den voorgrond wel te ontwikkelen, met daaraan
eene gepaste kracht te geven, ten einde de achterste vakken te
verwijderen. Men houde echter in het oog, dat hunne kracht
moet geëvenredigd zjjn aan den afstand der voorwerpen, die zich
-ocr page 70-
60
op den gezigteinder bevinden, ten einde in het landschap de uit-
werking en de harmonie van het geheel te behouden.
Somtijds is het verlichte deel der rotsen gekleurd met eene
lichte tint van gebrande terra di siena of van indiaansch geel ,
berlijnsch blaauw, of galsteen.
Wij kunnen het gebruik van de snikerij voor den voorgrond
niet genoeg aanbevelen. Door het gebruik daarvan komt men
trapsgewijze tot de kracht van het schilderen met olieverw, omdat
hare doorschijnendheid de middelen aan de hand geeft, om met
gemak al de schakeringen van het licht en donker te kunnen
vatten. Nogtans moet dezo kleur de laatste van alle worden
aangelegd, en niet voor dat alles droog is, dewijl zij zeer slij-
merig zijnde, de andere kleuren er niet op zouden vatten.
Over de figuren. De figuren slechts een bijkomend gedeelte
van het landschap zijnde, moeten niet zoo zorgvuldig bewerkt
worden als het overige der compositie; zij moeten do aandacht
niet boeijen, maar gaande houden. Nogtans moeten zij naauw-
keurig geteekend en voegzaam geplaatst zijn, en in de verschil-
lende houdingen voorkomen die haar voegen. Zij moeten met
kennis bewerkt worden, en het kenmerk van waarheid aanbieden,
zoo wel in soort als in houding, koloriet, gewoonten, kleeding
en plaats. Men houde vooral de fraaiheid en zuiverheid van vorm
in het oog. De verkleining harer proportien en verzachting der
tinten, moet vooral in aanmerking komen; de levendigheid der
tinten wordt grooter, naarmate zij meer den voorgrond naderen.
Over de terugkaatsingen. (reflexiën.) Bij al de voorwerpen die
zich aan onze oogen vertoonen, onderscheidt men altijd:
1°. Het verlichte gedeelte.
2°. De halve tint.
3°. De tusschen-tint.
4°. De schaduw.
5°. De terugkaatsing of reflexie.
6°. De slagschaduwen.
De terugkaatsing is tegenovergesteld aan het verlichte gedeelte,
en deelt in de kleur van het voorwerp, waartoe zij behoort,
en in die van de naastbijzijnde voorwerpen, die, door het licht
getroffen, aan haar een gedeelte terugzenden van dat zelfde
licht, hetwelk zij hebben ontvangen, gewijzigd door de haar
eigene kleur. Zoo biedt het gewelf eener brug van onderen gezien,
de terugkaatsingen aan van het licht dat in het water valt, en
verwt zich met deszelfs kleur, terwijl het door eenen hoek van
terugkaatsing gelijk aan den hoek van het invallende licht, het
water verlicht en een gedeelte van zijne kleur mededeelt.
Men zou dus de schaduwen kunnen beschouwen als de afwe-
-ocr page 71-
61
zendheid van het licht, gewijzigd door de mengeling der ver-
schillende in haren schoot teruggekaatste tinten, door de verlichte
voorwerpen die haar omgeven.
Hieruit volgt, dat men tot stelregel mag aannemen, van altijd
de schaduwen te kleuren, met een gedeelte der tint van de voor-
werpen die er het naast bij zijn. Wat de verwijderde schaduwen
aanbelangt, zij moeten deelen in de algemeene tint van het vak,
waarin zij zich bevinden. Zij nemen slechts zeer weinig kleur
aan, en naarmate zij zich van het oog verwijderen, verzwakt
hare kracht en verdwijnt ten laatste geheel. Men begrijpt dien-
volgens, dat het met do terugkaatsingen even zoo gelegen is,
omdat op dezen afstand bijna al de voorwerpen niet anders dan
door locale en nevelachtige tinten worden aangeduid.
Het is vooral door de terugkaatsingen dat men do schoonheden
van het licht en donker onderscheidt, welke daarin bestaan, dat
men al de voorwerpen in de schaduw doet ronden, en aanwijst
welke hunne natuurlijke kleur zoude zijn, wanneer zij verlicht waren.
Manier om beteekende partijen door dekverw op te halen. .Ha
gomwaterverw is eene manier van schilderen, die veel overeen-
komst heeft met de olieverw, maar waarbij men zich bedient
van kleuren toebereid met lijm of gomwater. Men zegt van deze
kleuren dat zij dekken, dat is, dat zij dik zjjn, een ligchaam
vormen
en veel ondoorschijnendheid bezitten.
Gewoonlijk zijn zij bereid in tabletten, in schoteltjes of aan
korrels in fleschjes.
Bij deze wijze van schilderen is het moeijelijk om daarmede
de harmonie te verkrijgen, als ook de zachtheid en het ineen-
smeltende van de olieverw, evenmin als de nevelachtige toonen
der gewone waterverw.
Bij de gomwaterverw beteekent men de lichte plaatsen, terwijl
ze bij het aquarel uitgespaard worden.
De grond der kleuren bij de gomwaterverw is zamengesteld
uit cromaatyeel en okers, welke men met doorschijnende kleuren
vermengt. Men bezigt het zilverwit voor zekere lichte deelen.
Ofschoon het cromaatyeel geen groote hechtheid bezit, verkiest
men het boven de oprementen, welke men geheel uit de schil-
derkunst verbannen heeft, ter oorzake van de gevaren welke zij
aanbieden, als zijnde zwaar vergift.
De Italianen gebruiken veel yomwater bij hunne waterverwen,
om meer luister te geven aan de lichte deelen op den voorgrond,
welke zij niet genoeg gespaard hebben; en om het matte bij
deze soort van schildering te verzachten, transpareren zij het
met doorschijnende kleuren, voornamelijk met yutteyom, carmijn
en Berlijnsch blaaiiw; somtijds met een mengsel dezer verwen.
-ocr page 72-
02
Om met gomwater te schilderen, wrijft men op het palet eene
goede hoeveelheid cromaatgeel of zelfs naar omstandigheden Na-
pelsch geel
met een weinig Arabisch gomwater en kandij suiker;
deze kleur mengt men met een weinig guttegom of met Berlijnsch
blaauw
of eene andere doorschijnende kleur, om tinten van ver-
schillende schakeringen te verkrijgen. Somtijds mengt men er
sepia onder.
Vervolgens doopt men in deze aldus toebereide en tamelijk
dikke verwen een penseel, en men teekent er de lichte deelen
mede, welke men niet genoegzaam heeft kunnen sparen in de
details van de eerste vakken; men laat het volmaakt droog worden
en glaseert er over henen op de volgende wijze:
Na alvorens de omtrekken der gomwaterverw te hebben aan-
gezuiverd met sepia, gemengd met doorschijnende kleuren, neemt
men als het noodig is, guttegom, Berlijnsch blaauw of carmijn,
of ook wel eene tint uit deze kleuren zamengesteld, of andere
doorschijnende kleuren, of wel eenvoudig Arabische gom- en
kandijsuiker-water,. welk laatste het opsplijten belet, en men
gaat met het platte penseel zacht over de gekleurde deelen, uit
vrees van die anders te beschadigen.
Om het geheel af te werken, komt men nogmaals op zijnen
arbeid terug, men beschouwt dien van tijd tot tijd uit de verte,
om te oordeelen over den zamenhang en de uitwerking van het
geheel. De deelen, die versterkt of wel meer opgeluisterd moeten
worden, moeten met zorg worden geretoucheerd , om meer be-
valligheid en meer uitwerking aan het stuk te geven. De kon-
trasten zijn een der zekerste middelen om daartoe te geraken.
Over de eigenlijke Dek-, Gom-, of Lijmveriven zullen wij afzon-
derlijk handelen.
Glazuur en nevelachtige toonen. Wanneer men in een landschap
dampen of nevels wil voorstellen, dan doe men zulks zoo veel
mogelijk door middel van het papier zelve, door het niet dan
met doorschijnende kleuren te dekken, en door grijsachtige tinten
aan te brengen van Oostindischen inkt, Berlijnsch blaauiv en lak.
Maar wanneer men aan eenig gedeelte te veel kracht heeft ge-
geven , kan men het verwijderen door een glazuur, bestaande
uit zilverivit, florentijnsche lak en een weinig Berlijnsch blaauw
zeer met water verdund. "Wanneer dit glazuur droog is, ver-
wijdert het de vakken, waarop het is aangebragt, aanmerkelijk.
Men kan zich ook van dit middel bedienen om eene te harde
lucht te verzachten; doch men moet er zeer karig mede zijn,
daar men anders gevaar loopt eene stijve lucht te maken. Bij
de dekverw moet men het glazuur niet bezigen, dan om zijn
werk te verzachten en er meer harmonie aan te geven. Bij het
-ocr page 73-
G3
aanleggen van het glazuur, moet men slechts weinig verw in
eens aan het penseel nemen, en met het platte kwastje zeer
zachtjes over zijn werk gaan, uit vrees van de reeds gelegde
kleuren weg te nemen.
Wanneer men eene studie in aquarel op het terrein wil maken,
dan wascht men met Oostindischen inkt en men kleurt het daarna.
Wanneer er te veel verw aan het penseel is, drukt men die
op den onderlegger uit.
§11.
OVER HET PORTRET IN WATERVERW.
Nadat men met potlood de schets op papier, over bordpapier
of op een teekenraam gespannen, naauwkeurig heeft afgewerkt,
maakt men met Oostitidischen inkt en een weinig korrellak (flo-
rentijnsche lak)
eene lichte tint, en hiermede doodverwd men de
schaduwen en al de vleeschdeelen van het portret; vervolgens
brengt men het rood aan met eene tint, zamengesteld uit lak
en vermilloen; deze tint moet echter zeer licht zijn. Daarna brengt
men over de geheele figuur, behalve over het wit der oogen en
den mond, eene met water zeer verdunde locale tint van geel oker,
doch alleen voor portretten van mannen; want voor vrouwen en
kinderen, als zijnde hunne gelaatskleur veel frisscher, gebruikt
men zeer weinig oker, maar meer voor de schaduwen en de
halve tinten, en dan nog wel in eene geringe hoeveelheid.
Vervolgens gaat men over tot de voorbereiding der linnen
voorwerpen, de schaduwen daarvan aanstrijkende met Oostin-
dischen inkt
gemengd met Berlijnsch blaauio en een weinig lak.
De achtergrond lucht zijnde, handelt men daaromtrent even
als bij de landschappen in aquarel. Zijn er wolken in, dan zorge
men daaraan een ligchaam te geven, zoodanig, dat zij door te-
genstelling van schaduw, het portret te meer doen uitkomen.
De omtrek van het haar wordt met Oostindischen inkt zeer
licht geteekend, men brengt daarover eene locale tint, met in-
achtneming altoos, dat men de lichte plaatsen grooter late dan
in het model.
De draperien worden gekleurd, na alvorens op dezelfde wijze
te zijn geschetst geworden, zonder dat men nogtans het linnen
en wat daartoe behoort aanrake: deze worden door het witte van
het papier zelve daargesteld. Bij het schetsen dezer voorwerpen
zorge men tevens den achtergrond te vormen, en al de witte
plaatsen van het papier, waar zulks noodig is, te dekken. Wan-
neer de lucht met eene onzijdige tint aangelegd is, dan over-
\'
-ocr page 74-
C4
strijke men die met eene lichte laktint, om daardoor de hardheid
der andere kleuren weg te nemen.
De vleeschdoelen droog zijnde, overstrijke men die met eene
lichte tint van lak en vermilloen, om zoodoende al hunne deelen
in een te smelten. Vervolgens gaat men over tot de oogen, den
neus, den mond, de kin en de ooren, waarna men in water
zeer verdund ultramarijn neemt en brengt de halve tinten aan,
en laat ze in het rood en in de schaduwen in een smelten; daarna
versterkt men de schaduwen en doet ze langzamerhand in het
licht of halve tinten verdwijnen. Hiertoe neemt men sepia met
een weinig carmijn vermengd, en bewerkt daarmede de scha-
duwen, verdrijvende altijd de kleuren in elkander.
Men bearbeide andermaal het haar, en bestrijke het met eene
locale tint van de aan hetzelve eigene kleur, hetwelk alles aan
het portret dat kenmerk van waarheid bijzet, waardoor het zich
moet onderscheiden.
Alvorens het hoofd af te werken, houdt men zich bezig met
aan den achtergrond de laatste hand te leggen, waarna men be-
gint te arbeiden aan de draperien, de kleederen, het linnen,
de versierselen en ander bijwerk, dat zich onder en rondom de
figuur bevindt. Om het portret af te werken, neemt men eene
krachtige tint van gebrand carmijn, waarmede men de holligheden
in het aangezigt donkerder kleurt, zoo als de neusgaten, de holte
der ooren en der oogen, de scheiding der lippen, de hoeken
van den mond, en wanneer het noodig is de slagschaduw van
den neus en die van de kin op den hals; en om het aangezigt
met de haren te verbinden, om de tinten in een te smelten en
te gelijkertijd te doen wenden, mengt men een weinig Oostin-
dischen inkt
en geel oker, en men schaduwt deze deelen met die
lichte tint.
Men moet zich vooral toeleggen op het verdrijven der tinten
in elkander, en iedere tint op hare plaats brengen.
Men overstrijke nog eens het rood, dat zich op het dikke der
wangen bevindt, alsmede boven de wenkbrauwen, op het punt
van den neus, op de spits der kin, op de lippen en op de ooren,
waarna men de haren afwerkt, ze des noods met een weinig
gomwaterverw bestrjjkende.
Alsdan overzie men zjjn geheele werk, waaraan men pointe-
rende of arserende de laatste hand legt, naar den smaak of de
gewoonte van hem die werkt. Op deze wijze verkrijgt men de
kracht van het schilderen met olieverw.
Sommigen bepalen zich bij het maken hunner schets met eene
zilveren naald op perkament of dik papier, bedekt met eene
zeer lichte lijmstof, en eindigen hunne schaduwen en draperien
-ocr page 75-
G3
met deze naald, en somtijds met een hard potlood, en vorgenoe-
gen zich vervolgens met het kleuren hunner teekening met eene
locale tint. Zij gebruiken het radeermes om de gebreken en on-
regelmatigheden van hunnen arbeid te herstellen. Deze methode
is fraai, ligt en zeer eenvoudig, maar zij vordert veel oefening.
Anderen maken hunne figuur met sepia, en de kleederen en
andere nevonzaken in aquarel.
Al deze methoden zijn aangenaam, wanneer zij door personen
van kunde worden aangewend, maar zij behooren eigenlijk niet
tot het aquarel: dit is een bijzonder genre.
Vele schilders nemen, uit vrees van hun model door te lange
zittingen te vermoejjen, eerst met het pastel, het aangozigt en
de schets der kleeding van het portret op, vervolgens plaatsen
zij deze versierselen op eene pop en schilderen ze dan op hun
gemak. Op deze wijze hebben zjj meer tijd om al deze voorwer-
pen af te werken, welke moejjeljjk te treffen zijn bij eene zitting
van het model.
OVER HET ENCADREREN OF OPZETTEN VAN TEEKENINGEN.
Het is een algemeene regel, dat men de lijst van zijne teeke-
ning nooit mag wit laten, wanneer deze met sepia bewerkt is,
omdat het wit de oogen verblindt en vermoeit, en dezelve de
vereischte geschiktheid ontneemt, om over het geheel en de do-
tails van het stuk met genoegen te kunnen weiden. Wanneer
gij integendeel uw werk op een opzetpapier van eene sombere
of minder heldere tint dan het witte plaatst, dan rust het oog
en ontvouwt met genoegen de schoonheden van het landschap;
de verlichte deelen vertoonen zich schitterender, de schaduwen
donkerder en uit deze tegenstelling wordt do harmonie van het
geheel geboren.
Wat de teekeningen in aquarel aanbelangt, voor deze moet
men de kleur van het opzetpapier zoeken in het hoofdkarakter
en het koloriet van het stuk. Alen vermijdt vooral de kleuren
welke stuiten op de heerschendo kleur der teekening. Dus neemt
men voor een licht of met weinig kleur beladen aquarel, een
donker opzetpapier, waardoor het uitkomt, en wanneer het aqu-
arel donker is, plaatst men het op eenen lichten achtergrond
waardoor het zijn effect verkrijgt.
Sommigen bezigen de onzijdige tint naar hun welgevallen ge-
wijzigd; anderen maken in oen schoteltje eene dikke tint, welke
grijsachtig is, en waarin geel en wit gedaan wordt.
Men zet eene teekening op, door de achter-bovenkant met
mondlijm sterk te bevochtigen, waarna men deze belijmde zijde
5
-ocr page 76-
GO
op het opzetpapier legt, en nadat men er eene schoone reep pa-
pier opgelegd heeft, met den vinger of hand sterk op drukt om
de teekening goed te doen hechten, waarna men er een liniaal
met eenig gewigt op plaatst, en deze er eenigen tijd op laat tot
de lijm droog genoeg is: vervolgens kan men tot versiering
eenige lijnon in het vierkant om de teekening trekken, met
Oostindischen inkt en eene trekpen.
In de teekenwinkels verkoopt men fleschjes met Liquid cement,
een Engelsch voortbrengsel voor het opzetten van teekeningen,
in plaats van mondlijm, doch beide voortbrengsels zijn echter
even goed geschikt tot dit oogmerk.
Men hecht den bovenkant alleen vast aan het opzetpapier, om
het overige der teekening geheel vrij te laten, voor de werking
van het weder, waardoor de teekening altijd vlak blijft. Tot be-
houd der teekening is het opzetten zeer doelmatig, dewijl de-
zelve in de behandeling niets lijdt, door het aanvatten der vin-
gers, en de tint van hot opzetpapier de teekening moet doen uit-
komen, Men kan de al te geele tint van het gekochte opzetpa-
pier matigen , door er koffijwater met een weinig bruinen Oost-
indhchen inkt
vermengd, met eene fijne spons over te strijken.
OVER DE BLOEMEN ES VRUCHTEN.
Het palet der bloemen bestaat uit de meeste miniatuurkleu-
ren; bij hare rangschikking volgt men mede de orde ter toon-
verzachting; zoo plaatst men na het zilverwit van de regter naar
de linkerhand de geele kleuren, waaronder men de guttegom
moet opnemen, die menigvuldig gebruikt wordt.
Vervolgens neemt men het rood, beginnende met de menie,
hetwelk voor het schilderen van bloemen onmisbaar is, en dat
men nogtans beter diende te vervangen door het orangé mars.
Het cochenieljecarmijn neemt ook zijne plaats na het floren-
tijnsche, wanneer er krachtige stukken moeten vervaardigd
worden, die van den invloed van het licht niets te duchten
hebben.
