-ocr page 1-
Prijs 30 \'.
KLASSIEK ^sJgM^g
£»:éÉèZ.
$m
LETTERKUNDIG (
W- PANTHEON. ^
!ïï WEBERZYDS HÜWELYKS-EEEBOG
L IJ S P E L
DOOR
ANGENDIJK
toegelicht
DOOR
Dr, F. A. STOETT
-ocr page 2-
\\0&£f
y/w^
,
-ocr page 3-
INSTITUUT DE VQDY^
TOOR NEDEfcfc*tfpSJ2 TAAL-
EN JJSTTIÏRKUNDÈ^ÏN^N DE
RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
-ocr page 4-
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
III Ml Ml llll IIIIIIIIIMIIII
0333 7676
-ocr page 5-
HUWELYKS BEDROG.
U.3. UT-\'CHT
1
BLYSPEL 5b<?
P. LANGENDYK
toegelicht
Dr. F. A. STOETT.
-.v^
*^i
*>5€l>*
ZüTPHEN.
W. J. THIEME & C«.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
III
Er bestaan van dit blijspel vier uitgavon, die door Lan-
gendyk zelf bezorgd zyn, namelijk:
A.  Het | wederzyds | huwelyks bedrog. | Blyspél. | door |
Pr. Langendyk [vignet met de spreuk turbant sgd
extollunt]
Te Amsteldam | By Hendrik van do Gaeto,
Boekverkoper, op den boek van do Warmoes-straat
on den Vygondam 1714. kl. 8».
B.   Hot | wederzyds | buwolyks bedrog. | Blyspél. | door |
Pr. Langendyk | De laatste druk | door den Dichter
van veele drukfouten gezuiverd, [ander vignet met de
spreuk vigilanter et quieté] Te Amsteldam | By Joan-
nes Oostorwyk, Boekvorkoper op den Dam 1720. kl. 8".
C.   Pr. Langendyks | Godicbten | Tweede Deel [ander
vignet met do spreuk vincent perseveranter scandendo]
t\' Amsteldam, | By do "Wed: van B: Visscber, Boek-
vorkoopster in do Dirk van Hasselt-steeg, 1721.
D.   Hot | wederzyds | buwelyks bedrog. | Blyspél. | door |
Pr. Langendyk. [ander vignet, een byenkorf met bet
ondersebrift De Byen storten hier het eelste dat zy
Leezen \\ om de Oude stok te toen en de Ouderloze
Weezen.]
Te Amsteldam, | By Izaak Duim, Boekver-
koopor op den boek van den Voorburgwal "n St\' steeg,
1754. Met Privilegie.
Latere drukken zjjn van 1760, berdruk van C, 1795,
herdruk v. D, 1829, berdruk v. C, 1859, berdruk v. C en
1890, herdruk v. B. l)
^aar Langendyk zelf in de voorrede van den oorsten
dr1 c zegt „tfe drukfouten, hier en daar ingesloopen, eisch
ik jeen verschooning voor; dewyl ik my zelven daar over
nu kan verschoonen; hebbende de proeven te haastig nage-
1) De in don Catalogus der Maatschappy v. Neder]. Taal- en Letterk.
opgegeven druk van ± 1840 is die van 1829.
-ocr page 8-
IV
»ien in een tyd dat ik nutter bezigheden had, is die druk
niet aan deze uitgave ten grondslag gelogd, en is hier-
roor genomen de twoede druk (B). Aan den voet der blad-
zijdo zyu do varianten vermeld der drie andero uitgaven.
In Elzevier\'s Geïllustreerd Maandschrift, laten jaargang,
is door Dr. J. ten Brink als bron der intrigue aangewe»
zen een prozaroman, getiteld: Vermakelyke Vryagie van
den kaaien Utrechtsen Edelman, en de niet hebbende Gel-
dersche Juffer, met de Overijsselse Brood-zoekende Kame-
nier en den armen Fransehen Lakei/. Haar trotse, en
Magchelyke lrryayie, door een wederzytse hoop van een
rylc huwelyk aan malkander te doen: de listen van mal-
kander te bedriegen van hen in
V werk gesteld: en hun
adelyke trouw daarop geiolgt. Tot dat ze eindelyk na
V
pleegen van veel bedriegeryen, uit dit land naar Parys
vertrekken; daar ze met aardige vonden en listen hun
staat trachten staande te houden. Zynde een ware geschie-
denis nu onlangs voorgevallen. Door den zelven in druk
uitgegeeven en met kopere Plaaten verciert, By Timotheus
ten Hoorn, Boekverkooper in de Nes in \'t Zinnebeeld, 1008.
Eeno aostkotisch-critischo boschouwing van het stuk
kun mon vinden in Dr. C\'. H. Ph. Meyer\'s proefschrift
Pieter Langendijk, zijn leven en werken, bl. 208—281;b(j
F. Z. Meklor, Pieter Langendijk, Culemborg, Blom en
Olivierso, 1892 (overgedrukt uit Noord en Zuid XIV), en bjj
Dr. J. te "Winkel in de Zuolsche Herdrukken V, bl. V—XIX.
-ocr page 9-
HET
WEDERZYDS
HÜWELYKS BEDROG.
BLYSPÉL,
DOOB
PR. LANGENDYK.
De laatste druk
door den Dichter van vecle drukfouten gezuiverd.
[Vignet, J. Wandelaar inv. et fecit,
met do spreuk iVigllanter et q n i o t o.]
Te AMSTELDAM.
By JOANNES OOSTERWYK, Boekverkoper op den
Dam 1720.
-ocr page 10-
-ocr page 11-
OPDRACHT,
AAN DEN HEERE
GOVERT van MATER.1
Beroemde jong\'ling, dio in uwe lontejaaren
De letterwyshoid volgt in \'tDuitsch, Latyn, on Fransch,
Waardoor uw braavo 2 naam met eenen sehoonon glans
Zal blinken naa 3 waardy, tor eere van bot Spaaren 4.
5 Het zy uw Kruisgozang op \'t roeren uwer snaaron
Den goost van de aard vorhoft, tot aan des bomcls trans;
Het zy uw Herdersfluit do rciön leid ten dans,
Of dat g\'oon Treurtoon zingt; u passen Dat\'nes blaren 5.
Dit Huwelyks-bedrog ziet andermaal het licht,
10 Dat kenners heeft gesmaakt, en niemants oor ontsticht
Door snoode boertery of vuilo onkuische reden.
Tooneoldicht joktG somtyds; maar ze is een reine maagd.
Bescherm do Nimf, myn Vriend; indien zy u behaagt
Zal zy to moediger op Aemstels schouwburg treeden.
PIETER LANG END YK.
Deze opdracht komt nog niet in A, maar wel in B, C on D voor.
1 uwe C ww/ 12 tooneddicht D toonvel\'kunst.
1) Zie de aanteokeningen. 2) goed, schoon. 8) naar. 4) Haarlem. 5) lau-
werbladon. Zie do aant. 0) schertst.
-ocr page 12-
VOORREED E.
Zie hier myn spel genaamd Het we&erzyds Huwelyks-
bedroff
ten tweedemaal in \'t licht, van veele drukfeilen
gezuiverd. Boven al zyn de geslachten der naamwoorden
naauwkeuriger waargenomen. Indien \'er evenwel hier of
daar iets mochte mis gezien zyn, verzoek ik wel den
Leezer hetzelve te verbeteren. Ik tel my niet onder die
Dichters welke waanen dat men hunne vaerzen voor orakels
moet houden, als quamenze uit don dryvoet van Apol 1;
neen ik hoor gaern het oordeel van alle kunstkenners.
Maar hoe schaars zyn die heden te vinden! zwermen van
Vaerzemaakers, die met een ydel gesnor 2, en woorden
Deze voorrede vindt men ook in C, doch het begin verschilt, name-
lijk: «Voorbericht. Korts quam myn spel genaamd liet Wederzijds
Huiceli/ks-lietlrog
ten tweedemaal in \'t licht, van veele drukfeilen
gezuiverd. Boven al zyn de geslachten der naamwoorden naauwkeuriger
waargenomen, het welk men in deezen derden druk meedo zo zal vinden.
Indien \'er," enz.
A heeft do volgendo voorrede:
„Aan don Leezer. Zie hier myn derdo Tooneelspél in het licht, be-
helzende eene stoffe die volgons myn oordeel niet onbehaaglyk op het
Nederlands Tooneel zal weezen : want wy beschimpen gebreken in dit
Spel, die van openhartige Hollanders altyd verfoeid zyn, naamelyk: de
verwaandheid, hovaerdy, en \'t bedrog, die in deezen Lande, naar hot
schynd, door do vreemdelingen gebracht zyn: want de eenvoudigheid,
zedigheid en oprechtheid onzer Voorouderen, is van oudsher vermaard,
,ja van hunno grootste Vyanden geproozen. Ik vlei my dan, dat wy
in deezen liet oogwit van een Blyspél voldaan hebben : te moer om dat
1) Men horinnero zich, dat in don tempel van A polio te Delphi do
priesteres Pythia op een gouden drievoét zat en in vlagen van geest-
verrukking de godspraak verkondigde. 2) onzinnige praat, geleuter;
mi. V\'db. IV, 1769.
-ocr page 13-
\'I
van een halven vaam \' den zangberg 2 verveelen, komen
genoeg te voorschyn, en vertoonen de waereld wat ze
zyn, naamelyk zotten; vitters die de zaaken over \'t hoofd
\' zien, en aan de woorden knabbelen zyn \'er ook geen
gebrek; maar mannen die der Nederduitsche 3 taal kundig,
de tooneeldichtkunst zelf luister byzotten zyn \'er, helaas!
weinige over. Boven al schynt het blyspél den geest te
geeven, verdrukt door een menigte historiespelen, weinig
dienende tot verbetering der zeden, \'t welk do grootste
eigenschap is, die het toonool luister byzet. Hoe weinig
Dichters trachten het voetspoor van do voortreffelyke
mannen naa te volgen, die do gierigaarts, verwaanden,
zotte Doktooren, beursschraapende Advokaaten, jaloersche
knorrepotten, schynheilige bedriegers, losse minnaars, en
minnaressen, koppige dwarsdryfsters, zwetzendo pofhan-
zen *, doorsleepen vleijers, domme boeren, geestige knechts,
nydige buurlieden, raazende geloorden, malle poeëten, en
meer andere eigenschappen, zo leevendig ten tooneele
gevoerd hebben, dat hunnen naam lang door de nakome-
wy met deoze gebreken te hekelen, niemand in \'t bezonder (onzes
wetens) hebben gequetst.
Wat de schikking van het Spel aangaat, hier in onderwerpen wy ons
aan het keurig oordeel van ongeveinsde liefhebbers der Toonoel Poëzy,
en verzoeken, dat zy onze misslagen verschoonen, die ligt in een Eigen-
vinding kunnen begaan worden. De drukfouten, hier en daar ingesloopen,
eisch ik geen vorschooning voor; dowyl ik my zolven daar over niet
kan verschoonen; bobbende do proeven te haastig nagezien, in een tyd
dat ik nutter bezigheden had. Maar ik troost my dat \'er geen in zyn aio
do wezentlykheid van hot Spel kunnen quaad maaken. Ondortusschen
kunnen de drekvliegen van Parnas (quaadaardige en nydige vitters) zich
met die drukfouten vormaaken, zy moeten toch een versnaaporingetje
hebben.
Verwacht in \'t kort den derden Druk van myn Blyspél Don Quichot,
"jj de Bruiloft van Kamacho. Verbeterd, door tusschenvoogingen van
verscheidene Tooneolon.
                                            Vaar wol. P. L."
1) Horatius spreekt in zijne Ars Poëtica van verha .9esquipedalia, woor-
don, anderhalvon voet lan^. 2> de Helicon in Boiotië, waar de Muzen
woonden. 3) Nederlandsch (vgl. thans nog de 2ïederdiiit3ch Hervormde
Kerk). 4) bluffers, opsnjjers, pochers.
-ocr page 14-
10
lingen zal geroomd worden. Sommige willen Vrankryk de
oere toesckryvon dat Molière ons eorst do oogon goopont
hooft, in \'t vorbceldon \' van de aartgclirekcn der men-
sckcn: maar zy zyn verdoold; Holland heeft den room, \'
dat de doorluchtige Drost 1\'ioter Kornelisz: Hoofd een
een spel van dat slag dichtte, naamelyk: Wareuar met
de pot, en de Geestige Brodero zynen Spaanschen Bra-
bander, die welhaast gevolgd wierden van verscheidene
onzer landgenooton. Wel is waar dat do schikking dezer
spelen in dezen tyd gobreklyk is: maar de natuur hunner
1\'oraonaadjon wykt nergens van haar Eigenschap, noch
doet zulke buitenspoorige sprongen als men in Molière
vind. Ik breng dit niet by om dien Dichter te verachten,
geenzins; wy houden hem in waardy, en geoven hem gaern
de eer dat hy de grootste blyspéldickter zynor oeuw is
geweest. Onze Pooëten zullen hom niet licht op zydo komen,
ten zy dat ze de romansche verbeoldingen - vorlaaten,
on do kontékonon (Caractors) dor ondeugden op zyn spoor
gade slaande, mot kunst op \'t tooneol bospotlyk mnaken;
waar toe hen goeno oigen vindingen noch vortaaliugen
ten voorbeeld ontbreeken. Do Franschon geeven onzen
Hot Voorbericht voor D luidt:
„Oit blyspél, liet ll\'e\'hrzijils Hitwultfksbeilrog, quam veertig jaareu
geleden, ïiiiamelyk in den janro 1714 do ccrstomaal in liet licht, en is tot
heden, gelyk allo myno toonoclstukkeu, op den Amstcrdamschou Kehouw-
burg Vertoond.
Ik heb het recht, om dezelve in Qiutrto by elkander te laateu druk*
ken, altoos aan my behouden ; om dat ik voorgenomen had aile myne
dichtworken te verzamelen, on in dat Formaat uit te geeven; ge"lyk
geschied is. Hierdoor is het veroorzaakt dat 3omnlige myner speelen
zouder 1\'ricilegie gespeeld en gedrukt zyn: maar by gelegenheid deezes
herdruks, is by vordrag vastgosteld, tussen de E.*K. Heeren Kegenten
des Amsterdamschen Schouwhurgs, en ./. liosch, boekverkooper te lfaet-
le-ia,
dat hy het recht zal hebben, om allo myne tooneclstukken in Qitarto
Formaat
by myno dichtkundige werken te drukken, schoon do zolvc
mot de Privilegie van den Schouwburg zyn uitgegcevon, on dat zy ook
1) in beeld brongon, voorstellen. 2) voorstellingen zooals zij in romans
worden aangetroflon, overdreven, onjuist.
-ocr page 15-
11
Landaert do eer, dat zy in boertigo vaorzen (Bnrlesque)
voor onze dichters moeton zwichton, en ook in hoogdraa-
vonboid \' der heldendichten, gelyk in \'t Journal Literaire
opcntlyk is te boek geslagen -. Wat zon don Nederlandor
dan beletten om bon in \'tblyspél, ja ook in het treurspel
te boven te streevon, indien men in het eerste de ongc-
bondenheid, en in \'t laatste de hoogdraavenhoid wat maa-
tigdo, misgaders de onkuischo uitdrukkingen, en snorke-
ryon 3 verbandde, die niomaut dan het graeinv, on de los-
bollen kunnen behaagen. Het Treurspel begint gelukkiger
te worden. Ik zal do braavo Dichters niet noemen dio
\'er een grooten stap in gedaan hebben, en moedig voort-
gaan ten luister van den Hollandschen naam: zy maaken
zig zelf genoeg bekend. Wat in dit blyspél is ten wege
gebracht \', laat ik aan het oordeel der kunstvorstandigen.
Lees, en aanschouw het, tot leoring, en verfoejjing van
een gebrek dat al to veel by onzon Landaart is ingekro-
pon, naamolyk: kaal on groots to zyn, en hot laatste door
bodrog staando te houden.
Vaar wel.
voortaan, alle ten dienst on voordeel van den Schouwburg, niet /V1Y1-
Utjie in Octaco Formaat gedrukt, zullen uitgegeoven worden, zonder
dat de voorsz. J. Bosch zal vermogen de zelve in Octavo te drukken.
Aldus komt dit blyspel de eerstemaal mot PrM\'egU in liet licht. Ik
heb liet opnieuw nagezien: maar geen verandering daarin gemaakt, ol\'
behoeven te maaken; alzo in hot zelve van naauwkcurigo liefhebbers
Keen misslagen gevonden zyn, van dat gewicht, dat \'er eenige verande-
i\'ing in zoude nodig zyn. Alleen heb ik dit spel van lettorfouton, die
in don eersten druk geslopen waaren, trachten te sulveren.
Haerleni den 24. in Fcbr. 1754.
?. L.
1) verhevenhoid. £) te boek gesteld; SU. H\'^lb. III, 98. 3) opsnijcrij,
\'lufferij. 4) wat ik hior bereikt, gepresteerd heb.
-ocr page 16-
VERTOONERS.
\\
Lodewyk, een Edelman, Minnaar van Charlotte.
Jan, een rerloopen\' Soldaat, Vriend van Lodewyk.
Een Waard.
CnARLOTTE, Een Adelyke Juffer.
Klaar, Meid van Konstance en Charlotte.
Een Bode.
Konstance, Moeder van Charlotte.
Hans, Vryër van Klaar. ) T , ..
Fop, Broeder van Klaar. S *•***>«*<
Karel, een Kapitein, zoon van Konstance.
Hendrik, een Winkelier.
Joris, een Kleérmaaker.
Sofy, Vrouw van Karel.
ZWYGER S.
Een Knecht van den "Waard.
Twee Lakeien van Karel.
Twee of drie Lakejjen van Lodewyk en Jan.
Een Kruier.
De eerste en dorde Toonoolen vertoonen een\' Straat, voor
do huizen van Konstance on den Waard, die tefrens
malkander overstaan; do twcode, vicrdo en vyfdo Too-
neelen eene Kamer, in het huis van Konstance, te Uitrecht.
De geschiedenis begint voor den Middag, en eindigt des
Avonts ten negen uuren.
-ocr page 17-
HET
WEDERZÏDS
HUWELYKS BEDROG.
B L Y S P É L.
EERSTE BEDRYF.
EERSTE TOONEEL.
Lodewyk, Jan. *^
Jan. Myn heer, hoe langen tyd zal nog dit wand\'len duuren?
Ik bid verander: want de malle vieze l kuuren
Zyn nergens nut toe, en je maakt my schier ontzind 2.
Lod. \'k Zal zoeken, Jan, zo lang tot ik haar wooning vind.
5 Jan. "Wiens3 wooning zoekje? Lod. Jan, durf ik\'t u wel
vertrouwen?
Jan. Ik ben een kaerel die een ding kan by my houwen,
En zwygen als een mof, daar kan je vast op gaan 4.
Zeg vry wien datje zoekt. Lod. Ach! Jan! de .Mali haan....
Jan. De Malibaan ? hei hei! myn heer, wat moogje praaten!
1) grillig; zie Krelis Louwen, vs. 693; De Zwetser, vs. 154. 2) waan-
nnig. 3) Het vragend voornaamwoord bad oorspronkeiyk denzelfden
orm voor liet mannelijk en vrouwelijk geslacht, zoodat wiens wel op het
aorafgaande huur betrekking kan hebben, zonder foutief te zijn. 4) ver-
ouwen.
-ocr page 18-
il
10 Zoek jy do Malihaan? on hohhcn wc al do straaton
Van Uitrecht daarom zo doorkruist? zook dan niet mcor.
Th jou geboorte plaats dan zo veranderd, heer?
Dat jy de Malihaan, en je eigen huis moet zoeken?
Lod. Ach! Jan, de Malihaan! Jan. Ja wel, ik zou schier \'
vloeken.
15. Ach! Jan, de Malihaan! het lykt wel schier een klucht.
Ik heb dat Malibaon, govolgd van zucht op zucht,
Den ganscb.cn dag gehoord. Wat hohhcn wy geloopon,
Als of wy heenen om oen daalder kondon koopon.
Ik had gedocht dat hier wat wonders zou geschiên;
20 En nu is \'t anders niet als na de wolken zien,
En och! do Malihaan! Het hapert je in de zinnen.
Lod. Daar zag ik \'t voorwerp dat ik eeuwig zal beminnen.
Jan. Nu vat ik eerst de kneep. Je zyt mischien verliefd?
\'k Heh daar niet tegen, maak vry dat jo wordt geriefd.
25 Kom, \'k zal je gaeron na de Malibaan verzeilen.
Je kunt my dan do zaak torwyl in \'t brood vertellen.
Lod. Jan, gy verstaat my niet. Ik heh daar niet te doen.
Jan. Jawel, \'k verlang al wat myn hoer hier uit zal broên:
Een windoy donk ik. Lod. Jan, hou op do gok te scheeren 2.
30 Ik zal \'t u zeggen. Al dat wand\'lon, gaan en keeren
Is om do woonplaats van een damo to verstaan 3,
Die \'k gist\'ren middag in do Malibaan zag g \\an,
Alwaar ze in \'t lieflyk groen zig zelvon wat vermaakte,
En nna een korten tyd in haar karos geraokte,
35 My laatcndo als verrukt door \'t aangenaam gezigt
Dier schoonheid Jan. Zo myn heer, nu heh je my verlicht4.
Had ik \'er hy geweest, \'k had my terstond gestoken
In haar gesprek, on naar de Fransche wys gesproken,
Gelyk de jonkertjes: jo suis vót serviteur,
40 Ma belle dame, aanschouw alhier un grand seinjeur,
20 nu A nou; ah D dan; na C naar; 23 nu A nou; zyt K
hent;
25 na C naai\'; 20 zal A zei; 34 En A Doch; 38 naar A na.
1) bijna. 2) gekscheren, den spot drijven; zie het Xdl. Ililb. IV, 937,
938. 3; te weten komen, uitvorschen. i) voorgelicht, ingelicht
l
-ocr page 19-
IDie u pour pas In temps wat zoekt to konvojceron
In uw karos, om daar zyn hart to roklamccroD,
Dat gy hem hebt ontroofd. Lm/. Wat onbeschofte reen.
Jan. Was ik in jou plaats, ik had in de koets getroên.
15 Nou is dio sehoono damo uit jou gezicht gestreeken.
• hoi}. Het zy zo \'t wil, ik zal en moet haar zion en spreckon.
Jan. Wat zou \'t je helpen, heer? je beurs is plat en schraal;
\'t Geld dat wy wonnen met do kaart is altomaal \'
Jou rykdom, on do myue. Lod. Ach! \'t valt my hnrd
to hooren I
50 Ik barst van spyt! dat ik zo edel, wolgobooren,
Geen staat kan voeren als een edelman betaamd,
\'k Ben nu in Uitrecht, myn geboortestad, beschaamd
Om dat ik and\'ren zie in hunne koetzon rijen.
Gediend! ha spyt! ik mocht de braafste dame vryën,
55 Ten opsicht van myn rang. Jan. Ik ook; maar Jan
Contant....
Lod. Ha spyt! ik voor geen stant! Jan. \'t Gaat buiten myn
verstand.
Voer jy goon staat ? \'k zeg, met verlof, dat dat onwaar is;
Hoe, hou jo geen lakkei? geen pagie, sekretaris,
Geen kok noch kamerling2? en ook geen trezorier ?
00 Lod. Hoe, is het scheeron 3? Jan. Noen.
Lod. Waar zyn ze, gek? Jan. Wol, hier;
Want al dio amptcn zyn in myn persoon te vinden.
Maak van me wat jo wilt, ik zal \'t my onderwinden4.
Lod. \'k Weet dat gy assurant •">, vol leugons, fieltory,
En boovestukken zyt. Jan. Myn hoor die passen my:
05 Hoe zou ik, eerlyk borst, aiïrs • door do waereld raakon ?
47 je D u; 59 noch C of.
1) is altemaal jou rijkdom, is je gelicole rykdom. 2) kamerdienaar.
»\' gekheid; in liet middelnederl. luidt dat woord turn, eerren, bekend
in do uitdr. te scerne drieën. 4) zich iets onderwinden, ondernemen,
beproeven, synoniem van zich onderstaan. 5) brutaal, in don volksmond
verbasterd tot astrant. Eene afleiding uit assurantie, fr. aisurance, vrü-
\'"oeJJl\'gheid. Het fr. kent niet assurant, doch assuré. Zio het Xdl. 11\'db.
Il,
(30. 6) anders.
.
-ocr page 20-
16
Lod. Ja, door een touw, Jan, aan een dwarsbalk op twee
staaken.
Jan. Myn hoer, ik bid je dat wy hier toch met malkaar
Geen quostio maakon; ei, laat deze zaaken daar;
Waar zou \'t toe dienen als om alles om te stooten?
70 Zyn wy van \'t zelfde sop niet beiden overgoten?
Wy zyn hovaerdig, en daar by geen kleintje • kaal;
Maar eerlyk in ons hart. Hoe zouden \'t alteinaal
Juist schelmen zyn die mot een abelheid 2 in \'t speelen
Hun voordeel zochten? neen. Lod. Maar, schoeit het
veel van steelen,
75 Wanneer men iemant, op een valsche wys, hot geld
Met speelen afwint? Jan. Elk moet zien hoe dat hy\'t stelt;
Die speelen wil, moet zich daar weeten voor te wachten;
Of speelen niet. Lod. Het laatste is \'t beste, zou ik achten.
Maar zeg eens, Jun, hoo staan wy nu met onze kas?
80 Jan. Je meent de beurs, niet waar? die gistren zieklyk was,
En schier op \'t sterven lag? wel, die bogint te zwellen.
Laat zien hoe veel? hoe voel ? koom, \'k zal het geld eens
tellen.
Lod. Dat is niet nodig hier op straat; gy kunt het strak
Wel in de herberg doen. Jan. Ik hou \'t dan in myn zak.
85 Wy hebben nog aan goud schier vyftienhonderd gulden,
Of daar omtrent. Lod. Niet meer?
Jan. Wel neen, myn heer: \'k heb schulden
Daar van betaald. Lod. Zeg op, wat schulden?
Jan. Aan don Waard
Daar onze koffer staat. Had ik geen geld beschaard 3,
Die schoft zou al ons goed fraai hebben doen verkoopen,
90 fielyk je weet. Lod. Had gy dat goed maar laaten loopen,
Het was zo veel niet waard als onze schuld bedroeg;
69 vlg. A \'t Zou ons niet dienstig zyn, wyl wy malkander kennen,
En van hetzelfde eop beide overgooten bennen;
90 goed C geld.
1) niet weinig. 2) behendigheid; niiddelnederl. ahelheit. 3) (op be-
driegel^ke wijze) bijelkuur gekregen; zie De Jager. Latere Versch. 181.
-ocr page 21-
17
Do koffer, Jan, was leeg. Jan, Ja leeg, die koffer woeg \'
Zo zwaar als lood, daar was wat in, myn boor, zou
\'k meenen.
Lod. Ja, oude kleuren, en geen kleintje keizelstoenen 2.
95 Jan. Uo droos 3 dat spyt me, foei! had onzo waard, dio
schoft,
Die lompe rek. 1, nu de koffer maar verkoft.
Maar \'k bid je, zeg me toch, myn heer, wat is de reden,
Dat jy die koffer houdt en mê voert door de steden,
Met zo veel kosten; want jo hebt ze van Parys
100 Tot Uitrecht toe gebracht. Lod. Hoe Jan, gy zyt zo wys
In schelmeryen, en moot ik u dat nog zeggen \'i
"Wanneer een vreemd\'ling in oen herberg t\'hui.s wil
leggen \'.
Is \'t nodig dat hy wel voorzien is van krediet;
Want \'t eerste daar monsieur do hospos strak na ziet,
105 Is de equipage, on bagagie, en de kleêren;
Het spreekwoord zegt: men kent don vogol aan zyn véren.
Jan, Ik heb het al verstaan, myn hoor, en ik beken,
Dat ik, als and\'ren, door dien trek 5 bodrogen bon.
Maar a propó, jo hebt gezeid dat jo al jo vrinden
110 In Uitrecht had. Lod. o Ja, maar \'k kon niemant vinden.
\'k Heb nog een moeder en oen zuster, waar zy zyn
Is me onbekend. Om haar is \'t dat ik hier verschyn.
Myn zoeken is vergeefs, helaas! zy zyn vertrokken.
Jan. Ik heb het wel gedocht, myn heer, met Faroos
bokken G,
115 Niet waar? ik bob het te Parys u al gespeld \'.
Lod. Ach Jan, gy weet uiot hoe myn hart uu is bekneld
104 strak A stark C straks; 112 haar A heur; 116 nu Xtani.
1> woog. Do vorm iroeg was in den tyd van I.angendijk du meest
gebruikelijke en was ontstaan door verwarring dar Imperfecta dor werk -
woorden wegen en gewagen. 2) kiozelsteencn. 3> duivel *1 logeeren.
5) streek. 6)"Deze uitdrukking moet liior beteckenon met dt noorderzon
vertrekken.
Du oorsprong is tot nu toe onbekend ; ook is liet onzeker
mot welk woord bok we hier to doen hebban. Ziu bet Ndl. Ililb. IIf,
251.
7) gezegd; vgl. voorspellen.
Lasoemdyk, Hnxcel.bedrog.                                                               2
-ocr page 22-
18
Maar gistren schoot my iets, vau groot belang, te binnen;
Pat kan ik door dit geld nu niet fatzoen beginnen.
Jan. "Wat zal dat zyn? Lod. Ik meen my als een heer van
staat
120 En groot vermogen te vertooneu. Jan. Dat \'s niet ([iiaad.
Lod. En huuren knechten, en een koets om in te ryên.
Jan. Ik vat hot, om aldus dat dametje to vryën,
Daar ,jy vorliofd op zyt; dat jou zo hoeft bekoord.
