-ocr page 1-
�999999999999999999999999999
Fa. Wed. F. Herfkens & Zoon — Utrecht
-ocr page 2-
-ocr page 3-
10C/C&
w m
RUST EEN WEINIG.
-ocr page 4-
-ocr page 5-
-ocr page 6-
-ocr page 7-
tfC ft 2 Z./j
f
RU5T EEN WEINIG.
-SMSr-
Oudejaarsa vond- Gedachten
DOOR
T
-\'
)JR. j
1/. LAURILLARD.
•
•>
Vierde Druk.
Firma Wed. F. Herfkens & Zn. - Utrecht.
-ocr page 8-
V
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
A06000030144590B
I
3014 459 O
J\'
1
-ocr page 9-
Een woord vooruit bij den eersten druk.
De toespraak: Rust een weinig, door mij eens als
tekst van een Oudejaarsavondpreek gebruikt
\'), stelde ik als
titel aan het hoofd dezer overdenkingen, op bepaald verlangen
des Uilgevers. Zij is er wellicht ook niet kwaad voor.
—
De Oudejaarsavond geeft aan velen geen gelegenheid, aan
velen zeker ook geen lust, om lange stukken te lezen; maar
wel zullen de meesten op dien avond tijd hébben en genegen
zijn, om door de lezing van enkele regels eene goede gedachte
in zich en in de hunnen op te wekken.
Dit hield ik bij de samenstelling van dit boekje voor
oogen. In kleine prozastukjcs en versjes, in korte rijmen en
spreuken, legde ik daarin neer, wat ik in overeenstemming
achtte te zijn met het karakter van den laatsten avond des
jaars.
Op zeer iveinige uitzonderingen na, is de inhoud, voor
zoo ver die van mij is, nieuw. Wat aan anderen ontleend
is, is als zoodanig aangeduid, en zal, hoop ik, al kan liet
bekend zijn, den lezer toch niet ongevallig ivezen.
Natuurlijk ivensch ik, dat wie op den Oudejaarsavond
een weinig zal rusten met dit boekje in handen, iets
meer aan zijn rusten moge hebben, dan wanneer hij daarbij
niets in zijn hand had.
DE SCHRIJVER.
Amsterdam, 15 December 1869.
\') Mare. VI : 31.
-ocr page 10-
Voorbericht voor den tweeden druk.
De Uitgever vroeg mij om een voorbericht voor dezen
tweeden druk.
Mijn voorbericht zou eigenlijk kunnen zijn, dat ik niets
te berichten heb.
Het boekje is inwendig gebleven wat liet ivas en uitivcn-
dig slechts een weinigje veranderd. En de ivensch, waarin
ik de voorrede van den eersten druk deed uitloopen, is ook
nog steeds dezelfde, dat spreekt van zelf.
Dat de prijs verminderd is, kan iedereen zien, en dat
daardoor de kring der lezers zich nog wijder uitzetten moge,
hopen ten minste twee personen. Men raadt lichtelijk tvie.
\'t Zijn dezelfde twee, die er de naasten toe zijn, om zich in
deze vermeerdering van druk het meest te verheugen.
Dat klinkt wat wonderlijk, maar onduidelijk is \'t niet.
En nu, ga uit, mijn boekske! ten tweede male, en leg
een zegen in de hand die u opent.
DE SCHRIJVER
Amsterdam, 1872.
-ocr page 11-
Voorbericht voor den derden druk.
Deze dei-de druk is me een krachtig beivijs, dal ik gelijk
lwd, toen ik bij den eersten druk zei, dat er zeker velen
zijn, die bepaaldelijk ook op den Oudejaarsavond wel lust
hebben, om door de lezing van enkele regels eene goede ge-
dachte in zich en in de hunnen op te wekken.
Is \'t nu in \'t algemeen aangenaam voor een mensch, te
merken, dat hij in dit of dat gelijk had, geen wonder,
dat ook mij zoo iets aangenaam is.
Maar in \'t bijzonder mag \'t mij immers aangenaam
wezen, hierin gelijk te hebben, dat er waarlijk altijd
nog velen zijn, die behoefte gevoelen aan de opwekking
van gedachten, die ernstig zijn, van gedachten, die naar
onder en naar boven doen zien, van gedachten, die
raken aan \'t hart en aan den hemel.
Moge het getal derzulken vermeerderen! En moge dit
boekje bij vernieuwing iets doen, om aan de behoefte der-
zulken vervulling te geven.
DE SCHRIJVER.
Amsterdam, 1884.
-ocr page 12-
Voorbericht voor den vierden druk.
Hoc meer drukken er komen, de-i te meer heb ik mij
te verheugen, maar des te minder heb ik te zeggen.
Reeds drie voorberichten hebben gesproken; wat, zal, terwijl
het boekje onveranderd bleef, een vierde daar nog aan kunnen
toevoegen ?
Alleenlijk blijft er steeds plaats en is er steeds grond,
om te wenschen, dat in al meer harten gevoeld worde,
vooral bij den uitgang des jaars: het leven gaat, maar
God blijft; de zorgen gaan niet weg, maar ook niet de
zegen; de zonde is nog niet dood, maar evenmin de hope.
Dat gevoel wekke ook deze druk en diene dus tot opheffing
van druk in veel harten.
DE SCHRIJVER.
Amsterdam, \'ISO\'1.
-ocr page 13-
De laatste avond.
Is het eigenlijk wel wijs, aan den laatsten avond des jaars
eene bijzondere beteekenis en waarde te hechten? Is de Oude-
jaarsavond eigenlyk niet aan iederen anderen avond gelijk? —
Als de 31ste December er is, ja wel, dan is er sedert den vorigen
31sten December een jaar weer verloopen; maar zóó iets kan
gezegd worden van iederen dag; iedere datum, — met uitzonde-
ring van 29 Februari alleen, — keert zoo, telkens na verloop
van een jaar, tot ons weder.
Op die bedenking, die gedurig van onderscheidene zijden ge-
hoord worden kan, is gedurig weer hetzelfde antwoord te geven.
En dat antwoord is dit. Wij,menschen, kunnen \'t niet laten, —
of wy willen of niet, — wij kunnen \'t niet laten, ons, bij het
denken of spreken over gebeurtenissen en ervaringen, te bedie-
nen van den maatstaf van tijd. Of wij willen of niet, we gevoe-
len ons gedwongen, de bepalingen te maken van vroeger en later,
langgeleden
en kortgeleden, langdurig en kortstondig, en meer
zoo. Nu is het derhalve volkomen natuurlyk, dat wij dien maat-
staf van tijd, door, om zoo te zeggen, strepen te zetten er op,
in grootere en kleinere stukken verdeelen. En volkomen na-
tuurlijk is het daarom dan ook, dat bijzondere gedachten en
herinneringen en gewaarwordingen in ons opgewekt worden,
wanneer een zoo groot stuk, als, in vergely\'king met onze levens-
lengte, een jaar is, weer af is geloopen en wegglipt in \'t N iet.
En moge het nu waar zy\'n, dat op iederen datum een jaar is
verloopen, sedert de naamgenoot van dien datum het laatst werd
aanschouwd, \'t is toch al weder volkomen natuurlyk, dat byzon-
dere gedachten en herinneringen en gewaarwordingen bepaaldelijk
KUST EEN WEINIG.                                                                                                     1
-ocr page 14-
2
dan in ons rijzen, wanneer die dag zich, als \'t ware, nederlegt,
om in de armen van den nacht te gaan sterven, die nu eenmaal
algemeen, mag men zeggen, is aangenomen als besluit van het
jaar. Ware een andere datum daartoe aangenomen, welnu, dan
zouden we op dien anderen datum onwillekeurig het afgeloopen
jaar overzien: maar in allen gevalle, één punt zou er zijn, waarop
wij onwillekeurig: Rust een weinig! tot ons zelve en tot elkaar
zouden zeggen, en waarop nog iets anders en iets meer, dan op
andere tijdperken, door ons gedacht en gezegd en gevoeld wor-
den zou. En dat zoo één hoogtepunt gedurig weer, — welk cijfer
er dan ook op gezet worde, — bepaald na een jaar door ons
bereikt worden zal, dat hangt immers samen met eene ordening
Gods: wij regelen ons uurwerk, onzen maatstaf van tijd, naar
het groote uurwerk Gods aan den hemel.
Zoo beschouwd, houdt de Oudejaarsavond voor ons gevoel iets
bijzonders. Niet het cijfer van 31 December, maar wel het denk-
beeld van een afgeloopen jaar, hoeft iets gewichtigs voor onzen
geest, en voor ons gemoed iets aangrypends. En daarom gaan
wh\' niet met die stompzinnigen meê, die volstrekt niet merken,
dat de Oudejaarsavond iets bijzonders hun zegt; maar wij gaan
ook vooral niet met die lichtzinnigen meê, die juist op dien
avond elkaar opzoeken, om luidruchtig te joelen of aan scherts
en spel zich te wyden, en die, als eindelijk de klokslag van
twaalven in de nachtelijke stilte komt uitroepen: Dit jaar is
voorbij\', \'t Is voor eeuwig voorbij\',
als dwazen op elkander aan-
loopen bij het klinken der glazen en onder \'t wisselen der kre-
ten: Al wat wenschelijk is! — Nu, zjj, die zóó hunnen Oudejaars-
avond besteden, zullen wel zeer armzalige voorstellingen hebben
van wat wemchelijk is!
Neen! wij willen \'t anders doen: wh\' willen eerst naar\'t huis
des Heeren gaan en dan van daar naar ons eigen huis ons be-
geven, of naar een ander huis, — maar, waar zulken samen
zyn, die het ernstige en plechtige van den Oudejaarsavond ge-
voelen, als wy, en wier geschiedenis genoeg punten van aanra-
king met ónze geschiedenis heeft, om hen en ons gemeenschap-
-ocr page 15-
3
pelijk in staat te stellen, over dezelfde dingen te spreken, dezelfde
herinneringen op te wekken, dezelfde dooden uit het graf te doen
komen, en zoo. En dan willen we aldus, door gedachte en ge-
sprek, dat woord als tot den Oudejaarsavond richten: Ik zal u
niet laten gaan, tenzij dat gij mij zegent!
\'). En dan werpt hh\'
inderdaad, verzinkende in het bodemloos diep van \'t verleden,
een zegen, een eeuwigen zegen, ons toe. — Komt! daarvoor onze
harten recht vatbaar gemaakt. Wij zitten er zoo goed voor. Ons
licht schijnt helder op de tafel, ons vuur knapt vroolijk in den
haard. Wij zitten zoo gezellig, en tevens zoo stil. En in de stilte
van \'t vertrek klinkt van avond het getik van de klok met bh\'-
zonderen ernst: de laatste polsslagen zh\'n het van het stervende
jaar. Onze geest krh\'gt er lust in, om \'t verledene in te gaan en
nu en dan ook eens even naar de toekomst te staren, — om in
het Niet zich neer te laten en dan weer op te varen, den eeuwi-
gen God te gemoet.
Gedachten en Spreuken.
De tijd is een door ons gemeten stukje van de eeuwigheid.
Wh\' leven in den tijd; wh\' moeten alles doen op zijn tijd.
Uit het th\'delh\'ke zijn eeuwige winsten te trekken.
Gh\' telt nog al dikwijls uw geld; — tel vooral ook gedurig
uw\' dagen.
Het leven is kort, maar lang is de kunst, *) - ook de kunst
om wèl te leven.
i) Gen. XXXII: 266.                      ») Hippocrates.
1*
-ocr page 16-
4
Tijdverdrijf is een onzinnig woord; en die moeite moet doen,
om zyn tijd te verdrijven, die is onbeduidend, vooreerst, en, ten
tweede, ellendig.
Onze tijd is onbegrijpelijk vluchtig; onze eeuwigheid is onbe-
rekenbaar lang.
De cirkel is voor ons het beeld der eeuwigheid. Maar met name
die cirkel, waar de wjjzerspits langs loopt, heeft voor ons eene
herinnering aan de eeuwigheid in.
Wat onveranderlijk blijft.
De jaren komen, en ze gaan;
Maar onveranderlijk bestaat
De God, die \'t Licht is onzer baan,
En die de Zijnen nooit verlaat;
God, die de Zijnen nooit verlaat,
Hun vreugd bedoelt, hun heil, hun rust,
En, als Zijn Vaderhand ze slaat,
Hen toch weer teer op \'t voorhoofd kust.
In \'tjaar zijn nieuw en oud steeds twee,
Doch één in God: Zijn trouw is oud,
Maar deelt steeds nieuwen zegen meê, —
"Wel hem, die op Zijn weg zich houdt!
Wel hem, die op Zijn weg zich houdt,
En juicht: vol wiss\'ling zij mijn lot,
En ik, ik worde eens oud en koud, —
God blijft bh\' mij, ik blijf by God.
Wackeknaoel, gevolgd.
-ocr page 17-
5
Op Oudejaarsavond.
Doodsch op de straten,
Woelig in \'t hart;
Zuchten en zangen,
Blijdschap en smart;
Beelden van voorspoed,
Teek\'nen van ramp;
Weemoed en hope,
Zielrust en kamp;
Stom van \'t geweten,
Zalvend of schril;
Sprekende dooden,
Jaren, reeds stil;
Dorre geraamten,
Beenderenkluis;
Engelenreien,
\'t Vaderlijk huis!
In den nacht van 31 December op 1 Januari.
In het midden van dien nacht stond een oud man aan het
venster en zag angstig naar den statigen hemel vol sterren en
de stille aarde vol sneeuw. Angstig was hn\', want in zijne na-
byheid aanschouwde hij zn\'n graf, en zyn geweten beschuldigde
hem, dat hy in den dienst der zonde zyn leven verwoest had.
De schoone dagen zijner jeugd kwamen hem in de gedachten, en
met name herinnerde hij zich dien morgen, toen zyn vader hem
op den kruisweg des levens geplaatst had, en gezegd had, dat
-ocr page 18-
6
hy\', rechts gaande, een land van licht en van engelen, maar,
links gaande, een land van duisternis en van duivelen zou vin-
den. Helaas! hy\' was toch links gegaan. Radeloos dacht hjj
daaraan, en hü zuchtte: „O! stond ik nog oens op dat kruispunt!
voorzeker, ik deed dan eene andere keus." Maar wat hielp die
verzuchting? Zy\'n vader was dood, en kwam niet terug; zy\'ne
jeugd was weg, en keerde niet weder. Hij zag dwaallichten op.
komen uit een moeras en er weer in onder gaan, en klaagde
zielsbedroefd: „Beeld van mijne dwaze vreugde!-\'Hij zag een ster
van den hemel vallen, en verdwijnen in het grauw van den
nacht, en hy\' riep, wild van smart: „Beeld van mijn verloren
leven!" Toen bedekte hy zich het gelaat met de handen en
weenende sprak hij telkens op nieuw met den innigsten wee-
moed: „O! kwamen de dagen mijner jeugd nog eens weer !"
En zij kwamen weer: want hij had slechts gedroomd. Hij
was nog een jongeling; alleen zijne afdwalingen waren geen
droom geweest.
Hij dankte God, by\' zijn ontwaken, dat hij nog
gelegenheid tot omkeeren had, dat hy nog den weg betreden
kon, die heenleidt naar een land vol van licht en van engelen.
Ontleend aan Jban Paul.
Een Oudejaarsavond-lied.
\'t Jaar sterft weg. Maar onder \'t sterven
Spreekt het ons nog plechtig aan;
\'t Spreekt van God en van ons leven,
En van de afgelegde baan.
\'t "Wijst op duizend zegeningen,
Die wy\' uit Gods hand ontvingen,
Voor ons huis en voor ons hart;
Maar \'t wy\'st ook op duizend zonden,
Die Gods liefde tegenstonden; —
\'t Wekt tot vreugde en \'t wekt tot smart.
-ocr page 19-
7
God! die vreugde bij \'t herdenken
Van Uw\' zegen, zij ons goed!
God! die smart van onze zonden
Wijde en heilige ons gemoed.
Laat ons, Heer! van smarte ontheven,
Aan het jaar een kushand geven,
Dat daar wegzinkt in het Niet;
Laat ons op het twaalftal slagen,
Dat de nachtwind om zal dragen,
Antwoord geven met een lied.
Heer! een loflied, ü geheiligd,
Vol van leven, vol van vuur,
Klimme uit onze ziel ten hemel,
In het middernacht\'lijk uur.
\'tRoeme Uw groot en heerlijk wezen,,
Wezen, dat niets heeft te vreezen,
Bij het woelen van den Tijd,
Die gebergten stuk kan rijten,
Rotsgevaarten op doet splijten,
En — óns leven nis verslijt.
Ja! de jaren, die daar dwarr\'len
En versmelten in hun vaart,
Als de vlokken van een sneeuwjacht,
Die Gij uitstort over de aard,
Doen al meer den stond genaken.
Als de levende ons het laken
Om het doode lichaam vouwt,
En de vriendschap, zielsbewogen,
Rouw in \'t hart, een traan in de oogen,
Ons aan \'t kerkhof toevertrouwt.
Zoo ging \'t hun, die wy beminden,
Maar wier stoel wij leeg zien staan, —
-ocr page 20-
8
Ledig, ach! voor immer ledig! —
En na hen zal \'t ons zoo gaan.
En wy zijn hier lang vergeten,
Eer nog \'t schrift is uitgesleten,
Dat men op ons grafbed leest;
En die langs de graven treden,
Weten niet, dat in \'t verleden
Wij hier ook eens zijn geweest.
Maar heb dank, o eeuwig Wezen!
Dat we ook na den dood bestaan,
Wel gestorven, niet vernietigd,
Wel vergeten, niet vergaan.
Neen! ver boven \'t aardsch gewemel,
Leeft de geest in Uwen hemel,
Als hij hier behoorde aan Hem,
Die verrijz\'nis is en leven: —
En ontboeid, verblijd, verheven,
Danken we U met Eng\'lenstem.
Geef, dat wjj, vereend met Christus,
Wat hier om ons heen vervall\',
Vol van hoop daarhenen staren,
Waar geen tijd meer wezen zal;
En waar onze ziel, ontzondigd,
Eind\'loos Uwen lof verkondigt
Voor den zegen, haar bereid;
Waar ons grond tot vreugd zal geven :
\'t Oude jaar van \'t aardsche leven,
\'t Nieuwe jaar der eeuwigheid!
-ocr page 21-
9
De eeuwige God.
Decemberavond. Doodsch en somber is het in de natuur. Wij
hebben haar heel anders gekend. Wij hebben haar bloeiend en
geurig gekend, als een bruid, maar o! zoo ras,----niet waar ?
de ty\'d, die sedert verloopen is, schy\'nt ons verwonderlijk kort,----
o! zoo ras is die bruidstooi door een doodkleed vervangen; en
in haar doodkleed ligt zij thans. En daar zien wjj het beeld in
van alles op aarde. De vergankelijkheid, te recht het eenige ge-
noemd, wat op aarde onvergankelijk is, neemt zich alles ten
buit, en de bodem, waarin onze voetzool zich afdrukt, bestaat
uit het gruis van wat hier eenmaal groot was en krachtig, zoo-
wel als uit het stof van wat hier klein en gering werd geacht.
Paleis en hut, troon en werkbank, schepter en spade, zwaard
en kluister, \'t ligt alles onder onze voeten verbrijzeld en ver-
pulverd dooréén: — dat gaat zoo, door den loop der jaren. Wat?
Door den loop der jaren worden zelfs rimpelen van ouderdom
in het aangezicht der bergen getrokken en het voorhoofd zelfs
van rotsen wordt door de jaren gegroefd. Waarlijk! als wy zoo
eens neerzitten, als heden, om een weinig te rusten, dan mer-
ken wy\' dat we aan den oever van een stroom zijn gezeten,
waarop wy\' alles weg zien dobberen;\'t gaat alles stroomafwaarts
naar het bodemloos meer van \'t verleden; en \'t eentonig gebruis
van den rusteloozen golfslag roept altijd door: Geweest! Voorbij! —
Maar nu, wü slaan het oog ten hoogen, en God zien wjj aan;
en die aanblik treft ons te meer en gry\'pt ons te dieper in \'t
harte, naarmate wy meer op de alles verterende kracht der ver-
gankelijkheid doorgedacht hebben; want boven vergankelijkheid
is Gods wezen verheven: Zy\'n zetel is door de golven van den
tydstroom evenmin te bereiken, als de sterren door de baren
der steigerende zee. God is de Eeuwige. Wy snellen op het voer-
tuig der verbeelding tienduizend jaren achteruit; — toen was
-ocr page 22-
10
God; — nog eens tienduizend jaren; — ook toen was God; —
nog eens; — ook toen was God; — wy kunnen zoover niet terug,
of altijd weer klinkt ons krachtig en plechtig dat woord in het
oor: ook toen was God! — Een begin van Gods bestaan kun-
nen wy, waar we ook zoeken, niet vinden; wel vinden wij, en
juist daardoor, van ons denken en begrijpen zeer spoedig het
eind. Nu keeren w;j dan uit dien grijzen, geheimzinnigen voor-
tijd terug, en wij wenden ons, door het heden heen, naar de
toekomst. We gaan die toekomst in, een weg van tienduizend
jaren; — ook dan is God; — nog eens tienduizend jaren; —
ook dan is God; — nog eens; — ook dan is God. Een eind aan
Gods aanzijn kunnen wy dus ook weer niet vinden; wel vin-
den wij, en juist daardoor, zeer spoedig het begin des onvermo-
gens van onzen vorschenden geest. God alzoo is liet Begin zon-
der begin en het Eind zonder einde, Die is, Die was, Die wezen
zal. Sterveling! denk er aan, terwijl ge een weinig zit te rusten
van avond, en kniel dan op deze vergankelijke aarde met lof
en aanbidding voor dien Eeuwige neör. Ja! knielen wij met lof
en aanbidding neer voor dien God, die bestond, toen nog geen
mensch hier ademde, toen nog geen dier hier leefde, toen nog
geen blad zich hier bewoog, zelfs toen onze aarde zelve nog in
de ruimte niet hing, en toen in den hemel nog geen Engel was,
om Hallélujah\'. te zeggen. Knielen wij met lof en aanbidding
neer voor dien God, die bestaan zal, als het duizendste geslacht,
na het tegenwoordige, begraven zal wezen, en die eindeloos zal
bestaan. O! daar huivert ons eene diepe rilling van ontzag door
het hart, en w;j worden koud bij \'t gevoel van onze nietigheid
tegenover den Eeuwige. Slechts dit verheft ons daarbij wedeis
dat wij, wrj broze stervelingen, den lof kunnen stamelen van
den eeuwigen God.
-ocr page 23-
1]
Gedachten en Spreuken.
De geschiedenis van ieder deel der schepping, klein of groot,
levenloos of levend, is in de woorden worden en vergaan te be-
schrij ven. Maar Gods geschiedenis is vervat in het éëne woord: zijn.
Voor ons is één jaar veel, omdat wjj er op zijn hoogst maar
zeventig of tachtig boleven; — voor God zijn duizend jaren
niets, omdat Hij de eeuwigheid heeft.
God leefde vóór alles, en God overleeft alles.
Dat wij van de eeuwigheid Gods eigenlijk niets begrijpen kun-
nen, is een bewijs van onze kleinheid; maar dat wij den eeu-
wigen God toch aanbidden kunnen, is een bhjk van onze groot-
heid.
Aan den Eeuwige.
Alles moet, o God! U loven, —
Van den eersten Engel aan
Tot den laatsten zoon des menschen, —
Alles loven Uw bestaan.
Ja! van eersten en van laatsten
Zy een Hallel U gewijd,
"Wrjl Gy de Alfa en de Omega,
Immer eerste en laatste zyt!
-ocr page 24-
12
Komen en gaan.
Kooit zien wij den kringloop sluiten,
Van het leven der natuur.
Nieuwe kiemen zien we ontspruiten
Aan het oude, te eiker uur:
\'t Is een onophoud\'lyk sneven,
"Wat ons oog alomme ziet;
Maar \'t is ook een rust\'loos leven —
De Eeuw\'ge staakt zijn arbeid niet.
In de hand des Allerhoogsten
Wisselt alles keer op keer;
\'s Heeren zaaien, dat is oogsten,
En Zijn oogsten zaaien, weer.
\'t Is alzoo geweest voor dezen,
\'t Blijft zoo gaan, door niets gestuit;
Wording blijft alom in wezen,
Nergens sterft het sterven uit
Neiging, afkeer, — bond en scheiding,
Doet steeds vormen nieuw ontstaan,
Die daarna, tot wegbereiding
Van iets anders, weer vergaan.
Zoo houdt ééne wet omvangen
Al de deelen van \'t Heelal:
Droppels, die aan \'t blaadje hangen,
En den grooten zonnebal.
Alles heeft zh\'n op en onder.
"Waar Gods kracht het henen drü\'ft;
Maar het onvolprezen wonder
Van des Heeren leven blijft.
MahlmaKK vrij gevolgd.
-ocr page 25-
IS
Wel zeer lang, maar tocli zeer kort.
Iemand heeft eens gezegd: „Als er eens een vogel kwam, die
een zandkorreltje van een bergketen afnam, en dat liet vallen
in de zee; en als die vogel na tien duizend jaren terugkeerde,
om met een tweede zandkorreltje van die bergketen hetzelfde te
doen; en als die vogel dat zoo, altjjd-door, om de tienduizend
jaren herhaalde, totdat eindelijk de gansche bergketen was over-
gebracht in de zee, — wat zou dat lang zijn! — maar wat zou
dat, in vergelijking met eeuwig-zijn, kort zyn!"
Het denken aan den Eeuwige.
Wanneer ik denk aan God, die immer is geweest,
En in wiens levensduur geen wiss\'len is of zwenken,
Dan is op eens verlamd de wiekslag van mijn geest;
Het denken aan dien God is \'t einde van mn\'n denken.
Maar kan \'t verstand niets meer, toch kan dan \'t hart nog iets;
Al valt de geest in zwym, het hart kan nog naar boven,
En zeggen: Heere God! neen! wfj begrijpen niets
Van Uw bestaan, maar toch, wy kunnen toch U loven.
God is onveranderlijk.
Onveranderlijk is het wezen Gods. Onnoemelijk vele en velerlei
veranderingen zü\'n er in dit jaar weer voorgevallen op onze
aarde, maar boven al die veranderingen van een jaar, en van al
-ocr page 26-
14
de eeuwen, galmt steeds de stem des Hee ren uit: Ik ben deze! f de.
Z^jne alomtegenwoordigheid blijft alomtegenwoordigheid; Zijne
alwetendheid krimpt niet tot minder dan alwetendheid in; Zyne
wijsheid slaat nooit aan het weifelen en ondervindt nooit be-
perking; Zijne macht wordt nooit verzwakt, in één woord, de
stralenkrans van Zijne majesteit, waarvan de glans niet vatbaar
is voor vermeerdering, ondergaat ook nooit vermindering; —
meer worden noch minder worden is toepasselijk op God. Hoort!
wat een gewoel en gestommel overal om ons henen ! — \'t Is het
gewoel en gestommel van al het aardsche, dat rusteloos in den
kring van meer worden en minder worden zich keert en zich
draait; maar hoort nu ook nog eens, hoe altijd-door dat woord
des Allerhoogsten daarover zweeft, op ontzaglijk statigen, indruk-
wekkenden, plechtigen toon: Ik bendezelfde. En als gü dat hoort,
buig dan deemoedig het voorhoofd, en stamel de lofzegging : God,
gij zijt groot! — Maar vergeten wij niet, dat God steeds dezelfde
blijft ook in gezindheid. Heeft hy\' getoond voor ons te zijn, Hij
zal dan nooit tegen ons wezen. Heeft Hij gezegend en gezorgd
tot hiertoe, Hij zal blijven zorgen en zegenen. Wat een troost
voor ons is dit, dat God onveranderlijk is in gezindheid, zoowel
als in bestaan en vermogen. Wat een troost vooral, als we be-
denken of 6rvaren, dat menschen dat niet zijn. Wie weet, hoe-
velen, bepaald ook op dezen avond, weemoedig nederzitten, ge-
drukt door den last dier ervaring. Ja, zeker! hier zit er een die
treurt, want hij had zijne hope gevestigd op een ander, die hem
tot steun en vreugd kon zijn, die hem kon beschermen en wei-
doen, en ook werkelijk een tijd lang zoo deed; maar, ach! met
menschengunst gaat het niet zelden als met het klimaat in den
loop van het jaar: eerst koud, dan warm, en dan — weer even
koud, als te voren; dat heeft die treurende, helaas! ondervon-
den; \'t gebouw zijner hoop is een puinhoop geworden; de tijden
veranderen, en de menschen met hen. — En daar zit een ander
ook gebogen van ziel; hij had een vriend, die veel voor hem
was, of een vader, die alles voor hem deed; maar ziet! de ramp,
die dezen trof, daar moest hij ook in deelen; de omstandigheden
-ocr page 27-
15
heerschen over den mensch, niet de mensch over de omstan-
digheden; daar zit de treurende met zyn uitgebloeiden rozen-
struik voor zich; dus nu met een doornenstruik. — En daar
zit een derde, ook van droefheid vervuld: hij ging meteen, die
hem dierbaar was, hand in hand door het leven: maar die ont-
viel hem, en toen verloor voor hem de aarde, och! zooveel van
haar schoon, en wat een lustoord geweest was, ging er zoo
woestijnachtig uitzien: en nu zit hij bij eene geslotene grafstede
neder, niets zeggende, maar met een traan, die veel zegt, in het
oog. — Zoo kan het ook ons gaan, heden of later: daarom is
het zoo natuurlijk en goed, als we, dat bedenkende of gevoe-
lende, een weinig rusten, om op God de gedachten te richten, op
God. bij wien geene verandering en geen schaduw van ommekeer
is. Neen! wiens gezindheid jegens ons zich ook omwenden moge,
onze God blijft voor ons dezelfde, die Hij steeds is geweest. En
dat verheft en dat versterkt en dat bemoedigt ons zoo. — heden,
heden vooral, nu, als tusschen de laatste snikken in van het
stervend en stuiptrekkend jaar, nog de echo van een Engelenlied
in het oor en door \'t harte ons trilt, dat uitvloeide in den blij-
den galm: In menschen welbehagen\'. — Wiens vermogen ook
verzwakt of gefnuikt moge worden, onze God blijft dezelfde, die
Hn\' steeds is geweest, en Zijne macht, die almacht is, zal eeuwig
almacht blijven. "Wiens nabijheid ons ook vroeger of later ont-
valle, onze God blijft dezelfde, die Hij steeds is geweest, en Zijn
aangezicht gaat altijd en overal met ons mede. Nu dan, in dien
God, die nooit verandert, ons heil, onze heul, onze hulp, onze
hope gezocht, en Hem, Hem tot houvast onzer ziele gekozen!
