-ocr page 1-
-ocr page 2-
•:ii:W^::^
s*
^
-ocr page 3-
-ocr page 4-
jvj r*\\ /0^7c^
-ocr page 5-
DRAMATISCHE POËZY.
-ocr page 6-
UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK UTRECHT
A06000032018420B
3201 842 O
-ocr page 7-
/]C4 i,it3
tu.
DRAMATISCHE POËZY
DOOH
J. J. L. TEN KATE.
Faust. — Maria Stuart.
81BUOTHEEK OER
RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT
LEIDEN. — A. W. SIJTHOFF
-ocr page 8-
-ocr page 9-
FAU8Ï.
-ocr page 10-
-ocr page 11-
GETUIGENISSEN
AANGAANDE
GOETHE\'S FAUST.
„In een schijnbaar onbeduidend bekleedsel heeft Goethe schier
;ille de resultaten van zijn levens-, zelfs- en waereldbeschouwing
tot een onnavolgbaar samenweefsel van Werkelijkheid en Dicht-
kunst gemaakt: een afgrijslijk-schoon gedenkteeken van zijn macht
op het gebied der schitterendste taal en poëzy; een afbeelding
van zichzelven: niet — het spreekt van zelf — ten aanzien van
de uiterlijke daden, maar van die innerlijke zielsgesteldheid, die
het hem behoefte was, onder welken vorm het dan ook zijn
moest, naar buiten uit te storten."
Mr. 1SAAC DA COSTA.
„Het eerste deel van den „Faust" zal men altijd lezen. Maar
"1 ware \'t ook, dat het grootsche drama van Goethe niet meer
gelezen werd, dan zou het toch nog altijd de schilders bezielen.
De tragische trits: Faust, Mephistopheles en Gretchen, behooren
evenzeer der Plastische Kunst als der Dichtkunst toe. Waar vindt
men, onder de Romantische scheppingen, drie typen die zulk een
Geheel vormen en toch zoo verscheiden zijn\'.\' waar zulke oor-
spronkelijke karakterbeelden, vol van individualiteit en toch eeuwig
waar? „C\'est Ie symbolisme Ie plus plastique; c\'est 1\'alliance du
réel et du fantastique, de la vie et du réve. C\'est 1\'évocation
même du XVde Siècle avec des visions sur 1\'Infini."
HENRY HOUSSAYE.
-ocr page 12-
VIIJ
„Welk een leerzaam beeld is dat van Faust, hoe ontzachlijk
in zijn reusachtigheid! Hij heeft niet alleen zijn vertrouwen op
alle vakken van menschelijke wetenschap verloren, maar zelfs op
alles wat hun bestaan en werkelijkheid in de natuur en in het
zelfstandige leven des volks uitmaakt, namelijk in den Godsdienst,
de Zedelijkheid en de Wetten van den Staat, waarin zij het ver-
wezendlijken en, als vastgestelde verordeningen algemeen erkende
geldigheid erlangende, door allen geëerbiedigd en opgevolgd wor-
den. Door zijne versmading hoont en verwerpt hij dus het heiligste
wat er aanwezig is. Hij wil zich daaraan van nu af onttrekken
en geen ander gezag erkennen dan zijn afzonderlijk gevoelen,
hetgeen hem de nietigheid van al zijn weten heeft leeren inzien,
onverschillig of dit betrekkelijk zij tot de Bespiegelende Weten-
schappen, of tot hunne werkelijkheid in den Staat en diens grond-
slagen. Willekeurig verbreekt hij de banden, die hem met het
Geheel vereenigde, door zich los te scheuren van alles wat uit
de eeuwige Rede voortvloeit, en wat de zelfstandigheid van het
volk en van hem-zelven uitmaakt. In plaats van zich tot het
zedelijke denkbeeld te verhelfen, dat een iegelijk, in de Weten-
schap zoowel als in den Staat, zijne afzonderlijkheid aan het alge-
meene moet opofferen, omdat hij slechts daarin de waarheid, zijn
behoud en zijn wezen kan vinden, acht hij zoodanige begrippen
niet hooger dan gewone beginselen van het eene of andere stelsel;
waant hij de bevoegdheid in zijne eigene overtuiging, in zijn ge-
rnoed te hebben; om die, even als het overige, te kunnen versmaden,
en ongestraft naar de inspraak van zijn gevoel te mogen handelen.
„Door deze denkwijze verbreekt hij zijne betrekkingen met de
Maatschappij en stelt hij zich daar vijandig tegenover. Hij treedt
uit de algemeenheid van den Slaat vermetel uit, en hij wil, op
zijn eigen hand, zijn geluk in de wereld beproeven. Met eigen
hand wil hij den Godstempel, die, allen lot rust, tot veiligheid
en tot zelfbehoud, sedert eeuwen is opgetrokken, verwoesten:
onbewust dat bij het instorten van de zuilen, ook hij zijn graf
moet vinden. In andere woorden: hij plaatst zich in een buiten-
gewone, tegen de Hoogste Orde strijdende betrekking, en neemt
zijn toevlucht tot de Magie d. i. het On we ze nd 1 ij ke, waar-
aan hij noch stut noch steun kan hebben; en zoo waagt hij zich
opeen ondermijnden bodem, die met hem in den afgrond moet storten
„Welk een les!____"
Mr. P. G. VAN GHERT.
-ocr page 13-
IX
„Inderdaad bezitten wij in den „Faust" het Poëtische Dag-
boek, waarin Goethe heeft nedergelegd het zoetste wat hij ooit
irevoeld, het diepste en fijnste wat hij ooit gedacht heeft; en
.laardoor wordt de eenheid en afgeronde kompleetheid vergoed,
die anders een Kunstgewrocht tot een Kunstgeheel maakt, en die
hier ontbreekt. Wij hebben nu in plaats van een grondtoon, vele
en velerlei kleurschakeeringen, zoowel wat de gehalte als wat de
iiestalte betreft van dit verwonderlijk, fragmentariesch ontstaan,
maar daarom niet minder krachtig en machtig volwassen Meesterstuk.
„Even als Dante\'s „Divina Commedia" is de „Faust"
een dichterlijke zelfbiographie en een universeel werk. Gelijk die
Dante-zelf, de eigenaardige, geheel oorspronkelijke Dichter, met
zijn vurige ziel, zijn toorn en zijn liefde, zijn politieke en gods-
dienstige beginselen en sympathieën, het middelpunt is zijner
schepping en toch tegelijk de vertegenwoordiger der Menschheid
is, die uit den nacht der Godsvervreemdheid en der zonde den
Berg der Loutering opstijgt en zich verheft tot de waarheid en
zaligheid in God; zóo is ook Faust, de gemoedelijke fantazierijke
denker, met zijn lief en leed en strijd en vrede, tegelijkertijd een
symbool van Goethe\'s ontwikkeling en het drama van den Inwen-
digen Mensch, die wel tot zonde en schuld komt, ja, tot een
diepen val, maar die toch, in het worstelend streven naar Waar-
heid, ten slotte (en dit geldt van het IIde deel van het reusachtig
gedicht) gelouterd wordt door een heilrijken arbeid tot heil der
Menschen, met de zedelijke waereldorde verzoend, en vatbaar nu
voor het burgerschap van het Godsrijk der Eeuwige Liefde."
MORIZ CARRIÈRE.
„Is het bij uitnemendheid Goethe\'s gave om de verschijnselen
des natuurlijken levens, de krachten die er werken in een
menschenhart en in het hart der Menschheid, met objective
waarheid voor oogen te stellen, dan kan het ons niet bevreemden
dat de Christen ook ten opzichte van Goethe\'s „Faust" het
woord des Apostels heeft doen gelden: „Alles is het uwe, maar
gij zijt van Christus." Goethe\'s „Faust" is en blijft een getui-
genis voor het Geloof. In den persoon van Faust zien wij, waar-
heen ook de verhevenste menschengeest, die het leven en het
licht en de kracht in zich-zelven zoekt, komen moet — in hem
zien wij ook, welk een macht zelfs een flauw overgebleven gevoel
-ocr page 14-
X
van vroeger verkeer met God op de ziel nog oefent. Dat drijft
hem, wien het om waarheid te doen is. zich vast te sluiten aan
het middelpunt van het Eeuwige persoonlijke Leven: het Geloof!
Wie zulke waarheden erkend heeft als er in den „Faust" zijn
nedergelegd, moei, als hij met ernst naar Waarheid zoekt, ge-
dreven worden óf tot het Geloof, óf tot Wanhoop, óf — als het
hem niet ernstig om waarheid te doen is — tot doodelijke
Onverschilligheid."
J. J. L. TEN KATE.
-ocr page 15-
OPDRACHT.
Gedaanten! gij, die ik in jonger dagen
Mijn scheerarend oog zoo snel voorbij zag gaan,
Gij keert op nieuw? Zal ik uw vlucht vertragen?
Trekt altijd nog die oude droom mij aan?
Gij wenkt: het zij! den sluier weggeslagen,
Verheerlijkt uit uw schijndood opgestaan!
De tooversfeer, die me aanwaait bij uw naadren,
Verjongt het bloed, dat tintelt in mijn aadren.
Gij brengt me een reeks van beelden en gedachten.
En menig lieve schaduw van weleer:
Als sprookjens, die wij lang vergeten achten.
Verrijzen de eerste Liefde en Vriendschap weer.
De smart wordt nieuw, ik zwerf in zoete klachten
Heel \'t labyrinth des levens op en neer,
En noem den naam dier zusterlijke zielen,
Die, vroeg gerijpt, te spoedig mij ontvielen.
Zij zullen, neen! het volgend lied niet hooren.
Die juichten bij mijn vroeger melody.
De eerste echo van mijn lied ging lang verloren,
Verloren, ach! de lieve Vriendenrij.
Mijn lied voortaan klinkt vreemden slechts in de ooren ;
Hun bijval zelfs beklemt en pijnigt mij.
Wat eens, verrukt, den Dichter placht te loven,
Ontsliep, of is door \'t lot uit-éen-gestoven.
En mij verrast een lang-ontwend verlangen,
Een heimwee naar het stille Geestenrijk;
Zacht ruischen nu mijn onbestemde zangen,
Het fluistren van de vKoolsche harp gelijk.
Ik huiver, en voel tranen op mijn wangen,
Mijn hart versmelt van teêrheid — ik bezwijk!
Wat ik bezit, deinst weg als in \'t Verleden,
En wat verdween, wordt werklijkheid, wordt Heden!
3X.
I
-ocr page 16-
VOORSPEL OP HET THEATER.
DE TOONEEI.DIREKTEUR, EEN DICHTER, EEN HANSWORST.
De Tooneeldirekteur.
Gij beide, die mijn klein verstandtjen
Zoo vaak in nood hebt bijgestaan,
Hoe, dunkt u, zal het in ons landtjen
Wel met onze onderneming gaan?
Ik zou zoo graag den grooten hoop behagen,
Vooral omdat hij leeft en leven laat.
De planken tent is netjens opgeslagen,
Elk wacht een feest dat op zijn pooten staat.
Daar zitten zij, met open mond en oogen,
Geduldig en bij voorraad opgetogen!
\'k Ben iemand die volmaakt den volksgeest kent,
Maar heden toch ben ik in duizend vreezen:
Zij zijn wel juist aan \'t beste niet gewend,
Maar o, ze hebben vreeslij k veel gelezen.
Hoe \'t aangelegd, dat alles nieuw en frisch,
En deeglijk, ja, maar ook vermaaklijk is?
Want ik mag graag de menigte op zien dagen,
Wanneer de stroom naar ons theater dringt,
En, met herhaalde wervelvlagen,
Zich door ons eng genadepoortjen wringt,
Wanneer \'t publiek, gevoelloos voor een stootjen,
Vóór vieren reeds zich in beweging zet,
En, als \'t Jan-Hagel bij den bakker om een broodtjen
Den hals waagt om een plaatsbillet
De Dichter slechts kan zoo verscheiden menschen
üetoovren. Doe \'t, en gij voorkomt mijn wenschen\'.
De Dichter.
O, spreek niet van die bontgemengde scharen!
Zij blusschen uit wat godlijks in ons gloeit.
-ocr page 17-
:*
Omsluier mij die wentelende baren,
Waar overal de valsche draaikolk loeit!
Neen, laat mijn ziel dien hemel binnenvaren.
Waar de echte vreugd den Dichter tegenbloeit,
Waar Liefde en Vriendschap onze zielen sterken,
Ons wijden tot onsterfelijke werken!
Ach, wat zoo diep ons binnenste is ontschoten.
Wat we in de taal der heiige Poëzy,
Maar aarzlend half en staamlend, overgoten.
Gaat met den zwaai van \'t oogenblik voorbij;
En vaak eerst als er jaren zijn vervloten,
Herrijst het weer, erkend in zijn waardij.
Wat schittert, heeft een vroegen dood te wachten:
Wat echt is, leeft bij alle Nageslachten!
Hansworst.
Foei! \'t Nageslacht! Het woord reeds doet mij pijn!
Gesteld, dat ik het Nageslacht wou eeren,
Wie zou dit Voorgeslacht dan amuzeeren?
Amuzement toch moet en zal er zijn!
Voor \'t bijzijn van een braven knaap zes, zeven,
Zou ik een handvol nageslachten geven.
Meen niet dat een verstandig man
\'s Volks luimen ooit zich aan zal trekken;
Hij maakt het liefst zijn kring zoo groot hij kan,
Om des te meer senzatie te verwekken.
Dus, opgepast! gebleven bij \'t model!
Gun fantazie en geest hun dartel spel,
Zet vrij de sluizen aller driften open;
Maar laat er steeds — onthoud dit wél! —
Iets van Sint-Anna onder loopen.
De Tooneeldirekteur.
En, bovenal, laat toch genoeg geschiên!
\'t Publiek gaat naar den schouwburg om te zien,
En wordt er veel voor de oogen afgesponnen,
Zoodat het plebs verwonderd gapen kan,
Dan hebt gij in de breedte reeds gewonnen,
En zijt een veelgeprezen man.
-ocr page 18-
4
Door massa\'s slechts kunt gij de massa binden:
Breng altijd veel, dan brengt gij ieder wat!
Elk zal in \'t eind iets van zijn gading vinden,
En zweren dat hij \'t recht genoeglijk had.
Geeft gij een stuk. wel geef het vrij in stukken!
Zulk een ragoetjen moet gelukken:
\'t Is maklijk saamgeklutst en maklijk voorgediend.
Wat helpt een Kunst-geheel, mijn vriend!
Wanneer ze \'t toch aan flarden plukken ?
De Dichter.
Gij voelt dan niet, hoe zulk een broddelwerk
De Kunst verlaagt, den Dichter zou onteeren ?
De knoeierij dier keurige Meneeren
Is reeds bij u maxime, naar ik merk!
De Tooneeldirekteur.
\'k Blijf ongekrenkt bij uw verwijten.
Verlangt men dat zijn arbeid iets beduidt,
Dan kiest men zich het beste werktuig uit.
\'k Verzeker u, gij hebt week hout te splijten.
Let maar eens op voor wie ge schrijft!
Terwijl verveling d\' éenen drijft,
Is de andre juist van tafel opgerezen.
En menig, wat het allerergste blijft,
Heeft zoo-met-een het Handelsblad gelezen!
Men komt naar hier als naar een bal-masqué:
Nieuwsgierigheid bevleugelt ieders voeten;
De dames laten zich en haar toilet begroeten,
En spelen zonder gage meè!
Wat zweeft gij toch in dichterlijke sfeeren\'?
Wat maakt een volle zaal u blij ?
Bekijk uw hoorders van nabij!
\'t Zijn steenen beelden half, half ongelikte beeren.
Jan smacht naar \'t omberuurtje\' en kort zich hier den tijd-
Piet denkt een blauwtjen bij een lieve meid te wagen:
En, dwaze droomer die gij zijt,
Tot zulk een eind durft gij de Muzen plagen?
Zorg dat gij meer en altijd meerder biedt,
-ocr page 19-
5
Dan treft ge uw doel! Wees wijs en laat u raden:
Gij moet ze tot verwarrens overladen,
Bevredigen doet gij de menschen niet!....
Ge ontroert: wat is \'t ? verrukking, of verdriet ?
De Dichter.
Ga, bind een andren slaaf in uw gareelen!
Hoe! \'t hoogste recht, den Dichter toegekend,
Het recht, waarin Natuur den Mensch doet deelen,
Zou hij voor u dus roekeloos verspelen?___
Waardoor verwint hij ieder element?
Waardoor weet hij de harten te bevelen *.\'
Zeg, neemt hij niet door de eigen harmonv
Een waereld in zich op, geheel een leven,
Om \'t straks, met heel zijn beeldengalerij,
Verhoogd tot Idealen, weer te geven?
Wanneer Natuur d\' oneindig-langen draad
Eentonig om dezelfde klos blijft strenglen,
De stemmen aller wezens, zonder maat
Of éenklank, krijschend door elkaar zich menglen,
Wie deelt dan af, schikt en bezielt elk woord,
En stuwt het in gewiekten rhythmus voort?
Wie brengt, om \'t afgerond Geheel te vormen,
De Deelen met elkander in akkoord ?
Wie laat in al heur kracht de driften stormen?
Wie leert den gloed van \'t heilig avondrood
\'t Vuur des Gebeds ontsteken in de boezems?
Wie strooit den glans der schoonste lentebloesems
Uit volle korf der Dierbaarste in den schoot?
Wie vlecht uit loof de krans, die onverderflijk
Verdienste en Deugd van allen aart bekroont ?
Wie hoedt d\'Olymp, wie maakt de Goón onsterflijk?
De scheppingskracht die in den Dichter woont!
Hansworst.
Wel, laat die kracht dan niet verschalen!
Begin uw werk gelijk men honderdmalen
Een vrijerij beginnen ziet:
Ge ontmoet elkaar toevallig, voelt, blijft hangen,
-ocr page 20-
6
En wordt al meer en meer gevangen;
\'t Geluk neemt toe, bezwaren in \'t verschiet,
Men is verrukt, dan komt het zielsverdriet;
De i n t r i g u e is eer men \'t weet geweven !
Dicht een romannetje\' in zoo\'n trant!
Grijp maar gerust in \'t volle Mensclienleven,
Elk leeft het, maar \'t is velen vreemd gebleven.
En waar gij \'t pakt, daar is \'t interessant!
In bonte beelden weinig klaarheid,
Veel dwaling en een vonksken waarheid,
Zóo wordt de beste drank gemengd,
Die iedereen genot en laafnis brengt.
De bloem der Jeugd zal voor uw schepter buigen,
En luist ren naar de lessen die gij geeft.
De teêre ziel, die van ontroering beeft,
Zal uit uw stuk weemoedig voedsel zuigen.
Nu roert gij dit, dan dat aan, en in \'t end
Wordt ieder met zijn hartsgeheim bekend.
Zij zijn zoowel geneigd tot lachen als tot schreien.
Bewondren \'s Dichters vlucht, en hangen aan den schijn.
Den rijpen man zult gij met niets meer vleien;
Een nieuweling zal altijd dankbaar zijn.
De Dichter.
Hergeef die dagen dan ook mij,
Toen ik, nog zelf een nieuwling, bloeide,
Geheel een stroom van poüzy
Uit volle bron mij tegenvloeide,
De waereld door den nevel heen\'
Mijn onervaren oog verrukte,
Elk knopje\' een wordend wonder scheen,
En ik de duizend bloemen plukte,
Die ieder plekjen rijklijk droeg!
Toen had ik niets, en toch genoeg:
Door zucht naar waarheid opgetogen,
En toch zoo gaarne en steeds bedrogen!
Geef me onbeperkt mijn vrij Weleer,
De zoete smart mijns Eersten Levens,
Den vuurgloed van den Haat, de kracht der Liefde levens,
Geef mij geheel mijn Jonkheid weer!
-ocr page 21-
7
Hanswors t.
De Jonkheid, vriend! is extra-goed.
Wanneer ge een vijand kloppen moet,
Of als een welbeminde bruid
U vriendlijk in beur armen sluit;
Als bij den wedloop u \'t verschiet
Een krans van groene lauwren biedt;
Of als na \'t bal te middernacht
Een wilde slemppartij u wacht:
Maar op de welbekende lier
Te tokklen met beleid en zwier,
Langs liefelijke kronkelpaan
Naar \'t zelfgeplante doel te gaan.
Dat, Oudt jens ! is u opgelegd;
En \'t zal onze\' eerbied niet vermindren.
De Grijsheid maakt niet kindsch, gelijk men zegl,
Maar vindt ons slechts te-rug als ware kindren!
De T o o n e e 1 d i r e k t e u r.
Wat baat het, woorden uit te venten ?
Laat me eindlijk ook eens daden zien!
Terwijl ge u spitst op complimenten,
Kon middlerwijl iets goed geschied 1
Waartoe zoo breed die stemming uit te meten\'?
Gij wekt haar nooit door bloode talnrerij.
Als ge eens u uitgeeft voor Poëten,
Zoo komraandeei\' de Poëzy!
\'t Is u bekend wat wij behoeven:
Wij wenschen sterken drank te proeven.
Vang dus terstond met brouwen aan!
Wat heden niet geschiedt, is morgen niet gedaan.
Waartoe den tijd onnut te sparen ?
Pak daadlijk met een stouten greep
Het Mogelijke bij de hairen,
Dan laat ge \'t zeker niet meer varen,
Kn \'t heilig Moeten roert de zweep!
Gij weet, aan onze schouwtooneelen
Wordt alle moeite en vlijt besteed.
Neem dus Verschieten en Tafree len
-ocr page 22-
8
En Dekoraties bij de vleet!
Vrij moogt ge staart-ster en planeet,
Het Groote en Kleine Licht gebruiken:
Vuur, water, rotsen, boomen, struiken,
Gedierte en vogels, staan gereed.
Vertoon in \'t houten kermisspel
Zoo \'t „Groot Heelal," in volle glorie,
En voer met stoom uw Auditorie
Den Hemel uit, door de Aard, ter Hel\'\'.
PROLOOG IN DEN HEMEL.
RE[ VAN AARTSENGELEN.
Raph aël.
Weer mengt de zon in \'t Lied der sfeerer»
Op de oude wijz\' haar lofakkoord:
Op \'t voorgeschreven pad des Heeren
Vliegt ze als op bliksemvleuglen voort.
Haar aanblik kan zeli\'s de Englen sterken,
Schoon geen der Englen haar doorgrondt;
Gods hoogverheven wonderwerken
Zijn heerlijk als op d\' eersten stond !
Gabr i ël.
Snel, onbegrijplijk snel bewogen,
Draait de aarde rond met al haar pracht,
Van Paradijsglans overtogen,
Of huivrende in den diepsten nacht.
De rotsen dreunen onder \'t klaatren
Van de opgeschuimde dwarrelzee:
Der sfeeren zwaai sleept rots en waatren
In rustelooze wieling meê.
M icbaêl.
De stormen zweepen in hun tooren
Ü3 zee en de oevers, wijd en zijd,
En zaaien overal de sporen
Van hun geduchten worstelstrijd.
-ocr page 23-
9
Daar rolt, terwijl de vlammen gieren,
De doodelijke donderslag.
Maar, Heere God! Uw boden vieren
De zoete kalmte van Uw dag.
Alle drie te samen.
Die aanblik kan zelfs de Englen sterken,
Ofschoon geen Engel U doorgrondt.
0 God! Uw stoute wonderwerken
Zijn heerlijk als op d\'eersten stond.
Mephistopheles.
Nu Gij, o Heer! eens weder tot ons nadert,
En vraagt hoe \'t gaat in Hemel en op Aard,
En Gij van-ouds mij wel genegen waart,
Ziet Gij ook mij waar \'t Huisgezin vergadert.
Vergeef me, ik heb geen redenaars-talent,
Hoe diep daarom mij heel de kring verachte
\'k Ben zeker dat Gij bij mijn pathos lachte,
Hadt Ge U sints lang het lachen niet ontwend.
Wil m ij naar waerelden noch zonnen vragen:
Ik zie maar toe hoe zich de menschen plagen.
De kleine waereldgod blijft steeds van \'t eigen slag,
En is zoo wonderlijk als op den eersten dag.
Een weinig beter zou hij leven,
Hadt Gij hem niet een straal van \'t Hemelsch Licht gegeven :
Hij noemt dat Rede — eu hij gebruikt dien schijn
Alleen om dierlijker dan ieder dier te zijn.
Hij schijnt mij, met verlof van Uw Genade,
Zoo iets als een langbeenige cicade,
Die altijd vliegt en vliegend springt,
En steeds in \'t gras het oude liedtjen zingt.
En lag\' hij maar in \'t gras-alleen gedoken!
In eiken vuilnishoop heeft hij zijn neus gestoken.
De Heer.
En is dit alles wat gij zegt?
Komt ge altijd maar om aan te klagen?
Dunkt niets ter waereld u dan recht?
-ocr page 24-
10
Mephistopheles.
Neen, op de waereld, Heer! vind ik het bitter slecht.
Wat al ellend zie ik de menschen dragen!
Ik schaam mij bijna hen te plagen.
De Heer.
Zeg, kent gij Faust ?
Mephistopheles.
Den Doctor?
De Heer.
Mijnen knecht.
Mephistopheles.
Voorwaar, hij dient U op bijzondre wijz\':
Die dwaas leeft niet van aardsche spijs,
Hij zweeft altijd in hooger sfeeren,
En eischt, zich zijner dolheid half bewust,
De schoonste uit \'s hemels starrenheiren
En \'t zoetste uit \'s waerelds zoetste lust.
En mocht hij overal, nabij en ver, regeeren,
Toch bad zijn zwoegend hart geen rust.
De Heer.
Dient hij mij nog verkeerd, ik stier zijn voet,
En zal hem \'t licht der Waarheid op doen dagen.
De hovenier, als \'t boomtjen knopt, grijpt moed;
Een volgend jaar zal \'t bloem en vruchten dragen.
M e p h i s t o h e 1 e s.
Toch wed ik, Gij behieldt hem niet,
Wanneer Gij mij de vrijheid liet
Hem zachtkens aan mijn zij\' te nooden.
De Heer.
Zoolang hij ginds op aarde leeft,
Is geen verzoeking u verboden :
De stervling dwaalt zoolang hij streeft.
-ocr page 25-
II
Mephistopheles.
Zóo is het goed; want met de dooden
Wist ik mijn leven lang geen raad.
Ik zie het allerliefst een roozenrood gelaat;
Voor lijken was ik nimmer thuis:
Mij gaat het als het katjen met de muis.
De Heer.
Welaan dan, \'k laat u vrij, naar uw verlangen.
Trek deze ziele van heur oorsprong af, en liet
Zij immer in uw strik zich vangen,
Zoo voer haar naar uw Nachtgebied!
Maar sta beschaamd als ge eindlijk moet belijden:
Een edel mensch, spijt struikelen en strijden,
Vergeet den rechten weg toch niet.
Mephistopheles.
\'t Is mooglijk! maar het duurt niet lang.
\'k Ben voor mijn kans juist niet bijzonder bang.
Win ik den prijs, dan mag de Hemel \'t weten,
Nietwaar\'.\' Uit volle borst zing ik den zegezang.
Stof zal hij eten, en met wellust eten,
Gelijk mijn moei, de wijdberoemde slang!
De Heer.
Steeds vrij moogt ge u met de andren henvaart wenden!
\'k Heb uws gelijken nooit gehaat.
Van alle geesten die het Licht ontkenden,
Heeft allerminst de Spotternij geschaad.
De Mensch moet steeds door werkzaamheid ontwikkien;
De rust verslapt, maar daarnaar hunkert hij:
Dies geef ik hem een metgezel ter zij\',
Die, duivel als hij is, hem drijven moet en prikkien. —
Maar gij, gij ware Godenzonen!
In \'t rijke en schoone Leven moogt gij wonen;
Het Wordende, dat eeuwig werkt en leeft,
Sterk\', binnen Liefdes grens, uw hemelkrachten!
Wat als verschijnsel snel voorbij u zweeft,
Bevestigt dat met duurzame gedachten!
De Hemel toordt gesloten: de Aartsengelen verspreiden zich.)
-ocr page 26-
12
Mephistopheles.
Van tijd tot tijd kom ik hier gaarne weer.
Ik pas wel op met Hem te breken.
\'t Is toch zeer hupsch van zulk een machtig Heer,
Zoo menschlijk met den duivel-zelf te spreken.
DE TRAGEDIE.
\'t is nacht.
In een kleine, hoogyewelfde Gothische kamer zit Faust onntstüj
in zijn leuningstoel voor den lessenaar.
Faust.
Ik heb nu al mijn tijd en vlijt
Aan Wijsbegeerte en Recht gewijd,
Aan Medicijnen, Pharmacie,
En ach, ook aan Theologie!
Daar sta ik nu, ik arme dwaas,
Niet wijzer dan ik was, helaas!
\'k Heet Meester, Doctor bovendien,
En leid nu al een jaar of tien
Door dik en dun, met open mond,
Mijn jongens bij de neuzen rond —
En merk met diepe droefenis,
Dat al ons weten stukwerk is!
\'k Ben wel zoo dom niet als die apen,
Doctors, Magisters en Clerken en Papen:
Twijfel noch schroom kan mijn boezem doen jagen,
Duivel noch hel doet mij siddren of tsagen —
Daarom is ook alle vreugde me ontvlogen! . . . .
Dwaas zou het zijn op mijn kennis te bogen:
Geen mensch die ooit van mij iets leert,
Dat hem verbetert of bekeert.
Ook is noch macht noch heerlijkheid
Noch geld noch goed mij weggeleid.
Zoo\'n hondenleven beult mij af:
Dies greep ik naar den tooverstaf,
-ocr page 27-
13
Of ik, door spreuk of talisman,
Verborgenheèn ontdekken kan.
Opdat ik niet, met bitter zweet,
Moet leeren wat ik-zelf niet weet;
Opdat ik \'t innerlijk verband
Der dingen peil\' met mijn verstand.
En, niet meer tastende in den blinde,
Hun werking en beginsel vinde!
Gij Maan! o zaagt ge uit \'s hemels sfeer
Voor \'t laatst op mijn ellende neer!
Gij, die ik hier zoo menig nacht
In de eenzaamheid heb afgewacht,
Waar dan uw licht zoo droevig scheen
Langs boeken en papieren heen\'.
O. dwaalde ik bij uw schemergloor
Gebergten op en wouden door!
Mocht ik in diepte of rotsvallei
Mij mengen in der Geesten rei,
En, d\' aardschen kennis-poel ontsprongen,
Mij in uw hemeldauw verjongen!
Wee! kwijn ik nog in \'t kerkerstof?
Verwenschte krocht, zoo eng en dof,
Waar zelfs het lieve licht verkwijnt.
Dat door gekleurde ruiten schijnt,
Waar boeken rijzen, stapels hoog,
Der mot ter prooi, met stof bevlekt,
En tot den donkren zolderboog
Met grauwberookt papier bedekt;
Een hol, bevracht met flesschen, buizen,
Met instrumenten opgepropt,
Met oude meublen volgestopt,
In zulk een waereld kunt gij huizen"?
En vraagt gij nog waarom u \'t hart
Zoo angstig in den boezem jaagt?
Waarom een onverklaarbre smart
De werking van uw geest vertraagt?
Ver van den groenen Levenshof
Dien God den menschen heeft verleend,
-ocr page 28-
14
Begraaft ge u onder rook en stof,
Bij diergeraarat\' en doodsgebeent\'!
Voort! voort dan! Zoek de lustwanmd,
De vrije lucht, de schepping, — Wêe!
Dit boek van Nostradamus\' hand,
Zeg, welk een leidsman wenscht gij meer?
Den loop der sterren nagevorscht!
En lescht Natuur uw kennisdorst,
Dan wordt in u een kracht gekweekt,
Die als een geest met geesten spreekt.
Vergeefs in dorre mijmerij
Den zin dier teekens opgespoord:
Gij zweeft, o Geesten! nevens mij —
Ei, andwoordt dan, zoo gij mij hoort!
\' Hij slaai. het boek open, en ziet het teeken van het
Makrokosmoa.)
O, hoe mijn borst bij dezen blik ontvonkt!
Wat weelde mag mijn kranke ziel genieten!
Wat levensvreugd, geheiligd en verjongd,
Voel ik op-nieuw door alle polsen vlieten!
Heeft soms een God deez\' teekens uitgedacht,
Die de onrust stillen, \'t hart versterken,
En met geheime toovermacht
Mij leeren hoe de scheppingsraadren werken?
Ben ik een God? Een helder licht doorgloort
Mijn vlotten geest: het floers is weggegleden;,
\'k Bespied Natuur in haar verborgenheden,
En vat eerst nu des Wijzen raadselwoord:
„Het Geestenrijk is niet gesloten;
„Uw oog is blind, uw hart is dood.
üp! baad, o Leerling, onverdroten
„Uw aardsche borst in \'t morgenrood!"
{Hij beschouwt hei teeken.)
Hoe \'t alles hier naar Éénheid streelt,
Hoe \'t eene in \'t andre werkt en leeft!
Hoe reiken alle hemelkrachten
Elkaar de gouden emmers toe!
Hoe wapperen heur vleugclschachten,
-ocr page 29-
15
Des op- en neèrgaans nimmer moè!
Hoe ze, afgestegen uit de heemlen
Met zegeningen zonder tal,
De poriën der Aard\' doorweemlen,
Harmoniesch golven door \'t Heelal!
Wat schouwspel!... Ach, een schouwspel, anders niet!
O gij Natuur! Oneindige! waai\' biedt
Ge uw moederborst, die springbron aller krachten,
Waaraan heel de Aard\', waaraan de Hemel hangt,
Waarnaar het dorstend hart verlangt\'?...