En alles met het geld daar my do holft van hoort.
125 Maar wat zal ik dan doen? Lod. Ik meen voor graaf
te speolon,
Oy zult baron zyn, en wy zullen alles deelon.
Zo wy iets winnen als voorbecnen met de kaart,
En and\'re knecpen. Maar wy moeten van den waard,
Daar wy lozjeeren, nu vertrokken na een ander.
130 Jan. Dan is hot nodig dat ik ook myn kleed verander.
Lod. Oy kunt maar aanstonds na eon kleerverkooper
gaan,
En loopon dan mot een by onzen hospos aan,
Om de bagagio. Ik zal u terwyl hier wagteu
In dozo herberg: die is botor, zou ik achten.
135 Jan. Dat denk ik ook dat dio vool beter weezen zal.
Wat hangt \'er uit? laot zien! do goude muizcval.
Maar a propó, myn heer, wy dienen ook lakkeien
To hebben. Wil ik ook dio kaerels met me leien,
Die \'k dezen morgen vroeg in onze herberg sprak \'i
140 Lodeiv. geeft Jan een sleutel. Ja, geef hen uit do kist elk
een lakkeië pak.
TWEEDE TOONEEL.
Lodewyk, alleen.
Wat moet eon edelman al door den nood vordraageu!
Het spyt me dat ik my van dien lakkei laat plaagen,
123 zyt A bent; 125 voor A de»; 129 «« C naar; 133 de C
MUI; 13\'J tlemn A MN <tc.
-ocr page 23-
19
Eu niet durf sprcckcn, om dat hy geheimen weet
Die niomant wceten mai;. \'k Hol) menigmaal gereed
145 En op het punt geweest, den rekel te kassoeron; \'
En hoc het gaan zal, zal de tyd mj verder leeron;
\'k Moet zwvgon: want hy kan my dienen in dit stuk.
\'t Zyn ongelukkigon, dio \'t reek\'non voor geluk
Van edel bloed te zyn, ontbloot van geld en schatten;
150 Maar niemand kan het wel, dan die \'t bevind, - bevatten.
Ik zal \'t geluk nog eens beproeven, mot dit geld,
En zo hot op raakt, zoek ik myn geluk to veld.
Lodewyk gaat na de herberg en roept :
Hei! holla! hospes! hei!
DERDE TOOXEEL.
Lodewyk, Waard.
Waard. Wat is myn heers believen?
Lod. Hebt gy hior lozjement? Waard. Ik kan ,je hier
gerieven :
155 \'k Akkommodcer 3 do lui hior ieder naar zyn Ivf.
\'k Bon tot je dienst, myn heer, en zo is ook myn wyf.
]j(jd. Zeer wel, gy moot terstond do plaatzeu dan bereiën
Voor eeneu graaf, baron, en tvveo of drio lakkeien.
Waard. Myn heor, \'k bedien do lui voor oen civiele * prys.
160 Lod. Ik weet wol, hospes, dat is te Uitrecht zo de wys.
VIERDE TOONEEL.
Lodewyk, Waard, Charlotte, Klaar.
Lodewyk spreekt stil met den Waard, terwijl Charlotte
en Klaar voor de deur komen.
Charl. spreekt hard: Haal, als ik heb bolast, een haas
met drie kalkoenen,
1) zijn congé geven, afdanken ; fi\\ rasser, vernietigen, en van soldaten
gezegd afdanken, Kiliaen: kasseron de krieghslieden, exuiflorttre witites.
~)
ondervindt. :>) gerieven, bedienen; tr. aeeommoder; vgl. vs. 181 -
4) billijk, goedkoop.
-ocr page 24-
20
Eu (zo zo vet zyn) breng dan ook con paar knpoonon.
Klaar, zacht. Jy meent een koevoet, en drie ming\'len \'
knrro pap 2.
Met twoo kop gort. Charl., hard. En loop met een dan
met een snap 3
165 By onzen slaager, om con harst 4. Klaar, zacht. "We
zeilen smullen;
Dat\'s nuchter kalfsvleisch. Charl., hard. Laat dio groote
pot ook vullen
Met versche augurken, by Pierre Karmolyn.
Klaar, zacht. Jy meent graauwe erten. Charl. \'k Zal
terstoud hier weder zyn.
Klaar, \'t Is wel, Juffrouw, maar \'k dien myn kap dan
eerst te zetten.
170 Charl. \'k Moot by den juwelier eens zien of de orlietten 5
Al klaar zyn. Klaar. Goed, Juffrouw.
VYFDE TOONEEL.
LODEWYK, DE "WAARD, KLAAR.
Klaar. „Ja wel, dat is wat raars e.
„Jou orlietten! zie, hoe draait zo met haar naars 7.
„Die arme sloof is met den adel zo bezeten,
„Dat zy haar armoe schier uit grootsheid zou vergeeten.
175 „Zy praat van harsten, en kalkoenen, maar ik zweer,
„Dat zy \'t alleen maar doot om dat die gintsche heer
„Het hooren zou. Zy spant hom zeker minne strikken;
„Indien \'t zo is, zal ik haar trouw zyn, niet verklikken.
Loei. tegen den Waard. Doe als ik heb gezegt, en maak
drie kaamers klaar,
180 Een voor d o knechts, en t we voor ons, maar naast malkaar.
165 zeilen C zullen; 167 versche A varee; 178 zul ik C ik zal.
1) mengel, als \\vijn-, bicr-, oliomaat r= 1.21 litor; als brandewün*
maat — 1,23 1. en als molkmaat 1,81 liter (V. Palo). 2) karncmolkspap (?).
:ij in een oogwenk, spoedig, vlug; vgl. De Zwetser, vs. 715. i) lende-
stuk van een rund. 5) oorringen, fr. orelïïelle. 6) wat moois. 7) aars
(met voorgovoegde n, zooals dikwijls narm, noom voor arm on oom).
-ocr page 25-
•21
Waard, \'k Zal zyn genado, naar zyn staat, akkomodeeren;
Wy zyn wel meer gewend hier graaven te lozjeeren.
ZESDE TOONEEL.
LODEWYK, KLAAE.
Lod. Uw dienaar, zoete kind. Klaar. Uw dienares, myn
keer.
Lod. Gy neemt niet qualyk dat ik u iets prezenteer ?
185 Het is een kleine gift. Klaar. Wat zal my kier ontmoeten\'?
Lod. Nu, neem bet, zoete 2 kind. Klaar. Myn keer, ik
wil je groeten.
L,od. Nu, neem maar aan. Klaar. Myn beer, myn beer,
ik bon beschaamd.
Lod. Zeg, zoete meisje, boe die juffer is genaamd,
Die flus 3 bier was? my dunkt ik heb nog van myn dagen
190 Geen schoonor beeld gezien. Klaar. Zy sekynt je to
bebaagen?
Het is geen wonder: zo is hot puikje van do stad.
En baar vrouwmoodor * hoeft een hoelo groote schat.
Aan eiken vinger kan zy wol een vryer krygen.
Ze is hoog van adel. Maar, myn hoor, laat ik maar zwygen:
195 Ze is bier genoeg bekend. Vraag maar aan iederen.
Lod. Bezit zy zulkeu schat? Klaar. Ja, dat is ongemeen 5.
Haar kapitaal ïb groot. „Maar wat bezwaard met schulden.
Het rukt myn juffrouw aan geen honderd duizend gulden °;
Zo zeggen dat\' er schier geen end is aan haar goed,
185 Wat zal 7ny hier ontmoeten? A \'k heb de eer niet u te
hennen;
18ü Myn heer, ik wil je (jrueten A Dat hneft niet, lieer,
My bennen , . , . 195 lederen A C D iedereen.
1) gebeuren, ovorkoiiien. 2) Hof. 8) zoo even. 4) mevrouw, haar moeder;
vgl. ook Heerrader {va. fj85) en tliuns nog heeroom. Vroeger werd dit
vrouw en heer meestal geplaatst voor verwantscliapsnamen. Zie het Mul.
W\'db.
op here, 5) buitengewoon, li) liet komt er bij mijn juffrouw op geen
honderd duizend gulden aan; zy ziet op geen honderdduizend gulden.
-ocr page 26-
22
200 En ze is, gelyk ik zo,?, van hooi oud aad\'lyk bloed.
En togen jou gezoit, ze zou heel gaeren trouwen,
Ik kan \'t wel merken. Maar laat ik myn mond maar
houwen.
Loil. Gy zegt mj\' veel, maar \'k heb haar naam nog niet
gehoord.
Klaar. Zy heet Charlotte. Lod. En haar stamnaam ?
Klaar. Adelpoort.
205 Gy vraagt zo naauw \', myn heor, wat wilt gy togbcgiiinen?
Lod. Uw juffer, tot hot end myns loovens, trouw beminnen.
Klaar. Hobt gy haar moor gezien? Lod. Ik zag haar
gistren gaan
Mot nog een dame. Klaar. Waar? Lod. \'k "Was inde
Malibaan
En stond gcreod om haar myn\'diensten aan te bieden;
210 Mnar zy. ontweek my in haar koets, on scheen te vlieden
Voor myn gezicht, ja reed to viorvocts 2 in de stad;
Zo dat ik gants geen tyd om haar to volgen had.
Klaar. Dat kan wel weezen; want zo is gist\'ron uit-
gereden
Met haar vrouwmoeder, om zich zelfs3wat te vertreoden.
215 De Malibaan geeft groot vermaak aan die hier woont.
Lod. Ik bid u, meisje, dat gy my een gunst betoont.
Klaar. Wat gunst? Lod. Dat gy my, als zy t\'huis is,
eens koomt spreeken.
Klaar. Spreek jy myn juffrouw zelf; ik durf me \'er niet
in steeken.
Ijod. Hoo is uw naam ? Klaar. Myn naam is Klaartjo.
Lodewyk, Klaar geld geevende: Klaartjo, daar,
220 Koop daar wat moois voor. Nu, wy zullen haast malkaar
Wat betor kennen. Hoor, indien gy woet to maakon,
Dat ik haar spreek, zult go in hot kort aan iets goraaken
Van meer waardy. Klaar. Dat is onnodig geld verspild.
214 alfa C zelf.
1) nauwkeurig, precies. 2) eig. als op viorvoeton, dus vlug, snel.
Bij Bredoroo beteokent riervoele» draven, loopen. 3) zelf.
-ocr page 27-
28
Lod. Nu neem maar aan. Klaar. Myn heer! mynheer!
je zyt te mild.
225 Lod. Dat is myn aard. Klaar. Wol, ik beloofjo, als meid
mot eoron,
Dat \'k alles doen zal wat gy van my zult begeeren.
Ik zal haar zoggen, dat myn hoor haar vierig mint,
En jou dan alles weer vortellon, zo ik \'t vind.
Maar, \'k hoor daar jutfrouws stem.
ZEVENDE TOONEEL.
Lodewyk, Klaar, Chablotte.
Charl. Och dieven! dieven! guiten!
280 Och! och! myn pacrelsnoer! och buureu, kom eens buiten!
Klaar. Wat is \'or Juffrouw? Charl. Och, myn paerelsnoer!
Klaar. „Die \'s vals.
Waar is dio? Charl. Och! die is gestoolen van myn hals!
De schelmen zyii, hun bost, dat straatje door geloopon!
ACHTSTE TOONEEL.
Lodewyk, Klaar, Charlotte, de Waard niet een bezem,
de knecht van den Waard met een stok.
Waard. He! houd den dief! hy zal het met den hals
235 Waar is hyf Charl. Die straat in.
                     (bekoopen!
Waard. Alon, dat gaatje voor.
Ho! houd den dief! he! houd don dief! dat straatje door.
NEGENDE TOONEEL.
Chablotte, Lodevcyk, Klaab.
Charl. Zy loopen daar verkoord, \'k heb in die straat
geweozon.
Lod. Ik slao die straat dan in, Mojuffer,wilniet vreezen:
224 zyt A bent; 230 kom C komt.
-ocr page 28-
24
\'k Hoop dat ik hen door vlyt wol aehterhaalen zal.
240 „o Hemel dit \'s voor my een zonderling geval!
Hoe waaren ze gekleed, Mejuffer? Charl. Och! zy
waaren !
Zy waaren! beide in \'t blaauw! och ik kan niet bedaaren!
Loil. Geef aan mejuller gaauw to drinken, meisje, ik gaa,
En zet de schelmen met gezwindheid achter na,
245 En breng u voort bescheid.
TIENDE TOONEEL.
Chablotte, K l a a b.
Charlolte, lachende.
Klaar. Nu lachen ? en flus \' schreien?
"Wat \'s dat te zeggen? Charl. Klaar, wy moeten hier
verheien,
En niet in huis gaan, voor dat wy hem weder zion.
Ik hoh myn snoer nog. Klaar. Ho, dan is \'t een list
misschien?
Charl. Voor zoeker; \'k hoop dien heer in \'t minnenet te
trekken,
250 En met een schyn van staat2 tot liefde te verwekken;
Dat was de reden dat ik van kapoenen sprak.
Ik heb daar ginder in een hoek gestaan, en strak
Heel klaar gezien dat hy met u iots heeft gesproken,
En tweemaal uit zyn beurs geld in de hand gestoken.
255 Toen dacht my was het tyd om met hem in gesprek
Te ranken, door een list; ik wist geen beter trek 3
Dan dezen; want hem zelfs aanspreekcn zou niet voegen.
"Wat sprak hy mot u, Klaar? Klaar. Ik zal je vergenoegen.
Hy gaf me, eer hy begon te spreeken, een dukaat 4;
2")7 dan A ah.
I) zoo pas, zoo oven. 2 welstand; doormy rijk voor te doon. 3) streek,
list. 4) een gouden dukaat had de waarde van ongeveer /"5.50; een zil-
veren die van /"2 50.
-ocr page 29-
25
260 Toon vroeg hy na jo naam, geslacht en stam, en staat;
Die heb ik hem gezeid; maar \'k heb, en \'t had ook reden,
Van al uw geld en goed zodanig op gosneoden,
Dat hj versteld stond, en dat kost hem een pistool \';
Haar \'k moest daar wat voor doen. Charl. Wat?
Klaar. Klappen uit de school.
265 Charl. o Hemel! \'k hoop niet dat ge onzo armoede open-
baardo?
Klaar. Het eerste dat ik in oprechtigheid verklaarde,
"Was, dat men in je huis gort uit het water at.
Charl. Ha! spyt! Klaar. Het twede, dat \'k nooit huur en
heb gehad.
Charl. Ha! spyt! Klaar. Het dorde, dat \'t zo slecht hier
is geschapen,
270 Dat Juffrouw en Mevrouw on meid op één bed slaapen,
Dat jou juweelen valsch, je klêoren onbetaald,
En allo zo ik denk zyn op krediot gehaald.
Charl. o Valsche pry2l \'k zal u verscheuren metmyn
tandon!
Klaar. Zacht, juffrouw, wordt niet boos, wol foei! wel
fooi! \'t is schandon:
275 Jy zyt \'t alleen niet. Hoor, hob jy geen geld noch goed,
Je kont wol leeven van jou oud en aad\'lyk bloed.
Charl. Myn adel, myn fatzoen, aldus te schand\'lizoeren!
Gy my vorwyten dat we in huis wat deklinoeren 3?
Ik zal gevoelig zyn van zulken groot affront.
280 1 k zal Mevrouw dio zaak ... Klaar. Hoor! hoor! \'t is maar
een vond
Dio ik bedacht heb, om je wat te doen ontstellen;
Ik zag wel datje flus maar veinsde, on u moest quellen
268 dal \'k nooit huur en X dut ik nooit geen huur en C (lat
\'k nooit huurgeld;
275 zyt A bent: 279 zulken C zulk een ; 283 en
n moest (jitclien C ik moest u quellen.
1) con spaanseho gouden munt ter waaide van ongovoiT f 12. 2- si lield-
woord, oig. bet. kreng, aas; ofr. prele. 3) in déclino zyn, achteruit gaan.
N
-ocr page 30-
26
Om recht vorsclirikt te zyn, \'t goen nu natuurlyk is.
Als hy nu wodor koomt, dat haast zal zyn, na \'k gis,
285 Ken jy ,jo rol wat net en ongeveinsder spoelen,
En hy niet merken dat je zoekt zyn hart te stoelen.
Charl. Oy spot mot my, o feeks! on hebt my zo ontsteld.
Klaar. Zyt maar gerust,,juffrouw; ik heb hem niots gemeld
Als \'t geon je dienstig is om hem in \'t net te brengen.
290 Wat voordcel zou \'t my zyn? Charl. Do tyd kan niet
goliengon \'
Hier lang to praaten. Zeg wat hy aan u vorzocht \'.
Klaar. Ik heb door lougcns hem heel fraai in \'t not
gebrocht.
Hy donk niot anders als om jou getrouw te minnen;
Je zyt van nu af aan meestresso van zyn zinnon.
295 Charl. Jlaar, Klaartjo, mag ik my verlaaten op uw trouw?
Klaar. Daar \'s niots dat ik niet voor u ovor heb, juffrouw.
Jo kend my immers; wat behoefje dat te vraagon?
Charl. \'k Verzoek dan vrindlyk, of gy my voor drie vier
dagen
Dat geld wilt loenon, dat die heer u hoeft vereerd.
300 Klaar. Ei juffrouw, \'k bid! myn staat is ook gedoklineerd;
Want eer ik by jo quam had ik nog honderd guldon,
Dio ik je leenen moest, om daar jo kleinste schulden,
Dio \'t meesto schreeuwden mê te stoppen, en dit geld
Is al myn rykdom. Ei, zie liever hoo jo \'t steld.
305 Ei Juffrouw,\'k bid___Charl. \'t Is niet de pyno 3 waard,
mamaatje
Weer geld af te oischen. Klaar. Wel, ik zeg, hot is een
quaadjo 4
Don kaaien adel to bedienen. Charl. Wilt gy, Klaar?
Klaar. Ja juffrouw, \'k magje niet verlegen laaten, daar.
Je kunt het my, als je getrouwd zyt, weer betaalen.
293 denk C, D denkt; 294 z,f/< A bent; 309 zyt A bent.
1) toestaan. 2) van u wilde to weten konion. 3) mooite, ft*, peltte.
4) eon lastig baantje, een onaangename betrekking.
-ocr page 31-
810 Charl. Ja, ja, gy weet wel waar gy \'t wederom zult haaien.
Ik bob juist Keen klein geld, en wil niet wiss\'len, kind.
Klaar. Ik weet warentig1 niet, mejuffrouw, boe je \'t vindt.
Is goud klein geld? en wilje groots zyn, by die weoten,
Dat je uit gebrek van geld in lang - niet bebt gegeoten,
315 Als potjebeuling 3, en... Charl. Zwyg. "Wie beeft ooit
Dat gy zo stout... maar___                              geboord,
ELFDE TOONEEL.
Ciiarlotte, Klaar, Bode.
Bode. Woont mevrouw van Adelpoort
Hier, juffrouw? Charl. Ja myn vrind.
liodc. Dit geld moet bior dan weezen.
\'t Koomt uit bot legor. Charl. Laat bet opschrift ray eens
leezen.
Gy zyt te recht, myn vrind. Blyf hier een weinig staan.
320 Klaar, haal mevrouw. Maar \'k zie zy komt daar zelfs
al aan.
TWAALFDE TOONEEL.
Csjarlotte, Klaar, Bode, Koxstance.
Charl. Daar is een zak met geld. Konst. „Voor ons, myn
kind ? \\vy droomen.
„Van waar zou dat goluk zo schielyk by onskoomen?
Tegen den linde: Laat my den brief eens zien. Ja. Hoe
veel is do vracht?
31$ Koomt A hmt.
1) waarachtig. •>) in langen tijd. 3) Halma zegt dat potjobenling Is: da
gnian cuit avec do 1\'oau ot OM 1\'on mango avoc du benrre. — Van Pale
verklaart liet door gort met rozijnen gekookt, en To Winkel (j\'irotsche
Btrdr.
V; door meel met melk en water. Wat is liet nu ?
-ocr page 32-
2S
Bode. Vyf pulden. Konat. Zo veel geld? Bode. Het is niet
minder. Konst. "Wacht
325 Dat ik het open doe. Maar \'k zie \'k hoef niets te geevcn;
\'t Is immers gefrankeert, zie daar, \'t staat daar go-
schreeveu.
Bode. Waar staat het? ja \'k zie \'t, ik heb het niet belet\';
Maar \'t is \'er ook te rlaauw on duister opgezet,
\'k Verzoek exkuus, en moet dan niet, als voor \'t bestellen,
330 Drie stuivors hebben. Ko>ist. Kind, wilt gv ze hem maar
tellen?
Charl. Ik heb juist geen klein gold. Hebt gy het Klaar,
zo geef.
Klaar, \'k Heb ook juist goon klein gold, zo waar niet als
ik leef.
Charl. \'k Heb wel dukaaten en pistoolen. Klaar, \'k Zal
eens zoeken.
Ja, \'k vind nog geld, Juffrouw, het zat juist in de hoeken
335 Geschoten van myn zak. Daar vriend, daar is je geld.
DARTIENDE TOOXEEL.
Charlotte, Klaar, Konstance.
Konst., den brief geopend hebbende: Die brief komt van
myn zoon, Charlotte, ik ben ontsteld.
Charl. Van broeder? ach Mevrouw! is hy nog in het leeven!
o Onvorwagte vreugd! Konst. Hy heeft hem zelfs ge-
schreeven.
Uit Brussel; ach.\' myn kind, wat is myn hart verheugd.\'
340 Hy zal ons aad\'lyk huis herstellon door zyn deugd.
Charlotte leest.
Vrouw moeder, en maseur, \'k neem de eer van u te groeten,
En wee droefheid met dit gifje te verzoeten.
H Fortuin
2 heeft t\' zederd ik ran u gescheiden ben
327 C \'Ihtè daar niet op gelet; 342 ijifjc C en D yiftje;
343 t\'zeilerd C sxdcrtl.
1 ik hob or geen aelit op goslagen, tri iet opgelet. 2 thans (te fortuin.
-ocr page 33-
89
My iets gediend; \'k-toon dan, dat ik mynplicht erken,
345 Voor \'t goed, dat ik van u, en by n, heb genoten.
\'k Zend duizend guldens, en ik hoop het te vergrooten,
In \'t kort, zo \'t mooglyk is. \'k Hen kapitein te roet
Geworden, en ik heb gelegendheid en moed
Om tot een hooger trap en meer fortuin te raaken.
850 \'k Kan ook niet laaten, om aan u bekend te maaken,
Dat ik getrouwd ben, met een juffer welker stam
In Uitrecht, zo als onze, een\' aad\'lyk oorsprongk nam.
\'k Iierei my tot de reis, die morgen zal geschieden
Om u myn gemalin, Sofia, aan te bieden
\'.
355 \'k Breek af, door haast. Vaar wel.
Uw Karel Adelpoort.
Hy schryft haar stamnaam niet, voel min rept by een
woord
Van haar geslacht, dat\'s raar, dat doet my zeor verlangen.
Konst. Na \'k aan don datum zie, zal ik ben haast ontfnngen.
Charlotto, ik zal dit geld terstond in onze kist
360 Weg sluiten; want indien een krediteur dit wist,
Men quam ons op den hals. En, Klaar maak2 gy te zwygen.
Klaar. Neen, neen, daar zal door my geen mensch de
lucht van krygen.
VEERTIENDE TOONEEL.
Charlotte, Klaar.
Charl. Ik wenschte, Klaar, dat nu die Heer hier weder was.
Klaar. Maar, Juffrouw, wat koomt hier dit gold nu wel
to pas!
365 Ik maakte al zwaarigheid: want zulke grooto Heeren,
Gelyk jo weet, moot va! in hot vryën braaf 3 trakteeren.
357 dat doel C dit doet.
1) to presenteeren, voor te stellen; zie vs. 2066. 2) zorg er voordat je
zwijgt. 3) flink, loyaal.
-ocr page 34-
80
Charl. Zwyg stil, «laar koomt hy weor, on schynt niot
wel te vreên.
VYFTIENDE TOONEEL.
Chaklottb, Klaar, Lodewyk.
Charl. Zyn zo achterhaald, myu Heer? Lod. \'t Moeit my \',
mejuffer, neen.
\'k Heb alles aangewend; maar aeb! het is verlooren;
370 Zy zyn te ver vooruit, eu niet wel op te spooren.
Do bcsto raad is, dat men overal lierigt
By juweliors laat doen; de dievon zullen licht
De snoer ten eersten 2 aan den een of d\'aar :i verkoopen.
Klaar. Eu ik zal met \'er haast eons na do Lommerd
loopeu,
375 En zien___ Charl. Zwyg stil. Myn Hoer, \'t is maar een
bagatel,
Niet waardig dat ik my om zulkon zank onstel.
Do schrik was \'t allermeest. Ik zal wol order goeven
Aan iemand van myn volk. Klaar, \'t Dient in de k\'rant
geschreeven.
Charl. Ik ben myn Heer, voor zo veel moeiten, geobli-
geert.
380 Lod. Neon, schoone Juffer, \'k hou my daardoor zo gëerd,
Dat uw bevoelen my voor wetten zullen strekken.
Uwe oogen, die myn hart tot zuiv\'ro liefde wekken,
Door hunne aanlokkighoid, zyn van zo\'n groote kragt,
Dut ik moot buigen voor de min, en haaro magt.
385 \'k Wil liever duizendmaal voor u, o schoone! sterven,
370 eer A Beer; 374 ii« C naar: 370 tullen C zulk een;
itnxtel
C ont*tel; 383 aanlokkïyltchl A aanhthltijliriil C aantoklykhei\'l:
385 (luizcntlmiutl A tluizend tlnnn.
1) \'t spijt mij. 2) dadelijk. 3) ander.
-ocr page 35-
lil
Als \'t zoot gonocgon, van mo uw slaef to noemen, derven.
Charl. Myn Hoor, do vleijery is nu zo algemeen,
Dat \'t dwaasheid woozon zoudo, op uw beloofde reen,
My zolf to vloijon met dio ydolo godachton,
390 Dat ik iets schoons bezit; maar \'k kon niet anders wachten
Van u; want \'k zie u aan voor conen hoveling,
Dien \'t vloijeu eigen is: myn schoonheid is gering.
Lod. Ik bon een hoveling, \'t is waar; maarzeor verscheiun
Van aart als anderen: ik heb do walg van \'t vleijon,
395 En zyt verzekerd, dat al \'t geen ik zeg niet spruit
Als uit oon zuivre min. Hot liofelyk geluid
Van uwen lioven mond kan my zo zeer bokooron,
Dat ik don Hemel bid om dat altoos te hooron.
Charl. Myn hoor! het loopt to hoog. Zoud go in zo korten
tyd
400 Vorlioven? \'k deuk dat niet. Klaar, „\'k Geloot ook dat
\'t jo spyt.
Ja Juffrouw, \'t kan wol zyn: \'k heb in do Astree \' gelezen,
Dat \'t by do Herders ook altyd zo was voor dezon.
Lees maar Lyzandors on Kalistos vryory,
Of Bassa Ibrahim, of Milord Koertony,
•105 Kloopatra, Kassandre, on duizend fraaijo dingon;
\'t Is \'t ouwe liedje dat do dichters altyd zingen;
Ben bocro meid word ligt door hen een koningin,
Een herder koning. Wel, steekt daar juist zo voel in?
Hoe menig prins doen zy in boero kleren dwaalen,
410 Om Filisjes, dio hou ontvlugten, to achtorhnalen;
En dunkt jo" dit nu raar? je leest het al den dag.
Charl. o Malle meid, hou op. Klaar, \'t Is zoker waar.
Charl. Ik lach....
Lod. Gy lacht, myn schoono, en geeft my stof, holaos !
tot treuren.
Charl. Hot is genoeg, myn heer. Lod. Ach, mogt my do
oor gebeuren,
380 Ah D Van; 896 Ah I) Van; 411 ui c/r» A all,:
1) Zie voor dezo on do volgende titels van romans do aantcokeningon.
-ocr page 36-
32
415 Dat ik uw\' dienaer wiorde, en dat ik wedermin
Van u verwachten mogt, ik zou myn ongclin
Bctoonen, dat myn staat haar schoonheid evenaarde.
Charl. Gy zyt my onhokond. Lod. Ik hon een Graef, van
waarde
En macht in Poolen; doch in \'s keizers hof gevoed1,
420 Eerst heer, on nu een slaaf, om dat ik u ontmoet,
Een slaaf, geketend in uw\' straffe minnebanden,
Die zyn geluk geheol gesteld heeft in uw\' handen.
Charl. Heer graaf, hoowel ik my niet ongevoelig ken,
Weet echter, dat ik zo onnozel ook niet ben,
425 Om niet te zien, dat wy te veel van staat verscheelen;
En dat \'t u lust mot myn eenvoudigheid te speelcn;
Ik ben een juffer, wel van adel, maar myn goed
En rykdom zyn gering, ten aenzion van myn bloed.
Klaar. „Dat liegt zy niet, die pry\'2, zy heeft hom nu al
^jfcinnen.
430 Lod. \'k Moest volgons mynon staat een hoofsche 3 juffer
minnen;
Maar gy hebt my bekoord door uw volmaakt gezicht,
Waar voor de schoonste, dio ik ooit gezien heb, zwicht.
Charl. Do tyd veroischt, heer Graaf, dees reden af te
breeken.
Lod. \'k Hoop de eer te bobben, schoono, om met u moor
te spreoken
435 En zal, met uw verlof, verzoeken aan Mevrouw
Uw Moeder, dat ik u somtyds wat onderhouw 4.
Charl. Myn Heer ... Lod. Ik hoop, dat zy daar niet zal
tegen weezen.
Charl. Heer Graaf, ik bid ... Lod. Helaas! uw weigring
doet my vreezen.