De geele lak uit de wouw getrokken, is mede van algemeen
gebruik, daarna komen het ultramarijn, de kobalt, de indigo,
het mineraal- en kobaltgeel; en eindelijk de gebrande terra di
siena, het bruin pink, bister, de sepia, het paarsch- en gebrand
carmijn. Vervolgens de Oostindische inkt, welken men verkiest
boven de zamenvoegiiig in den hoogsten graad van de guttegom,
carmijn en Berlijnsch blaauw, omdat deze dikwijls eene korrelige
mengeling vormt; de Oostindische inkt kan naar het blaauw of
naar het rosachtige hellen; men verwarmt den eersten door
-ocr page 77-
67
carmijn, men tempert den tweeden met een weinig lak en blaauw.
Voor de verdunde tinten maakt men gebruik van schoteltjes;
eenige schilders bereiden zelfs de verschillende toonen van dezelfde
bloera in even zoo veel schoteltjes, alvorens aan het werk te
gaan. Deze voorzorg is goed voor de doodverwen naar de na-
tuur, waarbij men den tijd niet te veel kan uitzuinigen; daarbij
is het ook zeer noodzakelijk dat men zijne tinten niet te zeer
verdunt; het overvloedige water heeft vele nadeelen, waarvan
het eerste is, dat het meer tijd vordert om uit te dampen en
te droogen, alvorens men er eene tweede tint kan overbrengen.
Men gebruikt aan iederen kant van de penseel schacht een
penseel, schuivende het eene penseel in de schacht der andere;
zij moeten van drie of vier verschillende dikten zijn, maar op
hetzelfde schachtje passen, en de dikste bijna van dezelfde
schachtdikte, ten einde de wending in de hand gemakkelijker
te maken; de eene van de twee, dient om de kleuren te nemen,
de tinten te vormen en ze op het papier te brengen; de andere,
met water bevochtigd, dient om deze tinten te verzachten, het
zij met er over henen te gaan, wanneer zij gewasschen zijn, het
zij met de omtrekken te bevochtigen, waardoor zij zich lang-
zamerhand laten verdrijven. Wanneer men het papier al te
vochtig maakt, dan zal de tint in plaats van zich er in te ver-
drijven, onregelmatig voortloopen; de oefening kan alleen aan-
wijzen, welken graad van vochtigheid men aan het papier moet
geven, om de tinten goed te verdrijven.
In de vorige eeuw schilderde men de bloemen gewoonlijk op
perkement, en de verzameling der perkementen van het museum
van natuurlijke historie
te Parijs, is een merkwaardig gedenkstuk
van deze methode, die hulp van de dekverw ontleende. Men
gebruikt nog het perkement voor de compositien of bloemen
van kleinen omvang, en die naauwkeurig moeten geteekend
worden.
Het papier echter is meer algemeen in gebruik; het velijn
papier van Wise en Whatman wordt thans voorgetrokken, omdat
het glad van nerf en stevig is. Men spant het op bordpapier
of op het teekenraam.
Daar het een hoofdvereischte is, dat men de juiste toonen
treft, kiest men tot onderlegger een gedeelte van het papier,
waarop men schildert en beproeve daarop de tinten. Dit is het
zekerste middel om zich van de overeenstemming der toonen
met de natuurlijke tinten te overtuigen, of met de kleur van
zijn model.
De teekening der bloemen geschiedt met het potlood conté
zacht N°. 2, daarna wischt men de potloodlijn bijna geheel uit
-ocr page 78-
68
met zeemleder, om ze daarna met een harder potlood, of één
van Erookman B over te halen.
Deze twee bewerkingen moeten met genoegzame lichtheid ge-
schieden, om het papier niet te bemorsen of van zijne nerf te
berooven ; ook moet men, met het tweede potlood niet zoo sterk
drukken, dat men er strepen in maakt, waardoor gekleurde
trekken zouden ontstaan wanneer men er later over heen wascht.
De leerling wachte zich van te langen tijd gegraveerde modellen
te kopieeren ; hij zou daardoor ten laatste eene eentoonigo drooge
bewerking aannemen, eene onbevallige stijve manier, omdat de
meeste gegraveerde bloemplaten eerst met stipjes geschaduwd
en door eene trek ondersteunt, met eene algemeene kleur en in
eenen lichten toon gedrukt zijnde, er niets anders meer aan te
doen is, dan ze met locale tinten te kleuren, zoodanig dat zij
slechts eenige krachtige trekken meer noodig hebben.
Om dezelfde uitwerking te bekomen, diende men ook de proef
te nemen met onzijdige tinten, zamengesteld uit lak, blaauw
en Oostindischen inkt; maar deze methode met de wassching
overeenkomende, omdat zij slechts eene soort van kleuring is,
en eene aan het aquarel geheel tegenovergestelde handelwijze
kan doen aannemen, waarbij de meeste min of meer verdunde
kleuren de lichte plaatsen, de halve tinten en zelfs de schadu-
wen die daaraan eigen zijn voortbrengen, is te eenemaal te
verwerpen.
Men kan zich behalve eenige verhandelingen over de natuur-
lijke geschiedenis der bloemen , met platen voorzien, ook nog,
en wel bij voorkeur eenige handteekeningen aanschaffen uit de
school van Van Spaendonck, Van Dael, Brienne en Redoute.
In Nederland van Offermans, Weiss, Van Os en andere meesters,
van vroeger en later tijd.
Eene naauwkeurige beoefening daarvan, zal den leerling met
de behandeling bekend maken en hun weldra gewennen aan een
doelmatige, zachte en gemakkelijke behandeling. Dunheid is in
de bloemen eene der grootste vereischten.
Genoegzame vastheid verkregen hebbende in het teekenen
naar geteekende en gedrukte modellen, moet men naar de natuur
toekenen, als zijnde dit het eenigste middel om grooter bekwaam-
heden te verkrijgen; daar ziet men alles in zijne ware schoon-
heid, kracht en uitwerking; dunheid van bloemen en bladeren,
uitvoerigheid en heerlijke kleuren, zoo onnavolgbaar voor het
penseel; deze beoefening is steeds opwekkend, levendig, verschaft
altijd vermaak, en weegt op tegen de moeijehjkheden hieraan
verbonden. De voortbrengsels naar de natuur zijn bij eene goede
behandeling ook de eenige teekeningen welke bijzondere waarde
-ocr page 79-
09
hebben, en welke de talenten doen kennen, in al hunne ver-
scheidenheden en waarde.
Tot het teekenen naar natuurlijke voorwerpen willen wij in
het algemeen aanmerken, dat men eene kamer moet hebben met
een raam, uitziende naar het Noorden; zijn er meer ramen, dan
bedekt men dezelve, daar het licht gemeenlijk te laag valt op
de voorwerpen bij de gewone verlichting, zoo bedekt men het
raam onderaan met eenigo bordpapieren of schermen van geen
al te donkere kleur, zoodanig dat het licht met een hoek van
45 graden op de voorwerpen valt, welke zoo geplaatst worden,
dat het licht er nooit achter schijnt, maar schuins van voren
opvalt. Dit geeft het schilderachtigst licht, gepaard met groote
kracht in de schaduw, en is een volstrekt vereischte welke alle
kundige beoefenaars in acht nemen.
De eerste proeven en studiën worden op het papier gemaakt,
omdat het boven het perkement het voordeel bezit dat men
daarop meer tinten over elkander kan wasschen.
Op het perkement heeft de kleur meer glans; doch de dood-
verw moet donkerder worden aangelegd; elk harer toonen moet
met het model dadelijk overeenstemmen , zonder dat het noodig
zij anders dan met arseeringen daarop terug te komen, omdat
eene tweede tint de eerste welker toon men zou willen versterken,
wegnemen zoude.
Wel beschouwd, kan men bij de meeste bloemen den modeltoon
verkrijgen, door eene meer of mindere dikte der locale tint. De
verzachting eener kleur staat gelijk met eene wijziging door
middel van meer of minder wit, waarvan het papier de uit-
werking doet, door de tint meer of min te doen doorschijnen.
Bij andere bloemen eischt de schaduw behalve de donkere
locale tint, de hulp van andere vereenigde kleuren, zoo als het
bruin, het blaauw, het rood enz.
Bij de behandeling der waterverw zal men dus nooit de drie
oorspronkelijke kleuren uit het oog verliezen, door ze in het
oneindige te wijzigen; door meer of minder water, kan men de
voorwerpen waarvan zij den localen toon vormen, nabootsen,
zonder andere kleuren, ten zij hoogst zeldzaam te moeten bezigen.
Het goudgeel, het krap carmijn en het ultramarijn, zullen de
basis zijn, der drie oorspronkelijke kleuren.
-ocr page 80-
70
§ I.
GEELE TINTEN.
De lichte plaatsen kunnen gemaakt worden met guttegom met
Indiaansen of chromaatgeel, volgens den groenachtigen of goud-
gelen toon; de halve tinten met geel oker; de schaduwen met
er een weinig rood, sepia of bister bij te voegen; men kan het
donkerste gedeelte met eene lichte tint van gebrande terra di
seina overstrijken.
§ IL
GROENE TINTEN.
Bladeren, stelen, kelken, enz. Voor al de groene deelen der
bloemen kan men het mineraalgroen bezigen, alsmede de kobalt;
doch de mengsels verdienen de voorkeur: deze kan men tot in
het oneindige variëren, door ze zamen te stollen uit Berlijnsch
blaauw, indigo, gele lak, Indiaansch geel en guttegom. Dit groen
zal te levendiger zjjn naarmate men een of ander gedeelte der
menging den boventoon geeft.
Het Berlijnsch blaauw, de guttegom of het chromaatgeel,
zijn de meest algomeene grondstoffen voor het groen; het ultra-
marijn en de kobalt, geven meer schitterende en fijner toonen.
Men verdooft het groen door een weinig carmijn, men maakt
het donkerder met indigo, en geheel donker met sepia of Oost-
indischen inkt.
Wat het gebrand groen aanbelangt, dit kan men hard genoeg
maken, en het, wanneer het goed droog is, met gecalcineerde
terra di siena overstrijken.
Ten einde het groen harmonieus zij, en niet die hardheid
vertoone, welke den onkundigen zoo zeer misleidt, als zij aan
het oog van den kunstenaar onaangenaam is, zal het goed zijn,
dat men er altijd iets van het rood van het palet bij voege, de
menie uitgezonderd.
§ UI.
ROODE TINTEN.
De florentjjnsche lak en het carmijn min of meer met water
verdund, geven eene menigte roode toonen die in het oneindige
variëren.
-ocr page 81-
71
De menie, ondanks zijne slechte hoedanigheden tot hiertoe
onmisbaar voor de oranjetoonen, kan somtijds vervangen worden
door eene behandeling welke de gewoonte alleen doet slagen.
Men wascht met eene tint van vrij sterk gekleurde guttegom
de oranjebloem, en wanneer deze eerste tint geheel droog is,
legt men er eene tweede boven op, bestaande uit florentijnsche
lak; de oefening alleen moet de hoeveelheid en dikte dezer twee
kleuren leeren kennen, die te zamengevoegd zijnde, een frisscher
toon voortbrengen dan men verkregen zou hebben door geel en
lak met elkander te vermengen.
De minste vermenging van het oranjerood, doet zijnen glans
en frischheid verdwijnen, niet dan zeer voorzigtig schaduwt men
de somberste deelen met bruin gemengd mot lak, en ongemerkt
in de halve tinten verdreven. Men kan ook gebruik maken van
oranjechromaat.
§ IV.
BLAAUWE EN PAARSCHE TINTEN.
Voor de eerste wanneer zij licht zijn, verkiest men ultramarijn,
hetwelk meer fijnheid en glans aan de bloemen geeft; bij gebrek
van dien, bezigt men kobalt, voor de lichte deelen of die nabij
den dag komen.
Beide dit blaauw heeft ook de voorkeur in de halve tinten en
de terugkaatsingen, waaraan zij doorschijnendheid geven.
Het Berlijnsch blaauw en de indigo zijn voor de schaduwen
en de mengingen. Men wijzigt hunne te eenzelvige tint door
een weinig lak of Oostindischen inkt.
Het carmijn lak en de kobalt geven toonen van een zuiver paars.
"Wanneer men het een of het ander den boventoon geeft, dan
verkrijgt men een roodachtig of blaauwachtig paars. Een weinigje
Oostindischen inkt en geel, dient om de te groote hardheid der
schaduwen van het paars weg te nemen.
§ V.
ZWARTE EN WITTE BLOEMEN.
Zij zijn moeijelijker te bewerken dan de hier voorgaande toonen.
De eerste worden behandeld door water ligt gekleurd met
kobalt of ultramarijn, gemengd mot Oostindischen inkt en een
•weinig lak. Deze tint nogmaals verdund, vormt de halve tinten,
men doet er een weinig meer Oostindischen inkt bij voor de
-ocr page 82-
72
sterkste schaduwen. De grootste moeijehjkheid is, om deze grijze
blaauwachtige weinig handelbare tint ongevoelig in het licht te
verdrijven. Eertijds dekte men de geheele bloera met eene lichte
wassching van zilverwit, en men arbeidde met de grijsachtige
tinten, terwijl men het licht en de verlichte details met zuiver
wit ophelderde.
De zwarte bloemen zijn weinig in gebruik; voor de meeste
zal het voldoende zijn ultramarijn of lak met Oostindischen inkt
zinnen te voegen, naarmate de toon naar het blaauwe of het
rosse overhelt.
DOODVERW OF AANLEG.
De doodverw van alle kleuren moet door zeer zuivere en zeer
juiste tinten worden aangebragt. De helderste toon der bloem,
wanneer deze niet zuiver schitterend is, moet tot maatstaf dienen
van de eerste locale tint. Bij de bloemen van verschillende
verwen, begint men altijd met hare lichte deelen het eerst te
kleuren.
Men doodverwt ook nog door middel van de onzijdige tint.
Deze methode is wel beschouwd, niets anders dan eene minder
volmaakte manier van kleuren, ook gebruikt men hiertoe wel
bruinen of blaauwen Oostindischen inkt.
De eerste locale tint kan bij de eenkleurige bloemen over de
geheele bloem gebragt worden; eene tweede tint welke men over
het gedeelte der halve tint aanlegt, wordt over do schaduwen
en de terugkaatsingen aangebragt; eene derde en zelfs eene vierde
en vijfde tint, welke nog zwaarder zijn, dienen om don toon der
beschaduwde deelen te versterken. Door deze wijze van doen,
kan men eene groote doorschijnondheid erlangen, en er zal geene
kracht ontbreken wanneer men andermaal op deze tinten terug
komt, door middel van arseeringen, met. behulp van dezelfde
meer donkere toonen.
Zoowel bij het doodverwen als bij het eigenlijke opwerken,
moet men het penseel dikwijls in de hand omkeeren, om door
dat penseel hetwelk slechts met zuiver water bevochtigd is, de
eene tint in eene andere te verdrijven, of zelfs in de lichte
plaatsen, of in de aangevulde middelpunten die het licht ont-
vangen. Wij hebben elders gezegd, dat men het penseel niet al
te zeer mag indoopen, ten einde het papier niet te sterk te
bevochtigen, en de kleur te doen vloeijen.
-ocr page 83-
73
OVER EENIQE BLOEMEN IN HET BIJZONDER.
Indien men in al de détails der bewerking van elke bloem,
waarvan hier spraak is, treden wilde, dan zoude men eenen
arbeid ondernemen, welke dit ons bestek geenszins gedoogt,
en die op zich zelve reeds eenc geheele verhandeling zou daar-
stellen. De grootste moeijelijkheid der eorstbeginnenden bestaat
in het zoeken der toonen. Wij zullen ons bepalen met zoo beknopt
mogeljjk de kleuren op te geven, waardoor men ze kan verkrijgen,
terwijl wij den leerling aanraden om hetgeen wij over het (jroen
gezegd hebben te raadplegen , wanneer er gehandeld wordt van
bladeren, stelen en takken, waarover wij niet telkens op nieuw
zullen spreken in de volgende artikels.
Althaea. Deze is eene der gemakkelijkste bloemen om te
teekenen en te schilderen, men kan even als voor die welke
meer zamcngesteld zijn, de lijn met het penseel overhalen; ver-
volgens wascht men door eene algemeene grijsachtige tint van
kobalt en een weinig Oostindischen inkt of lak. Deze zelfde tint
minder waterig en meer door inkt en lak verdikt, dient om de
schaduwen te maken. Het carmijn zal de streepen kleuren, en
de stamper der kelkjes eerst door een zeer verdund guttegom-
water gewasschen, wordt met gebrande Italiaansche aarde en
sepia beschaduwd, ten einde de schaduw harer rimpeligheid na
te bootsen.
Klaproos. De blaauwe eischen eene algemeene tint van kobalt
met een weinig carmijn; het Berlijnsch blaauw met carmijn ver-
mengd is iets donkerder en dient voor de halve tinten en de
schaduwen. De gespaarde lichte plaatsen worden mot eene lichte
tint van ultramarijn gewasschen.
De roodo klaprozen wascht men met eene algemeene tint van
carmijn, gewijzigd door een weinig kobalt voor de halve tinten.
Deze zelfde tint eenigzins donkerder gemaakt, dient voor de
schaduwen welke men gedeelteljjk overstrjjkt met gebrand paars.
De vezeltjes te klein en te talrijk zijnde om gespaard te kunnen
worden, worden met het radeermes en met gom aangeduid, of
wat nog verkieslijker is, met zilverwit en gomwater uitgedrukt.
Blaauwe korenbloem. Hetgeen wij over de blaauwe toonen
sprekende gezegd hebben, moet voldoende zijn om de wjjze van
behandeling aan de hand te geven.
Ciclamen. Alvorens de algemeene tint er over te brengen moet
zij naauwkeurig omschreven worden; deze algemeene tint bestaat
uit carmijn en een weinig ultramarijn of kobalt. Deze zelfde tint
hoe langer zoo donkerder wordende, geeft de toonen aan van
de schaduwen, de terugkaatsingen moet men uitsparen.
-ocr page 84-
74
Cobcea. Even als bij alle bloemen moet men bij deze de lichte
hoeken uitsparen, terwijl men de locale tint zamengesteld uit
kobalt, of liever uit ultramarijn er over henen legt.
De halve tinten worden als dan met kobalt blaauw en carmijn
aangelegd.
De ultramarijn kan bij de schaduwtoonen het kobalt vervangen.
Dahlia. De guttegom dient om de schijf te kleuren, de bruin-
oker voor de schaduwen en de sepia om de ongelijkheden .aan
te duiden. Het carmijn krap overgetrokken met cochenille carmijn
moet den algemeenen toon geven, voor de schaduwen voegt
men er gebrand carmijn bij.
Violieren. Bij de geele violieren zal men zoo veel mogelijk het
blad uitsparen; de lichtste locale tint wordt met guttegom aan-
gelegd, de halve tinten worden met Indiaansch- of chromaatgeel
opgehaald; do goudgeele schaduwtoonen worden gemaakt door
terra di siena en zelfs door lak.