Gij vloeit, gij drenkt, en — moet ik vruchtloos smachten?
(Hij slaat ontevreden het blad om, en ziet het teeken van
den Aardgeest.
Dit teeken zal mij welkom zijn!
Gij, Geest der aarde! zijt mij nader.
Mijn kracht verhoogt, en ieder ader
Ontgloeit reeds als van nieuwen wijn.
\'k Heb moed, me op \'s waerelds zee te wagen,
Haar wel en wee het hoofd te biên,
Haar dolste stormen uit te dagen,
En koel de schipbreuk aan te zien!
Maar.... wolken dalen!
\'t Maanlicht verdonkert, de lamp verdooft!
\'t Rookt voor mijn voeten! Een gloed van stralen
Omkranst mij \'t hoofd!
Huiviende kou doet mijn harte beven
Met luider klop:
Geest, dien ik aanriep! ik voel u zweven!
Den sluier op!
Het kookt hier binnen!
Een hooger Leven
Doorstroomt mijn zinnen!
U wil ik gaarne al mijn liefde geven.
Gij moet verschijnen, al zou ik sneven!
• Hij neemt het boek en spreekt op geheimzinnige wijze het teeken
van den Aardgeest uit Er flikkert een roode vlam.
De Geest verschijnt in de vlam.)
-ocr page 30-
16
Geest.
Wie roept mij ?
Faust (hel gelaat afwendende).
Vreeslijk schouwtooneel!
Geest.
Lang heeft uw kracht mij aangetrokken,
Gij wist mij uit mijn sfeer te lokken,
En nu....
Faust.
Die aanblik is te veel!
Geest.
\'k Heb ademloos u hooren smeeken,
Gij zoudt mij zien, gij moest mij spreken:
\'k Verhoor uw dringend zielsgebed,
Ik kom, — en zie den meer-dan-mensch verbleeken!
Waar, bloodaart, is de ziel die om mij riep,
Die in zich-zelf een nieuwe waereld schiep,
En droeg en kweekte, en, pijlsnel opgevaren,
Zich sterk waande om ons, geesten, te evenaren\'?
Waar zijt gij, Faust! wiens stem mijn ooren trof,
Die bij mijn gunst u opdrongt met uw lof?
Zijt gij dat, die mijn adem pas voelt luwen.
Of \'t doet u van ontzetting gruwen,
En als een worm krimpt gij in \'t stof\'?
Faust.
Zou ik voor u, gij vuurverschijnsel, wijken?
Ik ben \'t! \'k ben Faust: \'k behoor tot uws gelijken!
Geest.
In stroomen des levens, tot daden gedreven,
IJl ik stormend mee,
Zweef ik aan en af,
Geboorte en graf,
Een eeuwge zee,
-ocr page 31-
17
Een wisslend streven,
Een gloeiend leven;
Zoo maak ik den schietspoel der tijden gereed !
Zoo weef ik der Godheid haar levendig kleed!
Faust.
O gij, wiens vlucht tot \'s waerelds einden gaat,
Rustlooze Geest, mijn evenbeeld zijt gij!
Geest.
Gij zijt den Geest gelijk dien gij verstaat,
Niet mij!
Hij verdwijnt.
Faust (in de hoogste verbazing).
Niet u? . ... Wien dan? .... O hoon! o zielepijn !
Niet eens uw beeld? En \'k dacht Gods beeld te zijn!
(Er ivordt geklopt).
Mijn famulus! ik ken dien klop, o spijt!
Nu gaat mijn zaligst uur verloren:
Moet gij mijn vizioenen storen,
Gij, drooge droomer, die ge zijt?
Wngner treedt binnen in zijn slaaprok, een nachtmuts op e
een lamp in de hand. Faust wendt zich ontevreden af.)
W a g n e r.
Vergeef me, ik hoorde u declameeren:
Waarschijnlijk iets van \'t Grieksche Treurtooneel.
In deze kunst zou ik nog graag wat leeren,
Want tegenwoordig helpt dat veel.
Een preökheer, \'t werd wel eens beweerd,
Kan best bij een acteur een lesjen halen !
Faust.
Ja, als die preêkheer zelf acteert,
En dat gebeurt wel enkle malen.
Wagne r.
Ach, als men altijd door studeert,
Zoo nu en dan maar met de waereld eens verkeert,
-ocr page 32-
18
Nauw door een kijker haar kan onderscheiden,
Hoe zal men \'t volk door overreding leiden ?
F a u s t.
Wat gij niet voelt, zult gij vergeefs betogen!
Wanneer het niet der ziel ontspringt,
Niet met een godlijk alvermogen
De harten aller hoorders dwingt,
Vergeefs geblokt! Blijf passen, meten,
Stoof hutspot uit de kliek die andren lieten staan,
Rlaas, bij uw aschhoop neergezeten,
De jammerlijke vonkjens aan!
bewondering van kinderen en gekken,
Begeert gij die, maak daarop staat!
Maar nimmer zult gij harten trekken,
Wanneer \'t u niet van harte gaat.
Wagner.
Des Reednaars voordracht is \'t voornaamste wat ik ken :
\'k Voel wel, dat ik nog zeer ten achtren ben.
F a u s t.
Een beter winst ligt voor de hand:
Trek u geen zotskap over \'t oor!
Eedle eenvoud en gezond verstand
Draagt zonder kunst zich-zelven voor.
Hebt gij in ernst iets meö te deelen,
Wil niet met holle klanken spelen!
Uw woordenpraal, die schittert en verblindt
Maar niet éen denkbeeld kan verklaren,
Is onverkwiklijk als de Najaarswind
Die ritselt door de dorre blaren.
Wagner.
Ach heer! de Kunst is lang
En kort het Menschlijk leven.
Het wordt mij bij mijn kritiesch streven
Somtijds in hoofd en hart zoo bang.
Hoe moeilijk zijn de middlen te verwerven,
Waardoor men tot de bronwei gaat!
-ocr page 33-
19
En eer men halverwege staat,
Dan, arme drommel, moet men sterven.
Faust.
Zijn perkamenten dan de heiige bronnen,
Wier dronk de dorst kan lesschen die u kwelt?
Verkwikking hebt gij niet gewonnen,
Zoolang ze u niet uit eigen ziele welt.
Wagner.
Maar \'t hoort toch wel tot de aangenaamste dingen,
Diep tot den geest der tijden door te dringen,
Te ontwaren hoe, vóór ons, een Wijze heeft gedacht,
En dan te voelen hoe men \'t zelf veel verder bracht!
Faust.
Wel zeker, hemel — hemelhoog!
\'t Verleden, vriendlief! is gesloten voor ons oog
Met zeven zeeglen, nooit te ontwijden;
En wat gij geest der tijden heet, is meest
Niets dan dier heeren eigen geest,
Die dan de spiegel wordt der tijden.
\'t Is vaak wat moois! Wij zijn het moê,
Bij d\' eerste aanblik dien wij op het boeltjen wagen,
Een lappenmand, een vuilniswagen,
Met hoogstens een spektakel-stukjen toe,
Vol treffende pragmatische gedachten,
Zooals men die van poppen zou verwachten.
Wagner.
Maar toch, \'t heelal — de mensch — verstand — gemoed —
Wie zou daarvan niet graag iets willen weten ?
Faust.
Ja, wat men zoo als weten groet!
\'t Kind wordt niet bij zijn rechten naam geheeten.
De weinigen, die hun verlicht verstand,
Hun rijk gemoed, niet voor zich-zelf bewaarden,
Maar \'t grauw hun meening en gevoelens openbaarden,
-ocr page 34-
\'20
Zijn van oudsher gekruisigd en verbrand ....
Maar \'k bid u, vriend! zie hoe de tijd verloopt,
\'t Is middernacht: wij moeten \'t hier bij laten.
Wagner.
\'k Had anders nog een uurtje\' er aangeknoopt,
Om zoo geleerd met u al voort te praten.
Maar morgen is het Paschen: \'k hoor dan graag
Uw oordeel over eene en andre vraag.
\'k Heb jaren in de studiën gesleten:
Reeds weet ik veel, maar \'k zou graag alles weten.
(af.)
Faust. (alleen).
Dat iemand niet de laatste hoop laat varen.
Die immer zich aan ijdelheên verslaaft,
Met gretigheid naar schatten graaft,
En blij is, mag hij regenwormen garen !
Hoe kan het zijn, dat zulk een Menschenstem
Hier, waar straks Geesten zweefden, door mag dringon ?
En toch — voor ditmaal dank ik hem,
d\' Armzaligste aller stervelingen.
Zijn komst weerhield mijn zedelijken dood,
De wanhoop scheen me in \'t zinloos brein te woelen —
Ach, die verschijning was zoo reuzengroot,
Ik moest mij wel een armen dwerg gevoelen!
Ik, beeld van God, die in mijn trotschen waan
Reeds voor den spiegel stond der Eeuwge Waarheid,
Mij-zelf genoot in hemelglans en klaarheid,
En d\' aardschen mensch had uitgedaan;
Ik, meer dan Cherub, ik wiens vrije kracht
Reeds waande in de aadren der Natuur te vlieten,
En, schepper, godlijk leven te genieten,
Hoe spoedig moest mijn dwaasheid mij verdrieten !
Eén donderwoord, en — ik tuimelde in den nacht! . . ..
Ik — Uws gelijke?. ... \'k Voel den moed me ontnomen!
Al heb ik door mijn macht U op doen komen,
Ik kon U niet doen blijven door mijn macht.
-ocr page 35-
•21
Wat zaligheid heb ik zoo straks genoten!
Ik voelde mij zoo klein, zoo groot —
Gij hebt mij wreed te-rug-gestooten,
\'t Onzeekre noodlot in den schoot!
Wat nu te zoeken? wat te mijden\'?
Zal \'k de aandrift volgen mijner hoop?
Ach, alles wat wij doen, zoowel als wat wij lijden,
Vertraagt ons leven in zijn loop!
Aan \'t heerlijkst wat de geest hier mag ontfangen,
Kleeft vreemde stof. gedurig vreemder nog.
Wanneer wij \'s werelds Goede deel erlangen,
Dan heet het Beetre — een droombedrog!
Het reinst gevoel, dat eens als in een hemel
Ons leven deed, versterft in \'t aardsch gewemel!
Stout vloog weleer de Fantazie daarheen,
Steeds hooger door des Eeuwgen licht omblonken:
Nu is een kleiner sfeer haar niet te kleen,
Daar vreugd bij vreugd in \'s levens draaikolk zonken.
De zorgen nestien diep in \'t Menschlijk hart,
En voeden daar geheime smart:
Zij knagen voort, tot lust en rust vergaan,
En nemen steeds een ander masker aan,
\'t Zij ze u in huis en hof, in vrouw en kind verschenen,
Als vuur of water, gif of zwaard,
Gij vreest voor elke ramp die — nimmer u weêrvaart,
En wat gij nooit verliest, dat moet ge steeds beweenen!
\'k Gelijk den Geesten niet: dat heb ik diep gevoeld.
Den worm gelijk ik, die in de aarde woelt,
Die in het stof met stof zich laaft,
Tot hem des wandlaars voet verplettert en begraaft.
Of is \'t geen stof, wat hier mijn oog aanschouwt,
Die bonte rijen die de vakken vullen,
Deez\' hoogen wand verengend\', duizend prullen,
Een mottenwaereld die mijn borst benauwt?
Moet ik hier vinden wat ik mis?
Moet ik misschien in duizend boeken lezen,
-ocr page 36-
22
Hoe overal de Mensch zijn eigen kwelgeest is,
Terwijl een enkle zich gelukkig heeft geprezen?
Wat grijnzend doodshoofd! kan uw boodschap zijn.
Dan dat uw brein eenmaal als \'t mijne faalde,
Het daglicht zocht maar in den schemerschijn,
Spijt waarheids-zin te jammerlijk verdwaalde?
Gij, Instrumenten! dreeft den spot met mij,
Met al uw kammen, raders, beugels, veeren:
\'k Stond voor de deur: de sleutels heettet gij,
Maar toch, hoe kunstig ook, gij deedt het slot nietkeeren!
Geheimvol, zelfs op klaren dag.
Vergunt Natuur u niet den sluier op te lichten:
Tot niets wat zij uw geest niet openbaren mag,
Zult gij door schroef of hevel haar verplichten.
Oud Huisraad! nooit hebt gij mij dienst gedaan:
Mijn vader bracht vóór jaren u hier henen.
Gij oude rol! zwart sloeg de walm u aan
Der nachtlamp, die zoo lang de lesnaar heeft beschenen.
Waarom maar niet mijn weinigje\' opgeteerd,
Dan, met dat weinigjen beladen, hier te zweeten?
Wat baat het of uw erfgoed steeds vermeert?
Wat gij niet smaakt, kan nauwlijks \'t uwe heeten!
Wat niet gebruikt wordt, strekt tot hindernis:
Dat noem ik waarlijk nut, wat aanstonds bruikbaar is!
Maar waarom keert mijn blik steeds naar dat hoekjen weder\'\'
Is dan dat fleschjen ginds voor de oogen een magneet\'.\'
Wat troostend licht op eens daalt in mijn ziele neder,
Als blonk des nachts in \'t woud de maan door \'t nevelkleed\'.\'
U groet ik, edelst fleschje\', op gindsche plank verschoven!
Eerbiedig neem ik u van boven,
U, meesterstuk van wetenschap en kunst!
O heulsap voor al wie naar ruste smachten,
O geest der fijnste en doodelijkste krachten,
Bewijs uw meester thands uw gunst!
Ik zie u — en ik voel mijn smart bedaren;
Ik grijp u — en \'t wordt kalmer in mijn aren,
Des geestes vloed wordt eb; \'k zie d\'open oceaan
In stille majesteit mij groeten :
-ocr page 37-
23
Hij glinstert als een spiegel voor mijn voeten.
Van nieuwe stranden lacht een nieuwe dag mij aan !
Een vuurkoets daalt, op luchte wiek gedragen.
Tot mij terneer. Nu voel ik mij bereid
Langs nieuwe paan in d\'ether mij te wagen
Naar hooger sfeer van reiner werkzaamheid.
En zulk een levensheil als Goden slechts genoten,
Gij, straks een worm, zijt gij dat waard?
Gij zijt het! keer maar vast-besloten
Den rug voor immer toe aan \'t lieve licht der Aard\'!
Verstout u slot en grendelen te breken
Dier poort, die elk met huivring nader treedt:
Hier is het tijd, door daden uit te spreken
Dat Mannen waarde zich met Godengrootheid meet,
Het donker diep niet angstig te vermijden,
Waarvan de fantazie tot eigen kwelling droomt.
Kloekmoedig tot den krater voort te schrijden,
Waaruit de gloed der gantsche helle stroomt,
Ja, wel te nioé dien grooten stap te wagen,
Al wist ge ook dat ge in \'t Niet wordt weggeslagen!
En nu, kristallen drinkschaal! kom nu neder,
Verlaat in \'t eind uw ouden koker weder,
Waaraan ik in geen jaren heb gedacht!
Gij glansdet bij der vaadren vreugdfestijnen,
Den rimpel deedt ge op \'t stroefst gelaat verdwijnen.
Wanneer uit u de dronk werd toegebracht.
Uw beelden met hun bonte kleurenpracht,
Des drinkers plicht die rijmend te beschrijven,
U dan te leêgen tot geen drop mocht overblijven,
Dat al herinnert mij zoo menig jonglings-nacht!
Thands zal, na mij, uit u geen buurman drinken,
Thands zal uw kunst geen speelsch vernuft doen blinken :
Dit sap bedwelmt op een met onweêrstaanbre kracht.
Ik zal uw bodem met dit donker vocht besproeien,
Ik koos het uit, ik doe het vloeien:
Zoo zij de laatste dronk, waarbij dit hart zal gloeien,
Als feestelijke groet den morgen toegebracht!
(Hij zet de drinkschaal aan den mond.)
-ocr page 38-
24
KLOKGELUI EN KOORGEZANG.
Koor van Engelen.
Christus is opgestaan!
Heil nu den sterflijke,
Met de verderflijke,
Sleepende en erflijke,
Zonden belaan!
F a u s t.
Wat diepe galm, wat stroom van tonen treft mijn ooren,
En trekt mij met geweld den beker van den mond\'?
Doet gij, o klokgelui! reeds d\' eersten feestklank hooien
üp Paaschdag\'s vroegen morgenstond ?
Gij Kooien! zingt gij reeds het troostlied aller vromen,
Van Englenlippen eens bij \'t open Graf vernomen,
Ten zegel van een Nieuw Verbond\'?
Koor van Vrouwen.
In spraakloos rouwen
Legden wij onzen Heer,
Wij, zijn getrouwen,
Op specerijen neer.
Banden en doeken
Wonden we om \'t lichaam heen....
Ach, hoe wij zoeken,
Christus verdween!
Koor van Engelen.
Christus is opgestaan!
Zalig, die, strijdende,
Gode zich wijdende,
Liefdevol lijdende,
\'t Kruis heeft doorstaan!
Faust.
Wat trekt gij mij zoo machtig en zoo teer
In \'t stof te-rug, gij zoete hemeltonen ?
Klinkt daar in \'t rond waar weeke menschen wonen!
Ik hoor de boodschap wel, maar heb \'t geloof niet meer,
-ocr page 39-
25
En — \'t Wonder is de liefste zijner zonen!
Ik durf niet tot die sfeeren op te zweven,
Waar de Englen-heilmare is ontstaan;
Toch, aan dien klank gewoon van de eerste jeugd af aan,
lioept hij ook nu mij weer te-rug in \'t leven.
Eens kuste mij de iieide van mijn God,
En \'k smaakte een sabbatrust die alle driften stilde:
\'t Was of het klokgelui geheel mijn ziel doortrilde,
En mijn gebed was vurig zielsgenot.
Door naamloos heimwee diep bewogen,
Doolde ik, alléén, door woud en weide rond;
En met de tranen in mijn oogen,
Groette ik een Paradijs, dat in mijn borst ontstond.
Dat lied herriep op eens mijn blijde kindervreugde,
Ons dartel spel in lente\'s rozengaard;
Wat uit de prille jeugd mij zoet en zaligs heugde,
Heeft voor den grooten stap der wanhoop mij bewaard.
Klink, Hemelsch Lied! daal in mijn boezem neder!
Mijn oog stort tranen: de Aarde heeft mij weder!
Koor van Jongelingen.
Heeft de Eeuwig-levende
\'t Graf reeds begeven,
Hemelwaards zwevende,
Heerlijk verheven?
Groet Hem de Vredegaard,
Waar niets \'t verblijden stoort,
Ach, onze bedevaart
Duurt nog in lijden voort!
Meester: Uw Jongren
Weenen in strijd en druk,
Smachten en hongren
Naar Uw geluk!
Koor van Engelen.
Christus is opgestaan
Eer Hem de ontbinding trof.
Wie heeft nog kluisters aan\'.\'
Werp ze in het stof! —
Werkzaam Hem prijzende,
-ocr page 40-
26
Liefde bewijzende,
Broederlijk spijzende,
Zoekende, leidende,
Zegen verspreidende,
Volgt gij uw Heer, en Hij —
Gaat aan uw zij\'!
BUITEN DE POORT.
Allerlei wandelaars, uit de stad komende.
Eenige Handwerksgezellen.
Hoe stapt gij zoo naar deze laan ?
Anderen.
Wij zouden naar het jachthuis gaan.
De eersten.
En wij gaan naar den molen met elkandron.
Een gezel.
Gaat liever naar den waterhof!
Een tweede.
De weg daarheen is grijs van stof.
De tweeden.
Wat doet gij dan?
Een derde.
Ik ga met de andren.
Een vierde.
Naar Burgsdorp! kom! daar vindt ge pas plezier:
De mooiste meiden, \'t beste bier.
En kloppartijtjens om te watertanden!
-ocr page 41-
27
Een vijfde.
O onverzaadbre bullebak!
Wenscht ge u ten derden maal een pak?
Ik hoop daar nooit meer aan te landen!
Di e n s t meisj ens.
Neen, neen, ik denk naar stad te-rug te gaan.
Een Ander.
Wij vinden hem daar ginder bij de abeelen.
Het Eerste.
Daar heb ik bitter weinig aan:
Mijnheer zal aan uw zijde gaan,
Hij danst met u — mij laat hij staan ....
Wat. kunnen mij uw pretjens schelen 1
Het andere.
Maar hij is zeker niet alléén :
De kroeskop komt met hem hier heen.
Student.
Kijk, kijk! daar gaan ze! knappe meiden!
Kom, broer! die moeten we geleiden.
Een zware pijp tabak, een sterk glas bier,
Een aardig ding, ziedaar mijn grootst plezier!
Burgermeisjen.
Zie watte heeren, die twee vrinden !
Ik noem het zonde en schande, ja!
Zij konden \'t best gezelschap vinden,
En loopen zulke deerens na.
Tweede Student (tot den eerste).
Zoo haastig niet! ga even meê!
Daar komt een paartje om door een ringetje te halen.
Mijns buurmans dochterkijn is een der twee:
Dat meisjen mag ik graag, ik spreek haar menigmalen.
-ocr page 42-
\'28
Hoe zedig ze uit haar oogjens ziet,
Zij, en die andre, weigren niet.
Eerste Student {tot den tweede.)
Neen, broer, ik ben niet gaarne gegeneerd.
Voort, eer dit wild ontsnapt is aan onze oogen!
De hand die Zaturdags den bezemsteel hanteert,
Zal Zondags u het beste streelen mogen.
Burger.
Den nieuwen burgemeester eeren\'.\'
Nu hij het is, die pauw, wat pronkt hij met zijn veeren!
Wat heeft hij nog gedaan tot nut van \'t algemeen\'.\'
\'t Wordt immers alle dagen slimmer!
Men moet zich buigen meer dan immer,
Betalen meer dan ooit voorheen!
Bedelaar {zingt.)
Gij goede heeren, schoone vrouwen,
Zoo wél gekleed, zoo bloeiend rood,
Och, wilt een armen man aanschouwen,
Hebt deernis en verzacht zijn nood!
Laat mij niet zingend hongerlijden!
Gelukkig mensch die geven mag!
Een dag, als allen zich verblijden,
Zij ook voor mij een vreugdedag!
Andere Burger.
Ik praat het liefst op zon- en heilgendagen
Van wapenklank en krijgsgetier,
Als bij de Turken, ver van hier,
De volkeren elkander plagen.
Men staat aan \'t venster, schenkt zich nog eens in,
Ziet langs den stroom de bonte schepen glijden,
Keert \'s avonds wel te moê tot zijn gezin,
En zegent vrede en vredestijden.
Derde Burger.
Volkomen juist, mijn goede man!
Ginds mogen zij als honden kijven,
-ocr page 43-
29
Elkander hakken in de pan,
Zoo wij maar thuis bij \'t oude blijven!
Oude Vrouw {tot de burgermtisjens.)
Wel, wel, hoe pronkt dat schoone jongebloed!
Wien zou zij de oogen niet verblinden?
Nu, niet te preutsch! \'t Gaat zoo al goed,
En wat gij wenscht, kan ik u best doen vinden!
Burgermeisjen.
Agatha, voort! neem u als ik in acht
Met zulk een heks bij dag u te onderhouên!
Denk eens, zij heeft me op Sint-Andreas-nacht
Mijn vrijer in een spiegel doen aanschouwen.
De Andere.
En mij vertoonde ze in \'t kristal
Een knap soldaat met vele van zijn vrinden.
Sints kijk ik rond, en zoek hem overal —
Helaas! ik kan hem nergens vinden.
Soldaten.
Burchten met hooge
Torens en tinnen,
Meisjens met trotsche
Spijtige zinnen.
Mocht ik verwinnen!
Stout is het pogen,
Heerlijk het loon!
En de trompetten
Laten wij klinken,
Daar onder \'t strijden,
Hier, onder \'t drinken.
Dat is een stormen!
Dat is een juichen!
Muren en meisjens
Moeten zich buigen.
Stout is het pogen,
Heerlijk het loon!
-ocr page 44-
30
En de soldaten
Zijn dat gewoon.
FAUST EN WAGNEIl.
F a u s t.
De beekjens dartlen door de vlakte:
De lente smelt het stroomkristal:
\'t Geluk der hope groent in \'t dal,
En de oude winter, in zijn zwakte,
Trok naar zijn hoogea vestingwal,
En werpt van daar, in ijdlen tooren,
Al vluchtend zijn gekorreld ijs
In streepen langs de groene voren.
Maar heden duldt de Zon geen grijs :
\'t Moet alles worden, leven, groeien,
En schittren in haar stralengloor;
En daar geen bonte bloemen bloeien,
Neemt zij er bonte menschen voor.
Blijf even staan op \'t heuvelpad
En blik eens neder naar de stad!
Wat stroomt daar uit de donkre poort
Een wemelende schare voort!
Wien zou het heden mooglijk wezen
In \'t Zondagskleed niet uit te gaan\'?
\'t Is feest: hun Heiland is verrezen.
Zij-zelven ook zijn opgestaan!
Uit d\' engen schoot der muffe huizen,
Uit handwerksbanden, winkelkluizen,
Uit straat en steeg, van wal en gracht,
Uit vlieringstroo en keldersteenen,
En uit der Kerken heilgen nacht,
Zijn ze allen nu in \'t licht verschenen.
Zie, over de akkers heinde en veer\'
Verspreiden zich de vlugge scharen!
Ontelbre bootjens spelevaren
Den blonden Rijnstroom op en neer.
Daar steekt, tot zinkens toe beladen,
De laatste roeier af van wal!
\'t Gebergte zelf blinkt overal
Van hooggekleurde feestgewaden.
-ocr page 45-
34
Daar blauwt reeds in den zonneschijn
Het dorpjen! Zie, wat blij gewemel!
Hier vindt het volk zijn aardschen hemel;
Hier ben ik mensch, hier mag ik \'t zijn!
YV a g n e r.
Aldus te wandlen aan uw zijde,
Heer doctor, brengt mij eer en voordeel aan :
Toch zou \'k alleen niet herwaards gaan,
Omdat ik alle ruwheid mijde.
Ik walg van al dat wild gewoel,
Dat fiodlen, keeglen en gejoel.
Zij schijnen van een boozen geest bezeten:
Dat moet plezier, dat zingen heeten!
BOEREN ONDER DE LINDE.
DANS EN GEZANG.
De herder tooide zich ten dans
Met fulpen buis en lint en krans,
Als voor een hooggetijde.
Hij zocht of hij een plaatsjen vond,
\'t Danste alles om de linde rond.
Hoezee! hoerah!
Van hoepsasa!
Wat klonk die vedel blijde;
En als hij haastig zich bewoog,
Daar stiet hij met den elleboog
Een Meisjen in de zijde.
De frissche deerne keert zich om,
En meesmuilt: „Foei, dat vind ik dom\'
Hoezee! hoerah!
Van hoepsasa!
„Geen lomperts die ik lijde."
Maar lustig springen ze in den kring,
Rechts, links, een bonte mengeling,
Die dol den dans zich wijdde.
Zij werden rood, zij werden warm,
-ocr page 46-
3-2
En rustten hijgend arm in arm,
Hoezee! hoerah!
Van hoepsasa !
En elleboog aan zijde,
„En wees toch zoo vrijpostig niet!
Hoe menig die de bruid verliet,
Dift hij zoo vurig vrijde!"
Toch lokt hij daar den danskring uit ....
En van de linde galmde \'t luid :
Hoezee! hoerah!
Van hoepsasa !
Wat klonk die vedel blijde!
Oude Boer.
Wel doctor, dat verblijdt ons zeer,
Dat gij ons heden niet versmaadt,
Maar, schoon een hooggeleerde heer.
In \'t midden van ons volkjen gaat.
Neem dan deez\' schoonste kruik ter hand.
Gevuld met laafnis tot den rand!
Ik breng ze u toe, en wensch daarbij
Eerst: dat ze u tot verfrissching zij,
Voorts dat de dagen uwer jaren
De druppels, die ze omvat, in aantal evenaren!
Faust.
\'k Neem gaarne den verkwikkingsdrank:
Weêrkeerig, vrienden, heil en dank!
(het volk schaart zich in een kring).
Oude Boer.
Ja, zeker, \'t doet ons allen goed,
Dat ge op den Feestdag hier verscheen!!
In menig bangen tegenspoed
Hebt gij het best met ons gemeend.
Hoe menig leeft nu nog gezond,
Die, door de plaag ter neer geveld.
Een redder in uw vader vond,
In \'t hachlijkst uur ter hulp gesneld.
-ocr page 47-
3:i
Ook gij, een jongling in dien tijd,
Bracht raad en daad van huis tot huis —
En wien men droeg naar de enge kluis,
Gij bleeft verwinnaar in den strijd.
Geen vuurproef\' kon u d\' ijver rooven :
De helper hielp — de Helper, Boven I
Allen.
Lang leve hij, de ervaren man,
Dat hij nog velen helpen kan!
Faust.
Tot Hem omhoog, die helpen leert
En hulpe biedt, het hart gekeerd!
(Hij gaat met Wagner verder).
W a g n e r.
Wat moet gij wel gevoelen, roemrijk man !
Als allen dus met hulde en eer u kroonen ?
Wie dus zijn gaven laat beloonen,
O, wel gelukkig wie dat kan!
De vader wijst hem aan zijn zonen.
Nu stroomt men aan, en dringt en ijlt,
De vedel zwijgt, de danser wijlt.
Het volk, dat zich in rijen schaarde,
Blijft, waar gij nadert, blootshoofds staan,
En bijna buigen zij ter aarde,
Als kwam het Venerabile aan.
Faust.
Vooruit, mijn vriend! nu nog maar enkle schreden,
Dan rusten wij op gindschen steen.
Daar zat ik vaak in diep gepeins alleen,
En kwelde mij met vasten en gebeden.
Aan hope rijk, geloovig evenzeer,
Met tranen, zuchten, handenwringen,
Zocht ik den hoogen Hemelheer
Het eind der pestplaag af te dwingen.
De lof van \'t volk klinkt me als een biltre hoon:
-ocr page 48-
:u
Laast ge in mijn hart, gij zoudt er lezen,
Dat zooveel eers, onmatig hun hewezen,
Verdiend is noch door vader noch door zoon.
Mijn vader — was een achtenswaarde grijze,
Braaf, maar beperkt, die wel had nagedacht,
Natuur doorzocht, maar op zijn eigen wijze!
Fantastiesch zwoegend dag en nacht;
Die, in gezelschap van adepten,
Zich in „de zwarte keuken" sloot,
En naar oneindige recepten
Het strijdige te-samen-goot.
De „lelie" werd den „rooden leeuw" gegeven
Tot bruid in \'t lauwe bad; en daarop werd het paar
Met open vuurvlam voortgedreven
Van \'t eene bruidsvertrek in \'t adr.
Verscheen daarop met bonte verven
De „jonge koningin" in \'t glas,
Dat was dan de artsenij! — de lijders moesten sterven.
En niemand vraagde er: wie genas?
Zoo heeft ons brouwsel menigmalen
Op deze bergen, in deez\' dalen,
Veel erger dan de pest gewoed.
Ik-zelf ik heb het gif aan duizenden gegeven.
Zij kwijnden weg — ik moet beleven,
Dat men den moorders hulde doet!
W a g n e r.
Geen dwaze smart moet u verrassen!
Een eerlijk man heeft zich genoeg geweerd,
Als hij de kunst, door andren hem geleerd,
Getrouw en stipt weet toe te passen.
Als gij, als jongling, uwen vader eert,
Laat ge u door hem met blijdschap onderwijzen;
Als gij, als man, de wetenschap vermeert,
Zal straks uw zoon op hooger standpunt rijzen!
Faust.
Gelukkig hij, in wien de hoop nog leeft,
Uit deze zee van dwaling op te duiken!
Wat men niet weet, is juist dat wat men noodig heeft-
Fin wat men weet, dat kan men niet gebruiken ....
-ocr page 49-
35
Maar, lieflijk uur, zoo zalvend voor \'t gemoed!
Wie zou u door naargeestigheid verbittren?
Zie, hoe daar ginds in d\' avondzonnegloed
Door \'t wijngaardgroen die rieten stulpen schittren!
De zon sterft weg — zij duikt in \'t watergraf,
Neen, zij herleeft en elders brengt zij \'t leven.
Och, of zij mij uit deernis vleuglen gaf,
Om met haar meê en altijd meê te zweven!
Dan zag ik de Aarde in eeuwige\' avondglans,
Diep onder mij, zoo kalm in haar valleien,
Zoo schittrend met haar bonte heuvelkrans,
Waar, levend goud, de beekjens spelemeien.
Geen berggevaart\', al steeg het hemelhoog,
Geen afgrond, die mijn godenvlucht zou stuiten!
Daar zie ik reeds voor mijn verwonderd oog
De lauwe zee haar glazen kolk ontsluiten.
Hoe nu? Zal dan de Waereldkoningin,
De Lichtgodes, toch eindlijk mij ontzinken?
Nieuwe aandrift stort mij nieuwe krachten in!
Voort ijl ik, om haar eeuwig licht te drinken.
Vóór mij de dag, en achter mij de nacht,
Den hemel hier, en onder mij de baren!....
Een schoone droom!.... toch zal geen vleugelschacht
Zoo ras zich met de geestes-wieken paren!
En niettemin — een zucht die voorwaards dringt,
Die opwaards voert, is ieder aangeboren.