415 wierde A wierdt D wierd; 432 de A het: 434 om met «
meer C om weer met «.
1) opgevoed. 2) zie aant. op vers 273. 3) van het hof. 4) op aangc
name avüzo bezighoud, vooral door een gesprek: u een boz\'ek breng.
-ocr page 37-
33
Charl. Uvr dienares, myn hoer. Klaar, fileer Graaf,
kom ,jy maar flus.
410 Lod. Gedoog, myn Engolin, dat ik uw\' handen kuss\'.
Charl. Myn Heer! ik hoor daar volk. Lod. Ik ken zo,
\'t zyn myn vrinden,
En dienaars.
ZESTIENDE TOOXEEL.
Charlotte, Klaar, Lodewyk, Jan in een Edelmans
gewaad, ticee Lakkeien, een Krui/er met een
koffer op den Krui/wagen.
Jan. Dit\'s de straat, nu zal ik het wel vinden.
Ha! ha! hier is het. Volg me met den gantschen trein.
Maak plaats! maak plaats! voor den Baron van Schraa-
leustein;
•145 En dat ben ik kanaalje! A \'tza! hier moet ik weezen.
Vat aan, heer Kruier. Ha, wat breokje? je moogt
f
                                                                                  vreezon,
Daar\'s stoeno waar in. Zo, de koffer moet hier in.
Jan geeft geld aan den kruij\'er, die weg kruij\'d,
terwyl Lodewyk de Juffer na de deur leid.
Daar is je geld.
ZEVENTIENDE TOONEEL.
Lodewyk, Jas, Lakkeien.
Jan. Hoe bon je al bozig in de min?
Lod. Ik heb haar, die ik in de Malibaan zag wand\'len,
450 Gevonden. Jan. Laat ze zich een beetje maklykhand\'len?
Lod. Ik bon niet hoopeloos: de zaak schynt wel te staan.
\'k Zal \'t u vernaaien. Laat ons in de Herberg gaan.
Einde van het eerste Bedryf.
445 kanaalje A kannilh:.
Lahuehdïk. Uiiweltedrog.
                                                              I
-ocr page 38-
34
TWEEDE BE DRY F.
EERSTE TOONEEL.
Charlotte, Klaar.
Klaar. Men zal do rest van \'t goed wol uit do Lommerd
baaien,
Wanneer je broer koomt; want die kan het wel betaalen.
455 Charl. ZwygKlaartjo,rep uwat. Maak alles aan een kant.
Klaar. Nu bonje eerst opgeschikt, Juffrouw; wel, uw
Galand
Verliefd nu dubbeld. Charl. Zeg, hoe hangen myn\'
mansjetten 1?
Klaar.
Zo wel en fraay, dat ik zo hou voor minnenetten.
Charl. Hoe staan myn moesjes -? Klaar. Wol. Charl. En
hoo is myn koleur 3?
460 Klaar. Bezonder fraaij. Charl. Hoe ruikt myn adem?
Klaar. Zoet van geur,
N4 muskus. Charl. Neon, het is katsjoe4 dat wy gebruiken.
Klaar. Goed; anders mogt de Graaf die lekk\'re zuurkool
ruiken,
Die gygegeeten hebt. Charl. Wat zegt gy^ Klaar. Niets
Juffrouw.
Charl. Maar ben ik wol gehuld5? Klaar. Ja, als ik u
aanschouw,
465 Moet ik bekennen, dat jo u zo woet op te schikken,
Dat deze minnaar voort zal vallen in je strikken;
Want wie zou donken, die jou in does kleed\'ren ziet.
Dat jy zo kaal waart, on nog minder had als niet.
458 fmuy A net.
1) kanton manchetten uit de mouwen hangende, ook lubben geheeton.
2) kleine zwarte pleistertjes, die do dames op \'t gozielit plakten, om liet
gelaat wat sprekender to maken; fr. mouchea. 3; deze vraag wyst op het
Wankelten, 4j fr. caeliou. Zio de aant. 5) gekapt.
-ocr page 39-
35
Charl. \'k Verzoek, dat gy uw tong wilt snoeren, \'k kan
dio rede
470 Van u niet veolon, meid. Klaar, \'t Is wel, ik ben te vroede.
Maar, Juffrouw, zie my ook nu oens met aandacht aan;
Ben ik niet fraay gehuld? Charl. Ja, Klaar, dat kan wel
gaan.
Klaar. Hoe staan myn moesjes? Charl. "Wel. Klaar. En
ruikt myn adem lekker?
Charl. Hoe, is het scheeren, meid? gy wordt hoe langs
hoe gekker.
475 Klaar. Niet gekker als je meent, ik denk ook nog tot staat
Te komen, zo als jy, Juffrouw; myn schoon gelaad
Is oorzaak dat ik flus l een kusje heb gekroegon
Van zeker Potentaat. Charl. Hei! meid, hoe is \'t gelegen \'-t
Gy zyt een spotster, foei, \'t staat qualyk, won dat af,
480 \'t Koomt door goedaardigheid dat ik u niot bestraf.
Men vindt wol juffors dio zich zo niet laaten quellen.
Klaar. Ja de oorzaek is alleen uit vrees, dat \'k zou ver-
tollen
Hoe \'t mot uw staat is. Charl. Klaar, wat preveltgo?
Klaar. Ik, Juffrouw,
Zeg niemendal als dat ik heel veel van je hou,
485 En dat hot mogelyk in \'t kort zou kunnen weezen
Dat ik je nicht wierd. Charl. Meid, zwyg stil, of gy
moogt vreezen.
Klaar. Als jy gravin wordt, wordt ik vast een Baronnes.
Charl. Ja, licht een koningin, op allerminst princes.
Klaar. Wat wcot ik, wat geluk my over \'t hoofd mag
hangen.
490 Maar om jo langer niet te houden in verlangen,
Woot dan, dat als ik flus den graaf die bootschap bracht,
Hat do Baron my kuste, on schoon ik al myn macht
Gebruiken moest, om dio vrypostighoid to keerou,
Hot was onmoog\'lyk in myn magt my to verwooron;
483 uw A v.
1) zoo even. 2) hoo is \'t met jo? hoo heb ik het met je?
-ocr page 40-
86
•195 Hy zoide, in \'t byzyn van den Graaf, dat hy verliefd
Op my geworden was; dies, als \'t Juffrouw belieft
My wat te helpen, zie ik kans om \'t zo te maaken,
Dat ik nog Baronnes zal worden. Charl. Seboone zaaken,
Gy Baronnes? ha! ha! wat beeldt gy u al in!
500 Klaar. Ja lach niet, want dat is wel moog\'lyk in myn zin.
Do heer Baron, Juffrouw, krygt dikwils malle vlagen,
Die ik, als barones, heel gaerne wil verdraagen.
De zaak zal heel wel gaan. Al ben ik maar een meid,
Men kan niet weten waar dat myn geluk nog leid.
505 Ei, laat ik my dan ook wat jufforlyk opschikken.
Charl. Weg! weg! Klaar. Je weigert het? \'t is wel, \'k zal
alles klikken,
Hoe \'t hier gelegen is. Charl. Aan wien? Klaar. Wel, aan
den Graaf.
Charl. ö Hemel! Klaar. Ja, Juffrouw, die heer is al te
braaf;
\'t Is slecht, dat wy hem zo betoveren door liegen,
510 En met een schyn van staat aan allen kant bedriegen;
Het is kontsientie werk; maar \'k stap \'er over heen,
Als jy me helpen wilt. Charl. \'t Is wel, ik ben te vreên.
Maar \'t heeft geen schyn, zou die Baron op u verlieven?
Klaar. Hy is puur stapel gek. Charl. Hoe weet gy \'t?
Klaar. Taste brieven: *
515 Je Minnaar heeft het me geluisterd 2 in het oor.
Wees maar gerust, Juffrouw, ik volg den haas op \'t spoor.
Charl. „Wat beeft de inbeelding op den mensen een groot
vermogen!
Klaar. Wat zeg je, Juffrouw? Charl. \'k Zal uw toeleg dan
gedoogen.
Maar hebt gy Fop, uw broer, van alles owderrecht?
520 Klaar, o Ja, zeer grondig, maar, daar is hy zelf, de
Met Hans, myn vryör; en ....
                       knecht,
502 yaerne A (ja f ren; 516 den A de.
1) Klaar wil zoggen, dat zij \'t zeker weet; zij lioeft liet als \'t ware
op een briefje, een onwedorlegbaar (vast) stuk (brief). 2) gefluisterd.
-ocr page 41-
87
TWEEDE TOONEEL.
Charlotte, Klaar, Koxstan-ce, Hans, Fop.
Charl. Hana, langer niet te draaien,
Daar is de valsche ring. Hans. Jo praat van koeterwaaien;
\'k Kan dat natuurlyk als oen povro Savojaard.
Ik heb die kunsjes, als je weet, wol meer geklaard \'.
525 Maar wanneer kooint do Draaf\'. Klaar. Hy zal hier aan-
stonds weezen.
Konst. Maar doo uw\' dingen wel. Hans. Mevrouw heeft
niets te vreezen.
Hans gaat uit de deur.
DERDE TOONEEL.
Chabi.otte, Konstance, Klaar, Fop.
Klaar. Maar Fopbroer, doo voor alje dingen mot verstand.
Fop. Ik zal my houden als de plompsto boer van \'t land.
Om geld to winnen laat ik my geen ding vorveelen,
530 Al moest ik voor een droos, in plaats van kinkel, speelen.
Fop gaat uit de deur.
VIERDE TOONEEL.
Charlotte, Koxstaxse, Klaar.
Konst. Ach! dochter, \'k mis byna myn zinnen, door
de vreugd!
Dat geld van broeder doet aan ons een grooto deugd \'2!
öy kunt uw\' Minnaar nu met eeren doo[n] vorsehynen;
Ook doet een dubb\'le vreugd in my do zorg verdwynen,
522 Je praat van A Ik lm teel; 523 ïBin dat A En zoj
525 liy A die; hier aanstonds C terstond hier.
V klaar gespeeld. 2) deugd doen, goeddoen,goede diensten bewijzen.
In liet Mul. zeide men ook enen ttoget doen, waarin bet znw. tloget
de lieteekenis beoft van iceticillentllieiil, gunst, dienst.
-ocr page 42-
38
535 Dat is tint ik van daag myn zoon nog hoop te zien,
Met zync gemalin. <\'har/, \'k Hoop dat het zal geschiên ;
Zyn tegenwoordigheid, gemist zo veolo jaaren,
Zul onuitspreekhre vreugd in onze harten baaren.
Ook zul myn Graaf als hy zich by zyn aankomst vind,
540 Meer indruk krygen van myn staat. Konst. o Ja, myn kind:
De hoffelyku zwier is Karel aangebooren.
Charl. Zyn zeden zullen vast myn\' waarden Graaf be-
kooren.
Konst. Maar is \'t al zeker, kind,\'t geen hy te kennen geeft?
Heeft hy u al gozogt waar h\\ zyn Graafschap heeft?
545 Charl. Nog niet, Mevrouw; hy zal \'t niet wcig\'ron te
openbaaren,
Als wy \'t hem vergen \', om het aan ons to verklaaron:
Maar zo voel weot ik, hy \'s aan \'s Keizers hof gevoed,
En \'k merk hom aan voor heus \'2, en aadlyk van gemoed.
Konst. \'t Bedrog is hedendaags zodanig in de menschen,
550 Dat ik, als Momus 3, van do Goden wel mogt wonscheu,
Dat ieder In do borst een glaazen venster had,
Om dus te zien of \'t hart met valsheid waar beklad 4.
Charl. Mevrouw vergeet ons zelfs, maar haar verlof, \'k
zou donkon
Dat Momus ook zo deed. Konst. Kan do achterdocht
ons krenken \'i 5
555 Charl. Niet eer voor dat men die laat blyken aan elkaar.
Konst. Dan is het veinzen goed. Charl. Mevrouw, dat
laat ik daar;
Ten minste dient het ons, als ik iets groots zal hoopen.
Hier wordt gescheld.
Daar zal do Graaf licht\' zyn ras; Klaartjo, doe oens open.
Charl. lkhobna hem verlangd, Mevrouw, en nuhykoomt,
560 Voel ik my zoor ontroerd, ik vrees ... Konst. Zyt niet
beschroomd.
11 vragen. 2 hoffelijk. 3i I.ucianus vertelt, dat Momus, de epotter
onder de Griekscho goden, Kophaestos verweet, er bij het maken der
meiisclieii geen zorg voor gedragen te hebben, dat er zich een venster
in hunne horst bovond, waardoor men kon zien, wat er in hun hart
omging. 4) bezoedeld. 5) benudeelen. 6) wollicht.
-ocr page 43-
89
VYFDE TOONEEL.
LODEWI.TK, KoNSTANCE, ClIARLOTTE, KlAAR.
Lod. \'k Heb de eer, Mevrouw, van u te komen zien,
en sproeken.
Konst. De eer is aan ons, myn Heer, ik hou het voor eon
teken
Van achting tot ons, dat ge u zelfs zo veel verneêrd.
Lod. Mevrouw, ik zag my nooit zo voel als nu geëerd,
565 Dewyl ik zien mag die\'k myn hart reets heb gegeeven,
En in wiens l schoonheid ik uw eerste jeugd zioleeven.
Konst. Gy vleijt my Graaf. Lod. o Neen, ik spreek myn
hart regt uit.
Konst. Het zy het waarheid is, of uit beleeftheid spruit,
Gy toont uw hoflykheid door \'t slypen van uw zinnen,
570 Om my van uw kant met beleefdheid te overwinnen.
Myn agting hebt gy reets gewonnen. Lod. Ach! Mevrouw!
Vergun my dan dat ik dees schoonheid onderhouw\'2
Met woorden die de min my afperst: \'k ben verwonnen;
Geen hoofsche Juffer heeft my ooit behaagen konnen.
575 Ik heb do min gehaat; nu dwingt zy my in \'t end.
Konst. Gy zegt ons veel, myn heer; maar ons is niet
bekend
"Wie die betuiging doet. Lod. Mevrouw gelieft te weeten,
Waar dat myn Graafschap is, en hoe het word geheeten?
Ik zal het zeggen, schoon ik \'t liefst verhoolen hou;
580 Het legt in Polen, en de naam is Habislouw.
Myn vader heeft my jong naar\'s Keizers hof gezonden,
"Wanneer 3 de Turken na 4 \'t bezit van Polen stonden.
En, zonder roem 5 gezegt, ik wiord daar zeer geëerd.
563 zelfs C zelf; 577 wie A wlen; 579 het C \'t u ; 582 na C naar.
1) zie de aant. op vers 5. 2) zie vs. 436. 3) toen. 4) naar. Staan «aar
beteekent pogingen doen om iets te verkrijgen: vgl. naar een ambt
staan, naar iemands leren staan.
5) bluf.
-ocr page 44-
40
\'k Had mogelyk nu nog in \'t Duitse Hof verkeerd,
585 Indien lieer vader \' in bet leeven waar gebleeven ;
Zyn dood dwong me, om my na myii erfland te begeeven.
En korts kreeg ik eens lust to reizon met myn neef,
Dien ik de scboonboid van dees landstreek zo Leschreof,
Dat ik bem ovorbaaldo om reisgrzol to weezen.
590 Klaar. Gy meent de Heer Baron ?
Kunst, tegen Klaar: „Zwyg stil, of gy moogt vreezen.
Lod. De reis is meest tot zyn verlugting aangeleid,
Wyl by zwaarmoedig is en vol dofgeestigbeid.
Ja buitenspoorig; docb niet altyd, maar by vlaagen.
Hy hoeft vernufts genoeg; maar als bom dceze plaagen
595 Bekruipen, schort bet hem ten vollen in \'t verstand;
\'t Geheugen gaat dan weg; dan weet by vaderland,
Noch staat noch afkomst, noch zyn eigen naam te noemen,
Maar anders is \'t een heer vol moeds on waard te roemen,
Die door manhaftige krygsdaaden is berucht.2
600 Konst. Dan is hy waard beklaagt. Lod. Mevrouw, \'k
bob grooto zucht 3
Voor zyn persoon; by waar\'volmaakt om te beminnen,
Indien hy meester als voorheen waar\' van zyn zinnen.
Daar wordt gescheld en Klaar doet open.
Konst. AVat is daar voor geraas? wie stoort ons hier
al weer?
ZESDE TOOXEEL.
Fop, in boeren getraad, met drie zakjes geld, Lodewyk,
ClIAKLÜTTE, KoNSTAXCE, Kl.AAR.
Fop. Dag juffrouw, dag mevrouw, dag Kloartje, dag myn
heer.
584 tl uitte A duitze C D duittehe; 58C na C naar; 590 Gy
meent
A lt dat: de C den: 002 waar\' A ir«»; 604 juffrouw A
C juffrouw; myn C men.
1) zie aant. op vors 192. 2) beroomd. 3) gcnogonlieid.
-ocr page 45-
41
605 Mevrouw, verzinjo wel \\ nou kom ik jo botaelen.
Is dat jo zeun? ja wel, hy lykt niet van do schraelen,
En povro jonker», neen, verzinje wel; o bloed!
"Wat liet hy al een goud en zuiver aan zen goed!
Ho welkom, heerschip! \'k hietje welkom om een koekje,
CIO Verzinje wel. Klaar. Hy is myn heer niet, gek. fop. Ja
zoekje
Me wat te pieren2? neen dat\'s mis, verzinje wel.
Konst. Hy is myn zoon niet, Kees. Fop. Hoe of dit weo-
zen zei?
Arerzinje wel, men heer, laat ik jou iens bekykeu.
Xou zie ik \'t eerst, ja daar \'s meer eigen as gelyken.
G15 Vergeef \'t me, Jonker, want ik was verabbezeerd, 3
Me dogt, om dat je zo bekant was en geveerd, *
Dat jo onze jonker waert. K/aar. Dat maak jy aartig,
baasje.
Fop. Al bin ik maar een boer, ik hou myn rippretasie. 5
Ik, en myn wyf, die gnon met al do groote lui
620 Van \'t stee om. Klaar. Jy? Fop. Wel ja, ik hreng \'er
altyd hui\'
En zoetemelk en kaes. Ik mag met elk verkeeren.
Klaar. Zo doendo, Keesje, kan jy göe manieren leeren.
Charl. Hoe is \'t op onze plaats? Fop. Daar staet het
alles wel.
\'k Loof, dat het met \'t gewas dit jaer wol slaegenzel:
625 De boomen bloeyen uit de kunst7, en in \'t bezonder
Is \'t op jou Hofstee s schoon, verzinje, \'t is geen wonder,
Dat komt, dat joffrouw op geen schuitje mist 9 en ziet.
\'t Is allcmael gien schil hot geen juist schaede Liet.
618 rijiprt\'tasie C rcpretasie; (120 Wel ja A Wel ja \'k; 62G
A ataef.
1) begrijp je wel. 2) foppen; beetnomen; zie Kreli» Lomren vers
539. \'-i ik bad abuis. 4) met kant en veeren versierd. 5) reputatie.
\'0 wei, oene dunne, zoete vloeistof, die. na de afscheiding van do kaas-
stof, van de inelk overblijft. 7) prachtig. 8) buitenverblijf. 9) mest.
-ocr page 46-
12
Jou tuinman Jaep verstaot \'em schier op alle zaeken.
630 Nou iB hy bezit? om oen bloemperk op te macken,
Ylak voor het huis. Dat moet je haest iens komen zion:
De zoete tyd komt \'an. Charl. \'k Denk in eon dag of tien
Te komen, ligt nog eer, dat kunt gy Jaap wel zeggen.
Fop. Dan zei je \'t bloomperk daer al opgemaokt zien
leggen.
635 Konst. Koom, laat ons reeknen, Kees, ik heb niet
langer tyd.
Fop. Goed, als je wilt, mevrouw; dan raek ik \'t vragjequyt.
Je loopt die kamer in? ik mien je na te treden.
ZEVENDE TOONEEL.
Lodewyk, Charlotte. Binnen wordt geld geteld.
Lod. O schoone, die myn hart met uwe aanloklykhedcn
Doet buigen voor do min, gy hebt myn staat gohoord;
640 Nu hangt het maar aan u ; ei, laat een troost\'lyk woord,
Uit uwen lieven mond, myn quynond hart vorquikken!
Charl. Zo haastig niet, myn heer. Lod. Ik tel al de
oogenblikken,
Myn allorwaardste. Ach troost uw\' minnaar, ja uw\' slaaf.
Charl. Het geen gy eischt, myn heer, is zolken grooten
gaaf,
645 Dat ik my honderdmaal, en meerder, moot bedenken,
Eer dat myn plicht vereischt myn hart aan u te schenken.
\'k Heb uw\' stantvastighoid in \'t minnen nooit gezien.
By and\'ro Juffers spreekt de Graaf ook zo misschien.
Lod. Ik zweer u, schoone ziel, by \'t bloozen van uw\'
kaaken,
650  Die roozo gloed, die my in zuiv\'ro min doet blaaken,
Die gloed, die \'t schit\'rend vier van Tirus purper tart,
En met zyn straalen schiet in \'t allerkilste hart;
633 ligt A tiekt; 636 alt A as; 650 die roozc C dien rooze;
651   dit gloed C dien gloed.
-ocr page 47-
r.:
By \'t diamanto licht van uwe tweling zonnen,«
Wier straalen allereerst myn minnend hart vorwonncn ;
G55 By \'t levendig albast van uw\' volmaakte loên,
Dat \'k niemant min als u, noch heb bemind voorheen.
Charl. Gy cjert uw reden op, en schynt te poëzecreu.
Lod. Ach! wat kan ons de min door haare kracht niet
leeren \'i
Myn lief, \'k ben onbequaam te schild\'ren met wat krngt
660 Van schoonheid gy myn hart gebragt hebt in uw magt.
Al die aanloklikhoid ! al die bovallighedon !
Zyn machtig myn verstand van \'t regto spoor der reden
Te leiden, zo gy niet uw\' strafheid \' wat verzoet.
Charl. Gy vleijt my, Graaf. Lod. o Neen, zie wien u
valt te voet :
665 Een die zig onderwerpt wat vonnis gy zult geeven.
Aan u, o-schoone! hangt myn dood nu, of\'myn loeven;
Maak dat dit oogenblik voor my gelukkig zy.
Charl. Staa op, myn heer, en heb wat moerder heor-
schappy
Op uwe driften, poog die vlam in tyds te dooven;
C70 Uw adoldom, en staat gaat onze ver te boven;
En kreegt gy eens berouw van deeze keur, zou \'t licht
Te laat zyn dat 3 gy wist wat zaak gy hadt verricht.
Lod. Die keur, myn schoone, zal my nimmermeer bo-
rouwen.
Charl. Mag ik \'tgelooven? Lod. \'k Zwoer, dat gy my
moogt vertrouwen.
675 Charl. Gy zyt een edelman, \'k geloof u op uw woord,
En ik beken, dat uw\' beleeftheid my bekoort;
Myn hart kan langer dan niet overschillig weezen;
Doch van vrouwmoeders kant hebt gy licht meer to
vreezen;
657 eiert A siert; 064 vleijt A vleit; 670 gant C gaan; 671 krtegi
C krygt; 674 mg ontbreekt in A.- 676 beleeftheid, A enCbeleefd-
neul\\
677 overechil l t\'g C onverschillig.
1) oogen. 2) strengheid, 3) als, indien.
-ocr page 48-
44
Schoon ik \'t bezit u van myn hart al toe wou staan,
680 \'t Moest met haar wil zyn, en dat zal bezwaarlyk gaan;
Zy hoeft geen dochters meer, als my alleen, in \'t leoven;
Gy zyt een vreemdling, dien zy my niet graag zal geeven,
Om dat zy dan te veel myn byzyn missen zou.
Lort. \'k Zal haar en u, myn lief, in \'t Graafschap Habislouw
685 Geleiden, daar gy zult als myn Gravin regeoren,
Dit land vergeeten, en u zien van ieder eeren.
Charl. Ik zal my schikken naar vrouwmoeders raad, myn
heer.
Gy kunt my de eer doen___
daar wordt gescheld.
maar wat\'s dat? wie schelt daar weer?
Hee, Klaartjo, Klaartjo!
ACHTSTE TOONEEL.
Klaar, Lodewyk, Charlotte.
Klaar. Wat belieft Juffrouw? Charl. Doe open:
690 Gy hoort wel dat \'er wordt gescheld. Klaar. Ik zal
gaauw loopen.
Charl. Myn heer, het moeit\'my dat we in dit onvr}\' vertrek
Gebleeven zyn; ik wist juist niet dat ons gesprek
Zo lang zou duuren. Ik zal voortaan de eer genieten
Om in \'t zalet.... Lod. Myn lief, hoe zeer \'t my moet
verdrieten
695 Ons staag gestoord te zien in dit vertrek, ik hou
Hot voor het beste van dit adolyk gebouw,
Om dat ik de eer heb... Charl. \'t Is een koopman in
Monsiour Ie Poerlaron.
                                   juwoelen,
682 vrecmdl inr/ A vreemdeling; G92 Gebleeven zyn: ik wiet juint
niet
C zo lang gebleven zyn: \'k wist niet.
1) spijt.
-ocr page 49-
45
NEGENDE TOONEEL.
Hans in koopman» gewaad, Klaar, Lodewyk,
Charlotte.
Hans, oiuler den naam van Poerlaron: Ze zei hier niet
vorveelen,
Dat ze aan madamoizel service presenteer?
700 Ze \'eb deezen dak kehoor dat jou juweel begeer.
Charl. Brengt gy iets mede? Hans. Qui, jou\'ep aan ma
bootike
Van daak kewoost vergeefs. Mon frient was juist \'eel zieke;
Dien was zo gaan bezoek. Ze bid, madamoizel,
Exkuse moi! Charl. Gy zyt geëxkuzeert, \'t is wel.
705 Is u van daag een snoer met paerels voorgekoomen?
Hans. Un paerelsnoere? non. Charl. Ze is van myn\'hals
genomen
Door dieven op de straat; zo ze u wordt aangebracht,
Neem vry de snoer, on hou de dieven in uw\' macht.
Hans. Dat zei ze doen. Charl. "Wat hebt gy mê gebracht?
Hans. Juweelen,
710 Zo zuivre poer de kieke, un dief die zou hum steelen.
WAt dunk jou, is \'t niot bon? Charl. Waar voor is dat
te koop?
Hans. Akt\'ondert kulde \'t minst. Charl. Dat is te veel,
loop, loop.
Hans. Bezie ze wel ter deek, hum \'eb niet eene foute.
Als jy een foute vindt, mak jou voor niet hum oute.
715 Hum \'andol voul met jou, ze weet jou \'ep verstand
Van de juweel, veel betre als al de daam van \'t land
Jou koop altyd koet koop. Zo \'eb eens van jou kehatte
Cinq\'mille Ekuus golyk. Keen klant in deeze statte
Die zo veel koop, als jou. Charl. Het is geen quaad juweel.
720 Maar, Monsieur Pourlaron, do prys is veol te veel.
Zes hondert gulden is genoeg; \'k zou niet meer geeven
703 ze yuan C zy yuan.
-ocr page 50-
46
Hans. Ze moet niet dingen. Charl. Niet? Hans.Madam\',
zo waar ze leeven,
Ze zou verlies, ma foi. Lod. Mag ik\'t juweel eens zien?
Charl. lieer praat\', \'t is tot uw dienst. Hans. Jou moet
zo slekt niet biên.
725 Bezie son Exelense. Ik \'eb nok van myn leeven
Zo weinig niet kewon. Lod. Ik zal nog vyftig geoven.
Charl. Zo valt gy in myn bod, myn hoer? Lod. Gy biedt
te min.
Charl. Geef hem zyn\' vollen eisch, heer Graaf, is \'t zo
uw zin.
Lod. Gy kunt als \'t u belieft, monsieur, uw geld dan
haaien;
730 \'k Zal in myn logoment u deezen dag botaalon.
Hans. Bon, waar logeer jou? Lod. In de goude muizoval.
Hans. Son Exelense zek hoe hum daar noemen zal.
Lod. Do Graaf van Habislouw. Hans. De Kraaf van
Kabeltouwen?
Je suis vót sorvitour. Zo kan dat wel onthouwen.
TIENDE TOONEEL.
LODEWYK, CHARLOTTE, KLAAR.
735 Lod. Myn lief, \'k vorzook dat gy my de eer doet, dit
prezont
Van my te ontfangen. Charl. \'k Zie dat gy myn\' aard niot
kent.
Lod. Myn schoone, \'k bid dat gy \'t prozent niot af wilt
wyzen,
Al is het wat gering; gy zult \'t misschien mlspryzen,
Dat ik my tegons u in \'t biedon heb gekant?
740 \'t Zal my een eer zyn, om \'t in zulken lieve hand
Te moogen zien. En heb ik daar door iets misdreeven,
725 Son A ii/n; 720 vijftig A Jij/tig: 732 non A xy; 740 zu!-
fcm C zulke.
-ocr page 51-
17
öy moet de modo van Let hof do schuit dan goeven.
Ik bid u, neemt het aan. Charl. \'k Bodank u dan, hoer
Graaf.
Lod. Myn lief, \'t is zulks niet waard; \'t is al to slechte \'
gaaf.
745 Ik was byna in toorn op doezen Waal ontsteeken,
Om dat hy onze reen 2 zo schielyk af quam brcoken.
Ckarl. Daar was niet overig. Gy helit myn wil gehoord.
Gy moet bolooven, aan vrouwmoeder niet eon woord
Van \'t geen gy op myn hart gewonnen bobt to zeggen ;
750 Ik zal het, op zyn tyd, haar zelf to voore leggen; 3
Gij kunt my midlerwyl bezooken als galand.
Lod. o! Lastig uitstel voor oen hart vol minnebrand!
daar wordt yeacheld.
