-ocr page 1-
•~^HAËOLóé;gcTrr4gfiYüiyr---T
PfH 3i.JKSUN\'IVr.R3iTK!T UT«?£C*?fr
wjvi \\o6°f
BESCHRIJVING
VERZAMELINGEN
VIN
Ds. L. SCHOUTEN HZN,
Predikant te Utrecht,
voorzoover deze op bepaalde tijden te bezichtigen zijn;
SAMENGESTELD
ten dienste der bezoekers,
DOOR
xï. J. S.
UTRECHT,
KEMINK & ZOON.
(Over de Domkerk.)
1886.
-ocr page 2-
r:.;. -y>
G. A. HULSE30S
-ocr page 3-
BESCHRIJVING
DCB
VERZAMELINGEN
VAN
Ds. I. SCEOUTM ïïzn.
-ocr page 4-
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
A06000030112316B
3011 231 6
-ocr page 5-
_____————-r""ARCM XÈÜLCü!3£7TTsFSTS 1 C\' 11
.------------~~~ . - ,~ <rt I llt 1 Q6W\\HUK8UNIV6RStTEIT UTRE
BESCHRIJVING /_f \'4
DER
VERZAMELINGEN
Ds. L SCHOUTEN HZN,            fo£b
Predikant te Utrecht,                                    A 6 t
voorzoover deze op bepaalde tyden te bezichtigen zyn;
SAMENGESTELD
ten dienste der bezoekers,
DOOR
H. J. S.
BIBLIOTHEEK DER
RljKSUNIVERS\'ÏÊlT
UTRECHT
•oeo-«
UTRE CHT,
KEMINK & ZOON.
(Over de Domkerk.)
1886.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
INHOUD.
Bil.
De Tabernakel van Ds. L. Schouten.............     7
De Tabernakel van Prof. B. S. Cremer............   10
De Tempel Salorao\'s van Prof. D. Mill............    12
Eenige modellen van Hebreeuwsche oudheden.........   15
De Tempelberg, of berg Moriah, te Jeruzalem.........   17
Joodsche Oudheden en voorwerpen uit Palestina........   20
A.  Oudheden (ook niet Joodsche)............   20
B.  Penningen en munten..............   25
C.  Voortbrengselen.................   28
D.  Insecten, Versteeningen, Varia..........   31
E.  Joodsche zaken (niet uit Palestina).........   34
Egyptische Oudheden..................   35
A.  Lijkvazen...................   35
B.  Lijkgesteenten................    36
C.  Lijkbeeldjes.................    38
D.  Gedeelten van Mumiën..............   39
E.  Godenbeelden.................   40
F.  Scarabeën etc..................   41
Kerkelijke Oudheden..................   43
i
-ocr page 8-
-ocr page 9-
De Tabernakel van Ds. L. Schouten.
Met het oog op de bezichtiging van den Tabernakel van
Ds. Schouten en de verklaring die daarbij gegeven wordt,
mag het overbodig geacht worden hier eene uitvoerige be-
beschrijving te geven.
Slechts het volgende zij hier vermeld.
De Tabernakel is op ongeveer 1/B der ware grootte ge-
maakt, geheel volgens de beschrijving in Exodus, althans
voorzoover aldaar gegevens te vinden zijn. De stoffen, bij
de vervaardiging gebezigd, zijn zelfs voor een deel uit \'t H.
Land afkomstig. Zoo\' is b.v. het geitenharen dekkleed van
den Tab. expresselijk voor het doel geweven van onvermengd \')
geitenhaar van geiten uit Syrië. Zoo is \'t hout van \'t Brand-
offer-altaar uit Jeruzalem; de aarde waarmede dit altaar
gevuld is, van den Tempel-berg aldaar, en de ruwe steenen
waarmede die aarde is bedekt, zijn van de groote steenen
van den buitensten ringmuur van Salomo\'s Tempel, „klaag-
1) Steeds wordt, van wege de moeijelijkheid om dat haar onvermengd
te bewerken, kemelshaar daaronder vermengd.
-ocr page 10-
8
plaats der Joden." De voorhangsels en het onderste dekkleed
zijn van zeer fijn linnen en allerkunstigst geborduurd. De
beide andere dekkleeden, die op dat van geitenhaar volgen,
zijn van roodgeverfde ramsvellen en van zwarte zeekoeien-
huiden. Het inwendige van den Tab. is, evenals de pilaren,
het Reukoffer-altaar, de Tafel der toonbrooden en de Arke
des Verbonds, van hout, met goud overtrokken. De Gouden
Kandelaar is van massief zilver, in \'t vuur verguld , vele
kleinere zaken in het gebouw zijn van goud, andere zijn
van zilver in \'t vuur verguld. Ook in den Voorhof is alles
naar de beschrijving in Exodus, zoowel de zestig koperen
pilaren met zilveren kapiteelen, aan welke de linnen be-
hangselen en de geborduurde „deur des Voorhofs" hangen,
als het Brandoffer-altaar en het Waschvat. Om aan alles
levendigheid bij te zetten, zijn er uit hout gesneden beelden
van Priesters en Levieten en gewone Israëlieten in verschil-
lende werkzaamheden voorgesteld.
Wat de geschiedenis der oprichting betreft zij hier ver-
meld, dat Ds. Schouten reeds op jeugdigen leeftijd het
model van de Arke des Verbonds deed maken, dat bl. 14
vermeld zal worden. Als student te Utrecht deed hij het
eigenlijke gebouw des Tabernakels en een aangekleed beeld
van den Hoogepriester, met goud en edelgesteenten voor-
zien, (het kleinste op bl. 14) maken. Te Veenen laai werd
voor \'t eerst de Voorhof opgericht.
Deze Tab. werd vermeld in de „Jaarboeken voor Weten-
schappelijke Theologie." IX. 3. bl. 593 verv. (1851) door
Dr. H. H. Kemink; in de „Köln. Zeitung" en de „Pfalzer-
zeitung" van 16 en 18 Feb. 1853. In n° 72—75 van de
„Haus-Blatter" („Unterhaltungs-Beilage" bij n° 246 etc. der
„Pfalzischen Post") door E. Kappesser, Stadtvicar te Pii-
-ocr page 11-
9
masens; in het „kerkelijk weekblad" 27 Aug. 1869 door Ds.
H. C. Voorhoeve te Amersfoort; in het feuilleton van het Utr.
Prov. en Sted. Dagblad 2 Mei 1884 door den Heer J. W.
R. Gerlach; in het „Gids- en Reisboek voor de stad en de
Provincie Utrecht", en in vele nieuwsbladen. T. Verzeveldt
bezong den Tab. in zijne „Uitboezeming na het bezigtigen
van den voortreffelijk nagemaakten Tabernakel Israëls, van
Ds. L. Schouten Hzn., Bedienaar des Goddelijken Woords
bij de Nederduitsche Gereformeerde Gemeente te Rotter-
dam en na \'t hooren van Z.Eerw. Bijbelsch onderricht dien-
aangaande," waarvan in 1877 de 2e druk verscheen.
-ocr page 12-
Be Tabernakel van Prof. B. S. C rem er.
Bernard Sebastiaan Cremer werd in 1683 te Zutphen
geboren. Hij was eerst predikant te Stavenisse, daarna te
Asperen. In 1718 werd hij benoem cl tot Hoogleeraar in
de Godgeleerdheid aan de Hoogeschool te Harderwijk. In
1724 werd hij bovendien benoemd tot Hoogleeraar in de
Profetische Godgeleerdheid en Gewijde Oudheden. Hij stierf
14 Sept. 1750.
Voornamelijk ten behoeve zijner studenten deed hij eene
nabootsing vervaardigen van het oudste Israëlitische heilig-
dom , welke hij in eene der Academiezalen plaatste.