Ze ontwaakt, zoo vaak de schelle leeuwrik zingt,
In \'t blauwe ruim van \'t firmament verloren,
Als \'t arendsjong op breede vlerken wiegt,
De rots ontstijgt en worstelt met de winden,
Of de eidebaar de zeen overvliegt
Om \'t land van zijn geboorte weer te vinden.
W a g n e r.
\'k Heb ook wel eens een soort van gril gehad,
Maar nooit had ik met zulk een wensch te strijden.
Men ziet zich gauw aan woud en weide zat.
Des vogels vlucht zal ik wel nooit benijden.
Maar lezen, o, wat andre vlucht is dat,
Van boek tot boek, van blad tot blad!
Hoe schoon rust dan de winternacht op de aarde!
-ocr page 50-
36
Een zalig vunr doortintelt al uw leen;
En ach, ontrolt gij dan een perkament van waarde,
Dan wordt het enkel Hemel om u heen.
Faus t.
Van twee begeerten kent ge er éen:
Of\' nooit de tweede uw kalme ziel bezwaarde!
Daar, wonen, ach! twee zielen in mijn borst,
En de eene wil van de andere zich scheiden;
Want de eene omklemt met heete liefdedorst
De waereld, waar zij woning wil bereiden,
Maar de andre schudt met onbetembre vlucht
Het stof zich af, en smacht naar hooger sfeeren!
O, wandelen er geesten in de lucht,
Die tusschen aarde en hemelen regeeren,
Daalt neer dan uit uw wolk van kristallijn,
En voert mij op tot hooger, heerlijk Leven !
Ja, noemde ik slechts een toovermantel mijn\',
Mocht ik er meê naar vreemde landen zweven,
Ik had hem veil voor purper noch satijn,
Ik zou hem voor geen koningsmantel geven!
Wagne r.
Roep haar niet op, de welbekende schaar
Dier machtigen die zich door \'t ruim verspreiden,
Die \'t Menschdom duizendvoud gevaar
En dat van alle kant bereiden!
Van \'t Noorden komen ze in uw borst de tanden slaan.
Met angelhaken aan de ruwe tongen,
Van \'t Oosten rukken ze alverdorrend aan,
En teren op uw hartebloed, uw longen:
Als \'t Zuid hen uit de zandwoestijnen zendt,
Is \'t of er vlammen op uw schedel woelen;
De zwerm die uit het West zich tot u wendt,
Eerst zacht, zal u en de akkers weg doen spoelen.
Zij luistren graag, tot schaden steeds gereed,
Verhooren graag, omdat ze ons graag bedriegen;
Zij doen of hen de Hemel dalen deed,
En lisplen zacht als Englen wen zij liegen.
Maar laat ons gaan! de lucht wordt koud,
De nevel valt, de hemel grauwt.
-ocr page 51-
37
Des avonds is het thuis het best ....
Maar waarop houdt ge op eens verbaasd het oog gevest?
Wat treft u in de scheemring, zou ik vragen?
Faust.
Ziet gij dien zwarten hond door veld en akker jagen ?
W a g n e r.
Ik heb hem lang al op en neer zien gaan.
Faust.
Beschouw hem goed — hoe staat dat dier u aan?
W a g n e r.
Wel, \'t is een poedel; rustloos snuffelt hij,
Of hij \'t verloren spoor zijns meesters mocht ontdekker..
Faust.
Ziet gij hem niet een wijden cirkel trekken
Rondom ons heen, gedurig dichter bij ?
Mij dunkt, ik zie een vuurstreep vonklen,
Hem volgend waar zijn paden kronklen.
Wagner.
Ik zie een zwarten hond, niets meer! Geloof mij toch,
Al \'t andre is louter zinsbedrog!
Faust.
Mij schijnt het toe als trok hij tooverkringen
Die straks een band ons strikken om den voet.
Wagner.
Ik zie hem schuw, onzeker om ons springen,
Nu hij in \'s meesters plaats twee vreemden hier ontmoet.
Faust.
De kring wordt eng — nu nadert hij terstond I
-ocr page 52-
38
W a g n e r.
Gij ziet, daar staat geen spooksel, maar een hond.
Hij knort, kruipt op zijn buik, en kwispelstaart:
\'t Is al te maal naar hondenaart.
Faust.
Wel, ga dan met ons me<5, kom hier!
Wagner.
Die poedel is een aardig dier:
Staat ge even stil, dan blijft hij staan;
Hij springt omhoog, spreekt gij hem aan;
Wat gij verliest, hij brengt het weder,
Al wierpt ge uw stok in \'t water neder.
Faust.
Neen, \'k vind geen spoor van eenig Geestenrijk.
\'t Is alles aangeleerd — gij hebt volmaakt gelijk.
W a g n e r.
Ken llinki\' hond en die wat kan,
Behaagt zelfs een verstandig man;
En wat student is, mag hem wel,
Als zijn scholier en medgezel.
(Zij gaan de stadspoort binnen.)
STUDEERKAMER.
Faust, (tnet den poedel binnentredende.)
Verlaten heb ik veld en dreven,
Nu door een diepen nacht begroet,
Die met een godgeheiligd beven
Ons Beter Ik ontwaken doet.
Nu zwijgt de storm van wilden tooren,
De booze lust, de dwaze trots.
De Menschenliefde wordt herboren,
Herboren wordt de liefde Gods.
-ocr page 53-
39
Wees rustig, poedel! loop niet heen en weder!
Wat snuffelt ge aan den drempel nu\'?
Achter de kachel! vlij rustig u neder!
Mijn beste kussen geef ik u.
Hebt gij daarginds op de bochtige wegen,
Ons met uw rennen en springen behaagd,
Nu zal ik u als gast verplegen.
Mits gij u stil en braat gedraagt!
Als bij des lampjens tintelstralen
De kleine cel ons opengaat,
Schijnt daar een helder licht te dalen
In \'t harte, dat zich-zelf verstaat.
Weer weeft de Hoop heur zoete droomen.
De Rede spreekt, de borst wordt rein:
Zij smacht op nieuw naar \'s Levens stroomen,
Ach, naar des Levens springfontein!
Knor zoo niet, poedel! uw dierlijke tonen,
Worden bij \'t heilige lied niet geduld,
Dat heel mijn trillende ziele vervult\'
Wat zij niet vatten, verwaten te honen,
Dat zijn, ik weet het, de menschen gewoon :
Hinderlijk vaak is hun \'t Goede en het Schoon\',
\'t Brengt hen aan \'t morren —
Wil nu de hond, zoo als zij, hot beknorren\'?
Maar ach! reeds voel ik bij den besten wil
Den vree niet meer mij uit den boezem wellen.
Waarom moet de oude dorst mij kwellen
En staat de stroom zoo spoedig stil?
Toch was dit lang reeds mijne ervaring;
Ook is die onvoldaanheid goed,
Omdat ze ons naar het Hoogste vragen doet.
Wij smachten naar een openbaring,
Die nergens waardiger en schooner wordt gekend
Dan in hel Nieuwe Testament.
\'k Voel door begeerte mij gedreven
Om zelf den grondtext op te slaan,
En nauwgezet de heiige blaan
In mijn geliefd Hoogduitsch te-rug te geven.
{Hij slaat een boek open en gaat zitten.)
-ocr page 54-
40
Geschreven staat: „In d\'aanvang was het Woord."
Hier stuit ik reeds: wie helpt mij verder voort?
Ik geef aan \'t Woord onmooglijk zooveel waarde.
Als ik het eens op andre wijz\' verklaarde!
Daar stort de Geest me iets beters in:
Geschreven staat: „In d\'aanvang was de Zin.\'\'
Maar toetse ik d\'eersten regel nog eens weder!
Vooral niet al te haastig, rappe veder!
Is \'t wel de Zin, die \'t al heeft voortgebracht?
\'t Moet zijn: „In d\'aanvang was de Kracht."
Maar neen, ik voel, dat kan het ook niet wezen.
Mij zegt een stem, \'k moet nog iets anders lezen:
Mij helpt de Geest, op eenmaal weet ik raad,
En schrijf getroost: „In d\'aanvang was de Daad."
Poedel! als gij blijven wilt,
Niet geblaft en niet gegild!
Zoo\'n luidruchten medgezel
Past niet in mijn stille cel.
Als ge uw klaaglied niet besluit,
Moet óf gij óf ik er uit.
Of — verveelt ge u reeds bij mij ?
De deur is open — het gaan staat vrij ....
Maar wat, wat moet ik zien?
Kan zóo iets natuurlijk geschiên ?
Is \'t werklijkheid of zinsbedrog?
Is dat dezelfde poedel nog?
Hij groeit in grootte en omvang___ neen!
De hondsgestalt\' van straks verdween.
Wat spooksel liet ik binnengaan?
Reeds grijnst hij me als een Nijldier aan,
Met vurig oog en fel gebit.
Maar \'k vrees voor geen gedrocht als dit.
Voor zulk halfslachtig Helgebroed
Is Salomo\'s bezweering goed.
Geesten (in de galerij.)
Ziet, gevangen is er een!
Blijft gij hier! Hem volg\' er geen!
Als de vos in d\' ijzren knel
Beeft een oude wolf der Hel,
-ocr page 55-
41
Maar geeft acht!
Zweeft heen en weder,
Op en neder,
En hij ïaakt uit \'s Vijands macht!
Staat naar vermogen
Hem bij in zijn pogen:
Hij heeft dat als vriend
Aan ons allen verdiend!
Fa ust.
Tot bezweering van het dier
Kies ik eerst de spreuk der Vier.
Salamander moet gloeien,
L\'ndine moet stroomen,
De Sylphe verdwijnen,
De Kobolt moet komen!
Die ieder element
Niet kent
In werking en in wezen
Dien zal wel nimmermeer
Als Heer
Het Rijk der Geesten vreezen.
Op, Salamander,
In vlammen verdwenen!
Vloei gij, Undine,
Al ruischend daar henen!
Straal gij, o Sylphe,
Van lichtglans doorschenen!
Sta gij ons bij,
Incubus, Incubus! sluit de rij!
Geen van de Vier
Schuilt in het dier.
Hij ligt daar rustig en grijnst mij aan.
Mijn tooverspreuk heeft hem geen leed gedaan.
Wil \'k triompheeren,
Dan moet ik sterker hem bezweeren.
Zijt gij, gezel!
Een vluchtling der Hel?
Laat me u dit teeken te aanschouwen geven!
-ocr page 56-
42
Dat ziende, beven
De zwarte scharen.
Ziet hoe hij opzwelt iuet borstlige huren!
Verworpen wezen !
Kunt gij hem lezen
D\' onnoembren naam van Hern die leeft,
Wien eeuwig alle heemlen prezen,
Dien de aarde aan \'t kruis genageld heeft\'?
Achter den kachel houdt hij stand.
Heuzig als een elefant.
Langs den muur zwelt hij omhoog.
Wil hij als een damp ontsluipen?
Rijs niet tot den zolderboog!
Aan mijn voeten zult gij kruipen!
Niet vergeefs dreigt uw Meester, dat ziet gij nu!
Met de heilige vlamme verschroei ik u!
Wacht uw hoogste straf,
Wacht het driedubbeld gloeiende licht niet af!
{De nevel verdwijnt en Mephistopheles, gekleed als een reizend
student, treedt van achter den kachel te voorschijn.)
Mephistopheles.
Waartoe dat leven toch? Wat wenscht mijnheer te weten".\'
Faust.
D i t was de kern dus van dien hond?
Een reizende scholast! \'t mag om te lachen heeten!
Mephistopheles.
Gegroet, geleerde Heer, wiens macht ik ondervond!
Wat hebt gij vreeslijk mij doen zweeten!
Faust.
Hoe heet ge?
Mephistopheles.
Wat onnoozle vraag is dat
Voor iemand die „het woord" zoo weinig schat,
-ocr page 57-
43
Die, immer warsch van allen schijn,
Vorscht wat de dingen naar hun innigst wezen zijn.
Fa ust.
Bij u, gij Heeren, is het wezen
Gewoonlijk in den naam te lezen:
Dat blijkt, bij voorbeeld, al te waar,
Heet men u Vliegengod, Verderver, Leugenaar,
Nu goed, wie zijt ge dan?
M e p h i s t o p h e 1 e s.
Ik ben een deel dier kracht,
Die steeds het Goede wekt, schoon zij naar \'t Kwade tracht.
F a u s t.
Een raadselwoord! verklaar mij wat gij zegt!
Mephistopheles.
Ik ben de geest die steeds ontkent. Met recht!
Wat ooit ter waereld heeft bestaan,
Is dubbel waard te niet te gaan:
En beter ware \'t dat er niets bestonde!
Zoo is dan alles wat gij Zonde,
Verderf genaamd hebt en Ellend,
Kortom, het Kwaad, mijn eigen element.
Faust.
Noemt ge u een deel? Gij staat geheel toch voor mijn oogen ?
Mephistopheles.
En toch heb ik mij niet bedrogen!
De Mensch, de trotsche Mensch alleen,
Die narrenwaereld in het kleen,
Houdt zich voor een Geheel — voor mij, ik wil wel weten,
\'k Ben maar een deel des deels, dat eer \'t Heel-Al mocht heeten,
Een deel der Duisternis, waaruit het Licht verscheen:
Het Licht, hoogmoedig en verwaten,
Dat Moeder, de Oude Nacht, nog rang noch plaats wil laten!
Vergeefs, want, waar \'t ook stralen schiet,
-ocr page 58-
44
Van \'t lichaam scheiden kan het niet.
Het stroomt langs \'t lichaam, \'t weet het lichaam glans te leenen,
Ken lichaam stremt het in zijn gang;
En daarom hoop ik, \'t duurt niet lang,
Of, met het Lichaam, is het Licht verdwenen.
Faust.
Thands ken ik uw verheven plichten!
Nu gij in \'t groot geen kwaad kunt stichten,
Vangt gij in \'t klein uw arbeid aan.
Mephistopheles.
En daarmee werd juist niet heel veel gedaan!
Dat Iet, steeds tegen \'t Niet gekant,
Deze Aard zoo plomp, spijt al mijn pogen,
Heelt voor mijn macht zich niet gebogen:
Woedde aardschok, water, storm en brand,
\'t Werd kalm in \'t end, ter zee, te land,
En dat verdoemde tuig, het dier- en menschgebroed,
Daar is geen eer meö te behalen.
\'k Deed duizenden ten grave dalen,
En altoos stroomt er weer een frisch en jonger bloed.
Zoo gaat het immer! Wie die zijn geduld bewaarde?
Alom, in water, lucht en aarde,
Ontstaan er kiemen zonder tal,
Die zich in hette of kou, in droogte of vocht ontvouwen:
Had\' ik mij \'t vuur niet voorbehouën,
\'k Had voor mij-zelven niet-met-al\'.
Faust.
Dus, met gebalde duivlenvuist
Treedt gij die Eeuwige Almacht tegen,
Die leven schept en heil en zegen, —
Die ge in uw wrok vergeefs verguist?
Zoek toch wat anders te beginnen,
Gij wonderlijke Ghaos-zoon!
Mephistopheles.
\'k Zal daarop werklijk me eens bezinnen.
Daarover later meer! Voor dezen keer, verschoon!
Mag ik vertrekken?
-ocr page 59-
15
Faust.
Moet gij \'t vragen ?
Wij maakten heden kennis saam\':
Bezoek mij, is \'t u aangenaam,
Hier is de deur, daar is het vensterraam:
Of kan misschien u \'t schoorsteengat behagen?
M eph i s t o ph el es.
\'k Beken, ik ware al weg geweest.
Maar zie eens, op uw drempel ginder
Is mij die druden-voet tot hinder.
Faust.
Hoe? maakt die vijf hoek u bevreesd?
Wie dan wist u hier heen-te-lokken,
U, kind der Hel, zoo sluw een geest ?
Mephistopheles.
Kijk hier! zij is niet goed getrokken.
Die eene hoek bij d\' ingang, als gij ziet
Is open, sluit als de andren niet.
Faust.
Dat mag een aardig toeval heeten:
Zoo werdt gij mijn gevangen man!
Ik mag \'t Geluk er dank voor weten.
Mephistopheles.
De poedel merkte niets daarvan,
Toen hij naar binnen is gedrongen;
De duivel — dat verschilt! die is hier in den ban.
F a u s t.
Waarom het raam niet uitgesprongen?
Mephistopheles,
Voor spook en duivel is een wet,
Die \'t in- en uitgaan langs verscheiden weg belet:
Bij \'t éérste zijn ze vrij, bij \'t andere gedwongen.
-ocr page 60-
46
Faust.
Hoe? in de Hel-zelfs wet en recht?
Dat vind ik goed! Dus kan men, Heeren,
Met u wel veilig kontrakteeren?
Mephistopheles.
Ge ontfangt geheel wat u is toegezegd,
Daar zal geen tittel aan ontbreken.
Maar dat kunt gij niet zoo in ééns verstaan :
Wij zullen \'t naderhand bespreken.
Thands wenschte ik needrig u te smeeken,
Gun mij voor ditmaal heen te gaan!
Faust.
Kom, nog een oogenblik gebleven,
Trek mij mijn horoskoop!
Mephistopheles.
Neen, wil mij nu ontslaan!
\'k Zal later op uw vragen \'t andwoord geven.
Faust.
Ik heb toch niet u in den klem gebracht:
Van zelf zijt ge in den valstrik blijven hangen.
Hebt ge eens den duivel in uw macht.
Houd vast! niet licht laat hij zich tweemaal vangen.
M e p h i s to p h e 1 e s.
Nu, \'k weiger niet, als ge er gesteld op zijt,
U tot gezelschap hier te blijven:
Maar onder dit beding, dat ik den tijd
U waardig door mijn kunsten moet verdrijven.
Faust.
Dat zie ik graag, dat staat u vrij,
Mits dan uw kunst ook recht behaaglijk zij!
Mephistopheles.
\'k Zal, vriend! in weinige oogenblikken
Uw ziel met meer genot verkwikken
-ocr page 61-
47
Dan u in jaren was bereid.
Der Geesten zoete tooverwijzen.
De beelden die zij op doen rijzen,
Zijn meer dan spel en ijdelheid.
De Inch! zal balsemgeuren gieten,
Ook uw gehemelt\' zal genieten,
Verrukking door uw aadren vlieten
Geen wijding die vooraf moet gaan.
Wij alle zijn bij-éen: vangt aan!
Geesten.
Sombere boogen
Wijkt uit mijn oogen!
Blauwende hemel,
Blik naar beneên 1
Deinsde dit donker
Wolken-geschemel!
Starrengewemel,
Zonnengeflonker
Schijnt er door heen\'.
Engelen stralen,
Lichtgeesten dalen,
Buigen zich neer,
Zweven langs de aarde,
Zoeken de gaarde
Waar, blijde en teer,
Onder de blaren,
Tusschen de rozen,
Minnende paren
Kussen en kozen.
Wijnranken kronklen
Tusschen de takken,
Druiftrossen vonklen,
Tot ze in de bakken
Schuimend verdwijnen.
Tintlende wijnen
Vlieten bij stroomen,
Sprenklen robijnen
Tegen hun zoomen,
Woelen en wasschen,
Groeien tot plasschen —
-ocr page 62-
•IS
Meiren, wier randen
Heuvel waranden
Als met girlanden,
Bloemen en stenglen.
Vriendlijk omstrenglen.
Vogeltjens reppen,
Nedergevlogen,
\'t Snebjen en leppen
Heerlijke togen,
Baden de wieken
In \'t morgenkrieken,
Uien bij scharen
De eilanden tegen,
Lustpa radijzen,
Die op de baren
Daar ze uit verrijzen.
Zacht zich bewegen,
Waar met choralen
Zingende\' ons groeten,
Waar we in de dalen
Dansende\' ontmoeten :
Vroolijke reien,
Die zich vermeien!
Waar wij ons keeren,
Hoogten beklommen!
Elders, de meiren,
Spelend doorzwommen ;
Duizende zweven
Allen naar \'t leven,
Allen naar \'t licht
Van Liefde\'s sterre,
Wenkend van verre,
De oogen gericht!
M e p h i s t o p h e 1 e s.
Hij sluimert. Goed! gij dartle Geestenschaar,
Gij wist hem trouw in slaap te zingen:
Voor dit concert blijf ik uw schuldenaar.
Ziet daar den man nu, die den duivel wel zou dwingen •
Houdt met uw tooverkunsten aan,
Begoochelt hem met hemelzoete droomen,
-ocr page 63-
49
Verdrinkt hem in een zee van waan!..
Maar om den drempelban te ontkomen,
Dient toch een rat mij bij te staan.
Lang roepen zal niet noodig wezen:
Daar ritselt er al een, ik zal hem ras belezen.
De Heer der ratten en der muizen,
Der vliegen, vorschen, vlooien, luizen,
Beveelt u haastig op te dagen,
En op deez\' drempel weg te knagen
Wat gij met olie vindt bedruppeld!
Daar komt er een reeds aangehuppeld!
Nu flink aan \'t werk! van voren aan den kant
Ziet gij de hoek die mij hier bant.
Nog éene beet en \'t is geschied. —
Nu, Faust! droom voort tot gij mij wederziet!
Faust (ontwakend.)
Ben ik dan andermaal bedrogen?
Was dat geen Geestenkoor, wat mij in sluimer zong\'?
Heeft mij een droom den duivel voorgelogen,
En was het slechts een poedel, die me ontsprong?
STUDEERKAMER.
FAUST, MEPHISTOPHELES.
Faust.
Men klopt? Tree binnen! Wie komt mij weer storen?
Mephistopheles.
Ik ben \'t.
Faust.
Tree binnen!
Mephistopheles.
Zoo is het goed.
Ik hoop dat wij elkander lijken:
\'t Is om uw zorgen weg te strijken
Dat ik u hier als Jonker groet,
-ocr page 64-
50
In \'t rood fluweel met goud doorregen,
Het manteltjen van zware zij\',
Een hoed met hanenveêr daarbij,
En aan de heup een langen degen.
Kom aarzel nu geen oogenblik,
Maar kleed u evenzoo als ik,
Opdat gij, vrank en vrij, moogt weten
Wat waarlijk leven is te heeten!
Faust.
\'k Zal wel in ieder kleed de pijn
Van \'s levens enge sfeer ervaren.
\'k Ben om te spelen te oud van jaren,
Te jong om zonder wensch te zijn.
En de Aard\'? vervult ze ooit ons begeeren?
„Ontbeeren moet gij, steeds ontbeeren!"
Zoo luidt het eeuwige gezang,
Dat ieder onzer klinkt in de ooren,
Dat we, uur aan uur, ons leven lang
Met schorre stem herhalen hooren.
\'k Ontwaak des morgens, ach, met vrees:
\'k Zou bittre tranen kunnen weenen,
Zoo vaak als weer een nieuwe dag verrees,
Die mij geen wensch vervullen zal, niet éenen!
Die zelfs het voorgevoel der blijdschap smoort,
Dat steeds getergd wordt en bestreden,
De schepping mijner volle ziel verstoort
Door \'s levens duizend nietigheden.
Ook werp ik, als de dag zijn fakkel bluscht,
Met angst mij neder op mijn sponde:
Ook daar, helaas! vind ik geen rust,
Want wilde droomen waren er in \'t ronde.
Hier binnen voert een God gebied,
Die \'t hart kan schokken en ontroeren:
De plannen, die hij wekt, volvoeren,
Naar buiten werken, kan hij niet!
En daarom is het leven mij een last,
De dood, van wat ik wensch het wenschlijkst dat mij p»sl
Mephistopheles.
En toch is nooit de dood een aangename gast,
-ocr page 65-
51
F a u s t.
Heil wien de dood, na \'t worstlend streven,
Den lauwer om de slapen windt,
Wien hij, na kort maar heerlijk leven,
Aan \'t hart der Dierbre sluimren vindt!
O, ware ik, door een hooger Geest
Verrukt, zieltogend neergezonken!
Mephistopheles.
Toch is er eens een man geweest,
Die \'s nachts een zeker vocht liefst niet heeft opgedronken.
Fa us t.
\'t Schijnt, spionneeren is uw groot talent.
Mephistopheles.
Alwetend ben ik niet, toch is mij veel bekend.
Faus t.
Weerhield me, in \'t heetste van mijn strijden,
Een naklank die mij diep bewoog,
Die, wat mij restte uit büjder tijden
Van kinderlijk gevoel, bedroog;
Dan vloek ik alles wat het harte
Met lok- en goochelkunst misleidt,
Ons kluistert in dit Hol der smarte,
Waar ons de leugen strikken spreidt!
Vervloekt die waan van eigenwaarde,
Waardoor de mensch zich-zelv\' aanbidt!
Vervloekt al \'t schijnschoon dezer Aarde,
Dat zinnen streelt en \'t bloed verhit!
Vervloekt de glorie, waar we in roemen.
Valsch droombeeld dat de ziel verblindt.
Al \'t leengoed dat wij \'t onze noemen,
\'t Zij huis of have, gade of kind!
Vervloekt de Mammon, die de zielen
Tot rijkdom voert die niemand nut,
De misdaad in het slijk doet knielen,
Der lediggang de peluw schudt!
-ocr page 66-
52
Vervloekt de wijn 1 de lonk der vrouwen!
De Hoop, die nimmer wordt vervuld!
\'t Geloof, nooit komend tot aanschouwen !
Vervloekt, vóór alles, \'t laf Geduld!
Geestenkoor {onzichtbaar).
Wee! wee!
Gij hebt haar vergruisd,
De schoone waereld
Met woeste vuist!
Een Halfgod heeft haar verslagen!
Wij dragen
De puinen in \'t Niet daarheen\',
En klagen
Nu zooveel Schoons verdween.
Gij, zoo machtig,
O herbouw haar in den geest.
Rijk en prachtig
Méér dan ze immer is geweest!
Welgemoed
Een nieuw leven aangevangen!
Nieuwe zangen
Klinken u ten welkomstgroet.
Mephistopheles.
\'t Zijn de kleinste van de mijnen!
Hoor, hoe ze u verstandig raan
Tot genot en blijde daan!
Uit uwe eenzame woestijnen,
Waar de levenssappen kwijnen,
Lokken ze u om in te gaan,
Waar ge u de waereld ziet open staan,
Kweek niet met bloed uit eigen aren
Den gier die u in \'t harte bijt!
In \'t minst gezelschap zult ge ervaren
Dat gij een mensch met menschen zijt,
Niet dat ik u vooruit wil stoten
Te midden van een laag Gemeen:
\'k Behoor niet tot des waerelds Grooten,
Maar wildet gij met vaste schreên
-ocr page 67-
53
Den levensweg met mij betreên,
Dan ben ik tot uw dienst besloten.
\'k Blijf trouw aan uw persoon gehecht:
Ik ben uw dienaar, \'k ben uw knecht.
Faust.
En ik, waarmee moet ik dat al beloonen?
Mephis toph eles.
O, dat wordt later wel beslist.
Faust.
Neen, neen! de duivel is een egoïst:
Om Gods wil zal hij niemand hulp betoonen.
Zeg kort en duidlijk wat gij vraagt:
Zulk een bediende in huis is veel gewaagd!
Mephistopheles.
Ik wil mij hier tot uwen dienst verbinden,
\'k Vlieg op uw wenk met rusteloozen spoed:
Mits, als wij ginds elkander wedervinden,
Gij, op uw beurt, voor mij hetzelfde doet.
Faust.
\'k Zal om dat ginds mij \'t hoofd niet breken.
Is deze waereld eerst bezweken,
Dan duike een andere uit den vloed!
Hier smaakte ik \'s levens zaligheden,
\'k Heb hier gestreden en geleden:
Als ik van dit tooneel moet treden,
Geschiede dan wat kan en moet!
\'k Wensch van \'t Hiernamaals niets te leeren,
Noch of men daar-ook mint en haat,
Noch of er ook in gindsche sfeeren
Een Boven en Beneèn bestaat!
Mephistopheles.
Begrijpt gij zóo, dan kunt gij \'t veilig wagen.
Verbind u! \'t duurt maar korten tijd,
Eer ge in mijn kunsten u verblijdt,
En ik u geef wat nimmer oogen zagen.
-ocr page 68-
54
Faust.
Gij, arme duivel die gij zijt,
Gij, geven? gij, des menschen geest verrijken?
Werd iramer éen van uws gelijken
In \'t heilige geheim zijn strevens ingewijd?
Wat hebt gij? Spijs die niet verzaadt;
llood goud, dat, vlug als kwik, ontelbre malen
Van de eene hand in de andere overgaat,
Een spel waar niemand winst bij kan behalen;
Elk meisjen, dat, terwijl ge aan \'t hart haar drukt,
Uw buurman lokt met lonkjens van verlangen;
Een glans van roem, die u verrukt,
Straks als een meteoor door zwarten nacht vervangen —
Toon mij de vrucht, die rot eer men haar plukt,
De boomen, daaglijks weer met ander groen behangen!
M e p h i s t o p h e 1 e s.
Aan zulk een eisch werd licht voldaan,
Maar \'t zou uw vrede niet verhoogen.
En, goede vriend! de tijd komt aan,
Dat wij in rust iets deeglijks smaken mogen.
F a u s t.
Zoo \'k immer zeg: „Nu heb ik rust,"
Dan zij mijns levens licht gebluscht!
Weet gij zoolang mij vóór te liegen,
Tot ik mij-zelv\' behagen mag,
Kunt ge ooit mij met genot bedriegen,
Dan zij \'t voor mij de laatste dag!
Waagt gij \'t te wedden ?
Mephistopheles.
Top!
Faust.
En slag op slag!
Zoo \'k immer tot éen uur mocht zeggen:
„Gij zijt zoo schoon! waarom zoo kort?"
Dan moogt ge mij aan banden leggen,
-ocr page 69-
55
Dan worde ik in \'t verderf gestort!
Dan moog\' voor mij de doodklok schallen,
Dan zijt ge van uw dienstwerk vrij:
De klok moog staan, de wijzer vallen,
Dan zij voor mij de tijd voorbij!
Mephistopheles.
Bedenk u wel, wij zullen \'t niet vergeten!
F a u s t.
Daartoe hebt gij het volste recht,
\'k Vergreep mij niet, in roekeloos vermeten.
Wat ik ook doe, ik ben en blijf toch knecht:
Uw knecht of die eens andren? Wie zal \'t weten?
Mephistopheles.
Van heden avond af (dan wacht ons goede cier!)
Heer Doctor! zult gij nooit mijn trouwe diensten derven.
Maar.... voor \'t geval van leven en van sterven.
Had ik wel gaarne een regeltjen of vier.
Faust.
Hoe, zwart op wit? Pedant! hebt ge ooit berekend
Wat mannenwaarde en mannenwoord beteekent?
Is \'t niet genoeg dat mijn gegeven woord
Mijn lot beheerscht, stipt eerlijk mij zal vinden?
De waereld stroomt in stage wissling voort
En mij zou een belofte binden ?
Toch woont die dwaling diep in \'s menschen hart,
En wie ook zou haar gaarne laten varen!
Heil die hun trouwe rein bewaren !
\'t Vrijwillig offer doet geen smart,
Maar \'t perkament, met inkt beschreven,
Een spooksel is \'t, dat elk doet beven!
De Heeren gaan aan \'t werk met zegelwas en leer,
Maar \'t woord besterft het reeds in de arme ganzenveer.
Wat, booze geest! zal ik u geven?
Papier, of perkament, erts, marmer ? Zeg het mij!
Moet ik met pen, of grift, of bijtel schrijven?
\'k Laat u de keuz\' volkomen vrij.
-ocr page 70-
56
Me ph ist ophe les.
Hoe kunt ge met uw woordenvloed
Nu zoo geweldig overdrijven\'?
\'t Kleinst\' snippertjen papier is goed,
En — ge onderteekent met een dropjen van uw bloed.
Faust.
Nu, als ik u genoegen doe
Met zulk een grap, dan stem ik toe.
Mephistoplieles.
Bloed is een sap van gants bijzondre kracht!
Faust.
Geen zorg! \'t Verbond wordt nooit door mij verbroken !
Het eenigst doel waarnaar ik tracht,
Heb ik zoo even uitgesproken.
Ik schatte mij te hoog: uw sfeer
Is m ij n e, en \'k zoek geen andre meer.
De Groote Geest heeft mij verstoten,
Natuur heur Heilige der Heilgen mij gesloten,
Verscheurd is mijn gedachten-draad,
Al \'t weten weid mij lang gehaat.
\'k Smacht naar de diepte van \'t menschelijk Leven,
Of ik den vuurgloed der hartstochten still\'!
\'k Wensch mij van daaglijksche wondren omgeven,
Die ik niet eenmaal ontsluieren wil!
Storten wij ons in den maalstroom der tijden,
Midden in \'t woelen van \'t rollende lot,
Rijzend of vallend, gevierd of bespot,
Beurtlings in lijden en zalig verblijden!
Wissle de ervaring zooveel zij dat kan!
Rusteloos werkzaam, zóo vormt zich de Man.
M e p h i s t o p h e 1 e s.
U is noch paal noch perk gezet:
Uw eigen wilkeur is uw wet.
Proef en verwerp! \'t is u vergund.
Grijp in de vlucht al wat gij kunt!
-ocr page 71-
57
\'t Bekome u goed wat meest u smaakt :
Maar nooit den moed tot méér verzaakt!
Faus t.
Gij hoorde \'t: naar vermaken jaag ik niet.
Ik zoek de draaikolk: \'t smartelijk genoegen,
Den haat der liefde, en \'t bitterzoet verdriet.