Charl.
Doe open Klaartje! "Wie of daar al weer zal
koomen?
Lod. Ik hoor de stem van myn koezyn! Charl. Wat
doet u schroomen ?
755 Lod. Het is do heer Baron, die door zyn zotterny
My overal beschaamt. Myn hart, ik vrees dat hy
Iets aan zal vangen dat u ligtlyk zal mishaagou.
Charl. Eon die verstand heeft kan wel zotterny ver-
draagen.
Do heer Baron zal uu misschien niet spoorloos * zyn.
ELFDE TOONEEL.
Jan, Lodbwyk, Chablotte, Klaar.
760 Jan. Je suis vöt serviteur, madame, en mon koezyn.
Vergeef iny, dat ik jou gezelschap kom verstooren.
Zyn Exelentie zal een\' blyden tyding hooren.
742 de Hchult D den eehtilt; 743 neemt A en C neem; 750 voore
C voeren; 762 blyden C ijoeden.
1) gering; zie vers 1170 en Quincumpoix, bl. 74 en 97. 2) gesprek.
3; voorleggen, modedeelen. 4) buiten het spoor der rede, buiten zinnen.
-ocr page 52-
48
Kent gy den schryver van het opschrift van dien brief?
Lod. Hoe, hobt gy brieven, heer Baron? dat is myn lief.
765 Hebt gy \'or geen voor u? Jan. Ik heb \'r vyf gekreegen.
En tegen jou gezeid, ik was al wat verleegen
Om gold. De wissel komt nou juist heel net van pas:
Ik denk dat al myn geld geen duizend ginjes \' was,
En dat is niet; want wat kan duizend ginjes maaken? •
770 Charl. terwyl Lod. leest. „Dat is eene groote som.
Klaar. „Ja kon je daar aan raken,
„Dat zou ons dienen in ons kraam. Charl. „Zwyg, hy
is gek.
Jan. Mejuffer, dit is al oen kostelyk vertrek.
Charl. Myn heer, zoo passelyk 3. Jan. o Neen: het is
zeer aartig \'.
Is dat tapyt niet wel een duizend guldens waardig ?
775 Charl. Dat weet ik niet, myn heer: dewyl\'t by erfenis
Van iemant van \'t geslacht, aan ons gekomen is.
Jan. Mejuffer, jy komt my zo aangenaam te vooren,
Dat jy myn hart byna tot liefde zoudt bekooren 5,
Ja, zo de Graaf, myn Neef, jou minnaar niet en waar,
780 Wy wierden zekerlyk in korten tyd een paar.
\'k Heb overal geweest, in Spanje, in Hongaryen,
Mezopotamien, en ook in Pikardyen;
In Zweden, Porsiën, ja in Luilekkerland,
Maar nergens Juffertjes zo schoon, en vol verstand,
785  Als jy bent, ooit gezien. Lod. „Ha schelm, wie kan
\'t verdragen!
Mejuffer, ik verzoek. Charl. Zwyg maar, \'t zyn malle
vlaagen.
Jan. In Etiopiën heb ik \'er een gevryd,
764 myn A C my; 768 denk A loof; 773 aartig A aardiy;
786   gevryd A gekend.
1) ginje (guinjc) is een gouden munt, zoo gonoemd, omdat hij geslagen
is van het goud uit Guinea. De waarde is ongeveer 121/* gulden. 2) wat
beteekenen duizend guinjes? 3) tamelijk; fr. passahle. 4) zie vs. 1031.
\' 5) verleiden.
-ocr page 53-
49
Die lykt jou op con draad, \'t is of ,jo zusters zyt.
Zy was de dochter van paap Jan >, die voor twee jaaron
790 Getroud is met den (\'ham, of Keizer der Tartaaren;
Ik was \'er aan verloofd, zo was alrcets myn Bruid;
Maar dio verhrusto - (\'ham heeft juist myn trouw gestuit.
Ik meen dien beest wel haast dat schelmstuk te hctaalen.
Lod. „Hou op met liegen! of... Jan. Do drommel
zei hem haaien !
795 Do Cham zei weeton wien hy hoeft geiirl\'ronteerd.
Lod. „Zwyg, zeg ik, of... Jan. Op \'t minst dient hy
wat afgesmeerd.3
Hoe, zou die vont myn Bruid, dio ik zo lief had, houwen?
\' Zou hy, tot spyt van my, paap Jan zyn dochter trouwen?
\'k "Wou liever dat hy op een heeto hekel zat,
800 Of dat dio (\'ham zyn broek vol brandonotols had.
Lod. Zwyg liever van dien Cham, en spreek van and\'re
zaaken.
Jon. Koezyn, ik voel myn hart zo in de liefdo blaakon,
Nu ik dio Juffer zie, dat ik niet laaten kan
Te spreeken van myn Bruid, do Dochter van paap Jan;
805 Om haar zal ik alfyd deez\' schoono Juffer minnen,
En ook myn best doen om haar tot myn bruid to winnen.
Doe jy je best al me, on zie wien \'t hagje \' krygt.
Lod. „Ik zweer u, Heer Baron! Jan. Ja, Graaf, ofjy
,
                                                  me dreigt,
Dat bralt5 me nietmondal. •. Ik wil doos Jufforvryën.
810 Doe jy jo bost ook maar, ik mag hot heol wel lyên.
Lod. Mejuffer, \'k bid, vergeef doeze onbescheidenheid
Van myn koezyn: gy woet... Jan. Myn schoone, ik
ben borcid
788 zijt A bent; 79 on 795 zei C zal; 807 me A D meê;
wien C wie; 808 dreigt A dryyt.
I) Zicdeaantcckeningen. 2) vervloekt,;<*yn. van verbranest. H) afgeran-
kC \'.vSl- iemand smeer geren, een smeris (politie). 4) voordeeltje, buiten*
Hansje; zie Krelis I.ouicen vers 976 en G21 en de aant. hierop. I Pantheon
JO. 128) 5) raakt; zie Spiegel der Vad. Koopl., bl. 103(Pantheonno. 125).
°) niemendal.
Lakoesdyk, Ihmél.bedrog.                                                              4
-ocr page 54-
RO
Om u te tooncn dat ik hier niets hel) misdreeven,
liet geen hem redenen kan tot misnoegen geeven.
810 Charl. Myn hoer, wees vry gorust, dowyl \'t maar
kortswyl\' is.
Jan. Jlaar dat ik .jou bemin, dat \'s zeker en gewis.
Wat inceuje, Graaf\', dat jou hoer vader toe zou laaten,
Dat jy /oudt trouwen \'t neen, hy zou jou dood\'lyk haatcn.
•Ie vader is een man die staat na dualiteit.
820 Hy lieeft je een Hartogin, voor \'t minste, toegolcid.
Het is do waarheid, je behoeft mo niet to wenken.
Lod. Myn Heer, hoc spreekt gy dus? wat zult gy al
bedenken,
Om mj te qaellcn? myn heer vader is lang dood.
rlk heb \'t haar wys gemaakt. Jan. Jlyu min is reets zo
groot,
825 Dat ik warentig schier do waarheid heb vorgeeten;
Maar nou bedenk ik niy. Hy \'s dood, ja wol te woeton,
Zo dood gelyk een pier; hy stort\' geheel to onpas,
Toen ik de Bruigom met paap Jan zyn dochter was.
Klaar. Op wat wys sturf hy? hoc heeft hy den geest
gogeevon\'r\'
830 Jan. AVel kind, hy sturf om dat hy langer niet kon loeven.
Lod. „o Fielt, gy zoudtmy door aw\'losheid schier verrafin.
Jlyn heer, het wordt al tyd, koom laat onst\'samen gaan.
Jan. Laat ons dees schoone nogecn weinigonderhouwen;
Of wil jy gaan? ik blyf. Lod. „Ha schelm! het zal u
rouwen.
835 Jan. Dewyl je \'t zo begeert, ik zal gehoorzaam zyn,
En in ons logement oen helder glaasje wyn
Op haar\' gezonthoid door myn edel keelgat gieten.
Lod. Vaar wel, myn schooue. \'k hoop \'t geluk Bteots
te genieten
818 jou C je; 819 na C naar; 827 storf A sturf; 831 B veraan;
832 t\'eamen A t\'zamen.
l) gekliaid ; lid. kurtnfieth
-ocr page 55-
51
Van u te dienen, zo gy my zulks waardig kent.
.I<i)i loot een brief rollen.
840 Ik meen hot ook zo, mot dit zelfde kompliiiient.
Charl. De eer is ann my, on \'t is my loot, dat ik de hoeren
Niet betor naar bunn\' waarde on staat kan rcgaleeron. \'
TWAALFDE TOOXEEL.
ClIARLOTTE, KlAAU, KoXSTANl\'E, FOP.
Charl. Wat dunkt mevrouw, heb ik myn rol niet wel
gespeeld\':1
Fop. En bob ik na de kunst niet fraaij een boer verbeeld? -
845 Kous!. Tot nog toe gaat het wel, myn kind; nu moet
men niaaken,
Dat hy gelegenheid verkryge om u te schaaken.
Charl. Mevrouw, dat dunkt my vreemd. IIoo durf ik
zulks bestaan?
Wat reden hebt go om my tot zulken zaak te raau,
Dio zo uitspoorig s [^ en strydig met \'t welleven?
850 Konst. Dusdoende boefik ugeen huwlyksgoed togeoven.
Ik doe \'t uit nood ; want wierd gy met myn wil d ) bruid,
Dan iiuam gewis terstond ons onvermogen uit.
Daar wordt veel gelds veroisebt tot al de omstandigheden
Van zulken bruiloft; met oen\' Graaf in d\'eeht te treeden,
855 Dat is iets ongemeens 4. Al waar \'t een Edelman
Van minder staat, weet dat ik \'t niet uitvoeren kan.
Klaar. Mevrouw heeft groot gelyk, \'t is wonder wel
verzonnen;
Die zaak dient niet versloft, maar met \'er haast begonnen.
Charl. Ik durf het niet bestaan. Klaar. Verlies je \'er ook
1
                                                 ietsby?
860 Charl. Myn reputatie. Klaar. Ja, zet die maar aan eenzy.
841 de heeren A myn\' heeren; 844 na C naar; 848 zulken C
zulk een; 852 onvermogen X overmoyen.
1) onthalen. 2) voorgeatold. 3) ongowoon, extravagant. 4) buitengewoon.
-ocr page 56-
52
Laat jou oen vogel, dio zo vet is, niet ontslippen.
Konst. Hy mint u teder, kind. Charl. Ja mooglyk met do
lippen.
Kan ik con hoveling betrouwen? Konst. Neen, niet voel.
Maar zou een, die niet mint, u zulkon schoon juweel
8G5 Zo los verceren? neen, het blykt dat zync zinnen
Gcneigt zyn te uwaarts. "Wilt maar vry de zaak beginnen,
Wees niet bosehroomt, myn kind, \'t moet wel voor ons
beslaan.
Charl. Mevrouw, ik moet my op die zaak ter deeg beraên.
Klaar. Ik vind een brief. Dien heeft do Graal\'misschien
vorgeoton.
870 Charl. Klaar, hy is open? Klaar. Ja. Charl. Dan moot ik
d\'inhoud weoten.
Charl\'ofte leest:
\'/•• Neem de eer ra» u te kontenteeren,
Genadig heer, op uw begeeren,
En zend twee wisselbrieven op
Den heer Kristoffel Ossekop,
875
          Le grand Banquier der heeren Deenen;
Zy zyu op zicht\', en reets verscheenen,
Groot ieder run twee duizend pond,
2
Dien gy koerant ontfangen kond.
Hy woont te Brussel, in den grooten
880
          Kristoffel, naast de Kaliefs pooten.
Hy is het wiss\'len lang gewend,
En hy de Deenen wel bekend.
Voorts valt voor ons niet meer te schryren,
Als dat wy uwen dienaar blycen.
885
          En groet genadig uw koezyn,
Den heer Baron van Schraalenstein,
86G vry C toort; 868 ter deeg C nog eens; SG9 dien A die;
870 hy ie ACD t"« hy; 880 iallcfa C kalvtr; 88G Den A De.
1) op vertoon betaalbaar. 2) een pond Vlaamscb is f 6, een Engelsch
pond is f 12j zie Qnincumpoix bl. 60.
-ocr page 57-
sa
Wiens quaal ik hoop dat mi niet zwaar is.
Hans Yzerfresser, Sekretari*.
Charl.
Klaar, breng dien brief voort \' na do goude
muizeval.
890 Hy zal verlccgen zyn. Klaar, \'t Is wel, Juffrouw, ik zal.
Kon ik den beer Baron ook tot myn min beleezon,
En mocbt ik Baronnes, als jy gravinno, weezen,
Ik was \'er bovon op. Charl. Ei zwyg die malle praat;
Hy is een Edelman, en gy van slechten staat.
895 Hoe kan die malligheid u komen in de zinnen?
Klaar. In ouwe tyên was \'t de mode om zo te minnen;
In Cats staat immers van de sehoono Aspazia,
Daar keuning C\'irus op verliefde, en haar zo dra
Niet bad gezien of liet haar door zyn\' dienaars schaaken,
900 En tot een koningin, ten spyt van and\'ren, maaken -.
Ben ik zo schoon juist niet als doezo barderiu,
Het scheelt al evenwol heel weinig, in myn zin.
Ik zal myn best doen om den karel to vorleiën;
En hy is gek, hy zei wol luist\'ron na myn vleijen.
905 Charl. Is \'t ernst of boertV Klaar, \'t Is ernst. Konst.
Hoe Klaartje, wordt gy zot \'t
Charl.
Mevrouw, gy ziet dat zy met deezc zaaken spot,
Want zy heeft trouwbelofte aan onzen Hans gegoevon.
Klaar, \'t Is immers beter met een Edelman te leeven,
En weezen Baronnes, als met een\' armen knecht
910 Een ordinaarisjo \'J op te zetten? Fop. Jy hebt recht \',
Myn zuster. Doe je best, je zelt den gek bepranten.
Charl. Dan zult gy Hans, daar go aan verlooft zyt,
dus verlaatenf
Klaar. Die koop ik af, indien ik ryk wordt, met wat gold.
887 quaal P quaad; 8S9 ii« C naar; S91 ilen A de; 896 de
ontbreekt in C; 904 vleijen A vleien; 913 Die C Dien.
1) dadelijk, onmiddellijk. 2) Langcndijk doelt hier op Cats\' bly-cyndig
«pel Aspasia. In ho\' 2do deel van do 1\'voefsteen op </<•*» Trouwring \\ny
handelt Cats hetzelfde ondorworp onder den titel van Spoo-k-liefile besln-
!en met hel Iloiticellrk van (\'t/rus en Aspasift. \'-i)
gaarkeuken; huis, waar
"Pontafcl wordt gehoudon. 4) gelijk.
-ocr page 58-
51
Charl. \'t Is wol, doe vry uw best, en zie hoo dat gy \'t stelt;
915 Verbrod ons werk maar niet door die uitsporigheden \'.
Klaar. Ik zal myn zaaleen wel boleggen, 2 en myn rodon.
Zal ik nu mot don brief voort 3 na zyn herberg gaan?
Konst. Nog niet; ik moet u eerst ter deegen doen verstaan,
Op welken wys gy met die boeren dient te spreekon,
920 Op dat nan d\'aanslag, die \'k hedacht, niets moog\' ont-
breckon.
Charl. Men zy zo scbiolyk niet. De zaak is van gewicht.
Klaar. Dat \'s raar! in myn zin is de zaak niot zwaar,
maar licht.
Einde van het Ticede Bedryf.
DERDE BEDRYF.
EERSTE TOONEEL.
Lodewyk, Jan. Twee Lahkeijen.
Jan. Acht honderd guldens, boor, in één reis weg te
geeven
Aan oene Juffer, die jy tweemaal van je leoven
925 Aanschouwd hebt! ik beken jo zyt vry kordiaal4;
Maar ondertussen wordt de beurs geon kleintje schraal.
Lod. Met spoelen kan men weer aan and\'ro scbyvon
raakon.
\'t Was nodig, en hot hiolp bezonder in myn zaakon;
917 na C naar; 918 ter deegen A terdege; 920 moog\' C mocht* f
325 eyt A C hent.
1) gekheden, dwaze handelingen. 2) overleggen; het aanleggen. Kiliaen:
componere, onlinare, zie Mnl. Wlh., I. 8:10. :i) dadelijk. 4) mild, royaal ;
zie Spiegel il. Vud. Koopl., bl. 22, waar cordaat gobruikt wordt in den
zin van royaal.
-ocr page 59-
.">
Ik heb do Juffer wog \'. Jan. Ja zy licht2 jon, myn Hoor.
930 Lod. Hot is goklonkcn. \'k Zal haar trouwen, Jan. Jan. Ik
zwoer,
Dat ik my uiet vorlaat op Juffers dio haar zinnen
Zo schielyk buigen, om eon\' vreemdeling te minnen:
Daar schuilt wat achter. Lod. Xeen, ik hou hom voor
geen man,
Die eeno Juffer niet terstont bepraaten kan;
935 Men kan de weêrmin haast bespeuren aan hanre oogen.
Jan. Zie toe, myn heer, zio toe, een mensch wordt licht
bedrogen.
Dio wedermin komt my te schielyk; naar ik merk
Spruit zy uit kaalheid; is hot maar geen hoeren werk.
Lod. Ha schelm! wat zegt gy daar? Jan. Ik bid, wil u
betoomen.
940 Hebt gy na haar gedrag en staat al wel vernoomen?
Lod. Jan, ik vortrouw my op haar stam, en ad\'lyk huis.
Jan. Haar stam kan goed zyn on zy zelfs nochtans niet
pluis.
Lod. Gy lastert haar. Jan. o Xeen, ik heb my zelfs ge-
queten 3.
Daar komt de waard, die zal haar zaaken mog\'lyk
weeten.
TWEEDE TOOXEEL.
Lodewyk, Jan, de "Waard, Twee Lakkeijen.
Lodetcyk wyst op het huis van Konstance:
945 Kent gy dio Juffer, daar ik flus in praat mcó was \'i
Waard.
Wol zou ik niot? o ja, zy is oen wakk\'ro tas \';
938 in7 A «•ilt; 9 12 zelf* A C *df9 13 zelf* A a-lf: 940 zy A <l„l.
1) ik heb haar binnen (/.io vers 1429), ik mag haar als do mijne heschou-
wen. 2) welliclit. 3) van mijn plicht gekweten. I) oen fliako meid: zio
ook vers 1208.
-ocr page 60-
56
Ze leeft heel zuinig, en ik hoor zy het \' veel plaaten -
Geërft, verstaaje, die haar Oom het nagelaatou,
Dio in Oost-indjen is gesturven, dat je \'t vat.
950 Verstaa je wel, hoor Graaf? nou deuzo groote schat,
Veurschrceven en vcurzeid, moet deze Jutter erven,
Gelyk je weet, wanneer de moeder komt te sterven;
Want, as je weet, do zeun is stilletjes nit \'t huis
Vertrokken, as je weet; 6 my! \'t was zulken kruis
955 Voor do ouwe vrouw, verstaajo, och zy kon niet bedaaren.
Lui!. Hou op, ik heb gouoeg, wilt de and\'ro helft maar
spaaren
Tot morgen, dat jo \'t vat, heer hospes, góe gezel3.
Ik ben jo dankbaar, als je weet, verstaa je wel?
Waard. Hoor Graaf, verstaaje wel, \'k zal eoton klaar
doon manken;
900 "Wat lust je t\'avond? Lod. Gy kunt dat voor dees tyd
staaken:
"Wy zyn op zek\'ro plaats genodigd, dat jo \'t vat.
DERDE TOOXEEL.
Lodewyk, Jan. Twee Lakkeijen.
Lod. Wat zegt gy nu? Jan. Ik hoor zy heeft een\' grooten
schat;
De Jutter lykt jo van hot hoofd tot aan de voeten.
Eu pozito\', ze was wat licht; tut tut, wy moeten
965 Zo naauw niet zien, want geld wordt tog by elk geacht.
Lod. \'k Verzoek dat gy uw\' plicht voortaan wat meer
botracht.
Spreek mot eerbiedigheid van haar, of \'k wil u zwoeren...5
947, 948 het C heit; 949 oott-mdjen A oost-indien; 954 mij
A mijn; 955 Voor de ouire A voor ouwe; 950 icilt C wil;
961 genodigd A ijtnoiliijt C genoodigd 1) genodigd.
1) heeft. 2) gold (vgl. srliijcen); zie vors 1235 en fjmintmmnoiBt bl. 62.
3; goeje vriend. 4) gestekt 5; o! ik zweer u.
-ocr page 61-
57
Jan. Hoe? wordt je quaad, myn hoer? ik zoek .je maar te
lecren
Dat schyn geen waarheid is. Lod. Wel, leer dan ook
van my,
070 Dat gy by Juffers van verstand geen zotterny
Beginnen moot. Wat bracht gy flus l al vreemde grillen
En leugens op de baan; \'k luid werk om u to stillen.
Dat praatje van paap Jan had schier ons werk verbrod,
\'t Is myn goluk dat zy u aanziet voor een\' zot.
975 Jan. My dunkt het staat zo braaf by Juffers op te snyën
Van groote zaaken, hoor; het is de zjou van \'t vryën.
Lod. \'t Moot mot verstand goschiên. Jan. Vorstand
ontbreekt my niot.
Lodewyk ziet Charlotte, welke uit het venster kykt:
„Zacht Jan, me dunkt dat daar myn liet\'uit\'t venster ziet;
„Laat ons nu veinzen dat \\vy met malkaêr krakkoolon.
Jun Lodewyk slaande:
980 Je liegt het! heb je \'t hart myn eer aldus testcelen?
Lodewyk, en Jan trekken de degens:
\'k Zog dat het waar is. Ja. Jan. Graal\', haal het in
jo hals! a
Lod. Baron, beken het dan! Jan. Ik zog nog eens,
\'t is valsch.
En jy zult sterven! Lod. Ha! Baron, ik zal my wreeken!
VIERDE TOONEEL.
Klaab, Waard, Twe Lakkeijen, Jan, Lodewyk.
Jan. Ik zal niet rusten voor dat ik je heb doorstoeken.
Zy worden geseheiden.
385 Waard. Heer Graaf, vorstaa jo wel, waar komt de
(luestio deur?
«73 had A hadt; 974 zjeu A sjeii; 983 zult A zeil.
1) 200 pas, zoo oven. 2) nconi bet weer terug, trek jo woorden in.
-ocr page 62-
:,s
Jan. De questie, dat je \'t vat, die komt maar door een
leur \'
Van duizend guldens, die \'k mot wedden hol) gewonnen.
Lod. \'t Is om het geld niot, want dat zou men geoven
konnen;
Maar om het point van eer. "Wat geef ik om dat geld.
990 Jiin. Ik zeg nog eens, kozyn, dat jy my aanstonds meldt,
"NVio dat het zegt. Lod. Baron, dat kunt gy zelfs wel
denken.
Waard. Ei, heer Baron en Graaf, wilt tog malkaar
niet krenken,
Verstaa.je, zeg,wieis\'t? Jan. Dat raakt je niet, Jan Gat.
Zo jy jo \'er in steekt kryg jo vuistlook 2, vat je dat ?
995 Kozyn, ik vraag nog eens of jy den man wilt zeggen.
Daer leit myn degen. Lod. \'k Zal do myne ook ncdcr-
leggon.
JjOdeiryk luistert Jan wat in.
Jan.
Ik was in misverstand. Kozyn, ik heh don schuld ;
\'k Verzoek o.xkuus. TjOiI. \'k Hel) myn belofte nu vervuld.
Jan. Ik zal \'t betaalen. Lod. Hou hot gold, \'t kan my
niet scheolon.
1000 Om duizend gulden, zulkon bagatel, krakkeolon ?
Tegen Klaar.
\'t Is misverstand ... maar hoc! zyt gy daar, zoete kind!
Het mooit3 my dat gy ons te saam in questio vindt.
Klaar. Ik wou alleen graag mot zynExclentie Bpreeken.
Lod. Vertrek dan hospes, en lakkeijon. Waard. „Sel-
leweekon! \'
988 \'t ft om het C Het is om \'t; 991 dat tnnt ijtj C ijy kun\'
het;
997 den schuld A de schuld; 1002 saam A zaam.
1) verwant met tor, kleinigheid, nietigheid ; zie het Mul. IVdb. IV,
803. 2i slagen; een dergelijke schertsende henaming is ook het in vers
1713 voorkomende rotting olinm. Kvelis Louwen, vers 378 knuptomm.
Andere bcnamingon w.iren ttokotêeh, muilpeer, nnrrijf/, kneitkelsop, vnt/st-
mtuimlele, storksttyker, kneppelknek, klappersboonen,
enz. Zie V. Helteu,
I\'roei\'en v. IVoordcerklnrimj bl. 7. 3) spijt. 4) verbasterde vloek, oig. bij
Cods heilige tveken:
zie ook vers 1751: btj den selleiveeken en Krelis
Lontven vers 930 : wel selletceeken!
-ocr page 63-
59
1005 Is duizend guldens by dat volk een bagatel!
Ik zal hour snyên van de beurs,\' verstaa jo wol.
Jan. Hoor öraaf, ik zal u mot het meisje alleonig laaten.
Klaar. Neen, hoor Baron, jy moogt wel hooron wat
wy praatcn.
VYFDE TOONEEL.
Lodewyk, Jan, Klaak.
Lod. "Wol, Klaartjo, zeg my, is uw bootschap qnaad,
of goed?
1010 Klaar. Daar is myn Juffrouw flus een raar geval
ontmoet 2;
Derhalve heeft zy my in tyds by jou gezonden.
Lod. "Wat raar geval? Klaar. Dat wy Mevrouw haar
moedor vonden
In zulken quaad heumeur, dat zy niets hooren wou,
\'t Geen tot jo voordeel is. Zy zal, naar ik vertrouw,
1015 Haar dochter ergens in een kloostor op doen sluiten.
Lod. Wat reden heeft Mevrouw om onze min te stuiton?
Klaar. Zy heeft je vryery een tyd lang aangehoord,
"Waar door zy weet dat jy haar dochter hebt bekoord;
Zy noemt haar dartel, wulps, ontbloot van goede zeden,
1020 Een schandvlek van \'t geslacht, die tegon allo reden
Zich zelfs vertrouwen durft aan oonon vroomdoling;
Maar boven al verfoeit zy haar, om dat zo oen ring,
Dien gy gekocht hebt, uit uw\' handen dorst ontfangen.
Hoe! zogt zo, gy moet zeer na \'t huwolyk verlangen,
1025 Dat gy oen vreemden Graaf torstont in de armon valt,
Dio zokerlyk met u tot zyn vermaak wat malt.
In \'t kort, Mevrouw heeft haar verboón u meer to
spreekon.
1000 hem C knar; 101\'i heumeur C humeur; 1017 een tyd lang
A te zamen; 1021 zelfs A zelf; 1023 dien A die; 1024 BO C naar,
\') do bours snijden. 2) overkomon.
-ocr page 64-
liO
Jan. Zou dan jo juffrouw zich in \'t klooster laaten
stoeken?
Klaar. Niet anders als door dwang. Lod. Zwyg stil,
ik hoor to veel.
1030 Dat voorwerp zo volmaakt! dat beeld zo schoon en ooi,
Zo net gevormd van leen! zo lief.\' zo zoet! zoo aartig! l
De min van koningen en groote vorsten waardig,
Danr ik myn vryheid heb voor eeuwig aan verpand,
Zal ik dat missen ! ach! het gaat me aan myn verstand.
1035 Klaar. Uw lief heeft my bolast u dezon brief te geeveu.
Lod. Licht heeft zy \'t laatst vaarwel in dit papier
geschreeven!
Lodeivyk leest:
Myn Heer, hoe groot air liefde weezen mag,
Men dwingt my door het moederlyk ontzag,
Om my van u, voor altoos, af te scheiden;
1040 Neem dan niet vreemd l dat ik my moet bereiden,
Om my van u, die \'k achting draag, te ontslaan.
Vaar wel, gy zalt altoos in myii\' gedachten staan.
Is \'tmoog\'lyk? is my dan dat droevig lot beschooron!
Na 3 \'t my gelukt is, om die sckoone to bokooren!
1045 Jan. Tut, tut, wat bruit4 het jou? jo zyt een man
van staat,
Ik wed jy nog in \'t kort oen Keuningin bepraat.
"Wat bruit jou die mevrouw met al haar vieze • grillen?
Nu zou ik ook, uit spyt, haar kind niet bobben willen,
De vrouwlui meenen dat de mannen gekken zyn.
1050 Lod. Ik bid u zwyg, Baron; gy kent de miunepyn,
Die kracht der liefde niet, die my nog zal doen sterven,
1029 uh 1> \'htn: 1081 wirtiy A aardig; 1035 « dezen brief
A om u deex brief; 1045 zift A bent; 1048 nu A non; haar A keur.
1) aardig. Do schrijfwijze met ceno t moet verklaard worden door do
bijgedachte aan het mnl. aerte, arte, fr. art. Zio Kruis Louwen, vors 5Ü-
2) vind het dan niet vroemd; in liet Mnl. zeide men het ijevet mi vremt,
ik vind liet vreemd. Zie Mnl. W,ib. II, 1799. 3) nadat. 4) raakt; vgl.
Krelis Louwen vers 662 5) nukkig, dwaas ; zie vers 2.
-ocr page 65-
61
Indien ik langer moet myn ziolsgcnoegen derven.
Klaar, Het is vergeefs, myn heer, tint jyjo lot beklaag.
Ik kan wel morken dat myn juffrouw liefde draagt
1055 Tot u, on dat zy nooit dio liefde zal vcrgeeten.
Jan. Ja kool met krenten, meid, dat is een smaak\'lyk
eeten.