Dan zien wij rustig en gelaten op de ebbe en den vloed dezer
wereld; dan is onze geest, als de arend, die op de rots zit en
ziet naar de zon, en niet bang wordt bij \'t klotsen der baren; dan
vervolgen wn\' met goed vertrouwen onze reis over de aard, al
is het mogelijk, dat onze weg ons nog dikwijls door streken zal
voeren, die bar zijn en dor, en al staat het vast, dat de grond
voor onze voeten eens opsplh\'ten zal, om dan over ons ljjk zich
te sluiten. Snelt dan, — zoo zingen we, als we daar zoo aan
-ocr page 28-
16
denken, — snelt dan, jaren snelt vrij henen, met uw blijdschap
en verdriet; God, op wien mijn hoop gevest is, God, mijn God,
verandert niet! Eotsen, kantelt! Bergen, tuimelt! ja, valt, gij
sterren! van den hemel, als overrijpe vruchten, af! — hecht en
vast is mu\'n vertrouwen op den God, die nooit verandert, en de
Eeuwig-levende, Die moest eerst niet meer leven, eer ik mjj dat
ontrukken liet.-----Scheidend jaar! gij wijst in \'t rond en spreekt
somber telkens tot ons: \'t is niet meer, wat vroeger was! Maar
de Engel des geloofs wyst ons vriendelijk naar omhoog en spreekt
bemoedigend ons toe: eindeloos dezelfde God en dezelfde Vader!
Gedachten en Spreuken.
God is onveranderlijk, omdat God volmaakt is. Volmaaktheid
kan niet klimmen, want dan was \'t geen volmaaktheid. En vol-
maaktheid, die tot onvolmaaktheid kondalen, zou ook vveêrgeen
volmaaktheid zijn.
Het leven Gods is blijven icat het is. Ons leven is gestadig
veranderen.
Mocht nu maar alle verandering in ons leven ver-
betering zijn; — zoo niet in ons uitwendig lot, dan toch in ons
innerlijk wezen.
Ik blijf deselfde is een woord, dat, als God het van zich zelven
zegt, Hem tot verheerlijking is, maar dat, als menschen het van
zich zelve zeiden, hun tot schande zou strekken.
De menschen bouwen meer hunne hoop op de veranderlijkheid
van hun lot, dan op de onveranderlijkheid van hun God. En
daar doen de menschen niet goed aan.
-ocr page 29-
17
Wjj mogen er wel blijde om zijn, dat God niet veranderen
kan, want als God veranderen kon, zou Hij allicht Zijne gunst
ons onttrekken. Daar zou althans reden toe zijn.
De Oudejaarsavond kan ons tegelijk tot somberheid en tot
blijdschap stemmen, doordien dit zijn woord is: alweer zooveel
veranderd in de wereld der menschen en alweer zoo niets ver-
anderd in het leven Gods!
Menschengunst is een riet, Gods gunst is een rots!
Wel hem.
Wat verand\'re, wat verkeer*.
Nooit het aanzijn van den Heer.
Wèl hem, die zich \'t heil verwerft,
Dat in God is en niet sterft!
Wat verand\'re, wat verkeer\',
Nooit de wijsheid van den Heer.
Wèl hem, die zijn blik steeds richt
Op dat onverdoofbaar licht!
Wat verand\'re, wat verkeer\',
Nooit de macht toch van den Heer.
Wèl hem, die op God dan steunt,
Op den arm des Eeuw\'gen leunt!
Wat verand\'re, wat verkeer\',
Nooit de liefde van den Heer.
Wèl hem, die een rustplaats vindt
Aan het hart, dat eeuwig mint!
ItüST EEN WEINIO.
-ocr page 30-
18
Een goede wensen.
God, die dezelfde bluft! doe my steeds anders worden.
Zóó, dat ik immer klimm\', U immer meer nabjj,
En voor den troost van \'t woord: „Uw God blyft steeds dezelfde."
Mijn hart al beter vatbaar zij.
Na twintig jaren.
Na twintig jaren van afwezigheid kwam een man, die als
jongeling was heengegaan, in zijn stadje terug. Zy\'n vader en
zy\'ne moeder vond hij niet meer. Die lagen al sedert eenige ja-
ren onder den treurwilg, daar ginder. Het huisje, waarin zij
gewoond hadden, en hy\' met hen, ja, dat stond er nog. Maar er
was eene verdieping op gezet en \'t was in meer andere opzich-
ten niet weinig veranderd. Van moeders pronkkast en van va-
ders armstoel was natuurlijk geen spoor meer te vinden. En er
woonden nu menschen, van elders daarheen gekomen, van wie
hij nooit had gehoord, en die ook, toen hij stilstond voor hunne
woning met starenden blik, niet wisten, dat hy\' daar zijne jeugd
had gesleten. Een grachtje, waar hy vroeger altijd langs liep,
naar school, was gedempt, en er speelden kinderen van de kin-
deren, die toen zyne schoolmakkers waren, op \'t pleintje. Het
oude schoolgebouw had plaats geruimd voor een grooter. In elke
straat waren verscheidene nieuwe gevels, ook vele gansch nieuwe
huizen verrezen, en op menig naambordje was een oude beken-
de naam door een nieuwen, en hem onbekenden, vervangen.
Ook zag hu\' links en rechts gezichten, die hy zich niet herin-
neren kon, ooit te hebben gezien: — \'t waren ook nog maar
kindergezichtjes, toen hy afscheid nam van zyne ouders. En
eenigen, die hij nog meende te herkennen, waren nu al oude
lieden geworden, dus heel wat veranderd, sinds hy ze voor \'t
laatst had gezien. — Daar luidde de kerkklok: — \'t was Zon-
-ocr page 31-
19
dag. Hij ging het bedehuis in, waar hü als knaap zoo dikwijls
zich heen had begeven, — toen met het kleine bijbeltje in de
hand, dat nu ook al vergaan was, — en hy zag den grijzen
predikant niet meer optreden, dien hy had gekend, maar een
ander. — Weemoedig, diep weemoedig had hem al die verande-
ring gestemd. Maar daar werd de voorzang aangeheven, en met
een verheffend gevoel in het hart zong hij meê: *)
Uzelv\' genoeg, Uzelv\' gelijk,
Schoon alles buiten U bezwijk\',
Schoon werelden verouden, —
Gij blijft! — Uw Evangeliewoord
Zal eeuwig, met U, ongestoord
Zijn kracht en stand behouden.
Dat berg en heuvel nederstort\',
Dat klip en rots verbrijzeld word\',
Dat aarde en zee verdwijnen, —
O God! Uw eeuwig heilverbond
Rust op een onverwrikb\'ren grond,
Dien niets kan ondermijnen.
En met een verheffend gevoel hoorde hij de toespraak aan,
die de woorden tot grondslag had: Bij wien geene verandering is
of schaduw van omkeering. \')
En hij verliet het bedehuis met de
troostvolle gedachte in \'t hart: het oude is wel voorbij gegaan,
maar de oude God is toch gebleven.
De blijvende Hoeder.
God! die mijnen vader, mijn moeder woudt leiden,
Gelijk Gij hun\' oud\'ren reeds waart tot een God,
En die ook mij bijstaat met hoede en met hulpe, -
Aan TJ draag ik op mijner kinderen lot.
>) Gez. VIII: 5, 6.         2) Jac. I: 17b.
-ocr page 32-
•20
God! ieder geslacht moet U loven en danken,
Omdat het Uw hulp en Uw troost ondervindt,
En Gij steeds den vader behoedt en de moeder,
Maar dan ook hun kind weer, en \'t kind van hun kind.
V o o r b ij!
Uit de ontblaarde boomen
En de ontbloemde zoomen
Der bevrozen stroomen
Klinkt de toon: „Voorbij!"
Maar God blijft dezelfde; nooit verandert Hij.
Uit de grauwe resten
Van vergruisde vesten,
Thans der uilen nesten,
Klinkt de toon: Voorbij!"
Maar God blijft dezelfde; nooit verandert Hu\'.
Uit de stille zoden
Boven de asch der dooden,
Die als schimmen vloden,
Klinkt de toon: „Voorbij!"
Maar God blijft dezelfde; nooit verandert Hy.
Een troost.
Mensch! als uw moeder nooit kon sterven,
Dan zoudt gij nimmer liefde derven:
Een moeder toch heeft lief, zoo lang zij leven heeft. —
Wat troost dan, dat gij dit moogt weten:
God, die vast minder nog, dan zij, u kan vergeten,
Dat is een God, die eeuwig leeft!
-ocr page 33-
21
Vergankelijkheid.
\'t "Was laat in den avond. En daar reed, hoewel het al zoo
laat was, nog een kar op den weg. Een boer zat er op met
zyn zoontje. En terwijl zij een bouwval voorbijreden van een
oud kasteel, vroeg het jongsken: „Vader! zou ons huis eenmaal
ook zoo vervallen?" ..Zonder twijfel," sprak de vader; „door den
tijd wordt het zwakker; weer en wind werken dag en nacht
als sloopers aan muren en dak, en eens is er van heel ons huisje
geen spoor meer te vinden. Ja! er komt een tijd, dat er van
heel ons dorp zelfs volstrekt niets meer te vinden zal zijn." „Is
het mogelijk!" vroeg de knaap met eene bange verwondering.
„Eenmaal," zoo ging de vader voort, „zal ook van de groote stad,
die wij zoo even verlieten, zoo goed als niets meer over wezen;
alleen hier of daar nog een pijler of de voet van een toren, maar
gescheurd en gespleten en met mos overdekt: en dan staan
misschien een paar wandelaars daar nog eens even bij stil, om
elkaar de plaats te wn\'zen, waar die stad dan gestaan moet
hebben, eeuwen geleden." „Neen, vader! dat kan niet waar zijn."
gaf de jongen ten antwoord. „Dat zal toch eenmaal waar zijn,"
hei-vatte de vader, „ja! deze gansche wereld ligt eens\'t onderst
boven gekeerd; maar, als wjj braaf zijn en goed, heeft de Heere
God ons dan al lang naar eene hoogere en betere wereld ver
plaatst. Wellicht zien wij van daar dan nog eens uit naar deze
aarde, en zeggen : daar ginder hebben wij eenmaal geleefd; daar
hebben wjj onzen arbeid verricht, onze tranen geweend, onze
vreugde gesmaakt, onze beden gebeden: — maar wij zouden daar
nu niet gaarne meer zijn."--------En de kar bleef hortende en
schokkende voortgaan. En de vader en zijn zoon bleven bezig
met die altijd zoo aangrijpende gedachte van vergankelijkheid.
Aan Hebel ontleend.
-ocr page 34-
•2-2
Scli ij n en zij n.
Tot wat er is sprak God: „Verschijn!"
Maar ook, Hy\' spreekt eens weer: „Verdwijn!"
Zoo is van alles \'t zijn slechts schijn;
God heeft alleen het ware zijn.
Broos en vluchtig \'t menschenkind.
Als een mensen op den laatsten avond van een jaar zoo eens
nederzit, om een weinig te rusten en een weinig te peinzen,
dan kan \'t wel niet anders, of hij richt zijn gedachten al spoedig
ook op zijne eigene sterflykheid. Een jaar meer geleefd, dat be-
teekent, bij het klein aantal jaren, dat ons gegund wordt, en by
de vluchtigheid van den tijd, immers veel. En al hebben wij
misschien al dikwijls op een Oudejaarsavond gezegd : wie weet,
of ik het nu aanstaande jaar wel meê ten einde zal brengen? —
en al zijn wij er nog, — dat mag toch de ernstig-stemmende
kracht van dat „wie weet?" voor ons hart niet verminderen.
Denk eens even: op deze onze planeet doen jaarlyks meer dan
dertig millioen menschen-kinderen hunne oogon dicht, om ze niet
meer te openen. Meer dan dertig millioen in een jaar, dat is
zestig in iedere minuut, dat is één in iedere seconde. Alzoo, in
eiken tik van den secondeslinger hooren wy het afknappen van
den levensdraad van een mensch. En zoo zal \'t ook weer zyn in
het jaar, dat over enkele uren zy\'ne intrede doet. Als dat jaar
zich ook zal hebben afgerold tot zyn Oudejaarsavond, dan zyn
er alweer dertig millioen dooden, die nu nog levenden zyn; —
hoe licht is één van ons daar onder! — Niet ongepast is diege-
dachte, vooral niet op een avond, als heden. Maar zy moet ook
niet onvruchtbaar zyn. En niet onvruchtbaar zal zy zyn, als wy
luisteren naar hetgeen de gestorvenen zeggen. Daar ry st een doode
voor ons overeind, en hy\' wenkt ons en spreekt: „doet niet,zoo
-ocr page 35-
28
als ik heb gedaan, die hier werkte met een bedrijvigheid en be-
zorgdheid, als of ik al de vruchten van myn zwoegen eens met
mij zou dragen: het goud, dat ik bereid had, is lang reeds door
anderen gedeeld; en die dachten niet veel meer aan my; wel aan
mijn goud: maar ze hadden gedacht, zeiden ze, dat er nog meer
was." — Daar ry\'st een doode voor ons overeind, en hy wenkt ons
en spreekt: „doet niet, zoo als ik heb gedaan, die tot leuze voerde:
eet, drink en wees vroolijk! ik moest weg; de bloesems van den
meidoorn waren verwaaid, de stekels van den meidoorn waren
gebleven; wordt wjjs door myne schade en zoekt geen heil by
de wereld, die met een Judaskus u overgeeft in de hand van den
Dood." — Daar ry\'st een doode voor ons overeind, en hij wenkt
ons en spreekt: „doet niet, zoo als ik heb gedaan, die mij zelven
zoo groot achtte en anderen zoo min; de Dood heeft voor aard-
sche grootheid geen eerbied, en als het niet in mijn grafsteen
was gebeiteld geworden, dan zou men niet weten, dat iets m;i
onderscheiden heeft." — Daar rijst een doode voor ons overeind,
en hij wenkt ons en spreekt: „doet niet, zoo als ik heb gedaan,
die met mijn broeder in oneenigheid leefde; ik voelde mp einde,
ik wenschte verzoening: of hij mij nog gezien heeft, weet ik
niet; maar voor my\' was \'t te laat; ik heb hem niet meer gezien,
hem niets meer kunnen zeggen." — En nu, daar rijzen alle
dooden te gelijk voor ons overeind, en zy\' wenken ons en roepen
ons toe: „wat gij zijt, waren wy\'; wat wy\' zy\'n, zult gij worden;
uwe ure komt; zij komt al nader; zij komt met groote snelheid
nader, zy weet niet van een weinig rusten, maar roeit op rappe
wieken voort!" — — Is \'t niet\'? als de vlokken van een sneeuw1
jacht, zoo zweven en dwarrelen ons dergelijke beelden en groepen
voorby, nu wy\' een weinig zitten te rusten bij den uitgang van
een jaar, dat zoovelen, die \'t met ons begonnen, in \'t graf heeft
doen dalen. Is \'t niet\'? het heeft er van avond voor ons iets van,
als hebben wy overal, waarheen we ons ook wenden, een kerkhof
dicht by\' ons, en als bromt het en gonst het op den wind in
\'t geboomte: „o sterveling! gedenk te sterven!" — Zoo moet het wel
in de stilte van dezen avond ons wezen, j uist wy\'1 het deze avond is.
-ocr page 36-
24
Gedachten en Spreuken.
Als de oude Grieken de gestorvenen aanduiden wilden, dan
gebruikten ze daar wel den aandoenlijken naam van de meer-
derheid
voor.
Leven is, zich bewegen in de richting naar \'t kerkhof.
De oude Egyptenaars hadden, als ze feestvierden, een lyk, of
de beeltenis van een lijk, in de feestzaal, waar één op wees
met de toespraak: zoo zult gij voorden.
Als wij aan een ter dood veroordeelde denken, dat vinden we
vreeselijk. En wij vergeten, dat w;j allen ter dood veroordeel-
den zijn.
Wanneer voor u de schedels van onderscheidene dooden neêr-
gezet worden, en men verzoekt u, om aan te wijzen, welke
schedel aan een rijke en welke aan een arme behoord heeft, gij
zult niet in staat zijn aan dat verzoek te voldoen.
"Wie in verzoeking komt, om op zijn uiterlijk trotsch te gaan
worden, denke in tijds aan \'t geraamte, dat onder dat uiterlijk
schuilt.
Steun niet te veel op uwe jonge jaren. Van ieder levensjaar
komt het cijfer op vele grafzerken voor.
Niet enkel dorre, gele blaren, ook groene vallen dikwyls af.
Gods hand buigt het hoofd van den grijsaard voorover, alsof
Hij zeggen wil: oude mensch! vooral gij moet veel denken om
\'t graf.
-ocr page 37-
25
Houd in \'t oog, bij al uw spreken en handelen, dat de bo-
dem, waar uwe voeten op drukken, de zoldering van uwen graf-
kelder is.
Vergeet den Dood niet, want de Dood vergeet u niet.
Hecht u niet te veel aan het goed, dat ge in uwe kisten en
kasten bewaart, en bedenk, dat eens de Dood uwen sleutelbos
in den schoot van uwen erfgenaam neerlegt.
Van al, wat de mensch krygen kan van wereldsche gaven,
loopt de geschiedenis uit in gehad en geweest.
Hoe meer een grafteeken door opschrift en sieraden uitweidt
over menschelijke grootheid, des te duidelijker blykt het, dat
die grootheid vergulde nietigheid is. en niets meer.
Als er iets is tusschen u en uwen broeder, verzoent u samen
van daag nog; — wellicht speldt men hem of u morgen avond
reeds het doodlaken om.
Kerkliofstemmen.
Als in een droom en met onzeek\'re schreden
Ben \'k dezen hof al peinzend ingetreden.
Aan wien behoort dit veld. belegd met zoden?
„Den dooden!"
Schrik niet, mijn ziel! Zie, rozen, schoon van kleuren,
Staan hier in \'t rond en spreiden zoete geuren.
Van waar, van waar heeft dat gebloemt\' die gaven?
„Uit graven!"
-ocr page 38-
26
Zie hier dan, mensch! het einde van uw paden,
\'t Slot van uw\' gang, uw\' plannen en uw\' daden;
Elk vallend blad wordt u een doodverkonder:
„Naar onder!"
Waar is de vreugd, die deze pelgrims smaakten?
Waar is \'t gezucht, dat hunne zielen slaakten?
Lees! Ied\'re zerk houdt u het woord voor oogen:
„Vervlogen I"
Wat werd er van de harten, die \'t genoegen
En \'t leed der aard, om beurte, deden zwoegen?
Waar, wiss\'lend, haat en liefde plaats in vonden?
„Ontbonden!"
Wat werd er van de schoone, jonge levens,
Met zon in \'t rond en zon in \'t harte tevens?
Wat dekt dit oud en dichtbemost gesteente?
„Gebeente!"
Waar zyn ze nu, die op hun kracht vertrouwden
En hemelhoog hun trotsche plannen bouwden?
Van gindschen boom kryscht rauw \'t gekras der raven:
„Begraven!"
Waar zyn ze, aan wie het woord eens werd gegeven,
Dat ze in het hart der hunnen zouden leven?
Weemoedig doet het rits\'lend loof u weten:
„Vergeten!"
Maar weet geen mensch dan, waar zij henengingen?
Vermag geen blik door \'t neev\'lenfloers te dringen,
Dat uitgespreid ligt over \'t rijk der dooden?
„Verboden!"
-ocr page 39-
27
Hoor! de avondwind zucht klaag\'lyk door de boomen!
Mijn geest verzinkt in droeve, somb\'re droomen;
De scheem\'ring grauwt en alles schynt te weenen:
„Verdwenen!"
Xaar Gerok.
Randschrift voor een wijzerplaat.
Verlangt ge een spreuk tot randschrift
Eondom de wijzerplaat
Der klok, die alle dagen,
In uw nabyheid staat,
Zoo schrijf dan deze woorden
In rondgebogen lijn:
O mensch! één uur van deze
Zal eens uw ster f uur zijn! i)
Genommerde Boomen.
\'k Liep alleen door het woud,
En te midden van \'t hout
Zag ik enk\'le genommerde boomen.
\'t "Was een merk, dat ze alras zouden worden geveld,
\'k Zag den houthakker, die door den heer was besteld,
Met zyn by\'len en zagen al komen.
Ik stond stil en ik dacht:
„Van het mensch\'lijk geslacht
Zyn zoo telkens ook enk\'len uit allen
Door een merk, waar de Dood zyne gangen naar wendt,
Als genommerd, — al is \'t bij henzelv\' niet bekend, —
En bestemd om het eerste te vallen."
*) Una ex his hora mortis. Dit opschrift wordt op sommige stadhuis- en
kerkklokken gevonden.
-ocr page 40-
\'JS
En ik dacht: „Kom! met spoed
Nog gedaan, wat ik moet,
Want licht ben ik reeds óók zoo genommerd."
En — al bleek, dat dit teeken nog niet stond op my,
En al liep jaren lang nog de Dood my\' voorbij,
\'k Had toch niet zonder winst mij bekommerd.
Als ik eens terug kwam.
Wanneer men zoo eens bij stillen winteravondstond in de
dansende vlammen van den haard zit te turen, dan krijgt men
allerlei gedachten, en daaronder ook wel eens vreemde gedach-
ten, grillig en zonderling als het schimmenspel, dat door de
flikkerende vlammen op den muur wordt gebracht. Komt daar
nu bij, dat het een Oudejaarsavond is, dan heeft het bijzonder
karakter daarvan natuurlijk invloed op de richting, waarin zich
onze gedachten bewegen. En zoo viel eens bjj zulk eene Oude-
jaarsavondmh\'mering onder anderen dit denkbeeld mij in: als ik
eens terug kwam: als ik twee — drie — vier duizend jaren na
mijn dood eens terug kwam, wat zou ik dan hier op aarde wel
zien? In welke kleederdrachten zouden dan de menschen aan
mijn oog zich vertoonen? In welke soort van woningen zouden
ze dan gehuisvest zijn? Van welke vervoermiddelen voor hun
lichaam en hunne gedachten zouden ze dan zich bedienen? —
En terwijl ik zoo dacht, kreeg ik allerlei beelden en vormen
voor den geest, maar te nevelig en te zwevend, dan dat ik ze
zou kunnen beschrijven. Maar toen dacht ik verder: hoe zou
het na zulk een tijdsverloop wel gesteld zijn met de zeden en
den godsdienst der volken? En ik gaf daarop myzelven tenant-
woord: hoe? — ja. dat weet ik niet: maar ik geloof toch, dat
men dan verder dan heden zal wezen: \'t is immers aan alles,
ook nu reeds, te zien, dat de mensenheid een stoot van haren
God heeft gekregen tot een eeuwige beweging vooruit; en bij
-ocr page 41-
•29
uitnemendheid krachtig heeft die God door de zending van
Christus verklaard, dat Hij waarlijk met Zijne menschenkinde-
ren vooruit wil. — En zoo had ik tegelijk de twee denkbeelden
in den geest: rusteloos sterft er een geslacht, rusteloos erft een
ander. En ik zag eene gestalte, in een zwart kleed gehuld, dat
in breede, zware plooien afhing, en zy had een omgekeerde en
uitgedoofde fakkel in de hand, en zy zong:
Voorgeslachten kwijnden henen,
En wij bloeien op hun graf;
Ras zal \'t nakroost ons boweenen;
\'t Menschdom valt als blaad\'ren af! \')
Doch ik zag toen ook een andere gestalte, met een gewaad
bekleed, dat luchtig was en schitterend wit; en zij stak een
brandende fakkel omhoog, en zij zong:
Geen geslacht is zonder doel hier,
Schoon dan allen gaan naar \'t graf:
Elk geslacht werpt, bij zijn heengaan,
Voor een volgend vruchten af!
En die twee verschijningen gaven elkander een kus en ver-
dwenen.
De Mensch.
Als wonderkind geboren,
G-evoedsterd wonderbaar,
Komt hy hier zien en hooren,
Maar hoort en ziet niet klaar;
Hrj voelt zijn hart bekoren,
En weeklaagt, droef en naar;
>) Gez. CLX: 2.
-ocr page 42-
30
Zoekt wat lui heeft verloren;
Smaakt vreugde en ducht gevaar;
Voelt door \'t geloof zich schoren,
Bouwt op een valsche maar,
Voelt zich door twijfel storen,
En acht dan niets meer waar;
Poogt rust zich op te sporen,
En maakt zich \'t leven zwaar;
Voelt wee, en wil het smoren;
Is bruin en grijs van haar;
Ziet dag en avond gloren,
"Wordt hoogstens tachtig jaar, —
En legt zich dan bij zijne vaad\'ren neder,
En komt dan nimmer weder.
Naar Claüdius.
Jong en oud. \')
Een jong mensch zie ik staan aan \'t begin van zjjn weg. Met
eene fiere beweging heft hij \'t hoofd omhoog, waar ryke, zwarte
lokken om krullen. En met een blik vol bezieling ziet hij de
landstreek aan, die daar vóór hem zich uitbreidt, — een land
van zon en nachtegalen, een land vol bloemen en vol geur. Ter-
wyl hij staroogt in dat helder en lachend verschiet, ontwikke-
len zich daar allerlei figuren en beelden, die gestadig in andere
beelden en figuren weer opgelost worden; maar alles trekt ach-
tereenvolgens, o! zoo machtig hem aan. H;j ziet er kisten vol
geld in en zalen vol weelde; hij ziet er spel in en dans en om-
lauwerde zwaarden; hij ziet er kransen van dichterroem in en
i) Geschreven niet zonder te zien op de voorstellingen Avenir en Souvenir
van Nanteuil. Laatstgenoemde voorstelling gaf ook de hoofdfiguur van de
gebonden exemplaren van dit boekje aan de hand.
-ocr page 43-
31
ridderlinten en titels; hij ziet er gezellige vrienden in en lusti-
ge schoonen: hij ziet er eene minnende huisvrouw in en spe-
lende kinderen, en wat niet al meer? En alles zet zjjn ziel in
vlam, en alles doet zn\'n polsen jagen, en alles doet zy\'ne oogen
schitteren, en het is hem, alsof eene stem, als muziek, hem in
\'t oor zegt: dat alles kan het uwe z|jn!
Die mensch is oud geworden. Daar zit hij neder aan \'t eind
zijner baan. Gebogen is zyn hoofd, dat met gry\'ze haren om-
kranst is, en met weemoed denkt hy aan de dagen van zn\'n
verleden terug. Er komen vele omstandigheden op voor zijn
geest, waarbij hij niet getrouw aan zijn plicht is gebleven, en
vervlogen idealen schieten als vallende sterren voor zijne blikken
voorbij; h|j denkt aan teleurstellingen, waartegen hij het hoofd
heeft gestooten, door te rekenen op deugd en op liefde: hy ziet
plekken terug, waar h|j afscheid genomen heeft van vrienden,
die ver weg gingen en die hy\' nooit meer terug heeft gevon-
den; h|j doet in de verbeelding den gang naar \'t kerkhof nog
eens over, dien hij meer dan eens achter het lyk van een ge-
liefde gedaan heeft, — en zy\'ne oude oogen worden nog eens
nat, en hij zucht.
Wel dien oude, indien zyn zucht alleen een weemoedige zucht
is, maar geen moedelooze zucht. Wel dien oude, indien hij, hoe
dikwijls dan ook afgeweken, toch het geloof aan deugd, aan zijn
Heer en aan z|jn God heeft behouden. Wel dien oude, indien
h|j nu zyn ideaal aan de overzy\'de van \'t naby\'zy\'nde graf heeft.
Dat ideaal is geen vallende ster.
Bij stillen nacht.
Vaak brengt by stillen nacht
\'t Geheugen voor mijne oogen, —
Terwn\'1 \'kden slaap nog wacht, -
De dagen, die vervlogen:
-ocr page 44-
32
Den lach, \'t geween
Van lang geleèn;
De min, toen uitgesproken;
Den blik vol glans,
Geloken thans,
De harten, nu gebroken.
Zoo brengt by stillen nacht
\'t Geheugen voor mijne oogen, —
Terwijl \'kden slaap nog wacht, —
De dagen, die vervlogen.
Als mijn gedachte omvat
De beelden van die allen,
Die \'k, als het najaarsblad,
Kondom mij heb zien vallen,
Dan is \'t me, als een,
Die gansch alleen
Een feestzaal door blijft zwerven,
Waar \'t licht gedoofd
En \'t groen beroofd
Van frischheid is en verven.
Zoo brengt bij stillen nacht
\'t Geheugen voor mijne oogen, —
Terwijl \'kden slaap nog wacht, —
De dagen, die vervlogen.
Naar Mooke.
Vooruit en daarna.
Alle menschen, kan men zeggen, zyn het hierover eens, dat
eene week, waarop men vooruitziet, langer schijnt, dan eene
week, waarop men terugziet; dat een jaar in de toekomst langer
schijnt, dan een jaar in \'t verleden. Ik heb wel eens gedacht:
wat is daarvan de oorzaak ? — Nu weet ik niet, of het antwoord,
-ocr page 45-
33
dat ik mij zelven gaf op die vraag, de ware oplossing is, maar
dit was mijn antwoord: wanneer wy een toekomstig tijdvak
ons voorstellen, dan stoffeeren we dat met allerlei mogelijkheden;
maar wanneer wjj op datzelfde tijdvak, als \'t voorbij is, terug-
zien, clan wijst de herinnering ons alleen op wat werkelijkheid
werd; nu is hetgeen werkelijkheid werd veel minder, dan het-
geen men te voren als mogelijkheid zich voorstellen kon; de
verwachting kan veel meer schilderijen maken, dan de heiïn-
nering, — wel tien tegen één. Als het tijdvak nog in aantocht
is, komt het dus als rijker van inhoud, en daarom ook als ruimer
van omvang, ons voor, dan wanneer het voorbij is. — Nog eens,
of deze oplossing de ware is, dat durf ik niet zeggen, maar het
feit blijft bestaan, dat de afstand van den Nieuwejaarsmorgen
tot den Oudejaarsavond van hetzelfde jaar grooter schijnt, dan
de afstand van dien Oudejaarsavond af tot dien Nieuwejaars-
morgen, en dat het eenmaal doorgeleefde voor ons iets heeft van
doorgedroomd. Nu, in vrede; als het daar iets van heeft, dan is
\'t nog zoo erg niet; als \'t maar niet waarlijk droomen geweest
is, in stede van leven.
Waarheen.
\'k Heb me in een graf gebogen,
Met stil geween,
En \'k heb met angst geroepen:
„Waarheen?"
Maar \'t was, of \'t graf wou spotten
Met myn geween:
Het gaf me, als echo, weder:
„"Waarheen ?"
RUST EEN WEINIO.
3
-ocr page 46-
34
Met het oog op een Kerkhof.
Ik stond op een kerkhof. En ik dacht: wat is het hier stil
in het rond, en wat is het stil in al die harten, die hier liggen
te vergaan onder de aarde, en waarin \'t eens zoo vol is geweest
van beweging en leven: in die harten, immers, is eens al die
liefde geweest en al die haat, al die vreugd en al die smart, al
die hoop en al die vrees, waardoor de wereld der levenden op
dezen oogenblik, en op don duur, wordt beheerscht en gedreven
en — hier liep dat alles dood. En by die gedachte hoorde ik
stemmen uit den grond, die mij zeiden: hecht niet al te veel
waarde aan de bemoeiingen en zorgen der aarde: hecht ook niet
al te veel waarde aan de goederen en genoegens der wereld;
zie hier, wat van dat alles wordt! —
En ik ging het kerkhof hek weder uit, en ik liep weer in de volle
en woelige straat; en menschen, die pakken droegen, waren links
en rechts met groote haast in beweging; en volgeladen vrachtwa-
gens rolden met zwaar en rommelend gedreun langs my henen; en
dartelende schooljongens draafden met luidruchtig gelach voor mij
uit; en een bruidspaar met de daarbij behoorende vrienden reden
mij, in een reeks van koetsen, met vroolijke snelheid voorby, en —
een klein eindje verder ontmoette ik een lykstoet, op weg naar
het kerkhof, waar ik af was gekomen, en \'k hoorde nog eens weer
die woorden: zie hier, wat van dat alles wordt! —
Winternacht.
