-ocr page 1-
D?A.KÜYPEI\\.
AMSTERDAM. J.A.WORMSER.
-WHVMM
-ocr page 2-
-ocr page 3-
1 Wl> t,.,.
-ocr page 4-
-
-ocr page 5-
f-T
VOOR EEN DISTEL EEN MIRT.
-ocr page 6-
Wrn \\OÏZ>p-
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
A06000006334993B
0633 4993
-ocr page 7-
f
U.b, UTW-CHT
VOOR EN DISTEL EEN MIRT,
GEESTELIJKE OVERDENKINGEN
BIJ
DEN HEILIGEN DOOP, HET DOEN VAN BELIJDENIS EN HET
TOEGAAN TOT HET HEILIG AVONDMAAL,
DOOR
DR. A. KUYPER.
BIBLIOTHEEK DER
RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT
J. A. WORMSER.
AMSTERDAM
ify
-ocr page 8-
-ocr page 9-
De „Honig vit den Rotssteen" vond zijn weg voor
stichtelijk gebruik van algemeenen aard. Reeds zijn beide
bundels uitverkocht. De „Dagen van Goede boodschap"
voorzagen in de behoefte aan geestelijke lectuur op onze
Christelijke vierdagen. En de „Gomer voor den Sabbath"
bood zondagslectuur.
Ook zoo echter bleef er nog een leemte bestaan, die
voorziening eischte. Als ons een kindeke van God ge-
schonken is, en we ten Doop gaan, wil men iets over
den Heiligen Doop lezen. Eer men tot het doen van
openbare Belijdenis komt, wil men zich rekenschap geven
van wat zulk Belijdenis-doen inheeft. En als de Bediening
van het TI. Avondmaal weer wordt afgekondigd, heeft men
behoefte aan een woord, dat tot het hart spreekt.
Nu bestaan over deze heilige onderwerpen wel allerlei
oude en nieuwe geestelijke overdenkingen; maar de oudere
zijn in taal en stijl te vreemd voor ons jonger geslacht;
en wat in later jaren de pers verliet, is meer metho-
distisch, dan gereformeerd.
Vandaar deze uitgave, onder een titel, dien ik aan
Jesaia 55 : 13 ontleende: Voor een distel een mirt.
De Distel is het beeld van u en mij, gelijk we in zonde
ontvangen en geboren zjjn. De Mirt is wat God de Heere
-ocr page 10-
VI.
door zijn onwederstandelyke genade van ons maakt, als Hij
ons wederbaart ten leven, tot bekeering uitdrijft, verzegelt
met zijn Bondszegelen, en siert met bloesem en vrucht.
Daar nu de H. Doop „het bad is der wedergeboorte",
en het H. Avondmaal de voeding van het nieuwe leven
verzinnebeeldt, ligt in dien overgang van Distel tot Mirt
juist al dat rijke genadeleven uitgedrukt, waaraan het
Sacrament zijn oorsprong dankt.
Zoodra de Distel, zij het ook nog slechts in kiem of
levenswortel, door almachtige genade in den Mirt is
omgezet, komt de H. Doop.
Wie zelf tot de ervaring der ziele geraakte, dat de
Mirt bij hem uit den Distel uitgroeit, maakt zich op, om
openbare Belijdenis te doen van het Lam Gods , dat de
zonde der wereld wegneemt.
En wie voor de Mirt, die in hem ontlook, voeding
met het heilig levenssap begeert, verkondigt den Dood
zijns Heeren aan zijn Nachtmaal.
De bedoeling van deze geestelijke overdenkingen is, dat
men het Sacrament weer in eere herstelle, en daarom,
als men weer ten Doop gaat, zich eerst rekenschap geve
van wat men doet, en ook na den Doop zich in de
heerlijkheid en de beteekenis van dat Sacrament indenke.
Niet na maar vóór de Openbare Belijdenis zouden we
wenschen, dat de derde reeks door wierd gelezen, opdat
het doen van Openbare Belijdenis een werk des harten
voor God zij.
En wat de meditatiën over het H. Avondmaal aan-
gaat, £00 zagen we deze liefst ter hand genomen, niet
alleen wanneer men zelf ten Avondmaal gaat, maar tel-
kens als de Bediening van het H. Avondmaal in de
Gemeente wordt afgekondigd.
-ocr page 11-
VII.
"Wie aldus eenige jaren achtereen bij het Sacrament
geleefd beeft, zal er den invloed op zijn geestelijk leven
van ervaren; en onder den zegen des Heeren zullen ook
deze overdenkingen er toe medewerken, om bij velen, die
nu nog voor zichzelven als een dorre boom zonder bloem
of blad zijn, een heerlijke plantinge huns Gods te doen
uitkomen, dat het „den Heere tot een naam zal wezen, en
tot een eeuwig teeken, dat niet zal uitgeroeid worden".
KUYPER.
Amsterdam, 1 October 1891.
-ocr page 12-
-ocr page 13-
INHOUD.
i.
VAN HET HEILIG SACRAMENT.
Bladz.
I. ,Uw "Woord is mij een lamp voor mijn voet."
(Het Woord alleen niet genoeg.).......        1
II. „Door een spiegel in een duistere rede."
(Het Heilig Sacrament bij het Woord.).....        7
III.      „Hetgeen onze oogen gezien hebben."
(Het Sacrament en ons oog.)........ 12
IV.      „Eisoh u een teeken van den Heere."
(Het Sacrament een teeken) . . . ..... 18
V.      „E én lichaam is het."
(Het Sacrament de gemeenschap der heiligen.). . 24
VI.      „Gij nu zult myn verbond houden."
(Het Sacrament en het genadeverbond.) .... 29
VII. „Zonder mij kunt g\\j niets doen."
-ocr page 14-
X.                                                    INHOU».
Bladz.
VIII. „De Heere gebood ons to doen alle deze
inzettingen."
(Het Sacrament en de Goddelijke ordinantie.). . 41
IX. „Vermeerder ons het geloof."
(Het Sacrament en uw geloof.)....... 47
X. „Een zegel der rechtvaardigheid des geloofs."
(Het Sacrament een zegel des geloofs.) .... 53
II.
VAN DEN HEILIGEN DOOP.
I. „Deze is aldaar geboren."
(Overgang tot den H. Doop.)....... 63
II. „Zoovelen als gij in Christus gedoopt zijt."
(Ook gij zijt gedoopt.).......... 70
III.      „Laat u doopen."
(Verzuim van den H. Doop.)........ 77
IV.      „En het was de voorbereiding."
(Vóór den H. Doop.)..... ...... 83
V. „Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen?"
(Onder den H. Doop.).......... 89
VI. „Gij zult met den Heiligen Geest gedoopt
worden."
(De werking van Christus in den H. Doop.) . .
95
-ocr page 15-
INHOUD.                                        XI.
Bladz.
VII. „Mijn Verbood des vredes."
(Als »geloovige" brengt ge uw kindeke ten doop.) 101
VIII. „Wat verhindert mij gedoopt te worden ?"
(Doop van volwassenen.).........107
IX. „Opdat ik mijne geloften betale."
(De drie vragen bij den H. Doop.)......113
X. „De Getuige in den hemel is getrouw."
(De getuigen bij den H. Doop.).......118
III.
VAN DE OPENBA.RE BELIJDENIS.
I. „Leef" Ja, Ik zeide tot u in uwen bloede:
Leef!"
(Van den H. Doop naar het H. Avondmaal) . . 125
II. „Doet den Heere uwer vaderen God bely-
denis."
(Hoe een kind reeds zijn Heere belijdt).... 131
III.      „Ik bad dan en deed belijdenis."
(De nefenschool van het gebed). . . . .             137
IV.      „Zoo laat ons deze belijdenis vasthouden."
(De belijdenis uwer Kerk).........143
V. „De loffelijkheden des Heeren."
(Het kennen van de daden Gods.). . .        . . 149
-ocr page 16-
XII.                                                 INHOUD.
Bladz.
VI. „Een onberouwelijke bekeering tot zaligheid."
(Hoe reeds een kind zich moet bekeeren) . . . 154
VII. „Voor de menschen."
(Spreken, niet zwijgen).........160
VIII. „Ik zal u aannemen."
(Wie alleen ons aanneemt)........166
IX. „De band des vredes."
(Onze band aan de geloovigen).......172
X. „Om niet gerechtvaardigd."
(De bloemknop die ontlook) .......178
XI. „Een ieder wiens harte vrijwillig is."
(De kunst van het geven)........ 183
XII. „Leden gezet in het Lichaam."
(Volwassen lid van Christus\' kerk).....190
IV.
VAN HET HEILIG AVONDMAAL.
I. „Deze verborgenheid is groot."
(Het heilige der heiligen)........ 199
II. „Zijne genegenheid is tot mij."
(De bruid aan den disch van haar Bruidegom). 206
III. „De mensch beproeve zich zelven."
(Zelf beproeving)............212
-ocr page 17-
INHOUD.                                              XIII.
Bladz.
IV. „Uwe zonden zijn u vergeven."
(Gerechtvaardigd door het geloof)......219
V. „Verkondigt den dood des Heeren."
(Christus en die gekruist).........226
VI. „Met kracht versterkt in den inwendigen
mensch."
(De sterking van ons geloof)........233
Vn. „Totdat hij komt."
(Voorsmaak van hemelvreugde)......239
VIII. „Laat daar uw gave by het altaar."
(Oordeel over uzelven, als ge niet gaat.) . . . 245
IX. „Verzoen u eerst met uwen broeder."
(Ga nooit onverzoend.)..........251
X. „Om te doen gedenken."
(Lief en leed bij den Heiligen Disch.) . . . . 258
XI. „Een heilige kus."
(De medeaanzittenden)..........264
XII. „Het manna dat verborgen is."
(De bruiloft des Lams)......... 270
-ocr page 18-
-ocr page 19-
I.
HET HEILIG SACRAMENT.
-ocr page 20-
-ocr page 21-
I.
„ltr> Dood is mij een famp Door mijn üoei."
HET WOORD ALLEEN NIET GENOEG.
Uw woord is eene lamp voor mijnen
voet, en een licht voor mijn pad.
Psalm 119 : 105.
Het licht is voor den rechtvaardige gezaaid, maar
juist uit dit zaaiend fonkelen van het licht op zijn pad,
blijkt dat de weg waarop hij wandelt, nog gehuld ligt
in donkerheden en duisternissen.
Niet bij dag, maar juist in de donkerheid van den
nacht, zaait het firmament met zijn flonkerende starren
zijn schitterende glanzen over het aardrijk.
En daarom is niet de klaarheid van den dag, maar
de schaduwschemering van den nacht het beeld van
ons aardsche leven. Eens komt de eeuwige morgen.
En in de heerlijkheid, die dan zal uitbreken, komt de
klaarheid van den vollen dag; dien doorluchten dag des
Heeren, als er geen kaars meer ontbranden of geen
lamp meer ontstoken zal worden, maar de éene zachte
gloed van de Zonne der Gerechtigheid heel het Vader-
huis met zijn vele woningen verlichten en al Gods zalige
hemelen doortintelen zal.
Het licht is boven, de duisternissen stijgen uit de
diepte op. En daarom heet ook Christus de n Opgang
1
-ocr page 22-
2
HET WOOKD ALLEEN NIET GENOEG.
uit de hoogte" en God de „ Vader der lichten". God is
een licht, en er is gansch geen duisternis in Hem.
Dat prediken ons dan ook de teekenen des hemels.
Komt er geen licht van boven, geen licht van de zon,
of geen schijnsel van de inaan, of geen tinteling van
de sterren, dan ligt niets dan donkerheid over onze
landouwen uitgespreid en drukt de duisternis ons neer.
Zoo is het in de zichtbre schepping om ons heen, en
evenzoo is het in de wereld der menschenkinderen en
in de geestelijke wereld van ons hart.
Onze gang op ons pad door dit leven blijft een tasten
in nevelen en schaduwen, tot de zegen Gods en de
gunste Gods van boven ons pad opklaart.
En ook in uw ziel blijft het nacht, stikdonkere nacht,
tot ook u met al het volk dat in duisternis zat, het
licht in den Immanuël is opgegaan.
En toch is er nog een ander licht, dat soms op onze
donkere paden zijn schijnsel werpt.
Een licht, dat ook wel van Boven komt, maar niet
onmiddellijk.
Het licht der zon, en het schijnsel van de maan, en
de fonkeling der starren zendt God ons rechtstreeks van
boven. Daar brengen wij menschen niets aan toe. Dat
licht straalt even helder in de woestijnen waar geen
mensch woont, als in de landen, die van menschen
deunen. Dat licht is over de aarde even rechtstreeks
gespreid, als het licht van den Heiligen Geest recht-
streeks de binnenwereld van uw hart verlicht. Dat
er geen mensch zich in mengt. Dat God geen mensch
gebruikt, om het te ontsteken. Dat het er is en schit-
tert, gelieel builen den mensch om.
Maar buiten dat rechtstreeks afstralend licht, gaf God
ons ook nog het kunstlicht.
Hij besloot dat licht voor ons in den steen, dat de
vonk er wel kan afspringen ; maar niet tenzij de mensch
kome, en met staal of ijzer op dien steen sla.
-ocr page 23-
8
HET WOORD ALLEEN NIET GENOEG.
Hij besloot dat licht in het hout, maar zoo, dat het
eerst opvlamt, als de mensch komt, om hout tegen
hout warm te wrijven.
Hij besloot dat licht in de olie der olijven, maar om
het eerst door menschenhand uit die olijfvrucht voort
te brengen.
Hij besloot dat licht in de steenkool, maar om eerst
door den mensch uit die kool het gas te doen afzon-
deren.
Hij besloot dat licht in allerlei krachten en stoffen
der elementen, het huist wel in diezelfde electrische
vloeistof, die den bliksem formeert; maar ook het daarin
besloten licht heeft gewacht op de vinding van \'s men-
schen geest en de kunst van \'s menschen hand, eer het
God ter eere ons in het duister van den nacht ver-
lichten kon.
Ook al dit licht nu komt van God. Kunst van
menschen kan nooit licht scheppen, maar alleen licht,
dat God in de stof inschiep, uit die stof tevoorschijn
roepen.
En daarom ook in de kaars die schijnt en in de lamp,
die brandt, en in het gas of in het electrisch licht dat
schittert, wordt niet de mensch, maar zijn God ver-
heerlijkt; en verbleef hèm slechts de eere, om door
zijn God voor de ontsteking van dat licht gebruikt te
worden.
En zoo nu is het geestelijk ook.
Ook in de geestelijke wereld, die voor ons, zonda-
ren, in zoo diepen nacht gehuld ligt, gaf Gods genade
ons tweeërlei licht. Het éene rechtstreeks en onmid-
dellijk door zijnen Heiligen Geest; en het andere niet
onmiddellijk, maar als kunstlicht door menschenhand
ontstoken, in het Woord.
De Heilige Schriftuur kwam er niet zonder den
mensch. Het heeft God beliefd haar in menschenharten
te openbaren en door menschen/mnrf te laten schrijven.
-ocr page 24-
4                          HET WOORD ALLEEN NIET GENOEG.
Niet alsof ze daarom uit den mensch zou zijn, want
hoe zou er uit de duisternis van ons hart ooit éen
vonk van geestelijk licht hebben kunnen opgloren ?
Neen, alle vonk en alle glans, alle licht en alle schit-
tering, die in de Heilige Schriftuur voor ons tintelt,
is uit God, door God geschapen, van God ons gege-
ven, en geheel en al het kunstproduct van den Opper-
sten Kunstenaar.
Maar, en dit springt immers in het oog om ons die
Heilige Schriftuur te schenken heeft God den mensch
gebruikt. Het is in die Schrift menschelijke taal. Het
zijn woorden, gelijk ze onder menschen gesproken wor-
den. De letteren van het schrift zijn als des menschen
letteren. En zelfs waar God op den Sinaï zelf schrijft,
is niet dat goddelijk schrift tot ons gekomen, maar
bezitten wij slechts afschrift, dat daarvan geschreven
wierd door den mensch.
Zoo is dus de Heilige Schriftuur geen natuurYicht,
maar geestelijk kunstUcht.
En vandaar dat het Woord door den Psalmist ver-
geleken wordt niet met een zon, maar met een lamp.
«Uw Woord is mij een lamp voor mijn voet."
Voor onze ooren klinkt dat zeggen vreemd.
Als wij bij nachtelijk donker een moeilijk pad langs
moeten, nemen wij geen lamp mee, die terstond door
den wind zou worden uitgeblazen, maar een lantaarn.
Aan het woord «lamp" moet ge hier dan ook niet
hechten. De lampen in het Oosten waren anders. Een
soort brandende potten, gelijk nu nog wel in plaats van
toortsen of flambouwen gebruikt worden. Dat weet ge
uit de gelijkenisse van de maagden, die met zulke
brandende potten of toortsen den Bruidegom in triomf
begeleiden moesten.
Zoo zingt dus de Psalmist, dat Gods heilig Woord
hem bij den moeilijken gang langs de donkere wegen
van dit leven, een heldere flambouw, een klaar en
-ocr page 25-
HET WOORD ALLEEN NIET GENOEG.                          5
zuiver schijnend licht is, waardoor de donkerheid hem
in licht wordt verkeerd, en hij zijn weg met vasten
tred vervolgen kan.
Dit beeld nu spreekt in ons vlakke land niet zeer
sterk; want zoo donker is het bij ons hoogst zelden, of
een nuchter wandelaar vindt met tasten en zoeken nog
altoos wel zijn weg.
Maar de Psalmist zong in een bergland. En in een
land met bergen is het gevaar om door de donkerheid
mis te gaan, ja, zijn leven te verliezen, zooveel grooter.
Over de bergen slingeren zich geen effen breede wegen,
maar kronkelende, zeer oneffen paden. Soms teekent
zich zelfs gansch geen pad. En dan gaat het langs
diepe afgronden , waarbij éen mistred u van een duizeling-
wekkende hoogte zou doen nederstorten. En als er dan
geen gids is, die een licht in de hand houdt en vooropgaat,
is elk voortgaan onmogelijk, of uw dood is gewis.
En zoo nu is het beeld van ons leven, dat u getee-
kend ligt, niet in de vlakke velden, maar in het ge-
vaarlijke bergland, met zijn oneffen paden, met zijn
hoogten en diepten en rotskloven. Nu dalen we, dan
rijzen we. Telkens loopt ons pad langs afgronden. En
keer op keer staan we op een punt, dat er geen weg
meer is voor onzen voet.
En daarom is hierin voor wie God vreest de heer-
lijkheid, dat hij dien oneffen en gevaarlijken gang door
de donkerheden van het leven niet alleen behoeft af te
leggen.
Altoos gaat de trouwe Herder, gaat de goddelijke
gids of leidsman voor ons uit. En in diens hand is
een licht. En dat licht laat hij achter zich stralen op
het pad, waar wij te volgen hebben.
Dat licht is het Woord.
Zulk een licht op uw pad te zijn is juist de heer-
lijkheid van de Heilige Schriftuur.
Dat is het wat de eenzame pelgrim, temidden van
-ocr page 26-
6
HET WOORD ALLEEN NIET GENOEG.
zijn angst uit doet roepen: «Uw Woord, o Heere, i»
mij een lamp voor mijnen voet."
En toch, op den langen, bangen weg door het leven
kan ook het schijnsel van dat voor hem uitgaand licht
hem geen duurzamen vrede brengen.
Dat altoos voortgaan houdt hij niet uit.
Ten leste ziet hij zich op dat schijnsel, op die lich-
tende streep, star.
Een enkel maal moet die gids of leidsman dat licht
neerzetten ; den gang een oogenblik staken; en hem,
in plaats van dat schijnsel, den blik van zijn oog en
de warmte van zijn gemeenschap schenken.
Het Woord is het licht, om straks weer verder bij
te trekken.
Maar, juist om de kracht te bezitten, die bij dat
Woord met moed en geestdrift voort doet wandelen,
moet de gang bij dat Woord telkens afgebroken, door
het stille nederzitten en rusten bij hel heilig Sacrament.
-ocr page 27-
II.
„2)oor een spiegef in een duistere reoV\'
HET HEILIG SACRAMENT BIJ HET WOORD.
Want wij zien nu door een spiegel in
een duistere rede, maar alsdan zullen
wij zien aangezicht tot aangezicht; nu
ken ik ten deele, maar alsdan zal ik
kennen, gelijk ook ik gekend ben.
1 Cor. 13 : 12.
Hoe nu?
Gods Woord zou ween lamp zijn voor mijn voet en
een licht op mijn pad," en met den psalmist zou ik
zingen:
Hoe wonderbaar is uw getuigenis !
Dies zal mijn ziel dat ook getrouw bewaren;
Want de oopning van uw woorden zal gewis,
Gelijk een licht, het donker op doen klaren:
Ze geeft verstand aan slechten, wien \'t gemis
Van zulk een glans een eeuwgen nacht zou baren.
En is nu toch weer dat Woord van mijn God in
nevelen gehuld ? En moet ik nu toch weer klagen,
dat ik met dat Woord nog slechts als in een spiegel
op een duister iets staar?
Kan de heilige apostel dat meenen?
Diezelfde apostel, die in zijn tweeden brief aan de
-ocr page 28-
8                    HET HEILIG SACRAMENT BIJ HET WOORD.
kerk van Corinthe van datzelfde Woord en met het-
zelfde beeld schreef: //Wij allen, met ongedekten aan-
gezichte, de heerlijkheid des Heeren, als in een spie-
gel aanschouwende,
worden naar dat beeld (van Chris-
tus) in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heer-
lijkheid" (3 : 8).
En toch die schijnbare tegenspraak staat er zoo.
De éene maal schijnt van dat Woord het zuiverst
licht
uit te stralen, en de andere maal heet, wat dit
Woord ons bied!, zelf nog een nduistere rede.\'\'\'1
Doch waarom zou dit niet kunnen saamgaan?
Of is, als ge van //licht" en //duisternis" spreekt,
niet alles betrekkelijk?
Vergeleken bij een stikdonkeren nacht, zegt ge van
een nacht, waarin de volle maan schijnt, dat het alles
licht om u heen was. Maar vergelijkt ge zelfs dat
klaarste maanlicht met den verblindenden glans van
een zomersche middagzon, dan is het zelfs bij volle
maan nog een omtasten in schemerend duister.
En zoo is het ook in het genaderijk.
Vergeleken bij de afgodische duisternis in de tem-
pels, waarin de Egyptenaren voor Isis en Osiris hun
outer ontstaken, was het in de tente van Israël, waar
het smeekgebed tot Jehova wierd opgezonden, heerlijk
licht. Maar vergelijkt ge nu het volle licht in Christus,
dat wij bezitten, met het matte schijnsel dat Israël in
Egypte bestraalde, dan is het licht bij ons en wandelde
Israël in donkere schaduwen.
En dit nu is ook toepasselijk op het Woord.
Staart uw zielsoog in den stikdonkeren nacht, die nu
nog op Azië en Afrika rust, en slaat ge dan in uw
binnenkamer het Woord van uw God open, dan ver-
heugt ge u met dank en met aanbidding in het heer-
lijk licht, dat uit dat Woord op uw hart en op uw
levenspad straalt.
Maar, omgekeerd, verheft ge uw ziel opwaarts tot
uw God; tot Hem, die een ontoegankelijk licht be-
-ocr page 29-
9
HET HEILIG SACRAMENT BIJ HET WOORD.
woont en in wien gansch geene duisternis is; en poogt
ge u ook maar van verre een zwakke voorstelling te
vormen van de eeuwige heerlijkheid, die Immanuël
op den troon zijner Majesteit omringt; dan voelt ge
opeens den onmetelijken afstand, die het zwakke schijnsel
uit dat Woord nog afscheidt van de volle glansen, waarin
het kind van God zich daarboven eens verlustigen zal.
Reeds in dat Woord zelf is een overgang van minder
tot meerder licht.
Vergeleken bij de donkere schaduwen, die op Edom
en Moab rustten, wandelde Israël in het zaligst licht;
maar toen in Bethlehem en op Golgotha de volle glans
van den Immanuël was doorgebroken, heette Israël op
zijn beurt //een volk, dat in duisternis zat, en waarover
een licht was opgegaan."
En nu nog spreekt heel de Christenheid van de scha-
duiven
waarin Israël wandelde, en van het licht, waarin
thans de kerk des Nieuwen Verbonds zich verheugt.
Geen tegenspraak is het dus, maar slechts een andere
maatstaf, die wordt aangelegd, als van hetzelfde Woord
Gods de éene maal gezegd wordt, dat zijn glansen ons
«van heerlijkheid tot heerlijkheid", naar het beeld van
den Christus veranderen; en een ander maal, dat we toch
in dat Woord nog slechts een spiegel voor ons hebben,
en in dien spiegel turen op een altoos duister beeld.
Wat is dan die maatstaf, die hier wordt aangelegd?
Het is de tegenstelling tusschen het portret en den
levenden persoon zelf.
Bij gemis van den levenden persoon kan dat portret,
zoo het wel gelijkt en sprekend is, u alles waard zijn,
en, o zooveel vergoeden. Maar toch de levende per-
soon zelf is het niet. En hoe meer ge op dat afbeeld-
sel staart, en hoe sterker dat afbeeldsel de herinnering
aan den levenden persoon in u wakker roept, hoe die-
per het onbevredigd verlangen zuchten gaat, om van deze
afbeelding het oog te kunnen afwenden, en den levenden
persoon zelf te zien «van aangezicht tot aangezicht."
-ocr page 30-
10                 HET HEILIG SACRAMENT BIJ HET WOORD.
En, naar dien maatstaf nu, neen, dan bevredigt het
Woord u niet; maar wordt juist door het gedurig
staren op dat Woord, al sterker het zielsverlangen naar
Jezus zelf in u geprikkeld.
Dan wilt ge niet meer lezen van Jezus, maar Jezus
zelf hebben. Dan vindt ge ook in het vurigst geloof
geen ruste meer, maar verlangt gij naar aanschouwen.
En dat nu is het wat Jezus\' apostel uit eigen ziels-
ervaring, onder de leiding des Heiligen Geestes, voor
ons uitspreekt. «We wandelen thans wel door geloof,
maar ons ontbreekt het aanschouwen nog." En daarom
zuchten we in onszelven. Maar eens komt ook dat rijk
genot. Want zien we nu nog maar als in een spiegel
een duister beeld van den Christus, dan zullen "we zien
van aangezicht tot aangezicht, en zullen we kennen
gelijk we gekend zijn."
En omdat uw Heiland wist, dat juist door het Woord
deze natuurlijke zielsbehoefte in u zou gewekt worden ,
daarom gaf hij u bij het Woord het Sacrament.
Niet alsof het Sacrament die zielsbehoefte ten volle
kon bevredigen. Die volle bevrediging\' komt eerst na
uw scheiden van deze wereld, uw doorgang door den
Dood , en uw ingang in het Vaderhuis. Ja, geheel be-
vredigd zal die zielsbehoefte eerst worden, als Christus
op de wolken wederkomt, en we hem gelijk zullen
wezen, omdat we hem zien zullen gelijk hij is, in het
rijk zijner heerlijkheid.
Maar toch is het Sacrament een tegemoetkoming;
een goddelijk hulpmiddel; een zalige vergoeding voor
wat ge nog mist en derft.
Want dit is het getuigenis van Gods kinderen uit
alle eeuwen, dat ze hun Heiland en hun Christus nooit
zoo nabij hebben gevoeld en zoo zalig in zijn gemeen-
schap genoten hebben , als juist onder het heilig Sacrament.
Niet om het Woord in de schaduw te stellen, wierd
u dit Sacrament gegeven. Want wie het beeld van
Jezus niet eerst uit het Woord opving en in zijn ziel
-ocr page 31-
HET HEILIG SACRAMENT BIJ HET WOORD.                11
prentte, die kan Hem ook niet in zijn Sacrament genieten.
Eerst gevoegd bij het Woord, bezit het Sacrament
zijn verborgene genadewerking.
Maar toch het schenkt u als Sacrament iets wat het
Woord op zichzelf u nooit geven kan. Het Woord han-
delt over den Christus, het Sacrament brengt u bij den
Christus, of liever den Christus bij tl.
nik zal komen en Avondmaal met u houden !"
Het gebed ligt tusschen het Woord en het Sacra-
ment in.
Bidden , zonder den achtergrond van het Woord, is
een heidensch prevelen, dat de ziel niet troosten kan.
En een zich verliezen in het Woord , zonder dat ge in
het gebed met uw ziele uitloopt, is een verstandelijk
bezig zijn met \'hel heilige, doch waarbij de zielsgemeen-
schap met den Heilige uitblijft.
Want dit is de zaligheid van eens Christens gebed,
dat het u tot uw God doet naderen. Dat ge van
voorstellingen en woorden tot de wezenlijkheid komt.
Een opheffen van uw ziel naar den Hooge, een ont-
moeten van uw God.
Maar het Sacrament gaat nóg hooger. Eerst zoo ge
tot het Sacrament komt, hebt ge als kind van God het
hoogste rustpunt bereikt, dat zijn genadig bestel op
aarde voor u verordend heeft.
Dan toch nadert uw Heiland tot u.
In het midden zijns volks openbaart zich de Heere
der heerlijkheid.
Niemands oog ziet hem, en toch weet elk kind van
God in het diepst der ziel, dat hij daar is ; dat zijn
werking heerlijk uitgaat; en er wordt een genieting
gesmaakt, die door het Woord voorbereid, en doorliet
gebed aanlokkelijk gemaakt, toch in die mate en in
dien diepen zin noch door het Woord noch in het ge-
bed u wordt geschonken.
-ocr page 32-
III.
„üefgeeti 0115e oogen gezien RcBBen."
HET SACRAMENT EN ONS OOG.
Hetgeen van den beginne was, hetgeen
wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien
hebben met onze oogen, hetgeen wij aan-
schouwd hebben, en onze handen getast
hebben van het Woord des levens, dat
verkondigen wij u.
1 Joh. 1 : 1.
//Hooren" en //zien" noemt ge die twee keurige, \\von-
dere vermogens, waarover ge beschikt, om te merken
wat er omgaat, en waar te nemen wat er om u is.
Het oor en het oog, het zijn zoo twee kunstproducten
van Gods majestueuze schepping. Het oor ook, maar
toch vooral het oog.
In de gemeene schatting is het dan ook vooral het
oog, dat ons boeit. Reeds op zichzelf, omdat wie ooit
aandachtig het samenstel en de werking der deelen van\'
het oog heeft nagegaan, er nooit aan terug kan denken,
zonder er weer in te genieten.
Maar toch is er meer,
God zelf heeft aan het oog zoo oneindig hooger
schoonheid en aantrekkelijkheid dan aan het oor ver-
leend. Van het oor speurt ge vaak niets. Het oor
heeft eer iets, waardoor het afstoot, en al de fijnere
-ocr page 33-
HET SACRAMENT EN ONS OOG.                            13
deelen van het oor liggen voor gewone waarneming
verborgen. Maar zoo is het met het oog niet. Het
oog ontsluit zich voor uw aangezicht, dat ge er in
zien, het aanschouwen, en er in staren kunt. Het oog
stalt al zijn pracht voor uw blik uit. Het oog leeft
en beweegt zich. Het oog spreekt. Het oog kan zich
door tranen der smart overperelen. Het oog toornt.
Haast kan men zeggen, dat het oog ook lacht en bidt.
De machtige indruk van het oog was dan ook zoo
groot , dat onze vaderen , als ze een symbool (geen af-
beelding) van het Eeuwige Wezen teekenden, in een
driehoek een alziend oog graveerden. Maar aan een
alhoorend oor werd door niemand gedacht.
Natuurlijk is daarmee niet gezegd, dat het oor slechts
van ondergeschikte beteekenis zou zijn. Zie dat maar
aan den doofstomme, die tienmaal ongelukkiger is dan
de blindgeborene. Merk dat maar in uw slaap, als ge
uw oog sluit , maar uw oor waken blijft.
Slechts zooveel blijkt er uit, dat God in zijn schep-
ping aan het oog een hoogcr plaats der eere heeft toe-
gekend. Er is meer heilige scheppingskunst aan ten
koste gelegd.
En als ge ook nu nog beide vergelijkt, kunt ge vei-
lig zeggen : Het oog wint het.
Door de zonde is intusschen de orde wel wat om-
gekeerd.
Als Job in hoofdstuk 42 : 5 zegt: //Met het gehoor
des oors heb ik U gehoord, maar nu ziet U mijn oog",
spreekt in dat zeggen het zalig besef der verzoening.
Eerst stond Job verkeerd. In zijn hart twistte hij met
zijn Maker. Toen verscheen de Heere aan Job in een
onweder, en hoorde Job niets dan de stemme Gods.
Maar toen hij door die toespraak zijns Gods verzoend
was en de werking der zonde tot zwijgen was ge-
bracht , toen riep hij uit: «Nu ziel U mijn oog!"
Eens had Adam in het Paradijs de majesteit des
-ocr page 34-
14                             HET SACRAMENT EN ONS OOG.
Heeren Heeken gezien; maar na zijn val is dat zien
weg, en hoort hij alleen de stemme des Heeren op den
wind des daags.
Steeds heet het daarna in de Schriftuur, dat geen
zondaar God zien en leven kan.
Niet meer de aanschouwingc Gods, maar alleen de
roepstem van zijn Woord wordt aan den zondaar gelaten.
Hij moet nu hooren. Enkel hooren. Het «zien" is
weggenomen. In het gehoor ligt nu zijn redding. Ge-
/loorzaamheid is nu zijn roeping. Uit het gehoor zal
nu de openbaring van zijn geloof zijn.
Maar terwijl het aldus jammerlijk met den zondaar
staat, dat alle /,zien met het oog" hem onthouden wordt,
genieten Gods engelen voor den troon de vreugde van
het zalig aanschouwen. uVoorwaar, voorwaar zeg ik u,
dat hun engelen altijd zien het aangezicht van mijnen
Vader in de hemelen.\'\'\'\'
En niet alleen genieten Gods engelen door dat zalig
aanschouwen; maar dat //zien," dat aanschouwen met
het oog
is ook aan den gezaligden zondaar toegezegd.
«Dan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht."
En daarom heet het van Mozes ook, als een geheel
eenig voorrecht, dat hij God gezien had. En de reinen
van hart spreekt Immanuél zalig, want, zegt hij, zij
zullen God niet alleen hooren, maar ook zien.
Veel had Jezus tot zijn discipelen van den Vader
gesproken; en veel hadden ze door Jezus van den Vader
gehoord.
Maar ook de rijkste taal, die ooit van menschenlip-
pen gevloeid was, liet hen onbevredigd, en als het op
scheiden gaat en de Overste der wereld komt, roept
Filippus zoo uit den vollen drang des harten: «Heere,
toon ons den Vader, en het is ons genoeg."
Te hooren, zelfs Jezus te hooren , was voor de disci-
pelen niet genoeg. Dat hooren prikkelde juist het ver-
langen om te zien.
-ocr page 35-
HET SACRAMENT EX OXS OOG.                            15
En dat juist is het diepe mysterie van //God ge-
openbaard in het vleesch" dat in den lmmanuël God
inwas, en zich aan het menschelijk oog vertoonde.
Achter den sluier van het menschelijk vleesch en bloed ,
het is zoo. Maar dan toch zoo, dat het oog der jon-
geren ten leste God zelven niet slechts in hem hoorde,
maar in hem zag.
Zoo moest het zijn, want Jezus antwoordde aan Fi-
lippus: «Ben ik zoo langen tijd met u, Filippus, en
hebt gij mij nog niet doorgrond? Wie mij gezien heeft,
die heeft den Vader gezien.\'"
En als diezelfde jongeren, lang na Jezus\' hemelvaart,
den overweldigenden indruk van Jezus\' verschijning
zullen wedergeven, roepen ze uit: //We hebben aan-
sehouwd
een heerlijkheid als van den Eeniggeborene
des Vaders. Niemand heeft ooit God gezien, maar de
Eeniggeboren Zone, die in den schoot des Vaders is,
die heeft Hem ons verklaard." En nu komen ze tot de
kerke Gods met het rijke en heerlijke getuigenis: //Het-
geen we gehoord hebben met onze ooren, en wij aan-
schouwd
hebben, en onze oogen gezien hebben, ja onze
handen hebben getast van het Woord des levens, dat
verkondigen wij u."
Zoo merkt ge dus dezen regel, dat in Gods schep-
pingsordinantie het oog voorkeur heeft boven het oor.
Dat door de zonde het oog gedwongen wordt zich uit
het heilige terug te trekken, om alle bewerking van
den zondaar door het oor te laten gaan. Dat in den
hemel onder Gods engelen en de gezaligde kinderen
Gods het oog, en het zien met dat oog, weer op den
voorgrond treedt. En voorts, dat in Gods heilige open-
baring, eerst alleen gesproken wordt van den Vader,
maar straks in Christus de Vader weer getoond wordt.
Zoo klimt derhalve ook de openbaring van het hooren
tot het zien op.
Eerst het sgmbolische zien in Israël, en daarna het
iverkelijke zien in den Christus.
-ocr page 36-
16                             HET SACRAMENT EN OXS OOG.
Symbolisch in Israël. Want in den Tabernakel eerst,
en daarna in den Tempel, werd meer zelfs gezien dan
gehoord. Gezien al de pracht en de blinkende schoon-
heid van het heiligdom; gezien de typische priester;
gezien de offerande, en het vergoten bloed , en het al-
taar des reukwerks en de tafel der toonbrooden.
Alles symboliek, heenduidende op Christus\' persoon
en Christus1 werk, om dientengevolge weg te val-
len zoodra de Christus zelf zou gekomen zijn. Reden
waarom wij , Christenen , in onze bedehuizen geen altaar
meer oprichten en geen kandelaar meer ontsteken.
Dit alles toch diende slechts, om te profeteeren van
hem die komen zou, en viel, nu hij kwam, weg.
Maar is ons Christenen dan niets dan het gehoor des
Woords gelaten ? Is het oog, dat zelfs bij Israël be-
vrediging vond, bij ons dan builen al het heilige ge-
sloten ? Het is werkeloos onder het gehoor. We sluiten
het oog onder den dienst des gebeds. Is er voor het
oog in onze heiligheden dan volstrekt niets?
En bij die vraag wijst uw Heiland u op zijn heilig
Sacrament, op de bediening van zijn heiligen Doop, en
zijn heilig Avondmaal.
Want immers het Sacrament wordt niet gehoord met
het oor, maar gezien met het oog, zelfs zoudt ge er
kunnen bijvoegen, getast met de hand.
En hier nu is de goedertierenheid en de barmhar-
tigheid des Heeren.
Hij kon ons niet Israels symboliek laten, want dat
zou een verloochening van den gezondenen Immanuel
zijn. Hij kon ons nog niet God doen zien, want dat
toeft tot we in het Vaderhuis ingaan. En ook kon hij
niet zichzelven ons toonen, want het was ons nut dat
hij heenging en opvoer ten hemel. En toch ook weer
kon hij ons niet enkel met het Woord laten, want het
oog, dat zien wil, heeft ook zijn eisch.
En daarom gaf hij ons bij het Woord het Sacrament.
-ocr page 37-
TIET SACRAMENT EN ONS OOG.                            17
Een wonder Sacrament, waarbij het oor terug treedt
en het gesproken woord slechts hulpdienst verricht.
Maar waarbij het oor/ bezig is, en door het oog de ziel,
en ge iets ontwaart van een heiliger aanraking met
het goddelijk leven, dan ons ooit bij het Woord te
beurt valt.
Het Sacrament, dat niet buiten Immanuël omgaat,
maar juist door het zien der teekenen den dierbren
Heiland voor ons haalt, en door hem ons opleidt tot
een rijkere en hoogere gemeenschap met den Vader.
Zoo alzijdig en goedertieren is de zorge van uw Hei-
land voor u.
Het Woord voor uw oor, maar ook het Sacrament
voor het gezicht der oogen.
o, Hoe is het dan toch bestaanbaar, dat zoo tal van
lieve kinderen onzes Heeren van jaar op jaar voortle-
ven, als ware hun het Woord genoeg, en als had het
Sacrament voor hen geen belofte.
2
-ocr page 38-
IV.
„Sisen u een tee&en oan den Heere."
HET SACRAMENT EEN TEEKEN.
Eisch u een teeken van den Heere,
uwen Gotl, eisch beneden in de diepte,
of eiscli boven uit de hoogte.
Jesaja 7: 11.
Koning Achaz, die, na Jothams dood, te Jeruzalem
voor nu 2600 jaar op den troon van David zat, had
wel het bloed van David in zijn aderen ,\'maar niet den
geest van David in zijn hart.
Achaz was een roekeloos, gruwelijk afgodendienaar,
die zijn kind aan den Moloch offerde, voor de beelden
van Baal en Astheroth op de heuveltoppen rookte, en
aan den kalverdienst van Bethel meedeed.
Ge zoudt zeggen, wat zal God de Heere met zulk
een afvallige en verlater van zijn Wet nu nog be-
moeienis hebben! En toch de God Abrahams en de
God van David heeft met dezen Achaz nog veel be-
moeienis; niet om zijn persoon, maar om het Verbond
met Abraham en zijn rijksbelofte aan David gezworen.
En toen Achaz volhardde in zijn boosheid, zond God
koning Pekah uit Samaria en koning Rezin uit Damascus
met twee machtige legers op Jeruzalem af, om Achaz in
zijn eigen residentie schrik aan te jagen en te benauwen.
-ocr page 39-
HET SACRAMENT EEX TEEKEN.                       19
En toen sloeg Aehaz dan ook de schrik om het lijf.
»Zijn hart bewoog zich," zoo meldt Jesaja, //en het
hart zijns volks, gelijk de boomen des wouds bewogen
worden door den wind."
Als bij Ziklag alles verloren schijnt, //sterkt, David
zich in den Heere zijn God," en zingt een psalm van
zijn Hoog Vertrek en den Rotssteen zijner hope. Maar
dat kan Achaz niet. Een booze conscientie breekt
iemands geestkracht. En daarom wordt het Achaz te
benauwd in zijn paleis, en gaat hij eenzaam dolen
langs den weg van den oppersten vijver. Wie weet of
niet de gedachte, om in dien vijver den dood te zoe-
ken, zijn ziel vervulde.
En nu op dat oogenblik treedt de profeet Jesaja op
hem toe. Niet omdat hij medelijden met Achaz had,
maar omdat de ontferminge Gods nog naar dat wzaad
van David" uitging, en Hij tot Jesaja gezegd had:
«Ga Achaz op den vijverweg tegemoet."
En wat zal Achaz nu ?
In \'sHeeren naam komt Jesaja hem aanzeggen, dat
hij niet bang hoeft te wezen; dat koning Pekah en
koning Rezin Jeruzalem niet zullen innemen; dat
Jehovah om zijns knechts Davids wil, nogmaals lank-
moedig zal zijn; en dat Achaz niets anders te doen
heeft dan te gelooven. .
Maar hoe goddelijk dat ook klinke, doe dat eens
als ge Achaz zijt. Niet vreezen, als in uw ontroerde
conscientie heel uw ziel beeft als een riet! Gelooven,
als heel uw inwendig bestaan af hoereert van uw God!
En zoo toch was het bij Achaz.
En toch laat God hem deswege nog niet los.
Want, zoo lezen we: //De Heere voer voort tot
Achaz te spreken, zeggende: Eisch u een teeken;
eisch beneden in de diepte, of boven in de hoogte."
Maar ook daar is Achaz onmachtig toe. Dat durft
de booze van hart niet. Immers elk teeken, ook de
-ocr page 40-
20                        HET SACRAMENT EEN TEEKEN.
alomtegenwoordige Majesteit des Heeren Heeren zou hem
nog te banger verschrikken. En daarom luidt zijn
antwoord: «Ik zal het niet eischen, en ik zal den Heere
niet verzoeken."
Maar de genade houdt vol, zij het ook in het vuur
van een heiligen toorn, en Achaz krijgt tot antwoord:
o, Kind uit Davids huis, moest ge eerst de menschen
en nu ook uw God moede maken! Gij wilt geen tee-
ken. Welaan, ongevraagd, en tegen uw wil in, zal u
door uw God een teeken gegeven worden. Zie, eene
maagd zal zwanger worden, en zij zal eenen zoon baren,
en gij zult zijnen naam noemen Immakuel, God met ons.
Nu ligt de g-rondtrek der zonde van Achaz in elk
zondaarshart, en ook in het uwe terug te vinden. Om
te gelooven en in het geloof, bij de stormen des levens,
stand te houden, kunnen we niet buiten een Teeken;
en toch wil de afgekeerde neiging van ons hart aan
het door God gegeven teeken niet aan.
Beide tegelijk ziet ge aan wat de meesten met Doop
en Avondmaal doen. Den heiligen Doop zoeken ze,
omdat die Doop voor hun kind is, alzoo toonende dat
ze het teeken eeren ; maar het heilig Avondmaal ont-
loopen ze, omdat het teeken hierdoor op hen zelven
aankomt. Zoo maken ze hun God moede!
Wat toch is het spelen met het teeken anders dan
hun God verdriet aandoen ?
De Heere kent den zondaar door en door. Alleen
zijn onnaspeurlijke wijsheid kon een weg en manier
uitdenken, om een zondig mensch door het geloof toch
weer tot heerlijkheid te brengen. Welnu, dien weg
ontsluit Hij in zijn barmhartigheden. Ja, zoo lief heeft
God de wereld, dat Hij zijn eeniggeboren Zoon over-
geeft. En nu komt het maar op geloof aan, want «een
iegelijk die in Hem gelooft zal niet verderven, maar
het eeuwige leven hebben."
Toch kan de zondaar ook dat //geloof niet zich-
zelven aanbrengen. God de Heere moet het hem uit
-ocr page 41-
HET SACRAMENT EEN TEEKEN.                      21
genade schenken. Er hem het zaad of het vermogen
voor inplanten. Het opwekken door de roeping. Het een
inhoud geven door het Woord. Het doen doorbreken in
de bekeering. En zie, nu is het er eindelijk. Het vonkje
gloort, er is glans in de donkerheid zijner ziel, licht in
de duisternis van zijn hart gekomen.
Maar de winden waaien, de stormen loeien, dat vonkje
aan de vlaswiek zou weer uitgaan, zoo het geloof niet
gesterkt wordt.
En nu komt God in zijn ontferminge met goddelijk
niededoogen, die rookende vlaswiek te hulpe.
Zie, daar is zijn Sacrament, zijn heilige Doop en zijn
heilig Avondmaal. De twee goddelijke geloofsteekenen.
En nu durft ge nochtans zóó eigendunkelijk, zóó
eigenwijs en zóó eigenzinnig zijn, om die teekenen
van uw God voorbij te gaan, en feitelijk voor uzelven
overbodig te achten.
Zijt ge dan niet als Achaz, die uitriep: «Ik zal geen
teeken eischen," en wien God de Heere deswege toe-
riep: wo, Kind van David, wie zijt ge, dat ge niet
alleen den mensch, maar ook uw God moede maakt?"
Dat ge toch als een //kindeke" wildet zijn. Het jonge
//kindeke" vraagt niet: //Vader, hoe kunt ge mij over
dien stroom dragen?", maar als de wateren zwellen,
en de vloed dreigt, slaat dat kindeke de armpjes om
vaders hals, en doet de oogjes toe, en laat er zich over
dragen; en het komt er, omdat het niet hoogwijs was,
en alles eerst begrijpen wilde, maar deed wat vader
zei en in zijn vader heeft geloofd.
Eu is dit dan ook niet op het Sacrament toepasselijk ?
Uw Vader in de hemelen zegt u, dat het geloof van
uw zijde niet buiten de teekenen kan. Dat voor een
zondaar, die gered zal worden, de teekenen onmisbaar
zijn. Dat de rookende vlaswiek, voor wat aan u ligt,
niet kan opgloren , als het teeken haar niet doet opgloren.
En gij fluistert in uw eigenwillig hart: //Voor mij
is dat teeken niet noodig. Ik kan zeer wel ook zonder
-ocr page 42-
22                         HET SACRAMENT EEN TEEKEN.
teekenen gelooven. Voor mij bestaat die onmisbaarheid
van de teekenen niet."
Uw God weet dat ge er niet buiten kunt, en daarom
verduurzaamt Hij zijn teeken, en maakt het als Sacra-
ment
tot een altoos voortgaand teeken. Hij laat dat
Sacrament voor u aanrichten. Hij laat tot dat aange-
richte Sacrament ook u roepen. Hij zegt u van dat
Sacrament een kostelijken zegen toe. En gij groeit
op, wordt twintig en meer jaren oud, en nog speurt ge
geen drang in u, om dat teeken van uw God ook voor
uw eigen ziel te zoeken. Soms sterven er anders vrome
zielen , die hun leven lang den toegang tot dat teeken van
hun God niet begeerd hebben. Of ook , ge hebt er den toe-
gang toe ontvangen. Ge moogt er komen. Maar ge blijft
weg, en om het teeken van uw God bekommert ge u niet.
De grond nu dezer zonde ligt hierin, dat we in het
hulpmiddel van zulk een teeken iets vernederends vinden.
Want, dat ligt in den aard der zaak, in den hemel
zullen we geen teeken meer noodig hebben. En als er
geen zonde op aarde was, zou er van zulk een teeken
ook nu geen sprake zijn. Wie niet spreken kan, maakt
teekens met zijn vingers, maar wie is zooals hij zijn
moet, denkt aan geen vingerspraak. Als ik iemand
beroepen kan, geef ik hem geen teeken, maar als een
schip op verren afstand gepraaid wordt, moet dit door
teekenen gaan. Aan een kind geef ik teekens in plaatjes,
de man leest. Of ook als men verraad vreest, geeft
men elkander een teeken, ter herkenning van trouw.
Zoo is het teeken dus een hulpmiddel, dat niet noo-
dig zou zijn , als we waren die we zijn moesten, en dat
alleen noodig wierd door ons gebrek, door onze gees-
telijke onbeholpenheid, door de vernieling der zonde.
En gelijk een die mank gaat, nu altijd iets vernede-
rends vindt in het slokje waarop hij leunen moet, en
het daarom zooveel mogelijk verbergt, zoo ook is er
in ons zondig hart iets, dat tegen het gebruik van deze
teekenen ingaat. We hadden ze liever niet Doodig.
-ocr page 43-
HET SACRAMENT EEN TEEKEN.
Maar juist daarom is die Achaz\'s weerzin tegen het
gebruik van teekenen dan ook zoo diep zondig, en
eigenlijk zoo vermetel.
                                          ,. _.__ \'
Want wat komt er van u terecht, zoo ge uw redding
niet aan uw God in handen geeft? En als nu uw
God weet dat voor die redding ook het Teeken u tot
hulpmiddel moet zijn; dat dit bij uw gevallen natuur
zoo hoort; en dat in u, als af gedoold kind, het geloof
zonder dat teeken zijn ware veerkracht niet kan ver-
krijgen, — wie zijt gij dan, dat ge het beter dan uw
God wilt weten, uw Ontfermer bedilt, en in uw opstan-
dig hart zegt, zeer wel buiten het teeken te kunnen;
terwijl toch uw God u toeroept, dat het noodig voor u
is, en het in zijn kerk voor u bereidt.
Heel zijn heilige historie door heeft God met zijn
uitverkorenen door teekenen gehandeld. In den regen-
boog met Noach, in den sterrenhemel met Abraham,
in zijn Sacrament met Israël. Een Teeken verzelt al
zijn heilig doen bij Gideon en Manoach. In de woestijn
en in het land van Egypte en straks in Kanaan. Tee-
kenen zijn een vast en nooit ontbrekend bestanddeel van
zijn goddelijk genadewerk.
En gij zult een genadewerk zonder teekenen willen ?
Of neen, gij ook wilt een teeken van uw God;
maar een teeken van uw eigen vinding; als dit of dat
u in uw leven overkomen zal of overkwam. En het
teeken dat God zelf voor zijn uitverkoren volk, eens en
voor altoos gesteld heeft, dat gaat ge voorbij.
Daarom , zoo zegt de profetie, zal de Heere zelf u een
teeken geven. Zie, een maagd zal zwanger worden, en
een zoon baren, en gij zult zijnen naam heeten Immanuel.
En dat wondere teeken brengt de Heere voor u in zijn
heilig Sacrament, en gij bekommert er u niet om.
o, Is het dan wonder, dat gelijk eens in de kerk
van Corinthe, zoo ook thans in onze kerken, zoo veler
geloof slaapt, en zoo veler geloof krank is, en zoo
veler geloof geen kracht bezit, om ons te doen staan
in de kracht onzes Gods?
-ocr page 44-
V.
„ieti ficfiaam is Het."
HET SACRAMENT DE GEMEENSCHAP DER HEILIGEN.
Eén lichaam is hot, en één Geest,
gelijker wijs gij "ook geroepen zij t tot ééne
hoop uwer beroeping.
Efese 4 : 4.
Wordt de «gemeenschap der heiligen" genoeg door
u gevoeld ? Is ze in die mate, waarin Christus dit
wil, een kracht in uw leven, een steun voor uw ge-
loof, een prikkel voor uw heilige liefde?
In de eerste dagen na den eenigen Pinksterdag, toen
pas de Heilige Geest was uitgestort, werkte die //ge-
meenschap der heiligen" zoo wonderbaar sterk.
De kerk des Nieuwen Verbonds was toen nog zoo
klein. Ze woonden saam, alle de geloovigen in één-
zelfde stad. Ze kenden elkander persoonlijk. In hen
brandde het vuur der eerste, warme, onuitsprekelijk
rijke liefde voor den Eénig Dierbare, die naar de he-
melen was weggegaan, en uit dien hemel den Trooster
tot zijn verlatene kerk had neergezonden. Ze kon-
den zich haast niet anders voorstellen, of het leven op
aarde zou nog maar korte jaren duren, en dan kwam
hun Heere weder, en dan gingen ze allen met hem
ten hemel in, om nimmer meer van hem, en nooit
-ocr page 45-
HET SACRAMENT DE GEMEENSCHAP DER HEILIGEN\'. 25
meer van elkander te scheiden. En daarom hechtten
ze zoo weinig aan hun land en huis, aan hun goud en
zilver, dat ze bezaten, en velen verkochten wat ze had-
den, en alle goed was hun gemeen.
o, Als ge u indenkt, dat ge daar te Jeruzalem in
die heerlijke dagen geleefd, geliefd en geloofd hadt,
wat overstelpende weelde van haast al te rijke Chris-
telijke zielsgenieting zou uw hart en heel uw wezen
doortinteld hebben, en hoe zou diezelfde //gemeenschap
der heiligen", waar ge thans zoo zelden een krachtige
aandrift toe voelt, het één en al in uw leven zijn
geweest.
Eén lichaam, waarvan wij allen leden zijn, dat ver-
slaat nu bijna niemand meer, en toen was het zoo
klaar als de dag, en stond het in volle werkelijkheid,
tot voor het kleinste kind.
Maar die zaligheid was voor deze aarde te groot.
Die kon geen stand houden. Ware de kerk in die
heilige weelde verzonken gebleven, dan zou nooit de
kerk van Christus aan alle einden der aarde gesticht
zijn. En daarom zond de Heere eensklaps over zijn
liefdedronken kerk den geesel der vervolging uit. Op-
eens deed het geroep van den vijand ze uit haar droom
opwaken. En toen keerde de eerste Christenheid tot de
ontzettende, ijslijke werkelijkheid van het leven terug.
Ze moest de wereld in; ze wierd opgeroepen om in
naam van haar Heere die wereld voor de glorie van
den Drieëenigen God op te eischen. En bitterder dan
ze vermoeden kon, zou bij het volvoeren van die reu-
zentaak, de vloek der zonde door haar ervaren wor-
den, én in wat de wederpartijder aan lijden en smaad
over haar uitgoot, én in wat ze in eigen boezem aan
liefdeverkoeling en broedertwist zou zien uitkomen.
En zoo is ze toen de wereld ingegaan, altoos uit den
hemel door haar Heere en Koning bewaakt; maar on-
der de menschen niets ervarend dan tegenstand en
-ocr page 46-
26 HET SACRAMENT DE GEMEENSCHAP DEK HEILIGEN.
satanische vijandschap, en in zich zelf niets ontdek-
kend dan een altoos weer opwellen van de wateren
der zonde uit de onzalige fontein van het eigen hart.
Daardoor is de kerk toen gedeeld, gescheurd, naar
alle kanten uiteengereten. Vaak kwam broedernijd de
kostelijke broederliefde verdringen. De zalf van Aarons
hoofd droop niet meer als vanouds. En daarbij kwamen
dan de afstanden, die de kerk te Rome van die te
Corinthe, de kerk te Corinthe van die te Jeruzalem
scheidden. Men kende elkaar niet meer. En die kerk
van Christus in de verte gaf slechts een vage voorstel\'
ling
van broeders en zusters, die wel denzelfden Heere
beleden, maar die men nooit van aangezicht tot aan-
gezicht gezien had.
En zoo hield men nog wel vast aan de //gemeen-
schap der heiligen", maar ze wierd meer voorwerp des
geloofs, dan openbaring van een rijke werkelijkheid.
//Gemeenschap der heiligen" genoot men nog alleen
met de verlosten des Heeren in zijn eigen stad of dorp.
Doch ook dat bleef niet. Ook die kring wierd te
groot. En niet lang duurde het, of in stad en dorp
vormden zich in die ééne kerk weer afzonderlijke krin-
gen van broeders en zusters in den Heiland, die elkaar
kenden en met elkaar omgingen, en met elkander ge-
noten van de gemeenschap des Geestes in hun Heere.
Zoo kromp de ,/gemeenschap der heiligen" al meer
in. Ze scheidde zich van het leven der kerk. En toen
die kerk almeer verbasterde en ontaardde, wierd het
voor veler besef, alsof die kerk iets heel anders dan de
gemeenschap der heiligen was, en alsof die gemeenschap
der heiligen geheel builen de kerk moest worden gezocht.
En dat mocht niet.
En daarom heeft de Heere Christus, die ons beter
kende dan wij onszelven, en die al onzen strijd en onze
moeite voorzag, en wist hoe onder ons, wierden we aan
onszelven overgelaten, alle //gemeenschap der heiligen"
-ocr page 47-
HET SACRAMENT DE GEMEENSCHAP DER HEILIGEN. 27
zou te loor gaan, zijn twee heilige Sacramenten ingesteld,
om die «gemeenschap der heiligen" te voeden, in stand
te houden, en een steunsel te geven in haar zwakheid.
Te Jeruzalem ontstaat de //gemeenschap der heiligen"
doordat ze allen met éènen Doop gedoopt worden; en
nadat ze met dien éénen Doop gedoopt zijn , onderhouden
ze die gemeenschap door eiken dag vliet brood te breken."
Ze konden er niet van allaten. Ze overdreven het
zelfs. Eerst onder dat //breken van het brood" was het
hun goed.
Als tolken van hun Heere en zijn gezanten riepen
daarom de heilige apostelen het aan de kerken toe:
//Eén Heere is het, één geloof, èên doop." En straks:
iiEén brood is het, zoo zijn wij velen èên lichaam, ge-
lijk wij ééns broods deelachtig zijn."
Zoo staat het dan vast, dat door Gods ordinantie wde
gemeenschap der heiligen" thans in de heilige Sacramenten
haar rijkste openbaring en haar heiligste steunsel vindt.
Denk u den heiligen Doop weg, en ze zou geheel
verkwijnen. Verwaarloos het heilig Avondmaal, en ze
slijt uit voor uw bewustzijn.
Versta dit wel.
Bedoeld is niet, dat er zonder Doop en Avondmaal
niet een zeer innige vriendschap, en zielsgemeenschap
zelfs, tusschen een tien- of twaalftal van Gods lieve
kinderen kan bestaan. Dat ziet men Mei anders aan
de Kwakers , die het Sacrament verachten, en toch op
kringen van zeer trouwe en zeer geestelijke vriend-
schap kunnen wijzen. En ook in ons land vindt ge
iu menige stad en op menig dorp gezelschappen van
geestelijk innig verbonden kinderen Gods, die leven
zonder Avondmaal, en soms ook voor den heiligen Doop
geen gevoel hebben.
Doch dat is niet «de gemeenschap der heiligen."
Dat is de gemeenschap van eenige heiligen, maar niet
van de heiligen.
-ocr page 48-
28 HET SACRAMENT DE GEMEENSCHAP DER HEILIGEN.
Als er een gezin is, stel van twaalf broeders en zus-
ters, en vier van deze twaalf oefenen broederlijke ge-
meenschap met elkander, maar voelen niets voor de
overige acht, dan zal toch niemand zeggen, dat deze
broeders en zusters naar den eisch der broederlijke liefde
met elkander verkeeren.
Zoo oefent men gemeenschap niet met het Lichaam van
Christus, maar met een zeer klein deeltje van dat Lichaam.
Zoo kiest ge zelf vvien ge lief zult hebben, waar God
wil dat ge Hem zult laten kiezen, en al wie Hij uit-
verkoren heeft, in uw liefde zult opnemen.
Neen, deze //gemeenschap der heiligen", dat is niet
zekere betrekking gevoelen op enkele kinderen Gods,
die bij ons aan huis komen, of met wie we een ge-
zelschap hebben, of die wij voor bekeerde menschen
houden; maar betrekking, zielsbetrekking hebben op heel
het Lichaam van Christus, op al zijn leden , op heel de
schare der volmaakt rechtvaardigen, op alle uitverko-
renen Gods.
En deze gemeenschap nu, dat spreekt vanzelf, die
kunt ge nieCdoor omgang of kennismaking of geestelijke
samenwerking voeden, want ge kunt geen omgang heb-
ben met al Gods kinderen, die nu reeds in den hemel ,
of ver van u weg in Amerika of Azië of Afrika zijn.
En daarom eischt juist deze gemeenschap een ander
steunsel.
Een steunsel niet door menschen uitgedacht, maar
door God zelf ons geboden.
En dat steunsel nu voor de //gemeenschap der hei-
ligen", d. i. met heel het lichaam van Christus, biedt
u uw Heiland in zijn heilige Sacramenten , in zijn Doop
en in zijn Disch.
-ocr page 49-
VI.
„§ij nu 5uft mijn oertmul Houden."
HET SACRAMENT EN HET GENADEVERBOND.
Voorts zeide God tot Abraham: Gij
nu zult mijn verbond houden, gij, en uw
zaad na u, in hunne geslachten.
Gen. 17: 9.
Voor zoover ge als Christenmensch metterdaad ge-
looft, dat God in een verbond met u en gij in een ver-
bond met God staat, geeft die wetenschap u een zalige
gerustheid.
God de Heere, met wieu ge een verbond hebt, is
zóó machtig, zóó allesvermogend en zóó almachtig, dat
er in den hemel, op de aarde of in de hel geen enkele
macht, hoe boos en listig ook, denkbaar is, die het van
Hem zou kunnen winnen.
Houdt God u dus vast, dan is er niemand die u uit
zijn hand rukken kan. Zijt gij zijns, dan kan niemand
u als verwonnen prooi wegsleuren. En al maakten
dan ook al de booze machten uit de diepte saam zich
op, om uw ziel naar het verderf te trekken, dan be-
zit ge toch nog de onomstootelijke zekerheid, dat al
deze machtelooze woede af zal stuiten op den onwe-
derstandelijken wil van uwen God, om u te behouden.
Pat is de uitwerking van elk verbond met een
-ocr page 50-
30 HET SACRAMENT EN HET GENADE VERBOND.
oppermachtig bondgenoot, ook in het aardsche Jeven.
Zie het aan Oostenrijk. Dit keizerrijk is door aller-
lei oorzaak zwak, en zou tegen de ontzettende macht
van Rusland niet opgewassen zijn. Maar nu staat Oos-
tcnrijk in een verbond met het oppermachtige Duitschland.