Of zy hem al bemint, dat helpt hem wat, niet waar ?
Of weet je raad? zo maak je raad ten eerste \' klaar.
Lod. Ja, meisje, weet go iets tot myn voordeel te ver-
zinnen,
1060 \'t Zal u niet schadelyk zyn. Klaar. Daar komt my iets
te binnen . . .
Maar juffrouw zal \'t niet doen ... Loil. Ei, Klaartje,
spreek vry uit.
Klaar. Myn heer, zy zal \'t niet doen. Lod. Ei, zog my !
\'k bid, besluit . . .
Klaar. Zy zal licht heel veel doen om uit den dwang
te raaken;
Maar noen, zy zou... Lod. Spreek op! Klaar. Heer
graaf, je moest haar schaaken.
10C5 Jan. Ik moot oon boost zyn, docht ik ook hetzelfde niet.
Hot was warentig op myn tong, oor zy het ried;
Dio meid was waardig dat zy wierd in goud beslaagon\':.
Lod. Dio rand gevalt \'J my, en ik zou den aanslag waagen,
Indien ik wist dat zulks myn lief behaaglyk vondt.
1070 Maar neen, zy weet nog niet hoe my de liefde wondt;
Zy kent de kracht nog niet van haare aantreklykheden.
Jan. Zy weet nog niet wat dat het is in d\'echt te treeden
Met zulken grooten Graaf, don Graaf van Habislouw;
1053 Icldaag ACD beklaagt; 1000 «clmdehjk AC tchaad\'lyk;
lOOG ried A riet; 1073 yrootcn graaf C grooten heer; den A de.
. 1) dadelijk. 2) iemand in goud boslaan wil eigenlijk zeggen zijn dood
\'"•liajim in goud beslaan, teneinde dat als eon voorworp van vereering
j° kunnen uitstallen. Do volledige uitdrukking zou zün: iemand in goud
laan, op een altaar zetten en hem als oen sant (heilige) aanbidden.
«M het Ndl. Wdb. V, 461. 3) bevalt; hd. gefallen.
-ocr page 66-
CU
Zy woet niet dat men haar Genade .zeggen \' zou,
1075 A1h jy huur man waart, on dat ze in een koets zou ryên
Van klinkklaar goud, gevolgd van agt\'ren, en ter zyên
Door diennars, elk zo bont gelyk een Arlekyn ;
Bloed ! wist ze dat, ik wed zo wel geschaakt wou zyn.
Klaar. „De lieer Baron ia \'t hoofd geen kleintjo weer
on schroeven -.
1080 Jaii. Het klaagen, dunkt me, zal nu langer niet behoeven;
Smeed nu het yzer, wyl hot heet is; maak besluit.
Je moot \'er schaaken, of jo dingen zyn verbruid ::.
Lod. \'k Zal na myn kamer gaan, om voort oen brief
te schryven.
Kozyn, geliof zo lang op deezc plaats te blyvon
1085 Met Klaartje; \'k koom zo ras als \'t mooglyk is hior woêr.
ZESDE TOONEEL.
Jak, Klaar.
Klaar. Dio Graaf, myn hoer Baron, is al een wakker \'
heer.
Jan. o Ja, als hy niet slaapt dan is hy altijd wakker.
Ik kenje zeggen dat ik nooit geen beter makker
Gehad heb als myn neef. Hy is een dapp\'ro vent;
1090 Alwaar gevochten wordt is hy altyd omtrent.
De slag van Eekeren :\' is door hem half gewonnen;
Hadt hy \'er niet geweest, men had hem niet begonnen.
Hy is gowocst voor Luik, voor Hoei, voor Keizerswaard.
De vy and vlucht torstoud voor \'t brieschen van zyn pacrd.
1095 Hy deed den Schellenborg, terwyl hy stampte, drillen 8.
107C agl\'ren X agierm; 1084 gelief C gelieft; 1088 hen C kan;
1089 ah D dan; Hi) ie A En \'t w; 1091 Eekeren A Eerren;
iloor hem half
A door hem wel half C half door hem.
1) noemen. 2) niet weinig in de war (op losse schroeven?). 3) bodof
ven: zie Spiegel il. Vuil. Koopl. bl. 103. 4) ferm, flink. 5) zie de aantee-
keningen. 6) bijvorm van trillen.
-ocr page 67-
68
Roermond, en Stovenswaard, daar wy van zwygcn willen,
Was knapkoek \' voor hem. Maar de slag van Hogstet,
bloed!
Daar toonde hy, zo wel als ik, zyn belden moed.
Daar zag men duizenden door ons in \'t water dringen.
1100 Te Ramillie deed hy nog wonderlyker dingen;
lly had een ruiter daar by \'t haar gevat, uit klucht ;
En gooijde hem, met\'t paard, knaphandig in de lucht,
Zo hoog, dat hy van verre een vlieg geleek, en daalde
Niet eer voor dat men van den veldslag zogepraalde.
1105 Klaar. Met uw verlof, myn heer, daar twyffel ik wat aan.
Jan. "Wist jy wat dingen hy had by ïurin gedaan,
Je zoudt niet twyffelen aan dio van Oudenaarde,
Daar hy do minste luis niet in het leoven spaarde.
To Moenen, Dendermonde, en Doornik, RybscI, Aatb,
1110 En honderd steodeu, daar do tyd niet toe en laat
Om van to Hprcoken, heeft hy wonderen bedroeven.
Klaar. Ik heb niet veel verstand, hoer, van \'t sol-
daaten loeven.
Jan. Dit alles won hy, met den slag van Malplaket.
Klaar. Hoe kan dat mooglyk zyn? Jan. Ja, maar
\'t was in zyn hed ;
1115 Hy hoorde my alleen die dingen maar vernaaien,
Kn raakte voort door dio gevechten aan het maaien.
Hy heeft nog moer gedroomd, dat ik vertellen zal.
Klaar. Ei, heor Baron, verhaal wat anders: \'t is to mal.
Jan. My is wat raars gebeurd by Dergo in Henegouwon;
1120 Dit is wel waardig dat wy \'t in gedachten houwen;
Daar wierdt ik door een myn gesmoeton naar omhoog,
Mot zulken kracht, dat ik gelyk een vogol vloog,
En raakte boven wind; \'k wierd in een uur zes zoven
Met grooto snelligheid door deezen wind gedreven
1104 men A wy; 1100 had by Tttn\'n C by Turin had f 1111 om
*an te
A om van \'t; 1120 Dit A Dat.
.\') eig. liard gebakkeu koek. De uitdr. wil zeggen: dat was eene klei-
mgheid, gemakkelijk (klokspys) voor hem.
-ocr page 68-
64
1125 Rontom do wnercld, die \'t fatsoen hooft vnn een ey.
Je kent wel denken, ik was schriklyk in de ly.l
Ik rankte aan \'t vallen; \'k had het leeven ook verlooren;
Jlaar \'k bleef juist hangen aan een postelync toren
In China niet myn rok. Elk was daar op de beon:
1130 Zy hadden my al lang zien vliegen, zo ik meen.
In \'t kort, do koster quant my holpen, on beleozon:2
lly docht dat \'k Joosjo was, do heilig dor Cinoozon;:1
Zo dat do koning zelfs my zeer voel oor bowoes.
Toen ik dat zag, speulde ik voor Joosje, zonder vreos,
1135 En eisehte dat ze me een scheepslading mot juweclen
Bezorgon moesten, of do droes zou mot \'er spoelen;
De gekken deoden \'t, on ik ging terstond to scheep
Na Poolen. Zeg eens Klaar, was deze grap niet leep ?
Klaar, \'t Kan niet gebeuren; wio heeft ooit zo\'n
zaak vernomen?
1140 Jan. Myn suikerzoete Klaar, een mensch kan koddig
droomen.
Klaar. Zo, heb jo \'t maar gedroomd ? Jan. Dat zog
ik immers moid.
\'t Is alles maar gedroomd, dat ik jou heb gezoid.
Klaar. Uw snaakzo goest, myn heer, is wonderlyk, en
aartig.
Jan. Voel dames achten my heur zoet gezelschap
waardig;
1145 Maar.\'k acht zo niet, om dat jou lioffelyk golaat
1129 op de heen D op den heen; 1132 Cincezen A Sieneezen
D ühineezen; 1133 zelfs AC zei/; 1138 na C naart 1140 koddig
A aardig; 1143 aartig AC aardig.
1) eig. onder den wind, fig. achterlijk zijn in zijn zaken en vandaar,
zooals hier, in een ollendigen toestand. 2) heiezon, eig. een tooverformu-
lier over iemand lezon, hem betooveren, bezweren, ft, exorciser. 3) chi-
neesch iljoesie, by schrijvers der 17e en 18e eeuw voor een Chineeschon
afgod gehouden. Hot woord werd door onzo matrozen verknoeid tot
Joosje en gebruikt in den zin van duivel. De oorspr. beloekenis schünt
geweest te zjjn Booddhatcmpeltje of kistje bij den huisgodsdienst der
Chineezen in gebruik. Veth, Uit Oost en II est, 202—206,
-ocr page 69-
65
De mooiste van \'t zalot in glans te boven gaat.
Je bent begut een meid die fiks zyt op ,jo kooten,l
En niet ongoelikjes,\' maar glad van muil en pooton.
Klaar. Dat lykt wel scbeereu.;\' Jan. Neen, ik ben
verliefd op jou.
1150 Ik wou wol dat je my een zoentje geevon wou.
Hy zoent Klaar.
Klaar.
Nou, nou, het is zo wel, is dat oen menscb
ook drukken!
Ei foei! sehoi uit, Baron! niet meer, hoo zei het lukken?4
Gaa liever na \'t zalet, en zoen daar jous gelyk.
Jan. Och! och! me dunkt, dat ik van liefde schier
bezwyk.
1155 Klaar. Ei, ei, \'t is lang genoeg, je zyt een harde zoender,
Je hebt een baard zo scharp gelyk een platte boender,
Myn wang is al aan bloed. Jan. \'t Komt dat ik je bemin.
Ik heb jou liever als de grootste Koningin.
Klaar. Ik kan \'t wel denken. Jan. Meid, ik wil hot
je wol zwoeren.
1160. Klaar, \'t Is lang genoog, myn hoer, mot myn de
gek te schoeren
Is gnnts onnodig. Jan. \'k Zeg nog eens dat ik het meen.
Ik heb jou al bemind toen jy my eerst verscheen.
Zie daar, dit goudstuk meen ik jou op trouw T> te geeven;
Wy zeilen met malkaar in 1\'oolen heerlyk leeven.
1105 Zie daar, daar is myn hand, ik meen het zeker, Klaar.
Klaar. Jo zegt hot wel, myn heer; doch doet hot
moog\'lyk maar ....
Jan. Neen, neem maar aan, ik zweer warentig je4to
trouwen.
Klaar. Ja maar, ik vrees, Baron, je zelt jo woord
niet houwen.
1147 zyt A bent; 1150 my een A me eens een; 1153 na C naar;
U55 zyt A bent; 1157 Myn A me; 1158 ah D dan; 1161 ia C \'t w.
11 beenen; eigenlek beteekest koot hielbeen. 2) leelijk. 3) gekheid,
Pot. 4) wat zullen we nu hebben? 5) zie de aanteekeningen.
J\'ANoekdyk, Umctl.bedrog.
                                                              5
-ocr page 70-
Uti
Al ben ik maar een meid, \'k pas nochtans op myn eer,
1170 En ben ik slecht1 van staat, myn vader was een heer
Van aanzien, daar het door den tyd mede is verloopen.
Jan. Ja, zulke menschen vindt men veel, myn hart, -
by hoopen;
Elk moet zig troosten, want het is oon slechten tyd.
Al bon je \'t geld, jo bent don adel nog niet quyt.
1175 Klaar. Myn adclyk geslacht wordt nog by elk geprezen.
Jan. Je woont in Uitrecht, zou je niet van adel weezen?
Ik kon wel zien, myn hart, dat jy van adel waart.
Ha! zo myn stam zich met uwe ood\'lo stamme paart.
Wat zal jou wapen by het myno hoorlyk pronken!
1180 Klaar. Wel, heer Baron, jo zoud me schier in min
ontfonkcn.
Ik weet niet wat ik deed, indion gy ernstig spraakt.
Jan. De min heeft my alreeds gezengd, gebrand.
geblaakt,
Gebakkeu en gestoofd, ik ben bekwaam om te eeten.!
Wat drommel wil je meer van myno liefde voeten?
1185 Klaar. „Ik zal het waagen, want de gek is al verward.
Jan. Nu, Klaartjo, zeg maar ja; ik meen \'t, met al
myn hart.
Klaar. Wel aan, myn heer Baron, ik laat my dan
bepraaten.
Jan. Myn lief, ik zweer dat ik je nimmer zal verlaateii.
Zie daar, ontfang myn trouw. * Klaar. Daar is ook
iets van my.
1190 Jan. Een kusje. Klaar. Zacht, myn heer. \'t Is liie\'
op straat te onvry ....
Daar komt de Graaf weerom.
1169 nochtana A noglana; 1173 zig A zich; slechten C slechl\':
1176 zou je C zou jy; 1178 «we A u; 1181 gy A jy.
1) gering. 2) liefje. 3) geschikt om gegeten te worden. 4) zie do W\'
teokening op vers 1163.
-ocr page 71-
ZEVENDE TOONEEL.
L o d e \\v y k , Jan, Klaar.
Lod. Ik heb den brief geschreven;
"Wil dien myn Engelin terstont in liniidcii geeven,
Opdat zy zie, hoc my myn ramp ter harte gaat.
Jan. Jlag ik niet zien, kozyn, wat in dit bricljo staat \'t
1195 Lod. Ja, loos het vry, myn hoer.
Jan he.it :
Myn hart! myn Uitrerkooren!
Ik heb door uw gezicht myn vryheid recta rcrlooreu.
Indien ik hoopen durf dat gy my weder mint.
Wees dan verzeekerd dat ge een\'\' minnaar in my eindt,
Die moed heeft om ten dienst van u \'t al op te zetten l
1200 Wat liy bezit. Ja, geen gevaar zal my beletten
Om ii te redden. Vrees den haat uws moeders niet:
Die slyt licht door den tyd. Vaar wel, \'k wacht met
verdriet
Na
V oogenblik dat ik uw antwoord zal ontfangen.
Klaar.
Die briof is puik, ik zal hem juffrouw aanstonds
langen, -
1205 En brengen je zo gaauw als \'t moog\'lyk is bescheid.
ACHTSTE TOONEEL
Lodewyk, Jan.
Jan. Dat is een wakk\'rc tas >; wat dunkjo van do nioid?
Wie zou geen zioke bruid mot zulkon hart bcspaarou?
En ze is al redolyk verstandig na haar jaaren.
Ik ben \'er boven op, als ik haar trouw, myn heer.
1210 o Bloed! wat bon ik bly! \'k heb al wat ik begoor!
119 dit A dal; 1197 km A u: 1201 den A dr; mr» moedert
^ der vrinden;
1203 Sa 0 iïaar.
\') op\'t spel to zotten, te wagon. 2) aanlangen, ovorgevcn. 3) flinke moid.
e
-ocr page 72-
68
Lod. Hoo zo? Jan. "Wy bobben roots beloofd malkaAr
te trouwen.
Lod. Hoe, wordt gy pek ? \'t is maar een meid, bet zal u
rouwen.
Jan. o Neen, myn beer, zy is een vrouwmonsch naar
myn lyf.
My dient geen pimpelmees l. Ik zogt maar na een wyf,
1215 Die naar myn zin was. Lod. Jan, gy hebt u wel
goqueeton.
Hoe zal bot gaan als zy in \'t oud eens koomt te veeten
Dat zy bedrogen is, en gy geen man van staat,
Gelyk gy voorgeeft, zyt. Jan. Myn beer, dan dag en
raad -.
Maar zeg my eens, boe zal Cbarlotte staan to kykeu,
1220 Als jy geen Graaf bent\'? want dat moet in\'t end ook
blyken.
Haar liefde zal missebien dan ook zo groot niet zyn;
Zy mint jo uit redenen van staat -1, naar allen schyu.
Lod. \'k Zie op baar kapitaal; daar kunnen wy van leevou.
Jan. Ja als baar moeder baar dat kapitaal wil geeven.
1225 Lod. Do zwaarighoid voor my is klein, myn liovö Jan,
Als ik Cbarlotte tot don vlugt boweegen kan;
Mevrouw van Adelpoort zal licbtelyk bedaaren;
Die haat, boe groot zy schynt, zal slyton door do jaaren.
Jan. Maar ondertusseben moetje zorgen hoojo \'t stelt.
1230 Lod. Cbarlotte noemt gewis juweolen mê, en geld.
Jan. Maar a propó, verneem je nog niets van je vrinden?
Lod. Vrouwmoedor is verhuist, ik kan haar nergons
vinden.
1213 zy A het; vrouwmeneeh A vroitmenech; 121-1 my dient A
het ia; na C naar; 1215 Die A Dat; 1226 tot den A tot det
1228 eehynt A tchyn\' C ie; zal A zei; 1230 gewin A voor vaat.
1) tuor, zwak juffertje, fijn poppetje. Halma zegt pimpelmces: 1>Ü to
een regt pimpelmeesje, c\'eat un petit douiltet. il est dêlicat et bïomt, d
est ai dêlicat, qu\'il ne aanrolt aouffrir la moindre incommodité 2)
komt
t(jd, komt raad. 3) om uw\' stand.
-ocr page 73-
69
Ik heb gowocst daar zy bet laasto hoeft gewoond,
\'t Waar my een vrougd, wiordt my haar woonplaats
eens getoond.
1235 Jan. Zy is misschien heel ryk. Ze ken licht plaaten \'
geoven.
Lod. Indien zy ryk waar, zou \'k op deezo wyz\' niet
leeven;
Ik had niet weg gegaan. Jan. \'t Schort haar dan mé
aan goed.
Myn heer, me dunkt, dat jy dan niet meer zoeken moet:
Ons ov\'rig kapitaal zou dan meer aanstoot lyêu;
1240 Acht honderd guldens zyn al happa - deur je vryen.
Dat \'s meerder als je part; het ov\'rig resje hoord
Aan my, gelyk je weet myn heer, door ons akkoord.
Lod. Ikwoet van geen akkoord. i/aw.Wy zoudon ommen
deelen,
Al vrat wy wonnen met het dobbelen en speelen?
1245 Lod. Goed, hou maar rokening, zo kom je niet te kort.
Jan. Maar als die rekening dan niet betaalt en wordt?
Lod. Heb maar goon zorg. Ik zal uw diensten wel
boloonen,
En u, zo lang ik loof, myn dankbaarlieit betoonen;
\'t Geen gy to kort komt u betaalen, on nog meer.. ..
1250 Jan. \'t Is wel, maar wie zal daar uw borg voor zyn,
myn heer?
Lod. Myn ad\'lyk woord. Jan. Daar zou de lommerd
niet op schieten *.
Lod. Ei Jan, uw malle klap begint mo te verdrieten.
Betrouw u op myn woord. Jan. \'t Is wel, ik bon to vreên,
Dewyl ik moet. Maar zacht, \'k zio Klaartje herwaarts
treên.
1233 laastc C fnaWf; 1237 ik had A \'Ie had dan; 1241 ov\'rig
A overige.
1) geld, schjjvon. 2) weg (zie V. Dale). 3) gold givcn, vocrseliiotcn.
TmU geldubieter.
-ocr page 74-
70
NEGENDE TOONEEL.
Lodewïk, Jan, Klaar.
1255 Klaar. Heer Graaf, zy heeft den brief al hoevende
goloezen.
Ik merkte dat zy \'t u zou toestaan, aan haar weezen;
Maar evenwel, zy is nog niet gerezolveort;
\'t Koomt haar te schielyk voor, myn hoer; maar zy
begeert
Dat gy haar t\'avond, voor \'t balkon, zult komen spreeken,
1200 Ten zeven uuren. Jan. Bloed! dat is een heerlyk teken!
Lodeici/k geeft geld aan Klaar.
Zeg aan myn lief dat ik zal komen op dien tyd,
En pro/enteort myn dienst aan haar. Dat \'s voor uw vlyt,
Dien gy hebt aangewend. Klaar. Myn heer, met geen
gedachten...
Zo veel, wol heer! Jan. Je moet geschonken nooit
verachten.
1265 Klaar. Ik dankje zeer, heer Graaf! \'k durf hier niet
langer staan.
7/0<7. Vaar wel, ik zal zo lang in onze herberg gaan.
Jatt. Nou Klaar, jo weet wel wat wy hebbon afgesproken?
Klaar. Ja, wees gorust, Baron; die praat dient afge-
broken;
Want zo Mevrouw my zag, dan was de zaak verbrust \'.
1270 Jan. Heel goed, wees dan te vreên, al wordt je niet
gekust.
Einde van het derde Bedryf.
12G2 pretemUeri AC prezentcer; 1265 \'k durf hier C ik durf;
dode Bedrijf
A darde Bedryf.
1) bedorven : zie Pantheon no 125, bl. 103.
I
-ocr page 75-
71
VTERDK HE DRY F.
EERSTE TOONEEL.
C\'lIARLOTTE, KONSTANCE, KLAAR, FOP en HANS
beide in lakeije Meeren.
Klaar. Je denkt wel, Juffrouw, op \' de klok van zeven
uuren ?
Charl. Ik ben zeer ongerust, en kan van angst pas
duuren 2.
Mevrouw, recht uit gezegt, ik durf het niet bestaan.
\'t Is ook te schand\'lyk mot een\' minnaar door te gaan 3
1275 Zo \'t qualyk uitvalt, \'t zal my al myn leeven spyten.
Klaar. Tut, tut, geen mensch zal jou, hetgeen je doet,
verwyten.
Charl. Ik wagt nog wat, misschien dat broeder hier
haast koomt;
Men hoor wat hy ons raad: wy kunnen onbeschroomd
Aan hem verklaareu, hoe de zaaken zyn gelegen ;
1280 Hy kan ons helpen door veel eerolykor wogen.
Konst. Oy hebt al wat gelyk, dat heb ik niet bedacht;
De tyd van broeders komst dient eerst nog afgewacht.
Indien hy gold heeft om de bruiloft uit te voeren,
Is alles wel. Ik wil uw hart niet meer ontroeren.
1285 \'kZou ook niet toestaan, dat gy weg gingt, zo \'k niet wist
Dat \'t my aan \'t geld ontbrak; \'k bedacht alleen does list,
Gelyk gy woet, uit nood. Klaar. Mevrouw, \'t kon wel
gebouren,
Dat jy jou dat besluit voor altoos zoudt betreuren;
1283 in» A «,• 12S6 aan \'t geld C aan geld.
1) aan. 2) liet nauwelijks uithouden. 3) thans zeggen wy er van
«oor gaan
-ocr page 76-
72
Do Graaf zal denken dat hy van jo wordt begekt,
1290 En moog\'lyk dat hy dan om dat affront vertrekt.
Konst. Indien hy haar bemint, zal hy zo licht niet
Bcheidon,
Want andors blykt hot dat hy on» zoekt to misleiden.
Daar word gescheld.
Wie of daar schelt? Klaar. Dat zal misschien do
snyër zyn,
1295 Of lakenkooper om to maanen. \'t Zyn gezellen,
Die ik niet langer weet met praatjes uit to stellon \'.
Konst. Zeg, dat wy uit zyn. Spel dat volk wat op de mouw.
Klaar. Indien zy \'t zyn, zal ik myn best wel doen,
Mevrouw.
Charl. Licht dat hot broeder is, die kan hier nu al woezen.
1300 Konst. \'k Kan zyn; doch ik hel) reen om\'t tegendeel
te vroezon.
\'k Bon bang voor kreditcurs, zo dra \'er wordt gescheld.
TWEDE TOONEEL.
Karf.l, Charlotte, Konstance, Klaar, Hans.
een Lakkeij van Karel.
Konst. Het is uw broeder! ach! ik ben van vreugd
ontsteld!
Zyt welkom, waarde zoon! Charl. Zyt wolkom, lieve
broeder!
Karel. Wat is \'t me een vreugd, dat ik u zien mag!
ach! vrouwmoeder!
1805 Wat heb ik u misdaan, misleid door myno jeugd!
In C volgt na vors 1292 Klaar: Misleiden? neen mevrouw,
dat heeft in \'t minst geen scliyu.
1) met cen kluitje in \'i riet sturen, van zich afschuiven
-ocr page 77-
TH
Vergeef myn losheid! Konst. Ach! myn waarde zoonI
de vreugd
Verhindert my, ik kan van blydschap naauwlyks
spreekon!
Omhels my!
Karel omhelst Konstance:
\'k Heb misdaan! Konst. o Neen, myn zoon, ik reken
Dat gy, door uw vertrek, den grond van ons geluk
1310 Gologt hebt. Ach wat vreugd na zo veel ramp en druk!
"Wie hadt gedacht dat ik u in myn oude dagen
Nog weder zien zoude! al myn tegenspoed en plaagen
En droefheid zal ik nu vergeeten! Koom, myn kind,
Omhels uw\' broeder, dien ge in \'t loeven weder vindt.
Karel omhelst Charlotte :
1315 Myn zuster! Charl. Broer! Klaar, \'t Is hier byzonder
druk met kussen,
En ik kryg niet een brui \', van \'t bystaan, ondertussen.
Karel. Wel, Klaartjo, leefjo nog! Klaar. Ja, zo \'k
niet beter weet.
Och dat je wist, myn Heer, hoe doerlyk dat ik kreet,
Toen jy zo stilletjes en zonder eens te spreekon
1320 Vertrokken waart, en dat ik van je taal noch teken
Kon hooren waar je waart, je zoudt my ook wol oens...
Je weet wel wat ik moen. Karel. Dat \'s ligt wat
ongemeens 2?
Klaar, o Neen, niet3 ongemeens, je hebt het van je leeven
Wel meer gedaan. Karel. En wat? Klaar. Een wel-
komzoen gegoeven,
1325 Karel. Gy zyt nog do oude Klaar, een snaakje van
een meid.
Daar \'s dan een zoen. Klaar. En jou ook één tot
dankbaarheid.
Konst. Klaar, wil die dartelheid een weinigje betoomen.
Myn zoon, waar is uw liofste? of zyt go alleen gekomen?
\') in \'t geheol niet; zie over de versterkte ontkenning hot artikel
van De Jager in do Latere Verscheidenheden bl. 5 7 vlgg. 2) iets biü-
tengewoons. 3) niets.
•
-ocr page 78-
Ti
Karet. Ik wagt myn lief haast, \'k ben te paerd vooruit
gereên;
1330 Ze is op den wagen. Knust. Hoe ? liet gy haar zo alleen?
Karel. Ik koom hier om te zien hoc \'t staat met
onze zaakcn,
Om, zo hier iets ontbrak, eerst op zyu stel\' te raaken;
Myn liefsto weet niet hoe het by ons is gesteld.
Hebt gy myn laatsten brief, en \'t pakje met dat gold
1335 Ontfangen? Ko)ist. Ja, myn zoon. \'k Geloof dat
uwe leden
Vormooijd zyn van do reis; gy hebt licht hard gereden?
Karel. o Ja, ik ben vermoeid. Konst. Laat ons dau
binnen gaan.
\'k Zal u een voorval, \'t geen ons voorkomt, doen verstaan,
Van zek\'ron Oraal\', die met Charlotte zoekt te trouwen.
1340 Karel. Een Graaf, Mevrouw! Konst. Treed voort,
\'k zal u de zaak ontvouwen.
DERDE TOOXEEL.
Klaar, Hans.
Klaar. Wel, Hansje, staa je daar, en spreek je niet
een woord ?
Hans. Dat raakt je niet. Klaar. Myn bloed! hoo
ben je zo verstoord?
Hans. Wat bruit2 dat jou? Klaar. Je zyt nochtans
myn uitgeleezen,
Dio haast myn bruidegom, myn man en voogd zolt
weezen.
1345 Hans. Dat zei je liegen. * Klaar. Hoo ? waarom, myn
lieve Hans?
1330 den A de; 1334 laaMen A laatste; 1340 Treed A Tree;
1343 21/t A bent.
1) in orde) zie vers MM en vgl. Sp. Biab. vs. 1296 met de aanteo-
kening. :\') raakt. 3) dat lieg jo
•
-ocr page 79-
7.-.
Hans. Dat weet je wel. Klaar. Myn hart,\' zeg, is
\'er dan geen kans,
Om jou mot traanen te vermurwen, noch met smceken?
Mjjn lieve maatje, ik bid, wil tog een woordje spreeken;
Je weet het immers dat ik jo altyd heb homind?
1350 Het spyt me dat ik je in zo\'n quaad heumeurtje vind.
Hans. Dat raakt me niet. Klaar, \'t Is wel, wil jy
geen reden hooren?
Dan is het huuwlyk of; dat zeg ik van te vooren.
Hans. \'t Kan my niet schoeien. K^aar. Goed; dan
trouw ik met een aar,
Tot spyt van jou: je moet 1110 niet voul bruicn,2 vaar.
1355 Dat is een hangbrock.\'3 dat \'s een puikje der portretten
Uit do nlmenak! ja wel, men boord je beeld te zotten,
Van klinklaar goud gemaakt, vlak op de vulliskar.
Hans. Dat zou heel mooü zyn. Klaar. Ja, dat zou
heel mooy zyn, nar.
Hans. Maar vryt jou die Baron, zeg, Klaar? \'k begin
te vreezen.
1360 Klaar. Dat raakt je niet. Hans. Hoor Klaar, jo bent
myn uitgoleezen.
Ik moon \'t zo quaad niet, zeg, wat zeit myn heer Baron P
Klaar. "Wat raakt dat jou? Hans. Ey hoor! myn
pynxterblom,4 myn zon ,
Wy zeilen met malkaar, gelyk gezeid is, trouwen.