Besneeuwd is dak en straat en heg
En in my\' is het duister;
De boom staat eenzaam aan den weg,
Beroofd van vroeg\'ren luister.
-ocr page 47-
35
Doch bij de winden van den nacht,
Rondom hem gaande en komend.
Gonst in zijn top iets, dof en zacht;
Hy zegt iets, maar als droomend.
Hy droomt van lente\'s wederkeer,
En beekjes, die weer bruisen,
En \'t bloesemkleed, waarin hy\' weer
Tot lof van God zal ruischen.
Xaar vos Eichekdorfk.
Onze onsterfelijkheid.
Is het waar, dat op een avond, als deze is, de roepstem ons
toeklinkt, zeer krachtig en klaar: o, sterveling! gedenk te ster-
ven! — \'t is ook waar, dat bijna gelijktydig deze andere roepstem
door ons wordt vernomen: bedenk ook, datgeonsterfelykzyt! —
Onsterfely k! "Wat een gedachte! Wyd! Diep! Schoon! Grootsch! —
Onze geest, de kern van ons wezen en sprankel van dien Ongo-
schapen Geest, die in alle eeuwigheid leeft, wordt ouder dan
tweemaal of viermaal of achtmaal tien jaren; wy zullen zijn,
ook dan, wanneer men ons op aarde zal tellen onder degenen,
die niet meer zijn, en ook dan, wanneer onze naam lang vergeten
zal wezen, en ons stof onherkenbaar met het stof van vroegere
geslachten vermengd wezen zal. — En hoe zullen wy \'t dan
hebben? — Stel, mensch! uw hart op uwe wegen; \'t is hier
beneden vormingstyd. \'t Is hier een tyd van vorming voor die
gewesten, waar geene zinnelijkheid zal wezen en geene zonde
meer zal zijn. Alzoo, dan eerst, maar dan ook zeker, hebben wy
reden tot gerustheid en hope, wanneer niet de zonde of de zin-
nelykheid ons hart overheerscht, maar wanneer wy van het
schrikbewind dezer machten verlost zyn door het geloof in den
Heer, om wiens komst wy nog onlangs samen feestgevierd heb-
ben. Door hem bevrijd, door hem gesterkt, door hem verzoend, —
-ocr page 48-
86
dan begint eerst in waarheid onze ziele te leven, en dan gevoelt
z\\j eene schoone en heerlijke eeuwigheid in zich, en dan zingt
zij onder den treur-esch op \'t kerkhof een lied. Het kerkhof, —
neen! — dat is geen plek, waaraan wh\' kunnen denken met vrede
en blijheid in \'t hart, wanneer wij het aanzien alleen als een plek,
waar de onzen eens weenend ons neerleggen zullen, om dan wee-
nende weer naar huis te gaan, en dan zonder ons. Maar, als wh\'
de graven kunnen aanzien met de gedachte in het hart, dat daar
een lichaam van zwakheid en zonde zal afgelegd zijn, en dat wij
dan eerst recht vrij en blijde ons verheffen zullen tot den Heer,
onzen God, — dan niet meer de rupsen, die kruipen in \'t stof,
maar dan de vlinders, die hoog in de zomerlucht zweven, — en
dat wij dan in dat goede Vaderhuis zh\'n, \'t welk het vriendelyke
hereenigingspunt is voor allen, die den Heer en hunnen God hier
beminden, — o! dan bonst in ons het hart soms zoo machtig,
zoo sterk, als of er iets in onzen boezem leeft, dat er uit wil, er
uit wil! — — Vrienden! we zitten hier nu van avond, als tegen
een mylpaal op den weg door het leven geleund, om een weinig
te rusten, — o! mocht iets van zulk een gevoel ons hier woelen
in \'t hart! Dan breekt een lichtstraal door in \'t donker der gra-
ven, en \'t oog ziet door dat licht ontelb\'re zaligen zweven, ontel-
baar als de dichte stof kens, die wemelen in één zonnestraal: en
stemmen uit don hemel roepen: wh\' hebben eens, als gij, gewerkt,
gezwoegd, geleden, maar daarbij hebben we ook geloofd, gewaakt,
gebeden; — stervelingen! volgt ons voorbeeld, want dat heeft ons
hier gebracht; — de tijd rolt weg, het Niet in de armen? — o,
draalt niet, gij, die vreest! uw vrees kan hope worden, en gij,
die hoopt, dankt God! ras is uw hoop vervuld!
Gedachten en Spreuken.
De zinnelijke waarneming predikt dag aan dag verval en dood
en ontbinding, en geen gestorvene komt terug, om te zeggen:
„ik leef." Toch was en is en blijft in de menschheid het geloof
-ocr page 49-
37
aan onsterfelijk leven en, met de doodshoofden van hare zonen
en dochteren vóór zich, houdt zy toch dat geloof aan hunne
eeuwigheid vast. Dat geloof moet dan wel een gevoel zjjn, door
God ingeweven in hare natuur.
Het geloof aan onsterfelijkheid is het instinct onzer ziel, gelijk
het zoeken naar een ander land het instinct van den trekvogel is.
Als de hoop op eeuwig leven niet in strijd is, maar strookt met
myn wezen, zou dan het eeuwig leven zelf met den aard van
myn wezen in strijd zijn?
Indien wij bestemd waren alleen voor deze aarde, dan zou
deze aarde ook alles hebben, wat ons harte vragen en waardoor
ons harte tot rust komen kan. En dat heeft zij toch op verre
na niet. Van daar, dat ieder, die rust bjj de wereld zoekt, on-
voldaanheid in \'t hart houdt, zelfs als hij alles kan hebben, wat
zijne oogen begeeren.
Ware er niets meer voor een mensch te wachten na het
aardsche bestaan, dan was mislukt het laatste woord van alle,
alle menschenlevens; want ieder gaat heen, ook de beste, met
het gevoel, dat hjj niet is, wat hij als mensch wezen kon.
In mjjne geschiktheid om met den Eeuwige om te gaan, zie
ik een waarborg voor mijne eigene eeuwigheid.
God gaf mij de vatbaarheid, om by toeneming innig met Hem
in gemeenschap te leven. Gaf Hij my die, om mij dan op eens
van zich weg te slingeren in den afgrond van \'t Niet? "Wilde
Hü mij eerst in hope nog eens bly maken, om mij dan te ver-
pletteren? — Neen!
Een van de meest verhevene verschijnselen, zoo niet het ver-
hevenste van alle verschijnselen, die in onze wereld zijn waar
-ocr page 50-
38
te nemen, is: eene sterfelijke borst, die gevoelt, dat zij in zich
de onsterfelijkheid heeft.
Onze voeten zijn bestoven met de asch van gestorvenen; ons
hoofd is met een eeuwigen lichtgloed omkranst.
Men noemt de doodkist wel eens de laatste woning des men-
schen. Maar \'t is niet onze laatste woning. Niet eens onze woning.
De kist, waarin uw reiskleed geborgen wordt, als gij fhuiszijt
gekomen, is immers uwe woning niet.
Met ieder menschenleven, dat ontstaat, begint eene eeuwigheid..
Wat wij ons leven noemen, is eigenlijk het eerste begin van
ons leven; en onze jaren hier zijn de strepen der hinkebaan,
die tot het vroege gedeelte van ons aanzijn behoort.
Sterven is niet het eind van ons leven, maar een voorval in
\'t begin van ons leven.
Bood-zijn bestaat niet. Ook is dood-zijn geen zijn.
Meer dan alle andere hoop is die hope waard, die geen ge-
zichteinder heeft.
Die het meeste in zich heeft van Christus, gevoelt het klaarst
zijne onsterfelijkheid.
Doodsgedachten.
ȟit stof zijt gij gevormd; gij zult tot stof vergaan!"
\'t Is \'t droevig vonnis, dat weleer, in Edens dreven,
Door God den eersten mensen op \'t voorhoofd werd geschreven; —
De Dood gaf daar volvoering aan.
-ocr page 51-
39
Hy toonde aan d\'eersteling der menschheid zijne macht;
En zij daarna een stroom van duizenden van jaren
Zoo dreigend en verwoed hem over \'t hoofd gevaren,
Hij moordt met onverzwakte kracht.
En toch, — hy kent er, die het scherpgewette staal
Verachten durven van zn\'n bliksemende sikkel;
Hij hoort hun jubeltoon: „Waar, Dood! waar is uw prikkel?
En, Graf! waar is uw zegepraal?"
Dat is een Christentoon, dat overwinningslied. —
Ja! d\'adem kan de Dood hun uit den boezem rooven,
Maar nooit de hemelsprank van \'t ware leven dooven,
Dat Christus aan de Zijnen biedt.
Daarom, gij, die daar schreit op \'t pas gedolven graf
Van hem, wiens minnend hart verknocht was aan uw harte, —
Zoo hij des Heeren was, beteugel uwe smarte,
En breek dat hoop\'loos weenen af.
\'t Is wel echt mensch\'lijk, ja! wen \'t leed, dat u bezwaart
En vaak de lippen snoert, zich uitspreekt in uwe oogen; —
Zoo heeft ook Jezus eens, tot tranen toe bewogen,
Op \'t graf van Lazarus gestaard.
Maar toch, waar in den nacht der somb\'re doodengroef,
En in uw rouwend hart, de goddelijke stralen
Van \'t Evangelielicht zoo vriend\'lijk nederdalen,
Daar zij de ziel toch niet zóó droef!
0! als ge u nederbuigt en in die groeve ziet,
Kuischt u dan niet een stem, een Eng\'lenstem, in de ooren:
„Mensch! waant gij hier te zien hem, dien gij hebt verloren?
Neen! zoek hem in de graven niet!"
„Gij vindt hier in het stof niets dan zn\'n reiskleed weer;
Een licht verderf\'lyk vleesch, een dra vermolmd gebeente;
Wat schrijft ge dan: Hier rust... op \'t kille ln\'kgesteente?
Uw doode leeft bij zijnen Heer!"
-ocr page 52-
40
„En, zalig zonder eind, vervolgt hy\' daar \'t bestaan.
Dat hem reeds zalig maakte in \'t lage stofgewemel;
Het graf was hem de poort, waardoor hij in den hemel,
In \'t Vaderhuis, moest binnengaan."
„Daar kent men geene zorg, daar voelt men geen gemis;
De dood is vreemd\'ling daar en ballinge de zonde,
De scherpe vly\'m der smart slaat daar geen enk\'le wonde;
Daar weet men niet wat treuren is."
„Daar paart hij aan den zang der Eng\'len zn\'ne stem,
Verrukt, ontgloeid van dank voor de eerkroon, hem gegeven,
En zalig in \'t gevoel van bh\' dien Heer te leven,
Die reeds op aarde leefde in hem."
„Zie! dat is thans zijn deel. Voorwaar, zyn laatste stond
Was beter hem, dan \'t uur, waarin hy\' werd geboren;
Wel mocht hh\' in zyn wieg een smartekreet doen hooren,
Een juichtoon op zh\'n stervensspond\'." —
Die Engel, die daar zoo bh\' \'t stil en somber graf,
Zoo troost\'lh\'k en zoo teer. ons hart weet toe te spreken,
Die Engel heet Geloof. — God zond uit hooger streken
Hem naar het treurend menschdom af.
O! zy die hemelboö van vrede ons steeds naby\',
Als helper en als gids op \'t moeily\'k pad door \'t leven;
En, komt het uur, dat wy den laatsten snik eens geven,
Dan sta hy\' troostende ons ter zy\'! —
De Rups en de Vlinder.
De rups.
Ik kruip met moeite langs het pad,
En klim met moeite op tak en blad.
-ocr page 53-
41
De vlinder.
Eens voelt gy niets van moeite meer,
En zweeft gevleugeld heen en weer.
De rups.
Ik kan niet leven, of \'k doe kwaad,
En \'k word bedreigd door wrok en haat.
De vlinder.
Eens zyt ge onschaad\'lyk en vindt roem:
Men pry\'st u als gewiekte bloem.
De rups.
Ik weet van niets: één klein gebied
Zie \'k alty\'d weer en anders niet.
De vlinder.
Eens geeft ge u op, ver boven \'t stof,
En fladdert voort van hof tot hof.
Zoo spraken die beiden,
Toen moesten ze scheiden.
De rups bleef op de aard;
De vlinder ging zweven
Vol lust en vol leven
Langs bloesem en bloem in den geurigen gaard.
Toch kwam er bevryding
Voor \'t rupsje, en verblyding; —
Een zegel op \'t woord,
Zoo troostvol gesproken; —
De boei werd verbroken:
Toen zweefden twee vlinders al juichende voort.
Aan onze vrome Afgestorvenen.
Natuurlyk denken \\vy van avond ook aan u, goede dooden !
die eens onze lieve levenden waart. Wy zien van avond uwe
-ocr page 54-
4:2
vriendelijke gezichten in helderder licht, dan op de meeste an-
dere tijden, en wij hooren uwe stemmen, o! zoo duidelijk en
klaar. Wij herinneren ons, hoe goed gy\' voor ons waart, en wat
wij te danken hadden en nog te danken hebben aan u, en wy
prijzen Gods goedheid, dat Hij u aan ons een tijdlang mede gaf
op de reis door het leven. Wel doen wij dat met diepen weemoed,
want wij hadden u zoo gaarne nog langer behouden, wij had-
den u zoo gaarne van avond nog by ons gehad; maar wij ge-
looven, dat Gods doen wysheid en liefde was, ook toen Hy u
wegnam. Onze Vader is zoo goed; Hij nam u zeker dit leven
niet af, of het was, om u iets beters te geven. En als we dat
bedenken, dan is het ons, alsof gy ons toeroept: „ Wenscht niet,
dat wy op de aarde terug mochten komen, want dat zou verlies
voor ons wezen; maar komt gy tot ons in den hemel; dat zal
winst voor u zyn." — Dat willen wij dan ook; wy willen tot u
komen, op Gods tijd; wij willen ons voorhouden, wat gij door
woord en door voorbeeld ons goeds hebt geleerd, en de hand
geven aan den Heer, dien gij u tot gids hadt verkozen; — dan
wonen wij eens weder in hetzelfde huis. Wij misgunnen het u
niet, dat gy" het daar nu reeds zoo goed hebt, terwyl wij nog
onder weg zyn, vaak met onweer en storm. Gy hebt daarvan
uw deel gehad, gy hebt uwen cyns van zuchten en tranen opge-
bracht, toen gij nog waart hier beneden. Hoe gaarne wij voor ons u
nog hier zouden hebben, om uwentwil verblijdt het ons, dat gij \'t
land van onweer en stormen nu in de laagte, ver onder uwe voeten,
ziet dry ven, en wij herhalen de gelofte, dat wij zullen komen tot u.
Het laatste uurtje.
\'k Was in een kerk, die zeldzaam heeten mag,
En waar mijn ziel het heil des Heeren zag.
\'kHeb aan een godsdienstoef ning meegedaan,
Die zeker nooit mjj uit den geest zal gaan.
-ocr page 55-
43
Die kerk was niet een hooge groote dom,
Bevattende een gemengden menschendrom;
Ook dreunde daar geen klokketoon in \'t oor,
Geen orgelgalm, geen lofzang van een koor.
Die kerk was slechts een schamel kamerkyn,
Zeer flauw verlicht door d\'avondzonneschyn.
Als biddende gemeente stonden wjj
Met drie of vier, en meer niet, op een ry.
Een legerstee, zeer eng en pover maar,
Was in die kerk de kansel en \'t altaar.
Een priesteres was daar eene oude vrouw,
Die blijkbaar dra van \'t leven scheiden zou.
Zij had haar last schier tachtig jaar getorscht;
Nu kwam er rust voor haar vermoeide borst.
Zoo meen\'gen strijd had zij met moed bestaan;
Den laatsten ook ging zy vertrouwend aan.
Zij sprak: „o Heer! Gij gaaft mij Christuszin,
Heb dank! — my is het sterven tot gewin."
Toen legde zy zich zalig-moê ter neer,
En knikte by\' ons bidden, keer op keer.
Wij hoorden stil, of de adem nog bleef gaan,
En of de pols, — zoo zwak reeds, — nog bleef slaan.
Nu kwam de Dood, met zachte en doffe schreên;
Wij rilden, want — hy kwam als langs ons heen.
Zyn schaduw trof misvormend haar gezicht:
Vreemd stond haar mond en glazig \'t oogenlicht.
Één zucht nu nog, één enk\'le harteklop,
En \'t was gedaan; — de ontboeide geest voer op.
-ocr page 56-
44
Door \'t open venster ruischte wonderbaar
Een rits\'ling, of \'t van Eng\'lenvleugels waar\'.
De laatste straal van d\'avondzonneschyn
Bescheen \'t gelaat, nu zonder trek van pyn.
\'tVleesch werd als was; \'t haar zag als sneeuw er uit;
Toch was zy schoon, schoon als een hemelbruid.
Gebroken was haar hart, gegroefd haar koon;
Toch lag zy\' fier als met een zegekroon.
"Wij zagen \'taan, een loftoon in \'t gemoed,
En lispten zacht: „Wie zóó sterft, die sterft goed."
Toen legden w$j haar \'t laken over \'t hoofd,
Bly, dat zy had het heil, door God beloofd. —
\'kGing heen en kwam weer op de straat, en, ziet!
Daar ging het toe, als ware er niets geschied.
Een buurman kloofde al zingende zyn hout;
Het muschje tjilpte, omglansd van \'t avondgoud;
Een troepje kind\'ren speelde en stoeide blij;
Een zware vracht reed krakende voorby.
Den stroom des tyds is nimmer rust bereid; —
Daar boven zweeft de plechtige eeuwigheid.
Naar Gf.rok.
Ons leven.
\'t Ving in den moederschoot als plantenleven aan,
\'t Klom op tot dierlij k-zijn, maar \'t moet nog verder streven:
Wat dierlijk is, dat moet in \'tmensch\'lijke overgaan;
En \'t menschelijk bestaan moet worden Eng\'lenleven.
-ocr page 57-
45
Aandoenlijk grafschrift.
Op eene grafzerk, ») waar ik dikwijls over loop, staat een
aandoenlijk opschrift, \'t Is in slechts twee woorden vervat, maar
\'t geeft een mensch veel te denken. Het luidt: tandem felix!
Dat wil zeggen: eindelijk gelukkig! — Niet waar? als men
dat op een leksteen ziet staan, dan denkt men met deelneming:
gy, o mensch! wiens gebeente hier rust, gy zyt geen kind dei-
vreugde geweest; gij zy\'t één van die stervelingen geweest, zoo
als er alty\'d zy\'n, wie alles tegenloopt in de wereld, en die hier
onder eene opeenstapeling van rampen gebukt gaan. — Maar
terwy\'1 men zoo denkt, en terwy\'1 men zich zoo eene voorstel-
ling schept van het velerlei leed, dat de gestorvene, die onder
dien steen ligt, voor en na ervaren kan hebben in \'t krimpende
hart, wordt men door dat grafschrift: eindelijk gelukkig! te-
vens een gevoel van verademing en verkwikking inzichzelven
gewaar, om den wille van dien doode. — eindelijk gelukkig!
—   daarbij ziet men een lastdrager, die ten slotte gekomen is,
waar hy\' zy\'n moet, en zijnen last nu nederzet, eindelijk geluk-
kig ! — daarby\' ziet men een strijder, die vermoeid is en bezoe-
deld met stof en met bloed, maar die het zwaard nu uit de
hand legt, en den lauwerkrans ontvangt, eindelijk gelukkig !
—    daarby ziet men een schepeling, die ten speelbal verstrekt
heeft aan orkanen en golven, maar toen zyn schip was stuk-
geslagen, aan land dreef en daar knielend dankt.
Beproefden en bedroefden, die hier met veel onspoed tekanv
pen hebt en veel smart hebt te dragen, en weemoedig, vooral
ook op dezen avond, uw somber lot overdenkt, ik wensch van
harte, dat in dat lot eene wending zich nog op moge doen, en
dat gij nog menigen blijden en gelukkigen Oudejaarsavond moogt
l) In de Nieuwe Kerk te Amsterdam.
-ocr page 58-
46
hebben. Maar, voor \'t geval, dat dit eens niet mocht gebeuren,
voor \'t geval, dat het u opgelegd mocht zn\'n, om, tot uw eindje
toe, ramp en leed te ondervinden, ontboezem ik voor u dezen
wensch, dat toch uw grafschrift moge zijn dat: eindelijk ge-
lukkig! — Dat zal zoo wezen, indien gü, door een bond des
harten met den grootsten Lijder, het geloof aan Gods wn\'sheid
en liefde behoudt, en daardoor ook onderwerping en vertrouwen
behoudt, wat u ook getroffen hebbe of nog moge treffen, \'t Is
waarin\'k een groote zegen van God, dit te weten, — dit te
weten, dat ook van het ongelukkigste ongelukskind de geschie-
denis eenmaal nog uitloopen kan in dat: tandem felix! einde-
lijk gelukkig!
Gescheiden.
Zij groeiden op, als hand aan hand,
En sierden \'t zelfde huis,
En liggen thans, door zee en land
Gescheiden, in hun kluis.
Dezelfde moeder boog voorheen
Zich over aller spond\';
\'t Was in hetzelfde slaapvertrek,
Dat aller leger stond.
Dood ligt nu de eene by een stroom
In \'t verre Westen neer;
En over d\'ander wiegt een boom
Van \'t Oosten heen en weer.
Een derde stierf op \'t oorlogsveld,
Een vierde op weg naar huis; —
Zoo gingen allen, links en rechts,
Gescheiden in hun kluis.
-ocr page 59-
47
En toch, eens deelden zij de pret,
Die \'t ouderhuis hun bood,
En deden samen één gebed
Kondom huns vaders schoot:
En aten aan één tafel saam,
En zaten bij één haard; — — —
Ach! als er na den dood niets was,
"Wat was hier liefde waard?
Hemaxs van verre gevolgd.
Onze paden.
Onze levenspaden loopen
Grillig door elkander heen,
Vallen in één richting samen
En gaan later weer uiteen.
\'t Is ontmoeting en \'t is scheiding,
Welkom\', is het en Vaarwel\'. —
Vele tochtgonooten heden,
Morgen schier niet één gezel.
Immer rust\'loos, als de golving
In den wijden oceaan,
" Is \'t gewoel der menschenkind\'ren;
Altijd komen en weer gaan\'.
Wonderbaar, hoe soms twee dropp\'len,
Waar een afstand tusschen was,
Tot elkander naad\'ren kunnen
In den breeden waterplas.
Wonderbaar, hoe soms twee dropp\'len,
Voor een tijdlang saamgevloeid,
Weer gescheiden worden kunnen
Door een afstand, die steeds groeit.
-ocr page 60-
48
En zoo gaat het met ons, menschen,
Op den tocht hier over de aard;
Maar, één troost: aan alle plaatsen
Worden wjj door God bewaard.
Abraham in de eene richting
En naar de and\'re zijde Loth,
Maar ter rechter en ter linker
Leeft en heerscht dezelfde God.
En Die brengt eens onze banen,
Hoe ze liepen en waarheen,
Als wij maar Zijn leiding volgen,
In Zijn Vaderhuis bijéén.
Te huis.
Er is iets zeer aantrekkelijks voor ons in dat woord, \'t Is te
hopen, ten minste. Te beklagen is de mensch, voor wien het
woord te huis geen klank is vol zoete muziek. Maar, is het dat
voor ons, dan gevoelen wij ook, dat ons heengaan van de aarde
onder geen liefelijker beeld kan worden voorgesteld, dan onder
het beeld van te huis komen. Vooral by\' guren winteravond ge-
voelen we dat. — Daar loopt een mensch op de besneeuwde
straat; de wind slaat hem in \'t gezicht met geweld, en natte
vlokken dwarrelen kil en koud op hem neder; maar hij nadert
tot zyn\' woning; daar ginder staat zy; reeds ziet hü eene
schemering van licht door de reten der vensters; — hy is er;
de deur gaat open; hij schudt de sneeuw van zü\'ne voeten en
legt zh\'n natten mantel af: hij is te huis; en daarmee is hü op
eens midden in \'t genot van gezelligheid, van vriendschap, van
liefde. — O! mocht ons heengaan uit het leven eenmaal als zulk
een\' thuiskomst zynt
-ocr page 61-
49
Graf en kruis.
Die iets diers naar \'t graf moet brengen,
Plante stil een kruis daarnevens:
Schoon dan de oogen tranen plengen,
In het hart komt hoop des levens.
"Waar hij \'t kruis de tranen vloeien
Om hetgeen men \'t graf moest geven,
Daar gaan schoone rozen bloeien,
Rozen, die het kruis omweven.
Naar Stukm.
Het lied. van sterven.
Zing, mensen! het lied van ster een,
Het ernstig afscheidslied.
Misschien loopt slechts uw leven
Tot hier en verder niet;
Licht, eer de zonne neerdaalt,
Zijt gij aan \'t eind der baan,
Zoodat gij, bij haar rijzen,
Niet weder op zult staan.
Niets is er zoo onzeker,
Als leven, vreugde en nood;
Maar ook, niets is zoo zeker,
Als mind\'ring, scheiding, dood.
Wij scheiden van ons leven,
Als \'t waar\', met elke schreê;
De vreugde sterft in \'t harte,
En \'t harte zelf sterft meê.
RÏST EEN WEINIG.                                                                                                          4
-ocr page 62-
50
Den pelgrimsstaf in handen,
Begeven we ons naar \'t graf;
En zelfs dos konings schepter
Is ook een pelgrimsstaf.
Een pelgrimskleed krijgt ieder
Van de aarde, — fijn of grof:
\'t Wordt hier in \'t stof gedragen,
Wij laten \'t hier in \'t stof.
Den bergtop kunt gij over,
Hoe steil en hoog die zij;
Den kleinen doodenheuvel,
Dien komt gij niet voorbij;
Daar kan uw voet niet over,
Al is die terp zoo min:
Daar valt gij moê bij neder;
Een vriend legt u er in.
Zing dan het lied van sterren,
Het oude pelgrimslied,
Terwijl ge u daag\'lijks nader
Bri \'t stille kerkhof ziet;
Maar moog\' daarbij steeds vrede
En hope u zijn bereid,
En zij u \'t lied van sterven,
\'t Lied van onsterflijkheid!
Naar Spitta.
De dood ontneemt veel goeds en liefs.
\'k Heb wel eens hooren zeggen, dat het alleen eene afge-
matte en doorwonde ziel kan zijn, die vrede met den dood kan
hebben; dat alleen een mensch, wiens levenspad door een woes-
tyn loopt, tevredenheid, ja! vreugd kan gevoelen, by \'t denk-
-ocr page 63-
BI
beeld dat het uitloopt in \'t graf: dat alleen een ongelukkige
zich kan troosten met de hoop op den hemel; maar dat een
mensch, die niet zoo rampzalig is, die, integendeel, in \'t genot
is van gezondheid en welvaart en vriendschap en liefde, al heel
onnatuurlijk zou wezen, indien hij het leven niet heerlijk en
indien hij het sterven niet akelig vond, en indien h{\\ zei, dat
hu\' naar den hemel verlangde. — Daar is waarheid in. \'t Is niet
te ontkennen, dat scheiden uit een leven vol smart eene aan-
trekkelijkheid heeft, die het scheiden uit een leven vol vreugde
niet heeft, en niet kan hebben. Maar als men daarmee bewijzen
wil, dat de hoop op den hemel voor den rampspoedige zeer
bruikbaar, maar onbruikbaar voor den voorspoedige is, dan gaat
men toch te ver. Wanneer ik een discipel van Jezus ben, dan
zal ik zeker alle goede gaven, die God my toezendt, met blijd-
schap waardeeren en ik zal ze dankbaar genieten; maartemid-
den van dat genot zal ik blijven gevoelen, dat ik toch nog verder
door moet en nog hooger op kan, en ik zal my zelfs verlustigen
kunnen in deze gedachte: als God mij hier reeds zooveel vreugde
geeft, wat zal Hij dan mü eens daarboven geven! Ja, want ik
ken dan mijn God genoeg, om te weten, dat Hy\' mij bij ver-
meerdering zal deel geven aan heil en aan vreugd.
Ontneemt Hij my dus eens, door de handen des Doods, veel
goeds en veel liefs, \'k geloof zeker, dat ik iets zal krijgen, wat
nog meer goed en lief mij zijn zal. — Maar dan ben ik onder-
tusschen toch kwy\'t, wat mij hier zoo verheugde. — Goed, maar
wie treurt nog over \'t gemis van een lager geluk, als hy een
hooger geluk heeft verworven? Bovendien, of ik al of niet het
gemis van iets voel, dat hangt van mynen toestand af. Toen ik
een kind was, kon ik treuren om \'t gemis van dit ofdatspeel-
goed; toen ik een man werd, treurde ik daar nooit meer een
oogenblik om. Een man kan gelukkig zijn zonder datgene, wat
voor \'t geluk van een kind nog onmisbaar is. Zoo zal een he-
melling zeker ook geene smart meer gevoelen over\'t gemis van
hetgeen in het aardsche leven een hoofdbestanddeel van zijn
geluk is geweest. — En zoo is de slotsom deze: het hijgend
-ocr page 64-
52
jagen naar den dood is iets ziekelijks; maar er is een verlangen
naar den hemel toch mogelijk, dat gezond heeten moet, niet
alleen bij hem, die de doornenkroon des lijdens om\'t hoofd heeft,
maar ook bij hem, die den bloemenkrans der vreugde hier draagt.
Zijn.
To hf nf uut to h<\', tliat is the question.
Shakespeare.
ik ben ! — Diepzinnig woord, en bron van duizend vragen,
"Waarvan ik \'t antwoord nog niet ken;
Maar woord, dat \'k in mijn geest al peinzend meê blijf dragen,
En steeds weer peilen wil. Diepzinnig woord: ik ben!
ik bex! — In \'t groot geheel van wezens, stoffen, krachten,
Dat de afdruk is van Gods gedachten,
In \'t groot Heelal, ook ik als onderdeel gezet:
Een sylbe in \'t trotsch gedicht, een maze in het eind\'loos net, —
Maar waartoe zou ik zijn\'? En wat is mfj te wachten?
\'t Is alles op- en nedergaan,
Wat om mij heen zich laat ontwaren. —
Eens zwalpten rustelooze baren,
Waar nu in grootsche rust die berggevaarten staan.
Maar, ook graniet verteert; ook berggevaarten dragen
Wondteekens, die de tand van d\' onverzaadb\'ren tijd
Hun in de harde flanken rijt.
Die bergen zullen óók eens zijn uiteengeslagen,
Terwijl de storm hun puin versmfjt!
