-ocr page 1-
-ocr page 2-
% y ij
.4/
u - - •
\\
\'
*
1
—
-ocr page 3-
-
-
.
-
\'
\'
1
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
A06000030127595B
3012 759 5
Hf;!
.
-ocr page 4-
i \'
t
,
-ocr page 5-
af
A-l
ff
LEERBOEK -£-^_
^CT}?^
MECHANICA,
D". F. H. JULIIJS,
Lee raar aan tip Rijks Hoogere Burgerschool te Zwolle
MET 238 FIGUREN.
Uit ds na\'atenschap\'
Dr. D. J. E. SCHRE
ZWOLLE,
W. E. J. TJEENK WILLINK.
188 8.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
dhr rsj^sunjv c.:::aai\' Të utrecht
INHOUD.
EERSTE AEDEKLINU. mechanica van het stoffelijk punt.
Hoofdstuk I. Beweging. Snelheid. Versnelling.
ülaclz.
§ 1. Stoffelijk punt.................      1
$ 2. Rust. Beweging................      I
§ 8. Eenparige beweging...............      3
§ 4. Veranderlijke beweging..............      5
§ 5. Eenparig versnelde beweging............      7
$ G. Eenparig vertraagde beweging............    10
Hoofdstuk II. Ontbinden van bewegingen.
§ 7. Ontbinding van een rechtlijnige eenparige beweging.....    11
§ 8. Ontbinding van een rechtlijnige eenparig versnelde en van een
rechtlijnige eenparig vertraagde beweging.......    18
$ 9. Ontbinding van een willekeurige bewegiug.......    15
§ 10. Deviatie...................    15
Hoofdstuk III. Massa. Kracht.
5 11. Massa....................    22
§ 12. Kracht...................    23
§ 13. Samenstelling van twee krachten...........    25
§ 14. Ontbinding van een kracht.............    27
§ 15. Samenstelling van drie of meer krachten........    29
5 16. Werking en terugwerking.............    32
§ 17. Arbeid door een kracht verricht...........    32
§ 18. Arbeidsvermogen................    35
$ 19. Moment van een kracht ten opzichte van een as.....    42
§ 20. Moment van een kracht ten opzichte van een punt.....    45
Hoofdstuk IV. Beweging van een vrü stoffelijk punt.
f 21. Vrije val van ecu stoffelijk punt...........    47
$ 22. Parabolische beweging..............    48
f 23. Eenparige cirkelvormige beweging...........    56
-ocr page 8-
I N II O ü D.
IV
Blad!.
§ 24. Conische slinger................    58
§ 25. Enkelvoudige trillende beweging...........    62
j 26. Planetenbeweging................    66
§ 27. Aantrekkingskracht...............    68
§ 28. Zwaartekracht.................    72
§ 29. Evenwicht..................    75
Hoofdstuk V. Beweging van een stoffelijk punt langs voor-
geschreven lijnen
§ 30. Weerstanden van vaste vlakken, lijnen, punten......    79
§31. Beweging langs een voorgeschreven rechte lijn......    81
§ 32. Eenparige beweging langs een voorgeschreven kromme lijn . .    S6
§ 33. Veranderlijke beweging langs een voorgeschreven kromme lijn .    88
§ 34. Beweging langs een verticalen cii\'kelomtrek.......    90
§ 35. Enkelvoudige slinger...............    92
TWEEDE AFDEEL1NG. statica of leek van het evenwicht
VAN KHACHTEN, WEKKENDE OP EEN ABSOLUUT VAST LICHAAM.
Hoofdstuk VI. Algemeene evenwichtsvergehjkingen.
§ 36. Absoluut vaste lichamen..............    95
§ 37. Vervanging van krachten.............    98
§ 38. Vervanging van twee krachten langs onderling evenwijdige lijnen
werkende..................  102
§ 39. Koppel..................  106
§ 40. Vervanging van koppels in één vlak werkende......   108
§ 41. Vervanging van koppels in onderling evenwijdige vlakken werkende.  110
§ 42. Vervanging van koppels werkende in vlakken , die elkander snijden.  112
§ 43. Algemeene cvenwichtsvergelijkingen voor willekeurige krachten
op een lichaam werkende............  115
Hoofdstuk VII. Werking der zwaartekracht.
§ 44. Vervangende van krachten, langs onderling evenwijdige lijnen
werkende..................  123
§ 45, Algemeene vergelijkingen van het zwaartepunt......  127
§ 46. Zwaartepunten van meetkundige lichamen, vlakken, lijnen . .  129
§ 47. Bepaling van zwaartepunten van lijnen.........  131
§ 48. Bepaling Tan zwaartepunten van vlakken........  133
§ 49. Bepaling van zwaartepunten van lichamen........   130
§ 50. Regel van Guldin ...............  138
Hoofdstuk VIII. Weerstanden van vaste steunpunten.
§51. Lichaam ondersteund in een punt. Stabiel, labiel en indifferent
evenwicht..................  142
-ocr page 9-
I N 11 O ü 1).                                                V
Bladi.
§ 52. Toepassing op liet meten van gewichten.........  143
$ 53. Lichaam ondersteund in twee punten.........  146
§ 54. Lichaam ondersteund in drie punten..........  150
§ 55. Lichaam steunend op een horizontaal vlak........  152
§ 66. Weerstanden van twee lichamen, die elkander in één punt steunen.  155
$ 57. Brugbalans..................  15\'J
§ 58. Balans van Koberval...............  162
Hoofdstuk IX. Wrü\'vingsweerstand.
§ 59. Wrijvingscoëflicient...............  164
$ 60. Wrijvingshoek.................  167
§ 61. Lichaam in twee punten ondersteund door vaste vlakken . . .171
§ 62. Wrijvingscoëfticieiit en wrijvingshoek bij de beweging in gleuven.  178
§ 63. Wrijving van tappen in tappaunen..........  181
§ 64. Wrijvingsrollen.................  184
§ 65. Wrijvingsbalans van Hirn.............  187
§ 66. Wrijving van een touw over een cilinder...... .  1SU
§ 67. Remtouw...................   195
§ 68. Buigingsweerstanden bij kettingen en touwen.......  197
{ 69. VVeerstandscoëfficient bij de draaiing van schijven, veroorzaakt
door kettingen of touwen.............  201
Hoofdstuk X. Werktuigen
§ 70. Nuttige en schadelijke weerstand...........  203
§ 71. Arbeidssnelheid. Vang van Prony..........  206
§ 72. Hefboom...................  211
§ 73. Katrollen en takels...............  211
§ 74. Hellend vlak.................  218
§ 75. De wig...................  226
§ 76. Eenparige schroef beweging.............  227
§ 77. Schroef met vlakken gang.............  229
$ 78. Schroef met scherpen gang.............  233
§ 79. Riem zonder eind................  238
DERDE AFDEEUNG. dynamica of leer der beweging  van
EEN NWT tX EVENWICHTSTOESTAND VEBKEEBEND ABSOLUUT
VAST LICHAAM.
Hoofdstuk XI. Algemeene stellingen.
§ 80. Werking van de inwendige krachten..........  244
§ 81. Behoud van arbeidsvermogen..... ......  246
§ 82. Beginsel der virtueele verplaatsingen..........  247
§ 83. Beginsel van d\'Alembert..............  249
-ocr page 10-
VI                                                            I N l£ O U U.
Hoofdstuk XII. Eenparige draaiende beweging van een lichaam
om een vaste as.
Bladz.
§ 84. Arbeidsvermogen van beweging van een ronddraaiend lichaam.
Traagheidsmoment...............250
§ 85. Traagheidsmoment, gereduceerde massa, traaghcidsstraal . .251
§ 80. Eenparig draaiende beweging........... 261
§ 87. Vrije assen..................264
§ 88. Samengestelde conische slinger...........267
Hoofdstuk XIII. Veranderlijk draaiende beweging van een
lichaam om een vaste as.
§    80.    Hoekvcrsnelling................270
$    90.    Het vliegwiel.................272
§    91.    Samengestelde slinger..............276
§    92.    Rcversiesliuger.................278
Hoofdstuk XIV. Willekeurige beweging van oen lichaam.
§ 93. Arbeidsvermogen vnn een lichaam..........281
§ 94. Beweging van het zwaartepunt...........285
j 95. Beweging van een vrij lichaam...........287
j 96. Hollende beweging langs een hellend vlak........290
VlEltDE AFDKKLlNGr. statica beu veerkrachtige lichamen
OF LEER VAN HET EVENWICHT VAN KRACHTEN OP EEN
VEERKRACHTIG LICHAAM WEKKENDE.
Hoofdstuk XV. Verlenging en verkorting van een
prismatische stang.
$ 97. Elasticiteit..................293
§ 98. Elastieiteitsmodulus...............295
§ 99. ElasticileitS" en vastheidsgrens...........297
Hoofdstuk XVI. Buiging.
§ 100. Spanningen in gebogen balken...........299
§ 101. Traagheidsmomcntcn der doorsneden.........304
j 102. Berekening van de grootste spanning.........306
§ 103 Elastische lijn........\'.........311
VIJFDE AFDEELING. dynamica dek elastische lichamen.
Hoofdstuk XVII. De theorie der botsing.
§ 104. Rechte centrale stoot..............316
§ 105. Bepaling van den restitutie-coótlicient c........320
§ 106. ünveerkrachtige stoot..............323
-ocr page 11-
TN HOUD.                                                    VIT
Bladl.
§ 107. Veerkrachtige stoot...............328
§ 108. Botsing van rondwentelende lichamen. Ballistische slinger . . 329
§ 109. OntplofBngen.................838
ZESDE AFDEELING. statica der vloeibare lichamen.
Hoofdstuk XVIII. Evenwiehtstoestand van een vloeibaar
lichaam onder de werking van uitwendige drukkraehten
§ 110. Onderscheid tusschcn vaste en vloeibare lichamen.....337
{ 111. Drukkraehten werkende op een vloeibaar lichaam.....338
§ 112. Evenwicht van krachten werkende o[i een vloeibaar lichaam
geheel besloten in een vat met vaste wanden en beweegbare
zuigers..................340
§ 113. Hydraulische pers...............343
Hoofdstuk XIX. Werking der zwaartekracht op vloeibare
lichamen.
§  114. Druk tegen platte vlakken............  346
§  115. Middelpunt van drukking.............  349
§  116. Druk tegen gebogen zijvlakken...........  350
§  117- Opwanrtschc druk...............  351
§  118.    Stabiliteit, van drijvende lichamen. Metaeentrum . . . . .  353
ZEVENDE AFDEELING. dynamica der vloeibare lichamen.
Hoofdstuk XX. TJitvloeiing van water.
§ 119. Uitvloeiingssnelheid...............  359
§ 120. Hoeveelheid uitstroomend water...........  363
§ 121. Uitvloeiingstijd................  365
§ 122. Snelheidscoëfficient, contractiecoëtlicient, uitvloeiingscoèfficient .  867
-ocr page 12-
VERBETERINGEN.
Bladz. 5, 6e regel v. b. staat: v, moet zijn: c.
»        30, fig. 42. boogje hoek (9, moet doorgetrokken
woi\'den tot aan de lijn O Y.
»
        33, 9e regel v. b. staat: Q, moet zijn: K.
»
54,
46"
v. b.
»
44,4, moet zijn: 44.3.
»
62,
v. b.
»
75, moet zijn: 225.
»
74,
v. b.
»
K0, moet zijn: kB.
»
85,
7"
K =
V. 0.
Qtga
»
K=tgu, moet zijn:
»
304,
1\'
regel
V. 0.
staat:
1 ~ 42 oti— 42 \'
moet zijn: T= -^- of 2 = —.
356, 7l\' regel v. b. staat: ji, moet zijn: ^J.
-ocr page 13-
EEESTE AFDEELING.
MECHANICA VAN HET STOFFELIJK PUNT.
HOOFDSTUK I.
Beweging. Snelheid. Versnelling.
§ 1. Stoffelijk punt.
Onder een stoffelijk punt verstaat men een lichaam van
zoo kleine afmetingen, dat de plaats die het inneemt als een
meetkundig punt mag worden beschouwd.
Ook dan mag een lichaam als een stoffelijk punt worden
beschouwd, als het onnoodig wordt geoordeeld de plaats, die
eenig deel van het lichaam inneemt, te onderscheiden van
de plaats, die door een ander deel van het lichaam wordt
ingenomen. Zoo worden gewoonlijk bij de bepaling der
banen, doorloopen door een afgeschoten kogel of door de
aarde bij haar beweging om de zon, de kogel en de aarde
als stoffelijke punten behandeld.
§ 2. Rust. Beweging.
Indien de afstand van twee stoffelijke punten P en Q
geen verandering ondergaat, dan zegt men dat P en Q ten
opzichte van elkander in rust
zijn. Ondergaat die afstand
een verandering, dan zegt men dat P en Q ziéh ten opzichte
van elkander bewegen.
Gewoonlijk beschouwt men slechts
één dier bewegingen, bijv. die van P ten opzichte van Q.
Indien een punt P zich beweegt ten opzichte van eenige
punten Q, R, S enz., welke ten opzichte van elkander in
rust zijn, dan worden de punten Q, R, S enz. te zamen
Dr. Jiilius, Mechanica,                                                                            1
-ocr page 14-
2
de omgeving van P genoemd. Men zegt dan dat P zich
beweegt ten opzichte van zijn omgeving, gevormd dooi\' de
punten Q, B, S enz. Als de omgeving duidelijk aangewezen
is, spreekt men kortheidshalve ook wel eenvoudig van de
beweging van P.
Daar de plaats door het stoffelijk punt P ingenomen, als
een meetkundig punt mag worden beschouwd, doorloopt P
bij zijn beweging een lijn, de baan van P genoemd. Al
naarmate die baan een rechte of een kromme lijn is, heet
de beweging van P rechtlijnig of kromlijnig.
Onder de richting der beweging van het punt P, dat zich
in A bevindt, verstaat men de richting van de raaklijn in A
aan de baan getrokken in den zin der beweging. Is de
baan een rechte lijn A B, dan is de richting der beweging
standvastig, zoolang het punt zich beweegt van A naar B;
is de baan een kromme lijn, dan verandert de richting der
beweging van oogenblik tot oogenblik.
De lengte van het stuk der baan, door het punt P in
eenig tijdsverloop afgelegd, heet de weg door P in dien tijd
doorloopen.
Als eenheid van lengte wordt aangenomen de meter, dat
is de lengte van een staaf platina, die te Parijs wordt bewaard.
Tegenwoordig wordt dikwijls, vooral in de natuurkunde,
de centimeter als lengteeenheid aangenomen. Alle eenheden
zijn in verband te brengen met de eenheden van lengte,
tijd en massa. De eenheden van tijd en massa zullen later
behandeld worden; maar nu zij reeds vermeld, dat het stel-
sel van eenheden, waarbij als eenheid van lengte de centi-
meter, als eenheid van tijd de seconde, en als eenheid van
massa het gram aangenomen wordt, het centimeter-gram-
seconde-stelsel genoemd wordt, of kortheidshalve het CGS-stelsel.
De lengteeenheid in het CGS-stelsel is het honderdste deel
van de in dit leerboek gebruikte.
Tot grondslag voor de tijdmeting dient de draaiing der
aarde om haar as. Men neemt aan dat onderling gelijke
tijdsverloopen die zijn, waarin de aarde onderling gelijke
hoeken om haar as draait. Het meten van tijdsverloopen
op dezen grondslag geschiedt met behulp van slingeruur-
werken. Het is de zaak der sterrenkundigen te onderzoeken,
of de aanwijzingen dier uurwerken juist zyn.
-ocr page 15-
3
Als eenheid van tijdsverloop wordt de seconde aangenomen.
Naar de wegen in achtereenvolgende tijdsverloopen afge-
legd, worden de bewegingen onderscheiden in eenparige en
veranderlijke.
§ 3. Eenparige beweging.
Men zegt dat een punt een eenparige beweging heeft,
indien het in onderling gelijke tijdsverloopen, hoe klein ook
genomen, onderling gelijke wegen aflegt.
De snelheid van een punt met eenparige beweging wordt
bepaald door den weg, dien het in zekeren tijd aflegt. Zij
wordt evenredig gesteld met den weg per seconde doorloopen.
a
Is s het aantal meters in t seconden doorloopen, dan is —
meters de weg per seconde afgelegd; is v het aantal snel-
heidseenheden, dan heeft men:
Neemt men als eenheid van snelheid aan de snelheid, welke
een punt met eenparige beweging heeft, dat in één seconde
een weg van één meter doorloopt, dan wordt ƒ" = 1 en
g
v = — eenheden of s = vt meters.
T
Het aantal snelheidseenheden van de snelheid is dus gelijk
aan het aantal meters per seconde afgelegd.
Het aantal meters van den in t seconden doorloopen weg
is gelijk aan het product van het aantal snelheidseenheden
en het aantal seconden.
In het CGS-stelsel is de eenheid van snelheid, de snel-
heid van een punt met eenparige beweging, dat in een seconde
een weg van één centimer doorloopt. De snelheidseenheid
CGS-stelsel is dus het honderdste gedeelte van de in dit
leerboek gebruikte.
Onder de richting der snelheid van een punt P, dat zich
in A bevindt, verstaat men de richting van de raaklijn in
A aan de baan getrokken in den zin der beweging.
Een eenparige beweging kan zijn rechtlijnig of kromlijnig.
Is de baan een rechte lijn, dan is de richting der snelheid
1*
-ocr page 16-
4
standvastig. Is de baan een kromme lijn, dan verandert
de richting der snelheid van oogenblik tot oogenblik.
Om in een beperkte ruimte figuren te kunnen teekenen,
is men gewoon een lengte van een meter voor te stellen door
een lijn van zoodanige lengte, dat de afmetingen der figuur
de gewenschte grootte verkrijgen. In een en dezelfde figuur
moet een meter steeds door een lijn van dezelfde lengte
worden voorgesteld; in verschillende figuren kan de voor
meter aangenomen lengte een verschillende zijn. Voortaan
zal in elke figuur een meter voorgesteld worden door een
lijn van zoodanige lengte als voor die figuur het meest ge-
schikt is. Wordt dan aan een lijn in de figuur een lengte
van s meters toegekend, dan is de werkelijke lengte dier
lijn s maal zoo groot als die van de als meter aangenomen lijn.
Daar de snelheid van een punt P is bepaald door haar
grootte en richting, kan zij door een rechte lijn volledig
worden voorgesteld. Men maakt de lijn zooveel meters lang
als de snelheid snelheidseenheden heeft, terwijl de richting
der lijn de richting der snelheid aangeeft.
Wanneer een punt P een eenparige beweging heeft langs
den omtrek van een cirkel, dan spreekt men ook wel van
de hoeksnelheid van P. De lijn, die het punt P verbindt
met het middelpunt van den cirkel, heet de voerstraal van P.
De hoeksnelheid van een punt met eenparige cirkelvormige
beweging wordt bepaald door den hoek, dien de voerstraal
in zekeren tijd doorloopt. Zij wordt evenredig gesteld met
den hoek per seconde doorloopen.
Als eenheid van hoeksnelheid wordt aangenomen de hoek-
snelheid van een punt met eenparige cirkelvormige beweging,
welks voerstraal in een seconde de hoekeenheid doorloopt.
Als eenheid van hoek wordt aangenomen de radiaal, dat
is de hoek, welks booglengte gelijk is aan dep straal. Daar
een hoek van 360° een booglengte heeft van 2 n r meters,
zal een hoek van _— een booglengte hebben van r meters.
i Tl
Een radiaal is dus een hoek van 57° 17\' 45".
Heeft een punt een eenparige cirkelvormige beweging met
de hoeksnelheid w eenheden, en is de hoek door den voer-
straal in t seconden doorloopen « radialen, dan heeft men
« = ui t.
-ocr page 17-
5
In tegenstelling met de hoeksnelheid spreekt men van de
lijnsnelheid van een punt. Er bestaat een eenvoudige be-
trekking tusschen de hoeksnelheid en de lijnsnelheid van
een punt.
Is de hoeksnelheid van een punt 10 eenheden, de lijnsnel-
heid C eenheden, en is de straal van den cirkel r meters
lang, dan heeft men:
c = r u>.
§ 4. Veranderlijke beweging.
Een punt heeft een veranderlijke beweging, indien het in
onderling gelijke tijdsverloopen onderling ongelijke wegen aflegt.
Een veranderlijke beweging kan zijn rechtlijnig of kromlijnig.
Onder de gemiddelde snelheid van een punt P gedurende
eenig tijdsverloop, verstaat men de snelheid, die een punt
met eenparige beweging zou moeten hebben, om in datzelfde
tijdsverloop een even grooten weg af te leggen als P.
Is een punt P met veranderlijke beweging op den tijd
t in A, en doorloopt het in de eerstvolgende ft seconden
een weg van s meters, dan is zijn gemiddelde snelheid
w= -r eenheden. De grootte dier gemiddelde snelheid zal
V
veranderen met den duur van het tijdsverloop ft. Neemt
men dit tijdsverloop kleiner en kleiner, en laat men het tot
nul naderen, dan nadert de gemiddelde snelheid tot een be-
paalde grenswaarde. Deze grenswaarde is de gemiddelde
snelheid van P gedurende het oneindig kleine tijdsverloop
volgende op den tijd t, of wel, de snelheid van het punt
P met veranderlijke beweging op den tijd t.
Indien op ieder oogenblik de plaats van het punt kan
worden bepaald, dan is de beweging van het punt volkomen
bekend, en dan kan de snelheid op ieder oogenblik worden
gevonden.
De plaats van een punt P kan op ieder oogenblik worden
bepaald, als gegeven zijn de baan van het punt, de plaats
die het op eenig oogenblik inneemt, en den weg, dien het
sedert dat oogenblik in een willekeurig tijdsverloop aflegt.
Laat bijv. de baan een rechte lijn z\\jn en het punt zich
op eenig oogenblik in A bevinden.
-ocr page 18-
(•)
De weg s, in t seconden volgende op dat oogenblik afge-
legd , kan worden gegeven door een vergelijking, bewegings-
vergelijking genoemd , welke een betrekking aangeeft tusschen
,s\' en t
Zij bijv. gegeven s = pt\'1, en zij het punt op den tijd
nul in A, dan is het punt na t seconden in B, op een af-
stand j^\' nieters van A verwijderd. Om nu de snelheid
van het punt op den tijd t te vinden, bepaalt men de
gemiddelde snelheid gedurende het tijdsverloop 9 seconden,
volgende op den tijd t. In de t -f- 9 eerste seconden is de
afgelegde weg 8, = p (t -f- ï>)2; in de t eerste seconden
s = pt-. In de & seconden, volgende op den tijd t, is
dus de afgelegde weg:
l=sl — s = 2 pt* -\\- p&*,
en de gemiddelde snelheid:
w = — = 2 pt 4- p&.
Deze gemiddelde snelheid verandert met het tijdsverloop &,
maar wanneer fl- tot nul nadert, nadert de gemiddelde
snelheid tot de grenswaarde 2 pt. Is dus v het aantal snel-
heidseenheden op den tijd t, dan heeft men:
v = 2 pt.
Zij om een ander voorbeeld te nemen, de bewegingsverge-
lijking:
s = pt qt2 rt\'
en laat gevraagd worden de snelheid op den tijd t te bepalen.
De weg in de t -\\- ï> eerste seconden afgelegd, is:
st =p (t &) q(t »)% r(t 0)*.
De weg in de £ eerste seconden afgelegd, is:
s = pt 9*2 r<3.
De weg in O1 seconden volgende op den tijd t afgelegd,
is dan :
l=Sl — s= (p 2?< 3r<2) » (q 3 r<) »2s,
en de gemiddelde snelheid:
w = ~ =p 2 9t 3 rt* (5 3 rt) & rfr2.
-ocr page 19-
7
Laat men l> tot nul naderen, dan nadert w tot de grens-
waarde p -j- 2 qt -\\- 3 r<2, en de snelheid op den tijd t is dus:
v = p 2qt 3 rt\\
Laat eindelijk de bewegingsvergelijking zijn:
s = r sin \'2 n ,—.
De weg in de (t -|- #) eerste seconden afgelegd, is:
s, = r sin 2 tt —W-.
De weg in de t eerste seconden afgelegd, is:
s = r sin 2 7r ™
De weg in 0 seconden volgende op den tijd t afgelegd, is:
sin 2 ir —&------sin 2 7i ~) of
J = 2 r sin 2 tt jps, cos 2 tt         \' ,
en de gemiddelde snelheid:
2 r . a &         a 2 * fr
U) = _ sin 2 tt 2j, cos 2 tt a jy> ,
of voor 9 oneindig klein:
» = — . 2 tt tjy cos 2 rr y, = —jr- cos 2 tt ^.
Neemt de snelheid van een punt voortdurend toe, dan is
de beweging * versneld; neemt de snelheid voortdurend af,
dan is de beweging vertraagd.
§ 5. Eenparig versnelde beweging.
Een punt heeft een eenparig versnelde beweging, wanneer
het in onderling gelijke tijdsverloopen, hoe klein ook geno-
men, onderling gelijke snelheidsvermeerderingen krijgt.
De versnelling van een punt met eenparig versnelde bewe-
ging wordt bepaald door de snelheidsvermeerdering, die het in
zekeren tijd krijgt. Zij wordt evenredig gesteld aan de snelheids-
vermeerdering per seconde. Neemt de snelheid in t seconden
-ocr page 20-
8
met q eenheden toe, en is a het aantal versnellingseenheden,
dan is:                             a = ƒ•*•.
Als eenheid van versnelling wordt aangenomen, de ver-
snelling van een punt met eenparig versnelde beweging,
welks snelheid in een seconde met de snelheidseenheid toe-
neemt. Bovenstaande vergelijking verandert daardoor in:
a = i of q = at.
In het CGS-stelsel is de versnellingseenheid het honderdste
gedeelte van de in dit leerboek aangenomene.
Heeft een punt een eenparig versnelde beweging met de
versnelling a eenheden, dan neemt de snelheid in t seconden
met at eenheden toe. Is dus op eenig oogenblik de snel-
heid c eenheden, dan is de snelheid v eenheden na t seconden:
v = c -\\- at.                          (4)
De snelheid c wordt de aanvangssnelheid genoemd, d. w. z.
de snelheid bij het begin van den tijd t; de snelheid v de
eindsnelheid, d. w. z. de snelheid aan het einde van den tijd t.
Om den weg te bepalen, dien een punt P met eenparig
versnelde beweging met de versnelling a aflegt in t secon-
den, volgende op het oogenblik waarop de snelheid is C,
stelt men zich een ander punt Q voor, dat een reeks van
w eenparige bewegingen volbrengt, die elk — seconden duren.
n
Op den tijd nul heeft Q dezelfde snelheid als P; telkens na
— seconden verandert de snelheid van Q, en wordt gelijk
aan de snelheid, die P op dat oogenblik heeft. De snel-
heden, waarmede Q zich beweegt in de achtereenvolgende
tijdsverloopen —, zijn:
c, c A-a — , c 2a —........c (« — 1) o — •
De wegen, door Q in deze tijdsverloopen afgelegd, zijn;
d (c ai)i (c *aJ)i.......
n V         »/ n V          w/w
-ocr page 21-
9
De geheel e weg, door Q in de t eerste seconden afgelegd,
is de som dier wegen, en dus:
S = C£ -|_ ut2 — jr-.
2            2w
Hoe grooter n wordt genomen, des te meer komt de be-
weging van Q met die van P overeen, en des te kleiner
at2
wordt de term jy—. Neemt men n oneindig groot, dan is
de beweging van Q gelijk aan die van P, en voor den door
P afgelegden weg verkrijgt men dan:
s = cl \\al\\                        (2)
Als men uit de vergelijkingen (1) en (2) t elemineert,
dan verkrijgt men de vergelijkingen:
\'2                2
v = Vc* 2 as (3) en s = ^-^~ (*)
Heeft dus een punt een eenparig versnelde beweging met
de versnelling a eenheden, heeft het op eenig oogenblik de
snelheid c eenheden, en heeft het daarna een weg s meters
afgelegd, dan is zijn snelheid geworden V e2 -j- 2 as een-
heden, en omgekeerd:
Heeft een punt een eenparig versnelde beweging met de
versnelling a eenheden, heeft het op eenig oogenblik de snel-
heid c eenheden, en heeft het na eenigen tijd de snelheid
v eenheden gekregen, dan heeft het in dat tijdsverloop den
v2___ci
weg ----ö----- meters afgelegd.
mtt
Is de aanvangssnelheid c = o, dan veranderen de verge-
lijkingen in:
1                     ,___               vi
v = at 8 = k at2 v = VI as en s = -^-. (5)
2                                             2a         N \'
Is de beweging van het punt rechtlijnig eenparig ver-
sneld, dan is de richting der versnelling de richting
van de lijn, waarlangs zich het punt beweegt in den zin der
beweging.
Op soortgelijke wijze als dit voor de snelheid is verklaard,
kan ook de versnelling van een punt in richting en grootte
worden voorgesteld door een rechte lijn.
-ocr page 22-
10
§ 6. Eenparig vertraagde beweging.
Een punt heeft een eenparig vertraagde beweging, wan-
neer het in onderling gelijke tijdsverloopen, hoe klein ook
genomen, onderling gelijke snelheidsverminderingen ondergaat.
De vertraging van een punt met eenparig vertraagde be-
weging wordt bepaald door de snelheidsvermindering, die het
in zekeren tijd ondergaat. Zij wordt evenredig gesteld met
de snelheidsvermindering per seconde.
Als eenheid van vertraging wordt aangenomen de ver-
traging van een punt met eenparig vertraagde beweging,
welks snelheid in een seconde met de snelheidseenheid ver-
mindert.
In het CGS-stelsel is de vertragingseen heid het honderdste
gedeelte van de in dit leerboek aangenomene.
Heeft een punt een eenparig vertraagde beweging met de
vertraging a eenheden, dan neemt de snelheid in t seconden
met at eenheden af. Is dus op eenig oogenblik de snel-
heid c eenheden, en na t seconden v eenheden, dan is:
v — c — at.                          (6)
Op soortgelijke wijze als hierboven voor de eenparig ver-
snelde beweging is geschied, kan de weg worden berekend
door het punt afgelegd in de t seconden volgende op het
oogenblik, waarop de snelheid c is. Men vindt daarvoor:
8 = ct — | at2.                        (7)
Door eleminatie van t uit de vergelijkingen (6) en (7),
vindt men:
2              2
v=Vc% — 2as (8) en»=-.-. (9)
Heeft dus een punt een eenparig vertraagde beweging
met de vertraging a eenheden. heeft het op eenig oogenblik de
snelheid c eenheden, en heeft het daarna een weg s meters
afgelegd , dan is zijn snelheid geworden Vcl — 2 as eenheden,
en omgekeerd:
Heeft een punt een eenparig vertraagde beweging met de
-ocr page 23-
11
vertraging a eenheden, heeft het op eenig oogenblik de snel-
heid c eenheden, en heeft het na eenigen tijd de snelheid v
eenheden gekregen, dan heeft het in dat tijdsverloop den weg
c2 — v2
meters afgelegd.
~2o~
HOOFDSTUK II.
Ontbinden van bewegingen.
§ 7. Ontbinding van een rechtlijnige een-
pa rige beweging.
Laat een punt P zich in t seconden bewegen van A over
B naar C (fig. 1). Het zou ook in C zijn aangekomen,
indien het eerst van A naar D en daarna van D naar C
was gegaan. "Worden de bewegingen van A naar D en
van 1) naar C zoodanig gekozen, dat het punt t seconden
zou noodig hebben, zoowel om den weg A D, als om den
weg D C te doorloopen, dan noemt men de bewegingen van
A naar D en van D naar C de
ontbindingsbewegingen van de
werkelijke beweging die P heeft;
men zegt dan, dat men de werke-
lijke beweging van P gedurende
deze t seconden in twee bewe-
gingen ontbonden heeft.
De werkelijke beweging van P
kan op een oneindig aantal wijzen
in twee bewegingen worden ont-
bonden.
Heeft een punt P een rechtlijnige eenparige beweging,
dan kan men voor elk willekeurig tijdsverloop de beweging
van P ontbinden in twee eenparige bewegingen langs ver-
schillende rechte lijnen; daartoe wordt slechts vereischt, dat
de lijn, die in richting en grootte de snelheid van de werke-
lijke beweging voorstelt, de diagonaal is van het parallelo-
gram, beschreven op de lijnen, welke in richting en grootte
-ocr page 24-
12
de snelheden der ontbindingsbewegingen voorstellen, en wel
de diagonaal, waarvoor deze lijnen de omliggende zijden zijn.
Om dit te bewijzen wordt aangenomen, dat het punt P
een rechtlijnige eenparige beweging heeft met een snelheid
in richting en grootte voorgesteld door de lijn A B (fig. 2).
Na 1 seconde zal P dan in B gekomen zijn. Zij verder
figuur A B C D een parallelogram. In t seconden zal P
in E komen , als A E = t. A B. Indien P eerst gedurende
t seconden een rechtlijnige eenparige beweging gehad had
met een snelheid, voorgesteld door de lijn A C, dan zou
het na t seconden in F gekomen zijn, als A F = t. A C.
Verkreeg P daarna gedurende t seconden een rechtlijnige
eenparige beweging met een snelheid, in richting en grootte
voorgesteld door de lijn A D, dan kan de plaats G, waar
P zou aankomen, gevonden worden door uit F een lijn te
trekken, evenwijdig aan A D, en daarop te nemen een stuk
FO = t. AD.
De driehoeken AFG en A C B zijn gelijkvormig, daar
/ A CB = l A FG en ^| = ££.
Hieruit volgt /_B AC= / GAF; de lijnen G A en
B A vallen dus langs elkander, en het punt G ligt op de
lijn A B. Daar verder -j—.*, = -r-~ en A F = t. A C,
J                                    A F AC
zoo is A G = t. A B. Het punt G valt dus samen met E.
-ocr page 25-
13
Men kan op geheel dezelfde wijze aantoonen dat het punt
P eveneens in E zal aankomen, als men het eerst ge-
durende t seconden zich laat bewegen met de snelheid voor-
gesteld door de lijn AD, en daarna, van de plaats uit waar
het zou gekomen zijn, wederom gedurende t seconden met
de snelheid voorgesteld door de lijn A C.
§ 8. Ontbinding van een rechtlijnige eenparig
versnelde en van een rechtlijnige eenparig ver-
traagde beweging.
Indien een punt P een eenparig versnelde beweging met
de versnelling a eenheden heeft langs de lijn A B van A
naar B, indien het zich op eenig oogenblik in A bevindt
en de snelheid c eenheden heeft, dan kan voor een wille-
keurig tijdsverloop de beweging van P worden ontbonden
in twee bewegingen langs de lijn AB van A naar B,
waarvan de een eenparig is met de snelheid c eenheden,
en de ander eenparig versneld met de versnelling a een-
heden en de aanvangssnelheid nul.
Indien een punt P een eenparig vertraagde beweging met
de vertraging a eenheden heeft langs de lijn AB van A
naar B, indien het zich op eenig oogenblik in A bevindt
en de snelheid c eenheden heeft, dan kan voor een wille-
keurig tijdsverloop de beweging van P worden ontbonden
in een eenparige beweging langs de lijn A B van A naar
B met de snelheid c eenheden, en in een eenparig versnelde
langs de lijn A B van B naar A, met de versnelling a een-
heden en de aanvangssnelheid nul.
Indien een punt P een rechtlijnige eenparig versnelde
beweging heeft met een aanvangssnelheid nul, dan kan zijn
beweging voor een willekeurig tijdsverloop ontbonden worden
in twee eenparig versnelde bewegingen met aanvangssnel-
heden nul langs verschillende rechte lijnen; daartoe wordt
slechts vereischt, dat de lijn, die in richting en grootte de
versnelling van de werkelijke beweging voorstelt, de diago-
naal is van het parallelogram , beschreven op de lijnen, welke
in richting en grootte de versnellingen der ontbindingsbewe-
-ocr page 26-
14
gingen voorstellen, en wel de diagonaal, waarvoor deze lijnen
de omliggende zijden zijn.
Om dit te bewijzen wordt aangenomen, dat het punt P
een rechtlijnige eenparig versnelde beweging heeft met de
aanvangssnelheid nul en een versnelling in richting en grootte
voorgesteld door de lijn AB (lig. 3). Zij figuur ABCD
een parallelogram. Als P op den tijd nul zich in A be-
vindt, dan zal het op den tijd t seconden aangekomen zijn
in E, als AE=)lt\'1.AB. Indien P eerst gedurende
t seconden een rechtlijnige eenparig versnelde beweging ge-
had had met de aanvangssnelheid nul en met een versnelling
voorgesteld door de lijn A C, dan zou het na t seconden
in F gekomen zijn, als A F — ^ t2 . A C. Verkreeg P
daarna gedurende t seconden een rechtlijnige eenparig ver-
snelde beweging met de aanvangssnelheid nul en een ver-
snelling voorgesteld door de lijn AD, dan kan de plaats
G, waar P zou aankomen, gevonden worden door uit F
een lijn te trekken evenwijdig aan AD, en daarop te nemen
een stuk F G = £ t\'. A D.
De driehoeken AFG en ACB zijn gelijkvormig, daar
ZACB= IAFG en ^g = yf.
Hieruit volgt Z B AC= / GAF; de lijnen G A en
BA vallen dus langs elkander, en het punt G ligt op de
-ocr page 27-
15
AG A B
lijn A B. Daar verder -j^ = -j-~ en A F= l^t2 . A C,
zoo is AO = \\ti . AB. Het punt G valt dus samen met E.
§ 9. Ontbinding van een willekeurige beweging.
Hierboven is reeds opgemerkt, dat een beweging op tal-
looze wijzen in twee andere kan worden ontbonden. De
volgende wijze van ontbinding wordt meermalen toegepast.
Laat P (fig. 4) op den tijd t seconden in A zijn en een
snelheid e eenheden hebben, die in richting en grootte door
A B wordt voorgesteld; de
lijn A B is dan raak lijn aan
de baan in A. Laat P
dt
seconden later in C zijn
aangekomen. De beweging
van P gedurende deze 9 se-
conden kan dan ontbonden
worden in een eenparige
langs de lijn A B met de
snelheid c eenheden, zoodat
P na (f seconden in D komt
als A D = c O meters, en
in een rechtlijnige eenparig versnelde beweging met de aan-
vangssnelheid nul langs de lijn D C, zoodat P in & secon-
den van D naar C komt. De grootte van de versnelling
dezer beweging kan worden berekend uit de lengte der lijn
CD. Gewoonlijk bepaalt men de grenswaarde, waartoe deze
versnelling nadert, wanneer 9 kleiner en kleiner wordt ge-
nomen.
§ 10. Deviatie.
De bewegingstoestand van een punt wordt bepaald door
de richting en de grootte van zijn snelheid. Indien grootte
en richting der snelheid voortdurend dezelfde blijven, dan
zegt men dat de bewegingstoestand van het punt niet ver-
andert. Ondergaat een van beide of beide een wijziging,
dan zegt men dat de bewegingstoestand verandert.
-ocr page 28-
16
Laat het punt P (fig. 5) zich op den tijd t seconden in
A bevinden en een snelheid hebben van c eenheden, welke
in richting en
Futö                       ______-b grootte wordt
voorgesteld door
de lijn A B. In-
dien de bewe-
gingstoestand van
P niet veran-
derde nadat het
in A is gekomen, dan zou het 9 seconden later in C
zijn, als AC — c O meters. Zoo nu P zich na 9 seconden
werkelijk in D bevindt, dan noemt men de lijn CD de
deviatie, die P ondergaat in de 9 seconden, volgende op
den tijd t.
Zooals hierboven reeds is opgemerkt, kan de werkelijke
beweging van P ontbonden worden in een eenparige langs
de lijn A B met de snelheid c eenheden, en in een recht-
lijnige eenparig versnelde met de aanvangssnelheid nul, die
P in 9 seconden van C naar D brengt. De grenswaarde
van de versnelling dezer laatste beweging, als 9 kleiner en
kleiner wordt genomen, noemt men de deviatieversnelling
van P in A.
Indien de beweging van een punt volkomen bekend is,
dan kan men op ieder oogenblik
zijn deviatieversnelling bepalen.
Laat, om een voorbeeld te ne-
men, het punt P een eenparige
beweging hebben met een snel-
heid c eenheden langs den omtrek
van een cirkel met een straal r
meters.
Laat P zich op den tijd t secon-
den bevinden in A (fig. 6) en \'> se-
conden later in B, dan is boog
AB = e 9 meters. Indien de be-
wegingstoestand van P niet ver-
anderde, zou PnaO seconden aangekomen zijn in C, als A C =
c 9 meters. Daar P na 9 seconden werkelijk in B is gekomen,
is CB de deviatie, die P in deze ff seconden heeft ondergaan.
-ocr page 29-
17
Legt P den weg CB af met een eenparig versnelde beweging
metdeaanvangssnelheid nul en de versnelling «eenheden, dan is:
CB = i «O2.
Om de grenswaarde te bepalen waartoe a nadert, als O
kleiner en kleiner wordt genomen, laat men uit B een
A D
loodlijn B D neer op de middellijn A M. Nu is yrö =
cos CFA. Hoe kleiner 9 genomen wordt, des te dichter valt
B bij A en des te kleiner wordt / CFA. Bij het onbe-
paald afnemen van 0\', nadert cos CFA tot de eenheid en
aan de grens is dus A D = C B.
Volgens een bekende meetkundige stelling, is de koorde
A B middenevenredige tusschen de middellijn en haar pro-
jectie A D op de middellijn.
Is qi het aantal radialen van / BMA. dan is koorde
AB = 2rs\\n^<p en boog AB = ry. Bij liet kleiner
worden van O wordt ook qp kleiner, en daar voor zeer
kleine hoeken sin L qp = 4 <ji is, zoo nadert de koorde tot
de grens rq>. Aan de grens is dus koorde A B = boog A B
= c0\'. Daar dan tevens AD= CB= 2«tf", heeft men:
of                                   c2 = ar
c1
en dus
                             a = — .                                (10)
De hoek CFA, dien de lijn CB maakt met de lijn
AM, is des te kleiner, naarmate 9 kleiner is. De grens-
richting van CB is dus de richting van AM.
Heeft een punt P een eenparige beweging met de snel-
heid c eenheden langs den omtrek van een cirkel, welks
straal r meter lang is, dan heeft zijn deviatieversnelling de
C"
grootte — eenheden, en op ieder oogenblik de richting
van den straal naar het middelpunt toe. De deviatiever-
snelling heeft dus standvastige grootte, maar veranderlijke
richting.
Ook dan wanneer een punt P een rechtlijnige beweging
heeft, spreekt men van zijn deviatie. In dat geval kan men de
deviatieversnelling eenvoudiger op de volgende wijze vinden.
Dr. Jumiis, Mechanica.                                                                             52
-ocr page 30-
18
Onder de gemiddelde versnelling van een punt P met
rechtlijnige beweging gedurende eenig tijdsverloop, verstaat
men de versnelling, die een punt met eenparig versnelde
beweging zou moeten hebben, opdat zijn snelheid in dat-
zelfde tijdsverloop met hetzelfde bedrag zou toenemen als
die van P.
Is een punt P met rechtlijnige niet eenparig versnelde
beweging op den tijd t seconden in A, en neemt zijn snel-
heid in de eerstvolgende 9 seconden toe met c eenheden,
Q
dan is zijn gemiddelde versnelling d = — eenheden. De
grootte dier gemiddelde versnelling zal veranderen met den
duur van het tijdsverloop 9. De grenswaarde waartoe de
gemiddelde versnelling nadert, als het tijdsverloop kleiner
en kleiner wordt, noemt men de versnelling op den tijd t;
zij is gelijk aan de deviatieversnelling van P in A. Ge-
durende een oneindig klein tijdsverloop toch, kan de ver-
snelling slechts een oneindig kleine verandering ondergaan,
en de beweging mag voor dit tijdsverloop als eenparig ver-
sneld worden beschouwd.
Als voorbeelden zullen behandeld worden de drie vroeger
in § 4 behandelde bewegingsvergelijkingen, en de daaruit
gevonden snelheden op den tijd t.
1.                s = pt*                              v = Ipt.
De snelheid op den tijd t -f- & seconden is:
tY=2p(* »).
De snelheid op den tijd t seconden is:
v = 2 pt.
De snelheidsvermeerdering in de O seconden volgende op
den tijd t is dus:
c = v, — v = 2 p\'&
en de gemiddelde versnelling r
d= -J- —Sj».
De gemiddelde versnelling is onafhankelijk van het tijdsver-
loop ft, en de deviatieversnelling heeft dus standvastige grootte.
2.       s = pt qt* rt3 v=p -2 2* 4 3 ^2-
-ocr page 31-
19
De snelheid op den tijd t -{- 9 seconden is:
De snelheid op den tijd t seconden is:
v=p -\\- 2?< 3rt2,
waaruit volgt:
c = e, — v = (2 q 6 rt) & 3 2
d= ^=<2q Qrt-\\-3rfr.
Voor ï> —: O wordt de deviatieversnelling dus:
a=1 q -\\- & rt.
3.            s = r sin 2 7r ^,          v = —™— cos 2 7r ™.
De snelheid op den tijd t -f- O seconden is:
l>, = -y- COS 2 TT —W- ,
die op den tijd t seconden:
2nr _ *
-j7-cos 2 7T ^
waaruit:
c =
1nr( _ t &           a t\\
Vx ---- V = -=-l COS 2 71 —{f=---------COS 2 TT ;~ I
k-ar . n 2t !> . &
of
                 c =------„- sin 2 TT „ y Sln w f\'
« = # =-----j^: sin 2 tt —g-L,— sin tc ?.
Voor oneindig kleine waarde van & wordt dan de deviatie-
versnelling:
inr 0- . n t in2r . _ t
a =
-----yj, .7i ysin 2tt y=-------^j-sin 2 tt ^,
of hierin substitueerende s = r sin 2 tt =,
471*
Is de beweging van een punt P bekend, dan kan men
door berekening op ieder oogenblik de deviatieversnelling in
.)*
-ocr page 32-
20
richting en grootte bepalen. Omgekeerd kan men de be-
weging van P vinden, als zijn bewegingstoestand op eenig
oogenblik, en zijn deviatieversnelling van oogenblik tot oogen-
blik bekend zijn.
Laat een punt P dat zich in A (fig. 7) bevindt, een
snelheid u eenheden hebben voorgesteld door de lijn A B;
laat zijn standvastige deviatieversnelling a eenheden be-
Fiff.7.
vwsin. a.
X
dragen en de richting AX hebben; laat eindelijk « de hoek
zijn, dien AB maakt met AX. Daar de deviatieversnelling
standvastig is in grootte en richting, kan de beweging van
P voor een willekeurig tijdsverloop ontbonden worden in
een eenparige beweging langs de lijn A B met de snelheid
u eenheden, en in een eenparig versnelde langs de lijn AX
met de aanvangssnelheid nul en de versnelling a eenheden.
De eenparige beweging kan wederom ontbonden worden in
twee eenparige bewegingen, een langs de lijn AX met de
snelheid c = u cos « eenheden, en een langs de lijn A Y
met de snelheid v = u sin « eenheden. Daar de eenparig
versnelde beweging en de eene ontbondene van de eenparige
beweging in dezelfde richting plaats hebben, kan men deze
twee ontbindingsbewegingen tot één samenvoegen, en wel
-ocr page 33-
24
tot een eenparig versnelde beweging, langs de lijn AX,
met de aanvangssnelheid c eenheden en de versnelling «
eenheden.
Is het punt op den tijd nul in A, dan kan de plaats D,
waar het zich t seconden later bevindt, gevonden worden,
door eerst den weg A C = x = et -\\- \\ at\'1 op de lijn AX
af te zetten, daarna uit C een lijn evenwijdig aan AY
te trekken, en daarop af te zetten een stuk CD = y = vt.
Is P in D aangekomen, dan is de snelheid van zijn
ontbindingsbeweging in de richting AX wt = c -f- at, en
die van zijn ontbindingsbevveging in de richting A Y W9 = V.
Zijn werkelijke snelheid is derhalve w = VioJ1 -f- »\'y2, en
de hoek (i, dien de richting der snelheid w met A X maakt.
tv
kan gevonden worden uit de vergelijking tg ft = —. De
vier vergelijkingen:
x = ct-\\-^atï y = vt wj: = c-\\-at wy = v (11)
zijn dus voldoende om op ieder willekeurig oogenblik de
plaats en de grootte en lichting der snelheid van P te vinden.
Door t uit de twee eerste vergelijkingen (11) te elemi-
neeren, verkrijgt men de vergelijking:
waaruit men voor een willekeurige waarde van y de bij-
behoorende waarde van x kan vinden. Uit deze vergelijking
kan men vinden het geheel der plaatsen, die het punt P
bij zijn beweging kan innemen, derhalve de baan van P.
Deze baan is een kromme lijn, parabool genoemd (fig. 8).
Men kan zich voorstellen dat de beweging, die P in A
heeft, de voortzetting is van een vroegere beweging. De
vergelijkingen (11) gelden ook voor die vroegere beweging;
t moet dan echter negatief worden, d. w. z. die vergelijkingen
hebben dan betrekking op den tijd t seconden vóór den tijd
nul, toen P in A was.
Stelt men in de derde der vergelijkingen (11) ui^= o,
dan wordt: c 4- at = o of i =------,
\'                                   a
-ocr page 34-
22
f*
dat is, - seconden vóór den tijd waarop P in A was, had
et
de snelheid der ontbindingsbeweging van P in de richting
A X de grootte nul, en was dus de snelheid v der ont-
bindingsbeweging langs A Y de werkelijke snelheid van P.
De plaats T waar P zich dan bevindt, heet de top van den
parabool, en de lijn, die door den top evenwijdig aan AX
wordt getrokken, de as der parabool. De vergelijking (12)
wordt dan:                       ca = 5—j- y2,
uit welke vergelijking de baan van P op eenvoudige wijze
kan worden geconstrueerd.
HOOFDSTUK III.
Massa. Kracht.
§ 14. Massa.
Newton stelde de hypothese, dat twee stoffelyke punten
P en Q op elkander een invloed uitoefenen, tengevolge
waarvan zij zich bewegen, en dat de grootte der deviatie-
-ocr page 35-
/£\'\'£\'€\' &stsVés&-
versnelling van P, evenals die van Q, omgekeerd evenredig
is aan het kwadraat van den afstand van P en $. Uit
omstandigheden, die hier niet nader kunnen verklaard wor-
den, is gebleken dat de deviatieversnelling, die een punt P
onder den invloed van een punt Q verkrijgt, niet allee.a_yiin
den afstand dier punten afhangt.
Dïï heeft geleid tot de invoering van het begrip massa
of hoeveelheid stof van een stoffelijk punt. Men stelt de
massa van een stoffelijk punt P evenredig aan de grootte
der deviatieversnelling, die een willekeurig punt Q onder
zijn invloed verkrijgt, en evenredig aan het kwadraat van
den afstand van P tot Q. Hiervan uitgaande, kunnen de
sterrekundigen de massa\'s der hemellichamen vergelijken.
Tot nog toe is het niet mogelijk de massa\'s van twee
willekeurige lichamen op aarde te vergelijken door hun
invloed op andere lichamen na te gaan. Men volgt een
minder rechtstreeksche methode, waarbij men gebruik maakt
van de balans.
Het meten van massa\'s volgens deze methode berust
daarop, dat de massa\'s van twee lichamen zich verhouden
als hun gewichten. Als eenheid van massa wordt aan-
genomen het kilogram, dat is de massa van een stuk platina
dat te Parijs wordt bewaard.
In het CGSstelsel wordt als eenheid van massa aan-
genomen het gram; deze eenheid van massa is het dui-
zendste gedeelte van de in dit leerboek aangenomene.
§ 12. Kracht.
Wanneer de bewegingstoestand van een punt verandert,
dan schrijft men die verandering toe aan een oorzaak; men
zegt, dat op het punt een kracht werkt.
Indien een punt in rust is of een rechtlijnige eenparige
beweging heeft, dan werkt er dus geen kracht op; omge-
keerd, indien op een punt geen kracht werkt, dan is het
punt in rust of het heeft een rechtlijnige eenparige beweging.
Is de beweging van het punt kromlijnig of rechtlijnig ver-
anderlijk, dan werkt er een kracht op.
Men kent aan een kracht toe richting en grootte. Indien
een punt P dat oorspronkelijk in rust is, een rechtlijnige
-ocr page 36-
24
beweging van A naar B verkrijgt, dan zegt men dat er een
kracht op werkt van standvastige richting. Onder de rich-
ting der kracht verstaat men dan de richting, waarin P
zich gaat bewegen. Men zegt dat de kracht langs de lijn
A B werkt. Krijgt het punt P bovendien een eenparig
versnelde beweging, ondergaat dus zijn snelheid in onderling
gelijke tijdsverloopen onderling gelijke vermeerderingen, dan
kent men aan de kracht ook een standvastige grootte toe.
De grootte van de kracht, die aan een punt P, dat oor-
spronkelijk in rust is, een rechtlijnige eenparig versnelde
beweging geeft, wordt bepaald door de massa van P en
door de versnelling van P. Zij wordt evenredig gesteld met
die masssa en met die versnelling.
Is de beweging van P rechtlijnig niet eenparig versneld,
dan werkt op P een kracht van standvastige richting,
maar veranderlijke grootte.
Krijgt P een kromlijnige beweging, dan werkt er een
kracht op, waarvan in het algemeen zoowel de grootte als
de richting van oogenblik tot oogenblik verandert.
Heeft een punt P een willekeurige beweging, en bevindt
het zich op eenig oogenblik in A, dan wordt de kracht die
op P werkt als het in A is, bepaald door de massa
van P en door de deviatieversnelling van P in A. Onder
de richting der kracht verstaat men dan de richting der de-
viatieversnelling; de grootte der kracht wordt evenredig ge-
steld met de massa van P en met de grootte der deviatie-
versnelling.
Heeft P een massa van m kilogram, en is zijn deviatie-
versnelling als liet in A is, a eenheden, dan is het aantal
krachtseenheden K van de kracht, die in A op P werkt:
K = fam.
Als eenheid van kracht wordt aangenomen de kracht, die
aan een punt met de massa van één kilogram een ver-
snelling geeft van één versnellingseenheid.
Indien een punt een massa m kilogram, en in A een
deviatieversnelling van a eenheden heeft, dan werkt er in
A een kracht van K krachteen heden op, als:
K = am.
Deze krachtseenheid wordt de dynamische krachtseenheid
genoemd.
-ocr page 37-
25
In de practijk wordt veel gebruik gemaakt van een andere
krachtseenheid , het gewicht van een kilogram. Ten onrechte
wordt deze krachtseenheid gewoonlijk kilogram genoemd.
In dit leerboek zal zij in tegenstelling met de dynamische,
de statische krachtseenheid genoemd worden. Zooals later
zal worden aangetoond, is de statische krachtseenheid 9.812
maal zoo groot als de dynamische.
In het CGS-stelsel is de krachtseenheid de kracht, die aan
de massa van één gram de versnellingseenheid geeft. Daar
de eenheid van massa het duizendste en de eenheid van ver-
snelling het honderdste gedeelte is van de hierboven gekozen
eenheden, zoo is de krachtseenheid in het CGS-stelsel, dy-
naain
geheeten, het honderdduizendste gedeelte van de dy-
namische krachtseenheid. De dynaarn is dus het 9812008\'0
gedeelte van de statische krachtseenheid.
Daar men aan een kracht grootte en richting toekent,
kan zij door een lijn A B voorgesteld worden. De lengte
der lijn geeft de grootte der kracht aan; de richting der
lijn de richting van de kracht, terwijl een op du lijn aan-
gebracht pijltje den zin aangeeft, waarin de kracht werkt.
§ 13. Samenstelling van twee krachten.
In de sterrenkunde en in de natuurkunde tracht men
steeds het bestaan van krachten, zooals zij zich openbaren
in veranderingen van de bewegingstoestanden van punten,
te verklaren uit de aanwezigheid van andere punten, die
een zekeren invloed uitoefenen. Vandaar dat men zich kan
voorstellen, dat op een punt twee of meer krachten werken.
In deze veronderstelling doet zich de vraag\' voor, wat er zal
gebeuren als een punt P zich bevindt onder den invloed van
twee punten Q en Q(. en als er dus op P twee krachten
werken.
Zoowel de sterrenkunde als de natuurkunde hebben er toe
geleid het volgende aan te nemen:
Wanneer op een punt P, onder den invloed van twee
punten Q en Q{ twee krachten K en Ki werken, dan
verkrijgt men de kracht B, die op P werkt tengevolge
van den invloed van Q en Qt samen, door een parallelo-
gram te beschrijven op de lijnen, die in richting en grootte
-ocr page 38-
\'20
de krachten K en Kt voorstellen; de diagonaal, waarvoor
deze lijnen de omliggende zijden zijn, stelt dan in richting
en grootte de kracht B voor.
Men zegt, dat men de krachten K en Kx heeft samen-
gesteld , dat B de resultante is van K en Kt, en dat K
en ÜT, de composatiten zijn van B.
Uit bovengenoemde parallelogram-constructie blijkt nog het
volgende:
Indien de krachten K en Kt langs dezelfde lijn in dezelfde
richting werken, dan is de resultante B gelijk aan de som
van Ken Kt , en werkt langs diezelfde lijn in diezelfde richting.
Indien de krachten K en K{ langs dezelfde lijn in onder-
ling tegengestelde richtingen werken, dan is de resultante
B gelijk aan het verschil van K en Kl , en werkt langs
diezelfde lijn in de richting der grootste kracht. Zijn in dit
geval K en Kt even groot, dan is de resultante nul. Men
zegt dan , dat de krachten K en K{ elkanders werking op-
heffen , of dat zij met elkander in evenwicht zijn.
Indien de krachten Kl en K2 voorgesteld worden door
de lijnen A B en AC (fig. 9) -, die een hoek « met eik-
ander maken, en de resultante K door de lijn AD, die
met A B en AC hoeken qp, en q>2 maakt, dan zijn de
lijnen A B, A C en AD lang Kx, lf2 en K meters. Daar
A B C D een parallelogram is, vindt men de volgende be-
trekkingen:
K = 1/JST,2 A\'2 * 2 Kx #7coi7x.
K. sin « .              K, sin «
sin fl = —ï.^:— sin qpa = —Lj£—.
-ocr page 39-
27
Is « een rechte hoek, dan vindt men:
K = VK^ K? sin q., = ^? sin <p, =^.
Werken op het punt P drie krachten ÜT, 2T, , ÜT,, dan
kan men eerst de resultante i? van K en ÜT, door con-
structie vinden; en daarna op dezelfde wijze de resultante
van R en K2. Op dezelfde wijze kan men verder gaan als
er meer dan drie krachten op het punt P werken.
§ 14. Ontbinding van een kracht.
Laat een punt P een eenparig versnelde beweging hebben
met de aanvangssnelheid nul en een versnelling van a een-
heden, voorgesteld door de lijn A B (fig. 40). Zooals
vroeger is aangetoond, kan men voor een willekeurig tijds-
verloop de beweging van P ontbinden in twee eenparig ver-
snelde bewegingen met aanvangssnelheden nul en versnel-
lingen o, en a2 eenheden, voorgesteld door de lijnen A C
en A D, als figuur A C B D een parallelogram is.
Indien de massa van P m kilogram bedraagt, dan werkt
langs de lijn A B een kracht K = ma dyn. eenheden.
Deze kracht worde voorgesteld door A E. Om aan P een
versnelling te geven voorgesteld door de lijn A C, is er
een kracht Kl = mal dyn. eenheden noodig, werkende langs
A C; deze kracht worde voorgesteld door A F.
Om aan P een versnelling te geven voorgesteld door de
-ocr page 40-
28
lijn AD, is er een kracht K2 — ma2 dyn. eenheden
noodig, werkende langs AD; deze kracht worde voorgesteld
door A G.
De krachten Kx en K%, die aan het punt P de versnel-
lingen voorgesteld door de lijnen AC en AD zouden
geven, worden de ontbindingskrachten van K genoemd;
men zegt dat men de kracht K in de krachten Kx en K2
heeft ontbonden.
De liguur AF EG is een parallelogram. De driehoeken
B A C en E AF toch zijn gelijkvormig, daar / BAC =
, _ . _ A E ma A B _            j , • i i
/ E A F en -. „= -----= —. „. Evenzoo de driehoeken
*-                    A F m o, AC
BAD en E AG. Hieruit volgt dat E F evenwijdig is
aan B C en EG aan B D; daar nu A C B D een paral-
lelogram is, zoo is ook A F E G een parallelogram.
Heeft het punt P oorspronkelijk niet de snelheid nul, dan
blijft hetzelfde betoog geldig. De kracht toch die op het
punt P werkt, wordt steeds beoordeeld naar de deviatiever-
snelling van P. Men kan aannemen dat de deviatie afge-
legd wordt met een eenparig versnelde beweging, waarvan
de aanvangssnelheid nul is Daar deze eenparig versnelde
beweging in twee eenparig versnelde bewegingen kan worden
ontbonden, zoo kan ook de kracht op de bovengenoemde
wijze in twee krachten worden ontbonden.
Men mag dus steeds een kracht K ontbinden in twee
krachten Kx en K2, indien de lijn, die de kracht K in
richting en grootte voorstelt, de diagonaal is van het paral-
lelogram beschreven op de lijnen , die de krachten K. en K2
voorstellen, en wel de diagonaal, waarvoor deze lijnen de
omliggende zijden zijn.
Uit hetgeen vroeger omtrent het samenstellen van krachten
is bewezen, blijkt dat de kracht K, die ontbonden kan
worden in de krachten ÜT, en JE1, ook de resultante zou
zqn van Kx en K2, indien de krachten ÜT, en K2 op het
punt P werkten, tengevolge van den invloed door andere
punten op P uitgeoefend. Voor de uitwerking op het punt P
is het dus onverschillig of K.. en K2 de ontbindingskrachten,
dan wel de composanten van de kracht K zijn.
-ocr page 41-
§ 15. Samenstelling van drie of meer krachten.
Een kracht K kan steeds ontbonden worden in drie
krachten werkende langs lijnen, die niet in hetzelfde vlak
liggen; daartoe is slechts noodig, dat de lijn die de kracht K
voorstelt, de diagonaal is van het parallelopipedum beschreven
op de lijnen, die de ontbindingskrachten voorstellen, en wel
de diagonaal, waarvoor deze lijnen de omliggende ribben zijn.
Indien de drie lijnen, waarlangs de ontbindingskrachten
zullen werken, loodrecht op elkander staan, en indien men
de hoeken kent, welke deze lijnen maken met de lijn. die
de kracht K\'voorstelt, dan kan de grootte der ontl)indin",s-
krachten op eenvoudige wijze worden berekend.
Laat AHCJiE
Fitf-tt
                             (figl leenrecht-
hoekig parallelo-
pipednm zijn; de
lijn AE. die de
kracht K voor-
stelt is K meters
lang; de lijnen
AB,ACenAD,
die de ontbin-
dingskra.chten Kl
K1 en K3
voor-
stellen zijn A",,
K2 en K3 meters
lang. Maken deze
lijnen met de
diagonaal hoeken
«, (3 en •/, dan bestaan blijkens de figuur debetrekkingen:
AT, = AT cos « K% = A\'cos ,3 en K3 = AT cos /.
Evenzoo kunnen drie krachten, werkende langs lijnen,
die niet in hetzelfde vlak liggen, tot een resultante worden
samengesteld. De lijn , die de resultante voorstelt, moet dan
zijn de diagonaal van het parallelopipedum op de lijnen be-
schreven, die de composanten voorstellen, en wel de diago-
naal, waarvoor deze lijnen de omliggende ribben zijn.
Indien de drie lijnen, waarlangs de composanten werken,
loodrecht op elkander staan, dan kan de diagonaal van het
-ocr page 42-
30
rechthoekig parallelopipedum, beschreven op de lijnen die de
composanten voorstellen, en dus de grootte en richting der
resultante, op eenvoudige wijze worden berekend.
Laat (fig. 14) de lijnen A B, A C en A D de krachten
Kx, K2 en K%, en de lijn A E de resultante K van AT,,
K2 en K3 voorstellen, dan zijn de lijnen A B, AC, AD
en A E lang Kx, K2, K3 en K meters, en men vindt de
betrekkingen:
K=\\SKt* KS K%i
^3
%t                o K-i
cos « = -=-. cos ft = -~-,
K
             \'        AT\'
cos y
Uit het bovenstaande wordt de methode afgeleid tot het
berekenen van de grootte en de richting der resultante van
een willekeurig aantal op een punt werkende krachten.
Laat O (fig. 12) de plaats zijn van een punt P waarop
willekeurige krachten K{, Af2, K3 enz. werken. Men brengt
x.
door O drie onderling loodrechte lijnen Xx X, Yt F, Zt Z,
die coördinatenassen worden genoemd. De richtingen van
0 naar X, van O naar Y en van O naar Z worden po-
sitief, die van O naar Xt , van O naar Yt en van O naar
-ocr page 43-
31
Z^ worden negatief genoemd. De lijnen, waar langs de
krachten Kx , K2, K^ enz. werken, maken hoeken a, , a2,
a3 enz. met het positieve gedeelte der X as, |3,, (i2, (i\'3 enz.
met het positieve gedeelte der Y as, en yl , y2 , y3 enz.
met het positieve gedeelte der Z as.
Elk der krachten Kt , ÜT2, .ff3 enz. kan ontbonden wor-
den langs de drie coördinatenassen. Bij deze wijze van ont-
binden kent men aan de ontbindingskrachteu een teeken toe.
Men noemt een ontbindingskracht langs de lijn XX, positief,
als zij werkt in de richting van O naar X, negatief als zij
werkt in de richting van O naar Xt. Hetzelfde geldt voor
de ontbindingskrachten langs de lijnen Y Y{ en ZZt.
De ontbindingskrachten van AT, zijn AT, cos or,, A\'jCos/i,,
Kt cos /j ; evenzoo die van K2 K2 cos u2 AT2 cos [32 , K2 cos y2
enz. Alle ontbindingskrachten langs de X as werkende heb-
ben een resultante Kx, die gelijk is aan de algebraïsche
som der krachten. Dus:
Kx = A\', cos «, -j- K2 cos a2 -f- enz. = 2\' (üTcos «)
Evenzoo voor de Y as en de ^ as:
Ky = A", cos |9, -\\- K2 cos (Ja -(- enz. = 2\' (AT cos [i)
Ke = AT, cos /, -\\- K2 cos /2 -\\- enz. = 2\' (AT cos /).
De krachten Kx, Ky, K, kunnen worden samengesteld tot
een resultante:
Kn = V KS Kyt K*,                                   (13)
terwijl de lijn, waarlangs de resultante K0 werkt, met de
coördinatenassen hoeken a„, (i„, y0 maakt, die gevonden
kunnen worden uit de vergelijkingen:
Kx              0 K,                      Kz
cos a0 = — cos [i0 = ~y cos y0 = -g.
Bovenstaande vergelijkingen gelden ook dan, wanneer een
of meer der hoeken er, [i en y stomp zijn. Was bijv. ct1
een stompe hoek, dan zou de richting van de ontbindings-
kracht Kt cos «t die van de Xas zijn van O naar Xi ;
zij zou in de I, (K cos u) met het negatieve teeken moeten
voorkomen; daar de cosinus van een stompen hoek negatief
is, zoo zou dit werkelijk het geval zijn.
De hoeken «, (3 en y die eenige lijn maakt met drie onderling
loodrechte assen mogen niet willekeurig gegeven worden. Tus-
-ocr page 44-
32
schen die hoeken bestaat de gemakkelijk aantewijzen betrekking:
cos2 « -\\- cos2 ji -\\- cos2 y = 1.
§ 16. Werking en terugwerking.
Zooals vroeger is opgemerkt, tracht men het ontstaan van
krachten te verklaren uit de aanwezigheid van stoffelijke
punten; daarbij is men er toe gedrongen geworden aan te
nemen, dat als het punt P op het punt Q een invloed uit-
oefent, steeds ook Q een invloed uitoefent op P, en wel
zoodanig, dat als tengevolge* van dien invloed op Q een
kracht werkt van zekere grootte en richting, ook op P een
even groote kracht werkt in tegengestelde richting. Men
zegt dat de werking gelijk is aan de terugwerking. Voor-
beelden hiervan zijn de aantrekking die zon en aarde, de
aantrekking of afstooting die twee magneetpolen, de druk-
king die twee lichamen op elkander uitoefenen.
§ 17. Arbeid door een kracht verricht.
Indien een punt P zich verplaatst heeft van A naar C,
(fig. 13 en 14), terwijl
er een kracht K op werkt
langs de lijn AB, dan zegt
men dat de kracht K arbeid
heeft verricht. Deze arbeid
wordt bepaald door de
grootte der kracht en door
de projectie A D van den
_B afgelegden weg A C
op de lijn A B. Is
de richting van A
naar D dezelfde als
die der kracht, dan
R#H
noemt men den ver-
richten arbeid posi-
tief; is de richting
van A naar D tegen-
gesteld aan die der kracht, dan noemt men den verrichten
arbeid negatief.
-ocr page 45-
33
De projectie A D wordt de in de richting der kracht
afgelegde weg genoemd. Men kent aan dezen weg een
teeken toe, en wel een positief of een negatief teeken, al
naarmate de weg is afgelegd in de richting der kracht of
in tegengestelde richting.
Men stelt den arbeid evenredig met de grootte der kracht
en met den weg in de richting der kracht afgelegd. Is
dus de kracht K dyn. eenheden, en is de door P in de
richting van ^/(afgelegde weg l meters, dan is het aantal
arbeidseenheden van den arbeid:
A = f KI.
Als eenheid van arbeid wordt aangenomen de arbeid, dien
een kracht van één dyn. eenheid verricht, als haar aan-
grijpingspunt zich één meter in haar richting verplaatst.
Een kracht van K dyn. eenheden, wier aangrijpingspunt
zich l meters in haar richting verplaatst, verricht dan een
arbeid van A = KI arbeidseenheden Hierin kan l positief
of negatief zijn; in het eerste geval is A positief, in het
tweede negatief.
Deze arbeidseenheid wordt dynamische arbeidseenheid
genoemd.
In de practijk wordt veel gebruik gemaakt van een andere
arbeidseenheid, den kilogrammeter; dat is de arbeid, dien
de statische krachtseenheid (het gewicht van een kilogram)
verricht, als het aangrijpingspunt dier kracht zich één meter
in haar richting verplaatst. De kilogrammeter is 9,812 maal
zoo groot als de dynamische arbeidseenheid.
In het CGS-stelsel is de arbeidseenheid de arbeid, dien
een kracht van één dynaam verricht, als haar aangrijpings-
punt zich één centimeter in haar richting verplaatst. Daar
een dynaam het honderdduizendste gedeelte van de dyna-
mische krachtseenheid, en een centimeter het honderdste
gedeelte van een meter is, zoo bevat de dynamische arbeids-
eenheid 10.000000, en de kilogrammeter 98.1\'20000 arbeids-
eenheden CGS-stelsel.
Indien de kracht K veranderlijke grootte en richting
heeft, bepaalt men de som der arbeiden, die bij eenzelfde
verplaatsing van P verricht zou worden door een kracht K\',
welke telkens na een zeer klein tijdsverloop dezelfde richting
Dr. Julius, Mechanica.                                                                            3
-ocr page 46-
34
en grootte heeft als K, en zoekt de grenswaarde van deze
som, als dit tijdsverloop kleiner en kleiner wordt genomen.
Is de richting der kracht voortdurend loodrecht op de
richting der beweging, dan is de door de kracht verrichte
arbeid nul.
Fvg.10.
Laten Kx, K2 . .. . K„ (fig. 15) krachten zijn, die werken
op een punt P dat zich verplaatst heeft van A naar B, en
laat de resultante dier krachten zijn, dan is langs elke
willekeurige lijn:
K0 cos «o = 2\' (K cos «) = Ky cos «j -\\- AT2 cos «2 -\\- .... -|-
-|- Kn COS ««.
Men kieze de lijn AX zoodanig, dat zij door A en B
gaat, en late uit B loodlijnen neer op de lijnen, langs welke de
krachten Kt , K2 . . K„ en weiken. De cosinussen der
hoeken « hebben de volgende waarden:
cos au = -j^g cos u\\ = jjj.......cos «» = j^-
Substitueert men deze waarden in bovenstaande vergelijking,
1
en laat men den gemeenschappelijken factor -j-= weg, dan
verkrijgt men:
K0 la = 2 (KI) = Kt l, Kt l2 ..... X"„ fc. (14)
-ocr page 47-
35
Nu zijn li, l{ ...l,i de door het punt P in de richting der
kracht afgelegde wegen; elk der producten K„ l,., Kx l{ . . . K„ l„
is dus de grootte van den arbeid, door de daarin voor-
komende kracht verricht, bij de verplaatsing van het punt l\'
van A naar B.
Uit de vergelijking volgt dus:
De arbeid door de resultante verricht is gelijk aan de
som dei- arbeiden verricht door de composanten.
In lig. 15 kunnen Kl . . . K„ ook zijn de ontbindings-
krachten van K„; dus:
De arbeid door een kracht verricht is gelijk aan de som
der arbeiden verricht door de ontbindingskrachten.
§ 18. Arbeidsvermogen.
Indien een stoffelijk punt door de omstandigheden , waarin
het verkeert, in staat is een kracht negatieven arbeid op
zich te laten verrichten, dan zegt men dat het arbeids-
vermogen bezit.
De grootte van dit arbeidsvermogen wordt evenredig ge-
steld met het bedrag van den negatieven arbeid, dien het
punt op zich kan laten verrichten.
Men zegt dat een punt P de eenheid van arbeidsver-
mogen bezit, als het de negatieve dynamische eenheid van
arbeid op zich kan laten verrichten.
Deze eenheid van arbeidsvermogen wordt de dynamische
eenheid van arbeidsvermogen
genoemd.
In de praktijk wordt dikwijls gebruik gemaakt van de
statische eenheid van arbeidsvermogen, dat is het arbeids-
vermogen van een punt, dat den negatieven arbeid van een
kilogrammeter op zich kan laten verrichten.
De dynamische eenheid van arbeidsvermogen bevat
\'10.000000, de statische 98.120000 eenheden van arbeids-
vermogen CGS-stelsel.
Een punt P, dat een zekere snelheid bezit, heeft ten
gevolge van die snelheid arbeidsvermogen.