De lak en het carmijn met water verdund, geven de locale
lichttint van de roode violier; donkerder gemengd zal zij dienen
om de halve tinten daar te stellen; de holligheden en half ge-
slotene bloemen vorderen van Dijks bruin en sepia.
Voor de mengelingen der imursche violieren gebruike men
ultramarijn of kobalt.
Granaat. Men doodverwt ze met eenen algemeenen toon van
zuivere menie, donkerder dient het om de halve tinten aan te
brengen, en voor de schaduwtinten voegt men er carmijn bij.
Dit laatste mengsel moet zeer zuiver zijn, en niet karig toebereid
of gebezigd worden. De minste wrijving zou er den glans aan
ontrooven, welken nog door het van Dijks bruin en de sepia
zal worden opgeluisterd, wanneer men het midden der schaduwen
hier mede aanzet. De prikkels kunnen met donker oranje en
de stelen met van Dijks bruin, bister of met sepia voltooid
worden.
Iris. Lichte locale tint: kobalt en een weinig lak.
Halve tinten: deze toon een weinig meer gekleurd.
Schaduwen: deze toon door Oostindischen inkt verdonkerd,
of liever zamengesteld uit ultramarijn, lak en Oostindischen inkt.
Bij do Persische Iris zal men de lichte plaatsen uitsparen,
terwijl men teekent door middel van eene algemeene grijsachtige
tint uit kobalt en een weinig lak.
De bladeren worden met mineraalgroen gekleurd; het onderste
gedeelte met guttegom, en de mengelingen met Indiaansch geel,
beschaduwd door bruin oker.
Het kelkje vereischt eene meer donkere tint van kobalt of
ultramarijn; dit laatste wordt ook gebezigd in de mengelingen
-ocr page 85-
75
der halve tinten en de indigo in die der schaduwen, zijnde zij
overigens beide zamengesteld uit lak en Oostindisehen inkt.
Tijdeloozen. De locale tint wordt bereid uit guttegom of liever
Indiaansch geel; men schaduwt met bruin oker en zelfs met
sepia. De bruin oker kan dienen om de holligheden aan te vullen;
eenig glazuur van terra di siena geeft meer warmte aan de
gulden toonen dezer bloem.
Laurier-roos. Men gebruikt voor de algemeene tint de zeer
verdunde florentijnsche lak; terwijl men dezelfde tint meer ver-
donkerd voor de halve tinten bezigt, met er een weinig ultra-
marijn of kobalt bij te voegen. De schaduw wordt aangelegd
met carmijnkrap en opgehaald mot gebrand carmijn.
Seringen. Deze bloem vordert eene wel omschrevene teeke-
ning; alvorens men ze begint te schilderen zal men de trekken
met een verdund water van kobalt of ultramarijn overhalen.
Vervolgens zal men voorzigtig de locale tint van lak en ultra-
manjn aanleggen, terwijl men altijd de lichte plaatsen uitspaart.
Het goudgeel, carmijnkrap, kobalt, gebrand paars en het van
Dijks bruin, zijn de kleuren welke men achtervolgens gebruikt
door meer of min verdonkerde toonen. Deze bloem is door ha-
ren pyramidalen vorm, eene der vleijendste in de ruikers en
tuiltjes.
Lelie. Even als bij alle witkleurige bloemen, spaart men de
lichte plaatsen, terwijl men met min of meer door kobalt ge-
kleurd water, onder bijvoeging van Oostindisehen inkt voor de
schaduwen en halve tinten deze bloem behandelt.
Het chromaatgeel dient om het onderste gedeelte te kleuren.
Het goudgeel geeft den toon aan der vezeltjes; terwijl de geele
oker er de zachtheid aan geeft.
Men kan schaduwen met sepia, en met terra di siena het gla-
zuur er over brengen.
Narcissen. De ivitte of Constantinopolitaansche narcissen kan
men even als de voorgaande aanleggen. Men kan den lichten
toon van kobalt maken met een weinig guttegom, en het blaauwe
in de schaduwen versterken.
De geele narcis wordt even als de tijdeloozen aangelegd. De
guttegom dient voor de binnenste bladertjes, de bruin oker dient
om ze te beschaduwen, en geeft er den juisten toon aan. De
buitenste bladeren worden met norentij nschen lak gekleurd, wat
de lichte plaatsen betreft; maar worden door carmijn en Ber-
lijnsch blaauw zamengevocgd, beschaduwd.
Anjelieren. De anjelieren vorderen ook ter oorzake harer ge-
korvenheid eene naauwkeurige teekening, om geene misslagen
te begaan bij het plaatsen der tinten, en daardoor een tijdver»
-ocr page 86-
7G
lies te besparen, hetwelk anders door herzieningen en verbete-
ringen ontstaan zou.
Bij de anjelieren volge men de bewerking in § V opgegeven.
Do Indische anjelier wordt gedoodvcrwd met eene locale tint
van guttegom, die vrij sterk moet zijn; men kan schaduwen met
bruin oker en oranje; de mengelingen vorderen carmijn, en in
de schaduwen zal men een weinig van Dijks bruin gebruiken.
Het lichte carmijn in water verdund, zal de locale tint daar-
stellen van de roode anjelier, terwijl men do lichte plaatsen uit-
spaart. Het meer donkere carmijn, en zelfs door bister of paars
versterkt, dient om de bloem te vormen. — Hetgeen wij § IV
gezegd hebben zal voldoende zijn voor de paarsche anjelieren.
Oranje-boom (bloem en vrucht.) Aangaande de bloem raadpleegt
men § V. Voor de vrucht bereidt men eene frissche tint uit
guttegom en menie, waarmede men ze geheel bedekt, uitgezon-
derd de lichte plaatsen. Voor de halve tinten voegt men er meer
menie bij, of bezigt het zelfs enkel, en voor de schaduwen mengt
men het met van Dijks bruin. Door den arbeid moet men zoo
veel mogelijk de ruwe schil dezer vrucht nabootsen, zijnde deze
eene der moeijolijkste om in waterverw te schilderen.
Auricula. Haar witachtig gedeelte legt men aan even als wij
bij de lelie gezegd hebben.
De geele wordt met gecle lak gekleurd maar niet te donker:
men gebruikt dezelfde kleur met lak en sepia vermengd, voor
de halve tinten, de terugkaatsingen en de schaduwen.
De paarsche band, eischt florentijnsche lak en Berlijnsch blaauw
of liever kobalt, wrelken men met gebrand carmijn overhaalt;
hoe minder deze kleuren gegomd zijn, zoo veel te meer geven
zij de zachtheid en fluweelheid dezer fraaije bloem te kennen.
Driekleurige Violetbloem. Het kelkje en de bladeren worden
mot guttegom gekleurd; de florentijnsche lak en het kobaltblaauw
geven de violettoonen aan; deze tint, geheel versch toebereid,
moet niet karig op hot papier gebragt worden, de wrijving zou
haar de fluweelheid benemen ; men haalt don toon op met indigo.
De Oostindische inkt vermengd met lak en kobalt, dient om
de zwarte aderen te trekken, welke de geele bladeren snijden.
Sleutelbloem. De carmijnkrap geeft den localen toon; een wei-
nig kobalt met carmijn vermengd zal dienen voor de halve tin-
ten ; en voor de schaduwen voegt men bij dit laatste violet of
van Dijks bruin.
Het kolkje wordt geschilderd met guttegom en beschaduwd
met geel oker, of bruinoker en gebrande terra di siena.
Renonkels. De meeste renonkels hebben te zeer geheele too-
nen, dan dat de leerling ze niet zelf zou kunnen zamenstellen.
-ocr page 87-
77
Hozen. Het werk door den Heer Redoute over de rozen in het
licht gegeven, kan alleen een denkbeeld geven van hare talrijke
verscheidenheid.
.Eerst zullen wij spreken over de honderdbladerige roos, dewijl
zij gewoonlijk als middelstuk in de bloem compositien wordt op-
gevoerd.
Men moet hierbij de lichte plaatsen zorgvuldig uitsparen, of
ze slechts met een zeer geelachtig water kleuren, of groonachtig
of met eene zwakke tint van carmijn krap.
Een donkerder carmjjn-water zal voor de halve tinten dienen,
en meer verdikt, zal het gebezigd worden om de schaduwen aan
te leggen, alsmede den arbeid van het hart der bloem en de
tusschenbladeren, welke men kan overhalen op de schaduwrjjk-
ste plaatsen met cochenille carmijn. Men bezigt het zeer lichte
kobalt om de bloem op nieuw te behandelen, terwijl men de
halve tinten glazeert, als ook de golvingen der bladeren; de
schaduwen zal men met gebrand carmijn aanleggen, vooral die
der breedste bladeren, en van die welke uitwendig den kelk be-
kleedon.
De knoppen vorderen dezelfde tinten, meer gekleurd of z\\vak-
ker, naarmate zij tot meer of mindere rijpheid gekomen zijn.
"Wat de Witte roos en de roos zonder ivederga aangaat, hier-
omtrent zie men wat van de lelie gezegd is; de knop wordt ge-
schilderd even als die van de vorige roos, doch altijd met miu-
der uitgedrukte toonen, en voor die van eene andere kleur, het-
geen wij gezegd hebben van de voornaamste toonen in den be-
ginne dezer verhandeling.
De klaproos aangelegd met menie en carmijn vordert guttegom
of goudgeel voor den buitenkant harer bladeren; het lak en het
van Dijks bruin kunnen de schaduwen vormen; het blad veel
kleiner dan bij de vorige, wordt gekleurd met ultramarijn, don-
ker gemaakt door indigo in de schaduwen.
Soucis. Men raadplege voor hare tinten, hetgeen wij over de
oranjetoonen § III gezegd hebben.
Tulpen. Deze zijn zeer verscheiden, en zoo als men juist heeft
opgemerkt, zijn er weinige die niet al de kleuren van het palet
aanbieden, en zelfs de toonen welke eene vermenging dezer kleu-
ren onder elkander zoude voortbrengen. Eene verscheidenheid
van tinten, gevoegd bij de ranke gestalte en de vaasvormige ge-
daante der bloem maakt hare schoonheid uit.
Om den vorm der vlammen niet te verliezen moet de potlood-
streep met het penseel worden overgehaald, ten minste op de
randen der krachtige tinten.
Men begint met zeer verdunde gekleurde tinten de vlakke of
-ocr page 88-
78
lichte deelen te wasschen, en men zorgt den rand met een voch-
tig penseel te verzachten; vervolgens schildert men trapsgewijze
de donkerste toonen, bewarende de allerdonkerste en krachtigste
tot op het laatst. De doodverw eenmaal aangebragt zijnde, over-
haalt men eiken toon met ecne minder verdunde kleur, en men
eindigt met door arseeringen te werken, om de vezels na te
bootsen en met altijd de evenwijdigheid in het oog te houden.
Wat de witte tulpen aanbelangt, men herinnere zich de wijze
om de Iris en de lelie voor te bereiden.
De geele tul}) wordt met goudgeel aangelegd; men maakt de
halve tinten donkerder door er geel of bruin oker bij te voegen;
het met sepia vermengende dient het ook voor de schaduwen.
De roode mengelingen worden met eene tint van vermilloen en
carmijn aangelegd; zij moeten dik geschilderd worden, en de
randen moeten genoegzaam uiteengedreven zijn om geene naden
te laten, en nogtans met juistheid op het geel afsnijden.
Viooltje. De locale toon wordt aangelegd met kobalt en floren-
tijnschen lak, men kan het in het licht verdrijven. Voor de
halve tinten en de schaduwen mengt men bij voorkeur Berhjnsch
blaauw en indigo, die altijd met de lak donkerder en fluweel-
achtiger toonen geven, vooral wanneer zij weinig gegomd en in
ruime mate gebezigd zijn.
Hetgeen wij gezegd hebben over de compositie der toonen,
welke de meest gebruikelijke bloemen aanbieden, zou voldoende
zijn, om bij wijze van overgang toe te passen op de vruchten en
zelfs op de insecten, die somtijds de zamenstelling van bloemen
bezielen, men zal de tweede meer door geduld, dan door waar-
neming leeren teekenen. Wat de vruchten aangaat, wij zullen
de eigene toonen van eenige opgeven.
VRUCHTEN.
Abrïkoozen. De algemeene tint wordt aangelegd met chromaat-
geel, hetwelk men met geel en oranje versterkt voor de halve tinten.
Het vermilloen donkerder gemaakt door lak of carmijn, dient voor
de schaduwen, welke men met bister retoucheert; men wacht
zich van het in de terugkaatsingen te verdrijven, waar de voor-
gaande en zelfs de tweede tint moet behouden blijven, om beter
te doen wenden. Men kan nog met zeer lichte kobalt glaceren
in de groenachtige gedeelten, en met terra di sienna in die tin-
ten welke als gebrand zijn.
-ocr page 89-
79
Kersen. Men mengt vermilloen met carmijn, en legt hiermede
minstens een paar tinten; het hoogsel of uiterste punt van licht
spaart men zorgvuldig en moet in deze tint verdreven worden r
dit hoogsel kan men naderhand kleuren. De locale tint der kers
verkrijgt men door met gebrand carmijn over deze eerstgelegene
tinten te lakseeren, waarmede men ook de schaduwen hare ver-
eischte kracht geeft, naarmate de kersen donker of licht zien,
neemt men meer of minder gebrand carmijn.
De kelknaad wordt met van Dijks bruin voltooid.
De zoogenaamde krieken of donkere kersen worden met meer
gebrand carmijn behandeld.
Eoode aalbessen. Men schetst dezelve zorgvuldig met de lichte
doorloopende aderen en pitten, zoo veel deze zigtbaar zijn. Men
legt aan met een tint van vermilloen en carmijn, met uitsparing
der aderen en pitten en der hoogsels, de pitten kleurt men met
bruin oker, doch zoodanig, dat het rood er als tusschenbeide
doorschjjnt. De donkere plaatsen onder aan de bes teekent men
met sepia. Het hoogsel is altijd zeer pikant.
Witte aalbessen. Men schetst dezelve met even veel zorg, en
legt aan met bruin oker en bruinen Oostindischen inkt, waar-
mede men zoowel de locale tinten als de schaduwen en hoogsels
kan behandelen, naarmate er meer of minder van de eene of
andere kleur bij te voegen; de pitten en aderen worden goed
uitgespaard, en naderhand de pitten met bruin oker, voor zoo
ver dezelve doorschijnen, afgewerkt. Men dient tot deze bewerking
de zuivere bruin oker-kleur te hebben, niet die in de Engelsche
tabletten met Brown Ochre, maar Roman Ochre gesignaleerd
zijn, anders zoude men geenszins tot het effect of de ware kleur
der witte bes geraken.
Spreken wij van bruin oker, dan dient de bovenstaande aan-
merking in alle gevallen.
Kruisbeziën. "Worden uit dezelfde kleuren als de witte bessen
gehaald, soms vermengd met een weinig groen.
Oranjeappelen. Zie het artikel oranjeboom.
Perziken. De locale tint van het licht wordt met guttegom
aangelegd, de halve tinten met chromaatgeel. Men voegt er
carmijn en van Dijks bruin bij voor de schaduwen, de eerste
tint wordt in de wendingen uitgespaard voor de witte donsachtige
tint, en de roodgebrande vlammen haalt men uit carmijn, gebrand
carmijn en gebrande terra di sienna, gewijzigd naar de kleur
der vlammen.
Men geeft zachtheid aan de vrucht, door eenig glazuur van
kobalt en terra di sienna in de schaduwen te strijken.
Blaauwe pruimen. De frischheid van den arbeid wordt met
-ocr page 90-
80
eenigo moeite verkregen, door de verpligte behandeling van
blaauw en carmijn.
De locale tint wordt aangelegd met kobalt en carmijn, of liever
niet ultramarijn; men doet er een weinig guttegom bij voor de
halve tinten.
De indigo, de lak en de sepia geven de schaduwtoonen.
De terugkaatsingen gespaard bij de tweede tint, worden aan-
gelegd met kobalt en carmjjn.
Men mag voor deze vrucht geene te sterk gegomde kleuren
gebruiken, zij zoudon daaraan een effen en droog aanzien geven;
weinig gegomde toonen, bootsen van deze vrucht en de voor-
gaande, veel beter de zachtheid na.
Witte of geele pruimen. Worden aangelegd en opgewerkt met
chromaatgeel, geschaduwd met van Djjks bruin en bister, de
roodo tinten met drakebloed en carmijn.
Witte druiven. De locale tint wordt met zwakke guttegom of
met zeer zwak kobaltgroen aangelegd, hetwelk men goed ver-
drijft, uitgenomen in de lichtplaatsen; de geel oker gemengd
met carmijn, dient om de korrels na te bootsen. Men zal het
van Djjks bruin voor de schaduwen, en de lak voor de terug-
kaatsingen bezigen; de lichte guttegom voor de geelachtige tint,
het lichte kobalt voor de halve tinten en de wendingen.
Een goed model kan alleen een denkbeeld geven hoe men
deze vrucht met fijnheid on doorschijnendheid zal schilderen, de
tinten smelten te veel in een om eene beschrijving hiervan
te geven.
Blaauive druiven. De locale tint wordt met ultramarijn en lak aan-
gelegd ; men versterkt dezen toon en men vervangt het ultramarijn
door de kobalt voor de halve tinten. Men laat het carmijn in de
terugkaatsingen en in de wendingen den boventoon voeren. Het van
Dijks bruin en de sepia met lak gemengd geven kracht en scha-
duw, doch de blaauwe schaduwtint moet altijd den toon geven.
Wij eindigen deze afdeeling met aan den leerling te herinneren
dat de glinsterende punten of de lichtstippen en de waterdruppels
of gomsappen welke zich dikwijls op de bloembladeren of op de
vruchten bevinden, met het potlood ligt geschetst, en vervolgens
moeten gespaard worden, wanneer men de tint aanlegt, waarop
zij geplaatst zijn; zjj worden bij het eindigen van den arbeid
gekleurd, met een naauweljjks door kobalt blaauw geverwd water,
om het azuur der lucht waarvan zij den glans schijnen te ont-
leenen, na te bootsen.
-ocr page 91-
81
Deze glinsterende stippen of druppels, kunnen met gomwater
worden aangestreken, maar alsdan zijn zij dikwijls minder door-
schijnend, dan bij de vorige behandeling.
Wat don grond aanbelangt waarop eene groep bloemen en
vruchten kan geplaatst worden, deze is moeijeljjk te bepalen, ter
oorzaak van liet min gemakkelijke om den juisten toon te treffen
waardoor de bloemen goed uitkomen, en hare regte waarde er-
langen: en dit kan alleen bepaald worden bij beschouwing van
het bouquet, hetwelk men vervaardigd heeft, deze gronden zijn
dus zeer verschillend van tint.