Het frisch en welig groen, waarmee de zwoele lente,
Als met een bruidskleedij, het woudgeboomte omhing,
Dat is almeè de vrucht en rente
-ocr page 65-
53
Van \'t afgevallen loof. dat in den herfst verging. —
De regen, die daar druipt van uit de grauwe transen
En blad en bloem omzoomt met glansen.
Als kleefde zilvergruis en diamant er aan,
Wordt, verdampt, weer opgeheven.
Gaat weer in do wolken zweven.-----
Alles op- en ondergaan!
Ja! op- en ondergaan: — die wet zien we op onze aarde
Gehandhaafd overal. Zoo is het om ons heen.
Zoo is het ook met ons. Datzelfde vleesch en been,
Dat \'kaan mij had in \'t uur. toen mij mijn moeder baarde.
Heb \'k nu niet meer: \'t werd nieuw; en de oude stof verdween.
En al dat af en toe, dat hechten en dat scheiden,
Dat leven wordt genoemd, — waartoe zal \'t eind\'lijk leiden?
Hiertoe, dat eens geen lucht meer door mijn longen blaast,
Geen harteslag meer klopt, geen bloed meer bruist door de aren,
En op mijn lijk, gelegd bij die reeds lijken waren,
Het grafgewormte gulzig aast!
Zoo ging \'t al de eeuwen door. Geslachten van voor dezen
Zijn onder onzen grond tot stof en asch vergaan;
Geslachten zijn na hen, en op hun graf, verrezen,
Maar ook hun afscheidsuur brak aan.
Er wordt gezorgd, gespeeld, genoten en geleden;
Gezongen en geweend, gedarteld en gevreesd; —
Maar spoedig is de mensch het leven uitgetreden.
En \'t is, — of hij niet is geweest!
Maar, God! is dat dan zijn\'? Is zoo dan heel myn leven
Een sneeuwvlok, die wel blinkt, maar ras versmelt, gelijk?
Een dwaallicht, dat weldra weer nederzinkt in \'t slijk
Van \'t nevelig moeras, waaruit het op kwam zweven?
Een wagg\'len naar het cloodenrb\'k? —
Ach! waarom, ach! waarom hebt Gij mij dan geschapen?
Waarom ook mij die rol gedeeld van sterveling?
-ocr page 66-
64
"Waarom niet in den schoot van \'t Niet my\' laten slapen?
Waarom gewild, dat my een moederschoot ontving? —
O! ware ik nooit geweest! Het zyn is mij geen zegen;
Ik zucht er om van smart; ik beef
Van droefenis en spy\'t; het leven staat mij tegen!
Ja! God, die mij deedt zijn, \'k betreur het, dat ik leef!-----
Maar, neen! Godslast\'ring is \'t. Ik heb my zelv\' bedrogen.
\'t Bestaan, dat mij mijn Schepper gaf,
Dat neemt Hy\' my niet. weder af,
Wanneer ik, met één voet in \'t graf,
De gansche wereld voor myne oogen
Wegdwarr\'len zie, als stuivend kaf. —
God gaf me een hart, dat, hoe de weelde,
En hoe \'t genot der aard het koosde en vleide en streelde,
Toch altijd nog iets vroeg, wat de aarde nimmer biedt.
En Hy doet, door dat hart, my de verzeek\'ring hooren:
„Gij zijt, o menschenkind! niet voor het graf geboren;
In \'t stof, waarop gy treedt, ligt uw bestemming niet!"
Hij gaf me een geest, die steeds, hoe hoog hij moge stijgen
In kennis en in kracht, bly\'ft hunk\'ren en bly\'ft hijgen,
Om verder nog te zijn, om hooger nog te staan,
En steeds in \'t wezen aller dingen,
En \'t wezen Uods, meer in te dringen,
En steeds, bij \'t Hallelujah-zingen,
De wieken wy\'der uit te slaan.
Die geest zegt my: „o mensch! een stroom, die hier verzanden,
Doodloopen moet in \'t graf, dat is uw leven niet;
Een stroom is \'t, die, ja wel, eens onder de aarde vliet,
Maar weer te voorschijn komt, en ruischt door and\'re landen!"
God heeft een Christus my gegeven,
Een Christus, ja! gering en machteloos in schijn,
Maar machtig, eenig-groot. Want vol van \'t ware zy n
Was hij, die zeggen mocht: „Ik heb, ik ben het leven!"
-ocr page 67-
55
Nu voel ik: de eeuwigheid is mijn\'!
Want van hem uit vaart in mijn boezem
Een levensgeest, die zich verraadt
Als niet van de aarde, als voorjaarsbloesem
Van zomervrucht, die nooit vergaat!--------
\'t Is me een geheim, hoe lang nog \'t nat der zee zal klotsen,
Hoe lang de wilde waterval
Nog neer zal ploften in het dal,
Hoe lang de schorre donderknal
Zich nog zal breken op de rotsen,
Hoe lang de zon nog lichten zal!
\'k Weet niet, of nooit de band versleten,
Gerafeld wezen zal, en eind\'lijk stukgereten,
Die werelden te zaam tot wereldstelsels knoopt;
\'kWeet niet, hoe lang God wil. dat, wat nu is, nog dure,
En of misschien eens niet, als in haar wordingsure,
Onze aard weer leeg en woest door\'t ruim der schepping loopt!
Maar \'k weet, — en dat verdrijft mijn bange zielsbeklemming:
Wat in den raderloop van \'t wyd Heelal verkwijn\',
Wat eens nebbe uitgediend en in \'t Niet verdwijn\',
Ik weet: dit is en blijft mijn toekomst, mijn bestemming:
Te zijn, en — zonder eind te zijn!
Kinderlijke onbezorgdheid.
Wh\' blyven zitten van avond tot de klok van twaalven gesla-
gen zal hebben, en wij nemen in onze mijmeringen niets minder
dan den tijd en de eeuwigheid op. Maar onze kinderen zyn in
slaap. In natuurlijke zorgeloosheid liggen ze neer op hun
bedjes, en droomen misschien wel van stokpaard en pop. Laat
ze maar slapen, en laat ze maar droomen. Later komt hunne
-ocr page 68-
56
beurt van mijmeren en peinzen over verleden en toekomst. Nu
geven ze daar nog niets om. Dat kan ook nog niet. Nu kunnen
ze nog rusten, terwijl in groote menschen veel omgaat: ja! ze
zouden kunnen spelen, waar \'t hart van groote menschen bloedt.
Ik zag daar eens een treffende proef van. De zwarte koets kwam
op het kerkhof, en het kleed werd opgetild, en de kist werd
uit het voertuig genomen, en de doode werd naar de pas geopende
groeve gedragen, on zijue betrekkingen liepen somber erachter;
door sommigen werd snikkend geschreid. — Maar nauwelijks
was de koets alzoo ledig, of drie, vier blonde en blozende kin-
deren zagen tot den voerman op, met het woord: „vader! vader!
nu wij er in!\'* En ze werden er door vader ingezet; en de koets
reed weg, en de kinderen hadden o! zoo\'n genoegen. — Kinder-
hj\'ke onbezorgdheid! een glimlach van diepen weemoed trekt gij
ons om den mond.
Graf beplanting.
___________                                                  i
Op het zwijgend erf der dooden
Moet de treurwilg zijn gezet;
Maar de popel ruische er nevens: —
Bij den rouw het stil gebed.
Op het zwijgend erf der dooden
Sta de donk\'re beuk in do aard;
Maar de meidoorn sta er nevens: —
Aan den weemoed hoop gepaard.
Op het zwijgend erf der dooden
Blooie \'t roosjen in de schafiw.
Maar \'t vergeet-mij-nietje er nevens: —
Vluchtigheid en liefdetrouw.
-ocr page 69-
57
Genoten zegen.
Voorwaar! ook dit is eene eigenschap van den Oudejaarsavond,
dat hij ons op den zegen, dien wij van den eersten Januaridag af
weer genoten, terugwijst. Al die vierdehalfhonderd dagen kwam
do goede God immers weer met de vervulling onzer vele behoeften
ons tegen, en op zoo menigen dag bereidde Hij, boven en behalve
die vervulling van onze behoeften, ons nog bijzonderen zegen en
bijzondere vreugd. Vergeet hem heden niet, dien dag, toen u \'s mor-
gens het hart nog zoo eng was, en \'s avonds zoo ruim, doordien
God eene ongedachte uitkomst u toezendt. Vergeet hem heden
niet, dien dag, toen voor u eene pijnlijke onzekerheid tot blijde
zekerheid omsloeg. Vergeet hem heden niet, dien dag, toen op de
vraag: waarmee moet ik mij voeden en hoe zal ik mij redden\'?
een antwoord van God kwam, verrassend, als op de woestijnvlakte
\'t manna, verrassend, als de raaf aan de Krith. Vergeet vooral ook
niet die vele dagen, waarop de Heere God iets aan uwe ziel had
te zeggen, en u sprak van Zyn Christus en van Zijnen hemel, tot
uwen vrede en tot uw heil. — 0! waarlijk, die door ondankbaar-
heid niet al te vergeetachtig gemaakt is, die brengt zich heden
avond menigvuldige weldaden Gods voor den geest, en, het door-
geleefde jaar nog eens doorlevend, aan de hand der Herinnering,
zegt deze mensch, geroerd van harte: de Heer heeft alles wèl
gemaakt! — Reisgenooten! wij zitten hier neder, niet waar? om
een weinig te rusten. Als wij bij zomerdag in eene heuvelige
streek zijn gezeten, dan trekken het eerst en het meest de in
schoonen purpergloed gedoopte toppen der heuvelen ons oog; \'t
moet bij den ondergang van de laatste zon desjaarsinhoogeren
zin ons zoo zijn: wij moeten \'t eerst en \'t meest op de velelicht-
punten zien, en do Oudejaarsavond mag niet overgaan tot
Oudejaarsnacht, zonder dat in ons het vreugdevuur der erkente-
ljjkheid zijne vlammen doet wapperen. — Loof den Heer, mijne
ziell vergeet geene van Zijn weldaden\'. Loof den Heer, mijne ziel!
en al wat binnen in mij is, Zijnen heiligen naam\'. >)
i) Ps. GUI: 2. 1.
-ocr page 70-
58
Gedachten en Spreuken.
Al wat leeft, wordt door God beweldadigd. Maar de mensch
heeft boven de andere schepselen der aarde deze weldaad voor-
uit, dat hy weet, waar de weldaden, die hij ontvangt, van daan
komen, en dat hy \'t genot van zijn leven verhoogen kan, door
er God voor te danken.
Als God een vader is, dan begrijp ik, dat Hij ons gaarne dank-
baar wil zien. Een vader ziet zijne ki nderen \'t liefst met blijde
gezichten.
Gods leven is geven. Als Gocls leven geen geven was, dan was
er geen leven.
God zegt tot ons: Ik heb u lief! — Nu moeten wij hebben
een hart met een echo.
Of Uods zegen voor ons zegen is, dat hangt van ons hart af.
Ons hart kan zóó zijn, dat niets, maar kan ook zóó zyn, dat alles
een zegen voor ons is.
Er is in \'t leven meer goeds, dan de meesten er in plegen te
erkennen. Als er niet veel goeds in was, zouden de menschen
niet op \'t behoud van hun leven gesteld zijn.
Wanneer een mensch u zegt, dat hy al heel wat heeft gehad
in zijn leven, dan meent hij met dat heel wat altijd moeite en
leed. "Waarom? Zijn genoegen en zijne vreugde was toch ook
ui heel wat.
\'t Is waar, dat menige hoop, door ons gevoed, niet in vervul,
ling ging; maar \'t is ook waar, dat menige vrees, door ons ge-
-ocr page 71-
59
koesterd, niet werd bewaarheid. Die \'t eene in \'t geheugen be-
waart, moet ook het andere niet vergeten.
\'t Is tegenwoordig een tijd van monumenten; en men is in
onze dagen misschien wel wat al te spoedig er meê by de hand,
en wat al te kwistig er meê. Jammer, dat van die ééne soort
van monumenten, die Ebenhmser heeten, niet wat meer werk
wordt gemaakt.
De genotene weldaden zyn als zoovele lichtjes op het pad, dat
wij achter ons hebben; als wy nu zelve maar niet in den weg
gaan staan, dan werpen die lichtjes, die achter ons flonkeren,
ook een vriendelijk schijnsel vooruit. — Aan dankbare herinne-
ring verbindt zich hoopvolle verwachting.
Een mensch heeft het dan vooral goed, Avanneer hij gevoelt:
God is goed, God is liefde.
Een Psalm zij \'t eind.
Wanneer de klok van middernacht zal slaan,
Hef dan voor God een blyden lofpsalm aan. —
Hij is met u, zoolang gü hebt bestaan,
Ook weer dit jaar, u zeeg\'nend, meegegaan;
Van dag tot dag heeft Hy u welgedaan,
En meen\'ge bloem doen vallen op uw paan;
Uw heil bewerkt, ook dan, wanneer uw waan
Van onheil sprak en van een distelbaan;
Uw moed versterkt met de Evangelieblaan,
En zoo weer vreugd gewekt uit zucht en traan.
Als dan de klok van middernacht zal slaan,
Zoo hef voor God een blyden lofpsalm aan!
-ocr page 72-
60
Steeds meer licht.
"Wanneer \'k bij held\'ren avond
Myn oog ten hemel richt.
Dan krijg \'k steeds grooter aantal
Yan sterren in \'t gezicht.
Zoo ook. wanneer \'t verleden
Een poos mijn blikken boeit,
Aanschouw ik zegeningen.
Wier tal gestadig groeit.
Een danklied.
Heb dank, o God!
Die in myn lot
Steeds zooveel vreugd woudt mengen,
En eiken dag.
Dien \'k rijzen zag,
Gelastte, heil te brengen.
Uw Vaderoog
Bleef van omhoog
Steeds over mij ontsloten.
Zag ook den traan
Met deernis aan,
Vaak aan mijn oog ontvloten.
Uw Vaderhand
Vlocht mjj een band
Van rozen door het leven,
En woii me op \'t pad.
Dat dist\'len had,
Toch ook nog bloemen geven.
-ocr page 73-
u!
Uw Vaderhart
Deed mij, bij smart
En vreugd, zijn liefde merken,
Opdat de hoop
Me in mijnen loop
En bij mijn strijd zou sterken.
Heb dank, o God!
Die in mijn lot
Steeds zooveel vreugd woudt mengen,
En eiken dag,
Dien \'k rijzen zag,
Gelastte, heil te brengen.
Een scheidende vriend.
Het is ons waarlijk van avond, nu het jaar heengaat, alsof
er een vriend van ons heengaat, vèr-weg en voor immer, — en
dat "wèl, een vriend, met wien we veel goeds hebben genoten
op reis, die ons ook dikwijls onder weg met eene verrassing-
verblijdde, en die menigmaal, door hetgeen hij ons toesprak en
aanbracht, ons gelukkig maakte met eene gedachte aan huis.
Daarom is een weemoedig gevoel op dezen avond een zeer natuur-
lijk gevoel. Maar onnatuurlijk zou het zijn, als niet te gelijker-
tijd dankbare vreugde ons vervulde. "Wel heeft die vriend ons
nu en dan ook bedroefd, maar dat kon hij niet helpen. En, Die
het helpen kon, Die deed er geen kwaad aan, maar goed, en
die beoogde, ook met onze smart, onze blijdschap. Ga dan heen
in vrede, oud jaar! wij zullen scheiden als vrienden; wij hebben
u niets te verwijten; — ons zei ven hebben we nog al veel te
verwijten, maar u niet en God niet, die u aan ons gaf; — ga
heen dan in vrede; en al zien we u in eeuwigheid nimmer te-
-ocr page 74-
62
rug, we gelooven en hopen toch. dat er van onze kennismaking
met u nog wel iets goeds voor ons nablijven zal, — nog wel
iets goeds, ja! en iets eeuwigs.
Avondlied.
De maan spreidt stil heur stralen,
De gouden sterren pralen
In \'t luchtruim, rein en klaar:
Het woud staat zwart en zwijgend,
En, aan het veld ontstijgend,
Krult zich een nevel, wonderbaar.
Van scheem\'ring overtogen,
Ligt alles onbewogen,
Zoo vredig en zoo zacht;
\'t Is als de kalme suizing
Der stil geworden huizing,
Waar niet aan \'t leed meer wordt gedacht.
Hef weer den blik ten hoogen:
De helft slechts zien uwe oogen
Dier maan, zoo schoon en rond;
Zoo is \'t met vele zaken,
Waarom we ons vroolijk maken,
Wy\'1 ons verstand de helft slechts vond.
Wy menschen, klein door kleinheid,
Maar tevens door onreinheid,
Wy volgen schyn en waan:
Wij vormen hersenschimmen,
En meenen vaak te klimmen,
Terwyl we naar beneden gaan.
-ocr page 75-
63
Doe ons Uic licht aanschouwen,
O Heer! en niet zoo bouwen
Op ijdelheid en schijn;
Laat ons by vreugd en smarte,
Door d\'eenvoud van ons harte,
Als kind\'ren vroom en vroolrjk zjjn.
Laat eind\'lijk ons \'t vertrekken
Van hier geen leed verwekken.
Maar dan, bekroon ons lot:
En hebt ge ons weggenomen.
Laat ons by U dan komen.
O, onze Heer en onze God!
Legt, vrienden ! mat en moede,
U neder in Gods hoede,
Nu lang de zon reeds dook.
Keer, Vader! nood en schrikken;
Wil ons door rust verkwikken, —
En onzen zieken buurman ook!
Naar claudius.
Eens huisvaders zang.
Melieve! dat geen zorg of kommer
Ons \'t hart onrustig kloppen doe.
De vrees, waar dwazen zich meê kwellen,
Doe óns toch nimmer Eden toe.
Hoewel geen hooge rang, geen titel.
Geen adel ons ten deele viel,
"Wat schaadt het, als we samen streven
Naar glans en adeldom van ziel?
Als die ons deel is, en als achting
En liefde aan onzen naam zich paart,
-ocr page 76-
64
Dan zal, wie wijs is, moeten zeggen:
Zie! dat is meer dan titels waard!
En is ons niet, gelijk veel and\'ren,
Een schat van goud en goed bereid,
Blijmoedigheid geeft vergenoeging,
En matiging tevredenheid.
Zoo dikwijls weer een jaar zal keeren,
Wordt vast ons hart dan weer verheugd:
Veel is \'t genot, bij weinig wenschen;
Bij weinig omslag, groot de vreugd.
Zoo gaan wij, hand in hand, al verder,
Steeds \'t harte ruim en blij en frisch;
Vrede is de kroon van onze woning,
Ons kroost de sier van onzen disch.
En zalig is \'t ons, als een kleine
Ons lachend op de knieën klimt,
En als mij uit het kind uw beelt\'nis,
En u mijn beelt\'nis tegenglimt.
En zoo komt als een lied van verre,
De toekomst zachtkens naderbij,
Waarin ik in mijn zonen voortleef,
En in der docht\'ren leven gijl
Xaar Herder.
Een ongeluk komt nooit alleen.
Dat is een spreekwoord, en daar wil men mee zeggen, dat
meestal, als ééne ramp ons treft, eene tweede, ja! eene derde
er bij komt. Nu, dat gebeurt ook dikwijls zoo. De oude geschie-
-ocr page 77-
65
denis •) dat, na de runderen, ook de schapen verloren gingen,
en toen ook nog de kemelen, en toen ook nog de kinderen, her-
haalt zich nog gedurig, schoon in gewijzigden vorm. Dus, daarom
zeggen de menschen: een ongeluk komt nooit alleen. Maar de
menschen zijn toch waarlijk ondankbaar, dat. ze bepaaldelijk in
dien zin dat spreekwoord gebruiken. Dat is nu lang genoeg ge-
schied. \'t Wordt tijd, dat we \'t ook eens in eene andere betee-
kenis gaan nemen, en dat we van dat: een ongeluk komt nooit
alleen
niet enkel deze verklaring blijven geven: een ongeluk is
altyd van een ander ongeluk vergezeld, maar ook den meer
gunstigen zin er aan hechten: aan een ongeluk paart zich nog
altu\'d een geluk. Ook dit is immers waar. "Wanneer treurden we
over een verlies, zonder dat tevens een bezit ons nog stof gaf"
tot danken? Wanneer welfde zich over ons een hemel zóó
zwart, dat er geen enkele zonnestraal der hope meer door kon ?
Wanneer reisden we in een woestijn, waarin geen mannadauw
neerviel\'? Wanneer zwoegden we in een Gethsemané, waarin
geen Engel van troost tot ons kwam? — O, waarlijk! als we der
waarheid getuigenis geven willen, dan moeten we zeggen: een
ongeluk kwam nooit alleen;
een geluk ging nog altijd er nevens.
Ook kwam menigmaal een geluk uit een ongeluk voort. Wie
weet daar niet van meê te spreken? Welnu, die van zulke erva-
ringen meê kan spreken, die moet ook gaarne er over spreken,
met zich zelven en met God. En over ons lot te spreken met
God, die dat lot ons beschikte, dat is weer op zich zelf een
geluk; want dat geeft vrede en hope. Derhalve, ook gunstig op-
gevat, is het waarheid, in meer dan één opzicht, dat een ongeluk
nimmer alleen komt. Laat ons dan niet ondankbaar wezen, en
laat ons dat niet meer zoo zeggen alleen in ongunstigen zin.
Dat is niet mooi van ons, en ook niet goed voor ons.
i) Van Job.
5
RUST EEN WEINIG.
-ocr page 78-
lil)
Voor teleurgestelden.
Juist de ontbonden korrel
Doet den halm ontstaan;
Juist de ontsierde bloesem
Brengt ons vruchten aan.
Zoo was \'tmenigmalen
Ons een zegening,
Als. wat ons bekoorde,
Voor ons oog verging.
Levensbeschouwing;
\'t Leven mag geen treurmarsen wezen,
Want veel vreugde gunt ons God;
Ook niet enkel spelemeien,
Want veel ernst is in ons lot.
Hangt de harp steeds aan de wilgen,
Dan miskent men wat God biedt;
Maar een onophoud\'HJk veed\'len
Is toch ook het rechte niet.
Som\'bre trekken, zware zuchten.
Zijn geen blijk van vromen zin;
Maar ook \'t: eet en drink\', wees vroolijk!
Heeft geen levensadel in.
Leer ons. Vader! ernst en vreugde
Zóó verbinden als het past,
En door \'teen en \'t ander maken,
Dat ons geestesleven wast.
Laat niet d\'ernst ons gansch ontbreken,
Als Gn" ons tot blijdschap stemt,
Nóch ook alle blijheid weg zijn,
Als ons moeite of zorg beklemt,
-ocr page 79-
67
VV aarom?
Iedereen, die op den achter hem liggenden weg nog eens terug-
ziet, krijgt dan enkele omstandigheden, ontmoetingen, ervaringen
nog eens weer voor zijne oogen, waarbij hij \'t niet kan latente
vragen: waarom? — En als op zoo\'n waarom\'\' dan geen omdat
is te vinden, dan kan dat een hinderlijk gevoel zijn in \'t hart.
Gelukkig de mensch, die dat gevoel weet uit te dry ven. door op
zyn: waarom? dit omdat des geloofs te doen volgen: omdat God
het wilde: en wat God doet is goed. Diens mensehen harte heeft
dan rust. En beproeft soms nog weer de Twy\'fel die rust te ver-
storen, dan denkt die mensch, die geloof heeft, aan de vele toch
door hem beleefde gevallen terug, waarin na een beklemmend:
waarom? zich later een schitterend omdat openbaarde; en dan
werpt zijne ziel eenen blik ook vooruit, en zij denkt: deeeuwig-
heid is zeker het groote omdat op al het waarom ? van dat leven.
Ebenhaëzer\'s.
Ebenhaëzer\'s — in grooten getale
Kan ik ze stichten, wanneer ik maar wil.
Blijft vaak de stroom myner danktonen stilstaan,
Noot staat de stroom van Gods weldaden stil.
Ebenhaëzer\'s — \'t zijn teek\'nen van zegen,
Dien het verleden my\' aan heeft gebracht:
Steunsel dan ook mijner hoop voor de toekomst,
Die my nog wacht, en gesluierd mij wacht.
Ebenhaëzer\'s, — ze zijn niet te tellen,
Maar by het meten, dan zie ik dat wis
\'t Grootste en het hoogste der Ebenhaëzer\'s
Immer het kruis van d\'Immanuël is.
En als myn harte daarheen wordt getrokken,
Voel ik, dat eens, na mijn vreugde en mijn py\'n,
\'t Grafteeken, dat op myn stof zal verrijzen,
Ook nog een Ebenhaëser zal zyn.
-ocr page 80-
08
Wie wil roemen, roeme.
Wie wil roemen, roeme,
Maar niet op zyn kracht:
Onze sterkte is logen,
Schaduw onze macht.
Wie wil roemen, roeme,
Maar niet op zijn goed:
\'t Gaat met geld en goed\'ren,
Als met eb en vloed.
Wie wil roemen, roeme,
Maar niet op zyn naam:
In de lucht verliest zich
\'tLofgeschal der Faam.
Wie wil roemen, roeme,
Maar niet op zijn schoon:
Tijd of krankte vagen
\'tBoosje van de koon.
Wie wil roemen, roeme,
Maar niet op zijn geest:
Weten is ons deel soms,
Maar niet-weten \'t meest.
Wie wil roemen, roeme
Zijnen God ter eer!
Wie wil roemen, roeme
Enkel in den Heer!
Reisgezellen.
Gedeelde vreugd is dubb\'le vreugde,
Gedeelde smart is halve smart.
Wèl ons, wanneer er harten leven,
Die meegevoelen met ons hart.
-ocr page 81-
60
Ik dank U, Heer! voor al Uw\' zegen;
Ook hiervoor dat Uw Vaderhand
Met my\'n hart and\'ren wou vereenen,
Door vriendschapsbond en liefdeband.
\'k Dank u voor vrinden en voor magen,
Die Gy mij meêgaaft op myn tocht,
Opdat mijn smart niet al te pijnlijk,
Mijn vreugd niet kleurloos wezen mocht.
Laat ons nog lang te zamen wand\'len
Op de ons door U bereide baan.
En sterk ons eens door uw vertroosting,
Wanneer wij van elkander gaan.
Verzoening.
Hij rustte een weinig, \'t Was op een Oudejaarsavond. En hy
overdacht zoo nog eens alles, wat er onder weg was gebeurd.
Zoo herinnerde hij zich veel zegeningen Gods met erkentelijke
vreugd, maar hy had daarbij ook eene sombere gedachte. Hy
dacht aan den man, met wien hy vroeger bevriend was geweest,
maar van wien hij sinds maanden door twist was gescheiden.
En toen kon hy\' niet nalaten, tot zich zelven te zeggen: „Wij
beiden, hij en ik, hadden meer genot en minder leed kunnen
hebben, indien we toen terstond ons maar weer hadden verzoend;
wy hebben, door onze vyandschap te laten bestaan, in elkanders
beker, over en weer, gal en edik gegoten, over en weer voor
elkander veel zegen bedorven, dien de goede God ons gaf." —
Zou het waar zyn, wat wel eens gezegd is, dat ieder mensch
twee Geleigeesten heeft, waarvan de een is een Engel des lichts,
die opwekt tot betrachting van het schoone en goede, en de
-ocr page 82-
70
ander een Engel der duisternis, die aanspoort tot wat onrein is
en laag? Althans heeft ieder mensch deze twee geesten in zich.
Bij dien mensch nu, die met spijt aan de tusschen hem en
dien andere bestaande verwijdering dacht, deed toen de goede
Geest zich gelden en fluisterde zachtkens en vriendelijk hem
in: „Ga heen, verzoen u met uw broeder." Doch toen sprak zijn
kwade Geest: „Doe het niet; hij heeft immers al te zwaar u
beleedigd." „Boos worden is menschelijk, maar boos blijven is
duivelsch, en vergeven is goddelijk," hervatte de Engel des lichts.
„Vergeven kunt gy hem;" zei de Engel der duisternis toen,
„maar gij behoeft niet tot hem te gaan, om weer vriendschap
te sluiten; dat hij tot u kome; gij behoeft niet de minste te zijn."
„Die den eersten stap tot verzoening doet," hernam de Engel
des lichts, „die is de minste niet, die is de meeste." „Hij zal er
met hoogvaardige zelfvoldoening zich in verlustigen, dat gij het
hoofd voor hem buigt," — zoo liet de kwade Geest zich hooren.
„God zal u met goedkeuring aanzien," zoo sprak toen weer de
goede Geest. „Een mensch moet gevoel van eer hebben," sprak
de verleider. »Het ware gevoel van eer," sprak de andere toen,
„is \'t gevoel, dat in de navolging van Christus de hoogste eer
is gelegen."
En de goede Geest won het pleit. De booze Geest werd ge-
bannen.
En de man ging nog naar zijn gewezen vriend, hoewel het al
laat in den avond was, en bood hem de hand der verzoening.
En die hand werd aangenomen. De breuk was geheeld.
En toen het twaalf uren sloeg, ging er een danktoon voor
genoten zegen op uit twee harten, die nu veel meer vrijmoedig"
heid hadden om te danken en zich veel ruimer en blijder ge-
voelden, dan het geval zou zijn geweest, als \'t middernachtelijk
uur hen nog onverzoend had gevonden.
-ocr page 83-
71
Heb-ik en Had-ik.
Twee vogels, by allen bekend, in elk land,
Zijn heb-ik en had-ik geheeten.
De heb-ik zit vriendelijk neer op uw hand,
De had-ik wil niets van u weten.
Eén heb-ik in huis baat u duizendmaal meer,
En doet veel meer vreugd u ook smaken,
Dan duizenden had-iiïs, wier fladderend heer
Daar zwermt over boomen en daken.
De heb-ik legt eitjes van goud, en hy kweelt
Een liedje van blij vergenoegen;
Gij werkt daarbij lustig aan \'t werk, u bedeeld,
En slaapt rustig in na uw zwoegen.
Maar volgt gij, begeerig van oog en van hart,
Een had-ik, — gy zy\'t te beklagen;
Gij doodt uwe vreugd en berokkent u smart,
Gij slu\'t met verdriet uwe dagen.
Al hijgende draaft gij dan voort zonder vrucht,
En valt in het graf eind\'Ujk neder;
En dan ook nog ritselt heel hoog in de lucht
\'t Geduisch van der hud-ikken veder.
"Wees wijzer! Bederf niet uw\' vrede en u vreugd;
Laat niet door den schijn u bedriegen;
"Wees bljj niet uw\' heb-ik, wees dankbaar verheugd,
En laat dan de had-ik\'s maar vliegen.
Kaar Laxgbein.
-ocr page 84-
72
Wat moet gij vragen?
Vraag niet alty\'d God om zegen;
Zegen zendt Hy immer neer;
Maar een hart. geschikt, genegen
Voor \'t genieten van den zegen,
Dien gij krijgt en hebt gekregen, —
Vraag Hem daarom telkens weer;
"Waarlijk! dat behoeft gij meer.
Doe wel!
Wanneer wij in dit avonduur onze aandacht richten op den
menigvuldigen zegen Gods, die ons deel is, dan kan het wel
niet anders, of de gedachte valt ons nu en dan daarbij in, dat
er velen zijn, veel minder bevoorrecht dan wy, en die veel mis-
sen van \'t gemak en \'t genoegen, dat door ons wordt genoten.