Laat P zich in C bevinden en een snelheid c eenheden
hebben in de richting CD. Als nu op P een kracht van
K dyn. eenh. gaat werken langs de lijn CD van D naar
C, dan verkrijgt P een rechtlijnige eenparig vertraagde be-
3*
-ocr page 48-
36
weging. Daar P zich dan beweegt in een richting tegen-
gesteld aan die der kracht K, zoo laat het de kracht K
negatieven arbeid verrichten; P bezit dus arbeidsvermogen.
Om de grootte van dit arbeidsvermogen te bepalen, moet
het bedrag gezocht \'worden van den negatieven arbeid, dien
K kan verrichten.
Zij de massa van P m kilogram, dan is de vertraging
eenli. De tijd, waarna de snelheid van P nul wordt, en
K dus geen negatieven arbeid meer verricht, kan gevonden
worden uit de vergelijking:
v = c — -1 = o of t — =- seconden.
m
                                 K
In die t seconden heeft P een weg afgelegd van
K                  me2
et — \\ — t1 of van -=rn- meters. De kracht K heeft een
arbeid verricht van — —jr— dyn. eenheden; het bedrag van
dezen arbeid is onafhankelijk van de grootte der kracht K.
Het arbeidsvermogen van een punt l1, dat een massa van
m kilogram en een snelheid van c eenh. heeft, bedraagt dus
—jT- dynamische eenheden van arbeidsvermogen.
il
Het arbeidsvermogen, dat P bezit tengevolge van zijn snel-
heid, noemt men zijn arbeidsvermogen van beweging.
Elk stoffelijk punt, waarop een kracht werkt, en dat zich
in de richting dier kracht kan verplaatsen zonder dat de
kracht ophoudt te werken, heeft dientengevolge arbeids-
vermogen.
Laat het punt P zich in C bevinden en een snelheid
c eenheden hebben in de richting C Dj laat er verder een
kracht van K dyn. eenheden op werken, langs de lijn CD in
de richting van C naar I). Als nu op P langs de lijn Cl)
een kracht Kt gaat werken, die even groot is als K in de
richting van D naar C, dan zijn de krachten K en Kx in
evenwicht, en P krijgt een eenparige beweging langs CD
in de richting van C naar IJ; het beweegt zich dus in de
richting tegengesteld aan die van ÜT,, en de kracht üf,
verricht daarbij negatieven arbeid, zonder dat de snelheid van
-ocr page 49-
37
P verandert. P bezit dus arbeidsvermogen, omdat er [de
kracht K op werkt. Het arbeidsvermogen, dat een punt
bezit tengevolge van een kracht die er op werkt, noemt
men zijn arbeidsvermogen van plaats.
Het bedrag van den negatieven arbeid, dien K{ verrich-
ten kan, hangt af van den weg, waarover l\' zich in de
richting der kracht K kan bewegen, voordat die kracht K
ophoudt op P te werken. Daar dit bedrag in vele gevallen
niet kan worden bepaald, beschouwt men gewoonlijk slechts
het bedrag van de verandering, die het arbeidsvermogen van
plaats van een punt l\' ondergaat.
Indien op P een kracht werkt van A eenheden . en het
zich l meters in de richting dier kracht lieert verplaatst,
dan is het arbeidsvermogen van plaats van /\' met Kl een-
heden verminderd, daar de negatieve arbeid, dien de kracht
K{ dan zou kunnen verrichten, met Kl eenheden afgenomen is
Werkt op P een kracht van K eenheden, en verplaatst het
zich l meters in de lichting tegengesteld aan die van K,
dan is het arbeidsvermogen van plaats van P met Kl eenheden
toegenomen, daar de negatieve arbeid, dien de kracht Kl
zou kunnen verrichten, met KI eenheden is vermeerderd.
In het algemeen, als op een punt P een kracht K werkt,
en het beweegt zich zoodanig dat K een positieven of
negatieven arbeid van A eenh. verricht, dan zal het arbeids*
vermogen van plaats van P met A eenh. verminderd of
vermeerderd zijn.
Uit de hierboven bewezen vergelijking:
KJu = K1ll-\\-Kil1 .... JT.I,
volgt, dat als op P werkt een kracht K„, die de resultante
is van de krachten Kl , ÜT2 .... K„, bij een willekeurige
verplaatsing van P de verandering in zijn arbeidsver-
mogen van plaats gelijk is aan de som van de veranderingen
in arbeidsvermogen van plaats, die P bij diezelfde verplaat-
sing, tengevolge van de inwerking van elk der krachten K
zou ondergaan.
En ook: als op P werkt een kracht K, dan is bij een
willekeurige verplaatsing van /\' de verandering in zijn
arbeidsvermogen van plaats gelijk aan de som van de ver-
anderingen in arbeidsvermogen van plaats, die het bij
-ocr page 50-
38
dezelfde verplaatsing zou ondergaan onder de inwerking van
elk der ontbindingskrachten van K.
Een punt kan gelijktijdig arbeidsvermogen van plaats en
arbeidsvermogen van beweging hebben.
Bevindt zich het punt P met de massa m kilogram in A
(fig. 16), heeft het een snelheid van c eenheden in de rich-
ting A B, en werkt er op een kracht van K eenheden langs
de lijn A B in de richting van A naar
I « B, dan verliest het arbeidsvermogen van
* plaats, maar het wint arbeidsvermogen
van beweging. Heeft P zich 8 meters
verplaatst van A naar B, dan is zijn
verlies aan arbeidsvermogen van plaats
Fig/6\'
Ks eenheden. Daar P een eenparig ver-
snelde beweging heeft met de versnelling
TT
eenheden, heeft het volgens verge-
I"
m
lijking (3) in B de snelheid:
Y^ 2*
m
in.
In B heeft het een arbeidsvermogen
m
van
beweging van
— eenheden. De vermeerdering van
het arbeidsvermogen van beweging is derhalve
mv*
9
me
-------—— = Ks eenheden.
De vermeerdering van het arbeidsvermogen van beweging
van P is gelijk aan de vermindering van zijn arbeidsver-
mogen van plaats.
Werkt op P een kracht in de richting tegengesteld aan
die der snelheid van P, dan kan op dergelijke wijze aan-
getoond worden, dat de vermindering van het arbeids-
vermogen van beweging gelijk is aan de vermeerdering van
het arbeidsvermogen van plaats.
Laat het punt P met de massa van m kilogram zich in
A (fig. 17) bevinden, laat het een snelheid n\\, eenheden in
de richting A B hebben, en laat er een kracht op werken
van K eenheden in de richting AX. Komt P na zekeren
-ocr page 51-
39
tijd in D, en heeft het daar de snelheid te eenheden, dan
is zijn ai\'beids vermogen van beweging vermeerderd met
mw1__mwo2
eenheden; is de door P in de richting der
~2~ —2~~
kracht afgelegde weg A C
Fü?17.
S meters lang, dan is
zijn arbeidsvermogen van
plaats verminderd met A\'s
eenheden.
Daai\' de deviat.iever-
snelling van P stand-
vastig is, kan volgens
§ 10 zijn beweging ont-
bonden worden in een
eenparige beweging langs
AY en een eenparig ver-
snelde langs A X. Voor
deze laatste geldt de hier-
boven gevonden verge-
lijking:
Ks = ™ _
me\'1
(15)
"2           2"
waarin v en c de ont-
bindingssnelheden zijn van
tv en uu, in de richting
AX. De ontbindingssnelheden van tv en wu in de richting
AY zijn even groot; laten zij de grootte u eenheden hebben;
mu\'
mir
(16)
nu is:
2           2 •
optelling van de vergelijkingen (15) en (16) vindt
miv\'1 -\\- u2)__mjc1 -\\-u2)
Ks =         2                      2
W2 _)_ ui __ WJ en c\'i -\\- U1 = Wo1,
Door
men:
of daar
mw
mwo
** = -2-------,
Ook in dit geval is de vermeerdering van het arbeids-
vermogen van beweging van P gelijk aan de vermindering
van zijn arbeidsvermogen van plaats.
-ocr page 52-
40
Met behulp van deze vergelijking kan de grootte dei-
snelheid worden berekend, waarmede een voortgeworpen punt
in eenig gegeven horizontaal vlak zal aankomen.
Heeft het punt P (fig. 18) in de richting der zwaarte-
kracht, dus in vertikale richting naar beneden, een weg h
meters afgelegd, dan heeft het een arbeidsvermogen van
plaats mgh eenheden verloren. Is zijn aanvangssnelheid
c eenheden en zijn eindsnelheid v eenheden, dan heeft het
tyiv wie
een arbeidsvermogen van beweging —jr—------^r— eenheden
gewonnen. Derhalve:
ü£. — ^1 = mgh of v = Vc^ VghT (17)
Hieruit blijkt, dat de grootte der eindsnelheid v alleen
afhangt van de grootte der aanvangssnelheid c, en van den
in vertikale richting afgelegden weg, en onafhankelijk is
van de richting der aanvangssnelheid.
Wordt bijv. door het werpen met de hand aan een steen
(als stoffelijk punt beschouwd) een aanvangssnelheid van
-ocr page 53-
41
15 eenheden medegedeeld, dan is de snelheid, waarmede hij
in een 10 meters lager gelegen horizontaal vlak aankomt,
steeds:
v = j/152^f~279,81 .10 = 20,5 eenheden.
In welke richting de steen ook moge voortgeworpen wor-
den, naar boven, naar beneden of in horizontale richting,
de eindsnelheid zal steeds dezelfde grootte hebben, want het
gewonnen arbeidsvermogen van beweging zal steeds gelijk
zijn aan het verloren arbeidsvermogen van plaats.
Stelt men in vergelijking (17) // = 0, dan wordt v= c,
d.
i. de snelheid, waarmede een schuin naar boven geworpen
punt P in het horizontale vlak van het beginpunt der be-
weging terugkomt, is juist even groot als zijn aanvangs-
snelheid was. Daar het punt geen arbeidsvermogen van
plaats heeft gewonnen of veiloren, moet ook het arbeids-
vermogen van beweging dezelfde grootte hebben behouden
Ligt eindelijk het eindpunt der beweging hooger dan het
beginpunt, dan moet de hoogte h als een negatieve groot-
heid in rekening worden gebracht, en de vergelijking (17)
verandert in:
v = \\/~ci~:— 2 gh.
Het punt P heeft arbeidsvermogen van plaats gewonnen,
het moet dus arbeidsvermogen van beweging verloren heb-
ben; de eindsnelheid moet derhalve kleiner zijn dan de
aanvangssnelheid. Of overigens het punt P dit hooger
gelegen vlak zal bereiken, en op welke plaats en na welken
tijd, deze vragen zullen later worden behandeld.
Heeft de kracht K veranderlijke grootte en richting, dan
kan men zich den geheelen duur der beweging in zoo kleine
deelen verdeeld denken, dat gedurende zulk een tijdsverloop
de kracht als standvastig kan worden beschouwd. Gedurende
zulk een tijdsverloop is dan de som van het arbeidsver-
mogen van beweging en het arbeidsvermogen van plaats
van P standvastig; dus ook voor den geheelen duur dei-
beweging.
Dit is een bijzonder geval van de wet van het behoud
van arbeidsvermogen, welke in de natuurkunde zulk een
groote rol speelt, en waarvan ook in de mechanica dikwijls
gebruik gemaakt wordt.
-ocr page 54-
4\'2
§ 19. Moment van een kracht ten opzichte
van een as.
Sommige beschouwingen in de mechanica worden veel
eenvoudiger, door de invoering van het begrip het moment
eener kracht K ten opzichte van een rechte lijn 00 . De
groote belangrijkheid van dit begrip voor de mechanica zal
intusschen eerst kunnen blijken bij de behandeling dei-
vaste lichamen.
Zij A (fig. 19) de plaats waar zich het stoffelijk punt P
bevindt, en K een kracht, die op P werkt langs de lijn AB.
P
wordt ook wel het aangrijpingspunt van de kracht K
»
Fi#.19.
r
B
A
^
/
>
K.cos a.
o,
genoemd. Men late uit A een loodlijn A 0 neer op de
rechte lijn O Ol, die voortaan de as zal genoemd worden.
Men ontbinde de kracht K langs drie onderling loodrechte
lijnen, en wel langs de loodlijn A Y op de as 0 0{, langs
de lijn AZ, die uit A evenwijdig aan de as 00{ wordt
getrokken, en langs de lijn AX, die loodrecht wordt ge-
-ocr page 55-
43
trokken op het vlak gaande door het punt A en de as 00,.
Noemt men de hoeken die AB maakt met de lijnen AX,
AY
en AZ, a, ji en /, dan zijn de ontbindingskrachten
langs deze drie lijnen respectievelijk:
Kcosa, KcosJ, UT cos/.
Het moment van de kracht K wordt evenredig gesteld
met de grootte der ontbindingskracht van /iTlangs de lijn AX,
die loodrecht staat op het vlak gaande door het aangrijpings-
punt van K en de as 0 0,, en met de lengte der lood lijn
uit het aangrijpingspunt van K op de as O O, neergelaten.
Is M het aantal momentseenheden, en is de loodlijn AO
r
meters lang, dan heeft men :
M = f ,r K cos et.
Als momentseenheid wordt aangenomen het moment van
een kracht K, welker ontbindingskracht langs een lijn lood-
recht op het vlak gaande door haar aangrijpingspunt en de
as, de grootte heeft van één dynamische eenheid, terwijl de
loodlijn uit haar aangrijpingspunt op de as neergelaten één
meter lang is.
Is de grootte van de kracht K eenheden, maakt de lijn
waarlangs zij werkt, een hoek u met de loodlijn op het vlak
gaande door het aangrijpingspunt van K en de as 0 O, ,
en is de loodlijn uit het aangrijpingspunt op de as neer-
gelaten r meters lang, dan is het aantal momentseenheden
van het moment van K ten opzichte van de as 0 0, :
M = r K cos «.
Men kent aan het moment van een kracht K ten opzichte
van een as O O, een teeken toe. Ziet men langs de as in
de richting van O, naar O, en verkrijgt het punt P, in-
dien het zich in de richting der kracht K gaat bewegen
om de as O 0,, een begin van draaiing in den zin van den
horlogewijzer, dan noemt men het moment van K ten op-
zichte van de as 00, positief; verkrijgt P een begin van
draaiing in den zin tegengesteld aan dien van den horloge-
wijzer, dan is het moment van K ten opzichte van de as
0 0t negatief.
De momentseenheid CGS-stelsel is het 10.000000»t» ge-
deelte van de in dit leerboek gebruikte.
-ocr page 56-
44
Indien het punt P deel uitmaakte van een vast lichaam
om de as O O, draaibaar (lig. \'20), dan zou P een cirkel-
vormige beweging
FyZO.
hebben. Om den
arbeid te hepalen
dien de kracht K
verricht, indien de
voerstraal van P
^Kcosa
een oneindig kleinen
hoek doorloopt van
(f radialen, kan men
opmerken, dat de
arbeid door K ver-
richt gelijk is aan
den arbeid verricht
door de ontbindings-
kracht K cos «, daar
bij de beweging van P de richtingen der ontbindings-
krachten K cos (i en K cos / voortdurend loodrecht zijn op
de richting der beweging. Daar de ontbindingskracht K. cos «
voortdurend in de richting der beweging van P werkt,
heeft de door haar verrichte arbeid de grootte:
\'21 = K cos « X D00o A B,
of, daar boog AB = A O . qp meters,
31 = K cos u . A O . (p.
Het moment
dus:
van K ten opzichte van de as 0 0, is:
M—Kcoact.AO,
31 = M<p.
Men verkrijgt dus het aantal arbeidseenheden onder deze
omstandigheden door de kracht K verlicht, als men het
aantal momentseenheden van het moment van K ten op-
zichte van de as 0 O, vermenigvuldigt met het aantal
radialen vaa den oneindig kleinen hoek qp door den voer-
straal van P dooiioopen.
Momentenvergelijking.
Is A\' (tig. 19) de resultante van eenige krachten Kx .
Üf2 . . . . Klt op P werkende, dan is volgens het vroeger
verklaarde:
-ocr page 57-
45
K cos« = Kx cos «, -(- Z2 cos «2 -)-.....ÜT,, cos
of UT cos « . A 0 = üf, cos «, . ,4 O -f- K2 cos "2 • -4 O ......
-f- A\'„ cos «„.^10,           j L>(P p.
dus:             il/ = M, i/2 ..... 7tf„.~-
Bovenstaande vergelijking geldt ook dan, als een of meer
der hoeken « stomp zijn. Was bijv. «2 een stompe hoek,
dan zou het moment K2 cos «2 . AO van K2 ten opzichte van de
as 0 0{ negatief zijn, en in de 2. (K cos a.A O) met het
negatieve teeken moeten voorkomen. Daar de cosinus van een
stompen hoek negatief is, zoo zou dit werkelijk het geval zijn.
Het moment der resultante ten opzichte van een as is
gelijk aan de som van de momenten der composanten ten
opzichte van diezelfde as.
Deze vergelijking wordt de momentenvergelijking genoemd.
In figuur 19 kan de kracht K ook in verschillende krachten
ÜTj, K2 . . . worden ontbonden. Het is gemakkelijk in
te zien, dat ook dan de momentenvergelijking geldt, en dus
dat het moment van een kracht ten opzichte van een as
gelijk is aan de som van de momenten der ontbindings-
krachten ten opzichte van diezelfde as.
§ 20. Moment van een kracht ten opzichte
van een punt.
De uitdrukking voor het moment van een kracht ten
opzichte van een as
wordt eenvoudiger,
indien de lijn waar-
langs de kracht
werkt, gelegen is in
het vlak, dat door
het aangrijpingspunt
der kracht loodrecht
op de as wordt ge-
bracht. Zij (lig. 21)
O het snijpunt van
de as en dit vlak.
en AB de lijn waar-
langs de kracht K werkt op het punt P, dat zich in A bevindt.
-ocr page 58-
46
Het moment van K ten opzichte van de as O 0, is dan
JU = A\'cosa . A O. Laat men uit het punt O een loodlijn
OB neer op de lijn AB waarlangs de kracht K werkt,
dan is blijkens de figuur de lengte l dier loodlijn :
1= OB = AOcoscc.
of:
                                     M = KL
In dit geval spreekt men van het moment der kracht K
ten opzichte van het punt 0, en men verkrijgt het aantal
monientseenheden door het aantal dyn. eenheden der kracht
te vermenigvuldigen met het aantal meters lengte van de
loodlijn. die uit 0 wordt neergelaten op de lijn waarlangs de
kracht werkt.
Men kent aan het moment van een kracht ten opzichte
van een punt een teeken toe.
De kracht K (lig. 22) werkende langs de lijn A B, zou
aan het punt P als
Fiff22-                                het in rust was,
f\'                                             een beweging geven
\\                                              langs A B. Deze be-
weging kan be-
schouwd worden als
een begin van draai-
ing in den zin van
den horlogewijzerom
b.                      0, en als een be-
gin van draaiing in
den zin tegengesteld aan dien van den horlogewijzer om 0,.
In het eerste geval noemt men het moment dei\' kracht ten
opzichte van een punt positief, in het tweede geval negatief.
Het moment van een kracht ten opzichte van eenig punt,
gelegen in de lijn waarlangs de kracht werkt, is nul.
Het boven gegeven bewijs voor de momentenvergelijking
geldt ook voor dit geval, dus:
Het moment van de resultante ten opzichte van een punt
0 is gelijk aan de som der momenten van de composanten
ten opzichte van ditzelfde punt; en
Het moment van een kracht ten opzichte van een punt O
is gelijk aan de som der momenten van de ontbindings-
krachten ten opzichte van hetzelfde punt.
-ocr page 59-
47
In deze som moet elk moment met het daaraan toe-
komend teeken worden genomen.
Schrijft men de momentenvergelijking in den vorm:
K010 — JT, f, JT2 fj . ... Kn ln = 2 (KI),
dan blijkt het, dat als men kent de grootten der krachten
die op een punt P werken, en de afstanden, waarop zich
eenig punt O bevindt van de lijnen waarlangs die krachten
werken. men steeds kan bepalen het product van het aantal
eenheden der resultante met het aantal meters, waarop het
punt P verwijderd is van de lijn, waarlangs de resultante
werkt. De momentenvergelijking kan dus toegepast worden
om een der grootheden of l0 te berekenen, als men de
andere kent. Is 2.\' (KI) gelijk nul, dan moet of of l,,
gelijk nul zijn. Kan men derhalve een punt O vinden, ten
opzichte waarvan de som der momenten van de op P wer-
kende krachten gelijk nul is, dan gaat de lijn, waarlangs
de resultante werkt, door O, en de richting der resultante
is dan de richting van A naar O of van O naar A.
HOOFDSTUK IV.
Beweging van een vrjj stoffelijk punt.
§ 21. Vrije val van een stoffelijk punt.
De waarneming heeft geleerd. dat als een stoffelijk punt
in een luchtledige ruimte nabij de oppervlakte der aarde
aan zich zelf wordt overgelaten, het zich gaat bewegen naar
de aarde toe langs een rechte lijn. Op het punt werkt
dus een kracht, die een standvastige richting heeft. Ook
leert de waarneming, dat de beweging van het punt een
eenparig versnelde is, en dat de versnelling dier beweging
op alle plaatsen der aarde op dezelfde breedte gelegen, en
voor alle punten even groot is. Op onze breedte bedraagt
de versnelling 9,812 eenheden.
Indien aan het punt P een snelheid wordt gegeven in
willekeurige lichting, dan krijgt het een kromlijnige bewe-
ging; bepaalt men de deviatieversnelling van P, dan vindt
-ocr page 60-
48
men dat deze van standvastige richting en grootte is; dat
haar 7\'ichting dezelfde is als die van een vallend punt met
de aanvangssnelheid nul, en dat zij ook 9,812 eenheden
groot is. Op elk punt, dat zich vrij beweegt in de nabij-
heid der aarde, werkt dus een kracht van standvastige rich-
ting en grootte. Is de massa van het punt m kilogram,
dan is op onze breedte de kracht 9.8-1 \'2 m dyn. eenheden groot.
Later zal dit verschijnsel nader worden verklaard. De
deviatieversnelling van een vrijvallend punt wordt de ver-
snelling der zwaartekracht genoemd; de grootte dier ver-
snelling zal voortaan door g worden voorgesteld.
De kracht, die aan het punt P de versnelling g geeft.
heet de zwaartekracht op P werkende, of wel het gewicht
van P.
Heeft P een massa van m kilogram, dan is het gewicht
van P mg dyn. eenheden.
De richting van de zwaartekracht, dat is de richting
waarin een punt met aanvangssnelheid nul zich beweegt,
heet de verticale richting; een verticale lijn wordt kortweg
een verticaal genoemd. Een vlak loodrecht op de verticaal
van een plaats heet een horizontaal vlak voor die plaats, en
elke lijn loodrecht op de verticaal een horizontale lijn.
§ 22. Parabolische beweging.
In § 10 is aangetoond, dat indien een punt standvastige
deviatieversnelling heeft, zijn baan in het algemeen een
kromme lijn is, die parabool genoemd wordt. Een punt
onder de werking van een standvastige kracht heeft dus
steeds een parabolische beweging. Valt de richting van de
oorspronkelijke snelheid samen met die dei\' deviatieversnelling,
of is zij hieraan juist tegengesteld, dan gaat de parabool in
een rechte lijn over.
De in die paragraaf gevonden vergelijkingen:
x = et -\\- \\ at2                w.c = e -J- at
y — vt                              wy = v
waarin:
K
c = u cos a v = u sin « en a = —
m
-ocr page 61-
kunnen aangewend worden om elke vraag te beantwoorden,
die zou kunnen worden gedaan met betrekking tot de be-
weging van een punt, waarop een standvastige kracht werkt.
Door een paar voorbeelden zal aangetoond worden , hoe die
vergelijkingen tot het oplossen van vraagstukken kunnen dienen.
Indien een punt door het werpen met de hand een snel-
heid u eenheden verkrijgt, en daarna zijn beweging onder
de werking der zwaartekracht voortzet, dan zjjn de voor-
waarden voor de parabolische beweging voorhanden. In
bovenstaande vergelijkingen verandert dan Kin mg ena in g.
Is de hoek dien de richting der aanvangssnelheid u maakt
met de verticaal 90°, dan is:
c = u cos 90° = 0 en v = u sin 90° = w.
In dit geval nemen de vergelijkingen de in fig. 23 aan-
gegeven eenvoudiger vormen aan.
Püf23.
Zij de snelheid, die aan het punt wordt medegedeeld,
u = 20 eenheden, en laat de tijd gevraagd worden, na
welken het punt in een 10 meters lager gelegen horizontaal
vlak aankomt, dan kan l opgelost worden uit de vergelijking:
x = ±gt2,
dus
t = \\f l£ = \\l |
» g                  *
9,81
= 1,428 seconden.
Dr. Julius, Mechanica.
-ocr page 62-
50
De weg BC, gedurende dien tijd in horizontale richting
afgelegd, wordt verkregen uit de vergelijking:
BC=y = ut = \'20.1,428 = 28,6 meters.
De snelheid der ontbindingsbeweging in verticale richting is:
wx = gt= 9,81 .1,428 = 14,0 eenheden.
De snelheid der ontbindingsbeweging in horizontale richting
is even groot als de aanvangssnelheid:
wy = u = 20 eenheden.
De werkelijke snelheid die het punt in O heeft is:
w = t^,2 -f wv2 = |/"l4a 2Ö~» = 24,4 eenheden.
De hoek (3, dien de richting der eindsnelheid maakt met
de verticaal, wordt gevonden uit de vergelijking;
Is de hoek «, dien de richting der aanvangssnelheid
maakt met de verticaal, scherp, dan kan, zooals in §10 is
&#2i
verklaard, de beweging be-
schouwd worden als de voort-
zetting van een parabolische
beweging met horizontale
aanvangssnelheid.
De snelheid der ontbin-
dingsbeweging in verticale
richting is nu c — ucosa,
die der ontbindingsbewe-
ging in horizontale richting
v = u sin«. Na substitutie
dezer waarden verkrijgen de
algemeene vergelijkingen de
in fig. 24 aangegeven vormen.
Heeft bijv. de aanvangs-
snelheid van de in fig. 24
voorgestelde beweging juist
dezelfde grootte en richting
als de eindsnelheid van de in fig. 23 voorgestelde beweging,
is dus:
-ocr page 63-
51
u = 24,4 eenheden « = 55°
c = 24,4 cos 55° =14 eenheden
v = 24,4 sin 55° = 20eenheden,
dan komt deze beweging volkomen overeen met die, welke
in het vorige geval door het punt zou zijn volbracht, indien
dit zijn beweging nog voorbij het eindpunt had voortgezet.
De baan is dus een parabool, welker top, van het begin-
punt A afgerekend, 10 meters hooger en 28,6 meters naar
links ligt. De ontbondene in horizontale richting van de
eindsnelheid is 20 eenheden; de weg in horizontale rich-
ting bijv. in de eerste 3 seconden afgelegd, zal dan zijn:
BC = y = 20.3 = 60 meter.
De ontbondene in verticale richting van de eindsnelheid is:
ir, = 14 -f. 9,81 • 3 = 43,43 eenheden ,
en de in verticale richting afgelegde weg:
3 Q 8-1 32
A B = X = 44,Vï- -"2— = 86»1 meter.
De eindsnelheid is:
w = V 43.432 20* = 47,8 eenheden.
Den hoek, dien de richting der eindsnelheid maakt met de
verticaal, vindt men uit de vergelijking:
tg E- 4:^43 = °\'465        <5==25°-
De algemeene vergelijkingen blijven ook dan nog geldig,
als de richting der aanvangssnelheid een stompen hoek
maakt met de verticaal, waardoor cos a en dus ook c = u cos u
negatieve waarden verkrijgen. De\' ontbindingsbeweging in
verticale richting is aanvankelijk eenparig vertraagd, en haar
richting tegengesteld aan die der zwaartekracht (fig. 25).
Wanneer de horizontale ontbondene der aanvangssnelheid
even groot is als die in de beide vorige gevallen, dan
kunnen deze laatste bewegingen beschouwd worden als de
voortzettingen van de hier behandelde beweging.
Is bijv. u = 24,4 eenheden en « = 125°, dan is de snel-
heid der ontbindingsbeweging in horizontale richting:
u = 24,4 sin 125° = 20 eenheden.
4*
-ocr page 64-
52
De snelheid der ontbindingsbeweging in verticale richting is:
C = 24,4 cos 125 = — 14 eenheden.
De tijd, na welken het punt aankomt in een horizontaal
FiffZS
vlak, dat 86,1 meters lager ligt dan het aanvangspunt A
der beweging, wordt gevonden uit de vergelijking:
X = 86,1 = _ Ut ^~2,
waaruit:
t = 1,428 ± 1/1976\' seconden.
Het dubbele teeken, waartoe de oplossing van deze vier-
kantsvergelijking voert, heeft de volgende beteekenis. In de
parabool, waarvan de baan een deel uitmaakt, zijn twee
plaatsen, die 86,1 meter lager liggen dan A. De eene
plaats C zal werkelijk door het punt P worden ingenomen
na een tijd, dien men verkrijgt door in bovenstaande ver-
gelijking het positieve teeken te gebruiken. De andere plaats
C, is van A af gerekend achterwaarts gelegen. Beschouwt
men de hier behandelde beweging als de voortzetting van
een reeds vroeger begonnen beweging, dan geeft de nega-
-ocr page 65-
53
tieve waarde, die men voor t verkrijgt als men in boven-
staande vergelijking het negatieve teeken gebruikt, den tijd
aan, vóór welken het punt zich in Cl bevond. Hier moet dus
het positieve teeken gebruikt worden, en dan verkrijgt men:
t = 1,428 V 19,6 = 5,86 seconden.
De weg B C gedurende dien tijd in horizontale richting
afgelegd is:
B C = y = 20 . 5,86 = 117,2 meters.
De snelheid der ontbindingsbeweging in verticale richting
is dan:
Wx = — 14 9,81 . 5,86 = 43,4 eenheden.
Grootte en richting der eindsnelheid vindt men uit de
vergelijkingen:
w = ^43,4* 202 = 47,8 eenheden,
De waarden van w en |3 komen dus overeen met de in
de vorige voorbeelden gevonden waarden.
De snelheid der ontbindingsbeweging in verticale richting
heeft aanvankelijk een negatieve waarde, en is dus naar
boven gericht. Den tijd tx, na welken zij nul wordt, en de
richting der beweging dus horizontaal is, vindt men uit de
vergelijking:
14
wx = o = — 14 -f- 9,81 tx oi tx = p-öv = 1,427 seconden.
De gedurende dien tijd in verticale en in horizontale
richting afgelegde wegen, vindt men uit de vergelijkingen:
X = —14 .1,427 -f ^£L^l±±L = _ 10 meters
y = 20 .1,427 = 28,54 meters.
De in verticale richting afgelegde weg heeft eveneens
aanvankelijk negatieve, later positieve waarden. De tijd t2,
waarna deze weg nul wordt, waarna dus het voortgeworpen
punt weder aankomt in het horizontale vlak van het aan-
vangspunt der beweging, wordt gevonden uit de verge-
Iqkingen:
-ocr page 66-
54
x = o = — 14f2 -\\- — - -2 of £2 = q-ö5 = 2,84 sec.
De tijd <2 is tweemaal zoo groot als £,, dus is ook de
in den tijd t2 in horizontale richting afgelegde weg twee-
maal zoo groot als de in den tijd tt afgelegde, of:
y% = 57,1 meter.
In de hier behandelde drie voorbeelden zijn met voor-
dacht dezelfde waarden gekozen voor de standvastige snel-
heid Wy der ontbindingsbeweging in horizontale richting, om
te doen zien, dat het in dit geval dezelfde parabool is,
waarvan de banen deel uitmaken. De vorm van de parabool
door een punt onder de werking der zwaartekracht door-
loopen, hangt dus alken af van de grootte der horizontale
ontbondene van zijn aanvangssnelheid.
Ingeval slechts dat deel der baan onderzocht moet worden,
dat boven het door het aanvangspunt der beweging gebrachte
horizontale vlak gelegen is, dan worden de berekeningen
eenigszins eenvoudiger, als men de richting tegengesteld
aan die der zwaartekracht als positief aanneemt, en tevens
in plaats van den hoek « den hoek *, den zoogenaamden
elevatiehoek, invoert, dat is de hoek, dien de richting der
aanvangssnelheid met de horizontaal maakt (fig. 26). De
algemeene vergelijkingen worden dan:
wx = u sin e — gt         x — ut sin f — \\_ gt%
wy = u cos *                  y = ut cos e.
Het punt P heeft zijn grootste hoogte h, worpshoogte
genoemd, bereikt, als het in den top der parabool is, als
dus de snelheid van zijn ontbindingsbeweging in verticale
richting nul is. Men vindt h door de waarde van t uit de
vergelijking:
. „ . u sin i
wx
= U sin e — ot = o of t =---------
9
te substitueeren in de vergelijking voor x, waardoor men
verkrijgt:
(Msint)»
*- <2g •
-ocr page 67-
55
De worpsverheid AB = 1 is de waarde, die y verkrijgt
op het oogenblik dat:
x =. u sin * . t — "^ = o.
Substitueert men de hieruit gevonden waarde van t in
w. /
Fy>
26
T
i
f
• v
k. \\
V.
•
K\'mg:
de vergelijking voor y, dan vindt men voor de worps-
verheid:
2m* sint cos*
9
1 =
= — sin 2 f,
waaruit men den invloed kan nagaan, dien de elevatiehoek t
heeft op de worpsverheid.
De factor sin 2 e verkrijgt zijn grootste waarde 1, als
2* = 90°, dus e = 45° is.
Bij een bepaalde grootte u van de aanvangssnelheid is
dus de grootste waarde der worpsverheid:
9
welke afstand tweemaal zoo groot is als de hoogte, die het
-ocr page 68-
56
punt zou bereiken, indien het met de snelheid u in verticale
richting naar boven werd geworpen. De sinussen van twee
hoeken, waarvan de een evenveel grooter als de ander
kleiner is dan 90°, hebben dezelfde waarden. Hieruit volgt,
dat bij even groote aanvangssnelheden n, twee punten even
groote worpsverheden zullen hebben, indien de elevatiehoek
van het eene i -\\- A, en die van het andere t — A is. Wordt
bijv. aan een punt P telkenmale een aanvangssnelheid
M = 20 eenheden medegedeeld, dan bereikt het bij een
elevatiehoek van 45° de grootste worpsverheid:
202
l = ^"o. = 40,8 meter.
y,oi
Bij een elevatiehoek t = 45° -\\- 15° = 60°, bedraagt de
worpsverheid slechts:
202
l = __ sin 120° = 35,3 meters,
y,ol
en dezelfde waarde verkrijgt zij bij een elevatiehoek:
i = 45° —15° — 30°,
202
l = Tr-^-r sin 30 = 35,3 nieters.
9,81
                     \'
De algemeene vergelijkingen voor de beweging van een
voortgeworpen punt, zouden ook gelden voor de beweging
van een uit een kanon geschoten kogel (de kogel als
stoffelijk punt beschouwd), indien de beweging in het lucht-
ledige geschiedde. De weerstand dei\' lucht echter, die onder
overigens gelijke omstandigheden zeer snel toeneemt met de
snelheid van het punt, zal bij zoo groote snelheden als die
van kanonskogels, een zeer grooten invloed op de beweging
hebben. Bij de berekening van de kogelbaan uit de boven-
staande vergelijkingen, kan derhalve geen nauwkeurige over-
eenslemming gevonden worden tusschen de berekende en de
waargenomen waarden.
§ 23. Eenparige cirkelvormige beweging.
In § 10 is gevonden, dat de deviatieversnelling van een
punt P met eenparige cirkelvormige beweging, de stand-
-ocr page 69-
57
vastige grootte a — — eenheden heeft, indien de snelheid
van P c eenheden is, en de straal van den doorloopen cirkel
een lengte van r meters heeft; en dat haar richting op
elk oogenblik is, die van den straal van P naar het middel-
punt van den cirkel toe. Is de massa van P m kilogram,
dan werkt op P een kracht K, die de standvastige grootte
heeft:                       K =-----dyn. eenheden,              (17)
r
en waarvan de richting op ieder oogenblik samenvalt met
die van den straal naar het middelpunt toe. Om deze reden
heeft men aan die kracht den naam van centripetaalkracht
gegeven. Zulk een eenparige cirkelvormige beweging kan
bijv. op de volgende wijze worden voortgebracht.
Het eene einde van een uitgestrekten draad wordt be-
vestigd aan een vast punt O, het andere aan een bol
(als stoffelijk punt beschouwd). Het gewicht van den bol
wordt buiten rekening gelaten of opgeheven gedacht. Wordt
nu aan den bol een snelheid c medegedeeld in een richting
loodrecht op die van den draad, dan doorloopt de bol een
cirkelomtrek, en wel met een eenparige beweging.
Is de massa van den bol m = 2 kilogram, is de daaraan
medegedeelde snelheid c = 10 eenheden, en is de draad
r = 4 meters lang, dan is de op den bol werkende kracht
voortdurend naar het middelpunt toe gericht en heeft de
2.102
grootte:               K = —.— = 50 dyn. eenheden.
Deze kracht wordt door den draad op den bol uitgeoefend.
Volgens het in § 16 verklaarde beginsel van werking
en terugwerking wordt door den bol op den draad een
even groote kracht in tegengestelde richting uitgeoefend.
De draad wordt dus door de kracht K gespannen.
"Wil men K in statische krachtseenheden uitdrukken, dan
moet de gevonden waarde van K door 9,81 gedeeld wor-
den, en dus-:
50
K —
           = 5,1 statische eenheden.
y,8i
Bij de beweging wordt de draad dus even sterk ge-
-ocr page 70-
58
spannen, alsof hij aan een vast punt was opgehangen, en
aan het benedeneinde een massa van 5,1 kilogram droeg.
Snijdt men gedurende de beweging den draad door, dan
houdt de kracht op te werken, en de bol zal een recht-
lijnige eenparige beweging verkrijgen in de richting van de
raaklijn aan dat punt van den cirkel, waar de bol was op
het oogenblik dat de kracht ophield te werken.
Door invoering van de hoeksnelheid van P kan men aan
de uitdrukking voor de centripetaalkracht een anderen vorm
geven.
Is de hoeksnelheid van P <a eenheden, dan bestaat er
volgens § 3 tusschen de getallen, die het aantal eenheden
van de hoeksnelheid, het aantal eenheden van de Iijnsnel-
heid en het aantal meters van den straal uitdrukken, de
betrekking:
                       c = r co.
Deze waarde in de vergelijking voor K substitueerende,
vindt men:
                     K = mrw2.
De maan beschrijft bij haar beweging om de aarde een
baan, die bij benadering kan worden beschouwd als een
cirkel, welks middelpunt met het middelpunt der aarde samen-
valt. De straal van dien cirkel is ongeveer 60 aardstralen, dus:
r = 60 . 6370000 = 382000000 meters.
De omloopstijd bedraagt 27d 7U 43m lls of in een rond
getal 2360000 seconden; de hoeksnelheid der maan is dan:
2tt
eenheden.
2360000
Als de massa der maan m kilogram is, dan heeft derhalve
de kracht, die op de maan moet werken om haar de waar-
genomen beweging te doen volbrengen, de grootte:
. 382000000. 4. 3,142 . nAO_         ,
K = mm\' - m . -------^—2-^— = 0,0027 m eenh.
§ 24. Conische slinger.
Om een stoffelijk punt P met de massa m kilogram, dat
een aanvangssnelheid c eenheden in horizontale richting
heeft, en waarop behalve zijn gewicht mg nog een kracht £
-ocr page 71-
59
werkt, een horizontalen cirkelomtrek met den straal rmeters
eenparig te doen doorloopen, moet de kracht S zoodanig
gekozen worden, dat op ieder oogenblik de resultante AT van
de beide krachten mg en S de grootte K = — , en de rich-
r
ting van P naar
het middelpunt O
toe heeft. Is P op
eenig oogenblik in
^(fig.27); wordt
de kracht mg door
de lijn A B, en de
kracht K door de
lijn AD voorge-
steld, dan be-
schrijve men een
parallelogram,
waarvan AD de
diagonaal, en A B
de eene zijde is.
De andere zijde
stelt dan in grootte
en richting voor
de kracht S, die
op dat oogenblik
op P moet wer-
ken. Bevindt P
•mff.
zich ergens an-
ders op den cirkel-
omtrek, bijv. in Al, dan moet de richting en de grootte
van de kracht S door dezelfde constructie worden bepaald.
De hoek «, dien de lijn waarlangs de kracht S werkt
maakt met de verticaal, kan bepaald worden uit de ver-
gelijking:
AD K
^tt=CD =
mg
mc-
of, als men daarin de waarde K =
substitueert:
il
rg\'
(18)
tg« =
-ocr page 72-
60
T
Vervangt men hierin tg « door j-, en lost men daarna
h uit de vergelijking op, dan vindt men voor de hoogte van
het punt Q, het snijpunt van A O en de as van den cirkel,
boven het cirkelvlak:
h = g -j meters.                       (19)
De standvastige grootte van de kracht S zou men kunnen
vinden uit de vergelijking:
S =
V (m!l)2 (~ r ) ==m\\92~\\—i eenheden.
Den tijd t, waarin het stoffelijk punt den cirkelomtrek
doorloopt, vindt men als men dien omtrek 2 n r deelt door
den in een seconde afgelegden weg c; dus:
Y
t = 2 7t - seconden,
c
t                          I h
of voor zijn   waarde y - uit vergelijking (19) substitu-
c                             9
eerende:
./T
t = \'2 n V - seconden.                 (20)
Zulk een eenparige beweging langs den omtrek van een
horizontalen cirkel kan bijv. op de volgende wijze tot stand
komen. Het eene einde van een uitgestrekten draad is aan
een vast punt Q bevestigd; aan het andere einde is een
bol (als stoffelijk punt beschouwd) aangebracht. Brengt men
dezen draad in den stand QA (fig. 27), en deelt men
daarna den bol een snelheid c mede, in een richting lood-
recht op het verticale vlak Q A O, en met de uit verge-
lijking (19) te bepalen grootte c = ry K- eenheden, dan
zal de bol een eenparige beweging verkrijgen langs den
cirkelomtrek met het middelpunt O. De draad beschrijft
daarbij een kegeloppervlak, welks top in Q ligt; daarom
wordt een zoodanige inrichting een conische slinger genoemd.
-ocr page 73-
61
Is bijv. h = 5 meter en r = 2 meter, dan moet de
snelheid c de grootte hebben:
= 2,8 eenheden.
Uit vergelijking (20) blijkt dat de omloopstijd van zulk
een conischen slinger alleen afhangt van de hoogte Q boven
het horizontale vlak van de baan. Alle conische slingers
dus, waarbij die hoogte, evenals hier, 5 meter bedraagt,
hebben denzelfden omloopstijd, namelijk:
V
5
9,81
4,48 seconden.
£=2.3,14
De kracht S, die bij de boven beschreven inrichting door
den draad op het stoffelijk punt wordt uitgeoefend, kan ook
op andere wijze worden aangebracht. Stelt men zich voor
dat de draad QA is doorgesneden, en dat de bol in plaats
daarvan in alle punten der baan wordt ondersteund door
een vast vlak, dat overal loodrecht staat op de richting van
den draad, dan zal de weerstand van dit vaste vlak dezelfde
uitwerking hebben
als vroeger de span-
ning van den draad.
Dit vaste vlak moet
den vorm hebben
van een kegelopper-
vlak, welks top in
Q, (Bg. 28) ligt,
en welks beschrij-
vende lijnen, overal
loodrecht staande op
de beschrijvende lij—
nen van het door
den draad beschre-
ven kegeloppervlak,
met den horizon een
hoek « maken, even
groot als de hoek, dien de draad maakt met de verticaal.
Men kan derhalve van vergelijking (18) gebruik maken om
bijv. bij een kromming van een spoorweg den hoek a te
-ocr page 74-
02
berekenen, dien de dwarsliggers met den horizon moeten
maken, opdat de vellingen van de raderen der wagens alleen
een normalen en geen zijdelingschen druk uitoefenen tegen
de flensen der rails.
Zij bijv. de straal van de kromming r = 500 meters, en
de snelheid, waarmede de trein de kromming moet door-
loopen, c = 15 eenheden, dan kan de hellingshoek der dwars-
liggers worden bepaald uit de vergelijking:
tg " = 500*9,81X = 0\'04587 • °f " = ^ 38\'-
Is b de afstand der rails van midden tot midden gere-
kend, dan is b sin u de hoogte van de buitenste rail boven
de binnenste.
§ 25. Enkelvoudige trillende beweging.
Wanneer een stoffelijk punt zich zoodanig beweegt, dat
het telkens na een zeker tijdsverloop in dezelfde plaats van
zijn baan terugkeert en clan denzelfden bewegingstoestand
heeft, dan zegt men dat het punt een slingerbeweging vol-
brengt. Zoo heeft een punt met eenparige cirkelvormige be-
weging een slingerbeweging; den tijd, waarin het punt den
geheelen omtrek doorloopt, noemt men zijn slingertijd. Zijn
de banen, die het punt telkens doorloopt, zeer klein, dan
spreekt men gewoonlijk van een trillende beweging en van
den trillingstijd.
Wanneer een punt Q een eenparige cirkelvormige be-
weging heeft met de snelheid c eenheden, dan kan zijn be-
weging voor een willekeurig tijdsverloop ontbonden worden
in twee bewegingen langs twee onderling loodrechte middel-
lijnen. Laat de ontbindingsbeweging langs een dier middel-
lijnen, bijv. langs de horizontale middellijn A B (fig. 29)
een zoodanige zijn, dat een ander punt P, die beweging
volbrengende, op ieder oogenblik een snelheid heeft gelijk aan
de horizontale ontbindingssnelheid van Q. Men kan aan-
toonen, dat dan op elk oogenblik de plaats van F is de
projectie op de lijn AB van de plaats welke Q inneemt.
Neemt men toch het tijdsverloop ï>, waarin Q den boog a b
doorloopt, klein genoeg, dan kan de horizontale ontbindings-
-ocr page 75-
beweging van Q gedurende dat tijdsverloop worden be-
schouwd als een eenparige beweging met de snelheid c cos «.
Daar c. 9 = ab is, is de door P in dat tijdsverloop afge-
legde weg c cos « . fr = ab . cos « — db. Gedurende elk
Fig 29.
klein tijdsverloop fl1 is de door P afgelegde weg even lang
als de horizontale projectie van den door Q afgelegden weg;
dit is dus ook zoo voor een willekeurig tijdsverloop. Is dus
op den tijd nul het punt Q in C en het punt Pin 0, dan
zal na elk willekeurig tijdsverloop de plaats van P zijn de
projectie op A B van de plaats, welke Q inneemt.
Hieruit volgt tevens , dat op ieder oogenblik:
de deviatieversnelling van P naar het punt 0 toe ge-
richt, en in grootte gelijk is aan de deviatieversnelling der
horizontale ontbindingsbeweging van Q, en dus:
de op P werkende kracht naar het punt 0 toe gericht,
en in grootte gelijk is aan de horizontale ontbondene van
de op Q werkende kracht.
Het punt P heeft dan een zoogenaamde enkelvoudige
trillende beweging, welker beschouwing van groot belang
is voor de leer van het geluid en van het licht. P gaat
dus langs de lijn A B heen en weer; den afstand van de
uiterste standen A en B noemt men de amplitude van P.
-ocr page 76-
64
Onder den trillingstijd T verstaat men den tijd, waarin P
den afstand A B heen en terug doorloopt. De trillingstijd
van P is dus evengroot als die van Q, en bedraagt:
T= — seconden.
c
In deze vergelijking is, c het aantal eenheden van de lijn-
snelheid van Q, en dus ook van de snelheid , die P in O heeft.
"A.ls men de uit vergelijking (17) voortvloeiende waarde:
» m
in bovenstaande vergelijking substitueert, dan verandert deze
laatste in:
\'=2-\\/
mr
seconden.
Bevindt zich P in N (fig. 30) op den afstand x van
het punt O, en is de kracht, die alsdan op P werkt.
H eenheden groot, dan is:
H = K cos « =------x eenheden.          (22)
-ocr page 77-
05
De kracht is dus evenredig met den afstand van P tot
0; zij heeft haar grootste waarde K. voor x = r;
zij is negatief of positief, d. w. z. zij werkt naar links of
naar rechts, naarmate het punt P zich rechts of links van
het punt O bevindt.
Hieruit volgt, dat het punt P een enkelvoudige trillende
beweging zal verkrijgen, wanneer aan de volgende voor-
waarden is voldaan :
1° De op het punt P werkende kracht II moet voort-
durend gericht zijn naar eenzelfde punt O.
2° De grootte der kracht H moet evenredig zijn met den
afstand van P tot O. 0
3° Indien Peen aanvangssnelheid heeft, dan moet deze
de richting hebben van de lijn, die door P en O gaat.
Stelt men het quotiënt — door A voor, dan nemen de
vergelijkingen (22) en (21) den volgenden vorm nan:
H = — Ax eenheden,                  (23)
T= 2t y/ * seconden.                (24)
A is de grootte van de op P werkende kracht, als P op
A
een meter afstand van 0 verwijderd is. Het quotiënt —
is derhalve de deviatieversnelling, die de kracht H aan het
punt P geeft, als het zich op een meter afstand van O be-
vindt. Noemt men deze deviatieversnelling q, dan is:
T=—=- seconden.                        (25)
Vq
Het aantal seconden van den trillingstijd van een punt P
met enkelvoudige trillende beweging is dus gelijk aan het
getal 2TT, gedeeld door den vierkantswortel uit het aantal
eenheden der deviatieversnelling die P heeft, als het op den
afstand van één meter van O is verwijderd.
De trillingstijd is derhalve onafhankelijk van de ampli-
tude van P.
Neemt men aan dat het punt P zich op den tijd nul in
O bevindt, en t seconden later aankomt in N, x meters van
O verwijderd , dan is x = r sin (J. Het punt Q doorloopt
Dr. Joiiiua, Mcckanica.                                                      5
-ocr page 78-
66
den boog C M in denzelfden tijd t, waarin het punt P den
weg ON aflegt. Is de trillingstijd van Q Tseconden, dan
, .             t boog CM Sr , . _ t
heeft men: -j,= ^—— = J—., of |J = 2*^, waaruit
volgt:
x = r sin 27r •=,.
In § 10 is deze bewegingsvergelijking behandeld. Voorde
deviatie versnelling van P op den tijd t, waarop P den weg
4tt2
as meters heeft afgelegd , werd toen gevonden a = — -™- x.
De alsdan op P werkende kracht H heeft dus de grootte:
„_ 47i2m
tl —           tri •*\' >
welke waarde van H met de uit de hierboven gevondene
vergelijkingen (23) en (24) voortvloeiende geheel overeenstemt.
§ 26. Planeten b e w egi ng.
Uit de waarnemingen van Tycho Brahé en die van hem-
zelven leidde Keppleb de drie naar hem genoemde wetten
af, omtrent de beweging van de planeten om de zon; zq
luiden :
le wet. Elke planeet beweegt zich langs den omtrek van
een ellips, waarvan het eene brandpunt zich in het middel-
punt der zon bevindt.
2e wet. • Bij iedere planeet zijn de perken (sectoren) door
den voerstraal doorloopen, evenredig met de daartoe be-
noodigde tijden.
3e wet. De kwadraten der omloopstijden van twee pla-
neten verhouden zich als de derde machten van haar ge-
middelde afstanden tot de zon.
Ter verklaring van deze wetten van Keppler stelde
Newton de volgende hypothese op:
Twee willekeurige punten P en P. trekken elkander aan
met een kracht, waarvan de grootte evenredig is met de
massa\'s van P en Pt, en omgekeerd evenredig met het
kwadraat van hun afstand.
Zijn de massa\'s van de punten P en P, m en Mj, en is
-ocr page 79-
67
hun afstand r meters, dan trekken zij elkander aan met een
kracht van K dyn. eenheden, als:
K-f^.                                (26)
Stelt men in deze vergelijking m, m, en r gelijk aan 1,
dan wordt K = f. De standvastige grootheid f geeft dus
aan het aantal dynamische eenheden van de kracht, waar-
mede twee massa\'s elk groot één kilogram, elkander aan-
trekken, wanneer zij op één meter afstand van elkander
verwijderd zijn.
De algemeene verklaring van de wetten van Keppler uit
de hypothese van Newton kan slechts met behulp van
hoogere wiskunde worden gegeven.
In de veronderstelling, dat de planeten cirkelomtrekken
doorloopen, kunnen genoemde wetten op eenvoudige wijze
uit de hypothese van Newton worden afgeleid.
Zij M kilogram de massa der zon, m kilogram de massa
van een planeet, en zij r meters de afstand van het middel-
punt der planeet tot het middelpunt der zon, dan is de aan-
trekkingskracht, die de zon op de planeet uitoefent:
Daar bij de veronderstelde beweging r standvastige grootte
heeft, is dus ook de grootte van de op de planeet werkende
kracht standvastig; zij is bovendien steeds naar hetzelfde
punt, het middelpunt van de zon gericht. De planeet heeft
dus een eenparige cirkelvormige beweging, en daarmede zijn
voor het geval van cirkelvormige planetenbeweging de eerste
twee wetten van Keppler verklaard.
De kracht K heeft de grootte der centripetaalkracht, of:
v , Mm me\'1 .              , .
K = ƒ —s- =------ dyn. eenheden.
als e eenheden de snelheid is van de planeet bij haar be-
weging om de zon.
Is T seconden de omloopstijd van de planeet, dan is:
c = -jr en f-p- =
in 2rm
5*
-ocr page 80-
68
Is van een andere planeet de massa /«,, de afstam! tot
de zon r, , en de omloopslijd T,, dan is:
Mmx__4tt *r. h»,
\'1                          -11
Deelt men deze twee vergelijkingen op elkander, dan
vindt men:
waarmede de \'M" wet van Kr.rpi.KR is verklaard.
§ 27. Aantrekkingskracht.
Uit de hypothese van Newton kunnen ook de verschijn-
selen verklaard worden, welke zich voordoen bij de bewe-
ging van een stoffelijk punt nabij de oppervlakte van de aarde.
Elk punt Q van de aarde oefent op een stoffelijk punt
P een kracht uit van f ., \' eenheden, als de massa van
r
P m kilogram, die van Q m. kilogram, en de afstand van
P tot Q r meters is. Om de kracht te vinden, die de
geheele aarde op P uitoefent, zou men de resultante moeten
zoeken van de krachten, waarmede alle punten der aarde
op P werken. Deze resultante kan niet berekend worden,
daar men niet de massa van elk punt der aarde kent.
Omdat echter alle composanten evenredig zijn met de massa
van P, zoo zal ook de resultante evenredig zijn met de
massa van P, en bijv. gelijk zijn aan mp eenheden, waarin
/; dus is de kracht, die de aarde uitoefent op de massa van
één kilogram. Men kan bewijzen, dat indien de aarde een
homogeene bol was, of bestond uit homogeene concentrische
lagen, de kracht, die de aarde op een punt P daarbuiten
zou uitoefenen, dezelfde grootte en richting zou hebben,
alsof de geheele massa der aarde in haar middelpunt gecon-
centreerd was.
Nu is de aarde wel niet een bol bestaande uit homogeene
concentrische lagen, maar bij benadering mag zij daarvoor
gehouden worden. In deze onderstelling is de kracht, die
de aarde uitoefent op een punt P, overal gericht naar het
-ocr page 81-
on
middelpunt toe, en is de waarde van p overal aan de opper-
vlakte der aarde dezelfde.
Uit de hypothese van Newton blijkt derhalve, dat de aarde
op een punt P met de massa m kilogram een kracht mp
uitoefent, die van standvastige grootte is, zoolang de afstand
van P tot de oppervlakte der aarde slechts een kleine verande-
ring ondergaat in vergelijking met zijn afstand tot het middel-
punt der aarde. Elk punt, welke zijn massa ook moge zijn,
krijgt daardoor een deviatieversnelling van p eenheden. De
omstandigheid dat de aarde geen bol is, maar aan de polen
is afgeplat, maakt dat deze deviatieversnelling niet dezelfde
is op alle plaatsen der aarde.
Men noemt de kracht waarmede de aarde op een punt P
werkt, de aantrekkingskracht door de aarde op P uitge-
oefend; en de deviatieversnelling, die P onder de werking
der aantrekkingskracht zou krijgen, de versnelling der aan-
trekkingskracht voor de plaats waar P zich bevindt. Deze
bedraagt aan den aequator ongeveer 9,814 eenheden.
Om den invloed na te gaan, dien de hoogte van P boven
de oppervlakte der aarde heeft op de versnelling der aan-
trekkingskracht, kan men op de volgende wijze te werk gaan.
Zij de massa der aarde A kilogram, die van P m kilogram;
zij p eenheden de versnelling der aantrekkingskracht voor
een plaats aan de oppervlakte der aarde, dus op een afstand
gelijk aan den aardstraal of aan r meters; en px eenheden
de versnelling der aantrekkingskracht voor een plaats op
den afstand R meters van het middelpunt der aarde; dan
is volgens de hypothese van Newton :
j, mA                        . mA            ,__.
mP = f ~pr en mPi = f #0         (27)
r~
of na deeling:
                  px = p ^.
De aardstraal is ongeveer 6370000 meters lang, terwijl
de hoogte van den hoogsten berg boven de oppervlakte der
zee nog geen 10000 meters bedraagt. Op den top van zulk
een berg zou de versnelling der aantrekkingskracht de
grootte hebben:
6372
p{ = 9,81 . jïö^j = 9,78 eenheden.
-ocr page 82-
70
De afstand van de maan tot de aarde bedraagt ongeveer
60 aardstralen; op dien afstand heeft de versnelling der
aantrekkingskracht slechts de grootte:
r2          9 81
ft = V 6ÖV2 = 360Ö = °\'°027 eenheden-
In § \'23 is gevonden dat de kracht, die op de maan moet
werken, om haar de beweging mede te deelen, welke zij
werkelijk heeft, 0,0027 m eenheden bedraagt. Uit de over-
eenstemming van dit getal met het zooeven gevondene, blijkt
dat de uit de hypothese van Newton berekende waarde der
aantrekkingskracht juist de grootte heeft, die ter verklaring
van de maanbeweging moet worden aangenomen.
Op de hypothese van Newton berust ook de methode,
waarop men in de sterrenkunde de massa\'s van twee hemel-
lichamen vergelijkt.
\'\'^r\'"f .. Zij Z kilogram de massa van de zon, A kilogram de massa
\', Ot*\',r\'< der aarde, en R meters de afstand van het middelpunt der
aarde tot het middelpunt der zon; zij verder V het aantal
eenheden van de snelheid, die de aarde bij haar beweging
om de zon bezit. Beschouwt men bij benadering de aard-
baan en evenzoo de maanbaan als cirkels, dan heeft men:
Is de massa der maan Mkilogram, is de afstand van het
middelpunt der maan tot het middelpunt der aarde r meters,
en is de snelheid, die de maan bij haar beweging om de
aarde bezit, v eenheden, dan heeft men evenzoo:
Mv1 _
--f
MA
r
r2
>n dan:
Z
A
V1
V1
B
r
Na deeling vindt men dan:
2nE                    <ïnr
of daar:             V=—~— en »= —?—,
-ocr page 83-
71
waarin T de omloopstijd van de aarde om de zon, en t de
omloopstijd van de maan om de aarde is,
A r3 •\' T2"
Men vindt voor deze verhouding ongeveer 320000. De
massa der zon is dus ongeveer 320000 maal zoo groot als
de massa der aarde.
Als men in de eerste der vergelijkingen (27) de groot-
heden A en r vervangt door de massa M en de straal R
van eenig ander bolvormig hemellichaam, dan verkrijgt men,
in de veronderstelling dat ook daarop de massa op de boven
aangenomen wijze is verdeeld, voor de versnelling van de
aantrekkingskracht aan de oppervlakte van dat hemellichaam,
de vergelijking:
„mM
*"Pi = f R2- ,
welke door vergelijking (27) gedeeld, verandert in:
M r2
De massa der zon is ongeveer 320000 maal zoo groot als
de massa der aarde, en de straal der zon is ongeveer 108
aardstralen; de versnelling van de aantrekkingskracht aan
de oppervlakte van de zon heeft dus de grootte:
320000^4         r2            . 0. 0_ . 0„n , ,
Pi = P —A------mK7* = 9\'81 •2 \'4 = 2 eenheden>
Als men de kracht K in vergelijking (26) rechtstreeks
meet door twee massa\'s van m en ml kilogram op een
afstand van r meters te plaatsen, en de grootte waar te
nemen van de aantrekking, die deze massa\'s op elkander
uitoefenen, dan kan deze vergelijking dienen om de grootte
A van de massa der aarde te berekenen. Noemt men
namelijk q de bekende kracht, waarmede de massa ml op
den bekenden afstand R. den aardstraal, door de onbekende
aardmassa A wordt aangetrokken, dan heeft men:
9 = f^ï4-
B
\'
-ocr page 84-
72
welke door vergelijking (26) gedeeld, verandert in:
% = — • s~ of A = m . % . —f.
K m R1
                       A r1
Op deze wijze heeft inen inderdaad de massa der aarde
genieten, en daarvoor ongeveer gevonden:
4 = 6,1 . 102* kilogram.
Een kubieke meier van den aardbol heeft dus gemiddeld
een massa van 5675 kilogram.
Als men uit vergelijking (27) f oplost, dan vindt men
voor de kracht, waarmede een massa van 1 kilogram een
andere massa van 1 kilogram op een afstand van 1 meter
aantrekt:
r*
Hierin de bekende waarden substitueerende:
f»9,81. K-~?J?ï =65.10-12 eenheden.
\'
                 6,1 . lü24
§ 28. Zwaartekracht.
Indien men een punt P in de nabijheid van de opper-
vlakte der aarde loslaat, dan gaat het zich, volgens het
boven verklaarde, onder de werking der aantrekkingskracht
bewegen in de richting naar het middelpunt der aarde. Het
blijkt nu, dat de richting der door ons waargenomen bewe-
ging een andere is, als de werkelijke beweging. Dit ver-
schijnsel wordt verklaard uit de asdraaiing der aarde, waar-
aan wij zei ven deelnemen.
Opdat een punt Q met de massa m kilogram, in de on-
middellijke nabijheid van de oppervlakte der aarde en aan
de asdraaiing der aarde deelnemende, op dezelfde plaats ten
opzichte van de aarde blijve zweven, moet er een kracht
K (fig. 31) op werken, steeds gericht naar het middelpunt
M van den cirkel door Q doorloopen, en groot m k =
mr u>2
eenheden, indien w is het aantal eenheden van de
hoeksnelheid van Q, en r de straal van den cirkel door Q
doorloopen. Nu is de werkelijk op Q werkende kracht, de
-ocr page 85-
73
aantrekkingskracht P, gericht naar het middelpunt O dei-
aarde, en mp eenheden groot. Indien men de kracht P
ontbindt in de kracht K en in een andere kracht G, dan is
de richting en de grootte van G bepaald De kracht P heeft op
de beweging van het
Fig31
                                punt Q denzelfden
invloed als de ont-
bindingskrachten K
en G te zamen.
Daar dé werking
van K daarin be-
staat, dat het punt
Q zwevende wordt
gehouden ten op-
zichte van de aarde,
zoo zal de waarge-
nonien beweging van
Q ten opzichte van
de aarde, alleen af-
hangen van do kracht
G. Deze kracht G is
het, die de zwaarte-
kracht
wordt ge-
noemd, en die aan het punt Q de versnelling der zwaarte-
kracht geeft, welke hierboven steeds dooi- g is voorgesteld.
De versnelling der zwaartekracht is niet op alle plaatsen
der aarde even groot, zelfs als de versnelling der aantrek -
kingskracht dit wel was; haar grootte hangt af van de
breedte der plaats. In de veronderstelling dat de versnelling
der aantrekkingskracht overal even groot is, kan men een.
betrekking vinden tusschen de versnelling der zwaartekracht
op een plaats aan den aequator en die op een plaats op de
breedte y gelegen.
Kortheidshalve zullen de grootheden door de wijzers o en
<j> worden, onderscheiden, al naarmate zij betrekking hebben
op een plaats aan den aequator of op de breedte qp. Dus:
G„ = mg„ en G(f = mg(f K„ = mka en K(fl = mk(f..
Aan den aequator hebben Kn en P dezelfde lichting; dus:
Gv, = P — K» of mg„ = mp — mk0 g0 =p — k0.
€
u
-ocr page 86-
74
De versnelling heeft de standvastige waarde k„ = Rui2,
als R de straal der aarde is.
De aarde volbrengt haar aswenteling in 23" 56m 4,1» of
in 86164,1 seconden. De hoeksnelheid van elk punt der
2 n
aarde is dus u> = or.T„ , . = 0,00007292 eenheden. Neemt
86164,1
        \'
men R = 6370000 meters, dan is k„ = R^ = 0,03387.
Op de breedte y heeft men blijkens de figuur, na weg-
lating van den gemeenschappelijken factor m:
V =P2 V — *?\\ c(* OP — «) »
terwijl k = R cos ( p — a) o>2 = &„ cos (qp — «) is.
Daar « in vergelijking met qp klein is, mag men haar
verwaarloozen, en wordt de vergelijking:
V =P2 -(2pfc, - &02)cosH=P2 ^ _ 2l-A»zMcos *<p)
fy> = iJ | j " ^2------cos 2 qp j2 =
v./ #/ i>M--- •/ -----5-------COS 2(B .......}.
\'*Wiar, zooals uit de boven gevonden waarden blijkt,
klein is in vergelijking van p, mogen de tweede en
hoogere machten van kn verwaarloosd worden, en gaat de
vergelijking over in:
9ql = P — K cos 2 ij. = p — k0-\\- k„ sin 2qp = g„ -\\- A\'0sin 2<j>.
Door rechtstreeksche waarneming heeft men voor de ver-
snelling der zwaartekracht op een plaats aan den aequator
gevonden 9,7806 eenheden. De versnelling der zwaarte-
kracht op de breedte <p is dus:
g = 9,7806 0,03387 sin »<p.
Vergelijkt men de door waarneming gevonden waarden
van g met de uit deze vergelijking voortvloeiende, dan
blijkt het dat deze laatste te klein zijn, dat dus de waarden
van g van den aequator naar de polen gaande, sterker
aangroeien dan uit deze vergelijking zou volgen. De reden
van dit verschil ligt in de onjuistheid van de veronderstel"
-ocr page 87-
75
ling, dat de aarde is een bol, en dat dus p op alle plaatsen
dezelfde waarde heeft. De aarde is een spheroïde, en ook
p moet dus van den aequator naar de polen gaande, toe-
nemen. Wordt ook de vorm der aarde bij de berekening
in aanmerking genomen, dan blijkt het, dat men den factor
0.03387 door den factor 0,0506 moet vervangen. De zeer
bevredigende uitkomsten , die men dan verkrijgt bij de ver-
gelijking van de waargenomen en de berekende waarden
van g , is een steun te meer voor de meening, dat de
verklaring van Newton de ware is.
§ 29. Evenwicht,
De resultante van de op een stoffelijk punt werkende
krachten is de kracht, die dezelfde uitwerking heeft als alle
krachten te zamen Is dus de resultante gelijk nul, dan
hebben de krachten geen uitwerking; men zegt dat de
krachten met elkander in evenwicht zijn ; het is even alsof
op het punt geen kracht werkt. Indien op een punt geen
kracht werkt, dan is zijn bewegingstoestand standvastig. Is
dus de resultante van de op een punt werkende krachten
gelijk nul, dan heeft het punt een rechtlijnige eenparige be-
weging, of het is in rust. Is omgekeerd een punt in rust,
of heeft het een rechtlijnige eenparige beweging, dan werkt
er geen kracht op, of de op het punt werkende krachten zijn
met elkander in evenwicht,
Fiy^Z
                              Houden twee krachten
elkander in evenwicht,
dan zijn zij even groot, en
werken langs dezelfde lijn
in onderling tegengestelde
richtingen. Hieruit volgt,
dat als een willekeurig aan-
tal op een punt werkende
krachten elkander in even-
wicht houden, elk dier
i&
                               krachten moet zijn even
groot als, maar tegen-
gesteld gericht aan de resultante van alle overige.
Houden bijv. drie krachten Kx, K^, K3 (fig. 3\'2) elkander
-ocr page 88-
70
in evenwicht, en beschrijft men op de lijnen AC en AD,
die de krachten Kx en K2 voorstellen, een parallelo-
gram, dan is de diagonaal A B even groot als de lijn
die de kracht K3 voorstelt. De zijden van den driehoek
ABC stellen de drie krachten voor; zij verhouden zich
als de sinussen van de tegenoverliggende hoeken. Vervangt
men deze hoeken door hun supplementen «, , a2, «3 , dan
verkrijgt men de evenredigheid:
AT, : K2 : K3 = sin «, : sin cr2 : sin a3.
De algemeene voorwaarden voor het evenwicht van de op
een stoffelijk punt wei-kende krachten verkrijgt men uit ver-
gelijking (13), door de daarin gevonden waarde der resultante
gelijk nul te stellen:
1/XH- V KJ = 0.
De grootheid onder het wortelteeken bestaat uit drie termen,
die nooit negatief kunnen zijn. Zij kan dus alleen dan ge-
lijk nul wezen, als elk der termen nul is. Deze vergelijking
bevat dus de drie volgende:
Kr = 0 Ky = Q K: = 0,
of voor Kx, Ky en A\'. haar waarden stellende:
2 (K cos «) = 0 2\' (Kcos §) = 0 2 (K cos y) = 0.
Daar de stand van de drie onderling loodrechte assen wille-
keurig gekozen is, zoo volgt uit deze vergelijkingen:
Als de op een stoffelijk punt \'werkende krachten met
elkander in evenwicht zijn
, dan is de som van de ontbon-
denen dier krachten langs elke willekeurige lijn gelijk nul.
Omgekeerd: als de som der ontbondenen van de op
een stoffelijk punt werkende krachten langs drie onderling
loodrechte lijnen gelijk is aan nul, dan vindt hetzelfde
plaats langs elke willekeurige andere lijn, en zijn de
krachten met elkander in evenwicht.
Weet men dat eenige krachten met elkander in evenwicht
zijn, en kent men er enkele van, dan kan men soms de
overige nog onbekende krachten vinden, door op het geheele
stelsel van krachten de evenwichtsvergelijkingen toe te passen.
Als bijv. aan het aanhechtingspunt A (fig. 33) van drie
in de punten B, C en D bevestigde draden, door middel
-ocr page 89-
77
van een vierden draad een gewicht Q opgehangen is, dan
volgt uit den toestand van rust van het punt A, dat de
vier dooi\' middel van de draden er op uitgeoefende krachten
K, , K2, K3 en Q aan de evenwichtsvergelijkingen inoettn
voldoen
Neemt men de as A Z in de richting tegengesteld aan
die der zwaartekracht, waardoor de assen AX en A Y in
een horizontaal vlak liggen, dan worden de evenwichtsver-
gelijkingen:
, A-, cos «, -\\- Kt cos »j- -j- A\'3 cos »3 = 0
Kt cos (3, -f- K2 cos |?2 -|- Af3 cos |?3 — O
Kt cos /, -\\- h\'2 cos ; a -|- K3 cos ^3 — Q = 0.
Zijn de richtingen dei\' draden, en daarmede de hoeken
bekend, dan kunnen de drie onbekende grootheden Kl ,
K%
, Zf3 uit deze drie vergelijkingen berekend worden.
-ocr page 90-
o
f. , Ay
t / X-VU 6*C "
6 1/
,-
;\'•
4a~* A \' \'**V J <\'"\'\' ^ \' ••
r<<
Het vraagstuk kan ook door constructie worden opgelost;
men heeft daartoe slechts een parallelopipedurn te constru-
eeren, welks diagonaal A E even groot is als de lijn, die
de kracht Q voorstelt, en welks ribben evenwijdig zijn aan
AB, AC en AD. De drie langs AB, AC en AD
vallende ribben stellen dan in richting en grootte de krachten
Kt , K2 en K.6 voor.
Het aantal evenwichtsvergelijkingen wordt tot twee terug-
gebracht, als alle krachten werken langs lijnen in een-
zelfde vlak gelegen. Neemt men de assen zoodanig dat
de 2T-as loodrecht staat op dit vlak, dan zijn de grootheden
cos /,.... cos alle gelijk nul, en ter bepaling van de
richting van elk der krachten is de hoek, dien de lijn waar-
langs zij werkt met de X-as maakt, voldoende. De groot-
heden cos [it .... cos |3,, kunnen toch in dit geval vervangen
worden dooi\' sin w, .... sin «« (fig. 34), en de evenwichts-
vergelijkingen worden:
£ (Kcos a) = 0.         £ (K sin «) = 0.
In het bijzondere geval eindelijk, dat alle krachten langs
dezelfde lijn werken, is er
FiffM.
slechts een evenwichtsverge-
lijking noodig, namelijk :
£ (K) = 0.
De som der naar den eenen
kant gerichte krachten moet
dus gelijk zijn aan de som
der naar den tegengestel-
den kant gerichte krachten.
Heeft in dit geval het punt
een eenparige beweging langs
de lijn, waarlangs de krachten
werken, dan noemt men de
som der krachten in de rich-
ting der beweging werkende,
Hi,cos at
ook wel de beweegkracht, en
de som der krachten in de
richting tegengesteld aan die der beweging werkende, den
weerstand.
-ocr page 91-
79
HOOFDSTUK V.
Beweging van een stoffelijk punt langs voorgeschreven lijnen.
§ 30. Weerstanden van vaste vlakken, lijnen,
punten.
Slechts door een kracht kan de bewegingstoestand van
een punt worden gewijzigd.
Indien derhalve op een punt. eenige krachten werken,
wier resultante A\' bekend is, en het blijkt, dat de door het
punt werkelijk volbrachte beweging afwijkt van de beweging,
die de kracht K alleen werkende zou tengevolge hebben,
dan moet de oorzaak dier afwijking gezocht worden in een
kracht, welke nog bovendien werkzaam was. Deze onbe-
kende kracht moet dan een zoodanige zijn, dat zij met de
kracht K samengesteld, een resultante oplevert, die de wer-
kelijk volbrachte beweging tengevolge heeft.
Op deze wijze moeten de krachten beoordeeld worden,
die optreden, wanneer een stoffelijk punt dooi- hindernissen
in zijn vrije beweging wordt belemmerd. Grootte en rich-
ting dier krachten kunnen uit de werkelijk volbrachte be-
weging gevonden worden, zoodra de overige werkende krach-
ten bekend zijn.