Geen kennisdorst doet meer mijn boezem zwoegen:
\'k Wil leven nu, doorleven, ik-alleen,
Wat heel der Menschheid aan genot en smarten
Is toebedeeld, in \'t binnenste mijns harten
Het hoogste en laagste ervaren, dat beneên
Door haar gesmaakt kan worden, al haar plagen
En al haar zaligheèn te samen dragen,
Mij-zelv\' dus uit te breiden tot haar maat,
Om eindlijk te vergaan als zij vergaat!
Mephistopheles.
Geloof gij mij, wien zooveel duizend jaar\'
Die harte broodkorst reeds deed gruwen,
Geen stervling, van de wieg tot aan de baar,
Kan ooit die oude zuurdeeg recht verduwen.
Geloof toch onzer een : helaas, \'t is waar,
Dit Al is slechts een God ten deel gegeven:
Hij zit in \'t Eeuwig Licht verheven;
Ons heeft Hij in de duisternis gebracht —
Voor U — deugt enkel dag en nacht.
Faust.
Maar zie, ik wil!
Mephistopheles.
Dat is te prijzen,
Maar toch — voor éen ding ben ik bang.
De Tijd is kort, de Kunst is lang ....
Toch weet ik raad: gij laat u onderwijzen!
Gij kiest tot leeraar een Poëet:
Gij laat het heerschap fantazeeren,
En u met al wat edel heet
Als met een deugdenkrans vereeren:
-ocr page 72-
58
Der leeuwen moed,
De vlugheid van de hinden,
Der Italianen vurig bloed.
Der Nooren taai geduld dat wondren doet.
Gelast hem dat hij \'t middel vind\',
Dat gulle oprechtheid met arglistigheid verbindt,
Om u daarna, met jeugdig blaken,
Naar \'t welberaamde plan verliefd te maken! ....
Zag ik zoo\'n snuiter vóór mij staan,
\'k Sprak hem als Mikrokosmos aan!
Faust.
Wat ben ik dan, is \'t een onvruchtbre strijd
De kroon der Menschheid na te jagen. —
Mijn oogenlust en welbehagen?
Mephistopheles.
Gij zijt ten slotte — wat gij zijt.
Gij moogt een pruik met duizend krullen dragen,
Op ellenhooge stelten jagen,
Toch blijft gij altijd wat gij zijt.
F a u s t.
Ik voel \'t: vergeefs heb ik den gantschen schat
Van \'s Menschen kunst en kennis saam\'-vergaderd!
En nu, aan \'t eind van \'t moeilijk pad,
Geen nieuwe kracht, die \'t binnenste dooradert!
Zoo ben ik, tot bezwijkens afgemat,
\'t Oneindige geen hairbreed méér genaderd.
Mephistopheles.
Mijn goede Heer! gij ziet de zaken
Zóo als men die gewoonlijk ziet:
Wij moeten dat in orde maken.
Eer ons de levensvreugd ontvliedt.
Te drommel, \'k weet dat oogen, ooren,
En heel de rest, mij toebehooren:
Maar al wat mij genoegen biedt,
Is \'t evenzeer het mijne niet?
/,iedaar — kan ik zes hengsten koopen,
-ocr page 73-
59
Hun krachten zijn de mijnen dan:
Dan kan ik ais een wonderman
Op vier-en-twintig beenen loopen.
Kom! stel dat tobben uit den zin!
Trek — aarzel niet —• de waereld in!
Een mensch die denkt, wien lijkt hij \'t meest.\'
Het dier dat op de dorre heide
Gezweept wordt door eeu boozen geest,
En rondom ligt een schoone groene weide.
Fa u st.
Wat vangen we aan ?
M e p h i s t o p h e 1 e s.
Terstond beginnen we onzen tocht!
Wat is dit voor een kerkerkrocht!
Kan zulk een leven u behagen?
De jongens en u-zelf te plagen,
Is voor den schoolvos goed dien gij uw buurman heet!
Stroo dorscht ge, of (durft ge, spreek mij tegen!)
Het allerbeste wat ge weet,
Moet voor de knapen toch verzwegen.....
\'k Hoor reeds een hunner op den gang.
Faust.
Ik kan hem geen gehoor verleenen.
Mephistopheles.
Die arme jonge wacht al lang:
Hij ga niet ongetroost weer henen I
Reik me uw barret en toga aan:
Dat masker moet mij kostlijk staan!
(Hij verkleedt zich.)
Nu laat gij mijn vernuft begaan!
Ik vraag alleen een klein kwartierden tijd.
Zorg gij terwijl, mijn vriend! dat gij reisvaardig zijt!
(Faust af.)
-ocr page 74-
60
Mephistopiiei.es (in de toga van Faust)
Mephistopheles.
Veracht de Wetenschap, veracht
De Rede, \'s menschen hoogste kracht,
Laat door den Logengeest u blinden,
Meen \'t heil in goochelkunst en tooverij te vinden —
\'k Heb dan geheel u in mijn macht!. ...
Hem heeft het lot een geest gegeven,
Die onbeteugeld voorwaards rent,
Door opgewonden waan gedreven
De vreugden dezer aard miskent.
Ik sleep hem door het wilde leven
Langs duizend onbeduidendheên,
Ik laat hem spartlen, tegenstreven,
Maar steeds weer stappen in mijn schreên!
Met onverzadelijk verlangen
Aanschouwt hij spijs en drank — maar of hij lacht
[dan schreit.
Ze ontwijken als hij grijpt! Geen laafnis die hem beidt!
En gaf hij al niet zelf den duivel zich gevangen,
Toch bleef hem \'t wis verderf bereid!
(Een student treedt binnen.)
De Student.
Ik ben hier nog maar korten tijd,
Maar haast mij om een man te ontmoeten,
Wien alle menschen als om strijd,
Naar \'k hoor, met diepen eerbied groeteu.
Mephistopheles.
Uw hoflijkheid verheugt mij zeer.
Ik ben een man als andren meer.
Zijt ge elders reeds ter school gegaan?
Student.
Ik bid u, trek u mijner aan!
Ik kwam naar hier met goeden moed,
Een beetjen geld en vrolijk bloed.
-ocr page 75-
lil
\'t Viel moeder hard van mij te scheiden,
Maar \'k wil mij gaarne tot iets nuttigs voorbereiden.
M e p h i s t o p h e 1 e s.
Dan zijt gij hier in \'t heiligdom.
Student.
Ronduit, ik ging reeds graag weerom.
Die muren hier, die sombre hallen,
Zij kunnen mij maar niet bevallen:
\'t Is alles even eng en grauw,
Geen boom, geen gras, geen hemelsblauw,
En in de zalen, op de banken
Zie \'k niets, en hoor ik niets dan klanken.
Mephistopheles.
Dat zal wel wennen, jonge Vrind!
Nooit heeft op moeders schoot het kind
Zoo dadelijk de borst genomen,
Maar gretig lescht het straks zijn dorst.
Zóo laaft, met altijd milde stroomen,
De melk uit Wijsheids moederborst!
Student.
\'k Zal aan heur hals met vrengde hangen.
Maar zeg mij nu, hoe ik dat aan zal vangen!
Mephistopheles.
Een weèrvraag eer wij verder gaan:
Sloot gij reeds bij een faculteit u aan\'.\'
Student.
\'k Wil klimmen tot Geleerdheids hoogsten trap:
Al wat op aarde wordt gevonden,
Der heemlen hemel, wil \'k doorgronden,
Geheel Natuur en elke Wetenschap.
Mephistopheles.
De rechte weg: Maar word niet moê!
Gij moogt niet naar verstrooiing jagen.
-ocr page 76-
üa
Student.
Ik leg met hart en ziel mij toe;
Toch zou mij wel, op schoone hoogtijdagen,
Wat vrijheid en wat tijdverdrijf behagen.
Mephistopheles.
Gebruik den ras vervlogen tijd,
Maar spaar hem uit door orde en vlijt!
Eerst ijviig Logica geleerd!
Den geest behoorlijk gedresseerd,
In Spaansche stevels vastgekneld,
Opdat hij op het vrije veld
Des Denkens lijnrecht voorwaards schrij\',
Ter rechter- noch ter linkerzij\'
Verdwalend als een dwarrellicht!
Ge ontfangt dan daaglijks onderricht,
Dat tot wat ge anders welgemoed
Zoo maar terstond in éenen doet,
Als eten, drinken, zeer gewis
Het éen-twee-drie onmisbaar is.
Gedachten zijn een fabrikaat,
Waarbij \'t als bij den wever gaat:
Een tred beweegt veel duizend draan,
De spoelen schieten heen en weer,
De draden kruisen : \'zóo ontstaan
Veel duizend knoopen keer op keer.
De philosooph komt en gebiedt:
„Zóo moet het zijn, en anders niet.
Zoo was het eerste, en \'t tweede zus,
Daarom het derde en vierde aldus.
Als \'t eerste en tweede niet bestond,
Voor \'t derde en vierde was geen grond."
Studenten prijzen algemeen
Die Leer: maar zijn zij wevers? Neen!
Wie iets dat leeft, wil kennen en beschrijven,
Zoekt eerst den geest er uit te drijven.
Dan heeft hij al de deelen in zijn hand,
Maar hem ontbreekt het geestelijk verband.
Dat is \'t Encheiresis naturae der Chemisten
Een spotnaam, schoon zij \'t zelf niet wisten.
-ocr page 77-
63
Student.
Ik kan u niet geheel verstaan.
Mephistopheles.
O, dat zal straks wel beter gaan.
Als ge alles maar leert reduceeren,
En zooals \'t hoort clf.ssificeeren.
Student.
Mijn hoofd wordt nu al moê en mat,
Als draaide daar een molenrad.
Mephistopheles.
Daarna moet gij, vóór alle zaken,
U in de Metaphysica volmaken.
Dan houdt gij naar behooren vast
Wat in des menschen brein niet past:
Wat daar behoort en niet behoort,
Betoogt ge met een prachtig woord.
Maar nu, in de eerste helft van \'t jaar,
Neemt ge ordlijk al uw plichten waar!
Vijf uren daags! Let op den tijd,
Dat gij met klokslag binnen zijt.
Wil u behoorlijk pnepareeren,
De paragraphen instudeeren,
Opdat ge \'t later duidlijk ziet,
De man gaat buiten \'t boekjen niet.
Schrijf op al wat de Hooggeleerde,
U voorzegt, of een Engel u dicteerde!
Student.
\'k Gevoel \'t, niets nuttiger dan dit!
Uw duidlijk woord vereischt geen tweede.
Heb ik de dingen zwart op wit,
\'k Draag dan naar huis ze veilig mede.
Mephistopheles.
Maar kies een faculteit u uit!
Student.
Geen Rechtsgeleerdheid trekt mij aan.
-ocr page 78-
04
Mephistopheles.
Dien tegenzin kan ik verstaan.
Ik-zelf weet wat dit vak beduidt!
De Wetten en de Rechten planten
Zich voort gelijk een erflijk kwaad,
Dat door alle eeuwen verder gaat,
Voortwoekrend steeds aan alle kanten.
Verstand wordt onzin, weldoen last en pijn.
Kind uwer vaadren, wandelt ge in hun sporen,
Want van het Recht dat met ons is geboren,
Helaas, kan nimmer sprake zijn!
Student.
Gij sterkt mijn tegenzin. O wélervaren Man,
Gelukkig die u hooren kan!
Maar —Godgeleerdheid, als \'k mij daarop toe ging leggen0
Mephistopheles.
Ik moet de waarheid ronduit zeggen:
Van déze Wetenschap zal \'t niet te loochnen zijn,
Dat ze al te licht op \'t dwaalpad u kan leiden.
Daar schuilt in haar genoeg venijn,
Dat haast van de artsenij zich niet laat onderscheiden.
Ook hier is \'t best, dat u éenig man doceert,
En dat ge bij des Meesters woorden zweert.
Kortom, gij moet u maar aan woorden hoüen!
Dan, door de poort van \'t Zelfvertrouwen,
Treedt gij den Waarheids-tempel in.
Student.
Maar woorden eischen toch een zin.
Mephistopheles.
Nu ja: maar wil daaraan niet heel veel tijd besteden!
Want juist daar waar de zin ontbreekt,
Kan \'t passend woord zijn plaats bekleeden;
Met woorden wordt perfekt gestreden,
Me\': woorden een systeem bereid en aangekweekt;
Aan woorden kan men best gelooven,
En van een woord laat zich geen jota rooven.
-ocr page 79-
05
Student.
Vergeef mij dat ik zooveel vraag —
Maar \'k moet u toch nog even storen:
De Medicijnen! \'k Zou zoo graag
Daarover nog een hartig woordtjen hooren.
Drie jaar zijn ras voorbijgesneld.
En och, hoe groot is \'t studieveld!
\'k Meen, dat een wenk wel menigmalen
Een goed eind weegs ons uit kan halen.
Mephistopheles (ter sijde.)
Die drooge toon verveelt mij lang.
Kom, duivel, ga uw eigen gang! . .. .
(Luide.)
Een Medicus kan ras zijn vak doorgronden:
Twee waerelden, Natuur en Mensch, doorzocht,
Om eindlijk, als de Kunst niets meer vermocht,
Te zien wat God heeft goed gevonden!
Vergeefs uit elke bron der Wetenschap geput I
Een ieder leert slechts wat hij leeren kan,
En wie zijn tijd begrijpt en \'t oogenblik benut,
Die is de rechte man!
Gij zijt gezond en flink gebouwd,
Uw moed is zeker zonder grenzen:
Welnu, als gij u-zelv\' vertrouwt,
Vertrouwen u alle andre menschen.
Eén ding is noodig bovenal:
De gunst der Vrouwen moet gij stelen:
Gij kunt haar kwalen zonder tal
Op éen manier volkomen heelen;
En als gij \'t half-fatsoenlijk doet,
Dan vangt gij ze onder uwen hoed.
Een titel eerst verzeekre haar:
„Gij zijt een duizendkunstenaarI"
Dan vangt gij aan met delicate vragen,
Die andren eerst na vele jaren wagen.
Gij voelt haar pols, en drukt, en telt,
En ziet haar aan met smachtend-sprekende oogen,
Die vragen: Wilt gij \'t wel gedoogen\'?"
En voelt of niet haar \'t keursjen knelt.
IX.                                                                                                    s
-ocr page 80-
66
Student.
Dat lacht mij beter aan: hier ziet men waar en wie.
Mephistopheles.
Grauw, vriend! is alle theorie.
En groen des levens gulden boom.
Student.
\'k Moet zeggen, \'t is mij of ik droom!
Mag \'k andermaal eens wederkeeren,
Om meer van u, steeds grondiger, te leeren?
Mephistopheles.
\'k Bied waar ik kan mijn hulp u aan.
Student.
Eén beè nog, eer ik heen\' kan gaan.
Wil van uw gunst me een teeken geven:
Een enkel regeltje\', in mijn Album neergeschreven!
Mephistopheles.
Zeer wel.
(Hij schrijft, en geeft het album terug.)
Student (leest:)
Eritis sicut Deus, scientes bonum et mal urn.
(Hij maakt een buiging en vertrekt.)
Mephistopheles.
Volg maar de spreuk van de Oude Slang,
Straks wordt u bij uw Godgelijkheid bang!
Faust (treedt op.)
Waar gaan we heen?
Mephistopheles.
De keuze staat u vrij.
De kleine waereld en de groote aanschouwen wij.
Die nieuwe cursus in uw leven,
Wat nut en pret zal hij u geven!
-ocr page 81-
<;?
Faust.
Mijn lange baard past bijster slecht
Bij de avonturen die ons wachten.
Het proefstuk overtreft mijn krachten :
\'k Was in de waereld nooit te recht.
\'k Voel mij bij andren klein, \'k heb alles tegen :
Ik ben en blijf altijd verlegen.
Mephistopheles.
Dat vindt zich! \'t Hoofd maar niet gebukt!
L\'-zelv\' vertrouwd, en — alles lukt!
Faust.
Hoe vangen we onzen reistocht aan\'.\'
Waar hebt ge paarden, knecht en wagen?
Mephistopheles.
\'k Heb enkel maar mijn mantel uit te slaan,
Die zal ons door de ruimte dragen:
Maar denk er aan, mijn goede vriend!
Dat u niet veel bagage dient.
Een beetjen vuurgas dat ik spaarde.
Voert ons behendig boven de aarde,
En zijn wij licht, dan gaat het snel —
Bekome u \'t nieuwe leven wél!
AUERBACHS WIJNKELDER TE LEIPZIG.
GELAG VAN VROOl.UKE DRINKEBROERS.
Frosch.
Wil niemand lachen, niemand pooien?
\'k Breng dan uw voorhoofd uit de plooien.
Gewoonlijk staat ge in vuur en vlam,
Van avond zijt ge als vochtig zwam.
Brander.
Dat is uw schuld! Geen flauwiteit
Geeft ge ons cadeau, geen enkle stommigheid!
-ocr page 82-
68
Frosch.
{stort een glas uit op zijn hoofd.)
Daar hebt gij beide!
Brander.
Dubbel zwijn!
Frosch.
Welnu, dat moest ik immers zijn?
Siebel.
De deur uit, die hier standtjens maakt!
Klinkt, zingt, dat alles dreunt en kraakt!
Op! hollal ho!
Al t mayer.
Ai, ai, ik ben verloren:
Een watjen hier! de vent verscheurt mij de ooren!
Siebel.
Het huis moet beven op zijn fondament:
Daar wordt een echte bas-stem aan herkend.
Frosch.
Juist! Die hier kwalijk neemt, kan gaan.
A! tara lara da!
Altmayer.
A! tara lara dal
De keelen zijn gestemd: vangt aan!
(Hij zingt.)
„Het lieve Heiige Roomsche Rijk,
Het duurt niet lang, of \'t zinkt in \'t slijk!"
Brander.
Geen politek! wat moet dat hier?
Foei, wat een lied! Wees dankbaar eiken morgen,
Dat gij voor \'t Roomsche Rijk niet hebt te zorgen!
-ocr page 83-
m
Mij doet het machtig veel plezier,
Dat ik geen Keizer ben, geen Prins of Kanselier.
Toch past ook ons een Hoofd, waarop wij roemen:
Laat ons terstond een Paus benoemen!
Gij weet wat tot de keuze leidt
Voor zulk een Hooge waardigheid.
Frosch {zingt.)
„Zing lustig op, vrouw nachtegaal!
En groei mijn liefjen duizendmaal!"
Siebel.
Neen, \'t liefjen niet gegroet! Dat mag hier niet geschieden.
Frosch.
Aan \'t liefjen groet en kus! Wie zou mij dat verbieden?
(Hij zingt.)
„Grendel af! \'t is middernacht.
Grendel af! de liefste wacht.
Grendel toe! \'t is morgenstond."
Siebel.
Ja, zing maar! prijs haar maar! smeer honig om heur mond!
M ij n beurt van lachen komt. \'k Ben schandelijk bedrogen,
Gij hebt geen ander lot voor oogen.
\'k Wensch haar een kobolt toe, scheeloogig en gekromd,
Die mag dan op een tweesprong met haar vrijen.
Een oude bok, die van den Bloksberg komt,
Mag blaelende in galop haar nog een nachtgroet wijën
Een flinke vent van vleesch en bloed
Is voor die deerne veel te goed.
Een groef? Als ik mijn lust mocht boeten,
\'k Zou met een kei haar vensterruiten groeten.
B r a n d e r (op de tafel slaande.)
Past op! past op ! gehoorzaamt mij!
Nietwaar, \'k versta de kunst van wél te leven\'?
\'k Heb hier verliefde vrinden aan mijn zij\',
En d\'ouden regel volgen wij —
-ocr page 84-
70
Hun moet ik iets tot afscheid geven.
Hoort toe! een liedtjen, klein maar rein.
Gij allen zingt het referein.
(Hij zingt.)
Daar zat een rat in \'t keldernest,
Waar ze alle dagen smulde,
En \'t buikjen, aardig vetgemest,
Met spek en boter vulde.
Eens had de meid vergift gestrooid:
Toen kroop de rat, benauwd, berooid,
Als was ze dol van liefde!
Koor (juichend.)
Als was ze dol van liefde!
Brander.
Zij sloop door alle hokken heen\',
En dronk uit alle pannen;
Zij knaagde en krabde aan hout en steen,
Niets kon de pijn verbannen.
Zij sprong van angst verwilderd rond,
Terwijl zij nergens ruste vond,
Als was ze dol van liefde.
Koor.
Als was ze dol van liefde!
Brander.
Daar kwam ze in \'t eind op klaren dag
De keuken ingeloopen.
Waar zij stuiptrekkend nederlag,
Van smart in-éen-gekropen.
De moorderes riep lachend uit:
„Wat maakt ze voor een zot geluid,
Als was ze dol van liefde!"
Koor.
Als was ze dol van liefde!
-ocr page 85-
71
Siebel.
Wel ja, een jubel aangeheven !
Dat is dan ook een heele kunst,
Aan arme ratten gif te geven!
Brander.
Die beestjens staan bijzonder in uw gunst ?
A11 ra a y e r.
Die kaalkop met zijn bolle kaken!
Geen wonder dat hem \'t lied verveelt:
De rat doet hem van deernis blaken —
Die dikzak is zijn evenbeeld.
FAUST EN MEIMIISTOI\'HELES.
Mephist opheles.
\'k Leid, tot noodzakelijk begin,
U bij een vroolijk clubjen in:
Daar ziet ge, hoe men lustig leeft,
En eiken dag een feestjen heeft.
Met weinig geest, veel zelfbehagen.
Springt ieder rond, recht naar den aart,
Gelijk het hondljen naar zijn staart.
Zoolang ze van geen hoofdpijn klagen,
Zoolang de kastelein hen borgt,
Zijn zij te vree en onbezorgd.
Brander.
Wat zegt ge van die twee meneeren?
\'t Zijn reizigers. Wat dwaze kleèren!
Die zijn hier nog geen uur: hoe daadlijk ziet men dat!
Frosch.
Gij hebt gelijk! — Wat is ons Leipzig toch een stad!
Het is een klein Parijs: daar kan men mores leeren.
Siebel.
Waarvoor ziet gij die vreemden aan?
-ocr page 86-
72
Fr osch.
Wel man, laat mij maar stil begaan!
Ik zal hun eerst een glaasjen schenken,
En dan hen voelen aan den tand.
Trotsch, knorrig zien ze er uit: — \'k zou denken
\'t Zijn lieden van voornamen stand.
Brander.
Kwakzalvers zijn \'t, wat wedt ge?
A 11 m a y e r.
\'t Kan wel wezen.
F rosch.
Let op hoe ik ze zal belezen!
Mephistopheles.
Wat volkjen! niemand die het weet,
Al heeft hen reeds de duivel bij het kleed.
F a u s t.
Gegroet, mijnheeren!
Siebel.
Op uw beurt gegroet!
(Zacht, terwijl hij Mephistopheles van terzijde aanziet.)
Wat hinkt die vent op d\' eenen voet!
Mephistopheles.
Vergunt ge ons, dat we in uw gezelschap blijven?
Dat zal, in plaats van goeden wijn
Die hier ontbreekt, ons saam den tijd verdrijven.
Al t mayer.
Gij schijnt wel zeer verwend te zijn.
F rosch.
Gij zijt nog laat van Rippach afgereden?
Bij meester Hans s o u p e e r d e t gij ?
-ocr page 87-
7:i
Mepli ist oph eles.
Wij reisden ditmaal hem voorbij,
Maar \'k zag hem nog niet lang geleden.
Veel sprak hij van zijn neven, welbekend,
En gij hebt zéér zijn compliment.
A11 m a y e r.
Nu, die is goed! wat dunkt u, vrinden?
Siebel.
Een wakkre vent!
Fr o se h.
Maar \'k zal hem vinden!
Meph istophele s.
\'k Hoorde in de verte een schoon koraal,
Door Meesterstemmen aangeheven.
Wat zou dat hier in deze zaal
Een magnifieke weerklank geven.
Frosch.
Meneer is virtuoos?
Mephistopheles.
Een dilettant, meer niet!
A11 m a y e r.
Wel, zing ons dan een enkel liedl
Mephistopheles.
Als gij \'t begeert, voor éen wel zeven.
Siebel.
Maar splinternieuw!
-ocr page 88-
74
M e p li i s t o p h e 1 e s.
Zoo kersversch komen wij
Uit Spanje, \'t Land van Wijn en Melody.
(Hij zingt.)
Een Koning had voordezen
Een groote vloö tot vrind.
Frosch.
Ei, hoort, een vloö! een fraaie gast!
Begrijpt gij \'\\\'! zulk een overlast!
Mephist oph el es (zingt.)
Een Koning had voordezen
Een groote vloö tot vrind,
Getroeteld en geprezen,
Meer dan een eigen kind.
Hij liet een snijder komen,
Wees op de vloö, en sprak:
„Terstond de maat genomen,
„De Jonker moet in \'t pak!"
Brander.
Dien snijdersbaas moogt gij de les wel lezen,
Dat hij vooral nauwkeurig meet!
Geen valsche plooien in het kleed!
De kous om \'t been moet als gegoten wezen!
Mephistopheles.
Zoo kwam hij in de kleêren:
\'t Was al fluweel en zij\',
Met kwikken, strikken, veeren,
Een prachtig kruis er bij:
Minister straks geworden,
Heeft hij uit al zijn macht
Met ambten, ridderorden,
Zijn broêrtjens mild bedacht.
Ten Hove, wat ellende!
Prinses en kamermaagd,
-ocr page 89-
75
Zij werden zonder ende
Gestoken en geplaagd.
Toch durfde niemand kikken,
Al was het lijden groot.
Als ons een vloo durft pikken,
Dan knippen wij hem dood.
Koor (juichend).
Als ons een vloö durft pikken,
Dan knippen wij hem dood.
Frosch.
Bravo! bravo! heel goed gedaan.
Siebel.
Zoo moet het elke vloö vergaan.
Brander.
Splitst de vingers! drukt hem plat!
A11 m a y e r.
Leve de vrijheid en \'t druivennat!
Mephistopheles.
\'k Wil op de vrijheid gaarne klinken,
Maar dit uw druivennat, men kan het beter drinken.
Siebel.
Dat is nu toch wat al te vrij!
Mephistopheles.
Ik wil den waard niet toornig maken,
Maar anders, gasten zoo als gij,
Een proefjen uit mijn kelder zou u smaken.
Siebel.
Geef op maar! \'k neem de schuld op mij.
-ocr page 90-
76
Frosch.
Hebt gij wat goeds, lang moogt ge leven.
Maar dan niet mondtjens-maat gegeven!
Wie recht wil proeven, recht wil smullen,
Moet altijd weer zijn glaasjen vullen.
A11 m a y e r (zacht).
Zij komen van den Rhijn naar ik bespeur.
Mephistopheles.
Hebt gij een boor?
Brander.
Wat moet daarmee gedaan ?
Gij hebt toch niet de vaten voor de deur?
A 11 m a y e r.
Ginds heeft de waard een mand gereedschap staan.
M ephistophel es.
(de boor in de hand tot Frosch).
Spreek op, wat merk zal de eerste beurt ontfangen ?
Frosch.
Hoe dat ? Dus méér dan éene soort ?
Mephistopheles.
Elk kieze wat hem \'t meest bekoort!
Altmayer (tot Frosch).
Ah zoo! mij dunkt, gij smakt reeds van verlangen.
F rosch.
Welaan dan, als ik kiezen zal,
Geef Rhijnwijn! \'t Vaderland gaat immer bovenal.
-ocr page 91-
77
Mephistopheles.
(terwijl hij voor de plaats, waar Frosch gezeten is, een gat
in den rand van de tafel boort).
Wie heeft een beetjen was\'? dan draaien we eerst de proppen.
A 11 m a y e r.
\'t Zijn goochelaars, men wil ons foppen.
Mephistopheles (tot Brander).
En wat wenscht gij ?
Brander.
Ik wensch Champagnewijn,
En goed mousseerend moet hij zijn!
(Mephistopheles boort, en een der drinkebroers maakt de was-
proppen gereed ; daarna worden de gaten toegestopt.)
Brander.
\'t Uitheemsche kan men niet altijd vermijden:
Het goede komt steeds verre hier van daan.
Een echte Duitscher kan den Franschman wel niet lijden,
Toch staat de Fransche wijn hem aan.
Siebel.
(tot Mephistopheles, die hem nadert).
\'k Beken, van zure houd ik niet,
De zoete druif gaat boven allen.
Mephistopheles (boort).
Tokaier zal u best bevallen.
Al t m a y er.
Een domoor die het niet doorziet,
Dat tweetal houdt ons voor den mallen.
Mephistopheles.
Foei! dat ware al te veel gewaagd
Met zulke gasten! Neen, meneeren,
-ocr page 92-
78
Spreekt op, wat mag ik u vereeren?
Noemt ronduit wat u \'t meest behaagt!
A 11 m a y e r.
Al wat gij wilt! Niet meer gevraagd !
{Nadat alle gaten geboord en gestopt zijn, spreekt
Mephistopheles met vreemde gebaren).
Mephistopheles.
Druiven draagt de wingertstok.
Horens draagt de geilenbok —
Wijn is vocht, de wijnstok hout:
Wie natuur maar diep doorschouwt.
Weet dat ook de houten disch
Vruchtbaar als de wijnstok is.
\'t Is een wonder dat geschiedt:
Hebt geloof! .... En nu — geniet!
Allen.
{terwijl zij de proppen uittrekken en ieder den door hem
verlangden wijn opvangt in zijn glas).
O zoete heilbron die daar vliet!
Mephistopheles.
Nu past maar op,
En morscht geen drop!
{Zij drinken herhaaldelijk.)
Allen {zingen).
„Wij smaken een énorm genot,
Als duizend varkens in hun kot!"
Mephistopheles.
Het volk is vrij: zie hoe het zich vermeit 1
Faust.
Ga meö! ik zou graag stillekens verdwijnen.
-ocr page 93-
79
Mephistopheles.
Neen, wacht nog wat! de beestlijkheid
Zal straks in al haar pracht verschijnen.
Siebel.
(drinkt onvoorzichtig; de wijn stroomt op den grond en
verandert in vlammen.
Brand! brand! hulp, help! Daar vlamt de Hel!
Mephistopheles (de vlam bezweerend).
Stil, vriendlijk element! bedaar! waarom zoo lel\'?
tot de drinkebroers).
Voor ditmaal was het maar een dropjen Vagevuur.
Siebel.
Wat moet dat hier? Dien grap betaalt ge duur!
(lij kent ons niet, dat merk ik wel.
Frosch.
Dat most ge nog maar ééns probeeren!
Altmayer.
Mij dunkt, wij moesten hem maar zachtkens laten gaan.
Siebel.
Wat, Heer! durft gij u onderstaan\'?
Gij wilt ons hocus pocus leeren?
Mephistopheles.
Zwijg stil, oud wijnvat!
Siebel.
Wie zijt gij,
Gij hondsvot! durft ge ons zóo bejeegnen \'?
Brander.
Let op, daar zullen slagen reegnen!
-ocr page 94-
80
Al t ma y er.
(trekt een prop uit de tafel; er springt vuur uit het gat).
Ik brand, ik brand!
Siebel.
\'t Is tooverij!
Stoot toe! de schurk is vogelvrij.
(Zij trekken de messen en gaan op Mephistopheles los).
Mephistopheles (met plechtige gebaren).
Eén tooverwoord!
En — schijnbedrog
Misleidt het oog, herschept het oord:
Gij zijt er niet, gij zijt er toch!
(Zij zien versteld elkander aan).
A11 m a y e r.
Waar ben ik ? O, wat Wonderland!
Frosch.
Wijnbergen! zie ik wel?
Siebel.
En druiven voor de hand!
Brander.
Wat lustpriëel! hoe schoon, hoe heerlijk!
Wat druiventrossen! hoe begeerlijk!
(Hij grijpt Siebel bij den neus, de anderen doen dit elkander
even zoo, en trekken de messen.)
Mephistopheles (als boven).
Nu val, gij blinddoek! wijk, gij waan!
Leert, dwazen! \'s duivels scherts verstaan.
(Hij verdwijnt met Faust, de drinkebroers deinzen
verbaasd achteruit)
-ocr page 95-
81
Siebel.
Wat?
A11 m a y e r.
Hoe?
Frosch.
Had ik uw neus daar beet?
Brander {tot Siebel.)
Ik hield voor d\' uwe \'t mes gereed.
A11 rr> a y e r.
Wat slag! hij dreunt door al mijn leen!
Ken stoel voor mij, of \'k zijg in-éen!
Frosch.
Wat zaagt gij eigenlijk gebeuren?
Siebel.
Waar is de vent? O wist ik dat.
Dan zou ik hem aan stukken scheuren!
A11 m a y e r.
Hij is, al rijdende op een vat,
Hier door de kelderdeur verdwenen — —
\'t Is of ik lood heb in de beenen.
zich vaar cle tafel keerevde.
Maar is er nog wat over van dat nat ?
Siebel.
Bedrog was alles, logen, schijn!
Frosch.
Mij dacht, het smaakte toch als wijn.
Maar dan die druiven? Neen, \'t gaat mijn verstand te boven.
A11 m a y e r.
Wie weigert nu aan wondren te gelooven ?
IX.
-ocr page 96-
82
HEKSENKETJKEN.
(Op een laag fornuis staat een groote ketel te vuur. In den
damp, die daaruit opstijgt, vertoonen zich verscheidene
gedaanten. Een meerkat zit bij den ketel, schuimt hem
af en zorgt dat hij niet overkookt. De meerkater
met de jongen, zit er naast en warmt zich.
Muren en zoldering zijn met vreemdsoor-
tig heksenhuisraad opgeschikt.)
FAUST EN MEPIIISTOPHEl.ES.
Faust.
Ik walg van al die tooverstukken.