Klaar. Dat zei je liegen 5. Huns. Och! hoc ken je jou zo
houwen,
1365 Myn schepseltje! jo weet, dat ik je zo bemin,
En gist\'ren had je ook in jou Hansje grooto zin.
Het is voor jou dat ik zo zuinig weet to spaaren»
Klaar. Dat\'s goed voor jou. Hans. Och Klaar, wil toch
je zelfs bewaaron,
1350 heumeurtje C D liumeurlje; 13G2 j>yn.cterblom Cpyiuterbloem.
1) liefje. 2) kwellen, lastig vallen. 3) scheldwoord, synoniem van
•!\'\'asbroek, vuile, slordige vent. 4) zie do aanteekeningen; bet woord
l\'!/».vterblotn wil Lier zoggon uitverkoren* 5) zie vers 1345.
-ocr page 80-
76
Want dio Baronnen zyn zo vol Tan guitery,
1370 Je weet het niet myn kind. Klaar. Hans, zorg jy niet
voor my:
Je hebt de paspoort, en do bons \', \'k wil jou niet kennen.
flans. Zie daar, de mortepaay \' moet jou en my dan
schennen,
Heb jy het hart, dat jy, karonje 3, me verlaat;
Ik zal dien gekken vent waarneemcn op de straat,
1375 En kloppen hem zo plat als stokvis met myn handen.
De kuiten zei ik hom ufbytcn met myn tanden,
En voort de rest zo kort als potjebeuling\' slaan.
Klaar. Ja, maar myn lieve vaar, hj\' is al mede eon haan ;
Hy zou dan, op jou kop, zodanig vliegen vangen 5,
1380 Dat jy zoudt wenschen, dat je al zalig waart gehangen,
Gelyk je wel verdient voor jou bedriegery.
Hoor, monsieur Poerlnron!
Hans haalt de trouwbelofte uit zyn zak:
Je bent een vuile pry e,
Eon lichtekooy. Ik zweer je zelt het je betreureu.
Zie daar\'s je trouwbelofte; ik zal zo aan stukken scheuren.
1385 Ik ken je nou niet moer; ik wil je niet meer zien.
Klaar haalt ze ook uit :
Zie, Hans, dat gaat jo veur; het moet gelyk geschiên.
Hans. Maar wacht oen beetje, Klaar, is \'t ernst? of is
het scheeren?
1371 (te paspoort C je 2>a»j>oort: 1377 voort C voor; 1379
jou C je.
linde paspoort en de bons liebbcn wil zeggen zijn congé gekregen
heVben, den zak gekregen hebben: zio liet Xrfl. H\'db. III, 203. 2> duivel.
Eigenlijk wit mortepaai (fr. ntorte-jtage) zeggen blindmatroos. Littré
zegt: \'morto-paye, soldat qui ne faisait pas do service et que Ie roi no
laissait pas de payer. Par extension, celui qu\'on autrotient san* qu\'il
rende aucun service, par exoniple un domestiquo invalide.
Waarschijnlijk is de ontwikkeling der beteekenissen de volgende:
blindmatroos, lastpost (omdat men hem moet betalen, zonder bier*
voor diensten te ontvangen), kwelgeest, duivel. 3) kreng, fr. carogne.
4) zie do aanteokening op vers ol5. 5) ranselen, slaan, 0) scheldwoord,
eig. kreng, zio VS. 273.
-ocr page 81-
11
Klaar. Dat is my evenvoel, zo als jo zelt bcgeercn.
Hans. Ik doo \'t maar om te zien of jy me nog bemint.
1390 Klaar. Ik meen het ook niet, Hans; ik was alleen gezind •
Om je eens te toetsen, en hetgeen hier is bedroeven,
Dat moeten wy malkaêr vnn harte weer vergeeven.
Hans. Daar slaa geluk toe, drie pond vygenop de koop -\'.
Klaar. Vier vaten wyn daar by; drie ankers met oen
stoop 3.
1395 Maar zacht, daar is Mevrouw.
VIERDE TOONEEL.
Kabel, Konstance, Chaelotte, Klaar, Hans,
Fop. Lakkei van Kar el.
Karel. Oy zegt my wond\'re trekken,
En listen, maar de tyd zal alles wel ontdekken.
Die brief is my verdacht, dewyl ik niemaut kan
In Brussel, die zoo hiet gelyk als deeze man.
Kristoffel Ossokop, bankier der heeren Deenen!
1100 \'t Is een verdichte naam. Charl. Zou dan myn broeder
meenen,
Dat zulk oen\' graaf bequaam zou weezen tot bedrog?
Karel. Hetgeen men nu niet weet, leert ons de tyd
licht nog.
\'k Heb meer messiours gekend, die om fortuin te maaken,
Opsneden van hun staat, en wondorlyke zaakon
1405 Verzonnen, om een duif te lokken in het net.
Daar is te Brussel korts \' een karel5 vastgezet,
Die zich oen graaf noemde, on ook niet ontzag te vryën
By Jufferen van rang; hy had die schelmoryen
1392 harte C harten; 1401 zulk een\' A zulkcn; 1403 messie.irs
A measenrs.
1) van zins, van plan; zie Xdl. Wdb. IV, 2220. 2 moge dat besluit
ons geluk aanbrengon ; als scherts wordt er aan toegevoegd, drie pond
V(jgen op de koop (toe); zie Warnar vs. 190. 3) een stoop is 21/» Ned.
kan. 4) onlangs, kort geleden. 5) kerel, vent.
-ocr page 82-
78
Al lang gepleegd, eer hy bekend wierdt voor een guit;
1410 Derhalve, zuster, dient uw vryery gestuit,
Tot dut men na zyn\' staat ter dege hoeft vernomen.
\'k Zal hom verzoeken of hy hier bolioft te komen,
Zo dra myn lief hier is, wyl ik nieuwsgierig ben,
En niet gerust zal zyn voor ik dien graave ken.
1415 Charl. Zyn deugden kan men aan zyn ommegang
bespeuren.
Kavel, o Zuster, \'k waarschonw u, men ziet het moer
gebeuren;
\'t Kan oen bedrieger zyn; al zyt gy kloek van geest,
Daar zyn wel wyzer door don schyn bedot geweest.
Klaar. Dat hy oen graaf is, Heer, daar wil ik wel op
zwoeren,
1420 "Want hy voort staat, en \'t gaat niet aan zyn kouwe
klcêren,
Al douwt hy me een pistooll uit vriudschap in myn hand;
Daar is geen nobcldor noch beter heer in \'t land.
Karel. Dat is een schoon bewys! zulks kan genoeg
geschieden,
Al is hy juist geen graaf; men kan verachte lieden
1425 Niet onderscheiden van de grootste, indien hot geld
Hun voi\'izery bedekt, \'k Zie veel hetgeen ons meld
Dat wy bedrogen zyn; de tyd zal \'t best ontdekken.
Charl. Maar frere, uw onderzoek mocht hem tot
gramschap wekken.
Karel. Ik merk hy heeft u reets al binnen door do min.
1430 \'k Zoek maar te poilon hoe hy\'t mot u hooft in\'t zin.
\'k Zal hem beloofd, golyk een edelman, ontmoeten,
En in zyn logement, flus in passant 2, begroeten.
Maar laat ons mot malkaêr nu heen gaan na de poort,
1410 Derhalve V Derhalven ; vw A u; 1414 graave C tjraef wel.
1415 Zyn deugden kan men C Men han zyn deugden; 1421 tloiurt
C tluuict.
1) zie vers 203. 2) en passant, in \'t voorbijgaan.
-ocr page 83-
79
Den wagon wachten. Konst. Goed. Hoor Klaartjo!
hang eens voort
1435 Teewater op, wy gaan myn dochter t\' zameu haaien.
Maak alle» op zyn stel \', \'t za wakker, niet te draaien -:
Wy komen, donk ik, in een klein halt\' uur weer hier.
Indien de graaf hier komt, zo geef hem dit papier
Van Stoffel Ossekop, \'t geen hy hior heeft verlooreu.
1440 liarel. Als gy hem spreekt, zo laat hem vry de tyding
hooren,
Dat ik gekomen ben. Klaar. Dat zal ik doen, myn Heer.
Konst. Nu, als gezegt is, Klaar, wy komen daatlyk weer.
En ik belast u dat liet wator dan moet kooken.
Klaar, \'t Is wel, \'k zal met \'or haast wat hoopelstokkon
stookon:
1445 Wy hebbon juist gocn hout, tot nog toe 3, in ons huis.
VYFDE TOONEEL.
Charlotte, Klaar, Hans.
Charl. Maar Hans, ik hoorde flus hier zulkcn groot
gedruis;
Wat was dat? Hans. Niemendal. Charl. Ik hoorde u
nogtans kyven.
\'t Geon hier geschied moest tog vooral verhoolen blyven.
Klaar, \'t Was onder ons, juffrouw, hot raakt jou zakon
niet.
1450 Hans koof op my; maar \'t is door jaloozy geschiet.
Ik heb hot hem, uit grond myns harten, al vergoeven.
Hy docht dat dio Baron . . .
Charl. tegen Hans. Hob jy daarom gokoeven?
Daar wordt gescheld en Klaar doet op.
Wat heb jy groot verstand! zou zulkcn edelman
1433 na C naar; 1434 Den A Ve; 1447 ninjtanu A vorhtaii*.
\') in orde; zie vs. 1332. 2) draal niet. 3) op dit oogonblik.
-ocr page 84-
80
Zyn zinnen stellen op een meid? my dunkt dat kan
1455 Niot woezen. Hans. Hy is pek. Charl. De Graaf zo»
\'t niet geheugen \'.
Hans. Juffrouw, hy zou de meid misschien in schande
brengen.
Ik heb vooral geen ziu in horons, dat je \'t vat.... -
\'k Praat van den drommel, en daar komt hy zelf op
\'t mat K
Charl.
Gy moet dien edelman behoorlyk rospokteoren,
1460 Golyk \'t den staat voreischt van zulke grooto hoeren.
ZESDE TOONEEL.
Jax, Klaar, Charlotte, Hans.
Jan. Vind ik je t\'huis, dnt\'s goed, myn suikerzoete Klaar.
Klaar. Ja, Heer Baron, \'k ben tot je dienst, gebied mj
maar.
Jan. Juffrouw, myn neef heeft lang hior voor de dour
staan wachten,
En tuuron na \'t balkon; maar tegon zyn gedachten
1465 Quam oen aanzienlyk hoor hier uit het huis; Mevrouw
Verzelde hem; hy wist niet wat hy donken zou,
Te meor omdat hy ook oen stoet zag van lakkojjen;
En daarom kom ik hier. De kaerel zou schier schreien
Van droefheid, om dat hy niet weet wat dit beduid.
1470 Hy denkt al dat jo bent veranderd van besluit,
En dat dit mooglyk zal oen modeminnaar woezen.
Klaar, o Neen, de graaf heeft daar in \'t minst niet
voor to vreezen,
1462 gebied A gebie; 1464 na C naar; 1470 bent C zyt.
1) toestaan, gedoogon. 2) zio de nantoekeningen. 3) voor den dag
komen. Misschien bewaart deze uildr. oene hcrinnoring aan het znw.
mat, spijs, maaltijd on wil zjj eigenlek zeggen iemand op etenstijd over-
tallen
(V. Dale); doch vgl. ook het Mnl. Hdb. IV, 1216 en de aant. ui
Pantheon no. 128 bl. 107.
-ocr page 85-
si
\'t Is juffrouws broeder, die flus> t\'liuia gekomen is.
Jan. Dan zal de zaak nou niet golukken, naar ik gis.
1475 Charl. Do graaf kan hier.... daar is hy zelf, de
deur was open.
ZEVENDE TOONEEL.
Lodewyk, Jan, Charlotte, Klaar, Hans.
Lod. Mejuffor, ach! heb ik te vreezen of te hoopen?
Ik wacht het vonnis van myn loeven, of myn dood,
Uit uwen lieven mond. Ach, was uw\' gunst zo groot,
Dat gy myn wedermin .. . maar neon, \'k moet altoos
zuchton,
1480 Een nieuwe minnaar zal... Charl. Myn Heer, de
minnaars duchten
Altyd het zwaarste. Laat ons in \'t zalet wat gaan.
Ik zal u zeggen, hoe wy met de zaaken staan.
De Hoer Baron gelief ons boido to verzeilen.
Daar wordt gescheld, Klaar doet op.
Hans.
"Wie of daar is? o bloed! wat dunk je van
zulk schellen?
1485 Die brengt voorzeker geld, maar basta, dat \'s abuis.
ACHTSTE TOONEEL.
Hans, Klaar, Hendrik, Joris.
Ilendr. Goên avond Klaar, is nu Mevrouw en juf-
frouw t\'huis ?
Klaar. Mevrouw is uitgegaan, het komt nou niet gelegen.
Geef my je rekening, wy zeilen zo tor degen
Bozieu, en nazien. Ilendr. Hoe? Mevrouw heeft die
al lang
J490 Gezien, en nagezien; dat is weer de oude zang.
Klaar. Hoe raas je zo? Mevrouw zal je immers wel
betaalon?
1480 nieuwe A nieuwen; 1488 wy A we; 1490 oude A ouwe.
*) zoo pas, zoo even.
Lanobndyk. BtntHl.Udrog.                                                               6
-ocr page 86-
82
Joris. Hoc? heb je niet gezeid dat ik nu geld zou haaien?
Klaar. Dat \'s goed; maar kom dan als zy t\'huis is,
dat is raar.\'
Hendr. Zo schoort mot ons de gek, het is al over \'t jaar
1495 Dat ik goloopen heb; ik zal heur affronteoren.
Ze draagen aan haar gat begut2 de zolfdo kloêron,
Het zelfde stof, dat ik \'er heb verkoft, ik zal
Heur roepen. Klaar. Meen je \'t ook? ei, Hondrik,
ben je mal?
\'t Is maar een bagatel, llentlr. Het is twee honderd
guldon.
1500 Is dat oon bagatel? Klaar. Ja vaaren al jo schulden ...
\'k "Wil zeggen schuldenaars, zo goed als myn Mevrouw,
Dan was je wel bewaart. Henclr. Hoor, weet je wat?
met jou
AVil ik niet praat en; \'k wil Mevrouw nuzelverspreeken.
Je hebt ons lang genoeg bedrogen met je streeken.
1505 Nu is Mevrouw niet t\'huis; dan leid zo nog to bed;
Dan zit ze aan tafel; en dan heeft ze weer belet,
\'t Is altyd dit of\' dat. Klaar. Ze zcl je \'t geld wel geeven.
Kom morgen ochtend weer. Joris. Ja, dan was \'t woèr
om \'t oven.
Al wisjo wasjes! komt Mevrouw niet haast weerom?
1510 Klaar. Is dan hot geen dat jy moot hebben zulken som,
Myn hoor do snyër ? dat kan zeker niet veel weezen.
Joris. Niet veel? hoor toe, ik zei myn rekening eens
leezen 3.
Joris leest:
Mevrouw, Mevrouw van Adelpoort
Dobot aan Joris Luberts Koort.
1515 Ik heb aan Juffrouws rok genaaid: drie gulden.
Item: Houd rygelyf verfraaid: een guld. : tien st.
Item: een nieuw korsjet gemaakt: twee gulden.
1492 nu A myn.
1) dat is zeldzaam, dat gebeurt niot dikwijls, nl. dat Mevrouw thuis
is>. Of wil Klaar zeggen: wel dat is vreemd, dat je altijd komt wanneer
Mevrouw niet thuis is! 2) verbasterd uit bij God! 3. oplezen.
-ocr page 87-
SU
Klaar. „Item: dnar heb je toen geen kleintjo van
getaakt.\'
Joris leest :
Item:aan rechtdraat2 en aan zei:
twee gulden twee st.
1520 Item: een nieuwe leverei:
             Ty f golden één stuiver
Item : aan gaeren en aan lint: een gl. twe st.
acht pon.
Klaar. „Itom: jou lappedief je maakt my schier ontzind.
Joris leest:
Item: nog ééns een zy korchet:
tweo gulden.
Item: balynen ingezet:
                 zes stuivers acht penn.
1525 Item: eentabbertjevoor3Klaar: drie gl. drie st.
vior pen.
Klaar. Item: doen haalde je myii lappen deur do
schaar.4
Joris leest:
Item: aan voering en aan baaij:
zes gulden tweo pen.
Item: aannionstering7\'heel fruaij: sestion stuivers.
Item : een nachtjak voor Mevrouw: een guldo sestien st.
1530 Item: aan loot in elke mouw: vyf stuiv. tien penn.
Item: nog aan Mevrouws japon: twee gulden.
Klaar. Item: hou op! Joris. Dat is zoo klaar gely k do zon.
\'k Moet hebbon: Somma dartig gulden en een stuiver.
Klaar, o Ja, ik weet het wel, jou rekening is zuiver.
1535 Kom morgen ochtend weer, jou geld is al gereed.
Hendr. Ik heb den brui daar van; ik zegje dat ik weot,
Dat jou Mevrouw hier is. Zo laat zich maar vorzaaken.ü
Klaar. „Hoo drommel zul ik het met dio qnaa goosten
inaakon V
Hendr. Is zy in huis niet, ik zal blyven tot zy koomt.
1523 zy A zei, korchet C korsjet.
1) gestolen; eng to take ,-zio Wdb.op Brodoroo. 2 stijf linnen (V.Dale)
"I een glad neerhangend kleedje (als oen niurgenjapon); zie Hnlma op
\'\'\'\'\'yttabberrf. 4) eene gewone uitdr. op kleermakors toegepast, met de
"eteekenis van stelen. 5) garneering. 0) zij laat maar zoggen, dat iM
n\'0t thuis is.
-ocr page 88-
«I
1540 Klaar. Ei, rans zo niot, sub, sus! „wat is myn hart
beschroomd!
Hoor, juffrouw is wol t\'huis; maar \'t komt nu niet
gelegen.
Daar is een zeker hoer. Zy hooft belet gekrcogen...
Maar zacht, daar is zy zelf.
NEGENDE TOONEEL.
Chablottb, Lodewyk, Jan, Klaak, Hans, Hendrik,
Joris.
Charl. „Is \'t moog\'lyk! wat is dit?
Hendr. Juffrouw, ik kom nu om... Charl, \'k Verzoek
u dut gy zit.
1545 Geef stoelen, Klaart.jc. \'k Zal de hoeren aanstonds
sprecken.
Joris. Julfrouw, dat hoeft niet, \'k kom... do tyd is
reets verstreekcn.
Klaar tegen Joris: Zit neer, je hoed op, want je
luizen worden kout.
Hendr. Mejuffrouw, \'k kom ... Charl. Myn heer is
onderdaags \' getrouwd?
Hendr. o Ja, met uw verlof. .. Charl. Do Juffer is
zeer aartig.
1550 Myn lieer is ook do min van zulk een\'vrouw wel waardig.
Hendr. Dat \'s waar, ik ben vernoegd, maar ... Charl.
\'k Heb haar stem gehoord,
Zy zingt zoer fraaij muziek; voorwaar haar stem bekoort
1544 juffrouw A jujj\'rou; 1549 aartig A aardig; 1550 zulk
een\' A sulken.
1) Hoor aanhechting der adverbiale s gevormd van liet voorz. onder
in den zin van gedurende, en hot znw. dag in don oudon mecrvouds-
vonn dage. Onderdaags is dus zooveel als gedurende deze dagen on wordt
zoowel in botrekking tot het toekomende als tot liet verledeno, zooals
op deze plaats, gebruikt. In het Inatsto geval heeft hot dan de betoekenis
van dezer dagen, onlangs; zie het Ndl. Wdb. X, 1256.
-ocr page 89-
86
Eon ieder. Hendr. Ja zy kan my met haar stem
vermaakon.
Maar als \'t juffrouw belieft te spreeken van myn
zaaken...
1555 Charl. Zy is bc(|uaam tot uw negotie. Hendr. \'t Kan
wel Kaan.
Maar a propö, Juffrouw... Charl. Zy hoeft al lang
gestaan
In stoffe winkels. By Ragoc altoos \' twee jaaren.
Hendr. o Ja, maar ik verzoek . . . Charl. Gy kond
niet beter paaren,
Als met een Juffer, die zoo veel bcquaainheid heeft.
1560 Gy zult welvaaron: ze is aan minning, on beleefd.
\'k Denk morgen by uw vrouw eon modens stofte koopen.
Hendr. Ja, maar Juffrouw .. . Charl. Ik mag niet
op - een ander loopeu.
Gy doet:i my wel. Schryf dan moteeu uw reek\'uiug uit.
Gy wacht zo lang daar me, \'k weet niet wat dit beduid.
1565 Hendr. Ik heb myn rekening al lang aan Klaar gegocven.
Joris. Ik heb myn rekening ook netjes uitgeschrocven.
Charl. o Pry, waarom geeft gy my daar geen kennis vanr
Klaar. Juffrouw, ik heb \'t versloft, en zo als ik den man
Hier zie, begin ik om do rekening te donken.
1570 Charl. Door zulke slofhoid zoudt gy myn krediet haast
krenken \'.
"Wat donkon deze 11011? indien dit wcêr gosehied,
Zal ik u leeron ... Klaar. Och! Juffrouw, ik wist het niet.
Hendr. Daar is myn rekening. Joris. Daar myno.
Charl. Ik zal bezorgon 5
Dat gy, MoBsieurs, uw geld ontfangen zult, op morgen.
1575 Hendr. Uw dienaar, Juffrouw. Joris. En ik blyf jo
serviteur.
Charl. „Ras Klaartjo, lei mo dat kanailjo na do dour.
1560 aamninning C aanminnig ƒ 1571 liên A Jut\'/ 1573 Tekening.
\'Mar mt/ne. C rek\'ning. Daar de mi/nc; 1576 na C naar A na deur.
1) tenminste. J) naar. 3) behandelt. 4) bouadeolcn. 5) zorgdragen.
-ocr page 90-
86
TIENDE TOONEEL.
Lodewyk, Jan, Charlotte, Hans, Klaak.
T,orl. Myn lief, het moeit my dat ik nu zo ras moet
scheiden.
Charl. o Ja, heer graaf, gy dient niet langer te verheiden.
Gy weet do reden; want \'t zou stryden met mync eer,
1580 Dcwyl mevrouw \'t verbied, "Wy zien malkander wcêr
Decz\' avond: broeder zal u zekerlyk bezoeken.
Lod. Helaas! moet ik dan... Charl. Ei, ik bid wil u
vcrkloeken.
Lod. Wel aan, ik wacht hem dan in myne herberg, flusl.
Charl. Vaar wel, myn heer. Lod. Vaar wel, myn schoone,
mot dees kus.
1585 Jan. Ik volg je zo, myn heer. \'k Moet nog oen weinig
praaten
Met Klaartje. Charl. Ik zal myn heer dan wat alleenig
laaten.
Klaar, \'k gaa wat leggen op de rustbank; ik heb pyn
In \'t hoofd; maar roep me als hier de vrinden weder zyn.
Klaar, \'t Is wel juffrouw, ik zal.
ELFDE TOONEEL.
Klaar, Jan.
Klaar. Wilt gy niet meê vertrekken,
1590 Myn Heerï Jan. Xoen, \'k zei tot jou gezolschap wat ver-
strekken.
Maar, liefje, zeg my, is jou Heer een kapitein?
Klaar. Ja, tot uw\' dienst, myn hart, Baron van Schraa-
lenstein.
1578 dient niet \'langer te C moet niet langer hier, 1590 tot
jon
C jou tot, 1593 zou C ml,
1) il.lllstulljs.
-ocr page 91-
87
Jan. Zo hy in Duitsland diend, zou ik hem mooglyk
kennen,
Hoewol men door don tyd malkander kan ontwennen.
1595 Klaar. Hy komt uit Brabant. Jan. Xeen, dan is \'t
dezelfde niet.
Ik ken een kapitein In Duitsland, die zo hiet.
„Het is myn hopman niet, nou heb ik niet te vreezen.
Ik heb eon vaers op jou gerymd, meid, kan je leezen ?
Klaar. Heel wel, waar is het van? Jan. Het handelt
van de min.
1600 Klaar. Zo ben je mö poejeet? Jan. Wel ja, steekt
daar wat in?
Ik heb een heer gediend in Holland, die \'t me leerde.
Klaar. Een heer gediend? Jan. Wel neen, \'k wil zeg-
gen, ik verkeerde
Met zeker heer. „De droes! \'k had my daar schier ver-
praat !
Dat is \'er een die net do poözy verstaat.
1605 Hy rymeld op één dag ten minsten zoven vellen;
Hy hoest zyn kluchten, on hy zweet gestadig spellen;
Hy weet het onderscheid van de on den heel net.
Pil. is maar eon beest, on moot aan kant gozet \'.
Ae, die, zweert hy, zei nog van zyn handen sterven,
1610 En \'t woord quansuia zei hy in ballingschap doen
zwerven.
C K, die \'t a. b. c. veel jaaren heeft gebruid,
Krygt van hem na do dood nog steeken in do huid,
En al de prullevaars, die qualyk conjugeeren,
Zal hy met knuppeldicht2 geen kleintje deklineeron.3
1600 poejeei C pojeet; 1605 neuten C minste; 1608 en moet
aan kant
A \'t mort aan een kant; 1609, 1610 tri C z«7/1612 na
dr dood
C naai\' zijn dood; 1616 grooten A grootc.
ï) r>e spellingkwoslio word in Langondijks tijd meermalen op \'t tooneel
gebracht, o. a. in liet noodzaakelyk bedrog, biyspol door J(asper) Lom*
mors, t\' Amsterdam, by do Erfgen. van J. Losoailje. 1094; zie V. Vloten,
liet Kluchtspel III, 294. De kwostio dor ph on dio van de en den wordt
besproken in J. Nyloö\'s AenMdtng tut de Xederdnitsche UmI. 2) hekel-
dicht, 3) naar bonoacn halen, vorkleinon.
1
-ocr page 92-
88
1615 Klaar. Dan is het a. b. c. tans in een grooten nood?
Jan. \'t Loit al op stervon; ja, het is al ruim halfdood.
Maar meid, je moest de kunst ten vollen meestor weezen,
Eer jy dit vaersje, naar don aard, zoudt kunnen leezen;
Madame, \'k zal \'t, mot jou permissie, zelfs1 eons doen;
1620 Het is een rympje dat jou raakt, na \'kzou vermoên.
Jan leest :
Wat is de liefde groot,
Al in de wereld plane!
a
Mi/n harteken tninjoot,3
Je moet me helpen zatte:*
1625
                    Of \'k sterf de bitt\'re dood.
O droefheid groot/
Let eens op myn aanschyn,
O maagdeken verheven!
Dan zult gy haast certyn
5
1630
                    Bemerken daar bezeven,6
Dat door de min ik quyn,
Tot myn ruwyn.
\'
Oorlof myn Ueveken, ziet,
Help my nu uit dctigieren!
s
1635
                    Ik bendere geenen bandiet,
Maar vol kompleete 9 manieren.
Ei, help my uit verdriet,
Al zonder verschiet!
10
Jan. Dat is eerst kunst, niet waar? Klaar. Hoe kan
je \'t zo bedenken?
1640 Zo zulke vaerzon jou de harsenen niet krenken
In \'t maaken, dan vorstaa ik me op het rymon niet.
Maar waar is d\'inhoud van dat rympje toch geschied?
1617 vollen C volk; 1629 certyn A scrtt/it; lë\'.M nu A nou;
1642 tmh A C <«</.
1) zelf, zooals meermalen in dit stuk. 2) groot, wijd. Dit en do liior
volgende woorden van dit minnedicht zijn ontleend aan de redorijkers-
taal dor lGo eeuw. 3) lief. 4) spoodig. 5) zeker, (>) tovens. 7) ruïne, onder-
gang. 8) ellendige toestand ; zie liet Mul. ll\'db. op dtimjiev. \'J) volmaakt,
lu) uitstel.
-ocr page 93-
89
Jan. \'t Geschied opdoozoplaats,omaagdokon verheven;
Dat heele vaors is maar op jou alloen geschrceven.
1645 Klaar. Zo, moen jo \'t nog in ornst? Jan. Voorzocker,
ongollief,
Ik hou jo voor myn bruid, jo bend myn hartcdief.
Klaar. Maar weet de graaf het wel dat wy malkaar
beminnen ?
Hy zal \'t beletten. Jan. Neen, dat durft hy niet beginnen;
Ik zei je trouwen, spyt l wie dat het je bonyd.
1G50 Klaar. Maar heer, ik vrees jy zult veraud\'ren door den tyd.
Jan. Ik, ik verand\'ren? dat zal nimmermeer gebeuren.
Eer zal do Dom van \'t hoofd tot aan de vooten scheuren,
Eer zal oen olifant verand\'ren in een luis,
Eor kikvorsch in een paerd, of in een haringbuis.
1655 Eer zal jo een baviaan in eon karos zien ryên,
Met veertien uilen als trouwauteu -\' van ter zyên.
Klaar. „Do vent is zoker gek. Maar als ik mot jo trouw,
Moest jy mo zeggen waar dat ik belanden zou.
Jan. Belanden? hoor eens too: voor oerst, om niet
to dooien,
1660 Zei ik jo brongen in oen koets rechtuit na I\'oolon;
Maar onderwegen ook wat pleist\'ren, dat jo \'t vat.
Nou, in dat Poolen lcit een heele grooto stadt,
Nog grootor als Parys, met Amsterdam, on Londen,
Koustantinopclen, en Rome, aaneen gebonden,
1665 Met Uitrecht \'er op too; en deeze grooto stadt
Zol ik jo geoven tot een bruidschat, vat je dat?
Jo kent van de inkomst van die stadt gemak\'lyk leeven;
Zo niet, ik zol jo een stadt nog op do koop too geeven.