Indien een stoffelijk punt zich beweegt langs de opper-
vlakte van een in rust zijnden vasten wand, en de kracht ÜT
een zoodanige richting heeft, dat zij, alleen werkende, het
punt naar de ruimte achter de oppervlakte zou drijven, dan
moet er, daar het punt op de oppervlakte blijft, behalve de
kracht K nog een andere kracht P op werken, die door
den vasten wand op het punt wordt uitgeoefend. Is de
oppervlakte van den wand een plat vlak, dan moet de lijn,
waarlangs de resultante van K en P werkt, in dit vlak zijn
gelegen, daar anders het punt het vlak zou verlaten.
Uit deze voorwaarde alleen kan men intusschen de grootte
en de richting der onbekende kracht P nog niet bepalen.
Men kan toch op oneindig veel verschillende wijzen een
parallelogram beschrijven, welks eene zijde de lijn is die K
voorstelt, en waarvan de diagonaal in het vlak ligt.
Welke richting de onbekende kracht P ook moge hebben,
-ocr page 92-
80
steeds kan men zich haar ontbonden denken in twee andere
krachten N en W, waarvan de eene N langs de normaal,
de andere W langs een lijn in het vlak werkt. De ont-
bjndingskracht N kan steeds bepaald worden uit de gegeven
kracht K alleen, ook zonder dat men de werkelijk volbrachte
beweging kent. Daar toch de lijn, waarlangs de resultante
van A\' en P werkt, in het vlak moet vallen, zoo moet nood-
zakelijk de ontbindingskracht dier resultante in de richting
der normaal gelijk nul zijn. Uit fig. 35 vindt men dus de
vergelijking:
K cos u — N = 0 of N = K cos a.
dat is, de normale weerstand, dien de wand biedt is steeds even
groot als en tegenge-
iïg35.
                                     steld gericht aan de
w.
normale ontbondene
P.
i
,
w:
JTsüi-a..
T" "
"a^s.
\'
X
van de kracht K.
Wat de andere ont-
bindingskracht W
betreft, deze hangt
af van de stof der
lichamen, van de
hoedanigheid hun-
ner oppervlakten.
Het is niet mogelijk
a priori haar rich-
ting en grootte te
Kcosa.
bepalen ; de wetten ,
volgens welke deze
ontbindingskracht werkt, kunnen slechts gevonden worden
door waarneming van de werkelijk volbrachte beweging.
Uit zoodanige waarnemingen is gebleken, dat deze kracht W
steeds werkt in de richting tegengesteld aan die, waarin het
punt zich werkelqk beweegt, of althans zich zou bewegen,
indien de kracht W niet werkte; dat zij toeneemt met de
normale ontbindingskracht van Kt, waarmede zij bij benadering
evenredig gesteld mag worden ; en dat zij onder overigens
gelijke omstandigheden kleiner is, naarmate de oppervlakten
der lichamen gladder zijn. De onthindingskracht W wordt
de wrijvingsweerstand genoemd; zij zal later in een afzon-
-ocr page 93-
81
derlijk hoofdstuk worden behandeld. Voorloopig wordt aan-
genornen, dat de oppervlakten volmaakt glad zijn, en dus:
W=0.
Onder deze omstandigheden bestaat de werking van den
wand alleen in het te voorschijn roepen van de kracht N,
door welke de normale ontbindingskracht van K in even-
wicht gehouden wordt. Het stoffelijk punt beweegt zich
derhalve als een vrij punt, waarop slechts de ontbindings-
kracht K sin « werkt.
Denkt men zich het stoffelijk punt ingesloten tusschen
twee zulke gladde evenwijdige oppervlakten, die elke bewe-
ging in de richting van de normaal, zoowel naar den eenen
als naar den anderen kant beletten, dan geraakt men tot
de voorstelling van een punt, dat zich slechts in een vlak
kan bewegen. Men moet zich voorstellen dat dit vlak nor-
male krachten doet ontstaan, telkens wanneer zonder deze
het punt het vlak zou verlaten, en dat die krachten steeds
juist zoo groot zijn als noodig is, om te beletten dat het
punt het vlak verlaat.
Denkt men zich een stoffelijk punt zoodanig door vaste
lichamen omgeven, dat het zich slechts langs een rechte
lijn bewegen kan, zooals bijv. een kogel in een rechte buis,
dan geraakt men tot de voorstelling van een vaste rechte lijn.
Men moet zich voorstellen, dat die lijn normale krachten doet
ontstaan, telkens wanneer zonder deze het punt dé\'lijn zou
verlaten, en dat deze krachten steeds juist zoo groot zijn
als noodig is, om te beletten dat het punt de lijn verlaat.
Eindelijk kan men zich een stoffelijk punt zoodanig door
vaste lichamen ingesloten denken, dat elke beweging, naar
welke richting ook, wordt belet; zoodoende geraakt men tot
de voorstelling van een vast punt, dat telkens krachten doet
ontstaan, wanneer zonder deze het stoffelijk punt in bewe-
ging zou geraken; krachten steeds juist zoo groot als noodig
is om elke beweging te beletten.
§ 31. Beweging langs een voorgeschreven
rechte lijn.
Indien een stoffelijk punt P onder de werking van de
standvastige kracht K (lig. 36) zich langs een voorgeschreven
Dr. Julius, Mechanica.                                                                             6
-ocr page 94-
rechte lijn van A naar B beweegt, dan bestaat de werking
van de vaste lijn daarin, dat zij op ieder oogenblik een
normalen weerstand N te voorschijn roept, juist zoo groot als
noodig is, om te maken dat de resultante van K en N
langs de lijn A B
Fici\'ïd                 va^- De arbeid
door de resultante
dier beide krach-
ten verricht, is
in dit geval gelijk
aan den arbeid
door de kracht K
verricht, omdat N
steeds loodrecht
gericht is op de
beweging. Is het
punt P van A in
B gekomen, dan
heeft het een
arbeidsvermogen
van plaats van
Ks eenheden ver-
loren, als de projectie van AB op de richting van K s me-
ters lang is. Heeft P in A de snelheid c eenheden, in B
de snelheid v eenheden, dan heeft P een arbeidsvermogen
wiv tïic
van beweging van — -Q- — _ eenheden gewonnen, als de
massa van P m kilogram is. Volgens de wet van het be-
houd van arbeidsvermogen is:
mv\'
me*
Ks = mas,
v*=Ve*
of:
\'.as,
waaruit blijkt, dat de grootte der eindsnelheid v onafhankelijk
is van de helling der baan, en slechts afhangt van de
grootte der aanvangssnelheid c, en van den weg in de richting
dei- kracht afgelegd.
Vervangt men in bovenstaande vergelijking de kracht K
door het gewicht mg van het punt, en is de in verticale
-ocr page 95-
83
richting doorloopen hoogte h meters, dan verkrijgt inen de
vergelijking:
—x— — —_— = mgh of v = V c\'- -\\- 2 gh,
uit welke blijkt, dat de grootte der eindsnelheid v onaf-
hankelijk is van de helling der baan, en slechts afhangt
van de grootte der aanvangssnelheid c, en van het verschil
in hoogte h der punten A en B.
De resultante van de krachten K en N (fig. 37) is
.STsin «. Ontbindt men toch de kracht A\' in /^sin « en Kcoaa,
dan wordt de ontbindingskracht K cos a in evenwicht ge-
houden door den weerstand N, en de ontbindingskracht
K sin « deelt aan
het punt P langs
de voorgeschreven
lijn een bevve-
ging mede, even
alsof P een vol-
komen vrij punt
ware. De ver-
snelling , die P
verkrijgt, is dus:
A\'sin«
m
Zijn beweging
Fis 37.
Jfcosa
is eenparig ver-
sneld.
Is K het ge-
wicht van P,dan
is K=mg, en men vindt dus voor de versnelling, waar-
mede een punt P zich onder de werking der zwaartekracht
beweegt langs een hellend vlak, dat een hoek « maakt met
den horizon:
mg sin a           .            , ,
V = -s--------= q sin a eenheden.
Is de aanvangssnelheid c = o, dan vindt men voor den
in t seconden afgelegden weg l:
                                                      .
1 = gsmct. y meters, ptt /v-t>-(</vt*S.ffk ,;
\'M .
-ocr page 96-
84
Lost men hieruit t op, dan is:
2
(I
t.
seconden.
sin «
De duur der beweging hangt alleen af van de grootte
van het quotiënt -—- : verschillende hellende lijnen worden
*             sin a                                               °
dus in onderling gelijke tijden doorloopen, als de quotiënten
voor al deze lijnen gelijk zijn. De vier zijden van
sin «
een willekeurigen rechthoek ABCD
(fig. 38), welks eene diagonaal ver-
ticaal staat, voldoen aan deze voor-
waarde, want men heeft:
sin « sin «,
Verder blijkt hieruit, dat alle koor-
den, die door een der beide eind-
punten gaan van de verticale mid-
dellijn eens cirkels, door een punt P
onder de werking der zwaartekracht
in onderling gelijke tijden worden
doorloopen.
De beweging van een punt langs een voorgeschreven
Fiff.39.
rechte lijn is eenparig
als de ontbindingskrachten
in de richting der lijn
met elkander evenwicht
maken. De resultante der
krachten is dan loodrecht
op de lijn gericht, en wordt
door den weerstand van
deze in evenwicht ge-
houden.
Om bijv. een punt P
met het gewicht Q (fig. 39)
i)epsa.
zich eenparig te doen be-
wegen langs een lijn,
die een hoek u met den horizon maakt, is een in de
-ocr page 97-
85
richting der helling naar boven werkende kracht noodig:
K = Q sin «,
en de weerstand der baan is:
N = Q cos «.
Werkt daarentegen de kracht K (fig. 40) in horizontale
Fitj40
richting, dan moet zij voldoen aan de vergelijking:
K cos a = Q sin a of A\' =Wg et.
In dit geval heeft de weerstand de grootte:
N = Q cos « -\\- Ks\\n a,
of, na substitutie van de voor K gevonden waarde : ,
C*l < •» \'
Q
N — Q (cos u -\\- tg_« . sin «) =
cos u
Het is hierbij volkomen hetzelfde of de eenparige bewe**\'-> *
ging naar boven of naar beneden is gericht.
                             -
i
-ocr page 98-
86
§ 32. Eenparige beweging langs een voor-
geschreven kromme lijn.
De normale weerstand van een rechte lijn komt steeds
slechts dan in werking, als een kracht, wier richting niet
met die van de lijn samenvalt, dien weerstand te voorschijn
roept. Is zulk een kracht niet aanwezig, dan biedt de lijn
ook geen weerstand.
Bij de beweging van een punt langs een voorgeschreven
kromme lijn daarentegen, wordt een weerstand ook dan te
voorschijn geroepen, als er overigens geen krachten op het
punt weiken. Om toch de richting der snelheid van een
punt aanhoudend te doen veranderen is voortdurend een
kracht noodig In de veronderstelling dat er geen \\vrijvings-
weerstand bestaat, moet ook hier de weerstand in ieder
punt loodrecht gericht zijn op de kromme lijn, en deze weer-
stand kan dus alleen de richting, maar niet de grootte der
snelheid doen veranderen.
Het punt P zal derhalve, indien er overigens geen krach-
ten op werken, de voorgeschreven kromlijnige baan met
eenparige beweging doorloopen.
Om in dit geval de grootte en de richting van den nor-
malen weerstand te bepalen, moet men onderzoeken, welke
kracht op een vrij stoffelijk punt zou moeten werken, om
het een beweging te doen volbrengen, in alle opzichten gelijk
aan de werkelijk volbrachte beweging. Daartoe verdeele
men de lijn in zoo kleine deelen, dat elk deeltje als een
cirkel boog mag worden beschouwd (Qg. 41). Den straal van
zulk een oneindig klein cirkelboogje ab noemt men den
kromtestraal van de kromme lijn in a Heeft een punt P
een eenparige beweging met de snelheid c, langs den om-
trek van een cirkel met den straal q, dan moet de op P
werkende kracht gericht zijn naar het middelpunt van den
cirkel toe, en de grootte hebben:
,, me\'1
Daar gedurende de beweging de snelheid c van het punt
onveranderd blijft, zoo is de weerstand van de kromme lijn
omgekeerd evenredig met den kromtestraal.
-ocr page 99-
87
Indien het punt P bijv. een spiraal van buiten naar binnen
doorloopt, dan neemt de weerstand aanhoudend toe; heeft
daarentegen de lijn overal dezelfde kromming, zooals bijv.
bij een cirkelomtrek of bij een schroeflijn, dan is de weer-
stand in alle punten
even groot. Is op
F{<j41
eenige plaats op de
kromme lijn q == o,
dan wordt N on-
eindig groot, d. w. z.
een punt kan on-
mogelijk langs een
lijn met hoeken een
eenparige beweging
hebben.
Ook dan nog is
de beweging van P
eenparig, als op P
behalve de weer-
stand der kromme
lijn nog een kracht K
werkt, mits deze kracht in ieder punt loodrecht gericht zij
op de kromme lijn. De weerstand N der lijn wordt daardoor
echter een andere; hij zal nu toch moeten kunnen ontbonden
worden in twee krachten, waarvan de een is even groot als
tHC~
en tegengesteld gericht aan K, terwijl de andere ----- de
richting der snelheid zal doen veranderen.
In het bijzondere geval dat de voorgeschreven baan een
vlakke kromme lijn is, en de lijn, waarlangs de kracht K
werkt, in het vlak dier kromme ligt, heeft men:
,r me\' _ „ „ „ , r, me*
N =-------F K of N ± K =
Q
dat
al naarmate de kracht K naar binnen of naar buiten
werkt, verkleint of vergroot zij den weerstand N. Werkt
de kracht K naar binnen, dan is de som N -\\- K, werkt zij
naar buiten, dan is het verschil N—A\' gelijk aan de
centripetaalkracht.
Indien een punt P een eenparige kromlijnige beweging
-ocr page 100-
88
heeft langs een voorgeschreven lijn, dan is op ieder oogen-
blik de resultante van alle op P werkende krachten de
centripetaalkracht.
Heeft K toevallig de richting en de grootte der centripe-
taalkracht, dan wordt N=o; de kromme lijn zal dan
kunnen weggenomen worden ; het nu vrije punt P zal des-
niettegenstaande de voorgeschreven baan doorloopen.
§ 33. Veranderlijke beweging langs een voorge-
schreven kromme lijn.
Indien de kracht K niet loodrecht op de kromme lijn is
gericht, dan verandert ook de grootte der snelheid van P.
Om de grootte der snelheidsverandering te bepalen , kan men
ook hier gebruik maken van de wet van het behoud van
arbeidsvermogen. Welke richting toch de kracht K moge
hebben, de normale weerstand der kromme lijn is in ieder
punt loodrecht op de baan van P gericht, en verricht dus
den arbeid nul. Legt P het stuk AB (fig. 42) van zijn
voorgeschreven baan af onder de werking der kracht A\', heeft
P in A een snelheid c eenheden, in B een snelheid v een-
heden, en is de projectie van AB op de lijn , waarlangs
K werkt, s meters lang, dan heeft men:
•j
rnv
mc- _ „
De eindsnelheid v hangt dus
wederom alleen af van de aan-
vangssnelheid, en van den in de
richting der kracht afgelegden
weg, en is geheel onafhankelijk
van den vorm der voorgeschreven
baan.
Doorloopt P bijv. onder de
werking der zwaartekracht een
volkomen gladde gebogen buis,
en is het verschil in hoogte van
het aanvangspunt en het eind-
punt der beweging h meters, dan vindt men dezelfde ver-
gelijking:
-ocr page 101-
89
me\'
mv*
mgh of v = l/c2 -f- Igh,
2
die reeds in § 34 voor de beweging langs een voorgeschreven
rechte lijn, en in § 18 voor de beweging van een vrij
stoffelijk punt onder de werking der zwaartekracht is ge-
vonden.
Om op eenig oogenblik de versnelling van de ontbindings-
beweging in de richting der baan, de zoogenaamde tangen-
tiaalversnelling, te bepalen, moet men de kracht K (Qg. 43)
in twee krachten ontbinden, de eene. langs de normaal op
de kromme , de andere
Pi?43
                               langs do raaklijn. De
tangentiale ontbindings-
kracht K cos « geeft
aan het puntdetangen-
tiaalversnelling::
K COS tt
m
P
De normale ontbin-
dingskracht K sin «
heeft geen andere uit-
werking dan het te
voorschijn roepen van
een nieuwen weerstand
even groot als en tegengesteld gericht aan die ontbindings-
kracht. De weerstand N moet dus kunnen ontbonden
worden in een kracht even groot als en tegengesteld aan
de normale ontbindingskracht van K en in de centripetaal-
kracht.
Indien de voorgeschreven baan een vlakke kromme is,
en de.lijn, langs welke de kracht werkt, in het vlak dier
kromme ligt, dan heeft men:
N = — K sin « of N±K sin « = —C\', (28)
0
                                                                                                          L>
al naarmate de normale ontbindingskracht K sin« naar
binnen of naar buiten werkt.
.>,.\'           \'a                 \'• m-?*Asc /&%****-*e^ ,.t.- ^,^04/ *
-ocr page 102-
90
§ 34. Beweging langs een verticalen cirkelomtrek.
Laat een punt P met de massa m kilogram zich bevinden
in A (fig. 44) op h nieters boven het hoogste punt van een
verticalen civkelom-
4i
Fig.
trek met een straal
van r meters. In-
dien nu het punt
onder de werking
der zwaartekracht
valt langs een krom-
me lijn, en bijv. bij
M den cirkelom-
trek binnentreedt,
dan kan men den
weerstand bereke-
nen, dien Pin eenig
punt B van den
cirkelomtrek onder-
vindt.
Bevindt B zich
x meters beneden
het hoogste punt van den cirkel, dan kan de snelheid c
van P bepaald worden uit de vergelijking:
me\'
— = mg (h x),
«)
waaruit men vindt, na voor x zijn waarde x = r (1 —
te hebben gesubstitueerd:
c\'1 = 2g [h -\\- r (4 — sin u) J.
De in B werkende, naar binnen gerichte weerstand van
den cirkelomtrek, kan dan uit vergelijking (28) bepaald
worden, welke voor dit geval volgens fig. 45 wordt:
at i                •                   m e%
iV -\\- mg sin a = ——,
of, hierin de gevonden waarde van e2 stellende en N op-
lossende :
N = 2mg (- 1 — | sin «V            (29)
-ocr page 103-
91
Of de weerstand iV, dien P ondervindt, naar binnen of
naar buiten is gericht, of het dus de binnenkant of de
buitenkant van den cirkelomtrek is, die weerstand biedt,
dat hangt af van het teeken dat uit vergelijking (29) voor
N verkregen wordt. De naar binnen gerichte weerstand
wordt kleiner, naarmate sin« grooter wordt; hij bereikt
zijn kleinste waarde in het hoogste punt van den cirkelom-
trek, waar sin u — 1 is, namelijk:
De weerstand zal ook hier nog naar binnen gericht zijn ,
indien voldaan is aan de voorwaarde:
»>r
Hierop berust de inrichting van den zoogenaamden cen-
trifugaalspoorweg, waarbij een wagen onder de werking der
zwaartekracht zich beweegt langs den binnenkant van een
in een verticaal vlak gelegen cirkelvormig gebogen spoorweg,
zonder daarvan af te vallen. Ligt het aanvangspunt der be-
weging hoog genoeg, dan zal de wagen ook in het hoogste
punt van den cirkelomtrek nog een druk tegen de rails uit-*
-ocr page 104-
92
oefenen, een druk naar boven dus , niettegenstaande de
zwaartekracht in tegengestelde richting werkt.
T
Is h <^ £- , dan zal in het bovenste gedeelte van den
cirkelomtrek de weerstand naar buiten, in het onderste ge-
deelte naar binnen gericht zijn. Het punt, waar de weer-
stand nul is, wordt gevonden door in vergelijking (29)
N=o te stellen en daaruit sin« op te lossen, welke dan
de waarde verkrijgt:
Sm« = 3-(l -)
§ 35. Enkelvoudige slinger.
Als bij de in de vorige paragraaf besproken inrichting
de snelheid van P in het laagste punt van den cirkelomtrek
klein is, dan zal P bij zijn opstijging spoedig tot rust komen,
en daarna zijn beweging omkeeren. In het laagste punt
gekomen zal het naar den anderen kant opstijgen, nogmaals
terugkeeren, en op deze wijze om het laagste punt van den
cirkelomtrek slingeringen volbrengen.
Een zoodanige beweging heeft bijv. een kogel, die, door
een draad aan een
vast punt verbon-
den, een weinig uit
Fi£46
zijn evenwichtsstand
gebracht en daarna
losgelaten wordt. Be-
schouwt men den
kogel als een sto£fe-
lijk punt, en ver-
waarloost men het
gewicht van den vol-
komen buigzaam en
onrekbaar . gedach-
ten draad, dan ver-
krijgt men een toe-
stel, die de enkelvoudige slinger wordt genoemd.
• Onder den slingertijd van den enkelvoudigen slinger ver-
-ocr page 105-
9:3
staat men den tijd, dien het punt P noodig heeft, om van
zijn eenen, uitersten stand in zijn anderen uitersten stand te
komen; de helft dus van den tijd, die bij den conischen
slinger en bij de enkelvoudige trillende beweging als trillings-
tijd is aangenomen.
Op het oogenblik dat de elongatiehoek, dat is de hoek
dien de draad met de verticaal maakt, gelijk qp is, bedraagt
de tangentiaalversnelling van P (fig. 46):
mg sin qp           .           q           , ,
—=------— = q sin qp = \'~ x eenheden.
m           9 T l
De tangentiaalversnelling is derhalve evenredig met den
afstand van P tot aan de verticaal; voor x = 1 meter
heeft zij de waarde:
g
Q = —.
*       l
Indien een ander punt Q. in plaats van den boog A B,
diens horizontale projectie Al Bt (fig. 47) doorliep, en wel
Siff47
in dier voege, dat zijn versnelling evenredig was met den
afstand x, en op den afstand van 1 meter de grootte q had,
dan zou Q tot het doorloopen van den weg At Bt volgens
vergelijking (25) den tijd noodig hebben:
Vq             V 9
Het punt P, dat den cirkelboog AB doorloopt, heeft
wel is waar een eenigszins langeren weg af te leggen, en
-ocr page 106-
94
gebruikt daartoe dus een eenigszins langeren tijd, maar het
verschil zal des te kleiner zijn, hoe minder de lengte van
den boog AB verschilt van de lengte zijner horizontale
projectie Av B1, dat is, hoe kleiner de amplitude is. Bij een
geringe amplitude mag men. dus bij benadering voor den
slingertijd nemen:
t = n\\/l9-                              (30)
Uit deze vergelijking blijkt, dat ook bij den enkelvou-
digen slinger de slingertijd onafhankelijk is van de amplitude.
Men kan van vergelijking (30) gebruik maken om een
der drie daarin voorkomende grootheden te bepalen, zoodra
de beide andere bekend zijn. Lost men er bijv. g uit op:
9= jT".
dan kan zij dienen om de versnelling van de zwaartekracht
te bepalen, als de waarden van t en l rechtstreeks zijn
waargenomen.
Lost men l op:
dan geeft zij de lengte aan van den slinger, welke zijn
slingeringen in t seconden volbrengt. Stelt men bijv. £ = 1,
dan verkrijgt men voor de lengte van den secondenslinger
op onze breedte:
L = 7°,, = 0,995 meter.
3,14\'
-ocr page 107-
TWEEDE AFDEELING.
STATICA OF LEER VAN HET EVENWICHT VAN KRACHTEN ,
WERKENDE OP EEN ABSOLUUT VAST LICHAAM.
HOOFDSTUK VI.
Algemeene evenwiehtsvergelijkingen.
§ 36. Absoluut vaste lichamen.
In de vorige afdeeling werden de lichamen steeds be-
scliouwd als stoffelijke punten, hetzij omdat de afmetingen
zoo klein waren, dat zij konden verwaarloosd worden, hetzij
omdat er alleen sprake was van de beweging van lichamen
in hun geheel, zonder dat er acht geslagen werd op het
verschil in de beweging der afzonderlijke deelen. Voortaan
wordt van deze vereenvoudiging afgezien. In de volgende
afdeelingen zullen behandeld worden zoodanige lichamen, of
lichamen onder zoodanige omstandigheden, dat *het noodig is
de plaats dooi- een deel ingenomen, te onderscheiden van de
plaats door een ander deel ingenomen.
De natuurkundigen stellen zich voor, dat ieder lichaam is
opgebouwd uit zeer kleine deeltjes, moleculen genoemd, die
elkander niet aanraken, maar door tusschenruimten, poriën,
van elkander gescheiden zijn. Bovendien dringen de warmte-
verschijnselen er toe aan te nemen, dat de moleculen in
aanhoudende beweging zijn. Van de banen der moleculen
weet men lijna niets. Men mag aannemen, dat bij vaste
lichamen de moleculen zich met zeer groote snelheden be-
wegen langs gesloten banen van uiterst geringe afmetingen,
zoodat zij telkens op dezelfde plaats terugkomen, waar zij
geweest zijn. Bij vele beschouwingen komt de beweging
-ocr page 108-
90
der moleculen niet in aanmerking, en wordt het werkelijke
lichaam in onze voorstelling vervangen door een ander, waar-
van de moleculen in rust zijn, en zich bevinden op de ge-
middelde plaatsen, die zij bij haar beweging innemen.
In de werkelijkheid is men in staat van elk lichaam het
volume te veranderen, en dus de afstanden te wijzigen
tusschen de gemiddelde plaatsen der moleculen. Men kan
zich evenwel ook voorstellen een lichaam. waarvan de mole-
culen niet alleen in rust zijn, maar ook hun onderlinge
afstanden onder geen voorwaarde kunnen wijzigen Dergelijke
vaste lichamen worden daarom absoluut vaste lichamen
genoemd; en alleen de zoodanige zullen in deze afdeeling
behandeld worden. Wanneer men de beschouwingen over
de absoluut vaste lichamen wil toepassen op werkelijk be-
staande lichamen, dan moet steeds in aanmerking genomen
worden, dat zulks alleen geoorloofd is, als de werkelijke
lichamen onder zoodanige omstandigheden verkeeren, dat de
deelen geen merkbare afstandsverandering ondergaan, en als
het niet noodig geacht wordt rekening te houden met de
beweging der moleculen, d. w. z. met de warmteverschijn-
selen, die zouden kunnen optreden.
Men neemt daarbij dan aan, dat er zoo noodig tusschen
de punten van het lichaam krachten werken, die de af-
standen dier punten onveranderd houden. Omtrent deze
krachten worden slechts twee veronderstellingen gemaakt.
1° dat zij werken langs de verbindingslijnen der punten, en
2" dat wanneer P een werking — hetzij aantrekkend
hetzij afstootend — ondergaat van Q, Q een even groote
werking in tegengestelde richting ondervindt van F, in. a. w ,
dat ook bij deze krachten, werking gelijk is aan terug-
werking. Deze krachten worden inwendige krachten ge-
noemd, in tegenstelling van uitwendige krachten, dat zijn
zoodanige krachten, die optreden door den invloed van
punten, geen deel van het beschouwde lichaam uitmakende.
Men zegt dat de bewegingstoestand van een lichaam niet
verandert, als de bewegingstoestand van elk zijner punten
onveranderd blijft. Dit laatste zal steeds het geval zijn, als
de uit- en inwendige krachten op elk punt werkende in
evenwicht zijn. Indien op verschillende punten van het
lichaam uitwendige krachten werken, en deze zoodanig zijn.
-ocr page 109-
91
dat zij tengevolge van het onderling verband der punten,
geen invloed hebben op de beweging van het lichaam, dan
zegt men, dat de uitwendige krachten op het lichaam wer-
kende in evenwicht zijn.
Onder de massa van een lichaam verstaat men de som
van de massa\'s der stoffelijke punten, waaruit het lichaam
bestaat. Zijn de massa\'s der stoffelijke punten m,, m2 .. .tn„,
dan is dus de massa van het lichaam:
M = mx -f- >w2 -f.....-\\- mn = .2 (>«).
De afstanden tusschen de stoffelijke punten zijn zeer klein,
evenals de afmetingen dier punten. Vandaar dat men ge-
woonlijk niet beschouwt de massa van elk punt afzonderlijk,
maar die van een groep stoffelijke punten, welke te zamen
een zeker volume innemen. Onder dit volume worden
ook begrepen de tusschenruimten tusschen de stoffelijke
punten.
De gemiddelde dichtheid van een lichaam wordt bepaald
door de massa van het lichaam en door zijn volume; zij
wordt evenredig gesteld met de massa die de volumeeenheid
bevat. Als eenheid van gemiddelde dichtheid wordt aan-
genomen de gemiddelde dichtheid van een lichaam, dat in
een kubieken meter een massa van één kilogram bevat. Is de
massa van een lichaam m kilogram en is zijn volume v ku-
bieke meters, dan is zijn gemiddelde dichtheid d eenheden,
als:                                    d = — .
v
Daar in het CGS-stelsel de eenheid van massa het dui-
zendste deel, en de eenheid van volume het millioenste deel
is van de hier gebruikte eenheden, zoo is de eenheid van
gemiddelde dichtheid in het CGS-stelsel duizendmaal zoo
groot als de in dit leerboek gebruikte.
Als de gemiddelde dichtheid van eenig volumedeel van een
lichaam dezelfde waarde heeft, hoe klein men dit volume-
deel ook neemt, dan zegt men dat het lichaam een stand-
vastige dichtheid heeft; men noemt het lichaam dan homogeen.
Onder de soortelijke massa van een stof verstaat men de
massa van een kubieken meter dier stof.
Dr. Julius, Mechanica.
7
-ocr page 110-
98
§ 37. Vervanging van krachten.
Indien op de punten P, en P2 van een lichaam respec-
tievelijk de uitwendige krachten K{ en K2 werken, in onder-
ling tegengestelde richtingen langs de lijn die P, en P2
verbindt, terwijl Kx en K2 even groot zijn, dan is de
beweging van het lichaam geheel dezelfde alsof de krachten
Kt en K2 er niet op werkten. Het is toch klaarblijkelijk
dat K{ en K2 geen invloed op de beweging van het lichaam
kunnen hebben, zonder dat de afstand van P, en P2 een
verandering ondergaat. Men zegt, dat de krachten Kt en K2
elkanders werking opheffen.
Men besluit hieruit tot het volgende: als op een punt P.
van het lichaam een uitwendige kracht K{ werkt langs de
lijn AB, en als P2 een ander punt van het lichaam is op
de lijn AB gelegen, dan is de beweging, die het lichaam
verkrijgt door de inwerking van de kracht K{ , dezelfde als
die welke het lichaam zou verkrijgen, indien op Pl geen
kracht, en op P2 een kracht K2 werkte, langs de lijn AB,
even groot als en in dezelfde richting als Kt.
Laat toch AT, (fig. 48) een der krachten zijn, die op het
Fiff.48.
punt Pj van het lichaam werken, en laat P2 een ander
punt van het lichaam zijn, in de lijn gelegen waarlangs Kl
werkt. Indien nu op P2 nog bovendien twee krachten
-ocr page 111-
99
K2 en K^ gaan werken, in onderling tegengestelde rich-
tingen, langs dezelfde lijn en even groot als K1 , dan zullen
deze krachten geen invloed op de beweging van het lichaam
hebben, omdat haar resultante nul is. Daar nu de krachten
Kl en K-,, zooals hierboven is opgemerkt, elkanders werking
opheffen, zoo zal de invloed, dien de kracht K2 in P2 aan-
grijpende op de beweging van het lichaam heeft, dezelfde
zijn als die van de kracht Kt in P, aangrijpende.
Uit deze beschouwingen blijkt, dat de invloed, dien een
kracht heeft op de beweging van het lichaam, alleen afhangt
van haar grootte, van haar richting, en van de lijn waar-
langs zij werkt, en niet van het punt waarop zij werkt, of
zooals men het uitdrukt, van haar aangrijpingspunt. Is dus
A (Tig. 48) een meetkundig punt buiten het lichaam op de
lijn gelegen waarlangs Ki werkt, dan mag ook A als het
aangrijpingspunt van Kl worden beschouwd, mits men zich
Fig\'t9
voorstelt, dat de afstand van A tot de stoffelijke punten
van het lichaam niet kan veranderen.
Indien twee in de punten Pl en P2 van het lichaam
aangrijpende krachten K1 en Kt (fig. 49) werken langs
lijnen, die elkander in een punt A snijden, dan kunnen
de krachten Kt en K2 in Pt en P2 aangrijpende, ver-
vangen worden door de even groote krachten Kl\' en K2\'
7*
-ocr page 112-
100
aangrijpende in A. Hierbij is het onverschillig of het snij-
punt A in het lichaam is gelegen of daarbuiten, mits in
het laatste geval A wordt beschouwd als een meetkundig
punt, welks afstand tot de stoffelijke punten van het lichaam
niet kan veranderen. De beweging van het lichaam is dus
dezelfde onder de werking der krachten Kl\' en • K2\' in A
aangrijpende, als onder de werking der krachten Ki en K2
aangrijpende in P, en P2. Is R\' de resultante van de
krachten Kt\' en K2\', dan heeft R\' denzelfden invloed op
de beweging van het lichaam als Kx en K% te zamen. Men
kan nu weer R\' aangrijpende in A, vervangen door de even
groote kracht R aangrijpende in eenig punt B van het
lichaam, op de lijn gelegen waarlangs R\' werkt. Op de be-
weging van het lichaam heeft dus ook R denzelfden invloed
als /T, en K2. Daar echter onder de werking der krachten
Kx\' en K2\' geheel andere inwendige krachten tot stand
komen als onder de werking der krachten ÜT, en K2, zoo
kan R niet meer worden beschouwd als de resultante, de
kracht die in alle
opzichten dezelfde
uitwerking heeft
als Kl en K2.
Vandaar dat rnen
R noemt de ver-
vangende
van ÜT,
en K2 ; met be-
trekking toch tot
de beweging kan
haar werking die
van Ki en ÜT2
vervangen.
Ook in dit geval
geldt de momen-
ten vergelijking.
Volgens fig. 50
toch is:
Moment R = moment R\' = moment Kt\' -j- moment K2\'.
Maar
              moment K{\' = moment K{
en                      moment K2\' = moment K2,
dus:          moment R = moment ÜT, ~j- moment K2.
-ocr page 113-
101
De som der momenten van twee uitwendige in een vlak
werkende krachten ten opzichte van een punt O is gelijk
aan het moment van de vervangende kracht ten opzichte van
hetzelfde punt O.
Om de resultante B van twee in een punt A aan-
grijpende krachten Kt en K2 te vinden, kan men uit de
vergelijkingen:
B cos « = K^ cos «, -\\- K2 cos «2             (31)
B sin « = A\'j sin al -\\- K2 sin «2             (32)
de grootte en de richting der resultante bepalen, terwijl het
punt A haar aangrijpingspunt is.
Moet echter de vervangende gezocht worden van de
krachten Ky en K2 aangrijpende in Ax en A2 (flg- 51),
dan zijn bovenstaande vergelijkingen niet meer voldoende.
In dit geval is er nog een vergelijking noodig, welke
FUf 51
aangeeft, dat van al de oneindig vele krachten B, die de uit
dé vergelijkingen (31) en (32) voortvloeiende grootte en
-ocr page 114-
102
richting hebben, diegene wordt bedoeld, welke werkt langs
de lijn gaande door A, het snijpunt van de lijnen waar-
langs Kx en K2 werken. Men kan daartoe gebruik maken
van de momentenvergelijking, want van alle lijnen, waar-
langs de kracht R kan werken, is er slechts een, wier
afstand tot het punt 0 de uit de momentenvergelijking ge-
vonden grootte l heeft. Voegt men dus bij de vergelijkingen
(31) en (32) nog de volgende:
Rl = Kill K2l2,               (33)
dan zijn de grootte en de richting van de vervangende, en
de lijn, langs welke zij werkt, volkomen bepaald.
§ 38. Vervanging van twee krachten langs
onderling evenwijdige lijnen werkende.
Bij de boven gegeven beschouwingen is uitgegaan van de
veronderstelling dat de lijnen, waarlangs de krachten werken,
elkander snijden. Er moet dus onderzocht worden of deze
drie vergelijkingen nog geldig blijven, indien de krachten
langs onderling evenwijdige lijnen werken.
Werken op de punten A en B (fig. 52) van een lichaam
twee krachten Kt en K2 langs onderling evenwijdige lijnen,
dan zal het op de beweging van het lichaam geen invloed
hebben, als er nog bovendien op de punten A en B twee
even groote krachten Q{ en Q2 gaan werken, langs de lijn
AB in onderling tegengestelde richtingen. De krachten
Kx en K2 hebben dus op de beweging denzelfden invloed
als de vier krachten Kx, K2, Qt en Q2 te zamen. De
krachten Kt en Qt hebben tot resultante R{ ; de krachten
K% en Q2 hebben tot resultante B2. De vervangende van
Kx en K2 heeft dus denzelfden invloed op de beweging als
de vervangende R van Rt en R2, en daar de lijnen, waar-
langs deze laatste werken, elkander snijden, mogen de ver-
gelijkingen (31) (32) en (33) ook ter bepaling van de ver-
vangende van Ki en K2 worden aangewend.
Stelt men in de vergelijkingen (31) en (32) at = «2,
dan verkrijgt men:
R cos a = (Kt -\\- KA cos «, R sin « = {K{ -\\- K2) sin «,
of
        R = Kt -\\- K2                           " = «, = a2.
-ocr page 115-
403
De vervangende van twee krachten, in dezelfde richting
langs onderling evenwijdige lijnen werkende, is gelijk aan
haar som en heeft dezelfde richting als die krachten.
Om het punt D te bepalen, waar de lijn langs welke de
Fiff.52
vervangende R werkt, de lijn AB snijdt, kan men van
de momentenvergelijking gebruik maken. Ten opzichte van
eenig punt is het moment van de vervangende R gelijk aan
de som der momenten van Rt en R2, of ook aan de
som der momenten van Kt, K2, Q{ en Qv Daar nu:
moment Qt -\\- moment Q2 = 0 ,
zoo is het moment van R gelijk aan de som der momenten
van Kx en K2.
Neemt men de momenten ten opzichte van het punt D,
dan is:
o = Kx xt — K% x2 of o = A\', l{ — Kt lt.
De twee stukken lx en l2, waarin de lijn A B door het
punt D wordt verdeeld, zijn omgekeerd evenredig met de
grootten der krachten, die op de uiteinden van A B werken.
Vervangt men l% door AB — lx, dan vindt men voor
-ocr page 116-
104
den afstand l{ van D tot aan het aangrijpingspunt van Kl :
l>=KPr-KVAK
Werken er meer dan twee krachten langs onderling
evenwijdige lijnen in een vlak, dan kan men eerst de ver-
vangende ft, zoeken van A", en K2, daarna de vervangende
ft2 van ft, en Ks enz. Ook voor de vervangende van een
willekeurig aantal krachten, werkende langs onderling even-
wijdige lijnen in een vlak gelegen, geldt dus:
De vervangende is gelijk aan de som der krachten, en
heeft dezelfde richting als deze krachten.
Het moment der vervangende ten opzichte van een in
het vlak gelegen punt 0, is gelijk aan de som der momenten
van alle krachten ten opzichte van hetzelfde punt 0.
Korter uitgedrukt, heeft men :
ft = 1 (K)           Rl0 = 2 (Kl).
Ook indien de krachten Kt en K2 werken langs onder-
ling evenwijdige lijnen in onderling tegengestelde rich-
tingen, mogen de vergelijkingen (31) (32) en (33) ge-
bruikt worden, indien men kan aantoonen, dat de krachten
Kx en K^ kunnen vervangen worden door twee krachten
ft, en ft.2, werkende langs twee elkander snijdende lijnen.
Gaat men op dezelfde wijze als hierboven te werk, dan
blijkt (fig. 53) dat als K{ en K2 even groot zijn, de lijnen
waarlangs de resultanten ft, en ft2 werken, steeds onder-
ling gelijke hoeken maken met de lijn AB, en dus ook
onderling evenwijdig zijn. In dit geval kunnen Kx en . Kt
niet vervangen worden door twee krachten langs twee
elkander snijdende lijnen.
Hebben Kl en K% verschillende grootten, dan maken de
lijnen waarlangs de resultanten ft, en ft2 werken, onderling
ongelijke hoeken met de lijn AB. De krachten Af, en A~2
kunnen dan vervangen worden door krachten ft, en _R2,
werkende langs twee elkander snijdende lijnen, en in dit
geval gelden dus ook de vergelijkingen (31) (32) en (33).
Stelt men in de vergelijkingen (31) en (32) «2 = 180\' -f- «j,
dan verkrijgt men:
ft sin a — (A~, — K2) sin «, en ft cos « = (Kt — K2) cos «2.
-ocr page 117-
105
Brengt men deze vergelijkingen tot het kwadraat, en telt
men ze op, dan wordt:
2?- = (Kt - A\'2)2
v __ v
of        B = ± (AT, — A\'2) en sin cc = -1L_——2 sin a,.
Een kracht is uit den aard der zaak steeds een positieve
grootheid. Is dus Kt > iST, , dan heeft men:
11 — K^ — K2 en sin et = sin or,.
Is Kt <C K2, dan wordt:
£ = ÜT2 — Kx en sin a = — sin «,
De vervangende van twee krachten van ongelijke groot-
ten, werkende langs onderling evenwijdige lijnen in onder*
ling tegengestelde richtingen, is gelijk aan het verschil der
krachten, en werkt in de richting der grootste.
Het punt D, waar de lijn langs welke de vervangende B
werkt, de lijn AB snijdt, kan weer uit de momenten*
-ocr page 118-
106
vergelijking worden gevonden. Neemt men de momenten
ten opzichte van het punt D. dan is:
— A", xl -\\- K2 x1 = o of — A, /, -\\- K2 l2 = o.
De twee stukken ?, en l2 , waarin de lijn A B door het
punt D wordt verdeeld, zijn omgekeerd evenredig met de
grootten der krachten, die op de uiteinden van A B werken.
Vervangt men ?2 door lt -\\-AB, dan verkrijgt men voor
den afstand l{ van D tot aan het aangrijpingspunt van Kl :
A, — A2
§ 39. Koppel.
In de vorige paragraaf is aangetoond, dat men twee even
groote krachten Kt en K2 op een lichaam werkende, langs
onderling evenwijdige lijnen in onderling tegengestelde rich-
tingen, niet kan vervangen door twee krachten, werkende
langs elkander snijdende lijnen; zij kunnen dus niet door
één kracht worden vervangen. Een zoodanig stel krachten
noemt men een koppel. Het vlak waarin de krachten werken
heet het koppelolak; de afstand van de lijnen, waar langs
de krachten Kt en K% werken, heet de arm van het koppel.
Het moment van een koppel wordt bepaald door de grootte
der krachten en door den arm. Het wordt evenredig gesteld
met de grootte dei- krachten en met den arm. Is elk der
krachten K dyn. eenheden groot, en is de arm l meters,
dan is het koppelmoment:
M=fKL
Als eenheid van koppelmoment wordt aangenomen het
moment van een koppel, waarvan elk der krachten een dyn.
eenheid is, en dat een arm heeft van één meter. Is elk
der krachten K dyn. eenheden, en is de arm Z meters, dan
is het moment van het koppel M dier eenheden, als
M=Kl.
In het CGS-stelsel is de koppelmomentseenheid het 407de
gedeelte van de in dit leerboek aangenomene.
-ocr page 119-
107
Men kent aan een koppelmoment een teeken toe. Indien
de krachten, die het koppel vormen, aan het koppelvlak
een draaiing trachten te geven in den zin van den horloge-
wijzer, dan noemt men het koppelmoment positief; trachten
zij het koppelvlak te doen draaien in den zin tegengesteld
aan dien van den horloge wijzer, dan noemt men het koppel-
moment negatief. Natuurlijk hangt dan het teeken van een
gegeven koppel nog af van de plaats, welke men zich voor-
stelt in te nemen. Met de voeten in het koppelvlak staande,
kan men zich met het hoofd óf naar de eene zijde óf naar
de andere zijde van het vlak gericht denken.
Wanneer men in eenig punt A van het koppelvlak (fig. 54)
een loodlijn op dat vlak opricht aan dien kant, van waar-
uit gezien het
Pi&Sêr.
                            koppel aan het
koppelvlak een
draaiing tracht te
geven in den zin
van den horloge-
wijzer, en wan-
neer op die lood-
lijn een stuk m n
wordt genomen,
zooveel meters
lang als het kop-
m,________ij.. pelmoment mo-
mentseenheden
heeft, dan noemt
men dat stuk mn
in de richting
van m naar n,
de as van het
koppel. Er zal
aangetoond wor-
den, dat de uit-
werking van een
koppel geheel be-
paald is dooi\' de grootte en de richting van zijn as. en dat
dus de as beschouwd mag worden als de graphische voor-
stelling van het koppel.
-ocr page 120-
108
§40. Vervanging van koppels in één vlak werkende.
Wanneer twee koppels zoodanig op een lichaam werken,
dat zij te zamen geen invloed hebben op de beweging van
het lichaam, dan zegt men, dat die koppels elkander in
evenwicht houden.
Twee koppels, in hetzelfde vlak werkende en met wille-
keurige armen, houden elkander in evenwicht, wanneer hun
momenten even
groot zijn, maar
in teeken ver-
schillen , en dus
de algebraïsche
som der momen-
ten nul is.
Laat KI en
— Qr eenheden
de momenten zijn
van twee op een
lichaam werkende
koppels (fig. 55),
terwijl Kl= Qr\\s.
Men verlenge
de lijnen, waar-
langs de krachten
ÜTj en Qj Merken,
totdat zij elkan-
der snijden in A,
en bepale door
de parallelogram-
constructie de hjn
A C, die de ver-
vangende #j van
Kt en Q, voor-
stelt. Men ver-
lenge evenzoo de
lijnen, waarlangs
K% en Q2 wer-
ken, en bepale de lijn BD, die de vervangende van Kt
en Q2 voorstelt. De lijnen AC en BD zqn even groot
-ocr page 121-
109
als gelijkstandige diagonalen van congruente parallelogrammen.
Het moment van Bl ten opzichte van het punt B is volgens
de momentenvergelijking: KI—Qr; dit moment is nul,
daar gegeven is Kl= Qr. De lijn, waarlangs i?( werkt, gaat
dus door B. Op dezelfde wijze toont men aan, dat de lijn,
waarlangs i?2 werkt, door A gaat. Daar R{ en i?, even
groot zijn, en langs dezelfde lijn A B in onderling tegen-
gestelde richtin-
-Fiff56
gen werken, hou-
den zij elkander
in evenwicht; dit
is dus ook het ge-
val met de koppels
Kx K% en Qt Q2.
Uit het hier
bewezene volgt,
dat men een kop-
pelJT,Z2(fig.56)
steeds mag ver-
vangen door een
in hetzelfde vlak
werkend koppel
Qt Q2, mits dit
laatste hetzelfde
moment heeft als
het eerste. Men
trekke toch door
^ i
de twee wille-
keurige punten A
en B van het
lichaam, twee on-
derling evenwij-
dige lijnen, wier
afstand r meters
bedraagt. Indien
langs die lijnen nog bovendien krachten gaan werken, en
wel op A de even groote krachten Qx en Q3 in onderling
tegengestelde richtingen, en op B de even groote krachten
Q2 en Qt in onderling tegengestelde richtingen, dan heeft
dit geen invloed op de beweging van het lichaam.
-ocr page 122-
HO
Hebben de krachten Qt, Q%, Q3 en Qk alle de grootte
() dyn. eenheden, dan werken nu op het lichaam de drie
koppels K, K2, Qx Q2 en Q3 Qh, terwijl zijn beweging
dezelfde is gebleven. Is bovendien Qr = KI, dan houden
de koppels K{ K2 en Q3 Qk elkander in evenwicht, omdat
de som hunner momenten nul is. Het koppel A\', K2 is
derhalve vervangen door het koppel Qt Q2, waarvan het
moment gelijk is aan dat van Kl Kr,.
Werken er verschillende koppels in eenzelfde vlak met
momenten M. , M2 enz., dan kan elk dier koppels ver-
vangen worden door een ander, waarvan de krachten aan-
grijpen in twee willekeurig gekozen punten A en B, en
werken langs gegeven onderling evenwijdige lijnen. Is de
afstand dier lijnen l meters, dan werken langs elk dier lijnen
M M
krachten, groot ^-, —y2 enz. dyn. eenheden. De in A
en de in B aangrijpende resultanten der langs elke lijn
werkende krachten, vormen dus een koppel, waarvan het
moment is:
M— M1 M 2 enz-
Indien derhalve eenige koppels in één vlak op een lichaam
werken, dan is het moment van het vervangende koppel
gelijk aan de som der momenten van de gegeven koppels.
§ 41. V ei\'vanging van koppels in onderling
evenwijdige vlakken werkende.
Alles wat hierboven bewezen is, geldt ook voor koppels
in onderling evenwijdige vlakken werkende.
Om dit aan te toonen behoeft men slechts te bewijzen,
dat een koppel werkende in het vlak I, vervangen kan
worden door een ander koppel met een even groot moment,
werkende in een vlak II evenwijdig aan vlak /, zonder
dat de beweging van het lichaam verandert.
Zijn A\'j K9 (fig. 57) de krachten van een koppel wer-
kende in vlak /; trekt men ergens een loodlijn A B op de
lijnen waarlangs die krachten werken, dan mogen de punten
A en B als de aangrijpingspunten van Kt en K2 worden
beschouwd. Zij CD een lijn in vlak II gelijk en even-
-ocr page 123-
111
wijdig aan A B; indien nu nog bovendien in C de krachten
K3 en Ki, in D de krachten Ks en Ke gaan werken,
alle even groot als A", langs lijnen loodrecht op CD in
onderling tegengestelde richtingen, dan houden die krachten
elkander in even-
wicht, en hebben
dus geen invloed
op de beweging
van het lichaam.
De krachten A", en
K. kunnen door
#i , de krachten
A\', en A4 door Rt
vervangen wor-
den Beide ver-
vangenden Rt en
FiffJZ
A
f
I
K.
O
"*&
R.<r
• j grijpen aan
in het snijpunt E
der diagonalen
A D en B C van
het parallelogram
A B C D; zij zijn
gelijk, en werken
langs dezelfde lijn
Jk.
L>
in onderling te-
gengestelde rich-
tingen; zij z\\jn dus met elkander in evenwicht. De krach-
ten Ks Ke vormen nu in vlak II een koppel, dat het ge-
geven koppel Kx h\\ in vlak I vervangt.
In elk der beide vlakken mag een willekeurig koppel ver-
vangen worden door een ander met hetzelfde moment; hier-
mede is derhalve geheel algemeen bewezen, dat een koppel
in eenig vlak werkende, steeds vervangen kan worden door
een ander, werkende in een vlak evenwijdig aan het zijne,
mits het moment hetzelfde blijft.
In verband met het in de vorige paragraaf bewezene
volgt hieruit nog:
Koppels werkende in evenwijdige vlakken kunnen steeds
worden vervangen door een koppel, welks moment gelijk is
aan de algebraïsche som van de momenten der gegeven
-ocr page 124-
112
koppels; als vlak van het vervangend koppel mag beschouwd
worden elk willekeurig vlak evenwijdig aan de gegeven
vlakken.
Door de as van een koppel zijn bepaald de grootte van
het moment en de stand van alle onderling evenwijdige
vlakken loodrecht op de as. Hiermede is dus tevens het
bewijs geleverd, dat de werking van een koppel geheel be-
paald is door zijn as.
§ 42. Vervanging van koppels werkende in
vlakken, die elkander snijden.
Werken twee koppels met momenten M en Mx in vlakken
die elkander snijden (fig 58), dan kunnen zij steeds vervangen
worden door twee andere koppels K Kt en Q Qk, waarvan
de krachten werken op twee willekeurige punten A en B in
de doorsnede der vlakken gelegen, en langs lijnen loodrecht
op AB getrokken. Is de lijn AB l meters lang, dan is:
K = j en Q = -4 dyn. eenheden.
De krachten K en Q in A aangrijpende kunnen tot een
resultante R worden samengesteld; de krachten Kt en
Ql in B aangrijpende tot een resultante i?,. De lijnen,
die R en i?, voorstellen, zijn de diagonalen van twee paral-
lelogrammen, die in evenwijdige vlakken liggen, en slechts
verschillen door de onderling tegengestelde richtingen der
gelijkstandige zijden. De resultanten R en 7Ü, zijn dus even
groot, en werken langs onderling evenwijdige lijnen in onder-
ling tegengestelde richtingen; zij vormen derhalve een koppel.
Het moment van het vervangend koppel is Rl.
Er zal aangetoond worden, dat als op de lijnen OM en
0 N, die de assen der gegeven koppels voorstellen, een
parallelogram wordt beschreven, de diagonaal OL, waar-
voor OM en ON de omliggende zijden zijn, in grootte en
richting de as van het vervangend koppel voorstelt.
De lijn OM stelle de as voor van het koppel KKX ; zij
staat dus loodrecht op vlak I en heeft de lengte KI meters;
de lijn O N stelle de as voor van het koppel Q Qt ; zij staat
dus loodrecht op vlak II en heeft de lengte Ql meters.
-ocr page 125-
113
O M LN zijn gelijk-
vormig, want de
hoek tusschen de
lijnen OM en ON
is gelijk aan den
hoek tusschen de
vlakken I en II, en
bijgevolg ook aan
den hoek tusschen
de lijnen, waarlangs
de krachten K en
Q werken; de zij-
den om dien hoek
in het parallelogram
OMLN zijn l maal
zoo lang als de ge-
lijkstandige zijden
van het parallelo-
gram AC DE. De
diagonaal OL is
derhalve ook l maal
zoo lang als de ge-
lijkstandige diago-
naal A D; zij heeft
dus de grootte R l.
De hoeken, die de
diagonaal OL maakt
met de zijden OM
en ON, zijn gelijk
aan de hoeken, die
de diagonaal A D
maakt met de zijden
AE en A C, bijge-
volg gelijk aan de
hoeken, die het vlak
van het vervangend
koppel maakt met
de vlakken Jen II.
Hieruit volgt, dat
De twee parallelogrammen AC DE en
de lijn OL loodrecht staat
Dr. Julius, Mechanica.
op het vlak van
het vervangend
8
-ocr page 126-
i-u
koppel, dat zij dus niet alleen in grootte, maar ook in rich-
ting de as van het vervangend koppel voorstelt. Eenig koppel,
welks vlak loodrecht staat op deze lijn, en welks moment
zooveel eenheden heeft als de lijn OL meters lang is, kan
als het vervangende koppel der twee gegeven koppels be-
schouwd worden.
In het bovenstaande is bewezen, dat om van twee koppels
op een lichaam welkende het vervangende koppel te vinden,
men van dezelfde parallelogramconstructie mag gebruik maken,
die vroeger is aangewend tot het vinden der resultante van
twee krachten. Alle toepassingen uit die constructie ge-
maakt ter bepaling van de resultante van een willekeurig
aantal op een punt werkende krachten, kunnen dus ook
dienen bij het bepalen van het vervangend koppel van een
willekeurig aantal gegeven koppels.
Laat bijv. een willekeurig aantal koppels met momenten
il/,, M„....M„ op een lichaam werken. Uit een willekeurig
punt O richte men loodlijnen op de verschillende koppel-
vlakken op, neme op iedere loodlijn van het punt 0 af
een stuk, zooveel meters lang als het daarbij behoorende
koppel momentseenheden heeft, en wel in die richting, van
waar uit gezien liet koppel aan het koppelvlak een draaiing
tracht te geven in den zin van den horlogewijzer. Die lijnen
stellen dan de assen der koppels voor, en zijn Mt, il/., ....
meters lang. Men brenge nu door O drie onderling lood-
rechte coördinaten assen. Men kan dan elke koppelas ont-
binden langs de drie coördinatenassen. Maken de koppel-
assen hoeken /.,, ,«,, e, . ... /.„, , i>„ met de coördinaten-
assen, dan zijn die ontbondenen Ml cos/.,, il/, cos ,«, ,
il/, cos v. .... MH cos /.„, MH cos k„, cos vH. L)e ontbondenen
langs elk der coördinatenassen hebben een resulteerende
gelijk aan haar som, dus:
M, = £ (M cos /.) Mv = Jf (M cos,«) M. = 2 (M cos t>).
Voor de as van het vervangend koppel, vindt men hieruit
de grootte: M„ = V~M?" lB^r ~BTIi
              (34)
terwijl de richting der as bepaald wordt uit de vergelijkingen:
M,
                                        M:
-ocr page 127-
115
§ 43. Algemeene evenwichtsvergel ij kingen
voor willekeurige krachten op een
lichaam werken il e.
Laat Kt, K2___(fig. 59) zijn uitwendige krachten,
die in de punten Plt Pt .. ..Pn van een lichaam aangrijpen,
en werken langs lijnen, die ten opzichte van elkander wille-
keurig gelegen zijn. Zij A een punt van het lichaam of
een meetkundig punt daarbuiten, waarvan de afstanden tot
de punten van het lichaam niet kunnen veranderen. De
beweging van het lichaam zal geen wijziging ondergaan,
indien nog bovendien in A gaan werken: de krachten K.\'
en Kt", even groot als Kl, in onderling tegengestelde
richtingen langs een lijn evenwijdig met die, waarlangs
Kx werkt; de krachten K2\' en AV\', even groot als A\'2,
in onderling tegengestelde richtingen langs een lijn even-
wijdig met die, waarlangs K2 werkt, enz.
Elk der n gegeven krachten K is dan vervangen door drie
krachten K, K\' en K". De kracht K" grijpt aan in het
punt A, en heeft dezelfde richting als de onmiddellijk ge-
8*
-ocr page 128-
H6
geven kracht K; de twee andere K en K\' vormen te zamen
een koppel. In het geheel verkrijgt men dus n krachten
van bekende richting en grootte, met het gemeenschappelijk
aangrijpingspunt A, en bovendien n koppels, welker mo-
menten en assen uit de ligging van het willekeurig gekozen
punt A en uit de gegeven krachten kunnen bepaald worden.
De n krachten, in een punt A aangrijpende, kunnen tot
een resultante R samengesteld worden. Van de n koppels
kan men op de wijze in de vorige paragraaf uiteengezet,
het vervangend koppel bepalen. Daar een koppel niet door
een kracht kan vervangen worden, een koppel en een kracht
elkander dus nooit in evenwicht kunnen houden, zoo kan
er slechts dan evenwicht zijn, indien de vervangende kracht
en het moment van het vervangend koppel elk afzonderlijk
nul zijn. De algemeene evenwichtsvergelijkingen zijn dus:
B = o (35) en M = o. (36)
Elk dezer beide vergelijkingen sluit evenwel drie andere
in zich. De algemeene uitdrukking toch voor de resultante
van n in één punt aangrijpende krachten is:
                    i G
R = v BJ B/ RS ,
en de algemeene uitdrukking voor het moment van het
vervangend koppel van n gegeven koppels is :
I
De onder de wortelteekens staande termen kunnen als
kwadraten nooit negatief worden; E en M kunnen dus
slechts dan nul zijn, als elk dier termen afzonderlijk nul is.
De vergelijkingen (35) en (36) sluiten dus de volgende
zes evenwichtsvergelijkingen in zich:
E* =o B^=o Bz =.o         (37)
Mx = o My =o Mi = o           (38)
De in deze zes vergelijkingen voorkomende grootheden
moeten nu nog in de gegevens worden uitgedrukt. Als
zoodanig moeten beschouwd worden:
1° de grootten der krachten Kl ,... Kn ;
2° de hoeken ai, |3,, yl-----a„, [iu, yu, die de lijnen
-ocr page 129-
117
waarlangs de krachten werken, maken met de drie coör-
dinatenassen ;
3° de coördinaten ocl, yi, z, . . . .x„, y„, z„ van de aan-
grijpingspunten, dat zijn de afstanden dier punten tot de
drie cöordinatenvlakken (lig 60).
De in de vergelijkingen (37) voorkomende grootheden
FigOO
R*, R\'y, Rs zijn de ontbondenen langs de drie cöordinaten-
assen van die kracht, welke de resultante der gegeven
krachten zou zijn, indien deze laatste op het gemeenschappe-
lijk aangrijpingspunt A werkten, elk langs de lijn even-
wijdig aan die lijn, waarlangs de gegeven kracht werkt,
en in denzelfden zin als de gegeven kracht. De grootheden
i?*, Ry, Rz hebben dei-halve hier volkomen dezelfde betee-
kenis als in § 29, namelijk:
Rx = 2 (K cos «) Rv = 2 (K cos jS) R, = £ (K cos y) (39)
De in vergelijking (38) voorkomende grootheden M.r, Ms, Mi
beteekenen de momenten van drie koppels, wier koppelassen
-ocr page 130-
118
met de drie coördinatenassen samenvallen, en wier samen-
stelling het vervangend koppel oplevert.
Men bepaalt deze drie grootheden door de as van elk
der n koppels langs de drie coördinatenassen te ontbinden,
en de som te nemen van de ontbondenen langs elk der
coördinatenassen.
Men kan bewijzen, dat de getalwaarde van het koppelmoment
Mx even groot is als de getalwaarde van de som der momenten
van de oorspronkelijk gegeven krachten ten opzichte van de
as A X; hetzelfde geldt dan voor de assen A Y en A Z.
Om dit te bewijzen is het voldoende om aan te toonen,
dat de bijdrage tot het koppelmoment Mx1 door een van
de n koppels KY Kt\' geleverd, dezelfde getalwaarde heeft
Fig6l.
Fjx>sa£
als het moment der oorspronkelijk gegeven overeenkomstige
kracht ÜT, ten opzichte van de as AX.
Daartoe ontbindt men elk der beide krachten Kl van het
koppel (fig. 61) in drie krachten in de richting der coördi-
-ocr page 131-
119
natenassen. In plaats van het eene koppel ÜT, Kx\' verkrijgt
men dan drie koppels, waarvan de krachten zijn: A\', cosöj,
Kx cos (3, en Kx cos/j. De as van het koppel A\\ cosa,
staat loodrecht op de as AX, omdat deze laatste in het
koppelvlak ABP} ligt; de as van dit koppel heeft geen
ontbondene langs de lijn A X, en het moment van dit kop-
pel levert dus geen bijdrage aan het moment Mx.
De beweging van het lichaam zal geen verandering onder-
gaan, indien er nog bovendien aan de uiteinden der lijn BD
(fig. 62) twee elkander in evenwicht houdende krachten
K1 cos (i, , en aan de uiteinden der lijn B E twee elkander
K,cosy,
COSfl,
s \'K,cosy,
icosy,
in evenwicht houdende krachten Klcosyl gaan werken.
In plaats van twee, heeft men dan vier koppels. De in de
punten A en D aangrijpende krachten Kx cos jïj vormen
een koppel, in welks vlak de as AX ligt; dit is ook het
-ocr page 132-
120
geval met de in de punten A en E aangrijpende krachten
Kt cos /r
De assen dezer twee laatste koppels staan derhalve lood-
recht op AX, en de momenten dier koppels kunnen bij de
ontbinding geen bijdragen leveren aan het moment Mx.
Er blijven derhalve nog slechts de twee in tig. 63 aan-
Fig03
IQ cos y,
ic,a>s/i,
Ktoasy,
gegeven koppels over, wier koppelvlakken beide loodrecht
staan op AX, en wier assen dus langs de coördinatenas
AX vallen. De momenten dier koppels yx Kx cos y1 en
ztKt cos [St zijn derhalve de bijdragen, die het koppel
/f, K.\' aan het moment M.* levert. De as van het eerste
koppel is gericht van A naar X, die van het tweede van
X naar A. De bijdrage van liet eerste koppel aan het
moment M? is dus positief, die van het tweede koppel
negatief. De geheele bijdrage van het koppel K1 Kt\' tot
het moment Mx is dus:
= yt A\', cos rt — »i A", cos (J,
(40)
-ocr page 133-
121
Volgens het in § 19 verklaarde is het moment van de
kracht Kt ten opzichte van eenige as, gelijk aan de som
der momenten van haar ontbindingskrachten Kt cos «j ,
K1 cos jij, ÜTj cos;\', ten opzichte van dezelfde as.
De momenten dier drie ontbindingskrachten ten opzichte
van de as A X zijn volgens fig. 64:
y, ATj cos yl — z{ Kï cos jij en nul.
De som dier drie grootheden komt geheel overeen met de
Fig 6t
>
Kcosy,
/
P,
-*-K,cc
J
K,COSf>,
*/
!r
/
X,
in vergelijking (40) gevonden waarde van M/; bijgevolg
heeft de bijdrage door het koppel Kl K1\' geleverd tot het
moment M,r dezelfde getalwaarde als het moment van de
oorspronkelijk gegeven, in liet punt P1 aangrijpende kracht
Kt ten opzichte van de as A X.
\'t\\ jDe grootheid MT kan dus beschouwd worden als de som
dei\' momenten van alle gegeven krachten een opzichte van
de as A X. Zij heeft de grootte:
Mx = 2.\' (i/ K cos y — z K cos |3).
Daar de as AX geheel willekeurig genomen is, geldt dit
-ocr page 134-
122
bewijs evenzoo voor de assen A Y en A Z. De momenten
My en A[: hebben dan de waarden:
Mu = 2\' (z A cos « — x A cos y).
M,
= 2 (x K cos jj — y K cos «).
De algemeene evenwichtsvergelijkingen zijn dus de vol-
gende:
2(Acos «) = o                                    (41)
2 (K cos (i) = o                                    (42)
2 (A\' cos /) = o                                    (43)
2 (y A\' cos y — * K cos (i) = o               (44)
2 (z A cos u — x A cos •/) = o              (45)
2\' (x A cos (i — // A cos u) = o               (46)
Daar het stel coördinatenassen geheel willekeurig is aan-
genomen, zoo moet aan vergelijking (41) tot (46) nog vol-
daan zijn als men willekeurige andere assen kiest. Die ver-
gelijkingen in woorden uitgedrukt, luiden dan als volgt:
Wanneer de op een absoluut vast lichaam werkende
uitwendige krachten met elkander in evenwicht zijn, dan
is de som der ontbindingskrachten in elke willekeurige
richting, en de som der momenten van alle krachten ten
opzichte van elke willekeurige as gelijk nul.
Omgekeerd:
Wanneer op een absoluut vast lichaam uitwendige krachten
werken
, wanneer de som der ontbindingskrachten in drie
onderling loodrechte richtingen, en de som der momenten
van alle krachten ten opzichte van drie onderling lood-
rechte assen gelijk nul is, dan is dit in iedere richting
en ten opzichte van elke as het geval, en dan zijn de
krachten met elkander in evenwicht.
Is aan de evenwichtsvergelijkingen (41) tot (46) niet vol-
daan, dan kunnen de uitwendige krachten, die op verschil-
lende punten van een lichaam werken, ia haar invloed op
de beweging van het lichaam vervangen worden door een
kracht en een koppel. Deze kracht hangt, wat grootte en
richting betreft, niet af van de plaats van het punt A; van
die plaats hangt wel af de grootte en lichting der as van
het vervangend koppel.
-ocr page 135-
123
Het is mogelijk dat het moment van het vervangend koppel
nul is; dan is genoemde kracht de vervangende van Kt ... K„;
is alleen de kracht nul, dan is het genoemde koppel het
vervangend koppel van Kt . . . K„.
Het kan gebeuren dat het lichaam niet geheel vrij is in
zijn beweging. Is bijv. één punt van het lichaam vast, dan
is het voor het evenwicht niet noodig dat de vervangende
kracht nul is, mits zij werkt langs een lijn gaande door het
vaste punt. Neemt men toch het vaste punt aan als snijpunt
der coördinatenassen, dan wordt aan de vergelijkingen (41),
(42)  en (43) steeds voldaan. Voor het evenwicht wordt dan
alleen vereischt, dat voldaan zij aan de vergelijkingen (44)
(45) en (46).
Zijn in een lichaam twee punten Pt en /*, vast, dan
zijn alle punten vast op de lijn die IJi en Qt verbindt.
Kiest men die vaste lijn als een der coördinatenassen, bijv.
als de as AZ, dan is steeds aan de vergelijkingen (41) tot
(45) voldaan, en voor het evenwicht wordt dan alleen ver-
eischt, dat voldaan zij aan vergelijking (46).
Het zou ook kunnen gebeuren, dat zich in het lichaam
een vaste as bevond, zoodanig dat een beweging van het
lichaam langs die as mogelijk bleef. Kiest men deze as dan
als as AZ, dan wordt aan de vergelijkingen (41), (42),
(44) en (45) steeds voldaan, en er wordt voor het even-
wicht alleen vereischt, dat voldaan zij aan de vergelijkingen
(43)  en (46).
Zijn eindelijk in een lichaam drie vaste punten, die niet
op dezelfde rechte lijn zijn gelegen, dan is het lichaam altijd
in even wichtstoestand, welke uitwendige krachten er ook
op mogen werken.
HOOFDSTUK VII.
Werking der zwaartekracht.
§ 44. Vervangende van krachten langs onderling
evenwijdige lijnen werkende.
Indien eenige krachten op een lichaam werken, in dezelfde
richting langs onderling evenwijdige lijnen, die niet in een
-ocr page 136-
124
zelfde vlak liggen, dan hebben zij een vervangende. "Werken
bijv. drie zoodanige krachten Kl , K2, K3, dan hebben
volgens § 38 Kl en K2 een vervangende P. De lijn waar-
langs P werkt is evenwijdig aan de lijnen waarlangs Kx en
K2, en dus ook aan de lijn waarlangs ÜT3 werkt. PenK3
hebben dus ook een vervangende, die tevens de vervangende
is van Kx, K2 en K3.
Om van een willekeurig aantal krachten, werkende in
dezelfde richting langs onderling evenwijdige lijnen, de ver-
vangende te bepalen, kan men gebruik maken van de alge-
meene evenwichtsvergelijkingen. Indien toch bij de gegeven
krachten nog bovendien een kracht ging werken, even groot
als de vervangende, langs de lijn waarlangs de vervangende
werkt, maar in tegengestelde richting, dan zouden nu alle
krachten met elkander in evenwicht zijn, en dus moeten
voldoen aan de algemeene evenwichtsvergelijkingen.
Zijn Ki .. . Ki, (fig. 65) de gegeven krachten en cc, (i, y
de hoeken, die de lijnen waarlangs zij werken, maken met
-ocr page 137-
125
drie onderling loodrechte coördinatenassen ; zij verder K0 de
kracht, die de gegeven krachten in evenwicht houdt, en a0,
j?o, yo de hoeken, die de lijn waarlangs zij werkt, maakt
met de drie assen, dan nemen de vergelijkingen (41), (42)
en (43) der vorige paragraaf den volgenden vorm aan:
cos « 2 (K) -f- K0 cos a0 = 0
cos {3 2 (K) Ko cos (?„ = 0
COS ;\' 2 (K) -(- K0 cos y0 = 0
of: cos « 2* K = — K0 cos u0
cos jï 2 K = — K0 cos (90
cos •/ 2 K = — K0 cos ;•„.
Telt men de kwadraten der drie laatste vergelijkingen bij
elkander op, dan verkrijgt men:
(cos %a -j- cos 2(i -\\- cos */)21(K) = K02 (cos J«0 -j- cos 20 -|" cos Vo)
of:         /C=^(AT).f.
Ter bepaling van de hoeken «„, |9,, •/„ heeft men dan:
cos a0 = — cos « cos |3„ = — cos (J cos y„ = — cos /.
Hieruit volgt, dat de kracht gelijk is aan de som der
krachten Kl .. .K,, , dat zij werkt langs een lijn evenwijdig
aan de lijnen, waarlangs de gegeven krachten werken, maar
in tegengestelde richting. De vervangende, tegengesteld aan
K0, werkt dus in dezelfde richting als de gegeven krachten,
en is eveneens gelijk aan haar som.
De ligging der lijn. waarlangs de vervangende werkt, is
bepaald als men eenig punt dier lijn kent; als aangrijpings-
punt der vervangende kan elk op die lijn gelegen punt wor-
den beschouwd. Noemt men de coördinaten van eenig punt
dier lijn x„, y., z„, dan kan men deze vinden uit de even-
wichtsvergelijkingen (44), (45), (46) der vorige paragraaf.
Daar ook de kracht hierbij in aanmerking komt, nemen
deze vergelijkingen den vorm aan:
[cos y 2 (Ky) -J- cos y0 K0 y„] — [cos ,i 2 {Kz) -f- cos [i0 K„ z„] = 0.
[cos cc 2 (Kz) -\\- cos u0 K„z,] — [cos y 2 (Kx) -J- cosy0 K0x^\\ = 0.
[cos (3 2 (Kx) -\\- cosj>\'„ K0x,] — [cos «2 (Ky) -\\- cos u„ Kny0] = 0.
-ocr page 138-
126
Hierin substitueerende de reeds gevonden waarden:
cos «„ — — cos « cos jï„ = — cos § cos y0 — = cos /
cos y [2 (Ky) — K„y^ — cos (i [2\' (Kz) — K„ z ] = 0
cos a \\z {Kz) — K„ z0] — cos y [£ (Kx) — K„ x„] = 0 (48)
cos (3 [2 (JSTtf) - Knx0] - cos « [2 (ÜTt,) - tf0y„] = 0 J
Deze drie vergelijkingen zijn niet onderling onafhankelijk.
Vermenigvuldigt men toch de eerste met cos«, de tweede
met cos (3, en telt men ze bij elkander op, dan verkrijgt
men de derde vergelijking. Er zijn dus, zooals reeds van
te voren bekend was, oneindig veel punten x„, y„, z,„ die
aan deze vergelijkingen voldoen. Het is voldoende een dier
punten te bepalen, en dus voor de grootheden x,„ y„ en z0
een stel van waarden te vinden, die aan de vergelijkingen (48)
voldoen. Nu komt elk der zes factoren tusschen haakjes
tweemaal voor, en aan de vergelijkingen (48) wordt dus
voldaan, wanneer men stelt:
Z(Kx)- Koxo=0.
Z {Ky) — Kn y„ =
0.
2{Kz)- Kozo = 0.
of •                                x - *<**>
ot.                                   x„— £^
Daar elk der coëfficiënten van de grootheden cos «, cos (i,
cos y nul is, zoo wordt nog dan aan de vergelijkingen (48)
voldaan, als de hoeken «, (i, y willekeurige andere waarden
krijgen, dat is, als de krachten een willekeurige andere
lichting krijgen, maar langs onderling evenwijdige lijnen in
denzelfden zin blijven werken.
Het hier gevonden punt onderscheidt zich derhalve van
alle andere punten, gelegen in de lijn waarlangs de kracht
werkt, daardoor, dat de lijn waarlangs de vervangende
werkt, steeds door blijft gaan, als men de lijnen waar-
langs de gegeven krachten werken, orn de aangrijpingspunten
-ocr page 139-
127
dier krachten laat draaien, mits slechts die lijnen onderling
evenwijdig blijven, en de krachten haar oorspronkelijke grootten
behouden, of althans alle in dezelfde verhouding veranderen.