De Tabernakel van Cremer is ongeveer \'ƒ20 der m ne*i
O. T. aangegeven grootte. Het Brandoffer-altaar, het Wasch-
vat, de pilaren van den Voorhof en eenig klein gereed-
schap is van koper; het eigenlijke Heiligdom, met al wat
daarin behoort, van verguld hout. Zoowel deze zaken als
de met priesterfiguren doorweven linnen gordijnen van den
Voorhof, de geborduurde „deur des voorhofs", de gebor-
duurde voorhangsels, de dekkleeden van het gebouw, een
Hoogepriester en een Priester zijn uitnemend bewaard ge-
bleven.
-ocr page 13-
11
Na den dood van Cremer kwam de Tab. in handen van
zijn\' zoon, Frans Lodewijk. Deze werd geb. te Asperen
12 Mei 1715; 27 Nov. 1750 benoemd tot Hoogleeraar in
de Godgeleerdheid (ook in de Profetische) en Gewijde Oud
heden en tot Academie prediker te Harderwijk. Vandaar
ging hij in 1763 naar Groningen, waar hij dezelfde ambten
bekleedde. Hij overleed aldaar 20 Juni 1776 en liet den
Tab. na aan zijn zoon Goswin. Deze, geb. 1751, werd
predikant te Vianen, alwaar hij 22 Aug. 1812 stierf. Zijn
eenig kind, Jacoba Geertruida, erfde toen zijnen Taber-
nakel. Zij liet dezen opgericht, totdat zij eens, door eene
zware ziekte aangetast, dien in een kist deed inpakken.
Zoo bleef deze Tab. ingepakt, totdat Ds. Schouten (sedert
30 Dec. 1857 predikant te Vianen) kennis kreeg van zijn
bestaan.
Mej. Cremer, ongehuwd gebleven, en zeer met Ds. S.
bevriend, meende haren Tabernakel niet aan betere han-
den te kunnen toevertrouwen, dan aan de zijne. Zij gaf
dien daarom met nog andere zaken van haren overgroot-
vader ten geschenke. Zij stierf te Vianen 29 Juli 1871,
oud 88 jaar.
-ocr page 14-
De Tempel Salomo\'s van Prof. D. Ui IL
David Mill werd 13 April 1692 te Koningsbergen (Oost-
Pruisen) geboren. Na aflegging van zijn proponents-examen
werd bij om zijne buitengewone kennis van Oostersche talen
benoemd tot Hoogleeraar te Utrecht (21 Maart 1718). In
1727 werd hij tevens benoemd tot Hoogleeraar in de Ge-
wijde Oudheden en in 1729 in de Godgeleerdheid. Hij
stierf 22 Mei 1756.
Met veel kosten deed hij een groot model vervaardigen
van Salomo\'s Tempel, hetwelk hij plaatste op een boven-
vertrek der „Anatomie", welk gebouw zich destijds bevond
aan \'t einde der Lange Nieuwstraat, ter zelfder plaatse
waar thans \'t „Botanisch laboratorium" staat. Over de
grootte kan men oordeelen naar hetgeen te lezen is in den
„ Tegenwoordigen Staat der Vereenigde Nederlanden, deel
II bl. 361: „\'t gevaarte is omtrent veertig voeten lang en
vijf en twintig voeten breed. De binnenste Voorhof is vijf,
en het Tempelgebouw zelve zestien voeten lang. In alles
is de waare evenredigheid in acht genomen, zijnde de elle a)
op een duim gerekend. Men kan binnen den Voorhof tot
1) Nam. de el in het O. T.
-ocr page 15-
13
voor het Tempelgebouw gaan, en de sieraaden en gereed-
schappen van nabij bezichtigen."
De Tempel wordt ook vermeld in de Vroerlschapsnotulen
van 1757 en in den „Geheymschrijver van Kerk en Staat",
(1759) deel I bl. 19. Na den dood van Prof. Mill gaf zijne
weduwe den Tempel aan de stad ten geschenke, waarvoor
zij 200 gouden ducaten als tegengeschenk ontving. Sebald
Rau, de opvolger van Mill, werd bij vroedschapsresolutie
van 19, 26 Sept., 10 Oct. 1757 belast met hel opzicht om
„deselve soo ten dienste van de Studenten in de Theologie
als van Vreemdelingen van consideratie te demonstreren".
Prof. Rau werd in 1810 opgevolgd door Prof. J. H. Pareau.
Tijdens diens professoraat werd de Tempel overgebracht
naar de Academische bibliotheek, in het koor der Jans-
kerk. Toen in 1819 een en ander werd overgebracht naar
het voormalig paleis van koning Lpdewijk, werd de Tempel
door onkundig werkvolk zóó vernield, en tevens zóó be-
roofd dat „er aan geene herstelling te denken valt" (zie
„v. d. Monde, straten en stegen van Utrecht" I bl. 331).
De Tempel, of liever zijne ruïne, werd als oud hout in
een hoek van den zolder geplaatst, waar hij bleef, totdat
de gemeente archivaris Mr. S. Muller hem in 1876 met
goedkeuring van Heeren Curatoren der Academie, naar het
stedelijk museum op het stadhuis deed overbrengen. De
overblijfselen van het gebouw zelve werden ook daar op
den zolder geborgen, doch het vaatwerk, alsmede een beeld
van den Hoogepriester l) in een der zalen ten toon gesteld.
1) Dit beeld behoorde (zooals uit de proportie duidelijk blijkt) niet bij
den tempel, maar was \'t bijzonder eigendom Prof. Rau, wiens kleinzoon
Mr. Rau van Gameren, \'t aan de Academie had afgestaan.
-ocr page 16-
14
Nadat Ds. Sch. in 1879 alhier predikant was geworden,
is hij door de hooggewaardeerde bemoeienissen van Mr. F.
Muller Szn. dezen Tempel machtig geworden, tegen ruiling
met dingen die van meer belang waren voor de bibliotheek,
en na betaling van indertijd gemaakte onkosten.
Het heilig vaatwerk is zooveel mogelijk hersteld; even
eens eenige stukken van het gebouw, zooals de voorgevel van
het Heilige, enz. Overgebleven zijn o. a.: de groote Cheru-
bim van het H. d. H. met de Arke des Verbonds, het
Reukoffer-altaar; eenige Tafels der toonbrooden, en koper-
vergulde zevenarmige Kandelaars, het groote Brandoffer-
altaar, de groote koperen Zee met 12 runderen, een der
tien koperen waschvaten, op een onderstel met vier raderen,
en kunstig met Cherubim, Leeuwen, Runderen en Palm-
boomen, van metaal gegoten, enz. Deze zaken zijn, be-
nevens de kunstig aan beide zijden, of door en door ge-
borduurde voorhangsels des Tempels, bij den Tabernakel
van Ds. Sch. te bezichtigen.
-ocr page 17-
Eenige modellen van Hebreeuwsche Oudheden.
1. Een model van kunstig gegraveerd geel koper, van
een der tien koperen Waschvaten van Salomo\'s Tempel,
afkomstig van Prof. B. S. Cremer en geschenk van diens
achterkleindochter Mej. J. G. Cremer.
2.    Een zeer klein model van de Arke des Verbonds en
een van het Reukofferaltaar, hoogst waarschijnlijk afkomstig
van den Tabernakel van Prof. E. L Vriemoet l).
Geschenk van Ds. J. H. van IJssel, Emeritus-predikant
van Workum.
3.    Vrij groot beeld van den Hoogepriester, hoog M. 0.54,
afkomstig van Prof. Rau, en reeds vermeld op bl. 11.