Als wy het nu bjj die gedachte lieten, als er geen liefdedaad
groeide uit deze gedachte, dan besloten wij den jaarkring niet
goed. Neen! terwijl het gevoel van beweldadigd te zyn onsver-
kwikt en verheugt, moeten we datzelfde gevoel ook in anderen
wekken. Laten we eens nadenken. Weten we niet iemand, die
\'t hard heeft en akelig? Weten we niet een gezin, hier of daar,
waar men \'t koud heeft en bar? Welnu, dan moet daar nog wat
heengaan van avond. En dan liefst zonder naam. Want als een
mensch, die eone woldaad ontvangt, niet weet aan welken mensch
hij die weldaad verplicht is, dan dankt hy er des hartelijker
God voor. En dat is \'t beste. Aan God komt de eere toe, want
wat wjj geven is Gods goed. Ook zal de dankbaarheid den be-
weldadigde meer ten zegen zijn, als hij er meê naar God gaat,
dan als hij er meê naar óns komt. En voor óns zal in allen gevalle
-ocr page 85-
73
de groote zegen nog resten van te kunnen inslapen, straks, met
de bljjde gedachte, dat wij ten minste enkele harten, vóór het
einde van den jaarkring, nog eens hebben blü gemaakt.
Dubbel Heil.
Bemind te worden.
Ja! dat verheugt;
Maar in \'t beminnen
Ligt mede vreugd.
Een heil te ontvangen,
Ja! dat doet goed ;
Maar heil te deelen
Is ook zoo zoet.
Dank dan niet enkel.
Dat God u mint:
Toon. dat ge uw lust ook
In \'t minnen vindt.
Ontvang den zegen,
Dien God u biedt.
Maar sluit uw handen
Voor and\'ren niet.
Hebt ge iets van \'t uwe
Voor and\'ren veil,
Dan moogt gij danken
Voor dubbel heil.
Geleden smart.
Ieder menschenleven is een weefsel, dat uit lichte en donkere
draden bestaat, een mengsel van zangen en zuchten, eene wisse-
-ocr page 86-
74
ling van gejuich en geween. En denken we van zelve, heden
avond, aan de blijde dagen, die wij mochten genieten, wy den-
ken ook van zelve aan de lijdensdagen, die we hebben beleefd.
Deze heeft voor de bevestiging en bevordering der welvaart van
zich en de zijnen te vergeefs nu eens dit dan weer dat onder-
nomen, zich vruchteloos, met inspanning van alle krachten, ver-
moeid; en — met rimpels in het voorhoofd en eene wolk over
de oogen zit hij heden te mijmeren over het wegzinkend jaar.
Die heeft verdriet en hartzeer gehad door de boosheid van af-
gunstige en liefdelooze menschen, en proeft nog den bitteren
nasmaak van het roet, door den haat in zijn beker gemengd. Die
heeft aan menschen, met wie hij nauw en innig verbonden was,
vaarwel moeten zeggen, en een onbeschrijfelijke weedom neep bij
dat afscheid den gorgel hem toe. Die heeft de vlijmende weêr-
pjjn gevoeld van het lijden, dat een, die hem lief was, moest
dragen, en hij huivert nog bij de gedachte daaraan. Die heeft aan
\'t sterfbed gestaan van een mensch, wiens leven zooveel als zijn
eigen leven hem waard was, en heeft bitterlijk geschreid, toen
de zesde plank op de kist werd geschroefd, en toen de worp
kerkhofzand nederplofte, dof en zwaar, op dat deksel, dat dek-
sel zijner levensvreugde, — — en nu, het is Oudejaarsavond,
en daar staat, in dat hoekje daar de ledige stoel! — Voorwaar
op dezen avond denken duizenden aan geledene smart, iedereen
aan de zijne, en de herinnering ontlokt hun nog menigen
zucht en nog menigen traan. Denkelijk behooren wij ook wel
tot degenen, die van avond aan dit of dat droefs of weemoedigs
gedenken. Maar dan is het toch te hopen, dat wy daarbij
tevens bedenken: God liet ons niet met onze smarten alleen
staan; Hij gaf ons kracht onder \'t kruis; ook heeft Hy uit
veel, wat eens ons treuren deed, nog vreugd doen ontkiemen.
En dan is \'t ook te hopen, dat we door die gedachten ons
zelve en elkander weer opbeuren, en dat we, mede door het
denken aan of door de napy\'n van geledene smart, gedreven
worden tot den Heer, die hier geleefd heeft met een hart, gansch
doorkorven van weeën. Van uit hem vloeit dan de lust en de
-ocr page 87-
7-ri
kracht in ons over, om te spreken, vast en kalm: Hulpe van
God verkregen hebbende, sta ik tot op dezen dag
»). En door
den omgang met hem zullen wij tevens al meer en al beter
voor \'t verblijf in die wereld ons vormen, waar geen pijn meer
van \'t lyden der aarde gevoeld wordt, en waar van het lijden
zelfs de naam niet bekend meer zou wezen, ware het niet, dat
voor de smart, hier op aarde geleden, daar zoo menigmaal nog
werd gedankt. Rusten wij dan een weinig, en denken wjj daar
nog eens goed over na, en worde daardoor in ons eene stem-
ming gewekt, die ons in staat stelle, om te zeggen tot het weg-
stervend jaar: ga heen, gü hebt mij vreugd, maar ook veel
smarte gebracht; daarom, \'k zal u niet licht vergeten; maar als
ik aan u denk, zal het zonder wrok of wrevel toch wezen; gij
hebt mij niets gebracht, dan wat door God mij beschikt was,
en wat God beschikt, is goed! —
Gedachten en Spreuken.
Het einddoel van God, als Hij in de diepte ons brengt, is niets
anders dan: ons naar de hoogte te brengen.
Ons leven zou er onder lijden, als \'t leven zonder lijden was.
Onze blijdste dagen zijn dikwijls niet onze beste dagen.
Het doornige pad is niet zelden de naaste weg naar den hemel.
Door \'t lachen zijn weinig of geene, door \'t weenen vele men-
schen geadeld.
i) Hand. XXVI: 22.
-ocr page 88-
76
Een mensen ziet eer omhoog, als hij gebukt gaat onder den
last van een kruis, dan wanneer hij bukt naar de aarde om
bloemen te plukken.
            ________
Wèl hem, die zich nog niet ongelukkig gevoelt, al is hjj ramp-
spoedig.
                             ________
\'t Geloof aan Gods wy sheid en liefde brengt den regenboog op
onze donkere luchten.
        ______
Wat niet kwam, dat moest niet komen; indien \'t gekomen
was, zou \'t niet goed zijn geweest. En wat kwam, dat moest
ook komen; \'t zou niet goed geweest zijn, als \'t niet gekomen
was.
\'t Is beter voor ons, dat God Zyn zin heeft, dan dat wij on-
zen zin krijgen.
Die over teleurstellingen mort, is jegens God kwalijknemend.
Ik moet er niet treurig om zijn, dat ik op zoo menig waarom?
het omdat niet kan vinden; maar ik moet in het vaste geloof
mij verblijden, dat God een omdat heeft voor ieder: waarom?
Niets is hier bestendig. Dns ook geene ramp.
Dikwijls hebben we betreurd, wat wij hadden gewenscht; dik-
wijls hebben wy gezegend, wat wij hadden gevreesd.
Die bij het kwaad, hem door menschen aangedaan, tegen die
menschen steeds wrokt, en Gods beschikking vergeet, brengt
den hond in herinnering, die bijt in den steen, zonder te zien
naar de hand, die den steen heeft geworpen.
Bij niets wordt ons hart zoo vol, als bjj het leêggeworden plekje.
De twee machten, die meer vasthoudend dan alle andere zijn,
zn\'n de Liefde en de Dood. Daarom is het zoo\'n hevige strijd,
als die twee elkaar \'t bezit van een leven betwisten.
-ocr page 89-
77
Die treurt over zyne dooden, heeft aan hen veel goeds gehad.
En die veel goeds heeft gehad, moet niet enkel bedenken dat
lüj \'t gehad heeft, — want dan is hij ontevreden, — maar ook,
dat het veel goeds was, — want dan mengt zich dankbaarheid
in zijne smart.
Veel dooden op het kerkhof te hebben, dat is eene sombere
gedachte; maar, veel familie in den hemel ,te hebben, dat is
eene gedachte, die vertroost en verheft.
De omgang met de dooden is goed voor ons. Zü herinneren
ons, dat er diepte moet zijn in het leven, en dat het naar do
hoogte moet.
Alles weg!
„Waar zijn die viooltjes toch,
Die zoo lief\'lyk bloeiden,
En voor wein\'ge maanden nog
In de velden groeiden?"
„Jong\'ling, och! de lente vlood;
Die viooltjes zn\'n nu dood."
„En waar zu\'n de rozen thans,
Die zoo vroolyk tierden,
En waarmee, bij zang en dans,
Knaap en maagd zich sierden?"
„Ach! de zomer is vergaan,
En geen roosje is blijven staan."
„Toon mij dan het beekje weer,
Waar \'tgebloemt\' b\\j bloeide,
En dat, kabb\'lend op en neer,
\'t Groene dal besproeide."
-ocr page 90-
78
„Ach! de zon heeft zoo gebrand:
\'t Beekje ruischt niet meer door \'t land."
„Breng mij dan naar \'t looverdak,
Dat de roos beschaüwde,
Waar de jeugd van liefde sprak,
En van rust de oude."
„Wind en hagel woedden zeer;
En dat loover is niet meer.\'\'
„En waar ging het meisje heen,
Dat my zoo verrukte.
Maar mijn blik te ontwijken scheen,
En naar \'t roosje bukte?"
„Alle schoon is broos en teer;
Ook die schoonheid bloeit niet meer."
„Maar waar mag de dichter zijn,
Door wiens lied voor dezen
Roos, viooltje en maagdelijn
Zang\'rig werd geprezen?"
„Alles zinkt in \'t Niet ter neer;
Ook de zanger is niet meer."
Vrij «aar Jacobi.
Standvastig geloof.
Geloof niet dan slechts aan de wijsheid en aan de liefde van
(uw\' God,
Wanneer Hy licht geeft op uw paden en bloemen invlecht in
(Uw lot;
Bhjf aan Zijn wijsheid ook gelooven en aan Zyn eeuw\'gen lief-
(degloed,
-ocr page 91-
79
Wanneer Hy \'t licht weer van u wegneemt en uwe bloemen
(sterven doet;
En zeg bü alles, wat de Tyd u, van Zijnentwege, schenkt of
(rooft:
„De Heer mag geven en mag nemen; de naam des Heeren zy
(geloofd!"
Tranen.
\'t Witte kleed der heiligheid,
Dat in \'t volgend leven
Ons tot feestgewaad zal zijn.
Dient reeds hier geweven. —
Vallen daar nu tranen op,
Tranen onzer smarte,
Maar blijft toch geloof en hoop
Leven in ons harte,
Neen! dan kan dat tranen vocht
Nooit ons kleed bevlekken.
Maar wij zullen, bly-verbaasd,
En met dank ontdekken,
Dat die tranen van \'t verdriet,
Die ons oog ontrollen;
\'t Blank verhoogen van ons kleed,
En tot paarlen stollen.
Mor niet!
Mor niet, o, mensch! wyl God niet immer u verheugt;
Maar dank veeleer, wyl Hy\' door tijdelijke smarte
Bedoelt, de vatbaarheid te brengen in uw harte
Voor eindelooze vreugd.
-ocr page 92-
80
Ecce homo.
Altijd zal \'t voor ons goed zijn, om, als wo in lijden verkee-
ren, te staren op den Man van smarte, den Christus met de
doornenkroon. Bij dien aanblik valt immer de gedachte ons in:
hü. leed hier zooveel, en hij was toch zoo onuitsprekelijk veel
beter dan ik: moet ik het beter willen hebben dan hij het hier
had\'? Moet ik immer rozen eischen, terwijl mijn Meester door-
nen droeg? En die gedachte leert ons dan tegenover den Be-
schikker van ons lot wat meer bescheiden te wezen. En verder
zal de aanblik van dien lijdenden Christus ons stemmen èntot
den kinderlijken eenvoud der onderwerping, die spreekt: Vader!
niet mijn wil, maar Uw wil geschiede! en tot den fleren hel-
denmoed des geloofs, die verzekert: ik weet, de Vader is met
mij, nooit sta ik alleen! — Ja! als wij niet slechts zien op het
beeld van den Heer, maar ook zyn geest in ons hart laten wer-
ken, dan zal \'t gevoel in ons worden versterkt van de liefde
des Vaders, zóó versterkt, dat geen rampspoed het uitdooven
kan. En als dat gevoel maar in ons is, en maar niet wordt
gedoofd, dan houden wij het hoofd nog boven. Want dan gaat
steeds ons hart naar boven; en \'t geheim van de kracht, om
het hoofd boven te houden, ligt in het richten van ons harte
naar boven. Ons beeld dan, als wij lyden, zü een afdruk van
den Ecce homo, een afdruk van dat beeld der smarte, waarvan
de oogen naar omhoog zien, onder de distelen door, met onder-
werping en vertrouwen.
Geduld.
Een Engel, vol van liefde,
Zond ons des Vaders trouw,
Opdat, als ons iets griefde,
Die ons vertroosten zou.
-ocr page 93-
SI
Hij komt tot ons getreden,
Van medelij vervuld,
En fluistert: „Volg mijn schreden!"
Die Engel heet Geduld.
Hij leidt, vol zorg en trouwe,
U door het bang verdriet,
En wijst, by leed en rouwe,
U op een schoon verschiet.
Wanneer gy zoudt versagen,
Geeft hy u weder moed:
Hij helpt uw kruis u dragen,
En maakt nog alles goed.
Hij maakt tot zachten weemoed
De wilde zielesmart,
En stemt tot stillen deemoed
Het opgestane hart;
Hij doet weer scheem\'ring dagen,
Waar \'taak\'lig donker is,
En heelt de harteplagen,
Wel langzaam, maar gewis.
Hij blijft uw tranen eeren,
Als hij u troosten wil,
En wraakt niet uw begeeren,
Maar maakt het vroom en stil.
En als ge uw licht ziet dooven,
En morrend vraagt: „Waarom?"
Dan wijst hij u naar boven,
En glimlacht, maar blijft stom.
Hjj heeft voor alle vragen
Geen antwoord bjj de hand;
Zijn leus is: „Stil verdragen!
„Daar is een beter land!"
-ocr page 94-
82
Zoo gaat hij met u mede.
Spreekt weinig slechte on zacht,
Maar wijst reeds op den vrede,
Die na den strijd u wacht.
Naar Spitta.
Het zwaarste kruis.
Het zwaarste kruis is niet de ramp, die God ons geeft te dragen;
Maar dit, dat wat aan God behaagt, aan ons niet wil behagen.
Dat God ons vaak een kruis beschikt, dat pijnigt wel ons harte.
Maar dat met Gods wil onze wil zich kruist, geeft de ergste smarte.
Verborgen smart.
Een van de pijnlijkste toestanden, die er zn\'n kunnen, is die
van een mensch, door wien geleden wordt, maar die, om welke
reden dan ook, zijn lijden voor het oog der menschen verborgen
moet of wil houden. En zoo zijn er. Zoo zijn er velen. Dat er
veel lijden is op onze aarde, dat weten wij. Maar er wordt zeer
zeker nog heel wat meer geledon, dan wij gewoonlijk vermoeden.
Velen dergenen, aan wie gij volstrekt niet merken kunt, dat hen
iets kwelt, loopen toch waarlijk met een schrijnende wond in
het hart; ja! de schijnbaar blijmoedige glimlach, waarmede
menigeen tot u spreekt, is een bloemstruik, die een donkeren
afgrond verbergt, is een sierlijke gordijn voor het raam van een
kranke, \'t Is waarheid alzoo, wat een dichter •) eens zong:
Gij wandelt uit des morgens,
En ziet aan allen kant
Een helder-blauwen hemel,
Die \'t landschap overspant.
i) Kerner.
-ocr page 95-
83
En toch, toen door den sluimer,
U ruste was bereid,
Toen heeft diezelfde hemel
Een tranenvloed geschreid.
Zoo weent ook in de stilte
Vaak menig mensch van leed,
Die aan uw oog zich voordoet,
Of h;j van smart niet weet.
En, nog eens, zulk een mensch heeft het zwaar. Het eenige,
wat hem troost bieden kan, — maar hem ook troost geven zal, —
is de gedachte aan God, die alles weet, óók weet, wat de wond
is zyns harten. Voor God kan hy\' haar openleggen, met God kan
hfj er over spreken. Al moet er dan morgen ochtend weer eene
bedekking overheen, opdat er geen mensch iets van zie, de pyn
is dan toch wel wat minder.
Een kruis naar keuze.
Een pelgrim, die een hoogte had beklommen,
Zag voor zich uit het groen en vredig dal,
Welks boomen stil in \'t avondzonlicht glommen.
Eerst ging zijn blik in deze tempelhal
Van \'sHeeren hand een wyle heen en weder;
En toen, terwijl hij God zich aanbeval,
Lei hij in \'t gras zich om te slapen neder.
Hy sluimerde in. Maar, was zijn lichaam loom,
Zijn geest ontsteeg aan de aarde op donzen veder.
De zon werd nu Gods aanschijn, — in zijn droom, —
De hemel, vol van sterren, werd Gods kleed,
En \'tdonk\'re land werd van dat kleed de zoom.
„Gy zult, o God! een, die U vader heet,
Uw liefde en gunst," zoo sprak hy, „niet onttrekken,
Wanneer hy \'t waagt, voor U het harteleed,
Dat hem bezwaart, vertrouwende te ontdekken.
-ocr page 96-
84
Welnu, dat elk zyn kruis heeft hier op aarde,
Dat weet ik, maar \'t kan in mij onrust wekken,
Dat Uwe hand zoo ongelijk bezwaarde.
Mijn kruis, althans, is niet naar mijne kracht;
Ik wenschte wel, dat dit Uw oog ontwaarde
En dat Uw gunst daarin verand\'ring bracht."
En bij dit woord greep hem een stormwind aan,
En voerde, schoon al bulderend, toch zacht,
Hem op. En toen vond hy\' zich zelven staan
In \'t midden van een zaal, die allerwegen,
Naar welken kant hij \'t starend oog mocht slaan,
Vol kruisen was. Toen klonk een stem hem tegen:
„Hier is al \'t leed; kies hier uw kruis nu maar;
Gy\' hebt die gunst van uwen God gekregen."
En hy\' liep rond en stond nu hier, dan daar,
Om uit te zoeken, wat wel \'t best zou zijn.
Dit was te groot en dat was veel te zwaar;
Van dit weer deed de scherpe rand vast pijn;
Dat gindsche was wel glanzend voor \'t gezicht,
Maar, muntte \'tuit door hellen glorieschijn,
Hij merkte, \'t was ook van een zwaar gewicht.
Zoo bleef hy steeds aan \'t zoeken, wegen, meten,
En blijkbaar viel de keuze hem niet licht,
Hy\' was, schier zonder \'t zelf nog goed te weten,
Aan \'t eind; hij had nu allen reeds gehad,
En zijne moeite mocht verloren heeten.
Hij ging nog eens terug naar dit en dat;
En, zie! by\' dien herhaalden gang ontdekte
Hy\' thans een kruis, dat tusschen de and\'ren zat,
En dat zoo even niet zyne aandacht wekte.
Daar bleef hij in beschouwing nu voor staan,
En dacht weldra: „Als God my\' dit verstrekte,
Dan ware ik, dunkt my\', nog het best er aan."
Toen riep hij: „Heer! als ik toch kiezen mag,
Laat met dit kruis uw\' dienaar henengaan."
-ocr page 97-
85
En toen hy\' \'t kruis nu nog eens goed bezag.
Toen was het juist dat wat hy had gedragen.
En dat hij toen bedild had, met geklag.
Hy nam het op, en droeg \'t nu zonder klager..
Naar chamisso.
Stof tot dank.
Mensch! om twee dingen hebt gy\' God,
Ook onder \'t kruis te prijzen:
Dat hij bij \'t kruis u krachten geeft,
En op de kroon blijft wijzen.
Onderwerping.
,,\'tZijn geen menschen, die \'t u aandoen, mijn vriend! — gij
moet zwy\'gen; verzet kan niet baten, maar zou uw leed slechts
verzwaren; en dus, wees maar onderworpen; gij kunt toch tegen
God niet op." Zoo sprak een mensch tot zyn vriend, die beproefd
en bedroefd was. Maar de onderwerping waar die mensch zoo van
sprak, zou dat onderwerping wezen? — \'t Heeft er niets van. Alleen
den naam. Maar anders, niets. „Wees maar onderworpen; gij kunt
toch niet tegen God op." Ziet! dat wil zooveel zeggen, als dit:
„Indien gy\' tegen God op kondt, dan was \'t natuurly\'k, dat gy\'
tegen Hem met kracht in verzet kwaamt." Wat is dat? Is dan
onderwerping een machteloos zwijgen voor eene overmacht, waar
nu eenmaal niets tegen te doen is? Is onderwerping het omhoog
zien met een blik, die beteekent: „Ik doe niets, omdat ik niets
kan doen; maar als ik iets kon doen dan zoudt ge eens wat
zien?" \'t Heeft er niets van. Onderwerping is die volkomene
overgave aan de beschikkingen Gods, die voortvloeit uit het
onverzettelijk geloof aan Gods wijsheid en liefde. En zóó volko-
-ocr page 98-
86
men moet die overgave zyn, dat als God zêi: „Ik acht het beter,,
dat gij arm zyt, dan rijk; maar kies!" het antwoord wezen zou:.
„Heer laat mij dan maar arm." Zóó volkomen moet die overgave
zyn, dat als God zei: „Ik acht het beter, dat uw kind sterft, dan.
dat het leeft; maar kies!" het antwoord wezen zou: „Heer! laat
myn kind dan sterven!" Een zware taak. Maar die by Jezus te
leeren is, en die, als zy eenmaal geleerd is, juist den last van
het kruis, dat ons neerdrukt, verlicht. Mochten dat, ook op dezen
avond, veel beproefden en bedr >efden ervaren!
Boom en bies.
De boom, die niet buigt voor de macht van den storm,
Wordt licht door dien stormwind gebroken;
Maar niet zoo de bies, die by windstoot en vlaag,
Deemoedig naar de aarde is gedoken.
En als door het loof van den boom, die daar brak,
Geen windje meer vriend*lijk komt ruischen,
Dan zal langs de bieze, die \'t hoofd weer verhief,
Weer zacht \'s Heeren ademtocht suizen.
_____________                                      I
Hebt gij kinderen?
Indien gij kind\'ren hebt, dan mint gy uwe kind\'ren,
Gij gunt hun niets dan goed;
By alles staat als doel, hun welzijn u voor oogen,
Bij alles wat gy\' zegt en doet.
Maar hoe is \'tmoog\'lijk dan, dat gy toch menigmalen
Uw\' God verdenken kunt,
En meenen, dat zijn lust kan wezen u te plagen,
En dat hij schade en kwaad u gunt?
-ocr page 99-
87
Zou uw hart beter zijn en eed\'ler clan Gods harte? — —
Hij schiep uw liefde u in:
Die nu een minnend hart in uwe borst doet kloppen,
Heeft Die voor zich in plagen zin"?
Neen! als gij kind\'ren hebt, dan moet ge in eigen harte
Gevoelen: God bemint, —
En zeggen: God bedoelt mijn welzijn vast niet minder,
Dan ik het welzijn van mijn kind.
Veranderde verhouding.
\'t Gebeurt dat de man, die een bergrug beklimt,
De wolken ziet onder zich hangen,
En onder zich woelen en kronkelen ziet
Des onweders vurige slangen.
Ook ik, — als ik Jezus, mijn Meester, maar volg, —
Zal blijde eens zoo\'n hoogte begroeten,
Waar \'t onweer dat boven mijn hoofd placht te zjjn,
Dan drh\'ven zal onder mijn voeten.
Rachel wilde niet vertroost wezen1).
In dat beeldsprakig woord, door een Profeet en door een
Evangelist gebruikt, licht een diep menschkundige waarheid.
Te weten, dat: niet willen vertroost roezen, dat is eene zoo zeer
juiste beschrijving van de gesteldheid eener gansch bedroefde
en verslagene ziel. Altijd immers als ons hart verbrijzeld was,
i) Jer. XXXI: 15. Matth. II: 18.
-ocr page 100-
SS
door oen slag. die pas viel, waren ons onwelkom die onmensch-
kundige vrienden, die dan met vertroostende redeneeringen tot
ons genaakten. Wij wilden niet vertroost wezen: wij vonden
hun streven, om onze droefheid tegen te gaan, eene wreede
barmhartigheid. Die ons beklaagden, die wilden wij hooren;die
geen woord spraken, maar met tranon in hunne oogen een klem-
menden handdruk ons gaven, die deden ons goed: maar die ons
betoogen wilden, dat we niet zóó bedroefd moesten zijn. die wa-
ren ons hinderlijk. Zoo is onze natuur. De smart in haar eerste
en heftigste tijdperk heeft een afkeer van vertroosting. lntus-
schen, dat tijdperk moet voorbijgaan. Er zyn menschen. die op
den duur zich afkeerig van vertroosting blijven betoonen. En
dat is niet goed. \'t Is zonde tegen God en \'t verwoest, in meer
dan éénen zin, den bloei van het leven. Laat ons dan daartegen
waken, als God ons bedroeft. Er is een bitterachtig zoet in de
droefheid, waar de ziel geheel in verzinken, waar de ziel aan ver-
slaafd worden kan. Zoo zij \'t bij ons in \'t lijden niet. Neen! het niet
willen vertroost wezen
moet zachtkens overgaan in de vatbaarheid
voor vertroosting, en van lieverlede al moer moet zich dan de be\\vust-
heid doen gelden, dat er nog iets anders voor ons te doen is in\'t
leven, dan werkeloos te zitten mijmeren en droomen op het graf
onzer vreugd. Wij behoeven daarom de slagen niet te vergeten, die
ons hebben getroffen, de geliefden niet te vergeten, die wij hebben
verloren, — God beware ons! — maar de gedachte aan onze rampen
mag niet de dood zijn van onze geloofskracht en de herdenking
van ons lijden mag niet \'t vergif zijn onzer hoop.
Gebed.
Er is een Oog, dat niet zich sluit,
Als \'t nachtfloers nederzinkt;
Er is een Oor, dat luist\'ren blijft.
Als \'t daglicht niet meer blinkt;
Een Arm, die geen vermoeidheid voelt,
-ocr page 101-
89
Waar menschenkracht bezwijkt;
Een Hart, dat trouw in liefde blijft.
Waar aardsche liefde wijkt.
Dat Oog doorloopt het hemelhof.
Dat Oor verneemt der Eng\'len lof,
Die Arm draagt heel den sterrendrom,
Dat hart woont hoog in \'t heiligdom.
Maar toch, de mensch bezit een kracht, —
Daar weet de Christen van, —
Waar hij dat Oog, dat Oor, dien Arm,
Dat hart meè vinden kan:
\'t Gebed, dat vleugelen hem geeft,
Waarop zijn ziel aan \'t stof ontzweeft.
Xaar liet Eiiyelsch.
Engelen der vertroosting.
Van den Heiland staat gescheven,
Dat in \'t bang Gethsemane.
Zn\'ne ziel van smart doorkorven,
Tot haar God sprak in een beè,
En dat God toen door een Engel
In zijn leed hem troosten deê.
Nu, zoo is het nog gebleven,
Zoo gebeurt nog telkens weer:
Waar een mensch, door smart gefolterd,
De armen uitstrekt naar den Heer,
Daalt een Engel der vertrooosting
Tot den droeven lijder neer.
-ocr page 102-
90
Eene Kerkhof-spreuk.
Iemand ging langs het kerkhof, waar hij eens een gestorven
geliefde gebracht had. Droefgeestig dacht hij aan die ure. En
zijne droefgeestigheid werd gevoed door het opschrift, dat tele-
zen was op het hek van dat kerkhof:
Wat gij uu sijt, was ik voor dezen;
Wat ik nu ben, zult gij haast wezen.
„Och ja!" zoo zuchtte hij, „heden de een en morgen de ander;
men geniet, men bemint, men hoopt, en — het eind is, dathe-
den de een en morgen de ander daar wordt nedergelegd, om in
\'t stof te vergaan." — Maar toen kwam tot hem een Engel des
Heeren, de Engel des geloofs. En die wees hem naar boven. En
ziet! daar ontwaarde het oog zijner ziel eene poort, waar\'t zelfde
opschrift op stond, — daar echter niet met zwarte letters, maar
in trekken van goud :
Wat gij nu zijt, was ik voor dezen;
Wat ik nu ben, zult gij haast wezen.
En toen kregen voor zijn gevoel die woorden een gansch an-
deren zin. Toen ze als uit de diepte kwamen, trokken ze om
züne lippen een glimlach van bitteren weemoed; toen ze als uit
de hoogte ruischten, brachten ze op zyn aangezicht eene glinste-
ring van vrede en van hoop.
Herinnering.
Herinn\'ring van de smart en pijn,
Eens door ons hart geleden,
-ocr page 103-
91
Moet niet een kreet van oproer zijn,
Maar klokgeklep, dat, rein en fyn,
Ons oproept tot gebeden.
Lusten en lasten.
Geniet des levens lusten,
Maar, mensen! geniet ze goed;
En draag des levens lasten
Met stil en vroom gemoed.
Dan zal uit uwe lusten
Voor u geen last ontstaan,
En uwe lasten zullen
In lusten overgaan.
Geloof.
Samen met hun trouwe moeder
Vlogen vlug de jongen meê.
Maar daar hingen zwarte luchten,
En verwoed en al verwoeder
Bruiste \'t golfgeklots der zee;
En de jongen gingen zuchten:
„Ach! wij zyn zoo moê gevlogen,
En geen oever zien onze oogen." —
„Lieve kind\'ren, houdt toch moed!"
Sprak de moeder; „houdt u goed!
Voelt gü niet een trek daarbinnen, —
Trek, die onweerstaanbaar is,
Om weer lente te gewinnen?
-ocr page 104-
92
Nu dan. houdt dit voor gewis:
Die dien trek gaf. kan niet liegen.
En H\\i wil ons niet bedriegen;
Zeker brengt Zyn hand ons over
Naar het groene lenteloover."
Naar fröhlich.
Het kind en de tuinman.
Het kind.
Wil die boomen toch niet moeien!
Al dat snoeien
Is verhindering van het groeien.
De tuinman.
\'t Zonnegloeien
En \'t besproeien
Doet juist bloeien.
Ten gevolge ook van het snoeien.
Geloken vensters.