En die enkele wetenschap, dat Duitschland een ver-
bond met Oostenrijks keizer aangiüg , is nu voor Oosten-
rijk zulk een oorzaak en bron van volkomen gerustheid,
dat het op dit oogenblik geen de minste vreeze voor
Rusland heeft; overtuigd als het is, dat Duitschland in
de ure des gevaars met één slag het zwaard van Rus-
land zou afwenden.
En gaat dit nu reeds in het aardsche door, hoeveel
sterker geldt dit dan niet voor u, zoo geen minder uw
bondgenoot is dan de Heere onze God.
Daarom is het uitgangspunt voor al Gods bondgenooten
steeds de lofzang van den psalmist: uOnze hulpe Stain
den Naam des Heeren
, die den hemel en de aarde ye-
schapen heeft.\'\'\'\'
Een aanroeping, die eigenlijk niets inhoudt dan een
plechtig beroep op den Goddelijken Bondgenoot, en
wiens onweerstaanbare macht daarin geprezen wordt,
dat Hij al wat er is geschapen heeft; dat hetgeen zich
tegen Hem zou willen verzetten, niets dan zijn eigen
schepsel is; en dat het schepsel niets duurzaams ver-
mag tegen Dengene, die het het aanzijn, het leven en
de kracht schonk.
Maar is dit zoo, hoe kunt ge dan, als het op het
teeken des Verbonds aankomt, zoo slap, zoo droomerig
en zoo onverschillig zijn?
Men zou toch zoo zeggen, als deze Goddelijke Bond-
genoot, aan wiens bondgenootschap voor u alles hangt,
u zijn heilige Sacramenten geeft, om dit zijn onver-
winlijk en onverbrekelijk bondgenootschap te bezege-
len, dan moest zulk een Sacrament reeds ter oorzake
van dit bondgenootschap voor u een heerlijkheid zijn ,
die u telkens weer in verrukking bracht.
-ocr page 51-
HET SACRAMENT EN HET GENADE VERBOND. 31
Natuurlijk niet alsof God de Heere zulk een Sacra-
ment noodig had, om daaraan een prikkel en spoorslag
voor zijn trouw te ontleenen. Gods trouw rust onver-
anderlijk in de onveranderlijkheid van zijn wezen, wil
en raadsbesluit, en nooit zal uw ontrouw de trouwe
van uw God te niet doen.
Maar gij zijt niets dan een mensch. In uw men-
schelijk hart gaat de vastheid en zekerheid des ver-
trouwens gedurig op en neer. Meer de slitiger dan de
rotssteen is beeld van uw zielsbestaan. En uw eigen
ervaring bevestigt telkens weer, wat al Gods kinderen
op hun pelgrimsreize ervoeren, dat er namelijk ja,
oogenblikken zijn, waarop het licht klaarlijk in de ziel
schijnt, maar nog meer die andere oogenblikken, dat
we in schemerlicht omdolen; en zelfs niet zoo zeld-
zaam nog erger oogenblikken, dat het weer nacht wordt
in ons binnenste.
Welnu, zulk een slap en verzwakt zielsbestaan werkt
dan ook op uw bondsbetrekking met uw God.
Het komt dan gedurig voor dat gij spreekt, denkt en
handelt, zooals niet een bondgenoot des Heeren , maar
zooals een vijand Gods doen zou. En omgekeerd, dat
ge, in nood en dood, eigenlijk vergeten zijt, dat ge zulk
een Goddelijk Bondgenoot in den hemel bezit, en daarom,
door duizend vreezen overvallen, hulpe en uitkomst zoekt
in eigen kracht of in den bijstand van het schepsel.
Feitelijk bestaat er dan voor u geen bondgenoot-
schap met uw God, noch van uw God met u meer.
Het verbond ligt, voor wat uw besef aangaat, gebro-
ken en vernietigd. En uw innerlijke rust en verze-
kerdheid is weg.
En omdat God de Heere wist dat dit de gang van
uw zielsleven zijn zou, daarom heeft Hij u zijn twee
Sacramenten ter bevestiging en bezegeling van het
verbond gegeven. Den heiligen Doop voor eens en het
heilige Avondmaal om gedurig herhaald te worden.
-ocr page 52-
32 HET SACRAMENT EN HET GENADE VEEBOND.
Ook innerlijke bestrijding zult ge wel kennen.
Dit is bedoeld.
Zoo het met u tot eenige geestelijke zelfkennis bij
het licht van Woord en Geest mocht komen, zult ge
al nietiger, meer ontbloot en ellendiger in uw eigen
schatting zijn geworden.
Niet om anderen hierin na te praten; maar voor uw
eigen wezenlijk besef. Dat ge eerst o, zoo hoog stondt,
opgeklommen als ge sport voor sport waart op de lad-
der uwer eigen inbeeldingen; maar dat God de Heere
u nu sport voor sport diezelfde ladder weer liet af-
klimmen, tot ge ten leste, o, zoo veel geringer, o,
zoo veel kleiner en zoo veel nietiger gedachte van u
zelf koestert, en nu beter dan ooit dat stofje aan de
weegschaal en dat druppelke aan den emmer verstaat.
Ge wierdt dan geheel uitgekleed , en van al wat uw
sieraad scheen ontdaan en wat ge aan uzelven vondt
waren builen en wonden en zweren. Melaatsch van
den hoofdschedel tot de voetzool. Niets gaafs, niets
geheels meer aan u.
En toen maakte God de Heere u zijn Goddelijk
Bondgenootschap bekend, en wat gij niet zoudt hebben
kunnen aangrijpen, dat deed Hij zelf u in geloof aan-
nemen door de wonderlijke wegen die zijn Heilige
Geest met uw ziel hield.
Maar deswege waart ge van den strijd, die hieruit
moest geboren worden, niet af. En telkens rees in uw
zoekend hart weer de bange vraag op: Hoe kan het
bestaan, dat die Heere des hemels en der aarde naar
zulk een nietig en doemschuldig wezen de hand van
trouwe als naar een bondgenoot zou uitstrekken!
Daar verbaast zich dan de ziel over. Daar kan ze
niet inkomen. En zoo wordt het geloof weer geschokt.
En het einde is, dat het Verbond voor u weer als
een droombeeld ondergaat, en de ziel eigenlijk denkt:
Neen, Bondgenoot van mij, nietig schepseltje, dat kan
die groote God niet zijn !
-ocr page 53-
HET SACRAMENT EN HET GEN.VDEVERBOND.                33
Ge ziet dus wel, wat oorzaak er was, om het Verbond
niet zonder Sacrament te laten.
Immers zonder die Sacramenten zou het geloof aan
dat Verbond almeer uitslijten, en, ook waar het nog
stand hield, zijn volle werking niet doen.
Let er toch wel op, dat de werking van het Godde-
lijk Kondgenootschap tweeledig is. Eenerzijds strekt het
om uw zaligheid onverliesbaar te maken. En natuurlijk,
dat hangt niet van het Sacrament af. God van zijn zijde
heeft uw Sacrament niet noodig.
Maar ook ten tweede strekt dit Verbond, om u, bij
uw strijd en worsteling op aarde, de vreeze buiten te
sluiten en voor angst zekerheid, voor benauwdheid der
ziel innerlijke gelooi\'srust te schenken. En deze vrucht
nu van het Goddelijk Bondgenootschap moet voor u te
loor gaan, zoodra uw vpst besef van dit Verbond aan
het wankelen is gebracht.
Daarom nu moet er bij den stengel van uw geloof,
zal die niet plat ter aarde neerslaan, een stokje gezet
worden, waaraan het kan worden opgebonden. Het
heeft een steunsel van buiten noodig. Het moet gehol-
pen en opgehouden worden. Uw geloof moet gesterkt
worden. En voor dat doel nu gaf uw Goddelijke Bond-
genoot u zijn heilige Sacramenten.
In tijden nu waarin de kerk deze Sacramenten recht
en heilig bediende, en de geloovigen met dankzegging
en lof het gebruik van deze Sacramenten heilig hielden,
toonde dan ook de uitkomst, dat het geloof in de ge-
meente welig tierde en bloeide, en dat er de gang des
geestelijken levens vast was.
En daartegenover leerde de bittere ervaring, dat, zoodra
men het heilig Sacrament in waarde en beteekenis deed
dalen; en denken ging, dat het Sacrament eigenlijk iets
overtolligs was, waar men desnoods wel buiten kon;
het eene deel der gemeente in ongeloof wegzonk, en het
ander afdoolde op allerlei mystieke paden, waar het dan
een hangen en verlangen, een gissen en tasten bleef,
maar zonder dat ooit die vaste zekerheid herwonnen
wierd, die men in het Sacrament niet zoeken wilde,
3
-ocr page 54-
34 HET SACRAMENT EN HET GEXADEVERBOND.
en waar toch God de He ere zijn heilig Sacrament
voor gaf.
Ge redt daarom de gemeente, ge stevigt de zielen,
zoo ge ook uwerzijds medewerkt, om de ware Sacra-
mentspractijk weer in eere te brengen.
Niet alsof één enkele Doop, dien ge bijwoont, of één
enkel Avondmaal waaraan ge deelneemt, plotseling en
op magische wijze, geheel den toestand van uw kerk en
van uw eigen ziel om zou zetten.
Het Goddelijke is geen tooverwerk.
Maar dit zult ge ervaren, zoodra in uw kerk, in uw
omgeving, in uw eigen huis en in uw eigen hart, het
ware inzicht in het Sacrament gaat herleven, en de
ware Sacramentspractijk terugkeert, zult ge allengs en
van lieverlee meer zielsrust in u eh om u ontwaren;
er zal meer vastheid des geloofs gaan komen; de vrede
zal lieflijker bloeien ; er zal meer gedachtenisse aan
Christus en aan zijn Middelaars werk zijn ; en de gemeente
zal meer leven uit het zalig beset, dat ze onverwinnelijk
is door haar goddelijken Bondgenoot in den hemel.
Want dut komt in elk Sacrament telkens weer uit.
Het is een zegel, een bevestiging, een waarmaking,
van uw Goddelijken Bondgenoot aan u, dat Hij u zijn
trouwe houdt; en een wederbetuiging van u als aard-
sclien bondgenoot van uw God,
dat gij zijn zaak als de
uwe beschouwt en alleen voor den triomf van zijn rijk
wilt leven.
Hoor het aan het Onze Vader maar.
Daarin bidt een aardsch bondgenoot van den Heere
des hemels en der aarde, en deswege is zijn gebed, niet
om eigen eer of eigen glorie, maar om trouw aan den
Goddelijken Bondgenoot te mogen houden.
Uw naam worde geheiligd.
Uw koninkrijk kome.
Uw wil geschiede gelijk in den hemel, alzoo ook op aarde.
-ocr page 55-
VIL
„Sotidet mij imnt gij niets doen."
HET SACRAMENT EN DE HEERLIJKHEID DES HEMELS.
Ik ben de wijnstok, en gij de ranken:
die in mij blijft, en ik in bem, die draagt
veel vrucht: want zonder mij kunt gij
niets doen.
Joh. 15 : 5.
Voor het leven der heerlijkheid, dat, verre boven ons,
in de hemelen doorleefd wordt, is een gordijn geschoven.
En al gluurt nu het geloofsoog door het goudgaas
van dit gordijn soms met heilig heimwee henen, toch
kan geen kind van God op aarde zich van die wereld
der hemelen ooit een klare voorstelling vormen.
Wel heeft God de Heere soms het oog van een enkele
zijner gunstgenooten ontdekt. De apostel Paulus is op-
getrokken geweest in den derden hemel, en de apostel
Johannes heeft wonderbaar heilige dingen gezien. Ook
Jesaia in oude dagen, en evenzoo Jeremia en Ezeehiël
hadden verrukkelijke openbaringen.
Maar toch, ze konden die hemelsche openbaringen
niet vasthouden. Ze ontglipten hun weder. En als ze
dan later aan anderen meedeelden wat ze gezien had-
den, schoot de taal tekort en ze konden geen woorden
noch beelden vinden, om anders dan op verzwakte wijze
weer te geven, wat hun oog aanschouwd had.
-ocr page 56-
36        HET SACRAMENT EN DE HEERLIJKHEID DES HEMELS.
Iets konden ze er wel van zeggen; want er bestaat
tusschen het leven in den hemel en het leven op aarde
verwantschap. Maar veel niet. Dat merkt ge wel aan
Ezechiël als hij ons de Cherubijnen teekent. Het zijn
raderen en vleugelen en koppen, die zich keeren en
wenden; maar u voorstellen, hoe nu eigenlijk een Cherub
voor Gods troon er uitziet, dat kunt ge niet.
Ook van het leven van Christus in dien hemel kunt
ge u daarom nooit een beeld in duidelijke omtrekken
vormen.
Het is zoo, ge weet dat hij in uw menschelijk vleesch
opvoer en er nog in leeft; maar Johannes en Paulus
die zijn verheerlijkte gestalte op den weg naar Damas-
cus en op Pathmos ontwaard hebben, spreken van een
zoo verblindend schijnsel en van een zoo wonderbare
indrukwekkende gestalte, dat het nog nimmer aan een
kunstenaar gelukt is, den verheerlijkten Christus voor
ons in schets of beeld te brengen.
En nóg moeilijker valt het ons, een klare voorstei-
ling te erlangen, van hetgeen deze verheerlijkte Christus
in den hemel nu reeds deze achttien eeuwen deed en
nog steeds doet.
Is hij daarboven steeds aan ééne plek gebonden, of
beweegt hij zich van plaats tot plaats onder de rijen
der verkoren engelen en der gezaligden door zijn bloed?
Is er een spreken, een uiting der ziel en der gedach-
ten daarboven, waardoor Christus met de volmaakt recht-
vaardigeu in verband treedt? Is er een bidden, dat
gehoord wordt, of\' alleen maar een stil gebed der ziel?
Kortom, is er niets dan een verborgen geestelijke arbeid
die vanzelf zijn uitwerking in het rijk van Satan en op
deze aarde vindt, of blijft ook in den hemel het lichaam
orgaan, en treedt zijn Middelaarswerk ook naar buiten ?
En toch, ook al weet ge hiervan, o, zoo weinig, en
al is het nog zoo ondoenlijk, u hiervan een klaar en
duidelijk beeld te vormen, toch weet ge één ding, en
-ocr page 57-
HET SACRAMENT EN DE HEERLIJKHEID DES HEMELS. 37
dat is, dat ge als kind van God ook niet één oogen-
blik bestaat zonder dat uit dien Christus in de hemelen
u de kracht toevloeit.
Ge zijt één plante met hem geworden. Gij zijt een
rank, die in hem als den Wijnstok met de levensve-
zelen zelve gehecht zit.
Niet alsof uw Jezus u voor zichzelven opeischte. In-
tegendeel, hij wil nooit anders dan Middelaar zijn, en
al zijn doel is, om de verkorenen tot den Vader te
brengen. Het moet bij u en bij een iegelijk van Gods
kinderen komen tot het hooger standpunt, waarvan het
tot de discipelen heette: /Jk zeg u niet, dat ik den
Vader voor u bidden zal, want de Vader zelf heeft
u lief."
Altoos dus een komen eerst tot den Christus, maar
om aan zijn hand en door de vrucht van zijn offerande
tot den Vader te gaan.
Maar onderwijl zijt ge den Middelaar ingeplant. Al
leeft gij nog op aarde, en zit daar eenzaam in uw
vertrek neder, toch is er, ongezien en onwaarneembaar,
een levensband, die u met Jezus in den hemel persoon-
lijk verbindt.
Hoe deze band werkt, weet niemand. Eeeds kan
niemand uitleggen, hoe de band tusschen moeder en
kind werkt, zoodra het kindeke uit haar schoot is uit-
gegaan, en soms op verren afstand van haar leeft; maar
toch weet ge, dat die band bestaat.
En zoo ook is er een levensband, die u met Jezus in
den hemel verbindt; een band, die geen oogenblik los-
gewikkeld of afgesneden kan worden; een band, die
werkt als ge slaapt en trekt als ge gaat; en ge weet
hoe door dien band alleen u het genadeleven des Hei-
ligen Geestes toekomt.
Zooals er aan de rank geen knopje uitbot en in die
rank geen druppeltje groeisap is, of het is uit den wor-
tel van den wijnstok aan de rank toegevloeid, zoo ook
is er in u geen korrelke geestelijk leven of geen drup-
pelke genade, dat niet uit den wortel Isaï in u drong.
Een mysterie, het is zoo!
-ocr page 58-
38 HET SACRAMENT EN DE HEERLIJKHEID DES HEMELS.
Maar een verborgenheid, die ons zoo stellig mogelijk
geopenbaard is.
wik ben de Wijnstok en gij de ranken, en zonder
mij kunt gij niets doen.\'"
Maar al gaat nu deze inwerking van den Wijnstok
op de ranken bij nacht en bij dag door, toch teekent
die werking zich op niet één oogenblik zóó duidelijk,
dat ge zeggen kunt: ullicr werkt nu de Christus en
zijn werking in mij is aldus."
Want wel is er ook een mystiek leven van de ziel,
dat vooral bij aandoenlijke en gevoelige personen soms
den vorm van beelden aanneemt, zoodat het hun te
moede is, of ze hun Jezus ontmoet en gezien hebben,
ja, alsof hij hun toesprak en hen aanraakte. Maar zelfs
de meest dwepende ziel zal nooit staande houden, dat
dit werkelijk alzoo toeging, alsof Jezus uit den hemel
ware nedergedaald, om zijn hand daadwerkelijk op hem
te leggen.
Al zulke voorstellingen zijn dus zoete mijmeringen
van een gevoelig gemoed, dat metterdaad genadewer-
king onderging, maar zich nu van deze genadewerking
op zulk een plastische wijze zoekt bewust te worden.
Maar juist daarom blijft het er bij, dat we de wer-
king van Christus uit den hemel nooit rechtstreeks
waarnemen.
Die werking is er; ze werkt aldoor; maar ze werkt
op de manier van den wijnstok. Uit wortel en stam
dringt aldoor het levenssap in de ranken op, maar
zonder dat ge het kunt waarnemen. En zoo ook dringt
uit den Christus aldoor het leven der genade in de
zijnen in, maar hoc de Heilige Geest dit werkt, blijft
ods even verborgen, als de voeding van ons eigen bloed
door de spijzen, die we aan den huiselijken disch genoten.
-ocr page 59-
HET SACRAMENT EN DE HEERLIJKHEID DES HEMELS.         39
Alleen het Sacrament maakt hierop eene uitzondering.
Niet in dien zin, alsof elk kind van God onder het
genieten van het Sacrament op het eigen oogenblik
ontwaren kon, dat en op wat wijs Jezus uit den he-
mel op hem inwerkte. Reeds de kinderdoop weerspreekt
dit. Of hoe zou zulk een wicht van weinig dagen ont-
waren kunnen wat innerlijk in zijn ziel geschiedt?
Ook weet een kind van God van meer dan één Avond-
maal , dat hij verliet zonder iets ontwaard of gemerkt
te hebben. En het zou toch een al te treurige leer zijn,
zoo men zeggen ging, dat deswege zulk een Avondmaal
zonder vrucht bleef, of zulk een Doop geen waarde had.
Neen, heel iets anders is bedoeld.
Dit, dat er ten zeerste in elk Sacrament een actie,
een werking van Christus uit den hemel is. Dat dus
als het Sacrament van Doop of Avondmaal, naar zijn
ordinantie op aarde wordt uitgericht, zich aan dit be-
drijf op aarde altoos aansluit een bedrijf in den hemel.
En wel zulk een bedrijf, dat de Christus uit dien he-
mel door zijnen Heiligen Geest een daad volbrengt in
het hart van hem, die het Sacrament van Doop of
Avondmaal ontvangt.
Nu kan deze daad Christi ten zegen of ten oordeel
zijn; een reuke des levens ten leven of een reuke des
doods ten doode. Tot opstanding of ten val. Is dus de
persoon, die het Sacrament van Doop of Avondmaal
ontvangt, een verkoren kind van God, dan werkt die
actie van Christus op hem ten zegen en begenadigt
hem ; maar ook, is die persoon een vijand Gods en een
loochenaar van den Christus, dan gedijt hem het Sa-
crament niet; maar gaat ook niet werkeloos over hem
heen; doch werkt in hem een geestelijke schade; een
verergering van zijn toestand.
Altoos als bij den Zondvloed. Het ééne zelfde water,
dat Noach in de arke optilt, draagt en behoudt, maar
tegelijk de onrechtvaardigen versmoort in den vloed.
Maar juist omdat door Jezus zelf deze actie aan het
Sacrament verbonden is, weet ge dan ook ten andere,
zoo dikwijls het Sacrament uitgaat: Nu op dezen oogen-
-ocr page 60-
40 HET SACRAMENT EN DE HEERLIJKHEID DES HEMELS.
blik, en in verband met deze teekenen, heeft er een
actie van Jezus uit den hemel plaats.
Zoo is dus het Sacrament de door Jezus zelf inge-
stelde heilige ceremonie, die ons rechtstreeks met de
oogenblikkelijke werkzaamheid van den Middelaar in
den hemel in aanraking brengt.
"Wel grijpt die werking ook builen het Sacramenl
plaats; want hield die werking ook maar even op, zoo
waren de ranken dood en de planten van den wortel
afgescheiden. Maar terwijl anders die werking van Chris-
tus ongemerkt plaats grijpt, weet ge bij het Sacrament
van die werking af.
Ge weet, dat op liet eigen oogenblik, dat het water
gesprenkeld of brood en wijn genomen wordt, de Midde-
laar uit den hemel een bijzondere genadewerking in Gods
kinderen tot stand brengt, of ook zijn geestelijken toorn
werken doet tegen degenen, die zijn Verbond ontheiligen.
Zoo plaatst dus het Sacrament u rechtstreeks in ver-
band met een daad, die op dat eigen oogenblik van den
Christus uitgaat. Christus en dat Sacrament hooren bij-
een. Dat Sacrament is slechts een instrument, waarvan
Christus uit den hemel zich bedient, om zijn genade-
werking in de ziel van Gods kind in te dragen. En
daarom juist heeft het Sacrament de wondere bekoring
van het u te maken, alsof de hemelen u opengingen, en
alsof ge den Middelaar zijn hoogepriesterlijk werk vol-
brengen zaagt.
En hiervan nu is de indruk ook bij dengeen, die er
zich geen rekenschap van weet te geven, zoo overwel-
digend en sterk, dat men onbewust gevoelt, Jezus nooit
meer nabij te zijn geweest dan onder het Sacrament.
Juist dat maakt dan, dat het Sacrament voor uw ziels-
besef een geheel eenig gewijd en heilig karakter draagt.
Het is of ge in de nabijheid van den Zone Gods zijt
geweest.
En reeds dit vervult u met innerlijke verrukking.
-ocr page 61-
VIII.
„2)e Ueete gcBood ons te doen
de^e in^eiiingen."
HET SACRAMENT EN DE GODDELIJKE OKDINANTIE.
En de Heore gebood ons te doen alle
deze inzettingen, om te vreezen den
Heere, onzen God, ons voor altoos ten
goede, om ons in het leven te behouden,
gelijk het te dezen dage is.
Deut. fi : 24.
Over de heilige Sacramenten wordt in de kerke Gods
vaak gedacht en gesproken, alsof het onze Sacramenten
en niet de Sacramenten des Heeften waren.
Gedurig ontvangt ge in zake het Sacrament den in-
druk, alsof het iets ware, dat aan ons believen stond;
door ons was uitgedacht; en waarover dus onzerzijds
naar wilkeur kon beschikt worden.
Ze gelden dan als een soort kerkelijke handeling
van menschelijke vinding, waarvoor dus ook de menscb
den regel kon stellen.
Komt het dan aan den Doop toe, dan spreekt men
er onder elkander over; of men hier of daar zal gaan;
of men het nog zal uitstellen of bespoedigen ; wie zal
meegaan j wie zal heffen; wie zal buigen; en op al
die vragen geeft men het antwoord zoo op het gevoel
-ocr page 62-
42 HET SACRAMENT EN DE GODDELIJKE ORDINANTIE.
af; naar het zoo ons toelacht; al naar den indruk van ons
besef op zulk een oogenblik is. En met het Avond-
maal handelt men evenzoo. Men komt of blijft weg,
men laat toe of weert af naar eigen goedvinden, en
zelfs de Bedienaar stelt zich niet zelden aan, als ver-
keerde hij in de meening, dat menschelijk welgevallen
hier eigendunkelijk regelen kon.
Zoo ongeveer als de kerkelijke huwelijksinzegening
een kerkelijke plechtigheid is, waarvoor ons in Gods
Woord geen enkele vorm is voorgeschreven, zoodat hier
menschelijk nadenken en menschelijk overleg alles re-
gelen moest; zóó denkt men het zich ook bij Doop
en Avondmaal.
Doop en Avondmaal wel iets plechtiger, en (W.s heiliger;
vooral omdat bij de kerkelijke huwelijksinzegening de
geesten der opkomenden vaak maar al te verwilderd
zijn; iets goddelijker vooral, omdat het huwelijk voor
het aardsche leven geldt, en Doop en Avondmaal op
den hemel wijzen; maar toch, ook zoo, Doop en Avond-
maal en Huwelijksinzegening, de drie groote kerkelijke
plechtigheden, waarvan men gebruik maakt als men
het zoo teil,
en die men anders laat voor wat ze zijn.
Zoo zijn er dan ook die huwen, zonder in de kerke
Gods zegen te zoeken. En zoo nu zijn er ook, die heen-
sterven zonder zijn Avondmaal te hebben ontvangen,
en in sommige kringen ook niet weinigen, die de eeu-
wigheid ingingen zonder gedoopt te zijn.
En is dit nu zoo, dan hecht men hier bijna niet aan.
Want, zoo zegt de booze tong dan, aan zulk een Sacra-
ment hangt toch waarlijk iemands zaligheid niet.
Hoor nu daartegenover wat uw God in Levit. 26:15 vv.
tot Israël zegt:
//Zoo gij mijne inzettingen smadelijk zult verwerpen,
dit zal ik u ook doen, dat ik over u zal stellen ver-
schrikking, daartoe zal ik mijn aangezicht tegen u
zetten; want ik zal de hoovaardigheid uwer kracht
-ocr page 63-
HET SACRAMENT EN DE GODDELIJKE ORDINANT1E. 4S
breken; en zoo gij met mij in tegenheid wandelen zult,
en mij niet zult willen hooren, zoo zal ik over u, naar
uwe zonden, zevenvoudig slagen daartoe doen."
Dit klinkt anders.
En toch hier ligt het punt, waar het op aan komt.
Onze Sacramenten zijn geen verzinsels van menschen
en geen uitvindingen van menschelijk goeddunken, maar
ordinantiën en inzettingen Gods.
Door den mond van den Zoon zijner liefde heeft God
zelf tot zijn kerk gesproken: «Gaat dan henen, onder-
wijst alle volken, ze doopende;" en van het heilig Avond-
maal : „Doet dit tot mijne gedachtenisse."
Doop en Avondmaal zijn u niet gevraagd als iets dat
aan uw bjfieven stond, en dat ge dus ook kondt weigeren,
maar ze zijn bevolen. Ze zijn u niet aangeraden als iets
profijtelijks, zoodat ge zelf weten moest, of ge dat profijt
zoeken of verwerpen woudt, maar ze zijn u geordineerd.
En ook ze zijn u niet voorgespiegeld als middel van
geestelijke genieting, zoodat ge naar eigen keus dat genot
er aan geven of het zoeken kondt, maar ze zijn u als
inzettingen van Godswege opgelegd.
Dat is het cardinale punt, waar de kerk, en gij met
haar, toe terug moet keeren.
Er moet weer gevoeld, beseft en beleden, dat God
over ons te gebieden heeft en dat wij te gehoorzamen
hebben, en dat deze gehoorzaamheid des geloofs het eerst
en het sterkst te spreken heeft in het houden van zijn
inzettingen, die ons in Doop en Avondmaal toekwamen.
Wat bij ons hiertegen ingaat is niets anders dan de
«hoovaardigheid onzer kracht," zooals de Heere in Le-
viticus tot Israël zegt.
Overgraag zal men allerlei uit vrije drift, ongeroepen
en ongehouden voor den Heere doen. Ja, er zullen er
zijn die al hun goed aan de armen geven, en desnoods
hun lichaam om Godswil zullen laten verbranden. Maar
stil en rechtstreeks gehoorzamen als hun Heere en hun
God gesproken heeft, dat doen ze liever niet.
-ocr page 64-
44 HET SACKAMENT EX DE GODDELIJKE OBDINANTIE.
Het is dat ze de liefde nog niet hebben, en daarom
nog tot niets nut zijn, zooals Paulus in 1 Cor. 13 zegt.
Een luidende schel en een klinkend metaal. Maar niet
het echte goud der goddelijke liefde.
Want liefde voor God, echte uit God gewelde en
dies naar God terugvloeiende liefde, heeft God als God
lief, en moet Hem dus lieven en loven als onze sou-
vereinen Gebieder.
Reeds bij een aardsch koning is dit zoo.
Als er iemand was, die zielsveel van zijnen koning
zei te houden, en bereid was allerlei voor hem ten offer
te brengen , maar die zich aan zijn wet niet stoorde en
weigerde zich als onderdaan tegenover zijn koninklijke
majesteit te gedragen, dan zou de vorst, wel verre van
met zulk een liefde gediend te zijn, den weerspannigen
onderdaan straffen.
Daarom heet het reeds tot Saul : Gehoorzaamheid is
beter dan offerande.
Een kind, dat zijn vader en moeder met allerlei voor-
komendheid streelen en met allerlei teekenen van liefde
overladen wil, maar niet luistert naar wat ze zeggen
en niet doet wat ze gebieden, moge op zekere liefde
van den wilden wingerd bogen kunnen, maar de liefde
van den echten wijnstok heeft het niet.
En zoo nu ook is het hier.
De Heere is u niet maar een aanrader en aanmaner,
een verzorger en beschermer, maar voor alle dingen
uio God, die als God over u te gebieden en van u
gehoorzaamheid, blinde, stipte, volkomen gehoorzaamheid
te vorderen heeft.
Hij vraagt u niet wat ge goedvindt, noch wat ge er
van begrijpt, maar zet het voor u in, verordineert het
en bakent voor u den weg af; en nu is er voor u geen
keuze, nu moei ge al uw hoogheid afleggen, en stil als
het gespeende kind, naar die inzettingen en op dien
weg wandelen.
-ocr page 65-
HKT SACRAMENT EN DE GODDELIJKE OHDIXANTIE.          45
Eu nu komt dit punt der gehoorzaamheid daarom
bij het Sacrament zoo scherp tot beslissing, omdat het
Sacrament voor ons menschelijk besef op zichzelf dwaas-
heid
schijnt.
Onze natuurlijke mensch lacht er inwendig om, dat
een paar druppeltjes water op het kleine voorhoofdje,
tusschen de tule van het mutsje in, iets hoegenaamd zou
uitwerken. En zoo vat ons natuurlijk verstand er niets
van, waarom dat eten van een klein stukske brood en
dat drinken van een slokske wijn, iets ter wereld zou
uitrichten.
Het geeft ons soortgelijk gevoel als Naaman den Syriër
overkwam , toen Elia hem niets anders aanbeval, dan
om zicli in de Jordaan te baden.
o, Als Elia aan Kaiiinau allerlei ingewikkelde, kosf-
bare dingen had opgelegd, die hem imponeerden, dan
had hij eenig verband gezien tusschen zoo groote mid-
delen en zoo groote zaak als zijn genezing van de me-
laatschheid. Maar niets dan in de Jordaan zich baden!
Wat zou dat? En Naaman stond op het punt in de
hoovaardigheid zijner kracht die kleine middelen te ver-
achten , en melaatsen voor zijn leven te blijven. Of
waren niet de Abanah en Pharpar nog wel zoo schoone
vloeden om Damascus, als die half uitgedroogde Jordaan?
En juist zoo staat ons natuurlijk verstand tegenover
de Sacramenten.
Ze zijn ons te weinig beduidend. Te onbeteekenend.
Te eenvoudig. Te nietig. Wat zal uu toch eei* vol-
wassen, ontwikkeld man daar publiek aan de Tafel gaan
zitten, om dat kleine nietige stukje brood te nemen,
en om zijn lippen aan den beker te zetten.
Eu toch juist daarin zit het.
Adams gehoorzaamheid wierd ook aan, o, zoo kleine
zaak beproefd. Het plukken en eten van een enkele
vrucht aan een volgeladen ooftboom. En toch viel om
die zonde heel een wereld van God af.
En zoo moet ook hier de gehoorzaamheid van Gods
kind juist in dit kleinere en nietige beproefd.
Ge zoudt er uit uzelf niet aan willen. En juist
-ocr page 66-
4fi HET SACRAMENT EN DB GODDELIJKE OEDINANTIE.
daarom moet ge er aan. Veel meer dan in iets anders
moet juist in Doop en Avondmaal uw gehoorzaamheid,
uw onderworpenheid aan uw God beproefd worden.
Verstrik u dus nooit in de vraag, of het Sacrament
ter zaligheid afdoet.
Dat is de afschuwelijke vraag van de geestelijke
zelfzucht.
Want het is iets fraais, om te zeggen: Als ik wist,
dat er mijn zaligheid onder lijden zou, dan ging ik
stellig en trouw tot het Sacrament; maar nu onze za~
ligheid er geen schade van lijden kan, zoo ik het ver-
onachtzaam, en het alleen maar een houden van Gods
inzetting is, nu bekreun ik er mij niet om.
De liefde voor God spreekt: Ook al leed ik er
schade bij, omdat het Gods inzetting is, ga ik toch tot
het Sacrament; maar de zelfzucht rekent alleen met
eigen profijt.
En dit nu noemden onze vaderen //de verachting van
het Sacrament", of zooals het in Leviticus heet: «een
smadelijk verwerpen van zijn inzettingen."
Een bitter kwaad, dat schrikkelijk in de kerke Gods
is doorgedrongen, en waarvan de kerke Gods niet ter-
dege genoeg kan gereformeerd worden.
Ze moet weer van de offerande van Saul naar de
gelioorzaamheid van David terug; van haar eigenwillig
God believen naar het zich kinderlijk aan God onder-
werpen.
De //hoovaardigheid onzer kracht" moet gebroken.
En juist dat geschiedt zoo goddelijk schoon in een
uit gehoorzaamheid gezocht Sacrament.
-ocr page 67-
IX.
„ïermeetdet ons fict gefoof."
HET SACRAMENT EN UW GELOOF.
En de apostelen zeiden tot den Heere:
Vermeerder ons het geloof.
Luk. 17 : 5.
Alle eeuwen door heeft het vrome volk, aan alle ein-
den der aarde, onveranderlijk beleden, dat het Sacra-
ment ziet op het geloof.
In een wereld zonder geloof is ook voor het Sacra-
nient geen plaats; en eerst waar het geloof onder een
volk of natie binnendrong, volgde het Sacrament op
den voet.
Overal waar geloof in Christus openbaar wierd, dook
het Sacrament op. In alle land waar geloof bleef en
stand hield, bloeide ook aldoor het Sacrament des Hee-
ren. En eerst waar het geloof inzonk, ontzield werd en
wegsmolt, kwam ook het Sacrament om zijn eere, ver-
liep het in geesteloozen vorm en hield het eindelijk op.
Sacrament en geloof hooren alzoo bijeen. Zonder ge-
loof is het Sacrament onbestaanbaar en zonder Sacra-
ment kwijnt het geloof. Het één is op het ander aan-
gelegd, en het ander aan het één als de bloemknop
aan den stengel ontloken. Het geloof was van nature
bestemd om in het Sacrament zijn sterking te vinden,
-ocr page 68-
48                          HET SACRAMENT EN UW GELOOF.
en het Sacrament wies vanzelf uit den wortel des ge-
loofs op.
Ook gij hebt dus, zoo dikwijls er van een Sacrament
voor u sprake is, ijlings terug te gaan in de geloofs-
wereld van uw eigen hart. Of ge ten Doop of ten
Avondmaal wilt gaan, is hier om het even, maar al-
toos moet ge u afvragen: Geloof ik? Zoolang ge uw
Sacrament buiten uw geloof houdt, blijft gij ook buiten
het Sacrament staan. Alleen door het geloof heeft dat
Sacrament vat op u en hebt gij met het Sacrament ge-
meenschap.
De teekenen van het Sacrament kunt ge ook zon-
der geloof met u.v oog zien; wat er bij gesproken
wordt, kunt ge met uw natuurlijk oor hooren; maar
grijpen, vatten, ontvangen wat in en achter dat Teeken
het eigenlijk Sacrament uitmaakt, dat kunt ge zonder
een golving, die in uw ziel door het geloof wordt te-
weeg gebracht, nooit.
Nu staat het intusschen met die geloofswereld in ve-
ler hart droef geschapen.
Ze gelooven. o, Ja. Waarom zouden ze ook niet ?
Er leeft geen vijandschap in hun hart tegen den Chris-
tus. Soms zelfs trekt hun ziel naar hem heen. En met
de ortgeloovigen zouden ze in geen geval willen optrek-
ken. Maar bij dat vage geloof blijft het dan ook meest.
Troost brengt zoo ondiep geloof hun niet. Het is
hun evenmin een kracht in het leven. Nauwlijks re-
kent het in hun overtuiging mee. En eerst waar van
zaken van religie sprake komt, of hen een vrome op
hun weg ontmoet, of een ziekte insluipt, die met levens-
gevaar dreigt, voelen ze zekere neiging om met dit
hun vergeten en slapend geloof werkzaam te zijn.
Feitelijk leven ze dus buiten geloof; en houden ze
hun dusgenaamd geloof voor de een of andere builen-
ijewone
gelegenheid in petto.
En dit nu maakt, dat ook het Sacrament hun zoo
-ocr page 69-
HET SACRAMENT EN UW GELOOF.                     49
vreemd blijft en eindelijk een dood iets voor hen wordt.
Och, het staat met hun //Christelijk" geloof, zooals
bij de lieden der wereld met het Voorzienigheidsgeloof.
Ook wie den Christus en zijn Woord verwerpt, ge-
looft daarom toch evengoed aan God als de. duivelen
gelooven, dat er een God is, en sidderen. Zulk een
Voorzienigheidsgeloof komt niet uit de Heilige Schrift
noch uit den Heiligen Geest, maar uit de natuur. En
onder hoe gebrekkigen vorm het ook moge voortkrui-
pen, toch vindt ge bij bijna alle menschen nog zeker
duister besef, dat er een God is, die hun het leven
gaf, en een God, die het ze weer kan afnemen. Tot
"Lelfs in het godslasterlijk vloeken wordt nog altijd iets
van dat onuitroeibaar besef openbaar.
Maar nu gaat het met dit Voorzienigheidsgeloof ook
bij de fatsoenlijke en brave burgerij meest zóo toe,
dat ze in den regel dit geloof op volkomen nonactivi-
teit stellen, en gemeenlijk, ook onder het bidden door,
leven en handelen als waren ze hun eigen god, en als
hadden ze den levenden God niet van noode.
En dat gaat zoo voort tot ze eens plotseling in den
nood komen, en geen uitweg meer zien ; en dan gaan
ze opeens weer meenens bidden, en roepen den verge-
ten God weer aan, en worden weer dagen lang door
dit hun geloof beheerscht en geleid.
Dat ziet ge zoo in dagen van pestilentie en bezoe-
king, in dagen van oorlog of opstand, in dagen van
honger en broodnood, in dagen van smart en rouwe.
Dan bloeit dat Voorzienigheidsgeloof plotseling weer op.
De schelp opent zich en de parel schittert weer. En
het verbaast u zoo vroom als deze anders onvrome lie-
den dan zijn.
Maar juist zoo is het nu ook met het zaligmakend
geloof gesteld; dat natuurlijk heel iets anders is dan
het Voorzietiighcidsge\\oof.
Ook dit veel hoogere soort van geloof toch schijnt
4
-ocr page 70-
5 0                          HET SACRAMENT EN\' UW GELOOP.
voor maar al te velen een uiterste redmiddel, waar ze
alleen in gevallen van bijzonderen nood de hand naar
uitsteken.
Zoo in het gewone leven doen ze het daarbuiten. In
hun dagelijkseh beroep komt het niet in. Hun over-
leggingen en gesprekken gaan er geheel buiten om. En
al ontkent ge niet, dat het zaligmakend geloof in hen
zijn kan, werkzaamheid gaat er toch in geen geval van
dit hun geloof uit.
Daartoe komt het slechts in buitengewone tijden. Als
de ban Gods hen in hun conscientie slaat. Als angst
en droefenisse om hun ziel sluipt en die toenijpt. Of
ook, als er een zeer scherpe prikkel van anderer geloof
door de schors van hun hart dringt.
Maar al den overigen tijd denken ze om hun geloot
niet, leven ze uit hun geloof niet, en staan ze volkomen
gelijk met de ijdele lieden, in den bodem van wier hart
zelfs het kleinste korrelke van geloof niet verscholen ligt.
En dit nu maakt dut hun geloof nooit moede is ;
juist zooals iemand die nooit zijn bed verlaat, nooit
over moeheid in de beenen zal klagen. En overmits nu
het Sacrament door God gegeven is, om een geloof dat
moede wierd weer te sterken, is het zoo volkomen na-
tuurlijk, dat de eigenlijke zielstrek naar het Sacrament
in huu binnenste nooit opkomt.
Niet het Voorzienigheidsgeloof, maar het Zaligmakend
geloot weer te sterken dat is van het Sacrament het
eigenlijk doelwit en oogmerk.
En daarom kan een kind van God, dat goed staat,
er niet buiten. Want immers het echte geloof in Gods
kind is als een zuurdeesem in hem, dat nooit stil ligt,
maar altijd in hem werkt; waar altoos actie uitgaat; en
dat altoos een drijvende kracht in zijn binnenste uit-
oefent op zijn overleggingen en op zijn wil.
De werkzaamheid van uw geloof is dus nog iets anders
dan uw geloofswerkzaamheid.
Gij zijt werkzaam uit UU) geloof, als ge de drijfjacht
-ocr page 71-
HET SACRAMENT EN UW GELOOF.                         51
van uw geloof niet weerstaat, maar volgt, en alzoo tot
daden, waar het geloof in schittert, wordt uitgedreven.
Maar het geloof is in W werkzaam, als het u geen rust
gunt: u gestadig drijft en aanzet; en u belet -weer in
de trage doffe wereld der ijdelheden terug te zinken.
Niet alsof dat zoo rusteloos doorgaat van dag op dag.
0, dit moge bij een zeer enkele voor korte wijle, en na
lange oefening zoo zijn, maar bij verreweg de meesten
is het van die gestadige werkzaamheid nog zeer verre af.
Maar toch Gods kind heeft een geloofswereld; het
leeft in die geloofswereld ; en alleen in die wereld des
geloofs voelt het zich thuis.
En hierdoor nu ontstaat die gedurige afmatting en
overspanning en dorheid des geloofs; dat ge weder merkt
hoe de geloofskracht slapen ging en tragelijk werkt;
evenals \'bij een wandelaar, die te veel en te ver liep,
en nu behoefte voelt aan sterking van zijn kracht, en
aan een bete die zijn verbruikte kracht weer kan ver-
nieuwen.
Welnu, op dat oogenblik treedt dan het Sacrament
voor u; want dat Sacrament is het van God geboden
middel, om de inzinkende geloofskracht opnieuw te
prikkelen en te stalen.
Onder het Sacrament wordt het kind van God, ook
al merkt hij zelf het niet altoos, weer met versche olie
overgoten.
Vandaar, dat de eerste Christenen, wier strijd zoo
ontzettend en wier leven zoo ongelooflijk gespannen was,
alle dag om het Sacrament riepen. En vandaar ook,
dat in de dagen der Reformatie de vraag naar het Sa-
crament, niet eens per jaar, maar gedurig, weer al-
gemeen wierd, en algemeen wierd voor Doop en Avond-
maal beide, elk op eigen manier.
Toen streden de heirscharen des Heeren en toen dron-
ken ze telkens uit de beek.
Maar als de harde slagen van strijd op leven en dood
voorbij zijn, en het leger heeft zijn stille kwartieren
-ocr page 72-
52                         HET SACRAMENT EN LW GELOOF.
weer betrokken, dan is het water niet goed genoeg
meer, en prikkelt de dorst niet.
En zoo ging het ook in Christus\' kerk.
Men gebruikte zijn geloof niet meer. Men spande zijn
geloof niet meer in. Het geloof bleef werkeloos in de
binnenkamer der ziel rusten. En natuurlijk, toen werd
het ook niet moede meer, en kende het geen uitputting,
en had het aan de sterking door het Sacrament geen
behoefte meer.
Zoo is dus ook voor u het Sacrament in zekeren zin
een weerglas, waarop ge den stand van uw geloof kunt
waarnemen.
Maakt het Sacrament van Doop of Avondmaal, als
het terugkeert, op u den indruk van iets, wel plechtigs
ja, maar toch eigenlijk overtolligs; waar ge ook wel
buiten zoudt kunnen; dan blijkt hieruit, dat ge met een
onwerkzaam geloof rondliept; met een geloof dat daarom
niet stomp wierd en dus niet geslepen behoefde te wor-
den, omdat het buiten gebruik bleef.
Maar zijt ge omgekeerd zoo moede in uw geloof, dat
ge, als er twee beurten zijn, de éene met Doop en de
andere zonder Doop, tot uzelven zegt: «Dan ga ik naar
dien dienst met Doop," of ook als ge, zoo het Avond-
maal weer nadert, er reeds vooruit naar verlangt, en
u teleurgesteld gevoelt, als het pas een week later komt;
dan ja, is dit een teeken, dat uw geloof aan den arbeid
is geweest; dat het veel liep en leed en streed, en daar-
door, o, zoo naamloos moede wierd; en dat ge daarom
vlast op het Sacrament dat God u schonk, om de kracht
van uw geloof te benedijen en te vernieuwen.
En zegt gij nu: //Bij mij is het nooit zoo dof, maar
ook nooit zoo hoog gestemd," dan is dit niets onge-
woons; want bijna altoos beweegt de slinger zich tus-
schen die uiterste polen op en neder.
Maar toch, al naar gelang het u walgt van dit «zeer
lichte Manna", of dat uw honger er naar uitgaat, naar
die mate is het in uw binnenste de dood of het leven
geweest.
-ocr page 73-
X.
„den jegef der recftioaacdigimil des gefoofs."
HET SACRAMENT EEN ZEGEL DES GELOOFS.
En liij hoeft het teeken dei\' besnijdenis
ontvangen tot een zegel der rechtvaar»
digbeid des geloofs.
Rom. 4 : 11.
In het formulier, van Joodsche zijde bij de Besnij-
denis gebezigd, komt onder meer deze zegenbede voor:
«Gezegend zij de Heere, die u, zijn beminde, geheiligd
heeft van de baarmoeder, en u het leeken in het vleeseh
heeft gegeven en zijn kinderen het zegel zijns verbonds
heeft ingedrukt!" Niet onmogelijk dus, dat ook de apos-
tel deze zegenbede reeds gekend heeft, en met terugslag
op die bede aan de kerk van Rome schreef, dat Abra-
ham het teeken der Besnijdenis ontvangen heeft, tot
een zegel der rechtvaardigheid des geloofs; terwijl dan
dit zeggen van Paulus op zijn beurt weer aanleiding
gaf, om de Christelijke kerk in alle Sacrament óok
een Dondszcgcl te doen eeren.
Verstaat, doorziet ge, wat zulk een zegel in zijn oor-
sprong beduidt?
Nog wordt op de markt tusschen landlieden geen
stuk vee verhandeld, of er komt hamklag bij; en eerst
met dien handslag is de koop onherroepelijk gesloten.
-ocr page 74-
54              HET SACRAMENT EEN ZEGEL DES GELOOFS.
Wel wordt de koop uitgedrukt in het woord; maar bij
dat woord moet het teeken van den handslag bijkomen,
om de zaak te voldingen.
Zoo is, om op teederder terrein te komen, de uit-
wisseling van ringen nog altoos bij hen, die elkaar
liefde verpanden , onder alle natiën gebruikelijk. Niet
alsof de wederzijdsche liefde in die ringen school, noch
ook alsof de minnenden elkaar op het woord niet ge-
loofd hadden. Maar het is nu eenmaal een trek van
ouze menschelijke natuur, dat we bij het woord, in al
wat plechtig en gewichtig is, een leeken verlangen.
Het woord schijnt te vluchtig, in een leeken ligt meer
bestand.
Zelfs in een eed gaat dat door. Een eed alleen in
het woord heeft onder geen volk ooit als genoegzaam
gegolden; alle eeuwen door eischte men er een teeken
bij. En nu nog worden de voorvingeren van de rech-
terhand opgestoken, ten teeken dat wat men betuigt of
belooft ah eed gelden zal.
Ja, geen gebed gold ooit, of de uitgieting der ziel
en het stamelen onzer woorden, ging altoos verzeld van
teekenen; onder ons van het teeken der oogensluiting en
der handenvouwing.
Altoos een teeken, een vorm in het ziditbare, die
bij het woord bijkwam, het woord voldong en vastlei,
het merkte en bezegelde.
En zoo nu ook is het eigenlijke zegel uit dienzelfden
trek van onze menschelijke natuur opgekomen. Met
cachet of zegelring wordt dan in was of lak een wa-
penmerk op het stuk papier afgedrukt, en eerst daar-
door wordt het handschrift krachtig.
ISfu nog zelfs geldt geen akte, of het papier moet
gezegeld zijn, en bij de stembus doet gemis aan zegel
uw uitgebrachte stem te loor gaan.
De behoefte aan een zegel bij het woord zit u dus,
omdat ge mensch zijt, in de ziel. Immers, dat heb-
-ocr page 75-
HET SACRAMENT EEN ZEGEL DES GEL00FS.               5 5
ben de volken van China en Amerika, van Afrika
en Europa niet met elkaar afgesproken of van elkaar
overgenomen; maar, omdat in alle die landen en
werelddeelen menschen wonen, is bij allen uit hun-
zelfde menschelijke natuur die gelijke behoefte aan
een zegel bij het woord opgekomen. En opgekomen,
niet omdat de mensch, die behoefte in zichzelf had
gegeven, maar omdat God hem die behoefte had in-
geschapen.
Het teeken van het zegel bij het iroord is alzoo geen
vinding van menschen, maar een gedachte die uit God
kwam, en uit God in u is gelegd.
Prent u dit, als er van het Bondszegel in het Sacrament
sprake is, diep in: Het zegel een gedachte Gods, en
niet een vinding van menschen.
Immers zoo eerst overwint ge de vrome bedenking die
zoo licht tegen het Bondszegel als zegel op een Woord
van uw God
in de ziel oprijst. Te weten de bedenking,
dat een zegel wel voeg heeft bij een woord van men-
schen, omdat alle mensch leugenachtig is, maar niet bij
een woord van uw God, omdat God waarachtig is.
Haast kan een geloovig kind van God zich niet in-
beelden, dat er, als zijn God gesproken heeft, nog iets
bij zou hoeven ; of dat eenig teeken, hoe plechtig ook,
ooit de zekerheid van wat Hij sprak, zou kunnen ver-
hoogen.
En zoo ge alleen op God ziet is dit ook zoo.
Maar als God tot menschen spreekt, hebt ge niet
enkel te rekenen met Hem die spreekt, maar ook met
hen tot wie gesproken wordt.
En waar nu God zelf in den mensch van nature een
trek inschiep, om een zegel bij het woord te vragen,
daar kan het immers niet vreemd zijn, dat Hij zelf,
dien aldus geschapen mensch aansprekend, er hem een
zegel bij geeft.
Ook een eed is in God als God ondenkbaar. En
toch de Almachtige heeft uit loutere barmhartigheid,
om zich te voegen naar onze natuur, gezworen bij
zichzelven.
-ocr page 76-
56               HET SA.CRA.MEXT EEN\' ZEGEL DES GEL00FS.
Al komt dus die gedachte soms in u op, ze mag
geen stand houden, ge moet ze onderdrukken.
Niet gij hebt te bepalen, hoe God de Heere met u
als mensch verkeeren zal. Dat bepaalt God en niet gij.
En nu Hij eenmaal een zegel bij zijn Woord gaf,
hebt gii dat zegel van uw God dankzeggend te aan-
vaarden.
Edoch dan moet het Sacrament ook een zegel in den
eigenlijken vollen zin des vvoords zijn, een zegel door
Hem gezet, en niet door uzelven nagebootst.
Stelt ge u dus voor, dat de heilige Doop maar zoo
iets is, dat menschen onder elkander doen, of het heilig
Avondmaal een soort liefdedisch, dien mensehen onder
elkander aanrichten, d;iu natuurlijk kan er van een
zegel geen sprake zijn.
Een zegel onder het koninklijk handschrift moet door
den koning zelven gezet zijn. Nu wel niet in dien zin,
dat hij het altoos eigenhandig moet doen. Hij kan het
ook laten zetten door zijn dienaren. Maar altoos moet
het gezet zijn van \'s koningswege, en niet door de onder-
danen zelven aan wie hij het richt.
Zoo dus ook bij het Sacrament.
Zal het Sacrament een zegel zijn, niet in schijn,
maar in waarheid, dan moet het Sacrament uitgaan van
den Koning der kerk, en niet van u.
En dit nu is ook zoo, mits uw oog er maar voor
open ga, dat niet eeuig mensch, maar Christus zelf als
onze Koning het Sacrament heeft ingesteld, en dat het
door zijn bestel en ordinantie is, dat er in elke kerk
van zijnentwege dienaren zijn, die het in zijn naam en
op zijn last uitreiken.
Hiervan moet het besef dus altoos levendig en krach-
tig in u zijn.
Hetzij er Doop, hetzij er Avondmaal bediend wordt,
altoos komt het Sacrament van Christus. Hij gelastte
dat het er zijn zou. Hij gelastte hoe het zijn moest.
-ocr page 77-
HET SACRAMENT EEN ZEGEL DES GELOOFS.               5 7
Hij beval dat het voortdurend weer zou worden aan-
gericht. En ook hij stelde er zijn dienaren voor in, om
het in zijn plaats te bedienen.
Doch ook zoo zoudt ge nog zeggen kunnen, dat het
Sacrament geen wezenlijk zegel is, omdat het neemt
wie wil.
Reeds op zichzelf echter is dit niet geheel zoo.
Immers Christus heeft zijn dienaren last gegeven,
om het alleen uit te reiken aan wie er gerechtigd toe
was. En zijn dienaren doen dus hun plicht niet, zoo
ze de deur voor een ieder openzetten. Dat mag niet
bij den Doop, en mag niet bij het Avondmaal. Er
zijn er, die er recht op hebben, en er zijn die er van
geweerd moeten. En het ligt dus niet aan het Sacra-
ment, maar aan de ontrouw en het plichtsverzuim der
dienaren, zoo door de open deur de kracht van het
zegel gebroken wordt.
Want als de dienaren trouw met het heilig Sacra-
ment van hun Koning handelen, dan zou er ook wel
een enkele hypocriet kunnen doorsluipen, maar met zulk
een hoeft niet gerekend. Die zoekt geen zegel en vindt
geen ^zegel. Bij dien kan van geen zegel sprake zijn.
Klem zit er dus wel terdege in het oordeel der kerk,
of gij het Sacrament moogt ontvangen al dan niet.
En zegt ge nu: «Ja, maar de kerk oordeelt toch
naar het uitwendige. Ze kent mijn hart niet. Dus
kan ze zich vergissen," dan is dat ook zoo; maar wie
daarom de bezegelende kracht a=in het Sacrament wilde
ontzeggen, zou de daad van Christus in het Sacrament
voorbijzien.
Ja, als hetgeen de dienaar doet al het Sacrament
ware; als het sprengen met water en het breken van
het brood onder het uitreiken van den beker, op zich-
zelf een Sacrament kon uitmaken , dan zeer zeker zou
do bezegelende kracht van het Sacrament, overmits de
kerk uw hart niet kan beoordeelen, zoogoed als geene zijn.
-ocr page 78-
5 8 HET SACKAMENT EEN ZEGEL DES GEL0OFS.
Maar zoo is het niet.
Het Sacrament is niet enkel wat de dienaar doet.
Wat de Dienaai\' doet is maar den vorm voor het
Sacrament geven. Die ook in het Sacrament het cigen-
lijkc
en wezenlijke werkt is de Heere zelf uit den hemel.
Vergeet toch den Heiligen Geest niet.
Want het is volkomen waar, dat Christus in den
hemel is en niet meer op aarde, en dat hij dus naar
zijn menschelijke natuur zo u thans niets toe kan bren-
gen ; maar heeft dan de Middelaar, ook al troont hij
in den hemel, geen macht op aarde om te werken
door zijn Heiligen Geest ?
En is die Heilige Geest dan niet aldoordringend?
Zoodat Hij in elke kerk, waar gedoopt of avondmaal
bediend wordt, zelf tegenwoordig is, zoodat er niet
alleen de dienaar is en wie ten Doop of Avondmaal
komt, maar ook de Heilige Geest.
En als gij dan opgaat ten Doop of aan het Avond-
maal aanzit, heeft die met u daar tegenwoordige Hei-
lige Geest dan niet de volkomen macht, om in uw
verborgen wezen, in uw hart, in de binnenkamer uwer
ziel binnen te dringen, en daar van Christus1 wege zijn
goddelijke werking te doen?
En als dan nu de Heilige Geest op dat oogenblik
(hetzij de doopeling of avondrnaalganger het merkt,
hetzij hij het niet merkt) die bezegelende werking aan
de ziel doet, dat het Sacrament voor nu of voor later
de kracht van een zegel bij het woord voor u krijgt,
is dan dat door den Heiligen Geest ingedrukte zegel
niet oneindig zekerder en gewisser dan het plechtigste
zegel, dat de machtigste koning op aarde u geven kan?
Zooals een koning om zijn zegel te zetten zijn zegel-
ring gebruikt, en dien indrukt, opdat het zegel alzoo
op het handschrift sta, zoo ook neemt de Christus uw-
Koning het Sacrament als een zegelring, drukt dat door
zijn Heiligen Geest in uw ziel af, en alzoo ontstaat
-ocr page 79-
HET SACRAMENT EEN ZEGEL OES GELOOFS. 59
in uw innerlijk besef het afgedrukte zegel, dat uw
geloof steunt en in u uw slingeringen en twijfelingen
te hulpe komt.
En de uitkomst toont het dan ook.
In de dagen onzer vaderen, toen het Bondszegel ijverig
gezocht wierd, heerschte er algemeen groote geloofs-
verzekerdheid.
Thans nu het Bondszegel vaak gemeden wordt, ver-
woest de twijfel en de bekommering zoo menige ziel.
-ocr page 80-
-ocr page 81-
TI.
VAN DEN HEILIGEN DOOR
-ocr page 82-
-ocr page 83-
I.
„Dejc is aldaar geboren."
OVERGANG TOT DEN H. DOOP.
De Heere zal hen rekenen in het op-
schrijven der volken, zeggende: Deze is
aldaar geboren.
Psalm 87 : 6.
Als ge aan uw Doop denkt, denkt ge vanzelf aan uw
geboorte, die vlak daarachter ligt. Want ja een zeer
enkele wordt pas op later leeftijd gedoopt, maar voor
de breede schare der Christenheid vallen geboorte en Doop
bijna saam. Lang zelfs deed de Doopacte dienst voor
wat men nu noemt de „acte van geboorte."
Nu waart ge in uw geboorte al zeer lijdelijk. Ge
werdt geboren uit uw moeder, ge waart gegenereerd
door uw vader, een teedere zorge omving u en om-
ringde u, toen ge voor het eerst uw oog ontsloot voor
het licht der zon; maar gij deedt zelf niets.
Denkt ge nu aan die ure wel eens terug? Misschien
niet uit uzelven, maar dan toch aan de hand van
David, den man Gods? Want David dacht veel aan de
wondere ure zijner geboorte. Herinner u maar wat
hij in Psalm 22 zong: „Gij zijt het immers, die mij
uit den buik hebt uitgetogen ; die mij hebt doen ver-
trouwen zijnde aan mijner moeders borsten. Op u ben
-ocr page 84-
64.                             OVERGANG TOT DEN H. DOOP.
ik geworpen van de baarmoeder af; van den buik mijner
moeder aan zijt gij mijn God."
Ja, zelfs achter zijn geboorte placht David in de ont-
fermingen zijns Gods terug te dringen, en zoo zong hij
in Psalm 139: «Ik loof U, omdat ik op heel vreeselijke
wijze wonderbaarlijk gemaakt ben, en als een borduursel
gewrocht ben in de nederste deelen der aarde. Uw oogen
hebben mijn ongevormden klomp gezien; en alle deze
dingen waren in uw boek geschreven, de dagen toen zij
geformeerd zouden worden; toen nog geen van die was."
Zoo gaat dus David zeer ver terug. Hij ziet zich-
zelven als kind in Isai\'s huize meezingen in het loilied,
en betuigt: «Uit den mond der kinderen en der zuig«-
lingen hebt Gij U lof bereid."
Hij denkt terug aan de weken en maanden, toen hij
als zuigeling zoo in stil vertrouwen aan de borst van
zijn moeder lag te genieten, en belijdt dat God dit
vertrouwen in hem als klein wicht gewrocht had. Hij
denkt aan het eigen oogenblik, toen hij uit zijn moeder
geboren werd, en zegt dat niet de vroedvrouw, maar
eigenlijk God hem heeft uitgetogen. Hij leeft, achter
die geboorte, terug in de maanden, toen zijn moeder
hem onder haar hart droeg, en ziet nu hoe Gods oog
waakte over zijn ongevormden klomp; ja hoe toen niet
zijn moeder, maar God hem in zijns moeders schoot
als een keurig borduursel toebereidde. En ten slotte
gaat hij zelfs tot achter het oogenblik zijner ontvangenis
terug, tot achter den tijd dat zelfs zijn vader en moeder
er nog niet waren, en leest nu in het boek van Gods
raadsbesluiten, hoe daarin alles reeds vaststond, eer nog
iets geformeerd was, ja toen nog geene van die dingen
er waren.
Is dat nu iets exceptioneels voor David geweest?
Natuurlijk niet. Veeleer zong hij alles wat hij van
zijn kind-zijn, en zijn geboorte, en het bestel Gods achter
zijn geboorte jubelde, op grond van de wetenschap, dat
-ocr page 85-
OVERGANG TOT DEN H. DOOP.                             65
het zoo bij ieder kindeke toeging, dat geboren werd.
Dus ook bij ii.
Toch kon het zijn, dat gij dusver te traag van geest
waart, om zoo diep in uw eigen verleden terug te
dringen, en vooral om in dit diepe verleden nog de
ontfermingen Gods op te merken.
Voor de meesten reikt de herinnering van hun eigen
verleden niel zoo ver.
Zoo ongeveer weten ze van een tijd, toen ze naar
school gingen; maar wat achter het zesde, zevende jaar
ligt, rekent in de herinnering der meesten temauwer-
nood meê. Aan de kraamkamer, waarin ze zelf het
kraamkindeke waren, hebben slechts zeer weinigen ge-
dacht.3 Zelfs al ontmoetten ze later hun eigen baker,
dan komt het nog niet in hen op, om terug te denken
aan den tijd, toen ze zelf de moedermelk indronken.
En al keerde ook nog zoo dikwijls uw geboortedag terug,
wie is er, die ooit met heilige vreeze terugdacht, zooals
David, aan het oogenblik, toen zijn aanzijn op deze
aarde begon; om nu nog niet eens te spreken van wat
achter die geboorte ligt, en wat valsche en onvrome
kieschheid beter acht te vergeten.
Doch daardoor komt uw geloof dan\'ook scheef te staan.