De leerling heeft veel moeite om do tinten te bepalen en over-
eenkomstig zijn model te brengen, doch de vaardigheid wordt
verkregen door oefening, en sommigen hebben hiervoor meer ge-
voel en aanleg dan wel anderen. — Om tot dezen tact van kleur-
lezing te geraken, dient men zich te oefenen in het wel kennen
der oorspronkelijke kleuren en moet men hare ware tint goed
in het hoofd hebben; dorzelver warme of koudere toonen, kracht
van licht en donkerte, en dan verkrijgt men door oefening de
kennis van het resultaat dezer vermenging. Men moet do kleu-
ren kunnen lezen op de modellen welke men onderhanden heeft,
gelijk een muziekmeestor de nooten dadelijk kent en weet toe te
passen.
Naar de wijze der ouden zouden wij van nog een aantal voor-
werpen de hoofdkleuren kunnen opgeven , doch bepalen ons bij
de aangewezene; eensdeels omdat het onmogelijk is al de ver-
schillende schakeringen der tinten met genoegzame naauwkeu-
righeid op te geven, en ten anderen omdat de beoefenaar daar-
door te werktuigelij k arbeidt, en zulks hem geone gelegenheid
geeft om zijn denkvermogen te oefenen en zijnen aanleg te ont-
wikkelen, te verhoogen en te vermeerderen. Eenmaal de hoogte
bereikt hebbende, waarvan wij hierboven spraken, zal de natuur
de boste leermeesteres voor hem zijn.
Ten slotte willen wij nog aanmerken dat het teekenen met
waterverw naar schilderstukken in olieverw, een zeer geschikt
middel is, om zich in de tempering en lezing der kleuren te
oefenen, als zijnde de naaste manier naar de natuur, en altijd
een groote trap van kleurmonging bevattende; het is dan ook
om die reden, dat wij den leerling aanraden, om zich hierin te
bevlijtigen, om zoo langzamerhand te worden voorbereid en be-
kwaam gemaakt, tot de meer verheven en raoeijelijker studie
naar de natuur, dan zal het gordijn dat hare geheimen verborg,
worden weggenomen, hij zal er een ruimer veld van schoonhe-
den in vinden, en zal zich altijd met het grootst genoegen hierin
oefenen en er wezenlijk nut uit trekken.
6
-ocr page 92-
VIJFDE AFDEELIJSTG.
§ I.
OVER I)E DEKVERW.
De dekverw door de Italianen guazzo (pleisterverw, vloeibare
menging) genoemd, is eigenlijk gezegd niets anders dan meer of
minder met wit gewijzigde kleuren en eene in het klein uitge-
voerde schildering met waterverw, veel gelijkende naar het effect
der olieverw.
De perkementlijm en de minder fraaije vlaamsche lijm, geven
de vloeibaarheid aan de kleuren welke men met ligt gegomd
water fijn wrijft.
Men kan met dekverw schilderen, op alles wat geene olieach-
tige oppervlakte heeft, waarop de kleur geen vat heeft. De ver-
scheidenheid van toonen welke deze manier van schilderen kan
opleveren, is zeer aanzienlijk, maar daar de tinten spoedig in-
dringen en bij het droogen verbleeken, zoo is het noodig dat
men ze veel krachtiger toebereidt, dan zij schijnen te moeten
wezen, en ze spoedig aan te leggen. Deze waarnemingen en die
welke wij hier achtervolgens zullen opgeven, zijn zoowel op de
dekverw als op waterverw toepasselijk.
Deze twee wijzen van schilderen zijn schitterend, doch hellen
over tot hardheid en stijfheid, een noodwendig gevolg van den
spoed waarmede de tinten vervliegen, en waardoor de schilder
niet altijd den tjjd heeft om ze in elkander te doen smelten en
te verzachten. De ondervinding leert, hoe men door een ligt
opgelegde glacering, de hardheid der toonen die er zich onder
bevinden, kan wegnemen, en welke men niet effen of spoedig ge-
noeg heeft aangelegd.
Het is bijna onmogelijk, dat men op eene reeds aangelegde
tint terugkome met eene tweede in toon verschillende tint, zon-
-ocr page 93-
83
der dat derzelver ineensmelting eene dubbelzinnige en weinig
doorschijnende uitwerking veroorzaakt.
Men moet dus met gelijksoortige toonen eene reeds aangelegde
tint retoucheren, of van toon verhoogen, wanneer zij niet vol-
doende is; maar men moet alvorens de retouchering te onder-
nemen, haar volmaakt laten droog worden, daar zij zich anders
zoude oplossen en ontbinden.
Dikwijls glijden de retoucheren af, of weigeren te vatten; als-
dan heeft men slechts met een weinig ossengal over de olieach-
tige plaats te strijken.
Bij de dekverw wordt het voor de grootste kunst gehouden
om zoodanig aan te leggen en op te werken, dat de kleuren
warm van tint blijven, dewijl do aard der dekverw gestadig hier
tegen strijdt en naar een koud koloriet leidt.
Onderwerpen uit de natuurlijke geschiedenis en uit de doode
natuur, kunnen in dekverw met zulk een rijkdom van toonen
worden voorgesteld, dat men ze bijna niet beter zou kunnen
schilderen, volgons de voorschriften van Ballard en Catharina
Perrot
(Fransche werken over de behandeling der waterverwen),
in hunne verhandelingen over het miniatuur-schilderen; voor-
schriften, die terwijl zij het wit aannemen, hedendaags de eigen-
lijk gezegde dekverw daarstellen.
Het is dus nutteloos om gemelde onderwerpen afzonderlijk to
behandelen, en wij zullen onmiddellijk overgaan tot de algemeene
regelen, betreffende de dekverw, bij de bewerking dor landschap-
pen, om wrelke voor te stellen zij meest geschikt is, waar zij met
het voordeel der hechtheid en duurzaamheid aan hare zijde, strijdt
tegen het pastel in de studiën naar de natuur, en zelfs tegen de
sapverw, waar de uitsparing der lichte plaatsen en der hoogsels,
een hinderpaal van geen gering belang is. Wij zullen echter
vooraf herinneren, dat alle kleuren welke omtrent de sapverwen
zijn opgegeven, in de menging der dekverwen kunnen gebruikt
worden, uitgenomen de guttegom, het iris-sapgroen en het ver-
milloen, hetwelk in de mengsels vuil paarsachtig wordt.
§ II.
Behalve het gomwater, kan men eene lichte oplossing bezigen
van zeemleder- of perkementlijm, dio geheel blank moet zijn, en
laauw en helder moet gehouden worden, in den winter door eeno
zachte temperatuur op eene waterstoof. Deze oplossing moet
dienen om de mengsels en de tinten te verdunnen. Zonder hier
een onmisbaar model van dekverw paletten te willen geven, zul-
len wij de kleuren gereedmaken en plaatsen op twee porselei-
-ocr page 94-
84
nen paletten, in vorm en omvang, gelijk aan die waarvan men
zich bij schilderen met olieverw bedient.
De eene welke wij gom of grondpalet zullen noemen, omdat de
kleuren welke men er op plaatst, een weinig gegomd moeten
zijn, en dienen moeten voor do lucht en de vergezigten, bevat
behalve de natuurlijke kleuren, verscheidene in voorraad gereed-
gemaakto mengsels, bestemd tot de meest gewone tinton, voor
de lucht en den horizont. Derhalve zal men er die verzachtin-
gen opbrengen van de azuurtint N°. 1, 2 en 3, voor den blaau-
wen grond van de lucht, drie oranjetinten voor den horizont N°.
1, 2 en 3, en eindelijk twee of drie tinten voor de grijsachtige
schaduw der drijvende wolken. Men brengt er het purper violet
bij, bestemd om den overgang der azuurtinten in oranje of zoo-
danige tinten van den horizont gemakkelijker te maken.
Deze verschillende tinten kunnen op den bovenkant van het
palet gebragt worden, ook kan men altijd verw op de buiten-
kanten plaatsen terwijl het midden vrij blijft:
Aan de regterzijde. Het chromaatgeel N°. 2.
Italiaansche lak N°. 1.
Gebr. bruin oker.
dito geel oker.
Bruin rood, Scarlett.
Blanc leger, Zilverwit.
Aan de linkerzijde. Het purper violet.
De natuurlijke Ital. aarde.
Venetiaansch rood.
Kasselsche aarde.
Ivoorzwart.
Het landschap palet ot\' het doffe dehverw palet, bevat minder
gegomde kleuren dan het grond palet.
Men plaatst daarop in eene geregelde volgorde: Het Napelsch
geel, zoo uitmuntend door de tallooze tinten welke het oplevert,
vooral in de groene toonen en voor de hoogsels, waar zijn luis-
ter duurzamer is dan het chromaat, en tevens meer vatbaar om
door transpareringen geharmoniseerd te kunnen worden.
Het Napelsch geel.
Het groenachtig chromaatgeel.
Het chromaatgeel N°. 3.
Het donker chromaatgeel.
Het Indiaansch geel.
De geel- en bruin oker.
De Venetiaansche oker.
Drie of vier groene tinten zamengesteld uit:
Italiaansche lak.
-ocr page 95-
85
Het Brown Pink of van Dijcks bruin en blaauw.
Brown Madder, gebrande Ital. aarde.
Gebrande Kasselsche aarde.
De gebrande on ongebrande omber.
Het ivoorzwart.
Het Bcrlijnsch blaauw
Het zilverwit en het ultramarijn in het midden.
De indigo.
Het kobaltblaauw.
Het aannemen der paletten voor de dekverw gelijk voor do
olieverw, kan niet anders dan zeer voordeelig zijn, terwijl daar-
door do natuurlijke overgang tusschen deze twee wijzen van sehil-
deren, om zoo te zeggen volmaakt wordt, waarvan de uitvoering
en de menging, wat de kleuren aangaat, bijna dezelfde zijn. Wij
hebben reeds elders tegen het uitzuinigen der paletten geijverd,
en wij raden andermaal aan , om het grondpalet aan de omme-
zijde, niet mot het landschappalet te beladen.
Ofschoon men in hot midden der twee paletten ruimte heeft
\'gelaten om de tinten te maken, moet men echter wanneer deze
overvloedig moeten zijn, om eene zekere ruimte te dekken, het
mengsel derzelve in afzonderlijke schoteltjes gereed maken.
Over de penseelen, dorzelver keus en behoud, hebben wij reeds
bladz. 14 gesproken. Men moet zich voornamelijk gewennen aan
penseelen, in zwaneschachten gevat, en aan die van dassenhaar,
welke plat zijn, en dienen om de tinten der lucht gemakkelijker
te kunnen aanleggen.
Van de vlakten waarop do dekverw kan aangewend worden,
zijn het perkement of kalfsvel en het papier het meest in gebruik ;
beiden moeten zorgvuldig gekozen worden en zonder gebreken
zijn. Men moet zo ook op hot teekenraam of op stevig bordpa-
pier spannen, om niet te kreuken, of nog liever over een open
raam, gelijk aan dat hetwelk thans voor het teekenen in water-
verw gebezigd wordt, bestaande in eene vierkante open lijst,
waarover het papier gespannen wordt.
Daar dit raam de keerzijde van het papier bloot laat, kan men
het papier zachtjes met eene spons bevochtigen, zjjnde deze be-
werking zeer gunstig voor den eenvormigen aanleg der locale
tinten, en voor de ineensmelting derzelve in elkander.
Ook kan men met dekverw op zijden stoffen schilderen, zooals
men voortijds de waaijers deed, of op gekleurd papier; waarvan
de tint gelijkvormig zijnde aan die van het onderwerp, dikwijls
te stado kan komen en den arbeid verligt. Een bruin gekleurd
papier voor een binnenvertrek of bouwval, en een leikleurig
papier voor eene maneschijn, wanneer men deze met oordeel weet
-ocr page 96-
80
te gebruiken, zullen eene algemeene harmonie te weeg brengen.
Wanneer men don miniatuur-lessenaar bezigt, moet men daaraan
eene sterkere helling geven, en deszelfs bijna verticale stand, heeft
alsdan veel overeenkomst met dien van den gewonen schilders-
ezel.
Ziehier cenige korte aanmerkingen omtrent het gebruik der
meest aangewend wordende kleuren.
Voor het wit heeft men verschillende ingrediënten, kremnitzer
wit, zilver irit
of hlauc leger, eischaal wit, welke men voor de
vermengingen gebruikt, en het witste of ligste van gewigt, voor
alle hoogsels, hetzij enkel of vermengd.
Het Xapelsch geel wel gezuiverd zijnde, en wanneer het niet
door ijzer is aangeraakt, verschaft een hecht en zuiver geel. Het
Indiaansch geel is mede eene nuttige kleur.
Het chromaatgeel wordt gebezigd in plaats van galsteen, die
dezelfde hechtheid niet heeft.
Het chromaatgeel N°. 3, hetwelk door zijne kracht de andere
kleuren doodt, verandert niet en kan wegens deszelfs daarnaar
zwemende schakering, in de groenen gebruikt worden.
De nadeelige uitwerking der opreraenten, zijn merkbaar in de
mengsels met wit, waarop de daarin vervatte zwavel werkt; het
is beter dezelve niet te gebruiken.
De geel en bruin oker zijn van een zeer uitgebreid nut in veel
mengsels, zoowel wat aangaat de lucht, als de voor- en ach-
tergronden in mengsels voor verschillende groene tinten, ge-
bouwen enz.
De menie verduistert door het zwart worden de mengsels bij
welke zij gevoegd wordt, vooral wanneer deze oprement ofver-
railloen bevatten; in plaats hiervan gebruikt men scarlett.
Het Brown mudder of Brown Pink vervangt de plaats van
het min hechte bister.
Het carmijn, hetwelk geene proefhoudende vastheid aanbiedt,
opwegende tegen de precipilaten, (base des roses, purpers, gebrande
violet),
vordert dat men het niet met ijzer tempert, waardoor
liet zwart zou worden.
De gebrande geel- en bruin okers zijn zeer vast en zacht van
kleur, van een zuiver licht en donker rood, en van zeer veel
nut in de mengsels, welke dit rood vereischen.
Het kobalt blaauw is zeer geschikt voor de lichten. Het Ber-
lijnsch blaauw
voor veel mengsels van groen, en de indigo voor
schaduwgroenen en donkerblaauwe schaduwen en toetsen.
De Italiaansche aarde in haren natuurlijken staat wordt handel-
baarder, wanneer men onder het water, waarmede men ze ver-
dunt een weinig suiker doet.
-ocr page 97-
37
Het bruine en geele schietgeel (Engelsche Pink) is veeleer rijk,
dan vast van toon.
Dn Kassefache aarde is van veel nut in de gronden en boom-
stammen, oud houtwerk enz., de gebrande heeft eene verbazende
kracht, en mag niet dan bij de laatste retoucheringen, en in de
krachtigste plaatsen op den voorgrond worden gebruikt. Is zeer
nuttig voor donkere holligheden en spleten in boomstammen,
rotsen en dergelijke voorwerpen.
Het ivoor-zwart dient voor alle mengsels waarin men zwart
wil gebruiken, en is eene hechte kleur.
Wij dienen nog op te merken, dat de gewone sapverwen, in
de laatste tinten als hulpmiddel tot het daarstellen van zekere
kleuren en toonen kunnen gebruikt worden; hetzij dan vermengd
of als glacering. Wij hebben deze eigenschappen der verwen
slechts kunnen aanstippen, het gebruik en de oefening moet de
ondervinding en behandeling er van aan de hand geven, iets
hetgeen onmogelijk uit eene beschrijving kan geleerd worden.
Ondervinding is hierin bij de theorie de beste leermeesteres.
Voor de liefhebbers vindt men in de winkels doozen met dek-
verwen van 3, 6, 9 en 12 gulden. Ultramarijn in potjes a ƒ 1,80.
Scarlet in potjes a 80 Cents. Wit in floschjes a ƒ1,00. Eischaal
wit a, ƒ1,80. Brown Pink a 90 Cents. Couleurs au Miei. Brown
madder ii 90 Cents. Violet d\'or Precipité a 80 Cents. Blane leger
30 Cents, in pakjes en gegomd kan men deze kleuren verkrijgen
voor 10 Cents, uitgezonderd het carmijn, dit kost 30 en GO Cents.
Ultramarijn a. ƒ1,00. Men vindt ook te koop opgezette ivoren
paletten van ƒ5,50 tot ƒ7,50.
§ HL
Bij gebrek van de camera lucida kan men om naar de natuur
te schilderen, tusschen het oog on het voorwerp opzettelijk daartoe
vervaardigde glasruiten plaatsen, welken men bij de kooplieden
in verwstoffen wel vindt. Niets is echter beter dan zonder der-
gelijke hulpmiddelen te werken, en zich te oefenen om alles op
het gezigt af te teekenen.
Het schetsen geschiedt met potlood Conté N°. 1 en 2, en de
fouten worden met zeemleder weggeveegd.
Voor de schildering met dekverw moet de doodmrw veeleer
krachtig dan zwak zijn, omdat het altijd, gemakkelijker is door
mengsels van wit en geel op te helderen, dan later te verdon-
keren. De krachtige tinten op meer lichte tinten aangelegd, ver-
liezen veel van hare kracht en uitdrukking en brengen slechts
eene meelaehtig bepleisterde uitwerking voort.
-ocr page 98-
8ti
Men kan de behandeling der dekverw onderscheiden in: 1°,
Eene verzameling of opeenlegging van dikke en donkere was-
schingen of tinten, zoo gelijk en met zooveel spoed mogelijk be-
werkstclligd. 2". In ceno aaneenschakeling van breede, korte en
evenwijdige kruisstreken, gemaakt met behulp van een met kleur
welvoorziene penseel, en 3". in een harmonieuse glacering.
Over het algemeen moet men zooveel mogelijk de hoeveel-
heid water in do mengsels beperken; zij moeten slechts zoo vloei-
baar zijn, dat de kleuren gemakkelijk kunnen aangelegd worden,
en moeten vooraf in genoegzame hoeveelheid worden gereed
gemaakt, om te midden der bewerking van lucht of van eenen
achtergrond niet te kort te schieten; want in dit geval zou eene
gelijke overeenstemming moeijclijk te treffen zijn.
Men moet alsvorens het penseel er in te doopen, de mengsels
laten uitdampen. Men moet ze omroeren, zoodanig dat zij overal
even dik zijn; en ze spoedig aanleggen, hetzij door wassching,.
hetzij door kruisstreken op hot vochtig gemaakte voorwerp,
wanneer de ruimte welke gekleurd moet worden, van eenige
uitgestrektheid is.
De hoogsels vooral vorderen eene meer verdikte kleur; wan-
neer zij te licht waren, zou het onderste er doorschijnen, en zou-
den zij het licht niet levendig genoeg tot zich trekken.
§ IV.
