-ocr page 1-
ntf
j00ty-
^r^,
1           *V
^tS
* "%•►*, i
, i t
fmifri-i\'\'-> _.i i -m_____.________i
-ocr page 2-
w\\y/l \\o^g5
i
-ocr page 3-
—
-ocr page 4-
-ocr page 5-
WOUTERTJE PIETERSE.
-ocr page 6-
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
I I il I I I I I I I II II
A06000006228690B
0622 8690
-ocr page 7-
QCA38l£ -£
\'KJ\'
DE GESCHIEDENIS
VAN
WOUTERTJE PIETERSE
DOOR
MULTATULI
Uit zyn Ideën verzameld door zyne Weduwe
Eerste Deel
AMSTERDAM
UITGEVERS-MAATSCHAPPY »ELSEVIER»
_______i8qo__________
BIBLIOTHEEK DER
RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT
-ocr page 8-
-ocr page 9-
VOORWOORD
VAN DE VERZAMELAARSTER.
De eigenaars van Multatuli\'s Ideën, de Uitgevers Maatschappy
Elsevier, wenschten de geschiedenis van Wouter Pieterse afzonderlyk
te doen verschynen. Reeds by het leven van den Schryver was
herhaaldelyk over zulk een plan gesproken, maar hy kon niet be-
sluiten daaraan mede te werken. Hy verlangde toch dat zyn ge-
schriften zouden ontvangen en gelezen worden zoo als hy ze geschreven
had; bovendien zag hy er bezwaar in de Wouter-geschiedenis
op een bevredigende wyze uit de Ideën te lichten, te scheiden van
de uitweidingen waartoe ze aanleiding gaf.
De overige Ideën toch en die waarin ons Wouters geschiedenis
meer concreet verhaald wordt, zyn nauw verbonden. Samen ontstaan
zyn ze soms zoo ineengevlochten, dat er van een grenslyn geen
sprake kan zyn. Andere malen is er geschetst met zoo breede
trekken, dat men voortdurend weifelt by \'t hanteeren van de schaar,
wier snede alleen een scherpe scheiding maken kan.
Intusschen het gold hier een plan dat ik ongaarne door anderen
verwezenlykt zag en zoo aanvaardde ik de taak, die ik my beyverd
heb zoo goed mogelyk te vervullen. De welwillende lezer wordt by
het beoordeelen van myn arbeid verzocht de vele moeilykheden in-
dachtig te zyn. Dat ik naar eigen meening niet geheel slagen kon
wist ik vooruit, en het zou niet de minste vrucht van myn arbeid
wezen zop het gebrekkige er van dezen of genen nopen mocht de
»Ideën" zelf ter hand te nemen.
-ocr page 10-
IV
VOORWOORD.
Herhaaldelyk heeft men my de hoop te kennen gegeven dat ik
iets naders mocht kunnen mededeelen omtrent de plannen die
Multatuli met Wouter had.
Welnu, dit is het geval niet. Den schryver zelf zweefde zyn plan
alleen in breede trekken voor, al was \'t hem tegelyk een kader
waarin hy veel beelden vatten, veel ideén op de hem eigene wyze
in het licht wilde stellen.
En wat die breede trekken van zyn plan betreffen, die heeft hy
ook den lezer in staat gesteld te kennen. In Idee 528 noemt hy de
Woutergeschiedenis »een epopee waarin hy den stryd schetsen wilde
van het goede in den mensch tegen de boosheid, de reuzenstryd
van ware heilige poëzie tegen \'t leugenproza dat ons de wereld voor
waarheid geeft."
Elders schreef hy:
„Myn voornemen was in den „Wouter\'\' \'n schets te geven van den
„stryd tusschen laag en hoog, tusschen zielenadel en ploertery. W011-
„ter is eene nieuwe — en hetere!— h\'uttut, een Don Qtiicliot naar den
„geest.
,,Ontevredenheid met ui\'n Publiek — dat niet lezen kan — belette my
„telkens voorttegaan. Ik durf me vleien met de meening dat het nage-
„slacht dit jammer vinden zal!"
En op het einde van den vyfden Bundel zyner Ideén:
„Maar... de Woutergeschiedenis is geen roman, en geen enkel „geacht
„tydschrift\'\' heeft tot-nog-toe gezegd wat ze dan wél was.
„Ikzelf zal dus genoodzaakt zyn dit den lezer meetedeelen, en hoop
„dit dan ook later te doen met woorden van Lamartine die, naar me
„dezer dagen bleek, met de grootste nauwkeurigheid voorzien heeft —
„dichterplicht! — wat er geleverd moest worden, of althans wat ik zou
„trachten te leveren. Dat ik de hier bedoelde woorden nu niet aanhaal,
„heeft z\'n reden. Ik zal my later daarover verantwoorden, want de lezer
„heeft er aanspraak op, te weten wat ik wilde voortbrengen, om \'n
„maatstaf te hebben ter beoordeeling of ik geslaagd ben.
„Dit laatste is tot-nog-toe gewis het geval niet!\'\'
De hier bedoelde woorden van Lamartine komen voor in zyn
studie over Milton, en luiden:
»S\'il reste une epopee a faire aux poëtes futurs, c\'est 1\'épopée intime
du coeur humain. Un vaste poëme qui prendrait 1\'homme a sou
berceau, qui Ie conduirait a la tombe, a travers les vicissitudes,
tour a tour heureuses ou misérables, de Pexistence ordinaire des
hommes, qui peindrait la naissance, les ages, la familie, Ie toit
domestiques, les tendresses, les délices du foyer, la religion, les pay-
sages, les professions, les métiers, les rencontres, les séparations,
les amours, les obstacles, les déchirements, les joies, les agonies, les
résignat.ions, les morts de 1\'espèce humaine, et qui ferait jailler de
-ocr page 11-
VOORWOORD.
V
ces scènes vulgaires tous les sentiments, tous les cris, toutes les
larmes du coeur humain, un tel poëme, encadré par un pinceau
vrai et pathétique dans les magnificences et dans les tristesses de
la création matérielle serait 1\'épopée du sentiment, Ie poëme de
1\'horame, les fastes de 1\'Ovide de la civilisation moderne. Le poëte
qui tenterait de le chanter aux hommes de nos jours n\'aurait pas
besoin d\'autre surnaturel que la création, d\'autre merveilleux que
1\'infini, d\'autre fable que la vérité, d\'autre lyre que son propre
coeur. Celui-la serait lu dans le palais et dans la chaumière, dans
le camp et dans 1\'atelier, dans 1\'opulence et dans la misère, jus-
qu\'a ce qu\'un nouvel ordre de sociétë eut transformée les condi-
tions humaines, les hommes et les choses, en une autre civilisation
inconnue qui créerait a son tour une nouvelle epopee.
Ni Milton ni Voltaire n\'ont rien congu de pareil: voila pourquoi
la Henriade est surannée et pourquoi le Paradis perdu n\'est plus
qu\'un monument de bibliothèque. La poésie court les rues, et les
poëtes vont la chercher dans les nuages. Heureux celui qui la retrou-
vera oii elle est, c\'est-a dire dans la vérité et partout! Celui la
n\'est pas né encore."
Iets nader omschryft Multatuli zyn plan met Woutertje in een
brief aan Dr. V. Bruinsma van 29 Nov. \'74 waarin hy zegt:
„Laat V. A. zich tuch niet storen aan vermeende nietigheid van stand-
„pimt. Geloof toch niet dat een knoeiministertje hooger staat! Dat ik
.,Wouter beklaag, en ilue beklagen ligt in zyn onkunde. Zoodra hy weten
„zal dat er geen hoog of laag is, moet-i de kracht hebben, zich gelukkig
„te voelen in die zoogenaamde laagte. Mn plan is hem al hooger en
„hooger te laten rondkyken, en, overal dezelfde beroerdheid vindende,
„moet hy inzien dat de bron van ware hoogheid in hemzelf ligt. Ge
„vraagt naar \'t slot van de tweede aflevering van Uundel VII? Wel,
„Wouter vindt by vrouw Clous prinses Krika die, ontevreden als hy, met
„haar zoogenaamd hooge omgeving, wat degelyks in \'t zoogenaamd lage
„zocht. En... ze bedriegt zich even als hy. Ook zy komt tot de slot-
„som dat de ware roeping van den mensen, is mensch te zyn, en de
„rest gekheid, kinderachtigheid,
„Die twee kinderen maken dezelfde ervaring. Hy stygt en zy daalt
„om een beter standpunt te vinden. Maar \'t ligt niet in dat stygen en
„dalen. Men moet inwendig zoo stygen dat alle standpunten ons voor-
„komen gelyk te zyn. Een man in den luchtbol kan geen onderscheid
„waarnemen tusschen \'n tamboer-majoor en \'n dwerg."
Ziedaar wat Multatuli had willen doen, wat hy in zich voelde te
kunnen, wat hy ook begonnen is, maar wat onvoltooid bleef liggen,
daar, zooals wy straks aanhaalden, de ontevredenheid met zyn pu-
bliek hem het voortgaan belette.
Op vele plaatsen meer heeft hy dit gezegd. Elders haalde ik een brief
aan van Sept. \'76 aan den heer Funke, zyn uitgever, waarin hy zeide:
-ocr page 12-
VOORWOORD.
VI
„De oorzaak van de Stagnatie in Wouter moet ge zoeken by de van
„Vlotens, en by de wys waarop de pogingen van dezulken by tpubliek
„worden opgenomen. Ze hebben myn indruk bedorven."
In December \'82 schreef hy aan goede vrienden :
„Het voortzetten en afmaken der geschiedenis van Woutertje wordt
„belemmerd door de bitterheid, die my beheerscht. Ik ben te subjectief
„te veel J>trsoon, en te weinig schryver of kunstleverancier, om m\'n eigen
„aandoeningen aftescheiden van m\'n werk, en \'t spreekt van zelf dat
„ik tengevolge daarvan of niets voortbreng of iets verkeerds."
Geheel in overeenstemming hiermee is de klacht die hy in dien-
zelfden tyd aan andere vrienden uitte:
„Met welk genoegen zou ik m\'n Wouter-geschiedenis afspinnen, als ik
„\'t besef had slechts gelezen te worden door vrienden!
„Moet ik niet nu by elke zinsnede verdacht zyn op misduiding ?
En inderdaad, wie Multatuli kende kon in de laatste jaren alleen
twyfelend hopen, op een voltooiing van de Wouter-geschiedenis.
Minder nog omdat by het steeds breeder worden van den opzet die
voltooiing zulk een reuzenwerk scheen, — want dit bezwaar zou er
eigenlyk voor hem geen geweest zyn, •— dan wel om zyn doorgaande
stemming.
Zoo dikwyls hy zich in \'t laatste tiental jaren — om den broode
altyd\\
— tot sehryven dwingen wilde, werd er van buitenaf op
het voortzetten der Wouter-geschiedenis aangedrongen.
Nu goed, Woutertje dan ! zeide hy, \'t zy zoo! — Het eerste wat
my nu te doen staat is te probeeren er weer in te komen....
£n dan aan \'t lezen!
Maar och, telkens overmande hem by dat bladeren en turen in
zyn zeven bundels Ideén een treurige moedeloosheid vol bitterheid.
—  Kyk dat, en dat, en hy wees de bladzyrlen aan, heb ik het
niet daar gezegd zoo goed ik kon, en heeft het iets gebaat ( Ik
vraag mezelf af: welke reden is er te denken, dat ik me nu beter
verstaanbaar zou weten te maken by dat inerte publiek? Geene
immers !
En hy haalde zich al den gloed en al de bezieling voor den geest
waarmee hy de vorige bundels geschreven had, en vergeleek daar
mee hoe ze ontvangen waren, dat ontnam hem lust en moed, en
de vreugde in zyn arbeid. Hy wierp dan zyn ideën weg, en zat
zwaarmoedig neer op zyne gedachten te turen, totdat hy eindelyk
om het evenwicht in zich zelf te herstellen naar cyfers en figuren
greep.
—  Want, zie je, die cyfers liegen niet! kon hy dan zeggen juist
-ocr page 13-
VOORWOORD.
VII
op dien toon en met die woorden als de lezer dat vinden kan in
Idee 528.
De laatste maal dan ook toen hy zich weer tot willen dwong,
schreef hem een vriend : »als het u ernst is, en ge werkelyk voor
de pers schryven wilt, laat ik u dan toch mogen raden iets nieuws
op te zetten. Een betoog, een verhaal, wat ge wilt, maar iets nieuws
dat u niet dwingt met uwe gedachten terug te gaan naar vroeger
arbeid, die u steeds bedroeft."
— Daarin kan je wel gelyk hebben, zeide hy. Ja, die raad is
verstandig !
En hy zette iets nieuws op touw, maar na weinig bladzyden
schrifts moest hy de pen uit de hand leggen voor altyd.
Multatuli wilde in zyn Wouter hoog en laag omvatten in één
greep. Prins Wouter zweefde omhoog, en het was hem wèl, by
zyn vorstelyke moeder, de geesteskoningin A— 00, maar hy leefde
in een bedrukte sfeer. De auteur zegt hiervan: a)
„Het is niet zonder doel dat ik den held van m\'n verhaal liet geboren
„worden in den kring van burgerlyke bekrompenheid. Bekrompenheid
„naar ziel en lichaam beide, want er bestaat \'n zeer innige verwantschap
„tusschen de benauwde tweede-achterverdiepingsche denkbeelden, en de
„bekatechiseerde stotlerigheid van zoon omnibus bedstede. Alles is in
„alles.
Begrippen van deugd, zedelykheid, godsdienst, zyn veelal geschoeid
„op de leest van de ruimte waarin men zich bewoog.\'\'
En gaf dan ook als Motto voor zyn AVoutergeschiedenis aan : b)
„Een parelduiker vreest den modder niet.\'\'
Wat de vraag aangaat in hoeverre de Woutergeschiedenis op
waarheid berust, hierop heeft de schryver zelf geantwoord. In een
noot zegt hy: c)
„De door sommigen geopperde meening dat de Wouter-geschiedenis
„myn biografie wezen zou, is bespottelyk van ongerymdheid."
en in een andere noot d) waarin hy de amsterdamsche poort
noemt, waarvan in de tekst sprake was, laat hy dan volgen:
a)     In Idee 401.
/>)     In Idee 1209a.
e)     By Idee 363.
<l)    Eveneens by Idee 363\'
-ocr page 14-
VIII
VOORWOORD.
„Men zou zich vergissen als men uit het opgeven der namen van de
„beide poorten, de slotsom trok dat de Wouter-geschiedenis nuchtere
„waarheid behelsde, naar den zin van onzen Droogstoppel. Ook die soort
„van waarheid is er in, doch zelden. De strekking is waar in hooger
„beteekenis."\'
Men herinnere zich hierby zyn :
„Lasteraars en dichters scheppen niet, ze rangschikken." a)
In Idee 1048a waar hy Wouters geschiedenis onderbreekt, om
zyn :,Salomons-recht" te verhalen zegt hy:
„Deze tusschengeschiedenis wil ik even vertellen. Ze behoort in zoover
„tot de Wouter-epopee, als__als ... Nu ja, al behoorde ze daarin niet,
„ze zal er toebehooren, zoodra ik haar by \'t behandelen van m\'n studie-
„exemplaartje een plaats geef. Misschien heeft ook hy wel eenszoo-iets
„beleefd... \'" />)
Om intusschen iets naders te geven wil ik een kort uittreksel
aanhalen uit een brief dien Multatuli aan my richtte in Augustus van
\'t jaar 1864, toen hy bezig was met het schryven van den tweeden
bundel zyner ldeën, en het plan had de Wouter-geschiedenis daarin
te hervatten.
„Wouter staat tot my, schreef hy, als Voute tot Droogstoppel. Zie myn
„preek over modellen. Myn moeder was geen jufvrouw Pieterse. O, by
„ons was \'t heel fatsoenlyk en niet zoo burgerlyk, maar de strekking is
„«aar en soms meer dan de strekking, \'t Is waar dat ik van die pooit
„sprong in kathechisatie-tyd, en dat m\'n toon me pyn doet als \'t regenen
„gaat. Kn myn broer de dominé had iets van Stoll\'el. Onze huisdominé
„verstond grieks, o! Kn hy kwam by ons en bad voor m\'n ziel. Als we
„\'t zanten lezen zal ik je alles precies zeggen: dat is waar in strekking,
„dat in feit. De pepermenthandel is letterlyk waar. Die jongens heetten
„Haverkamp, en dat ik een gulden stal is ook waar, en dat ik onnoozel
„was en verheven tegelyk is ook waar, en dat ik altyd in allerlei angsten
„zat voor god en zoudighedens is ook waar. Maar 1\'ennewip is lictie.
„Ik heb om latitude te houden Wouter een vyftig jaar terugyeschoveu,
„dat is 0111 vryheid te hebben hem te volgen tot zyn dood toe. Zie je,
„anders zou ik eindelyk stuiten op vandaag. Ik kan toch niet als in de
„boeken van Mozes, zeggen dat Mozes dood was.
„Wouter is me een kader waarin ik alles zeg wat ik wil. Ik heb \'t
„heel breed in m\'n hoofd, je zult er plezier van hebben."
Aan den heer Vosmaer schreef hy, doelende op een vrouw die
in zyn jeugd by zyn moeder als naaister aan huis was geweest:
a)    Idee 244.
b)    Ik heb deze episode, tot myn spyt niet knnnen inlasschen in de geschie-
denis van W. P. daar ze in \'t verband niet past.
-ocr page 15-
VOORWOORD.                                                         IX
„Zy beweert gezeten te hebben voor .. . Leentje uit den Wouter. Dit
„is maar zeer gedeeltelyk waar. maar iets er van wel. Als ik vroeger a)
„in Amsterdam in \'t publiek iets te vertellen had. kreeg zy altyd een
„kaartje, en dan zei ze aan wie t hooren wou: ik ben I.eentje! Dit
„nu kan me niet schelen, als men maar niet daaruit het besluit trekt dat
„ik Woutertje ben. en dat m\'n moeder jufvrouw Heterse is. Dit zou me
„spyten, want het is niet waar. Jufvrouw Pieterse weet nooit wat ze zegt,
„en dit wist m\'n moeder juist zeer goed."
By het teekenen van Femke, speelde den schryver een lieve hei-
innering uit zyn kindschheid voor den geest, üat meisje is jong
gestorven en hy doelt daarop waar hy zegt: b)
„Waarlyk als \'t my niet stuitte kool te planten waar graan noodig is,
„of Oktober een plaatsjen aan te wyzen vóór Maart ... och dan was
„onze Femke reeds lang grootmoeder, zy die in werkelykheid nooit
„moeder geworden is, gelyk den lezer bekend kan worden als-i doorleest."
Pastoor Jansen dankt eenige lynen aan een domine van een
Noordhollandsch dorp, die nu en dan een paar dagen in A msterdani
kwam doorbrengen en dien Multatuli, toen hy in de eerste jaren
van zyn optreden als schryver, veelal daar vertoefde, dan dikwyls
ontmoette. Het bleek dan wel dat deze domine geen zeer geloo-
vig Kristen was, en Multatuli had hem daar meermalen een ver-
wyt van gemaakt, wat hy dan zwygend en byna schuchter aan-
hoorde. Maar eens kwam hy aan \'t vertellen van zyn omgang
met de boeren, hoe hy hen aanpakte en hy geraakte in vuur by
\'t vermelden van een voorval waarin hy een domme ryke boer
door ruwe woorden en bedreigingen met hel en verdoemenis ge-
dwongen had het goede te doen. >.Zie je wel, had hy toen, tot
Multatuli gericht, er op laten volgen, zie je, dat wy toch ook nog
wel eens iets goeds kunnen doen ?"
— »Ja, je hebt gelyk, kerel! en ik had ongelyk je lastig te vallen"
antwoordde deze, en hy verwerkte dezen indruk in Pater Jansens
preek over Trineke, want dat dit verhaal de door J ansen toegezegde
preek was kan den lezer bekend zyn. c)
In een brief van Nov. \'76 schreef Muit. aan den heer Funke:
„Ik ben bly dat pater Jansen 11 bevalt, en z\'n komieke Styutje. Maar
„zouden de roomschen daarmee ingenomen zyn ? Ik dacht van niet. Zulke
„schetsen ontheiligen dunkt me, hun zaakje. In plaats van zich gevleid
„te voelen door pater Jansens innige braafheid (hy is eigenlyk wat
„onnoozel om positief braaf te wezen) zullen ze \'t (zoo dacht ik) kwalyk
„nemen dat ik de deftigheid van \'t geloof naar beneden haal, want in
„hun oog (gelyk by alle sektenlui) gaat het standje boven \'t zedelyke,
a) Deze brief moet in 1873/74 geschreven zyn.
6) In Idee 1067.
\'\') Zie de noot by 1120.
-ocr page 16-
X                                                   VOORWOORD.
„ja zelfs boven hun god. Nu dit is me byzaak. Waarheid is dat ik in de
„katholieken wat meer poëzie vind, juister: iets wat gcpoëtiîrd ivordtn
„kan,
dan by de protestanten. Toch krygt eerlang ook de orthodoxie
,,\'n beurt. Vertelde ik u wel eens van die blikslagersvrouw\' die me be-
„keeren wou ? Ze woonde op \'n hoek van \'n hoofdgracht (heeren- of
„keizers-J en de ... straat. Run? Kee ? Wolven ? Och, dat oude vrouwtje
„was zoo lief en zoo gemoedelyk, en zoo overtuigd! Ze begon met me
„een standje te maken over den titel van de „Bruid daarboven\'. ,,Daar-
„boven wordt niet getrouwd"\' zei ze. Aan de wereldsche notie van dat
„stuk was ze gekomen door haar zoon die op \'n kantoor was.\'
Naast pastoor Jansen stelde hy zich voor pastoor Vink uitvoerig
te teekenen, deels met kleuren die hy ontleende aan bisschop Mel-
chers van Keulen. By \'t verhalen van Kruger dacht hy aan den
Praefectus Apostolicus Scholten a) enz. enz.
Ja, enzoovoorts! Want waar zou ik eindigen als ik op deze wyze
voortging r
Vóór de zeventienjarige Eduard Douwes Dekker door zyn vader
op diens schip werd medegenomen naar Indië, bracht hy een paar
jaar door op een kantoor waar, als by Kopperlith, gehandeld werd
in jkrieweltjes" en slangetjes\'\', in »wittegrondsdriekleur\'\' en »die-
metten," en veel van wat hy by de Kopperlith\'s beschryft is nagetee-
kend uit zyn herinnering. Hy schreef hiervan eens aan Vosmaer:
„Ziedaar nu, ik zit met m\'n Wouter in \'n allerordinairste historie
„welker eenige eisch is: correctie van teekening tot het minutieuste toe.
„Ik kan daarby vlucht, noch geestdrift gebruiken, niets wat naar uw
„kunstenaar zweemt die \'n beeld houwt uit het blok waarop de jakobs-
„ladder rust.\'\'
Maar hetzy de voorstellingen uit Multatuli\'s jeugd meer of min
tot grondslag dienden voor zyn verhaal, er komen in de beschryving
van Wouters aandoeningen stukken voor, die den schryver uit de
ziel gegrepen zyn. Zie byvoorbeeld waar hy zyn heldje balen laat
pakken, b) Voor wie Multatuli kende is hy het zelf die daar bezig is
handig en volyverig. zoodat de op zich zelf weinig verheffende ar-
beid, door zyn animo gepoetizeerd werd. My komt daarby een
passage uit den vierden bundel zyner Ideën voor den geest, waar
hy P.rata Yoeda zyn trots benydt over het welslagen zyner vlotten,
en hem aanraadt terug te keeren tot het houtkappen aan de oevers
van de Brantas. c) In overeenstemming met zulke indrukken was
zyn ingenomenheid met handenarbeid. Hy plakte en timmerde
en knutselde gaarne. Zoo schreef hy o. a. eens aan Vosmaer:
a) Zie Idee 995.
I>) In Idee 1227.
c) Men leze Idee 1027 en 1029.
-ocr page 17-
XI
VOORWOORD.
„... Ook heb ik veel tyd verbeuzeld met spykers inslaan en zulke
„dingen. Dat stemt contemplatief en bederft voor uiting, \'t Verwondert
„my dat er zoo weinig wysgeeren onder de ambachtslieden zyn, en men
„doet verkeerd Spinoza te beklagen omdat-i brillen sleep. Juist zulke
„arbeid laat het denkvermogen den vrijen loop. maar nog eens het staat
„de uiting in den weg. Als ik drie dagen getimmerd heb dan heb ik
„zoo\'n lust honderd jaar te leven om iets tot klaarheid te brengen. En...
„en... dat is de stemming niet om vellen druks te leveren!"
Ook komt my het volgende uittreksel van een jaar later karak-
teristiek voor:
„... Dat blaadje dan kwam niet verder omdat ik door \'n oneffenheid
„in de plankjes die \'t blad van m\'n tafel maken kriegel en zenuwachtig
„werd. Dit had me al lang gehinderd, maar gister.. .
„(zeker had ik geen lust in zitten of schryven en zocht ik \'n pretext.
„Ik kan redenen vinden waarom ik geen lust had te schryven, o. a.
deze dat ik niet tevreden was over myzelf .. nu, als dat \'n grond
was om aftebreken dan kwam ook deze brief nooit klaar, engééne!)
„Goed! ik stond op en ging aan \'t timmeren, en wurmde met die
„plankjes. Ze waren •— als zeker geslacht! — krom en verdraaid. Ook
„deugden m\'n spykertjes niet. En ik wurmde en tobde en werkte my
„in \'t zweet, en toen ik eindelyk gereed was met niet klaar zyn — m\'n
„tafel is even krom als te voren. Wacht maar, als ik \'n schaaf heb! —
„enfin toen was \'t laat genoeg om \'n pretext te hebben niet weer te gaan
„zitten."
De Woutergeschiedenis is opgezet in den eersten Bundel Idefin in
1862 ; ze werd in \'64 in den tweeden Bundel vervolgd, en eerst na
de voltooiing van Bundel IV beloofde de schryver aan den heer
Funke, zyn toenmaligen uitgever, dit verhaal in den Vden Bundel
te vervolgen. Ook in den VIden en Vilden Bundel die met korter
en langer tusschenpoozen verschenen a) hield hy zich in hoofdzaak
aan deze belofte. Het laatste gedeelte verscheen in \'77.
Ziehier ten slotte nog eenige korte aanhalingen van wat Multa-
tuli gedurende het verschynen van de Woutergeschiedenis aan den
heer Funke betreffende zyn werk schreef.
Zoo vind ik van 4 Febr. \'73 by" de copie van vel zes van den
vyfden Bundel, later Idee 1051 a, b, c.
„Tk heb erg gesukkeld met dit vel, door lezen in Wagenaar en Melis
„Stoke. Als ik lees raak ik myn gedachten kwyt..........
„Schoon vel 2 en 3 ontvangen. Dank, die zijn heel mooi, ze zien er
a) Zie myn noot by Idee 1250.
-ocr page 18-
VOORWOORD.
XII
„zoo aptytelyk uit niet waar ? Ik heb gelachen om m\'n eigen arabieren
„Die historie is waar, weet je.
Van 7 Juni \'73.
„Ik heb lust u \'n genoegen te doen en zie er kans toe, onthoud dit
„eens, en zeg over 2 maanden of ik niet m\'n woord heb gehouden ?
Van 12 Juni \'73. By het eerste vel van Bundel zes.
„In Wouter zal weldra gunstige melding worden gemaakt van een
„ouden roman van Lafontaine. nu lang uit de mode en aan \'t tegen-
„woordig geslacht onbekend. Zoudt ge denken dat een nieuwe vertaling
„daarvan goed zou zyn ? Ik zal hem in de Ideën zeer gunstig bespreken
„en de oude slechte vertaling van 18.. (10. 12? zal wel „verschwun-
„den\'\' zyn.
„Zoo ja, dan zal (X) de vertaling maken. De roman is lief en door
„de oudheid nieuw. Ik bedoel Herman Lange."
Van 13 Juni \'73:
„Och de verrassing (zooals ge \'t noemt. Heb ik dit woord gebruikt?
„Het drukt meer uit dan ik bedoelde.) Ze komt alleen neer op \'t plan
„om met zeer grooten spoed voorttewerken aan Wouter, alleen aan
„ Wouter! Ik dacht dat het u als uitgever aangenaam wezen zou (na
„komkommertyd ?) in eens den VI bundel, en misschien den VII — al-
„leen over de W..geschiedenis handelende — klaar te hebben. Dat ik
„u dit aanrekende als pleizier, was omdat ik van zooveel zyden aanvraag
„kryg om \'t vervolg op die historie.
„Rechtstreeks toegeven in den wil van m\'n Publiek kan ik niet, dit
„zou me terstond verlammen. Maar wel heeft de manier waarop men
„iets ontvangt, invloed op m\'n stemming. En door \'t vragen naar Wou-
„tertje waarin veel belangstelling doorstraalde, werd m\'n stemming zooals
„ik noodig had om \'t te doen. Vandaar het slot van den vijfden bundel.
„Het is komiek dat Flanor a) de Wouter-gesch. „beroemd" noemt. Ei?
„Dit is dan de „stille faam" waarvan Louize in Vorstenschool sprak, i)
„Want publicistisch gesproken heeft men van Wouter zoo min notitie ge-
„nomen als van de zeeziekte-geschiedenis (die ook „beroemd" is.) Dit
„is \'n aardige bydrage tot de onmacht van \'t doodzwygen. Wouter is be-
„roemd zonder besproken te zyn. Tant mieux."
En van 4 Sept. \'73.
„Waarde Eunke, Gelyk met dezen gaat proef van vel n. Proef, revisie
„en de zeer mooie schoone vellen (ik heb reeds tot 8) alles gaat perfect,
„dunkt me. Op bl. 93 regel 3 is \'n foutje gebleven: „gewezen", en genezen
a) Een pseudoniem waaronder de heer Vosmaer in den Spectator schreef.
Dit was voor de persoonlijke kennismaking der beide mannen.
/>)
                          „— Fameuze zaken moeten ruchtbaar zijn,
Een stille faam is \'t ware niet. Spreek op 1"
-ocr page 19-
VOORWOORD.
XIII
„moest er staan — maar dat is menschelyk. Met het geheel moet gy.
„dunkt me, eer in leggen. Ik hoop en.... verwacht dat ge tevreden
„zult zyn met \'t debiet. Ik wensch u hartelyk satisfactie toe (en wat
„ruim als \'t kan) van uw eeuwig betalen en uitschieten. Zeer goed begryp
„ik dat ik niet de eenige ben die u plukt. Papier en druk moeten ook
„betaald worden. Toch I en ik gerust dat gy later een goed eigendom
„aan dat alles hebben zult.
„Ronduit gezegd heb ik \'t, in dezen bundel vooral, wel wat op debiet
„toegelegd. Dit was de verrassing die ik u eens in een vorigen brief
„toedacht. Op kommando iets te leveren kan ik niet, maar myn eigen
„stemming bracht mee de kopie nu eens zoo te maken dat ze ook voor
„plezier-lezers pikant was. (Jewoonlyk stoor ik me daaraan niet maar
,,\'k zou \'t prettig vinden als me dit nu eens gelukt was. En zoo ja, dan
„moet men ook de vorige bundels koopen. Dat de aaneenschakeling
„van de Ideën menigeen van koopen afhoudt....
Van Sept. \'73.
„Ik verlang zeer naar \'t verschynen van de twee eerste afleveringen.
„Weetje wel dat die voetzoeker-beschryving mooi is ? Ik was \'t vergeten
„(dit gebeurt ma dikwylsi en had er plezier in toen ik de eerste proef
„kreeg."
Van 13 Nov. by Idee 1183 van Bundel VI.
„Ziehier de nog ontbrekende kopie. Goed is ze niet, helaas. Ik had
„juist van dat hoofdstuk: „Wouter krygt les!\'ai iets goeds willen maken.
„En ik kan nu niet. \'t Is nu geknoeid. Vandaar dat ik Wouter over
„een maand laat terugkomen.
„Zoo\'n van Vloten weet niet wat hy me aandoet. En ik mag het niet
„eens laten blyken, want dan gaan ze er op speculeeren. Ik ben er
„onwel van."
Van 22 Nov. \'73.                                      N-
„Ik mag me geen tyd gunnen tot het verzamelen van m\'n gedachten,
„en ben genoodzaakt slecht te werken. Vel 22 is slecht geschreven. 6)
„Is \'t niet jammer.\'\'
Van 12 Maart \'74.
„Als gy wist wat het my gekost heeft het u mondeling gegeven woord
„te houden dat ik in den Vden Bundel de Woutergeschiedenis behandelen
„zou! En dat wo.rd houden, is maar zeer betrekkelyk geweest! Dit
„besef drong my dan ook tevens den VIden Bundel a"an Wouter te beste-
„den, en ik erken daarby dikwyls gedacht te hebben aan uw debiet en
a) Zie Idee 1186.
i) Dit slaat op den eersten druk. Bedoeld wordt Idee 1184 vlgg.
-ocr page 20-
XIV                                                      VOORWOORD.
„aan \'f beantwoorden uwer voortdurende hartelyke welwillendheid. Maar
„. .. ook dit is \'n klip! Zoodia ik teveel toegeef in zulke beschouwingen
„ben ik vernietigd. Wat is nu te veel, wat is te weinig ? Aan koppig-
„heid heb ik \'n hekel......"
En nog een enkel woord van 12 Mei \'76. De tweede aflevering
van Bundel VII tot en met vel 13, dat met de eerste woorden van
Idee 1251 besloot, was toen sinds meer dan een jaar verschenen;
"het vervolg deed zich wachten:
„Van alle zyilen kryg ik isoms komieke) verzoeken om Woutertje niet
„langer voor gesloten blinden te laten staan. Uit klopt met uw wenschen
„en rechten.
„Ook ik verlang zeer naar \'t afmaken (en verder schryveni van de
„Woutergeschiedenis."
Deze laatste woorden beteekenden in Multatuli\'s mond: ik ver-
lang naar de stemming om dit te kunnen doen.
Maar daartoe was noodig liefde voor zyn publiek, de verwachting
verstaan en begrepen te worden, en deze beide dingen ontbraken
hem hoe langer hoe meer.
Reeds in zyn eerste geschrift, in den Havelaar, kan men, in verband
met de wyze waarop Multatuli en zyn werk door het beschaafde
publiek, waaraan hy zich wendde, ontvangen is, de voorspelling
vinden, hoe het met de Wouter-geschiedenis gaan zou. Havelaar
beschryvend, zegt hy daar: »Hy was geestig en onderhoudend wan-
neer hy voelde dat zyn geest begrepen werd, maar anders stug en
teruggetrokken,\'\' en eenige regels verder: >beschroomd en slecht
bespraakt waar hy meende niet begrepen te worden, maar welspre-
kend als hy gevoelde dat zyn woorden op willigen bodem vielen."
Want zoo waar en trouw deze geheele beschryving van Havelaar
was voor den persoon van Multatuli, zoo geldt ze evenzeer voor
den schryver, die geheel één was met den persoon.
De Wouter-geschiedenis kon niet voltooid worden omdat er zoo
groot verschil was in opvatting en gevoel tusschen den auteur en
zyn publiek.
-ocr page 21-
Wat poëzie, myn God, opdat ik niet verga van walging over
zooveel walglyks öm my!
Wat poëzie, myn God, al waar \'t ten-dank alleen dat zy U
schiep! Niet waar, ge zyt daar niet f Ge zoudt met almacht niet
zoo werkloos zyn ? Ge zoudt niet rusten als \'n trage luiaard, die \'t
nuchter aanziet hoe de misdaad heerscht ? Hoe laagheid hoog
staat, en wat hoog is, laag?
Ge zoudt uw armen niet zoo vadsig kruisen, als ging \'t heelal, uw
maaksel, u niet aan ? Ge zyt daar niet, niet waar ? Als ge daar
waart, ge zoudt van-tyd tot-tyd uw vuist verheffen, en die dondrend
neerslaan op \'t verrot gebouw, dat zich \'n maatschappy noemt hier
beneden.
Wat poëzie, myn God, gy die door haar alleen bestaat, en in de
werklykheid u bezighoudt met nietsdoen ... fraai bedryf!
Ik werk, en sloof, en tob, met weinig kracht, en in uw traag-
heid ligt \'n Almacht braak! Dat is toch jammer van zoo\'n
almacht, vindt ge niet?
OPi °Pi gy g°d die niet beslaat, help mee! Steek uit uw handen,
sla eens rechts, en sla eens links, vóór, achter, overal, en wees
vooral niet minder in de daad, dan men u teekende in den bybel
myner jeugd.
Daar zat gy op \'n hoogen troon van wolken, en zaagt er grinv
mig en vervelend uit....
Om \'teven, er was handling in uw zyn. Ge waart vertoornd,
L
-ocr page 22-
MULT ATU L I.
jaloers, van-tyd tot-tyd. . . . soms grillig en geneigd tot boozen luim
— zooals te wachten is van oude goden die — zoo lang alleen,
en dus in slecht gezelschap, — zich vervelen.
Maar toch, al zaagt ge \'r niet beminlyk uit, toch voelde ik
eerbied, vrees, of wat het zy.. .. iets voelde ik, toen de baker my
berispte omdat ik vroeg of ze u gekend had zonder baard, en of
ge ooit jong geweest waart als \'n ander ?
Dat was verboden vragen, zei me \'t mensch, en \'k zou verdoemd
zyn als ik \'t weer vroeg, dacht ze. Goed! Ik hield die vragen vóór
my in \'t vervolg, en smoorde zucht naar kennis met de vrees dat de
aarde zich zou oopnen voor myn voet, zooals ie lezen staat in eiken
»Weg ter Zaligheid"\'.
Ook, meende ik, zou zich \'t vraagstuk of uw baard altyd zoo
lang geweest was, en zoo wit, misschien vanzelf verklaren als ik
groot was. .. .
Helaas, helaas, ik ben sints lang al groot, veel grooter zelfs dan
tóen die baker was, en nog is my die baard \'n raadsel... . alsgyzelf!
Maar tóen begreep ik u. Ik leefde met U, in u, en geloofde toen
ter-goeder-trouw dat gy ook leefde in my.
En als ik kwaad bedreef. . . o, weet ge \'t nog hoe \'k eens —
\'t was vreeslyk ! — op uw neus \'n bril geteekend heb met houtskool ?
Waarachtig, \'t was tot tydverdryf alleen, boos opzet niet! Een
kind verveelt zich soms, ja vaak, omdat z\'n ouders meestal bezig
zyn met andre dingen dan hun kindren.
Wat was ik bang! Hoe sidderde my \'t hart by \'t denkbeeld dat
men eens dien bril ontdekken zou, en vragen: wie toch heeft dien
bril op god z\'n neus gezet?
En... zonder dat die baker \'t feit ontdekte, gy die alles wist,
gy wist het en zoudt < toornen» branden, slaan met pestilentie of
wat anders.
Ik hoorde reeds de vraag: of ik verkoos myn eerstgeboorne te
offren aan uw wraak, dan of ik liever maazlen wou, of pest, door
\'t gansche land ?
Ik had gemazeld, god, en nog geen eerstgeboorne. Die keus was
licht alzoo. Maar pest ? Dat vond ik hard voor al het arme volk
dat nooit u iets misdeed, althans niets gruwlyks als het teeknen
van zoo\'n bril.
Wat werd ik bleek by \'t hooren der trompet, die eigenlyk maar
zei: de diligence is aan, doch my in \'t oor klonk als bazuin der
kind\'ren Assurs, die gy te-hulp riept om dien bril te wreken.
Daar rolden wagenen de stad in, vol van sterke mannen met
namen die niet uittespreken waren. En toen ik onze meid vroeg of
ze moed had om te slapen by \'n vreemden heer, vyandlyk generaal,
en my diens hoofd te brengen in \'n zak. als Judith ?.. . zei ze: né!
-ocr page 23-
WOUTERTJE PIETERS E.                                      3
Ik wist geen raad, o god, en ik verging van angst.. .
Goed, goed, ge waart er, en ik voelde dat ge er waart!
En nuf
Wat poëzie, myn God, gy die in poëzie alleen bestaat!
Wat poëzie, myn God, opdat ik niet verga van walging over
zooveel walg\'lyks öm my!
Lieve fancy, wilt ge my een sprookje vóórzeggen ?
-ocr page 24-
Chronologisch-archaeologisch onderzoek naar den oorsprong dezer geschiedenis,
en van den naam der hartenstraat. Over Poëzie in
\'« stad tuier naam op dam
uitgaat. Ongenteslyke liefde, en vlechten van valsch haar. De held van deze
historie verdedigd tegen \'t vermoeden van misdaad. Apotheose van
GLORIOSO.
V Gevaar van den roem, en de veiligheid van V bovenste plankje. De geduldige
h\'at van vader
VAN ALPHEN, die nooit zooveel geduld noodig had — ik meen
de Kat
—- als de kinderen die z\'n versjes moesten leeren — de versjes van VAN
ALPHEN, meen ik — en als de martelaars van de ouderlyke vdelheid, die ze
moesten aanhooren.
Het jaar weet ik niet. Daar ge er belang in stelt, lezer, het tyd-
stip te weten, waarop de geschiedenis die ik u verhalen wil aan-
vangt, zal ik \'n paar punten opgeven als jahms.
M\'n moeder klaagde over duurte van levensmiddelen en brand-
stof. \'t Moet dus geweest zyn vóór de ontdekking der staathuis-
houdkunde. Onze meid was getrouwd met den barbiersknecht die
maar één been had. «Dat was zoo zuinig, meende de ziel, om \'t
schoeisel.» Daaruit zou men nu weer besluiten dat de staathuis-
houdkunde wèl uitgevonden was.
Hoe dit zy, \'t is lang geleden. Men zeide nog niet: ik heb be-
panld
pyn in \'t hoofd, Amsterdam had nog geen trottoirs, de
Inkomende Rechtcti bestonden nog, men gebruikte in zekere be-
schaafde landen nog galgen, en stierf niet zoo dagelyks aan ane-
vrismen. Ja, \'t is lang geleden.
Ik heb nooit begrepen waarom de hartenstraat, hartenstraat ge-
noemd wordt. Of moet men hartéstraat schryven, of hèrtenstraat ?
Nooit heb ik in die huurt meer hartelykheid opgemerkt dan elders,
en ook hertebeesten waren er niet menigvuldig, schoon er iemand
woonde die kippen verkocht, en dus poelier genoemd werd, dat
kachelmaker beteekent.
Ik ben daar in-lang niet geweest, en herinner me alleen dat het
-ocr page 25-
WOUTERTJE PIETERS E.                                  5
\'n straat is die twee hoofdgrachten aan elkaar verbindt, hoofd-
grachten die ik zal laten dempen zoodra ik de macht heb Amsterdam
te maken tot een der schoonste hoofdsteden van Europa. Wat een
myner vele plannen is. a)
Die ingenomenheid met de toekomst onzer hoofdstad, maakt me
niet blind voor haar gebreken Daaronder reken ik in de eerste
plaats haar volslagen ongeschiktheid tot tooneel van romantische
voorvallen. Men ontmoet daar geen gemaskerde dominoos op de
straten... de burgerlyke stand wordt geregeld bygehouden... er is
geen Ghefto, geen Tcmplebar, geen »Chinesche kamp", geen Cour
des miracles..
. wie er \'n moord doet, wordt gestraft... en de
meisjes heeten Mietjen of Jansjen. Alles proza.
Er is moed noodig om \'n verhaal te doen aanvangen in \'n plaats
die op dam" uitgaat, en waar men dus moeielyk Emérence\'s of
Héloizes kan laten wonen. AVat ook weinig baten zou, wyl die
frajigheden al lang geprofaneerd zyn.
Hoe maken \'t toch de fransche schryvers om hun Margots en hun
Marions aantekleeden als idealen, en om niet te doen walgen van
de Henri\'s en Ernesten die evenzeer doen denken aan M\'sieu Henri
en M\'sieu Ernest uit den nouveauté winkel, als onze burgwallen
aan vuil water ?
Göthe was \'n moedig man: Grietje^ Klaartje...
En ik: in de hartenstraat!
Maar ik schryf geen roman, dat \'s waar. En al schreef ik \'n ro-
man, dan nog zie ik niet in, waarom ik die niet geven zou als
geschiedenis. Ja, \'t is \'n geschiedenis! En wel van iemand die in
z\'n jeugd verliefd werd op \'n houtzaagmolen, en lang heeft nage-
sukkeld aan die kwaal.
Want verliefdheid is \'n kwaal, al is \'t maar op \'n molen.
Men ziet dat m\'n verhaal heel eenvoudig wezen zal. Te eenvou-
dig eigenlyk om alleen te staan. En daarom, als \'t me wat al te
mager voorkomt, zal ik er wat tusschenvlechten hier-en-daar, zooals
de Chinezen doen met hun staarten wanneer die wat dun zyn,
omdat ze geen Eau de Lob hebben en geen olie van Makasser.. .
waar ik trouwens nooit \'n beer ontmoette die vet leverde aan
Rowland. b)
In de hartenstraat dan was \'n leesbibliotheek. Een kleine jongen
met \'n stadskleurig gezichtje stond op de stoep, en scheen besluiteloos.
Het was hem aan te zien dat-i gebukt ging onder \'n plan boven
z\'n kracht.
"j In den tweeden druk heeft de schryver by deze passage een noot ge-
voegd, waarin hy op deze uiting terugkomende zegt: „Neen, de hoofdgrachten
moeten niet gedempt worden." (verz )
I\') Juist dit tusschengevlochtene is het thans de opgaaf van de verzame-
laarster geweest uit Wouters geschiedenis te schrappen, (verz.)
-ocr page 26-
6                                                      MULTATÜLI.
Telkens stak-i de hand uit naar de kruk van de deur, en telkens
veranderde hy die halfvolbrachte beweging in \'n onnoodig neertrekken
van \'t rechthoekig hemdskraagje dat als \'n juk op z\'n schouders
lag, of in \'n even onnoodig tegenhouden van \'n gemaakte kuch.
Schynbaar verdiept in de beschouwing der bonte twee-duits-
prenten die de glazen voordeur van den aandoeningwinkel maakten
tot \'n staalkaart van onbegrypelyke dieren, vierkante boomen en
onmogelyke soldaten, dwaalde z\'n blik gedurig scheef-uit, als van
iemand die vreest betrapt te worden op misdryf. \'t Was duidelyk
dat-i \'n opzet in den zin had dat ten-eeuwigen-dage moest verborgen
blyven voor de blikken van voorbyganger en nageslacht, en wie
bovendien lette op de krampachtigheid waarmee hy met de linker-
hand onder \'t opgeschort kieltje iets scheen te betasten en te kny-
pen in z\'n broekzak, zou allicht op \'t denkbeeld zyn gekomen, dat
Wouter voornemens was huisbraak te plegen, of zoo-iets.
Want hy heette Wouter.
\'t Is wel gelukkig dat ik op \'t idee ben gekomen z\'n geschiedenis
te verhalen, en ik beschouw \'t als \'n eerste plicht u te zeggen dat-i
volkomen onschuldig was aan poging tot huisbraak of moord.
Maar \'t zou me veel waard zyn hem even bondig te kunnen
vryspreken van andere vergrypen. \'t Voorwerp dat hy heen-en-weer
keerde in z\'n linkerbroekzak, was wel geen rossignol, geen passe-
partout,
geen casse-téte^ geen tomahawk of machine infernale....
maar toch \'n papiertje dat de veertien stuivers inhield, waarvoor-i
z\'n Nieuw-Testament met gezangen had verkwanseld aan den stal-
leman op (Pouwenbrug, en \'t plan dat hem zoo kleven deed aan
die stoep in de hartenstraat, was niet meer of minder dan z\'n in-
trede in de tooverwereld der romanlektuur: hy wilde Glorioso lezen.
Glorioso! Lezer, er zyn vele navolgingen, er is maar één Glorioso !
Al de Rinaldini\'s en Fra Diavolo\'s van later tyden mogen niet
op één dag genoemd worden met den onvergelykelyken held die
gravinnen schaakte by dozynen, pausen en kardinalen uitplunderde
als feilbare menschen, en Wouter Pieterse schuldig maakte aan
testamentsverduistering.
Maar dit laatste was Glorioso\'s schuld niet, zeker niet. Men zou
schromen \'n held of \'n genie te wezen — of \'n roover zelfs — als
men daarom belast werd met de verantwoordelykheid voor misdaden
die na jaren kunnen begaan worden om onze geschiedenis machtig
te worden.
Ik protesteer ernstig tegen medeplichtigheid aan de vergrypen die
na m\'n dood zullen geschieden ter stilling van den dorst naar
kennis myner lotgevallen, en verklaar dat ik me op m\'n weg naar
roem niet laat terughouden door de bedenking, dat eenmaal \'n
Nieuw-Testament met gezangen kan worden verkwanseld voor \'t
>Leven en de daden van Mnltatnli" schoon ik \'t niet duur vinden zou.
-ocr page 27-
WOUTERTJE PIETERS E.                                  ^
—  Wat maalje daar toch, jongetje? Motje wat, kom in. Anders,
ga heen.
Nu moest Wouter wel binnengaan, of hy had afstand moeten
doen van Glorioso. Want de man die, bukkende over de toonbank,
zich als \'n alikruik omwrong om de deur te openen, en onzen held
die woorden toetegrauwen, had geen gezicht dat uitlokte tot terug-
keeren, als-i eenmaal toornig was gemaakt door doelloos malen"
aan de deur. Althans Wouter, die eerst den moed niet had binnen-
tegaan, durfde nu niet wegloopen. Hy voelde zich binnengetrok-
ken... \'t was of de boekwinkel hem inslikte.
—  Glorioso. . . asjeblieft, m\'nheer, en hier. ..
Hy haalde z\'n machine infernale voor den dag.
.. en hier is geld.\'
Want hy wist van den schoolmakker die hem had aangestoken
met de romanziekte, dat men in \'n leesbibliotheek spand" eischte
van onbekende klanten.
De boekenman scheen zich «gedekt" te achten door de neerge-
legde veertien stuivers. Althans hy nam uit de kast, \'n deeltje dat,
vet en belezen, op omslag en bladzyden teekens droeg van veel
onzindelyk genot.
Ik ben zeker dat de preeken van dominee Splitvezel, die van hun
bovenste plank in ongestoorde rust en met minachting neerzagen
op de lektuur van den dag, zich zouden geschaamd hebben hun
onbezoedeld gewaad in aanraking te brengen met zooveel vuiligheid.
Maar \'t is niet moeielyk rein te blyven als men op de bovenste
plank staat, en nooit wordt uitgevraagd. Ik vind dus dat die pree-
ken ongelyk hadden. En dat vind ik van veel preeken.
Na met \'n bevend stemmetje den man te hebben opgegeven hoe-i
heette, verstopte Wouter z\'n misdadig geluk onder \'t helend kieltje,
en vloog de deur uit, schichtig als \'n kat die haar prooi beet heeft,
nadat ze »uren lang gedoken zat."
-ocr page 28-
Een kort hoofdstuk in vyf deden. De nederigheid van den schryver, bly-
kende uit de erkentenis zyner onwetendheid omtrent den naam van zekere poort.
De invloed van fransje HALLEMAN op wouter\'s heldenziel. 30 Verband
tusschen dien invloed en de profetiën van
HABAKUK. 40 Nog iels over hauakuk,
met \'n wenk over de onbegeerlykheid van gedrukte perzikken. 50 Groote men-
schen hezien door de kleine.
Wouter liep, liep... en wist niet waarheen. Naar huis kon-i niet.
Daar toch werd hy te streng bewaakt. Wat niet moeielyk viel, want
de ruimte was bekrompen.
Hy koos eenzame straten, en kwam eindelyk aan \'n poort die
hy zich herinnerde meer gezien te hebben. Maar den naam wist-i
niet, en ik ook niet. ei), \'t Was \'n platte lage poort in welks buurt
het altyd zoo naar asch rook, en waar-i eens dien sprong had ge-
daan, toen hy met Fransje Halleman was weggebleven van de kate-
chizatie met Fransje Halleman, die meende dat Wouter niet durfde
wegblyven en van de poort springen. Maar Wouter durfde wèl, en
deed het, juist omdat Fransje Halleman getwyfeld had aan z\'n
durven.
Aan dat wegblyven had hy te danken dat-i zoo byzonder goed
thuis was in Habakuk^ wiens profetiën hy twaalfmaal moest afschry-
ven tot straf. Die sprong bezorgde hem bovendien \'n barometer in
z\'n verstuikten grooten teen, die uit edele wraak hem later altyd
waarschuwde als \'t regenen zou.
In zekeren zin was Habakuk te beschouwen als Wouter\'s over-
gang van de kinderlektuur tot de boeken waarin van * groote men-
schen" wordt verteld. Sedert eenigen tyd namelyk voelde hy zich
a) \'t Was de Zaag- of de Aaampoort. Niet ver van daar lag de zoogenaamde
Aschbelt, waar al de haardasch, die Amsterdam opleverde, werd uitgestort.
-ocr page 29-
WOUTERTJE PIETERS E.                                      9
geschokt in z\'n eerbied voor brave Hendrikken, en hy walgde van
de papieren perzikken der naarstigheid. Andere perzikken kende hy
niet, omdat die zoo niet voorkomen in \'n burgerhuishouden.
Niets was natuurlyker dan dat-i vurig verlangde met z\'n grootere
makkers op de school te kunnen meespreken over de wonderen die
er gebeuren in de werkelyke wereld, waar men in \'n koets rydt,
steden verwoest, prinsessen trouwt, en \'s avonds opblyft na tienen,
al is er niemand jarig. Ook bedient men zichzelf aan tafel in die
wereld, en heeft maar te kiezen wat men gebruiken wil. Zoo mee-
nen de kinderen.
-ocr page 30-
Een italiaansche roover op \'n buitensingel Ie Amsterdam. Proefje van \'t bit-
ter /n/en t/er deugdzame
AMALIA. I\'RIVAT en JOUVIN met httwelyken en gods-
dienstige waskaarsen, de falladia der xedelykheid. Beters van het fatsoen der
Hallemannen, waaruit men levens kan te weten komen hoe eetlykheiil\'rykmaait.
Wouter dacht volstrekt niet aan heldeneeuwen of chinesche staar-
ten, toen-i heel ongevoelig voor de afwezige schoonheid van \'t
landschap aan \'n moddersloot kwam, waarover \'n onnoodig brugje
lag, welks leuning hy uitkoos tot lezenaar, na goed te hebben rond-
gezien, en zich overtuigd dat-i alleen was, en ongestoord kon over-
gaan tot het verslinden van z\'n roover.
Ik heb \'n oogenblik den lust in my voelen opkomen, den lezer
deelgenoot te maken van Wouter\'s genot, door \'t leveren eener
schets van \'t onsterfelyk werk dat hem zoo boeide. Maar, behalve
dat ik Glorioso\'s geschiedenis niet recht ken — wat me trouwens
niet volstrekt beletten zou er over te spreken — heb ik u veel
andere zaken te verhalen van dringender aard, en ben dus wel ge-
noodzaakt u te verwyzen naar de hartenstraat, in de hoop dat ge
daar zult terechtkomen zonder uwen weg te nemen over d\'ouwenbrug.
Laat het u genoeg zyn te weten dat het »heel mooi" was. »De
deugdzame Amalia, die, by flikkerend toortslicht, aan het treurig
sterfbed van hare vereerde moeder, in het somber cypressendal,
plechtig had gezworen, dat hare vurige liefde, voor den edelen roo-
ver, door het yzingwekkende valluik, en de verroeste ketenen, met
derzelver zilte tranen. .. kortom, \'t was treffend. Ook was er meer
zedelykheid in dan in al die flauwe navolgingen. Al de leden der
bende waren behoorlyk getrouwd, en droegen handschoenen. In de
grot stond \'n altaar met kaarsen, en de hoofdstukken waarin meis-
jes geschaakt werden, eindigden met eerbare puntjes of geheimzin-
nige gedachtenstrepen die Wouter vergeefs tegen \'t licht hield om
er meer van te weten
-ocr page 31-
WOUTERTJE PIETERS E.                                    II
Hy las tot »sterf verrader." Toen was \'t donker, en hy begreep
dat het tyd werd \'n eind te maken aan de voorgewende wandeling
met de Hallemannetjes *dat zulke fatsoenlyke kinderen waren." Met
weerzin sloot hy \'t dierbaar boekjen. en lier) haastig weg, omdat-i
vreesde beknord te worden over z\'n lang uitblyven.
> Hy zou nooit weer permissie krygen" werd er by zoo\'n gelegen-
beid gedreigd. Maar Wouter begreep wel dat dit geen ernst was.
Daartoe wist-i te goed dat men graag de kinderen »eens van de
vloer heeft, als men zoo klein behuist is." En: * de Hallemannetjes
waren zoo buitengewoon fatsoenlyk. Ze woonden naast \'n huis met
\'n balkon, en hadden onlangs heel lief hun petjes afgenomen."
Ik voor my geloof niet dat de Hallemannetjes fatsoenlyker waren
dan de andere mannetjes onder Wouters kennissen. En daar ik
graag reden geef van m\'n geloof, wil ik hier \'n voorval inlasschen
dat iets vroeger had plaats gevonden.
Wouter ontving geen zakgeld. Z\'n moeder zei dat hoefde niet
omdat hy thuis alles kreeg wat-i noodig had. \'t Stuitte hem altyd
te moeten wachten op vergunning om smeetedoen" als z\'n kame-
raadjes met den bal speelden, en hem verweten dat hy \'t zyne niet
had bygedragen tot aanschaffing van dat meubel, \'t Kostte drie
duiten in Wouter\'s tyd. Nu zal \'t wel duurder wezen... neen,
goedkooper. .. door de staathuishoudkunde.
En by veel gelegenheden meer had-i verdriet over z\'n voortdu-
rende geldeloosheid. Later zullen we zien of \'t waar was, wat z\'n
moeder zei, dat-i thuis alles ontving wat hy noodig had. Zéker is
liet. dat men hem thuis niet de gelegenheid gaf om nu-en-dan over
\'n kleinigheid te beschikken naar eigen wil. Wat toch zoo heel
prettig is voor kinderen. En voor menschen.
De Hallemannetjes — die zoo byzonder fatsoenlyk waren —
gaven hem heel duidelyk te kennen dat het hun verveelde, langer
alleen de kosten te dragen van \'t verkeer. Fransje berekende dat
Wouter\'s vriendschap hun al negen stuivers gekost had — wat ik
duur vind, niet om de vriendschap, maar om \'t berekenen — en
Gus zei dat het nog meer was, maar dat laat ik daar. Ook had
deze hem vier griften voorgeschoten, welke hy noodig had om z\'n
hof te maken by lange Ceciel die niet van hem weten wou omdat-i
\'n insteekpakje droeg, a) Maar de griften had ze aangenomen, en over-
gedaan aan Gus voor \'n zoen.
ii) De overgang van zoo\'n „insteekpakjen" op \'t „buisje boven den broek\'\'
was \'n enorme sprong, vooral omdat daarby \'n vest te pas kwam, waarvoor by
zoo\'n insteekpakje geen plaats was. Hierby namelyk was het buisje gesloten, en
de broek van alle zyden daarop vastgeknoopt. Of die hiërarchie in \'t kinder-
toilet nog bestaat, is me onbekend. In Wouter\'s tyd speelde ze \'n groote rol.
En ook jaren daarna. Ikzelf heb menigen traan geschreid omdat het „open
buis" met daarby behoorend „vest" my onmenschelyk laig onthouden werd,
-ocr page 32-
12                                             MULTATULI.
De bittere verwyten der Hallemannetjes — die zoo byzonder fat-
soenlyk waren — maakten Wouter wanhopig.
—  Ik heb gevraagd aan m\'n moeder, zeide hy, maar ze wil me
niets geven.
—  Dat gaat ons niet aan, antwoordden de Hallemannetjes d. z.
b. f. w. Je bent \'n klaplooper.
Wouter hoorde dit woord voor \'t eerst, maar begreep het terstond.
Niets maakt scherpzinniger dan bitterheid van hart.
—  Klaplooper, klaplooper... ik ben \'n klaplooper!
Schreiend liep hy heen, en koos "n omweg om de straat te myden,
waar lange Ceciel\'s vader \'n lappenwinkel sdeed.\'\' Och, als ze ge-
zien had hoe hy als \'n klein kind liep te huilen op straat... zeker,
dat was érger dan de broek boven \'t buisje.
—  Klaplooper, klaplooper!
Hy ontmoette veel groote menschen die misschien ook klaploo-
pers waren, maar ze huilden er niet om als Wouter.
—  Klaplooper!
Hy zag \'n diender, en haalde diep adem toen die voorby was.
\'t Bevreemdde hem dat de man hem niet gevangen nam.
—  Klaplooper!
Daar kwam de man van de vuilniskar, die \'t woord naklepperde
met z\'n ratel, \'t Was niet uittehouden!
Onze arme lyder herinnerde zich, hoe de Hallemannetjes d. z. b.
f. w. hem eens hadden voorgespiegeld welke winst er viel te beha-
len op "n kleinhandel in peperment. Voor vierentwintig stuivers had
men \'n grooten zak vol. By verkoop tegen zooveel stuks voor \'n
duit zou \'t voordeel enorm wezen, als men maar kapitaal had om
te beginnen. Dit hadden de Hallemannetjes precies uitgerekend.
Want ze waren niet alleen byzonder fatsoenlyk, maar knap ook.
Knapheid en fatsoen gaan meestal samen. Maar, hadden ze gezegd,
er moest kapitaal wezen. Zy zouden de inkoopen doen, zy zouden
zich belasten met den verkoop, en als Wouter maar één gulden
kon bydragen, was de zaak gezond.
—  Klaplooper. .. klaplooper...
Wouter stal \'n gulden uit het sknipje" van z\'n moeder, en bracht
die aan de Hallemannetjes d. z. b. f. w.
—  Hoe kom je \'r aan ? vroeg Gus, maar zorgde dat Wouter geen
-ocr page 33-
WOUTERTJE PIETERS E.                                    1$
tyd had om te antwoorden, en tevens dat-i \'t antwoord niet ver-
stond, dat deze gaf door zwygende verlegenheid.
—   Hoe kom je \'r aan — zonder vraagteeken alzoo — zie, nu
zullen Franssie en ik ieder \'n dubbeltje byleggen, dat maakt vier-
entwintig, en dan koopen wy de peperment. Op de Rozengracht
is \'n fabriek... zóó*n zak voor vier schellingen! Jly zullen al de
moeite doen, Franssie en ik. By ons op school is meer gelegenheid
om te slyten, weetje! Kris Kloskamp heeft er al twaalf besteld —
hy zal betalen na de vakantie — wy zullen ons al de moeite ge-
troosten. . . jy hoeft niets te doen. Wouter. . . en gelyk deelen,daar
kunje-n-op aan.
Wouter ging naar huis, en droomde van ongehoorde winst. Hy
zou \'n daalder teruggeven in \'t knipje van z\'n moeder, en voor
lange Ceciel \'n potlood koopen van den man die er gaten mee
prikte in \'t hout van z\'n kruiwagen. Zóó sterk waren ze! Dat was
wat anders dan *n paar griften, dacht-i, en als lange Ceciel hem
dan nóg niet wou hebben tot \'n vryertje, dan... neen, verder dacht
Wouter niet. Daar zyn op den weg onzer verbeelding afgronden
die we niet durven peilen. Wy worden ze instinktmatig gewaar,
schrikken terug, sluiten de oogen, en.. . ik weet niet verder. Maar
dit weet ik, dat Wouter dien avend heel gelukkig insliep, in de
hoop dat-i weldra \'n goed geweten hebben zou over \'t bestolen
knipjen en \'n voldaan hart over z\'n liefde tot lange Ceciel.
Helaas, helaas, Wouter had gerekend buiten de knapheid en \'t
fatsoen van de Hallemannetjes!
Den volgenden dag namelyk zochten zy hem op toen-i de school
verliet. Wouter die zich gevleid had hen te zien hygen onder \'t ge-
wicht van \'n grooten zak, Wouter die zoo verlangend was te weten
of Kris Kloskamp z\'n kordate bestelling had volgehouden, Wouter
die brandde van nieuwsgierigheid naar den uitslag. .. och, hy voelde
zich bitter teleurgesteld toen-i Gus Halleman ontwaarde, die niet
alleen geen zak pepermen: droeg, maar bovendien \'n zeer ernstig
gezicht meebracht. Ook Franssie keek als de deugd.
—   Wel, hoe staat de zaak ? vroeg Wouter zonder \'n woord te
spreken. Hy was te nieuwsgierig om niet te vragen, en te angstig
om die vraag anders te uiten dan door \'t geluideloos openen van
z n mond en \'t vooruitsteken van zyn gelaat.
—  Hoor eens, Wouter, we hebben ons bedacht... er is veel tégen.
Arme Wouter! Daar verongelukten in één schipbreuk, z\'n gewe-
ten en z\'n hart. Weg, droomen van zedelyke rehabilitatie, weg,
gapend Mnoeder\'s knipje,\'\' weg, houtborend potlood dat \'n opening
klieven zou in \'t hart van lange Ceciel. .. weg... weg... weg.. .
alles weg!
-ocr page 34-
MUL T ATÏÏL I.
\'4
—  Je begrypt, Wouter, die peperment zou smelten...
—  Ja.. .a.. .a, hikte de arme jongen.
—  En die Kris Kloskamp, die \'r twaalf besteld heeft, weetje r.. .
—  Ja...a...a...
Of Kris ook smelten zou ?
...hy gaat van-school, en zal zeker niet weerom komen na de
vakantie.
—  Zoo...o...o ?
—  Ja, en daarom... en ook... we hebben uitgerekend, Franssie
en ik, dat er veel minder in \'n pond gaan dan we meenden, omdat
de peperment tegenwoordig heel zwaar is, weetje ?
—  Ja, voegde Fransjen er by, met hoogen ernst als iemand die
in levensgevaar \'n »eerst" beginsel verkondigt, ja, de peperment is
heel zwaar tegenwoordig. Voel eens, maar je moet \'t weeromgeven.
En hy bood Wouter \'n pepermentjen aan, dat deze heel goed-
moedig woog op z\'n vinger. De arme jongen gaf het trouw terug.
Zw&dr vond-i \'t.. . och, hy was zoo bedrukt, en zou alles zwaar
gevonden hebben op dat oogenblik.
Fransje stak \'t zware pepermentjen in z\'n mond, en zei, al zui-
gende:
—  Ja wezenlyk, heel zwaar... \'t is engelsche, weetje ? En dan is
\'r nog wat... niet waar Gus? \'t Fatsoen! Toe Gus, zeg jy\'t maar.
—  \'t Fatsoen, Wouter! riep Gus bedenkelyk.
—  We meenen \'t fatsoen, herhaalde Fransjen, alsof-i wat op-
helderde.
Wouter zag beiden beurtelings aan, en scheen begrip tekort te
komen.
—  Zeg jy \'t maar, Gus.
—  Ja, Wouter, Franssie zal \'t je wel zeggen.
—  Wouter, onze pa is in de diakenie, weetje, en-i gaat rond met
\'n zakje, en by ons »op" de gracht...
—  Ja, riep Fransje, by ons op de gracht. .. weetje. .. daar woont
m\'nheer Krullewinkel die \'n buiten heeft...
—  En \'n balkon.. .
—  \'t Is maar om \'t fatsoen... weetje, Wouter \'t En als er huis-
bezoek komt, dan prezenteert onze mama. .
—  Ja, dan prezenteert ze madera. .. heusch, en onze tabakspot
is van zilver. ..
—  Né, Franssie... maar \'t is net als zilver, weetje, Wouter?
De arme jongen zei maar dat-i \'t wist, hopende eindelyk te weten
te komen wat-i inderdaad niet wist: het verband tusschen al die
dingen en zyn vervlogen hoop. Hy stamelde:
-ocr page 35-
WOUTERTJ-E PI ET ER SE.                                    15
—  Ja, Gus.. . ja, Franssie.. . maar de peperment ?
—  \'t Is maar, weetje-n-om je te zeggen dat we heel erg fatsoen-
lyk zyn.
—  Ja, Gus.
—  En braaf.
—  Ja... a. .. a.. . Franssie!
Arme Wouter!
—  En daar je zei dat je geen zakgeld krygt. . .
—  Ja, Wouter, en weetje, omdat onze pa zoo fatsoenlyk is...
als \'t winter wordt kan je \'t zien, dan gaat-i rond met \'n wees-
jongen . .
—  Ja, en-i schelt aan al de deuren. Nu, daarom zyn we bang
dat je. . .
—  Dat je.. .
—  Die gulden. ..
—  Die gulden, weetje ?
—  Dat je \'m niet...
—  Dat je \'r niet eerlyk aankomt. . .dat is het, zei Fransje, die
\'n tweede pepermentjen uit z*n zak haalde en in den mond stak,
tot versterking zeker na dat beslissend woord.
\'t Was er uit! Arme, arme Wouter !
—  En daarom, Wouter, willen we niet met je meedoen. Maar
gelyk deelen... dat is afgesproken !
—  Ja, gelyk deelen, riep Gus. Je begrypt... wy hebben al de
moeite gehad, en daarom ... ziedaar, gelyk deelen !
De Hallemannetjes waren knap. Gelyk deelen: 20 2*2=s. en
alzoo.. . Wouter ontving acht stuivers.
—  Weetje, zei Gus, \'t is omdat onze pa diaken is.
—  Ja.. . en onze tabakspot.. . al is "t dan geen zilver, "t lykt
precies op zilver.
Op deze waarachtige historie grondt zich myn ongeloof aan de
buitengewone fatsoenlykheid van de Hallemannetjes, en ik hel over
tot de meening dat dit fatsoen eigenlyk niets was dan \'n uitvind-
sel van Wouter\'s moeder, omdat ze «nauw behuist" was. \'t Is de
vraag of zy ooit iets zoo byzonder fatsoenlyks in die kinderen zou
ontdekt hebben, als ze kans had gezien Wouter met wat nut te
gebruiken in \'t huishouden.
-ocr page 36-
Verlor:ii suikerpotten e» zoekgeraakte bybels voor de rechtbank van \'t gewe-
ten. De onmnnnelykheid tier natie, volgens
siegenbeek en andere moralisten.
De verdiensten en de gebreken van
I.eentje, beschouwd uit \'n menschenvrieu-
delvk oogpunt. Verregaande onkiesheid van de voorfrinselyke spelmethode.
Hoe \'t zy met die principe-barende vruchtbaarheid van de nauwte,
Wouter kende de vrucht., al was-i niet zoo wysgeerig ingelicht om-
trent den oorsprong. Over z\'n laat thuiskomen bekommerde hy zich
dus niet zóó erg, als over de vreeselyke straf die hem wachtte als
men z\'n nieuw testament met gezangen zou missen. Hy was terug-
gekeerd van z\'n uitstapjen in de Abruzzen, en by z\'n terugkeer in
Amsterdam viel hem de herinnering aan z\'n boosheid — of liever
\'t voorzien van de straf die er volgen zou op die boosheid — druk-
kend zwaar op \'t gemoed.
Maar Wouter troostte zich met de bedenking dat-i ditmaal geen
vingerhoed had weggemaakt, zooals laatst. Men zou \'t Nieuw-Tes-
tament niet zoo gauw missen, dacht-i, omdat de Zondag nog vèr
was, en in de week zou er niet naar gevraagd worden.
Nogeens: \'t was geen vingerhoed, geen breipen, geen suikerpot,
of zoo-iets van dagelyksch gebruik. ..
Toen onze held thuiskwam, verstopte hy den vetten Glorioso ach-
ter de latafel van Leentje, van dezelfde Leentje die na den poort-
sprong z\'n broekje herstelde dat zoo gaapte aan de knie, zoodat
z\'n moeder \'t nooit geweten heeft.
Ja, ze is ten-grave gedaald zonder kennis aan die gescheurde
broek I Ik weet niet of broek" mannelyk is, en heb geen lust het
optezoeken, vooral omdat ik \'t toch niet begrypen zou, al vond ik
*broek. m." in \'n woordenlystje. Onlangs vond ik géén m. achter
natie. Dat zal \'n scherpe geestigheid van Siegenbeek geweest zyn.
Of Wouter\'s broek mannelyk was, weet ik niet, maar Leentje had
-ocr page 37-
WOUTERTJE PIETERS E.
17
<le scheur geheeld, dat is de waarheid. Zoo heelde ze meer breuken,
en ontving daarvoor zeven stuivers in de week, en \'s avonds \'n
boterham.
Lang na Habakuk, dacht Wouter nog meermalen aan haar dee-
raoedig: »goeien avend, juffrouw. Goeien avend. m\'nheer en jonge-
juffrouwen. Goeien avend Wouter"... en de rest.
Want Wouter\'s moeder heette »juffrouw" om de schoenmakery.
De jonge-juffrouwen waren z\'n zusters, die dansen geleerd hadden.
En z\'n broer was »m\'nheer" sedert diens benoeming tot derden
ondermeester aan de stads-tusschenschool. a) Hy had toen verleng»
stukken aan z\'n buis gekregen om ontzag inteboezemen aan de
schooljeugd, en s Stoffel" paste toen niet langer, meende Wouter\'s
moeder. Maar dezen noemde Leentje eenvoudig Wouter, omdat-i
nog maar \'n kleine jongen was. Ook was hy haar drie stuivers
schuldig, of eigenlyk zes-en-twintig duiten, die hy haar nooit heeft
teruggegeven, want toen hy, jaren later, die schuld wilde afdoen,
waren er geen duiten meer, en Leentje was ook dood.
Dit speet hem zeer, want-i had veel van haar gehouden. Ze was
foei-leelyk, nogal vuil, en bovendien wat onrecht van leest. Ook
\'beweerde Stoffel, de schoolmeester, dat ze \'n booze tong voerde. Ze
zou namelyk hebben .oververteld dat-i bessen met suiker bad ge-
dronken in de Nederlanden, b)
Ik wil dit wel gelooven, maar wat kan men verlangen voor zeven
stuivers en \'n boterham ? \'k Heb hertoginnen gekend met ruimer
inkomen, en toch niet aangenaam in den omgang.
Dat Leentje scheef was, kwam van \'t aanhoudend naaien. Ze
\'hield het gansche gezin »heel" en verstond de kunst om een broek,
twee buisjes en \'n lakenschen pet te maken uit \'n duffelsche jas, en
toch schoten er nog lappen over voor de sous-pieds c) die Stoffel
noodig had voor z\'n examen als sekondant naar de Kaap. Dat
•niet lukte, door \'n fout in Euklides.
Niemand buiten Wouter was tevreden met Leentje. Ik denk dat
men bang was haar te bederven door te groote zachtzinnigheid.
De »jonge-juffrouwen" spraken gedurig van »stand" en »dat ieder
op z\'n plaats moest blyven." Dit gold hiiar. Leentje\'s vader name-
lyk was \'n schoenmaker geweest die achterlapte, en de vader van
a) Die zoogenaamde tusschenscholen zullen nu wel niet meer bestaan. Het
waren inrichtingen van onderwys voor niet zéér arme kinderen, maar toch voor
dezulken wier ouders niet by machte waren \'t volle schoolgeld te betalen. Of
men op zoo\'n school nog minder leerde dan by \'n Afsjeu, weet ik niet.
i) Een herberg met tuin, even buiten de stad.
e) Dit is met het oog op andere tydaanwyzende omstandigheden, \'n fout. De
sous-pieds zyn van eenigszins lateren datum, en zullen nu wel haast terugkomen.
Liever zag ik de lange broeken afgeschaft, die leelyk staan en zeer ondoelma-
\'tig zyn.
2
-ocr page 38-
l8                                                    MULTATULI.
de jonge-jufifrouwen had \'n winkel ^gedaan" waarin-i schoenen ver-
kocht die uit Parys kwamen. Dit maakt \'n groot verschil. Want
het is deftiger iets te verkoopen dat gemaakt is door \'n ander, dan
zelf wat te maken.
De moeder meende dat Leentje wel wat zindelyker wezen kon.
Dat juist gemeend was. Maar ik kom weer terug op den prys, en
op de moeielykheid van \'t wasschen, voor iemand die geen tyd,
geen zeep, geen ruimte en geen water heeft. Duinwater was er nog
niet, en al was \'t er geweest, het zou toch niet doorgedrongen zyn
tot Leentje.
Stoffel beschuldigde Leentje van dien verkeerden val in z\'n hemds-
boordjes, »die zoo nadeelig werkte op \'t respekt" en klaagde dat
ze hem altyd zoo mal aankeek, als-i »heeren had."
Dat sheeren hebben" was \'t privatissimttm over de leerwyze van
Prinsen, die nog niet was uitgevonden, maar door Stoffel werd
voorgevoeld. Leentje bracht thee by die zaak, en was eenmaal niet
geslaagd in \'t wegbyten van \'n lach, toen ze Stoffel z\'n naam
hoorde spellen, en uitvaren tegen \'t onkiesche, öuwerwetsche »esse^
té" dat dan ook leelyk is.
En dan, die bessen met suiker!
-ocr page 39-
Kort hoofdstuk zonder IDEEN. De hollnndsehe graven in-Z\'erlmnd wet de j>rv-
~en van \'t vleeech, en de ongegronde verdenking van
fennf.wip\'.v eer. LEENTJE\'j
onzichtbaar talent om kleeren en zielen te herstellen.
Aldus had ieder z\'n grieven tegen \'t arme Leentje. Maar Wouter
hield veel van haar, en was met niemand buiten haar in huis ge-
meenzaam, misschien wel omdat de anderen niet van hem hielden,
en hy dus wel genoodzaakt was, of genoopt althans, z\'n troost te
zoeken by haar. Want alle aandoening zoekt \'n uitweg, en er gaat
niets verloren, evenmin in de zedelyke als in de stoffelyke wereld.
\'k Had hierover ideen kunnen schryven met afzonderlyke nummers,
maar dat wil ik nu niet, omdat er \'n orgelman onder m\'n venster
staat, die me overlaadt met onnoodige indrukken tot byna-gekwor-
dens toe.
Wouter\'s moeder noemde hem: =>die jongen." Z\'n broers — er
waren er meer dan Stoffel — beweerden dat-i valsch en gniepig
was, omdat hy weinig sprak en niet van knikkeren hield. Maar
als-i wat zei, verweet men hem \'n geheel onbewezen verwantschap
met de kat van koning Salomo. De zusters verklaarden hem voor
«sleets" of asleetsch." Ik weet niet hoe ze \'t spelden, omdat ik het
alleen heb van hooren-zeggen. Maar by Leentje kon onze Wouter
altyd terecht. Zy troostte hem, en vond het schande dat men niet
meer >werk maakte van \'n jongen als hy." Ze scheen dus te heb-
ten ingezien dat-i niet \'n kind was als \'n ander. En dit vind ik
ook. Anders zou ik niet de moeite nemen z\'n geschiedenis te ver-
tellen.
Tot kort na de expeditie naar ouwenbrug^ hartenstraat en asch-
poort, was Leentje Wouter\'s eenige vertrouwde. Haar liet-i de ver-
zen lezen die versmaad waren door lange Ceciel. Haar klaagde hy
-ocr page 40-
MULTATUL I.
20
z\'n smart over de onrechtvaardigheid van meester Pennewip, die
hèm sredelyk" gaf, en »uitmuntend" met \'n krul, aan \'t roodharig
Keesje. Aan Keesje, die geen »som" alleen wist te maken en altyd
steken bleef in de hollandsche graven.
—  Arme jongen, zei Leentje, je hebt wel gelyk. Ze kwamen in
\'t huis van Beieren... \'t is wel schande! En dat om \'n duit op \'t
pond.
Zy beweerde namelyk dat Pennewip goedkoop vleesch kreeg van
Keesje\'s vader die slachter was, en dat er alzoo knoeiery plaats
had met die graven en hun gedurig verhuizen.
Pater heeft Wouter haar verdacht van vrome leugen op dat punt,
omdat Pennewip, wel beschouwd, er niet uitzag als iemand die
misbruik maakt van biefstuk. Maar in die dagen nam hy de licht-
vaardige verdenking van \'s mans eer gretig aan als pleister op de
zyne, die gekrenkt was door Keesje\'s voorzitterschap. Want waar
onze eer in \'t spel is, of wat we daarvoor houden, geven we minder
om die \'van \'n ander.
Of, als z\'n broers hem plaagden met \'n sarrend ^professer Wou-
ter". . . of, als de zusters op hèm de schuld wierpen van dat »mal
gekrabbel op \'t behangsel". . . of, als z\'n moeder hem strafte voor
dat opsnoepen van de rystebry die gister overschoot, en nog juist
zoo goed zou geweest zyn voor morgen . . . dan was \'t altyd Peentje
die Wouter\'s gemoed in evenwicht bracht op dezelfde handige ma-
nier als ze den winkelhaak in z\'n kleeren onzichtbaar maakte met
\'n onnavolgbaar »heen-en-weertje."
O, leelyke vuile scheeve kwaadtongige Peentje, wat heeft Wouter
je lief gehad! Wat al troost straalde hem tegen uit je koperen vin-
gerhoed, wat al bemoediging lag er in je maasbal, wat \'n zalving
in je liefderyk:
—  Daar heb je-n-\'n naald, en \'n draad, en \'n lapje., naai \'n
zakje voor je griften, m\'n jongen, en vertel me nogeens van al die
graven die gedurig overgingen van \'t eene huis in \'t ander.
-ocr page 41-
Weer \'n hoofdstuk tonder ideen. Diepzinnige achterhoudendheid van juffrouw
l.APS. Predikatie van STOFFEL, WOUTERS standvastige /route aan GLORIOSO.
Roerende terugblik op SCELERAJOSO\'S dood. dien we, om \'t gevoel des lezers te
sparen, en wegens zeer uitgebreide
binnenlandsche betrekkingen, vroeger slechts
lieten gissen. Fatsoenlyk sterfgeval van
GLORIOSO. De laatste Koning van
Athene. Bedorven magen en verscheurde trommelvliezen, voorgesteld als gevolgen
eener eigenaardige stofwisseling.
Ik weet niet welke profeet onzen Wouter werd ingegeven tot straf
voor \'t wegmaken van z\'n bybeltje. De huisdominee kwam er by
te-pas, en de man was puur ontsteld over zooveel boosheid. Juffrouw
Laps die op de ondervoorkamer woonde, had er ook van gehoord.
Ze was zeer godsdienstig en beweerde dus dat zoo\'n jongen op-
groeide voor de galg, want:
— Men begon met \'n bybel, zei ze beteekenisvol, en eindigde
met wat anders.
Niemand evenwel heeft ooit kunnen te weten komen wat dan toch
dat andere, wel wezen zou, als men begonnen was met \'n bybel.,
Ik denk dat zyzelf \'t niet wist, en dat ze \'t maar zoo zeide om de
menschen in den waan te brengen dat ze veel levenswysheid bezat,
en meer van de zaken verstond dan zy uiten wilde, \'t Is my wèl,
schoon \'k niet houd van wysheid die zich niet openbaart in ver-
staanbare woorden, en als \'t myn zaak geweest was, zou\'k juffrouw
Laps den duim tusschen de deur gezet hebben.
Stoffel hield \'n napreek, waarin-i aanvulde wat huisdominee ver-
geten had. Hy sprak van Koran, Dathan en Abiram, die iets der-
gelyks misdaan hebbende als Wouter, daarvoor waren gestraft met
\'n ontydige begrafenis. Ook zeide hy: >dat de eer van de familie
-ocr page 42-
M IT L T A T ULI,
op (Fouwenbrug was verloren gegaan, dat hy, als seenige" oudste
zoon van \'n onbesproken weduw, en als derde ondermeester op de
stads tusschenschool, verplicht was zorg te dragen voor de eer van
\'t huis. ..
— Van Beieren, zei Leentje zacht.
...dat \'n huwelyk of \'n andere kondilie voor de meisjes kon
afspringen door Wouter\'s schuld, want dat niemand zou willen te-
doen nebben met meisjes, die. .. in \'t kort, Stoffel beweerde »dat
het schande was, en dat-i de oogen neersloeg voor ieder die kennis
droeg van \'t feit. Hy had duidelyk bemerkt dat »de jongens" er
ook al van wisten, want Lodewyk Hopper had de tong tegen hem
uitgestoken."
En eindelyk: »dat-i bevreesd was over de Nieuwmarkt a) te gaan,
omdat die hem zoo onaangenaam herinnerde aan de vreeselyke
voorspelling van juffrouw Laps omtrent Wouter\'s toekomst."
Daarop volgde nog iets over die Koran, Dathan en Abiram,
waarop de heele familie uitberstte in gehuil, omdat het zoo byzon-
der treffend was.
Wouter troostte zich met de gedachte aan Glorioso, en als er
gesproken werd van »dat andere" dat komen zou volgens juffrouw
Laps, droomde hy van z\'n huwelyk met de schoone Amalia wier
sleep gedragen werd door zes pages. Juffrouw Laps zou zeker vreemd
hebben opgezien als ze die uitlegging van haar ingeslikten klimax
ware te weten gekomen.
\'t Spreekt vanzelf dat alle pogingen om onzen held te bewegen
tot het openbaren der wyze waarop hy \'t ontvangen geld had be-
steed, ydel waren. Men moest daarvan afzien, na \'t vruchteloos
aanwenden van alle gebruikelyke middelen. Water en brood, huis-
dominee, Stoffel, Habakuk, juffrouw Laps, tranen, slaag... alles
te-vergeefs. Wouter was er de jongen niet naar om Glorioso te ver-
raden. Dat had-i juist zoo leelyk gevonden in dien Scelerajoso, die
dan ook slecht afspeelt, zooals we gezien hebben.
Zoodra \'t hem weer vergund was te wandelen met de Halleman-
netjes d. z. b. f. waren, vide hy naar de brug buiten de aschpoort,
om z\'n boeiende lektuur voorttezetten, en hy herhaalde dit tot het
rampzalig oogenblik waarop-i moest afscheid nemen van z\'n held,
die op \'t laatste blaadje als berouwhebbend generaal-majoor sterft
in de armen van de deugdzame Elvira.
Toen Wouter z\'n boek had teruggebracht in de hartenstraat werd
z\'n blik aangetrokken door amandeltaartjes by \'n banketbakker op
a) Op die markt namelyk werd gegecseld, gebrandmerkt en gehangen, in die
dagen.
-ocr page 43-
WOUTERTJE PIETERS E.                                     23
den hoek. Hy handelde met Glorioso als de Atheners met Kodrus:
niemand was waardig zoo\'n held optevolgen, en binnen weinig tyds
was \'t overschot van \'t Nieuw-Testament veranderd in maagbeder-
vend gebak. Dat ook weer veranderde.
Wat het aandeel der ^gezangen" betreft in het saldo dat Wouter
restte na z\'n italiaansche reis, ze leverden zeer eigenaardig de
vaste stof tot \'n drietonige mondharmonika die ooren en ziel scheurde,
en weldra door meester Pennewip werd gekontïskeerd als storend
voor de schoolrust.
-ocr page 44-
Beschouwingen over de manier om \'n groot man te worden. Twee stokpaard\'
ies. De lezer wordt bedreigd met verzen, en uilgenoodigd tot wat lof over de
kunstige wyze \'waarop de schryver, na tuchteloos dwalen, hem terugbrengt naar
WOUTER.
Ik acht me niet geroepen tot uitspraak in \'t geding tusschen
Pennewip en Leentje, op \'t stuk van diens partydigheid voor Slach-
terskeesje. Maar \'t vurig gevoel voor recht dat me plaagde van m\'n
eerste jeugd af — helaas, sedert jaren wacht ik te-vergeefs op \'n
tweede — en de loffelyke zucht om yverig te zoeken naar verschoo-
ning, al ware er ook misdryf bewezen, dwingen my u te zeggen dat
meester Pennewip\'s lot gelden kon als verlichtende omstandigheid
voor iemand die overtuigd was van acht hoofdzonden tegelyk.
Ik heb opgemerkt dat veel groote mannen hun loopbaan aanvin-
gen als varkenshoeder — zie alle biografische woordenboeken —
en \'t schynt alzoo dat die betrekking de grondstoffen aanbiedt,,
welke vereischt worden om menschen te regeeren of te verlichten.
Wat niet hetzelfde is.
Aan de theologen die vitten op m\'n verhaal, en dus deze gele-
genheid aangrypen om my te beschuldigen van verregaande onkunde,,
omdat ik \'n hoofdzonde méér tel dan hun bekend is, en van laster
omdat ik \'t menschelyk geslacht doe voorkomen als \'n variëteit van
varkens, antwoord ik dat er \'n nieuwe kanonieke zonde kan uitge-
vonden wezen, die zy nog niet beoefend hebben. Wat hun aange-
naam moet zyn, als de griep den apteker.
En wat die vergelyking met de zwynen aangaat, men denkeaan
de verwantschap van kool met \'diamanten, en ieder zal tevreden
zyn, zelfs de theologen.
Maar, na die opmerking over de heerlyke vooruitzichten van
-ocr page 45-
WOUTERTJE PIETERS E.                                 25.
iemand die z\'n teere jeugd doorbracht in omgang met de knorrende
kooldiamanten uit het dierenryk, heeft het my meermalen verwon-
derd dat er in de levens van groote mannen zoo weinig gewezen
schoolmeesters voorkomen, daar toch al de ingrediënten die \'n var-
kensweide schynen te maken tot \'n broeiery van \'t genie, in zoo
ruime mate aanwezig zyn in de schoolkamer.
\'t Omgekeerde heeft dikwyls plaats. Dagelyks ziet men wegge-
jaagde prinsen onderwys geven aan de leertrage jeugd. Dionys eiï
Lodewyk Philips zyn de eenige niet, en ikzelf heb beproefd fransch
te leeren aan \'h Amerikaan. Dat onmogelyk was.
Wanneer de verkiesbare koningschappen eens weer in de mode
kwamen, zou \'k gaarne zien dat de keuze des Volks zich by-voor-
keur bepaalde tot personen die den mensch hadden bestudeerd naar
de modellen op \'n zóóveelste van de ware grootte, zooals men de aard-
rykskunde leert op draagbare globes of handatlassen. Alle deugden,
neigingen, hartstochten, dwalingen, misdaden, die punten van nood-
zakelyke beoefening uitmaken in de werkelyke maatschappy. vindt
men op kleine, beter te overziene schaal, op de schoolbanken terug,
en de hooggeroemde kunsten van menigen staatsman komen, wel
beschouwd, eenvoudig neer op \'t jbeentje-draaien" dat schering en
inslag is by de taktiek der Machiavel\'s van drie voet hoog.
Het beroep van schoolmeester is dan ook niet gemakkelyk, en ik
heb nooit begrepen waarom \'t zoo karig wordt bezoldigd, of, daar
dit nu eenmaal zoo schynt te moeten wezen, hoe men altyd per-
sonen vindt die voor gelyke belooning, niet liever als serjant-instruk-
teur de lading in twaalf tempoos onderwyzen a) dat minder hoofd-
breken geeft, en meer vrye lucht niet zuurstof.
Ook was ik liever dominee. Deze toch heeft altyd te-doen niet
menschen die de zaak volkomen met hem eens zyn, en naar hem
komen luisteren uit vrye keuze, terwyl de onderwyzer gedurig te
kampen heeft met onwil en \'n hoogst gevaarlyk mededingerschap-
van tollen, knikkers en papieren mannetjes, om nu niet eens te
spreken van suikergoed, tandwisselen. roodvonk en zwakke moeders.
Pennewip was "n man van den ouden stempel. Zoo althans zoud-i
ons nu voorkomen, als we hem voor ons zagen in z\'n gryzen school-
jas, dyvest, korten broek met gespen, en dat alles gekroond niet \'n
bruin pruikje, dat-i gedurig heen-en-weer trok, en dat in \'t begin
der week altyd zoo krulde als er geen regen aan de lucht was.
Want krullen kunnen geen nat verdragen, en zondags kwam de
man met het yzer.
Doch dat ouwerwetsche is misschien maar denkbeeldig. Wie weet
of-i niet modern was in zyn tyd, en hoe spoedig men \'tzelfde van
ons zal zeggen. Hoe dit zy, de man heette meester^ z\'n school was
a) Dit riekt naar de vuursteen-periode. De auteur is niet met z\'n lyd meegegaan.
-ocr page 46-
20                                              MULTATULI.
\'n scliool en geen instituut, wat dan ook de zaak minder goed uit-
drukt, en ik vind het \'n vreemde manier van vooruitgang, de din-
gen anders te noemen dan ze werkelyk heeten. Op z\'n school, waar
volgens de naïve gewoonte van die dagen, jongens en meisjes door-
een zaten, leerde men — of kón men leeren — lezen, rekenen,
schryven, vaderlandsche geschiedenis, psalmzingen, wollennaaien,
breien, merken en de godsdienst. Dit alles was aan de orde van
den dag, maar wie uitmuntte in aanleg, yver of gehoorzaamheid,
kreeg nog bovendien onderricht in \'t verzenmaker), een kunstje
waarin Pennewip veel liefhebbery had.
Hy maakte de jongens skiaar" tot het »aannemen" toe, en met
behulp van z\'n vrouw voerde hy de meisjes op tot \'n merklap met
\'n rood vader-ons op zwarten grond, of \'n gespietst hart tusschen
twee bloempotten. Dan waren ze volleerd, en des-verkiezende klaar
om grootmoeders te worden van onzen tegenwoordigen burgerstand.
Buiten \'t verzenmaken bereed meester Pennewip nog \'n stok-
paardje, dat hem boven ieder ander aanspraak gaf op \'n troon. Hy
was bezeten door de verdeelwoede, een ziekte die aan weinigen be-
kend is omdat ze maar zelden en niet dan sporadisch voorkomt.
Ik heb die ziekte nooit goed begrepen, maar alle onderzoek naar
de eerste oorzaak opgegeven zoodra ik inzag dat het moeielyk om-
gaan is met stokpaardjes uit den stal van \'n ander, en zal me dus
bepalen tot de korte beschryving van Pennewip\'s onschuldig dier.
Hy bracht al wat-i zag, waarnam of ondervond, tot familiën, genera,
klassen, species en onderdeden, en maakte alzoo de heele maat-
schappy tot één botanischen tuin waarvan hy de Linnaeus was. Hy
beschouwde dit als de eenige wyze om te geraken tot \'n helderen
blik in de einddoelen der schepping, en tot de verklaring van alle
duisterheden in en buiten de school. Ja, hy ging zoo-ver, te bewe-
ren dat Wouter\'s Nieuw-Testament weer zou te-voorschyn gekomen
zyn, als juffrouw Pieterse maar had kunnen opgeven tot welke
klasse de man behoorde, die \'t gebonden had in zwart sjagryn.
Maar dat wist ze niet.
Wat my aangaat, ik zou niet eens gesproken hebben over Pen-
newip\'s verdeelzucht, als ik niet kon gebruik maken van zyn arbeid
om m\'n lezers eenig denkbeeld te geven van den kring waarin de
beid myner geschiedenis zich bewoog, even als ik gezegden Penne-
wip ongestoord zou hebben laten onderricht geven in verzenmaken —
dat apris-toiit niet verboden is — wanneer ik niet voorzag weldra
\'n paar gedichten van z\'n leerlingen te zullen noodig hebben tot
plaatselyk kleursel.
Na de gewone hoofdafdeelingen van bezield én onbezield -—•
waarby de goeieman stoutweg den mensch \'n ziel gaf — volgde \'n
stelsel dat er uitzag als \'n pyramide, waar God met engelen, gees-
ten en verder toebehooren, bovenop stond, terwyl de oesters, polipen
-ocr page 47-
WOUTERTJE PIETERS E.                                     2J
en mosselen op den basis rondkropen of stillagen naar verkiezing.
Ter-halverhoogte stonden de koningen, schoolopzieners, burgemees-
ters, wethouderen en dominees-doktoren in de H. Godgeleerdheid.
Daaronder, professoren en kooplieden die niets zelf maken. Vervol-
gens, doktoren in wereldsche dingen — mits tweepaardig — advo-
katen en ongedokterde dominees, kolonels van de burgerwacht, de
rektor van de latynsche school, en zoo voort. Wysgeeren — maar
ze moesten \'n stelsel hebben — dokters met één paard, en dichters
kwamen later. Heel laag daaronder, en vry naby de mosselen, had-i
de zevende onderafdeeling geplaatst der III klasse van den burger-
stand, en in die buurt hoorde myn held thuis.
«BURGERSTAND Hle KLASSE, ZEVENDE ONDERAFDEELING.
Burgcrmenschcn „op kamers" wonende.
d)   Vryc opgang. Drie ramen. Twee verdiepingen metach-
terkamers. De jongens slapen alleen, maar kleeden zich in
gezelschap vin de meisjes. Rraamschut. Leer en f ranselt, en
reciteeren den
Kersnacht. De meisjes hceten i.ena, MARIA,
soms — maar zelden —• LOUISE. Ze borduren, en zeggen :
U. De jongens op \'n kantoor. Houden meid., naaister, en \'n
„mensch voor \'t grove werk." De was nat thuis. L.ezen pree-
ken van
v. d. Palm. Zondags rookvlecsch, schoon linnen, en
likeur na de koffi. Godsdienst en fatsoen.
b1) Altyd nog drie ramen. Eén verdieping. Boven wonen
buren die „tweemaal schellen." (Zie è3)
leentje, mietje,
jansje. Louise komt minder dikwyls voor. De onderdeur
wordt opengetrokken met \'n louw dat glimt van lange dienst.
Slapen in één kamer. Kraamschut. Meid „halve naaister"
en \'n „mensch." Zondags kaas, geen likeur, maar overigens
godsdienst en fatsoen als-boven.
b3) Tweeschellige buren. Nagenoeg als-boven. Zonder meid,
maar met \'n „mensch\'\' Naaister, kaas en schoonlinnen van-
tyd tol-lyd, maar zelden. Godsdienst als-boven.
e)    Tweede verdieping. Twee schuiframen. Kleine ach/er-
kamer die inspringt om de binnenplaats, \'t Hccle gezin slaapt
in tniee bedden. Fan kraamschut geen spoor. De jongens
heclen
louw, piet of gerrit, en gaan ,,op" horologiemaken
of letterzetten. Soms naar zee, maar zelden. Gedurig twist
met de buren over dien verstopten gootsteen in \'t portaal.
Overigens godsdienst als-boven. Hebben kennis aan „heel
fatsoenlyke mensehen." Lezen den Haarlemmer samen met
-ocr page 48-
28                                              MULTATULI.
III, 7, b2 (Pi1). Geen meid of „me/isc/i" maar \'n naaister
van zeven stuivers en \'u boterham . . .
Daar zyn we aangeland by juffrouw Pieterse.
De lezer weet nu vry juist wat-i te denken heeft van Wouter\'s
omgeving, en begrypt waarom ik z\'n gezichtje stadskleurig noemde
toen we hem voor \'t eerst zagen in de hartenstraat.
-ocr page 49-
Voorbereiding lol \'n avendje. Koherdeeling. Slryd lusschen nullen en zvn.
geopenbaard in
\'« kmdermymering [daguerreoliej). Afodderslools-droomen.
itroohalmwedvliet, eenden-oorlog en molen-verlellingen eindigende met\' n Ittc/i/reis.
\'t Was woensdag. Er zou \'n > avendje" wezen by de Pietersens.
Juffrouw ],aps was gevraagd, en ook de juffrouw boven den melk-
kelder, wier man »aan de beurs" was. Voorts vrouw Stotter die zoo
lang gebakerd had «maar altyd heel in \'t fatsoenlyke." Dan de
weduwe Zipperman, die \'n dochter getrouwd had met iemand van
de assurantie, of \'t kadaster, of zoo-iets." Voorts de juffrouw van
den koekbakker. Dat kon niet anders, want het was »zoo opvallend
als men allerhande en janhagel liet halen zonder haar meetevragen."
Dan de juffrouw van onder-achter die wel niet komen zou, dacht
men «maar men wou graag de minste wezen na dat gekibbel over
\'t gebroken glas." En kwam ze nu niet, dan was \'t ook //*\'/, zei
juffrouw Pieterse. Ja, dan zou \'t uit wezen met de juffrouw van
achter-onder. Ik zal nu maar terstond zeggen dat ze niet gekomen
is, en dat het dus met die juffrouw uit was.
De kleinere kinderen zouden vroeg naar-bed, met de belofte van
\'n kop koude saliemelk aan \'t ontbyt »als men ze den heelen avend
niet hoorde." \'t Is ook lastig de kinderen te »hooren" als men \'n
avendje heeft. Wat voor hóórt, moet voor gaan. Wouter kreeg ver-
gunning om te wandelen met de Hallemannetjes, d. z. b. f. waren,
en hy moest thuiskomen tegen acht uur, werd er gezegd, maar op
\'n toon die hem deed voelen dat-i niet zou bekeven worden als hy
ditmaal wat langer uitbleef. Lourens, die natuurlyk op \'t letterzet-
ten was, en gewoonlyk \'s avends tegen zeven uur thuiskwam, was
groot genoeg om van de party te wezen, maar hy moest beloven
stil te zitten en te bedanken by \'t tweede kopje. De groote meisjes
-ocr page 50-
MULTATULI.
3^
hoorden er by, dat sprak vanzelf — ze hadden de belydenis en
den merklap achter den rug — en Stoffel zat voor. Hy zou de
heeren te-woord staan als die zoo tegen tienen de juffrouwen kwa-
men halen, en \'t gezelschap vermaken met vertellingen over Mungo
Park en de bepalende lidwoorden, waarin-i zoo byzonder sterk was.
J-eentje zou blyven tot de »menschen" er waren, wyl \'t anders
voor de jonge-juffrouwen zoo lastig was telkens de deur opentetrek-
ken. Ook kon ze wat helpen aan \'t wegzetten van de latafel, en
aan al \'t geredder dat onafscheidelyk is van \'n avendje. »Maar ze
moest wat vlugger wezen, of anders deed men \'t waarlyk liever zelf."
Het oudste der meisjes, juffrouw Truitje, zou voor de saliemelk
zorgen. Pietje had de boterammen tot haar aandeel, en Myntje de
bestellen, »maar ditmaal moest er wat meer boter in, omdat ze
laatst zoo droog waren."
\'t Zou allerprettigst wezen 2 als nu juffrouw Laps maar niet altyd
het hoogste woord voerde, want dat was nogal haar zwak." Ook
was het te hopen dat de weduw Zipperman iwat minder opsneed
van haar schoonzoon, omdat zoo-iets toch vervelend wordt op \'t
laatst." En de juffrouw boven den melkkelder * mocht ook wel wat
bescheidener wezen, want ze had niet altyd in \'n toehuis gewoond,
en \'n winkel was geen schande, en op- kamers-wonen ook niet...
heere neen!" Ook kon niemand weten waar-i toe komen zou.
Niemand begreep ook waarom de juffrouw van den koekbakker
altyd zooveel fransche woorden gebruikte, dat niet te-pas komt in
den burgerstand, >;en als ze-n-\'t weer doet, Stoffel, zeg jy dan ook
maar iets wat ze niet begrypt. Dan zal ze toch zien dat wy óók
geen volk van de straat zyn, en dat wy óók weten hoe \'t hoort." —
En sdat de juffrouw van onder-achter niet komt, raakt\'me niet,
ging juffrouw Pieterse voort, \'t raakt me volstrekt niet. Ik ben niet
om haar verlegen... vier... vyf... daar kan Louw zitten, dan
rnoet-i z\'n beenen maar vóór zich houden. . . en daar *n stoel. ..
ja, zóó... \'t is heel goed dat ze niet komt, \'t was toch te vol ge-
worden. . . Peentje, ga aan je werk, en snuit je neus... of neen,
ga \'ns even naar juffrouw Paps, en vraag of de juffrouw me-n-\'n
paar krukjes wil leenen, zonder leuning, weetje... omdat die stoe-
len. .. zieje, tegen den schoorsteen, dat schuift niet in... ja, vraag
\'n paar krukjes aan de juffrouw, en zeg aan de juffrouw dat \'t
voor my is, en dat ik de juffrouw wacht tegen zevenen... maar
doe \'t kompliment aan de juffrouw, en snuit je neus.»
Juffrouw Pieterse hield niet van persoonlyke voornaamwoorden,
\'t Was zoo onbeleefd, vond ze.
Wouter was dien namiddag reeds vroeg uitgegaan naar znbrug,
die ditmaal wat minder overbodig was dan gewoonlyk. Want, na
de regens van den vorigen dag was er ditmaal wezenlyk water in
de sloot, en in dat water zelfs beweging, zoodat de kleine strootjes
-ocr page 51-
WOUTERTJE PIETERS E.                                     31
die hy gedachteloos of vol gedachten — wat byna \'t zelfde is —
daarin wierp, werden meegevoerd naar den poel waar de balken
lagen die gezaagd moesten worden door de beiden molens »</\' Mor-
gemtondn
en uien Arend., welke sedert eenige weken getuigen
waren van Wouter\'s gedroom.
Na Glorioso namelyk, en de onmogelykheid om dat boek
waardig te vervangen, was-i in de namiddagen die hy vry had.
onwillekeurig weergekeerd naar de plek waar-i kennis had gemaakt
met de boekerige romanwereld, en hoe grof ook de kleuren waren
van \'t eerste beeld uit die wereld dat zich aan hem voordeed, ja,
misschien juist óm de grofheid van die kleuren, hy voelde zich
daardoor zóó aangetrokken, dat-i zichzelf geheel veranderd voor-
kwam, en niet meer begreep hoe hy ooit z\'n genot had kunnen
zoeken in die taartjes op den hoek.
Een vreemd verschiet had zich voor hem ontsloten. Hy droomde
van dingen waaraan i geen naam kon geven, maar die hem bitter
ontevreden maakten met z\'n werkelyken toestand. Hy wilde graag
alles doen wat voorgeschreven is om in den hemel te komen, maar
\'t bidden zou zooveel beter gaan, meende hy in \'n grot met kaarsen.
En wat het eeren van z\'n moeder betrof, waarop deze altyd zoo
aandrong... waarom had ze geen sleep, zooals die gravin? Hy
had z\'n bybel niet moeten verkoopen. . . dat is waar.. . ook zou-i
"t nooit weerdoen, dit had-i vast beloofd . .. maar dan behoorde
hy toch ook \'n kistje te hebben met dukaten, en \'n veer op z\'n
muts, zooals in \'t boek stond.
Ook verveelde hem z\'n broer Stoffel, en z\'n zusters, en juffrouw
Laps, en huisdominee, en alles En hy begreep niet waarom de
heele familie niet naar Italië ging, om daar \'n behoorlyke roovery
optezetten. Maar Pennewip hoefde niet mee, dacht-i, en Slachters-
keesjen ook niet.
\'t Zou hem benieuwen wat er gebeuren zou met z\'n vers...
Alle woensdagen namelyk leverden de leerlingen die \'t minst
ondeugend waren geweest, en daarom waard gekeurd werden mee-
tedingen naar den lauwer der eer, een gedicht op \'n onderwerp
dat de meester had opgegeven. Wouter had ditmaal „de deugd*
tot z\'n deel gekregen, niet zonder toespeling op z\'n vroegtydige
verdorvenheid, en den wenk dat die dichtoefening mocht dienst-
baar wezen aan z\'n zedelyke verbetering. Maar Wouter had al zoo
dikwyls op de deugd gerymd, en hy vond dit onderwerp zoo droog,
zoo uitgeput, zoo vervelend, dat-i de vryheid had genomen iets
anders te behandelen, en wel wat hem \'t naast aan \'t hart lag, de roovery.
Hyzelf was, als alle schyvers — en menschen — zeer ingenomen
met z\'n werk. Hy hield zich overtuigd dat de meester dit ook
wezen zou, en hem om-den-wille der voorteffelyke uitvoering de
afwyking van de deugd vergeven zou. Het vers zou zeker naarden
-ocr page 52-
H U L T A T U L I.
32
burgemeester worden gezonden, die er kennis van geven zou aan
den Paus, waarna deze Wouter tot zich zou roepen, en hem aan-
stellen als hoofdroover.
Zoo droomde hy, en wierp z\'n strootjes in \'t water. Ze dreven
langzaam voort, en verdwenen tusschen de groenbemoste balken.
Onwillekeurig begon Wouter\'s verbeelding verband te scheppen
tusschen de richting der strootjes, en zyn indrukken. Daar ging de
gravin met haar sleep maar ze haakte aan den kant, en bleef ste-
ken in de modder. De kuische Amalia had geen beter lot, en
raakte verward in \'t kroos. Nu Wouter-zelf: hy naderde Amalia\'s
kroos, en juist toen-i hoopte haar te redden uit haar gevangenschap,
of die te deelen zoo \'t behoort, werd-i opgeslokt door \'n eend. Die
daaraan zeer verkeerd deed. Want het was Wouter\'s laatste strootje,
en in \'t geklapper van den molen hoorde hy duidelyk Amalia\'s
verwytend geklaag:
Warre\\ warre^ 7u/irre, wou,
Waar is ïuarrc, warre, wou ...
Jlrouter die me redden zou?
Dit maakte hem verdrietig, en hy kon zich niet weerhouden \'n
steen te werpen naar den eend die door z\'n gulzigheid oorzaak
was van Amalia\'s twyfel aan zyn riddereer.
De eend koos de beste party, en vertrok, na Wouter te hebben
uitgescholden zoo goed hy kon. Maar de molens schenen zich niet
te storen aan de gebeurtenissen van den middag, en klapperden
dapper voort.
Wouter hoorde in hun gekraak en gezaag allerlei liedjes, en
A\'ergat weldra Amalia en den Paus, om te luisteren naar de
vertellingen die ze hem deden. Om den lezer niet te brengen
in de verkeerde meening dat er iets byzonders was in die molens,
haast ik my te zeggen dat ze knarden en knersten juist als andere
"houtzaagmolens, en dat alles wat Wouter meende te hooren en te
verstaan, niets anders was dan de weerklank der aandoeningen in
z\'n eigen gemoed.
\'t Gebeurt meermalen dat we gelooven iets gewaar te worden
van buiten, wat voorkomt uit onszelf, en even dikwyls meenen wy
zelf iets te hebben uitgedacht, dat eigenlyk afkomstig is van \'n
ander.
Dit is \'n soort van buikspraak die dikwyls aanleiding geeft tot
•ongenoegen en vyandschap.
— Wie \'t snelste draait ? Wel ... me dunkt ... neen .. gelyk
beginnen . .. zóó! Neen, de Arend was vóór! Nogeens ... nu!
•Och, weer verkeerd!
-ocr page 53-
WOUTERTJE PIETERS E.                                33
Wie nu \'t eerst boven is .. neen, dat gaat niet ... nog eens ...
van die wolk af. Morgenstond, pas-op . .. mis weer! Ik kan \'r
geen oog op houden ... wat \'n gedraai!
Zoo, ben je moê ? \'k Wil \'t wel gelooven!
Als ik eens op zoo\'n wiek zat . .. ik zou me goed vasthouden...
wat zou de molenaar gek kyken!
Waarom heetje Morgenstond\'] Hebje wat in den mond ? En . ..
Arend . . . kunje vliegen ? Wilje my meenemen ? Ik zou wel wil-
len... wat \'n ruimte daarboven. . en geen school!
Hoe is toch de eerste school begonnen ? Wat was er \'t eerst. ..
\'n school of \'n meester ?
Maar die eerste meester moet toch op-school geweest zyn...
en die eerste school moet toch \'n meester gehad hebben.. .
Of zou de eerste meester vanzelf . ..
Vanzelf? Neen, dat kan niet. Kunje draaien vanzelf ? Door den wind?
Kunje omkeeren, andersom-draaien vanzelf? Doe \'t eens, Arend. ..
toe! Kryg de Morgenstond. .. gauw, gauw. .. pak \'m beet.. . mooi!
Nu weer alléén, laat los... los... goed zoo!
Nu weer samen ... karre karre, kra, kra, ... steek-uit je ar-
tnen . .. neem me mee . . . wilje niet ? Goed, Arend! Zet je hoed
op ... wat fladderen die linten .. hoe heetje ? Warre, warre
warre, wou
... ik kon \'t niet helpen ... \'t was die eend. Zeg, hoe
heetje ? Fanne, ïanne. fan, fan, . .. heetje Fan ? en jy, Morg-en-
stond,
hoe is je naam ? Sine, sine, sine, si .. . wat is dat voor \'n
naam, si ? Nu tegelyk, komaan .. . samen . . . zingt \'n liedje samen:
fanne, fanne, fan, fan ...
Sine, sine, si, si, ...
Fanne, sine, fanne, sine,
Fanne sine . .. Fan ... cy . .
Fancy ... wat meenje daarmee ? Heetje Fancy ? En ... wat is
dat .. . hebje vleugels ?
Ja, »«? Morgenstond» en >den Arend» waren ineengesmolten,
hadden vleugels, en heetten fancy.
Fancy nam Wouter op, en voerde hem mee.
Toen ze hem weer neerzette op de brug, was \'t al lang donker.
Wouter schudde zich af als iemand die nat is, wreef zich de oogen
uit, en ging naar-huis. We zullen later zien wat hem daar wachtte,
doch moeten daartoe \'n paar uren teruggaan, en ik hoop dat de
lezer niet te eollet monté is tot het aannemen van m\'n uitnoodi-
ging op de saliemelk van juffrouw Pieterse. Men bedenke dat haar
man niets zelf maakte, en alles van Parys kreeg . t
In \'t voorbygaan echter, wenschte ik \'n kort bezoek te brengen
by meester Pennewip.
-ocr page 54-
Dichtoefeningen, J>ruikevrcugci, pruikeverdrict en pmikemanhoop.
De school was ledig, en de banken zagen er uit alsof de leer-
lingen daarop al hun verveling hadden achtergelaten. De kaart van
Europa keek verdrietig neer op den stapel schryfboekjes, waarnaast
de boutjes lagen a) die tot aan het tandvleesch waren afgeschreven
op de streepjes en haakjes waarmee sedert onheugelyke tyden de
toegang wordt ontsloten aan alle geleerdheid. Wel prykte nog die
moeielyke breukensom in al haar luister op \'t zwarte bord, maar
toch. de school was geen school meer, de geest was er uit, \'t was
\'n lyk.
Ja, de geest was vertrokken met de kinderen. Want dat dezen
\'n groote hoeveelheid van dat artikel met zich omdroegen, zal den
lezer weldra blyken.
Wy weten reeds dat het heden de groote dag was, waarop
meester Pennewip de dichterlyke voortbrengselen van \'t genie zyner
leerlingen keuren zou. Daar zat-i. Z\'n veelbewogen pruikje deelde
in de aandoeningen die hem bezielden by \'t lezen der dichtstukken,
en we zyn onbescheiden genoeg over z\'n schouders te zien, om
a) Boutjes heetten de ganzepennen van de soort die op de scholen gebruikt
werd. De betere soort noemde men, naar ik meen, schachten. Stalen pennen
kwamen veel later, en werden niet vriendelyk ontvangen. Men kon er geen
krullen mee trekken, een kunstje dat in Pennewip\'s dagen in hooge achting
stond. Toen, en vooral ruim honderd jaren vroeger nog, schynt de schijf kunst
\'n veel hoogeren rang bekleed te hebben, dan tegenwoordig. In den „Belache-
lykc Jonker\'
van Bernagie wordt het mooie schrift van een der mededingers
naar de hand van \'n meisjen, in allen ernst opgenoemd onder de verdiensten,
die hem den voorrang waardig maken.