Want uw geloof kan uiteraard niet verder in uw ver-
leden teruggeleid, dan de herinnering, de heldere gedach-
tenis van uw verleden gaat. En door die eerste zeven
jaren van uw leven in het donker te laten schuilen,
schuilt dus ook voor u in het donker, al wat uw
God reeds die eerste zeven jaren van uw leven voor
u deed.
En daarin nu was David vromer en oordeelde hij u.
De drang om zijn God te loven, spande zijn ziel, en
daarom mocht niets aan de vergetelheid prijsgegeven,
waarin de liefde van zijn God voor hem uitblonk. En
overmits nu die liefde van zijn God voor hem nooit zoo
teeder, zoo alomvattend en zoo onverdiend was geweest
als juist in die eerste levensjaren, daarom kon hij er niet
van zwijgen, maar galmde den lof des Heeren uit, en
riep u en mij, en een iegelijk mensch op, om den Aller-
5
-ocr page 86-
66                            OVERGANG TOT DEN\' H. DOOP.
hoogste ook voor de eerste liefde den lof en de eere
te geven.
Neen, uw God is niet pas op uw zevende of achtste
jaar tot u gekomen, maar had reeds jaren van teedere
liefde aan u besteed, toen gij voor het eerst zijn heiligen
naam leerdet stamelen.
Gods liefde is uw kennisse van zijn liefde jaren lang
voor geweest. U voor geweest juist in die jaren, toen
er in u nog geen gebed en nog geen vroomheid was,
en toen gij nog nooit iets voor uw God hadt kunnen
doen. Ja, u voor geweest juist in dien teedren tijd van
uw leven, toen ge geheel hulpeloos, geheel machteloos,
zonder een zorgende liefde, die u voorkwam eu u om-
ringde, kort na uw geboren worden, reeds een kind des
doods zoudt zijn geweest.
En zeg nu niet, dat ge daarvoor uw moeder hebt
gedankt, of uw vader wederliefde hebt vergolden; want
daarmee zijt ge er niet van af.
Of wie was het, die uw moeder die teedere liefde
voor u inboezemde, en uw vader voor u waken deed ?
Hun aard, hun natuur, hun hart, zegt ge; en ge zegt
wel, maar nu, antwoord verder: Wie schiep hun dien
aard in, wie begiftigde hen met die natuur, wie was
het, die in hun hart die liefde voor hun kind wekte?
Was het niet God de Heere? En onthoudt ge dan Hem
zijn lof niet, zoo ge bij vader en bij moeder staan blijft,
zonder achter beiden ook naar de liefde van uw Vader
in de hemelen door te dringen?
En zegt ge, dat er in uw jonge leven dan toch niets
was, waarin rechtstreeks de liefde van uw God uitkwam,
spreekt ge u ook dan niet voorbij?
Of zijt ook gij dan niet gedoopt geworden?
En toen ge gedoopt wierdt, was het toen de Heere
der heerlijkheid niet, die rechtstreeks toonde met u,
als klein en hulpeloos wicht, een bemoeienisse van ge-
nade
te willen hebben?
-ocr page 87-
OVEEGAXG TOT DEN\' H. DOOP.                            67
Maar zoo gaat het in ons onnadenkend leven.
Omdat we er ons /.elven niets van herinneren, re-
kenen we met ons leven uit de eerste reeks jaren van
ons aanzijn niet; en omdat we met die eerste levens-
jaren niet rekenen, rekenen we ook zoo bijna nooit
met onzen eigen Doop.
Wel met den Doop. Ook met den Doop van ande-
ren.
Vooral met den Doop van onze eigen lievelingen.
Maar met den Doop, die aan onszelven is toebediend,
och, zoo\'weinig!
En toch, ook daarmee onthoudt ge Gode zijn eere.
Want dat ge als klein kindeke gedoopt wierdt, was
toch alleen omdat ge naldaar geboren zijt," zooals het
in Psalm 8 7 heet, t. w. op de erve van Gods heilig
Genadeverbond. Van Sion zal gezegd worden: Die en
die is daar geboren,
en de Allerhoogste zelf zal ze
bevestigen. En de Heere zal ze rekenen in het op-
schrijven der volkeren, zeggende : Deze is aldaar geboren.
Laat nu den dieperen zin van dit lied der Kora-
chieten een oogenblik rusten, en neem er alleen deze
gedachte uit op, hoe reeds het geboren zijn op de erve
des koninkrijks u een rijken zegen, en o. a. den zegen
van uw Doop bracht.
Ook gij hadt toch evengoed kunnen geboren zijn in
Soedan of Tomboktu, om, als slaaf of slavin verkocht,
in harden dienst en in gansch troostflooze heidensche
donkerheid uw aanzijn te slijten. Gij hadt het levens-
licht kunnen zien onder de Rokkaneezen of de Zoe-
loes. Ge hadt kunnen geboren worden in een land en
bij een volk, waar zelfs de naam van Christus niet be-
kend was.
Reeds in dat ééne feit, dat ge hier geboren zijt, ligt
dus reeds een rijke genadebeschikking. Niets onder-
scheidde u nog, en niets kon u nog onderscheiden,
want ge waart er nog niet, en kondt dus nog in niets
beter aijn dan zulk een zwart, heidensch negerkind.
-ocr page 88-
68                             OVERGANG TOT DEN H. DOOP.
Zoo ooit een genade onverdiend en ongebonden was,
en u Gods vrijmaehtige, souvereine beschikking toont,
dan was het dit uw geboren worden in een kring
waar zijn Verbond zich zegenend over u uitbreidde.
En daarom ging David tot achter zijn geboorte in dat
eeuwig welbehagen terug.
Alle deze dingen waren in zijn Boek geschreven, eer
ze geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was.
Door niets wordt men dan ook zoo beslist gerefor-
rneerd als door op eigen geboorte te zien en achter
eigen ontvangenis terug te gaan.
En de vijand van Gods waarheid speelt er in, dat
toch ook zoovele Gereformeerden meedoen aan de zonde,
om Gods weldadigheden in, voor en kort na hun ge-
boorte zoo weinig te gedenken.
o, Dacht ge maar meer aan uw eigen Doop; want
in dien Doop schittert die zorge Gods voor het nog
willoos, sprakeloos en hulpeloos kindeke zoo goddelijk
schoon. In dien Doop liggen als in een bundel al de
stralen zijner goddelijke ontferming voor het jonge wicht
saamgevat.
Niet alsof iemand die niet op het erf geboren was,
er niet kon komen, noch ook, alsof wie er wel geboren
was, er zeker kwam. Ook hierbij toch gaat het diep-
zinnige woord van den Prediker door: «De één komt
uit het gevangenhuis om koning te zijn, en een ander,
die in het koninkrijk geboren is. verarmt." Zoo toch
zal hel ook hier zijn. Er zijn geboren Heidenen, die
uit bet gevangenhuis naar het Koninkrijk van Christus
komen, en er zijn geboren Koningskinderen, die uit den
rijkdom Christi in de geestelijke armoede van het Hei-
dendom terugvallen.
Ook ten deze overdrijve men dus niet.
Maar dit neemt het feit niet weg, dat stellig negen
tienden van Gods kinderen reeds in hun geboorte de
genade ontvingen, dat ze geboren wierden in de banden
-ocr page 89-
OVEKGANG TOT DEN H. DOOP.                            69
van het Genadeverbond, op de erve des Koninkrijks,
in den glans van een hemelsch licht.
Dat goddelijk privilege nu viel ook u ten deel.
Van dat privilege, is uw Doop u het teeken geweest,
en daarom moet ge uw Doop u levenslang herinneren.
nAldaar geboren" buiten uw wil, buiten uw weten,
buiten uw toedoen ; maar krachtens het willen, met het
weten, door het doen van uw God.
En daarom zijt ge gedoopt geworden.
-ocr page 90-
II.
„SWefeu ata gij in Wuistus gedoopt 5\\i±.*
OOK GIJ ZIJT GEDOOPT.
Want zoovelen als gij in Christus ge-
doopt zijt, hebt gij Christus aangedaan.
Galaten \'6 : 27.
Ook gij zijt gedoopt. Gedoopt in den naam van Vader,
Zoon en Heiligen Geest. En door dien Doop ook zicht-
baar onder de hoede van het Genadeverbond gesteld.
Daar wist ge, toen het Doopwater u op het voor-
hoofd wierd gesprenkeld, wel niets van af. Het ging
geheel buiten u om. Gij waart er geheel lijdelijk onder.
Ge kondt er niets tegen, er niets voor doen. Maar met
dat al is uw Doop aan u voltrokken en rekent in uw
leven mee.
Had men u, als weerloos wicht van weinig weken,
in stede van naar den heiligen Doop naar der Joden
besnijdenis gebracht, of waart ge diellijk ontstolen en
naar een Turksch of Heidensch land gevoerd, ge zoudt
er evenmin iets aan hebben kunnen doen. Ge waart
willoos en een ander kon met u doen naar zijn wil.
En zoo ook is uw Doop in uw eerste levensdagen u
door den wil eens anderen toegekomen.
Zult ge nu daarom zeggen : ,/De mij toegediende
Doop gaat mij niet ap^n. Deswege mogen zij toezien die
-ocr page 91-
OOK GIJ ZTJT GEDOOPT.                                  71
mij lieten doopen 1" Maar immers dat zou een pure
illusie zijn, want ook uw ontvangenis en geboorte hing
niet van u af, en gaat dan daarom uw geboorte, uw
ontvangen van het leven, uw mensch-zijn onder de kin-
deren der menschen u niet aan ?
Of zult ge antwoorden: «Ja, maar mijn geboorte
schonk mij mijn leven, en dat voel, dat geniet ik; maar
van mijn Doop ontwaar of merk ik niets," gun mij dan
een wedervraag.
Er zijn nadat ge als kindeke geboren waart, zeker
tien, misschien twintig jaren verloopen, eer het myste-
rie uwer geboorte zich allengs voor u ontsluierde. Eerst
wist ge ook daar niets van. Toen zijt ge allengs van
een vader en moeder gaan hooren. Voortgaande hebt
ge tot uwe bevreemding ontdekt, dat ge er eens niet
waart. Toen hebt ge een tijdbng den droom meege-
droomd, dat ge van elders in uws vaders huis waart
ingedragen. En eerst toen ge ouder wierdt, is u allengs
het geheimnis voor uw bewustzijn getreden, dat ge ge-
boren waart uit uws moeders schoot.
In uw geboorte, die buiten uw wil en weten omging,
lag dus ook een mysterie, waar ge eerst niets van ver-
moeddel,
waar ge eerst niets aan gehecht hebt, en dat
eerst van lieverlede voor u ontdekt is.
Wat zou het dan zijn, indien het zoo ook met uw
Doop
gelegen was ?
Immers ook van dien Doop weten godzalige mannen
en vrouwen, die allengs op hun dagen komen, te ver-
halen, dat ze eerst niets aan hun Doop hadden gehecht,
niets van een mysterie, dat daarachter en daarin lag,
vermoed hadden; maar dat allengs en van lieverlee ook
over dien Doop het licht voor hen is opgegaan. En dat
ze toen ontdekt hebben, hoe die Doop niets minder dan
die geboorte over hun leven heeft beslist, en dat zoo
die geboorte hen opleidde tot hun aardschen vader, die
Doop bleek een heilige band te zijn, die hen bond aan
hun Vader, die in de hemelen is.
-ocr page 92-
72                                    OOK GIJ ZIJT GEDOOPT.
Stel nu, gij merkt daarvan dusver nog niets; neem
aan dat het voor uw besef nog altoos staat, alsof die
Doop niets was, dan een zekere plechtigheid, waarbij
een mensch u water op het hoofd druppelde en eenige
heilige woorden uitsprak; zoodat ge van een mysterie,
dat daarachter zou schuilen, van een heilige werking,
die daardoor op u uitgeoefend zou zijn, nog niets ter
wereld vermoedt; eilieve, dan staat gij immers tegen-
over uw Doop nog precies in dezelfde onnoozele con-
ditie als een kind van zes of zeven jaar nog tegenover
zijn geboorte staat, en dat er ook nog hoegenaamd niets
van vermoedt, dat er in die geboorte zulk een diep
levensmysterie zou schuilen.
En als gij dan tegenover diegenen, voor wie het licht
over het Doopsmysterie wel opging, u sterk uitliet, dat
ge daar niets van gelooflet, zoudt ge dan veel anders
zijn dan een kindeke van zeven jaar, dat aan zijn moe-
der vertellen wou, dat er van een mysterie bij zijn ge-
boorte eigenlijk niets aan was ?
Toegegeven moet, dat het Doopsmysterie voor u niets
kan beteekenen, zoolang uw eigen persoonlijk geloof nog
niet in dat mysterie indrong.
Maar als ge anderen, en daaronder godzalige mannen
en vrouwen, u telkens hoort verzekeren, dat zij allengs
in dit Doopsmysterie zijn ingeleid; dat het wel waarlijk
bestaat; en minstens van even verre strekking is als
het mysterie uwer geboorte; wat grond of recht zoudt
gij dan hebben, om dit voor inbeelding te verklaren?
Veeleer moest dan reeds het gerucht dat er zulk een
Doopsmysterie is, u prikkelen, om met heilige nieuws-
gierigheid in dit mysterie in te dringen, en niét te
rusten, eer ge er alles van wist.
En als ge dan u zelf bekennen moat, dat ge reeds
als kind, soms Ie nieuwsgierig waart, om in het mys-
terie van de menschelijke geboorte in te dringen; maar
echter nooit eenige neiging in u ontwaard hebt, om met
een heilige nieuwsgierigheid achter het mysterie van uw
Doop te komen, ligt dan hierin niet reeds een oordeel ?
Het oordeel, dat de dingen des vleesches uw weet-
-ocr page 93-
«
OOK GIJ Z1JT GEDOOPT.                                  73
gierigheid sterker prikkelen dan de dingen des geestes.
En zou er dan niet in uw conscientie zelve een in-
nerlijke prediking zijn, die u uw onverschilligheid ten
opzichte van uw eigen Doop als uitvloeisel van de zonde
van uw hart verwijt?
Of zult ge zeggen : Indien dan al mijn Doop mij iets
ten goede toebracht, welnu, zoo is dit goede mijn deel,
en zal mijn nadenken er over er weinig aan toedoen.
Maar dan mag toch gevraagd, of ge dan nooit ge-
hoord hebt, dat uw Doop u ook wel eens kwaad kon
doen ? Van het heilig Avondmaal, van het andere
Sacrament, kwam u toch ook wel ter oore; dat men
zich een oordeel kan eten en drinken. En zou dit dan
ook niet met uw Doop zoo kunnen zijn? Zou men ook
niet gedoopt kunnen zijn met een Doop, die ten slotte
bleek, ons tot een oordeel geworden te zijn ?
Ge zijt gedoopt in Christus Jezus. Maar van dien
Christus staat het dan toch vast, dat reeds Simeon in
den tempel van het kindeke Jezus profeteerde: «Deze
wordt gezet tot een val en opstanding." En de heilige
apostel getuigde van het Evangelie, dat het wel voor
den éen een reuke des levens ten leven, maar ook voor
den ander een reuke des doods ten doode is. En als
dan nu uw Doop u rechtstreeks met Christus in ver-
band zet, kan het dan anders of er moet van tweeën
één uit volgen: val of opstanding, oordeel of voordeel,
de dood of het leven?
En gaat zulks u dan niet aan?
Konden er dan uit dien Doop ook niet verplichtingen
voor u voortvloeien, evengoed als er voor u verplich-
tingen voortvloeien uit uw geboorte uit die bepaalde
ouders? Ja, zou het ook niet kunnen zijn, dat, evenals
er voor u uit uw geboorte rechten voortvloeien, zelfs
rechten op een erfenis, dat er ook zoo in uw Doop
heerlijke rechten scholen, die voor u van het uiterste
belang waren ?
-ocr page 94-
74                                    OOK GIJ ZIJT GEDOOPT.
Zoo ziet ge dus wel, dat het er niets toe doet, of
ge van uw Doop al zelf niets afwist en er niets aan
toebracht, maar dat het voor u zaak blijft, ja, noodzaak
is, om over uw Doop licht te vragen, in het mysterie
van uw Doop in te dringen, en u op de hoogte te
stellen van de verplichtingen en rechten, die uit uw
Doop voor u voortvloeien.
Te doen alsof uw Doop u niet aanging, is in elk
geval iets ongerijmds.
Had nu in uw Doop alleen uw vader en de Dienaar
des Woords iets aan u gedaan, zoo ware het nog
minder.
Maar zoo is het niet.
Evenals in uw geboorte wel iets van uw vader en
van uw moeder was, maar er in die geboorte veel meer
nog een daad Gods was, die besloten had u in het
aanzijn te roepen, bepaald had uit welke ouders, en
waar, en op wat uur ge zoudt geboren worden; veror-
clineerd had wat soort menseh, en van wat aard en
karakter gij zijn zoudt, en toen op het juiste oogenblik
uw ziel geschapen had, — zoo ook is het met uw Doop.
Ook in den Doop is wat uw vader deed en de Dienaar
des Sacraments deed geheel verdwijnend bij de daad
Gods in het Sacrament, die u liet geboren worden in
de schaduw van zijn Genadeverbond, en niet in een
Heidenland; die u uw aanzijn gaf in een gezin, waar
de Doop nog gezocht wordt; en u deed inkomen in een
kerk, waar zijn heilige Doop ook aan kinderkens bediend
wordt; en die toen op het heilig oogenblik zelf zijn
Sacrament tot Sacrament heeft, gemaakt, door onder de
besprenkeling met het water, zijn Goddelijke kracht in
het Sacrament te laten werken.
Zonder een daad Gods is er geen (jebourle van een
menschenkiiid, en zonder een daad Gods kan geen kind
des menschen gedoopt worden.
Wel is er soms schijndoop, gelijk er ook onder men-
-ocr page 95-
OOK GIJ ZIJT GEDOOPT.                                   75
schen een sc/<y «geboorte kan zijn, dat er niet gedoopt
is en geen kind geboren wierd. Maar daar reppen we nu
niet van. We spreken van een wezenlijken Doop, gelijk
we spraken van een wezenlijke geboorte, dat ge zeggen
kunt: Er is een kind geboren, en deze mensch is gedoopt.
En dan is er altoos de daad Gods, zijn goddelijke
werking, die niet ledig tot Hem wederkeert, maar die
altoos, evenals de geboorte, ten zegen of ten vloek moet
worden.
Een daad Gods, die in dit uw korte aardsche leven
nog slechts even haar spoor teekent, maar die in veel
sterker mate beslissen zal voor uw bestaan in de eeu-
wigheid.
Maak daarom aan die roekelooze onnadenkendheid hoe
eer hoe beter een einde; en zeg het u telkens en telkens
weer: «Ik ben niet slechts geboren, maar ook gedoopt,
en ook achter dien Doop schuilt een diep mysterie, waar
ik voor nu en eeuwig mee te maken heb.\'\'
Waarmede ge te maken hebt, omdat in uw Doop,
evengoed als in uw geboorte, God over u te beschikken
heeft, vrijmachtig en souverein.
Zooals Hij geheel vrijmachtig en souverein, den één
een jongen en den ander een meisje doet geboren worden,
waarmede toch hun toekomst voor heel hun leven beslist
is, en waaraan zij niets veranderen kunnen, zoodat noch
de jongen ooit een meisje, noch het meisje ooit een
jongen kan worden, zoo ook heeft uw God over u be-
schikt in den Doop.
Anderen werden niet gedoopt, gij wel.
Maar nu zijl ge dan cok gedoopt, en ge kunt nooit
weer een ongedoopte worden.
Ge kunt uw Doop niet te niet doen. Ge kunt uw
Doop niet ongedaan maken. En of ge al uw Doop
vergeet; er niet aan denkt; ja, er tegen mort; het
baat u alles niet, gij zijt en blijft een gedoopte, en naar
uw Doop zult ge geoordeeld worden.
-ocr page 96-
76                                    OOK GIJ ZIJT GEDOOPT.
Alzoo toch spreekt de heilige apostel: «Zoo velen dan
als gij in Christus Jezus gedoopt zijt, hebt gij Christus
aangedaan.\'"
Voor zooveel ge uit uw vader geboren zijt, hebt ge
uw vader aangedaan, d. w. z. draagt ge zijn naam,
vloeit zijn bloed u in de aderen, rekent ge met zijn
geslacht, en zult ge in de eere of smaad van uw vader
deelen. Dat komt zoo, of ge wilt of niet.
En zoo ook hebt ge, zoovelen als ge in Christus ge-
doopt zijt, den Christus aangedaan, en wordt ge dus
naar hem en met hem gerekend. En ook dat geschiedt
zoo, of gij het wilt of niet wilt. En al naar ge het
wilt of niet wilt, uzelven ten zegen of ten vloek.
-ocr page 97-
III.
„£aat u doopen."
VERZUIM VAN DEN H. DOOP.
En nu, wat vertoeft gij ? Sta op, en
laat u doopen, en uwe zonden afwasschen
aanroepende den nanm des Heeren.
Hand. 22 : "16.
Nog altoos ziju er Christelijke pariahs in ons land.
Pariahs noemt men in Indië lieden, die niet inge-
lijfd zijn in een heiligen, socialen kring of kaste. Eu
zoo is Christelijke pariahs een niet ongeschikte naam,
om die verwaarloosden aan te duiden, die temidden
van een Christelijke omgeving nog altoos ongedoopt
voortleven.
Let op die bijvoeging: temidden eeuer Christelijke om-
geving.
Want natuurlijk, als ge huisgezinnen binnentreedt,
zooals ge die vooral in onze grootere steden bij hon-
derdtallen vinden kunt, waar nooit meer gebeden wordt,
waar met de Heilige Schrift stelselmatig gespot wordt,
en de levensleus weer als in Noachs dagen werd :
wLaat ons eten en drinken, want morgen sterven wij",
dan komt het niet in u op naar den heiligen Doop te
vragen. Eer stuit het u dan, zoo ge hoort, dat ook
uit zulk een gezin nog een kind naar de Doopvont
-ocr page 98-
78                              VERZUIM VAN DEN H. DOOP.
wierd gedragen, of zoo het een rijk Mennonietengezin
is, op later leeftijd naar den Doop ging.
Immers tussehen zulk een gezin en den heiligen
Doop br-staat niet de minste gemeenschap. Zulk een
levenstoon en de heilige Doop vloekt. Én zelfs het
feit der ervaring, dat soms ook uit zulk een gezin nog
een enkele tot bekeering kwam, ontneemt niets aan
het oordeel, dat zulk een erger dan Heidenseh gezin
door zijn spelen met den Heiligen Doop over zich haalde.
Ook hiervan geldt het: //Dwaalt niet, God laat zich
niet bespotten."
Dezulken noemen we dan ook geen //Christelijke
pariahs"\'. Het zijn eenvoudig huisgezinnen, die geheel
en al van den Christus zijn afgevallen, die met het
Lichaam van Christus ganschelijk gebroken hebben, en
daardoor in goddeloozer conditie verkeeren, dan de Ma-
homedanen in Arabië of de Heidenen in China.
Neen, Christelijke //pariahs" zijn die enkele onge-
doopten, die nog hier en daar in overigens Crhistelijke
kringen worden aangetroffen, en aan wier ongedoopten
staat hoe eer hoe beter een einde moet worden ge-
maakt.
Zijt gij zeker dat ge gedoopt zijt?
Noem dit geen vreemde vraag, want, helaas, er zijn
er maar al te velen, die allerlei dingen aan hun ouders
gevraagd hebben, maar nog nooit informeerden naar hun
eigen Doop.
Nieuwsgierig is men anders genoeg, en zelfs durft
men tot onbescheiden wordens toe alles aan zijn ouders
vragen. En het is dus niets dan onverschilligheid om-
trent uw eigen Doop, zoo ge nog nooit onderzocht, waar,
wanneer en door wien ge gedoopt zijt.
Eigenlijk moesten de kerken nog als vanouds een
doopalite afgeven.
Vroeger deed men dit, toen er nog geen Burgerlijke
stand was, en men dus geen geboorte-akte kreeg. Men
-ocr page 99-
VERZUIM VAN I)KX II. DOOP.                              79
wierd toen bijna altoos op den dag zelven gedoopt,
waarop men geboren was, of althans kort daarna, en
zoo deed de doopceel toen denzelfden dienst, dien thans
de geboorte-akte doet. In de spreekwijze: //iemands
doopceel lichten" is hier de heugenis nog van over.
Maar toen de geboorte-akte kwam, was de doopceel
voor een later huwelijk of een mogelijke erfenisse niet
meer noodig; en toen vroeg men er niet meer om.
Een tijdlang teekenden toen onze vaderen de doop-
ceelen in hun huisbijbel op. In elk gezin had men
een grooten folio-Statenbijbel met wit papier er voor,
en daarin teekende men zijn eigen Genesis en de Gene-
sis
van zijn geslacht aan.
«Genesis\'\' toch beteekent de geboorten en beginselen
en aanvangen der dingen. Gelijk er dan ook in Gene-
sis telkens bij staat: //Dit zijn de geboorten, d. i. de
Genesis, van Noach, van Abraham" enz. En zoo nu
boekten onze vaderen bij de Genesis van de Heilige
Schrift, de Genesis van hun eigen geslacht en persoon,
en teekenden in hun bijbel aan, waar en wanneer ze
geboren waren; waar, wanneer en door wien ze waren
gedoopt; door wien, met wien en waar ze gehuwd
werden; en ten slotte waar en wanneer hun lieven
stierven en begraven werden. Een kostelijke, een hei-
lige, een historische gewoonte, die hoe eer hoe beter
in al onze gezinnen moet worden hersteld, met invoe-
ging van alle reeds gestorvenen, die men zich nog her-
inneren. kan. Voor elk gezin een geslachtboek. Niet
slechts voor de mannen van adel, maar ook in het ge-
zin van den werkman. Want immers ons geslacht is
een deel van ons eigen leven; de wortel waaruit we
gesproten zijn.
Dan behoefde de vraag: wZijt ge wel gedoopt?" nooit
meer gedaan te worden. Dan wist men zulks, en stond
liet te boek.
Nu zijn er ongedoopten van velerlei gading.
Veel, zeer veel ongedoopte kinderkens, die reeds lang
-ocr page 100-
8 0                            VERZUIM VAN DEN II. DOOP.
gedoopt moesten zijn. Eigenlijk moet de Heilige Doop
de geboorte op den voet volgen; en reeds bij een kin-
deke van drie en meer weken moet het //ongedoopt"
zijn dus afgekeurd. Doch hierin schuilt, naar de usantie
onzer ingezonken tijden, nog geen opzettelijk verzuim,
daar nog altoos verreweg de meesten in den waan ver-
keeren, dat er voor de 3de of 4de levensweek van geen
Doop sprake kan zijn.
Erger daarentegen wordt het, zoo ook die thans ver-
keerdelijk aangenomen termijn van een maand of iets
daarboven, overschreden wordt. Dan loopt het op een
half jaar. Straks op een jaar. En is men die grens
eenmaal over, dan wordt het uitgesteld en altoos weer
uitgesteld, tot men ten leste kinderen van 3, 5, 7
en meer jaren vindt, die nog altoos ongedoopt rond-
loopen. En dat niet, omdat men tegen den kinderdoop
is, maar omdat men slordig leeft en het heilige niet
acht, en in al zulk verzuim geen zonde ziet.
Daar komt nu allengs wel beterschap in, want zeer
groot is het aantal van zulke kinderen, waarbij, na de
gebeurtenissen der Separatie en der Doleantie, de Doop
is ingehaald.
Maar toch er verkeeren nog altoos geheele scharen
van kinderen in zulk geval; veel meer dan men wanen
zou ; en op deze allen moet gewerkt, dat de Doop hun
zoo spoedig mogelijk worde toebediend.
Soms is hierbij armoe, soms pure slordigheid, soms
dieper zonde, soms kerkelijk bezwaar in het spel geweest.
Armoe, als in het schamele gezin de bevalling der
moeder de laatste penning uitputte, en er geen fatsoen-
lijk kleed voor de moeder is, om ter kerke te gaan,
en ook het kindeke geen Zondagskleedje heeft om ten
Doop gepresenteerd te worden.
Toestanden waar het hart bij schreit; waar broederen
diakenen wel een helpende hand mochten bieden, en
waar nooit anders dan met diepen weemoed aan mag
gedacht worden: maar die toch nooit het verzuim van
den Doop verontschuldigen.
Handelde men toch Gereformeerd, en liet men zijn
-ocr page 101-
VERZUIM VAN DEN II. DOOP.                              81
kindeke terstond na de geboorte doopen, op Zondag of
in de week doopen, dan verviel heel dit bezwaar van-
zelf, en zou er geen Doop verzuimd worden.
Niet zelden is dit beroep op zijn armoe dan ook niets
dan een voorwendsel om zijn //pure slordigheid" te
bedekken.
Men kon wel, en het zou ook wel, als men maar
wilskracht had, zich meer gewend had aan een geregeld
leven, en de kunst verstond om een vast besluit te ne-
men. Dan toch zou het reeds terstond bij de geboorte
vaststaan: Dan en dan gaat het kindeke ten Doop, en
dat besluit zou worden uitgevoerd.
Maar helaas, die wilskracht, die vastheid van leven
ontbreekt in zooveel gezinnen. Men leeft bij den dag.
Men leeft gedachteloos. Men drijft af naar den stroom
der dagelijksche veelvuldigheden. En zoo is uitstellen
regel. Van uitstellen komt vergeten. En dan is er ten
slotte geen enkele prikkel meer, die tot plichtsbetrach-
ting drijft.
Ook zonde is niet zelden een verhindering voor den
Doop geweest.
Hetzij dat het kindeke in zonde van ontucht verwekt
of ook geboren was, hetzij dat het zondig wangedrag van
den man, aan het opgaan ten Doop in den weg stond.
Nu kan wie een menschelijk hart heeft, die schaamte
in het vrouwlijk gemoed beide malen verstaan; maar
toch mag ze nooit in die mate toegelaten, dat ze den
Doop verhinderen zou.
Ook wie gelooft kan struikelen, diep vallen zelfs, maar
hierin juist komt het geloof dan uit, dat het uit dien
val zich met verbrijzeling der ziele weer tot zijn God
verheft, en juist het heilige zoekt.
En waar de zonde van den man, in dronkenschap,
ruwheid of ongeloof, het opgaan ten Doop pijnlijk maakt,
daar bedenke de vrouw haar zonde, hoe ze tot het
huwelijk met zulk een man kwam, en bekenne ze voor
God, hoe juist onder zulk een man en vader, haar
6
-ocr page 102-
82                              VERZUIM VAX DEN H. DOOP.
kroost aan den heiligen Doop nog te sterker behoefte
zal hebben.
Het ongeloof van den man, ook al is hij zedelijk
braaf, valt onder hetzelfde gezichtspunt.
Dan vindt zulk een man den Doop een kinderachtig,
ijdel iets. Hij wil niet meê. Soms zelfs legt hij moeie-
lijkheden in den weg. Maar ook dit verontschuldigt de
moeder niet, noch ontslaat haar van haar plicht. Zij
moei in het heilige optreden, niet als de man zelf het
doet, maar juist als de man in gebreke blijft. En ook
hier geldt het: Waarom gehuwd met een man, die den
Christus Gods niet beleed! En nu gij er mee gehuwd
zijt, moet nu niet alles gedaan, om uw kroost juist
zeer nauw, en dus wel allereerst door den Doop, aan
het heilige te verbinden?
Iets anders is verzuim van den Doop om kerkelijk
bezwaar.
Soms woonde men te ver af. Soms kon er geen dienst
des Woords en der Sacramenten zijn. Droeve toestanden,
die aan uw God bekend zijn, en u niet schuldig zullen
stellen, zoo ge er geen zonde in mengt, en dus zoodra
er Doop te verkrijgen is, dien Doop ook voor uw kiu-
deke zoekt.
Aan dit laatste toch hangt ten slotte alles.
Het verzuim moet ingehaald. Onze Christelijke pariahs
moeten allengs geheel verdwijnen.
Verdwijnen onder de kinderen.
Maar verdwijnen ook onder de volwassenen,
Niet om maar een ieder te doopen, maar wel om te
doopen al wie op den Doop recht heeft.
En daarom mocht het zijn, dat iemand van meerdere
jaren dit las, die nog ongedoopt voortleeft, en uit
schaamte nog altoos den Doop niet gezocht had, dan
bekeere hij zich van dezen doolweg en zoeke hoe eer
hoe beter het heilig Sacrament.
-ocr page 103-
IV.
„In net was de Doorbereiding/*
VOOR DEN H. DOOP.
En het was de voorbereiding van het
Pascha, en omtrent de zesde ure. en hij
zeide tot de Joden: Ziet, uw Koning!
Joh. 19 : 14.
Aan het Sacrament, dat de geloovigen saam en te-
gelijker tijd ontvangen, gaat juist deswege een geineen-
schappelijke
voorbereiding vooraf.
Maar bij den heiligen Doop kan dat niet. Want
immers gedoopt worden we maar eens, en dat op zoo
onderscheiden tijden, dat bij den heiligen Doop van een
gemeenschappelijke voorbereiding geen sprake kan zijn.
Ook kan er niet, gelijk aan het Avondmaal, een ker-
kelijke
voorbereiding aan den heiligen Doop voorafgaan,
omdat hiervoor in goed-Gereformeerde kringen de tijd
ontbreekt.
Thans zou dat kunnen, nu bijna ieder den Doop een,
twee u drie weken uitstelt; maar het kan niet, wanneer
de oude usantie onzer vaderen terugkeert, en de Doop
de geboorte op den voet volgt.
Vandaar dan ook dat ge in uw Doopsformulier niets
over zulk een voorbereiding vindt, en er kerkelijk nooit
een dienst als //Voorbereiding voor den heiligen Doop\'-
-ocr page 104-
84                                      VÓÓR DEN H. DOOP.
is ingesteld. Wel een dienst als //Voorbereiding voor
het heilig Avondmaal"; maar voor den Doop niet.
Dit nu is, helaas, oorzaak geworden dat de meesten
in den waan verkeeren, alsof bij den heiligen Doop zulk
een voorbereiding dan ook niet te pas komt, en dat
verreweg de meesten met hun lievelingen tot den Doop
naderen in geestelijk geheel OHvoorbereiden toestand.
Wel is er steeds zekere, soms zelfs al te drukke,
voorbereiding voor het uitwendige. Er moet onderzocht
wie doopen zal; welke kerk het meest geschikt is; waar
men zijn briefje moet halen; wie het kind zal heffen;
hoe men het kindeke kleeden zal ; in wat gewaad men
zichzelf zal steken; wie van de magen en vrienden
zullen meegaan; wat men betalen moet aan fcoien en
uit zal reiken aan de armen; en ook wel, hoe men
thuis gekomen, zijn magen en vrienden aan het Doop-
maal onthalen zal.
Voorbereiding van allerlei aard dus, en een voorbe-
reiding die niet mag afgekeurd ; want al wat met den
Doop samenhangt, heeft reeds uit dien hoofde belang;
en ook is het goed, dat alles met overleg en orde ge-
schiede, maar toch als al deze voorbereiding is afge-
loopen, wat is er dan eigenlijk nog voorbereid voor den
heiligen Doop?
Natuurlijk uw kindeke kant ge tot den heiligen Doop
niet voorbereiden.
Dat is Gods werk.
En als het Hem, den Vader der geesten, niet ge-
kengt, uw kindeke vooraf de genade der wedergeboorte
te schenken en het alzoo de kiem van het geloofsver-
mogen in te planten, dan zal het uw kindeke niets
baten, al wierd het tienmaal gedoopt, ja, dan zal die
Doop eer het oordeel voor uw kindeke verzwaren.
Maar al verblijft deze wondere genadedaad alleen en
uitsluitend aan Gods touvereine vrijmacht, dan mag toch
gevraagd, of het goed is, dat gij, als vader en moeder,
-ocr page 105-
VÓÓR DEN H. DOOP.                                      85
iti de dagen die tusschen geboorte en Doop verloopen, u
om dit goddelijk geheimnis ganschelijk niet bekommert.
Ge hebt u wel bekommerd om de vleescbelijke ge-
boorte van uw kind. Maar wat uit vleesch geboren
wierd is vleesch. Niemand kan een reine geven uit
den onreine. En als ge dat lieve wicht nu in de wieg
ziet liggen, moest toch met overweldigende kracht zich
de vraag aan u opdringen: Schonk God hier nu ook
een Itoeede geboorte? Heeft de Vader der geesten, die
mij dat kind en aan dat kind het levenslicht schonk,
nu aan dat kleine wicht ook reeds genadelicht in de
ziel doen toestralen ? Het kan morgen sterven, o, Die
kleine wichtjes sterven vroeg weg in gansch zeer groote
menigte. En als ook mijn lieveling vroeg van mij ging,
zal dan ook deze bloemknop eens ontluiken in den hof
des Heeren?
Wie zóo vraagt, die krijgt er ook gebed voor. Als
vrucht van het gebed wekt God de Heere geloofsbe-
weging in zijn ziel. En zoo grijpt ge het woord dei-
belofte, en wetende dat dit kindeke uit //geloovigen"
geboren is, maakt ge u op, om voor uw pasgeboren
lieveling den Doop te vragen, onderstellende, vertrou-
wende, ja, geloovende, dat God uw kindeke nog meer
schonk dan wat de geboorte bracht uit het vleesch.
Reeds zoo wordt uw gemoedsstemming, eer ge ten
Doop gaat, een heel andere.
Want immers met wat heel ander oog zult ge uw
lieveling aanzien, indien ge in dat vertrouwen den Doop
voor uw kindeke zoekt! Hoe zal uw kleine schat dan
in zijn wieg of op uw schoot liggen, als omstraald
met een glans van goddelijke genade? Wat zult ge dan
veel minder hechten aan al het uitwendige, en schier
«eniglijk opzien tot dien Vader der lichten, van wien
ook bij en in den Doop de zegen aan uw lieveling
moest toekomen!
Er komt dan een geheel andere richting in den gang
uwer gedachten.
-ocr page 106-
8 6                                       VÓÓR DEN II. DOOP.
Ge hebt dan iets waar ge u aan vastklemt.
De Doop is dan niet meer iets vaags en vormelijke,
waar ge eigenlijk niets bepaalds bij denken kunt, maar
die heilige Doop vindt dan zijn grond in een genade-
werk, dat God de Heere reeds in uw kleinen lieveling
volbracht.
En dat zal dan vanzelf tot uiting van gedachten tus-
schen man en vrouw leiden.
Zooals men saamsprak over de aardsche geboorte van
den kleine, zoo zal men dan ook saamspreken over het
«bad der wedergeboorte," en saam zich verbonden ge-
voelen in één geestelijke liefde voor zijn kind.
Ja meer nog, van vader en moeder zal die heldere,
welbewuste ernst ook op de overige huisgenooten af-
stralen.
Ook die zullen niet maar hooren, dat broertje of zusje
gedoopt zal worden, en dat er dus fraaie doopkleeren
zullen zijn en straks een doopmaal. Neen, ook zij zul-
len onder den indruk komen, al naar hun jaren zijn,
dat er sprake is van een werk Gods, waarop hij zelf
door zijn Doop het zegel zal zetten. En ze zullen nier
ken, dat ook dat kleine zusje of broertje nog iets anders
is dan een lief klompje vleesch, om te troetelen; want
dat God de Heere, de trouwe Vader in de hemelen,
ook met dat kleine kindeke in de wieg reeds bemoeie-
nis heeft.
Dan zullen vader en moeder ook hun reeds gedoopte
kinderen bij hun eigen Doop brengen.
Heel het gezin zal onder den indruk van den heili-
gen Doop gaan verkeeren.
Zelfs de dienstmaagden zullen in dien zegen deelen.
En zoo zal, reeds eer de Doop voltrokken is, koeste-
ring in geestelijken zin van den komenden Doop zijn
uitgegaan.
En dan komt hierbij nog een andere voorbereiding.
Men zal straks in het midden der gemeente, voor
-ocr page 107-
VOOR DEN II. DOOP.                                       8 7
het aangezicht des Heeren, op drie vragen hebben te
antwoorden.
Vragen wichtig van inhoud; vragen met een diepen
wortel; vragen van verre strekking.
En zal men nu die vragen zoo maar losweg aan-
hooren, en zonder ze eigenlijk goed verstaan te heb-
ben, met een knik van het hoofd beantwoorden, als
waren die vragen een pure formaliteit ?
Helaas, zoo gaat het maar al te dikwijls toe; en zoo
is het te begrijpen, dat bijna niemand zijn mond meer
opendoet, om duidelijk en luidkeels ja te zeggen, maar
het afdoet met een knik met het hoofd.
Dat hoorde niet zoo. Ieder vader moest spreken. Niet
flauw en half murmelend, maar met duidelijke stem.
Liefst niet allen tegelijk, maar op het rijtje af, éen
voor éen, nadat ze bij name waren afgeroepen. Broeder
N. N, wat is op die vragen uw antwoord? — en dat
broeder N. N. dan antwoordde : Ja ik.
Dat zou meer aangrijpen, en daardoor meer nopen om
van tevoren die drie wichtige vragen nog eens te lezen
en te herlezen, in te denken en te overdenken. Want
het zijn toch vragen, waar, o, zooveel inzit. Vragen, die
eigenlijk elk Doopvader van buiten moest kennen.
Nu is, helaas, én het doen én het beantwoorden van
die drie vragen vaak niets dan een leugenachtige vorm,
een schijnheilige plechtigheid, een kerkelijke onwaarheid
voor Gods oog.
En voelt ge de noodzakelijkheid weer, om u voor te
bereiden voor «die vragen," dan zult ge vanzelf ook tot
het laatste komen wat deze voorbereiding van u vraagt,
en ook vooraf aan de hand van uw Doopsformulier eens
over den Doop zelven gaan nadenken.
Dan zal de één het Doopsformulier zelf vooraf eens
nalezen, om het, als het straks in de kerk gelezen wordt,
te beter te kunnen volgen ; althans zoo de Doopbedienaar
het door zijn rad en inslikkend lezen niet bederft.
-ocr page 108-
8 8                                       VOOR UEX II. DOOP.
Maar een ander zal nog verder gaan, en ook eens
nalezen wat zijn Catechismus in den 26"1 en 27m Zondag,
en wat zijn Belijdenis in art. 34 van den heiligen Doop
belijdt.
Nog weer een derde zal de Schriftuurplaatsen na-
slaan, die van den heiligen Doop handelen, om vooral
bij den Doop van den Heere Jezus stil te staan.
En ten leste zullen er ook zijn, die nog eens een
afzonderlijk geschrift over den Doop in handen nemen,
en niet rusten, eer ze in dit stuk van hun belijdenis
een klaar en helder inzicht erlangden.
En als dit alles dan gepaard mag gaan met een ge-
voelige beweging der ziel, waardoor God de Heilige
Geest zelf u in de heerlijkheid van den Doop inleidt,
en inleidt in al de geheimnissen die met den Doop
saamhangen, o, dan zal dat vooruit bezig zijn met uw
te doopen lieveling; dat vooruit bezig zijn met die vra-
gen; dat vooruit indringen in uw belijdenis; dat vooruit
lezen van de Heilige Schrift; en dat vooruit indringen
met gebeden en dankzegging in de werkingen des Gees-
tes, u den komenden Doop van uw lieveling tot zoo
heel iets anders en veel rijkers maken, dat ge dan eerst
recht gevoelt, hoe ge vroeger, bij uw gedachtenloos en
onvoorbereid ten Doop gaan, vaak gezondigd hebt.
Zoo zal de Doop, die aanstaande is, een lieflijken
geur om zich verspreiden, die uw eigen ziel verkwikt,
in uw huis een heiliger toon brengt, en u een rijke
prediking is van de ontfenningen uws Gods.
-ocr page 109-
V.
„ml\\ gij den fcliyen feest ontpongen?"
ONDER DEN H. DOOP.
Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen
toen gij geloofd hebt?
Hand. 19 : 2.
Hoe verkeert gij onder de bediening van den heilU
gen Doop?
Velen verkeeren er liever ganschelijk niet onder,
tenzij zij zelven een eigen kind ten Doop brengen.
Dat merkt ge wel aan de schromelijke leegte, die in
de namiddagbeurten vaak viel waar te nemen als er
gedoopt wierd. Nog erger aan de ongereformeerde in-
stelling van afzonderlijke Doopbeurten. En het sterkst
aan hen, die wegloopen als de Doopsbediening een aan-
vang gaat nemen.
Men denkt d an: //Die Doopsbediening is voor die
ouders, die daar met hun kinderen verschenen zijn,
maar mij gaat ze niet aan!" En natuurlijk, waarom
zou men dan nog langer blijven? De preek is uit.
Dus gaat men.
Juist op dezelfde manier, als in de Roomsche kerk,
zij die niet communiceeren opstaan en de kerk verla-
ten, als de Communie begint.
Maar onderstel, gij deedt zoo niet. Gij bleeft. Gij
-ocr page 110-
90                                     ONDER DEN H. DOOP.
pleegt ook de bediening van den heiligen Doop bij te
wonen. En daarom zij de vraag herhaald: Hoe verkeert
gij onder de bediening van zulk een Doop?
Ze boeit u.
Gij vindt iets schoons, iets lieflijks in dat verschijnen
in het midden der gemeente van die pasgeboren \\vicht-
jes. De Doop zelf gaat ook plechtig toe. De aanspraak
aan de Doopouders vondt ge treffend.
En terwijl zoo de kinderen, die ter kerk waren, op
stoel of bank klommen, en zich uitrekten, om er iets
van te zien, hebt gij ook in heilige aandoening gestaard
op dit aangrijpend tafereel.
Vooral waar het oog anders zoo weinig in onze eere-
diensten geniet, hebt ge in dat boeiend schouwspel ge-
noten.
Misschien deedt ge zelfs meer.
Een enkel maal dacht ge allicht bij het zien van zulk
een Doopsbediening aan uw eigen Doop terug; en, zoo
ge vader of moeder zijt, ook aan uw eigen Doopsbelofle
bij den Doop van uw kroost.
Doch daar bleef het dan ook bij.
Verder drongt ge niet door.
Meer had die bediening van den heiligen Doop u, aan
uw eigen ziel, niet te zeggen.
Doch hoor nu, wat de heilige Paulus te Efese aan de
Johannes-jongeren vroeg.
Hij zei tot hen, lees het maar in Hand. 19 : aUebt
gij den Heiligen Geest ontvangen,
toen gij geloofd hebt?"
d. w. z. toen ge door den Doop in de kerk zijt opge-
nomen. Toen antwoordden die mannen van: neen. Ze
hadden zelfs niet gehoord dat er een Heilige Geest was.
Iets wat natuurlijk niet zeggen wil, dat ze nooit van
den Heiligen Geest hadden gehoord. Dat ware onge-
rijmd. Neen, maar ze bedoelden, dat ze nog nooit van
een mededeeling des Heiligen Geestes bij den Doop ge-
hoord hadden.
-ocr page 111-
ONDER DEX H. DOOP.                                     91
Zoo zegt ook de Evangelist Johannes: «De Heilige
Geest was nog niet, overmits Jezus nog niet verheer-
lijkt was" (Joh. 7 : 39). Wat natuurlijk niet kan be-
teekenen, dat de Heilige Geest nog niet bestond ; maar
alleen zeggen wil, dat de uitstorting en de medeileeling
van den Heiligen Geest toefde, tot na Jezus\' hemelvaart.
Vandaar dan ook dat Paulus aan die mannen te Efese
toen nader vroeg: «Waarin zijt gij dan gedoopt?"
En toen kwam het uit, waarom ze den Heiligen Geest
nog niet ontvangen hadden. Ze waren namelijk wel
valschelijk door een discipel van Johannes, in den naam
van Johannes, maar niet door Johannes den Dooper zel-
ven met het oog op den komenden Messias gedoopt.
Ze werden daarop nu pas gedoopt in den naam van
den Heere Jezus. Daarbij legde Paulus hun de handen
op. En zoo ontvingen ze den Heiligen Geest.
Het is dus een nagebootste doop, en geen Christelijke
doop, tenzij bij dien Doop de Heilige Geest wordt ont-
vangen.
Iets wat de Doop van Jezus zelf u ook leeren kan.
Immers, toen Jezus gedoopt werd, daalde de Heilige
Geest op hem neder zichtbaar, als in de gedaante eener
duive.
Maar zoo blijkt dan de bediening van den heiligen
Doop ook iets heel anders te zijn, dan gij dacht.
Gij dacht, dat die ouders, dat kindeke, die prediker
en die koster met de Doopvont den Doop maakten.
Meer zaagt ge niet, en daarom hebt ge niet meer
vermoed.
En juist daardoor zaagt ge de hoofdzaak, zaagt ge
het eigenlijke, het wezenlijke van den Doop voorbij,
en zaagt met het oog uwer ziele niets van wat bij en
onder die Doopsbediening door uw God geschiedde.
Geen vermoeden zelfs hadt ge er van, dat er op dat
oogenblik, temidden dier zich verdringende ouders, nog
iets anders, iets veel hoogers en heerlijkere geschiedde.
-ocr page 112-
9 2
ONUEU DEN H. 1)001\'.
Ge dacht uiet aan de daad van God den Heiligen
Geest.
Ge hadt niet gelet op wat uw Catechismus u geleerd
had, dat het Sacrament, en dus ook de Doop door God
ingesteld was, om het geloof Ie sterken.
Gij hadt er niet mee gerekend, dat. al kan zulk een
klein kindeke nog niet gclooven, God toch ook in zulk
een klein wicht, reeds vóór den Doop, het geloofsyer-
mogen kan hebben ingeplant. Evengoed als dat kleine
kind nog wel niet spreken kan, maar daarom toch
reeds liet s\\n-eekvermo(/en van zijn God ontving. Eu zoo
kwam het ook niet in u op, dat God de Heere door
een daad van zijnen Heiligen Geest, dat ingeplante ge-
loofsvermogen bij dat kindeke door den Doop sterkt.
Doch nu wordt het u dan ook iets heel anders.
Nu is dat aandoenlijke u bijzaak. Dat plechtige slechts
de vorm. En nu ontsluit zich uw oog bij de bediening
van den heiligen Doop voor dien Onzienlijke, die on-
gezien, toch tegenwoordig is, en door zijnen Heiligen
Geest een daad van genade verricht aan het hart van
zijn verkorenen.
Doch dan kunt ge hierbij ook niet blijven staan.
Immers ook gij zijt gedoopt, en zijt als gedoopte, met
die kinderkens die gedoopt werden, in eenzelfde Ver-
bond der genade
begrepen.
Hun Doop is dus geen aparte Doop, maar een be-
diening van dien éenen zelfden Doop, die door God als
zegel op zijn Verbond is gezet.
Zoo dikwijls er gedoopt wordt is het dus altoos de
terugkeering van dien éénen zelfden Doop, waarmee
Jezus en al zijn volk gedoopt wierd; en zoo dikwijls die
Doop weer bediend wordt, is het altoos weer diezelfde
God, die opnieuw aan zijn volk zijn Verbond verzegelt.
Eén Heere, een Geloof, een Doop.
Vandaar dat in uw Doopsformulier altoos gesproken
wordt van «ons eu onze kinderen"; en beleden wordt,
-ocr page 113-
ONDER DEN H. DOOP.                                    93
dat God de Vader, God de Zoon en God de Heilige
Geest, niet enkel aan die kinderen, maar ons betuigt
de zekerheid zijner heiligheden.
«Als wij gedoopt worden in den Naam des Vaders,
zoo betuigt ons God de Vader" enz.
De Doop van die kinderkens gaat dus ook u zelf aan;
spreekt ook u persoonlijk toe ; en het is op die kinder-
kens dat God alsnu zijn zegel zet van een Verbond
der genade, dat ook u insluit, en dus ook u opnieuw
bezegeld wordt.
Niet die kinderkens als zoodanig hebben op den Doop
recht; maar ze hebben dat recht alleen omdat ze in
het Verbond geboren zijn; en dus als het zaad der kerk
in het midden der gemeente worden binnengedragen.
Ja, nóg nauwer raakt die Doopsbediening heel hel
volk Gods,
en dus ook u, zoo gij tot dat volk behoo-
ren in oogt.
Immers de werkingen van den Heiligen Geest zijn
geen werkingen, die slechts een oogenblik duren, en die
Hij dan varen laat.
Eer omgekeerd laat God de Heilige Geest een werk
dat Hij begon, nooit varen. Heeft de Heilige Geest dus
ook in het verborgene uwer ziel, toen ge zelf gedoopt
wierdt, op een geheimzinnige eu voor ons onbegrijpelijke
wijze, het geiooisvermoc/en in u versterkt; en zijt ge,
dank zij die sterking, later tot daadwerkelijk geloof ge-
komen ; dan heeft de Heilige Geest ook u sinds uw
Doop niet losgelaten, maar u in het oog gehouden, en
u verzeld, ja, woning in u gemaakt.
Als gij eet, voedt Gods almacht uw lichaam door
spijs; maar niet om u, als ge van tafel opstaat, nu
voorts aan uzelf over te laten. Neen, diezelfde almacht
Gods, die u spijsde, blijft u houden, hoeden en dragen,
en als die almacht Gods u ook maar een oogenblik los-
liet, hieldt ge op te bestaan. «In Hem leeft ge, be-
weegt ge u en zijt ge."
-ocr page 114-
94
ONDER DEN H. DOOP.
En zoo nu ook hier.
Bij en door uw Doop heeft de Heilige Geest u ge-
sterkt ; maar niet om u daarna te laten varen. Neen,
maar om van oogenblik tot oogenblik dit gesterkte ge-
nadeleven in uw ziel in stand te houden en te dragen.
Ook op het oogenblik dat ge onder de Doopsbedie-
ning van die kinderkens verkeert, is dus de Heilige
Geest bezig, om in u het genadeleven te onderhouden.
En diezelfde Heilige Geest, die daar door den Doop het
geloofsvermogen in die kinderkens sterkt, is ook bij u
in uw bank, of op uw stoel, waar ge zit, woont in u,
en bewijst ook u genade.
En nu gebruikt die Heilige Geest de bediening van
den Doop aan die kinderkens als een middel, om ook
in u de sterking van uw eigen Doop te laten nawerken
en u de genade te bevestigen.
Maar dan is het bijwonen van de bediening van den
heiligen Doop ook heel iets anders voor u.
Zoo wordt het niet meer iets aandoenlijks, maar iets
heiligs.
Een genade bijzonderlijk aan dat kindeke, maar in
algemcenen zin ook aan u bewezen.
Een liefdebetoon van den Ontfermer aan uw eigen
hart.
-ocr page 115-
VI.
„Jij 5uft met den üeifigen Üeesi
yedoopt iDonlen."
DE WERKING V/VN CHRISTUS IN DEN H. DOOP.
Want Johannes doopte wel met water,
maar gij zult met den Heiligen Geest
gedoopt worden, niet lang na deze dagen.
Hand. 1 : 5.
Er ligt een wegsleepende bekoring in dat heerlijk
denkbeeld, om //gedoopt te worden met den Heiligen
Geest."
De enkele gedachte er aan brengt de ziel reeds in
heilige verrukking.
Er gaan zoo allerlei geesten in de wereld uit, en ge
ondergaat van zoo velerlei geest den invloed, doch zonder
dat de inwerking van die geesten u verheft. Maar al
te vaak zelfs met het bang gevolg, dat die op u inwer-
kende geesten uw eigen geest, in uw boezem, owheilig
aandoen en bezoedelen.
En daarom gaat u het hart open, als ge hoort van
den Heiligen Geest.
Dat heilige, dat reine, dat goddelijke in dien Geest
trekt u aan. Reeds een onbewust besef zegt u, dat die
Heilige Geest de Geest van Vader en van Zoon moet
-ocr page 116-
9 6           DE WEEKING VAN CHRISTUS IN DEN H. DOOP.
zijn. En als de stemme der kerk uit alle eeuwen, u dan
dien Heiligen Geest als zelf God leert aanbidden, en ook
voor dien Heiligen Geest het lied uwer hulde vraagt,
dan kunt ge de bede : ;/Kom, Geest des Vaders en des
Zoons!" op uw lippen niet langer terughouden, en het
diepste van uw menschelijk gevoel zegt het u, dat alleen
die Heilige Geest u kan bevredigen.
Die Geest, die in u wonen, die innerlijk u troosten
wil, en die, als gij het rechte gebed niet vindt, voor u
en in u bidt met onuitsprekelijke verzuchtingen.
En als ge dan hoort van een «gedoopt worden met
dien Heiligen Geest", en ge denkt daarbij aan een over-
dropen en \'overgoten worden met dien Geest in overvloe-
dige volheid, dan kan het niet anders, of zelfs de
godzaligste moet er altoos weer naar snakken, om door
zulk een oversprenkeling met den Heiligen Geest, als
met versche olie overgoten te worden, en met den dauw
der genade te worden gedrenkt.
En toch, vergis u niet.
Van zulk een overdrachtelijk gedoopt worden met den
Heiligen Geest is in de rijke belofte, die Jezus voor zijn
hemelvaart aan zijn discipelen gaf, volstrekt geen sprake.
Jezus zegt heel iets anders, en bedoelt heel iets anders.
Jezus zei: «Johannes doopte met waler, maar gij zult
met den Heiligen Geest gedoopt worden." Een aankon-
diging alzoo, dat de profetie van Johannes stond vervuld
te worden, toen hij sprak: «Ik doop u wel met water,
maar hij, die na mij komt zal u doopen met den Hei-
ligen Geest en met vuur."
Er is hier alzoo sprake van den heiligen Doop, en u
wordt gezegd, dat er in dien Doop tweeërlei is. Een
uitwendig iets, dat de mensch doet, al3 hij u met water
doopt, en een inwendig iets, dat alleen Christus kan
doen, als hij u doopt met den Heiligen Geest.
Het water niets dan zinnebeeld en symbool van dien
eigenlijken Doop, dien ge van Jezus ontvangt en die
-ocr page 117-
DE WERKING VAN CHRISTUS IN DEN H. DOOP.          97
bestaat in een inwerking op uw zielsleven, die uitgaat
van den Heiligen Geest.
Zoolang nu Christus niet verheerlijkt was, en nog
niet op den troon zat, kon de Doop dus maar half zijn.
Het kon nog maar enkel de uitwendige Doop met water
zijn, dien een mensch toedient. En het koü onder en
bij dien waterdoop nog niet komen tot het eigenlijke,
het geestelijke, het inwendige van den Doop: de uit-
zending van den Heiligen Geest.
Hoor maar. De heilige apostel Johannes getuigt het
uitdrukkelijk: wDe Heilige Geest was nog niet, omdat
Jezus nog niet verheerlijkt was." Iets wat natuurlijk
niet wil zeggen, dat de Heilige Geest nog niet bestond;
want de Heilige Geest is eeuwig. En ook niet, dat de
Heilige Geest nog niet werkte, want bij Jezus\' Doop
was Hij neergedaald, en had Johannes den Dooper reeds
bewerkt, toen hij nog in zijn moeder school. Maar wat
beduidt, dat de Heilige Geest eerst dan op de kerk, als
het Lichaam van Christus zou kunnen werken, als haar
Hoofd verheerlijkt zou zijn.
Bij die allen, die nog alleen door Johannes gedoopt
waren, was de Doop dus onvolkomen gebleven. Ze hadden
wel het teeken, maar nog niet de zaak ontvangen.
En daarom moesten ze die later afzonderlijk ont-
vangen.
En daarom nu zegt Jezus tot zijne jongeren, dat
eerlang hun Doop stond voltooid te worden, want dat
thans bij den uitwendigen waterdoop de inwendige Gees-
tesdoop stond bij te komen.
En zoo geschiedde het op den Pinksterdag.
Maar thans is Jezus teel verheerlijkt. Verheerlijkt reeds
achttien eeuwen lang. En zoo viel thans alle oorzaak
weg, waarom de Doop slechts half zou zijn.
Vandaar dat thans bij den heiligen Doop iets anders
plaats grijpt dan bij den Doop van Johannes.
Nu niet maar enkel de uitwendige Doop met water
7
-ocr page 118-
9 8          DE WERKING VAN CHRISTUS IN DEN H. DOOP.
door een mensch, maar gelijktijdig de inwendige Doop
met den Heiligen Gecsl door Christus uit den hemel.
Ontbrak dat laatste, dan zou er geen Christelijke Doop,
maar nog alleen een Johannes-Doop zijn. En dat zoekt
ge toch niet in de kerk des Heeren.
Ge ziet dan ook na den Pinksterdag, dat de Doop
met den Heiligen Geest terstond volgt op den Doop met
water. Iets wat toen kon uitgemaakt, omdat de Doop
van den Heiligen Geest gemeenlijk, naar den aard dier
tijden, verzeld ging met wonderbare verschijnselen, zooals
het spreken met wonderbare klanken, die de Geest ingaf.
Maar natuurlijk die wondere klanken waren bijzaak.
Ze verzelden den Doop met den Heiligen Geest, maar
waren die Doop zelf niet. En al ziet ge dan ook later
die wondere klanken verstommen, de Doop met den
Heiligen Geest blijft.
Blijft ook nu nog.
Want zoo waarlijk als Christus de Heere nu nog leeft
in den hemel, en in zijn naam doopen laat, zoo gewis-
selijk doopt hij uit den hemel bij den waterdoop meé.
Of liever nog, zoo gewisselijk dient bij uit den hemel
den eigenlijken Doop, den Doop des Geestes toe, zoo
dikwijls op aarde in zijn naam aan een der zijnen, hetzij
dan een kind of een man, de waterdoop wordt toebediend.
Als Jezus dus zegt: //Gij zult nu gedoopt worden met
den Heiligen Geest, nadat ge eerst door Johannes nog
alleen met water gedoopt waart", geeft hij een belofte
niet alleen voor zijn apostelen, maar voor heel zijn kerk,
en leert hij u, dat in dat Doopen met den Heiligen
Geest de eigenlijke Christelijke Doop bestaat.
Als ge dus straks met uw lieveling voor de Doopvont
treedt, nadert ge niet maar tot den Dienaar om den
waterdoop te ontvangen. Dat toch zou alleen een Jo-
hannesdoop zijn. Maar nadert ge tegelijk en veelmeer
tot Christus, die in den hemel zit, om van hem op
datzelfde oogenblik voor uw lieveling den Doop des
Heiligen Geestes
te ontvangen.
-ocr page 119-
DE WERKING VAN CHRISTUS IN DEN H. DOOF.            99
De waterdoop is niets dan het zienlijk teeken; de
naamgeving is bijkomstig en kon desnoods wegblijven;
de Doopformule is op zichzelf slechts een klank ; maar
dij, die bij en onder den heiligen Doop uw kindeke
hen echten, eigenlijken en werkelijken Doop toebedeelt,
is Christus de Heere, en Christus doopt niet met water,
maar met den Heiligen Geest en met vuur.
Wat is nu die Doop met den Heiligen Geest?
Wil doopen met den Heiligen Geest zeggen, dat Jezus
ons door den Heiligen Geest wederbaart ?
Dat kan niet wezen. Want immers dan had Jezus
niet tot zijn discipelen kunnen zeggen, dat zij nog eerst
met den Heiligen Geest zouden gedoopt worden. Zij
waren wedergeboren. Dat blijkt uit wat Jezus zelf in
het hoogepriesterlijk gebed zegt: «Zij zijn niet van de
wereld, gelijkerwijs ik van de wereld niet ben"; en:
«Deze hebben bekend, dat Gij mij gezonden hebt."
Ook beduidt deze «Doop met den Heiligen Geest"
niet, dat ze zich nog bekeeren moesten, want dan had
Jezus niet van hen kunnen getuigen: «Zij waren uwe;
en Gij hebt ze mij gegeven, en ze hebben uw Woord
bewaard.\'"
Dat kan een onbekeerde niet.