\'t Was nacht. Een mensch, die den slaap niet vatten kon,
lag op zijn leger te peinzen. De tyd viel hem lang en hij vond
de donkerheid akelig. En uit onlust en somberheid haalde hij
zich allerlei droeve omstandigheden, waarin hjj al had verkeerd;
voor den geest. En zoo spookten door zijn donker vertrek hui-
veringwekkende figuren en groepen. Eindelijk verliet hij zijn
-ocr page 105-
98
leger en stootte de vensters open, en — daar verraste hem op
eens de ontdekking, dat de zon al lang op was. Hy had zijn tyd,
ofschoon in wakenden toestand, verdroomd, en zag nu, dat hy
zeker al een vol uur vroeger in het licht zich had kunnen ver-
heugen, indien hy\' zyne vensters maar vroeger had opengedaan. —
Ook de ziel heeft hare vensters. En vele zielen zijn veel lan-
ger donker, dan zy \'t behoefden te zijn, doordien de vensters
veel later worden opengezet, dan \'t had behooren te gebeuren.
Zielsverheffing van een Lijder.
God! als Gij mij lijden doet,
Breng dan óók my in \'t gemoed
Christus\' geest; dan is het goed.
\'k Draag dan alle smarte stil,
Zonder dat ik iets bedil;
\'k Denk: het is myns Vaders wil.
\'k Blyf gelooven aan Uw trouw,
Die my niet bedroeven zou,
Als geen heil lag in nüjn rouw.
\'k Denk: alwijs is Gods bestel,
\'tZy my vreugde of smart verzeil\';
God, myn Vader, weet het wel.
En \'k vergeet niet Uwe macht,
Die zoo vaak nog redding bracht.
"Waar ik die niet had verwacht.
\'k Houd dan tevens, hoe benard,
Medelijden in myn hart
Met der broed\'ren zorg en smart.
-ocr page 106-
04
En myn ziel, aan U gewijd.
Richt met hope \'t oog altijd
Naar het land, waar niemand lydt.
Lijden, geen ongenade.
Mensch! wil toch niet uw doornenkroon
Een ongenade noemen:
Een stralenkrans, vol hemelglans,
Komt eerder uit een distelkrans,
Dan uit een krans vol bloemen.
Beschamende herinneringen.
\'t Zou niet goed voor ons zy\'n, en niet goed voor ons wezen, in-
dien wy van avond alleen bedachten, wat wij hebben gehad, en
niet, wie wij zijn geweest, in den jaarkring, die straks wordt ge-
sloten. En als we dan nu mede bedenken, wie wy geweest zy\'n,
als we op dezen Oudejaarsavond den staat berekenen van onze
baten en lasten in \'t geestelijk leven, dan ontdekken wy\' zeker
een belangrijk te kort. Menig goed voornemen, waar wü \'t jaar
meê begonnen, werd in den verderen loop des jaars weer ver-
zaakt en verloochend; uit veel bloesem kwam geen vrucht. En
menige zonde, waarvan wij meenden, dat zij in onze borst was
gestorven, stond weder op in ons harte; zy\'was maar schy\'ndood
geweest. Wij zien weer op vele dagen terug, waarin wy, van
de genietingen of de zorgen der aarde vervuld, aan God en den
Heer en den hemel niet dachten. Wij zien weer op vele dagen
terug, waarin wy, door onbarmhartigheid versteend of door
wraakzucht verhit, den Engel der liefde over ons deden weenen.
-ocr page 107-
I
95
"Wij zien weer op vele dagen terug, waarin wij morden of wrok-
ten tegen \'t bestel van den Vader, en tot God durfden zeggen,
dat alles beter zou gegaan zyn, als ónze zin was gevolgd. W;i
zien weer op vele dagen terug, waarin wy, op een stormachtig
Genezareth, den noodkreet deden hooren: wij vergaan! — niet
vertrouwende op de goede en machtige hand, die ons vasthield.
In één woord, vele dagen komen tegen ons getuigen, van avond,
terwijl wy een weinigje zitten te rusten, en aan den wand zien
wjj de woorden: Gewogen, maar te licht! •) Vierdehalfhonderd
dagen weer met velerlei zonden bevlekt! Vierdehalfhonderd
dagen weer voor immer, voor eeuwig, verdwenen, en wy\', in al
dien tyd, zoo weinig gevorderd, misschien wel achteruitgegaan,
— — Vader! onze laatste beê moet nog eene vurige bede om
vergiffenis wezen; Vader! een koude winterlucht mag ons wel
om het hart slaan, als de Oudejaarsavond, die niet veel meer tot
ons kan zeggen, omdat zijn einde nabij is, toch gedurig, en ge
durig weder nog eens dit tot ons zegt: vierdehalfhonderd dagen!
sterveling, die niet eens zeker zijt van zooveel seconden, gij hebt
durven spelen er meè! en hoe oud waart gij reeds ? en daar nu
bovenop nog alle deze dagen! — — Maar, heb dank, o God! dat
onze donkere Oudejaarsavond toch nog opgeklaard wordt door
den weerschijn van \'t licht, dat we in den Kerstnacht over
Bethlehem\'s veld zagen stralen! Heb dank, dat we weten, dat
Uwe liefde oneindig is, oneindig als Gij! Heb dank, dat we \'t
weten, en sterk de overtuiging in ons, — door in ons \'t geloof
in den Heer te versterken, — dat Uwe liefde onze schuld wil
doen verzinken in \'t Niet, zooals straks weer dit jaar in het Niet
zal verzinken. Dan rusten we een weinig, in den hoogsten en
heerlijksten zin. Een weinig? Neen! maar dan hebben wij veel
van de allerzaligste ruste, die in ons kan wezen; want, dat is
toch maar het zaligst, te rusten aan Gods Vaderharte, en in
öns hart te gevoelen, dat ons dat hart bemint!
l) Dan. V : 27.
-ocr page 108-
96
Gedachten en Spreuken.
Die wel zich herinnert, wat hy gehad heeft, maar niet, wie
hy geweest is, bedenkt wel, dat hij leeft, maar hij vergeet,
waartoe.
God, de Heer, is eene zon \') — zegt een Psalm. Maar wat komt
er dan menigmaal eene zonsverduistering voor in ons leven, —
somtijds gedeeltelijk, maar ook dikwijls totaal.
Met geene berekening gaan de menschen, in \'t algemeen, meer
los en onnauwkeurig te werk, dan met de berekening van hunne
zonden.
Een groote fout van ons is: dat we zooveel fouten maken in
het berekenen van onze fouten.
Als de menschen maar een tiende gedeelte van den tyd en
de zorgen, die ze aan hun uiterlyk en aan uitwendige toestan-
den wijden, voor hun innerlijk over hadden, ging vast de wereld
hard vooruit.
Een vergroeid lichaamslid acht men doorgaans een grooter
ongeluk, dan eene vergroeide ziel. De meeste menschen zijn meer
gesteld op welgeschapen dan op rechtschapen.
Als een zonnestraal in de kamer valt, merkt gij het beste
T) Ps. LXXXIV: 12a.
-ocr page 109-
07
haar stof; als het licht van Christus in uwe ziel valt, merkt
gij het best hare zonden.
Christus is voor ons een zichtbaar geweten.
Aan het heelen van een wond moet het ontblooten van die
wonde voorafgaan.
Men zoekt dan eerst het licht van den hemel, als men de
duisternis kent van zijn hart.
Vooral ook door dikwijls naar binnen te zien, neemt de mensen
zijne richting naar boven.
Het weenende berouw voert Petrus op den wegdesbehouds;
het vloekende berouw voert Judas op den weg des verderfs.
De zucht van het ware berouw is de geboortesnik van het
waarachtige leven.
Die \'t meest met Christus één is, die is het minst met zich
zelven in tweespalt.
De letters van onze schuldenlijst verflauwen het meest, als
die hjst wordt gehouden in de schaduw des kruises.
Hoe minder van de zonde in de harten, des te meer van den
hemel op aard.
De hemel zou ophouden hemel te zu\'n, als de hemellingen
ophielden heilig te wezen.
Boetelied.
Mh\'n God! \'k heb vaak met vele bloemen,
Van Uwe hand, mijn borst getooid,
Maar zonder Uwe gunst te roemen,
Die ze op mn\'n pad had uitgestrooid.
RUST EEK WEINIG.                                                                                                    7
-ocr page 110-
03
\'k Heb dikwijls ook, door zorg omketend,
In \'s werelds woeling meegesleurd,
Ofschoon het brood van U steeds etend,
Het hart tot U niet opgebeurd.
\'k Heb U gewantrouwd menigmalen
En vaak vertreden Uwe wet,
En, als \'kmijzelve wilde onthalen,
Mij met den rug naar U gezet.
\'k Heb vaak gelachen, waar \'k moest weenen;
Gemuit, daar, waar ik danken mocht;
En \'kheb door heel mijn leven henen
Mijzelv\' veel meer clan U gezocht.
\'k Was slecht en dwaas. Wil my vergeven,
En leg mijns harten onrust neer!
Vergeef mij wat ik heb misdreven,
En geef mij Uwen vrede weer!
Maar — Gij vergeeft. Dies moet ik vragen,
Opdat mijn vreeze zij gestild:
Doe mij in \'t diepst des harten dragen
\'t Gevoel, dat Gij vergeren wilt.
Een zielewensch.
Vaster in \'tgeloove.
Meer van God vervuld,
Blijder in de hope,
Sterker in \'t geduld,
Rijker in de liefde,
Minder aardschgezind,
Meer gerijpt in wijsheid,
-ocr page 111-
99
In het kwaad meer kind,
Meer den hemel zoekend,
Minder traag en dof,
Minder \'t ik vereerend,
Voller van Gods lof,
Meer den Heer gelijkend
In mijn vreugd en pijn,-----
Dat moge in mijn leven
Steeds meer waarheid zijn!
\'t Geval ligt er nu eenmaal toe.
Dat woord wordt menigmalen gebezigd, en meestal is het dan
een woord van deze beteekenis: „nu ja, ik wil erkennen, dat
het kwaad was; maar, wat zal ik me daar, achterna, nu nog
veel over kwellen? er is nu eenmaal toch geen veranderen meer
aan." — En die gedachte is dan de spons, waar men de schuld,
die op de lei staat meê uitwischt. Dat is al zeer verkeerd. Niet
alleen is het op zich zelf ongepast, dat de schuldenaar de schuld
uitwischt, daar toch immers, als er schuld moet uitgewischt
worden, dat het werk van den schuldeischer zijn zal; — maar er
is nog iets. Iemand, die de vrijheid neemt, om over zijn kwaad
zoo vluchtig heen te stappen, wjjl er nu eenmaal niet meer aan
te veranderen valt, wordt door de gedachte aan zijne zonden
niet beter: en dat moest toch zoo zijn.
Het Oude Jaar richt, om zoo te zeggen, nog eens even op
z\\jn sterfbed zich op, en het spreekt: „Ik heb veel kwaad van
u gezien." „Dat zal ik niet ontkennen," zegt de mensch, „maar,
wat helpt het?\'t geval ligt er nu eenmaal toe; het is niet meer
te veranderen." „Neen," hervat het Oude Jaar, „dat bedoel ik
-ocr page 112-
100
ook niet, maar met uw kwaad u te herinneren, wilde ik dit u
herinneren dat gij zelf nog veel veranderen moet; en dat dit
wel kan, dat wilde ik, bij mijn heengaan, u toch eerst nog eens
zeggen; denk er om na mijn dood."
En het Oude Jaar, als het zóó spreekt, heeft volkomen gelijk.
Laat ons toonen, te gevoelen, dat het gelijk heeft, en laat ons,
ofschoon dan de gebeurtenissen niet anders zijn te maken, dan
ze geweest zijn, toch trachten, door die gebeurtenissen zelve
geleerd, onze gezindheden beter te maken. En laat daartoe als.
mede deze gedachte ons dringen, dat de leuze: \'t geval ligt er nu
eenmaal toe,
waar wy vaak in den loop van het leven \'t gewe-
ten meê afwijzen, dat ons beschuldigt, eens zeker niet meer
baten zal. Neen! indien wij eens van de aarde moesten heen-
gaan met een terugblik op een leven, dat een verloren leven
mocht heeten, wij zouden er voor onze ziel dan geen vrede bjj
vinden, al herhaalden wij dan weder die woorden: \'t geval ligt
er nu eenmaal toe.— Zóó
gemakkelijk rekent een mensch met
zich zelven niet af, en — met God niet.
Verzoening zoeken.
\'t Is goed, dat, eer het jaar nog dood is,
De vijandschap vernietigd zy,
Die mij van mijnen broeder scheidend,
Zoo heilloos is voor hem en my.
Maar goed ook, dat, eer \'t jaar nog dood is,
Die vijandschap zij weggedaan,
Waardoor ik met mijzelv\' in tweespalt,
En verre van mijn God blijf staan.
-ocr page 113-
101
In \'t graf, waar \'t jaar in neer zal zinken,
Moet alle, en ook die veete, meê;
\'k Wil vrede hebben met mijn naaste,
Maar ook met eigen harte vree.
En \'k heb dien vree met eigen harte,
"Wanneer ik, — mocht ik mi zoo doen! —
In ootmoet grijp de hand mijns Heeren
En dan my met mijn God verzoen.
Het Hoogste.
"Wat is heil, dat alle vreugd
Meer edel maakt en fijn?
Wat is de zalf, die streelt en heelt,
Bij alle leed en pyn?
Wat is \'t geheim, waar kracht in ligt
Bn\' allen strijd en nood?
Wat is de grond van hoop en roem
Bn\' \'tnaad\'ren van den dood?
Wat is de schat, waar allo goed
Op eens een schat door wordt,
En zonder welken \'t beste zelfs
Ontsierd wordt en verdort?
Want is de zegen, die het zijn
Voor ons tot zegen wijdt,
Die licht brengt in onze eeuwigheid,
En bloemen in den tijd?
Wat is, niet slechts voor ons, maar ook
Voor d\'eersten Serafijn,
De bron van kracht en vrede en vreugd ? —
MET GOD BEVRIEND TE ZIJN.
-ocr page 114-
102
Het geweten.
Een vlam is \'t geweten,
In \'t mensch\'lijk gemoed,
Die licht op de vraag geeft
Naar kwaad en naar goed.
Voor wie door dien zuiv\'ren
En helderen schijn
Zijn weg laat verlichten,
Zal \'themelvlam zijn.
Jlaar wie er de stralen
Gedurig van stuit,
Voor dien slaat het eind\'lijk
Tot hellevlam uit.
Boekhouden.
Tot een ordelijk beheer van zaken behoort, dat men aantee-
kening houde van inkomsten en uitgaven, als ook, dat men in
rekening brenge, zoowel wat men nog onbetaald heeft gelaten,
als wat men nog inwachten mag, en dat men, aan het eind van
een jaar, uit het een en het ander zich een algemeenen staat,
een volledig overzicht make, om te weten of de einduitslag winst
of verlies is en of het slotcjjfer vooruitgang of achteruitgang
aanwijst, in vergelijking met vorige jaren.
Zoo iets moeten wij óók doen in betrekking tot het zedelijk
leven. Dat moeten we vooral van avond doen. En als we dat
doen, wat is dan de uitkomst\'? Ach! dan ontdekken wij allen
veel meer lasten, dan baten. En dat moet ons een oorzaak zijn
van leed en van spijt. Bh\' vele menschen is \'t dat niet; vele
menschen vinden een te kort in hunne kas veel erger dan een
te kort in hunne ziel. Toch is eigenlijk het laatste het ergste.
-ocr page 115-
103
Maar moet dan niet onder dat licht, of liever, door die don-
kerheid, de Oudejaarsavond voor allen een treur-avond wezen?
Tot op zekere hoogte, ja. Toch kan hy nog eindigen met vrede
en blijdschap. En wanneer zal hij dat? Dat zal hy\', als we mer-
ken, dat, hoewel er nog een zeer groot te kort is, het toch niet
meer zóó groot is, als in vroegere jaren, en als wjj bovendien
gevoelen, dat de Heere God, wat wij bij Hem nog onbetaald
lieten, ons kwijtschelden wil. Ziet! als we deze twee dingen
mogen merken en voelen, dan doen wij onze boeken met tevre-
denheid toe en wjj leggen er ons psalmboek boven op en wjj
zingen:
Zoo hoog Gods troon moog boven de aarde wezen,
Zoo groot is ook voor allen, die hem vreezen,
De gunst, waarmee Hy\' hen wil gadeslaan;
Zoo ver het West verwijderd is van \'t Oosten,
Zoo ver heeft Hij, om onze ziel te troosten,
Van ons de schuld en zonden weggedaan.\')
Mocht in menig huis, heden avond, of af althans in menig
hart, deze psalmtoon weerklinken! Waar dat gebeurt, neemt het
jaar een goed einde, en daar mag de spreuke gelden: Eind goed,
al goed,
— God zij lof! —
De treur-esch-
De zonnestraal moog op u gloeien,
De regendrop uw blad besproeien,
Gy\' richt uw takken niet omhoog;
Gy, treur-esch! blijft naar de aarde groen; —
Maar daardoor heeft uw schoon iets droevigs voor ons oog.
\') Ps. CIII: 6.
-ocr page 116-
104
Mensch! als op u des hemels zegen,
Als op dien boom de warmte en regen,
Steeds werkt, maar gij, verkeerd van zin,
Gaat niet in dank den hemel tegen, —
Al hebt gy dan veel schoons, daar licht iets treurigs in.
Heb ik dat verdiend?
Wij, menschen zijn geneigd, in dagen
Van vele plagen en veel slagen,
Omhoog te zien en dan te vragen:
„O God! heb ik dan dat verdiend?"
Maar, komt ons God met vreugde tegen,
Ja? gunt Hij ons den grooten zegen,
Ons te doen hooren: \'kBen uw vriend!"
Dan zyn we niet zoo zeer genegen
Te vragen: „Heb ik dat verdiend?"
Als twee hetzelfde doen, dan is \'t nog niet
hetzelfde.
\'t Was de laatste avond des jaars. Toen zat een mensch aan
den oever van den tijdstroom een weinig te rusten. En het ge-
heugen schreef op eene lijst voor hem op, wat hy zoo al had
verzuimd in den bijna vervulden jaarkring, dat hij had moeten
doen, en wat hij zoo al gedaan had, in dien tijd, dat hy had
moeten laten; en met bange verbazing bemerkte hij, datdehjst
zoo lang werd en zoo dicht was beschreven. Hij zag op naar
omhoog, en hij bad. Ernstig en innig bad hij om vergeving voor
dat alles, wat zoo ernstig en zoo innig hem leed deed. En toen
-ocr page 117-
105
daalde de Engel des Geloofs tot hem neer, en die sprak hem
van den Heer, en zeide van Gods wege hem aan, dat hij de
lyst mocht verscheuren. Zoo deed lüj. Hij verscheurde die schul-
denhjst en wierp de stukken in den immer voorbij rollenden stroom
des ttjds. En ze zonken.
En op dienzelfden avond zat er ergens anders een ander. En
ook voor dezen mensch maakte het Geheugen een schuldenlast
op. En ook deze mensch werd daarbij aangegrepen door onrust
en angst. Maar deze meer door onrust en angst, dan door leed
en sph\'t er over. Ook bad hij niet om vergeving, en dacht aan
den Heer niet. Maar eigenmachtig, zonder dat een Bode Gods
hem daartoe recht had gegeven, verscheurde ook hij zyne schul-
denlyst en wierp ook hij de stukken er van in den tijdstroom.
En zn\' dreven. Maar zij dreven weg — en dat was hem genoeg.
En in het jaar, dat eenige uren daarna geboren werd stierven
die beiden. En de tweede vond tot zijn schrik al die stukken
van zijn verscheurden schuldbrief op het strand van de zee der
eeuwigheid weder. De eerste zag van zijn schulden nooit iets
meer terug.
Gij hebt woorden des eeuwigen Levens.
Heer! tot wien zou \'k moeten vlieden?
Wie zou troost en rust mij bieden?
Wie my maken sterk en blij?
Wie bij wonden, vol van smarte,
Balsem geven voor myn harte? —
\'t Woord des levens hebt slechts Gy.
\'t Is geen leven: zich te plagen,
Hügend \'s levens last te dragen
En te zuchten: wee en ach!
-ocr page 118-
106
Ook geen leven: te genieten
Vreugdestroomen, die vervlieten,
En verzanden in één dag.
Leven is: fier voorwaarts treden,
Dankbaar en in God tevreden,
Eeuw\'gen vree steeds in \'t gezicht,
\'t Is: gelooven, minnen, hopen,
Steeds te zien den hemel open
En den arm des doods ontwricht.
Leven is: in God te roemen
En den besten weg te noemen
\'t Smalle pad naar de enge poort.
En zulk eeuwig zalig leven
Kimt slechts Gij, o Heer! ons geven;
Gij slechts hebt het levenswoord.
Vrij naar Walter.
Vrede Gods.
Aan den Heer de hand gegeven
Bij berouw en zorg en smart,
En de vrede Gods komt zweven, —
Voorproef van het hemelleven, —
In het eerst zoo angstig hart.
Het olijfblad.
Daar, waar gezondigd wordt, daar is een vloed aan \'t klimmen,
Waarin de mensch kan ondergaan.
Maar als hij bidt, dan troost dien mensch de Geest des Heeren,
Dan brengt de duif \'t olijfblad aan.
-ocr page 119-
107
En wat dat blad hem zegt, dat mag hij zot\') vertalen:
„Een beet\'re tyd breekt voor u aan;
De vloed, die met verderf u dreigde, is weer aan \'t dalen;
Houd moed, — want gü zult niet vergaan."
Waar is Bethel?
Waar is Bethel"? — Daar zal \'t wezen,
Waar men naar Gods wetten leeft;
En ook, waar men treurt er over,
Dat men die geschonden heeft.
Ja, waar deugd door ons beoefend,
Of waar zonde wordt betreurd,
Merken wij met blijde ontroering,
Dat de Heer Zyn hemel scheurt;
Dat een ladder, waar de top van
In den glans des hemels glimt,
Staat op de aarde, en dat een schare
Van Gods Eng\'len daalt en klimt;
En dat uit de hooge hoogte
Dan Gods stem zich hooren doet:
„Mensch! Ik ben uw God en Vader;
Vrees niet, maar heb goeden moed!"
Heer! doe dikwijls ons gevoelen:
Ik ben Gods en God is mijn! —
Laat het telkens, — ook weer heden, —
Daar waar wij zijn, Bethel zijn!
Er is bij God vergeving. ])
Er was eens een jongeling, die, toen hij op den tweesprong
des levens gekomen was, van het pad der deugd zich afwendde
1) Dit stukje is de, door my eenigszins gewijzigde, legende van Tannhaiiser.
-ocr page 120-
108
en den weg der zonde betrad. En hij ging op dien weg immer
verder en verder. Lichtzinnigheid en ongeloof, onmatigheid en
wellust bedierven hem steeds erger naar lichaam en ziel. Ein-
delyk begon dat leven hem tegen te staan. Hij begon te gevoelen,
dat zulk een leven geen leven is, en besloot zich van hen, die
zyne gezellen waren in den dienst der zonde, te scheiden. Toen
die dat merkten, wendden z\\] al het mogelijke aan, om zijn be-
sluit nog te veranderen. De zonde is vasthoudend; zij laat haar
prooi niet gaarne los. Toch bleef de jongeling standvastig. Hy
verliet den zoo onheiligen, en juist daardoor zoo heilloozen,
kring, waarin hij tot hiertoe geleefd had, en begaf zich als
boeteling naar den Bisschop van Rome op weg. Daar aangeko-
men, beleed hjj al wat h\\] gedaan had, en vroeg of er voor hem
nog vergeving zou zjjn. „Neen!" was het antwoord; „zulk een
zondaar, als gfj zijt geweest, mag niet hopen; — als deze dorre
stok, dien ik in de hand heb, groene bladeren kreeg, dan zou
ik aan de mogelijkheid gaan gelooven van vergeving voor u;
maar het eene is zoo min als het andere mogelijk." — „Niet?"
hervatte de jongeling; „Gn\' verbrijzelt mijn ziel; ik had gehoopt,
in die mate berouw te kunnen toonen en boete te kunnen doen,
dat God over mn\' zich ontfermd hebben zou." En met droefheid,
maar met eene droefheid, die wild was en woest der vertwy-
feling, ging de jongel ing heen, en hy keerde tot zijne vroegere
gezellen terug, en hij verzonk nu al dieper en dieper in zon-
de. — Maar, ziet! eenige dagen na zijn vertrek begon de dorre
stok te groenen. De man die daarvan de mogelijkheid had ont-
kend, was verbaasd en beschaamd, en zond boden uit, om den
jongeling weder te halen. Maar \'t was te laat. Hij kon nu niet
meer uit de zondenboei los.
Treffende waarheid in dat kleed der verdichting! — er is bij
god vergeving. En die den broeder de hoop op vergeving ont-
neenit, die brengt hem juist daardoor eerst recht ten verderve. —
Ook is daarmee natuurlijk deze waarheid verbonden: die zich
zelven
berooft van de hoop op vergeving, stort zich selven juist
daardoor eerst recht in \'t verderf.
-ocr page 121-
10\'.)
Moge dan de Oudejaarsavond, die donker is voor ons en voor
velen, bjj de herinnering van zoo ontzag\'lijk veel zonden, ver-
helderd worden voor ons zelve, en, door ons ook voor anderen, —
ook voor de diepst gezonkenen, die onder ons bereik zijn, —
verhelderd, bij het groote woord: eb is bij god vergeving!
De zonde.
Wat tal van eeuwen vlood reeds henen
En wierp zich in het eeuwig Niet!
Wat tal van tronen zag die tijdstroom
Verbrokkelen als dorrend riet!
Wat tal van volken zag hij worden
En — als een morgenwolk vergaan!
Wat tal van helden opgestaan,
Die als met almacht zich omgordden!
Maar ook die helden traden af
En lieten schier geen spoor meer over,
Hunne eeuw vlocht hun het eereloover;
De naneef zoekt vergeefs hun graf. —
Dan wat den banvloek droeg of drage,
Den banvloek der vergank\'1 ijkheid, —
Daar staat één dynastie op aarde,
Voor wie iets beters schijnt bereid:
Zy heerscht van dat er menschen waren;
Wat mensch heet is haar onderdaan,
En buigt zich voor haar zegevaan,
En biedt staag nieuwe lauwerblaren
Der Heerscheresse van dat Kijk. —
Kent gy haar naam? Wie mag zij wezen,
-ocr page 122-
110
Wie zelfs de Tyd steeds scheen te vreezen,
Aan wie geen koning is gelijk!
Helaas! wij kennen haar; — de zonde,
De afschuwelijke Dwing\'landes!
Belaagster onzer eêlste gaven
En onzer zielrust Moorderes!
Zij biedt festoenen aan van rozen,
Maar keet\'nen schuilen onder \'t blad:
Zij biedt een zoet en geurig nat,
Maar heeft het felste gif gekozen
Tot smetsel van den bekerrand;
Zy weet in duizend, duizend vormen
Ons arg\'loos harte te bestormen. —
Wee ons! het is zoo licht vermand.
Zy schildert, toovert voor de zinnen,
En vleit en boeit om onze gunst,
En wy\', onz\' adelbrief vertrappend,
Wij leeren dan de onzaal\'ge kunst,
Rede en geweten te verkrachten.
De zonde vraagt en krijgt ons hart:
Zij ziet hoe wy voor onze smart
Van haar opnieuw verzachting wachten.
Ach! die eerst kroop, zij zal zoo stout,
Zoo hard en wreed ons onderdrukken,
En voor haar zegekar doen bukken;
\'t Is \'twagenrad van Jaggernaut!
Zeg, zondaar! zeg, heeft de verleidster
Niet vrede en zaligheid beloofd?
Hoe weinig toch heeft ze u gegeven!
Hoe naam\'loos veel heeft ze u ontroofd!
Ga voort, ga vooort haar te beminnen,
Als ware uw heil slechts aan haar zy\';
-ocr page 123-
til
Uw harte kloppe hoog en blij.
Als woelde geen venijn daar binnen;
Maar denk aan \'t doodsuur, u bereid!
Dan moet de blinddoek weg van de oogen,
Dan staart gjj vreeselijk bedrogen,
In \'t peilloos diep der eeuwigheid.
Helaas! zoo is het talloos velen
Van die haar dienden, reeds gegaan.
En zij, de wreede en trouwelooze,
Zij hief daarbij haar jubel aan. —
Maar, nimmer kon ze een zang doen hooren,
Zoo wild, zoo bandeloos en hoog,
En nimmer mocht er in haar oog
Zóó hel\'dre vonk van vreugde gloren,
Als toen ze met een lach van spot,
In haar verdorven priesterschapen
U zag, en Christus\' moordenaren, —
U, Judas, Man van Karioth!
O ja, gy\' loegt bij "t kruis des Heeren,
Gij juichtet bij zijn marteldood!
En, Zonde! u eigen krachten weken,
Toen aan zijn wonden \'t bloed ontvloot.
Neen! dartel niet zoo vreugdedronken,
Al schijnt gij in uw daden vrij,
En al schijnt Hij verplet, dien gij
Aan \'t foltertuig hebt vastgeklonken; —
Gij zelv\', gij zijt in stervensnood!
Dat woord: „ Volbracht\'." dat nog de lippen
Van den Gekruiste doen ontglippen,
Dat woord is \'t vonnis van uw\' dood!
De Christus leeft, en die gelooven,
-ocr page 124-
112
Ze zijn gelijk hun Meester, vrij,
Niet van de schuld alleen der zonde,
Maar ook van hare heerschappij.
De Christus Gods zal triomfeeren,
En ied\'re vijand, die nog woedt,
Is eens schabel voor zijnen voet.
En dan, dan vieren alle sferen
Der schepping \'t eindeloos festijn,
"Waar niets de zaligheid kan storen,
AVaar niets den juichtoon kan versmoren,
"Want, ziet! daar zal — geen zonde zijn!
Wat Gode \'t meest behaagt.])
Een Engel des lichts was ten val gekomen. Maar hij zou in
gunst weer opgenomen worden in den hemel, als hij derwaarts
bracht de gave, die aan God het meest behaagt.
Verblijd door die toezegging en vol van hope wendde hij zich
toen naar de aarde. Hij zweefde over een veld, waar een woeste
en heftige stryd werd gevoerd, \'t Was een strn\'d tusschen de
benden van een tiran en eene schare van dapperen, die kamp-
ten voor de vrjjheid van hunne haardsteden en altaren. Moedig
streden zij, maar met ongunstigen uitslag. Hunne rn\'en werden
vreeselijk gedund, en ten laatste was slechts één man van hen
over. Getroffen door den volhardenden moed van dezen held en
zijn gewezen medestanders, bood de dwingeland hem aanzien
en eer. Het antwoord was een pijlschot. Maar dat pijlschot miste
zijn doel, en oogenblikkelijk werd de heldhaftige vriend der
vryheid terneder geslagen. — De gevallen engel daalde neêrbjj
zijn lijk, en nam een droppel van zijn bloed en dacht, dat dit wel
1) Dit stukje bevat de hoofdgedachten van Moore\'s gedicht: Paradise
and the Peri.
-ocr page 125-
118
de gave zou zijn, die hem weer toegang geven zou tot den door
hem verbeurden hemel. Maar aan de hemelpoort vernam hij,
dat hy nog eens moest zoeken, want dat er iets anders, iets
hoogers nog was.