-ocr page 55-
WOUTERTJE PIETERS E.                                35
op onze beurt bewogen te worden door indrukken van onwaardeer-
baar kunstgenot.
Pruik: recht, en in rust.
»TRYNTJE fop, op haar muts.
Ik heet Tryntje Fop,
En heb een muts op myn kop.*
—   Niet kwaad .. . maar .. . laat zien — ja, zóó is \'t beter —
die beide laatste woorden verzwakken den indruk van het geheel
door derzelver overtolligheid, a)
.Meester haalde de beide verzwakkende woorden door, en nu had
Tryntje Fop heel eenvoudig \'n muts öp, zonder kóp. Ik mag dien
styl wel.
Pruik: iets of wat links.
tLUKAS de bryer op het Vaderland.
Vaderland, koek en amandelen,
Ik ga in de maneschyn wandelen,
Koek, vaderland en brandewyn,
Ik ,qa wandelen in de maneschyn,
Vyf vingers heb ik aan myn hand
Ter eer van \'t lieve vaderland.*
—  Zangerig, zei meester, zeer zangerig! Er is diepte in die koek
met brandewyn, en \'t vaderland daartusschen.
Pruik: rechts.
slysje webbel aar, op het beroep van haar vader.
De kat viel van de trappe,
Myn vader verkoopt aardappe-
Len en uyen.t
—  Oorspronkelykheid ... maar dat doorsnyden van de aardap-
pelen keur ik af.
Pruik: links.
«jannetje rast, op een windwyzer.
Ily staat op een schoorsteen van binnen vol roet,
En wyst aan den wind hoe hy waaien moet"
ft) Pennewip, de goede man is hier gechargeerd. Zeer ten-onrechte belast ik
hém mét het geeselen onzer verzensmeden, daar dit niet, tot de klasse der werk-
zaamheden behoort, waartoe hy by-voorkeur zou geschikt zyn. Ironie past niet
in z\'n rol. Een andermaal beter!
-ocr page 56-
MDLTATULI
—  Dit is niet geheel juist .. . want, wél beschouwd ... maar als
dichterlyke vryheid kan het er door.
Pruik: vooruit.
«GRIETJE WANZER, Op een fttpS.
Het rupsje zonder schromen.
Springt rond op alle boomen.*
—   Beschn vende dichtsoort. Er is stoutheid in de voorstelling
van die onbeschroomd rondspringende rups.
Pruik: in rust.
„LEENDERT SN\'ELLEMAN, Op de lente.
In de lenk is het heel aardig,
In Mei is myn broertje jarig,
Maar nu heeft hy wintervoeten,
Zoodat wy de lente pryzen moet en.
Dan gaan wy samen kuieren,
En op paasch, vacantie met eieren.*
—- \'t Is jammer dat hy het rym zoo verwaarloost. Zyne denk-
beelden zyn inderdaad ongemeen, en goed ontwikkeld. Die overgang
op de eieren is zeer eigenaardig.
Pruik: in den nek.
«slachterskeesje, lofdicht op den meester.
Myn vader heeft menigen os den doodsteek gegeven.
Maar meester Pennewip is nog in leven.
Soms waren zy mager, en somtyds vet.
En hy heeft zyn pruik op zy gezet. „
De pruik ging inderdaad op-zy, en nogal héél ver.
—  Hm ... \'t is zonderling .. . wat zal ik daarvan zeggen ?
De pruik ging over stag naar de uiterste rechterzyde.
—  Wat heb ik met die ossen te maken ?
De pruik protesteerde door eenige indrukwekkende bewegingen
tegen alle verwantschap met die ossen.
—  Hm ... zou dat nu wezen wat de nieuwerwetsche boeken-
makers humor noemen?
De pruik werd neergehaald tot aan de wenkbrauwen, wat twyfel
aanduidt.
—  Ik zal den jongen eens onderhanden nemen...
-ocr page 57-
WOUTERTJE PIETERS E.                                37
De pruik kwam weer terecht op \'t zenith, om haar tevredenheid
uittedrukken over meester\'s voornemen om Slachterskeesjen eens
terdeeg onder-handen te nemen.
«lukas de wilde, op den godsdienst.
De godsdienst is een goede zaak,
Rn geeft het menschdom veel vermaak"
—  Het gronddenkbeeld is juist en schoon, zei meester, maar
hetzelve had iets meer uitgewerkt behooren te worden.
De pruik wipte duidelyk dat ze dit ook vond.
»truitje gier, op juffrouw Pcnnetvip.
Het pad der deugd wyst zy ons aan.
Wie sou niet gaarne medegaan?
En in verloren oogenblikkcn
Leert zy ons naaien, stoppeti en stikken.*
De pruik maakte een vreugdesprong, en de krullen omhelsden
elkaar. Meester kon niet nalaten z\'n vrouw terstond deelgenoot te
maken van Truitje Gier\'s ontboezeming, die opgeplakt en boven
den schoorsteen werd gehangen, ter eere van zangster en bezongene.
By \'t volgend gedicht hing de pruik waterig, slap en schynbaar
onbewogen, maar de oplettende beschouwer had \'n hysterische
geestvervoering kunnen waarnemen, in de trilling van haar krullen.
»KLAASJE VAN DER GRACHT, Op God.
Grootmachtig Opperheer, verbazing, hoogverheven :
Met stof, en stergewoel, van \'t aardsch bazuingeschal7
Verbeelding, tydsgewricht, Verzoening, juichend beven,
Wie zegt ons waar \'t gewoel, een einde nemen zal?
Tot weerklank van Genae, met Eng\'len op de transen,
Gevaar van \'t smalle pad, uit onbekend genot...
Een vader weegt zyn kind, met cuw\'ge kroonbalansen,
Zich spiegelend in, en door, en op, en onder God.
Laat vry de zonden val, op onwaardeerbre wyzen,
Hel zevenslotig boek, een zang van \'t boos geslacht,
Nooit zal het slerfivk lied, by nacht naar onder ryzen,
Dit vers it saamgedicht door Klaasje van der Gracht van
den katechiseermeester, boven den potter/winkel, in de Peper-
straat, oud dertien jaar, en ongevaccineerd ten eere der pre-
destinatie, "Maar de vliegende theeketel uithangt."
—  Verheven ! Als z\'n vader hem daaraan niet geholpen heeft,
is het verbazend! Dit is nu al des jongelings derde gedicht op God,
-ocr page 58-
38                                      -              HULTAIULI
en telkens heeft hy nieuwe denkbeelden over dat onderwerp. Hy
groeit my boven het hoofd .. . het is verbazend!
Ook de pruik was verbaasd: ze verroerde zich niet.
«LOUWTJE DE WILDE, Op de vriendschap.
De vriendschap is een schoone zaak,
En geeft het menschdom groot vermaak.*
De pruik scheen niet tevreden. De godsdienst van Lukas de
Wilde werd voor den dag gehaald, en ter vergelyking neergelegd
naast Louwtjes vriendschap.
—    Hm . .. zoo . .. het is mogelyk! Men ziet wel eens meer,
dat één denkbeeld geboren wordt in twee hoofden tegelyk. Het
kan wezen ... of zyn.
«wimpje de wilde, op het hengelen.
Het heng\'/en is
...
—  Hoe .. . wat is dat ?
Ja waarachtig, \'t stond er:
t//et heng\'len is een sehoone zaak^
En geeft het me?isckdo?n veel vermaak.*
I )e pruik was in voortdurende beweging, \'t Scheen wel dat ze
meehengelde.
Meester bladerde de nog oningeziene proeven door, zocht de
voortbrengselen van de heele wilde-familie byeen. en ... jawel!
Mietje de Wilde, Kees de Wilde, Piet de Wilde, allen verklaarden
met eenstemmigheid dat godsdienst, vriendschap, hengelen, droomen,
bloemkool en goochelen schoone zaken waren, die veel vermaak
gaven aan \'t menschdom! \'t Was \'n stortvloed van schoone zaken
en vermakelykheden.
Wat zou de pruik doen ? Ze deed wat in de gegeven omstandig-
heden \'t beste was, en meer kan men niet verlangen. Na \'t inzien
der vruchteloosheid harer bemoeiingen om onderscheid te vinden
tusschen hengelen en vriendschap, goochelen en droomen, gods-
dienst en kool, hield ze zich alsof de zaak haar niet aanging, en
bleef in \'t juiste midden, met \'n uitdrukking in haar krullen, of ze
met verlangen uitzag naar \'t vervolg, als de lezers.
„t.eentje de haas, op admiraal de Ruyter.
„Hy is op een toren geklommen.
En heeft daar touw gedraaid^
Toeti is hy op zee gekomtnen,
En werd met roem bezaaid.
-ocr page 59-
WOUTERTJE PIETERS e.                                39
Hy wou V er niet by laten,
En heeft Saleh geveld.
Toen hebben heer en Staten
Hem aangesteld als held.
Toen is hy aangekomen
In V roof ziek Engeland.
Dat heeft hy zonder schromen
Belegerd en verbrand.
Uy heeft veel christenslaven
Met vryheid overstrooid
Toen hebben Neérlands braven
Zyn glazen ingegooid.
Tot afschrik van verraders
Toen hy de zee bevoer,
Was zyn naam bestevader,
Zyn vrouw was bes te moer.
Hy gaf de eer den Héere,
En was als Christen groot.
Toen kreeg hy door zyn klecren
Een kogel, en was dood.i>
De pruik klapte toejuichend in de krullen. Ze scheen verheugd.
Helaas ... de vreugde van zoo\'n pruik duurt niet lang! Ook de
hare zou weldra ... maar wy willen de gebeurtenissen niet voor-
iuitloopen. Spoedig, al te spoedig zullen we haar zien ...
«wouter pieterse, Eooverslicd...
— Hé .. wat is dat ? En de deugd ... waar is de deugd ?
Meester vertrouwde z\'n oogen niet. Hy keerde \'t blad om en
bekeek de achterzyde, of misschien de deugd zich daar verscholen
had ...
Helaas ... helaas ... er was geen spoor van deugd te zien op
AVouter\'s blaadje !
Arme pruik !
Ja, arme pruik! Want na te hebben ondergaan wat nooit \'n
pruik onderging, na te zyn getrokken, geplukt, gehavend en ge-
marteld op \'n wyze die zelfs de verbeeldingskracht zou te-boven
gaan van de familie de Wilde, rukte meester Pennewip haar af,
kneep ze tusschen de krampachtig saamgevouwen handen, stamelde
«en kort: heeremensechristenzieligehemelsegoeiegenadigedeugdvanme-
-ocr page 60-
40                                                     MULTAIÜLI
leven, hoe komt-i er aan ! ... plakte ze met \'n vuistslag weer op
z\'n schedel ... dekte haar toe met z\'n eerwaardig driepuntjen, en
vloog de deur uit als \'n bezetene.
Hy ging den weg op naar Wouter\'s woning, waar we hem wei-
dra zullen zien aankomen, na vooraf behoorlyk onzen plicht te
hebben vervuld als geschiedschryver van de gebeurtenissen die daar
waren voorgevallen.
-ocr page 61-
Een salieavendje met wysgeerige zysprong op \'t gebied der kunst. Dergelyk
uitstapje naar
POMPEI, via F0NTAINKB1.EAU. Afogelykt promotie van de baker,
Vreeselykt g\'\'ping in de geleerdheid van den Schryver, die niet eens weet \'wat
wimpik geantwoord heeft en wie er schilde, Stoffel\'s zoölogische geestigheid,
oorzaak van \'n laatsten pttnischen oorlog.
PENNEW1P homoeopaalh en vredestich-
ter
malgré lui. Arme woulEU !
— Heeremens . . da-doeme plissier dat uwe der al bent. Leentje,
sê-chou die stoel wech, en cheef ereis \'n tessie in die stoof . . . toe
as \'n meit, of \'k doe \'t liefer sellif. En-oe maak je \'t, mens ? Juffró-
Laps k\'mt ook, weetje ? — Myntje, denk \'m je deeg, en skei uit
mê-kamme — ze ken niet fn d\'r hare blyve, die meit, as \'r folk
is ... ga sitte, mens . . né, niet in die hoek ... \'t tocht \'r so ...
Het tochtte in dien hoek niet meer dan in andere hoeken.
Maar . .. vrouw Stotter was \'n «vrouw» en geen «juffrouw.. Ze
had dus geen recht op de eereplaats, want eens-vooral, \'n juffrouw
gaat boven \'n vrouw, zoogoed als \'n mevrouw gaat boven \'n
juffrouw. Ieder moet op z\'n plaats blyven, vooral op bovenkamer
III, 7, bl of c, (Pp) waar de preséattee nauwkeuriger wordt in acht
genomen dan aan \'t hof te Madrid, jazelfs met \'n angstvalligheid
die \'t ceremoniemeesterschap op die hoogte der maatschappy, tot
\'n hoofdbrekend werk maakt voor menige juffrouw Pieterse.
Ik zeg dit maar, om door \'t woord «hoofdbreken» ongezocht
te geraken tot de opmerking dat ik zooveel moeite heb gehad met
de juiste konstruktie der welkomstgroet van vrouw Stotter, en dat
ik niet zal kunnen overgaan tot het meedeelen van haar antwoord,,
voor \'t afleggen van \'n bezoek op dezen of genen III, 7. bx (Pp).
Er zyn kunstrechters die \'t \'n verdienste vinden in Paul Delaroche,
dat-i \'t slyk op de laarzen van Napoleon te Fonlainebleau zoo on-
-ocr page 62-
42
M ULT AT U LI
achtzaam geschilderd heeft. Maar ik beweer dat de beschouwer van
iedere schildery, en de lezers van ieder boek, recht hebben op on-
berispelyken modder, en dat de schilder of schryver zich van de
parcrga niet mag afmaken met \'n onachtzaamheid die denken doet
aan mislukt jagen naar genialiteit. Niets moet den grooten man te
klein wezen, en ik zie niet in, waarom vrouw Stotter\'s antwoord
niet even goed het bestudeeren waard is als de tekst van \'n duistere
plaats in \'t een of ander handschrift van onbekende personen. Men
verdiept zich in bespiegelingen over de juiste beteekenis van de
hansworstjes op den muur der wachtkamer te Pompei, en zoekt
daarin de oorzaken van den val des Romeinschen ryks. We
vinden \'n breede, hooge of diepe meening, in \'t toevoegen van twee
letters aan Abram\'s naam. Wy hebben elkaar doodgeslagen — ik
meen u en my niet lezer — de menschen hebben elkaar doodge-
slagen om verschil van opinie over de ware hoedanigheid van gegeten
brood ... wie zegt ons of \'t slyk op de laarzen waarvan ik sprak,
niet eenmaal zal worden verheven tot \'n god, en of niet alsdan de
juiste kennis van dat vuil noodig wezen zal tot het erlangen van
de eeuwige zaligheid ?
Dit nu eens aannemende als mogelyk — er zyn wel gekker din-
gen gebeurd — is Delaroche dan niet misdadig ? Delaroche, die
door z\'n onvergefelyke slordigheid oorzaak zal wezen dat duizenden
verdoemd worden ? Want er zyn vele soorten van modder, en er
is maar één zaligheid.
En als \'t nu eens later iemand in \'t hoofd komt, vrouw Stotter
te verheffen tot algemeene baker van \'t heele menschdom, zal \'t
dan niet vóór alles noodig zyn nauwkeurig te weten wat ze gezegd
heeft, en hóe ze \'t gezegd heeft ? I ,ieve menschen, moet het dan
juist hebreeuwsch wezen of plat-grieks, wat u aantrekt ? Wat my
betreft, \'k wasch m\'n handen in onschuld, en ga terstond naar de
Noordermarkt.
Ik ben er geweest! Ziehier :
— Och me Heffe juffre Pieterse ... \'k was zo bedaan toe Lou-
weris me kwam fraache. Want \'k sech al so teuche Wimpie, die
musse maakt, weetje — né, danki Pr fuur. Strakies Pietje — \'k zech
al so teuche Wimpie, hoe zou juffre Pieterse \'t make, \'mda-\'k in so
lang nie fa-je chehoort-ep, weetje — ja, lech \'m m\'r neer, \'t is m\'n outje
— je neemt ommes nie kwalik, da-k m\'r m\'n outje hep omche-
daan ? ... en doe sei Wimpie, omda-we net aan de was wasse ...
Wat Wimpie daarop gezegd heeft, weet ik waarachtig niet. Het
«outje» van vrouw Stotter werd opgenomen, en neergelegd aan \'t
voeteneind op de bedstee in de achterkamer, met last aan de kin-
deren die daar saamgepakt lagen, de beenen niet uittesteken, om
baker\'s «outje» niet te bederven.
-ocr page 63-
WOUTERTJE PIETERS E.                                     43
—  Wel mens, cha sitte ... ja, da\'s frons ... \'t is tweemaal —
Leentje, wa-benje weer ... d\'r wordt cheskelt, hoorje niet! — \'t Sel
juffre Sipperman wese . . . w\'nt juffre Sipperman k\'mt ook, weetje ...
Ik weet alweer niet, of \'t inderdaad juffrouw Zipperman was die
gescheld had, en de lezer mag me verwyten dat ik geschiedenissen
vertel die ikzelf niet recht ken. Maar in \'t onzekere latende of \'t
ditmaal juffrouw Zippennan was, of juffrouw Mabbel van den koek-
bakker, of juffrouw Krummel «die \'n man op de beurs had» of
juffrouw Laps ... neen, die hoefde niet te schellen, |want ze woonde
op de ondervoorkamer. Genoeg, vóór half-acht was \'t heele gezel-
schap kompleet, en Stoffel rookte z\'n pyp alsof \'t zoo hoorde.
Leentje was weggegaan zonder boterham. »Die zou ze morgen wel
krygen, omdat \'t zoo druk was vandaag, en men kon niet alles
tegelyk doen.»
—  En toe hebbe ze dadelik \'n and\'re chenome . . . uwe weet wel...
die soo\'n fiakki op \'r neus het.
—  Och, \'t is soo\'n chemaal met-i meide ... zei juffrouw Pie-
terse. Toe, neemt uwe d\'r noch eentje, en la-je nie nooie ... \'t is
\'n koekie f\'n j\'eiche deech.
—  Friskuus, zei de koekbakkersjuffrouw, met \'n konynenmondje,
dat fatsoen beduidt.
—  Keman, of \'k sou denke da-je \'t nie luste.
Dat mocht ze niet laten denken, want ze had \'t zelf gebakken,
en was niet zoo oprecht als mvu juffrouw en ik. a)
Dan mach \'k je nie riffersére, juffrouw Pieterse. Chobliseert en
dankie wel.
—  En uwé, juffre Laps, toe, mach \'k \'r j\'eentje cheefe ?
Juffrouw Laps koos janhagel.
—  Skenkerissin, Trui! — Ja, fre Stotter, nou je hier bent, mö-je
meedrinken, \'t wort je Pn harte chechunt, mens! — Pietje, feeg
de tafel \'r\'s of .. só, as \'n meit ... en cha nou \'r\'s kyke na de
kleintjes, en sech da \'k se nie hoore mot. — Och, juffre Mabbel
\'t is zoo\'n chedoe mettie kindere ... en hoe faart uwe\'s Sientje
niette kinkhoest?
—  We hebbe d\'r nou \'n machenetisseur bycheroepe, m\'r \'t wil
nie vatte ... \'t m\'nkeert \'m an de kleérfenjanse fa-de sonnebuul.
—  Isset moooochelik . . . wat \'n mens al beleeft! En w\'nneer
komt-i . . die kle . . . klik .. . kleer .. .
—  Dat leit \'m an de sénewe, juffre Sipperman. M\'r nou het-i
d\'r slaapmussie, en d\'r hempie waar ze-n-in gezweet het, weet uwe,
en nou zei \'t chou korarae, seit-i.
a) Zie Idee 54
-ocr page 64-
44                                            MULTATULI
—  Wel mens, wat sech-i! M\'r oe chaat \'t dan ?
—  Wel . .. dan sel de sonnebuul \'t seche, wa-rae doen motte.
Juffrouw Laps was er tegen.
—  Ik dééj\'t niet, ik dééj\'t niet ... fö-cheen werels choet! Want
weetje wat ik sech ? Ik sech maar, as Chot \'t wil, d\'n mö-je
beruste, da-sech ik !
—  Ja, juffre Laps, m\'r de juffr\' uit de chruttery het \'t ook che-
daan, en d\'r kint is veel beter.
—  Dat seit uwé, juffre Mabbel, m\'r ik sech da-se wat in d\'r
oochies het, wfi-me niet befalt . . .
—  Wa-dan, juffre Laps ?
—  Se kykt onstichtelik ... en ik houw\'t f\'r sonde ... en dat
sech ik maar. \'t lienne allemaal m\'r kunste die nie te-pas kom-
rae ... en as Chot wil, mö-je beruste.
—  Kom, Stoffel, prateris mee ... je sitter by as de steeneman.
Sechereis \'n ferssie op, of fertellis fa-je school, ja, juffre Mabbel,
i-ken \'n heel fers fn buite, en da-ken-i opseche achtermekaar. En
ook ken-i al de werrikwoorden fn \'t frouwelik cheslacht.
—  Moeder, wa-praat uwe fan, zei Stoffel onvergenoegd, uwe
sieta-\'k rook.
—  Ja, ja, as je pypie uit is, meen ik, mö-je n-\'s \'n werrikwoord
opseche. — Je sou seche, w\'r haalt de jong\' \'t fndaan, juffre
Sipperman. — Hoe is \'t \'k weer, lobbes ? ... ik zou beskonke che-
wees syn, en hy sou beskonke chewees syn — och heere,< begryp \'t goet,
mens, niet omdat-i dronke was, gut né, m\'r \'t kwam so te-pas in
s\'n werrikwoort, \'tis \'m je slap te lachen, as-i bechint. — Skenker-
rissin, Trui, en blaas es in de tuit ... d\'r sit \'n blaatje foor.
De lezer zal my ten goede houden, dat ik wat luchtig heenstap-
over de verdere geschiedenis van dat salieblaadje, en dat ik ook
in \'t verder relaas van juffrouw Pieterse\'s avendje, my eenige afwy-
king veroorloof van den juisten tekst der gesprekken. Wat ik zeide
op blz. 42 moge waar zyn, doch: s\'il faut de la bouc, pas trop
n\'en faut,
en zeker niet meer dan juist noodig is om te doen voe-
len hoe haastig, en in welke gemoedsstemming, Napoleon was aan-
gekomen te Fontainebleau. Dit namelyk is uit \'n aesthetisch oogpunt
de bedoeling van dat slyk, en wie er meer van geeft dan daartoe
noodig is, doet gewis verkeerd. Even verkeerd zeker, als de schil-
der wien de moed ontbreken zou dat slyk te geven in \'t geheel,
uit vrees voor de "shockings* van deze of gene geangliseerde kunst-
beschouwster.
Zonder in \'t minst my te verantwoorden voor publiek, en uit
luim alleen, verklaar ik hier dat ik den toon der Pietersen\'s noo-
dig had in myn schildery, van myn Wouter, te myn Fontainebleau.
-ocr page 65-
WOUTERTJE PIETERS E.                                 45
Wie \'t niet aanstaat, wordt op thee verzocht by schoone Amalia,
op blz. 10.
Maar alle zelfopoffering heeft zyn grenzen. Wanneer ik al m\'n
gangen naar de noordermarkt kon aaneenknoopen in één richting,
ware ik reeds lang aan de pool geweest.
Stoffel dreunde z\'n vrouwelyk werkwoord op, met veel gevoel, en
de dames schaterden van lachen toen-i haar vertelde dat hy be-
schonken geweest was, en dat zy \'t wezen zouden. Daarop werd
de buurt over den hekel gehaald, en de juffrouw van «onder-achter»
kreeg haar deel. Dat spreekt vanzelf, want ze was er niet.
De godsdienst en \'t geloof speelden \'n groote rol, en juffrouw
Laps gaf te kennen dat ze van plan was \'n «oefening» optezetten,
omdat de tegenwoordige dominees wel wat los heenliepen over de
zaak en niet goed in de hoeken veegden.
—  Ik zeg maar, \'t staat in de Schrift dat \'n mensch \'n mensch
is, riep ze, en daar kom ik maar op. Men moet \'t niet beter willen
weten dan God-zelf. De zaligheid komt van de genade, en de
genade komt door \'t geloof, maar als je niet uitverkoren bent dan
heb je de genade niet en je kunt niet gelooven ... en dat is dan
de reden dat je verdoemd bent, zieje ? Ik zeg maar: dat is zeker,
zoo goed als twee maal twee, zieje ... en daarom wou \'k zoo graag
\'n eigen oefeningetje houwen . . . niet om geld of gewin .. . heere,
neen,., maar om \'n zakduitje op kermis en nieuwejaar. Denk \'r\'ns
over, juffrouw Mabbel.
Juffrouw Mabbel zei dat haar man er tegen was, omdat-i graag
\'s avonds uitging en zy dan op den winkel moest passen. Boven-
dien: «\'t kwam zoo slecht uit met bakken. Niemand kon begrypen
wat dat \'n »werkelyk« beroep was.»
—  Uwé dan, juffrouw Zipperman, vindt uwé ook niet dat \'t wel
gaan zou ? Ik zou koffi-zetten, en de zielen konden daar wat voor
neerleggen in de schoteltjes ... want om geld is \'t me niet te doen,
gut né! We zouden beginnen met \'t ouwe testament.. en dan. . .
oefening, weet uwé . . . oefening, weet u ?
Juffrouw Zipperman wist \'t wel, doch haar schoonzoon van de
assurantie — of van \'t kadaster — had gezegd dat de dominees
voor die zaak betaald werden, en dat dus alle verdere oefening
onnoodige kosten wezen zou.
Die heeren van kadaster — of van de assurantie — zyn zoo
gek niet.
—  Wat denkt uwe d\'r dan van, juffrouw Krummel? Vindt uwe
niet dat zoo\'n oefeningetje ...
Juffrouw Krummel zei dat ze zich oefende met haar man, als-i
-ocr page 66-
46
MULTATULI
van de beurs kwam. Lapsje was nu wel genoodzaakt zich te wen-
den tot vrouw Stotter, schoon ze voelde dat er iets derogeerends
in lag, zulke aanbiedingen te doen aan \'n »vrouw. *
—  Och, me lieve juffrouw Laps, als je-n-\'ns zoolang gebakerd
hadt als ik, zou je de lust wel vergaan. Daar heb je nou m\'nheer
Luttelmans van de Prinsengracht .. . dien heb ik gebakerd ... en
die zei altyd .. . want ik heb altyd heel in \'t fatsoenlyke gebakerd,
weetje ... \'t is \'n huis met \'n hooge stoep, en in den gang stond
zoo\'n klok, weetje van regen en wind ... en die zei altyd: < vrouw
Stotter, zeit-i, je bent "n goeie vrouw, zeit-i, en \'n knappe baker,
dat zal ik altyd van je zeggen, zeit-i, en, zeit-i, m\'n heele familie
zal je gebruiken, zeit-i, maar, zeit-i, als de mensen\'je zoowat zeggen,
zeit-i, moet je maar net doen of je \'t niet hoort» — dankie, juffrouw
Pieterse, m\'n koppie is omgekeerd, dat zie je wel — en daarom,
zeg ik maar altyd: ieder moet weten wat-i doet.
—  Maar zoo\'n oefeningetje . .. vrouw Stotter.
—   \'t Is mogelyk, juffrouw Laps, \'t is wel mogelyk .. . maar ik
heb al zooveel ondervinding van die dingen, dat ik maar zoo m\'n
eigen gang ga, en dat \'s dan ook maar \'t beste. Want ik ben in
\'n kraam geweest by m\'nheer De Witte die \'n oom heeft aan \'t
stadhuis, weetje, want ik baker altyd heel in \'t fatsoenlyke, en die
zei altyd, omdat-i zoo grappig was, weetje, die zei altyd: «baker,
baker, zeit-i, je bent m\'n \'n baker !„ Zoodat ik maar zeggen wil dat
\'k heel goed weet wat \'k doe, want ik heb \'r al wat ingespeld van
m\'n leven. Daar heb je nou m\'nheer ... hoe heet-i ook ... ook op
de prinsengracht ... neen, op de kalkmarkt .. . och, hoe heet-i . . .
De lezer zal vinden dat vrouw Stotter gedurig afweek van \'t punt
in kwestie. Maar dat doen er wel meer.
—  En uwé, juffrouw Pieterse, hoe denkt uwé over \'n oefeningetje ?
—  Och mensch, ik heb al zoo\'n geoefen met m\'n kinderen ! Je-
weet niet wat \'t is, mensch, om \'r zoo negen groot te brengen. En
ik doe daar m\'n godsdienst mee, want in de Schrift staat ... Trui,
geef kleine Kee \'r wat voor, ik hoor \'r weer.
Truitje had iets edels in haar houding toen ze naar de achter-
kamer ging om kleine Kee er «wat vóór te geven.; Men kon \'t
haar aanzien dat ze zich gestreeld voelde door de overdracht der
moederlyke waardigheid. Kleine Kee scheen minder gestreeld.
—  Waar was ik ook weer? Ja, dat is m\'n godsdienst, zeg-ik
maar. \'t Is \'n getob met die kinderen, mensch, je wéét \'t niet! En
ik vind, als ik ze goed opbreng ... ga jy nu \'ns, Pietje, en breng
Simon terecht, die knypt zeker z\'n zussie weer, dat doet-i altyd
als \'r volk is.
-ocr page 67-
WOUTERTJE PIETERS E.                                47
Simon werd terechtgebracht.
—  Als er volk is, zyn de kinderen altyd zoo lastig ... wat hoor
ik daar weer ? Myntje ga \'ns gauw kyken, en zeg dat ze slaper»
moeten.
Myntje ging, en kwam met de tyding dat "ze wat hadden om-
gegooid.»
Algemeene strafoefening. Vinnige boodschap van de juffrouw
«achter-onder.» \'t Is dan ook heel onaangenaam voor de juffrouw
van achter-onder, als de kinderen der juffrouw van boven-voor wat
omgooien, achter. Vreeselyke opschudding!
Eindelyk:
De kinderen waren «terechtgebracht.» Juffrouw Zipperman zat
weer in den hoek «waar \'t zoo tochtte» waaruit men ziet hoe alle
aardsche grootheid \'n keerzy heeft, en dat \'n schoonzoon by \'t
kadaster — of de assurantie — regelrecht aanspraak geeft op zin-
kings. Juffrouw Laps was heel tevreden over de kordate manier
waarop de kinderen waren gekastyd. »\'t Was juist als in de Schrift
stond» zei ze, en ze haalde een tekst aan waarin wordt voorge-
schreven iemand te slaan. Waar \'t staat, weet ik niet, maar \'k ben
zeker dat het ergens staat. Want in die Schrift staat alles. Vooral
van slaan.
—  Kom, Stoffel, vertel jy nou \'reis wat, zei de vriendelyke gast-
vrouw, die toonen wilde dat haar kinderen méér konden dan kny-
pen en omgooien.
—  \'k Weet niks op \'t oogenblik, zei Stoffel, zonder de minste
sokratische hovaardy.
—  Och toe, zeg maar \'reis wat je verleden zei ... och toe —
zoo is-i altyd, juffrouw Mabbel, hy moet aan den gang geholpen
worden, anders gaat \'t niet, Maar dan weet-i "t wel, dat zal uwe
zien — toe, Stoffel! — hy zal moe wezen van z\'n school, weet
u ... \'t is \'n gedoe met zoo\'n school ! Ja, juffrouw Krummel, daar
is \'n heele boel aan vast . . zou u dat wel zeggen, dat alle woor-
den mannelyk of vrouwelyk zyn. Is \'t niet waar, Stoffel ?
—  Né, moeder.
—  Niet, wel nou kom-an .... en verleden zei je — \'t is maar,
weet uwe, juffrouw Zipperman, om \'m aan \'t praten te krygen,
maar dat kan zoo in-eens niet, weet uwé, omdat-i moe is van
z\'n school — en verleden zei je, dat alles ...
—  Né, moeder. Mannelyk, vrouwelyk of onzydig, heb ik gezegd,
—  Nou hoort uwé \'t, juffrouw Mabbel .. . waar haal-i \'t van-
daan! Begryp \'ns baker, ik ben vrouwelyk, en de tafel ook, en je
muts ook — je korrenet, weetje — en jy ook ...
-ocr page 68-
M ULTA T U I. I
—  Né, moeder, kornet is mannelyk.. .alle mannelyke bedryven...
en baker ook
Baker keek heel vreemd. Zy mannelyk .. . dat had ze nooit ge-
weten.
—  Baker is mannelyk, ging Stoffel voort — nou begint-i! riep
z\'n moeder — alle woorden op k. e. r. zyn mannelyk: rakker,
makker, bakker . . . raker, maker, baker.
—  Is \'t mogelyk! riepen de gasten uit één mond.
—  Ja menschen, en nog meer, zei juffrouw Pieterse, je zult ver-
stomd staan als je "t hoort. Wat denkje wel dat je bent, juffrouw
Krummel ?
—  Ik ... ik ? Wat ik bén f.
—  Ja, ja . .. wat je bent, wat je eigenlyk bent ?
—  Wèl . . ik ben juffrouw Krummel, zei \'t mensch, maar ze
zei \'t met wat twyfel, want ze las uil den zegepralenden blik van
juffrouw Pieterse, en op de diepzinnig saamgeknepen lippen van
Stoffel, dat ze in \'t eind wel heel wat anders wezen kon danjuf-
frouw Krummel.
De spanning was te mooi om die niet te rekken, en daarom,
van \'n byzondere zaak \'n algemeene makende, vroeg Stoffel\'s moe-
der, kringsgewys rondgaande met haar blik :
—  En uwé ook, juffrouw Mabbel, en uwé, juffrouw Laps, en uwé,
juffrouw Zipperman, en jy, vrouw Stotter .. . wat denkt jelui alle-
maal wel dat je bent ?
Ze wisten \'t geen van allen. Dit nu zal niemand vreemd voor-
komen die de moeielykheid van zelfkennis heeft ingezien, maar zóó
meende de hoogschalke Stoffel \'t niet. De zaak zat dieper. Juffrouw
Laps antwoordde het eerst, en riep met verwaande zelfgenoegzaamheid:
—  Ik ben juffrouw Laps!
—  Mis ... mis .. glad mis !
—  Wel heerem\'ntyd, ben ik juffrouw Laps niet*?
—  J ...a...a...a... je bent wel juffrouw Laps, maar Stoffel
heeft niet gevraagd wie je bent, maar wat je bent . . daar zit \'m
\'t fyne !
—  Wat ik ben ? Wel .. griffermeerd !
—  J...a...a...a... dat ben je wel, m...a...a...r... né, dat
is "t nu niet. De vraag is ... wat je bént ? Stoffel, help m-n-eens...
Stoffel zei tusschen twee rookwolken in, en dus zoo professoraal
mogelyk:
—  Juffrouw Laps, ik wensCHte te weten wat gy zyt uiteendier-
Jyk oogpunt.
-ocr page 69-
WOUTERTJE PIETERS E.                                49
—  Daar bemoei ik me niet mee, zei juffrouw Laps, als iemand
die op \'t punt staat zich beleedigd te voelen.
—  Ik ben \'n baker, zei vrouw Stotter, en daar blyf ik by.
—  En ik ben de juffrouw van de koekbakker, riep de overbuur-
vrouw, met iets beslissends in haar toon, die gissen deed dat ze
van plan was vasttehouden aan die meening . ..
—  Goed, goed, juffrouw Mabbel, maar ik meen uit \'n dierlyk
oogpunt ...
—  Als \'t onfatsoenlyk wordt, ga \'k liever heen, zei juffrouw Laps.
—  Ik ook, voegden de juffrouwen Krummel en Zipperman er by,
want we komen voor ons plezier.
—  Menschen, wees bedaard ... \'t staat in \'n boek — Stoffel,
zeg \'t maar — je zult \'r om lachen, juffrouw Mabbel. en \'t mooiste
is dat \'t in \'n boek staat ... je kunt er niets tegen zeggen — toe,
Stoffel, zeg \'t maar!
—  Juffrouw Laps, zei Stoffel plechtig — en er was \'n gewichtig
oogenblik aangebroken in \'t avendje van juffrouw Pieterse — juf-
frouw Laps, je bent \'n zoogdier.
Ik erken onbekwaam te zyn tot geschiedschryver van de krisis
die er volgde op dat vreeselyk woord.
Juffrouw Laps, die meer rechtstreeks dan de anderen was aange-
vallen, en die bovendien als aanstaande oefenaarster iets meer mi-
litants in haar karakter had, liet haar gelaat alle kleuren aannemen
die gewoonlyk gebruikt worden om toorn afteschilderen. De voor-
laatste fransche romanschool ging tot groen, maar wyl ze geen
fransch las, bepaalde zy zich tot \'n schrikinboezemend violet, en riep. . .
neen, ze riep niets, want ze had geen adem. Maar ze kneep haar
janhagel tot gruis, en zag beurtelings Stoffel en diens moeder aan,
op \'n wyze die haar zeer zou hebben bezwaard in rechten, als deze
personen dien avend waren komen te overlyden.
Stoffel ontging haar blik, door, nagenoeg op de manier der inkt-
visschen als ze onaangenaamheden voorzien, zich te hullen in \'n
dikken wolk. van rook. Maar de arme juffrouw Pieterse, die niet
rookte, was wapenloos. Ze stamelde deemoedig:
—  \'t Staat in \'n boek, \'t staat waarachtig in \'n boek! Och lieve
menschen, wees bedaard ... \'t staat in \'n boek !
Er kwam lucht in de keel van juffrouw Laps, genoeg lucht om haar
te bewaren voor stikken. Ze wachtte daarna \'n oogenblik, hoestte,
wierp \'t mishandeld overschot van haar janhagel op tafel, en begon :
—  Juffrouw Pieterse, je bent \'n keronje! Je mag zelf \'n zoogdier
wezen, jy en je zoon, dat zeg ik je! Ik ben zoo fatsoenlyk als jy
durft te denken, want m\'n vader was in de granen, en nooit heeft
iemand ... zie zooveel op me te zeggen gehad ? Vraag alle menschen
4
-ocr page 70-
50                                               MULTATULI
na me, en of ik me ooit heb opgehouden met manvolk of zoo-iets...
en of ik niet ieder \'t zyne geef . . . en-i was fakter, weetje ... en we
woonden over \'t bessieshuis . .. want-i was in de granen, en daar
kan je na me vragen, hoorje ! Je kan, goddank, overal na me vra-
gen ... maar nooit of nóóóóit is me dat overkomen wat jy me
aandoet, en als ik me niet ontzag, zou ik je zoogdieren tot je
bezoogdierd werd ... ja, dat zou ik! En ik zeg je nou nog\'ns dat
je-n-"n keronje bent, jy en je zoon en je heele familie — weg,
Trui! — m\'n vader was in de granen, weetje ... en ik ben te fat-
soenlyk om door jou ...
—  Maar mensch, \'t staat in \'n boek .. omdeliefdewil, geloof
me . . \'t staat in \'n boek!
—  Houje mond, met je boek! Jy mocht wel zwygen van je boek,,
jy die Godswoord hebt verkwanseld en verdaan op Jomvcnbrug. . .
Dit was niet geheel juist. Dat had Wouter gedaan, en niet z\'r*
moeder. Maar als men driftig is, neemt men wel eens meer \'t ee»
voor \'t ander.
—  Stoffel, haal dan toch je boek, riep de moeder, en wys \'t toch
aan de juffrouw . . och lieve god, wat heb ik begonnen!
—  Loop naar de hel met je boek en je zoogdieren. Je hebt me
niets te wyzen in je boek, dat zeg ik je! En ik zeg je nogeens dat
je-n-\'n keronje bent, jy en je lummel van \'n zoon, en je sletten van
dochters die opgroeien als. ..
Truitje, Myntje en Pietje, meenende te moeten ontkennen dat er
iets haperde aan hare wyze van opgroeien, kraaiden nu ook mee.
\'t Overige gezelschap schreeuwde er vantyd tot-tyd \'n woordje tus-
schen. Er kwam weer \'n boodschap van de juffrouw van achter-
onder, die met de politie dreigde. De kinderen maakten gebruik
van de opschudding, om hun konsigne te breken. Ze hadden \'t
bed verlaten, en loerden door \'t sleutelgat. Juffrouw Pieterse riep
om haar »lodderyndoos" en zei dat ze \'t besterven zou. Vrouw Stotter
eischte haar s oudje" en Stoffel speelde den inktvisch, zoo goed-i kon.
Allen waren opgestaan en wilden vertrekken. »Men kon veel1
verdragen, maar dat niet.\'\' Juffrouw Krummel zou \'t geval mee-
deelen aan haar man. Juffrouw Zipperman aan de assurantie of \'t
kadaster. Vrouw Stotter zou \'t vertellen aan dien m\'nheer op de
prinsengracht, dien ze gebakerd had, en juffrouw Mabbel aan ik
weet niet wien. Kortom ieder wilde dezen of genen deelgenoot
maken van de zaak, en de hemel weet of \'t by die bedreiging zou
gebleven zyn, als niet ter-goeder-uur de huisgenius der Pietersens
op dat oogenblik aan de bel had laten trekken door den waardiger»
man dien we zoo wanhopig deugdzaam achterlieten in \'t vorige
hoofdstuk.
-ocr page 71-
.Vasleep van den allerlaatstcn punischen oorlog. Nederlaag van HANN1BAL-
I.APS door SCIPIO-PENNEWIP. Politiek baskule-systeem. Litteratuur van de toe-
komst. Buitenkansje voor den lezer, die hier aller Ui gewichtig niettws verneemt
dal nog gebeuren moet.
Ja, daar werd gescheld... nogeens: \'t was sfr ons." Juffrouw
Pieterse haalde adem, en daaraan deed ze wèl, vind ik, schoon \'t
altyd dom is te zeggen wat men zou goedvinden te doen als men
\'n ander was dan men is. \'t Komt me echter nu zoo voor, omdat
ik in haar geval adem zou gehaald hebben. In de eerste plaats, daar
ik berekenen kan dat ze \'t in lang niet gedaan had. Voorts, omdat
ik weet hoe men in hachelyke omstandigheden uitkomst wacht van
elke verandering, en verandering van elke kleinigheid. En eindelyk,
wyl ik denk dat juffrouw Pieterse op dit punt wel \'n mensch zal
geweest zyn als \'n ander.
— Och, me lieve menschen, zei ze, wees toch bedaard, daar
zullen, de heeren wezen.
De > dames" beweerden dat de » heeren" nog niet konden daar
zyn, wyl \'t nog te vroeg was, en juist deze twyfel óf \'t de heeren
waren, gaf \'n gunstige wending aan de vreeselyke krisis.
Twyfel werkt altyd verlammend, onverschillig of ze al dan niet
in-verband staat met de zaak die ons bezighoudt. Bovendien, als
men gestoord wordt in toorn, is \'t heel moeielyk het juiste punt
weertevinden waar men gebleven was.
Juffrouw Laps beproefde dit wel, maar \'t ging niet, want haar:
«\'n zoogdier... hebje van z\'n leven, \'n zoogdier!» werd overstemd
door: «hedenm\'ntyd, anders komt-i nooit voor tienen.» Juffrouw
Pieterse maakte handig van die afleiding gebruik, en wist haar
gezelschap te bewegen weer plaats te nemen. Myntje zou «opentrek
-ocr page 72-
52                                       MULTATULI
ken;. Truitje werd belast met het >• terechtbrengen» van de kin-
deren — die er heel slecht by voeren — en de gastvrouw-zelfwas
juist begonnen met \'n nieuwe zoölogische verhandeling die \'n on-
gehuichelde vrede zou herstellen onder de krygvoerende partyen,
toen de deur geopend werd, en meester Pennewip zich vertoonde
aan \'t nog ontstemd gezelschap. Ook hy was ontstemd, de lezer
weet het.
De hoiweopathen zullen hier denken aan hun similia similibus,
want de verrassing van z\'n komst werkte gunstig op de aangevan-
gen vredesonderhandelingen. Er werd stilzwygend \'n wapenstilstand
gesloten tusschen de krygvoerende partyen — niet zonder voorbe-
houd aan den Laps-kant, om den stryd weer aantevangen zoodra
de nieuwsgierigheid naar de oorzaak van Pennewip\'s komst zou
voldaan zyn — en ze ging hiertoe te gemakkelyker over, wyl men
\'t den man kon aanzien dat-i wat zeer gewichtigs had rneetedeelen.
De pruik riep duidelyk moord en brand, en daar hield ze van, die
goede juffrouw I.aps.
—    Goeden avond, juffrouw Pieterse, ik ben uw onderdanige
dienaar. Ik zie, ge hebt gezelschap, maar .. .
—   Dat is niks, meester. Komt uwé maar in, en ga maar zitten.
\'t Gezelschap was niets,, en: «ga maar zitten.» Daar heerscht\'n
zonderlinge beleefdheid op Burgerstand III, 7, 1>K (Pi\')
—   Wil uwe-n-\'n koppie meedrinken, meester . . . saliemelk ?
—  Juffrouw Pieterse, zei de man op waardigen toon, ik ben niet
gekomen om saliemelk te drinken !
—  Maar ga toch zitten, meester . ..
Dit ging moeielyk genoeg, maar men schikte wat, en \'t kwam
er toe.
Pennewip kuchte met ernst. Hy zag \'t gezelschap rond, haalde
een rol papieren voor den dag, trok de pruik scheef en sprak:
—  Juffrouw Pieterse! Gy zyt een brave, fatsoenlyke vrouw, en
uw man ... verkocht schoenen ...
Juffrouw Pieterse zag juffrouw Laps aan, met \'n zegevierenden blik.
—  Ja Meester, dat deed-i!
—  Val my niet in de rede, juffrouw Pieterse. Uw overleden
echtgenoot verkocht schoenen. Ik heb uwe kinderen op myne school
gehad, van zóó groot af, tot de belydenis toe. Is dat niet waar,
juffrouw Pieterse ?
—  Ja, meester, antwoordde zy benauwd, want ze begon angst te
voelen over de indrukwekkende plechtigheid van Pennewip\'s toon,
jawel, dat is waar, meester.
-ocr page 73-
WOUTERTJE PIETERS E.                                 53
—  En ik vraag aan u, juffrouw Pieterse, of gy, zoolang gy,
door middel van uwe kinderen, iets hebt te doen gehad met myne
school, klachten hebt — ik bedoel gegronde klachten, juffrouw
Pieterse — over de wyze waarop ik — met behulp myner echtge-
noote — aan uwe menigvuldige kinderen heb onderricht gegeven
in lezen, schryven, rekenen, vaderlandsche geschiedenis, psalmzin-
gen, naaien, breien, merken en de godsdienst? Dat vraag ik aan
u, juffrouw Pieterse ?
Akelige stilte. De juffrouw van onder-achter had reden tot tevre-
denheid.
—  Dat vraag ik aan u, juffrouw Pieterse. herhaalde de meester,
terwyl hy \'n neusknyper opzette die voor ouwerwetsch doorging in
die dagen, doch bestemd was weer nieuwerwetsch te worden, eenige
tientallen jaren later.
—  Maar, meester ...
—  Geen maren, juffrouw Pieterse. Ik vraag aan u, of u — want
het is volkomen geoorloofd, juffrouw Pieterse. in dit geval het voor-
zetsel achterwege te laten — ik vraag u of gy klachten hebt — ik
bedoel natuurlykerwyze : gegronde klachten — over myn onderwys
in lezen, schryven, rekenen . ..
—  Gut né, meester, ik heb geen klachten, maar . ..
—  Zoo ? Geene klachten alzoo! Welnu, dan verklaar ik u . ..
waar is uw zoon Wouter ?
—  Wouter? — \'t Is waar ook — is i niet tuisgekomen. Trui?
Wouter is uit wandelen, meester met de Hallemannetjes. Dat
zyn heel fatsoenlyke kinderen, meester, en ze wonen . . .
—  Zoo ... met de Hallemannetjes . . . die op de fransche school
gaan ! Zoo ... ei! Ei . .. zoo! Het is dus van de Hallemannetjes,
dat men die dingen leert .. . van de Hallemannetjes, III, 7, a1...
misschien a .. ja, wie weet. . het kan wel II wezen... of zyn —
want dat is hetzelfde, juffrouw Pieterse — het kan niet anders . . .
zedeloosheid, verderf ... op de fransche school ...
Welnu, juffrouw Pieterse, ik zeg u dat uw zoon ...
—  Hé?
—  Ik zeg u dat uw zoon Wouter ...
De meester zag rond, als wilde hy de ademlooze stilte inzuigen,
die \'n gevolg was van z\'n spookachtige voordracht. Juffrouw Laps
haastte zich den zegepralenden blik van zooeven met woeker te-
rugtegeven aan de ongelukkige gastvrouw, die weer groote behoefte
had aan haar eau-de-/a-reme-doos]e. niet zoozeer omdat ze wat on-
gunstigs hooren zou over Wouter «dien jongen) die haar altyd
zooveel verdriet had gedaan, als wel uit ergernis dat juffrouw Laps
getuige was van \'n beschuldiging die zy gewis zou aangrypen als
wapen in den zoölogischen stryd. Dit geschiedde dan ook.
-ocr page 74-
54                                        MULTATULl
—  Heb ik \'t niet gezegd ? Van dien Wouter komt nooit wat
goeds. Men begint met \'n bybel, en eindigt met .. . wat anders.
Ja, meester, ik verwonder me niet over de zaak ... in \'t geheel
niet! Ik heb \'t lang voorzien. Wat kan men ook verwachten in
\'n familie, waar . . .
Juffrouw Pieterse begreep met bliksemsnelheid dat zich \'n gelegen-
heid opdeed om \'t voordeel te herwinnen dat ze verloren had. Stoffel
had gezegd: het stond in \'n boek ... wat in \'n boek stond, moest
meester weten, en dus:
—   Meester, riep ze, is \'t waar of niet, dat juffrouw Laps \'n
zoogdier is ?
Ik ben overtuigd dat Pennewip deze vraag rangschikte onder de
klasse der zonderlinge uitboezemingen, vooral na z\'n onvoltooide
beschuldiging tegen Wouter. Hy keek over z\'n bril heen, en beschreef
langzaam \'n kring met z\'n blik, die overal vooruitgestoken hoofden
ontmoette, met lange halzen, open mond en teruggehouden adem.
Vooral juffrouw Laps had iets dreigends in gelaat en houding, dat
duidelyk zeide: antwoord of sterf, ben ik \'n zoogdier?
—  Wie heb ik het genoegen te spreken ? vroeg Pennewip, waar-
schynlyk zonder te bedenken dat deze vraag de kwetsie nog vreem-
der maakte, wyl \'t nu den schyn kreeg of de dierlyke hoedanigheid
van juffrouw Laps afhankelyk was van haar naam, woonplaats,
ouderdom, familiebetrekkingen en beroep.
—  Ik ben juffrouw Laps van onder-voor, zei ze.
—  Ah .. . zoo! Juffrouw Laps, gy behoort inderdaad tot de klasse
der zoogdieren.
Er slaakte zich in \'t gezelschap \'n tienvoudige zucht. Juffrouw
Pieterse triumfeerde weer. In de staatkunde en op boven-voorkamers,
is \'n volstrekt evenwicht onbestaanbaar. De partyen of mogendheden
zyn voortdurend in op- of nedergaande beweging.
De mogendheid Laps, die niets gewonnen had met haar hevig-
heid van zoo-even, wilde nu eens beproeven wat gemoedelykheid
zou uitwerken:
—  Maar, meester, hoe kan uwe\' dat zeggen ? Myn vader was in
de granen .. .
—  Juffrouw Laps, antwoord my . ..
—  Gut ja, meester, maar ...
—  Antwoord my, juffrouw Laps: waar woont gy in of juister
uitgedrukt: waarin woont gy?
—  Waarin ik woon ? Wel .. in m\'n kamer, hieronder . .. twee
ramen . .. vrye opgang .. . kwart in den regenbak beneden ...
—  Dit was geenszins de bedoeling myner vraag, juffrouw Laps.
-ocr page 75-
WOUTERTJE PIETERS E.                             55
Derzelver bedoeling was, te weten of gy behoort tot de byzondere klasse
van bewerktuigde wezens welke zich ophouden in eene oesterschelp ?
—  Ja, ja, juffrouw Laps, riep de zegepralende gastvrouw, daarop
komt "de zaak neer, daarop komt nu juist de heele zaak neer, zieje !
En Stoffel voegde er by dat eigenlyk de heele zaak daarop
neerkwam.
Juffrouw Laps zag in dat ze dan \'n verloren mensch was, want
ze moest erkennen dat ze haar gewoon verblyf niet hield in \'n
•oesterschelp.
Dit was \'n illuzie van \'t schepsel.
Met verbazing zag zy den meester aan, die zich volstrekt niet
stoorde aan den indruk zyner ondervragingen, en met iets rechter-
lyks in toon en pruik, voortging:
—  Kunt gy leven in \'t water ? Hebt gy kieuwen ?
—  In \'t water ? Maar, meester ...
Pruik links. Dat beduidde : geen maren.
—  Of half in \'t water, half op het land ?
—  Meester hoe zou ik . ..
Pruik rechts: geen uitvluchten !
—  Antwoord my, juffrouw Laps. Hebt gy koud bloed ? Brengt
gy levende jongen ter wereld?
—  \'t Is zonde, meester.
De pruik had iets van \'n stormram, en te-recht. Want daar
volgde de stormrammige vraag:
—  Kunt gy eieren leggen, juffrouw Laps? Dit vraag ik maar,
slechts dit: kunt gy eieren leggen ... hé ?
Dat kon ze niet!
—  Dan zyt gy een zoogdier, juffrouw Laps.
En de pruik kwam weer in \'t midden, en in rust. Ze had juffrouw
Laps uit het veld geslagen.
Ik stel er belang in te weten hoe de lezer zich \'t gezelschap
voorstelt, na dit verschrikkelyk vonnis, dat geen hooger beroep toe-
liet, want Pennewip\'s gelaat had het voorkomen van \'n gewysde.
Ook was er geen spoor van gratie in z\'n saamgeknepen wenkbrauwen.
De gedachte is in my opgekomen, wat al verkeerde meeningen
er zouden worden te-voorschyn gebracht over wat er na \'t zoo-even
verhaalde voorviel, wanneer ik hier op-eenmaal m\'n boek sloot, en
hoevele duizende gissingen \'t menschdom eeuwen lang zouden
bezighouden, als ik verhinderd werd voorttegaan door orgeldraaiers,
of .. . door wat anders.
-ocr page 76-
56                                              M ULT AJI\'ÜLÏ\' . \'i
Het lust my \'n oogenblik toetègeven "in dat? denkspel, en \'k lees
duidelyk in de dagbladen van de 50e eeuw : \'
EERSTE BERICHT.
„Er heeft weder \'11 gevecht plaats gehad, tusschen de LAPSIANEN en de-
STOFFELIANEN. De laatsten hebben \'t veld geruimd, doch niet zonder hun ge-
luof te bezegelen niet veel bloed. De heilige lap is behouden, maar er is \'n gat
in. Men ziet dagelyks \'n nieuw treffen te-gemoet waarby waarschynlyk de
KRUMMELIANEN, KADASTER ISTEN en MABBELAARS de behulpzame hand zullen
bieden aan de geloofsvenvante LAPSIANEN, om ,n eind te maken aan het over-
wicht der STOFFELIANEN, die met behulp der PENNEWIPPERS, \'n hoogstverder-
felyken invloed uitoefenen in Opper-Azie.
Zonder te-kort te doen aan de heiligheid der zaak, komt het ons voor. dat
wy, opper-aziaten, die de beschaving hebben gemaakt tot ons privaat eigendom.,
beter deden ons te bemoeien met de bebouwing onzer landeryen en \'t melken
van onze koeien, dan gedurig te stryden over dingen die zoo lang geleden zyn
voorgevallen in \'t verloren hoekje gronds, dat by oude geschiedschryvers voor-
komt onder den naam : europa.\'\'
T \\V E E 1» E li E R I C H T.
„Naar men verneemt, is er gisteren een groote zege behaald door de Oude\'
STOTTERS op de nieuwe STOTTERS. Men weet dat sedert eenigen tyd, de sekte
der sïotters gescheiden is in twee hoofdafdeelingen. De oude STOTTERS heb-
ben \'t genoegen gehad hun jonge geloofsbroeders geheel uitteroeien, zoodat nu
de vraag over de juiste kleur van vrouw STOTTER\'S oudje naar den zin der
laatstlevenden is beslist.\'\'
derde bericht.
„Er is \'n nieuwe sekte van STOFFELIANEN opgestaan, die in zooverre afwykt
van de oude leer, dat ze op eenige punten de onfeilbaarheid van STOFFEL
meterse in twyfel trekt. Die twyfel zou gegrond wezen op z\'n malle houding
in de Nederlanden. (Het bekende bessen-met-suikerdogma.i
De oude STOFFELIANEN hebben \'n concilie gehouden, waarin besloten is, de
ware leer te gaan verkondigen in alle landen waar die nog niet i.s doorgedron-
gen. Er zal \'n algemeene kollekte worden gehouden, om ammunitie en STOF-
féliums intekoopen. Ook wordt er \'n korps europesche wilden aangeworven, die
wel halstarrig weigeren toetetreden tot het ware geloof, maar zeer bruikbaar
zyn in godsdienst-oorlogen, waartoe zy (als de handgelden hoog zyn) \'n in-
stinktmatigen aanleg schynen te bezitten."
VIERDE BERICHT.
„Er is sprake van de ontdekking der JANHAGEL, die door juffrouw Laps werd\'
saamgcknepen, kort voor haar dood. Dri<> theologen zyn in kommissie gesteld.
om dat eerwaardig overblyfsel der geloofsheldin te keuren.
Reis- verblyf" en keuringskosten zyn genomen ten laste van den Staat, en.
zullen bestreden worden uit equivalente verhooging der belastingen op brood
en brandstof."
-ocr page 77-
,,By alle rechtzinnige boekhandelaars des aziatischen ryks is verschenen:
Nieuw juist en omstandig bericht van wat er heeft plaats gevonden op III, 7r
/i1 (Pp)i na de kategorisclie verklaring des meesters over de ware natuur van
juffrouw
LA I\'S.
Alle weldenkende tydschriften doen hulde aan de homiletische en exegetische
waarde van dit prachtwerk, dat naar den zuidoost-Alïikaanschen tekst, met
behulp der nieuwste bronnen, is vertaald uit liet Europeesch.
De overzetting der laatste woorden van juffrouw [.APS, geven \'n geheel nieuw-
inzicht in de bedoeling liarer dierwording, en toonen ten duidelykste aan hoc
hare zoogvatbaarheid in nauw verband staat met de welbegrepen belangen van
volksbeschaving en verdere zoölogie.
Ook beweert men dat er \'n nieuwe lezing is uitgedacht van de laatste ver-
zuchting des bakers, die \'n eind maakt aan den langen stryd over zyn manne-
lykheid, en die de hooge waarde van STOFFEL PIETERSES grammatikaal-theolo-
gische roeping in t\' helderst licht plaatst, waardoor op-nieuw de overeenstemming
wordt aangetoond tusschen de wetenschap en de heilige boeken van ons geloof.\'\'
ZESUE BERICHT.
„De KRL\'MMELS en ZtPPERLIEDEN hebben elkaar de hand geboden, en in de
geloofsartikelen opgenomen dat men niet volstrekt verplicht is vasttehouden aan
juffrouw ZIPPERMAN\'S verkoudheid, met uitdrukkelyke bepaling evenwel, dat dit
geloof niet schaden zal aan de zaligheid, mits men vaststa in \'t kadaster, omdat
de laatste opgravingen in Europa hebben aangetoond dat het venster op III, 7,
I)1 (Pp) redelyk goed gesloten was. Deze ontdekking, in verband met de jongste
nasporingen omtrent de kanonieke beteekenis van de assurantie, schynt tot ge-
zegde verbroedering geleid te hebben.\'\'
ZEVENDE BERICHT..
„Het blykt hoe langer hoe duidelyker uit de yverige nasporingen van den
theologischen doctor KLEs.MEVER, dat juffrouw I.APS wel degelyk aan meester
PENNEWIP \'n oog heeft uitgekrabt. wat natuurlyk haren talryken vereerders
aangenaam is te vernemen. Die geleerde onderzoeker heeft namelyk in \'t hooge
Noorden, waar ons gezegend Aziü grenst aan\'t oude Europa,\'n ysbeer ontmoet die
zich vermaakte met \'n éénglazigen neusknyper, uit welke ontmoeting de diep-
denkende hooggeleerde scherpzinnige eer» en geldwaardige KLESMEYER zyn stel-
ling onweersprekelyk bewyst, vooral door die in verband te brengen met den
gekromden voorvinger en den gescheurden nagel van juffrouw I.APS, op de
autentieke schildery te foppipolis."
ACHTSTE BERICHT.
„Het verheugt ons onze lezers te kunnen onthalen op de aangename tyding
dat onze stad dezer dagen \'n waar feestgenot heeft gesmaakt, en wel \'n genot
dat meermalen zal kunnen herhaald worden.
Er is namelyk \'n aanvang gemaakt met het verbranden van alle in onze han-
den vallende personen die zich verstouten langer of korter te zyn dan onze bur-
gemeester.
De behoefte aan dezen maatregel werd sedert lang gevoeld, maar de onwil
-ocr page 78-
58                                               MUI, TATULI
van eenige buitenmatige personen heeft ons totnogtoe weerhouden gevolg te
geven aan de algemecne billyke wenschen des volks, en de eerste beginselen
van tucht, orde, godsdienst, deugd en fatsoen.
De schuldigen zyn onder \'t meten en branden tot afleiding en opbeuring,
beziggehouden door dominee STIKXEER, die hen gewezen heeft op stofff.i.\'s
verdienste en dood, in verband met de lengte van 7.\'n buis, na de benoeming
tot derden ondermeester, en met z\'n edel pogen tot algcheele ontworteling der
onzedige oud-christelyke spel methode.
Die welsprekende redenaar heeft al/00 door zyn gemoedelyke toespraak veel
bygedragen tot de vroolykheid en den genoegelyken afloop van \'n feest, dat in
aangename herinnering blyven zal by ieder die de juiste maat had.\'\'
N E G E N I) F. B E R I C II T.
We kunnen ons niet weerhouden \'n kort verslag te geven van de ingrypende
leerrede die gisteren in onze hoofdkerk werd gehouden door den eerwaarden ZIEI.-
KNYPER. De waardige man had tot tekst gekozen baker\'s onwaardeerbaar gezegde:
„banfie iuel/ Suffre spieterSe/ m\'n Soppie iê omgefecrb bat jieje roei!"
Hierop volgt \'n verslag van die preek. De nederige berichtgever
uit de 50e eeuw noemt het kort. Dit moge waar zyn, maar ik vind
het zóó belangryk, zóó uitlokkend, dat ik geen weerstand bieden
kan aan de lust om dat zielknyperig voortbrengsel van de toekomst
in z\'n geheel te lezen. Ik ga naar den boekverkooper die de zaken
van godsdienst tot z\'n specialiteit maken zal in die eeuw, en koop
de preek. Ik doe dit gedeeltelyk om uwentwil, lezer, maar voorna-
melyk om myzelf. wyl ik in dat stuk genoemd word met veel on-
derscheiding. Gy begrypt hoe aangenaam het is, te ontdekken dat
men over zooveel eeuwen nog aan ons denkt. Zie hier:
ü o o r 3 a n ö
£)ƒ 83afer uot uan 3altgfieib;\'
SDSie sou Uiu (of niet gingen!
D Safer Sic be Safer }t)t
San alie Steroeïtngen!
D Safer Ijoort onS juidjen aan\'
9((» ion ntct U uit baaf\'ren gaan.
O Safer\' groot in £ief en Ceeb/
3» Jvraam^aat of Saletje!
2Bie heeft joooeef afê ©i) reebê beebt
©eêpelb in een (seroetje!
2Bi) fuiefen bibbenb uoor II neer
(Sn jingsn/ Safer/ U ter ©er.
3ie op Uu> SrooSt genabig neer
Hian muen Iroon op 3ÖoIfeu.
Gr teeft atè ©n geen Safer meer,\'
©o bafert ade \'Soffen
©foei eeuroig boor oan Sinbermtn/
©n êpefb onê in Uro Cuierê in.
-ocr page 79-
WOUTERTJE PIETERS E.                                59
„Geliefde Mede: tottcrs! De rust van de kraamkamer en de vrede van de luier-
mand komc, zy, en blyve overvloediglyk over u allen ... dat zy zoo!
„Wat is het dan toch, myne veelgeliefde Medestotters, dat u op eiken woens-
dag doet te-samen komen in dit heilig stotter/huis ? Is het winstbejag, zucht
naar aardsch genot ? Is het de wensen om gezien te worden, de begeerte om
u te verheffen boven uwe medeburgers\'.\' In het kort, bestaat er eene reden van
zinnelyken aard die u hier saamvergadert aan d.en voet van dit gestoelte?
„Neen, neen, ik zie het aan uwe blikken, d:e met nedergeslagen oprechtheid,
en bedekte helderheid, luide uitroepen: „dat is verre van ons! Wy zyn hier
gekomen tot het opslokken van de kruimelen die er zullen afvallen van de
feesttafel des eeuwigen gastmaals. \\Vy dorsten naar het brood van de onbevat-
bare geheimenissen des BAKERS, en ons hongert naar de springfontein zyner
onafzienbare zelfvolkomenheid."
„Juist, myne geliefden, dat is de ware stemming om optegaan tot de ver-
hevene openbaring des onbekenden Woords, want er slaat gevchreven:
„baar 51)U [joogc Stoepen aan be ©Uljeit" en weldra zal \'t koppie worden
omgekeerd. Wie wys is, zie toe dat hy de gesprokene woorden versta, opdat
niet eenmaal de dwaas zegge: „bat flieje Uiel!"
„Het is dan ook de^e bemoedigende beschouwing, geliefden, die my aanlei-
ding geeft, uwe onafgebrokene opmerkzaamheid interoepen by de behandeling
van het punt dat me zal bezighouden op dezen heiligen bakerdag. een punt,
zoo gewichtig, zoo treffend, zoo uitnemend, zoo verheven, zoo diep, zoo belang-
ryk, zoo indrukwekkend, zoo luistervol en onbegrypelyk ... dat het niette zeg-
gen is, en dat ik my dus voorstel korlelyk tot klaarheid te brengen.
,,Gy vindt de woorden van mynen tekst die van deze verklaring den grond-,
slag zal uitmaken opgeteekend in het elfde Stoffelium^ en daarvan het elfde vers.
„Ik heb gezegd: het elfde vers uit het elfde hoofdstak des elfden Stofftliums,
waar we — met gepastcn eerbied — het volgende lezen:
Hier volgde de tekst dien we reeds kennen uit \'t negende bericht,
«n bovendien uit ons verslag van \'t salie-avendje.
„Hoe langer wy de onschatbare heilige Stoffeliin beoefenen, geliefde Stotters,
hoe meer ons de diepe wysheid van alles wat daarin voorkomt in het oog
springt, en hoe meer we geraken tot de overtuiging dat die onvergetelyke weg-
v.yzers ter zaligheid juist aldus moesten zyn geplaatst op ons pad, om ons
aftehouden van de dwaalwegen der Kadasteranen, of wegtelokken van de poelen
•der Pennewipsche kettery.
Onder alle andere heilige uitspraken, worden wy in \'t byzondtr getroffen door
de voorgelezene tekstwoorden, die niet alleen de laatstvoorgaandc opmerking ten
duidelykste bevestigen, doch bovendien ook daarom zoo uiterst gewichtig zyn
voor ons eeuwig heil, omdat de HAKER zich in die woorden openbaart in de
volheid Zyner houding, en in al den rykdom van Zyne liakerlyke waardigheid,
terwyl voorts de diepzinnige toespeling op de weer-en-windklok die in den gang
stond, ons voldoende middelen aan de hand geeft om onze Heilige Schriften
te verdedigen tegen de goddelooze wereld, die voorgeeft te twyfelen aan BAKEB\'S
bestaan, en durft beweren dat wy geen verstand hebben van natuurkunde.
„Ik stel u te-dien-einde voor, geliefde Medestotters, my te volgen met uwe
aandacht, als ik, na:
„ten eerste, den historischen zin myner] tekstwoorden te hebben toegelicht,
„ten tweede, zal overgaan tot de ontwikkeling van de stralen die daarin
doorlichten, en wel :
-ocr page 80-
6o                                                    MULTATULI
a)   Eerste straal. De straal van baker\'s goedheid.
b)   Tweede straal. De straal van BAKER\'s ivysheid.
e\\ Derde straal. De straal van BAKER\'S tnenschenkennis.
d)   Vierde straal. De straal van BAKER\'S matigheid.
e)   Vyfde straal. De straal van BAKER\'s standvastigheid.
f)   \'Zesde straal. De straal van BAKERS algemeenheid.
g)  Zevende straal. De straal van BAKER\'S zelfkennis.
lij Achtste straal. De straal van bakers edelmoedigheid,
i) Negende straal.
De straal van BAKER\'S nederigheid.
i) Tiende straal.
De st\'aal van BAKER\'s kuisheid,
k) Elfde straal.
J)e Straal van BAKER\'s levenswysheid.
Il Twaalfde straal.
De straal van BAKER\'S onsehuid.
ui) Dertiende straal.
De straal van BAKER\'s dubbelslachtigheid,
n) Veertiende straal.
De straal van baker\'s eeuwigheid,
o) Vvftiende straal.
De straal van BAKER\'S waarheidlievendhcid.
J>) Zestiende straal.
De straal van bakkr\'s voorzichtigheid.
q) Zeventiende straal.
De straal van bakkr\'s geduld,
r) Achttiende straal.
De straal van bakers zedigheid.
s) Negentiende straal.
De straal van baker\'s geheimzinnigheid.
t) \'Twintigste straal
De straal van baker\'s eenvoud,
il) Een-en-twinligste straal.
De straal van baker\'s liefde.
V) Twee-en\'twintigste straal.
De straal van baker\'s trouw,
rot Drie-en-twintigste straal.
De straal van bakers yver.
.r) l\'ier-en-twintigste straal.
De straal van BAKER\'S schranderheid,
y) Vyf-en-twinligste straal.
De straal van BAKER\'S fatsoen,
a) Zes-en-twintigste straal. De straal van baker\'s goedertierenheid.
z bis.) Zeven-en-lwinligste straal.
De straal van baker\'s volmaaktheid.
„om daarna: ten derde, over te gaan tot de beschouwing der bakerplichten,
die uit de voorafgegane bakerbeschouwing voortvloeien.
„Het menschdom, myne geliefden, was verzonken in duisternis en hooge be-
lastingen. Alom werd ten duidelykste gevoeld dat er verlichting noodig was,
maai te vergeefs wendden zich de blikken naar het Oosten en het Westen,
naar Zuiderpool en Noordermarkt. Alles bleef even duur en donker. Daar
schoot op-eens een golf van licht door den drabbigen hemel. Kr werd door de
aardbewoners een ster gezien, die losberstte in geruischvolle stilte, en by het
schuchter gedonder van die omstandigheid, kwam STOFFEL ter wereld, Hy leefde
en leerde, zooals hy geboren was, met zachtmoedig geweld.
„Het zou ons nu te vér leiden, geliefden, als we thans ons bezig hielden
met zyn prille kindschheid en slanke jeugd . .. neen, even als de reiziger die
noode afscheid neemt van de bloemryke aardappelvelden langs zynen weg,
maar toch met begeerige blikken voorwaarts staart op den nabyliggenden berg
der toekomst, zóó ook, geliefde Stotters, nemen wy voor heden afscheid van
STOFFEL, en richten onze blikken op den tekst die voor ons staat als \'n berg
van genot.
„De salieinelk der deugd was genoten, en de tuitstoppende blaadjes waren
verwyderd uit de monding des ketels door den krachtigen moeder-gehoorza-
menden adem van de oudste der dochteren des huizes. De yverige juffrouw laps,
die de onvergankelyke ziel stelde boven \'t brooze lichaam, en de oefening der
genade boven het streven naar zoeten drank ... zy die woonde op de onder-
voorkamer van het huis dat gezegend was onder alle huizen ... zy had toege-
gegeven in de begeerte om meetepraten, en hieraan sluiten zich de voorgelezene
tekstwoorden met verbazende geleidelykheid.
-ocr page 81-
WOUTERTJE P IET ER SE.                                6l
„Ik heb moeite, geliefden, my te weerhouden reeds nu uiltevveiden over de
voortreffelykheid die er ligt in die taal, maar de vrees afbreuk te doen aan den
stiaalbundel dien ik my voornam aftesteken in het tweede deel myner rede,
doet my besluiten u eenvoudig te wyzen op den eerwaardigen BAKER STOTTER,
en op het bont-katoenen jak dat Zyne gelukzalige lenden met gecstelyken wei-
lust omsluit. Ziet, geliefden, hoe zyn geheel lichaam beeft van innigen zielevrede,
ziet hoe Hy den vinger opheft by het uiten der nadrukkelyke woorden : bat jeitt!
Merkt op, hoe er spanning is by die herinnering aan de onvergetelyke klok,
en geestdrift by liet nieten van die stoep . . .
„Want Hy moet die stoep gemeten hebben, myne geliefden! Het is van hoog
gewicht, achteslaan op deze byzonderheid.
„Ja geliefde Stotters, er zyn hooge stoepen, en er was een klok met wind in
den gang! Dit geloof staat als een rots! Wat er wankele of bezwyke, wy
houden vast aan die hooge stoep en aan dien wind! Hoe ook de verdoolde
niensch zich aankante legen de openbaring der Geheimenissen van het baker-
schap, hy zal zich te pletter stooten tegen ons stoepsel, en verhryzeld zal hy
worden door den wind onzes gcloofs !
„Maar, geliefden, vat gy het wel, begrypt gy wel ten-volle wat er in dien
wind zit? Zyt gy wel geheel doordrongen van dien wind? Doorblaast u die
wind wel behoorlyk hy uw opstaan en uw slapen-gaan, by uw middagmaal en
uw ontbyt? Dringt die wind wel met voldoend stormgeweld door het weefsel
uwer ziel, en doorbruischt hy wel behoorlyk de poriën van uwe gedachten ?
„Of — helaas, geliefden, vergeeft my deze schrikwekkende, maar noodige
vraag — of is die storm wellicht in uwe harten geworden tol een zuchtje ? Is
misschien uw wind weggekrompen tot eene labberkoelte te zwak om \'t lichtste
voorwerp voorttedryven naar, optehcffen tot, binnentestuwen in de eeuwige
gelukzaligheid?
„En die stoep .. . geliefden ! Wat hebt gy met uw stoep gedaan? Hebt gy
wellicht, verleid door de doemwaarde leeringen van de Pennewippers, mede-
gewerkt om de stoep des heils, de hooge stoep der zaligheid, de verheven stoep
der genade, te verlagen tot \'n dorpeitje, hoog genoeg — ja, maar ter-nauwer-
nood hoog genoeg — om opteklimmen tot de bovenste plank uwer aardsche
etenskast, gy die eene stoep noodig hebt om den hemel Ie bereiken, een wind
om u dien stoep optewaaien?
„Zegt het my, zegt het my, geliefde verdwaasden. Ü, zegt het my, dierbare
Medestotters, waar is uw stoep en waar is uw wind ?
,,Gy zwygt ?
„Hemelsche uakek, zie in genade neder op dat zwygen, en neem onze be-
lofte aan, dat we onze stoep zullen herstellen en onzen wind aanblazen tot er
de zaligheid op volgt. Dat zy zoo !
„Doch laat ons voortgaan. Na de diepzinnige toespeling op die stoepen dien
wind, haalt de verheven BAKER inel ernst en nadruk de woorden aan van den
man die dagelyks die sloep beklom, dagelyks den adem diens winds voelde, de
woorden van den man die als het ware met die stoep en dien wind vereenzel-
vigd was: „ge bent \'« goeie Skouro/ SBrouro Stotter en \'n fnappe Safer!"
Een goeie vrouw en \'n knappe baker! Kan er treffender getuigenis worden
gegeven, myne geliefden ? Hy zegt niet: Je bent \'n goeie vrouw, en daarmee
"il!
En niet: Je bent een knappe baker, en daarby blyft liet! Neen, duidelyk
staat er: Je bent \'u goeie vrouw én \'n knappe baker, zoowel dus het één als
het ander . .. het andere niet minder dan het één ... beiden te-zamen ... alles
tegelyk!
»Ik weet wel, geliefde Stotters, dat er sedert eenigen tyd onder de valsche
geleerden dezer aarde lieden zyn opgestaan die beweren dat het voegwoord:
„en in den grondtekst, zou behooren vertaald te worden met het tegenstellend:
-ocr page 82-
6 2
MULTATUI.I
„maar" en dat alzoo de Heilige stoep-cn-windman eigenlyk bedoelde de hoe-
danigheid des BAKERS te stellen niet naast maar tegenover die der vrouw, maar
de BAKF.R die zorge draagt voor Zyne kraamkinderen tot het einde der eeuwen,
heeft niet gewild dat er twyfel wezen zou over een zoo gewichtig punt, en
daarom heeft lly toegelaten — wat zeg ik, Ily heeft bewerkt — dat de juiste
tekst Zyner woorden is bewaard gebleven in het Stoffelium naar de beschry-
vinge des Heiligen MULTATULIÏ.
„Ja Geliefden, daar staat het: eit een fttappc S3ufev!" Dat zegevierende „en"
springt in bet oog als een vonk van diamant, en wy kunnen den man niet ge-
noeg danken, die door zyne nauwkeurigheid het menschdom bewaard heeft voor
de dwalingen die een onmiddellyk gevolg wezen zouden van de verkeerde lezing
des onschatbaren voegwoords: „en."
„(Sn, Geliefden, en! Uwe zaligheid berust op, hangt af van, is verscholen
onder, spruit voort uit, gaat samen met, is te vinden in, wordt verzekerd door...
dat goddelyke en!
„Doch verder nog gaat de helsebe PENNEWIPPERY onzer dagen. Er zynerdie
den brave eenvoudigen MULTATULI zelven verdenken, óf van onkunde, óf van
opzettelyke verkrachting der waarheid ...
„Verdoolden! Ziet ge niet waartoe gy wordt vervoerd door uwe zucht om
alles te bekladden en te bederven wat ten leven leidt? Beseft gy niet de ydel-
heid uwer pogingen om aftebreken wat opgebouwd werd door zoo heilige han-
den? Gevoelt gy niet dat elke aanval op het gebied der Bakerlyke Stoffelien
uitloopt op uwe beschaming.\'\' Was lly niet heilig, Hy, de eenige onvolprezen
BAKER stotter in Zyn bonte jak? En als men dit toestemt — wat dan toch
wel niet kan ontkend worden — moet dan niet ook hy heilig en onfeilbaar
wezen, die de daden en woorden dier Heilige persoon heeft te-boek gesteld?
En aldus die heiligheid aannemende als uitgemaakt, kunnen er dan fouten
wezen in zyn geschrift, geheel geschreven onder den invloed der begeeste-
rende indrukken van het pas ontloken Bakerdom dat, nog maagdelyk en nieuw,
nog niet bedorven door menschelyke byvoegselen en helsche PENNEWIPSELS,
eenen heiligenden invloed uitoefende op de schryvers die getuigen waren, ofdie
althans achternaneven hadden kunnen gezien hebben van de getuigen der ge-
beurtenissen die zy boekstaafden ?
„Weg van ons, gy wereldsche wysheid die knagen wilt aan onze zaligmaken-
de voegwoorden! Neen, aarde en hel, gy ontneemt ons niet het vast geloof aan
de juistheid, aan de zuiverheid, aan de geloofwaardigheid, aan de heiligheid
onzes onvolprezenen Sloffeliums! Met nederige fierheid zien wy neder op uw
ydel gepoog ! Met onzeggelyke gemoedsrust en bctooverend zelfgevoel, roepen wy
juichend uit: „§y maS een goeie S3rtum> en een fnappe Söafec!"
„Doch dit is nog niet alles. Verder nog, hooger nog, dieper nog, sterker
nog, grypt onze tekst in de dierbaarste belangen onzer toekomst ... By ialal-
tya
\'m goeie vrouw en \'n knappe Imker ki.yven! Gevoelt gy wat dit zeggen wil,
Geliefden ? Wat hy was, was hy niet voor een oogenblik voor heden, voor gis-
teren of voor den dag van morgen . . . neen, Hy zal blyven wat hy was, altydT
eeuwig ...\'n goeie vrouw en \'n knappe baker!
„He aarde zal verkruimelen en te-niet gaan: Hy zal blyven! De zon zal
maan worden, of in \'t geheel niets! Hy zal blyven! Het heelal zal verzinken:
Hy zal blyven voortbakeren ten einde toe!
„O, Geliefden, wien duizelt niet het hoofd by het beschouwen van zulk eene
roeping! Hy zal bakeren, bakeren, bakeren tot er niets meer zal te bakeren
vallen, en toch blyven voortbakeren! Myne zwakke krachten schieten te kort
by dit denkbeeld! De onnoozele mensch beschouwt, overpeinst, begrypt er niets
van, aanbidt en .. . zwygt.
„Ja, zwygen! Daarom verkondigen wy luide onze overtuiging! Zie, o mensch,
-ocr page 83-
WOUTERTJE PIETERS E.                                63
gy die bouwt op dingen van één dag, zie onze vastigheid die gegrondvest is-
op de onömstootbare mannelyke schouderen der vrouw! Waar alles ligt, zal Ily
staan blyven. Waar alles bukt, zal Ily zich oprichten. Waar alles vergaat zal
hy bloeien .. . bloeien in al de frisheid Zyner jeugd, als op den stond toen Ily
tusschen juffrouw MABBEL en de Weduwe ZlPPERMAN, nederig naar den mensch,
maar gioot als uitverkoren BAKER, zegevierend getuigen kon : „bat 3ctti!"
„En Hy zal blyven wat Ily was, niet voor L\' alleen, niet voor my alleen,
neen, wy lezen duidelyk in het hoofdstuk waaruit we onzen tekst kozen:
„mijn fjeele 5<*>ni(ie jol je o(tt)b gcuruifen!"
„Ziet gy, Geliefden: zyne geheele familie\\ Wat is de familie van iemand die
eene zoo hooge stoep heeft, en een windklok ? Dat is het menschdom. Wouw
stotter is de baker van het geheele menschelyke geslacht. Hy is uw BAKER,
Hy is myn baker, Ily is zyn baker, Hy is haar baker, Hy is on/.e baker,
Hy is ulieder baker, Hy is hun baker, Hy is de baker van ons allen, ja
van allen .. . behalve van die vervloekte Pennewippers en andere verdoolden
die van ons verschillen in geloof.
„Weg van Zyn bakerlyken schoot, gy die geen deel aan Hem hebt, die niet
zyt van de lamilie des mans des verheven stoepsels en des windkloks! Weg van
Hem, en vaart naar de diepe gewelven, waar geen baker is. Betreurt daar uwe
doemwaardige verstoktheid. en vergaat in bakerlooze ellende!
„Ja, Hy zal het menschdom bakeren ten einde toe! „9J?aar", staat er verder,
alë be menêcfien je irjat jeggen, moet je net boen of je \'t niet hoort!"
De bedoeling dezer verhevene woorden is: het zal gebeuren dat uw zuigeling—
het ingebakerd menschdom, namelyk — wederspannig is, en zich krytend en
schreeuwend teweerstelt . . . doe of je "t niet hoort, baker ! Speld er maar dap-
per op toe. Beschouw elke beweging als strydig met de ware beginselen van
Bakerdom en deugd. Maak een pakje van Uwen voedsterling, en laat elke
nieuwe Bakerspeld luide verkondigen met kop en met punt: het Bakerdom heeft
gezegevierd over de aangeboren verdorvenheid van de familie des mans des
verheven stoepsels en des windkloks!
„Doe net of je \'t niet hoort, Baker! Stop uwe ooren voor de gebeden der
omstanders. Luister niet naar de betweters die meenen dat schoppen en trappen
en óm zich slaan, de eerste natuurlyke uitspanning is van ons geslacht. Speld
toe, baker, speld toe! Er staat geschreven dat Gy baker zyt, en baker blyven
zult . .. baker dus het menschdom tot het einde der eeuwen „@(oet eeitiuig bOOV,
zooals de psalmist zegt,
„©(oei eenroig boor van ftinbermin/
(Sn êpelb om? in Urn £nier3 in!"
„Doch Hy is ook mensch, die baker, en wat meer zegt — volgens som-
migen, minder — Hy is vrouw! Ja Hy is vrouw op het avendje van juffrouw
pieterse, en met echt vrouwelyke bescheidenheid, en iets dubbelnaturigs dat
ook de meest verstokte harten treffen moet, hooren wy Hem in onzen tekst
uitroepen: „2)anfie/ ^uffroittu ^ieterêe\' mrjn foppie të om\'gefeerb/ bot jieje luet!"
nUy bedankte, Hy had zyn Moppie omgekeerd, en xy zag het welI Verheven
drieëenigheid van zinnediepte! Hy bedankte niet alleen, Jly keerde te-gelyker-
tyd Zyn koppie om, en wel verre van Zich te bepalen tot die Heilige hande-
ling, voegde Hy ter onzer leerling daarby : dat zie/e wel!
„\\ oor ik overga tot de verklaring dezer hoogstgewichtigheid, maak ik de
zielpynigende opmerking, Geliefden, dat sommigen beweren dat het woord
„koppie\'\' in den europeeschen grondtekst tot een verbasterd taaieigen behoort,
dat niet dan door lieden van den laagsten stand, en slechts in den gemeeiuamen
omgang gebruikt werd, waaruit zy aanleiding nemen, om een smet te werpen
-ocr page 84-
64                                              M U L T A T U I. I
op de deftigheid van mui/i aïui.i den Stoffclist. Doch zooals immer, valt ook
deze steen neder in den hof des rampzaligen die den steen geworpen heeft.
Want is-niet juist dat wedergeven van vrouw stotter\'s aanhiddelyke taal, let-
terlyk zóó als Zy moet gesproken hebben om begrepen te worden door juffrouw
FIKTERSE, een bewys voor de echtheid des Heiligen boeks? Zou niet de nooit
volprezen MUI.TATUI.I, indien hy \'t beeld des BAKERS had willen opsieren met
franjekleederen of krulgcwaden...
Hier komt dominee Zielknyper zoo uitteweiden in myn lof, dat
ik uit pure zedigheid genoodzaakt ben terugtekeeren tot den tyd
toen er nog inkomende rechten bestonden, en dus vóór Bakers-
apotheose en anexrismen.
De lezer zal zich herinneren dat de preek, waarvan ik \'n frag-
ment meedeelde, alleen mogelyk was door de veronderstelling dat
ik verhinderd ware geweest den indruk te schetsen, dien de neder-
laag van juffrouw Laps by haar en hare zoog-lotgenooten teweeg-
bracht, en dat er dus vry spel ware gelaten aan de behendigheid
van toekomstige godsdienstsmeden, om uit den katastroof op III,
7, bx (Pi\') de elementen byeentezoeken tot \'n bruikbaar windselsysteem.
Daarvan gebeurt niets. De godenmakers die na ons komen. zul-
len zich moeten behelpen zoo goed ze kunnen, want wel verre van
m\'n boek hier te sluiten, verklaar ik uitdrukkelyk dat het verbaasd
gezelschap, na Pennewip\'s beslissing, zich bepaalde tot den uitroep:
«Z ... ó ... ó ... ó !» zonder iemand aantevliegen, te bekrabben,
of ander molest aan te doen.
-ocr page 85-
Ontwikkeling der oorzaken van den lankwyligen vrede in Europa, waar-
uit tevens
(alles is IN\' ALLES!) den lezer \'t nut blyken kan van de gezette
studie der salieavenden. Vervolg en slot der diehtproeven, zeer geschikt
voor rederykers en andere knappe versopzeggende kinderen. Arme
WOU-
TER . . . neen, ryke WOUTER!
De oplettende lezer die op menschkunde gesteld is, wil natuurlyk
gaarne weten welke oorzaak ons vorig hoofdstuk zoo kalm deed
eindigen, en waarom \'t saliegezelschap zoo vreedzaam berustte in
1n geval dat nog kort geleden aanleiding had gegeven tot zoo hevige
•ontploffing ?
Nog geheel vervuld van den indruk der bakerpreek, zal ik de
oorzaken der betrekkelyke kalmte die er heerschte na Pennewip\'s
vonnis, splitsen in drie deelen:
Vooreerst. Men was reeds driftig geweest, en dus wat uitgeput.
Ten tweede. Juffrouw Laps, de aanvoerster in den stryd, overzag
met genialen blik het slagveld, en zonder juist te denken aan \'t
•wereldberoemd gevecht van de Horatiërs en Curiatièrs, vatte zy met
aangeboren talent de taktiek van \'t «verdeel en heersch!» Mèt de
mogendheden Stotter, Mabbel, Krummel en Zipperman tegen \'t
«huis» der Pietersens ... dat kón. Maar nu dat huis gesteund werd
door Pennewip\'s meesterlyk gezag, schreef de voorzichtigheid voor
zich terugtetrekken uit den stryd. Want wie verzekerde Talleyrand-
Laps dat ze rekenen kon op haar bondgenooten ? Wie kon haar waar-
iborgen dat niet de baker, of misschien juffrouw Zipperman zelve, zou
overgaan tot den vyand, al ware het uit bekrompen eerbied alleen
voor meester\'s bewegelyke pruik ? Neen, neen ... niet op zulken
onzekeren bodem liet juffrouw Laps de artillerie voortrukken van
-ocr page 86-
66                                             MULTATULI
hare welbespraaktheid. Zwygend zei ze ,,\'kzal je later wel krygen !>
en als we ons haar, en al de verhoudingen van \'t gezelschap, ver-
menigvuldigd denken met twintig- of dertig-millioen, zouden we
ons kunnen voorstellen den volgenden dag in deze of gene onder
invloed staande» Juffrelapsche krant te lezen: t.Dc verhouding met
het ryk der
Pietersens is allerkordiaalst. Men spreekt zelfs van \'«
vriendschappelyke byeenkomst der respektieve soevereinen, zonder \'t
minste staatkundig doel^ en alleen om zich te verheugen in elkan-
ders aanschyn. Men ziet hieruit alweder hoe ongegrond de geruch-
ten waren omtrent zekere spanning die er zou bestaan hebben over
de ware natuur van onze geëerbiedigde vorstin. De lezer zal zich
herinneren dat wy die geruchten dan ook slechts onder reserve
hadden meegedeeld.
>
Ten derde. De derde en voornaamste reden van den wapenstil-
stand was: nieuwsgierigheid Wie zich op-nieuw boos maakte, of
boos blééf, of boosheid blyken liet, zou moeten vertrekken. En wie.
vertrok, zou niet weten waarom meester Pennewip was komen ver-
tellen dat er weer wat aan de hand was met Wouter. Hieruit ziet
men voor den duizendsten keer dat alle zaken haar goede zyde hebben.
Als Wouter Pieterse deugdzaam ware geweest in meester\'s oogenr
hadden die oogen waarschynlyk \'t lot ondergaan dat hun in zoo\'n
geval door den archaeoloog Klesmeyer eenmaal in de oud-europeesche
mythologie zou worden aangewezen.
—  Maar meester, vroeg juffrouw Pieterse — na op \'t overwon-
nen zoogdier \'n blik te hebben geworpen die gelden kon voor \'n::
waar blyf je nou\'? > met rang van overwinningsbulletin — maar
meester, wat heeft die Wouter dan nu weer uitgevoerd?
—  Ja, wat heeft Wouter weer gedaan ? werd er bygevoegd door
juffrouw Laps, die zich verheugde omdat het gesprek \'n andere
wending nam, en tevens over de nieuwe misdaad die zy vernemen
zou, omdat ze zoo godsdienstig was. Want in de godsdienst is de
zondaar \'n ding waarop men zich oefent. En juffrouw Laps hield
veel van oefenen, zooals we gezien hebben.
Juist zou Pennewip \'n begin maken met de akte van beschuldi-
ging, toen de bel ging . . . nogeens ... — «\'t was fr ons» — er»
de arme delinkwent trad de kamer in.
Hy was nog bleeker dan gewoonlyk, en er was reden toe want
er waren vreemde zaken met hem gebeurd sedert fancy hem opnam
en meevoerde .. .
—  Juffrouw Pieterse, begon Pennewip, myne school is beroemd
tot op Kattenburg . . . hoort gy dat, en verstaat gy dat ?
—  Och ja, meester.
—  Ik herzeg: beroemd, en wel voornamelyk wegens de goede
-ocr page 87-
WOUTERTJE PIETERSE.                             67
zeden die daar heerschen ... ik bedoel natuurlykerwyze: op myne
school. Godsdienst en deugd staan by my op den voorgrond. Ik
zoude n verzen kunnen toonen over God . .. maar dit zal ik nu
met stilzwygen voorbygaan. Het zy ulieden genoeg, te weten dat
myne school beroemd is tot op . .. wat zeg ik ... zelfs heb ik \'n
zoontje gehad van iemand op Wittenburg <?) - van den blokken-
maker — en eenmaal zelfs ben ik schriftelyk geraadpleegd over de
verbetering van \'n knaapje wiens vader heel te Muiderberg woonde.
—  Gut, meester!
—  Ja, juffrouw Pieterse! ik ben nog in het bezit van dien brief,
dien ik u zoude kunnen toonen als ik zulks verkoos — de man
was doodgraver, en die jongeling had zich overgegeven aan het tee-
kenen van ongepaste figuren op de zerken — maar juist daarom — ik
bedoelde om de Godsdienst en deugd waaromtrent ik zoo beroemd
ben — voel ik my verplicht u by dezen medetedeelen dat ik niet
verkies den goeden naam myner school te zien verloren gaan door
uw deugniet van \'n zoon die daar staat!
De arme Wouter was onthutst. Dat klonk anders dan \'n pause-
lyke aanstelling . .. die hy trouwens niet langer begeerde, want hy
had zoo-even \'n heel andere aanstelling bekomen die hem beter
aanstond.
Z\'n moeder wilde terstond overgaan tot wat zy haar godsdienst
noemde en hem \'n kastyding toedienen, om den meester tevreden
te stellen en dezen te toonen dat ook in haar huis deugd en goede
zeden op den voorgrond stonden. Maar meester vond beter het
gezelschap te doen weten wat er aan de hand was, om daar-
door te-gelyker-tyd het schuldbesef van den patiënt inniger te
maken.
n) Kattenburg en Wittenburg zyn afgelegen buurten in den Amstertlamschen
oosthoek. Even als het nog verder gelegen (>ostenburg, zyn \'t eilandjes die
slechts door bruggen met de eigenlyke stad vereenigd zyn. De voornaamste tak
van bedryf in die buurten is de scheepsbouw. Men noemde de daar wonende
scheepstimmerlieden „byltjes\'\' en deze menschen gingen in de woelige tyden
der Republiek voor byzonder oranjegezind door. Wat daarvan de oorzaak was,
en of \'t nog zoo is, weet ik niet.
In den mond van pennkwip, en naar de schatting zyner hoorders, is \\Vitten-
fairg
iets als \'t eindje van de wereld. In wouters jeugd waren er duizende
Amsterdammers die nooit het gebied der stad hadden verlaten. Sommigen zelfs
overschreden de grenzen eener bepaalde buurt niet. En dit is waarschynlyk nog
niet geheel veranderd. De bekrompenheid van blik die \'t meerendeel der inwo-
ners kenmerkt, gaat dan ook alle beschryving te boven. Ze weten niet eens wat
\'n markt is.
Toch raad ik vreemdelingen ten-sterkste aan, die stad te bezoeken en te
bestudeercn. Uit is veel interessanter dan "t bezien van moderne hoofdsteden, die
allen op elkaar gelyken. Waar vindt men, byv. een Jodenbuurt als te Amster-
dam ? \'t Is belangwekkend van leelykheid.
-ocr page 88-
68                                              M U L T A ï U L I
—  Uw zoon, juffrouw Pieterse, behoort tot de klasse der roovers,
moordenaars, vrouwenschenners en brandstichters . ..
Meer niet.
<:Heilige genade! Goeie hemelsche gerechtigheid! Barmhartige
christenzielen nog toe! Och, lieveheeremenschel} ke deugd, is \'t mo-
gelyk! Wat \'n mensch moet beleven!» Zoo omtrent — maar ik sta
niet in voor de juistheid -— was de stortvloed van uitroepingen
waaronder de tienjarige roover, moordenaar, vrouwenschenner en
brandstichter bedolven werd. Arme Wouter!
—  Ik zal u \'n stuk voorlezen van zyne hand, zei meester, en
wie daarna nog twyfelt aan de verdorvenheid van dezen knaap .. .
\'t Heele gezelschap beloofde dat men er niet aan twyfelen zou.
Het stuk dat de meester daarop voorlas, was dan ook van \'n aard
dat die twyfel heel moeielyk viel, en ikzelf, die Wouter heb gekozen
tot myn held, zal moeite hebben den lezer te overtuigen, dat-i niet
zóó slecht was als-i er uitzag in z\'n vreeselyk
R ü 0 V E RSLI E D.
•nMet myn zwaard,
Op nin paard,
En myn helm op het hoofd,
Er op in ! En den vyand den schedel gekloofd,
En vooruit!
—  Christenzielen, riep \'t heele gezelschap, is-i dol ?
»En vooruit.\'
Op den weg,
Langs ae heg,
Met een houw en een stoot
De dragonders verjaagd, en den markgraaf gedood ...
—  Lieve goeie god, wat heeft-i toch tegen dien markgraaf ? jam
merde de moeder.
Om den buit.\'
—  Zieje, \'t is om den buit, zei juffrouw Laps, ik zeg maar
altyd, men begint met \'n bybel, en ...
*En die buit
Is myn briiid .. .
—  Hebje van z\'n leven ... z\'n bruid! De jongen heeft pas
gewisseld!
-ocr page 89-
WOUTERTJE PIETERS E.                                 69
-H E11 die buit
Ts myn bruid,
My gekocht met m\'n staal ...
—  Met z\'n st ... a ... a ... a ... 1!
»Rn die buit
Is myn bruid,
My gekocht met tn\'tt staat.
En ik voer, als een veer, met my mee haar in \'t zaal,
Naar de grot . ..
—  Hemelsche genade, wat wil-i in die grot uitvoeren f
•>A!s de wind
Zoo gezwind,
Jaag ik voort met myn vracht,
En ik s/a op haar schreien en kermen . . .
—  Och, gerechtige vrede, \'t mensch kermt \'r van!
<En ik sla op haar schreien en kermen geen acht,
Wat genot!
—  Dat noemt-i genot! Ik word \'r koud van!
*En dan weer
Op-en-neer.
Rechts en links door het land
. ..
—  Lieve Jesis, daar gaat-i weer!
ï Rn dan weer
Op-en-neer,
Rechts en links door het land,
Hier een villa \'t\'crivoest, daar een klooster verbrand,
Tol vermaak/
—  De hel zit in dien jongen ... tot vermaak!
»Eti dan voort
Weer gespoord
Naar
_ een nieuw aventuur,
—  Alweer ? Waar wil-i in godsheeren-naam nu weer naar toe f.
\'t Is om te bezwyken ..
*En dan voort
Weer gespoord
Naar een nieuw aventuur,
En myn reisweg geteekend met bloed en met vuw\\
Om de wraak .
..
-ocr page 90-
MULTATULI
7o
—  Goeie god, wat hebben ze \'m toch gedaan ?
» Want de wraak
Is de taak
Van den koning van \'t uond...
—  Is-i razend .. . \'k zal \'m koningen!
s Want de wraak
Is de taak
Van den koning van \'t woud . ..
Die, alleen tegen allen, zyn scliepter behoudt.. .
—  Wat is dat voor \'n ding?
»Z>z>, alleen tegen allen, zyn scliepter behoudt,
En banier !
Op, hoezee .
..
Wie gaat mee ?
\'t Gezelschap rilde op die uitnoodiging.
» Op, hoezee . ..
Wie gaat meel
Nu geen schepsel verschoond,
Nu de mannen gehangen ...
—   Lodderyn! a) Trui, je ziet da-k .. .
»Nu de mannen gehangen, de vrouwen ...
—  Lodderyn ... lodderyn !
tde vrouwen gehoond . . .
—   Lodderyn, lodderyn, lodderyn ... Trui!
*de vrouwen gehoond,
Voor pleizierh
a) De ontstelde vrouw bedoelde eau de la reine de Ilongrie, een ïeukwatertje
dat in vogue de eau de Cologne voorafging. Behalve by gelegenheden als de
in den tekst vermelde, diende het in de kerk om de vrouwelyke toehoorders
wakker te houden, waaruit alzoo blykt dat die lodderyn, uit \'n theologisch
oogpunt een gewichtige zaak was. De klassieke wyze van gebruik was, \'n
klein sponsje daarmee te bevochtigen, dat de dames in een net gepolyst coco-
tilledopje by zich droegen. Onder de preek ging zoo\'n ding van de eene hand
in de andere, en ieder die nog niet sliep snuifde er aan ter kontinuatie van
halve wakkerheid, en tusschen twee knikjes aan de vriendelyke eigenares in.
-ocr page 91-
WOUTERTJE PIETERS E.                                     71
— Voor pleizier ... herhaalde meester op \'n graftoon, voor
pleizier! Hy ... doet... die ... dingen ... voor... zyn.. . plei. .. zier!
\'t Heele gezelschap lag in zwym. Ook Stoftel\'spyp was uitgegaan.
Maar Wouter had iets kalms in z\'n wezen, en toen z\'n moeder
hem genoeg geslagen had om haar bezinning terugtekrygen, legde
hy zich niet ontevreden neer in \'n hoekje van de achterkamer,
waar-i weldra insliep om te droomen van FANCY.
-ocr page 92-
Namvkeurig bericht omtrent den toestand der hoofdpersonen van deze gesch\':e-
denis, na de katastrofe.
Den volgenden dag was er veel teruggekeerd tot de oude orde
van zaken, en om niet den schyn van lompheid op ons te laden,
als bekommerden \\vy ons niet over de personen waarmee wy een
zoo genoegelyken avend hebben doorgebracht, zullen we in \'t voor-
bygaan aanstippen dat juffrouw Mabbel weer aan \'t bakken en
machenetiseeren was gegaan, en vrouw Stotter aan \'t bakeren. Ze
veroordeelde de ongelukkige schepsels die aan hare zorg werden
toevertrouwd tot "n twee-of driemaandelyksche onbewegelykheid,
zeker om den pasgeborenen \'n prettig denkbeeld in te boezemen van
hun nieuwbegonnen loopbaan, en om ze te straffen voor de brood-
dronken luidruchtigheid waaraan ze zich hadden schuldig gemaakt
voor hun geboorte.
Meester Pennewip hield zich als gewoonlyk bezig met het fat-
soeneeren onzer gewezen aanstaande groot-ouwelui, en z\'n pruik,
nog niet geheel hersteld van de ondergane aandoeningen, verlangde
reikkrullend naar zondag.
Klaasje van der Gracht had den prys gekregen, met \'n plechtig:
«ga zoo voort, myn zoon!» Dat-i gedaan heeft. Nog dagelyks zie
ik gedichten verschynen die zyn meesterhand verraden door duide-
lykheid, bondigheid en geestverheffing, en daar ik vermeen dat er
kwaadwilligen zyn die beweren dat de ongevaccineerde Klaasjen
overleden is aan de pokken, acht ik me verplicht hem in bescher-
ming te nemen tegen dien laster, \'t Genie sterft niet, dat spreekt
vanzelf, anders zou \'t voor \'n genie niet de moeite waard wezen
zich te laten geboren worden. Doch al ware onze Klaas dood naar
-ocr page 93-
WOUTERTJE PIETERS E.
75
den mensch, zyn geest leeft voort in z\'n volgelingen, en dit vind ik.
\'n schoone onsterfelykheid.
Ook de familie De Wilde is niet uitgestorven, en zal niet sterven.
Daar ben ik zeker van.
Juffrouw Krummel vroeg haar echtgenoot of ze werkelyk \'n
zoogdier was, en hy die veel levenswysheid had opgedaan aan de
beurs, antwoordde na eenig overleg dat-i van zulke praatjes nooit
meer geloofde dan de helft. «In dit geval: de laatste» zeid-i erbin-
nen\'smonds by.
Juffrouw Zipperman kadasterde burgerlyk voort, en was verkou-
wen. Maar ze had het er voor over, want ze was \'n «schikkelyk
mensch.5 Alleen kon ze niet verdragen dat juffrouw Laps zoo hoog
had opgegeven van haar vader «in de granen» en van haar deugd.
De oude Laps, beweerde zy, was niet in de granen geweest, maar
er onder. Hy had ze namelyk gedragen in \'n zak op z\'n hoofd, dat
heel iets anders is dan granen te verkoopen, want wie wat verkooptT
staat alweer wat hooger dan wie wat draagt. Dat had alzoo juf-
frouw Laps niet moeten zeggen. En wat haar deugd betrof, ieder
wist van die historie met dén briefbesteller die zulke zware bakke-
baarden had. «\'t Was niet om \'t mensch te skandeliseeren, heere
neen! \'t Was maar dat men \'t wist, en dat men er van sprak__
dat was \'t maar! Die Juffrouw Laps mocht dus wel zwygen van
\'r deugd.» Juffrouw Zipperman wou echter de zegsman niet wezen,
omdat kwaadspreken haar gewoonte niet was, maar de briefbesteller
keek nog altyd naar boven, als-i voorbyging . . . dat deed-i!»
Truitje en haar zusters zaten zoo goed mogelyk opgeschikt voor
\'t venster, en als er jongelui voorbygingen, trokken ze haar gezichten
in \'n plooi alsof ze nooit iemand godsdienstiglyk hadden «terecht-
gebracht.»
De juffrouw van onder-achter vertelde in de komeny dat ze ver-
huizen wou < want \'t was \'n schandaal by de Pietersens ...
\'n waar schandaal.» En: «er had juist wat onder gestaan !»
Juffrouw Pieterse beredderde haar huishouden, en zag er uit als
\'n «mensch.» Van-tyd tot-tyd «deed» ze haar godsdienst op de kin-
deren, die, als ze \'t voor \'t wenschen hadden gehad, gewis liever
waren ter-wereld gekomen by Alfoeren, Dajaks of andere verblinden
die wat minder gevoeligheid belyden in hun godsdienst.
Juffrouw Laps had "byzonder goed geslapen, dien nacht. Wat my
genoegen doet. Ik zou wel meer zeggen, maar dit houd ik vóór me
omdat ik nooit m\'n onderwerp uitput.
Stoffel was naar z\'n school gegaan, en had daar getracht aan de
jeugd verachting in te boezemen voor rykdommen, naar aanleiding
van \'n gedicht dat gemaakt scheen op \'n vliering, door iemand die
vermoedelyk niet veel last had van z\'n rykdom. Maar de jongens
waren onoplettend, en schenen maar niet te vatten welk genoegen
-ocr page 94-
74                                                  M U L T A T U L I
\'r in stak geen geld te hebben om knikkers te koopen. Stoffel
schreef die hardheid hunner harten toe aan Wouter\'s wangedrag.
Ze hadden zeker al gehoord van den aanslag op \'t leven van dien
markgraaf, en van dat zonderling logeeren in \'n grot. Daarom be-
wezen zy minder eerbied aan Stoffel, dan hem toekwam als derden
ondermeester met \'n verlengd buis.
En Wouter ?
Deze was nog altyd in afwachting van de straf die hy zoo
ruimschoots verdiend had, want z\'n moeder had hem te kennen
gegeven dat de < terechtstelling» van den vorigen avond maar \'n
voorloopige godsdienstoefening geweest was, en dat de eigenlyke
bezoldiging zyner zonde uitbetaald worden zou als ze daarover had
gesproken met huisdominee. Wat billyk was. Want, in zaken van
godsdienst, heeft de dominee — huis of niet — \'n stem. Hy wordt
er voor betaald, en studeert er voor. De menschen die dus beweren
dat men wél doet de geestelyken uit z\'n huis te houden, weten
niet wat ze zeggen.
Maar intusschen wist Wouter niet wat-i zou aanvangen. Naar
school gaan, kon-i niet. Meester had hem uitdrukkelyk verboden
verder meetescheppen uit die bron van Wetenschap. Wandelen
mocht-i niet. «God weet wat je weer uitvoert als ik je-n-uit m\'n
oogen verliest zei de moeder, die voorgaf bevreesd te zyn dat-i
weer zou losgaan op de kloosters, maar eigenlyk alleen daarom \'t
verlof tot uitgaan weigerde, omdat Wouter dat verlof gevraagd had.
Want ze meende, als velen, dat het voor ondeugende kinderen nut-
tig is, in alles te worden gedwarsboomd.
Als Wouter sluw ware geweest, had-i misschien voorgewend ver-
liefd te zyn op die donkere achterkamer, om den trap te worden
afgejaagd tot zedelyke verbetering, en dan had-i \'n bezoek kunnen
brengen aan z\'n molens.
Maar Wouter was niet sluw.
En de voorkamer was hem verboden omdat de jonge-juffrouwen
«hem niet konden zien.». Met deze woorden namelyk drukten zy
haar afschuw van roovers en Wouter\'s verdorvenheid uit.
Ja, wél was ze donker, die achterkamer! En ware zy maar alleen
donker geweest, doch ze was bovendien vuil, bekrompen, en gevuld
met al de dampen die de dagelyksche atmosfeer uitmaken van
III, 7, *» (Pp).
Als \'n looden domper drukt zoo\'n verblyf iemand op het hart,
en ik mag niet toegeven aan wat misschien m\'n plicht was, aan
de begeerte tot nauwkeurige beschryving van zoo\'n hol, om niet
-ocr page 95-
WOUTERTJE PIETERS E.                                 75
oorzaak te wezen van de misselykheid die auteur en lezer bevan-
gen zou by zulke beschryving.
Lieve god Marianne! Zet toch het venster open!
-ocr page 96-
Wat vluchtige karakterstudie, gevolgd daar \'n ~,ot sprookje.
Maar als ik, die van-tyd tot-tyd de werelddeelen doorjaag als \'n
nieuwe Mazeppa, als ik zoo op-eenmaal toegaf aan den benauwender»
indruk van \'n keukenkamertje, a) hoe moet dan wel de ziel van
dien armen Wouter zyn benepen geweest tusschen de muren zyner
woning, en in de sterk toegehaalde banden van z\'n geheel bestaan.
De arme jongen was bewindseld en bezwachteld van z\'n geboorte
af. Kromme beentjes, bybelsche geschiedenis, engelsche ziekte, met
twee woorden spreken, versjes over deugd en gehoorzame jongetjes,
mooi-handje geven, knielende avendgebedjes, toornige godsgerichten,
zwarte mannen voor stoute kinderen, «oogjes toev voor en na \'n
boterham, slapen met opgetrokken knieën, zonde doen, angst over
gescheurde broeken, godsdienstoefeningen met of zonder akkompan-
jement van gevoeligheid . .. arme Wouter !
Ik weet wel dat duizenden en duizenden geen beter lot hebben,
maar juist daarom zeg ik: arme Wouter! Misschien dat die uitroep
anderen opwekt tot de klacht: arme wouters\\
En al ware dit zoo niet, wat den een past, is te ruim ofte nauw
voor \'n ander, en Wourer\'s ziel was van ongewone leest.
Het kluchtig rooverslied dat hem was ingegeven door \'t pas ge-
lezen boek, toonde hoe z\'n maagdelyke verbeelding was getroffen
door de indrukken van wat hem groot voorkwam. Hy was nog
geheel kind, en bovendien \'n goed kind. Hy zou geen vliegje hebben
leedgedaan, zoodat de hoogst krimineele strekking van z\'n lied alleen
voortkwam uit de zucht om op-eenmaal \'t hoogste te grypen, het
<i) Dit heeft betrekking op een passage die uit het vorige hoofdstuk wegviel.
(verz.).
-ocr page 97-
WOUTFRTJE P I E T E R S E.
77
verste te bereiken, de eerste te zyn, in \'t wedperk dat z\'n kinder-
lyke fantazie hem had ingeleid.
Roover .. . goed ! Maar dan ook \'n flinke roover, \'n roover boven
alles, \'n roover, zonder genade, \'n roover voor pleizier!
Van dat vrouvven-hoonen had-i eigenlyk geen begrip. Hy zei dat
maar om \'t rym, en wyl-i uit \'n paar zinsneden van z\'n boek had
opgemaakt dat het zoo\'n byzonder aangename uitspanning was.
Als-i voor z\'n veertien stuivers toevallig \'n Karel Grandisson
— vervelender gedachtenisse! — had te lezen gekregen, zou z\'n ge-
dicht van dien woensdag heel anders uitgevallen zyn, en hy had
misschien ... ja zeker had-i dan de hand van verzoening gereikt
aan Slachterskeesje, en dien wellicht nog \'n paar griften toegegeven,
met volkomen vergiffenis voor \'t onjuist verhuizen van dezen of
genen graaf.
Want het etgenaardige van gemoederen als dat van Wouter, is
dat ze geheel zyn wat ze zyn, en verder gaan, in welke richting
ook, dan oppervlakkig scheen te liggen in de macht der indrukken
die hen \'t eerst die richting volgen deed. Er zou van zulk\'e ka-
rakters veel te wachten zyn, wanneer niet het toeval — d. i deze.
of gene natuurlyke oorzaak die we niet kennen, en die we toeval
noemen uit schaamte over dat gebrek aan kennis — wanneer niet
zoo\'n toeval zich vermaakte de Wouters te doen geboren worden
in \'n kring waar ze niet worden begrepen ... en dus mishandeld.
Want ook dit is een van onze eigenaardigheden, dat we gaarne
iemand mishandelen wiens ziel anders is bewerktuigd dan de onze.
iHoe beweegt toch dat horloge?» vraagt \'n kind, en rust niet
voor-i het door hem niet begrepen raderwerk heeft stukgedraaid.
Dan ligt de boel in elkaar, en de kleine misdadiger verontschuldigt
zich met de betuiging «dat-i weten wilde hoe \'t gemaakt was.»
Zoo ook willen volwassen kinderen van de soort die we kort-
heidshalve menschen noemen, als het toeval hun \'n kostbaar werk
in handen speelt — een werk althans dat anders is samengesteld
o/an hun gewone Neurenberger eieren — gedurig onderzoeken hoe
\' t gemaakt is ? En ze rusten meestal niet voor ze hun gebrek aan
werktuigkunde hebben gewroken op \'t ongelukkig voorwerp dat zich
verstoutte ietwat te verschillen van die eieren.