En evenmin wil het zeggen, dat ze de Geestesgaven
voor liet ambt nog moesten krijgen; want reeds den dag
na zijn opstanding had hij hun de ambtelijke Geestes-
gaven verleend, toen hij op hen blies, en sprak: uOnl-
vangl den Heiligen Geest"
Ge moet er dus wel acht op geven, dat Jezus tot
zijne jongeren, die reeds wedergeboren waren; zich reeds
krachtens deze wedergeboorte bekeerd luidden; en daarna
de Geestesgaven voor het ambt hadden ontvangen, alsnu
zegt: „Over eenige dagen zult gij pas gedoopt worden
met den Heiligen Geest."
Ook bij uw eigen Doop en bij den Doop van uw
lievelingen hebt ge dus niet te verwachten, dat Chris-
tus uit den hemel bij en onder den Doop, uw kindeke
-ocr page 120-
100 DE WERKING VAN CHRISTUS IK DEN H. DOOP.
zal wederbaren; maar hebt ge te gelooven en te be-
lijden, dat Christus een Doop met den Heiligen Geest
tot stand brengt, die een geheel anderen zin en een
andere beduidenis heeft.
Een Doop met den Heiligen Geest, die doelt en ziet
op de aansluiting van uw kindeke aan het Lichaam
van Christus.
Uw Catechismus spreekt van den «Heiligen Geest,
die in Christus als het Hoofd en in ons als zijn leden
woont."
Verstaat ge dat?
Aan uw eigen lichaam is een hoofd en zijn leden,
en het is een levensgeest, die uw hoofd en de leden
van uw lichaam doorademt en doortintelt. Trekt nu die
levensgeest zich een oogenblik uit voet of arm terug,
zoo slaapt die voet of is die arm dood. En eerst als
de levensgeest in het bloed weer toestroomt, leeft voet
en arm weer met het lichaam mee.
En zoo uu is de Doop des Heiligen Geestes bij en
onder den waterdoop.
De levensgeest straalt uit het Hoofd in dit nieuwe
ledeke van het Lichaam uit, en maakt dat het nu éen
leven met het Lichaam des Heeren leven kan.
-ocr page 121-
VII.
„Ulijn ïïerfond iks oredes."
ALS „GELOOV1GE*" BRENGT GE UW KINDEKE
TEN DOOP.
Daarom spreek: Zie, ik geef hem mijn
Verbond des vredes.
Num. 25 : 12.
Als uw kindeke gedoopt wordt, doet ook gij zelf iets.
Er komt niet een onbekende in uw woning sluipen,
die in der haast uw kindeke doopt, met of tegen uw
wil; maar het doopen van uw kindeke heeft plaats op
uw aangifte; op uw verzoek; tengevolge van een stap
waartoe ge overgingt.
En ge hebt dien heiligen Doop voor uw pasgeboren
wichtje gevraagd, niet als een bedelaar, wien een aal-
moes zal worden toegereikt, maar als iets dat uw kin-
deke toekwam. Toekwam omdat het uil U geboren wierd.
Dit is niet in ongeestelijken zin bedoeld; alsof zoo
maar al wat in het Doophuis kwam gedoopt moest
worden. Veeleer mag de vreeze niet onderdrukt, dat er
zeer dikwijls gedoopt worden, wien de Doop niet toekomt.
Doch dit ligt dan aan uw kerk.
Zij is de wachtster door Christus bij zijn heiligheden
besteld. Zij draagt de vaten des H?eren. Zij moet toezien,
dat het Verbond niet ontheiligd worde. En niets heeft
-ocr page 122-
1 02 ALS «GELOOVIGE" BRENGT GE L"W KINDEKE TEN DOOP.
zoozeer de gemeenmaking van den heiligen Doop, en
daardoor de innerlijke verkankering van de kerk van
Christus in de hand gewerkt, als dat doopen zonder keur.
Niet natuurlijk, alsof een predikant of ouderling zoo
eens uit zou maken, w*ie niet en wie wel zal gedoopt
worden. Geen wilkeur geldt hierbij, maar vaste regel;
en die regel is, dat de Doop aan de «geloovigen" voor
hun kinderen toekomt.
De kerk heeft dus wel te beoordeelen wie ze als
wgeloovigen" (altoos op uitwendige kenmerken) tot het
heilig Avondmaal toelaat; en hiermee nu juist is de
hand gelicht. Zoo schromelijk de hand gelicht, dat
openbare loochenaars van het kruis van Christus toch
zijn toegelaten. Tot eindelijk de kerkeraad van Amster-
dam in 1886 dit geweigerd heeft, en aldus de Doleantie
ontstond.
Er is dus zeer zeker keur ook bij den Kinderdoop,
maar deze keur moet plaats hebben bij de toelating tot
het Avondmaal en daarna door censuur. Want is iemand
eenmaal als «geloovige" erkend, dan is hij in de uit-
wendige kerk een ,bondgenoot" of «bondeling", en dan
komt hem van rechtswege de heilige Doop voor zijn
kindeke toe.
Zoo gedenke dus een iegelijk, die met zijn kindeke
tot den heiligen Doop opgaat, dat hij bij de Doopvont
nadert als een «geloovige." En die toenadering moet
dus zijn, voor de uitwendige kerk als een «uitwendig"
geloovige, maar ook als een inwendig geloovige voor
zijn God.
Soms is dit \'s Heeren volk een oorzaak van diep-
gaande zelfontdekking geworden. Men was dan ten
Avondmaal toegelaten. Men was gehuwd. God had dit
huwelijk met een kindeke gezegend. En nu zou men
ten Doop gaan. Maar dien Doop voor zijn kindeke kon
men alleen vergen op grond van het feit dat men een
geloovige was.
-ocr page 123-
ALS //OELOOVIGe" BRENGT GE UW KINDEKE TEN DOOP. 103
Dat deed zulk een vader geworden jonkman vaak
inkeeren in zich zelven. De vraag: Ben ik een geloovige?
weerklonk door de ziel. En nu voelde men opeens, hoe
oppervlakkig dat belijden, hoe kreupel dat geloof dus-
ver was geweest. En zoo viel men op de knieën, en
ging de ziel in heilig gebed uit, en werd die Doop van zijn
lieveling oorzaak van innerlijke verwakkering des geloofs.
En dan ging het met een : «Heere, ik geloof, kom
mijn klein geloof te hulpe" naar de Doopvont. En het
was of men zelf nog eens gedoopt wierd, zoo heilig eu
teeder werd die ure doorleefd.
Doch, helaas, zoo ging het lang niet altijd.
Er ging ook zoo menigeen naar de Doopvont zonder
nadenken, zonder inkeer in zichzelf. Dan tcas het bot
als een duive van binnen, en het bleef er bot tot den
einde toe. En men kwam terug van den Doop zonder
dankzegging
in het hart, gelijk men er zotuier gebed
was heengegaan.
o, Het besef, het innerlijk gevoel, het zielsbewustzijn,
waarmee men naar den heiligen Doop opgaat, wordt
zoo heel anders, zoo ge daarbij handelt als staande in
het Verbond des vredes van uw God.
Toen Pinehas, de zoon van Eleazar, den priester, in
de woestijn van Midian voor zijn God geijverd had,
sprak de Heere tot hem : //Zie, ik geef hem het Ver-
bond mijns vredes, en hij zal hebben, en zijn zaad na
hem, het verbond des eeuwigen priesterdoms."
En zóo ook moet het met u staan.
Een ijver voor den Heere der heirscharen moet uw
borst doorgloeien. Door dien ijver der zielsinnigste
liefde aangedreven, moet ge tot het belijden van uw
Immanuel zijn gekomen. Voor hem, legen Satan, zonde
en wereld! Én nu moet ook uwer de belofte zijn, van
te staan in het Verbond des vredes met uw God ; en,
met uw zaad, te zijn opgenomen in zijn heilige pries-
terschare.
-ocr page 124-
104 ALS //GELOOV1GE" BRENGT GE UW KINDEKE TEN DOOP.
Dat is het algemeene priesterschap der geloovigen;
en de Doop moet de heilige zalfolie zijn, waarmee
eertijds gij, en nu uw kindeke, in dat priesterschap wordt
opgenomen.
Als een vader met zijn kindeke ten Doop verschijnt,
dan is hij een priester des Heeren, die ook voor zijn
kindeke de inwijding in dat heilig priesterambt begeert.
Een heilig priesterschap, dat geen uitwendige glorie
zoekt, maar de wereld verzaakt, om heilige handen
naar den hooge op te heffen, en zichzelven, naar lichaam
en ziel, Gode te stellen tot een wel behaaglijke offe-
rande.
Niet die bedienaar van den Doop is de priester en
gij de leek. Maar gij zelf zijt priester met hem, en
hij is slechts éen uit de broederen, en aller Hooge-
priester is Christus de Meere, die zit op den troon zij-
ner majesteit.
En zoo omslingert en verrijkt u dan de zalige, heer-
lijke gedachte van het Vredeverbond met uw God.
Een Verbond der genade, dat ge met uw God hebt,
en dat als een parel in de schelp, zoo in den band
der uitwendige kerk verscholen ligt.
Die uitwendige kerk is het Verbond niet, maar het
schuilt achter en .in die kerk, en in die kerk is de
poorte geopend, waardoor ge tot dit heilig Verbond ingaat.
Dat Verbond uws Gods strekt veel verder dan uw kerk.
Want uw zichtbare kerk is hier te lande pas voor
eenige eeuwen gesticht; maar dit Verbond uws Gods
is van het Paradijs.
En ook dit Verbond des vredes strekt veel verder
dan uw kerk, waarvan ge uitwendig lid zijt. Want
de Heere breidde zijn Genadeverbond over alle natiën
en volken uit. Een gansch groot heir.
En tot dat eeuwenoude, dat alle natie en volk om-
vattende, dat tot in de eeuwigheid ingaande Vredever-
bond uws Gods, daartoe wordt nu ook gij gerekend.
-ocr page 125-
ALS //GELO0VIOE" BRENGT GE UW KINDERE TEN DOOP. 105
Ge treedt op als lid van die heilige, Goddelijke ge-
meenschap.
Dat Verbond uvvs Gods deelt alle. kinderen dermenschen
in tweeën. In hen die binnen zijn en hen die builen
staan. Die binnen zijn, om als priesters huns Gods in
het heiligdom te verkeeren ; die buiten staan, om als
kinderen van den Mammon te wandelen. En nu ver-
schijnt gij in Gods huis, met uw kindeke, om voor God
en menschen te betuigen, dat ge gerekend wilt worden
bij hen, die binnen zijn, en niet heel deze heirschare des
levenden Gods voor de eere zijns naams wilt strijden.
Ja, meer nog, ge verschijnt er met uw kindeke, om
hiermee uit te spreken den diepsten zielswensch uws
harten, of ook dit uw kindeke mocht gesteld worden
tot een getuige voor zijn Heiland, en met u in datzelfde
genadeverbond mocht besloten zijn.
Zoo zondert dan de heilige Doop, naar luid van uw
Catechismus, de kinderen der ongeloovigen van die der
geloovigen af.
Niet in hoogheid des harten, alsof ge zeggen zoudt:
nMijn kind zooveel beter, dan zijn kind, omdat het uit
mij en niet uit hem geboren is;" want immers ge be-
gint met te belijden, dat uw kindeke met u in zonde
ontvangen en geboren is, en daarom allerlei ellende,
ja, der verdoemenis zelve onderworpen.
Aan alle zelfverheffing wordt hierdoor het zwijgen
opgelegd.
Er is in het Verbond des vredes van uw God niets
dan genade.
Het is alles om niet.
Loutere ontferming en barmhartigheid.
En daarom jubelt ge te hooger en te rijker, omdat
ge ook voor uw kindeke het sacramenteele zegel der
genade begeeren moogt.
Zoo legt de Doop een nieuwen band ook tusscheu u
en uw kindeke.
-ocr page 126-
106 ALS ffGELOOVIGE" BRENGT GE UW KINDERE TEN DOOP.
Eerst was het alleen een band des bloeds, maar nu door
het Verbond komt zich hier een geestelijke band bijvoegen.
Want als ge huiswaarts keert, draagt ge beiden het
zegel, dat ge met uw kindeke behoort tot eenzelfde
geestelijk bondgenootschap. Gij bondeling met uw lieve-
ling en uw lieveling met u.
En al was dit nu reeds zoo, eer ge ten Doop gingt,
ja, al hebt ge voor uw kindeke, als //erfgenaam des
Verbonds" den Doop gevraagd, toch is ook dit uitwen-
dig zegel u dierbaar, en versterkt het ook uw geloof.
En zou dan wie zoo zijn kindeke en zóo het Ver-
bond des vredes met zijn God bezit, er ruste bij heb-
ben, om den Doop van zijn kindeke al uit te stellen ?
Maar immers dan verstaat ge het Verbond des vredes
van uw God nog niet.
Want zie, het Verbond des vredes is niet aan uw
wilkeur overgelaten. Daarin geeft God zelf de wet. En
hoe zoudt ge dan zoo weken lang aan uw kindeke kunnen
onthouden, wat naar Gods vreêverbond aan uw kindeke
toekomt ? Is dan het leven van uw lieveling in uw hand?
En al zal uw God deswege uw kindeke niet wegwer-
pen, is het u clan weinig, dat de eere uws Gods door
u licht is geacht? En werkt de liefde voor uw kindeke
clan zoo zwak, dat ge, zooveel aan u hangt, uw lieve-
ling ongedoopt zoudt laten sterven?
En dan werpt de vader dat zoo vaak op de moeder.
Ook moeder wilde er bij zijn! Alsof in het Verbond
Gods niet altoos het geslachtshoofd optrad.
Maar bovendien, wie zoo spreekt, miskent de liefde
van het moederhart.
Geen echte moeder zal ooit gedoogen, dat, om eigen
genot, het kindeke uit haar sehoot, ook maar een en-
kele weke, daar het toch immers sterven kon, onge-
doopt zal blijven liggen.
-ocr page 127-
VIII.
„Mat DerPtinikt mij gedoopt ie tDorden?"
DOOP VAN VOLWASSENEN.
En alzoo zij over weg reisden, kwamen
zij aan een zeker water; en ile kamerling
zeide: Ziedaar water; wat verhindert mij
gedoopt te worden?
Hand. 8 : 36.
i, Bejaarden-Doop\'\'1 ia een naam, die thans min wei-
luidend klinkt, en door verloop van beteekenis eigenlijk
onjuist is geworden. Thans immers zal niemand u onder
de ,/bejaarden" rekenen, zoo ge niet van lieverlee de
zestig nadert, en van een jongen man van twintig of
een jonge dochter van achttien jaar, zal nu niemand
meer zeggen : //Ziedaar twee bejaarde personen."
Haar in de dagen toen ons Doopsformulier opgesteld
is, deed men dat wel. Een heel oud man heette toen
z/welbedaagd", en „bejaard" beduidde iemand, die tot
jaren van onderscheid was gekomen. In de Statenover-
zetting van de Heilige Schrift komt nbejaard" dan ook
ganschelijk niet voor, en wordt daarentegen herhaal-
delijk van Abraham, Sara, David e. a. gezegd, dat ze
oud waren en welbedaagd.
Maar ook die „Bejaarden"» of //Volwassenen-Doop,"
gelijk wij thans zeggen zouden, blijft daarom niettemin
-ocr page 128-
108                                 DOOP VAN VOLWASSENEN.
in Christus\' kerk stand houden. Het meest natuurlijk bij
de kerken in China en Japan, in Afrika en in Oost-
Indië, waar gedurig Mahomedanen en Heidenen tot de
aanbidding van den Christus komen ; maar evenwel, zij
het ook minder, toch ook in onze kerken; hetzij dat
de Doop in vroeger jaren verzuimd was, hetzij dat iemand
uog ongedoopt van de Mennonieten of Baptisten tot ons
komt, hetzij dat een geroepene uit de Joden zijn Mes-
sias bekent.
In de eerste jaren na de Reformatie der 16e eeuw
was dit echter zóo zeldzaam, dat onze kerken uitsluitend
een formulier voor den Kinderdoop bezaten; maar toen
nu later honderden en duizenden Anabaptisten of lieden
van de Dooperije, om opneming in de Gereformeerde
kerken vroegen, kwam men in de noodzakelijkheid, om
voor zulk een gelegenheid het Doopsformulier eenigszins
te wijzigen.
De tweede helft, van de woorden, »En hoewel onze
jonge kinderen deze dingen niet verstaan\'\'\'
af, viel dan
uit, en daarvoor kwam in de plaats een ander slot, dat
thans op ons ^Formulier van den kinderdoop" volgt.
Ge moet dus voor zulk een Doop eerst de eerste helft
van het formulier voor den Kinderdoop lezen, en dan
dit nieuwe slot aan de eerste helft toevoegen l).
Eu nu is het wel opmerkelijk, dat in dit nieuwe slot,
na zeer korte inleiding, vijf zoo breede vragen voor-
komen ; maar dat was destijds noodig, omdat de over-
komende Doopers, alvorens ze gedoopt konden worden,
openlijk moesten erkennen, dat ze de dwalingen der
Dooperij afzwceren.
Heeft nu de Kinderdoop iets dat boeit en roert door
de teedere zorge Gods voor het kleine, zwakke en hulp-
behoevende, toch heeft ook de Doop van wie op zijn
jaren gekomen is, iets dat aantrekt en bezielt.
1) Uitgevers van Psalmboeken en Liturgieën zouden wel doen, met
ook dit formulier voluit te drukken.
-ocr page 129-
DOOP VAN VOLWASSENEN.                              109
Dat heeft de kerk van Leiden ervaren, toen Da Costa
en Capadose op éenen dag in de Pieterskerk, hun Goël
en hun Heiland beleden.
Niet groot van gestalte, met. het merkteeken van
Joodsche afkomst op het gelaat, maar ook met in het
oog een vonk van heilige geestdrift, van dwepende liefde
en wegsmeltenden dank, traden daar die twee zonen
Abrahams, eerst naar het vleesch, en nu ook naar den
geloove, het Doophek binnen; bogen bij de Doopvont
hun knieën voor den Middelaar Gods en der menschen ;
en doken eerbiediglijk het hoofd, om door Ds. Egeling,
als Dienaar des Sacraments, het heilig bondszegel te
ontvangen.
En al maakt nu niet elke Doop van een volwassene
zulk een indruk, en al heeft niet elke „Bejaarden-Doop"
voor kerk en land zulk een beteekenis, toch is ook nu
nog elke Doop van een Heiden, een Mahomedaan, maar
vooral van een Jood, een gebeurtenis van aanbelang
voor wie den gloed in zijn hart voor Jezus voelt gloren.
Want immers elke Doop van dien aard is een over-
winning voor den Messias, een triomf voor den Heiland
op het stugge, trotsche, eerst zoo weerspannige hart.
Zoo is het ten deele reeds bij een Heiden, die zijn
afgoden weg moest werpen, om tot Jezus te komen.
Sterker nog bij een Turk of Mahomedaan, die eerst den
valschen profeet boven Ischa, d. i. Jezus stelde, en die nu
voor zijn geloofsbesef de rollen geheel omkeert, en Ma-
homed afzweert, om alleen aan Jezus de eere te geven.
Maar toch het allermeest komt die triomf uit bij den
Jood, die, temidden der Christelijke wereld levende, nog
steeds halsstarrig den Messias verwerpen bleef, en die nu
zijn ongelijk erkent; bekent den Christus miskend te
hebben; en nu breekt met zijn volk en zijn maagschap,
om de //gemeenschap der heiligen\'\' te zoeken.
Maar al wierdt gij in Christelijke kringen geboren,
en al was uw later ten Doop komen alleen te wijten
-ocr page 130-
110                               DOOP VAN VOLWASSENEN.
aan verzuim of dwaling van uw ouders of verzorgers,
zoo ligt toch ook in uw Doop, als Doop van een vol-
wassene, iets dat de kerke Gods machtig toespreekt.
Het is er mee als met Abraham en Ismaé\'1, die het
zegel der besnijdenisse pas ontvingen, toen ze 20 en
13 jaar oud waren. Ook dat kon toen niet anders, omdat
de besnijdenis pas werd ingesteld. Kiet om uitzoo late
besnijdenis een regel te maken. Integendeel de regel
wierd : Ge zult het kindcke besnijden, en besnijden op
den achtsten dag. Iets wat natuurlijk niet wegnam, dat,
zoo later een Edomiet of Sidoniër zich tot Israël bekeerde,
zulk een proseliet besneden wierd op volwassen leeftijd.
Evenals het nu nog met den heiligen Doop gaat.
Kinderdoop regel, maar als er uit de Heidenen, Turken
of Joden overkomen, dan natuurlijk Doop van personen
op leeftijd.
En nu ligt er zeker iets schoons en boeiends in, als
Isaiik besneden wordt op den achtsten dag; maar niet
minder iets dat u aantrekt, als ge Abraham op zulk een
hoogen leeftijd, als een kind zich voor God ziet buigen,
en in stille gehoorzaamheid zich zist onderwerpen aan
zoo schijnbaar nietige plechtigheid.
En juist dat is het wat nu nog bij eiken Doop van
een volwassen persoon in het oog springt.
Het kindeke is het hulpbehoevend wezen, waaraan de
heilige Doop als een liefderijk genadebetoon toekomt;
maar bij een volwassen persoon is het juist omgekeerd,
de mensch in de volheid zijner kracht en in den bloei
zijner jaren, die men zeggen zou dat geen Doop meer
noodig had; en die nu zijn krachtige gestalte buigt en
vernedert voor den Heere der heirscharen, en zich in het
midden der gemeente aan een plechtigheid onderwerpt,
die hem eerst tegenstond als alleen voor kinderen goed.
Immers het is nu eenmaal niet weg te cijferen, wie
ongedoopt opgroeide, heeft er op volwassen leeftijd aan-
vankelijk altijd iets op tegen, om publiek zich aan den
heiligen Doop te onderwerpen.
-ocr page 131-
111
DOOP VAN VOLWASSEXEN.
Er komen dan in de overdenking zoo velerlei dingen
op, die //verhinderen om gedoopt te worden."
Het trekt 700 de aandacht. Ieder hoort er van. Men
fluistert uw naam van mond tot mond. En reeds de
wetenschap van die nieuwsgierigheid der gemeente heeft
iets, dat u terugstuit.
Dan heeft zulk een late Doop altoos een oorzaak. En
zoo vraagt men dan ook aan u: //Waarom wierdt ge als
kind niet gedoopt?" En dan moet het uitkomen, dat er
óf verzuim ten uwen opzichte is gepleegd, óf wel dat ge
nu pas tot de gemeenschap der kerk zijt toegetreden.
Zoo mengt meer dan een zich in wat tot de gehei-
men van uw intieme leven behoort, en, juist omdat ge
de gemeenschap dei\' heiligen niet kent, stuit u dat zoo
licht tegen de borst.
Waar dan nog bijkomt, dat ook de teederheid der
ziel u in worsteling kan brengen. Want immers bij een
kindeke onderstelt de Doop wedergeboorte, maar bij
een volwassen persoon moet die persoon zelf spreken.
Hij kan niet met een nog van Christus «/gekeerd en
aan de wereld toegekeerd hart den heiligen Doop vragen.
Bekeering van de wereld tot den Christus moet er, zoo
al niet met volkomen klare bewustheid, dan toch in
beginsel zijn, en dat beginsel moet zoo beslist zich uiten,
dat hij op dien grond het jawoord aan God en zijn ge-
meente kan geven.
En is het nu zoo onnatuurlijk dat juist zeer teeder
aangelegde zielen hiermee aarzelen; dit schier niet dur-
ven belijden; en juist door zoo heilige vreeze gedreven,
hun Doop van maand tot maand, zoo maar niet van
jaar tot jaar uitstellen?
Juist het omgekeerde dus van den kamerling van
Moorenland.
Hij vroeg aan Filippus: uWdt verhindert mij ge-
doopt te worden
?" en bij al zulke bejaarde of op jaren
gekomen personen in onzen tijd is het integendeel: «Hoe
kom ik over alles wat mij verhindert heen P"
-ocr page 132-
112                              DOOP VAN VOLWASSENEN.
Voor die ontzaglijke hindernissen heeft ook een Da
Costa gestaan. Want, o, voor een Jood kost het zoo
ongelooflijken strijd, om over die breuke met zijn natie
heen te komen, en straks misschien door zijn eigen va-
der en moeder te worden gevloekt en te worden beje-
gend als een doode.
o, Er lag ook achter dien Doop in de Pieterskerk te
Leiden zulk een lange, bange strijd, waarvan de ernst
aan God alleen bekend is.
Maar Messias overwon. En zooals het eens bij Jeremia
was: //Ik bemoeide mij om te verdragen, maar ik kon
niet. Heere, Gij zijt mij te sterk geweest en hebt over-
mocht," zoo was het toen ook hier. Messias triomfeerde.
En toen viel alle hindernis weg, en wierd het ook bij
Da Costa: «Wat verhindert mij gedoopt te worden?"
Toen drong hij naar den Doop. Toen kon hij zonder
dien Doop niet meer leven.
En zoo nu moet het ook met u zijn, die thans op
later leeftijd u laat doopen.
Eerst wel allerlei aarzeling. Altoos leeuwen op den
weg. Slagboomen die u den doorgang versperren. Strui-
kelblokken, die u het toetreden onmogelijk maken. A1-
lerlei verhindering.
Tot eindelijk het trekken van de liefde Gods u te
machtig wordt, en ook gij gevoelt, dat ge niet meer
moogl uitstellen; en nu omgekeerd de dorst naar den
Doop zoo overweldigend in u branden gaat, dat ge geen
rust meer kent en geen vrede meer vinden kunt, eer
ook die laatste stap gedaan is; eer ook gij de knie hebt
gebogen ; en ook op uw voorhoofd het water van den
heiligen Doop gesprenkeld is.
-ocr page 133-
IX.
„(Dpdat 16 mijne getofien üeiafe."
DE DHIE VHAGEN BIJ DEN H. DOOP.
Zoo zal ik uwen naam psalmzingen in
eeuwigheid; opdat ik mijne geloften be-
tale, dag bij dag.
Psalm 61 : 9.
De Doop van onze kinderkens gaat verzeld van de
aflegging eener gelofte.
Eer ge toch met uw kindeke tot den heiligen Doop
wordt toegelaten, worden u in het midden der gemeente,
voor Gods aangezicht, drie vragen van het hoogste ge-
wicht gedaan.
Eerst wordt u gevraagd, want dat moet de kerk we-
ten, als hoedanig ge het kindeke beschouwt, dat ge ten
Doop komt brengen. Dari wordt u in de tweede plaats
gevraagd, hoe ge zelf met uw geloof staat. En ten
slotte wordt u de belofte afgevergd, dat ge uw kindeke
bij het opgroeien, zult opleiden in de zuivere belijdenis.
Drie gewichtige stukken dus, waarin een ongelooflijke
rijkdom van gedachten ligt opgesloten; en toch waarin
niets meer gevraagd wordt dan hetgeen bij den Doop
strikt noodig is.
Immers alle drie deze vragen doelen eenvoudig op
hetgeen ge doen zult met uw gedoopt kindeke.
8
-ocr page 134-
114                  DE DRIE VRAGEN BIJ DEN H. DOOP.
Ge kondt toch een verkeerden blik op uw kindeke
hebben; ge kondt zelf onzuiver in de belijdenis staan;
en ge kondt ontbloot zijn van het plichtsbesef, dat u
dat kindeke gegeven is, opdat gij het op zoudt voeden
in de vreeze Gods.
Leedt ge nu aan gemis van plichtsbesef, dan zoudt
ge uw gedoopt kindeke, zoo men zegt, in het wild
laten opgroeien ; misschien zeer keurig en zorgzaam voor
de wereld, maar in het wild voor het koninkrijk Gods.
Stondt ge zelf onzuiver in de belijdenis, zoo zoudt ge
uw kindeke op doolpaden voeren in stede van in het
spoor der waarheid. En hadt ge op uw kindeke een
verkeerden blik, zoo zoudt ge bij uw opvoeding mis-
tasten, evenals een juwelier, die een diamant bewerken
ging, als ware het een smaragd.
Geen dier drie vragen kan dus gemist. Ge moogt
uw kindeke niet aanzien voor wat het niet is. Ge
moet zelf zuiver in de belijdenis staan, om er uw kin-
deke in te kunnen opleiden. En ook ge moet weten
en erkennen, dat gij voor God verantwoordelijk staat
voor de opvoeding van uw kind in de zuivere religie.
Denk nu wel na over de eerste vraag.
Ge weet hoe die vraag luidde. Namelijk alzoo: «Of
ge niet bekent, dat onze kinderen met ons in zonde
ontvangen en geboren
en daarom allerlei ellendigheid, ja
der verdoemenisse zelve onderworpen zijn, maar noch-
tans in Christus gehailigd zijn, en daarom als lidmaten
zijner gemeente
behooren gedoopt te wezen."
Wie nu kan op die vraag ja zeggen, en wie niet ?
Dat kunt ge natuurlijk niet, zoo ge nog in den val-
schen waan verkeert, dat uw kindeke, omdat het nog
te jong is, om te kunnen zondigen, daarom een onschul-
dig
wicht zou zijn, dat met de zonde nog niets te
maken had, en eerst op later jaren uit eigen beweging
zondigen zou.
Wie dit waant dwaalt en begrijpt zijn kindeke niet,
-ocr page 135-
DE DRIE VRAGEN BTJ DEN H. DOOP.                  115
en moet geheel scheef voor de opvoeding staan. Dat
is de gronddwaling van Pelagius, en ten deele ook van
de Arminianen en Doopers, maar een dwaling waaraan
juist daarom in de Gereformeerde kerk geen oogenhlik
voet mag gegeven
Elk jroed Gereformeerde belijdt van zichzelf en van
zijn kindeke: «Zie, ik ben in zonde geboren en in on-
gerechtigheid heeft mij mijne moeder ontvangen." Hij
gelooft op Jezus\' woord, «dat wat uit vleesch geboren
is niets dan vleesch is." Ook hierin spreekt het van-
zelf: «Wie zal een reine geven uit den o.ireine?"
Maar al stemt ge dit eerste gedeelte van de vraag
van harte toe, daarom kunt ge heel de vraag nog niet
met ja beantwoorden.
Want de Doopvraag laat het daar niet bij, maar komt
ook op de Verbondsgenade, en vraagt u ook, of ge niet
bekent, «dat onze kinderkens in Christus geheiligd zijn
en daarom als lidmaten van zijn gemeente behooren ge-
doopt te wezen."
Het staat dus niet zoo, alsof wel de zonde uw kin-
deke in den levenswo-tel verkankeren kon, maar zon-
der dat uw Vader, die in de hemelen is, ook op dat
jonge wicht kon werken. Neen, ook God heeft toe-
gang tot het hart van dat kindeke, dat Hij als een hor-
duursel weefde in het ingewand zijner moeder, en ge
brengt dus uw kindeke ten Doop, niet als stond het
buiten Christus, maar als in Christus geheiligd ; en niet
als staande buiten het lichaam van Christus, maar als
zijnde van het lichaam des Heeren een lid.
Ge weet dit wel n:et met zekerheid; want een bij-
zondere openbaring geeft de Heere daar niet voor; maar
gij hebt uw kindeke als zoodanig te rekenen, en danr-
om en op dien grond vraagt ge voor dat lid van Chris-
tus\' gemeente den Christelijken Doop.
En zoo komt ge dan tot de tweede vraag; want,
zeg zelf, wat zoudt gij aan uw kind opvoeden, en hoe
"oudt ge uw kind tot bekeering vermanen kunnen, zoo
-ocr page 136-
116                  DE DRIE VRAfïEN BIJ DEN II. DOOP.
ge niet ondersteldet, dat er een verborgene genade Gods
aan uw opvoeding voorafging ?
Of zoudt ge ooit denken, dat zoo uw kindeke nog
dood in de zonde en misdaden was, ge er met uw op-
voeding iets aan zoudt kunnen toebrengen?
Dat kunt ge immers niet.
En zoo is dus de vaste onderstelling bij de opvoeding
van elk gedoopt kindeke, dat er verborgen genade in
schuilt, en dat uw opvoeding slechts strekt om dat ver-
borgen genadezaad in den akker van uw kindeke te be-
sp^oeien en het onkruid uit te wieden, opdat het dit
verborgen genadezaad niet verstikke.
Daarom komt dan ook de tweede vraag op den man
af tot uzelven, om te vernemen, of gij tot zulk een
opvoeding bekwaam zijt; en dat zijt ge natuurlijk niet,
zoo ge zelf de waarheid niet zuiver belijdt.
Wie zelf nog het onderscheid niet kent tusschen voed-
sel en vergif, hoe zal die zijn kindeke het voedsel ten
eeuwigen leven bieden?
Ook die tweede vraag kan dus niet gemist worden.
Ze vraagt niet naar uw geschiktheid, om uw kindeke
een fortuin na te laten, noch ook om het voor de we-
reld op te voeden, maar om het te leiden in het spoor
der waarheid.
Iets wat ge natuurlijk dan alleen kunt, zoo ge zelf
het spoor der waarheid kent.
Ge moet dus belijden te gelooven in Gods Woord ;
vast te staan in de artikelen des geloofs, die ons met
heel de kerk van Christus op aarde gemeen zijn; en
ook van harte te zijn toegedaan de verklaring van deze
artikelen, gelijk ze door de Gereformeerde kerken ge-
geven is.
Loope daar dan dus niemand over heen.
Uw Catechismus, uw Geloofsbelijdenis, en de Dordtsche
artikelen stellen u in staat, om uzelven hiervan reken-
schap te geven.
Lees en herlees die, en vraag aan uw ziele, of ge
daarop Amen zegt.
-ocr page 137-
DE DEI E VRAGEN BIJ DEN H. DOOP.                  117
En dan komt, na deze voorbereiding, de derde vraag:
Of ge belooft en op u neemt, om dit kindeke, als het
tot zijn jaren zal gekomen zijn, in die voorzeide leer
te onderwijzen of te doen en te helpen onderwijzen?
Hierin nu schuilt de gelofte, wier vrucht moet zijn
dat dit uw gedoopt kindeke eens met hartelijke belij-
denis der waarheid toetrede tot het heilig Avondmaal.
Dit is de gelofte, die ge den Heere uwen God in de
opvoeding van uw kindeke te betalen hebt.
Niet in eigen kracht, het behoeft wel geen herinne-
ring, evenmin als ge in eigen kracht uw kindeke naar
het lichaam kunt voeden, maar in den dienst uws Hee-
ren en op zijn genadewerk uit genade aanwerkende.
En stemt het nu droef, zoo ge indenkt, hoe duizen-
den bij duizenden deze gelofte hebben afgelegd, zonder
ooit die belofte aan hun God te zijn nagekomen, zij
dit u juist ten atsehrikkend voorbeeld, om hun zondigen
weg niet (e volgen.
Schrijf gij die gelofte in de tafel uws harten; grif ze
in uw ziel, en prent ze in uw bewustzijn.
Van geslacht op geslacht moet de kennisse Gods juist
door dat werk der opvoeding worden voortgeplant, en
het is die gelofte bij den heiligen Doop, waardoor ook
gij u verbonden hebt, om tot dat groote werk meê te
werken.
En waar voor een aanmerkelijk deel deze opvoeding
in de school en op de catechisatie geschiedt, zie daar
wel toe, waar ge uw kindeke straks ter school zendt,
en waar het ter catechisatie gaat, want het zou u een
schuld voor God worden zoo ge hierin roekeloos handeldet.
Maar ook al hebt ge daarin met zorg gekozen, toch
blijft dat alles nog slechts een hulpmiddel, en niets ont-
slaat u van de gelofte, om ook persoonlijk, ook zelf uw
van God u geschonken kindeke in den weg des levens
„te helpen onderwijzen."
-ocr page 138-
X.
„8c êetuige in Jen Hemel\' is yekouru.
DE GETUIGEN BIJ DEN H. DOOI\'.
De Getuige in den hemel is getrouw.
Psalm 89 : 38.
Soms treedt er bij den heiligen Doop ook een Doop-
getuige op; doch, helaas, droever verschijnsel dan het
optreden van zulk een Doopgetuige is in Christus\' kerk
nijt wel denkbaar.
Of waar vindt ge den Doopgetuige, die na bij den
heiligen Doop het hoofd gebogen te hebben, met de
hand op het hart, toen hij sterven ging, zeggen kon:
//Mijn gelofte als Doopgetuige heb ik volbracht."
Ongetwijfeld, er zal hier en daar wel een gelukkige
en godvruchtige uitzondering op den regel bestaan; maar
heft dit het droeve feit op, dat een Doopgetuige schier
uitsluitend optreedt, om iemand die zelf niet op de
vragen kan antwoorden, uit den nood te helpen, en na
afloop van de. plechtigheid nu ook acht zijn plicht^vol-
dougen te hebben ?
Het kiudeke kon niet gedoopt, of er moest op de
Doopvragen geantwoord. Nu kon dit niet door vader
of moeder geschieden, omdat óf de dood óf zonde van
ontucht tusschenbeide was gekomen, óf ook omdat ze
-ocr page 139-
DE GETUIGEN BIJ DEN H. DOOP.                       119
nog niet tot het heilig Avondmaal waren toegelaten.
Daarom mocht echter het kindeke niet ongedoopt
blijven. En zoo moest er omgezien naar een broeder
of zuster, die als getuige wilde optreden, om alzoo den
Doop mogelijk te maken.
Dien dienst nu was men bereid te bewijzen. Men
was genegen, om op dien bepaalden dag mee kerk-
waarts te gaan; plaats te nemen bij de Doopvaders;
op te staan als de vragen gedaan werden; en met de
anderen op die vragen het hoofd te buigen.
Doch daarmee achtte men zijn taak dan ook afgeloo-
pen. Aan een verplichting, die men op zich nam, wierd
ternauwernood even onder den Doop zelven gedacht.
En éen, twee, drie jaren verder, wist men vaak zelf
nauwlijks meer, dat men Doopgetuige geweest was.
Iets zwaarder weegt gemeenlijk een ander soort van
optreden als getuige bij den Doop.
Het is als ge niet in de plaats van vader of moeder,
maar benevens deze optreedt, omdat het geboren kindeke
uw naam ontving, en er alzoo een bijzondere band tus-
sclien u en dat kindeke voor uw volgend leven werd
gelegd. Iets waaraan dan vooral waarde pleegt gehecht
te worden, als de Doopgetuige, wiens naam het kindeke
voert, zelf kinderloos is.
En soms, het moet dankbaar erkend, is uit dit ver-
band een zeer nauwe betrekking geboren, die, vooral
bij een later sterven van de ouders, er niet zelden toe
geleid heeft, dat het petekind, als eigen kind geliefd,
soms zelfs erfgenaam van vele goederen weid.
En toch roeme men ook hier niet te hoog.
In verreweg de meeste gevallen toch had dit peet-
schap veelmeer een maatschappelijke, dan een geeste-
lijke beduidenis.
Men achtte zich geroepen voor zijn petekind iets te
doen; \'t zij door het op zijn geboortedag een aandenken
te zenden, \'t zij door het te gedenken in zijn testament.
-ocr page 140-
120                        DF. GETUIGEN BIJ DEX H. DOOP.
Maar bij dit alles viel van den Doop nauwlijks sprake ;
wierd aan het Djopgetuigenis bijna nimmer meer ge-
dacht; en deed men wat men deed, niet omdat men
Doopgetuige geweest was, maar omdat men peet over
het kindeke was ; omdat het zijn naam droeg; en omdat
aan dat voortleven van zijn eigen naam in den naam
van dat kindeke een vriendelijk aandenken moest ver-
bonden worden.
Wel gebeurt het soms dat zulk een petekind ook in
zijn opvoeding liefdebetoon van zijn Doopgetuige ont-
vangt, maar ook zelfs waar de geestelijke zorge nog
opleeft, geeft men die geestelijke zorge ten beste, niet
omdat men Doopgetuige was, maar uit persoonlijke ge-
negenheid.
Zoo bitter kan een oorspronkelijk schoone zaak ver-
loopen.
Hoe toch ontstond dat peetschap?
Denk u terug in de eerste Christentijden. Daar is een
jong meisje, dat van Jezus heeft gehoord. Het kruis van
Golgotha boeit haar. Ze kan niet langer weerstand bie-
den. En ook zij vraagt om opgenomen te worden in de
kerk van Jezus.
Maar dat belijden van Jezus kost haar een pijnlijk
offer. Haar Joodsche of Heidensche ouders vloeken haar
om die keuze haars levens, snijden haar af van hun
liefde; en als een verstootene zal ze daar eenzaam in
de wereld staan.
Dat nu ware onhoudbaar. Dat ging niet. En zie, nu
bieden zich een paar Christen-echtgenooten aan, om voor
dat jonge meisje een tweede vader en tweede moeder
te zijn. Zij leiden haar ten Doop, waar haar eigen ouders
haar om dien Doop vloeken. En nu haar Heidensche
naam toch moet afgelegd, is het zoo natuurlijk dat ze
den naam aanneemt van de man en de vrouw, die haar
zullen opnemen in hun woning.
Zot gaat het oude leven voor haar onder. Het nieuwe
-ocr page 141-
DE GETUIGEN BIJ DEK H. DOOP.                       121
komt op. En ze vindt zich rijk en gelukkig in de nieuwe
liefde, die haar Jezus haar bereid heeft.
Doch natuurlijk thans komt dat niet meer voor, of het
moest bij een Joodsehe proseliete wezen, of ook bij een
Doop door zendelingen in het Heidenland.
En waar onder Rome ook bij den Kinderdoop dit
peetsehap stand hield, heeft onze Gereformeerde kerk
dit zeer terecht afgesneden, omdat het een openlijke
miskenning van het feit was, dat het kindeke als een
wkindeke uit geloovige ouders" gedoopt wierd.
Thans is dus dit peetschap heel iets anders geworden,
en treedt het niet in de plaats van, maar naast het
ouderschap op.
En ook zoo kan het iets lieflijks hebben. Iets lieflijks,
om de banden tusschen onderscheidene gezinnen van
eenzelfde geslacht nauwer toe te halen. Iets lieflijks om
tusschen onze vrienden en onze kinderen zekere duur-
zame betrekking te leggen. Iets lieflijks, om, waar de
veelheid van kinderen in een enkel gezin soms met zorge
aan de Christelijke opvoeding doet denken, die zorge door
het te hulpe roepen van een kinderloos echtpaar te ver-
lichten. En iets lieflijks ook, om, zoo het God behaagde
ons weg te nemen, eer onze kinderen groot zijn, een
geestelijken verzorger en een vader in Christus aan onze
kinderen achter te laten.
Doch dan moet die band ook door den Doop, en niet
het meest door naamgeving gelegd.
Dan moet de Doo;> ook van dit Christelijk peetschap
den grondslag vormen, en moet niemand daartoe aan-
gezocht, noch zich daartoe leenen, dan voor het aan-
geziehte Gods, en met den ernstigen toeleg, om zooveel
vader of moeder door onmacht of plichtsverzuim te kort
schieten, aan de Christelijke opvoeding van zulk een
petekind de hand te houden.
Kortom, dan moet het Doopsgetuigenis geen bijzaak,
maar hoofdzaak worden; en moet een iegelijk, die als
Doopgetuige optreedt, er voor, bij en na den Doop van
-ocr page 142-
122                       DE GETUIGEN BIJ DEN H. DOOP.
doordrongen zijn, dat de ziel van dil kindeke bij God
meê voor zijn rekening ligt.
Een getuige die niet getrouw is, werpt ziju eere voor
God en menschen weg.
De Heere, onze almachtige God, die als de ouveran-
derlijk Getrouwe geen getuige van noode heeft, schikte
zich toch naar onze menschelijke zwakheid, door op
allerlei wijs getuigen voor zijn waarheid en getuigen
van zijn aanzijn te stellen.
Zelfs de maan en de zon stelde Hij als zijn getuigen
aan het firmament, en van die zon, die eiken morgen
opgaat, zong de psalmist: «Zijn getuige in den hemel is
getrouw."
En hoe onteert zich dan zijn kerk niet, en hoe schaadt
niet zijn eigen ziel, wie voor Gods aangezicht, in zijn
heiligdom, als getuige optreedt, en voorts, na die ge-
tuigenis aanvaard en afgelegd te hebhen, zich om wat
hij beloofde niet meer bekreunt.
En geldt dit reeds voor elke omstandigheid waarin
ge als getuige optreedt, hoeveel temeer niet, zoo ge als
getuige optraadt in zijnen heiligen Doop, en uw hand
hebt opgeheven, om Gods Verbond aan dat kindeke te
helpen verwezenlijken.
Natuurlijk niet alsof de belofte der ouders door uw
optreden als getuige iets van haar kracht zou verliezen.
Gij komt altoos achter de ouders aan.
Maar zoodra het kindeke, aan welks ziel ge u vrij-
williglijk verbonden hebt, van zijn ouders iets te kort
schiet, is voor u het oogenblik gekomen, om hun ge-
brek aan te vullen.
Aan te vullen, zeer zeker, zoo ge kunt, door ook
maatschappelijk voor dat kindeke te zorgen. Maar toch
allereerst en allermeest door in geestelijken zin de uood-
druft van dat kindeke te voorzien.
Daarvoor waart ge Doopgetuige.
En daarin zult ge als getuige getrouw zijn.
-ocr page 143-
III.
VAN DE OPENBARE BELIJDENIS.
-ocr page 144-
-ocr page 145-
I.
„£eef! 3u, 16 5eidc lot u in uwen
Woede: £ecf!M
VAN DEN H. DOOP NAAR HET H. AVONDMAAL.
Als Ik bij u voorbijging, zoo zag Ik u,
vertreden zijnde in uwen bloede, en Ik
zeide tot u in uwen bloede: Leef, ja, Ik
zeide tot u in uwen bloede: Leef!
Ezech. 16 : 6.
Van den Doop gaat het naar het Avondmaal.
Als er een kindeke geboren is, maakt men het lauwe
water in het bekken gereed, om het te wasschen van
zijn onreinheid. Doch als het gewasichen is, dan heeft
het voedsel noodig, en draagt dezelfde hand, die het
eerst wiesch, het straks naar de moederborst.
En dan eerst als het lieve wicht aan zijns moeders
borst de warme melk indrinkt, is het eerste rustpunt
bereikt, en heerscht er om het kraambed ruste en vrede.
Een vroedvrouw of baker, die het kindeke alleen maar
wiesch, en voorts zonder voedsel liggen liet, zou eenvoudig
dwaselijk handelen en de zorge voor het hulpeloos wezentje
haar te ontnemen zijn.
En dit geldt ook hier.
Wel het Sacrament der wassching in den Doop te
-ocr page 146-
126 VAN DEN H. HOOP NAAK HET H. AVONDMAAL.
zoeken, maar het voorts hierbij te laten; en niet uit
den Doop naar het Sacrament der voeding te gaan, is
het wezen van Doop en Avondmaal heide verkrachten.
Ge waart eerst gelijk aan het kindeke, u door den
Heiligen Geest in Ezechiël 16 geteekend, en waarvan
het in vers 4 en 5 heet: «En aangaande uwe geboor-
ten, ten dage als gij geboren waart, werd uw navel
niet afgesneden, en gij waart niet mei water gewasschen,
toen ik u aanschouwde.
Geen oog had medelijden met
u, om zich over u te erbarmen; maar gij zijt gewor-
pen geweest op het vlakke des velds, om de walgelijk-
heid van uwe ziele, ten dage toen gij geboren waart.
En als Ik bij u voorbijging, zag Ik u, vertreden zijnde
in uwen bloede, en Ik zeide tot u in uwen bloede:
Leef; ja, Ik zeide tot u in uwen bloede: Leef.\'1\'1
Dit teekent ons onze ontvangenis in zonde en ons
geboren zijn in ongerechtigheid. Ook gij waart uit een
onreine, en daarom zelf onrein. Dus moest ook gij gees-
telijk door uw God inwendig met het bloed van Chris-
tus gewasschen worden, en als uitwendig symbool van
deze afwassching uwer ziel in het bloed van het heilig
Godslam, wierdt ge toen ook afgewassehen niet het
water des Doops.
Zooals de heilige apostel het zegt: r/Onrein waart ge
eertijds, maar nu zijt ge geheiligd, nu zijt ge gereinigd,
nu zijt ge afgewassehen."
Zoo belijden het dan ook uw kerken.
«Er is," zeggen ze in art. 35 van haar Belijdenis, «in
degenen die wedergeboren zijn, tweeërlei leven: het éene
lichamelijk en tijdelijk, hetwelk zij van hunne eerste
geboorte medegebracht hebben, en is allen menschen
gemeen; maar liet andere is geestelijk en hemelsch,
hetwelk hun gegeven wordt in de tweede geboorte, en
dit leven is niet gemeen dan alleen den uitverkorenen
Gods." En voorts in art. 34: ,/Zoo heeft hij dan bevolen
om te doopen die de zijnen zijn, in den naam des
-ocr page 147-
VAN DEN H. DOOP NAAR HET H. AVONDMAAL.         127
Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, alleen
met rein water, ons daarmede te verstaan gevende, dat,
gelijk het water de vuiligheid des liehaams afwaseht,
wanneer wij daarmede begoten worden, aizoo het blo\'.\'d
Christi hetzelve van binnen in de zielen doet, door den
Heiligen Geest, ze besprengende en zuiverende van hare
zonden, en ons wederbarende uit kinderen des toorns
tot kinderen Gods."
Maar hierbij kan het niet blijven.
Afwassching van het geborene kindeke komt wel eerst
en gaat voorop; maar de voeding moet volgen.
Hoor slechts wat uw kerk al verder belijdt:
* Wij gelooven en belijden, dat onze Zaligmaker Jezus
Christus het Sacrament des Heiligen Avondmaals inge-
steld heeft om te voeden en te onderhouden degenen,
die hij aireede wedergeboren en in zijn huisgezin, het-
welk is zijn kerk, ingelijfd heeft."
Immers, «tot onderhouding des lichamelijker en aard-
schen levens heeft God ons een gemeen aardsch brood
verordend, hetwelk daartoe dienstig is. Maar om het
geestelijk en hemelsch leven te onderhouden, heeft Hij
ons gezonden een levendig brood, dat van den hemel
is nedergedaald, t. w. Jezus Christus," welk brood sacra-
menteel genoten wordt in het heilig Avondmaal.
Van alle Doop moet dus gedrongen naar het heilig
Nachlmaal.
Wie bij den Doop staan blijft en niet tot het heilig
Nachtmaal doordringt, miskent niet enkel het Sacra-
ment van het lichaam en bloed des Heeren, maar mis-
kent evenzoo het Saciament van den Doop.
Op zichzelf toch is de Doop niets dan het openen
van de deur, waar ge doorgaat, om naar het heilig
Avondmaal uws Heeren, en alzoo tot zijn mystieke ge-
meenschap te komen.
Wie nog niet gedoopt is, staat buiten; wie om den
Doop vraagt, verlangt binnengelaten te worden.
-ocr page 148-
128         VAN DEN H. DOOP NAAR HET H. AVONDMAAL.
Hij klopt aan de deur, opdat hem opengedaan worde;
en zijn Doop is, dal de deur voor hem opengaat, zoodat
hij nu binnenkomt, en afgezonderd is van wie buiten
zijn, om gemeenschap te oefenen met wie binnen zijn ;
en die gemeenschap nu wordt ten volle bereikt door
zijn toetreding tot het heilig Nachtmaal.
Wie na gedoopt te zijn, niet het heilig Nachtmaal
zijns Heeren zoekt, is gelijk aan den vreemdeling, die,
na aangeklopt te hebben en in de feestzaal te zijn bin-
nengelaien, vlak bij de deur staan blijft, en zich verre
houdt van de aanzittende gasten.
Zeker, de indringer, die zonder bruiloftskleed aan,
doordrong en zich onder de geestelijk feesthoudende me-
nigte mengde, moest, omdat hij een indringer was, weer
buiten worden geworpen. Maar wie aanklopte, en binnen
wierd gelaten, en zijn bruiloftskleed aannam, doch om
nu, in dat feestkleed getooid, koud en onverschillig van
verre te blijven staan, die zondigde, zij het ook op andere
wijze, toch evenzeer
Wie den heiligen stroom van het Doopwater door-
waadt, dien moet het te doen zijn, om de gemeenschap
met den Heere des huizes te genieten, en die Heere des
huizes wacht de zijnen op aan zijn heiligen disch.
Wie wedergeboren is uit water en geest, die ziet nog
pas het koninkrijk van verre.
Maar hierbij mag het niet blijven.
Hij moet voort en verder, en mag niet rusten, eer
hij aanzit aan de bruiloft van het Lam, in zijn sacra-
menteele afbeelding.
Ook nu nog voelt een Jood, die zijn Messias vond,
dil onmiddellijk.
Wordt zulk een Jood leden gedoopt, en is er over
acht dagen Avondmaal, dan gaat hij er terstond aan-
zitten. Alles zegt het hem: Doop en Avondmaal hoo-
ren bijeen.
En ook bij andere volwassenen, wier Doop in hun
-ocr page 149-
VAX DEN H. DOOP NAAR HET H. AVONDMAAL. 129
kindsche jaren verzuimd wierd, merkt ge dit nog. Zoo
zelfs dat ze hun Doop meest uitstellen tot het Avond-
maal weer komende is; en dan vlak voor het Avond-
maal laten ze zich doopen, om terstond na den Doop
liet Avondmaal te zoeken.
En zoo vvas het in de oudste Christelijke kerk even-
eens.
Al wie uit het Jodendom of Heidendom overkwam
wierd vandaag gedoopt, om morgen reeds ten Avond-
maal te gaan; en het denkbeeld zelfs om zich wel te
laten doopen, maar voorts verre van het Avondmaal te
blijven, kwam in niemand op.
Zich te laten doopen wilde niets anders zeggen dan :
,/Laat mij toe tot het heilig Avondmaal."
Het Avondmaal was de heilige disch der gedoopten;
waar elk gedoopte hoorde; waar geen enkel gedoopte
zich aan kon onttrekken.
Men trekt de Roode zee niet door, om op den an-
deren oever zich te blijven legeren, maar om aanstonds
door de woestijn naar het Heilige land op te trekken.
En eenmaal bij de Jordaan aangekomen, trekt men
die Jordaan niet door, om aan den overkant te blijven
staan, maar om door te trekken naar Jeruzalem.
En zoo ook doorwaadt men den stroom van de wa-
teren des Doops niet, dan oin door en voort en verder
te trekken en niet te rusten, eer men zich den wijn
gereikt ziet, geperst uit de druiven van Eskol.
Alleen doordien thans de jonge kinderen gedoopt wor-
den, is hierin een kleine vertraging gekomen.
Een pasgeboren kindeke is voor het heilig Avondmaal
nog onbekwaam. Een jeugdig wicht kan ook op een leef-
tijd van enkele jaren zich zijn Doop nog niet toeëige-
nen door zelf te belijden. En zoo schuiven dus, nu de
Kinderdoop heerscht, de Doop en het heilig Avondmaal
tot op zekeren afstand uiteen.
Omdat de doopeling lijdelijk is, is een jong wicht wel
9
-ocr page 150-
] 30 VAN DEN H. DOOP NAAR HET II. AVONDMAAL.
vatbaar om gedoopt te worden; maar evenzoo is het
nog onvatbaar om het Sacrament der voeding te ont-
vangen, overmits bij dit tweede Sacrament de Avond-
maalganger zelf belijdend en handelend optreedt.
Zoo komen dus tusschen Doop en Avondmaal thans
eenige jaren in te liggen; en dat wel zoovele jaren als
noodig zijn, om den doopeling tot eigen daad van be-
lijden en toetreden te bekwamen.
Minder kan die afstand niet zijn; maar ook grooter
mag hij niet worden. De jaren noodig voor uw opwaken
en voor uw bekwaammaking tot een eigen daad zijn van
Godswege in uw schepping verordend. Wie zich daar nu
aan houdt, die gaat op de wegen des Heeren; maar ook
wie deze jaren óf wilkeurig inkrimpt óf wilkeurig uitzet,
gaat van \'s Heeren wegen af en kiest zelf eigen paden;
iets dat altoos zonde is.
Dat kan nu schelen van het 16de tot het 2 8ste jaar;
maar in dat tijdperk van zeven jaren valt bij een iege-
lijk zijn persoonswording; en die grenzen moeten dus
geëerbiedigd.
Maar hetzij dan Doop en Avondmaal tot het 1 Ode jaar
of wel 23ste jaar uitéén waren geschoven, aan den band
die Doop en Avondmaal verbindt wordt hiermee niets
veranderd.
Altoos blijft uw Doop, al die jaren door, voor u een
roepstem: Zoek des Heeren heilig Avondmaal!
-ocr page 151-
II.
„Doet ileti üeete uroer onderen 8od
WijdetuV
HOE EEN KIND REEDS ZIJN HEERE BELIJDT.
Nu dan, doet don Heere, uwer vaderen
God, belijdenis, en doet zijn welgevallen,
en scheidt u at\' van de volken des lamls,
en van de vreemde vrouwen. Ezra 10:11.
Eer ge, komende van uw Doop, toegang erlangt tot
het heilig Avondmaal, moet er belijdenis worden af-
gelegd.
Niet uw eerste, en evenmin uw laatste belijdenis, maar
een belijdenis, die daarom iets buitengewoons is, omdat
ge alsdan voor het eerst publiek in de vergadering der
geloovigen optreedt en u aan die geloovigen verbindt.
Dus zegge niemand: //Over een jaar hoop ik mijn
belijdenis te doen"; noch ook: //Voor drie jaren heb ik
mijn belijdenis gedaan", want al zulke uitdrukkingen
verraden een verkeerden geest.
Dan beeldt men zich in, dat men maar eens in zijn
leven belijdenis heeft te doen ; dat een jonge man of
jongedochter nog tot geen belijdenis gehouden zijn; en
dat wie «zijn belijdenis deed" er dan nu ook van af is.
En dat kan toch immers niet?
-ocr page 152-
132          HOE EEX KIND IIEEDS ZIJN HEERE BELIJDT.
Beleden moet er altoos; moet er heel uw leven door
worden, zoo dikwijls de stem of de macht of het gevlei
van wereld en Satan tegen uw Heiland ingaat.
Een goed kind doet daarom reeds op school ;/belij-
denis", als iemand iets tegen zijn Jezus durft zeggen.
Dan toch komt hij daartegen op. Dan laat hij zich dat
niet zeggen. En al wordt hij dan om dat //goede ge-
tuigenis" geplaagd en gesard, ja al beloopt hij er een
stomp en duw om, dat hindert alles niet; maar hij gaat
door met zijn belijdenis.
Zoo is het op school, zoo is het op straat, zoo is
het onder het spelen. Gedoopte kinderen moeten kinderen
van Jezus zijn, en moeten het niet kunnen dulden, dat
men hun Jezus te na komt.
Dat belijdenis doen begint dus al zeer vroeg, en om
zulk belijdenis doen moet soms heel wat meer verdragen
en geschreid dan om het belijdenis doen in de kerk.
Doch, helaas, er zijn ook laffe kinderen, en die door
hun ouders laf gehouden worden, omdat die ouders zelf
zoo arm aan moed voor Jezus zijn.
Versta dit wel.
Niets is ondraaglijker dan kleine kinderen, die heel
neuswijs catechiseermeestertje willen spelen, en allerlei
groote woorden op hun lippen nemen, waar ze nog niets
van verstaan.
Maar dat is dan ook niet «zijn Jezus belijden", dat
is stuitende verwaandheid, en anders niet. Als ze konden ,
deden zulke kleine Farizeetjes een wit dasje boven hun
kiel aan.
Daar nemen we het dus heusch niet voor op.
Maar wat wel moet, is, dat een kind met kinder-
lijkc geestdrift voor zijn Jezus vervuld is; dat het voor
den naam van Jezus buigt; dat het in zijn hart ont-
zag en eerbied voor zijn Heiland koestert; en wetende,
dat het bij Jezus hoort, niet zou willen zwijgen, als
de eere van zijn Jezus wordt aangerand.
-ocr page 153-
hoe een kivd reeds zijn heere belijdt. 133
Een goed kind laat zich niets dat niet goed is, van
zijn vader of moeder zeggen. En nu ook een kind
moet het weten: «Wie vader of moeder liefheeft boven
mij, is mijns niet waardig."
Dus geen uitkramen van geleerdheid; geen neuswijs
methodisme op kinderlippen ; maar wel liefde, warmte,
geestdrift voor Immanuël, en daarom niet laf zwijgen,
maar met een vonk in het oog spreken, als er voor de
eere van Jezus moet opgekomen.
Spreken niet met het bleeke gelaat der ingebeeldheid,
maar met een kleur op de wangen van ergernis over
wat men tegen Jezus doet.
Zoo en niet anders is het natuurlijke belijdenis doen
van een gedoopt kind ; en tot zulke belijdenis doen moet
vader en moeder het kind aanzetten door eigen voor-
beeld en door vermaan.
In een kind zit veel trouw, veel moed, veel vatbaar-
heid voor verontwaardiging.
Doch als nu vader, die immers //belijdenis deed", al-
toos zwijgt, en moeder, die immers //naar het Avondmaal
gaat," altijd doet, alsof ze niets om Jezus geeft, hoe zal
uw kind dan leeren belijden ?
En toch ook uw kind moet bij dat kinderlijk belij-
den van zijn Heiland gesteund.
Immers het is voor uw kind niet gemakkelijk.
In de kinderwereld heeft het //uitlachen" zulk een
booze kracht. Kinderen oefenen kort recht, door elkaar
dood te vorklaren, te plagen, te kwellen, soms te slaan
en te striemen.
Nu is dat voor uw kind een vreemde gewaarwording.
Het gaat de wereld in met de gedachte, dat Jezus boven
alles gaat, en zie, nu wordt het juist om zijn opkomen
voor Jezus het kind van de rekening.
Dat stuit; dat hindert dan. Dat maakt bang en vrees-
achtig. En, als ge dan uw kind niet steunt met uw
liefde en uw gebed, zal het een volgend maal al min-
-ocr page 154-
134          HOE EEN KIND REEDS ZIJN HEERE BELIJDT.
der moedig optreden ; tot het eindelijk zwijgt; om, als
eerst zijn mond gesnoerd is, ten laatste meê te gaan
lachen, als er weer een ander jong kind om zijn moed
•\\oor Jezus wordt uitgelachen.
Ouders en onderwijzers hebben hier dus een heilige
roeping; en ook op de catechisatie en in de predicatie
moest hier veel meer op aangedrongen worden.
Want vergeet niet, moed is iets zonderlings. Moed,
die er eenmaal uit is, keert bijna nooit weder. En toch
moed is zulk een edele zielskracht. En zonder moed
is er geen belijden.
Want zeg zelf, wat is dat voor //belijdenis doen",
als een jong persoon achttien, twintig jaar is geworden,
zonder het ooit voor Jezus op te nemen, zonder ooit
voor Hem uit te komen, zonder ooit iets voor Jezus ten
offer te hebben gebracht, en die nu, bijna op mondigen
leeftijd gekomen, bij een dominee wordt aangenomen,
en in de kerk even opstaat en het hoofd buigt.
Dat is een vorm, een vertooning, een plechtigheid,
die men mee maakt, maar waartoe noch heldenmoed
noch geestdrift hoort, of het moest dan de moed der
verlegenheid zijn, om in zoo\'n groote samenkomst van
menschen te durven opstaan.
Neen, niemand deed nog ooit een wezenlijke belij-
denis, tenzij er reeds in zijn kindsche jaren en in de
jaren van zijn jongelingschap belijdenis in het leven
achter lag.