4.    Een klein beeld van een Priester, afkomstig als voren.
1) Emo Lucius Vriemoet, geb. 1699 te Embden, was pred te Loenen
aan de Vecht en Harlingen, en werd in 1730 Hoogleeraar in de Oostersche
talen te Franeker, in 1740 ook in de Joodsche oudheden (in 1738 Theol.
doet. hou. causa). In „Frieslands Hoogeschool en het Rijks Athenaeum
te Franeker" door Mr. W. B. S. Boeles; staat dl. II bl. 438,: „Hij
liet op eene vrij groote schaal ten dienste van het onderwijs in de Hebr.
Antiqq. een houten Tabernakel maken, die naderhand voor de Academie
aangekocht en op de bibliotheek geplaatst werd. Dit voorwerp is —
naar ons werd verzekerd — ten laatste door den tand des tijds vergaan."
-ocr page 18-
16
5.    Bovenkleederen voor een klein beeld van den Hooge-
priester, afkomstig als voren.
6.    Aan beide zijden allerkunstigst geborduurd en als
nieuw bewaard gebleven dekkleed in tien banen of afdee-
lingen, blijkbaar voor een kleinen Tabernakel. Naar de
figuren en de manier van bewerking te oordeelen, uit de
dagen van Prof. Mill. Geschenk van Mr. S. J. E. Rau
(kleinzoon van Prof. S. Rau) op den huize Lent, te Lent
bij Nijmegen.
7.    Geborduurd Voorhangsel voor den Tempel, bestemd
om gehangen te worden voor de deuren van het H. d. H.
Afkomstig van Prof. S. Rau, geschenk als voren.
8.    Zeer klein model van den gouden Kandelaar, zooals
de Heer C. Schick dien in zijnen evenzeer kleinen Taber-
nakel te Jeruzalem heeft. Geschenk van genoemden Heer.
9.    Model van de Arke des Verbonds, van den Gouden
Kandelaar, en van kleinere voorwerpen, vroeger gediend
hebbende in den Tabernakel van Ds. Schouten.
10 Groot en kostbaar beeld van den Hoogepriester.
Dit beeld alleen is reeds een bezoek waardig. De stof voor
den witten priester-rok is expresselijk tot het doel geweven.
In elk van de 12 edelgesteenten van den borstlap is één, en in
die van de schouders zijn in elk 6 namen van de stammen
Israëls voluit gegraveerd.
11.    Klein, mede aangekleed, beeld van den Hoogepriester,
naar de proportie van den Tabernakel van Ds. Schouten,
toen hij student te Utrecht was vervaardigd.
12.    Model van den borstlap des Hoogepriesters in natuur-
lijke grootte.
Ook hier zijn de namen in de steenen voluit gegraveerd.
-ocr page 19-
De Tempelberg of berg Moriah te Jerusalem.
Aangezien de bezoekers dezer verzamelingen zich kunnen
voorzien, of reeds voorzien z;jn, van „Eenige aanwijzingen
tot kennis van de voornaamste deelen van \'t Model des
Tempelbergs te Jeruzalem, etc." moge hier het volgende
genoeg zijn.
Het model van den berg Moriah is in 1879 vervaardigd
op lj200 der ware grootte onder leiding van Conrad Schick,
Bouwmeester van Z. M. den Koning van Wurtemberg,
Directeur van de Industrieschool der Engelsche Zending
onder Israël te Jerusalem, Architect van de Turksche
regeering aldaar, etc. Het is in alle opzichten nauwkeurig
nagemaakt en mag een kunststuk genoemd worden.
De oppervlakte vertoont den toestand zooals die sedert
de helft der zevende eeuw onzer jaartelling geworden is,
en omvat de plaats waar de Tempel gestaan heeft, bene-
vens de met de Tempelplaats door Herodes I vereenigde
burcht Baris of Antonia x).
1) Ter opheldering moet er hier aan herinnerd worden dat Salomo,
om een geschikte, bijna vierkante, Tempelvlakte te krijgen, zware muren
2
-ocr page 20-
18
Het model is zoo gemaakt dat de gansche oppervlakte
bij gedeelten weggenomen kan worden, waarna men de in
de laatste jaren ontdekte oudste muren en poorten der stad
zien kan, benevens waterleidingen, gangen, gewelven en de
helling van den berg.
Op de oppervlakte ziet men de „Kubbet es Sachra", ook
wel: Omar-Moskée genoemd (de eigenlijke Omar-Moskée is
een klein gebouw aan de zuidzijde naast de Moskee El-Aksa)
waarin zich de Sachra of „heilige steen" bevindt. Verder
de „gerichtsstoel van David", de beroemde Member of
kansel, de „koepel Josefs", de Moskee El-Aksa (vroeger
eene Maria-kerk, een prachtige Basiliek met 7 ingangen
aan den voorkant en 5 rijen marmeren pilaren) met den
„kansel van Omar", den „Robinsonschen brug-boog", de
Moghrabiner-poort, waaronder een oude, door puin ver-
sperde, tempelpoort, met de Barak-Moskée; de klaagplaats
der Joden (waar de Joden iederen Vrijdag den val van
stad en Tempel gaan beweenen), den „Wilson\'schen boog",
over welken een weg van de bovenstad naar de Tempel-
plaats gaat, de „koepel van Mozes" (eene Moskee), het
Gerichtshuis, de „Sobil der Sultane" (plaats voor gods-
dienstige wasschingen); het Regeerings- en Politie-gebouw ;
de kazerne (op de plaats der vesting Baris of Antonia),
bij welke de poort is, waar de „via dolorosa" begint;
scholen en woningen (waar in den bloeitijd der Mahome-
danen eene Universiteit was); de poort Bab. Atm. (de oude
poort „Todi" des Tempels); de poort Bab-Asbat (poort
deed oprichten op de helling van den berg, waarna de ruimle tusschen
die muien en den top opgevuld werd. De burcht Baris stond op een
anderen top. Herodus liet het tusschengelegen dal opvullen, en maakte
zoo de Tempelplaats tot een langwerpig vierkant.
-ocr page 21-
19
der Stammen); oude, heilige graven der Mohamedanen;
het badwater Bethesda, waar nog 2 ingangen van de „vijf
zalen" (Joh. 5: 2) aanwezig zijn; de „Gouden Poort" des
Tempels, thans eene Moskee en aan de buitenzijde toege-
metseld; de „gerichtszuil van Mohamed", etc.
Onder de oppervlakte ziet men de helling van den berg,
alles nagemeten en op \'ƒ200 overgebracht; .oude stadsmuren;
waterleidingen; de „stallen van Salomo" en (onder de
Moskee El Aksa) de dubbele terapelpoort „Hulda", thans
toegemetseld, met een langen, dubbelen, thans onder-
aardschen, toegang tot den Tempel, geheel overwelfd , welk
overwelfsel in het midden door eene lange rij monolithen
gedragen wordt. Voor bijzonderheden raadplege men het
boven opgenoemde boekje.
-ocr page 22-
Joodsche oudheden en voorwerpen uit Palestina. \')
A. Oudheden (ook niet-Joodsche).
1. Doodsbeenderenkist van kalksteen.
Een der 14 kisten, welke in 1882 te Jerusalem in eene
grafspelonk gevonden zijn, in een stuk land, toebehoorende
aan de „London Jews Society."
Het deksel is geschonden. Op de zijden is eene om-
lijsting uitgehouwen, waarbinnen zich twee rozetten bevinden.
In de „Tidings from Zion" 1883, 15 Januari, beschrijft Rev.
A. Hastings Kelk de vondst dezer doodkisten aldus:
„The week before last in digging holes for trees they 2) came
upon a square opening vhich seemed to be connected with some
cavern. On the hole being enlarged so as to admit of a man
going through, it was found to be at the top of a cavern in
which were fourteen of these stone coffins. It proved to be a
doublé cavern, each part being about 8 feet across; in each
were two openings for the burial of bodies, all containing bones
1)  Byna alle voorwerpen, waarbij niets vermeld staat, zijn overgezonden
door den Heer Schick.