Om deze reden noemt men het door de vergelijkingen (49)
bepaalde punt het ^middelpunt van de langs onderling even-
wijdige lijnen werkende krachten."
§ 45. Algemeene v er gel ij kingen van het
zwaartepunt.
Indien een lichaam bestaat uit stoffelijke punten met de
massa\'s ?», , m2 . . .m„, dan werken er tengevolge van den
invloed der aarde krachten op, de gewichten der stoffelijke
punten, van mtg, m2g. . . m„g dyn. eenheden. Heeft het
lichaam afmetingen, die klein zijn in vergelijking met de af-
metingen der aarde, dan mogen die krachten beschouwd wor-
den als te werken langs onderling evenwijdige lijnen. Zij
hebben dan een vervangende, het gewicht van het lichaam
genoemd, in verticale richting naar beneden werkende en
(ml -\\-m2 -|~ • 4" • m") 9 eenheden groot. Het middelpunt
van deze krachten heet het zwaartepunt van het lichaam.
Vervangt men in de vergelijkingen (49) der vorige para-
graaf Kl, K2.. .K„ door »«,</, m2g.. .m„g, dan vindt men :
_ Z (mg x)
2, (mg)
_ £ (mg y)
2i (mg)
•\'\',
y
__2Jmgz)
of daar g een standvastige factor is van teller en noemer
_ 2 (mx)
... _ ^ (*»y)
y<— &
Zo~ M
(50)
-ocr page 140-
198
Uit deze vergelijkingen blijkt, dat de ligging van het
zwaartepunt onafhankelijk is van de grootte en richting der
krachten, en dat zij alleen afhangt van de ligging der
afzonderlijke stoffelijke punten, en van de wijze waarop de
massa van het lichaam over de afzonderlijke punten is
verdeeld.
Voor het opsporen van het zwaartepunt geven zij den
volgenden regel:
Om den afstand van het zwaartepunt van een lichaam
tot een vlak te vinden, vermenk/vuldige men het aantal
massaeenheden van elk afzonderlijk stoffelijk punt met zijn
afstand tot dit vlak, en deele de som van al deze producten
door het aantal massaeenheden van het geheele lichaam.
Schrijft men de vergelijkingen (50) onder den vorm:
Mx„ — X (mx)                      )
My0 = 2{my)                          (51)
Mz„ = 2 (mz),                     \'
dan blijkt hieruit, dat men de som der producten, welke men
verkrijgt als men het aantal massaeenheden van elk der
punten vermenigvuldigt met zijn afstand tot eenig vlak, steeds
mag vervangen door het product van het aantal massa-
eenheden van het lichaam met den afstand van zijn zwaarte-
punt tot hetzelfde vlak.
Het voorgaande geldt niet slechts voor het geheele lichaam,
maar ook voor elk willekeurig deel er van, daar zulk een
deel op zichzelf ook een lichaam is. Men mag derhalve het
geheele lichaam verdeelen in deelen, en de som der produc-
ten van elk deel afkomstig, vervangen door het product van
het aantal massaeenheden van dat deel met den afstand van
zijn zwaartepunt tot het vlak.
De vergelijkingen (50) en (51) gelden derhalve ook dan als
mt, m2 . . . niet meer de massa\'s der afzonderlijke punten,
maar de massa\'s van geheele groepen van stoffelijke punten
voorstellen, waarbij dan onder xi,yl, zi enz. de afstanden
der zwaartepunten van de overeenkomstige groepen tot de
coördinatenvlakken moeten worden verstaan.
Men kan zich voorstellen een geheel van stoffelijke punten
die gelegen zijn op een oppervlak. Indien de massa op
onderling gelijke oppervlaktedeelen. hoe klein ook genomen,
-ocr page 141-
129
overal dezelfde is, noemt men zulk een stelsel van stoffelijke
punten een homogeen oppervlak.
Evenzoo kan men zich voorstellen een geheel van stoffelijke
punten, die gelegen zijn op een lijn Indien de massa op
onderling gelijke lengtedeelen, hoe klein ook genomen, overal
dezelfde is, noemt men zulk een stelsel van stoffelijke pun-
ten een homogeene lijn.
§ 46. Zwaartepunten van meetkundige lichamen,
vlakken, lijnen.
Indien I het volume is van een homogeen lichaam en y
de soortelijke massa van de stof waaruit het bestaat, dan
is de massa van.het geheele lichaam:
Verdeelt men het volume van het lichaam in deelen t,,
», ... , dan zijn evenzoo de massa\'s dier deelen:
ml = y », m2 = y i2 .. . m„ = y i„.
Vervangt men deze waarden van ml, m2 . .. m» in de
vergelijkingen (50), dan vindt men voor de coördinaten van
het zwaartepunt van een homogeen lichaam:
£Jjix)            _ Z(yiy)         __ 2{yis)
X"~ 2{yt) y"~ 2,(yi) Z°- Z(yi)\'
of den gemeenschappelijken factor in teller en noemer weg-
latende :
Vo= \\{t$ of ook: Iy0 = Z(iy)
2(iz)
(52)
Uit deze vergelijkingen blijkt, dat bij homogeene lichamen
de ligging van het zwaartepunt geheel onafhankelijk is van
de soortelijke massa der stof waaruit het lichaam bestaat, en
dat zij alleen afhangt van den meetkundigen vorm van het
Dr. Jülius, Meehanici.                                                                             Q
-ocr page 142-
130
lichaam. Daarom is het geoorloofd te spreken van het
zwaartepunt van een meetkundig lichaam.
Evenals van het zwaartepunt van een meetkundig lichaam,
kan men ook spreken van het zwaartepunt van een meet-
kundig vlak en van een meetkundige lijn.
Bovenstaande vergelijkingen kunnen onmiddellijk aangewend
worden ter bepaling van het zwaartepunt van homogeene
vlakken en lijnen ; slechts beteekent dan ;• de massa respeo
tievelijk op de vlakte* en op de lengteeenheid aanwezig.
Bij de aanwending der vergelijkingen (52) ter bepaling
van het zwaartepunt, wordt verondersteld, dat men het
lichaam kan verdeelen in volumedeelen, waarvan de zwaarte-
punten reeds bekend zijn. Is dit niet het geval, dan moeten
de volumedeelen il . . . i„ oneindig klein genomen worden.
De tellers en de noemers in die vergelijkingen zijn dan de
sommen van een oneindig groot aantal oneindig kleine groot-
heden, welker bedrag moet worden bepaald.
De bepaling der coördinaten van het zwaartepunt kan
somtijds op eenvoudiger wijze geschieden dan door de toe-
passing der vergelijkingen (52). Dit is steeds dan het geval,
indien het gelukt aan het stelsel van coördinatenassen een
zoodanigen stand te geven, dat enkele coördinaten van het
zwaartepunt nul worden. Kiest men de coördinatenassen
zoodanig, dat x„, y„ , alle drie nul worden, dan ligt het
zwaartepunt natuurlijk in het snijpunt dier assen. In dit
geval moet voldaan zijn aan de vergelijkingen
2" (ix) = 0                        )
2 {iy) = 0                            (53)
2 \\iz) = 0                        )
Kiest men de coördinatenassen zoodanig, dat y0 en z0 nul
worden, dan ligt het zwaartepunt op de as AX. Er moet
dan voldaan zijn aan de vergelijkingen:
2, (i z) = 0                            x
Is eindelijk alleen gelijk nul, clan ligt het zwaartepunt
in het vlak A\' Y. Er moet dan voldaan zijn aan de ver-
dng:
Z(iz) = Q.                            (55)
-ocr page 143-
131
Kan men derhalve voor het stelsel van coördinatenassen
achtereenvolgens verschillende standen vinden, zoodanig dat
het zwaartepunt óf in een der coördinaten vlakken, óf in een
dei- coördinatenassen ligt, dan behoeft men om het zwaarte-
punt te verkrijgen, slechts het snijpunt van drie zulke vlakken,
of van twee zulke lijnen te bepalen.
Deze methode kan met voordeel worden aangewend, ingeval
het lichaam een bepaalden regelmatigen vorm heeft, daar
men bij zulk een lichaam meestal dadelijk kan zien, hoe
een vlak moet aangebracht worden, opdat aan de vergelij-
king (55) ten opzichte van dit vlak voldaan zij. Noemt men
de producten t, zt ...i„zn kortheidshalve de momenten der
volumedeelen ten opzichte van het vlak X Y, dan zegt die
vergelijking, dat de som der momenten van de volumedeelen
ten opzichte van het vlak XY nul moet zijn.
In de twee volgende gevallen kan men al dadelijk aan-
toonen, dat deze voorwaarde vervuld is; vooreerst als elk
dier momenten afzonderlijk nul is, d. i. als de zwaartepunten
der afzonderlijke deelen alle in het vlak XY liggen, en ten
tweede, als het vlak XY het lichaam in twee symmetrische
helften verdeelt.
Evenzoo gaat een rechte lijn door het zwaartepunt van
een vlak, wanneer de zwaartepunten der afzonderlijke deelen
van dit vlak alle in die lijn liggen, of ook wanneer die lijn
het vlak in twee symmetrische helften verdeelt.
Hieruit volgt, dat bij alle regelmatige lichamen en vlakken
het zwaartepunt in het middelpunt der figuur is gelegen.
§ 47. Bepaling van zwaartepunten van lijnen.
Het zwaartepunt van een homogeene rechte lijn ligt in
haar midden, omdat ten opzichte van elk door dit punt ge-
bracht vlak aan de vergelijking (55) is voldaan.
Het zwaartepunt van een gebroken lijn of van den omtrek
eens veelhoeks kan derhalve dadelijk uit de vergely kingen (52)
worden gevonden. Daarin zijn dan i{ . . . i„ de lengten der
zijden, en xy yl zi . ..x„y„z„ de coördinaten van de mid-
dens dier zijden.
Het zwaartepunt van een willekeurige kromme lijn vindt
men door deze te beschouwen als een gebroken lijn met
9*
-ocr page 144-
432
oneindig vele oneindig kleine zijden. Is de kromme lijn een
cirkelboog, dan behoeft slechts de afstand van het zwaarte-
punt tot het middelpunt van den cirkel bepaald te worden,
daar men reeds weet, dat het zwaartepunt moet liggen in
den straal CD (fig. 66), die den boog AB middendoor-
deelt. Ter bepaling van den afstand SC = x0 dient de
eerste der vergelijkingen (52):
2 (ix)
waarin ii___i« de lengten der oneindig kleine boogjes, en
x ....%u de afstanden daarvan tot de as CY voorstellen.
Uit de gelijkvormigheid der driehoeken abc en Cd E volgt:
waaruit men vindt:
koorde A B
x" = r~MfT~ hoog AB\'
of, als de halve hoek ACB cp radialen is:
Sraav^^dn?            (56)
0            Irtf               qp
-ocr page 145-
433
7T
Stelt men hierin qp = -x, dan verkrijgt men voor den
afstand van het zwaartepunt van den halven cirkelomtrek
tot het middelpunt:
2r
2-0= ------.
7T
§ 48. Bepaling van zwaartepunten van vlakken.
Het zwaartepunt van een driehoek ABC (fig. 67) ligt
in de rechte lijn CD, die het midden der zijde AB met
het tegenoverliggende hoekpunt C vereenigt, omdat de
zwaartepunten van de oneindig smalle strookjes MN, PQ...,
waarin de driehoek kan worden verdeeld door aan de zijde
AB evenwijdig getrokken lijnen, alle in de lijn CD liggen.
Om dezelfde reden ligt het zwaartepunt van den driehoek
ook op de lijn AE, die het midden van de zijde BC met
Fig.07.
het tegenover liggende hoekpunt A verbindt. Het ligt dus
in het snijpunt S der beide lijnen DC en AE. Uit de
gelijkvormigheid van de driehoeken BDE en BAC volgt
DE=)iAC, en uit de gelijkvormigheid van de driehoeken
DES en ACS volgt DS=\\CS = l CD. Hetzwaarte-
punt van een driehoek ligt dus op de lijn, die het midden
van een zijde met het tegenover liggende hoekpunt verbindt,
en van die zijde af gerekend, op een derde van die hjn.
-ocr page 146-
434
Het zwaartepunt van een veelhoek kan uit de vergelijk
kingen (52) worden bepaald, door den veelhoek te venkelen
in driehoeken. Is de veelhoek een vierhoek, dan kan men
het zwaartepunt ook vinden, als men den vierhoek op twee
verschillende wijzen
Fig.es.
                             door diagonalen in
twee driehoeken ver-
deelt. Verbindt men
telkens de zwaarte-
punten der beide
driehoeken door een
lijn, dan ligt het
zwaartepunt van den
vierhoek in het snij-
punt dier verbin-
dingslijnen.
Om het zwaarte-
punt te vinden van
een cirkelsector (fig.
68) met den straal r,
verdeelt men den hoek 2 <j radialen in oneindig kleine
deelen. Elk deel van den cirkelsector mag als een driehoek
beschouwd worden. Van al de driehoeken, w\'aarin de cirkel-
sector verdeeld is, liggen de zwaartepunten op den omtrek
van een cirkelboog met -| r tot straal Het zwaartepunt van
den cirkelsector valt dus samen met het zwaartepunt van
dien cirkelboog. Volgens vergelijking (56) bedraagt de af-
stand, waarop dit van het middelpunt is gelegen:
*
(57)
=
Stelt\'men hierin <jp = ^, dan vindt men, dat het zwaarte*
punt van een halven cirkel op den afstand:
ir
Xo =
J
i
van het middelpunt is verwijderd.
Verdeelt men den cirkelsector CA DB (fig. 69) door
de koorde AB in het segment ADB en den driehoek
-ocr page 147-
135
CAB, en noemt men de vlakteinhouden van sector,
segment en driehoek respectievelijk F0, F{ en F2, dan kan
men het zwaartepunt van het segment bepalen uit de ver-
gelijking:
1
F„x„ = Ft x, F2 ^
waaruit voor x, gevonden wordt:
F„ x„ — F0 x.
In deze vergelijking moeten de vroeger gevonden waarden
van x„ en x2 wor-
den gesubstitueerd.
Het zwaartepunt
van het gebogen op-
pervlak eens cilinders
ligt in het midden
van zijn as.
Het zwaartepunt
van het gebogen op-
pervlak eens kegels
ligt op de as op een
derde van de hoogte
van het grondvlak
af gerekend.
Wordt een bol
\' door een cilinder
omhuld, en ^rengt _ men loodrecht" op de as des cilinders
twee oneindig dicht bij elkander gelegen vlakken, E^ en E2
(fig. 70) aan, dan snijden deze van den bol en den cilinder
oneindig dunne schijfjes af. De gebogen oppervlakken dier
schijfjes hebben hetzelfde zwaartepunt en dezelfde grootte.
Het gebogen oppervlak van het uit den bol gesneden schijfje
is namelijk :
}.. yt,
-- J
2 r cos (f . 7i. mn.
?t -
I
f . Sf /. f !
of daar m n cos qp = pq is:
f = \'2nr .pq.
Het zwaartepunt van het gebogen oppervlak van een bol
-ocr page 148-
1.16
vormige schijf of van een bolsegment valt dus samen met
het zwaartepunt van het bijbehoorend cilindervlak, en ligt
-
Fig.70.
dus in het midden der as. Van het gebogen oppervlak van
een halven bol ligt het zwaartepunt derhalve op het midden
van den straal.
§ 49. Bepaling van de zwaartepunten \'van
lichamen.
Het zwaartepunt van een driehoekige pyramide ABCD
(fig. 71) ligt op de rechte lijn ED, die het zwaartepunt
van het grondvlak ABC verbindt met den top D, omdat de
zwaartepunten van de oneindig dunne lagen abc..., waarin
de pyramide door vlakken evenwijdig aan het grondvlak kan
worden verdeeld, alle in de lijn ED liggen. Om dezelfde
reden moet het zwaartepunt der pyramide ook liggen op de
lijn FA, die het zwaartepunt van den driehoek B CD ver-
bindt met het tegenover liggend hoekpunt A. Het ligt der-
halve in het snijpunt S der lijnen ED en FA. Uit de
gelijkvormigheid der driehoeken GEF en G AD volgt, daar
GF=\\ GD is, EF= \\AD; uit de gelijkvormigheid dei-
driehoeken SEF en SAD volgt ES=ISD, dus ook
-ocr page 149-
i;t7
ES = \\ ED. Het zwaartepunt van een driehoekige pyramide
ligt dus op de lijn, die het zwaartepunt van het grondvlak
verbindt met den top, en wel van het grondvlak af gere-
kend, op een vierde van die hjn.
Een veelhoekige pyramide kan in driehoekige pyramiden
worden verdeeld. Van alle driehoekige pyramiden liggen de
zwaartepunten in een vlak op een vierde van de hoogte
evenwijdig aan het grondvlak gebracht. Ook het zwaarte-
punt van een veelhoekige pyramide ligt dus op de lijn, die
het zwaartepunt van het grondvlak verbindt met den top, en
op een vierde van die lijn van het grondvlak af gerekend.
Een kegel kan worden beschouwd als een pyramide met
oneindig veel zijvlakken; ook het zwaartepunt van een kegel
ligt dus op de lijn, die het middelpunt van het grondvlak
verbindt met den top, en op een vierde van de hoogte van
het grondvlak af gerekend.
Een bolsector kan worden beschouwd als samengesteld uit
pyramiden, welker toppen in het middelpunt, en welker
oneindig kleine grondvlakken in het oppervlak van den bol
liggen. Is de straal van den bol r, dan liggen de zwaarte-
punten van de pyramiden alle op het oppervlak van een
-ocr page 150-
138
bolsegment met den straal -| r beschreven. Het zwaartepunt
van den bolsector valt dus samen met het zwaartepunt van
genoemd oppervlak. Is de hoogte van het bolvormig opper-
vlak van den sector h, dan is de hoogte van het bol-
segment |/j. Het zwaartepunt van het gebogen oppervlak
van een bolsegment ligt op het midden der hoogte. De af-
stand van het zwaartepunt van den bolsector tot het middel-
punt is derhalve:
x0 — \\ r — | h.
Stelt men hierin h = r, dan verkrijgt men voor den
afstand van het zwaartepunt van een halven bol tot het
middelpunt:
x„ = | r.
Het zwaartepunt van een bolsegment kan wederom be-
paald worden door den bolsector te verdeden in een bol-
segment en een kegel, en daarna het moment van het
geheel gelijk te stellen aan de som van de momenten der
beide deelen.
§ 50. Regel van Guldin.
Wanneer een vlakke figuur draait om een in haar vlak
gelegen as YYl (fig. 72), dan zal een punt op den af-
stand x van de as gelegen bij een volledige omwenteling
den weg 2 n x afleggen; het op den afstand x van de as
gelegen oneindig kleine deel mn = X van een lijn AB in
dat vlak, zal dus een deel van een kegeloppervlak beschrijven,
waarvan de inhoud is Inxï. De inhoud van het door de
geheele lijn AB met de lengte l meters beschreven opper-
vlak F is de som van de inhouden door de afzonderlijke
deelen beschreven, dus:
F = 2 (2 n x A) = 2 Ti 2 (l x).
Daar nu de som der momenten van de deelen gelijk is
aan het moment van de geheele lijn of 2(\\x)= lx,,, zoo
heeft men:
F=2pxul.
(58)
-ocr page 151-
d39
De vlakteinhoud van een omwentelingsoppervlak is gelijk
aan de lengte van de beschrijvende lijn, vermenigviddigd
met den weg doorloopen door het zwaartepunt dier lijn.
Op soortgelijke wijze bepaalt men den inhoud van een
Fig.72.
Fif/73
K
omwentelingslichaam. Het oneindig kleine deeltje f (fig. 73)
beschrijft bij een geheele omwenteling een lichaam, waarvan
de inhoud 2 itx f is; de inhoud van het door de geheele
figuur F beschreven lichaam is:
I=Z(2nxf)=l2iT2;(fx),
of daar                     £ (fx) = Fx„ is,
7= 2/ra: F.
(59)
De inhoud van een omwentelingslichaam is derhalve
gelijk aan den vlakteinhoud van de beschrijvende figuur,
vermenigvuldigd met den weg door haar zwaartepunt door-
hopen.
Bovengenoemde stellingen worden y>de regel van Guldin"
genoemd; zij gelden niet alleen voor een volledige omwente-
ling, maar ook voor elk willekeurig deel er van; men moet
dan slechts den hoek 21 vervangen door den beschreven
hoek <jp.
-ocr page 152-
140
De inhoud van het lichaam beschreven bij de omwenteling
van den rechthoekigen driehoek ABC (fig. 74) om de aan
de rechthoekzijde A B evenwijdige as YYt, kan uit verge-
lijking (59) gevonden worden; stelt men daarin:
W rh
Y
en a?0 = a-[-n, dan wordt:
(a dn
rh.
De zijde AC =1 beschrijft daarbij het oppervlak van een
afgeknotten kegel, welks vlakteinhoud uit vergelijking (58)
.                         T
wordt verkregen door daarin x0 = a -f- —te stellen, dus:
Stelt men in beide vergelijkingen a = o, dan verkrijgt
men voor den inhoud en voor het gebogen oppervlak van een
kegel, welks hoogte h, en welks grondvlak een cirkel is met
den straal r, de waarden:
irr^h
en F\' = nrl.
De inhoud van het lichaam beschreven bij de omwente-
ling van den halven cirkel ABD (fig. 75) om een as Y Yt
-ocr page 153-
141
evenwijdig aan de middellijn AB, kan gevonden worden
door in vergelijking (59)
7T T                                     4 V
F = —=r- en x0 = a 4- „ te stellen, dus:
1
                           on
/..(. {£)•»*
Het door den halven cirkelomtrek ABD beschreven opper-
2r
vlak vindt men door in vergelijking (58) l = nr en #„ = a -)-
te stellen, dus :
f-2(a H)w»r
Stelt men in deze beide vergelijkingen a = o, dan vindt
men voor den inhoud en voor het oppervlak van een bol
met den straal r beschreven, de waarden:
l = $nrs en F=knri.
-ocr page 154-
142
HOOFDSTUK VIII.
Weerstanden van vaste steunpunten.
§ 51. Lichaam ondersteund in een punt. Stabiel,
labiel en indifferent evenwicht.
Het gewicht van een lichaam kan, welken stand het
lichaam ook moge innemen, steeds beschouwd worden als
een in het zwaartepunt aangrijpende en in verticale richting
naar beneden werkende kracht.
Opdat het gewicht van een lichaam door eenige andere
kracht worde in evenwicht gehouden, moet die kracht in
verticale richting naar boven werken en gelijk zijn aan het
gewicht; haar aangrijpingspunt moet liggen in de verti-
caal van het zwaartepunt. Aan deze drie voorwaarden vol-
doet de door het gewicht G te voorschijn geroepen weerstand
W van eenig vast punt O in de verticaal van het zwaarte-
punt gelegen; deze weerstand toch is een kracht, die zoo
groot is en in zoodanige richting werkt, dat elke beweging
van het punt wordt belet. Is dus een der punten in de
verticaal van het zwaartepunt gelegen een vast punt, dan
is het lichaam in rust, mits er verder geen krachten op werken.
Indien omgekeerd het in een punt O bevestigde lichaam
in rust is, dan kan men hieruit de gevolgtrekking maken,
dat de krachten G en W elkander in evenwicht houden, en
dat dus het zwaartepunt ergens in de verticaal van het vaste
punt moet gelegen zijn. Men heeft hierin een middel om
de plaats van het zwaartepunt proefondervindelijk te bepalen.
Hangt men namelijk het lichaam achtereenvolgens in twee
verschillende punten op, en bepaalt men beide keeren de
punten At Bx en A2 B2, waarin de verticaal van het
ophangpunt het oppervlak van het lichaam snijdt, dan is
het snijpunt van de beide verbindingslijnen At Bt en A% B2
het gezochte zwaartepunt.
Wordt het in het punt O bevestigde lichaam een weinig
uit zijn evenwichtsstand gebracht, en daarna aan zich zelf
overgelaten, dan zal het in het algemeen een draaiende
beweging om het punt O aannemen. Al naarmate de
draaiende beweging aanvankelijk een zoodanige is, dat het
lichaam naar zijn vorigen evenwichtsstand terugkeert, of er
-ocr page 155-
143
zich nog verder uit verwijdert, wordt de aanvankelijke even-
wichtsstand stabiel of labiel genoemd. Indien het lichaam
na elke kleine draaiing in rust blijft, dan noemt men den
aanvankelijken evenwichtsstand indifferent.
De evenwichtsstand is stabiel, indien het zwaartepunt be-
neden het vaste punt en dus zoo laag mogelijk ligt; labiel,
indien het zwaartepunt boven het vaste punt en dus zoo
hoog mogelijk ligt; indifferent, indien het zwaartepunt met
het vaste punt samenvalt.
Bovenstaande beschouwingen gelden ook dan nog, als het
lichaam bevestigd is aan een horizontale vaste as.
Wanneer op een lichaam, dat in rust is en in een vast
punt ondersteund wordt, twee of meer krachten werken,
dan moeten deze krachten een vervangende hebben, werkende
langs de lijn, die door het vaste punt gaat.
Het komt dikwijls voor dat een lichaam een vaste steunas
heeft en in rust is, terwijl er krachten op werken langs
lijnen, alle gelegen in een vlak loodrecht op de steunas.
Ook dan moeten die krachten een vervangende hebben,
werkende langs de lijn, welke gaat door het snijpunt O van
de steunas en het vlak waarin de krachten werken. In dit
geval volgt uit de momenten vergelijking, dat de som der
momenten van alle krachten ten opzichte van het punt O
nul moet zijn.
Een zoodanig lichaam, dat gewoonlijk den vorm heeft van
een rechte of gebogen staaf, noemt men een hefboom. De
lengte der loodlijn, uit O neergelaten op de lijn waarlangs
eenige kracht werkt, heet de hefboomsarm dier kracht.
§ 52. Toepassing op het meten van gewichten.
Het hoofdbestanddeel van een balans is een hefboom, waaraan
men den naam juk geeft.
Zij O (fig. 76) het snijpunt van de horizontale steunas
met het daarop loodrecht staande vlak van teekening; kort-
heidshalve zal het punt 0 het steunpunt worden genoemd.
Zijn evenzoo A en B de snijpunten van de steunassen der
schalen met het vlak der teekening, welke assen evenwijdig
zijn aan de steunas van het juk; A en B zullen de ophang-
punten genoemd worden. Zij verder D het in het vlak van
-ocr page 156-
144
teekening gelegen zwaartepunt van het juk; zij eindelijk de
lengte der armen van het juk AC=BO=l meters, de
afstand van het zwaartepunt tot het steunpunt 0 D = d
meters, en de afstand van het steunpunt tot de lijn die
Fiy.W.
de ophangpunten verbindt OC = a meters. Belast men de
schaal in A met een gewicht P, die in B met een gewicht
Q = P -\\- p eenheden, dan zal het juk den nieuwen even-
wichtsstand OAlBi innemen; de hoek, dien AiB1 met
A B maakt, zij « radicalen.
Uit de momentenvergelijking volgt, als O het gewicht
van het juk is:
{P p)OF— P.OE— (?X 01=0,
of daar 0F=KF—K0 en 0E=EK K0,
(P p) (KF—KO) — P (EK KO)— G . 01 = 0.
Nu isKF= EK— Icosa, KO — asina en 01= dsina,
dus (P -|- p) (l cos « — ot sin «) — P (Icosa -\\- a sin «) —
Gd sin « = 0,
f t „            j                       l
ot ^^ — V^pjrV)ajrGd — V{pjrQ)ajrGd-
-ocr page 157-
145
Den hoek « noemt men den doorslag; voor kleine hoeken
mag tg a door « vervangen worden, en dan blijkt uit
bovenstaande vergelijking, dat de grootte van o bij een be-
paald overwicht^», afhangt van de lengten der armen, van
de belasting P -j- Q, van den afstand a van het steunpunt
tot de lijn die de ophangpunten verbindt, van het gewicht
G van het juk, en van den afstand van het zwaartepunt
van het juk tot het steunpunt.
Naar de grootte van u bij een bepaald overwicht p, wordt
de gevoeligheid van een balans beoordeeld.
Stelt men in bovenstaande waarde van « a = o, dan
verkrijgt men:
a==péd-
Indien dus het steunpunt ligt in de lijn die de ophang-
punten verbindt, dan is de gevoeligheid van de balans even-
redig met de lengte der armen, en omgekeerd evenredig met
het gewicht van het juk en den afstand van het zwaartepunt
van het juk tot het steunpunt; zij is dan echter onafhanke-
lijk van de belasting.
Opdat de even wichtsstand van de balans stabiel zij, moet
het zwaartepunt D beneden het steunpunt O gelegen zijn.
De unster is een ongelijkarmige hefboom.
Zij O (fig. 77) het steunpunt en S het zwaartepunt van
de onbelaste unster. Zij A het ophangpunt van de tot het
opnemen van de belasting bestemde schaal met het gewicht
K, en B het ophangpunt van een gewicht P, dan zal de
unster in denzelfden evenwichtsstand zijn, dien zij inneemt
als K en P niet werken, indien voldaan is aan de verge-
lijking:
Pa —Kr = o.
Wordt de schaal belast met het gewicht Q, dan zal om
de unster in denzelfden evenwichtsstand te doen blijven, het
ophangpunt van het gewicht P moeten verschoven worden.
Bedraagt de afstand B M van het nieuwe ophangpunt M
tot het oorspronkelijke B x meters (fig. 78), dan heeft men:
P (o af) — {K Q) r = o.
Dr. Julics, Mechanica,                                                                10
-ocr page 158-
146
Trekt men de eerste vergelijking van de tweede af, dan
verkrijgt men:
Px — Qr = o of Q = ~-
Uit deze vergelijking blijkt, dat men het onbekende ge-
wicht Q kan berekenen uit de gemeten lengte x. In den
Fuj7\\
B
±
c
ff\'
o
Fig.78
J9l
M
-SZ-
3
<3
r
e
\\tl
regel wordt de lange arm van de unster van te voren ver-
deeld, en wordt bij ieder deelpunt de berekende getalwaarde
— geplaatst.
Opdat de evenwichtsstand van de unster stabiel zij, moet
het zwaartepunt S beneden het steunpunt O liggen.
§ 53. Lichaam ondersteund in twee punten.
Indien twee punten A en B, in de verticaal van het
zwaartepunt van een in rust zijnd lichaam gelegen, vaste
punten zijn, dan kan de weerstand in elk dier punten te
voorschijn geroepen, in het algemeen niet worden bepaald.
Uit de ééne evenwichtsvergelijking voor dit geval volgt
toch alleen, dat de som der weerstanden door de beide
-ocr page 159-
\'
.\'"•
147
vaste punten geboden, gelijk is aan het in verticale richting
naar beneden werkende gewicht van het lichaam; zij geeft
dus geen uitsluitsel omtrent de wijze, waarop de weerstand
over de beide vaste punten is verdeeld. Door de wijze van
ophangen te veranderen kan men het zoo inrichten, dat de
weerstand van het punt A alleen, of die van het punt B
alleen, evenwicht maakt met het gewicht G van het lichaam,
of ook, dat de weerstand van één dier punten een willekeurige
grootte heeft.
Indien men bijv. aan het aanvankelijk slechts in het
punt A bevestigde lichaam nog een gewicht Q hangt, dan
is de in A te voorschijn geroepen weerstand gelijk aan
Q -\\- G. Deze weerstand verandert niet als het punt B
bevestigd, en daarna het gewicht Q weggenomen wordt.
Bij deze wijze van bevestiging is de weerstand van A ver-
ticaal naar boven gericht en heeft de grootte Wx = G -\\- Q,
terwijl de weerstand van B verticaal naar beneden is ge-
richt en de grootte heeft W2 = Q.
Indien het in rust zijnd lichaam bevestigd is in twee
vaste punten A en B, welke niet in de verticaal van het
zwaartepunt gelegen zijn, dan is de weerstand door elk der
punten geboden, evenzoo onbepaald. De punten A en B
moeten dan met het zwaartepunt van het lichaam in hetzelfde
verticale vlak liggen. Voor het evenwicht wordt dan slechts
vereischt, dat het snijpunt ^der lijnen, waarlangs de weer-
standen Wl en Wt
Piff-79                              werken, in de verticaal
van het zwaartepunt
ligt, een voorwaarde,
waaraan op oneindig
veel verschillende wijzen
kan worden voldaan.
Deze onbepaaldheid
heeft echter alleen be-
trekking op de ontbin-
dingskrachten X{ en
X2 (fig. 79) der weer-
standen langs de lijn
AB, terwijl de ont-
bindingskrachten Yi en Yt langs lijnen loodrecht op AB
40*
-ocr page 160-
148
steeds bepaalde waarden hebben, welke onafhankelijk zijn
van de bevestigingswijze en steeds berekend kunnen worden.
Ten opzichte toch van elk punt in het vlak van teekening
is de som der momenten van alle krachten gelijk nul. Kiest
men voor dit punt eerst B en dan A, dan verkrijgt men
de twee vergelijkingen:
F,/— Gb = 0 of               
Yx = Gj.
Y,
= Gj.
Ga
Y%1 = 0
of
Ter bepaling van de ontbindingskrachten X{ en Xt heeft
men slechts één evenwichtsvergelijking, welke uitdrukt dat
langs elke lijn, dus ook langs A B, de som der ontbindings-
krachten gelijk nul is; bijgevolg heeft de som X, -|- X2 een
bepaalde grootte gelijk aan die der ontbindingskracht langs
de lijn AB. De grootte van elk dezer krachten echter
hangt af van de wijze, waarop het lichaam is bevestigd.
De onbepaaldheid houdt op, zoodra de richting van den
weerstand in een der steunpunten bekend is. In dat geval
toch kent men het snijpunt van de lijn, waarlangs die
weerstand werkt, met
FiffSO
de verticaal van het
zwaartepunt, en dus
ook de richting van
den anderen weerstand.
Construeert men een
parallelogram, welks
diagonaal de kracht G
in tegengestelde rich-
ting genomen voor-
stelt, dan stellen de
om die diagonaal ge-
legen zijden de weer-
standen voor.
Dit geval doet zich
steeds dan voor, wan-
neer een lichaam in een
punt steunt tegen het
oppervlak van een ander lichaam. De weerstand is dan
-ocr page 161-
149 .^,\'^\'rr ï\'-jf.
steeds normaal op het gemeenschappelijk raakvlak in dat
punt.
Zoo is bijv. in fig. 80 de weerstand van het punt A steeds
loodrecht op de lijn AB. Ter bepaling der weerstanden
heeft men uit de momentenvergelijkingen ten opzichte van
B en van A:
W, . A B — G . B C = 0 of Wy
G
BC
AB
G.AD—W^AE^Q of W2 = G^.
Indien het lichaam in elk der steunpunten op een hori-
zontaal vlak rust, dan is de richting van den weerstand in
elk der steunpunten verticaal.
Ter bepaling dier weerstanden heeft men (fig. 81):
Wt(u b)—Qb = 0 ofWl = G
Ga—W.1(a-\\-b) = 0
of W2 = G
a b
a
a V
Op gelijke wijze kunnen de weerstanden worden bepaald,
Fia.Hl
indien het op deze wijze in twee punten ondersteunde lichaam
bovendien nog met andere gewichten is belast.
-ocr page 162-
150
Maakt men (fig. 82) de momenten vergelijkingen op ten
opzichte van de punten B en A, dan verkrijgt men:
W^AB — P.CB — G.DB—Q.EB^O
P.AC G.AD Q.AE-Wi.AB = 0,
AB
AD          AE
G-AB Q
AC
AB
W2 = P
Uit deze vergelijkingen kan men nagaan welk gedeelte
..ic,
Pi<j82
n
van den weerstand door elk der gewichten P, G en Q
wordt te voorschijn geroepen. Zij toonen aan, dat door elk
gewicht afzonderlijk een even groote weerstand wordt op-
gewekt alsof dat gewicht de eenige belasting ware.
§ 54. Lichaam ondersteund in drie punten.
Zijn drie niet in een rechte lijn gelegen punten van een
lichaam vaste punten, dan kunnen de weerstanden van die
punten slechts dan worden bepaald, wanneer de richtingen
dier weerstanden bekend zijn.
Is de richting van den weerstand in een der drie punten
gegeven, dan kan steeds ook de grootte van dien weerstand
worden bepaald. Stelt men toch de momentenvergelijking
-ocr page 163-
151
op ten opzichte van de lijn, die de twee andere vaste punten
verbindt, dan komt in die vergelijking de grootte van den
gezochten weerstand als eenige onbekende voor.
Ook de ontbindingskrachten van de weerstanden in een
richting loodrecht op het vlak door de vaste punten gebracht,
hebben steeds bepaalde grootten, die op dezelfde wijze kunnen
gevonden worden; de ontbindingskrachten in de richting van
het vlak blijven daarbij onbepaald.
Indien een lichaam in drie punten op een horizontaal
steunvlak rust, dan is de richting van den weerstand in elk
der punten verticaal. Om den weerstand Vx (fig. 83) van
FUj.83.
het steunpunt A te bepalen, stelt men de momentenveige-
lijking op ten opzichte van de as B C:
G.EF—V.AD^O of V. = G . ™
1                           *             AD
Op dezelfde wijze worden de weerstanden F2 en V3 van
B en C bepaald.
Is de hefboomsarm E F gelijk nul, en snijdt dus de
-ocr page 164-
152
verticaal van het zwaartepunt de zijde B C van den drie-
hoek ABC, dan is F, =0. Snijdt de verticaal van het
zwaartepunt het ondersteuningsvlak in een punt Fj buiten
den driehoek, dan wordt de momenten vergelijking:
G . E. F. V, A D = 0 of V. = — G . E\\F\'.
iiii                                             i                                ^D
F, wordt dan negatief, en het lichaam zal kantelen, tenzij
het punt A een weerstand in verticale richting naar be-
neden kan bieden.
Voor het evenwicht wordt dus vereischt, dat de verticaal
van het zwaartepunt het ondersteuningsvlak snijdt binnen
den driehoek, waarvan de steunpunten de hoekpunten zijn.
Valt dit snijpunt ergens in den omtrek van den driehoek,
dan is de evenwichtsstand labiel; de geringste uitwijking
naar dien kant zou het omslaan van het lichaam tengevolge
hebben. Valt daarentegen het snijpunt binnen den driehoek,
dan is het, teneinde het lichaam om één der zijden van
den driehoek te doen kantelen, noodig, dat er op eenig
punt van het lichaam een kracht werke, wier moment ten
opzichte van die zijde aanvankelijk minstens even groot is
als het moment van het gewicht G ten opzichte van die-
zelfde zijde. In het laatste geval is dus de evenwichtsstand
van het lichaam stabiel, en het moment van het gewicht G
ten opzichte van de zijde, om welke men het lichaam wil
doen kantelen, kan als maat voor de stabiliteit worden ge-
nomen. Dit moment wordt daarom het stabiliteitsmoment
van het lichaam ten opzichte van die zijde genoemd.
§55. Lichaam steunend op een horizontaal vlak.
Rust een lichaam met meer dan drie punten op een
horizontaal steunvlak, dan is de verdeeling van den weer-
stand over de steunpunten wederom onbepaald. Voor het
evenwicht wordt slechts vereischt, dat het punt, waar de
verticaal van het zwaartepunt het steunvlak snijdt, ligt
binnen de ondersteuningsbasis, dat is, de door de buitenste
steunpunten gebrachte veelhoek, binnen welken dus alle
steunpunten gelegen zijn.
Het moment van het gewicht ten opzichte van eenige z\\jde
-ocr page 165-
153
der ondersteuningsbasis wordt het stabiliteitsmoment van
het lichaam ten opzichte van die zijde genoemd. Een lichaam,
dat met een plat vlak rust op een horizontaal vlak, kan be-
schouwd worden als een lichaam met oneindig veel steunpunten.
Om een lichaam (fig. 84) om de zijde A te doen kantelen,
moet op eenig punt van dat lichaam een kracht K werken,
welker moment KI ten opzichte van
A aanvankelijk minstens even groot
moet zijn als het stabiliteitsmo-
ment G x ten opzichte van A ; in
dit geval toch gaat de lijn, waar-
langs de vervangende van G en K
werkt, door de zijde A, en de minste
kracht is voldoende om liet lichaam
in beweging te brengen. Gedurende
het kantelen wordt het moment van
het gewicht G ten opzichte van A
voortdurend kleiner; het wordt nul
op het oogenblik dat het zwaarte-
punt S verticaal boven de zijde A
ligt en dus zijn hoogsten stand be-
reikt (fig. 86). Zonder dat het kan-
telen ophoudt kan derhalve ook het moment van de kracht,
die het kantelen veroorzaakt, allengs
Firj.85.
                kleiner worden, en wel in dier voege,
dat het steeds gelijk blijft aan het
4
moment van G. Is dit het geval,
dan zal ook gedurende de beweging
de vervangende der krachten G en
K steeds werken langs de lijn die
door A gaat (fig. 85). De vervan-
gende verricht bij deze beweging
den arbeid nul; ook de som dei-
arbeiden dooi- A\' en G bij deze be-
weging verricht is dus nul. Daar
volgens fig. 86 de door het gewicht
o                    G verrichte arbeid — Gh is, vindt
men den door de kracht K ver-
richten arbeid 21 uit de vergelijking:
•21 — Gh = 0 of -21 = Gh.              (60)
-ocr page 166-
154
Zoodra het lichaam den stand in fig. 86 heeft bereikt,
iis er verder geen kracht meer noodig om het geheel te doen
omvallen, daar zijn eigen ge-
wicht de beweging zal doen
voortduren.
Naar den arbeid benoodigd
tot het doen omkantelen van
een lichaam, wordt de dyna-
Fig.80
1 / 1
\' / s\'—^
n
• \\ 1
(A
• c
mische stabiliteit van het
lichaam beoordeeld. Volgens
vergelijking (60) is het aantal
eenheden van dien arbeid ge-
lijk aan het product van het
aantal gewichtseenheden van
het lichaam met het aantal
meters van den verticalen af-
stand, dien het zwaartepunt doorloopt, als het lichaam uit
zijn oorspronkelijken
/*iff87
                                   evenwichtsstand in
den naastbijgelegen
labielen evenwichts»
stand wordt ge-
bracht.
Zijn van een recht-
hoekig parallelopipe-
dum (fig. 87) de
ribben a, b en c
meters lang, en is
de soortelijke massa
van de stof waaruit
het bestaat /, dan
is de massa van het
lichaam:
M= y abc kilogram,
en het gewicht:
G = gyabc eenheden.
Het stabiliteitsmoment ten opzichte van de ribbe A is:
, i
M= g y abc-~
eenheden.
-ocr page 167-
455
De verticale afstand, dien het zwaartepunt bij de kanteling
doorloopt, is:
De dynamische stabiliteit van het lichaam ten opzichte
van de ribbe A is dus bepaald door den arbeid:
%=grabe\\ \\/(|)2 (|)2 - |) eenheden.
Bestaat het lichaam uit graniet, waarvan de soortelijke
massa 2750 kilogram is, en is a = 0,8, b = 0,6 en
C = 4 meter, dan is:
31 = 9,81 . 2750 . 0,8 . 0,6 {l/Ö,42 Ö^P — 0,4 } = 1195eenh.
Wil men dezen arbeid in kilogrammeters uitdrukken, dan
moet bovenstaand getal door 9,81 gedeeld worden,
4195
of
                   21 = n 0. =132 kilogrammeters.
y,oi
Om dus dit granietblok om de ribbe A te doen kantelen
is er een arbeid noodig, even groot als de arbeid benoodigd
om een massa van 432 kilogram 4 meter hoog op te heffen.
§ 56. Weerstanden van twee lichamen, die
elkander in één punt steunen.
In § 53 is aangetoond, dat wanneer een lichaam in twee
vaste punten ondersteund wordt, de weerstanden van de
steunpunten niet kunnen bepaald worden, zoolang niet de
wijze van bevestiging in minstens één van beide steunpunten
bekend is. Dit laatste is nu het geval, indien twee lichamen
P en Q (fig. 88) elk in een vast punt bevestigd zijn, en
elkander iu een derde punt C wederkeerig steunen. Daar
toch werking en terugwerking aan elkander gelijk zijn, is
de kracht D, die Q in het punt C op P uitoefent en die
de draaiing van P om het vaste punt A belet, gelijk en
tegengesteld aan de kracht Z), , die P in het punt C op
Q uitoefent en die de draaiing van Q om het vaste punt B
-ocr page 168-
156
belet. Men heeft dus ter bepaling van D en DL twee
onderling onafhankelijke vergelijkingen, de momentenverge-
lijkingen ten opzichte van A en B, uit welke de grootten
en de richtingen der krachten D en Di kunnen gevonden
Füj.88
worden. Zijn de krachten J) en Bl bekend, dan kunnen
de weerstanden W en Wl van de vaste punten A en B
bepaald worden door middel van de in § 53 verklaarde en
in fig. 88 aangegeven constructie.
Voor het evenwicht wordt vereischt, dat de krachten
D, Z),, G,Gt in hetzelfde vlak werken; de zwaartepunten
S en St en de drie steunpunten A, B en C moeten der-
halve in eenzelfde verticaal vlak liggen. De lijn waarlangs
de kracht G werkt, snijdt derhalve de lijn AC, en het
snijpunt E mag als het aangrijpingspunt van G beschouwd
worden. Om dezelfde reden mag het snijpunt E. als het
aangrijpingspunt van het gewicht G{ worden aangenomen. Daar
de vorm van elk der lichamen hier slechts voor zooverre in
aanmerking komt, als de ligging van het zwaartepunt er
door wordt bepaald, zoo kan die vorm voortaan buiten be-
-ocr page 169-
157
schouwing blijven; de lichamen mogen behandeld worden
als vaste stangen, die in de vaste punten A en B beves-
tigd zijn, die elkander in C steunen, en die in E en El
met de gewichten G en (?, belast zijn. Dit eenvoudiger
geval is voorgesteld in fig. 89.
Om de grootte en de richting van elk der krachten D en
Fig.89.
2), te kennen, is het voldoende de ontbindingskrachten in .
horizontale en verticale richting te bepalen. Men verkrijgt
deze ontbindingskrachten H, Hl, V, Vl door achtereen-
volgens de momentenvergelijking op te stellen, eerst ten
opzichte van A en dan ten opzichte van B. Deze verge-
lijkingen zijn volgens fig. 90 en fig. 91.
— Vb — Hh Gc = 0 en — Vbt Hh{ — Gl c, = 0
of G c = M en (?, c, = Mx stellende, en in het oog hou-
dende dat
             Vl = V en H{ = H,
Vb Hh = M — Vbx R\\ = Mi.
De oplossing van deze vergelijkingen geeft voor de gezochte
ontbindingskrachten:
-ocr page 170-
458
Tf- Mbi M\\b
bht bxh \'
v_ Mht — M, h
bh\\ bth \'
De grootte van D, evenals die van D1 is:
Z) = Z), =
V H2 V
De hoek, dien de lij n waarlangs D
en Dl werken,
Fig.90
PUfQJ
2\'
•P\'
<
^*J-J*
h S^ ^r~~~~^->
r< h,
>^
Bi c,
f
B^**^
X
\\
!)
maakt met een horizontale hjn, verkrijgt men uit de ver-
V
gehjkmg:
                         tg « = -g-.
Is Mh, — M. h = 0 of J^ = -J-, dan is V, en dus ook
1
          \'                   Ml ft,
tg a nul; de richting van D is dan horizontaal.
Is Mft, — Mlh negatief, dan is V negatief; d. w. z. dat
in de figuur zoowel V als Vl in tegengestelde richting moet
worden genomen. Ook tg « is dan negatief, en de hoek a
is dan ook aan den anderen kant van de horizontale lijn
gelegen.
Is de kracht B bekend, dan kunnen de ontbindings-
krachten X en Y bepaald worden van den weerstand W
door het vaste punt A geboden. Men heeft toch:
X-H = 0          of 1=//
Y V-G = 0 of Y=G— V.
-ocr page 171-
159
Evenzoo vindt men voor de ontbindingskrachten Xl en F,
van den weerstand door het vaste punt B geboden:
X, = H en F, > ff, F.
De horizontale ontbindingskrachten X en X, van die
weerstanden zijn derhalve beide gelijk aan de horizontale
ontbindingskracht van den weerstand D, terwijl de som dei-
verticale ontbindingskrachten Y en F, gelijk is aan de som
van de gewichten der beide stangen.
§ 57. Brugbalans.
De horizontale hefboom A B (fig. 92) is om het vaste
punt O, de horizontale hefboom EZ is om het vaste punt Z
Fig92
O R
~E------
, .ic,
draaibaar. Zij zijn tevens door een verticale stang B .# zoo-
danig met elkander verbonden, dat een draaiing van den
eenen hefboom steeds een draaiing in tegengestelden zin
van den anderen tengevolge heeft. Het gewicht van de
drie stangen wordt verwaarloosd, of de invloed er van op
de een of andere w\\jze opgeheven.
-ocr page 172-
160
"Wordt in A \\een gewicht P, en ergens op den hefboom
EZ, bijv. in F, een gewicht Q aangebracht, dan kan men
de voorwaarde vinden, waaronder de geheele hefboomtoestel
in evenwichtstoestand is.
Door de stang B E wordt op den hefboom A B in het
punt B een kracht K, op den hefboom EZ in het punt E
een kracht ÜT, uitgeoefend. Daar werking gelijk is aan
terugwerking, wordt omgekeerd door den hefboom A B een
kracht K in het punt B, en door den hefboom EZ een
kracht Kt in het punt E op de stang B E uitgeoefend.
Daar ook de stang EB in evenwichtstoestand is, zoo moeten
de krachten K en Kt even groot zijn en in onderling tegen-
gestelde richtingen werken langs de lijn die B en E ver-
bindt. Uit den e ven wichtstoe-
Fiff.93.
stand van de hefboomen AB en
EZ volgen de vergelijkingen:
Pa = KR en KL = Ql,
OrC
of na eleminatie van K:
Pa= Q-j-S.
(61)
Men kan ook het gewicht Q
ergens rechtstreeks aan den hef-
boom AB (fig. 03) doen werken,
en het punt C zoeken, waar het
gewicht Q zal moeten aangrijpen,
opdat er ook nu nog evenwicht
zij. Dit punt kan gevonden wor-
den uit de vergelijking:
Pa = Qr. (62)
Uit de vergelij kingen (61) en
(62) blijkt, dat het voor den evenwichtstoestand van den
hef boom toestel onverschillig is, of het gewicht Q aangrijpt
in F of in C, indien slechts voldaan is aan de voorwaarde:
iB = r
r
~B\'
of -^ =
(63)
Wat voor het geheele gewicht Q waar is, geldt natuurlijk
ook voor een willekeurig deel er van. Wanneer men dus
-ocr page 173-
161
het gewicht Q bijv. in twee deelen qt en q2 verdeelt, en
het eene deel in F, het andere in C laat aangrijpen, dan
zal de uitwerking op den hefboomtoestel volkomen dezelfde
zijn, alsof het geheele gewicht Q rechtstreeks in Caangreep.
Een zoodanige verdeeling van het gewicht Q in twee
deelen heeft werkelijk plaats, wanneer dit gewicht aan-
gebracht wordt op een horizontalen balk DF (fig. 94),
Fig94.
3Z1
Y
1
welks eene uiteinde steunt in het punt F van den hefboom
EZ, en welks andere uiteinde bevestigd is aan het uiteinde
van een in het punt C opgehangen verticale stang CD.
Het gewicht van den balk D F en dat van de stang CD
wordt verwaarloosd, of de invloed er van op de een of
andere wijze opgeheven. Waar ook het gewicht Q op den
balk moge aangrijpen, het kan in zijn uitwerking worden
vervangen door krachten ql en q2 aangrijpende in de steun-
Dr. Julius, Mechanica.                                                    11
-ocr page 174-
162
punten F en D, waarbij de grootten van qt en q^ afhangen
van de plaats waar Q aangrijpt; steeds echter is qt -\\-q2 =Q.
Deze krachten qx en q2, aangrijpende in F en D , hebben
op den even wichtestand dezelfde uitwerking, alsof het ge-
wicht Q rechtstreeks in C werkte.
Ook in dit geval zal dus de hefboomtoestel in evenwichts-
toestand zijn als:
Pa = Qr of 0 = P-.
r
De hierboven beschreven hefboomtoestel heet de brug-
balans; voldoen de hefboomsarmen aan vergelijking (63) ,
dan is de evenwichtsstand der balans onafhankelijk van de
plaats, waar het gewicht Q op de horizontale brug DF
wordt aangebracht. Kent men de verhouding —, dan kan
men het onbekende gewicht Q uit het bekende gewicht P
vinden. Gewoonlijk wordt de verhouding — = 10 genomen.
§ 58. Balans van Roberval.
(fig. 95) zijn twee even lange, onderling
AO en A, 0,
Fig 95
evenwijdige stangen, in
de vaste punten O en Ot
draaibaar, en in de pun-
ten A en At bevestigd
aan een vast lichaam
CDAA
wijze, d
, , op zoodanige
stangen
ook in de punten A en
Ax draaibaar zijn. Indien
op het lichaam CDAAt
een koppel PI werkt,
dan zal dit koppel op de
beweging van het lichaam
geen invloed hebben. Men
kan toch dit koppel ver-
vangen door een ander,
waarvan de krachten aan-
grijpen in de punten A en At (fig. 96) en werken langs
-ocr page 175-
163
de lijnen AO en-4, O,. Daar iedere kracht langs die lijnen
werkende, door de weerstanden van de vaste punten O en
O, wordt in evenwicht
Fig96
gehouden, zoo zal het kop-
pel geen invloed hebben
----------------1
1----------------
* A
op de beweging van het
lichaam CD AA,.
Hierop berust de in-
richting van de balans
van Roberval (fig. 97).
De vier stangen AB,
A,B,, AA, \'en BB,
zijn zoodanig aan elkan-
der bevestigd, dat zij een
parallelogram vormen; de
stangen zijn in de ver-
bindingspunten draaibaar.
De stangen A B en A, B,
zijn in het midden bevestigd aan twee op dezelfde verticaal
gelegen vaste punten O en O, , en eveneens om die punten
Fig 97.
o,
-i-------------i              • D                                              Ci-------1-------------1—
f                                                                                                    Pt
A-------------------------------2------------------------------B
a)---------------------2--------------------U,
draaibaar. Aan de naar boven verlengde stangen AA, en
B Bt zijn de schalen bevestigd. Is de plaats van het zwaarte-
11*
-ocr page 176-
164
punt zoodanig gekozen, dat de onbelaste balans alleen bij
horizontalen stand der stangen A B en At Bx in rust is,
dan zal dit steeds zoo zijn, als de schalen met de even
groote gewichten P en Px zijn belast. De plaats waar de
belasting op de schalen wordt aangebracht, heeft geen in-
vloed op den evenwichtsstand. Men kan toch steeds de in
verticale richting werkende kracht P, op een willekeurig
punt der schaal aangrijpende, vervangen door een even groote
kracht werkende langs de verticale stang A At en een
koppel. Daar dit laatste volgens het boven verklaarde geen
invloed heeft op den evenwichtsstand, zoo is de werking
van P, in een willekeurig punt van de schaal aangrijpende,
dezelfde als de werking van een even groot gewicht P,
aangrijpende in eenig punt van de verticale stang A AY.
HOOFDSTUK IX.
Wryvingsweerstand.
§ 59. Wrij vin gscoëfficient.
Indien een lichaam zich beweegt langs een horizontaal
steunvlak, en er behalve de weerstand van het steunvlak
alleen zijn gewicht G op werkt, dan leert de ervaring, dat
de snelheid der beweging vermindert, en dat het lichaam na
korter of langer tijdsverloop tot rust komt Om de bewegings-
toestand van het lichaam onveranderd te doen blijven, is
het noodig dat op het lichaam nog bovendien een kracht
werkt; deze kracht moet een ontbondene hebben in de
richting der beweging, waarvan de grootte van de omstan-
digheden afhangt.
Hieruit volgt, dat de weerstand T (fig. 98). dien het vlak
aan het lichaam biedt, niet werkt langs de normaal op het
vlak, maar ontbonden moet kunnen worden in twee krachten;
is de eene ontbindingskracht N normaal op het vlak, dan
moet de andere W in het vlak werken in een richting
tegengesteld aan die der beweging, De grootte dezer laatste
ontbindingskracht W kan bepaald worden door te onder-
-ocr page 177-
165
zoeken hoe groot de kracht K is, die in de lichting dei-
beweging op het lichaam moet werken om de beweging
eenparig te doen zijn. Men heeft bevonden, dat de ont-
bindingskracht W des te kleiner is, hoe gladder de langs
elkander bewegende op-
F(fj98                             pervlakken zijn, en men
neemt daarom aan, dat
zy veroorzaakt wordt door
de kleine oneffenheden
dier oppervlakken, die
zelfs door de zorgvuldigste
\\m\\s\\m\\\\vv\\\\WW4\\\\\\^
polijsting niet geheel weg-
senomen kunnen worden.
De ontbindingskracht W
wordt de wrijvingsweer-
stand
genoemd; de ont-
bindingskracht N zal voortaan de normale weerstand heeten,
terwijl de weerstand T door het vlak geboden, en waarvan
N en W de ontbindingskrachten zijn, duidelijkheidshalve
totale weerstand zal genoemd worden.
Steeds wanneer twee lichamen een druk op elkander
uitoefenen en zij zich langs elkander bewegen, treedt een
wrijvingsweerstand op, die in het aanrakingsoppervlak op
elk der beide lichamen werkt in een richting tegengesteld
aan die, waarin het zich beweegt. De ervaring leert, dat
bij twee bepaalde lichamen met zoo goed mogelijk gepolijste
oppervlakken de grootte van den wrijvingsweerstand ten
naastenbij evenredig is met de grootte van den normalen
druk, dien zij op elkander uitoefenen, of:
W=fN.                      (64)
W
Het standvastige getal, dat de verhouding^ aangeeft,
wordt de wrijvingxcoëfficient dier beide lichamen genoemd.
Kent men twee der in vergelijking (64) voorkomende groot-
heden, dan kan uit die vergelijking de derde worden bepaald.
Heeft bijv. een slede met een massa van 250 kilogram,
een eenparige beweging over een gladde horizontale ijsbaan,
terwijl er een trekkracht in horizontale richting op werkt,
dan is de normale druk 250.9,8 = 2450 dynamische
, -\'st> .. *>«l <V-»
-ocr page 178-
166
eenheden. Is uit proeven reeds bekend, dat in dit bijzonder
geval de wrijvingscoëfficient f= 0,02 is, dan vindt men
voor den wrijvings weerstand:
W = 0,02 X 2450 = 49 eenheden.
Heeft men omgekeerd, door rechtstreeksche meting de
grootte van de vereischte trekkracht, en daarmede de grootte
van den wrijvingsweerstand bepaald, en daarvoor 49 een-
heden gevonden, dan zou de wrijvingscoëfficient in dit bij-
zonder geval zijn:
De proeven , die men genomen heeft om voor elk bijzonder
geval de grootte van den wrijvingscoëfficient te bepalen,
hebben het volgende geleerd:
\\) De grootte van den wrijvingscoëfficient hangt grooten-
deels af van de stof der beide wrijvende lichamen en van
de hoedanigheid en den toestand der in aanraking zijnde
oppervlakken. Bij harde lichamen kan door het aanwenden
van geschikte smeermiddelen een aanzienlijke vermindering
van den wrijvingscoëfficient verkregen worden. Hoe harder
en gladder de wrijvende lichamen zijn, hoe zorgvuldiger zij
gesmeerd worden, des te meer mag de wrijvingscoëfficient
beschouwd worden als onafhankelijk van de stof waaruit de
lichamen bestaan.
2)   De snelheid van de beweging heeft invloed op de
grootte van den wrijvingscoëfficient. Wordt de snelheid
kleiner, dan neemt de wrijvingscoëfficient toe; hij bereikt
zijn grootste waarde bij de snelheid nul; dat is, de wrijvings-
coëfficient bij den overgang van rust in beweging is grooter
dan de wrijvingscoëfficient bij beweging, en bij een langzame
beweging is hij grooter dan bij een snelle.
3)    De wrijvingscoëfficient hangt bovendien af van de
wijze, waarop de druk over het vlak van aanraking is ver-
dceld, dat is, van de grootte van den druk op de vlakte-
eenheid. Bij zeer kleinen en bij zeer grooten druk op de
vlakte-eenheid is de wrijvingscoëfficient grooter dan bij ge-
middelden druk, en men mag aannemen, dat er voor twee
bepaalde lichamen een bepaalde grootte van dezen druk is,
-ocr page 179-
167
bq welke de wrijvingscoëfficient onder overigens gelijke
omstandigheden zijn kleinste waarde bereikt.
4) Gedurende de beweging worden voortdurend kleine
deeltjes van de oppervlakken der wrijvende lichamen los-
gescheurd. Dientengevolge ondergaat de toestand der
wrijvende oppervlakken, de verdeeling van den druk, en
derhalve ook in het algemeen de grootte van den wrijvings-
coëfficient een aanhoudende verandering.
Daar eensdeels de wijze waarop de verschillende omstandig-
heden haar invloed doen gelden, onbekend en niet nauw-
keurig te bepalen is; daar anderdeels deze omstandigheden
zelve gedurende de wrijving veranderen, zoo kan er geen
sprake zijn van onveranderlijk geldige, of zelfs van eeniger-
mate nauwkeurig vast te stellen waarden der wrijvings-
coëfficienten. Men moet zich dus vergenoegen met gemid-
delde waarden, welke als ruwe benaderingen van de werkelijke
waarden te beschouwen zijn, met grenswaarden, tusschen
welke onder gewone omstandigheden de waarden der wrijvings-
coëfficienten veranderen.
§ 60. W r ij v i n g s h o e k.
De wrij vingsweerstand kan uit den aard dei\' zaak alleen
een beweging verhinderen of een bestaande beweging ver-
tragen, nooit een beweging voortbrengen.
Op elk der beide wrijvende lichamen werkt de wrijvings-
weerstand steeds in de richting tegengesteld aan die, waarin
zich het lichaam of werkelijk beweegt, öf zonder het voor-
handen zijn van den wrijvingsweerstand zou bewegen. Heeft
de beweging werkelijk plaats, dan heeft de wrijvingsweer-
stand steeds de grootte W = fN.
Zijn daarentegen de lichamen in rust, en is een gedeelte
van de kracht fN. reeds voldoende om het in beweging
komen te verhinderen, dan komt slechts juist dat gedeelte
werkelijk tot stand, en de wrijvingsweerstand is in dat geval
kleiner dan fN. Streng genomen moet dus fN als de
bovenste grenswaarde van de kracht W beschouwd worden,
zoodat de werkelijke grootte van den wrijvingsweerstand
moet voldoen aan de voorwaarde:
W<^fN.
-ocr page 180-
168
Wanneer een lichaam geplaatst is op een vlak, dat met
den horizon een hoek qp maakt, dan zou het steeds in be-
weging komen, indien er geen wrijvingsweerstahd was. Het
gewicht Q (fig. 99) van het lichaam kan toch worden ont-
tfu/99
bonden in de twee ontbindingskrachten Q sin qp en Q cos qp;
de laatste Q cos qp roept een normalen weerstand N = Q cos qp
van het vlak te voorschijn, en wordt door dezen in even-
wicht gehouden; de eerste Q sin qp zou een beweging van
het lichaam tengevolge hebben; de wrijvingsweerstand werkt
deze beweging tegen. De werkelijke grootte van de kracht W
hangt af van de grootte van den hoek qp; hierbij kunnen
twee gevallen voorkomen.
Is de hoek qp groot, en tengevolge daarvan Q sin qp grooter
dan fN of fQcosqi, dan komt de beweging werkelijk tot
stand, en dan is steeds:
W = f Q cos qp.
Is daarentegen de hoek qp klein, en tengevolge daarvan
^sinqp kleiner dan fQcosy, dan is een gedeelte van deze
laatste kracht reeds voldoende om het tot stand komen der
beweging te verhinderen, en de in werking komende wrjj-
vingsweerstand heeft dan slechts de grootte:
W = Q sin qp.
-ocr page 181-
169
Heeft de hoek qp een zoodanige grootte dat:
Qsin <j> = fQcos q> of tg qp = f,          (65)
dan is deze hoek </j de grootste van alle hoeken, bij welke
de wrij vingsweerstand nog voldoende is om de beweging te
verhinderen. Deze hoek wordt de wrijvingshoek genoemd.
Uit vergelijking (65) blijkt dat de wrijvingshoek de hoek is,
waarvan de tangens gelijk is aan den wrijvingscoëfïicient.
Men heeft hierin een middel om de grootte van den
wrijvingscoëfficient door proefneming te bepalen. Men plaatst
daartoe het lichaam op een hellend vlak, en laat den hellings-
hoek allengs grooter worden, zoolang totdat het lichaam in
beweging komt; de tangens van dezen hellingshoek is dan
de wrijvingscoëfficient bij den overgang van rust in beweging.
Om den wrijvingscoëfficient bij een bepaalde snelheid te
vinden, moet men den hellingshoek een zoodanige grootte
trachten te geven, dat het lichaam zich met de bepaalde
snelheid eenparig langs het vlak beweegt; de tangens van
den hellingshoek is dan de wrijvingscoëfficient bij die be-
paalde snelheid.
Hierbij moet nog het volgende in het oog gehouden wor-
den. Indien het lichaam een eenparige beweging heeft,
dan moeten de uitwendig op het lichaam werkende krachten
elkander in evenwicht-houden Deze krachten zijn het ge-
wicht van het lichaam en de totale weerstand. Daar deze
krachten om in evenwicht te zijn langs dezelfde lijn moeten
werken, en de totale weerstand klaarblijkelijk moet aangrijpen
in een punt binnen de ondersteuningsbasis gelegen, zoo
moet ook de verticaal van het zwaartepunt het vlak snijden
binnen de ondersteuningsbasis. Ligt het zwaartepunt zoo
hoog of is de ondersteuningsbasis zoo klein, dat de verticaal
van het zwaartepunt het vlak snijdt in een punt buiten de
ondersteuningsbasis, dan zal het lichaam omkantelen. Voortaan
zal steeds worden aangenomen, dat het eerste het geval is,
en dus het lichaam in stabielen evenwichtstoestand is. In
dit geval is de beweging van het lichaam, zooals later zal
worden aangetoond, evenzoo alsof alle krachten aangrepen
in het zwaartepunt.
Indien een lichaam met het gewicht Q (fig. 100) een
eenparige beweging heeft langs een horizontaal vlak, dan
-ocr page 182-
•170
kan de grootte bepaald worden van de kracht, die daartoe
op het lichaam moet werken langs een lijn, welke den
hoek u maakt met de verticaal. De som der ontbindings-
krachten langs het vlak moet gelijk nul zijn; dus:
K sin « — W = 0.
FUjlOO.
X-Q ICcosa.
ï-Ksin a
JU*
Daar het lichaam zich langs het vlak beweegt, is W= fN,
of daar:
                   N=Q-\\-Kcosu
Ks\\n a — fQ — fKcos « = 0
sina— f cos cc
Hierin f vervangende door tg<p, vindt men na herleiding:
sinqp
K*=Q
sin (« — <p)\'
De grootte van K hangt af van de grootte van hoek «;
als ct= q> is, wordt K oneindig groot; de eenparige bewe\'
ging van het lichaam is dus slechts dan mogelijk als «
grooter is dan g>. K heeft de kleinste waarde als « = 90 4- <p
is, dat is, als de lijn waarlangs zij werkt een hoek cp gelijk
aan den wrijvingshoek maakt met het horizontale vlak. Zij
verkrijgt dan de waarde:
K = Q sin cp.
-C^,;
^
?- ?-T e* C-->
>-^-7 -\'-i-» *-T-*~ ^^->
/\'
l?\'
-ocr page 183-
171
Steeds wanneer een lichaam zich langs een vlak beweegt
kan de totale weerstand ontbonden worden in den normalen
weerstand N, en in den wrijvingsweerstand f N. Den hoek qp,
dien de lijn waarlangs de totale weerstand werkt, maakt
met de normaal, kan men vinden uit de vergelijking:
Indien dus een lichaam zich beweegt langs een vlak, dan
maakt de lijn, waarlangs de totale weerstand werkt, met de
normaal een hoek <p gelijk aan den wrijvingshoek aan den
kant van de normaal tegengesteld aan de richting der be-
weging.
§ 61. Lichaam in twee punten ondersteund
door vaste vlakken.
Een lichaam dat in twee punten op vlakken steunt, heeft
alleen dan een e ven wichtsstand, als de steunpunten en het
zwaartepunt in hetzelfde verticale vlak gelegen zijn. Er
wordt verder aangenomen, dat dit verticale vlak loodrecht
staat op de horizontale doorsnede der twee steunvlakken, en
dat de wrijvingscoëfficienten in de beide aanrakingspunten
even groot zijn.
Richt men in de aanrakingspunten A en B normalen op,
en snijden deze elkander in een punt D van de verticaal
door het zwaartepunt, dan is het lichaam in evenwichts-
toestand, zelfs clan als de steunvlakken volkomen glad zijn.
De grootten der normale weerstanden kunnen dan gevonden
worden uit de bekende parallelogramconstructie.
Ligt het snijpunt D (fig. 101) niet in de verticaal van
het zwaartepunt, dan werken de wrijvingsvveerstanden mede
om het lichaam in rust te houden. Om te bepalen in
welke richting de wrijvings weerstand in elk der aan-
rakingspunten werkt, kan men zich voorstellen, dat het
lichaam in het punt D is opgehangen; uit de richting der
draaiende beweging, alsdan dooi1 het gewicht Q veroorzaakt,
kan men de richtingen bepalen, in welke de aanrakings-
plaatsen A en B langs de steunvlakken zouden glijden,
indien er geen wrijvingsweerstanden waren. De wrijvings-
-ocr page 184-
172
weerstanden werken dan deze glijdende beweging tegen.
In fig. 101 ligt het snijpunt D links van de verticaal door
het zwaartepunt. Het in D opgehangen lichaam zou een
draaiing in positieve richting krijgen, het punt A zou naar
FifflOJ.
boven, het punt B naar beneden glijden; in A werkt der-
halve de wrijvingsweerstand naai\' beneden, in B naai\' boven.
Om de grootte te bepalen, die de wrijvingscoëf\'ficient min-
stens hebben moet, opdat het lichaam in dezen stand in
rust blijve, beschrijft men op CD als middellijn een cirkel-
omtrek. Het punt O, waar de verticaal van het zwaarle-
punt dezen cirkelomtrek snijdt, is tevens het snijpunt van
de lijnen, waarlangs de drie krachten, het gewicht Q en de
-ocr page 185-
173
twee totale weerstanden T en ï1, op het lichaam werken.
De hoeken <j), die de lijnen, waarlangs? de totale weerstanden
T en Tx werken , maken met de overeenkomstige normalen
Ar en Nt , en die aan elkander gelijk zijn, als op den/.elfden
boog D G staande hoeken aan den omtrek, zijn de wrijvings-
hoeken; de gezochte wrijvingscoëfficient is dus f= tg qp. Is
de werkelijke wrijvingscoëfficient kleiner dan tgqp, dan ver-
krijgt het lichaam een glijdende beweging. Is hij juist
gelijk aan tgqp, dan bevindt het lichaam zich aan de grens
van den evenwichtstoestand. De krachten T en T, kunnen
dan bepaald worden, öf door de in fig. 101 aangegeven
parallelogramconstructie, óf door de uit deze voortvloeiende
evenredigheid:
I": T, : Q = sin (90 — «j — <p): sin (90 — « q>) :
sin(« «,),
waaruit men vindt:
TsssQ cos^ y)               (66)
sin (« -j- öj)                      x \'
T;.\'g"(\'-f)              \' (67)
1           sin (« -f-«,)                     v \'
De normale weerstanden N en N. kunnen gevonden
worden door ontbinding van de totale weerstanden Ten T, ;
men vindt daarvoor dan:
N= Tcosy en Nt = ï7, cos qp.
Is de werkelijke wrijvingscoëfficient grooter dan de voor
tg qp gevonden waarde, dan komt in de aanrakingsplaatsen
niet de geheele wrijvingsweerstand fN tot stand, maar
slechts dat gedeelte, hetwelk noodig is om de beweging te
verhinderen. De totale weerstanden T en T, hebben dus
dezelfde grootte en richting als zij zouden gehad hebben,
indien de werkelijke wrijvingscoëfficient slechts de waarde
had, uit den boven gevonden hoek qo als wrijvingshoek voort-
vloeiende. De grootte van T en Tt kan dus ook dan uit
de vergelijkingen (66) en (67) gevonden worden.
Is omgekeerd de wrijvingscoëfficient f = tgqp gegeven, en
wordt de verticaal gezocht, waarin het zwaartepunt moet
-ocr page 186-
\'
174
liggen, opdat het lichaam zich aan de grens van den even-
wichtstoestand bevinde, dan kan men het punt 0 van de
gezochte verticaal leeren kennen door lijnen te trekken, die
met de normalen den gegeven wrijvingshoek qp maken. Er
is echter nog een tweede verticaal, die aan de vraag vol-
doet. Wanneer men namelijk in elk der beide aanrakings-
punten den hoek q> aan den anderen kant van de normaal
uitzet, dan is het links van het punt D gelegen snijpunt
eveneens een punt, welks verticaal de verlangde eigenschap
bezit.
Daar de vorm van het lichaam slechts in zooverre van
invloed is op den evenwichtstoestand, als van dien vorm
afhangt de ligging der aanrakingspunten en der verticaal
van het zwaartepunt, zoo kan men het lichaam beschouwen
als een rechte stang, welke samenvalt met de lijn, die de
beide aanrakingspunten verbindt, en welker gewicht aan-
grijpt in het snijpunt dier lijn met de verticaal van het
zwaartepunt.
Om de verhouding te bepalen van de stukken A E en
BE (fig. 102), waarin het aangrijpingspunt E de stang AB
moet verdeelen, opdat deze zich aan de grens van den even-
wichtstoestand bevinde, heeft men uit de driehoeken AEO
en BEO de vergelijkingen:
O E sin («— q> — ê)        . ,          .               . • (I,
-j-=, =-----—;—------~ = tg (« — qp) cos t — sin f
A E           cos (a — qp)            6 v ^\'
O E sin («. qp *)           . . .         . .