Na weinige oogenblikkon zweefde hij over eenbosch. Vanuit
dat bosch klonken kermende en klagende tonen hem tegen. Hfj
kwam naderbij en zag daar een jongeling liggen, met een tint
als van lood op het ingevallen gelaat, \'t Was een offer van de
pest. Die jongeling was de stad uitgeslopen, opdat de maagd,
die hij lief had en die hem beminde, niet mocht sterven, door in
de nabijheid te komen van hem. Maar zij zocht en zij vond hem.
Toen ontstond er een treffende strijd tusschen liefde en liefde.
Zijne liefde voor haar riep, als waanzinnig: „ga weg!" en hare
liefde voor hem antwoordde met standvastigheid: „neen!" Zoo
stierven die beiden te zamen. — De gevallen Engel ving den
laatsten zucht, die over hare lippen kwam, op, en spoedde zich
daarmee omhoog, in do zekere hoop, dat deze gaaf hem den he-
mel zou openen. Maar aan de hemelpoort vernam hij, dat hij nog
eens moest zoeken, want dat er iets anders, iets hoogers nog was.
Wederom richtte nu de teleurgestelde Geest zijne vlucht naar
de aarde. Daar zag hij onder zich een lachend en liefelijk land-
schap, beschenen door de schuine stralen van de langzaam ten
ondergang neigende zon. Een aanvallig knaapje sprong opgeruimd
en vroolijk daar rond, nu eens zich heenwendende naar eene
bekoorlijke bloem, dan weer een kleurigen vlinder vervolgend.
Weldra kwam daar een ruiter aan, die bn\' eeno daar aanwezige
beek van zün paard steeg, dat bezweet was en hijgde. Zijn ge-
laat drukte woestheid uit, en had in alle trekken iets stuitends,
iets, dat van boosheid sprak. Maar bij den aanblik van dat kind
kwam er eene zachtere uitdrukking op, en het had iets diep-
weemoedigs, toen het woord aan zijne lippen ontsnapte: „Kind!
ik was eenmaal zooals gij!" — Daar klepte een klokje, \'t Was
een klokje, dat opriep tot het avondgebed. Het kind knielde ne-
der en bad. Toen werd het hart van den woestaard verbrijzeld,
en bü den smartekreet: „Zoo heeft mijno moeder ook my leeren
Kl\'ST EEN WKINIO.                                                                                                         8
-ocr page 126-
114
bidden!" schoot er eensklaps een traan uit zyn oog. — De ge-
vallen Engel nam dien traan van zijn ruige wang af, en vloog
er meê weg naar den hemel. En, ja! die traan des berouws
was de gave, die Gode veel meer dan iets anders behaagde. De
balling zag den hemel weer voor zich opengedaan.
Een gebed voor anderen.
\'t Zü U gevallig, Heer! wanneer \'k niet slechts myzelven,
Maar mijne naasten ook gedenk,
En hun, die daar en ginds op \'t pad der zonde wand\'len,
Een plaats in myn gebeden schenk.
O! moge een uur als dit, zoo ernstig en zoo plechtig,
\'t Gevoel van menig zondaarshart
Zóó aandoen, dat uit vreugd, die laag is en onheilig,
De zucht ontsta van heil\'ge smart.
Moog\' menig dienaar thans en dienares der zonde
Terugzien op \'t betreden pad,
En denken aan hun jeugd, toen \'t nog zoo frissche leven
Den vreugdeblos der onschuld had;
Toen nog, aan vaders hand, hun blyde gang zich richtte
Naar rein en hartelyk genot,
En toen ze aan moeders schoot nog hun gebeden leerden,
En van haar hoorden: „Denk aan God!"
Och of Uw alziend oog in menig schuldig harte,
O Heer! iets goeds ontwaken zag!
Och of in dezen nacht in meen\'ge ziel mocht ryzen
De scheem\'iïng van een nieuwen dag!
-ocr page 127-
115
Een Engel aan de deuren.
Een Engel luistert aan de deuren.
En waar hij Psalm verneemt en beê.
Daar zegt hy: »In den naam des Heeren!
\'k Breng u een\' hemelgave meê."
Maar waar hij \'t laffe en lage joelen
Van zinn\'lijkheid en zonde hoort.
Daar zegt hy: ,.Ik kan hier niet zeeg\'nen;"
En droevig zuchtend gaat hy voort.
Betere oogenblikken.
\'t Is waar, als wy terugzien op het jaar, dat we weer hebben
doorleefd, dan komen er vele beschamende herinneringen voor
ons op uit \'t verleden. Maar geeft hot verleden uitsluitend be-
schamende herinneringen op\'? Hebben geene andere dan ver-
werpelyke gezindheden in ons hart zich bewogen\'? \'t Is te hopen,
dat het anders zy, en dat wij ook mogen terugzien op uren,
waarin eene heilige stemming onze borst heeft doorgloeid. Zoo
verbeeld ik mij, dat althans wel een enkele maal de majesteit
van den Ongeziene, die uit de prachtige werken Zyner handen ons
tegenstraalt, tot aanbidding van Hem ons zal hebben gedrongen.
Zoo verbeeld ik mij, dat, althans nu en dan wel eens, weemoed
ons zal hebben in het hart gegrepen en verontwaardiging tevens,
met het oog op de schrijnende keten van jammeren en weeën,
die de zonde het menschdom om de lendenen sloeg. Zoo ver-
beeld ik mij, dat althans wel oogenblikken van eene Godgeval-
lige stemming u zullen eigen geweest zyn, u, zoon en dochter!
toen gy openlijk een eed van trouwe zwoert aan Christus, den
-ocr page 128-
116
Heer, en toen gij voor \'t eerst bij brood en bij beker Gods liefde
kwaamt roemen; u, jonkman en jonkvrouw! toen gij. hand in
hand, en met het oog naar omhoog, de gelofte deedt, met elkan-
der te zullen leven en elkander ten zegen; u, vader en moeder!
toen gij het water des Doops op het voorhoofd zaagt glinsteren
van het kind, dat u dierbaar was, als het zwarte uwer oogen;
u, verlatene in het rouwkleed! toen op de rustplaats der dooden
dat woord van den Heer in den boezem u drong: Ik ben deop-
standing en het leven; die in mij gelooft, zal leven, ook als hijge-
storven is.
\') En waartoe zullen wij ons deze dingen herinneren?
Zal hetzij n, om, met de zelfvoldoening van den hoogmoed, te zeggen,
dat wij dan toch eigenlijk nog al niet zoo onverdienstelijk zijn\'?
Daar moge God ons voor bewaren! Neen, maar om te bedenken,
hoe, meer en meer, onze doorgaande gezindheid zal behooren te
worden, en om, door een beroep te doen op de ervaring, de be-
ln\'denis aan onze eigene ziel te ontlokken, dat in zulke hemelsch-
gezinde oogenblikken door ons een heil wordt genoten, waar
de vreugde der wereld zoo goed als niets bij beteekent, waar
de vreugde der wereld van onderscheiden is als blanketsel van ge-
zondheid, als glas van edelgesteente, als een straatlied van een
Engelenzang. En als wij dat belijden moeten, dan ligt daar voor
ons tegelijk ook weer de opwekking in, om by toeneming de
geloofsgemeenschap te zoeken met Hem, door wien al meer
vreugd van den hemel ons in \'t harte zal dalen. Ja! hemelsch-
gezinde vreugd, dat is vreugd uit den hemel, dat is een bloem,
ons toegeworpen uit het Eden daar omhoog. — God! wij danken
U, dat het ons toch ook aan zoo iets, in het afgeloopen jaar,
niet geheel heeft ontbroken, en wij bidden U: als de Oudejaars-
avond van ons leven hier gekomen zal wezen, laat ons dan
alles mogen krn\'gen, wat Uw hemel geven kan! —
1) Joh. XI: 25.
-ocr page 129-
117
Gedachten en Spreuken.
De beschamende herinneringen maken de duisternis uit. waarin
de achter ons liggende reisweg gehuld is; — de bemoedigende
herinneringen zijn vreugdevuren, in dien nacht, op de bergen.
God gunt ons hemelsche genietingen; maar wjj stellen ons
doorgaans al tevreden met de aardsche. In dit bijzonder geval zyn
wij, die zoo vaak ontevreden zijn, veel te spoedig tevreden.
Vreugde is een zonneschyn in \'t harte. Maar de vreugde der
wereld eene winterzon en de vreugde in God eene lentezon.
Dat is \'t verschil.
Zondige vreugde is lachende smart. Heilige vreugde is wer-
kelijke vreugde.
Zoo vaak wrj bij God zijn, zijn wy\' ook goed; en zoo lang wij
goed zijn, zijn wij ook gelukkig.
Zoolang vvy hemelsch zjjn gestemd, zijn wij, hier reeds, in
den hemel.
Die een oogenblik van vreugde in God heeft, die is voor dat
oogenblik Engel.
"Van de zaligheid, door God ons gegund en bestemd, ligt het
begin reeds hier en het einde nergens.
Als wy oogenblikken kennen van blijdschap in God, dan
grypt eene namelooze verrukking bij de gedachte ons aan, wat
dan wel eene eeuwigheid van zulk eene bly\'dschap moet wezen.
Die op een Thabor venvylt, wil er tabernakelen boutven <)• —
1) Matth. XVII: 4.
-ocr page 130-
118
Jammer, dat een mensen gedurig weer van dien lichtenden top
naar omlaag moet; maar gelukkig, dat hij op een Thabor kan
sterven, en dan niet meer beneden komt.
Verheuging in God, als we nog zijn in dit leven, is als
de lentezang van \'t gevogelte, terwjjl \'t nog koud is en guur.
Er ligt eene voorspelling in van betere dagen.
Het is met onze ziel, zooals \'t voorheen met de duif was der
arke: slechts dan, als zij terugkeert tot de hand, die haar uit
heeft gelaten, vindt zu ruste en heeft zij \'t goed.
By een glimlach voor God is er feest in de ziel.
Eene mislukking is doorgaans onaangenaam voor ons gevoel.
Maar zalig is \'t voor ons gevoel, te ervaren, dat het ons mis-
lukt, God naar waarde te aanbidden.
Als er Godsdienstoefening wordt gehouden in \'t harte, dan
spreekt God zelf den zegen uit.
Wereldvreugde is eene bloem, die uiteenvalt, als de Dood
er op blaast; maar vreugde in God is een knop, die juist goed
zich ontsluit, als de Dood er op ademt.
Die ondervindt, dat hij in de uren zyner beste genieting
aan heel de wereld niet denkt, die weet dus bij ervaring, dat
hjj \'t eenmaal zonder de wereld zeer goed zal kunnen stellen,
gelijk de wereld het zeer goed zal kunnen stellen zonder hem.
Waar is men, hier op aarde, het dichtste bü God? — In den
schoot der Natuur en aan den boezem des Heeren.
Licht van binnen.
Ik dank U, Heer, mijn God! dat, schoon zoo menigmaal
Een doffe en donk\'re nacht mn\'n gansche ziel omhulde,
Toch menigmalen ook een flikk\'ring van uw geest
Haar met een held\'ren glans van hemelsch licht vervulde.
-ocr page 131-
119
En is die lichtglans vaak aan \'t weêrlicht slechts gelijk,
Dat, als \'t verschenen is, ook dra weer is verdwenen, —
Ik bid U, schiete al meer, en eind\'lyk slag op slag,
Dat weêrlicht van Uw geest mij door het harte henen.
En kome intusschen steeds de tijd mij meer nabij,
"Waarop het dag zal zyn, — die dag van mijn verlangen! —
Als \'t weêrlicht van den nacht, dat steeds toch vluchtig was
Door \'t blijvend zonnelicht daarbinnen wordt vervangen.
Wat mijn beste dagen waren.
Wat mijn beste dagen waren? —
Als ik \'t meest mijzelv\' vergat,
Om voor and\'ren goed te wezen;
Als ik \'t meeste liefde had;
Als ik \'t sterkst was in \'tgeloove,
En, — van hooge vreugd bezield, —
Voelde, dat mijn God en Vader
Mijn hand in de zyne hield;
Als ik \'t rijkst was in de hope,
En dat heil zag in \'t verschiet,
Dat wel groeien kan en bloeien,
Maar vergaan of kwynen niet;
Als ik \'t naaste was bij Jezus,
En geleund aan zyne borst,
Met de woorden zn\'ner waarheid
Laven mocht mijn zieledorst;
Als ik God zag in do schepping,
God ook in mn\'n levenslot,
God in \'t aanschijn van den Christus, —
Overal en telkens God;
-ocr page 132-
120
Als mijn harte was oen windharp,
Door des Heoren geest geroerd,
Zóó, dat aan de diepste snaren
Dank en loftoon werd ontvoerd;
Als ik klaar en krachtig voelde,
Dat ik, schoon aan \'t stof nog vast,
In dat stof mijn pad bewandel
Slechts als vreemd\'ling en als gast;
Als \'k ervoer, dat eeuwig leven
Me uit Gods hand ten deele viel,
En \'k de wieken van een Engel
Voelde trillen in mijn ziel. —
Zulke dagen waren \'t beste,
Van mijn leven \'t schoonste deel. —
Vader! geef aleer ik sterve,
Zulke dagen mij nog veel!
Met God zijn.
God! als ik leefde, ja, maar niet met U kon leven,
Als ik geen vleug\'len had, niet tot U op kon zweven,
Mjjn leven had dan weinig zin;
Dat wat aan mijn bestaan beteokenis kan geven,
Is \'tworst\'len mijner ziel om naar omhoog te streven:
En dat, dat heeft eerst zegen in.
Wanneer ik uit het stof, als op oen vlammen wagen,
Mijn ziel, van U vervuld, U te gemoet voel dragen.
Ja! dan is my het aanzijn zoet.
Het leven treft mij vaak met felle en harde slagen,
En \'t hart is menigmaal vol wonden en vol plagen, —
Maar \'t zijn met U maakt alles goed!
-ocr page 133-
121
Verschil van dagen.
De mensch noeme eiken dag.
Waarop hij God nier zag.
Verloren uit zijn leven;
Maar heeft Hij God ontmoet.
Dan was zijn dag ook goed
\'En kan hem winste geven.
Vermoeiende, maar toch geen vruchtelooze, gang.
\'t Is eene niet ongewone gedachte van bedevaartgangers, dat
zij des te verdienstelijker zijn. hoe meer moeite en kwelling
zij zich zelven berokkenen. Uit dat beginsel kwam het voort,
dat er somtijds pelgrims waren, die tegen twee stappen vooruit
telkens weer ééne schrede achterwaarts deden. En dat mag
beeld heeten van den gang van allen, die ernstig en oprech-
teljjk naar heiligheid streven.
Er zijn eigenlyk drie soorten van loop te zien op *t gebied
van het zedelijk leven. Velen doen niets dan achteruitloopen,
onophoudelijk achteruit. Anderen doen twee schreden terug
tegen ééne vooruit, en ook bij hen is dus achteruitgang de
slotsom. Anderen, eindelijk, doen als die pelgrims, — echter
niet opzettelijk, maar omdat zo \'t niet anders kunnen, — ze
doen twee passen voorwaarts tegen één stap terug. En dat
zyn zoowat de besten. Veel verder brengt een mensch het al
niet. Nooit anders dan vooruit zich bewegen, zonder eenigen
rugwaartschen tred, dat heeft er slechts één op onze aarde
gedaan. Dat was Jezus. Maar, anders, de besten onzer, die hem
na willen treden, hebben den gang van die pelgrims: twee
passen voorwaarts, en dan weer één achteruit.
-ocr page 134-
122
Dat is een vermoeiende gang. Maar, toch, men vordert er
meê. En dat is al veel. \'t Ware wel te wenschen, dat het al
vast de gang van ons allen maar zyn mocht. En als het in
de achter ons liggende jaren, ook in het nu weer afgeloopen
jaar, ónze gang is geweest, dan hebben wij waarlijk alle reden,
om God voor grooten zegen te danken van avond. Dan zijn
we sedert den laatsten Nieuwejaarsdag niet alleen nader bij het
graf, maar ook nader bij den hemel gekomen.
"Wel mogen wij, van wege de blijdschap over onze voorwaart-
sche schreden, de achterwaarts gedane stappen niet uit het
geheugen verliezen. Ook die moeten wy onthouden, en de ge-
dachte er aan moet van weemoed ons vervullen en spijt. Maar
\'t zou niet minder verkeerd van ons zijn, als wij de voorwaarts
gedane schreden vergaten om de stappen, in eene andere richting
gezet, en als wjj dus niet, ten slotte, ons in God en onzen
vooruitgang verheugden. En wij willen dan immers, al moet
het dan gaan op die vermoeiende wijze, — wij willen dan immers
zoo nog wel verder vooruit, en wij roepen ons zelven en elkander
de bemoediging toe: volhouden! volhouden! al is het vermoeiend;
het vooruitkomen is op zich zelf al belooning, en er zal gelegenheid
om te rusten zijn in het Heilige Land!
\'t Berouwt mij niet
Veel zal mh\'n ziel van leed en spijt vervullen,
Wanneer voor mij, als \'k dicht bij \'t graf zal staan,
Het levenspad nog eens zich zal onthullen; —
Dan klaagt vast veel bij mijnen God mij aan;
Dan zal vast veel de biecht me in \'t harte leggen:
„Een zondaar, Heer! die vaak Uw weg verliet!"
Maar ook van veel zal \'k dan toch mogen zeggen:
„\'t Berouwt mij niet."
-ocr page 135-
123
\'t Berouwt mü niet, dat \'k aandrong op verschoonen,
Als men den naaste op strenge weegschaal woog,
Den zondaar nog mijn hulpe bleef betoonen,
Iets goeds zocht daar, waar ieder gif uit zoog.
En, was mijn woord te zacht, te stout mjjn hopen,
Welnu, slechts God is \'t, die in \'t harte ziet;
Voor mij ook houdt ontferming de armen open;
\'t Berouwt my niet.
\'t Berouwt my niet, dat mij het denken voerde
Tot onderzoek, langs menig dist\'lig pad;
En dat ik vaak myn geesteswieken roerde,
Als menigeen daar dof te droomen zat.
En was het soms eerst na veel vrucht\'loos zwerven,
Dat zich het licht door mij aanschouwen liet,
Ik kwam dan toch door \'t zoeken tot verwerven: —
\'t Berouwt mij niet.
\'t Berouwt mij niet, dat \'k in een kring van vrinden,
Of eenzaam ook, een vroolyk lied vaak zong;
Dat poëzie mijn haren kwam omwinden
Met blad en bloem, en vreugd me in \'t harte drong;
Al was \'t dan niet uit de gemeentepsalmen,
Dat \'k zong, soms mag ook wel een ander lied
Ter eere Gods in woud en dal weergalmen; —
\'t Berouwt my niet.
\'t Berouwt mij niet, dat vaak een niet te teug\'len
Verlangst my" dreef, Gods schoone schepping in,
"Waar \'k, in den wind, verkoeld werd door Zyn vleug\'len,
Bij zonneschijn mij koesterde in Zijn min.
En was dat niet een kerk\'lijk God-vereeren,
Noch arbeid, dien de strenge plicht gebiedt,
Ook op den berg vond ik een school des Heeren; —
\'t Berouwt my\' niet.
-ocr page 136-
124
\'t Berouwt mij niet, dat \'k zonder lang te dralen
Een lijder vaak mijn troost en hulpo bood.
En \'t droef gelaat van vreugde en hoop deed stralen, —
Een hemelsch licht, dat door zyn smarte schoot. —
En was veelal mijn weldaad brood in \'t water,
Zelfs God ziet vaak geen vrucht van \'t geen Hij biedt;
Eén booze mensen maakt mij geen menschenhater;
\'t Berouwt mij niet.
\'t Berouwt mij niet. dat vaak myn tranen vloten
By and\'rer leed en by mijn eigen smart,
Waar velen, meer gehard, den boezem sloten,
En bleven staan met koeler bloed in \'t hart.
En. noemt men \'t zwak, dat om het leed van \'t leven
Zoo menigmaal myn oog een traan ontliet,
\'k Zie tranen ook in Jezus\' oogen beven;
\'t Berouwt my niet.
Dat \'kvaak geen dank had voor Gods goede gaven,
Geen groet voor Hem, door wienuk werd gegroet,
Dat \'k Zijn talent zoo dikwy\'ls heb begraven, —
Ja! dat brengt wel berouw mij in \'t gemoed.
Maar dat ik toch nog Christen bleef van binnen,
En bij den strijd mijn moed niet sterven liet,
En dat ik bleef gelooven, hopen, minnen, —
Berouwt mij niet.
Xanr Gerok.
Oogenblikken, die men zou willen vasthouden.
Welke oogenblikken zyn het, waarop dit opschrift by uit-
nemendheid past? Immers die, waarin wy vervuld waren van
heilige vreugde. Zulke oogenblikken kennen wy allen wel, denk
-ocr page 137-
125
ik. Heilige vreugde doorstroomde ons, toen in onze woning een
stemmetje zich hooren deed, dat daar nog nooit had weêrklon-
ken, en waarbij wy gevoelden, dat er eene omwenteling plaats
had van gevaar tot behoud, van worstelstrijd tot overwinning.
Heilige vreugde doorstroomde ons, toen op onverwachte en on-
gedachte wijze ons redding ten deel viel, redding uit een\' nood,
die ons lang en hard had beklemd. Heilige vreugde doorstroomde
ons, als wij, aan den boezem des Heeren geleund, de aarde
vergaten, met al haar zonde en zorg, en aan de vele woningen
van het vriendelijk Vaderhuis dachten. Heilige vreugde door-
stroomde ons, als wij, dolende in Gods prachtige schepping,
verstonden dat daar: God is groot! werd geroepen, bii dag door
de bloemen, en door de sterren bij nacht, en dat door \'t ge-
ruisch van het koeltje over den akker vol graan de toon: God
is goed!
in ons oor werd gefluisterd. En, niet waar? die heilige
vreugde, die bh\' deze en soortgelijke gelegenheden door ons bin-
nenste voer, — zoet, als een bloesemgeur des hemels, rein, als
een hemelsch maatgeluid, — die heilige vreugde, waarbij onze
ziel als de leeuwerik deed, die uit het lage nest al zingende
opstijgt, o! zoo hoog, zoo zeer hoog, — dat was tevens de zaligste
vreugd, die wy kenden. Daarom, ja! de oogenblikken, waarin
zulk eene vreugd ons vervulde, die hadden wy\' wel vast willen
houden, om ze te rekken tot dagen, tot jaren, tot eeuwigheid! —
Maar, ach! dat was voor ons onmogelijk. Alle oogenblikken
gaan weg, zonder eenig verwyl, terstond na hun komen: ook
die oogenblikken van heilige vreugde waren vluchtig en kort.
Maar daarom niet getreurd, althans niet mismoedig getreurd.
Ze kunnen in ons leven menigvuldiger worden, en hoe meer
wjj ze genieten, des te klaarder en krachtiger profetie ligt er
in, dat eens het genot van zulk eene heilige en zalige vreugd
niet meer zoo maar enkele oogenblikken voor ons zal duren,
maar eeuwig. Dus, dan hebben we onzen wensch, den besten
wensch van onze harten, en daarin is het heil gelegen, waar
onze taal geen naam voor heeft. Gaat voorbij dan, heilige en
niet zoo heilige en onheilige oogenblikken van ons bestaan! ons
-ocr page 138-
126
laatste oogenblik zal heilig zyn, en dat oogenblik zullen wy
vast kunnen houden; ten minste \'t zal niet voor minder verhe-
vene en minder zalige toestanden wijken, maar zich uitzetten
tot eene eeuwigheid. O! zaligheid, niet uit te spreken, zoo\'n
heilige vreugde, die dan nimmer vergaat!
Wat liet schoonste is.
Schoon is de zon, die gouden strepen
In \'t neev\'lig Oosten trekt,
En met een tint van gloeiend purper
De heuveltoppen dekt.
Schoon is de maan, die, blank en zuiver,
Hoog boven de aarde zweeft,
Terwijl de weerschijn van haar zilver
Op \'t kabb\'lend meervlak beeft.
Schoon is de ster, die uit de verte
Ons toelonkt in den nacht,
Zoo vol van lieflijkheid en tevens
Zoo vol van hooge pracht.
Schoon is de zee, die zacht zich rimpelt,
In kalme majesteit,
Of, opgezweept, ten hemel steigert,
Met grootsche onstuimigheid.
Schoon is de bergrivier, die schitt\'rend
En buld\'rend in haar val, —
Met regenboog en donder in zich, —
Ter neer stort in het dal.
-ocr page 139-
127
Schoon is de bloem, door God beschilderd
Met kleuren teer en fijn,
Waarop de morgendropplen tint\'len,
Als paarlen op satijn. —
Veel is er schoon in \'s Heeren schepping,
Maar \'t schoonst van wat bestaat
Is \'t menschenhart, dat, vol bezieling,
Voor God ontgloeien gaat!
Dat hart heeft in zich zonnestralen,
Vol glans en glood en kracht,
En maan- en sterroschijnsel tevens,
Zoo lieflijk en zoo zacht.
Dat hart heeft van de zee het grootsche,
En van den stroom de vaart,
En van de bloem het stille en reine, —
\'t Is \'t schoonste van deze aard.
Ja! veel is \'tschoone in \'s Heeren schepping,
Maar toch de keur en kroon
Is \'t hart, dat zich in God verlustigt; —
Dat is het schoonste schoon.
Wisseling van tijden.
\'t Hart heeft zijn wintertijden; —
Dan is \'t er koud en kaal;
Dan strijkt een lucht er over,
Die snerpend is en schraal.
Dan is \'ter dof en donker,
Dan is \'t er bar en kil ;
Nu eens vol gure vlagen,
En dan weer aak\'lig stil.
-ocr page 140-
128
Maar \'t kan ook zomer wezen
In \'t diepst van ons gemoed; —
Dan is de lucht er lieflijk,
Dan straalt er zonnegloed.
Dan is er lied en leven,
Dan is er kracht en fleur:
Dan is er vreugd en volheid,
Dan is er kleur en geur.
Die zomertijden zijn er,
Als \'t hart naar God zich richt;
Maar winter is \'t, als \'t harte
Zich afwendt van Gods licht.
Nu doet, als \'t in ons zomert,
Met recht ons \'t denkbeeld pijn:
.,Och! \'t zal niet lang zoo duren;
Dan zal \'t weer winter zijn."
Maar óók mag, als het wintert,
Dit denkbeeld troost ons zijn:
„De winter zal weer wijken
Voor zomerzonnescruj\'n!"
Een dankgebed.
Ik dank U, Heer! voor al de jaren,
Waarin Uw zorg mij heeft behoed,
Maar \'t allermeest voor de oogenblikken,
"Waarin mijn ziel U heeft ontmoet.
Ik dank U, Heer! voor al de gaven,
Waardoor mijn leven werd gevoed, —
Maar \'t allermeest voor de oogenblikken,
Waarin mijn ziel U heeft ontmoet.
-ocr page 141-
129
Ik dank U, Heer! voor ied\'ren zegen,
"Waardoor Ge U trouw betoonde en goed, —
Maar \'t allermeest voor de oogenblikken,
"Waarin mijn ziel U heeft ontmoet.
En daarom bid ik, dat nog dikwerf
Mijn ziel U hier ontmoeten moog\',
En dat zij eenmaal zonder einde
Nabij U blijve, daar omhoog!
De reinste vreugde,
Wat zou wel de reinste vreugde zijn? Laten we daar eens
even over denken. Of, — weet gn\' wat? — Laten wij ons oog
eens naar Jezus richten. Heeft Jezus zich wel eens verheugd ?
Zoo ja, dan is zeker in zijne vreugd wel de reinste vreugde te
aanschouwen. Welnu, er staat ergens >) geschreven: Te dier ure
verheugde zich Jezus in den geest.
Waar ziet dat op? Dat ziet
hierop, dat de door Hem uitgezonden discipelen terugkwamen
met het bericht van den voorspoed, dien zij gehad hadden op
hun zendelingswerk. Dus, Jezus verheugde zich over den voort-
gang van het Godsrijk. En waarom? Omdat, door don voortgang
van het Godsrijk, op aarde toeneemt de verheerlijking Gods en
bevorderd wordt het waarachtige welzijn der menschen. En
welke vreugde zou verhevener zijn, dan vreugd over de toe-
nemende verheerlijking Gods? En welke vreugd zou edeler zijn,
dan vreugd over het toenemend geluk van de menschheid? Voor-
waar! die vreugd, die daar en toen de groote ziel van den Chris»
tus doorstroomde, dat is de schoonste, reinste vreugd.
Stemmen wn\' dat toe? En meenen wij dat? Dan is \'t goed.
1) Lukas X : 21a.
RUST EEN WEINIQ.                                                                                                         »
-ocr page 142-
130
Dan hebben we zeker in ons leven, ook in het straks weer vol-
eindigde jaar, er iets aan gedaan, om to doen toenemen op aarde
de verheerlijking Gods en te bevordoren het waarachtige wel-
zn\'n der menschen. En waar we merkten, dat dit ons gelukte,
of waar wij zagen, dat hot anderen gelukte, daar hebben we ons
dan zeker verheugd met iots van die vreugde, die do vreugd des
Heeren was. God geve, dat het zoo zy, en dat er al meer stof
voor die vreugde zich moge opdoen in onze omgeving, en al meer
lust tot die vreugde zich gelden doe in ons gemoed. Alle andere
vreugd is van lagere orde. Daarom behoeft echter alle andere
vreugde niet weg. Neen! laten we ons in alles verheugen, wat
Gods goedheid ons geeft, om \'t genot van ons bestaan te verhoogen.
Maar laten we niet vergeten, dat ons hart nog al te ongelijk-
slachtig met bet Christushart is en nogal te ver van zijn hoogste
ontwikkeling verwijderd, indien door honderd andere dingen er
blijdschap in komen kan, maar niet door eene winst van de
waarheid, niet door een zegepraal van de gerechtigheid, niet door
een triomf van de liefde — met andere woorden: niet door een
voorwaartsche beweging van het koninkrijk Gods. — Zoo zy dan
de vreugde hierover, dat het koninkrijk Gods vooruitgegaan is,
en dat het zal blyven vooruitgaan, in ons hart een goede be-
kende. Want dat is eene vreugde, zoo rein en zoo heerlijk, dat
zij mee mag naar den hemel, als Wfl weggaan van deze aard.
Niet vergeefs geleefd.
Als \'kiets gedaan heb voor de zegepraal der waarheid,
Als \'k naar de nederlaag der dwaling heb gestreefd,
Dan mag ik thans met dank ootmoedig mij verbln\'den, —
Dan heb ik niet vergeefs geleefd.
-ocr page 143-
131
Als \'k voor gerechtigheid gepleit heb en gestreden,
Daar, waar men aan den dienst der zonde was verkleefd,
Dan mag mij, zonder trots, thans zelfvoldoening streelen, —
Dan heb ik niet vergeefs geleefd.
Als \'kdoor mijn woord en daad de liefde heb doen winnen,
De erkenning heb gewekt, dat haat een hel hier geeft,
Dan mag ik in dit uur mijns Vaders zegen hooren, —
Dan heb ik niet vergeefs geleefd.
\'t Gevoel van vreugde in God.