2)  d. i. de arbeiders.
-ocr page 23-
21
or dust, besides the small stone coffins which are about l\'/a to
2*/2 feet long by 9 inches wide and a foot deep. These coffins
all contained bones. We have arranged that they shall remain
as they are, as there is no reason for disturbing them 1).
These places must be of great antiquity, though the coffins
are beautifully cut and some of them elaborately ornamented.
There are no inscriptions, though on one coffin some Phoenician
characters seem to have been roughly scratched, together with
a rude picture of a ship."
Zie over dergelijke doodkisten: F. de Saulcy „Jerusalem,"
bl. 281, verv.
2. Afgietsel van een steen met Grieksch opschrift uit
den Voorhof der Heidenen van den Tempel te Jerusalem.
Het opschrift luidt aldus:
MH©ENA AAAOrENH ElSnO
PETES0AI ENTOS TOT ÜE
PI TO IEPON TPT<£>AKTOT KAI
nEPIBOAOT OS A AN AH
<t>0T EATTAI AITIOS ES
TAI AIA TO EHAKOAOT
0EIN 0ANATON.
(Dat geen vreemdeling ga binnen de rondom het heilig-
dom [zijnde] omheining en omtrek. Al wie [daar] gegrepen
is zal aan zich zelven te wijten hebben den daarop volgen-
den dood.)
De steen werd 26 Mei 1871 ontdekt in het onderste gedeelte
van een muur, van eene zeer oude, reeds vervallen Mahome-
daansche school, ongeveer 50 M. van den tempelplaats verwij-
derd . door den welbekenden archeoloog Ch. Clermont-Ganneau.
De Pacha van Jerusalem heeft er zich terstond meester van
i) Niettegenstaande is deze kist toch afgestaan; de beenderen zijn
echter achtergebleven.
-ocr page 24-
22
gemaakt. Tot nog toe weet men niet waar deze hoogst belang-
rijke steen gebleven is. De ontdekker had er echter een af-
gietsel van gemaakt, hetwelk zich bevindt in de „Salie Judaïque"
van het „Musée du Louvre" te Parijs.
Door de welwillendheid van den conservator bij dit museum,
den Heer A. Héron de Villefosse, en door de goede zorgen van
de Heeren ItoIIin en Peuardant, archeologen te Parijs, is dit
tweede afgietsel in 1882 gemaakt.
Zie over dezen steen l): „ Biblical Monuments" bij "W. Harris
Eule D. D. and J. Corbet Anderson, bl. 146 vv.; „The Athe-
naeum\'\' 8 Juli 1871; Ch. Clermont-Ganneau „Une Stele du
Temple de Jérusalem" in de Revue Archéologique. Avril et
Mai 1872 en van denzelfden in het\'nummer van 11 Janv. 1873
van „Le Monde Illustré."
3—7. Zeer oude graflampjes, van verschillenden vorm
en grootte, in grafspelonken te Kefferim en op den Olijf-
berg gevonden.
8. Gedeelten van graflampjes, gevonden als voren.
9—15. Gebakken traankruikjes, in graven op den Olijf-
berg gevonden.
16. • Albasten traankruikje, schoon van vorm en onge-
schonden, gevonden door Scheik Feil ah in een graf te
Kefferim (het oude Abel-Sittim; Num. 25 vs. 1 en \'ó\'ó vs. 49).
17.     Potje van gebakken aarde, met oor, gevonden als
voren.
18.     Potje van gebakken aarde, kleiner dan voren, ge-
vonden als voren.
19.     Afgodsbeeldje van gebakken aarde, gevonden als
voren.
20.     Groot stuk steen van den buitensten riDgmuur van
1) Over dergelijke opschriften raadplege men: Flavius Josephus „Joodsche
Oorlogen" V. 14 en „Joodsche Oudheden" XV, 15.
-ocr page 25-
23
Salomo\'s Tempel, en wel van\'t gedeelte, waar de „klaag-
plaats der Joden" is.
Met veel moeite is het den Heer Schick gelukt een stuk van
zulk ,eene grootte machtig te worden. Door een\' Turkschen
soldaat heeft hij dit, van een\' door eene aardbeving losgeraakten
steen, doen afzagen, en wel des nachts, uit vrees voor de
aldaar wonende Joden.
21.     Verschillende stukken steen van dezelfde afkomst.
(Dergelijke stukken liggen ook in het Brandoffer-altaar van
den Tabernakel van Ds. Schouten.)
22.     Twee aaneensluitende, bewerkte steenstukken, te
zamen een gedeelte vormende van eene dikke steenen buis.
Bij opgravingen gevonden nabij den Davidstoren.
23—30. Overblijfselen van zeer oud vaatwerk, 30—36
voet diep in den grond gevonden, nabij de Christus-kerk
op den berg Sion.
Hierbij halzen van gebakken aarden kruikjes en stukken
van rood aardewerk.
31—38. Als voren, op verschillende plaatsen gevonden.
Hierbij een gedeelte van een groengranieten vaas, met lang-
werpige i-uiten geslepen, ook kruikjes, etc.
39—43. Verscheidene voorwerpen, bij opgraving ge-
vonden. Hierbij een hals van een zeer oude glazen flesch,
een stuk van een kruikje met hals en oor, e. a.
44—46. Stukken van groene, blauwe en bruine ver-
glaasde tegels, bij opgraving gevonden op de Tempelplaats.
47.     Beschilderde steenen, gevonden 24—\'30 voet diep
bij de Christus-kerk.
48.     Tegel van witten kalksteen, waarop een anker l) is
uitgehouwen.
1) Het anker en een visch waren geliefkoosde zinnebeeldige teekenen
bij de eerste Christenen.
-ocr page 26-
24
Gevonden bij de fondamenten der oude Petrus-kerk.
49.     Steentjes van verschillende kleur, uit een mozaik-
vloer. Gevonden als voren.
50.     Groote collectie steentjes, afkomstig van eene vloer
van Mozaiek, gevonden bij opgravingen op de Tempelplaats
en waarschijnlijk afkomstig van de Tempelkamer, in den
Talmud „Gazith" genoemd.
51.     Steentje van het Coenaculum, waar Christus, vol
gens de overlevering, het H. Avondmaal heeft ingesteld.
Medegebracht door, en geschenk van Mevrouw Bouma-
Wiks, op hare reis in 1850.
52.     Stuk groen graniet, gevonden in de „stallen van Sa-
lomo"\', onder den N. O. hoek van de Tempel-plaats (zie bl. 17.)
53.     Verguld rond stuk steen, in een der gewelven van
den Tempelberg gevonden.
54.     Stukken wit marmer, gevonden als voren.
55.     Stuk rood marmer, gevonden als voren.
56.     Stuk groen graniet, gevonden als voren.
57.     Verschillende steenen, gevonden als voren.
58.     Stukjes steen, uitgehold door het voortdurend loopen
van water, te Jerusalem gevonden onder een zeer oud wa-
terkanaal van den Tempel.
59.     Afgietsel in gips van een grafsteen gevonden in een
tuin te Jaffa. Het Chaldeeuwsche opschrift is, (in later
schrift):
n*o yrai nniiap «nn
tsitsi WB3 rr —l) "o-vo iuib ■\'aai
Dibuj roiab
1) Op deze plek was het afgietsel gebarsten. Volgens den Heer Schick
js de grafsteen uit de eerste eeuw onzer jaartelling.
-ocr page 27-
2b
waarvan de vertaling luidt: Een graf van den heer, den
zoon van rabbi Tartan, huisgenoot van.... Nephesch.....
(üiai), den zoon van de kracht. Vrede [zij hem].