^g-g, == —v \' \' | \' = tg (er, -f- qp) cos f -f- sin f,
BE
         cos (a, -f- qp)              v * \' \'           \'
waarin f de hoek is, dien de stang AB maakt met den
horizon. Deelt men de laatste vergelijking door de eerste,
dan verkrijgt men:
AE __tg («, -(- qp) cos * -\\- sin *
BE tg (a — qp) cos t — sin t \'
AE
of als men het quotiënt -ö-==« stelt, en teller en noemer
D tl
van het tweede lid door cos f deelt:
„ = <g(«, y) tg«              (68)
tg(« — <?)—tg*
. •\' - ff - (        Jt - , { (\' c . Cp ) - <j ./. - /e-\'üjtenl ~ £v> /a - <fh
f -j f\' - 6?)                              ri-,i \' e. . fr)                                   tM^ ( ^ • ff !
\'t ~(rJ"-> \'t -J>" £                         ______________________________
-ocr page 187-
175
Uit deze vergelijking kan de waarde van n of de ligging
van het aangrijpingspunt E bepaald worden, indien de hoek e,
dien de stang met den horizon maakt, gegeven is. Lost
men er tg i uit op, dan vindt men:
n tg (a-sp)--tg («, »)           (69)
FUf.lOS.
,0-M lp
<c-9>\\
WW-
~*s*
waaruit de hellingshoek t kan worden gevonden als de ver-
houding n gegeven is.
Stelt men hierin u = 90° en «, =0, dan heeft men:
n — f*
n cotg q> — tg <p
~~ï n
(70)
tg* =
(4 n)f
• .
-ocr page 188-
176
Uit deze vergelijking kan de hoek worden bepaald, dien
een op den horizontalen bodem staande en tegen een verti-
calen wand steunende ladder minstens met den horizon
moet maken om niet uit te glijden. Ligt het zwaartepunt
van den ladder in het midden, dan wordt »=1, dus:
i—P
tg » = —rf-.
Is bijv. ƒ =0,2, dan wordt:
1 — 0,04                               0
tg f =-----k—;-----= ".4 en t = 67 ,5.
°               0,4
Bij een hoek van 67°,5 met den horizon zou de ladder
zich derhalve aan de grens van den evenwichtstoestand be-
vinden.
De waarde van n uit vergelijking (68) heeft blijkens
fig. 102 betrekking op de grens, tot welke het aangrijpings-
punt E naar rechts kan worden verschoven zonder dat de
stang zal uitglijden. Vervangt men in deze vergelijking
« — (f door cc -\\- qp, en «j -(- qp door or, — cp , dan ver-
krijgt men:
A3\\ = n — tg («i — 9) *g *           /7i\\
5^"_ M\' " tg(«-fqp)-tgf            \'• "*
Deze vergelijking heeft betrekking op het snijpunt O,
(fig. 103), dat men verkrijgt als men in elke aanrakings-
plaats den wrijvingshoek in de tegenovergestelde richting
uitzet. Zij geeft de grens aan, tot welke het aangrijpings-
punt Et naai\' links kan worden verschoven zonder dat de
stang zal uitglijden.
Het tusschen de lijnen A O en A O, liggende gedeelte
van het vlak der teekening is namelijk de meetkundige plaats
van alle mogelijke lijnen, waarlangs de totale weerstand T
kan werken; evenzoo is het tusschen de lijnen B O en B O,
liggende gedeelte de meetkundige plaats van alle lijnen, waar-
langs de totale weerstand Tt kan werken. Het in fig. 103
gestreepte gedeelte OOt van het vlak der teekening, dat
beide hoeken gemeen hebben, is dus het gebied, waarop het
snijpunt van de lijnen waarlangs de drie krachten Q, T en
Tt werken, steeds moet worden gezocht. Van den cirkel-
-ocr page 189-
177
omtrek CA DB kunnen derhalve slechts die punten, welke
binnen dien vlakte-inhoud liggen, snijpunten van genoemde
drie lijnen zijn. Trekt men dus verticalen door de eind-
punten O en O, van den binnen dien vlakte-inhoud liggen-
Fuf.103
den boog OOl1 dan verkrijgt men de grenspunten Een Elt
tot welke het aangrijpingspunt van Q naar den eenen en
naar den anderen kant langs de stang kan worden ver-
schoven, zonder dat deze zal uitglijden.
B*l*               AE
Stelt men tb = m,
AB
dan is:
BE
AB
m
= 1 — m en n
m
Substitueert men deze waarde voor n in vergelijking (68),
dan verkrijgt men:
m= ^ K <f) ± tg«
tg («i f) tg (« —
12
Dr. JuLIÜS, Mechanica
C
-ocr page 190-
•
178
Handelt men eveneens met vergelijking (71), en stelt
men dus:
m,
dan verkrijgt men:
m — *» (tti — ff) <g «
1 tg(«, — <»)) tg (« <?)\'
Isa — (f = f, dan wordt m = 1, en is tevens «t — <p = — t,
dan wordt w, =0. Zijn beide voorwaarden vervuld, dan
vallen de grenspunten E en E, met de eindpunten B en A
der stang samen. In dit bijzonder geval kan dus elk wille-
keurig punt der stang als aangrijpingspunt van het gewicht
worden gekozen, zonder dat de stang zal uitglijden.
Stelt men daarentegen in de twee voorgaande vergelij-
kingen qp = 0, dan verkrijgt men:
tg«, -4- tg f
tg «i tg «
dat is, als de steunvlakken volmaakt glad zijn, dan vallen
de twee grenspunten E en Et samen; in dit geval is er
slechts één punt waar het gewicht Q kan aangrijpen zonder
dat de stang zal uitglijden; namelijk dat punt, hetwelk met
D in dezelfde verticaal ligt.
§ 62. Wrij v i ngscoëffi cien t en wr ij vingshoe k
bij de beweging in gleuven.
Wanneer een lichaam zich voortbeweegt in een horizon-
tale wigvormige gleuf, gevormd door twee elkander volgens
een horizontale lijn snijdende vlakken, dan zal in elk der
beide vlakken van aanraking een wrijvingsweerstand worden
te voorschijn geroepen, welke in een richting tegengesteld
aan die der beweging, en dus in horizontale richting werkt.
Is de beweging van het lichaam eenparig, dan moet er een
kracht op werken, welker horizontale, in den zin der
beweging gerichte ontbondene K gelijk is aan de som
der beide wrijvingsweerstanden.
De wrijvingsweerstand langs elk der steunvlakken is ge-
-ocr page 191-
179
lijk aan het product van den normalen druk met den
wrijvingscoëfficient. Er wordt aangenomen dat de wrijvings-
coëfficienten voor de beide steunvlakken even groot zijn, en
dat de steunvlakken gelijke hoeken maken met de verticaal.
De normale weerstanden N en Nt zijn dan even groot, want
hun vervangende R moet de grootte Q hebben en in ver-
ticale richting naar boven werken; de lijn, waarlangs zq
werkt, deelt dus den hoek middendoor, gevormd door de
lijnen, waarlangs N en JV, werken.
Uit fig. 104 verkrijgt men derhalve de vergelijkingen:
Q-flMia of N=^
,\'. „f-        K = *fN=JQ,              (72)
waarin 8 is de halve hoek der gleuf.
Wanneer meerdere zoodanige gleuven, welke alle denzelfden
hoek hebben, horizontaal en evenwijdig naast elkander lig-
gen (fig. 105), en in elk dier gleuven een lichaam glijdt,
dan is de kracht, die op elk lichaam moet werken om de
beweging eenparig te doen zijn, volgens vergelijking (72)
gelijk aan het gewicht van het lichaam vermenigvuldigd met
12*
t
-ocr page 192-
180
f
het quotiënt -\'---, Bijgevolg is ook, als alle lichamen tot een
geheel vereenigil worden, de kracht, die op het geheel moet
werken om de beweging eenparig te doen zijn, gelijk aan
f
het product van het geheele gewicht met het quotiënt .\' »,
sin o
steeds in de veronderstelling, dat op alle aanrakingsplaatsen
de wrijvingscoëfïicient dezelfde grootte heeft. Vergelijking
(72) geldt dus ook voor het geval dat er meerdere gleuven
naast elkander liggen.
üe beweging over een horizontaal vlak kan beschouwd
worden als een bijzonder geval van de beweging in gleuven,
FiglOÖ
wzm
en wel in een zoodanige gleuf, wier hoek 180° bedraagt.
Stelt men toch in vergelijking (72) 8 = 90°, dan verkrijgt
men de vroeger gevonden , voor de beweging over een horizon-
taal vlak geldende waarde K—fQ. De werking van de gleuf
bestaat dus in het vergrooten van den wiïjvingscoëfficient
f
in reden van f tot . „, en het quotiënt:
sin d
                \'
A = fi                          O73)
sin d "                                  v \'
kan »de wrijvingscoëfficient voor de beweging in gleuven"
genoemd worden.
Zal een lichaam onder de werking van zijn gewicht in
een hellende gleuf met eenparige beweging naar beneden
glijden, dan moet de hellingshoek der gleuf, in plaats van
den wrijvingshoek <p. de grootere hoek i/i zijn, welke hoek
kan worden gevonden uit de vergelijking:
tg ip = /i.
Deze hoek kan om die reden »de wrijvingshoek voor de
beweging in gleuven" genoemd worden.
-ocr page 193-
181
§ 63. Wrijving van tappen in tappannen.
Twee op een vast lichaam werkende koppels houden elkan-
der in evenwicht als hun momenten even groot zijn, maar
in teeken verschillen. Als dus een lichaam om een as
wentelt, en de uitwendige krachten die er op werken,
samen twee koppels vormen met even groote maar tegen-
gestelde momenten, dan heeft het lichaam een eenparig
draaiende beweging. Omgekeerd, wanneer behalve een ge-
geven koppel nog andere uitwendige krachten werken op
een eenparig draaiend lichaam, dan moeten die andere
krachten samen eveneens een koppel vormen, welks moment
even groot is, als dat van het gegeven koppel, maar daar-
van in teeken verschilt.
Indien een lichaam met het gewicht Q om een horizontale
as draait, en daarbij met een paar tappen op tappannen
rust, dan moet, om de beweging een eenparig draaiende
te doen zijn, op het lichaam voortdurend een koppel werken.
Er wordt aangenomen, dat behalve dit koppel M en het ge-
wicht Q, op het lichaam nog slechts werken de weerstanden,
die de cilindrische tappannen aan de tappen bieden, en dat
de tappen zonder klemmen, dus met eenige speelruimte hoe
klein ook, in de tappannen draaien. De vervangende Tvan deze
weerstanden moet dan met het gewicht Q een koppel vormen;
zij moet dus even groot zijn als Q en verticaal naar boven
werken. Hieruit kan het moment M bepaald worden van het
koppel, dat de draaiende beweging eenparig doet blijven.
De totale weerstand T kan steeds ontbonden worden in
den normalen weerstand N en den langs de raaklijn aan
den tap werkenden wrijvingsweerstand fN. Zooals vroeger
is verklaard maakt, indien er werkelijk een glijden plaats
grijpt, de lijn waarlangs de totale weerstand werkt met de
normaal steeds een hoek gelijk aan den wrijvingshoek qp.
De kracht T zal dus slechts dan verticaal naar boven kun-
nen gericht zijn, als de straal OP van het punt P, waar
de tap de tappan aanraakt, den wrijvingshoek <p maakt met
de verticaal (fig. 106). De arm van het door de krachten
Q en T gevormde koppel is dan O P sin <p, en het moment
M van het drijvende koppel:
M= QQsmcp.                          (74)
-ocr page 194-
182
Het product Qgtaaqi is de nauwkeurige uitdrukking voor
het moment van den wrijvingsweerstand van tappen. Meestal
is de wrijvingshoek qp zoo klein, dat men sin qp door tg <p
of den wrijvingscoëfficient f mag vervangen, te meer omdat
de waarde van f toch niet met volkomen juistheid bepaald
kan worden.
Vergelijking (74) verandert daardoor in:
M=QQf.
(75)
Substitueert men in vergelijking (74) voor Q haar waarde
N
-, dan ziet men dat de waarde van M in vergelijking
COS qp
(75) slechts daarin van die in vergelijking (74) verschilt,
dat men in de laatste
Tig.iOó,
                          N vervangt door Q,
dat men dus het onder-
scheid tusschen 2V en
Q verwaarloost; men
neemt daarbij dus aan,
dat de normale weer-
stand, dien de tappan
biedt aan den tap,
slechts weinig verschilt
van het gewicht der as.
Is dus de as nog met
een ander gewicht be-
last, en noemt men de
geheele belasting , het
gewicht der as daar-
onder begrepen, D, dan
heeft men meer algemeen voor het moment van den wrijvings-
weerstand van tappen:
M=fDe.
(76)
Wanneer de tappan niet cilindervormig is, maar de ge-
daante heeft van een gleuf (fig. 407), dan vormt de ver-
vangende R van de in de aanrakingspunten A en B werkende
totale weerstanden T en ï1, met de kracht D het koppel,
dat de draaiende beweging tegenwerkt, en door het drijvende
-ocr page 195-
183
koppel moet worden in evenwicht gehouden. Zooals uit de
figuur blijkt is het moment van dit koppel:
M=Dx.                      (77)
Om de grootte van x te vinden kan men opmerken, dat
de vijf punten A, O, P, B, C op den omtrek van een
FUf.107.
cirkel liggen. Noemt men den straal van dien cirkel r,
dan heeft men:
x = P E = r sin 2 qp, q = 2 r sin 5,
of de hieruit voortvloeiende waarde van x:
sin 2 qp                           ._.,.
x = q ö . %                           (78)
* 2 sin o                           v
in vergelijking (77) substitueerende:
,, r. sin 2 cp
2 sin d
Is de wrijvingshoek zeer klein, dan kan sin2qp vervangen
-ocr page 196-
184
worden door 2 sin qp of 2 tg <p = 2 f, waardoor men voor
het moment van genoemd koppel vindt:
M= -.f-xDQ,                         (79)
sin d
f
of
sin d
= ƒ, stellende:
M=flDg.                     (80)
Uit deze vergelijking blijkt, dat de vergelijkingen (75) en
(76) voor de beweging in cilindervormige tappannen gevon-
den, ook gelden voor de beweging in gleufvormige tappannen,
mits men daarin den wrijvingscoëfficient f vervangt door ƒ,,
den wrijvingscoëfficient bij de beweging in gleuven.
Daar ƒ", steeds grooter is dan f, zoo is het moment van
het koppel, dat vereischt wordt om de draaiende beweging
eenparig te doen blijven, bij gleufvormige tappannen grooter
dan bij cilindervormige. Is bijv. 2 ö = 60° dus sin 5 = 4,
dan is ft = 2 f.
§ 64. W rij vi ngsrollen.
Het is dikwijls gewenscht bij de draaiende beweging
van een rad, den wrijvingsweerstand, dien de tap van het
rad ondervindt, zoo klein mogelijk te doen zijn. Daartoe
kan men gebruik maken van zoogenaamde wrijvingsrollen.
De inrichting van den toestel kan op tweeërlei wijzen ge-
schieden. De eerste manier is voorgesteld in fig. 408. De
tap van het rad rust niet in een tappan maar op een wrij-
vingsrol 7, terwijl de wrijvingsrollen II en III een zijde-
lingsche afwijking van den tap beletten. De tap is tusschen
de wrijvingsrollen II en III met een kleine speelruimte
draaibaar, en zal dus bij zijn beweging slechts tegen een
dier wrijvingsrollen een druk uitoefenen. Draait de tap bijv.
in positieven zin, dan oefent hij een druk uit op de wrijvings-
rollen I en II, waardoor deze rollen in negatieven zin gaan
draaien, terwijl de wrijvingsrol III in rust blijft.
De vervangende T van de twee weerstanden Tt en T,
door de wrijvingsrollen I en // aan den tap geboden, vormt
met de kracht D, den druk van den tap, het koppel, dat
door het drijvende koppel in evenwicht gehouden moet wor-
-ocr page 197-
185
den. De lijn, waarlangs T, werkt, moet gaan door het
aanrakingspunt A van den tap en de wrijvingsrol I, en door
het aanrakingspunt C van den tap der wrijvingsrol I met
haar tappan. Dit laatste punt C is daardoor bepaald, dat
de lijn A C, waarlangs Tt werkt, een hoek q> moet maken
met de normaal aan den kant tegengesteld aan de richting
der beweging. Men heeft dus slechts op AB een cirkel-
segment te beschrijven, dat den hoek qp bevat, en het
snijpunt C te bepalen van den omtrek van dit segment met
Fiff 108
den omtrek van den tap. Op dezelfde wijze bepaalt men
de lijn waarlangs T2 werkt.
Zooals uit de figuur blijkt, heeft het gezochte moment
de grootte:
M=T.ON.                   (81)
Dit koppelmoment heeft dezelfde getalwaarde als het moment
der kracht T ten opzichte van het punt O. Dit laatste is
gelijk aan de som der momenten van de krachten Tt en 21,
waarvan T de vervangende is, ten opzichte van hetzelfde
-ocr page 198-
486
punt O. Daar nu T, en T2 beide q sin * tot hef boomsarm
hebben, heeft men :
M=(Tt T2)osin*.                   (82)
Nu is Tx = Tcosf en T2 = Ts\'mi; na substitutie van
deze waarden in vergelijking (8\'2), en daarbij T vervangende
door D = T, vindt men:
M = Dq sin t (cos * sin *).               (83)
In driehoek ABC is:
R : r = sin qp : sin t of sin i = ^ sin qp.
Nu is e kleiner dan qp, en bij kleine wrijvingshoeken mag
men dus den factor cos*-|-smf gelijk éénstellen; vervangt
men bovendien sin qp door tg qp of f, waardoor bij benadering
v
sin * = f
R
wordt, dan verkrijgt men:
M=f~DQ.                   (84)
Vergelijkt men deze waarde met de in vergelijking (76)
bij de beweging in cilindervormige tappannen gevondene,
dan blijkt het, dat bij het gebruik van wrijvingsrollen het
moment van het drijvende koppel evenveel malen kleiner
wordt als de straal van de tappen der wrijvingsrollen in
den straal van die wrijvingsrollen zelve begrepen is.
De tweede wijze, waarop de wrijvingsrollen gebruikt wor-
den, is voorgesteld in lig. 109. Uit de figuur blijkt dat
het moment van het drijvende koppel is:
M = Dx.                             (85)
De arm x kan op dezelfde wijze als in fig. 107 worden
bepaald. Vervangt men in vergelijking (78) qp door *, dan
wordt:
sin 2 f
of na substitutie dezer waarde in vergelijking (85), en sin 2 *
door 2 sin t vervangende:
n. n sin *
* smo
\'.
r <" \' \' . \'
>:
/ St \'f &,
-ocr page 199-
187
waarin sin (, evenals hierboven, bij benadering gelijk gesteld
v
mag worden aan /-p-. Hierdoor verkrijgt men:
M =
Dq.
sin ö R
Uit deze vergelijking blijkt, dat het gebruik van op deze
wijze ingerichte wrijvingsrollen alleen dan voordeelig is,
f        T
wanneer
\' -g- kleiner is dan één.
sin 8
r
Is bijv. 2 <5 = 60° dus sin 8 = ^ en -p = ^ dan wordt:
M=lfD o.
Het moment van het drijvende koppel bij deze inrichting
is dan slechts het vijfde gedeelte van het moment bij de
beweging in een cilindervormigen tappan vereischt.
§ 65. Wrij vingsbalans van Hirn.
De wrijvingsbalans van Hirn dient ter bepaling van wrij-
vingscoëfficienten bij de beweging van tappen in tappannen.
-ocr page 200-
188
Opdat het gewicht G van een belasten evenaar in even-
wicht worde gehouden door den weerstand T van een
draaienden tap, moet de lijn, waarlangs de kracht G werkt,
gaan door het aanrakingspunt dier twee lichamen, en der-
halve volgens § 63 gelegen zijn op den afstand q sin qp van
het middelpunt van den tap (fig. 110). Indien de last
symmetrisch over de beide uiteinden van den evenaar ver-
deeld was, dan zou het zwaartepunt op de verticaal van het
middelpunt van den tap gelegen zijn, en de som der momen-
ten van alle gewichten ten opzichte van dat middelpunt zou
nul zijn. Door toevoeging van een overwicht p aan den
linkerkant, kan het zwaartepunt op den vereischten afstand
q sin qp gebracht worden. Ten opzichte van het middelpunt
is het moment van de vervangende G gelijk aan de som
der momenten van alle gewichten; deze laatste nu is gelijk
aan het moment van het overwicht p; zoodat men heeft
\\i
P
pl= Gij
sin qp of sinqp = -4-
Heeft men de gewichten p en G door rechtstreeksche
waarneming gevonden, dan kan uit deze vergelijking de
wrijvingscoëfficient bij de beweging van tappen in cilinder-
vormige tappannen worden bepaald. Wegens het geringe
verschil tusschen sin q> en tg qp mag sin qp door f worden
vervangen. Is bijv. q = 0,05 meter, l = 1 meter, G = 1000
-ocr page 201-
189
eenheden en p = 5 eenheden, dan vindt men voor den
wrijvingscoëflicient de waarde:
\' — 1000 \' 0,05         \'*\'
§ 66. Wr ij ving van een touw over een cilinder.
Indien een volkomen buigzaam touw over een rond-
draaienden cilinder geslagen, in rust gehouden wordt door
de aan de uiteinden werkende krachten K en P (fig. 141),
dan zal de evenwichtstoestand niet worden verstoord, indien
op de een of andere wijze de buigzaamheid van het touw
opgeheven en het touw in een vaste stang veranderd wordt.
De op het touw
werkende krachten
moeten derhalve vol-
doen aan de alge-
meene evenwichts-
vergelijkingen, even
alsof het touw een
vast lichaam was.
Op het touw werken
behalve de krachten
K en P, nog in
ieder punt de nor-
male weerstand N
van den draaienden
cilinder en de daar-
aan evenredige wrij-
vingsweerstand f N. Volgens de algemeene even wichtsvoor-
waarden moet de som der momenten van alle op het touw
werkende krachten ten opzichte van het punt O gelijk nul
zijn. Volgens de figuur is dus:
Pr —Kr Z(fNr) = o of K— P = 2(fN) (86)
Om in elk punt den normalen weerstand N en den daar-
aan evenredigen wrijvingsweerstand fN te bepalen, verdeele
men den door het touw omspannen boog in n gelijke deelen.
Zij ab zulk een deel (fig. 112).
-ocr page 202-
190
Men kan zich voorstellen, dat het touw in de punten
a en b is doorgesneden; de
Fier. 112.
inwendige krachten, die aan
elk der doorgesneden einden
welkten en het stuk ab in
evenwichtstoestand hielden, kan
men kortheidshalve de span-
ningen van het touw in a
en in b noemen. De op het
stuk ab werkende spanningen
van het touw moeten dan
door de uitwendige krachten
S en St vervangen worden,
welke werken langs de raak-
lijnen aan den cirkel in a en b.
Indien er op het stuk ab geen wrijvingsweerstand werkte
zou St = S zijn, en
N ==» 2 8 sin
a
2«\'
Een benaderde waarde van den op het stuk ab werkenden
wrijvingsweerstand zal dus zijn:
AZV=2/"Ssin^-.
Hoe grooter men n neemt, des te kleiner zal de fout zijn,
die men daardoor begaat. Voor n gelijk oneindig groot
mag deze waarde als de juiste worden beschouwd, en neemt
men in aanmerking, dat voor zoo kleine hoeken de sinus
gelijk is aan den hoek, dan vindt men:
fN = S&.
De spanning 5, is dus met inachtneming van de wrijving:
(< £)•
8t = S 8
S
Men verkrijgt derhalve de spanning in eenig punt van het
touw door de spanning in het voorafgaande punt met den
factor (l -f-\'—) te vermenigvuldigen. Gaat men uit van
-ocr page 203-
191
de spanning P, dan moet men om .K" te verkrijgen, P
n
achtereenvolgende malen vermenigvuldigen met den factor
fa
4 -—, en men heeft dus:
n
* = /> (! £)•,              (87)
waarin n een oneindig groot getal is.
Om voor dit geval de waarde van den factor (1 —)
te bepalen, stelle men:
o £)-i6 #r
en ontwikkele de macht I 1 -\\- \'—J\'a volgens het binomium
van Newton. Men heeft dan:
(\\—                              n (JL. ~a\\ / \\2
,fe(g-\')ft-«) (/.)\', .
~r~ ~            \'2.3                \\ n / ~.....
! __ fjL (i _ £f\\ (i _ 2 /_«)
1 1 -VL ----H^------ ........
Stelt men hierin n = oo ,. dan verkrijgt men als grens-
waarde:
n
waarin e = 2.71828 .. . het grondtal beteekent van het
neperiaansche logarithmenstelsel. Men vindt dus:
-ocr page 204-
192
1 M= (l ^P       — f" en
\\      n / ( \\      n / )
K=Pefa.                     (88)
Uit deze vergelijking blijkt, dat de verhouding van de
krachten K en P alleen afhangt van « en f, en dat zij
onafhankelijk is van den straal des cilinders.
Op den draaienden cilinder werkt de wrijvingsweerstand
in de richting tegengesteld aan die der draaiing. Om de
draaiende beweging eenparig te doen blijven, moet op den
cilinder een koppel werken, waarvan het moment is:
M = rZ(fN),
of volgens vergelijkingen (86) en (88):
M=(K—P)r = Pr{efa—i).        (89)
De vergelijkingen (88) en (89) gelden voor elke wille-
keurige snelheid der draaiende beweging; bijgevolg ook voor
de snelheid nul, dat is voor het geval, dat de cilinder in
rust is. Vergelijking (88) geeft dan de grenswaarde aan,
welke de kracht K niet kan overschrijden, zonder het door
den weerstand P tegengehouden touw over den in rust
zijnden cilinder te doen heenglijden, en vergelijking (89) de
grenswaarde, die het moment van een op den cilinder wer-
kend koppel niet kan overschrijden zonder dezen een draaiende
beweging te doen aannemen.
Ingeval de draaiende beweging van den cilinder in de
tegengestelde richting plaats grijpt, moet men in boven-
staande vergelijkingen K en P verwisselen of wel -|- f door
— f vervangen, daar de wrijvingsweerstand dan evenzoo
op elk der beide lichamen in de tegengestelde richting werkt.
Men kan derhalve aan vergelijking (88) den volgenden meer
algemeenen vorm geven :
K=Pe±fu,                (90)
waarin het teeken -j- moet gebruikt worden, indien de wrij-
vingsweerstand in de richting tegengesteld aan die van K,
en het teeken —, indien de wrijvingsweerstand in dezelfde
lichting als de kracht K werkt.
-ocr page 205-
493
Is bijv. (fig. 113) de wrijvingscoëfficient van een hennep-
touw op een houten cilinder f = 0,4, is a = n radialen
en*P = 100 eenheden, dan is:
£"=100 . e °\'4 * 3\'14 = 100 . 3,51 = 351 eenheden.
Is de cilinder onbeweeglijk bevestigd,
en neemt de kracht K allengs toe, dan
zal het glijden van het touw en het
optrekken van het gewicht P beginnen
op het oogenblik dat de kracht grooter
wordt dan 351 eenheden.
Moet daarentegen de kracht K slechts
het glijden van het touw of het dalen
van het gewicht P beletten, dan is de
onderste grenswaarde van de daartoe
vereischte kracht:
FiffU3.
0,4 . 3,14 _ 100^
~ 3751
lf=100. e
= 28,5 eenheden.
Om het touw in rust te doen blijven mag derhalve de
kracht K niet grooter dan 351 en niet kleiner dan 28,5
eenheden zijn.
Neemt men in vergelijking (88) van beide leden de
neperiaansche logarithmen, dan verkrijgt men:
1 K
«= j h p>
lgK = lgP f*
of
waaruit de hoek a kan worden bepaald, als K en P ge-
geven zijn.
Is bijv. gegeven K= 500 eenheden, P = 1 eenheid en
f = 0,4, dan heeft men :
\\                       O 914f5
a = -~~, la 500 = ~~ = 15,5365 radialen.
0,4 *
                  0,4
Opdat derhalve bij het in (ig. 114 voorgestelde geval de
aan het eene einde van het om een onbeweeglijken cilinder
gewonden touw werkende kracht P = 1 eenheid voldoende
Rr. Julius, Mechanica,                                                                13
-ocr page 206-
194
zij om het neerdalen van het aan het andere einde hangende
gewicht ÜT=«JX)0 eenheden te
Fig 114.
beletten, moet de hoek, behoo-
rende bij den door het touw om-
spannen boog, minstens de grootte"
u = 15,5365 radialen hebben.
Moet in plaats hiervan het aantal
omwindingen n worden berekend,
dan heeft men:
a 15,5365
= 2,47.
n =
6,28
2.
JC-1UO
De gevonden vergelijkingen
kunnen ook worden toegepast
ingeval de cilinder voorzien is van een gleuf, waarin zich
het touw bevindt (fig. 115). Men
Fiff-113.                behoeft dan slechts f te vervangen door
den wrijvingscoëfficient bij de bewe-
ƒ
ging in sleuven ƒ, = i-^-r, waardoor
° n °
            \'\' sin o
vergelijking (90) overgaat in:
K = Pe mi
Was bijv. bij het in fig. 113 voor-
gestelde geval de cilinder voorzien van
een gleuf met den hoek 2 8 = 60", dan
zou men f moeten vervangen door -~s = -^=- = 0,8, en
sin () 0,5
als grenswaarden der kracht K zou men verkrijgen:
K = JV0 g ± °\'8 • 3\'14 =- 1 1230 eenheden.
(         8,13 eenheden.
In dezelfde veronderstelling zou men bij het op fig. 114
betrekking hebbende voorbeeld voor « de waarde verkrijgen :
sin d, K               , , M
«—-j-19\' -p — "ö^t lg 50C
7,768 radialen,
die slechts de helft is van de boven gevonden waarde.
-ocr page 207-
195
§ 67. Rem touw.
Een over een ronddraaienden cilinder geslagen, aan het
eene einde bevestigd, en aan het andere einde door een
kracht P gespannen touw kan dienen om de beweging van
den cilinder te remmen.
Zjj A (lig. 116) een cilinder; zij verder om een trommel,
//M//////\',/,,:,.;:/,f,,;,„
I\'ig l/a
aan de as van den cilinder bevestigd, een touw geslagen,
waaraan een gewicht G hangt, dan zal dit gewicht een
versneld draaiende beweging van den cilinder veroorzaken,
en daarbij zou het gewicht G met een versnelde beweging
dalen. Wil men door een remtouw de beweging eenparig
houden, of als de cilinder in rust is, een voortduren van
den toestand van rust bewerken, dan moet het moment van
den aan den omtrek van den cilinder werkenden wrijvings-
weerstand K — P even groot zijn als het moment van het
gewicht G, beide momenten genomen ten opzichte, van het
punt O. De evenwichtsvergelijking is dus:
Gr = (K— P)B.
Substitueert men hierin de waarde van K
uit verge-
lijking (88), dan verkrijgt men:
ö-p|(/-_l).
13*
-ocr page 208-
196
Wordt de kracht P aangebracht door middel van een
hefboom, dan moet blijkens de figuur voldaan zijn aan de
vergelijking:
Pl=QL of Q = P~.
Ld
Deelt men deze vergelijking door de voorgaande, dan
verkrijgt men:
G L \' B \' fa
e\'
Is bijv. de door het remtouw omspannen boog het twee
2
derde van den geheelen omtrek, dan is a=-^-. 2 tt =
/         1 r 1
4,19 radialen. Stelt men verder ƒ =0,2, j = ^r, -p = t>
dan is:
_Q_ 1_ 1             _1_______1
ö \'~ 20 \' 4 \' 0,2 .4.19 . =_ 104,8\'
e
           \' — 1
Bech\'oeg dus het gewicht G 1048 eenheden, dan zou
aan het uiteinde van den hefboom een kracht Q = 10 een-
heden moeten aangebracht worden.
Van de twee krachten K en P is steeds diegene de
grootste, welke de draaiing van den cilinder tegenwerkt.
Om de voordeeligste werking te verkrijgen, moet dus de
hefboom bevestigd worden aan dat uiteinde van het rem-
touw, waaraan de voortgebrachte kracht in den zin van de
draaiing werkt. In het bovenstaande voorbeeld is volgens
vergelijking (88) de verhouding der krachten K en P:
Indien dus de hefboom bevestigd was aan het andere
sterker gespannen einde van het remtouw, dan zou onder
overigens gelijke omstandigheden een 2,31 maal grooter
kracht Q = 23,1 eenheden aan het uiteinde van den hef-
boom moeten aangebracht worden.
-ocr page 209-
197
§ 68. Buigingsweerstanden bij kettingen en touwen.
Indien aan een ronddraaienden tap (fig. 117) een belaste
ring hangt, en de ring is in evenwichtstoestand, dan werken
er twee krachten op: de belasting
Q, die opgehangen is aan het punt
B van een aan den ring bevestigde
stang, en de totale weerstand T
door den ronddraaienden tap aan
den ring geboden. Daar een wer-
kelijk glijden plaatsgrijpt, moet de
lijn waarlangs T werkt, den wrijvings-
hoek q> met de normaal maken. De
aanraking tusschen tap en ring moet
derhalve plaats hebben in een punt
C, welks straal A C een hoek 9
maakt met de verticaal. De afstand
van het middelpunt van den tap tot
de verticaal van C is blijkens de
figuur:
         t = q sin qp.
Wanneer de ring in rust is, dan
moet de verticaal van het punt B,
waarin de belasting Q opgehangen
is, eveneens op den afstand t van
dat middelpunt verwijderd zijn. Daar 1 onafhankelijk is
I\'iff /IS
van de snelheid waarmede de tap ronddraait, zoo is de
-ocr page 210-
198
in de figuur voorgestelde stand van den ring ook dan nog
een evenwichtsstand als de ronddraaüngssnelheid zeer klein
of ook nul is.
Aan de beide uiteinden A en Ax van een horizontalen
gelijkarmigen hefboom (fig. 118) zijn tappen bevestigd. Er
wordt verondersteld dat aan elk dier tappen op de hier-
boven beschreven wijze een belaste ring is opgehangen, en
dat elke ring zich in dien evenwichtsstand bevindt, welke
aan een draaiing van den tap in negatieven zin beantwoordt.
Is de hefboom AOAt in rust, dan moet voldaan zijn
aan de vergelijking:
K
L
a
i-i
a
K (a — i) = L (a -f- *) of
Vermenigvuldigt men teller en noemer van deze breuk
met 1 -|—, dan verkrijgt men:
Cl
1 <-&
waarin voor e de gevonden waarde q sin qp moet worden
gesubstitueerd. In de veronderstelling echter, dat de groot-
lieden q en qp beide zeer klein zijn, kan de term ( —) in
teller en noemer verwaarloosd worden; bij benadering is dan:
£ = 1 2^.
L                  a
Vervangt men tevens sin (f door tg q>, waardoor * = f q
wordt, dan verkrijgt men :
*L=,i ifi.             (91)
Deze vergelijking kan eveneens bij benadering als geldig
worden beschouwd, indien de krachten K en L werken
-ocr page 211-
199
aan de uiteinden van een ketting, over een om een spil
draaibare schijf geslagen (fig. 119). Ook dan nog geldt zij
als het aangrijpingspunt van K zich eenparig naar beneden,
en dus dat van L zich eenparig naar boven beweegt. Bij
de beweging toch van de ketting ontstaat aan den omtrek
der schijf een wrijvingsweerstand,
Fij 119
die aan de schijf een eenparig
ronddraaiende beweging mede-
deelt. In A, waar de ketting
van den rechtlijnigen in den ge-
bogen, en in At, waar de ketting
van den gebogen in den recht-
lijnigen vorm overgaat, heeft wrij-
ving plaats in de aanrakings-
plaatsen der schakels, en in beide
punten werkt die wrijving de
vormverandering van de ketting
tegen. Tengevolge daarvan is de
hefboomsarm van de kracht L
steeds iets grooter, die van de
kracht K steeds iets kleiner dan
zonder dezen wrijvingsweerstand
het geval zou zijn. De verande-
ring van de hefboomsarmen kan nu op dezelfde wijze
als in fig. 118 worden bepaald. Is dus a de straal van de
schijf vermeerderd met de halve dikte der ketting, S de
dikte van den schakel, dus ö = 2o, en wordt de wrijvings-
weerstand, dien de spil der schijf bij haar beweging in de
tappannen ondervindt, voorloopig buiten rekening gelaten,
dan is volgens vergelijking (91):
K=L-\\-f-L.
Is de kracht L het gewicht van een lichaam, dan wordt
zij kortheidshalve gewoonlijk de last genoemd.
Indien de schakels volkomen glad waren, dan zou K = L
moeten zijn. De grootheid f~L\'\\s dus het bedrag, waar-
mede de kracht moet worden vermeerderd, om behalve den
-ocr page 212-
200
last L nog den buigingsweerstand van de ketting te over-
winnen. Deze buigingsweerstand heeft dus de grootte:
B = f~L.                      (92)
i
Is bijv. het quotiënt — = 0,1 en de wrijvingscoëfficient
d
ƒ =0,15, dan is de buigingsweerstand:
£ = 0,15.0,1 L = 0,015 L.
De buigingsweerstand heeft dus in dit geval dezelfde uit-
werking, alsof de last met 1,5 percent vermeerderd wordt.
Op soortgelijke wijze als bij een ketting de wrijving van
de schakels onderling, doet bij touwen de wrijving tusschen
de afzonderlijke strengen of draden een buigingsweerstand
ontstaan, die op de in fig. 119 aangeduide wijze de ver-
houding der hefboomsarmen van kracht en last wijzigt. De
grootte van den buigingsweerstand bij touwen kan echter
niet door berekening worden gevonden. Zij moet door recht-
streeksche proeven worden bepaald, en hangt natuurlijk ge-
heel af van de hoedanigheid van het touw. Volgens Red-
tenbacher is de buigingsweerstand voor touwen evenredig
met het kwadraat van de dikte der touwen, en bij benade-
ring te bepalen uit de formule :
£ = 13-^L,                         (93)
waarin S meters de dikte van het touw, en a meters de
straal van de schijf ia.
Is bijv. de dikte van het touw 0,02 meter en de straal
der schijf a = 0,1 meter, dan is de buigingsweerstand:
O OQ2
5 = 13^f;-L = 0,052L,
0,1
en zou dus dezelfde uitwerking hebben als een vermeerde-
ring van den last met 5,2 percent.
-ocr page 213-
201
§ 69. Weerstandscoëfficient bij de draaiing van
schijven, veroorzaakt door kettingen of touwen.
Evenals de werking van den buigingsweerstand kan wor-
den beschouwd als te bestaan in een vermeerdering van den
last met een grootheid B, welker bepaling in de vorige
paragraaf is verklaard, zoo kan ook
Fiff IZO.
de werking van den wrijvingsweer-
stand, dien bij het ronddraaien der
schijf de tappen van de tappannen
ondervinden, beschouwd worden als
te bestaan in de vermeerdering van
den last met een zekere grootheid
W, die op de volgende wijze kan
worden gevonden.
Indien de ketting of het touw
volkomen buigzaam was, dan zou de
kracht K, behalve den last L, nog
slechts den wrij vingsweerstand der
tappen te overwinnen hebben. De
grootte van de kracht K, die noodig
is om den last L met eenparige beweging\' te doen stijgen
en daarbij de schijf te doen ronddraaien, kan (Qg. 120)
gevonden worden uit de vergelijking:
Ka — La — f (K L) r = o
of:                             t = - —. L./ i V
i
i
Daar de grootheid f-
~ - 11 L*\' ^
in den regel zeer klein is, zqo kan
op dezelfde wijze als in de vorige paragraaf is verklaard,,,,.,
bovenstaande vergelijking bij benadering worden vervangen ot-tO^\'
door
Is
L           \' \' a
d=^r de middellijn van den tap der schijf, dan is:
K = L f-L.
-ocr page 214-
202
Hierin is f~Lde gezochte grootheid W, dat is het be-
drag, dat men bij den last moet voegen, om de werking
van den wrijvingsweerstand der
Fiff
121
tappen te vervangen. Derhalve is:
W = f- L.
(94)
De vereenigde werking van den
buigingsweerstand en van den
wrijvingsweerstand kan nu in
rekening worden gebracht door de
twee gewichten B en W bij den
last L te voegen (fig. 121), en
dan de kracht K te bepalen,
even alsof de ketting of het touw
volkomen buigzaam en de tappen
der schijf volkomen glad waren.
Men heeft dus:
K = L -f B W. (95)
Substitueert men hierin de in de vergelijkingen (92) en
(94) gevonden waarden, dan is voor kettingen:
K=L(l f1<l f*) = !*L.       (96)
Hierin is de wrijvingscoëfficient der schakels ƒ, genoemd
om hem te onderscheiden van dien der tappen; bovendien
is het gewicht der schijf zelve verwaarloosd.
Substitueert men in vergelijking (95) de in de vergelij-
kingen (93) en (94) gevonden waarden, dan is voor touwen:
K - L (l 13 £ ffj -,. L. (97)
In de vergelijkingen (96) en (97) zijn de factoren tusschen
haakjes de getallen, waarmede men den last L moet ver-
menigvuldigen om de kracht K te verkrijgen.
Deze factoren worden weerstandscoëfficienten genoemd.
Voor kettingen is dus de weerstandscoëfficient:
-ocr page 215-
203
Is bijv. de dikte der schakels 5=0,01 meter, de straal
der schijf a = 0,1 meter, de middellijn van de tappen der
schijf d = 0,015 meter, en de wrijvingscoëfficient, zoowel van
de schakels als van de tappen f=fl =0,15, dan vindt
men voor den weerstandscoëfïicient:
,-! 0,15 °^ 0,,5»^» 1,0375.
De kracht K moet derhalve in dit geval 3,75 percent
grooter zijn dan de last L.
Voor touwen is de weerstandscoëfficient:
a \' \' a
Is bijv. de dikte van het touw 8 = 0,02 meter, de straal
der schijf a = 0,08 meter, de middellijn van de tappen der
schijf d = 0,024 meter en de wrijvingscoëfficient der tappen
ƒ =0,15, dan is de weerstandscoëfficient:
a-1 43 ^_2*            5 0,024
H — 1 13 . 0Q8 U,15 . 008 — 1,11.
De op te heffen last wordt derhalve in dit geval met
11 percent vermeerderd, dat is, tot het met eenparige be-
weging doen opstijgen van een last van 100 eenheden, is
een kracht van 111 eenheden noodig.
HOOFDSTUK X.
"Werktuigen.
§ 70. Nuttige en schadelijke weerstand.
Het komt meermalen voor, dat op eenig punt P van een
lichaam een uitwendige of ook wel een inwendige kracht L
werkt, en dat het aangrijpingspunt P dier kracht L over
een zekeren weg s in de richting tegengesteld aan die der
kracht moet worden verplaatst. In dat geval wordt de
kracht L gewoonlijk de weerstand genoemd, en men zegt
-ocr page 216-
204
dan, dat de weerstand L over den weg s moet worden
overwonnen.
Het eenvoudigste zou zijn daartoe een kracht K op liet
punt P te laten werken langs de lijn, waarlangs de weer-
stand werkt, en in een richting tegenovergesteld aan die van
den weerstand. De kracht K zou aanvankelijk iets grooter
moeten zijn dan L, maar zoodra het punt P een snelheid,
hoe gering ook, heeft verkregen, is een kracht K gelijk
aan L voldoende om de beweging verder eenparig te doen
zijn. Voorlaan zal worden aangenomen, dat de kracht K
reeds van den aanvang af slechts de grootte L behoeft te
hebben.
De kracht K noodig tot het overwinnen van een weer-
stand L zal kortheidshalve voortaan de beweegkracht worden
genoemd. In het zooeven behandelde geval moet dus de
grootte der beweegkracht gelijk zijn aan die van den weerstand.
Wordt de weerstand L over een weg s overwonnen, dan
heeft hij een negatieven arbeid van Ls eenheden verricht;
deze arbeid wordt de iceerstandsarbeid genoemd. De beweeg-
kracht K verricht daarbij den positieven arbeid Ks een-
heden, beweegkrachtsarbeid genoemd, die in grootte gelijk
is aan den weerstandsarbeid.
Intussclien laten de omstandigheden meestal niet toe de
beweegkracht rechtstreeks op het lichaam te doen verken.
Men maakt dan gebruik van toestellen, werktuigen genoemd.
Op een door den aard van het werktuig bepaalde plaats Iaat
men een zoodanige beweegkracht K aangrijpen, dat daar-
door op een andere plaats van het werktuig een kracht wordt
te voorschijn geroepen, aangrijpende in het punt P en
gelijk en tegengesteld gericht aan den weerstand L. Dit
heeft het voordeel, dat men aan de beweegkracht K de
voor de omstandigheden meest geschikte grootte en richting
kan geven.
Aan het gebruik van een werktuig zijn echter ook nadee-
len verbonden. Het lichaam, waarop de weerstand L werkt,
beweegt zich langs de deelen van het werktuig, ofdedeelen
van het werktuig bewegen zich langs elkander. In beide
gevallen treden daarbij nog andere weerstanden, zooals
wrijvings- en buigingsweerstanden op, die ook door de
beweegkracht moeten overwonnen worden.
-ocr page 217-
2t5
Deze weerstanden, die optreden tengevolge van het gebruik
van het werktuig, die veelal een nadeelige werking hebben op
liet werktuig zelf, en die steeds maken dat de beweegkracht
grooter moet zijn dan zonder die weerstanden noodig zou
wezen, worden schadelijke weerstanden genoemd, in tegen-
stelling van den nuttigen weerstand L, dien men beoogt door
de beweegkracht te laten overwinnen.
Daar de beweging van alle punten van het werktuig, en
dus ook die van de aangrijpingspunten van K en L en van
den schadelijken weerstand, wordt verondersteld eenparig
te zijn, zoo heeft de vervangende dier drie krachten de
grootte nul. De som der arbeiden door die drie krachten
verricht, is dus ook nul, ofwel, de beweegkrachtsarbeid is
even groot als de som van den nuttigen weerstandsarbeid
en den schadelijken weerstandsarbeid, maar de eerste is
positief, de beide laatsten zijn negatief.
Het nuttig effect van een werktuig wordt gemeten door
het quotiënt van den nuttigen weerstandsarbeid en den
beweegkrachtsarbeid.
In § 18 is opgemerkt, dat als op een punt P een kracht
werkt, die een negatieven arbeid van A arbeidseenheden
verricht, dit punt een arbeidsvermogen van plaats van A
eenheden van arbeidsvermogen wint.
Hoewel dit in het algemeen het geval is, doet zich iets
bijzonders voor, indien die kracht een wrijvings- of buigings-
weerstand is. Dan toch vermeerdert niet het arbeidsver-
mogen van plaats, maar het moleculair arbeidsvermogen van
beweging van het punt P. Dit moleculair arbeidsvermogen
van beweging gaat ten deele over op de overige punten van
het lichaam, het lichaam wordt warm. Intusschen geldt
ook hierbij de wet van het behoud van arbeidsvermogen;
het moleculair arbeidsvermogen van beweging door het
lichaam gewonnen, en dat zich openbaart in temperatuurs-
verhooging, is even groot als het arbeidsvermogen van plaats
van A eenheden, dat het punt P had moeten winnen.
Er kan derhalve geen wrijvings- of buigingsweerstand
overwonnen worden, dan ten koste van arbeidsvermogen,
dat in een onnutten vorm, in warmte, overgaat. Men zegt
daarom, dat er arbeidsvermogen tot het overwinnen van
den wiïjvingsweerstand is verbruikt. Dit arbeidsvermogen
-ocr page 218-
206
is natuurlijk afkomstig van het verlies aan arbeidsvermogen
van plaats, dat het werktuig heeft ondergaan, doordien de
beweegkracht positieven arbeid heeft verricht. Vandaar dat
men ook wel zegt, dat tot het overwinnen van wrijvings-
weerstand arbeid wordt vereischt.
Bij de beweging van een tap in een tappan (§ 63) is de
wrijvingsweerstand in een punt van den tap aangrijpende
fD eenheden. Is v de lijnsnelheid van zoodanig punt, dan
verricht de wrijvingsweerstand in elke seconde den nega-
tieven arbeid ƒ0!! eenheden, en in elke seconde wordt dus
tot het overwinnen van den wrijvingsweerstand een arbeid
van fDv eenheden vereischt.
Is bijv. de druk D = 1000 eenheden en de wrijvings-
coëfficient /\'= 0,08, dan is de wrijvingsweerstand:
fD = 0,08 .1000 = 80 eenheden.
Is verder de straal van den tap q = 0,075 meter en het
aantal omwentelingen in de minuut n = 12, dan is de lijn-
snelheid van een punt op den omtrek van den tap:
w                                    12
p=27rt.^==2. 8,44 . 0,075 . ~ = 0,0942 eenheden.
60
                                   60
De in elke seconde voor het overwinnen van dien wrij-
vingsweerstand vereischte arbeid is dus:
A = 80 . 0,0942 = 7,536 eenheden.
§ 71. Arbeidssnelheid. Vang van Prony.
Bij het gebruik van werktuigen is het dikwijls noodig te
kunnen bepalen hoe groot de nuttige weerstandsarbeid is,
die in de seconde wordt verricht. Dit heeft aanleiding ge-
geven tot het invoeren van het begrip arbeidssnelheid.
• De arbeidssnelheid van een werktuig wordt evenredig
gesteld aan den nuttigen weerstandsarbeid, die bij het ge-
bruik van dat werktuig in de seconde wordt verricht.
De eenheid van arbeidssnelheid is de arbeidssnelheid van
een werktuig bij het gebruik waarvan, de nuttige weer-
standsarbeid in elke seconde verricht, de negatieve eenheid
van arbeid bedraagt.
-ocr page 219-
207
In de praktijk wordt een andere eenheid van arbeids-
snelheid gebruikt, paardekracht genoemd. Een paardekracht
is de arbeidssnelheid van een werktuig bij het gebruik waar-
van, de nuttige weerstandsarbeid in elke seconde verricht
75 kilogramm. bedraagt.
Fiffl22                   Deze eenheid is 75 g of
736 maal zoo groot als
bovengenoemde eenheid.
Wanneer de twee een-
parig ronddraaiende assen
A en B (fig. 122),
deel uitmakende van een
werktuig, door een paar
getande raderen met eik-
ander in verband staan,
en A de drijvende, B de
gedreven as is, dan zullen
op de plaats C waar de tanden in elkander grijpen, twee
onderling gelijke maar tegengesteld gerichte drukkrachten
D en X), worden te voorschijn geroepen. De kracht D
werkt op de as A als weerstand, de kracht D, werkt op
de as B als beweegkracht.
Indien de nuttige weerstand ergens op een punt van de
as B aangrijpt, dan kan de in de seconde verrichte nuttige
weerstandsarbeid slechts weinig in grootte verschillen van
den in de seconde door Z), verrichten beweegkrachtsarbeid;
deze laatste is gelijk aan den in de seconde door D ver-
richten weerstandsarbeid. Om dus de arbeidssnelheid van
het werktuig te vinden behoeft slechts deze laatste te worden
bepaald.
Men kan daartoe gebruik maken van de vang van Prony,
een toestel die in fig. 123 in beginsel is voorgesteld, en wel
op de volgende wijze:
De as B wordt ontkoppeld, zoodat de tanden der raderen
niet meer in elkander grijpen. De as A, waarop de weer-
stand D nu niet meer werkt, verkrijgt dan een grooter
omdraaiingssnelheid; het aantal omwentelingen in de minuut
zal bijv. van n tot w, toenemen. Nu wordt de vang aan
de as A bevestigd, en de schroeven worden aangedraaid tot
dat het aantal omwentelingen in de minuut weer tot n is
-ocr page 220-
208
verminderd. Zoodra de vorige omdraaiingssnelheid is bereikt,
verricht de wrijvingsweerstand van de vang op de as in elke
seconde denzelfden weerstandsarbeid als vroeger de weer-
stand D. Is W de aan den omtrek van de as A wer-
kende wrijvingsweerstand en v de lijnsnelheid van een punt
op den omtrek dier as, dan is de arbeidssnelheid van het
werktuig:
U= Wv eenheden.                     (98)
De wrigvingsweerstand werkt ook op de vang en tracht
deze in positieven zin te doen ronddraaien. Hij werkt op de
vang even als een gewicht W zou doen, dat aan de vang
was opgehangen op een afstand gelijk aan den straal r van
Firj 123
de as rechts van het middelpunt De grootte van W kan
bepaald worden door aan de vang in C een gewicht P op
te hangen, juist zoo groot als noodig is om de kracht Win
evenwicht, en de vang in horizontalen stand zwevende te
houden. Door toepassing van de momentenvergelijking heeft
men dan:
PJ= Wr of W = P--.
»•
Substitueert men deze waarde van W in vergelijking (98)
dan verkrijgt men :
U=P(Lv).                    (99)
De factor tusschen haakjes geeft de lijnsnelheid aan, die
eenig punt op een cirkelomtrek met den straal l zou hebben,
-ocr page 221-
209
indien die cirkel aan de draaiende beweging van de as deel-
nam. Noemt men deze snelheid V, dan verkrijgt men de
eenvoudiger uitdrukking:
U=P.V.                  (100)
De gezochte arbeids^nelheid is dus gelijk aan het product
van het gevonden gewicht P met de snelheid, die het op-
hangpunt van P zou hebben, indien de vang aan de draaiende
beweging van de as deelnam.
Hierbij is verondersteld, dat het zwaartepunt van de on-
belaste vang in de verticaal van het draaipunt ligt. Was
dit niet het geval, lag het zwaartepunt bijv. ter linkerzijde
van de draaiingsas, dan zou in vergelijking (100) in plaats
van het gewicht P, een naar evenredigheid grooter gewicht
in rekening moeten gebracht worden.
Is bijv. het aantal omwentelingen in de minuut van de
as A n = 75, en heeft men voor het aan den hef booms-
arm l = 2,5 meter op te hangen gewicht /J=1000 dyna-
mische eenheden gevonden, dan is de snelheid V:
7=2^4 = 2. 3,14. 2,5.^ = 19,635 eenheden,
60
                               60
en volgens vergelijking (100) de arbeidssnelheid:
U= 1000 . 19,635 = 19635 eenheden.
Om de arbeidssnelheid in paardekrachten uit te drukken,
behoeft men slechts boven\'gevonden getal door 736 te deelen,
of:                       ü sas 26,7 paardekrachten.
In plaats van de vang van Prony kan men ook van eén
remtouw gebruik maken. Na ontkoppeling van de as B
slaat men daartoe een remtouw over de as A of over een
aan de as bevestigde schijf, en maakt de spanning van het
touw zoo groot, dat de ronddraaiingssnelheid der as dezelfde
grootte verkrijgt als voor de ontkoppeling. Om de arbeids-
snelheid van het werktuig te vinden, behoeft men, zooals
hierboven is verklaard, slechts den weerstandsarbeid te be-
palen door den wrijvingsweerstand in de seconde verlicht.
Noemt men de spanningen in de beide einden van het touw
K en P, dan heeft de wrijvingsweerstand volgens verge-
l)r. Julius, Mechanica.                                                                         14
-ocr page 222-
210
lijking (86) de grootte K—P. Om de spanningen K en
P te bepalen, gaat men op de volgende wijze te werk.
Eerst bevestigt men het einde D van het touw (fig. 124)
aan een vast punt, en hangt men aan het einde Cgewichten
Fig124r
Fuj 125
\\WA\\\\\\\\\\\\V\\VW
totdat de as haar oorspronkelijke omdraaiingssnelheid heeft
verkregen. Dit gewicht is de gezochte spanning P. Daarna
herhaalt men de bewerking, maar nu wordt (fig. 125) het
einde C bevestigd, en het einde D met
Fiff 128
gewichten bezwaard. Dit gewicht is
de gezochte spanning K. Is nu v een-
heden de lijnsnelheid van een punt op
den omtrek der schijf, waaraan de
wrijvingsweerstand K — P werkt, dan
is de gezochte arbeidssnelheid:
U = (K — P) v eenheden.
Heeft men bijv. gevonden v = 3 een-
heden, P = 1000 en K= 2500 een-
K\'v
                            heden, dan is de gezochte arbeidssnelheid :
U= (2500 — 1000) 3 = 4500 eenh. = 6,1 paardekrachten.
-ocr page 223-
211
§ 72. Hefboom.
Elke toestel, waarop een beweegkracht aangebracht wordt,
wier richting niet rechtstreeks tegengesteld is aan de rich-
ting van den te overwinnen weerstand, wordt een werktuig
genoemd. De werktuigen zijn öf enkelvoudige óf samen-
gestelde; de samengestelde bestaan uit deelen die zelf werk-
tuigen zijn. De meest verwijderde onderdeelen, die nog aan
de boven gegeven bepaling voor een werktuig voldoen,
worden enkelvoudige werktuigen genoemd. Alleen de enkel-
voudige en enkele zeer eenvoudige samengestelde werktuigen
zullen worden behandeld. Er zijn twee typen van enkel-
voudige werktuigen: de hefboom en het hellend vlak. Elk
werktuig is óf een hefboom, óf een hellend vlak, óf een
verbinding van hefboomen en hellende vlakken.
Een hefboom is een staaf om een vaste as draaibaar. De
evenwichtsvoorwaarde, waaraan de op den hef boom werkende
krachten moeten voldoen, is derhalve, dat de som der mo-
menten van de krachten ten opzichte van die vaste as gelijk
nul is. In den regel is de hefboom draaibaar om tappen,
die door tappannen in on veranderlijken stand worden ge-
houden. In elk bijzonder geval kan de weerstand, dien de
tappan aan den tap biedt, en daarmede de wrijvingsweer-
stand worden bepaald. Voorbeelden hiervan zijn reeds behan-
deld bjj de wrijvingsbalans van Hirn en de vang van Prony.
§ 73. Katrollen en takels.
De katrol bestaat uit een schijf aan een spil bevestigd;
de spil is draaibaar in een paar tapgaten, die zich bevinden
in een om de schijf aangebrachten beugel. Wordt de beugel
aan een vast punt A bevestigd (fig. 127), en wordt om de
schijf een touw geslagen, aan welks uiteinden krachten
werken, dan wordt de katrol een vaste katrol genoemd.
Is K de kracht en L de last, dan is volgens vergelijking (97):
K = fi L.
waarin ,u de weerstandscoëfficient is.
De weg door het aangrijpingspunt van den last doorloopen
is even groot als de weg door het aangrijpingspunt van de
14*
-ocr page 224-
212
kracht doorloopen; is die weg s meters, dan is de nuttige
weerstandsarbeid Al = Ls en de beweegkrachtsarbeid Ai = Ks;
het quotiënt p, waardoor het nuttig effect van de vaste
katrol wordt gemeten, is dus:
Ai Ls 1
V
At Ks
Verwaarloost men het gewicht van de katrol, dan is de
weerstand, geboden door het vaste ophangpunt, waaraan de
beugel bevestigd is:
W:
Fiff.127.
* L = *(l i).
Is het eene einde
ViffJ18.
van het over de
schijf geslagen touw
aan een vast punt A
bevestigd (fig. 128),
grijpt de kracht aan
het andere einde
van het touw en
de last aan den beu-
gel aan, dan wordt
de katrol een losse
katrol
genoemd. Is
de kracht K, dan
is de weerstand W,
dien het bevestigings-
punt aan het andere
einde van het touw
biedt, W= —. Ver-
f*
waarloost men het
gewicht van de ka-
trol , dan is de last:
IrlKt fr
I-)E
(* ?>
L=K W=K
Legt het aangrijpingspunt van den last een weg s af, dan
legt het aangrijpingspunt van de kracht den weg 2s af.
-ocr page 225-
213
De nuttige weerstandsarbeid is dan Ls en de beweegkrachts-
arbeid 2 Ks. Het quotiënt p, waardoor het nuttig effect
bij de losse katrol wordt gemeten, is dus:
Ls 1 /, , 1 \\
P = -2Ks=2V iJ-
Een takel is een samenstel van losse en vaste katrollen.
Als men bij den in fig. \'129 voorgestelden zoogenaamden
machtstaket wederom het gewicht der katrollen verwaar-
loost, dan vindt men achtereenvolgens:
W =^-, Kt=K W =*(l i).
W2=f, L =iT2 ^ = ^(l i)3.
Is het aantal katrollen n. dan is in het algemeen:
z-jr(i i)\'.
Legt het aangrijpingspunt van den last L een weg s af,
dan legt het aangrijpingspunt van de kracht af den weg
2" . s. Het quotiënt p, waardoor het nuttig effect bij den
machtstakel gemeten wordt, is dus:
Ls     f**})\'
K.2*s N 2
Is bijv. voor den in fig. 129 voorgestelden takel de weer-
standscoëfficient u = 1,2, dan is:
Z,= 6,85X en p = 0,86.
De nuttige weerstandsarbeid bedraagt dus 86 percent van
den beweegkrachtsarbeid, terwijl de overige 14 percent voor
het overwinnen van wrijvings- en buigingsweerstanden wordt
vereischt.
Vervangt men in de gevonden vergelijkingen u door —
H
-ocr page 226-
214
dan gelden zij voor een beweging van het werktuig in tegen-
gestelden zin. Men kan daaruit dan vinden, hoe groot de
J*igl30
Aitf 129
* fi*fd>
IJlJttlmlimm,
KrK(\' j&)
O
kracht K moet zijn om den last L met eenparige beweging
te doen dalen. Men heeft dan:
L = K (1 ,«)*.
-ocr page 227-
215
In het bovenstaande voorbeeld zou men dan vinden:
L = K{\\ l,2)s = 10,65 K.
Bij den in fig. 130 voorgestelden takel is de spanning
in ieder deel van het touw het nie gedeelte van die in het
voorafgaande deel. Verwaarloost men het gewicht van de
blokken, en neemt men aan, dat de afstand der blokken
van elkander zoo groot is, dat men de deelen van het touw
als onderling evenwijdig mag beschouwen, dan is de kracht
op ieder blok gelijk aan de som der spanningen in die deelen
van het touw, welke met de schijven van dat blok in
rechtstreeksch verband staan. Men heeft dientengevolge:
^ = f f ^ ^ = f^ ^ " 4)\'
of: L = 4.^i *4zii4.
n* fi—i f*5—fi*
Is het aantal schijven niet 4 maar n, dan heeft men
algemeen:
L = K
!*" —1
:" » — fl»
Meestal zijn de in een blok behoorende schijven niet onder
elkander, maar naast elkander geplaatst (fig. 131). De
bovenstaande vergelijking verandert daarbij niet.
Legt het aangrijpingspunt van den last een weg s af,
dan legt het aangrijpingspunt van de kracht af den weg ns, ^ •
en het quotiënt p, waardoor het nuttig effect van den ge- * •*.
wonen takel gemeten wordt, is derhalve:
__Ls _ 1 ft" — 1
K.ns n \' iA,n i—i*n\'
Is de weerstandscoëfficient 1,2 en het aantal schijven 4,
dan vindt men:
£ = 2,59ür en ^ = 0,65.
In dit geval wordt dus 35 percent van den beweeg-
krachtsarbeid tot het overwinnen van wrijvings- en buigings-
weerstanden vereischt.
.\'
-ocr page 228-
216
Moet de last L met eenparige beweging dalen, dan heeft
Fiffl32
\'iiraii:i:r;:i,!<\' • r,-: - -______
Fiff J31
auK-----=\'
11\'IC" \'-\'X            f^=B/\'"\'l ,
O
ll"-—l
J.-K
\\ f" -/L
/t" \'•_ju!
•j-ii Vn ^J^/"
men in bovenstaande vergelijking slechts ,ü te vervangen
* 1
door —, waardoor men verkrijgt:
r
-ocr page 229-
217
L =
= K
ft" "
1
i
1
" f"
— uK
1
1
—  ft"
— (*
Is wederom
It SB
1,2 en
L =
» =
= 6,4
4, dan
bK.
is:
Bij den in fig. 131 voorgestelden takel is de weerstand
geboden door het punt waaraan het bovenste blok hangt:
W=L K=K
u» \' — 1
u" l — /*"
Indien men het touw, waaraan dit blok hangt, niet aan
een vast punt bevestigt, maar om de schijf van een vaste
katrol slaat, en het andere einde aan het onderste blok
bevestigt, dan is de spanning in dit einde (fig. 132):
Deze spanning werkt op het onderste blok, en om dus
de beweging eenparig te doen zijn, moet bij den last
L = K -J-r-.--------- nog een last L. = K - . ,---------j—,
gevoegd worden. De geheele last is dan:
2,a" \'—,« — 1 *V* \'•        "(t u-. /
Li.. = Li -\\- Li. = A . ------n----------n- •
2            Tl                 p» f 4 ---^n 1
Legt het aangrijpingspunt van 7/2 een weg s af, dan legt
het aangrijpingspunt van K af den weg s . (2 w -\\- 1). Daar
toch de blokken door een over een vaste katrol geslagen
touw zijn verbonden, zal het bovenste blok een weg s meters
dalen, als het aangrijpingspunt van den last, en daarmede
het onderste blok, ee\'n weg s meters stijgt. De blokken
komen dus 2 s meters dichter bij elkander, en het touw om
n schijven loopende wordt over een lengte 2ws meters in-
gepalmd. Het aangrijpingspunt van de kracht K legt nu
een weg s meters af, omdat het bovenste blok s meters daalt,
en bovendien een weg 2ns meters door het inpalmen van
-ocr page 230-
218
het touw, te zamen dus een weg (2w-f-l)s meters. Het
quotiënt p, waardoor het nuttig effect bij dezen zooge-
naamden spaanschen takel wordt gemeten, is:
1          2,u" l— ^ — 4
P " 2» l \' /*» * —/«" 1
Is bijv. de in fig. 131 voorgestelde takel tot een spaan-
schen takel ingericht, is dus fi = 1,2 en m = 4, dan
vindt men:
L2 = 5,58 Zenp = 0,62.
Er wordt dus 38 percent van den beweegkrachtsarbeid
tot het overwinnen van\' wrijvings- en buigingsweerstanden
vereischt.
Moet de last met eenparige beweging dalen, dan moet
weer u vervangen worden door —, dus:
I*
u» 1        ,.                          9__u« ___u» 1
L%=K^-------^~jr— = fiK-—f------^U
2              1               1           r              1 — p
Wederom ,u = 1,2 en n = 4 stellende:
L2 = 12,81 if.
§ 74. Hellend vlak.
Om de voorwaarden te vinden, waaronder een lichaam
zich langs een hellend vlak met eenparige beweging naar
boven of naar beneden beweegt, ontbindt men alle op het
lichaam werkende krachten in twee richtingen, de een lood-
recht op het vlak, de ander daaraan evenwijdig. De som
der ontbindingskrachten evenwijdig aan het vlak moet dan
nul zijn. Hierbij wordt verondersteld, dat de krachten alle
werken in het verticale vlak door de baan van het zwaarte-
punt gebracht.
Is « de hellingshoek, L de last, en werkt de kracht K
langs een lijn evenwijdig aan het hellend vlak, dan is de
-ocr page 231-
219
normale weerstand van het vlak N = L cos «, en de wrijvings-
weerstand fN = fL cos«. Heeft de last een eenparige
beweging naar boven (fig. 433), dan verkrijgt men:
K — L sin a — fL cos a = 0.
JUj 133.
Heeft de last een eenparige beweging naar beneden
(fig. 134), dan verkrijgt men:
K— L sin « -f- f L cos « = 0.
Piff 134.
Jf\'Lcosa
De voorwaarde voor de eenparige beweging wordt dus
-ocr page 232-
220
uitgedrukt door de voor beide gevallen geldende verge-
lijking:
v t i • .e \\ r sin (a ± <JP) ,ai\\a\\
K= L
(sin « ± /cos a) = L-----—:=:lJ-z (101)
V                     \'               \'                         COS (]P                 V
waarin het teeken -|- op het in fig. 133, het teeken —
op het in fig. 134 voorgestelde geval betrekking heeft.
Deze vergelijking geeft tevens de grenswaarden aan, tusschen
welke de grootte van de kracht K moet liggen, opdat een
in rust zijnd lichaam onder haar werking noch naar den
eenen, noch naar den anderen kant in beweging gerake.
Is in geval van fig. 134 « <[ <JP dan wordt K negatief,
FiffX3S.
JYhLcosa, JTsirv cv
dat wil zeggen, dan moet K naar beneden werken om de
beweging van den last eenparig te doen zijn.
Werkt de kracht K in horizontale richting, dan is de
normale weerstand van het vlak N = L cos « -\\- K sin « en
de wrijvingsweerstand fN = f(L cos a -f- ÜTsin «). Beweegt
de last zich eenparig naar boven (fig. 135), dan is:
K cos oc — L sin « — f(L cos « -)- K sin «) = 0.
-ocr page 233-
221
Beweegt zich de last eenparig naai- beneden (fig. 136)
dan is:
K cos « — L sin a -\\- f(Lcosa -)- K sin «) = 0.
„ T sin « — fcosa
of                                     K = Li -----------j—-7T-ϗ•
cos a -|- / sin a
Voor beide gevallen geldt dan de vergelijking:
„ , sina Z\'cos»
cos « -i- ƒ sin a
Fig 136
f-Looa cc Ksinxt
HiP
JTfïls
J>«
Zcoxa
f.
Deelt men teller en noemer door cos «, dan wordt:
1 ƒ am-o v^
of den wrijvingscoëfficient ƒ vervangende door den tangens
van den wrijvingshoek:
K=Ltg(«±<p).               (102)
Is a-J-qp = 90\', dan wordt in het door lig, 135 voor-
gestelde geval K = oo . Is dus de hellingshoek het com-
plement van den wrij vingshoek, en werkt K in horizontale
richting, dan kan de last zich onmogelijk met eenparige
beweging naar boven bewegen.
-ocr page 234-
222
Werkt de kracht K langs een lijn, die een hoek (J maakt
met het hellend vlak, dan is de normale weerstand van
het vlak N = L cos a -\\- K sin jï, en de wrijvingsweerstand
fN=f(Lcosu Ksm(i).
Men heeft dus wederom:
K cos |? — ü sin a f(L cos « -\\- K sin (?) = 0.
tt — t sm a — f cos a
cos |ï /"sin jï\'
of
voor fig. 137 en de
waarin de bovenste teekens gelden
onderste teekens voor fig. 138.
Fixr 137
Vervangt men in deze vergelijking f door tgqp, en ver-
menigvuldigt men teller en noemer met cos qp, dan ver-
krijgt men:
_ j. sin (« qp)
cos ((i ± 95)"
K
(103)
Stelt men hierin (3 = o en (S= «, dan blijkt het dat de
vergelijkingen (101) en (102) als bijzondere gevallen in
vergelijking (103) zijn bevat.
De vergelijking (103) kan ook gevonden worden door
gebruik te maken van de in § 60 gevonden eigenschap,
-ocr page 235-
223
dat indien er glijding plaats grijpt, de lijn waarlangs de
totale weerstand werkt, den hoek y maakt met de normaal
IHff
138
Y-Lcos a ITsüifi
lïsisifl.
^
aan den kant tegenovergesteld aan de richting der beweging.
De drie krachten K, L en T (fig. 139 en fig. 140) zijn
Kff.
139.
in evenwicht, en verhouden zich dus als de sinussen van
de tegenoverliggende hoeken, of
K: L = sin (« qi) : cos (j? ± <j>).
-ocr page 236-
-2ÏA
Uit vergelijking (103) blijkt, dat bij het in fig. 139
voorgestelde geval K = oo wordt als (5 = 90 — <p ; dat is,
als de lijn waarlangs K werkt, een hoek gelijk aan den
wrijvingshoek maakt met het naai- binnen gerichte deel der
normaal. Is |5 ^> 90 — qp, dan geldt vergelijking (103)
niet meer voor het in fig. 139 voorgestelde geval. Daar
de ontbindingskracht K cos (l alsdan kleiner is dan fK sin /?,
is een beweging van het lichaam naar boven niet mogelijk,
en derhalve is de veronderstelling , waarvan bij de afleiding
TigHO
dier vergelijking is gebruik gemaakt, dat namelijk de wrij-
vingsweerstand de grootte fN heeft, niet meer juist.
Is de hellingshoek grooter dan de wrijvingshoek, en werkt
op het lichaam alleen zijn gewicht L, dan zal daar L = mg
is, de kracht L (sin « — fcosa) aan het lichaam geven de
versnelling:
q = g (sin a — f cos «).
In de veronderstelling dat de wrijvingscoëfficient niet ver-
andert, is de beweging van het lichaam eenparig versneld. Is
de aanvangssnelheid nul, dan is de in t seconden afgelegde weg:
-ocr page 237-
225
Uit deze twee vergelijkingen kan, als de grootbeden t,
2 en « zijn waargenomen, de wrijvingscoëfïicient berekend
worden.
Legt bijv. een van stapel loopend schip langs een hellend
vlak, dat een hoek van 4° 25\' maakt met den horizon, in
5,25 seconden een weg van 5,98 meters af, dan heeft men:
5,98 = ^-^-- of q = 0,434 eenheden,
0,434 = 9,81 (0,077 — f. 0,997) of f= 0,033.
Beweegt het lichaam zich tegen het hellend vlak op, dan
werken de krachten L sin a en f L cos « beide de beweging
FUy.l\'fl
tegen; deze is derhalve eenparig vertraagd met de ver-
traging:
q = g (sin « -|- /"cos «).
Is t het aantal seconden, waarna de snelheid nul ge-
worden is, dan is de in dien tijd afgelegde weg:
l se, g ( sin « -\\- f cos « )-^-
Ook uit deze vergelijking kan de wrijvingscoëfïicient be-
paald worden, als de grootheden l, t en cc zijn waargenomen.
Dr. Jui.ius, Mechanica.                                                                          15
-ocr page 238-
226
Heeft men bijv. waargenomen, flat een slede tegen een
onder een hoek van 5C45\' hellende ijsba\'an 24 meters in
20 seconden oploopt, voordat haar snelheid nu! geworden
is, dan verkrijgt men:
(\\ 202
0,1 f . 0,995) ~- of f= 0,02.
Beweegt zich de last eenparig naar boven, en is de langs
het hellend vlak afgelegde weg s (fig. 141), dan is de
nuttige weerstandsarbeid Lssma en de beweegkrachts-
arbeid Kscosft. Het quotiënt p, waardoor het nuttig
effect bij een hellend vlak gemeten wordt, is dan:
cos ((? -f- ff) sin «
" ~~ sin (a -\\- <ƒ) cosj\'i\'
§ 75. De wig.
Een wig is een driehoekig prisma. Een der standhoeken
van de zijvlakken onderling is in den regel klein, en wordt
de tophoek der wig genoemd. Het zijvlak tegenover den
tophoek heet de rug der wig. Door middel van een wig
kan een kracht K, op de rug aangebracht, de weerstanden
L, normaal op\' de zijvlakken werkende, overwinnen.