Wie om Jezus gesmaad, uitgelachen en gehoond, en
ten leste geslagen is, en die dan zonder neuswijze
pedanterie toch moedig volhield, alleen door trouw en
liefde voor Jezus gedreven, die komt straks in het open-
baar slechts uitspreken wat al die jaren reeds in zijn
hart gloeide, en bij zulk een is het waarlijk belijde-
nis doen.
Belijdenis doen voor den jongen man, en belijdenis
doen voor de jongedochter. Want al zijn de meisjes
-ocr page 155-
HOE EEN KIND REEDS ZIJN HEERE BELIJDT.           135
minder hardhandig, toch hoort er ook in de meisjes-
kringen moed en trouw en liefde toe, om heur Jezus
niet te verloochenen.
Doch, helaas, dat zien verreweg de meeste ouders
niet in.
Ze laten hun kinderen doopen; en ook laten ze hun
kinderen naar school en catechisatie en kerk gaan; en
als ze achttien a twintig jaar zijn „aannemen"; maar
dat hun kinderen tot helden en heldinnen voor Jezus
moeten worden opgevoed, en dat anders alle »belij-
denis" niets dan vorm en schijn is, dat zien ze niet in.
Wat Ezra tot Israël sprak: «Nu dan doet den Heere
belijdenis, den Heere, uwer vaderen God, en doet zijn
welgevallen en scheidt u af van de volken des lands",
dat verstaan de meeste ouders niet.
Ze vatten niet, dat de dienst des Heeren een heilige
krijg, levenslang een strijd moet zijn, en dat in dien
dienst en voor dien haehlijken strijd telkens nieuwe
strijders moeten aangeworven en geoefend.
En toch zoo is het.
Van het Paradijs af is het één vijandschap, die God
gezet heeft tusschen het zaad der vrouw en het zaad
der slang. De strijd gaat door al de geslachten heen.
Het ééne geslacht daalt ten grave, en het andere neemt
zijn plaats in, maar alle eeuwen door blijft het één en
dezelfde heilige krijg voor den Zone Gods en tegen zijn
Wederpartijder.
En daarom is het niet genoeg, dat gij zelf dien strijd
meê voert, als trouwe dienstknechten des Heeren, maar
moet ge ook uw kinderen voor dien strijd aanwerven,
ze er voor wapenen, ze er in oefenen, er hun de hand-
grepen voor leeren, en bovenal hun een onwankelbare
trouw inboezemen voor de banier des Heeren, in een
onuitblusschelijke geestdrift voor zijn heiligen Naam.
-ocr page 156-
136          HOE EEK KIND REEDS ZIJN HEERE BELIJDT.
Dat uw kind niet tegen is, is niet genoeg. Belijden
is voor zijn. Dat uw kind met u meegaat, kan niet
volstaan, uw kind moet zelf meestrijden. Dat het u
mat en onbezield napraat, is geen teeken van eigen leven.
Ook uw kind moet, al staat het alleen in zijn wereld,
nog een stemme des roependen in de woestijn zijn.
Dwaasheid dus om te denken . als mijn kind achttien
a twintig jaar is, zal het wel belijdenis doen.
Neen, op belijdenis doen komt het eiken dag aan,
zoo dikwijls uw kind waar dan ook, in aanraking komt
met andere kinderen of andere menschen, die //van de
volken des lands zijn", en daarom óf voor Jezus de
schouders ophalen óf laksch zijn voor zijn dienst.
Van geslacht tot geslacht moet de Naam des Heeren
lof ontvangen, en die lof moet Hem uit het zaad der kerk
toekomen, d. w. z. uit de kinderkens, die gedoopt zijn.
En daarom moogt ge uw gedoopte kind niet aan
zwijgen en aan lafheid en aan ontrouw gewennen.
Van meet af moet het voor Jezus zingen en voor
Jezus durven uitkomen.
Alloos moet het belijden, zal het eens tot een goede
belijdenis kunnen komen.
Zóó alleen wordt die //belijdenis" een zaak van het
hart.
-ocr page 157-
III.
„16 iai dan en deed M\\jdenis."
DE OEFENSCHOOL VAN TIET GEBED.
Ik bad dan tot don Heere, mijnen God,
en deed belijdenis.
Dan. 9 : 4a.
De geloofskiem, die het God vaak belieft een kin-
deke in te planten, wast niet vanzelf op, en komt niet
vanzelf tot bloei.
Denkt ge u, dat ge kort na uw geboorte door wilden
geroofd en verre van uw vader en moeder, ja, zeer
verre van Christus\' kerk waart weggevoerd, zoo zou
deze geloofskiem in u in het minst niet tot ontwikke-
ling zijn gekomen, ook al waart ge nu twintig of dertig
jaar oud.
Zou die geloofskiem in u ontkiemen, wassen en op-
bloeien, dan moest ge in aanraking blijven met die
kerk van Christus, die u doopte; dan moest ge bekend
gemaakt met Gods heilig Woord; en moest ge aldus
op uw //belijdenis" worden voorbereid.
Niet, dit verstaat ge toch, alsof die uitwendige toe-
rusting, zonder meer, ooit het geloof in u tot ontwik-
keling kon brengen, o, Neen. Indien God de Heilige
Geest niet inwendig die geloofskiem dijen en zwellen
doet, en inwendig met goddelijke kracht sterkt en ste-
-ocr page 158-
138 DE OEFENSCH00L VAN HET GEBED.
vigt, zal alle uitwendig werk niets baten. Dan is het
een zaaien op de steenrots, en een ploegen op rotsen,
en alle arbeid is ijdel.
En gelijk in de natuur de zorge van den landman
met de koestering der zon moet saamwerken, om het
koren op den akker te doen rijpen, zoo ook moet in uw
ziel de innerlijke bewerking des Heiligen Geestes saam-
vallen met de uitwendige voorbereiding, zal het werke-
lijk bij u tot een waarachtige «belijdenis" komen.
Niet, dat Gods almacht hieraan gebonden is.
Een jong wicht, dat vroeg wegsterft, kan daarom nog
zeer wel zalig worden, al heeft het nooit iets van Gods
Woord vernomen. Daar heeft de Heere dan andere
wegen voor, om zulk een kindeke uit het eerst onbe-
wuste leven tot de zalige aanschouwing van zijn Hei-
land te brengen. Des Heeren arm is nooit verkort.
Maar voor ons, die op aarde tot ouderen leeftijd op-
groeien, heeft het Hern nu eenmaal beliefd dezen vasten
regel te stellen :
Inwendig Geesteswerk en uitwendige voorbereiding
moet saamtreffen.
Voorbereiding dus, om publiek belijdenis te kunnen
doen.
Maar bestaat die voorbereiding nu eeniglijk in cate-
chisatie of huislijke onderrichting ?
Is het u aanbrengen van kennis; het u doen van bui-
ten leeren ; het u inprenten van allerlei waarheden en
bijzonderheden, nu al wat er geschieden moet ?
Immers neen ; want /^belijdenis doen" is nog iets
anders dan «een les opzeggen", en zich aan Gods ge-
meente verbinden nog iets anders dan haar napraten.
Want zeer zeker is leeren ook noodig; zeer stellig
noodig ook het van buiten leeren ; en moet. er, al naar
gelang uw ontwikkeling is, heel wat zorge aan besteed,
om Christus en zijn Woord in uw menschelijk bewust-
zijn in te dragen; maar toch, daar gaat deze heilige
voorbereiding niet in op.
-ocr page 159-
139
CE OEEENSCIIOOL VAX HET GEBED.
Dan toch kon men evengoed Heiden- en Jodenkin-
deren voor het //belijdenis doen" voorbereiden.
Het ware dan enkel een zaak van het hoofd. Het
harl bleef er buiten. En daarmee ware al zulke voor-
bereiding geoordeeld.
Juist daarom reeds wees de vorige meditatie er met
nadruk op, hoe een kind, reeds lang eer het //belijdenis
doet", zijn Jezus belijden moet op school en onder zijn
makkers. Want //belijdenis doen" is voor zijn Koning-
uitkomen, is houw en trouw aan Jezus zweren, is zich
laten inlijven bij de heilige slagorde die voor Jezus op-
trekt, en op die wijs ijveren voor zijn majesteit en zijn
koninkrijk.
En wordt nu, in het aardsche gesproken, een jongen
nooit een goed soldaat, of hij moet reeds onder zijn
makkers moed betoond en gedurfd hebben, dan gaat het
hier nog veel sterker door, dat ge op ouder leeftijd,
nooit tot kloeke belijdenis van uw Heiland zult komen,
tenzij ge reeds als kind van toorn gegloeid hebt bij
eiken smaad of hoon, dien men uw Heiland dorst aandoen.
Maar hier moet nu nog iets heel anders bijkomen,
dat evenmin ontbreken mag, en waarop gemeenlijk veel
te weinig nadruk wordt gelegd.
Uw Bijbel spreekt van tweeërlei belijdenis, van een
belijdenis van uw Heiland, maar ook van een belijdenis
van uw zonde; en die twee hooren, niet pas op later
leeftijd, maar, van kindsbeen af, bijeen.
Komt ge er eenmaal toe, om in het midden der ge-
meente uw Heere en Heiland te belijden, dan moet hier-
mee altoos gepaard gaan, een belijdenis van uw eigen
verlorenheid in uzelven; en elke belijdenis, die wel
voor Jezus roept, maar niet rust op innerlijk besef van
eigen dood en doemwaardigheid, is wat Paulus een
luidende schel noemt of een klinkend metaal.
Daar zit geen waarheid en geen kracht in.
Dit spreekt toch vanzelf, dat de Verlosser niets voor
u kan zijn, indien ge in uzelf niet verloren zijt en dus
-ocr page 160-
140 DE OEFENSCHOOL VAN HET GEBED.
verlossing van noode hebt; dat ge geen Heiland kunt
belijden, tenzij ge iets weet van banden des doods, die
u omvangen hadden , en van angsten der hel, die u had-
den benauwd ; en dat ge den Medicijnmeester niet kunt
naloopen, tenzij ge weet en belijdt dat uw ziele krank is.
Iets wat nu niet zeggen wil, dat wie (/belijdenis doet",
op dat eigen oogenblik, als hij in de kerk het hoofd
buigt, hiervan de volle diepe bevinding moet hebben.
Wie het zoo opvat, gaat onder in gevoelsbeweging en
raakt van Gods Woord af.
Neen, het beduidt alleen, dat ge naar de mate uwer
jaren en naar de ontwikkeling waartoe ge gekomen
zijt, bij eigen ervaring weet, dat ge buiten Christus
voor eeuwig verloren zijt, en daarom u onder de vleu-
gelen van uw Heiland met al Gods kinderen Iaat saam-
vergaderen.
Doch dan moet ook heel de voorbereiding voor de
belijdenis daarop ingericht zijn; en moet zelfs een klein
kind reeds geleid worden naar den regel van Daniël:
/, Ik bad en deed belijdenis voor den Heere."
Een kind moet leeren bidden.
Niet om uw kleinen reeds jong den dominee te lee-
ren spelen, en ze kunstjes te laten uithalen met lange
gebeden. Veeleer verwoest ge het teederste in uw lie-
velingen, zoo ge ze niet stelselmatig van al wat naar
vertoon zweemt, afhoudt.
Het bidden van uw kindeke moet zoo eenvoudig,
maar ook zoo schuchter mogelijk zijn, en niets moet
zoo sterk ontraden als de gewoonte, om, voor of na het
gebed van den vader, hen even hardop hun «Heere,
zegen spijs en drank, Amen" te laten afraffelen; soms
vier, vijf kinderen na elkaar. Zulk een praktijk is een
moord voor alle teeder en innig bidden.
Acht ge dat het kind niet meê kan bidden in het
gebed van vader of moeder, goed, zoo bidde dan één
der kinderen, liefst het oudste, voor al de kinderen,
maar langzaam , eerbiedig, zóó dat het waarlijk bidden is.
-ocr page 161-
DE OEl\'ENSCHOOL VAN HET GEBED. 141
Maar voorts zij het morgengebed als ze opstaan en
het avondgebed als ze rusten gaan, hun stille oefenschool.
Een oefenschool, waarin gij ze eerst zelf voorbidt, dan
met ze meebidt, en allengs ze zelf alleen laat bidden.
Een bidden, dat ook wel een formuliergebed mag
zijn , mits goed gekozen, en zeldzaam gebruikt; want
een formuliergebed komt in het persoonlijk leven alleen
dan te pas, als de geest te dof is voor een gebed uit
eigen beweging.
Maar zelf bidden is het ware, liet eigenlijke. Elk
kind op zijn eigen manier. Niet in taal van groote
menschen, maar in kindertaal. Danken voor wat hen
verblijd heeft; bidden voor wat hun kommer baart;
loven zooals zij het doen zouden, als ze Jezus zelf om-
helzen konden.
Wen bovenal uw kind en uzelf aan cxlra-gebeden.
Het //ken den Heere in al uwe wegen", is voor het
gebed een goudmijn.
\'s Morgens, \'s middags aan tafel, \'s avonds bij het naar
bed gaan, het is uitstekend. Maar toch, dat is het volle
bidden nog niet. Dat ontstaat eerst, als er bij elke
moeilijkheid, die voorkomt, een schietgebed uit de ziel
oprijst; als bij elke vreugde, die het hart doortintelt,
een toon des danks opklimt naar den Hooge.
En daar moet ge uw kind reeds aan wennen.
Voor God is niets te klein of te gering.
Een moeilijke schoolles is voor een kind even pijnlijk
en gewichtig als een veldslag voor een groot veldheer;
en God de Heere wil in alles aangeroepen zijn.
Slechts is het de groote kunst om uw kind dat zoo te
leeren , dat het zóó bidde, niet om u, niet opdat gij
het merken zoudt, maar ongemerkt, om de rust van
zijn eigen kinderlijk hart.
-ocr page 162-
142 ÜE OEFENSCHOOL VAN HET GEBED.
En dat nu moet ook op de belijdenis van zonden toe-
gepast.
Want, o, bij een kind is het gevaar zoo groot, om
er een kleinen Pharizeër van te maken , die eiken avond
na zal praten, «dat het in zonden verloren en doem-
waardig is", en er straks geen de minste weet van zal
hebben , als liet snoept of liegt, of zijn moeder gesard heeft.
De heilige kunst is hier maar, om eerst schuldbesef
in geheel kinderlijken vorm op te wekken, en dan uw
kind er toe te brengen, om in dienzelfden kinderlijken
vorm zijn God om vergiffenis te vragen.
Zooals een kind, dat u eerst verdriet deed, en nu
er spijt van heeft, ten slotte lief naar u toekomt, en
n zacht in het oor fluistert, of ge niet meer boos wilt
zijn, zoo ook moet uw kind belijdenis van zonden voor
God leeren doen.
Niet in algemeene termen , maar noemende wat ver-
keerd was, en voor zoover het er weet van heeft.
Dan blijft er waarheid in.
Dan spreekt het hart er in mee.
Dan gewent zich zijn kinderhart aan oprechtheid en
aan omgang in oprechtheid met zijn God.
Vooral de moeder heeft hier zoo heilige roeping;
maar een roeping, die ze niet kan vervullen, zoo ze dit
leven voor zichzelve niet kent, en niet meeleeft in het
stil vertrouwen van haar kinderkens.
En dan een oudste zuster. Ook onze dienstmaagden.
o, De Christelijke opvoeding is zulk een heilig werk,
maar ze kost zoo ontzettende inspanning der ziel.
-ocr page 163-
IV.
„$oo faal ons d^e Mijdeuis Dastftouden."
DE BELIJDENIS UWER KERK.
Dewijl wij dan eenen grooten Hooge-
priester hebben, die door de hemelen door-
gegaan is, namelijk Jezus, den Zoon van
God, zoo laat ons deze belijdenis vasthouden.
Hebr. 4 : 14.
Telkens hoort ge roepen, dat de belijdenis uwer kerk,
en de vraag of dat ook uw belijdenis zij, er minder
toe doet. Zoo gij uw Jezus maar toebehoort en het
leven Gods in uw hart ruischt, eilieve, wat vraagt ge
dan nog naar uw belijdenis!
Wijd moest dus elke kerk, die staande houdt, een
kerk van Christus te zijn, haar poorten voor een ieder
openzetten; en een kerk, die dat niet deed, wierp haar
eigen eere hiermee weg.
z/Wat toch geeft alle geleerdheid? Zou dan het
Koninkrijk Gods aan de vragen en antwoorden uit een
Catechismusboek hangen ? Op den Geest en op het
werk des Geestes alleen komt het aan. Geheugeniverk
kan nooit het werk des harten vervangen. En daarom,
zoo er Geestes werk in u is, moet elke kerk u tot het
heilig Avondmaal toelaten; en zoolang er zelfs in den
knapsten catechisant geen Geestesvverk openbaar wierd,
moest elke kerk hem afwijzen!"
-ocr page 164-
144                           DE BELIJDENIS UWEE KERK.
Zoo riep men in Montanistische kringen reeds korte
jaren nadat de heilige apostelen des Heeren deze aarde
verlaten hadden. Zoo riepen enkele teedere gevoels-
vromen alle eeuwen door. In de dagen der Hervorming
kon men hetzelfde roepen beluisteren van de lippen
der Wederdoopers. En ook nu nog ontmoet ge telkens
geestelijk eenzijdige lieden, die voor de toelating tot
het heilig Avondmaal liefst geen enkele keur dan de
keur des Geestes gedoogen.
Merkt men dat er in iemand «de groote zaak gebeurd
is", dan trede hij toe, en anders late men hem met
alle onbekeerde zielen van verre staan.
En daarom, geheugenvverk geeft niets. Een Catechis-
mus leeren geeft niets. Alle leeren kan veilig achter-
wege blijven. En ook dat dusgenaamd //belijdenis doen"
is eigenlijk niets dan een spelen met het Heilige.
Vreemd intusschen dat de heilige apostelen er juist
andersom over oordeelen.
Eenheid in belijdenis zou er niet toe doen, en nu
hoor, wat de apostel Paulus aan de kerk van Corinthe
schreef: //Ik bid u, broeders, door den naam van onzen
Heere Jezus Christus, dat gij allen hetzelfde spreekt."
(1 Cor. 1 : lü). Een «cprekeii van hetzelfde", dat hier
duidelijk op de eenheid van belijdenis doelt, want hij
voegt er bij: /en dat er onder u geene scheuringen zijn,
maar dat gij (als kerk) zijt samengevoegd in éénen
zelfden zin en in éénzelfde gevoelen." Let wel, niet in
eenzelfde gevoel, noch ook in eenzelfde gevoelsbeweging,
maar in het hebben van eenzelfde gevoelen. Juist zooals
hij aan de kerk van Philippi schreef; //Doch, daar wij
toe gekomen zijn, laat ons daarin naar denzelfden regel
wandelen, laat ons hetzelfde gevoelen.\'1\'\'
En niet anders spreekt de heilige apostel Johannes,
die evenzoo wel terdege de zaligheid aan de belijdenis
bindt. Want had Paulus in Ram. 10 : 10 gezegd:
«Met den mond belijdt men ter zaligheid", Johannes
-ocr page 165-
145
DE BELIJDENIS UWER KERK.
had niet minder kras betuigd: //Alle geest die belijdt,
dat Jezus Christus in het vleeseh gekomen is, die is
uit God; en alle geest, die niet belijdt, dat Jezus
Christus in het vleeseh gekomen is, die is niet uit God;
maar deze is de geest van den antichrist; welken geest
gij gehoord hebt dat komen zal en is nu aireede in de
wereld."
Ge ziet dus wel, dat de apostelen, die onder de
ingeving van den Heiligen Geest schreven, en aan wier
woord en gezag dus elk mensch zich te onderwerpen
heeft, vlak omgekeerd oordeelen als deze overgeeste-
lijke Heden.
Zeggen zij, dat hetgeen ge als uw gevoelen belijdt
en uitspreekt er minder toe doet, zoo ge innerlijk maar
leven speurt; de heilige apostelen daarentegen zeggen
u in den naam des Heeren, dat «ge met uw mond
belijdt ter zaligheid"; dat ge van één gevoelen moet
zijn en één sprake moet hebben; en dat wie in zijn
belijdenis omtrent den Zone Gods afwijkt van de waar-
heid , niet uit God is, maar uit den antichrist.
Dit nu trooste u, als ge zelf voor uw belijdenis moet
,/leeren", of uw kinderen voor hun belijdenis moet
laten //leeren."
Reeds op zich zelf moet dit, want het is naar uw
Doopsbelofte. Toen toch is ja gezegd op de ernstige
vraag: »Of ge op u naamt, dit kindeke als het tot
zijn verstand zal gekomen zijn, in de voorzeide leer te
onderwijzen, of te doen en te helpen onderwijzen."
En die «voorzeide leer" zweefde niet in nevelen,
want vooraf ging die andere vraag: «Of gij de leer,
die in het Oude en Nieuwe Testament en in de artikelen
des Christelijken geloofs begrepen is en in de Christelijke
kerk alhier geleerd wordt, bekent de volkomene en
genoegzame leer der zaligheid te zijn."
Ook uw Doop bond u dus aan een leer." Bond u
aan een bepaalde //leer." Een leer, die juist en wel
omschreven is.
10
-ocr page 166-
146                           DE BELIJDENIS UWER KERK.
En zoo gaat het van geslacht op geslacht. De vader
belooft het voor zijn kind.
Dat kind, straks zelf vader geworden, belooft het
weer voor zijn kind. Altoos weer de belofte om het in
«die voorzeide leer"\' óf persoonlijk zelf te onderwijzen ,
óf te doen en te helpen onderwijzen. En zoo bestaat
de kerk in eenheid van belijdenis voort.
Maar ook al berust hierop heel uw kerkelijk leven,
toch is het goed, er bij te weten, dat de heilige
apostelen, wier woord beslissend en gebiedend is, u de
zaak evenzoo en juist op dezelfde wijze op het harte
binden.
Eén moet aller gevoelen , één aller spreken zijn, en
daarom één leer de inhoud van aller belijdenis.
Dus moet er //geleerd"; want een kerk, die het zaad
der kerk niet laat Iccreu, houdt haar belijdenis niet
vast, maar laat ze los; breekt met haar verleden;
snijdt de gemeenschap met de vaderen af; en vormt een
nieuwen kring.
Daarom moet er //geleerd."
,/Geleerd" niet wat deze of die predikant u aanpredikt,
of ook deze en die onderwijzer u voorhoudt. Dat toch
zijn slechts vluchtig vervliegende uitleggingen, die de
één zus, de ander zóó geeft, en die alle eeuwen door
wisselen.
Neen, wat //geleerd" moet, is wat uw kerk sinds
eeuwen, en de eeuwen door, als van God in zijn
Heilige Schriftuur geopenbaarde waarheid belijdt.
En dat moet //geleerd" in alle kerken , aan allen , die
in de kerk opgroeien, of tot haar toetreden willen,
oud of jong, man of vrouw, van kleiner of van rijper
ontwikkeling.
Het geslacht, dat nu leef , moet daarin naspreken wat
een vorig geslacht overnam van het geslacht, dat toen
ten grave daalde; en niets is valscher gedacht, dan dat
elk komend geslacht telkens iets nieuws, iets anders
zou moeten belijden.
-ocr page 167-
DE BELIJDENIS UWER KERK.                            147
//Napraten" is een woord, dat in minachting kwam,
en daarom zeggen we: naspreken. Maar dat moet het
dan ook wezen. Alle helder onderwijs is dus «naspreken."
En zoo moet het ook in Jezus\' kerk zijn ; en de kunst
is maar, om dit //naspreken" met de lippen te doen
opkomen uit hel hart.
Zoo gaf reeds Asaph den gulden regel in Psalm 78
aan: „o, Mijn volk, neem mijne leer ter oore; ik zal
verborgenheden uitspreken van oudsher; die wij gehoord
hebben en weten, omdat onze vaderen ze ons verteld
hebben."
Dit nu, zegt Asaph, legt den plicht op, om ze //niet
te verbergen voor onze kinderen, voor het navolgende
geslacht."
En dat wel, omdat God de Heere dit goud zijner
waarheid aan zijn kerk heeft toevertrouwd , opdat het
van het Paradijs af alle eeuwen door stand zou houden ,
tot aan de voleinding der wereld. «Want Hij heeft een
getuigenis opgericht in Jacob, dat Hij onzen vaderen
geboden heeft; dat zij ze hunnen kinderen zouden
bekend maken , opdat het navolgende geslacht die weten
zou, de kinderen, die geboren zouden worden , en zouden
opstaan en vertellen ze hun kinderen, en dat zij hunne
hoop op God zouden stellen , en Gods daden niet ver-
geten, maar zijne geboden bewaren."
Er is dus geen plaats voor twijfel.
De plicht is ons gebiedend opgelegd.
De leere Gods, zoo van wat Hij openbaarde, als
deed en gebood, moet van geslacht tot geslacht voort-
geplant.
De belijdenis mag niet onder het stof der eeuwen
bedekt, maar moet vastgehouden en steeds opnieuw
beleden.
En ook voor u was er dus geen andere weg. Ook
gij moest «leeren".
z/Geheugenwerk" alleen is machteloos, maar ook,
-ocr page 168-
148                           DE BELIJDENIS UWER KERK.
zonder het werk van uw «geheugen" vallen de schal-
men van de keten, die Gods kerk saanihoudt, uit elkaar.
Nu zou het voor ons een ontzaglijke aantrekkelijk-
heid hebben, als heel Christus\' kerk op aarde, van de
dagen der apostelen af tot nu toe, altoos maar éene
belijdenis had gehad, en nog bezat; en dan liefst een
belijdenis kort en klaar op alle punten.
Toch ligt er in het aantrekkelijke van dit denkbeeld
iets, dat we niet voeden mogen, eenvoudig wijl de
historie der kerk toont, dat de wil des Heeren een
geheel andere is geweest.
En dat moest wel.
Anders toch zou het eerst recht een dood geheugen-
werk zijn geworden. Geen naspreken, maar een napraten,
eeuw in eeuw uit, door allen, in alle land en wereld-
streek , van hetzelfde. Eén eentonig geklank.
Zoo zijn er dan ook feitelijk gedeformeerde, min
zuivere, en gereformeerde of gezuiverde kerken.
Ook gij nu hebt het uitnemend voorrecht om geboren
te zijn in zulk een gereformeerde kerk, die dus ook
een gereformeerde belijdenis heeft.
Voor u te heiliger drang, om geen oogenblik die
gezuiverde belijdenis los te laten, maar //te houden wat
gij hebt."
-ocr page 169-
V.
„Je loffefij&lieden des Meeren."
HET KENNEN VAN DE DADEN GODS.
Wij zullen het niet verbergen voor
hunnn kinderen, voor liet navolgend
geslacht, vertellende de loffelijkheden des
Heeren, en zijne sterkheid, en zijne
wonderen, die Hij gedaan heeft.
Psalm 76 : 4.
Zoo oud Christus\' kerk is, zoo lang is er voor het
«doen van zijn belijdenis" geleerd.
En dat wel om een uiterst natuurlijke reden.
Als ge zelf bij alles bij waart geweest, en alles wat
God geopenbaard heeft zelf van zijn profeten, van
Christus en van zijn apostelen hadt kunnen hooren,
zoudt ge niets te leeren hebben.
Maar dit is niet zoo; want Gods werk en Gods open-
baring liep niet af in één menschenleven j en had niet
plaats tijdens uw leven; maar veel vroeger en over
een loop van eeuwen.
En daaruit nu en daaruit alleen werd de noodzake-
lijkheid voor u geboren, om te loeren.
Juist zooals het met de geschiedenis van uw eigen
vaderland is. Wat heden ten dage, in uw eigen om-
geving, gebeurt, dat ziet ge en dat weet ge, zonder
dat iemand het u aanzegt. Maar wat in de dagen der
-ocr page 170-
150 HET KENNEN VAN DE DADEN GODS.
Batavieren , van Floris V, van Prins Willem of Napoleon
gebeurd is, daar zijt gij niet bij geweest, en dat is
daarom voor u te boek gesteld, opdat gij liet zoudt lecrcn.
En evenzoo nu is het hier.
Omdat God zijn machtige wonderen in vroeger eeuwen
heeft gewrocht, en zijn rijke openbaringen gegeven
heeft, lang eer gij geboren waart, zoo heeft God de
Heere die voor u laten boeken, ze in schrift voor u
laten opteekenen , en zorg gedragen, dat in de Heilige
Schriftuur wal zijn loffelijkheden", zooals Psalm 78 het
noemt, voor u te lezen stonden.
En zoo is er dus geen keus.
Immers van tweeën één.
Of dit alles blijft u vreemd, blijft buiten u liggen,
is voor u als niet geschied, en moet dus voor u een
gesloten boek zijn, óf wel ge moet u de inspanning
getroosten, om dat alles te leeren.
Vandaar dan ook dat God u hel geheugen schonk.
Die wondere gave, waardoor ge als mensch het ver-
mogen hebt, om het verledene in uw geest te photo-
grapheeren; de eeuwen, die achter u liggen, in te prenten
in uw eigen verbeelding; en zoo in te leven in wat
doorleefd is door vroegere geslachten.
Niet alsof ge uw geheugen alleen ontvingt, om de
„loffelijkheden des Hecren" u eigen te maken: want
zeer zeker heeft uw ^geheugen" zijn beteekenis ook
voor het burgerlijk en algemeen menschelijk leven.
Maar toch moogt ge nooit vergeten, dat ook uw
geheugen dan eerst zijn hoogste roeping vervuil, als ge
het bezigt als middel en instrument, om de daden en
openbaringen Gods tot het eigendom van uw eigen be-
wustzijn te maken.
Ge zult den Heere uw God liefhebben ook met uw
geheugen; want ge moet Hem liefhebben met al uw
krachten; en onder die krachten van uw geest neemt
ook het geheugen een niet geringe plaats in.
-ocr page 171-
HET KENNEN VAN DE DADEN GODS. 151
En daarom is het ongodvruchtig, als ge bij het onder-
wijs , zich de kracht van het geheugen op allerlei weten-
schap en kennis laat richten; maar datzelfde geheugen
doet niet ook, en zelfs in de eerste plaats dienst, om
het opkomend geslacht te verrijken met de kennisse van
Gods daden en de wetenschap van zijn heilige open-
baring.
Er mag dus op het „leeren" en zelfs op het «van
buiten leeren" niets worden afgedongen.
De inspanning, die dit kost, is ook een «zweet des
aanschijns", waarin we ons brood zullen elen, en het
is geen kindermin, maar wreede onbarmhartigheid met
uw kroost, zoo ge uit misplaatste gevoeligheid hun in
de kinderjaren die inspanning spaart.
Het geheugen is juist in de kinderjaren het sterkst.
Later neemt het in vermogen om zich te verrijken, af.
En daarom is het juist in die jonge jaren dat deze
taak, zij het ook een vaak inspannende taak, aan het
kind moet opgelegd.
Slechts zie men scherp en wel toe, dat men geheu-
genwerk niet aanzie voor wat het nooit zijn kan, en
nooit wane, dat veel van buiten leeren gelijk staat met
vroomheid , of ook maar, zonder meer, vroomheid kwee-
ken zou.
Wie steenen saamvergadert heeft nog geen huis ge-
bouwd , en wie tarwekorrelen saambrengt, heeft, zonder
meer, nog geen brood voor zijn honger.
En zoo is het ook hier.
Want immers op zichzelf is al dit geheugenwerk nog
niets dan een verzamelen van bouwstof, die niets dan
ballast voor de hersenen wordt, zoo ge ze onverwerkt
en ongebruikt liggen laat.
Beide zijn dus even noodzakelijk.
Ge kunt niet gaan bouwen eer de bouwstof is saam-
gebracht , en zoo ook is er geen religie zonder kennisse
van «Gods loffelijkheden" mogelijk.
-ocr page 172-
152
HET KENNEN VAN DE DADEN GODS.
Maar ook, zoomin als uit die bouwstof, zonder meer,
een huis komt, zoomin zult ge uit die kennisse van
«Gods loffelijklieden\'\', zoo uw hart er werkeloos bij
blijft, ooit religie gewinnen.
Juist daarom is het dan ook zoo noodig, dat ge de
kracht van uw geheugen richt op wat als bouwstof
bruikbaar is.
En dan moet afgekeurd, streng afgekeurd zelfs, dat
misbruik van het geheugen, door de kinderkens af te
matten met het laten leeren van dorre reeksen namen.
Want of ge nu al de patriarchen voor den Zondvloed
of al de koningen van Israël op uw duimpje weet op
te noemen, dit leert u nog niets van de //loffelijklieden
des Heeren, van zijne sterkte en van de wonderen,
die Hij gedaan heeft."
En toch ditiirop komt het aan.
Er is een heilig, doorloopend werk van Gods genade
in de historie.
Eeuwenlang heett het Gode behaagd op zeer wondere
wijze een werk te werken , dat eiken mensch, dus ook
u, persooiilijk aangaat.
Een machtig werk, waarin Hij zijn ontfermende ge-
nade jegens den zondaar heeft betooud en betuigd , en
dat eindelijk in de zending van zijn lieven Zoon tot
volkomen rijke ontplooiing is gekomen.
Dat werk Gods moet ge dus kennen. Van dat werk
Gods moet ge het heerlijk verloop u eigen maken. Dat
saamliangende, ineengeschakelde werk Gods moet als
afgeschilderd voor uw geest staan. Daarin moet ge u
kunnen indenken. Daar moet ge u in weten te ver-
plaatsen. Daar moet ge in genieten kunnen. Ja, dat
moet de grond van uw vertrouwen en het steunsel uwer
hope zijn.
En daarom moet gebroken met al dat onheilige in
onze Zondagsscholen en Catechisatiën, dat er toe leidt,
om van onze kinderen kleine geheugenmachinetjes te
-ocr page 173-
HET KENNEN VAN DE DADEN GODS.                    153
maken, die alles en nog wat kunnen opzeggen, en dan
op de vraag: «Wat heeft God voor u gedaan, en wat
heeft uw God u geopenbaard ?" opeens met een mond
vol tanden staan.
Een kind moet aan wat het leert wat hebben. Wat
hebben voor zijn leven. Wat hebben bij de worstelingen,
die het straks met zijn ziel doorworstelt.
En als het dan straks optreedt in de wereld, en
daar een stemme hoort opgaan, die al \'s Heeren lofte-
lijkheden bespot, ontkent en loochent, dan moet het
«zaad der kerk" daartegenover staan, niet met een
lijstje van zooveel gelijkenissen en met een reeks van
zooveel patriarchen, maar dan moet het kloek en
krachtig daartegenover getuigen kunnen van het machtig
en heerlijk werk, door God in den loop der eeuwen
gewrocht; en om daartoe de kracht te bezitten, moet
het zelf aanbidding voor dat werk Gods in de ziel
gekend hebben.
-ocr page 174-
VI.
„ften ontetouipcfijlle Be6ecritii^ tot
HOE REEDS EEN KIND ZICH MOET BEKEEREN.
Want de droefheid naar Go) werkt een
onberouwelijke bekeering; maar de droef-
heid der wereld werkt den dood.
2 Cor. 7 : 10.
Zoo moet ge dus voor uw «belijdenis" leercn; maar
niet minder stellig moet ge u voor uw «belijdenis"
bekeeren. Hoe toch zou een onbekeerde, zonder leugen
op de lippen, belijdenis van zijn Heere kunnen doen?
Jammer slechts, dat het Methodisme ook in dit op-
zicht zulk een verwoesting in onze Gereformeerde kerken
heeft aangericht.
Onder den invloed toch van het Methodisme ging
men zich te kwader ure inbeelden , dat «wedergeboorte"
en //bekeering" eigenlijk e\'én en hetzelfde is, en dat de
goddelijke daad , waardoor dit saam plaats grijpt, slechts
hier en daar aan een zeer enkele ten deel valt, en dan
geheel plotseling, en meest pas op gevorderden leeftijd.
Dit nu plaatste de teederder zielen voor een uiterst
moeielijke keuze. Op dat Methodistisch standpunt toch
moest men van tweeën één doen, óf vóór het belijdenis
-ocr page 175-
HOE REEDS EEN KIND ZICH MOET BEKEEREX. 155
doen den eisch van bekeering volhouden, maar dan ook
niemand //aannemen", die niet van zulk een plotselinge
daad Gods wist te getuigen ; óf wel men moest voort-
gaan met ook de anderen «aan te nemen", maar dan
ook den eisch van //bekeering" laten glippen.
Beide nu was even bedenkelijk.
Schonk men den toegang tot het heilig Avondmaal
alleen aan diegenen, die op Methodistische wijze ge-
tuigenis konden afleggen van zulk een aangrijpende om-
zetting in hun hart en leven, dan kon hoogstens een
zeer enkele //aangenomen", dan verliep de catechisatie,
en had het onderwijs in de Christelijke religie verder
geen doel.
En sloeg men den omgekeerden weg in , om de //aan-
neming" toch, als regel, Ie laten doorgaan op een
leeftijd van omstreeks achttien jaren, maar om dan ook
den eisch van //bekeering" prijs te geven, dan ontaardde
natuurlijk dit «belijdenis doen" in niets dan in een soort
examen, een uitstalling van geheugenwerk , zonder gees-
telijke beduidenis of beteekenis voor den hemel.
Ter wille van de opvoeding deed men toen de laatste
keuze, en zoo is toen heel het //belijdenis doen" op zoo
schromelijke wijze verbasterd.
In terugkeer naar de Gereformeerde paden ligt ook
hier de eenige weg tot beterschap.
Wie toch goed Gereformeerd is, erkent en belijdt,
dat noch de ouderlijke vermaning, noch de predieatie
des Woords, noch de Zondagsschool, noch ook de cate-
chisatie, op een mensch, die nog geheel onwedergeboren
in zijn naakte vijandschap tegenover God staat, ook
maar iets vermogen.
Dat er dus aan alle vermaan en onderrichting een
daad Gods in de ziel moet voorafgaan; en dat uit
dien hoofde wedergeboorte en bekeering niet betzelfde
kan zijn.
Dat omgekeerd «wedergeboorte" de verborgen daad
-ocr page 176-
156         HOE KEEDS EEN KIND ZICH MOET BEKEEREN.
Gods in onze ziel is, die aanwezig moet zijn en moet
voorafgaan, zullen wij ons kunnen bekeeren.
Een //onwedergeborene" kan zich niet bekeeren.
//Bekeering" is een eisch, die alleen aan den ;/vve-
dergeborene", met uitzicht op vervulling, kan gesteld
worden.
En daar nu bijna de helft der gedoopte kinderen
wegsterft zonder ooit tot «jaren van onderscheid" te
komen; en wel niemand zal beweren, dat alle jonge
kinderen verloren zijn; en ze toch ook weer zonder
wedergeboorte het koninkrijk Gods niet zien kunnen;
zoo belijden de Gereformeerde kerken, dat deze daad
der wedergeboorte bij Gods uitverkorenen, in den ge-
wonen regel, reeds plaats grijpt in hun prilste jeugd.
Niet alsof dit «zaad" daarom dadelijk opschoot. Soms
blijft het veeleer (ot vergevorderden leeftijd in den akker
verscholen. Maar toch is het uitsluitend de heerlijke
onderstelling van deze verborgen wedergeboorte, waarop
de Gereformeerde kerken haar eisch doen rusten, dat
elk gedoopte zich bekeeren zal.
Namen ze aan, dat de gedoopten niet wedergeboren
zijn, zoo zou die eisch geen zin hebben.
Immers alleen de wedergeboorte bekwaamt een zon-
daar om zich tot God te bekeeren.
Zal dus de Doop een «Doop der bekeering" blijven,
dan kan zij van de onderstelling van wedergeboorte niet
losgemaakt.
Zoo nu loopt alles .wel.
Ge hebt dan hope in God, als het Hem belieft, uw
jonge kinderkens door een vroegtijdigen dood van u
weg te nemen.
Ge hebt dan een scherpen prikkel, om al uw lieve-
lingen bij het opgroeien, aanhoudend en op ernstige
wijze in de kennisse van Gods Woord in te leiden.
Ge zult de vroege godsvrucht, die ge soms bij uw
kleinen waarneemt, dan niet langer toeschrijven aan de
-ocr page 177-
HOE REEDS EEN KIND ZICH MOET BEKEEREN. 15 7
onschuld van hun jeugdig hart, maar ook hierin een
vrucht der wedergeboorte erkennen.
Ge zult dan drang in u gevoelen, om zoodra ze tot
rijper jaren zijn gekomen, uw kinderen ten Avondmaal
te leiden.
En bovenal ge zult bij elk kind, dat God u gaf,
vrijheid en recht hebben, om het onophoudelijk te drin-
gen tot bekeering.
Zoo hebben onze vaderen in de dagen van hun gees-
telijken bloei het gedaan , en het Sion Gods is er door
opgeleefd, en de heerlijkste zekerheid des geloofs is in
die dagen door duizenden bij duizenden genoten.
Vandaar dat in die dagen dan ook niemand sprak
van //aangenomen" te worden; dat niemand dacht aan
een soort examen van geheugenwerk; maar dat men zoo
spoedig mogelijk in het midden der gemeente verscheen,
om openlijk belijdenis van de Christelijke religie te doen,
en in het midden van de geloovigen mede aan te zitten
aan \'s Heeren heiligen Disch.
Maar thans, helaas, is dit alles anders geworden.
Het is leeren, leeren, leeren; dan een soort examen;
om straks //bevestigd" te worden. En dan kan men ja
óók nog aan het Avondmaal gaan; maar men kan het
ook nalaten.
Maar of men er komt, of niet komt, aan //bekeering"
om ten Avondmaal te komen en //bekeering" om belij-
denis te doen, wordt o, zoo zelden gedacht.
Of liever men denkt er wel aan, maar meest in den
vorm van zeker plechtig en indrukwekkend vermaan de
laatste zes weken vóór zijn //aanneming."
Dan heet het dat men «voor zijn aanneming" leert.
Dan krijgt men een extra-catechisatie; dan onthoudt
men zich van uitgaan op eenige partij of eenig feest;
dan spreekt de leeraar wat ernstiger; de duur der cate-
chisatie is wat langer; men werkt er wat meer voor;
en op het allerlaatst, vooral bij de aanneming, wordt
-ocr page 178-
158         HOE REEDS EEN KIND ZICH MOET BEKEEREN.
men, ja, waarlijk toegesproken, alsof nu //bekeering"
bedoeld wierd.
Doch men weet ook hoe dit gaat. Omdat deze plan te
geen wortel heeft in de belijdenis van voorafgegane
wedergeboorte, durft men het feit der bekeering niet
aan; en zoo blijft het steken bij een woord van ernstig,
dringend vermaan, lat even een kleinen indruk maakt,
maar, gelijk de gelijkenis van den zaaier het ons tee-
kent, bij velen door de vogels wordt weggepikt, of ge-
lijk men zegt, het ééne oor in, het andere uitgaat; bij
anderen even opschiet met ijlen stengel in groote be-
weeglijkheid des gemoeds en uitvloeit in een overvloed
van tranen , maar om straks geheel te verdorren; en bij
weer anderen al even spoedig in de veelvuldigheid des
levens wordt verstikt.
Bijna nooit hoort ge dan ook van iemand, die het
bij zijn //aanneming" of bij zijn //bevestiging" gekre-
gen heeft.
Het komt voor , maar zóó zeldzaam, dat het op de
massa ganschelijk niet meetelt.
En dit kwaad nu kan alleen overwonnen, als ge ook
den eisch van //bekeering" van der jeugd aan en zoo
stellig mogelijk stelt.
Men moet leeren, zich bekeeren en dan belijden.
Nu stemt ieder toe, dat het r.iet aangaat een kind
te laten opgroeien tot zijn achttiende jaar, om het dan
opeens zes maanden hard voor zijn //aanneming" te
laten leeren.
Neen, zegt men, dat leeren moet van der jeugd af
geschieden.
Ook van het belijden erkent men , dat wie tot zijn
achttiende jaar deed , als schaamde hij zich voor Chris-
tus, en na zijn //bevestiging" die beschaamdheid voor
den Christus denkt voort te zetten, bij zijn dusgenaamde
//aanneming" comedie speelt, maar niet belijdt. Ook
dat belijden moet van der jeugd af beginnen.
-ocr page 179-
HOE REEDS EEN KIND ZICH MOET BEKEEREN. 15 9
En juist datzelfde gaat nu ook door voor de bekeering.
Wie zijn kinderen onbekeerd laat opgroeien; ze aan
het denkbeeld van bekeering niet went; en ze laat
groot worden in de onware gedachte dat bekeering iets
is, dat pas aan groote menschen op een lijdelijke ma-
nier overkomt, is er zelf schuld aan, zoo zijn kinderen
bij hun //belijdenis doen" aan geen bekeering denken.
Daarom moet elk Christenkind, zoodra het tot jaren
van onderscheid komt, opgevoed in het besef, dat het
zich bekeeren moet; en het moet daarin opgevoed op
kinderlijke wijze, geheel naar de uitlegging, die onze
Catechismus in Vraag 8 8 van de bekeering geeft.
Want bekeeren is zich omkeeren op zijn weg, zoodat
men nu niet langer van God en zijn Christus afgaat,
maar naar God en zijn Christus nadertreedt met heel
zijn ziele.
Dit nu stelt voor een kind , zoo goed als voor een
mensch op jaren, den plicht en den eisch, om stuur
en richting in zijn leven te hebben, om tegen zijn
kinderzonden in te strijden, en omgekeerd den weg te
zoeken, waarop het in kinderlijken eenvoud iets van
kinderlijke vreugde in zijn God kent.
Hoever ge op dien weg zijt, is de vraag niet. Waar-
achtige bekeering gaat heel uw leven door en wordt
eerst voleind in uw dood.
De vraag is maar: In wat richting wandelt ge ?
Van Christus af of naar Christus toe?
En wie zich niet naar Christus toe heeft gekeerd,
kan en mag geen belijdenis doen.
-ocr page 180-
VIL
„$oor de menscfien."
SPREKEN, NIET ZWIJGEN.
En ik zeg u : een iegelijk, die mij be-
lijden zal voor de menschen, dien zal ook
de Zoon des menschen belijden voor de
engelen Gods.
Luk. 12 : 8.
In de weken, die aan de //belijdenis" voorafgaan, en
op den dag, waarop het tot //belijdenis" komt, fluistert
Satan niet zelden in menig jeugdig hart de verleidelijke
gedachte: //Waartoe dat openlijk belijdenis doen ? Is
godsdienst dan niet een zaak van hel hart ? Een zaak
van mijn menschelijk hart en die eeuwige Liefde, naar
wie dat hart zich in aanbidding uitstrekt ?"
Ben fluisteren van Satan, daarom zoo verleidelijk,
omdat er iets ivaars in ligt. Want ja, het is zoo.
Godsdienst is een zaak van het hart; en wiens religie
nog buiten ^et hart omgaat, die is aan de eerste be-
ginselen der\' godsvrucht nog volstrekt vreemd. Zoomin
het in uw koude kamer warm wordt, doordien ge er
een plaat in ophangt van een prachtigen zonsopgang,
evenmin wordt het lente tin den winter van uw ziel
door een, o, zoo prachtig ^begrip van Christus en zijn
heiligheden.
-ocr page 181-
SPREKKN, NIET ZWIJGEN.                              161
Op innigheid, op innige warmte van overtuiging, en
dus op de vonk des geloofs in uw hart komt het juist
aan. Juist het gemis aan die innigheid en die warmte
brengt zoo veler schijnreligie in opspraak. En het is
niet te zeggen , hoeveel rijker en heerlijker de macht
van Christus op aarde door zou breken, als dat «ver-
borgen vuur in de beenderen", waar Jeremia van spreekt,
meer gloeide bij wie Hem belijden.
Godsdienst is een zaak van het hart, en wie in zijn
religie veel naar de menschen en weinig naar zijn God
vraagt, loopt wel mee met de schare, maar bezit geen
geestelijke kracht. Omdat het hem zelf donker in de
ziel blijft, kan hij geen licht voor de menschen doen
schijnen. En omdat er niets dan asch en sintels in den
haard van zijn gemoed liggen, kan hij u noch koesteren
noch verwarmen.
Al die schijn-godsdienst nu stuit u tegen de borst,
en wezenlijk eerbied voor iemands religie hebt ge dan
eerst, als het iemand is, die met een vonk van heilige
geestdrift in het oog betuigen kan: „Ik geloofde, daarom
sprak ik !"
Geen wonder dus, dat ge, vooral in de aannemings-
weken, als er zoo honderden te hoop loopen, om »be-
lijdenis" te doen, in wier hart enkel de wereld, in
wier gemoed enkel het eigen ik heerscht, u pijnlijk
voelt getroffen door die ontstentenis van innigheid;
dat ge koud wordt aangedaan door al dat machinale
en uitwendige, en daarbij innerlijk onware; en dat ge,
op weg om met die honderden mee te belijden, in een
vroom oogenblik , liever terug zoudt keeren en denkt:
«Neen , zoo niet. Godsdienst moet een zaak des harten
blijven. Voor mijn God wil ik belijden, maar voor de
menschen niet."
In zulk zeggen nu spreekt wel terdege óók een ede-
Ier trek van uw hart, maar toch die u dat „niet voor
de menschen"
influistert is Satan.
11
-ocr page 182-
162                              SPREKEN, NIET ZWIJGEN.
Want ge weet, Satan zegt het altoos juist omgekeerd
als Jezus het zegt, en uw Jezus heeft, wel verre van
dat voor hem «uitkomen bij de menschen" af te keu-
ren, het u veeleer als een plicht opgelegd. Aldus im-
mers sprak Hij : «Zoo wie mij belijden zal voor de
menschen,
dien zal ik belijden voor de engelen Gods";
maar om er dan ook de tegenproef Op te laten volgen:
//Wie mij verloochenen zal voor de menschen, dien zal
ik verloochenen voor de engelen Gods."
Het is alzoo belijden of verloochenen. Een derde kent
Jezus niet. Van een neutraal terrein, waarop ge u
buiten de quaestie van den Christus zoudt kunnen hou-
den, spreekt Jezus nooit, een enkel woord. Het is voor
of tegen. Val of opstanding. Een reuke des doods of
een reuke des levens. En daarom altoos óf belijden of
verloochenen, en wel een belijden of verloochenen voor
de menschen.
Uw aalmoezen in het verborgene, of ge hebt uw
loon weg. Uw innige zielsuitgieting in het gebed , na
uw deur gesloten te hebben. Kortom, om een waar
aanbidder te zijn, moet ge den Vader aanbidden in
geest en waarheid, want het Koninkrijk Gods komt
niet met uitwendig gelaat; het is binnen in u. Maar
dit alles ontslaat u geen oogenblik van uw plicht om
voor de menschen uw Jezus te belijden, op straffe dat
ge, door Hem niet voor de menschen te belijden, Hem
reeds daardoor voor de menschen verloochent.
Niet ruw en plomp. Er blijve schuchterheid in het
heilige. De paarlen mogen niet voor de zwijnen ge-
worpen, en de wijze kent zijn tijd. Maar nooit mag
zwijgen regel of gewoonte worden. Er moet voor Chris-
tus gesproken ; de tongen moeten los; en wie dat niet
durft, of er uit verlegenheid van af ziet, wete wel
dat hij schuldig staat aan verloochening van zijn Heiland.
Want dat zwijgen is zonde, is lafheid, is gemis aan
liefde, aan geestdrift en bezieling voor uw Heere.
-ocr page 183-
SPREKEN, NIET ZWIJGf.N.                               J 63
Dat merkt ge in het gewone leven wel.
Heeft iemand onder zijn familieleden of vrienden een
groot heer of een man van naam, geld en invloed,
dan heeft hij er altoos lust in te doen uitkomen, dat
die man van zijn familie of van zijn vrienden is.
Maar hebt ge onder uw familie een veracht of mislukt
persoon, voor wien uw vrienden den neus zouden op-
trekken, dan doet ge liefst, als hadt ge dien familie-
band vergeten. Dat is wel niet trouw, maar het zon-
dig hart neigt er toe. o, We komen zoo graag voor
iemand uit, als we er eere meê kunnen inleggen;
maar als men er ons over den schouder om zou aan-
zien, is zwijgen ons zoo lief.
En aan dien trek van het hart knoopt Jezus nu zijn
eisch vast, dat ge Hem belijden zult.
Het is of Hij u zegt: Bij Gods engelen leg ik met
u geen eere in; en toch schaam ik mij niet uw broe-
der
genaamd te worden. En daarom eisch ik van u,
dat gij u ook mijner niet schamen zult, ook al weet
ik, dat de wereld u om uw uitkomen voor mij zal
smaden.
Of ik voor iemand zal uitkomen, mag er niet van
afhangen, of het mij eere of smaad zal brengen, maar
mag alleen beheerscht worden door de liefde en de
trouw van mijn hart.
En daarom is het niet genoeg, dat ge Jezus in uw
binnenkamer belijdt ; of ook belijdt bij uw leeraar;
of in het gezelschap van enkele vromen.
Neen, waar het op aankomt, en waar de trouw van
uw hart aan moet gekend, is juist of ge den drang
en den moed hebt, om uw Heiland te belijden voor
de menschen.
Voor de menschen , let wel, in geheel algemeenen zin.
Dus niet zooals sommigen het opvatten, die Jezus
wel belijden durven, als ze met een arme of onderge-
schikte te doen hebben; maar zich muisstil houden,
;
-ocr page 184-
164                          SPKF.KEN, NIET ZWIJGEN.
zoodra ze staan tegenover een dame of heer. Van zulk
een moed tegenover de kleinen der wereld, die gepaard
gaat met. verregaande lafheid tegenover de grooten der
aarde, weet Jezus niets. Veeleer wil Hij, dat wij Hem
voor alle menschen belijden zullen, tot zelfs voor konin-
gen en stadhouders en priesters, ook voor de priesters
der wetenschap.
Hij zelf ging daarin voor. Hij beleed de goede belij-
denis niet alleen onder de visschers van Kaperniüm en
de boeren van Galilea j maar even kloek en heldhaftig
voor de geleerden en hooggezetenen in Israël, voor het
Sanhedrin, voor Herodes en voor den landvoogd van
Romes keizer.
Tusschen Jezus in Nazarelh en Jezus in Jeruzalem
is geen verschil.
En zoo nu eischt Hij ook van u, dat ge Hem, uw
Jezus, zóó op het hart zult dragen, zoo warm zult
liefhebben, en met zulk een innigen band zult aan-
kleven, dat ge Hem voor geen enkelen mensch ver-
loochent , maar moedig en trouw uw Heiland voor de
menschen van allen stand en allen rang belijdt.
Dat berokkent u dan wel veel onaangenaamheden;
dat maakt dan wel dat velen u mijden gaan; ja, dat
het met sommigen van uw kennissen of vrienden of
magen tot een breukc komt; maar daartoe heeft Jezus
zelf het ook laten komen. Hem kostte het smaadheden,
en geeseling en doodsangst, en ten slotte den bitteren
dood aan het kruis.
En omdat Hij zelf zoo rustig en met zoo volharden-
den moed doortastte, heeft Hij ook u gezegd, dat Hij
gekomen is, om tweedracht te veroorzaken, en den
mensch tweedraehtig te maken met zijn magen en vrien-
den. Een tweedrachtigheid waarvan Hij zelf betuigd
heeft, dat ze soms tot een breuke tusschen een ouder
en een kind kan doorgaan.
Ge kunt dus vrij stellig zeggen, dat het een hoogst
ongunstig teeken is, zoo iemand tot zekeren leeftijd is
opgeklommen, zonder nog ooit om de belijdenis van
•lezus met iemand te breken. Wee u, zoo alle men-
-ocr page 185-
SPREKEN, NIET ZWIJGEN\'.                               165
sehen wel van u spreken. Immers het vermoeden ligt
dan voor de hand, dat bij u weinig van uw belijden
van Jezus bij de menschen gekomen is, en dat het ver-
loochenen van uw Heiland u liever was.
Misleid uzelven dus niet.
Gewisselijk moet uw godsdienst u een innige, teedere
zaak des harten zijn, en wee u, zoo uw religie u wel
een zaak voor de menschen is, maar geen zaak der
ziele voor uw God. Dan toch wandelt ge in schijn,
en hebt geen leven in uzelven.
Maar ook omgekeerd, zeg nooit dat ge uw religie
maar voor u houdt, en dat de menschen daar niet mee
noodig hebben. Wie gelooft, kan niet zwijgen, moei
spreken. En zoo dikwijls dat spreken stuit op tegen-
spraak, komt ge tot belijdenis van uw Heere.
-ocr page 186-
>v*
VIII.
„16 5af u aannemen."
WIE ALLEEN ONS AANNEEMT.
Daarom gaat uit het midden van hen,
en scheidt u af, zegt de Heere, en raakt
niet aan hetgeen onrein is, en Ik zal
ulieden aannemen.
2 Cor. 6:17.
Wat heeft met uw //Belijdenis" de dusgenaamde
„aanneming" uitstaande?
Men vraagt u dan in die dagen: Wanneer wordt
ge //aangenomen"? Men spreekt er van, dat het de
volgende week //aanneming" is. En is die meestal
pijnlijke ure achter den rug, dan ontvangt men zoo
den indruk, alsof het eigenlijk nu is afgeloopen, en of
er, nu ja, ook nog een bevestiging komt; maar meer
een //bevestiging" voor den vorm. Alleen tegen de
«aanneming" heeft meu opgezien. Voor die //aanneming"
heeft men geleerd, en de laatste weken zelfs hard
geleerd. Maar nu men daar maar eenmaal //door is",
doet die nasleep er minder toe. Zoo zelfs, dat meer
dan een van de //bevestiging" maar wegbleef, en even-
min ooit gezien werd aan het heilig Avondmaal.
Dit nu is de leugen in de kerk, en uit die leugen
komt ook voor de kerk niets dan de dood.
-ocr page 187-
WIE ALLEEN ONS AANNEEMT.                          16 7
Eigenlijk moest heel die „aanneming" er niet wezen,
en oudtijds ivas ze er ook niet.
Wie drang had om zijn Heere en Zaligmaker te
belijden, stond in het midden der gemeente op, en
beleed zijn Heere niet met een hoofdknik, maar met
luider stem. En omdat er aan dat belijden van Jezus
niets dan smaad, opoffering en lijden verbonden was,
kon men, wie zoo moedig optrad, in den regel best
vertrouwen; en zoo begroette heel de kerk zulk een
broeder of zuster met dankbare vreugd.
Maar helaas, zoo bleef het niet.
Toen de vervolging week , en Christen te zijn een eere
wierd , daagden er allerlei personen op, om Jezus te belij-
den, in wie geen der broederen vertrouwen kon stellen.
Vandaar dat men toen vooraf onderzocht; voorafgaand
onderwijs ging eischen; en eerst van lieverlee verlof
schonk, om tot de //openlijke belijdenis" over te gaan.
Zoo moest men wel handelen, om de kerk tegen
geestelijk bederf te beveiligen. En ook, zoo moest men
wel handelen, om veel zonde bij onoprechte naam-
belijders te voorkomen.
Die voorafgaande onderzoekinge des geloofs nu is
thans in wat men noemt «de aanueming" uitgeloopen.
Dan vaardigt de kerkeraad een Dienaar des Woords
met een Opziener af , om te onderzoeken, hoe het met
zulk een gedoopte staat. En zoo ze dan bevinden, dat
hij genoegzaam kennis van het Woord heeft, om te
weten wat hij doen gaat, en dat er genoegzaam blij-
ken zijn van toekeering tot den Heiland en zijn afkee-
ring van de wereld, dan geven ze hem verlof, om tot
de openbaie belijdenis van Jezus in het midden der
gemeente over te gaan.
Maar die //openbare belijdenis" is dan ook de hoofd-
zaak. Wat men //aanneming" noemt, en nooit zoo had
moeten noemen, is niets dan een voorafgaande onder-
zoeking, om daarna verlof tot belijdenis te geven, en
eerst door die openbare belijdenis gaat het dan naar
het heilig Avondmaal.
-ocr page 188-
168                    WIH ALLEEN ONS AANNEEMT.
Dat booze //aanneming" is een woord, dat niet deugt:
de begrippen verwart, en ongeestelijk werkt.
Heel dit denkbeeld tocb miskent den voorafgaande»
Doop. Komt er ja, een enkel maal iemand uit de
Joden , Turken of Heidenen tot de gemeente, dan neemt
men zulk een aan.
Maar een gedoopt kind der gemeente, dat reeds vóór
zijn Doop in Christus geheiligd was, kan niet, op
achttienjarigen leeftijd, als een vondeling //aangenomen"
worden.
Zulk een kind is van de familie, en opgegroeid als
huisgenoot
des geloofs.
En zegt men: //Ja, maar in de zichtbare kerk ver-
kreeg het toch nog niet de eigen rechten van het lid—
maatschap", dan is dit ook zoo, maar die krijgt het
ook nu niet door wat de Dienaar des Woords met den
Ouderling doet; die erlangt het eerst na de openbare
belijdenis in de gemeente.
Men kan derhalve desnoods van u toelating tot de
openbare belijdenis" spreken; maar nooit mag die dus-
genaamde //aanneming" iets anders zijn, dan het voor-
portaal , waardoor men tot die openbare belijdenis
ingaat; en niet dat //aangenomen worden", maar die
«openbare belijdenis" moet het heilig en beslissend
moment voor uw levenskeus zijn.
Daar bij die openbare belijdenis legt ge den eed van
trouw aan Jezus af. En wee u, zoo ge dien eed van
trouw schendt!
Maar dat wilde men niet.
Neen, de //aanneming" moest een //aandoenlijke"
plechtigheid worden. En zoo maakte men er toen
van, wat bij de Lutherschen reeds veel vroeger
bestond, dat een Dienaar des Woords en zijn Ouder-
ling de belijdenis afnam; en dat ge daarna in de
kerk niet /.openbare belijdenis" deedt, maar, in Koom-
schen trant, bevestigd werdt. Zooals de Roomsche
kerk vóór de eerste communie haar Vormsel toedeelt,
wat letterlijk Confirmatio of bevestiging beteekent, zoo
kreeg men ook in deze Luthersche kerken eerst een
-ocr page 189-
WIE ALLEEN ONS AANNEEMT.                          "169
//aanneming", daarna een «vormsel", (of bevestiging)
en dan bet Avondmaal ]).
Heel dit wanbegrip moet dus met tak en wortel
uitgeroeid.
Ongetwijfeld moet er een voorafgaande onderzoeking
zijn, want niet zoo maar ieder kan tot de openbare
belijdenis
toegelaten; maar dit onderzoek moet dan ook
het karakter van een onderzoeking behouden; en mag
geen andere strekking hebben, dan om, voor zooveel
dit onder menschen mogelijk is, te onderzoeken, of
wie belijden wil, geacht mag worden te welen en te
meenen wat hij doet, als hij belijdt.
Daarom moet dat onderzoek gaan over iemands leven ;
gaan over de gesteldheid van eens iegelijks hart; en
gaan over hun kennis van den vollen raad Gods tot
behoudenis van zondaren.
Bijbelboeken opnoemen, de patriarchen op een rijtje
kennen, alle koningen Israels kunnen opzeggen, en
zooveel meer, is best, maar heeft niets met dit onder-
zoek te maken. Op de kennis van den raad Gods lot
behoudenis van zondaren
komt het hier aan; en voorts
op den ernst, de oprechtheid, het gemeend zijn van
de levenskeuze, die men voor nu en eeuwig gaat doen.
Niet zooals dat vaak voorkwam, dat er veertig
tegelijk wierden //aangenomen" en dat er een bij was,
die b. v. alleen deze ééne vraag kreeg: nHoeveel kinderen
had Izaiik?"
Antwoord: uTwce, dominee!" ea daarop
wierd //aangenomen." Dat is spotten met het heilige,
en spotten met den ernst van het zieleleven. Een spel
met het heilige gedreven, waarin we beschaamd wor-
den door de Roomsche geestelijkheid, die wel tijd vindt,
om jaar in jaar uit, in de biecht, met elk persoon
zekeren tijd afzonderlijk te spreken.