60.    Model in melksteen van een heuvel ten zuid-oosten
van Jerusalem, welke door generaal Gordon voor den heuvel
Golgotha gehouden werd. In den heuvel is „de grot van
Jeremia."
61.    Twee modellen, het eene van melksteen, het andere
van roodachtigen steen, zooals de „Sachra" zelve is, van
de „Sachra" of heiligen steen, welke zich bevindt in de
„Kubbet es Sachra" (zie bl. 16).
Oorspronkelijk was die steen de dorschvloer van Arauna; hij
is later de grondslag geweest van \'t Altaar des brand-offers.
62.     Model van melksteen van de „El-Kas", eene fontein
op de Tempelplaats, uitloop van de waterleiding uit den
„Vijver van Salomo."
63.    Stukken Romeinsch rood aardewerk, meest van
groote kruiken, te Jerusalem opgegraven.
B. Penningen en Munten.
64, 65. Twee zilveren sikkels , afkomstig van Prof.
B. S. Cremer.
66. Judea Capta, in 74 te Rome gemunt; tijdens de
regeering van Titus. Koper.
V.z. hoofd van Titus, omkransd, met omschrifV T. CAES.
IMP. AUG. F. TR. P. COS. VÏ. CENSOR, t.z. palmboom,
waaronder rechts eene weenende vrouw (Judea voorstellende),
zittende, het hoofd in de linkerhand, met den linkerarm
-ocr page 28-
26
op de linker knie steunende. Links eeuige wapenen. In
de afsnede S. C. omschrift JUDEA CAPTA.
Zie Madden. Coins of the Jews 2e ed. bl. 221.
Hierbij een zilveren denarius met hoofd van Titus.
67—80. Munten bij opgraving te Jeruzalem gevonden;
alle koper.
67.    Johannes Hyrcanus I 135—106 v. Chr. Hooge-
priester en Vorst.
V.z. een krans, waarin, in \'t Hebreeuwsch: „Johanan de
hoogepriester en de senaat der Joden." t.z. twee hoornen
van overvloed, waartusschen een papaverbol.
Madden bl. 76.
Levy, Geschichte der Jüd. Münz. bl. 51 en 52.
68.    Alexandra, weduwe van Alexander Jannaeus 79—71
v. Chr.
V.z. anker, waarom: BAZIAI2. AAEHANA. t.z. een zon
met 8 stralen.
Madden 92. Levy 61.
69.    Herodes de Groote, 37 v. Chr. 4 n. Chr.
V.z. anker, waarom HPX1A (OT) BACI (AEHC). t.z. als
n°. 53.
Madden 112, 1. Levy 71.
70.    Archelaus, koning van Judea 4 v. Chr. — 6 n. Chr.
V.z. druiventros met blad, waarnaast HPHAOT. t.z. helm
met vederbos en stormbanden, waaronder E0NAPXOT.
Madden 117, 2.
71.    Regeering van keizer Augustus. Marcus Ambivius,
2e landvoogd van Judea 9—12.
V.z. Korenaar, waarom KAICAPOC; t.z. palmboom, waarbij
L (jaar) AI (36).
Madden 175.
-ocr page 29-
27
72.  Regeering van keizer Augustus. Annius Rufus, 3e land-
voogd van Judea 12—15. als n° 57; doch L (jaar) M (40).
Madden 176, 1.
73.     Regeering van keizer Tiberius. Valerius Gratus,
4e landvoogd van Judea 15—26.
V.z. krans, waarin TIB—KAI—CAP; t.z. gebogen palmtak,
waarbij IOT—AIA en L (jaar) IA (11).
74.    Regeering van keizer Tiberius. Pontius Pilatus,
5e Landvoogd van Judea 26—36.
V.z. J (Julia, moeder van keizer Tiberius), waarom
TIB EPIOT KAICAPOC; t.z. krans, waarin L (jaar) IH (18)
d.i. jaar 31—32 van onze tijdrekening.
Madden 183.
75.    Herodes Agrippa I, koning van Judea 41—44.
V.z. zonnescherm met franje, waarom BACIAEHC ArPIIlA;
t.z. drie korenaren op één stam waarbij L (jaar) S (6).
Madden 131.
76.     Claudius of Antonius Felix, 11e landvoogd van
Judea 52—60.
V.z. twee kruiselingsgeplaatstü palmtakken; tusschen de
stelen L (jaar) IA (14), waaromheen TI. KAATAIOC KA1CAP
TEPM, t.z. krans, waarin IOT—AIA Ar-PinniNA.
Madden 184, 2.
77.     Regeering van keizer Claudius. Nero en Brüannicus
Caesars. 54—55.
V.z. twee schilden en twee spiesen kruiselings geplaatst,
waarom NEPfl. KAAT. KAICAP; t.z. palmboom, waarboven
BPIT. waaronder KAI en L (jaar) IA (14).
Madden 185, 1.
78.     Regeering van keizer Nero. Claudius of Antonius
Felix
1 le landvoogd van Judea 52—60.
-ocr page 30-
28
V.z. denneboom, waarom L (jaar) E (5) KAICAPOC;
t.z krans, waarin NEP—f!NO—C.
Madden 158, 2.
79.     Eerste opstand der Joden 66—70.
V.z. vat met twee ooren, waarom in \'t Hebr.: „Jaar
twee"; t.z. druivenblad, waarom in \'t Hebreeuwsch „Bevrij-
ding van Sion."
Madden 206, 1. Levy 100, 1.
80.     Tweede opstand der Joden, 132—135 onder Simon
Bar Cochba
(valsche Messias). Tweede jaar van den opstand.
V.z. driesnarige lier, waarom in \'t Hebr.: „Simon"; t.z.
denneboom in een krans, waarom in \'t Hebreeuwsch „Bevrij-
ding van Jerusalem."
Madden 241, 1.
C. Voortbrengselen uit Palestina.
Kastje met houtsoorten: Sidr, Hab Erroscb, Dom, Be-
leson (Vlierboom), Achor Suet, Setun (Olijvenhout, ge-
polijst en ongepolijst), Dschessaban, Annab, Achu Bahr
Lut (Eik), Kekkal, Johannesbroodboom, Sarur (witte doorn),
Sakkun (in de Vlakte van Jericho), Mös, Bahr Lut,
Dshesafon, Bottom (wilde vijg), Wijnstok, Zure Lemoen,
Tut-el-abjat (witte moerbezie), Abhar, Snober (forcha)
(Gebergte v. Judea), Sisalacht (Sering), Tut-al-ahmar (Roode
moerbezie), Durak (Abrikoos), Vijg.
Stukken van den „Abrahamseik" te Marnre , bij Hebron.
(a Geschenk van Louise von Trotha, le Diacones te
Beyruth, 1869, b van den Heer Conrad Schick, 1882.)
Tegonwoordig staat een traliewerk rondom dezen boom, zoo-
dat het medenemen van stukken niet meer mogelijk is.
-ocr page 31-
29
Pterocarpus Santalinum (volgens Prof. Veth het Almuggim-
hout) (1 Kon. 10:11, 12; 2 Krou. 9: 10, 11).
Wortelstuk van een palmboom, gevonden in een der
tempelgewelven.
Stuk van een olijfboom, op de tempelplaats (vervulling
van Micha 3 : 12c, Jeremia 26 : 18).
Takje van een der oude olijfboomen uit Gethsemané.
Olijftakje met gedroogde vrucht; van den Olijfberg. Mede-
gebracht door en geschenk van kapitein Pim.
Olijftakken met bloesems van den Olijfberg. Geschenk
van den Zendeling S. Muller te Bethlehem.
Cupressus Sempervh-ens (Goferhout) (Gen. 6:14, Jes. 44:14).
Rozemarijntakje uit Gethsemané, in 1872 medegebracht
door en geschenk van Ds. J. Westrik, Pred. te Cothen.