Er wordt aangenomen, dat de kracht K werkt langs een
lijn, die loodrecht staat op de rug en die den tophoek 2 ö
middendoordeelt (fig. 142)
De normale druk L brengt langs elk der zijvlakken
den wiijvingsweerstand fL voort. Daar de som der ont-
bindingskrachten in elke richting gelijk nul moet zijn,
heeft men:
2 L sin ö — 2 fL cos ö = 0.
K — 2 L (sin (i — tg fjp cos ö).
A =-----sin (<) -r- w).
COS ff)          v \' \'
Indien de grootte moet bepaald worden van de kracht K,
die op de wig moet werken, opdat de wig een eenparige
beweging naar boven verkrijge, dan verandert in boven-
-ocr page 239-
227
staande vergelijking 9 in — qp, waardoor men verkrijgt:
K =-----sin (S — *).
cosqp s
Heeft <5 de grootte van den wrijvingshoek, danisüT=o;
PUfJiS.
is S kleiner dan q>, dan woi\'dt K negatief, en de kracht zal
dus naar boven moeten werken om de beweging eenparig
te doen zijn.
§ 76. Eenparige schroefbeweging.
Wanneer een lichaam zich zoodanig beweegt, dat men
zijn werkelijke beweging ontbinden kan in twee bewegingen,
waarvan de eene is een eenparige draaiende beweging om
een as met de hoeksnelheid 10 eenheden, en de andere een
eenparige rechtlijnige beweging in de richting van die as
met de snelheid c eenheden, dan heeft elk punt P van
15*
-ocr page 240-
228
dat lichaam een eenparige beweging langs een baan, die
men schroeflijn noemt. De beweging van het lichaam wordt
een eenparige schroefbeweging genoemd.
De beweging van eenig punt op den afstand tj van de as
gelegen, kan voor een willekeurig tijdsverloop worden ont-
bonden in twee bewegingen: een eenparige cirkelvormige
met de lijnsnelheid v = qu> langs
FUf. 143.
den omtrek van een cirkel lood-
recht staande op de as en waar-
van het middelpunt in de as
is gelegen, en een eenparige
rechtlijnige met de snelheid c in
de richting van de as. De snel-
heid n van het punt kan ont-
bonden worden in een ontbin-
dingssnelheid v in de richting
van de raaklijn aan dien cirkel,
en in een ontbindingssnelheid c
in de richting van de as (fig. 143).
Volbrengt het lichaam een om-
wenteling in t seconden, en legt
het in dien tijd een weg s meters
af in de richting van de as, dan
kunnen de ontbindingssnelheden
van het punt P gevonden worden
uit de vergelijkingen:
s
t
2jre
t \'
of c
s = et
2n() = Vt          Of V =
Is het lichaam een verticale
cilinder, dan is:
c         c           s
tg a = - = — = ^—
(104)
als « de hoek is, dien de richting der snelheid u maakt met
den horizon. Daar « standvastig is, heeft de hoek, dien de
schroeflijn maakt met den horizon, een standvastige grootte.
-ocr page 241-
229
Voor eenig ander punt op den afstand <>, van de as ge-
legen, heeft men op gelijke wijze:
tg*\' = ^=2TV
De afstand s, gedurende een omwenteling in de richting
der as doorloopen, wordt de spoed van de schroeflijn ge-
noemd. De schroeflijnen, door punten p op verschillende af-
standen van de as gelegen doorloopen, hebben dus alle
denzelfden spoed, maar de hoeken, die zij met den horizon
maken, verschillen al naarmate haar afstanden tot de as.
De schroef beweging van het lichaam is eenparig, als de
draaiende en de rechtlijnige ontbindingsbewegingen elk
afzonderlijk eenparig zijn. Daartoe wordt vereischt, dat de
som der momenten van alle op het lichaam werkende
krachten ten opzichte van de draaiingsas gelijk is aan nul,
en dat de som der ontbindingskrachten in de richting der
as gelijk is aan nul.
§ 77. Schroef met vlakken gang.
Indien langs een schroeflijn om een cilinder een band
wordt gewonden van zoodanigen vorm, dat de doorsnede
van dien band met een vlak door de as gebracht, waar ook
genomen, een rechthoek is, dan verkrijgt men een schroef
met vlakken gang (fig. 144 en 145). In de veronderstelling
dat de schroef door een vastliggende schroefmoer omsloten
is, wordt gevraagd de grootte te bepalen van de kracht K,
die in horizontale richting aan den hefboomsarm / moet
werken, om de schroef eenparig naar boven te doen be-
wegen, en daarbij den in de richting der as werkenden
weerstand L te overwinnen.
Op de schroef werken, behalve de last L en de kracht
K, nog slechts de door de onbeweeglijke schroefmoer op
haar
uitgeoefende weerstanden, welke aangrijpen in de
punten waar de schroef de schroefmoer aanraakt. Bij be-
nadering mag worden aangenomen, dat deze aangrijpings-
punten alle liggen op de gemiddelde schroeflijn met de
straal Q = B r (fig. 146).
-ocr page 242-
230
Is toch al in den aanvang de druk gelijkmatig over het
geheele schroefvlak verdeeld, dan zal de slijting der buitenste
deelen grooter zijn dan die der meer binnenwaarts gelegene,
omdat in eenzelfden tijd over een zeker vlaktedeel buiten-
waarts een grooter oppervlak heenglijdt dan over een even
groot vlaktedeel binnenwaarts. Bij het ongelijkmatig afslijten
van het oppervlak
FiqJVi
                         zullen weldra de
binnenwaarts gele-
gen deelen een groo-
terdruk ondervinden
dan de buitenwaarts
gelegene. De blij-
vende drukverdee-
ling treedt dan in,
als de slijting overal
dezelfde is, en dit
\\* is het geval als de
v±\'
,/•
drukkingen op ver-
1 schillende punten
van het schroefvlak
omgekeerd even-
redig zijn met de
snelheden waarmede
die punten zich be-
wegen. Een zeer
smal strookje met
den straal o -f- A be-
schreven, zal dan een
even grooten druk
ondervinden als een even smal strookje met den straal o — A
beschreven, en voor de verdeeling van den druk is het dus
hetzelfde alsof de geheele druk wordt uitgeoefend op den
cirkel met den straal n.
De hoek, dien deze gemiddelde schroeflijn met den horizon
maakt, kan onmiddellijk uit vergelijking (104) worden be-
paald, en zal als gegeven worden aangenomen. In eenig
punt P van de gemiddelde schroeflijn wordt door de moer
aan de schroef een weerstand geboden, die ontbonden kan
woiden in den normalen weerstand N en den wrijvings-
-ocr page 243-
\'231
weerstand fN. De normale weerstand werkt langs de
doorsnede van twee vlakken, het eene loodrecht op de ge-
middelde schroeflijn, het andere een verticaal raakvlak aan
den cilinder, waarop de gemiddelde schroeflijn ligt. Deze lijn
maakt dus een hoek a met de verticale as der schroef.
De wrijvingsweerstand fN werkt in de richting van de
raaklijn aan de gemiddelde schroeflijn naar beneden, en
maakt derhalve een hoek
Fig /4J                        a met den horizon. Daar
een werkelijk glijden plaats
;___ë____i                              heeft, zoo maakt de lijn,
waarlangs de totale weer-
stand W werkt, een hoek
qp met de normaal, en
dus een hoek d -f- qp met
de verticaal. Hetzelfde
geldt van de weerstanden
in alle andere aanrakings-
punten.
Het moment van den
weerstand W ten opzichte
van de as der schroef
verkrijgt men door zijn
horizontale ontbindings-
kracht W sin (a qp) met
den hefboomsarm q (fig.
146) te vermenigvuldigen.
Is de draaiende ontbin-
fi                            dingsbeweging der schroef
eenparig, dan moet de
som der momenten ten opzichte van de draaiingsas gelijk
nul zijn; men heeft dus:
KI — 2 [WQ sin (« <p)] = 0.
De verticale ontbindingskracht van W is W cos (et -j- qp).
Is de rechtlijnige ontbindingsbeweging der schroef eenparig,
dan moet de som der ontbindingskrachten in de richting
der as gelijk nul zijn, en dus:
L -- 2 [TTcos («. qp)] = 0.
-ocr page 244-
•- &
232
7t
4
In deze twee vergelijkingen kunnen de standvastige fac-
toren q sin (« -|- qp) en cos (a -|- qp) voor het somteeken
worden gebracht. Daardoor gaan deze vergelijkingen over in:
Kl=Qs\\n(a v)2;(W)
L= cos (« qp) Z(W).
Deelt men de eerste vergelijking door de tweede, dan
verkrijgt men:
KI = Lq tang (« qp).                (105)
Legt het aangrijpingspunt van den nuttigen weerstand L
den weg s af, dan legt het aangrijpingspunt van de beweeg-
kracht den weg Inl af. Het quotiënt p, waardoor het
nuttig effect van de schroef met vlakken gang wordt ge-
meten, is dus:
-
Ls
K.lnl
P =
2 n q tg (« qp) \'
g
of daar volgens vergelijking (104) ö-----= tang a
2 71 n
tg«
(106)
P =
tg (« <f)
Vervangt men in vergelijking (105) qp door —qp, dan
verkiijgt men de even-
JFÏ&140.
wichtsvergelijking voor de
beweging in tegengestel-
den zin, waarbij dus de
schroef met eenparige be-
weging daalt. In dit ge-
val toch werkt de wrij-
vingsweerstand in tegen-
gestelden zin, en de lijn
waarlangs de weerstand
W werkt, maakt dus
den hoek a — qp met
de verticaal. Voor dit
geval is:
W8UV(€Z <p)
KI = Lq tg (« — qp)
1
(107)
I I ,
u»*!»
•
\'•
i
•
-ocr page 245-
de grootte van het moment der kracht, welke noodig is om
te verhinderen, dat de schroef een versnelde beweging naar
beneden verkrijgt. Is « = qp dan is KI = 0, dat is, als de
hellingshoek der gemiddelde schroeflijn gelijk is aan den
wrijvingshoek, dan is er geen kracht noodig om de naar
beneden gerichte beweging der schroef eenparig te doen zijn,
hoe groot ook de last L is. Is « kleiner dan qp, dan wordt
KI negatief, dat is, om de benedenwaarts gerichte bewe-
ging van de schroef eenparig te doen zijn, moet het moment
van de kracht negatief zijn, moet de kracht dus werken in
den zin der draaiing.
De evenwichtsvergelijking voor de schroef met vlakken
gang is dus:
Kl= Ln tang (« ± qp)                 (108)
waarin het bovenste teeken geldt voor de stijgende, het
onderste voor de dalende beweging der schroef.
De vergelijking (108) geldt ook dan wanneer de schroef
in rust is, en geeft dus de grenswaarden aan, welke het
moment der kracht niet kan overschrijden, zonder dat de
in rust zijnde schroef naar den eenen of naar den anderen
kant in beweging komt.
Ook dan nog blijft vergelijking (108) geldig als de schroef
vast is, en de krachten K en L op de beweeglijke schroef-
moer werken.
§ 78. Schroef met scherpen gang.
De schroef met scherpen gang (fig. 147) verschilt daarin
van de schroef met vlakken gang. dat de doorsnede van den
band om den cilinder langs de schroeflijn gewonden met een
door de as gebracht vlak niet een rechthoek, maar een ge-
lijkbeenige driehoek is (fig. 148).
De kracht vereischt om de schroef met eenparige beweging
te doen stijgen en daarbij den in de richting der schroefas
naar beneden werkenden weerstand L te overwinnen, wordt
bij benadering verkregen door in vergelijking (105) den
wrijvingshoek qp te vervangen door i/i den wrijvingshoek voor
gleuven. Dit kan op de volgende wijze worden aangetoond.
Op de schroef werken behalve de krachten K en L nog
-ocr page 246-
•234
in ieder punt de totale   weerstand W, die ontbonden kan
worden in den normalen  weerstand N en in den wrijvings-
vveerstand fN.
Zij P (iig. 149) een   punt van de gemiddelde schroeflijn
FUj.l\',7.
en CB een der zijden van den gelijkbeenigen driehoek, die
de doorsnede is van den om den cilinder gewonden band
met het vlak van teekening, waarin
FUf 14S.
ook de schroefas ligt; de lijn BC
maakt den hoek S met de verticaal.
Brengt men door P een raakvlak
ZP Y aan den cilinder, waarop de ge-
middelde schroeflijn ligt, dan snijdt de
as PX de schroefas. De in het vlak
YZ gelegen 1 aaklijn li i?,, in P aan de
schroeflijn getrokken, maakt den hoek «
met de horizontale lijn P Y. De normaal
in P, die loodrecht staat op de raak-
lijn BRt en op de lijn CB, is derhalve de doorsnede van
-ocr page 247-
235
twee vlakken, het vlak DPY, loodrecht staande op C5,
en dat dus den hoek ii maakt met de horizontale lijn P X,
en het vlak EPX, loodrecht staande op de raaklijn RRl,
en dat dus den hoek a maakt met de verticale lijn P Z.
Fuj /i&
Noemt men de hoeken, die de normaal PN maakt met
de drie coördinatenassen, A, 11, <\', dan geeft de figuur de
volgende betrekkingen aan:
PN cos /. = PA = PD cos üi = PN sin p cos <>
— PNcos i* = PF = PEsmcc = PiVsin /. sin «
PN cos i> — FG = PE cos « 8= PN sin A cos « of
cos /. = sin ,« cos 8 cos f* = — sin ?. sin « cos f = sin ?- cos «.
-ocr page 248-
2.16
Brengt men de eerste twee vergelijkingen in het kwadraat
en neemt men de som cos 2A -)- sin 2A = 1, dan is:
cos u
sin %u cos \'iS -|----.—*— = 1
sin ^a
sin 1a cos *<J — cos 2,u sin 2« cos 2d -|- cos 2<i = sin 2a
cos 2|(i (1 — sin 2« cos 2ö) = sin 2a (1 — cos 28)
sin « sin 5
cos u =
l/l — sin 2a cos 2d\'
Hieruit kan men nu verder cos X en cos v vinden, en
men verkrijgt dan :
cos « cos 8                                       sin t sin 8
COS A = —
l/l — sin 2« cos 2d~                           V 1 — sin 2« cos 2<>
cos « sin 8
cos e =
1/1 — sin 2« cos 28
Ontbindt men nu (fig. 150) N en fN langs de drie
coördinatenassen, dan verkrijgt men voor de sommen der
ontbindingskrachten:
langs de X-as           N cos A
langs de F-as            N cos ft — fN cos «
langs de Z-as             N ma v— fNslna.
De evenwichtsvergelijkingen worden dan:
2\' [— N cos u /"JVcos oc~\\Q — Kl=Q
2[ Ncosv — fNsma] —L=0
of na substitutie der gevonden waarden voor cos u en cos v.
KI F sin« sin 8          .                  -\\ _ ,r
-----= I —= —             —(- tg qp cos « I .£ A
?         L l/l — sin 2« cos 2(S                     J
r        [        cos a sin o                      , 1 _
Z = L 7a • 2 =F, — ^ V Sln « ^
u v/l — sin \'a cos •\'o                     J
:V
Deelt men deze vergelijkingen op elkander, deelt men daarna
teller en noemer door cos « sin 8, en stelt men -¥-*L = tg ii»,
sin o
dan vindt men:
-ocr page 249-
f-f
ij~
\'237
tg«
tgy
KI        v/4 — sin \'la cos 2ö
tg v tg «
l/l— sin 2« cos 2ü"
Daar nu in den regel « zeer klein is en 3 weinig van
90° verschilt, zijn sin « en cos 8 beide klein, zoodat het
Fig tSO.
ZHeoa %
kwadraat van hun product mag verwaarloosd worden, waar-
door men verkrijgt:
% tgcctgif)
of
                           K l = L Q tg (« y).                  (109)
Deze vergelijking is dezelfde als vergelijking (105), als
-ocr page 250-
238
men in deze laatste den wrijvingshoek q> vervangt door t/>,
den wrijvingshoek bij gleuven. Alle gevolgtrekkingen uit
vergelijking (105) gelden dus ook voor vergelijking (109).
Het quotiënt p, waardoor het nuttig effect van de schroef
met scherpen gang wordt gemeten, is dus:
p-t ,tgl v                  (HO)
Daar t/i grooter is dan qp, zoo is onder overigens gelijke
omstandigheden het nuttig effect bij de schroef met scherpen
gang steeds kleiner dan bij de schroef met vlakken gang.
Deze laatste verdient dus de voorkeur, wanneer de schroef
tot het voortbrengen van beweging moet worden aangewend.
Vervangt men in vergelijking (109) ip door — ift, dan is
Kl= L o tg (« — ip)
het moment van de kracht, vereischt om een teruggaande
beweging van de schroef met scherpen gang te verhinderen.
Moet zulk een teruggaande beweging door den wrijvings-
weerstand alleen reeds verhinderd worden, dan moet « ge-
lijk of kleiner zijn dan ui. Bij een schroef met vlakken
gang zou de teruggaande beweging reeds bij een kleineren
hellingshoek « = qp plaats grijpen.
Hieruit volgt, dat in die gevallen, waar men zekerheid
moet hebben dat de schroef niet van zelf terugwijkt, dat
is in die gevallen, waar de schroef als middel van bevesti-
ging dient, bij gelijken hellingshoek de schroef met scherpen
gang beter aan haar doel voldoet dan de schroef met vlakken
gang. Vandaar dat houtschroeven steeds schroeven met
scherpen gang zijn.
§ 79. Riem zonder eind.
Ten slotte zal nog behandeld worden de riem zonder eind,
ook wel drijfriem genoemd, een inrichting, waarvan zeer
dikwijls gebruik wordt gemaakt om een kracht, op eenig deel
van een werktuig aangrijpende, op een ander deel over te
dragen.
A en B (fig. 151) zijn twee cilinders of trommels om
assen draaibaar, om welke trommels een riem zonder eind
-ocr page 251-
t>:)9
is aangebracht. Er wordt verondersteld dat op de as van
den trommel A , de drijfas genoemd, krachten werken , die
haar een eenparige draaiende beweging mededeelen. Op de
as van den trommel B, de gedreven as, grijpt de nuttige
weerstand L aan : er wordt gevraagd , hoe groot de spanning
van den riem minstens zijn moet, opdat ook de gedreven
as een eenparige draaiende beweging verkrijge, en de
aan den hefboomsarm y werkende weerstand L overwonnen
worde.
Is het moment van den weerstand L zoo groot dat de
gedreven as in rust blijft, dan zal bij het ronddraaien van
de drijfas óf de riem door den trommel A worden medege-
nomen en over den trommel B heenglijden, of de trommel
A onder den in rust blij venden riem doordraaien. Een
glijden heeft daarbij steeds plaats langs den omtrek van den
kleinsten der beide trommels. Volgens vergelijking (86\\
toch is de wrijvingsweerstand W\'= P (e —1), als P is
de spanning in dat deel van den riem , waarin die spanning
het kleinst is, en « de hoek omspannen door den boog,
waarlangs riem en trommel elkander aanraken. Die hoek,
en dus de wrijvingsweerstand, is het kleinst aan den omtrek
van den kleinsten trommel Is derhalve de trommel B het
kleinst, dan zal de riem over dien trommel heenglijden.
Is de trommel A het kleinst, dan zal die trommel onder
den riem doordraaien zonder hem mede te nemen. Hierbij
-ocr page 252-
\'240
wordt verondersteld dat de wrijvingscoëfficienten voor beide
trommels dezelfde zijn.
Eerst wordt aangenomen dat de trommel B de kleinste
is. Men kan zich voor-
Firj 152
stellen, dat de weer-
stand wordt voortge-
bracht door een gewicht
L. dat aan een om een
cilinder met den straal q
gewonden draad hangt,
en bij het ronddraaien
der as wordt opge-
wonden. Is dit ge-
wicht door een vast
vlak ondersteund (fig.
152) en is de spanning
aanvankelijk zoo klein,
dat de met den trom-
mel A rondloopende
riem over den trommel
B heenglijdt, dan moet
volgens vergelijking (88) tusschen de spanningen K en P
in de beide deelen van den riem de betrekking bestaan:
K=Pefa.
De aan den omtrek van den trommel B werkende wrijvings-
weerstand is dan steeds:
K — P = P{/U — 1).              (111)
Laat men nu de spanning van den riem allengs grooter
worden — bijv. door drukkrachten, die de tappannen van
de twee assen van elkander verwijderen — dan zal omdat
P grooter wordt, ook de wrijvingsweerstand P(e —1)
grooter worden. Volgens vergelijking (89) blijft de as B
in rust, zoolang het moment Pr (e —1) van den wrijvings-
weerstand kleiner is dan het moment L (i van den weer-
stand L. Eerst op het oogenblik dat:
LQ = Pr{ef" — \\)                (112)
begint de as B te draaien, en wordt het gewicht L opgeheven.
-ocr page 253-
241
Zoodra de snelheid van eenig punt op den omtrek van den
trommel B gelijk geworden is aan de snelheid van eenig
punt van den riem, houdt het glijden op, en de draaiende
beweging van de gedreven as wordt eenparig.
Daar de wrijvingsweerstand steeds slechts voor zooverre
wordt te voorschijn geroepen, als noodig is om de beweging
van den riem ten opzichte van den trommel te beletten, zoo
zal bij liet nog grooter worden der spanning de wrijvings-
weerstand niet meer toenemen; en daar volgens vergelijking
(86) steeds W=K—P is, zoo zal bij het verder toe-
nemen van de spanning, die vermeerdering zich gelijkelijk
over de beide einden van den riem verdeelen. Noemt men
K0 en P0 de uit de vergelijkingen (111) en (112) voort-
vloeiende waarden van K en P, dan heeft men
•
t
en P =
P„ A.
en K —
fa
, e\'
r fa
•
De waarden:
mK^nr-^r-x <414>
*- £v;7vr—<413)
zijn dus de onderste grenswaarden voor de spanningen, die
gedurende de beweging in de twee deelen van den riem
voorhanden moeten zijn. Komen de assen tot rust, dan
houdt het verschil in spanning op, en de riem is nu over
haar geheele lengte gelijkmatig gespannen. Voor de span-
ning die de riem dan heeft, mag bij benadering genomen
worden de rekenkundig middenevenredige van de grootste
en de kleinste spanning gedurende de beweging. Derhalve is:
s_Ko P0___ L (, e\'" 4-1          .,._
e\' — 1
de onderste grenswaarde van de spanning, welke de riem
voor het begin der beweging moet hebben.
Wordt in de tweede plaats aangenomen, dat de trom-
rael A de kleinste is (fig. 153), dan zal bij te geringe
spanning van den riem de trommel A onder den riem door-
draaien zonder hem mede te nemen. Tusschen de span-
ningen K en P bestaat alsdan de betrekking:
K=*P»fat
Dr. Julius, Mechanica.                                                                \\Q
-ocr page 254-
242
en eerst dan als de spanning zoozeer is vergroot, dat
LQ = Pr(efui — l),
zal de riem door den trommel worden medegenomen, en
zal de last L worden opgewonden.
Deze vergelijking verschilt slechts daarin met vergelijking
(112) dat « vervangen is door at. Die vergelijking en de
daaruit afgeleide vergelijkingen zijn dus algemeen geldig,
mits men voor « steeds den kleinsten der beide hoeken neemt.
Is de weerstand L niet rechtstreeks gegeven, maar in
Fig 133.
plaats daarvan de arbeidssnelheid en de ronddraaiingssnel-
heid van de as B, dan kan men de gegeven arbeidssnelheid
gelijkstellen aan de berekende.
Is bijv. n het aantal omwentelingen in de minuut en N
het aantal paardekrachten van de arbeidssnelheid, dan
heeft men :            L . 2 no £: = N. 736.
Het hieruit berekende moment van den weerstand:
iVT.60.736
n . 2rr
moet dan in vergelijking (115) gesubstitueerd worden.
-ocr page 255-
243
Is bijv. JV=2, w = 80, r = 0,4, u = n, en f = 0,28,
dan wordt het moment van den weerstand:
_           2.60.736 ,_
Zg= 80.2.3,14 =175\'8-
Door substitutie van deze waarde in vergelijking (145),
verkrijgt men als benedenste grenswaarde van de vereischte
gemiddelde spanning:
475 8 e0\'28"3\'1^!
S = TO • [o,28.3,14_, - 531\'45 ee"heden-
Volgens de vergelijkingen (113) en (414) zijn dan ge-
durende de beweging de spanningen in de twee deelen van
den riem:
P = fwI^T) = 311\'70eenheden-
^=o^4^) = 751\'20eenhed--
efa i 2
Daar —,—X_ = 1 4- —ö-------- is, wordt de waarde van
           A                                        A
e\' — 1               e\' — 1
S kleiner wanneer f grooter wordt. Daar de gespannen
riem de assen tegen de tappannen drukt, waardoor de
wrijvingsweerstand vergroot wordt, zoo is het voordeelig de
spanning zoo klein mogelijk te maken. Men kan daartoe
van gleuven gebruik maken. Brengt men namelijk langs
den omtrek der schijven gleuven aan,\' en vervangt men den
vlakken riem door een rond koord, dan verkrijgt men de
waarden der in dit geval vereischte spanningen door in
bovenstaande vergelijkingen den wrijvingscoëfficient f te ver-
f
vangen door ƒ, = t*—» , den wrijvingscoëfficient voor gleuven.
16*
-ocr page 256-
DERDE AFDEELING.
DYNAMICA OF LEKR DER BEWEGING VAN EEN NIET IN EVEN-
WICHTSTOESTAND VERKEEREND ABSOLUUT VAST LICHAAM.
HOOFDSTUK XI.
Algemeene stellingen.
^ 80. Werking van de inwendige krachten.
Als op twee stoffelijke punten , deel uitmakende van een vast
lichaam, twee krachten K en Kl
Füj 15\'f
wei ken langs de lijn AB die de pun-
ten verbindt, als bovendien K en
TT, even groot en onderling tegen-
gesteld gericht zijn, dan is de som
van de arbeiden door deze krachten
bij elke willekeurige voortgaande
beweging verricht gelijk nul. Zij
toch Ax Bt (fig. 454) de lijn die
de punten in hun nieuwen stand
verbindt, dan is Al B{ evenwijdig
aan A B. De kracht K heeft
den arbeid —Ks, de kracht K.
den arbeid -\\- K{ s verricht. De
som dier arbeiden is nul.
Hetzelfde geldt voor een zoo-
danige beweging van het lichaam,
waarbij de lijn AB om een harer
uiteinden draait. Bij deze draaiing
toch verricht de in het vaste punt A
(fig. 455) aangrijpende kracht K
arbeid nul, wegens de onbeweeglijkheid van haar aan-
-ocr page 257-
245
grijpingspunt, en de in het punt B aangrijpende kracht Kt
verricht den arbeid nul, omdat de lijn waarlangs zij werkt,
steeds loodrecht staat op de baan door B doorloopen.
Welke ook de beweging zij van een lichaam, men kan
haar steeds voor een willekeurig tijdsverloop ontbinden in
een voortgaande beweging en in een draaiende beweging
om het punt A.
Het is klaarblijkelijk dat de arbeid, door een kracht ver-
richt bij de werkelijke
beweging van haar aan-
grijpingspunt, gelijk is aan
de som der arbeiden door
die kracht verricht bij de
ontbindingsbewegingen
van haar aangrijpings-
punt. Daar nu voor elk
der beide ontbindingsbe-
wegingen de som der ar-
beiden door K en K.
verricht gelijk is aan nul,
zoo is dit ook het geval
voor de werkelijke. dus
voor elke willekeurige be-
weging van het lichaam.
Ook dan nog geldt deze
stelling, indien gedurende
de beweging de krachten
K en Kt van grootte
veranderen. In dit geval
toch kan de geheele duur der beweging verdeeld worden in
deelen die zoo klein zijn, dat gedurende zulk een tijddeel
de krachten als standvastig mogen beschouwd worden. Voor
elk afzonderlijk tijddeel is de stelling reeds bewezen; zij moet
derhalve ook gelden voor de som van alle tijddeelen, d. i.
voor den geheelen duur der beweging.
Volgens de wet van werking en terugweiking zijn de in
een stelsel van stoffelijke punten wei-kende inwendige krachten
twee aan twee even groot en onderling tegengesteld gericht.
Daar tevens, zooals in § 36 is verklaard, bij een absoluut
vast lichaam deze inwendige krachten steeds die grootte
-ocr page 258-
246
hebben , welke noodig is om de punten op onveranderde af-
standen te houden, zoo volgt uit de boven bewezen stelling,
dat bij een absoluut vast lichaam de som der arbeiden door
de inwendige krachten verricht steeds nul is, hoe ook de
beweging van het lichaam moge zijn, en hoe ook de inwen-
dige krachten gedurende de beweging mogen veranderen.
§ 81. Behoud van arbeidsvermogen.
Wanneer op eenig stoffelijk punt P van een absoluut vast
lichaam een uitwendige kracht K werkt, dan zal de be-
weging van dat punt in het algemeen verschillen van die,
welke het volkomen vrije punt onder de werking van de
kracht K zou verkrijgen. Het eene stoffelijk punt toch kan
niet in beweging worden gebracht, zonder dat de overige
punten eveneens in beweging geraken, en een verandering
in zijn bewegingstoestand is in het algemeen onafscheidelijk
verbonden met veranderingen in de bewegingstoestanden der
overige punten. De kracht die op het punt P blijkens zijn
beweging werkt, is dus de resultante van de kracht K en
van de inwendige krachten, die den afstand van P tot de
overige punten onveranderd houden.
Het optreden van uitwendige krachten heeft derhalve
steeds het in werking komen van inwendige krachten ten
gevolge, wier grootten van de uitwendige krachten afhangen.
Kent men K, de resultante der uitwendige op P aan-
grijpende krachten, en ƒ, de resultante der inwendige
* krachten t, , »2, i3 . . . . door de overige punten van het lichaam
op P uitgeoefend, dan kan de beweging van P worden be-
paald met behulp van de in § 18 voor een enkel stoffelijk
punt bewezen stelling omtrent het behoud van arbeidsvermogen.
Noemt men \'H den door de kracht K, en il den door de
kracht I gedurende de beweging verrichten arbeid, is
het arbeidsvermogen van beweging van het punt P bij het
begin, en -=— dat aan het einde der beweging, dan is
volgens vergelijking (15):
m v\'1 me1 a, .
"2-------r-« a.
-ocr page 259-
247
Stelt men deze vergelijking op voor elk der andere punten
van het lichaam, en telt men de gevonden vergelijkingen bij
elkander op, dan verkrijgt men:
*(^)- ^) = *(*) 2;(«).
In deze  vergelijking beteekent 2\' (a) de som der arbeiden
door alle   inwendige krachten verricht, welke som volgens
de in de   vorige paragraaf bewezen stelling steeds nul is.
Men heeft  dus:
2 (™£)-2 (m <?) = *(»).         (116)
De grootheid 2 (31) beteekent de som der arbeiden door-
de gegeven uitwendige krachten K verricht, de grootheid
(Mg fL*\\
—jr— J de som van het arbeidsvermogen van beweging
van alle afzonderlijke punten bij het begin, .2" l-— I de
som van het arbeidsvermogen van beweging van alle af-
zonderlijke punten aan het einde der beweging. Uit boven-
staande vergelijking blijkt dus, dat de vroeger voor het
stoffelijk punt gevonden wet van het behoud van arbeids-
vermogen ook geldt voor een absoluut vast lichaam.
Indien de uitwendige op een lichaam werkende krachten
den arbeid A eenheden verricht hebben
, en het arbeids-
vermogen van plaats van het lichaam dus met A eenheden
is verminderd, dan is het arbeidsvermogen van beweging
van het lichaam met A eenheden toegenomen.
§ 82. Beginsel der virtueele verplaatsingen.
De som der arbeiden door de inwendige krachten ver-
richt, is zooals boven is aangetoond steeds nul. Werken
dus op de punten waaruit een lichaam bestaat, alleen in-
wendige krachten, dan is bij elke mogelijke beweging de
vermeerdering van het arbeidsvermogen van beweging van het
lichaam gelijk nul. Gaat nu op dit lichaam een stel uit-
wendige krachten werken, die in evenwicht zijn, dan verandert
daardoor de beweging van het lichaam niet. Ook dan nog
-ocr page 260-
248
is de vermeerdering van het arbeidsvermogen van beweging
van het lichaam gelijk nul, en dus ook volgens vergelijking
(116) de som der arbeiden door de uitwendige krachten
verricht.
Men kan bewijzen, dat in het algemeen elk stel uit-
wendige krachten vervangen kan worden door een kracht R
en door een koppel M, werkende in een vlak loodrecht op de
lijn, waarlangs R werkt. In bijzondere gevallen kan óf het
moment van M, of de grootte van R nul zijn; zijn beide
nul. dan zijn de krachten met elkander in evenwicht.
Wanneer nu het lichaam gedraaid wordt om de lijn, waar-
langs R werkt, en dus om de koppelas, dan kan de som
der arbeiden door de uitwendige krachten verricht, niet nul
wezen, tenzij het moment van M nul is; wanneer het
lichaam verschoven wordt langs de koppelas, dan kan de
som der arbeiden niet nul zijn, tenzij de grootte van R
nul is. Indien derhalve op een lichaam een stel uitwendige
krachten weiken, en indien bij elke mogelijke verplaatsing
de som van de arbeiden door de uitwendige krachten ver-
richt nul is, dan zijn die krachten met elkander in even-
wicht.
De toepassing van de wet van het behoud van arbeids-
vermogen op het bijzonder geval dat de uitwendige krachten
in evenwicht zijn, voert dus tot de volgende algemeene
stelling:
Wanneer de op een absoluut vast lichaam werkende
uitwendige krachten in evenwicht zijn, dan is bij elke
mogelijke beweging van het lichaam de som der arbeiden
door de uitwendige krachten bij een oneindig kleine verplaat-
sing der aangrijpingspunten verricht gelijk nul.
En omgekeerd:
Wanneer voor elke mogelijke beweging deze voorwaarde
is vervuld, dan zijn de uitwendige krachten in evenwicht.
De toevoeging »bij een oneindig kleine verplaatsing der
aangrijpingspunten" is noodig, omdat in het algemeen bij
de beweging van het lichaam, de stand der lijnen, waar-
langs de krachten werken, verandert ten opzichte van het
lichaam.
Deze stelling wordt het »beginsel der virtueele verplaat-
singen" genoemd.
-ocr page 261-
249
Bij een voortgaande beweging van het lichaam, wordt
de som der arbeiden door de uitwendige krachten bij een
oneindig kleine verplaatsing harer aangrijpingspunten ver-
richt, verkregen door den afgelegden weg te vermenigvuldigen
met de som der ontbindingskrachten in de richting der
beweging. Bij een draaiing van het lichaam verkrijgt men
deze volgens § 19 door den oneindig kleinen draaiingshoek
te vermenigvuldigen met de som der momenten van alle
krachten ten opzichte van de draaiingsas. Daar beide som-
men nul moeten zijn, zoo blijkt dat men de twee in § 43
gevonden evenwichtsvergelijkingen onmiddellijk uit het be-
ginsel der virtueele verplaatsingen kan afleiden.
§ 83. Beginsel van d\'Alembert.
Indien een lichaam in beweging is, dan is de op eenig
punt blijkens zijn beweging werkende kracht Q, de resul-
tante van de gegeven uitwendige kracht K en de onbe-
kende inwendige kracht I, welke van het verband van dit
punt met de overige punten van het lichaam afhangt. Is m
de massa en q de deviatieversnelling van het punt, dan is
steeds Q = mq. Indien op het punt nog bovendien ging
werken een kracht Q\' even groot als Q, maar in tegen-
gestelde richting, dan zouden de krachten Q\', K en / in
evenwicht zijn. Hetzelfde heeft plaats in elk der andere
punten van het lichaam. Daar het stelsel inwendige krach-
ten I op zich zelf in evenwicht is, zoo zullen ook de krach-
ten K en Q\' in evenwicht zijn.
Wanneer dus op elk punt van een lichaam een kracht Q\'
gaat werken, even groot als de kracht die op dat punt
blijkens zijn beweging werkt, maar in tegengestelde rich-
ting, dan zullen de krachten Q\' en de uitwendige krach-
ten K in evenwicht zijn.
Deze stelling wordt het beginsel van d\'Alembert genoemd.
De algemeene evenwichtsvergelijkingen kunnen derhalve
worden toegepast om de onbekende krachten mq, en daar-
mede de onbekende deviatieversnellingen der afzonderlijke
stoffelijke punten te bepalen.
Evenals de wet van het behoud van arbeidsvermogen in
den bijzonderen vorm van het beginsel der virtueele ver-
-ocr page 262-
250
plaatsingen kan worden gebruikt om de evenwichtsverge-
lijkingen af te leiden uit de wetten der bewegingsleer, zoo
kunnen omgekeerd door middel van het hier gevonden be-
ginsel van d\'Alf.mbert, de wetten der bewegingsleer wor-
den teruggebracht tot de reeds in de vorige afdeeling ge-
vonden even wichtsvergelijkingen.
HOOFDSTUK XII.
Senparige draaiende beweging van een lichaam om een vaste as.
§ 84. Arbeidsvermogen van beweging van een
ronddraaiend lichaam. Traagheidsmoment.
Het arbeidsvermogen van beweging van een lichaam is
gelijk aan de som der grootheden die het arbeidsvermogen
van beweging van elk der punten voorstellen. Is m de
massa en v de snelheid van eenig punt, dan is het arbeids-
vermogen van beweging van het lichaam:
Is de beweging van het lichaam een voortgaande, dan is
de snelheid van alle punten even groot; v kan dan voor
het somteeken gebracht worden, of:
Wanneer de beweging van het lichaam in een draaiing
om een as 0 bestaat, en o> de hoeksnelheid is, dan is de
lijnsnelheid van een punt, dat zich op den afstand o van
de as bevindt:
V = 0(0.
Stelt men deze waarde van v in bovenstaande uitdrukking
van het arbeidsvermogen van beweging, dan verkrijgt men:
-ocr page 263-
251
of daar w voor alle punten dezelfde waarde heeft:
A — -^- £y mg1).
De uitdrukking Z(mo2) beteekent de som der producten
van alle afzonderlijke massadeelen van het lichaam met de
.vierkanten van hun afstanden tot de as. De waarde er van
is de maat van wat men noemt het traagheidsmoment van
het lichaam ten opzichte van die as.
Stelt men het traagheidsmoment van het lichaam ten
opzichte van de as 0 voor door T0, dan is dus:
T0 = Z (mf).
Voor het arbeidsvermogen van beweging van een lichaam,
dat met een hoeksnelheid w draait om de as 0, vindt men dan :
A = ££-,                           (117)
Om de wet van het behoud van arbeidsvermogen bij de
draaiende beweging van een lichaam te kunnen toepassen,
moet eerst het traagheidsmoment van het lichaam ten op-
zichte van de draaiingsas worden berekend.
§ 85. Traagheidsmoment, gereduceerde massa,
traagheid.s straal.
Indien de afzonderlijke massadeelen van het lichaam alle
op denzelfden afstand van de draaiingsas O liggen, dan kan
in de uitdrukking voor het traagheidsmoment de standvastige
grootheid o voor het somteeken gebracht worden, waardoor
men verkrijgt:
T0 = 2(mQi) = i>i2:(m).
of, de geheele massa van het lichaam ,u noemende:
T0=u»\\                    (118)
Het traagheidsmoment van een ring of hollen cilinder
met oneindig kleine wanddikte ten opzichte van zijn meet-
kundige as, is dus gelijk aan het product van zijn massa
en het vierkant van zijn straal.
-ocr page 264-
\'252
Het traagheidsmoment van een willekeurig lichaam kan
als gevonden worden beschouwd, zoodra de massa f* bekend
is, die een ring met den gegeven straal q zou moeten heb-
ben, opdat zijn traagheidsmoment gelijk zij aan dat van het
gegeven lichaam. Deze massa u noemt men de op den
straal q gereduceerde massa van het lichaam. De grootte
der gereduceerde massa hangt af van de grootte van den
aangenomen straal n. Daar het product ,ay2 als traagheids-
moment van het lichaam een bepaald, standvastig getal is,
zoo komt met elke waarde van o een bepaalde waarde van
ii overeen. Die waarde van o, voor welke de gereduceerde
massa ,n gelijk is aan de werkelijke massa van het lichaam,
wordt de traagheidsstraal van het lichaam genoemd. Stelt
men o = 1 dan wordt T0 = u; het traagheidsmoment stelt
dus de op den straal één meter gereduceerde massa van
het lichaam voor.
Cilinder.
Indien een cirkel met den straal R gelijkmatig met massa
is bedekt, en / de massa op de vlakte-eenheid is, dan is
de geheele massa van den cirkel:
M=yuR-.                   (119)
Verdeelt men den cirkel in concentrische ringen met de
oneindig kleine wanddikte A, dan is de massa m van zulk
een ring met den straal x:
en zijn traagheidsmoment ten opzichte van de as O volgens
vergelijking (118):
mx1 = 2 7! yx1 A.
Het traagheidsmoment van den cirkel is gelijk aan de
som der traagheidsmomenten van alle afzonderlijke ringen,
en dus:
*= R
T„ = 1ny Zxs &.
                           (120)
r = o
In deze vergelijkingen drukt het somteeken uit, dat voor
-ocr page 265-
253
x achtereenvolgens waarden a\'.= A, a- = 2 A , x = 3 A tot
^=K A gesubstitueerd, en daarna alle op deze wijze ver-
kregen producten a:3A bij elkander opgeteld moeten worden.
Om deze som te bepalen kan men zich voorstellen, dat
een vierhoekige pyramide ABC (fig. "156). wier grondvlak
A B een vierkant met de zijde R,
Fujl50
en wier hoogte eveneens R is,
in lagen met de oneindig kleine
dikte A verdeeld is door vlakken
evenwijdig aan het grondvlak.
Volgens de vergelijkingen van
het zwaartepunt is het moment
van den inhoud I der pyramide
ten opzichte van een vlak even-
wijdig aan het grondvlak door
den top C gebracht, gelijk aan
de som der momenten van de
afzonderlijke lagen, en dus:
Ix0 = X (ix).
Substitueert men hierin de waarden :
ir
xu — - R en i = x\'1 A ,
dan vindt men:
X— 11                Dj               |
X = O
Stelt men deze waarde in vergelijking (120"), dan wordt:
T0 = y 7i
B*
(121)
2
of na substitutie van de in vergelijking (119) gevonden
waarde ynR^ — M:
MR2
T
(122)
-ocr page 266-
254
De op den straal <j gereduceerde massa van den cirkel
vindt men door gelijkstelling der beide uitdrukkingen :
, MR1
Stelt men in deze vergelijking o = R, dan verkrijgt men
voor de op den straal R gereduceerde massa van den cirkel
de waarde:
M
Stelt men ,u = M, dan verkrijgt men voor den traagheids-
straal van den cirkel:
R
o = ——-.
V-I
Bovenstaande vergelijkingen gelden niet slechts voor een
cirkel, maar ook voor een oneindig dunne cirkelvormige
schijf; slechts beteekent dan y de massa in de cubieke
eenheid.
Ook voor een cilinder met de willekeurige hoogte h gelden
deze vergelijkingen. Verdeelt men toch den cilinder door
vlakken evenwijdig aan het grondvlak in schijfjes met de
oneindig kleine dikte A, dan is de massa van zulk een
mR%
schijfje m = y n R"1 A en het traagheidsmoment —^r— =
——— A. Het traagheidsmoment van den cilinder is dus:
_ynR*
               ynR\'h
of daar de massa is M = yn R2h
T MR*
la— 2 \'
Om hel traagheidsmoment te bepalen van een hollen
cilinder, welks binnenste straal r, en welks buitenste straal
R is, moet men hem beschouwen als het verschil van twee
cilinders, en derhalve het traagheidsmoment van den binnen-
sten ontbrekenden cilinder van dat des geheelen cilinders
-ocr page 267-
\'255
aftrekken. Volgens vergelijking (119) is het verschil dei-
massa\'s of de massa van den hollen cilinder :
M=yn(R2 — r2).
Voor het traagheidsmoment vindt men volgens verge-
lijking (121):
r.= yn—2---\'
Deelt men deze vergelijking door de voorgaande, dan wordt:
Rechte stang en rechthoekige plaat.
Wanneer een massa gelijkmatig is verdeeld over een
rechte lijn, in dier
Fi<jJ37
voege dat elkelengte-
eenheid de massa /
bevat, dan is de
massa van de lijn
AB(üg. 157), wier
lengte l metei\'s is:
M = /l.
Verdeelt men de
lijn in oneindig kleine
stukken A, dan is
de massa m van
zulk een deeltje:
m — y X
en het traagheidsmoment ten opzichte van de as OOt van
een deeltje op den afstand x dier as gelegen:
mxl = yXx2,
A
of \'X vervangende door
sin «
mx2 = —^— x\'1 A.
sin«
Het traagheidsmoment van de stang AB is gelijk aan
-ocr page 268-
256
de som der traagheidsmomenten van alle oneindig kleine
deeltjes, en dus:
x = R
ï,„= J—£(x% A).                   (122)
*=s li
De uitdrukking £ (x2 A) beteeken t. dat men de lijn B C = R
X — O
moet verdeelen in de oneindig kleine deelen A, en de som
moet nemen van alle producten aj*A, die men verkrijgt, als
men aan x achtereenvolgens de waarden A , 2A___«A = R
geeft. Om de waarde van deze som te bepalen, kan men
opmerken, dat zij den inhoud voorstelt van de pyramide in
fig. 156, of ook het moment van den in dezelfde figuur
voorkomenden driehoek ABC, welke de projectie der pyra-
mide is. Men heeft dus:
X = E             n]
v(*>A) «
X — O                     ö
of daar R = l sin u is:
1 (x2 A) = v         / .
X = O
Substitueert men deze waarde in vergelijking (122), dan
wordt:
_ ;(7sina)2
J
°— /l 3
of daar yl=M is
To=M(l*^                    (123)
De traagheidsstraal der stang heeft de waarde
W \' l
en de op den straal R= Jsina, of de op het eindpunt B
gereduceerde massa is:
M
-ocr page 269-
257
Staat de stang loodrecht op de as OOt, dan is sin « = 1,
en bovenstaande vergelijkingen gaan over in:
ToTj¥£-            ?= -U.- (124)
terwijl de op het eindpunt der stang gereduceerde massa
ook in dit geval een derde van de werkelijke massa bedraagt.
Bovenstaande vergelijkingen gelden niet alleen voor een
lijn, maar ook voor een oneindig smalle vlakke strook;
slechts beteekent dan y de massa op de vlakte-eenheid.
Op soortgelijke wijze als hierboven voor den cilinder is ge-
schied. kan aangetoond worden, dat de drie laatste ver-
gelijkingen ook gelden voor een rechthoekige plaat met
willekeurige breedte, wier eene zijde langs de as ligt.
Bij de bepaling van traagheidsmomenten kan dikwijls met
vrucht gebruik gemaakt worden van de twee volgende
stellingen:
1°. Het traagheidsmoment van een lichaam ten opzichte
van een willekeurige as O O, is gelijk aan het
traagheidsmoment ten opzichte van een door het
zwaartepunt gaande as evenwijdig aan O O, , ver-
meerderd met het product van de massa van het
lichaam en het vierkant van den afstand der beide
assen ;
2°. Het traagheidsmoment van een vlakke oneindig dunne
plaat ten opzichte van een as, die in het punt O
loodrecht staal op de plaat, is gelijk aan de som
der traagheidsmomenten van die plaat ten opzichte
van twee in de plaat gelegen onderling loodrechte
assen, die elkander in het punt O snijden.
Zij, om de eerste stelling te bewijzen, O (fig. 158) een
as loodrecht staande op het vlak van teekening, S een
aan O evenwijdige as gaande door het zwaartepunt van
het lichaam. Volgens de figuur is:
T0 = £ (m o2) en Ts = 2\' (mr2).
Nu is:
r1 = x2 -|- 22 en
?2 =(a±x)2 z1 = ai x2 zi±<2ax = ri a1±<2ax
of
            T0 = 2 (mr2) a2 2 (m) ± 2a 2 (inx).
I)r. Jui.irs, ilechanicn.                                                                17
-ocr page 270-
258
Van de drie termen in het tweede lid is de eerste Ts,
de tweede is Ma2,
Fie158
                                  als M de massa van
het lichaam is, en
de derde is nul,
omdat volgens de
vergelijkingen van
het zwaartepunt
2 (mx) = o is. Het
traagheidsmoment
ten opzichte van de
as O is dus:
T0 = T, Ma2.
(125)
Om de tweede stelling te bewijzen zij O (fig. 159) een as
loodrecht staande op het vlak van teekening, in welk vlak
FUj 159
de oneindig dunne plaat en de twee onderling loodrechte
assen OX en OZ gelegen zijn. Volgens de figuur is:
T0 = £(mQ2) Tx = i («*») Tz — 2 (mx*),
of daar
                         q2 = #2 -j- «2
r.-r. r..             (ïaej
Uit eenige voorbeelden zal blijken hoe deze stellingen
kunnen dienen tot het vinden van traagheidsmomenten.
Volgens vergelijking (124) is het traagheidsmoment van
-ocr page 271-
\'259
een rechthoekige plaat ten opzichte van de as OÖ, (lig. 160):
T -Mli
J-o— 3 •
Het traagheidsmoment van die plaat ten opzichte van de
aan 0 0, evenwijdige as XXt door\' het zwaartepunt S
gaande, is dan volgens vergelijking (125):
TT=Tn—Ma* =
Ml* Ml* Ml*
12 \'
4
Evenzoo is het traagheidsmoment ten opzichte van de as
ZZ. (tig. 161):
rp       Mb*^
lz~ 12 "
Het traagheidsmoment ten opzichte van de as S, die in
het zwaartepunt loodrecht op de plaat staat, is dus volgens
vergelijking (126):
M                        Md*
T,= Tx Te = ^-(l* b*)=^-.
Op soortgelijke wijze als vroeger kan men aantoonen, dat
deze vergelijking ook geldt voor het traagheidsmoment van
een rechthoekig parallelopipedum ten opzichte van een as
17*
-ocr page 272-
260
gaande door het zwaartepunt en loodrecht staande op de
twee zijvlakken, wier zijden l en b, of wier diagonaal d is.
Volgens vergelijking (122) is het traagheidsmoment van
de oneindig dunne cirkelvormige schijf ten opzichte van de
as O (fig. 162) :
T _MR*
Daar klaarblijkelijk Tc= Tz is, vindt men uit verge-
lijking (126) voor het traagheidsmoment van een cirkel-
vormige schijf ten opzichte van een middellijn :
MR*
T, = -i- of Tr ==
Om het traagheidsmoment van een cilinder ten opzichte
van een middellijn 00t van het
Fig. 163
boven vlak (fig. 163) te vinden,
verdeelt men den cilinder door
vlakken evenwijdig aan het boven-
vlak in schijfjes met de oneindig
kleine dikte A. Is m = y tt R* A
de massa van zulk een schijfje,
dan is het tmagheidsmoment ten
opzichte van de middellijn XXt :
mR2__yn R* ^
~4~            4" \'
Is y de afstand van het schijfje
tot de as 0 0{, dan is volgens vergelijking (125) zijn
traagheidsmoment ten opzichte van de as 00, :
yniï* A
f—^-------\\-ynR*ylt\\.
Voor het traagheidsmoment van den cilinder ten opzichte
van de as 0 0, verkrijgt men dan:
T =
>nR*                             *~*
/\'
^(A) /7ri?2^(y2-A)
.\'/= o
4
of Tn
-ocr page 273-
261
Voert men in deze vergelijking de massa M = ynS%h
in, dan wordt:
«r _3t(3R* ih*)
2°— "TT
§ 86. Eenparig draaiende beweging.
Indien een lichaam een eenparig draaiende beweging heeft
om een vaste as, dan volbrengt elk punt een eenparige
cirkelvormige beweging, en op elk punt werkt dus de cen-
tripetaalkracht. De krachten Q\', die volgens het beginsel
van d\'Alemdert in evenwicht zijn met de uitwendige krach-
mmepsvia-murKz
mu>\'pcasa.\'miD*!/
ten — waartoe ook de weerstanden behooren, waardoor de
draaiingsas in on veranderlijken stand wordt gehouden — zijn
dus even groot als de centripetaalkrachten, maar werken in
tegengestelde richting. Is w de hoeksnelheid van het lichaam,
dan heeft de centripetaalkracht, werkende op een stoffelijk
punt met de massa m en op den afstand g van de as
gelegen, de grootte myoj2 en de richting van den straal
naar binnen. De kracht Q\' is even groot en werkt in de
richting van den straal naar buiten. Als aangrijpingspunt
dier kracht kan ook beschouwd worden het punt A (fig. 164),
waarin de lijn, waarlangs zij werkt, de as snijdt.
-ocr page 274-
262
Om de werking der gezamenlijke krachten Q\' te bepalen,
kan men een rechthoekig coördinatenstelsel OX YZ aan-
brengen, in dier voege dat het zwaartepunt S van het
lichaam in het vlak OYZ ligt, en de draaiingsas langs de
as OX valt. Ontbindt men de kracht moto2 op de in de
figuur aangegeven wijze in de krachten ma>2y en mm2z, en
handelt men op dezelfde wijze met de op de overige punten
van het lichaam werkende krachten Q\', dan verkrijgt men
twee groepen van krachten, wier aangrijpingspunten alle in
de tlraaiingsas OX liggen; de eene groep bestaat uit krachten,
werkende langs lijnen evenwijdig aan de as 0 Y, de andere
Fl63
                                 uit krachten, wer-
kende langs lijnen
evenwijdig aan de
as OZ.
Met deze krach-
ten kan men nu
op dezelfde wijze
te werk gaan als
in § A3 bij het
afleiden der al-
genieene even-
ni m*y
wichtsvergeljj kin-
gen is geschied.
Men kan de kracht
mtohj (fig. 165)
vervangen door een kracht aangrijpende in het punt 0 en een
koppel, welks moment mw\'-yx is, en welks koppelas met de
.Z-as samenvalt. Evenzoo kan men de kracht mui2z ver-
vangen door een kracht aangrijpende in O en een koppel,
welks moment mto2zx is, en welks koppelas met de Y-bs
samenvalt. Handelt men op gelijke wijze met de overige
krichten Q\'. dan verkrijgt men twee groepen van krachten
en twee groepen van koppels. Elk der beide groepen van
krachten heeft een resultante gelijk aan de som der krach-
ten, elk der beide groepen van koppels een vervangend
koppel, welks moment gelijk is aan de som der momenten.
In het geheel zijn er dus twee krachten en twee koppels.
De grootte en richting der krachten en der koppelassen zijn
in fig. 166 aangegeven.
-ocr page 275-
\'203
De twee in het punt O aangrijpende krachten Ry en Rz
hebben een resultante, wier richting bepaald is door de
vergelijking:
mz)
te t — ^
8
— -
2i (mij)
Is M de massa van het lichaam, dan is volgens de leer
van het zwaarte-
J-\\g /GG
punt 2i (mz) = Mz0
en 2\'(mi/)= My0;
bijgevolg is:
tg .•• = ^-.
Vo
Hieruit blijkt, dat
de hoek f gelijk is
aan hoek S 0 Y in
fig. 164; derhalve
gaat de lijn, \\vaar-
langs de kracht R
werkt, door het
zwaartepunt S van
het lichaam, en mag
het zwaartepunt als
aangrijpingspunt der
kracht R worden
ff-u—W\'Jl
beschouwd. Voor de grootte van R vindt men:
R = V R* R/ = M^ Vy* *.»,
of daar volgens figuur 164 Vy„l -\\-z0i = q0 is:
R = MQow1.                          (127)
Op gelijke wijze kan het moment van het vervangend
koppel worden bepaald.
Als men volgens de in § 42 gevonden regels de twee.
koppels voorstelt door hun assen, en deze assen:
©?„ = co2 2\' (mzx) (128) en SU?, = wJ 2 (myx) (129)
samenstelt, dan heeft de as van het vervangend koppel de
grootte:                   SJR = V %RU2 WT
-ocr page 276-
264
De as van liet vervangend koppel ligt in het vlak YZi
en staat dus loodrecht op de draaiingsas van het lichaam;
de hoek, dien zij met de as OY maakt, kan op dezelfde
wijze als hoek f gevonden worden.
Men kan dus de krachten Q\' vervangen door een kracht
R en een koppel 59J. De kracht E heeft de grootte, die
de centripetaalkracht zou hebben, indien de massa van het
lichaam in het zwaartepunt S vereenigd was; zij werkt
langs dezelfde lijn als deze, maar in tegengestelde richting.
De as van het koppel staat loodrecht op de draaiingsas;
haar grootte hangt af van de twee sommen 2(mzx) en
2{myx), dat is. van de wijze, waarop de massa over het
lichaam is verdeeld.
§ 87. Vrij e assen.
De krachten Q\', en dus ook de kracht R en het koppel S)ï
in de vorige paragraaf gevonden, zijn op elk oogenblik in
evenwicht met de uitwendige krachten. Werken er op het
lichaam geen andere uitwendige krachten als de weerstanden,
die de draaiingsas in een on veranderlijken stand houden,
dan kunnen die weerstanden vervangen worden door een
kracht even groot als B, maar in tegengestelde richting-
werkende, en door een koppel, waarvan het moment even
groot is als 5J?, maar het tegengestelde teeken heeft.
In het bijzondere geval, dat B en 93? beide nul zijn, en
dat dus de krachten Q\' met elkander in evenwicht zijn, wordt
de draaiingsas van het lichaam een vrije as genoemd. In dit
geval zijn er geen weerstanden noodig, om de draaiingsas in
haar stand te houden; die as zou ook dan niet van stand
veranderen, indien het lichaam vrij in de ruimte zweefde.
Opdat de draaiingsas OX (fig. 164) een vrije as zij, moet
voldaan zijn aan de twee volgende voorwaarden:
fl=0 (130)          3)J=0. (131)
Stelt men in vergelijking (130) voor B de waarde in
vergelijking (127) gevonden, dan wordt:
Moo<"\'1 = 0 of Co = 0.
De draaiingsas kan dus slechts dan een vrije as zijn, als
zij door het zwaartepunt van het lichaam gaat.
-ocr page 277-
265
Daar ?0ï = V SD?/ -f- SS)?/ is, sluit vergelijking (134) twee
andere vergelijkingen in zich, namelijk:
S0?„ = O en 59?,= O,
welke na substitutie der waarden uit de vergelijkingen (\'128)
en (129) overgaan in :
£(mzx) = 0 (132) en £ (myx) = 0. (133)
Aan deze twee voorwaarden is bijv. voldaan, als de massa
van het lichaam
Fuj 107
                                ten opzichte van
het vlak YZ
symmetrisch is
verdeeld, in dier
voege, dat tegen-
over eenig massa-
deeltje m (fig.167)
op den afstand
-f- x van dit vlak
gelegen,
        zich
steeds een ander
even groot massa-
deeltje op den
afstand — x be-
vindt. De bij-
dragen toch door
deze twee massa-
deeltjes aan de
som £ (tnzx) ge-
leverd, zijn dan
m.z.{-\\- x) en m.z.(—x) en heffen elkander dus op; terwijl
de bijdragen door hen aan de som 2,\' (myx) geleverd
m.y.(-\\-x) en «.//.(—x) zijn, en elkander dus eveneens
opheffen. Hetzelfde geldt van de bijdragen, die de overige
massadeeltjes paarsgewijze aan elk dier sommen leveren. Bij
elk homogeen lichaam, dat den vorm heeft van een recht
prisma, is de lijn, die de zwaartepunten der eindvlakken
verbindt, steeds een vrije as. Evenzoo is bij een lichaam,
dat den vorm heeft van een oneindig dunne vlakke plaat,
de door het zwaartepunt S gaande loodlijn op het vlak der
-ocr page 278-
26fi
plaat steeds een vrije as, daar in dit geval de factor x in
alle termen der sommen .2" (myx) en .2\' (tnzx) nul is.
Nog in een and*
geval blijkt het dadelijk, dat aan
genoemde twee
Fij. WO.
voorwaarden is
voldaan, namelijk
wanneer de massa
van het lichaam
ten opzichte van
elk der beide vlak-
ken YXenZX
symmetrisch is
verdeeld.
Is toch de
massa van het
lichaam symme-
trisch verdeeld
ten opzichte van
het vlak YX
(fig. 168), dan ligt tegenover elk massadeeltje m, dat aan
-ocr page 279-
2fi7
het eerste lid der vergelijking (132) de bijdrage m.x.(-\\- z)
levert, een ander dat aan die som de even groote nega-
tieve bijdrage m.x.(— z) levert; en is de massa van het
lichaam tevens symmetrisch verdeeld ten opzichte van het
vlak ZX (fig. 169), dan ligt tegenover elk massadeeltje,
dat aan het eerste lid der vergelijking (133) de bijdrage
m.x.{-\\- y) levert, steeds een ander, dat aan die som de
even groote negatieve bijdrage m.x.(— y) levert. Hieruit
volgt bijv. dat bij een homogeen omwentelingslichaam de
omwentelingsas steeds een vrije as is.
Door middel van hoogere wiskunde kan worden aange-
toond, dat er in elk willekeurig lichaam steeds drie vrije
assen zijn, die in het zwaartepunt loodrecht op elkander
staan. In elk lichaam kan dus een rechthoekig coördinaten-
stelsel zoodanig worden aangebracht, dat elk der coördinaten-
assen een vrije as is.
§ 88. Samengestelde conische slinger.
De samengestelde conische slinger bestaat in zijn een-
voudigsten vorm uit
twee stoffelijke punten
ï„-
verbonden door een
vaste rechte stang,
welker gewicht ver-
waarloosd wordt; deze
stang, die aan de
draaiende beweging van
een vaste verticale as
deelneemt, is in een
punt O van de as zoo-
danig bevestigd, dat
zij in een verticaal
m,r}m\'
vlak om dit punt draai-
baar is.
Om den hoek « (lig.
170) te bepalen, dien
m,ff
de stang met de as
maakt bij een gegeven
hoeksnelheid w, kan men wederom gebruik maken van het
-ocr page 280-
2«8
beginsel van d\'Alemdert. De uitwendige op de stang
werkende krachten moeten in evenwicht zijn met de krach-
ten Q\'. De uitwendige krachten zijn de gewichten der
.stoffelijke punten mg en mtg; de krachten Q\' zijn de op
de stoffelijke punten blijkens hun beweging werkende cen-
tripetaalkrachten mrw1 en ?»,»", co\'2, in tegengestelde richting
genomen. Daar het punt 0 een vast punt is, en de stang
alleen draaibaar is in een verticaal vlak, verkrijgt men als
eenige evenwichtsvergelijking:
mrwlh -\\- mgr -f- mt r, w1hl — ml grx = 0.
Stelt men in deze vergelijking r = Jsin «, h=lcoscc,
fLcosa.
R
Jtfï»Ü^o* <--------4
r. = lt sin a, ht = lt cos «, en lost men daarna cos « op,
dan vindt men:
g m. I. — ml
cos « =
w2 »tj /,2 -f- mJa
Als w,J, —ml is, dat is, als het zwaartepunt samenvalt
met het draaipunt O, dan wordt cos « = 0, en dus a = 90°.
In dit geval neemt de stang den horizontalen stand aan.
Bestaat de conische slinger uit een rechte stang, die ineen
harer uiteinden O aan de verticale draaiingsas is opgehangen
-ocr page 281-
269
(fig. 171), dan vindt men voor de vervangende R van de
krachten Q\' :
R = 2ï(mxuj2) = w2 2 (w).
Hierin kan 2 (mx) worden vervangen door het product
van de geheele massa der stang M met den afstand van haar
zwaartepunt S tot de draaiingsas; derhalve is:
„ , „. L sin a                       ,.ni\\
R = o>2M ~=----.                     (134)
Om het aangrijpingspunt A van R te vinden, kan men
gebruik maken van de momenten vergelijking:
R. OB^Ufmxoo^),
cc
of na substitutie van OB = O A cos a en z =-----
tg«
Ui2
R . A O . cos « =-----2 (mx2).
tg"
Stelt men hierin voor R do in vergelijking (134) gevon-
den waarde, en voor 2 (mx2), het traagheidsmoment der
stang ten opzichte van de verticale draaiingsas, de in ver-
fH L sin u
gelijking (123) gevonden waarde T„ =------^-----j dan wordt:
, ,,Lsin« „ .                   «o* ML2 sin2«
m2M —s— . O A . cos a = ----- . -------5------,
2                               tg«             3
of                        OA=$L.
Volgens fig. 172 verkrijgt men dus voor den hoek, dien
de stang maakt met de verticale as, de vergelijking:
,. Lslna , „ T „, L sin a A
M —s----- w* . * L cos « — Mg-----s-----= O,
of                                cos a = 4 ^-j.
1 Lm
Valt het ophangpunt niet samen met het uiteinde der
stang, maar verdeelt het haar lengte in de twee deelen l
-ocr page 282-
270
en L met de massa\'s m en M, dan verkrijgt men op gelijke
wijze uit fig. 4 73:
Figl73
l sin a , « ,          , £ sin« ,
m —5— o»*. I Icosu -\\-mg—
2
Z> sin cc
. ,, Z< sin a , „ _               ,,
i¥-----=----- <u2 . •§ L cos cc — ü^f
= 0,
ML —ml
of
= ll
o,1 \' AfL2 mi1"*
HOOFDSTUK XIII.
Veranderlijk draaiende beweging van een lichaam om een vaste aa.
§ 89. Hoekversnelling.
Een lichaam heeft een eenparig versneld draaiende be-
weging als het in onderling gelijke tijdsverloopen, hoe klein
ook genomen, onderling gelijke vermeerderingen van de
hoeksnelheid krijgt.
-ocr page 283-
271
De hoekvei\'snelling van een lichaam niet eenparig ver-
sneld draaiende beweging wordt evenredig gesteld met de
vermeerdering van de hoeksnelheid per seconde.
Als eenheid van hoekversnelling wordt aangenomen de
hoekvei\'snelling van een lichaam met eenparig versneld
draaiende beweging, welks hoeksnelheid in een seconde met
de hoeksnelheidseenheid toeneemt.
Neemt de hoeksnelheid in t seconden met « eenheden
toe, dan is het aantal eenheden der hoekvei\'snelling t, als:
«
Heeft een lichaam een hoekvei\'snelling f, dan doorloopt
eenig op den afstand n van de draaiingsas gelegen stoffelijk
punt een cirkelomtrek met den straal (>, en wel met een
eenparig versnelde beweging; de lijnsnelheid van dit punt
neemt in elke seconde met q f eenheden toe.
De kracht, die op het punt blijkens zijn beweging werkt,
kan dus ontbonden worden in de centripetaalkracht mom*
en in een langs de raaklijn in den zin der beweging wer-
kende kracht nijt, tangentieele kracht genoemd.
Bij de niet-eenparig versneld draaiende beweging ver-
andert de hoekvei\'snelling van oogenblik tot oogenblik. Ver-
deelt men echter den geheelen duur der beweging in on-
eindig kleine deelen, dan kan de beweging gedurende zulk
een tijdsverloop als eenparig versneld draaiend worden be-
schouwd. Ook dan kan dus de kracht, die op het punt
blijkens zijn beweging werkt, ontbonden worden in de cen-
tripetaalkracht en in de tangentieele kracht.
Volgens het beginsel van d\'Alembert moeten de krachten
Q\' met de uitwendige krachten in evenwicht zijn. Blijkens
het hierboven aangetoonde kan elke kracht Q\' ontbonden
worden in een kracht m o 2, even groot als de centripetaal-
kracht, maar in tegengestelde richting werkende, en in een
kracht mgt, werkende langs de raakliju in den zin tegen-
gesteld aan dien der beweging. De eerste ontbindingskracht
werkt langs een lijn die de draaiingsas snijdt. Is deze een
vaste as, dan is de eenige evenwichtsvergelijking die, welke
uitdrukt dat de som der momenten ten opzichte van de
draaiingsas nul is. Noemt men kortheidshalve het moment
van een der uitwendige krachten m, dan heeft men:
-ocr page 284-
272
2\' (m) — 2 (m o e. q) = O,
of daar e een gemeenschappelijke factor is:
i2 (rap2) = 2 {ra).
De hoekversnelling op eenig oogenblik is dus:
waarin S9J = £ (tn) de som is der momenten van de uit-
wendige krachten, en T=J£(mo2) het traagheidsmoment
van het lichaam, beide ten opzichte van de draaiingsas.
§ 90. Het vliegwiel.
Wanneer een as ronddraait onder de werking van twee
krachten K en W, waarvan de eerste het veranderlijk mo-
ment SOï* heeft, en in den zin der draaiing als beweegkracht
werkt, terwijl de laatste het veranderlijk moment 3J?« heeft,
*en de draaiing als weerstand tegen werkt, dan is volgens
vergelijking (135) de hoekversnelling op eenig oogenblik:
Al naarmate het verschil SR/ — 5Jiw> op dit oogenblik een
positieve of een negatieve waarde heeft, neemt de hoek-
snelheid der as toe of af.
Indien de veranderlijkheid der beide momenten periodiek
is, dat is, indien na afloop van een bepaalde periode steeds
dezelfde waarden in dezelfde volgorde terugkeeren, dan zal
de hoeksnelheid der as in elk dier perioden met hetzelfde
bedrag toe- of afnemen. Deze verandering zal nul zijn in
het bijzondere geval, dat de som der arbeiden door beweeg-
kracht en weerstand in elke periode verricht, gelijk nul is.
Opdat dus na afloop van elke periode dezelfde bewegings-
toestanden in dezelfde volgorde terugkeeren, moet de in elke
periode door den weerstand verrichte arbeid dezelfde grootte
hebben als de door de beweegkracht verrichte arbeid, maar
daarvan in teeken verschillen.
Bestaat in zulk geval de periode uit twee tijdperken, zoo-
-ocr page 285-
273
danig dat in het eerste het moment van de beweegkracht,
in het tweede het moment van den weerstand het grootst
is, dan zal de hoeksnelheid in het eerste tijdperk voort-
durend toenemen, en in het tweede evenveel afnemen. De
hoeksnelheid bereikt haar grootste waarde op het oogenblik
dat het toenemen ophoudt en het afnemen begint; zij be-
reikt haar kleinste waarde op het oogenblik dat het afnemen
ophoudt en het toenemen begint. Terwijl de hoeksnelheid
van haar kleinste waarde 10 tot haar grootste waarde Si o*
overgaat, vermeerdert het arbeidsvermogen van beweging,
en volgens de wet van het behoud van arbeidsvermogen is
die vermeerdering in getalwaarde gelijk aan de som van de
arbeiden gedurende dien tijd door de krachten K en W
verricht. Is dus \'21* de in dit tijdperk door de beweeg-
kracht K verrichte positieve arbeid, en 2JW de absolute
waarde van den door den weerstand W verrichten nega-
tieven arbeid, dan is:
TSV- Tw1 .. M                 /Juax
-2----------2~ = ** "~ a*-              (1:<6)
Het eerste lid dezer vergelijking kan men schrijven onder
den vorm:
\'
„ Si -f- "> /„        s
T-—s-----(Si — co);
\'2
, •. , i Si -\\- (o „             &                    ,
stelt men kortheidshalve-----~-----= O en —--------= n, jen
2                     Si — co
lost men daarna T uit de vergelijking op, dan vindt men:
T=^(nt — lij).            (137)
De grootheid 0 is de rekenkundig middenevenredige tus-
schen de grootste en de kleinste hoeksnelheid; zij kan de
gemiddelde hoeksnelheid genoemd worden; het getal n geeft
aan het hoeveelste gedeelte van deze gemiddelde hoeksnelheid
het grootste verschil in hoeksnelheid bedraagt. De verge-
lijking (137) geeft derhalve aan hoe groot het traagheids-
inoment der as minstens zijn moet om te maken, dat de
schommelingen der hoeksnelheid een zeker gedeelte van de
gemiddelde hoeksnelheid niet te boven gaan.
Dr. Julius, Mec/imiicu.                                                                 18
-ocr page 286-
"1L\\
Indien het traagheidsmoment der as de vereischte grootte
niet heeft, kan men het ontbrekende aanvullen door een
andere massa aan de as te verbinden. Deze toegevoegde
massa zal een des te grooter bijdrage aan het traagheids-
moment leveren, naarmate zij verder van de draaiingsas
verwijderd is. Het is derhalve voordeelig de aan de as te
bevestigen massa den vorm te geven van een ring met
groote middellijn. Deze wordt dan vliegwiel genoemd. De
vergelijking (137) kan ook worden aangewend om de massa
van het vliegwiel te berekenen als het getal n gegeven is,
zooals uit het volgende voorbeeld blijken zal.
Berekening van het vliegwiel voor een krukas.
Er zal worden aangenomen dat de beweegkracht K voort-
durend in verticale richting aan het uiteinde van een kruk-
arm werkt, een standvastige grootte
heeft, bij het neergaan naar be-
neden, en bij het opgaan naar
boven werkt; verder dat de stand-
vastige weerstand W werkt aan een
koord, dat om de krukas wordt
opgewonden.
Volgens fig. 174 heeft het
moment van den weerstand de
standvastige grootte Wr; het
moment van de beweegkracht
daarentegen verandert met den
stand van den krukarm, en wel
in dier voege, dat na een halve
omwenteling van de kruk steeds
dezelfde waarden periodiek terug-
keeren. Terwijl de kruk uit den
stand OA in den stand O C over-
gaat, verricht de kracht AT den arbeid -f- K. A C of -\\- K.\'ür;
de kracht W verricht daarbij den arbeid — W .nr. Opdat
de beweging periodiek zij, moet derhalve voldaan zijn aan
de vergelijking:
Jf.2r= W.nr of K = ^ W.
(138)
-ocr page 287-
\'275
Om den stand OB van de kruk te vinden, bij welken
de hoek versnelling nul is, moet men de momenten van
kracht en weerstand aan elkander gelijk stellen; volgens
lig. 174 heeft men dan:
Kr cos u == Wr.
Substitueert men hierin de in vergelijking (138) voor K
gevonden waarde, dan verkrijgt men:
0,8807 nidialen. (139)
cos a = - == 0,6366 of «
Gedurende den overgang van de kruk uit den stand OB
in den stand OD (fig. 175)
Fig. /7J
is het moment van de kracht
voortdurend grooter dan dat
van den weerstand: gedu-
rende den overgang uit den
stand OD in den stand O E
daarentegen heeft het om-
gekeerde plaats. De hoek-
versnelling is derhalve posi-
tief zoolang het uiteinde van
den knikarm den boog B D,
negatief zoolang het den
boog D E doorloopt. De hoek-
snelheid verkrijgt dus haar
kleinste waarde u>, als de
kruk den stand OB, haar grootste waarde ii, als de kruk
den stand OD inneemt.