Kan mijn herstelling hier gelukken,
In dit onooglijk voddenhok?
Hoe kan oud-wijven-raad mij smaken?
Hoe \'t mengelmoes van zulk een kok
Mij dertig jaren jonger maken?
Wee mij, als gij niets beters biedt:
Dan is mijn laatste hoop verzwonden.
Heeft dan Natuur en Wijsheid niet
Een echten balsem uitgevonden?
Mephistopheles.
Nu, vriend! spreekt uw gezond verstand.
Als ge inderdaad verjongd wilt wezen,
\'k Doe een natuurlijk middeltje\' aan de hand,
Maar \'t staat in een gants ander boek te lezen.
Faust.
\'k Wil \'t weten.
Mephistopheles.
Goed! gij kunt het zonder geld
En zonder arts of tooverkunst bezitten:
Begeef u maar terstond naar \'t veld,
Om daar te hakken en te spitten!
Houd u van hersen-arbeid vrij,
Eet moes, gebruik geen specerij,
-ocr page 97-
83
Laat wijn noch sterken drank \'t gezonde maal verpesten.
Leef met het vee als vee, en acht u niet te goed
Om d\' akker, dien gij maait, ook zelf te mesten.
Dat is de beste medicijn,
Die u weer achttien jaar doet zijn.
Faust.
Hoe zou ik ooit de spa hanteeren?
Ik ben dat niet gewoon en zal het nimmer leeren.
Zóo\'n leven? \'t Denkbeeld al doet pijn!
Mephistopheles.
Dan dient ge tot de heks toch wel te-rug te keeren.
Faust.
Maar waarom juist het oude wijf?
Kunt gij dien drank dan zelf niet brouwen?
Mephistopheles.
Dat ware een aardig tijdverdrijf!
\'k Zou liever duizend duivels-bruggen bouwen.
Al wordt met kunde veel gedaan,
\'t Komt op geduld vóór alles aan.
\'t Vernuft bedenkt met jarenlange vlijt
Het mengsel, en het gisten vordert tijd.
Het klutsen van zoo vreemde zaken
Is heksenwerk, gelijk gij ziet:
De duivel kan \'t recept wel maken,
Maar \'t drankjen-zelf bereiden kan hij niet.
(Op de dieren wijzende.)
Wat dunkt u van dat tweetal daar?
De meid, de knecht, een prachtig paarl
(Tot de dieren.)
Waar is de vrouw?
De Dieren.
Die is uit zwieren,
Ze vloog zoo-met-éen
Door den schoorsteen heen\'!
-ocr page 98-
84
Mephist opheles.
Hoe lang wel denkt ze feest te vieren?
De Dieren.
Zoo lang we onze pooten hier warmen bij \'t vuur.
Mephistopheles (tot Faust).
Wat dunkt u van die lieve dieren ?
Faust.
\'t Zijn misgeboorten der natuur.
Mephistopheles.
Neen, zoo\'n discours als dat daar even
Kan mij een waar genoegen geven.
(Tot de dieren.)
Wat warmt gij, hartjens! voor een kliek?
Wat roert gij daar voor tooverkruiden ?
De Dieren.
Wij koken soep voor de arme luiden.
Mephi st opheles.
Dan hebt gij wel een groot publiek.
De Kater.
(nadert met dobbelsteenen en spreekt Mephistopheles aan:)
Werp de steenen eens voor mij:
Maak me rijk en maak me blij!
\'k Heb het schraalt jens. Heerlijk spel!
Had ik geld, ik wist het wel!
Mephistopheles.
Wat zou die aap een vreugde smaken,
Als hij een lotto meê mocht maken!
(Intttsschen hebben de jonge meerkatten met een kogel gespeelt}
en rollen hem voort.)
-ocr page 99-
85
De Kater.
De waereldsfeer
Draait op en neer
En rolt bestendig.
Zij klinkt als glas,
Breekt even ras,
Is hol inwendig!
Hier blinkt zij zeer,
En daar nog meer.
Maar \'t is ellendig,
Ze is klei! Laat staan,
Kind! raak niet aan,
Want breekt ze in scherven,
Dan is \'t gedaan :
Dan moet ge sterven
Mephistopheles.
Een zeef! waartoe?
De Kater (neemt de zeef van den muur)
Tot groot gerief I
Want waart ge een dief,
Dan zou ik \'t weten.
loopt naar de meerkat en laat haar door de zeef zien
Als gij hem ziet,
Verzwijg dan niet
Hoe de naam van den dief mag heeten!
Mephistopheles (het fornuis naderend.)
En deze pot?
Meerkater en Meerkat.
De vent is zot!
Hij kent niet de pot,
Hij kent niet den ketel!
Mep histoph eles.
Beleedigend dier!
-ocr page 100-
8G
De Kater.
Neem \'t stof-kwastjen hier.
Neem plaats in den zetel !
(Hij noodigt Mephistopheles om plaats te nemen.)
Fa ust.
(die gedurende al dien tijd in een spiegel heeft gezien, nu
eens een stap vooruit, dan weer een stap achteruit doende.)
Wat zie ik? Welk een beeld vol pracht
Is in deez\' spiegel mij verschenen?
O Liefde! wil me uw snelste vleuglen leenen
Naar \'t plekjen waar die Engel wacht!
Als ik éen stap te naadren tracht,
Dan is ze, als in een nevel, half verdwenen.
Is \'t waar, zijt gij zóo schoon, o Vrouw!
Heeft zulk een vrouw ooit de Aard\' betreden?
Of is het beeld dat ik aanschouw,
Een kort begrip van \'s Hemels heerlijkheden?
Mephistopheles.
Wel, \'t spreekt van zelf, als op den Zesden Dag
De Schepper goed vond wat Hij zag,
Dan moet dat wel iets zeer voortreflijks wezen.
Kijk nu maar goed uwe oogen uit:
Ik heb voor u zoo\'n schatjen uitgelezen.
Gelukkig mag de man geprezen,
Die roemen mag op zulk een Bruid!
(Faust blijft altijd in den spiegel staren. Mephistopheles in
den stoel gezeten, den stof kwast zwaaiende, gaat voort):
Hier zit ik als een Koning op zijn troon:
Den schepter heb ik hier: alleen ontbreekt de kroon.
De Dieren.
(die tot hiertoe allerlei grimassen gemaakt hebben, brengen,
onder luid geschreeuw, Mephistopheles een kroon)
O, wees toch zoo goed,
Met zweet en met bloed
Die kroon hier te lijmen.
(Zij gaan onhandig om met de kroon, zoodat zij in twee stuk-
ken breekt, waarmede zij rondspringen.)
-ocr page 101-
S7
Zoo moet het geschiên!
Wij spreken en zien,
Wij hooren en rijmen.
Faust (steeds voor den tooverspiegel.)
Ach, hoe verbijsterend schoon is dat!
Mephistopheles (op de dieren wijzend.)
Ik duizel ook, dat overtreft mijn krachten!
De Dieren.
Ik krabbel en klad,
En lukt het zoo wat,
Dan worden \'t gedachten.
Faust (als voren.)
Mijn boezem staat in vlam en vier:
Ik kan niet meer! van hier, van hier!
Mephistopheles (als voren.)
Zijn dat poëten, \'t moet gezegd,
Zij zijn ten minste zeer oprecht.
[De ketel, door de meerkat onbeheerd gelaten, begint over te
koken. Er ontstaat een groote vlam, die door den schoor-
steen uitslaat De heks vaart door den ^schoorsteen
naar binnen met luid geschreeuw.)
De Heks.
Hou ! hou! hou I
Gij, leelijk beest, uw post ontrouw,
Verzuimt den ketel, verzengt de vrouw.
Ellendig dier!
(Zij ontwaart Faust en Mephistopheles.)
Wat is dat hier\'?
Wat moet gij hier?
Wat wilt gij daar,
Vermetel paar?
-ocr page 102-
88
De helsche gloed
Sla u door \'t bloed I
(Zij schept met de schuimspaan uit den ketel, en sprenkelt
vlammen op Faust, Mephistopheles en de dieren.
De dieren kermen.)
Mephis\'top h e les.
(keert de stofkwast om en slaat met den steel de glazen
en kannen stuk.)
Aan stukken maar!
Rolt door elkaar!
Daar ligt de brij,
En \'t glas er bij!
Ik doe geen kwaad:
Ik sla de maat,
Heks! bij uw fraaie melody !
(Terwijl de heks boos en bang achteruit deinst.)
Herkent gij mij, gij oud karkas?
Herkent gij uwen Heer en Koning ?
Wat let me, of in uw eigen woning
Sla ik u dood met heel dit apenras?
Hebt gij voor \'t roode wambuis geen respekt?
Zijt gij de hanenveör vergeten?
Hield ik dit aangezicht bedekt?
Wenscht gij misschien mijn naam te weten?
De Heks.
O Heer, vergeef den ruwen groet!
Ik mis bij u den paardenvoet,
Ook uw twee raven zijn verdwenen.
Mephistopheles.
Voor ditmaal blijft gij ongedeerd:
Er gingen dan ook jaren henen,
Sints mijn bezoek u \'t laatste heeft vereerd.
En voorts — \'t wordt al in deez\' verlichte dagen
Beschaafd, verfijnd: de Duivel evenzeer.
Het Noordsche spook bestaat «iet meer;
-ocr page 103-
89
Wie zou nog staart of horens dragen?
En wat den voet betreft, dien ik niet missen kan,
Die kwetst den goeden smaak: zoo moest ik wel besluiten
Te doen als menig jonge man,
F.n \'k draag sints lang gevulde kuiten.
De Heks.
Ik beef, ik duizel van plezier:
\'k Zie Jonker Satan dus weer hier!
M e p h i s t o p h e 1 e s.
Spreek liefst mij met dien naam niet aan!
De Heks.
Hoe dat? wat heeft die naam misdaan?
Mephistopheles.
Die staat al lang in \'t fabelboek geschreven.
\'t Zal daarom toch den Mensch niet beter gaan:
Den Boze zijn zij kwijt, de bozen zijn gebleven.
Noem mij maar „Heer Baron," die naam maakt alles goed,
\'k Ben ch e va lier zoowel als de adellijkste zonen.
Gij twijfelt niet aan de echtheid van mijn bloed?
\'k Behoef u toch mijn wapen niet te toonen?
(Hij maakt een gebaar.)
De Heks (onmatig lachende.)
Ha! ha! nu zie ik wat ge zijt:
Een dartle schelm, gelijk altijd.
Mephistopheles (tot Faust.)
Mijn vriend, wat kunt gij hieruit leeren?
De kunst met heksen te verkeeren.
De Heks.
Ik zou den Heeren graag wat schenken als ik mocht
Mephistopheles.
Wel ja, een glas van \'t welbekende vocht.
-ocr page 104-
90
Maar liefst een weinigjen belegen:
Dan werkt de nektar eerst ter degen.
De Heks.
Zeer graag! de flesch, die gij hier ziet,
Versmaad ik-zelf bij wijlen niet.
Het is er een die in \'t geheel niet stinkt;
Ik wil u graag een glaasjen geven.
Maar....
{Zacht)
Als die Man daar zoo maar er flink van drinkt,
Dan, als gij weet, kan hij geen uur meer leven.
M e p h i s t o p h e 1 e s.
Hij is een goede vriend, wien \'t best bekomen zal.
Ik gun hem \'t heerlijkste uit uw keuken,
Trek dus uw cirkel, spreek uw spreuken,
Schenk hem een beker in, een rouge-bord vooral!
De Heks maakt vreemde gebaren, trekt een cirkel
en brengt daar allerlei zonderlinge zaken in.
Intusschen beginnen de glazen te klinken, de
ketel te razen en maakt alles muziek. De heks
haalt een groot boek te voorschijn, rangschikt
de meerkatten, die haar tot lessenaar dienen en
de fakkels vasthouden. Zij wenkt Faust om tot
haar te komen.
Faust (tol Mephistopheles.)
Neen, zeg mij eens wat die geluiden,
Al die grimassen toch beduiden!
Ik ken dat mislijk goochelspel,
Dat laf bedrog maar al te wel.
Mephistopheles.
Och, grappen, die een mensch aan \'t lachen maken.
Zie nu maar niet al te ernstig toe!
Zij moet als arts haar hocus pocus maken,
Opdat haar drank zijn werking doe.
(Zij noodigt Faust om binnen den cirkel te treden.)
-ocr page 105-
9!
De Heks.
[begint met groote opgewondenheid uit een boek te deelameeren.)
Goed toe te zien!
Maak éen tot tien!
Twee brengt niets aan.
Maak drie gelijk,
Dan zijt gij rijk!
Vier laat ge gaan.
Uit vijf en zes,
Onthoud de les,
Wordt zeven, acht.
Dan is het volbracht,
Want negen is éen,
En tien is geen:
Alzoo is der heksen éen-maal-éen!
Faus t.
\'t Is of ge in koorts haar ijlen hoort!
Mephistopheles.
Zoo gaat het in dat boek steeds voort.
\'k Heb vrij wat tijds daarmee verloren!
Een tegenstrijdigheid, mits zij volkomen zij,
Klinkt wijze\' en dwaas als een verborgenheid in de ooren.
Mijn vriend! die kunst is oud en nieuw er bij,
En \'t was gewoonte altijd, zoolang er menschen leven,
Door éen en drie, en drie en éen
De dwaling voor de waarheid uit te geven.
Zoo zwetst en leert men ongestoord:
Wie heeft er lust met gekken af te reeknen ?
Meest denkt men, als men enkel woorden hoort:
„\'t Is mij te hoog, maar \'t moet toch zeker wat beteeknen."
De Heks (gaat voort.)
Al werkt gij dag en nacht,
U blijft de hoogste kracht
Der wetenschap verborgen.
Maar die niet doet, niet denkt,
Die haar geen aandacht schenkt,
Verkrijgt haar zonder zorgen.
-ocr page 106-
92
Faust.
Wat onzin prevelt zij mij voor?
Geen woord meer, of mijn hoofd zal breken.
Mij is \'t, als hoorde ik daar een koor
Van honderdduizend gekken spreken.
Mepb.i8topb.eles.
Genoeg, sibylle! hartlijk dank!
Kom, schenk ons van uw eedlen drank!
Maar zorg vooral, dat ge ons een vollen beker tapt !
Zoo\'n teug zal onzen vriend niet schaden:
De man behaalde, ik weet niet hoeveel graden,
En heeft al menig flesch geknapt.
(De heks schept, onder vele ceremoniën, den drank in mn
schaal. Zoodra Faust die aan den mond zet, flikkert
er een kleine vlam.)
De Heks.
Laat dat gerust naar binnen stroomen!
\'t Is voor uw hart een ware lafenis.
Die met de duivel maatjens is,
Zou hem een vlammetjen doen schroomen?
(De heks verbreekt den toov er cirkel: Faust treedt er uit.)
Mephist opheles.
Nu, voorwaards! loopen moeten wij.
De Heks.
Moge u het slok jen wél bekomen!
Mephistopheles (tot de Heks.)
Kan \'k u van dienst zijn, zeg het vrij
Op Sint-Walpurgisnacht: daar vindt ge mij.
De Heks.
Neem hier dit Lied! het zal uw vreugd vermeêren,
Als gij \'t zoo nu en dan eens zingt.
Mephistopheles (tot Faust.)
Kom meê! geen rust! wij moeten huiswaards keeren,
-ocr page 107-
93
Gij moet noodzaaklijk transpireeren,
Opdat de drank uw wezen gants doordringt.
Het „zoete niets-doen" zal ik later u wel leeren:
Dan zult ge eerst recht den heksendrank waardeeren.
Als Amor, \'t woelig wicht, u op de schouders springt.
Faust.
Laat mij nog eens dat spiegelbeeld aanschouwen!
Het trekt mij onweerstaanbaar aan.
M e p h i s t o p h e 1 e s.
Neen, neen! de heerlijkste aller vrouwen
Ziet gij straks levend vóór u staan.
(Zacht.)
Na dezen drank ziet gij weldra
In elke vrouw een Helena.
EEN STRAAT.
Faust. Margaretiia (voorbijgaande.)
Faust.
Mijn schoone Juffer! sta mij toe,
Dat ik mijn arm u biede en u geleide doe.
Ma rga retha.
Ik ben geen Juffer, ook niet schoon.
Ik vind alleen wel waar ik woon.
(Zij maakt zich los en snelt voort).
Faust.
Niet schoon! niet hemelsch schoon misschien!
\'k Heb nooit zoo\'n heerlijk kind gezien!
Ze is zedig, schuchter min of meer,
Het blosjen dat die kaakjens tooit,
Dien rozenmond, vergeet ik nooit.
Hoe haastig sloeg zij de oogjens neer!
-ocr page 108-
94
Die blik, dat spijtig woord, die spoed,
Ik ben verrukt! ik sta in gloed!
(Mephistopheles treedt op.)
Faust.
Dat meisjen moet de mijne wezen !
Mephistopheles.
Welk meisjen ?
Faust.
Zij ging juist voorbij.
Mephistopheles.
Die? Van de bidbank opgerezen,
Trad ze uit de kerk, van alle zonden vrij.
Het is een aardig, schuldloos ding,
Dat zonder noodzaak biechten ging....
\'k Moet, machteloos, dezulken sparen.
Faust.
Zij telt toch zeker vijftien jaren!
Mephistopheles.
Hans Liederlijk denkt juist als gij:
„Elk bloemtjen bloeit alleen voor mij!
„Geen eer, geen deugd, die ieder man,
„Als hij \'t begeert, niet plukken kan...."
Dat gaat toch waarlijk zoo niet aan.
Faust.
Mijn Hoogeerwaarde kapelaan I
Ik wil geen zedepreêk verstaan.
Hierop kunt gij u voorbereiden:
Wanneer ik niet nog dezen dag
Dat hartjen \'t mijne noemen mag,
Dan zijn we om middernacht gescheiden.
Mephis t o pheles.
Gij vergt te veel: ik heb alleen
-ocr page 109-
99
Voor \'t zoeken van gelegenheên
Ten minsten veertien dagen noodig.
Faust.
Had\' ik maar zeven uren vrij,
Des duivels hulp ware overbodig:
Het schepseltjen behoorde mij!
Mephistopheles.
Dat noem ik fransche blullerij!
Neen! \'t uitstel moet u niet verdrieten.
Wat geeft een overhaast genieten?
Het popjen koste tijd en vlijt!
Gewacht! gesmacht! veel moeite en strijd!
Dan zal \'t genot te fijner wezen.
In veel romans kunt gij dat lezen.
Faust.
\'k Heb zonder dat wel appetijt.
Mephistopheles.
Nu alle gekheid daargelaten,
Ik zeg u, bij dit schoone kind
Kan geenerlei geweld iets baten:
Zie liever dat ge een list verzint!
Faust.
Och, toon mij eens naar hartelust
Het zalig plekjen waar zij rust!
Stel me iets ter hand, dat de Engel droeg\'.
Een lint, een halsdoek, is genoeg.
Mephistopheles.
Opdat ge \'t weet hoe \'k in uw pijn
U, waar ik kan, van dienst wil zijn,
Zal ik mijn best doen en nog heden
Haar kamertje\' u doen binnentreden.
Faust.
En \'k zal haar zien? haar kussen?
-ocr page 110-
96
M e p hi s t o p h e 1 e s.
Neen.
Ze is uitgegaan, maar kort geleden.
Terwijl kunt gij, geheel alleen,
Verdiept in hoopvolle idealen
Daar in haar dampkring ademhalen.
F aus t.
Zoo kom!
Mephistop heles.
\'t Is nog te vroeg..
F a u s t.
Nietwaar,
Gij denkt om een geschenk voor haar\'/
Mephistophe les.
Geschenken reeds? Heel wél! Dat zal het meisjen lijken,
\'k Weet vrij wat plekjens onder de aard,
"Waar groote schatten zijn vergaard:
Ik moet eens even na gaan kijken.
WO
AVOND.
Een klein zindelijk vertrek.
Margaretha
(heur hair vlechtende en opbindende.)
\'k Wenschte, om ik weet niet wat, te weten,
Hoe loch die vreemde Heer mag heeten.
Een wakker man, en die gewis
Van meer dan edele afkomst is.
Dat kan ik hem op \'t voorhoofd lezen:
Geen burger zou zoo driest ook wezen.
{Af.)
-ocr page 111-
97
MEPHISTOPHELES. FAUST.
Mephistopheles.
Kom binnen, zachtjens aan, hierheen !
Faust (na eenig stilzwijgen.)
Ik bid u, laat mij nu alleen.
Mephistopheles {rondkijkende.)
Een netter kind — ik weet er geen.
Faust (om zich heen1 ziende.)
Wees welkom, zoete schemerschijn,
Die me in dit Heiligdom begroet!
Doordring mijn hart, gij zoete minnepijn,
Die smachtend met den dauw der hope u voedt!
Mij ademt kalmte en orde tegen:
Wat waas van vrede alom verspreid!
Hier in deze armoe, welk een zegen!
In deze kluis, wat zaligheid!
(Hij werpt zich in den leer en armstoel voor het bed.)
Neem me op, o gij, die bij gejuich of klacht
Zoovelen reeds in de armen hebt ontvangen!
Gij Vadertroon, hoe menig jong geslacht
Zaagt gij hier niet aan \'s ouden lippen hangen!
Misschien wel heeft, door \'t Kerstgeschenk verrukt,
Mijn liefjen hier, met rozen op de wangen,
Een dankbren kus op \'s grijsaards hand gedrukt.
O Meisjen! \'k voel uw geest hier zweven,
Een geest van orde en lieflijkheid,
Die aamt uit al uw doen en streven,
Die \'t kleed, dat ge op de tafel spreidt,
Den glans der nieuwheid weet te geven,
En \'t zand, dat ge uitstrooit voor uw voet,
In bloemfiguren krullen doet.
O lieve hand, waar ge u moogt reppen,
Weet gij het hutjen tot een Hemel om te scheppen!
(Hij opent de bedgordijnen.)
-ocr page 112-
98
En hier! ik huiver van genot!
Hier uren lang te mijmren, zalig lot!
Natuur! hier hebt ge uw werk in luchte droomen
Voltooid, het kind in d\'arra genomen,
Gevoed, gekoesterd en gestreeld;
En zoo, ontwikkeld, gants volkomen,
Verscheen in \'t eind dit Englenbeeld.
En gij! wat heeft u hier gevoerd ?
Hoe innig is mijn ziel ontroerd!
Wat wilt gij hier? Wat drijft u toch\'?
Eaust! arme Faust! Zijt gij dezelfde nog?
Wat lucht heerscht hier, zoo rein, zoo zacht,
Die bijna voor mij-zelven mij doet schamen?
Is daar dan zulk een tooverkracht
In d\'atmosfeer waarin wij aamen?
Al stond zij nu op eenmaal voor uw oog,
Hoe duur zoudt gij uw misdaad boeten!
De groote man werd klein — en boog
Verstomd, vernietigd aan haar voeten!
Mephistopheles.
A\'oort, voort! ik zie haar komen!
Faust.
Neen!
Voort? voort? ik wil, ik kan niet heen\'!
Mephistopheles.
\'k Heb hier een kisljen, taamlijk zwaar:
\'k Bracht vrij wat kostlijks bij elkaar.
In gindsche kast daar zet gij \'t neer.
\'k Durf u verzeek\'ren op mijn eer,
Dat zal uw lief, onschuldig kind
Zoodra zij \'t ziet geheel betoovren.
Het zou wel andren \'t hart veroovren.. ..
Maar — spel is spel, die waagt die wint!
-ocr page 113-
99
Fau s t.
Ik weet niet.... Zou ik ?
M e p h i s t o p h e 1 e s.
Voelt ge spijt?
Wilt gij misschien den schat bewaren\'?
Zoo zeg het, dan kunt ge u den tijd
En mij de verdre moeite sparen....
Ik hoop niet dat gij gierig zijt\'?
Ik tob en zwoeg tot uw genoegen —
{Hij zet het kistjen in de kast en drukt het dot weer toe.)
Nu, maak toch spoed!
\'k Doe alles wat de jonge bloed
Bewegen kan zich naar uw wil te voegen;
En gij blijft staan, zegt boe noch ba,
Als moest ge ten gehoorzaal henen,
Als waren Physica en Metaphysica
Gelijk twee spooksels u verschenen.
Ik zeg u, ga!
Margaretha {met een lamp.)
Wat is het drukkend hier en zwoel!
{Zij opent het venster.)
Toch dunkt mij, is het buiten koel.
\'k Ben vreemd te moê — wat drukt mij neer?
Kwam moeder toch maar spoedig weer!
\'k Gevoel een kille huivering:
Wat ben ik toch een dwaas vreesachtig ding!
{Zij begint te zingen, terwijl zij zich ontkleedt.)
Daar was eens een Koning in Thule,
Getrouw tot in den dood,
Wien stervend zijn geliefde
Een gouden beker bood.
Dat was zijn lust op aarde,
Die daaglijks vóór hem stond:
-ocr page 114-
100
Nooit bracht hij zonder tranen
Dien beker aan den mond.
Hij stierf, en liet zijn erven
Geheel zijn Rijksgebied,
Zijn steden en zijn schatten.
Alleen zijn beker niet.
Nu zette\' hij voor het laatste
Zich aan den feestdisch neer,
Omgeven van zijn ridders,
Ginds op het slot aan \'t meir.
Daar rees nu de arme Koning,
En dronk, ten jongsten groet,
En wierp den heilgen beker
Naar onder in den vloed.
Hij zag hem vallen, zinken.
Verdwijnen in het meir:
Daar loken zich zijn oogen —
Hij dronk geen droppel meer.
(Zij opent de kast om hare Meeren te bergen en ziet het kistjen)
Hoe is dat mooie kistjen hier gekomen ?
\'k Heb toch de kast gesloten naar ik meen\'?
Misschien gaf moeder geld ter leen
En heeft ze dit te pand genomen.
Kijk, kijk! er hangt een sleuteltje\' aan:
Daar zal het wel meê opengaan.
Wat is dat ? hemel! dat is mooi!
\'k Zag zoo iets nooit! dat is een tooi
Dien op de hooge Heilgendagen
De rijkste Hertogin kon dragen!
Hoe zou die keten mij wel staan?
Wie biedt men zulk een rijkdom aan?
(Zij tooit zich en treedt voor den spiegel.)
Als ik maar, uit geheel dien schat,
Die ringen in mijn ooren had!
Men ziet er zóo toch anders uit!
-ocr page 115-
101
Jeugd, schoonheid? \'k Weet wat dat beduidt:
\'t Is goed en wel, men roemt u luid,
Maar half toch uit erbarmen.
Goud, goud vereert,
Goud, goud, begeert
De waereld !.... Ach wij armen!
WANDELPLAATS.
(faust gaat peinzend op en neer, met mephistopiieles
aan zijn zijde.)
Mephistopheles,
Bij alle versmade liefde! Bij de helsche duisternis!
Bij alles wil ik zweeren, indien er iets ergers is.
Faust.
Wat is \'t? Wat maakt ge voor misbaar?
\'k Zag zulk een tronie nimmer heel mijn leven!
Mephistopheles.
\'k Zou mij terstond den duivel overgeven,
Als ik niet zelf een duivel waar\' !
Faust.
Wat waanzin mag uw hersens kwellen?
\'t Staat mooi u als een razende aan te stellen!
Mephistopheles.
Denk eens, al wat ge aan Grethe gaaft, verdween :
Daar ging een outerknaap meê heen!
De moeder zag het kistjen staan,
Daar greep een heimlijke angst haar aan.
De reuk van \'t wijfje is wonderfijn,
\'t Getijdeboek verlaat haar niet:
\'t Is of zij \'t aan de meubels ziet,
Of zij profaan of heilig zijn;
En aan ons kistjen zag zij ras
-ocr page 116-
102
Lat daarbij niet veel zegen was.
„Mijn kind!" riep ze uit, „oneerlijk goed
„Verderft de ziel, verteert het bloed.
„Der Moeder Gods zij \'t aangeboden
„Op Hemelmanna zal ze ons nooden!"
Maar Orietjen trok een lipje\', en dacht:
„\'t Was nu toch eens haar thuis gebracht;
„En waarlijk, die zóo geven kan,
„Is een weldadig, vriendlijk man!"
De moeder liet een pater komen ;
Die had nog pas de klucht vernomen,
Of zag den schat begeerig aan,
En zei: „Dat is recht vroom gedaan,
„Dat, vrouwkens! mag verwinnen heeten.
„De maag der Kerk
„Is ijzersterk :
„Zij, zonder ooit zich te overeten,
„Heeft heele landen opgegeten.
„Zij is \'t dan ook, die ongedeerd
„Oneerlijk goed met smaak verteert."
F a u s t
Die kunst is niet zoo bijster groot:
Zie eiken Koning, eiken Jood!
Meph is t opheles.
Al \'t moois, in \'t kistjen weggesloten.
Verdween nu in des paters zak,
Die daar een woord van dank bij sprak
Als voor een handvol pepernoten.
Maar — hij beloofde een Hemelsch loon:
De „vrouwkens" vonden \'t stichtlijk-schoon.
F a u s t.
En Grethe\'?
M e p h i s t o p h e 1 e s.
Zit onrustig neör:
Ze wil? zij weet het zelf niet meer.
Zij denkt aan \'t kistjen dag en nacht,
Nog meer aan hem nog, die \'t haar bracht.
-ocr page 117-
403
Faust.
Zoetliefjens kommer smart mij zeer:
Zie toch een ander kleinood op te sporen !
Aan \'t eerste ging zoo hée! veel niet verloren.
M e p h i s t o p h e 1 e s.
\'t Is kinderspeelgoed, denkt mijnheer.
Faust.
Bestuur en regel \'t naar mijn zin !
Maak u de buurvrouw tot vriendin!
Kom, duivel! niet zoo flauw gedraald!
Terstond een nieuwen pronk gehaald!
Mephistopheles.
\'k Gehoorzaam; machtigste van alle stervelingen!
(Faust af.)
Kijk zoo\'n verliefden dwaas eens aan!
Die zou voor liefjens pret de sterren, zon en maan
Als vuurwerk in de lucht doen springen!
(Af.)
HET HUIS DER BUURVROUW.
Mart ha (alleen.)
De Hemel toone u mededoogen,
Maar, lieve man! behoort dat zóo?
Gij zijt de waereld ingevlogen,
En laat mij hier alléén op \'t stroo! ....
Ik heb hem, waarlijk, nooit bedrogen,
God weet, wij hebben nooit getwist! . . . ,
(Zij iveent.)
Misschien reeds heeft hij \'t hoofd gebogen:
Och, of ik dat maar zeker wist!
Margaretha (komt.)
O buurvrouw!
-ocr page 118-
104
Martha.
Grethe-lief, wat is \'t?
Ma rga retha.
Mijn kniën knikken, \'k zijg haast neer....
Daar vind ik juist zoo\'n kistjen weer
Hier in mijn kast — van ebbenhout
Met zaakjens, al\' juweel en goud,
Veel rijker nog als d\'eersten keer!
Martha.
Geen woord aan moeder, kind! ik zeg
\'t Gaat anders weer den zelfden weg.
Margaretha.
Ach, zie toch eens, zeg hoe gij \'t vindt:
Ach, kijk toch eens!
Martha.
Gij zondagskind!
Margaretha.
Maar ach, met zulk een pracht getooid
Op straat of in de kerk, dat nooit 1
Martha.
Wel, meisjen, kom maar dikwijls hier!
Dan kunt gij in de stilte prijken,
Een uurtjen in den spiegel kijken:
Dan hebben we allebei plezier.
Er komt gelegenheid, een feestjen of zoo wat:
De lui zien nu eens dit, dan dat;
De keten eerst, de paerels dan in \'t oor —
En zag u moeder \'t al, we praten haar wat voor!
Margaretha.
Wie mag de gever van die beide kistjens wezen ?
Dat is niet in den haak zou \'k vreezen.
(Er wordt geklopt.)
-ocr page 119-
105
O, als dat moeder was, \'k zeeg in elkaar!
Mart ha (ziel door \'t gordijn.)
Een vreemde heer! ... . Kom binnen maar!
(Mephistopheles treedt binnen.)
Mephistopheles.
Vergeeft het mij zoo ik durf wagen ....
\'k Hoop niet dat ik de dames stoor.
Ik kwam naar Martha Zwaardlein vragen.
Mart ha.
Ik ben het zelf, mijnheer! spreek door.
Mephistopheles (zacht tot Martha.)
Ik ken u thands — ik ben voldaan,
\'k Zie daar voornaam gezelschap staan:
Verschoon mij, mag ik t\'avond wederkomen?
Martha (luid.)
Wel, lieve kind! hebt gij \'t vernomen\'?
Die heer ziet voor een freule u aan.
Margaretha.
Och, wat mijnheer ook in mij ziet,
Ik ben een burgerkind, meer niet!
Niets komt mij toe van al die heerlijkheên.
Mephistopheles.
\'t Zijn die juweelen niet alleen:
Maar dat gelaat, die zielvolle oogen!
Heb dank, dat gij mijn bijzijn wilt gedoogen !
Martha.
Wat boodschap brengt gij ? Ik verwacht —
Mephistopheles.
Och, of ik blijder mare bracht!
Maar laat den bode er niet voor boeten!
Uw man is dood en laat u groeten.
-ocr page 120-
i06
Mart ha.
Hij dood! die trouwe ziel? Wat smart!
Mijn man is dood! Nu breekt mij \'t hart.
Margaret ha.
Ach, goede vrouw! ach, wanhoop niet!
M e p h i s t o p h e 1 e s.
Hoor nu hoe \'t onheil is geschied!