Bloem uit het dal van Saron (Hooglied 2:1). Geschenk
als voren.
Blad van een plant bij de vijvers van Salomo (zie bl. 17).
Medegebracht door en geschenk als voren.
Immortellen uit Silo. Medegebracht door en geschenk
van kapitein Pim in 1869.
Veldbloemen uit Silo, van denzelfden.
Korenaar, in de nabijheid der Jacobsbron gegroeid, van
denzelfden.
Korenaar uit Bethlehem, van denzelfden.
Gerst- en tarwearen uit Jerusalem.
Gerstaar op den berg Sion gegroeid. (Micha 3 : 12c).
Medegebracht door en geschenk van C. W. M. v. de Velde,
oud-luitenant ter zee, op zijne reis 1851—52. (Hij schreef:
„Reis door Syrië en Palestina in 1851 en 1852").
Takken en vruchten der Cypressusboomen van den berg
Sion (Micha 3 : 12c en Jeremia 26 : 18), van den Heer Schick.
-ocr page 32-
30
Pluim van rietgewas uit de Jordaan, van kapitein Pim.
Als voren van den zendeling S. Muller te Bethlehein.
Cederappel van den Libanon. Medegebracht door en
geschenk van Mevr. Bouraa — Wiks, 1850.
Als voren van kapitein Pim, 1869.
Tak met drie Cederappels van den Libanon, van Louise
von Trotha, 1869.
Vrucht van een denneboom van den Libanon. Geschenk
van Caroline Sack, diacones te Beyruth, 1869.
Sodomsappels. Geschenk van den zendeling Muller, 1868.
Tarwearen uit het land der Philistijnen, van denzelfden,
1885.
Anastatica Hierochuntica, waaronder van buitengewone
grootte. (Rozen van Jericho). Geschenk van verschillende
reizigers.
Tak van de „Spina Christi", tot een doornenkroon gevloch-
ten. Overgezonden 1879.
Colocynthis Vulgaris (witte kolokwint) (2 Kon. 4: 39, 40).
Granaatappel uit Jerusalem, overgezonden 1880.
Als voren uit Bethlehem, overgezonden 1868.
Als voren uit Damascus. Medegebracht door en geschenk
van Ds. G. H. van Senden, Predikant te Zwolle, van zijne reis
in 1850. (Schrijver van „Het Heilige Land, of mededeelin-
gen uit eene reis naar het Oosten, gedaan in de jaren
1849 en 1850 in gezelschap van H. K. H. de Prinses
Marianne der Nederlanden.")
Vijgen uit Jerusalem, gegroeid 1880.
Aarde uitgegraven op den berg Moriah. Geschenk van
Bisschop Samuel Gobat in 1866. \')
1) Met deze aarde is het brandoffer altaar van den Tabernakel van
Ds. Schouten gevuld.
-ocr page 33-
31
Wijn uit Jerusalem, gewas 1878.
Water uit de Jordaan, medegebracht door en geschenk
van Dr. E. M. Beijma, conservator van de geologische
afdeeling van \'s Rijksmuseum van Natuurl. Historie te
Leiden; medegebracht 1852. (Zie ook Egyptische Oudheden,
bl. 40.)
Water uit de Doode Zee, van denzelfden.
Water van de beek Kedron in 1868 overgezonden, a. ge-
schenk van den heer Sneller, vader van \'t jongensweeshuis
te Jerusalem, b. van Charlotte Piltz, diacones aldaar.
Water uit de bron Siloa (Jesaia 8:6, Joh. 9: 7) (nu
ook Maria-bron genoemd) geschenk van Charlotte Piltz.
Water van \'t bad Bethesda, geschenk van Louise von
Trotha in 1870.
Aarde uit Gethsémané, water uit de Jordaan, schelpjes
van de zee van Tiberias; van de Doode Zee, e. a.
Grashalmen en bloemen van Moriah, geschenk van den
zendeling S. Muller.
Bloemen van verschillende plaatsen van Palestina.
Als voren, geschenk van Charlotte Piltz, 1866 en 1867.
Als voren, van C. W. M. van de Velde, 1851.
Bloemen van de berg Sion, van de zendeling S. Muller. 1885.
Gerstaren op den berg Sion, gegroeid in 1884, als voren.
Takjes en bloemen van den berg Sion.
Honig uit Ramallah, bij Jeruzalem, overgezonden door
den zendeling-leeraar G. Nijland, aldaar.
D. Insecten, Versteeningen, Varia.
Insecten.
Spin uit Jerusalem.
-ocr page 34-
32
4 Schorpioenen uit Jerusalem.
4 Sprinkhanen van de plaag 1866.
2 Torren, levend overgekomen in de aarde van den
berg Moriah, welke Bisschop Gobat in 1867 overzond.
(Zie pag. 28 onderaan.)
Versteeningen.
Versteende Aramoniet in kalksteen, gevonden op den
o. helling van den Olijfberg.
Versteening van een visch, gevonden op den Libanon,
3000 voet boven den waterspiegel, geschenk van Louise
van Trotha in 1869.
Als voren van twee visschen, gevonden ten oosten van
Jaffa, geschenk van Mevr. Bouma—Wiks.
Versteende olijven, overgezonden 1885.
Als voren, gevonden op den Libanon, geschenk van
Kapitein Pim.
Versteende St. Jacobs schelp, geschenk van denzelfden.
Versteende Ammoniet van den Libanon, geschenk van
denzelfden.
Varia.
Het boek Esther, in zeer klein Hebr. schrift op \'t
fijnste perkament geschreven, l1/.2 meter lang. In kunstig
bewerkt zilveren kokertje, waarbij een koker van olijven-
hout zich bevindt, tot berging van den zilveren. Overge-
zonden 1885, door O Schick, te Jeruzalem.
Zwarte steen (Bitumen?) uit de nabijheid van „Nebi Musa"
(volgens de Mahomedanen het graf van Mozes) ten N. O.
van het klooster Mar-Saba op de tempelplaats.
-ocr page 35-
33
Verschillende steentjes als: van den berg Sion, geschenk
van Mevr. Bouma—Wiks; van de klaagplaats der Joden,
geschenk van C. W. M. van de Velde; als voren van Char-
lotte Piltz; uit de Doode Zee; uit de Jordaan; uit het
Herdersveld; geschenk van Mevr. Bouma—Wiks.
Steentjes uit het zoogenaamde versteende Erwtenveld bij
Bethlehem, geschenk van Mevr. Bouma—Wiks.
Dit veld heeft zijn naam naar den vorm der steentjes
welke aldaar gevonden worden. Zij zijn roodachtig van kleur.
Steen uit de Jordaan, waarop de doop van Christus is
uitgehouwen, 1880.
Mozaiksteentjes van verschillende kleuren, uit de Moskee
„Kubbet es Sachra".
Stukje geschilderd glas uit dezelfde moskee.
Gebedsmantel uit Jerusalem overgezonden 1880. (Num.
15:18, Deut. 22:12.)
Gedenkcedels van buitengewone grootte, als voren. (Deut.
6:8 etc). Gedenkcedels van deze grootte werden door de
Farizeën gebruikt (Matth. 23:5, „Zij maken hunne gedenk-
cedels breed.")
Gedenkcedels van gewone grootte, als voren.
Doekje met Arabische opschriften, geborduurd door kin-
deren uit de Evangelische school op Sion 1866.
Bakje van asphalt uit de Doode zee met Arab. opschrif-
ten. Overgezonden 1866. Andere voorwerpen van asphalt
in 1885 door de zendeling S. Muller overgezonden.
Onbewerkte asphalt.
Verschillende voorwerpen van olijvenhout.