De pointe van \'t achtste courantenbericht uit de vyftigste eeuw
is niet nieuw. Ik beweer niet ooit iets nieuws te schryven, wat dan
ook zelden de moeite waard wezen zou, want de waarheid is oud.
Lang voor brandstapels en katechizeermeesters was er \'n man die
zich vermaakte met het «terechtbrengen» van de voorbygangers,
door ze in zyn bedstee te leggen en uitterekken tot zyn maat als
ze te kort waren, of door afteknippen wat uitstak als ze zich ver-
stoutten zyn model in lengte te overtreffen.
Dien man heeft Theseus doodgeslagen, en daaraan deed Theseus
-ocr page 98-
78                                                 MULTATULI
wél. Maar hy heeft de bedstee laten bestaan, en dat is niet goed,
want de erfgenamen van dien juiste-maatstelselaar zetten op hun
gemak \'t handwerk voort.
Maar omdat nu m*n venster openstaat, wil ik voor ditmaal den
lezer hierover niet verder lastig vallen. Ook zou \'t den schyn heb-
ben alsof ik anderen wou pasmaken in myn bedstee. Dat wil ik
niet, en daarom vertel ik nu weer wat anders.
Wouter zat met beide elbogen op de tafel, en liet daarop het
hoofd rusten. Hy scheen verdiept in \'t over\'shandsche naadje dat
Leentje bezighield, maar \\ve zullen terstond zien dat z\'n gedachten
elders waren, en wel zeer ver van Burgerstand ///•, 7, bx (Pp.)
Men had haar verboden te spreken met «dien kwajongen» en
slechts van-tyd tot-tyd, als juffrouw Pieterse de kamer verliet, vond
Leentje gelegenheid hem eenige troostwoorden toetevoegen, schoon
\'t haar in \'t oog viel dat Wouter niet zoo bedroefd was als men
vooronderstellen zou van iemand die benepen zat tusschen de
kastydir.g van gister en (Jen huisdominee van morgen. Want mor-
gen zou de man komen om die zaak aftedoen.
—  Maar, Wouter, hoe kon je spreken van brandstichten ?
—  Och ... ik meende ... sjt!
—  En die graaf . . wat was dat weer met dien graaf?
—  \'t Was \'n markgraaf ... sjt!
—  Wat is dat voor \'n graaf? Zeker weer uit \'n ander huis?
7— Ja ... \'t was de vader van Amalia. Maar dat is de zaak
niet ... ik heb je wat te zeggen, Leentje ... sjt!
—  Amalia ? Wie is Amalia ?
—  Dat was m\'n bruid. Maar Leentjen, ik wilde je zeggen ... sjt!
—  Je bruid ? Benje gek, Wouter ... je bruid ?
- Ja, dat was ze . .. maar nu niet meer. Ik wou haar helpen,
en dreef daarheen . .. toen kwam er \'n eend .. . maar, Leentje, dat
is de zaak niet ... ik begryp nu alles ... sjt! Ik ben voorbygedre*
ven ... sjt!
—  Wie . .. waar ... wat benje voorbygedreven ?
—  Amalia. Ze zat in \'t kroos.. ik begryp nu alles.. ik ben... sjt \\
—  Ik begryp er niets van, Wouter. Maar zeg eens, die vrouwen...
waarom toch wou je die vrouwen ...
Arme Leentje ... zy was nooit gehoond! Ze had er zooveel voor
over gehad!
—  Die vrouwen stonden in \'t boek. Maar hoor eens .. .ik ben.. .sjt!
—  En dat klooster ?
—  Dat doet er niet toe. Ik weet nu alles, alles ... luister, ik zal
\'t je zeggen, Leentje ... sjt!
-ocr page 99-
WOUTERTJE PIETERSE                                  79
—  M\'n god, Wouter, jongen, wat mankeert je ? Je kykt alsof je
>\'ek bent!
Wouter was opgestaan. Hy hief zich hoog op, richtte een neren
blik naar de balken, legde de rechterhand op \'t hart, stak de linker
uit als om \'n spaanschen mantel te drapeeren . ..
Men bedenke dat Wouter nooit in den schouwburg geweest was...
... en zeide:
                 v
—  Leentjen, ik ben \'n prins !
Daarop kwam de moeder binnen, en verwyderde hem met \'n
paar oorvegen uit Leentje"s tegenwoordigheid.
Het prinsdom van Wouter lag in de maan .. . neen, veel verder.
Ziehier hoe hy gekomen was tot die nieuwe waardigheid.
Lang voor het begin dezer geschiedenis — ja, zéér langgeleden was er
\'n koningin der geesten, juist als in Hans Heiling. Ze heette A—OO.
Ze bewoonde geen hol, zooals in //a«y, maar hield haar hof ver
boven de wolken, wat luchtiger is en dan ook beter past voor \'n
koningin.
Ze droeg \'n halssnoer van sterren, en er was \'n zon gezet in
haar zegelring.
Als ze uitging stoven de nevelvlekken op als stof, en met \'n
waaierslag verjaagde zy de firmamenten.
Haar kinderen speelden met planeten als knikkers, en klaagden
dat die zoo moeielyk waren weertevinden na \'t wegrollen tusschen
\'t huisraad.
Het zoontje der koningin, prins Upsilon, was verdrietig daarover,
en verlangde gedurig ander speelgoed.
De koningin liet hem \'n doosje sinussen geven, maar binnen
weinig tyds waren ook deze weer verloren. Doch \'t was Upsilon\'s
eigen schuld. Hy had maar beter moeten achtgeven op z\'n speelgoed.
Men stelde hem zoo goed mogelyk tevreden. Maar wat men hem
gaf, gedurig vraagde hy wat anders, wat grooters, en méér. Dit was
\'n fout in \'t karakter van den kleinen prins.
De moeder, die als koningin der geesten \'n zeer verstandige
vrouw was . .
Daar is tusschen verstand en geest geen zoo wyde kloof als
beweerd wordt door wezens die gebrek hebben aan Jpeide.
.... de moeder begreep dat het voor den kleine nuttig wezen
zou zich een beetje te gewennen aan ontbering.
Daarom gelastte zy dat men Upsilon eenigen tyd geheel zonder
speelgoed laten zou.
-ocr page 100-
So                                               MULTATULI
Dit geschiedde.
Men nam hem alles af. Zelfs de komeet waarmed-i aan \'t kaatsen
•was met prinses Omikron, z\'n zusje.
Prins Upsilon was driftig van aard, en vergat zich in z\'n uit-
drukkingen zoover dat hy iets onéerbiedigs zeide over zyne moeder.
Ook prinses Omikron, verleid door zyn voorbeeld — want niets
is verderfelyker dan slechte voorbeelden — wierp met driftig gebaar
haar palet tegen \'t heelal. En dat staat niet voor \'n meisje.
Xu bestond er in \'t ryk der geesten \'n wet dat wie \'t ontzag
voor de koningin uit het oog verloor, of iets tegen \'t heelal aan-
gooide, daarvoor zou worden gestraft met tydelyk verlies van alle
•waardigheid.
Prins Upsilon werd \'n zandkorl.
Na zich \'n paarduizend eeuwen goed gedragen te hebben, werd
hem de heugelyke tyding meegedeeld dat-i bevorderd was tot mos-
plantje.
In deze hoedanigheid paste hy braaf op, en deed wat \'n goed
mosplantje behoort te doen.
Op zekeren morgen ontwaakte hy als poliep.
Dit geschiedde omstreeks den tyd toen de menschen begonnen
hun spy/en te bereiden met vuur.
Hy bouwde \'n paar werelddeelen, en werd \'n eeuw of duizend
daarna tot belooning van z\'n yver veranderd in \'n garnaal.
Ook in deze betrekking had niemand de minste klachte over z\'n
gedrag, en weldra ging-i over in de klasse der zeeslangen
Hy vermaakte zich heel onschuldig door schuilhokje te spelen
niet de zeelui maar deed niemand kwaad, en kreeg daarop vier
pooten, met rang van mastodont, en de vergunning zich wat te
vertreden op \'t land.
Met wysgeerige gelatenheid schikte hy zich in dien nieuwen
stand, en hield zich bezig met geologische opmerkingen!
Een paar millioen eeuwen later . .
Als ik zoo van eeuwen spreek, houde men in \'t oog dat al die
tyd te-zamen genomen in het ryk der geesten maar \'n klein kwar-
tiertje was ... of juister: dat die tyd volstrekt niets was. Want tyd
is uitgevonden tot gemak van de menschen, zooals wy spelboeken
geven aan kinderen. Voor geesten is toen, nu en dan volkomen het-
zelfde. Zy grypen gisteren^ heden en morgen te-zamen met één blik,
«ven als men zonder spellen \'n woord leest. Wat was en wezen
zal,
is.
Dit wisten de Egyptenaars en de Feniciërs heel goed, maar de
Christenen hebben \'t vergeten.
Fancy begreep dat Wouter niet lezen kon, en daarom spelde ze
hem Upsilon\'s geschiedenis vóór, zooals ik doe voor den lezer..
-ocr page 101-
81
WOUTERTJE P I E T E R S E.
Een paar millioen eeuwen later alzoo, klom-i op tot olifant, en
\'n geestminuut of wat daarna, dat is dus tien jaren — raenschelyke
jaren ditmaal — vóór den aanvang van m\'n verhaal werd-i overge-
plaatst in de klasse der menschen.
Wat-i als olifant misdaan had. weet ik niet. d)
Maar, had pancy gezegd, om nu niet verder teruggezet, en om
binnen weinig tyds hersteld te worden in z"n rang als prins van
•den geeste, moest-i nu als mensch braaf oppassen, geen roofliederen
maken, niets verkwanselen, zelfs geen bybel ... en dan zou \'t wel
gaan.
Ook moest-i zich schikken in de sleepeloosheid van juffrouw
Pieterse. Dit was nu eenmaal zoo!* zei fancy.
Die fancy scheen \'n soort hofdame van Wouter\'s moeder te we-
zen, die hem \'n bezoek bracht in z\'n ballingschap om hem wat
•optebeuren en moed intespreken, opdat-i de tydelyke bestraffing die
hem ten-deel viel, niet zou opvatten alsof men boos op hem was.
Zy beloofde hem te bezoeken van-tyd tot-tyd . . .
—  Maar, had Wouter gevraagd, hoe vaart m\'n zusje ?
—  Uw zusjen is ook gestraft ... ge kent de wet. Doch zy is \'n
lief kind. Ze schikt zich geduldig in de kastyding, en belooft be-
terschap. In den beginne is zy een luchtbolletje geweest, en heeft
zich als zoodanig onberispelyk gedragen. Daarop werd ze een
maanstraal, en ook in die hoedanigheid was er niets op haar te
zeggen. Zy scheen dat het \'n lust was, en uw moeder had geest-
kracht noodig om haar straf niet te bekorten. Zeer spoedig is ze
dan ook bevorderd tot geur, en voldeed byzonder, want ze vulde
de heelallen dat wy er hoofdpyn van kregen. Dit gebeurde om-
streeks den tyd toen gy begonnen zyt gras te gebruiken. Weldra
werd ze \'n vlinder. Maar uw moeder vond die konditie niet ge-
schikt voor \'n meisje, en liet haar daarom spoedig overgaan in
\'n sterrenbeeld ... zie, daar staat ze . .. ónder ons.
Wouter zocht Omikron, maar vond haar niet ...
\'t Gebeurt zeer dikwyls dat we iets niet zien omdat het te groot is
—  Zie, zeide fancy, daar . .. rechts ... neen, iets verder . ..
dadr . . . dddr ... de noordster! Dat is haar linkeroog. Het rechter
\'kunt ge niet zien, omdat ze bukt naar Orion, haar pop, dien ze
op haar schoot houdt en liefkoost ...
a) Zeer inkonekt! De geestigheid van fancy\'s mededeelingen is van beter
gehalte dan deze boutade van den auteur, die alweder de sprekende producten
van z\'n eigen vinding, in de rede valt. Pennewip en fancy hebben reden tot
Wachten, en ik beken schuld.
6
-ocr page 102-
83                                              MULTATULI
Wouter zag het duidelyk, en riep :
—  Omikron ... Omikron !
—  Neen, neen, sprak de hofdame, dat gaat niet, prins! Er staat
uitdrukkelyk in den last der koningin dat uw straf cellulair is.
\'t Is reeds \'n groote gunst dat ge samen zyt opgesloten in één heelal.
Toen onlangs uw broertjes den melkweg hadden bemorst met zond-
vloeden, zyn ze heel ver van elkaar gezet.
Wouter was daarover zeer bedroefd. Hy had zoo graag \'n kus
gegeven aan al die sterren met \'n pop op den schoot, die z\'n zusje
waren ...
—  Ach, fancy, riep hy, laat me samenwezen met Omikron!
Fancy zeide niet: ja, en niet neen. Ze had iets in haar wezen
als iemand die nadenkt over de mogelykheid van het tot stand
brengen eener hoogstmoeielyke zaak.
Maar Wouter, moed scheppend uit haar weifelen, herhaalde
z\'n bede:
—  Ach, laat me samenwezen met m\'n zusjen ... al moest ik
weer gras eten of werelddeelen bouwen, ik zal eten en bouwen met
lust en met yver als ik mag samenzyn met Omikron!
\'t Schynt dat fancy bevreesd was iets toetezeggen wat boven
haar macht stond, en tevens dat het haar smartte die toezegging
niet te kunnen geven:
Ik zal \'t vragen, fluisterde zy, en nu .. .
Wouter wreef zich de oogen uit . .. daar was \'t brugje ... daar
de sloot . ..
Hy hoorde de eend, die hem nog altyd uitschold uit de verte. . .
Hy zag z\'n molens weer . . . ja, ja, ... zy waren het!
Maar ze heetten niet meer .. hoe was ook weer die naam ?
Die molens heetten \'d Morgenstond en den Arend, en zy riepen
zooals houtzaagmolens gewoon zyn:
Karre karre, kra kra ...
Daarom was Wouter naar-huis gegaan, en we hebben gezien wat
hem daar wachtte.
-ocr page 103-
Plechtig bezoek van huisdominee, dat naders afloopt dan de scherpzinnigste
lezer kan voorzien. Taal, genade, U huis op den hoek, de gekompromitteer de vrouw
uil
uaisii.on, prikkelslangen, napreek met gevoeligheid.. . arme WOUTER!
Daar de lezer veel ondervinding heeft — ik zoek sedert jaren te-
vergeefs naar iemand die zich beklaagt over gebrek aan die waar —
zal-i weten dat genoegens en rampen nooit zoo groot zyn als ze
ons toeschenen in de verte.
Het was dus te voorzien dat de huisdominee die Wouter bo-
ven \'t hoofd hing, niet zoo zwaar op hem zou neerkomen als men
zonder deze wysgeerige opmerking meenen zou. Dit was ook zoo.
De man was eigenlyk maar beunhaas in \'t vak. Hy behoorde
namelyk tot de klasse der katechizeermeesters en krankbezoekers,
en stond tot \'n wezenlyke dominee, als \'n likdoornsnyder tot \'n
geneesheer. Maar voor de eksteroogen van III, 7, bx (Pp) was-i
bekwaam genoeg. En al ware hy dit niet geweest, ieder moet de
tering naar de nering zetten. Menschen die op de tweede verdieping
wonen, kunnen geen aanspraak maken op grieksch in hun ziele-
voedsel.
Wouter zou dan ook gekapitteld worden in gewoon hollandsch.
Juffrouw Pieterse had \'n schoon jak aan. Stoffel had pypen neer-
gelegd, en er was \'n stoel gezet voor juffrouw Laps die verzocht
had van de party te wezen: <om de stichting» zei ze. De meisjes
waren uitgegaan, daar huisdominee geweldig met de armen slin-
gerde als er indruk noodig was, en ze dus voorzagen dat er be-
hoefte wezen zou aan ruimte.
— Jonc//elinc^ ... sprak de man, en er scheen al terstond
indruk noodig te wezen, \')OTache\\vach ...
Het is zeer opmerkelyk hoe \'t geloof en de genade invloed
-ocr page 104-
84                                              MULTATULI
hebben op de uitspraak van de meest gewone woorden. Huisdomi-
nee zou zeker niet gezegd hebben, lanche pyp of jo?iche doperwten,
maar de heiligheid verandert alles. En niet de uitspraak alleen, de
heele taal, de woord- en zinvorming verandert door \'t geloof. Ik
ben niet ongenegen dit aantenemen als \'n bewys voor de kracht
en de waarheid van die dingen, en denk ernstig aan \'n verhande-
ling, «over den invloed der genade op de hollandsche taal.» Ja,
\'k ga in deze meening zóó ver dat ik twyfel koester aan de recht-
zinnigheid van iemand die op dagelvksche manier, zonder zalving-
of gebrouw, my \'n opmerking meedeelt over \'t weer, of tyding
vraagt van m\'n gezondheid. Zelfs in hoesten en niezen moet de
genade zich openbaren, of de zaak is niet zuiver. Let maar eens
op of niet \'n dominee z"n neus anders snuit dan \'n ander?
—  Jonchelinch, gy zyt diep gezonken . . .
Juffrouw Laps knikte dat dit juist geoordeeld was. Stoffel zoog
aan zyn pyp, met \'n uitdrukking van onbeschryfelyke godzaligheid.
Juffrouw Pieterse hield \'n hoek van haar voorschoot gereed om by-
de-hand te wezen als ze huilen moest.
—  Jonchelinch, of juister gezegd : jonche dochter .. .
\'t Gezelschap keek wel wat vreemd, maar men hield het voor
\'n lapsus linguae. Ook moet men by geestelyke toespraken niet
vitten op \'n woord. Dit is lastig voor den spreker, en leidt tot niets.
—  Jonche dochter, uit kracht van myn ambt, en door de roeping
als hoochepriester in den Heere . .. want ieder die \'t Evangelium
verkondigt, is \'n hoochepriester in den Heere ... in den Heere. . .
De man zag rond alsof-i toestemming noodig had. Ieder knikte.
—  In den Heere .. .
Nieuwe blik om bevestiging uittelokken. Die blik slaagde, maar
ik kan niet ontveinzen dat men verwonderd was over z\'n buiten-
gewoon lang toeven by dien «Heere.»
Ditmaal sloeg men de oogén neer om hem te dwingen voorttegaan.
—  Door myn hoochepriesterschap ... in den Heere .. . zeg ik u,
jonche dochter, dat gy gelyk zyt aan de hoere van Babiion die
hoereerde met de koningen der aarde .. .
Niemand myner lezers mag de neus optrekken voor \'t juist weer-
geven van huisdominee\'s taal. Ik erken dat ik, die geen christen
ben, de vryhcid nemen zou de deur te wyzen aan iemand die zich
zulke uitdrukkingen veroorloofde in myn stal. Maar christenen kun-
nen toch welstaanshalve zich niet beklagen als men hen toespreekt
met woorden uit hun bybel.
-ocr page 105-
WOUTERTJ E P J ETERS E.                                 85
Dit was \'t dan ook eigenlyk niet wat de toehoorders hinderde,
luffrouw Laps vernam zelfs gaarne een-en-ander over de slechte
reputatie van die babilonische vrouw. Ze had daarby iets in haar
houding dat te kennen gaf dat zy nooit in liabilon geweest, en
dus buiten spel .vas. Juffrouw Pieterse en Stoffel waren te goed ge-
woon aan de onbeschofte platheden der tale Kanaans, dan dat zy
daarover zouden verwonderd of ontsticht geweest zyn. Neen, de
verbazing van \'t gezelschap had \'n heel anderen grond.
Men moet erkennen dat meester Pennewip by \'t oplezen van
Wouter\'s zondenregister zeer weinig kapitale misdaden ongemoeid
had gelaten, en zie, daar komt huisdominee die \'t brandstichten
overslaat, het rooven vergeet, van moord en doodslag geen melding
maakt, het vrouwenhoonen op den achtergrond laat, en in-plaats
van dat alles Wouter heel onverwacht beschuldigt van «hoerery
met de koningen der aarde.) Dit was iets heel nieuws, en hoe ook
gewoon aan Kanaanitische beeldspraak, juffrouw Pieterse vond het
wat sterk. Zy waagde dus \'n bescheiden: friskuus ! het afgekeurde
stopwoord van de koekbakkersjuffrouw.Zoo gaat het. Men schimpt
op iets vreemds, en neemt het over. Maar hier was \'t geval ernstig
genoeg om \'t gebruik van wat vreemds te wettigen.
—  Friskuus, dominee! Wouter heeft . . .
Juffrouw Laps wilde ook wat zeggen, maar ze werd in de rede
gevallen :
—  Zwyg, o gy vrouwe van de muren Jericho\'s, gy die\' \'n huis
van ontucht bewoont op de wallen der stad ...
—  Maar dominee, de juffrouw woont onder-voor .. .
—  Ja, en m\'n vader was . ..
—   Houd op met je gevlei ... o gy Delilah-Rachab! En gy,
vrouw ... ik zeg u .. . zoowaar de Heer leeft ... dit meisjen is
weggezonken .. .
—  Maar dominee, Wouter is \'n jongen!
—  Zwyg, en hoor de woorden des hoogepriesters! Ik zeg u dat
zy is weggezonken in \'n poel van ongerechtigheid .. .
—  Maar dominee ...
—  Laat \'m begaan, fluisterde juffrouw Laps, daar zit wat achter.
Hy zal op Wouter neerkomen met \'n omweg . .. dat doen ze wel
meer.
Hierin had juffrouw Laps gelyk.
—  Dit meisje, ging huisdominee voort, met \'n uitdrukking van
indruk die veel plaats noodig had, en die ons noopt de wysheid
te bewonderen van de dochteren des huizes, welker uitgaan ruimte
liet aan dominee"s welsprekendheid, dit meisjen is ... \'n meisje!
-ocr page 106-
86
MULTATULI
—  In-godsnaant dan, zuchtte juffrouw Pieterse.
Maar dat toestemmen kostte haar inspanning. Want niets is
moeielyker te gelooven dan \'n wonder dat men ziet. De wonderen
die men niet ziet, maken \'n onderscheid.
—  In godsnaam dan . .
—  Ja ... dit meisjen is \'n meisjen .. en wat meer zegt, ze is
eene vrouw! Ja, ze is eene vrouw, en heeft gehoereerd . ..
—  Och lieve christenzielen, ik kan er niet uit wysworden !
—  Ik wel, zei juffrouw Laps, ik begryp \'t heel goed.
—  Ja, slang . .. jy begrypt me! Je geweten verklaart je de woor-
den die er stroomen van de lippen des mans Gods ... en je ver-
dorvenheid doet je de verzenen tegen de prikkels slaan.
Juffrouw Laps had reeds lang opgemerkt dat huisdominee zich
by-voorkettr tot haar wendde. Ze had dit beschouwd als \'n hulde
aan haar diepere geloofskennis, en als des sprekers wensch om zich te
verzekeren dat de verheven zin zyner woorden beter werd begrepen
dan van de,n patiënt of de anderen kon verwacht worden. Maar
toch wou ze nu graag een woordjen in \'t midden brengen over die
verdorvenheid, om te protesteeren tegen de meening dat deze haar
privaat eigendom wezen zou:
—  Ja zeker, dominee, verdorven zyn wy allen ... allen zonder
onderscheid, maar . ..
—• Zwyg, goddelooze vrouwe Eabilons ... en vertrek uit je huis
op de muren der stad. Je bent verdoemd, zeg ik je, en ...
—  Hé ? vroeg juffrouw Laps verwonderd en ietwat beleedigd.
Want de vromen nemen verdorvenheid en verdoemenis met veel
genoegen aan, zoolang men die dingen kollektief uitdeelt, maar ze
worden boos als men verklaart dat er iets hapert aan hen
persoonlyk.
—  Hé .. . hoe meent u dat, dominee ?
—  Ik zeg dat je verdoemd bent, vrouwe uit Josna twee ... er
hangen roode koorden uit je venster ... en je hebt gehoereerd met
de koningen der aarde .. .
Tot-dusver was alles goed. Het hoereeren met koningen heeft
iets deftigs, en schaadt niet. Maar:
.. . met de koningen der aarde, en met den briefbesteller die
zulke dikke bakkebaarden heeft.
Dit was erger dan «zoogdier.»
Vóór juffrouw Laps den tyd had haar eer te herstellen door
\'t verscheuren van den man gods, vloog Leentje de kamer in:
-ocr page 107-
WOUTERTJE PI ETERS E.                               87
—  Ue vent is dronken, juffrouw, hy is stomdronken .. . hy heeft
gebitterd om den hoek .. . daar is-i de deur uitgegooid, en dejon-
gens loopen \'m na . . . kyk hier!
En ze wees door \'t raam naar-buiten, waar inderdaad de straat-
jongens met veel gejuich \'n preek konmenteerden die huisdominee
scheen gehouden te hebben, want ze riepen: ho, ho, prikkelige
slang met je verzenen .. . houd je staart recht!
Stomdronken nu was huisdominee niet, dit hebben wy gehoord,
maar dronken was-i. In \'t wynhuis om den hoek had hy oefening
gehouden, en Leentje die dit wist of giste, was uitgeloopen om
daarvan zekerheid te hebben, en door de openbaring van \'s mans
toestand, de pyniging van Wouter te bekorten. In dit voornemen
werd zy te-hulp gekomen door huisdominee zelf, die in \'t wynhuis
had hooren spreken over die geschiedenis van den briefbesteller, en
by z\'n aankomst in de woning van juffrouw Pieterse, zich vergiste
in den patiënt dien-i behandelen moest.
—  En, voegde Leentjen er by, \'t is niet nu alleen ... \'t is niet
altyd even erg, maar laatst met Habakuk .. .
—  Zwyg jy, en ga aan je werk, zei juffrouw Pieterse, die be-
schaamd was omdat ze zich vergist had in de soort van wynberg
dien huisdominee bearbeidde.
My komt de vergissing heel verschoonbaar voor, en ik ben zeker
dat ze nog lang had kunnen voortduren als de kloeke Leentje
daaraan geen eind gemaakt had.
Niet zonder moeite beschermde men huisdominee tegen de woede
van juffrouw Laps. Stoffel hielp den man den trap af, zoo goed-i
kon, en leverde hem over aan de straatjongens die terstond \'n
liedjen op hem maakten, vol prikkelslangen en jenever. Ik heb dat
dichtstuk niet kunnen machtig worden. Wat jammer is. En iets te
maken, en dat uittegeven als echten codex, strydt tegen m\'n principes.
Zoodra juffrouw Laps zich \'n beetje hersteld had, koos zy de
verstandigste party, en beschuldigde zichzelf van verkeerde opvatting.
—  O...o ..o! Zoo ziet men hoeveel oefening er noodig is, om
vasttestaan in de leer! Ik herinner me nu klaar hoe er in de Schrift
wordt gesproken van verkeerde handelingen der dochteren Jeruza-
lem\'s. Dat heeft-i bedoeld met zyn briefbesteller. M\'n vader was in
de granen, en ieder weet dus wie ik ben. De zaak is duidelyk,
maar ik voel hoe langer hoe meer behoefte aan oefening ... aan
oefening, weetje ?
—  Maar, lieve juffrouw Laps, de man was dronken ...
—  Zoo zegt Leentje, maar . . .
—  En al dat volk op de straat! Hoor eens ...
-ocr page 108-
88                                               JIULTATÜLI
—  Juist als met den profeet Eliza. Ook hem beschimpten de
kinderen op de straat, en toen kwamen er beeren ...
«Hei, hei .. . pas op je verzenen!» klonk het buiten.
—  Waarom zendt de Heer z\'n beeren niet, klaagde juffrouw
Laps die inzag dat de eenige wys om zich rein te wasschen van
dien briefbesteller, bestond in \'t verheffen van huisdominee tot pro-
feet. En hierin had ze alweer gelvk. Wat \'n profeet zegt, kan men
opnemen zooals men wil. Een bruid is \'n kerk, een tempel is \'n
lichaam, een vader is \'n zoon, een zoon is \'n geest, een geest is
\'n vader, één is drie, drie is één. en \'n briefbesteller is niemendal.
—  Maar de man was dronken, herhaalde juffrouw Pieterse, alsof
ze hierin \'n reden vond om huisdominee\'s taal niet zóó ver wegte-
werpen als wanneer-i eenvoudig ware bezeten geweest door bybelwoede.
—  En al waar-i voor \'n oogenblik gevallen, wat zou dat bewyzen ?
Blyft men niet altyd mensch, en is de val niet noodzakelyk om de
genade te doen uitkomen? Zeg, mensch, waar bleef de genade,
zonder val ?
Dit wist juffrouw Pieterse niet, en ik ook niet.
Ik vind dat die juffrouw Laps alweer gelyk had: zonder val geen
genade, en zonder genade geen val. Die dingen hooren by-elkaar
als slot en sleutel, en wie er wat afneemt, doet verkeerd. Als men
\'n gebouw wil laten bestaan, moet men niet hier-en-daar \'n pyler
omhalen of \'n hoeksteen wegbreken. S/i ttt est, aut non sit. Huis-
dominee was dus geheel in z"n recht, en juffrouw Laps ook, schoon
zy eigenlyk de zaak alleen daarom overbracht op het terrein der
H. Godgeleerdheid, wyl ze de aandacht wou afleiden van haar
briefbesteller.
—  Maar wat moeten we dan in-godsnaam aanvangen met dien
kwajongen? riep juffrouw Pieterse in \'t eind.
Stoffel begreep, by ontstentenis van huisdominee geroepen te zyn
tot de preek van den dag. Hy behandelde Ezechiel en de afschei-
ding van de tien stammen, en deed er wat by uit Mattheus. Daarna
ging-i over op de Makkabcen, en sloot met Daniel, Paulus, \'n Onze
Vader
en den H. Geest.
—  Heel goed, zei juffrouw Laps, maar nu de straf?
Want de vromen zyn nooit tevreden voor er wat van straffen in
komt, waarin ze, met het oog op de Schrift, volkomen konsekwent
zyn.
—  Water en brood ... stelde de moeder voor, of... wat zou je
denken van de Openbaring ?
-ocr page 109-
WOUTERTJE PIET F. RS E.                                89.
—  Ja ... zoo . . ik mag de psalmen nogal, of ... de geslachts-
registers . .. Jakob gewan Juda, Zadok gewan Achim .. .
—  Och, mensch, dat is alles al geprobeerd, en niets heeft geholpen.
—  Als we hem eens \'n paar hoofdstukken lieten van-buiten leeren,
van-achteren-aff
Jammer dat dit voorstel niet doorging. Misschien ware er wat
voor den dag gekomen waarin slot en zin stak.
—  Als ik hem eens by my nam, juffrouw Pieterse? Om \'t geld
is \'t me niet te doen, je zou kostgeld kunnen geven ...
Wouter rilde.
—  Och ja, ging juffrouw Laps voort, je zou kostgeld kunnen
geven, en ik zou hem oefenen ... want om \'t geld is \'t me volstrekt
niet te doen. Oefenen, weetje?
Ik heb niet juist kunnen te weten komen welke marteling er
ditmaal voor Wouter werd uitgedacht. Ik denk dat men hem ge-
makshalve geslagen heeft, en dit vind ik dan ook — alles in aan-
merking genomen — maar het beste.
1
-ocr page 110-
Een treffende vogelhislorie, met \'n wenk over \'t nadeel van hoefvzers als
voedsel. Doorslaand bewys van
wouïer\'s beterschap, blykbaar uit \'n kerkelyk
getuigschrift.
WoüTER\'s eerste uitgang. [Zyn studie in de liefde. Kongrevischc
vertelling die doorbrandt in \'valer.
M\'n vriend Ornis kocht, na den dood zyner vrouw, tot afleiding
wat vogels. Als ik de smart over \'t verlies van z\'n wederhelft moet
afmeten naar de hoeveelheid pluimgedierte dat haar verving, moet
ik erkennen dat-i zeer bedroefd geweest is. Want \'t getal zyner
vogels was groot. Hy had vinken met oogen, en blinde vinken.
Kanarivogels, zwarte, groene en gele. Zeventien soorten van duiven.
Voorts papegaaien, kakatoea\'s a) lysters, kraaien, eksters, kippen,
raven, pauwen, eenden, kalkoenen, ganzen, korhoenders, kazuaris-
sen, struisvogels en nog meer ... te veel om te noemen, juist als
de vaderlandsche zeehelden in \'n schoolboek.
Hoe hy gekomen was aan die verzameling, weet ik niet, en dat
doet ook niets tot de geschiedenis, die ik vertellen wil.
Op zekeren morgen moest Ornis uit de stad. Z\'n afwezigheid zou
van eenigen duur zyn.
— Beste vriend, zeide hy, ik voel me genoodzaakt \'n beroep op
uw vriendschap te doen.
a) Het zal misschien sommigen niet onaangenaam zyn, hier de beteekenis van
dit woord te vinden. In \'t maleisch is kaka \'n oudere zuster. Met dit woord
spreekt men op beleefde wys een niet zeer jonge vrouw aan. Toen beteekent oud.
Alzoo kaka loea — oude vrouw. Om de gelykenis met den mond van \'n besje,
hebben de inlanders aan een nyptang den naam kakatoea gegeven. En daar de
bekende vogel iets zeer ouwevrouwelyks in z\'r voorkomen heeft, en tevens \'n
bek die hem als nyptang dient, bestond er \'n dubbele reden voor \'t naamge-
vend peetschap.
-ocr page 111-
WOUTERTJE PIETERS E.                                         91
Ik houd niet van die beroepen. Want er zyn menschen die de
vriendschap a la lettre nemen, en van zulke beroepen \'n beroep
maken.
—  Ik moet uit de stad, vervolgde hy; en weet niet hoe ik \'t zal
aanleggen om .. .
—  Wel .. . neem \'n plaatsbriefjen op de spoor.
—  Neen, dat is \'t niet. Ik weet niet hoe ik \'t zal maken met
m\'n vogels.
—  Als ge ze meenaamt, stelde ik voor.
—  Dat gaat niet, om de kosten. Bovendien, Liwi is broeis . . .
Liwi was \'n jeugdige kanarivogel, daepartant pour la Syrië floot.
—  Wel, laat dan uw vogels thuis.
—  Men ziet wel dat ge nooit getrouwd zyt geweest . .. dat ge
nooit vogels hebt gehouden. «Laat ze thuis» is fraai gezegd! Wie
zal er op passen, als ik weg ben ? Wie zal ze toespreken, voorórge-
len, eten geven, reinigen ?
—  Ah zoo, is dat de zaak! En uw beroep op m\'n vriendschap...
—  Ja, dat is de zaak. Ik wilde u verzoeken, gedurende myn
afzyn u te belasten met de zorg voor m\'n vogels.
—  Ik heb veel bezigheden.
—  Stel ze uit. M\'n vogels ...
—  M\'n vader is ziek.
—  Wat doet er dat toe ? M\'n vogels .. .
—  M\'n kinderen hebben de mazelen.
—  Warmhouden. M\'n vogels...
—  M\'n zaken zyn in de war.
—  Vraag Surchéance. M\'n vogels ...
—  Beste Ornis, ik heb geen verstand van vogels.
—  Hoe?
—  Geloof me, ik heb nooit vogels gehouden. Ik weet waarlyk
niet hoe ze moeten behandeld worden,
—  Dat maakt \'n onderscheid. Ge doet zeer wel my dat te zeg-
gen. Dan zal ik trachten iemand te vinden, wien ik m\'n lievelingen
kan toevertrouwen.
En Ornis liet my met rust, eindelyk, omdat ik geen verstand had
van vogels.
Nu vraag ik wat toch juffrouw Pieterse bewoog, en wat zoovélen
beweegt om kinderen te houden ?
Die goeie Ornis stoorde zich niet aan de ziekte van m\'n vader,
niet aan m\'n bezigheden, niet aan de ongesteldheid myner kinde-
ren, niet aan de moeielykheden waarin ik verkeerde, hy stoorda
-ocr page 112-
JIULTATUTI
92
zich aan niets ... tot op \'t pynlyk oogenblik dat ik verklaarde\'
geen verstand van vogels te hebben!
D4t was \'n reden! Op die betuiging trok-i zyn verzoek in!
Geen verstand van vogels! Hoer.. Zoud-i z\'n vinken laten behan-
delen als kraaien, en z\'n eksters als kalkoenen : Zou hy aan myn
onkunde overleveren het talent van Liwi die door broeien en fluiten
aanspraak had op dubbele zorg ? Zou hy de ooren van gevoelvolle
tortels laten kwetsen door de wulpsche melodien van \'t orgel der
vlasvinken ? Zou hy, by vergissing in \'t voedsel — zooals te ver-
verwachten was van onbedreven handen als de myne — de teedere
maag van \'t winterkoninkje blootstellen aan de hoefyzers en ouwe
pantoffels die er overbleven van \'t ontbyt der kazuarissen ? «Neen,
neen, honderdmaal neen! Geen verstand van vogels ? Dan zyt ge
niet waardig ze te bewaken en te verzorgen !»
Zoo sprak Ornis. En nu vraag ik nogeens: waarom hield juf-
frouw Pieterse kinderen ?
En als ik dan bereken dat het getal kinderen op de wereld
omtrent zeshonderd millioen is ..
En dat die kinderen worden «gehouden:\' door de drie- of vier-
honderd millioen menschen die voor \'t meerendeel geen verstand
hebben van ... vogels ...
Ach, dan moet ik m\'n venster openen, om niet toetegeven in \'n
stemming als die van \'t arme winterkoninkje na zoo\'n verkeerd
ontbyt!
Het schynt dat ook onze Wouter teveel hoefyzers had binnen
gekregen, want hy was bedrukt en neerslachtig. Zelfs Leentje had!
moeite hem optebeuren, en te-meer omdat ze, ronduit gezegd, niet
goed kon wys worden uit haar beschermeling.
In \'t mazen zocht ze vergeefs haar weerga, en ik heb al gespro-
ken over de onzichtbaarheid van haar heen-en-weertjes — dat toch
alles is wat men van heen-en-weertjes verlangen kan — doch haar
bevattingsvermogen schoot te-kort by Wouters\'s vertrouwelyke me-
dedeelingen, en ze kon zich niet onthouden van-tyd tot-tyd den
jongen aantezien met \'n medelydenden blik die twyfel verraadde
aan de gezondheid van z\'n verstand. Te-vergeefs bespaarde zy eenige
duiten van haar schraal weekgeld om hem optevroolyken met de
vroeger zoo welkome pepernoten ... helaas, Wouter\'s ziel was haar
pepernoten ontwassen, en de ontdekking hiervan veroorzaakte Leen-
tje bittere smart.
— Maar, beste jongen, wees dan toch verstandig, en laat je niet
het hoofd op-hol brengen met zulke praatjes! Die fancy, of hoe\'t
schepsel heeten mag, heeft je beet gehad. Of misschien heb je
gedroomd.
-ocr page 113-
WOUTERTJE PIEÏERSE                                     93
—  Neen, neen, neen, 1.eentje ... alles is de waarheid! Ik weet
zeker dat alles wat zy gezegd heeft, de zuivere waarheid is.
—  Maar Wouter . .. die historie met je zusje . . dat had je dan
toch vroeger moeten weten, dunkt me.
—  Ik wist het ook, maar ik had het vergeten. Al wat fancy
zeide, wist ik. Het was me maar ontgaan. Terwyl ze sprak, kwam
\'t my weer duidelyk voor den geest.
—  Ik zal eens naar die molens gaan, zei Leentje.
En dat deed ze. Naar Wouters aanwyzing vond zy de juiste plek
waar die belangryke ontmoeting zou hebben plaats gehad. Zy zag
de balken, den modder, de eenden, het kroos .. . alles was er, tot
de aschlucht toe, alles . .. behalve fancy en haar vertellingen.
En ook Wouter-zelf vond fancy daar niet meer. Te-vergeefs
wandelde hy met de fatsoenlyke Hallemannetjes, zoo dikwyls men
\'hem thuis «van den vloer» wenschte. Te-vergeefs stond hy uren
lang aan de leuning van z\'n brugje, en luisterde naar \'t geklepper
van de molens. Ze vertelden hem niets, en zongen niet, en er kwam
geen faxcy.
—  Ze zal te veel bezigheid hebben aan \'t hof myner moeder,
zuchtte Wouter, en bedroefd ging-i naar huis.
Maar als-i door \'t venster al de schoone sterren zag die zoo
vriendelyk tintelden alsof ze hem toewenkten moed te houden, dan
werd hy iets beter gestemd. De treurigheid bleef, maar ze was
minder bitter. Ze ging van smart over in heimwee, in zoet verlan-
gen «naar huis», en met betraand oog, maar niet wanhopig meer,
riep hy fluisterend:
— O.MIKRON, OMIKRON\'
Wie hoorde dat roepen ? Wie verstond die klachte over balling-
schap r Waar, door wien, werd achtgeslagen op die zucht naar \'t
hoogere, op die vurige begeerte om weertekeeren tot edeler stand ?
Of—juister, helaas!— werd dat roepen gehoord ? Werd die klacht
verstaan ? Werd er gelet op dat verlangen ?
Dat weet ik niet!
Ik weet niet of we zyn geschapen met een doel
()f maar by-toeval daarzyn . . .
Maar \'t komt me voor, dat gewoonlyk de meeste blyken van dat
verlangen naar iets hoogers, juist niet worden gegeven door wie be-
weeren dat alles iuèl te weten.
Na lang beraad, en op Wouter\'s uitdrukkelyke belofte van beter-
schap, had eindelyk meester Pennewip zich laten verbidden, en de
hoofdroover-vrouvvenhooner werd weer in genade aangenomen of
-ocr page 114-
94                                              MULTATULI
althans nagenoeg. Wouter mocht weer naar school gaan, en zich
oefenen in verzenmaken, schoonschryven, werkwoorden, kort-stomp-
scherp-lange o\'s, hollandsche graven en dergelyke wetenswaardigheden.
Meester zei dat het jongetje te Muiderberg nog verdorvener ge-
weest was, en dat hy zelfs daarvoor raad had geweten. Met Wou-
ter zou \'t dus ook wel gaan. Maar juffrouw Pieterse moest veran-
deren van huisdominee, want de tegenwoordige «behoorde tot de
klasse der wynzuipers.» Nu, dat deed ze. Wouter werd op de
katechizatie «gedaan» by \'n wezenlyken dominee die na kerktyd
uit \'n boekje «vragen overhoorde.» Den titel van \'t boekje weet
ik niet meer, maar de eerste regels waren:
ie Vraag: Vanwaar hebt gy en alles 7vat er is, ma oorsprong ?
Wouter had graag willen zeggen: wel, van m\'n moeder.. . maar
in \'t boekje stond:
Antw. Van God, dié alles uit Niet heeft voortgebracht.
2e Vraag: Hoe weet gy dit 1
Antw. Uit de Natuur en uit de Openbaring.
Wouter begreep dit niet, maar goedig en volgzaam als-i was ant-
woordde hy trouwhartig wat er in zyn boekje stond. Wel speet het
hem dat de pleizierige schoolvrye zondag, anders zoo uitmuntend
geschikt tot wandelen, bedorven werd door \'t «opzeggen» der konin-
gen Israels, wel was hy nayverig op de Joden die telkens werden
«weggevoerd» — \'n ongeluk dat hem byzonder prettig voorkwam —
maar hy schikte zich met vroom geduld, en was niet de minste
onder de zaligheids-leerlingen. Althans toen \'t jaar om was, ontving
hy \'n boekje met driehonderd-vyf-en-zeventig bybelteksten, e\'én-en-
twintig gebeden, even zooveel dankzeggingen, een vader-ons, de
tien geboden en de artikelen des geloofs. Er was \'n voorschrift by,
hoe dat moest gebruikt worden : eens per dag, \'n jaar lang . .. drie-
maal daags, \'n week lang by herhaling ... en de rest quantum
suf f kit.
Voorin stond op \'n ingeplakt blaadje:
ter beloon ing
aan wouter pieterse
omdat hy
de lessen in de Noorderkerk
wel
heeft opgezegd
en
ter aanmoediging
om
ter eere Gods
op
den ingeslagen weg
voorttegaan.
-ocr page 115-
WOUTERTJE PIETERS E.                                95
En daaronder stonden de namen van Dominee en Ouderling,
met krullen die Pennewip zouden beschaamd gemaakt hebben.
Het fatsoen der Hallemannen nam toe. De ouders van die kin-
deren huurden een tuin «aan den Overtoom.» Dat was zoo «heele-
rnaal buiten» zeiden zy, en \'<men kon toch niet altyd in de stad
blyven.:; Bovendien «de kosten waren zoo groot niet» want er was
één tuinman voor \'t heele pad, er stonden wel dertig bessenboompjes,
en dat was toch altyd \'n aardigheid.» Ook zou er wel gras genoeg
zyn om \'t kleingoed te bleeken, en dat won zooveel uit op de wasch
«want, zei de stamvrouw der Hallemannen, verleden was er yzer-
smet in Betsy\'s Kanesoe . .. dus was \'t heel goed om dien tuin te
huren, en als de menschen er over spraken — want dat deden <.ze»
altyd — was \'t uit pure jaloezie. Ook was er \'n regenbak by . . .
en juffrouw Karels had gezegd dat die lek was, maar dat was laster,
want ieder moet zelf weten wat-i doet, en als je wat doet, heb
je-n-altyd zoo\'n gemaal met de menschen ... want \'t was vooraan
op d\' Overtoom ... en als je je daaraan storen zou, konje nooit
iets doen ... en voor de kinderen was \'t \'n heele uitspanning.. . die
juffrouw Karels moest maar letten op \'r zelf__en als Gus jarig
was, mocht-i jongeheeren vragen ...»
Gus werd jarig. Er zouden jongeheeren gevraagd worden, en o
geluk, Wouter was onder de uitverkorenen.
Het zou me te vèr leiden, hier te onderzoeken wat Gus en
Franssie bewogen hun gewezen kommanditair-deelgenoot in den
pepermenthandel voortedragen tot kandidaat-feesthouwer. De lyst
der genoodigden werd opgemaakt en goedgekeurd, en daar juffrouw
Pieterse zich gestreeld voelde door den omgang van haar zoon met
«menschen die \'n buiten houwen» werd ook van dien kant geen
bezwaar gemaakt, mits Wouter beloofde «heel fatsoenlyk te wezen,
zich niet vuil te maken, niet te ravotten, z\'n kleeren niet te scheu-
ren» en zoo al meer. Ook zei juffrouw Pieterse «dat \'t zoo lief van
\'r was, dat ze dit toestond, want \'t was toch \'n heel ding voor \'n
kind om zoo eens uittegaan.»
— Ja, Wouter zou uitgaan! Voor \'t eerst uitgaan, voor het eerst
eten, drinken, zich vermaken onder \'n vreemd dak. \'t Was \'n
hoofdgebeurtenis in z\'n leven, en hy voelde al minder nayver op-
de Joden die zoo dikwyls uitgingen, en ten-laatste zelfs nooit weer
thuiskwamen.
De heugelyke middag was aangebroken. Met onbeschryfelyke
fierheid stapte Wouter de poort uit. »\'t Was rechts, links, weer links,
dan \'n brug over, en daarna rechtuit, het kon niet missen» had
Gus gezegd. En de tuin heette Stad-rust, dus: «Wouter moest maar
vragen, dan zou-i \'t zeker vinden.»
Dit was ook zoo. Wie voor \'t eerst uitgaat, komt altyd te vroeg.
-ocr page 116-
<)6
M U L T A T U L I
Wouter was op Stad-rust vóór de andere genoodigden, maar Gus
en Franssie ontvingen hem vry wel, en stelden hem voor aan hun
ouders, die zeiden dat Wouter \'n lief gezichtje hebben zou als-i
wat\'minder bleek was geweest.
De andere speelnootjes kwamen vervolgens opdagen, en \'t stoeien,
draven, gooien, nam \'n aanvang, zooals dat by knapen gebruikelyk
is. De pret werd afgewisseld met wafelen en limonade «die heel
langzaam moest gedronken worden, omdat de kinderen zoo bezweet
waren.»
Toen de stammoeder der Ilallemannen melding maakte van de
bessenboompjes en den zoo kwaadaardig belasterden regenbak, had
ze onder de volkomenheden van Stad-rust, ook dat prieel moeten
•opnoemen, waar üetsy zat met dien heer ...
—  Wie is dat? vroeg Wouter aan de kleine Emma, die mee-
speelde met de jongens.
—  Wel, dat is Betsy\'s vryer.
Nu weten wy uit de treffende geschiedenis van lange Ceciel, dat
Wouter z\'n eerste liefde reeds achter den rug had, maar toch trof
hem dat gezegde van Emma als iets vreemds. Tot-nog-toe was \'n
vrystertje, in zyn meening, \'n meisje aan wie men griften en ule-
vellen geeft, en die Betsy scheen verheven hoven zulke dingen.
Wouter begreep terstond dat-i lange Ceciel niet behoorlyk behan-
deld had, en op eenmaal beving hem de lust om te weten hoe \'n
volwassen heer vryt met \'n meisje dat niet meer school-gaat.
—  Haar vryer ?
—  Wel zeker ... geëngageerd !
Dit woord was Wouter te modern, en als nu de lezer scherp-
zinnig is, kan hy met vry veel juistheid berekenen in welk jaar
onze meid haar ekonomisch huwelyk aanging met den barbiers-
knecht. Men stelle zich slechts de vraag: wanneer is in de Klasse
Burgerstand, III, 7, a1 (Pp) \'t flauwe «geëngageerd zyn* in zwang
gekomen voor \'t hartelyke: vryen?
—  Ge ... wat ? vroeg Wouter.
—  Geëngageerd ... ze verkeeren.
—  Wat is dat?
—  Wel, ze willen samen trouwen. Weetje dat niet ?
Wouter voelde schaamte dat-i zoo\'n eenvoudige zaak niet wist,
«n zooals meer gebeurt, hy schaamde zich nogeens, juist óver die
schaamte.
—   Wel zeker, dat wist ik wel. Ik had niet goed verstaan. Em-
ma ... wilje met my trouwen ?
-ocr page 117-
WOUTERTJE PIETERS E.                                      97
Emma kon op \'t oogenblik niet, wyl ze geëngageerd was met
haar mama. Maar zoodra ze weer vry werd, zou ze zich bedenken,
en dan had Wouter veel kans. Want ze keek hem heel vriendelyk
aan voor ze weghuppelde om te voldoen aan \'n konvokatie tot
»stuivertje-wisselen" in \'n anderen hoek van den tuin.
Als den lezer de Spectator van Van Effen bekend is, zal-i zich
herinneren dat daarin voorkomt de heel aardige beschryving eener
burger-vryaadje. Ik houd die beschryving voor echt, en vergeef
onzen Tustus makkelyker \'t afluisteren dan \'t verzinnen, \'t Eerste
is nagenoeg geoorloofd, jazelfs byna plicht in iemand die menschen
bestudeert om Spectators of ideen te schryven. Wie \'t afkeurt, moet
ook den geneesheer veroordeelen die z\'n patiënt bespiedt met het
doel diens kwalen te leeren kennen om ze te genezen.
Ik spreek dus Van Effen vry van onbescheidenheid, maar erken
•eenigszins jaloers te wezen op de gelegenheid die hy schynt gevon-
den te hebben tot zoo nauwkeurige waarneming. Wy weten weinig
van \'t huiselyk leven der trekvogels, de hartstochten der schelpdieren
ontsnappen voor \'n groot deel aan onze scherpzinnigheid, en toch staat
in zekeren zin de natuurlyke historie van oesters en zwaluwen in helder
licht, wanneer wy die vergelyken met de kennis van onszelf. Vooral
is die kennis moeielyk te verkrygen ten aanzien van "t geslachts-
leven — in alle beteekenissen! — dat zich meer dan andere
handelingen verbergt voor de blikken van den opmerker.
»Wat zouden die twee elkaar te zeggen hebben?\'" vraag ik altyd
inyzelf als ik \'n verliefd paar zie, en soms betrap ik my op de
verdrietige vraag: * zouden ze elkaar wat te zeggen hebben?"
Verdrietig, ja! Want het doet me leed als ik \'n lid van myn
geslacht, \'n wederdeel dus van myzelf, een mensch, moet verdacht
houden van gebrek aan adel, van onkunde in liefde, van verwaar-
loozing der schoonste — neen, van de eenige — kracht der Natuur,
van opstand tegen de aantrekkingswet. Liefde — ik heb \'t al meer
gezegd, en men heeft myn bepaling zeer onzedelyk gevonden, wat
me genoegen doet — liefde is neiging tot éénzyn.
Maar gewis openbaart zich die neiging op oneindig veel wyzen.
•Gelyk overal, is ook hierin de Natuur eenvoudig in regel, veeh-ou-
dig in toepassi?ig. De liefde van \'n dief zal wel beduiden : kom,
laat ons saam uit stelen gaan. De goddiener vereenigt zich met
z\'n geliefde in den gebede of in den psalme, en zoo al voort:
»elck ghedierte naer synen aerdt."
Of zou die neiging tot meedeelen, tot samenzyn, tot vereenigen,
by sommigen tevens de begeerte wezen tot het goedet
By Wouter was het zoo, al wist hyzelf dat niet. Had-i niet eens,
in naam van lange Ceciel, de vryheid weergegeven aan \'t vogeltje
dat zoo angstig rondvloog in de nauwe kooi? Wel had Ceciel
7
-ocr page 118-
98                                               MULTATULI
daarom gelachen, en gevraagd of Wouter gek was ? Wel begreep zy
niet dat er verband was tusschen zyn medelyden met het arme
dier, en \'t kloppen van z\'n hart als-i haar naam kraste op de be-
vrozen ruiten van de achterkamer, maar misschien zou ze dat
verband begrepen hebben als ze Wouter had liefgehad. En dat kor»
nu eenmaal niet, om dien broek boven \'t buisje.
Hoe dit zy, hém ware \'t onmogelyk geweest te denken aan iets
kwaads als-i omikron* riep. Daarby vergat hy lange Ceciel, en zeker
zou hy zeer verwonderd geweest zyn als deze verschenen ware op
dien roep. Kleine Emma leek er meer op, vond-i nu. Zonder te
denken aan \'t schryven van \'n Spectator, voelde Wouter groote
begeerte om te weten hoe de jongeheer die met Betsy in \'t prieel
zat, zich kweet van \'t >verkeeren." Hy wist middel te vinden zich
aftezonderen van z\'n kameraadjes, en hoorde een-en-ander dat hem
niet veel wyzer maakte in z\'n liefdestudie.
—  Ja, ik heb ook gezegd: met Mei ...
—  Wel zeker, om de bovenhuizen . ..
—  \'t Is \'n gemaal! En wat zegt je moeder?
—  Zóó ... zy vindt we moesten \'t nog \'n jaartjen aanzien,
\'t Is zoo onfatsoenlyk gauw te trouwen, \'t Is net, weetje, of .. .
—  Vier jaar . . .
—  Ja, vier jaar. Louw en Anna zyn zeven jaar geëngageerd
geweest . ..
Wouter was er grootsch op, dat-i nu precies wist wat dit beduid-
de. Hy begreep dat het zooveel wil zeggen als: samen \'n boven-
huis huren, liefst in Mei.
—  En kryg je nou die linnenkast ?
—  Neen ... die wil m\'n moeder zelf houden. Maar als we nog
\'n jaar wachten, zal ze ons een andere geven, zegt ze, \'n kleine.
—  \'k Had liever de groote.
—  Ik ook. Maar, weetje, zy zegt: jongelui hebben geen groote
kast noodig. Maar toen m\'n zuster trouwde, heeft ze toch \'n groote
kast «meegekregen."
—  Zeg dan dat je \'r ook een moet hebben.
—  \'t Zal niet helpen.
—  Probeer \'t maar ... ik trouw niet zonder die groote kast.
—  \'k Wil \'t wel vragen, maar .. .
Van dit gehalte waren de gesprekken die Wouter afluisterde in
\'t prieel. Hy was zeer onvoldaan, en verschool zich peinzend in \'r*
donker hoekje. Wat hem eigenlyk ontbrak, wist-i zelf niet, maar
toen kleine Emma hem kwam roepen, bleek er dat-i aan heel iets
anders had gedacht dan aan linnenkasten en vakante bovenhuizen,
want met vroolyken schrik riep hy:
-ocr page 119-
WOUTERTJE PIETERSE                                99
—  Zou zy \'t wezen ... m\' zusje ?
\'t Was avend geworden, en het spel der kinderen zou binnens\'huis
worden voortgezet. De kleine gemeente was vermoeid. Er zou verteld
worden door een van de grooten.
Welke sgroote" verdwaald was op Stad-rust, om daar Moore\'s
JPeri en Paradys te behandelen, weet ik niet. Men zal vinden dat
het niet paste by Betsy\'s «engagement" en de liefdesmorende lin-
nenkast. Maar evenals, volgens sommigen, ieder persoon ééns ten-
minste wordt bezocht door de fortuin, zoo ook schynt er in de
platste, minst dichterlyke omgeving, éénmaal althans iets voorteval-
len dat saan wie \'t vatten wil" de gelegenheid geeft zich te ver-
heffen boven \'t alledaagsche. Éénmaal wordt den drenkeling toe-
geroepen : ge kunt zwemmen, sla uw armen uit!
De sgroote" volgde in z\'n vertelling den engelschen dichter niet.
Hy volgde een van de vele wyzen waarop de /V/v\'-legende in alle
talen is bezongen, nadat ze in de gemoederen van alle volken ont-
staan was. Het grondbegrip van schuld, boete, offer, verzoening en
eindelyken triumf van \'t goede, is diep geworteld in den mensche-
lyken geest, omdat de Urdichters behoefte hadden aan dramatische
spanning. Iedere stam had ten • allen-tyde z\'n FANCY-verschyning, z\'n
verlangen naar huis, de zucht om terugtekeeren tot vorigen heilstaat.
Overal vinden wy in de herinnering een gouden eeuw die wordt
aangenomen als punt van uitgang en als doel voor de toekomst
tevens. Al mogen wy vaststellen dat zulke indrukken alleen bestaan
in ons gemoed, en geen grond hebben in de onverbiddelyke werke-
lykheid, toch blyft het zeker dat die indrukken bestaan, en wie —
als ik, helaas! — de onbestreden heerschappy van \'t goede voor
of na ons, ontkent, moet toch toestemmen dat er naar het goede
gestreefd wordt, \'tgeen op zichzelf reeds goed is.
Ieder volk, ieder individu, heeft eenmaal smachtend uitgezien naar
\'n geliefde omikrom, en \'t is de schuld van den minnaar niet, dat
ten-allen-tyde deze of gene priester zich vertoonde op dien roep, en
met uitgestoken hand antwoordde:
—  Omikron? Dat ben ik. Mag ik u zes schellingen verzoeken
voor de moeite?
Die zes schellingen hebben veel bedorven. Want óf men betaalde
die, en hield den priester in \'t leven die zich voordeed als de ge-
zochte minnares... of men werd wakker, lichtte kleed en mombak-
kes op, herkende den bedrieger en wierp hem ter-deure uit met de
klacht: fancy heeft me bedrogen, ze zond my \'n valsche omikron!
Dat deed fancy niet, dat deed de priester om die zes schellingen.
-ocr page 120-
IOO                                                  MULTATUI. I
«.De peri die voor de poorten van V paradys vruchteloos smeekte
te worden toegelaten tot den heilstaat der gelukzaligen., bracht
alzoo na veel vergeef sche pogingen eindelyk als
V schoonste wat de
aarde opleverde, den laatsten zucht van \'n berouwhebbend zondaar,
en vond genade iti de oogen des wachters aan de poort, om de
heiligheid der gave die zy offerde . ..
—  Nu pandverbeuren! riep Gus.
.— Pandverbeuren, pandverbeuren! riep de gansche kleine gemeente
hem na.
Er werden panden verbeurd, gegeven en ingelost. Er moest «ge-
zoend" worden, dat spreekt vanzelf. jEen raadseltjen opgegeven."
"t Werd niet geraden . .. natuurlyk. Wie \'t ««>/, mocht het niet
zeggen! Dat is by raadsels zoo de gewone konditie.
—  Wat zal de eigenaar van dit pand doen ?
—  Op één been staan!
—   Over \'n strootje springen!
—  Een vers opzeggen!
—  Neen, \'n fabel ... la cigale, of zoo-iets!
—  Ja, ja, ja!
\'t Pand was van Wouter.
—   Ik ken   geen fabel, zeid-i bedrukt, en fransch versta ik
ook niet.
—   Ik zal je  helpen, riep Emma . . . Ie pen\', du père.
—  Och, dat  is geen fabel . .. toe, Wouter !
\'t Was \'n heele pret voor sommigen in den kring, dat Wouter
geen fabel kende en geen fransch verstond. Als \'n bekwaam mensch
wist hoeveel genoegen hy velen doet met \'n blyk van wat onbe-
kwaamheid, zoud-i waarlyk menigmaal zich dom houden uit louter
menschenliefde.
Maar Wouter dacht ditmaal niet aan \'t pleizier van de anderen,
dat-i ook niet zou begrepen hebben. Hy schreide, en was boos op
meester Pennewip die hem geen fransch en geen fabels geleerd had.
—  Komaan, Wouter, komaan! plaagden de pandhouders.
—  \'t Hoeft geen fransch te wezen, vertel maar \'n fabel.
—  Maar ik weet niet wat \'n fabel is.
—  Wel dat is \'n vertelling met beesten.
—  Ja ... of met boomen: Ie chine tin jour dit au roseau, zieje,
er hoeft juist geen beest in te komen.
—  Ja, ja.. .\'n fabel is \'n vertelling, anders niet.. .er mag inko-
men wat \'r wil.
—  Maar \'t moet rymen!
-ocr page 121-
WOUTERTJE PI ETERS E.                                  IOI
Wouter was op \'t punt z\'n rooverslied optezeggen. Maar hy
bedacht zich, en gelukkig! Want dat ware\'n groot schandaal geweest
in den huize Halleman, dat zoo byzonder fatsoenlyk was.
—  Wel neen, \'t hoeft niet te rymen ook, riep \'n ander die al
weer wyzer was dan de rest, «de koe geeft melk, Jantje zag eens
pruimpjes hangen, prins Willem de eerste was \'n groot wysgeer."
Zieje, Wouter, \'t gaat vanzelf, komaan .. . vertel wat, of je krygt
je pand niet.
Wouter begon:
»Er was eens \'n jongetje gestorven, dat niet in den hemel mocht...
—  Ho, ho, dat \'s de geschiedenis van de Peri! Wat anders!
—  Ik zal \'t anders maken, beloofde Wouter verlegen.
» . ..Nu dan, dat jongetje mocht niet in den hemel, omdat-i.. .geen
fransch verstond, en ook omdat-i dikwyls stout was geweest, en ook
omdat-i meestal de vragen niet had gekend, en ook omdat-i .. .
omdat-i . ..
Ik geloof dat Wouter hier wat zeggen wilde over \'t onzalige
smoedersknipje." Maar hy slikte het in, uit vrees de Hallemannen
te grieven door \'n schynbare toespeling op den pepermenthandel.
i... omdat-i eens gelachen had onder \'t bidden. Want, dit is
zeker, jongetjes die lachen onder \'t bidden, komen niet in den hemel.
—  Z ... o ... o ... o ? vroegen \'n paar schuldbewusten.
—  Ja die komen niet in den hemel.
»Nu had dat jongetje \'n zusje gehad, dat een jaar vóór hem ge-
storven was. Hy had veel van haar gehouden, en toen hy dood was,
zocht-i terstond naar z\'n zusje. »Wie is uw zusje?" vroeg men hem...
—  Wie vroeg dat?
—  Stil val \'m niet in de rede, laat Wouter voortgaan.
—  Ik weet niet wie dat vroeg.
»...Maar \'t jongetje zei dat z\'n zusjen ... \'n blauw jurkje droeg,
en kuiltjes in de wangen had..
—  Net als Emma.
—  Ja, net als Emma.
» ... Men zei hem dat er in den hemel \'n klein meisje was, dat er
juist zoo uitzag. Ze was daar \'njaar geleden gekomen, en had ver-
zocht haar broertje binnentelaten, die zeker naar haar vragen zou.
Maar \'t jongetje mocht niet binnen... ik heb al gezegd waarom."\'
-ocr page 122-
102                                                  MUI, T ATM LI
—  Had zy altyd \'r «vragen» gekend ?
—  Zeker wèl! Dat spreekt vanzelf. Laat Wouter voortgaan.
» ... Hy was heel verdrietig omdat-i z\'n zusje niet zou weerzien, en
vond nu dat het sterven eigenlyk niet de moeite waard was geweest.
»Och, laat me toch binnen!" vroeg-i heel vrindelyk aan \'n heer
die aan de deur stond ...
—  Aan de poort\', verbeterden velen tegelyk, die zich gestuit voel-
den door de dagelvksheid eener deu>\\ maar niet getroffen waren
door de verhevenheid van Wouter\'s begrippen óver \'t sterven.
Zoo gaat het meer.
—  Goed, aan de poort, zei de arme jongen, beschaamd dat-i zich
zoo bezondigd had aan deftigheid.
»... Maar die heer aan de poort zei: neen. Daarop keerde \'t jongetje
terug naar de aarde."
—  Dat kan niet .. . eens dood, blyft dood, riepen de wysgeeren.
—  Laat \'m toch voortgaan ... \'t is immers maar \'n vertelling.
» ... Hy keerde terug naar de aarde, en leerde fransch. Toen-i
daarna weer voor de... poort stond, zeid-i owi^ m\'sieul Maar
\'t hielp niets, hy mocht toch niet binnengaan.
—  Dat geloof ik graag ... hy had moeten zeggen: faimé, tu
ahnes.
—  Dat weet ik niet, zei Wouter nuchter.
> . .. Nogeens ging-i naar beneden, en leerde z\'n \'vragen" zóó dat-i
ze kon opzeggen van-achter-af, van: Heer, kom haastclyk tot: met
privilegie.
En dat deed-i aan de poort. Maar \'t hielp weer niet ...
hy mocht nog niet binnen."
—  Dat wil ik wel gelooven, riep \'n wyze. Om in den hemel te
komen, moet men «aangenomen" zyn. Was-i aangenomen ?
—  Ach neen, zei Wouter, daarom juist was \'t zoo moeielyk!
» ... Hy beproefde telkens wat anders, maar \'t lukte niet. Hy zei
dat-i met z\'n zusje geëngageerd was ...
—  Net als Betsy, riep Emma.
— Ja net als Betsy.
» .. . Dat hy haar zoo lief-had, dat-i zoo graag met \'r trouwen wilde...
maar \'t hielp alles niet, hy mocht niet in den hemel. Op \'t laatst
durfde hy niet terugkomen uit vrees dat die heer aan de poort knorrig
worden zou . ..
—  Nu, en hoe is \'t verder?
-ocr page 123-
WOUTERTJE PIETERS E.                                   103
— Ik ... weet .. . niet . .. verder, stamelde Wouter, ik weet niet
wat het jongetje doen moest om in den hemel te komen.
Wouter wist wél verder, al kon hy niet onder woorden brengen
wat-i wist. Dit bleek \'n uur later.
By \'t naar-huis gaan, toen het heele gezelschap verschrikt uit-
eenvloog om \'t rytuig te ontwyken dat in dolle vaart de poort
uitholde, gleed Emma onder de leuning van de brug door, en viel
in de stadsgracht. Men loosde een gil ... nóg een ...
Wouter was \'t kind nagesprongen.
Als-i op dat oogenblik gestorven ware, zou zeker de «heer aan
de poort" hem niet hebben afgewezen omdat-i geen fransch verstond
of niet «aangenomen" was.
Maar toen-i nat en bemodderd werd thuisgebracht. zei juffrouw
Laps dat men den Heere niet mocht verzoeken, En dat was \'t
toch, als men te-water sprong zonder te kunnen zwemmen.
Ik vind dat die »Heer" \'t best te-pas komen zou by iemand die
niet zwemmen kan. Wie \'t wèl kan, heeft meer kans zichzelf te
helpen.
En juffrouw Pieterse klaagde >dat er met dien jongen altyd
wat was."
Nu, dat vind ik ook.
-ocr page 124-
Groole verandering in </e familie Pieterse. Wouters benoeming lot
lyfpoëet van jufvrouw
Laps. Dc bergen in Aziè\\ gebruik/ ais behcedmiddel
legen enropesche verwaandheid.
Ik denk dat jufvrouw Pieterse een erfenis had gekregen. Want
de Pietersen\'s verhuisden op eenmaal naar. \'n »fatsoenlyker" buurt,
en de jonge-jufvrouwen kenden geen enkele meer van de meisjes
waarmee ze waren »op naaien geweest."\' Zulke dingen hooren by
erfenissen, of by verhuizen smet verbetering." En er waren nog
andere blyken. Leextje werd plechtig uitgenoodigd haar verleden-
deelwoord »gezeid" te veranderen in: «gezegd" want jufvrouw
Pieterse had opgemerkt, dat »de mevrouw van hier-naast" zoo
conjugeerde. Dus zou \'t wel goed wezen. En Stoffel zei, dat hy
\'t al lang geweten had:
—  Maar moeder, dan moet uwe ook niet zeggen: remplizant.
\'t Is ƒ/«, moeder. Denkt uwe maar om plaats.. .
—  Remplaats...
—  Né moeder, f la. . .f las...
Jufvrouw Pieterse zei dat het lastig was, zoo op alles te moeten
letten. Ze zou het heele woord dan maar liever myden, dacht ze.
Maar \'t zou moeielyk wezen, want er was juist ^zoo\'n gedoe over
de militie" en ze vertelde gaarne: >hoe ze heel goed in-staat was
haar zoon te rempl...
                                                     9
—  Né, moeder, moe remplaceert Laurens niet...
—  Och, wat \'n gemaal! Ik meen maar dat de mevrouw van
hier-naast gezeid heeft...
—  Gezegd, moeder.
—  Ja, juist.. .hoorje, Leentje. . .je mot zeggen: gezegd. Onthou
\'t nou, en laat ik \'t nou niet weer hoeven te zeggen... en snuit
je neus.
Wouter had \'n jasje gekregen, met \'n kraagje zoo-als nu palfre-
-ocr page 125-
WOUTERTJE PIETERS E.                               105
niers dragen. De garricks hadden afgedaan, en cloaks waren er
nog niet. \'t Gaat in de mode, als in de zoölogie. Meest-al vindt
men van die overgangs-soorten, omdat Natuur en kleermakers geen
groote sprongen doen. En \'t spreekt vanzelf, dat nu \'t buisje boven
den broek was geraakt. »\'t Stond al te kinderachtig, hadden de
jonge-jufvrouwen gezegd, voor \'n jongen die al rymen kon."
Want, dat Wouter rymen kon, vertelde men aan ieder die \'t
hooren wou. Eigenlyk was \'t nog-al valsch, roem te oogsten van
\'n feit dat zoo kwalyk werd genomen aan de persoon-zelf die \'t
verrichtte. Dit bewyst alweer hoe ydelheid een groote rol speelt.
Ook zorgde men wel dat Wouter niet te weten kwam hoe men
zich op zyne talenten verhief. Men sprak daarover slechts als hy
er niet by was. .
Het huis Pieterse handelde hierin als veel naden gewoon zyn.
Meermalen trachten ze tegen-over den vreemdeling zich te verheffen
op deugd of genie van mannen die men wreed en dom pennewipte
toen ze »er by waren" dat is: zoolang die mannen leefden. Wouter
zou inderdaad grootsch geworden zyn, wanneer hy alles had kun-
nen hooren wat men van hem zei, als-i niet tegenwoordig was.
Jazelfs, ik ben niet vreemd van \'t denkbeeld dat hy zou uitgeroepen
zyn als wonderkind, wanneer i voor die zotterny niet ware bewaard
gebleven door z\'n «kinderachtigheid." Stoffel namelyk trok den
neus op voor \'t jongentje dat nog altyd zakjes naaide voor z\'n
griften, met \'n yver en een inspanning als-of-i nooit verzen had
gemaakt. En ook de jonge-jufvrouwen hadden Wouter onnoozel
gevonden, by gelegenheid eener kraam-historie in de buurt. Wou per
had zonder fluisteren gevraagd: >wat het was?" Nu...»zoo\'n
groote jongen moest toch weten dat men fluistert by zulke gelegeiv
heden."
Het beeld van lange Ceciel was uitgesleten in Wouter\'s hart,,
en ook de kleine Emma was vergeten. Zelfs O.mikron moest van-
tyd tot-tyd haar gelaat toonen in de sterren, om \'t kind aan z\'n
liefde te herinneren. En zelfs, ais hy den avendhemel zag, als hy
werd aangedaan door dat onuitsprekelyk verlangen naar het goede...
dan nog bestond Wouter\'s aandoening niet zoozeer in het denken
aan Omikron, dan wel in \'t onbewust ondergaan van liefelyke
herinneringen. Er bestond reeds in z\'n twaalfjarig leven een mythische
voorwereld, zoo moeielyk te scheiden van geschiedenis, en niet
ongelyk aan de groote geologische of voor-geologische waarvan
Fancv scheen gesproken te hebben. In den grooten droom dien
\'t kind droomde, was verwarring tusschen zyn en niet-zyn. Hyzelf
wist niet meer met juistheid te bepalen welke beelden hem waren
voorgeteekend door nuchtere werkelykheid, welke door zyne fantazie
die trouwens evenzeer werkelykheid was. De kleuren der teekening
-ocr page 126-
IOÓ                                                 MULTATULI.
vloeiden in-een, en na lang staren, na vermoeiend zoeken, na ver-
geefsch pogen om helder te zien in z\'n eigen hart, voelde hy
iets als afmatting en moedeloosheid. Als-i ouder geweest was, zou
hy waarschynlyk slechte verzen hebben gemaakt, met tranen er
in, en onmachtig verdriet. Maar daar \'t hem ontbrak aan de
handigheid om weemoed te verkoopen by de maat en op maat,
zweeg de arme jongen, en droeg-i heel alleen de ergernis over de
wanorde van z\'n gevoel.
Zelf wist-i niet dat hy verzen maken kon. Hy geloofde heel
goedig dat z\'n rooverslied beneden kritiek was, en groette Klaasje
van der Gracht, met \'n soort van eerbied.
Och, hy wist zoo weinig van Wouter ! Zóó weinig dat niemand
minder dan hyzelf in-staat zou geweest zyn de geschiedenis te
schryven van z\'n eigen hart.
Maar dat-i verzen maken kon, hoorde hy van jufvrouw Laps.
"\'t Was hem een pure revelatie.
\'t Mensch »had aanstaande week \'n oom jarig." En ze legde
een staatsie-bezoek af by de Pietersen\'s, om te vragen of Wouter
een »aardigheidje" wou maken voor die gelegenheid. Ze had er
\'n ons ulevellen voor over.
—  Maar, jufvrouw Pieterse, uwe moet hem zeggen dat het
godsdienstig moet wezen, en dat m\'n oom \'n weduwman is. Ziet.
u. . .dat moet-i er in brengen. En ik wou \'t graag hebben op de
wys van psalm 103, dan kan \'t gezongen worden, want m\'n oom
heeft die psalm op \'n Hertje.
De begaafde lezer begrypt dat jufvrouw Laps niet sprak van
Apollo\'s lier. Ze meende zoo\'n draaiding dat \'n jingelend ge-
luid geeft.
Jufvrouw Pieterse zou \'t Wouter zeggen als-i van school kwam,
maar overlegde met Stoffel hoe ze haar verzoek of bevel zou
inrichten, dat Wouter daarin geen grond vond tot zelfverheffing.
3 Want, dat haatte ze als de dood. .. in \'n kind."
Ik ook, als \'t ongepast is, en dus onëerlyk. En dan vind ik \'t
zeer aftekeuren maar niet alleen in kinderen.
—  Heb je je les gekend, Wouter?
—  Neen, moeder. Ik moest dertien bergen in Azië opnoemen,
en ik wist er maar negen.
—  Dat gaat niet met je. Ik betaal schoolgeld voor niemendal.
Denk je dat het geld me op den rug groeit ? Wat moet er van
je worden ?
Ja, dat zeg ik ook. Wat moet er worden van iemand die niet
weet hoe allerlei bergen heeten, welke hy nooit zal hoeven te
beklimmen.
-ocr page 127-
Wouter\'s eerste les in verzemakery, enz\'n iooi<?in nederigheid. Belangry\'te
ontmoeting van \'« waschvroum en haar dochter. Onderricht in \'t alleen zalig-
makend geloof.
De opdracht om \'n vers te maken, streelde Wouter. Jufvrouw
Pieterse en Stoffel hadden zich vergeefs beyverd hun goede
meening omtrent zyn talent, te omzwachtelen met geringschatting.
De arme jongen schrikte van genoegen, by de ontdekking dat men
hem svoor iets aanzag." Hy had zóó vaak gehoord dat-i eigenlyk
niemendal was, en nooit iets worden zou... dat hy nu ter-nauwer-
nood lette op al de pogingen die z\'n moeder en broer in \'t werk
stelden, om hem te doen gelooven dat de heele commissie eigenlyk
een straf was voor z\'n onkunde in de namen van bergen. «Ja,
zei Stoffel:
—  Ja, ik kan je verzekeren dat het by my op school niet gebeuren
moest. .. maar nu moet je letten op behoorlyke afwisseling van
liggende en staande regels...
—  Hè? vroeg WOUTEK.
—  Wel zeker ... weet je dat nog niet eens? Heeft meester
Pennéwip je dat niet geleerd? Of heb je weer niet opgelet?
Kyk.. .zoo!
En Stoffel wilde voorbeelden bedenken. Maar \'t lukte niet.
—  Trui, geef me je gezangboek. Kyk, Wouter: hoog, omhoog,
het hart naar boven...
dat \'s liggend, zieje. En: hier beneden is het
niet..
.dat staat, weetje ? En dan moet je er wat inbrengen van God...
—  Ja, en dat-i wewenaar is, voegde de moeder er by.
—   Haar oom... verbeterde Stoffel. En alle regels moeten even
lang wezen.
-ocr page 128-
108                                                     MULTATULI.
—  En je krygt ulevellen... en als je \'r niet meê terecht kunt,
zei de moeder, vraag dan maar aan Stoffel.
•— Wel zeker, ik zal je telkens zeggen wat rymt. \'t Is heel
makkelyk. ..
Wouter had er wel zin in. Hy ging naar de achterkamer, nam
een lei, en schreef er op. Maar mooi was \'t niet. Ook kon-i maar
niet verder komen dan: Een weduwnaar van God... O Godseen
weduwnaar. . .
Zou dat nu staan of liggen? dacht-i. De arme jongen beet de
tanden slee op z"n grift, en \'t grift tot gruis. . .maar och, "t ging
niet. Hy was \'n oogenblik verwaand geweest, en werd daarvoor
zwaar gestraft, want nu begon hy te gelooven dat z\'n moeder gelyk
had. toen ze zeide: sdat er van die jongen nooit iets komen zou."
Hy vraagde aan Leentje, of zy wist wat liggende en staande
regels waren ? En daar zy het ook niet wist, besloot hy «morgen
eens weer te probeeren. Misschien zou \'t dan beter gaan." Dit
vond Leentje ook.
—  My wel, zei   de moeder, maar denk er aan dat je me niet
veraffrenteert voor
  jufvrouw LAPS...want ik heb gezeid dat je \'t
kon...en de man
   is jarig woensdag over acht dagen...dus veel
tyd heb je niet.
Wouter ging naar de aschpoort, zocht het brugje, en begon
daar bitter te schreien.
—  Ga eens kyken wat dat jongetje scheelt, hoorde hy \'n vrouw
zeggen tot een meisje van veertien, zestien jaren, \'t Kind heeft
zeker iets verloren.
—   Heb je wat verloren, jonge-heer ?
Wouter zag op, en schrikte. Want het was hem of-i dat gelaat
herkende, \'t Deed hem denken aan Fancy.
—  O, nu is alles goed... nu gy daar zyt! Ik heb zoo naar u
verlangd...
—   Naar my, jonge-heer?
—  Ja, ja, ja! Ik wist niet dat ik verlangde... maar nu weet ik
het. O, zeg het my toch spoedig.. .wat staande regels zyn, en hoe
ik m\'n vers moet maken?
Het meisje, dat met hare moeder waschgoed te bleeken legde
op \'t gras, keek Wouter gek aan. Ze liep terug naar de moeder,
en zei niet te weten wat dat kind mankeerde. Maar dat er iets
aan haperde was zeker.
—  Hy zi»t er uit, of-i geschrokken is, zei ze.
-ocr page 129-
WOUTERTJE I\'IET ER SE.                                I09
En daarop haalde ze uit \'n klein huisjen in de buurt, wat water
dat ze Wouter toereikte in een theekopje. WoirrER-zelf begon te
begrvpen dat-i zich vergist had. Maar er was iets zoo goedaardigs
in het voorkomen en in de wyze van doen van \'t meisje, dat hy
zich tot haar voelde aangetrokken, al heette zy dan maar Femke.
Zoo noemde haar de moeder. En bovendien deze naam deed hein
denken aan Fancy, dat al veel was.
Femke wees Wouter \'n omgekeerd mandje aan, en noodigde
hem uit, haar te vertellen wat de oorzaak was van zyn verdriet.
Wouter deed dit zoo goed hy kon, terwyl moeder en dochter zich
bezig-hielden met haar «bleek."
                                                            >
—  Misschien kan ik je wel helpen, jongeheer. . .zei de moeder,
want m\'n man heeft \'n aangetrouwden neef die wéwenaar is...
—  Ja, jufvrouw. . .maar de liggende regels? En er moet van
(jod inkomen.
—  Precies, jonge-heer. Och, \'t is \'n heele historie. Z\'n vrouw
was m\'n mans nicht, weetje, want we zyn roomsch, en ze deed
haar geloof goed...leg \'n steentjen op die asseldoekjes a) Femke,
anders waaien ze weg...ja, jonge-heer, \'t is \'n heel ding met
zoo\'n bleek, je heb \'r geen begrip van, zoo \'n ding als \'t is...
nu, ze onderhield haar godsdienst, en daar deed ze goed aan,
want — dat zal je ook wel weten, jonge-heer — als \'n mensch
z\'n godsdienst niet doet, is er niet veel aan, maar hy...trek dat
hemd wat na je toe, Femke, de mouw hangt in de sloot...maar
hy gaf er niet om, en zei dat \'t allemaal gekheid was. . . maar toen
ze stierf, en hy zag hoe ze bediend werd...\'t was pater Jaksen
die \'r bediende, jonge-heer, je zal hem wel kennen, .hy loopt
altyd met zoo\'n zwart stokkie, en raakt er nooit meê aan den grond. . .
De vrouw zag Wouter vragend aan. De arme jongen zat op
\'t omgekeerd korfje, met de ellebogen op de knie, en de kin in
beide handen. Hy luisterde met open mond, en spande zich in om
te begrvpen hoe die vertelling zou neerkomen op verzemaken. Maar
van pater Jansen en diens aarde-verachtend stokje had hy nooit
gehoord. Dit moest-i bekennen.
—  Nu, \'t was pater Jansen die \'r bediende. En toen m\'n mans
neef dat zag...giet niet bezyen, Femke, dan spat er de modder
zoo op. . .ja, toen-i zag dat \'n mensch toch niet sterft als \'n stom
a) Zegge: okseldoekjes. liet zyn de vierhoekige stukjes lynwaad die aan
de onderzyde der armsgaten, op \'n wyze die de speling van \'t bewegen
toelaat, de mouwen verbinden met het hemd. Hoe in casu zulke lapjes op
eigen gelegenheid werden te-bleek gelegd. ..
Ik gis dat de auteur \'t woord assel heeft willen plaatsen, om een bewys
te geven hoe aandachtig hy \'t volksdialect bestudeerde.
-ocr page 130-
ITO                                                 MULTATULI.
beest, toen had-i \'r weet van, en naderhand heeft-i z\'n paschen
gehouden net als \'n ander.. .en toen-i verleden jaar z\'n been brak,
want hy is schilder weetje, toen heeft-i negen weken lang dertien
stuivers van de armen gehad.. .zoodat ik maar zeggen wil dat ik
ook \'n wcwenaar in m\'n familie heb. En nu moet je opstaan van
je mandje, jongeheer, want ik heb \'t noodig.
Wouter stond haastig op, alsof-i bevreesd was onbescheiden
te wezen in \'t gebruik maken van de gastvryheid. En de vrouw
ging heen, na een ernstige vermaning aan Femke, om goed op de
bleek te passen, en haar te roepen als \'r kwaêjongens kwamen.
Want dat gebeurde wel eens, zei /.e.
—  Ben je weer beter, jonge-heer ? vraagde de vriendelyke Femke.
—   ü ja, antwoordde Wouter, maar ik begryp niet hoe ik dat
alles zal te-pas brengen in m\'n vers.
Weinig lezers zullen, zonder myn hulp, hier op \'t denkbeeld
komen, dat Wouter moed noodig had om z\'n gebrek aan begrip
te erkennen. We zyn zoo gewoon aan \'t niet begrypen, dat wy uit
traagheid daarin berusten. En \'t gedurig waarnemen van die be-
rusting in anderen, maakt ons beschaamd over onze stompheid
waarmee wy meenen alleen te staan. Waarlyk, er is moed noodig
om alleen dom te wezen, en hierdoor is de wysheid der menigte
meestal niets dan commanditair wanbegrip. Laat een schryver, een
spreker, een redenaar, die zich verheugde over ali;e?necne toejuiching,
den indruk onderzoeken dien z\'n arbeid gemaakt heeft op elk in-
dividu, dan zal hy meestal ontwaren, dat de algemeene goedkeu-
ring de som is van persoonlyk onverstand, en dat men niet hèm
heeft toegejuicht, maar zichzelf een certificaat gegeven van gelyke
scherpzinnigheid als men, nog-al gewaagd, in alle anderen ver-
onderstelde. De meeste schryvers, dichters, wysgeeren van naam,
hebben daaraan hun roem te danken.
Hoe dit zy, Wouter was oprecht, en zei ronduit aan Femke,
dat z\'n vers hem nog evenzeer bezwaarde als vroeger.
—   Je moet bedenken, dat het rymen moet, Femke, dat alle
regels even lang moeten zyn, dat ze moeten liggen en staan....
want dat heeft m\'n broer gezegd, die zelf schoolmeester is.
Femke peinsde, en op-eens:
—   Ken je latyns ? vraagde zy, of Wouter dan geholpen was.
—   Ach neen....
—  Nu, \'t doet er niet toe, riep ze, \'t hollandsch staat er naast...
ik zal je helpen. Wil je even op de bleek passen ?
Wouter beloofde het, en Femke liep naar huis.
Daar naderden een paar jongens die met steenen wierpen. Wouter,
-ocr page 131-
WOUTERTJE PI ETERS E.
I tl
in \'t diep besef zyner verantwoordelykheid voor de bleek, riep hun
toe daarmee optehouden. Nu werd het erger. Zy naderden, en
plaagden onzen kleinen bewaker, door op het waschgoed te loopen.
Hy had \'n gevoel of-i FEMKE-zelf zag mishandelen en vloog dapper
op de bleekverstoorders in. Maar hy was de sterkste niet, en alleen
tegen twee, zoodat-i waarschynlyk zou bezweken zyn, als niet z\'n
dame tydig was weêrgekomen. Deze verloste hem, en verjaagde
de ondeugende aanvallers. Toen zy zag dat Wouter bloedde aan
de lip, gaf ze hem een zoen. Het hart van den knaap tintelde.
Zyn ziel groeide op-eenmaal tot ongekende hoogte, hy voelde weer —
voor \'t eerst in langen tyd — dat prinselyke waarmee hy Leentje
eens zoo verschrikt had. Z\'n oogen flonkerden, en den armen
jongen, die zoo-even geen vers wist saemtelymen, doorschoten op-
eenmaal de stralen van gevoel, van verbeelding en van moed, die
den mensch maken tot dichter.
—  O Fancy .... Fancy .... sterven voor u... . sterven met zulk
een kus op de lippen!
Het speet hem dat de jongens weg waren. Ja, al waren er tien
geweest, hy had lust in ongelyken stryd.
En Femke, die nooit dichterlyke uitboezemingen gehoord had,
begreep hem terstond, omdat ze een onbedorven meisje was, en dus
in \'t bezit van de rouerie, die de Xatuur ten bruidschat geeft aan
onschuld. Zy voelde Wouter\'s ridderlykheid, en tevens dat ze een
dame was, die ridderlykheid beloonen kon.
—   Je bent een lieve, lieve, jongen, zei ze, en greep zyn hoofd
met beide handen, en kuste hem weer, en nog-eens.... op \'n
wyze alsof ze \'t meer gedaan had. Wat toch niet waar was.
—   En nu moet je eens kyken in dit boekje, waarin verzen
staan. Misschien zal \'t je helpen voor je tante....
—  Ze is m\'n tante niet, antwoordde Wouter, maar \'t boekje wil
ik wel zien.
Hy legde \'t op de leuning van de brug, en begon te lezen. Femke,
grooter dan hy, had den arm om z\'n hals geslagen, en wees hem
met de andere hand wat hy lezen moest! «)
a) Voor \'t byna ondenkbaar geval, dat onze schilders een oogenblikje tyd
vonden, na \'t afwerken van hun heiligen, binnenhuizen, stillevens of den eeu\\vi-
gen: één heer met één hond en één haas, ben ik zoo vry hun myn WOUTBRTJEN
alleveerbiedigst aantebevelen. Ik weet wel dat het gewaagd is, by den Lucul-
lischen rykdom aan denkbeelden, waarvan onze schildery-tentoonstellingen ge-
tuigenis geven, op de behandeling van een nieuw onderwerp aantedringen, maar
\'t kón eens zyn, dat de weelderige inspiratie van richting veranderde. Nu voor
alsdan geef ik den heeren kennis, dat Femken een Amelander kap draagt.
Quaeiitur: hoe komen de vrouwen van dat eiland, aan een hoofdtooisel dat
meer met het Noordlwllandsche uit de buurt van Alkmaar, dan met het Friescke
overeenstemt ?
-ocr page 132-
112                                            MULTATU L I.
—  Zie, die regels zyn even lang, zei \'t meisje.
—   Ach ja. . . maar ze rymen niet.
En Wouter las:
Al lei reinste moeder.
Allerzuiverste moeder.
Ongeschonden moeder,
Onbevlekte moeder,
Machtige maagd,
Goedertierene maagd,
Getrouwe maagd,
Geestelyk vat,
Eerwaardig vat,
Schoon vat van devotie,
Geestelyke roos,
Toren van David,
Ivoren toren,
Deur des hemels. ..
—   Maar Femke, hoe kan ik dat gebruiken voor myn vers?
Ik begryp er niets van.
Nu moet ik erkennen dat FEMKE-zelf er ook niet veel van be-
greep. Sedert vier, vyf, jaren las ze dagelyks in dat boekjen, en
was altyd tevreden geweest met de maat van haar begrip: Maar
nu ze door Wouter\'s onnoozelheid in mord gesteld werd, reden
te geven van haar geloof, bemerkte zy voor \'t eerst dat zy even
onwetend was als hy. Zy voelde schaamte hierover, en sloeg \'t
boekje dicht.
—  Maar ken je dan \'t geloof niet ? vraagde zy, alsof hun beider
domheid het gevolg kon zyn van die byzondere omstandigheid.
—  Zóó niet, zei Wouter. Ik heb \'t anders geleerd.
—  Maar je gelooft toch aan Jezus?
—  O ja, dat is de zoon van God. Maar ik wist niets van die
vaten en torens. Hoort dat by \'t geloof?
—  Wel zeker! En je kent de Heilige Maagd toch ? Dat is Maria.
—  Zoo? Maria? Ja, dan weet ik het.
—  En \'t vagevuur ?
—  Daar weet ik niet van.
—  En de biecht?
—  Gut né...
—  Maar hoe maak jelui \'t dan ?
—  Hoe nieenje dat, Femke?
—  Wel...om zalig te worden.
—  Ja, dat weet ik niet, antwoordde Wouter. Meenje, om in
den hemel te komen ?
-ocr page 133-
WOUTERTJE PIETERSE                                    II3
—  Wel zeker. Daarom is \'t te doen, en dat kan niet zonder
de Heilige maagd, en zonder zoon boekje. Wilje dat ik je\'t geloof
leer, Wouter ? Dan komen we samen in den hemel.
Nu, dit wilde Wouter wel. En Femke begon:
—   God schiep de wereld...
—   Wat deed hy vóór dien tyd, Femke?
—   Dat weet ik niet. Maar de menschen zyn slecht geworden
door een slang, en toen heeft de Paus de slang vervloekt, want
de Paus woont te Rome, weetje. En toen is Jezus gekruizigd. om
de menschen weer goed te maken. .. dat is lang geleden. ..
—   Ja, dat weet ik wel, zei Wouter. Jezus heeft het jaar ver-
anderd. Hy begon met nul by z\'n geboorte.
Dit wist Femke weer niet. Zoo vulde de een de wysheid aan
van den ander, en Wouter was groots dat-i toch ook iets wist van
\'t geloof, al was het dan volgens Femke \'t ware niet.
—  Nu, Jezus heeft de menschen weer goed gemaakt, en als je
nu goed bidt uit zoo\'n boekje, dan word je zalig. Eegryp je \'t nu,
Wouter?
—  Nog niet geheel. Wat is eigenlyk een ivoren toren ?
—   Wel, dat is zoo\'n benaming van de Heilige Maagd, \'t Is by-
voorbeeld alsof je. . .pater tegen de pastoor zegt. Daar heb je nu.. .
Femke zocht een voorbeeld.
. . .daar heb je nu je moeder, hoe noem je die?
—  Wel... ik zeg: moeder.
— Juist. Maar hoe noemt haar een ander?
—   Dan zeggen ze jufvrouw Pieterse.
—   Precies. Nu. als men de Heilige Maagd aanspreekt, zegt men:
ivoren toren, juist zoo-als men je moeder jufvrouw Pieterse noemt.
Als men roept: jufvrouw Pieterse.\' dan is het, dat ze luisteren
zal, en zoo wil ivoren poort zeggen, dat men onder de Heilige
Maagd moet doorgaan, om in den hemel te komen. Want daarom
is \'t te doen.
—  Maar Femke, wat is dat toch eigenlyk.. .een maagd?
Femke kleurde.
—   Dat is iemand die nooit een kindje gehad heeft...
—  Ik? vroeg Wouter verbaasd.
—  Wel neen, malle jongen., .\'t moet een meisje wezen.
—  Ben jy een maagd ?
—  Wel zeker.. .
Femke sprak de zuivere waarheid.
—  Wel zeker., .omdat ik niet getrouwd ben.
—   Maar Maria was toch getrouwd... en Jezus was haar kindje.
8
-ocr page 134-
114                                                  MULTATULI
— Dit is juist het heilige van de zaak, antwoordde Femke.
En daarom heet ze ivoren poort. Begrypje \'t nu, Wouter ?
Wouter begreep het niet. Maar hy vraagde verlof het boekje
meê te nemen om er in te studeeren. Dit kon niet, want Femke
moest het dagelyks gebruiken, zeide zy, en Wouter berustte
hierin met te-meer spoed, omdat-i voor geen schatten oorzaak
zou willen zyn, dat er iets bedorven werd aan Femke\'s zaligheid.
Maar Femke noodigde hem uit, dikwyls weêrtekomen, Ze wilde
hem altyd gaarne vertellen wat zy van de zaak wist, en als er
iets haperde, zou ze \'t aan pastoor Jansen vragen. Dan kon
Wouter heel gauw zoo knap worden als de beste.
Wouter vertrok, na Femke hartelyk gegroet te hebben. De
ontmoeting met dat meisje, dat geheimzinnige boekje, \'t zaligworden,
zyn gevecht met de bleekverstoorders, alles warde zich dooréén met
de gedachte aan \'t vers dat-i maken moest. En — zonderling! —
ook scheen er verband tusschen dit alles, en zyne droomen van
macht en heerlykheid. Dit had hem dan ook weerhouden van veel
vragen en tegenwerpingen, die z\'n gezond verstand hem zou hebben
in den mond gelegd, by \'t kort begrip van Femke\'s theologie. Hy
zou begrepen hebben dat haar weten ver beneden \'t zyne stond,
maar in zyn onbestuurd gevoel veranderde alles van zin. Thuisko-
mende bladerde hy in Stoffel\'s boeken, of daarin ook soms iets
te vinden ware van heilige vaten, ivoren torens, of allerzuiverste
maagden. Maar, helaas, hy vond niets dan dorre schoolboekjes die
over allerlei dingen handelden, maar niet over de zaligheid. Wouter
voelde neiging tot zweven, en z\'n heele omgeving dwong hem tot
kruipen.
Hy had aan Femke gevraagd, wat God deed voor hy de wereld
schiep. Deze vraag namelyk had hem sedert lang beziggehouden.
Hy kon zich \'t niet-zyn niet voorstellen, en het verdroot hem, niet
te kunnen doordringen tot de eerste oorzaak der dingen. Telkens
als zyn ongeoefend denkvermogen stuitte op \'n onmogelykheid, of
afdwaalde op bypaden, bracht hy zich met inspanning terug tot
zyn punt van uitgang, om op-nieuw te beproeven of hy een door-
tocht vinden kon naar \'t ééne onbekende: de oorzaak van het zyn.
Meester Pennewip heeft \'n vader en eene moeder gehad, zuchtte
hy. . .goed! En de oude heer Pennewip, die spekslager was. . .zou
dat ook de reden zyn dat Slachterskeesje ... neen, ik wil niet
afdwalen. Die oude heer Pennewip moet ook \'n vader gehad
hebben... en die weer... en die ook... en die weer. .. ja altyd . . maar
wie is de eerste Pennewip geweest ? En wie zou de varkens geslacht
hebben, vóór er spekslagers waren ? En wat deden de spekslagers,
toen er nog geen varken was ?
En waar is \'t eerste konyntje van-daan gekomen ? En de eerste
-ocr page 135-
115
WOUTERTJE PIETERS E.
appel f Of \'t eerste pitje ? En wat zou er eerst geweest zyn, een
appel of \'n pit ?
En God? Toen hy aan \'t scheppen giny, moet hy toch een
wil gehad hebben. Wat deed hy met dien wil, toen er niets was?
Ik begryp er niets van, en zou \'t toch zoo graag willen weten.
Ja, Wouter wilde zoo graag weten, wat sedert menschen bestaan
gezocht is door alle wysgeeren. \'t Was hem niet kwalyk te nemen,
dat-i bleef vasthouden aan die kinderlyke neiging om zich een
begin te denken. En als veel anderen — ouder, maar niet veel
wyzer dan hy — wanhoopte hy niet. Eenmaal zou hy \'t weten,
dacht-i. ..
Aan hen die Wouter kinderachtig vinden, moet ik zeggen dat
ik hem niet veel dommer vind dan Plato, Kant en dezulken.
En voor deze heeren kan geen jeugd worden aangevoerd als
verlichtende omstandigheid, terwyl zy zich bovendien voor hun
onkunde lieten betalen als-of \'t wysheid geweest ware.
Eenmaal zou hy dat alles weten, dacht Wouter. Als-i maar
zoo gerust ware geweest over den afloop van \'t vers, dat nog
altyd niet op stapel stond. Als dat maar eerst klaar was, meende
hy, dan zou hy de eerste oorzaak der dingen ook wel te weten
komen. Intusschen droomde hy van Femke, van haar blauwe oogen,\'
van haar vriendelykheid. en van die zachte lippen. En van de
stem, waarmee ze gezegd had: je bent een lieve, lieve jongen. ..
— Zou zy \'t wezen.. .Omikron? dacht hy.
-ocr page 136-
Een zonderling hoofdstuk, dat echter in nauw verband staat met Wouter\'s
geschiedenis. Mythe en Historie. IVaarheid en leugen. Beminnen, Toeten, stryden,
de hoofdneigingen van individu en mensheid.
Zoo droomde \'t kind. En by den knaap, als in de ontwikkelings-
periode der mensheid, werkten de krachten van de driedubbele
veer die ons voortdryft, in éene richting.
Beminnen, weten, stryden — alles saêmtevatten in: beweging —
ziedaar de zielkundige analyse van \'t doel dat de jeugd aantrekt,
en die tevens eenige opheldering geeft van de Wereldgeschiedenis,
vooral uit de tyden die we gewoon zyn duister te noemen, doch
die in zekeren zin helderder voor ons oog staan, dan de zooge-
naamd-strikfhistorische.
Eenmaal aannemende dat niets geheel waar is zal men moeten
erkennen, dat zeer dikwyls het naderen tot waarheid lichter valt
by \'t ontleden eener mythe, dan wanneer men ze zoekt in de op-
zettelyke leugens der geschiedschryvers.
Maar, ook zonder opzet, de invloeden die leiden tot vervalsching
der Geschiedenis, zyn velen. En de kans op verspreiding van ge-
loof aan die onwaarheden is grooter. wanneer ze ons met deur-
waardersdeftigheid worden opgedischt als \'n »relaas van weder-
varen" dan als ze, zonder aanspraak op letterlyke juistheid, het
licht kenbare kleed dragen van kinderlyke of dichterlyke behande-
ling. Niemand zal, na \'t lezen van Phaedrus of Lafontaine, ge-
looven dat vossen en raven spreken kunnen, maar wel verkeeren nog
altyd velen in den waan, dat Willem de Zwyger zoo\'n byzondere
vader was van een vaderland dat nooit z\'n vaderland geweest is.
Zóó opgevat, is er meer waarheid in Gexesis dan in de Historie,
en wat men leugen zou noemen in beide, is verschoonlyk in de
-ocr page 137-
WOUTERTJE PIETERS E.                                    117
eerste, omdat de dichter niet kon voorzien dat men eenmaal z\'n
visioenen zou gebruiken als punt van uitgang, om \'t menschdom te
overvallen met roovers-geweld, en in kluisters te slaan, \'t Is \\vaar-
lyk de schuld niet van den verteller, als de hoorder van z\'n ver-
sierd verhaal, byzaak aanziet als hoofdzaak, of, erger nog, wanneer
deze als \'n gebeurd feit aanneemt, wat slechts werd gegeven als
spel der verbeelding.
Maar meestal is dit laatste zoo niet. De dichter — in waren zin,
natuurlyk: van verzemakers spreek ik niet — de dichter verzamelt
en rangschikt bouwstoffen, en hy is slechts maker — .rm-ijiy, —
als de bouwheer die materialen zoekt, uitkiest, byeenbrengt, en op
zekere wyze verbindt. Dichter en bouwmeester geven den vorm aan
wat er werd verzameld in hun werkplaats, maar de inhoud — zin
of ruimte — van beider werk, was niet hun eigendom. Het maakte,
lang vóór hen, een deel uit van \'t oneindige zyn.
Ja, ja, er is altyd waarheid in poëzie en waar wy ze niet ont-
dekken, ligt de schuld aan ons. Het is een droogstoppels uitvin-
ding poëzie te wantrouwen, en om zich te hoeden tegen bedrog,
moet men juist zeer voorzichtig zyn met geloofslaan aan proza.
De staatsdienaar, de wysgeer, de filantroop, de statisticus, die vreugd
noch smart laat doorschynen in betoog of cyfer-opgave.. . geloof
my, zy hebben zoo weinig aanspraak op vertrouwen, als de meest
oppervlakkige beschouwer. Gevoel^ verbeelding en moed zyn onmis-
bare dryfveeren ter aansporing van den man die weten wil. En
daarom is wysbegeerte één met poëzie.
De waarheid, met al haar eenvoud, is hartelyk, kleurig en beeld-
ryk. De leugen rechtlynig, afgepast en dor.
Ik ben gewoon misverstaan te worden, en zelfs zyn er die meenen
dat ik my toeleg op veroorzaken van misverstand. Dit is zoo
niet. Integendeel, het doet my leed de gaaf niet te bezitten my
begrypelyk te maken voor ieder die my nu leest, maar wel troost
ik my met de gedachte dat myn denkbeelden duidelyker voor den
geest zullen staan, van wie my later lezen zullen. Er zyn voor-
werpen, die men niet duidelyk ziet van naby.
Om aantetoonen dat ik gaarne wil begrepen worden, zal ik even
stilstaan by de betrekkelyke kans op waarheid in poëzie, en \'t
gevaar van leugen in proza.
Psyche nadert den slapenden Amor. Met behoedzamen tred
schrydt ze langzaam voort. Er is schroom in haar gang, vrees
voor struikelen, angst voor \'t bereiken van haar doel. Maar al die
terughouding is in stryd met haar blik die de ruimte doorboort, en
vlammende tegenspraak uitstraalt tegen de traagheid van hare
voeten. Niet voor haar tred schiet de hoog-gehouden lamp haar
licht, maar op den Amor. Zyzelf treedt in \'t duister. Alleen op \'t
voorwerp van hare begeerte, kaatsen de stralen terug, die eigenlyk
-ocr page 138-
Il8                                                   MULTATULI.
dienen moesten om den weg helder te maken, welken zy heeft
afteleggen om dat voorwerp te bereiken. Daaraan denkt Psyche
niet. Ligt er op dien weg een hindernis. .. zy zal struikelen. Een
afgrond... zy stort er in. Als de onbekwame maarhartstochtelyke
zeeman stuurt ze recht-toe op de haven, onverschillig of er klippen
of rotsen liggen tusschen die haven en zyn kiel. .
Ze nadert, nadert! En naby den sluimerenden knaap gekomen,
wekt ze hem. Door welluidend roepen ? Door liefkoozing ? Door
\'n zucht? Neen. Dat had ze gewild, maar er was een wyde kloof
tusschen haar willen en haar durven. Zy meende dat ze den knaap
wekken zou... o zeker! Zoo dacht zy, vóór de afstand tusschen
zyn liefelyk beeld en haar brandende begeerte was afgelegd. Maar
nu? Nu? Naby? Zy schrikt voor het genot van \'t bereiken. Ze
had kracht om te naderen, maar geen sterkte om te blyven. Uitge-
put door \'tbegeeren, ontzinkt haar de moed die noodig schynt tot
het bezit, en geschokt door den tweestryd der keuze tusschen vlucht
en genieten, siddert de vermoeide hand die de lamp houdt.. .
Amor ontwaakt door de pyn van de brandwonde. . .
Leugens, zegt Droogstoppel.
Waarheid, waarheid! antwoord ik. Ja waarlyk, zóó is het! Zoo
inderdaad ontwaakt de liefde, wakker-gebrand door de pyn die \'t
gevolg is van de onhandig bestuurde eerste begeerten der stout-
moedige ziel.
Waar blyft uw leugen-proza by die waarheid, o nuchtere koopman,
die: elf, tien noemt, of: tien, zeven, of: veel, weinig, of: weinig,
alles,
naarmate \'t u dient in uw geschacher op beurs of in winkel ?
Waar blyft daarby uw proza, o statisticus die algemeene wei-
vaart boodschapt, terwyl \'t grootste deel uwer medemenschen weg-
sterft in ontberingen en kommer ?
Waar blyft, by die waarheid der mythe, uwe waarheid, o ge-
schiedschryver, die met drogen ernst ons wat vertelt van prins die,
van koning zóó, als-of er geen Volk stond onder, naast, boven
zoo\'n potentaatje ?
Waar blyft uw waarheid, o staatsdienaar, die in dorre deftig-
heid u aanstelt als-of ge inderdaad geloofdet het *persoonlyk mid-
de/punt"
te zyn van de menschheid ?
Waar blyft uzv waarheid, godverkondigers, die winkeltje speelt
met vertellingen waaraan gyzelf niet gelooft?
Waar blyft uw waarheid, pretlkers, babbelaars, redevoeringhouërs,
spreek- praat- redeneer- vertoog- pleit- ver handel kranen
a raison
van zooveel woorden in \'tuur, van zooveel centen \'tivoord... gy
spilt ter s van gevoel, debiianten van wysheid, in volzinnen groot en
klein, by den emmer en by het maatje...
waar blyft uw aller \\vaar-
heid, by den diepen zin die \'r ligt in de dichtverhalen der jonge
mensheid ?
-ocr page 139-
WOUTERTJE PIETERS E.                                   II9
Ik begryp Genesis niet. Maar zie, eer zou ik geneigd wezen
iets aantenemen van de zonderlinge paradys-historie, dan geloof
te slaan aan de groote voordeden die men behalen zal door geld
te geven in die * batik" in die ^maatschappy ter ontginning\'in die
»levensverzekering" en dergelyke. Er is waarheid in den roman
van Job, van Tobias, van de Makkabéen — een schoon helden-
dicht! — maar er is geen waarheid in de redevoeringen van onze
Tweede Kamer. Zoowel daar als in Genesis, worden de feiten
verkracht. Maar \'t verschil ligt in de bedoeling. De oude dich-
ters brengen tegen hun wil den lezer in dommeling en tot wan-
begrip. De hedendaagsche prozaïsten liegen met voordacht, en
betalen niet eenmaal het bereiken van hun doel, met de smartelyke
inspanning die noodig is tot groote conceptie. Een prozaleugen
kost niet veel, ja niets meestal, want men produceert hem gewoon-
lyk door \'n onthoudend zwygen over de zaak die genoemd had
moeten worden. Elk Kamerlid, dat, by de behandeling onzer ver-
warde indische zaken, zwygt van de Havelaars-geschiedenis, is een
leugenaar. Elk Kamerlid dat geen woord spreekt over den ellen-
digen toestand des Volks, is een leugenaar. Elk Kamerlid dat,
niet geloovende aan christendom, christelykheid, opstanding, eeuwig-
heid, godsloon, genade, straf, enz., toch zonder protest de begroo-
tingen laat goedkeuren, waarop millioenen voor die dingen zyn
uitgetrokken, is een leugenaar. Elke Koning eindelyk die in troon-
redenen spreekt van z\'n «geliefd volk" en dat Volk maar heel een-
voudig laat bederven en verarmen, is een leugenaar.
Maar ook in zulke dingen ziet men de omtrekken juister op \'n
afstand, en om dit besef optewekken, wil ik een paar hoofdstukken
vullen met leugens die men nu wel als zoodanig erkennen zal,
maar die voor tachtig en minder jaren, werden aangenomen als de
officiëele waarheid. Wanneer ik geleefd en geschreven had in dien
tyd, zou ik getracht hebben ze te ontmaskeren, als nu. Maar even
als thans, zou ik overschreeuwd zyn geworden door \'t groot getal
dergenen, die — ik moet dit wel gelooven! — belang hebben by
\'t verdedigen van onwaarheid.
Na alzoo eerst gewezen te hebben op de dorre officiëele leugen
der Historie, zal ik, als tegenstelling, terugkomen op de kinderlyke
oprechtheid die \'r doorstraalt in de legenden uit de jeugd van ons
geslacht, en daarna aantoonen, hoe de knaap Wouter, even als
\'t kind: Memc/ufom, werd voortgedreven door\'n driedubbele kracht,
door behoefte aan liefde, aan wetenschap en aan stryd. d)
a) Hierop volgen in de Ideen drie hoofdstukken met historische, officiëele,
professorale en professioneele leugens, die in deze verzameling niet opgenomen
zyn. (verz.)
-ocr page 140-
Waarheid in legende.
»Kinderen zeggen de waarheid." Deze uitspraak is van volle
toepassing op het menschelyk geslacht, welks algemeene geschiedenis
het best kan worden voorgesteld als één groot Faustdrama. De eerste
mensch — dat is: het menschdom in z\'n eerste aandoening van
zelfbewustzyn — wilde weten. Faust, zich opdringende dat hy man
was na \'t doorloopen der kinderschool van allerlei logi\'én^ wilde
weten. En ook de kleine Wouter, onbewust ontwakend uit den
slaap zyner eerste jaren, wilde weten. Wat Adam meende te pluk-
ken van een boom, wat Faust dacht te vernemen van Mf.phisto,
onze kleine jongen zou "t vragen aan Femke, aan pater Jansen. . .
om \'t even. Er was dorst naar kennis. Die dorst moest gelescht
worden, onverschillig aan welke bron.
Maar er is meer dat aandryft tot beweging. Onze zeden hebben
een gemaakten afschuw uitgevonden tegen geslachtsdrift, en zy ver-
oorlooven eerder een opgedrongen leugen, dan \'n wysgeerige waar-
heid, die niet sfatsoenlyk" wezen zou. Wie echter z\'n »fatsoen\'\'
zoekt in de waarheid, erkent dat hysterische aandoening ten-allen-
tyde een hoofdrol speelde in de Geschiedenis van menschdom en
menschen. Men lette op den ///«////j-dienst, op \'t aanbidden van t
scheppend beginsel, op de liefde maaltyden der eerste Christenen,
op \'t smachtend vereeren van den lieven Jezus door de nonnen,
van de — altyd schoont en altyd jeugdige — Maagd Maria door
de monniken. Overal ziet men dat de zucht tot liefhebben, tot
aanhechten, tot éénzyn, een hoofdrol speelt, ook waar de vertooners-
zelf de onbewuste werktuigen zyn van die neiging. Als de
man de vrouw niet had liefgehad, zou \'t paradys-gebod niet over-
treden zyn. De hoogdravende wenschen van Faust, kwamen neer
op \'n nog-al platte liefdesgeschiedenis. Wouter verwarde zyn
hemelsche Fancy met de ordinaire Ffmke.
-ocr page 141-
WOUTERTJE PIETERS E.                                   121
De zucht tot weten en kennen van den knaap, van den aller-
lei-dingen-doctor die met al z\'n geleerdheid een kind was, en ein-
delyk van dat allerdomste kind dat in Azië voor duizende eeuwen
tot bewustzyn raakte van zichzelf, vloeiden in-een met die andere
hoofdvoorwaarde van ons bestaan: met liefde.
Kennen, beminnen... nog ontbrak er iets! Indien er voldaan
ware aan de zucht naar wetenschap, zou er verzadiging ontstaan
zyn, en de knaap, de geleerde, de menschheid. ware tot stilstand
geraakt.
Dit mocht niet. üf juister — want het zou schynen, als-of er
iets bepaald was: opdat wy bestaan zouden. Er is geen: opdat, alles
is: omdat — juister is het te zeggen: dat wy er niet wezen zouden
als we niet door de eigenschappen van ons zyn, werden gedwongen
tot voortbestaan. Wanneer de individu — en dit geldt omtrent
ons gansch geslacht — verzadigd wezen kon van kennis, ware die
verzadiging een doodvonnis. Zoo ook met liefde, met begeerte tot
toenadering, onverschillig of ze zich openbaart in een zucht, in \'t
schenken eener bloem, in "t beklimmen van een venster, in \'t op-
sporen van een noorder doortocht naar Indië, in \'t bespieden der
grondstof van een centraal-zon, of in \'t verplaatsen onzer verbeel-
ding naar zoogenaamd hooger sfeer van boven-natuurkunde.. .
overal is juist die brandende begeerte tot éénzyn met het onbe-
kende, de oorzaak onzer beweging, dat is: van ons bestaan. Het
spreekt dus vanzelf dat dit bestaan vernietigd werd. wanneer het
bereiken van \'t doel mogelyk ware. En deze onmogelykheid stelt
alzoo de derde soort van kracht daar, die ons instand houdt: op-
stand tegen het verbod, behoefte aan stryd.