Margaretha.
\'k Zal nooit mijn hand aan iemand geven:
\'k Zou mijn verlies niet overleven.
Mephistopheles.
Na lief komt leed, na vreugde droefenis.
Ma rtha.
Vertel mij toch hoe hij gestorven is!
Mephistopheles.
Hij ligt in Padua begraven.
Rij Sint-Antonius rust hij van \'s levens strijd.
Waar wij in de aarde, wólgewijd,
Zijn asch een koele rustplaats gaven.
Martha.
En brengt gij mij niets anders meê ?
Mephistopheles.
Ja, zeker! nog een enkele beê:
Gij laat voor hem driehonderd missen lezen.
Voorts — zijn mijn zakken leeg.
Martha.
Wat? kan dat mooglijk wezen?
Geen potstuk, ring of zondagskleed,
Voor mij bespaard om tot gedachtenis te dragen ?
Elke opperman, die dat niet deed,
-ocr page 121-
•107
Zou liever hongeren of om een aalmoes vragen.
M e p h i s t o p h e 1 e s.
Vrouw Martlia! \'t doet mij innig leed.
Maar spilziek is uw ega nooit geweest.
Ik heb hem om zijn zonden hooren klagen,
O ja, en om zijn rampen \'t allermeest.
51 a r ga re t ha.
Ach, dat een mensch hier zoo veel rampspoed vindt!
Mephistopheles.
Gij zijt een lief, beminlijk kind,
Wel waard terstond in d\' echt te treden.
M a rga retha.
Ach, neen! vooreerst bewaar ik hart en hand.
Mephistopheles.
Nu, is \'t geen man, zoo neem dan een galant!
O hetnelweelde nooit volprezen,
Te rusten aan het hart van zulk een heerlijk wezen !
Margaretha.
\'t Gebruik bjj ons vergunt dat niet.
Mephistopheles.
Gebruik of geen gebruik — \'t geschiedt!
M artha.
Vertel dan toch!
Mephistopheles.
Welaan, \'k zat bij zijn sterfbed neer,
Een handvol rottend stroo, niets meer!
Toch stierf hij vroom en wel, en prees
Den Hemel die hem nog grootmoedigheid bewees.
Hij riep: „Hoe zeer moet ik mij-zelven haten,
„Mijn zaak, mijn vrouw zoo in den steek te laten!
-ocr page 122-
108
„Dat kwelt mij tot mijn jongsten snik.
„Mocht zij mij maar vergeven in dit leven !"
Mart ha (weenend.)
Die goede man! ik heb hem lang vergeven.
Mephistopheles.
„Maar toch weet God, zij was veel schuldiger dan ik."
Martha.
Gelogen! foei, nog aan den rand van \'t graf gelogen!
Mephistopheles.
Hij miste reeds zijn denkvermogen:
Ten minste zóo beschouw ik dat.
„Ach," sprak hij, „\'k had bij \'t krieken van den morgen,
„Eerst voor het kroost en dan voor \'t brood te zorgen,
„\'t Woord brood wat ruimtjens opgevat!
„En \'k mocht niet eens met vree mijn eigen brokjen eten!\'\'
Martha.
Heeft hij mijn liefde en trouw zoo schandelijk vergeten!
Mijn tobben, zwoegen, dag en nacht!
Mephistopheles.
Toch niet! hij heeft wel zeer aan u gedacht.
„Toen \'k afscheid nam van Maltha\'s stranden."
Zoo ging uw man al fluistrend voort,
„Bad ik, van heilig vuur aan \'t branden,
„Voor vrouw en kroost, en — \'k werd verhoord!
„Een Turksche brik viel ons in handen :
„Die had een geldkist voor den Grooten Heer aan boord.
„Nu werd de moed beloond, en van dien zegen
„Heb ik mijn wettig deel gekregen."
Martha.
Ei hoe"? Ei zoo? Waar schuilt de schat?
Mephistopheles.
Verwaaid! .... Waarheen? Wie zegt ons dat?
In Napels, waar hij niemand kende,
-ocr page 123-
109
Trok zich een dame zijner aan:
Die heeft den vreemdling wélgedaan
Tot op zijn zalig levens-ende.
Martha.
Die schelm, die vrouw en kroost bestal!
Wij zaten in ellende en nood,
En hij, o schand! verbraste \'t al\' 1
Mephistopheles.
Ja zie, daarom is hij nu dood.
\'k Wist in uw plaats wel wat ik deed:
Ik droeg een jaartjen \'t weduwkleed,
En zocht terwijl een andren heer.
Mart ha.
Zooals die eerste was, krijg ik er nooit een weer!
Wat kon dat ventjen aardig praten!
Alleen hij hield te veel van \'t slentren langs de straten,
Van vreemde vrouwen, vreemden wijn,
En dan -— gij weet wat dobblaars zijn —
\'t Vervloekte spel kon hij niet laten.
Mephistopheles.
Zoo, zoo! nu, goede vrouw, als hij
Niet méér te klagen had dan gij,
Dan kan dat gaan, en \'k zou misschien
U wel.... den gouden trouwring bièn.
Martha.
Waarom, mijnheer! met mij den spot gedreven?
Mephistopheles, (ter zijde.)
Nu moet ik oogenbliklijk voort:
Dat is er een, die hield den duivel bij zijn woord.
(Tot Margaretha.)
En is uw hartjen vrij gebleven?
Ma rgaret ha.
Wat meent mijnheer daarmee ?
-ocr page 124-
HO
Mephistopheles {ter zijde.)
O goed, onschuldig kind!
{Luid.)
En nu, vaarwel!
Ma rga ret ha.
Vaarwel!
Martha.
Een vraag nog, waarde vrind!
\'k Had gaarne, dat zij me een bewijsjen gaven,
„Waar, hoe, wanneer, gestorven en begraven,"
\'k Ben ordlijk van der jeugd af aan,
En zag nu graag zijn naam op \'t Doodsregister staan.
Mephistopheles.
Best, goede vrouw! waar twee getuigen spreken,
Daar is de waarheid klaar gebleken.
\'k Heb nog een vriend — dat maakt er twee —
Dien neem ik naar de Rechtbank meê.
Ik breng hem hier?
Martha.
0, dat is goed!
M e p h i s to p h e 1 e s.
\'k Hoop, dat hij ook de freule ontmoet\'?
Het is een brave knaap, die veel doorsnuffeld heeft,
Bereisd, en — voor de dames zeer beleefd!
Margaretha.
\'k Zal schaamrood worden voor dien heer.
Mephistopheles.
Dat nooit, zelfs voor den grootsten koning!
Martha.
Mijn tuintjen ligt hier naast mijn woning:
Daar zien we elkaar van avond weer.
-ocr page 125-
Ui
STRAAT.
FAUST EN MEPHISTOPHELES.
Faust.
Hoe is het\'.\' lukt het? maakt gij spoed?
Mephistopheles.
Bravo! in lichterlaaien gloed?
Weldra zal Grethe de uwe wezen.
Weet, dat gij \'t avond bij heur buurvrouw haar ontmoet.
Die Martha is als uitgelezen
Tot koppelaarster.
Faust.
Wel, dat \'s goed,
Mephistopheles.
Maar met die noodiging gaat een verzoek gepaard.
Faust.
Nu, de eene dienst is d\' ander waard.
Mephistopheles,
Zij wenschte een akte naar behooren,
Dat haar gemaal in heiige aard
Te Padua een rustplaats is beschoren.
Fa ust.
Juist! dus — op reis! de plicht gebiedt.
Mephistopheles.
Sancta simplicitas! Dat is de kwestie niet.
Getuig maar, zonder veel te weten !
Faust.
Daar komt niets van! \'k Wil geen bedrieger heeten
Mephistopheles.
Wel, wat mijnheer toch deugdzaam is!
Maar gaafl gij dan van heel uw leven
-ocr page 126-
112
Nog nooit een valsch getuigenis?
Hebt gij niet allerlei beschrijvingen gegeven
Van God, van \'s Menschen zijn en streven;
En als gij dan, gij brave man!
Zoo onbeschaamd voor uw systeem dorst strijden,
Zeg, wist ge er wel iets meerder van
Dan van vriend Zwaardlein\'s overlijden?
Faus t.
O gij solist en leugenaar!
Mephistopheles.
Ik ken u al te goed! of is \'t misschien niet waar,
Zoudt gij dat Greetjen niet begeeren?
Wilt gij haar morgen niet de oprechtste liefde zweeren ?
F a u s t.
Van harte!
Mephistopheles.
En als dan van een goddelijken gloed,
Een trouw die nimmer wordt verbroken,
Een eeuwge teêrheid, wordt gesproken,
Dan meent gij dat ook even goed?
F a u s t.
Houd op! Als ik dat zielsverrukken,
Dat diep gevoel, dat mij zoo zalig maakt,
Vergeefs in woorden uit wil drukken —
En, dan de vlam die mij doorblaakt,
Oneindig, eeuwig roem en godlijk van vermogen,
Gij duivel, noemt gij dat een logen ?
Mephistopheles.
:k Heb toch gelijk!
F a u s t.
Ik ga niet voort;
Onthoud nog maar dit éene woord;
Hij die gelijk wil hebben, en niet zwijgt,
Is altijd zeker dat hij \'t krijgt!
-ocr page 127-
as
En nu genoeg gepraat! Gij hebt gelijk,
Vooral — wijl ik voor de overmacht bezwijk!
MAKTHA\'S TUIN.
mahgaretha aan den arm van faust. martha mei mephisto-
phei.es op en neer wandelende.
Margaretha.
Ik merk wel, dat mijnheer op vriendelijken toon
Mijn needrigheid genade wil bewijzen.
Een reiziger is zoo gewoon
Voor lief te nemen en te prijzen.
\'k Weet al te wel, dat zoo\'n ervaren man
Aan mijn gesnap niet heel veel hebben kan.
Faust.
Eén blik, éen woord van u is meerder waard
Dan alle wijsheid dezer aard.
(Hij kust hare hand)
Margaretha.
Ik bid u, kus mijn hand toch niet!
Ze is rood en ruw zooals ge ziet.
Ik werk dan ook wat af, soms lang vóór dag en dauw I
Maar moeder ziet ook veel te nauw.
(Zij gaan verder.)
Martha.
En gij. mijnheer 1 gij reist maar altijd voort?
Mephistopheles.
Ach, dat beroep en plicht ons immer verder nooden!
Met hoeveel smart verlaat men menig oord,
Maar — \'t langer toeven is verboden.
Mart ha.
Nu, als men jonk is, gaat het nog
Zoo door de waereld rond te wentlen;
lx.
                                                                                       8
-ocr page 128-
114
Maar komt de kwade tijd, och, och!
Want als oud-vrijer naar het wachtend graf te drentlen.
Wie ooit ter waereld wenscht dat toch?
Mephistopheles.
\'k Zie dat met angst van verre komen.
M a r t h a.
Dus, waarde lieer, bij tijds een goed besluit genomen!
{Zij gaan voorbij.)
M a r g a r e t h a.
Ja, wel! uit de oogen uit het hart.
Ik blijf\' hier eenzaam met mijn smart,
Maai1 gij kunt altijd andre vrinden
Verstandiger dan ik ben, vinden.
F a u s t.
Lief kind! wat zoo verstand heet, is vaak schijn,
Pure ijdelheid en onzin!
Har gare t h a.
Hoe kan \'t zijn!
Faust.
Ach, dat toch de eenvoud, dat toch de onschuld hier op aariio
Zich-zelf nooit kent in al haar waarde!
Dat reinheid, nedrigheid, en alles wat Natuur
Ooit aan een schoone ziel kan schenken ....
Margaretha.
Denk soms aan mij in een verloren uur!
Ik heb den tijd om steeds aan u te denken.
Faust.
Gij zijt misschien wel veel alleen?
Margaretha.
Ja zeker, ons gezin is kleen:
Toch heb ik nog al bezigheèn.
-ocr page 129-
115
Geen meid! \'k moet zorgen voor de bedden, voor het eten,
\'k Moet naaien, breien, in de weer zijn vroeg en laat;
En daarbij niet-met-al vergeten,
Want moeder is zoo accuraat!
Maar daarom heeft zij \'t niet zoo krap:
Uit vaderliefs nalatenschap
Bleef haar een burgerlijk fortuintjen:
Wij kochten vóór de stad een huisjen met een tuintjen,
En hebben goed ons daaglijksch brood.
Maar nu beleef ik stille tijden ;
Mijn broeder is soldaat, mijn zusjen-lief is dood,
Dat was een tobben en een lijden,
Maar \'k bleef haar dag en nacht nabij,
O, \'t was een heerlijk kind!
Faust.
Een Engel, zoo als gij!
Margaretha.
Ik voedde \'t op, en \'t hechtte zich aan mij.
Het was na vaders dood geboren —
Wij hielden moeder voor verloren.
Zoo aaklig lag zij daar.... en toch herstelde zij !
Maar och, \'t ging boven haar vermogen
Het arme wormken zelf te zoogen:
Ik voedde \'t, heel alleen, met melk en water op.
En — ik behield mijn kleine pop!
\'t Lachte in mijn armen, op mijn schoot,
En kraaide, en dartelde en werd groot.
Faust.
Toen hebt ge een rein geluk gesmaakt!
Margaretha.
Maar toch ook menig uur met groote zorg doorwaakt!
De wieg van \'t kind stond eiken nacht
Dicht bij mijn bed, en kreunde \'t even,
Ik hoorde \'t: \'k moest haar drinken geven,
Of gaf haar aan mijn zij\' een hoekjen warm en zacht.
En kreet het voort, dan flink er uitgesprongen,
-ocr page 130-
•116
De kamer op en neer gegaan,
En \'t lieve kind in slaap gezongen....
Dan \'s morgens aan de wasch gestaan,
De markt bezocht, gezorgd voor \'t eten!
Zóo eiken dag al weer van meet af aan —
Dat kan niet altijd prettig heeten.
Maar werken sterkt de levenslust:
\'t Geeft honger, en ik slaap gerust.
(Zij gaan voorbij.)
M a rtha.
Die arme vrouwen! \'t valt niet licht
Zulk een oudvrijer te overtuigen.
Mephistopheles.
Op uws gelijken rust de plicht
Een stijf kop, zooals ik, in Hymens juk te buigen.
Martha.
In ernst, mijnheer! hebt gij nog nooit gezocht,
Een keus gedaan, uw hart verknocht?
Mephistopheles.
Het spreekwoord zegt: „Een eigen haard
„Is meer dan goud en paerlen waard."
Martha.
Ik meen maar, hadt gij nooit verlangen?
Mephi s topheles.
\'k Ben overal beleefd ontfangen.
Martha.
\'k Bedoel, is \'t u nooit ernst geweest?
Mephistopheles.
Met vrouwen scherts ik nooit: \'k ben zedig en bedeesd.
-ocr page 131-
117
Martha.
Ach, gij verstaat mij niet !
Mephistopheles.
O, wist gij hoe \'t mij spijt,
Maar ik versta — dat gij zeer vriendlijk zijt!
(Zij gaan voorbij.)
F a u s t.
Gij kendet mij, lieve Engel, weder.
Toen ik de tuindeur binnenkwam ?
Margaretha.
Zaagt gij het niet\'? Ik sloeg mijn oogen neder.
F a u s t.
En gij vergeeft de vrijheid die ik nam\'?
Gij waart de Kerk pas uitgegaan,
\'k Sprak, al te stout, op straat u aan.
Ma rgaretha.
Ik was ontsteld. Zoo iets was nooit geschied;
Wie, die van mij ooit kwaad heeft durven spreken \'?
„Ach," dacht ik, „is er iets uit mijn gedrag gebleken,
„Waardoor die man in mij zoo\'n ijdel wezen ziet,
„Dat hij, voor \'t eerst, maar ééns heeft aan te blikken,
„Om haar te vangen in zijn strikken?"
\'k Beken het toch — ik weet niet wat daarbij
Ter uwer gunste in dit mijn hart ontwaakte.
\'k Weet dit maar, \'k was heel boos op mij
Dat ik me op u niet boozer maakte.
Faust.
Zoet liefjen!
Margaretha.
Stoor mij .niet!
-ocr page 132-
U8
(Zij plukt een mudeliefjen, en plukt er éen voor ven
de blaadtjens af.)
Fa us t.
Maakt gij een ruiker*.\'
Ma rga re tha.
Neen!
Een aardigheid, voor mij alleen.
(Zij gaat voort met de blaadtjens af te plukken en mompelt)
Faust.
Wat mompelt gij?
Margaretha (halfluid.)
Hij mint mij — mint mij niet —
Faust.
O Engel, die mijn ziel gebiedt!
Margaretha (gaat voort met plukken )
Hij mint mij — niet — hij mint mij — niet —
(Het laatste blaadtjen afplukkend, juichend)
Hij mint mij!
Faust.
Ja, lief kind! voor u en mij
Zij \'t bloemorakel profecy!
Een Godsspraak is dat woord: „Hij mint u!"
Verstaat gij en doorgrondt gij dat: „Hij mint u!"
(Hij grijpt hare beide handen.)
Margaretha.
Ik tril van schrik!
Faust.
Neen tril niet, schrik niet! Laat mijn blik,
Laat dezen handdruk u verklaren
Wat onuitspreeklijk is:
Zich aan elkander overgeven
In eeuwge zielsverbindtenis,
-ocr page 133-
119
In zielenzaligheid, die eeuwig voort moet leven!
Ja, eeuwig! want het end waar\' eindelooze ellend,
Neen, eeuwig, eeuwig! zonder end!
{Margaretha drukt hem de handen, maakt zich los
en vlucht heen. Hij staat een oogenblik in
gedachten. Daarop volgt hij haar.)
Ma rtha {treedt op.)
\'t Wordt donker.
Mephistopheles.
Ja, wij moeten u verlaten.
Mar t ha.
\'k Zou gaarne zeggen: „blijft nog wat 1"
Maar och, \'t is hier een kleine stad:
De menschen doen er niets dan praten.
De buurtjens te bespiön is iedereens vermaak;
Zoo komt men spoedig op de spraak. —
En nu ons paartjen?
Mephistopheles.
\'t Is het laantjen ingeslagen.
Die dartle vlinders! aardig paar!
Martha.
Zij schijnt hem wel bijzonder te behagen.
Mephistopheles.
En hij haar ook. Dat is des waerelds loop, nietwaar?
EEN TTJINHUISJEN.
(margaretha springt haastig binnen, verschuilt zich
achter de deur, houdt den wijsvinger voor den
mond en gluurt door de reet.)
Margaretha.
Hij komt!
-ocr page 134-
120
F a u s t (binnenkomende.)
Ha, kleine hartedief,
Gevangen!
(Hij kust haar.)
M a r g a r e I h a
(pakt hem en geeft den kus terug.)
Beste man! \'k Heb u van harte lief!
(mepiiistophei.es klopt aan de deur.)
Faust (stampvoetend.)
Wie daar?
Mephistophel es.
Goed volk.
Faust.
Een beest!
Mephistopheles.
\'t Is waarlijk tijd van scheiden.
M a r t h a (binnenkomende.)
Ja, \'t is mooi laat, mijnheer.
Faust.
Mag ik u huiswaarts leiden?
Margaretha.
Neen, moeder zou.... vaarwel!
Faust.
Moet ik dan gaan, lief kind?
Vaarwel!
Martha.
Adieu!
-ocr page 135-
121
Mar ga re tha.
Tot weerziens, beste vrind !
(faust en mepiiistophei.es gaan heen.)
Ma rga re t ha.
Ach heer, wat ben ik toch een bloed !
Wat zulk een man wel denken moet!
Ik kleur zoodra ik voor hem sta,
En zeg op alle dingen Ja.
Wat hij toch voor bijzonders ziet
In zulk een schaap, begrijp ik niet.
(Zij gaat heen.)
WOUD EN GROT.
Faust.
(alleen, voor den ingang eener grot.)
Verheven Geest! gij hebt mij \'t al geschonken
Waarom ik bad. Mij heeft in heilig vuur
Uw aangezicht niet vruchtloos toegeblonken!
Gij gaaft heel mij de heerlijke Natuur
Tot koninkrijk, de kracht die haar beseffen
En smaken doet. Geen aanblik, kort en koud,
Vergundet gij! Neen, \'k mccht den sluier heffen,
En heb haar borst als \'t hart eens vriends doorschouwd.
Gij legt mij in vertrouwlijke gesprekken
Haar wondren uit; gij doet de lange rij
Der levenden voorbij mij henen trekken,
Tot éenen toe; en leert mijn broeders mij
In \'t stille bosch, in lucht en water kennen.
En als de orkaan door alle takken raast
En \'t loover kneust door \'t wicht der reuzendennen,
Wier val \'t gebergt\' dofdonderend weerkaatst,
Dan voert gij mij naar kalme grotgewelven,
En doet mij daar uw tempel binnengaan,
Ontsluit mijn ziel, ontdek mij aan mij-zelven,
Wijst me in mijn hart verborgen wondren aan.
-ocr page 136-
122
En stijgt daar dan aan de uitgewoede kimmen
De zuivre maan bevredigend omhoog,
Dan weemlcn rots en struiken, en de schimmen
Van \'t voorgeslacht verrijzen voor mijn oog,
En waren rond en naderen en deinzen.
En tempren d*ernst der rustlooze gepeinzen !.. ..
Toch smaakt geen mensch des Hemels nektaroog
Ooit onvermengd! \'t Is alles onvolkomen!
Dat voel ik nu! \'k Dank u die blijdschap wel,
Waarbij ik mij den Goün gelijk kan droomen,
Maar tevens ook dien vreemden medgezel,
Dien ik nu reeds niet langer kan ontberen,
Ofschoon hij, koud en snijdend als het Noord,
Niets doet dan voor mij-zelven mij verneêren,
En al uw heil verpesten met éen woord.
Hij doet mij \'t bloed van wilde hartstocht vlieten
Voor \'t minlijk kind, dat heel mijn ziel regeert:
Zoo ijl ik van begeerte tot genieten,
En in \'t genot versmacht ik naar begeert\'!
(mepiustopeieles treedt op.)
M e p li i s t op h e 1 es.
Zijt gij nu haast dit leven moê?
Hoe kan \'t u op den duur behagen?
Dat ge uit de grap een proef neemt, geef ik toe:
Maar \'t zij om straks weer naar wat nieuws te jagen!
Faust.
Wat drijft u toch voor helsche lust
Om altijd mijn geluk te storen ?
Mephistopheles.
Nu goed! ik laat u graag met rust;
Gij zult mij dat geen andermaal doen hooren 1
Aan zulk een nurkschen kameraad
Is waarlijk ook niet veel verloren:
Men beult zich af, van vroeg tot \'s avonds laat;
En wat men nemen moet of geven,
Staat toch meneer op \'t voorhoofd niet geschreven.
-ocr page 137-
•i\'23
Fa ust.
Bravo! dat is een ware toon!
Verveelen, en nog dank verwachten !
M ep h i 81 oph e 1 es.
O gij ellendige Adamszoon!
Wie wist er uit uw zieklijk brein
De muizenissen weg te vagen ?
Ha ! zonder mij had raaagre Hein
U lang reeds naar het graf gedragen!
Wat houdt ge u toch gelijk een uil
In rotsen en spelonken schuil\'.\'
Wat kruipt gij als een pad in \'t kruid
En lurkt gij aan de klamme steenen?
Verbazend prettig, zou ik meenen I
Mijnheer hangt nog den doctor uit!
Fau st.
Begrijpt, gij niet wat kracht en levensgloed
In de eenzaamheid mijn dorre ziel ververschten\'.\'
O, wist gij \'t half, ik acht u niet te goed
Gij, duivel, om van jaloezie te bersten.
Mephistopheles.
Voorwaar, een bovenaardsch genot!
In nacht en dauw, op heuvels en in heiden,
Naar aarde en lucht zijn armen uit te breiden,
Zich op te blazen tot een halven God,
Diepzinnig tot in \'saardrijks merg te boren.
Heel \'t Zesdaagsch Scheppingswonder na te sporen,
Te smaken, wat niet al, in fiere kracht,
Te steigren met een vlucht, door niets te stuiten,
Waarbij men zich van \'t stof ontkluisterd acht,
Om dan die Hoogre Aanschouwing onverwacht
Ik zeg niet waarmee te besluiten !
(Hij maakt een gebaar.)
Faust.
Foei, schaam u!
-ocr page 138-
V24
Mephistopheles.
Dat bevalt u niet? Te recht!
Gij hebt gelijk, dat gij: „Foei, schaam u!" zegt.
Voor \'t kuisch gehoor moet gij den naam verzwijgen
Van \'t geen van lust het kuische hart doet hijgen.
Gij liegt u-zelv\' wat voor, wel, gij uw gang!
Ik gun het u — maar \'t duurt niet lang.
Gij zijt weer aaklig opgewonden,
En als dat nu nog klimmen moet,
Slaat u op nieuw de waanzin door het bloed,
En wordt ge weer door angst en vreez\' gebonden.
Genoeg daarvan! Uw teedre hartedief
Is ginds in zak en assche neergezeten.
Zij kan u geen minuut vergeten,
Zij heeft u boven alles lief.
Eerst kwam uw hartstocht aangeschoten
Gelijk een beekjen, door gesmolten sneeuw verhoogd;
Gij hebt haar hartjen volgegoten,
Nu is uw beekjen opgedroogd I
In plaats van door de klei te klontren,
Of hier te rollen in het groen,
Zou \'t heerschap vrij wat beter doen,
Als hij zijn tortelduif een beetjen op ging raontren.
Wat valt haar \'t eindloos wachten hang!
Zij staat bij \'t venster uur aan uren
De grauwe wolken na te turen.
„Was ik een vogeltjen!" zoo luidt haar zang,
Geheele dagen, halve nachten lang.
Ze is vaak bedroefd, zeer zelden blijd,
Kalm, als ze eens goed heeft uitgeschreid,
Meustal verdiept in stille treurigheid,
En o, verliefd altijd!
Faust.
O slang, o goddelooze slang!
Mephistopheles (ter zijde.)
Ik ben gewis dat ik u vangl
Faust.
Verworpling! maak u uit mijn oogen.
-ocr page 139-
125
Noem mij dat schoone kind nooit meer !
Wek in een ziel, zoo licht bewogen,
De sluimerende vonk niet weer!
Mephistopheles.
Zij vreest dat gij haar stil verliet:
\'t Is half de waarheid, is het niet?
Fa ust.
Al ware ik nog zóo ver, ik ben haar steeds nabij,
Ik kan haar nooit vergeten, nooit verzaken;
Ik, die het stukjen brood benij,
Dat zulke lippen aan mag raken.
Mephistopheles.
Wel ja, ik-zelf benijdde, in mijn mistroostigheid,
U vaak het tweelings-paar dat onder rozen weidt:
Fa ust.
Weg, kopplaar, weg!
Mephistopheles.
Uw schimp zou mij aan \'t lachen maken,
\'t Was Vrouw Natuur, die knaap en meisjen schiep,
En beide alzoo tot hun bestemming riep.
Kom, ga naar \'t kamerken, waar lang de liefste smacht,
Waar u — iets beters dan de dood verwacht!
F a u s t.
Wat is de hemelwellust in haar armen?
Kan \'k aan heur boezem mij verwarmen,
Terwijl ik niet mijn schuld en hare ellend gevoel?
Ben ik geen vluchtling, geen verdwaasde,
Geen onmensch zonder rust of doel,
Een waterval, die woedend raasde
Van rots tot rots, en naar den afgrond woel?
Daar naast staat zij, kind zonder zorg of zonden,
Voor \'t hutje\' in \'t needrig Alpendal,
Waar zij haar werkkring heeft gevonden,
-ocr page 140-
126
Haar kalme waereld, haar heelal.
Kn mij, die God verzaakte,
Mij was het niet genoeg
Dat ik de rotsen kraakte
En die aan stukken sloeg.
Haar zielevrede moest ik storen!
Dit offer, Hel! heht ge u verkoren! ....
Welaan, Verzoeker die gij zijt.
Gij Satanas, bekort mijn strijd!
Laat wat gebeuren moet, gebeuren,
En zou mijn noodlot haar ten afgrond medesleureu.
Zoo zijn we saam\' \'t verderf\' gewijd!
Mephisto pheles.
Wat bruischt dat weer! wat kookt dat weer!
Kom, troost uw lief! gij vindt gehoor.
Waar zulk een schaap geen uitkomst ziet,
Stelt zij terstond zich \'t ergste voor.
Lang leve die zijn moed bewaart!
Gij hoort zoo taamlijk tot onze orden,
\'t Armzaligst wat ik ken op aard.
Is wel een duivel die wanhopig is geworden.
GRETHE\'S KAMER.
Grethe.
(Aan haar spinnewiel alleen.)
Mijn rust is henen,
Mijn hart buigt neer:
Ik vind haar nimmer
En nimmer weer!
Zoo \'k hem moet missen,
Is \'t leven straf,
De wijde waereld
Een eenzaam graf.
Mijn slapen gloeien;
Mijn voorhoofd klopt;
Mijn arme zinnen
Zijn afgetobd ....
-ocr page 141-
127
Mijn rust is henen,
Mijn hart buigt neer:
Ik vindt haar nimmer
En nimmer weer.
Naar hem slechts tuur ik
Door \'t venster heen\';
\'k Verlaat mijn woning
Voor hem-alleen.
Zijn gang zoo edel,
Zijn fiere leest,
Zijn oogen, tintlend
Van kracht en geest;
Zijn teedre handdruk,
Zijn woordenvloed,
En ach! zijn kussen
Vol toovergloed! ....
Mijn rust is henen,
Mijn hart buigt neer:
Ik vind haar nimmer
En nimmer weer!
O, hoe mijn boezem
Hem tegenzwelt!
Hield ik in de armen
Hem vastgekneld!
Mocht ik hem kussen,
Mijn lieveling,
Tot ik al kussend
Van vreugd verging!
MAETHA\'S TUIN.
MAHGAIIETHA EN FAUST.
Ma rgare tha.
Beloof mij toch, mijn Henric!
-ocr page 142-
128
Faust.
Wat ik kan.
Margaretha.
Waarom op \'t stuk van Godsdienst zoo gezwegen?
Ik weet, gij zijt een lieve beste man,
Maar \'k vrees, daaraan is u niet veel gelegen.
Faust.
Laat at\', mijn kind! gij zijt mijn lust, mijn heil;
\'k Heb goed en bloed voor mijn geliefden veil,
\'k Wil niemand ooit zijn leer of kerk ontrooven.
Margaretha.
Dat \'s niet genoeg: men moet daaraan gelooven.
Faust.
Ei, moet men?
Margaretha.
Och, of gij u leiden liet!
Gij eert de heiige Sakramenten niet.
Faust.
Ik eer ze.
Margaretha.
Maar verzuimt zei In hoeveel dagen
Gingt gij naar mis noch biecht? — Gelooft ge aan God?
Faust.
Onschuldig kind! wie durft het wagen
Te zeggen: „Ik geloof aan God?"
Gij moogt het wijze of priester vragen,
Hun antwoord klinkt als louter spot,
Den vrager in \'t gezicht geslagen.
Margaretha.
Zoudt gij dan ongeloovig zijn?
-ocr page 143-
129
Faust.
Versta mij wel, o Liefste mijn\'!
Wie mag Hem noemen ?
Wie durft er roemen :
„\'k Geloove Hem?"
Heeft éen \'t ervaren,
Durft éen \'t verklaren:
„\'k Geloof Hem niet?"
Hij, de Al-Omvatter,
Hij, de Al-Behoeder,
Vat Hij, behoudt Hij niet, u, mij, zich-zelf?
Draait niet deze aarde op onwrikbare hanen?
Spant niet de hemel zijn blauwend gewelf?
Zien van de kimmen geen eeuwige starren
Vriendlijk terneer?
Spieglen uwe oogen de mijnen niet weer?
Dringt alles niet, omhoog, beneden,
In Eeuwige verborgen heden
Onzichtbaar-zichtbaar zwevende aan uw zij\'?
Vervul hiervan uw gantsche hart! en trilt
Uw borst daarbij van zalig zielsgenot,
O, noem dan dat gevoel gelijk gij wilt:
Geluk! Hart! Liefde! God!
Ik heb geen naam. \'t Is al gevoel-alléen!
De naam is enkel galm; een rook,
Omnevelend den hemelgloed!
M a r g a r e t h a.
Dat alles is recht schoon en goed!
Zóo spreekt omtrent de Pastor ook,
Alleen maar met wat andre woorden.
Faust.
Zoo spreken in al \'s waerelds oorden
De menschenharten al te maal,
Zoo ver de lieve zonne straal\',
Een ieder in zijn eigen taal —
Waarom ook ik niet in de mijne?
IX.
-ocr page 144-
•130
Ma rga re t h a.
Ach, hoe aanneemlijk \'t alles schijne,
\'t Is \'t rechte niet, als gij zoo spreekt:
Het ware Christendom ontbreekt.
Fa ust.
Lief kind !
Ma rga re t ha.
En \'t grieft mij bovendien
In zulk gezelschap u te zien.
Fa us t.
Hoe zoo ?
Marg aretha.
De mensch, die altijd met u gaat,
Is mij in \'t diepst der ziel gehaat.
Nog nimmer heeft in heel mijn leven
Iets zóo me een steek in \'t hart gegeven
Als dat afschuwelijk gelaat.
Fa ast.
Lief kind, uw angst is overdreven.
Ma r gare t h a.
Ik zie hem nooit of \'k wordt als steen.
\'k Ben anders goed voor iedereen,
Maar zooals ik verlang naai\' ü,
Walg ik van hém, voor wien ik gruw.