Bidsnoeren, kruizen en andere voorwerpen van olijven-
hout, paarlemoer etc. waarbij een groot kruis van olijven-
hout van den Olijfberg, om welks dwars-balk eene doornen-
3
-ocr page 36-
34
kroon van de „Spina Christi" gevlochten is. In 1885 over-
gezonden door den Zend. Muller, te Beth-lehem.
Kruis van rood geaderd marmer, geschenk van Mr. J. I.
D. Nepveu, griffier in het voormalig Provinciaal Gerechtshof
van Utrecht.
Brieven met zegels van Bisschop Gobat en van Charlotte
Piltz, ter begeleiding van de aarde van Moria; overgezon-
den 1869.
Deze dienen tot bewijzen der echtheid van de aarde,
welke zeer diep is uitgegraven. Daar het graven op dezen
berg streng verboden is, kostte het den bisschop veel moeite
die machtig te worden, om ze over te zenden voor het doel:
de vulling van het Brandoffer-altaar met gewijde aarde.
Koperen inktkoker van antieken vorm, geschenk van
kaptein Pim 1871.
E. Joodsche voorwerpen, niet uit Palestina.
Mezouza of Deurpostcedel. (Deutr. 11: 13—20.) Gebruikt
door Dr. A. Capadose. Van hem ten geschenke ontvan-
gen 1872.
Zakje met tephilim of gedenkcedels, afkomstig van Prof.
S. Rau.
Als voren, afkomstig van Prof. B. S. Cremer.
Als voren, zonder riemen van Prof. Bau.
Oude deurpostcedels in houten kokertjes, afkomstig als
voren.
Perkamenten rol, waarop in prachtig Hebreeuwsch schrift
het boek Esther geschreven is.
-ocr page 37-
Egyptische Oudheden.
In 1885 gaf de welbekende Egyptoloog Dr. W. Pleyte te
Leiden eene „Beschrijving" uit „van de verzameling Egyp-
tische Oudheden van Ds. L. Schouten Hz. te Utrecht", gedrukt
bij E. J. Brill te Leiden. Die beschrijving is niet alleen voor-
zien van belangrijke mededeelingen over Egyptische oudheden
(zooals vertalingen van gedeelten uit het Doodenboek) maar ook
van de hieroglyphen die zich op de oudheden van Ds. Schouten
bevinden.
Slechts een klein getal exemplaren is gedrukt. Om die
reden volgt hier de opsomming dier oudheden, doch zonder
hieroglyphen en bijzondere mededeelingen.
A. Lijkvazen.
1—4. Serie Lijkvazen „Canopen", van witten kalksteen,
gemiddeld hoog 31\'). Op de voorzijde dezer vazen staat een
op alle gelijkluidend opschrift: „Woord voor Osiris 2) den
koninklijken schrijver; Amonemhat, zoon van Paschetuhor."
1)  De hoogte is in centimeters aangegeven.
2)  De afgestorvene heette Osiris N. N.; hier dus Osiris Amonemhat. .
-ocr page 38-
36
Naar den naam en de kortheid der zegswijze te oordeelen
uit de 12e dynastie (2350 jaar voor onze jaartelling).
Ds. Schouten kocht deze vazen van den Heer E. Allemant
te Cairo, die ze van het museum te Boulaq had ontvangen.
5.    Lijkvaas met den kop van een jakhals als deksel,
albast, hoog 39. Afkomstig van wijlen A. W. Ruyssenaers,
consul te Alexandrie.
6.    Lijkvaas van gebakken aarde, met menschenhoofd
als deksel, hoog 29. Afkomstig als voren.
B. Lijkgesteenten.\')
7.    Geschilderde kalksteen. De gevleugelde zonneschijf
zweeft boven Ra-harmachis, aangebeden door den afge-
storvene met zijne vrouw. Bij de zonneschijf staat: „Bahut,
heer des hemels." De namen der personen zijn uitgewischt.
Afkomstig als voren, hoog 32, breed 19.
8.    Kalksteen. Osiris in de gedaante eener Mumie, ge- •
kroond met de Atef kroon; vóór hem de afgestorvene, eene
vrouw. Afkomstig als voren; hoog 30, breed 23. Opschrift:
„Koninklijk offer aan Osiris, den bewoner van het Westen,
den Heer van Abydos." Gebed: „Moge hij schenken offers
van drank en spijs, vleesch, gevogelte en allerlei voor-
treffelijke en reine zaken." „Aan den geest van Osiris, de
meesteres des huizes Taha (de koe) dochter van den god-
delijken vader (priester) Psametichus, zoon van de meesteres
des huizes Anrou, wier mond arbeidt."
1) Alle zijn aan de bovenzijde halfrond, dus uit Thebe. Op alle steenen
zijn tafels met offers afgebeeld.
-ocr page 39-
37
9.    Kalksteen. Osiris, Horus, en Isis, aangebeden door
den afgestorvene. Afkomstig als voren, hoog 29!/2 breed
24. Opschrift: „Koninklijk offer aan Osiris, den bewoner
van het westen, den grooten God, den Heer van Abydos,
Unofris (het goede wezen), den vorst der eeuwigheid, den
erfgenaam der goden, den rustige van hart. den Heer der
twee werelden.
Gebed: „Hij geve duizende offers van spijzen, duizende
dranken, duizende koeien, duizende eenden, duizende vazen
wierook, duizende oliën, duizende wijnsoorten, duizende
vaten melk aan Osiris, den priester van Amon, Auf (stuk
vleesch) zoon van de meesteres des huizes Pepi (het kind).
10.    Kalksteen. Osiris en Isis, aangebeden door „vanger
van jonge vogels". Opschrift: „woord voor Osiris, den Heer
van den tijd". Gebed: „Moge bij geven een overvloed
van offers aan Osiris, den afgestorvene." Hoog 331/2,
breed 22. Geschenk van Mej. J. E. Valckenier, te \'s Gra-
venhage.
11.    Kalksteen. Bovenaan twee oogen en twee jakhalzen,
de bewakers van Noord en Zuid. Opschrift: „Koninklijk
offer aan Osiris, den bewoner van het Westen en Apuot
(den jakhals) den Heer van Tosar. Gebed: „Mogen zij
geven, drank- en spijsoffers, koeien, eendvogels en wierook,
aan den geest van den schilder Ab, zoon van Aatau, den
rechtvaardig verklaarde." Onder deze opschriften is de
familie van den afgestorvene afgebeeld en wel:
Aatau en zijne vrouw Aku                           Kent
Aatau, Abu, Nofreui, Horti. Sebakem heb.
Daartusschen als opschrift: „koninklijk offer aan Osiris,
den Heer van Abydos, voor den geest van......" De
-ocr page 40-
38
figuren zijn geschilderd. Hoog 331/2, breed 22. Geschenk
als voren.
C. Lijkbeeldjes.
12 en 13. Uschebti (lijkbeeldjes) van koning Menmara
Seti Meneptah I,
XlXe dynastie. Het begin van het opschrift
luidt: „Verheerlijking van Osiris, den koning, zon, die de
waarheid vestigt, den rechtvaardig verklaarde," en verder:
„Uschebti van Seti, den geliefde van Ptah, den recht-
vaardig verklaarde" Sycomoren-hout, hoog 19, aangekocht
uit de verzameling Posno, die te Parijs in 1883 geveild is.
14.     „De magazijnmeester Horarüief." Opschrift: „Het
hoofd van het magazijn, Horus heeft hem verwekt, den
rechtvaardig verklaarde", kalksteen, hoog 11.1)
15.     Opschrift: „Ra de eerwaardige." Grauwe kalksteen,
hoog 14.
16.     Opschrift: „Zachtmoedige Ra." Verglaasd aarde
werk, hoog 19. Het beeldje is van „Hophra" en dus tijdens
de XXVIe dynastie (685—525 v. Chr.).