Klaar. Ik heb van zulkon stadt myn loeven niet gehoord.
1C70 Jan. Zy is \'er evenwel, myn hartje, rechtcvoort. *
1652 de Dom A den Dom; 1651 Eer C Een; 1660 na Cnaary
1070 zy A hg.
1) in weerwil van. 2) lijfwacht. Eigenlijk luidt hot woord trawant,
jOoh door do bijgedachte aan trouw is het verbasterd tot trotiwant.
\'ie het artikel van Dr. Kluyver in het Tijdschrift der Maatschappij v.
Mtrt. Taaien
£<!•., VIII bl. 26!). 3; nu, op het oogenblik ,zic Halma).
-ocr page 94-
90
Klaar. Dat ia onmogelyk. Jan. \'t Is zo; ter goeder
trouwen *.
De grond die is \'er; maar de huizen moet je bouwen.
Klaar. „Dat iseenraarogek. Jan. "Wat zeg je, hartedief?
Klaar. Mjjn heer Baron, ik heb je waarlyk al wat lief.
1675 Jan. Myn smoddermuiltje-! Klaar. Maar, waar is
myn heer geboren?
Jan. Myn heer is hier ... maar zacht, zo zeggen op
een toren.
Maar... \'k was \'er zelf niet by, ten minste, \'k weet het niet.
Klaar. Hoe? op een toren? Jan. Ja, myn zieltje, dat
geschied
In Polen altyd zo; daar worden al de grooten
1680 Op torens voortgebracht; dat\'s eens voor al beslooten;
Die dat niet doen wil, acht men voor geen edelman;
Men dronk, morbleu, met zulkcn vent niet uit één kan;
Wy Btaan op \'t point d\'honneur. Dat zou jy niet gelooven.
TWAALFDE TOONEEL.
Hans, Jan, Klaak.
Hans. Het water kookt al, Klaar. Jan. Wie komt my
daar berooven
1685 Van al myn vreugd? zog op, wat bonje voor een schoft?
Hans. \'k Zeg handen van de bank: het vleis is al verkof t3.
Al ben je de Baron, ik zei, de duivol haalje,
Dat zo niet lyên. Jan. Ha! wat zegje daar, kanailjo?
Hans. Dat ik geen schoft bon, en die meid is reets
myn bruid. ,
1680 een» A een; 1687 zei C wei f duivel C pikken.
1) voorwaar. 2) Halma vertaalt smoddermuiltjo door visage ragoi\'dant.
minois appetissant.
3) Hans wil zoggen: zij is mijn liefje, on jij moet er
dus afblijven. De uitdr. dateert uit de middeleeuwen, toen bot vleescb
op banken word uitgestald. Vgl. de aanhaling uit Zei. Bijdt: 6, 23\',
149 (Mnl. Wdb. I, 503 : Handt van der bancke, wel lieoe bloeieen, tvleesclt
es besteel, hier gesegt mondclgnghe,
-ocr page 95-
\'.il
1690 Klaar. Myn heer, hy liegt het, \'t is een olyke schavuit"
Jan. \'k Zei met dit entje staal je zo de londen smeeren \' i
Dat .je op een andor tyd my moor zelt extimeeren.
Hans. Dan haal ik hier terstond de buuren in het huis.
Jan. Ik zeg je, karel, maak me hier niet veel gedruis,
1695 Of \'k steek je voort aan \'t spit-. Hans. Je hoeft mo
niet te dreigen,
Of \'k zei ten eersten 3 ook een grooten degen krygen.
Klaar. „Hier is \'er geen in huis, Baron, wees vry gerust.
Jan. \'k Zeg, karel, zo je niet terstond myn rotting kust,
Dat ik zodanig meen je ruggestuk te meeten,
1700 Dat jy de jaloezy ten eersten zult vergeeten.
Hans. Je doet my ongolyk, \'k zei \'t jou betaalen, Klaar,
Dat zwoor ik, komt myn heer, mevrouw en juffrouw maar.
Jan. Hoe:\' karel, durf jy haar, daar ik ben, atfronteeren?
Hans. Morbleu! \'k spring uit myn vel. Jan. \'k Moet jou
do lenden smeeren;
1705 Want jy verzoekt \'er om. Bid aanstonds om gonil!
Hans. Ik wil niet!
Jan slaat Hans met de rotting:
Daar, daar, daar. Doe aanstonds \'t geen ik rail.
Hans. Och! och! vergeefmo tog het geen ik heb ge-
sprooken!
De droes, is dat ook slaan! myn ribbon zyn gebroken.
Jan geeft Hans geld:
Daar, zalf ze hier wat mee, \'k vereer je dees dukaat.
1710 .Maak me op een ander tyd door jaloezy niet quaad.
Hans. \'k Bedank je, heer Baron. Zo veel! o seldrementen4!
Doet rotting olium 5 in Polen zulke renten,
Dan is het goed, naar \'k merk, om daar lakkei te zyn
1692 zelt C, lult; 1695 dreigt» A iln/t/cn; 1C96 «/rooien k\'jroote;
1699 meen C nam.
\') afranselen; zio vers 1704. 2) aan den degen 3ï dadelijk. 4 verbas*
terde vloek; eig. Gods element? of Gods sacrement? zie Krelis Louwen
vers 568 en 873 (Pantheon no. 128). 5) stokslagen; zie de uanteekening
t>P vors m,
-ocr page 96-
92
Klaar. Hoor, Hansje! Hans. Wat belieft, Mevrouw
van Schraalenstein?
1715 Jan. Mevrouw van Schraalenstoin\'r1 wel, daar moet wnt
voor weezen.
Hoor, Hans! kom hier eens, Hans! Hans. Och! ik begin
te vreezen.
Jan. Hoor, Hans! kom hier eens Hans! kom hier eens
by me staan:
Je zelt wat hebben. Hans. Maar ik vrees, je zelt weer
slaan.
Jan. Mevrouw van Schraalenstein vereert je twee
dukaaton,
1720 Maar mits konditie, dat je\'er my zelt trouwon laaten;
En wilje mot ons gaan na Polon, zei ik jou
Hofmeester maaken van den Graaf van Habislouw.
Hans. Je zegt zo wat, \'t is wel; ik zei me een reis be-
denken.
\'t Komt my niet qualyk voor, ik wil ze jou wel schenken.
1725 Ik stap \'er dan van of; zie daar, daar is mynhand;
En daar is \'t briefje, dat ik heb tot onderpand \'
Van Klaar; \'k wil zesgen van mevrouw, jou uitverkoren.
Jan. Geef hier, dat\'s goed. "Wel zo, wel zo, dat mag
ik hooren.
Klaar. Zio daar, myn lief, daar is het schrift dat
1730 Gekreegen heb.
                                          ik van hom
Jan scheurt de trouubeloften aan stukken:
Wel zo, dat geoft do zaak wat klem.
\'k Zol jou tot Barounos, jou tot Hofmoester maaken;
En moog\'lyk zei je lui tot hooger staat goraakou;
Want dat bruit my niet, woost te vroede zo ik \'t schik;
Je zelt het allebei net hebben, zo als ik.
1735 Hans. Zyn oxelentie denkt wol om die tweo dukaaten?
1720 zelt C zult; 1721 «« C mv; 1734 zelt 0 zult; 1735 exdaUie
C ejrelltutie.
1) zio de aant. op vors 1163
-ocr page 97-
99
Jan. Hofmeester, zou ik niet? \'k vergat het door
het praaten.
Zie daar, myn vriend, ze zyn van harte jou gegund.
Hans. \'k Bedankje, hoer baron, liloed! dat is schoono
munt.
Jan. Nu, dat \'s gearresteerd \', niet waar, myn uit-
goleezen ?
1740 Je zelt van nu voortaan myn\' Baronnesse weezen.
Klaar, o Ja, myn tweede ziel. Jan. Geef my daar
op een zoen.
Hadio, ik gaa: \'k heb in myn horborg iets te doen.
Klaar. Myn hart, ik heb\' een brief, heb jy die hier
vorlooren ?
Jan. Laat zien, myn engellief; o ja, myn uitverkooren.
1745 Vaar wel, tot flus, my n hart! ik kom hier daatlyk weer.
Klaar. Ik blyl.je dienaares, en wachtje dan, myn heer.
Einde run het vierde Bedryf.
VYFDE BE DRV F.
EERSTE TOONEEL.
Klaar, Hans.
Klaar zingt onder het schikken van \'t huisraad.
Hans. Wat is do waoreld raar, on vol verandoringen!
Klaar. Ja, d\'een moet huilen, en don ander hoort
men zingen.
1738 is C \'« een; 1739 \'s A i«.
) vastgesteld, afgesproken; Xdl. Val. II, 097.
-ocr page 98-
94
Hans. Mevrouw van Schraalenstein is vrolykjes van
geest.
1750 Klaar. 7Ae daar, daar staat den brui: \'t is lang ge-
noeg geweest;
Ik werk niet ineer, o noen, \'k zal, by den selloweeken, \'
Myn juffers handjes niet meer in koud water steeken.
\'k Ben nou tog ryk genoeg; waarom zou ik bet doen?
Hans. Je hebt gelyk, Mevrouw: jou liefsto heeft tog
poen.>
1755 Nou ken jy in een koets, als and\'re juffers ryën,
Met knechten achter op, en paasjes van ter zyën
Beneven de koetsier. Heer! wat zal dat een pracht
En staatsio zyn, mevrouw! wat zal jy zyn geacht!
En ik hofmeester,ha.\' Klaar. Wat kenjemooij vertellen!
Daar uord gescheld.
1760 Hofmeester, doe eens op::i ik hoor daar iomant schellen.
TWEEDE TOONEEL.
Jan, Klaar, Hans.
Jan. Myn suikerbekje! kom iknou nietgaauw weêrhier?
Klaar. Dat had ik niet gedacht. Jan. \'k Heb zulkeu
groot pleizier.
In jou gezelschap, dat ik langor niet kon wachten.
Klaar. Zo spoult jou heeldtenis my ook in myn\' ge-
dachten.
1765 Jan. Ik zal jou liefde ook wel beloonen, dat\'k wel weet.
Ik laat jou maaken zulken kostolykon kleed,
Dat ieder, die \'t zal zien, zyne oogen uit zal kyken.
De grootste dame zal by jou een dienstmeid lyken
1750 den C de; 1752 koud A l-uuwd ; 1763 ijvzeltehap kgczell-
aehap ; 1764 beeldteni* A beeltenis.
1) verbasterde vloek; eig. by Gods heilige weken (P>; zie ook vers
10"4, (Jiiincampoii, bl. 59 (Pantheon no. 5) en Krelis Louwen vers 930.
2) geld. 3) open.
-ocr page 99-
11".
Ik licl) een mode voor je alleen gepraktizeert.
1Ï70 Klaar. Een nieuwe modo, liefste? Jan. Ik zie wel
je begeerd.
Dat ik \'t hedniën zal. Hoor too: \'t is myn bogeeren
Dat je een bonnet draagt, dio beel mooij met paauwe
veeren,
In plaats van pluimen of senielje,\' is opgedaan 2;
En recht voor \'t voorhoofd zal hot ad\'lyk wapen staan
1775 Van Schraalenstein, op die manier als de granaaton,
Die op do mutsen zyn genaaid van de soldaaten.
Klaar. Maar dat is al te vreemd. Jan. Dat lykt zo in het
eerst;
Manr als je \'t voor doet, zei je elk volgen, om hot zeerst.
Klaar. Die paauwe veeren met dut wapen zou niet
vleien 3.
1780 Jan. Dat\'s om den adel van \'t kanailjoto onderscheien;
Want hedendaags is al te weinig onderscheid;
Al wat een juffer draagt, durft tans con kaale meid
Ten eorste nadoen om oen snoeshaan te behaagon;
En dat \'s \'er dan belet als juffers wapens draagen.
1785 Klaar. Ik zou beschaamd zyn, woch! zy lachten me
uit op straat.
Jan. Neen; al wat de adel draagt, hoe koddig, \'t is
nooit qtiaad.
Voorts meen ik jou een kleed van goud of zilver laakon,
Eraai op \'zyn oud romeins of grioks te laaten maaken,
Waar van do sleep op \'t minst moet dertig ellen zyn,
1790 Vol wapens geborduurd van goud, niet vals, maar fyn;
Rn dezo sleep zal ik van paasjes laaten draagen;
Dan zal je zitten op een\' grooten zegewagen,
Gelyk een Schipio, of als een\' Hanebal.
1773 ttenielje A steniclje; 1775 manier A mannier; 1793 Schipio
A Schijx*.
1) chenille. 2) opgesierd, opgemaakt 3 passen, staan.
-ocr page 100-
96
Door irordt gescheld, en Klaar doet open.
Hans.
„\'k Geloof warentig, dio Baron wordt dol of mal.
1795 Jan. Hoe zeg je, broertjo lief \'t Hans. Niets: maar het
Ijkt wel gokken.
Jan. Zwyg stil, vont, of jy zult den wagon moeten
trekken.
DERDE TOONEEL.
Karel, Sofy, Ciiarlotte, Konstance, Jan, Klaar,
Hans, For. Twee knechts van Karel.
Karel teyen Sofy: Myn waardo lief, ik biet u welkoom
in ons huis.
Jan. „Do duvol! \'k kon dien vent, \'t is hier voor my
niet pluis !
Konstance tegen Sofy: Myn dochter welkoom. Charl.
En ik meen het ook zo, zuster.
1800 Sofy. \'k Bedank u altemaal. Jan. „Ik word nog on-
gerustor.
„Is hy \'t? of is hy \'t niet? ,ja ja, hot is do vont.
„Ik hoop, dat hy me in dit baronnen pak niet kent.
Karel. Wat is dit voor een heer? \'t Zal den Baron
ligt weezen.
Klaar. Ja, \'t is do heor Baron. Jan. „Och! ik begin
te vreezen!
1805 Karel tegen Jan: Myn heer, \'k heb de eer van u...
Jan. Myn heer, oxkuze moy.
Ik biet jou wellekom; maar ik vertrok, ma foi!
Hot zou mo spyten dat ik jo zou divertooron.
Ik blyf jo sorvitour. Karel. Myn beer zal ons vereeren
Mot zyn gezelschap... maar... „hoe lykt dio heer na Jan!
1810 Jan tegen alle elk bezonder: Jo suis vüt serviteur.
Karel. Myn heer Baron, ik kan
1796 dm A ik; 1798 „De duvelt \'k C Och 1 och 1 ikI 1803 *•
C de; 1810 serviteur A terveteur.
-ocr page 101-
87
U zo niet laaien traan. Indien \'t u zou behaagen...
Jan. Myn heer, \'k heb haast. Kavel. Ik heb u ééno
zaak to vraagen.
Heb ik den heer Baron voor dezen nooit gezien!"
Jan. „Daar heb je nou den brui.l \'t Kou woezen,
heer, misschien;
1815 Maar heb je me gezien, zo is \'t geweest in Poolen.
Karel. Baron, wat kan een mensch raar in zyn meenig
dooien!
\'k Zou zwoeren dat gy een van myn soldaaten waart,
Die laatst gedezerteert is mot myn beste paerd.
Jan. Hoo lang is dat geleên? Karel. Zos mnandei
is \'t geleden.
1820. Jan. Dien tyd is myn lakkei me ook met een paerd:
ontreedon.
Karel. „Ja wel, \'k zou zweeren, dat de schurk de-
zelfde was.
Jan. „Hoo zal \'t hier mot me gaan... Myn heer, \'t komt
niet te pas,
Dat jy een man van myn karaktor durft gelyken
By zulkon gaauwdief. \'k Zwoer, ik zal je laateu blyken,
1825 Wie dat ik ben, als was \'t morbleu mot dit rapier.
Karel. Myn hoer, vergeef het my, wy hebben geen
pleizier
Om heeron van fatsoen tot vyanden te maaken.
Jan. „Hoe pikken, - zal ik uit dien vent zyn klaauwen
raaken ?
Myn heer, \'k vergeef het jo, en vertrek mot jou verlof.
1830 Sofy tegen Karel: „Myn liefste, gy vergreept u aan
dien heer te grof.
Karel. „Het is de zelfde schurk, ik wil \'er wel op zweeren;
1S1G mceni\'j D meening; 1817 vlg. luiden in C: \'k *ag ugewit
öooj» een van mijn soldaaten aan, Die met myn hestc paerd \'onlangs
>i doorgegaan;
1820 Dien A Die; 1821 dezelfde A het zelver;
1825 al, C al; 1830 in A en B staat Sofy tegen Klaar.
. 1) daar heb je nu bet gegooi in de glazen, daar begint bet al mis te
l00Pen. 2) duivel; Krelis Louwen vers 437 ; De Zwetser vs. 487 en 87«.
I\'Anoendyk, lhtwel.bedrog.
                                                               7
-ocr page 102-
08
„Hy is veranderd, door die pruik, en deze kleêren.
Jan. Uw dienaar dan, tot flus. Karel. Baron, hoor
nog één woord!
Chati. „Ik bid u, dat gy hem door vraagen niet verstoord.
1835 Karel. Hoe is uw\' titel? Jan. Die\'s Ernestus, Mouris,
Stokski,
Starost Lakkeiskie, en Waiwode van do Bokski,
Heer van pasmentengoud, en kroonslakkei van \'t plein,
Baron en orfheor van het land van Schraalenstoin.
Karel. Dien titel hoeft do heer Baron zich niet te
schaamon.
1840 Jan. Ja, dat is blind1 voor jou, want dat zynPoolsche
naamcn.
Karel. „Ik zal hem evenwel betrekken2. Dat \'s een guit!
Uw serviteur, Baron. Klaar, lei dien heer eens uit.
Jan. Kom, zoete Klaartje, kom myn schat, myn uit-
uitgcleezcn;
Jy zelt myn Baronnes, als ik beloofd heb, weezen.
Als Klaar en Jan aan de deur zyn, roept Karel schielyk:
1845 Jan! Jan! hoor hier nog eens!
Jan antwoord schielyk:
Myn heer, ik heb geen tyd!
Karel trekt zyn degen:
Ha! schelm! uw\' naam is Jan! gy zyt het leevon quyt!
a Sa! geef uw geweer3. Gy kunt nu niet ontkennen,
"Wie dat gy zyt.
Jan trekt zyn degen:
Wel vent, de drommel moet je schennon;4
Ik heb het je gezeid. Karel. o Dezerteur! o dief!
1850 Sofy. Och! och! ik ben ontsteld! hou op! houop! myn lief!
Karel. Loop t\'zaam na binnen, de lakkcijen moeten
blyven.
1840 want dat zyn A dat bennen; 1844 Jy C Je; 1848 d<;
drommel moet je schennen
A je weet wie dat wy bennen.
1) duister, vgl. een blinde klip. 2) er laten inloopon. 8) degon, eis
wapen ter verwering. 4) de duivel haal je, eig. brenge je te schando
zie Oudemans op Brederoo.
-ocr page 103-
89
VIERDE TOONEEL.
Karel, Jan, twee lakkeijen, Hans, Fop.
Karel. \'t Za mannen, vat hem aan. Jan. o Seldrementl!
gantsch vyven 2!
Zy neemen hem zj/n pruik en degen af.
Karel.
Beken goedwillig waar myn paerd geblecven is,
En wat gy voor hebt, schelm.
Jan knielende:
Ik bid vergiffenis!
1855 Ik zal het altemaal, gelyk het is, verhaalen.
Jou paerd is dood; maar \'k wil de waarde graag betaalen.
Karel. Hoe komt hot dood? Jan. Kap\'tein, ik hob het
dood gereên!
Maar \'k heb wel geld om te betaalen, wees te vreên.
Karel. Neen, gy zult hangen, schurk; messieurs, die
dezertoeren
1860 En paerdon stoelen, moet do hapscheor3 klimmen leeren.
Jan. Och! zo barmhertigheid nog woont in jou gemoed,
Verschoon myn jonkheid! Karel. Neen: dat gaf aan
and\'ren voet
Tot schelmeryen. \'k Geef\'t den krygsraad voort in hande.
Jan. Och! goede heer kaptein! behoed me voor die
schande;
1865 \'k Zal jou weer dienen als een braaf soldaat moet doen.
Karel. Die eens een\' schelm is zal men \'t altyd van
vermoên.
Laat al do juffers vry gerust hier woder keeren.
Hans. Kom hier vry weer, hy zal geen mensch nu
kunnen doeren.
1852 yantach A yanach ; 1855 zal A zet; 1863 hande A handen;
1864 behoed A behoe; schande A achanden.
1) verbasterde vloek, zie vers 1711. 2) verbasterde vloek, by Gods vijf
iconden,
zie Xdl Wdb. IV, 249—251; V 229 en vgl. Krelis Louwen vs. 569.
a* Halma : zegt hapscheer, apotnaam der gerechtadienaaren, ir. hupechair;
zie V. Dale en Littró op happe-chair. De bedoeling van dezen regel is:
net gerecht zal je leeren klimmen nl. bij de ladder v. d. galg op (vg).
vs. 1874!.
-ocr page 104-
100
VYFDE TOOHEEL.
KONSTANCE, SOPY, CHARLOTTE, KLAAR, Jan,
Karel, twee Lakkei/en, Hans, Fop.
Jan. Och, och! verschoon me, want ik hen van goeje lui
1870 Met oere voortgobrocht. Myn volk is al den brui \'
Bekend voor deugdzaam. Ach kaptein, \'k ben van de
vromen,
Gelyk je weet, en ziet, en hoort, on tast, gekoomen.
Kwel. \'k Zal my bedenken; stel je een weinigje te vreên2.
Jan. Maar zal ik hangen? och! kap\'tein, ei zeg! Karel.
Neen, neen,
1875 Gy zult niet hangen, Jan, maar doordegpitsröeloopen3,
Zo gy een paerd, zo goed als \'t myne was, kunt koopen.
Jan. \'k Bedankje dan, kap\'tein; maar \'t kitt\'len op myn\'
huid
Staat mo ook niet aan; ik bid, stel dat eon jaartjen uit.
Karel. Wy zullen zien. Maar zeg, oprecht, en zonder
liegen,
1880 "Wie dat die graaf is. Pas4 me op nieuws niet te bedriegen.
Jan. Kap\'toin, ik heb hom eerst gevondon te Parys;
Hy is een Uitrechts heer, van adel, braaf, en wys.
Wy kreegen konnis in eon herberg door het spoelen;
\'k Wierd zyn lakkei, maar met konditio van te doelen
1885 Al wat wy wonnen door knaphandigheid en kunst.
Ik drong in \'t kort zo in dion gooden heer zyn gunst,
Dat \'k van hem krygen kon al wat ik maar begeerde;
Zo dat ik, als een prins, gostadig toerdo on smeerde 5;
1871 kap\'tein A kapitein; 1874 kap\'tein, ei zeg A kap\'teintje
lief;
1880 op nieuwe A op \'t nieuws; 1882 hy A het; 1889 een»
lakkei
C een lakkei.
1) de gohcele rommel, allemaal. 2) hou je maar bedaard, kalm. 3) een
soort van geeselstraf aan de soldaten voltrokken, waarbij zij door eene
dubbele rij met spitsroeden (dunpuntig rijshout) gewapende makkers
moesten loopen \'V.^Dale). 4) zorg er voor. 5) smulde, braste.
-ocr page 105-
101
Nu was ik eens lakkoi, on clan eens weer een heer;
1890 \'k Ben munnik ook geweest, baron, on nog al meer.
Karet. Dan hebt gy u gonoerd, naar \'k merk, met
bourzesnyën?
Jan. Daar bon ik te oorlyk toe, tot zulke schelmoryën;
Neen, neen, wy wonnen \'t geld boel zuiver mot de
kaart.
Ik stool myn loovon niet. Kavel. Hoe kreegt gy dan
myn paerd?
1895 Jan. Dat was uit hoogon nood, tot borging van myn
leeven.
Ik heb in \'t zin gehad je \'t paard weerom to geeven,
Of wol de waardo, in goud of zilver, zo ,je wilt.
Karel. Gy oppermeester van hot valscho dobb\'laarsgild,
\'k Begeer geen geld dat mot bedriegen is gewonnen.
1900 Maar, biecht rocht op: zoudt gy aon ons niet zeggon
konnen,
Hoo dat do naam is van dien Graaf, uw\' kammeraat?
Jan. Zyn naam is Lodowyk, maar \'k weet niet van zyn
staat,
Als dat hy te Uitrecht, en van adel, is gobooren.
Als hy hier komt, zei jy do rost wel van hem hooron.
1905 Karel. "Wat zegt Charlotto nu? Charlotte. Helaas! ik
beu misleid!
Hoo heeft hy my bekoord door zyno listigheid!
Klaar tegen Jan: o Schelm! o vagebond! wat hob jy al
gelogen,
En my, onnoz\'le duif, zo schandelyk bedrogen!
Hans. Mevrouw do Barones, dat is je reebto loon.
1910 Wat staan jou zaaken nou bozonder fraaij en schoon!
Nou kon je ryên op eon\' gouwen staatsio wagen
Na Polen. Laat jo sleep van dartig cllon draagen
Van paasjes, jou Baron zal volgen; loop voor uit.
Klaar. Verwyt je my dat nog? jo bent hofmeester,
guit.
1895 hooi/cn A hooge; 1910 mom C nu; 1912 Na C Naar.
-ocr page 106-
102
1915 Jan. Kom laat me nou maar gaan: ik zal het geld
gaan haaien.
Karel. Neen, hou hem vaBt; de schurk zal \'t met den
hals betaalen.
Jan. Och .\'nou weer hangen? och! je gaf me flus \' pardon!
Karel. Hoe? dacht gy dat ik u ook niet bedriogen kon?
Gy hebt zo veol bekend, myn\' gramschap zo ontsteeken,
1920 Dat ik geen woord meer van gena wil hooren spreeken.
\'t Sa mannen, brengt hem weg, en bindt den schelm wel
vast.
Jan. Genade, heer kaptoin ! Karel. Volbrengt terstond
myn last.
Jan. Wat onbarmhartigheid! och! och! wie zou\'t ge-
looven?
Myn heer kap\'tein. Karel. Voort, voort! \'t sa mannen,
brengt hem boven,
1925 En zet hem op de zaal gevangen, tot dat ik
Zyn kammeraad ook heb, on ze allebei beschik
In handen van \'t Gerecht, om hunne strafte ontfangon.
Jan. Och! wie had ooit gedacht, dat ik zou moeten
hangen!
Och, Klaartje, spreek een woort ten beste, zoete kind!
1980 Je weet het immors, dat ik jou zo heb bemind.
Klaar. Bedrieger! schelm! schavuit! ik wil niet voor
je spreeken;
Ik help je liever hals on kop en beenen breeken.
ZESDE TOONEEL. .
Karel, Sofy, Konstance, Ciiarlotte, Klaar.
Charl. Helaas! wie had gedacht op zulk oen ramp, o spyt!
\'kBen door dat snood bedrog byna myn zinnen quyt!
1917 me C my f 1921 \'t Sa A Za; 1922 volbrengt A volbreng;
1924 Voort, voort, C Weg, weg I brengt; A breng.
1) zoo even, zoo pas.
-ocr page 107-
103
1935 Konst. Myn kind, ontstel zo niet. Charl. Zou ik my
niet ontstellen?
Jlen zal dit snood bedrog, dit schelmstuk voort vertellen,
En my bespotten om myno al to losse min!
Karel. Ik bid u, zuster, stel die droefheit uit uw\' zin.
Charl. Ik zal, zo lang ik leef, die droeve ramp betreuren,
1940 En ligtgeloovigheid. o Hemel! kan \'t gebeuren?
Het schynt onmoog\'lyk, dat een heer, zo braaf, beleefd,
Die zo veel tekens van eon\' eed\'len afkomst geeft,
Bequaam zou zyn om zulkon schelmstuk to verzinnen!
Karel. Myn zuster pryst hem, ja zy schynt hem nog
te minnen.
1945 Charl. Ik weet niet of ik haat of min; \'k vloek zyn
bedrog,
Maar min, in weerwil van my zelfs, hem echter nog.
Klaar. Och! juffrouw! daar is nou voor ons niet meer
te hoopen!
Myn heer zal myn baron, gelyk je weet, opknoopen;
En hoe het met den graaf, jou vryer, zal vergaan,
1950 Dat zullen we, als hy hier gekomen is, verstaan;
En daarom raad ik jou, dat wy maar met ons beien
Xa Brabant gaan, om in hot klooster te boschreiën
Al \'t geene ons is gebeurd. Wy hobbon ook wat schuld:
Wy zogten \'t spulletje. Karel. Ik verlang mot ongeduld,
1955 Omdat hy nog niet koomt. Charlotte, ik moet u vragen:
Hebt gy wel moeds genoeg, om \'t schreien, en dat klaageu
Wat in to toornen, als die minnaar hier vorschynt?
\'t Is nodig, dat gy u wat kloek houd\' en verpynt \';
Want als hy merkte, dat gy hom niet kost vergeeton
1960 En nog beminde, zou hy.... Charl. Ach! hoe kan ik
\'t woeten?
Maar neen, \'k kan zonder my to ontstellen hem niet zien.
Karel. Dan moet gy weg gaan, als hy koomt. Charl. Het
zal geschiên.
1947 niet A nkte; 1952, 1969 -iV« C naar.
1) zicli goed houden, zijn smart ontveinzen; fr. s\'effor-ei:
-ocr page 108-
101
Klaar. Als jy hem ziet, dan zal je zeggen vau den kaerel:
Hoo komt hy daar toe? \'t is een man gel.yk een pacrel.
Daar word gescheld, en Klaar doet op \'.
1965 Charl. Mevrouw, koom gaan wy; hy zal \'t mooglyk
zyn, ach my!
Ka rel. Wees niet verschrikt. Oaa mot malkaêr vrat
aan oon v.y.