Een ware schelm, schijnt hij mij toe.
Vorgeev\' mij God, als ik hern onrecht doe!
Faust.
Zulk volkjen moet er ook al zijn!
M a rga r e tha.
Het geeft mij angst en zielepijn!
Komt hij ter deur in, hij ziet rond,
Een spot lach om den valschen mond,
En half vergramd er bij.
Niels trekt hem aan, niets maakt hem blij.
-ocr page 145-
131
Nooit had hij lief van heel zijn leven :
Dat staat op \'t voorhoofd hem geschreven.
Ik ben zoo zalig in uw arm,
Daar klopt mij \'t hart zoo vrij, zoo warm :
Maar zie ik hem, mijn ziel ontroert in mij.
F a u s t.
0 fijngevoelige Engel, gij!
Margaretha.
Dit overmeestert mij zoo zeer.
Dat als ik hem zie binnentreden,
\'t Mij is, als minde ik u niet meer.
En is hij hier — dan vind ik geen gebeden.
Dat grijpt mij altijd pijnlijk aan.
U, Henric! moet het ook zoo gaan.
Fau s t.
Antipathie, zóo heet uw kwaal.
Margaretha.
Nu moet ik heen\'.
F a u s t.
Kunt gij geen enkle maal
Mij voor een uurtje\' alleen ontfangen,
Dat ik eens ongestoord u aan mijn borst moog\' prangen ?
Margaretha.
Och, sliep ik maar alléén in huis,
Dan liet ik u van nacht wel binnen.
Maar moeder hoort het minst gedruisch.
Betrapte ze ons, wat zouden wij beginnen ?
Ik viel terstond van schaamte dood.
Faust.
Maar, Engellief! dat heeft geen nood:
Ik kom u hier een fleschjen brengen.
Drie droppeltjens moet gij al zacht
Daaruit in moeders drinken mengen,
Dan slaapt zij door, den gantschen nacht.
-ocr page 146-
132
Margaretha.
Hoe kan ik ooit uw wil weerstaan?
Maar — \'t zal haar, hoop ik, toch niet schaden?
F a u s t.
Zou \'k dan, zoet Liefje\'! u zoo iets raden?
Margaretha.
Zie ik u, beste man! maar aan,
Ik weet niet wat mij tot u drijft:
\'k Heb reeds zooveel voor u gedaan,
Dat mij haast niets meer overblijft.
(Zij vertrekt.)
(mephistopiiei.es treedt op.)
M e p h i s t o p h e 1 e s.
Het schaap, is \'t weg?
Faust.
Al wéér gespionneerd ?
M e p h i s t o p h e 1 e s.
Ik heb al \'t moois van A tot Z vernomen.
De Doctor werd gedrild, Juffrouw heeft zich geweerd.
Het moge u wél bekomen!
De meisjens zien ons graag bij de ouderwetsche vroomen.
Want buigt gij u voor alle Heilgen neer,
Dan houdt gij ook, geknield, uw Heiligjen in eer!
Faust.
Gij monster, gij beseft het niet,
Hoe deze trouwe ziel, van reine Godsvrucht blakend,
Waar zij \'t Geloof ontbreken ziet,
— Het éenig-eeuwigzaligmakend —
Bekommerd is om hem voor wien haar \'t harte slaat,
En die — misschien verloren gaat.
Mephistopheles.
Gij, bovenzinlijk toch zoo zinlijk vrijer! Gij
Wordt bij den neus geleid door zulk een kind als zij-
-ocr page 147-
133
F a u s t.
Gij spotgebroed, uit drek en vuur geboren!
Mephistopheles.
Maar ik beken, uwe uitverkoren\'
Is in Gelaatkunde extra fijn.
Ze voelt, als ik er ben, zij weet niet welk een pijn:
Mijn mom verbergt iets, en — dat is niet naar behooren!
\'k Moet een Genie, misschien een Duivi\'-l zijn! ....
Nu, dezen nacht ....
Faust.
Gaat u dat aan ?
Mephistopheles.
Wel, uw aanstaand plezier heeft me ook plezier gedaan.
AAN EEN BRON.
(grethe en ujsjen met kruiken.)
Lij sj en.
Gij zult het wel van Bartjen weten?
Grethe.
Ik zie geen mensch, \'k vernam geen woord.
Lij sjen.
Ja, \'t is zoo, \'k heb het juist gehoord:
Die heeft zich eindlijk ook vergeten.
Dat komt van \'t pronken!
Grethe.
Wat?
Lijsj en.
O wee,
Als ze eet en drinkt, dan doet zij \'t nu voor twee.
Grethe.
Ach!
-ocr page 148-
134
Lijsj en.
Loon naar werk! dat moest gebeuren,
Hoe lang al liep zij met dien vent!
Dat was een wandlen uit den treuren,
Kn danspartijtjens zonder end.
Zij moest in alles de eerste zijn,
Zij werd onthaald op koek en wijn.
Die schoonheid zonder wederga!
Haar ijdelheid was grenzeloos;
Ze kreeg geschenken voor en na:
Dat was mij een gekus, gekoos!. . . .
Nu is ze ook een geplukte roos!
G re the.
Arm kind!
Lij sjen.
Hebt gij nog medelij\'?
Wij moesten spinnen, ik en gij,
Kn slaven, sloven, vroeg en laat.
Wij mochten \'s avonds nooit op straat,
Maar haar viel nooit de tijd te lang
Bij \'t vrijen in den donkren gang.
Nu zal ze, \'t boetkleed om de leden,
Ook zonder man ter doopvont treden!
Gr et he.
Zij wordt zijn vrouw.
Lij sjen.
Dat zou zij graag,
Maar hij bedankt! de slimme snaak
Vindt wel wat anders naar zijn smaak.
Ook is hij voort.
Grethe.
Foei! dat is laag.
Lij sj en.
En krijgt ze hem, een mooie vreugd!
Dan volgt op straat de dartle Jeugd
-ocr page 149-
135
Het bruidtjen naar des Hoeren tempel,
En — \'t regent haksel op haar drempel.
(Af.)
G re the (naar huis gaande).
Wat kon ik vroeger dapper smalen,
Als zoo\'n arm schepsel was verleid!
\'k Wist niet in mijn hoovaardigheid
Hoe \'k andrer zonde zwart zou malen.
Nooit zwart genoeg! steeds zwarter maar!
Ik sloeg de handen in elkaar,
En maakte een kruis. Wat was ik fier!
En nu — als haar gelijke sta ik hier!
Maar.. .. wat mij blozen, weenen doet,
Ach, \'t was zoo zalig, was zoo goed!
STADSWAL.
In een nis van den muur een beeld der Mater Dolorosa,
met bloempotten er voor. margaretha brengt versche
bloemen, en bidt:
Droeve Moeder, hoor mij kermen!
Zie ter neder in ontfermen!
Toon dat Gij genadig zijt:
Met het telle zwaard in \'t harte,
Onder duizendvoude smarte,
Staart ge op Jezus\' worstelstrijd.
Naar den Vader gaan uw blikken,
Gaan uw zuchten, gaan uw snikken,
Om hetgeen Gij samen lijdt.
Ach! wie kan, wie kan gevoelen
Wat al smarten mij doorwoelen,
Snerpend door \'t gebeente heen?
Hoe mijn ziele zich voelt prangen,
Al haar doodsangst en verlangen,
Weet slechts Gij slechts Gij-alleen:
-ocr page 150-
136
Waar ik sta of waar ik kniele,
\'t Is in mijn verslagen ziele
Ach, zoo wee, zoo wee, zoo wee !
Dool ik daar zoo eenzaam henen,
Ik moet weenen, weenen, weenen,
En geheel mijn hart smelt meè!
Uit de bloemen voor mijn ramen
Zocht ik deze bloemen samen:
Ach! zij zijn van tranen nat.
Pas verrees de vroege morgen,
Toen ik reeds met al mijn zorgen
Wakende op mijn leger zat....
Droeve Moeder, hoor mij kermen;
Zie ter neder in ontfermen,
Nu ik hooploos uitkomst bad!
NACHT.
{Straat voor Grethe\'s deur.)
Valentyn, soldaat, Grethe\'s broeder.
Wanneer ik met een vriend of wat
Zoo koutende onder \'t glaasjen zat,
En elk om strijd den lof verhief
Van \'t een of ander zoetelief,
En daar een heildronk op liet staan,
Hoorde ik bedaard dat snoeven aan,
En streek eens lachend langs mijn baard,
En nam den beker in de hand,
En zei zoo: „Alles naar zijn aard;
„Maar is er éene in \'t gantsche land
„Die \'t bij mijn Grethe halen kan?"
Top! top! klink! klank! zoo ging het dan;
En ieder riep al even blij:
„\'t Is waar, er is geen tweede als zij!"
Daar zaten dan de snoevers stom.
En nu! ik word er razend om,
-ocr page 151-
137
De laagste schoft heeft nu voor mij
Een schimpwoord of een spotternij.
Ik zwijg als had ik niets gehoord;
Ik zweet bij elk toevallig woord;
Al mocht ik hun de ribben breken,
Toch kan ik hen niet tegenspreken.
Wat sluipt daar heen\'? wat komt daar aan\'?
Zijn dat die twee? of zie ik mis?
Sta God hem bij, als hij het is:
Hier zal zijn bloedig doodsuur slaan!
FAUST EN MEPHISTOPHELES.
Faust.
Zooals daar ginds door \'t raam der sakristij
Het schijnsel van het eeuwig lampjen wemerl.
Maar flauwer steeds en flauwer schemert,
Daar \'t duister is aan alle zij\':
Zoo ook, zoo is het nacht in mij!
Mephistopheles.
En ik, ik hijg van teedren gloed,
Zooals een smachtend katjen doet,
Dat, opgeklauterd langs de goten
Tot boven \'t plat. bij \'t zolderraam,
Daar rondsluipt op fluweelen poten,
\'k Voel mij bijzonder aangenaam :
Snoeplustig ietwat aangeschoten ....
\'t Feest, dat ons overmorgen wacht,
\'t Walpurgis-feest vol heerlijkheden,
Dat spookt mij reeds door al de leden :
Daar waakt men niet vergeefs den gantschen langen
I nacht!
Faust.
                                         L
En zal terwijl de schat wat stijgen,
Dien \'k in de diepte glinstren zag?
Mephistopheles.
Zeer spoedig komt voor u de dag,
Waarop gij \'t kistjen zelf kunt krijgen.
-ocr page 152-
138
\'k Bekeek het laatst met gretig oog:
Al\' blanke daalders, stapels hoog!
Faust.
En was daar geen juweel, of ring,
Iets dat ik liefjen aan kan bièn\'?
Mepli istoph eles.
Ja, \'k heb daar ook z.oo\'n soort van ding,
Iets als een paerelsnoer gezien.
Faust.
Dat \'s goed. \'k Ben altijd onvoldaan,
Kom ik met leêge handen aan.
M e p h i s t o p h e 1 e s.
Maar \'t moet u daarom niet verdrieten
Ook somtijds gratis te genieten.
De sterrenhemel is zoo klaar;
Kom aan, gij zult een kunststuk hooren.
Een aardig liedtjen zing ik haar,
Berekend voor haar zedige ooren.
(Hij zingt bij de cithtr.)
Claertje\' in donker opgestaan,
Klopt aan Liefjens voordeur aan:
Claertjen is zoo teeder!
\'t Liefjen opent zijn vriendin:
Claertjen kwam als Maagd er in,
Keert als Maagd niet weder!
Meisjens! neemt u-zelf in acht.
Struikelt gij, dan goeden nacht,
Arme, och arme dingen!
Zegt, wie ooit u lastig valt:
„Eerst getrouwd en dan gemald!"
Wisselt eerst de ringen!
V a 1 e n t ij n (komt naar voren.)
Wien lokt gij hier, gij dievenpak?
-ocr page 153-
139
Vermaledijde rattenvanger!
De duivel haal\' den doedelzak,
Dan haal\' de duivel ook den zanger!
Mephistopheles.
De cithei\' is kapot: daar is geen lijmen aan.
Val en t yn.
Nu zal ik u den kop in duizend splinters slaan.
Mephistopheles (tot Faust.)
Heer Doctor, wijk niet! vlieg ten strijde!
Ga met uw zwaard den schurk te keer!
Steeds post gehouden aan mijn zijde,
En — toegestoten! ik pareer.
Va i en t yn.
Pareer dan die!
Mephistopheles.
Die was niet slecht.
Va Ie nt y n.
En die!
Mephistopheles.
Ja wel!
Va len t yn.
\'t Is of de duivel vecht!
Maar wat is dat? reeds wordt de hand mij lam.
Mephistopheles (tot Faust.)
Stoot toe!
Valent yn (valt.)
0 Wee!
Mephistopheles.
Nu is de lummel tam.
Maar nu ook voort! Het volk riekt bloed;
-ocr page 154-
140
Zij schreeuwen: „Moord!" Zij komen! uit de voeten!
\'k Sta rnet de dienders op een goeden voet,
Maar \'k zou den beul toch liever niet ontmoeten.
(Zij vluchten.)
Mart ha (aan \'< venster.)
Help! help!
Margaretha. (aan \'t venster.)
Breng licht!
Mart ha (als boven.)
Wat vreemd misbaar?
Wie vloeken en wie vechten daar\'.\'
Volk.
Daar worstelt iemand met den dood!
Mart ha (naar buiten komende.)
En zijn de moordenaars \'t ontvloön\'.\'
Margaretha (naar buiten tredende.)
Wie ligt hier neer ?
Volk.
Uw moeders zoon!
Margaretha.
0 Groote God, wat nood!
Valen t y n.
\'k Ga sterven — dat is ras gezeid
En rasser nog gedaan.
Wat staat gij, vrouwen, daar en schreit!
Komt hier, en hoort rnij aan!
(Allen omringen hem.)
Hoor, Grietjen! gij zijt jong en groen ;
Gij moet uw zaken beter doen,
-ocr page 155-
141
O gij onnoozle bloed!
Ik zeg het zachtjens in uw oor:
Gij zijt nu eenmaal toch een sloor —
Nu, wees het dan ook goed !
G re t h e.
Mijn broeder! God! gij doet niet wel.
Va len t y n.
Laat God maar liever buiten \'t spel!
Gedaan is, lacy! nu gedaan,
En zoo als \'t gaan kan, zal het gaan.
Stil legdet ge eerst met éenen aan,
Straks lokt ge er meerdren op de baan,
En heeft u een dozijn gehad,
Dan heeft u ook de gantsche stad.
Als pas de schande wordt geboren,
Wordt ze in \'t verborgen groot gebracht:
Men trekt den sluier van den nacht
Haar over hoofd en ooren,
Ja, zou haar graag versmoren.
Maar neemt zij toe, en wordt zij groot,
Dan draagt ze \'t schaamtloos voorhoofd bloot,
En toch niet mooier dan te voren:
Hoe gruwelijker grijns zij draagt,
Hoe meer zij zich in \'t daglicht waagt.
Mij dunkt, reeds is de tijd nabij,
Dat alle brave burgerlieden
U schichtig aanzien van ter zij,
En als een stinkend aas ontvlieden.
Dan vliegt het bloed u naar \'t gelaat
Als iemand de oogen op u slaat!
Gij zult geen gouden slot meer dragen —
Geen zondag meer bij \'t altaar staan —
Of, met een nieuw borduursel aan,
In \'t groene veld een dansjen wagen —
In d\' een of andren bedelhoek,
Bij half-melaatschen zult gij sterven —
En moogt ge Omhoog gena verwerven,
Op Aarde brandmerkt u de vloek!
-ocr page 156-
142
Mart ha.
Hoep voor uw ziel den Hemel aan !
Moet gij zoo woedend lienengaan ?
Val en tv n.
Gij koppelaarster! wangedrocht!
Of ik in \'t slijk u trappen mocht!
Dan had ik nu, voor al mijn zonden,
Daardoor vergiffenis gevonden.
Ma rga re t h a.
Mijn broeder, ach! wat zielsverdriet !
Valentyn.
Zwijg stil, uw tranen baten niet!
Ten dage als gij uw eer verloort,
Hebt gij uws broeders hart doorboord.
Ik weet dat God mij niet verlaat,
\'k Sterf, moedig, als een braaf soldaat.
(Hij sterft.)
IX DEN DOM.
(Mis, orgelmuziek en gezang, grethe, onder het volk.
isooze geest, (achter haar.)
Boo ze Geest.
Hoe anders, Grethe!
Was u te moede,
Toen gij vol onschuld
Naar \'t altaar tradt,
En, uit uw boeksken
Eerbiedig staamlend,
Uw Ave badt,
Half kinderspelen,
Half God in \'t hart!
Waar, Grethe! dolen
-ocr page 157-
•143
Uw arme zinnen.
En welk een gruwel
Beklemt uw hart?
Zal uw gebed voor uw moeder zijn,
Die door ti insliep ter lange pijn?
Hoe ziet uw drempel van bloed zoo rood\'.\'
— En in uw schoot,
Wat beeft daar reeds
Zoo onheilspellend,
U en zich-zelve kwellend
Met namelooze vrees?
G r e t h e.
Wee over mij!
Ware ik van die gedachten vrij.
Die mij vervoeren tot razernij !
K o o r.
Dies i ree, dies illa
Solvet sreclum in fa villa. \')
{Orgeltoon)
Booze Geest.
Gij zijt verloren !
Bazuinen kraken,
De doón ontwaken;
En \'t vuur der smart,
Uit de asch herboren,
Zal eeuwig blaken
Bondom uw hart 1
Grethe.
Och, kon ik voort!
\'t Is of dit orgel mijn adem smoort!
Of dit gezang heel mijn ziel doorboort !
\') D. i. „Dag der wraak, die, dag der dagen,
De airdo in vlammen weg zal vagen!"
-ocr page 158-
144
v
Koor.
Judex ergo quum sedebit,
Quidquid latet adparebit;
Nil inultum remanebit. \')
Grethe.
Hoe wemelt nu
De kerk in \'t ronde!
\'t Gewelf, de zuilen,
Verstikken ! — Lucht!
Booze Geest.
Rampzaalge, vlucht!
Geen schande of zonde
Kan zich verschuilen.
Lucht? licht? — Wee u!
Koor.
Quid sum miser tune dicturus,
Quem patronum rogaturus?
Quum vix justus sit securus! 2)
Booze Geest.
De zaalgen wenden
Het hoofd ter zij\';
De reinen beven
De hand te geven
Aan eene als gij!
Wee!....
Koor.
Quid sum miser tune dicturus?
*) D. i. „Gaat de Rechtor \'t vonnis spreken,
Straks i* alle schuld gebleken:
Geen vergrijp, of Hii zal \'t wreken.\'\'
-) D. i. „Ach, hoo zal ik arme klagen,
AVien om raad en redding vragen,
Als de vromen zelf vertsagcnV"
-ocr page 159-
145
Grethe.
Buurvrouw, uw fleschjen!
(Zij valt in onmacht.)
WALPÜRGIS-NACHT.
HABTZGEBEBGTE.
faust, mephistophei.es treden oj).
M e p fa i s t o p h e l e s.
Verlangt gij soms een bezemsteel?
Wat mij betreft, \'k had liefst een Hinken bok.
Wij zijn nog niet aan \'t doel, \'t verscheelt nog veel.
Faust.
\'k Ben goed ter been, ik heb mijn doornenstok.
Waartoe den kortsten weg gezocht?
Langs hooge rotsen, diepe dalen,
Als in een doolhof rond te dwalen,
\'t Gemurmel van de beek, \'t gezang der nachtegalen,
Dat is het waar genot van zulk een wandeltocht!
De lente werkt reeds in de berken,
De denneboom ervaart haar kracht:
En zou zij dan op \'s Menschen geest niet werken ?
Mephistopheles.
Daar heb ik nimmer aan gedacht.
\'k Voel niets daar van. Ik voel iets wintrigs in mijn leden:
\'k Zou gaarne op sneeuw en ijzel treden.
Hoe treurig rijst aan \'s hemels trans
De halve maan met donkerrooden glans;
Zij licht zóo flauw, dat ik bij elke schrede
Schier struikel over tronk of steen.
Vergunt gij \'t mij, \'k neem dan een dwaallicht mede:
Daar zie ik wat, daar vlamt er een!
Heidaar, mijn vriend! geef ons verzoek gehoor!
Waarom vergeefs \'t lantarentjen gedragen?
Wees toch zoo goed, licht ons naar boven voor!
IX.                                                                                                io
-ocr page 160-
146
Dwaallicht.
\'k Hoop, dat ik uit eerbiedigheid zal slagen
En dwingen mijn lichtzinnige natuur;
Want anders, wij laveeren op den duur.
Mep h i stop hel es.
Ei, ei, stelt ge u den Mensch voor oogen
Als voorbeeld ? Nu, ik zeg: Vooruit!
Noch rechts noch links op zij\' gevlogen!
Of \'k blaas, in \'s Duivels naam, uw flikkerlichtjen uit.
Dwaallicht.
Ik merk het wel, mijnheer is hier de baas:
\'k Zal tegen u mij niet verzetten.
Maar denk er aan, de berg is heden dol en dwaas;
En moet een dwaallicht u geleiden naar uw plaats.
Dan moet ge ook zoo heel nauw niet letten.
FAUST, MEPI11STOPHELES EN DWAALLICHT.
{In beurtzang.)
Mephistopheles.
In de sfeer der tooverdroomen
Zijn wij, schijnt het, opgenomen.
Leid ons! laat uw lichtjen schijnen,
Dat we uit deze schrikwoestijnen
Spoedig in de ruimte komen!
Dwaallicht.
Ziet die boomen achter boomen,
Hoe ze snel voorbij ons strijken!
Ziet die klippen, hoe ze wijken!
Hoort die steenrotsneuzen brommen,
Hoe ze snorken, hoe ze grommen!
Faust.
Van de steenen, uit de kloven,
Komen beekjens aangestoven.
Hoor ik ruischen? hoor ik zangen
-ocr page 161-
147
Van begeeren en verlangen ?
Minneklachten, zoet en teeder,
Stemmen van \'t verloren Eden ?
De echo galmt getrouw ze weder,
Als een sage van \'t Verleden 1
Mephistopheles.
„Ohoe! schoehoe! hoort dat schaatren!
Gaai en kauw en meerkol snaatren!
Molikken gaan door de struiken,
Lange beenen, dikke buiken,
En die wortels, juist als slangen,
Winden zich uit zand en steenen,
Kronklen door elkander henen,
Om ons in den strik te vangen,
Steken hun polypen-armen
Naar den wandlaar uit! En muizen,
Duizendkleurig, gantsche zwermen,
Zie ik mos en hei doorkruizen!
En op vliezen vlerken wiegen,
Warrlen, zooveel glintwormvliegen,
Dat we ons in den weg bedriegen.
Maar ik bid u, zeg mij, staan wij
Op dezelfde plek? of gaan wij?
Alles, alles schijnt te draaien:
Rotsen, boomen, zwieren, zwaaien,
Trekken leelijke gezichten;
En \'t krioelt van dwarrellichten.
(De beurtzang houdt op.)
Mephistopheles (spreekt tot Faust)
Grijp mij, volg mij met vertrouwen
Naar die kloof in \'t rotsgevaart\'!
Met verbazing zult ge aanschouwen
Hoe de Mammon gloeit in de aard.
Faust.
Wat mag daar toch zoo grillig blinken,
Gelijk een roode morgengloor?
-ocr page 162-
148
Ik zie den glans steeds dieper zinken:
In \'t hart des afgronds dringt hij door.
Hier heeft hij \'t mistig floers doorschenen,
En damp en nevel neemt de wijk;
Daar glijdt hij als een draadtjen henen;
Ginds welt hij op, een bron gelijk.
Nu kronkelt hij met honderde aren
Door \'t dal; dan plotsling schijnt hij weer
Zijn stralen in éen punt te garen,
En zinkt hij diep en dieper neer.
Daar spatten plotsling vuur en vonken,
Als stofgoud kwistig uitgestrooid!
Zie, heel de rotswand is doorblonken
Van vlammen — zoo iets zag ik nooit!
Mephistopheles.
Nu, heeft voor onze feestvermaken
Vorst Mammon zijn paleis niet feestelijk getooid?
Gij zaagt het juist bijtijds: ik hoor den stoet genaken.
F a u s t.
Een wilde storm heeft ons verrast:
Hoe snerpend geeselt hij mijn leden!
Mephistopheles.
Klem aan de ribben van die oude rots u vast,
Want anders stort gij naar beneden!
Een nevel verdubbelt den nacht;
Hoort, hoort, hoe de mastbosschen huilen!
Hoe klapwieken de uilen!
Hoe splijten de zuilen
Der groene paleizen, beroofd van hun pracht!
Hoe kraken de takken!
De wortelen knakken,
De stammen bezwijken en tuimlen door-éen.
De rukwinden blazen
En loeien en razen
Door reten en kloven
En afgronden heen\'!
Wat stemmen daarboven,
-ocr page 163-
149
En stemmen beneên !
De berg dreunt en trilt
V;in \'t Heksengeschrei, dat er schatert en gilt!
Heksenkoor.
Laat ons naar den Bloksberg gaan!
Geel is de stoppel en groen is het graan.
Boven aan
Zit Uriaan.
Hier komen al de genoodigden aan.
Dat gaat over steen en stok;
Grinnikt de heks, dan hinnikt de bok.
Een Stem.
De oude Baubo reist alléén
Op haar dikke zeug hierheen\'.
Koor.
Alle eer, die eere waardig is!
Vrouw Baubo, hier! gij aan de spits!
De Moeder op haar zeug gezeten
Zal leidsvrouw aller heksen heeten.
Stem.
Ei zeg eens, hoe kwaamt g ij hierheen\' ?
S.tem.
Langs d\'Ilsensteen.
\'k Ben \'t uilennest voorbij gevlogen :
De katuil zette\' me een paar oogen!
Stem.
Vaar gij naar de Hel!
Gij rijdt mij te snel.
Stem.
Mij sloeg ze in haar woede
De schouders ten bloede.
Heksenkoor.
De weg is breed, de weg is lang:
-ocr page 164-
150
Wat is dat voor een wild gedrang?
De bezem zwiept, de gaffel prikt;
De moeder valt, het kind verstikt.
Heksenmeesters {half koor.)
Als huisjensslakken kruipen wij;
De wijven vliegen ons voorbij,
Want volgen wij des Satans spoor,
De Vrouw heeft duizend schreden vóór.
Andere Helft.
Wij nemen dat zoo nauw niet, neen!
De Vrouw behoeft wel duizend schreên:
Maar niettemin, hoe snel ze joeg,
Eén sprong is voor den Man genoeg.
Stem (uit de hoogte.)
Komt hier! komt hier! wat plascht gij in den vliet?
Stemmen (van beneden.)
Naar boven? Ach, wij kunnen niet.
Wij wasschen, en zijn zelve vlekloos blank, —
Onvruchtbaar toch, ons leven lank!
Beide Koren.
De wind houdt op; de bleeke maan,
De starren, zwijmen op heur baan:
De heksen vliegen wild daar heen\'
En strooien vonken naar beneön.
Stem (van beneden)
Och, wacht wat! wacht wat!
Stem (van boven.)
Welk een kreet!
Wie roept daar uit die steenrotsspleet?
Stem (van beneden.)
O neemt mij meê! Ik stijg alreeds
Driehonderd jaar, en zie maar steeds
-ocr page 165-
154
Den top al ver en verder wijken.
\'k Was toch zoo graag bij mijns gelijken!
Beide Koren.
De bezem draagt, ook draagt de stok.
De gaffel draagt, ook draagt de bok.
Wie nu niet hooger klimmen kan,
Blijft eeuwig een verloren man.
Halfheks (beneden.)
Ik hink zoolang al achter aan;
Al de andren zijn mij voorgegaan!
Terwijl mij thuis de rust ontvliedt,
Vind ik ook hier den vrede niet!
Koor der Heksen.
De zalve geef den heksen moed.
Begeert ge een zeil? een lap is goed!
Een schip? een trog voert u omhoog!
Nóóit vliegt hij, die vandaag niet vloog.
Beide Koren.
En groeten wij den top omhoog,
Ziet ons dan na met pinkend oog.
En, achterblijfsters! werpt u neer
Op \'t heksen-heiveld, heinde en veer\'!
(Zij strijken uit de lucht op den hoogsten bergtop.)
Mephis to pheles.
Dat dringt en stoot, dat snort en snatert,
Dat sist en suist, dat loeit en klatert,
Dat licht en vonkt, dat stinkt en brandt —
Een ware Heksen-lustwarand !
Houd vast maar eer wij van elkander raken!
Waar zijt gij ?
Faust (uit de verte.)
Hier!
-ocr page 166-
152
M e p h i s t o p b e 1 e s.
Wel, wel, zóo ver reeds voortgestuwd!
Mijn huisrecht komt te pas. Lief volkjen, niet geduwd!
Plaats! Jonker Voland komt, \'k verzoek u plaats te maken !
Hier, Doctor! pak mijn kleed, en nu, dring moedig door!
Wij dienen met éen sprong dit dol gedrang te ontwijken:
\'t Is al te dol, ook zelfs voor mijns gelijken. . . .
Maar zie eens, door wat wondren gloor
Wordt ginds dat kreupelbosch beschenen !
Dat trekt mij aan. Kom, kom, daar henen!
F a u s t.
Steeds met u-zelv\' in tegenspraak!
Maar \'t zij zoo! \'k Volg uw schreén. Toch moet het mij verwondren :
Walpurgis-nacht, en naar den Bloksberg voor vermaak,
Om — ons van allen af te zondren!
Mephistopheles.
Wat bonte vlammen flikkren daar!
Een vroolijk clubjen heeft zich \'t plekjen uitgelezen !
In klein gezelschap is men \'t prettigst bij elkaar.
F a u s t.
Toch zou ik liever boven wezen.
D.iar dwarrelt rook en smook en gloed;
Daar wordt de booze door de menigte begroet,
Hoe menig raadsel, dat zich daar ontknoopen moet!
Mephistopheles.
Gij zult er nieuwe raadsels vinden !
Och, laat u door den flikkerschijn
Der Groote Waereld niet verblinden!
In stille rust, waar kan men beter zijn?
Die Groote Waereld — wat zijn namen? —
Van kleine waereldtjens hangt zij vanouds te zamen.
Hier zie ik jonge heksjens, naakt en bloot,
En oude, die, \'verstandig, kleèren dragen.
\'k Bid u, wees vriendlijk, zoek de gasten te behagen!
De moeite is klein, de pret is groot.
-ocr page 167-
153
Muziek ! hoor, instrumenten janken !
Hoe valsch! men moet gewoon zijn aan die klanken.
Maar \'t is niet anders — toe, ga door!
Ik stel u aan de luidtjens voor:
\'k Zal u op nieuw aan mij verplichten.
Wat dunkt u, vriend? dat is hier klein misschien!
Een ruimte, waar geen einde aan is te zien,
Waar honderd vuren als flambouwen lichten!
Men danst, men kout, men kookt, men drinkt, men mint:
Nu zeg mij, waar ge iets beters vindt:
Faust.
Hoe zult ge u aan de dames en de heeren,
Als Toovnaar, of als Duivel, presenteeren?
Mephistopheles.
\'k Ben wel gewoon incognito te gaan,
Maar op een gala-feest doet elk zijn ordes aan.
Een Kousenband bezit ik niet,
Maar \'k heb een paardenvoet, wien elk hier eere biedt.
Ziet gij die slak? Zij heeft zich kruipend voortbewogen
Naar \'t plekjen waar we staan, en met haar tastende oogen,
Haar voelhoorns mij terstond herkend.
Al wilde ik nog \'t geheim bewaren, ijdel pogen 1
\'t Incognito had\' ras een end.
Kom nu! van vuur tot vuur! blijf aan mijn zij\'!
Ik ben de werver; en de vrijer, dat zijt gij.
{Tot een groepjen, dat bij dooveholen zit)
Hoe in zoo\'n achterhoek geschoven, oude Heeren?
Ginds woelt en joelt het ondereen :
Gaat met de Jeugd u amuseeren!
Gij zit toch thuis genoeg alléén.
Generaal.
Gij kunt geen Natiën vertrouwen,
Hadt ge alles ook voor haar gedaan;
Want bij het volk als bij de vrouwen.
Staat steeds de jonkheid bovenaan!
-ocr page 168-
154
Minister.
Och, de oude deugd ligt lang begraven;
Er is geen kracht meer en geen geest.
De tijd toen wij bevelen gaven,
Dat is de gouden tijd geweest.
Parvenu.
Wij hielden \'t Koningschap de toornen
Vrij strak, en waren gants niet dom.
De Revolutie is gekomen,
En — die keerde alles, alles om!
Auteur.
Wordt nog wel ooit een boek gelezen,
Waaruit gevoel spreekt en verstand?
En dan — de jeugd! neen, nooit voordezen
Was \'t jonge volkjen zóo pedant!
M e p h i s t o p h e 1 e s.
(op eens zeer oud schijnende.)
Het volk is overrijp: De Jongste Dag moet komen,
Wijl ik voor \'t laatst den Blokberg groet,
De waereld neigt ten val — haar doodsklok wordt vernomen,
Nu \'t zoo met m ij ten einde spoedt.
Een lappen- en lorren-heks.
Neen, Heeren! niet voorbij geloopen!
Verzuimt den goeden kans toch niet!
Mijn marschkraam is wel waard dat gij ze goed beziet.
Gij kunt bij mij van alles koopen;
Toch heb ik niets, dat nooit, als werktuig van het kwaad,
De menschen en de waereld heeft geschaad.