•) In andere landen gebruiken de Roomsche en Protestantsche
kerken hier hetzelfde woord. En ook in onze taal is vormsel recht-
streeks van confirmutio, dat bevestiging beduidt, afgeleid.
-ocr page 190-
170                     WIE ALLEEN ONS AANNEEMT.
Kent nu een Dienaar des Woords , of ook een helpend
Catechiseermeester, zijn leerlingen van nabij, dan is
hun getuigenis natuurlijk meer waard, dan die enkele
proeve bij de //onderzoekinge"; maar toch ook bij die
«onderzoekinge" moet het voor den Ouderling, van
eiken man en elke vrouw, hoofd voor hoofd blijken,
dat de grond van de kennisse van Gods raad er in
ligt. En dat komt ook wel, als de catechisatieboekjes
de kerk maar uitgaan, en de Catechismus eenige jaren
lang leiddraad hij het onderwijs was.
En vraagt ge, of bij de //aanneming", gelijk men
het noemt, of bij de «onderzoekinge des geloofs",
gelijk het veel beter ware te noemen, dan niets mag
gebeuren, dan te zeggen: «Gij zijt toegelaten tot de
openbare belijdenis, en of er dan niets aandoenlijks,
roerends en plechtigs bij mag, ook dan is het antwooid
niet moeielijk te geven.
Om tranen mag het u nooit te doen zijn; want het
Koninkrijk Gods bestaat niet in een spel der zenuwen,
maar in een werking van het hart.
En ook moogt ge nooit willen, dat, om de waanne-
ming" aandoenlijk te maken, de openbare belijdenis in
de vergadering der geloovigen worde ontbloot van haar
beteekenis, of in een soort Roomsch Vormsel omgezet.
Dat alles moet dus van de «onderzoeking" geweerd.
Maar wat er wel bij mug, en er zelfs bij hoort, is,
dat, na afloop der «onderzoeking," een ernstig woord
voorbereide op de openbare belijdenis, die nu komt; tot
onderzoeking van het eigen hart aanspore; en dringe
op trouw en op oprechtheid.
En wil de Bedienaar des Woords dan nog zijn per-
soonlijke betrekking tot zijn leerlingen ter sprake brengen,
en nu ze uit die betrekking van leerlingen of catechumenen
uitgaan, hun een laatste woord van persoonlijk vermaan
toespreken, waarom zou hij het niet doeu ?
Het niet te doen, ware zelfs koel en vreemd.
-ocr page 191-
TYIE ALLfcEN ONS AANNEEMT.                            171
Alleen maar, laat nooit de «onderzoeking," met de
«openbare belijdenis" verward worden; noch ook bij
die onderzoeking de Doop, die voorafging, worden
verloochend.
Is er dan geen «aanneming"?
o, Gewisselijk. Er is een aanneming bij God.
Een aanneming bij God, als de Heere zijn volk toe-
roept: «Daarom gaat uit het midden van hen en
scheidt u af, en raakt niet aan hetgeen onrein is, en
Ik zal n aannemen
, en Ik zal u tot een Vader zijn,
en gij zult mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de
Heere, de Almachtige".
En die aanneming komt wel degelijk bij het doen
van belijdenis te pas. Want immers wat is uw optreden
in de vergadering der geloovigen anders, dan de open-
bare bekentenis, dat ook gij het bevel uws Gods hebt
vernomen, om u af te scheiden van de tvereld, uit de
gemeenschap van het booze uit te gaan, de zonde te
verzaken, en dat ge alsnu gelooft in de belofte, dat
de Heere u aangenomen heeft, als uw Vader die in de
hemelen is.
Dat is de heilige, dat is de geestelijke, dat is de
waarachtige aanneming, maar dan ook de eenige aan-
neming, waarvan bij uw belijdenis sprake mag zijn,
De Heere moet u hebben aangenomen, en omdat
Hij u aannam, daarom kunt ge van zijnen naam
belijdenis doen.
Maar dat //aannemen" door een predikant en een
ouderling heeft juist die heilige aanneming door God
den Almachtige in vergetelheid gebracht. En daarom
kan er niet sterk genoeg op gedrongen, om die valsche
aanneming voor altoos te bannen, en met heel uw
kerk te staan naar de aanneming van uzelven en al
uw kinderen door den Heere uwen God.
-ocr page 192-
IX.
„2)e tand des üredes."
ONZE BAND AAN DE GELOOVIGEN.
U benaaistigende te behouden de eenig-
heid des Geestes door den band des
vredes.
                                    Ef. 4:3.
Zekere «stipulatiën" verbond de kerk van oudsher
aan elk doen van openbare belijdenis , en ook hierop
dient een iegelijk, die om toegang tot het heilig Avond-
maal vraagt , met ernst gewezen te worden.
//Stipulatiën" zijn zekere //beloften", die door de kerk
aan de nieuwe Avondmaalgangers, en door deze aan
de kerk gegeven werden. En nu is het in den grond
een onzedelijk werk, als men iemand een belofte laat
afleggen, zonder dat hij het zelf merkt, of weet wat
hij doet.
Die stipulatiën of beloften leggen een band tusschen
de kerk en haar volle leden; en het vlechten van dien
band tusschen de leden van eenzelfde kerk moet niet
stilzwijgend en ongemerkt toegaan , maar met klare,
heldere bewustheid. Wie zich verbindt, behoort te weten
aan wie en waartoe.
Al blijft dus de openbare belijdenis hoofdzaak, toch
mogen ook bij deze stipulatiën, deze afgevergde beloften,
de vlechting van dezen band niet uit het oog verloren,
-ocr page 193-
ONZE BAND AAN DE GELOOVfGEN.                      173
en daarom dient men op elke catechisatie, waarvan
men ter belijdenis opgaat, duidelijk de vragen toe te
lichten, waarop men, bij het doen van belijdenis, zal
hebben ja te zeggen.
Een kerk, die dit niet doet, en zulke vragen voor-
stelt, en daarop beloften afvergt, die buiten het bewust-
zijn van hen die antwoorden zullen , omgaan , bevordert
de leugen in haar eigen kerkelijk leven ; kweekt werk-
tuiglijkheid in het heilige aan; en heeft het zichzelve
te wijten, zoo haar stipulatiën en beloften voor niets
worden geteld.
En wat men ter vergoelijking van dit kwaad anders
op veler onmondigheid en kort begrip moge pleiten,
gaat niet op; want belijdenis doen beteckent juist, dat
ge kerkelijk mondig wordt, en uit uw onmondigen
staat uitgaat.
Wie belijden gaat, komt spreken; spreken in het
midden der vergadering; en zal van nu voortaan als
mondig lid der kerkelijke gemeenschap meetellen.
Belijdenis doen is dus tevens optreden als meèspre-
kenci, en meetellend, en medewerkend lid der kerkelijke
gemeenschap, en zoo behoort ge dus te weten: welke
band
tusschen a en die kerk, wier volle gemeenschap
ge thans erlangt, gelegd wordt.
Ge moet daarom niet spreken van «bevestiging van
nieuwe leden;" want er is geen //bevestiging"\' hoege-
naamd; noch ook zijn er nnieuwe leden." Als ge in
het burgerlijke meerderjarig wordt, wordt ge geen nieuw
burger, maar als burger mondig. En zoo ook wordt
ge door het doen van uw eerste openbare belijdenis
geen nieuw lid, maar als lid mondig.
Immers achter uw openbare belijdenis lag voor vele
jaren reeds uw Doop. Die Doop is u toegediend in de
onderstelling dat ge «een lidmaat van Christus" waart.
Er wierd toch bij uw Doop aan uw ouders afgevraagd,
»of ze niet bekenden, dat onze kinderen , hoewel in
-ocr page 194-
174                      ONZE BAND AAN DE GELOOVIGEN.
zonde ontvangen en geboren, en daarom allerhande
ellendigheid, ja, der verdoemenis onderworpen, noch-
tans in Christus geheiligd zijn, en daarom als lidmaten
van zijn gemeente
behoorden gedoopt te wezen."
Omdat nu die bepaalde kerk, waartoe uw ouders
behoorden, in hun oog de beste en zuiverste openbaring
van het lichaam des Heeren was, hebben ze u dus in
die kerk ten Doop aangeboden, en die kerk heeft u
door haar Doop in haar gemeenschap ingelijfd.
Reeds van het. oogenblik van uwen Doop af, hebt
ge dus tot die bepaalde kerk behoord, en waart ge als
een nog onvolgroeid lid in de gemeenschap dier kerk
opgenomen.
Dit onvolgroeide van enkele deelen des lichaams vindt
ge bij al wat leeft. Denk u b. v. een prachtigen vogel ,
die straks met de schitterendste tinten op de veeren zal
pronken, maar die pas uit den dop gekomen, voors-
hands nog niet anders dan kleurloos dons en stoppels
vertoont. Worden nu die prachtige veeren later van
buiten, als nieuwe leden, aan het lichaam van dien
vogel aangehecht? Geenszins, niet waar? Er komt niets
bij dien vogel bij. Al die prachtige veeren schuilden
toch reeds in dien vogel. En al wat gebeuren moet, is,
dat ze uitkomen. Zoo is het bij den mensch en bij het
dier. En zoo is het zelfs bij een plant met blad en
bloesem ; en zoo nu ook is het met het lichaam der kerk.
Ook in dat lichaam schuilt eerst, wat, straks door open-
bare belijdenis er aan uitkomt.
Zoo is dus een gedoopt kind lid van het lichaam dei-
kerk, maar een nog schuilend, een nog onvolgroeid, een
nog onvolwassen lid; en die toeft zoo, tot op het oogen-
blik dat deze gedoopte, nu tot zijn jaren gekomen, zijn
Heere openlijk wil belijden. Dan toch gaat hij uit zijn
onmondigheid in zijn mondigheid over; treedt nu zelf
op; gaat nu onder de hoede van zijn ouders uit, om
zelfstandig als lid uit te komen; en aanvaardt daarmee
alsnu met bewustheid den band, die hem aan de andere
leden en aan de kerk verbinden moet.
-ocr page 195-
ONZE BAND AAN DE GEI.OOVIGEN.                   175
Hierbij nu zult ge wel onderscheiden tusschen wat
de heilige apostel noemt: de eenigheid des Gcestes, en
tusschen datgene, wat hij omschrijft als: den band des
vredcs.
De eenigheid des Gecstes toch ligt buiten onze macht;
dat is het werken van den cénen Heiligen Geest in de
onderscheidene leden van het ééne Lichaam. Werkt die.
ééne Heilige Geest in die leden niet, dan zijn ze niet
van het Lichaam, ook al worden ze bedriegelijk in de
uitwendige kerkelijke gemeenschap ingeschakeld. Eén
Lichaam is het, zegt de heilige apostel, en één Geest.
Dat Lichaam schiep en wrocht de Drieëenige God , en
het is God do Heilige Geest, die in dit Lichaam woont
en werkt en het een bezield , levend Lichaam zijn doet.
Is dus in iemand die Heilige Geest niet, zoo is hij
geen lid van het Lichaam; want niemand kan zeggen
Jezus den Heere te zijn , dan door den Heiligen Geest;
en wie den Geest des Heeren niet heeft, die komt hem
niet toe.
Maar stel nu, dat door Gods ondoorgrondelijke barm-
hartigheden , metterdaad ook in u de Geest des Heeren
woont; dat ook in u, hetzij reeds toen ge nog een
klein kindeke waart, hetzij op later leeftijd, die Geest
binnendrong, u dus wederbaarde, en gelijk Da Costa
zong, //herteelde tot een nieuwe bevatting"; welnu,
dan bestaat er uit den aard der zaak, vanzelf, en zon-
der dat gij er iets aan toedoet, eenigheid niet der
geesten,
maar des Geestes tusschen u en alle andere
ware leden van het Lichaam van Christus. Niet dat
uw geesten daarom overeenstemmen; maar het is één-
zelfde Geest, die in u en in hen is.
Dit nu echter kan gepaard gaan met zeer groote
tweedrachtigheid der geesten.
En dit nu mag niet.
En daarom moet juist als vrucht van de «eenigheid
des Geestes" expresselijk en welbewust nde band des
vredes"
tusschen u en hen gelegd worden.
-ocr page 196-
176                      ONZE BAND AAN DU GELOOVIGEN.
En die «Band des vrtdes", dat is het dan nu,
waarop deze stipulatiën der kerk eigenlijk neerkomen.
Een onderlinge wederzijdsche verbintenis, om de gemeen-
schap der heiligen te oefenen en iets van hemelschen
vrede onder elkander, hier reeds op aarde, in stand te
houden.
De zaak is toch deze: omdat er «eenigheid des
Geestes" in alle leden van het Lichaam is, daarom is
die «eenigheid des Geestes" nog niet bij allen, en bij
niemand nog ten volle doorgewerkt.
Ware dit zoo; kondt ge van iemand, die den Hei-
ligen Geest ontving, zeggen, dat hij van dit eigen
oogenblik af, onmiddellijk en plotseling, van alle
nawerking der zonde, en dus ook van de duisternis
des verstands verlost was, zoo zou er geen «Band des
vredes" noodig zijn.
Ge hadt dan vanzelf den hemel op aarde. Het zou
alles volmaakt zijn.
Doch zoo is het niet.
Als God de Heere in iemands hart den Heiligen
Geest laat inkomen, gaat de doorwerking van dien
Geest slechts zeer langzaam toe, en wordt niet hier op
aarde, maar eerst door en na den dood volkomen.
Hier op aarde blijft er dus een stremming bestaan;
een hindernis; een tegenhoudende macht, die van Satan
en de wereld, van ons eigen vleesch en de zonde in
ons binnenste uitgaat. Dit maakt dan, dat nog veel
duisternis over het verstand blijft hangen en veel zonde
en hartstocht den vrede dreigt te verstoren.
Zoo zouden we dus, hoewel leden van één Lichaam,
evenals duigen van een vat uiteen vallen, zoo er geen
band om die duigen geslagen wierd; en die band nu is
de uitwendige kerk, en de Band des vredes is die be-
wuste saambinding, die gij zelf moet helpen tot stand
brengen.
Ge gaat dus door uw openbare belijdenis in die be-
paalde kerk wel terdege een zekere verbintenis aan.
-ocr page 197-
ONZE BAND AAN DE GEL00VIGEN.                      177
De kerk, waarin ge op wenscht te ti-eden, heeft u reeds
door den heiligen Doop onder haar hoede genomen, en is
thans bereid u ook tot het heilig Avondmaal toe te laten,
en u als een broeder onder de broederen, als een zuster
onder de zusteren te laten aanzitten , mits ge vooraf bereid
zijt uit te spreken , dat haar belijdenis uw belijdenis is.
Uw verzekering, dat ge van uwen God den Heiligen
Geest ontvingt, is haar niet genoeg; want ook zoo blijft er
nog allerlei duisternis in u over; en die duisternis zou tot
allerlei dwaling kunnen leiden. En het is om dit te keer te
gaan, en te zorgen, dat gij door geen dwaling de kerke-
lijke gemeenschap zult aansteken , dat de kerk eerst van u
weten wil, of gij belijdt wat zij zelve belijdt.
Dat is dus de eerste stipulatie uwerzijds.
Maar hierbij komt een tweede; en die tweede doelt
juist in engeren zin op den „Band des vredes."
Omdat ge den Heiligen Geest ontvingt, en alzoo zeg-
gen kunt, Christus den Heere te zijn, en dit openbaar
komt belijden, daarom kan er nog wel allerlei booze
zonde in u nawerken. Dit nu zou nijd en bitterheid
kunnen geven; en dat mag onder broeders en zusters
in een zelfde kerk niet. En ook ge zoudt door uit-
breking in zondigen wandel de gemeenschap ontheiligen
en verpesten kunnen, en ook dat mag niet geduld.
En daarom nu is er een Band des vrcdes noodig,
d. w. z. een verbintenis, die door u wordt aangegaan,
om de leden der kerk als broeders en zusters te erken-
nen en te bejegenen, onverschillig of ze rijk of arm,
lief of onlief, zijn. En voorts, om, als ge tegen die
verbintenis ingaat, door de tucht der kerk op het
rechte pad te worden teruggeleid.
Een Band wordt er alzoo gelegd. Niet een band,
om stoffelijk voordeel te bejagen; noch ook een band,
om zingenot te erlangen; maar een Band des vredes,
om saam den Heere onzen God te dienen, en saam als
pelgrims, dragende elkanders lasten, te wandelen naar
een beter vaderland.
12
-ocr page 198-
X.
„(Dm niet gerecüiDaardigd/\'
DE BLOEMKNOP DIE ONTLOOK.
Want zij hebben allen gezondigd, en
derven de heerlijkheid Gods. En worden
om niet gerechtvaardigd, uit zijne genade,
door de verlossing, die in Christus Jezus is.
Roni. 3 : 23, 24.
En zoo kwam dan eindelijk het oogenblik, waarop
ge openlijk uw belijdenis kondt doen ; een belijdenis
voor God en zijn heilige engelen, voor menschen en
voor Satan, dat ook gij u tot Jezus bekeerd hebt en
alsnu bekent, dat hij is de Zoon des levenden Gods.
Op zich zelf was daar geen kerk voor noodig; want
ge kunt op alle plek en aan alle plaats, waar menschen
van gelijke beweging als gij, naar u luisteren willen,
getuigenis allcggen van de hope die in u is, en pleiten
voor de heilige zaak van uwen Koning en Heere.
Zelfs vereischt het veel hooger moed en veel heiliger
vonk in het hart, om onverbloemd, beslist en kloek
voor uw Jezus uit te komen in uw werkplaats, op uw
kantoor, in uw magazijn, op school of onder uw vrien-
den en vriendinnen, dan oin op te staan in de kerk
en in het midden van Gods volk belijdenis te doen
van den Middelaar.
-ocr page 199-
179
DE BLOEMKNOP DIE ONTLOOK.
Uw openbare belijdenis in de kerk is dan ook iels
anders.
Niet zoozeer een kloeke daad van moedig be-
lijden; want als ge daar neerzit bij de catechumenen,
die nu ten Avondmaal zullen gaan, verwacht niemand
iets anders van u, dan dat ge zoo straks met de
anderen zult opstaan , en evenals die anderen het ja-
woord zult geven op de vragen, die men tot u richt.
Neen, het is eigenlijk geen belijden in den gewonen
zin, wat ge daar doet, maar veelmeer een u aanslui-
len bij de belijders.
Zie, de «vergadering der geloovigen", wat is ze in
den grond anders dan een samenkomst van belijders
met hun kinderen, die ze er voor opvoeden, om straks
met hen te belijden, en eens na hen te belijden, als
zij er niet meer zijn?
Het is een schare, die voor Jezus roept, maar een
heirschare waarvan de gelederen gedurig gedund wor-
den door den dood of door afval, en die daarom ge-
durig weer moet aangroeien en versterkt moet worden,
om niet uit te sterven.
Het is als een plante, die voor God bloeit met ont-
loken bloesems, maar ook met knoppen aan den sten-
gel , die nog niet ontloken zijn. En als nu straks die
rijk ontplooide bloesems hebben uitgebloeid en verdor-
ren, dan vult zich het ledig weer aan door de ontlui-
king van nieuwe knoppen. Knoppen, die wel reeds aan
den stengel aanzaten, maar nog gesloten waren, en
zich nu ontsluiten.
En zulk een zich ontsluitende bloemknop aan den
stam van de kerk des Heeren, dat is liet gedoopte
kind, dat nu belijdenis doet. Het zat reeds aan den
stengel, want het is gedoopt.
Maar nu eerst gaat die bloemknop open.
Het is dus minder een heroïeke daad van moedig
optreden voor den Heere, dan wel een zich nu voegen
bij hen, wier roeping het is voor Jezus op te komen;
en de belofte doen, om hem uw leven lang te belijden,
-ocr page 200-
180                          DE BLOEMKNOP DIE ONTLOOK.
en als een trouw belijder te staan voor zijn heiligen
Naam.
Wie onder een aardschen koning dienst in zijn leger
neemt, moet den krijgseed afleggen. Dat is zijn ver-
bintenis. En nu hoort tot het aangaan van die ver-
bintenis zeer zeker moed, want morgen den dag, als
het op strijden gaat, kan die krijgseed u het leven
kosten; maar daarom kunt ge, bij het afleggen zelf
van dien eed, uw heldhaftigheid nog niet toonen.
Slechts verbindt die eed u, om morgen, om overmor-
gen, zoo dikwijls ge het vaandel van uw koning ziet
wapperen en het geluid van zijn bazuin hoort, ijlings
achter hem op te trekken; op te trekken met de ande-
ren ; en in stipte gehoorzaamheid uw leven voor hem te
wagen en uw bloed voor hem op het spel te zetten.
En zoo nu ook is uw openbare belijdenis. Dan legt
ook gij den krijgseed aan Jezus uw Koning af; neemt
dienst onder zijn heilige kruisbanier; legt zijn heilig
wapentuig aan; en verbindt u alsnu door altoos bindende
belofte, om tot aan uwen dood toe trouw te zullen
bewijzen aan hem, die u riep.
Zij het dus al een openbare belijdenis in het midden
der broederen, opdat ook zij vernemen mogen, of ge
met hen in éénzelfde heilig geloof staat, toch is het
meer een belofte om uw levenlang te belijden, dan dat
met die ure uw belijdenis zou zijn afgelpopen.
Voor velen is het, helaas, als ze belijdenis hebben
gedaan: Nu ben ik er van af. En natuurlijk dan is
het een valsch belijden geweest. Want de echte belij-
der spreekt in zijn hart: Na mag ik beginnen. Begin-
nen om voor Jezus op te komen, beginnen met mijn
kracht in den dienst des Heeren te stellen, beginnen
met te ijveren voor zijn naam.
En juist dat breekt den hoogmoed, die anders licht
insloop.
Wie waant er te zijn, verheft zich; maar wie weet,
-ocr page 201-
181
DE BLOEMKNOP DIE ONTLOOK.
dat hij nu zijn eerste schrede pas op den nieuwen weg
gaat zetten , neigt eer tot verlegenheid en vreeze. En
juist die verlegen gestalte der ziel is de schoonste ge-
steldheid, waarin ze tot openbare belijdenis komen kan.
Niet om in angstvallige aandoening half terug te
deinzen en in een vloed van tranen een uitweg te
zoeken. Want al zou het tegen u getuigen, zoo ge
op zulk een oogenblik niet tot in het diepst van uw
wezen ontroerd wierdt, en al mag die geroerdheid van
het oogenblik zich ook wel in een stillen traan lucht
geven, toch is al wat naar hartstochtelijk zenuwspel
gelijkt, zorgvuldig te weren. Van uw Jezus leest ge ook
telkens, dat hij diep ontroerd was, maar dat hij weende
slechts een enkel maal.
Verlegenheid der ziel is dan ook heel iets anders.
Stille heilige verlegenheid spruit voort uit zeer klei-
nen dunk van zichzelf en zeer grooten dunk van de
trouwe en de ontferminge Gods.
Als een stemme daarbinnen fluistert: «Ik ben niet
waardig uw kind genaamd te worden. Wie ben ik,
Heere, dat Gij mijn ziel alzoo zalven wilt met uwen
Heiligen Geest? o, Mijn God, ik ben geringer dan alle
deze geestelijke weldadigheid, die uw ontferming mij
bewijst."
Dus niet een hooge toon en niet een hooge borst,
als om te zeggen: «Die anderen gaan tegen Jezus in,
maar ik niet, ik zal het voor Jezus opnemen, en zoo
de zake van Jezus weer tot eere brengen."
Alsof hij u daarvoor noodig had. Hij, wien gegeven
is alle macht in hemel en op aarde!
Geloof het volkomenlijk. Belijd het volstandiglijk.
Blijve het tot op uw sterfbed uw zalige vertroosting:
In uzelven melaatsch en niets geheels aan u; maar in
uw Christus voor God gerechtvaardigd, en dus van alle
zonden vrij. Zoo vrij, dat als ge zoo op het eigen
oogenblik stierft, en ge de eeuwigheid ingingt, in die
eeuwigheid niets dan engelenreinheid aan u zougevon-
den worden, en Satan in het gericht niets tegen u
vermogen zou.
-ocr page 202-
182                          DE BLOEMKNOP DIE ONTLOOK.
Om niet gerechtvaardigd!
Kom dan met die stille belijdenis op de lippen tot
de schare der geloovigen, om nu voortaan één strijd
met haar te strijden.
Want immers die schare heeft ook geen anderen roem.
Ze heeft ook geen geld en geen prijs, en dat ze toch
gelaafd wierd met hemelsehe verkwikking, is omdat
ook zij zonder prijs en zonder geld wijn en melk
ontving.
Ook zij gerechtvaardigd, maar om niet. En nu haar
God lovend, dat er weer bloemknoppen zijn die ont-
loken, en dat er weer uit de gedoopten opkomen, die
Jezus in der waarheid een Heiland hebben bevonden ,
en daarom met haar Jezus\' dood gedenken willen.
Zoo heeft niemand iels; zoo zijn ze allen om niet
gerechtvaardigd. En
Gode alleen komt de lof en de
eere toe.
-ocr page 203-
XI.
„lm ieder wiens fiatie rrijmitfig is."
DE KUNST VAN HET GEVEN.
Neemt van hetgeen gijlieden hebt, een
hefoffer den Heere; een ieder. wiens
hart vrijwillig is zal het brengen, ten
hefoffer des Heeren: goud, en zilver, en
koper.
Exodus 35 : 5.
//Lusten én lasten" zegt de gemeene spreekwijs, hoo-
ren altoos bijeen; en zoo volgt reeds hieruit, dat wie
tot de volle gemeenschap der kerk opklimt en alzoo
deel aan het heilig Avondmaal erlangt, deswege dan
nu ook geroepen is, om meê den schouder te zetten
onder den geldelijken last van het kerkelijk leven.
Slechts moet dat stuitende denkbeeld van een //gel-
delijken last" hier terstond vertolkt en overgezet in
zijn Christelijke benaming, en dan heet het, in Schrif-
tuurlijke termen, eenc vrijwillige o/ferande.
Ook dit nu is, bij het doen van openbare belijdenis,
een punt van het uiterste gewicht, dat uit uw belij-
denis voortvloeit, en in uw stipulatiën met de kerk
begrepen is, en waar toch bijna niemand in die da-
gen aan denkt.
Reeds in oude dagen had God de Heere tot zijn
-ocr page 204-
184
DE KUNST VAN HET GEVEN.
kerk gezegd: //Neemt van hetgeen gijlieden hebt, een
hefoffer den Heere; een ieder, wiens hart vrijwillig
is, zal het brengen, ten hefoffer des Heeren; goud, en
zilver, en koper" (Ex. 35: 5).
Hieruit volgt dus, dat wie het niet brengt, nog on-
vrijwillig in zijn hart staat, en een hart, dat nog on-
vrijwillig is, om den Heere van zijn goed te dienen,
kan dat wel tot openbare belijdenis komen? Vloekt
het eene niet tegen het andere? Ge zoudt God lief-
hebben //met heel uw hart, met heel uw ziele en met
al uw krachten", en zie, ge kunt zelfs het hefoffer
van uw goed niet op zijn altaar brengen.
In dat los zijn van of nog vast zitten aan zijn geld,
ligt dus wel degelijk een geestelijk kenmerk. Ge merkt
dat ook wel aan den rijken jongeling. Die wilde, om
zoo te zeggen, ook belijdenis doen, en Jezus vroeg
hem, hoe hij met de geboden stond, en hij dacht goed;
maar nu vraagt Jezus of hij zijn goed kan verkoopen
voor \'s Heeren armen, en nu breekt zijn wilskracht,
en hij druipt af. Zijn geld behoudt hij, maar zijn God
heeft hij verloren.
Zoo zit dus de vraag, of ge reeds in staat en be-
reid zijt, om een vrijwillig offer te brengen, wel ter-
dege in de openbare belijdenis in, en de kerk schiet
te kort in haar plicht, zoo ze dit onderzoek naar de
bereidheid om vrijwillig te offeren nalaat.
ffEen ieder, wiens hart vrijwillig is, zal het brengen."
Alzoo zegt uw God, en aan dien toetssteen zult ook
gij dus gekend worden.
Gekend in dien zin, dat ge niet maar bij gelegen-
heid van uw belijdenis een extra gift in de collecte
geeft. Dat is ook wel goed, maar dat is het niet. Neen,
maar bedoeld is, dat ook gij u bereid verklaart en
uw bereidwilligheid toont, om nu voortaan van uw
goed den Heere te dienen en Hem van uw goed te
vereeren. •
-ocr page 205-
DE KUNST VAN HET GEVEN.                      185
Dienen én vereeren: die beide.
Dienen is, mede zorgen, dat er niets ontbreekt voor
den dienst des Heeren; en vereeren is, uit vrijen aan-
drang nu en dan nog eens iets bijzonders doen. Juist
zooals een kind zijn vader dient, voor zoover hij hulpe
behoeft, en dan nog op den feestdag hem iets vereert,
als blijk van liefde en eerbiedenisse.
Slechts één bezwaar bestaat vaak hiertegen, bij wie
voor het eerst ten Avondmaal gaat. Dit namelijk, dat een
jong man, en vooral een jongedochter, vaak nog geen
eigen geld heeft. Wel in de lagere klasse, als ze op
ambacht zijn of als dienstbode dienen; en ook wel in
zeer rijke gezinnen, als ze legaten en extra toelagen
hebben; maar niet in den gewonen burgerstand, als
ze nog bij hun ouders thuis zijn, en eer nog kosten.
En nu is het opmerkelijk, hoe juist de lagere klasse
en de hoogste klasse de heilige kunst van het geven
allengs leerden, en hoe omgekeerd de onbekwaamheid
om van zijn geld af te geven nog het meest voorkomt
bij den burger middelstand.
Dit is stellig voor een niet gering deel daaraan toe
te schrijven, dat wie tot belijdenis kwam en op am-
bacht of in een dienst was, van meet af het geven
begon , en er sinds vorderingen in maakte; en dat om-
gekeerd de zoons en dochters van onze burgergezinnen
die leerschool vaak misten.
Juist daarom is het zaak er op te wijzen, dat dit
vrijwillig offeren een beginsel geldt en niet aan het
vele hangt.
En wat ziet men nu, dat deze zelfde jongelingen
en jongedochters van hun weekgeld als anderszins nog
wel een geschenk aan hun ouders op aarde vereeren,
maar dat de zucht, de lust, de heilige geestdrift, om
ook den Heere van hun goed te vereeren, niet in hen
opkomt.
In de collecte geven ze vaak slechts datgene, wat
vader of moeder er hun voor in de hand legt. Dan
reiken zij het over, en geven dus niets.
De zeer kleine kinderen nu uitgezonderd is het
-ocr page 206-
186
DE KUNST VAN HET GEVEN*.
daarom raadzaam, dat men zijn kinderen ook in de
collecte van hun «eigen geld" laat geven. Dan zit
in één penning van «eigen geld" meer zedelijke kracht
dan in tien penningen, die ze slechts uit zak in zak
overdragen.
En althans wie belijdenis deed, moet zelf geven, en
er desnoods apart voor verdienen, om het te kunnen
doen.
«Een ieder, wiens hart vrijwillig is, zal hel brengen".
Brengen omdat het noodig is, en omdat het hemzelf
een triomf bereidt.
Het is noodig.
De kerke Gods kan niet anders dan duur zijn; zeer
duur. Zoo zelfs dat Jezus om dit sterk voelbaar te
maken, tot dien jongeling zei: » Verkoop al uw goed."
Reeds de dienst, toch van het Woord en de Sacra-
menten mag niet kwijnen uit geldverlegenheid. Van
de dienaren des Woords zegt de heilige apostel: «Wie
dient ooit in den krijg op eigen bezoldiging?" En ook:
«Wie plant een wijngaard en eet niet van zijn vrucht?"
En nogmaals: „Wie weidt een kudde en eet niet van
de melk der kudde?"
Maar bovendien moet in Christus\' kerk de dienst der
opleiding en der barmhartigheid bloeien.
Kecht Sabbat vieren, zegt uw Catechismus, is al-
lereerst zorgen dat de kerken en scholen onderhouden
worden. Dat is de dienst der Opleiding. En dan «den
armen Christelijke handreiking te doen" ; dat is de dienst
der Barmhartigheid.
Meer nog.
De kerk van Christus is niet gelijk een mierennest,
dat slechts voor zichzelven vergadert.
Dus moet ook het Evangelie des Koninkrijks door
de kerk uitgedragen naar wie nog niet gelooven, door
zending in het land en door zending buiten ons land.
En evenzoo moet ook de ontferminge Gods door de
-ocr page 207-
DE KUNST VAN HET GEVEN.                      187
kerk uitgedragen naar wat ellendig is buiten haar eigen
kring.
Ook de zending is tweeërlei. Een zending door het
Woord, en een zending door Barmhartigheid.
Hoe rijker en milder dit nu kan, hoe heerlijker de
naam des Heeren geloofd wordt.
En daarom een kerk is duur; zeer duur. Ze moest,
zou het wel zijn, onvergelijkelijk veel rijker zijn dan thans.
Het brengen van het vrijwillig offer is dus tioodig;
maar ook voor wie het vrijwillig brengt, ligt in die
offerande een geestelijke triomf.
God had zijn kerk ook zóó kunnen scheppen, dat
ze geen geld noodig had. Denk maar aan het leven
van de kerk in de woestijn.
Dat Hij het nu zoo deed, dat ze wel geld, en veel
geld, behoeft, heeft tegelijk een geestelijke strekking;
het is een stuk van onze heiligmaking.
//Gierigheid/\' of gelijk er in het oorspronkelijke let-
terlijk staat: //Het zilver lief te hebben, is de wortel
van alle kwaad.\'1\'\'
Al wat u dus van deze //liefde voor het geld" af-
brengt, is u een reddende, behoudende, zaligende macht.
Ge moet dus niet maar Christen zijn èngeven; neen,
maar het geven zelf moet toonen, dat ge Christen zijt,
en u van jaar tot jaar in degelijker zin een Christen
maken.
Niet, natuurlijk, alsof ge door veel offerande uw
zaligheid kondt verwerven. Aan uw zaligheid doet uw
offerande niets toe; en al verkocht ge al uw goed om
den armen te geven, en ge hadt de liefde niet, zoo
waart ge niets.
Uw offerande is alzoo slechts dan een triomf, zoo
ge het vrijwillig doet; niet om naam te maken; niet
noodgedwongen en afgeperst; niet om u een eereplaats
in den hemel te koopen; maar uit liefde, uit niets dan
liefde, uit liefde voor God en voor uw naaste.
-ocr page 208-
188
DE KUNST VAN HET GEVEN.
Doch dan is er ook triomf.
Want het geld maant: «Heb mij lief, en laat uw
God en uw armen varen"; en God roept; //Geef Mij
uw hart en geef uw hart aan het geld niet."
En daarom: Wie zijn God hoort en dus vrijwillig
is, die zal het brengen; en die brengt het ook, en
hem is het ten zegen.
Zijn offerande maakt hem niet armer, maar veeleer
rijker.
Goud, zilver en koper.
Drie metalen, naar de drie graden van vermogen,
gelijk het Gode beliefd heeft zijn menschenkinderen op
ongelijke wijs het geldelijk vermogen toe te bedeelen.
Als er dus een man is, die zegt: //Nu heb ik zoo-
veel oververdiend, dat ik leven kan, en dus scheid ik
er uit en ga rentenieren"; dan kan dit zeer wel zonde
wezen, als hij zich niet ook heeft afgevraagd: //Heb
ik misschien ook gespaard en opgelegd van wat ik aan
God en zijn dienst onthouden heb"; en niet ook zich
afvroeg: «Heb ik zooveel, dat ik zelf leven kan en
de kerke Gods kan helpen leven?\'\'\'\'
Zoo diep grijpt deze eisch in het leven in.
Want dit is toch maar de zaak, dat we van nature
geneigd zijn, om te denken: «Ik en mijn gezin, we
moeten wonen, we moeten spijs en kleeding en deksel
hebben", en ja, als er dan nog iets overschiet, dan
zij die luttele kleinigheid voor Gods huis.
Doch wie nog zóó denkt, die doe dan ook geen
openbare belijdenis, want voor hem is de dienst van
zijn God blijkbaar nog bijzaak.
Keer het liever om, en zeg: «Ik en mijn gezin we
hebben onzen God en zijn dienst noodig en dan voorts
spijs en kleed en dek."
Zoo immers is het naar Jezus\' regel: «Zoek eerst
het Koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid."
Het tiende van ons inkomen is wel het minste dat
-ocr page 209-
DE KUNST VAN HET GEVEN.                      189
we afstaan kunnen. Dan is het nog niet veel; maar
dan rekent de dienst van uw God althans mede.
Het is de waardeering van uw lichaam en van uw
ziel in hun onderlinge prijs en waardij.
Wie nog meest //lichaam" is, zal weinig voor zijn
ziel en dus ook voor zijn God overhebhen. En hij alleen
die tot de belijdenis komt, dat de ziel veel meer
waard is, zal ook voor de ziel veel hooger prijs en
geld over hebben; en dan is het hart vrijwillig ge-
maakt , en dan brengt ge uw ofi\'er.
Zoo ge hoog in de maatschappij staat, uw goud, en
geen zilver noch koper.
Zoo ge zeer laag in de maatschappij leeft, uw koper.
En zoo ge tusschenbcide inleeft, uw zilver. Het
kleine zilverstuk zoo ge kleine macht hebt; het groote
zoo ge veel ontvingt.
En mits het naar dien maatstaf maar ga, dan is
alle gave Gode weibehaaglijk.
Het penningske van de weduwe bovenal.
-ocr page 210-
XII.
„iEerJen ge^et in M üicfiamn."
VOLWASSEN LID VAN CHRISTUS\' KERK.
Maar nu Jioeft God de leden gezet een
iegelijk van dezelve in het lichaam, gelijk
Hij gewild heeft.
1 Coi\\ -12 : 18.
In tal van vereenigingen vindt ge een onderscheid
tusschen nwcrkende leden" en leden, die niets anders
doen dan een deel in de kosten betalen. Alleen de
eersten leven dan in de zaken in, terwijl de anderen
slechts bijloopers zijn. De werkende leden zijn werkelijk
lid, omdat ze persoonlijk hun krachten wijden aan het
doel der vereeniging; maar de anderen , die het met wat
gelds afdoen, hcelen wel leden, maar zijn het niet in-
derdaad en waarheid.
Dit nu kan in een verceniying, omdat een vereeni-
ging geen lichaam is. Maar het kan niel in de kerk
van Christus, juist omdat de kerk van Christus ons als
een lichaam in de Heilige Schrift geteekend staat, en
dus als lichaam moet geëerd.
En wel als een lichaam, dat niet wij ineenzetten,
noch maken, maar dat geschapen is door den Heere
onzen God, en waarvan wij zelven de ledematen zijn.
Dat toch is het wat de heilige apostelen ons gedurig
-ocr page 211-
VOLWASSEN LID VAN CHRISTUS\' KERK.                 191
op het hart binden, en vooral de apostel Paulus ons in
1 Cor. 12 voorteekent. Alleen zoo ge de kerk als een
lichaam beschouwt, en zelf weet van dat levend lichaam
een levend lid te zijn en eeuwig te zullen blijven, staat
ge tegenover uw kerk, zooals God er u ingezet heeft.
Daarom zijn de leden dan ook ongelijk, en heeft in
de kerk het ééne lid een andere geaardheid, en dus ook
een andere taak en roeping dan het andere lid. Gelijk
aan uw eigen vleeschelijk lichaam, het ééne lidmaat
een voet, het andere een hand, het derde een oog, het
vierde een oor is, aldus, zoo betuigt Jezus\' apostel ous,
is het ook met de lidmaten der kerk onder elkander
gesteld; want wel verre van als twee druppelen waters
op elkander te gelijken, zijn ze veeleer allen versehil-
lend en loopen ze allen uiteen. En dit is en bestaat
zoo in het Lichaam van Christus, niet omdat wij dit
zoo door eigenwilligheid bedorven hebben, maar omdat
God zelf het alzoo verordineerd heeft.
Hoor slechts: i/Maar nu heeft God de leden gezel,
een iegelijk van dezelve in het Lichaam
, gelijk Hij ge-
wüd heeft."
Dit geldt nu natuurlijk van wat onze vaderen noem-
den de onzichtbare kerk, of het mj^stieke Lichaam van
Christus; niet van de zichtbare kerk op aarde. Immers
van die kerk op aarde zegt niemand //dat hij er een
lid van is en eeuivig zal blijven." In die kerk op aarde
zijn heel wat leden, die nooit door God als leden in
het Lichaam gezet zijn. En óók, in die kerk op aarde
zijn duizenden en millioenen leden, van wie nooit eenige
werking voor het lichaam is uitgegaan.
Toch zult ge toezien, dat ge u die zichtbare kerk
niet denkt, als ware ze heel iets anders dan de onzicht-
bare; als stond ze er naast; en als kondt ge met die
zichtbare kerk handelen naar welgevallen.
Zoo doet ge met een peulvrucht ook niet. Want ook
bij die peulvrucht weet ge zeer wel, dat het u niette
-ocr page 212-
192                  VOLWASSEN LID VAN CHRISTUS1 KEEK.
doen is om de schel, en dat het u alleen te doen is,
om de erwtjes, die in de schel verborgen zitten; maar
toch zult ge daarom nooit tot uw tuinman zeggen:
«Verniel die schel maar, de erwt zal zonder dat wel
groeien."
Ja, als de erwt rijp is, in den dag als de pluk komt,
dan dopt ge de erwt uit de peul en wordt de schel
weggeworpen; en zoo zal ook God de Heere eenmaal
dien bolster der uitwendige kerk als onnut wegwerpen.
Maar thans is het heden; nu de dag des oogstes nog
niet is gekomen, moet ook in de kerk de vrucht in de
schel rijpen, en moet wel terdege door den landman op
den welstand ook van die zichtbare kerk, of wilt ge,
van de schel gelet worden. Stof en schadelijk gedierte
moet afgeweerd. De stengelen moeten opgebonden. Als
er geen regen komt moeten ze besproeid worden. En
ook tegen al te koude winden beschut.
En zoo moogt gij dus nooit zeggen, dat de zichtbare
kerk er niet op aan komt, als de onzichtbare maar
geestelijk rijpt; want in die zichtbare zit de onzichtbare
kerk in, en het is door den welstand der zichtbare kerk
dat die onzichtbare moet rijpen.
Geef dus nooit toe aan dat geestelijk zelfbehagen,
waardoor zoo menig kind van God onverschillig is ge-
worden voor den welstand en den bloei der zichtbare
kerk, zoo hij zelf het maar wel voor zijn ziel had.
Die zoo staat, wil het beter weten dan God de Heere
zelf, die ons de zichtbare kerk gegeven heeft. In den
grond is dit dus niets dan eigenwijsheid en eigenwillig-
heid; een zonde, die hoe vroom en geestelijk ze zich
ook voordoe, onverbiddelijk zich zelve straft.
Niet «met een hoekje in een boekje" is de leus, maar
elk kind van God is gehouden, om zich, naar luid onzer
belijdenis, te voegen bij de ware kerke Gods, een kerk
die aan haar zuivere belijdenis, haar zuivere Sacraments-
bediening en Christelijke tuchtoefening gekend wordt.
-ocr page 213-
VOLWASSEN LID VAN CHRISTUS\' KERK.                 193
En dus moogt ge niet zeggen: wïk ben een levend
lid van de onzichtbare kerk, en dan ja ook nog aan-
gesloten bij de zichtbare" j want aldus scheidt ge wat
God saam heeft gevoegd. Ge plaatst de ziel van de kerk
en het uitwendig lichaam van de kerk los naast elkaar.
En zoo krijgt ge tweeërlei leven. Het ééne geestelijk
voor uw God, en het andere als lid van een genoot.-
schap, dat dan eigenlijk buiten het heilige omgaat. En
zoo krijgt ge dan die goddelooze //aannemingen", waarbij
het om niets dan om den bolster der kerk gaat, en aan
haar geestelijke, goddelijke kern zelfs niet wordt gedacht.
Zal het wel met u zijn, dan moet dus uw toetreding
tot het volle lidmaatschap der kerk door openbare be-
lijdenis, tevens voor u het begin zijn van een werk-
zaam optreden in die kerk.
Meewerkende leden bestaan er in het Lichaam van
Christus niet, en wie dus in de uitwendige kerk als
een slapend of een leegioopend lid verkeert, neemt
vrede met een leugenachtigen toestand, en doet sterk
het vermoeden rijzen, dat hij geen lid van het Lichaam
is, ook al staat zijn naam op het boek.
Uw jonkheid verontschuldigt hier niet, want ge komt
tot openbare belijdenis, en in die openbare belijdenis
ligt juist uitgesproken, dat ge nu de kinderschoenen
ontwassen en tot jaren van onderscheid zijt gekomen.
En ook kunt ge u niet verschuilen achter de klein-
heid en onbeduidendheid van uw persoon, want de hei-
lige Apostel Paulus heeft over die leden des Lichaams,
die een minder beteekenende plaats in het. Lichaam inne-
men, zoo kras en duidelijk gesproken, dat voor vergoe-
lijking geen enkele uitweg overblijft. En dat alles «opdat
er geen tweedracht in het Lichaam zij en de leden voor
elkander gelijke zorge zouden dragen" (1 Cor. 12 s 25).
En daar komt het dus maar op aan.
In de kerk geboren en in uw kerk gedoopt, hebt ge
eerst jarenlang er in geleefd zonder er u rekenschap
13
-ocr page 214-
1 94                  VOLWASSEN LID VAX CHRISTts\' KERK.
van te geven, wat dat medeleven in de kerk beduidde
en van u eischte.
Maar nu werd dit anders.
Nu kwaamt ge tot openbare belijdenis. En zoo zijt
ge dan nu wel terdege verplicht u rekenschap te geven
van wat dat medeleven in uw kerk voor u beteekent,
en wat het in naam des Heeren van u eischt.
En dit nu is velerlei.
Vooreerst zult ge schade en schande van uw kerk
afweren, door toe te zien op uw eigen leven en het
leven van uw gezin, opdat de naam van uw God om
uwentwil niet gelasterd worde.
Voorts zult ge, omgekeerd, uzelven en uw gezin tot
een goed «instrument" in Gods kerk stellen, door te
trachten naar geestelijke voeding, geestelijke oefening
en geestelijke verrijking. Immers het Lichaam vaart dan
alleen wel, als de leden van het lichaam , elk op zich-
zelf, krachtig en doorvoed zijn.
Doch ook hierbij mag het niet blijven.
Ge hebt ook anderen te steunen, te schragen, te dra-
gen met geduld en lijdzaamheid, en ze geestelijk te
sterken. Niet alsof ge wden dominee" moest spelen.
Daarin toch schuilt niets dan eigenwaan en zelfverhefling,
en waar het hier op aankomt is de liefde, die niet zich-
zelf bedoelt, maar zich uitstrekt naar het Lichaam van
Christus.
De vraag voor wie ge zorgen zult, is dan ook spoedig
beantwoord.
Ge zult niet zeggen met Kaïn: «Ben ik mijns broe-
ders hoeder? Dat moet hij zelf maar weten, ik steek
mij daar niet in."
Zoo lasteren de Kaïns ,• maar zoo spreekt geen kind
van God. Veeleer juist daaraan merkt het kind van God
het dan ook wel, wie op zijn weg worden geplaatst en
voor wie de Heere zijn hart ontsluit. Want ook mag
men wel uitgaan op de heggen en stegen en is het be-
-ocr page 215-
VOLWASSEN\' LID VAN CHRISTUS\' KERK.                 195
zoeken van de armen uitstekend; mits ge eerst met
geestelijke liefde en met geestelijken moed uw taak vol-
bracht hebt in uw eigen omgeving; en niet doet gelijk
zoovelen, die in hun eigen kring allerlei ongeloof speu-
ren, en zwijgen, en dan hun conscientie sussen en stiilen
door in een steegje of in een slop met een paar arme
lieden te gaan spreken.
Dat is niets dan lafheid. Dat is zucht naar vertoon.
Dat is plichtverzaking onder den schijn van buitenge-
wone plichtsbetrachting.
Daar rust geen zegen op.
Altoos moet ge beginnen bij wat God op uw weg,
in uw huis, in uw kring voor u zet. En eerst als daar
de taak vervuld is, ga men uit naar buiten.
Doch er is nóg een andere zijde van het leven der
kerk, en die u naar een heel ander terrein kan lokken.
De kerk heeft namelijk ook een gemeenschapsleven.
Ze houdt vergadering der geloovigen. Ze heeft kerke-
lijke diensten. Ze zorgt voor de lijdenden. Ze houdt
toezicht op het onderwijs der jeugd. Veel wat verwaar-
loosd is, moet ze zoeken. Voor de zending onder wie
nog buiten den heiligen Doop staan, moet ze ijveren.
En in verband hiermee moet er allerlei arbeid verricht.
Arbeid van schijnbaar hooge en van schijnbaar lage ge-
aardheid. Een arbeid in de ambten door Christus in-
gezet , maar ook een arbeid , die aan de waterputters en
houthouwers van Israël doet denken, zooals daar is:
het ophalen van allerlei gelden, het toezien op de orde
bij de godsdienstoefeningen, het bespelen van het orgel,
het verrichten van velerlei schrijfwerk, boekhouding en
wat dies meer zij.
Dat alles moet gedaan, en goed gedaan, en vrijwillig
gedaan.
Het moet goed gedaan, want de eere van Christus\'
kerk hangt er aan, dat ze ook in haar uitwendig op-
treden een eerlijken gang en een gang met goede orde
aan haar bewegingen geve.
-ocr page 216-
196                  VOLWASSEN LID VAN CHRISTUS* KERK.
En ook het moet, zoo immer mogelijk, vrijivillig ge-
daan ; want alle betaald werk is zijn geestelijken geur
kwijt, en de betaalde suppoosten zijn te allen tijde een
kwelling voor Jezus\' kerk geweest.
Natuurlijk, wie geheel voor de kerk leven moet en
haar al zijn levenskracht wijden, moet van leeftocht
voorzien worden. Dit spreekt de Schrift zoo stellig
mogelijk uit; maar anders is het duizendwerf beter, zoo
de liefde en de vrijwilligheid het leven in haar draagt,
dan dat Mammon tusschenbeide treedt, en er weer iets
opdoeme van het kwaad, waartegen de Heere eens zijn
geeselriem met de koordekens gezwaaid heeft.
Nu dringe niemand zich in al zulken arbeid in.
Maar wordt ge geroepen, wettig geroepen door uw
kerk ; opgeroepen , om óf in het ambt te treden, óf een
deel van de taak als helpende hand over te nemen, óf
ook in deze kleine diensten uw kerk het leven mogelijk
te maken, bedenk u dan wel, eer ge weigert.
Zelfs uw gevoel van onvermogen is hier geen veront-
schuldiging, want dat heeft uw kerk, en hebt niet gij
te beoordeelen.
Weigeren is zoo koel, zoo weinig naar de uiting der
liefde Christi.
En eerst dan, als een ieder zegt: «Zie, hier ben ik,
Heere I" bloeit het leven der kerk op.
-ocr page 217-
IV.
VAN HET HEILIG AVONDMAAL.
-ocr page 218-
-ocr page 219-
I.
„Dc^e DerBorgenReid is groot."
HET HEILIGE DER HEILIGEN.
Deze verborgenheid is groot; doch ik
zeg dit ziende op Christus en op de
gemeente.
Ef. 5 : 32.
Er is op aarde niets hoogere, niets waar rijker be-
zieling in schuilt, dan het heilig Avondmaal van onzen
Heere Jezus Christus.
Als ge daartoe door de ontfermingen Gods eenmaal
gekomen zijt, kunt ge in dit aardsclie leven niet ver-
der. Op het heilig Avondmaal volgt het leven in de
hemelen
, waarvan die Disch des Heeren tegelijk de
afschaduwing en de voorsmaak is. Daarom wees Jezus
zijn discipelen van het Avondmaal rechtstreeks naar
dit heerlijk Koninkrijk, dat nog toeft, maar gewisselijk
komt; toen hij tot hen zeide: «Ik zal niet meer met
u drinken van deze vrucht des wijnstoks, tot ik dien
nieuw met u drinken zal in het Koninkrijk mijns Vaders."
En waarom anders staat nu dit Avondmaal zoo hoog,
dan omdat er het diepste mysterie in ligt uitgesproken,
dat in Gods raad besloten lag?
«Deze verborgenheid is groot", roept de heilige apostel
aan de kerk van Efeze toe, gelijk hij aan Timotheus
-ocr page 220-
200                        HET HEILIGE DER HEILIGEN.
schreef: //De verborgenheid der godzaligheid is groot";
en al scheen hij beide malen op een andere zaak te
doelen, toch is die diepe verborgenheid beide keeren in
den grond één.
Als hij voor Timotheus\' oor dien kreet van bewon-
dering slaakt, doelt hij op de Vleeschwording van het
Woord, op God geopenbaard in het vleesch, dus op
hel huwelijk tussehen God en onze mensclielijke natuur.
En als hij in zijn bijna epischen brief aan de kerk
van Efeze dien uitroep van heilige verrukking herhaalt,
wijst hij op het gemeene menschelijk huwelijk als sym-
bool van innige ziels- en levensvereeniging tussehen
den hcmelschcii Bruidegom, die voor God staat, en
zijn duur gekochte Bruid, die nog toeft en strijdt op
aarde.
Zoo doorgluurt hij heel een reeks van heilige ver-
borgenheden, maar die toch één zijn in den wortel der
onnaspeurlijke Goddelijke liefde.
Zoowel de zonde als Satan scheidt, deelt, werpt haat
en nijd in, en scheurt uiteen wat saamhoort.
En daartegen nu zou geen heul noch redding zijn,
zoo niet deze diepste verborgenheid der liefde in God
school; van die liefde, die hecht en verbindt, die huwt
en ineen doet smelten, en wat twee was tot één maakt.
//Deze twee zullen één zijn!" Aldus luidt de wondere
spreuk van deze Goddelijke verborgenheid. Een ver-
borgenheid afgeschaduwd in het huwelijk; feitelijk in
de kribbe van Bethlehem bezegeld; maar in vollen
glans eerst opbloeiend, als de Bruid voor haar Christus
bereid wordt.
En die Bruid nu, wanneer komt ze op aarde nader
aan haar Bruidegom, dan aan zijn heilig Avondmaal?
Deze verborgenheid is groot.
Ge denkt ze met uw verstand nooit door; ge peilt
ze niet met het dieplood van uw hart; ge kunt ze
met al de spanning uwer ziel niet omvatten.
-ocr page 221-
HET HEILIGE DER HEILIGEN.                       201
Al wat denkkracht den denker; al wat kunst
den kunstenaar; al wat dwepende liefde den minnaar
van zijn Heiland biedt, is uitgeput, en nogmaals uit—
geput, om al de diepte van dit heilig mysterie te
doorwandelen; maar altoos schoot menschelijk vermo-
gen tekort, om tot op den bodem zelf van dit heil-
geheim door te dringen.
Eeuw in eeuw uit heeft dichter na dichter zich op-
gemaakt, om op de wieken der heiligste verbeelding
den glans van dit mysterie in het aangezicht te drin-
gen; maar geen, die niet bezweek. In de ontroering
van het geschokt gevoel en in de tranen van diep op-
gewelde aandoening, heeft ons menschelijk hart al de
•zielskracht der verbeelding en al de gevoelskracht onzer
zenuwen te hulp geroepen, om de volheid van dit
mysterie in te zwelgen; maar ook dat geweld van den
hartstocht schoot te kort.
Deze verborgenheid is te machtig, te overweldigend,
te groot. Ze overschrijdt het perk van ons creatuurlijk
vermogen.
En ze moet dit doen, omdat in dit diepste mysterie
van de Liefde, van het Huwelijk, van de Vleesch-
wording, of wilt ge van den godzaligen ziels- en
levensband tusschen de kerk als de Bruid en den
hemelschen Bruidegom, God zelf de onnaspeurlijke vol-
heid van zijn eigen goddelijk Wezen uitstort, en de
mate van ons creatuurlijk aanzijn tot die volheid niet
reikt.
Deze Verborgenheid, waar Gods engelen begeerig
zijn, om in te zien, verliest zich drie diep voor wie
er inblikt.
Aan den ingang van dit diepe mysterie staat man
en vrouw,
van wie God gezegd heeft: „Deze twee zul-
len tot één vleesch zijn."
Niet als twee, die elkaar vin-
den , en nu overeenkomen om saam te wandelen op
den levensweg, en nu arm in arm gaan. Neen, die
-ocr page 222-
202
HET HEILIGE DER HEILIGEN.
man is op die vrouw, die vrouw is op dien man aan-
gelegd. Ze waren eerst één ; toen is uit den man de
vrouw uitgenomen; en zoo zijn ze in heel hun wezen
en aanleg, in hun natuur en vorm, in hun lichaam en
in hun zielsgeaardheid voor elkander geschapen en in
het leven getreden. Daarom als ze elkaar liefhebben,
hebben ze elkaar lief, niet met een liefde, die ze zelf
strengelen, en nog veel minder schiepen, maar met
een liefde, die ze vonden, omdat God ze voor en in
henzelven bereid had.
En al verderft nu de man, of de vrouw die liefde,
vol heilige mysteriën, ook duizendwerf, dat ontneemt
niets aan de haar inwonende goddelijke kracht en
levensdrang. Zie het maar hoe uit de diepe, raadsel-
aehtige verborgenheid van dat ééne huwelijk al het
menschelijk leven ontkiemt, en straks in dat leven
stam en kroon vormt, met al de eindelooze vertak-
kingen, waarmee de kroon van dien stam ons men-
schelijk aanzijn overschaduwt.
En toch dat is nog de verborgenheid niet. Ze is er
de poorte van, waardoor ge tot die verborgenheid ingaat.
Want immers dat huwelijk bloeit maar voor een tijd.
Straks komt de dood en het is ontbonden. En al komt
man en vrouw ook weer in den hemel saam, daar
leven ze als engelen Gods; daar is geen huwelijk meer;
want in die hemelen daarboven wordt niet ten huwelijk
gegeven noch ten huwelijk genomen.
Dieper in die verborgenheid ligt daarom een heel
ander huwelijk; namelijk die wondere, die heilige, die
onverbrekelijke band, waardoor de Zone Gods onze
menschelijke natuur gehuwd had, en waarvan het in
nog veel heiliger en dieper zin heette: Deze tivec zid-
len lol één zijn;
ja, zoo ge wilt tot één vleesch.
En hiermee gaat het mysterie reeds oneindig dieper;
u getoond niet in den man en de vrouw, die saam
huwen, maar in den Immanuel, in hem die «God-niet-
ons" wilde zijn.
Een verborgenheid daarom vooral zoo peilloos diep
en zoo nameloos groot, omdat de Zone Gods ons niet
-ocr page 223-
HET HEILIGE DER HEILIGEN.                          203
huwde, toen Adam nog rein en heilig in het Paradijs
stond, maar duizenden van jaren later, toen heel ons
geslacht zijn weg verdorven had, en heel onze men-
schelijke natuur een melaatsche was geworden ; melaatsch
van het hoofd tot aan de voeten.
Maar zelfs dat is nog de diepste achtergrond van dit
ondoorgrondelijk mysterie niet.
Voor het oog des geloofs, dat er in gluren mag,
ontsluit zich in deze verborgenheid, door Gods liefde
gewrocht, nog een derde en laatste diepte, als de
liemctsche Bruidegom huwt mei de Bruid,
zonder vlek
en rimpel, die hij zich gekocht en die hij zich bereid
heeft.
Want het wezen onzer menschelijke natuur te huwen,
was wel op zichzelf reeds een betoon van ondoorgron-
delijke barmhartigheden, maar toch niet uit die natuur
was de angel der zonde voortgekomen. Veeleer omge-
keerd had die angel onze natuur gestoken , en zoo heel
die natuur vergiftigd.
Neen die angel zat in onzen geest, en had in dien
menschelijken geest het gif van den duivelschen hoog-
moed werkende gemaakt.
En nu het daartoe te brengen, dat die booze geest
in den rnensch weer goed werd; dat die hoogmoed
klein kwam te staan; en die Gode vijandige mensch,
voor eeuwig, om nimmer meer te scheiden, in de
zaligste zielsliefde met zijn God vereenigd lag; zie, dat
was de peillooze diepte van het diepste in dit godde-
lijk mj\'sterie, en toen sprak God van den Zoon, dien
Hij gegeven had, en van dien zondaar, op wien zijn
vloek rustte: Deze twee zullen lol één geest zijn.
Dieper is er dan ook niet.
Gij, in uw hart verdorven, Gode in den wortel
van uw wezen vijandig, een in vloek en doem ver-
zonken schepsel, voor eeuwig, om nimmer te scheiden ,
zielseenig en zielsinnig, in den wortel van heel uw aanzijn
-ocr page 224-
204                           HET HEILIGE DER HEILIGEN.
één geworden met den Eeniggeboren Zoon van God.
Alle beeldspraak put de Heilige Schrift dan ook uit,
om in altoos nieuwen vorm u den onnaspeurlijken rijk-
dom van dit heilige mysterie voor oogen te stellen.
In de plant is wortel en stengel één; welnu, zoo
zijt ook gij ééne plant met Immanuel geworden. Langs
de velde dwaalt de kudde der lammeren, die als één
en saamgegroeid is met den herder, die ze leidt en
weidt; nu dan, alzoo ook is hij de goede Herder,
die zijn kudde laaft en voedt en beveiligt. In uw
eigen wezen vindt ge één lichaam, en toch in dat
ééne lichaam alle leden en deelen saam verbonden.
Ziedaar, uw derde beeld, het rijke beeld van het
Lichaam van Christus waarin we door saambindin-
gen en saamvoegselen tot één rijk en levend geheel
vereenigd zijn.
Maar ook in die beeldspraak put de gedachte dier
innige eenheid zich nog niet uit. En daarom gaat de
heilige apostel op het huwelijk, op den liefdeband van
Bruidegom en Bruid terug. En nu roept hij uit: Deze
verborgenheid is groot, doch ik zeg dit, ziende op
Christus en de gemeente.
En nu ontsluit zich voor u de toegang tot het heilig
Avondmaal, en in dat heilig Avondmaal ligt die groote
verborgenheid van Christus en zijn gemeente voor u,
in zichtbaren, heiligen vorm afgebeeld.
De bruiloft zelve van het Lam toeft nog. De toe-
bereiding van de Bruid liep nog niet ten einde. De
werkelijke volzaligheid, die eens uit de bron van deze
verborgenheid in alle hemelen zal uitstroomen, wordt
nog ingehouden. De volle jubeltoon der hemelen is
nog niet ingezet. Daar is deze aarde te koel, te
onheilig, te onherbergzaam voor.
Maar een voorspel is er dan toch. Een voorsmaak
•wordt u ter genieting geboden.
Want hoor!
//De opperste Wijsheid heeft haar huis gebouwd, en
ze heeft haar zeven pilaren gehouwen.
Zij heeft haar slachtvee geslacht; ze heeft haren
-ocr page 225-
HET HEILIGE DER HEILIGEN.                       205
wijn gemengd; ook heeft ze haar tafel toegericht.
En nu heeft ze uitgezonden, en ze noodigt op de
tinnen, van de hoogten der stad, roepende: Wie is
slecht, hij keere zich herwaarts; en tot de rede-
loozen zegt ze: Kom, eet van mijn brood en drinkt van
den wijn, dien ik gemengd heb.
-ocr page 226-
II.
„Bijtte genegenheid is lot mij.\'\'
DE BRUID AAN DEN DISCH VAN HAAR BRUIDEGOM.