De voltoojjing of algcheele afwerking van het stuk geschiedt
door meer vloeibare transparante kleuren, welke met spoed en
vlugheid worden aangelegd; zij moeten mot de onderliggende
tinten overeenstemmen, welke men wil doen uitkomen ofharmo-
niseren, en zamengcsteld zijn uit doorschijnende en gemakkelijk
te verdrijven kleuren. Het chromaatgeel Nn. 2, de oker, de lakken,
het ultramarijn en de Italiaansche aarde, zijn zeer geschikt om
tot transpareren gebezigd te worden.
Men kan oordeelen over het belangrijke dezer transparanten t
tot harmonisering van den arbeid, door dat de meeste met dek-
verw bewerkte stukken, ofschoon achter het glas geplaatst het-
welk over dezelve eene grjjsachtige tint spreidt, ons hard van
toon toeschijnen, wanneer men verwaarloosd heeft ze te trans-
pareren. Alvorens echter hiertoe over te gaan, strijke men er
voorzigtigheidshalve zeer vlug over heen, met zeer verdund
lijmwater (handschoenen of perkementlijm).
Even als de miniatuur, wil ook de dekverw achter glas ge-
plaatst zijn, zonder nogtans daarmede in aanraking te komen.
De ledige ruimte welke een bekwaam lijstenzetter door middel
-ocr page 99-
89
van bordpapieren spaantjes weet te laten, belet dat de schilder-
stukken niet beschadigd worden door de vochtigheid of do itlt-
waseming van het (/las
in den winter. Beide hebben boven de
sapverw het voordeel, dat zij onder alle soort van daglicht kun-
nen gezien worden.
§ V.
Thans zijn wij genaderd tot de bijzondere practischo bewer-
kingen, der verschillende deelen van het landschap. Wij vooron-
derstellen dat de leerling voorzien zij van de twee hier boven
aangegevene paletten. Het palet voor do lucht, zal hem de azuur-
tinten verschaffen, zamengesteld uit zilverwit, ultramarijn of
kobaltblaauw, uit welke hij eene keuze moet doen, naar de te
geven kracht, en welke hij gemakkelijk kan wijzigen door ver-
schillende afzonderlijke mengsels gereed te maken, telkens met
meer wit verdund.
Het papier van achteren vochtig gemaakt zijnde, begint men het
meest gekleurde gedeelte van de azuurtint breed en altijd horizon-
taal aan te leggen, terwijl men ten naastenbij de plaats uitspaart
voor de boomen, die zich tot in de lucht verheffen; vervolgens
plaatst men daaronder de verzachtingen dezer tint.
Men handelt op dezelfde wijze, met de trapswijze opklimmende
tinten van den horizont, vervolgens het uur dat men moet voor-
stellen. De tusschen dezelve en het benedenste gedeelte der azuur-
tinten gelatene ruimte, wordt gekleurd met eene uitdrukkelijke
tint van purper violet, waardoor de overgang gemakkelijk wordt
gemaakt, tusschen de blaauwe toonen der lucht en de oranje-
tinten van den horizont. Dit tusschenvak is aanmerkingswaardig
zonder hetzelve zou men gevaar loopen, met ander rood te ge-
bruiken, van min vrije en zelfs groenachtige tinten daar te stel-
len, wanneer het geel in de tint van den horizont de overhand
had. Ook moet men in de tint van den horizont den toon zoe-
ken, die geschikt is om de wolken te verlichten, wanneer men
dezelve getoetst heeft met eene grijsachtige tint, waarvan het
palet eenige verzachtingen bevat, en welke men heeft zamenge-
steld uit indigo, wit, omber en een weinig lak.
Een gedeelte der tinton welke men voor de lucht bezigt dient
om de vergezigten op te helderen, voor welker schaduwen men
bij het blaauw een weinig lak moet gebruiken.
Na de lucht (die op zich zelve reeds een min of meer aan-
zienlijk gedeelte van het landschap uitmaakt,) beslaan gewoonlijk
de boomen en planten de meeste ruimte, en veroorzaken de
meeste verlegenheid omtrent de keuze en de bereiding der
-ocr page 100-
!tO
groene kleuren, wier verscheidenheid zoo talrijk als moeijelijk is
naar vereischte te bepalen, om niet nadeelig te werken op de
uitwerking van het geheel. Deze verscheidenheid van tinten
brengt niet minder bij tot de kennis der boomsoorten, als de
getrouwheid in de voorstelling en de afbeelding der massa\'s zelfs
dan wanneer de afstand niet meer toelaat het blad te onderschei-
den, maar men ze met oordeel moet groeperen, en door eene
bekwame kenmerkende behandeling de golvende, horizontale of
gebogene beweging van bet groene gebladerte moet aanduiden.
Wij hebben reeds gezegd, dut men het hout der hoornen, als-
mede den naastbijkomenden vorm van derzelver massa\'s op eene
zoo duidelijke wijze moet schetsen, dat zij zich vertoonen door
de luchttinten, waarmede zij mogten gedekt zijn.
Over het algemeen moet do doodverw der boomon, planten,
en zoden worden aangebragt met eene tint, waarin het blaauw
min of meer doorstraalt, of zelfs geheel zonder deze kleur, en
moet zij alsdan zamengesteld zijn uit ongebrande bruine aard-
soorten, wanneer zjj zich op den voorgrond bevinden; vervolgens
zal men transparanten bezigen van geel oker en zelfs van
chromaatgeel N". 2 of van Napelsch geel, wanneer het noodig
is om ze groen te maken, zjj zullen alsdan meer voldoen en
minder hard en koud zich vertoonen, dan wanneer men terstond
het Berlijnsch blaauw had gebruikt.
Het Berlijnsch blaauw of de indigo met Napelsch geel ver-
mengd, geeft een zeer schitterend groen, maar waarvan de kleur
koud is, en door oker wel verwarmd wordt.
De oker met blaauw vermengd geeft een nog warmer groen,
wanneer het geel de bovenhand heeft. Bezigt men de bruin oker,
dan trekt het groen naar het rosachtige, en geeft eene zeer
harmonieuse schaduwtint.
Het ultramarijn en de oker geven de groene kleuren voor de
vergezigten; in de schaduw kan men er een weinig lak bijvoegen,
waardoor deze tint iets meer luchtachtigs verkrjjgt.
Het Napelsch geel geeft bijna dezelfde uitwerking, voor den
zonneschijn op de aarde; mot er oen weinig lak en zeer luttel
wit bij te voegen, verkrijgt men dampachtigo half-tinten. De
meer donkere schaduwen in de laatste vakken kunnen met zwart
en geel oker bewerkt worden. Die welke koud van toon zijn,
zoo als bij wilgenboomen, vorderen geen blaauw; het zwart,
de oker en een weinig wit, verschaffen derzelver tint.
Voor de groene voorwerpen op den voorgrond, gebruikt men
het blaauw vermengd met Italiaansche en Keulsche aarde, welke
zeer warme bruine tinten verschaffen.
Voor de verlichte toetsen en hoogsels der bladeren, moet men
-ocr page 101-
91
gewoonlijk in de groene tinten den geel oker of zelfs het Napelsch
geel doen boven drijven, welke naderhand eene transparante
bewerking verkrijgen overeenstemmende met de locale tint. Deze
tinten moeten mot een gelijksoortig mengsel worden aangemaakt,
dik en vast genoeg van toon, dat de bladeren terstond bij de
eerste toets aangelegd, niet ten tweedenmale behoeven gere-
toucheerd te worden.
Ten aanzien van het daglicht of de lichte plaatsen der lucht,
•welke men ontdekt van achter de massa\'s schaduwen of boom-
takken, deze maakt men slechts bij bet einde van den arbeid;
hunne gedaante moet onregelmatig zijn en hunne verschijning
moet zigtbaarder gemaakt worden, door een onmiddellijk kontrast
van sterk gekleurde voorwerpen, zoo als de holligheid van een
dik gebladerte of kwastige takken.
Zonder andermaal in de talrijke bijzonderheden van het land-
schap te treden, zullen wij nog alleen zeggen, dat men ze moet
aanleggen beginnende met de schaduwen, terwijl men tot do
locale tint terugkomt, en eindigt met de lichte plaatsen, de
hoogsels en de transpareringen.
Van het water, de rotsen, enz., hebben wij reeds gesproken;
wij zullen dus hier alleen herinneren, dat in de bereiding der tot
deze verschillende voorwerpen geëigende toonen, de toevoeging
van wit of geel zoo als wij hebben opgegeven, of zelfs van andere
kleuren welke de smaak daarvoor mogt in de plaats stellen, de
tinten in het oneindige zal afwisselen, en den leerling een over-
vloed van kleuren zal aanbieden tusschen welke hij slechts te
kiezen heeft. Maar de beste wijze om spoedig eene zekere be-
hendigheid en vlugheid te verkrijgen, is om eenig mot olieverw
geschilderd landschap tot model te kiezen; daar de menging der
kleuren dezelfde is, moet de nabootsing tevens volmaakt zijn,
wanneer het vernis aan de waterverw het aanzien van olieverw
zal gegeven hebben: bijaldien men het verkiest te vernissen.
Tot het schilderen van wapenschilden, bedient men zich almede
van dekverw, omdat men dusdoende gemakkelijker met eene tint
van dezelfde sterkte een voorwerp kan omschrijven, waarvan de
vlakke tint of partij , of de zeer zamengestelde profilen vervol-
gens kunnen geretoucheerd worden door eenige hoogsels, dan
wanneer men dit mot sapverw verrigt.
De dekverw is ook uitmuntend voor het teekenen van vogelen,
insekten en vlinders, het veer en donsachtige verkrijgt men hier-
<3oor op eene aangename manier, en geeft een uitmuntend effect,
bij veel gemak in de behandeling.
-ocr page 102-
ZESDE AFDEELING.
HET SCHILDEREN OP PORSELEIN.
Men kiest hiertoe zeer goed Transen porselein; de vereischten
daartoe zijn fijnheid, gelijkheid en goede witte kleur, vrij van
alle gebreken en vlekken, welke zouden kunnen ontsieren of
hinderen in de schildering; men kan alleen schilderen op Fransch
porselein, hetwelk men kan onderkennen aan den voet der voor-
werpen welke men kiest, dezelve zijn mat en ruw, daarentegen
het Engolsch is op deze plaatsen ook verglaasd, dit laatste kan
niet tegen het herbakken, hoe goed het overigens ook zijn moge.
De gereedschappen welke men noodig heeft, zijn goede fijne
zwart of rood marder penseelen, geestrijke terpentijn, wrijfglas
met dito looper, tempormes van staal, porselein-verwen en een
porseleinen palet. Men gebruikt zeer kleine penseelen, behalve
voor de luchten en groote gronden, men moot dezelve zeer goed
met terpentijn en vervolgens met water reinigen en gelijk strijken,
wanneer men ophoudt met werken.
De verwon tot deze behandeling geschikt zijn niet de gewone
verwen; het zijn do metaal verkalksels of verzuringen, welke
alleen hiertoe doelmatig zijn, dewijl zij alleen de hitte van het
vuur kunnen doorstaan, zonder te veranderen of ongeschikt te
worden tot het effect hetwelk men verkiest te hebben. Het is
algemeen bekend, dat wanneer ijzer of staal aan vochtigheid
blootgesteld wordt, of koper met eenig zuur in aanraking wordt
gebragt, er zich dan spoedig eene stof of ingrediënt op hetzelve
vertoont, welke men op het eerste metaal roest, en op het
tweede Spaansch groen noemt; deze stoffen kan men er afnemen,
hetgeen eigenlijk eene verzuring van het metaal is.
Deze verzuursels kan men op eene kunstmatige wijze bij de
meeste metalen doen ontstaan, en dezelve leveren de schoonste
verwstoffen op; want daar het porselein, na geschilderd te zijn,
-ocr page 103-
o:s
nog eens in den oven aan eene sterke gloei-hitte moet bloot-
gesteld worden, zouden andere verwen hier tegen niet bestand
zijn, maar vervliegen.
De verschillende schakeringen van rood en bruin, kastanjebruin
en bister, worden gemaakt door het verkalken van ijzer, tot
verschillende graden gebragt.
Hot groen verkrijgt men van koper, opgelost in zouten die
uit planton getrokken zijn, of andere zouten, maar neergedreven
door zeker loogzout.
De purperkleur wordt gemaakt van het bezinksel van goud,
opgelost in koningswater, en neergedreven; dit is de heerlijke
kleur van het goud precipitaat van Oassius.
De violetkleur maakt men van een erts dat bruiusteen genoemd
wordt. Men heeft van deze kleur twee verschillende donkere en
lichte tinten.
Doch het maken dezer kleuren is niet het werk van den
beoefenaar, dit behoort fabriekmatig behandeld te worden. Men
vindt deze verwen in kleine pakjes, in de schilder- en teeken-
winkels.
De namen zijn als volgt:
Wit N°. 1.                                Pourpre.
Wit Nu. 2.                                Bitume.
Jaune clair.                              Bistre et Bistro foncé.
Jaune fixe.                                Ecume de fer.
Jaune d\'argent.                        Blanc bleu de ciel.
Nankin.                                     Bleu foncé.
Kouge.                                       Yert N°. 1.
Kouge clair.                              Vert Noir.
Brun rouge Nu. 1.                   Gris foncé.
Brun N°. 2.                              Noir.
Chaire.                                      Noir foncé.
Violet de fer.                           Noir bleuiitre.
Violet foncé.
Men schetst op het porselein mot potlood (tamelijk hard), daar
echter het porselein dit niet wil aannemen, ondergaat hot eerst
de bewerking, door met een breed penseel, rijkelijk gevuld met
terpentijn, over do plaats te gaan, welke men beteekenon wil,
waarna men het over vuur warmt on laat droogen: het moot dien
graad van warmte hebben, dat men aan de keerzijde van de
plaats welke men verwarmt, nog maar even den vinger kan
houden, dan geeft deze bewerking eene geschikte oppervlakte om
er op te schetsen. Iets in de schets willende wegnemen, verrigt
men zulks met een weinig terpentijn aan de punt van een penseel,
waarna men dit op nieuw boven het vuur droogt. Tot gemak
-ocr page 104-
94
kan men, als men eene theekop beschildert, dezelve in een klein
bakje met zand of zemelen leggen, waarop zij rust en een steun-
punt heeft.
Wanneer men begint te schilderen, wrijft men daartoe de
verwen op het matglas met den looper goed fijn, hot geeft des
te beter schildering, de manier van wrijven in aanmerking
nemende welke wij vroeger op bladz. 31 hebben opgegeven. Men
wrijft zoo veel te gelijk als men dien dag denkt te gebruiken,
of noodig meent te hebben, want de versche verw is de beste
in de behandeling, echter kan men des noods dezelve nog den
volgenden dag gebruiken. Men doet terpentijn in oen kopje en
vermengt hiermede de verw, als men dezelve wrijft; tot het
wrijven heeft men genoeg als men een paar keeren niet do punt
van het tempermes een weinig terpentijn uit het kopje neemt.
Onder hot wrijven te veel vervliegende, en de verw nog niet
fijn genoeg zijnde, neemt men nog eens terpentijn, dezelve fijn
gewreven hebbende, doet men de verw met het tempermes, van
het matglas op het porseleinen palet, waarna men het gebruikte
met terpentijn en een linnen lapje schoon maakt.
Een eerstbeginnende vangt aan met éune kleur te schilderen,
doorgaans met bister.
Men maakt het penseel een weinig vochtig, door hetzelve met
de punt in terpentijn te doopen.
De opmerking dient vooraf te gaan, dat men altijd zeer weinig
terpentijn aan het penseel neemt, dewijl anders alles wat men
schildert, vloeit, en in groote kringen het werk bederft.
Daarna kan men, een weinig verw genomen hebbende, gaan
schilderen, even als of men met Oostindischen inkt of sepia
wascht, echter zoo als gezegd is, met uiterst weinig terpentijn
en niet zeer natte verw; zoo dikwijls het penseel niet meer af-
geeft, doopt men op nieuw in den terpentijn en dan weder in
de verw.
Do beste manier is, dat men alles eerst licht aanlegt, en dit
een nacht laat droogen, op welken doffen grond men den anderen
dag zeor aangenaam werkt; men kan het droogen bevorderen,
door een weinig vuur bij zich te nemen, en zijn werk des be-
hoevende hier over droogen, doch in den zomer droogt het
spoedig genoeg.
Men gaat niet op nieuw over eene tint, voor dat dezelve goed
droog is, dewijl men de onderste er anders geheel af neemt en
zijn werk bederft; zoo het echter gebeuren mogt, dat men er te
spoedig over gaat werken, of te veel terpentijn neemt en er zich
kringen voordoen, dan houdt men dadelijk op met werken, laat
liet droogen, waarna men zulk eene plaats, als dezelve voor
-ocr page 105-
95
geene verbetering vatbaar is, met een puntig mesje weg schrapt
en op nieuw beteekent; waaruit men van zelf ziet, hoe geteekende
fouten kunnen verbeterd worden. — De verw moet nooit met
dikten zijn, hoe vlugger deze manier behandeld wordt, des
te beter.
Wij zullen de behandeling van verschillende onderwerpen niet
beschrijven, maar veronderstellen dat de beoefenaar die magtig
is in O. I. inkt of sepia te bewerken.
Men zal zien dat bij het schilderen, het hoopje verw hetwelk
men heeft gewreven, droog en onbruikbaar wordt, dit bevindende,
neemt men deze verw met het tempermes van het palet, voegt
er een paar druppels nieuwen terpentijn bij, en roere het met
het mes goed dooreen, waarop het weer op nieuw bruikbaar
wordt. De tint een iveinig te droog zijnde, kan men dezelve
met het penseel op nieuw wat bevochtigen, en daarmede tot
genoegzame vloeibaarheid brengen.
Het menigvuldigst wordt met donker en licht bister op porselein
geschilderd. Met deze twee verwen kan men evenveel kracht als
op papier geven, evenwel de algemeene tint moet niet zoo donker
zijn als die van bister op papier.
De terpentijn moet altijd geestrijk zijn, want zoodra deze te
olieachtig is, wordt de schildering te olieachtig en de porselein-
bakker heeft zulks niet gaarne; dewijl het dan heel ligt springt,
dat is, er komen veel barsten in de verw, hetgeen zeer onaan-
genaam staat en het effect benadeelt. Men kan zien of de terpentijn
goed is, namelijk als er bij het schudden in de flesch veel kralen
opkomen, wanneer hij goed helder en als zuiver water, zeer
vervliegbaar is in de behandeling, en mager zoowel bij het uit-
halen der kurk uit de flesch als in het gebruik.