Zo gy nieuwsgierig zyt om onze reen > te hooron;
Maar wil vooral, eer ik \'t gehiedo, ons niet verstooreu :!.
Klaar. Daar is do graaf, juffrouw. "Wil voort na binnen
gaan.
1970 Karel. Gaat gy niet mede? Klaar, o Noen, ik durf
wel blyven staan.
Karel. Flus waart gy zo ontsteld, nu schynt gy niet te
schroomen.
ZEVENDE TOONEEL.
Lodewyk, Kauel, Klaar.
Lod. Hoer kapitein, \'k heb do oer, op uw verzoek te
komen....
Karel. „Gy koomt van pas. \'t Is waar, ik bob het zo
begeerd.
Lod. Om u te dienen ... Karel. Maar, waar heeft
myn hoer geleerd
1975 Met my zo onbosohaamd to schertsen en raljeoron?
Doo dat ter plaats daar gy gewond zyt to vorkoereu.
Lod. Hcor kapitein, ik ben zo\'n groot\'nis * niet gewend,
Het is oen teken dat myn heer my nog niet kont.
Van uw beleeftheid had ik andere gedachten.
1980 Karel. Myn heer, dat zy zo. Maar ik bid u, zoudt gy achten,
Dat iemant schuldig is, wanneer hy wordt gehoond,
1972 uw A Hf 1975 8chert»cn A schenen*
1) open. 2) gesprok. 3; storen. 4) begroeting.
-ocr page 109-
105
Don hooner oer to doon? Lod. De hoer kai)\'tein
verschoont
Zich zelfs\' bozondor vroemt; want ik kan niet bodenken
Dat ik u heb gehoond. Kar el. My in myn oor te krenken?
1985 Myn stamhuis smaad te doen? Lod. Dat is een
duist\'ro taal.
„Wat zal ik denken van dit wondcrlyk onthaal?
„Zou hy iets merken van de list, die \'k heb vorzonncn?
Karel. Gy staat verzet, myn hoor. Maar vindt men
wel Baronnen
In Polen van dien naam golyk uw noot\' heet? Jan,
1090 Baron van Schraalcnstein ? Lod. „o Ja, hy weet \'or van.
Neon, dat \'s oon misslag; want dat land leit niet in Polen.
Karel. Ik hoor zo van uw\' neef. Lod. Van hom?zyn\'
zinnen doolon.
Het schort hem in \'t verstand. „Nu merk ik dat de guit,
„Dio hondsvot, myn lakkei, do zaek bier heeft verbruid.
1995 Myn hoer, hot is gelyk... Karel. Hou op mot moer
te liogon ;
Ik zweer, gy zult my, als do juffers, niot bedriegen!
Lodeicyk trekt zyn degen:
Nu hebt gy my gehoond, a sa, dat schelms affront
Zult ge u boklaagon. Gy zult kloppen op den mond2;
Of trek \'t geweer 3. Klaar. Help! help I Karel. Ik
zal niet met u vechten,
2000 Maar laaton dat don beul met u, o schelm, beslechten.
ACHSTE TOONEEL.
Hans, een lakkei van Karel met de degens uit,
Karel, Lodewyk, Klaak.
Karel. \'t Sa mannon, vat hom aan! Lod. Zyt gy oen
edelman,
Verweer u dan alleen; maar naar ik morkon kan,
1982 huomr A hoonder, 1989 dien A die.
1) zelf. 2") uw woorden terugnemen, door uw hals halen (va. 981).
3) degen, zie vers 1847.
-ocr page 110-
106
Zyt gy een\' bloodaard. Karet, öy moet myn go-
vangen > weezen.
Zo gy onschuldig zyt, hebt gy geen straf te vreezen.
2005 Lod. Staa af, gy rekels, of ik stoot u in den huit.
Karet. Nu heb ik uw geweer; maakt aanstonds nu besluit,
Om in \'t govangonhuis uw\' zaak te defendeeren.
Lod. Zoudt gy oen edelman, als ik ben, affronteeren?
\'t Zal u berouwen, dat gy my dus dwingt met macht.
2010 Karet Uw eigen toeleg heeft u in den nood gebracht.
Bekon nu, wie gy zyt, \'t kon u tot voordeel strekken,
En wil my verder tot geen gramschap meer verwekken.
Uw knecht, die Jan heet, hoeft het gansche werk bekend;
Hy zegt, dat go edel en van gooden huize bent,
2015 En hier gebooren; zoo gy my dat kunt betoonen,
Geef ik myn woord, dat ik u vorder niet zal hoonen.
Lod. Dat is nog redelyk. Myn heer, gy spreekt zeer goed.
Weet, dat ik niet ontaar 2 van \'t oud on aad\'lyk bloed
Van myn geslacht, dat eer in luister plag te weezen
2020 Door dapp\'ro daaden; doch, hoo hoog in top gereezen,
Is \'t door den tyd verarmd; on ik bon maar alleen
Nog overig, on zwerf met veel rampzaligheèn.
Geperst door armoe, heb ik jong ons huis verlaaten,
En my begoeven by een kompanjie Boldaten,
2025 Daar ik my als kadot veel jaren by bevond.
Maar laas! \'t fortuin 3 heeft my haar\' gaven niet gegond!
Ik wierd gevangen, zo dat ik in Vrankryk raakte,
Daar my de tegenspoed nog verder moed\'loos maakte.
Myn ov\'rig loeven, heer, is van een\' and\'ren aart;
2030 Mnar \'k heb de deugt in al myn togonspoed bewaard,
Zo veel als \'t de armoede en de noodheeftkonnonlydon.
Gy hebt verstand en weet, datdougd en armoed\' strydon
2005 in den A in de C in uw D door den; 2096 maakt A en
C ma«l-; 2013 heet C liiet; heeft D en; hei-end D belijdt; 2014 By
zegt dut ye
D Zegt dat yy ; bent D zyt.
1) bijvorm van gevangene: zie X<11. Wdb. IV, 1908. 2) ontaard, in aard
verschil, verbasterd ben. 3) thans tle fortuin.
-ocr page 111-
107
In \'t zuiverste gemoed, wanneer \'t geen uitkomst ziet.
\'k Dagt my door Matigheid te redden uit \'t verdriet;
2035 Maar vind me op \'t onverwagtst in mynon waan be-
drogen.
Karel.Mynheor, ik word met u doorditverhaal bewogen;
Maar gy verzuimt aan my te melden hoe gy heet.
\'k Ken hier al d\'adeldom, zo ik niet boter weet.
Lod. Myn heer, ik zou myn\' naam niet graag aan u
ontdekken.
2040 Karel. Myn heer, gy moet. Lod. Het kan u niet tot
voordeel strekken.
Karel. Dan blyft gy my verdagt. Lod. Wel aan, \'k
heot Lodewyk
Van Kaalenhuizen, maar ... Karel. "Wat zegt gy ? ik
bezwyk
Van schrik! is \'t mogelyk, zou dit de waarheid weezen?
Lod. Hoe zyt gy zo ontstolt? dat \'s raar! wat doet
u vroezen?
2045 Karel. Myn heer, mielci my niet. Dat ik my zo ontstel,
Is zondor roden niet. Maar zog my, weet gy wol,
Dat ik de magt hob, om naauwkeurig uit te vinden,
Of gy de waarheid spreekt \'t ik ken nu al uw vrinden,
Zo gy die hoer zyt. Lod. \'k Blyf voor altoos u verplicht,
2050 Indien uw\' goedheid my in dozo zaak verlicht.
\'k Liet hier, toen ik vertrok, een\' zuster met een\' moeder.
Karel. En niemand meer, als die ? Lod. o Neen; myn
jongste broeder
"Was korts voor mvn vertrek gestorven. Karel. „Ja
hy is \'t!
„\'t Is Lodowyk, die zo veel jaaron is gomist.
2055 Lod. Myn heer, ei zeg my, zyn zy beiden nog in \'tleeven?
Karel. Zyt maar gerust; \'k zal u terstont voldoening
geeven.
2048 nu ui uw A nu mee; 2052 die A hen; 205G voldoening
4 vuldoenig.
-ocr page 112-
1US
NEGENDE TOONEEL.
Lodewyk, Hans, Lakkei.
Lod. Hoe beeft myn hart van schrik! do vrees ont-
roert myn blood!
Wat baart dit voorval my vorand\'ring in \'t gemood!
Wat of hier zal gesclnên? hy gaat alleon naar binnen.
20ti0 \'k Kan niet bespeuren wat hy met my zal beginnen.
TIENDE TOONEEL.
Kabel, Sofï, Lodewyk, Lakkei, Hans.
Karcl tegen Sofy: Myn lief, bezie dien heer met aandagt.
8ofy, Lodewyk omhelzende :
Ach! wat vreugd!
Myn waarde broeder, ach! Lod. Myn zuster! \'k ben
verheugd,
Nu ik u weder zio! waar is Mevrouw, myn moeder\':
Sofy.
Dio woont te Brussel, daar ze om u, myn\' waarde
broeder,
2065 Gestadig trourt, om dat ze u nooit denkt weer te zien.
Zy zal vorhougd zyn, als ik u haar aan koom biên.
Karet tegen de Lakkei: Haal Jan nu hior en laat
myn zuster ook vry komen,
En.... maar zy zyn daar, \'k denk zy hebben reets
vernomen
Wat hier geschied is.
2066 hoorn C kom.
I) Zio vs. 354.
-ocr page 113-
100
ELFDE TOONEEL.
Konstance, Charlotte, Klaar, Jan, gebonden.
Fop, Hans, twee Lakkeien van Karel, Sofy, Karel,
Lodewyk.
Jan, ran de Lakkeien vastgehouden nordende:
Och, nou moet ik hangen! ja.
070 Myn hoor kaptoin, \'k bid om pardon! gonii! gena!
\'k Bon zo onnozel \' in do zaak als \'t eerst gebooron
Klein kindje.
Karel tegen Jan: Zwyg wat stil! men kan hier zien
noch hooren.
Strak zult gy weeten, of gy hangen zult of niet.
Karel tegen Lod: Myn hoor, \'k omhels u, on ik hoop
dat gy \'t verdriet,
075 Dat ik u aandeed, my van harto zult vergoevon;
Wy moeten met malkaar in zuiv\'ro vriendschap leven,
\'k Leef met uw\' zuster in oprechte liefde en min.
Lod. Hoe, is die heer uw man? Sofy. Ja, \'kbonzyn\'
gemalin.
Lod. tegen Karel: Dat ik u dan omhels. Jan. Jy hoeft
nou niet to vreezen;
080 Met jou is \'t blydschap, maar mot my zal \'t hangen
weozen!
Och pomperninkol!2 och! och! och! mjn heer kap\'tein!
De duvel haal dion naam, Baron van Schraalenstein!
Lod. Ach, myn Charlotte, dio ik eeuwig zal beminnen,
"Wat heb ik al misdaan! \'k bid, wil u zelf verwinnen,
•085 En laat uw grampschap my niet troffen, schoone maagd.
2076 vriendschap A vrimUcltapf 2081 pompernikkel A pimper-
\'ikkel;
2084
1) onschuldig. 2) zie Pantheon, no. 128, bl. 141.
-ocr page 114-
110
Zo u een Edelman in plaats van Graai\' behaagt,
Maak dan eon einde aan myn\' al te droeve plaagen, \'
En laat my door do min niet quynon al myn\' dagen!
Charl. Myn hoor, hoe kan ik V gy hebt ons zo voel
misdaan.
2090 Sofy. Ei, zustor, \'k bid u, neem myn waardonbroederaan;
Schoon hy goen rykdom heeft, wat is daar aan gelegen ?
Vrouwmoeder, na ik merk, is ook tot hem genegen;
En die bezit zo voel, en zulkon grooton schat,
Dat gy wel loeven kunt... Charl. Mevrouw, hoe vat
ik dat?
2095 Van welken kant zou dat geluk ons overkomen f
Sofy. Van uw\' kant, zuster. Klaar. , Ja, ja, dat zyn yd\'le
droomen,
„Nou denk ik, dat Sofy mê fraajj bedrogen is.
Konst. Sofia, meent gy my? ik heb niet veel. Klaar.
Dat \'s mis.
Sofy tegen Karel: Hebt gy my niet gezogt, myn Karel,
dat zy schatten
2100 En groote inkomsten heeft? hoe kan ik dit nu vatten?
Lod. Mevrouw wil veinzen en zy toetst\' u maar, Sofy.
Jan. Och! moet ik hangen? och! kapteintje lief! och my!
Karel. Het moet \'er toch eens uit. Myn lief, wil \'t my
vorgeeven,
Gy zyt misleid; en heb ik hier in wat misdreeven,
2105 Het is in weerwil van myn eigen zelf geschied.
Ik hoop ons altemaal te helpen uit \'t verdriet.
Het ampt, dat ik beklfio, doet my op beter hoopen.
Jan. Och! och! ik bid je, datje my niet op wild knoopen!
Genade voor den heer Baron van Schraalenstein!
tegen Jan, Karel, tegen Lodewyk:
2110 Zwyg zeg ik. Broeder weet, ik ben een kapitein.
Als \'t hem gelieft, kan hy met my na Brussel trekken;
2089 o«« A my; 2092 na Cnaar; 2103 wü\'t A wfl/2111 na
C naar.
1) stelt u op de proef.
-ocr page 115-
111
\'k Zal daar myn vrinden voort do ganscho zaak ont-
dekken,
En maakcn dat hy haast eon officiers plaats kryg\'.
Jan. En ik zal hangen \'t Lod. Hou den mond toe.
Jan. Och! ik zwygl
2115 Maar \'k voel myn hart van schrik al in myn schoenen
zygen.
Lod. Heer broedor, \'k neom het aan; maar echter
\'k kan niet zwygon,
Dat ik verwonderd ben van \'t geen mevrouw ons zegt.
Heeft zy geen hofstede,\' en zag ik geen boere knecht
Verscheiden\' zakjes geld nog deezen dag hier brengen?
2120 Men spot nu met ons. Karel. Neen, dat zou ik niet
gehengen.
Fop. Ik speelde voor dien boer, jy rook niet wat \'er
school;
En al dat vraagen deed men my maar om do kool. •
Lod. Maar kort daar aan quam hier eon "Waal, die
veel juweelon
Heeft aan myn lief verkoft. Hans. Un dief, hum zou
ze steolen,
2125 Zo mooi was de juweel, die ik jou heb verkoft.
Ik was de "Waal, myn heer. Lod. Zo zyt gy mede
een\' schoft.
Wy hebben dan malkaur, na \'k merken kan, bedrogen?
Klaar. Ja, graaf, ik heb \'er me geen kleintje by ge-
logen.
Lod. Maar evenwel, als ik bedenk, wat my myn\' waard
2130 "Van zekere erfnis uit Oostinje heeft verklaard,
Gaat alles wat ik zie myn klein verstand te boven.
Klaar. Dat hebben wy aan al de waereld doen gelooven.
2112 yansche A ganttche; 2114 dm A de; 2120 ik ontbreekt
in C; 2127 n& C naar; 2130 Oostinje C Ooitindje.
1) buitenverblijf. 2) voor do grap.
-ocr page 116-
112
Mevrouw heeft buiton \'s huis den adel gebraveerd;
Maar altyd hebhen wy hoel sobertjes getoerd
2135 In onze keuken, om de rest weer goed te maaken;
Op hoop dat Juffrouw aan een man van staat zou raaken.
Ik heb schier al myn geld voor haar reets opgezet;\'
En daarom zocht ik jou te lokken in het net,
Op dat ik myn verschot daar door zou weder krygeu.
2140 Myn broer en vryër ook. . .: Lod. Gy kunt de rest
maar zwygen.
Heer broeder, ik moet my nu schikken naar uw raad.
Kavel. Gy moet niet trouwen, want gy zyt nog niet
in staat,
Om zuster, als \'t behoord, te kunnen maintineeren.
Wy zullen met malkaèr naar Brussel weder keeren.
2145 Klaar. Kom Hansje, laaten wy maar trouwen: \'k
heb berouw.
Hans. Neen, neen, jy Baronnes van Schraalenstein,
mevrouw,
\'k Begeer jou niet. Ik ben jaloers, en mal van zinnen;
Je kunt dion kaerol, die nou hangen moot, beminnen.
Charl. Heer Lodewyk, ga meê na Brussel, blyf ons by. \'l
2150 Lod. Dat zal ik doon, myn liet\', zo\'t u behaaglyk zy.
Het smert my zeer dat ik den trouwdag uit moet stelleu.
Kavel tegen de Lakkeien: \'k "Wil dat gy deeze zaak
aan niemand zult vertellen.
Tegen de andeven: Men spoel do zwarigheid eens af
met hold\'ren wyn.
Klam: \'k Vrees, dat het water nu al lang vorkookt zal zyn.
2155 Hoe staa je \'er me, Baron? begin jo al dorst tekrygen?
Jan. Myn heer kap\'toin, zie daar, nou kon ik niet
meer zwygen.
Zo jy me hangen laat, zal ik het al den brui,
2148 dien A die; 2149 na C naar; 2153 held\'ren A luWre.
1) gewaagd, op \'t spel gezet. 2) blijf bij ons.
-ocr page 117-
118
Wat hier gebeurd is, voort vertellen aan de lui!
Klaar. Als jy gehangen bent? Jan. Als jy ge...ban...gen?
neen ik.
2160 Ik wacht zo lang niet, pry; maar oer ik dood ben, moeu ik.
Lod. Vorgoof hot Jan, myn heer. Kavel. Ik geef u
dan pardon.
Jan wordt ontbonden:
Ik dankje hartelyk. Klaar. Dat lukt jou wel, baron.
Konst. Maar hoe zal ik het mot myn krediteurenstollen?
Ik ben vol schrik, wanneer ik iomant aan boor schellen.
\'2166 Karet. Betaal die uit het geld dat ik u zond, mevrouw.
Konst. \'k Zal zien, hoewol ik dan heel weinig over hou.
TWAALFDE TOOXEEL.
Lookwyk, Jan.
Jan. Vaart wel myn titels van Ernestus, Mouris,
Stokski,
Starost Lakeiski, en Waaiwooide van de Boxki;
Jy waart maar beesten; want je hulpt my in den druk;
2170 Ik zoek, met kaale Jan, voortaan weer myn geluk.
Lod. Jan, ik gaa binnen, om te zien hoe wy het manken
Met onze dingen; \'k hoop in \'t kort op reis te raaken
Na Brussel. Haal ons goed hi^r, en betaal den waard;
En met do dienaars kunt gy zien, hoe dat gy \'t klaart\';
2175 Gy kunt hen voor hun dienst, zo veel \'t u goeddunkt,
geeven.
2169 helpt AC hulp; 2178 na C naar.
1) klaar spoelt.
I.iNOENDYK, JJuwel.brdrog.
8
-ocr page 118-
114
DERTIENDE en laatste TOONEEL.
Jan alleen.
Dat zei je missen, broer; je ziet me van jou leven
Niet weer, dat zweer ik. Bloed! wat was ik daar
bekneld!
Ik meen my zelve te bedienen van jou geld
En \'t myne, dat ik beb, en denk zo ver te loopon,
2180 Dat jy ton derdemaal geen macbt bebt me op ti
knoopen.
Vaart wel, bedriegers! en jy ook, beer kapitein!
Gy zyt gegroet van my, Baron van Schraalenstein.
Jan loopt schielyk de deur uit.
Einde pan het vyfde en laatste Bedryf.
2179 ver A veer; 2181 Vaartwei A Foor wel; 1282 OiJ zi/
A Oe bent.
-ocr page 119-
AANTEEKENIXGEX.
Govert van Mater, een dichter uit Haarlem, schreef
o. a. Kruisgezangen op het lyden ... mm Jesus Christus,
met Zangkunst verrykt door W. Vernooten, Haerlem 1718;
een herdersspel Filida (1720) en een kluchtspel Het dol-
huis der uccionisten
(1720). Vorder vertaalde hij een zinne-
s;iel nl. Don Jan of de gestrafte rrijgeest, zinnespel naar
het Fransch van Molière (1719) en een treurspel uit het
Fransch van M. A. Barbier: Arria en Petus (1719); zie
den Catalogus der Bibliotheek van de Maatschappij der
Xederl. Ltk. te Leiden.
Met Dafnes Naaren worden lauwerbladen bedoeld. Daphne,
de dochter van den riviergod 1\'enêus in Thessaliü, werd
bemind door Apollo, die haar steeds vervolgde. Toon hy
Op het punt stond van haar to grijpen, riep zij Zous aan
om hulp, die haar in eon laurierboom voranderde. Sinds
dien tijd bekranste Apollo zijne slapen mot lauwortakkon
en werd deze boom als aan hem gewijd beschouwd (Ovid.
Met.
I, 450).
vers 401—411.
Langendyk steekt hier den draak mot de herderromans,
die in \'t begin der 17d" eeuw vooral in Frankrijk in de
mode waren, on uit talrijke deelen bestonden. Hier worden
K\'cnoemd Astree van Honoré d\'Urfé, de Vrijagie van Li/sander
>\'n Caliste
vertaald naar d\'Audiguier, do Bassa lbrahim
vertaald naar lbrahim on Villustre Bassa van Madeleine
de Scudóry, do Cleopatra en de Cassandre van Gautier
do Costes de la Calpronèdc, beide ook bij ons vertaald.
Welken roman hü met den Milord Koerteny bedoelt, is
mij onbekend.
Wel heeft een historisch persoon bestaan, die den naam
-ocr page 120-
116
droeg van Milord Courtenay on naar de hand heeft ge-
staan van Maria, de dochter van Hendrik VIII. Hjj treedt
ook on in Movronw Boeboom-Toussaint: De Graaf van
Devonshire.
Vgl. vorder over do Astróc romauH: Norbert
Bonafons Etude sur VAstree et sur Honoré d\'Urfe\', Paris
1846; Dr. Heinr. Koerting Geschichte des französischeii
Romans im 17 Jahrh.,
1885 en Schotel, Het maatschap-
pelijh leven,
bl. 381 vlgg. en bl. 488.
vers 461.
Halma zegt op dit woord : Kachou, zeker gomagtig deeg
daar men balletjes van maakt, die in den mond gesmol-
ten zijnde, oenen lieffelijkcn adem geeven.
vers 798.
In de middeleeuwen bestond het geloof, dat er over een
rjjk in Oost-Azio een cbristenvorst regeerde, Johnnnes
gehecton. Hij werd ook Indorum rex genoemd en do
kroniekschrijvers deelon brieven van hem mede, die hoogst
waarschijnlijk onecht zijn. Anderen waanden, dat zyn r\\jk
zich in Oost-Afrikn on Aethiopië bevond, waar de Portu-
geezen hom poogden te vinden. Eindelijk verkroeg het
gevoelen de overhand, dat Abossynië hot rjjk was van
Johannos, weshalve men in de 17<le oeuw daaraan den naam
toekende van Reynuin Presbyteri Johannis. Deze sage, door
den loop der tijden aanmerkelijk opgesierd, gaf aanleiding
tot onderscheidene reizen, ondernomen met het doel om
dat r^jk op te sporen. Aan dezen rox Johannis heeft Lan-
gondyk gedacht, doch van een huwelijk zjjner dochter is
niets bekend. Wel wordt vermeld dat, toen in 1202 oen
einde was gemaakt aan \'t rijk van dien chrUtenvorst in
Azië door don tataarschen Khan Temitrfschin, doze onder
den naam van Dschinffiakhan huwde met do dochter van
den verdreven vorst (waarschijnlijk Johnnnes IV). Zio
Noandor, Allyemeine Geschichte der Christlichen Religion
und Kirche.
bd. VII, bl. 57 — 60; Herzog Real-Encyldopiidie
VI, 765—767; Oppert Der Priester Johannes in Sage und
Geschichte,
en Winkler Prins\' Encyclopedie IX, 94è.
-ocr page 121-
117
verH 1091 — 1119.
De hier genoemde veldslagen en belegeringen bobben
allo plaats gohad ;n ,]en Spaanschen succcssio-oorlog. Het
gevecht bij Eekeron bad plaats in 1703, de inneming van Luik
in 1702, van Hoei in 1703 en van Keizerswaard in 1702;
liet gevecht op den Schellenberg in 1704, de inneming
van Roermond en Stevenswaard in 1702, de slag bij Hoch-
ttet in 1704, bij Ramillie in 1706, bij Turin in 1706, bij
Oudenaarde in 1708, de inneming van Meenen en Dender-
nionde in 1706, van Doornik in 1709, van Rysel in 1708
en van Aath in 1706, de slag bjj Malplaquet in 1709 en de
inneming van Bergen eveneens in 1709. Zie Groen v. Prin-
sterer, Handboek der Gcsch. r. h. Vaderland, 4»\'<-\' druk,
1)1. 410 vlgg.
vers 1163.
Bjj Mr. N. de Roever Van Vrijen en Trouwen, bijdrage
tot de geschiedenis van oud vaderlandsche zeden, lezon
wij, bl. 109 vlgg.: „Hetzij om don te goeder trouw go-
knoopten band to versterken, hetzij om bij mogelijk geachte
ontrouw een bewijsstuk by do hand to hebben togen do
partij, die zich aan belofte noch eed liet gelegen zijn, diende
de trouwbelofte op schrift of mondeling met overgave van
oen godspenning. In het stuk der vrijage is er geen ge-
wichtiger moment dan hot geven van die trouwbelofte.....
Do bechtste trouwbelofte was natuurlijk de schriftelijke.
Daarvoor bestond geen vast formulier; ieder schroef zijne
verklaring zwart op wit, met zoovele bindende woorden
als hem uit den grond zijns harten opwelden. .. Jonge-
lieden, die bijzonder verliofd waron, prikten zich een ader
open en schreven heol de verklaring of de ondertoekening
alleen met hun hartehloed, waaraan men grooto kracht
toekende, vooral als daarmede ovor den vorbreker allerlei
^vervloekingen en verschrikkingen der hel worden afge-
*meekt..... Waren do schriftelijke trouwbeloften krachtig,
niet minder waren het do mondelinge, maar het was moeie-
lijker zo te bewijzen..... Het eenig bewijs, dat er dan in
-ocr page 122-
118
den regel van de gegeven trouwbelofte, den gesloten trouw,
bestond, was de penning, met welker overreiking de mon-
delinge verklaring was gegeven. Die ovorgoreikte ponning
was lietzelfde, wat wij nog in onzon tijd herkennen in den
„godspenning", waarmede dienstboden gebuurd worden, en
die in workolijkheid niets anders is dan het bewijs van de
gesloten overeenkomst. De overgoreikte ponning kon iedere
munt zyn, welke ook, een of meer, onverschillig of ze van
goud, van zilver of van koper was, enz. enz..... Altijd echter
had men geen geld in den zak. Bepaald was dit ook niet
noodig. Met een ring, met oen vingorhoed, mot een zakdoek,
met een paar kousebandon, ja zelfs met een paar hazel-
noten of een stuk koek kon men een meisje „trouwen".
Zie ook Halbertsma, Letterkundige Naoogst, hl. 181 vlgg.
vers 1362.
Bjj Ter Gouw, De Volksvermaken, leest men, bl. 224:
„Do Pinksterbloem, die in de oostelijke gewesten van ons
iand de Pinksterbruid boot, was van ouds de liefelijkste
verschijning bij do Pinkstcrviougd, maar jammer is \'t, dat
al wat wij ooit van do Pinksterbloem gezien hebben on
wat ons van haar is overgeleverd, ons, niet meor het ware
beeld, maar slechts de karikatuur vertoont. Do Pinkstor-
bloem was oudtijds een koningin — sedert eeuwen reeds
is ze oon bodelaarster geworden, \'t Schijnt dat het oude
vrolijke volksfeest reeds in do zestiende eeuw ontaard en
aan \'t gemeen overgelaten is."
„\'t Schoonste meisje van \'t dorp word op dat feest met
bloemen versierd on gekroond; de deur harer woning werd
met kamperfoelie en rozen omkranst, haar pad met made-
liefjes on boterbloemen bestrooid. Elk bragt baar zgno
hulde, on de jongelingen wedijverden om hare gunst. De
moedor was er trotsch op, wier dochter zulk een eer ten
deel viel. En zij, die in hare jeugd oenmaal Pinksterbloem
was geweest, droeg daarop in haren ouderdom nog roem, en)
vertelde \'t aan hare kleinkinderen.".....Do Pinksterbloem
tooide zich met allerlei geleende sieraden als zilveren bellen,
-ocr page 123-
bloedkoralen kettingen,, bloemen               f-sjwefd, soo rond-
^edragen langs do nttzw,uWMer!Si#£, piider Jh^t zïn,gen vau
een liedjo bedelde. Die liedjes waren oude \'MrfKaliéderen,
doch zoo bedorven, dat niomand or iots van begreep. Zie
vorder Volksvermaken, bl. 223—229 en G. J. Boekenoogen,
linze Rijmen, bl. 61.
vers 1457.
Geen zin in horens hebbon wil zeggen: geen lust hebben
om horendrager te worden (fr. cornn). De oorsprong dozer
benaming is onbekend. Jlen heeft gewezen op het in do mid-
ileloeuwen door de vrouwen gedragen hoofdtooisol, do cornet-
muts, doch terecht is hiertegen ingebracht, dat wanneer
(ie man dat kleedingstuk droeg, hij do rol der vrouw in
huis vervulde, on daarom nog geen bedrogen echtgenoot
bohoefde to zjjn. Bovendien treft men b\\j Artemidorus, een
Grieksch sckryver uit de tweede eeuw na Chr., de uitdruk-
king in denzelfden zin aan. Wellicht is die naam door het
Komaansch het Gormaansch binnengedrongen. Zie hierover
een artikel van K. O. Meinsma in Taal en Letteren IV,
W. 177—186 en 203—216.