Ik ben mijns liefsten, en zijne gene-
genheid is tot mij.
(Hooglied 7 : 10.)
In het heilig Avondmaal moet bij u de liefde voor
Jezus Averken. Zonder de werking dier liefde is elk
Avondmaal schijn.
Van het Bruiloftsmaal des Lams, dat eens komt, moet
elk Avondmaal de stille voorafschaduwing zijn. Het is
de hemelsche Bruidegom, die noodigt, en het is zijn
Bruid, die aanzit aan zijn Disch.
Van die liefde, die wondere liefde, nu, die Christus
aan zijn Bruid verbindt, kunt ge nooit te hoog roemen.
Niet menschelijke verzinning toch, maar God zelf in
zijn Woord, teekent ons die liefde in het beeld der
warmste, innigste liefde, die op aarde tusschen man
en vrouw bestaat.
Gelijk het van man en vrouw gezegd is: //Die twee
zullen één zijn; zoo ook moet het van Christus en zijn
Bruid wezen : «Die twee één." En nog in zijn hooge-
priesterlijk gebed slaakte onze Heiland de bede: //Op-
dat ze één zijn mogen, zij in mij en ik in U, opdat
ze volmaakt zijn in één."
-ocr page 227-
DE BRUID AAN DEN DISCH VAX HAAR BRUIDEGOM. 207
Ja, zoo diep gaat deze liefde tusschen Christus en
zijn verkoren Bruid, dat zelfs alle liefde op aarde, die
zich tusschen man en vrouw ontspint, nog slechts de
matte, flauwe, afschaduwing is van die echte liefde,
van dat heilig en goddelijk huwelijk , dat in Gods eeu\\vi-
gen raad voorbestemd en gesloten is tusschen zijn een-
geboren Zoon en zijn uitverkorenen op aarde.
Alle bruiloft op aarde is niets vergeleken bij de
Bruiloft, waartoe het Lam zijn Bruid noodigt.
En ook, als eens de laatste huwelijksband op aarde
zal gesloten en weer geslaakt zijn, zal , na den vol-
komen ondergang van alle aardsche huwelijk, in den
hemel der heerlijkheid in eeuwigheid niets anders schit-
teren dan de glorie van het eeuwig huwelijk tusschen
Christus en zijn gekochte en toebereide Bruid.
Wie dan ook in den hemel het leven als man en
vrouw nog zou willen voortzetten, doet reeds hiermee
te kort aan de geheel eenige liefde Christi.
Er kan, er mag in den hemel voor niets anders
plaats zijn dan voor dat ééne, dat ware, dat volko-
mene huwelijk tusschen den Zone Gods en de kerk
zijner uitverkorenen.
En die liefde nu viert haar heilig festijn op aarde,
niet in de eenzaamheid, noch ook in de stille binnen-
kamer, maar alleen aan den heiligen Nachtmaalsdisch.
De reden waarom dit niet anders kan, is eenvoudig
en doorzichtig; maar eischt toch in hooge mate, dat
ge er zeer nauwkeurig op let.
Zie toch, ons menschenhart is diep arglistig en mis-
leidt ons telkens eer we het zelf vermoeden.
En wat is nu de bittere, de gevaarlijke dwaling,
waarin juist op dit teedere punt zoo menige vrome
ziel misleid is?
Dit, dat men zichzelf voor de Bruid van Christus
gaat aanzien, in stede van naar Gods Woord die Bruid
te zoeken, niet in zijn eigen ziel, maar in de levende
gemeente Gods.
-ocr page 228-
208 DE BKUID AAN DEN DISCH VAN HAAK BRUIDEGOM.
Natuurlijk niet, alsof er ook niet een persoonlijke
betrekking tusschen den Christus en uw ziel moest
bestaan; maar hierop moogt ge nooit toepassen, wat
de Heilige Schrift van de liefde van den Bruidegom
zegt, of u in het beeld van de huwelijksliefde teekent.
De heilige apostel zegt het zoo uitdrukkelijk: «Deze
verborgenheid is groot, maar ik zeg dit, ziende op
Christus en de gemeente."
Niet gij huwt met den Christus, noch Jezus met u.
Neen , het heilig huwelijk wordt tusschen Christus en
zijn gemeente en nooit anders gesloten.
Niet uw ziel, maar de gemeente is de Bruid van
het Lam.
En al wat in het Hooglied en elders in de Heilige
Schrift ons van de huwelijksliefde bezongen en getee-
kend wordt als afschaduwing van het heiligste liefde-
leven, doelt op de Bruid van Christus, zonder vlek en
rimpel, gelijk het Lam die zich zelven tot den prijs
van zijn bloed gekocht heeft, en door zijn Geest toe-
bereidt.
Ook gij zijt dus zelf wel in die heilige liefde opge-
nomen en ingesloten , maar alleen voor zoover ge een
lid van het Lichaam van Christus zijt, en alzoo tot
zijn Bruid behoort.
De Bruid van Christus zijn alle uitverkorenen saam;
alle de gekochten door zijn bloed tot één heiligen per-
soon vereenigd; saam altegader leden en ledematen
van dat wondere mystieke Lichaam, waarvan hij het
Hoofd is.
Schoon is dit verzinbeeld in het zeggen van Paulus,
dat gij ééne plant met hem geworden zijt.
Christus wordt dan gedacht als de ivortel, waarop
deze goddelijke plante bloeit, en in die plant zijn de
enkele stengels, bladeren, bloemsemknoppen en bloesems
de enkele personen.
Nu is het bij de plant echter zoo, dat de bloemknop
-ocr page 229-
DR BRUID AAN DEN DISCII VAN HAAR BRUIDEGOM. 209
niet rechtstreeks aan den wortel vastzit, maar alleen
als deel van de plant met den wortel gemeenschap
heeft. Denk u toch de stengels en takken weg, en de
bloesem of de knop kan geen gemeenschap met den
wortel hebben.
En zoo nu is het ook hier.
Gij allen, die den Heere Jezus toebehoort, maakt
een deel van die plante uit. Gij zijt een stengel, een
blad, een bloesem aan die plante; maar wat ge ook
zijt, ge hebt met Christus, die uw wortel is, en uit
wien ge al uw levenssap voor uw ziel trekt, nooit
anders gemeenschap, dan voor zooverre ge aan die
plante vastzit, en in die plante zijt ingeschakeld.
En dit nu vergeet de valsche mystiek, die voor de
Bruid van Christus de eigen ziel in de plaats schuift,
en nu op zichzelve toepast al wat de Schrift van
deze Bruid zegt.
Daardoor nu is het Hooglied zoo misbruikt.
En daaruit zijn eveneens die schriklijk zondige denk-
beelden bij vrouwelijke personen voortgekomen, die
Jezus als haar persoonlijken Bruidegom gingen minnen
met een liefde, waarin zondige dweepzucht het hei-
lige en goddelijke uit verdreef.
En zoo gevoelt ge dan nu ook klaarlijk de hooge
beteekenis van het heilig Avondmaal.
De Disch des Heeren is een maaltijd, en mag dit
karakter van een feestmaal nimmer verliezen.
Alle disch en alle maaltijd, ook het schitterendst
feestmaal, dat op aarde gevierd wordt, is van dezen
heiligen maaltijd des Heeren nog niets dan de matte,
flauwe afschaduwing.
Een goddelijken maaltijd zal God de Heere eens
voor zijn verkorenen uit alle volken bereiden. Die
toeft dus nog. Maar in afwachting van die glorie, die
komt, gunt de Heere nu reeds aan de zijnen op aarde
een heiligen voorsmaak van wat het eens zijn zal, in
den Disch door hem verordend in zijn Sacrament.
14
-ocr page 230-
210 DE B1U.ID AAN DEN DISCII VAN HAAK BRUIDEGOM.
En wat is nu die Sacramenteele Disch? Is het een
maaltijd, waarbij gij met Jezus alleen zijt? Neen im-
mers, maar een Disch, waarbij hij noodt en gastheer
is, maar waarbij de genoode is zijn gemeente, en gij
omdat ge van die gemeente een levend lid zijt en eeuwig-
zult blijven.
Zoo komt dus aan dien Disch niet A en B, maar de
gemeente des Heeren saam. Niet heel zijn gemeente,
het is zoo, omdat dit op aarde niet kan. Voor heel
zijn gemeente wordt het Bruiloftsmaal eerst in de he-
melen aangericht. Maar dan toch een kerk, die een
der openbaringen van het Lichaam van Christus is,
en alzoo zijn gemeente representeert.
En nu treedt ook gij toe, niet als een op zichzelf
staand minnaar van uw Heiland , maar als besloten in
dat //buudelke der levenden", hetwelk zijn gemeente is.
Want wel sprak de Christus tot de kerk van Laodicea:
«Zie, ik sta aan de deur en klop; indien iemand mijne
stem zal hooren en de deur opendoen , ik zal tot hem
inkomen, en ik zal mé hem avondmaal houden, en
hij met
my"; maar dit /.eggen heelt niets met het
Sacrament van het heilig Nachtmaal gemeen.
In dit zeggen tot Laodicea is alles beeldspraak.
Beeldspraak die deur en dat kloppen; beeldspraak dat
opendoen van de deur en inkomen; en zoo ook niets
dau beeldspraak dat avondmaal; gelijk Jezus elders zei:
wik en de Vader zullen komen en woning bij hem
maken".
Deze beeldspraak nu doelt uitsluitend op de geeste-
lijke gemeenschap en de geestelijke verkwikking, die
de Heiland ons door zijnen Heiligen Geest in de ziel
biedt.
Zeg dus nooit: //Ik heb het Sacrament des Heeren
niet noodig, ik kan wel avondmaal met Jezus in mijn
ziel houden."
Dan toch zijt ge in staat van ongehoorzaamheid.
-ocr page 231-
DE BRUID AAN DEN DISCH VAX HAAR BRUIDEGOM. 211
Immers ook tot u is het gezegd: «Doe dit tot mijne
gedachtenisse." En dan moet het brood gebroken, en
de wijn vergoten worden; en dat kunt ge in uw ziel
niet.
Met nadruk toch zegt Jezus\' apostel u: „Het brood
dat wij breken, is één brood, zoo zijn wij velen één
lichaam, omdat wij ééns broods deelachtig zijn." Alzoo
doelende op de gemeente.
-ocr page 232-
III.
„3e inenscti üeptoeoe 5teFi ftefoen."
ZELFBEPROEVING.
Maar de mensch beproeve zich zelvcn,
en ete alzoo van het brood, en drinke
van den drinkbeker.
1 Cor. 11 =28.
In het Sacrament des heiligen Avondmaals komt de
beteekenis der kerk het sterkst uit, en treedt toch de
mensch,
die in naam der kerk bedienend optreedt, het
meest op den achtergrond.
De kerk komt er het sterkst uit; want in uw een-
zaamheid kunt ge Gods Woord nog lezen, maar het
heilig Avondmaal kan alleen de kerk u reiken. Ge
kunt het niet ontvangen noch genieten, dan waar het
volk des Heeren vergaderd is.
En toch treedt de dienaar der kerk hier bijna geheel
op den achtergrond. Hij doet eigenlijk niets dan u in
naam van Jezus het brood en den beker overreiken,
en ook al spreekt hij voorts niets uit dan de inzettings-
woorden, zoo is toch uw Avondmaal volkomen.
Ook al komt er toch de schoonste, de roerendste toe-
spraak bij, die toespraak hoorl niet tot uw Avondmaal,
en is uw Avondmaal niet, en leidt veeleer, maar al te
dikwijls, van het heilig Avondmaal af.
*
-ocr page 233-
ZELFBEPROEVIXG.                                        218
Ook al stond de dienaar der kerk gesluierd voor u,
en al kendet ge zijn stem niet, zoodat ge volstrekt niet
wist wie hij was, dan nog zou dit niets aan uw Avond-
maal te kort doen.
En zoo komt het dan, dat de dienaar des Woords
het Avondmaal u te rijker en te volkomener maakt,
hoe meer hij zelf terugtreedt, om u geheel over te laten
aan de werking van Christus op uw hart.
Die werking toch is en blijft het doel van het Sacra-
ment. Den hemelschen Bruidegom met zijn Bruid op
aarde in aanraking te brengen. En daarom staat uw
Avondmaal te hooger, hoe meer uw zin en uw gedachte
op dat oogenblik eeniglijk en alleen met uw Heiland
vervuld is, en gij, ingeschakeld in de gemeente des
Heeren, u saam met haar voor uw Heiland stelt, om
onder het gebruik van de teekenen, die hij met u af-
sprak, de genieting zijner liefde in te drinken.
Niet alsof daarom het slagen of niet slagen van uw
gang ten Avondmaal van uw gewaarwordingen op dat
oogenblik zou afhangen.
Wie als bruid ten huwelijk gaat, is gehuwd, ook al
waren haar gedachten op het eigen oogenblik nog zoo
verstrooid. En zoo ook stort de Heere zijn sacramen-
teelen zegen in uw ziel uit, ook al ging het bijna geheel
buiten uw bewustzijn om.
Maar rijker voor de genieting der ziel is het toch,
als de ziel zelve er op dat oogenblik bij mag zijn; als
niets haar verstrooit, stoort, noch aftrekt, en als ze in
dat heilig oogenblik zich verrukken en verliezen mag
in de liefde voor haar Heere.
Juist daarom nu moet aan uw gang ten heiligen Avond-
maal altoos stille, ernstige zei f beproeving voorafgaan.
Raad en oordeel van anderen is daarom wel niet uit-
gesloten. Uw kerk moet u ook met het oog op het
Avondmaal wel vermanen en raden, en desnoods u
tegenhouden. Zijt ge zoo gelukkig een vromen vader
-ocr page 234-
214                                       ZELFBEPROEVING.
of moeder te bezitten, dan belet niets natuurlijk, dat
ge ook met. deze raadpleegt. En ook op later leeftijd
ligt er wel iets lieflijks in, om ook met een broeder
of zuster, met een zielsvriend of zielsvriendin, deze
heilige aangelegenheid te bespreken.
Maar hoofdzaak is en blijft toch, dal ge u zelven
beproeft.
U zelven beproeft, nu niet enkel om uit te maken:
zal ik kunnen en mogen gaan, of ben ik nog gedoemd
om van verre te blijven staan? Dan toch zou de zelf-
beproeving wegvallen, zoo dikwijls daarover alle twij-
fel week.
En dat mag volstrekt niet.
Tot die zelfbeproeving moet het voor elk heilig Avond-
maal komen, of ge gaat, dan of ge niet gaat.
Een Roomsche biecht kent Gods Woord niet; maar
wel eischt Gods Woord van u, dat het vóór elk Avond-
maal ook bij u komen zal tot een stille en heilige biecht
voor uw God.
En dan eerst werkt het heilig Avondmaal in de kerke
Gods den vollen zegen , zoo het niet alleen aan den disch
zelven het hart sterkt met genade en verrijkt met de
weelde van de liefde Christi; maar zoo het ook vooraf
heel de kerke Gods tot een inkeeren in zich zelve uitdrijft,
en in boete en berouw op de knieën voor God brengt.
Ons leven leeft zoo snel; en vooral in onze dagen,
met name in de grootere steden, is het leven zoo on-
uitsprekelijk vermoeiend en druk, dat er bijna geen
oogenblik op den dag is, waarin ge anders dan vluchtig,
en even, en als ter loops, in u zelven indenkt, hoe het
daarbinnen staat, en u rekenschap geeft van den toe-
stand uwer ziel.
Zoo door duizend belangen en zorgen, die u vervolgenT
gedrukt; zoo rusteloos voortgejaagd en voortgedreven
door allerlei geruchten, die ge ontvangt, door bange
nooden, die uw aandacht afleiden; door allerlei personen,
die met hun gevlei of hun achterklap u naloopen.
-ocr page 235-
ZELFBEPROEVING.                                  215
o, Het leven jaagt zoo onvermoeid door als een storm
des daags, die niet tot stilte kan komen, en als een golf
in den stroom, die eindeloos voortkabbelt.
En zeg nu niet, dat ge onder dat alles door toch wel
aan uw God kunt denken.
Want dat i\'s wel zoo, en ook het stille schietgebed
is ons niet onbekend; maar al is God de Heere zoo ge-
nadig, dat Hij zelfs te midden van die overstelpende
drukte aan ons een teeken van zijn nabijheid gunt, toch
zal niemand, die God vreest, daarom ontkennen, dat
zijn ziel nog naar iets anders, en veel duurzamers
smacht, noch ook staande houden, dat zulk een vluchtig
uitschietende gedachte, of ook zulk een ter loops inschie-
tend gebed, de ware, volle en rijke gemeenschap met
zijn Vader in de hemelen is.
Neen, er is meer noodig.
Onze ziel heeft nog aan iets anders, aan iets rijkers
behoefte.
Er moeten ook oogenblikken in ons leven zijn, dat
we de wereld eens buiten ons hart kunnen sluiten, om
zonder dat men ons jaagt en voortdrijft, een korte spanne
des tijds, maar eene spanne des tijds dan toch, alleen
met onzen God te zijn.
En dat nu juist is het wat deze zelfbeproeving u wil
komen schenken.
Want wel is er ook een dagelijksche zelfbeproeving,
en is er geen Christen denkbaar, die niet eiken
avond stil zijn knieën buigt, en zijn weg overdenkt,
en zijne zonde belijdt, en zijn ziel voor zijn God uit-
stort; maar toch ook die dagelijksche zielsuitgieting is
nog niet genoeg.
Misleid u zelven niet.
Aan sommige kinderen Gods ja, wordt zoo kalm en
effen leven geschonken, dat ze misschien wel een vol
uur eiken avond de eenzaamheid kunnen vinden, en
uren lang onafgebroken verkeeren kunnen in de dingen
-ocr page 236-
216
ZELFBEPROEVIXG.
huns Gods. Zelfs moet toegegeven, dat de meesten hier-
voor veel meer tijd konden vinden, dan ze er aan
toewijden.
Maar vooreerst, dat geluk is niet aller. Zoovelen die
klein behuisd zijn, kunnen zoo goed als nooil alleen
wezen. Bovendien zijn zeer velen \'s avonds zoo moede
en mat, dat de slaap hun geest overweldigt. En wat
nog het ergste is, bij verreweg de meesten is het hart
zoo vervuld met allerlei bekommernis of allerlei last,
dat de ziel, hoe ze zich ook geweld aandoen, maar
niet geregeld tot een afzondering der gedachten voor
den Hecre haar God kan komen.
Waar dan Satan nog onderdoor woelt, die het zoo
heerlijk vindt, als ge slapen gaat zonder de gemeenschap
met uw God gezocht en gevonden te hebben; en die u
zelfs als ge neerknielt, nog afleidt door booze verbeel-
ding op te wekken, of uw gedachten af te leiden van
den Springader uws levens, dien gij zoekt.
En daarom nu juist is die, na een periode van twee
of drie maanden, geregeld wederkeerende uitnoodiging
tot telfbeproeving, in de genade des Heeren, zoo kostelijk.
Dan is er weer een gedeelte van den weg afgeloopen.
Ons leven is weer voor een aanmerkelijk deel opgekort.
Er is weer zooveel doordacht en doorleefd en door-
worsteld.
En dan komt de roepstem tot u, om een oogenblik
stil te staan op uwen weg, en dezen uwen levensweg
voor God en menschen te overdenken.
Daarom is de aankondiging, dat er over veertien
dagen weer bediening van des Heeren heilig Avond-
maal in de gemeente zal zijn, eigenlijk én voor heel de
kerk én voor al haar leden zulk een pleuhtig oogenblik.
Dan toch geschiedt niet maar de koele, vormelijke
aankondiging, dat er op dat en dat uur, te dier en dier
plaatse, weer gelegenheid zal zijn, om het heilig Avond-
maal te ontvangen. Neen, maar dan roept God heel
-ocr page 237-
217
ZELFBEPROEVING.
^ijn kerk weer op, om stil te staan op den weg, en
tot zich zelve in te keeren, en zich rekenschap te geven
van den staat en den toestand, waarin onze ziel voor
onzen God verkeert.
En nu voelen wel de meesten daar niets van en
leven er maar onder door. Doch deze onaandoenlijk-
heid en slordigheid der menschen heft Gods trouwe niet
op, noch vernietigt zijn oordeel.
Zijn Avondmaal komt. Hij heeft weer geroepen. Op-
geroepen tot zelf-inkeer en zelf-boproeving. En aan u
de schuld, zoo ge die heilige roepstem in den wind slaat.
Eens komt het oordeel.
Dan zal God oordeelen, door een Man, dien Hij
daartoe verordineerd heeft; en zullen we allen verschij-
nen voor den rechterstoel van Christus, om te ontvangen
naardat we in dit lichaam gedaan hebben, hetzij goed,
hetzij kwaad.
En in dat ontzaglijk oordeel nu zal alleen hij vrij
uitgaan, die op aarde zich zelven geoordeeld en twoor-
deeld heeft.
«Indien we ons zelven oordeelen," zoo betuigt ons de
heilige apostel, //zoo zullen we niet geoordeeld worden."
En hiertoe moet nu het heilig Avondmaal strekken.
Het moet er u toe nopen en dringen en brengen,
dat gij minstens vier malen telken jare u zelven voor
de vierschaar van een heilig God stelt; en, staande voor
die heilige vierschaar, u zelven wegwerpt, het opgeeft
voor uw ziele, en u met boete en berouw op hope tegen
hope, werpt in de armen der eeuwige ontferming van
uw God.
Vier malen, naar de indeeling, waarmee God zelf in
de natuur alle leven uit den winterslaap in de lente,
uit de lente in de volheid van den zomer, en uit den
zomer in de versteening en verdorring van den herfst
overleidt.
Viermalen, niet alsof het niet elke maand en elke
week alzoo geschieden moest, ja eiken dag.
-ocr page 238-
218
ZELFBEPROEVING.
Maar iets anders toch nog is de zelfbeproeving voor
het Avondmaal, als ge weer een breedcr stuk van uw
leven kunt overzien, en beter oordeelen kunt over den
gang, dien ge naamt; en juist daarom ook tot dieper
verbrijzeling en zelfaanklacht kunt komen, omdat uw
zonden nu zooveel donkerder, in haar veelheid, en in
haar bijzonderheid, en in haar doodelijk karakter voor
u liggen.
-ocr page 239-
• IV.
„ïfroe jonden 5VJ11 u oergeDen."
GERECHTVAARDIGD DOOR HET GELOOF.
En Jezus, hun geloof ziende, zeide tot
den geraakte: Zoon! uwe zonden zijn u
vergeven.
Mark. 2 : 5.
Wie niet gelooft, kan niet ten heiligen Avondmaal gaan.
"Want gelijk de zon niet schijnen kan op een plaats,
die niet bestaat, zoo ook kan de Zonne der gerechtig-
heid niet koesterend werken op een geloof, dat gansche-
lijk niet aanwezig is.
Prent u dit altoos diep in, zoo dikwijls de roepstem
naar het heilig Avondmaal ook tot u doordringt. Het
Sacrament dient om het geloof te sterken, en dus moet
er geloof in u zijn.
Niet een geloof, dat roemt in zijn kracht, of zich
verheft op zijn volkomenheid. Wie toch waant een
genoegzaam sterk geloof te hebben, wat zou hij nog
sterking voor zijn geloof najagen ?
Sterking voor zijn geloof zoekt in het heilig Avond-
maal hij alleen, die het in de stilte der ziel voor zijn
God belijdt: Ik geloof, Heere, kom mijn ongeloof
te hulpe.
Dan beeft de ziel innerlijk. Dan is het of ze slin-
-ocr page 240-
220                  GERECHTVAARDIGD DOOR HET GELOOF.
gert tusschen geloof en ongeloof in. Ze wil, ze kan
haar God niet loslaten, en dus gelooft ze. En toch is
het of de hand, waarmee ze haar God aangrijpt, geen
kracht heeft, om zich aan Hem vast te klemmen, en
dus dreigt van Hem af te glippen.
Ze zweeft als de schipbreukeling tusschen dood en
leven. Want ook die schipbreukeling klemt zich nog
vast aan den steng, die boven de golven uitsteekt.
Maar zijn hand raakt uitgeput. Hij voelt dat hij niet
meer kan. Nog eenige ontzettende oogenblikken, en
dan zal zijn hand loslaten, en hij in de diepte weg-
zinken. Tot nog juist te goeder ure de reddingsboot
voor het want schiet, en juist op het oogenblik, dat
hij los zou laten, den drenkeling inneemt en redt.
Niet dus een tusschentoestand tusschen dood en leven;
want die is er niet. Wie geloof heeft, al ware het
dan ook slechts een geloof als een mosterdzaadje, heeft
leven en kan niet verloren gaan.
Maar voor het geloofsbesef, voor de eigen geloofsfreum-
ding gaat het telkens door duizend dooden heen.
En dan roept zulk een ziel in haar doodsbenauwiug
tot den Heere; en Hij vertroost ze, en giet haar olie
in de wonde door de sacramenteele werking van zijn
heilig Avondmaal.
Doch hieruit volgt dan ook, van wat geaardheid dit
geloof moet zijn, dat u naar het heilig Avondmaal
dringt.
Niet het geloof: Ik ben een uitverkorene. En ook
niet hel geloof: Ik ben wedergeboren en bekeerd, en
dus hoor ik aan het heilig Avondmaal.
Och, wie zoo toe wilde treden, zou er komen in
zelfverheffing en hoogheid, en alzoo zijn zegen weg
hebben.
Want wel ligt dit alles achter en onder elk geloof,
dat van de echte soort is. En al is dat echte geloof
in u ook nog slechts een klein, klein korrelke aan het
-ocr page 241-
GERECHTVAARDIGD DOOR HET GELOOF. 221
kleinste zadeke der moeskruiden gelijk, toch staat
het vast, dat ook in u én dit geloof én deze wed er-
geboorte enkel uitvloeisels zijn van Gods vrijmachtige
uitverkiezing.
Maar zoo staat de ziel er niet altoos bij, dat ze dit
alles met een levend oog helder doorziet, en in elk
oogenblik overtuigend op zich zelve toepast. Evenals
ge nacht op nacht in uw huis u ter ruste legt, zonder
na te denken over de fundamenten, waarop uw huis
rust; of de deugdelijkheid te onderzoeken van de stijlen
van uw ledekant; zoo vleit ook de ziel van Gods kind
zich gedurig op het zachte dons van het geloof neder,
zonder elk oogenblik in die grondlagen en fundamenten
van genade af te dalen.
Het geloof komt uit de verkiezing, spruit op uit de
wedergeboorte, en breekt door in de bekeering, maar
het richt zich op het Lam Gods, dat de zonde der
wereld wegneemt.
Keer dat dus niet om. Ga niet met uw rug naar
Golgotha, en met uw aangezicht naar uw uitverkiezing
staan. Dan toch wankelt uw geloof en ge berooft uw
ziel van zalige vertroosting.
De bloem ontluikt niet, dan waar de wortel op ver-
borgen wijze in den bodem gespreid ligt. En zoo ont-
look ook in u het geloof niet, tenzij de wortel der
zaak in het verborgene uwer ziele worde gevonden.
Maar al klimt ook de geur uit den wortel op, toch
moet ge niet bij den wortel, maar bij den bloemkop
zijn om dien geur in te drinken.
En daarom nu is voor het heilig Avondmaal
de eenige vraag: Of gij gelooft dat uw zonden u
vergeven zijn.
Ër is hier dus geen sprake van onderzoek, of ge
wellicht een ongeloovige zijt in den hedendaagschen
zin des woords. Geen sprake van een onderzoek, of
ge wel gelooft in God en in zijn Woord, in den
-ocr page 242-
222 GERECHTVAARDIGD DOOR HET GELOOF.
Immanuel, dien Hij ons geschonken heeft, en in de
heerlijkheid , die komt.
Dat alles is ondersteld.
Hoe toch zoudt ge ten heiligen Avondmaal gaan, om
in dat Avondmaal de sacramenteele genade des Heeren
te zoeken, zoo ge zijn Woord niet ootmoedig aannaamt,
en niet op grond van dat Woord, en op dien grond
alleen, vaststondt in de overtuiging, dat er in het
Avondmaal een sacramenteele, heilige, goddelijke kracht
voor uw ziel te vinden is?
Wie in dien zin ongeloovig is loopt den Disch des
Heeren voorbij; bekreunt er zich niet om; en leeft
voort en voort zonder aan het Avondmaal te gaan. Of
ook, hij spot en speelt er meê, en gaat aanzitten, om
God den Heere te tergen in zijn aangezicht.
Bij u, die er u wel heen voelt trekken, en naar den
zegen van het heilige Bondszegel verlangt, is dit geloof
in de waarheid en wezenlijkheid van het Avondmaal
dub ondersteld; maar is het niet dit geloof, dat daar
gesterkt moet worden.
Neen, het geloof, dat sterking aan het heilig Avond-
maal zoekt, is het persoonlijk geloof in de toepassing
van de genade op utv eigen ziel;
«dat vaste vertrouwen ,
dat de Heilige Geest door het Evangelie in ons hart
werkt, dat niet alleen aan anderen , maar ook aan mij
vergeving der zonde van God geschonken zij".
Dat is dus de hoofdzaak, waarop het voor u aankomt.
Ten Avondmaal gaan, om er kracht tot heiligma-
king te zoeken, is het ware niet. Die kracht zal ook
wel komen, maar die komt alleen, als ge, omgekeerd,
begint met op uw verleden en op den toestand van
uw hart te zien.
Zelfkennis is er noodig.
Al de windselen moeten van uw wonden af. De
wonde van uw hart moet naakt en geopend voor u
liggen. Ge moet weet en hinder en stuiting van uw
-ocr page 243-
GERECHTVAARDIGD DOOR HET GELOOF. 223
zonden en van heel uw zondig bestaan hebben. En die
zonden moeten in uw oog niet maar enkele vuile spat-
ten op uw anders zoo reine ziel wezen; maar ge moet
inzien, hoe die zonde uitbottende zweren zijn, die
toonen hoe het bloed zelf in u bedorven en vergiftigd
is; en hoe uit dat vergiftigde levensbloed de melaatsch-
heid telkens door uw huid doorbreekt, en het gelaat
uwer ziel verontreinigt.
En nu moet ge niet vragen: Hoe word ik genezen?
Hoe kom ik van deze innerlijke verderving af? Want
ook dat kan nog geheel buiten uw God en dus buiten
het geloof omgaan. Dat kan nog niets dan zelfzucht
in u wezen. Zooals de kranke, die door pestilentie
beloopen is, in wanhoop uitroept om genezing.
Neen , nu moet ge met die innerlijke kranke en
bedorven ziel, met dat bezoedeld kleed en met dat
verzondigde leven voor de Majesteit uws Gods, niet
gaan staan, want dat kunt ge niet, maar voor die
Majesteit Gods gedaagd worden.
Denk u een kind, dat zich te vroeg op het ijs wilde
wagen. Zijn vader raadt hem dat af, en verbiedt het
hem. Maar stil sluipt het booze kind het huis uit, en
gaat toch op het ijs, en de gevolgen blijven niet uit.
De bevrozen vloer bezwijkt. Hij zinkt weg, en wordt
nog wel gered, maar om geheel gewond en met
gebroken ledematen thuis te worden gebracht.
Wat zal dan in zulk een kind de eerste ge waar-
wording zijn, als het \'t oog van zijn vader ontmoet ?
Zal dan zijn eerste gedachte wezen: «Hoe word ik
geholpen en verbonden ?" Neen, zeg ik u, maar door
de diepste smart en de felste pijn heen, zal de eerste
vraag zijn: //Vader, ik ben ongehoorzaam geweest.
Toorn niet op mij; maar vergeef." En dan zal vader
vergeven. Hij zal meer doen dan vergeven. Hij zal
zijn kind in liefde omarmen; het aan zijn hart druk-
ken; en het oprichten uit zijn ellende. Maar het ver-
geven
gaat voorop.
-ocr page 244-
224 GERECHTVAARDIGD DOOR HET GELOOF.
En zoo nu moet het ook bij u tegenover uw God zijn.
Dat ge hinder hebt van de zonden in uw verleden,
en dat ge er over jammert, dat uw hart zoo zondig
is, zegt nog niets.
De vraag is toch allereerst : Had God het u niet
verboden ? Had uw Vader in den hemel u niet stellig
geordineerd, dat ge u op dat ijs der zonde niet wagen
zoudt?
En daarom is het geloof evenals dat kind , dat voor
halfdood bij zijn vader wierd binnengedragen, en zal
alle geloof van de echte soort, niet eerst vragen: Wie
giet balsem in mijn wonde? — maar door de felste
zondepijn en helleangst heen, in de eerste plaats vra-
gen: Mijn God, wil Gij mij vergeven!
Altoos de verloren zoon: «Vader, ik heb gezondigd
tegen den hemel en tegen u, en ben niet waardig uw
kind genaamd te worden."
Een tollenaar, die zich op de borst slaat, en de
oogen nauwelijks naar den hemel durft opheffen: »o,
God, wees mij arme zondaar genadig!"
Op deze bede nu moet ge antwoord hebben.
Gij moet persoonlijk voor u zelven welen, dat uw
zonden u door uwen Vader in de hemelen vergeven zijn.
Ge moet kunnen zeggen: «Ik, de gerechtvaardigde
door het geloof, heb vrede bij God door mijnen Heere
Jezus Christus."
Ge moet bij uw God te biecht zijn gegaan, en het:
, Uw zonden zijn u vergeven" moet uit des Heeren mond
u zijn toegesproken.
En alzoo moet dit geloof in u zijn, dat het tot
deze vergeving uwer zonden bij u is gekomen. Dat ze
van u genomen zijn. Dat God ze in de diepte der zee
heeft geworpen. Dat uw Vader in de hemelen niet
meer tegen u toornt, maar u betuigt, dat Hij u heeft
vergeven, en het schriklijk van u vinden zou, zoo gij
het niet geloofdet, nu Hij u dit zegt.
-ocr page 245-
GERECHTVAARDIGD DOOR HET GELOOF. 225
En dat geloof nu, t. w. dat de Heere al uw zonden
vergeven heeft, is zoo aangrijpend moeielijk om te
gelooven, dat het u, als ge het grijpt, aanstonds weer
dreigt te ontglippen.
En daarom roept dan de Heere: Kom tot mijn heilig
Avondmaal, en daar zal Ik uw geloof versier ken.
15
-ocr page 246-
V.
„Derlondiijt den dood des üeerm."
CHRISTUS EN DIE GEKRUIST.
Want zoo dikwijls als gij dit brood
zult eten, en dezen drinkbeker zult drin-
ken, zoo verkondigt den dood des Heeren
totdat hij komt.
1 Cor. 11: 26.
Bij het heilig Avondmaal wordt de dood des Heeren
verkondigd.
Als ge daar aanzit, viert ge niet een gedachtenis-
maal , om de heugenisse van Jezus\' komst op aarde in
ptand te houden; maar hebt ge gedachtenis van Jezus
te vieren in het teeken van zijn verbroken lichaam en
vergoten bloed. En ge hebt in de gedachtenis aan dat
verbroken lichaam en dat vergoten bloed niet maar
den dood des Heeren te gedenken, maar dien dood te
verkondigen.
Zoek ook hierin dan met heilige aandacht in te drin-
gen, en geef er u rekenschap van wat het zij, dat wie
ten Avondmaal gaat, den dood van Jezus op het kruis
van Golgotha verkondigen moet.
Ons Evangelie wijst ons steeds op het kruis als het
middelpunt van heel Jezus\' verschijning op aarde. Niet
anders te weten dan ,/Jezus en dien gekruist" is de
-ocr page 247-
CHRISTUS EN DIE GEKRUIST.                           227
roem van den heiligen apostel Paulus. En niet alleen
hij, maar ook de overige apostelen wijzen u bijna nooit
op de kribbe, noch op de woorden, die Jezus sprak,
noch op de wonderen, die hij gewrocht heeft; maar
trekken altoos weer de geheiligde aandacht der kerken
saam op dat ééne machtige feit, dat God zijn Zoon
aan de wereld heeft gegeven, en dat de wereld dien
Zoon van God heeft gekruist.
Natuurlijk niet in dien zin, alsof hetgeen aan dat
kruis voorafging ons onverschillig kon zijn , of dat het-
geen in Opstanding en Hemelvaart volgt, kon worden
weggedacht. Integendeel, zoo ge niet eerst van de
kribbe tot aan Gethsemanó uw Heiland gevolgd zijt,
verstaat ge niet wat het te zeggen had, dat die Hei-
land gekruist werd. En zoo ge na het kruis niet in
de Opstanding ten derden dage jubelt, heeft dat kruis
van Golgotha voor u niets dan vertwijfeling en droefenis.
Dit alleen is bedoeld, dat ge heel deze verschijning
van den Zoon des menschen als één samenhangend ge-
heel moet opvatten , waarin al hetgeen aan dat kruis
voorafgaat, op dat kruis doelt, en al hetgeen op Gol-
gotha volgt, uit dat kruis voortvloeit; zoodat bij dat
kruis de heilige plek was en is en blijft, waar ook gij
altoos weer hebt neer te knielen , om Gods eeuwige
ontfermingen in de gifte zijns Zoons in te drinken met
al den wellust uwer ziel.
En daarom heeft Christus niet een ander teeken,
maar juist het heilig Avondmaal ingesteld, om door
dat Avondmaal u telkens weer voor dat kruis van den
Man van smarte te plaatsen.
Hij had ook plechtigheden kunnen instellen, om ons
zijn kribbe, zijn machtige woorden, om ons de ver-
heerlijking op Thabor, om ons de Opstanding en zoo-
veel meer, symbolisch voor oogen te stellen. Maar dat
deed de Heere niet. En wat wij in ons Kerstfeest en
Paasehfeest hebben, is niet een ordinantie des Heeren,
maar alleen een kerkelijk gebruik.
-ocr page 248-
228                           CHRISTUS EN DIE GEKRUIST.
Neen, het eenige feit in zijn leven, waarop de Heere
ons gedurig weer Sacramenteel wijzen wilde, is zijn
Kruis.
Daarop en daarop alleen doelt het Sacrament
des Avondmaals; en zelfs ook het Sacrament van den.
heiligen Doop spreekt ons van de afwassching onzer
zonden in zijn bloed.
De dood des fleeren, dat is en blijft dus het mach-
tige brandpunt, waarin al de stralen van deze heilige
geschiedenis saamvallen. En zelfs als aan Johannes op
Pathmos het beeld van den Christus in de hemelen
wordt getoond, ziet hij eerst niet den Overwinnaar,
met de kroon op het hoofd, maar het Lam Gods, dat
geslacht was.
Eens zal het anders zijn; en als Gods raad ten einde
spoedt, en de groote dag van zijn oordeel komt, ziet
ge datzelfde Lam Gon\'s op de wolken des hemels ver-
schijnen als de van God gezonden Overwinnaar over
hemel en aarde. En dan zal ook voor u de Man van
smarte in den Koning der heerlijkheid zijn onderge-
gaan, doordat ge dan geen zonden meer kennen zult,
en al uw zonden, die ge deedt, achter u, in de diepte
der zee zullen geworpen liggen.
Maar in deze bedeeling, nu ge nog op aarde zijt,
nu ge de worsteling der zonde nog kent, en nooit
anders voor God dan als een onreine kunt verschijnen,
nu wil en kan de Christus niet anders dan als het
Lam Gods voor u treden, en blijft het Kruis van Gol-
gotha de van God aangewezen plek voor uw ontmoe-
ting met uw Heiland.
Philosophie over den Godmensch redt uw ziele niet.
Dwepende uitroepen over de majesteit des Heeren kun-
nen uw zonden niet van u nemen. En het eenige wat
ge als verlorene in u zelven behoeft, is een gekruiste
Messias,
die voor u ten vloek is geworden, en om u
van den eeuwigen dood te redden, uw zonden gedra-
gen heeft op hel hout.
-ocr page 249-
CHRISTUS EN DIE GEKRUIST.                        229
Er schuilt dan ook een geestelijke fout in, dat de
kerken Christi in den loop dezer eeuw dat Kruis van
Christus eenigszins hebben teruggedrongen, en ons heb-
ben diets gemaakt, dat het veel rijker voor de ziel is,
zoo ze de Bergrede of de Gelijkenissen beluistert, dan
om zich altoos droef te stemmen door de gestadige
aanschouwing van het lijden en den dood des Heeren.
Niet dat we overdrijving bepleiten. Ook wat Jezus
was en sprak en deed, en nog doet uit de hemelen,
moet telkens weer het voorwerp zijn van uw godvruch-
tige overdenking; en die soort hartstocht, gelijk soms
bij de Hernhutters wieid waargenomen, om met zeke-
ren wellust te blijven staan bij het bloed en de won-
den en het misvormd gelaat en al het tragisch-pijnlijke,
dat op Golgotha doorworsteld is, is aan de Apostelen
des Heeren volkomen vreemd.
Maar op de zaak als zaak mag niets afgedongen.
Alle Christusprediking moet prediking van den Gekruiste
blijven. Daarin alleen ligt het medicijn. Alleen daarin
de volle vertroosting uwer ziel. En zoolang ook gij
zelf niet al de zielskracbt, die in u is, hebt saamge-
trokken , om u van aangezicht tot aangezicht te stel-
len voor hem, die op Golgotha stierf, zal het nooit
tot waarachtige verbrijzeling bij u komen; zal nooit
de diepste snaar in uw hart gaan trillen; en zult ge
nooit de volle rijke zaligheid kennen, van te kunnen
zeggen: «Mijn Heere, mijn Goël, mijn God!"
Dat getuigt u de Schrift, die u zegt dat alleen de
Christus aan het kruis een kracht Gods tot zaligheid
is. Dat getuigt de lofpsalm der dankzegging uit alle
eeuwen, die altoos weer in dat kruis van Christus de
stoffe der eeuwige dankzegging gevonden heeft. En dat
getuigen nog uw broederen en uw zusteren om u heen ,
die het meest en het rijkst van Gods genade genoten
hebben. Bovenal in de stervensure is het altoos weer
Christus en die gekruist geweest, die het sterfbed van
Gods kinderen met iets van hemelschen luister omstraald
heeft.
-ocr page 250-
230
CHRISTUS EN DIE GEKRUIST.
En zoo nu ook moet elk Avondmaal, dat gij meê-
viert, ook voor u een gang naar Golgotha\'s kruis zijn.
Ook gij blijft mensch. Ook gij kunt niet op één-
zelfde oogenblik geheel het leven en de verschijning
van uw grooten God en Zaligmaker zóó voor u stellen,
dat ge er waarlijk in dringt, in leeft en in geniet.
Wilt ge dus bij het heilig Avondmaal dat alles saam
bevatten, dan raakt ge verward; dan wordt uw geest
onrustig in u; ge wilt u nu bij het ééne en dan bij
liet andere van uw Jezus bepalen; en juist dat maakt
dat uw ziel zweven en slingeren blijft; en door alles
te willen omvatten, niets ten volle, niets in zijn diepte
bevat.
En daarom is het zoo naar menschelijke wijs en ge-
heel zielkundig, dat de Heere Jezus bij het heilig Avond-
maal uw aandacht uitsluitend op zijn kruis richt; op
niets dan dat kruis; maar dan ook op dat kruis geheel
en ten volle.
En zoo ge nu maar niet wijzer dan Jezus wilt zijn,
en ge geeft u daaraan over, en ge zet alles uit uw
gedachten weg, om eeniglijk en alleen den dood des
Heeren
voor uw ziel te laten treden; in uw ziel te
laten indringen ; en heel het besef en de gewaarwor-
ding uwer ziel te laten verzeilen; dan zult ook gij de
zalige ervaring genieten, dat ge waarlijk uzelven kwijt
raakt, om aan zijn heiligen disch niets dan uw Heiland
te bezitten.
En nu zult ge dan ook verstaan, wat het is, de»
dood des Heeren te verkondigen.
Dat kunt ge niet, zoo uw heilige aandacht over al-
lerlei verstrooid wordt; maar dat kunt ge dan, zoo
heel uw ziele al haar levenskracht op dat ééne heilige
punt van den dood uws Heeren saamtrekt.
Dan toch raakt ge onder de macht van dien dood
uws Heeren. Ge voelt uw zonde als een kleed van u
afglijden. Ge ziet het als voor oogen, hoe uw zonden
-ocr page 251-
CHRISTUS EN DIE GEKRUIST.                        231
op hem liggen, en hoe hij ze op het hout draagt. Ja,
ge ziet hem zonde voor u gemaakt, opdat gij zoudt
worden rechtvaardig voor God in hem.
En bestaat nu de verkondiging van dien dood daarin,
dat ge opstaat, en nu bij dat Avondmaal gaat spreken?
Zou dat de verkondiging zijn, die bedoeld wordt?
Maar immers bij dat Avondmaal komt de wereld
niet. Daar zijn geen vreemden bij. Er is niemand, aan
wien gij door iiiv spreken den dood des Heeren als
iets nieuws zoudt kunnen verkonden. Want allen, die
met u aanzitten, hebben evenals gij den plicht óók
zei ven den dood des Heeren te verkondigen.
En ook kan dat //verkondigen" niet liggen in wat
de Bedienaar van het Sacrament spreekt; want hoe
minder die spreekt, hoe beter zelfs. Bijna alle spreken
leidt bij het Avondmaal van den dood des Heeren af.
Neen, er ligt in dat verkondigen van den dood des
Heeren iets heel anders. Niet een luid , maar een stil-
zwijgend
verkondigen, door het feit zelf dat gij, als
onreine en verlorene in u zelven, uw toevlucht neemt
tot de Fontein, die in Jezus\' bloed geopend is tegen
de zonde en tegen de ongerechtigheid.
Het kruis van Golgotha staat er nu eenmaal voor
aller oog. Maar als er nu niemand toetreedt, om zich
door dat kruis te laten zegenen, en zich het bezoe-
delde kleed wit te wasschen in het bloed des Lams,
dan verliest die dood des Heeren zijn sprake, geraakt
in vergetelheid en wordt niet geloofd.
Maar dan ook, als omgekeerd, duizenden bij dui-
zenden telkens toevloeien, die uit alle natiën en vol-
ken toestroomen, om allen saam bij dat kruis van
Golgotha de genezing hunner wonden en de redding
hunner ziel te zoeken, dan is de pelgrimstocht naar
het kruis van Golgotha, die alle eeuwen aanhoudt, de
rijkste, de welsprekendste verkondiging van den dood
des Heeren, omdat ze als in levend beeld ons zegt,
wat die dood des Heeren beteekent.
Gaat gij dus in stil en kinderlijk geloof ten heiligen
Avondmaal op, dan verkondigt gij daardoor den dood
-ocr page 252-
232
CHRISTUS EX DIE GEKRUIST.
des Heeren aan mv broederen; en zij, die met u aan-
zitten, verkondigen den dood des Heeren aan u.
Zoo versterkt ge onderling elkanders geloof, doordien
ge saam u verliest in het Lam Gods, dat de zonden
der wereld wegneemt.
En hebt ge zoo elkander den dood des Heeren ver-
kondigd, dan verkondigt ge saam in uw aanzitten en
in de heilige ontroering uwer ziel den dood des Heeren
aan Satan. Want als Satan dan dien dood des Heeren
zoekt te bedelven en krachteloos te maken, verklaart
gij saam als getuigen van Christus tegen hem, dat wel
waarlijk ook uw ziel haar redding in den dood des
Heeren heeft gevonden.
Tot ge dan, eer ge opstaat, saam uw hart en uw
stem in een lied des lofs en der dankzegging vereenigt,
om nu ook in heilig maatgezang te verkondigen, dat
het rantsoen is betaald en eeuwige verlossing teweeg
gebracht.
-ocr page 253-
VI.
„Met ütacfit oerstecii in den iutüendigen
itienscü."
DE STERKING VAN ONS GELOOF.
Opdat Hij u geve, naar den rijkdom
zijner heerlijkheid, rnet kracht versterkt
te worden door zijnen Geest in den in-
wendigen menseh.
Ef. 3 : 16.
Het heilig Avondmaal vergt van uw ziel, als ge een-
maal aanzit, niet de minste actie; en strekt niet om te
maken, dat ge iets doet, maar om u iets te laten
ondergaan.
Er ruiseht bij het Avondmaal, ver in de hoogte, een
hemelsche muziek; waarvan ge niets hoort en niets
merkt, zoo lang gij zelf zoo druk blijft; maar die haar
heilige klanken n door de ziel laat dreunen, zoodra ge
aflaat van uw bezige drukte, stille zijt, en u overgeeft
aan de toovermacht uit de hoogte, die naar u toedringt.
Noemt ge dit nu «lijdelijk zijn", zoo wees dan //lij-
delijk", en versta het geheim van allen sacramenteelen
zegen, dat juist in dit lijdelijke schuilt.
Toch zult ge al spoedig merken, dat het u veel meer
inspanning en moeite kost, om in dien hoogeren zin
-ocr page 254-
234
DE STERKING VAN ONS GELOOF.
lijdelijk onder het Sacrament te verkeeren, dan om bij
het Sacrament eigen werkzaamheid te ontplooien.
Uw gedachten rusten zoo ongaarne, en zijn nog min-
der gaarne bij een enkel heilig onderwerp bepaald. Dat
merkt ge wel aan uw bidden. Dan knielt ge neer, en
zoudt nu niets zaliger vinden, dan om b. v. een half
uur aan niets dan aan uw Heiland te denken, en stil
en kalm den heiligen indruk van zoo hemelsche gedachte
te ondergaan. Maar wat merkt ge nu al spoedig ? Dit
immers, dat eer twee, drie minuten ziju omgegaan,
allerlei zaken uil. uw huiselijk en maatschappelijk leven,
allerlei beelden uit de wereld, allerlei overleggingen,
tot in het zondige toe, ongemerkt in uw ziel binnen-
sluipen en u van uw Heiland aftrekken. Soms is dit zoo
sterk, dat ge onder het prevelen uwer woorden zelf
merkt, dat uw ziel niet in uw woorden zit en dat uw
woorden eigenlijk maar van uw lippen komen.
Daar schrikt ge dan van. Gij scheidt uit; ge begint
opnieuw; ge roept uw God om gebedsgenade aan, om
uw aandacht te bepalen. En ja nu wijken die beelden
en voorstellingen en gedachten. Maar niets waarborgt u
dat ze over twee, drie minuten, zonder kloppen, niet
weer binnenkomen, en nogmaals uw ^ebed pogen te
bederven.
Dat merkt ge evenzoo onder het zingen. Dan wil uw
ziel in die woorden invloeien; dan is het uw lust en
uw toeleg om met uw ziel mee te zingen. En één,
twee regels gaat het; maar dan trekt iets u af, weg
is uw aandacht; en opeens bespeurt ge, dat uw lippen
nog wel voortzingen, maar zonder het accompagnement
van uw hart.
En dienzelfden strijd kost het u nu ook om bij het
heilig Avondmaal wezenlijk lijdelijk te wezen, en de
actie van uw zenuwen, van uw gedachten, van uw
verbeelding zoo tot rust te brengen, dat ge niets ont-
waart dan Jezus, aan niets denkt dan aan Jezus, en
niet gevoelt dan voor Jezus.
En toch ruste, stille ruste, iets van den eeuwigen
Sabbat moet er bij het Avondmaal in uw binnenste
-ocr page 255-
DE STERKING VAN ONS GELOOP.                  235
wezen, opdat in dien Sabbat uwer ziel het werk van
Gods genade volbracht worde.
Geweld kunt ge daarbij uzelven niet aandoen.
Immers de zielservaring leert u, dat als ge er uw
wil op zet, en het met wilskracht wilt doorzetten, om
nu aan niets dan aan Jezus te denken, juist daardoor
het deuken aan Jezus u al mocielijker wordt.
Ge spant dan uw zieleleven te sterk, en juist die
inspanning uwer ziele sluit de deur van uw hart toe,
waardoor Jezus tot u in moet komen.
Veel beter is het daarom, uw ziel stil te laten gaan,
tot het den Heere belieft u aan te grijpen en u de zalige
bevinding te schenken van zijn nabijheid.
Slechts op twee dingen moet ge hierbij toezien.
Het eerste is, dat ge doorgaande in het leven uw ziel
er aan gewennen moet, om zich niet gestadiglijk te
laten aftrekken door wat om u is; maar dat ge de kunst
moet leeren, om u in uzelven te verzamelen, en soms
op te sluiten in uw ziel.
Dit nu valt den één van nature veel lichter dan den
ander; maar juist hij die dit van nature niet zoo gemak-
kelijk doet, moet er door oefening zijn ziel aan wennen.
Aan wennen, om ook onder den arbeid, om ook op
de wandeling, om ook onder het gesprek, rechtstreeks
de ziel te verheffen naar boven waar Christus is. Reeds
de oude psalmist noemde dat: «Ik hef mijne ziel tot U
op, o God!" En wie daarin gaandeweg geoefend is,
past die heilige kunst vanzelf ook bij het Avondmaal
toe; terwijl omgekeerd wie dit verzuimt, het zichzelf
te wijten heeft, zoo hij ook bij het heilig Avondmaal
zoo droevig verstrooid blijft.
En het tweede punt is, dat ge vóór het Avondmaal
aangaat, uw ziel op het Avondmaal dat komen zal richt.
Want het spreekt toch vanzelf, dat wie den dag te
voren, en den avond te voren, en de morgenuren vooraf,
met allerlei andere dingen bezig blijft, niet plotseling
-ocr page 256-
236                       DE STERKING VAN ONS GELOOF.
als hij in het bedehuis verschijnt, dien sprong uit de
wereld naar den heiligen gedachtenkring van het Sacra-
ment maken zal.
Denk toch aan Satan.
Satan heeft er belang bij, dat ge aan het Avondmaal
verstrooid zult zijn, en nu is tegen Satan zeer zeker
een schild bij uw Heiland; maar welken grond des ver-
trouwens zult ge voor uw gebed hebben, als ge zelf
alles deedt, om uw ziel tot het laatste oogenblik toe
verstrooid te houden ?
Lijdelijk onder het Avondmaal verkeeren is dus het
hoogste, niet opdat ge daar wezenloos zoudt neerzitten,
maar opdat in dien stillen Sabbat uwer ziele de kracht
des Heeren openbaar zou worden.
Immers, dat is juist het eigenlijke van het Sacrament,
niet dat gij iets voor Jezus doet, maar dat Jezus iets
in en aan u doet.
Ge hebt een inwendig bestaan, evengoed als ge een
uitwendig leven in de wereld hebt, en ook dat leven
van uw inwendigen mensch is een wereld op zichzelve.
Een wereld, waar ge niet zoo duidelijke voorstelling van
hebt; een wereld, die ge niet zoo ontleden ; en waar ge
alleen overdrachtelijk over spreken kunt, maar een we-
reld, die toch even wezenlijk is als het licht der zon,
dat u in Gods natuur beschijnt.
Vandaar dat er ook in uw inwendigen mensch zekere
kracht moet werken; want als de kracht bezwijkt, be-
zwijkt het leven van binnen. Werd nu die kracht niet
verteerd, dan zoudt ge, na eens genade ontvangen te
hebben, geen nieuwen toevoer van krachten noodig
hebben. Maar zoo is het niet. Ook in uw ziel brandt
het als in een haard. Al de moeite en strijd en wórste-
Hng van het leven put uw kracht uit. En als er dan geen
nieuwe sterking van die verbruikte en verteerde kracht
komt, raakt ge uitgeput, verslapt uw zieleleven, en zijt
ge ten leste tot elke geestelijke zielsverheffing buiten staat.
-ocr page 257-
DE STERKING VAN ONS GELOOF.                       237
Dat wist ook de apostel des Heeren, en daarom boog
hij zijn knieën, om het voor de kerk des Heeren af
te smeeken , dat //ze versterkt mocht worden met kracht
naar den inwendigen mensch;" en voor die versterking
nu is het heilig Avondmaal een der machtigste instru-
menten , die de Heere verordend heeft.
Er gaat dan genade van Jezus uit den hemel uit, en
deze genade beweegt zich naar de zijnen heen, als ze
aan den heiligen Disch gezeten, zijn brood breken en
den beker der dankzegging laten rondgaan.
Hij, de Heere, werkt dan, en alleen dit werk des
Heeren maakt het Avondmaal tot een wezenlijk Sacra-
ment. Zonder geloof kan het dus geen Sacrament zijn.
Het kan geen zegen brengen aan wie met een onge-
loovig en onbekeerhjk hart aanzit. Maar zoo er geloof
is, al ware dat geloof dan ook nog zoo zwak en inge-
zonken, daar is de deur open, en komt Jezus door de
geopende deur binnen, en stort hij in de ziel, in uw
inwendigen mensch, die hemelsche kracht, waardoor
het ingezonken leven zoo wonderbaar wordt opgewekt.
En vraagt ge nu , of dit terstond te merken is, en
of ge dit aan het Avondmaal zelf voelen kunt, dan
luidt het antwoord op die vraag zeer verschillend. Soms
toch ontwaart ge er niets van; een andermaal iets; en
zeer zelden verkeert ge op dat eigen cogenblik onder
den vollen indruk van deze zielesterking.
Dat zou niet zoo zijn, als het aan uw gevoel hing.
Dan toch zou er geen zegen zijn , of ge moest het on-
middellijk merken. Maar nu het niet aan uw gevoel
hangt, en uw gevoel er niets toe doet, en het uit-
sluitend aan de werking van Jezus hangt, nu is het
zeer natuurlijk, dat het zeer dikwijls geheel buiten uw
besef omgaat.
Zoo dient ook de arts aan een ijlenden kranke het
medicijn toe, zonder dat deze er iets van ontwaart.
En toch vloeide het medicijn in zijn bloed in, en straks
zal er sterking van blijken.
-ocr page 258-
238                     DE STERKING VAN ONS GELOOF.
Ge kunt niet eens zeggen, dat de sterking van het
heilig Avondmaal reeds den eigen dag uw geloof ster-
ker maakt. Zeer wel kan het zijn, dat deze geloofs-
sterking eerst later merkbaar wordt.
Zoo zal ook de landman het graan op den akker
besproeien, of zal God zijn regen op den akker laten
neêrdruppelen, dat er toch in de eerste uren nog niets
van een opbuigen der halmen te ontdekken valt.
Ook voor de doorwerking van deze sterking der
genade is zeker verloop van tijd noodig. En het eenige
wat ge zeker weet is, dat deze indruppeling van ge-
nade in uw ziel nooit werkeloos is noch kan blijven.
Te zijner tijd, als de genade haar proces in uw in-
wendigen mensch vervuld heeft, dan komt de vrucht,
dan bot de werking uit, en dan ja gevoelt en ont-
waart ge de meerdere geloofskracht, die ge te danken
hebt aan wat uw Heiland bij het Avondmaal in u
wrocht.
-ocr page 259-
VII.
„lotdat uij tornt."
VOORSMAAK VAN HEMELVREUGDE.
Want zoo dikwijls gij dit brood zult
eten, en dezen drinkbeker zult drinken,
zoo verkondigt den dood des Heeren, totdat
hij komt.
1 Cor. 11 i 26.
Toen de Christus in de opperzaal te Jeruzalem het
heilig Avondmaal instelde, betuigde hij, in eenigszins
raadselachtige woorden, dat «hij niet meer drinken
zou van deze vrucht des wijnstoks, totdat hij die nieuw
met hen zou drinken in het Koninkrijk zijns Vaders."
Loop over die raadselachtige woorden niet heen.
Er ligt toch in die woorden, dat uw Heiland wel
alle eeuwen door u zijn Avondmaal aanrichten, en
onder de viering van dat Avondmaal bij u zou zijn;
maar dat bij dit Avondmaal wel gij uit den beker
zoudt drinken, maar hij niet. Hij deed dit eens, toen
hij het Avondmaal instelde. Hij zal het wederom doen,
als het groote Avondmaal van de Bruiloft des Lams
ingaat. Maar in al de eeuwen, die daartusschen liggen ,
zal hij wel als de hemelsche Gastheer zijn Avondmaal
voor u bereiden, en u door zijn geestelijke tegenwoor-
digheid bij dat Avondmaal verkwikken; maar ge zult
-ocr page 260-
240                       VOORSMAAK VAN HEMELVREUGDE.
er hem niet zien; zijn hand zal niet naar den beker
grijpen; van die vrucht des wijnstoks drinkt hij op
aarde niet meer , zoolang het einde er niet zijn zal.
Maar komt dat einde vroeg of spade, en gaat die
groote doorluchtige dag des Heeren in, waarvan Joel
de profeet geprofeteerd heefi, dan komt hij weder tot
deze aarde; dan zal hij hier het Koninkrijk zijns Vaders
oprichten ; en dan zal hij nogmaals met u van die
vrucht des wijnstoks drinken; maar dan nieuw, d. w. z.
nadat met geheel deze natuur ook de wijnstok in
hemelsche heerlijkheid zal zijn overgegaan.
Zoo dikwijls ge dus aan zijn heilig Avondmaal aan-
zit, komt uw Heiland tot u, om u én naar het ver-
leden, én naar de toekomst te wijzen. Achter u ligt
Golgotha, voor u ligt de toekomst des Heeren Jezus.
En daarom wijst elk Avondmaal u terug naar het
Kruis,
en voor u uit naar de Wederkomst des Heeren
op de wolken.
Om in de rechte stemming uwer ziel bij het heilig
Avondmaal te verkeeren, zult gij dus niet turen op u
zelf, noch u verliezen in de herdenking uwer zonde,
maar het oog op het Kruis gericht houden en op hem ,
die aan dat Kruis zich ook voor u in den dood gaf.
Niet Jezus\' beminnelijke persoon, noch zijn godde-
lijke en menschelijke natuur zullen uw ziel en zinnen
vervullen, maar ge zult hem voor u zien als de Man
van smarten, en als het Lam Gods, dat de zonde der
wereld wegneemt.
Mits, en hier hangt de heilzame geloofsbeweging in
uw binnens\'e aan, mits ge al wat tusschen dat Kruis
en het laatste Oordeel inligt, wegdenkt, en het vlak
naast elkander plaatst, dat Kruis van Golgotha en het
terugkeeren van uw Heiland in glorie.
Bij het Kruis eindigt het niet. Eerst in den dag des
oordeels zal de ontzettende werking van dat Kruis ver-
staan worden. En dan eerst zal blijken, wat zaligheid
-ocr page 261-
241
VOORSMAAK VAN HEMELVREUGDE.
dat Kruis teweeg bracht, en wat schrikkelijken toorn
Gods het uitstort over een iegelijk, die voor dat Kruis
de knie niet boog.
Gelijk ge u een kandelaar niet denken kunt, zonder
de uitstraling van licht, waarmee tegelijk heel het
vertrek beschenen wordt, zoo ook staat bij het heilig
Avondmaal geen dood, geen uitgebluscht, geen werke-
loos kruis voor u; maar een kruis, waarvan een licht
en een glans uitstraalt, die schijnen door heel de
historie, die na dat kruis gekomen is en er tot op
Jezus\' wederkomst zijn zal.
Dat ééne kruis vult heel de ruimte aan tusschen
Golgotha en den Oordeelsdag, en nog in dien Oordeels-
dag zal dat Kruis over wel of wee beslissen; ja, nog
na dien Oordeelsdag zal alle glans en alle glorie,
waarin Christus met de zijnen zal stralen, eeniglijk en
alleen een vrucht en uitwerking van Golgotha zijn.
Nu is de duur van tijd, die daar tusschen ligt,
lang. Er verliepen reeds achttien eeuwen, en wie
zal zeggen, hoe lang die wederkomst des Heeren nog
toeven zal. Het zou dus uw ziel aan den heiligen Disch
onrustig maken en uw gedachten verstrooien, zoo ge
heel die lange historie zoudt willen indenken.
Maar dat zou dan ook het omgekeerde zijn van wat
ge te doen hebt.