Men heeft somwijlen zeer breede partijen, zoo als luchten,
gelijke gronden, groote vlakke partijen in vruchten, welke zeer
moeijelijk gelijk te schilderen zijn, hiertoe mengt men wat terpen-
tijnolie
onder de verw, welke daartoe bestemd is; dit geeft meer
tijd om te bewerken, dewijl het langzamer droogt dan de gewone
terpentijn; half droog zijnde, neemt men een schoon groot en
droog penseel, welker punt uitgespreid is, en strijke met eene
luchtige hand de geschilderde partijen gelijk, even als men in
de olieverw eene partij gelijk dast, met eene daartoe bestemde
daskwast.
Tot het aanleggen van breede partijen met dezen olie, gebruike
men geen klein, maar een middelsoort penseel. Deze manier is
zeer bevallig, het is anders bijna niet mogelijk om aan eene
groote gelijke partij die vlakheid en effenheid te geven welke
zij behoeft. De Fransche schilders bezigen ook deze manier in
-ocr page 106-
96
het schilderen van groote gronden, welke men soms in hunne
beschilderde voorwerpen vindt; liet is evenwel niet onraad/aam,
als men dit middel heeft gebezigd, dit bij het verzenden aan
den porselein-bakker te melden, opdat hij hierop zou kunnen
rekenen in het stoken.
De kleuren kan men veilig onder elkander mengen, evenwel
nooit in die uitgebreidheid als zulks in waterverw geschiedt.
Landschap is het gemakkelijkst in deze manier, al wat gelijke
tinten vordert is het moeijelijkst. Groote voorwerpen, zoo als
vazen en dergelijken, kan men als dezelve aangelegd zijn laten
bakken om over het etfekt te oordeelen, waarna men ze afwerkt
en op nieuw laat bakken en vergulden. — Deze manier kan
men ook toepassen wanneer men te licht heeft geschilderd, en
zoodanig gebakken ontvangt.
Gedierten, vogelen en kapellen, zijn in de behandeling ook
zeer aangenaam, van wego het harige en wollige hetwelk zoo
gaarne in deze manier gewild is.
Het nienscheljjk figuur is het moeijelijkst in de behandeling.
Het werk afgemaakt hebbende, is de beste manier om het niet
lang naar het bakken te laten wachten, dewijl het dan niet zoo
glanzig wordt.
Zeer enkele beoefenaars bakken en vergulden zelve, doch zij
verklaren, dat dit hun op nog meerder kosten loopt, dan het
te laten doen door een deskundige, en daarbij veel tijd wegneemt,
en men er als liefhebber welke het enkel nu en dan beoefent,
niet die bekwaamheid in ontvangt, als diegenen, welke zulks
dikwijls verrigten. Wij zijn het hiermede volkomen eens, en
vermelden de omslagtige manier van vergulden , bakken en po-
lijsten daarom niet.
Wij willen echter, om eene gepaste nieuwsgierigheid te bevre-
digen, melden, dat het porselein in eenen aarden oven aan eene
drie uren zware hitte van houtskolen lang wordt blootgesteld,
waarna men het een en ander laat bekoelen on uit elkander neemt;
het goud gebakken zijnde ziet vaal; hetwelk men met een agaat
polijst en tot de ware goudkleur brengt. Men kan te lang, ook
te kort bakken. In het eerste geval wordt het werk te licht
van tint en is te veel aan verandering van kleur onderhevig:
in het laatste geval wordt het werk niet genoeg glanzig en gaat
het goud er gemakkelijker af; men dient voor dit alles ervaren-
lieid te hebben.
Wij willen voor diegenen onzer lezers, welke er gebruik van
willen maken, het voorschrift opgeven, voor het maken van
het goud-amalgama, geschikt tot vergulding van het porselein,
glas en aardewerk.
-ocr page 107-
97
Voorschrift tot het vervaardigen van het porselein verguldsel.
Men lost 1 lood goud en 6 greinen zuiver tin in 1 pond konings-
water op, en vermengt in een ander vat, bij eene zachte warmte,
2 pond zwavelbalsem on 1 pond terpentijnolie. — De eerste op-
lossing wordt nu langzaam, onder bestendig omroeren, bij de
laatste gegoten, en het geheel met zeer dikke terpentijnolie tot
de noodige lijvigheid gebragt.
Deze zamenstelling wordt met het penseel op het porselein
overgebragt en in den oven gebakken, waarna men het met eene
agaat, welke eene ronde punt of uiteinde heeft en met een steel
verbonden is, polijst.
Ander middel. Neem 1 deel fijn goud en 8 deelen kwikzilver. —
Het kwikzilver wordt in eene smeltkroes, die van een naauw-
keurig sluitend deksel voorzien moet zijn, verwarmd, en dan
het goud, hetwelk vooraf rood gloeijend gemaakt is, er bij gedaan,
waarbij de werkman zich voor de gevaarlijke kwikzilver dampen
wel in acht moet nemen.
Nadat het goud volkomen opgelost is, giet men het mengsel
in koud water en wascht het goed.
Het overvloedige kwikzilver wordt door linnen geperst; en het
kwikzilver hetwelk doorloopt en nog eenig goud bevat, voor de
volgende keer bewaard.
Het amalgama, hetwelk in het linnen terugblijft, wordt in
warm sterkwater geweekt, waardoor het kwikzilver opgelost en
het goud als een buitengewoon fijn poeder terugblijven zal. Dit
poeder wordt, nadat het gewasschen en gedroogd is, met zooveel
kwikzilver, als een derde gedeelte van deszelfs gewigt bedraagt,
afgewreven.
Een grein van dit amalgama wordt nu met 3 grein goud-
smeltsel vermengd, en dit mengsel met terpentijngeest, verdikt
met dikke terpentijn-olie, afgewreven en op de gewone wijze
op het porselein gebragt.
Het goudsmeltsel bestaat uit 9.J deel rood lood, 5.J- deel niet
gecalcineorde borax en 8 deel flint glas.
Op gelijke wijze kan ook glas, email en aardewerk worden verguld.
Het Chineesche porselein is hot beste gebakken en verguld.
Deze natie geeft zich hiertoe veel moeite, tijd en kosten. In
hunne manier wordt het aan 36 uren hitte blootgesteld; in ovens
zoo groot als kamers, het goud slijt genoegzaam nooit af van
hun werk en do glans over het geschilderde is onverbeterlijk;
de Europeanen hebben nog niet dezen takt van bekwaamheid.
In Parijs, London en Saxen, wordt echter nog zeer schoon
werk en vrij duurzaam vervaardigd.
Bij eerstgemelde stad is de beroemde Koninklijke porselein-
7
-ocr page 108-
98
fabriek van het dorp Sèvres: daaraan werken en zijn verbonden
groote meesters in verschillende takken der kunst. Men ver-
vaardigd er pronkkoppen welke 80 guldens, en vazen welke
900 guldens en meer kosten.
Men heeft daar zelfs Ateliers van groote schilders, een Museum
van bas-reliefs en bustes in het klein, meerendeels geleerden,
staatslieden, schilders en tooneelspelers voorstellende.
Eene tweede zaal bevat standbeelden in miniatuur, in welker
midden zich een Egyptische tempel onderscheidend voordoet.
In de daarop volgende zaal, eene bibliotheek: de producten der
buitenlandsche porselein-fabrieken vindt men in de laatste zaal.
De vierde zaal is aan de Poterie ancienne gewijd. Mede eene
zaal voor de Etrurische, Spaansche en Egyptische Poterie, waarin
hoogst belangrijke voorwerpen zijn. Er bevindt zich eene salon
d\'exposition,
waar, in zes achtereenvolgende zalen, een schat
van fraai bewerkt porselein is. Onder de veelvuldige serviezen,
eene op porselein vervaardigde kopij der entree van Henri IV,
ten prijze van 40,000 francs; prachtvolle bloemstukken van Van
Os en Philippine, oen afbeeldsel dat ƒ12,000 kost, en een secre-
taire geheel van porselein, ter waarde van 36,000 francs.
Men heeft thans zeer veel huiselijke voorwerpen, hetzij van
weelde of huiselijk gebruik, welke men van porselein vervaardigd
heeft, en in de porseleinwinkels te verkrijgen zijn. Het adres
waar men deze voorwerpen in ons land overvloedig kan ver-
krijgen , en waar men zijn werk goed kan laten bakken e»
vergulden, is de Heer A. C. Le Grand, Porselein-Magazijn Beurs-
steeg N". 115, te Amsterdam, waar men somtijds de bewijzen
ziet, dat ook ons land zeer bekwame beoefenaars in dit vak
bezit en de liefhebberij hiervoor bijzonder vermeerdert.
OVER HET GLASSCHILDEREN.
De kunst van glasblazen dagtoekent van de vroegste tjjden.
Plinius schrijft, dat deze kunst in Phoenicië werd uitgevonden;
doch wij hebben geene redenen om dit stellig te gelooven, dewijl
do Phoeniciërs ons geen enkel gedenkteeken hebben achtergela-
ten, waardoor men deze belangrijke ontdekking bij hen zou kun-
nen staven. Anders is het gelegen met de Egyptenaren, van hen
ziet men in de kabinetten der liefhebbers voorwerpen van gla-
zen kunststukken, zooals porseleinen standbeelden, vereischten tot
de godendienst, en vooral geëmailleerde platen, waarmede zij de
zwachtels hunner dooden versierden, zooals men er rondom
hunne mnmien vindt.
De zoogenaamde bundels der Grieken bestonden uit verschei-
-ocr page 109-
99
dene gegoten vierkanten, welke men door het vuur vereenigde,
en welke men na daarvan eene massa te hebben gevormd, naar
goedvinden doorzaagde in den vorm eener snede, om er venster-
glazen of iets anders van te maken. Overigens kennen wjj geen
enkel overblijfsel dezer natie; nogtans komen de geschiedschrij-
vers er in overeen, dat behalve deze bundels glas tot huiselijk
gebruik bestemd, zij er ook hadden, hetwelk tot versiering hun-
ner woningen moest dienen en in do boekvorzamelingen aanwe-
zig was; zoo hadden zij onder andere voorwerpen ter bevorde-
ring der wetenschap, hemelgloben uit glas.
De gedenkteekenen, welke ons de Romeinen nopens het glas
hebben nagelaten, zijn niet zoo beduidend; maar de ontzaggelijke
hoeveelheid van glazen vaatwerk van verschillende soort, vooral
van traanfleschjes, aschkruiken en andere voorwerpen, laten ons
geen den minsten twijvel over omtrent hunne kennis in dezen.
De regelmatigheid, welke zij in acht namen, niet alleen in den
vorm, maar ook in de dikte, bewijst dat zij het glas op eene ons
onbekende manier behandelden.
De schrijver, welke met de meeste naauwkeurigheid over het
platte glas der Romeinen heeft geschreven, zonder nogtans te
gelooven dat zij daarvan hetzelfde gebruik maakten als wij, voor
hunne vensters, is Boze, aan wien Soufflot, bij zijne terugkomst
uit Italië een stuk glas gegeven heeft, komende uit Herculanum,
hetwelk bijna drie streep dik was, goed vlak, zeer doorschijnend
en van eene groenachtige kleur, welke er klaarblijkelijk in ge-
blazen was, omdat er drie blaasjes in zigtbaar waren.
De kunst van het eigenlijke glasschilderen behoort tot de uit-
vinding van later tijden, en bijzonder met het doel om de ker-
ken daarmede te versieren.
De dichter Fortunatus die omtrent het einde der zesde eeuw
leefde, geeft eene dichterlijke beschrijving van de kerk te Parijs,
thans de Lieve Vrouwe Kerk.
In het leven van den H. Benedietus, Abt van Wirmouth, een
klooster in Schotland, waar hij in 690 overleed, lezen wij dat hij
naar Frankrijk kwam, om werklieden te zoeken die hem eene
kerk zouden bouwen, en glasblazers om zijn klooster en kerk
van glasramen te voorzien. Beda een leerling van Benedietus,
spreekt er ook van in zijne werken.
De oudste geschilderde vensterglazen, welke wij met zekerheid
van den tijd, waarin zij vervaardigd zijn, kunnen aanwijzen zijn
te Parijs in St. Denis, welke de Abt Suger in 1150 deed plaatsen.
Cimabuë wordt in Frankrijk voor den eersten bekenden glas-
schilder gehouden, welke echter eene eeuw later geleefd heeft
dan de meesters welke de Abt Suger heeft gebruikt.
-ocr page 110-
100
De grootste glasruiten welke uit de kerk van den Tempel te
Parijs komen, en in bet Museum aldaar bewaard worden, dag-
teekenen niet van do oprigting van dit gebouw, hetwelk tot 1160
opklimt; zij versierden twintig glasramen in die kerk, welke eer-
bied inboezemden. Deze glasruiten zijn vervaardigd en geschil-
derd door Albert Durer, en in menig opzigt belangrijk. De kleu-
ren zijn schoon en krachtig, de teekening naauwkeurig en de
bouwtrant van eeuen zeer goeden smaak; do glazen zijn groot
voor dien tijd. Zij zijn nog te meer belangrijk, omdat de schil-
der op het dikke glas den oogappel zijner beelden willende doen
uitkomen, dit gedeelte van het oog met eene drilboor in het glas
heeft doen uithollen. Dit middel is bij herhaling aangewend voor
sieraden, waarin men zonder dat middel onmogelijk zoude ge-
slaagd hebben.
De vensterglazen van het Celestynenhuis, gebouwd omstreeks
1390, zijn van verschillende handen en tijdvakken, hetgeen aan
herstellingen moet worden toegeschreven.
Daarop volgt de kapel van Orleans; deze geheelo familie is
er levensgroot in afgebeeld, zoo ook Frans I, Hendrik II, Karel
IX enz.; de uitvoering wordt toegeschreven aan Bernard van
Orlay, geboren te Brussel, welke in 1535 leefde.
De schoonste gedenktoekeuen van dien aard welke in Frankrijk
bestaan, zijn de kerkglazen van Jean Cousin in de kapel van
Vincennes geschilderd. De schilderingen zijn verheven en schijnen
veeleer op doek geschilderd te zijn, en hij heeft al de hulpmid-
delon der kunst er op vereenigd en aangewend. De glazen worden
thans sedert het laatst der vorige eeuw, bewaard in het Museum
te Parijs, onder meer andere dergelijke voortbrengselen.
De kerkglazen van het Minder-broeder klooster van Passij dag-
teekenen van Lodewijk XII, waarschijnlijk vervaardigd naar de
teekeningen van Albert Durer, omdat vele derzelven in zijne wer-
ken gegraveerd worden gevonden.
De glasruiten van het kasteel van Ecouën, welke de fabel van
Cupido en Psyche voorstellen, uitgevoerd in grisaille, naar het
oorspronkelijke van Raphaël, zijn ten getale van ongeveer veer-
tig. Twee en twintig stuks van dezelfde bevinden zich in de
galerijen van het Parijsche Museum. De uitvoering is in het bak-
ken niet met de meeste zorg bewerkt.
Pinaigrier heeft te Parijs veel glazen geschilderd in de 16de
eeuw, en hoeft ook verscheidene glazen in de kerk van Chartres
vervaardigd in 1527 en 1530.
De glazen der St. Paulus kerk dagteekenen van 1430; men
ziet er één niet zonder verdiensten van Herron, voorstellende
Adam en Eva.
-ocr page 111-
101
N. Pinaigrier heeft in 1600 in het kasteel van het huis de la
Briffe,
zeven schilderijen in grisaille op glas geschilderd, elk on-
geveer van 10 duim breed bij 6 duim hoogte, de kunsten voor-
stellende. Deze wat de juistheid van de uitvoering en do fijn-
heid van teekening betreft, zoo uitmuntende schilderstukken, zijn
vervaardigd naar de teekeningen van Frans Florus, die dezelve
in olieverw had geschilderd voor de kunstzaal van N. Soudghe-
lingh. Zij zijn gegraveerd geworden door Cornelis Cort, vermaard
plaatsnijder van Hoorn in Noord-Holland.
In 1706 vervaardigde Benedikt Michu naar do teekeningen van
Matthijs Eljje, een Vlaamsen schilder, eenige onderwerpen uit
het leven van Jean de la Barrière; zij zijn in de glazen van het
klooster der Feuillans, Straat St. Honoré te Parijs; zij zijn goed
uitgevoerd.
De glazen in de kerk van Versailles zijn omtrent van denzelf-
den tijd en op dezelfde wijze uitgevoerd.
In 1726 werd het ronde venster in de Lieve Vrouwe kerk te
Parijs, aan den kant van hot Aartsbisschoppelijk Paleis vernieuwd,
als ook de ruiten.
In 1740 vervaardigde de schilder Desosier, onder den Architect
Gabriël, verscheiden zinnebeeldige onderwerpen op de glasruiten
van het paviljoen, genaamd du Dauphin, in het park van Ver-
sailles.
"Wat de verscheidenheid van tinten betreft, kan men er twee
fraaijo zien in de Abtdjj van St. Denis. Zij zijn met de leven-
digste kleuren gebrandvorwd. In 1755 hebben do Gebroeders
Pierre en Jean Levieil, glasschilders te Parijs, de beschilderde
glazen die zich aan den Zuidkant in de Lieve Vrouwe kerk al-
daar bevinden, vernieuwd. Een dezer kunstenaars heeft een zeer
geacht werk uitgegeven over de kunst om op glas te schilderen.
Men vindt in andere landen, mede zeer schoone voortbrengelen
dezer kunst. Wie kent in Nederland niet de schoone en beroemde
glazen der kerk in Gouda, on de beroemde meesters, welke vele
dezer glazen hebben geschilderd, de Gebroeders Dirk en IFouter
Crabet?
De schoonheid der kleuren, de juistheid en schoone smaak der
teekeningen en de naauwkeurige bewerking, doen met het volste
regt, die glazen als eene der schoonste voortbrengselen in deze
kunst achten. Onder vele dezer glazen is vermaard het raam,
voorstellende den Heere Jezus als kind leerende in den tempel
te Jerusalem. Zoo ook vond men eertijds in de kerk te Sneek
eene vlugt naar Egypte, welke eene der voornaamste sieraden
dier kerk uitmaakte.
In verschillende Kerken in Nederland vindt men nog overblijf"
-ocr page 112-
102
selen dier eertijds zoo sterk beoefend wordende kunst: zij bezit-
ten meer en mindere verdiensten, maar zijn niet zoo algemeen
bekend als de glazen der kerk van Gouda, welke eene Europe-
sche kunstvermaardheid hebben verkregen.
Wij kunnen ons hier nu niet verder over uitlaten, maar willen
liever tot de behandeling zelve overgaan.
Behandeling. Het is bekend hoe sedert de verloopen eeuw deze
kunst uit verschillende oorzaken aan het kwijnen is geraakt, zoo
zelfs, dat men veelal hoorde, dat zij was verloren geraakt: dit
was echter zoo niet, deskundigen wisten het beter, dewijl de
brand verwen, welke voor het schilderen op porselein gebruikt
werden, ook voor deze kunst doelmatig zijn. Zij behoefde echter
opbeuring, en deze heeft zij gevonden in de laatste jaren, dewijl
zij in verschillende landen weder op nieuw en met zeer veel lof
beoefend wordt.