Dit wist Mephisto. Dit voelde de dichter van Genesis. En dit
weet ik, die getracht heb de bitterheid te schetsen van Wouter\'s
gemoed, hy, die geen bybels mocht verkoopen op tfoinaebri/x< hy
die z\'n beentjes niet mocht uitstrekken als er een sbakers oudje"
aan \'t voeten-eind lag, en niet eens permissie kon krygen om een
behoorlyke roovery optezetten in Italië.
Stryd! Waarom gaf tder Geist der stets ver tuin té"\' den doctor
die weten wilde, een arm meisje te verleiden — verleiden is \'t
woord hier. In de wereld komt het zelden voor — waarom een
meisje te bederven, in-plaats van \'n volmaakte cirkelkwadratuur?
In-plaats van de oorzaken der wetten van de snelheid der vallende
lichamen? In-plaats van antwoord op de vraag: Wat er zyn zou,
als iets anders was dan \'t is ? In-plaats van verklaring der mag-
neetkracht? In-plaats van een lofrede op de milt, welker hooge
verdienste tot nog toe onbekend is?
Waarom gaf Mephisto, in-plaats van dit alles, een meisje te
veroveren. Iets nietigs in-plaats van \'t moeielyke, dat FaüST vroe-
ger toch scheen gezocht te hebben ?
-ocr page 142-
122                                                  MULTATULI.
Het antwoord op deze vraag ligt voor de hand. Ik geloof niet
dat de dramaturg Göthe verdienste heeft in \'t behandelen van
dit onderwerp. Na den gezwollen proloog, had Faust heel andere
dingen moeten begeeren, dan \'t bezit van de onnoozele Gretchen.
Doch waar de schryver Göthe een fout maakt, speelt de mensch
Göthe onwillekeurig \'t enfant terrible van de waarheid. Mephisto
scheen beter te weten dan FAUsrzelf, niet wat deze begeerde, maar
wat-i noodig had. Gretchen ? Volstrekt niet. Stryd om Gretchen,
en daardoor stryd met opgewekte zinnelykheid, stryd met zichzelf
ten eeuwigen dage. O, de prikkel tot weten zou spoedig verstompt
zyn, na al te gemakkelyke voldoening door duivelskunst! Een cyfer
hooger, een cyfer lager in de schatting van afstand of uitgebreid-
heid. . . wat meer betrekkelyke juistheid in de ontleding eener zoo-
genaamde grondstof. . drie, vier, vóór-oorzaken meer by *t terug-
denken aan de nooit gevonden eerste oorzaak van het zyn. . . och,
dit alles had den doctor niet bevredigd, niet bezig-gehouden, niet
in beweging altans, en alzoo was de stryd dien de duivel tot \'n
zonderling loon gaf voor de levering eener ziel. inderdaad de hoofd-
voorwaarde, zonder welke die ziel niet bestaan kon. Faust begon
met dorst naar kennis, hy werd afgeleid door behoefte aan beminnen,
en als noodzakelyk aanvulsel werd, zyns ondanks, z\'n gemoed
neergeworpen in de bloedige arena van een triviaal leven, dat was
de stryd.
Of Göthe \'t aldus heeft bedoeld ? Hieraan twyfel ik. Maar
GöTHE-zelf is geen rechter over Göthe\'s werken. Hy, als de dich-
ters en zieners van vorigen tyd, zullen wel eens meer de waarheid
hebben gezegd, zonder dat ze \'t wilden of wisten. Het staren op
de werkelykheid prent verleidelyke voorbeelden in \'t gemoed, en
by \'t bestudeeren van schryvers, valt er dikwyls meer te leeren uit
onwillekeurige fouten, dan uit afgerichte volkomenheid. Hoe onbe-
rispelyker de werkstukken zyn van Phidias, hoe minder z\'n Apollo\'s
en Venussen gelyken op Grieken en Griekinnen. De eisch der
waarheid is: /v/volmaaktheid, en als zoodanig is Göthe\'s Faust
een schoon monument van de geschiedenis der Mensheid.
En nu weder Adam. Even als Wouter moet-i gevraagd heb-
ben : waar toch alles vandaan was gekomen ? Wy lachen om de
stereotype tooneelfraze van eene heldin, die uit \'n bezwyming ont-
waakt: oii snis-fe? Welnu — weer een bewys hoe er waarheid
ligt in de fouten der schryvers — juist die afgezaagde uitroep is
de natuurlyke vraag van ieder die tot zefbewustzyn komt. Adam
moet geroepen hebben: oh suis-je ? Jazelf: r/V/, oh suis-je, oTou viens-jc \'t
Zeker, de eiel hoort er by. Die is hoog, dus verheven. Van daar
komt het licht, dus ook de kennis. Daar zweven bollen — groot
of klein dan, in de schatting van \'t verre voorgeslacht — die bollen
zyn niet onderworpen aan de aantrekkingskracht der aarde — althans
-ocr page 143-
WOUTERTJE PIETERS E.                                  123
ze vallen niet — ddar, in de buurt dier onafhankelyke bollen of
stippen moet macht, wysheid en gezag wonen. Ja, ciel past by de
bede om kennis. Is niet een der eerste vragen van \'n kind: waarom
de zon niet valt?
Adam wilde weten. Dit blykt uit den naam van den verboden
boom. De dichter achtte het onnoodig, melding te maken van
Adam\'s begeerte. Er is waarheid in dat verzuim. Het toont aan,
niet alleen dat het zoo was, maar tevens dat het vanzelf sprak.
Verbeeld u een kinderverhaal, waarin de schryver meedeelt hoe de
moeder het snoepen der suiker verbiedt. Voelt ge niet dat het wyzen
op den lust der kinderen, op hun begeerte naar suiker, overbodig
wezen zou ? \'t Zou schynen als of die kinderen een byzonderen
smaak hadden. Hun snoeplust wordt verondersteld bekend te wezen.
\'t Spreekt immers vanzelf, dat Adam begeerig was naar kennis.
Als legendaire figuur gelykt hy evenzeer op de Mensheid in hare
eerste ontwikkeling, als op \'t knaapje dat onverzadelyk is in begeerte
om te weten. «Waarom vloog die drop van den tak naar den
grond ? Waarom verdween hy daar ? Waarom bewegen de bladen .. .
wie of wat raakt ze aan ? Waarom vallen zy ? Hoe zullen er nieuwe
komen ? Wat is er met my geschied, toen ik onlangs de oogen
sloot? Och, er was niets te zien, alles was zwart geworden... toen
heb ik even — een gansche nacht, dit weten wy nu — niet gedacht,
niet gevoeld, niet waargenomen, en toen ik de oogen weer opende
was alles gekleurd en helder als vroeger. Slaap... wat is dat ? Honger,
dorst, vermoeienis, voldoening, vreugd, zorg, begeerte, smart, genot...
wat is dat alles ? Ik wil weten.
Hoe, ik, de schoonste onder al deze dieren, ik die heerschappy
voer over de »visschen in de zee, over de vogelen onder den hemel,
en over al \'t gedierte dat op de aarde kruipt," ik, wien gegeven
is »al het zaadhebbend kruid op de aarde, en allerlei vruchtbare
boomen tot een spys" ik zou niet mogen weten ?
Wanneer Adam aldus gesproken had — hy kon niet, by gebrek
aan woorden, maar de indruk was er — zoude hy z\'n broeders
Faust, Wouter en ons allen, maar wat vooruitgeloopen hebben.
En aan hem, als aan allen, werd, in de jeugd van ons verstand,
ten antwoord gegeven: «gy wilt weten ? Ziedaar Eva, ziedaar
Gretchex, ziedaar Faxcy, Femke, of iets dergelyks... ziedaar de
Liefde."
Is \'t niet zoo? En is er duidelyker aantooning mogelyk, van
\'t verband tusschen tucht naar kennis en hy steriel Ik spreek nu
niet van de ziekelyke afdwalingen dezer driften, ik spreek van
gezonde aandrift om te weten en te beminnen, en men zal inzien
dat de lieve Natuur, die wèl handelen moet, op staffe van vernie-
tiging ook hierin goed heeft gehandeld, door al hare krachten
aantewenden in ééne richting. Zonder de oorzaken natesporen,
-ocr page 144-
124                                                 MULTATULI.
was \'t reeds voorlang by moralisten en psychologen een erkende
zaak. dat nieuwsgierigheid een hoofdbestanddeel was van de liefde.
Maar zy dachten daarby aan zinnelyke liefde alleen, en de beide
termen van overeenkomst evenredig verheffende tot hoogeren zin,
beu-eer ik dat edele weetlust een voortbrengsel is van denzelfden
bodem waarop edele liefde groeit. Doordringen, ontdekken, bezitten,
besturen en veredelen, ziedaar de taak en de begeerte van minnaar
en natuuronderzoeker. Alzoo is iedere Ross of Franklin een
Werther van de Poolstreek, en elk die liefheeft, een Mungo Park
van het gemoed.
Wel weet ik, dat overal vele Pizarro\'s worden gevonden tegen
één las Casas. Maar deze treurige opmerking treft de wyze van
uitvoering, niet den indruk. Zy veroordeelt personen, niet de aan-
drifc der Natuur. Tegenover Lovelace en Faublas, staat Sr.
Preux. Tegenover astrologie, de sterrekunde. Tegenover Mesmer
en Cagliostrü, Alexander vox Hitmboldt.
^Ziedaar Eva!" was \'t eerste antwoord dat de feiten gaven op
de bede om kennis. >Ge wilt weten... bemin!" sprak de Nood-
zakelykheid tot Adam.
En terstond daarop volgde, by hem als elders, voorgewende zonde
als onmisbaar gevolg van een weldadig verbod, om hem wegte-
dryven uit \'n Paradys waar vrede en rust woonden, naar de wilde
streken die hem en z\'n geslacht de gelegenheid bieden zouden tot
den stryd die \'t voortbestaan der Mensheid verzekeren zou.
Weldadig was dat verbod. Gewis. Want de stoutmoedigste dich-
ter kan niet verzinnen wat er zou te-recht gekomen zyn van Faust,
van Adam, en alzoo van \'t menschdom, als niet de Noodzakelyk-
heid — de god die paradyzen sluit, omdat het voortbestaan in
paradyzen onmogelyk is — ons allen had.de voortgezweept naar
\'t strydperk dat leren heet. Nog heden-ten-dage bestaat het ver-
bod: gy zult niet eten van den boom der kennisse! Ons leven is
juist altyd door: naderen tot dien boom, poging om daarvan
de vrucht te plukken, stryd met de hindernissen die ons in den
weg staan, en die voortdurend aangroeien naarmate wy in \'t weg-
ruimen slagen. Die stryd is ons leven. De opheffing van \'t wel-
dadig paradysverbod ware ons aller doodvonnis, en alzoo heeft de
oude dichter van Genesis wel gezien, toen hy terugdenkend, uit het
bestaan der Mensheid besloot dat eens-voor-al het onbegrensd
doordringen naar kennis moest verboden zyn, juist opdat er altyd
iets te bereiken zou overblyven. Weer moet ik hier de opmerking
maken dat volstrekte kennis niet verboden is: opdat wy zouden
bestaan, maar: dat wy bestaan omdat volstrekte kennis onmogelyk
is. Het leven is \'n raadsel^ zegt men. Juist. Maar als het raadsel
opgelost ware, zou \'t geen raadsel, en alzoo het leven geen leven
zyn. Het zou tiiet zyn.
-ocr page 145-
WOUTERTJE PIETERS E.                                  125
Als in de ^««w-legende, en in het drama van Faust. moest
ook de weetgierigheid van Wouter, samensmeltend met de aan-
trekkingskracht die \'n onbeduidend meisje op hem uitoefende, het
middel wezen om hem toeterusten tot den stryd dien hy zou te
voeren hebben. En dat was de zin myner meening. toen ik, eenige
bladzyden geleden, van myn onderwerp scheen aftedwalen, door
het wyzen op zooveel waarheid in poëzie, tegenover de brutaal-
domme leugens der Historie.
—  Maar, Wouter, lees je dan thuis geen boeken over \'t geloof?
Dit vraagde Femke aan haar vrindje, toen deze den volgenden
dag weer by haar zat op \'t omgekeerd mandje.
—  Ja, maar ze zyn niet mooi.
—   Ken je niet wat van-buiten.
Wouter zei \'n vers op van een protestanterig gezang, dat geen
genade vond in den smaak van Femke. Maar wel vond ze dat-i
\'t mooi opzei.
—  Lees je niets anders ?
Wouter bedacht zich. Hy doorliep snel de bibliotheek van
Stoffel: Werken van \'t dichtlievcndgenootschap... Ippel, Aard-
rykskunde.. . Verhandeling over de spelling... Reglement of de
brandwacht... Geschiedenis van Jozefs door
Hulshoff... De
brave Hendrik... Vader Jakob onder zyne kindertjes... Prei\'-ken
van domine
Hellendoorn... Kathechismus van idem... Hoorns
liedeboe k. . .
Hy voelde heel goed dat er van dit alles niets te-pas kwam by
Femke. Eindelyk:
—   Ik weet wel iets, maar \'t is niet van \'t geloof. . . het is van
Glorioso . ..
Femke beloofde te zullen luisteren. En Wouter vertelde. Eerst
sprak hy afgebroken, en met al de en toen\'s die niet gemist kunnen
worden by een hollandsch verhaal, maar weldra verplaatste hy zich
in den toestand van z\'n held. en verhaalde beter dan-i gelezen had
in dat voddig boek. By elke schaking, by elk heldenfeit, stond
hy op van z\'n korf. en bootste de daden van z\'n held na, zoodat
Femke er van schrikte. Maar prettig vond ze \'t toch, en toen hy
eindelyk zweeg, was er een vonk van zyn zonderling bestuurde
maar oprechte geestdrift gevallen in haar hart. dat als \'t zyne klopte
van verrukking over al \'t schoone dat zy gehoord had. Beider
wangen gloeiden, en waarlyk als \'r een trekschuit had gereed ge-
-ocr page 146-
I2Ó
MULTATULI.
reed gelegen naar Italië, ik geloof dat Femke oogenblikkelyk
ware meegereisd om deeltenemen aan zooveel gevaar, zooveel
aventuren, en... zooveel minnary. En \'t fraaist was, dat er uit
Wouter\'s vertelling bleek hoe zuiver zoo\'n italiaansche roover in
\'t geloof is.
—   Weet je niet nog iets ?
—   Ja, zei Wouter die op-streek raakte. Ja nog iets... \'t staat
in een klein boekje. . . een almanak, geloof ik.
En hy verhaalde:
—    Femke, er was eens in een groot land een koning die Inca
heette. Al de koningen van dat land heetten Inca. . .
—  Zoo-als hier Oranje. . .
—   Ja, zoo-als hier Oranje. Maar daar in Peru — want het
land heette Peru — waren de koningen uit de zon gekomen, en
als ze stierven, keerden zy terug naar de zon. En zy mochten
niet trouwen met \'n meisje dat niet uit de zon voortkwam. Dat
was zoo de wet in Peru.. .
—  Is \'t waarlyk gebeurd, Wouter?
—    Het staat zoo in \'t boekje, Femke. Nu was er een koning
die drie kinderen had, eene dochter en twee zoons. De zoons
heetten Telasco en Kusco, maar den naam van \'t meisje heb ik
vergeten.
—  Zeg maar Marie.
—  Dat is, geloof ik, geen peruaansche naam. Neen, Louise is
beter, of ..Emma. Of wil je dat ik Femke zeg?
—   Wel neen, zeg maar Emma. Anders weet ik niet of je van
my spreekt, of van die prinses.
—   Goed: Emma. Emma was \'t eenige zonnekind in heel Peru.
En niemand wist wie, na den dood van den koning, Inca worden
zou, want Telasco en Kusco waren gelyk geboren. Gebeurt dat
meer ?
—  Wel zeker, dat zyn tweelingen. Een nicht van ons heeft er
drie te-gelyk gehad... dat kan heel goed.
—  Nu Telasco en Kusco waren tweelingen, en de koning wist
niet wie hem zou opvolgen. Hy hield van beiden evenveel, en ook
het volk van Peru had graag beiden tot Inca gehad. Maar dat
mocht niet, omdat er in de wet stond dat er altyd maar één Inca
wezen zou. Toen riep de> koning alle priesters by elkaer op een
hoogen berg, om nader aan de zon te wezen. ..want de zon zou
beslissen wie koning worden moest.
—  Maar Wouter, dat kan niet waar zyn.
—  Het staat zoo in \'t boekje, Femke. En. .. \'t is lang geleden,
heel lang. Dat land Peru is een land van vroeger tyd, weetje, net
als de ivoren poort.
-ocr page 147-
WOUTERTJE PIETERS E.                                    127
Femke was maar halftevreden. Maar, nieuwsgierig naar \'t ver-
haal, hield ze zich of Wouter\'s oplossing haar voldeed.
—  Op bevel van den koning, maakten de priesters twee groote
brandstapels, en legden daarop veel groote kransen van bloemen.
Maar ze staken het hout niet aan... dit moest de zon zelf doen.
—  Dat kan heel goed... met \'n brandglas.
—   Neen, zonder brandglas, want de Peruanen hadden geen
brandglazen. En bovendien het was juist te-doen om den wil van
de zon te weten. De kransen op den éénen brandstapel waren
gelegd of \'t een letter T was, dat beduidde Telasco. Op den ander
had men een K geschreven.. . ik meen: met bloemen. Die K wilde
zooveel zeggen als Kusco. Nu viel de koning op de knieën, en
alle priesters ook, en zy zongen een gebed aan de zon.. .
—  Dat was heel slecht, Wouter. Men mag voor niemand knielen,
dan voor de Heiligen. En dat bidden mag ook niet....dat is
afgodery.
—  Ja juist, "t staat ook in \'t boekje dat die menschen in Peru
afgodendienaars waren. Maar, Femke, dat moet je nu zóó beschou-
wen, zie.. . \'t is lang geleden... en \'t was een ander volk... een heel
ander volk, moet je denken. Daar heb je nu by-voorbeeld... in
Frankryk... daar noemen ze een vader: pcrc.. .dus je ziet. wel
dat ieder volk zoo z\'n eigen manieren heeft.
Femke knikte, als byna overtuigd.
—  Zy zongen een gebed aan de zon. Telasco, Kusko en Emma
zongen meê, want zy waren nog nieuwsgieriger dan de anderen,
dit begryp je wel, want als Kusco\'s houtstapel \'t eerst brandde,
zou hy Imca worden, en Telasco bleef maar prins. En als Telasco\'s
stapel \'t eerst aanging, werd hy koning, en niet Kusco. Nu, voor
Emma was \'t ook een heele zaak.. . want ze moest trouwen met
den nieuwen Ixca. Ze wou dus graag weten wie \'t wezen zou.. .
—  Maar.... \'t waren haar broers!
—> Wel ja. Dat moest zoo, omdat zy \'t eenige zonnekind was.
Ze woonden in Peru, moet je denken, daar was alles anders dan
by ons...
—  Ja, dat \'s waar. zei Femke die bang was dat te veel ongeloof
haar de vertelling kosten zou. \'t Zal wezen als met Glorioso en
die gravin. Zulke dingen gebeuren hier niet.. dat vind je alleen
in verre landen.
—  Ja. . .of heel lang geleden. Nu dan, na lang bidden stak de
zon geen der beide brandstapels aan...
—  Hé!... zei \'t meisje verwonderd, want na al \'t zonderlinge
dat ze vernam, had ze zich gereed gemaakt nog meer vreemds te
hooren.
-ocr page 148-
128                                                  M ULTATU L I.
—  Neen, de zon stak ze niet aan, maar riep den Intca en \'t
volk van Peru toe, dat Emma kiezen moest tusschen Telasco en
Kusco. Wie ze \'t meest beminde zou koning zyn.
—   Toen was \'t gauw uit, dacht Femke, en dat zei ze.
—  Juist andersom. Emma wilde niet kiezen. De zon had haar
een maand tyd gegeven, om te bedenken. Zy peinsde en overlegde,
en kon niet tot een besluit komen. Of, als ze een oogenblik meende
te weten wien zy voortrok in haar hart, dan wilde zy \'t niet zeggen,
omdat ze den ander te lief had om hem te bedroeven. Want zy
wist dat beiden haar beminden, en dat haar voorkeur van den één,
de dood van den ander wezen zou. Zy vraagde om raad by
Telasco. Deze raadde haar aan, Kusco te kiezen...
—  Hé ? riep Femke weer. En er was een vragende toon in
haar uitroep. Zy meende niet goed verstaan te hebben.
—   \'t Was in Peru...en heel lang geleden. En daarop smeekte
zy Kusco, haar te zeggen wat ze doen moest. Kusco beweerde
dat Telasco haar gelukkig maken zou, en dat zy dien kiezen
moest. Ook vond hy Telasco waardiger om Inca te worden, dan
zichzelf.
Alzoo vond Emma by de broeders geen troost. En by de priesters
ook niet. En ook niet by den koning, die in \'t geheel geen raad
geven wou, omdat het een zaak van de zon was, waarmee hy zich
niet mocht bemoeien. Emma was troosteloos. Ze wist hoe lief Kusco
haar had. \'s Avonds in \'t woud had ze hem beluisterd, toen-i een
lied zong waarin hy zeide dat-i zonder haar niet leven kon. Toen
was zy hem om den hals gevallen, en ze ging naast hem zitten
op den zodenbank, en ze zei: lieve Kusco....en ze legde \'t
hoofd tegen zyn schouder en begon bitter te schreien, omdat ze
hem zoo erg liefhad. Er is een plaatje by, Femke.
—  Kun je \'t boekjen niet eens meebrengen ? vraagde het meisje.
Ze wilde zoo gaarne dat prentje zien.
—  Ach neen, \'t boek is van Stoffel, en hy heeft gezegd dat
ik niets mag wegnemen uit z\'n kastje. Dat is zyn bibliotheek,
weetje, omdat-i schoolmeester is. Nu, zy weende van liefde» En
Kusco ook...kan dat?
—  Wel neen!
—  In \'t boek staat het toch Maar hoor verder. Toen ze daar
zoo zaten, kwam Telasco. Hy beluisterde hen — één oogenblik
maar — en trad op-eens te voorschyn. Daarop viel hy op de
knieën voor Kusco, en zeide: »heil u, Inca van Peru, de dochter
der zon heeft u gekozen." En hy boog z\'n hoofd tot de aarde, en
wilde Krsco\'s voet op z\'n nek plaatsen. Dat beduidde onderwerping,
in Peru. Maar Emma en Kusco stonden haastig op, en beiden te-
gelyk riepen zy dat Telasco zich vergist had. «Zy heeft u lief,
broeder, sprak Kusco, aan u denkt zy, van u droomt zy, u bemint
-ocr page 149-
WOUTERTJE PIETERS E.                                  I2Q
zy o Telasco ! Gy zyt koning in haar hart, en dus Ixca van Peru."
Telasco sidderde. Want hy had Kusco te lief. om te willen dat
het waar was. Twyfelend zag hy Emma aan, en nu werd het eerst
recht moeielyk voor hem, want nu viel ze hèm om den hals, en
kuste hem innig, en trok hem naast zich op de bank van zoden.
Maar terwyl ze aan de eene zyde Telasco omarmde, trok ze met
de andere hand Kusco tot zich, en...toen zat ze in \'t midden,
tusschen de beide broeders. En als ze Telasco kuste, zuchtte zy:
«lieve Kusco!" en als ze Kusco liefkoosde, fluisterde zy Telasco\'s
naam.. . och, Femke, \'t was zoo moeielyk !
—  Ja, zuchtte Femke, \'t was een moeielyk geval.
—   En als Telasco meende dat ze iets hartelyker tegen Kusco
was, zeide hy: «Gy moet kiezen, Emma!" in de hoop dat ze Kusco
gelukkig maken zou. Maar hy durfde niet aandringen op die keus, als
hy meende te gevoelen dat ze hèm kiezen zou. Want hy kon wel z\'n
eigen smart dragen, maar hy schrikte voor de wanhoop van z\'n broeder.
En Kusco riep: «Kies, Emma!" telkens als zy zich. wendde naar
Telasco\'s zyde, maar hy zweeg als Emma\'s hoofd op zyn schouder
lag. Hy vreesde den dood niet — want, Femke, hy wilde sterven
als-i niet leven kon met hdar — maar hy was bekommerd over
Telasco\'s jammer, als deze Emma\'s beeld zou moeten verdryven
uit zyn hart. Kun je dit alles begrypen Femke? Ik weet niet of
ik \'t goed vertel, maar \'t staat zoo in \'t boek. ..
—   Ja, ik begryp het heel goed antwoordde Femke. Ze waren
tweelingen, zieje, daar komt het van.
Nu moet ik als waarheidlievend geschiedschryver betuigen geen
geloof te slaan aan Femke\'s begrip. Ik verdenk haar van «schip-
peren" met het geloof aan Wouter\'s vertelling. Zy drong zich het
begrypen op, omdat zy zich voelde aangetrokken door de liefde en
offerzucht der drie helden van \'t verhaal. Ze was niet geleerd genoeg
om met spot neêrtezien op \'t verhevene, al werd het haar dan ook
meegedeeld op \'n wyze die hier-en-daar barok schynt. De jeugd —
van individu en Mensheid alweer — is romantiek. Ze heeft behoefte
aan onmogelykheid, of wat daar naby komt, en nu Wouter eenmaal
Femke zoo ver had veroverd dat zy zich verplaatste in zoo vreemde
toestanden, vond zyne geloofwaardigheid een sterke bondgenoot in
Femke\'s vurige begeerte om \'t vervolg te weten dier aandoenlyke
geschiedenis. Zy had hem — met minder moeite, want Wouter
was jonger, en bovendien onevenredig kinderlyker — haar «ivoren
toren en geestelyke vaten" ingegeven, nu zou \'t hem weldra
gelukt zyn haar \'t heele zonnestelsel te doen slikken. Maar de
arme jongen wist dit niet. Om te ontleden hoe zucht tot weten
wordt afgeleid door behoefte aan liefde^ had hy eenige tientallen
jaren ouder moeten wezen, en niet zelf de patiënt van dit zielkun-
9
-ocr page 150-
MULTATULI.
13°
dig verschynsel. De lezer zal wel zoo goed zyn myne opmerkingen
aftescheiden van Wouter\'s indrukken, en niet den natuuronder-
zoeker verwarren met den kikvorsch die dezen tot onderwerp diende
van z\'n galvanische proef. Wie te traag is om de analyse te volgen
van \'n menschenhart, abonneere zich op de romans van Xavier
de Montepin, Paul Féval, Ponson du Terrail, en dergelyken.
Wie zich verheven waant boven de ontleding van een gemoed,
raad ik aan octrooi te verdienen op \'t uitvinden van iets belang-
rykers. En wie, eindelyk, myn werk afkeurt als onvolledig, of
myn slotsommen als onwaar...ik zal hem dankbaar zyn voor
terechtwyzing. Maar in dat geval wenschte ik de blyken te zien van-
wat inspanning en studie, want dat kost het my ook... en nog iets.
Wouter vond het prettig, dat Femke de gedeeldheid van Emma\'s
hart begreep, en tevens de edelmoedigheid der beide broers. Wan-
neer hy dat had moeten uitleggen, ware hy moedeloos geworden.
Nu drukte Femke" s snel begrip het zegel op zyn ingenomenheid
met de peruaansche historie, en hy vond ze schooner dan ooit.
Deze indruk maakte hem welsprekender dan-i tot nog toe geweest
was. Het werd hem nu een punt van eer, Femke\'s goede meening
te rechtvaardigen, en onwillekeurig overgaande van den verhaaltoon
tot dramatische voorstelling, voerde hy zyne personen sprekende
in. Er was een quousque tandem van teederheid in \'t naspreken
van Telasco\'s woorden:
»Dochter der zonne, beslis! Hy heeft u lief, Kusco, myn broeder,.
de edele Kusco. Is er een ree vlugger op \'t gebergte, een jager
zekerder van zyn schot, een held onder de dapperen van Peru,,
vlugger, zekerder, heldhaftiger dan hy ?
»Dochter der zonne, beslis! Hy heeft u lief, Kisco, myn broeder,
de edele Kusco. Zie, ik verraste hem in den slaap, en hoorde hoe
hy droomend uw naam sprak. Hy strekte zyne armen uit, als om
u te zoeken, hy klemde u vast aan zyn hart, en zyne lippen be-
wogen zich als kussende. Dochter der zonne, beslis, en kies den
edelen Kusco!"
sNiet alzoo, antwoordde Kusco. Ook ik heb Telasco bespied,
den verhevensten telg van de Inca\'s. Hy schreef uwen naam, o
dochter der zon, met kunstigen knoop in z\'n gordel d) en luid
d) Ik herinner my niet met zekerheid of het knoopenschrift in Peru clan wel
in Mexico te-huis behoorde. Misschien was het gebruikelyk in beide landen
die, hoe ver ook van elkaêr gelegen, en hoe ook in sommige opzichten van
elkander verschillende, toch aan rasverwantschap en gelykheid van klimaat
zeer vele punten van overeenkomst te danken hadden. Ook is my onbekend
hoe ver de meest beschaafde Zuid-Amerikaansehe volkeren het gebracht hadden
in die kunst om gedachten door knoopen uittedrukken, toen de Spanjaarden
hen met \'n andere beschaving kwamen verrassen.
-ocr page 151-
WOUTERTJE PIETERS E.                                    131
heeft hy dien naam geroepen in den stryd tegen de vyanden van
Peru. Zy vloden op dien roep, als ware de beschermende zon zelve
neergedaald, om de belagers van haar kinderen te verdelgen. Kies
Telasco, den dapperen Telasco ... o gy verhevene dochter van
\'t licht!"
s Kusco kwam my te-hulp in den stryd. Zonder hem ware ik
verslagen. Hy heeft de pryzen behaald in alle spelen der jonkheid
van \'t land. Hy worstelde, streed en overwon in uwen naam...
jTelasco liet my de overwinning! Hy doodde z\'n eerzucht in
uwen naam. . .
> Kusco heeft u bezongen in heerlyke gedichten...
»Telasco heeft ze gezongen op goddelyke melodie. ..
sBedenk dat Kusco sterven zal, wanneer gy niet hem boven
alles bemint, hem alleen.. .
»Meent ge dat Telasco zou leven zonder uw liefde?
Eindelyk sprak het meisje:
>Ik heb u lief, Telasco, en u Kusco, heb ik lief. Ik kan niet
kiezen, zoo waar ik eene dochter ben van het licht. Myne hand
beeft zoodra gy me aanraakt, o Kusco, maar Telasco, ze trilt
evenzeer als zy den druk voelt van uwe hand. Myn hart siddert
by de gevaren des oorlogs, als ik weet dat gy beiden vooraan staat
in de reien der kinderen van de zon, en ik kan niet beslissen hoe
ik den pyl richten zou, die bestemd was één uwer te treffen... als
ik veroordeeld was die richting te bepalen.
»Als ik uw gezang hoor, o Kusco, dan voel ik al \'t wee en al
de zaligheid van \'n liefde die my oneindig schynt, maar toch is er
in myn hart plaats voor \'n alles verterenden gloed, by \'t inzuigen
der goddelyke tonen uwer muziek, o Telasco, als zy de woorden
van Kusco begeleidt. Myn ziel leeft door \'t genieten van uw beider
bestaan. Uw beider namen hoor ik roepen door den tortel in \'t
geboomte, door den wind als ze suist of buldert. Uw beider naam
staat me in liefelyke kronkeling geschreven op de vlakte van \'t
meer, in rangschikking van kleur op de blaadjes der bloemen, in
gloeiend schrift op de zon zelve, die vlekkelooze oorsprong van ons
bestaan. En, Telasco, als ik neerkniel naast den Inca, om met
al de kinderen van Peru onzen god te bidden om zegen voor zyn
land, clan was myn bede één zucht: uw naam! En Kusco, by \'t
danken voor de zegeningen die de oorsprong van het licht schonk
aan \'t blinkend land van Peru, dankte ik, de dochter der Inca\'s, met
dit ééne woord: Kusco!
»Daarom, o edele broeders, laat me vry van keuze, ik kan niet...
ik kan niet!"
Aldus sprak de dochter der zon.
-ocr page 152-
MULTAIULI,
132
Maar Telasco antwoordde:
»De zon heeft gesproken, en gezegd dat gy kiezen zoudt,
AZTALPA...
—   Hé? Emma heette zy...
—   Neen, Azïalpa, riep Wouter, wien de geestdrift het geheugen
weergaf, ze heette Aztalpa. Telasco zeide:
>De zon heeft gezegd dat gy kiezen zult. Zoudt gy \'t gebod der
zon niet opvolgen ?"
»Laat my sterven, Telasco!"
»Neen, ik, ik /"... riepen beide broeders tegelyk...
»Beslist gylieden wien uwer ik moet kiezen... ik zal gehoorzamen."
sKies Telasco!" riep Kusco.
»Kies Kusco!" riep Telasco.
Maaj: het meisje kon niet gehoorzamen aan beider gebod te-ge-
lyk, en durfde niet ongehoorzaam wezen aan één der geboden.
Telasco bedacht zich.
»Ik weet, ik weet! riep hy. Hoor Aztalpa, en gy Kusco, hoor
naar myn voorstel. Dat heeft my een god ingegeven! Zyn niet de
vederen uwer pylen blauw, myn broeder ? Zyn niet de myne rood ?
Hoor-aan! Morgen, voor \'t verschynen der zon, zullen wy te-zamen
uitgaan naar \'t jachtveld. Wy zullen ons in het kreupelhout plaat-
sen.. . gy, honderd schreden voorby den boom die Aztalpa\'s
naam draagt, door ons beiden gesneden in de schors. Ik, honderd
schreden aan deze zyde van dien boom Daar zullen wy het uit-
zicht hebben op den heuvel, waarlangs \'t wild vlucht, als het wordt
opgejaagd door de jachtgezellen. Wy beiden leggen aan op de
eerste hinde die er opdaagt uit het woud. Als de vederen van den
pyl die haar dooden zal, rood zyn, wil ik dat Aztalpa my kieze.
Als \'t uw pyl is, Kusco, die \'t wild treft. .. als de getroffen hinde
uw kleur draagt"...
De beide broeders bedekten zich \'t gelaat, als vreesden zy iets
te zien, wat uitslag spellen zou van den vreeselyken stryd dien
Telasco voorsloeg.
sik neem aan! riep Kusco op eens, ja, Telasco, ik neem uwen
voorslag aan. Waarlyk, die straal van licht in uw hart was een
boodschap der goden. Ik neem aan, ik neem aan... my zal zy
kiezen, als de vederen blauw zyn! O stem toe. Aztalpa, beloof
dat gy berusten zult in den uitslag van Telasco\'s voorstel!"
»Zweer ons dat met duren eed, Aztalpa!" smeekte de andere
broeder.
En het meisje beloofde, en riep daarby de heilige zon aan, haar
hart te richten naar de kleur der veeren van den pyl welke den
volgenden dag de eerste hinde treffen zou, die er opdaagde uit
het woud.
-ocr page 153-
WOUTERTJE PIETERS E.                        . 133
Den volgenden morgen, vroeg, by \'t eerste licht der zon, hoorde
Telasco van verre hoe de jachtgezellen het wild opjaagden met
trom, bekkens en geschreeuw. En daar, recht vóór hem, lag de
kleine heuvel, waar gewoonlyk \'t wild het geboomte verliet, als het
schrikkend wegvlood voor \'t gevaarspellend geraas. Zóó jaagde
anders Telasco niet. Zóó was de buit te licht gewonnen, en zelfs
kwam zoo\'n jacht hem voor als verraad. En ook nu jaagde Telasco
niet op die wyze, want zie, z\'n pylkoker lag naast hem, en de
hand die de boog moest spannen, ondersteunde het hoofd.
Toch greep hy eindelyk langzaam de roodgeveêrde pyl, toch
vatte z\'n trage linkerhand den boog, om gereed te zyn tot mis-
schieten, als de eerste hinde zich vertoonen zou. »Misschien heeft
de opmerkzame Kusco myn pylen geteld, by \'t samen uitgaan,
dezen nacht." Zoo dacht hy, en maakte zich gereed tot zorg dat
er één pyl zou ontbreken aan \'t getal. .
Daar vloog een hert, hooggeweid. . . wilde buffels... ruige zwy-
nen... bevallige gazellen... méér herten, méér buffels.. . zwynen
weer... o God, de hinde, de hinde.. . daar was zy! Daar stond
het verschrikte dier hygend op den heuvel, blootgesteld aan de
wisse schoten der beide jagers. . . neen, ditmaal beschermd door
Telasco\'s en Kusco\'s edelmoedigheid.
Want Telasco schoot in de lucht, en hy volgde z\'n pyl met de
oogen, maar sloot ze weer om zich voortestellen hoe de pyl hem-
zelf het hart doorboorde.
En ook Kusco doodde de hinde niet. Hy verborg z\'n pyl in den
grond, en dekte dien toe met wat aarde, en het scheen hem of hy
daar zichzelf begroef.
Maar beide broeders staarden verwonderd op de hinde die onge-
deerd verder vluchtte.
Gy hebt my bedrogen, Telasco, gy hebt niet geschoten! riep
Kusco, die wild te-voorschyn sprong.
„Ik heb wèl geschoten, broeder. Maar gy, gy hebt my misleid.
Gy hebt misgeschoten met opzet! antwoordde Telasco, die z\'n
broeder te-gemoet snelde.
»Ik zweer u dat ik niet heb misgeschoten met opzet, Telasco.
En bedroefd keerden de twee broeders naar huis, en verhaalden
aan Aztalpa wat er geschied was. Beiden klaagden zy over mis-
leiding.
Ditmaal viel er een straal van licht in Kusco\'s ziel. Hy zeide:
j> Wederom zullen wy ons tegen den dageraad plaatsen in het
kreupelhout, Telasco. Weer zullen de jachtgezellen het wild op-
jagen naar den heuvel. Weder zal de kleur van den pyl die de
eerste hinde treft, Aztalpa\'s keuze bepalen, maar... Telasco,
zweer my dat gy schieten zult, ditmaal!
alk zal schieten! En gy, beloof my dat gy treften zult.
-ocr page 154-
134                                              MULTATULI.
»Ik zal treffen !
»Gy zult schieten zoo goed als een jager dat kan? Met het doel
om te raken en te dooden ? Werkelyk, de eerste hinde ? Waarlyk ?
Zult ge?"
»Ja, ja, ik beloof dat alles. En gy, Telasco?"
»Kusco, ik beloof het u."
Den volgenden dag lagen de broeders in hinderlaag, als den
vorigen. Wel waren ze nu inderdaad jagers, die begeerig loerden
op wild. Straks omklemde de linkerhand de slangenhouten a) boog.
Duim en voorvinger van de rechter weerhielden den pyl tegen \'t
halfgespannen koord. Het oog staarde over den gestrekten duim,
zich richtend langs de punt van de schicht naar de opening van
het woud. O, lang vóór de hinde den top des heuvels bereikt had,
zou zy ditmaal getroffen zyn! Daar vloog een bison snuivend uit
de wildernis. . . zwynen weer. . . herten. .. een hinde.. .
Doodelyk getroffen stortte \'t arme dier neer. . .
»Ik groet u, Inca van Peru!"
Dit riepen Telasco en Kusco te-gelyk, haastig te voorschyn
tredend uit het kreupelhout.
-»Gy hebt verwonnen, Kusco... \'t was uw pyl!"
»De uwe, Telasco ! \'t Kan de myne niet geweest zyn... myn
hand sidderde toen ik schoot."
»Myn oog was verduisterd toen ik aanlegde."
»Heil u, Inca van Peru, Telasco bemind door Aztalpa !"
»Heil u, Inca van Peru, Kusco den lieveling der zon!"
»c7j\', broeder!"
»Gy!"
»Ik verzeker u dat myn pyl..."
»\'t Kan de myne niet geweest zyn..."
»Den heuvel op!
Dit laatsten riepen de beide broeders te-gelyk. En te-zamen ylden
zy naar de plek waar de hinde gevallen was...
»Ik zie uwe kleur"... riep Kusco, nog op een afstand.
a) Deze Zuid-amerikaansche houtsoort waarvan ik den botanischen naam
niet weet, is zeer harcl, en zoo zwaar te bewerken dat Europeesche schryn-
werkers er ongaarne rneè te doen hebben, ofschoon de daaruit vervaardigde
meubelen zich zeer schoon laten polysten. De kleur is bruingeel met kleine
donkere vlekken, en liever schryf ik hieraan den naam toe, dan aan de b. v.
in Guiana heerschende meening dat dit hout van een boom komt, waarom zich
by-voor-keur slangen kronkelen. Of het echter veerkrachtig genoeg is om tot boog
te dienen, kan ik niet verzekeren. Misschien is dit een fout in den tekst. (1872).
-ocr page 155-
WOUTERTJE PIETERS E.                              135
»Onmogelyk broeder... de pylveêr is blauw! En \'t moet blauw
.zyn, want". ..
jHet moet rood zyn, want" . .
Twee schichten hadden de hinde het hart doorboord. Beide
broeders hadden getroffen, maar beiden hadden geschoten met
verwisselde kleur.
Want \'s nachts was Kusco, voorzichtig als \'n misdadiger, ge-
slopen in de woning van Telasco, en hy had een rooden pyl ge-
roofd uit den koker zyns broeders. En niet moeielyk was deze
diefstal, want Telasco\'s legerstede was ledig. Er was niemand ter
bewaking van de wapens, waarmee hy niet wilde overwinnen...
Waar was de zorgelooze Telasco, toen Kusco hem beroofde ?
Telasco was ter-sluik zyns broeders woning binnengetreden, om
den blauwgeveêrden pyl te stelen, waarmee hy Kusco wou maken
tot Aztalpa\'s uitverkorene, tot Inca van Peru. Begryp je \'t,
Femke ?
—  Ja. .. maar.. .
—  Je moet altyd denken, \'t was vèr van hier, en \'t is lang ge-
leden. Luister verder. Nu waren de beide broeders zeer bedroefd,
en Aztalpa ook. Ze wist niet wat ze doen moest, en bad aan de
zon. Dit deed Kusco ook, en ook Telasco. Maar de zon ant-
woordde altyd hetzelfde: dat Aztalpa kiezen moest...
—  Antwoordde de zon altyd, als men haar om raad vraagde ?
—   Altyd. \'t Staat zoo in \'t boekje... \'t was vèr weetje. Nu,
Aztalpa moest kiezen. Daar was niets, niets tegen te doen. En
toch wou ze niet, en riep maar al dat zy liever sterven wilde.
Toen kreeg Telasco weder een licht in zyn ziel, en hy zeide:
»Verhevene dochter van de zon, u geschiede naar uwe begeerte.
Gy wilt niet kiezen, Aztalpa.. . welnu, 2 zult sterven". ..
—  O God, riep Femke. ..
—   Stil, Femke, luister goed. Telasco meende het niet, dat zal
je zien. Hy zeide dat zy sterven moest, en daar-i begreep dat
Aztalpa niet zou gelooven dat hy dit inderdaad bedoelde, legde hy
haar uit, waarom:
»Gy moet sterven, Aztalpa. Om uwentwil zou er verdeeldheid
komen in \'t land van Peru. Ieder die Kusco bemint, wenscht dat
ge my kiest, omdat men weet hoe \'t den goeden Kusco zou be-
droeven, my verstooten te zien. En wie my liefheeft, vordert dat
ge aan Kusco uwe hand reikt, wyl men beseft hoe \'t my zou
smarten, gelukkig te wezen by zyn wanhoop. Gy moet sterven,
Aztalpa ! Geen burgeroorlog mag \'t gevolg zyn der verdeeldheid
-ocr page 156-
136                                            MULTATULI.
van uw hart. Na uwen dood, als ge zult opgevaren zyn tot den
oorsprong van uw bestaan, zal er geen scheiding wezen tusschen
de offerwolken die u onze liefde boodschappen, noch tweeërlei toon
in de zangen des volks van Peru. Eenstemmig zullen onze gebeden
opstygen, en er zal geen wanklank van verdeeldheid zyn in onze
lofliederen. Daar... daar... daarboven, zyt ge ons beiden even
naby Aztalpa ! Daar kunt ge ons beiden gelyk deel geven in den
oneindigen rykdom uwer bescherming. Gy zult Kusco antwoorden
in \'t ruischen der palmen, zonder dat ik te-vergeefs naar uw stem
luister in de muziek van de zee. Hem en my zult ge verschynen
in den droom... en myn arm zal niet slap neervallen by de ge-
dachte aan Kusco\'s verlatenheid, noch hy bedroefd zyn door \'t
besef dat zyn genot my de ziel verscheurt. Voor \'n liefde als de
uwe, Aztalpa, is almacht noodig. Wéés almachtig, gy kunt het,
gy moogt het, gy moet het! Dat is de wil der zon, die \'t wist
dat gy noch Kusco zoudt kiezen, noch my, maar dood en verhef-
fing tot geest, omdat een menschenhart te nauw is tot bevatting
van zoo veel gevoel.
Sterf dus, Aztalpa, sterf, en verhef u tot licht. In uw hart is
geen plaats voor ons beiden, maar wel zal er plaats wezen voor
ons beiden op uw graf, als ge zyt opgevaren ten hemel. . .
Aldus sprak Telasco.
Kusco zweeg.
En Aztalpa zeide:
;>Broeders, ik ben bereid."
En kort daarna vergaderden de priesters en de koning, in het
woud op den berg, waar men gewoon was te offeren aan de zon.
En daar was veel volks byeen gekomen om den rook te zien, waarin
Aztalpa zou opvaren. Want, nadat zy gedood was, zou ze ver-
brand worden.
Je weet, Femke, de rook^gaat altyd naar boven. Dat is om op-
testygen, weetje ?
—  Ja, antwoordde \'t meisje, met \'n overtuiging als-of ze Velleda
zelf was. Och, ze had \'r boekje vergeten, en was ontrouw aan al
haar Heiligen.
—  O God, Wouter, \'t doet me zeer! Moest Aztalpa nu waar-
lyk sterven r \'t Was wreed van Telasco .. .
—   Wat zou jy gedaan hebben, Femke?
—  Ik zou, ik zou. . .ik weet het waarlyk niet, Wouter.
—  Zieje, \'t was moeielyk. Nu, daar stond Aztalpa, tusschen
de beide broeders. Ze was in \'t wit gekleed, en een witte sluier
hing haar over \'t gelaat. Het volk zong een treurig lied. Men
knielde. Aztalpa omhelsde haren vader, groette de menigte met
de hand, en riep:
-ocr page 157-
WOUTERTJE PIETERS E.                              137
>Ik ben gereed. Broeders, geleidt my!"
Zy reikte aan beiden de hand, en trad fier naar den brandstapel.
Kusco\'s houding was gebogen, en zyn tred was wankelend. Maar Tel as-
co scheen moediger. O, Femke, hy wist dat Aztalpa niet sterven zou...
Een diepe ademhaling verluchtte Femke\'s gemoed. Met open
mond staarde zy Wouter aan, als wilde zy de vreeselyke ont-
knooping opvangen met al de kracht van haar ziel.
—  Neen, zy zou niet sterven, en ik geloof dat Telasco het
wist. Hy trok den gewyden dolk, bad Aztalpa om vergeving...
Kusco stond met de handen voor \'t gelaat.. .Aztalpa kruiste de
armen voor de borst.. . zy boog het hoofd...
Daar viel ze eensklaps op de knieën voor Telasco :
>Broeder.. .één oogenblik! Eéne bede! ach, laat my den dood
ontvangen van Kusco\'s hand!"
Telasco slingerde de dolk weg, en riep:
»Geloofd zy de zon, zy heeft gekozen! Volk van Peru, daar
staat uw Inca ! Aztalpa, vaarwel!"
Alle Peruanen bogen daarop het hoofd voor Kusco.
Maar, toen deze z\'n broeder zocht, was Telasco verdwenen.
Men heeft hem nooit wedergezien. Vindje \'t niet mooi, Femke ?
—  Hoor, Wouter, als dat meisje geweten had hoe Telasco
haar verzoek zou uitleggen, had ze \'t niet gedaan. Maar de ver-
telling is mooi. Ik wou wel eens weten, of zoo iets waarlyk gebeuren kan?
—  Ver van hier, en lang geleden, Femke. In allen geval, \'t
staat in \'t boekje. Maar nu moet ik naar huis want ik heb geen
stuiver om den poortman te betalen, als ik binnen kom na achten a)
Och, Femke, ik wou zoo graag dat m\'n vers al af was. . .
—  \'t Zal wel gaan. Denk maar aan Telasco. Die had ook iets
moeielyks te doen.
—  Neen ik zal denken aan \'t meisje. Goeden avend, Femke...
Wouter kreeg een zoen, zoo hartelyk als-i verdiend had met z\'n
vertelling. En droomend van Aztalpa, die op \'n bleek paste, stapte
hy door de aschpoort, en naar huis. De maan scheen helder, en
\'t speet hem, dat-i niet nog wat by Femke had kunnen blyven. Hy
verbeeldde zich dat hy nu by \'t maanlicht, beter nog dan anders
zou verteld hebben. Maar \'t kon niet, om den stuiver dien-i niet had.
a) In Wouters jeugd, en nog lang daarna, werden de poorten te Amsterdam
\'s avends gesloten op uren die met de saizoenen wisselden. Welk doel men
eigenlyk met dien maatregel beoogde, is velen een geheim gebleven, vooral
daar ieder die de kleine belasting betaalde, zonder verdere controle werd bin-
nengelaten.
-ocr page 158-
Wouter\'s droom.
— Moeder, Wouter knypt me! riep Laurens, den volgenden
nacht, en jufvrouw Pieterse klaagde, met recht vind ik, dat «die
jongens zelfs in den slaap z\'n rust niet houden kon.
Ziehier de oorzaak waarom Wouter z\'n broeder Laurens zoo
onheusch bejegende.
DAAR ZAT EEN SLAPEND MEISJE IN \'T GRAS... OF \'t FEMKE WAS?
Wat stond zich de maan te vervelen,
Dien avend in V luchtruim alleen !
De sterretjes waren verdwenen,
Omdat zy te flikkerend schién.
Het is voor zoo\'n maan niet pleizierig
Alleen aan den hemel te staan.
Die eenzaamheid brengt aan het kniezen,
En helpt het humeur ... naar de maan.
Ze zocht hier-en daar wat verstrojing,
En troostte wat smachtend gevoel,
En hielp een paar dichters aan verzen,
Maar bleef als die verzen zoo koel.
Zy straalde wat hoop in de harten,
En droogde in V voorbygaan een traan,
Maar V mooist wordt ten-laatste vervelend...
Ze had dit zoo vaak al gedaan.
-ocr page 159-
WOUTERTJE PIETERS E.                                I39
Zy gaapte, en ze keek, en ze staarde. ..
Vervelend was al 7vat ze zag.
*>Och, riep zy, als dat niet verandert,
»Dan neem ik als maan m\'n ontslag.
f>Ik sta als een gek hier te schynen,
„En schitter me kreupel en lam.
»Geen mcnsch die me \'r ooit voor bedankte,
»Of die er notitie van nam.
f Dat mcnschvolk is bitter ondankbaar!
» Voor \'t zonnetje maakt men zich mooi,
»Haar opent men deuren en vensters ...
Als ik kom dan .. . gaan ze te-kooi.
tMen moest daar beneden bedenken
-»Dat \'k nooit van m\'n overvloed scheen.
Ikzelf sla in
V kryt by m\'n zuster .. .
Die leent me .. . sints Genesis één.
t\'Is drukkend — vooral aan fa" iel je —
•nZoo\'n schuld van \'n cemv of 7vat licht/
ti Ik schrik als de zon me komt manen,
*En bleek wordt m\'n mane-gezichi."
Zoo pruilde op een avcnd het maantje,
En dit had de nachtwind verstaan.
Hy vond dat ze recht had tot treuren,
En ivas met haar droefheid begaan.
En suizend begon hy te jagen
Langs wegen en vaarten en wei:
»Hop . .. hop ... al wat mee kan, aan \'t dansen
» Ify geven de maan een party !
» Hop, hop .. . in de rondte .. . naar boven. ..
II Omlaag weer . .. omhoog wéér ... hop, hop/"
Daar dansten de bladen in de ronde,
Of schuifelden voort in galop.
Daar knakten de takken der boomen,
En zeiden de stammen vaarwel,
En zwierden als dansende spoken,
En speelden een wonderlyk spel
-ocr page 160-
140
MULTATULI.
Daar vlogen de pannen der daken,
En namen hun deel aan het feest.
De schoorsteetien bogen deemoedig,
Als ïuaren zy hof lui geweest.
De molens vergaten het malen,
En noodden de hoornen ten dans,
En walsten met hunne beminden
Op muren en wallen en schans.
11 Hop, hop .. . in de rondte . .. vooruit maar . . .
» Dien weg uit. .. omlaag by de poort. . .
s Wat \'« aschlucht! .. . om \'t even ... vooruit maar l
s>Hop, hop weer, en lustigjes . . . voort l"
Daar zat een slapend meisje in \'t gras... of \'t Femke was?
Daar naderde joelend de bruiloft,
En huppelde om 7 slapende kind.
Haar bleekgocd rees op van de zoden,
En dans/e op muziek van den wind.
Daar neigden de hemden polsierlyk,
En boden clkaer hun manchet.
Daar danste een pudiek chemisetje
Met \'n onderbroek een menuet.
Daar lonkte de slaapmuts van passie,
En maakte haar pluimpje zoo mooi.
En drukte aan het fladderend jabootje
Heel senlimenteelig de plooi.
De zakdoeken werden zoo dartel,
En waagden zich boven hun stand,
En reikten aan nuffige kraagjes
Hun opengewerkten rand.
De slobkous, verliefd van comflexie,
Maakte aan een fichutje de cour,
En sloot het verrukt in z\'n knoopen,
En zuchtte zoo innig: bonjour!
Daar walste een bretel met een vestje,
Een kin der sok met een serz\'el,
En
V windje gaf lustig de maat aan,
En maakte geen eind aan de pret.
-ocr page 161-
WOUTERTJE PIETERS E.
En warreldc vroolyk daarlusschen,
En joeg alles rond op de baan. ..
En suisde: »hop, hop. .. a vos dames...
* Wy geven een bal aan de maan f"
Daar zat een slapend meisje in 7 gras... of \'t Femke was?
En dichter en dichter gedrongen,
Sprong alles om V slapende kind. . .
Daar fladderden wild haar de lokken
Omhoog^ op muziek van den wind. ..
Eén glimlach... één zucht. . . en daar stond ze!
En ylings... de stoel nam haar mee,
En droeg haar... o hemel...
—   Femke, Femke ! riep Wouter in den slaap, en greep naar de
verschyning, die in een wolk van kousen, sokken, onderbroeken,
hemden en halsboordjes, op weg was naar de maan...
—  Femke. .. Femke!
Het was by die gelegenheid, dat de letterzetter.de I.aurens zoo
geknepen werd, dat-i wel genoodzaakt was tot het nachtnlmoer
waarmee dit hoofdstuk zoo dramatisch begint.
Het >huis" Pieterse vergaderde voor Wouter\'s bed. Daar was
de edele stamvrouw, gehuld in \'t eerbied-inboezemend jak, dat in
breede plooien neerviel op den zwart-merinossen rok. Daar was
Truitje met haar domme blauwe oogen. Mvntje en Pietje. ..
och wat zeg ik: zoo heetten de meisjes niet meer, na \'t verhuizen.
Truitje was Gertrude geworden, zoo goed als \'n ongekeurde
vorstin van Hessen, a) Myntje heette nu Mixa, en wie haar plei-
zier wou doen, sprak de a uit als een e. Dat gaf zoo\'n franschen
klank, vond ze. Maar haar onnoozel gezicht stond nog precies
even onbeduidend als voor de naamsverandering. En Pietje heette
Petró. Stoffel had gezegd dat dit een fatsoenlyke naam was.
Hyzelf kwam ook voor \'t licht, en verbaasde zelfs z\'n moeder
a) De in 1866 verjaagde Keurvorst van Hessen is morganatisch gehuwd
met de gewezen vrouw van een officier dien hy met een som gelds tot schei-
ding bewogen had. Zy heet (Jertrude, en werd zoo wel door haar gemaal,
als in de wandeling door \'t Volk. Trüttciikn genoemd. Zy en haar kinderen
dragen de titels van Fürstinn en Prinsen van Hanau. De huiselyke geschiede-
nis der Hessen-Casselsche vorsten is, voor en na \'t koninkryk Westfalen, buiten-
gewoon. . .zonderling. En ook de korte regeering van Jf.röme past, wat Chro-
nique scandalcusc
aangaat, vry wel in \'t lystje van het Casselsche hof.
-ocr page 162-
MULTATULI
142
die zooveel van hem wachtte, door z\'n deftigheid in gang en
houding.
—  Wat scheelt je dan toch, jongen? riep ieder tot Wouter.
—  O, moeder, moeder. .. Femke!
—  De jongen is gek, was \'t eenstemmig oordeel der Pietersens.
En geheel ongelyk hadden ze niet. Wouter ylde.
—   Ze zouden haar wegdragen... al draaiende.. . altyd in de
rondte.. . en ze sloot zich aan den rook die opstygt... opstygt...
dochter van de zon, beslis... hier is Telasco... neen, sterven
zult gy niet, Emma, Aztalpa. .. Femke, o god, blyf, blyf. .. ik zal
op de bleek passen... ik zal de hinde schieten... blyf, Femke,
blyf... een weduwnaar met god. .. samen door de ivoren poort.. .
daar gaat ze weer. . .alléén.. omhoog... Omikron, blyf!
—   Als we eens den domine lieten roepen ? vraagde de moeder,
aarzelend. Ze wist niet of er gebeden moest worden, of gestraft.. .
of beide.
En voor \'t eerst van z\'n leven misschien, had Stoffel een goede
gedachte:
—   Moeder, ik geloof dat er een dokter noodig is. .. Wouter
is ziek.
Zoo was het. De arme jongen was aangetast door \'n zenuw-
zinkingkoorts. Dat was een geluk voor hem, want de geneesheer
die hem behandelde, was een menschenkenner, die door liefderyke
terechtwyzing een heilzamen invloed had op Wouter\'s gemoed.
Maar dit kon eerst later geschieden, want in den beginne was de
ziekte van \'t kind gevaarlyk. Ook voor juffrouw PiETERSK was de
kennismaking nuttig. De dokter vertelde haar, tot \'r groote ver-
bazing, dat men z\'n kinderen niet als pakgoederen mag opstapelen
in een bedstee. Dat er lucht, licht, leven, beweging, genot noodig
is tot ontwikkeling van ziel en lichaam. Dat straffen — met of
zonder Heer dan — niet te-pas komt. Dat haar godsdienst best
achterwege kon bly ven by de opvoeding... en meer zaken van deze
soort, die juffrouw Pieterse nooit gehoord had, en waartegen ze
nogal niet heftig opstond, omdat de dokter...
—  Gut, juffrouw Laps, uwe moest eens maken dat uwe hier was,
als-i komt. Hy schryft z\'n receppies met \'n gouwe pen, en z\'n
koetsier heeft eene bruine beer om z\'n hals. . .
Ja, juist! zoo\'n gouden pen en een beerehuid! Och, als alle
menschen die waarheid voorstaan, hun koetsier behoorlyk konden
kleeden, dan zou \'t\' gauw gedaan wezen met veel vooroordeelen
-ocr page 163-
WOUTERTJE P1ETERSE.                               143.
Maar meestal is dit niet zoo. Jazelfs, ik ken waarheidlievende per-
sonen die in \'t geheel geen koetsier houden, niet of zonder beere-
vellen dan. En ook de gouden pennen zyn gewoonlyk in verkeerde
handen.
— Ik wou maar, dat juffrouw Sipperman eens kwam juist als de
dokter er was. Ga \'t haar eens zeggen, Gertrude... dat Wou-
1\'ertje ziek is, meen ik... en zeg dat we koffiedrinken zoo tegen
twaalfe... zoo laat kwam-i gister. En jy Leentje, ga eens na de
kommeny... er moet toch zout wezen... en maak \'n praatje...
\'t is niet om te praten, weetje... je weet, ik hou niet van praterig-
heid.. . \'t is maar, weetje, om te weten of de menschen \'t gezien
hebben ? En jy, Petró, denk er om dat je me een schoone mus
geeft als-i weêrkomt, want \'t is m\'n \'n man... zoo\'n dokter! Ik
ben der ontdaan van, zoo als-i sprak. .. en je moet hem niet zoo
aangapen, Mina, dat staat niet. .. maar ik ben benieuwd of ze \'t
gezien hebben in de komeny.
Ik wou niet graag te hard oordeelen, maar waarachtig, ik geloof
dat juffrouw Pieterse schik begon te krygen in Wuuter\'s ziekte.
Er was iets voornaams in dat dokters-koetsje voor de deur. Alas.:
poor mankind!
-ocr page 164-
Weer een avcndje.
—  Maar, lieve juffrouw Pieterse, hoe moet het nu met m\'n
oom ? Jelui bent allemaal gevraagd, en ik heb \'m gezegd dat er
een vers wezen zou.
—  Dat *s moeielyk, juffrouw Laps. Je begrypt dat het wurm
nu geen verzen maken kan. Wat denk je over Stoffel ? Als we
\'t hém eens vroegen ?
—  Ik heb er niets tegen, als er maar een vers is. Anders ben
ik geskandeliseerd.
Stoffel werd uitgenoodigd Wouter\'s plaats te vervullen. Hy
had er veel tegen.
—  Moeder, uwe begrypt dit zoo niet, maar eigenlyk zou ik te-
kort doen aan \'t respekt. Want, ziet-u, als men zoo omgaat met
de jeugd, dan is respekt nummer een, en zoo\'n vers...
—  Maar de jongens op je school hoeven \'t niet te weten. .
—   \'t Woord komt altyd verder dan de man, moeder. Dat weet
uwe zoo niet. Op de diaconie-school was een kweekeling die ook
verzen maakte., en wat is er van gekomen? Hy is naar de Oost
moeder... en hy is me nog de helft schuldig in een kruik inkt.
Zieje, moeder, dat komt er van. Ieder moet op z\'n zaken passen.
Zoo\'n vers... dat is goed en wel voor een jongetje als Wouter. . .
maar als men zelf onderwyzer is. . .
—  En meester Pennewip dan ? vroeg juffrouw Laps.
—  Juist, riep Stoffel, als-of deze aanhaling hem hielp in de
bewysvoering. Juist, zieje, meester Pennewip ...
—  Ik heb een vers van hem gelezen, Stoffel!
—  Juist... je hebt een vers van hem gelezen... dat is... dat
komt...hoe zal ik \'t je nu precies uitleggen, juffrouw Laps. Je
-ocr page 165-
MULTATULI.                                           145
begrypt, by zoo\'n vak als \'t onderwys, heb je allerlei soort van
dingen. Daar heb je by-voorbeeld de aardrykskunde. Nu zal ik
maar eens zeggen: Madrid ligt aan den Manzanares, begrypt u,
moeder ?
—  Jawel, jawel, Stoffel, dat is byv. of je zeggen zou.. .
—  Amsterdam aan \'t Y. Precies. En dan heb je weer heel andere
dingen, want juffrouw Laps, je kunt je niet voorstellen, wat er al
zoo by dat onderwys te-pas komt. Een kruienier mengt z\'n suiker
met wat anders, en dan moet ik kunnen uitrekenen hoe duur hy
\'t pond moet verkoopen, om geen schaê te hebben, verbeeld je eens!
En dan heb je nog de gezelschapsrekening, en de breuken, en de
werkwoorden ... maar nu moet ik weg, anders slaan de jongens
den boel stuk.
Stoffel ging dien middag vroeger naar z\'n school dan gewoon-
lyk, en liet juffrouw Laps heel ongesticht achter, \'t Mensch wou
maar niet begrypen, hoe Madrid en die kruienier met de breuken,
hinderpalen konden wezen voor Stoffel\'s rymgenie of schoolmeesters-
fatsoen. Juffrouw Pieterse praatte het goed, ik weet niet hoe, en
ze stuurde juffrouw Laps naar meester Pennewip zelf.
De man zag vreemd op, by \'t bezoek van het vertoornde zoog-
dier, maar was weldra gerust gesteld omtrent haar bedoeling.
—  Tot welke klasse behoort uw oom, juffrouw ?
—  Wel... tot de klasse van... van... meent u weer iets van
oesterschelpen en eieren ?
—  Geenszins, juffrouw. Ik bedoel op welken trap hy staat...
ik bedoel... op welke hoogte... ik herzeg op welken trap. .
als gy deze uitdrukking begrypt — het is een beeldspraak, juf-
frouw — op welken trap dan van de ladder der maatschappy?
—  In de granen, meester. Meent u dat ?
—  Dit is niet voldoende, juffrouw Laps. Men kan in de granen
zyn...als koekbakker. .. als broodbakker... als kleinhandelaar...
als groothandelaar... als tusschenhandelaar... en ook deze bedryven
hebben weder derzelver eigenaardige onderverdeelingen. Daar hebt
ge by-voorbeeld: Jozef in Egypte. Deze godsman, — die door
sommigen onder de klasse der Aartsvaders wordt gerangschikt,
ofschoon anderen beweren... doch dit zullen wy onbeslist laten —
zeker is het, dat Jozef granen opkocht en op den bovensten trap
stond, want, juffrouw Laps, wy lezen in Genesis XLT. . .
—  Ja, dat weet ik. Hy reed in Farao\'s wagen, en droeg een
witte zyden rok. Myn oom is fakter. Dat was m\'n vader ook.
—  Zóó... o... o! Fakter... ten-rechte gezegd: factor. . . ei! Daar-
van zegt Genesis niets...en ik weet niet met zekerheid of deze
klasse van personen. ..
— Myn oom is wéwenaar...
10
-ocr page 166-
146
WOUTERTJE PIETERS E.
—  Ziet ge, daar hebt gy \'t verschil reeds. Wy lezen uitdrukkelyk
dat Jozef huwde met Asnath, de dochter van Potifera, den
priester te On, en nergens vinden wy dat deze zyne echtgenoote —
of volgens sommigen, echtgenoot — reeds overleden was, toen hy
zich toelegde op den graanhandel. Dus juffrouw Laps. . .ik zou u
raden, als \'t u ernst is uwen oom te bezingen in een godsdienstig
lied, u te begeven naar een myner leerlingen. .. Klaasje van:
der Gracht.
En meester Pennewip beduidde haar, waar ze dat wonderkind
vinden kon. Weder moet ik vergeving vragen als myn oordeel te
scherp is, maar ik verdenk Pennewip van een leelyk gebrek. Zie,,
ik meen te weten dat hyzelf het gevraagde vers zou geleverd heb-
ben, als juffrouw Laps oom een wit kleed van den Koning had
gekregen, of den Haag was doorgereden in een hofkoets. Maar \'t
bezingen van een sfakter" liet hy over aan \'t genie van den vlier
genden theeketel
in de Peperstraat. Dat was niet mooi van Penne-
wip. Kon die oom het helpen, dat-i nooit in een put was gegooid
door z"n broers ? Dat-i niet verkocht was aan Arabieren ? Dat-i
geen droom kon uitleggen ? En dat men tegenwoordig geen scherp-
zinnigheid beloont met ringen, witte rokken, galakoetsen en onder-
koningschap ?
Hoe dit zy, juffrouw Laps stapte naar de Peperstraat, en maakte
kennis met den ouden Heer van der Gracht, die zich gevleid
voelde door \'t bezoek.
Er werd plechtig besloten dat Klaasje, dienzelfden avend nog
het vers kant en klaar zou maken. Hy zou \'t den volgenden och-
tend by juffrouw Laps komen opzeggen, en als \'t waardig werd
gekeurd de tolk te zyn van hare gevoelens jegens \'r oom, zou
Klaas meêgenood worden op \'t avendje. En, had z\'n vader ge-
zegd, dan zou hy \'n witten das om hebben, met \'n opstaand boordje.
—  Ja, net als Jozef, zei juffrouw Laps. . .zoo zieje hoe de Schrift
toch alles vooruit wist.
En \'t mensch, thuiskomende, las Genesis XLI na, en trachtte
overeenkomst te vinden tusschen Jozef\'s verheffing en de apotheose
die Klaasje van der Gracht verbeidde. Zy droomde dien nacht
dat ze een mantel in de hand hield.
De po\'cta laurcatus meldde zich den volgenden morgen by haar
aan, en dreunde z\'n vers op. Wy zullen het later hooren, als het
wordt voorgelezen op \'t avendje dat ons wacht, maar voor-af moet
ik melding maken van een voorval dat dien achtermiddag ten huize
van de Pietersens plaats vond.
Wouter, zwak, maar niet ylend meer, lag te-bed. De dokter
had rust voorgeschreven. Het kind telde de bloemen van \'t be-
-ocr page 167-
MULTATULI
147
hangsel, en dwong zich die anders te rangschikken in zyne ver-
beelding. Hy liet ze over elkaêr springen, inéenvloeien. Hy zag
er gezichten in... personen... legers... wolken.. . och, alles leefde !
Wel was \'t vermoeiend, maar hy kon niet anders. En als-i zich
omkeerde naar de muur-zy, was \'t nog erger. Die hieroglyfische
krassen vertelden allerlei dingen die hy niet noodig had te weten,
en overlaadden hem met onnoodige indrukken. Hy moest de oogen
wel sluiten, maar vond geen rust. Het was hem, of-i werd meêge-
voerd door de wilde bruiloft, en zyns ondanks moest deelnemen
aan \'t bal dat de nachtwind aan de maan gaf. Alles draaide en
warrelde hem van binnen. Hy greep met beide handen zyn hoofd
als om de afmattende slingering zyner gedachten tot stilstand te
brengen, maar \'t baatte niet. Dat behangsel, die gordynen, die
muur, die bloemen, die dans, dat opnemen van Femke door den
wervelwind... zyne poging om haar vasttehouden...
Het kind berstte in tranen uit. Hy wist nu, dat alles verbeel-
ding was. Hy wist dat-i ziek was. Hy wist dat schoorsteenen niet
konden dansen, en dat geen meisje wordt weggewalst van de aarde,
om de maan wat optebeuren in haar eenzaamheid... maar toch. ..
Schreiend riep hy zachtkens Femke\'s naam, zacht genoeg om
niet gehoord te worden door zyne verwanten, luid genoeg om wat
lucht te geven aan zyn beklemd gemoed...
—   Wat is dat?...riep hy opeens, antwoordt ze? Is ddt ook
verbeelding ?
Inderdaad, Wouter hoorde zyn naam noemen, en \'t was Femke\'s
stem !
—    Ik wil weten of ik droom, zei \'t kind, en hy richtte zich
overeind in z\'n bed. Dat is een roode bloem... daarnaast een
zwarte.. ik heet Wouter ... Laurens is op \'t letterzetten.. .dit is
alles juist.. .ik droom niet. ..
En hy luisterde weer, en boog zich buiten de bedstede, en opende
mond en oogen zoo wyd mogelyk, als-of long en gezicht konden
ter-hulpe komen aan zyn gehoor.. .
—  O God. ..Femke\'s stem! Ja, ja, zy is het!
Ditmaal was hy zéker. Hy sprong van \'t bed af, de deur uit,
rolde den trap af, en viel buiten kennis neder aan de voeten van
\'t bleekmeisje, dat in \'t portaal beneden een harden stryd voerde
met het gezin der Pietersens.
Femke had Wouter gewacht, den dag na die peruaansche ver-
telling. Eerst meende zy dat het om\'t prentje was, waarop Aztalpa
-ocr page 168-
148 ,                      WOUTERTJE PIETERSE
de beide broeders omhelsde. Ze hoopte nog altyd dat Wouter\'s
schoolmeesterlyke broeder wel te bewegen zou zyn, één uurtjen
afstand te doen van den almanak die zooveel schoons bevatte. En,
ook zonder dat prentje, Femke verlangde Wouter weêrtezien. Om
z\'n persoon kon \'t niet wezen — zoo\'n kind! — maar Wouter ver-
telde zoo aardig. En misschien vloeiden in \'t hart van dat meisje
Wouter\'s persoon in-een met de verhalen die hy deed. Analy-
seeren, verdeden, is een hulpmiddel tot studie. Quibenedistinguit,
bette docet,
ja, en zelfs: qui bene distinguit, bene discit ... dit alles
is waar, maar Femke verstond geen latyn. Zy onderwees niet, en
leerde niet, ze onderging slechts. De Natuur die niet studeert, en
maar eenvoudig daarstelt, vulde haar hart met allerlei aandoeningen
door elkaêr, en liet het over aan dezen of genen professer in de
ichthyologie, om uittemaken hoe de vinnetjes in elkander zaten,
waarmee Femke — die lieve karper! — zou rondzwemmen in den
vyver van haar zestien jaren.
—  Leg \'t goed in de zon, riep haar de moeder toe. ..
En dit vertaalde Femke aldus:zon. . .Peru... Aztalpa. . .Kusco
... Wouter !
—  Jaag de kinderen weg.. ze gooien vuil op de bleek. ..
Femke vertaalde: moedig in den stryd tegen de vyanden van
Peru.. .hy de edelste telg der Inca\'s. . .Telasco. . .Wouter!
Och.. . alles riep: Wouter !
En hy kwam niet! Den eersten dag was zy bedroefd. Den
tweeden, ongeduldig. Den derden, ongerust. . .
—  Moeder, ik wil gaan zien waar dat jongetje blyft, dat \'n vers
moest maken...
—  Ga je gang, meid! zei de moeder. En weet je \'m te vinden ?
Femke antwoordde toestemmend, maar ze jokte. Zy wist niet
waar Wouter woonde, doch voelde zekeren schroom om dit te
erkennen. Er lag moed in haar voornemen om \'t kind optesporen,
welks woning zy niet wist, en die moed wilde zy verbergen. Waarom ?
Dit begreep zyzelve niet. Misschien vreesde zy \'t: hoe mat/dat zoo
vaak ons weerhoudt van iets goeds. Er is \'n eigenaardige pndeur
in liefelyke aandoeningen. Veelal verbergen wy \'t goede dat in ons
is, en pronken liever met fouten. Dit is huichelary a rebours.
Het meisje kleedde zich zoo mooi ze kon, en ze nam het wei-
nige geld mede, waarover zy beschikken mocht... eenige stuivers.
Ze liep met gejaagdheid onder de aschpoort door, en liet zich een
winkel wyzen waar men boeken verhuurde. Zeer natuurlyk kwam
ze terecht in de Hartestraat. De loop der straten die in \'t eerste
-ocr page 169-
MU11ATULI
149
hoofdstuk dezer geschiedenis, onzen Wouter onwillekeurig had ge-
leid naar de aschpoort, voerde nu Femke van die poort naar den
boekwinkel, waar we onzen held het eerst aantroffen. Minder be-
schroomd dan Wouter — Femke was ouder, had meer omgegaan
met menschen, en dacht minder na ;— vraagde zy flinkweg den
onvriendelyken man van den winkel: »om \'t boek over die gravin
met den sleep?"
—  Hé ? Hoe is de titel ?
—   Daar weet ik niet van, zei Femke. Maar \'t is over een roo-
ver. . . de Paus komt er ook in... of eigenlyk. .. och \'t is my te
doen om een jongetje dat gelezen heeft in zoo\'n boek. Ik wilde u
vragen waar dat jongetje woont... en ik wil er graag voor be-
talen.. .
—  Kom je my hier voor den gek houden ? Denk je dat ik hier
zit om jongetjes optezoeken.
—   Maar m\'nheer ik wil er voor betalen, zei \'t meisje, en zy
legde haar schat op de toonbank.
—  Scheer je weg, meid, wat weet ik van je jongetje!
Nu werd Femke boos:
—  Je hoeft me niet wegtejagen als-of ik kwaad deed.. . dat laat
ik me niet doen. Als je \'t niet zeggen wilt, dan kun je \'t laten...
maar ik zeg je, dat je heel onvrindelyk bent.
En ze wilde vertrekken. Maar eensklaps:
—  Zeg, wil je my ook geen boeken verhuren?
—  Dat kan er na wezen... ik ken je niet. En wat wou je hebben ?
—  Ik vraag \'t boek van den roover en Amalia, zei Femke.
O, zy verhief zich in rang! Ze had ditmaal geen berichten te
vragen om niet. .. zy voelde zich klant nu.
—   Ik weet van geen roover en Amalia. Meen je Rinaldo Ri-
naldini.
—   Neen. Zyn er nog andere boeken over roovers? Toe, alsje-
blieft^
help my...
Femke zei dit op een toon die den man vermurwde. Hy ver-
waardigde zich optestaan, en den catalogus ter-hand te nemen.
Vry spoedig noemde hy Glorioso.
—  Dat is het. .. juist, dat is het! riep Femke verrukt.
—   Maar je moet pand geven, zei de man, tcrwyl hy op een
trapje klom, om \'t dierbaar boek te krygen.
—  Neen, neen... ik heb \'t boek niet noodig, ik wil maar weten
-ocr page 170-
150                                 WOUTERTJE PIEïERSE.
waar het jongetje woont, dat het gelezen heeft. Och, ik wil er zoo
graag voor betalen!
En ze wees op den schat, dien ze offeren wilde. Maar dat hoefde
niet, zei de man. sHy was zóó niet, of hy wilde wel een dienst
doen, als men \'t hem vrindelyk vraagde." Och, Femke zag er zoo
lief uit, en ze had iets in haar stem dat stuursheid moeielyk maakte.
De man zag na in \'t register, waar-i spoedig den naam vond
dien Femke opgaf: Wouter Pieterse, met vermelding van de
woonplaats. Hy wees het haar, en wilde nu bovendien uitleggen,
hoe zy den kortsten weg nemen kon.. .
Femke was al de deur uit, en had zelf vergeten, haar neergelegd
geld meètenemen. De man liep haar achterna om \'t terug te geven,
maar-i had moeite om \'r intehalen. Zoo liep ze!
Aan de opgegeven woning gekomen, vernam zy dat de familie
Pieterse. verhuisd was snaar een fatsoenlyker buurt.* \'t Was nog
al ver, maar \'t meisje liet zich niet afschrikken. By de Pietersens
aangeland, werd ze ontvangen met een barsch »wat moet je?" van
de jonge-juffrouwen.
—  Och, juffrouw, ik wilde weten hoe Wouter \'t maakt?
—  Wie ben je ?
—  Ik heet Femke, juffrouw, en m\'n moeder is een waschvrouw...
maar ik wou weten hoe \'t met Wouter is?
— • Wat heb jy met Wouter te maken ? vraagde nu juffrouw
Pieterse, die kwam aanloopen op \'t gerucht.
—   Och juffrouw... wees \'r niet boos om... ik wou \'t zoo
graag weten... en m\'n moeder weet er van, dat ik hier ben om
\'t te vragen. Wouter heeft my verteld van Telasco, en van dat
meisje dat sterven moest. . . o god, juffrouw, zeg me of hy ziek
is... ik kan er niet van slapen. . .
—  Jy hebt niks te maken met Wouter. .. je kunt heengaan...
ik zeg je nu dat je heen gaat... ik houd niet van volk aan de
deur...
—  Om-godswil, juffrouw! riep \'t meisje, en wrong de handen.
—   De meid is mal! Duw \'r de deur uit, Trui, en gooi die
toe...
Truitje begon dit bevel uittevoeren. Myxtje en Pietje maakten
zich gereed haar bytestaan, maar \'t moedig kind hield vol. Ze
greep de leuning van den trap, en klemde zich vast.
—  Gooi \'r de deur uit, die brutale meid...
—   O god, juffrouw, ik ben niet brutaal . . och, ik zal terstond
gaan.. zeg my maar of Wouter ziek is? Toe, juffrouw, zeg me
dat! Dan zal ik gaan... o, dadelyk! Och, zeg my of Wouter
ziek is, juffrouw.. .en.. .of.. .hy.. .sterven.. .zal?
-ocr page 171-
MULTATULI.                                            151
Hier berstte \'t edel kind in schreien uit. Alleen vrouwspersonen
van de soort als waarmee zy te-doen had, konden ongeroerd blyven,
by \'t aanzien van Femke\'s smart. Maar de juffrouwen Pieterse
hadden burgerlyke zielen.
Femke zou begrepen zyn geworden door lager gemeen, of door
adel. \'t Is met gevoel, als met het goud der speelbanken. Dat
komt niet in aller handen. Daar zitten courtisanes en marquises
naast elkaêr. De ^heele fatsoenlyke menschen, die schoenen ver-
kochten uit Parys" komen daar niet.
—   Ik ga niet, gilde Femke. . .o god, ik ga niet\' Ik wil weten,
of \'t kind ziek is...
Men hoorde boven aan den trap een deur openen. Wouter ver-
toonde zich, rolde den trap af, viel als een bom op de strydenden,
en daarna voor Femke\'s voeten in zwym.
—    Heerejesis, die jongen! kermde de moeder, en de meisjes
stonden roerloos. Maar Femke nam Wouter op, en droeg hem
naar boven. Men wees haar Wouter\'s bed, en daar legde zy \'t
Kind neer. Niemand had den moed haar te verjagen, toen ze zich
neerzette voor de legerstede, en als er op dat oogenblik had moeten
gestemd worden over voorrecht, rang, gezag...o, aller stemmen
waren op Femke gevallen Maar zyzelve wist niet dat ze groot
was. Ze schreide, en mompelde: »Och, neem \'t me niet kwalyk
juffrouw, maar ik kon er niet van slapen... zoo dacht ik aan
dat kind!"
De avend is dalr. Leentje past op Wouter, en \'t huis Pieterse
is present by den jarigen weduwnaar. Juffrouw Laps hield de eer
van den salon op.
—    \'t Is een raar geval, juffrouw Pieterse, zei de jarige oom.
En wat wou ze eigenlyk, dat meisje ?
—   Gut m\'nheer... dat weet ik niet. En ik heb al honderd-
maal aan Sertrude gezegd, dat ik er niets van begryp. Verbeelje ..
een vreemd schepsel, zoo maar baasspelen in je huis. .. en ik zeg
al zoo tegen Mina ! gooi \'r toch de deur uit... en toe zei Petró ...
—    Nou...ik had haar ter-dege beet, blufte de dappere Petró,
en toonde een blauwe plek aan de pols, waaruit ik zou besluiten
dat Femke haar had beet gehad.
• — Ze moet weêrkomen, riep Gertrude, ik zal \'t haar verkeren!
\' — En i/i, zei Mina.
Zoo was ieder heldhaftig geworden, na den stryd. Dit gebeurt
meer. Maar zeker is \'t, dat Femke\'s naam nu niet zou getrium-
feerd hebben, als er ware gestemd geworden over zedelyke waarde.
-ocr page 172-
1$2                                  WOUTERTJE PIETERS E.
—  Een gemeene meid, m\'nheer!
—  Een hcele gemeene meid!
—  O, zoo\'n gemeene meid!
—  En hoe is uwe toen eindelyk van haar verlost?
—  Ja, dat was moeielyk... ik zei. ..
—  Né moeder... ik zei. ..
—  Né, ik!
—   Né, ik/
Ieder wilde wat gezegd hebben. Ieder wilde doorgaan voor \'t
middelpunt der gebeurtenissen die \'r werden verhaald.
—  • Ik wou wel \'ns weten waar de jongeheer van der Gracht
blyft, zei juffrouw Laps. Ja, oom, er is \'n verrassing.. .
\'t Was juffrouw Pieterse niet aangenaam, dat er werd uitgezien
naar iemand anders, als zy iets te vertellen had.
—  Nu dan, wy zeiden... ja wat zeiden we ook, Sertrude ?
—  Moeder... ik zei... dat het schande was.
—  Ja dat heb ik ook gezeid. Nu... toen vroeg dat schepsel
koud water...en toen we \'t niet gauw genoeg gaven, stond ze op,
en liep naar de pomp.. . brutaalweg, net of ze thuis was! En ze
pompte... en maakte een doek nat, en legde dien op Wouter\'s
hoofd. Ik was ontdaan over zooveel brutaligheid. En ze huilde,
of \'t haar jongen was, m\'nheer! Nu, \'t kind kwam by, en toen
gaf ze hem een zoen. . .verbeelje, daar we by waren!
—  Ja, riepen de drie dochters, we waren er allemaal by!
—  En toen bleef ze nog wat zitten voor \'t bed, en praatte met
Wouter ...
—  Waar toch de jongeheer van der Gracht blyft? zuchtte
juffrouw Laps. \'t Is maar, weet u, oom, omdat we \'n verassing
hebben.
—   En eindelyk ging ze heen... en ze liep als een prinses.
—  Net \'n prinses... betuigde de meisjes, die niet wisten dat ze
waarheid zeiden.
—  En ze zei tot Wouter dat ze terugkomen zou. Maar je be-
grypt, dat zal mis wezen...
Daar ging de schel. Juffrouw Laps vloog op.. och ja, de katechi-
seermeester van der Gracht stapte met zyn zoon de kamer in.
Juffrouw Pieterse had er spyt van. Zy gevoelde dat de ster van
haar discours verbleeken zou voor de zon van \'t vers dat Klaasje
meebracht. En ook zonder vers, wat zagen die anderhalve katechi-
seermeesters er deftig uit! Wat \'n stap, wat \'n houding, wat \'n
stem... en boven alles die witte das, en guillotine-boordjes!
-ocr page 173-
MULTATULI.                                          153
—  Mynheer en juffrouwen, de Heer schenke u Zynen onmisbaren
zegen op den avend van dezen dag! Dit is myn zoon Klaas ...
van wien u wel gehoord zult hebben. Hy is my te na om hem te
pryzen... maar u begrypt wel... als men vader is... nu, alle zegen
komt van boven!
—  Ja oom, er is een verrassing.
—  Juist, juffrouw, een ware verrassing. De gelukwenschen aan
dezen heer.. . op den heugelyken dag van zyn verjaren. .. brengt
ons in de stemming van den Psalmist... en ik verheug my door
de genade... want mynheer... alles komt van boven.. . dat zal
uwe ook wel weten.
—   Ga zitten, man, ik dankje wel! zei de gastheer, die begreep
dat er een felicitatie was uitgesproken. Koud buiten?
—  Ja, \'t is frissies. Koud kan ik niet zeggen \'t Is wat je noemt. ..
frissies, weet u. De Heer geeft het weer naar zyn welbehagen...
en daarom zeg ik maar: frissies. Alles komt van boven.
—  Och ja! riep \'t heele gezelschap en meende wonder verdien-
stelyk te wezen. Verbeelje \'t lot van een armen drommel, die in
dezen kring eens had moeten verkondigen dat sommige dingen van
beneden komen ? Gelukkig was men \'t eens, ditmaal.
—  Wel oom, wat dunkt u, zullen we nu maar beginnen met de
verrassing ?
—  Ga je gang, nicht. Wat is het?
—  Och, een kleinigheid, mynheer, antwoordde de katechiseer-
meester. Myn zoon is een dichter. Pryzen zal ik hem niet...
want hy is me te na.. . maar \'t is mooi, dat durf ik gerust zeggen.
\'t Is niet om te roemen... alles komt van boven .. neen, roemen
zal ik niet. Als ik roem, mynheer, dan roem ik in den Heere.
Maar ik zeg dat het mooi is.
De dichter Klaas maakte z\'n mondje klein, alsof-i met z\'n lip-
pen te drinken gaf aan een vogeltje.
Hy sloeg de oogen neer, en speelde met den ondersten knoop
van z\'n vest. Zyn heele gezicht stond naar verzemakery. Er was
iets knoeierigs in dien jongen, iets van een gekramden schotel...
neen, hy leek op \'n verfrommeld papier... neen, op ongestreken
linnen... neen, op \'n gebruikt servet. .. neen, op ongaar brood. ..
Och, wat weet ik het, waarop die lummel geleek! Ga naar een
christelyke jonchelings-vereeniging. Daar vindt ge modellen in over-
vloed van de soort die ik bedoel, adept-clmvns in de kermistent
des Heeren, pierrots van de onanie.
—  Dus, mynheer, \'t is niet om te roemen... haal \'t maar voor
den dag, Klaas. Als vader, mynheer, moet ik u zeggen... \'t is
mooi! Want ziet u, in de Schrift...
-ocr page 174-
154                             WOUTERTJE PIETERS E.
Klaas haalde z\'n vers voor den dag.
... in de Schrift wordt, om zoo te zeggen, niet gesproken van
weduwnaars... de Heer zal daarvoor wyze redenen gehad hebben.
Wat doet nu de jongen ? Hy volgt Gods wenk, en heeft een vers
gemaakt vol weduwen...
Klaas legde \'t vers voor zich op tafel.
.. . vol weduwen. Ja, ik zou durven zeggen, hy heeft er byna
al de weduwen in gebracht, die in de Schrift staan.
—  Heb ik niet gezegd dat er eene verrassing wezen zou, riep
juffrouw Laps.
—  Lees jy nu maar op, Klaas! Er zyn er zeventig,mynheer. . .
zeventig weduwen! Lees nu maar op, jongen!
Klaas stroopte z\'n armen op, streelde z\'n boordjes, en begon:
Al de weduwen der Heilige Schrift
Worden hier tot een vers gezift;
Ter verblyding op \'t verjaren
Van godzalige weduwnaren:
Juichend, bloeiend in den Heer,
Aan 1E110vah lof en eer.
—  Dat is \'t opschrift, lichtte de vader toe.
—  Ja, dat is het opschrift. Nu begin ik:
In Genesis XXXVIII, vers u kan men lezen
Dat \'n weduw in \'t huis van haar schoonvader moet wezen;
En ExODCS XXII, ik zeg \'t zonder vrees,
Zegt in vers 22, beleedig weduw noch wees__
—   Merk op, mynheer, dat het vers en \'t kapittel beide twee-en-
twintig zyn. Daarmee heeft de Heer zeker eene bedoeling gehad...
want Gods wil is ondoorgrondelyk, en, alle zegen komt van boven.
Ga voort, Klaas!
Twee verzen later ontsteekt de toorn des Ileeren,
Hy zal alle vrouwen in weduwen verkeeren;
Uit Leviticus XXI, vers 14 blykt gewis
Dat een weduw geen goede vrouw voor een priester is;
Eén hoofdstuk daarna (maar een vers minder) doet óns weten
Dat een weeuw zonder kinderen \'t brood van haar vader mag eten;
En NUMERl XXX, vers negen, wel geteld,
Zegt, dat de belofte van een weeuw ten haren laste geldt;
In Deuteronomium X, vers 18, betuigt de Heer met geschreeuw...
-ocr page 175-
MULTATULI            »                             155
—  Hé? vroeg juffrouw Laps.
—  Ja, dat wil zeggen: majesteit^ legde de Katechiseermeester
uit. Luister maar verder, juffrouw.. .\'t is niet om te roemen. . . ik
zeg maar: luister verder! Ga voort, Klaas!
met geschreeuw.
Dat lly_ altyd recht doet, en kleêren geeft, aan wezen en weeuw;
In Deutkkonomium XIV, vers 29, worden wy gespoord
Om alle drie jaar iets te geven aan de weduwen in de poort;
Twee hoofdstukken later, vers II en 14 kunt ge lezen
Hoe men met de weduwen in de poort vroolyk moet wezen;
In Hoofdstuk XXIV, vers 19, staat vermeld
Dat men een schoof voor de weduw moet achterlaten op \'t veld;
In de twee volgende verzen wordt van de weduw geschreven
Dat ze druiven en olyven krygt die aan den boom zyn gebleven.
Kapittel XXXVI, vers 12 en 13, ze<;t \'t voort,
Spreekt weer over de weduw die te eten krygt in de poort;
Een hoofdstuk verder laat de Heer door Mozes betuigen,
In vers 19, dat men \'t recht van de weduw niet mag buigen;
Twee Samuei. XX, vers 3, spreekt er uitdrukkelyk van
Dat Davids by wy ven leefden als weduwen, by \'t leven van haar man.. .
—  By.. .wat? vraagde juffrouw Pieterse.
—  Bywyven, juffrouw, antwoordde de oude heer van der Gracht.
Uwe ziet hoe de jongen er alles inbrengt, wat in betrekking staat
tot weduwen...
—  De regels zyn niet even lang, klaagde Stoffel ... en ze lig-
gen en staan niet om-en-om.
—  Hoor Stoffel, daarin kan je gelyk hebben... omdat je
schoolmeester bent... maar dat kan my niet schelen. Ik vind die
by.. .by . .by... hoe zal ik zeggen?
—  Juffrouw Pieterse, uwe moet niet vitten, riep juffrouw Laps.
—  Juist, zei de katechiseerman, alle zegen komt van boven. Ga
voort Klaas!
—    Neen, zulke dingen wil ik niet hooren ... \'t is om de
meisjes.
Nu ja, de meisjes bekeken heel fatsoenlyk haar nagels. Dat wil
in zoo\'n geval zeggen dat men heel braaf is, niet weet wat by-
wyven zyn, en in-weerwil van die onwetendheid, toch openlyk
betuigt nooit iemands bywyf te willen worden.
—  Ga voort, Klaas!
—  Volstrekt niet! Als ik geweten had dat er zulke dingen zou-
den worden gezegd, had ik myn meisjes thuis gelaten. ..
—  Maar, juffrouw, \'t staat in de Schrift ? Uwe zal u toch niet
verzetten tegen \'t woord des Heeren?
-ocr page 176-
156                                    WOUTERTJE P I ETERSE.
—  Né.. . ik verzet me niet. Maar ik wil niets hooren dat onfat-
soenlyk is. Myn man. ..
—   Uw man verkocht schoenen, dat weet ik wel juffrouw.. .
maar uwe zal toch niet tegen de Schrift. .
—   Ik doe niets tegen de Schrift. .. maar ik houd niet van ge-
meenigheid. Kom, Sertrude. . .
Men ziet, juffrouw Pieterse was fatsoenlyk geworden. Vroeger
was zy zoo prikkelbaar niet, en de jonge-juffrouwen hadden wel
erger dingen uit die Schrift geslikt, zonder de minste walging.
Maar \'t verhuizen van een zystraat naar \'n hoofdstraat... en kin-
deren met fransche namen... en \'n dokter met bont op z\'n koet-
sier... och, \'t is zoo moeielyk schrifturig-gemeen te blyven, als zoo-
veel krachten samenwerken om ons te dryven op den fatsoenlyken
weg.
Als ik nu \'n roman schreef, en dus vryheid had de gebeurte-
nissen te regelen naar myn zin, zou ik juffrouw Pieterse nog-eens
laten erven, om den lezer te doen zien hoe ze door nóg meer
fatsoen, weer terug viel in \'t gemeene. De bybelwoede openbaart
zich \'t duidelykst by groot en klein gemeen. De tusschenstand
schrikt terug voor \'n naaktheid van uitdrukking, die geoorloofd
schynt in straat-, kansel- of hoftaal, maar die den moed te-boven-
gaat van iemand wiens »fatsoen" beivys noodig heeft.
-ocr page 177-
Extia-rtne-superior-water-colouis. .. warranted Oude en nieuwe prenten.
Üloffelsche wyshedens.
De ziekte van onzen Wouter nam ten-laatste een gunstigen keer.
Toen hy zich sterk genoeg voelde om voor \'t eerst het bed te ver-
laten, vond de familie dat-i sgroot" geworden was. En wie dit niet
zelf kon zien, zei \'t den anderen na. Maar niemand scheen inniger
van de zaak overtuigd dan juffrouw 1\'ieterse. »De jongen was uit
al z\'n kleeren gegroeid, verzekerde zy, en \'t zou heel wat in hebben,
hem weer fatsoenlyk voor den dag te doen komen!" Na van Wou-
ters ziekte zooveel wichtigkeit te hebben geoogst als maar eenigszins
mogelyk was, begon \'t mensch zich nu al toeteleggen op \'t uitbuiten
van de belangwekkende bereddering die er kon worden vastgeknoopt
aan z\'n beterschap.
\'t Kind zat prenten te kleuren, die hy met \'n verfdoos ten-ge-
schenke had gekregen van den dokter. De verf was echt Engelsch,
had Stoffel gezegd, en zeker van de beste soort, want er stond \'n
woord op, dat niemand begrypen kon: warranted! En ook de
moeder hield zich overtuigd dat het wel sgoed spul\'-\' wezen zou,
omdat »zoo\'n dokter toch \'n heele man is!\'\'
Och, die prenten! Ze waren voor Wouter nogal byzonder, omdat-i
op weinig uitzondering na tot-nog-toe geen ander soort gekend had,
dan de figuren die den huiselyken\' tegenspoed van Jan de Wasscher
moesten voorstellen, of iets dergelyks. Dit nu zou niet volstrekt on-
belangryk geweest zyn, wanneer ze hadden moeten dienen tot ver-
maak van volwassenen, of van dezulken onder hen die genoeg ont-
wikkeld zyn om stof tot opmerking te putten uit het allergeringste.
Maar kinderen staan te laag, om \'t dagelyksche te waardeeren.
Sommigen myner lezers zouden waarschynlyk even als ik, veel geven
-ocr page 178-
158                             WOUTERTJE PIETERS E.
willen voor \'n eenigszins volledige verzameling van de prenten
waarop men in Wouter\'s tyd de kleine gemeente vergastte, en toch
zullen misschien slechts weinigen zich een der eigenaardigheden
herinneren, waardoor die kunstgewrochten zich onderscheidden. Ze
waren namelyk op allerzonderlingste wyze gekleurd. Op elk der
twaalf vakken waarin gewoonlyk zoo\'n vel papier — dat in de
kinderwereld de prent heette — verdeeld was, had de smaakvolle
fabrikant twee of drie kladden verf gesmeten, zonder in \'t minst
acht te slaan, noch op de plek waar ze te-land kwamen, noch op
den eisch der figuren die ze geheel of gedeeltelyk raakten. De
rechter-bovenhoek van \'n huisjen op den linker-voorgrond, mocht
mét \'n stuk hemel en \'n paar helften van boomen ofdebovenlyven
van twee of drie wandelaars, geel zyn. Ergens in de lucht hing \'n
roode of groene vlek, en in den linkschen vóórhoek zwommen twee
koeien, \'n sloot, en \'n heele kudde schapen met herder en al, in \'t
blauw. Zoo\'n prent was jgekleurd" en kostte, dus toegetakeld, in
Wouters tyd twee duiten. Waar de finantieele krachten der kleine
koopers zoo ver niet reikten, konden ze ook \'n halve bekomen, by
welke gelegenheid het viertal plaatjes dat de middelste rei vormde,
sans facon werd doorgescheurd, en alzoo vry geschonden de wereld
intrad. Maar dit scheen onze jeugdige kunstliefhebbers niet te deren.
Een halve prent was hun \'n even bruikbaar voorwerp als \'n halve koek.
\'t Spreekt vanzelf dat Wouter aan zoo\'n vandaalsche berusting
ontgroeid was. En dikwyls had hy zich dan ook in \'t bezit gezien
van wat beters, doch nooit van \'n schat als die hem nu van den
goeden dokter was ten-deel gevallen. Z\'n nieuwe prenten bestonden
meerendeels uit omtrekken in koperdruk, zoodat-i volle ruimte had
iets als smaak by \'t kleuren te-pas te brengen, en bovendien zich
kon oefenen in \'t schaduwen. De heele familie vermaakte zich met
de geschiedenissen die daarop waren voorgesteld Men vond er
Genoveva, den verloren Zoon, de ridders van de ronde tafel, Ursyn
en Valentyn, de vier Heemskinderen, gevechten tusschen Grieken
en Turken, het overtrekken van den Balkan, den dood van Marco
Bozzaris, \'t beleg van Silislria, Salouw\'s Recht, de ivyze en dwaze
maagden, de geschiedenis der schoone Helena vprincesse van het
Oosten^
en wat al verder by zoo\'n kollektie behoort.
Boven alles echter voelde Wouter zich aangetrokken door de
personen uit eenige in zyn tyd populaire treur- en zangspelen. Hy
bezat de zeer nauwkeurige gekostumeerde afbeeldingen der figuren
uit Macbcth, Othello, Koning Lear, Hamlet, Tooverfluit, Barbier
van Sevilla, freyschntz
en nog \'n tal van andere stukken, waarvan
het een hem nog romantischer voorkwam dan \'t ander. En hy
vermaakte zich met het kiezen der kleuren voor de kleeding van
z\'n helden en heldinnen, waarby meermalen de raad der gansche
familie werd ingeroepen, zoodat zelfs Leentjen er by te-pas kwam.
-ocr page 179-
MULTATULI.                                            159
Gewoonlyk was men \'t oneens, maar dit zette de zaak gewicht
by. In één opzicht slechts scheen de familie door \'n soort van
H. Geest geleid te worden tot eenstemmigheid: gezichten en handen
moesten vleeschkleurig zyn, en de lippen rood. Dit had men altyd
zoo gezien, en bovendien. . .waarom anders zou die verf vlcesch-
kleur heeten ? Hamlet voer er slecht by, en kreeg \'n welvarender
tint dan by z\'n melancholie paste.
—  Ik wou wel eens weten wat al die poppen toch eigenlyk be-
duiden, klaagde Wouter.
—  Dat moet je dan maar aan Stoffel vragen, antwoordde z\'n
moeder. Wacht tot i van z\'n school komt.
En dit geschiedde. Stoffel, de tot voorganger gestempelde apostel
van den huize Pieterse, vervulde vry nauwkeurig dezelfde rol die
we dagelyks hooren opdeunen door soortgelyke wezens in de Maat-
schappy. Zelden erkende hy iets niet te weten, doch hy had zich
de hebbelykheid aangewend, eenige nietszeggende woorden uittestoo-
ten op \'11 toon alsof er geurige wysheid van z\'n lippen vloeide. Z\'n
heilbegeerige hoorders waren voldaan, of liever ze drongen zich dit op.
—  Wat al die poppen beduiden ? Ja, zie-je... \'t zyn, om zoo te
zeggen, de portretten van verschillende personen. Daar heb je nu,
by-voorbeeld, die daar. .. met \'n kroon op z\'n hoofd, dat is \'n koning.
—   Je ziet, Wouter, dat Stoffel je alweer te-recht helpt, seurde
de moeder.
—  Ja, moeder! Maar ik wou zoo graag weten welke koning, en
wat-i gedaan heeft ?
—  Wel, zei Stoffel, \'t staat er onder. Je kunt toch lezen ?
—  Macbeth?
—  Wel zeker! Dat is Macbeth, \'n beroemde koning uit den
ouden tyd.
—  En die daar, met \'n zwaard in de hand?
—  Ook \'n koning... of \'n generaal... of \'n held... of zoo-iets.
\'t Is iemand die vechten wil... misschien David, ofSaul, of Alexan1
der de groote.. . maar je begrypt dat men niet altyd alles zoo
precies weten kan.
—  En die dame met de bloempjes ? Ze schynt ze stuk te plukken.
—  Zy? Hm... dat is... laat zien: Ophelia. Ja, dat is Ophe-
lia, zieje?
—  Ja. Maar waarom gooit ze die blaadjes op den grond ?
—  Waarom? Waarom? Zoo kan je zoovéél vragen?
Hier kwam de moeder haren Ruben te hulp.
—  Ja, Wouter, je moet niet meer vragen dan \'n mensch ant-
woorden kan.
-ocr page 180-
IÓO                                  WOUTERTJE PIETERSE
Wouter vraagde niet meer. Maar wel nam hy zich voor, \'n gele-
genheid te zoeken om te doorgronden wat toch al die poppen be-
teekenden ? En dit was dan ook de reden waarom die eenvoudige
figuren hem meer belang inboezemden, dan al de andere platen
waarop heele geschiedenissen waren voorgesteld.
De geschiedenis van Genoveva was op de prent geheel uitver-
teld, en liet weinig te gissen over. De auteur der onderschriften
had de zaak volkomen afgedaan, en al stuitte Wouter hier-en-daar
op \'n woord dat-i niet vertalen kon — \'t spreekt immers vanzelf,
dat we hier te-doen hebben met duitsch fabrikaat? — toch was de
hoofdzaak helderder dan geschikt zou geweest zyn om arbeid te
geven aan Wouters fantazie. En.. . zonderling, met de onopge-
helderde byzaken bemoeide zich die fantazie niet.
Of is de gemakkelykheid waarmee mensch en merschdom op
zekere leeftyden heenstapt over ongerymdhedens, niet zonderling ?
Ze blyft in-allen-geval opmerkelyk.
• Waarom nam men, byv. in grieksche en romeinsche mythologie
genoegen met \'n Jupiter die jong geweest en door \'n geit gezoogd
was, zonder er aan te denken dat \'n geboren god oud worden en
sterven moest ? Al de geschiedenisjes die op den ülymp gespeeld
waren, nam men als gebeurde zaken aan, en niemand schynt er
aan gedacht te hebben dat de voortzetting daarvan mogelyk, of
liever noodzakelyk was. De onttroning van Saturnus vond geen
tegenspraak, maar de dichter die \'t gewaagd had in \'n prcmkr-
olympc
te vertellen dat de veroveraar Zeus op zyn beurt \'n gelyk
lot had ondergaan, zou voor :n godslasteraar gehouden zyn. Ook
in andere meer moderne mythologiën. . .
Maar we willen nu liever dat gebrek aan kritiek^ in Woutertje be-
schomven. De deugdzame Genoveva werd op \'t laatste plaatje vol-
komen gelukkig, en de verrader behoorlyk gestraft. Hoe was er voor
de zoo lang verstoten vrouw geluk denkbaar, aan de zyde van \'n woe-
steling als de echtgenoot die haar op zoo ongegronde verdenking
in de wildernis jaagde? Wie stond haar borg dat-i niet straks op-
nieuw een dergelyke dollemanskuur aan haar begaan zou ? En. ..
vanwaar bekwamen de kinderen zulke mooie kleertjes? Ze schit-
terden van kleur en galon. Wouter zag dit wel, en hy was er wel
jaloers op. . .
Dat was wat anders dan de afgelegde buisjes en broeken van
Laurens, waarmee hy gedreigd werd door de overleggende moeder!
Nu ja, hy had wel de onburgerlyke weelderigheid van zoo\'n
woestynleven opgemerkt, en zich voorgenomen by gelegenheid \'n
ple.kjen optezoeken, waar \'t ongeluk zoo fraai gekleed kon gaan,
maar \'t kwam hem niet in den zin, naar de herkomst van zoo\'n
garderoète te vragen.
-ocr page 181-
Bevolking-statistiek van een onbekend Keizerryk. Be geest van Femke komt
titanen, en wordt in die fttnktie welwillend bygestdtm door
Wouters neus. We
staan voor \'t kleine te laag. Rehabilitatie van
Petrus. Ophelia zonder vlek-
ken. ..niet
«arranted voor de toekomst. Beschouwingen van Stoffel en I.eentjen
ever dramatische kunst. Hoe Salomo en Mozart veramsterdamd geworden zyn.
Niets boeide onzen Wouter zoozeer, als die zwygende ernstige
peinzende, tot opheldering uittartende poppen. Als sfinksen drongen
zy zich aan z\'n verbeelding op, en schenen te eischen dat hy hen
zou toespreken, en dwingen tot antwoord. Zonder dat hy zich
reden wist te geven van z\'n indrukken, kwamen die stomme beelden
hem als spoken voor, die om zynentwil verschenen waren. Als
geesten die hem iets te zeggen hadden, die hem kenden, en van
hem wilden gekend zyn.
Met huivering en iets als schaamte hield hy lange gesprekken
met de voorwerpen van z\'n vereering, en al verstond-i de ant-
woorden niet, toch voelde hy zekere voldoening. Al die voornaam
gekleede personen schenen het niet beneden zich te achten, in
aanraking te komen met het kind dat zich zoo nederig voelde in
z\'n katoenen nachtpon, met \'n »bakkertjen" op \'t hoofd.
Toch waren de onderwerpen van de gesprekken die hy voerde,
stipt besloten binnen den grens van de gegevens waarover hy in
z\'n herinnering te beschikken had, al zou dan ook menigeen, in-
dien Wouter overluid had durven denken, telkens hebben uitge-
roepen : waar haalt de jongen \'t vandaan ? Och, hy rangschikte! En
zelfs de onwillekeurigheid waarmee dit geschiedde, had hare niet
moeielyk aantewyzen oorzaken. Hoe nauwer z\'n omgeving, hoe
wilder de sprongen die hy wel maken moest om de leedjes van z\'n
ziel uittestrekken, zoodra hy rondhuppelde op \'t onbegrensd terrein
dat hèm behoorde. O, die dolle Keizer Wouter in \'t breed domein
11
-ocr page 182-
IÓ2                                     WOUTERTJE PIETERS E.
dat-i bezig was te veroveren! O, die onverzadelyke Alexander
Philipse in z\'n nachtjurk!
Maar... dat domein was schraal bevolkt. Dit is waar. Hy moest
zich vergenoegen met de gegevens die z\'n eigendom waren, met de
weinige personen die hy kende, en met het mikroskopisch-kleine
beetje dat-i beleefd had.
De helden van z\'n prenten bracht-i in aanraking met den dokter
die hem zoo liefderyk had behandeld, of met de sujetten uit z\'n
nog altyd niet vergeten Glorioso. Ook de welbekende peruaansche
geschiedenis leverde eenige onderdanen aan z\'n Ryk. Hy huwde
Telasko uit aan de min van Juliet, en de priesters van de Zon
kregen \'n schitterende revanche op Elias en i Kon. 18. Meester
Pennewip ontving \'n splinternieuwe pruik, en wel van gouddraad,
waartoe \'t model werd ontleend aan den strooien krans van zeke-
ren King Lear, die \'r heel verdrietig uitzag, en z\'n leed scheen te
willen verzetten door met \'n soort van arlekyn gehurkt in \'n hoekje
te zitten. Leentje zei, die magere man met bellen was zeker \'n nar,
want: »narresleden rinkelden óók zoo. Dat zou Wouter van den
winter hooren, zoodra er sneeuw lag."
Waar onze kleine man verlegen was om sujetten die tot brug
konden dienen tusschen weten en gissen, tusschen tastbaarheid en
droom, maakte hy gebruik van de personen die hy onder z\'n ven-
ster zag voorbygaan. Met zoo\'n sober materiaal moest-i zich behel-
pen. Toch deed-i dit liever dan dat i uit armoed aan bouwstoffen,
zou hebben gebruik gemaakt van z\'n onmiddellyke omgeving. Het
scheen hem niet in den zin te komen, een van z\'n verwanten te
kiezen tot paranimf zyner gedachten. Zelfe Lady Macbeth, die er
toch niet heel vrindelyk uitzag, en zoo huiselyk haar handen
waschte, scheen hem van hooger natuur dan z\'n moeder of juffrouw
Laps Niets kwam hem aanzienlyker voor, dan daar als pop op
zoo\'n prent te staan.
En de kleeding! Kronen, diademen, toques en beretten! Helmen
met fladderende vlerken, met \'n bos pluimen, met yzeren tralies als
\'t venster van \'n gevangenis ! Zwaarden en dolken met kruisgevest
waarop men zweren kon ! Lange sleepen, gepofte mouwen, gordels
met afhangende iMtc/ai//£-keten... alles van goud zeker, en hy
zou er dan ook braaf wat gittegom aan te-koete leggen! En wat
aardige kereltjes waren die pages met \'n vogel op den kruk! Zelfs
zoo\'n vogel was byzonder, en gaf raadsels op. Want hy had \'n
kapjen over z\'n gezicht, als iemand die niet bekend wil zyn. Neen,
neen, al die schoone zaken behoorden by Wouters omgeving niet!
»Hoe is \'t rnogelyk, dacht-i, dat iemand die zulke prenten bezit,
ze verkoopt? De dokter heeft ze zeker geërfd."\'
Al had-i geweten dat Lady Macbeth de gepersonifieerde voorsteb
ling was van misdaad, dan nog zoud-i \'t heiligschennis geacht heb-
-ocr page 183-
MULTATULI.                                        165
ben, haar in aanraking te brengen of te vereenzelvigen met de
draagsters eener deugd, die hem instinktmatig tegenstond doorbur-
gerlyke ordinairheid. De eerste inbreuk op deze richting was door
dien strookrans van Koning Lear veroorzaakt, en misschien zou \'t
daarby gebleven zyn, wanneer hy niet op-eenmaal in Ophelia\'s ge-
stalte iets ontdekt had, dat hem herinnerde aan. .. Femke. Zóö
ook zou zy kunnen staan, meende hy, bloemen vernielend, en de
blaadjes om zich heen strooiende.. .
Hy schrikte!
Wel had-i \'n flauwe herinnering dat er gedurende z\'n ziekte iets
met het meisje was voorgevallen, maar \'t rechte wist-i niet. Aztal-
pa\'s moeielyke keus... staande en liggende regels van \'t vers dat-i
niet had kunnen maken... de bons van z\'n val, toen-i in z\'n ziekte
Femke\'s stem gehoord had... de wilde bruiloft van \'t bleekgoed. ..
pater Jansen met de zaligheid... alles was hem één verwarde klomp
herinnering. En hy nam zich dit kwalyk, als iemand die door
slordigheid iets kostbaars liet verloren gaan of bederven. Hy trilde
by \'n onbestemd gevoel, en spande zich in om terug te vatten wat
ontglipt scheen aan z\'n gemoed. Toen-i met \'n paar gemaakt-onver-
schillige woorden naar sdat meisje" gevraagd had...
O, die kleine huichelaar! Waarom noemde hy \'t lieve kind niet
by haar naam? Als ik liegen mocht, zou ik bepleiten dat-i \'t goed
meende. Men zou kunnen veronderstellen dat in zyn gevoel Femke\'s
naam te liefelyk klonk voor de ooren van Sertrude, Mine en Petrö.. .
Neen, neen, neen! Zóó is \'t niet geweest! De besten onder ons
hebben iets van Petrus, met z\'n: ik ken dezen man niet! Juist de
besten het meest. Ik zal trachten hiervan iets uitteleggen. Misschien
verklaart dit het vertrouwen van Jezus op den apostel die hem
verloochende.
Och, de preek is te makkelyk. Ik vrees dat de lezer me begrypen
zal voor ik gereed ben, en me de konklusie afsnyden met \'n: dat
spreekt vanzelf, ik heb \'t nooit anders ingezien.
Om Petrus te leeren begrypen, den moedigsten van Jezus\' volge-
lingen, behoeft men zich slechts voortestellen dat er, vóór \'t verraad,
aan Judas gevraagd was: zyt gy ook niet uit zyne discipelen ? Judas
zou waarachtig niet neen gezegd hebben! Een betuiging kost den
laaghartige niets, maar den oprechte is zy \'n daad. Petrus was niet
gereed voor \'n offer, vooral omdat het gevorderd scheen zonder dat
het op \'n offer geleek. Voorzeker zou hy z\'n heer niet verloochend
hebben, indien hem de vraag ware gedaan door gewapende en drei-
gende krygslieden. Hy had z\'n karakter niet by-de-hand, omdat de
ondervraging geschiedde door \'n dienstmaagd, en... eens verloochend
hebbende, struikelde hy over de geringe moeielykheid van \'t terug-
komen op z\'n woorden, hy die zich met moed en lust zou hebben
-ocr page 184-
164                           WOUTERTJE PIETERSE.
teweer-gesteld tegen \'t schrikkelykst gevaar. Waar \'n held zich klein
toont, is \'t by vergissing... het toonen niet, maar \'t klein-voelen
zelf. We kunnen dien toestand vergelyken by de penurie van den
ryke die, ongewoon aan geringe geldelyke bezwaren, verzuimd heeft
zich by zekere gelegenheid te voorzien van pasmunt.