Ge moet toch aan het heilig Avondmaal niet in den
tijd,
maar als in een voorsmaak van de eeuwigheid
leven. Er moet iets in u spreken van dat «duizend
jaren als één dag en één dag als duizend jaren." Het
Avondmaal moet niet in het midden der wereld , maar
in de Tente des Heeren genoten. Als ge aan het
Avondmaal aanzit, moet het u eigenlijk te moede zijn,
alsof alle rekening van tijd voor u wegviel, en het
eeuwige u met zijn vleugelen overschaduwde.
Zóó levendig moet het kruis van Golgotha u toe-
spreken, dat het u te moede is, alsof Jezus zoo pas
16
-ocr page 262-
242
VOORSMAAK VAN HEMELVREUGDE.
stierf, ja, alsof ge hem zelf zijn Lama Sabachtani
hoordet uitroepen. En ook, zóó bezield en werkelijk
moet de Wederkomst des Heeren u toespreken, alsof
ge niet meer naar uw woning zoudt terugkeeren, maar
Immanuel op het eigen oogenblik zou terugkomen, om
de eeuwigheid te laten ingaan.
Noem dat nu een sprong voor uw ziel; het zij zoo;
maar vraag u dan af, of niet alle krachtige geloofs\\ver-
king metterdaad een sprong uit dit leven der ellende
in de vrijheid van Gods kinderen daarboven is.
En immers, het apostolisch woord beslist, hier:
//Verkondigt den dood des Heeren, totdat hij komt."
Kruis en Toekomst in één heilige gedachte verbonden.
Iets sehitterends, mits door hemelschen eenvoud, is
daarom aan het heilig Avondmaal niet misplaatst.
Op het Kruis wijzen u het gebroken brood en het
vergoten druivensap, maar ook op de Toekomst des
Heeren wijst u het aanzitten aan den Disch. Dat aan-
zitten toch spreekt u niet van Golgotha, maar van het
groot e Avondmaal, dat het Lam voor zijn Bruid berei-
den zal.
Vandaar dat bij dien Disch al wat aardsch is weg-
valt, en de schittering eener hoogere glorie gezien wordt.
De geringe en aanzienlijke zijn daar één; de dienst-
knecht zit dan naast zijn heer; de arme neemt plaats
naast zijn weldoener; jong en oud zijn dooreenge-
mengd; en eigenlijk is de scheiding van mannen en
vrouwen bij het Avondmaal een verzwakking van het
heilig symbool. En niet alleen zit men naast elkander;
maar men eet uit één schotel, en eenzelfde beker
wordt aan veler lippen gezet.
Zoo is het op aarde niet, maar zoo zal het wel in
den hemel zijn; en daarom moet het zoo ook aan het
Avondmaal wezen.
Dus geen aardsciie sieradiën aan den disch; niets om
in aardschen zin den luister er van te verhoogen;
-ocr page 263-
VOORSMAAK VAX HEMELVREUGDE.                       24 3
maar wel over den disch gespreid het rein, blinkend
lijnwaad; wel als het kan een schotel en beker van
edel metaal; en voorts niets dan de offerbus, om de
ontferming, die Gods ontferming in u wekte, in een
daad te verzinbeeklen.
En dat alles niet om u een heilige poëzie voor oogen
te houden, maar om u, naar menschelijke wijze, een
indruk van een hooger heerlijkheid te geven dan deze
aarde u bieden kan.
Iets dat schoon door eenvoud , rijk door zijn sym-
bolische sprake is, en dat u, zonder dat ge weet hoe,
op hemelsche wijze aandoet en iels van het eeuwige
door uw ziel doet trekken.
Zoo wekt het heilig Avondmaal zeer zeker ook he-
melverlangen; maar het wekt meer; het wekt ook in
u een heimwee naar de Toekomst uws Heeien.
Zoo ge plotseling sterven moest, zou er geen schoo-
ner, zachter dood voor u zijn, dan om zoo van het
heilig Avondmaal de eeuwigheid in te gaan, en voor
altoos bij uw Jezus te wezen.
Maar toch, dat is nog niet de volle aandrift van
wat er schuilt in dat „totdat hij komt".
Hemelverlangen is op zichzelf nog niet anders, dan
een zucht om uit deze gedrukte en altoos weer teleur-
stellende wereld van uw moeielijke taak ontslagen te
worden, en na uw sterven rust in het eeuwige te
vinden.
Dus altoos nog, een zeker bezig zijn met uzelven;
een uitzien naar wat u goed zal doen; een dorsten
naar wat een einde zal maken aan wat u hier drukt
en beklemt. Vandaar dat ge zulk hemelverlangen meest
uiterst zwak vindt, als hier het leven tamelijk geluk-
kig is, en meest zeer sterk, als het levenslot hier pijn-
lijk wierd.
Maar heimwee naar het wederkomen des Heeren,
heimwee naar het Maranatha is heel iets anders.
-ocr page 264-
244                        VOORSMAAK VAN HEMELVREUGDE.
Dan verliest ge u in uw Jezus; dan is het u om
hein, en niet om u zelven te doen. En dan dorst de
ziel in u naar dat oogenblik van volkomen triomf, als
eens de vloek en smaad van Golgotha in den glans
en in de glorie van het Teeken van den Zoon des
menschen zal verslonden worden.
Zooals de heiligen daarboven roepen; //Tot hoe
lange, groote en rechtvaardige Rechter, toeft het door-
breken van den dag uwer heerlijkheid?"
En dan gaat dat Avondmaal wel weer voorbij, en
keert ge wel in uw aardsche leven terug.
Maar dat hemelsche gezicht, dat ge genoten hebt,
vergeet ge dan toch niet.
Het blijft bij u. Het vertroost en het bemoedigt u.
En ge gevoelt u wel, meer dan vroeger, vreemdeling
op aarde, maar toch reizende naar de hemelstad.
-ocr page 265-
VIII.
,t£aat daar md gnoe tij net aftaar."
OORDEEL OVER UZELVEN, ALS GE NIET GAAT.
Zoo gij dan uwe gave zult op het
altaar offeren, en aldaar gedachtig wordt,
dat uw broeder iets tegen u heeft, laat
daar uwe gave voor het altaar, en ga
heen, verzoen u eerst met uwen broeder,
en kom dan en offer uwe gave.
(Matth. 5: 23, 24).
Indien ge in uw ziel overtuigd zijt, dat ge u nog
niet «met waren harte tot God bekeerd hebt"; of ook
na een val in zonde u niet opnieuw met waren harte
bekeerd hebt tot uw God, moogt ge natuurlijk niet aan
het heilig Avondmaal gaan.
Ge staat dan met uw hart afgekeerd van uw God.
Gij wilt volharden in uw vijandschap tegen den Heere.
Ge weigert u tot hem te bekeeren; althans met waren
harte. En hoe zoudt ge dan onder de vrienden des
Heeren aan zijn heilig Avondmaal sluipen?
Neen, de Heere roept en wacht aan zijn heiligen
Disch geen zondaren, die hardnekkig in hun zondig
bestaan volharden; maar alleen de zoodanigen, wien
hun zondig bestaan van harte leed is; die diep in de
ziel hun zondig bestaan verfoeien; en alsnu niet langer
-ocr page 266-
246 OORDEEL OVER UZELVEN, ALS GE NIET GAAT.
weigeren als verlorenen en doemschuldigen te drinken
uit de Fontein, die opgericht is voor het huis Israels
tegen de ongerechtigheid en tegen de zonde.
Zich niet te bekeeren tot den levenden God, en in
zijn onbekeerden staat toch aan het Avondmaal te gaan ,
kan geen geloof sterken , omdat er in den onbekeerde
geen zaligmakend geloof\' is. In zulk een is nog niets
dan ongeloof. Juist door het Avondmaal zou dat onge-
loof dus in u verhard worden. En dit zou zijn een
oordeel ten kwade over uzelven brengen.
Doch nu geraakt ge in tweestrijd.
Ge deedt openbare belijdenis, om toegang tot het
heilig Avondmaal te erlangen. Gij zijt dus ingelijfd bij
hen, die ten Avondmaal moeten gaan. En zie, nu is
toch als het Avondmaal weer naakt, uw geestelijke
toestand van zulk een oubekeerden aard, dat ge niet
ten Avondmaal kunt of moogt gaan.
Zegt ge toch: «Ik deed openbare belijdenis, en op
dien grond ga ik", dan verderft ge het Avondmaal
van Christus. Immers uw openbare belijdenis is een
uitwendige daad, en de grond van uw Avondmaal moet
geestelijk zijn.
Toch is het alleen de zonde, die tweestrijd doet
geboren worden.
Elk gedoopte staat onder de verplichting, om zich,
zoodra hij tot jaren van onderscheid gekomen is, «met
waren harte tot zijn God te bekeeren"; en eerst als
hij dit metterdaad gedaan heeft, kan en mag hij open-
bare belijdenis doen.
Want ook hier geldt hetzelfde, wat van het heilig
Avondmaal geldt. Te zeggen: «Ik heb mij nog wel niet
tot mijn God bekeerd. Dat zal later wel komen. Maar
nu doe ik alvast belijdenis", is spelen met het heilige.
Of wat is belijdenis anders, dan opstaan in het midden
der gemeente, om alsnu te verklaren, dat ook gij een
van de vrijgekochten des Heeren zijt en op dien grond
den Middelaar als uw Heiland wilt belijden.
-ocr page 267-
OORDEEL OVER UZELVEX , ALS GE NIET GAAT.         247
Die plicht tot bekeering rust natuurlijk op de on-
derstelling van wedergeboorte; of hoe zou iemand zich
ooit met waren harte kunnen bekeeren, tenzij God hem
eerst wedergeboren had ?
Maar gaat die onderstelling bij u door; heeft God
op verborgen wijze het zaad des levens in den akker
van uw hart gestrooid; en werkt alzoo, onder het ze-
gel van uw Doop, de kracht der toekomende eeuw in
u; dan is door Gods genade de bekeering u ook mo-
gelijk geworden; en is het niets dan uw eigen zon-
dige boosheid en moedwil, zoo ge u niet tot uw God
bekeert.
Hier ligt dus een keten des heils, die heerlijk in
haar sehalmen ligt saamgesehakeld: De wortel des heils
is uw uitverkiezing; krachtens die uitverkiezing werkte
God in u, daar gij dood waart, het beginsel des nieu-
wen levens door de wedergeboorte; op dien grond wordt
gij in den naam van den Drieëenigen God gedoopt;
als gedoopte zijt ge gehouden en verplicht u tot den
levenden God met waren harte te bekeeren; zoodra
ge dit deedt, doet ge openbare belijdenis; en na aldus
openbare belijdenis gedaan te hebben, dat ge weet over-
gezet te zijn uit den dood in het leven, treedt ge
nu met de verlosten toe aan het heilig Avondmaal.
Maar nu zijn twee gevallen denkbaar.
Als weer de bediening van het Avondmaal wordt
aangekondigd, staat ge in dit zalig besef van uw
bekeering, of ge staat er niet in.
Indien wel, dan gaat ge. Geloovende, maar als een
kleingeloovige, zoekt ge bij uw Heiland de sterking,
die hij u biedt voor uw geloof.
Maar indien niet, dan is de poorte voor u geslo-
ten. Ge hebt geen bruiloftskleed. Of omdat ge het
nooit hadt; óf omdat ge meent het te zijn kwijt ge-
raakt. Twee toestanden , die ge wel moet onderscheiden.
Neem u het eerste. Stel dat ge in uw onbezon-
-ocr page 268-
248 OORDEEL OVER UZELVEN, ALS CE NIET GAAT.
nenheid een dwaasheid hebt gedaan, en nu van ach-
teren merkt, hoe ge ter openbare belijdenis van uw-
Heiland zijt opgegaan, zonder dat ge een Heiland hadt.
Ge ziet dan nu in, hoe ge met een gansehelijk onbe-
keerd en Gode nog vijandig hart, u zijt gaan aandienen,
alsof ge u met waren harte tot uw God bekeerd hadt.
In dat geval nu is uiteraard uw openbare belijdenis
voor u nietig en van geener waarde, en zoudt ge eigen-
lijk tot uw kerkeraad moeten gaan, om te zeggen : Ik
beb gelogen, ik heb geveinsd, ik heb verklaard wat
ik niet kon verklaren. Sluit mij weer uit en ontneem
mij mijn toegangsrecht tot den heiligen Disch.
Maar ge kunt nog beter doen. Er is een nog uit-
nemender weg.
Immers, door dien onbezonnen stap verviel uw plicht
niet, om u alsnog, om u op staanden voet, om u in
het heden der genade , eer het te laat is, en uwe ziel
voor eeuwig verloren gaat, «met waren harte tot uwen
God te bekeeren".
En doet ge dit, op grond van uw wedergeboorte,
dan natuurlijk maakt ge van achteren het holle en
onware van uw belijdenis goed , en gaat ge alsnu schuch-
terlijk beschaamd, maar in uw God vroolijk, aan den
heiligen Disch meê op.
Dat is dus het punt, waar het op aankomt.
Ge moogt niet redeneeren: Ik deed belijdenis, en
dus kan ik aan het Avondmaal gaan. En ge moo<it
evenmin zeggen: Ik deed wel belijdenis, maar heb mij
nog niet bekeerd, dus blijf ik vaa het Avondmaal weg.
Neen, wat alleen goed is, is te zeggen: Ik deed be-
lijdenis, maar zonder mij bekeerd te hebben; dus moet
ik mij alsnog bekeeren, en dan ten Avondmaal opgaan.
Loop hier niet overheen.
De groote geestelijke fout is toch, dat zoo honder-
den bij honderden de roepslem tol bekeering niet hoo-
ren, die minstens viermaal elk jaar van Gods wege
tot hen uitgaat.
-ocr page 269-
OORDEEL OVEE UZELVEN , ALS GE NIET GAAT.         249
Ze leven dan voort en voort zonder zich te bekee-
ren: en als er weer Avondmaal komt, denken ze:
Dit gaat mij nog niet aan. Later als ik eens bekeerd
mocht worden , dan komt dat ook voor mij.
En dit nu juist is hun zonde.
Daardoor toch verachten ze \'s Heeren Avondmaal,
€n halen in hun wegblijven en gedachteloos voorbij-
gaan van het Avondmaal een oordeel over zich.
Zie, de Heere Jezus sprak in zijn Bergrede ook van
een man, die geen deel aan hem had, omdat hij on-
verzoend met zijn broeder stond.
Maar hoe teekent Jezus ons nu dien man ?
Als iemand, die zich om het heilige niet bekreunt?
Als iemand, die denkt: dat is niet voor mij?
Neen, zeg ik u, maar deze man, zegt Jezus, komt
met zijn gave bij het altaar, en nu moet hij terug,
om zich eerst tot verzoening met zijn broeder te be-
keeren. Maar zijn gave moet bij het altaar blijven
liggen, juist als roepstem, dat hij zich onverwijld van
zijn zonde te bekeeren heeft , om terstond daarna weer
te keeren, en zijn gave te offeren.
De Dienaren des Woords mogen dit dan ook wel
wat ernstiger in de gemeente aandringen.
Elk Avondmaal, dat komt, is een roepstem, óf om
ten Avondmaal op te gaan, óf om zoo men nog on-
bekeerd staat, zich in het heden der genade tot den
levenden God te bekeeren.
Elk Avondmaal in de gemeente moet teweeg bren-
gen, dat er weer onbekeerde zielen tot bekeering ko-
men , en door die bekeering zich den weg tot het Avond-
maal ontsluiten.
Uitwendige kerkelijkheid is hier de dood. Te zeggen:
«Gij zijt lidmaat, dus kom!" is een ongeestelijk zeg-
gen. Er moet tusschen ingelascht dit andere zeggen:
«Gij zijt lidmaat; dus immers bekeerd tot den levenden
God?
Zoo ja, treed dan toe!"
-ocr page 270-
250         OORDEEL OVER tZELVKN, ALS GE XIET GAAT.
En nu het tweede geval.
Stel ge hebt niet gelogen bij uw openbare belijdenis.
Ge hadt u metterdaad tot den Heere uw God met
waren harte bekeerd. De Heere was uw Heiland ge-
worden.
Zoo gingt ge eerst dan ook blij te moe op aan zijn
heiligen Disch.
Maar sinds trokken er nevelen voor uw geloofsoog.
Duisternisse sloeg op uw hart. Ge gaaft weer toe aan
uw ongeloof. Ge vielt weer in allerlei zonden. De
heilige zalfblie was weer verdonkerd op het gelaat
uwer ziel. Zoo zelfs dat ge gevoeldet weer van uw
God te zijn afgekeerd.
Nu roept het heilig Avondmaal.
Zult ge nu zeggen: „Daar ga ik niet." Of zult ge
zeggen: »Ik ben eens bekeerd, dus doet het er niet
toe, hoe ik nu ben. Ik ga."
Lieve broeder of zuster, beide zou kwaad gezegd zijn.
Ge moogt niet wegblijven, en toch ook: zóó moogt
ge niet gaan.
Ge moogt niet wegblijven, want de genade aan u
geschied blijft eeuwiglijk, en dus rust ook op u de
verplichting, om den dood uws Heeren te verkondi-
gen. Niet uw stemming, maar uw staat beslist voor
het heilig Avondmaal; en juist dat Avondmaal is een
u geboden middel, om weer met versche zalfolie over-
goten te worden.
Maar zóó moogt ge niet gaan.
Neen , die roepstem tot het Avondmaal moet u ont-
roeren in u zelven; moet u innerlijk schudden en wak-
ker maken. Het moet er u toe brengen om op de
borst te slaan; om op uw knieën voor uw God te
vallen; om te roepen: «o, God, wees mij arme zon-
daar genadig!"
En dan gaat ge, tot uw God weer toegekeerd, en
Hij sterkt u het geloof.
-ocr page 271-
IX.
„fcooetl u eerst met urnen Broeder."
GA NOOIT ON VERZOEND.
Laat daar uwe gave voor liet altaar,
en ga heen, ver/.oen u eerst met uwen
broeder, en kom dan en oll\'er uwe gave.
(Matth. 5 : 24.)
Een onverzoend hart is niet bereid ten Avondmaal;
en in den grond der zaak onbekwaam, om het zoet
van de vergeving der zonde te smaken.
Luister maar naar de vijfde bede in het «Onze Vader\'\':
;/ Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen
schuldenaren."
Vergiffenis ontvangen en zelf\' vergeven liggen dus
geestelijk altoos saarngekoppeld. Gij kunt zelf niet in
de verzoening van Golgotha gelooven , tenzij er zin voor
verzoening met uw broeder in uw hart zij.
De neiging, lust en drang, die ge tot vergeving van
uw broeder iu uw ziel bespeurt, is u de thermometer,
die u aanwijst, tot welk een graad het geloof aan uw
eigen verzoening aanzwol in uw eigen hart.
Natuurlijk niet alsof God u zou vergeven, omdat ge
uw broeder vergeeft. Dan toch hadt ge het kruis van
Golgotha niet noodig. Dan ware het bloed van het
heilig Godslam tevergeefs vergoten. En dan zou eigen
-ocr page 272-
252                                OA NOOIT ONVERZOEND.
verdienste en eigen gerechtigheid weer de grond \\vor-
den van uw zaligheid.
Maar dit is de zaak.
Van nature zijt ook gij geneigd, niet om uw schul-
denaren te vergeven, maar om hun hun zonden te
houden; om het hun betaald te zetten; u te wreken ;
en de bitterheid in uw hart niet te dempen, maar
aan te wakkeren.
En dit nu wordt dan eerst, anders in u, als uw ik
geknakt werd; de zelfzucht uit u week, of althans be-
gon te wijken ; als uw trotsche kop gebroken , en uw
harde nek gebogen wierd; kortom als het in u kwam
tot die innerlijke verbrijzeling, die u in «een versla-
gen geest" bekwaamt tot dat eenig offer, dat Gode be-
hagen kan.
Wie nu deze stemming in zich ontwaart, die weet
derhalve, dat hij dit niet uit zichzelf, noch uit zijn
natuur, maar alleen door de genade van God alzoo
bezit. En daarom kan zulk een dan ook in waarheid
het Onze Vader bidden, en tot zijn God roepen: «Ver-
geef ook mij mijn schuld, gelijk ik de gezindheid in
mijn hart gevoel om mijn broeder te vergeven".
Miiar zie toe, uw hart is arglistig, meer dan eenig
ding; en het is lang niet zoo zeldzaam, dat iemand
nog met wraak en haat tegen zijn broeder of zuster in
zijn hart verkeert, en dat hij toch een vromen aan-
drang gevoelt, om met offerande en eerbiedenisse tot
zijn God te gaan.
Zulk een persoon tee^ent de Heere ons dan ook in
de Bergrede.
Een man, die thuis zijnde aan zijn God gedacht
heeft, en het besluit nam zijn God met offerande te-
gen te gaan; hetzij met een offerande voor zijn schuld
of met een offerande der dankzegging.
En toch liep die vrome man nog met een on verzoend
hart, toen hij reeds met zijn offerdier tot bij het al-
taar des Heeren genaderd was.
-ocr page 273-
253
GA NOOIT ONVEUZOEND.
En nu zegt Jezus tot dezen man, dat hij op die
manier onmogelijk zijn God eere kan geven.
Neen, hij moet zijn offerande daar bij het altaar
laten; teruggaan tot zijn broeder met wien hij in on-
eenigheid leeft; zich in zijn hart en voor de menschen
met zijn broeder verzoenen ; en dan eerst mag hij naar
het altaar terugkeeren, om Gode zijn offerande van
lof of dankzegging op te dragen.
En datzelfde geldt nu natuurlijk ook van het heilig
Avondmaal.
Ook daar wil dikwijls een mensch heen, die wel
vroom is en zijn God wil zoeken, maar met een on-
verzoend hart.
En dat mag niet.
Dat staat de Heere niet toe.
Wie aldus ten Avondmaal ging, zou in zijn eten
en zijn drinken, een oordeel over zich brengen.
En vandaar is het dat onze kerken steeds dezen re-
get gevolgd hebben, om voor elk Avondmaal alle on-
verzoendheden in de gemeente tot verzoening te brengen;
alle onverzoende personen er af te houden; en, als
de onverzoendheid een groot deel der gemeente had
aangegrepen, desnoods het geheele Avondmaal niet te
houden, maar uit te stellen, tot de geest van broe-
dermin en verzoening is weergekeerd.
Toen sloop ook hierin vaak misverstand.
Sommigen toeh beelden zich in, dat ze nimmer ten
Avondmaal mochten gaan, tenzij eerst de persoen, met
wien ze in onmin leefden , ook zijnerzijds tot verzoe-
ning bereid was.
En dit nu is niet zoo; eenvoudig omdat gij over zijn
hart geen meester zijt, en hem dus niet tot verzoe-
ning kunt dwingen.
De regel die hier geldt is dus deze, dat gij u af
hebt te vragen: Ten eerste, of gij in uw hart waarlijk
bereid zijt, de minste te wezen; liever schade en on-
-ocr page 274-
254
GA NOOIT ONVERZOENI).
gelijk te lijden, dan onverzoend te blijven; en of gij
alzoo voor God in uw ziele weet. dat het aan u niet
langer hapert. Ten tweede, dat gij niet alleen zoo in
uw hart gevoelt, maar ook bereid zijt tot hem te gaan,
u de minste te toonen, en hem de hand der verzoe-
ning aan te bieden. En ten derde, dat gij, zoo de per-
soon met wien ge in onmin leefdet, met u onder het
opzicht van dezelfde Opzieners staat, uwe zaak, zoo
het u niet gelukt, deze onder u beiden, of met een
paar broeders af te doen, bij die Opzieners aanbrengt,
en vraagt dat zij oordeelen.
Is nu aan deze drie dingen door u voldaan, zoodat
ge in uw hart vrij uitgaat; aan hem die met u in
onmin leefde, met een gebroken hart, verzoening aan-
boodt; en zoo dit niet hiel]), eerst een paar broederen
te hulp riept, en dan de zaak bij den kerkeraad aau-
bracht; en wil die broeder of zuster, met wie gij in
onmin stondt, dan toch niet, dan gaat gij vrij uit, en
is er niets meer dat uw toegang tot het heilig Avond-
maal zou kunnen of mogen verhinderen.
Uw Opzieners hebben dan verder hunnerzijds te han-
delen met den onwillige; maar van u is het af. Gij
hebt al gedaan wat ge doen kondt. En de toegang-
tot het heilig Avondmaal is u onverlet.
Want wel geven we toe, dat ook hierbij leugen kan
insluipen, dat iemand, die werkelijk ongelijk had, zich
nederig aanstelt, zonder het te meenen, en zoo door
de Opzieners wordt vrijgesproken, daar hij toch schuld
had ; maar dit verblijft dan ook aan het oordeel Gods.
Hij alleen is de Kenner der harten.
Anders staat de zaak natuurlijk, als de persoon,
met wien gij in onmin leefdet, niet van uw broederen
is, en dus niet hoort naar de oproeping of de uitspraak
van uw Opzieners.
Want ook dan geldt wel voor u de plicht om u te
verzoenen, maar dan kunt ge de zaak niet door uw
Opzieners tot beslissing brengen.
-ocr page 275-
GA NOOIT ON VERZOEN f).
Gij moet altoos en tegenover een iegelijk tot ver-
zoening bereid zijn; want immers in het Onze Vader
luidt de bede: //gelijk wij vergeven onzen schuldena-
ren;\'1\'\'
d. i. zonder eenige uitzondering, niet alleen den
schuldenaren onder onze broederen, maar ook onder
onze vijanden.
Gij moogt niemand zijn schuld houden. Gij moet je-
gens een iegelijk tot volkomen vergïffenisse bereid zijn.
Niet zevenmaal, maar zeventigmaal zevenmaal zult gij
uw schuldenaar vergeven.
Wrok mag er niet in uw hart leven. En zoolang
er ook maar één enkel mensen leeft, ten wiens op-
zichte gij in uw hart onverzoend mocht blijven, staat
ge voor God scheef en moogt ge niet ten Avondmaal
opgaan; en kunt ge dus ook niet sterven, met het
uitzicht van zijn hemel te zullen binnengaan.
Want dezen regel zult ge altoos vasthouden: Wie
door den dood in den hemel zou ingaan, die hoorl ook
aan het Avondmaal.
En wie niet ten Avondmaal kan
gaan, zou, zoo hij stierf, ook sterven zonder hope op
eeuwige zaligheid.
Ook bij personen, die niet van de broederen zijn,
moet gij dus verzoend in uw hart zijn; de vergeving
hun uit een oprecht hart aanbieden; en desuoods een
paar kennissen of vrienden saamroepen, om den twist
te beslechten.
Maar natuurlijk, het laatste redmiddel, dat er bij
een broeder overblijft, kan bij zulk een buitenstaand
persoon niet worden aangewend. Uw Opzieners kunnen
deze zaak niet voor u beslechten. Vandaar dat ge in
zulk een geval in uw eigen conscientie verzekerd moet
zijn, en dan ten Avondmaal kunt en moet gaan, als
gij in uw hart niets meer tegen hem hebt, en al
deedt wat in uw macht stond, om de bitterheid weg-
te nemen.
-ocr page 276-
256                               GA NOOIT ONVERZOEND.
Ge zijt er dus noch bij zulk een buitenstaande ken-
nis, noch bij uw broeder meê van af, dat ge zegt:
z/ln mijn hart heb ik hem vergeven."
Daarin toch zoudt ge uzelven en hem nog bitterlijk
misleiden kunnen.
Neen, de Heere eischt zeer stellig van u, dat ge
uwerzijds ook een ernstige poging aanwendt, om de
bitterheid uit den omgang en uit het leven weg te nemen.
Zulk een kwaad mag niet blijven zitten. Dat kwade
zaad mag niet ontkiemen en opschieten. Alle onkruid
moet uitgeroeid.
En daarom wordt wel degelijk van u geëischt, dat
ge u ook deze vernedering zult laten welgevallen, om
de minste te zijn; om tot hem te gaan; en hem, zon-
der oprakeling van het geschil, de hand der verzoe-
ning aan te bieden.
Eerst daardoor levert gij het bewijs, dat gij het
meent; dat het u ernst is; en dat wel waarlijk een
dorst naar verzoening en vrede u bezielt.
Ook dan echter is er nóg een zelfmisleiding moge-
lijk, waartegen ge op uw hoede zult zijn.
Soms namelijk wil iemand wel vergeven, als de
ander eerst zijn ongelijk erkent. En dat nu is misge-
zien. God de Heere heeft voor u in Christus verge-
ving teweeg gebracht toen gij nog een vijand Gods
waart, en nog niets van bekentenis van schuld wildet
weten. En juist, daardoor, door die voorkomende Ont-
ferming is ten leste uw hart verteederd, en zijt ge ten
slotte tot oprechte belijdenis van schuld gekomen.
En zoo nu hebt ook gij te werk te gaan.
Ge moet vergeven. Van harte vergeven. Vergeven
zevenmaal en zeventigmaal zevenmaal. Ge moet voor
wie uw vijand was bidden. Hem zegenen. En hem
weldoen.
Wel moet gij uwerzijds alle ongelijk bekennen. Elk
korrelke schuld dat ge in uw eigen hart te zijnen op-
zichte ontdekt, cordaat en open belijden, en zeggen
dat het u leed is; maar gij moet ditzelfde niet omge-
keerd
vergen.
-ocr page 277-
GA NOOIT ONVERZOEND.                                 257
Want wel is dit dan zijn plicht, en is het heerlijk
voor hem, zoo hij er toe komt; maar gij moogt er
uw vergeving niet van afhankelijk maken.
Integendeel, gij moet uwerzijds alle ongelijk bel ij -
den, dat ge slechts even belijden en in uzelven ont-
dekken kunt. En voorts moet ge vergeven, moet ge
verzoening aanbieden en vragen; en moogt ge geen
middel van zelfvernedering en ootmoedigheid onbe-
proefd laten, om deze victorie te behalen, dat het
daadwerkelijk tot verzoening kome.
17
-ocr page 278-
X.
„Dm te doen geden&en."
LIEF EN LEED BIJ DEN HEILIGEN DISCH.
Een psalm van David, om te doen
gedenken.
Ps. 38 : 1.
Bij onze vaderen was de kostelijke gewoonte in
zwang, om den dag van het heilig Avondmaal ook te
stempelen tot een dag des Gedenkens.
Ons menschelijk leven ondergaat gedurig schokken
en schommelingen; na dagen van kalmte volgen er da-
gen die ons aangrijpen in het diepst onzer ziel; en een
iegelijk weet ze in zijn eigen leven wel aan te wij-
zen die dagen, die niet waren als andere dagen, maar
waarop dubbel en driedubbel is geleefd, zooals de smart
onze ziel verteerde, of hooge vreugd en heilige ver-
rukking over uitredding of duizend werf verbeurden ze-
gen ons menschelijk hart in spanning bracht.
Onder deze soort dagen zijn er van meer gewonen
en van meer buitengewonen aard.
Meer gewoon kunt ge het noemen, zoo de terug-
keering van een geboortedag den levenstoon in het
gezin verhoogt; als de dag komt, die u eindelijk in
het huwelijk vereenigt met den man of de vrouw uwer
-ocr page 279-
LIEF EN LEED BIJ DEN HEILIGEN DISCH.             259
keuze; als straks uit dien echt u een kind van God
geboren wordt; of als dat kind, straks opgegroeid, tot
de belijdenis van zijn Heere komt of slaagt bij zijn
optreden in de maatschappij. Reeds zeldzamer maar
toch nog van gewonen aard is het feest van uw zil-
veren bruiloft of een jubileum dat ge in uw betrek-
king moogt vieren. Immers ook al dit vloeit nog voort
uit den stillen, gewonen gang des levens. En wel is
de goedertierenheid uws Gods ook in al dezen jubel,
maar toch in den gewonen gang des levens mocht van
mijlpaal tot mijlpaal de komst dezer vreugdedagen wor-
den ingewacht.
Welnu, reeds al zulke dagen brachten onze vaderen
in verband met het heilig Avondmaal.
Ze hadden op deze dagen van verrassenden zegen
dieper dan anders uit den kelk van Gods barmhartig-
heid gedronken. Ze hadden zich weer kleiner en af-
hankelijker van den Heere hunnen God gevoeld. En
bovenal door hun ziel was het ootmoedig besef gegaan,
dat ze toch eigenlijk door hun diep zondig bestaan al
dezen zegen verbeurd hadden, en dat het alleen om
Christus\' wille, dat het alleen uit genade was, dat
hun God hun niet gedaan had naar hun zonde, maar
hen verrijkt had met zijn eeuwige goedertierenheden.
Zoo verbond zich dus voor het geloofsbesef de op-
nieuw ervaren goedertierenheid huns Gods met die on-
uitsprekelijke gave, die hun in het Kruis van Golgotha
was geboden.
En dan weerklonk de uitroep van David in hun ziel:
Om Ie doen gedenken. En hetzij als jong gehuwden,
hetzij nadat God ze in hun kinderen of in hun huis
gezegend had, gingen ze op ten Avondmaal, liefst met
hun magen en vrienden, die deelden in hun vreugde,
om aan dien God, wiens goedertierenheden in der
eeuwigheid zijn, het lofoffer te brengen van hun dank.
-ocr page 280-
260             LIEF EN LEED BIJ DEN HEILIGEN DISCH.
Maar vooral gevoelden ze daar drang en behoefte
aan, als een buitengewone gebeurtenis den golfslag van
hun leven had doen aanzwellen , \'tzij dat God de Heere
hen bedroefd had door bittere rouwe, \'tzij dat Hij ze
verkwikt en verrast had door wondere uitredding.
Dat hing dan meestal aan een gevaarlijke krankheid,
waarin ze geworpen waren , of waardoor een hun zoo
dierbaar leven wierd bedreigd. Dat hing dan aan ge-
varen , waarin ze onverhoeds door schipbreuk of onge-
val gekomen waren. Of ook aan machtige rampen,
die hen door oorlog, door gevaar van den vijand, of
door een paniek in den handel overvieleu.
Dat waren dan de dagen, waarin ze het boek Job
opsloegen, om nogmaals medicijn voor hun ziel in te
drinken uit de bange worsteling van dezen wonderen
man Gods, groot in zijn voorspoed, nog grooter in zijn
lijden; groot als hij voor God roept en grooter nog als
hij door God wordt berispt.
Dan waren er soms dagen doorleefd, alsof de hel
uit de diepte tegen hun ziel opkroop; dat banden des
doods hen omvangen hadden, en de laatste ster aan
den hemel hunner hope scheen ondergegaan.
Maar in die benauwdheid hadden ze tot den Heere
geroepen, en \'tzij het Hem dan beliefd had, hun vreeze
af te wenden, \'tzij dat naar zijn ondoorgrondelijk be-
stel, hun vreeze kwam; in beide gevallen hadden ze
dan toch een Pniël doorleefd. Ze hadden geroepen; ze
hadden gesmeekt; ze hadden met hun God geworsteld.
En hetzij dan een bijna ongehoopte uitredding hun ziel
tot in de wolken deed opklimmen, hetzij dat ze in
diepen rouw den uitgang van deze spanning hunner
liefde beweenden; hun God was hun nader gekomen,
zijn hand hadden ze gevoeld; zijn voetstap op hun le-
venspad ontdekt. En zoo was én die vreugd én die
rouwe, een daad huns Godsom te gedenken, geworden.
En nu voor dat gedenken koos stille vroomheid dan
den gang naar het Avondmaal.
-ocr page 281-
UUt EN LEED BIJ 1>EN- HEILIGEN DISCH.             261
Soms hoort men daar nog van; maar toch het wierd
minder; iets wat zich daaruit verklaart, dat het heilig
Avondmaal voor zoovelen van Gods kinderen ophield
het glanspunt van hun leven te zijn.
Is het goed met Gods lievelingen op aarde, dan is
in den Immanuël al hun lust; in hem, dien ze, hoe-
wel hem niet ziende, nochtans liefhebben met een
onuitsprekelijke vreugde. En nu is ongetwijfeld de ge-
meenschap met dien Goël en Middelaar niet beperkt
tot de enkele malen, dat we Avondmaal vieren, en
kan ook onder den arbeid, in de stille huiskamer, op
de knieën voor uw legerstede, en zelfs in stille nach-
ten, als de slaap van u wijkt, die zielsgemeenschap
met uw Heiland zoet zijn.
Maar toch, hoe zoet en goed die gemeenschap ook
door uw ziel genoten worde, toch geeft het u nooit,
wat het heilig Avondmaal u biedt; want alleen dat
Avondmaal heeft de belofte, dat de Heere daar aan
dien disch u ontmoeten zal, en door almachtige genade
uit den hemel het geloof in uw ziel versterken wil.
Dat Avondmaal biedt u de gemeenschap met uw
Heiland niet geïsoleerd, maar in de gemeenschap der
heiligen.
Het geeft u die gemeenschap niet in mystieke
zelfoverpeinzing, maar in teekenen naar de ordinantie
des Heeren. En bovenal het biedt u die gemeenschap
in een vorm , rijk door goddelijken eenvoud , die recht-
streeks aansluit aan de bruiloft des Lams die komt.
Daarom moet het heilig Avondmaal voor al Gods
kinderen hier op aarde, wel het rijke glanspunt van
hun geloofsleven zijn. Immers het is niet onze keuze;
het is geen eigenwillige godsdienst; maar de Heere
zelf heeft het ingesteld.
En dit nu juist brengt met zich, dat, zoo er tus-
schen uw laatste Avondmaal en het Avondmaal dat
ge nu gaat vieren, een machtige gebeurtenisse in uw
leven ligt, \'tzij van hoog verblijden, \'tzij van diepe
en zielverscheurende rouwe, dan moet ge aan dat
Avondmaal immers vanzelf aan die aangrijpende ont-
moeting met uwen God op uwen levensweg gedenken.
-ocr page 282-
262              LIEF EX LEED BIJ DEN HEILIGEN DISCII.
Hetzij het kwam door den storm, \'tzij het door de
zachte koelte ging, in elke aangrijpende gebeurtenis
van dien aard ligt een Pniël voor uw geloofsleven; en
hoe zoudt ge dan bij het heilig Avondmaal weer de
gemeenschap met uw Ontfermer en uw Heiland kun-
nen zoeken, zonder dat vanzelf, en toch opzettelijk,
dat om te doen gedenken voor uw ziel trad?
Slechts tegen een kwaad zult ge hierbij op uw hoede
moeten zijn. Hiertegen namelijk, dat nooit die bijzon-
dere gebeurtenis uit uw levenservaring het heilig Avond-
maal , de geheel eenige gedachtenis van het kruis van
Christus, naar den achtergrond dringe.
Maar hieraan zult ge u dan ook niet bezondigen,
zoo ge uw leed of uw vreugd waarlijk in het geloof
doorleefd hebt, met uw conscientie in verband hebt
gebracht, en diep ervaren hebt, wat u niet slechts als
kind des menschen, maar als zondaar, en als geredde
zondaar, en daarom als kind van God overkwam.
Dan toch hebt ge bij uw vreugd geen oogenblik uw
Heiland vergeten, noch u tot genieten bekwaam ge-
voeld dan in de gemeenschap met zijn offerande ook
voor uw zonde.
En omgekeerd hebt ge ook bij rouw en smart geen
troost in ontspanning ot afleiding, maar alleen in de
gemeenschap met //Christus en dien gekruist" gevonden.
En dan natuurlijk past het heilig Avondmaal bij
uw zielstoestand volkomen; en blijft ook aan dit hei-
lig Avondmaal //de gave Gods in Christus Jezus" voor
u de Zonne in de volheid harer glansen, waarbij al
wat u in het leven weervoer, als in schuilend maan-
licht verbleekt.
Maar veeltijds staat het geloofsleven niet zoo hoog.
Dan is er nog zekere scheiding tusschen hetgeen we
gelooven voor onze ziel, en doorleven in de wereld.
Men weent dan of men lacht; men kwijnt weg in
smart of jubelt in hooge vreugde, ja, wel niet buiten
-ocr page 283-
LIEF EN LEED BIJ DEN HEILIGEN DISCH,             263
zijn God, omdat men nog de knieën buigt, en bidt of
dankt; maar zoo, dat dit alles toch maar bepaald blijft
tot het geloof in Gods Voorzienigheid, en niet gemengd
wordt met dat hoogere geloofsleven, dat een kind van
God^in zijn Immanuël heeft.
En dan zou o, zoo licht bij uw Avondmaal op zulk
een dag des gedenkens, uw eigen lijden het lijden van
uw Heiland
gaan verdringen.
Nu dat mag uiteraard nooit. Dat ware uit geloof in
ongeloof terug te vallen.
En daarom : Om Ie doen gedenken blijft de roepstem
voor Gods kinderen; maar om te kunnen gedenken,
moet er ook in vreugd en smart geleefd met uw Heiland.
-ocr page 284-
XI.
„ten neitigc üus."
DE MEDEAANZITTENDEN.
Groet elkander met een heiligen kus.
Rom. 16:16.
Bij den heiligen Disch zit ge niet alleen aan. Met
u scharen zich om dien Disch mannen en vrouwen,
jongelingen en jongedochteren , rijken en armen , vrijen
en dienstbaren, ouden en jongen van dagen, kortom,
menschen van allerlei stand en conditie, die in ker-
kelijken zin uw broederen en uw zusteren zijn.
Om ook dit feit, dat ge deze allen als uw broe-
deren en zusteren in de liefde Christi aanneemt, zin-
beeldig uit te drukken, had de oude Christelijke kerk
de gewoonte, dat men onder het aanzitten elkaar kuste
met den heiligen kus.
Op een daartoe aangewezen oogenblik neigde men
zich dan tot dengeen, naast wien men zat, en drukte
hem een kus op het voorhoofd. Zoo begon het de één,
en zoo volgde de andere, tot eindelijk ,/de heilige kus"
heel den Disch was omgegaan.
En men hield dit vol, niettegenstaande er nog niet ge-
dacht werd aan de onnatuurlijke gewoonte, om afzon-
derlijke mannen- en afzonderlijke vrouwentafels te houden.
-ocr page 285-
DE MEDEAANZITTENDEN.                            265
Doch, helaas, ook deze schoone, heilige symboliek
is door het opkomen van de volkskerk geheel ver-
nietigd.
Het sprak toch vanzelf, dat zulk een teedere gewoonte
terstond in onheilig misbruik zou zijn omgeslagen, zoo-
dra zich duizenden en nogmaals duizenden bij de ge-
meente voegden, die, aan alle geestelijke liefde gespeend,
zich nog enkel leiden lieten door zinlijke neiging.
En zoo is die heilige kus dan ook uit de kerk ge-
raakt; ja, zoo geheel vergeten, dat zelfs het denkbeeld,
om hem weer in te voeren, nog bij niemand opkwam.
Men zou er niet meer van durven spreken.
Voor de herstelling en weerinvoering van dit heilig
symbool zijn we veel te diep gezonken.
Wat toen kon, kan nu niet meer; ook al blijft het
ook nu nog een eisch des Heeren, dat aan zijn heili-
gen Disch ons diezelfde stemming jegens hen die met
ons aanzitten, vervulle, waarvan die heilige kus de
zinbeeldige verzegeling was.
Toch mag daarom het feit nooit voorbijgezien, dat
deze heilige kus wel terdege in de Apostolische ordi-
nantie was opgenomen.
In Rom. 16: 16 schrijft Paulus aan de kerk te
Rome: iiGroet elkander met een heiligen kus."
Naar Corinthe schrijft hij in 1 Cor. 16: 20: «Al de
broeders groeten u. Groet elkander met een heiligen
kus."
Eveneens besluit hij zijn tweeden brief aan dezelfde
kerk (2 Cor. 13: 12): «Groet elkander met een heiligen
kus.
U groeten al de heiligen."
Aan de kerk te Thessalonica scheeef hij (1 Thess.
5: 26): ii Groet al de broeders met een heiligen kus."
En evenzoo besluit Petrus zijn brief aan de kerken
van Klein-Azië met de bede: »Groet elkander met
een kus der liefde.
Vrede zij u allen, die in Christus
Jezus zijt" (1 Petr. 5 : 14).
-ocr page 286-
266                                DE MEDEAANZITTENDEN.
De opwekking, om elkander met zulk een heiligen
kus de gemeenschap der liefde Christi te bezegelen,
komt dus niet slechts een enkel maal, maar veelvuldig
voor. Waar derhalve deze heilige gewoonte uitsleet en
niet kan hersteld worden, ontbreekt iets.
Want wel rekent hier ook het volksgebruik mee.
Reeds in Duitschland bestaat veel meer dan hier de
gewoonte, dat ook mannen, die door maagschap of
vriendschap verbonden zijn, bij het afscheid nemen of
weerzien, elkander een kus geven. Iets wat op ons,
omdat we het zelven niet gewoon zijn, altoos een eenigs-
zins vreemden indruk maakt. Maar in het Oosten, in
Azië, en zoo ook in Palestina, is dit geven van een kus
der vriendschap, ook onder mannen, nog veel sterker
in gebruik dan in Duitschland.
De gastheer was zelfs verplicht zijn gasten met een
kus te ontvangen. Vandaar^ dat Jezus verwijtend tot
Simon, den Pharizeër zei: ,/Gij hebt mij geen kus ge-
geven ;
maar deze, van dat zij ingekomen is, heeft niet
afgelaten mijne voeten te kussen" (Luc. 7: 45). Dat
Judas bij zijn verraad, op Jezus toeliep en hem kuste,
zou ten onzent argwaan gewekt hebben, maar was in
Palestina zeer gewoon. Zoo lezen we dan ook van de
ouderlingen te Efese, die Paulus uitgeleide deden, dat
ze, bij het afscheid op het strand, Paulus om den hals
vielen en hem kusten (Hand. 20: 37). Waar ge dan
ook de historie van Israël of van de patriarchen op-
slaat, overal vindt ge voorbeelden van mannen, die
elkander bij soortgelijke gelegenheden een kus gaven.
En zoozeer werd die kus als beeld van trouwe aan-
hankelijkheid geëerd, dat de handkus, de voetkussen
de kus op het gelaat, zelfs golden als teekenen van
onderwerping en trouw. In Psalm 2 roept de Heilige
Geest zelfs de vorsten der aarde op met den eisch:
//Kust den Zoon, opdat hij niet toorne." En in het
Hooglied roept de Bruid het in heilige verrukking van
haar hemelschen Bruidegom uit: «Hij kusse mij met
de kussen zijns monds."
-ocr page 287-
DE MEDEAANZITTENDEN.                               267
In onze koeler streken heeft nuchterder inborst niet
tot zulke gewoonten geleid. Bij ons neemt de hand-
druk bijna geheel de plaats in, van wat meer Oost-
waarts de kus is. En zoo zou men dus kunnen vra-
gen, of het allicht goed ware, de gewoonte in te
voeren, dat men bij het heilig Avondmaal de hand
gaf aan een ieder naast wien men te zitten kwam.
Maar terecht wordt gevreesd, dat onze landaard ook
daarvoor te weinig in het zinbeeldige leeft.
Nu dit zij zoo.
Mits op ééne voorwaarde. Deze namelijk, dat, ook
zonder kus of handdruk, die innerlijke beweging der
liefde en der gemeenschap in onze harten gevonden
worde, waarvan die kus of die handdruk de vertol»
king moet zijn.
Nu nog is bij ons de kus onder leden van eenzelfde
gezin gebruikelijk. Onder ouders en kinderen. Onder
broeders en zusters. Ten deele ook nog onder leden
van hetzelfde geslacht. Welnu, wat anders drukt ge
daardoor uit, dan dat ge gevoelt saam één gezin uit
te maken; bij elkander te hooren; en op grond van
die inniger en nauwer gemeenschap elkander liefde
schuldig te zijn.
En zoo nu ook moet het bij het heilig Avondmaal
wezen.
Die «heilige kus" waarvan de apostelen zoo telkens
spreken, drukt uit, dat alle Christenen saam zich als
leden gevoelden van één heilige familie; als broeders
en zusters in het ééne heilige gezin van hun heniel-
schen Vader.
En zoo innig was voor hun besef die band, dat niet
zelden alle band met hun eigen familie om de belij-
denis des Heeren verbroken was, en dat ze nu in
deze heilige familie der kerk vergoeding vonden voor
hun gemis.
Jezus zelf had immers gezegd, dat wie verlaten zou
vader of moeder, broeders of zusters om zijnentwil,
honderdvoudig weder zou ontvangen. En zie, als ze
daar nu zoo rijk aan den heiligen Disch aanzaten, dan
-ocr page 288-
268                            DE MEDEAANZ1TTENDEN.
gevoelden ze hoe dit woord van Jezus in vervulling
was gegaan. Heel een kring van broeders en zusters,
die hen liefhadden met een hartelijke teedere liefde,
was hun in Christus geschonken.
En dit gevoel nu is het, dat bij ons maar al te
bitterlijk ontbreekt.
Men gaat aan den Avondmaalsdisch aanzitten en
ziet om en voor zich allerlei onbekende gezichten.
Dit maakt dat men zich onder de aanzittenden niet
thuis, maar eenigszins vreemd gevoelt. En juist daar-
door ontbreekt dan geheel dat blij gevoel, dat ons thuis
aan den huislijken feestdisch soms door de borst kan
stroomen, als we, aangezeten met vrouw en kroost,
met broeders en zusters, met vrienden en magen, ons
zoo rijk en gelukkig weten in eikaars bezit.
En dit nu rooft ons, o, zooveel van den zegen des
Avondmaals, en doet ons zooveel derven, dat aan dien
Disch te genieten is.
Kwam er een heftige vervolging, zoo zou dit wel
anders worden. Dan zou het getal slinken. Die nog
bleven zouden angst en zorge voor elkander hebben.
Men zou elkaar opzoeken en leeren kennen. En als
men dan aan den Disch weer saam aanzat, zou men
elkander met blijdschap en vreugde in het oog zien.
Trouw en liefde uit elkanders blik indrinken. En bij
het opstaan zou de handdruk vanzelf komen, zooals
men nu vaak ziet bij het einde van den gewonen
kerkgang.
Het verschil is alleen maar, dat die handdruk nu
enkel gegeven wordt aan mannen of vrouwen, die men
particulier kent, en niet aan een iegelijk, die ons daar
lief moest zijn om Christus1 iville.
En toch dat juist is het punt waar het op aankomt.
De Heere God heeft zijn te verlossen personen uit-
verkoren. Christus vergadert wie hem van den Vader
-ocr page 289-
UE MEDEAANZITTENÜEN.                               269
gegeven zijn. Aldus komt de heilige familie, het ge-
zin van onzen Vader in den hemel bijeen. En gij
moet dit gezin nemen, zooals Hij het besteld heeft. Niet
gij hebt het uit te kiezen naar uw smaak of neiging.
Wie kiest is de Heere. En gij hebt in de kerk van
Christus een iegelijk lief te hebben met een heilige
liefde, niet omdat hij u aanstaat, u bevalt, u aange-
naam is, u aantrekt, maar omdat hij getrokken is van
den Vader in de liefde zijns Zoons.
Zoo gevoelt ge dus zelf, hoe deze heilige liefde iets
heel anders is dan de gewone genegenheid of vriend-
schap in het leven.
Van persoonlijke sympathie is hier geen sprake. Ook
hem, die persoonlijk u een tegenzin inboezemt, moet
ge toch met den band dezer heilige liefde omstrengelen.
Immers, deze heilige band rekent alleen met Christus
uw Heiland.
Het gaat bij dien band, niet om u, maar alleen
om Christus\' wille.
Niet wat ga kiezen zoudt, maar alleen wat Jezus
koos, geeft den doorslag. En daarom moet in deze
uwe heilige liefde een iegelijk opgenomen, die aan
dezen Disch met u aanzit.
Denkt ge hier nu niet op, dan werkt deze liefde der
gemeenschap niet, en zit ge saam aan, zonder dat ook
maar één oogenblik de zielsgemeenschap u prikkelt.
Maar gaat ook te dezen opzichte de blinddoek van
voor uw oogen, en begint dit besef van gemeenschap
in Christus met wie naast en om u zit, op u te
werken, dan ontsluit zich uw hart; ge wordt ver-
rijkt voor uw gevoel; een stemming van genegenheid
en liefde maakt zich van u meester en op die wijs
gaat er van hart tot hart, straks ook van oog tot oog,
een levensgemeenschap van heiliger liefde aan den
Disch tintelen, die wat doodsch was leven doet, en
uw eigen geloofsleven verhoogt.
-ocr page 290-
XII.
„üd manna, dat oerBorgcn is."
DE BRUILOFT DES LAMS.
Die ooren heeft, die hoore, wat de
Geest tot de gemeenten zegt. Die over-
wint, ik zal hem geven te eten van liet
manna, dut verborgen is.
Openb. 2 : 17.
Het heilig Avondmaal is niet uit de wereld, maar
verplaatst u, terwijl ge nog op aarde zijt, reeds nu in
het eeuwige leven.
Dat Avondmaal en die wereld strijden met elkander;
en het einde van dien strijd kan slechts één van deze
twee wezen: óf dat het aan die wereld gelukt, om
dat Avondmaal in onbruik en vergetelheid te brengen;
óf wel dat eens die wereld ondergaat, om vernieuwd
te worden, en dat uw Avondmaal blijft.
De wereld leeft uit een geheel ander leven, dan wat
gesmaakt en genoten wordt aan Jezus\' heiligen Disch.
Voor het vleesch is aan dien Disch niets begeerlijks.
Uw zelfzucht, uw eerzucht, de begeerlijkheid van uw
hart heeft er niets in te brengen. Letterlijk alle maat-
staf der wereld valt hier weg.
Alle leven aan dien Disch is leven uit genade, en
het armste weeuwtje, dat rijk in genade aan het Avond-
-ocr page 291-
DE BRUILOFT DES LAMS.                            271
maal mag aanzitten , benijdt er geen oogenblik den man
met den gouden ring; maar den man met den ring,
zoo hij dorst naar heil, benijdt er dat arme vrouwke.
Daarom valt dan ook alle wereldsch onderscheid tus-
schen mensch en mensch hier weg. Hier geldt maar
één adel: de adel der wedergeboorte. Hier schittert
slechts één rijkdom: de overvloeiende liefde Gods, die
in uwe harten is uitgestort. En er heerscht slechts
ééne kracht: de kracht des geloofs.
Zoo is dan het heilig Avondmaal uit een andere
wereld.
In het Paradijs zou het hebben thuis gehoord
onder de schaduw van den Boom des levens; maar
het strijdt met een wereld, die doornen en distelen
draagt om den vloek. En zoo er iets is, waarvan ge
u in het leven der zaligheid een voorstelling zoudt
kunnen vormen, ja, dan is het dit, dat ge in die he-
melsche heerlijkheid met Immanuel en met Gods uit-
verkorenen zoudt aanzitten aan het Avondmaal des
Lams.
Het is of uw Heiland door dat Avondmaal de wereld
heeft willen veroordeelen. In dat Avondmaal aan de
wereld een profetie van hooger gelukstaat heeft willen
bieden. En met dat Avondmaal ons een maatstaf in
de hand heeft willen geven van wat het in zijn eeuwig
Koninkrijk eens zijn zou.
Zoo dikwijls ge ten heiligen Avondmaal opgingt,
was het of ge, als pelgrim naar de eeuwigheid, weer
genaderd waart tot aan de poorte van het nieuw Je-
ruzalem, en zonder er te mogen ingaan, toch reeds
iets van de hemelsche schoonheid, waarmee de stad
des grooten Konings overdropen is, hadt ontwaard.
Het sterven zou aan den Avondmaalsdisch u een
minder plotselinge, minder groote overgang zijn ge-
weest, dan zoo ge straks sterft in het midden der
wereld.
Kwam uw Heiland nog bij uw levenstijd op de wol-
-ocr page 292-
272                                DE BRUILOFT DES LAMS.
ken weer, nergens liever dan aan het heilig Avond-
maal zoudt ge hem inwachten.
En is het brood gebroken en de wijn vergoten, en
is na de vluchtige genieting straks het oogenblik weer
daar, dat ge van dien Disch moet opstaan; en het
huis des gebeds verlaat; en naar uw woning terug-
keert ; zoo is het u te moede, of ge weer verder van
Jezus afdwaalt, en u weer sterker omwoelt en om-
strengeld voelt door de banden dezer wereld.
Daarom is die heilige Discli dan ook niet alleen het
zinbeeld van uw Geloof, en de verzinnebeelding van
uw Liefde, maar ook de voorbeelding van wat u als
erfenisse is weggelegd in uwe Christelijke Hoop.
Hierin toch immers is de Hope van Gods kind on-
derscheiden van de hoop, waar ook het kind der we-
reld zich mee vleit, dat hem de vervulling zijner Hope
gewaarborgd is, en dat daarom zijn hope niet dood
is , maar door den apostel als een levende, onverwel-
kelijke hope geroemd wordt.
Eens Christens hope ligt in het beeld van de erfenisse
geteekend, waarvan de erfgenaam zeker weet, dat ze
hem eens toekomt; terwijl de hoop van het kind der
wereld gelijk is aan het lot uit de loterij, waar hij
zich telkens met koortsachtig begeeren naar uitstrekt,
en dat toch nimmer komt.
De hope van een kind van God is niet gegrond in
zijn begeeren noch in den wensch van zijn hart, maar
in de zekerheid der belofte, in de wetenschap dat wat
hij afbidt, er reeds is; en in de zekere overtuiging,
dat zijn recht er op hem door niemand kan ontnomen.
Juist zoo als de wettige erfgenaam er aan toe is,
zoo staat ook de Christen in zijn hope op de eeuwige
heerlijkheid.
Ook de wettige erfgenaam bezit nog niets. Hij kan
nog niets zijn eigendom noemen. Het kan zelfs wezen
dat hij nog doodarm voorttobt. Maar eens, dit weet
hij zeker, komt de rijke, heerlijke erfenisse hem toe;
-ocr page 293-
273
DE BRUILOFT DES LAMS.
en nu reeds leeft hij in het blij vooruitzicht, van wat
dan zijn erfdeel zal wezen.
En komt dan soms de twijfel in hem op, of hij
wel erfgenaam is, en of de erfenisse wel zoo groot
zal zijn, dan ontrolt hij nogmaals het Testament en
leest het daar nog eensmet eigen oogen, dat ja waarlijk
de erfenisse die hem wacht zoo onmetelijk rijk zal zijn,
en dat, met zijn eigen naam voluit, wel waarlijk in
het Boek des levens geschreven staat, dat hem die
erfenisse wacht.
En rees er dan nog twijfel, of dat Testament wel
echt en de daarin toegezegde erfenisse wel werkelijk
zou zijn, dan beziet en betast hij de zegels nog eens
die er aan hangen , en door het aanschouwen en be-
tasten van die zegels wijkt dan de laatste aarzeling
uit zijn hart.
En zoo nu ook is het bij Gods kind als hij denkt
aan die levende hope.
Ook hem bekruipt dan soms de twijfel, of die erfe-
nisse in den hemel wel bestaat, en, zoo ze bestaat,
of ze hem wel toekomt. En dan grijpt ook hij naar
het Nieuwe Testament en het bloed des Lams. En als
dan het lezen in dat Testament nog niet eiken twijfel
bant, dan grijpt ook hij naar de Bbndszegelen, waar-
meê dat Nieuwe Testament bezegeld is. En zóó, on-
der het breken van het brood en bij het vergieten
van den wijn, vergaat zijn laatste twijfel.
Zijne hope staat vast.
Dit nu is een vrucht van het Verborgen manna.
Want natuurlijk, als ge aan den heiligen Disch zijt
neergezeten, is er in dien Disch op zichzelf niets bij—
zonders.
Dat brood is brood uit meel gebakken in dienzelf-
den oven, waaruit ge uw dagelijksche bete ontvangt;
en die wijn is druivensap geperst uit diezelfde vrucht
des wijnstoks, die straks aan uw feestmaal verkwikt.
-ocr page 294-
274                            DE BRUILOFT DES LAMS.
Ook is die disch zelf een gewone tafel, zelfs van
veel ruwer hout dan de tafel in uw woning.
En die er aanzitten zijn dezelfde broeders en zus-
ters, die ge straks in het midden der wereld ontmoet
in uw nering en bedrijf.
Zonder meer zou die Disch noch een zegel noch
een zinbeeld wezen, en wat uw Avondmaal tot Avond-
maal maakt, is niet wat ge voor oogen ziet, of met
het oor opvangt, maar bestaat in de innerlijke sterking
met genade, die ge ontvangt in den inwendigen mensch.
Van deze innerlijke voeding nu was het manna in
de woestijn de symbolische profetie.
In die woestijn had Israël akker noch molen noch
baktrog, en toch werd Israël op wondere wijze door
een gave uit den hemel gevoed. Het brood uit den
akker ontbrak, maar een beter en ander brood daalde
uit den hemel neder.
Nog wel niet het levende Brood, want ook het manna
werd met de tanden vermalen; maar van dat levende
Brood toch de voorbeelding.
Totdat de volheid der tijden inging, en hij tot ons
kwam, die zeggen kon: «Ik ben dat levende Brood,
dat uit den hemel is neergedaald. Wie mijn vleesch
eet en mijn bloed drinkt, zal niet sterven in der
eeuwigheid."
En nu voer hij wel ten hemel op, maar juist om
uit dien hemel zijn verborgen manna tot ons te laten
neerdalen, en ons inwendig te voeden en te sterken
in onze ziel.
Een manna dat ge niet ziet; dat geen oog waar-
neemt; dat alleen voor het geloof leeft; maar dat door
het geloof dan ook volop wordt genoten.
Dat Verborgen manna nu is als het   //Brood der
machtigen", waarvan de Schrift getuigt,   of wilt ge
als de vrucht van den Boom des levens,   die in het
Paradijs Gods staat.
-ocr page 295-
DE BRUILOFT DES LAMS.                                275
Het is een brood, waardoor niet het tijdelijk leven
wordt onderhouden, om straks toch weer in te zinken
en te bezwijken; maar een brood, dat het eeuwige
leven
in u voedt, en dat nimmer zal verderven.
Immers ook het eeuwige leven bestaat niet door en
uit zich zelf, maar ontstaat en bestaat alleen door
Gods almogende kracht; en ook dan als ge in de ge-
westen der gelukzaligheid eens van alle vreeze des
doods ontbonden zult zijn, zal toch ook dat eeuwige
leven, dat ge daar geniet, zijn en blijven een crea-
luurlijk
leven, en alzoo alleen bestaan kunnen door-
dien God Almachtig het ondersteunt, voedt en in stand
houdt.
En die kracht nu, waardoor God de Heere het le-
ven zijner engelen in stand houdt, en in stand houdt
het eeuwig leven van zijn uitverkorenen, dat is het
Brood der machtigen, dat is het Verborgen manna,
dat is de vrucht die aan den Boom des levens groeit.
Nu ontvangen Gods kinderen den vollen rijkdom
van dat Verborgen manna eerst hiernamaals, als de
strijd volstreden is en de heerlijkheid ingaat en de
kroon des levens komt.
Maar enkele korrelkens van dat Verborgen manna
worden hun toch ook hier reeds door Gods liefde gereikt.
De kiem des eeuwigen levens dragen ze, als vrucht
van wedergeboorte reeds in zich, en ook die kiem
moet gevoed en onderhouden, zoo zij niet sterven zal.
En daarom strekt de hemelsche Landman in God-
delijk ontfermen de hand zijner genade naar die zwakke
kiempjes uit, en sterkt ze en voedt ze en bewaart ze
voor bezwijken.
Krachten des eeuwigen Koninkrijks voert Hij aan
zijn kinderen toe.
In die krachten schuilt het Verborgen manna.
En dat manna deelt Hij nergens milder, nergens
met voller hand uit, dan aan zijn heilig Nachtmaal.