Eenigo der laatste tentoonstellingen in Nederland, zijn hier-
van getuigen: de edele familie ltyckevorsel en de glasbranders
Coquenet & Comp., Ilaarlemmerhouttuinon N°. 1284 te Amsterdam,
hebben hier van loffelijke proeven en voortbrengselen getoond:
levert onze leeftijd niet de gelegenheid op, om op zulk eene
groote schaal te werken als de vroegere kunstenaars, voor de
grooto vakken der kerkglazen, de kunst kan evenwel in een klei-
ner omvang met lof en doelmatig beoefend worden, met de ge-
logenheid om van den tegenwoordigen stand der wetenschappen
en scheikunde, partij te trokken, welk gemak vroegere kunste-
naars ontbeerden.
Wanneer men derhalve tegenwoordig op glas wil schilderen
evenals in vroeger tijd, dan kan men daarin gemakkelijker sla-
gen, want de zelfstandigheden waarmede men in brandverw (email)
schildert, zijn volmaakt dezelfde; het zijn ook dezelfde verwen
welke men voor het schilderen op porselein gebruikt, met die
verandering in de behandeling, dat de tinten veel krachtiger
moeten zijn, en dat men in de donkerste schaduwen genoodzaakt
is, het glas van beide zijden te beschilderen, zoo als voor den
baard, het hoofdhaar en de donkere kleedingstoften, zoo als men
zulks op onderscheidene glazen kan zien.
Zie hier de manier hoe men grooto stukkon op glas kan schil-
deren.
Men begint met algemeene teekening te schetsen op bladen
karton, van dezelfde grootte als het schilderij moet zijn. Vervol-
gens verdeelt men do kartons in zoo veel stukken, als er glas-
ruiten zijn en men geeft daaraan juist denzelfden vorm.
Men plaatst op elk stuk karton een nummer, hetwelk eveneens
op het glas verrigt wordt. Men legt eene witte glasruit, wan-
-ocr page 113-
103
neer het voor vleeschkleuren bestemd is, en eene gekleurde, wan-
neer het voor kleedingstukken is, op dat gedeelte der teekening,
hetwelk men wil voorstellen; vervolgens trekt men de omtrck-
ken door, met het penseel en de schaduwen, welke men door
het glas van de teekening op karton ontwaart.
Men bezigt daartoe de verwstoffen en oliën, die men voor het
porselein-schilderen gebruikt, en met dezelfde gereedschappen als
voor die schilderwijze opgegeven zijn.
Dit alles geëindigd zijnde, laat men het bakken, opdat het vuur
het glas doende gloejjen, de kleuren daarin doet smelten en over-
gaan, zoodanig dat zij tegen allen uitwendigen invloed bestand zijn.
Voor groote partijen, mengt men van de terpentijnolie onder
•de andere terpentijn, on gebruikt\' dan ook breeder penseel.
"Wanneer het gebakken is en het in alles nog niet voldoet,
beschildert men die partijen op nieuw, en laat het werk weder-
om in den oven zetten.
Het bakken kan men laten verrigten bij de Heeren Coquenet
& Comp. boven aangehaald, bij wie ook al het benoodigde voor
deze schildermanicr verkrijgbaar is.
Om nog iets te melden omtrent de verwstoffen, zoo als op de
fabrieken worden vervaardigd, dient, dat de zelfstandigheden,
welke gewoonlijk gebezigd worden om groote glazen te kleuren,
alle uit het rijk der mineralen getrokken, en in de smeltkroes
tot derzelver vereischte hoedanigheden gebragt worden.
Het kobalt dient voor het blaauw.
De verschillende schakeringen van rood, bruin en kastanjebruin
worden gemaakt van ijzerkalk of verzuursel, op verschillende
graden van kracht gebragt.
Het donkerrood wordt ook van koperkalk gemaakt, en deze
wordt verkregen, wanneer de koperslagers, gloeijende koperen
staven in het water dompelen.
Het groen verkrijgt men almede van eenen door plantaardige
zuurstoffen gedane oplossing van koper, doch welker oplossing
door alcali moet geprecipiteerd worden.
De purperkleurige glazen worden met goudkalk gekleurd. Een
grein goud kleurt zeer goed vier honderd stuks ruiten. De zil-
verkalk is insgelijks kleurend en geeft het geel, hetwelk ook ge-
maakt wordt van loodkalk vereenigd met antimonium.
Het violet wordt gemaakt uit eene minerale zelfstandigheid
manganesia genaamd.
De aldus toebereide glazen ontvangen van den schilder de
teekeningen der kartons, met de schaduwen en halve tinten, en
worden vervolgens in den oven gedaan.
-ocr page 114-
104
HET SCHILDEREN OP SPAHOUT.
Dit is eene der manieren van welke men eenig huisselijk go-
noegen, nut of vermaak kan genieten, en staat niet gelijk mot
het decalqueren, hetwelk eene voorbijgaande modeschildering was,
in de oogcnblikken van algcmeene geestdrift alleen in gebruik,
en deelneming verwekkende, tot zoo lang hetzelve door iets an-
ders van dien aard verdrongen werd. Dit is echter niet in die
mate het geval met hot schilderen op spahout, hiertoe wordt
wezenlijke kunst vereischt en kan ieders talent iets voortbrengen,
naarmate hij begiftigd is door de natuur, en staat niet gelijk
met de aangehaalde manier, dewelke alleen ten doel had de
voortbrengsels der lithographie over te brengen, en den geest
vermoeide en uitbluschte in het langwijlig en vervelend wrijven
der platen.
Men verschaft zich onvernisd spahout, hetzij wit of donker
van tint, de manier van schilderen kan op beide soorten van
hout toegepast worden.
Er wordt vooraf vereischt, dat de beoefenaar met dekverw op
papier kan teekenen, en hierin eenige ervarenheid heeft verkre-
gen: wij hebben derhalve slechts op te geven, hoe deze manier
toegepast wordt op het spahout, en laten dus de behandeling
der schildering over aan den beoefenaar, en verwijzen hem naar
hetgeen over do dekverwen in dit werkje geschreven is.
Men begint met het maken der schets niet tamelijk hard pot-
lood, de fouten kan men met gom-elastiek of zeemleder wegve-
gen, en in zeer uitvoerige schetsen dezelve doortrekken, door
den achterkant van het papier, met een lapje met vermilloen te
besmeren, dit een weinig uitkloppen, met de roode zijde op het
hout leggen, en vervolgens met een puntig voorwerp, de schets
natrekken, waardoor zij in liet rood op het hout overgebragt is,
waarna men dezelve met potlood verder behandelt, eer men gaat
schilderen; dit is een hulpmiddel, hetwelk het hout voor de vlek-
ken van het schetsen beveiligd, en ook in meer andere gevallen
kan worden toegepast. Men dient te zorgen, dat de schets welke
men door wil trekken, met eenige zwaarte bezet is opdat zij niet
verschuive: gevoegelijkst gebruikt men hiertoe een paar stukjes
lood, welke met papier beplakt zijn, en men aan het boveneinde
der teekening plaatst.
De schots gereed zijnde, maakt men loodwit uit de dekverw
gereed, vermengd met water, en beschildert met eene gelijke
tint van tamelijke dikte, al hetgeen men heeft geschetst. Dit
droog zijnde, ga men op deze grondtint schilderen met dekverw,
de voorwerpen welke men verkiest: men handelt nu even als of
-ocr page 115-
105
men op papier schilderde, men doodverwt, schildert het werk op
en retoucheert dit. even als men in de dekverwen gewoon is,
en zorge slechts dat er geene dikten van verw of korrels in zigt-
baar zijn, dewijl dit met het vernissen te veel hoogten geeft, uit
dien hoofde moet men den witten grond zeer gelijk leggen en
zich eone nette schilderwijze eigen maken.
Men gebruikt een papieren onderlegger, en kan het doosje of
voorwerp met papier bekleeden, zoo lang men het beschildert,
om het voor alle onzindelijkheid te beveiligen, men kan echter
met gom-elastiok het hout reinigen, of hetzelve met glas afschrapen.
De manier is aangenaam in de beoefening, en van veel netheid
en smaak. Vogels en kapellen in takken met bladeren of eenig
bijwerk, voldoen in deze manier zeer goed, en geven door der-
zelver kleurigheid en teekening, een schoon gezigt op dit ele-
gante werk.
De teekening vervaardigd hebbende, kan men het een en ander
laten vernissen of lakken, in fabrieken of winkels welke zich op
fijne lakwerken toeleggen, zoo als men onder meer anderen de-
zelve in Amsterdam en \'s Gravenhago heeft, welke hierin uit-
munten.
Men kan dit ook zelve verrigten. Men laat tot dit einde door
een apotheker het navolgende recept voor vernis gereed maken,
of bewerkt dit zelve.
Voorschrift tot het maken van vernis.
Wijngeest 12 oneen.                                   Fijne sandarak 2 oneen.
Terpentijn eene halve once.                       Terpentijn-olie idem.
Kamfer j lood.
Deze ingrediënten worden in een flesch van wit glas gedaan,
en vervolgens over een zeer zacht vuur of heete aseh tot smel-
ting gebragt, zonder met kurk digtgesloten te worden; dit werk
is gevaarlijk wegens de ligt ontvlambare stoffen, vooral wegens
den wijngeest, dus men kan hierin vooral niet te voorzigtig sijn,
en nimmer sterke hitte gebruiken. Zoodra men ziet dat alles
gesmolten is, neemt men de flesch weg en laat dezelve bekoelen;
in deze bewerking dient nog opgemerkt te worden, dat men de
flesch niet op het vuur plaatst, maar om den hals een stevig op-
gerold papier draait, met twee overstekende einden en de flesch
hieraan vasthoudt, tot zoo lang de ingrediënten gesmolten en
vereenigd zijn \').
\') Het vuur moet slechts zoo heet zijn, dat men de hand er gemakkelijk
hoven kan houden.
-ocr page 116-
106
Door de flesch in heet water te plaatsen, kan het ook verrigt
worden; alsdan heeft men minder nood van brand of van andere
onheilen te veroorzaken.
Het opleggen van het vernis. Leg eene laag vischlijm op het
hout, een of twee malen, verzacht dit door het wrijven met préle.
(zekere plantaardige stof), verwarm het hout matig, strijk de
vernis mot cone platte kwast en eene luchtige doch vaste hand
er over, zonder tweemaal de/.elfdo plaats te raken.
Bij warm weder of in een wel verwarmd vertrek, kan men
zulks om het uur herhalen. In een koud vertrek kan men niet
vernissen, ook moet de vernis niet plotselijk uit de warmte in
de koude, of uit de koude in de warmte worden overgebragt,
doordien het vernis alsdan gevaar loopt van te scheuren. Hoe
dunner men telkens het vernis opbrengt, hoe beter werk men
maken zal.
Na zesmaal te hebben vernist, laat men het vernis twee of
drie dagen droogen.
Het schuren met kastenmakers biezen. Men schuurt met in wa-
ter geweekte kastenmakers biezen zachtjes de strepen weg, die
de streken van het penseel mogten hebben achtergelaten: terwijl
men het daardoor ontstaande vuil, behoedzaam met eene fijne
natte spons wegneemt.
Het verder opleggen van vernis. Na drooging van het schuren
begint men op nieuw te vernissen; na drie of viermaal vernist
te hebben laat men op nieuw droogen.
Het schuren met puimsteen. Hierop wordt het vernis met een
ontastbaar poeder van puimsteen, met water tot eene dunne pap
gemengd door middel van eenen lap der fijnste baai, zacht ge-
slepen en hot vuil met de spons weggewischt.
Het schuren met Spaansch krijt. Op gelijke manier wordt, met
het fijnste gezifte Spaansche krijt, insgelijks met water gemengd,
en door middel van een stukje baai, den glans hersteld, dien het
vernis, door het slijpen met puimsteen, verloren heeft.
Het inwrijven met olie, het uitirrijven daarvan en het verder
polijsten.
Vervolgens neemt men een druppel terpentijn-olie, dien
men op het verniste werk, met den bal der hand zacht inwrijft,
en oogonblikkelijk mot de prêle, weder uitwrijft.
Eindelijk geeft men, door eene aanhoudende zachte schuring
met dit poeder en eenen zijden doek, den schoonsten luister aan
het verniste.
Deze manier heeft niet het langwijlige van andere handelwijzen
van het vernissen van dit hout, en zal bij eene doelmatige be-
handeling eene zeer voldoende uitkomst opleveren.
Over de penseelen en het schoonmaken derzelve. Men gebruikt
-ocr page 117-
107
tot het vernissen, platte Lionsche penseelen van een zijdeachtig
soort van haar, gemeenlijk in blik gevat. Om op den duur goede
dienst van de penseelen te hebben, is het noodig, die telkens,
na gemaakt gebruik, in warmen terpentijn te doopen, op een grof
linnen frisch uit te strijken en vervolgens te laten droogen. Goed
droog zijnde, kan men het weinig daarin overgebleven vernis,
door buiging der haren, als stof daaruit wrijven.
HET SCHILDEREN OP SATIJN.
Deze kunst in vroeger tijd meer in gebruik dan thans, willen
wij echter behandelen, dewijl dezelve weinig bekend en toch
smaakvol in hare uitwerking is en tot verschillende oogmerken
gebezigd kan worden.
Men kiest tot dit einde het beste satijn van eene witte blaauw-
achtige kleur, van eene goede dikte en hecht hetzelve op een
paneel, met kleine en dunne stalen nageltjes, kan het werk
dit niet gedoogen, dan plaatst men op de uiterste kanten van
het satijn, stukjes lood met papier beplakt; dewijl men tot de
schildering eene effone en gelijke oppervlakte noodig heeft.
Men schetst met zacht potlood en eene vaste hand doch altijd
zacht drukkende, dewijl men anders gevaar loopt van naden in
het satijn te veroorzaken.
Tot de schildering gebruikt men de gewone dekverwen, welke
men met een weinig water tot vloeibaarheid brengt; maar in
plaats van nu met water te schilderen, verkiest men Franschen
brandewijn, welke de verwen op het satijn doet hechten, en
het vloeijen belet, bij het opschilderen en retoucheren komt men
de dekverw even als op het papier tegemoet met desapverwen:
hetzij door vermenging onder de dekverw, glacering of retou-
chering.
Bij de goede behandeling met dekverw biedt het schilderstuk
eene gelijke oppervlakte aan, welker effekt geheel afhangt van
den kunstenaar die dit genre beoefent. Eene goede behandeling
geeft een smaakvol versiersel, hetwelk men in een houten raam
kan vasthechten en tot verschillende einden bezigen.
Men vernist het werk met de uitmuntende vernis N°. 2, van
de Gebr. Schnée te Parijs, Kue Neuve de la Fidélité N°. 22,
en ook hier verkrijgbaar in de teekenwinkels, bekend onder de
benaming van vernis voor Aquarelles. Met een betrekkelijk breed
penseel, legt men deze vernis over het werk, een of tweemalen,
waardoor alle kleuren in haren glans en luister met zachtheid
voorkomen, en een aangenaam contrast opleveren tegen de zachte
blaauwachtig grijze toon van het satijn.
-ocr page 118-
108
Dezo vernis, bekroond met de zilveren medaille, door de
sociëteit van schoone kunsten te Parijs, is ook zeer geschikt,
voor dekverw op papier, om in sapverwen sommige partijen
kracht te geven, en voor litliographien: het laat zich voor het
spahout ook zeer goed gebruiken.
De manier om met sapveriv en brandewijn in deze manier te
schilderen is niet voldoende, dewijl do draden van het satijn te
veel doorschijnen, en de sapverw geen kracht genoeg heeft om
op satijn eenig belangrijk eff\'ekt te veroorzaken.
Men wacht zich bij het schilderen, om het satijn met de
vingers veel te behandelen, dewijl zulks naderhand vlekken ver-
oorzaakt.
HET SCHILDEREN OP MATGLAS.
Kies hiertoe zeer fijn geslepen matglas, datgene, hetwelk door
scheikundige middelen, de gladde oppervlakte verloren heeft, is
het beste hiertoe geschikt.
Zoo men hetzelve voor transparanten wil laten dienen, neemt
men doorschijnende verwen; wil men het tot andere oogmerken
gebruiken, dan kan men zelfs dekverwen en wit gebruiken; men
kan ook met eene kleur, hetzij in het zwart of bister werken.
Men bezigt hiertoe de onbereide verwstoff\'en uit do winkels, en
wrijft dezelve fijn op het matte glas, dat men gewoonlijk hiertoe
gebruikt; men doet dit met water zonder gom, en laat deze
stoften droogen, om nader te gebruiken.
In het gebruik mengt men deze verwen met tamelijk dikken
terpentijn-olie en gekookten lijnolie.
Men schetst met potlood, en kan de teekening welke men wil
overbrengen op het glas, tot dit einde er onder leggen, en zoo
de schets volgen: in het schilderen voor transparanten, plaatst
men het glas in eene schuinsche rigting tegen het daglicht.
De schildering wordt vernist met spa-vernis, en kan dan veilig
eene wassching met koud water ondergaan.
Zie hier eene opgaaf van eenige transparante verwen.
Geel.                                               Rood.
Guttegom.                                       Drakebloed.
Indiaansch geel.                             Alle soorten van Carmijn oflak.
Napelsch geel.                               Gebrand Carmijn voor schaduw.
De Chromaatgeelen.
Geel oker.
Bruin oker.
-ocr page 119-
109
Blaauw.                                   Bruin en Zwart.
Ultramarijn.                                    Gebr. Ital. aarde of Terra di
Berlijnsch blaauw.                             siona.
Indigo.                                             Bister.
Gebr. Kass. aarde.
Beenzwart.
Voorschrift voor het mat maken van glas. Er zijn tweederlei
middelen om het glas mat to maken, het eerste en eenvoudigste
is, hetzelve door eene langzame en gelijkmatige wrijving met
zeer fijn puimsteen van deszelfs glansrijke oppervlakte te be-
rooven, waardoor men op hetzelve met geraak kan schilderen,
dit is echter eene langdurige en vervelende arbeid.
Korter is het, om het glas eene zekere scheikundige behan-
deling te doen ondergaan. De ondervinding heeft geleerd, dat
van alle zuren, welke in de natuur bestaan, er slechts een is,
hetwelk op het glas werkt, on deszelfs gladde oppervlakte als
doorknaagt.
Dat is het smelt of vloeispath-zuur, hetwelk zich ontwikkelt,
als men op fijne vloeispath (zekere aardsoort) twee deelen vitriool-
olie,
met een deel water verdund, druppelt; dit op eene stoof
tot eene zachte warmte brengt, en over de daaruit opklimmende
dampen, welke het genoemde zuur bevatten, het glas houdt,
dat men begeert mat te hebben. Men bedekt het glas zoodanig,
dat niets van den damp verloren gaat, maar alleen op het
glas werkt.