Wel jammer, dat die pasmunt zoo\'n groote rol speelt in de wereld !
En heel onbillyk, dat lieden die gewoon zyn aan kopergeld, zich zoo
vermeien in den nood van den millionair wanneer hy ten-gevolge
van hun armoed, z\'n bankpapier niet gewisseld kan krygen!
Waarachtig, onze Wouter zou Femke niet verloochend hebben als
men den dood gezet had op z\'n . . liefde! Nu, liefde was \'t eigen -
lyk niet. Mischien ook was het dit wel, of iets er van. Maar dan
moeten we \'n gansch ander woord zoeken voor de duizend-en-een
aandoeningen die daarvoor in wereld en litteratuur gewoonlyk wor-
den aan de markt gebracht.
Naar »dat meisjen" alzoo had-i gevraagd, \'t Was al veel dat-i
z\'n lippen niet kon dwingen tot de uitdrukking: sdie meid-\' gelyk
volgens anderen de ware lezing was in de huis-annalen der Pieter-
sens.
En men had hem afgescheept met \'n paar onverschillige woorden,
die hem deden voelen dat er in die omgeving geen plaats was voor
z\'n roman, al stelde hyzelf die zoo byzonder hoog niet. Hy nam
zich voor, Femke te bezoeken zoodra hy \'t huis zou kunnen verla-
ten, en klaagde aan z\'n moeder, dat het sbakkertje" hem zoo kneep. ..
omdat-i niet graag door Femke, als ze soms mocht voorbygaan,
wou gezien worden met \'n kinderachtige pluimmuts. Zoo\'n ding
paste niets by peruaansche brandstapels. En zelfs by »ivoren poor-
ten" maakte het \'n ontwydend effekt.
Al was er veel uitgesleten van de indrukken die hem overweldig-
den en neerwierpen op \'t ziekbed, toch was-i braaf genoeg om iets
als zelfverwyt te voelen dat-i zich zoo lang had bezig gehouden
óf met niets, öf met iets anders dan \'t meisje dat hem zoo\'n har-
telyken zoen gaf, toen-i dapper geweest was. Dat wegwerpen van
vernielde bloemen door Ophelia, had wel iels van : zie Wouter, zóó
hebje met my gedaan ! Waren we riet afgesproken dat. ..
Wel neen, afgesproken was er niets. Toch kwam \'t Wouter voor,
dat-i \'n woordbreker was, en \'n gloed van schaamte overtoog z\'n
gelaat.
Die Ophelia.. . ja, ja, ze was het! Want zie, daar kwam Petró
met \'n bak hemden en sokken en allerlei ondergoed, dat zich in
een der talryke stadiën bevond, die men \'t vuil-linnen laat door-
loopen, voor \'t geschikt is om weer op-nieuw vuil gemaakt te wor-
den. Wasschen, spoelen, styven, rekken, mangelen, stryken... weet
ik het! Het zoodje rook naar loog. .. zóó\'n lucht was er ook by
*
-ocr page 185-
MULTATULI.                                            165
Femke\'s bleekgoed, en alzoo riep Wouter\'s neus hem toe: ja, ja,
zy is \'t wel, zy, de dame met de uit elkaar gereten bloempjes. ..
de heele kamer riekt er na !
—  Als je beter bent moet je-n-eens naar den dokter gaan, zei
de moeder, en hem bedanken voor je beterschap. .. naast God. En
me dunkt dat je \'m dan met-een wel \'ns kon laten zien wat je al
zoo gekleurd hebt.
—   Ja zeker, moeder, dat zal ik doen! Ik zal haar den heelen
prins van Denemarken geven . . ik meen.. . hem, den dokter!
—   Ga je gang, jongen. Maar zorg dan, dat je \'r geen vlekken
op maakt. En denk er aan, dat die geest van den ouden ridder
heel bleek moet zien. Stoffel heeft het gezegd... omdat het \'n
geest is, weetje.
—  Ja, moeder. Ik zal \'m heelemaal wit maken.
—  Goed. En als je nu eens die dame daar in \'t geel zette ?
De moeder wees met \'n breipen op Ophelia.
—  Neen, o neen, riep Wouter snel. Ze was in \'t blauw!
—  Ze was ? Wie was ?
—  Ik meen maar, moeder, dat ik al zoo veel gelen heb. En
daarom wou ik haar.. . deze.. . die — Ophelia heet ze, \'t staat
er onder — nu eens blauw maken. De dame die \'r handen wascht,
kan dan weer geel zyn.
—  My wel, zei de moeder. Als je maar zorgt dat er geen vlek-
ken op komen.
De ontwikkelde lezer weet dat Lady Macbeth tamelyk bevlekt
was, lang voor ze in prent werd gezet. Maar Ophelia\'s beeld is
rein uit Wouters handen gekomen. Wat daarmee later geschiedde...
Helaas!
Ik zal nog veel moeten toenemen in menschkunde en schryftalent,
voor ik dat behoorlyk schetsen kan. Maar ik zal m\'n best doen.
Gelukkig dat we nog in lang zoo ver niet zyn. Er is ruim tyd tot
oefening.
De slimme Stoffel was te weten gekomen wat dat dan toch eigen-
lyk voor prenten waren. Hy hing \'n tafereel op van zaken die,
hoe bekend ook in andere kringen, door de Kinderen-Pietersens voor
nieuw werden aangezien. Een van Stoffels kollega\'s was verwant
aan de tooneelwereld, en had hem verhaald dat zulke afbeeldingen
van kostumes \'n groote rol spelen onder de behoeften van akteurs.
By deze zelfde gelegenheid vernam men nu een-en-ander over de
stukken waaraan Wouters prenten ontleend waren, en over tooneel-
spelen in \'t algemeen.
\'t Was voor Wouter \'n geluk, dat het juist Stoffel was, die deze
"%
*
-ocr page 186-
l66                              WOUTERTJE PIETERS E.
kennis in \'t huis bracht. Van eiken anderen kant gekomen, ware ze
misschien afgeweerd als onbehoorlyk, en zeker onwelwillend nage-
plozen als iets verdachts. De woorden stooneel" en »schouwburg"
hebben nog thans in de ooren van velen \'n zeer onzedelyken klank,
en dat was \'n heele of halve eeuw geleden nog veel erger dan tegen-
woordig. Maar "t genoegen van wysheid te verkoopen, noopte Stoffel
tot gunstiger voorstelling van de zaak, dan-i anders had kunnen
overeenbrengen met de bekrompenheid die by hem de funktien van
\'t geweten vervulde.
—  Zieje, moeder, er is komedie en komedie. Uwe moet onderscheid
maken tusschen \'n treurspel en... de vertooning van allerlei gekheid,
waaruit \'n mensch niets leeren kan. Er zyn van die komedies,
die... heel treurig zyn, en de menschen huilen er van.. . heele
deftige menschen.
—  Gut, zei juffrouw Pieterse.
—  Ja, moeder! En dan zyn er weer andere stukken waar ze by
zingen en muziek maken, en dat kan ook heel mooi en zedelyk
wezen, en dat noemen ze dan by voorbeeld... \'n opera. En heel
veel fatsoenlyke menschen gaan er heen. Uwe ziet, moeder, dat
•daarin niets onzedelyks is, en dat men niet zoo bekrompen moet
:zyn, en alles zoo terstond afkeuren. By de oude Grieken speelden
ze ook komedie, en daarin studeeren nog tegenwoordig onze pro-
fessers.
—  Is \'t mogelyk!
—   Ja, moeder. Al die prenten van Wouter zyn genomen uit
wezenlyke stukken, en \'t zyn heele geschiedenissen. Ik kan nu zoo
op-eenmaal niet alles vertellen, en wil maar zeggen dat er ook
goede komedies zyn.
—  Dat moet je dan toch eens aan juffrouw Laps vertellen. Zy
.zegt altyd...
—  Wat zy zegt! \'t Mensch heeft nooit \'n komedie gezien.
Dit was wel waar, maar de heele Pietersens-familie was op dit
stuk geen haarbreed verder. Slechts Leentje misschien...
—  Daar heb je \'t! riep de moeder. Ze zal dien donderdag avend
in de komedie geweest zyn . . . want het was \'n donderdag . . .
zoo zieje, hoe dan toch obboedekon{ci) alles aan den dag komt!
By de familie Pieterse deelde het huishouden in den voorrang
van heilighedens en officieele autoriteit. Het is de vraag, of onze
juffrouw Pieterse \'n Engel des Heeren vriendelyk zou ontvangen
hebben als-i haar was komen storen in de bereddering niet keuken
of wasch!
.<?) Juflrouw Pieterse bedoelde „au bout du compte."
-ocr page 187-
MULTATULI                                             167
Een huishoudelyke zaak nu was \'t geweest, dat Leentjen eens \'n
achtermiddag verlof had gevraagd wegens » schrikkelyke hoofdpyn" —
by burgerlui is elke pyn terstond schrikkelyk — en ... er was
later gebleken dat ze den avond van dien dag niet by haar moeder
thuis was gebleven. Den storm die hierdoor werd opgewekt, kan ik
overslaan, omdat de goede Virgilius dien voor my beschreven heeft:
ijiios ego ... en ite, deae pelagi\' Gut, wat de tritons zich weer-
den . . . Trui, Mine, Petrö! En Aeolus, de brave Stoffel! Alles
blaasde braafheid, en \'t Ryk der ondeugd sidderde.
— Als \'t schepsel dan in-godsheerennaam maar zeggen wou waar
ze geweest was, kermde de moeder. Ik kan toch geen sic het ten
over den vloer houden, die den nacht hebben doorgebracht . . .
god weet waar!
Den nacht? Dit stond juffrouw Pieterse heel leelyk! Die ver-
vloekte liefdeloosheid der hyperbolen! Den nacht?
Ze wist beter dan gy en ik, lezer — want ze had het van Leentje\'s
moeder, die er niet om jokken zou — dat de stumpert «heel be-
daard zoo tegen elven was thuis gekomen onder begeleiding van de
kleermakers-juffrouw van hier-naast.\'\'
Den nacht? Den nacht?
Wat toch, om \'s hemels wil had de onbehagelyke Leentje met
haar nachten kunnen uitvoeren ? \'t Viel het onnozel meiske reeds
moeielyk genoeg, niet groots te worden op de hoogdravende ver-
denking. Ach, wat had er veel anders moeten zyn, voor ze \'r aan
denken kon, iets te gebruiken van de massa deugd die by haar
braak lag! En dat wist juffrouw Pieterse ook wel. Ze schoof dien
problematischen nacht maar tusschen de dithyramben van haar
verontwaardiging om de delinkwente te dwingen tot bekentenis.
Maar Leentje was taai, en verklapte niets. Ze had geheimhouding
beloofd aan de kleermakers-juffrouw, die zich jzoo in-acht moest
nemen voor de menschen, omdat haar man \'n nieuwlichter was."
Deze zaak was verheven tot rang van mysterie. En de belang-
stelling nam toe, toen men in Leentje\'s naaidoosjen \'n afgescheurd
stuk vond van \'n >^personen-" lystje. Ook had men Leentje betrapt
op \'t neuriën van \'n lied dat voor \'t eerst uit haar mond gehoord
werd, en duidelyk heenwees op onbekende relatiën. Het was de
roerende aria: »\'k bèn vol eer, \'k bèn vol eer, ziet ik ben d\'r \'n
man vol eer!"
En nu eindelyk was, na Stoffels bekeering tot het tooneel, \'t
plechtig oogenblik aangebroken, waarop al die duisternissen zouden
worden opgehelderd. Leentje werd geroepen, en viel door de mand.
Ach ja, ze had »de komedie" bezocht, en wel die van den be-
faamden Jan Gras, den toenmaligen Apollo van de Elandstraat.
Ik ben daar nooit geweest, maar wel herinner ik me, met welken
-ocr page 188-
l68                              WOUTERTJE PIETERS E.
eerbied ik sommige schoolmakkertjes aanzag, die over dien tempel
der Muzen wisten meetespreken.
\'t Spreekt vanzelf dat Leentje begon te schreien. Ze meende iets
zeer verschrikkelyks geopenbaard te hebben, en wilde juist beloven
dat ze \'t nooit weer zou doen, toen ze tot haar verwondering ver-
nam »dat er volstrekt geen kwaad stak in zoo\'n uitspanning, en
dat de grootste professers wel eens daarheen gingen. ..
—  Né, moeder, dat heb ik niet gezegd. Ik heb gezegd dat onze
Grieksche professers...
—  Nu, dat\'s hetzelfde, riep juffrouw Pieterse. Ik bedoel maar dat
\'n mensch zich wel eens veramuseeren mag. En zeg me nu eens
fransiman wat je daar zoo al gezien hebt.
Leentjen aan \'t vertellen. Wouter legde z\'n penseel neer. Petrö\'s
strykyzer werd er koud van. Ook Stoffel luisterde, en wel met de
eigenaardige uitdrukking van iemand, die heel nieuwsgierig is, doch
niet wil laten merken dat-i wat nieuws hoort. By elke zinsnede uit
Leentjes mond, zette hy \'n gezicht alsof-i zelf dat even goed zou
hebben kunnen vertellen, als-i \'t maar niet zoo druk gehad had met
z\'n pyp, hy keek z\'n moeder aan met blikken die haar sommeerden
te erkennen dat-i alles vooruit had geweten. De wereld is vol Stoffels.
Het spreekt vanzelf dat Leentjen en de kleermakers juffrouw
waren onthaald geworden op »De Onechte Zoon" van Kotzebue.
Hoogstens was er kans geweest dat ze *Menschenhaat\'en Berouw"
of »De dood van Rolla" als eersteling plukten op den akker van
haar tooneel-ondervinding. Maar die > Onechte Zoon" gaat voor."
Er is meestal \'n hysterisch element in de uitspattingen van burger-
lyke styfheid, en de kleermakers juffrouw die aan nieuwlichtery ge-
trouwd was, en sedert jaren op den sprong stond eens van de
wereld te snoepen, had geen weerstand kunnen bieden aan de aan-
lokkelyke onechtheid van dezen titel. Kotzebue was \'n faiseur die
z\'n zaak verstond. Geen van z\'n stukken maakte dan ook zooveel
opgang als dat fameuse -!>Kind der Liebe^\' Of deze benaming aan-
duidt dat men de behoorlyk geregistreerde kinderen zou moeten
beschouwen als voortbrengsels van haat of onverschilligheid, durf
ik niet beslissen.
Ziehier iets van Leentje\'s verhaal.
—   Eerst was er muziek, juffrouw, en ze speelden heel mooi, en
toen \'t scherm opging was er \'n groot bosch, en \'n vrouw zat te
huilen onder \'n boom, en er was \'n baron die haar zoon gevangen
nam omdat-i \'n jager was, en toen moest-i in de gevangenis, en hy
heeft toen heel mooi gesproken, en de moeder ook, maar de baron
zei dat-i heer en meester op z\'n land was, en de gauwdieven
straffen zou, en hy was woedend van kwaadheid, en toen zei de
-ocr page 189-
169
MULTATULI.
moeder... neen, er kwam \'n ander die zei... neen, zoo was \'t
ook niet, maar toen viel de gordyn weer, en de kleermakers-juffrouw
kocht wafelen die rondgeprezenteerd werden in de zaal door arme
jongentjes, en we hebben chocolaad gedronken, omdat de kleer-
makers-juffrouw zei dat \'t alle dagen geen kermis was. En er zat
\'n heer achter ons, die alles uitlei, en die de kopjes van ons aannam
toen ze leeg waren. Ook zeid-i dat de menschen hier zoo mooi speelden,
en dat er maar één comedie van Jan Gras was, en de kleer-
makersjuffrouw heeft \'m \'n pepermentje geprezenteerd, maar hy zei
dat we-n-\'s moesten kyken naar \'t scherm, omdat daarop allerlei
geschilderd was, groote beelden in \'n wolk, en bloemen, en \'n
man, die op \'n instrument speelde, en er vlogen engeltjes om heen...
snoepig! En de muzikanten speelden weer, maar begryp nu eens
wat, juffrouw ? Ze speelden: mooie meissies^ mooie bloemen...
— Foei, riepen de drie gratiën. Zoo\'n genieene straatdeun!
Met uw verlof, Sertrude! Als gyzelf wat hooger stondt, zoudt ge
uw neus minder hoog optrekken. Er is iets liefs in die chanson de
la rue,
door \'t gemeene volk géimprovizeerd op noten van Mozart.
Gedurende myn kort leven reeds, zyn we op dit punt zeer achter-
uitgegaan, en wanneer we de Volkspoëzie van tegenwoordig verge-
lyken by wat er van vroeger tyden tot ons kwam, is de slotsom
treurig. En. . . \'t beste is niet tot ons gekomen. Want schryfmen-
schen zyn ten-allen-tyde ongelukkige beoordeelaars geweest van wat
in hun eigen vak kunstwaarde had. De oorzaak ligt voor de hand.
Ze minachtten alles wat niet beantwoordde aan de schoolmeester-
lyke eischen van \'t métier. Kreupele rymen, maatverkrachting, dage-
lyksche woorden, straatgeboorte.. . hoe kon er poëzie voortkomen
uit zulke Nazareths ?
En \'t fatsoen! Het zinspelen op verboden zaken... neen, \'t ver-
boden zinspelen op dingen die liefelyker klinken zouden, als men
\'t maar niet in \'t hoofd gekregen had deugd te vervalsenen tot
preutsheid. Schryfletterkunde drong de volkslitteratuur van de baan,
en deftigheid smoorde de natuurkapriolen van \'t straatminnelied.
Kapriolen.. . bokkesprongen, zeker ! De door verzenmakers van
beroep vervaardigde »volksliederen" gelyken al zoo weinig op den
waren geest van \'t Volk, als \'n neurenberger-speelgoedschaapje op
de huppelende jonge geit die te-viervoet van den grond springt zon-
der zich te bekommeren over \'t neerkomen.
Die laatste vergeiyking moge eenigszins passen wat de tuchteloos-
heid aangaat, waarmee we in Wouters tyd, maat en rym van straat-
liederen hoorden mishandelen, voor \'t overige gaat ze byzonder
mank. Hoe de stemming van \'t Volk in vorige eeuwen moge ge-
weest zyn — vroolyk misschien ? — is my onbekend, maar in den
tyd waarvan ik spreek, was die stemming melankolisch en zelfs
-ocr page 190-
170                                 WOUTERTJE PIETERS E.
treurig. Men zoeke daarvan den weerklank niet in liederboeken.
Op zeer weinig uitzondering na, laat \'n Volk zich geen gezangen
voorschryven door deftige personen die altyd mistrouwd worden.
Hoogstens neemt het wat over van den orgelman. Om in de dagen
die lik bedoel, wel toegerust te zyn, moest zoo\'n erfgenaam der
Frauenlobs, Eschenbachen en Thanhausers \'n vrouw naast zich
hebben met \'n kind op den arm, en drie, vier andere »wurmen"
die haar aan rok en voorschoot hingen. En op \'t orgel lag \'t vyfde
of zesde dat, te oordeelen naar de gestalte der moeder, straks op-
houden zou \'t jongste te zyn. De echtgenoote hield \'n pak littera-
tuur in de hand en galmde. .
Waarachtig, de zaak is melankoliek! Een knip aan \'t instru-
ment... knik, knak, de cylinder schuift, stuit, wentelt,preludeert...
De stalen pinnen tokkelen tegen de tanden van den kam...
Maar dat moet presto gespeeld worden! Prestissimo.\' Allegro.\'
Beste Mozart, ge hebt niet gerekend op de tering van dien
orgelsjouwer! Niet op de vermoeienis der arme vrouw, bezaaid met
kroost! Niet ook op den smaak des Volks, dat... graag dol
vroolyk is, nu ja, hoe doller hoe liever, maar geen grooter vroo-
lykheid kent dan \'t smachtend sentimenteele.
Velen zullen dit vreemd vinden, en meenen dat de straatgalmen
getuigenis geven van het tegendeel. Misschien is dit zoo in onze
dagen, maar \'t was eenmaal zoo niet, en ikzelf heb die verandering
beleefd. Waren \'t verdwaalde spranken van de o- en ach-poëzie?
Lag \'t in de politische tydsomstandigheden ? Was \'t \'n voorlooper
van de hedendaagsche sociaal-kwestien ? Ik weet het niet. Maar
zeker is \'t dat de ongeleerde muze der straten de vroolykste melodien
omzette in iets weemoedigs. En, dat ook hier alweer \'t hysterisch
element niet ontbrak...
Geen gedachte zonder fosfer? Eilieve: geen poëzie zonder wei-
lust. En meer nog, zonder wellust geen schoonheidsgevoel, geen
schepping op \'t gebied van geest of gemoed.
\'t Mag waar zyn dat ondeugende toespelingen by zulke gelegen-
heden niet werden gespaard. Dat was de saus by \'t gerecht!
Maar toch... \'t idyllische blonk door, niet alleen, maar heerschte
zelfs in den toon waarop men z\'n verzen zette.
Of was \'t niet idyllisch, \'t gezang waarin \'n dwalend meisje
haren beminde zocht, en krytend vraagde:
Och lieve schildwacht heb jy hem niet gezien ?
Twee lippies als een koraal
Twee oochies als een kristaal,
Hy is myn iroosl en myn toevoorlaat.. .
"t Rym is wat verwaarloosd, zou meester Pennewip zeggen.
Nu ja, maar overigens. ..
-ocr page 191-
MULTATULI.
171
Wel zeker, overigens is \'t lief ! Vooral wanneer men zich
de smeltende melodie daarby denkt, die ik nu den lezer niet
kan voorzingen, omdat ik te ver van hem af ben. Och, hoe de
groente- mossel- en notenmeiden de sylben lang uithaalden, om
toch zooveel ze vermochten getuigenis te geven van iets als gevoel.
Dat ze valsch zongen, slecht, onwelluidend, tegen alle regels van
de Kunst... wat gaven de stumperts om Kunst ? De bedoeling was
maar dat de hoorder innig doordrongen zou zyn van de hartelyk-
heid waarmee die verdwenen beminde gezocht werd. Waarlyk, men
kreeg lust om meetezoeken, en \'t vinden bytewonen, schoon het de
vraag blyft of er grooter genot te verwachten was van \'t weerzien,
dan door de kittelende smart van dat zoeken geleverd werd.
En hoe kwam de liereman die \'t eerste deze minneklacht op-
dreunde voor \'t Amsterdamsen straatpubliek, aan \'n tekst uit Salo-
mo\'s prachtig Hooglied! Dit is goden en lieremannen bekend!
Treffend blyft het — en \'n aardige bydrage tot de hardnekkigheid,
waarmee zekere gegevens den Kampf nms Dasein voeren! — hoe
zoo\'n aandoenlyke type, na veertig eeuwen doodslaap, zich op-een-
maal weer vertoont, ginds begraven onder het puin van Jeruzalem,
hier verryzend onder \'t gepeupel van \'n gewezen groote stad.
Maar we waren by Mozart. Wie de muziek leverde op Salomo\'s
poëzie, weet ik niet, en evenmin kan ik zeggen wie de woorden
gedicht heeft op de melodie die Leentje zoo bekend klonk in den
muzentempel van Jan Gras. Maar wel herinner ik my \'n paar brok-
stukken — caetera desunt, helaas! — en ik leg me den moed op,
ze in druk te geven. Ziehier wat zoo afschuwelyk werd gevonden
door de dames Pieterse. Mocht een van m\'n lezers het schoone ge-
dicht in z\'n geheel kennen, hy zou me verplichten door de mede-
deeling. Aan aanvulling door eigen maaksel, waag ik me niet.
Mooie meissies, mooie blomme,
Van een mooi meissie ben ik gekomme,
En een mooi meissie is m\'n hartedief,
Daarom...
De konkluzie is stout!
Daarom heb ik alle mooie meissies lief!
Hier is, geloof ik, \'t couplet uit. En dit mag wel. Een flinke ri-
tournel op \'torgel kan hier wat ruimte van tyd geven, om den
hoorder te doen bekomen van z\'n schrik over zoo\'n Lovelace! Alle...
alle.. .
wel verbazend! Waar blyven hierby de arkadische Mirtyllen
en Meliboeën ? O. de heele Virgilius zinkt weg, by wat er volgt.
En Tibullus! En Theokritus! En Katullus! En Janus Secundus met
z\'n kusjes!" En Jonctys met z\'n „Roseliins Ochies!" En Bellamy...
-ocr page 192-
I72                              WOUTERTJE PIETERS E.
Kortom, ik eisch \'n hekatombe van minnedichters op \'t graf van
den onbekenden poëet, die z\'n weemoedig-verliefde complaintc
durfde in de plaats stellen van de woorden waarop Mozart \'n aller-
vroolykst motet komponeerde. Ze vormen de slot-aria der eerste
akte uit „Figaro\'s Ifoclizeit" waar de waardige page Cherubin, die
van-honk en naar \'t leger wordt gezonden omdat-i... te aardig
begon te worden voor dames-page, zoo grappig door Figaro wordt
geplaagd met z\'n nieuwe betrekking van held.
In \'t straatminnelied is geen spoor van plagery. Zelfs niet van
scherts, al schynt het anders. Ook de tweede regel kan slechts
ondeugend gevonden worden door "n bedorven smaak. Ze is maar
naif. En \'t vervolg!
Kon ik alle mooie meissies kryge...
Ik zou ze...
Die drie puntjes zyn van my. Niet omdat ik ondeugender wezen
wil dan \'t gedicht — ik zou er kans toe zien! — maar om den
braafsten lezer tyd te geven tot overdenken wat de zanger zich al
zoo voornam te doen — in alle eer en deugd te doen ! — met al
die »mooie meissies.\'\'
Met alle! Sapristi!
Ziehier "t naïve weer, en zeg me of \'n kind aan de borst van
z\'n moeder onnoozeler met zooveel meisjes zou kunnen omgaan,
dan de larmoyante zanger:
Ik zou ze-n-an \'n touwetje ryge,
Ik zou ze kuipe-n-in \'n vat.. .
Vreemd is \'t! Ongepast is \'t! Polizeiwidrig is \'t! Onpraktisch
is het! Maar onkuisch is \'t niet! De heilige Aloyzius van Gonzaga
kon de zaak niet delikater behandelen.
Op die moorddadige, doch overigens hoogst onschuldige kuipery
volgt, als gedachtenrym op al \'t vorige, de verzuchting:
Och, als ik alle mooie meissies had !
De strenge moralist moge hier zekere te ver gedreven begeerig-
heid wraken, en den zanger afvragen of-i zich niet zou kunnen
tevreden stellen met de helft... onzedelyk in gewonen zin, is de
wensch alweer niet. Dit blykt ten-volle uit het kiesch gebruik dat
de troubadour van z\'n slachtoffertjes maken wil.
Er is nóg \'n couplet dat me in \'t geheugen bleef hangen,
en waarmee \'t gedicht waarschynlyk besloten werd. De melankolie
waarop ik gewezen heb, straalt er in door. Ze gaat over in het
tragische, en wel op \'n manier die duidelyk aantoont dat er in de
-ocr page 193-
MULïATULI                                             173
vorige regels geenszins jacht werd gemaakt, noch op faublasscrie.
noch op iets koddigs. Waar wy, in-weerwil hiervan, toch iets
meenen te ontdekken dat op farce gelykt, moeten we denken aan
de koddigheid die teweeg wordt gebracht door \'t mislukt-verhevene,
volstrekt niet aan opzettelyke grappen.
Als ik dood ben, zullen ze my begrave. ..
Ze zullen my. ..
Ze? Wie...ze? Wel, al de »mooie meissies!" Is \'t grandioos of
niet, lezer, zich zóó\'n uitvaart te bestellen ?
Ze zullen my naar het \'t kerrikhof toe drage.
Ze zullen schryven-op m\'n graf:
„Hier ligt de jonkman die alle mooie meissies liefhad!"
Die laatste regel is te lang, meent Pennewip. Onnoozele Pen-
newip! Hy zou hem niet te lang gevonden hebben, als men ge-
zongen had: »hier ligt de oude eerwaardige verzenmaker, wiens
school om de goede zeden beroemd was tot op Wittenburg toe, en
die met behulp zyner echtgenoote, les gaf in naaien, breien, stoppen,
stikken, merken en de godsdienst." Maar zóó zyn die menschen.
Altyd jaloers op alles wat omgaat buiten hun school...
Neen, jaloers was de brave Pennewip niet. Hy was maar be-
krompen. Ook in hem vertoonde zich de tegenstrydigheid in \'t
verkeerd schatten van hoog en laag, die we zoo-even in de gele-
genheid waren optemerken by z\'n geestverwanten. Dat het een-
of-ander dier uit \'n gezicht van Daniël, meer klauwen of pooten
had dan \'n dier betaamt, hinderde hem volstrekt niet. Maar \'n voet
of wat te veel in \'n versregel maakte hem ongelukkig. Had-i er
dan nooit op gelet, hoe handig \'n straatkoor de fouten van den
dichter bemantelde ? Wie goed luisterde, vond het grafschrift van
den universeelen jonkman Liefdestrik nog veel te kort, en uit die
dieren van Daniël kan men rnet den besten wil niet wys worden.
-ocr page 194-
Vervolg: Onechte Zoon, gekompliceerd met \'n echt zilveren doosje, onechte
eerfykheid, echte naïveteit van Leentje en onechte bratigheid der juffrouwen
Pieterse.
s Foei!" hadden alzoo de drie jonge dames geroepen, toen Leentje de
onvoorzichtigheid beging, gewag te maken van die verpöntc melodie.
Vóór ik de terechtwyzing schreef, die bestemd is eens-voor-al zoo\'n
preutsch miskennen van \'t schoone den kop intedrukken, heb ik my
nauwkeurig geïmformeerd of \'t heele gezin der Pietersens wel we-
zenlyk overleden is, omdat ik me geen twist op den hals wil halen.
De dood-attesten liggen voor me. Ik kan dus onbekommerd voort-
gaan met Leentje\'s relaas.
— En toen ging de gordyn weer omhoog, juffrouw, heelemaal
vanzelf, maar de heer die achter ons zat, zei dat het gedaan werd
door menschen die men niet zien kon, misschien wel door den
onechten zoon, want zeid-i, zoolang de gordyn neer was, zat-i niet
in de gevangenis, en mocht heen-en-weer loopen net als \'n ander.
En toen prezenteerde de kleermakers-juffrouw, hem weer \'n peper-
mentje, maar hy zei: »kyk nu liever naar \'t stuk, juffrouw, want
je bent hier nu eenmaal voor je geld." We hadden twaalf stuivers
betaald... twaalf stuivers de man, weet u, buiten de wafels en de
chocola. En toen zei de baron ... och, uwe begrypt, ik kan
alles nu zoo precies niet vertellen. Ik wil maar zeggen dat die
oude vrouw gedurig huilde, en niet tot bedaren komen kon, omdat
ze zoo ongelukkig was. Want, juffrouw, begryp eens, die onechte
zoon was haar eigen zoon, en hy was ook \'n onechte zoon van
dien baron. Uwe begrypt hoe de menschen daarmee inzaten.. .
omdat-i \'n onecht kind was, weet u, die nergens te-recht kon. En
papieren had-i ook niet, en de moeder ook niet. En daarom zoud-i
-ocr page 195-
MULTATULI.                                            175
nu sterven.. . omdat-i zonder permissie gejaagd had. Gut, het was
zoo mooi, juffrouw! Maar toen viel het scherm weer, en we namen
nog "n wafel. En toen zei die heer achter ons, dat er altyd zoo-
veel slecht volk in de zaal was .. zakkerollers, weet u ? En \'t
was heel goed, zeid-i, dat men stukken speelde met \'n gevangenis
er in, om de menschen te waarschuwen tegen slechtigheid. Want,
zeid-i, eerlyk duurt het langst. En toen wou juist de kleermakers-
juffrouw hem weer \'n pepermentje prezenteeren, maar... Och, ze
schrok zoo, want haar doosje was weg. En we zochten in onze
zakken, en op den grond, en in onze stoven, en we zochten overal,
want ze had het van haar peetenioei.. . en dus, uwe kunt begrypen
hoe \'t mensch ontdaan was. En we vroegen aan den heer achter
ons, of hy ons ook zeggen kon wie \'t gedaan had ? En hy vroeg
of \'t doosje van zilver was ? Ja, zei de kleermakers-juffrouw, \'t
was van echt zilver, en... dat ze \'t van \'r peetemoei had. En
toen vroeg-i of \'t glad of geribt was? En de juffrouw zei dat het
geribt was. En toen zeid-i dadelyk dat het dan zeker gestolen was
door \'n zakkeroller, maar hy kon niet zeggen door wien, omdat er
zoovéél in de zaal waren, zeid-i. Maar anders... \'t was zeker door
\'n zakkeroller gedaan.
—  Hy zelf kan \'t wel gedaan hebben! riepen \'n paar toehoorsters.
Leentje was verontwaardigd, en wees die verdenking met drift
terug.
—  Neen, juffrouw Sertrude, zeg uwe zoo-iets niet! Dat\'s zonde !
\'t Was \'n allerfatsoenlykste man, dat kan ik\\x zeggen! Den heelen
avend is er geen onvertogen woord over z\'n lippen gekomen, en
hy noemde my «juffrouw \' zoo goed als de kleermakers-juffrouw
zelf! En hy is zelf opgestaan om den dief te zoeken, en hy vroeg
waar de juffrouw woonde, en als-i \'t doosje vond, zeid-i, zoud-i
\'t haar terugbrengen. Hy had \'n wit piqué vest aan, met paarse
bloempjes.. . och, hoe kan uwe zoo iets zeggen!
—  Nou, ga maar voort met je Onechte Zoon, eischte het Publiek.
—  Gut, juffrouw, de muziek was zoo mooi! En als ze speelden,
was er \'n heer, die met \'n stok wees hoe de wys was. Maar er
werden veel wyzen gespeeld, die ik nooit heb hooren zingen, en
dus niet navertellen kan.
—  Maar vertel dan toch van \'t stuk!
—  Ja, ziet u, dat\'s zoo makkelyk niet! \'t Was heel mooi, maar
er zyn zoo van die dingen die men zelf moet gezien hebben om
ze te begrypen, want ik kan niet alles zoo nadoen. De baron
merkte dat die jager in de gevangenis z\'n eigen zoon was, omdat-i
eens... in vroeger tyd... kennis had gehad... weet u. ..
Er heerschte \'n sterke spanning onder Leentjes auditorium. AL
-ocr page 196-
176
WOUTERTJE PIETERS E.
de hoorders hygden naar de door den titel beloofde onechtheid, en
Leentje wist geen raad met \'r vertelling. Ze werd vuurrood.
—   Hy had die oude vrouw vroeger gekend, en toen was-i met
haar in.. . konversatie geweest, zal ik nou maar zoo \'reis zeggen,
en ze zouden getrouwd zyn, maar... er was iets tusschenbeide
gekomen... en... daarom heet het stuk de Otiechte Zomi...
Wouter luisterde met evenveel inspanning als de anderen, maar
z\'n verbeelding was rustiger. De beurt was nu aan de meisjes, om
de teugels lostelaten van haar fantazie. Ze keken voor zich. De
nuchtere Stoffel kende \'n paar boekenfrazen van-buiten, die hy hier
te-pas bracht.
—  Juist! Hy had hare onschuld misbruikt — zoo wordt zulks
genoemd — en daarna haar ten-prooie gelaten aan de schande.
Ik kan u niet genoeg zeggen, moeder, hoe de jeugd zich daarvoor
moet in-acht nemen. Ik zeg \'t de jongens alle dagen op m\'n
school...
—  Hoorje \'t, Wouter? Let daar \'ns goed op, en onthoud wat
Stoffel zegt.
Toen Stoffel merkte dat z\'n kommentaar in den smaak viel, ging
hy voort:
—• Juist, moeder! De deugd moet geëerd worden. Dat is Gods
wil, en wat God doet, is welgedaan. Onder alle zonden is de
wellust... \'n zeer groote zonde, omdat God het verboden heeft,
en omdat alle zonde hier of hiernamaals gestraft wordt.. .
—  Hoorje \'t, Wouter?
—  Hier of hier-namaals, moeder! Gepaste vreugd mag wel, maar
ongeoorloofd zingenot is. .. niet geoorloofd. Dat rukt alle banden
van de menschelyke Maatschappy... uwe ziet wel, dat zoo\'n kome-
die heel mooi wezen kan, als men \'t maar goed opvat, en alles
behoorlyk weet uitteleggen. Dat is het maar!
—  En hoe liep het toen af met dien baron ?
—  Wat zal ik u daarvan zeggen, juffrouw! Hy heeft veel gespro-
ken, en was erg bedroefd omdat hy eens. . . die oude vrouw. ..
—  Verleid had, viel Stoffel hulpvaardig in, daar Leentje \'t ware
woord niet vinden kon, of niet noemen durfde. Men noemt zulks
verleiden.
—   Ja juist, zoo zei dat mensch ook. En hy beloofde haar dat-i
\'r nooit weer zoo-iets zou aandoen. En toen zeid-i tot den onechten
zoon, dat men altyd op \'t pad van de deugd moet blyven, en dat-i
met die oude vrouw trouwen zou. Ze was er erg mee te vreden.
—   Dat geloof ik, riepen de drie meisjes, als uit één mond, en
met \'n snelheid die verklapte waar eigenlyk \'t zwaartepunt ligt van
-ocr page 197-
MULTATUL1                                            177
sommige zedelykhedens. Dat geloof ik graag, riepen ze, toen werd
ze \'n ryke barones!
—  Ja, zei Leentje, ze werd \'n groote dame. En de onechte zoon
viel den baron om den hals, en toen speelden ze \'t »Kamertje van
\'n Wascfimeisje"
en de zoon was huzaar, en zong: »\'\'kbènvoleer.
\'k ben vol eer, ziet ik ben (Tr \'n man vol eer!\'\'
Maar waar de
oude baron gebleven is, weet ik niet. En toen zyn we naar huis
gegaan, maar de kleermakers-juffrouw had geen plezier meer, omdat
ze haar doosje kwyt was. Of die heer \'t haar nog thuis gebracht
heeft, zou ik de juffrouw niet kunnen zeggen.
Hier was de vertelling uit.
De meisjes dachten: barones!
Stoffel: de deugd!
De moeder: twaalf stuivers «de man" buiten wafels en chocolade.
Wouter: die jager! Ik zou wel zoo\'n jager willen zyn in een
bosch... in \'n heel groot bosch . .. heelemaal alleen .. .
Hy nam z\'n penseel op, en zag Ophelia aan:
. .. heelemaal alleen in \'n groot bosch, met ... Femke!
Zoo had ieder z\'n byzondere indrukken, die niet alleen onderling
verschilden, maar ook in dezelfde persoon telkens verwisselden van
kleur. Kotzebue zou vreemd hebben opgezien, als-i Leentje\'s verhaal
gehoord had. Vreemder nog, wanneer hy had kunnen weten wat
het achterliet in de gemoederen van haar hoorders. Deze verwon-
dering zou trouwens het deel zyn van èlken kunstenaar, die \'n blik
sloeg in de gemoederen van z\'n publiek. Gelukkig ditmaal dat er
aan Kotzebue*s fabrikaat niet veel te bederven viel. Of de uitwer-
king van z\'n effektstuk op de gemoederen van Leentje\'s auditorium
ook zoo onschuldig was, zou ik niet durven verzekeren. De meisjes
berekenden dat het »verleiden" op zichzelf nu juist zoo heel erg
niet wezen zou, als men maar zeker was dal zoo\'n baron . .. ten-
laatste ... en niet al te laat...
Er zou, meenden zy, \'n niet onaardige carrière te vervaardigen
zyn uit\'n reeks van goed geëxploiteerde jeugdige misstappen, \'t Mut-
senmaken was er niets by.
Petrö vroeg met gemaakte onverschilligheid, hoe oud de huilende
vrouw zoo ongeveer kon geweest zyn, en voelde zich versterkt in
haar deugd, toen Leentje heel onnoozel antwoordde:
—  Zoo tegen de zestig, juffrouw ...
Deze Odyssee der bedelende gewezen onschuld kwam Petrö wat
lang voor. Maar \'t »mutsenmaken" stond haar weer erg tegen, toen
Leentje voortging:
12
-ocr page 198-
178                              WOUTERTJE PIETERSE.
—  Tegen de zestig, toen ze onder dien boom zat. Later toen de
baron terugkeerde tot de deugd, en haar trouwen wilde, fleurde ze
erg op. Ze kan toen zoo-wat \'n goeie veertigster geweest zyn .. .
»Dat vervloekte mutsenmaken!" riep... geen van de diep naden-
kende meisjes, maar ze dachten \'t.
In één opzicht was de heele familie \'t eens. Ieder wilde gaarne
ook eens zoo\'n >komedie" zien. Maar juffrouw Pieterse zei dat de
kosten haar s begrootten." En dit werd nog erger, toen Stoffel \'n
booze tyding thuis bracht over den »troep van Jan Gras in de Eland-
straat^
waar geen fatsoenlyke familie zich vertoonen kon." Dit was
hem verzekerd door iemand die \'t wel weten kon, want hy was \'n bloed-
neef van den rol-uitschryver by den grooten Schouwburg op \'t Leid-
sche Plein. Dat was de ware komedie!
—   Verbeeld u eens, moeder, die is van de stad, en de Burge-
meester zoekt de stukken uit...om de zedelykheid, weet u. En
begryp eens, als er in zoo\'n stuk staat: »o God!" dan verandert
de Burgemeester dit in: »o hemel!" omdat het niet te-pas komt,
van onzen-lieven-heer te spreken in \'n zaal waar ook wel gedanst
wordt. Want. . . gedanst wordt er ook, moeder. Maar als wy er
eens heen gaan, kunnen we best \'n stuk afwachten waarin niet
gedanst wordt, en dat heelemaal is nagezien door den Burgemeester...
Stoffel had gelyk. De Amsterdamsche Regeering bemoeide zich
met haren Schouwburg, en weerde alles wat beleedigend kon zyn
voor God en Magistraat.
Dit was nog voor zéér korten tyd het geval. De inskriptie op
\'t scherm :
Der kunsten God, aan \'t Y met geestdrift aangebeèn !
Kweekt hier in \'t heilig koor, verdienste en deugd alleen.
beduidde niet dat Apollo in z\'n eentje voor »Verdienste en deugd"
zorgde — dit zou de wethouders in hun eer getast zyn —• maar
dat er onder zyn en hun beheer niets, volstrekt niets dan »Deugd
en Verdienste" op de planken werd toegelaten. Hieraan hebben
we dan ook al de uitmuntende stukken te danken, en tevens den
bloei der tooneelspeelkunst, waarin onze eeuw zich verheugen mag.
De Amsterdamsche Regeering en aestheriek !
-ocr page 199-
Laps versus Pennewip. Wouters embryologische studiën.
De groote meerderheid des Volks, de kleine burgerstand, heeft
geen geschiedschryver. Met haar bemoeit zich noch de filoloog,
noch de physioloog, noch de schilder, noch de dichter, noch de
filosoof, noch de staatsman. Ze staat voor politie en justitie te
hoog, voor aesthetische beschouwing te laag: ze is onpoëtisch.
Ik zou waarlyk geen kans zien deze meening te verdedigen, naar
den stipten zin dien ik aan al die benamingen hecht. Doch als
men met de dagelyksche opvatting daarvan tevreden is, zal ze
waarschynlyk geen verdediging noodig hebben. Reeds in den aan-
vang der Wouter-geschiedenis zag ik de moeilykheid in, den lezer
belangstelling inteboezemen voor \'n romanheldje dat, by-gebrek
aan roman, naar veler meening eigenlyk geen behoorlyk heldje
wezen kan. Wouter zelf zou dan ook de laatste geweest zyn, die
zich voor zoo iets uitgaf. En juist daaronder leed hy. Hoe hy
in z\'n gedachten dat ondichterlyke van z\'n toestand noemde, kan
ik niet zeggen. Hyzelf had er evenmin\'n benaming voor. Hoogstens
voelde hy iets ontevredens, iets benepens. Ook kwam \'t hem niet
in den zin, zich aftescheiden van z\'n omgeving, veel minder nog
zich daartegen-over te stellen.
Behalve door z\'n zeer onbestemde begeerte om iets meer van
al die poppen te weten, voelde hy die eigenaardige ontevredenheid
die hem kwelde, \'t smartelykst als er diligences of reiskoetsen
voorby z\'n venster reden. Dat vice-versa en sauve-garde — zóó
stond er op de postwagens in zyn tyd — kwam hem voor als een
tooverspreuk die hy wel niet begreep, doch waarachter gewis iets
-ocr page 200-
l8o                             WOUTERTJE PIETERSE.
zeer belangryks schuilen moest. En die reizigers! Hoe voornaam
zoo van-verre te komen, van héél ver,misschien wel van Rotterdam!
En zouden nu al die personen permissie hebben van hunne moeders,
om zoo.maar de heele wereld doortervden ? En zou ieder nu precies
weten waar-i wezen moest, en wat-i daar te doen had, zonder
broer Stoffel ? Zoo\'n koetsier, en de man die naast hem zat met
\'n trompet. . .och, die menschen waren toch ook eenmaal kinderen
geweest! Hoe hadden ze \'t toch aangelegd om \'t zoo ver te bren-
gen ? En hoe konden zy zoo precies in \'t heele land den weg
weten ? En hoe of ze \'t wel maakten met de roovers ? Of zouden
die alleen in Italië zyn ? Dat zou toch jammer wezen!
Hy was nu geheel hersteld, en wachtte slechts op den nieuwen
broek en de verdere nieuwigheden die z\'n moeder voor hem liet
vervaardigen uit de afgelegde kleedingstukken van z\'n broer, om
\'t voorgenomen bezoek by den dokter te maken. Te-gelyk met
de nieuwe plunje kwam juffrouw Laps. Ze was zeer verontwaardigd,
dat men op \'t punt stond: »den medicvnmeester meer eer te geven
dan den Heere." Wouter moest eerst z\'n kerkgang doen, zei ze.
Dat stond in de Schrift! En als-i \'t niet deed, zou de Heer z\'n
koninkryk van hem nemen. Juffrouw Pieterse kon er vast op rekenen.
—   Gut, mensch, ik heb er niet tegen dat-i naar de kerk gaat
ook, zei de moeder, maar.. .we zyn ver van zondag, en omdat nu
de blauw-lakensche broek van Laurens zoo netjes ingenomen" is. . .
—  Dat zyn juist de wereldsche dingen die \'n mensch van \'t ware
pad leiden, betuigde juffrouw Laps.
—    Maar zou dan nu \'t kind vyf dagen thuis moeten blyven.
alleen omdat-i nog niet in de kerk geweest is ?
—  Wat beteekenen die vyf dagen, juffrouw Pieterse! De Heer is
wel veertig dagen in de woestyn gebleven, en veertig nachten...
denk eens! En al dien tyd zonder eten. . . dat\'s wat anders! Geloof
me, juffrouw Pieterse! je moet je niet van je weg laten brengen
door Laurens z\'n broek. Maar \'t is netjes gedaan, dat moet ik
zeggen. Wat vraagt de man er voor ?"
Gedurende \'t nu volgend gesprek over de handigheid van den
kleermaker, zat Wouter te peinzen over die woestyn. Hy had er
wel zin in. Het kwam hem zeer byzonder voor, en daarom belang-
wekkend. Eensklaps vroeg hy aan juffrouw Laps, hoelang zy in
de woestyn geweest was ?
—  Heb je van je leven__zoo\'n kwajongen! Waar haalt-i de
ondeugendigheid vandaan ? Neen, mannetje, ik ben nooit in de
woestyn geweest, en dat hoeft ook niet, omdat ik m\'n godsdienst
thuis doe, weetje, en... om de andere tyden, zieje. De Heer
leefde in \'t Heilige Land, en ... \'t is lang geleden. Jy met je
-ocr page 201-
MULTATULI.                                                  l8l
malle vragen zoudt \'n mensch verlegen maken. Ik blyf er by,
juffrouw Pieterse, dat je verdriet van den jongen hebben zult. \'t Is
je eigen schuld. Je had \'m al lang z\'n wyzigheid moeten verleeren.
—  Maar \'t kind heeft niets miszeid, juffrouw!
—  Zoo ? Vindt uwe dat ? Nu, ik vind dan op myn beurt.. .
We schenken haar met koninklyke mildheid de uitlegging van
\'r verstoordheid. De zaak was, als in veel gevallen van deze soort,
dat grof bedrog zich niet op z\'n gemak voelt tegenover naïveteit.
Juffrouw Laps was minder bevreesd voor Stoffels rhetoriek dan voor
Wouters eenvoud.
En zie, daar kwam ook die andere vyand aanrukken, en nog
wel met het beraamd plan haar eens duchtig onderhanden te
nemen. Stoffel zou de komedie-veldtocht openen! De slimmert had
zich van \'n bondgenoot voorzien: hy trad de kamer binnen met....
meester Pennewip!
Na de gewone begroetingen werd het gesprek al zeer spoedig op
\'t onderwerp gebracht, dat dienen moest om juffrouw Laps ten-
onder te brengen. Ze liet zich niet onbetuigd, en lokte zelfs den
aanval uit, door rlinkweg al wat naar \'n schouwburg geleek, tot
zaken van de hel te verklaren.
— Uwe verkeert in de soort van dwaling die ik rangschik onder
de zeer algemeene, zei meester Pennewip, en wel van de aller-
bekrompenste klasse. Myn jonge vriend hier — hy wees op Stof-
fel — heeft my uw vooroordeel op dit punt kenbaar gemaakt, of...
te kennen gegeven. En het is juist hierom dat ik . . .
—   Dat moet je nu niet zóó opnemen, riep de moeder, alsof de
meester expres daarom hier gekomen was. \'t Is maar, zieje, dat
Stoffel by-toeval...
—   Neen, juffrouw Pieterse, ik kom voorbedachtelyk hier, om
over die zaak te spreken.
Als om deze betuiging kracht bytezetten, haalde hy z\'n neus-
knyper voor-den-dag, en begon \'n verhandeling over allerlei soor-
ten van vermaak. Hy verdeelde de genoegens in geoorloofde en
verbodene. De szinnelykheid" kreeg er duchtig van langs, en
Wouter had zoo gaarne de beteekenis van dit woord willen vragen,
maar de ruwe wys waarop hy zooeven berispt was, had hem
schuw gemaakt. Hy zou \'t onderzoek naar die afschuwelyke zonde
dan in \'s hemelsnaam maar uitstellen tot-i groot was.
—  Maar, meester, uwe zal toch niet ontkennen dat zoo\'n kome-
die \'n wereldsche zaak is, riep juffrouw Laps.
Dit woord »wereldsch" heeft \'n boozen klank, en Pennewip moest
al z\'n onderscheidingsvermogen te-hulp roepen, om niet z\'n thema
prys te geven aan zoo\'n aanval.
-ocr page 202-
182                             WOUTERTJE PIETERS E.
—   Zekerlyk ... zekerlyk! De zaak is wereldsch, maar ... ook
wereldsche zaken laten zich onderscheiden in behoorlyke en onbe-
hoorlyke, in dezulke die Gode welbehagelyk zyn, en andere zaken,
die .. . die ...
—  Dat\'s niet waar, meester! Wat wereldsch is, is verdoemd. ..
dat zeg ik maar! \'t Staat in de Schrift!
Het doet me leed voor Pennewip, maar ik moet erkennen dat-i
by deze gelegenheid niet zeer dapper op den vyand insloeg. En
ook Stoffel durfde den ingeprenten afschuw van dat vreeselyke
woord niet aan.
Het ontzag voor \'n klank speelt in de geschiedenis der dwalingen,
een zeer groote rol, ja de hoofdrol. Zoódra het aan de verspreiders
van \'n wanbegrip gelukt is, hun theses te stempelen met \'n eigen-
aardige benaming, zal die naam langer leven dan \'t oorspronkelyk
geloof aan de redeneering waaruit ze voortsproot. De afgezaagde
tegenstelling van zoogenaamd-verheven begrippen met woorden als:
wereld^ zinnelykheid, vleeschelyke begeerten, enz. heeft die uitdruk-
kingen tot spoken gemaakt, waardoor nog altyd menigeen zich
laat verschrikken, al zourl-i dan ook overigens ontwikkeld ge-
noeg zyn tot nagenoeg zuivere redeneering. De oorzaak hiervan
is, dat men na lang gebruik van die klanken zich \'t denken
heeft afgewend.
Pennewip stamelde, en nam \'t eene snuifje voor, \'t andere na.
De goeie man bedacht niet dat hyzelf zoo druk bezig was met
offeren op \'t altaar der vervloekte zinnelykheid. En ook z\'n vyand
dacht er niet aan. Gelukkig! Want de minste aanmerking zou
Pennewip op den weg geholpen hebben om de zinnelykhedens te
gaan verdeelen in klassen, en haar te wyzen op de vreeselyke zonde
die ze beging door \'t slorpen van haar sterk gesuikerde thee.
Wat overigens dat >, wereldsche" van den Schouwburg aanging,
de man scheen er niet aan te denken dat ook z\'n school tochwèl
beschouwd \'n wereldsche zaak was. En z\'n pruik! En z\'n dyvest!
En z\'n neusknypertje! En... de heele juffrouw Laps zelf immers
ook ? Wat anders ?
Ach, hy kwam zoo ver niet! De argumenten uit de wapenkamer
der geloovery hadden z\'n kracht gebroken. Z\'n tegenvoetster be-
greep dat ze aan de winnende hand was, en om hem te vervolgen
tot in z\'n uiterste schuilhoeken:
— Neen, riep ze, van de komedie moet uwe niet spreken, meester!
Al zulke dingen zyn verlokkingen des duivels.. . dat zeg ik! Daar
heb je nu by my in de straat, de juffrouw boven den spekslager . .
die heeft ook op \'n komedie gespeeld — althans zoo zeggen de
menschen — en ze is getrouwd.. . laat zien... verleden Maart...
-ocr page 203-
MULTATULI.                                            183
zes maanden... reken maar na, meester — uwe ziet dat ik de
waarheid zeg! — zes maanden, zeg ik, en wat gebeurt er? Ze ligt
in de kraam, meester, zoo zondig als ik hier voor je zit... dat
komt van dat vervloekte komedie-spelen!
O, o, o, onze Wouter! Wal al ooren had-i open, om zooveel
belangryks optevangen ! Zooveel kittelende geheimenissen! Wel wist-i
niet of de ware knoop van de zaak in de spekslagery zal, of in de
maand Maart, of in de komedie, of in dit alles te-gelyk, of in een-
en-ander uit dit alles, maar... prikkelend was het! Er was \'n
kindje geboren omdat de moeder komedie-gespeeld had! Ziedaar
dan eindelyk een der vraagpunten beantwoord, die hy zich sedert
\'n jaar zoo gedurig voorlegde. Helder was de zaak nog niet, vooral
daar-i de zoo gretig afgeluisterde inlichting in nauw verband bracht
met Leentjes relaas over den »Onechte Zoon." Ook daaruit was hem
zekere verwantschap gebleken tusschen de geboorte van \'n kind en
komediespel, en omdat nu deze beide onderwerpen gelykelyk schenen
te deelen in den afschuw dien juffrouw Laps ten-toon spreidde voor
wereldsche zaken, lag het in de rede dat hy ze vry onbepaald ver-
eenzelvigde. Hoe dan ooit z\'n moeder er toe gekomen was zich
aan zoo-iets overtegeven, begreep-i niet. Maar.. . ook dat probleem
werd bewaard voor de toekomst. Intusschen was hy zeer benieuwd
naar \'t stuk dat hèm had voortgebracht. Een treurspel ? Of \'n
komedie met zang en muziek. . . \'n opera, zooals Stoffel dat ge-
noemd had. Die muziek-geboorte kwam Wouter zoo heel verwer-
pelyk niet voor. Hy voelde inderdaad iets in zich dat naar \'n
symfonie geleek. Maar \'t benauwde hem, omdat-i te ongeoefend was
om \'t stuk te spelen.
Juffrouw Laps ging voort:
—   Ik vraag uwe, meester, wat kan er om Krrristis-wil terecht
komen van zoo\'n kind ? In zonde ontvangen en geboren, hè ?
Wouter werd angstig. De meester trok verlegen aan z\'n pruik,
en mompelde iets van :>christelyke liefde en Gods byzondere goed-
heid." Maar juffrouw Laps was slecht te spreken op dat stuk.
Liefde... goedheid... nu ja, voor de uitverkorenen. Maar men
mocht niet nederzitten met de goddeloozen. En dat had de juffrouw
boven den spekslager gedaan! En daarom zei zy maar dat zoo\'n
komedie...
—   Maar, mensch, de meester is toch ook geen man van gister
of eergister, viel juffrouw Pieterse in.
—  Dat\'s mogelyk, maar ik houd me-n-aan de Schrift. En daarin
staat van geen komedie.
Men ziet dat juffrouw Laps nog altyd geen kennis droeg van de
-ocr page 204-
184                             WOUTERTJE PIETERS E.
kritische nasporingen die vry zeker hebben uitgemaakt dat het
Hooglied \'n drama is. En, al had ze daarvan iets geweten, ze zou
die gissing hebben verworpen als »wereldsch."
Het is zoo gemakkelyk niet, de zielkundige redenen te ontwikkelen
waarom \'t schepsel dat de liederlykheid zelf was — de lezer zal \'t
weten op z\'n tyd — iets onfatsoenlyks zou gevonden hebben in de
erotische tint van dat prachtwerk, zy die \'t onaanstootelyk vond,
en [verheven zelfs, zoolang ze zich opdrong dat de lieve Sulamite
de bruidelyke Kerk van den Heere Jezus beteekende. En — zon-
derling! — deze afkeer van natuurlyk-eenvoudige opvatting was
alweer geen volstrekte huichelary. De personen van haar soort zyn
te verkerkt om iets schoons te vinden in de naïve schildering van
aandoeningen die zy in zichzelf slechts te beschouwen kregen als
gniepige uitspatting. Zoo\'n Hooglied waarvan zy de majestueuze
oprechtheid voorbyzien of miskennen, schynt hun precies te gelyken
op de walgelyke pekelzondjes die zy in alle stilte beoefenen om
wat bezigheid te geven aan Gods onuitputtelyke genade.
En, omgekeerd, ze zouden de wanhopig ver gezochte toespeling
van dat stuk op Kerkleer^ niet zoo met hand en tand vasthouden,
indien niet juist het erotisch element dat ze negeeren, de zaak zoo
aantrekkelyk maakte. Het zoeken en vinden van \'n christologische
beteekenis in dat prikkelend drama, is \'n voorwendsel om — heel,
héél in den geloove, en dus onzondig — te snoepen van \'n vrucht,
die tot de verbodene zou behooren zoodra men ophield den boom
waarvan ze geplukt werd, te doopen met den naam van dogmatiek.
Hoogstwaarschynlyk is deze redeneering zoowel van toepassing
op de geschiedenis van den bybel, als op individuen. Kerkvaders
en Bisschoppen, die in koncilien — en dus met de zeer werkdadige
hulp van den H. Geest —• vantyd tot-tyd uitmaakten wat be-
schouwd moest worden als volkomen heilig, wat als byna heilig, en
aan welke geschriften maar heel eventjes \'n geurtje van heiligheid
mocht gevonden worden, hebben Salomo\'s Hooglied nooit onder de
apokriefe boeken geplaatst. Hoogstens gaf men toe dat het mis-
schien van \'n anderen auteur was — \'k wou dat ik \'t geschreven
had! — maar kanoniek verbindend is\'t altydgebleven. De mensch-
kundige godsdienst-beredderaars hebben ten allen-tyde ingezien dat
ze in hun industrie \'t hysterisch element niet missen konden, en
dus den bybel niet mochten berooven van zoo\'n vermakelyk Hoofd-
stuk. Liever alzoo dan het om de zinnelykheid te brandmerken,
en te bannen als »onecht" verhieven ze, zonder de minste schade
voor gewenschte en bruikbare prikkeling, die zinnelykheid zelf tot
\'n heilig symbool, \'t Had er iets van, alsof de man die vasten
wil en vleesch-eten tegelyk, z\'n patrys \'n luchtvisch noemt. Met
zulke handigheden is veel te bereiken.
Maar och, aan dit alles dacht juffrouw Laps evenmin als zoo\'n
-ocr page 205-
MÜLTATUI. I.                                           185
patrys. Misschien ook waren die Kerkvaders niet zoozeer menschen-
kenners, als wel in \'t bezit der onbewuste geslepenheid die we
dikwyls aantreffen by de domste personen. Men hoeft immers geen
genie te zyn om de menigte te foppen die... nu eenmaal géén
genie is ?
Hoe dit zy, onze geloofsheldin zou veel minder dan ik geweten
hebben van de oorzaken die haar beletten de gissing aantenemen
dat er in \'t Hooglied maar wereldsche zaken worden behandeld.. .
als ze van die gissing iets geweten had. Het ware haar te staan
gekomen op haar stichtelykste lektuur. Dus... Renan moest ongelyk
hebben, \'n jaar of veertig daarna.
Wat Pennewip aangaat, hy durfde zelfs haar begrippen omtrent
gewone komedies niet aan, toen zy de zaak op \'n zoo verheven
terrein bracht. Toch was de man niet byzonder dom. Maar: geloof,
school meestery en verzen... welke hersens zyn bestand tegen zoo\'n
cerberus van biologie ?
-ocr page 206-
I.apsen-lrittmf. De roem van Floiis V geslaafd door de verhevenheid van
\'n komma. Letterkundige oefeningen onder de leiding van meester
Pennewip.
Wouter\'s arglistig gebed,
—  Maar hebje dan wel ooit \'n komedie gezien ? vroeg Pennewip,
schoon hy \'t antwoord wel raden kon.
Het mensch betuigde haar zondagsche verontwaardiging over
\'t veronderstellen van zoo\'n mogelykheid, en riep daarby duchtig
haren Heer aan.
—  Of gelezen ?
—  Né, meester! Wat ik lees, lees ik in de Schrift... dat lees ik!
—   Voorzeker behoort de H. Schrift tot de klasse der alleruit-
stekendste boeken. .. jazelfs, men kan1 zeggen, Gods Woord is
het alleruitstekendste boek. Dit zal niemand betwisten, juffrouw.
Doch het is den mensch geoorloofd, of. .. vergund.. .
De meester haalde hier \'n boekje uit den zak, dat-i voor de ge-
legenheid had meegebracht, en betoogde dat men niet juist terstond
ieder als verdoemd behoefde te beschouwen, die... nu-en-dan... met
mate. .. onder opzien tot hooger...
—   Wel zeker, riep Stoffel, by my op school ook! De jongens
lezen in \'n Chrestomathie van \'t Nut__
—  In wat voor \'n ding? snauwde juffrouw Laps.
—   In \'n chres. . Jo. . .ma. . thie, juffrouw. C, //, r, <?, s.. . kres\\
—   Of, volgens sommigen gggres^ kommenteerde de meester.
Kristus of.. . Gggristas.. .
—   Dat zyn allemaal heidensche nieuwigheden! Ik zeg maar:
Kristiss... want zóó heet de Heer, en niet anders! Jelui zult me
toch m\'n geloof niet willen afnemen ?
-ocr page 207-
MULTATULI.                                            187
—  Maar juffrouw...
—  Ik wil er niets van weten! Dat komt van al die geleerdhedens!
Wat zegt Paulis... of neen, wat zeiën ze tegen Paulis ? Ze zeiën
dat-i gek was van geleerdheid. En zóó is het! Want ik zeg: Kris-
tisss is Kristisss, en daar ga ik niet van af, al ging jelui op je
hoofd staan met je beien. En voor Wouter is \'t ook niet goed,
juffrouw Pieterse, dat-i zulke praatjes aanhoort, \'t Kind is pas ziek
geweest, en als de Heer hem niet gespaard had, zoud-i nu al voor
\'t Gericht staan... zoodat ik maar zeggen wil, dat ik vasthoud aan
m\'n geloof. Maar als i uitgaat, moet-i \'ns by me komen, dan zal
ik hem eens onder-handen nemen, want met z\'n kathechizatie zit
het er dun op. Dat heb ik al lang gemerkt. En nu, dankje voor
je koppie thee, juffrouw Fieterse. . .né, meester, geen woord meer.. .
\'t is zonde! Verlokken laat ik me niet.... ik biyf by den Heer...
nou, stuur \'m eens by me — Wouter meen ik — als-i uitgaat.
Onder dit gerammel was \'t schepsel opgestaan, en ze vertrok,
met overwinnaarsblikken \'t slagveld overziende, waarop ze zooveel
roem meende behaald te hebben.
Juffrouw Pieterse was niet tevreden met den uitslag van den
veldtocht. Ze had van haar beide maarschalken meer verwacht.
Pennewip en Stoffel beweerden dat juffrouw Laps te dom was voor
\'n behoorlyk debat. Wie zal dit ontkennen ? Maar \'t was de eenige
reden niet. Ze vond in haar steil entiérisme zekere kracht, die haar
tegenstanders niet konden putten uit het al te flauwe bewustzyn
dat er iets kon bestaan, wat naar gezond verstand geleek. Ze zou
dan ook met behulp van haar frazeologie de overwinning behaald
hebben op veel ontwikkelder vyanden nog, dan ze zoo-even uit het
veld sloeg. De eerste pogingen tot overgang van volstrekt geloof
tot onafhankelyk nadenken, werken verlammend, en het is niet te
verwonderen dat zoo weinigen de kracht bezitten, zulke pogingen
doortezetten tot het uiterste toe. Zeker is het, dat deze kracht niet
kon gezocht worden by den ouwerwetschen Pennewip en den be-
krompen Stoffel.
En had die Laps wel zoo geheel-en-al ongelyk? Inderdaad, wat
doen we met wereldsche geleerdheid, als wy de hemelsche voor
\'t grypen hebben ? Het dilemma van Sultan Omar was zoo dwaas
niet. De Koran is \'n volmaakt boek. Daarin staat al wat goed is,
en : wat daarin niet staat, is niet goed. Weg dus met de bibliotheek
van Alexandrie! Juffrouw Laps zou er ook den brand in gestoken
hebben..... hm, wie weet! Als men \'n ronde som geboden had
voor \'t behoud ?
Il est avec Ie ciel des accommodements!
Was ze dus \'n huichelaarster ? Dit is niet zoo gemakkelyk te
zeggen. Een zeer slecht mensch was ze zeker, maar we doen de
-ocr page 208-
i88
WOUTERTJE PIETERS E.
geloovery te veel eer, wanneer we zulke kwalifikatie als onvereenig-
baar beschouwen met raerkefyk geloof. Halve en kwart vrydenkers
begaan dikwyls de fout zekeren steun voor beweringen te zoeken in
de afdwalingen van lieden die voor vroom doorgaan. Zien ze niet
in, dat men hierdoor aan de ,.godsdienst" \'n geheel onverdiend
compliment maakt ?
—  En wat heeft uwe daar dan voor \'n boekje ? vroeg juffrouw
Pieterse.
—  Het is een voortbrengsel, of anders gezegd : een werk van een
onzer eerste vaderlandsche dichters, sprak Pennewip met plechtig-
heid, ja zelfs. .. ik zou durven zeggen van den eersten of. . . den
voornaamsten. ook wel de Vorst der Nederlandsche dichteren ge-
noemd. Hy is \'n man, juffrouw, die in godzaligheid voor niemand
behoeft uit den weg te gaan. In den vollen zin des woords zou ik
hem durven rangschikken onder de Belyders. Dit boek, juffrouw,
bevat eene komedie, en wel van de soort die wy gewoon zyn treur-
spelen te noemen. .. omdat er iemand in sterft.
—  Zieje, moeder, precies wat ik uwe altyd gezegd heb, reklaamde
onze Stoffel.
—   Ja, juffrouw, daar wordt in gestorven. Ziehier op \'t laatste
blaadje zekere Machteld... ..dattk, Hemel, ik bczioyk\'\' zegt ze, en
ze stort neder op \'t lyk van Floris. .. ah ja, die Floris zelf is ook
dood. \'t Is inderdaad een treurspel.
Zie slechts hier. Hy overleed vier regels vroeger aan de gevolgen
van een groot verraad. . . en. .. en.. .
Meester bladerde.
...op deze bladzyde, of pagina, sterft er ook een. „Graa/17,aar-
well Gedenk my met gebeden f {hy sterft.)\'\'
staat er. Uwe ziet dus
wel dat het een treurspel is.
—  Net wat ik zei, moeder !
—  Ja, \'n treurspel! En wel van \'n dichter, juffrouw, \'n dichter
hoor eens :
Woerden {de hand aan den deqen staande).
Zoo strnfF de Hemel mij. .. . !
Velzen {hem weerhoudende en op Floris
toeschietende).
Laat mij hem \'t hart doorstoten !
De Edelkniap {tusschen heiden schietende met uitgetogen degen, en Velzen een\'
stoot oJ> hel harnas toebrengende).
Sta, Moorder. neem de proef...!
Velzen [dezen den ojigeheven\' dolk in
de borst drijvende, die er in zitten blijft).
Lig daar, vermeetle wulp !
-ocr page 209-
MULTATULI.                                            189
—  Wat zegt uwe daar van ? vroeg de meester.
Alles was \'n oogenblik stom van verbazing.
—  Ja, zei eindelyk Stoffel, en alles zoo krek met staande en liggende
regels. „Wulp" staat weer, zieje Wouter ?
\'t Kind had den moed niet, te vragen wat \'n wulp was ? Gelukkig.
In \'t voorbygaan hoop ik dat de lezer aandachtig genoeg is om
\'t me kwalyk te nemen dat ik aan Stoffel \'t woord : krek in den
mond leg, omdat het alleen by boeren, en dan nog slechts in
sommige streken van ons landje gebruikelyk is. Welnu, dit is niet
altyd zoo geweest. In den tyd van m\'n verhaal was de uitdrukking:
»Correct" wel reeds gedaald tot de sfeer der Pietersens, maar nog
niet voor-goed naar \'t land verhuisd.
Pennewip keurde Stoffels opmerking volkomen goed, en zei dat
men zóó de voortbrengselen der letterkunde moest genieten.. .
—  Let daar dan goed op, Wouter, vermaande de moeder.
—  En méér nog, juffrouw, ging de meester voort. Om de ware
grootheid van zoo\'n dichter goed te beseffen, moet men vooral be-
dreven zyn in. . . de taal. De kunde van zoo\'n man is verbazend.
Al wat ik aan myne voedsterlingen, leeraar, of . . onderwys, of...
inprent — want leeraren is zooveel als onderwyzen, juffrouw. Ik
zoude ook vryheid gehad hebben te zeggen, alle zaken waaronv
trent ik mynen leerlingen onderricht mededeel — nu, juffrouw, dat
alles is hem tot in de fynste byzonderheden bekend. De man kon
gerust eene school opzetten.. . niet dat ik hem dit aanraad — de
verdiensten zyn gering, juffrouw! — doch ik bedoel slechts dat
dezelve de daartoe noodige bekwaamheid wel bezitten zoude. Zoo-
lang ons Vaderland zulke personen in deszelfs boezem draagt. ..
Het heele gezelschap was één poging tot verbaasdheid. Stoffel
knikte tevreden, alsof er nu eens eindelyk wat verkondigd werd,
dat de moeite van \'t aanhooren waard was. Al de anderen, op
Wouter na, steunden op elkaar. Zoo gaat het meer. We hebben
hier \'n vry juist model van \'t profanum vulgus voor ons.
Toch verstoutten zich de gelaatstrekken van Pennewips publiek-
jen, iets vragends uittedrukken. Een beetje opheldering scheen niet
ongewenscht. Het was alsof men stilzwygend beloofde dat de be-
wondering er niet onder lyden zou. Men scheen niet te vragen :
waarom moeten we dat zoo mooi vinden ? De bedoeling was:
mooi-vinden zullen we... help ons maar aan \'n reden!
Nu, die reden zou Pennewip leveren:
—  Zie eens hier, juffrouw! Ik weet wel, of liever, ik kan gissen
of... veronderstellen — volgens sommigen: vooronderstellen, om-
-ocr page 210-
190                                 WOUTERTJE PI ET ER SE.
dat het \'n onderstelling is die de zekerheid als \'t ware voorafgaat
— ik kan dan als nagenoeg uitgemaakt aannemen, dat uwe zich
in den regel, of. . . gewoonlyk, of. .. wat men zou kunnen noemen :
dagelyks en ... uitsluitend, niet bemoeit met deklinatien . . .
—  Gut né, meester!
. .. ook wel genoemd: verbuigingen. Maar uwe zult toch wel
begrypen, of.. . inzien, dat alles om \'t zoo eens uittedrukken des-
zelfs eischen heeft, niet waar ?
Juffrouw Pieterse betuigde met een hoofdknikje dat zy de ge-
grondheid van deze meening volkomen inzag of. .. begreep. Penne-
wip scheen dit zeer verstandig te vinden, en ging voort:
—   Ziet uwe daar die komma wel, of juister .. . gezegd die ...
apostrofv ?
—  Jawel, jawel, meester, riep juffrouw Pieterse, o zeker, zeker,
ik zie \'m heel goed. Kyk jy ook eens, Trui!
—   En daar staat er nog een, ging Pennewip voort. Laat de
andere juffrouw ook eens zien.
\'t Boek ging rond. Jull\'rouw Pieterse was bly dat de inspanning
tot begrip, die weldra van haar zou geéischt worden, \'n beetje ver-
deeld werd over \'t heele gezelschap. Om de verantwoordelykheid
nog wat verder afteleiden, betrok ze ook Wouter in de zaak.
—   Laat het kind toch ook \'ns zien! Hy is er net in de jaren
voor. Kyk nu goed, Wouter! Een jongen als jy moet altyd pro-
beeren wat te leeren. Zieje \'m nu wel, die .. . die ... hoe heet het
ook, meester ?
—   Wat de gedaante aangaat, juffrouw, zoude men het eene
komma kunnen noemen, doch ten-gevolge der eenigszins verheven
plaats waarop de zeer kundige schryver dat teeken zettede, ont-
vangt hetzelve de kracht.. .
Wouter tuurde in \'t boek, en was verdrietig over z\'n domheid,
\'t Mocht hem niet gelukken iets schoons te zien.
... de kracht of de beteekenis of de strekking ...
Wouter wreef z\'n oogen uit, en kon maar niet aan \'t genieten
raken. Hy was te eenvoudig-oprecht om verbazing te toonen die
hy niet voelde.
—   Het ontleent aan z\'n verheven plaats de strekking, ging
meester voort, om de hoofdeigenschap diens uitgetogenen degens te
verklaren. Die degen is vierde naamval, juffrouw! En dit is almede
de eigenschap des opgehevenen dolks.
-ocr page 211-
MULTATULI.
191
—  Precies! riep Stoffel.
—  Vierde naamval! De kundige dichter .. .
—  Kyk dan toch in \'t boek, Wouter, en luister goed, riep de
moeder. Zieje \'t nu?
—  \'t Is \'n afsnydingsteeken, riep Pennewip. En waarom ? Wat
doet de Edelknaap? Hy schiet tusschen-beiden.
Zie je \'t nu eindelyk, Wouter ?
\'t Kind staarde op het boek, en werd bleek van verdriet, en
begon te beven. Och, het was dan waar, wat men altyd zeide, dat
er van hem nooit iets zou te-recht komen! Hy voelde zich wanhopig.
—  De Edelknaap schiet tusschen-beiden.. . waarmee ? Waarmee,
juffrouw ?
—  Juist! Waarmee... waarmee... komaan, Wouter, zeg jy nu
eens, waarmee die. .. hoe heet-i ook ?
—  De Edelknaap. De vraag is, gelyk ik u reeds zeide, waarmee
schiet hy tusschen-beiden ? Waarmee ? waarmee ?
Alles zweeg.
—  Ik zoude myne vraag ook aldus kunnen inkleeden: waardoor
wordt «uitgetogen degen" taalkundiglyk gesproken... geregeerd?
Welnu ? Door... mê. .. mê. .. mê. ..
Al blatend monsterde hier onze Pennewip z\'n auditorium op
eigenaardige wys.
—  Mê. .. mê.. . wel nu, juffrouw, weet uwe \'t nog niet?
—  Is \'t iets van.. . \'n schaap, meester ?
—  Geenszins, juffrouw. Het woordje met behoort tot de klasse
der voorzetsels...
—  Precies, betuigde Stoffel.
... en regeert alzoo — let wel op! — den vierden naamval. Die
komma of die apostrofe is, gelyk ik u reeds zeide, of... deed op-
merken, een afsnydingsteeken. Wat dèn opgehevenèn dolk aan-
gaat. . . besef wel, juffrouw, dat ik op dezen oogenblik my niet
bezig houde met het vervaardigen van. .. poëzie, en dus geene
aanleiding vinde iets aftesnyden. Ge begrypt dit immers wel ?
—  Ja, ja, meester, o ja! Zie je \'t nu eindelyk, Wouter?
Met tranen in de oogen bleef \'t kind verklaren dat-i niets van
de zaak gewaar werd. Het gebluf van de anderen op snel begrip,
h d hem in den waan gebracht dat er in dat boekjen iets van die
uitgetogen of opgeheven moordtuigen te zien was, iets tragisch,
iets heldhaftigs, of iets van dien edelknaap althans. En nu de
meester bovendien van afsnyden begon te spreken:
—  Ik zal nooit iets leeren, jammerde hy.
-ocr page 212-
192                             WOUTERTJE P I E T E R S E.
—  Dan moet je maar beter luisteren, als de meester of Stoffel
je wat uitlegt, zei de moeder. Ja, meester, hy is altyd zoo achter-
lyk geweest. Senie in leeren heeft-i volstrekt niet, en ik kan \'t er
maar niet in krygen.
Dit kon de meester nu minder schelen, als hy maar mocht
voortgaan met onderwyzen. Z\'n bewondering over die fameuze
afsnydingsteekens was nog niet uitgeput.
—  Het zal u voorzeker bekend zyn, juffrouw, dat de woorden
verdeeld worden in mannelyke, vrouwelyke en onzydige?
—  Ja, meester, dat heeft Stoffel ook gezegd.
—  Juist! sDegen" is mannelyk, en »dolk" ook, dit begrypt uf
—  Wel zeker, dat \'s heel duidelyk.
En al de meisjes riepen: zeker, zeker!
De meester had met welgevallen die gulle betuigingen aange-
hoord, en z\'n stoel gepolyst door wenden en keeren om ieder op
z\'n beurt gelukkig te maken met \'n blik van goedkeuring. Z\'n
tevredenheid scheen eindelijk domicilie te kiezen by de vrouw des
huizes. Met schouder, oog, duim en wysvinger trachtte hy haar
in de ziel te grypen:
—  Mannelyk alzoo! Deklineer uwe nu eens «uitgetogen degen"
juffrouw, of — indien u dit misschien gemakkeiyker mocht voor-
komen — beproef eens het te verbuigen.
—  Ja, ja, juist! Dat moet jelui nu maar \'ns doen met je allen,
riep ze. En jy Wouter, doe ook mee, dan leer je wat, niet waar,
meester ? En ik moet absoluut na de keuken, anders laat ze weer
de gort aanbranden.. . want we eten gort, meester, en we hebben
\'n nieuwe meid. \'t Schepsel weet van toeten noch blazen... \'t is
\'n gedoe!
Onder dit voorgeven trok zich juffrouw Pieterse magnificentelyk
van \'t slagveld terug. Met veel gehaspel trachtte nu Pennewip de
rest van z\'n auditorium aan \'t verstand te brengen hoe inkunstig
de auteur van het treurspel de uitgetogenheid van dien degen had
weten te knotten, zonder \'t minste nadeel voor de ware taalkunde.
Daarin zat \'m \'t fyne van de zaak, zeide hy, en al de meisjes
waren \'t weer volkomen met hem eens. Maar Wouter had \'n
gevoel als iemand die op distelen kauwt, en dan nog verzekeren
moet dat ze hem byzonder goed smaken, \'t Ergste was dat-i by
voortduring de oorzaak van dat verschil met de anderen, bleef
zoeken in zyn verregaande stompzinnigheid.
—  Ook in konjugatien is de man een eerst meester, in konjugatien
of... vervoegingen! De juffrouwen kennen toch de aanvoegende wys?
-ocr page 213-
MULTATULI.                                            193
De juffrouwen knikten.
—  Aanvoegende, byvoegende, ook wel genaamd de byvoegelyke wys?
> Zeker, zeker, heel partikulier!" schenen alle blikken te antwoorden.
—  Welnu dan, zie eens hier. Wat staat daar? t>Zoo straff\' de
Hemel my /"
Ook daar heeft de schryver met veel oordeel een
afsnydingsteeken geplaatst, en gy ziet wel. . .
—  Daar wordt zoo-waar gescheld, riep Trui, en Leentjen is er
niet om open te doen.
Aldus retireerde zich juffrouw Sertrude.
—  Uwe dan, juffrouw. Dat ik straffe, dat gy straffct. .. dat
Jiy,
of dat de Hemel.. .
Precies, zei Stoffel. Zeg jy \'t nu eens, Petró! Dat de Hemel. ..
welnu, hoe is \'t verder ?
—  De Hemel ? Wel... de hemel ? Daar gaat de groentevrouw
voorby... ze heeft me gister \'n zesthalf voor \'n schelling in de
hand gestopt.. .
Weg was Petrè. Ze verzaakte den »hemel" voor vier aardsche
duiten, want zooveel bedroeg \'t verschil tusschen de twee munt-
stukken die ze noemde.
En ook Mine wist middel te vinden om haar gebrek aan taai-
kundig schoonheidsgevoel te bemantelen onder \'n overhaaste vlucht.
Wouter torschte nu de les alleen. En hy spande zich trouw-
hartig in om te begrypen wat Pennewip en Stoffel bedoelden. Dit
gelukte redelvk wel wat hun taalkundery aangaat, maar z\'n begrip
bleef steken in \'t verband daarvan met de treurspelkundige schoon-
heid die er uit voortvloeide, naar \'t zeggen van z\'n meesters.
Hy droomde dien nacht heel angstig, en werd telkens met schrik
wakker. De onmogelykheid eens eindelyk ook iets te begrypen van
wat allen anderen zoo duidelyk voor oogen scheen te liggen, py-
nigde hem vreeselyk. Hy bad God om vergiffenis voor z\'n domheid,
en beloofde z\'n best te doen om even knap te worden als Petrè,
als Trui, en zelfs als Stoffel en Pennewip. Maar, als dit mislukte,
of als \'t soms te veel gevergd was. . .dan verzocht-i God hem toch
asjeblieft maar bekwaam genoeg te maken voor een bleekersjongetje.
Dat zou dan toch met eenige inspanning wel gaan, meende hy.
En als God z\'n wensch niet al te onbescheiden vond, zou hy van
zyn kant dapper meewerken om \'t zoo ver te brengen., .dat ik
straffe...dat gy straffet.. .dat
/y...en dan \'t afsnydingsteeken,
precies \'n komma, maar wat hooger. God kon nu zelf zien hoehy
13
-ocr page 214-
194                                           MULTATULI.
z\'n best deed. . .straffe.. .slraff\'.. .komma in de lucht. . .\'n blee-
kersjongetje.. .
Zoo sliep hy in. Maar kort daarop kwam weer \'t een-of-ander
teeken z\'n slaap afsnyden. Pennewip had eer van z\'n taalkunde!;
De schrandere lezer heeft opgemerkt hoe kunstig de kleine deug-
niet alle toespeling op Femken in z\'n gebedjes oversloeg. God mocht
eens denken dat-i om harentwille zoo bescheiden was. En ook hy-
zelf moest erkennen dat-i liever koning was geworden — om Femke
prinses te maken ! — of kondukteur van zoo\'n diligence — om haar
ver, vèr weg te brengen naar \'n vreemd land ! — of roover. .. om
z\'n dame te omhangen met \'n snoer van diamanten, en... op haar
schoot te zitten in \'n grot.
Nu ja, dat zou \'t allermooiste wezen, maar omdat dit nu eenmaal
niet kon, door z\'n verregaande domheid . . .
Neen, neen, hy zei van dit alles aan God niets in z\'n gebedjes.
De Heer zal zeker gemeesmuild hebben over de arglistige poging
van den kleinen huichelaar, om hem \'n beetje te foppen in de waarde
van \'t gevraagde. Zoo\'n aanstelling tot bleekersjongen zou zeker geen
zware post geweest zyn op \'t budget van \'t heelal, maar als de zaak
dreigde uitteloopen op den schoot van Femke .. .
Gelukkig dat de Heer van oudsher aan onoprechte gebeden gewend
is, en wel weten zal waaraan hy zich by zulke gelegenheden te
houden heeft. Hy begrypt, byv. dat het bidden om vergiffenis voor
\'n vyand, niet.. . krek is, omdat juist de zachtmoedigheid van \'t
slachtoffer de schuld der beulen verzwaart, en daar de slachtoffers
dit weten . . .
\'t Is te hopen dat alle gebeden daarboven worden overgezet in
waarheiil, en dat er voor Wouter iets beters moge weggelegd zyn,,
dan de ruwaardy van \'n bleekveld.
Maar dat-i veel van Femke hield, is waar, al zeid-i er niets van
in z\'n gebedjes. God zal rt wel begrepen hebben, denk ik, want
menschkunde is godenplicht.
Pennewip had de fameuse »komedie waarin driemaal gestorven
wordt"\' in den huize Pieterse achtergelaten. De juffrouwen stelden
zich aan of ze \'t lazen, maar Wouter deed meer nog dan lezen.
Met den ernstigen wil om te begrypen, bestudeerde hy \'t stuk. E»
dit gelukte hem tendeele, maar hy slaagde volstrekt niet in de voor-
geschreven opgetogenheid. Hy bleef Glorioso mooier vinden. En\'
\'t peruaansch geschiedenisjen ook. En zelfs dat arme Roodkapje.
Om rechtvaardig te zyn jegens den auteur van dat sterfstuk,
moeten wy erkennen dat de manier waarop men hem by \'t kind:
-ocr page 215-
WOUTERTJE PIETERS E.                                   I95
had ingeleid, niet zeer geschikt was om de schoonheden te doen
uitkomen, die sommigen gewoon zyn de dichterlyke te noemen. De
meester had door zyn taalkundige opmerkingen \'t genieten vry
moeielyk gemaakt, en aldus in dezen kleinen kring vry nauwkeurig
de rol vervuld die onze scholen spelen in de klassieke litteratuur.
We zouden van de antieken meer geleerd en genoten hebben, wan-
neer ze ons niet waren vergald geworden door skolastiek.
Toch beweer ik niet dat bet boekske waarmee men voorgaf Wotl-
ters hongerige ziel te spyzigen, heel veel verloor aan dat voorop-
stellen van komma\'s in de lucht en dergelyke merkwaardigheden.
De auteur verdiende niet beter. Pennewip zou \'n lofwaardig werk
hebben gedaan, indien hy met verontwaardigd sarkasme dezelfde
zotternyen had voor den dag gebracht, die nu slechts uitvloeisels
waren van z\'n nuchtere schoolmeestery.
De lezer kan reeds weten dat het werkje waarmee onze Wouter
zich moest bezig-houden, de meer of min bekende ?> Flor is de Vyfde"
van Bilderdyk was.
•
-ocr page 216-
Over middelfuntschiewcndc en aantrekkende krachten, negatieve en pozitieve
polen of zoo-iels, Idykbaar in \'n paar bezoeken die
Wouter byna niet aflegt.
Wouters kerkgang was achter den rug. De domine had by deze
gelegenheid zoo byzonder mooi gepreekt, zei Stoffel. En: »alles\'
was zoo toepasselyk!\'\'
—  \'t Is nu maar te hopen, moeder, dat het vruchten draagt.
—   Zeker, Stoffel! En dat-i me niet weer z\'n nieuwen broek
scheurt. Er moet zoo zuur voor gewerkt worden.
Dit was wel weer eenigszins hyperbolisch gesproken, want »zuur
gewerkt" werd er in den huize Pieterse niet. Dat Wouters moeder
zich met haar huishouden zooveel onnoodige drukte op den hals
haalde, geschiedde uit pure liefhebbery. \'t Mensch meende, dit
hoorde er zoo by. Ook \'t klagen daarover, of liever \'t roemen op
die bereddering, lag in haar mond bestorven. Ze zou vreemd heb-
ben opgezien als men haar gezegd had dat ze best kon gemist
worden in de huishouding van \'t Heelal.
Dat Wouter de bezoeken die hy had afteleggen, moest uitstellen
tot na z\'n kerkgang, was \'n gevolg der bygeloovige vrees voor de
dreigementen van Juffrouw Laps. Deze had zich beroepen op II
Kronieken 16, vers 12, en tegen zulke argumenten was de ont-
kiemende liberalistery van juffrouw Pieterse niet bestand. Wel bleef
ze er by dat men nu juist niet alles wat in de Schrift stond, zoo
precies op iedereen kon toepassen.. .
—  Ja, ja, ja, dat knn de Mensch wel, als \'t ware geloof er maar
is, en... de Genade! Waarom anders, m\'n lieve mensch, zou de
Heer die verdoemelyke zwakheid van Koning Asa hebben laten
te-boek stellen door den H. Geest? Alles heeft z\'n beteekenis, weetje!
-ocr page 217-
WOUTERTJE PIETERS E.                                 I97
—  Och ik ben zóó niet, of ik wil wel naar raad luisteren.. .
—  Dat \'s \'t ware ! Dan ben je gered, mensch! En... stuur \'m
eens by me, na zondag. Of... al was \'t zondag, maar na kerktyd
dan. Dan kan-i me met-een wat van de preek vertellen, schoon die
dominees... och wat weet zoo\'n kind daarvan !
Juffrouw Laps hield niet van dominees. Als velen zag ze die
heeren voor «geleerd" aan, en ze meende dat geleerdhedens niet te-
pas kwamen. *Gods Woord, zei ze, was zóó ingericht dat ieder \'t
begrypen kon zonder grieks of latyns. . . als-i de genade maar had.
Daarop kwam alles neer." Op den broodnyd na, die haar deze
meening in \'t gemoed lei, ben ik dit geheel met haar eens. En juist
daarom vind ik die »Genade" zoo\'n leelyk ding. Om konsekwent
te zyn, moeten de Lapsen zich weinig bekommeren over »goede
werken" en zelfs niet erg opzien tegen de kwade. Nu, konsekwent
was onze beoefenaarster.
—  Ja, ja, zondag na kerktyd! Ik reken er vast op...
En, om de uitnoodiging dringender te maken, sprak ze van de
lekkernyen die ze gewoon was haar gasten op dat oogenblik voor-
tezetten.
Wanneer wy aannemen — en dit mogen wy — dat juffrouw Laps
op \'n bezoek van Wouter byzonder gesteld was, moet men erken-
nen dat er diepe kinderkennis lag in het toevoegen van gebakjes
aan de voorgespiegelde napreek. Als waarheidlievend geschiedschry-
ver mag ik niet verhelen dat m\'n held voor verlokkingen van deze
soort geenszins ongevoelig was. En... en er was wel zoo-iets noodig
om de vurige godsdienst-oefenaarster in zyn oogen beminnelyk te
maken, of althans niet ten-eenen-male afschuwelyk. Hy was bang
voor haar, doch \'t spreekt vanzelf dat-i dit niet durfde zeggen. Ook
blyft het de vraag of-i \'t wist, want de tyd was nog ver, dat hy
beginnen zou zich rekenschap van z\'n aandoeningen te geven.
Een tyd die voor velen nooit aanbreekt!
Instinktmatig voelde hy angst voor \'t alleen-zyn met dat schepsel.
Ze was hem de levendige voorstelling van al de akeligheden die
Jehova noodig had om van tyd tot-tyd wat respekt inteboezemen
aan Israël.. . donder en bliksem, pestilentie, verzwelgende afgronden,
booze zweeren, vlammende zwaarden en verder goddelyk gereedschap.
Indien hy den moed had gehad rond-uit te spreken, zoud-i haar
verzocht hebben de beloofde versnaperingen hier-of-daar neerteleggen
buiten haar woning. Hy zou die dan wel vinden, meende hy. Maar
dezen moed had-i niet, en hy moest er dus wel in berusten dat z\'n
moeder over hem beschikte en \'t bezoek toezei.
—  En waarom ben je \'r nu niet heengegaan? vroeg ze, toen
Stoffels opgewondenheid over de preek wat begon te bedaren.
-ocr page 218-
198                                                 MULTAÏULI.
Wouter beriep zich op de bekende erge buikpyn die alle kinderen
ten-dienste staat, zoodra ze zich aan onaangename plichtjes willen
onttrekken. Deze ziekte zou te genezen zyn door \'t aankweeken van
eenige vertrouwelykheid tusschen ouders en kroost. Waarom toch
durfde Wouter niet erkennen dat het bezoek van Juffrouw Laps hem
tegen de borst stuitte? Hy wist immers zeer goed dat in zyn om-
geving de symphathie met z\'n speciale vyandin zoo byzonder groot
niet was ?
Velen vergissen zich in de meening dat de leugen altyd \'n uit-
vloeisel wezen zou van \'t belang. Aanvankelyk is ze, even als
sommige lichamelyke wanstaltigheden, slechts \'n gevolg van knelling.
Een kind dat geen weerklank verneemt op de uiting zyner aan-
doeningen, wordt beschroomd, en vreest zich belachelyk te maken.
Het gedurig vermanen, onderwvzen, berispen, werkt verlammend.
De jonge ziel trekt schuw haar begeerige voelhoorntjes in, en sluit
weldra ook de onschuldigste gewaarwordingen in haar binnenste op.
Hieruit vloeit dat hygen naar \'t onbekende voort, naar \'t verre —
dikwyls naar \'t onbereikbare — dat mensch en Menschdom ken-
merkt. Want de maatschappy werkt hierin op gelyke wyze als het
gezin en \'t ouderlyk toezicht. »Dat mag niet!" en: »dat is onbe-
hoorlyk!" wordt er van alle kanten geroepen, zoodra iemand zich
veroorlooft zichzelf te zyn. »Hoe dwaas!" is terstond het algemeene
oordeel óver alles wat afwykt van den regel waaraan men gewend
is. De meesten gaan \'n wyden stap verder, en noemen \'t »misda-
dig" wanneer de eenling zich aanmatigt z\'n individualiteit te be-
waren, of zelfs wanneer-i blyk geeft daarnaar te streven.
\'t Gevolg is: lengen. Want de lust om zich te verzetten
tegen overmacht, is weinigen gegeven. En de kracht!
Upmerkelyk is \'t dat de enkele die dit beproeft, niet het minst
wordt uitgejouwd door de velen die eenmaal dezelfde aandrift voel-
den, doch uit lafhartigheid en gemakzucht het strydperk ontweken
of verlieten. Wie \'n waarheid verkondigt die tegen den gewonen
sleur inloopt, vindt z\'n gevaarlykste tegenstanders niet onder de
aanhangers der bestreden dwaling, maar onder hen die, in den
grond van hun gemoed zyn meening toegedaan, niet verdragen
kunnen dat \'n ander den moed had die meening te openbaren.
Het vóórgaan wordt door achterblyvers opgenomen als verwyt. Er
zyn duizenden en duizenden die evenmin als Wouter lust zouden
hebben Juffrouw Laps te bezoeken, maar Woutertje had buikpyn
noodig om zich te vrywaren tegen verkettering over z\'n tegenzin.
En dit lukt niet eens altyd, want:
— Ik geloof niets van je buikpyn, zei de moeder, \'t Is maar
weer omdat je \'n ondeugend kind bent, die nooit wil doen wat
men hem zegt.
-ocr page 219-
WOUTERTJE PIETERS E.                                  199
Daar Stoffel dit ook vond, werd er krygsraad gehouden, en
Wouter veroordeeld den zwaren tocht te ondernemen. De katechi-
zatie die hem te wachten stond. .. och, \'t leek niets naar \'n kate-
chizatie! Hy werd ontvangen met \'n vriendelykheid die hem ver-
baasde, en heelemaal in de war bracht.
—  Zoo, lieve jongen, ben je daar ? AVat kom je laat! De kerk
is lang uit. Ga zitten, ventje. Kyk eens wat ik voor je bewaard
heb, expres voor jou!
Ze drukte hem op \'n stoel, en schoof hem allerlei lekkernyen
toe. Wouter was verlegen. En dit werd er niet beter op, toen ze
hem streelde en liefkoosde.
—  En vertel nu eens wat van de preek, zeide zy toen het kind
zich aan haar onverwachte vriendelykheid zoo goed mogelyk poogde
te onttrekken. Wat heeft de dominee al zoo gezegd?
—  De tekst was.. .
—  Nu ja, straks als je mond leeg is. Eet maar eerst \'n paar
taartjes, \'n Mensch kan niet alles te-gelvk doen. Daar is chokola,
en \'n likeurtje kryg je-n-ook. Ik heb altyd gezegd dat je \'n lieve
jongen bent, maar ze moeten niet zoo op je hakketeeren. Sla maar
toe, m\'n jongen, en doe gerust of je thuis was. . .
Nu, dit was eigenlyk \'t ware woord niet om Wouter op z\'n
gemak te zetten. Thuis!
Na de eerste verrassing over de vreemde ontvangst, begon hy
angstig te worden. Zonder de minste redeneering, en alleen om.. .
om... ja waarom? Op-eens stond-i op, en verzekerde dat z\'n
moeder hem bevolen had niet lang uitteblyven.
Er was weer geen woord van waar. Juffrouw Laps protesteerde,
maar Wouter hield vol. In-weerwil van haar dringende vriende-
lykheid wist-i zich door den vyand heenteslaan.
Na beloofd te hebben dat-i zeer spoedig »eens zou terugkomen"
raakte hy den trap af, en op-straat. Hier doorstroomde hem \'n
onbeschryfelyk gevoel van verlossing. Onbeschryfelyk vooral voor
hemzelf. Nooit was hy zoo... hartelyk behandeld, nooit althans
bejegend met zooveel vertoon van hartelykheid. Vanwaar dan z\'n
tegenzin ? Hy herinnerde zich dat ze hem by z\'n vertrek \'n kus
had willen geven, en dat-i zich door \'n snelle wending daaraan
onttrokken had. Waarom ? Dit wist-i alweer niet, maar het den-
ken hieraan veroorzaakte hem \'n zenuwachtige rilling, zooals de
schok waardoor we soms in den overgang van waken tot slapen
worden gestoord.
En zoud-i nu terstond naar huis gaan ? Wat zou hy opgeven
als reden van z\'n spoedige terugkomst?
Onwillekeurig richtte hy z\'n schreden naar de aschpoort. Het
-ocr page 220-
200                                                   MULTAUTLI.
was z\'n voornemen niet, Femke te bezoeken, volstrekt niet, vvaarlyk
niet! Hy had z\'n gekleurde üphelia immers niet by zich ? Ligt
hierin niet \'n duidelvk bewys dat-i by \'t verlaten van z\'n woning
niet aan Femke gedacht had ?
En zelfs toen-i op den buitensingel z\'n molens in \'t gezicht
kreeg...
Ach, ze zwegen ! Was er geen wind, of hielden ze zondag ?
De buitensingel was vol wandelaars. Juister gezegd, en vooral
amsterdamscher: er was veel volk op de been, dat daar skuierde".
Gewandeld wordt er door de zondagsmenschen eigenlvk niet. Woord
en zaak zyn te voornaam voor de burgerluï die daar heen-en-weer
slenteren, en zich verbeelden dat ze »buiten" zyn, omdat ze stoffig
zand in-plaats van straatsteenen onder de voeten hebben. Het
zondagsgenoegen van de meesten is heel melankoliek! Of schynt
dit maar zoo f Genieten de wandelaars meer of iets anders dan
op hun gelaat te lezen staat? We willen dit hopen.
Wouter volgde een der stroomingen, en wel juist die waardoor
hy Femke\'s huisje nader gedreven werd. Toen hy voor de lage
omheining stond, die \'t erfjen afschutte aan den wegkant, durfde
hy niet binnengaan, en daar hy dit niet aan zichzelf bekennen
wilde, schoof hy de schuld van z\'n beschroomdheid op Ophelia
die thuis gebleven was.
— O, als ik m\'n prent maar hier had! zuchtte hy. Dan zou
ik zeker. . .
Dit is de vraag! Ik geloof dat Wouter, met prent en al, even
schuw zou geweest zyn. Hy wist niet wat-i zeggen zou, en zelfs
niet of hy iets te zeggen had. Wat zoud-i antwoorden als Femke\'s
moeder hem vroeg: »maar, mannetje, wat kom je hier eigenlyk
doen r"
Wy, schryver en lezer, wy zouden misschien kunnen antwoorden.
En \'t is de vraag of onze wysheid wyzer wezen zou dan de dom-
heid van \'t kind dat daar weifelend stond te leunen op \'t lage
hekje. Hy staarde met open mond het huisjen aan. Z\'n knieën
knikten, \'t hart bonsde, tong en verhemelte waren droog. Waar-
om toch ?
Een klein zuiltje rook dat uit den schoorsteen opsteeg, maakte
hem wakker. Als er eens brand kwam in Femke\'s huisje! Dan
immers moest-i wel binnen gaan ! Dan zou \'t hem vrystaan haar
te redden, haar in z\'n armen te nemen, haar wegtedragen, ver
weg, heel ver... tot aan \'t einde der wereld, of buiten de stad
ten-minste! Hier-of-daar waar men gekleed gaat in rood fluweel
en groene zyde, ergens waar de heeren groote zwaarden dragen,
de dames lange sleepen! Wat zoo\'n sleep Femke goed zou staan!
-ocr page 221-
•
WOUTERTJE PIETERS E.                                  201
En ze zou te-paard zitten, en hy zou haar volgen . . . neen, naast
haar ryden met \'n valk op z\'n vuist!
— Als er maar brand kwam!
Maar er kwam geen brand. Dit zag Wouter ook wel. Die
rook . .. och, \'t was zoo\'n gewoon huishoudelyk rookje! Hy staarde
op andere huisjes in de buurt, waar ook iets scheen gekookt te
worden, en overal veroorloofden zich de schoorsteenen getuigenis
afteleggen van \'n bezigheid, die niet van Femke\'s bezigheid scheen
te verschillen. Hoe was \'t mogelyk!
Een onderscheid bleef er toch, al wisten die domme wolkjes
zelf het niet: zy hadden Femke gezien! Ze waren gezien door
Femke! Zoo-even nog huisden ze in de turven die door ha;ir hand
waren geschikt op de vuurplaat! Warlend hadden ze dat verblyf
verlaten, bly misschien dat ze werden opgezonden om straks Wou-
ter van haar te groeten. .. ach waarom steeg ze niet mee op, zy-
zelf! \'t Zou juist hebben gepast by z\'n aandoeningen. En al hadden
alle wandelaars geroepen: >zie, daar geschiedt \'n wonder. Een
meisje stygt uit den schoorsteen ten-hemel!" . .. Wouter zou ge-
zworen hebben dat het geen wonder was, maar Femke die om-
hoog zweefde, gedragen door de opgetogenheid van z\'n hart.
Hem kwam \'t eer als wonder voor, dat ze niet scheen te weten
dat hy daar stond, zoo vurig verlangende haar te zien, zoo ge-
tergd half voldaan door \'t aanschouwen van iets dat misschien
door haar gezien was, en toch, toch te schuw om \'t erf optegaan,
den klink van de deur te lichten, en binnentredend te roepen:
j Femke, hier ben ik .. . waarlyk, ik kon niet eer, maar nu, zoo-
dra ik kon: hier ben ik!\'\'
Want hy had \'n gevoel alsof hy zich over z\'n lang wegblyven
verontschuldigen moest. Juist andersom dan by andere verhoudingen
waarin men zich van gemaakte afspraken tracht te ontslaan, voel-
de hy zich als \'t ware gebonden door afspraken die niet gemaakt
waren.
Daar naderde \'n troep wandelaars die te lang schenen gerust
te hebben in een der etablissementen langs den weg, waar men
iververschingen" bekomen kon. Al te ververscht, plukten zy in \'t
voorbygaan Wouter van z\'n hekje, en namen hem in de vlucht
van hun sukkeldrafje mee.
Nu, dit was zoo kwaad niet. Waarom toch zoud-i daar langer
staan kyken naar dat huisjen en dien rook ? \'t Zou wel zonderling
wezen als nu juist op dit oogenblik de zoo vurig gewenschte brand
kwam. En . . . zonder brand ? Bovendien, daar-i Ophelia niet by
zich had...
Maar ... morgen! Morgen zoud-i zeker z\'n prent meeneemen.
-ocr page 222-
202                                                  M ULTATULI.
En hy beloofde zichzelf dat-i dan niet zoo kinderachtig zou blyven
staan voor dat hekje!
Hy voelde schaamte tegenover de bonte heerschappen met plui-
men, zwaarden en harnassen, op z\'n prenten. Zeker hadden zy
moed, al die koningen, ridders en pages . . . waarom anders zou
men ze hebben uitgeteekend, en zoo prachtig opgetooid ? Als \'t
niet beterde, zou men nooit hem op \'n prent zetten, zoo\';; laffen
durfniet!
Maar hy zou zich beteren, ongetwyfeld, waarlyk, zeker, heusch!
Hoe verder hy zich venvyderde, hoe mannelyker hy zich voornam
den volgenden dag onvervaard het huisje intestappen, en flink tot
Femke\'s moeder te zeggen: goeien dag, juffrouw, hoe vaart u ?
Het viel hem moeielyker te bepalen wat-i aan Femke zelf zeg-
gen zou. Telkens maakte hy lange redevoeringen gereed, die sterk
naar boeken en boekjes riekten, en dus niet veel deugden. Nu-en-
dan zelfs betrapte hy zich op \'n regel uit Bilderdyks »Floris" en
voorziende dat het meisje hem niet begrypen zou, wapende hy
zich in de voorbaat met de verzekering\' dat dit de woorden waren
van onzen grootsten dichter.
Of ze daarvoor gevoelig wezen zou ?
En by dezelfde gelegenheid zoud-i dan tevens haar vragen wat
\'n swulp" was, en \'n »echtkoets" en »kuisheid", alle woorden die
hy in Bilderdyks sFloris" had leeren kennen, en zoo al voort. Al
wat-i niet wist en toch zoo gaarne weten wilde, zoud-i aan haar
vragen, en al verwachtte hy dan niet dat het ongeleerde meisje
hem op den weg helpen kon, het was hem reeds \'n heerlyk voor-
uitzicht al die mysteriën met haar te zullen bespreken.
Aldus begon zich in den knaap het in-eenvloeien te openbaren
der verschillende soorten van ontwikkeling, waarop ik vroeger ge-
wezen heb. Ik beweer nog altyd niet dat we hier met eigenlyke
liefde te doen hebben, maar zeker is het dat Wouters neiging voor
Femke, welken rang die dan ook mocht innemen op zielkundig,
en — waarom zouden we \'t ontkennen f — ook op stoffelyk gebied,
zich vereenzelvigde met lust tot onderzoek. Och, hy wist wel dat
er van haar niets te leeren viel, vooral niet omtrent zaken die te-
huis behoorden in \'n boek. Maar er waren er ook van andere
soort, en Femke kwam hem zoo heel groot voor, of liever: »groot."
Ze was volwassen, en dit brengt in de oogen van \'n kind \'n hooge
waardigheid mee.
Doch al zou er blyken dat ze in geen enkel opzicht instaat was
z\'n nieuwsgierigheid te bevredigen, dan nog voelde hy zich sterk
tot haar getrokken door de begeerte hdar iets medetedeelen van
zyn kennis. En, waar deze te kort schoot, zoud-i met onbeperkte
gulheid Femke deelgenoot maken van z\'n onkunde. Ook dan toch
-ocr page 223-
WOUTERTJE PIETERS E.                                203
gaf hy haar wat, en ze zouden iets in gemeenschap bezitten. Het
kwam hem verrukkelyk voor. te-zamen met haar iets niet te weten,
waaruit natuurlyk \'n vereenigd streven naar kennis moest voortvloeien.
Hy was brandend nieuwsgierig naar alles wat ze hem zou te
zeggen hebben, daar-i \'t waarschynlyk vond dat ook zy levenslang
al haar aandoeningen had opgespaard voor haar eerste vrindje.
Met schrik bedacht-i nu dat hy van die vriendschap niet zeker
was! Ze had in z\'n ziekte naar hem gevraagd... nu ja, maar
misschien was ze juist toevallig voorby z\'n huis gekomen, en dan
was \'t zoo heel moeielyk niet, even aanteschellen, en te vragen:
hoe vaart Wouter ?
O, dat valsche mensch-exemplaartje! Hy zelf durfde niet binnen-
gaan. Femke had wel gedurfd, en toch.. . toch mocht ze niet al
de eer hebben van den moed die Wouter zoo onbereikbaar toe-
scheer, toen ze gevorderd werd van hemzelf. Zoo zyn we. Het doet
niet tot de zaak dat het meisje, niet als Wouter geplaagd door
aandoeningen die ze meende te moeten verbergen, minder moed
behoefde dan hem voor zoo\'n bezoek noodig voorkwam. Want dit
verschil was hem onbekend. Hy had evenmin besef van haar een-
voudigheid, als bewtistzyn van de oorzaken die hem beletten een-
voudig te zyn, en \'t ware dus eerlyk geweest haar te bewonderen
met dezelfde overdryviug als waarmee hy zichzelf beschuldigde van
lafheid. Maar dit deed-i niet. Hoogstens verdiepte hy zich in gis-
singen omtrent de manier waarop ze hem had weten te vinden.
\'t Is waar ook, dacht-i, hoe wist ze waar ik woonde ? Hy bere-
kende dat ze zich veel moeite moest getroost hebben om dit uitte-
vorschen, en hieruit putte hy weer wat hoop dat-i wel inderdaad
Femke\'s vrindje was. Haar éérste vrindje ? Wie kon dit weten ?
Zoo\'n groot meisje heeft al zoolang geleefd met haar moeder, en
met schoolkameraadjes, en met jongetjes die haar komen bezoeken
by de bleek! En met pater Jansen. . .
Dien pater Jansen had-i graag \'n hartelyken stomp gegeven.
Wat moet men doen om pater te worden, Femke\'s pater? Als er
mogelykheid was op zoo-iets! Met het grootst genoegen zoud-i dan
aan Femke uitleggen al wat maar eenigszins dienen kon voor haar
zaligheid, en hy wou haar graag \'n zoen geven, eiken keer als ze
haar «vragen" goed had opgezegd. Jazelfs, hy zou haar \'n zoen
geven als daaraan wat haperde, of ook al wist ze \'t eerste woord
niet van haar lesje met die ivoren torens. Och hy zou voor Femke
zoo\'n vriendelyke pater zyn!
Hoe legt men het toch aan, om \'t zoover te brengen in de
wereld? En kon men er zeker van zyn, dat \'n pater altyd durfde
binnengaan als-i ergens wezen wilde ?
Hy zag duidelyk in, dat-i vóór alles die gekke beschroomdheid
-ocr page 224-
MULTATULI,
204
moest overwinnen. Wat zou Mungo Park wel gezegd hebben, als-i
hem daar zoo besluiteloos had zien staan voor dat hekje ? Zeker,
zeker, dit begreep hyzelf wel, zóó kon men geen werelddeelen in-
nemen. O, meende hy, als \'t maar om Afrika ware te doen ge-
weest, dan zoud-i wel doorgedrongen zyn tot in \'t binnenste binnen-
land, nog veel dieper-in dan ver over de blauwe bergen die den
achtergrond vormden van al de prentjes in z\'n boekje. Maar...
dat hekje? En... Femke\'s moeder? En... Femke zelf? Ware
hy maar zeker geweest haar te vinden, alléén haar! »Toch niet,
antwoordde hy zichzelf, dan juist zou ik niet hebben durven bin-
nengaan!"
Nu kwam \'t hem voor, dat-i liever Femke\'s moeder had gevon-
den. Hy zou dan aan die vrouw gezegd hebben. . . ja wat? Neen,
neen, zoo heel aanlokkelyk was de ontmoeting met Femke\'s moe-
der niet!
Zou men ook aan Mungo Park gevraagd hebben: wat kom je
hier in Afrika eigenlyk doen ?
En. .. als men \'t gevraagd had... welnu, hy kon makkelyk
antwoorden. Zoo\'n reiziger in \'n boek met prentjes is nooit ver-
legen .
Hier begon Wouter schoone toespraken te houden tot al de
negerkoningen die hy met lans en zwaard overwonnen had. En al
de vrouwen des lands kusten hem de handen terwyl-i voorby reed,
zittende op \'n schimmel met vuurrooden schabrak. En hy infor-
meerde zich heel minzaam naar de lieve meisjes die Park hadden
verpleegd in z\'n ziekte: \'somdat de vreemde witte man ver was
van moeder of zusters, en geen huis had." Hy zou ze koninklyk
beloonen. . .
Want Wouter was koning in al dat veroverde land. Koning,
en... Femke koningin! Wat de groote fluweelen mantel haar
prachtig staan zou! En die gouden diadeem!
Ach, er was ter-nauwernood verf genoeg in Wouters gemoed,
om al die heerlykheid naar behooren te kleuren! Maar wat er
mocht overschieten, zy kwam niet te-kort. Haar sierde hy op in
z\'n vlammende verbeelding, haar \'t eerst, haar \'t meest, haar byna
alleen. Byna, ja... want hyzelf was er by, maar kon dit anders?
Hoe zou ze koningin van heel Afrika kunnen wezen, zonder \'n
koning! En wie anders kon dit zyn dan hy, Wouter, haar vrindje ?
Och dat veroveren van werelddeelen was zoo\'n gemakkelyke
zaak, meende hy. Wel speet het hem zeer dat-i pas dertien jaren
oud was, en dus gevaar liep dat anderen hem vóórkwamen en
Afrika bezetten, terwyl hy door den verraderlyken Pennewip werd
opgehouden met verbuigingen en die vervloekte regula de tri\\ En
-ocr page 225-
WOUTERTJE PIETERS E.                                  205
hy wist zeer goed dat er nog zooveel andere zaken moesten geleerd
worden, voor men werelddeelen veroveren kan, of zelfs koning
worden van \'n kleiner land. Ook z\'n zakgeld moest eenige ver-
andering ondergaan, want zes duiten in de week waren by de
grootste zuinigheid inderdaad niet toereikend voor z\'n plannen.
De Hallemannetjes... nu ja, die kinderen ontvingen hooger toe-
laag, maar ze dachten gelukkig niet aan Afrika. Voorloopig vreesde
hy hun konkurrentie niet, doch wel dat misschien hier of-daar \'n
ander kind, iets nader aan \'t groot-zyn dan hy, hem den pas zou
afsnyden. En nog meer belemmeringen sloegen z\'n vlucht neer.