De grootheid 21/. uit vergelijking 136 beteekent den
arbeid, die door de kracht K wordt verricht gedurende
den overgang van de kruk uit den stand OB in den stand
OD, dus:
21* = K. BD= K.\'lr sin «= ^TF.2rsin«.
Het aangrijpingspunt van den weerstand W legt daarbij
den boog BD af; derhalve is:
2lw= W.2r«.
18*
-ocr page 288-
276
Substitueert men deze waarden in vergelijking (137), dan
verkrijgt men:
T= —f Wr (tt sin « — 2«),
of als men voor « de in vergelijking (139) gevonden waarde
stelt:                        Tr= 0,661 .— . Wr.
IY-
Is M de massa, R de straal van het vliegwiel, en is
het traagheidsmoment der as zelf klein genoeg ten op-
zichte van het traagheidsmoment van het vliegwiel om ver-
waarloosd te mogen worden, dan is T— ME2, en men
vindt voor de massa van het vliegwiel:
M = 0,661 j^ . Wr.
Indien bijv. de schommelingen van de hoeksnelheid het
dertigste gedeelte van de gemiddelde hoeksnelheid niet mogen
te boven gaan, dan is m = 30; volbrengt de as 60 om-
wentelingen in de minuut, dan is de gemiddelde hoeksneU
heid 9 = 2 ir. Is verder de lengte van den knikarm
r = 0,3 meter, de straal van het vliegwiel 2?= 1,5 meter,
en de op den straal r gereduceerde weerstand PF=1000
stat. eenheden = 1000 g. dyn. eenheden, dan vindt men
voor de massa van het vliegwiel:
30
M = 0,661 .. _ - ... 1000 . g. 0,3 = 657 kilogram.
(1,5 . 2tt)2
             °                         c
§ 91. Samengestelde slinger.
Elk lichaam draaibaar om een horizontalen niet door het
zwaartepunt gaande as heet een samengestelde slinger. De
draaiingsas wordt de ophangas genoemd.
Indien de loodlijn OS (lig. 176) uit het zwaartepunt op
de ophangas O neergelaten r meters lang is, dan is op het
oogenblik dat deze loodlijn den hoek « maakt met de verti-
caal, de hoekversnelling e van den samengestelden slinger
volgens vergelijking (135):
Mgrs\\a cc
-ocr page 289-
277
I
waarin M de massa en het traagheidsmoment van het
lichaam ten opzichte van de draaiingsas 0 beteekent.
Om den slin-
FLgl76
gertijd van den
FUfl77
samengestelden
slinger te vinden
kan men delengte
l bepalen van een
enkelvoudigen
slinger, die bij
denzelfden elon-
gatiehoek a steeds
dezelfde hoekver-
snelling heeft als
de samengestelde
slinger. Deze twee
slingers hebben
dan klaarblijkelijk
denzelfden slin-
gertijd.
Bij een elongatiehoek a (fig. 477) heeft een enkelvoudige
slinger met de massa m en de lengte l de hoek versnelling:
mglsin a__</sin«
* ~~ ~ ml1             T~\'
Door gelijkstelling van de gevonden waarden der hoek-
versnellingen vindt men:
T0
(140)
Mr\'
en dus volgens vergelijking (30) voor den slingertijd van
den samengestelden slinger:
                                                 ,
V
Mgr
Het punt I, dat men verkrijgt als men de lijn OS ver-
lengt en daarop van de as O af de lengte l uitzet, wordt
het slingerpunt van den samengestelden slinger genoemd ;
de lijn door het slingerpunt I evenwijdig aan de ophangas
getrokken heet de slingeras.
/ :
Kr
.\' )• -. f
1 /
\'
• >
-ocr page 290-
\'278
Van alle punten van het lichaam zijn de op de slingeras
gelegene de eenige, welker beweging niet wordt gewijzigd
door het verband met de overige punten; elk punt op de
slingeras volbrengt zijn slingeringen evenzoo alsof het een
enkelvoudige slinger ware.
§ 92. Reversieslinger.
Wanneer men den in fig. 178 voorgestelden samen-
gestelden slinger omkeert en aan de slingeras I ophangt,
zoodat nu deze de nieuwe ophangas wordt, dan verkrijgt
men den in fig. 179 voorgestelden slinger, welks nieuwe
/\'iy/7<?                                Fiff.170
slingeras men op de in de vorige paragraaf verklaarde wijze
kan bepalen.
De lengte lt van den enkelvoudigen slinger, welke zijn
slingeringen in denzelfden tijd volbrengt als de nieuwe slinger,
vindt men uit vergelijking (140), als men daarin r door
l — r, en het traagheidsmoment Ta door het traagheids-
moment T; ten opzichte van de nieuwe ophangas vervangt.
Men heeft dus:
Ti
l\' = M(l—r)"
-ocr page 291-
279
Is T, het traagheidsmoment ten opzichte van de as door
het zwaartepunt evenwijdig aan de ophangas getrokken, dan
is volgens vergelijking (125):
en dus:
^-Tn^r \'-r- (141)
Vervangt men evenzoo in vergelijking (140) T0 door zijn
waarde = T,-\\-Mr2, dan verkrijgt men:
l==Mr r ofM(l—r)^^. (442)
Deze waarde van M (l — r) in vergelijking (141) stel-
lende, vindt men :
lt =1
Hieruit volgt, dat bij eiken slinger de ophangas met de
slingeras kan worden verwisseld, zonder dat daardoor de
slingertijd verandert.
Hierin heeft men tevens een middel om proefondervindelijk
de lengte te bepalen van een enkelvoudigen slinger met
bepaalden slingertijd.
Als men namelijk den slingertijd van den aan de as O
opgehangen slinger waarneemt, en daarna door proefneming
de beneden het zwaartepunt gelegen as I opzoekt, welke
als ophangas moet worden gekozen om wederom denzelfden
slingertijd te verkrijgen, dan is de afstand 01 dei" beide
assen de gezochte lengte. Een tot dit doel ingerichte slinger
wordt reversieslinger genoemd.
Bij het gebruik van den reversieslinger moet in het oog
gehouden worden, dat er onder het zwaartepunt, behalve de
slingeras I nog een tweede as O, is, die als ophangas ge-
kozen, eveneens denzelfden slingertijd oplevert; het is die
as, die ten opzichte van het zwaartepunt symmetrisch tegen-
over de oorspronkelijke ophangas is gelegen. Volgens ver-
gelijking (142) toch hangt bij een en hetzelfde lichaam /
slechts af van r, en moet dus wederom dezelfde waarde
aannemen, indien de op den afstand r beneden het zwaartepunt
-ocr page 292-
280
gelegen as als ophangas wordt gekozen. In een bijzonder
geval valt de slingeras met de as O, samen, namelijk als
l — r = r is, of volgens vergelijking (142):
Mr2=Ts,                      (143)
•lat is, als de afstand van het zwaartepunt tot de ophangas
gelijk is aan den traagheidsstraal van het lichaam ten op-
zichte van de door het zwaartepunt gaande as.
Voor een dunne, aan een harer uiteinden opgehangen
stang met de lengte L is bijv. volgens vergelijking (124)
T„ = ^ML\\ en dus:
l~ \\ML -*1j-
De slingertijd zal derhalve dezelfde blijven als men als
ophangas kiest de lijn , die op twee derde der lengte even-
wijdig aan de ophangas wordt getrokken. Bij het gebruik
der stang als reversieslinger moet men er op letten deze
slingeras niet te verwisselen met de as door het onderste
uiteinde der stang getrokken, welke als ophangas gekozen
natuurlijk denzelfden slingertijd zou opleveren. De traag-
heidsstraal q ten opzichte van de door het zwaartepunt
gaande as wordt gevonden uit de vergelijking:
,, , m ML2 .            L
•          12                ^12
Wordt de op dezen afstand boven het zwaartepunt gelegen
as als ophangas gekozen, dan ligt de slingeras op denzelfden
afstand beneden het zwaartepunt.
Uit de vergelijkingen (140) en (142) blijkt, dat men
een der traagheidsmomenten T0 of moet kennen om de
ligging van de slingeras te bepalen. Omgekeerd kunnen
deze vergelijkingen ook dienen om het traagheidsmoment te
vinden. Daartoe behoeft men slechts door waarneming de
lengte te bepalen van den enkelvoudigen slinger met gelijken
slingertijd; is bovendien de afstand r van het zwaartepunt
tot de ophangas bekend, dan kan men de traagheids-
momenten berekenen uit de vergelijkingen :
T0 = Mrl (144) en Ts = Mr(l-r) (145)
-ocr page 293-
\'28\'!
Deze handelwijze kan met voordeel worden toegepast in
al die gevallen, waarin wegens onregelmatigheid van vorm
of van massaverdeeling het berekenen van het traagheids-
moment groote moeilijkheden zou opleveren.
Volgens vergelijking (145) heeft het product der twee
grootheden r en ! — r de standvastige waarde:
r(l-r>—§-»«.
terwijl haar som de van r afhangende waarde l heeft. De
som der beide factoren van een getal is het kleinst als de
twee factoren aan elkander gelijk zijn. Hieruit volgt dat
de vergelijking (143), of onder een andere gedaante de ver-
gelijking :
r = q = l — r
tevens de voorwaarde bevat, waaronder de slingertijd van
een bepaald lichaam het kleinst is.
HOOFDSTUK XIV.
Willekeurige beweging van een lichaam.
§ 93. Arbeidsvermogen van een lichaam.
De beweging van een lichaam kan voor elk oneindig klein
tijdsverloop ontbonden worden in een draaiende beweging
om een as door het zwaartepunt gaande en een voortgaande
beweging; de hoeksnelheid der eerste ontbindingsbeweging
zij co, de snelheid der tweede zij w. Er wordt gevraagd
het arbeidsvermogen van beweging van het lichaam te be-
palen.
Men brengt daartoe door het zwaartepunt van het lichaam
drie onderling loodrechte coördinatenassen, waarvan de eene
SX met de draaiingsas samenvalt, en de tweede SZ zoo-
danig wordt gekozen, dat de richting van de snelheid u even-
wijdig is aan het vlak XZ ; daarna bepaalt men het arbeids-
vermogen van beweging van een punt met de massa m en
op den afstand q van de draaiingsas gelegen. De snelheid
-ocr page 294-
282
van dit punt kan ontbonden
worden in top (fig.
u (fig. 181).
180) en
De ont-
bindingssnelheid wp kan
wederom ontbonden wor-
den in m o cos d = wy
en wo sin 3 = wsy de
ontbindingssnelheid m in
m cos <* en u sin r<.
De ontbindingssnelheden
van het punt (fig. 182)
zijn dus: m cos a in de
richtingSX, —wz inde
richting SY. en
u sin a -\\- wy
in de richting SZ. De wer-
kelijke snelheid v kan der-
halve gevonden worden uit
de vergelijking:
v\'1 ssa (m cos a)2 -\\- (u sin « -j- t»y)2 -f- (wï)1,
of daar u2 cos2a -|* m2 s\'n3
y
v2 = w2 -)- w2p2 -)- 2wsin « . toi/.
Fig 181
Usginct
.
>
>w
—^»
8
f
A
V
>«t)-
Het arbeidsvermogen van beweging van het punt is -jy— ,
SS
tra\'
en die van het geheele lichaam X
2 \'
-ocr page 295-
28:!
Daar u, <o en « voor alle punten dezelfde waarden hebben,
vindt men:
2 (ü^?) = «£ ^(W) \'J 2-(>W..\') «« sin « *(my).
XZ is gelegen is
Z(my) = o. Noemt
men (m) — de ge-
Daar het zwaartepunt in het vlak
J-ïg/82
\'t.
U
4
jsüux, toz
/
2
^
s
m
%
10
f T
/
JD
%
)
V.
heele massa van het
lichaam — il/, , en
2(m n2)— het traag-
heidsmoment ten op-
zichte van de door
het zwaartepunt
gaande draaiings-
as — T«, dan is het
arbeidsvermogen van
beweging van het
geheele lichaam:
Mu\'- 2>*
««              2                 2"
De term            is
het arbeidsvermogen van beweging ten gevolge van de
U
voortgaande,
bindingsbeweging
dat ten gevolge van de draaiende ont-
ran het lichaam. Bovenstaande verge-
lijking zegt dus:.
Men vindt het arbeidsvermogen van beweging van een
lichaam door zijn beweging te ontbinden in een voort-
gaande en een draaiende om een door het zwaartepunt
gaande as, het arbeidsvermogen van beweging te bepalen
dat het lichaam heeft, ten gevolge van elk dier ontbindings-
bewegingen, en de som dier grootheden te nemen.
Als voorbeeld diene het volgende:
Indien een cilinder met den straal r over een horizontaal
vlak rolt, dan kan zijn beweging voor een willekeurig tijds-
verloop ontbonden worden in een voortgaande met de snel-
heid u (fig. 183) en een ronddraaiende om zijn as met de
-ocr page 296-
284
hoeksnelheid w. Een punt op den omtrek van den cilinder
heeft bij de laatste ontbindings-
Fïff/83
beweging de lijnsnelheid rm.
De werkelijke snelheid van
het punt, waar de cilinder het
vlak aanraakt is nul, anders zou
de beweging geen zuiver rollende
zijn. Hieruit volgt dat
u = rco ot w = —.
r
Het arbeidsvermogen van be-
weging van den cilinder is der-
halve :
ï\',
de op den omtrek van den cilinder gereduceerde
M
Voor
.ï>
is vroeger gevonden de waarde -jr-, dus:
ii
massa,
3.W
\'2
31
\'2
4
Rolt een cilinder onder de werking der zwaartekracht
FüjMtor.
langs een hellend vlak naar beneden (fig. 184), dan is vol-
gens de wet van het behoud van arbeidsvermogen:
-ocr page 297-
\'
285
3Mv2 3 Mc2
= JfyA.
4
4
of                         v = V\'c1 <2gQh).
Is de aanvangssnelheid nul, dan wordt de eindsnelheid:
v=\\/2g($h),
dus even groot als die van een lichaam, dat van de hoogte
-^h vrij valt.
§ 94. Beweging van het zwaartepunt.
De algemeene vergelijkingen voor het zwaartepunt (51)
celden voor eiken stand van het lichaam. Indien een lichaam
zich beweegt veranderen de
j
\'ÜTlSd
/
>
JC
«
./
trv >0
/
<&a
s
/ \'"
y
/
0
coördinaten zoowel van de
afzonderlijke punten als van
het zwaartepunt. Op ieder
oogenblik echter is het pro-
duct van de geheele massa
met den afstand van het
zwaartepunt tot het vaste
vlak YZ gelijk aan de som
der producten, die men ver-
krijgt als men elk massa-
deeltje vermenigvuldigt met
zijn afstand tot ditzelfde
vlak, of volgens fig. 185:
Mx0 = Z(mx) (146)
Indien men de snelheden
/
der afzonderlijke punten op
de in de figuur aangeduide
wijze ontbindt, dan zal gedurende het eerstvolgende oneindig
kleine tijddeel r de grootheid x in x -f- vt, en de grootheid
x0 in x0-\\-v0t overgaan. De algemeene vergelijking (146)
geldt ook voor het einde van dit tijddeel, bijgevolg is:
M (x0 v0 r) = X [m{x v r)]
of
               Mx0 -\\- Mv„ t = ± (mx) r 2(mv).
T {&*
-ocr page 298-
i>86
Trekt me» hiervan de vergelijking (146) af, en laat men
den gemeenschappelijken factor r weg, dan verkrijgt men:
Mv0 = 2 (mv).                       (147)
Op elk oogenblik is het product van de geheele massa
en de ontbindingssnelheid van het zwaartepunt in eenige
richting gelijk aan de som van de producten der massa\'s
van alle afzonderlijke punten en hun ontbindingssnelheden
in diezelfde Helding.
Dezelfde stelling geldt ook voor de versnellingen. Is p de
ontbindingsversnelling van de massa m, en p0 de ontbindings-
versnelling van het zwaartepunt, beide in de richting OX,
dan zal gedurende het oneindig kleine tijddeel r de groot-
heid v in v-\\-pr, en de grootheid v0 in v0 -\\- p0 r over-
gaan. Vergelijking (147) geldt ook voor het einde van dit
tijddeel; bijgevolg is:
M (v0 p0 r) = 2 [m (v p r)]
of
                Mv0 -f- Mp<> t = — {mv) -\\- t 2. (mp).
Ti\'ekt men hiervan de vergelijking (147) af, en laat men
den gemeenschappelijken factor r weg, dan verkrijgt men:
Mp0 = 2 (mp).                        (148)
Op elk oogenblik is het product van de geheele massa
en de ontbindingsversnelling van het zwaartepunt in eenige
richting gelijk aan de som van de producten der massa\'s
van alle afzonderlijke punten en hun ontbindingsversnel-
lingen in diezelfde richting.
Met behulp van deze stelling kan de ontbindingsversnelling
p0 van het zwaartepunt in de richting OX berekend wor-
den, indien op het lichaam willekeurige uitwendige krachten
K werken. De producten mp stellen namelijk in grootte
en richting de ontbondenen voor van de krachten Q, die
blijkens hun beweging op de punten werken. De ontbon-
denen van de krachten Q\' werken in tegengestelde richting.
Ontbindt men de uitwendige krachten K langs drie onder-
ling loodrechte asiïchtingen, en stelt men de ontbindings-
krachten in de richting OX door X voor, dan verkrijgt
men volgens het beginsel van d\'Alembert. de vergelijking:
2(X)- £(mp)==0
-ocr page 299-
287
of volgens vergelijking (148):
Mp0 = 2 (X).
De ontbindingsversnelling van het zwaartepunt in de
richting OX is dus :
l" M
Men zou dezelfde ontbindingsversnelling gevonden hebben
voor een enkel stoffelijk punt met de massa M, waarop
alle krachten K werkten langs lijnen evenwijdig aan die,
waarlangs zij werkelijk werken. Dit is niet slechts waar
voor de richting OX, maar ook voor de richtingen 0 Y en
OZ, en derhalve voor elke willekeurige richting.
Het zwaartepunt van een lichaam beweegt zich evenzoo
alsof de geheele massa er in vereenigd was en alsof alle
krachten er op werkten langs lijnen evenwijdig aan die
,
waarlangs zij werkelijk werken.
Deze stelling geldt, evenals het beginsel van d\'Alembert,
niet slechts voor absoluut vaste lichamen, maar geheel alge-
meen voor elk willekeurig stelsel stoffelijke punten.
§ 95. Beweging van een v r ij lichaam.
Zooals in § 43 is aangetoond, kunnen de op een lichaam
werkende uitwendige krachten steeds vervangen worden dooi\'
een kracht in het zwaartepunt aangrijpende en een koppel.
In verband met het in de vorige paragraaf bewezene, kan
dus steeds de versnelling van het zwaartepunt gevonden
worden; zij is namelijk:
R
waarin R de vervangende kracht, en M de geheele massa
van het lichaam beteekent.
Daar de krachten van een koppel geen invloed hebben
op de beweging van het zwaartepunt, zoo zal de werking
van een koppel bestaan in een draaiing van het lichaam om
het zwaartepunt.
De algemeene oplossing van dit geval is te moeilijk om
-ocr page 300-
288
in dit leerboek behandeld te worden. Er zal dus een een-
voudiger geval worden aangenomen; er zal namelijk worden
verondersteld, dat de lijn door het zwaartepunt van het
lichaam gaande en loodrecht staande op het koppelvlak een
vrije as is.
Daar bij de bepaling van de ontbindingsbeweging, die
het gevolg is van het op het lichaam werkende koppel, de
overige ontbindingsbewegingen niet in aanmerking komen,
zoo kan men aannemen dat het zwaartepunt van het lichaam
in rust is. Stelt men zich voor dat de vrije as, die lood-
recht staat op het koppelvlak, door weerstanden in een on-
veranderlijken stand wordt gehouden, dan krijgt het lichaam
om die as een versneld draaiende beweging met de ver-
snelling:
waarin ?0ï het koppelmoment en T het traagheidsmoment
ten opzichte van de draaiingsas beteekent. Men kan nu
bewijzen dat de weerstanden, die de as in onveranderlijken
stand houden, nul zijn.
Zijn de weerstanden nul, dan zijn de krachten van het
koppel de eenige uitwendige krachten, en moeten volgens
het beginsel van D\'ALEMBERT met de krachten Q\' in even-
wicht zijn; en omgekeerd, zijn die krachten in evenwicht,
dan zijn de weerstanden nul.
De krachten Q\' kunnen ontbonden worden in krachten
even groot als de centripetaalkrachten maar in tegengestelde
richting werkende, en in de tangentieele krachten, werkende
in den zin tegengesteld aan dien der beweging. Daar de
draaiingsas een vrije as is, zijn zooals in § 87 is aangetoond
de eerste ontbindingskrachten met elkander in evenwicht, en
er moet dus slechts bewezen worden, dat de tangentieele
ontbindingskrachten van Q\' met de krachten van het koppel
in evenwicht zijn
Daartoe brenge men door het zwaartepunt S drie onder-
ling loodrechte coördinatenassen zoodanig aan, dat de as SX
met de draaiingsas samenvalt (fig. 186 en 187).
Zij vOï het moment van het koppel, en mtg (fig. 186)
een der tangentieele ontbindingskrachten; ontbindt men deze
-ocr page 301-
289
laatste op de in de figuur aangegeven wijze in de twee
krachten mtQ cos « = mty en mtQ sin « = mts, dan blijkt
dat aan de zes even-
Fipl86.
wichtsvergelijkingen is vol-
daan. In de richting der
as SX zijn geen ont-
bindingskrachten ; de som
der ontbindingskrachten
in de richting S Y is
X (mtz) = f 2.\' (wz), die
in de richting <SZ is
2 {mty) = é 2\' (wy), en
daar het zwaartepunt zoo-
wel in het vlak XZ als
in het vlak X Y ligt, is:
ü(my) = 0 en 2\'{mz\') — 0.
ten opzichte van de assen
De sommen der momenten
SX, SY en SZ zijn:
en 2{mtzx)
en t2\'(mzx).
Daar volgens vergelijking (135) t = :W is, is de som der
momenten ten opzichte van
de as SX gelijk nul. Daar
verder de as een vrije as
is, heeft men:
2(myx) = 0 en 2{mzx) = 0,
zoodat ook de sommen der
momenten ten opzichte van
de assen S Y en SZ gelijk
nul zijn.
Daar aan de zes evenwichts-
vergelijkingen voldaan is, zijn
er geen weerstanden noodig
om de as in onveranderlijken
stand te houden, en heeft
dus de ontbindingsbeweging op bovengenoemde wijze plaats.
Dr. Julius, Mechanica.                                                                19
o
-ocr page 302-
290
§ 96. Rollende beNveging langs een hellend vlak.
Indien er geen wrijvings weerstand voorhanden was, dan
zou een lichaam, dat op een hellend vlak is geplaatst en
zich aanvankelijk in rust bevond, een voortgaande beweging
verkrijgen, en de aanrakingsplaats zou daarbij langs het
hellend vlak glijden. De wrijvingsweerstand werkt dit glijden
tegen, en veroorzaakt tevens een draaiende beweging. Is
de wrijvingsweerstand groot genoeg om het glijden van de
aanrakingsplaats geheel te beletten, dan krijgt het lichaam
een rollende beweging.
Om te onderzoeken of de beweging een zuiver rollende,
of wel een onvolkomen, met glijden verbonden rollende is,
kan men zich voorstellen, dat om het lichaam een draad is
gewikkeld, die langs het hellend vlak uitgestrekt en aan
eenig punt bevestigd is, en die het lichaam dwingt een
rollende beweging te volbrengen. Vergelijkt men dan de
spanning F in dien draad met den wrijvingsweerstand, die
bij het glijden van het lichaam zou ontstaan, en blijkt het
dat deze wrijvings weerstand niet kleiner is dan genoemde
Fig-.188.
kracht F, dan zal ook zonder het voorhanden zijn van den
draad de beweging van het lichaam een rollende zijn.
Op het rollende lichaam (flg. 188) werken drie krachten,
-ocr page 303-
291
namelijk het gewicht Mg, de normale weerstand N en de
kracht F. Van deze drie klachten werkt alleen F langs
een lijn, die niet door het zwaartepunt gaat; de draaiing
om het zwaartepunt geschiedt derhalve met de hoekversnelling:
Fr
-1 s
In deze vergelijking beteekent Ts het traagheidsmoment
ten opzichte van de door het zwaartepunt gaande, loodrecht
op de baan gerichte as, die verondersteld wordt een vrije as
te zijn. De lijnversnelling van eenig punt op den omtrek is:
Fr2
P = rt
— -T-.
Stelt ii de op den omtrek van den rollenden cirkel ge-
reduceerde massa voor, dan is T, = iir2, en derhalve:
jP==— of F=fip.                   (149)
Zooals vroeger is aangetoond, heeft bij de rollende bewe-
ging elk punt op den omtrek, tengevolge van de draaiende
ontbindingsbeweging, een lijnsnelheid, die steeds gelijk is aan
de snelheid der voortgaande ontbindingsbeweging; derhalve
zijn ook de versnellingen der ontbindingsbewegingen aan
elkander gehjk.
Hieruit volgt dat de versnelling van het zwaartepunt
eveneens de grootte p heeft.
Volgens § 94 is die versnelling:
__Mgsxna — F
p~           M •
Substitueert men hierin de hierboven gevonden waarde
van F, dan verkrijgt men:
Mg smet                           .....
P = Tf 7"                (150)
De som der ontbindingskrachten in de richting normaal
op het vlak is nul, dus:
.A7" — Mg cos « = 0 of N = Mg cos a.
19*
-ocr page 304-
292
Is f de wrijvingscoëfficient, dan heeft bij een werkelijk
glijden de wrijvingsweerstand de grootte fN. Is /"iVgrooter
dan F, dan komt van de kracht fN slechts een gedeelte
tot stand, en wel een gedeelte dat gelijk is aan F. Is
daarentegen fN kleiner dan F, dan zou er een glijden
plaats grijpen, indien er geen draad voorhanden was. In
het grensgeval is fN = F of volgens vergelijking (149):
f Mg cos « = up.
Substitueert men hierin de voor p gevonden waarde, dan
verkrijgt men:
„„,                 m Mg sin «
f Mg cos « = V /, •
of              *g«-(i f)A
Uit deze vergelijking kan de hoek bepaald worden, dien
het hellend vlak hoogstens met den horizon mag maken,
opdat de beweging tengevolge van den wrijvingsweerstand
een rollende zij. Zij geeft tevens de grens aan, tot welke,
zonder het voorhanden zijn van den draad, de vergelijking
(150) geldig blijft.
M
Is het lichaam een cilinder, dan is— =2, en dus geeft
I*
tga:=3f
de grootste helling van het vlak aan, waarbij de
cilinder nog rolt. Zoolang de hellingshoek deze waarde niet
overschrijdt, is volgens vergelijking (150) de versnelling:
p = $gsma.
-ocr page 305-
VIEEDE AFDEELING.
STATICA VAN VEERKRACHTIGE LICHAMEN OF LEER VAN HET
EVENWICHT VAN KRACHTEN OP EEN VEERKRACHTIG
LICHAAM WERKENDE.
HOOFDSTUK XV.
Verlenging en verkorting van een prismatische stang.
§ 97. Elasticiteit.
In de twee vorige afdeelingen werden de lichamen als
absoluut vast beschouwd; er werd aangenomen:
4°. dat de kleinste deelen in rust zijn op hun gemiddelde
plaatsen,
2°. dat de afstanden der deelen onveranderlijk zijn.
Voortaan zal van deze laatste vereenvoudiging worden
afgezien, en zal onder een elastisch lichaam worden verstaan,
een stelsel van punten, die in rust zijn op hun gemiddelde
plaatsen, en die door hun onderlinge werking op die plaatsen
gehouden worden. Wanneer geen uitwendige krachten
werken, en dus het lichaam in rust is of een eenparige
rechtlijnige beweging heeft, dan is de resultante van de
inwendige krachten op eenig deeltje P werkende steeds nul.
De stand, dien P dan inneemt ten opzichte van de overige
punten, zal de nulstand genoemd worden.
Gaan op het lichaam uitwendige krachten werken, dan
zullen in het algemeen de afstanden der deeltjes onderling
veranderen. Blijkens de ervaring zal dan de resultante der
inwendige krachten op P werkende, gericht zijn langs de
lijn, die de plaats van P verbindt met den nulstand; ter-
wijl de grootte dier resultante evenredig is met den afstand
van P tot den nulstand. Houden de uitwendige krachten
-ocr page 306-
294
op te werken, dan keeren de deelen in den nulstand terug.
Dit geldt evenwel slechts zoolang de afstand der deeltjes tot
den nulstand zeer klein blijft; wanneer die afstand een
zekere grens overschrijdt, dan keeren de deeltjes na het
ophouden der uitwendige krachten niet meer tot den nul-
stand terug.
Alle verschijnselen, die samenhangen met de uitwijking
der deeltjes uit den nulstand, behooren tot de leer der
elasticiteit.
Indien op een lichaam uitwendige krachten werken, dan
bevinden, zooals reeds boven is opgemerkt, de deeltjes zich
niet in den nulstand; door het optreden van die uitwendige
krachten ondergaan dus vorm en afmetingen van het lichaam
een verandering. Om de voorwaarden te kennen, waar-
onder de uitwendige krachten in evenwicht zijn, moet in
ieder bijzonder geval de door de uitwendige krachten teweeg-
gebrachte vormverandering worden bepaald, en moet tevens
onderzocht worden of bij de stof, waaruit het lichaam bestaat,
de inwendige krachten de grootte kunnen hebben, beant-
woordende aan de uitwijking der deeltjes uit den nulstand.
De wetten, volgens welke bij verschillende stoffen de in-
wendige krachten met de uitwijking der deeltjes uit den
nulstand veranderen, moeten daartoe vooraf proefondervinde-
lijk worden bepaald. De in de tweede afdeeling gevonden
algemeene evenwichtsvergelijkingen blijven overigens ook voor
de elastische lichamen geldig. Heeft toch een lichaam ten-
gevolge van uitwendige krachten een vormverandering onder-
gaan, dan zal de evenwichtstoestand niet worden gestoord
als het met behoud van die vormverandering in een abso-
luut vast lichaam veranderd wordt. Voor de uitwendige
krachten , die het lichaam in dezen evenwichtstoestand houden,
gelden derhalve dezelfde vergelijkingen, die bij absoluut vaste
lichamen van gelijken vorm zouden moeten aangewend worden.
Hetzelfde geldt ook voor de inwendige krachten. Stelt
men zich voor dat het lichaam door een willekeurige snede
in twee deelen wordt verdeeld, en dat aan de snij vlakte op
elk der deelen uitwendige krachten gaan werken, welke den
vorigen evenwichtstoestand herstellen, die krachten derhalve,
welke vroeger als inwendige krachten werkten, dan geldt
nu voor elk dei- beide deelen wat vroeger voor het geheel
-ocr page 307-
\'295
gold. Door herhaling van deze handelwijze kunnen de in
elk punt van het elastisch lichaam werkende inwendige
krachten woi\'den onderzocht. De kennis van de wetten der
elasticiteit is derhalve voldoende om de statica der elastische
lichamen terug te brengen tot de statica der absoluut vaste
lichamen.
§ 98. Elasticiteitsmodulus.
Een stang worde in verticalen stand geplaatst en aan het
boveneinde bevestigd; onder aan de stang worde een massa
gehangen, welks gewicht voortaan de belasting zal worden
genoemd. Om de inwendige krachten te bepalen, die in
eenige horizontale laag werkzaam zijn, stelt men zich voor
dat de stang is doorgesneden, en dat aan de doorsnede
uitwendige krachten gaan werken, die met de overige
krachten evenwicht maken. Indien men het gewicht van
het afgesneden stuk der stang verwaarloost, dan is de ver-
vangende der op de doorsnede werkende krachten even groot
als de belasting en verticaal naar boven gericht.
Zij P een punt en V een om P heen gelegen deel dei-
doorsnede, zij verder Q de vervangende van de op V wer-
kende krachten, dan hangt het quotiënt -^ in het algemeen
af van de grootte van V. Laat men F tot nul naderen, dan
nadert -^L- tot een bepaalde grenswaarde S, die men de
spanning der stang in P noemt. Is de stang prismatisch
en de belasting gelijkmatig verdeeld, dan is de spanning in
alle punten dei" doorsnede en, bij verwaarloozing van het
gewicht der stang, tevens in alle punten der stang even groot.
Indien men verschillende prismatische stangen aan het
boveneinde bevestigd, van onderen belast, en de verlengingen
waarneemt die zij daardoor ondergaan, dan verkrijgt men
de volgende resultaten:
1) Zoolang de spanning van de stang een bepaalde
grens, de zoogenaamde elasticiteitsgrens
(§ 99), niet
overschrijdt, is de verlenging evenredig met de be-
lasting, en krijgt de stang bij het wegnemen der
belasting haar oorspronkelijke lengte terug.
-ocr page 308-
296
Daar spanningen, welke deze grens overschrijden, in de
practijk niet mogen voorkomen, zoo mag de evenredigheid
van belasting en verlenging als algemeen geldig worden
beschouwd.
2)  De verlenging der stang is evenredig met haar oor-
spronkelijke lengte.
De spanning is over de geheele lengte der stang dezelfde,
en ook de verlengingen der afzonderlijke deelen zijn derhalve
evenredig met hun oorspronkelijke lengten.
3)   De verlenging is omgekeerd evenredig met de door-
snede der stang.
De belasting wordt verondersteld gelijkmatig verdeeld te
zijn. Een stang, wier doorsnede n vlakte-eenheden bevat,
kan beschouwd worden als te bestaan uit n stangen, elk
met een doorsnede van één vlakte-eenheid; elk dier stangen
draagt het nAe gedeelte van de belasting en ondergaat der-
halve het n\']e gedeelte van de verlenging, die de geheele
belasting daaraan zou teweegbrengen.
4)  De verlenging hangt af van de stof waaruit de
stang bestaat.
Indien men onder aan een stang met de lengte L meters
en de doorsnede F vierkante meters een belasting van Q
dynamische eenheden aanbrengt, dan is de verlenging:
l=:fLQ„ meters.               (151)
De coëfficiënt f beteekent de verlenging van een stang van
één meter lengte en één vierkanten meter doorsnede, aan
welker onderste uiteinde een belasting van één dyn. eenheid
is aangebracht. De coëfficiënt f hangt dus alleen af van
de stof waaruit de stang bestaat. In plaats van dezen
coëfficiënt voert men gewoonlijk in den coëfficiënt:
welke de elasticiteitsmodulus der stof wordt genoemd.
Vergelijking (151) gaat daardoor over in:
-ocr page 309-
297
Stelt men hierin X = L en F—\\, dan wordt E=Q;
dat is: de elasticiteitsmodulus van een stof geeft aan het
aantal dynamische eenheden van de belasting, die noodig
zou zijn om een stang dier stof met een doorsnede van één
vierkanten meter tot haar dubbele lengte uit te rekken,
steeds in de veronderstelling, dat ook bij zoo groote span-
ningen de verlenging evenredig bleef met de belasting.
In het CGS-stelsel geeft de elasticiteitsmodulus van een
stof aan het aantal dynamen van de belasting, die noodig
zou zijn om een stang dier stof met één vierkanten centi-
meter doorsnede tot haar dubbele lengte uit te rekken.
In het CGS-stelsel is dus de elasticiteitsmodulus 10 maal
zoo gi\'oot als de hierboven aangegevene.
De verlenging van een smeedijzeren stang met een door-
snede van één vierkanten meter en belast met één dyn.
1
eenheid bedraagt .fl. ênrncf- van de oorspronkelijke lengte.
De elasticiteitsmodulus van smeedijzer is derhalve 196,2.109.
In het CGS-stelsel zou hij 196.2.101 o zijn.
Is omgekeerd bekend dat de elasticiteitsmodulus van smeed-
ijzer 196,2.109 bedraagt, dan vindt men voor de verlenging
van een stang van 2 meters lengte en 400 vierkante milli-
meters doorsnede, en belast met een massa van 3000 kilogram,
waarvan het gewicht dus 29430 dyn. eenheden bedraagt:
,               29430.2              . AAA
1 = 4.10-M96.2.10* " °-°0075 mete,\'-
Indien men de aan het begin dezer paragraaf vermelde
proef omkeert, en de van onderen bevestigde stang aan haar
boveneinde belast, dan zal deze belasting een verkorting van
de stang teweegbrengen. Hierbij is gebleken, dat ter be-
paling der verkortingen dezelfde vergelijkingen gelden, vol-
gens welke de verlengingen moesten berekend worden, en
dat voor alle stoffen de elasticiteitsmodulus bij samendrukking
even groot is als die bij uitrekking.
§ 99. Elasticiteits- en vastheidsgrens.
Indien de spanning van de stang een bepaalde grens
overschrijdt, dan ontstaat een verlenging, die bij het weg-
-ocr page 310-
298
nemen van de belasting slechts gedeeltelijk weer verdwijnt.
Wordt de spanning nog grooter, dan bereikt zij ten slotte
een tweede grenswaarde, bij welke de stang breekt.
De grenswaarde S, die de belasting eener stang met een
doorsnede van één vierkanten meter niet kan overschrijden,
zonder een blijvende verlenging teweeg te brengen, wordt
de elasticiteitsgrens der stof genoemd.
Zooals reeds in de vorige paragraaf werd opgemerkt, is
deze waarde tevens de grens tot welke vergelijking (15\'2)
nog geldig blijft.
De waarde ,u, welke de belasting eener stang met één
vierkanten meter doorsnede niet kan overschrijden zonder
dat de stang breekt, wordt de vastheidsgrens der stof ge-
noemd.
Een smeedijzeren stang met één vierkanten meter door-
snede ondergaat een blijvende verlenging als haar belasting
meer dan 14,7.107, en breekt als haar belasting meer dan
39.4O7 dyn. eenheden bedraagt.
Indien de elasticiteitsgrens S en de vastheidsgrens ,u van
de stof uit proeven bekend zijn, dan is het gewicht P,
waarmede een uit die stof vervaardigde stang met een door-
snede van F viei\'kante meters hoogstens belast kan worden
zonder een blijvende verlenging te ondergaan.
P = S.F dyn. eenheden                (153)
en de belasting Q, die voldoende zou zijn om de stang
dadelijk te doen breken:
Q = ft .Fdyn. eenheden.
De waarde van P uit vergelijking (153) is tevens de
uiterste grenswaarde, waartoe bij eenig gebouw de belasting
van een zoodanige stang kan worden opgevoerd zonder de*
veiligheid van het gebouw in gevaar te brengen.
De in de vorige paragraaf als voorbeeld gekozen smeed*
ijzeren stang met een doorsnede van 400 vierkante milli-
meters, zou hoogstens met P = 14,7.107.4.10-!l = 58800
dyn. eenheden kunnen worden belast zonder de elasticiteits-
grens te overschrijden. Om de stang dadelijk te doen breken
zou een belasting Q = 39.10U.10\'4 = 156000 dyn. een-
heden noodig zijn. Ter berekening van de teweeggebrachte
-ocr page 311-
299
verlenging mag vergelijking (152) slechts worden gebruikt,
zoolang de belasting niet meer dan 58800 dyn. eenheden
bedraagt. Daar het in de practijk doorgaans niet mogelijk
is van te voren op alle omstandigheden acht te geven, die
mettertijd een vermeerdering van de spanning of een ver-
mindering van het weerstandsvermogen tengevolge kunnen
hebben, zoo is men gewoon in plaats van S een kleinere
waarde — al naarmate van den verlangden graad van
zekerheid slechts de waarde g- , ^ . . . . — als geoorloofde
grens van de belasting per vierkanten meter der doorsnede
aan te nemen.
Om het draagvermogen te berekenen van een stang, die
in de richting harer lengte wordt samengedrukt, moet men
op soortgelijke wijze te werk gaan. De elasticiteitsgrens en
de vastheidsgrens moeten door afzonderlijke proeven worden
bepaald, daar zij in het algemeen verschillen van de bij de
uitrekking gevonden waarden.
HOOFDSTUK XVI.
Buiging.
§ 100. Spanningen in gebogen balken.
Als men van een horizontalen prismatischen balk het eene
uiteinde bevestigt, en het andere vrije uiteinde belast, dan
zal deze belasting een buiging van den balk teweegbrengen;
de oorspronkelijk rechte balk wordt gebogen; de bolle kant
is daarbij naar boven gericht (fig. 189). Beschouwt men
den balk als een bundel evenwijdige onverbreekbaar aan
elkander bevestigde lagen, dan worden bij de buiging de
bovenste lagen langer, de onderste korter. Tusschen de
bovenste en de onderste laag moet zich dus ergens een laag
AB bevinden, die noch langer noch korter wordt; deze
laag wordt de neutrale laag genoemd.
De verlengingen van de bovenste en de verkortingen van
de onderste lagen zijn grooter, naarmate de lagen verder
van de neutrale laag verwijderd zijn. Men mag aannemen,
-ocr page 312-
300
dat de afzonderlijke doorsneden van den balk, welke vóór
de buiging loodrecht stonden op de rechtlijnige as, ook na
de buiging bij benadering haar vlakken vorm en haar lood-
rechten stand op de
Fin 189.
nu kromlijnige as be-
houden hebben. De
twee zeer dicht bij
elkander gelegen door-
sneden E F en CD,
die oorspronkelijk even-
wijdig waren, zullen
nu een hoek met
elkander maken. De
tusschen deze twee
doorsneden gelegen
deelen der afzonder-
lij ke lagen hadden
vóór de buiging alle
de lengte MN. Brengt
men dus door het punt
M een vlak GH,
evenwijdig aan de door-
snede EF, dan geven
de tusschen de vlakken CD en GH liggende stukken de
lengteveranderingen dier deelen aan. Noemt men de af-
standen van de bovenste laag en van de laag LQ tot de
neutrale laag respectievelijk w en u, dan is volgens fig. 189:
PQ
GC
PM
GM
u
w
Hieruit volgt, dat de lengteveranderingen van de tusschen
twee doorsneden gelegen deelen der afzonderlijke lagen zich
verhouden als de afstanden dier lagen tot de neutrale laag,
en daar ook de spanningen evenredig zijn met de lengte-
veranderingen, zoo verhouden de spanningen in de punten
E en L zich als hun afstanden tot de neutrale laag.
Noemt men dus s de spanning in het punt L (fig. 190)
en S de spanning in het punt E, dan is:
s
S
u
10
of 8 = 8 - .
w
(154)
-ocr page 313-
301
In alle punten van de doorsnede E F, welke op denzelfden
afstand u van de neutrale laag gelegen zijn, is de spanning
s even groot. Is in alle punten van een oppervlak de
spanning even groot, dan verkrijgt men de vervangende van
alle op dit oppervlak werkende krachten door de spanning
te vermenigvuldigen met het aantal vierkante meters van
het oppervlak. Verdeelt men dus de doorsnede EF van
den balk door lijnen evenwijdig aan de neutrale laag in
Fig.190.
Fiff.191.
oneindig smalle strooken, en is f (fig. 191) de vlakte-inhoud
van de strook op den afstand u van de neutrale laag gelegen,
dan is de vervangende van de op die strook werkende
krachten:
s.f=S - f.
w
Indien men den balk snijdt door een vlak, dat in het
punt N loodrecht staat op de neutrale laag, en daarna
onderzoekt welke krachten aan de scheidingsvlakte moeten
werken om den even wichtstoestand van het stuk BN (fig. 192)
te herstellen, dan bevindt men, dat vooreerst aan het af-
gesneden eind van elke laag een kracht moet werken in de
lengterichting dier laag, welke de boven gevonden grootte
sf = S — f heeft. In de veronderstelling dat de doorbui-
ging zeer gering is, kunnen de lijnen waarlangs deze krach-
ten werken als horizontaal worden beschouwd. Bovendien
-ocr page 314-
302
moet in de doorsnede nog een kracht V verticaal naar boven
werken, omdat genoemde horizontale krachten alleen niet
voldoende zouden zijn om de verticaal naar beneden wer-
kende kracht K in evenwicht te houden. Wegens de ver-
onderstelde geringe buiging mag men aannemen, dat de
scheidingsvlakte verticaal is, en dat dus de kracht V langs
dit vlak werkende, een verschuiving van het stuk BN
belet. Daar F en K de eenige verticaal gerichte krachten
s&f*
zijn, die op het stuk BN werken, zoo volgt uit de alge-
meene evenwichtsvergelijking:
V=K.
De eenige horizontaal gelichte krachten, die op het stuk
BN werken zijn bovengenoemde krachten sf; boven de
neutrale laag werken zij van rechts naar links, onder de
neutrale laag van links naar rechts. De som dier krachten
moet gelijk nul zijn, dus:
*(£«r)-o,
-ocr page 315-
303
Cf
of, als men den gemeenschappelijken factor — van alle onder
het somteeken staande termen weglaat :
£ (fu) = 0.                      (155)
Uit deze vergelijking blijkt, dat de som der momenten
van alle volumedeelen dei" doorsnede ten opzichte van de in
de neutrale laag liggende horizontale lijn NN, welke de
neutrale as wordt genoemd, gelijk nul is. Deze som kan
vervangen worden door het product van den vlakte-inhoud
der geheele doorsnede met den afstand van haai- zwaarte-
punt tot genoemde as, en daar dit product gelijk nul is,
zoo moet het zwaartepunt der doorsnede in de neutrale as
liggen. Door de vergelijking (155) wordt dus de ligging
der neutrale laag bepaald; zij drukt uit dat de neutrale
laag die laag is, welke door de zwaartepunten van alle
doorsneden gaat. De algemeene evenwichtsvoorwaarden ver-
eischen bovendien nog, dat de som der momenten van alle
op het stuk BN werkende krachten ten opzichte van een
willekeurige as, bijv. ten opzichte van de in fig. 192 lood-
recht op het vlak der teekening staande neutrale as N Nt ,
gelijk nul is. Het moment van de kracht K is positief,
de momenten van alle krachten sf zijn negatief. Daar verder
het moment van de kracht sf de grootte —- u = — fu2
w             w
heeft, zoo is als de lijn NB x meters lang is:
of den standvast
"o
en factor — voor het somteeken brengende:
W
^2(fu2) = Kx.                (156)
In deze vergelijking beteekent 2 (fu2) de som der pro-
ducten van de afzonderlijke volumedeelen der doorsnede met
de vierkanten van hun afstanden tot de neutrale as. Het
traagheidsmoment dier doorsnede ten opzichte van de neutrale
as zou zijn:
T=Z(yfu2) = yi;(fu2).
-ocr page 316-
304
Stelt men y = 1, en noemt men deze waarde van T t,
dan is:
X = Z (fu*)
het traagheidsmoment der doorsnede ten opzichte van de
neutrale as, indien zich op iederen vierkanten meter der
doorsnede een massa van één kilogram bevindt.
Vergelijking (156) gaat daardoor over in:
— t = Kx.                        (157)
Indien op het stuk BN behalve de kracht K nog andere
krachten in verticale richting werken, dan moet Kx ver-
vangen worden door de som der momenten van al die
krachten ten opzichte van de neutrale as der doorsnede.
Stelt men deze som door 3)ï voor, dan verkrijgt vergelij*
king (157) den meer algemeenen Vorm:
— Ï==«W of S = ~m.            (158)
tv                                   X
In deze vergelijking beteekent S de spanning in een punt
der doorsnede op den afstand w van de neutrale laag ge-
legen. Is iv, zooals hier zal worden aangenomen, de afstand
van die laag, welke het verst van de neutrale laag ver-
wijderd is, dan is S tevens de grootste spanning, die in de
geheele doorsnede voorkomt
Uit vergelijking (158) kan men derhalve de grootste
spanning in eenige doorsnede berekenen, zoodra de groot-
heden w, £ en $)ï gegeven zijn.
§ 101. Traagheidsmom enten der doorsneden.
Om de traagheidsmomenten £ der doorsneden te ver-
krijgen , behoeft men slechts in de in § 85 gevonden waarden
van T den factor y = 1 te stellen. Is de doorsnede een
rechthoek, waarvan de hoogte h en de breedte b is, dan is
het traagheidsmoment ten opzichte van een as door het
zwaartepunt evenwijdig aan de lijn met de lengte b getrokken:
-ocr page 317-
305
De in lig. 193 voorgestelde doorsnede kan beschouwd
worden als het verschil van twee rechthoeken met hoogten
H en h, en breedten B en b ; derhalve is:
BH3
12
bh3
12\'
£ =
Dezelfde uitdrukking geldt ook voor de in fig. 194 voor-
gestelde doorsnede. Op soortgelijke wijze kunnen de traag-
Fiffl9i.
heidsmomenten bepaald worden van andere doorsneden, die
tot den grondvorm van den rechthoek kunnen worden terug-
gebracht , zoodra zij symmetrisch
zijn ten opzichte van de door
het zwaartepunt gaande hori-
|:^ zontale as.
Bij niet symmetrische door-
sneden moet eerst de ligging
van het zwaartepunt worden
bepaald. Voor de in fig. 195
Ia, voorgestelde doorsnede heeft
men ter bepaling van de af-
\\ standen xt en x2, waarop de
zwaartepunten St en £2 van
S verwijderd zijn, de verge-
b.
lijkingen:
en xl-\\-xi=^-1—i,
bt A, xl = b2 ht x2
Dr. Julius, Mechanica.
20
-ocr page 318-
306
waaruit men vindt:
r . ft»M*.4A) x _ ft.M». V
1 " 2 (6, A, 62 Aa)~ 2 2 (i, A, 62 A2)"
Voor de traagheidsmomenten Xt en ï2 van de afzonder-
lijke rechthoeken ten opzichte van de horizontale door het
zwaartepunt S der geheele doorsnede gaande as heeft men dan :
b h 3
T — "ini 4-b h tr 2
bh3
en
12 \' "" "\' ~\' ~" *» ~~ 12
waarna het traagheidsmoment der geheele doorsnede bepaald
kan worden uit de vergelijking:
Het traagheidsmoment van een cirkelvormige dooi\'snede
ten opzichte van haar middellijn is:
*— i
of, als D de middellijn van den cirkel is:
2 = ^- d59)
JPigJOO.
64
De in fig. 196 voorge-
stelde ringvormige doorsnede
kan beschouwd worden als
het verschil van twee cirkels
met de middellijnen D en d.
Haar traagheidsmoment is
derhalve:
t_n{D*—d*)
§ 102. Berekening van de grootste spanning.
Uit vergelijking (157) blijkt dat de grootste in een door-
snede voorkomende spanning voor verschillende doorsneden
een verschillende waarde heeft; de spanning S toch hangt
of van het moment der kracht K; zij is het grootst in die
-ocr page 319-
307
doorsnede, welke het verst van het aangrijpingspunt dei-
kracht K verwijderd is, dus in die, welke met de bevesti-
gingsplaats samenvalt. Stelt men x = l, dan wordt:
SZ = Kl,                          (160)
IC
waarin nu S de grootste in den geheelen balk voorkomende
spanning beteekent.
Is de doorsnede van den balk een rechthoek (fig. 197),
Fyr.
197
S*-
bh*
12"
dan is w = =• en
Stelt men deze waarden in
bovenstaande vergelijking, dan verkrijgt men:
Sbh* VI «f <? 6Kl
(16-1)
Is bijv. iT=1250 dyn. eenheden, J=0,8, 6 = 0,02
en h = 0,1 meter, dan verkrijgt men voor de grootste
spanning in den balk de waarde:
6.1250.0,8
0,02.0,12
= 3.107 dyn. eenheden.
S:
Deze waarde moet steeds kleiner zijn dan de practisch
geoorloofde spanning voor de stof waaruit de balk bestaat.
Omgekeerd kan uit vergelijking (161) de grootste waarde
bepaald worden die de kracht K kan hebben, zonder dat
de practisch geoorloofde spanning wordt overschreden. Is
bijv. als practisch geoorloofde spanning van smeedijzer ge-
geven £ = 6.107dyn. eenheden, dan vindt men dat bijeen
20*
-ocr page 320-
308
balk van bovengenoemde afmetingen de grootste waarde
der kracht K 2500 dyn. eenheden is.
Zijn de kracht K en de grootte der geoorloofde spanning
gegeven, dan kunnen uit vergelijking (100) de afmetingen
berekend worden, die de doorsnede minstens hebben moet.
Heeft de balk een cirkel-
FUt.198                           vorrhige doorsnede (fig. 198),
f                                  d
/k                    dan is tv— , en volgens
waaruit de middellijn cl van den cilindervormigen balk kan
worden berekend.
Stelt men bijv. I = \\ ,5 d. K= 10000 dyn. eenheden,
en de in de practijk geoorloofde spanning voor gietijzer
3.107 djTn. eenheden, dan verkrijgt men:
^ X/A8.K »/ 48Tl0000" nmi/ t
d " V § . « = V 3TÏÖ7T 3714 = °\'0714 meterS-
Op deze wijze moet de middellijn van een tap berekend
worden, indien men zekerheidshalve aanneemt, dal de weer-
stand van de tappan in het uiteinde van de tap aangrijpt,
iets wat bij een minder zorgvuldige bewerking van de tap-
pan kan voorkomen.
De grootste spanning in een balk, die aan de uiteinden
ondersteund en in eenig punt A met een gewicht Q belast
is (fig. 199), kan evenzoo uit vergelijking (160) berekend
worden. Wordt toch het stuk ABt in een vasten wand
besloten, en daarna de belasting Q weggenomen, dan be-
vindt het stuk AB zich in denzelfden toestand als de balk
AB in fig. 197; slechts met dat onderscheid, dat nu de
kracht K naar boven werkt. In vergelijking (1G0) betee-
kent vooi- dit geval K den weerstand van het eene steun-
punt, en l den afstand van dit steunpunt tot het aangrijpings-
-ocr page 321-
300
punt der belasting. Daar K(7, /) = Ql{ is, vindt men
K =
Qh
dus:
l h \'
8_»_ Q«,
ir
Daar KI = Klli is, komt men tot dezelfde vergelijking,
als men de grootste spanning in het stuk A B, zoekt.
Is de belasting van een in zijn beide uiteinden ondersteun-
*&
199
?a
den balk gelijkmatig over zijn lengte L verdeeld, en is p de
belasting van de lengte-eenheid, dan is K =-^~ de weer-
stand van elk der beide steunpunten, en px de belasting
van het stuk BM=x (fig. 200). Stelt men zich voor
FUy.200
Kl£t
3? *
dat het deel AM in een vasten wand besloten is, dan kan
het buiten dien wand uitstekende deel BM beschouwd
worden als een balk, waarop twee krachten werken, namelijk
-ocr page 322-
310
de naar boven werkende kracht K, en de naar beneden
werkende kracht px, aangrijpende in het zwaartepunt van
BM. De in de doorsnede M teweeggebrachte spanningen
hangen af van het verschil der momenten dier twee krach*
ten. In de algemeene vergelijking (158) heeft dus *$R de
waarde:
«0? - Kx - vx *i=PLx — £^
De grootste spanning in een doorsnede op den afstand x
van een der beide uiteinden, vindt men dus uit de verge-
lijking:
Het product van de twee stukken x en L — x is het
grootst als x — L — x =- -=- is. De grootste in den ge-
heelen balk voorkomende spanning wordt dus in het midden
van den balk gevonden, en kan bepaald worden uit de ver-
gelijking :
w             8 \'
Het eigen gewicht van een prismatischen balk is een
gelijkmatig over de lengte van den balk verdeelde belasting.
Is y de soortelijke massa van de stof waaruit de balk be-
staat, dan is gy het gewicht van een cubieken meter; is
F het aantal vierkante meters van de doorsnede, dan is het
gewicht van een stuk van één meter lengte:
p = gyF.
De grootste spanning door het eigen gewicht van den
balk teweeggebracht, verkrijgt men dus uit de vergelijking:
S ^ _ gyFL*
~io                 8 "
Heeft de balk de gedaante van een parallelopipedum met
de hoogte h en de breedte b, dan neemt deze vergelijking
den vorm aan:
Sbh1 gybhL* . T 4 S h
-*--\'—
8~\' 0ÏL^Zg--T"L\'
-ocr page 323-
311
De lengte, waarbij de balk nog in staat is zijn eigen
gewicht te dragen, wordt dus bepaald eensdeels door het
quotiënt —, dat afhangt van de stof waaruit de balk bestaat,
anderdeels door het quotiënt -*- van zijn hoogte en lengte.
Voor smeedijzer is y = 7700; neemt men voor de ge-
oorloofde spanning S=6.107, dan verkrijgt men als
grootste lengte voor een balk, welks hoogte het honderdste
deel der lengte is:
L = imr\' wo • ïoö = 15<9 meters-
Heeft de balk een doorsnede van den in fig. 193 voor-
. . a. BH3—bh3                 H
gestelden vorm, dan is A =-------j^a------\' w = ir \'
F=BH — bh. Zijn grootste lengte kan dan bepaald
worden uit de vergelijking:
QBH3 — bh3           ,B„ ... L2
S-----g-g=-----= gy{BH—bh)-g-,
3g S H i bh
3
of:                  L =
y L             BH
1 bh
h           h
Stelt men bijv. -^- = ^- = 0,9 dan verkrijgt men:
4 8 H
h — xr- • - • -r . 1,81.
3ff y L
De holle balk mag derhalve onder overigens gelijke om-
standigheden een 1,81 maal zoo groote lengte hebben als
de massieve.
§ 103. Elastische lijn.
De kromme lijn AB (fig. 189), die de kromming van
de neutrale laag aangeeft, wordt de elastische lijn genoemd.
Het oneindig kleine stuk MN van deze lijn kan beschouwd
-ocr page 324-
312
worden als een cirkelboog, welks middelpunt 0 het snijpunt
is van de twee normalen CD en EF, en welks straal o = ON
de kromtestraal in dat punt van de elastische lijn wordt
genoemd. Uit de gelijkvormigheid der driehoeken. CGM en
MN O volgt de evenredigheid:
CG _MG
MN ON\'
CG is de verlenging van MN in de laag waarin de
spanning is S; indien de verlenging MN bedroeg, en dit
stuk dus tot de dubbele lengte werd uitgerekt, dan zou de
spanning E bedragen. Daar nu de verlengingen evenredig
C C S\'
ziin met de spanningen is ,_.. = ^: stelt men weer MG = W
r ° MN E
en ON — g, dan is dus:
A== w 0f 1L~JL
En                10          Q
Cf
Dooi- substitutie van deze waarde van — in de algemeene
w
vergelijking (158) verkrijgt men:
ET ff
^^=?9?.                          (162)
Q
Uit deze vergelijking vindt men voor den kromtestraal
van het oneindig kleine stuk MN der elastische lijn AB
(fig. 201):
= E$_        Et
e_: 3R "~ K(l—x)\'
In de vergelijking:
a/Ar               c           MN
MN = Qq> of op = -
Q
mag wegens de veronderstelde geringe doorbuiging de boog MN
vervangen worden door zijn horizontale projectie MP=* A ;
substitueert men daarin bovendien de voor q gevonden
waarde, dan wordt:
, = *<<-*L*.              (163)
-ocr page 325-
313
Verdeelt men de horizontale projectie AQ = x van den
boog MN in oneindig kleine deelen A, en geeft men in
bovenstaande vergelijking aan x achtereenvolgens alle waar-
den A, 2 A, 3 A enz., dan verkrijgt men door sommatie
van alle op deze wijze voor de bijbehoorende oneindig kleine
hoeken gevonden uitdrukkingen, de vergelijking:
K(l — x)&\'
El
(<jp) = ^[
Het eerste lid dier vergelijking stelt den hoek w voor,
j?Uf.2cn
dien de kromtestraal OM met de verticaal, of de elastische
lijn in het punt M met den horizon maakt. De grootheid .tT<
ti i,
in het tweede lid is bij den veronderstelden prismatischen
vorm van den balk een gemeenschappelijke factor van alle
termen onder het somteeken.
Men heeft dus:
\'ü = \'M 2:[Q-X) A] ~ El j/^)—*(• *)] (164)
-ocr page 326-
314
-£(to~t-}        (465)
of
Stelt men in deze vergelijking x = l, dan verkrijgt men
voor den hoek «, dien de elastische lijn aan haar uiteinde B
met den horizon maakt:
KI*
WEI\'
In den oneindig kleinen rechthoekigen driehoek MNP
is de verticale rechthoekszijde PN = i = A tg u>, of daar
wegens de veronderstelde geringe doorbuiging tg m door a>
mag worden vervangen:
( = 10 . A.
Substitueert men hierin voor w de in vergelijking (165)
gevonden waarde, dan verkrijgt men:
= Ei(h-^h <i66>
Verdeelt men wederom de horizontale projectie A Q van
kromme AM in oneindig kleine deelen, dan kan men de
bij elk deel behoorende verticale projectie van het overeen-
komstige stuk der kromme vinden, door in bovenstaande
vergelijking de bijbehoorende waarde van x te substitueeren;
door sommatie van alle op deze wijze gevonden uitdrukkingen
verkrijgt men:
^W== ^[^\'(*A)-^(*2A)]- (167)
Het eei\'ste lid dier vergelijking stelt de som der verticale
projecties voor van alle stukken der kromme AM, en is dus
x^                         x^
gelijk y (fig. 202); verder is 2\' (r A) = — en 2(x2 A) = -^;
2                            3
hieruit volgt:
K (& x*\\
!f~Et\\2
6 /\'
Voor x = l wordt y = e; de doorbuiging e van het uit-
einde B is dus:
KP
6~ 3 Et\'
-ocr page 327-
315
Indien de belasting gelijkmatig over den balk is verdeeld,
dan moet in vergelijking (162) het moment $)ï = K (l — x)
vervangen worden door het moment:
SJJÏ =*P(1 — X) ^ = |(P— 2te X>).
In plaats van de vergelijkingen (163) en (164) verkrijgt
men dan de twee volgende:
1 =Óf (\'1"~ 2te *2)A en
VEl [hjS(A) - 2^(* A) *<»* A) ]•
ftff.202
p,(l-x)
Voor de hoeken cu en «, vindt men hieruit:
w-afe(*"~feï "3) en a - W
In plaats van de vergelijkingen (166) en (167), verkrijgt
men in dat geval de twee volgende:
* («) - y - jJj-[p -2" (* A) — w (*2 a) 12- (^3 A)],
welke voor de doorbuigingen y en S in de punten M en B
de waarden geven:
-JL-.11
~<2EZ\\
1 x1 lxs . a?*\\
~3~ 12/
j^4
Z =
en
-ocr page 328-
VIJFDE AFDEELING.
DYNAMICA DER ELASTISCHE LICHAMEN.
HOOFDSTUK XVII.
De theorie der botsing.
§ 104. Rechte centrale stoot.
Indien op het oogenblik dat twee lichamen tegen elkander
botsen, de in het aanrakingspunt normaal op het raakvlak
EEl staande lijn X Nt door de beide zwaartepunten A en B
gaat (lig. 203), dan noemt men den stoot een centralen.
in tegenstelling met
Fici- 203.
                           den excentrischen stoot,
bij welken genoemde
normaal door geen, of
slechts door een van
beide zwaartepunten
gaat. Bewegen de beide
lichamen zich boven-
dien in de richting
dier normaal, dan
wordt de stoot tevens
een rechte stoot ge-
noemd, in tegenstelling
met den scheeven stoot,
bij welken geen, of
slechts een van beide bewegingsrichtingen normaal op het
raakvlak is.
Vóór den stoot had elk der beide lichamen een rechtlijnige
eenparige beweging; op het oogenblik echter, dat de voorste
massa m met de snelheid v ingehaald wordt door de achterste
-ocr page 329-
MATHEMATISCH INSTiTUUT
DER RIÜÖÖNSVE^iïEIT Tc UTRECHT
massa M met de grootere snelheid V, beginnen de twee
lichamen op elkander in te werken; op de aanrakingsplaats
ontstaan drukkrachten, door welke de bewegingen der
lichamen gewijzigd worden. Volgens de wet van werking
en terugwerking is de op de massa m werkende druk Z),
even groot als de op de massa M werkende druk D, maar
daaraan tegengesteld gericht. Op de massa m werkt de
druk ƒ), in de i-ichting der beweging, en geeft aan die
massa een versnelling; op de massa M werkt de druk D
in de richting tegengesteld aan die dei\' beweging, en geeft
aan die massa een vertraging.
Volgens § 94 beweegt het zwaartepunt AB der massa m
zich evenzoo als een enkel
stoffelijk punt zou doen,
dat de massa m had en
waarop de druk werkte.
Indien derhalve op eenig
oogenblik de druk de
grootte 1) heeft verkregen
(Tig, 204), dan is de ver-
snelling van het zwaarte-
punt Ji der massa m:
Fig. 20$.
P
m
Om dezelfde reden is op dat oogenblik de vertraging van
het zwaartepunt A der massa M:
P =
D
M\'
Hoe ook de druk moge veranderen gedurende den tijd,
dat de beide lichamen met elkander in aanraking blijven,
het quotiënt der snelheidsveranderingen is voor elk tijds-
verloop:
JL = M.
P~ m\'
en de snelheidsveranderingen zijn dus omgekeerd evenredig
met de massa\'s.
Noemt men c de snelheid, die het zwaartepunt B der
-ocr page 330-
318
massa m op eenig tijdstip gedurende het verloop of aan het
einde der botsing bereikt heeft, dan is c—v de vermeerde-
ring der snelheid die B tot op dit tijdstip heeft verkregen;
en noemt men C de snelheid, die het zwaartepunt A dei-
massa M op ditzelfde tijdstip heeft bereikt, dan \\s V — C
het bedrag waarmede de snelheid van A tot op hetzelfde
tijdstip is verminderd. Het quotiënt dier snelheidsverande-
ringen is dus:
Brengt men deze vergelijking onder den vorm:
me MC = mv M V,               (169)
dan kan zij ook rechtstreeks uit de beweging van het ge-
meenschappelijk zwaartepunt worden afgeleid.
Volgens § 94 moet het gemeenschappelijk zwaartepunt
van het door de twee lichamen gevormde stelsel zich evenzoo
bewegen, alsof de geheele massa er in vereenigd was, en
alle krachten er op aangrepen. De versnelling van het
gemeenschappelijk zwaartepunt is in dit geval gelijk nul,
omdat er geen uitwendige krachten zijn, en de inwendige
krachten, waartoe ook de beide drukkrachten D en Z), be-
hooren, twee aan twee even groot en onderling tegengesteld
gericht zijn. Hieruit volgt dat de snelheid van dit zwaarte-
punt op het tijdstip, waarop vergelijking (168) betrekking
heeft, nog even groot moet zijn als voor de botsing. Noemt
men u de snelheid, waarmede het gemeenschappelijk zwaarte-
punt zich vóór den stoot bewoog, dan is dus volgens ver-
gelijking (147) het product:
(m M)u = mv MV = mc AIC (170)
een standvastige grootheid, welke gedurende de botsing niet
verandert. Vergelijking (169) drukt dus uit, dat de snel-
heid van het gemeenschappelijk zwaartepunt door de botsing
geen verandering ondergaat.
Om de snelheidsveranderingen van de zwaartepunten A
en B der massa\'s M en m te bepalen, kan men opmerken
dat de snelheden F en v, zooals uit vergelijking (170)
blijkt, gelijktijdig tot w, de snelheid van het gemeenschappelijk
-ocr page 331-
319
zwaartepunt, naderen. Op het oogenblik dat beide gelijk w
zijn, is hun gemeenschappelijke snelheid dus:
MV-\\-mv                     ,.„.,.
M -\\-v •\'-
De snelheid van het zwaartepunt A is derhalve verminderd
met:              ^-ru=^-w(V-,),          (172)
en de snelheid van het zwaartepunt B is vermeerderd met:
—— ïT5<F-\')- (173)
Indien men derhalve den geheelen duur van den stoot in
twee deelen tx en t2 verdeelt, en het eerste deel tx rekent
tot op het oogenblik, waarop de snelheden der zwaarte-
punten A en B aan elkander gelijk worden, dan kan de
snelheidsverandering van elk dier beide zwaartepunten gedu-
rende dit tijddeel steeds bepaald worden. De snelheids-
veranderingen gedurende het tweede tijddeel t2 daarentegen
hangen af van de intensiteit van den stoot en van de phy-
sische eigenschappen der beide lichamen; in het algemeen
kunnen zij slechts bij benadering worden bepaald.
Noemt men de eindsnelheden aan het einde van het tijd-
deel t2, dus aan het einde van de botsing, C en c, dan is
u — 6\' de snelheidsvermindering van het zwaartepunt A, en
e — M de snelheidsvermeerdering van het zwaartepunt B,
beide gedurende het tijddeel t2. De uit vergelijking (168)
voortvloeiende stelling »de snelheidsveranderingen zijn om-
gekeerd evenredig met de massa\'s", geldt ook voor elk der
beide tijddeelen tt en t2 afzonderlijk; derhalve is:
J^T_£ = » = X=±.         (174)
c — u M u — v
Uit de gelijkheid van het eerste en het derde quotiënt
volgt de vergelijking:
u-C = c-u
V
— u u — v
waarin t, de zoogenaamde restitutie-coëfficiënt, de nog on-
-ocr page 332-
320
bekende getalwaarde beteekent, welke de verhouding aan-
geeft van de in de tijddeelen t2 en tt teweeggebrachte
snelheidsveranderingen. Voor de in het tijddeel t2 teweeg-
gebrachte snelheidsveranderingen verkrijgt men derhalve:
u — C=t(V — u) (176) c — u = t {u — v) (177)
Telt men deze op bij de gedurende het tijddeel tv teweeg-
gebraehte, in de vergelijkingen (172) en (173) gevonden
snelheidsveranderingen, dan vindt men voor de geheele door
den stoot teweeggebrachte snelheidsveranderingen:
V-C = {\\ >)-Mm m{V-v), (178)
c= (l f)^w?(r_„), (179)
waaruit de eindsnelheden C en c berekend kunnen worden,
zoodra de coëfficiënt t bekend is.
§ 105. Bepaling van den restitutiecoëfficient f-
Gedurende het eerste tijddeel tt komen de zwaartepunten
A en B dichter bij elkander, en beide lichamen worden op
de aanrakingsplaats samengedrukt. Deze samendrukking roept
inwendige krachten te voorschijn, welke volgens bepaalde
wetten samenhangen met de grootte der samendrukking
De krachten D en Dt in de aanrakingsplaats te voorschijn
geroepen, doorloopen gedurende het voortschrijden van de
samendrukking een reeks velschillende waarden. De kracht
D werkt op het lichaam met de massa M als uitwendige
kracht en verricht negatieven arbeid; de getalwaarde van
dien arbeid is gelijk aan die van het arbeidsvermogen van
beweging door de massa M verloren. Evenzoo is de getal-
waarde van den positieven arbeid door de kracht Dt ver-
richt, gelijk aan die van het arbeidsvermogen van beweging
door de massa m gewonnen.
Veerkrachtige stoot.
Het einde van het tijddeel t{ , of het tijdstip waarop de
twee zwaartepunten het dichtst tot elkander genaderd zijn,
-ocr page 333-
321
is tevens het oogenblik waarop de samendrukking het grootst
is; na dit tijdstip zetten zich beide lichamen gedurende het
tijddeel t2 weder uit Indien men aanneemt, dat beide
lichamen hierbij volkomen hun vorige gedaante terugkrijgen,
dan moeten de krachten D en Z), achtereenvolgens juist
dezelfde waarden, maar in omgekeerde volgorde doorloopen,
en dus een even grooten arbeid verrichten als in het tijd-
deel t1. Ook het arbeidsvermogen van beweging, hetwelk de
massa M verliest, en dat, hetwelk de massa mwint, moeten
derhalve in het tijddeel t% even groot zijn als de overeen-
komstige grootheden in het tijddeel t{. De snelheid van
het zwaartepunt A, die in het tijddeel t, met V— «afnam,
zal dus in liet tijddeel t2 nog eens met V—u verminderen;
en de snelheid van het zwaartepunt B, die in het tijddeel t,
met u — v toenam, zal in het tijddeel t2 nog eens met
u—v vermeerderen. Volgens vergelijking (175) is in dit
geval de coëflicient .\'• gelijk 1, en de algemeene vergelij-
kingen (178) en (179) gaan dan over in:
In dit geval noemt men den stoot een volkomen veer-
krachtigen stoot.
Onveerkrachtige stoot.
Indien de lichamen, na hun grootste samendrukking te
hebben ondergaan, niet meer van vorm veranderen, dan
zullen zij geen druk meer op elkander uitoefenen ; zij zullen
nu verder een eenparige beweging hebben met de gemeen-
schappelijke snelheid u. In dit geval is de coëfficiënt t
gelijk nul, en de algemeene vergelijkingen (178) en (179)
gaan over in:
— C = 1t/t— (V—v)(im C—v=* * (F—g)(183)
M - - m v         /v                      M-\\- m K         Jy \'
Men noemt dan den stoot een volkomen onveerkrachtigen stoot.
Uit het voorgaande blijkt, dat de waarde van den coëflicient i
verandert tusschen de grenzen nul en één; de ervaring leert
Dr. Julius, Mechanica.                                                                21
-ocr page 334-
322
dat hij des te meer tot nul nadert, hoe grooter het verschil
in snelheid V—v, en hoe kleiner de elasticiteitsgrens der
lichamen is; dat hij daarentegen des te meer tot één nadert,
hoe kleiner het verschil in snelheid V—v, en hoe grooter
de elasticileitsgrens der lichamen is. Bij de bepaling van
den coëfficiënt . komt derhalve niet alleen de physische hoe-
danigheid van elk der lichamen, maar ook de grootte van
het verschil in snelheid V — v in aanmerking. Ook bij
lichamen met groote elasticiteitsgrens kan t tot nul naderen,
indien slechts het verschil in snelheid V—v zeer groot is;
en ook bij lichamen met kleine elasticiteitsgrens kan t tot
één naderen, indien slechts het verschil V—v een zeer
geringe grootte heeft.
Bij de botsing verliezen in het algemeen de lichamen arbeids-
vermogen van beweging, zonder dat hun arbeidsvermogen
van plaats toeneemt; ook hierbij gaat, evenals bij tegen elkander
wrijvende lichamen, het verloren arbeidsvermogen van be-
weging in een anderen vorm, hoofdzakelijk in warmte over.
Men bepaalt dit verlies 55 door het arbeidsvermogen van
beweging          -)—g- , dat de twee massa\'s gezamenlijk na
den stoot bezitten, af te trekken van het arbeidsvermogen
M V\'1 | »»»• . . .. ,, .            . . ,,
van beweging           -f" •_ , dat zij voor den stoot hadden.