Slechts aan eene zijde moet het glas de bewerking ondergaan.
HET SCHILDEREN OP WIT FLUWEEL.
Deze liefhebberij beoefent men op zijden fluiveel, met verwen,
welke men op brandewijn kan laten aftrekken en tot genoegzame
kracht brengen, men mengt dezelve alsdan met een weinig gom-
trayakanth
, eerst in water geweekt en vloeibaar gemaakt.
Men bewerkt deze manier met penseelen vervaardigd van fijn
wit varkenshaar, waarmede men de eerste tinten aanbrengt; en
met penseelen van een zachter soort van haar, waarmede men
op het geteekende, de donsachtigheid van het fluweel weder
opschuijert, om deszelfs glans op te halen.
Sommige teekenaars vergenoegen zich met de gewone sap-
verwen, vloeibaar gemaakt met zeer weinig water, en met
brandewijn verder schilderende, doch in deze manier verliest
men het dons van het fluweel te veel.
-ocr page 120-
110
Er bestaan ook nog andere manieren, wij hebben de gemakke-
lijkste opgegeven.
Voor diegenen, welke de verwen niet zelve vervaardigen
willen, bestaat er gelegenheid om dezelve met de penseelen en
berigt, in de teekenwinkels te kunnen koopen.
IETS OVER HET TEEKENEN OF EMA1LLEREN MET GOUD OF ZILVER OP GLAS.
Men laat zich goede zwarte olieverw van beenzwart bereiden,
gemengd met een weing barnsteen vernis. — Men neemt de
teekening, op dun papier vervaardigd, welke men overbrengen
wil, legt hierop helder wit Engelsch spiegelglas, en trekt met
een penseel al de uiterste omtrekken der teekening mot de zwarte
verw na, vult verder alles wat niet tot de teekening behoort
met deze verw in, alloen uitsparende de plaats waar de teekening
in goud moet komen, men laat dit een paar dagen droogen, en
voorziet zich van een boekje fijn rozenobel goud, een vergulders-
kussen en mes, waarmede men het goud op de begeerde grootte
kan snijden; om het aanhangen te beletten, wrijve men het mes
eerst af met wit krijt. Neemt vervolgens sterken brandewijn of
voorloop met een klontje, zoo als men bij de thee gebruikt, in
den mond, zoodat de tong daarmede goed bevochtigd is, likt
met dezelve over het bloot gebleven glas, houdt hot lijnregt
boven het goudblaadjo dat op het kussen moet liggen, druk het
glas met snelheid op hetzelve, en houdt het een oogenblik in
die rigting, waarna men het langzaam laat droogen, tot het
daar achter zittend vocht weggewasemd is, en herhaalt dit, tot
zoo lang de begeerde plaats met goud gevuld is. Daarna neemt
men fijne watten en wrijft met dezelve over het goud, opdat
het glanzig worde: het goud, dat over den omtrok der teekening
overtollig is, neemt men weg met eene veer.
Ligt het niet dik genoeg of met open plaatsen, dan herhaalt
men deze bewerking.
Als het goud geheel droog is, dan brengt men met verschillende
spitse en stompe naalden, gevat in een heft of steel, de om-
trokken en arseringen der teekening in het goud, om de teekening
daardoor zichtbaar te doen worden, voor de donkere partijen
met breede, en voor de lichte partijen met fijne naalden.
Men oliet de teekening waarnaar men werkt, en teekent dezelve
aldus verkeerd op het goud, om, het glas omkeerende, dezelve
regt te zien.
Eindelijk bestrijkt men ook de gouden partijen met deze
zwarte verw of zwarte lak, waardoor de schaduw geheel te
voorschijn komt. Hetzelfde kan men in het zilver verrigten,
-ocr page 121-
111
en kan deze gegraveerde teekeningen in tamelijk donkere lijs-
ten plaatsen.
Dezelfde manier op een gouden grond. Neem bruine verw,
gemengd met raapolie en met terpentijn verdund, schilder met
dezelve uit de vrije hand, of, het glas op de teekcning leg-
gende, door hetzelve het verlangde voorwerp, laat hot droogen,
breng do arseringen er met naalden in, en leg op dezelfde
wijs de blaadjes goud achter over de teekcning, waardoor de
bruine verw op den gouden grond geene onaardige vertooning
maakt.
IETS OVER HET HAARSCHILDEREN.
Men slaat het haar goed door zeepsop en droogt het in de
schaduw. Men knipt het met eene stalen schaar zoo lang in alle
rigtingen, tot het de fijnte van stof heeft, en men hetzelve met
de punt van een mesje plat strijkende, niet kan onderscheiden
dat hot haar is. Om dit gemakkelijker te verrigten kan men
het eerst nat maken.
Neem zuiver wit glas, leg dit op de teekening welke men
wil vervaardigen, en met deze op een dun plankje; men doet
voor het verschuiven een papieren rand met stijfsel op het glas
en hout. Nu neemt men een mengsel van gom, en brengt door
middel van een penseel eenig haar op een paletje, en vermengt
het haar met dezelve. Men moet echter maar weinig haar aan-
maken, dewijl het droog geworden zijnde, zich niet zoo goed
laat gebruiken. Met een kort stijf penseel brengt men het haar
op het glas volgens de doorschijnende teekening.
Zoo er slechts eene kleur van haar is, moet de schaduw na
het droogen, met olieverw er opgebragt worden, de kleur dezer
verw moet met de haarkleur overeenstemmen.
Vervolgens schildert men op de achterzijde van het glas, de
lucht en het water, in waterverw op het papier, waarop men
vervolgens de haarteekening hechten zal.
Het doet een schoon effekt, wanneer men dit achterste papier
met eene flaauw-geelachtige ivoortint bedekt. Het gemakkelijkst
werkt het naar eene teekening in het bister of sepia bewerkt.
Het is volstrekt noodig als men schilderijen van eenigen om-
vang in deze manier wil vervaardigen, dat men velerlei nuances
bezit. Men kan ze doorgaans tot 20 nommers bekomen, van het
wit en goudblond tot het zwart. Men doet deze nuances in
verschillende doosjes of papieren met de benaming of nommering
der tint er bijgevoegd. Tot het geheel witte kan men witte wol
zeer fijn snijden en dezelve voor de lichte plaatsen gebruiken,
-ocr page 122-
112
maar beter is het, zich hier van zeer grijs of wit kinderhaar
te bedienen.
Lijm om haar te plakken. Neem voor 20 Cents zeer witte
vischlijm, laat dezelve in zeer kleine stukjes knippen, zet hem
twee dagen in brandewijn te weeken, waarna men dezelve door
eene zeer zachte en langdurige warmte laat smelten.
Intusschen laat men vier of vijf balletjes knuflook in wat
jenever wecken en vervolgens kuken.
Men vermengt beide deze vochten, Altereert ze door eenen
neteldoekschen lap en bewaart het in eene digt gestopte flesch.
Bij het gebruik doet men een weinig in een klein glaasje,
hetwelk men in een kopje warm water op een komfoortje zet,
om dezelve week te kunnen gebruiken.
Perkament of handschoenen lijm te vervaardigen. Neem zuivere
onbeschreven snippers van wit perkament, giet er zuiver koud
water op tot het goed bedekt is, en zet het in eenen pot op
het vuur en laat het tot op de helft verkoken. Men kan beproeven
of dezelve goed is, door een druppel op een tinnen bord te
werpen, waarop hij als bouillon moet stollen; hierna giet men
dezelve door een linnen doek en bewaart ze met een weinig
brandewijn in eene toegestopte flesch op eene koele plaats.
In liet koken moet men het veel omrooren, en zeer lang kan
men deze lijm niet bewaren. Men gebruikt dezelve zooals bij
de dek- en waterverwen is aangewezen.
Het is gemakkelijker en verkiesehjker om het bij de verkoopers
te koopen. Men vindt het in plaatjes, de kleur hebbende van
rolsuiker (sucre d\'orge), zeer doorschijnend en wit. Deze lijm is
dezelfde als die welke men Vlaamsche lijm noemt.
Bloemen lang te bewaren of te verfrisschen. Men laat dezelve
eer men ze in het water zet, met den steel langzaam door de
vlam eener kaars gaan, of lakt den steel geheel toe, hetgeen
de bloem belet hare sappen te verliezen.
Zijn zij aan het verwelken, en wil men dezelve gaarne nog
wat behouden, zoo zet men ze tot op een vijfde der stelen in
kokend water, en laat ze daarin koud worden, dan snijdt men
een stuk der stelen af en zet ze in frisch water. Ook dit afsnij-
den der slijmerig geworden einden, is op zich zelve reeds zeer
goed tot verfrissching.
Zuivering van oude morsige gravures. Laat de plaat 24 uren
in zuiver water weeken, wanneer zij half droog is, leg ze dan
op zuiver vloeipapier, dat horizontaal uitgespreid ligt, neem als-
dan een grof penseel, gedoopt in onverzuurde zuurstof: (Peroxide
d\'oxigene) en wasch de goheele plaat daarmede, welke droog
wordende, zoo wit zijn zal als men verlangen kan.
-ocr page 123-
113
Hel teekenen met zilverstift op perkement. Laat hiertoe bij een
zilversmit een staafje best zilver, van de dikte als een gewoon
potlood, zeer fijn aanpunten en in een heftje of dik penseelstokje
zetten, met hetwelk men op zeer fijn perkement-papier, de be-
geerde teekening maakt, de sterkste toetsen, alleen met ordinair
potlood doende, dewijl het zilver daartoe geen genoegzame kracht
heeft. In zilverachtigen glans laat het het potlood verre achter zich.
Over het branden van venvstoffen. Kies hiertoe eenen ijzeren
lepel, gelijk de loodgieters gebruiken, en maak dien over houts-
kolen gloeijend en werp dan de verwstof er in, welke men be-
geert te branden. Sommige worden anders van kleur en meest
allen fijner van aard. Het loodwit wordt geel, het kremnitzer
wit schooner geel. Zilver wit, nanking; kasschelsche aarde, zeer
donker en krachtig. Italiaansche lak of aarde, de bekende warme
bruine tint. Het carmijn wanneer het echt is, geeft het schoone
gebr. carmijn, zoo rijk en heerlijk van toon: men moet met deze
kleur dadelijk ophouden te branden, wanneer er een zekere damp
afkomt, en werpt dezelve dan op een schoon bord. Onder het
branden moet men gestadig roeren met een stokje. De geel-oker
wordt lichtrood. Bruin-oker, donkerrood. De omber, donkerder.
Het Berljjnsch blaauw (niet van Engelsche vervaardiging), geeft
eene uitmuntende bister kleur, zoowel geschikt voor olie- als
waterverw en zeer kleurhoudend.
Zoodra de verwen de begeerde kleur hebben verkregen, werpt
men dezelve ter bekoeling op een schoon bord. Men kan het
ook met andere verwen beproeven.
Middel om de Venetiaansche lak te beproeven. Men moet een
lak kiezen, van eene wel vaste verw en donkere kleur, zonder
echter violetachtig te zijn. De goede Venetiaansche lak moet in
citroensap, of in vaste alcali en wijngeest, of wel in goeden wit-
ten ovorgehaalden azijn niet veranderen. Zij is goed als zij in
de alcali niet violet, en in den azijn niet geelachtig wordt.
Middelen om zich te verzekeren of de ultramarijns vervalscht
zijn of niet.
Voorzie u van een klein fleschje met sterk water
of salpeterzuur en van een stukje glasruit; neem een staaltje
ultramarijn ter grootte van eene erwt, doe het in een klein hoopje
op het stuk glas, en giet er een drup salpeterzuur op. Wacht
dan eenige minuten: zoo het ultramarijn van zuiveren lapis is,
zal er geene opbruising plaats hebben, en de verw zal in eene
grijsachtige asch zonder mengsel veranderen, zoo integendeel
een gedeelte van het hoopje donkerblaauwe deeltjes vertoont, is
er zeker kobalt of Berljjnsch blaauw onder; daar deze beide ver-
wen zich niet door sterkwater oplossen.
Zie hier eene andere proef, welke kenbaar zal maken, of het
8
-ocr page 124-
114
ultramarijn met Berlijnsch blaauw of kobalt of met beide ver-
mengd is; neem een staaltje ultramarijn, dat zich niet geheel
in sterk water heeft kunnen oplossen, en dat kleine donkerblaauwe
deeltjes, gedurende een kwartier uurs en meer behouden heeft.
Doe het in eenen ijzeren, reeds op bet vuur gloeijend gemaakten
lepel, en wacht tot de verw zelve wit-gloeijend zij, vervolgens
laat gij het koud worden, en onderzoek uw staaltje verw zeer
zorgvuldig. Is het met Berlijnsch blaauw vermengd, zoo weet
gij zulks aan kleine rosachtige of donkergeele deeltjes: want
het Berlijnsch blaauw verandert in eene soort van donkeren oker
als het op een open vuur gebrand wordt.
Het echte ultramarijn behoudt deszelfs levendige blaauwe kleur.
Het vervalschte is niet geschikt tot gebruik.
Wij zouden hier nu de manier om deze verwstof uit den lapis
lazuli
te trekken, kunnen opgeven, docli verwijzen liever, wegens
de omslagtigheid voor dit kleine werkje, naar de schilderboeken;
onder anderen vindt men eene goede manier in Bouvier, Hand-
boek der schilderkunst, te Breda bij Broese & Comp., bladzijde
162, welke do kortste bekende manier opgeeft.
Het wasschen der verwstoffen. Sommige verwstoffen zijn zan-
derig on aardachtig in dorzelver onberoiden toestand, men kan
dit verbeteren door dezelve te wasschen. Werp daartoe de verw-
stof in eene ruime kom of pot, giet er ruim zuiver water op,
waarna men liet water met de stof goed dooreen roert, nu laat
men het een oogenblik bezinken, dan giet men het bovenste gedeelte
water met de daarin zijnde verwstof
in eene schoone kom en laat
dit geheel bezinken; dan giet men het zuiver overgebleven water
ook hier van af en laat het overige vocht, dat men niet kan
scheiden zonder de verwstof mede te nemen, in de zon of door
eene stoving uitdampen, tot de verw droog is.
De kleur wordt daardoor schoon en zuiver, en men verkrijgt
hierdoor het fijnste en beste gedeelte. Na het eerste afgieten,
blijft de draf over in een vuil bezinksel, hetwel tot gebruik on-
geschikt is.
Vegetal papier te bereiden. In eene kan terpentijn roert men
een Ned. lood fijne loodsuiker, en laat dit mengsel 24 uren staan.
Na dien tijd schudt men hetzelve goed dooreen en menge er
een half pond Canada balsem (B. Canadensis) bij, waarop men
de flesch in een tamelijk heet zandbad zet, en het vocht zoo lang
goed dooreen roert, tot dat alles gelijkmatig gemengd is.
Met deze vloeistof bestrijkt men nu het ongelijmde maar ste-
vige velijn vloeipapier en laat het droogen, na verloop van vier
of vijf dagen, kan men er gebruik van maken.
-ocr page 125-
INHOUD.
DER VOORNAAMSTE VOORWERPEN.
Bladz.
Inleiding ........... i
EEKSTE AFDEELING.
Over de landschappen in het algemeen . . . . .1
Over de teekening ......... 2
Voornaamste voorwerpen die bij de compositie van een land-
schap in aanmerking komen ...... 4
TWEEDE AFDEELING.
Over het papier en de keuze daarvan . . . . .11
Over den stirator of teekenraam, beschrijving en gebruik . .11
Over de potlooden, de elastieke gom en het zeemleder . . 14
Over de penseelen, manier om ze uit te zoeken en gereed te
maken..........14
Over het palet en de kelkjes . . . . . . .16
Over de oorspronkelijke kleuren        . . . . . .16
Watervervvkleuren; tempering dezer kleuren twee aan twee; wijze
om er eenige te bereiden ; trapswijze rangschikking; voorbeeld. 17
Eenige verbinding der watervervvkleuren twee en twee . . 29
Manier om verscheidene kleuren te vervaardigen . . .31
Trapwijze kleurverzachting........33
DEEDE AFDEELING.
Van de sepia. Manier om ze te gebruiken en van het schrapmes. 36
Over de onzijdige tint of mengeling . . . . . .43
-ocr page 126-
II                                                             INHOUD.
VIEEDE AFDEELING.
Van de toaterverio.
Bladz.
Algemeene beschouwingen.— Arbeid in waterverw.— Over het
portret in waterverw.— Het opzetten van teekeningen . 45
Arbeid in waterverw ......\'. 50
Over het portret in waterverw. ...... 63
Over het encaderen of opzetten van teekeningen              . .65
Over de bloemen en vruchten....... 66
Geele tinten..........70
Groene tinten .......... 70
lloode tinten .......... 70
Blnauwe en paarsche tinten . . . . . . .71
Zwarte en witte bloemen. . . .        . . . .71
Doodverw of aanleg. ........ 72
Over eenige bloemen in het bijzonder . . .73
Vruchten...........78
VIJEDE AEDEELING.
Over de dekverw
ZESDE AFDEELING.
93
98
104
107
108
109
Het schilderen op porselein
Over het glasschilderen .
Het schilderen op spahout.
Het schilderen op satijn .
Het schilderen op matglas
Het schilderen op wit fluweel
Iets over het teekenen of emailleren met goud of zilver op glas. 110
Iets over het haarschilderen ....... 111
<CL -/<?yj>
-ocr page 127-
-ocr page 128-
2                                              , —-         —„-----
PRAKTISCHE HANDLEIDINGEN
VOOR DE
TEEKEN- EI SCHILDERKUNST.
N°. 1. Gebr. Susse. Volledige Handleiding voor de Teeken- en Schil-
derkunst, voor Schilders en Liefhebbers......ƒ 0.60
Nu. 2. P. Joi.lv. Volledige Handleiding voor het Schilderen in Sap- en
Dekyerwen................/0.90
>"". 3. Th. Rowbotham. De Kunst van Schetsen naar de Natuur, met
figuren tot opheldering............f 0.60
N°. 4. Th. en Th. L. Rowbotham. Praktische Handleiding voor het
Landschapschilderen in Waterverwen........ƒ0.60
N°. 5. Aaron Penlev. Praktische Handleiding tot het Schilderen met
Waterverwen, volgens de tegenwoordige hoogte der kunst bewerkt
en opgehelderd door Aug. Allebé ........ƒ0.60
N°. 6. Adolfina Giese. Landschapteekenen met Waterverf, naar ver-
schillende bronnen bewerkt........... ƒ0.75
N°. 7. HENRV Murray. Praktische Handleiding voor het Portretschilde-
ren in Olk.erwen, met praktische wenken betreffende het Stellen
en Figuurschilderen......,......f 0.60
N°. 8. De kunst om met Waterverf te kleuren.....
a;
..............
Typ. P. A. OEUKTS, Nijmegen.        ,\' "