\'t Gevoel van vreugde in God is voorgevoel van \'t leven,
Dat steeds verblijd zal zijn in God,
Ver boven toon en tint van \'taardsch bestaan verheven,
Dat altijd wiss\'lend is door stemming en door lot.
\'t Gevoel van vreugde in God is bloesem, — uit het Eden
Der toekomst, dat daar ginds mij beidt,
Mij te gemoet gewaaid, opdat ik reeds in \'t heden
Een voorproef hebben zou van \'s hemels lieflijkheid.
\'t Gevoel van vreugde in God is laaf\'nis, waar mijn lippen
Op aard meê worden nat gemaakt,
Opdat de drop, waarmee \'k mijn mond hier aan voel stippen,
Mn\' zegge, hoe het vocht van d\'Eng\'lenbeker smaakt.
Dankt God.
Hallelujah! Dankt uw\' Schepper,
Dat Zyn macht u worden deed,
Maar dankt hiervoor niet het minste,
Dat gy van Uw\' Schepper weet.
-ocr page 144-
132
Looft en prijst den Alverzorger,
Die ook zorgt voor uw bestaan,
Maar dankt hiervoor niet het minste,
Dat gij met Hem om kunt gaan.
Eoemt en huldigt den Algoede,
Dat Hy brood en vreugde u gunt,
Maar dankt hiervoor niet het minste,
Dat gij dank Hem brengen kunt.
Looft den Heer, dat Hij uw leven
Kroont met menig liefdeblijk,
Maar dankt hiervoor niet het minste,
Dat ge iets doen kunt in Zijn Rijk.
Prijst uw\' God voor allen zegen,
Dien Hij hier op aarde u schenkt,
Maatf dankt hiervoor niet het minste,
Dat Hij u ten hemel wenkt.
Wat zal liet nu zijn?
Wanneer wtf op een Oudejaarsavond een weinig zitten te
rusten, dan loopt onze blik by voorkeur het verledene in; dan
houden wjj ons by voorkeur met de Herinnering bezig, die ons
de geschiedenis van vorige jaren, ook van het laatst verloopen
jaar, nog eens voorleest, en ons, zoo doende, als het ware nog
eens doorleven doet de heilige en de onheilige oogenblikken,
die wjj hebben gehad, do vreugdetijden en de treurdagen, die
nu achter ons liggen. Maar toch, op zoo*n Oudejaarsavond kun-
nen we ons niet geheel en al van eone poging onthouden, om
ook eens in te zien in de toekomst; wij kunnen de vraag uit
ons harte niet weren: Wat zal het nu zijn? —
Wij denken aan de wereld, aan ons vaderland, aan ons huis,
aan ons hart, — en telkens komt daarbij die vraag in ons op:
-ocr page 145-
133
Wat zal het nu zijn? Maar de toekomst antwoordt niet. Zij
zwijgt en blijft gesluierd Beangstigend! Zullen wij naar uit- en
inwendig leven vooruitgaan of achteruit? Zullen wy veel voor-
spoed of veel rampen ontmoeten ? Zullen onze dierste wenschen
worden vervuld of verijdeld\'? Zullen we, als \'t na dezon weder
Oudejaarsavond is, nog met ons allen samenzijn, of zal dan deze
of die uit ons midden ver weg zijn, of op het stille kerkhof
liggen? — Geen antwoord, geen antwoord. Verontrustend! Be-
angstigend! Maar toch, er is iets, wat de onrust en de angst
ons van \'t harte nemen moet. \'t Is waar, de Toekomst zwijgt en
zij tilt haar sluier niet op; maar zy\' doet toch iets, als er vragen
tot haar worden gericht: zij wijst naar boven. En wij begrijpen
dat gebaar. Het wil zeggen: God weet het. — En wy\' denken
dan daarbij: nu, als God het maar weet; dat is \'t beste; \'t zou
niet eens goed zyn, als wy het wisten; maar God weet wat Hy
doen zal, en wy weten, dat die God ons nooit kwaad ge-
daan heeft, ons nooit iets heeft gedaan, dan goed, en dat, zoo
vaak we aan Hem ons hielden, alles ons ten goede liep.
Bij die gedachte maakt de vraag: Wat zal het nu zijn? ons
hart niet meer bang. Wat? bij die gedachte grypen we naar
het gezangboek, om samen in de plechtige stilte van dezen avond
het lied ») te doen klinken:
Ons hart verheugt zich, dat bij God
\'t Bestuur ia van geheel ons lot;
Dat Hij ons vreugd of ongeval,
Kaar wij behoeven, zenden zal.
Hij, die ons leidt door \'t aardsche dal,
Die nimmer ons verlaten zal,
Heeft Zijne liefdo en trouw verpand
Voor onze komst in \'t Vaderland.
En de echo van dat troostelyk lied blijft ons nog lang omzwe-
ven. "Wèl hem, die telkens weer haar opwekt, wanneer zy weg-
gestorven is!
1) Gez. XX : 1, 6.
-ocr page 146-
134
Gedachten en Spreuken.
Terugzien levert meer dan vooruitzien. Maar zoowel het een
als het ander is goed, wanneer het ons brengt tot om hoog zien.
Wat niemand weten kan, dat moet vast niemand weten.
Een mensch met een volledige voorwetenschap zou zeker on-
gelukkig wezen.
Wij weten van vele dingen niet, hoe het er meê gaan zal.
\'t Zij een troost voor ons, te weten, dat God weet, hoe\'t er meê
moet gaan.
De toekomst niet te kennen, zou verschrikkelijk zyn, indien
wij God niet kenden.
Het niet-weten wordt vergoed door \'tvertrouicen.
In het heden ligt de toekomst. Daarom heeft een mensch meer
van de toekomst in zijne macht, dan hij gewoonlijk bedenkt.
Uit eiken dag, die gisteren heet, moeten wij wijsheid halen
voor den dag, die nu nog heet: morgen.
Met mogelijkheden van de toekomst moet een mensch niet
te veel zich bezwaren; want het is óók mogelijk, dat hem geen
bezwarende werkelijkheid wacht.
Wel is het te nevelig voor ons uit, om te kunnen zien, welke
dingen daar voor ons klaar gezet worden; maar het geloof laat
ons toch zien, dat het eene Vaderhand is, die ze klaar zet. En
dat is genoeg.
Hoe dik de mist der toekomst zij, de geloovige ziet er toch
altijd één lichtje door henen, en hij weet, dat hij, zich derwaarts
wendend, in het Vaderhuis komt.
-ocr page 147-
135
Die aan morgen denkt, moet er altijd bij bedenken, dat hij \'t
misschien niet beleeft.
Oud en Nieuw.
By \'t nieuwe jaar nog de oude Vader,
Wiens hand het roer der schepping houdt.
Steeds heeft Hü, sinds de vroegste dagen,
Zn\'n volk op aad\'laarsvlucht gedragen, —
De toekomst blijvu aan Hem vertrouwd.
Bij \'t nieuwe jaar nog de oude Vader,
Wiens hand het roer der schepping houdt!
Bij \'t nieuwe jaar weer nieuwe zegen;
Gods volle bron droogt nimmer uit.
Blijft op Hem hopen, blij en wakker!
Dra dekt Hij den besneeuwden akker
Met goudgeel graan en groenend kruid.
By \'t nieuwe jaar weer nieuwe zegen;
Gods volle bron droogt nimmer uit.
Bij \'t nieuwe jaar nog de oude zorgen;
Wij zijn nog niet in \'t jubeljaar;
Nog wand\'len wy op pelgrimswegen,
Berg-op, berg-af, bij zon en regen;
Nog is er worst\'ling en gevaar.
By\' \'t nieuwe jaar nog de oude zorgen;
Wij zijn nog niet in \'tjubeljaar.
Bij \'t nieuwe jaar weer nieuwe hope;
Nog altijd wordt onze aarde groen;
Weer zal in Maart de leeuw\'rik zingen,
In Mei de roos uit \'t knopje dringen,
Veel zal ons weer genieten doen. —
By \'t nieuwe jaar weer nieuwe hope;
Nog altijd wordt onze aarde groen.
-ocr page 148-
136
Bij \'t nieuwe jaar nog \'t oud geloove;
Want in dit teeken winnen wij.
Ontrol de vaan des lichts met ijver,
Maar toch het kruis van Christus blijve er,
Als standaard van het Godsrijk, by.
Bij \'t nieuwe jaar nog \'t oud geloove;
Want in dit teeken winnen wij.
By \'t nieuwe jaar een nieuwe ziele,
Een schoon nieuw blad in \'t levensboek;
Zij \'t eind van de oude schuld voldoening,
Zij \'t eind van de oude twist verzoening,
En heil vervange d\' ouden vloek.
By \'t nieuwe jaar een nieuwe ziele,
Een schoon nieuw blad in \'t levensboek!
Naar Gerok.
Voorwaarts!
Voorwaarts! — Maar telkens het oog onzer ziele
Toch nog eens weer naar \'t verleden gericht,
Dat, schoon gestorven, nog lessen ons meedeelt
Èn uit zijn donkerheid, èn uit zijn licht.
Voorwaarts! — Maar telkens weör \'toog naar beneden,
Tot een herinnering, dat onze baan
\'t Oppervlak is van den kelder der dooden,
Die ook voor ons eenmaal open zal gaan.
Voorwaarts! — Maar telkens weer \'toog naar den hoogen;
Immers, van daar komt de kracht onder \'t kruis,
Immers, van daar komt het heil en de vreugde,
En daar verbeidt ons het Vaderlijk huis.
-ocr page 149-
137
Geen antwoord, maar tocli antwoord.
„Zeg, wat gy ons hebt te biên,
Nieuw Jaar! dat wij naad\'ren zien."
„Weet toch, dat ik zwijgen moet
Op de vragen, die gij doet."
„Toon althans ons uw gelaat,
Of het blij of droevig staat."
„Niet alleen, dat \'k niets u zeg, —
Ook mijn masker mag niet weg."
„Aak\'lig toch, dat niemand weet,
Wat gij meedraagt onder \'t kleed."
„Was u \'t weten nuttig, dan
Maakte ik geen geheim er van."
„Gaarne wisten wij toch iets;
Moogt gij niets ons zeggen ? Niets ?"
„Niets dan dit, dat God mij zendt,
God, dien gij van vroeger kent."
Veel heil en zegen!
Dat is de groet, die binnen weinige uren weer op aller lippen
zal zyn. Jammer, dat het nieuwe jaar dan al weer beginnen zal
met veel onoprechtheid en leugen.
Velen zullen tot anderen zeggen: ik wensch u veel heil en
zegen!
die eigenlijk dat niet bedoelen, maar dit: ik wensch een
voordeeltje toe aan mn\' zelven.
Velen zullen over en weer zeggen: ik wensch u veel heil en
zegen!
maar dan samen zulke wegen bewandelen, als hadden
ze elkander ter helle gewenscht.
-ocr page 150-
138
Maar toch, anderen zullen \'tmeenen, en zullen toonen, dat ze
\'t meenen, wanneer zij elkander heil en zegen wenschen over
en weer. Moge dat met ons en onze huisgenooten zoo wezen.
En moge door hen en door ons wederkeerig dat alles worden
gedaan, wat gedaan worden kan, om aan den wensch van zegen
en heil zyn vervulling te geven.
Men zegt wel eens: wij, menschen, kunnen niets dan wen-
schen; — maar dit is niet juist. Wij kunnen zelve aan de ver-
vulling van die wenschen veel doen. En, — omgekeerd, — wij
kunnen zoodanige gezindheden in ons kweeken, en zoodanige
paden betreden, dat zelfs de Almachtige God ons niet zegenen kan.
Onze eerste wensch morgen ochtend mag dan deze wel zijn,
dat we elkaar op eene Godgevallige wijze een goed nieuw jaar
mogen wenschen.
Een bede-zang.
Met zangen en met beden
Nu tot den Heer getreden,
Die ons door \'tgansche leven
Zijn bijstand heeft gegeven.
Er zün in onze jaren
Veel nooden en gevaren;
Er is veel moeite en smarte,
Veel strycl voor \'t menschenharte.
Maar, liefd\'rijk als de vrouwe,
Die vol van moedertrouwe,
Haar kind\'ren weet te dekken,
Als \'t onweer schrik komt wekken,
Laat God Zyn kind, — verslagen,
Als \'t storm- en dondervlagen
Hoort bulderen en huilen, —
Aan Zijnen boezem schuilen.
-ocr page 151-
139
Wil, Heer! Uw hulpe ons geven,
Want al ons doen en streven
Werkt niet ons meê, maar tegen,
Als G-y \'t niet kroont met zegen.
Blijf immer in ons midden,
En hoor ons innig bidden,
En wees bij leocl en lijden,
Een bron ons van verblijden.
Geef elk van ons een harte,
Dat steeds bij rouw en smarte,
Geduld hebbe en vertrouwen
En op Uw zorg blijv\' bouwen.
Wees der verweesden Vader,
En der verblinden Rader;
Den armen een Verwarmer,
Den zondaar een Erbarmer.
Geef aan de zwakken krachten;
Geef vroolijke gedachten
Aan wie zwaarmoedig zuchten
En leed en kommer duchten.
En wil ons allen samen
Door Uwen geest bekwamen,
Om \'t leven goed te leven
En hemelwaarts te streven.
Gerhabdt van verre gevolgd.
Goede voornemens.
Goede voornemens moeten, vooral ook op dezen avond, in
onze harten verrijzen. Wij moeten in ernst het plan opvatten,
-ocr page 152-
140
om in \'t nieuwe jaar beter te doen, dat, wat wij in \'t oude niet
goed gedaan hebben, en om in \'t nieuwe jaar te doen, dat, wat
wfl verzuimd hebben in het oude.
Die goede voornemens moeten wij echter niet te hoog schatten.
De ervaring heeft ons immers al lang en breed deze droevige
waarheid geleerd, dat er zeer, zeer vele goede voornemens zijn,
by ons en by anderen, waar nooit iets van komt. Boomen vol
bloesem zijn doorgaans veel meer in getal, dan, naderhand, de
boomen vol vruchten.
Maar wij moeten die goede voornemens toch ook niet te laag
schatten. Zij kunnen toch zijn en menigmaal zijn ze toch ook
werkelijk, de uitgangspunten van betere gezindheid en heiliger
leven. Het woord: Ik zal opstaan en tot mijnen Vader gaan, l)
wordt toch werkelijk menigmaal daad. En bovendien, zelfs een
goed voornemen, dat niet overgaat in handeling, is nog niet
van alle waarde ontbloot. Het is in allen gevalle een teeken
van leven, dat er de ziel nog door geeft. En zoolang er leven is,
is er hoop. Men kan \'t nog niet weten.
Als ik de zaak zoo beschouw, dan hoop ik tegelijk, dat deze
avond voor velen, voor zeer velen een avond vol goede voorne-
mens zy. — Ik zie daar ginds een groot en somber gebouw,
waarin ik een gevangenis herken. Ik denk aan al die treurige
en schuldige levens, die zyn uitgeloopen op dat punt, op dat on-
vriendelyke, zwarte blok, dat daar stil en strak zich verheft te
midden van den zoo beweeglijken stroom, die er dagelijks om
heen loopt, en ik voel in het diepst van mijn harte den wensch:
o! mocht menigeen, die daar zoo ongezellig, zoo akelig den Oude-
jaarsavond doorleeft, den avond goed maken, door het voornemen
op te vatten, onder biddend opzien tot God, om voortaan beter
mensch te wezen. — Ik zie huizen, daar en vorder op, waar op stui-
tende wyze zich openbaart, wat er wordt van de vrouw, die het
kleed der schaamte, — dat schoonste sieraad der vrouw, — heeft ver-
scheurd. Ik denk aan de velerlei onreinheid en laagheid van
\') Luk. XV : 18.
-ocr page 153-
UI
ziel, die daar zich met de tooisels der wuftheid en den lach der
lichtzinnigheid opschikt; en ik voel in het diepst van mijn harte
den wensch: o! mocht daar in menig, helaas! zoo bezoedeld
gemoed, althans van avond, eens eventjes eeno betere gedachte
ontwaken; — wie weet, wat er uit dio ééne gedachte kon groei-
en? wie weet? — Maar ik denk niet alleen aan die enkele
soorten van zondaren en zondaressen, die als zoodanig door
hunne verblijfplaats of door uiterlijke vormen terstond zijn te
kennen; ik denk aan mh\'zelven ook. En met eene bede, waarin
plaats is voor allen, ook de onreinsten, ook de slechtsten, leg ik
den wensch neer voor mijn God, dat van avond overal veel
goede voornemens mogen ontwaken, en dat dan \'t nieuwe jaar,
als \'t oud is, moge zeggen: niet alles ging verloren; nu is er
vrucht van toenl
De klokslag van middernacht.
Als de klok van middernacht
Eoept: „Het jaar verdwenen!"
Loopt een wonderbaar gevoel
Mij door \'t harte henen.
Vraagt gij, welk gevoel dat is? —
\'t Is niet goed te zeggen,
En althans door éénen naam
Is \'t niet uit te leggen.
"Want er is van alles in:
Danken is \'t en rouwen;
Zucht en lofzang tegelijk,
"Weemoed en vertrouwen.
Tijd en eeuwigheid dooréén,
Aarde en hemel beiden; —
Zoet genot van samenzyn,
Diepe smart om \'t scheiden.
-ocr page 154-
142
Kerkhoflucht, — en bloemengeur
Uit het hooger Eden;
Lichtfiguren in \'t verschiet,
Schimmen van \'t verleden.
Vrees voor \'t lot en vreugd in God,
Durven en versagen;
Treurmuziek en feestgezang;
Zon en donderslagen. —
Als de klok van middernacht
Over d\' omtrek henen
\'t Ernstig woord weergalmen doet:
„Weer een jaar verdwenen!"
Ja! dan komt een vreemd gevoel
Mij de ziel doordringen,
Dat in schreien zich niet uit,
Ook niet goed in zingen;
Dat geen and\'re taal behoeft
Dan drie, vier akkoorden,
En waarvan nog \'t beste lied
\'t Lied is zonder woorden.
Een wonderstaf.
Er is een staf, een kost\'bre staf,
"Waarmee men wond\'ren doet,
En die, wanneer hy \'t kwade raakt,
\'t Verand\'ren doet in goed.
-ocr page 155-
1 ::
\'t Was eens de staf van Abraham;
Ook Mozes droeg hem mee;
\'t Was ook de staf, waarvan de kracht
Een David juichen deè.
Die staf was Petrus\' grootste schat,
Johannes\' vreugd\' en eer ;
Ook Paulus deed er teek\'nen door;
De Christus zelf nog meer.
De bergen, door dien staf geraakt.
Zijn aanstonds minder hoog :
De stroomen klieven zich in twee,
De zeeën worden droog.
De rotsen zenden water uit,
De woestenij wordt groen,
En om het dorre en kale hout
Windt zich een frisch festoen.
Vertrouwen is de naam er van.
Ik wensch aan ieder toe,
Dat ook in \'t naad\'rend nieuwe jaar,
Hij daarmee wond\'ren doe.
Ik wensch, dat elk, heel \'t leven door,
Er sterk door blijve en bly,
En dat van elk de laatste daad
Het.grootste wonder zy.
Het grootste is dit, dat, als die staf
Den Dood heeft aangeraakt,
Op eens van dat zoo aak\'lig beeld
Een Engel wordt gemaakt!
-ocr page 156-
144
Een oudejaarsavondgebed.
Oneindige God! Heer van tijd en van eeuwigheid! Aanbiddelyk
Wezen, dat onveranderd blijft, hoeveel en wat er ook om ons en
aan ons verandere, wij knielen in het bewustzijn van onze klein-
heid voor Uw aangezicht neer. Maar wij danken TJ, dat Gij ons
de kennis van U, den Eeuwige, in het hart hebt gegeven, en w|j
danken U ook, dat Gjj ons het gevoel van eeuwigheid in de
sterfelijke borst hebt gelegd. Ook prijzen wij Uwen altijd onvolpre-
zen naam, omdat Gij ons tot hiertoe nabij zijt gebleven, met dui-
zenden zegeningen ons aanzijn gekroond hebt, en ons hebt willen
zegenen zoowel door de toezending van smart, als door de beschik-
king van vreugde. Vergeef ons het vele gebrekkige en zondige, dat
ons eigen geweest is, en versterk in ons de geloofsgemeenschap
met Christus, den Heer, opdat het gevoel van Uwe ontfermende
min al dieper en al krachtiger in ons hart moge wortelen. Heb
dank voor het goede, dat Uw geest in ons wekte, en bevestig
aan ons het werk Uwer handen; ja! het werk Uwer handen,
bevestig dat. Blijf voorts, o onze Vader! ons en den onzen en
allen met Uwe hoede en hulpe nabh\'. Geef, dat ons leven meer
en meer een leven zy met U en in U, en laat zoo, als wy de
maat onzer jaren gehad zullen hebben, ons sterven de overgang
wezen tot het onverstoord en eindeloos leven met U eninU.—
Amen!
Een nieuwejaarswensen.
Als de klok van twaalven slaat,
Uit ik myne wenschen,
Voor de mijnen en mü zelv\'
En voor alle menschen.
-ocr page 157-
115
\'k Wensch, dat overal op aard
Heil en vredo wone,
En zich steeds meer mensch\'lijkhcid
In den mensch vertoone.
\'k Wensen daartoe, dat Christus\' geest
Verder moge dringen,
En, die nu nog God niet kent,
O ode een lied moog\' zingen.
\'k Wensch, dat in ons werelddeel
Al de volken samen,
Door een broederband omstrikt,
Alles goeds beramen.
Dat de vorsten, aan hun hoofd,
Recht en deugd vereeren,
En in waarheid knechten zijn
Van den Heer der Heeron.
\'k "Wensch, dat in mijn vaderland
"Ware welvaart bloeie,
En wat rein is, goed en schoon,
Hier voorspoedig grooie.
\'k Wensch, dat Ctod mij in mijn huis
Ook Zijn gunst weer toone,
En dat onder \'t dak van ons
Steeds de liefde wone.
\'k Wensch, dat \'s Vaders hoede en zorg
Nog een tal van jaren
Allen, die my dierbaar zijn,
Met mn\' moog bewaren.
RUST EEN WEINIG.                                                                                                     10
-ocr page 158-
146
Dat Hjj ons veel vreugde geev\'.
En, — als zorg of smarte
Door Zijn wijshoid ons gewordt, —
Vrede en hoop in \'t harte.
\'k Wensen, dat welke blijdschap kooni\',
Of welk leed genake,
Alles, alles, wat Hij zendt,
Ons steeds beter make.
En dat, als we eens henengann
Uit dit aardsche leven,
Ood nog hooger heil ons geev,
Dan Hij hier kon geven.
jSt**
-ocr page 159-
PROZA.
De laatste avund.......................................  Bladz.     1
Gedachten on Spreuken .... .............................       „         8
In den nacht van 81 December op 1 Januari................       „         5
De eeuwige God ........................................      „         9
Gedachten en Spreuken..................................       ,       11
Wel zeer lang, maar toch zeer kort.......................         ,       13
God is onveranderlijk.....................................      „       13
Gedachten en Spreuken..................................       „       16
Na twintig jaren.........................................      „       18
Vergankelijkheid.......................................       „       21
Broos en vluchtig \'t mensclienkind.........................      .       22
Gedachten en Spreuken................................. .       „       24
Als ik eens terug kwam..................................       ,       28
Jong en oud............................................      „       30
Vooruit en daarna............................. ..........      „       32
Met het oog op een kerkhof..............................       ,       34
Onze onsterfelijkheid....................................      „       35
Gedachten en Spreuken...................................      .       36
Aan onze vrome afgestorvenen............................       ,       41
Aandoenlijk grafschrift....................................      „       45
Te huis. . ............................................       „       48
De dood ontneemt veel goeds en liefs.......................      .       50
Kinderlijke onbezorgdheid.................................      ,       55
Genoten zegen..........................................      „       57
Gedachten en Spreuken....................................      .       58
Een scheidende vriend.....................................      „       61
Ken ongeluk komt nooit alleen.............................       „       64
Waarom?...............................................      „       67
Verzoening............................................      „       69
Doe wel! ...............................................      ,       72
Geleden smart...........................................      „       73
Gedachten en Spreuken...................................      „       75
Ecco Homo!............................................      „       80
Verborgen smart.........................................      „       82
-ocr page 160-
Onderwerping...........................................  Bladz.   85
Rachel wilde niet vertroost wezen..........................      „        87
Ecne kerkhof-spreuk......................................      „        90
Geloken vensters........................................      „        92
Beschamende herinneringen................................      „        94
Gedachten en Spreuken...................................      ,        96
\'t Geval ligt er nu eenmaal toe...........................      .        99
Boekhouden............................................      „      102
Als twee hetzelfde doen, dan is \'t nog niet hetzelfde..........      „      104
Er is hij God vergeving..................................      „      ] 07
Wat Godc \'t meest behaagt................................      „      112
Betere oogenhlikken......................................      „      115
Gedachten en Spreuken...................................      „      117
Vermoeiende, maar toch gceu vruchteloozc, gang..............      „      121
Oogenhlikken, die men zou willen vasthouden...............      „      124
De reinste vreugde......................................      „      129
Wat zal het nu zijn?....................................      „      132
Gedachten en Spreuken..... .............................      „      134
Veel heil en zegen !.....................................      „      137
Goede voornemens.......................................      „      139
Een Oudejaarsavondgebed.............. ..................      „      144
POËZIE.
Wat onveranderlijk blijft............... .................      ,         4
Op Oudejaarsavond......................................      „          5
Een Oudejaarsavond-lied..................................      „          6
Aan den Eeuwige.......................................      „        11
Komen en gaan........................................      „        12
Het denken aan den Eeuwiste.............................      „        13
Wel hem!.. ...........................................      „        17
Een goede wensch.......................................      „        18
De blijvende Hoeder.....................................      „        19
Voorbij................................................      »        20
Een troost.............................................      „        20
Schijn en zijn..........................................      „        22
Kerkhofstemmen........................................      „        25
Randschrift voor een wijzerplaat...........................      „        27
Genommerde hoornen....................................      „        27
De mensch............................................      „        29
Bij stillen nacht.......................................      „        31
Waarheen?.............................................      „        33
Winternacht ...........................................      „        34
Doodsgedachten.........................................      „        38
De rups en de vlinder ..................................      „        40
Het laatste uurtje............................. .........      „        42
Ons leven..............................................      „        44
Gescheiden.............................................       »        46
Onze paden...........................................      »        47
-ocr page 161-
Graf en kruis...........................................  Bladz. 49
I Iet lied van sterven.....................................      ,       49
Zijn..................................................      ,       52
Graf beplanting.........................................       „       56
Een psalm zij \'t eind....................................       „       59
Steeds meer licht........................................      „       (iO
Ken danklied............................................       „       fiO
Avoudlied...............................................      „       62
Eens huisvaders zang.....................................       „       63
Voor teleurgestelden......................................      „       06
Levensbeschouwing.......................................       „       66
Ebenhaézer\'s............................................      „       67
Wie wil roemen, roeme...................................      „       68
Reisgezellen............................................       .       68
Heb-ik en Had-ik........................................      ,       71
Wat moet gij vragen?....................................       „       72
Dubbel Heil.............................................      ,       73
Alles weg!.............................................       „       77
Standvastig geloof......................................      „       78
Tranen................................................      „       79
Mor niet!...............................................      „       79
Geduld.................................................       „       80
Het zwaarste kruis......................................      „       82
Een kruis naar keuze.....................................      ,       83
Stof tot dank..........................................        ,       85
Boom en bies..........................................      „       86
Hebt gij kinderen ?......................................      „       86
Veranderde verhouding...................................       „       87
Gebed................................................      „       88
Engelen der vertroosting..................................      „       89
Herinnering.............................................       ,       <J0
Lusten en lasten.........................................       „        91
Geloof.................................................       „        91
Het kind en de tuinman.................................       „        92
Zielsverhefling van een lijder..............................       „        93
Lijden, geen ongenade....................................       „        94
Boetelied..............................................       „        97
Een zielewensch.......................................       „        98
Verzoening zoeken.......................................       „      100
Het hoogste............................................       „      101
Het geweten...........................................       „      102
De treur-esch...........................................        „      103
Heb ik dat verdiend ?.................................       „      104
Gij hebt woorden des eeuwigen levens .....................       „      105
Vrede Gods.............................................       „      106
Het olijfblad............................................       ,      106
Waar is Bethel ?........................................       „      107
De zonde...............................................       ,      109
Een gebed voor anderen...................................       ,      114
Een Engel aan de deuren...............................       „      115
-ocr page 162-
Licht van biuucu......................................   I!hulz. 118
Wat mijn beste dagen waren.............................      „       119
Met God zijn...........................................      .       120
Verschil van dagen......................................      „       121
\'t Berouwt mij niet....................................      „       122
Wat het schoonste is....................................      „       126
Wisseling van tijden.....................................      ,       127
Ken dankgebed................................ ........       „       128
Niet vergeefs geleefd...................................      „       130
\'tGevoel van vreugde in God.............................      „       18]
Dankt God............................................      „       131
Oud en nieuw.........................................       „       135
Voorwaarts.............................................       „       13n\'
Geen antwoord, maar toch antwoord.......................      „       137
Een bedezang..........................................      „       138
De klokslag van middernacht............................      „       141
Een wonderstaf.........................................      „       142
Een nieuwejaarswensch..................................       »       144
-*w*~
-ocr page 163-
Uitgaven van D. B. CENTEN, Amsterdam.
Voor meer dan één leven.
Een twaalftal Leerredenen
VAN
DR. E. LAURILLARD.
Vierde druk. Prijs: f 1,-; Gebonden f 1,25.
DE ZEVEN HOOFDZONDEN.
DOOR
Dr. E. LSL-urillard..
Derde druk. Prijs: f 1, —; Gebonden ƒ 1,50.
Uitgave in groot 8° f 1,25.
INHOUD: Hoogmoed. (iul/.igheid. — Gramschap. - On-
kuischheid. — Gierigheid. — Nijd. — Luiheid.
fit \'sterns tmï tt kkèkt*
DICHTEN EN RIJMEN
VAN
Dr. E. LAURILLARD.
Prijs: f 1,90; in prachtband, verguld op snee, f 2,60.
-ocr page 164-
CL /(Fjfé>t>S~
(p —--------------—•--------•—:—•----------*m
GEEN DAB ZONDER GOD.
Stichtelijke overdenkingen voor iederen dag
des jaars.
DOOR
©E. X. ILAWRÏLILAE®,
Derde druk. Prijs: f 1,80; gebonden f 2,25;
in prachtband, verguld op snee, f 2,60.
„Een eigenaardig genot is verbonden aan het
denkbeeld, dat men in vele huizen tegelijk, door
het geschreven woord, aanwezig kan zijn en kan
spreken, en dat men zoo, ook als afwezige, in
vele harten kan voeden wijsheid om te leven,
kracht om te strijden, geduld om te lijden, moed
om te sterven. Welnu, dat eigenaardig genot, —
genot, voorwaar! niet van de laagste orde, —
was en is thans het mijne; — Goddank!
Ga heen, mijn boek! ga nog eens rond, en
poog nog eens iets, en veel, voor Jezus en voor
God te winnen."
(Uit de Voorrede).
R<<-