Men heeft dus:
„, (MVX , me*\\ /MC1 . «c2\\
B"( 2 8 )-( 2 -2-)\'
of als men de uit de vergelijkingen (178) en (179) voort-
vloeiende waarden voor C en c substitueert:
2 (M m)
Uit deze vergelijking blijkt dat het verlies bij den vol-
komen veerkrachtigen stoot nul is, omdat in dit geval t = 1
wordt. Bij den volkomen onveerkrachtigen stoot daarentegen
is t = 0, en het door den stoot veroorzaakte verlies aan
arbeidsvermogen van beweging is dus:
M -\\- m          2                      v \'
-ocr page 335-
323
§ 106. On veerkrachtige stoot.
De in de twee vorige paragrafen gevonden vergelijkingen
gelden ook voor het geval dat de snelheid van de massa m
nul of negatief is, d. w. z. dat de massa m in rust is of
zich beweegt in de richting naar de massa M toe.
Indien een massa M met de snelheid V botst tegen een
in rust zijnde massa m, en d? omstandigheden van dien
aard zijn, dat de vergelijkingen voor den onveerkrachtigen
stoot mogen toegepast worden, dan verkrijgt men volgens
vergelijking (171) voor de snelheid u, waarmede beide
lichamen zich na den stoot verder bewegen:
MV
M -\\- m\'
Het door den stoot veroorzaakte verlies aan arbeidsver-
mogen van beweging heeft volgens vergelijking (180) de
grootte:
Vóór den stoot was het arbeidsvermogen van beweging
MV1
—^— Dit arbeidsvermogen wordt als het ware in twee
deelen verdeeld; het eene deel 03 wordt besteed deels tot
blijvende vormveranderingen, deels tot het opwekken van
u2
geluids- en warmtetiïllingen. Het andere deel (M -\\- m) -jy-
—
heeft de grootte :
.*-nP\\yqFïr         (182)
en is het nog overgebleven arbeidsvermogen van beweging,
dat de massa\'s M en m na den stoot, tengevolge van hun
snelheid hebben.
Indien onmiddellijk na den stoot de verdere voortschrij-
dende beweging der massa\'s werdt belemmerd, indien er
bijv. een weerstand W (fig. 205)\'op gaat werken, dan
verricht de weerstand W negatieven arbeid, waarbij ook
het overgebleven arbeidsvermogen van beweging 3t verloren
gaat. De weg\' s, dien de beide lichamen in de richting
21*
-ocr page 336-
324
tegengesteld aan die van den weerstand W afleggen, voor
dat hun snelheid nul is geworden, kan volgens de wet van
het behoud van arbeidsvermogen gevonden worden uit de
vergelijking:
MV2          M
=sr- • xA-----= Wa.          (183)
2       M-\\-m                   v ;
Van het oorspronkelijk voorhanden arbeidsvermogen van be-
M V2                                                                     ,
weging —=— zal een des te grooter gedeelte voor dit doel be-
M
schikbaar blijven, naarmate het quotiënt „ .
grooter is.
In alle gevallen dus, waar men het na den stoot over-
gebleven arbeidsvermogen van beweging wil aanwenden
tot het overwin-
Fiff205
nen van nuttigen
weerstand —zoo-
als bijv. bij het
inheien van palen,
bij het indrijven
van een wig, van
een spijkerenz.—
is het voordeelig
de verhouding van
ff», de in rust
zijnde, tot M, de
voortdrijvende massa zoo klein mogelijk te maken.
Voert men in plaats van de dynamische eenheden van
arbeidsvermogen en van kracht de statische in, dan. ver-
anderen de vergelijkingen (181), (182) en (183) in:
m
;8 =
MV2
stat. eenheden.
M -\\- m
M -\\- m
M
tg
31 =
stat. eenheden.
2<7
MV2
= Ws.
*2g \' M -\\- m
-ocr page 337-
325
Noemt men H de met de snelheid V overeenkomende
valhoogte, dan verkrijgt men:
93 = MH -J^.---- en ?v — MH * = Ws.
Uit deze laatste vergelijking kan men den weerstand W
in statische krachtseenheden vinden, die over een bepaalden
weg s wordt overwonnen, zoodra deze laatste bekend is.
Wanneer bijv. een hamer met een massa M= 4,5 kilogram
en met de snelheid V — 5,6 eenheden botst tegen een
spijker met een massa van 0,1 kilogram, dan verdeelt zich
het voor den stoot aanwezige arbeidsvermogen van beweging:
-^Fi = MH = 1,5 . |\'gg = 2,4 stat. eenheden
in de twee deelen:
0 4
\'25 = 2,4 . . „ \' . = 0,45 stat. eenheden en
4,5 0,4
4 5
Dï = 2,4 ... .\' . = 2,25 stat. eenheden.
4,5 -\\- 0,4
Het eerste deel, een arbeidsvermogen van 0,45 stat. een-
heden, wordt verbruikt tot het vervormen van den kop des
spijkers en tot het voortbrengen van geluids- en \\varmte-
trillingen; de rest van 2,25 stat. eenheden dient tot het
overwinnen van den weerstand W, die het indringen van
den spijker tegenwerkt. Had men waargenomen, dat de
diepte waartoe de spijker indringt 8 = 0,005 meter bedraagt,
dan vindt men de gemiddelde grootte van den weerstand
uit de vergelijking:
W. 0,005 = 2,25 of TT =450 stat. krachtseenheden.
"Was de massa van den spijker 0,5 kilogram geweest, dan
zou het verlies aan arbeidsvermogen 2» = \\ . 2,4 = 0,6 een-
heden, en het nuttig gebruikte slechts 4,8 eenheden be-
dragen hebben.
Heeft de stoot plaats in de richting van de zwaartekracht,
zooals bijv. bij het inheien van een paal (fig. 200), dan
wordt ook de na den stoot door het gewicht verrichte
arbeid yil-\\-m)s tot het overwinnen van den weerstand W
-ocr page 338-
326
gebruikt, en deze weerstand kan dan gevonden worden uit
de vergelijking:
M
MH. -irr~-------U (M m)a = Ws.
Stelt men bijv. Jlf = 1200 kil., m = 800 kil., F=7eenh.
72
(dus H = q~cTQ = 2>*> meter) en s = 0,045 meter, dan
heeft men :
1900
20ÖÖ 20ü° * °\'045 "" W • °\'045 of
W= 42000 stat. krachtseenheden.
In de veronderstelling dat de stoot volkomen
onveerkrachtig is, zou van het arbeidsver-
mogen van beweging MH = 3000 stat. een-
heden. dat voor den stoot voorhanden was,
het vier tiende gedeelte of \\ 200 eenheden
tot het vervormen van het boveneinde der
paal, en de rest, 1800 eenheden, tot het
inheien van de paal gebruikt worden.
Terwijl in de beide vorige gevallen van
het geheele arbeidsvermogen van beweging
slechts het deel DC nuttig werd aangewend,
en het voor de voortschrijdende beweging
verloren gaande deel 33 een nadeelige wer-
king uitoefende, zijn er andere gevallen,
waarbij omgekeerd juist het bij den stoot
verloren gaande arbeidsvermogen van bewe-
ging nuttig wordt gebruikt, en de over-
blijvende rest ï)i een schadelijke werking
heeft. In al die gevallen, waar men zich
ten doel stelt door de werking van den
stoot aan het in rust zijnde lichaam een
blijvende vormverandering mede te deelen,
1200.
2,5
FiffZOO.
feL,
\'
P
1
\'v\'
is het voordeelig de verhouding -=y van de
t
in rust zijnde tot de bewegende massa zoo
groot mogelijk te maken.
Indien men bqv. door hamerslagen het uitstekende einde
-ocr page 339-
327
van een klinkbout (Qg. 207) wil vastklinken, dan wordt
van het arbeidsvermogen van beweging van den hamer voor
de vormverandering van den bout slechts dat gedeelte 33
gebruikt, dat bij den stoot verloren gaat, terwijl de over-
blijvende rest 2H een in dit geval
207.
volstrekt niet beoogde geineen-
Ptff
schappelijke beweging dei- beide
massa\'s na den stoot teweeg-
brengt, en derhalve niets bijdraagt
tot het overwinnen van nuttigen
.M * ) 77^ I weerstand. Brengt men in dit
——\'"* v(
             \' geval een andere massa m, met
de
massa m in aanraking, dan
heeft de in rust zijnde massa de
grootte m -J- m., en daardoor
verkrijgt 23, en dus het nuttig
gebruikte deel van het arbeidsvermogen een grooter waarde.
Op gelijke wijze vindt men,
dat bij den stoot van een stoom-
hamer tegen een op het aam-
i
i
beeld liggend gloeiend stuk ijzer,
dat gedeelte van het arbeids-
vermogen van beweging van den
hamer, dat tot vormverandering
van het ijzer wordt gebruikt,
des te grooter wordt, naarmate
de massa van het aambeeld
grooter is in verhouding tot de
massa van den hamer (fig. 208).
Is bijv. de massa van den hamer
M = 8000 kil. en zijn snelheid
V= 7 eenh. (overeenkomende met
de valhoogte H = 2,5 meter), dan
is vóór den stoot het arbeidsver-
mogen van beweging van den hamer
MV2
~- = MH = 8000 . 2,5 =
= 20000 stat. eenheden. Is ver-
der de massa van het aambeeld met het daarop liggend
-ocr page 340-
328
stuk ijzer m = 56000 kilogram, dan wordt van het geheele
arbeidsvermogen van beweging het deel:
23 = 20000. ^>^ =17500 stat. eenheden
04000
tot bet vervormen van het gloeiend ijzer, dus nuttig aan-
gewend, terwijl de rest:
dl = 20000 . j*,0n0A°ft = 2500 stat. eenheden
64000
tot het inheien van het aambeeld, tot het doen schudden
van de fondamenten van het gebouw enz., dus op nadeelige
wijze wordt gebruikt.
§ 107. Veerkrachtige stoot,
Hoe kleiner het verschil in snelheid der beide lichamen
vóór den stoot is, des te meer is het geoorloofd de uit de
vei\'gelijkingen (180) en (181) voortvloeiende waarden:
n \\r 1m(V — v)                        , \'IMiV — v)
C — \\ — , r .            en c = v - - t,)—.------\'-
M m                      \' M-\\- m
als werkelijke grootten der snelheden na tien stoot te be-
schouwen, vooral indien voor beide lichamen de elasticiteitsgrens
groot is, zooals bijv. voor caoutchouc, ivoor, gehard staal, enz.
Is M = m, dan wordt C = v en o = V, d. i. in dit
geval verwisselen de beide lichamen van snelheid, in dier
voege, dat na den stoot elk der beide lichamen de snelheid
heeft, die het andere vóór den stoot had. Is bovendien v
negatief, d. i. bewegen de beide lichamen zich naar elkander
toe, dan beweegt zich na den stoot elk der beide lichamen
in de lichting tegengesteld aan die, waarin het zich vóór
den stoot bewoog, en met de snelheid die het andere lichaam
vóór den stoot had.
In het bijzondere geval dat v — 0 is, gaan bovenstaande
M
vergelijkingen , als men kortheidshalve— =n stelt, over in :
C, = -"--J V en C,=_J^L F.
1        «4-1              • \'        n -\\-1
-ocr page 341-
329
M
Indien het in rust zijnd lichaam met de massa m = -
"                                                    n
onmiddellijk na den stoot met de daardoor verkregen snel-
heid Cj op zijn beurt botst tegen een in rust zijnd lichaam,
welks massa in dezelfde verhouding tot de zijne staat en
dus de grootte — heeft, dan zal dit derde lichaam na den
n
stoot de snelheid:
/ 2n y
2        n -\\- \\ \' \\ n -\\-
hebben. Indien op gelijke wijze het derde lichaam tegen
een vierde, het vierde tegen een vijfde botst enz. en de
1
verhouding der achtereenvolgende massa\'s steeds — blijft,
dan zal na den ^»-den stoot, het laatste lichaam de snelheid
verkrijgen:
Voor n = 1, wordt C, = 0 en cp= V; d. i. indien
een veerkrachtige bal met de snelheid V botst tegen het
eene uiteinde van een rij ballen, welke alle dezelfde massa
hebben als de eerstgenoemde, dan zal de bal aan het andere
uiteinde de snelheid V verkrijgen, terwijl de overige ballen
alle in rust blijven.
Is n = 0, dan wordt Ci = — F en c, = 0, d. i. indien
een veerkrachtige bal botst tegen een oneindig groote in
rust zijnde massa of tegen een vaste wand, dan zal de bal
na den stoot een snelheid hebben even groot als zijn aan-
vankelijke snelheid maai\' in tegengestelde richting, terwijl
de in rust zijnde massa in rust blijft.
§ 408. Botsing van rondwentelende lichamen.
Ballistische slinger.
Twee lichamen P en Q met de massa\'s M en m draaien
om twee onderling evenwijdige vaste assen en botsen tegen
elkander. Er wordt aangenomen, dat de stoot een rechte
-ocr page 342-
330
is, d. i. op het oogenblik der botsing bewegen zich de beide
stootpunten in de richting loodrecht op het raakvlak (fig. 209).
Op de aanrakingsplaats zullen drukkrachten D en 2),
ontstaan, die even groot zijn, maar in onderling tegen-
gestelde richtingen werken. De hoekvertraging van P is
DA
H = ^ , de hoek versnelling van
Füj209
Q is h = —, waarin A en a de
afstanden zijn van het stootpunt
tot de draaiingsassen, en T en t
de traagheidsmomenten van P en
Q ten opzichte van de draaiings-
assen.
Noemt men $9? en in de op
het stootpunt gereduceerde massa\'s
T
van P en Q, dan is SÜJ = -p
en m = —c . Substitueert men de
hieruit voortvloeiende waarden van
T en t in de uitdrukkingen voor
H en ft, dan vindt men:
-*-D,
iW
V
J#=
en aft
35?
AH is de lijnvertraging van het stootpunt van P, ah
de lijn versnelling van het stootpunt van Q; de snelheids-
veranderingen van de stootpunten zijn dus omgekeerd even-
redig met de op die punten gereduceerde massa\'s van Pen Q.
Vergelijkt men deze uitkomst met vergelijking (168), dan
blijkt het, dat die vergelijking ook in dit geval geldt, mits
men onder V, v, C en c verstaat de snelheden der stoot-
punten, en M en m, de massa\'s der lichamen, vervangt
door 9)ï en in de op de stootpunten gereduceerde massa\'s
van P en Q. Onder dit voorbehoud gelden dus alle uit
vergelijking (168) voor bijzondere gevallen afgeleide ver-
gelijkingen ook voor de botsing van ronddraaiende lichamen.
Zoo zou bijv. in de veronderstelling dat de stoot onveer-
-ocr page 343-
331
krachtig is, volgens vergelijking (181) het verlies aan
arbeidsvermogen van beweging bij den stoot van een duimas
tegen een fronthamer, zijn:
2 \'SJR m\'
als ?PJ de op het stootpunt gereduceerde massa van de
duimas en m de op het stootpunt gereduceerde massa van
den hamer is. De uit vergelijking (181) gemaakte gevolg -
trekking, dat het verlies aan arbeidsvermogen van beweging
des te kleiner wordt hoe grooter de verhouding is van de
bewegende tot de in rust zijnde massa, geldt derhalve ook
in dit geval; hieruit wordt het duidelijk, waarom het voor-
deelig is het traagheidsmoment van de duimas door toe-
voeging van een vliegwiel te vergrooten.
De algemeene vergelijkingen kunnen evenzeer worden
aangewend, indien slechts een der beide lichamen, bijv. Q
om een vaste as draait; de vergelijkingen worden dan:
y c=(l \')ni(r—t.)
M-\\-m
e~v------mt^ \'
Stelt men hierin v = 0 en is de stoot onveerkrachtig,
waardoor ook t = 0 wordt, dan verkrijgt men:
C=c= JfJ .                (184)
M -f- m
Uit deze vergelijking kan men de beweging berekenen,
die een in rust hangende slinger Q met de massa m vol-
brengt, wanneer hij door den stoot van een lichaam P met
de massa M uit zijn evenwichtsetand wordt gebracht
(fig. 210). De snelheid c is de aanvangssnelheid, waarmede
het stootpunt N zijn beweging langs den boog NNt begint,
en het arbeidsvermogen van beweging van den slinger heeft
m c^
dus bij het begin der beweging de grootte —-=r- . Is « de
38
hoek, dien de slinger doorloopt voordat de snelheid nul wordt,
en r de afstand van het zwaartepunt S tot de draaiingsas,
-ocr page 344-
3:$\'2
dan is volgens de wet van het behoud van arbeidsvermogen:
me
-=— = mgr (1 — cos «)
-v
2 — gr (1 — cos cc).
oi
Substitueert men deze waarde van c in vergelijking (184)
en lost men daarna V op. dan verkrijgt men:
V=Ei
.1/
~\\/ ^ ~ 9r (i~ cos a). (185)
Van deze vergelijking kan men gebruik maken om de
snelheid V van
Fig-210.
een kanonskogel
te berekenen, als
men den elon-
gatiehoek heeft
waargenomen,
door den stoot
van den kogel
tegen den slinger
teweeggebracht.
AV,
Een slinger tot
dat doel ingericht
heet een ballis-
tische slinger.
De op het stootpunt gereduceerde massa lil kan eveneens
door waarneming worden bepaald. Laat men den slinger
kleine slingeringen volbrengen, en meet men den slingertijd r,
dan is vooreerst de lengte van den enkelvoudigen slinger,
ffr2
die denzelfden slingertijd heeft l = —2 . Vervangt men
T
verder in vergelijking? (140) 1= — het traagheidsmoment
ïflt
van den slinger ten opzichte van de ophangas door zijn
waarde T0-=n\\a2, en lost men m op, dan vindt men
mrl
Door substitutie van deze waarde van in in
m
vergelijking (185) verkrijgt men:
-ocr page 345-
333
Vindt men bijv. r = 1,57 seconden, dan is l = 2,45 meters ;
is verder r = 2 m., a = / = 2,45 m. (dus — =1,225),
191
-=j = 400 en « = 20 , dan verkrijgt inen voor de snelheid
van den kanonskogel V = 557,67 eenheden.
§ 409. Ontploffingen.
De snelheid u van het gemeenschappelijk zwaartepunt der
beide lichamen wordt door den stoot niet veranderd. Is dus
vóór den stoot die snelheid nul, dan zal zij ook na den
stoot nog nul zijn. Volgens vergelijking (174) heeft men
in dit geval:
— Om         V                       .
—=n==-v<              (186)
d. ï. zoowel vóór als na den stoot hebben de snelheden
onderling tegengestelde richtingen, en zijn zij omgekeerd
evenredig met de massa\'s.
Deze vergelijking geldt ook dan nog, als de snelheden
F en f beide nul zijn en de snelheden C en c door een
ontploffing worden teweeggebracht. Is in dit geval een van
beide snelheden bekend, dan kan de andere uit bovenstaande
vergelijking berekend worden.
Zoo kan bijv. bij het afvuren van een kanon (fig. 211)
de snelheid c, waarmede het kanon terugloopt, berekend
worden, als men de snelheid C van den kogel en de ver-
houding — der twee massa\'s kent.
m
Is bijv. C= 400 eenheden ent» = 200 M, dan is c =
qjtjt =
2 eenheden. De hoeveelheden arbeidsvermogen van
beweging van kogel en kanon ^ en —^— verhouden
zich als 200 : 1. Van het geheele door de ontploffing
-ocr page 346-
334
voortgebrachte arbeidsvermogen van beweging gaat dus
-7rr- op het kanon, en .^ op den kogel over.
201 r
                         201 r
Ftff 211
s:
•<G3
->c
na.
.j
, die bij de ontploffing een scheiding van de
lichaam teweegbrengen, moeten als inwendige
krachten beschouwd worden. Werken er
bovendien nog uitwendige krachten, dan
zullen deze in het algemeen de snelheid
van het zwaartepunt wijzigen; de ont-
ploffing zelve heeft op die snelheid geen
invloed.
Indien bijv. een verticaal naar beneden
vallende bom in twee helften springt, in
dier voege dat de bovenste helft naar
boven, en de onderste helft naar beneden
wordt geslingerd (fig. 212), dan zou het
zwaartepunt zijn beweging met de ver-
snelling g voortzetten; en eerst op het
oogenblik dat de onderste helft tegen den
grond stoot, dat derhalve een nieuwe
kracht, de weerstand van den vasten
bodem, optreedt, ondergaat de versnelling
een verandering. In de veronderstelling
dat de bodem on veerkrachtig is, gaat de
versnelling van het zwaartepunt sprongs-
W wijze van
De krachten
deelen van het
Fig-212.
------S
VZL
*2mg
ma .
9 >no-i=^ over.
Hm~ ~ * \'" 2m
Hetzelfde geldt voor de beweging van het zwaartepunt,
indien de bom een parabolische baan doorloopt, en gedurende
-ocr page 347-
335
zijn beweging in een aantal stukken springt. Door de ont-
plofïing zelve verandert de baan van het zwaartepunt niet.
Op het oogenblik echter, dat het eerste stuk tegen den
vasten bodem stoot, gaat het zwaartepunt uit de oorspronke-
lijke in een nieuwe parabolische baan over, en telkens bij
het neervallen van een stuk ontstaat in de baan een hoek.
Bij een aan een vaste draaiingsas opgehangen slinger is
de versnelling van het stootpunt dezelfde als die van een
stoffelijk punt, welks massa gelijk is aan de op het stoot-
punt gereduceerde massa vanden slinger. Vergelijking (186)
kan derhalve ook gebruikt worden ingeval het ontploffende
lichaam bestaat uit een aan een vaste draaiingsas opgehangen
stelsel van twee massa\'s M en m, indien men in die ver-
gelijking de massa m, welke na de ontploffing nog als
slinger met de draaiingsas vereenigd blijft, door de op het
stootpunt gereduceerde massa m vervangt. De snelheid C,
die de massa M bij de ontploffing verkrijgt, is dan :
C=MC-
Dit geeft een tweede middel aan de hand om de snel-
heid van een kanonskogel door den ballistischen slinger te
meten. Men kan namelijk het kanon zelf als slinger op-
hangen, en door meting van de bij het afvuren teweeg-
trebrachte afwijking « de snelheid C van den kanonskogel
bepalen (fig. 213). Stelt men in bovenstaande vergelijking
-ocr page 348-
336
de in de vorige paragraaf gevonden waarde van c, dan
verkrijgt men:
n       Hl * /o m ia                \\
c==w V ^gr{i~cosa)-
waarin m en m betrekking hebben op de massa van het
geheele uit slinger en kanon bestaande lichaam.
Is bijv. weer — = 1,225, -1[r = 400, a = 2,45 meters,
r =2 meters en a = 20°, dan vindt men:
0 = 555,95 eenheden.
-ocr page 349-
ZESDE AFDEELING.
STATICA DER VLOEIBARE LICHAMEN.
HOOFDSTUK XVIII.
Evenwiehtstoestand van een vloeibaar lichaam onder de werking
van uitwendige drukkrachten.
§ 110. Onderscheid tusschen vaste en
vloeibare lichamen.
In tegenstelling met de vaste lichamen, bij welke de
inwendige krachten elke vormverandering en elke verandering
der afmetingen tegenwerken, noemt men vloeibare lichamen
de zoodanige, bij welke de inwendige krachten alleen een
vermindering van de afstanden der deelen onderling tegen-
werken. Bij vloeibare lichamen worden wel is waar ook
dan inwendige krachten te voorschijn geroepen, wanneer
tengevolge van uitwendige krachten de afstanden der deelen
onderling grooter zouden worden; maar aangezien dit slechts
onder bepaalde omstandigheden plaats grijpt en bovendien
de dan in werking komende inwendige krachten steeds klein
zijn, zoo zal dit geval niet verder worden behandeld. Aan-
gezien ook de afstandsvermindering der deelen zeer klein is
en niet verder in aanmerking behoeft te komen, zal dus
worden aangenomen, dat bij een vloeibaar lichaam alleen
zoodanige inwendige krachten optreden, die een vermindering
van de afstanden der deelen onderling beletten.
De uitwendige krachten, die op het oppervlak van een
vloeibaar lichaam werken, kunnen derhalve alleen dan in
evenwicht zijn, indien zij naar binnen zijn gericht. Deze
naar binnen gerichte krachten zullen drukkrachten genoemd
worden.
Dr. Julius, Mechanica.                                                                22
-ocr page 350-
338
Een verder onderscheid tusschen vaste en vloeibare lichamen
bestaat daarin, dat de wrijvingsweerstand bij een in rust
zijnd vloeibaar lichaam steeds nul is. Dit heeft de volgende
beteekenis. Indien vaste lichamen zich langs elkander be-
wegen, dan ontstaan op de aanrakingsplaatsen krachten,
die de beweging van elk der lichamen ten opzichte van het
andere tegenwerken; dit is evenzeer het geval bij de be-
weging van vloeibare lichamen of van de deelen daarvan
langs elkander of langs vaste lichamen. Terwijl echter bij
vaste lichamen in rust op de aanrakingsplaatsen ook krach-
ten in werking komen die een beweging kunnen verhinderen,
welke zonder het voorhanden zijn dier krachten tot stand
zou komen, is dit bij vloeibare lichamen niet het geval.
Elke kracht op een vloeistofdeeltje welkende, zal dit deeltje
in beweging brengen, indien deze beweging mogelijk is.
zonder den afstand van dit deeltje tot andere deeltjes te
verminderen.
Hieruit volgt dat een vloeibaar lichaam alleen dan in
evenwichtstoestand kan zijn, als de algomeene evenwichts-
vergelijkingen niet alleen voor het vloeibaar lichaam in zijn
geheel gelden, maai\' ook voor alle afzonderlijke deelen. Een
vloeibaar lichaam moet dus beschouwd worden als een stelsel
van oneindig kleine vaste lichamen op zoodanige wijze ver-
bonden, dat hun afstanden onderling niet kunnen ver-
minderd worden.
Nog volgt hieruit dat elk vloeistofdeeltje, dat in aanraking
is met den wand, daarvan een druk moet ondervinden in
een richting loodrecht op den wand naar binnen.
§111. Drukkrachten werkende op een v 1 o e i-
baar lichaam.
De evenwichtsvoorwaarden voor krachten op een vloeibaar
lichaam werkende, zijn dezelfde als die, welke vroeger ge-
vonden zijn voor krachten op een vast lichaam werkende.
De evenwichtstoestand toch van een vloeibaar lichaam wordt
niet gestoord, indien het geheele vloeibare lichaam, of een
willekeurig deel er van vast wordt.
Stelt men zich voor dat eenig deel van een vloeibaar
lichaam, waarop uitwendige krachten werken die in even-
-ocr page 351-
339
wicht zijn , door een willekeurig gekozen vlak wordt afge-
sneden, en dat de inwendige krachten vroeger op het over-
gebleven gedeelte werkende, vervangen worden door uit-
wendige krachten ; dan moeten ook nu de uitwendige krachten
aan de algemeene evenwichtsvergelijkingen voldoen, en men
kan dus uit die vergelijkingen de genoemde inwendige
krachten bepalen. De uitwendige krachten, die de inwendige
op het seheidingsvlak werkende vervangen, kunnen volgens
het in de vorige paragraaf behandelde, slechts zijn druk-
krachten, in elk punt loodrecht op het scheidingsvlak gericht
en naar binnen werkende. Deze krachten hebben in het
algemeen op verschillende plaatsen een verschillende grootte;
dat wil zeggen, als f de vlakte-inhoud van een oneindig
klein deel, en pf de som van de op dit deel werkende
drukkrachten is (waarin dus p den druk per vierkanten
meter beteekent), dan zal de waarde van ;; op verschillende
plaatsen verschillend kunnen zijn; de wet, volgens welke de
grootte van p verandert met de plaats van het vlakte-deel,
hangt af van de uitwendige krachten, die op het vloeibaar
lichaam werken. In het bijzonder geval, dat de uitwendige
krachten alleen bestaan in drukkrachten, die op het opper-
vlak van het vloeibaar lichaam werken, kan men bewijzen
dat p een waarde heeft, die onafhankelijk is van de plaats
en den stand van het vlakte-
2/é
Fig
element, en derhalve overal
in het vloeibaar lichaam
dezelfde is.
Beschouwt men toch van
het in fig. 214 voorgestelde
vloeibaar lichaam eenig
cilindervormig of prismatisch
gedeelte ubcd, welks eind-
vlakken door de vlakte-ele-
menten ab = ƒ, en cd = f.x
worden gevormd, dan be-
vindt zich dit gedeelte in
denzelfden toestand als een
cilindervormige of prisma-
tische stang (fig. 215), ingesloten door vaste wanden, en
slechts in de richting van haar lengte zonder wrijving ver-
22*
-ocr page 352-
340
schuifbaar, terwijl de op de eindvlakken fx en f2 werkende
drukkrachten pt ft en p2 f2 in evenwicht zijn. Als eenige
evenwichtsvergelijking heeft men dan :
ƒ>, ƒ, C0S«, =p2 f2 COS«2,
waarin ux en a2 de hoeken zijn, welke de normalen op de
eindvlakken maken met
de lengterichting der
stang. Is f de door-
Fig215.
snede der stang, dan is
fx cos a, = f2 cos a% = ƒ.
waaruit volgt:
Pi = Pi-
De druk per vier-
kanten meter is dus
op beide eindvlakken
even groot. Daar het-
zelfde bewijs ook geldt
voor een cilindervormig
of prismatisch gedeelte , welks eene eindvlak deel uitmaakt van
het oppervlak der vloeistof, zoo verkrijgt men de volgende wet:
Indien de op een vloeibaar lichaam werkende uitwendige
krachten in evenwicht zijn, en uitsluitend bestaan in druk-
krachten, dan is de druk per vierkanten meter, zoowel aan
het oppervlak als binnen in het vloeibaar lichaam, op alle
plaatsen en in alle richtingen even groot.
§ 112. Evenwicht van krachten werkende op
een vloeibaar lichaam geheel besloten
in een vat met vaste wanden en
beweegbare zuigers.
Door middel van een beweegbaren cilindervormigen zuiger
wordt ergens op het oppervlak van een aan alle kanten dooi\'
vaste wanden ingesloten vloeibaar lichaam een druk p per
vierkanten meter uitgeoefend. Wordt het gewicht van het
vloeibaar lichaam verwaarloosd, dan zullen ook op alle andere
pnnten de vaste wanden op zijn oppervlak een even grooten
druk p per vierkanten meter uitoefenen, welke druk overal
loodrecht op de wanden en naar binnen gericht is. Om-
-ocr page 353-
341
gekeerd zal het vloeibaar lichaam op elk punt van den wand
een druk p per vierkanten meter uitoefenen, eveneens lood-
recht op den wand, maar naar buiten gericht. Is F het
aantal vierkante meters
Füt.216.                     van het eindvlak des
zuigers (fig. 216), en
Kde uitwendige kracht,
die op den zuiger werkt
in de richting van de
as, dan is de druk
per vierkanten meter:
p=^. (187)
Wordt een gedeelte
van den vasten wand
door een anderen be-
weegbaren cilindervor-
migen zuiger met een
eindvlak van F. vierkante meters vervangen, dan zal het
vloeibaar lichaam op dien zuiger een druk pFi uitoefenen,
en die tweede zuiger zal alleen dan in rust zijn, als er een
uitwendige kracht ÜT, = pFi in de richting van de as naar
binnen op werkt. Men heeft dus:
(188)
F\'
K
De krachten Kl en K verhouden zich dus als de door-
sneden der zuigers. Brengt men een willekeurig vlak door
het inwendige van het vloeibaar lichaam, dan oefenen de
twee door het vlak gescheiden deelen normale drukkrachten
op elkander uit, die eveneens de grootte p per vierkanten
meter hebben.
De vergelijkingen (187) en (188) gelden nog dan als de
eindvlakken niet zijn platte vlakken loodrecht op de as,
maar een willekeurige gedaante hebben, mits men onder F
en Ft verstaat de doorsneden van de buizen, waarin de
zuigers zich bewegen. Ontbindt men toch den op eenig
oneindig klein deeltje e van het eindvlak werkenden druk
pt (fig. 217) in de richting van de as der buis en in een
-ocr page 354-
342
richting loodrecht daarop, dan blijkt het dat de ontbindings-
kracht pi cos a = p& in grootte en richting geheel over-
eenkomt met den druk, dien A, de projectie van e op de
doorsnede Ft der buis, zou ondervinden; daar hetzelfde geldt
voor elk der overige vlakte-elementen zoo heeft de vervan-
gende dier ontbindingskrachten in de richting van de as der
buis dezelfde grootte en richting, alsof de doorsnede F1
zelve het drukvlak was; die vervangende is derhalve geheel
onafhankelijk van
FUf.217.
                     de gedaante, welke
men aan het eind-
vlakgeeft, Deontbin-
dingskrachten p £
vormen te zamen
een stelsel krachten
langs evenwijdige
lijnen in dezelfde
richting werkende.
Omdat de afzonder-
lijke krachten boven-
dien evenredig zijn
met de vlakte-ele-
menten waarop zij
weiken, werkt de
vervangende langs
een lijn door het zwaartepunt van Ft gaande.
Daar de zuiger is opgesloten in een cilindervormige buis,
zoo kan hij slechts in ééne richting, in de richting van de
as der buis zich bewegen. Slechts de ontbondenen van de
drukkrachten in deze richting hebben derhalve invloed op
den even wichtstoestand van den zuiger ; kan men dus eenig
gedeelte van het gebogen oppervlak verdeelen in elementen,
zoodanig dat de ontbondenen van de drukkrachten op die
elementen, twee aan twee even groot zijn, maar in onder-
ling tegengestelde richtingen werken, dan kunnen alle op
dat gedeelte werkende drukkrachten buiten beschouwing
blijven, daar zij op den even wichtstoestand van den zuiger
geen invloed uitoefenen. Dit is bijv. het geval met de twee
vlaktedeelen ab en cd in fig. 217, welke een gemeenschappe-
lijke projectie mn hebben.
-ocr page 355-
343
Vat men het woord projectie in ruimeren zin op, in dier
voege dat daar, waar de projecties van een aantal vlakte-
elementen op elkander vallen, zij beschouwd worden als
positieve en negatieve grootheden, en haai\' som dus is óf
nul, óf de projectie van een dier elementen al naarmate
haar aantal is even of oneven, dan verkrijgt men de meer
algemeene stelling :
Welken vorm een in een buis beweegbare zuiger ook
moge hebben, de druk dien het vloeibaar lichaam in de
asrichting der buis tegen den zuiger uitoefent, hangt
alleen af van de projectie van het gedrukte oppervlak op
eenig vlak loodrecht op de as der buis, en heeft dezelfde
grootte, die hij zou hebben, indien genoemde projectie het
drukvlak was.
Beschouwt men eenig deel van den binnenwand van het
vat als eindvlak van een zuiger, die slechts in één bepaalde
asrichting beweegbaar is, dan kan bovenstaande stelling
toegepast worden om de ontbondene in genoemde willekeurige
richting te vinden van den druk, dien het vloeibaar lichaam
tegen dat deel van den wand uitoefent. Geheel hetzelfde
geldt ook voor de ontbondene van den druk tegen den
buitenwand van een in een vloeistof ondergedompeld lichaam.
Herhaalt men deze handelwijze voor drie onderling loodrechte
richtingen, dan vindt men dat de drukkrachten, die het
vloeibaar lichaam op dat deel van den wand uitoefent,
kunnen vervangen worden door drie krachten, werkende
langs drie onderling loodrechte lijnen. Deze lijnen snijden
elkander in het algemeen niet in één punt, en de krachten
hebben dus slechts in bijzondere gevallen een vervangende.
§ 113. Hydraulische pers.
Twee cilinders (fig. 218) door een buis verbonden zijn
met vloeistof gevuld en door beweegbare zuigers gesloten.
Verwaarloost men wederom het gewicht van het vloeibaar
lichaam, dan zullen de uitwendige krachten in evenwicht
zijn, indien op alle plaatsen van het vloeibaar lichaam de
druk p per vierkanten meter even groot is. "Wordt deze
druk teweeggebracht door de twee in de asrichting der
zuigers werkende krachten K en W, en neemt men aan
-ocr page 356-
344
dat tusschen zuigers en cilinders geen wrijvingsweerstanden
werken, dan is:
ttD2
K — p —j- en W -
waarin d en D de middellijnen zijn van de doorsneden der
zuigers. Men heeft dus:
K ~ d2\'
Deze vergelijkingen gelden ook dan nog als elk der beide
zuigers een eenparig voortgaande beweging heeft, bijv., als
de kracht K den
-Fur.218.
kleinen zuiger naar
beneden drijft, waar-
door tevens de groote
zuiger naar boven
bewogen en de op
dezen als weerstand
werkende kracht W
overwonnen wordt.
Is bijv. D = 20 d,
dan is W = 400 K,
en een op den klei-
nen zuiger werkende
krachtif=100een-
heden zou voldoende
zijn om een druk W\'== 40000 eenheden op den grooten
zuiger te overwinnen.
Om een waterdichte sluiting van de zuigers in de cilinders
te verkrijgen, kan men gebruik maken van een lederen
ring (lig. \'219), die zoodanig is omgebogen, dat de vloei-
stof zelve het buitenste deel tegen den wand van den cilinder,
en het binnenste deel tegen den zuiger aandrukt. Bij de
beweging van de zuigers ontstaat op iedcren vierkanten meter
van het aanrakingsvlak een wrijvingsweerstand fp eenheden.
Bij den grooten zuiger is het aanrakingsvlak een cilinder-
mantel, welks hoogte H en welks middellijn D meters is;
het oppervlak is dus nDH vierkante meters. De wrijvings-
weerstand heeft derhalve de grootte fpnDII, en heeft
-ocr page 357-
345
dezelfde richting als de weerstand W. De krachten op den
grooten zuiger werkende moeten dus voldoen aan de ver-
gelijking:
W fpnDH-*^- = 0,
4
pj
of, als men het quotiënt -^s door m voorstelt:
W = p n D1 (0,25 — fm).
Bij den kleinen zuiger werkt de wrijving-sweei\'stand in de
richting tegengesteld aan die van de kracht K. De krachten
op dien zuiger werkende moeten dus voldoen aan de ver-
gelijking:
K= p n d2 (0,25 ƒ«,),
waarin m. = -= is.
1 d
Uit deze twee vergelijkingen vindt men voor de verhou-
ding der krachten W en K:
W == Z)1 0,25 — fm
K d1 \'
0/25 f m,\'
Daar in den grooten cilinder evenveel water binnentreedt
als er uit den kleinen wordt weggedrukt, zoo zijn de in de
seconde afgelegde wegen F en t omgekeerd evenredig met
-ocr page 358-
346
de doorsneden der zuigers, dus — — y^. Voor het quotiënt n
waardoor het nuttig effect bij dit werktuig wordt bepaald,
vindt men dus:
^WV=W d2 _ 0,25 — fm
\'~ Kv ~~ = K \' D- ~~ 0,25 fmx\'
Stelt men bijv. /"= 0,2, n = W, =0,2 en I) = 20d,
dan is W = 280,655 K en n= 0,724. Een op den kleinen
zuiger werkende kracht K = iOO eenheden zou voldoende
zijn om een op den grooten zuiger werkenden druk
TF= 28965,5 eenheden als weerstand te overwinnen, en
de nuttige weerstandsarbeid zou 72,4 percent van den be-
weegkrachtsarbeid bedragen.
HOOFDSTUK XIX.
Werking der zwaartekracht op vloeibare lichamen.
§ 114. Druk tegen platte vlakken.
Bij het ontbreken van wrijvingsweerstand, kan een deeltje
aan het vrije oppervlak 7an een vloeibaar lichaam alleen in
rust zijn, wanneer de resultante van alle er op werkende\'
krachten, loodrecht gericht is op het oppervlak. Is dus de
zwaartekracht de eenige uitwendige kracht die op de deeltjes
in het vrije oppervlak gelegen werkt, dan moet dit opper-
vlak overal loodrecht staan op de verticaal, en derhalve een
horizontaal plat vlak wezen. Wei ken er krachten op, welker
richtingen van punt tot punt veranderen, dan moet het
vrije oppervlak een gebogen vlak zijn, dat in ieder punt
loodrecht staat op de richting der op dat punt werkende
kracht.
De evenwichtstoestand van een vloeibaar lichaam, waarop
de zwaartekracht werkt, wordt niet gestoord, indien eenig
deel er van vast wordt. Laat dit deel de gedaante hebben
van een van onderen schuin afgesneden, oneindig dunne
prismatische zuil, welker bovenvlak een gedeelte is van den
-ocr page 359-
347
horizontalen vloeistofspiegel. Uit de algemeene evenwichts-
vergelijkingen volgt onder anderen, dat de som der ont-
bondenen van de op de zuil werkende krachten in verticale
richting gelijk nul moet zijn (fig. 220). Daar de druk-
krachten, die de omringende
vloeistof, dan is het gewicht der zuil gy t\\z. Noemt men
verder den druk per vierkanten meter op het grondvlak der
zuil p, dan is de druk op het vlakte-element i. p t; de rich-
ting van dien druk maakt met de verticaal een even grooten
hoek «, als het grondvlak met den horizon. De verticaal
naar boven werkende ontbondene van dien druk is dus
p*cos« of, daar <cos«=Ais, pt\\. Stelt men deze
krachten aan elkander gelijk, dan verkrijgt men:
pt\\ =gybz of p = gyz.
De normale druk op het vlakte-element i is derhalve:
pt =gyiz.
De druk op een vlakte-element i is gelijk aan het ge-
wicht van een vloeistof zuil, die het gedrukte deel tot
grondvlak, en zijn afstand tot den vloeistof spiegel tot
hoogte heeft.
Beschouwt men f als een gedeelte van een vasten wand,
die het vloeibaar lichaam in twee deelen scheidt, dan zal de
even wichtstoestand van het eene deel niet worden gestoord,
als men het andere deel wegneemt; hieruit volgt, dat boven-
staande regel ook dan nog kan dienen ter bepaling van den
druk op het vlakte-element f, indien zooals in fig. 224
boven dit deeltje volstrekt geen vloeistof aanwezig is.
-ocr page 360-
348
Daar de drukkrachten, door het vloeibaar lichaam op de
vlakte-elementen van het platte vlak AB uilgeoefend, alle
werken langs lijnen die loodrecht op dat vlak staan en dus
onderling evenwijdig zijn, zoo is haar vervangende gelijk
aan haar som; derhalve:
Volgens de leer van
Siff.221
het zwaartepunt mag
men X {t z) vervangen
door het product van
het geheele drukvlak
AB = F met den
afstand z0 van zijn
zwaartepunt S tot den
vloeistofspiegel; men
heeft dus:
D = r/Fz0. (189)
De druk van een
vloeibaar lichaam op
eenig deel van een plat vlak is gelijk aan het gewicht van
een vloeistof zuil, welke dit deel
Ficr222
tot grondvlak en den afstand
van diens zwaartepunt tot den
vloeistofspiegel tot hoogte heeft.
Wordt door een zuiger een
kracht K uitgeoefend op het
vrije oppervlak J (fig. 222)
van een in een vat besloten
vloeibaar lichaam, dan is de
druk per vierkanten meter op
pr
den vloeistofspiegel p = -j-<
De druk op eenig deel van den
vlakken wand, kan op dezelfde
wijze als in het vorige geval
bepaald worden; daartoe be-
hoeft men zich slechts voor te
stellen, dat de zuiger vervangen is door een vloeistof-
-ocr page 361-
349
laag, die denzelfden druk uitoefent. De hoogte h welke
deze laag zou moeten hebben, kan gevonden worden uit de
vergelijking:
g/Jh = K of
gyJ 9/
In dit geval is de druk op het platte vlak AB = F:
D = gyF{z0 h).
Ook dan nog geldt deze vergelijking, indien de druk op
den vloeistofspiegel niet door een zuiger, maar rechtstreeks
door den dampkring wordt uitgeoefend. Is de barometer-
stand H meters, is •/i de massa van een cubieken meter
kwik, en J vierkante meters de grootte van het vrije opper-
vlak, dan is :
K = gyxJH — gyJh,
of
y
§115. Middelpunt van drukking.
Om het snijpunt 1 van de lijn waarlangs de druk D werkt
en den vlakken zijwand, het zoogenaamde middelpunt van
drukking, te vinden, moet men
JPig223.
het moment der vervangende
D ten opzichte van eenige as
gelijk stellen aan de som der
momenten van alle op de af-
zonderlijke vlakte-elernenten t
Dr.
werkende drukkrachten gytz
ten opzichte van diezelfde as.
Kiest men als as de lijn 00Y
(fig. 223), langs welke de
vloeistofspiegel den zijwand aan-
raakt, en is 011 meters lang,
dan is:
Dl=Z(gy(Zy),
welke na substitutie van de in vergelijking (189) gevonden
waarde van D, voor l geeft:
, 2 (gytzy)
9/Fzo \'
-ocr page 362-
350
Hierin is z0 = y0 cos « en z= y cos «; voor den afstand l,
waarop het middelpunt van drukking I van de horizontale
lijn OOt verwijderd is, vindt men dus:
zilt!
Fy0 •
Beschouwt men den zijwand als een oneindig dunne plaat,
en stelt men zich voor, dat deze plaat om de horizontale as
0 0, slingeringen volbrengt, dan blijkt uit vergelijking (140), .\'
dat l gelijk is aan den afstand van de slingeras dier plaat
tot de draaiingsas. Noemt men evenals vroeger het traag-
heidsmoment der plaat ten opzichte van de as 00, £, dan is:
1
I
§ 116. Druk tegen gebogen zijvlakken.
Op gelijke wijze als dit in § 112 is gedaan, kan ook
hier worden aangetoond, dat de drukkrachten op de on-
eindig kleine deeltjes van het gebogen vlak in bet algemeen
niet door een enkele kracht
Foj.224h.
               kunnen vervangen worden.
~ Ontbindt men den op het
deeltje * werkenden druk
gyez langs drie onderling
loodrechte assen, waarvan
de een verticaal, en de twee
andere horizontaal gericht
zijn, dan vindt men. dat de
verticale ontbondene gyzt\\
(fig. 224) gelijk is aan het
gewicht van een verticale
vloeistofzuil, van onderen
door het vlakte-deeltje zelve, van boven door den vloeistof-
spiegel begrensd.
Deze kracht werkt verticaal naar boven of verticaal naar
beneden, al naarmate de druk gytz schuin naar boven of
schuin naar beneden is gericht. In het algemeen hebben
al deze verticale krachten een verticale vervangende z gelijk
-ocr page 363-
351
aan haar algebraïsche som. In het bijzondere geval dat
deze som nul is, kunnen die krachten bij uitzondering door
een koppel vervangen worden.
De ontbindingskracht in horizontale richting g/z<s is ge-
lijk aan den druk, dien de projectie a van e op het vlak
loodrecht op die richting zou ondergaan. De vervangende X
van al deze ontbindingsklachten is gelijk aan haai- alge-
braïsche som, en dus even groot als de druk dien de ge-
heele projectie A C van den gebogen wand op dat vlak zou
ondergaan. Op gelijke wijze kan de vervangende Y van de
ontbindingskrachten in de richting loodrecht op het vlak der
teekening worden bepaald.
§ 117. Opwaartsche druk.
Bevindt zich een vloeibaar lichaam in een vat en be-
schouwt men den geheelen er mede in aanraking zijnden
wand als drukvlak, dan is zoowel X = o als Y — o, omdat
de projectie van het drukvlak op elk willekeurig gekozen
verticaal vlak nul is (lig. 225). De vervangende van de op
alle deeltjes van het drukvlak werkende krachten is derhalve
Bxj.223.                        Fiy 226.
in dit geval een verticale kracht Z, die tevens de vervangende
is van de verticale ontbondenen dier krachten. Beschouwt
men de verticale ontbondenen der drukkingen op de boven
elkander gelegen vlakte-elementen m en n, dan blijkt het
-ocr page 364-
352
dat de ontbondene van den druk op m grooter is dan die
van den druk op n. Het verschil is gelijk aan het gewicht
van de vloeistofzuil tn l verminderd met dat van de vloeistof-
zuil nl, en dus gelijk aan het gewicht van de vloeistof-
zuil mn. De vervangende Z is derhalve gelijk aan de som
der gewichten der afzonderlijke verticale vloeistofzuilen, of
aan het gewicht van het vloeibaar lichaam ABC, en de
lijn waarlangs zij werkt, gaat door het zwaartepunt S van
dat lichaam.
Indien alle krachten in tegengestelde richtingen werkten,
dan zou dit ook met de vervangende het geval zijn. De
vervangende van de drukkingen, die de wanden van het
vat op het vloeibaar licbaam uitoefenen, is derhalve een
kracht, die verticaal naar boven werkt langs een lijn gaande
door het zwaartepunt S van het vloeibaar lichaam; zij is
even groot als het gewicht van het lichaam, en maakt hier-
mede evenwicht.
Is het vat door de vloeistof omringd (Qg. 226), dan kan
men op dezelfde wijze aantoonen dat de vervangende van de
drukkrachten door de vloeistof op de wanddeelen van het
vat uitgeoefend, een verticaal naar boven gerichte kracht is,
welker grootte gelijk is aan het gewicht der verplaatste
vloeistof, en welke werkt langs een lijn gaande door het
zwaartepunt S van de ruimte ABC.
Ftj.227.
Deze verticaal naar boven werkende
vervangende wordt de opwaartsche
druk
genoemd.
Ook indien, zooals in fig. 227,
een geheel gesloten oppervlak aan
alle kanten door vloeistof is omringd
is de projectie van het drukvlak op
een willekeurig verticaal vlak nul;
de vervangende van alle drukkrachten
is derhalve ook in dit geval gelijk
aan den opwaartschen druk. Stelt
men zich toch voor, dat de onder-
gedompelde ruimte in oneindig dunne
verticale zuilen is verdeeld, dan is voor elk dier zuilen de
opwaartsche druk gelijk aan het gewicht van de door haar
verplaatste vloeistof; de geheele opwaartsche druk is derhalve
-ocr page 365-
353
gelijk aan het gewicht van de door de geheele ruimte ver-
plaatste vloeistof. Is J de inhoud van de ondergedompelde
ruimte en y de massa van een cubieken meter der vloeistof,
dan is de opwaartsche druk:
Z = gyJ.
Deze kracht hangt uitsluitend af van de grootte der ruimte,
zij is onafhankelijk van hetgeen zich binnen deze ruimte be-
vindt; wordt de ondergedompelde ruimte bijv. ingenomen
door een vast lichaam, dan hangt de opwaartsche druk niet
af van het gewicht des lichaams of van de plaats van zijn
zwaartepunt. Geheel algemeen geldt dus de volgende wet:
Op elk in een vloeistof gedompeld lichaam werkt langs
de lijn, die door het zwaartepunt van de ingedompelde
ruimte gaat, een opwaartsche druk, even groot als het
gewicht van de verplaatste vloeistof.
Deze wet wordt de wet van Auchimedes genoemd.
Is J de inhoud en yt de massa van een cubieken meter
van het ondergedompelde lichaam, dan is zijn gewicht
G = g/1J; de opwaartsche druk A dien het ondervindt
is even groot als het gewicht van de verplaatste vloeistof,
dus A = gyJ. Het quotiënt s dier twee gewichten:
A g/J y
is onafhankelijk van de keuze der gewichtseenheid en der
inhoudseenheid, en wordt als maat beschouwd voor de
dichtheid van het ondergedompelde lichaam ten opzichte
van de vloeistof.
§ 118. Stabiliteit van drijvende lichamen.
Metacentrum.
Is de dichtheid van een lichaam ten opzichte van een
vloeistof kleiner dan één, dan zal het lichaam op die vloeistof
drijven, en daarbij een gewicht vloeistof verplaatsen even
groot als zijn eigen gewicht. Voor het evenwicht der op
het lichaam werkende krachten wordt bovendien vereischt,
dat het zwaartepunt J van de ondergedompelde ruimte en
het zwaartepunt S van het lichaam in dezelfde verticaal
l)r. Juuus, Mechanica.                                                                23
-ocr page 366-
354
liggen (fig. 228). De lijn ZU, welke in dien evenwichts-
stand door de beide zwaartepunten gaat, wordt de drijfas,
en het vlak WOX, dat met den waterspiegel samenvalt,
het drijfvlak van het lichaam genoemd.
Om de stabiliteit van den evenwichtstoestand te onder-
zoeken, moet men zich voorstellen dat de drijfas in een
stand wordt gebracht, die met haar verticalen evenwichts-
stand een zeer kleinen hoek qp maakt, en daarna het moment
901 berekenen van het koppel, dat vereischt zou worden om
het lichaam in dien stand te houden. Hierbij zal worden
verondersteld, dat het lichaam een eenvoudigen vorm heeft,
namelijk dien van een prisma, welks lengterichting loodrecht
staat op het verticale draaiingsvlak en dus horizontaal is;
bovendien wordt aangenomen dat de drijfas de doorsnede
symmetrisch middendoordeelt. Heeft het prisma een lengte
van één meter, dan is het aantal cubieke meters van zijn
inhoud even groot als het aantal vierkante meters der door-
snede: ditzelfde geldt ook voor deelen van het lichaam.
De krachten, door welke het lichaam in zijn nieuwen
evenwichtsstand wordt gehouden (fig. 229) zijn: ten eerste
het gewicht G van het lichaam, ten tweede de nieuwe
opwaartsche druk A{, die volgens het bovenstaande even
groot is als G, en ten derde de krachten die het koppel
met het moment ?Dï vormen. Volgens fig. 229 heeft de
arm van het koppel gevormd door de krachten G en At
-ocr page 367-
355
de grootte u sin qp, als w is de afstand van het zwaartepunt
S tot het punt M, het snijpunt van de lijn, waarlangs de
nieuwe opwaartsche druk werkt, met de drijfas. Wegens
de veronderstelde kleinheid van den hoek y mag u sin qp
door u qp vervangen worden. De momenten der koppels
Fuj.220
m
moeten even groot zqn, maar in teeken verschillen; men
heeft dus:
ffi=Gucf.                      (190)
De nieuwe opwaartsche druk Ai (fig. 230) kan beschouwd
worden als de vervangende van drie krachten; namelijk van
den oorspronkelijken opwaartschen druk A, van den nieuwen
opwaartschen druk a, veroorzaakt door het indompelen van
het deel OXXl, en van den opwaartschen druk a,, dien
het oorspronkelijk ondergedompelde, maar thans boven den
waterspiegel uitstekende deel WOWl ondervond, en die
dus nu in tegengestelde richting moet worden genomen.
Daar Ax = O = A is, moet ook a = a, zijn. De nieuw
ondergedompelde ruimte moet dus even groot zijn als de
ruimte, die aan den anderen kant boven den waterspiegel
is opgeheven. Bij den veronderstelden symmetrischen vorm
van het lichaam volgt hieruit, dat de doorsneden dier ruim-
ten twee driehoekige vlakken zijn, wier gemeenschappelijke
23*
-ocr page 368-
356
top met het punt 0, het snijpunt van de drijfas met het
drijfvlak, samenvalt. Elk dier vlakken kan beschouwd
worden als een gelijkbeenige driehoek met de basis \\b(f en
de hoogte \\-b; derhalve is:
a — at = \\gr • \\b<f- \\b = yyb2<p.
Het zwaartepunt van elk der beide driehoeken ligt op
den afstand £ . ~ b = ^ b van den top; de krachten a en al
vormen dus een koppel met den arm %b, en het moment:
m = a.$b = &9yb*<p.              (191)
Ten opzichte van elk punt der doorsnede, en dus ook
ten opzichte van het punt J moet het moment van de ver-
Fiff230
vangende A{ gelijk zijn aan de som van de momenten dier
drie krachten; daar het moment der kracht A ten opzichte
van het punt J nul is, zoo heeft men:
Ax x = in.
Is F het gedeelte van de doorsnede dat beneden den
waterspiegel is gelegen, dan is F ook de inhoud van de
geheele ondergedompelde ruimte, en dus At =A—gyF;
is verder h de afstand der punten S en J, dan is
x = JM. sin qp = (u -f- h) qp. Men verkrijgt dan :
g/F(u -i- h)cp = m.
-ocr page 369-
357
Substitueert men deze waarde van m in vergelijking (191),
en lost men u op, dan is:
(192)
u=u^-h.
Uit deze vergelijking blijkt, dat W onafhankelijk is van
den hoek qp, zoolang namelijk deze hoek klein is.
Bij kleine schommelingen van het drijvend lichaam zal
dus de lijn, waarlangs de opwaartsche druk werkt, steeds
door hetzelfde punt M van de drijfas gaan. Dit punt wordt
het metacentrum van het drijvende lichaam genoemd.
Uit vergelijking (190) blijkt, dat het moment 9)? even-
redig is met u. De stabiliteit van het drijvende lichaam is
derhalve des te grooter, hoe hooger het metacentrum boven
het zwaartepunt ligt; het evenwicht is stabiel als u positief
is. Volgens vergelijking (192) is aan deze voorwaarde steeds
voldaan als h negatief is; m. a. w. ligt het zwaartepunt
van een drijvend lichaam beneden het zwaartepunt van het
verplaatste vloeibare lichaam, dan is het evenwicht steeds
stabiel. Het evenwicht is labiel als u negatief is, indifferent
b3 .
als u gelijk nul of h = ^p 1S-
De diepte z (fig. 231), waartoe een homogeen parallelo-
Fig 231.
b
n:
X
M f
r
sr--------------.
i
i»r---------
*----------f
=r-^-i==.
r~ . —r=^
l5=ï35==
=S5?ï
jggS
-^_\' —\'
•=c==-=-„, j- — -=_t~--=---_
EPS!
__^r—d£^3sr-
• „I^—^^^^^pS^f^T
ü^ffll
^s^lPJiÏE
pipedum, welks dichtheid ten opzichte van water s is en
-ocr page 370-
358
welks lengte, hoogte en breedte respectievelijk één, « en i
meters zijn. in water inzinkt, vindt men door het gewicht
G = gsyab gelijk te stellen aan den opwaartschen druk
A = gyzb; dus:
gsyab = gy zb of z — as.
De doorsnede van de ingedompelde ruimte heeft den inhoud :
F= zb = sab,
en de afstand van de zwaartepunten S en J is:
, a z a .. .
Substitueert men deze waarden in vergelijking (192), dan
vindt men voor de hoogte van het metacentrum boven het
zwaartepunt:
b3          a ,. .         a Vb\'1 a ,, N1
Stelt men in bovenstaande vergelijking u = 0, dan vindt
men voor de waarde van de verhouding — , bij welke de
° a
grens van de stabiliteit wordt bereikt:
- = i 6s(l— s).
a
               v
-ocr page 371-
ZEVENDE AFDEELING.
DYNAMICA DER VLOEIBARE LICHAMEN.
HOOFDSTUK XX.
Uitvloeiing van water.
§ 119. Uitvloeiingssnelheid.
Opdat een watermassa onder de werking der zwaartekracht
in rust blijve, wordt vereischt, dat alle punten van het
vrije oppervlak in hetzelfde horizontale vlak liggen. Indien
twee vaten, waarin de waterspiegels op verschillende hoogten
liggen, door een hori-
Fiq.232.
                             zontale buis verbon-
den zijn (fig. 232),
dan werken op de beide
uiteinden van de water-
I
!.....
zuil in die buis on-
1~~
//
gelijke drukkrachten
g y fJi. en gy fh. Door
het verschil dier twee
i
i
lis
krachten verkrijgt de
oorspronkelijk in rust
\' : v I                |
zijnde waterzuil een ver-
snelde beweging, wier
aanvankelijke versnel -
ling gevonden wordt door liet verschil in druk gyf(H—h)
te deelen door de massa der waterzuil. Bij de beweging van de
waterzuil in de horizontale verbindingsbuis treden voortdurend
aan het vooreinde der buis waterdeeltjes naar buiten, terwijl
aan het achtereinde een even groote hoeveelheid water naar
-ocr page 372-
:mo
binnen treedt. Dien tengevolge daalt de hoogste en rijst de
laagste der twee waterspiegels. In de veronderstelling echter,
dat de doorsnede f zeer klein is in vergelijking met die der
beide vaten, mogen de hoogten H en h gedurende het uit-
vloeien als standvastig worden beschouwd. In dit geval mag
men aannemen, dat niettegenstaande een gedeelte van het
water, in de buis en in den omtrek van haar uiteinden, in
beweging is, de drukkrachten op de uiteinden der waterzuil
de grootte behouden, die zij hadden toen het water in rust
was, en dat dus de kracht g yf{H— h) gedurende de uit-
vloeiing niet verandert.
Heeft de uitvloeiingssnelheid, d. i. de snelheid van de
waterzuil in de buis, op eenig oogenblik de grootte v een-
heden, dan is de in het naastvolgende tijddeeltje r afgelegde
weg or en de gedurende dat tijddeeltje door de kracht ver-
richte arbeid :
%=gyf{H—h)vT.              (193)
Daar het water als onsamendrukbaar mag worden be-
schouwd, en dus de som van de arbeiden door de inwen-
dige krachten verricht steeds nul is, zoo mag men aannemen,
dat het arbeidsvermogen van plaats met bovenstaand bedrag
afneemt en liet arbeidsvermogen van beweging met een ge-
lijk bedrag toeneemt.
Daar waar het water in de horizontale buis treedt, gaan
aanhoudend waterdeeltjes uit den toestand van rust in be-
weging over, en verkrijgen dus arbeidsvermogen van be-
weging. Het volume van het water, dat gedurende het
tijddeeltje r in de buis treedt is i = fvr, zijn massa
m = y f o i. Op die plaats wordt derhalve gedurende het
tijddeeltje r het arbeidsvermogen van beweging vermeer-
derd met:
!?£ = rfv**-.                (194)
Het gedurende den tijd t verloren arbeidsvermogen van
plaats kan beschouwd worden te zijn omgezet in een ver-
meerdering van het arbeidsvermogen van beweging, vooreerst
van het reeds in beweging zijnde water, ten tweede van
het water dat in de buis treedt en vóór dien tqd in rust
-ocr page 373-
361
was. Dit laatste deel is des te grooter, hoe grooter de uit-
vloeiingssnelheid v reeds geworden is; het kan echter nooit
grooter worden dan het geheele bedrag. De grootste waarde
van de uitvloeiingssnelheid v is dus die, waarbij al het ver-
loren arbeidsvermogen van plaats omgezet wordt in arbeids-
vermogen van beweging van de deeltjes aan het begin dei-
buis, welke voor dien tijd in rust waren. Door gelijkstelling
van de voor g— en 31 gevonden waarden, verkrijgt men
dus voor deze grens der uitvloeiingssnelheid de vergelijking:
yfvrV^-=gyf(H — h)vr of v = i/2g(H — h). (195)
De aanvankelijk versnelde beweging van de waterdeeltjes
in de buis gaat allengs in een eenparige beweging over; de
snelheid dier eenparige beweging is gelijk aan de snelheid,
die een lichaam zou verkrijgen, indien het vrij viel van een
hoogte H—h gelijk aan den verticalen afstand der water-
spiegels.
Vervangt men in bovenstaande vergelijkingen H en h
P          p
door haar waarden — en —, waarin P en p de druk-
gy 9Y
kingen per vierkanten meter op de uiteinden der horizontale
water/uil zijn, dan vindt men
In dezen vorm kan de vergelijking aangewend worden
om de uitvloeiingssnelheid te bepalen, indien nog bovendien
in elk dei\' beide vaten op den waterspiegel een zekere druk
werkt; P en p beteekenen dan den werkelijken druk per
vierkanten meter op de uiteinden der waterzuil. Ook ver-
gelijking (195) kan voor dit laatste geval als geldig worden
beschouwd, mits men onder H en h verstaat de hoogten,
die de waterspiegels boven de uiteinden der waterzuil zouden
moeten hebben, om de werkelijk daarop uitgeoefende druk-
kingen voort te brengen.
Vergelijking (195) geldt ook voor het in fig. 233 voor-
gestelde geval, waarbij de uitvloeiingsopening zich niet in
-ocr page 374-
362
den verticalen zijwand, maar in den horizontalen bodem
bevindt. Noemt men het verschil in hoogte z, dan ver-
krijgt men de eenvoudiger
F&233
                         uitdrukking:
v=Vlgz. (196)
Gedurende het tijddeeltje r
vloeit uit de opening een
waterzuil met de lengte v r,
de doorsnede f, en dus met
het volume f v r. Het volume
van het water in het vat
zal gedurende dit tijddeeltje r
met dezelfde grootheid ver-
minderen. Is F de vlakte-
inhoud van den waterspiegel,
dan is de snelheid w, waar-
™! f™*,
de waterspiegel in het vat daalt:
Fw x = fvr of w
mede
f
F
(197)
v.
Heeft het vat een prismatische of cilindervormige ge-
daante, dan mag men aannemen, dat de beneden den water-
spiegel gelegen deeltjes eveneens met de snelheid w dalen.
Uit bovenstaande vergelijking blijkt, dat de snelheid waar-
mede de waterdeeltjes zich bewegen, voordat zij uitvloeien,
slechts dan mag worden verwaarloosd, indien zooals vroeger
f           • • •
is verondersteld de verhouding -W zeer klein is.
Is aan deze
voorwaarde niet voldaan, dan moet de in vergelijking (194)
mv
voor de vermeerdering van het
aangenomen waarde
arbeidsvermogen van beweging, vervangen worden door:
_ mw1__mv_ /. _ p\\
~2           2" V JPr
mv
~~2
Indien men in vergelijking (193) de massa van het in
den lijd r uitvloeiende water yfvr door m en het verschil
in hoogten H — h door z vervangt, dan vindt men dat
-ocr page 375-
363
het verlies aan arbeidsvermogen van plaats mgz bedraagt.
Door gelijkstelling der twee waarden, verkrijgt men:
mv1 /. f*\\ .
mw\'
~2
mgz =
i-C
De hoogte 2 kan hierbij onveranderlijk worden gehouden
door boven in het vat evenveel water te doen toevloeien
als er van onderen uitstroomt.
§ 120. Hoeveelheid uitstroomend water.
Zijn alle punten van de uitvloeiingsopening even ver be-
neden den waterspiegel gelegen, en is dus de uitvloeiings-
snelheid v op alle punten even groot, dan is het volume
van het in elke seconde uitvloeiende water gelijk aan den
inhoud van een prisma, welks doorsnede gelijk is aan de
uitvloeiingsopening, en welks lengte v meters bedraagt.
Indien daarentegen de verschillende punten der opening niet
even ver beneden den waterspiegel liggen, dan moet de
opening in oneindig smalle strookjes worden verdeeld, en
het volume water bepaald worden, dat door elk dier strookjes
uitvloeit; door optelling van de aldus gevonden volumes
verkrijgt men dan het geheele volume.
In het punt P (lig. 234) is de uitvloeiingssnelheid volgens
vergelijking (196) v = I\'\'2j2, en door een op deze hoogte
Fig236
Ftg:23i.          Fuj235
M A K
Ju
>c
gelegen horizontaal strookje met de breedte b en de oneindig
-ocr page 376-
364
kleine hoogte X (fig. 235), vloeit in een seconde het volume
water bXv. Het geheele volume bedraagt dus I— 2 (bXv).
Is de uitvloeiingsopening een rechthoek, dan is b een ge-
meenschappelijke factor van alle termen onder het somteeken
en dus:
I=b2(vX).                    (198)
Om de waarde der som 2 [v X) te bepalen, kan men
op de in fig. 236 aangegeven wijze de betrekking tus-
schen v en z graphisch voorstellen door middel van een
kromme lijn AEF. (Deze lijn is een parabool, welks top A
in den waterspiegel ligt).
Uit de figuur blijkt dat 2 (v X) wordt voorgesteld door
den inhoud van de vlakke figuur BEFD, welke gelijk is
aan den inhoud van den rechthoek ADFN, verminderd
met den inhoud van den rechthoek ABEM en met den
inhoud van de vlakke fipuur MEFN. Daar deze laatste
gelijk is aan 2 (z A), zoo is:
2 (v X) = CH — ch — 2 (z A).
Om de som 2(z A) te vinden, moet men z vervangen
door haar waarde x—, waardoor men verkrijgt:
2(,A)= _^A) = _(__ir))
of na substitutie van de waarden C1 ==1gH en c% = 2</A:
2(zA) = ^(CH-ch).
Men vindt dus:
2(i>/l)= f (Off— ch).
Substitueert men deze waarde in vergelijking (198), dan
vindt men voor het volume water, dat in elke seconde
uitvloeit:
I=$b(CH — ch) = |6(H VH~—hV~K)\\/~W.
Voor h = o, wordt:
I=\\bHV^yH.
-ocr page 377-
365
Uit deze vergelijking blijkt, dat bij een overlaat het
volume uitvloeiend water even groot is alsof alle water-
deeltjes dezelfde uitvloeiingssnelheid ^ \\ 2f/H hadden.
§ 121. Ui t vloeiingstijd.
Indien uit de opening f in den horizontalen bodem van
een cilindervormig of prismatisch vat
Jty:237:
(fig. 237) het water met de snelheid
v = V2gz uitvloeit, terwijl van boven
geen toevoer plaats grijpt, dan ver-
mindert het volume water in het vat
in elke seconde metfv; dientengevolge
daalt de waterspiegel, en wel volgens
vergelijking (197) met de snelheid:
-V *(*£>•
ir
Uit deze vergelijking blijkt dat de beweging eenparig ver-
traagd is. Indien een punt met eenparig vertraagde bewe-
ging een vertraging p heeft, dan zal het op een afstand z
van het eindpunt der beweging gekomen een snelheid Vlpz
hebben; de tijd waarin het dien afstand z zal afleggen is
dan t = y —-. Stelt men hierin p = <7 ^, dan verkrijgt
men voor den tijd, na welken de waterspiegel den bodem
van het vat bereikt:
Fiff.238.
t
rJ[~ï~._
*
—1
WÊSSg*
4
. _i_ _
1
- .___
\'S:- \'\':\'.\'-\' ^-r^~~=^r=
1
js.- _j^ — -=1" -^-_
co
C\'
jSsjfK^^ri»^^^^
__l_ _
fSlSËpf?^!
f^KT^E»!
^Sɧ3
*sd
SjjÜ
v 9 f1
en voor den tijd in welken
de waterspiegel van de hoogte
H tot h daalt:
133
t
F
fcv^-O
Op soortgelijke wijze kan
de tijd worden berekend, waarin bij de in lig. 238 voor-
-ocr page 378-
366
gestelde vaten de waterspiegel in het eene vat zoover daalt
en die in het andere vat zoover rijst, dat zij in hetzelfde
horizontale vlak liggen. De uit vloeiingssnelheid heeft de
grootte:
v*=V2g(x z),
en de snelheid van den dalenden waterspiegel is derhalve:
Het water dat uit het eene vat vloeit, komt in het andere
vat waaruit volgt:
F
§ x = Fz of x = s z.
ö
Door substitutie van deze waarde vindt men:
—v/*|>£0 f)>
De dalende waterspiegel heeft dus een eenparig vertraagde
beweging met de vertraging:
\'-\'£(\' *>
De tijd tot het afleggen van den weg z benoodigd is:
t= \\/2f= y/2* F*% —
V p V g -p{F %y
Uit de vergelijking:
(z x) = z(i ^) = h,
vindt men:
h
Deze waarde van z in bovenstaande vergelijking substi-
tueerende, vindt men:
-ocr page 379-
367
Is F zoo groot dat het quotiënt ^ gelijk nul mag wor-
den gesteld, dan verkrijgt men voor den tijd, waarin het
kleinste vat volloopt:
-3. \\/*h
f V 9\'
t
§ 122. Snel heidscoëfficien t, contractie-
coëfficiënt, uitvloei ingscoëfficient.
Bij de afleiding van de algemeene vergelijkingen der uit-
vloeiing zijn veronderstellingen gemaakt, welke slechts bij
benadering met de werkelijkheid overeenkomen. Om uit-
komsten te geven die met de waarneming overeenstemmen,
moeten de vergelijkingen correcties ondergaan. Voor de
theoretische uitvloeiingssnelheid is gevonden v= V Igh, als
h de drukhoogte is, en als de uitvloeiingsopening f klein is
in vergelijking met de doorsnede F van het vat. De werke-
lijke uitvloeiingssnelheid is steeds kleiner dan de theoretische,
en wordt verkregen door deze laatste te vermenigvuldigen
met een zekeren coëfficiënt qt, de snelheidscoëfficient ge-
noemd, welke steeds kleiner is dan één. De werkelijke
uitvloeiingssnelheid is derhalve:
v = qp V\\gh.
Bij de theoretische bepaling van de hoeveelheid uitstroo-
mend water werd de uitvloeiingsopening ƒ als doorsnede van
den waterstraal aangenomen. Ook dit is in den regel niet
juist, daar de uitvloeiende straal zich meestal samentrekt,
en op eenigen afstand van de opening een kleinere door-
snede heeft. Tengevolge van die contractie verkrijgt men
de doorsnede van den straal door de uitvloeiingsopening te
vermenigvuldigen met een zekeren coëfficiënt «, die kleiner
is dan één, en contractie coëfficiënt genoemd wordt. Bevindt
zich de opening in den horizontalen bodem, dan verkrijgt
men dus het werkelijk volume van het in een seconde uit-
stroomend water, als men de doorsnede af vermenigvuldigt
met de snelheid qp V %gh, of:
M = (« . f) (qp V 2gh) = («.ff) tfV <Lgh).
-ocr page 380-
368
Het product:
« . cp = fl
wordt de uitvloeiingscoëfïïcient genoemd, omdat men daar-
mede het theoretisch volume van het uitstroomend water
moet vermenigvuldigen, om het werkelijk volume te ver-
krijgen.
Een zoogenaamde «volkomen contractie" heeft plaats bij
de uitvloeiing uit een opening in een vlakken dunnen wand,
wanneer tevens de wijdte der opening klein is in vergelijking
met haar afstand tot den naasten zijwand en met de drukhoogte.
Hij een volkomen contractie van den waterstraal is de con-
tractiecoëfficient gemiddeld « = 0,64 en de snelheidscoëffi-
cient ip = 0,97; bijgevolg is de uitvloeiingscoëfïicient:
u = 0,64 . 0,97 = 0,62.
Bij een cirkelvormige opening met de middellijn D is de
kleinste doorsnede van den straal ongeveer op den afstand
0,5 D van de opening gelegen, en heeft zij een middellijn
0,8 D. Is in dit geval de opening voorzien van een korte
buis, die ongeveer den vorm heeft van den gecontraheerden
waterstraal, dan is « = 1 en qp = 0,97.
„ >