Hoe moest hy \'t aanleggen, dacht-i, om niet bekeven te worden
door z\'n moeder, wanneer hy op z\'n tochten in dat onmetelyk
binnenland eens wat langer uitbleef dan de huistucht der Pietersens
veroorloofde ?
Inderdaad, al die moeielykheden waren niet te miskennen. Onze
kleine droomer zag geen kans ze uit den weg te ruimen, en daar
toch z\'n verbeelding niet verkoos zich te laten stuiten, sprong ze
er over heen.
Al wat er met hem en Femke in Afrika geschiedde, zou be-
schreven worden in fraaie boeken met gekleurde plaatjes. Hy zag
zich op \'n salomonischen troon waarvan \'t model aan z\'n prenten-
bybel ontleend was, en ze zat naast hem. .. zy! En groots was
ze niet, want ze wilde \'t heel wel weten »voor \'t aangezicht van
\'t geheele volk" dat ze vroeger maar \'n bleekmeisje zonder kroon
of statie was geweest, even buiten de aschpoort. Dit mocht bekend
zyn aan allen die daar geknield lagen voor haar troon, en ieder
mocht het vertellen aan... ieder, wanneer men dan maar nooit
vergat er by te zeggen dat ze koningin was geworden omdat Wouter
haar had liefgehad. En \'t volk behoefde nu voortaan niet te knie-
len, zou ze zeggen. . .
Nu ja, dacht Wouter, by buitengewone gelegenheden staat dat
zoo kwaad niet. Als hy bezoek ontving van z\'n moeder en van
Stoffel, by-voorbeeld. Die twee mochten \'t wel eens zien, vond-i,
hoe al die menschen hem vereerden, en. .. haar vooral, haar die
zoo onheusch was bejegend toen ze in z\'n ongesteldheid naar hem
was komen vragen. Maar als moeder en Stoffel \'t eenmaal gezien
hadden, was \'t genoeg. Dan zoud-i alles vergeven, en voor z\'n
moeder \'n groot huis laten bouwen, vol regenbakken en wasch-
tobbes. Ook besloot-i \'n ruime school te laten oprichten voor Pen-
newip, met groote zwarte borden, inktkokers, schryfboekjes en
kleurige landkaarten van Europa, en tabellen van \'t vervelende
nieuwe-matenstelsel. En hy zou z\'n ouden meester vergunnen daarin
den gansenen dag onderwys te geven, van \'s morgens vroeg tot
\'s avends laat... ja, den geheelen nacht dóór! Mocht dit soms
de jongetjes vervelen...
-ocr page 226-
20Ó
MULTATULI.
Wouter was bezig met de moeielyke oplossing van \'t vraagstuk
hoe hy te-gelyker-tyd Meester Pennevvip en de afrikaansche jeugd zou
tevreden stellen, toen Leentje de deur opende. Zonder het te welen
namelyk had-i z\'n woning bereikt, en daar aangescheld, zoodat hy
zich vry onverwachts zag overgeplaatst in \'n geheel anderen kring
dan waarin hy sedert \'n half uur zich bewoog. Hy had inderdaad
eenige inspanning noodig oin te begrypen wat z\'n moeder bedoelde,
toen ze hem vroeg hoe z\'n bezoek was afgeloopen, en of Juffrouw
Laps tevreden was geweest over \'t verslag van de preek ?
Preek ? Laps ? Och, wat was dit alles ver! Stamelend en zonder
eigenlyk te weten wat-i zeide, sprak hy eenige woorden uit die z\'n
moeder en Stoffel in den waan brachten dat het door hem afgelegd
examen niet naar den eisch was afgeloopen. Wat zoud-i dan ook
over den uitslag van z\'n bezoek uit \'n godgeleerd oogpunt kunnen
zeggen ? De heele theologie was immers allerschandelykst achterwege
gebleven. En ook dit kon-i niet erkennen zonder zekere gaping te
doen in \'t oog vallen, die z\'n relaas heel onvolkomen maken zou.
Hy was lang genoeg uitgebleven om de vier boeken Mosis afte-
handelen, en begreep dat die tydruimte niet te vullen was met
twee taartjes en \'n kopje chocola. Voorbereid op \'t na-examen dat
hem te-huis wachtte, was hy volstrekt niet. Van \'t oogenblik af dat-i
de aschpooit en z\'n molens had weergezien, had-i zoo weinig aan
juffrouw Laps gedacht, dat \'t mensch zonder genade zou gestikt zyn,
als hy belast ware geweest met het leveren van haar adem.
\'t Was \'n geluk dat-i niet van pater Jansen sprak, of van dien
rook, of van Afrika. Een geluk dat-i gedeeltelvk te danken had aan
z\'n hakkelen, want wie goed luisterde naar z\'n mededeelingen, kon
in waarheid betuigen dat-i volstrekt niemendal zei.
Pehalve de niet geheel willekeurige tegenzin om melding te maken
van dat uitstapje naar den buitensingel, bestond er nog \'n reden
die Wouter belette \'n duidelyk verslag te geven van z\'n bezoek. Hy
was even verlegen iets te zeggen over de ondervonden vriendelyk-
heid, als-i over die onverwachte vriendelykheid zelve geweest was.
Ze had hem zeer gestuit, en nu kwam \'t hem voor dat er iets laak-
baars lag in \'n aandoening die hy zeker nog minder by z\'n moeder
en Stoffel zou kunnen rechtvaardigen dan by zichzelf. »De jongen
lykt wel mal, meende hy te hooren zeggen. Als men hem beleefd
ontvangt, loopt-i boos weg. Wat is er aan te vangen met zoo \'n kind ?"
Z\'n stamelen bracht evenwel \'n heel andere werking voort dan-i
verwachten kon. Er scheen \'n reaktie te hebben plaats gehad sedert
men hem de deur uitzond. Misschien hadden z\'n beide inkwiziteurs
zich bezig gehouden met wat ergernis over de schriftgeleerdheid van
de oefenaarster, althans Stoffel brak Wouters gehakkel af met z\'n
gewoon :
-ocr page 227-
WOUTERTJE PIETERS E.                                   207
—  Zie je wel, moeder, juist wat ik altyd zei. Daar hoort wat toe
om \'t haar naar den zin te maken. Ze weet altyd alles beter dan
\'n ander.. .
—  Zóó is het, riep de moeder, \'t Mensch is gek en verwaand,
dat zeg ik! En zeg jyzelf nu eens, Stoffel, of men van zoo\'n kind
vergen kan dat-i alles precies onthoudt, wat de dominee gezegd
heeft ? Dat kan ikzelf niet. En jy ook niet. Rn de meester ook niet.
En ik zeg dat geen mensch dit kan. En dit dan te verlangen van
zoo\'n kind! Ze doet het maar om den profester te spelen.. .daar-
om doet ze \'t!
Dit was Stoffels gevoelen ook, en de moeder werd welsprekend
door z\'n byval.
—  Wat verbeeldt ze zich wel, ging ze voort. Meent ze misschien
dat zyzelf \'n dominee is, omdat ze zooveel teksten uit het hoofd
kent ? Het mocht wat! En dan met al die wysheid te liggen sikke-
neeren op \'n kind dat pas ziek geweest is! \'t Is \'n ware schande!
Wat hoefje ook daarheen te gaan, Wouter? Je hebt niks met het
mensch te maken. Wat doe je in haar huis ? Ik zeg maar altyd...
Hier bedacht de redenaarster dat zyzelf Woutertje tot z\'n bezoek
gedwongen had. Ze viel zich daarom in de rede met \'n vermaning
om z\'n zondagschen broek uittetrekken. En haar ontevredenheid
over de verkeerde richting die ze aan haar oratie gegeven had, uitte
zich in \'n splinternieuwe zooveelste lykrede op Wouters vorig pakje:
»waarvan ze zoo weinig pleizier had gehad, omdat-i zoo slcetsch
was. Er moest zoo zuur voor gewerkt worden !"
—   En dan zoo\'n kind \'n heel uur lang op \'n droogje te laten
zitten! En ze had nogal gezegd . ..
Dit was nu toch meer dan Wouters rechtsgevoel verdragen kon.
Hy viel z\'n moeder in de rede, en verzekerde dat juist integendeel
z\'n gastvrouw hem zeer gul ontvangen had, en dat ze zelfs . ..
Hier stuitte hy weer op de bovenmatige vriendelykheid waaraan-i
geen naam geven kon. Waarom toch?
Uit verlegenheid weidde hy breed uit over de chokolade .. .
—   Zoo ? Wel, jongen, waarom sprak je daar dan niet terstond
van? Nu, dat\'s hetzelfde. Ik wil maar zeggen: dat had er dan ook
nog moeten bykomen, dat ze je niet eens wat voorgezet had!
Want. . zóó zyn die menschen ! Altyd hebben ze wat te vitten op
\'n ander, maar naar zichzelf kyken ze nooit. Ik geloof óók wel aan
de Genade, en ik houd er óók wel van zoo nu-en-dan eens, als
m\'n huishouden aan-kant is, wat degelyks te hooren uit de Schrift,
of van \'t Geloof, of zoowat, maar om nu juist eeuwig en altyd
-ocr page 228-
208                                                 MULTATUL1,
daarover te praten. .. neen! In \'t praten zit \'t \'m niet, wat zeg jy,
Stoffel? Ik zeg dat \'n mensch z\'n werk moet doen in de wereld,
en jy, Wouter, trek toch je nieuwen broek uit, dat heb ik je nu wel
al honderdmaal gezegd, Trui, geef \'m z\'n ouwe!
Trui gehoorzaamde. En Wouter ook. Maar hy beloofde zich
vast en zeker, dat-i in Afrika alle dagen op z\'n zondags zou
gekleed gaan.
-ocr page 229-
Onze held legt weer \'n bezoek af, en woont akelige tooneelen by. Sporen van
kanibalismits in
Europa. Sa/nrnalie of dokters studeerkamer. Vreese/yk tafereel
van kinderen die hun vader mishandelen.
Den volgenden dag schelde Wouter by den dokter aan. Z\'n hartje
beefde, want\'dat huis zag er heel voornaam uit. Hy werd binnen
gelaten en, na aangemeld te zyn, uitgenoodigd : »maar boven te
komen." Dit >. maar" is \'n onbeminnelyk uitvindsel van amsterdam-
sche dienstmeiden. Ik gis dat ze hiermee geen ander kwaad bedoe-
len dan zekere voorbereidende oefening in \'t gebruik van stopwoor-
den, met het plan om eerlang aan \'t verzenmaken te gaan, en
historische treurspelen te schryven.
Dokters-Kaatje was nog zoover niet. Ze geleidde Wouter heel
prozaïsch naar de >< studeerkamer\'\' waar dokter Holsma bezig was
met het vervullen van den natuurlyken vaderplicht: hy onderwees
z\'n kinderen.
Er waren er drie. Een jongen, wat ouder dan onze Wouter, zat
alleen in \'n hoek aan \'n klein tafelfje te schryven of te rekenen. De
beide anderen, \'n knaapje van Wouters leeftyd, en \'n meisje dat
een paar jaar jonger scheen, stonden by de tafel waaraan de dokter
gezeten was, en waarop \'n groote aardglobe stond, die blykbaar \'t
onderwerp was van de les. Dit begreep Wouter eerst later, want hy
had nooit met kennis zoo\'n grooten ronden bol gezien. Hy wist niet
dat er nog \'n andere manier bestond om de ligging van landen
aanschouwelyk voortestellen, dan op platte kaarten. Zoo was er meer
in de kamer, dat-i wel zag, maar ter-nauwer-nood waarnam, en niet
\'4
-ocr page 230-
2 10                                                  MULTATULI.
opmerkte. Toch prentte zich alles diep in z\'n geheugen, en later,
veel later eerst, geraakte hy in-staat zich rekenschap te geven van
de indrukken die hy by z\'n binnentreden opving.
Toen de meid de deur der kamer opende, vernam hy de stemmen
der kinderen, en ook die van den vader. Zelfs hoorde hy lachen,
maar zoodra hy z\'n figuurtje vertoonde, werd alles als door \'n too-
verslag op-eens doodstil. De twee kinderen by de groote tafel ston-
den als soldaatjes. Er was iets styfs in hun voorkomen, dat Wouter
zeker zou hebben doen lachen, als-i niet te verlegen geweest was
om \'t komieke daarvan te vatten. Zelfs het meisje zette haar lief
gezichtjen in \'n plooi van officieelen ernst... o deftiger dan hy ooit
by de oudste menschen had waargenomen, zelfs in de kerk. Gedu-
rende den tyd dat de dokter Wouter verwelkomde, en hem \'n stoel
aanwees, stond de kleine jongen zoo-waar met den pink op den
naad van den broek, als wachtte hy op \'n: ingerukt... marsch!
of rechts-om.. . keert!
De grootere die alleen zat, had by Wouters binnentreden steels-
gewys \'n oogenblik opgekeken, en hem aangezien met de eigenaar-
dige uitdrukking van vyandelykheid jegens onbekenden, die den
mensch zoo ongunstig onderscheidt van sommige andere diersoorten.
en die we vooral kunnen waarnemen by wilden, kinderen en.. .
sommige vrouwen. Het onuitgesproken: s>wie benjyl" heeft by zulke
gelegenheden den rang van stilzwygende oorlogsverklaring.
By kinderen is dit verschynsel dagelyks waartenemen, en ik geloof
dat het aan weinigen onbekend is. Om \'t optemerken by de mensch-
exemplaren die in de aardrykskundige schoolboekjes uitdrukkelyk
»wilden" genaamd worden, zou een Europeaan op-reis moeten gaan.
Wat de derde soort van individuen betreft, die zich aan deze speci-
fiek-humane ongerymdheid schuldig maken... men behoeft slechts
acht te geven op de blikken waarmee »dames" die elkander op \'n
wandeling ontmoeten, dit kenmerk van haar al te primitieve men-
schelykheid ten-toon spreiden. Ze nieten elkaar, wegen elkaar, oor-
deelen, beoordeelen, veroordeelen, en verdoemen elkaar. We zien
daaruit dat de slagtanden van \'t kannibalisme nog altyd niet geheel-
en-al zyn uitgevallen. Laat ons aannemen dat de lieve Natuur dit
aldus heeft verordend, opdat we niet te grootsch zouden wezen
tegenover honden en engelen. Zy bewaarde de rudera uit \'n lang
verloopen tydperk onzer ontwikkeling, als om ons toeteroepen:
> vergeet niet dat ge eenmaal zoo geweest zyt. Ge ziet wel, als niet
die Mevr. A, B, C, enz. \'n zyden japon aan \'t lyf, en \'n heer aan
den arm hadden, zouden ze elkaar opeten!"
\'t Is mogelyk dat die sdames" het zoo kwaad niet meenen, en dat
enkelen, ook zonder heer of zyden lappen, zich wel van anthropo-
fagie zouden onthouden. Ik heb de hier bedoelde mene-mene-tekel-
-ocr page 231-
WOUTERTJE PIETERS E.                                  211
woede waargenomen by zachtmoedige schepsels, die in gewone
omstandigheden waarlyk niet in-staat zouden zyn \'n levend konyn
te verslinden. Om evenwel deze zachtmoedigheid niet meer eer te
geven dan haar toekomt, moet men hierby niet uit het oog verlie-
zen, dat zoo\'n beestje zich nooit schuldig maakte aan... ja, waaraan ?
Wat is dan toch eigenlyk de misdaad van \'n dame die op de
wandeling mededames ontmoet ? Haar misdaad ? Wel, men kent
haar niet. Is dit niet onvergeeflyk ? Ze veroorlooft zich te bestaan, daar
te zyn, te loopen, te ademen, zeker soort van jurk te dragen zelfs,
en. .. men kent haar niet!
Het is te verklaren dat soms de lintjes van Mevrouw A. niet
behagen aan Juffrouw P>. \'t Is verschoonbaar dat de hoed van Freule
C. niet in den smaak valt van Miss D. Het is begrypelyk dat de
Wede E. \'n heel ander streepje zou gekozen hebben dan dat waarmee
Milc F. vandaag zoo byzonder mooi schynt te willen wezen... maar
toch, ligt er in dit alles \'n reden om elkaar zoo boos aantezien, en
maar heel-eventjes-byna niet te byten ?
In dat: »ik ken je niet, dus: vyandig!" openbaart zich \'n zonder-
linge opvatting van humaniteit. Misschien noemde ik die ten-on-
rechte : primitief. Wel schynt ze te dagteekenen uit den tyd toen we
in holen of op boomen woonden, maar \'t is te veronderstellen dat
ze door andere gewoonten van liefelyker aard is voorafgegaan. Het
kan zyn dat die kleinsteedsche barbaarschheid eenmaal iets nieuws
was, en voor beschaving doorging. Ze wyst op stamgemeenschap,
die \'n gevolg was van wryving. Op aansluiting, die samenging met
afzondering. Op gebrek aan voedingsmiddelen, dat eiken vreemde
deed aanzien als \'n indringer, als \'n veroveraar, als \'n dief. Een-
maal moet dit anders geweest zyn. Geheel onvervalscht primitief
zyn alzoo onze wilden, dames en kinderen niet! De geslachtsboom
hunner wreede schuwheid klimt hoogstens op tot de troglodieten,
maar gewis niet tot het paradys.
Zoo... damesachtig dan, had Willem Holsma den kleinen bezoe-
ker even aangekeken, heel even! Wouter zelf bemerkte het niet,
maar Dr. Holsma wel. En Willem scheen te weten dat z\'n vader
scherp zag. Vandaar de haast om voorttegaan met de sinussen
waaraan-i bezig was, of met den Titus Livius die hem vandaag
begunstigde met \'n pensum.
—  Zoo, ventje, ben je daar, zei de dokter. Komaan, dat\'s heel braaf
van je. Wat heb je daar ?
En op-eens zich tot de soldaatjes keerende:
—   Help me onthouden, jongens, dat ik je straks aan-tafel iets
vertel van... Olivier van Noort. Jy ook, Willem, denk er aan.
-ocr page 232-
212                                                 MULTATULI.
Wouter kneep verlegen in de opgerolde hooggekleurde Lady
Macbeth, en wist niet recht hoe hy t\'n geschenk aan den man
zou brengen. Hy vond die kamer zoo prachtig, en die meubels, en
die groote kasten vol boeken.. . och, z\'n prent kwam hem zoo
leelyk voor ! Hy had het ding wel willen inslikken.
Men had hem van-huis allerlei lessen meegegeven, en voorge-
schreven hoe hy staan, zitten en spreken moest. Hy stond dus vry
links, en sprak bedremmeld. Met groote moeite bracht-i er uit, dat
hy den dokter kwam bedanken »voor z\'n beterschap... naast Gods.
Het was koddig te zien hoe de beide soldaatjes zich op de lip
beten, en ik moet erkennen dat ook Holsma zelf niet zonder in-
spanning \'n ernstig gelaat vertoonde.
—   Naast God? Ja... juist! Heel juist! Braaf gezegd, kereltje!
En heb je dan nu God wel bedankt ?
— Zeker, m\'nheer! Alle avenden in m\'n bed, en gister in de kerk..
De kleine Sietske werd hier bezocht door \'n dykbreuk van on-
deugendheid. Ze proestte in lachen uit. Het ongeval dreigde aan-
stekelyk te worden. Willem scheen redenen te hebben z\'n neus veel
harder te snuiten dan voor \'t gewone doel van dien handgreep
noodig is. Ook Herman bewoog zich, en keek Wouter schalks aan.
Maar de dokter scheen met dit alles geen genoegen te nemen. Hy
sloeg met \'n liniaal op tafel, dat de aardbol er van sidderde.
—   Orrrde ! riep hy met \'n donderende stem, die Wouter bang
maakte. Orrrde ! Wat is dat hier voor \'n samojeedsch huishouden
onder de les ? Ik zal jelui allemaal.. . orrrde !
Daar begon \'n klok te slaan. Sietske scheen te tellen, en stak by
eiken slag \'n vinger op.
—   Ik zal jelui allemaal..
—  Vyf! juichte Sietske. M\'n hand is uit, kyk maar, tot den pink
toe: vyf! "Vyf uur, vadertje, mannetje, tirannetje! Hoera... hoera i
De beide jongens begonnen meeteschreeuwen. \'t Was \'n quodlibet
van gaudeamus en vive la joie, en God save the King. . . help mee,
jongens! -Vive la vaeance, Ie maitre en pénitence. .. Wilhellemus
al van Nassouwe. . . met de cllcboogen door z\'n... hoed.
Help,
Herman! Help Willem! Wraak, wraak, wraak! A bas les tyrans!
Amour sacré
— pak \'m beet, Willem, jy bent de sterkste — de la
pa/r ie... de heer van Sou is \'u brave kapitein... hy regeert s\'n
volkje.,
neen.. . daar ging \'n patertje langs den kant. . . wraak!
So, so wie ich dich liebe — wraak, wraak, wraak ! Houdje goed,
Herman, dapper ! Ik zal de linkerhand wel houden. Toe, jongens ! —
Hier ligt myn Datnon, neen. .. io vivat, io vivat. .. boum, bovm,
boum. . .
hoera! Dans sou bivouac, Ie troubadour fidele. . . wraak !
-ocr page 233-
WOUTERTJE PI ETER SE.
213
Flatve du Tage... wraak! Oh, shall he, boys... oh, shall he,
boys... o/i, shall he. .
wraak ! Pro salutc hor urn — geen latyn,
riep Sietske — hop maar Jannetje, hop maar. . . sing, Sally,/io.. .
wraak !
Wouter wreef z\'n oogen uit, en vertrouwde z\'n ooien niet. Wat-i
hier zag gebeuren, ging z\'n begrippen al te ver te-boven. Nooit had
hy kunnen droomen dat de wereld tooneelen opleverde, als waarvan
hy hier \'n voorbeeld zag. Van tooveren had-i wel eens meer ge-
hoord, en ook het ten hemel varen van Elias in \'n gloeienden wa-
gen kwam hem, na wat bybelstudie, zoo erg vreemd niet voor. Maar
dat Willem, Herman en Sietske hun vader, zoo\'n deftigen dokter,
om den hals vielen, tegen hem opklauterden, en hem byna de klee-
ren van \'t lyf plukten... ongehoord ! Hy had niet zoo ruw durven
omgaan met \'n ouden pantoffel van z\'n moeder, of met Stoffels
afgelegde kleeren. \'t Verbaasde hem dat de wereld niet verging.
—    Nu, nu, nu, riep de onttroonde tiran, wat inschikkelykheid,
jongens ! Kan ik \'t helpen, dat jelui geen pleizier hebt in aard-
rykskunde ?
—    Breng \'t dierbaar dochtertje naar den spiegel, papa, riep nu
Sietske die te-paard op z\'n schouders zat.
De vader gehoorzaamde. Maar hy hinkte, want Herman was op
z\'n linkervoet gaan zitten, en omarmde de kuit. Willem trok hem
aan den arm voort. By den spiegel gekomen, begon de kleine ama-
zone te deklameeren en te gestikuleeren :
—   O, dierbaar Afrika...
Een schrik doortrilde Wouters leden. Daar roerde \'t nest waarlyk
z\'n werelddeel aan, zyn Afrika! Was \'t niet of ze \'t er om deed !
—   O, Afrika, Sofala, Monomotapa, Mono\'imugi. .. prachtig! Nog
\'n oogenblik papa, dierbare schooltiran — houd vast, Willem, toe!
— ik wil heel Afrika aan den spiegel vertellen, en zien hoe ik m\'n
gezicht vertrek. Mcsopotami\'c, mesopomo. .. mondvol, mooi! Ni-
gritië
— blyf staan, papa, ik ben nog niet half klaar, Willem,
help me ! M\'n paardje trappelt zoo.. . hu, hu ! — Aethiopië —
Herman, houd z\'n beenen vast. . . niet kittelen, dan val ik. — Ma-
rokko...
Schiermonnikoo.il... hu, hu, paardje, met je vlassen
staartje... Alexandric, Soudan, Egypte... Weesp, Rotterdam,
Haarlemmermeer, Kloveniersburg7cal
— de les is uit, ik mag zeg-
gen wat ik wil — Krom-elleboogsleeg, Algiers, Cleopalra, Kar el de
Groote. ..
wie vangt me ?
—  Ik, riep Willem.
-ocr page 234-
214                                                   MULTATULI.
Sietske werkte zich omhoog tot ze op vaders schouders stonde
en sprong op Willem toe, die haar handig opving en op den grond
zette.
—  Oef! riep de dokter.
—   Oef, oef, oef? O, dierbare vader, vry zyn nog lang niet aan
oef.\' Twee volle uren les, en dan terstond: oef! Waar zou dat
heen ? O, neen, dierbare tiran van Monomotapapa^ van Monoë.. .
muggen mugi^
bedenk dat \'n welgeschapen kind z\'n rechten heeft,
\'t Is \'n ware schande. .. ga jy \'ns voort Herman, ik ben \'r heeschvan !
—  \'n Ware schande. . nu jy, Willem !
—   \'t Is \'n ware schande, m\'nheeren, zoo afrikaans miserabel
heden-ten-dage de europesche vaders hun nederlandsche kinderen
behandelen.
—  Weg met de ouders! Roep mee, papa!
—  Weg, weg, weg met...
.... met de kinderen, smokkelde papa er tusschen. Maar Sietske
betrapte hem op dien vreeselyken wanklank.
—  Wat moet ik hooren, sakkerloot! Geen schelmstukken, dierbare
Vader! Orrrde... orrrde! Wat is dat hier voor \'« samojeedsch
huishouden
... na de les /
—   Juist, schreeuwden de jongens, orrrde na de les ! Dat is de
ware rechte orde!
—  En.. . wat zie ik daar ? riep Sietske. Wie heeft daar de mooie
prachtige hemelsche verrukkelyke liniaal stuk geslagen ! \'n Zaag,
\'n zaag, papa\'s onschuldige liniaal is \'n zaag! O, die vaders, die
vaders! Toe, papa, wees gezeggelyk en roep mee: leven de kin-
deren !
—  Ja, ja... uit onbeklemde borst, papa !
—  Teven de dierbare. .. papaas, riep de vader, en hy werd voor
dien oproerkreet weer duchtig gestraft.
—  Als ik vader ben, zal ik me heel anders gedragen, zei Herman.
—  Ik ook ! beloofde Sietske. Nooit, nooit, nooit meer dan \'n halve
sekonde les in... de eeuw. Nooit Sofa/a, Monomota-papa.. . kom-
aan, dierbare vader, roep mee : leven de kinderen ! Of anders...
—  Teven de....
Weer sloeg de klok. Eén slag. Nu stak de vader \'n vinger op.
—   Kwartier, jongens ! De saturnalie is uit! Komt allen mee —
jy ook, mannetje ! — mama wacht ons zeker met het eten.
Willem nam Sietsken op z\'n rug, en Herman,besteeg Papa. Zoo
gleed de familie den trap af. \'Wouter volgde, maar Lady Macbeth
verdween platgedrukt in z\'n zyzak. Hy was onthutst, en had moeite
zich te overtuigen dat-i hier dezelfde persoon zag, die...
Beerevellen ? Gouden pen ? Maar hoe is dit alles mogelyk ? Het
-ocr page 235-
WOUTERTJE PIETERS E.                                  215
was immers toch geen droom, dat hy en al de zynen zoo hoog
tegen de duizelingwekkende deftigheid van dien man hadden op-
gezien ? Hy begreep er niets van
In de eetkamer heerschte weder \'n geheel andere toon dan vóór
en na vyven in de school.
—  Stel den jongeheer aan mama voor, zei de dokter.
Hy wendde zich tot Willem. Maar Sietske vroeg :
—  Papa, mag ik het doen ?
Holsma knikte. De kleine meid nam Wouter met kluchtige
deftigheid by de hand, en leidde hem naar \'n dame die aan de
gedekte tafel bezig was met sla-aanmaken.
—  Mama, dit is \'n jonge-heer . . . gut, ik moet je naam weten!
Hoe heet je ?
—  Wouter Pieterse.
—  Dit is de jongeheer Wouter Pieterse, die papa komt bedanken
omdat-i . . . ziek geweest is, en die ... de jonge-heer blyft hier
immers eten, papa ?
De dokter knikte weer.
.. .die hier blyft eten, Mama.
—  Als mama \'t goedvindt, zei de vader.
—  Juist, als mama \'t goedvindt.
Mevrouw Holsma zette Wouter met \'n paar vriendelyke woorden
op z\'n gemak, \'t Was noodig!
De kring waarin hy zich hier bevond, behoorde tot den deftigen
middelstand, maar onzen Wouter kwam alles vorstelyk voor. Men
wees hem \'n plaats aan en \'t deed hem genoegen dat-i zat. Drie-
vierde van z\'n postuurtje was nu geborgen onder de tafel. Dit was
zooveel gewonnen voor z\'n pynlyke beschroomdheid. Byna alles
wat-i zag en hoorde, verbaasde hem. Toen-i z\'n handen vouwde. ..
—  Wou je bidden, mannetje ? vroeg de dokter.
—  J. .. a, m\'nheer, stamelde Wouter.
—  Dat\'s \'n zeer goede gewoonte. Ga gerust je gang. Doe je dat
altyd aan-tafel ?
—  Ja, altyd . .. by warm eten, m\'nheer!
Er was tucht in dat huis: niemand lachte.
—  Bid jy er maar gerust op toe, jongen!
De dokter maakte gebruik van \'t oogenblik, dat Wouter de oogen
-ocr page 236-
2l6                                                MULTATULI.
gesloten had, om zonder \'n woord te spreken z\'n kinderen tot be-
leefdheid te vermanen. Ze volgden dien wenk trouw op. \'t Was hun
schuld niet, dat-i later inzag \'n zonderling figuur te hebben gemaakt
in dien kring.
—  Je doet er zeer goed aan, zei Holsma. Wy doen \'t niet,
en . . . daaraan doen we misschien ook goed.
—  Wel zeker, zei de moeder, ieder moet handelen naar z\'n
overtuiging.
Dit zoo eenvoudig woord trof Wouter dieper dan iemand had
kunnen veronderstellen. Hy .. . \'n overtuiging! Het korte gezegde
van Mevrouw Holsma kende hem \'n waardigheid toe, \'n gewicht,
en \'n recht, waaraan hy nooit gedacht had. Onder \'t gebruiken van
de soep, dacht hy voortdurend : ik mag \'n overtuiging hebben !
Het was hem vroeger nooit in den zin gekomen dat \'n zaak
anders kon worden opgevat, dan ze door z\'n moeder, of door Stoffel,
of door wien ook — mits \'n volwassen persoon ! — werd voorge-
steld. De geheele kwestie over bidden of niet-bidden kwam hem
niet zóó belangryk voor, als \'t vernomen nieuws, dat //;• \'n over-
tuiging hebben kon. Z"n gemoedje zwol er van.. .
De dokter, die een menschenkenner was, korrigeerde den loop
dien Wouters gedachten namen :
—  Ieder moet handelen naar z\'n overtuiging. En om tot over-
tuiging te geraken, moet men veel onderzocht nebben. Ik ben over-
tuigd dat onze kleine gast heel gaarne wat van die dopërten zou
willen. Help \'m eens, Sietske!
Sietske deed het met veel gratie.
Wouter had den zin van Holsma\'s woorden zeer goed begrepen,
en .. . zelfs de oorzaak van dien overgang op de dopërten. Hy
voelde ten minste dat de schoolmeestery na klokkeslag vyf zonder
genade ter-zy gezet was, en dat de vriendelyke gastheer hem slechts
even ter-loops had willen waarschuwen tegen koppige onbekookte
betwetery, zonder daaraan den makkelyken toon opteofferen, die
inderdaad aan tafel heerschte
In-weerwil namelyk van z\'n beschroomdheid. of liever juist in-
verband met deze eigenschap, was Wouter hoogst-intelligent. De
oorzaak dat dit onbekend was aan byna allen die hem tot-nog-toe
gadesloegen, lag in \'t gebrek aan zelfvertrouwen, dat hem belette
zich te uiten. Gewoonlyk scheen het alsof hy veel later dan anderen
iets begreep, omdat hy •— fyner bewerktuigd misschien, en meer
eischende van z\'n doorzicht — niet zoo spoedig als vele anderen
met de slotsommen zyner overleggingen tevreden was. Gedurende
-ocr page 237-
WOUTERTJE PIETERS E.                                   217
z\'n ziekte had Holsraa deze eigenaardigheid opgemerkt, en hieruit
vloeide de belangstelling voort, die hy \'t kind betoonde.
Wouters beschroomdheid was gedeeltelyk \'n gevolg van de methode
waarop men hem \'t vveinigje kennis dat-i bezat, had meegedeeld.
Al wat men hem leeraarde, was steeds in de oogen der sprekers
\'n onomstootelyke zaak geweest. Tweemaal twee is . .. zooveel,
Prins die of die is \'n held, brave kinderen komen in den Hemel,
God is groot, de Batavieren zyn byzonder dapper, \'t ware geloof is
in de Noorderkerk, enz. enz. Hy wist niet dat er twyfel bestond,
en hield dus z\'n begeerte om iets meer van de zaken te weten, voor
ongepast en zelfs misdadig. Slechts enkele malen had-i even be-
proefd lucht te geven aan z\'n weetgierigheid, maar \'t was hem
slecht bekomen. Op de katechizatie was z\'n rechtsgevoel gestruikeld
over die vuile historie van Tacob en Ezau. Byna voelde hy "n oogen-
blik den moed iets aftekeuren in \'t gedrag van den aanstaanden
aartsvader, en hy begon reeds met \'n enkel bescheiden woordje...
maar de dominee overlaadde hem met verwyten. »Zulke vragen
pasten geen kind !" heette het. Wouter moest bedenken dat de Heer
van plan was uit Jacobs stam voorttekomen, en dat alzoo die linzen-
historie volkomen fair play was. »Men moest niet verstokt zyn."\'
De arme jongen bad dien avond wel \'n uur lang dat God hem
toch niet zoo erg verstokken zou. En \'t hielp. Het duurde vele
jaren voor-i zich weer waagde aan zedekundige analyse vanjakobs
handelingen, en van Gods ingenomenheid met dien schurk.
Zoo ging \'t met alles. Uit vromen afschuw van verstoktheid, be-
rustte hy in al wat men zei. Doch daar hy de aldus opgedrongen
denkbeelden niet verteren kon, werd z\'n ziel daarmee niet gevoed.
Hy sprak, ook in z\'n binnenste, al de klanken die hem waren
voorgepreekt, geloovig na, en verweet zich z\'n ontevredenheid als
iets ondankbaars, en als \'n overblyfsel van de oude verstoktheid
die God zeker niet zoo heelemaal op-eens genezen kon.
Het schynt zonderling dat hy niet dacht aan de mogelykheid
van beredeneerden twyfel. Hy wist toch dat duizenden en millioenen
menschen veel zaken geheel anders beoordeelden dan z\'n moeder
en Pennewip, en dat dus de mogelykheid zich kon voordoen, jazelfs
de noodzakelykheid, dat er soms \'n keuze tusschen meeningen moest
gedaan worden. Welnu, hieraan dacht-i niet! Dit was dom, be-
krompen en — by Wouter in zeer letterlyken zin nog — kinder-
achtig, maar \'t was zoo.
Toch kunnen wy \'t hèm niet kwalyk nemen, als we opmerken
hoe \'t heele menschelyk geslacht aan \'t zelfde euvel mank gaat.
Wouters onaanzienlyke omgeving scheen hem groot toe, omdat-i
haar van te naby waarnam, en nog niet gewoon was z\'n blik te
vestigen op voorwerpen die verder-af lagen. Men behoeft slechts
\'t huis Pietersen en Woutertje zelf eenige malen te vergrooten, om
-ocr page 238-
2l8
MULTATÜLI.
\'n gelyksoortig verschynsel overal te kunnen opmerken. De een
zweert by z\'n dorp, de ander by z\'n gemeente, \'n derde by z\'n vak,
enz. Zelden ontmoet men \'n wydte van blik, die zekere altyd be-
trekkelyk nauwe grenzen overschrydt. \'t Verschil ligt in de maat
onzer bekrompenheid, maar. .. bekrompen zyn wy allen. Byna
altyd keuren wy de zeden, manieren, denkbeelden, die niet in ons
kringentje tehuis behooren, onvoorwaardelyk af. En zelfs daar waar
ons oordeel zich eenigermate heeft vry gemaakt, blyven we toch
onbewust altyd nog de slaven van onzen smaak.
-ocr page 239-
De otgevallen van een vlalepe*, mei \'u handleiding tot het begraven van
ongelukken, \'n Oude historie uil
Straat Magellaan, niet ontoepasselyk op
andere straten.
De eigenaardige beschroomdheid die soms getuigenis geeft van
iets goeds, vindt men nu-en-dan by kinderen, en ze wordt door
opvoeders gewoonlyk verkeerd beoordeeld, \'t geen blykt uit de over-
drevenheid waarmee ze het tegendeel pryzen. »Dat zal \'n man
worden !" hoort men dikwyls zeggen van den knaap : gut ne doutc
de rien.
Ons Woutertje twyfelde aan alles wat hem niet werd ingegeven
van buiten-af, en dus aan z\'n eigen zelfheid het meest. Men meene
vooral niet dat ik dit goedkeur of aanprys. Ik neem hem slechts
in bescherming tegen den al te ongunstigen uitslag eener vergely-
ldng van zyn linksheid met de suffisance van anderen. Het mag
niet ontkend worden dat ziekelyke zwakte \'t gevolg wezen kan van
te fyne bewerktuiging, en dit is wel te betreuren. Doch er is ver-
sterking denkbaar, terwyl \'t verfynen van grove organismen my
moeielyk of onmogelyk voorkomt.
Wouter dan was beschroomd en links. Na al het zonderlinge
dat-i op de studeerkamer van den dokter had bygewoond, voelde
hy zich wel eenigszins voorbereid op ongewone dingen, maar dat
Willem en Herman, en zelfs de nog jongere Sietske, zoo onbe-
schroomd op hun bord durfden nemen wat ze verkozen, verbaasde
hem alweer veel meer dan de luchtvaart van Elias. By Genoveva
in de bekoorlyke wildernis, jazelfs in Afrika, kon \'t niet vryer en
gemakkelyker toegaan. Hy was ontsteld van de vreemdheid. Inder-
daad ontsteld en zenuwachtig, en wel zóó dat-i, toen z\'n buur-
meisje hem aan \'t dessert \'n schotel room vla overreikte...
-ocr page 240-
M U L T A T U L I.
220
Geschied is het, o goden ! En.. . ik moet het vertellen. Hy deed den
porseleinen lepel over den rand van de schaal buitelen, en dat ding
kwam — met wat vla er by, waarachtig! — terecht in Sietske\'s schoot.
Het was droevig! Juist begon-i \'n beetje verder op z\'n stoel te
schuiven dan by de soep! Nog \'n oogenblikje maar, en hy zou in-
derdaad gezeten hebben. Misschien ook had-i weldra iets gezegd..
Was hem niet \'n land van Afrika in den zin gekomen, dat Sietske
vergeten had optezeggen tegen den spiegel ? Dat had-i willen noe-
men ! Xiet om door te gaan voor knapper dan zy, o neen, maar
om iets minder dom te schynen dan i er zeker uitzag. Helaas, na
die malle lepelhistorie. .. och! Hy had liever \'n pink gemist, z\'n
hand, z\'n arm. .. alles! Ja. ..hy wou dat-i ergens onder den grond zat!
Al deze indrukken bestormden hem te-gelyk. Voor-i nog genaderd
was tot de vraag hoe z\'n onhandigheid zou worden opgenomen, ja
terstond na de katastroof, en alsof \'t er by behoorde, begon Sietske:
—  Papa zou iets vertellen over Olivier Van Noort.
Ze stond even op, reinigde haar jurkjen, en bood Wouter \'n an-
deren lepel aan, dien ze van \'t wandbuffet had genomen.
—  Toe, papa, over Olivier Van Noort! Papa heeft het beloofd.
En allen drongen om \'t hardst op de toegezegde vertelling aan.
Ook Mevrouw Holsma scheen daarin byzonder veel belang te stel-
len. Wouter voelde heel goed dat men bezig was de herinnering
aan z\'n ongelukje te bedelven onder gesprek. Dit roerde hem. Hy
was waarlyk zulke liefelykheid niet gewoon, en toen Sietske weer
plaats had genomen, zag ze dat er \'n traan over z\'n wangen rolde.
—  Mama, ik heb \'n zilveren lepel by de vla gelegd. Dit is im-
mers goed ? Zoo\'n porseleinen ding is topzwaar... ik heb \'t wel al
driemaal laten vallen, en Herman kan er ook niet mee terecht.
De moeder knikte haar vriendelyk toe.
—  Krygen we nu Van Noort, papa ?
—  Ik durf haast niet. Jelui zult zeggen dat ik weer van geografie,
begin.
—  Foei, papa, aan tafel!
—  Ja, ja, zei de moeder, ik heb al lang gemerkt dar de satur-
nalie van maandag, woensdag en vrydag \'t hevigst is. \'t Huis dreunt
altyd na de geografie.
—  \'n Vol kwartier is te lang, klaagde Holsma.
—  Oude privilegiën, papa! zei Willem.
—  Nu, dit mag waar zyn. Maar toen de zaak aldus werd inge-
steld, was je alleen. Dat ging nog. Jy bent eigenlyk de uitvinder
van die barbaarsheid. Toen Herman \'t eerst in de les kwam...
-ocr page 241-
WOUTERTJE PIETERSE.                                    22 1
—  Zóó\'n kereltje was je toen, wees Willem, misschien wel wat
héél laag. Je kon geen a voor \'n b .
—  Dat is niet waar! Moeder had me lezen geleerd. Mama, mag
ik u de helft geven ? Ik heb hier de mooiste abrikoos van den hee-
len schotel... waarlyk by-ongeluk! Toe, mama, neem hem heelemaal.
—  Omdat ik je lezen geleerd heb ?
—  Olivier Van Noort, papa!
—  Lezen... hm! bromde de vader. Alsof je lezen kon! Zie me
zoo\'n verwaand kereltjen eens!
—  Ik niet lezen! O papa, luister eens:
Herman nam \'n ulevel, ploos er \'t devies uit, en las:
Een vader die z\'n zoontje plaagt. . .
—  Dat staat er niet, riep Sietske. VAmour est un enfant tromp..
—   Trompette, zei Willem.
—  Olivier Van Noort, papa !
Men hoorde bellen aan de huisdeur. Een oogenblik daarna trad
\'n heer de kamer in, die door de kinderen met veel blyken van
genegenheid als oom Sybrand begroet werd.
De huisheer noodigde de gansche familie in den tuin, en hy
droeg Herman op, \'n klein boekje dat-i hem uitduidde, van z\'n
studeerkamer te halen:
—   Maar, jongen, sla nu niet verraderlyk de globe stuk. Dat
arme ding kan \'t niet helpen dat jelui zoo\'n dommen hekel hebt
aan geografie.
Herman beloofde plechtig dat-i by deze byzondere gelegenheid
niet den minsten sluipmoord begaan zou. In den tuin komende,
waar de anderen reeds gezeten waren, bracht-i \'t 5e deeltje mee
van de ^Nederlandsche Zeereizen, naar oorspronkelyke journalen
uitgegeven door
Bennet en Van Wyk"
—  Lees nu eens wat je daar vindt aangestreept met potlood, zei
Holsma. We zullen zien of moeder die abrikoos eerlyk aan je ver-
diend heeft.
—  O papa, al...
—  Nu?
—  Al komt er nu soms \'n domheid van my aan den dag. ..
—  Dat zou moeder niet kunnen helpen, meenje ? Heel goed,jon-
gen! Lees maar op.
Herman las:
„Den volgenden morgen (5 November 1599) ging men weder onderzeil, om
de vermaarde, doch zeer gevaarlijke straat Magellaan aan te doen, waartoe zij
-ocr page 242-
222                                            MULTATULI.
reeds veertien maanden besteed, en meer dan honderd man van het scheeps-
volk door ziekten enz. verloren hadden.
Toen zij in den mond der straat kwamen, die hier 7 mijlen breedte heeft,
liep de Admiraal Van Xoort, met het jagt er binnen; dan tot groote verwon-
dering van den Admiraal, werd hij door het schip van den Vice-Admiraal
Jakob Claesz. Van Ilpendam niet gevolgd, die op hunne vorige ankerplaats de
los Virgenei?)
weder ankerde, zonder dat men de redenen, die hem daartoe
bewogen, konde doorgronden.
„Den ion November deed de Admiraal met een schot sein voor den Vice-
Admiraal, om bij hem aan boord te komen, daar hij — Van Xoort — geene
sloep had, om naar hem toetezenden; hierop kwam de Schipper van den Vice-
Admiraal met eene sloep aan boord, wien hij den toestand van zijn schip te
kennen gaf, en zeide, dat hij begeerde den Vice-Admiraal in persoon te spre-
ken, terwijl hij hem eenen brief voor hem medegaf, waarbij hij verzocht om
een anker en een touw, hetgene hij zeer benoodigd had.
Den volgenden dag schreef de Admiraal nogmaals aan Van Ilpendam, zijn
vorig verzoek herhalende; dan kree;;\' tot antwoord, dat hij geen anker noch
touw wilde afstaan, en meende evenveel magt te hebben als de Admiraal zelf.
Zulk een grof antwoord, werd door Van Xoort zeer kwalijk genomen, en dit
schrijven door hem bewaard.\'\'
„Den 2411 November passeerde de Admiraal de eerste engte, die slechts 1 \'2
mijl wijd is. De Vice-Admiraal bleef echter terug."
„Den 1411 December kwam tot groote vreugde der overige schepelingen, het
Vice-Admiraalschip dat steeds achteruit was gebleven, by de andere schepen
ten anker.\'\'
„Den 28n December werd aan boord van den Admiraal de breede Krijgs-
raad belegd, waarin besloten werd den Vice-Admiraal in apprehensie te houden,
doordien hij zich aan plichtverzuim en ongehoorzaamheid had schuldig ge-
maakt ; dit vonnis ter uitvoer gebracht zijnde, liet de Admiraal de artikelen
van beschuldiging opmaken, waarvan kopij aan den Vice-Admiraal werd gege-
ven, ten einde hij zich binnen den tijd van drie weken op dezelve kon verde-
digen; bij voorraad werd tot Vice-Admiraal bevorderd...
— De naam van den plaatsvervanger doet er niet toe, zei Hols-
ma. Volgende bladzy!
Herman sloeg \'n blaadjen om, en ging voort:
„Den 8n [Januari. 1600) ging eene sloep en jol van den Admiraal aanland,
om mosselen te zoeken. Het volk dat in de jol was kwam het eerst aan land,
en werd door de inboorlingen, die zich verscholen hadden, overvallen, die er
twee van afmaakten, en eenen kwetsten, doch het volk der sloep, dat gewapend
was, dreef hen op de vlugt, terwijl zij de dooden evenwel met zich voerden
waardoor men veronderstelde, dat het menschenüters waren.\'\'
„Den 24n dier maand werd de Vice-Admiraal Jakob Claesz. Van Ilpendam
voor den breeden krijgsraad geroepen, om zich tegen de hem ingeleverde be-
schuldigingen te verdedigen, en daar hij bij meerderheid van stemmen veroor-
deeld werd.. .
-ocr page 243-
WOUTERTJE P I ETE RS E.                            22J
—  Genoeg! riep Holsma.
En hy tikte met \'n waarloos tuinstokjen \'t boek toe.
—  \'t Zal me benieuwen wie goed geluisterd heeft.
—  Ik kan de mosselen niet by de zaak te-pas brengen, zei de
moeder.
—  Die mosselvangst hoort er toch by, zei de dokter. Ik streepte
dit aan, om de opmerking die de matrozen by deze gelegenheid
maakten aangaande de bewoners van dit land.
—   Als ze maar \'t ware verstand van mosselen hadden, riep
Sietske. Er zyn vergiftigen onder.
—  Er was \'n R in de maand.
—   Aan de zuidpool hebben de maanden andere namen, en de
mosselen \'n ander... klimaat, meende Herman. Wat wy Februari
noemen, komt daar in het hartje van den zomer.
—    Neen, zei Willem, de zomer heeft in die streken geen
hart.
    Wel komt hy in \'t hartje van Februari... als-i komt.
Maar
   gewoonlyk komt-i byna niet. De straat Magellaan ligt tus-
schen
  52 en 54 breedtegraden.
—   Dat is niet nader aan \'n pool dan wy hier op den Kolve-
niersburgwal.
—   Ja, maar.. .zieje, de onderste helft van...de kaart is veel
kouder en natter, riep Sietske.
—  Wat \'n barbaarsche uitdrukking!
Sietske beweerde dat Willem pedant was. Hy plaagde haar met:
»ja, kind!" Ze zei, \'t kwam van Livius en kegelsneden.
—  Pedanterie, kind, is de byzondere deugd die \'n oudsten broeder
versiert.
—  Papa, vindt u niet dat Willem zich te véél opschikt ?
De dokter zei er niet duidelyk neen op, en vroeg wat-i geno-
teerd had ?
Vaders gewoonte kennende, had het aanstaand studentje by \'t
begin van de lezing, \'n zakboekjen uitgehaald, en daarin nu-en-dan
iets opgeschreven. Hy beweerde dat de taal van \'t voorgelezene
zeer onzuiver was, en wilde voorbeelden daarvan aanhalen. Maar
ze werden hem geschonken.
—   Zeker, de taal is slecht, zei oom Sybrand. Hadden de ver-
zamelaars maar liever den oorspronkelyken tekst van de journalen-
geëerbiedigd! In-plaats van de eigenaardigheden der uitdrukkings-
wyze van oude zeelui, geven ze \'n modelletje van de hedendaagsche
rechtschryvery. En als die malle verwaandheid zich maar tot de
spelling bepaalde! Ze hebben ook den styl.. . verbeterd, naar ze
-ocr page 244-
MULTATÜLI.
224
meenen. Zulke lui zouden in-staat zyn, Mozes en Aaron \'n paar
horloges op zak te geven, en — om cle deftigheid — onzen Lieven-
heer \'n staartpruikjen in den nek. Wat niet geschuurd, geschaafd,
gevyld, gelikt, en... bedorven is, deugt niet in het oog van die
hceren. Het is de vraag of een van de zeelui die deze journalen
schreven, ooit zulk slecht hollandsch leverde als zyzelf. Hun slor-
digheid van uitdrukking doet ons naar de oorspronkelyke manus-
kripten verlangen. Maar men kan zeker zyn dat de moderne
verbeteraars de geslachten der woorden trouw hebben opgezocht in
de boekjes die daarover heden-ten dage. .hoe heeten ook de taai-
kenners van deze week ?
—  Siegenbeek en Weiland, oom.
—  Zulke menschen stichten veel kwaad. Ze lokken de aandacht
van de hoofdzaken af, om die te vestigen op allerlei gekheid. Wie
precies weet wat mannelyk of vrouwelyk is, en waar-i \'n onnoodige
letter meer of min mag gebruiken, gaat voor bekwaam, geleerd en
bruikbaar door, en kan alle andere bekwaamheid missen. Zoo
schryven ze nu >-zoo" en ^oogen" met twee ^\'s, naar ik hoor.
Straks verandert dit weer. Dan komen er weer nieuwe professers
die hun leven gewyd hebben aan de ontdekking dat er twee o\'s
zyn in vrolykheid" en maar één in ;. drogen"...
—   Hé, oom! riepen de kinderen, met \'n verbazing die het tegen-
woordig geslacht verbazen zal.
—    Geloof me jongens, ze zyn er gek genoeg toe! Hm. . .gek ?
Als men op zoo\'n goedkoope manier aan den kost komen kan !
Gek zyn de menschen die zich laten bedotten door zulke
kwakzalvers. Tegen dien tyd zullen dan ook de reizen van onze
ouwe zeelui weer vertaald moeten worden in nog nieuwer spelling,
die dan de ware echte alleen-zaligmakende wezen zal. Op die wyze
wordt er nooit iets klassiek.
—   \'t Is waar, zei de dokter, dat die schoolverwaandheid veel
bederft. Waar de »letterkundige" bekwaamheid van deze soort
eenmaal voet heeft gevat, matigt ze zich alles aan. Er wordt,
byv. in die boekjes gesproken van «roeiriemen" en »verdek" woorden
die nooit over de lippen van \'n zeeman komen. Ook geloof ik
niet dat men op zeeschepen \'n »jol" heeft. Ik ten-minste heb aan-
boord nooit van zoo\'n ding hooren spreken. Ze hebben daar \'n
barkas, \'n boot, sloepen en vletten. Maar dit kan ik mis hebben.
Als bewys hoe ver de verwaandheid van lettermannen gaat, in
veel journalen supprimeeren zy brutaal-weg de oorspronkelyke be-
richten over Landen en Volken, en geven \'n pover artikeltjen over
zoo\'n land of volk uit hun eigen >/Aardrykskundig Woordenboek"
in de plaats. Die berichten zyn onvolledig en onnauwkeurig, zoodat
ze over weinig jaren even verouderd zullen wezen als die van de
arme schepelingen, zonder daarvan de autenticiteit te bezitten, noch
-ocr page 245-
WOUTERTJE PIETERSE.                              225
vooral het naïve. Zy missen dus al cle belangrykheid der eerste
rapporten die den stempel van hun tyd dragen. We vernemen nu
niet welken indruk \'n nieuw ontdekt of weinig bekend land op de
•eerste bezoekers maakte, noch welk nieuws ze van hun tochten te-
huis brachten, en wat er meer of min geloovig werd aangenomen.. .
De geschiedenis der dwalingen is de geschiedenis van ons geslacht!
... we moeten slikken wat zekere m\'nheer Van Wyk thans over
de door oude reizigers bezochte streken.. . meent te weten. Als
zulke menschen den bybel vertaalden, zouden ze de verspieders die
Jozua naar Kanaan zond, laten terugkeeren met \'n hedendaagsche
beschryving van Palestina, liefst van eigen maaksel, en by grieksche
mythologie zouden ze erfzonde en drieëenheid te-pas brengen, omdat
die sprookjes voorkomen in hun kathechismus. Ze meenen dat er
niets bestaan kan zonder hun schoolwysheidje van vandaag. Maar
zeg eens, Willem, wat heb je meer in je boekje ?
—  Papa, den ion November had Van Noort geen sloep, en den
811 Januari ging men van z\'n schip met \'n sloep aanwal om mos-
selen te zoeken. Quaeritur waar die sloep vandaan kwam?
—   Hy kon zich \'n sloep hebben doen afstaan van een der
andere schepen. Maar ik herinner me iets van \'t maken van zoo\'n
vaartuig.
De dokter bladerde even:
—  Ziedaar, zeide hy. En Herman las :
„Dienzelfden dag — 2 December — verzeilden de schepen naar een ruime
©pene baai, alwaar de Admiraal de timmerlieden en volk aan land zond. om
eene sloep te bouwen, waarvan de kiel 37 voeten lengte had; ook werd de
smederij aan land opgezet, waartoe men smeekolen van het hout dat er in
overvloed voorhanden was, liet branden. Zij vertoefden hier twaalf dagen,
wanneer de sloep afgetimmerd was. Deze hunne legplaats, verkreeg den naam
van den Oliviersbaaiy
—  Dit vraagstuk is dus opgelost. Wat heb je meer?
—  De. uitdrukking tin apprehensie houden" bevalt me niet.
—  \'n Stadhuiswoord!
—  Juist daarom. By mosselen en matrozen komt dit niet te-pas,
dunkt me.
—  Maar \'t was \'n rechtszaak!
—  Apprehendere beteekent aanvatten, aangrypen. ..
—  O hemel, daar komt Livius!
—  Neen, kind... Suetonius. Apprehendo bucculam — voel
maar! — beduidt: ik knyp m\'n zusjen in haar linkerwang, om
haar eerbied inteboezemen.
—  Domme jongen, met je latyn!
-ocr page 246-
22Ó
MULTAÏULI
—  En wat heb je nu tegen de apprehensie van dien Ilpendam i
—  Ook op dien naam heb ik aanmerking. Ik geloof niet dat
de man zoo heette, \'t Zal iemand geweest zyn die van het dorp
Ilpendam geboortig was. De naam Jacob Claesz komt me voor \'n
zeeman van zyn tyd gepaster voor.
—  Dit kan gegrond zyn.
—  En Van Noort dan r riepen \'n paar anderen. Die had ook
\'n van!
—  Dat was \'n Admiraal!
—  De ander was Vice-admiraal. Dat scheelt zooveel niet.
—  Hm! Dien rang hadden ze eigenlyk geen van beiden. Het
waren tydelyke titels... zooveel als Bevelhebber en Onderbevelheb-
ber van de expeditie, \'t Heele eskader was slechts vier schepen
sterk, en by \'t uitzeilen bemand met 284 koppen. Dit is te weinig
voor \'n admiraal in gewonen zin. Waar blyven je aanmerkingen
over apprehensie ?
—  Wel ... de krygsraad kon hoogstens besluiten hem in hech-
tenis te nemen. De beteekenis van apprehendere is: aangrypen,
aanvatten. Men kan iemand niet in »aangryping" houden.
—  Korrekt! zei de vader. Korrekt als \'n zonnestraal.. .
—  Met deklinatien, mompelde oom Sybrand. Hy heeft byna
gelyk, maar hy weet niet waarom.
—  Willem, verschik je stoel even. Je poot staat op m\'n brei-
katoen.
—  Willems poot heeft mama\'s draad in apprehensie... gehouden,
plaagde Herman.
Oom Sybrand fluisterde Sietske in \'t oor.
—  Hoe weet je, dat apprehendere »aangrypen" beteekent?
—  \'t Staat in alle woordenboeken, kind.
—  Wat nu, oom ? Laat me niet in den steek.
Oom fluisterde: »\'t Is knoeilatyn, neen... \'t is latyn... ook \'n
knoeitaal!
—  \'t Is knoeilatyn, of.. . zoo-iets. Ik heb niet goed verstaan,
oom. Niet te veel te-gelyk!
—  Kind, bezondig je niet. Als \'t niet te veel eer voor je was,
zou ik je \'t woord wyzen by Cicero.
—  Oom ?
Sybrand fluisterde.
—  Je hcele Cicero verstond z\'n eigen latyn niet.
—  O goden, wat moet ik vernemen, hier in m\'n vaders eigen
tuin ! Kind, ga naar \'t land en sny biezen ! Profaan wezen, ik
-ocr page 247-
WOUTERTJE PIETERS E.                                   227
onterf je! Kandidaat-bakvisch, stekelbaars, witbloedig gekorvene
boosdoenster, gekneusd atoom, o gy gedrochtelyke zuster, hoircscoi
Papa, ik ben verontwaardigd.
—- Dit schynt wel!
—  Je zit weer op m\'n kluw, jongen!
— Oom, wat moet ik nu zeggen. Geef me \'n flinken latynschen
vloek, toe!
—  Vraag \'m naar den wortel.
— Juist! Precies! Zeg eens, wysheid, weetje wel eens wat de
wortel is van je.. . Cicero?
Tot Wouters verademing berstten allen in lachen uit. Hy had
nooit scherts bygewoond, en meende dat Willem inderdaad op
Sietske verstoord was. Z\'n misverstand was te natuurlyker, omdat-i
de kleine weerlichtjes van \'t gesprek niet volgen kon. Ook waar-i
nagenoeg begreep wal er gezegd werd vatte hy den toon niet. In
de omgeving waaraan hy gewoon was, heerschte iets zwaars dat
hem neerdrukte. Hier evenwel scheen alles te huppelen, te zweven.
En toch voelde hy zeer goed dat er in dezen kring geen spraak
was van lichtvaardigheid. Zou dat nu wezen wat Juffrouw Laps
swereldsch" noemt, dacht hy, en zou nu die heele familie niet in
den hemel komen ? Dit denkbeeld verontrustte hem. Hy vond dat
het toch jammer wezen zou ! Maar die uitdrukking van den dokter
over erfzonde en drieëenheid...
Doch z\'n aandoeningen waren te gemengd om hierby lang stil
te staan. Het verdriet hierover werd nog grooter, toen \'t gesprek
\'n litterarische wending nam, waarbyd-i gedurig werd gekweld door den
indruk: och, dit zou ik ook wel kunnen bcgrypen... als ik \'t maar wist!
Oom Sybrand leï aan Willem uit dat er veel eenzydigs was in
de manier waarop men de zoogenaamde klassieke talen behandelde.
—  Heb je er nooit aan gedacht dat apprehendcre van ons »hand"
komt ? Je hoort er den umlaut in.
—  Dan in \'t Fransche prcudre ook, zei Herman, en daar is de
umlaut weer \'n volle a geworden, of byna.
—  Ja, byna. De Franschen spreken door den neus. Ze schynen
verkouwen geweest te zyn, toen ze begonnen hun leermeester nate-
praten. Men hoort in hun uitspraak nog altyd het hakkelen van
iemand die met veel moeite \'n onbekende klank wil nazeggen, en
die er gemakshalve maar aflaat wat te zwaar is voor z\'n luie tong.
Zoo zeggen kleine kinderen: Omoe voor >grootmoeder." Grieken en
Romeinen maakten \'t niet veel beter met de talen waaraan ze hun
idioom ontleenden. Maar dit willen onze taaimeesters niet inzien.
Ze spreken van hun grieksch en latyn, als-of drtarin nu eens-vooral
\'t begin en \'t eind van alle wysheid stak: ne plus ultra! Och, hoe
armoedig!
-ocr page 248-
2 28                                                    MULTATULI
—  Maar oom, wat is dan hier... ultra ? De Oostersche talen ?
\'t Sanskrit ?
—  Niet onvoorwaardelyk, maar soms wel, vooral in de taal-
afdeelingen die \'t minst door geschreven litteratuur bedorven zyn.
Of de Oosterlingen veel van \'t Westen overnamen is de vraag.
Maar zeker hebben Oost en West beiden veel te danken aan de
Natuur. Slechts de manier van ontwikkeling loopt uit-een, de kern
is dezelfde. En die kern ligt nog altyd hier-en-daar zóó bloot, dat
het waarlyk zonderling is, deze blyken van identischen oorsprong
zoo algemeen miskend te zien. Dat vader en vatcr verwant zyn,
wil men wel aannemen, maar oase moet \'n ander woord wezen
dan water of wasser. Het woord al-kove zou zich vernederd voelen,
als men \'t in-verband bracht met koitw of kevie. Schepelingen
geneeren zich niet, en spreken nog altyd van hun kooi. Aan-wal
durft men in zoo\'n «ding maar \'n vogeltje zetten, maar \'t arabisch
alkoof gaat voor fatsoenlyk door. Er bestaat zeker vals klassieke
preutsheid, die zich beyvert veel bronnen van kennis te stoppen.
Men moet wel opzettelyk doof wezen, om in \'t nieuw vervaardigd
frans-grieksche „pyroseafihe" ons eigen woord: vuurschip niet te
hooren. Ja, ja, opzettelyk! De schuld ligt aan de schoolmeesters.
Ze vreezen dat het gedaan zou zyn met hun »vak\'\' als men begon
intezien dat er zoo weinig talen bestaan. De wysheid moet uit
boeken gehaald worden, en van vér komen, van héél ver. Ze zyn
daarin even onpraktisch als de verzenmakers die wel wolken durven
bezingen, maar zich niet wagen aan...
Oom Sybrand zocht iets zeer banaals. Een klokhen in den kip-
penloop die de achterzy van den tuin innam, scheen iets eetbaars
gevonden te hebben. Ze riep haar kroost.
—  Ze wagen zich niet aan \'n kippenhok! Toch ligt er in\'t geen
men voor oogen ziet en met ooren hoort, in het bestaande, veel
leering. Maar we hebben \'t luisteren en \'t zien verleerd. Wat zegt
die kip?
—  Dat de tafel gedekt is?
—  Zoo-iets bedoelt ze, ja. Maar dit zegt ze niet. Versta je \'t
woord wel dat ze spreekt, of liever de woorden, want ze spreekt er
twee te-gelyk uit?
Geen van de kinderen verstond de kip. Dit deed Wouter \'n
betrekkelyk genoegen. Hy was dan toch nu eindelyk eens even
bekwaam als \'n ander. Oom Sybrand zei dat het lezen en schryven
er schuld aan had dat de kinderen niet verstaan konden wat de
kip vertelde.
—  \'t Is onze gewone fout, meende hy, dat we door \'t zien van
gedrukte woorden, zoo afgeleerd hebben klanken te onderscheiden,
-ocr page 249-
WOUTERTJE PIETERS E.                                229
die we niet terstond weten overtezetten in letters. Tracht eens het
geluid van \'n kip natebootsen? Dit zal je helpen in \'t verstaan.
Er volgde nu \'n concert waarin de medeklinkers /en/4 \'n hoofd-
rol speelden, verbonden door de zoogenaamde stomme e die eigenlyk
\'n halve o, u, o of en is, en die we ook soms trachten voortestellen
door io(ij,y, doch altyd onvolkomen :,f.brekk.gl.k. Ons letterschrift
is zeer arm, en de taaimeesters die zich ook daarvan de vaststelling
aanmatigden, maakten allen vooruitgang in dit opzicht tot \'n on-
mogelykheid. In-plaats van, naar den eisch der zaak, nieuwe teekens
aantenemen voor klanken die we nu allergebrekkigst voorstellen,
behelpen wy ons met de weinige letters die op \'t eerste blaadje
van \'n abe\'-boek staan. ->Dit is nu eenmaal zoo!" zeggen de Kad-
mussen der jeugd.
Daar ons dus geen teeken gegund is om de vokaal voortestellen,
die \'n kip zet tusschen al de k\'s en de I\'s waarmee ze haar kleine
gemeente aan den disch noodigt, kan ik niet precies vertellen hoe
de kakofonie klonk, die op \'n bespotting van haar moederlyke zorg
geleek. Och, dit was de bedoeling niet! In-plaats daarvan begon
er verschil van gevoelen te ontstaan, of men met \'n / of \'n Smoest
beginnen.
—  O ho, ho, riep oom Sybrand, maakt er geen mysterie van!
Geen dogmatiek, asjeblieft! Roept de beide medeklinkers maar door
elkaar heen, naar verkiezing. Je hoort wel dat de kip zich ook niet
stoort aan volgorde, en toch verstaan haar de kleintjes, zonder
woordenboek: köllOkkoUökköl...
—  Ik geloof dat het engelsch is, zei Herman. Ik hoor er call in...
Hy meende te schertsen, en was verwonderd toen Sybrand hem
in allen ernst zei dat-i ditmaal goed geluisterd had.
—  Engelsch is \'t eigenlyk niet, maar de engelschen spreken
kipsch als ze call zeggen.
—  Maar clan is \'t grieksch ook, riep Herman.
—  In zooverre alweer, als ook de Grieken woorden bewaard
hebben die door hun ongrieksche voorouders ontleend waren aan
\'t hoenderhok. De mensch heeft menigen leermeester onder de dieren.
—  Kolokol.. .dat beduidt \'n klok in \'t russisch, zei de dokter.
—  Alweer kippentaal!
—  En ons eigen klok en kloek, waarvan \'t kippemoedertje de
naam draagt!
—  Wel zeker!
—  Ik heb lök-lök-lök verstaan, riep Sietske, olglok,glök,glök...
—  Ik: kdlakkdhlkke... of zoo-iets, zei de moeder.
—  Juist! Lokken, kakelen, kallen, geluk, gaukelen, kloek — in
alle beteekenissen — goochelen, gichelen, hakkelen.. .al die woor-
-ocr page 250-
230                                            MULTATULI.
den, en veel meer nog, zyn ons door kippen voorgezegd, of althans
wy maakten ze van klanken die eenmaal uit het hoenderhok werden
opgevangen. Lang voor Cicero en.. . Siegenbeek, hebben de men-
schen die met hun huisdieren samenwoonden, aan die ongeleerde
kontubernalen \'n gedeelte van hun spraak ontleend. Toch behooren
klanken als lokken, klok, eall, kakel, gaukcl, geluk, en kloek niet
tot de alleroudsten. Er moet \'n tyd geweest zyn...
Daar kwam zoo-waar \'n boodschap van Juffrouw Pieterse. Ze
liet vragen, waar Wouter bleef? \'t Speet hem zoo! Hy zag den
dokter verzoekend aan.
—  Wou je gaarne nog wat blyven, mannetje r
—  Ja, m\'nheer, ik weet nog niet wat er verder met dien Vice-
admiraal gebeurd is.
—  Kyk, dat bevalt me! riep Holsma. Hy heeft goed geluisterd.
Juist over \'t vonnis van dien Jakob Claesz had ik \'n opmerking te
maken. Kaatje, zeg dat de jongeheer nog wat blyft. Hy is hier wel.
Wouter had zich nooit zoo gelukkig gevoeld.
—  Dat\'s waar ook. We weten nog niet welk vonnis die krygsraad
uitsprak. De tucht moet gehandhaafd worden. Toch niet de kogel ?
vroeg SybrandJ
Holsma schudde ontkennend het hoofd.
—  Dit verwondert me. Nu, des-te-beter, als men meende dat
zóó\'n strengheid niet noodig was. . .
—  Het vonnis was strenger, zei de dokter. Het was vreeselyk !
Lees eens voort. Herman, waar je zoo-even ophield. Juist
het eigenaardige van de straf trof me zoo. Hy werd veroordeeld
tot... leven onder menschen die hem dooden zouden.
Herman las:
„Den 24sten (\'Januari 1600) werd de Vice-Admiraal Jakob Claesz van Ilpen-
dam voor den breeden krygsraad geroepen, om zich tegen de tegen hem ingele-
verde beschuldigingen te verdedigen, en daar hij bij meerderheid van stemmen
veroordeeld werd, besloot men hem alvorens van hier te vertrekken, aan land
te zetten, welk vonnis dan ook den 26sten werd ten uitvoer gebracht; men ga)
hem wel eenig brood en wijn mede; dan dit kon niet lange strekken, zoodat
hij spoedig onder de inboorlingen moest geraken, die hem waarschijnlijk zouden
afmaken. Nadat het vonnis volvoerd was, beval de Admiraal dat men op de
schepen een gebed zoude doen, waarbij een ieder vermaand werd zich aan zulk
een streng voorbeeld te spiegelen.
—  Er ligt \'n vreeselyk treurspel in die gebeurtenis, zei oom Sybrand.
—   Men kan zich inderdaad geen pynlyker tragedie voorstellen,
hernam de dokter. We zagen uit de ontmoeting met die matrozen,
hoe vyandelyk de stemming der ingeborenen was. Ik laat nu daar,
-ocr page 251-
WOUTERTJE PIETERSE                                     231
of ze werkelyk menschenëters waren. Het wegdragen hunner ge-
sneuvelde landgenooten zou misschien kunnen pleiten voor zekeren
graad van beschaving. Misschien moesten die lyken met eenige
plechtigheid ter aarde besteld of verbrand worden. Er wordt evenwel
ook op andere plaatsen in \'t Journal van kannibalismus gesproken.
Van \'n kind dat men aan-wal geroofd, en geleerd had zich eenigs-
zins in \'t hollandsch uittedrukken, vernamen onze reizigers dat z\'n
landgenooten — sommige stamgenooten althans — zich daaraan
inderdaad schuldig maakten. Doch hoe dit zy, de krygsraad ver-
keerde in de meening dat de ongelukkige dien men verstiet, onder
menschenëters kwam. De zeer christelyke Nederlanders benoemden
\'t barbaarsche Vuurland tot beul.
—  En dat gebed!
—   Niet waar ? \'t Is om te yzen! Zoo\'n afschuwelyke klucht na
\'t bloedige voorstuk! Na de katastrofe, de parodie! God moest er
bykomen om de akeligheid kompleet te maken! Dit ontbreekt nooit!
Zeker hadden die Vuurlanders \'t ware geloof niet, en zy aten hun
gevangenen op, of maakten ze af, zónder God. Maar zy die \'t ware
Geloof hadden, doemden den ongelukkige tot zoo\'n straf... mét
God! Wat is beter ? Ik zie hierin geen verschil dan dat de
geloovers by gelyke wreedheid nog den schimp voegden van de be-
spotting.
—  Maar, papa, de tucht moest gehandhaafd worden, zei Willem.
— Ongetwyfeld! Indien ik lid van den krygsraad geweest was. had
ik — voor-zoover ik vertrouwen mag op de zeer gebrekkige mededeeling
der zaak in \'t Journaal — voor den dood gestemd. Ik zou dit zeer
treurig hebben gevonden, maar. .. noodzakelyk! En zelfs duid ik het
noch van Noort noch den Krygsraad ten-kwade, dat ze maar van
hun tyd waren. De straf van «aan-wal zetten» schynt in vroeger
eeuwen by zeelieden gübruikelyk geweest te zyn. Alexander Selkirk
die \'t model leverde van Robinson Crusoë, was op zoo\'n wys op
z\'n eiland geraakt. En ook in de oude Journalen van onze zeelui
komen dergelyke gevallen vry dikwyls voor. Maar ik blyf er by,
dat het \'n wreed gebruik was. Tracht u eens den toestand voor den
geest te halen van den veroordeelde die met \'n weinig brood en
wyn op zoo\'n ongastvrye kust aan wal stapt! Hy wist wat er met
de matrozen die oesters gezocht hadden, gebeurd was. Stel u eens
voor, wat hy gevoelen moest toen de sloep die hem gebracht had,
zich verwyderde! Toen de matrozen — kort geleden nog z\'n onder-
geschikten — hem dwongen de hulk te verlaten! Toen zy hem
avaarweb zeiden! Denkt eens na jongens, over de vreeselyke be-
teekenis van dat vaarwel! Die wegvarende sloep was \'t laatste
punt van z\'n aanraking met de maatschappy. Die matrozen zouden
\'t schip weerzien: hun te-huis, waar ze kameraden hadden, en leef-
tocht, en aanspraak op onderlinge bescherming. Dit alles was voor
-ocr page 252-
232                                                   MULTATULI.
hem verloren, onherroepelyk! En men gaf hem wat brood en wyn
mee, om de marteling te rekken van \'t besef dat dit alles voor
hem verloren was! Zou dit weinige voedsel langer duren dan
\'t ontwyken van de wilden dien men had opgedragen hem te ver-
scheuren ?
De schepelingen die daar wegroeiden, zouden misschien \'t Vader-
land weerzien, hun dorp, hun huis, hun gezin! En ze zouden van
de reis verhalen ! En daar klonken stemmen — de ongelukkige
moet ze gehoord hebben in z\'n verlatenheid ! — stemmen die aan de
teruggekeerden vraagden: »Waar is myn zoon, waar is myn broe-
der, waar is myn echtgenoot, waar is onze vader, uw Vice-admi-
raal Van Ilpendam ?"\'
Denkt eens, kinderen, wat hy moet ondergaan hebben by \'t sta-
ren op den geringen voorraad voedsel die hem was meegegeven.
Hoe vreeselyk moet hem \'t aanschouwen geweest zyn van den wed-
loop die er zou gehouden worden door wilden en ontbering, en
waarvan de prys zyn leven was! Wie of wat bestemde de richting
die hy insloeg ? Waar zoud-i na eenig doelloos omzwerven zich ter-
• ruste leggen, en waarom f Immers wat baatte het of hy rustte, of
zich vermoeide, of rechts liep, of links ging, of hy by \'t strand
bleef, of heuvels beklom, of neerdaalde in laagten, of \'n woud in-
drong . .. wachtte hem niet overal de akeligste dood ?
Zeker zal hy aan \'t strand gestaan hebben, wuivend met muts of
doek, en roepend, schreiend, vloekend, smeekend... waanzinnig van
woede, van berouw, van angst, van ongegronde hoop, en van \'t
besef vooral dat er voor hem niets te hopen viel. Toch immers
lag daar nog altyd \'n schip, daar lagen vier schepen, waaronder
het zyne, zyn tFredrik Hendrik"1 waarmed-i zoo trotsch gepara-
deerd had in het Y voor Amsterdam. Daar immers voer \'n sloep,
bemand met hollandsche matrozen. Daar waren menschen, schepe-
lingen, zyn ondergeschikten nog kort geleden... medemenschen en
landgenooten ook thans nog. Zouden ze hem op die kille kust over-
laten aan z\'n lot? Maar dit was onmogelyk, onmogelyk! Dit kon
niet waar zyn !
En toch, toch. . .
Hadden niet zyzelf hem uitgeworpen ? Waren zyzelf het niet, die
den laatsten band afsneden, waarmee hy gehecht was aan de
mensheid, zy die hem met \'n marlpriem de vingers losbraken van
doft en sloepsboord, toen hy zich daaraan vastklemde met den
kramp der wanhoop?
Als er \'n hond ware achtergebleven in de wildernis, zou men
medelyden gehad hebben, en voorzeker had men zich moeite gege
ven om "t arme dier te redden. Maar hèm redde men niet! Hèm
mocht, hèm wilde men niet redden!
Indien een van de roeiers \'n muts had achtergelaten aan den
-ocr page 253-
WOUTERTJE PIETERSE.                              233
wal.. . misschien zouden zy teruggekeerd zyn om \'t verlorene te
zoeken. Maar om hem aftehalen keerde men niet terug!
Hoe moet hy gestaard hebben op de vlag van het schip, de wei-
bekende vlag, het symbool eenmaal van gezamenlyke kracht, van
vereeniging, van broederschap. En nu ? Weldra zoud-i haar voor \'t
laatst gezien hebben, haar en alle andere kenmerken van welke
nationaliteit ook, haar en de sporen van al wat menscbelyk is.
Spraak, taal, kennis, geheugen, bekwaamheid, moed. . .alle was hem
voortaan overbodig. En zelfs de hoop, die laatste gezellin van den
ongelukkige, kon hem slechts byblyven in \'n maat die door pyniging
hem ontrukte aan de weldadige wezenloosheid der vertwyfeling. Alle
aanraking met de mensheid was hem afgesneden, op \'t vooruitzicht
na, verscheurd en verslonden te worden door \'t laatste deel dat-i
van die mensheid ontmoeten zou.
De Krygsraad vonniste sby meerderheid van stemmen" staat er.
Niet by algemeene stemmen. We mogen dus aannemen dat enkelen
een minder wreede straf hadden voorgesteld. Ook zullen er onder
de overige schepelingen wel sommigen geweest zyn, die den veroor-
dcelden genegen waren. Volstrekte eenstemmigheid in \'n zaak van
dezen aard is ondenkbaar. Misschien heeft men aangedrongen op
verzachting van het vonnis, op gratie, op... de doodstraf! Dit moet
den ongelukkige bekend zyn geweest, en voedsel gegeven hebben
aan martelende hoop. De mogelykheid bestond immers, dat men
aan-boord van het admiraalschip na de aanvankelyke uitvoering
van \'t vonnis, zich geroerd voelde ? Het kon immers wezen dat die
aandoening zich bemachtigde van Van Noort zelf? Was deze niet
eenmaal z\'n ambtgenoot, z\'n kameraad, z\'n makker, z\'n vriend ?
We kunnen aannemen dat de keus van den onderbevelhebber der
expeditie met de wenschen van den chef overeenstemde. En al ware
het dat de Admiraal ontoegankelyk bleef voor medelyden, bestond
er niet eenige kans dat hy zou moeten toegeven in den algemeenen
aandrang ? Zou \'t niet zelfs kunnen liggen in \'n welbegrepen tak-
tiek, de opgelegde straf te verzachten, om in den vervolge de aan-
spraak op gehoorzaamheid te versterken door \'n beroep op de thans
in-acht genomen matiging?
De arme balling moet gehoopt hebben.
Zoolang die schepen daar lagen...
Daar klinkt het schril maatgeluid der matrozen by \'t anker-
winden! Hy hoort het neerklikken van den pal in \'t braad-
spil. d) Elke tik van den yzeren tong die het terugloopen
a) De werktuigkundige verbeteringen van den laatsten tyd hebben waarschyn
lyk dit werktuig van de schepen verdrongen. Het was — of is — \'n zware
cylinder die met handspaken in beweging werd gebracht, en die in tegenstel-
ling van \'t vertikaal staand gangspil, in horizontale richting niet ver van den.
-ocr page 254-
MULTATULI.
234
van den windenden cylinder belet, verkort den kabel die \'t
schip verbindt met anker en bodem. Het vaartuig sliert onwillig
met flauwe bochten in de richting van de plek waar \'t anker den
grond vat. En hy, de ervaren zeeman, neemt nu duidelyk de ver-
andering in toon en tempo van den maatzang der matrozen waar.
In-den-beginne waren die klanken haastig, verward, ongelykmatig.
Ze getuigden noch van inspanning, noch van de noodzakelykheid
om de krachten van allen te vereenigen in gelyktydigen ruk. Ge-
durende het ophalen van den »bocht" liep het geklikklak van \'t
yzeren staafje den nog onnoodigen maatzang voorby. Naarmate
het touw aan bocht verloor, en de hoek zich verstompte die \'t op
den bodem beschreef, volgden de gillende tonen langzamer op el-
kander. Ze werden scherper afgedeeld in tempo, en begonnen
nauwkeuriger overeen te stemmen met het vertraagd neertikken van
den pal. Na eiken lang uitgehaalden gil der matrozen, die allengs
getuigde van grooter krachtsinspanning, hoorde men den metaalslag
van \'t kleine voorwerp, als \'n uitroepingsteeken op de verzekering
dat er \'n stap méér was gedaan ter-voorbereiding van \'t wreed ver-
trek. Eindelyk staat de kabel loodrecht. De nu aantewenden kracht
werkt vertikaal. Het schip neigt den boeg als \'n toornig rund dat
den vyand afwacht op de laaggehouden hoorns. Als \'n onwillig
paard dat den kop neerbuigt tusschen de gestrekte voorbeenen. De
Frcderik Hendrik, syn schip, zyn trouw schip, wil niet van de
plaats. Het breekt z\'n waterlyn. en heft den achtersteven omhoog,
en jutnpt, en schynt zich te willen laten neerhieuwen in de diepte,
liever dan z\'n bevelhebber te verlaten, die daar handenwringend
om genade staat te smeeken op \'t vreemde strand...
En nog altyd haakt de yzeren klauw van het anker in de slib,
in \'t zand, in de steenen, in \'t koraal, in den spleet van \'n onder-
zeeschen rots misschien.. .
Zou die bodem medelyden met hem hebben, en \'t anker niet
loslaten ?
Helaas, de grond is week, en niet bestand tegen \'t laatste
»0.. ,ho.. .ho.. .iiii/" dat \'n eind maakte aan allen twyfel.
De zeilen, reeds onder \'t ankerhieuwen gedeeltelyk van de belem-
merende geitouwen ontslagen, klepperden en fladderden besluiteloos.
boeg dwars over \'t schip geplaatst was. De zeer sterke rechtstandige balken
waarin de as van dit spil zich beweegt, heeten betings. Het winden wordt
aan-boord hieuwen genoemd, waarschynlyk \'n klanknabootsing van den
krachtregelenden maat/ang dien de matrozen by dezen arbeid aanheffen. Of \'t
woord „braadspil" iets te maken heeft met het engelsche: broad, weet ik niet,
maar wel dat het aan-boord der schepen nooit anders dan onzydig wordt ge-
bruikt. Wie daar, op \'t gezag onzer taalkundige woordenboeken, van de braad-
spil sprak, zou worden aangezien voor \'n vreemdeling of nedcrlandsch-yiïoies&ox.
-ocr page 255-
WOUTERTJE PI ETERS E.                               235
Van-tyd tot-tyd sloegen ze back, en vertoonden een schyn van onwil
tot het verrichten van den dienst dien men straks van hen vergen
zou. Met hun bolle zyden drukten ze tegen de masten, als poogden
zy uit angst voor de noodlottige beslissing, den arbeid der matrozen
te verzwaren.
Maar ook dit had opgehouden. Door \'n kleine beweging van \'t
roer boden de vaartuigen hunne zyden aan den toedringenden
luchtstroom. De zeilen werden gespannen en gericht. De balling
hoort de kommandoos van schoot-aanhalen en brassen... de eigen-
aardige zangen ook, die alweder de rukkende uitvoering van deze
bevelen vergezellen... de schepen zetten koers.. . verwyderen zich...
raken uit-zicht... het vreeselyk vonnis is wel inderdaad ten-uitvoer
gelegd in al z\'n strengheid!
De goede dokter hield hier eenige oogenblikken op, als om den
indruk waartenemen, die deze schildering op de kinderen maakte.
Wouters maagdelyk gemoed was zeker \'t meest aangedaan. Het
kostte hem moeite zich voortestellen dat er sedert die gebeurtenis
ruim twee eeuwen verloopen waren, en hy betrapte zich telkens op
den wensch, \'n schip uitterusten, dat koude verre Vuurland opte-
zoeken, en den armen verlatene aftehalen! Even als by die droo-
mery met de wegvlietende strootjes, meende hy de stem van den
ongelukkige te hooren, die verwytend riep: waar blyft Wouter?
Als \'n bliksem schoot hem de gedachte door de ziel: maar God
dan? Waar bleef God? Wat heeft God voor den armen Jakob
Claesz gedaan ?
De dokter bemerkte dat hy iets zeggen wilde, en kwam z\'n be-
schroomdheid te-hulp door hem vriendelyk aantezien. Dit gaf onzen
kleinen wysgeer moed, en wel eenigszins hakkelend, maar toch
met iets ferms in z\'n toon, alsof hy \'n zwarigheid oploste, vermande
hy zich tot de opmerking:
— Hy zal gebeden hebben, en op God vertrouwd!
Indien iemand die niet gelooft, ronduit z\'n meening zegt in \'n
kring van geloovers, neemt men \'t hem zeer kwalyk dat hy den
moed heeft van de leer aftevvyken. Twyfelaars en ontkenners zyn
gewoonlyk zachtmoediger. Niemand van \'t gezelschap riep: foei!
Waarlyk, dit zou anders geweest zyn, als Willem of Herman
zich in den huize Pieterse uitdrukkingen veroorloofd had, dieeven-
zeer indruisten tegen de daar gehuldigde begrippen, als Wouters
gezegde tegen \'t gezond verstand dat in dézen kring geëerbiedigd
werd. Zelfs de kleine Sietske begreep reeds dat God niet op-een-
maal om-den-wille van Jakob Claesz den aard der Vuurlanders
veranderen kon, en dat het hopen op Gods hulp den hoogsten
graad van wanhoop aanduidt. Maar de dokter die zeer goed wist
-ocr page 256-
236                                            MULTATULI.
welken indruk Wouters onnoozelheid gemaakt had, beschermde hem
goedig tegen de nogal gemakkelyke tegenwerpingen die hy had
uitgelokt, en bracht het gesprek op \'n ander onderwerp.
—   O zeker, m\'n jongen, het is te hopen dat hy. .. op een-of-
andere wys den moed hebbe opgedaan om z\'n lot te dragen. En
al ware dit zoo niet. . . er zyn nog andere opmerkingen over deze
zaak te maken. Bedenk eens hoe het gevoel van de wegzeilende
schepelingen moet geweest zyn, toen zy den veroordeelde uit
het oog verloren ! En wat al inspanning was er vooraf gegaan !
Het drama had zeker reeds lang geduurd, voor zich de onwillig-
heid van den onderbevelhebber duidelyk genoeg openbaarde, om
daarvan melding te maken in \'t Journaal. Hy moet aanhang gehad
hebben, zeker op \'t schip dat rechtstreeks onder z\'n bevel stond,
misschien wel op de andere schepen ook. Van Noort was zeer
streng, en zal daartoe hoogstwaarschynlyk byzondere redenen gehad
hebben. Wie zegt ons of hy op de aanhankelykheid en \'t plicht-
besef van alle bevelhebbers, officieren en manschappen onvoor\\vaar-
delyk rekenen kon? In allen-geval wist hy niet, in-hoe-verre daarop
staat te maken viel. Tusschen \'t eerste blyk van ongehoorzaamheid
en \'t by-een roepen vanden krygsraad, ligt\'ngeruimentyd. Er moet in
die weken veel voorgevallen zyn, waarvan Herman niets heeft voor-
gelezen, en dat dan ook niet in \'t Journaal van de reis staat, al-
thans niet in de jammerlyk verknoeide uitgaaf die daarvan dezer
dagen in \'t licht kwam. Hebben de heeren taal- en stylverbeteraars
iets weggelaten, dat in deze zaak eenige opheldering zou kunnen
geven ? Ik weet het niet. Dat er reeds vóór Jt beleggen van den
krygsraad wryving en spanning bestond, blykt uit de uitdrukkelyk
vermelde vreugd die er by de schepelingen heerschte, toen de Vice-
admiraal zich op den 14" December weder by \'t eskader had ge-
voegd. Men gevoelt dat er een angst bestond voor den uitslag der
oneenigheid. Nu, die uitslag was dan ook treurig genoeg!
—   \'t Zou nèg erger geweest zyn als de weerspannigheid vasten
voet had gekregen, meende oom Sybrand. Ik bewonder de geest-
kracht van Van Noort. In zulke omstandigheden zyn zulke mannen
noodig.
—  Misschien!
—  Het komt me voor, dat hy z\'n plicht deed. Het behoud van
allen was hem opgedragen, en daarom moest hy, waar \'t noodig
bleek, streng te-werk gaan met den enkele die zich verzette, en \'n
slecht voorbeeld gaf.
—    Dit kan gegrond zyn. \'t Is evenwel jammer dat er in
datzelfde Journaal blyken voorkomen van \'n ruwheid, die \'t recht
geven tot twyfel of er ook in deze zaak wel met de noodige mati-
ging is te-werk gegaan. Van Noort heeft eenmaal \'n spaanschen
-ocr page 257-
WOUTERTJEPIETERSE.                                  237
loods over-boord doen werpen, omdat de man beweerde dat hy op
\'t Admiraalschip vergiftigd was. Doch zoowel in deze zaak als in
die van den armen Jakob Claesz, zyn de berichten zeer schraal.
Er blykt, byv. niets van de oorzaken der weerspannigheid van dien
onderbevelhebber. Indien het hem ware te-doen geweest om zich
aan \'t gezag van Van Noort te onttrekken, had hy zich zeer ge-
makkelyk van \'t eskader kunnen afscheiden, wat dan ook by der-
gelyke expeditiën herhaaldelvk geschiedde, \'t Was moeielyker by-een
te blyven, dan elkaar uit het oog te verliezen. Wy weten te weinig
van de zaak om \'n oordeel te vellen Ook dit voorval, als de ge-
heele Geschiedenis — ik bedoel, de groote ! — is zeer onvolledig
geschreven. We kunnen slechts raden en gissen. Alleen de vreese-
lykheid van \'t geslagen vonnis ligt ons duidelyk voor oogen. En
wat me daarin \'t meest treft, is de lakonieke vermelding van
de waarschynlykheid dat sde inlanders den veroordeelde wel
zouden afmaken." Ik weet ter-nauwernood wat onmenschelyker is,
de veronderstelde aard van die Vuurlanders, of \'t gebruik-maken
van hun wreede eigenaardigheid? \'t Menschen-eten is verboden,
maar wel scheen het geoorloofd, aan menschen-eters \'n mensch te
eten te geven. De Romeinen wierpen hun misdadigers in \'t wilde»
beestenperk. Hier zien wy de funktien van verscheurend dier op-
dragen aan menschenl
—  \'t Waren wilden.. .
—  Ja, maar zy die \'t vonnis sloegen, gingen voor beschaafd door.
En bovendien, ook die wilden behooren tot ons geslacht. Het trof
me reeds als kind, dat Robinson Crusoë, die zich zoo ongelukkig
waande op z\'n onbewoond eiland, van schrik dacht te sterven toen
hy door \'t zien van voetstappen ontdekte dat z\'n eiland niet onbe-
woond was. Och, kinderen, \'t is zoo treurig dat de mensch \'n
vyand van den mensch is.
—  De beschaving. . .
—   Beschaving legt \'n vernis over onze boosaardigheid, en nog
niet eens altyd. De aard der wilden breekt telkens door. Eet er
maar eens op, met welke blikken wy of... sommigen onzer, iemand
begroeten dien we niet kennen!
De dokter zag Willem even aan.
—    Het schynt wel of ieder die zich verstout eenigszins af-
tewyken van de maniertjes waaraan wy gewoon zyn, reeds
daarom alleen onze vyand is. Zuivere welwillendheid is zeldzaam.
Waar we haar ontdekken, werd ze gewoonlyk opgewekt door oor-
zaken van-buiten-af. Op en door zichzelf schynt ze niet te kunnen
bestaan. Waarom toch ?
Holsma sprak hierop weder van beschaving, van de ware die
-ocr page 258-
238                                          MULTATULI.
iets anders en iets meer behoort te zyn dan vernis. Hy betoogde
dat er in geestelyke ontwikkeling \'n hefboom ligt om \'t zedelyk
standpunt te verhoogen, en eindigde met de opmerking dat het
laagstellen of minachten van \'t onbekende, veelal voortsproot uit
gebrek van zelfkennis.
Toen Wouter vetrok, deden de kinderen hem uitgeleide tot aan
de huisdeur, en Willem was byzonder vriendelyk.
De dokter namelyk had \'n byzondere manier van zedepreeken.
Hy wist wel op welk onderwerp \'t gesprek zou uitloopen, wanneer-i,
begon met die treurige geschiedenis van Jakob Claesz. En ook ik
had er m\'n redenen voor, toen ik van de troglodieten overstapte
op Olivier Van Noort.
-ocr page 259-
Een splinternieuwe gradus ad Painassuin, niet precies dezelfde die Faust
ten-geschenke kreeg van Mephisto.
Wanneer de lezer gewoon is aan effekt-romans, zal \'t hem be-
vreemden te vernemen dat Wouters bezoek by de familie Holsma
grooten invloed uitoefende op \'t ontwikkelingsproces van z\'n geest.
Het spreekt vanzelf dat dit zich niet terstond openbaarde, doch er
was \'n kiem van verandering in z\'n gemoed gelegd, die niet weder
kon verstikt worden. Van zelfstandig denken was nog geen spraak,
maar hy wist nu toch dat er iets als zelfstandig denken mogelyk
was, al durfde hyzelf zich die weelde niet aanmatigen, waartoe hem
dan ook de noodige rypheid ontbrak. Niet hy, Wouter, zou \'n
meening hebben, maar hy begon toch intezien dat er andere
meeningen bestonden dan die van z\'n omgeving, en dit was \'n
groote stap.
Boven alles echter — heel gelukkig inderdaad! — drukte hem
z\'n gebrek aan kennis. Het was hem duidelyk geworden dat de
kinderen in wier gezelschap hy eenige uren doorbracht, zoo veel
meer wisten dan hy, en dit maakte hem zeer bedroefd. Wat baatten
hem al z\'n koningen Israëls! Wie was het toch die zoo schrikte
van voetstappen ? De arme jongen had nooit iets van De Foe\'s
kluizenaar gehoord. Hy vroeg aan Stoffel, en deze zou wel in-staat
geweest zyn hem intelichten, als Wouter den naam van Robinson
maar onthouden had.
—  Voetstappen ? Voetstappen ? Hoe kan ik je antwoorden, als je
niet zegt welke voetstappen r Voetstappen van wien, meen ik. Men
moet altyd namen noemen, als men iets te vragen heeft.
—   Juist, zei de moeder, als je wat weten wil, moet je namen
-ocr page 260-
240                                                 MULTA TULI.
noemen. En maakte mevrouw-zelf de sla aan? Dat vind ik al
heel zonderling! Nu, de knecht zal zeker uit geweest zyn.
By al de verhalen die Wouter omtrent z\'n wedervaren werden
afgeperst, had hy instinktmatig vermeden melding te maken van
de byzonderheden die in z\'n omgeving niet te rekenen hadden op \'n
gunstig onthaal. Geen woord van de saturnalie! Niets van \'t
verzuimd bidden by warm eten! Ook verzweeg hy de gemakkelyk-
heid waarmee die kinderen zich schenen te bewegen, en de onge-
dwongenheid hunner deelneming aan \'t gesprek. Toch was de
schroom om zaken aanteroeren die in zyn kring minder gewild
waren, misschien overbodig. Men vergeeft zooveel aan beerevellen!
Maar dit ging z\'n berekening te-boven.
Juffrouw Pieterse informeerde zich herhaaldelyk of i wel >fatsoen-
lyk" geweest was ? En Wouter beaamde dit in alle oprechtheid,
zonder eigenlyk te weten wat ze bedoelde daar hy in z\'n gemoedje
noch ondervinding noch besef had van het tegendeel. Ja toch. . ..
de geschiedenis met dien topzwaren vlalepel! Zou dat misschien
onfatsoenlyk geweest zyn? Hy wilde de beslissing dezer vraag
liefst niet laten afhangen van z\'n moeder, en zweeg er dus over. . .
och, hoe lief van de wilde Sietske, z\'n onhandigheid zoo te bedek-
ken! Maar dit zou hyzelf ook gedaan hebben, al wist-i dan zooveel
minder dan de kinderen van den dokter.
Met schrik vernam hy dat de dag naderde, waarop z\'n gedwon-
gen afwezigheid van Pennewips school een eind nemen zou. Meer
dan ooit voelde hy dat de bronnen van kennis die daar voor hem
ontsloten werden, niet voldoende waren. Of althans hy meende
dit. Maar aan tegenstand was niet te denken. Hy was ontevreden
met zichzelf, met alles! »Van my zal nooit iets terecht komen!"
zuchtte hy.
Hy verscheurde z\'n Lady Macbeth die hem leelyker voorkwam
dan ooit. En... Ophelia ?
O hemel, den ganschen dag had hy niet aan Femke gedacht!
Dit kwam hem zeer slecht voor. Was \'t omdat ze maar \'n bleek-
meisje was, en omdat de kinderen van den dokter zooveel voor-
namer waren ?
Dit denkbeeld verschrikte Wouter erger, dan de gedachte aan
diefstal of moord. Hy kon niet leven met zoo\'n zelfverwyt, en
nam de eerste gelegenheid waar, om de schuld aftedoen. Want
\'n schuld was het, naar-i voelde.
En dit gevoel gaf hem moed. Met z\'n gekleurde prent in de
hand, stapte hy ditmaal moedig \'t welbekende hekje binnen, en
klopte aan de deur van Femke\'s huisje. Er werd »binnen" ge-
roepen. Z\'n hart bonsde benauwend, maar nu moest-i z\'n helden-
stuk wel dóórzetten. Hy stond op-eenmaal voor \'t meisje, dat met
-ocr page 261-
WOUTERTJE P I E T E R S E.                                   241
haar moeder bezig was aan vrouwelyken arbeid. De hartevrouw
van m\'n held stopte kouzen, ruwe dikke onoogelyke wollen kouzen!
\'t Is hard voor \'n schryver, zoo-iets te moeten boekstaven. Om
evenwel aan Wouters onbedorvenheid de eer te geven die haar nog
altyd toekomt. ..
Want afkeer van praktischen eenvoud is bederf!
. .. om hem te schetsen zooals hy was, zy hier erkend dat die
kouzen hem in \'t minst niet hinderden. De periode van verdraaide
poëzie en valsche romantiek was nog niet voor hem aangebroken.
Wanneer hyzelf had moeten beschryven hoe hy \'t aanlei om z\'n
bezoek te rechtvaardigen, en iets te zeggen dat tot inleiding van \'n
gesprek zou kunnen dienen, zouden deze byzonderheden waarschyn-
lyk voor \'t nageslacht zyn verloren gegaan. En ook ik weet maar
ten-deele hoe de overgang geschiedde, tusschen z\'n bedremmeld
binnentreden en \'t plaatsnemen op \'n matten stoeltje dat Femke
hem vriendelyk toeschoof. Hyzelf herinnerde zich daarvan niets
dan de bezielenden blik waarmee ze hem aanzag, en haar uitroep:
—   Ah!
En ze had hem de hand toegereikt.
—    \'t Is de jongeheer van onlangs, zeide zy tot de moeder, als
begrypende dat deze zich Wouter niet herinnerde, \'t Is de kleine
jongen die zoo ziek geweest is. En hoe gaat het nu ? Je ziet bleek.
—  Ga zitten jongeheer. Ja, je ziet er bleekjes uit. Zeker van
de wurmen.
—   Wel neen, moeder! \'t Kind heeft zenuwkoortsen gehad.
—   Ja juist, koorts! Ik wil maar zeggen dat het ook wel eens
van de wurmen komen kan. Geef \'n kommetje, Fem, en
schenk hem in. Je moogt immers wel koffi drinken ? Anders, als je
met wurmen geplaagd bent.. .
Ik moet erkennen dat die wurmen van Vrouw Claus onzen Wouter
meer hinderden dan haar kouzen. \'t Mensch scheen zich voorgenomen
te hebben hem daarmee te plagen, en kwam er gedurig op terug.
—  En waar bleekt je moeder ? vroeg ze. Niet dat ik \'n ander
wil onderkruipen godbewaarme, maar. . . als ze soms niet tevreden
was met \'r waschvrouw... \'t kon gebeuren, zie je. Nu, dan is ieder
zichzelf de naaste, en ik rekommandeer me. Als er inktvlekken in
\'t goed zyn, maakt Fem ze \'r uit, met »zuringzout" weetje? En
nooit raakt er een stuk weg. . . ja, eens is \'t gebeurd, \'n paar
mansetten, maar die hebben we vergoed met \'n zesthalf.. . vraag
maar aan Femke.
16
-ocr page 262-
242                                             MULTATULI.
Helaas! Dat zou hy nu van Femke moeten vernemen, hy die
haar zooveel anders te vragen had! Vrouw Claus maakte\'t hoe langer,
hoe erger. Ze tastte hier niet de valsche poëzie aan waarmee hy nog
niet besmet was, ze stoorde, belemmerde en bedierf de werkelyke
vlucht van z\'n gemoed, die beter pleging verdiende.
En zie, het meisje begreep \'t ongepaste van dien wanklank! Zou
dit aan fyner bewerktuiging te danken geweest zyn ? Was \'t \'n
gevolg van de betrekkelyke maagdelykheid harer indrukken ? Speelde
hier de liefelyke jeugd \'n rol ?
Van alles wat, misschien. Doch zeker is \'t, dat de herinnering
aan de maaier waarop Wou lor haar had ingeleid in de geheimenissen
van Aztalpa, grooten invloed op haar beoordeeling uitoefende. Ze
had Wouters ziel in groot ornaat gezien. En al was dan ook de
opschik waarmee hy by die gelegenheid z\'n welsprekendheid getooid
had, te bont en te kleurig voor geoefenden smaak.. . Femke\'s smaak
was niet geoefend. Voor haar vertegenwoordigde Wouters opgetogen-
heid het schoone, het verhevene, en daarom stond ze hoog genoeg om
zich gestuit te voelen door de platheid van den toon dien haar moeder
aansloeg. Ze zon op middelen om daaraan \'n eind te maken. Maar
ook hier alweer, even als in Wouters eigen omgeving voor hemzelf,
was de rechte weg afgesloten. Femke kon immers niet zeggen : moeder,
spreek toch wat. . . peruaanscher !
\'t Eenige wat ze voorloopig doen kon, was hem te vragen wat
het rolletje beteekende, dat-i nog altyd in de hand hield r
Zeer bedremmeld bracht Wouter er uit, dat dit \'n geschenk voor
h£ar was. Het meisje voelde zich getroffen door de hartelykheid
die hierin doorstraalde, en verzekerde met \'n eenvoud die meer ernst
bevatte dan iemand gissen kon, dat ze die prent altyd bewaren zou.
— Ja, zei de moeder, en dan moet je de kreukels er uit stryken.
Want. .. stryken doen wy ook, jongeheer. We brengen de wasch
kant en klaar thuis, en nooit heeft iemand de minste reden tot
klacht. Zeg dit gerust aan je moeder. Daar heb je nu by-voorbeeld
je kraagje. . ik zeg dat het niet goed gestreken is. De ruimte zit
in \'n plooi over het stiksel heen. Ook is \'t slordig geblauwd...
vraag maar aan Femke. Zeg, Fem, is \'t niet streeperig ?
Ei... zyn hemdskraag slordig geblauwd? Niet goed gestreken?
En dat alles was nogal door de wyze Petró gedaan! Ook daarin
alzoo was de traditie van den huize Pieterse niet alleen-zaligmakend ?
Het scheen er dezer dagen op toegelegd, onzen Wouter te schokken.
Maar Femke zat op heete kolen. Na eenig vruchteloos onderzoeken
wie üphelia was, en na even vruchtelooze pogingen om \'n gesprek
aantevangen dat in Wouters smaak vallen kon, bedacht zy \'n uit-
gang. Er moest volstrekt iets hier-of-daar bezorgd worden, meende
zy, en: »de jongeheer kon wel \'n eindje meegaan."
-ocr page 263-
WOUTERTJE PIETERS E.                                   243
—  My wel, zei de moeder.
Het jonge paar vertrok.
Femkes boodschap scheen weinig haast te hebben. Ze sloeg met
Wouter een der paden in, die in den omtrek van Amsterdam de
paden genoemd worden, en dan ook niets zyn dan dat. Wie daar
wandelt, moet leeftocht van indrukken meenemen om zich niet te
vervelen.
Nu, dïlarvan had onze Wouter voorraad! Hy had Femke zooveel
te zeggen, dat i byna niet spreken kon. En ook zy had zich meer
met hem bezig gehouden, dan zyzelf zich bekennen wilde, meer
vooral dan hy gissen kon. Zy begon met de mededeeling dat ze
aan haar moeder geen bericht had gedaan van de onvriendelyke
ontvangst die haar ten-zynent was te-beurt gevallen, en wel omdat
ze wilde voorkomen dat haar moeder, indien Wouter eens mocht
terugkeeren. . .
—  O, Femke, je dacht er dus aan, dat ik je zou komen opzoeken ?
—  Ja, zei \'t meisje, aarselend maar toch met \'n flinkheid die
Wouter verrukte. Ja, ik dacht wel dat ik je weer zou zien. En ik
heb \'n mis laten lezen voor je beterschap.
. — Heusch? vroeg Wouter die ter-nauwernood wist wat dit beduid-
de. Heb je dat heusch voor me gedaan ?
—  Ja, en zelf gebeden ook! Want ik had het jammer gevonden,
als je gestorven waart. Ik geloof dat je-n-\'n goed jongetje bent.
—• Ach, ik had eer moeten komen! En dit wilde ik ook, maar. .
Femke, ik durfde niet.
Hy verhaalde hoe hy op dien zondag in haar nabyheid geweest
was. Het meisje schreef z\'n beschroomdheid aan vrees voor haar
moeder toe.
—  M"n moeder is \'n heele brave vrouw, zieje. Ze zal niemand te kort
doen, maar. . . och, je begrypt me wel. Ze heeft de gewoonte niet,
met menschen om te gaan. Ik ben beter thuis in de wereld, omdat
ik kindermeisje geweest ben, wel drie weken lang. Als noodhulp,
weetje, want voor \'n wezenlyke kindermeid was ik nog te jong.
\'t Was by \'n nicht van ons, waar de meid ziek was, want we zyn
eigenlyk van beste familie, weetje. Maar dit doet er niet toe. Zeg
me liever, of je nu heelemaal beter bent ?
Wouter gaf verslag van z\'n ziekte, en geraakte onwillekeurig op
\'t ontwerp dat hem voornamelyk bezig-hield, op z\'n onkunde.
—  Alle kinderen verstaan fransch, klaagde hy, en dit wordt niet
onderwezen op m\'n school. En wie geen fransch verstaat, kan nooit
\'n groot man worden.
—  Och, dat geloof ik niet. De kruienier in de Molstraat heeft
-ocr page 264-
2 44                                                 MUL T Al UI. I.
drie eigen huizen, en ik weet zeker dat-i geen woord fransch spreekt.
Wouter had eenige moeite haar aan \'t verstard te brengen dat
hy iets anders bedoelde dan \'t bezit van drie huizen, ofschoon ook
dit hem niet verwerpelyk voorkwam.
—  Ik wilde zoo graag. . .zie je.. .zoo graag.. .iets als . .ja, hoe
zal ik je dit uitleggen? Ik wou...
De afrikaansche heerschappy zweefde hem op de lippen. Maar
hy had den moed niet. z\'n eigen droomen in woorden overtezetten.
—  Je weet, Femke, dat we hier in Europa wonen. Nu, daar
ginds, ver in \'t zuiden, heel ver... ik zal \'t voor je uitteekenen.
We kunnen hier wel "n oogenblik zitten, niet waar, dan zal ik je
precies uitleggen wat ik bedoel.
Hy geleidde \'t meisje naar \'n stapel gezaagde planken, en nam
daarop naast haar plaats, nadat-i hier-of-daar \'n takje had weten
machtig te worden, dat hem dienen zou tot graveerstift om \'n
wereld in \'t zand te teekenen.
—   Dit is Europa. De aarde is rond. .. dat wil zeggen, ze be-
staat uit twee helften. . . als pannekoeken . . kyk, \'tlykt wel \'n bril.
Nu, met die eene helft hebben we niet te maken, dat is Amerika. . .
zet \'r gerust je voet op. Hier wonen wy. . . daar ligt Engeland. . .
heel omlaag is Afrika. De menschen zyn daar... onbeschaafd.
Ze kunnen niet lezen zelfs, en dragen maar heel weinig kleeren
Maar als er \'n reiziger komt, behandelen zy hem zeer vriendelyk.
\'t Staat in \'n boekje. Daar wou ik heengaan, en aan al die men-
schen lezen leeren, en kleeren geven, en zorgen dat er in \'t heele
land geen onrecht geschiedde, en dan zouden wy...
—   Ik ook ? vroeg Femke verbaasd.
—  Ja zeker! Ik wou je vragen met my daarheen te gaan ? We
zouden man en vrouw zyn. Je begrypt wel, als ik koning werd in
dat land. . . dat jy dan.. .
—  Ik ? Koningin ?
Het meisje barstte in lachen uit. Ze vertrad, onwillekeurig op-
staande, al de koninkryken die Wouter zoo-even aan haar voeten
had neergelegd.
—   Maar... wil je dan niet myn vrouw worden ?
—  Wel neen, malle jongen! Ik begrvp niet waar je de gekheid
vandaan haalt. Weet je dan niet dat je nog maar \'n kind bent ?
—   Wil je dan wachten tot dat ik groot ben ? Wil je my niet
aannemen voor je vrindje ?
—  Wel zeker! Maar dan moet je niet zulke zotte praatjes be-
denken. Niet dat je later niet naar Afrika zoudt kunnen gaan.
-ocr page 265-
WOUTERTJE PIETERS E.                              245
Waarom niet? Er gaan zooveel menschen op-reis! By ons op \'t
»pad" woonde vroeger \'n timmerman, die met z\'n heele familie
naar Haarlem verhuisd is. Maar... trouwen!
Weer lachte zy schaterend. En Wouter leed er pyn van. De
arme jongen trof \'t ongelukkig met z\'n eerste liefdesverklaring.
Op eenmaal werd het meisjen ernstig:
—   Ik geloof dat je \'n goed kind bent, zeide zy en ik houd veel
van je...
—  En ik ! riep Wouter. O, Femken, ik heb altyd aan je gedacht in
m\'n ziekte.. .als ik denken kon. Want.. . in de koorts. . . ik kan niet
weten waaraan ik gedacht heb in de koorts, maar \'t zal wel aan
jou geweest zyn ! En met de prent die ik voor je kleurde, heb ik
gesproken alsof jy het was. En die prent antwoordde, en begon zóó
op je te lyken, dat ik heusch meende jezelf te zien. En dan heette
ik Kusco of Telasco, en jy was Aztalpa. de dochter van de zon.
Zeg, Femke, mag ik je vrindje wezen ?
Het meisje bedacht zich eenige oogenblikken, en voelde in haar
onverschoold rein-menschelyk hart, aandrang tot het verrichten van
\'n goede daad. Hoe werkte die aandrift ? Waaruit bestond ze ? Was
zich \'t zeventienjarig meisje bewust van den invloed dien Wouters.. .
kinderachtigheid op haar uitoefende r Waarschynlyk niet. En ook
ik kan niet zonder inspanning doorgronden waarom ze zich moeite
gaf ditmaal naar \'n antwoord te zoeken dat iets minder krenkend
was dan \'n lach.
Toch wil ik dit straks beproeven.
Ze lachte dus niet. Het zou wreed geweest zyn tegenover de
teederheid die onmiskenbaar in z\'n toon lag.
—   Zeker, zéker mag je m\'n vrindje zyn ! Maar.. . maar...
Ze zocht \'n voorwaarde, \'n beletsel, iets dat hem niet kwetste,
en toch terugvoerde naar \'t standpunt dat z\'n leeftyd hem naar
hare meening aanwees. Hy was gegroeid sedert z\'n ziekte, dat is
waar, maar toch. .. Femke had kans gezien hem op den arm te
nemen, en de heele stad doortedragen, hem die \'r zoo prettig van
droomde h;ldr te redden uit \'n brand.
—   M\'n vrindje, ja. .. maar... dan moet je-n-ook alles voor me
doen wat ik verlang.
Alles slechts ? Och, \'t kwam Wouter zoo weinig voor !
—   Alles, alles, alles ! Wat ? O gauw, zeg me wat ik voor je
doen kan !
\'t Werd benauwend voor \'t meisje. Want ze wist niet wat ze
-ocr page 266-
246                                           M V h T A T U L I.
eischen zou. En ze was nu wel genoodzaakt iets te noemen. Welnu
dan, ze had altyd gehoord dat vlytig leeren nuttig voor kinderen
was. Als ze hem eens daartoe aanspoorde ?
—   Luister, Wouter, ik heb uit jok aan m\'n moeder verteld dat
je-n-\'t knapste jongetje van je school was. . .
—  Ik ? riep Wouter met komieke verbazing.
Het schynt zonderling — doch we nemen dezelfde anomalie in
de groote-menschenwereld waar — dat hy nooit had achtgeslagen
op de onevenredigheid tusschen z"n hoogdravende aanspraken en
verregaande onbekwaamheid. Hy wilde alles, en kon niets. Deze
rekenfout was te opmerkelyker in hem, omdat hy zich die onbe-
kwaamheid zoo goed bewust was, en dus niet als vele anderen ter
verontschuldiging zich beroepen kon op eigenwaan. De allereerste
in \'n heel werelddeel... dit kon wel. \'t Wenschje was billyk en
matig, maar:
—   Maak dat je binnen drie maanden de eerste bent op je school,
zei Femke die niet weten kon dat er sarkasme lag in haar eisch.
Zieje, anders mocht misschien m\'n moeder te weten komen dat ik
over je gejokt heb, en dit wou ik niet graag. Als je zorgt dat het
geschiedt...
—  O, Femke, ik zal het doen!
—   Ga dan nu naar-huis, zei ze, en begin er terstond aan.
Zoo zond ze hem weg. By \'t afscheid nemen vond ze op eenmaal
dat-i te groot geworden was om hem \'n zoen te geven. En toen
pater Janssen, die \'n \'paar uur later haar moeder bezocht, vroeg
van wien ze die prent had.. .
De man zei dat Ophelia in \'t Hollandsch zooveel beduidde als
Flora die in vroeger tyd beschermheilige van rozen en vergeetme-
nietjes geweest was.