17.     „Apu". Albast, hoog 17. Geschenk van Mej.Valckenier.
18.     „De overste der soldaten Bes" verglaasd aardewerk,
hoog 10.
19.     „De zangeres van Amon, krans van Mut", verglaasd
aardewerk, hoog 10J. Afkomstig Ruyssenaers.
20.     „Ptah, de eerwaardige zoon van de Guldene (bij-
1) Voor zoover de afkomst niet vermeld staat, z\\jn deze beeldjes aan-
gekocht bij de Heeren Rollin en Feuardent te Parijs.
-ocr page 41-
39
naam van Isis) de rechtvaardig verklaarde". Verglaasd
aardewerk. Hoog 10\' /2.
21.    „Oahabra, Hophra". Vergl. aardew. h. 11.
22.    „De schoone .... zoon van de vurige". Vergl. aarde-
werk h. 11.
23.    Lijkbeeldje van beschilderd hout, hoog 201 /2. Af-
komstig uit de verz. Posno. Opschrift: „De priester van
Amon van Thebes, die de wereld doet staan".
24.    Lijkbeeldje van beschilderd hout, hoog 21, afkom-
stig als voren. Opschrift: „De meesteres des huizes Taani,
de lieflijke".
25.    Houten lijkbeeldje, hoog 29, afkomstig als voren.
26—32. 7 Lijkbeeldjes, gemiddeld hoog 14, van ver-
schillende stof, met onduidelijke hieroglyphen.
33. Houteu, beschilderde doos; vierkant, hoog 55. Zij
diende voor het bewaren van lijkbeeldjes. Op het deksel
zit een gekroonde Sperwer, van beschilderd hout. Op de
wanden zijn afgebeeld: een poort, eene mumie in een boot,
twee offerende Cynocephalen, de vier geniën des doods, etc.
Afkomstig, verz. Posno.
D. Gedeelten van Mumiën.
34.    Mumie eener kat, ingewikkeld in linnen, met blauwe
kralen versierd. Afkomstig Ruyssenaers.
35.    Hoofd eener Mumie van een man, zwart van kleur,
uit Memphis, met rood bruin haar.
36.    Doodkistje van een Sperwer, brons, lang 19, hoog
141/2. Aan de achterzijde opengebroken en thans ledig.
-ocr page 42-
40
Op het kistje een bronzen, gekroonde Sperwer. De oogen,
oorspr. van kwarts, in goud gevat. Aangekocht bij de
H.H. Rollin en Feuardent te Parijs.
37.    Verschillende stalen lijnwaad of Byssus van eene
Mumie uit den Ptolemeëntijd. In lijst, achter glas. Hierbij
in eene flesch, eene vrij groote hoeveelheid Byssus, afkom-
stig van dezelfde Mumie.
38.    Een met harst en pik doortrokken verkoold stuk
van de dijbeen-omkleeding van voornoemde Mumie.
39.    Stukje van de kroon der gerechtigheid, welke het
hoofd van genoemde Mumie omgaf; bij de stalen onder 37
vermeld.
De kroon is samengesteld uit bladeren van den Mimusops,
aaneengeheoht met strookjes Doum-palmblad.
E. Godenbeelden.
40. Osiris, rechter der onderwereld, voorgesteld als
Mumie. Brons. De oogen van kwarts, met goud ingelegd.
Hoog z. voetstuk 85. Opschrift op den voet van het beeld:
„Aan Osiris die het leven geeft, Aimhotep, zoon van Nesira"
(= die Ra, den zonnegod toebehoort). Dit beeld is door
den Onderkoning van Egypte ten geschenke gegeven aan
wijlen Prins Lodewijk Bonaparte. Na diens dood is het te
Parijs geveild, aangekocht door de H.H. Rollin en Feuardant
en door deze weder aan Ds. Schouten in 1880.
41—45. Osirisbeeldjes van brons; twee grootere, geschon-
den, drie kleinere, ongeschonden (waarvan het kleinste als
amulet gebruikt is). Afkomstig Ruyssenaers.
-ocr page 43-
41
46.    Isis, aan Horus de borst gevende. Zij heeft de
maauschijf, tusschen twee koehoornen, op het hoofd.
Hoog 24. Afkomstig en aangekocht als N°. 40.
47.    Horus als kind, Harpokrates, met den wijsvinger
der rechterhand aan den mond. Brons. Hoog 13. Aange-
kocht als N°. 40.
48.    Aimhotep, god der geneeskunst; zittend bronzen
beeldje. Op de knieën ligt eene geopende rol, waarop
staat: „Aimhotep de geliefde van Ptah, de zoon van Beset"
(het laatste zeer onduidelijk en ouzeker). Aangekocht als
N°. 40.
49.    Chnum, de formeerder van alles, met ramshoofd.
Hoog ÏS1^. Afkomstig verzameling Posno.
50.    De stier Apis. Hoog 10, lang 9. Brons. Opschrift,
gedeeltelijk leesbaar: „Osiris hapi" (Serapis). Aangekocht
als N°. 40.
51.    Kat, symbool der godin Beset of Bubastis. Brons.
Hoog 171j2. Aangekocht als voren.
F. Scarabeen, enz.
52.    Groote Tor van serpentijnsteen, voorzien met een
zevenregelig opschrift uit het Doodenboek, hoofdstuk 30,
doch bijna onleesbaar. Geschenk van Mej. Valckenier.
53.    Scarabee van dezelfde stof, doch kleiner en zonder
opschrift. Geschenk als voren.
54—56. Drie scarabeen van brons, serpentijnsteen en
kalksteen. Aangekocht als N°. 40.
57. Halsketting van groene, verglaasde kralen, waar-
-ocr page 44-
42
aan een beeldje van den genius des doods „Amset" hangt.
Afkomstig van Ruyssenaars.
58.    Houten arm van een beeldje, rood beschilderd.
59.    Tichelsteen, opgegraven in de Delta, in bijzijn van
wijlen Dr. E. M. Beyma, conservator van de geologische
afdeeling van \'s Rijks Museum van Natuurlijke Historie te
Leiden in 1852; na diens dood aangekocht door wijlen
B. Th. Baron van Heemstra in 1874. Uit diens verzameling
aangekocht in 1880. Lang 35, breed en hoog 18. De steen
beantwoordt geheel aan de beschrijving in Exod. 5:7, enz.
60.    Vaasje van gebakken aarde. Hoog 7. Afkomstig
van Ruyssenaers.
61.    Graankorrels bij eene Mumie gevonden. Afkomstig
als voren.
-ocr page 45-
Kerkelijke Oudheden.
Twee heele en een halve hostie, groot formaat van ge-
bakken brood, uit het begin der 17de eeuw, en wel van
de Grieksche kerk (blijkbaar uit de Grieksche letters daarop).
Zij hebben deel uitgemaakt van de verzameling van den
beroemden oudheidkundigen Cornelis! van Alkemade. Ge-
schenk van Dr. G. D. J. Schotel te Dordrecht, Emer.-pre-
dikant van Tilburg.
Spijker, waarbij een holle ijzeren nagel tot berging,
welke vóór den tijd van den beeldenstorm in een der Zuid-
Nederlandsche kerken bewaard werd, en, die volgens de
overlevering, door keizerin Helena op Golgotha gevonden is.
Eveneens geschenk van Dr. G. D. J. Schotel en afkomstig
uit de verzameling van Cornelis van Alkemade.
Stukjes been van de reliquiën van St. Pontiaan. Deze
reliquiën werden vroeger in de Domkerk te Utrecht be-
waard, thans in de hoofdkerk der Oud-Bisschoppelijke
Cleresy, onder \'t altaar. Geschenk van den Hoogeerw. Heer
C. J. Mulder, Aarts-Priester en Deken van het Aartsbisdom
Utrecht.