.. .toen, toen werd Wouter in haar oogen weer op-eenmaal \'n
heel klein kind. Dat-i nog in de wieg lag durfde ze wel niet zoo
rechtuit te zeggen, maar toch:
—   Och, heeroom, die prent is van \'n jongetje, van \'n klein jon-
getje. \'t Kind zal zoo omstreeks de tien jaar oud zyn, of. . . negen.
Ja, ouder dan negen is-i zeker niet!
—  Ben je mal, meid, riep de moeder. De jongen is vyftien!
—  Ja juist, vyftien, of. . . zoo-iets. Ik wil maar zeggen dat-i nog
\'n kind is.
Ze bloosde, en was verstoord op haar moeder, en borg Ophelia
-ocr page 267-
W O-ÜIERTJE PI E T E R S E.
247
in \'n verscholen hoekje. Vrouw Claus en pater Jansen hebben de
nieuwe uitgaaf van de bloemengodin nooit weergezien.
»G\\ Femken, ik zal het doen!" had Wouter gezegd.
Er begon waarlyk kans te bestaan dat-i wat vlugger leerde, nu
Pennewips schoolkennis voortaan de livrei dragen zou van Femkes
invloed. Wouter begreep zeer goed dat ze met het vergen van den
voorgewenden dienst, geen andere bedoeling had dan z\'n eigen be-
lang. Maar die bedoeling zelf was liefelyk. en \'t zou hem immers
leelyk hebben gestaan wanneer i, na zóó hoog te hebben opgegeven
van wat hy wel voor haar zou willen doen, op dien onverwachten
eisch geantwoord had: o, alles, alles, maar... juist dit ééne niet!
Dat-i liever z\'n dame gediend had in \'n gevaarlyke expeditie,
spreekt vanzelf. Maar men heeft z\'n heldendaden niet voor \'t kiezen.
Herkules en St. Joris zelf zouden zich heden-ten-dage wel moeten
vergenoegen met het bevechten van miniatuur-draken. Hoe dit zy,
Wouter nam z\'n taak ernstig op. Hy begon z\'n »IppcP\\ z\'n *Strabbe\'\\
z\'n »Oefening in \'t kunstmatig /cze»\'\\z\'r\\ Vadcrlandsche- en andere
Gescfiiedenis-bo&jes" lief te krygen als gewaardeerde vyanden, die
hy onder de oogen zyner uitverkorene verslaan zou in eerlyken stryd
Zelfs over tPietersen\'s Gcslachtlyst vannederduitsche naamwoor-
den"
begon z\'n gemoedsstemming zeker waas van poëzie te ver-
spreiden, dat alle andere Herculessen zou beschaamd gemaakt heb-
ben over de nietigheid van hun werk.
Tournooi-verslagen had-i nog niet gelezen. Geen toovergodin be-
zorgde hem \'n gewyd harnas. Geen Minerva leverde hem een Me-
duza-kop tot schild... och, niets van dat alles, maar toch...
Slachterskeesje mocht oppassen !
Tot Wouters eer moet ik zeggen dat-i den jongen ridderlyk waar-
schuwde. En werkelyk, drie maanden daarna was hy de eerste van
de school. Pennewip was wel genoodzaakt te erkennen:
— Het is bevreemdend ! Men zou ook kunnen zeggen, het is... ver-
wonderingwekkend, jazelfs in zekeren zin voorbeeldeloos, of.. .zonder
voorbeeld!
De allernaaste aanleiding tot dezen uitroep was dat Wouter in
zeker opstel heel kordaat van een wyf had gesproken : »dat zyn
muts betastede en op deszelfs hoofd zettede.«
Was \'t niet jammer, de lieve geestdrift van \'t kind te verknoeien
aan zulken onzin ?
-ocr page 268-
Onderzoek naar de oorzaken waarom Femke by zeksre gelegenheid niet
gelachen heeft.
Ik gis en vrees dat velen de Wouter-geschiedenis lezen om... nu
ja, om iets dat ;//)\' byzaak is. Doch zonder die velen zou m\'n
uitgever weldra genoodzaakt zyn, m\'n kopie te weigeren.
Och, ik had beloofd te onderzoeken waarom Femke zich moeite
gaf Wouter niet uittelachen.
Er bestaat \'n zesde werelddeel dat tot-nog-toe z\'n Columbus niet
gevonden heeft. En dit is te vreemder, omdat duizenden en dui-
zenden voorgeven zich zooveel moeite te getroosten om het te ont-
dekken. Dit werelddeel heet sde mensch."
We kennen hem niet.
Indien dit reeds waar is in \'t algemeen, hoe duister en verward
moet dan wel onze voorstelling zyn omtrent de roerselen die \'n
onbeteekenend onderdeel van \'t gansche geslacht in beweging bren-
gen ? Een onderdeel nogal dat, tengevolge van zekere bigueule rang-
bepaling waaraan bekrompen psychologen zich schuldig maken,
voor nog nietiger wordt gehouden dan...andere nietigheden. De
swysgeer" meent niet te derogeeren door de karakterkundige ont-
leding van Julius Cezar, maar \'t gemoed van \'n waschineisjen
is beneden z\'n aandacht. Wanneer we deze ongerymdheid verhou-
dingsgewys overbrengen op andere wetenschappen, zouden wy den
astronoom die zich bezig-houdt met de spektraal-analyze van \'n
centraalzon, hooger moeten stellen dan den natuurvorscher die den
aard der meteoren onderzoekt. De botanikus die den eik beschryft,
zou meer beteekenen dan z\'n kollega die in mossen of paddestoelen
doet. Enz.
In zoodanige vakken echter zal niemand zich aan de dwaling
van onrechtvaardige en bespottelyke Massificatie schuldig-maken.
.
-ocr page 269-
WOUTERTJE PIETERS E.                              249
Maar. . . zoodra \'t slechts menschen geldt, is de wetenschappelyke
konscientie minder nauwgezet. De ziel van \'n vechtheld — onbe-
duidende wezens veelal! — schynt waardiger onderwerp van studie,
dan de karaktergeschiedenis van lieden die nooit iemand dcod-
sloegen of lieten doodslaan. Met \'n diplomaat mag men zich in-
laten, maar de slimmigheidjes van \'n marskramer zyn beneden de
aandacht.
Ik ben in dit opzicht demokratischer, en tracht \\vetenschappe-
lyker te zyn. Wie zich voor te voornaam houdt om belang te
stellen in den zieletoestand van \'n bleekmeisje.. .
Femke was \'n goed kind. Maar de hoedanigheden die dit ver-
oorzaakten, bestonden hoofdzakelyk in zekere ncgativiteit die niet
gemakkelyk te beschryven is.
In Wouters jeugd was Femke een volwassen kind, of liever \'n
tusschending dat we in \'t algemeen zouden mogen beschouwen als
overgangsvorm van kind tot mensch, indien we maar verzekerd
waren dat die overgang altyd plaats had. Doch dit is veelal zoo
niet, en vooral niet in den stand waartoe het meisje behoorde. De
geringe eischen toch die hier de volwassenheid bepalen — niet veel
meer immers dan wat lichamelyke ontwikkeling — bewerken ge-
woonlyk dat het toenemen in geestelyk opzicht, na \'t bereiken van
dit armzalig toppunt, terstond wordt te-keer gegaan. Dit eigenaardig
uitvloeisel van zekere maatschappelyke verhoudingen, is op kleine
schaal waartenemen in afzonderlyke gezinnen. Hoe lager de eischen
zyn die men den knaap of \'t meisje stelt om voor «volleerd\' door-
tegaan, hoe sneller zy in toon, houding, begrippen, en zelfs naar
de meening van hun omgeving, in de rechten treden van \'n vol-
wassen mensch. Femke las even vlug als haar moeder in\'t gebeden-
boekje. Ze lichtte, waar \'t noodig was, dezelfde vracht op als haar
moeder, en zelfs meer. Ze stond dus met die moeder in rang gelyk.
Een natuurlyk gevolg dezer gelykheid in allerlei opzichten is dat
by meisjes als Femke de zeer zonderlinge en onnatuurlyke halfwysheid
omtrent mysteriën van \'t geslachtsleven, niet bestaat, die we by de
vrouwelyke jeugd in andere standen aantreffen. Ik laat nu daar of
die halfwysheid gemaakt is, voorgewend, en dus valsch. Hier-en-
daar is dit zeker het geval, doch niet altyd. Hoe vreemd het schyne
dat \'n ontwikkeld meisjen inderdaad onwetend en onnoozel blyven
kan, tot het stompzinnige toe, het is \'n waarheid dat dit verschyn-
sel zich dikwyls voordoet. Doch niet hierover heb ik te spreken.
We zyn aan Femke, by wie juist het tegendeel plaats had. Zy was
inderdaad onschuldig, maar... zonder de minste onnoozelheid, en
hierin ligt juist de negativiteit die ik te beschryven had. Want ze
wist niet wat onschuld was, en zou verbaasd hebben gestaan, als
iemand haar had te-kennen gegeven dat haar weten die onschuld
-ocr page 270-
250                                                 MULTATULI.
in den weg stond, \'t Is de vraag of ik Wouter wil helpen in z\'n
plan om haa> te vragen wat toch dat vreemde woord «kuisheid"
beduiden moet. maar als ik hem die vraag doen laat, zal ze vol-
komen in-staat zyn, hem te-recht te wyzen. Waarlyk, ze wist het!
Ze gaf in volslagen rypheid niets toe noch aan hare moeder, noch
aan pater Jansen, die in z\'n hoedanigheid van zielegeneesheer alle
menschelyke aandoeningen nauwkeurig moest bestudeerd hebben.
Onschuld kan onmogelyk by-uitsluiting *n gevolg zyn van onwe-
tendheid. Dan immers ware elke gehuwde vrouw schuldig.
Femke\'s gemoed was in "t hier bedoelde opzicht niet door leugens
bedorven. Ze zou waar het te-pas gekomen was met de grootste
eenvoudigheid zekere zaken by den naam genoemd hebben, zonder
er aan te denken dat ze zich schuldig maakte aan inbreuk op de
zeden... van den dag. Want dat ook hierin de mode \'n rol speelt,
spreekt vanzelf.
Toch had het meisje gebloosd toen Wouter haar by zekere ge-
legenheid vroeg of ze maagd was, doch. .. maar \'n oogenblik. De
verdere behandeling der zaak toonde duidelyk dat ze aan die vraag
geen verder gewicht hechtte dan \'t geval zou geweest zyn indien
de onnoozele jongen haar gevraagd had of ze \'n man was ? Of \'n
prinses ? Of \'n generaal ? Of wat ook, dat door onmogelykheid haar
komiek voorkwam.
Vanwaar dan \'t blozen ?
Ze wist dat het \'n meisje niet geoorloofd is. moeder te zyn. Heel
even in \'t voorbygaan trof haar \'t besef van de schande die haar
deel wezen zou indien Wouters vraag toestemmend had moeten
beantwoord worden. Dit, en niet de letterlyke beteekenis der ge-
bezigde woorden, veroorzaakte haar kortstondige verlegenheid. Zóó
ook zou ze gebloosd hebben, wanneer iemand \'n oogenblik had
kunnen veronderstellen dat ze gestolen had, niet uit schaamte name-
lyk — daar was geen reden toe — maar uit verrassing over de
ongerymdheid. Bovendien, ze kon niet weten dat Wouter door over-
maat van pietersche fatsoenlykheden onbekend was met zaken, die
zy van zeer jong af had waargenomen in \'t beetje Natuur dat zich
zonder den minsten dekmantel van fatsoenlykheid aan haar ver-
toond had, en die in haar omgeving steeds met de meeste eenvou-
digheid besproken waren. Dat ze overigens niet op de hoogte was
om de strekking van \'t gevraagde te beoordeelen uit \'n stipt fysisch
oogpunt spreekt vanzelf. En de lezer zal wel begrypen dat ook
Wouter in dit geval niet vorschte naar anatomische waarheid.
Om nu voorttcgaan met de ontleding der indrukken die \'t meisje
beheerschten, heb ik \'t woord hysterie noodig. En dit bezwaart my
eenigszins, omdat het zoo moeielyk is daarvan \'n bepaling te geven.
Noch etymologen, noch geneeskundigen kunnen hierby met vrucht
-ocr page 271-
WOUTERTJE PIETERS E.                           25 l
geraadpleegd worden, omdat ook dit woord alweder zoo herhaaldelyk
is misbruikt, en naar \'t standpunt van den spreker verwrongen, dat
het byna ongeschikt geworden is tot gebruik in gezonden zin. Ik
heb medetedeelen dat Femke hysterisch was.
Hoe moet ik \'t nu aanleggen om te voorkomen dat men zich haar
voorstelle als \'n smachtende bleeke teeringachtige gemankeerd-belang-
wekkende lyderes ? Als \'n wurmstekige bloemknop, vóór \'t ontluiken
verlept ?
Dit was ze niet! Ze was \'n flinke meid, naar lichaam en ziel
gezond, en gereed om alles te worden wat \'n mensch, in den besten
zin des woords, worden kan. Ze was hysterisch, ja, maar ze was
dit niet méér en niet anders dan ze in harmonie met haar ouder-
dom wezen moest. Ze smachtte niet naar wellust — en zelfs ze
dacht er niet aan ! —• maar in allergezondsten zin oefende de on-
bewust ontwakende geslachtsdrift invloed uit op haar zedelyk ge-
voel. Ze leed niet aan geeuwhonger, maar werd ten-goede gedreven
door natuurlyken normalen appetyt, die eerste en voornaamste
uiting van geslachtsdrift zoowel, als van de liefde die soms — d.i.
in \'t gunstigt geval — daarmee samengaat. Dat deze waarheid
aan de meesten myner lezers ongehoord voorkomt, is myn schuld
niet. Gelyk overal wordt ook in deze zaak de lieve weldadige
Natuur beklad met de verfoeielykheden die \'n gevolg zyn van onze
verkrachting der Natuur.
Ik laat nog altyd daar, of Femke den kleinen Wouter beminde —
\'t stuit me, dat komedie woord hier te gebruiken — maar zeker is \'t
dat de stemming waarin ze door de aanraking met dat kind ge-
bracht was, haar op eenmaal en als met \'n ruk had afgetrokken
van de slaperige gewoonheid waarin ze tot-nog-toe zich bewoog.
En tevens dat dit niet het geval zou geweest zyn indien ze niet
vrouw was geweest. Wouter had lang sprookjes kunnen vertellen
aan jongens, mannen of eunuken, voor-i in hunne harten de eigen-
aardige zucht om goed te zyn had opgewekt, waarmee z\'n geestdrift
Femke\'s gemoed had aangestoken.
Ze was hysterisch omdat ze kompleet was.
Kan ik \'t helpen dat men er aan gewoon geraakt is, dit woord
byna altyd te hooren gebruiken in den zin van over kompleet f Op
gelyke wyze hebben de moralisten \'t woord tzinnelykheid" bedorven,
en die zaak tot \'n ondeugd gestempeld. Dat de spraak- en begrips-
verwarring voortvloeit uit \'n aanvankelyk onschuldige zucht tot
bekorting ligt in de rede. Het werd vervelend telken-male het nader
bepalende: t overdreven" te gebruiken, maar \'t weglaten daarvan
gaf aanleiding tot \'n wanbegrip dat onze Maatschappy zeer duur te
staan komt. We miskennen by-voortduring de waarde van den
sterksten hefboom die ten-allen-tyd Mensch en Mensheid in bewe.
ging bracht. Deze noodlottige verwringing van de waarheid open.
-ocr page 272-
252                                                   MULTA1ULI.
baart zich niet alleen in negatieve gevolgen, maar sleept stellig
kwaad na zich. Het horror vacui dat in de zedelyke wereld zoo-
wel als in de stoffelyke bestaat, bewerkt verschynselen, die. .. aller-
gunstigt werken op \'t vullen van kerken, kloosters, tuchthuizen,
krankzinnigengestichten en nog andere etablissementen van publie-
ken aard. Deze inrichtingen danken sedert eeuwen haren bloei, niet
aan de lieve geslachtsdrift, maar juist aan \'t verfoeilyk knotten en
verminken van geslachtsdrift. Niet aan hysterie, maar aan verkeerd
geleide
hysterie.
Femke nu was gezond-hysterisch. Eenige graden meer. . . ze zou
bleek, onrustig, beurtelings traag en over-yverig geworden zyn. Ze
zou alle mogelyke eigenschappen — ook de tegenstrydigste — ver-
toond hebben, doch op ongepasten tyd en op ongepaste wys, zoo-
dat zelfs \'t goede — dus geopenbaard! — zou veranderd zyn in
iets verkeerds. Onhandig bestuurde of ontydig geknotte geslachts-
drift leidt tot alles, zelfs tot afkeer van wellust, tot iets alzoo dat
den oppervlakkigen beschouwer kuisheid toeschynt. En niemand
minder dan de slachtoffers zelf zyn in-staat al die ongerymdheid
te verklaren. Hun droefheid, hun blydschap, hun angst, hun wen-
schen, hun gaan, komen, liggen, zitten... alles is hun-zelf \'n raad-
sel. Ze ondergaan den invloed eener onbekende macht die geen
rekenschap geeft van haar willekeur.
Eenige graden natuurlyke volkomenheid minder, zouden Femke
gemaakt hebben tot \'n allergewoonst wezen. Het is de vraag aan
welken kant van \'t juiste midden de meesten overslaan. Stand,
bezigheid, voedsel, lektuur, zullen waarschynlyk bepalen waar men
gewoonlyk het »:e veel" en waar men het »te weinig" aantreft.
Femke zou niet gelachen hebben by \'n dubbelzinnigheid Hoogstens
had ze gevraagd: waarom toch lacht men zoo?" Haar gemoed was
rein als van \'n beestje, niet omdat zy zekere dingen niet wist, maar
omdat men haar nooit had voorgepreekt of laten gissen dat het
weten van zekere dingen schandelyk wezen zou.
Ik wil hier melding maken van zeker werk dat in \'t begin dezer
eeuw verscheen, en naar ik meen eenigen opgang maakte. Ik bezit
het niet, en verlaat me by \'t noemen van den titel en de beoor-
deeling van den inhoud, op m\'n geheugen. Het heette: uHetLand^
in brieven"
Zekere Van den Bergh pryst met iets als kerkelyke
goedkeuring \'t werk aan, en zegt den lezer dat het geschreven werd
door »eene vrouw."
Dat vrouwelyk »Land, in brieven\'\'\'\' kwam my voor,\'n vervelende
lektuur te zyn voor ieder die slechts genot vindt in rechtstreeks
vermaak.
-ocr page 273-
WOUTERTJE PIETERSE.                               253
Maar hoe dit zy, allerfatsoenlykst is het boek. En, meer nog, \'t is
damesachtig fatsoenlyk. De dominee die z\'n «begaafde vriendin"
prees en aanbeval, stelde zich waarlyk niet bloot aan berisping
van z\'n consistorie.
De schryfster geeft alzoo \'t gewoon kontingent beschouwingen
over de byzondere goedheid van god die \'t groeien der gewassen
niet belet, over \'t zweeten van de landlieden in den oogsttyd, en
over de dankbaarheid der brave dorpelingen voor \'t geregeld op-
en ondergaan van de zon. Te-midden echter van dezen vroom-
sentimenteelen nonsens, blinkt ons in een enkelen regel \'n juweel
van eenvoudige oprechtheid te-gemoet. De schryfster laat zich \'n
opmerking ontsnappen, die — in-verband gebracht met zeden en
vooroordeel — getuigenis geeft van ongewone gemoedsreinheid.
Daaraan alleen immers kunnen we het toeschryven, dat ze zich de
erkentenis laat ontvallen: het paren der vogeltjes met zooveel ge-
noegen te hebben aanschouwd!
Ziedaar natuur \\ Natuur van die vogeltjes, ja, maar ook en vooral
van de > vriendin" die slechts meende »het Land" te beschryven,
en in dat ééne woord zoo allerliefst zichzelf beschreef. De oprecht-
heid die hier voor den dag treedt, is om te kussen, üm dien regel
vergeeft men \'t boek, dat juist door z\'n allerdeftigsten toon de waarde
van deze onwillekeurige natuurlykheid temeer doet uitkomen Indien
\'t woord s onschuld" \'n zin heeft, dan was de schryfster van \'t
*Land in brieven" onschuldig.
Zóó onschuldig nu was onze Femke ook!
»Trouwen f Hy. . . die kleine jongen.. . tny\\ ïemkeV
De eerste indruk was koddig. En daarom had ze gelachen. Inder-
daad. zoo dikwyls ze na de historie van Aztalpa aan Wouter gedacht
had — en ze dacht dikwyls aan hem — was \'t met de zucht om
hem \'n dienst te doen. Aan z\'n verzen of ander schoolwerk kon ze
hem niet helpen, maar als de Heilige Maagd haar verschenen ware,
en \'n gunst had te kiezen gegeven, zou ze waarschynlyk verlof ge-
vraagd hebben Wouters halskraagje te mogen wasschen en bleeken,
of zoo-iets. Later, toen hy ziek was, zou de eerzucht van haar ge-
negenheid zich verder hebben uitgestrekt, en misschien ware zy
Maria te-staan gekomen op \'t mirakel dat ze Wouter op den schoot
had gekregen om hem te koesteren zooals ze de kinderen van haar
nicht had gedaan.
Maar.. .trouwen ?
Was \'t wonder dat ze gelachen had by zoo\'n zonderling voorstel ?
En dat ze nog-eens lachte toen hy \'t herhaalde ?
Vanwaar dan dat ze.op-eenmaal ernstig werd na \'t ontwaren van
de smart die haar vroolykheid hem veroorzaakte?
-ocr page 274-
254                                           MULTAIUL I.
Voorzeker zou dit het geval niet geweest zyn, indien zeófonryp
ware geweest, óf door kunstmatige overprikkeling bedorven voor
gezonde rypheid. Niets stond in haar ziel de normale werking van
de zucht tot èénzyn, tot aansluiten — en dus tot liefhebben! —
in den weg. De bevallige harmonie tusschen zedelyke en lichamelyke
ontwikkeling deelde zich tevens mede aan haar verstand. Op-eens be-
greep zy dat er eerbiedwaardige ernst lag in Wouters kinderlyke
geestvervoering die zoo-even nog haar bespottelyk voorkwam, en
de geleidelyke overgang van begrip tot gevoel •— was \'t \'n over-
gang ? — vloeide vanzelf hieruit voort.
Ze begreep .Wouter, en had voor \'t sparen van z\'n gevoel geen
andere reden dan de rype perzik zou kunnen aanvoeren voor z\'n
sappigheid en dons. Femke toonde zich vlug van begrip, fyn van
opvatting en liefelyk in handelwyze: omdat ze kompleet was.
-ocr page 275-
Wouter moet \'« inroep kiezen.
Wouters uitgeleerdheid op de school bleef nog altyd zonderling
afsteken by de rechten die men hem scheen toetekennen in den
huiselyken kring. De oorzaken hiervan waren : eerstens, dat hy de
jongste was, en bovendien \'n jongen^ die tegenover meisjes altyd
eenige jaren minder telt dan z\'n doopceel. Ten tweede ging hy diep
gebukt onder de atmosfeerdrukking der verwaandheid van z\'n broer
Stoffel.
—  Nu ja, moeder, de eerste by Meester Pennewip. Maar ziet u,
daarom is-i nog geen professor Ér zyn nog heel andere scholen in
de stad, waar hy misschien de allerlaagste wezen zou.
—  Wel zeker, Stoffel, dat zeg ik ook altyd. Er zyn andere scholen.
Maar ik wou nu maar weten wat we met \'m zullen aanvangen.
Letterzetten wil-i niet. En naar zee. .. nu dat\'s me-n-ook wat!
sDat\'s me-n-ook wat!\'\' beduidt: \'i is te gek om van te spreken.
Onder de tallooze plannen, wenschen, idealen, waarmee Wouter zich
sedert eenigen tyd had bezig gehouden, behoorde ook de op-eens ont-
waakte lust om zeeman te worden. Geheel vreemd was hem dit denk-
beeld nooit geweest — er was iets Afrikaansch in — maar hy voelde
zich daarin versterkt door de geschiedenis van den ongelukkigen
Jakob Claesz. De gedachtenloop die hiertoe leidde, is niet moeielyk
nategaan.
Met de eigenaardige beschroomdheid die we dikwyls in hem waar-
namen, had-i z\'n wensch geopenbaard. Maar ze was met even eigen-
aardige afkeuring ontvangen geworden. In zeer veel hollandsche
huisgezinnen namelyk, is de zeevaart — als baden en zwemmen —
-ocr page 276-
256                                            MULTATULI.
\'n uitspatting, \'n misbruik, \'n losbandigheid, \'n paradox, \'n hors
d1 oeuvre
of \'n ondeugd.
—  De goeie God zal me bewaren, hoop ik, voor zoo\'n affront,
riep de moeder. Heb ik je daartoe opgebracht ? Heb ik er dat nu
van, jongen, dat ik je zoo goed heb laten leeren van sogrefie en
alles ? Zal je dan nooit ophouden met akeligheid!
Wat zou Wouter doen ? Hy mompelde iets van ontdekkingsreizen,
van onbekende koninkryken, van Straat Magellaav . . . helaas!
Stoffel vond ook dat zoo-iets niet te-pas kwam, en verhaalde
treffende voorbeelden van jongelui die naar zee waren gegaan nadat
ze zich aan-wai niet goed gedragen hadden, waaruit hy met de
logiek die in zyn kring voldoende was, betoogde dat men nooit
naar zee moest gaan.
En Wouter van zyn kant, had geen lust in al de schitterende
loopbanen die men hem voorsloeg. Hy wilde geen schoolmeester
worden, geen schoenmaker, geen leerling op \'n notariskantoor, geen
bediende in \'n winkel, geen aptekersjongen. .
Om rechtvaardig te zyn moet ik erkennen dat de redenen van
z\'n tegenzin in al deze vakken, niet veel gegronder waren dan de
bedenkingen die men tegen het door hem gekozene inbracht.
De gesprekken die hieruit voortvloeiden waren kurieus, doch
hadden de verdienste dat zekere hoofdzaak ruiterlyker by den naam
werd genoemd, dan by zulke gelegenheden wel eens \'t geval is. De
meer of mindere kans op »geld-verdienen" werd flinkweg op den
voorgrond gesteld, en zelfs de vraag: welk vak mogelykheid aan-
bood om zeer spoedig »in de verdiensten te komen f" Alleen Stoffel
meende aan boekerige deftigheid schuldig te zyn, nu en-dan de ge-
meenplaats over \'t »worden van \'n nuttig lid in de Maatschappy"
voor-den-dag te brengen. Toevallig — en zeer by-uitzondering —
had-i hier met \'n kind te doen dat deze versleten en huichelachtige
fraze in ernst opnam. Wouter wilde inderdaad iets tot-stand brengen,
iets leveren :
de plaats betalen die het lot hem bood.
... en iets meer dan dat, als \'t mogelyk was! Kon hy \'t helpen
dat het hem toegelegd plaatsje zoo bekrompen was ? Hy voelde
aandrift tot het goede, tot het ongewone, tot het moeielyke, en z\'n
lust tot de zeevaart sproot niet zoozeer voort uit rechtstreeks
verlangen naar "n werkkring die hem trouwens geheel onbekend
was, als uit de hoop dat-i daarin gelegenheid vinden zou. . .
Wie beschryft al de verrukkelyke droomen die hem z\'n verbeel-
ding voorspiegelde ?
—   Maar wat moet ik dan in gods-heeren-naam met den jongen
aanvangen ?
-ocr page 277-
WOUTERTJE PIETERS E.                              257
Zoo... zou juffrouw Pieterse gesproken hebben, indien ze vyftig
jaren later geleefd, en m\'n Idefn gelezen hada).
We mogen aannemen dat ze niet veel acht heeft geslagen op de
1 nuttigheid" die Stoffel fatsoenshalve by de zaak wou te-pas bren-
gen. Met onbedorven maagdelykheid van realistischen indruk, zocht
ze voor haar telg \'n werkkring »die wat geeft". A la boime hettret
\'t Is \'n ware verademing eens eindelyk met iemand te doen te heb-
ben, die zegt wat-i meent. De zeldzaamheid van \'t geval gaf my
aanleiding \'t mensch even uit den doode optewekken en sprekende
intevoeren. Er zyn wel eens wonderen geschied om redenen van
minder belang... \'t is juist Pinkster vandaag.
Geldverdienen alzoo!
De bedoeling van deze aandoenlyke verzuchting is natuurlyker-
wyze : zooveel mogelyk ! en altoos in verhouding met de aangewende
moeite en gemaakte kosten.
En bovendien spreekt vanzelf, dat ook de meer of min toevallige
aanraking der ouders met personen die zekere vakken beoefenen,
het beroep van den vader of van andere bloedverwanten, de byzon-
dere hulpbronnen der streek welke men bewoont, en velerlei derge-
lyke omstandigheden meer, grooten invloed uitoefenen op de keuze
van \'n beroep. Hieruit volgt dus alweder, dat smaak en vermoede-
lyke aanleg van \'t kind \'n zeer ondergeschikte rol spelen.
Deze rol wordt echter nog onbeduidender, wanneer de ouders
— gelyk hun plicht voorschryft — te-rade gaan met de vermoede-
lyke toekomst van het gedeelte daarvan, waarin de aspirant-rykworder
bestemd is zich te bewegen. Vakken, bedieningen en zelfs ambach-
ten, zyn aan daling en ryzing onderhevig. We zien telkens sommige
takken van bestaan verdwynen van \'t lystje der kostwinningen,
waarvoor natuurlyk anderen in de plaats treden. Menige jongen
wordt opgeleid tot werkman in \'n gasfabriek, die vroeger sop" \'t
kaarsenmaken zou »gedaan" zyn. Een groot deel der personen die
\'n halve eeuw geleden zouden geleefd hebben van kar en paard of
vrachtschuit, zyn opgevolgd door nog aanzienlyker getal menschen
die van den stoom leven. Preekers en geloofsonderwyzers maken
gaande-weg plaats voor leeraren in iets wezenlyks, en voor couran-
tenschryvers. Anders uitgedrukt, het peil waartoe de hier bedoelde
verdrongen soort behoort, is aan \'t zakken. Hieruit zal ten-laatste
de \'vernietiging van \'t métier voortvloeien, \'n lot dat ter-zyner-tyd
ook aan krantenschryvers te wachten staat, en door denkers niet
/.onder welgevallen zal worden begroet. De tyd zal komen dat wy
in muzeën dominees aantreffen in gezelschap van \'n »7oy" die geen
*hyn is. Misschien wel tusschen \'n trekschuit en \'n vetkaars.»Siok-
ken en parapluien aan de deurV\'
ünnoodige waarschuwing! Wie
a) De hier uitgevallen bladzyden handelen namelyk over de keuze van een beroep.
17
-ocr page 278-
258                                            MULTATULI.
zal barbaarsch genoeg zyn om zoo\'n vetkaars, enz. kwaad te doen ?
Hoogstens zal men de schouders ophalen, en zeggen:»dat verbeeldde
zich licht te geven!"
Ouders behooren dus wel degelyk acht te slaan op de vermoede-
lyke vooruitzichten die \'n vak oplevert. En dit is temeer noodig,
omdat het werkelyk aanvaarden van \'n beroep altyd minstens tien
jaren later geschiedt dan \'t voorbereidend intreden. De keus van
heden kan eerst na geruimen tyd worden toegepast, en \'t mogelyk
of vermoedelyk verloop moet dus vooruit berekend worden. De vraag
is niet: wat levert vandaag de beste kans? Men moet trachten
doortedringen in de kansen der toekomst. Wie z\'n jongen africht
op parlage, op zwendelary in effekten, vrage zich af, of er altyd
Kamers zullen bestaan, waar men met leege praat gediend is, en
of de Volken by-voortduring de renten zullen gelieven te betalen van
de ten-behoeve der kapitaalbezitters aangegane staatsschulden? Het
bestudeeren van den opkomst en \'t verval des tulpenhandels kan
by dergelyke zaken goede diensten bewyzen.
— Ik begryp er geen jota van... zou hier onze juffrouw Pieterse
zeggen. Ik heb van geen tulp of tulpsgelyk gesproken. De vraag is
maar, wat we met Wouter zullen aanvangen? Ik wou dat de jongen
gauw in de verdiensten kwam.
Precies! Deze wensch is billyk. Maar er is nog \'n ander ver-
eischte dan spoed. We hebben duurzaamheid noodig. We moeten
\'n vak zoeken, dat uitbreiding te-gemoet gaat, of liever \'n vak welks
vermcedelyke uitbreiding grooter zal wezen dan de aanvankelyke
konkurrentie. Niet allen toch hebben die uitbreiding voorzien, en...
wie \'t eerst komt, het eerste maalt.
Alle plaatsen zyn bezet. Alles is vol, vol, overvol. ..
Alles ?
Lezer, \'n maand geleden werd er te Berlyn by rechterlyk vonnis
uitgemaakt dat \'n metselaars-handlanger, \'n opperman die stcencn
aandraagt
— geen werkman dus in den hoogeren zin van \'t woord
— vyf thalers daags verdient, d. i. acht gulden vyf-en-zeventig cents
nederlandsek.
En men durft beweren dat het moeielyk is, z\'n kin-
deren aan \'n kost winning te helpen? Als \'t zóó voortgaat, zal \'n
halfwas-jongetje weldra meer waard zyn dan \'n span paarden of \'n
dozyn ezels, zonder zelfs z\'n onsterfelykheid mee in rekening te
brengen.
De zaak die ik hier aanroer, werd door alle Berlynsche bladen
meegedeeld. Die zeer kostbare opperman was door een zyner vrienden
geslagen. — heel jammer! — en kon vyf dagen lang z\'n verheven
beroep niet waarnemen. Na ingeivonnen bericht van experts en
getuigen,
is hem als schadeloosstelling voor z\'n gedwongen werke-
loosheid, de som toegekend van byna vier en-veertig gulden JS\'ed.,
-ocr page 279-
WOUTERTJE PIETERS E.                             259
omdat dit het gekotistateerd bedrag was van de winstderving die
uit z\'n vyfdaagsche werkeloosheid voortvloeide.
—  Moet ik dus m\'n jongen naar Berlyn zenden, om steenen te
dragen?
Neen, Juffrouw Pieterse. Want ook de tulpenhandel in huizen zal
*n eind nemen, lang voor uw kroost volwassen is. De kunstmatige
opgeschroefde bouwwoede nadert haar toppunt, en de terugslag zal
niet uitblyven. Het is de vraag of \'t weghalen der steenen van afge-
broken huizen, zoo hoog betaald worden zal als nu \'t aandragen
by de oprichting? Jazelfs, er bestaat kans dat de vregruiminggratis
geschieden zal, wanneer \'t Volk, eerst eeuwenlang verstompt, mis-
handeld en verdierlykt, later verdierlykt en brooddronken, zal uit-
spatten in de Jacquet ie die ik reeds voorspelde in 1862.
Het onderwys...
—  Maar, lieve-jesis, Stoffel zegt dat de vooruitzichten zoo slecht
/.yn. En bovendien, onze Wouter heeft geen genie in \'t vak.
Zeer wel, juffrouw Pieterse. Ik raad u ten-sterkste aan, z\'n genia-
Ügen tegenzin niet te verkrachten. De Heer zal daarmee z\'n be-
iloeling gehad hebben, en men moet nooit iets doen tegen Gods
wil. .. gelyk \'n Engelsch dichter ergens zoo schoon gezegd heeft.
Ik verzeker u — en den lezer! — dat er diepe, diepe wonden zullen
geslagen worden]! De twee eenige vakken die in de eerstkomende
vyftig jaren kans bieden op welvaart...
—  Wou uwe-n-\'n chirurgien van hem maken ?
Ja, Chirurgien, of — schrik niet, juffrouw Pieterse! — wond-
heeler of. . . soldaat!
—  Dat in alle eeuwigheid niet! zou \'t mensch hebben uitgeroepen,
als ze dit slot van den vyfden bundel myner ideem gelezen had.
Maar ze heeft het niet gelezen. Ik heb dus geen reden tot ver-
stoordheid over \'t versmaden van m\'n advies.
Na \'n koncilie, waarby de hulp van meer autoriteiten werd in-
geroepen, dan ik in-staat ben optegeven, kwam Stoffel tot het be-
sluit: »dat Wouter byzondere geschiktheid had voor den handel."
En juffrouw Pieterse was dit volkomen met hem eens.
-ocr page 280-
De keerzx van den roem. Wouter\'s begrippen ever komvianditair ivereld-
bestuur, oorzaken van \'tl ergernis die, vii
Missolunghi, uitloopt op Femke.
Het plan om in den handel te gaan, lachte Wouter toe. Mis-
schien wel oradat-i niet recht wist wat het was.
Hy vroeg \'t aan Stoffel.
—  Wel, begryp je dat nu alweer niet? >.In den handel" beduid;
zooveel als. . . koopman worden.
—  Maar. . . wat moet ik dan verkoopen: En hoe kan ik weten
wat de menschen noodig hebben r
—  Och, je moet je dit nu niet zóó voorstellen alsof je langs de
huizen liep met \'n pak koopgoed. en overal moest aanschellen om
te vragen of iemand wat van je hebben wil. Je bent en blyft toch
altyd even dom. >.In den handel\'\' zieje, beduidt zooveel als...
Stoffel begon te hakkelen. Hy was de eerste niet die over \'n
definitie struikelt, en zal de laatste niet wezen. Maar weinigen heb-
ben by zulke gelegenheden terstond \'n bondgenoot by de hand. die
hen zoo flink uit den nood helpt als hier geschiedde.
—  Hoe kan je toch altyd zoo dwarsdry ven, Wouter! riep juffrouw
fieterse. Daar heeft nu Stoffel je de zaak zoo duidelyk uitgelegd.
en je houdt je weer net of je \'r niks van begrypt. Wie tér-wereld
heeft je toch gezegd dat je langs de deuren loopen zou met \'n pak
op je rug, als \'n oliekoop of \'n mersan tic la perreplu ? Heb ik je
daartoe opgebracht, en je de eerste van je school laten worden !
Je bent \'n ondankbaar kind. Wat helpt het nu of je-n-al zooveel
weet. en mooie trekletters zetten kan, als je telkens je moeder zoo
veraffren teert!
-ocr page 281-
WOUTERTJE PIETERS E.                                  261
Lezers die op rechtvaardigheid gesteld zyn, zullen \'t vreemd vin-
den — en onbillyk misschien — dat Wouter hier begraven werd
onder \'n stortvloed van verwytingen. Onbillyk? Zeker! Maar...
vreemd ? O, neen. Ik beweer exakt te zyn in de teekening van
zekere manier waarop nu-en-dan gepolemizeerd wordt, en waarin
juffrouw Pieterse \'n ware virtuoze was. Aan de stiptheid die ik my
tot regel stel, heeft dan ook \'t woord parapluie in haar mond het
vrouwelyk geslacht te wyten. Ze volgde hierin zeker straatlied van
die dagen, waarvan de door haar gebezigde uitdrukking \'t onver-
valscht refrein was.
Maar...als nu Wouter eens sin alle bescheidenheid" de opmer-
king gemaakt had, dat-i geen aanleiding had gegeven tot deze
preek ? Wel, dan had men hem bedolven onder \'n tweede predi-
katie over de verregaande brutaligheid van \'t gelykhebben, wat dan
ook in zekere omstandigheden inderdaad \'n fout is.
Niet zoozeer omdat-i dit inzag — daartoe is dieper wysheid
noodig dan hem gegeven was •— als wel uit ongewoonte om z\'n mee-
ning te zeggen, die toch nooit werd aangenomen, besloot hy zwygend
by de eerste gelegenheid de vereischte inlichtingen te vragen aan
z\'n Egeria, aan. .. Femke.
Dat hy, in weerwil van z\'n onkunde niet ontevreden was met het
vooruitzicht in den shandel" te gaan, is niet onnatuurlyk. In de
eerste plaats zou \'t vervelende school-gaan \'n eind nemen. Dit was
\'n zekere winst. De minder stellige voordeden eener verandering
van standpunt, mat-i af naar z\'n hoop, en naar den wensch om
iets te zyn, wat dan ook! \'t Zou dan toch al heel slecht geschapen
staan met shandel" wanneer daarin niets beters te bereiken was dan
\'n geminacht schooijongensschap, dat hem meer begon te drukken
naarmate hy hooger stond aangeschreven in Pennewip\'s achting.
Het was namelyk ten-zynent \'n tic geworden — en z\'n by uitstek
domme zusters deden dapper mee — hem z\'n arithmetische, aard-
rykskundige, grammatikale en kalligrafische kennis of bekwaam-
heid aanterekenen als \'n verpletterend servituut. De geringste fout
tegen huis- of fatsoentucht werd door verrekte armen vaamsgewys
uitgemeten, en in bezwarend verband gebracht met z\'n veronder-
stelde schoolwysheid. Z"n onoverwinnelyke tegenzin in zuurkool,
byv. s paste geen jongen die zooveel boekjes van buiten kende" en
als-i na \'n wandeling wat later thuiskwam dan hem genadig was
toegestaan, moest i de vraag hooren : of dat nu \'t goede gedrag
was van iemand die zoo\'n uitstekend onderwys te danken had aan
z\'n moeder, en zulke mooie krulletters maken kon in één trek ?
De bespottelyke ingenomenheid met Wouter\'s vermeende gaven,
maakte hem die schoolkennis tot nacht- en dagmerrie, en \'t had
er veel van of men hem by-voorbaat wilde genezen van mogelyke
roemzucht.
-ocr page 282-
2Ó2
MÜLTATUL 1.
Natuurlyk kende hy zichzelf volstrekt niet, en had dus niet den
minsten grond om aan die laatste veronderstelling \'n plaatsje te
gunnen in z"n overwegingen. Ook wanneer dit anders geweest
ware, zoud-i tot het besluit gekomen zyn dat de onwelwillendheid
zyner omgeving \'n veel minder wysgeerig-liefderyken grond had. dan
voortydige bezorgdheid voor z\'n zedelyk welzyn. De zaak kwam
eenvoudig neer op de onsmakelyke stroefheid die, naar zeker soort
van burgerlyke opvatting, de gezellin behoort te zyn van \'t goede.
De oorzaken van zoodanig genotbederf zyn niet ver te zoeken.
Ze liggen in bekrompenheid van verstand en hart. De Bybel en \'t
christendom — vooral het dor protestantismus ! — hebben er geen
goed aan gedaan.
Is \'t wonder dat de Pietersens niet weten omtegaan met kinderen.
zy die \'n God dienen, wiens hoofdbezigheid eeuwen lang schynt
bestaan te hebben in vloeken en razen tegen de menschen die hyzelf
gemaakt had ? Het eeuwige vitten van Wouter\'s moeder was alzoo
goddelyker dan zyzelf wist, en ook sprak ze meer waarheid dan
haar bekend was, toen ze op den plechtigen salie-avend verzekerde
»Ik doe daar m\'n godsdienst mee!" Wel zeker!
Het verspreiden van geluk, stond niet in den katechismus van
Wouter\'s omgeving. Met den besten wil mogen wy dus \'t verdriet
dat hem voortdurend werd aangedaan, niet op rekening zetten van
\'t hooghumanistisch streven om hem afschuw inteboezemen van
vermoeiende beroemdheid.
En toch, toch. . . Wouter was eerzuchtig ! Maar hy was het in
geheel andere maat, en op gansch ander terrein dan ooit iemand
had kunnen gissen. Al de geneesmiddelen die men hem — al was
\'t dan doelloos — ingaf tegen hoogmoed waren niet toereikend om
afbreuk te doen aan \'n zelfgevoel dat waarlyk de perken van \'t ooit
da gewesene ver te-buiten ging.
»Eerzuchtig? Hoogmoedig? Onbescheiden? Verwaand? Veel-
eischend van de toekomst, tot het brutale toe ?\'\'
Waarom vraagt ge dit, lezer ? Omdat het kind zoo gaarne koning
van Afrika wilde worden ?
Hebt ge niet opgemerkt dat er naast stond: „of \'n bleekers-
jongetje ?"
Was dat ook onbescheiden ?
Neen, niet zulke nietigheden waren \'t onderwerp van Wouter\'s
ongeëvenaarde eerzucht. Z\'n wenschen zweefden hooger dan dit
alles, en waimeer-i droomde van koningschap was \'t by-wyze van
spreken, èn omdat hy zichzelf geen rekenschap wist te geven van
de matelooze vlucht zyner begeerten, \'n vlucht zóó hoog dat-i alle
verschil tusschen \'n bleekveld en \'n troon uit het oog verloor.
-ocr page 283-
WOUTERTJE PIETERS E.                               263
De Fancy-verschyning had hem aangestoken met onmetelykheid.
Hy onderging onbewust den indruk van \'t verhevene, en z\'n onwe-
tende ziel doolde rond in \'n oneindige reeks van middelen die hy
te kiezen had, en van wegen die hy wilde inslaan. Hy was goed,
innig goed. Op \'t gebied van het goede wilde hy \'t hoogste grypen,
het moeielykste tot-stand brengen. Z*n weifelen in keus was \'n na-
tuurlyk gevolg van onwetendheid. By elk voorkomend geval greep
hy met z\'n verbeelding terstond het uiterste, het hoogste, het beste,
of wat z\'n ongeoefend oordeel daarvoor hield. Dat ook by hem
alzoo \'n rol werd gespeeld door de gewone fout van edele harten
— \'n zeer ongewone fout dus ! — om de zedelyke waarde eener
handeling alleen naar de zwaarte van \'t gebracht offer te schatten,
spreekt vanzelf. En tevens, dat dit hem verleidde tot de zucht om
offers te brengen waar ze óf niet noodig waren óf niet verlangd
werden, en in beide gevallen niet gewaardeerd. Ach, hoe gaarne
ware hy uitgetogen om hier-en-daar by bekken- eri schildslag te doen
bekend maken dat er \'n ridder was aangekomen, die om de klan-
dizie verzocht van wat martelary!
»Later, later !\'\' dacht hy. Later, als-i bevryd zou zyn van schoolsche
en huiselyke banden. Dan zoud-i \'n werelddeel gelukkig maken.
En nog een. En nóg een.. .
Helaas, er stonden er maar vyf in \'t boekje van z\'n geografie!
Vyf werelddeelen slechts! \'t Is niet de moeite waard om van te
spreken.
Wat dan ? Wat daarna ?
Hier begon zich z\'n fantasie te verliezen in de ruimte, en \'t fir-
mament verwarrende met \'n gedroomden onstoffelyken hemel,\' na-
derden z\'n gedachten het Wezen dat men hem had opgedrongen
als: God. Maar dit bevredigde hem niet.
Geen » Weg ter Zali^hcuV en geen katechismus was er in geslaagd
het kind den anderen god te ontrooven, die hy in \'t gemoed droeg,
en waarmee hy zich — ziehier z\'n hoogmoed ! — zonder de minste
aanbidding vereenzelvigde. God, of \'n god, moest noodwendig het
goede willen, het goede zyn. Dit wilde en was Wouter ook. Hy
stond dus zoo\'n Wezen zeer na, en beschouwde het in z\'n trou\\v-
hartigen waan als z\'n natuurlyken bondgenoot, als z\'n gezel, als
z\'n kameraad. Zoo voelde hy zich prins van geestelyken bloede,
al was hem dan de Fancy-vertelling ontgaan, die ik in den aan-
vang dezer geschiedenis meedeelde om den lezer inzage te geven
in Wouter\'s stamboom.
Hoe hy \'t aanlei om den god dien hy geschapen had, den god
van \'t goede, overeen te brengen met het zonderling Wezen dat
men hem deed kennen in Kerk en School, is moeielyk te zeggen.
-ocr page 284-
264                                           MULTATULI.
In hooggestemde gemoederen heeft de bybelgod veel tegen zich
door de boekerigheid waarmed-i noodzakelykerwyze wordt voorge-
steld. Het kind kan niet nalaten hem te beschouwen als onder-
werp van leeslesjes, opstelletjes of schooltaak — om nu niet te
spreken van \'t pynlyk stil-zitten in de kerk — en al van-buiten
leerende »dat God zoo byzonder groot is\'\' geeft het als onderwerp
van vereering en smaak, de voorkeur aan \'n straatgoochelaar, \'n
kunstpaardjen of \'n handjevol kersen. Jazelfs »\'n kip te water" is
smakelyker onderwerp van geestdrift dan die vervelende »Heer.\'\'
Ouders en geestelyken weten dit wel, maar wat is er aan te doen ?
Wanneer ze, om verveling niet tot bondgenoot van onverschilligheid
te maken, het onderwys in de »godsdienst\'\' uitstelden tot het kind
meer ontwikkeld wezen zou, liepen ze gevaar zich \'n veel lastiger
vyand op den hals te halen dan gebrek aan belangstelling. Hun
pogingen zouden dan schipbreuk lyden op stellige ontkenning, want
«godsdienst" kan niet dan op zeer jongen leeftyd aan de patiënten
worden ingegeven. En dit geschiedt dan ook overal, met het ge-
volg dat de God des bybels in de gemoederen der jeugdige adepten
\'n bescheiden plaatsjen inneemt naast rekenen en versjes-opzeggen.
We zagen reeds hoe ook de eerwaardige Pennewip kind bleef op dit
stuk, en in z\'n opvoedings-systeem het sbreien en merken"\' waarin
z\'n ega zoo uitmuntte, tot paralel-studie verhief van \'t »psalm-
zingen" en sde leer der Zaligheid."
Hoe volleerd nu ook onze Wouter was in den katechisnuis — of
liever, juist omdat z\'n god van school en katechizatie maar \'n onder-
werp was van leeslesjes — hy zag er geen bezwaar in, \'n geheel
ander wezen in z\'n hart te dragen En Jehovah schikte zich.
Bovendien, Wouter\'s privaatgod was niet zeer aanzienlyk, en zelfs
niet verheven boven verwytingen. De kleine jongen veroorloofde zich,
hem kwalyk te nemen dat niet alles in de wereld overeenkwam met
zyn begripppen over \'t goede, en hy was dan ook ernstig van plan
allerlei verbeteringen intevoeren, zoodra hy. ..
Wanneer ? Hoe ?
Dit: wanneer en dit: hoe speelden de hoofdrol in z\'n gedachten.
Het denken hieraan beheerschte hem, en had den dubbelen in-
vloed, eerst hem neerslachtig te maken, en ontevreden met het
tegenwoordige, vervolgens kracht te geven tot geduldig dragen van
de kleine tegenspoedjes die hem drukten, omdat-i de hoop koesterde
later alles te regelen naar z\'n wil. Later — mymerde hy dan —
als-i zou aangekomen zyn op \'t punt waar hy wezen wilde! Later,
als zyn God — dit was hyzelf, maar hy wist het niet —ontwaakt
zou zyn, of... mondig! In zulke stemmingen zou \'t z\'n gemoed
verlucht hebben, wanneer-i had kunnen uitbersten in verwytende
jammerklachten, als waarvan ik \'n staal gaf in den aanhef van dit
-ocr page 285-
WOUTERTJE PIEÏERSE.              .                    265
verhaal. Maar hy was hiertoe te onbedreven in uiting. En, boven-
dien, hy wist weinig van zichzelf, en zou inderdaad vreemd hebben
opgezien indien men hem den hier eenigszins beschreven toestand
van z\'n gemoed had voorgespiegeld als de zyne. De mythologische
poëzie die in hem werkte, was hem evenmin bekend als aan Femke
haar onschuld. Hy droeg z\'n hooggestemde levensopvatting in z\'n
binnenste als \'n kool vuurs. Ze brandde hem, martelde hem, maakte
hem onvatbaar voor menige andere smart, en jaagde hem voort,
voort, naar. . .
Ja, waarheen r
Waarheen ? Wanneer r Hoe ?
Daar kwamen ze weer, die pynlyke vragen!
Ach, er was zoo véél te doen ! En hy was zoo ver achter! Wat
moest er nog veel gebeuren voor-i \'n eind kon maken aan al \'t
verkeerde! En dit toch was z\'n roeping, naar-i meende. De straat
was slecht geplaveid. Daar ginds stond \'n huis op \'t instorten.
Leentje stak povertjes in de kleeren. Er was onlangs \'n arme
blindeman in \'t water gevallen, en verdronken. Er scheen niemand
by geweest te zyn om te helpen... ook alweer God niet. Bovendien
waarom was die man blind ? En, nu eenmaal blind zynde, waarom
was-i arm ? En nu eenmaal arm zynde, waarom. . . och, er was
geen eind aan verwytende vragen.
En telkens als er regen noodig was, bleef \'t weken lang droog
weer. Maar \'t piasregende als alles onder water stond. En dan
las men in de courant: als nu de wind maar oost werd ! Welnu,
de wind werd niet oost. Wouter\'s God scheen niet te weten dat
de wind oost worden moest, en dus nog dommer te zyn dan
zoo\'n krant.
Is dat \'n behoorlyk bestuur ? Is dat orde ? Is dat \'n wereld
regeeren r Zóó slecht konden de zaken wel gaan zónder bestuur,
zónder almacht, zónder God !
O, er waren nog veel meer dingen in de war. De deugdzame
Grieken streden tegen de wreede Turken, en leverden dageïyks de
by zulke gelegenheden gebruikelyke heldendaden. Ieder had er den
mond vol van. Alleen God scheen alweer niet. op z\'n post te zyn.
Marko Bozzaris en Ypsilanti deden waarlyk hun best. Maar \'t hielp
niet veel. En al de Grieken waren dapper. Maar dit hielp ook
niet. En al de Turken waren van \'n glad verkeerd geloof, \'t Hielp
nog niet. Zelfs hielp \'t niet dat ze zoo byzonder lafhartig waren,
en overal by troepen te gelyk op de vlucht sloegen zoodra maar
één Griek zich vertoonde... toch werden elke week alle grieksche
vrouwen, kinderen en grysaards vermoord. Wouter\'s historische en
-ocr page 286-
2Ó6                                                  MULTATULI.
krygskundige kritiek ging niet ver genoeg om te vragen waarom de
grieksche helden dit toelieten ? Hy hield zich aan de verant\\voor-
delykheid van z\'n god, en was recht boos over zooveel plichtver-
zuim. Ignorantie kon de trage wereldbestuurder ditmaal niet voor-
wenden. De zaak was notoii\\ want de kinderen op de straat be-
zongen in tranenwekkende liedjes de heldendaden der Grieken, en
\'t voortdurend wegloopen van die onchristelyke Turken. Menig
orgelman in Europa had goede dagen te danken aan de onmacht
of de onverschilligheid van Wouter\'s god.
En zie, daar vernam hy dat de ergernis over al dat plichtverzuim
zelfs was doorgedrongen naar vreemde streken, naar \'t verre Enge-
land.. .hoofdstad Londen aan de Theems met veel handel., scheep-
vaart en \'n yzergictery. Beeft by \'t hooren van
V Nederlandsch
geschut. De protestantse/ie godsdienst is de heerschende. Heeft ook
bezittingen in Azi\'én, Afrika., en Australië. Regeeringsvorm koiünk-
lyk. Getal inwoners.. .
Hm. .zooveel! Min één nu. Want zekere dwaas — dichter en
lord was-i ook — had er z\'n zinnen opgezet om \'t land uitteloopen,
en met de Grieken meetedoen. De man heette Byron, of zoo-iets,
en verliet z\'n vaderland . .
Wel zeker, dit had AVouter ook willen doen — en met plezier! —
om aan z\'n god en die Turken \'n lesje te geven als-i maar...
permissie had kunnen krygen van z\'n moeder, d. i. als-i maar niet
\'n armzalig schooljongentje geweest was! Ach, hoe gaarne had hy
dien gelukkigen engelschman gevraagd hoe men \'t toch aanlegt om
lord, dichter en held te worden ? En wat men doen moet. om van
kleinen jongen zich optewerken tot onsterfelykheid. .. niet die uit
den kathechismus! Een voorrecht dat-i zou te deelen hebben met
ieder ander die jgeloofd zal hebben en gedoopt zal zyn" kwam
hem niet byzonder wenschenswaard voor. Hy wilde in dit geval
niets weten van verlossing, zoendood en genade — altemaal dingen
die zeer belangryk zyn in de schooltheologie, en waarin-i dan ook
op elk examen de eerste noot behalen zou — maar de prikkel die
hem thans aandreef, was van geheel anderen aard. In z\'n ver-
beelding zag-i hooggekleurde prenten met onderschriften als: »Wou-
ter\'s begrafenis by Thermopylae." De lykstaatsie bewoog zich over
\'n plaveisel van doodgeslagen Turken, drie man hoog, en zoo breed
als de prent maar eenigszins toeliet.
Daar by Thermopylae namelyk, had-i, zoud-i, moest-i...
Ach, ach, ach, hy had nog niets gedaan, niets nog! De Turken
maakten laaghartig misbruik van z\'n verdrietige onvolwassenheid.
En die m\'nheer Byron ook.
-ocr page 287-
WOU TERTJE PI ET ERSE.                                   267
Was er niet valsheid in dat vooruitloopen van \'n mededinger,
die — geheel buiten zyn schuld immers — nog niet gereed was ?
Ook deze onbehoorlykheid had God moeten voorkomen, meende
Wouter. By zoo\'n verkrachten van wet en regel, was er geen eerlyk
mededingerschap mogelyk. Kon de Wereldgeschiedenis niet even
wachten tot-i gereed was ?
Dan zoud-i. . .
Wat ? Hoe ? Wanneer f Waarheen f
Alweer die martelende vragen!
Hy gevoelde behoefte om te schreien. En als-i de plaats voor \'t
kiezen had gehad, waar-i door ontlasting van z\'n gemoed z\'n wrevel
had mogen verzachten tot weemoedigheid. . och, dan had-i willen
uitschreien aan Femke\'s borst.
Het is opmerkelyk dat een der zéér weinigen die \'t verband
zouden begrepen hebben tusschen.. .dat en dit, juist de Engelsch-
man was, dien hy zoo verwenschte.
Ik geloof namelyk dat Byron — in-weerwil van z\'n verzen dan —
inderdaad dichter was.
-ocr page 288-
Wouter\'s eerste studiën in menschenkennis. Il y perd son latin. Leentje\'a
extra-woordenbaksche bydragen tot de kennis der nederdnitsche taal. Ken half
dozyn verbazingen.
Niet dan zeer langzaam brak voor Wouter \'t oogenblik aan,
waarop hy begon zich rekenschap te geven van \'t verschil tusschen
uiting en daden, of — want hiermee nam z\'n studie\'n aanvang —
tusschen woord en meening. Maar dit oogenblik kwam toch, en
wel nog juist by-tyds om niet z\'n naïveteit te doen ondergaan in
domheid. Een der eerste aanleidingen die hiertoe meewerkten, was
\'n schynbaar onbeduidend voorval. Hy had op last van z\'n moeder
iets in \'n winkel gekocht, en voor goed geld slechte waar thuis ge-
bracht. De heele familie was \'t eens: dat dit nu al heel dom was
voor \'n jongen die...
Volgt: de schoolknapheid.
...en die in den handel zou gaan."
—  Maar, moeder, de man zei toch. . .
f
Allen bersten uit in schamper gelach.
—  Als men dadrnaar luisteren zou!
—   Nu, wat men in zoo\'n winkel zegt!
—   Uiliger heb ik \'t nooit gezien! Begryp je dan niet dat zoo\'n
man bly is als-i z\'n bedorven goedje van-de-hand kan zetten.
—   Maar, jongen, ben je dan niet recht wys ?
—   Wat is er aantevangen\' met zoo\'n kind!
De indruk van den storm die by deze gelegenheid over Wouter\'*
hoofd iosberstte, was te dieper en blyvender omdat-i ditmaal zelfs
by Leentje geen troost vond.
-ocr page 289-
WOUTERTJE PIETERS E.                              269
—  Ja, Wouter, zei ze, ikzelf moet zeggen dat het heel dom van
je-n-is.
Dat »ikzelf" was hartelyk en verwaand te-gelyk. Het beduidde
zoowel: »ik, \'t hooge hof van appèl!" als: sik, die anders zoo graag
party voor je trek." Hoe ook opgevat, de slag was zwaar voor
Wouter\'s eigenliefde. Hy was dom, dommer, allerdomst, de domste
van allen. Leentje zelf had het nu gezegd.
—  Maar de man zei toch. . .
—  Gut, Wouter, de menschen liegen zoo! Wist je dat niet?
—   Maar. . . hy gaf er z\'n woord op!
—  Wel zeker, dat doen z-n-altyd, in alle winkels. Maar toch liegen
ze. Weetje hoe je doen moet, Wouter. ..
Hoe jammer dat dit gesprek plaats had in \'n burgerlyke boven-
achterkamer! Waarlyk. de schildery mocht aanspraak maken op
beter lyst. Leentje\'s woorden hadden verdiend te weergalmen langs
onafzienbare tempelgewelven, of als bedwelmende wierook heente-
dringen door de spleten van \'n krypt, By de diepte van haar wys-
heid zou \'n ter-aarde gebogen priesterschaar niet misstaan hebben,
noch bebloede offersteenen, noch de bekende honderd ossen die
bezig zyn met overlyden aan ergernis over \'t ontsluieren van \'n
nieuwe waarheid. De geheimzinnige Isis zal de mond openen.
—  Maar hoe kan ik dan weten, of zoo\'n man de waarheid zegt
of niet!
—  Wel, jongen...
De honderd ossen blazen honderd laatste adems uit. De stomme
dieren wisten wat er volgen zou.
—   Wel jongen, je moet altyd zelf uit je oogen kyken. Al wat
de menschen je zeggen, is maar fut. zieje!
Wouter kende dit woord niet. Als meer uitdrukkingen die
tot \'n lager soort van spreekwys behooren, was \'t hem zeker meer-
malen in \'t oor gedrongen, doch altyd afgegleden op z\'n onnoozeb
heid. Hy had het nooit in z\'n boekjes gevonden, en wist nog niet
dat er zin kon liggen in termen die niet waren geeikt tot school-
gebruik. Voor weinige dagen nog zoud-i in allen ernst aan Leentje
gevraagd hebben onder welke klasse van rededeelen \'t gebezigde
woord moest worden gerangschikt r Doch \'n toeval bewaarde hem
ditmaal voor zooveel nuchterheid. Er lag in Leentje\'s toon iets be-
paalds, iets uitgemaakts, iets dat geen verder redeneeren, en althans
geen tegenspraak of twyfel toeliet, en deze toon herinnerde hem
aan \'n stembuiging, aan \'n toonval, aan \'n melodie...
-ocr page 290-
270                                                  MULTATULI.
Neen, \'n melodie was \'t niet! Waar toch had-i — en onlangs
nog — iets gehoord, dat. . . dat.. .
Iets dat ook Leentje zou hebben kunnen verkondigen. Iets waarop
haar maxime als \'t ware \'n weerslag was. . .
Hy was er! Iets dergelyks immers had ook mevrouw Holsma
gezegd. Hy herinnerde zich haar: »wel zeker, ieder moet handelen
naar z\'n overtuiging!" en op den klank af, begreep hy Leentje\'s
apodiktische uitspraak, zonder zich verder te bekommeren over den
rang dien \'t woord »fut" bekleedt in de nederduitsche taal.
»Zelf uit de oogen zien!" En »ieder moet handelen naar z\'n eigen
overtuiging." Hy dus ook. Hy, de kleine Woutertje Pieterse! Welnu
dan...
Ach, z\'n nieuwe wysheid haalde hem dien dag \'n verdrietig geval
op den hals. \'t Was diep in \'t voorjaar, en de aardappelen die in
ons landjen \'t hoofdbestanddeel uitmaken der voeding van armen
en burgerstand, begonnen den dienst optezeggen. Ze waren byna
zoo oneetbaar als de nieuwe die men aan koningen prezent geeft.
En Wouter nam de vryheid dit, of zoo-iets, te zeggen.
Groot rumoer in den huize Pieterse! Zooveel brutaligheid had
men nog nooit bygewoond. Ieder was met die aardappelen volko-
men tevreden, ieder behalve die ondeugende jongen, die op z\'n school...
—  Zeg jyzelf nu eens, Stoffel, of \'t geen schande-n-is! De aardap-
pelen zyn verleje-n-Oktober sopgedaan" en de man zei, ze konden
best twee jaar duren, want, zeid-i, \'t waren expresse winteraardap-
pelen, overblyvers . . .
—  Ja, moeder, riep Wouter, maar wat zoo\'n man zegt, is. . . fut l
—  Christenzielen, waar haalt-i de gemeenigheid vandaan! Moet
ik nu ook dat nog aan je beleven ? Maak dat je weg komt van
tafel, of ik zal je.. .neen, zeg ik je, eerst je bord leeg! Leeg, heele-
maal leeg! Denk je dat ik je wil zien opgroeien voor \'t schavot?
Ja, voor \'t schavot, zeg ik je !" Want het is zonde wat jy doet, \'n
ware zonde! Mag je brutaal wezen tegen je moeder, en.. . God
verachten? Want dat zeg ik maar, God heeft ze laten groeien. ..
die aardappelen! Weet je dat niet ? Wat geeft het dan, of je-n-al
aUerlei dingen weet van versies en sogrefie, en zoo-al ? Wat zeg jy,
Stoffel ?
Men moet erkennen dat onze kleine ridder van de waarheid niet
veel voldoening had van z\'n eerste heldenfeit. Toen-i zich later
beklaagde by Leentje, viel ook deze hem af, of althans niet onver-
deeld by.
—  Ja, zieje, Wouter, dit is nu zóó: de aardappelen,zieje,zyn...
-ocr page 291-
WOUTERTJE PIETERS E.                                  271
niel heel gced meer. En dat komt, omdat we... Mei hebben. Want,
zieje, in Mei zyn de aardappelen altyd zoo slecht Maar... je mag
daarom niet brutaal wezen tegen je moeder. Want zieje, \'n mensch
z\'n moeder... gut ik lust ze-n-ook fniet! Zoodat ik maar zeggen
wil, dat je moeder... altyd je moeder is. Weetje wat je doen moet ?
Vraag haar exkuus, en zeg dat je \'i nooit weer zal doen.
—  Maar, Leentje, als ik nu werkelyk die aardappelen zoo erg
slecht vind, en ze niet eten kan. En... ieder moet toch handelen
naar z\'n overtuiging, niet waar?
De laatste opmerking ging Leentje\'s sfeer te boven. Ze bleef er
by dat Wouter vergeving vragen moest. En dit deed hy, maar met
zwygend voorbehoud zich schadeloos te stellen, zoodra hy.. .
Wanneer ? Waar ? Hoe ?
Indien de oorzaak van z\'n ergernis zich bepaald had tot de slechte
hoedanigheid der aardappelen, zoud-i reden hebben gehad tot tevre-
denheid. Kort na z\'n vreeselyke schavotzonde kwam hem \'n bondge-
noot te-hulp, die den vyand uit het veld sloeg. By \'t behandelen
van een der jonge-juffrouwen — in den burgerstand zyn altyd \'n
paar huisgenooten ziek — had dokter Holsma gevraagd welk voedsel
er doorgaande gebruikt werd, en by deze gelegenheid het byna uit-
sluitend gebruik van aardappelen, vooral in dit jaargety, verboden.
Toen de man over dit onderwerp begon, was Wouter angstig dat z\'n
moeder haar denkbeelden, die hy meende te kennen, lucht geven
zou op \'n wys die niet paste by Holsma\'s toon en eenvoudige waar-
digheid. Maar hoe groot was z\'n verbazing, toen-i z\'n moeder op-
eenmaal welsprekend hoorde worden in geheel andere richting dan
onlangs toen hy zich beklaagd had óver dezelfde zaak.
—  Juist, dokter, zei ze. Ik zeg ook dat het geen behoorlyk eten
is. En de kinderen ook. En Wouter ook. \'t Kind kan ze niet
eten, die glazige dingen! En als \'t nu uit zuinigheid was, dan zou
ik zeggen: wat God doet, is wèl gedaan, niet waar, dokter! Maar
zóó deun hoeven we \'t goddank niet ie overleggen, en ik zeg ook:
liever goeie boonen dan aardappels die geen mensch eten kan.
Daar heb je nu m\'n oudste dochter — Trui heet ze, maar we
noemen d\'r Sertrude — zy heeft óók gezegd: niet waar, Trui ?
—  Ja, moeder.
Holsma verdiepte zich niet in de nasporing van wat Sertrude
zou gezegd hebben. Hy zei dat Wouter aanstaanden zondag by
z\'n kinderen verwacht werd, en verzekerde juffrouw Pieterse dat
aardappelen in \'t late voorjaar niet veel beter waren dan varkens-
kost. Deze waarheid, die Wouter niet aan den man brengen kon,
werd nu gunstig ontvangen niet alleen, maar zelfs onder toejuiching
-ocr page 292-
MÜLTAIULI
272
ingehaald als \'n oude bekende dien men byzonder genegen was.
\'t Spreekt vanzelf dat Wouter niets van dien ommekeer begreep.
En zie, juist dienzelfden dag geschiedde er iets van geheel anderen
aard, dat de gelyksoortige strekking scheen te hebben hem wan-
trouwen inteboezemen op z\'n doorzicht. Juffrouw Laps werd ver-
wacht. Hy had haar niet weergezien sedert z\'n. . . zonderling
bezoek, en wist dat ook z\'n huisgenooten nog niet in de gelegen-
heid waren geweest, van haar kant iets te vernemen omtrent de
wyze waarop hy zich ten-harent gedragen had. Meer dan gewoon-
lyk zag hy tegen haar komst op. Hy wist wel dat eens-vooral élke
omstandigheid tekst leveren kon tot drukke vermaningen, en zou
dus bevreesd geweest zyn, ook al had z\'n afgelegd examen — of
wat daarvoor heette doortegaan — \'11 normaal verloop genomen.
Maar nu ?
Wat er eigenlyk geschied was, wist-i niet. Of liever, hy wist niet
waaróm er niets geschied was, en waaróm hy op zoo vreemde ma-
nier \'t mensch verlaten had ? Zeker was het dat er iets haperde,
en dat iets» zou wel op zyn rekening worden gezet. Bovendien,
hy had z\'n moeder in den waan gelaten dat hy zich onder de lei-
ding van de oefenaarster had beziggehouden met genade, Israël,
erfzonde en verwante rubrieken. Hoe nu, indien zy aan \'t licht
bracht dat er over al die schoone vakken geen woord gewisseld
was, en dat Wouter\'s kwikzilverachtigheid daarvan de schuld droeg ?
De kans op ontdekking was des te grooter omdat de zeer ongun-
stige stemming omtrent de oefenaarster, waarvan Moeder en Stoffel
op den bewusten zondag blyk gaven, juffrouw Laps waarschynlyk
zou aanhitsen tot wrevelige klacht. Hy zocht \'n middel om \'t huis
te verlaten, en was juist gereed met \'n voorwendsel, toen er ge-
scheld werd:
—   Daar is ze, riep Petro die \'t spionnetjen in \'t oog had. Daar
is ze-n-al. Ze heeft \'r zwart merinossen japon aan, en drie koren-
bloemen op \'r hoed. Toe, Wouter, je moet toch uit, doe jy maar
\'ns open, als \'n jongen!
Hm, dit had-i liever niet gedaan! Op zoo\'n wys hielp \'t uitgaan
niet veel. Maar hy gehoorzaamde, als altyd. En zie:
Tweede verwondering. — Zoo, lieve jongen, ben je daar om me
de deur te openen ! Nu, dat is heel zoet van je.. . ik heb altyd
gezegd dat je zoo\'n best kind bent!
En ze gaf hem \'n tikje op den wang, Wouter kleurde. Verlegen-
heid en verbazing streden om den voorrang. Hy wilde langs de
vriendelyke bezoekster naar-buiten sluipen, maar ze liet het niet toe.
—   Wat ? AVou je uitgaan nu ik kom ? Dat\'s niet mooi van
-ocr page 293-
WOUTERTJE PIETERS E.                              273
je! Komaan, die boodschap zal zoo\'n haast niet hebben. Ik blyf
niet lang. Wacht maar even, dan kunnen we straks samen gaan.
Hoe meer zielen hoe meer vreugd, weetje. Dat zeg ik maar.
En ze biologeerde Wouter den trap op, zoodat-i heel bedeesd met
haar weer de kamer binnentrad.
Derde en vierde verwondering. De heele familie Pieterse ont-
ving de bezoekster, alsof ze zich nooit had schuldig gemaakt aan
bybel-verwaandheid. Geen spoor van verstoordheid over de bespot-
telyke vordering: »dat zoo\'n kind alles weten zou!"
Als Wouter latyn te verliezen gehad had...
—   Ga zitten, mensch, en neem je gemak. Mine-tje, leg jy nu
eens de juffrouw \'r hoed op \'t kammenet.. .korenbloemen, ja, net
als Petro gezegd heeft. Want Petro heeft je gezien, weetje, in \'t
spionnetje, en ze zei... nou, dat \'s tot daaraan toe. En Sertrude
zal de koffi zetten, niet omdat we-n anders op dit uur koffi drinken,
och neen, maar \'t is gezellig. En hoe gaat het ? We hebben je-n-in
lang niet gezien. Onze Mine heeft \'t weer erg in den rug, en
Louweris sukkelt aan de fyt... we hebben er koekdeeg op. Maar
\'t wil niet dóórgaan. Anders... koekdeeg is \'t beste. Voor de fyt
niets beter as koekdeeg. Van snyen houd ik niet, en Louweris ook
niet. We hebben zoo\'n goeien dokter... niet omdat i zweeren
snydt — gut né, want-i is dokter, weetje, en geen suresyn — \'t is
maar om te zeggen dat we zoo\'n goeien dokter hebben. En hoe
gaat het uwe!
De lezer zal zich wel nagenoeg kunnen voorstellen wat er op al
die praatjes werd geantwoord, mits-i zich \'n ander punt van uit-
gang kieze, dan de zoo-even door Wouter ondervonden vriendelyk-
heid op den trap. Juffrouw Laps had verschot van uitdrukking op
haar gelaat, en \'t viel Wouter niet gemakkelyk zich te herinneren
dat zy dezelfde persoon was, die hem by \'t binnenkomen zoo vrien-
delyk bejegende. Na de verbazing over den toon die z\'n moeder
aansloeg, was dit dan ook de oorzaak zyner:
Vyfde verwondering. — En waarom ga je nu niet de deur uit?
vroeg hem z\'n moeder. Ik kan je niet zeggen, m\'n goeie juffrouw
Laps, wat \'n last ik van dien jongen heb! Zooeven woud-i assu-
luut \'n booschap doen — hy moest \'n potlood koopen, weetje, om
\'n landkaart te teekenen — want in landkaarten is-i knap, en als
\'n land niet deugt, veegt-i \'t uit met gommelistiek — en-i zei dat
het moest, en dat het niet wachten kon, zeid-i. En ik geef \'m \'n
stuiver, en-i gaat, en... daar zit-i nu weer! Dat\'s geen manier
van doen. Wat zegt uwe, juffrouw Laps?
—  Wat ik zeg ? God-bewaarme, hoop ik, dat ik me moeien zou
18
-ocr page 294-
374                                            MULTATULI
met \'n andermans zaken, juffrouw Pieterse. Dat\'s m\'n zinnigheid
en m\'n manier niet. Maar als je me vraagt, dan zeg ik...
—  Maar, moeder, ik wil wel uitgaan! Ik wou juist uitgaan,
toen.. .
—   Zwyg, brutaal kind! Nu zal je niet uit. Nu zeg ik je dat
je dddr, daar in \'t hoekje, zal blyven zitten zoolang ik \'t verkies.
Ik kan die koppigheid niet verdragen. Trui, geef de andere suiker-
pot. . . er is \'n barsie in. Neem \'n boek, Wouter, en zit me niet
zoo de woorden uit den mond te kyken. Want, juffrouw Laps, dat
doet-i altyd. Wat moet ik er in gods-heeren naam aan doen ?
—  \'t Zit \'m alleen in de kerk, juffrouw, en in de dominees.
—  In de dominees ?
—  Ja, juffrouw Pieterse! Wat ik je zeg! In de dominees en in
de kerk. Wat hoor je daar? Wereldsche praat, \'t Ware geloof gaat
te-gronde met hun grieks en latyns en geleerdhedens! Denk je dat
zoo\'n kind wat goeds leert in de kerk? Gekheid! Och ja, zoo dom
was ik ook, toen ik de genade nog niet had — met pinkster wordt
het zeven jaar — maar jawel! Prulwerk is \'t, niets dan prulwerk!
\'t Heele woord «dominee" komt in de Schrift niet voor. En »preek\'\'
ook niet. Wel lezen we dat de vrouwen nederzaten aan Jezus\'
voeten. Dat \'s \'t ware, zieje.
Natuurlykerwyze begreep juffrouw Pieterse \'t verband niet, tus-
schen de klachten over Wouter, en dezen onverwachten aanval op
de officieele kerk. Met de inschikkelykheid die in zulke gevallen
\'t kenmerk is van verdraaide gemoederen, sloeg ze geen acht op
\'t ontbreken van \'n paar schakels in de redeneering, en begon
meetespreken over de onderwerpen die juffrouw Laps ter-tafel
bracht. Wel was ze niet op de ware hoogte van de zaak, maar
zóó nauwkeurig kwam \'t er niet op aan. Logische geleidelykheid
is geen suikerpot of jurk, waarin men \'t minste scheurtjen opmerkt
en betreurt.
—  Ja, de dominees! Je hebt wel gelyk, juffrouw. Wil ik je-n-eens
zeggen wat de zaak is ? \'n Dominee is net \'n mensch als \'n ander.
Daar heb je nu, by v. die man hier achter ons op de gracht... hoe
heet-i ook, Sertrude!
Trui noemde een naam.
—  Neen, dien meen ik niet. Ik bedoel.. .och, \'t is \'n naam
die. . . hy heet... help me toch, Trui ? In de Lange- Niesel woont
\'n man die byna ook zoo heet, maar toch anders, heelemaal anders...
—  De naam doet er niks toe, zei juffrouw Laps. Ik heb er niet
tegen dat het kind naar de kerk gaat, in \'t minst niet! Al zingen
ze daar telkens gezangen die door menschen gemaakt zyn...
-ocr page 295-
WOUTERTJE PI ETER SE                              275
De lezer weet, hoop ik, dat de psalmen \'n heel andere afkomst
hebben ?
.. . toch is \'t beter dat-i d&dr zit, dan dat-i zich thuis verveelt,
of rondloopt voor niemendal. Maar je moet niet denken dat het
preeken en bidden van de dominees aan den waren grond raakt,
gut né! De gemeente moet zich oefenen. .. met mekaar, zieje! Dat
is het! Ik heb verleje zondag duidelyk aan \'t kind gemerkt dat
jelui dit schandeloos verzuimt. Wouter staat niet vast in de genade!
In \'t geheel niet, volstrekt niet! \'t Kind dobbert tusschen de vleesch-
potten van Egypten en den tabernakel des Heeren.
Hier volgde een beschryving van Wouter\'s gemoed, die juffrouw
Pieterse angstig maakte, en den betrokkene zeer verdrietig. Hy had
den moed niet, juffrouw Laps voor krankzinnig te houden — wat
ze dan ook niet was — en moest dus wanhopen aan z\'n eigen
verstand. Hoe toch kon zy uit het voorgevallene by z\'n bezoek, al
die gevolgtrekkingen halen? Er was immers geen tyd geweest voor
\'n theologisch woord. Hy had niets gedaan dan hard wegloopen.
En in-plaats van \'n berisping ddarover, vernam hy eindelooze op-
merkingen over meeningen die hy niet geuit had, en over dwalingen
die hy niet kende. Hy begon op wat toelichting te hopen toen
z\'n moeder vraagde: uit welk boekje de juffrouw hem dan »over-
hoord" had?
—  Want, zieje, \'n ieder leert uit z\'n eigen boek. En als je dan
op-eens uit \'n ander boek gaat vragen...
—  Ik vraag nooit uit \'n boek, riep juffrouw Laps, met \'n waar-
digheid die haar prachtig stond. Boeken zyn maar menschenwerk !
Neen, dddrin zit het hem niet!
—  Maar, juffrouw, zei Wouter met z\'n gewone bedeesdheid, u
heeft me niets gevraagd !
—  Ik heb je niets gevraagd, zegje ? Juist, zoo is het! Ik heb je
niets gevraagd ? Dit moet ik nu hooren tot nvn dank! Je ziet nu
zelf, juffrouw Pieterse, dat het kerkgaan niet helpt. Zou anders \'t
kind, na alles wat er gebeurd is, nog zeggen dat ik hem niets ge-
vraagd heb? Waar moet het naar toe, ik vraag je om Kristis\' wil
waar \'t naar toe moet ? Zóó verzet zich de mensch, en weet niet
wat tot z\'n eeuwigen vrede dient. De Heer kan toch niet telkens
om den wil der verstoktheid van \'n enkelen zondaar, landplagen
zenden, dat begryp je-n-immers ook wel ? Moest ik je wat vragen,
jongen? Of moest jyzelf je zondig hart opdragen aan den Heer,
tot verbryzeling en reiniging en zaligmaking, hè ? Gut, juffrouw
Pieterse-n-als je-n-eens wist hoe weinig uitverkorenen er zyn I Daar
heb je nu, byv. Wouter. Geroepen was-i, o ja... maar dat\'s \'t
-ocr page 296-
276                                           MULTATULI
ware niet. Meen je dat-i komt ? Dat-i uitverkoren is meen ik ? Ik
zeg: neen! Niet.. . zie, zooveel!
En ze knipte met de vingers.
—  Maar. .. wat moet ik dan met het kind doen, juffrouw Laps?
—  Stuur • \'m gerust \'ns by me... al was \'t van avond nog.
Wouter rilde. Maar gelukkig drong z\'n moeder dien dag niet op
de herhaling van \'t bezoek aan. Integendeel, na \'t vertrek der
oefenaarster, gaf de heele familie blyk van eenig gezond verstand
door de eenstemmige verklaring dat men toch eigenlyk uit haar
praatjes niet recht kon wys worden.
Dit troostte Wouter, die nog veel meer redenen dan de anderen
had om haar niet te begrypen. In z\'n onnoozelheid meende hy
slechts de keus te hebben, haar voor waanzinnig te houden,
of. . .zichzelf!
-ocr page 297-
Wouter\'s intrede in \'n brok van de werkelyke wereld. Taalkundigheid van den
auteur, blykbaar in \'t vinden van den oorsprong van \'t woord
hypotheek, dat
geboren is op den Zeedyk te Amsterdam. Zaken ! Gods vinger in \'u leesbibliotheek,
naast snuif en tabak.
iln eene gevestigde handelszaak ivordt gevraagd een jongeling
(P. G.) van deftige familie. Vereischten zyn: eerlykheid, goedzede-
lyk gedrag^ en niet beneden de vyftien jaren. By lust tot iverken
bestaat er vooruitzicht op salaris. Op \'n fatsoenlyke behandeling
kan men staat-maken. Reflccteerenden 7vorden verzocht zich met ge-
frankeerde en eigenhandig geschreven brieven onder \'t motto:
» Handel" aantcmelden by den boek- plaat- en kunsthandelaar E.
Maaskamp. Nieuwendyk by den Dam te Amsterdam^ waar te
verkrygen is . .
."
Welk kunstprodukt er in die dagen by Maaskamp van de pers
kwam, weet ik niet meer. Misschien iets van den aard der prenten
die Wouter kleurde. Bejaarde lezers zullen zich de hier bedoelde
firma herinneren, en de jongeren kunnen haar gebruiken als ver-
klaring van zekere uitdrukking die burgerrecht verkreeg in \'t whistpel.
\'t Was \'n bonte winkel. Ddar zyn de hollands-fransche modeplaten
verschenen, waarnaar zich de tincroyables" en vmerveilleuses"
kleedden... niet precies om te voldoen aan de proklamatie der
Amsterdamsche Regeering van 13 Juni 1795, die: »bevallige looy"
voorschreef >bestuurd door nette eenvoudigheid" {Zie hierover
Idee
514).
De lezer vergeve my deze chronologische vingerwyzing, waaraan
ik hier bedachtelyk plaats geef om hem zooveel mogelyk in de war
-ocr page 298-
278                                            MULTATULI
te brengen. Ik wil namelyk by \'t schetsen van Wouter\'s ontwikke-
ling niet gehouden zyn aan tydrekenkundige stiptheid, en wel: 1 °
gemakshalve. 20 Om wadr te kunnnen blyven in hoofdzaken.
Ik weet zeer goed dat het »P. G." waarop met zoo aandoenlyke
geloofsvastheid gelet wordt by \'t kiezen van keukenmeiden, bood-
schaploopers en leerjongetjes, van later wording is dan de bloei der
Maaskampsche prentenkermis. Doch juist deze verwarring heb ik
noodig om my eens-vooral ontslagen te rekenen van tydrekenkun-
dige stiptheid. Juistheden van de hier verwaarloosde soort kunnen
van hoog belang zyn by geschiedschryvers die hun leven ten-pand
geven voor \'t korrekt aanhalen van \'n diploom. Psychologische
kunstwaarheid heeft andere eischen.
Wanneer \'t me, om Wouter te teekenen, gelegen kwam de repu-
bliek na Lodevvyk, of Willem I vóór de republiek te zetten, zou
ik \'t zonder gewetensbezwaar doen. Het ziekteverloop van onze
Staatsgeschiedenis, na den bouw der huizen langs Heeren- en Kei-
zersgracht te Amsterdam, zal men misschien kunnen waarnemen
uit werken van andere soort dan ik nu schryf. Of men \'t ooit
waargenomen heeft, is de vraag. Zoo ook zyn er maar weinigen
die thans de beteekenis van \'t Willemspark in den Haag begrypen,
tenzy men zich op den weg late brengen door de treurig-ware pa-
rabel van Lacrymax. (Idee 1078.)
Met schryvers-almacht verkies en dekreteer ik nu dat het be-
minnelyk »P. G." werkelyk voorkwam in de advertentie die de
aandacht van de familie Pieterse in zoo hooge mate opwekte.
Stond het er niet. .. .welnu, \'t had er moeten staan. Ik wil dit
nu zoo.
—• Ik zeg dat het niet mooier kan, zei de moeder. En wat zeg
jy, Stoffel?
—  Ja, moeder, \'t kan niet mooier.
—  Wat me zoo byzonder bevalt, is dat ze zoo aandringen op
goed gedrag.
—  Op goed zcdclyk gedrag, moeder!
—  Ja, goed zedelyk gedrag... hoor je wel, Wouter? Precies
wat ik je altyd gezegd heb. En... er is uitzicht op salaris. Hoe
vind je dat, Stoffel ?
—  Ja, moeder, maar.. . hy moet lust in werken hebben.
—  Daar moet je dan voor zorgen, Wouter! Lust in werken,
zieje. Heb ik je niet altyd precies \'tzelfde gezegd? En... ze
vragen: »P. G." Dat ben je, goddank!
—  Ja, moeder, dat is-i!
—  En, Stoffel, als jy nu eens den brief schreef? Wat dunkt je
daarvan ?
—  Maar... er staat: eigenhandig!
-ocr page 299-
-
WOUTERTJE PIETERS E.                             279
—  Wel zeker! Als jy nu eens \'n eigenhandigen brief schreef.
Dat is toch altyd beter, niet waar, dan dat zoo\'n kind het doet?
Stoffel slaagde niet zonder moeite in \'t begrypelyk maken dat
hier zeer in \'t byzonder de eigenhandigheid van Wouter zelf bedoeld
werd, en dat de zyne — hoe mooi ook — in dit geval niet baten
kon. Wouter werd dus aan \'t schryven gezet.
— • Maar... wat moet ik er boven zetten ?
—  Weet je dat weer niet? \'t Is heel eenvoudig! Je moet schry-
ven: Weledele Heeren f Er staat immers dat het \'n gevestigde
handelszaak is ?
—  Ja, zei de moeder. En zet er by dat je vader ook \'n zaak
heeft gehad, \'n zaak, zieje. We verkochten schoenen uit Parys.
Anders denken ze dat-i schoenmaker geweest is, en dat stddt niet.
—  En schryf dat je de-n-eerste bent op je school...
—  En dat je van de Protestantsche Godsdienst bent.. .
—  En van goed zedelyk gedrag...
—  En dat je zooveel lust in werken hebt. Zieje, dan geven ze
ie misschien terstond salaris.
Na eenige vruchtelooze pogingen op de lei, slaagde Wouter einde-
lyk in \'t voor-den-dag brengen van \'n staatsstuk dat aan alle
eischen voldeed, \'t Adres werd, na rype deliberatie: Aan de
Weledele Heeren, den heeren... motto:
»handel".
Maar... \'t frankeeren f Hoe te voldoen aan deze voorwaarde,
als de jonge handels-kandidaat den brief bezorgde in persoon ?
Stoffel had al z\'n wysheid noodig om te berekenen dat de Weledele
Heeren... motto: handel, in dit byzonder geval wel iets door de
vingers zouden zien. »Maar, zeid-i, zeg \'t er dan by, als je m\'nheer
Maaskamp te zien krygt."
Met \'n bezwaard hart toog Wouter op-weg. Hy verbeeldde zich
dat alle voorbygangers \'t hem aanzagen dat-i nu eindelyk de
wezenlyke wereld intrad, en bezig-was den »handel" te bestormen.
De geringe dunk dien hy van zichzelf had drukte hem neder. Hy
vond er iets onbescheidens in, zich aantemelden by Weledele Heeren
die \'n «gevestigde zaak" hadden. Zóó stond er in de advertentie en
\'t zou dus wel waar wezen.
By ieder manspersoon dien hy ontmoette, en die eenige deftig-
heid in kleeding en voorkomen ten-toon spreidde, vroeg hy zich af:
zou nu ook die man een gevestigde zaak hebben ? En \'t was al-
weer karakteristiek, dat-i verzuimde naar \'n antwoord te zoeken
op de vraag: wat zoo\'n «gevestigde zaak" dan toch eigenlyk voor
\'n ding was ? En wat men te verstaan had onder: niet-gevestigde
zaken ?
-ocr page 300-
280
MULTATULI.
Nu, dit zoud-i spoedig genoeg te weten komen.
Stamelend vroeg hy aan \'n bediende in den winkel verschooning
dat de brief niet gefrankeerd was. Deze begreep hem niet, en smeet
onachtzaam Wouter\'s dokument in \'n bakje waarin reeds \'n paar
dozyn stukken van gelyken aard op \'t goedgunstig welmeenen van
de Weledele Heeren Motto, Handel & Cie lagen te wachten. Met
verdere praatjes liet zich de man uit den prentenwinkel niet in,
daar-i \'t juist byzonder druk had met \'t debiteeren van hoogkleu-
rige Turkengevechten. De arme Wouter watertandde naar zoo\'n
bonte schets van Grieksche dapperheid. Maar wat baatte dit ? Geld
om er een te koopen, had-i niet. En bovendien hy was op weg
naar „handel" en niet naar heldendaden.
—  Later, later ! dacht-i.
Thuis-komende werd hy op de gewone wys over een-of-ander
berispt. Z\'n moeder beweerde dat-i zeker niet fatsoenlyk genoeg den
prentenwinkel was binnengetreden. Anders toch zou die bediende
hem wel vriendelyker hebben te-woord gestaan. Ze vreesde dat dit
\'n slechte noot zou kunnen geven by de beoordeeling van z\'n goed
zedelyk gedrag waarop de Weledele Heeren Motto, Handel & Cie.
blykens hun advertentie, zoo byzonder gesteld waren.
—  En zeg je, er lagen al zoo veel brieven\' aan dat adres ? Gut,
Stoffel, als-i maar niet te laat komt ? Wat hoeven nu al die men-
schen zich terstond zoo haastig aantemelden, na zoo\'n advertentie ?
Ieder wil haantje-de-voorste wezen. God weet of er geen roomsche
ook op\' geschreven hebben, en of ze wel eens gelet hebben op \'t
zedelyke gedrag. Want dit zeg ik maar, zoo zyn de menschen!
Er werd besloten dat Wouter nogeens naar Maaskamp gaan zou,
en \'t adres vragen van de firma. Dan kon hy zich rechtstreeks
aanmelden, en al de anderen die nu »haantjede-voorste speelden"
zouden achter \'t net visschen. Die onbescheiden haast was onver-
dragelyk, want het was immers de vraag of ze wel behoorlyk pro-
testantsch waren, en de voorgeschreven lust in werken hadden i
Juffrouw Pieterse was bereid haar neus te-pand te geven op de
zekerheid, dat er onder al die andere kandidaten geen enkele zich
zou kunnen beroepen op \'t vooruitzicht dat z\'n vader schoenen ver-
kocht die uit Parys kwamen.
—   Dat kun je gerust aan die heeren zeggen, jongen! Je vader
deed geen steek. Hy kón \'t zelfs niet! \'t Is maar, zieje, om te be-
wyzen, dat we-n-ook \'n zaak hadden, \'n effektieve zaak! Gut, de
man nam nooit \'n eist in z\'n hand. Is \'t waar of niet, Stoffel ?
-ocr page 301-
WOUTERTJE PIETERSE.                                  281
De Weledele Heeren Motto, Handel & C«e woonden. .. ik weet
niet waar ze woonden, maar ze hadden \'n tabaks- en sigarenwin-
keltje, gekombineerd met \'n leesbibliotheek, gesticht op den Zeedyk,
niet zeer ver van de plek waarschynlyk, waar zes, acht eeuwen
vroeger de »grootste koopstad van Europa" werd opgezet door \'n
paar visscherlui. Van paralel tusschen \'t succes dezer beide onder-
nemingen is nu geen spraak.
Wouter vond een van de Weledele Heeren kompagnons, in hemds-
mouwen achter de toonbank staan. De man was bezig met het af-
wegen van \'n paar lood snuif, waarop \'n oud moedertje stond te
wachten. Er werd dus wel inderdaad handel gedreven in dat huis,
en de heeren aanvragers hadden de waarheid niet te kort gedaan
toen ze beweerden aan \'t hoofd te staan van \'n «gevestigde zaak."
Indien Wouter zich met eenig oordeel des onderscheids illuzien
gemaakt had over de beteekenis van \'t woord: »handel" zoud-i by
deze gelegenheid zich zeer teleurgesteld gevoeld hebben. Maar dit
had-i niet gedaan en wel verre van de meening dat die
snuifman zich wat hoog betiteld had, verweet hy met de eigenaar-
dige weekheid van z\'n gemoed zichzelf dat-i de ware beteekenis van
\'t woord «handel" niet vroeger had begrepen. Nu wist-i \'t! »Han-
del" beteekent zooveel als in hemdsmouwen achter \'n toonbank
snuif te wegen. En... op den Zeedyk nogal!
Ik ben doordrongen van den voorgeschreven eerbied voor de beide
visschers — laat ons voor de gezelligheid hopen dat ze van tweeërlei
geslacht waren ! — die, zonder te weten wat ze deden, Amsterdam
«stichtten." Maar ook aan m\'n lezers heb ik verplichtingen, en om
hunnentwil moet ik de treurige erkentenis afleggen dat het bedoeld
visscherspaar, evenmin als de Weledele Heeren Motto, Handel &
Cie, \'n zeer fatsoenlyke buurt kozen voor de uitoefening van hun
bedryf. By stedenstichters is dit \'n allergewoonste, maar toch onver-
klaarbare, fout. We mogen dan ook aannemen dat die visschers, als
ze hun belangryke onderneming eenige eeuwen later hadden aange-
vangen, hun eerste hut zouden gebouwd hebben op de Keizersgracht,
om \'n deftige afkomst te bezorgen aan de patriciërs die eenmaal de
wel wat al te onbescheiden goedheid zouden hebben hun nazaten
te worden.
Ook de heeren Motto, Handel & Cie hadden wel iets meer acht
mogen slaan op de keuze van \'t plekje waaruit de adel van hun
nageslacht zou voortspruiten. Verwaarloosden ze dit uit nederigheid!
Dé tabaks- en sigarenwinkel nam slechts de halve breedte van
\'t huis in, en stond door \'n zydeur in gemeenschap met \'n lees-
bibliotheek die \'t vloerlokaal van de andere helft vulde. Boven de
winkelraampjes, rechts en links van den ingang, besloegen twee
lankwerpige borden de geheele breedte van \'t perceel, en gaven door
overeenstemming van kleur, maaksel, symmetrische plaatsing, en
-ocr page 302-
282                                            MULTATULI.
lettersoort der opschriften, duidelyk te kennen dat ze, als de Mensch
volgens den bybel, bogen konden op eenheid van oorsprong, \'t Moest
\'n byzonder domme voorbyganger wezen, die niet bemerkte dat de
szaak" van de Heeren Motto, Handel & Cie «gevestigd" was op
twee indtistrien te-gelyk. Wie niet rooken of snuiven wilde, kon zich
hier van lektuur voorzien en omgekeerd.
Op het bord boven de tabak- en snuif helft, werd verzekerd dat er
in die lokaliteit iets «gefabriceerd\'\' werd. De ordonnateur van \'t op-
schrift scheen dus in de meening te verkeeren dat in dit byzonder
geval het vervaardigen van eenig voorwerp, of wel het toebereiden
en smakelyk maken daarvan, hooger stond in maatschappelyken rang,
dan \'t verkoopen. Juist andersom dus dan we \'t genoegen hadden
waartenemen by de schoenentrafiek van de Pietersens. De geleerden
zyn \'t nog niet eens aan welken kant het grofst gedwaald werd.
Eén ding is zeker: wie \'t eene nalaat uit tegenzin, luiheid ofonbe-
kwaamheid, en \'t andere versmaadt uit welbegrepen eerbied voor
z\'n karakter, staat hooger dan alle anderen. Uit de zoodanigen
namelyk kiest men by-voorkeur de voorgangers van de Volken die
nog niet geheel ontaard zyn.
Of \'t evenwel waar was dat er in de hier «gevestigde zaak"
inderdaad iets gemaakt werd ? Eigenlyk niet, wanneer we de papie-
ren zakjes uitzonderen, die geplakt zouden worden door den P. G.-
jongeling van allerbest zedelyk gedrag, die zoo\'n byzonderen lust
in werken hebben zou.
De handelswaar waarmee \'t winkeltje gestoffeerd was, bedroeg
ter-nauwernood de waarde van \'n jaar huur, en de booze wereld
van de Zecdyk durfde zelfs beweren dat de twee blauwporceleinen
vazen, waarop in ouwerwetsche krulletters de woorden: rappee en
zinking te lezen stonden, voor drie stuivers in de week waren ge-
leend van \'n uitdrager in de buurt. Kwaadwilligen beweerden dat
de man dagelyks kwam kyken of z\'n kostbare stukken nog wel
behoorlyk schildwacht hielden op de toonbank: i.ro ®i\\*nt
De winkel was zeer ondiep, en werd aan de achterzy begrensd
door \'n groen-saaien gordyn, die den binnentredenden kooper, mits-i
niet scherp zag, in den waan kon brengen dat er wat achter stak.
En, zeer stipt gesproken, was dit ook zoo. Er hing \'n verweerd
scheerspiegeltje in die alkoof, ter opvroolyking van den eenzamen
stoel — op dit oogenblik getooid met den jas van den Weledelen
heer Motto — en van \'t halfrond tafeltje dat tegen den wand
leunde, waarop \'n pomadepot aan \'n kam scheen te verwyten dat-i
op zyn jaren zich bespottelyk maakte door \'n mislukte poging tot
tandwisselen. De heer «patroon" Motto namelyk, hield zich in de
weinige oogenblikken die hy niet aan «handel" wydde, niet ongaarne
bezig met het verhoogen en verfynen van de hem door Natuur
verleende schoonheid, en was er in geslaagd rechts en links van
-ocr page 303-
WOUTERTJE PIETERS E.                              283
z\'n gelaat :n glimmende haarlok te ontwikkelen, waaraan-i veel
moeite en vet ten-koste lei, en die dan ook de bewondering opwekte
van al wat er vrouwelyks in den winkel kwam.
Dat overigens in dien winkel zelf \'n groote rol werd gespeeld
door leege sigarenkisten.. . zou niet begrepen worden door den
oudheidkundigen lezer, die Motto\'s lokken geen plaats geven kan
naast sigaren. De bloeityd namelyk van deze beide zaken staan
niet in synchronistisch verband, en juist om me te wapenen tegen
aanmerkingen op zulke fouten, voel ik me genoopt zoo onhebbelyk
baas te spelen over de geschiedkundige perioden van m\'ri verhaal.
In Wouter\'s jeugd was \'n sigaar nog altyd \'n zeldzaamheid, en ik
maak me dus hier schuldig aan \'n gelyksoortige verkrachting van
de waarheid, als Virgilius die Dido laat hofmaken aan Aeneas, en
als Florian die Zoroaster tot leermeester van Numa Pompilius
aanstelt.
—   Zoo, wou jy hier in den handel komen ? vroeg Motto, toen-i
\'t oude vrouwtje geëxpedieerd had »met \'n snuifjen uit den pot toe".
En wat ken je-n-al zoo wat? Lezen, schryven, rekenen, fransch...
hè ? En wat doen je ouwers ?
—  In... schoenen, m\'nheer, uit Parys. Maar fransch ken ik
niet. Rekenen wel.. den heelen Strabbe.
—  Zoo ? Ken jy rekenen ? Hoeveel is dan anderhalf pietje ?
Wouter stamelde dat-i \'t niet wist, en gaf dus blyk van dezelfde
domheid als ik in de meesten van m\'n lezers veronderstel, voor
zoover ze "t geluk hebben minder dan \'n halve eeuw oud te zyn.
—  Dat moet toch iemand weten die rekenen kan! Je weet dus
niet wat \'n pietje is ? En ken je-n-\'t verschil wel tusschen \'n zes f half
en \'n schelling? En tusschen daalders en acht-en-twintigen} Kyk...
De heer Motto trok de lade open, en scheen naar \'n »daalder"
te zoeken, doch om deze of gene oorzaak vergenoegde hy zich voor
deze keer met \'n »zest\'half". Hy stelde Wouter\'s handelskennis
op de proef, door, hem optedragen \'n »schelling" daarnaast te leg-
gen — in z\'n verbeelding — en zich dan met redenen bekleede
rekenschap te geven van \'t verschil. Dit alles moest men * in den
handel" precies weten en kennen, beweerde m\'nheer Motto.
Laat ons rechtvaardig zyn, en iemand die de waarheid zegt,
geen geloof weigeren omdat-i vette lokken draagt, en in z\'n hemds-
mouwen snuif verkoopt achter \'n toonbank. Het was zeer juist
gezien van den heer Motto, dat-i de kennis der geldsoorten onmis-
baar achtte voor iemand die »in den handel" gaat. De overleve-
ring luidt dat-i er grondbeginselig byvoegde:
—  Dat\'s \'t voornaamste!
-ocr page 304-
284                                          MULTATULI.
In Wouter\'s jeugd — en lang daarna nog — hadden wy in
Holland allerlei muntsoorten, waarvan de gemeene deeler soms zeer
ver te zoeken was. De gulden was verdeeld in twintig stuivers. De
hollandsche ryksdaalder bedroeg vyftig stuivers, de zeeuwsche twee
en vyftig. De sdaalder" was anderhalven gulden waard, en de
» goudgulden" werd: *acht-en-twintig" genoemd naar \'t getal stui-
vers dat zoo\'n stuk bedroeg. Van muntslag, randschrift en zelfs
van cirkel vormigen omtrek, was by de meeste stukken geen spoor
meer te vinden. Dat dit allergunstigst werkte op de industrie van
valschmunters, en vooral van muntsnoeiers, ligt voor de hand. En
die heeren hebben dan ook daarvan jaren lang \'n niet zeer be-
scheiden gebruik gemaakt. Bovendien was elke transaktie zeer ge-
vaarlyk by avend en onvoldoende verlichting.
Behalve de genoemde muntsoorten hadden we nog dricgulde-
stukken, dukatons
van drie-en-zestig stuivers, die in de wandeling
sryders" werden genoemd, en nog anderen die ik me niet duidelyk
herinner. Ten-bewyze hoe moeilyk \'t viel sommige geldsoorten van
anderen te onderscheiden, moge aangevoerd worden dat men ge-
noodzaakt is geweest, de z.g.n. acht-en-twintigen, behalve den ge-
wonen doch onkenbaar geworden muntslag, van \'n byzonder stempel
— poincon — te voorzien, wat dan ook de eenige manier was om
te voorkomen dat men ze uitgaf of aannam voor ^daalders". De
*piet/\'cs" — onderdeden van den zeeuwsehen ryksdaalder — waren
altyd krom gebogen, om ze van \'t kroost der hollandsche ryks
daalders te onderscheiden. Wie zich nooit vergiste in de waarde
van vyf stuiver stukken, zes f halven, en schellingen, van zes stuivers,
van kwart-zceuwcn en der tiend1 halven, was \'n soort van geleerde,
of ten-minste iemand die bogen kon op \'n zeer gezocht specialismus.
Het ras der ad hoc bekwame kassiersknechts zal nu wel uitgestorven
zyn. En.. . de aarde draait nog! Er wordt beweerd dat die speci-
aliteiten, verstoord over de onttrooning van hun onmisbaarheid,
geen standbeeld hebben opgericht voor den minister Van Hall.
Zou Bismarck misschien bevreesd zyn voor \'11 dergelyk gebrek
aan vereering, wanneer-i \'n eind maakte aan de improduktieve
nyverheid der geldwisselaars ?
—   En fransch versta je-n-ook al niet ? vroeg de heer Motto op
niet zeer bemoedigenden toon.
Helaas neen !
—   En zouden je ouders genegen zyn om borgstelling voor je te
storten ?
Wouter gat blyk dat-i deze vraag niet begreep.
— • Borgstelling, weetje? Er gaat veel om in m\'n zaak, en je
-ocr page 305-
WOUTERTJE PIETERS E.                                285
begrypt dat ik weten moet wien ik winkel en la toevertrouw.
En.. . versta je deensch ?
—  N.. .e.. .e.. .n, m\'nheer !
—   Zoo ! Deensch ook al niet ? \'t Is maar, weetje, omdat hier
soms wel \'reis deensche matrozen komen om \'n onssie tabak te
koopen. In \'n zaak als deze moet je-n-alle talen kennen.. . dat\'s
\'t voornaamste! Anders ben je fittu / Grieken heb ik hier ook al
gehad...
Wouter\'s gemoed sprong op. Hy had zoo gaarne willen vragen
welke heldendaden ze by zulke gelegenheden gewoon waren uitte-
richten ?
—  Ja, Grieken zelfs. Maar ze waren dronken, en wilde \'n pruim
negerhaar hebben voor niemendal. Daar doe-n-ik niet aan. Want
op de kleintjes passen is \'t voornaamste ! Anders ben \'ytfittu^ zieje ?
\'t Is maar om je te zeggen dat je-n-in den handel alle talen moet
kennen, om alle-man tewoord te staan. Dat\'s \'t voornaamste! Maar
dat\'s nou tot daaraan toe, als je ouwelui maar behoorlyk borg
kunnen stellen. Er is soms wel tien gulden in de 13,, weetje, en in
den handel moet \'n mensch z\'n zekerheid hebben. Dat\'s \'t voor-
naamste ! Anders ben je fittu, dat begryp je zelf wel.
—    M\'n vader is dood, zei Wouter, alsof deze byzonderheid de
borgstelling minder noodzakelyk maakte, maar eigenlyk omdat-i niet
wist wat-i zeggen moest, en toch \'ns eindelyk wat zeggen wilde.
—    Zoo ? Dood ? Ja, dat komt soms voor. Dood ? Heel goed!
Maar heb je dan geen moeder die voor je storten kan!
—  Ik.. .zal.. .\'t.. .\'r.. .vragen, stotterde Wouter.
—  Wel zeker! Ga jy \'r dat maar terstond vragen. Want zieje, in
den handel komen geen praatjes te-pas. Zóó gezegd, zóó gedaan,
dat\'s \'t voornaamste! Anders ben je fittu. Hier is nóg \'n winkel.
Daarin heb je ook te werken. . .als je moeder storten kan. Dat\'s\'t
voornaamste !
De Weledele Heer Motto geleide Woutertje in de leesbibliotheek.
Langs de drie wanden stonden eenige kasten met boeken die tot
aan de niet zeer hooge zoldering reikten. Overigens bevond zich in
dat lokaal niet veel anders dan \'n inslagtrapje dat dienen moest om
de wat hoog hangende vruchten der letterkunde te plukken, en \'n
dik boek waarin de protestantsche jongeling die lust in werken had,
de namen zou opschryven van de personen die zich aan dezen
hengstebron kwamen laven voor \'n dubbeltje per ingebonden teug
in de week. In Wouter\'s tyd namelyk, was de beschaving van deze
soort duurder dan tegenwoordig, en abonnement was uitzondering.
—  Zieje, zei de heer Motto, daar is \'t boek, of wat je zou kun-
nen noemen: \'t grootboek. Je verstaat toch \'t boekhouden wel?
-ocr page 306-
286                                             MULTATULI.
Wouter was genoodzaakt te erkennen dat ook dit alweer be-
hoorde onder de vele vakken die hy niet bestudeerd had.
—  Ook al niet, jongen? Dat\'s toch in den handel \'t voornaam-
ste! Want, zieje, wie dat niet kan, is fittu. \'t Is heel eenvoudig.
Je moet opschryven wie \'n boek haalt, met dag en datum er by,
en \'t huisnummer, en de straat, en alles. En als ze-n-\'t weerom
brengen, dan haal je-n-\'r n streep door. \'t Zou er mooi uitzien als
je dat niet deed! En als je de menschen niet kent, moet je.. .
—  Pand vragen ? riep Wouter snel, verheugd dat-i eens eindelyk
wat wist.
—  Ja, pand. Eén gulden voor elk deel van \'t heele werk. Want,
dit begryp je, als er één deel weg is, is \'t heele werk fittu. Van de
sigaren en de snuif zal ik je later alles precies uitleggen, maar ik
moet eerst weten of je moeder...ga \'t er maar \'ns gauw vragen!
Ik heb nu al zesmaal alles haarklein uitgelegd — want aan jon-
getjes die in \'n zaak willen, is waarachtig geen gebrek — maar als
\'t dan aankomt op Mozes en de profeten —de borgstelling, weetje!
— dan halen ze bakzeil. En dat\'s toch \'t voornaamste ! Zeg dit
aan je moeder. Anders... je ziet er nogal knapjes uit. . als ik maar
zeker weet dat je storten kan! Ajuus !
Wouter ging in zonderlinge stemming naar huis. Dat die man in
hemdsmouwen een niet by-uitstek bevoegd vertegenwoordiger van
den >handel" was, kwam niet in hem op. Hy-zelf had zich vergist
meende hy, in \'t weinigje begrip dat-i zich van dat woord vormde.
Toch zoud-i zeker \'n allerontmoedigendst relaas van wedervaren
hebben afgelegd, indien niet de leesbibliotheek hem had aangetrok-
ken. Wat al Gloriosoos konden daarin zyn! En misschien nog
schooner dingen!
Het aandringen op borgstelling werd door den daarop belegden
familieraad in-den-beginne niet zeer gunstig opgenomen. Maar toen
Stoffel verzekerde dat-i er meer van gehoord had, en dat het in den
»handel" gebruikelyk was, kwam men na eenig bieden en dingen
ten-laatste met de firma Motto, Handel & Cie overeen, dat er \'n
som van honderd gulden zou worden gestort, die \'n jaarlyksche
rente van drie-en-\'n-half procent zouden opbrengen. Héél aangenaam
vond juffrouw Pieterse deze transaktie niet. Ze was gewoon, door
edelmoedige bemiddeling van \'n makelaar, vier percent van haar
geldje te trekken. »Maar, zei ze, men moest wat over hebben voor
z\'n kinderen."
Het bevreemdde Stoffel, die met de onderhandelingen belast was,
dat-i van de firma nooit iets anders te zien kreeg dan de eerste
helft, of \'t eerste derde. Hy was zoo vry z\'n verwondering hierover
in gepaste bewoordingen te kennen te geven, en vernam nu dat het
staartjen: & Compagnie, tot de klasse der welluidende verzinselen
-ocr page 307-
WOUTERTJE PIETERS E.                              287
behoorde, en dat ook de heer Handel \'n voortbrengsel was van
Motto\'s ryke verbeeldingskracht. Als \'n Atlas droeg deze de dubbel
«gevestigde" zaak op z\'n reuzenschouders. Vanhier dan ook dat-i
in oogenblikken van meoschelyke zwakheid zich soms vermoeid
voelde, en gelegenheid zocht \'n deel van z\'n last op den nek te
wentelen van \'n protestantsch jongetje dat lust in werken had,en..
cautie stellen kon. Dit was \'t voornaamste... inderdaad!
Wel eenigszins ten-nadeele van z\'n tabaks- en snuifkennis,
omvatte Wouters gemoed het ander deel van z\'n werkkring
met \'n liefde, .och, als-i zooveel gesnoven of gerookt had, als ge-
lezen, zoud-i ziek geworden zyn! En.. . rechtstreeks gezond werkte
dan ook het verslinden van al die boeken niet! Met \'n waren
geeuwhonger slikte hy ryp en groen in — véél ryps was er niet by! —
en las hy al sneller en sneller. Hy begon zekere vaardigheid te
krygen in \'t voorzien van den loop der geschiedenissen die hy in-
handen kreeg, en was weldra beter vertrouwd met den burgerlyken
stand van helden en heldinnen, dan eigenlyk \'n auteur aangenaam
is. De bekwaamste faiseur kon geen tien bladzyden lang \'n von-
delingetje doodarm laten, zonder dat Wouter de sterren en ridder-
kruizen zag schitteren, waarmee \'t kind zou getooid worden op \'t
laatste blaadje. Deze scherpzinnigheid ging in \'t onbescheidene over.
Komiek echter was het dat hy ook alweer van dezen vooruitgang —
eenigszins betrekkelyk verdiende het dezen naam, want men kon \'t
als \'n stap hooger beschouwen — zichzelf geen rekenschap gaf.
Oppervlakkig beoordeeld, zou men meenen dat-i na zooveel welge-
lnkte oefening in juist-raden, die romanknoopjes beneden z\'n aan-
dacht gesteld had. Toch was dit het geval niet. Ondanks alle
ontwikkeling van z\'n begrip, bleef by hem de naïveteit van smaak
en opvatting ongeschonden. Al wist hy welke ridder straks onder
de hoede van \'t Meduza-schild des schryvers, overwinnaar wezen
zou in het tournooi, toch had hy \'t geduld zich langs de voorge-
schreven Jicelles te laten leiden tot op \'t oogenblik van den offici-
eelen triumf, en hy zou \'t zondig en deloyaal hebben gevonden,
één sekonde vóór den tyd Saksers en Normandiers toeteroepen :
Helpt eens kyken of niet de verzwakte Ivanhoe dien bluffer Brian
de Bois-Guilbert flink op den kop slaat!
En...en — och, ik durf \'t byna niet zeggen, doch waar is
het! — hem bezielde daarby \'n gevoel alsof hyzelf...
Ivanhoe was ?
Neen! Alsof hy, Woutertje, voor de godheid gespeeld had, die
den uitgeputten brave kracht gaf tot het verpletteren van den krygs-
haftigen booswicht. Met het wegloopen van Eachin Mac-Jan in
Valentins day, en den solieden moed van den nuchteren Sigismund
in the Muiden of the mist, is en was die ontknooping een der
-ocr page 308-
288                                            MULTATULI.
schoonste grepen van Walter Scott, en__van Wouter! Want hy
zou precies zóó gehandeld hebben, èn als auteur, èn als beschikker
over den uitslag van \'n godsoordeel!
En wat hy die arme Rebekka liefhad! En wat-i haar graag
stammoeder had gemaakt van alle engelsche ridders, van koning
Arthur af tot dien voorbarigen lord in Griekenland toe!
O, als //)\' \'t boek geschreven had, als hy de god ware geweest,
die door bemiddeling van almachtige schryvers, helden en boos-
wichten op hun respektieve plaatsen zet. .
Ja...als! Maar daar rinkelde dan op-eens de deurschel van de
snuifhelft, en er werden van den hoogmoedigen Wouter heel andere
dingen gevorderd, dan god-zyn. Er was tabak of snuif noodig.
\'t Eenige wat de omstandigheden hem in zulke oogenblikken
vergunden op \'t gebied van \'t goddelyke te leveren, was dat-i nau\\v-
keurig woog, en niemand \'n sigaar »van de tien"\' in-handen stopte
voor \'n dito »van de acht." En zelfs dit konscientie-werk trof
geen doel, want de heeren Motto, Handel & Cie hadden de handels-
gewoonten deze en andere rubrieken aangevuld te houden uit de
soort die eigenlyk »vap de twintig\'\' zou moeten heeten, als zy \'n
naam gedragen had. De heer Motto beweerde dat z\'n klanten
gewoonlyk dronken waren, en dat men ze in alle gerustheid kool-
bladeren kon te rooken geven. »Je moet altyd zien wien je voor
hebt, zeid-i, dat\'s \'t voornaamste!\'\'
Dit nu leerde Wouter, in de bedoelde beteekenis, nooit. Tien,
was hem tien, acht was achts onverschillig met wien hy te-doen
had, en wat daarbuiten ging bleef hem uit den onbegrypelyke. Van
liegen om rechtstreeks voordeel had-i geen begrip. Wel van onwaar-
heid uit verlegenheid of angst. Maar ook dan zelfs, indien men
hem op eenvoudige wys gevraagd had: »is \'t waar wat je daar
zegt ?" zoud-i hoogstwaarschynlyk byna altyd en toen-i moediger
werd: altyd — geantwoord hebben: neen, ik heb onwaarheid ge-
sproken !
Ik laat nu daar. in hoever deze logisch-moreele zin hem aangeboren
was. Zeker werd z\'n afkeer van onjuistheid — vreemd genoeg! —
gevoed door al die lektuur. Dit klinkt te zonderlinger, als men
in aanmerking neemt dat slechts "n zeer klein gedeelte daarvan tot
de soort behoorde van den aangehaalden Ivanhoe. Het lydt geen
twyfel dat Wouter z\'n tyd beter had kunnen besteden, of liever dat
dit het geval zou geweest zyn met byna ieder ander kind. Maar z\'n
natuurlyke inborst dreef hem — naast veel kinderachtigs, gelyk we
reeds zagen by-gelegenheid der kennismaking met Glorioso — om
voornamelyk behagen te scheppen in wat ik in Millioeuen-studi\'én
szedelyk rym" noemde. De als dapper geschilderde ridder
vocht tot-i overwinnaar of dood was. Alleen doodelyk gekwet-
sten gaven zich gevangen. Zóó behoort het, en Wouter
-ocr page 309-
WOUTERTJE PIETERS E.                              289
zou precies zoo gehandeld hebben. De allerschoonste schoone van
\'t stuk werd door ieder bemind, en afgewezenen stierven van wan-
hoop, of lieten zich aanwerven by \'n aan den dood gewyde kohorte.
Dat\'s korrekt! De deugdzamen bleven braaf, trots duivel en hel,
en zelfs in-weerwil van de verveling. Wie eenmaal door \'n schryver
benoemd was tot model, had geen smetjen op z\'n kleed, \'t Was de
vraag of zoo-iemand buikpyn of jicht hebben kon, en zéker is \'t,
dat-i in al die boeken nooit jicht of buikpyn had. Prachtig!
Met de gebrekkigheid die zulke produkten uit \'n oogpunt van
Kunst aankleeft, liet Wouter zich nog niet in. Hy wist niet, of
dacht er niet aan, dat de voorgestelde volmaaktheid, \'n verkeerde
voorstelling, en dat alzoo die volmaaktheid valsch was. Hem was
\'t voldoende dat ieder die in zoo"n roman werd opgevoerd, akkuraat
deed wat de schryver hem opdroeg. De booswichten deden niets
dan verraden. De helden sloegen alles dood. De boekschoone jonk-
vrouwen betooverden de halve wereld. En, ook God — Wouter\'s
god — vervulde in al die boeken z\'n plicht veel beter dan.. .byv.
op den Zcedyk, waar-i gister nog \'n kleinen jongen had zien mis-
handelen door \'n groote. \'t Moest eens in een boek gebeuren...
alle ridders zouden te-hoop geloopen zyn!
En ook Wouter had getracht.. .
Kon hy \'t helpen dat z\'n patroon hem op strengen toon terugriep ?
— Wat bliksem gaat dat jou aan ? Jy heb je zaken hier in den
winkel! Pas dadrop! Nooit je-n-inlaten met\'n andermans krakeel...
dat\'s \'t voornaamste!
Ziedaar \'n wysheid van andere soort dan in z\'n boeken stond!
Hy las er niet minder vlytig om. In-den-beginne zou de geschied-
schryver van z\'n uit- en inspanning, by deelen geteld hebben. Zeer
kort daarna, by geheele werken, al waren ze zoo lang als de nooit
ten-eind gebrachte: Sophia\'s reize van Memel naar Saksen — och,
Wouter vond Sophia\'s oneindige reis veel te kort! — en eindelyk
by planken. By planken, ja, en juist zoud-i \'n begin maken met
de laatste, toen-i op zekeren morgen de deur van den winkel gesloten
en verzegeld vond. De Weledele heer Motto was als matroos naar
Amerika — \'t voornaamste zeker ! — en de ongelukkige eigenaar
van de beide snuifpotten had \'n verdrietig proces over de belang-
ryke rechtsvraag of de pagoden: rappee en zinking al dan niet
mochten verzwolgen worden in de »faillite massa."\'
Volgens Romeinsch Recht namelyk, en dit vooral behoort by
kwestien op den Zeedyk te Amsterdam geraadpleegd te worden...
Nu ja, de Romeinen snoven niet, en gaven dus geen voorschriften
over: rapé. Ik weet niet hoe de zaak werd uitgewezen.
We willen hopen dat ieder \'t zyne kreeg, tot de Romeinen toe.
19
-ocr page 310-
290                                                MULTATULI.
Juffrouw Pieterse, minder gelukkig, was haar honderd gulden kwyt.
en klaagde als vroeger: »dat er met dien jongen altyd wat was!\'\'
Alsof Wouter \'t helpen kon!
Maar hèm speet het zeer dat-i zoo zonderling gestoord werd in
z\'n lektuur. De geheimzinnige afkomst van den jongen roover lag
hem wel klaar voor oogen, maar... men wil in zoo\'n geval
gaarne weten of men juist geraden heeft. Om van myn kant
het bankroet van de Weledele Heeren Motto, Handel. & Cie, voor
den lezer zoo dragelyk te maken als maar eenigszins wezen kan,
wil ik hier wel verklappen dat Bulwer\'s Paul Clifford wel inder-
daad de zoon was van de stiefdochter zyner beminde... neen, dit
klopt niet. Iets van dien aard dan... of wat anders, als \'t maar
terdeeg spannend en onmogelyk is.
-ocr page 311-
Over zekere digcsti\'e-verschynselen, en de betrekkelyke bruikbaarheid van
slecht voedsel.
Na de vermelding van dat proces over de snuifpotten, ligt het in
den aard der zaak hier de herinnering te verlevendigen aan \'n
ander proces, dat misschien in zeer ouden tyd zou kunnen gevoerd
geweest zyn tusschen bodem en zaad. Daarby had de vraag kunnen
gesteld worden, wie van deze faktoren \'t meest bydraagt tot de
eigenschappen van plant en vrucht, en we mogen aannemen dat
alle rechters zich inkompetent zouden verklaard hebben. Eerstens
omdat de zaak zeer ingewikkeld is. En vervolgens, wyl ze had kunnen
dagteekenen van vóór den tyd der Romeinen. De lezer weet uit
de snuifpot-kwestie en andere bronnen, dat geen verstandig man
in de negentiende eeuw zich aanmatigt \'n denkbeeld te vormen van
Recht, voor-i wel en deugdelyk in oude boeken heeft nagelezen wat
de Romeinen er van zeiden. Hun chicane-auguren zyn nog altyd
in hooge achting, te-meer omdat ze — na Cicero\'s waarschuwing —
finaal afgeleerd hebben elkaar in \'t gezicht uittelachen wanneer ze
\'t genoegen hebben \'n kollega-rt«.r/<?.v of \'n konfrère-//tf/7/.f/te.v te
ontmoeten op den publieken weg. Wat ze binnen\'skamers doen,
staat aan hun bescheidenheid.
Hoe dit zy, misschien was eenmaal de stryd tusschen grond en
zaadkorrel, \'n question bnilante, waarmee onze overgrootouders
zich den slaap uit de oogen hielden. Zonder vvyzer te willen zyn
dan \'n Romein, of onvoorzichtiger dan die inkompetente rechters,
waag ik de gissing dat men by de pogingen ter oplossing niet uit-
sluitend letten moet, noch op de hoedanigheden van \'t gestrooide
zaad, noch op die van den bodem. Het komt me voor, dat ook —
en misschien vooral — de verhouding tusschen wederzydsche deug-
den en gebreken moet in aanmerking genomen worden.
-ocr page 312-
292                                                    MULTATULI.
Zéker is \'t, dat de in Wouter\'s gemoed uitgestrooide roman-
lektuur niet zóó nadeelig werkte, als met schyn van grond zou ge-
vreesd zyn door iemand die de hoedanigheid van dit zaad op-zich-
zelf beschouwd had. Ook de aanraking met dien Motto en \'s mans
zonderlinge klanten, had minder schadelyke gevolgen dan opper-
vlakkig beoordeeld, had kunnen verwacht worden.
Doordenkende over den invloed dien een-en-ander noodzakelyk
op Wouter\'s ontwikkeling maken moest, kom ik zelfs tot het besluit
— er hoort moed toe! — dat deze invloed inderdaad gunstig ge-
weest is.
Wouter\'s gemoed was zacht, tot het zwakke, weeke en ziekelyke
toe. De omstandigheden waarin hy door de onverantwoordelyke
slordigheid van z\'n verwanten geplaatst werd, moesten hem óf neer-
buigen en zedelyk vernietigen — en hierop scheen de kans het
grootst! — óf... buitengewoon versterken. Een middelweg bestond
hier niet. Ieder die — zonder nauwkeurige bestudeering der eigen-
aardigheden van \'t kind, maar overigens voldoend ingelicht —van
de zaak had kennis gedragen, zou \'t ergste gevreesd hebben, d. i.
het gewone.
De verregaande zachtheid die aanvankelyk Wouter\'s hoofdeigen-
schap uitmaakte, zoo ruw gewreven tegen een der onbehagelykste
staaltjes van werkelykheid die de buitenwereld leveren kon, dreigde
te bezvvyken. Het moest schynen of z\'n gevoel, na wat ziekelyk
en onvruchtbaar tegenspartelen, na wat gesukkel met miskende ge-
voeligheid, zou worden verstikt, en daarmee de kiem van het goede.
En dit zou dan ook \'t geval geweest zyn, wanneer-i alleen zacht
was geweest, niets dan zacht. Maar gelukkig bezat hy \'n andere
hoedanigheid die hem staande hield, en waarby de in de meeste
andere gevallen zoo ongezonde romanlektuur hem dapper tehulp
kwam. Wouter leefde maar voor \'n zeer klein deel met moeder,
broers en den Weledelen heer Motto! Z\'n ziel woonde elders, en
nam deel aan den stryd dien z\'n helden en heldinnen te voeren
hadden. Zelfs was-i daarby altyd voorganger, aanvoerder, maarschalk
en — alweer precies als in Afrika — koning. Meer nog, hy voelde
zich de verantwoordelyke persoon, de deus ex machine van rechts-
en plichtswege. By elk dreigend incident, by elke krisis, by elk ge-
vaar dat deugd en eer kon te-gronde richten, meende hy den
angstkreet te verstaan: waar blyft Wouter ?
De Weledele heer Motto zou zeker vreemd hebben opgezien, als-i
had kunnen weten welke vreemdsoortige mededingers hy had in het
beschikken over den dienstyver van z\'n leerjongetje. Hy was er de
man niet naar, om den hartigen toon van Wouter\'s antwoord op-
temerken, als deze door hem uit de eene winkel helft in de andere
werd geroepen. Dat haastig: »ik kom!" waarmee dan \'n zwygend
-ocr page 313-
WOUTERTJ E P I ETERS E.                               293
droomen van uren lang werd afgebroken, klonk veeleer als \'n
krygshaftig: i>ce sera moi, Nassau!" dan als blyk der gewilligheid
die elk „patroon" eischen kan van winkeljongetjes die lust in wer-
ken, en — onder borgstelling voor de geldld — \'n behoorlyk ge-
loof hebben.
Wouter\'s ziel liep op stelten, en plaste onbesmet door \'t vuil
waarin men zich veroorloofd had hem te werpen. Het scheen wel
of-i zich tot taak had gesteld z\'n reinheid ongeschonden te bewaren,
en zich te oefenen in kracht. Noch \'t een noch \'t ander was echter
het geval. Hy kende de gevaren niet waaraan-i was blootgesteld, en
had in deze eerste levensproef z\'n behoud alleen te danken aan...
smaak, die toch niet eens zuiver was. Hoe immers had het in hem
kunnen opkomen de beelden die z\'n droomen bevolkten, aftevallen
ter-wille van den Weledelen heer Motto en diens genooten ? Waarom
zoud-i spreekwys, toon, manieren en... gedrag van z\'n omgeving
hebben nagebootst, hy die zoo precies wist hoe \'n edele ridder zich
uitdrukt ? Hoe \'n vorst behoort te spreken en te handelen ? Wat er
omgaat in \'t gemoed der jonkvrouwen van koninklyken bloede?
En nu sprak ik nog niet eens van z\'n allerhoogmoedigsten gods-
plicht, van z\'n eigen zieleverwantschap, in vergelyking waarmede al
die ridders en vorsten en jonkvrouwen maar zeer gemeen volk waren!
O, die grappig verheven adeltrots! En zelfs wanneer men de aan-
duiding der oorzaken die hem behoedden voor vernedering, stern-
men wil op lager toon, dan nog zou hy — op de bewustheid na —
te vergelyken zyn geweest by den zwemmenden krygsman, die ge-
weer en kruithoorn opheft boven den waterspiegel, niet achtend wat
hem omklotst, alleen zorgend voor \'t ééne noodige, voor \'t behoud
van het goede.
Dat ons kind het goede voor-als-nog op \'n verkeerde plaats zocht,
doet hier niet ter-zake. Ik verdedig den maatstaf van z\'n streven
niet, ik tracht te verklaren hoe en waarom hy staande bleef.
Zeker, zeker, Wouter legde hooger aan dan noodig was om \'t
punt te bereiken waarop z\'n leven moest uitloopen! Maar geen keus
hebbende tusschen te hoog of te laag, was \'t voor hem \'n logische
noodzakelykheid zich tegen afdryven te waarborgen door de meening
dat men méér kon zyn dan goed, dat men edel moest wezen, en
verheven!
Reeds in Idee 509 heb ik dit \'n fout genoemd.
Gewis, \'t is \'n fout — en \'n zeldzame! — maar beter dan menige
soort van niet zeldzame wysheid, bewaarde zy onzen Wouter voor
wegzinken in \'t gemeene!
-ocr page 314-
MULTATULI.
294
Ik zal wel genoodzaakt wezen soms terugtekomen op eenige by-
zonderheden in de werking van zekere boeken op Wouter\'s gemoed.
Evenals dokter Holsma vroeg wat de familie gewoon was te eten,
toen-i geraadpleegd werd over de menigvuldige kwalen van Petrö,
heeft de lezer eenig recht op de kennis van wat er al zoo aan
Wouter werd ingegeven in die leesbibliotheek op den Zeedyk. En ik
zou \'n slordige geschiedschryver zyn als ik daarvan geen melding
maakte.
Daar waren drie, vier, planken, die met \'r allen één schryver
torschten...
O! en Ach! a)
Van Wouter\'s menschenkennis mag ik niet veel goeds zeggen,
maar wèl breidde zich de kring van de menschen uit, met wie hy
kennis maakte.
Het spreekt vanzelf dat dit laatste woord moet worden opgevat
in allerlaagsten zin, daar hier van eigenlyke menschenkennis geen
spraak is. Nog minder van menschkunde.
By elke gelegenheid dat Wouter verschil opmerkte tusschen mee-
ning en uiting, was hy verwonderd, en byna verbaasd. Toch kwam
\'t denkbeeld dat zy die zich hieraan schuldig maakten, blyk gaven
van valsheid, niet in hem op. Indien hy als rechter de zoodanigen
had moeten vonnissen, zouden zy er beter afgekomen zyn dan ze
verdienden, want z\'n hoofdindruk was: verdriet over eigen wanbe-
grip. Hy meende dat het slenteren en draaien en \'t schipperen met
halve waarheden, tot de attributen van volwassenheid behoorde,
en wanneer-i zich rekenschap had kunnen geven van z\'n indruk-
ken, zoud-i zich misschien betrapt hebben op den hoogstonzedely-
ken wensch: och, wanneer toch zal ik »groot" zyn, en bekwaam
genoeg om zóó te liegen!
Een geheel anderen indruk evenwel ving-i by de Holsma\'s op,
schoon ook daar \'t genoegen dat-i smaakte, geenszins onverdeeld
was. Wel gelukte het hem zich op den in dat huis doorgebrachten
zondag iets minder houterig aan te stellen dan den vorigen keer,
maar telkens bleek er dat de behandelde onderwerpen z\'n kennis
te-boven gingen, en tevens dat de daar gebruikelyke luchtige vrye
toon nog altyd boven z\'n bereik was.
In dit laatste opzicht was-i door z\'n schuwheid bewaard gebleven
voor .. .erger dan niet te kunnen »meedoen." Hy onthield zich
van \'t belachelyk pogen.
a) De hier in de Ideen volgende blz. zinspelen op den duitschen romanschiy
ver August Lafontaine.
-ocr page 315-
WOUTERTJE PIETERS E.                             295
Het dansen niet verstaande, had-i geen bokkesprongen gemaakt,
en hy was dus niet op z\'n neus gevallen.
Niet kunnende meehuppelen, schopte onze goede Wouter zichzelf.
Als gewoonlyk had de dokter een door hem bepaald onderwerp
aan de orde gesteld, en het kind had met open mond zitten luiste-
ren. Het betrof: sde kunst van lezen." In-den-beginne meende Wou-
ter allerbevoegdst te zyn tot meespreken. Hy hoopte dit dan ook
te doen met al \'t gewicht van iemand die de hoogste tevredenheid
van Meester Pennewip had ingeoogst over \'t voordragen der be-
kende leerstelling: »myn vader gaf my dezen nieuwen hoed.\'\' In
de s Oefening in V kunstmatig lezen\' uitgegeven door de Maat-
schappy tot Nut van V Algemeen, kwam deze zinsnede voor, en
de leerling moest ze opzeggen met zooveel veranderingen van toon-
buiging, als er woorden in den zin waren. Wouter had Leentje in
verbazing gezet door al de wysheid die hy wist te verkoopen over
dien nieuwen hoed, en meende nu...
Doch Holsma behandelde iets anders. En \'t was weer het
oude: de kleine jongen voelde dat-i achterlyk was. En dit smartte
hem zeer.
De grond van z\'n overtuiging in dit opzicht, lag niet zoozeer in
de behandelde zaak — deze was geenszins boven z\'n begrip —
maar in de telkens aangehaalde voorbeelden, die hem blyken van
kolossale geleerdheid toeschenen alleen omdat ze hem ten-eenen-male
onbekend waren. Zelfs de kleine Sietske ging hem in kennis ver
te-boven. Het besef hiervan drukte hem zóó, dat-i ook \'t weinigje
dat-i wel wist niet kon te-pas brengen. De goedigheid waarmee men
hem trachtte op den weg te helpen, ontsnapte niet aan z\'n fyn
gevoel, en maakte z\'n toestand nog pynlyker. In zekeren zin dus
gevoelde hy zich in dezen kring, die hem door gedeeltelyke ziel-
verwantschap toch zooveel nader stond, even misplaatst als te-huis.
Hy meende dat die kinderen hem minachtten, en by Willem —
die in latyn deed — was dit dan ook inderdaad wel eenigszins het
geval.
De wyze waarop Holsma\'s klacht over gebrekkig lezen behan-
deld werd, mag ik gedeeltelyk overslaan omdat ik by veel gelegen-
heden daarover heb uitgeweid. De zaak kwam in zyn mond hier-
op neer, dat het voor \'n arts zoo verdrietig was z\'n patiënten te
zien vermoorden met rottekruid, als-i met de meeste duidelykheid
suikerwater had voorgeschreven.
—  Maar m\'nheer, zei Wouter, wanneer men zich dan daarover
beklaagt i En als men dan nogeens uitdrukkelyk zegt dat men geen
vergif bedoeld heeft?
—  Dan... dan... zyn er die rondvertellen dat de auteur heeft
aangedrongen op verdubbeling van de dozis arsenikum.
-ocr page 316-
296                                             MULTATULI.
—  Rottekruid, weetje, fluisterde Sietske.
—  Maar... dit is toch slecht, niet waar ? En waarom zyn dan
de menschen zoo ?
—  Waarom ? waarom ? viel oom Sybrand in. Waarom ? Dikwyls
uit belang, maar vaak uit domheid. Misschien ook omdat velen Ie
traag zyn om met eigen oogen te zien, en met eigen verstand te
beoordeelen, wat er geschreven staat. Dit vordert meer inspanning
dan \'t napraten van wat anderen gezegd hebben. Juist die tragen
vormen de meerderheid, en ze worden door kwaadwilligen in be-
weging gezet. Men kan de groote massa laten schreeuwen wat men
wil.
Wouter begreep alweer \'t woord »massa" niet, daar het in die
dagen nog niet tot de sfeer der Pietersens was afgezakt. Hy keek
vragend de kleine Sietsken aan, die hem zoo vriendelyk aan rotte-
kruid had geholpen.
—  Dat is zooveel als... \'n heele troep, zei ze.
—  De groote massa is altyd... dom, ging oom Sybrand voort,
of.. .
—  Maar, m\'nheer, vroeg Wouter, hoe kunnen wy dit weten ?
Nooit immers spreken veel menschen tegelyk ?
Holsma begreep de oorzaak van Wouter\'s misverstand, en mis-
schien oom Sybrand ook. Daarom zeker had-i na »dom" nog iets
anders willen zeggen. Maar al de anderen vonden de vraag zon-
derling. De grootere uitgebreidheid van den woordenschat waarover
zy beschikken konden, en de gewoonte zich eens-vooral te verbeel-
den dat ze elke uitdrukking begrepen waarvan \'t gebruik hun ge-
meenzaam was, bewerkte nu dat Wouter, juist dóór z\'n primitivi-
teit, hen overtrof in stiptheid van analyze.
Zoo ook zou hy Mozes in verlegenheid gebracht hebben door
reeds by Genesis ƒ, vers i, te vragen: imaar m\'nheer, hoe weet ge
dit?" Wel te verstaan, indien hy Mozes en Genesis had ontmoet in
onheilig gezelschap, waar \'t denken aangemoedigd werd en \'t mee-
spreken geoorloofd was.
De nuchterheid van z\'n opvatting kwam gedeeltelyk voort uit het
vreemde der uitdrukking: massa. Dat oom Sybrand zich hiervan
bediend had in oneigenlyken zin, en dat Sietske\'s vertaling niet zeer
korrekt was, doet hier niets ter-zake. Het woord: »dom" beteekende
naar Wouter\'s schoolsche opvatting, dat men z\'n les niet kende, dat
men den naam van zekeren berg niet wist, enz. Het zou immers
nooit te-pas gekomen zyn, Pennewip\'s leerlingen en bloc \'n domme
schoolmassa te noemen ? De een kende en wist wat, de ander niet.
Hoe kon \'t oom Sybrand bekend wezen dat \'n »heele troep" men-
schen — zóó had Sietske vertaald — te-zaamgenomen»dom" was?
-ocr page 317-
WOUTERTJE PIETERJE.                           297
Holsma zag Wouter zeer vriendelyk aan.
Och, \'t deed den jongen zoo goed! Naar de uitdrukking te
oordeelen die hy op de gezichten der anderen waarnam, meende
hy \'n domheid gezegd te hebben. Dit nu was onjuist. Hy had juist
dóór en in z\'n onwetendheid, bewys gegeven van intelligentie.
Oom Sybrand had zich inderdaad versproken. En dit stemde hy
toe. Juist was er in die dagen — d. i. niet in die dagen, want
m\'n kronologie is allerverwardst — te Amsterdam iets gebeurd, dat
hem aanleiding gaf tot de toelichting: waarom men de «massa"
niet zoozeer dom noemen mocht, als.. .als.. .ja wat?
Er was \'n verandering gebracht in \'t belastingstelsel. Zeker be-
drag dat vroeger, in evenredigheid met de huurwaarde der perceelen,
werd geheven van de bewoners, zou voortaan worden ingevorderd
van de eigenaars. In zulke van verregaande oppervlakkigheid ge-
tuigende maatregelen openbaarde zich ten-allen-tyde zeker soort van
Staathuishoudkunde en Philantropie. \'t Moest beteekenen: we willen
den druk laten neerkomen op bezitters, niet op de minderbedeelden.
Ik gis dat de bezitters zoo vry zullen geweest zyn de te betalen
belasting, plus \'n beetje winst, op den huurprys te leggen. Lood om
oud yzer.
Doch niet hierover wil ik spreken. De maatregel was óf zonder
gewicht, óf moest beschouwd worden als te zyn genomen in \'t be-
lang der armen. Dit laatste denkbeeld was heerschend. De
eigenaars van kleine huizen achtten zich in hun belangen gekrenkt.
Wie gebruikten zy nu om hun wrevel bot te vieren ? De vermeend-
bevoorrechten 1 Het »gemeene volk" doorliep, met stokken gewapend,
de straten, en verbrandde de meubelen die uit de woningen der
eigenaars waren gehaald om op de markt te worden verkocht ter
kwyting van de belasting. Het wierp de «dienders" te water, mis-
handelde de «veteranen" die te-dier-tyd Amsterdam tot garnizoen
dienden, en pleegde allerlei baldadigheid van de gebruikelyke soort.
Dom! Zoo schynt het. En zeker getuigt het niet van byzondere
intelligentie, wanneer men z\'n wrok lucht geeft — en op die wys! —
tegen een maatregel die naar \'t gevoelen van de oproermakers-zelf
in hun eigen belang genomen was.
Kan men nu aannemen dat er onder al dit volkje niemand was
die de verkeerdheid van deze handelwys zou kunnen begrypen?
Immers neen. En dan toch alleen zou de beschuldiging van dom-
heid op die menigte van toepassing geweest zyn. leder op-zichzelf
was verstandig genoeg om de zaak juist te beoordeelen. Met hun
allen
echter sloegen ze zonder de minste geldige reden den boel stuk.
De oorzaak van deze schynbare anomalie ligt hierin, dat men
de intelligentien der individuen niet kan optellen. Vergaderingen,
kollegien, samenscholingen, benden, worden altyd geregeerd door
iets anders dan de Rede. Met hun allen weten ze niet, wat ieder-
-ocr page 318-
298
MULTATULI.
voor-zich wèl weet. Met hun allen begrypen ze niet, wat ieder-voor-
zich wèl begrypt. Met hun allen hebben ze niet, wat ieder-voor-zich
wèl bezit: een Ziel.
Wie de » massa" van \'t Volk dom noemt, begaat de onnauw-
keurigheid die er liggen zou in de meening dat vyf beminnelyk is,
of lucht driehoekig. De » massa" als zoodanig, denkt niet, en kan
dus niet verkeerd denken. Ze wordt in zekere richting gestuwd, of
blyft geketend liggen, naarmate dit door individuen begeerd, of door
\'n samenloop van omstandigheden te-weeg gebracht wordt. Haar
hoofdeigenschap, in stilstand en beweging beide, is: traagheid.
Wouter had schik van z\'n vraag, waarop Holsma nagenoeg in
den geest van \'t bovenstaande antwoordde.
Toch bleef hy verdrietig over z\'n onkunde, en hy nam zich voor,
meer te leeren.
-ocr page 319-
Strabbe\'s regula van „menging" onder de oogen gezien, in-verband met de
manier om onbruikbare zedelyke thee te krygen, tegen zooveel \'t pond verkoop-
bare, . .
fiktie. Onsmakelyke bymoorden. Bespottelyke heldenmoed die van beter
getuigt. Alweer Juffrouw
Laps!
Toen Wouter dien avend naar huis ging, stuitte hy by \'t over-
gaan van een der pleintjes die men te Amsterdam «markten"
noemt, op \'n bende van \'t gemeen, die bezig was de geschonden
rechten der »huisjesmelkers" heel nadrukkelyk te wreken op zichzelf.
— Die... massa is niet dom, mompelde hy gedurig, als om zich
goed te doordringen van de pas opgedane wysheid. Dom is ze niet!
Misschien zelfs niet onwetend... neen, ook dit is onjuist, \'t Is maar
dat ze... niets weten met hun allen. Zeker zyn er wel verstandige
menschen onder, die wat zouden kunnen begrypen, als ze maar...
zich de moeite gaven te denken. Of... als iemand hen op het
denkbeeld bracht dit eens te beproeven. Ze weten misschien niet
dat ze \'t kunnen.
\'t Scheelde weinig of hy had het volk toegesproken. Wat-i zou
te zeggen gehad hebben, ware gewis begrepen door ieder afzonder-
lykj maar niet door de »massa" die aan de wetten der logika
slechts gehoorzaamt, voor-zoo-ver deze zich openbaren op dynamische
wys. Vanhier dan ook dat elk individu, die toch het zyne bydraagt
tot vorming van \'t geheel, zich beschouwt als daartoe niet te be-
hooren, en zelfs zich daartegenover stelt. Ieder zegt: »ze" deden dit
of dat. >De menschen" liepen, schreeuwden, tierden, als dwazen.
»Ze" wisten niet wat ze wilden. »Ze" waren gek, wreed, lafhar-
tig, enz.
Niemand spreekt by zulke gelegenheden van »ik" noch zelfs van:
»wy". \'t Is hiermee als met den tafeldans, waarby ieder meent
-ocr page 320-
MULTATULI.
3oo
slechts de beweging te volgen, en geen besef heeft hoe dat ver-
meende »volgen" wel degelyk de uitwerking heeft van meest uwen.
Ook deze begoocheling komt alzoo neer op gebrek aan juistheid in
dynamische schatting, op \'n vergissing.
Hoe dit zy, men ziet dat onze Wouter begon te denken, en dat
het de moeite beloonde, zaad van denkbeelden neerteleggen in z\'n
gemoed. Hy zag in dat de » massa" waarop hy stuitte, te laag stond
om.. . dom te zyn.
Ook kon men ze — in hoedanigheid van »menigte" alweer —
niet beschonken noemen, al zy \'t dan dat het getal nuchtere lieden
die aan de samenscholing deelnamen, zeer gering was. Zelfs in dit
opzicht alzoo, was hier de kollektiviteit die we thans overal zien
opdringen niets dan \'n fiktie. Een Menigte kan zoomin drinken als
denken, en heeft dus even weinig kans om beschonken te zyn, als
dom of verstandig. Een Menigte is, zielkundig gesproken, heel iets
anders dan dit alles. Zy is niemendal.
Met de toepassing dezer stelling op de te volgen methode: om te
geraken tot waarheid in het algemeen,
kon Wouter zich nog niet
inlaten, \'t Was al wèl dat-i over de ydelheid van \'t kwalificeeren
zelf nadacht, en aan den voorrang die op verstandelyk, en dus
evenzeer op zedclyk terrein toekomt aan den individu.
Hy voelde — en zeer ten-rechte, waarlyk! — dat hy hooger
stond dan al die menschen te-zamen, en dat dit het geval zou ge-
bleven zyn, al ware Stoffel er by geweest, of zelfs meester Penne-
wip... ja, al was \'t die goede dokter Holsma.
Maar... hy kon zich niet voorstellen dat deze zich ooit verlagen
zou tot \'n deel van zóó\'n geheel!
Later eerst zag hy in dat iemand van eenige waarde evenmin
kan opgaan in elke andere samenkoppeling, en dat de ikheid...
Wel zeker: »ieder moet handelen naar z\'n eigen overtuiging!"
Zóó had Mevrouw Holsma gezegd. En wat werd er van de moge-
lykheid der toepassing van deze blyde boodschap, wanneer men met
die overtuiging slordig omging? Als men haar vervalschte volgens
Strabbe\'s tregula van menging f"
siEen kruienier heeft thee van negen stuivers, van acht stuiversy
en van zeven stuivers het pond^ en wenscht.. .
De goeie Strabbe geeft z\'n kruieniers nooit Souchong van geen-
één stuiver te mengen onder de » massa" die hy verkoopen wil
tegen zooveel winst op het pond. Men bedenke dat ik van den
goeden ouden tyd spreek.
En Wouter ging met denken voort.
.. .hy wenscht van al die theesoorten een .. »massa" te maken...
Daar is \'t woord weer, het nieuwe woord van de Holsrha\'s!\'
-ocr page 321-
WOUTERTJE PIETERS E.                             30I
Welnu, gedachten, meeningen, overtuiging, geweten, verstand, hoop,
vrees, liefde, haat, deugd, en vooral: zedelyke verantwoordelykheid..
dit alles is geen thee, die men mengen kan om ze aan den man
te brengen tegen zekeren prys!
Wie \'t beproeven zou, verrekent zich, omdat de menging zelf \'n
vernietigenden invloed uitoefent, die aan Strabbe\'s rekentalent ont-
snapte, maar begrepen wordt door beoefenaars der regula: »van
den mensche en deszelfs eigenaardigheden."
Ik weet waarlyk niet welk deel van deze opmerkingen aan
Wouter behoort, en wat volgens de »Gezelschaps-rekening" den
auteur toekomt. Daar echter de dissolutie der maatschap tusschen
dien kleinen jongen en my, nog niet op-hand is, kunnen wy deze
vraag ongelikwideerd laten, \'t Is wel mogelyk dat ik Wouter \'n
beetje wyzer voorstelde dan-i nog wezen kon. Maar... de kiem
was gelegd. En vergaan zou ze niet.\'
We zyn weer op die > markt."
Nog altyd stonden daar \'n paar oud-gedienden op post, en be-
waakten. . .ik weet niet wat!
Er is later gebleken dat ze niets bewaakten. Maar dit wisten op
dat oogenblik de gebrekkige stumperts nog niet. Ze werden door
de bestbespraakten onder \'t volk uitgescholden. sBloeddieven" waren
ze, en — de lezer raadt het zeker al — »opvreters van Stad en
Land."
Wouter vond — o, weelde, hy begon te denken voor eigen reke-
ning! — dat ze \'r niet uitzagen als lieden die zich vermaken met
het opslikken van zooveel grondgebied. Hy voelde medelyden met
de arme kerels, en...hoor, daar vernam hy iets dat hem in de
ooren klonk als de bekende kreet, als \'n beroep op zyn hulp!
Waar is.. .warre, warre, wou.. .
Wouter die me redden zou?
Maar de beteekenis was dezelfde. Geen houtzaagmolen kon dui-
delyker kraken: »je bent iets...toon het!"
Een der oude soldaten die de zaak wysgeerig bleek optenemen,
had op zekere beleediging geantwoord:
—   Jy weet het! Ga jy je gang maar! Als ik maar \'n pruim
tabak had!
—  Negerhit? vroeg Wouter snel, even bly byna over z\'n nieuw-
bakken speciale zaakkennis, als opgewonden door \'t denkbeeld dat
hy \'11 blyk geven kon niet tot de s massa" te behooren.
De man begreep noch \'t uitgesproken woord — negrohcad —
noch de bedoeling, en meende dat het kind zich aan den kant van
z\'n aanvallers geschaard had.
Wie kon ook raden dat zoo\'n kleine jongen \'n geheel andere
-ocr page 322-
302                                           MULTATULI.
beweegkracht in z\'n ziel had, dan die waardoor zich de »massa"
liet voortdryven?
—   Komaan, jy snotjongen, hou jy \'r je nu maar liever buiten !
Wacht tot je droog achter je ooren bent!
—   Ik wil je tabak geven! schreeuwde Wouter door \'t gejoel
heen.
—  Hè?
—  Tabak, negerhit.. .echte! riep Wouter.
—   Dat salje wel s.....s-gauw late, brulde een kerel die achter
onzen kleinen zelfdenker stond. La-de fent ferèkke!
»S. ..S\'gauio late" beduidt: iets volstrekt niet doen, iets zóóby-
zonder-overdreven nalaten, dat men reeds alleen by de gedachte
aan \'t wèl doen, de koorts zou krygen van verbazing, of... \'n slag
in \'t gezicht. Dit laatste werd blykbaar niet bedoeld.
Wouter keerde zich om, zag op tot den waarschuwer die zich
bediend had van \'t prachtig bywoord dat zoo moeielyk te vertalen
is, en zei:
—  Ik zal dien man tabak geven!
Ach, hoe heerlyk hy dat „ik" intoneerde! De snieuwe hoed"
uit z\'n leeslesje was er niets by.
—  Ik zal dien man tabak geven, ik f
»Of sterven!" zeid-i er niet by. En dit hoefde ook niet. Men
kon \'t hem aanzien dat-i hiertoe bereid wezen zou als \'t gevor-
derd werd.
Hyzelf had nooit geweten dat-i zoo moedig was!
Hy drong door de menigte heen, en kocht in den eersten tabaks-
winkel den besten, wat-i hebben wilde, niet zonder wat te luchten
te hangen van z\'n zaakkennis. Al ware hyzelf in \'t bezit geweest
van twee »gevestigd e" zaken, hy had niet met meer aplomb z\'n be-
stelling kunnen doen. De bediende in den winkel mocht toezien
dat-i goed woog, en zich onthield van elke poging om den neerge-
legden schelling te doen doorgaan voor \'n zesthalf. Hy had te-doen
met iemand die \'t wist, met \'n specialiteit!
Nu, \'t liep goed af. Wouter besteedde een stuiver, en kreeg be-
hoorlyk het te veel betaalde terug.
De schelling... o, hoe gelukkig dat Willem en Sietske hem bege-
leid hadden tot aan de huisdeur, toen-i zoo-even de Holsma\'s vér-
liet ! Dit had God nu eens goed beschikt! Hierdoor immers was-i
in \'t heerlyk bezit gebleven van \'t geldstuk dat z\'n moeder hem
had meegegeven xvoor de meid\'\' omdat ze, vooral jegens den dokter,
zoo op \'t fatsoen gesteld was.
Maar \'t aanbieden van de zonderlinge versnapering aan den sol-
-ocr page 323-
WOUTERTJE PIETERS E.                             303
daat, had moeite in. Er moesten veel mannen worden op-zy ge-
drongen. Ook vrouwen en meisjes, en zelfs kinderen...
De kleine hinderpaaltjes belemmerden Wouter \'t meest.
—  Wilje me-n-asjeblieft even doorlaten, vroeg hy met \'n stem-
metje zoo zacht, op \'n toon zoo smeekend en onderdanig, zoo uiter-
mate fatsoenlyk en bescheiden.. .
>Wat er \'n inspanning noodig was om door al die menschen te
dringen, waarvan geen enkele hem bedreigd had!
Toch naderde hy de plek vanwaar-i was uitgetogen om z\'n hel-
denfeit voortebereiden. Hy hield den papieren kegel hoog boven \'t
hoofd — waarlyk, er zyn wel eens minder eerbiedwaardige vaandels
opgestoken, dan dat peperhuis met \'n stuiver tabak! — en bereikte
den man die hem met het vreemde bywoord gedreigd had.. .
Wèg was z\'n beschroomdheid! Ruwer dan eigenlyk noodig was,,
en met meer uittarting dan \'t aanspraak-maken op verschooning
kon voorbereiden, zette hy den kerel z\'n schouder in de lenden, en
boorde zich dóór tot de voorste ry:
—  Daar, man! Ziedaar tabak — negerhit, weetje ? — \'n snot-
jongen ben ik niet\\
De soldaat nam, en pruimde. Wouter keerde zich om, en keek
den man aan die zoo zonderling lucht had gegeven aan z\'n over-
tuiging: dat-i \'t wel s...s-gauw «late sou.\'\' Hy scheen te vragen
welke aanmerking de profeet te maken had op dit protest tegen z\'n
voorspelling ?
De zaak liep goed af. Het verwonderde Wouter dat niemand
hem stompte, sloeg of uitschold. Misschien zou dit dan ook geschied
zyn als niet de verheugde tabakspruimer door \'n nogal bekende
soldaten-aardigheid, de voorsten van den troep aan \'t lachen had
gemaakt: ibeter \'n halve pruim in je mond, as \'n heel stuk in
je. . .kraag!"
Al wat de voorvechter van \'t non-interventiestelsel tegen Wouter
inbracht, toen deze zich zegevierend verwyderde...
O, Thermopylae! O, Miltiades! O, Glorioso! O, Ivanhoe! O, Ko-
lokotroni! O, riddereer! Welke dame zal z\'n harnas ontgespen r
Hoe is de kleur van den sluier dien-i voortaan dragen zal... rech-
ter schouder, linkerheup, rozet...
De bywoordman verzekerde aan de omstanders dat »die kleine
jongen \'n s... s-brutale bliksem" was.
Wouter antwoordde niet, al had-i recht gehad te verzekeren dat
de man zich bedroog. De door hem — tot z\'n eigen verrassing
waarlyk! — aan den dag gelegde moed was \'n uitvloeisel van ge-
heel andere gemoedsgesteldheid dan brutaliteit. Hy was bescheiden,
verlegen, beschroomd. Maar hy had nu ondervonden dat er om-
-ocr page 324-
304                                           MULTATULI.
standigheden konden bestaan die hem \'n oogenblik lang boven deze
fouten verhieven, en deze ervaring deed z\'n ziel groeien.
In zeer langen tyd was-i niet zoo vergenoegd ingeslapen als den
avond van dezen dag.
Och, als Femken \'t gezien had !
Maar deze stemming zakte weer gedurende de weinige maanden
van z\'n leertyd op den Zeedyk. Hier zag hy dagelyks het gemeene
van even naby als op die markt, zonder daaraan \'t verheffend denk-
beeld van stryd. te kunnen verbinden. Integendeel. De Weledele
heer Motto had hem \'n onverstoorbare beleefdheid voorgeschreven,
en zelfs betuigd dat deze eigenschap »in den handel \'t voor-
naams te
was."
Nu, beleefd en vriendelyk was Wouter. Gewoonlyk meende hy
dat de onaangename indruk dien het trivale op hem maakte, aan
z\'n eigen onbedrevenheid moest worden toegeschreven, en — als
met de leugens — kwam soms de wensch in hem op: »wanneer
toch zal ik groot genoeg zyn, om me zoo mannelyk uittedrukken ?"
Wie weet of-i niet gestrand was op de klip der hypermetaforische
bywoorden, wanneer z\'n lektuur hem daarvoor niet bewaard had.
Neen, ook zonder die boeken zoud-i ontoegankelyk gebleven zyn
voor deze soort van gemeenheid, door z\'n onbederfbare lust in
\'t exakte, een der meest loffelyke wyzen waarop poëzie zich
openbaart.
Eens was-i genoodzaakt geweest, \'n kwajongen die steenen in den
winkel wierp, te berispen en zelfs te dreigen. Hierop was \'n scheld-
woord gevolgd, dat in den mond der amsterdamsche straatjeugd
bestorven ligt: dief.\' En wel met \'n onzindelyk toevoegsel dat nu
niet ter-zake dient, en dat ik dus mag overslaan.
— Hoe kan die jongen beweren dat ik \'n dief ben, en... zoo
onzindelyk? had Wouter aan den heer Motto gevraagd. Ik had
gezegd dat ik hem \'n klap geven zou als-i weer met steenen wierp.
Waarom noemt hy my nu dief? Dat \'s iemand die steelt, niet
waar ?
De heer Motto was er de man niet naar, om \'t verschil tusschen
schelden en kwalificeeren te verklaren. En Wouter berustte. Hy
had zich meer geërgerd over \'t gebrek aan logischen samenhang
dan over de beleediging, en hierin lag inderdaad iets.. .goddelyks.
\'t Was \'n schending der wereld-orde, iemand a te noemen omdat-i
b was. Iets als misdaad tegen den Heiligen Geest van \'t 2 x 2 = 41
\'n Hinkend rym. \'n Onmogelykheid!
En...\'t straatjongetje dat zich aan al deze gruwelen had schuldig
gemaakt, was nog \'n hoofd kleiner dan hy! De hier gepleegde
verkrachting van de Rede, was alzoo ditmaal geen uitvloeisel van
begeerlyke volwassenheid!
-ocr page 325-
WOUTERTJE PIETERS E.                            305
Maar.. .maar.. .al de wèl »groote\'\' menschen? Vanwaar byhen
dan dat gedurig afwyken van \'t ware, juiste, stipte? Waren zy zoo
achterlyk, of was die straatjongen z\'n leeftyd vóór? Moest Wouter
terug of moest-i vooruit, om aantelanden op \'t punt waar zich
\'t grootste gedeelte van z\'n omgeving scheen te bevinden ? Zoud-i
ooit ver genoeg komen om als deWeledele Heer Motto aan \'t hoofd
te staan van twee szaken".. nu ja >gevestigd" waren ze na\'t over-
haast vertrek van den patroon niet meer. Maar \'t waren »zaken"
toch, en... gevestigd geweest!
—  Als ik den man hier had zou ik \'m verscheuren, zei de moeder.
Ik dacht het wel dat-i met m\'n geldje-n-op den loop zou gaan!
\'k Heb \'t altyd gezegd, niet waar, Stoffel?
—  Ja, moeder. Zoo\'n cautie is \'n gevaarlyk ding.
—  Dat heb je-n altyd van die menschen met \'r geloof! Ik vraag
je, wat doet het er toe of men protestant is of.. .wat anders I Wat
hoeft zoo\'n man \'n jongetje P. G. te vragen in de krant, en dan.. .
wegteloopen met \'n mensch z\'n geld! Ik vraag je, wat doet er
de godsdienst toe? Ik wou...Ik wou...dat-i \'n roomsch jongetje
genomen had, met \'n... koussie van duizend!
—  Ja, moeder, dit was zeker beter geweest.
—  \'h Roomsche is net zoo goed als \'n ander, dit zeg ik maar!
Waarom zou \'n roomsche jongen niet even goed snuif kunnen
wegen, en boekhouden, en op den winkel passen, en... koussies
geven, als \'n griffermeerde ? De menschen lyken wel mal mei \'r
verschil van geloof. De een is net zoo goed als de ander, vindje
niet, Stoffel?
—  Ja moeder.
—   \'t Is om\'r griezelig van te worden, als ik bedenk dat zoo\'n
kerel nu in Amerika van myn geldje den prins speelt. Maar,
Wouter, jy hebt ook schuld. Jy had me moeten waarschuwen dat
de man niet deugde. Kon ik \'t weten, ik arme weduw die hier
in m\'n huiswerk zit?
—  Moeder, ik wist het ook niet.
—   Je had dan maar beter moeten opletten. Maar je geeft er
niet om of je moeder aan \'t bedelen raakt. En, Stoffel, wat zullen
we nu met \'m beginnen ? Naar zee gaat-i niet, dat zeg ik! Ik kan
\'t voor God niet verantwoorden dat-i aan boord van zoo\'n schip
onder allerlei soort van volk komt, niet waar, Stoffel?
—  Ja, moeder.
—  En dat-i daar vloeken leert...
—  Zeker, moeder.
—   En z\'n geloof kwyt raakt! Want, dit zeg ik maar, wie niet
by z\'n geloof blyft...wat zeg jy, Stoffel?
—  Ja, moeder, \'n mensch moet altyd by z\'n geloof blyven.
20
-ocr page 326-
306                                           MULTATULI.
— Honderd gulden! \'t Waren zeeuwen...ik zie ze nog! Wat
hoeft zoo \'n gemeene kerel \'n protestantsch jongetje te vragen ?
»Wel," veroorloofde zich Wouter te denken, »de man bleef
by z\'n „geloof.
Maar aan de ontleding van den zotteklap zyner moeder be-
steedde hy minder moeite dan aan byna alles wat tot hem kwam
van buitens\'huis De blunders in redeneering waaraan z\'n verwanten
zich schuldig maakten, waren zoo menigvuldig dat-i er aan gewoon
was geraakt en uit vermoeienis de taak had opgegeven daaruit wys
te worden. Één woord van Holsma of oom Sybrand strekte hem
tot tekst van lange overpeinzingen, maar de bitjara kossoeng van
z\'n familie maakte niet veel meer indruk op hem dan \'t gegons
van \'n byenzwerm.
Iets minder gewoon was-i nog altyd aan onzin die door anderen
geuit werd, al stonden ze dan niet hooger dan z\'n huisgenooten.
Juffrouw Laps, byv. was hem \'n wel onbehagelyk, maar toch de
nieuwsgierigheid prikkelend, studie-exemplaar. En z\'n belangstelling
in \'t oplossen van de raadseltjes die ze opgaf, werd te grooter
naarmate hy meer acht-sloeg op \'t gebrek aan samenhang ofover-
eenstemming in haar manieren.
Sedert eenigen tyd bezocht zy de Pietersens drukker dan ooit,
en telkens onderging Wouter by die gelegenheden \'n reeks van
tegenstrydige indrukken. Ze was bar, nydig, en te-gelyker-tyd weer
op-eens.. .och, er was niet uit het schepsel wys te worden.
Het heldenfeit met de tabak was gedeeltelyk bekend geraakt.
Wouter had eerlyk de vyf stuivers verantwoord, die hem van den
providentieel gespaarden schelling waren overgebleven...
Twee jaren geleden zoud-i dit niet gedaan hebben. Doch sedert dien
tyd had zich \'t besef van ridderlykheid in hem ontwikkeld. Tegen \'n
flinken roover zag-i nog altyd eerbiedig op, maar \'t weggrissen van
\'n paar stuivers... hy vond dat-i daartoe nu te groot was geworden.
De helden uit z\'n boeken zouden zich over hem geschaamd hebben.
Hoe dit zy, \'t uitgeven van den eenen stuiver waarmee de veteraan
moest getroost worden over \'t gemis van de verteerbare Landen en
Steden die anders z\'n gewoon voedsel uitmaakten, drong Wouter
tot het aanroeren van \'t gebeurde. Hy sloeg in z\'n relaas van de
zaak, \'t gevaar dat-i geloopen had, over. En...niet uit beschei-
denheid. Hy had gaarne wat gestoft op z\'n moed, maar voelde
dat de kans op afkeuring van z\'n verkwisting, grooter was dan
die op lof over z\'n. ..ja, hoe moet ik \'t noemen?
De door hein begane afwyking van spaarzaamheid werd dan ook
zeer kwalyk genomen, en \'t was wel gelukkig voor hem dat-i de
by-omstandigheden niet had aangeroerd, waardoor z\'n ontydige
mildheid was gestempeld geworden tot uittarting.
-ocr page 327-
WOUTERTJE PIETERSE.                                  307
—   Denk je dat de stuivers my op den rug groeien? vroeg z\'n
moeder. Jy verdient immers geen duit, jongen! Mag jy tabak
koopen voor ouwe soldaten ? Moet ik nog meer ten-onder, na de
honderd gulden die je me weer gekost hebt ?
By zulke toespraakjes viel \'t Wouter zeer moeielyk, de toonhoogle
van z\'n ziel behoorlyk gestemd te houden. En dit lukte dan ook
niet. Hy antwoordde weinig of niets. Wat het ergste was, hy
vond in zichzelf geen steun, want...z\'n moeder had niet geheel-
en-al ongelyk!
Edelmoedigheid is \'n versnapering waarvan men zoo min mag
snoepen als van andere lekkerbeetjes. Al zag nu Wouter dit nog
niet in, toch voelde hy z\'n onvermogen zich grondig te verdedigen
tegen de beschuldigingen die z\'n moeder tegen hem inbracht.
Dat zy niet in-staat zou geweest zyn de oorzaken te begrypen
die hem tot handelen opwekten, deed minder terzake. Maar hyzelf
gaf zich daarvan geen rekenschap, en hy stond dus weerloos tegen-
over de bewering dat-i gehandeld had als \'n gek. Dit werd te
erger toen men de aanklacht overbracht op \'t laagste terrein dat
men kiezen kon, op kinderachtigheid.
De moeder had het woord: » verkwisting" uitgesproken, maar
Stoffel zette haar te-recht:
—   Né, moeder, dat is het niet. De zaak is dat-i zoo achterlyk
blyft in alles. Hy weet nog niet met geld omtegaan, dat is het!
—  Precies! Hy weet nog niet met geld om te gaan. Alle andere
kinderen van zyn jaren...als ze-n-\'n stuiver hebben, wat doen ze?
Ze bewaren hem. Of.. .ze koopen er wat voor. En hy? Wat
doet-if Hy geeft hem weg! Zal je dan nooit verstandig worden,
jongen?
Misschien was Stoffel\'s opmerking niet kwaad gemeend, maar
ze wondde Wouter diep. Een «verkwister" is dan toch altyd \'n
persoon, \'n man. Was men maar zoo goed geweest, hem daarvoor
uittemaken ?
* Prodigue, prodigue.. .asjeblieft prodigue!" mompelde hy treurig.
Want — tot verbazing van den lezer misschien — hy kende dit
woord.
In een der omnibus-slaapkamers hing een stelletje grof gekleurde
platen die de parabel van den verloren zoon voorstelden, \'t Was \'n
fransche uitgaaf, en door vergelyking met de Schrift, verkeerde de
heele familie langen tyd in de vaste meening dat de daarop voor-
komende uitdrukking: prodigue niets anders kon beteekenen dan
iverloren". Dit had dan ook Stoffel tegen een van z\'n kollegaas
beweerd, die hem met behulp eener dictionnaire beter inlichtte. Na
veel gekibbel over de goddelooze fransche drukfout...
-ocr page 328-
308                                             MULTATULI.
— Want: «verloren" staat er, zei juffrouw Pieterse. En wat in
de Schrift zelf staat, zal toch wel waar zyn.
... na eenig tegenstribbelen dan, wilde men wel aannemen dat
de beteekenis van \'t woord prodigue: >verkwister" wezen kon. En
in die benaming had Wouter veel zin.
Eerste tafereel. De zoon die bezig was met. . .verkwisten en ver-
loren-gaan, neemt afscheid van z\'n vader. De oudeheer had \'n
purperen tabbert aan. Mooi genoeg. Maar de verkwister zelf . .o hé!
Er fladderde hem \'n mantel om de schouders — \'t scheen erg te
waaien in dien zuilengang! — \'n mantel.. .prinselyk! En z\'n Turk-
sche broek was van puur goud! De jongen had \'n krommen sabel
op-zy, en op z\'n hoofd \'n tulband met aigrette... zeker \'n onix, of
sardonix, of paarl, of.. .edelsteen! Men kan er den geleerden Schrant
op nalezen. Zulke zaken kosten niets op \'n prent.
De oudeheer keek verdrietig — en daarin had de man geen on-
gelyk — maar... al die beladen kameelen! En die slaven! En al
die toestel voor \'n verre, verre reis! \'n Pikzwarte knecht hield \'n
paard by den toom. \'n Ander den stygbeugel, en scheen te manen:
«komaan, verloren-gaande zoon, stygop! We worden gewacht op de
tweede prent!"
Welk jongentje zou niet graag zoo\'n verloren zoon willen zyn ?
Die kromme sabel alleen was de zonde waard.
Tweede tafereel. Hm . .scabrcits.\' Nu ja, maar niet voor Wouter,
die in z\'n onnoozelheid geen gewicht hechtte aan al de zonderling
opgesierde juffrouwen op de plaat. Hoofdzaak was dat er dapper ge-
geten en gedronken werd, en \'t gezelschap scheen eensgezind, want
dat eene meisje in glimmend satyn, hing allervriendelykst over den
schouder van den verlorene. „Liever zóó verloren, dan anders ge-
vonden" moest de indruk zyn dien t feest maakte op de verbeelding
van \'n kind. De ware beteekenis van het tafereel dat zich inspande
om afschrik van liederlykheid inteboezemen, ontsnapte aan Wouter\'s
opmerking. Of liever, hy wist wel wat het beduidde, maar.. .voelde
anders. En alweer was z\'n hoofdindruk dat-i met genoegen de be-
trekking van verloren jongetjen aanvaarden zou. Wat hem \'t meest
aantrok was noch de spys en drank waarmee de tafel overladen
scheen, noch vooral de zondiggekleurde wangen van de dames die
zich bezig-hielden met doen verloren-gaan. Neen, hy was nayverig
op de onburgerlyke losheid van \'t gezelschap. Om ten-overvloede
den aanschouwer te doordringen van \'t begrip: verkwisting had de
teekenaar \'n wynvaas doen omwerpen door \'n paar jachthonden...
Jachthonden ook! Dus: jacht! O, goden, \'t is te veel!
.. .de wyn stroomde, en ging verloren alsof-i zelf een wegloopende
zoon was. Dit beviel Wouter byzonder. Niemand van de gasten
-ocr page 329-
WOUTERTJE PIETERS E.                               309
bemoeide zich met zoo\'n kleinigheid, zelfs de schenkers niet. \'t Had
eens moeten gebeuren in den huize Pieterse, al was \'t maar met \'n
dubbeltjes-kruik scharrebier geweest!
De teekenaar spreekt: „meent ge dat ik den verleidelyken indruk
van zulke schetsen niet voorzag? Wordt ze niet uitgewischt door
wat er volgt?"
Volstrekt niet! Zie maar:
Derde tafereel. Heerlyk ! Hoe romantisch is die wildernis! O, wie
daar zoo mocht zitten op \'n rots, starende in de onpeilbare diepte
van \'t verschiet, en.. . alléén !
Denken, denken, denken!
Geen meester of moeder, geen broer of patroon schryft daar voor
wat men Ie doen hebbe met z\'n hart, z\'n tyd, z\'n el bogen, en z\'n
broek! De jonge man op \'t plaatje had er geen aan, en men kon
duidelyk bespeuren dat-i zich niet geneeren zou straks met uitge-
strekte armen en beenen zich op z\'n rug te leggen, om zon, maan
en sterren te laten voortdryven voorby z\'n wydgeopende oogen ! Men
kon wis \'n dubbel stel longen gebruiken in zoo\'n ruimte, en ook
de ziel zou onbelemmerd in zich opzuigen wat ze verkoos. Wouter
vroeg zich af waaraan hyzelf denken zou, als-i \'t eens mocht ge-
bracht hebben tot zoo\'n verheven keizerschap over \'t onmetelyk
Ryk: eenzaamheid !
Hm ! Op dat rotsblok daar naast hem kon best z\'n Femke zitten 1
O, goddelyk verloren-zyn... met haar! Het begon hem te verwon-
deren dat er maar één verloren zoon in de Schrift voorkwam. Van
alle zonden kwam hem \'n wèl-gekonditioneerde verkwisting de aan-
lokkelvkste voor.
En de woestyn was zoo. . .dragelyk. Er stonden boomen in. Die
zou men beklimmen als men terdeeg verloren was, en van de tak-
ken bouwde men dan handig \'n hut... voor Femke, natuurlyk.
De verkwister op de prent scheen hieraan nog niet gedacht te
hebben, \'t Is waar ook, waarom\' was de groen-satynen juffer niet
by hem ? Er zal afgesproken zyn dat ze hem straks komt opzoeken,
dacht Wouter. Ze zal nog niet geheel gereed wezen met \'r verk\\vis-
ting. Och, dat ze zich haasten mocht! Hy wacht haar met smart.
Maar dit is ook \'t eenige verdriet dat \'n rechtgeaarde verkwister
uit de profane wereld meeneemt in de prettige woestyn.
Toch moet ik erkennen dat de varkens waarmee de prent ge-
stoffeerd was, er leelyk uitzagen. De moralizeerende teekenaar had
de arme dieren gekozen tot schildhouders van de zonde, en dus hun
physionomien bedeeld met waarschuwende trekken. En ook de trog
had \'n onsmakelyk voorkomen.
— Als \'t my gebeurt, neem ik schapen mee, zei Wouter, en
Femke zal ze kammen!
-ocr page 330-
MULÏATULI.
3io
De teekenaar moet alzoo toestemmen dat zelfs het derde tafereel
niet toereikt om behoorlyken afschuw inteboezemen van verkwisten
en verloren-gaan.
Maar...\'t vierde? Evenmin! Minder nog!
Die oudeheer is allervriendelykst, en we zyn weer in den zuilen-
gang, waar zoo-even die katneelen zoo geduldig stonden te wachten.
Een van de thuis gebleven slaven klapt in de handen, en slaat de
oogen ten-hemel. . .uit blydschap zeker dat het Woutertje van de
prent terug is.
Maar. . ,/iy? De wezenlyke Wouter? Teruggekeerd? Vriendelyk
ontvangen in z\'n allerprettigsten rang van gewezen en genezen ver-
kwister? Niets van dit alles!
Kameelen ? Neen ! Schapen in de woestyn ? Neen! Ach neen, geen
onkambare zwynen zelfs!
En dan dat geslachte kalf! Daarin lag de snydendste tegenstelling
met de burgerlykheid die Wouter beknelde. Juffrouw Pietersen slachtte
nooit iets, en nam by Keesje\'s vader osselappen op \'t weekboekje.
Slechts nu-en-dan by hooge uitzondering \'n ribstuk. \'
Op \'n heel kalf was geen kans, of men verloren was geweest ot
niet. Maar dit belette toch niet dat de rang van verkwister hooger
sto\'nd dan die van kleinen dommen jongen die nog niet weet om-
tegaan met geld!
En zie, ditmaal had-i aan z\'n vriendelyke vyandin Laps iets te
danken, dat hem weer \'n beetje bemoedigde. Zy namelyk haalde
inderdaad de Schrift by de zaak, toen deze haar — op z\'n pieter-
sens! — werd megedeeld. Zy sprak wel degelyk van varkenshoeden.
Wouter had graag geantwoord:
— Goed, wèl, best, juffrouw Laps, asjeblieft! Maar..och mogen
\'t deze keer geen schapen zyn ?
Hy begreep heel goed dat ze niet gevoelig zou wezen voor \'tbe-
oogde kammen, en dus ook niet voor \'t blauwzyden halsdasje dat
Femke\'s lievelingslam zoo snoepig staan zou.
Maar...\'n verkwister was-i, verzekerde \'t mensch.
Goddank!
-ocr page 331-
Toulon est 14 ! Woedenae uitval van den auteur tegen monologen, met \'n a/-
schrikkend voorbeeld ter adstructie.
(De uitval is gesupprimeerd, en de lezer
krygt vandaag alleen \'t voorbeeld.) Gesprekken op den Olymp, zvaarby Jupiter
V wel eens zou kunnen te-kwaad krygen als-i zich waagde aan \'n antwoord.
Boterammen, onderbroeken, yverzuchl en \'n pastoor, alles opgeluisterd door vol-
slagen absentie van godzaligheid.
—  Ja juist, dat zeg ik ook altyd, antwoordde juffrouw Pieterse.
Want wat doet-i? Hy verkwist z\'n moeders goed. Als die man
pruimen wil, laat \'m zelf tabak koopen. Daarvoor wordt-i door den
koning betaald. Ik heb altyd zuur moeten werken voor m\'n boeltje,
niet waar, Stoffel ?
—  Zeker, moeder! Maar ik blyf er by dat het \'n kinderachtig-
heid van Wouter is. \'
—  Net wat ik zeg, \'n kinderachtigheid !
—  Mensch, je bent er niet! riep de oefenaarster. Ik zeg je dat-i
recht-toe aanloopt op den trog van Lukas 15. Draf zal-i eten!
Meenje dat de Heer z\'n gelykenissen verkeerd maken zou? Stuur
\'m \'ns by me. De fout ligt aan de dominees, geloof me, heel al-
leen aan de dominees. Ze verklaren de Schrift niet. Dat is het!
Zend \'m \'ns by me.
—  Als ik in-gods-heeren-naam maar wist waaróm hy zulke din-
gen doet!
—  Waarom ? Wel, weet je dat niet ? Uit hoogmoed...
Ze sprak de waarheid!
...uit puren klinkklaren hoogmoed! Precies Belsasar, of. ..San-
herib, of... Nebukadnezar, of...
-ocr page 332-
312                                          MULTATULI.
Och, hoe dankbaar was Wouter voor al die koninklyke verge-
lykingen! Wat was de artseny zoet, die juffrouw Laps hem toe-
diende! Als-i op dat oogenblik \'n briefje te schryven had gehad —
aan Femke liefst! — zoud-i zeker geroemd hebben: »begryp eens
hoe ik gegroeid ben! Ik ben zoo slecht als drie oude koningen met
hun allen!"
En dan te worden uitgescholden voor kinderachtig !
—   Hoogmoed! zei Juffrouw Laps. Hy is goud van boven, yzer
in het midden, en z\'n voeten zyn van klei. De Heer zal \'m wis
en zeker omgooien! Stuur \'m \'ns by me.
De uitnoodiging om den modernen koninklyken booswicht by
haar in de leer te doen, werd zoo dikwyls herhaald, dat men ten
laatste wel genoodzaakt was, daarop iets te antwoorden. Noch de
moeder, noch Stoffel hadden den moed, Wouter\'s wegblyven voor
hun eigen rekening te nemen. De grief van de weigering moest
neerkomen op hèm.
—  Maar, m\'n lieve juffrouw Laps, de jongen wil niet! Koppig
is-i...o! Wat moet ik doen met zoo\'n kind?
Wouter was te zacht om z\'n moeder openlyk aanteklagen van
valsheid. By elke gelegenheid immers bleek hem dat zy even af-
keerig was van lapsisch-theologischen invloed als hyzelf. En nu ?
Ze hield zich alsof ze. ..
Maar dit was weer een van de inkonsekwentien die by karak-
terlooze menschen elk oogenblik voorkomen, en waaraan-i dus ge-
woon was geraakt. Hy wist zeer goed wat er zou geschied zyn in-
dien hy \'t gewaagd had zich in dit geval te beroepen op \'t oor-
deel van z\'n moeder. In tegenwoordigheid van Laps zou men z\'n
opmerking bedolven hebben onder \'n stortvloed van verwytingen
over z\'n sbrutaligheid." En na \'t vertrek van \'t schepsel, had men
hem gezegd:
—  Je bent toch \'n dom kind! Begryp je dan niet dat ik \'t
mensch toch niet in \'r gezicht zeggen kan dat ik \'n hekel heb aan
haar geoefen?
Hy zweeg dus. Doch zie, gedwongen om weer en weer en nogeens.
optehalen van z\'n vergryp, ontsnapte hem \'n eenvoudig woord waar-
uit z\'n belaagster \'n vroolyk ivnijxa wist te putten.
—   De man wou tabak hebben, zeid-i, en niemand durfde hem
iets geven, en toen.. .
Juffrouw Laps wist genoeg. Wouter was haar! Of althans, ze wist
nu waar Toulon lag, en van welken kant de vesting kon genomen
worden... als ze neembaar was!
-ocr page 333-
•
WOUTERTJE PIETERS E.                           313
—   Nu, als-i dan geen pleizier heeft om by me te komen moet
je \'m niet dwingen, zei ze op allerzachtmoedigsten toon, by \'t weg-
gaan. Ferseeren helpt niet. Men moet ieder z\'n eigen sinnigheid
laten. Ik geloof werachtig dat jelui \'t kind te veel besikkeneert.
Lieve god, wie zal nu zoo\'n bereddering maken om \'n stuiver!
—   Dat zeg ik ook, antwoordde de moeder, \'t Zou waarachtig
wel lyken of \'t me daarom te doen was! Zoo nauw komt het er,
goddank, niet op aan! We kunnen altyd nog wel \'n stuiver missen,
wat zeg jy, Stoffel?
—  Ja, moeder, maar \'t wordt toch tyd dat Wouter. ..
—  Komaan, wat \'n geseur om \'n pruimpie tabak! De Heer zal
\'t zeventigmaal-zeventigmaal weerom geven! »Zoo wat ge den min-
sten myner broederen gedaan hebt. ..
Met deze veelbelovende teksten op de lippen, verliet juffrouw Laps
\'t verbaasde gezin. Men rekende haar den voorspelden hemelwoeker
niet hooger aan dan onder Christenen gebruikelyk is, maar vond
het vreemd dat ze op-eens zoo inschikkelyk was geworden.
Ja, ja, \'t is zoo makkelyk niet, juffrouw Laps te doorgronden,
en. . . sommige anderen !
De moeite die zich de Pietersens getroostten om \'t raadseltjen
optelossen dat juffrouw Laps scheen optegeven, was niet zeer groot.
Ze waren aan niet-begrypen te gewoon om zich intespannen tot de
verklaring van dit zonderling laveeren. En ook Wouter bekommerde
zich minder over de oplossing, dan schynbaar van z\'n lust in stipt-
heid en z\'n begeerte om te weten, had kunnen verwacht worden.
De oorzaak hiervan lag in zekere overstelping van indrukken, die
hem belette zich met \'n bepaald vraagstuk bezig te houden. Z\'n
gemoed zag er uit als \'t naaikistje van \'n goedige moeder, waarin
de kinderen gegrabbeld hebben.
De zaden die in hem gestrooid werden, waren van onderscheiden
soort. Dit nu is by ieder en altyd het geval. Maar \'t grootste ge-
deelte paste niet by den grond waarop ze vielen, en onze kleine
beginner in \'t Mensch-worden was \'n te onbedreven hovenier, om
uitterukken wat niet deugde en te ordenen wat bruikbaar was.
Alleen met betrekking tot de eigenaardigheid van z\'n gaven en
streven — Trieb! — lag in dit alles iets byzonders. Overhoop ge-
haalde ziele-werkdoosjes vindt men overal, maar niet overal werkt
zoodanige verwarring even schadelyk.
De regeling der indrukken die Wouter\'s weinigje ondervinding
had te-weeg gebracht, zou niet moeielyk gevallen zyn, wanneer
slechts die indrukken niet waren vergezeld geweest van z\'n voor-
beschiktheid tot zedelyk en verstandelyk zwaartülen. Hem kleefde
een zeldzame fout aan: hy was \'t omgekeerde van lichtzinnig, en
deze hoedanigheid had nagenoeg hetzelfde gevolg als we gewoonlyk
-ocr page 334-
314                                       . MULTATULI.
by het tegenovergestelde waarnemen. Verward in de menigte der
zaken die hy niet begreep, gaf-i moedeloos de poging tot verklaring
op, en scheen dus gelyk te staan met de meeste anderen die aan
opheldering geen behoefte voelen.
Maar deze gelykstelling ging niet in-allen-deele door. Wouter
berustte niet. Hy verwachtte licht, hy wachtte licht, en de spanning
die hem hierdoor veroorzaakt werd, was pynlyk.
Zonderling dat hy in zulke stemmingen altyd behoefte voelde z\'n
onbegrepen leed te klagen aan Femke.
Door allerlei toeval kreeg-i haar niet te zien. Wel twaalf keeren
had hy zich moeite gegeven haar te ontmoeten, door in den omtrek
van haar huisje heen-en-weer te loopen. Maar altyd te-vergeefs.
By deze gelegenheden wond-i zich op tot... redenary. Hy maakte
aan- en toespraken gereed, waarmed-i zich tot het meisje wenden
zou, en wanneer ik daarvan den juistcti tekst geven kon, zou ik
\'n heerlyk hoofdstuk geleverd hebben van menschenstudie. Maar
dit kan ik niet.
Toch wil ik het by benadering beproeven.
Nogeens, op volkomen juistheid maakt m\'n schildering geen aan-
spraak.
— Och, Femken, ik ben zoo bedroefd. Denk je dat ik weer ziek
worden zal ? Zou je dan by me komen ? Doe het niet! M\'n moeder
houdt niet van je... doe \'t niet, Femke! Laat me sterven, en vraag
maar aan de buren waar ik begraven ben. Wil je dan \'s avends
op m\'n graf komen? Eens maar, ééns! Want ik begryp wel dat
je niet dikwyls komen kunt, om de bleek, en om al je werk, en
om je moeder, en om de menschen, die \'t gek zullen vinden als je
komt kyken naar \'t graf van \'n kleine jongen.
Maar, Femke, zoo heel klein ben ik niet meer! Ik word gauw
zestien, en heb \'n deenschen matroos gezien, die \'n zwaren baard
had, en kleiner was dan ik. .. wezenlyk !
Als ik ziek word, wou ik zoo graag dat ze \'t behangsel veran-
derden. Die bloemen en strepen hinderen me zoo! En er is een
bloem die gescheurd is, en ze lykt...nu eens op \'n gebroken toren,
dan weer op twee vechtende mannen. En ik wou dat ze op jou
geleek, maar \'t gaat niet! En dan maak ik me driftig dat die
bloem niet veranderen wil van vorm. En dan voel ik dat ik dom
ben, want... ze kan niet! En dan word ik nog driftiger.. .over
m\'n eigen domheid, begrypje ?
Och, Femken, ik geloof zeker dat ik weer ziek word! Het
sterven is niet treurig, dunkt me, maar dat ziek-zyn is zoo ver-
moeiend !
Zeg, waarom zou God de menschen niet tot zich roepen in volle
gezondheid? Waarom komt men met allerlei kwalen in den hemel ?
-ocr page 335-
WOUTERTJE PIETERSE.                             315
Ik wou juist zoo graag heel flink wezen als ik God zag voor \'t eerst!
Ik kan niet gelooven dat ik de oogen zou neerslaan, zooals in
den bybel staat! Waarom zou hy \'t aanzien zoo moeielyk maken!
\'t Is onvriendelyk! Eerst verlang ik naar hem — om allerlei vragen
te doen, weetje ? — en als ik hem dan eindelyk te zien kryg, zoud-i
me terstond blind schitteren? Femken, ik geloof het niet!
En als het tóch waar is... weetje wat ik dan zeggen zal? Dan
zal ik zeggen: God, dadrtoe ben ik niet gestorven! Niet daarvoor
kwam ik in den hemel! \'t Was donker in de bedstee waar ik ziek
lag, en die bloemen plaagden me zoo, en ik begreep zoo weinig,
€11 nu ik eindelyk goed en wel hier ben — in den hemel, weetje,
Femke — nu kryg ik niets te weten, en alles blyft even verward,
en niets gehoorzaamt m\'n wil, en in plaats van licht dat helder-
heid geeft, zou ik hier m\'n oogen moeten sluiten voor \'n licht dat
alles even donker maakt als in m\'n bedstee...
Ik doe het niet, Femke. Ik doe het niet! Ik sla m\'n oogen
niet neer!
En al zou God zeggen dat ik brutaal was, en dat ik daarom niet
blyven mocht in den hemel, ik doe het niet!
Want, zieje, waarom wou ik altyd zoo graag by God wezen?
Wèl, juist om alles te weten.
En als dat niet kan. ..
Ieder moet handelen naar z\'n overtuiging. Dat zal ik ook aan
God zeggen. Dat zal ik hem heel goed zeggen!
Ik wil hem vragen waarom-i de Grieken niet helpt ? Gut, Femke,
ze vechten zoo! En ik wou er zoo erg graag by wezen. Maar ik
moet eerst nogeens in den handel.
Ik heb je nooit zien voorbykomen op den Zeedyk, en ik was er
bly om Als ik je gezien had...
Ja, dat zou wel prettig geweest zyn, als ik maar niet juist m\'n
kerf buis had aangehad...
Maar toch, ik zou je verzocht hebben nooit weer in die buurt te
komen. Want...daar loopen veel matrozen die soms. . .onfatsoen-
lyk zyn. Voor my was \'t niets, weetje — gut, ik kan zelf al
vloeken, en gemeene woorden weet ik ook! — neen, voor my was
\'t niets! Ik heb eens «godverdomme" gezegd tegen \'n Rus die me
slaan wou. \'t Is heusch waar dat ik zestien word in September,
en ik zou best naar Griekenland durven gaan, vooral by \'t paar-
denvolk, omdat men dan gauwer by de Turken is. Op den Zeedyk
heb ik met één hand den winkeltrap over de toonbank gezet, en
m\'nheer Motto zelf zei dat ik veel sterker was dan-i gedacht had.
En vind jy \'t ook zoo erg slecht van me, dat ik aan dien ouden
soldaat ..
Nu, ook dat wil ik aan God vragen! \'t zal me benieuwen
wat-i zegt. Ik kon al die menschen tegelyk niet verstandig maken. ..
-ocr page 336-
3l6                                          MULTATULl.
De „massa" is niet dom, Femke, maar ze is...
Hoe zal ik je dat nu uitleggen? Als de jongens steenen op je
bleek gooien, zyn dan die steenen verstandig? Wel neen! Zyn ze
dan dom? Ook niet! \'t Zyn maar gegooide steenen. Begryp je \'t
onderscheid wel, tusschen dom of verstandig, en niet-dom of niet-
verstandig... niemendal ?
O, en hoe \'t afgeloopen is met Jacob Claesz! Dat zal ik vragen.
En waarom God hem niet geholpen heeft ? Als-i maar z\'n been had
gebroken, even voor \'t uitzeilen. \'t Had God maar één woord hoe•
ven te kosten! Neen... niet eens \'n woord. Hy heeft maar te-
willen! Och, men kan zoo gemakkelyk voor alles zorgen, als men
almachtig is! En daarom wou ik zoo graag.. wat grooter zyn.
En jy zou prinses wezen. Niet omdat ik grootsch ben, maar.. .
dan kon je my beter helpen in alles. We zouden samen alles uit-
roeien wat verkeerd is, en de menschen dwingen om goed te zyn,
en. .. nooit iets te zegen wat niet precies waar is.
Waarom zorgt God er niet voor, dat ze de waarheid zeggen?"
Vraag \'t eens aan pater Jansen. Maar myn... dominee — onze
paters heeten dominee, weetje ! — myn dominee gaf me nooit \'n
antwoord dat ik begrypen kon.
Weetje wat-i zei? Hy zei dat God groot was, maar...we begry-
pen hem niet! Waartoe dient dan de katechizatie? En wat hebben
we aan z\'n grootheid, als ze onbegrypelyk is? Daar zit juist de
zaak. . ik wou hem wél begrypen! En jy zeker ook ?
Vind jy \'t mooi van Gcd, dat-i zoo onbegrypelyk is? Je moet
denken: hy is almachtig, en kon dus heel eenvoudig...
Kyk, de zaak is zoo, Femke. Hy kan zeggen: daar zy begrip,en-
er is begrip!
Want... begrip en licht is \'t zelfde, weetje!
En, Femke, denk eens, als ieder altyd alles begreep, zouden er
geen slechte menschen meer zyn. En dan kon de koning wat rust
nemen, want ieder zou zonder bevel of verbod, precies weten wat-i
te doen en te laten had! Zou je dat niet mooi vinden ?
\'t Is waar, dau hoefde ik niet naar Griekenland! Want alle-
Turken zouden dan op-eens... christenen worden, en aan niemand
kwaad doen.. .
Maar... christenen doen ook wel eens kwaad. Hoe komt dit toch,
als hun geloof zoo goed is als ze zeggen? Ik kan je wel twintig-
oorlogen noemen — met de jaartallen er by, Femke — van chris-
tenen tegen christenen. Hoe vind je dat?
— En by eiken oorlog bidden ze aan beide kanten.
Hoe redt God zich uit al die gebeden ? Hy mag niemand in nood\'
laten, die gedoopt is en hem wat bidt om Jezus\' wil. Ik zal \'t hem vragen.
Als ik er ben — in den hemel, meen ik — en ze bidden dan
weer zoo tegen elkaar in... weet je wat ik zeggen zal ? Ik zal zeggen r
-ocr page 337-
WOUTERTJE PI F. TERS E.                             317
houd eerst op met vechten! Dan zal ik zien wie gelyk heeft, en
ieder \'t zyne geven naar behooren.
Want dat eeuwige vechten is te ruw. \'t Is Turkenwerk. Menschen
van goed geloof kunnen op beter manier te weten komen, wat
recht is.
Maar God schynt er niet op te letten. En dit zal ik hem flink
zeggen.. .als ik ziek word van verdriet, en sterf, en in den hemel kom.
Hy wéét niet hoe raar \'t hier op aarde soms toegaat, en denkt
misschien dat alle menschen precies leven naar de Schrift. Dat is
niet waar! Ik zal \'t hem zeggen.
En ook... .dat er \'n nieuwe Schrift noodig is. Een beetje duide-
lyker, weetje? En al die koningen Israels hoeven er niet in. Dat
geeft niemendal! Zou jy \'r beter om bleeken, Femken, als je de
namen wist van al de bleekmeisjes uit den ouden tyd? Gut, dat
doet er zoo weinig toe!
Maar wèl zou \'t goed zyn als je wat beter zeep had — ze ruikt
zoo! — en als de jongens niet met steenen gooiden. God moest
maken dat ze geen pleizier hadden in kwaaddoen, en dat de zeep...
Dit is nu zóo, Femke. Er groeien veel dingen... in de aarde,
boven de aarde, in de zee, ja zelfs in de lucht. En alles kan ge-
bruikt worden, als wemaar weten hoeï Dit moeten we trachten
te leeren, en als we ons daarmee yverig bezig-houden vinden we
telkens wat nieuws. Oom Sybrand heeft gezegd dat er \'n tyd komen
zal dat men \'n zwavelstok kan aansteken aan den muur!
Dit kunnen we nu moeielyk gelooven, Femken, omdat we... .
dom zyn. Want jy en ik zyn wèl dom, maar. .. we kunnen wat
leeren. En... daartoe leven wy. Zóó is \'t eigenlyk, zou ik denken.
Ik wil je uitleggen, Femke, waarom ik dat geloof. Er was \'n tyd
dat men geen boek kon drukken. Alle werken waren maar ge-
schreven met de pen, en de gezangen ook, en de psalmen ook, en
de gebeden ook — verbeeldje, hoe lastig in de kerk! — zoodat
het heel wat in-had, \'n boek te krygen. De menschen hadden
kramp in de vingers van al \'t geschryf. En nu ? Gut, by m\'n ge-
wezen patroon — hy is weggeloopen naar Amerika — stond \'n
heele winkel vol boeken, en de menschen betaalden maar \'n gulden
per deel... als pand, weetje ? En vóór de uitvinding van die kunst
van drukken — \'t gebeurde te Haarlem in den Hout, en ik zou je
de zaak precies kunnen vertellen, want er zyn verssies op gemaakt —
nu, toen was \'n boek zoo duur, zóó duur, dat... byna niemand
wat te lezen kreeg. En nu betaal je voor \'n heelen almanak...
met de verjaardagen van koning en koningin er by, en ook \'t weer,
en de groenten die je zaaien moet, en paasch, pinkster en hemel-
vaart, en de kermissen, en de maan, en de paardenmarkten, en
printjes van nederlandsche heldendaden. . . och, Femke, dat alles
koop je nu voor één dubbeltje! Is \'t waar of niet!
-ocr page 338-
318                                          MULTATULI.
Dit had vroeger onmogelyk geschenen, en wie \'t voorspeld had,
zou niet geloofd geworden zyn. Toch is \'t gebeurd!
Zóó zal \'t ook gaan met die zwavelstokjes zonder vuur, en...
ze zullen ook wel eens zeep leeren maken die niet zoo leelyk riekt.
Want, Femken, als ik \'n schoon hemd aantrek, word ik misselyk,
en dat kan toch Gods wil niet zyn!
Ik denk dat-i er pleizier in heeft dat we zoo sukkelen, om eens
te zien of we ons wel weten te redden. Heel goed! Maar dan mag
hy ook niet boos worden als we dikwyls den verkeerden weg op-
gaan, want als we dien kenden, zou er in \'t vinden geen kunst
liggen. En hy helpt ons niet. Ook heel goed! Maar wat doet-i dan
met z\'n Almacht?
O, Femken, als ik almachtig was, ik zou je.. .
Neen, ik zou beginnen met alles te begrypen, en alles te doen
begrypen! De engelen moesten \'n katechismus maken met honderd-
duizend vragen, en.. . antwoorden! Goede wezenlyke antwoorden,
weetje, en geen bybelteksten die geen mensch begrypen kan.
Kyk, zóó — maar de antwoorden zet ik er nu niet by, omdat
ik ze niet weet:
Waarom valt \'n appel?
Groeit \'n doom van-boven of van-onder 1
Waarom ben ik zoo verdrietig?
Waaro?n gaapt men elkaar na ?
Hoe iveet iemand of de pyn die hy in \'t hoof d voelt, hoof dpyn is?
H aar woonden de vliegen toen de menschen nog geen huizen
hadden ?
Hoe wist Adam dat hy eten moest als-i honger had? En waarom
bracht-i de spys naar den mond, in-plaats van ze tegen de maag
te drukken?
Hoe vers ton d-i Gods taal?
Zou Stoffel wel eens \'n fout gemaakt hebben?
Waarom begryp ik nooit wat juffrouw Laps zegt? Is \'t waar
dat zy de genade heeft? Hoe kom
ik er aan ?
Wat moet \'n mensch doen om veel te weten, om... alles te weten?
Alles\' Hm?
De lezer ziet dat Wouter\'s bescheidenheid zich niet uitstrekte
tot de res divinae, en dat wèl beschouwd de »Heer" meer reden
dan juffrouw Pieterse zou gehad hebben, hem z\'n ïbrutaligheid"
te verwyten.
Toch klaagde zy altyd, en de »Heer" zweeg. Hy was goeder-
tierener dan zy.
Ik roep de Amsterdamsche buitensingels en de spaden" in den
omtrek van Femke\'s huisje tot getuigen, dat ik z\'n mymeringen
hoogst-onvolkomen heb weergegeven. De vraag is of hyzelf in-staat
-ocr page 339-
WOUTERTJE PIETERSE.                             319
zou geweest zyn tot meer nauwkeurigheid. Neen, dit was-i niet!
Hy zou \'t er nog slechter afgebracht hebben dan ik.
De schildering der gedachten die hem bezighielden, is hierom
zoo moeielyk wyl hy ze niet beheerschte en ze dus meer onderging
dan voortbracht. De lezer zal opgemerkt hebben dat hy onder den
invloed was van tegenstrydige aandoeningen die zich z\'n ziel sche-
nen te betwisten. Wel brak hier-en-daar \'t gezond verstand door,
maar onbestuurde fantazie speelde de hoofdrol, \'t Gevoel was er.
De Verbeelding was er. De Moed was er. ..
Nu ja, en toch.. . toch...
Ik beroep me weer op \'t overhoop-gehaalde »moeder\'s naaikistje."
Wouter grabbelde met onbescheiden hand in de gegevens die
moeder Natuur in z\'n gemoed had neergelegd.
Dat er onder die gegevens ook anderen waren, dan de door Da
Costa genoemden, spreekt vanzelf. Doch ik zei reeds dat we die
misschien te beschouwen hebben als corollair.
Het sentimenteele is voorzeker \'n uitvloeisel — \'n leelyk uitwas
vaak! — van sentiment. En \'t sentimenteele was er!
Moed? Wel zeker! En meer dan dat zelfs, of... iets anders dat
er heel uit de verte op geleek. We zagen immers dat er vermetel-
heid en lust in uittarting huisde onder al dien kinderlyken schroom ?
Overmoed dus... \'n leelyk ding! Maar toch... \'t is niet ieder
gegeven, God te roepen ter verantwoording, en pruimtabak te le-
veren aan \'n zondebok van de »massa."
En de Verbeelding-t
>Nu, daaraan ontbrak het hem waarachtig niet!" hoor ik den
lezer roepen. Juist. Maar ook deze hoedanigheid openbaarde zich
op niet gewone wys. Men moet erkennen dat Wouter\'s idealen niet
precies gekopieerd waren uit z\'n romans. Iets dat anders wel eens
\'t geval is by sommigen die in sentiment doen, of daarover schry ven.
En ook \'t hysterisch element — wie \'t weglaat by mensch-
schilderen of geschiedschryven, is \'n knoeier~of \'n huichelaar, d. i.
beide tegelyk — ontbrak niet!
Er staan of liggen my \'n paar beelden voor den geest, die de
stemming van Wouter\'s gemoed redelyk zuiver voorstellen, maar...
ze klinken onklassisch. In-godsnaam — d. i. ik wil niet verantwoor-
delyk zyn voor \'t litterarisch gehalte — Wouter\'s ziel geleek op \'n scho-
tel melkpap waaruit de bliksem schoot, op \'n donderend bloembed.
Eiken keer als-i uitging om Femke te zien, meende hy bedroefd
te zullen wezen als \'t weer mislukte. Maar na \'n paar alineaas ge-
peins vergat hy. .. Femke niet, maar z\'n lust om haar in persoon
te ontmoeten. Z\'n mymeren, en hopen, en wenschen, en droomen...
dit alles was hem Femke. De mogelykheid bestond dat ze, op-eens
vóór hem staande, onvriendelyk zou ontvangen zyn, en dat hy,
-ocr page 340-
320                                          MULTATULI
onverhoeds door haar teruggeroepen in... \'n andere werkelykheid
dan die waarin hy zweefde, haar had toegevoegd:
—   Ach, had je me niet nog \'n oogenblik kunnen alleen laten ?
Ik vroeg juist iets aan God. Wie weet of-i ditmaal niet zou ge-
antwoord hebben!
\'n Zonderling vryertje!
Éénmaal slechts verzette zich iets tegen den loop zyner gedach-
ten. Hy voelde zich leeg, en te dom om verdriet te hebben over
domheid. Misschien was de oorzaak van stoffelyken aard. We zyn
zoo afhankelyk van huiduitwaseming, onderbuik, tandpyn, weers-
gesteldheid... zeker, maar: waarom toch, o God? zou Wouter ge-
vraagd hebben, als-i geweten had wat hem schortte.
Eens dan was-i niet opgewekt om deze of dergelyke vragen te
doen, en hy verveelde zich. Z\'n stemming zakte laag genoeg om
hem ditmaal werkelyk behoefte te doen voelen aan Femke zelf,
aan Femke met haar frisch gelaat, met haar reinen blik, met haar
vriendelyken lach, de Femke die onpoëtische lengte, breedte, hoogte
en zwaarte had. ..
—  Ik wil haar zien, riep hy, ik wil\\ En als vrouw Claus weer
naar wurmen vraagt... \'t kan me niet schelen : ik wil Femke zien !
Hy trad het erf op, en klopte aan. Er werd „binnen" geroepen.
Dit was wel \'n beetje wreed, want er hoort heel wat toe, om zoo\'n
klink optelichten! Maar Wouter dééd het. Misschien dacht-i aan
Missolunghi en dien heldhaftigen Lord.
De Turken die hy ditmaal tegenover zich zag hadden geen ver-
schrikkelyk voorkomen. Ze waren ongewapend en vermoordden
geen enkelen zuigeling.
Maar... Femke was er niet by.
Vrouw Claus stond allerhuiselykst aan \'n wasemende waschtobbe —
de zeep stonk. ..turksch! — en pater Jansen rookte even huiselyk
\'n goudschen pyp.
—   Zoo, jongeheer, ben jy daar? Komaan, dat \'s goed! Dat \'s
nou \'t jongetje dal aan onze Fem die mooie prent gaf, weetje,
pater ?
De pater knikte hem vriendelyk toe, en rookte welbehagelyk door,
zonder \'t minste blyk te geven van byzondere godzaligheid.
—  Ja, juffrouw, ik kwam \'ns kyken of...
—  Daar doe je goed aan, jongen! Wil je-n-\'n boterham ? En hoe
maakt \'t je moeder? Is ze weer beter? Ze-n-is ommers ziek ge-
weest? Hy is \'n goed jongetje, pater. Fem heeft het gezeid. Is je
moeder weer neter? Ze was ommers ziek, niet waar? Koorts...
of.. . \'n beroerte, of... wat was \'t ook ?
-ocr page 341-
WOUTERTJE PIETERSE.                                 321
—  Gut né, juffrouw...
—  Je moet me geen juffrouw noemen, want ik ben waschvrouw.
Ieder moet in z\'n stand blyven, niet waar, pater? Zóó, is je moe-
der niet ziek geweest? Nu, des-te-beter! Ik meende dat ze ziek ge-
weest was. \'t Zal \'n ander geweest zyn, \'n mensch heeft zoo veel
aan z\'n hoofd. Houd je van kaas? \'t Is leidsche.
De goede vrouw maakte een boterham gereed, kyk! Als Trui \'t
gezien had, was ze flauw gevallen. In de... zooveelste onderklasse
namelyk van t> Burgerstand\' II of III. (Pp) heerscht \'n fatsoenlyke
schrielheid die niet bestaat by wat men — gek genoeg, als by uit-
sluiting — den werkenden stand noemt. Arbeiders — mits de zoo-
danigen die hun geld niet besteden aan jenever — zyn minder be-
krompen in de toedeeling van voedsel aan hun gezin, dan de lieden
die hun kinderen fransche namen geven en de »Kersnacht" laten
reciteeren, of in andere fatsoenlykhedens doen.
Wouter had nooit zoo\'n boteram gezien. Hy wist waarlyk niet
of-i het ding in de breedte of in de dikte moest ontleden, maar de
richting van den kaas wees hem welwillend den weg. Ronduit gezegd...
O, realistische Fancy?
. .. ronduit gezegd, vrouw Claus beviel hem byzonder!
En pater Jansen ook, schoon deze zich heel anders vertoonde
dan Wouter verwacht had.
By de bekrompen stiptheid van opvatting die hem eigen en \'t
gevolg was van z\'n oprechtheid, had hy altyd gemeend dat \'n pas-
toor, \'n geestelyke, \'n godsman, geheel-en-al vervuld moest zyn
van bovenaardsche zaken. Wel was hy reeds eenigszins van deze
dwaling genezen door aanraking met huis- en andere dominees,
maar toch ook deze soort van godverkondigers — hoe aardsch dan
ook, en onzienerlyk! — hadden zich steeds aan hem geopenbaard
op \'n manier die hem dwong hen aantezien voor iets byzonders.
Ze droegen geen kemelsharen kleed, dat \'s waar, maar ze hadden
\'n driekantigen hoed op \'t hoofd, en heel andere broeken aan, dan
menschen die in aardsche zaken doen. Misschien zou Johannes zich
ook zoo gekleed hebben, als-i Jezus komst had moeten aankondigen
te Amsterdam, waar geen woestynen zyn en maar heel weinig
sprinkhanen. Wouter wist alzoo \'t kostuum der leeraren in zyn kerk,
vry wel pas te maken by z\'n indrukken. En dit kostte hem op \'t
eerste gezicht even weinig moeite by pater Jansen, die werkelyk \'n
ander jasje droeg dan menschen die niet van God, hemelryk en
geloof leven.
Maar... de houding! Maar. .. \'t spreken ! Maar... de toon!
De aan Wouter bekende dominees waren in hun voorkomen en
gesprekken wel niet... heilig, maar ze spraken toch als \'n boek,
21
-ocr page 342-
322                                           MULTATULI.
en hoestten heel anders dan stervelingen en leeken. Dit nu was by
pater Jansen \'t geval volstrekt niet. De man was, zoo-al niet een-
voudig als \'n wysgeer, dan toch ongemaakt als \'n boer. Van pedan-
terie vond men by hem geen spoor, en hy zou werkelyk zéér hoog
hebben gestaan als-i minder onnoozel geweest was. Geestelyke hoog-
moed was hem onbekend. Hy bezocht de schaapjes van z\'n kudde
zeer trouw, en... de armen by-voorkeur, niet uit pronkerigen wel-
dadigheidszin — hyzelf was doodarm — maar omdat-i in de lagere
standen zich meer op z\'n gemak voelde. Ook hield hy veel van
boterammen van de soort als die vrouw Claus gewoon was haar
gasten voortezetten. Overigens bediende hy stipt de mis, sprak nu-
en-dan \'n preekjen over de zonden van den dag — de lezer heeft
er een te-goed! — katechizeerde, konfirmeerde, absolveerde... alles
zonder de minste pretensie op hoogheid. Hy oefende z\'n... ambt
uit, als \'n beroep of ambacht, en dacht er niet aan verschil van
toon te leggen in de mededeelingen: dat hy »by de kerk" was ge-
gaan, en: dat z\'n broers in Noordbraband de zaak van z\'n vader
voortzetten, die hoefsmid en herbergier was geweest.
—   En wat wil jy worden, jongeheer? vroeg hy aan Wouter.
Want. .. ieder moet wat worden in de wereld. Heb je geen zin in
boekbinden ? Dat is \'n goed vak.
—   Ik ben... in den handel geweest, m\'nheer, en... ik ga er
weer in.
—   Wel, jongen, dat \'s goed! Dan kan je-n-\'n ryk man worden.
Vooral hier te Amsterdam, want... Amsterdam is \'n handelstad.
Wouter sprak \'t niet tegen. Jazelfs, hy had wel lust gehad er by-
tevoegen: t\'t is de grootste koopstad van Europa, m\'nheer!" Maar. . .
hy was verbluft door \'t... onhemelsche van pater Jansen\'s taal.
Niet dat hy daarin iets afkeurde, o neen! Maar... \'t bevreemdde hem.
\'t Zou nog erger worden!
—   \'n Jongetjen als jy moet goed eten... je ziet \'r bleekjes uit.
M\'n broer by Vucht knypt \'n hoefyzer krom. Wat zeg je daarvan ?
Heb je wel \'ns noordbrabandsche mik gegeten? \'t Is\'t beste brood!
Maar ham is ook niet kwaad, \'n Mensen, die niet goed eet, wordt. ..
kreuzelig. Ik eet altyd twee boterammen als ik by Vrouw Claus
kom, maar ik ben lang zoo sterk niet als m\'n broer. Gut, je moest
de Vuchter kermis \'ns zien! Dat\'s me-n-\'n pret!
Het zou inderdaad jammer wezen, indien de lezer zich voorstelde
dat de toon van deze gesprekken onzen Wouter • onaangenaam aan-
deed. Volstrekt niet. Maar verwonderd was-i. Luchtiger, makkelyker,
ongesierder had-i nog nooit boodschappen uit den hemel t\'huisge-
kregen! En uit den hemel kwamen ze toch, de woorden in vrien-
delyk brabandschen tongval — \'n ongemaaktheid te-meer! — die
-ocr page 343-
WOUTERTJEPIETERSE.                              323
pater Jansen ten-beste gaf tusschen de rookwolken van z\'n
pyp in.
O, zeker niet, verstoord was Wouter niet! Menige boekerig-val-
sche verhevenheid neep hem dieper wond, dan deze goedig-huisbak-
ken gewoonheid. Ook zyn Fancy was goedig, en bourgeois, en
onopgesmukt... als \'t haar zoo \'ns in den zin kwam! Ook zy zou
den neus niet hebben opgetrokken voor „mik" en kermispret!
Maar... Wouter meende juist dat dit \'n fout van haar was! Hy
beschuldigde z\'n smaakjes, hebbelykheden, lusten en grillen van
verregaande onaanzienlykheid.
En zie, daar zat \'n man met \'n vreemden jas aan — en dus tot
verkondiger geykt! — zoo gemoedelyk te praten alsof er geen God,
geen genade, geen geloovery — en geen hel vooral! — in de wereld
was! Die man kende God — hy werd er voor betaald! — en was
kinderlyk verheugd over de kracht van z\'n broer, den smid! Die
man was van beroep: zaligmaker, en toch hield-i van kaas en dikke
boterammen!
Nog nooit had iets dat van God scheen te komen, zich aan
Wouter zoo liefelyk geopenbaard. Maar hy aanvaardde de bood-
schap met schroom, en dacht, en dacht, en.. . zei:
—  M\'nheer, ik wou zoo graag weten wie God is!
Pater Jansen keek vreemd op. Hy scheen te twyfelen of-i wel
juist verstaan had. Eindelyk:
—  Wèl, dat is heel goed van je! Dan moet je...
—  Maar, pater, riep Vrouw Claus, \'t kind is niet van de kerk!
Ben je wèl, jongen, of heb ik \'t mis?
—  Ja, juffrouw, ik ben wèl van de kerk, en al aangenomen ook,
maar...
—  Nu ja, aangenomen, maar.. .
—  Op de Noordermarkt, juffrouw!
—  Juist, maar zieje, in die kerk. ..
De goede vrouw had het hart niet, of hart te veel, om hem te
zeggen dat die aannemery niet de rechte was.
—  Ben je... by-voorbeeld, om nu eens iets te noemen, ben je
gevormd ?
—  Gevormd?
—  Wel zeker! Want als je niet gevormd bent...
Wat Wouter \'n zonderling gezicht zette! Hy niet gevormd!
.. .als je niet gevormd bent door den bisschop, dan... zieje...
dan...
In-godsnaam? Wouter moest tot z\'n schaamte erkennen dat-i \'n
-ocr page 344-
MULTATULI.
324
ongevormd wezen was, \'n molcs, \'n „massa" misschien, een van de
ergste dingen die hem konden overkomen.
—  Wie God wil leeren kennen, moet braaf leven, zei pater Jansen.
—  Wel zeker, vulde Vrouw Claus aan, en de artikelen des ge-
loofs van-buiten leeren. Die moet je-n-onze Fem \'ns hooren op-
zeggen. Dat \'s \'n lust, niet waar, pater? Ze-n-is m\'n eigen kind,
maar... dat \'s me-n-\'n meid!
—  Ja, Femken is \'n heel braaf meisje, zei ds pater, en ..
Wouter had hem wel om den hals willen vliegen.
.. .ik heb nooit moeite met haar.
Dit klonk minder mooi, en zeer professioneel. Zóó meende het
dan ook pater Jansen. Z\'n bedoeling was dat de smetjes op de
ziel van \'t meisje zich zoo makkelyk lieten afwisschen. Hy sprak
ongeveer als \'n keukenmeid die haar yzeren pot pryst omdat-i »zoo
goed schuurt."
En de pater had nog meer lof voor Femke ten-beste. Ze had
z\'n onderbroeken zoo netjes versteld !
O Fancy!
Neen. .. alweer stuitte deze triviale loftuiting Wouter\'s schoonheids-
gevoel niet, of althans z\'n schoonheidsgevoel niet het meest. Er
kwam iets anders in het spel. De hoogheid van Fancy versmaadde
\'t rangverschil tusschen pater\'s onderbroeken en den melkweg, en
kon zich niet geraakt voelen, noch door \'t burgerlyke, noch door
ongekleedheid. .. zy die gewoon was alles naakt te zien, paters en
Mensheid!
Een geheel ander element van wrevel begon meetespreken in \'n
deel van Wouter zelf, een deel dat ook door haar werd geduld en
begrepen, omdat niets haar vreemd mocht zyn, zelfs niet het
menschelyke... vooral \'t menschelyke niet!
Wouter was zesden jaren oud, reeds \'n kleine man dus, en...
iets anders nog: \'n mannetje!
Wat hoefde Femke zich intelaten met dien pater z\'n onderbroek !
—  Ja, zei de moeder, handig is ze-n-als \'n weerliggie! Is er niet
wat van je stuk, pater? Stuur \'t maar gerust hier!
. -           .
Wouter gloeide. Waren \'t dan in-godsnaam maar halskraagjes,
kousen, of... ziedaar — als \'t dan volstrekt iets wezen moest van
verdrietigen aard — al was \'t dan maar \'n bovenbroek!
.. .stuur \'t maar hier, pater, want al is onze Fem er niet.. .
-ocr page 345-
WOUTERTJE P1ETERSE.                              325
Wa£r zou ze wezen?
...ik zal je boeltje wel heel maken! Dat kan ik ook nog wel!
Goddank! Beste lieve heerlyke Vrouw Claus! Doe het, doe het,
doe het, en laat Femke waar ze-n-is!
Maar... waar zou ze zyn ?
Zoo dacht Wouter. Ziehier wat-i *«, de leugenaar, de gauwdief
de huichelende booswicht... het menschje:
—   Hé, \'t is waar ook, Vrouw Claus, ik zou waarlyk haast ver-
geten hebben te vragen waar toch uw dochter Femken is?
—  Fem ? Wèl, die is by \'n nicht van ons, die \'n meid ziek heeft
want. . .we zyn van heel goeie familie, jonge-heer! Fem is by de
kinderen van onze nicht.
Moed om te vragen waar die nicht woonde, had Wouter weer
niet. De deugniet zette \'n gezicht alsof-i geheel-en-al voldaan was.
Na eenig toeven en dralen en kuchen en heen-en-weer schuiven
op z\'n stoel — Wouter wist nog niet hoe men \'n bezoek afbreekt:
velen leeren het nooit! — verliet hy met pater Jansen \'t huisje.
-ocr page 346-
*
Het verregaand liberalistnus van juffrouw Pieterse is oorzaak dat de lezer
ditmaal niet te weten komt waarom pater
Jansen zoo doof was aan z\'n linkeroor.
— Wil je me-n-\'n pleizier doen, zei de goede man, loop dan aan
m\'n rechterzy, want ik ben doof hier.
En hy wees op z\'n linkeroor.
—   Ik zal je vertellen hoe dat komt. Toen ik \'n kleine jongen
was.. .kan je goed klimmen?
—  N.. .é, m\'nheer!
—  Zoo? Nu, ik wel! In heel Vucht was geen jongen die zoo
goed kon klimmen als ik. Weetje wat ik gedaan heb? Ik heb
eens \'n bloempotjen uit \'n venster van de derde verdieping gehaald.
En... onze pastoor was niet gemakkelyk, in \'t geheel niet! Hywou
me niet aannemen voor ik \'t potje had teruggebracht, en excuus
gevraagd aan de oude juffrouw. Want het was \'t potje van \'n
oude juffrouw. En toen is zyzelf naar den pastoor gegaan om
voor my te spreken. En aangenomen hééft-i me! Maar aan de
twintig confiteors zat ik vast, hoorje, vast als \'n bliek aan den
hoek. Ik hou niet van bliek...\'t is \'n gemeene visch. Nu, er
was niemendal aan te doen! Gut, de man was zoo streng...
Maar ik zou je vertellen waarom ik zoo doof ben aan m\'n
linkeroor.
Op \'t simmenarie was \'n student...hy is nu kanunnik, ergens
in de Rynlanden, en zal wel bisschop worden ook, en misschien
wel paus, want... knap was-i! Ik zal maar zeggen dat-i... Vink
heette.. .maar z\'n naam was anders, dit begryp je. Die Vink was
\'n slechte jongen. Maar nooit kreeg-i straf, want hy paste goed
op z\'n tellen! Help \'ns kyken, of-i geen bisschop wordt, of... paus!
Je moest hem \'ns hooren als-i \'n brok uit de Vulgata opzei I Hy
-ocr page 347-
WOUTERTJE 1\'IETERSE.                                327
kon drie uur spreken achter elkaar, en vergiste zich nooit in
\'n tekst.
Er was er maar één onder de jongelui die byna tegen hem op
kon... in leeren, weetje, en in kennis, en in latyn, en zoo-al. Maar
in gedrag...
Neen, neen, neen, die ander was heel goed van gedrag. Zoo
goed als Vink durfde denken, maar...hv stond niet op zoo\'n
goeden voet met de professers. Ik mag je z\'n naam wel noemen,
omdat-i dood is, en bovendien ik heb niets dan goeds van hem te
zeggen...hy heette Kruger. O, \'n beste jongen! Dit kan ik je
verzekeren.
Ja, Kruger was \'n beste jongen, en byna zoo knap als Vink...
misschien wel knapper. Somtyds wist onze rektor zelf niet, wie
de eerste wezen zou, en de studenten maakten er weddenschappen
over. Ik verloor altyd want ik wedde op Kruger. . .omdat ik zoo-
veel van hem hield.
Eens nu, toen de tyd van \'t examen naderde, was Kruger\'s
vader ziek geworden — ik kende den man heel goed, hy was
bakker in Tilburg •— en Kruger moest onverwachts naar huis. Dit
speet hem zeer, want hy was Vink \'n paar punten vóór, en zou
zeker de eerste gebleven zyn als-i maar had kunnen doorwerken.
We hadden alle dagen de gewone lessen, en daarvoor kreeg-i nu
geen punten. Maar dit zou niemendal geweest zyn, als-i maar kon
meedingen in \'t Specimen, klasse: rhetoriek-eerste, en: theologie-
derde.
Daarvoor worden hooge punten gegeven, weetje, en wie
daarin wint, kan de punten van de kleine les best missen.
We hadden in rhetoriek-eerste dat jaar: de eloqueniid, en in
theologie-derde: de substantie, archangelorum. .. heelemoeielyke stuk-
ken, dit voelje wel!
Kruger zond z\'n: de eloquentid van-huis — en\'t was heel goed...
mooi, hoor! — maa hy schreef aanonzen pater theologie-derde:
dat-i \'n: de substantie archangelorum reeds vroeger had behandeld...
verbeeldje, uit liefhebbery! Je ziet dus wel dat-i heel knap was, en
lust in werken had. Want wie zóó-iets voor z\'n pleizier doet...
— Ben je nu heelemaal mal, jongen, of wat scheelt je. Loop jy
met \'n pastoor? Hoe kom je nu in-godsheerennaam diiar weer aan ?
Hier, zeg ik je, hier! In huis.. .terstond! Heere-jesis-kristis, wat heb
ik \'n last van dat kind!
                                                                      *
Met deze woorden brak juffrouw Pieterse voor ditmaal de kennis-
making met pater Jansen af.
De weg dien de beide kinderen hadden ingeslagen, leidde voorby
Wouter\'s woning, en z\'n moeder die juist in onderhandeling was
met \'n groentejood over \'n paar kop stoof-appelen, verbeeldde zich
\'n beroerte te krygen van ergernis.
-ocr page 348-
—  Met \'n pastoor! Stoffel, kom \'ns gauw beneden.. .de jongen
loopt met \'n pastoor !
Tranen van smart schoten Wouter in de oogen. Hy vond pater
Jansen \'n lieve goede man die zoon bejegening niet verdiende. En
dit was de zuivere waarheid.
De goedhartige lezer hoopt immers dat al die ruwheid den armen
doove slechts bereikte aan den linkerkant?
Nu dit scheen wel zoo. Want toen Wouter hem zei dat daar z\'n
woning was, en dat-i geroepen werd door z\'n moeder, antwoordde
de man heel goedig:
—  Zóó...woon je daar? Nu dan zal ik je-n-\'n volgenden keer
vertellen waarom ik zoo doof ben aan m\'n linkeroor.. .heelemaal
doof, weetje?
Goddank! dacht Wouter, en hy wischte z\'n tranen af.
Het kwam hem voor dat z\'n moeder \'n zware zonde begaan had,
en dat \'n vyftigtal confiteors...
Of hoe heetten ook de dingen, waarmee op \'t „simmenarie" \'t
krabbedieven van \'n bloempot gestraft wordt?
—  Ah. . .ja, dit wou ik je nog even zeggen, kwam pater Jansen
terugkeerend hem verzekeren, die anjeliertjes van de oude juffrouw
Dungelaar... \'t was om de bloemen niet, en ook niet om den pot,
zieje, maar alleen omdat ik zoo\'n lust in klimmen had. Anders...
men moet nooit iets wegnemen wat \'n ander behoort, al staat het
nog zoo hoog. Dag, jongeheer !
En na \'n onverdiend-vriendelyken groet aan juffrouw Pieterse,
ging de man zyns weegs.
Stoffel erkende dat het zeer verkeerd was met pastoors te loopen...
—  \'t Is of-i mal is, zei juffrouw Pieterse.
—  Ja, moeder, stapelmal! Maar de oorzaak is eigenlyk dat-i geen
werk heeft, en maar zoowat rondslentert. Op zoo\'n manier komt er\'
nooit iets van hem te-recht.
Onze wysgeer had wel \'ns slechter gesproken, al zy het dan dat-i
in dit byzonder geval niet geheel-en-al gelyk had. Wouter liep niet
leeg. De zaak was maar dat-i niets tastbaars voortbracht. Stoffel
begreep noch wist iets van de gisting die in hem woelde.
—  Wel zeker, zei juffrouw Pieterse, \'t kind moet werk hebben.
Als-i maar letterzetten wou! Of in \'n schoenenwinkel. Gut, ik verg
niet dat-i zelf \'n schoen maakt!
—  Dat loopen met pastoors komt alleen voort uit ledigheid, moe-
der. Loop ik met \'n pastoor? Nooit! Waarom niet? Omdat ik alle
dagen naar m\'n school ga.
-ocr page 349-
WOUTERTJE PIETERSE.                                329
—  Ja, Stoffel, jy gaat alle dagen naar je school.
—  Anders...er zyn wel goede pastoors ook. Daar heb je, byv.
Luther, dat was ook \'n soort van pastoor. En wat deed-i?
—  Wel zeker, hy heeft de menschen griffermeerd gemaakt.
—  Luthersch, moeder! Nu, dat \'s byna \'tzelfde. We moeten niet
zoo bekrompen wezen, moeder!
—  Wel neen, \'n mensch moet nooit bekrompen wezen ! Precies
wat ik altyd zeg. Want, Stoffel, wat doet er \'n mensch z\'n geloof
toe, niet waar, als-i maar braaf is, en niet roomsch.
Enz. Enz. Enz.
Wouter sprak meer waarheid dan hyzelf wist, toen-i zich by Vrouw
Claus den rang aanmatigde van iemand die „in den handel" ge-
weest was, en weer „in den handel" gaan zou. Hy kwam er wer-
kelyk weer „in\'\'.
Door bemiddeling van zekeren leerkooper die — kommercieel
gesproken — zeer na verwant was aan de schoenen die voorgaven
uit Parys gekomen te zyn, werd ons heldjen aangenomen als jongste
bediende by \'n firma wier weledelheid iets minder apokrief was dan
de ons bekende zeedyksche van Motto, Handel & C\'e. Wouter zou
\'n nieuwen leertyd ingaan op \'t wereldberoemd kantoor van de heeren
Ouwetyd & Kopperlith.
De zaak erlangde haar beslag op \'n woensdag, en de nieuwe be-
trekking zou zonder fout aanstaanden maandag aanvaard worden.
Voor \'t evenwel zoover was, geschiedden er vreemde dingen die
waarlyk wel eenigermate de strekking hadden om Wouter te stem-
pelen tot iets wat-i niet was — god-bewaarme! — tot \'n romanheld.