Geen dolk hier, die niet bloedig heelt geblonken,
Geen beker, waar geen gif in werd bereid,
Als vloeiend vuur door \'t lichaam ingedronken,
Geen tooi, die niet een onschuld heeft verleid,
Geen zwaard, dat niet een trouwverbond verbroken,
Of ruggelings een vijand heeft doorstoken.
-ocr page 169-
155
Mephistopheles.
Gij, tante! zijt niet meegegaan
Met uwen tijd: gij teert nog op \'t Verleden.
Gedaan, geschied, geschied, gedaan!
Leg u toch toe op nieuwigheden!
Alleen het nieuwe trekt ons aan.
Faust.
\'k Vergeet mijzelv\'! is dat een Hel!
Wat walglijk kermisfeestgerel!
Mephistopheles.
Daar dwarrelt heel de troep naar boven!
Gij schuift, meent ge, andren voort, en —gij wordt voortgeschoven.
Faust.
Wie toch die éene wezen zou?
Mephistopheles.
\'t Is Lilith.
Faust.
Wie?
Mephistopheles.
\'t Is Adam\'s eerste Vrouw.
Beschouw haar goed, maar neem u zeer in acht
Voor haar verblindend-schoone hairen,
Heur éenig-ongelijkbre pracht!
Als ze u daarin verstrikt, laat zij u nooit weer varen.
Faust.
Een oude en jonge heks! ei, zie die twee eens aan!
We hebben al wat afgedaan.
Mephistopheles.
Geen rust van daag! een nieuwe dans begint.
Wij dansen meê. Treed toe, mijn vrind!
-ocr page 170-
156
Faust
(dansend met de jonge heks.)
Ik droomde eenmaal een schoonen droom ;
Ik zag een prachtige\' appelboom.
Die had twee appels naar mijn zin,
Ze lokten mij — ik klom er in.
De Schoon e.
Dat gij die appels zoo begeert,
Hebt gij in \'t Paradijs geleerd,
\'k Verheug mij op deez\' blijden dag,
Dat ook m ij n tuintje\' er dragen mag.
Mephist opheles
(dansend met de oude heks.)
Ik droomde eenmaal een wilden droom :
Ik zag een afgeleefden boom.
Die had — — och! oud, vermolmd was hij,
En niettemin beviel hij mij.
De Oude.
\'k Breng u mijn viïendelijksten groet,
Heer ridder met den paardevoet!
Ik zeg: Oud mal gaat boven al;
\'k Beloof dat ik het toonen zal.
Proktophantasraist.
Vervloekt gespuis! uw stoutheid kent geen grenzen!
Ik toonde al lang u overtuigend aan,
Dat geesten nooit op menschenvoeten staan,
En toch — gij danst gelijk wij andre menschen!
De Schoone (dansend.)
Kijk! wat moet die daar op ons bal?
Faust (dansend.)
Dien kaerel vindt gij overal.
Hij danst niet, maar ziet andren dansen:
-ocr page 171-
157
„Die sprong is zóo, die zwaai is zus:"
Hij is de groote Criticus,
Die lauwren deelt — meest distel kransen.
Als \'t voorwaarts gaat met vluggen voet,
Kan hij zijn ergernis het allerminst bedwingen;
Maar draait gij steeds in de eigen kringen,
Zooals hij in zijn ouden molen doet,
Dan vindt hij \'t onvoorwaardlijk goed
Vooral als gij daarom zijn lof wilt zingen.
Proktophantasmist.
Gij danst maar toe! Neen, dat is ongehoord.
Ik heb \'t bewezen, gij bestaat niet! Pakt u voort!
Heb ik de fakkel der Verlichting niet ontstoken?
Toch, duivels-ontuig! blijft gij spoken?
Hoelang heb ik het Bijgeloof bestreên,
En \'t duurt steeds voort — waar moet dat heen\' ?
De Schoon e.
Wil ons niet langer ennuiëeren!
Proktophantasmist.
\'k Zeg u in \'t aangezicht, gij geesten, die mij ziet!
Een Geesten-despotisme duld ik niet,
En vruchtloos zoekt m ij n geest u orde en tucht te leeren.
(Men danst voort.)
Ik zie wel, dezen nacht zou \'k mij vergeefs vermoeien.
Toch ga ik meê: zoo\'n tochtjen doet geen kwaad!
Ook hoop ik, eer mijn uurtjen slaat,
Den Duivel en de Dichters uit te roeien.
Mephistopheles.
Hij gaat geen moddersloot voorbij:
Bloedzuigers zullen \'t beste wezen.
Als die maar pakken, straks is hij
Van Geesten en — van geest genezen.
(Tot Faust die uit den kring der dansers getreden is.)
Hoe? laat ge uw danseresjen staan?
Zij hief zoo\'n aardig liedtjen aan.
-ocr page 172-
458
Faust.
Wel, uit haar mondtjen, onder \'t zingen,
Zag ik een klein rood rauisjen springen.
Mephistopheles.
D.it is ook wat! Wie ziet zoo nauw\'?
En immers, \'t muisjen was niet grauw.
Wie, bij een liefdes avontuurtjen,
Wie let daarop in \'t herdersuurtjen ?
Fa ust.
Daar zag ik ... .
Mephistopheles.
Wat?
Faust.
Mephisto! ziet gij niet
Dat bleek en beeldschoon kind, alléén en in \'t verschiet.\'
Traag gaat ze voort, en schuivend langs den grond,
Alsof een koord haar voeten samenbond.
Hoe meer ik zie, \'t is of zij \'t is,
Mijn Grethe! Wat gelijkenis!
Mephistopheles.
Zie daar niet heen\'! Dat is een schim, een rook,
Een schaduwbeeld, een tooverspook.
Zoo iets te ontmoeten, is niet goed;
Die starre blik bevriest het warme bloed,
Hij kan een mensch in steen verkeeren;
Medusa\'s fabel kan dit leeren.
Faust.
Neen, dit zijn oogen als gebroken door den dood
En door geen vriendenhand gesloten.
Dat zijn die lippen wel, wier kus ik heb genoten.
Dat is de reine borst, die ik in de armen sloot!
Mephistopheles.
Dat is nu juist de tooverij:
Elk ziet in deze schim zijn liefste zoo als gij!
-ocr page 173-
159
Faust.
O, welk een weeldel welke ellende!
Onmooglijk dat ik de oogen wende! ....
Hoe vreemd, die hals, zoo blank, zoo teeder,
Siert een rood snoerljen, niet veel breeder
Dan \'t scherpe van een mes.
M e p h i s t o p h e 1 e s.
Ja, wel,
Straks zult gij onder d\' arm haar \'t hoofd zien dragen,
Want Perseus heeft het afgeslagen;
Maar toch is alles guichelspel! . . . .
Kom nu naar gindschen heuveltop!
Wat oorverdoovend vreugdgeschater!
Ik zie daar waarlijk een Theater:
Kom, Faust! het zwart gordijn gaat op.
BETROKKKN DAG.
VELD.
FAUST. MEPHISTOPHELES.
Fa ust.
In ellende! wanhopig! lang een ongelukkig, verloren schaap!
en nu gevangen! Als een boosdoenster in den kerker opgesloten,
met de wreedste martelingen in \'t verschiet, dat arme lieve schep-
sell Moest het zóo ver, zóo ver komen! Verraderlijke, nietswaar-
•lige geest, en dit hieldt gij mij verborgen? Sta maar, sta! laat
die duivelsche oogen grimmig rollen in \'t hoofd! Sta en terg mij
door uw ondraaglijk bijzijn! Gevangen! In radelooze ellende!
lioozen geesten overgeleverd, van kou bevroren, veroordeeld door
•Ie menschen! En mij wiegt gij intusschen in laffe verstrooiingen,
mij verbergt gij haar klimmenden nood, en hulpeloos laat gij
haar omkomen!
Mephistopheles.
Zij is de eerste niet.
Faust.
Hond! afschuwelijk monster!.... Verander hem, gij Eeuwige
\'\'oest! verander den worm weder in zijn hondengedaante, waarin
-ocr page 174-
160
hij meermalen \'s nachts voor mij uitdraafde, den argeloozen waii-
delaar voor de voeten rolde, en, als deze neerviel, aan zijn
schouders bleef hangen. Verander hem weör in zijn geliefkoosd\'
gedaante, dat hij voor mij in \'t stof op zijn huik kruipe, en ik
hem met voeten trede, den verworpeling! De eerste niet! — 0,
hoe jammer, hoe jammer, meer dan eens menschen ziel beseffen
kan, dat er méér dan éen schepsel in de diepte der ellende is
ondergegaan, dat niet de eerste heeft voldaan voor de schuld van
al de anderen, in haar krimpenden doodsangst, voor de oogen der
Eeuwige Barmhartigheid! Mij gaat het door merg en been, dat
lijden dier enkele; gij grijnslacht onverschillig over het lot van
duizenden!
Meph is t opheles.
Daar staan wij nu weer aan de grenzen van ons verstand,
zoodra gij menschen uitzinnig blieft te worden. Waarom knoopt
gij gemeenschap met ons aan, als gij er de gevolgen niet van
dragen kunt\'? Vliegen wilt ge, en — ge zijt voor duizelingen
niet zeker! Wie zijn de indringers, wij, of gij?
Faust.
Kners mij niet zoo op uw vratige tanden. Ik walg er van! —
Gij, groote heerlijke Geest, die u verwaardigdet mij te verschijnen,
die mijn hart kent en mijne ziele! waarom mij vastgeketend aan
dezen ellendeling, die zwelgt aan andrer ellende, en in hun onder-
gang geniet?
Mephistopheles.
Hebt gij haast gedaan?
Faust.
Red haar, — of wee u! De vreeselijkste vloek over u voor
duizenden van jaren!
Mephistopheles.
Ik kan de banden des Wrekers niet breken, zijne grendel*
niet wegschuiven. — Red haar!. . . . Wie was \'t, die haar in \'t
verderf stortte, ik of gij ?
(Faust werpt een woesten blik in \'t rond.)
Grijpt gij naar den donder? Gelukkig, dat hij u, ellendige
stervelingen, niet gegeven is geworden! Den onschuldige, di<\'
weerstand biedt, te verpletteren, dat is zoo wat de manier der
lyrannen om zich uit de verlegenheid te helpen.
-ocr page 175-
161
Faus t.
Breng mij bij haar! Zij moet vrij zijn!
Mephis topheles.
En het gevaar waaraan gij u blootstelt ? Denk er aan: gij hebt
in de stad nog een manslag op uw rekening. Boven de plek des
Lloeds waren wrekende schimmen, die loeren op de weêrkomst
des moordenaars.
Faus t.
Ook dat nog van u! Moord en dood eener waereld over u,
monster! Breng mij weg, zeg ik; en bevrijd haar!
Mephistopheles.
Ik zal u brengen, en doen wat ik doen kan! Heb ik alle
macht in den hemel en op de aarde? Ik zal de zinnen des cipiers
bedwelmen: maak gij u meester van de sleutels, en verlos haar
uit den kerker met menschenhand. Ik houd de wacht! De toover-
paarden staan gereed. Ik voer u weg. Dat is al wat ik kan.
Faust.
Op dan! en voort!
NACHT. OPEN VELD.
Faust.
Wat voeren die daar op het galgenveld uit?
Mephistopheles.
\'k Weet niet wat ze koken en mengen.
Faust.
Zij komen en gaan, buigen, bukken op zij\'.
Mephistopheles.
Een heksenrij!
Faust.
Zij strooien en sprengen.
Mephistopheles.
Voorbij! voorbij!
K.                                                                                      11
-ocr page 176-
162
KERKER.
(faust, met een sleutelbos en een lamp, voor een ijzeren deur)
Faust.
\'k Voel van een vreemde rilling me overgoten,
Geheel de ellend der menschheid grijpt mij aan.
Hier woont ze — in vunze muren opgesloten —
Toch heelt ze in hare onnoozelheid misdaan.
Gij aarzelt met wanklende voeten\'.\'
dij huivert uw offer te ontmoeten\'.\'
Voort! eer gij haar doodsuur doet slaan !
(Hij yrijpt het slot: van binnen wordt gezongen:
„Mijn moeder heelt mij onigehracht,
Mijn vader heelt mijn vleesch geslacht,
En wierp mij voor de raven.
Mijn zusjen zocht de beentjes op,
Die heeft zij op een heuveltop
In \'t groene gras begraven.
Daar werd ik een klein vogelkijn.
Naar boven, in den zonneschijn!"
Faust (de deur opensluitend.)
Zij gist wel niet, wat dierbre van nabij
Den ketenklank verneemt en \'t stroo hoort kraken.
(Hij treedt binnen.)
M a r g a r e t h a
(zich op haar strooleger verbergende.)
Wee! bittre dood 1 daar komen zij!
Faust (zachtkens.)
Stil! stil! ik kom uw boeien slaken.
Margaretha (van hem terugdeinzend).
Zijt gij een mensch, o voel dan wat ik lij\'!
F a u s t.
Uw schreien zal de wachters doen ontwaken.
(Hij grijpt de ketens om die te ontsluiten.)
-ocr page 177-
1G3
Margaretha (op de knieën.)
Wie heelt, o beul, u deze macht
Over mij gegeven?
Gij haalt mij reeds te middernacht,
Ontferm u toch, en laat mij leven!
Is \'t morgen vroeg
Niet tijds genoeg?
(Zij staat op.)
\'k Ben nog zoo jong, toch wilt gij dat ik sterve!
Schoon was ik ook, dat bracht mij ten verderve.
Ik had een vriend — waar is hij thans?
Verlept zijn de bloemen, verscheurd is de krans!
Grijp mij toch niet zoo geweldig aan !
Gena, wat heb ik u misdaan?
Wil toch mijn smeekgebed verhooren.
Ik zag u immers nooit te voren ?
Faust.
Zal ik dat rouwtooneel doorstaan ?
Margaretha.
\'k Ben nu volkomen in uw macht.
Maar laat mij eerst mijn kindtjen zoogen,
Ik koosde \'t heel den langen nacht,
De wreedaards rukten \'t uit mijn oogen,
En zeggen nu, ik heb het omgebracht.
Ik ben van alle vreugd beroofd.
Hoe boos toch, dat zij liedtjens op mij zingen!
Zij moesten zwijgen van die dingen —
Dat sprookjen maalt mij steeds door \'t hoofd.
Faust
(werpt zich voor haar op de kniën.)
Ken bruidegom buigt knielend voor u neder,
En brengt u vreugde en vrijheid weder.
Margaretha (knielt naast hem.)
Knielen wij neer om de Heilgen te aanbidden !
Uier in ons midden
Begrimt ons de Hel!
-ocr page 178-
164
Hoort gij de ziedende vlammen wel klaatren?
Hoort gij het schaatren
Der Duivelen wel?
F a u s t (met luider stem )
Grethe! Grethe!
Margaretha (opmerkzaam geworden.)
Des Bruigoms stem!
O, waar is hij ? — ik hoorde hem.
Ik ben vrij! Aan zijn hals wil ik hangen,
Aan \'t hart hem prangen:
Hij riep Grethe — hij zoekt zijn Bruid!
Dwars door het knettrende vuurvlamgloren.
Dwars door de spottende duivelkoren,
Hoor ik zijn zoet, zijn verrukkend geluid!
Faust.
Ik ben \'t!___
Margaretha.
Gij zijt het? O herhaal
Die woorden duizend, duizend maal!
(Hem bij den arm vattende.)
Hij is \'t! hij is \'t! waar bleef al \'t lijden?
De kerker, de keten, het wroegend verwijt?
Gij zijt het! Gij komt mij bevrijden!....
Ik b e n bevrijd !
\'k Herken de straat, zoetst plekje\' op aarde,
Waar ik u \'t eerst ontmoeten mocht,
De bloemengaarde
Waar ge ons bezocht! . .. .
Faust.
Kom\'meö! kom meê!
Margaretha.
\'t Is hier zoo goed!
Zoo gaarne zit ik aan uw voeten:
Kom, zit nog wat!
(Zij liefkoost hem.)
-ocr page 179-
1 or,
Faust.
Als ge u niet spoedt,
Wij zullen beide er duur voor boeten.
Mar ga re t ha.
Hoe nu mijn vriend! gij kust mij niet?
Toch mag het zoo heel lang niet heeten,
Dat gij uw arme bruid verliet —
En zijt gij het kussen vergeten?
Hoe ben ik nu zoo angstig aan uw borst,
Daar vroeger uit uw woorden, uit uw blikken,
Een hemel stroomde en gij mij kussen dorst,
Als moesten uw kussen mij stikken!
Kom, kus mij dan nu,
Of ik kus u !
(Zij omhelst hem.)
Wee mijner! uw lippen zijn koud als het graf,
Zijn zonder geest en leven.
Waar is dan uw liefde gebleven?
Wie nam uw hart mij af?
(Zij keert zich om.)
Faust.
Kom, volg mij, ik bid u, ik smeek er om!
Margaretha (zich tot hem wendende.)
En zijt gij \'t dan waarlijk, mijn Bruidegom?
Faust.
Ik ben \'t, kom meè!. . . .
Margaretha.
Zijn de banden stuk?
En is het uw vriendlijke schoot, dien \'k druk?
Hoe komt het toch dat gij niet huivrig zijt? ... .
Weet gij wel, Vriend! wie gij bevrijdt?
Faust.
Kom! kom! reeds deinst de middernacht.
-ocr page 180-
166
Ma rga retha.
Mijn moeder heb ik omgebracht,
Mijn kind heb ik verdronken.
Ach, was \'t ons beide niet geschonken?
U ook!.... Gij zijt het!.... Zie mij aan,
Geef mij uw hand! — Neen, \'t is geen waan,
Uw lieve hand!.... Maar hoe, ze is nal!
Wasch haar, /.e is met bloed bespat!
Heilige hemel! wat hebt gij gedaan ?
Bij mijn tranen en gebeden,
Berg dien blooten degen toch !
F a u s t.
Wroet niet langer in \'t Verleden:
Gij doodt mij nog!
Margaretha.
Neen! gij moet overblijven!
— Ik wil u de graven beschrijven,
Daar moet gij voor zorgen
Reeds morgen!
Het beste plaatsjen voor moeders graf,
Mijn broeder aan haar zij\'....
Een weinig verder een hoekjen voor mij,
Maar niet zoo heel ver af;
Mijn kleintjen in mijn armen:
\'k Lig anders zoo gants alleen!
Mij aan uw kloppend hart te warmen,
Dat was een bron van zaligheên!
Maar die ben ik niet langer waardig....
\'t Is of ik angstig tot u vlied,
\'t Is of gij hoonend mij verstiet___
En toch — uw blik, zoo vriendlijk, zoo zachtaardig,
Gij zijt het wel! nietwaar, gij haat mij niet?
F a u s t.
Als ik het ben, zoo kom!
Ma rgaretha.
Naar buiten?
-ocr page 181-
167
Faust.
In \'t vrije veld!
Marga retha.
Wacht mij de dood !... .
Kunt gij den schoot
Van \'t graf ontsluiten,
Zoo kom! — Uit deez\' mijn ballingschap
Naar de allerlaatste sluimerstede,
Maar verder ook geen enkle stap!
Gij gaat?.... O Henric, kon ik mede!
Faust.
Gij kunt, indien gij wilt — de deur staat open.
Margaretha.
Ik mag niet weg: voor mij is niets te hopen.
Wat baat de vlucht? Zij loeren toch op mij\'.
Gebedeld brood, wie wil het eten?
En dan nog met een kwaad geweten!
Te zwerven in een barre woestenij,
Om straks op nieuw te zuchten in een keten!
Faust.
Ik blijf u bij.
Margaretha.
Voort, als de wind!
Voort, red uw kind!
\'t Molenwater
Wijst het spoor,
Over den vonder,
\'t Boschjen door,
Links, bij den vijver, —
Hoor! het plascht!
Zie! het spartelt!
Grijp het vast!
Red mijn kind: gij kunt het nog!
Faust.
Stil dan toch!
Nog éen stap, en gij zijt vrij!
-ocr page 182-
168
M a r g a r e t h a.
Waren wij maar den berg voorbij!
Daar zit mijn moeder op een steen —
Hoe rilt het door mijn aren!
Daar zit mijn moeder op een steen,
En schudt de grijze hairen.
Zij blikt niet, zij knikt niet, haar hoofd hangt neer,
Zij sliep zoo lang, zij ontwaakt niet meer....
Zij sliep, terwijl wij ons verblijdden —
Dat waren gelukkige tijden!
F a u s t.
Helpt hier geen smeeken, hier geen klagen,
\'k Beproef dan u van hier te dragen.
M a r g a r e t h a.
Neen, geen geweld! laat staan, laat staan !
Grijp zoo moorddadig mij niet aan!
In alles toch heb ik uw wil gedaan.
F a u s t.
De dag breekt aan, o liefste, liefste mijn\'!
Margaretha.
Dagl Ja, \'t wordt dag, de laatste zonneschijn!
Mijn hoogtij-dag moest het zijn!
Zeg niemand dat gij den nacht
Bij Grethe hebt doorgebracht!
O wee mijn geschonden krans!
Hij ligt verflenst ter neder....
Wij zien elkander weder,
Maar niet bij den bruiloftsdans___
Wat hoofden opgestoken!
Wat scharen, spraakloos saamgekruid!
\'t Stroomt alles naar het marktplein uit —
Tot hoor!___ de bengel luidt
En \'t staafjen wordt gebroken!
Zij pakken mij aan, en zij buigen mij neer —
De bijl is gereed tot de straf —
De slag doet aller halzen zeer —
De waereld is stom als het graf___
-ocr page 183-
169
Faust.
O, ware ik nooit geboren!
Mep h ist opheles
(verschijnt aan de deur.)
Voort! of gij zijt verloren!
\'t Is nutteloos woorden en tijd verspillen!
Mijn paarden staan te rillen,
\'t Is klare morgenstond!
Ma rgaretha.
Wie nevelt daar op uit den grond ?
Die! die! zend hem weerom !
Wat moet d i e in het Heiligdom ?
Hij zoekt m ij!
Faust.
Gij zult leven!
Margaretha.
Rechtvaardig God, U wil ik me overgeven!
Mephistopheles (tot Faust.)
Kom! of ik ga! mijn geduld is voorbij.
Ma rga retha.
\'k Ben de Uwe, Vader! sta me op zij\'!
Gij Englen, gij Heilige Scharen!
Wilt me onder uw vleuglen bewaren!....
Faust! bij uw aanblik huivert mij.
Mephistopheles.
Zij is gevonnist!
Stem (van boven.)
Ze is behouden!
Mephistopheles (tot Faust.)
Herwaards gij!
(Hij verdwijnt met Faust.)
•Stem (van binnen.)
Henric! Henric!
-ocr page 184-
-ocr page 185-
MARIA STUART.
-ocr page 186-
PERSONEN.
Elizabeth, Koningin van Engeland.
Maria Stuart, Koningin van Schotland, gevangene in Engeland.
Robert Dudley, Graaf van Leycester.
George Talbot, Graaf van Shrewsbury.
Williara Cecil, Raron van Burleigh, Grootschatbewaarder.
De Graaf Van Kent.
William Davison, Staats-Sekretaris.
Amias Paulet, Ridder, bewaker van Maria.
Mortimer, zijn neef.
De Graaf Aubespine, Fransch Gezant.
De Graaf Bellièvre, buitengewoon Boodschapper van Frankrijk.
Okelly, Mortimers vriend.
Drugeon Drury, tweede bewaker van Maria.
Melvil, haar huishofmeester.
Hanna Kennedy, hare zoogmoeder.
Margaretha Kurl, hare kamerjuffer.
De sherif van het graafschap.
Een officier van de lijfwacht.
Fransche en Engelsche heeren.
Trawanten.
Hofdienaren van de Koningin van Engeland.
Bedienden van de Koningin van Schotland.
-ocr page 187-
EERSTE BEDRIJF.
Het Kasteel van Fotheringhay.
Een Kamer.
EERSTE TOONEEL.
hanna kenkedy, zoogmoeder der Koningin van Schotland,
in hevige twist met
paulet, die voornemens is een
kast te openen,
drugeon drury, zijn mede-
helper, met breekijzers.
Kennedy.
Wat doet gij, Sir? Waartoe vermeet ge u weer\'?
Weg van die kast!
Paulet.
Waar kwam die pronk van daan\'.\'
Men wierp haar uit liet hoogste vensterraam:
Men heeft beproefd den tuinman om te koopen
Met dit kleinood. — Vervloekte vrouwenlist !
In weerwil van mijn zorg, mijn arendsoog,
Nog kostbaarheden, nog verborgen schatten!
(De kast aangrijpende.)
Waar dit school, zit nog meer!
Kenn edy.
Terug vermeetle!
Hierin bewaart Mylady haar geheimen.
Paulet.
Die zoek ik juist.
(Geschriften te voorschijn halende.)
-ocr page 188-
174
Kennedy.
Papieren zonder waarde,
Wat krabbels met de pen, tot korting van
Den tijd der aaklige gevangenschap.
Paulet.
De ledigheid is broeinest van het kwaad.
Kennedy.
\'t Is alles Fransch.
Paulet.
Des te erger! want die taal
Spreekt Englands vijand.
Kennedy.
Schetsen al te maal
Van brieven aan de Koningin van England.
Paulet.
Die zal \'k bestellen. Zie, wat glinstert hier\'?
(Hij heeft op een geheime veer gedrukt en haalt uit
een verborgen lade kleinodiën te voorschijn.)
Een diadeem, bezet met eélgesteent\',
Doorweven met de leliën van Frankrijk !
(Hij geeft het kleinood aan zijn geleider.)
Bewaar dat, Drury. Leg het bij de rest.
(Drury af.)
Kennedy.
Verneedrende onderdrukking, die wij lijden!
Paulet.
Zoolang zij nog bezit, kan zij nog schaden,
Want alles wordt een wapen in haar hand.
Kennedy.
Heb deernis, Sir! Beroof ons leven niet
Van \'t laatste sieraad. De arme lijderes
-ocr page 189-
175
Vindt troost in d\' aanblik van vervlogen glans.
Want al het andre hebt gij ons ontnomen.
Paulet.
\'t Berust in goede handen. Op zijn tijd
Wordt alles eerlijk haar teruggegeven!
Ken ned y.
Wie ziet het deze naakte wanden aan,
Dat hier een Koninginne woont? Waar is
Het troongehemelt\' boven haar gestoelt\' 7
Moet zij den teedren voet, zoo zacht gewend,
Niet zetten op een vloei\', gemeen en ruw\'.\'
In glansloos tin — de minste kamervrouw
Versmaadde \'t! — wordt zij aan heurdisch bediend\'.\'
Paulet.
Zoo diende zij te Sterlin haar gemaal,
Terwijl zij met heur minnaar dronk uit goud.
Ken nedy.
De kleine hulp des spiegels zelfs ontbreekt.
Paulet.
Zoolang zij nog haar ijdel beeld beschouwt,
Houdt zij niet op te hopen en te wagen.
Kennedy.
Zij heeft geen boek, tot voedsel van den geest.
Paulet.
Men leest de Schrift haar voor, die \'t hart verbetert.
Kennedy.
Ook zelfs de dierbre luit is haar ontrukt.
Paulet.
Waarop zij dartle minneliedren speelde !
-ocr page 190-
176
K e n n e d y.
Is dat een lot voor \'t edel troetelkind,
Die in de wieg reeds Koninginne was,
Aan \'t weeldrig hof der Medici gewiegd
Als in den schoot van al wat vreugde heet?
Het zij genoeg, dat haar de macht ontviel,
Waartoe die arme sieraan haar misgund?
In groote rampen leert een edel hart
Zich schikken; maar het is een staag verdriet
De daaglijksche gerieflijkheên te ontbeeren.
Paulet.
Die voeden slechts in \'t harte de ijdelheid,
Dat komen moest tot inkeer en berouw.
Een wuft en zondig leven wordt alleen
In nooddruft en vernedering geboet.
K e n n e d y.
Indien haar teère jonkheid zich vergreep,
Zoo gaat dit haar geweten aan en God:
In England is geen rechter over haar.
Paulet.
Zij wordt gericht waar zij misdreven heeft.
K e n n e d y.
Tot kwaaddoen knelden haar veel te enge banden.
Paulet.
Toch wist zij uit die enge banden d\'arm
Wel uit te strekken over de aard, de fakkel
Van Burgerkrijg in \'t Koninkrijk te slingren,
En tegen onze Koningin, die God
Behoedde! moordnaarsbenden op te hitsen.
Heeft ze uit deez\' muren hen niet aangezet,
Dien booswicht Parry en dien Babington,
Tot zulk een gruwelstuk als Koningsmoord ?
Weerhield misschien dit tralievenster haar
Het edel hart van Norfolk te verstrikken?
-ocr page 191-
177
Voor haar geofferd, viel het beste hoofd
Hier op dit Eiland onder \'t beulenzwaard —
En heeft misschien dit jammerlijke voorbeeld
De dwazen afgeschrikt, die zich wedijvrend
Om harentwil in d\' afgrond nederwierpen?
Het bloedige schavot ziet haar ter eer
Het eene slachtlam immer \'t andre volgen;
En dat houdt nimmer op, totdat zij-zelf,
De schuldigste, daarop geofferd is.
Wee, driemaal wee den dag, toen Englands kust,
Te gastvrij, deze Helena ontfing!
K e n n e d y.
Gastvrij heeft England haar ontfangen, haar?
Die ongelukkige, die sints den dag,
Toen zij den voet op onzen bodem zette\',
Om, als een hulpeloze balling, heul
En heil te zoeken bij heur bloedverwant,
Zich tegen Volkenrecht en Koningswaarde
Gevangen ziet, in enge kerkerkrocht
Den schoonen tijd der jonkheid moet verslijten —
Die nu, nadat zij alles heeft ervaren
Wat een gevangnis bitters heeft, gelijk
Een alledaagsche booswicht, voor \'t gericht
Geroepen wordt en schandlijk aangeklaagd
Als waard te sterven.... zij, een Koningin!
Paulet.
Zij kwam in \'t land gelijk een moorderes,
Verworpen van haar volk, en van den Troon
Verschopt, dien zij met gruwlen had bezoedeld.
Zij kwam, om, tegen Englands heil gekant,
De Spaansche gruwlen uit Maria\'s dagen
Terug te brengen, England Katholiek
Te maken, aan den Franschman te verraden.
Waarom heeft zij versmaad het Edinburgsch
Verdrag te teeknen, haar vermetele aanspraak
Op England op te geven, en den weg
Uit dezen kerker met éen pennestreek
Zich te openen? Veel liever wilde zij
lx.                                                                                               
-ocr page 192-
178
Gevangen blijven, zich mishandeld zien,
Dan van deze ijdle titels afstand doen.
En waarom deed zij dat? Wijl ze op heur listen
Vertrouwt, de tooverkracht der samenzweering,
En onheilbroedend heel dit machtig eiland
Van uit heur kerker te veroovren hoopt.
Kennedy.
Gij spot, Sir! — Bij uw hardheid voegt gij nog
Den bittren hoon! Zij, zulke droomen kweeken,
Zij, die hier levend ingekerkerd leeft,
Zij, wie geen woord van troost, geen enkle stem
Van vriendschap uit het Vaderland bereikt,
Die lang geen menschlijk aangezicht meer zag
Dan \'t dreigende gelaat van heur cipiers,
Die sedert kort een nieuwen wachter in
Uw onbeschoften bloedverwant ontfing,
Van nieuwe tralies zich omrasterd ziet —
Paulet.
Geen ijzren traliewerk schut voor haar list.
Wie weet, of deze staven niet doorvijld,
Of hier in dit vertrek de vloer, de wanden,
Van buiten vast, niet hol van binnen zijn,
\'t Verraad naar binnen latend, als ik slape?
Ellendig ambt. dat mij ten deele viel,
De listige onheilbroedster te bewaken!
De vrees verjaagt mijn sluimering; ik waar
Des nachts in \'t rond als een geplaagde geest,
\'k Beproef de grendels en de trouw der wachts,
En zie met beven eiken morgen komen,
Die al mijn vrees vervullen kan. Maar \'t zij!
\'k Mag hopen, dat het einde nader spoedt.
Want liever hield ik aan de hellepoort
Het opzicht over \'t heir der doemelingen
Dan over deze sluwe Koningin.
Kennedy.
Daar komt zij-zelf!
-ocr page 193-
179
Paulet.
Den Heiland in de hand,
Den hoogmoed en de wellust in het hart!
TWEEDE TOONEEL.
maria gesluierd, met een crucifix in de hand. de vorigen.
Kennedy, {haar tegemoet snellende.)
O Koningin! Nu treedt men ons met voeten.
De dwinglandij, de wreedheid woedt in \'t blinde,
En elke nieuwe dag hoopt nieuwe ellend
En smaad op uw gekroonde kruin.
Maria.
Bedaar!
Spreek op, wat is op nieuw gebeurd?
Kennedy.
Zie hier!
Men heeft uw slot geschonden, uw geschriften,
Uw laatsten schat, met zooveel zorg gered,
Al wat u van uw schoone bruidsieraan
Uit Frankrijk rest, is in zijn hand. Gij hebt nu
Niets vorstlijks meer, gij zijt nu gants beroofd.
Maria.
Wees kalm, mijn Hanna! Deze pronksels maken
De Koningin niet uit. Men kan ons laag
Behandlen, niet verlagen, \'k Leerde reeds
In Engeland mij aan zooveel gewennen,
Ik kan ook dit verdragen. Ziet, ge hebt
\'Met ruw geweld u toegeëigend wat
Ik heden zelf van plan was u te geven.
Bij deez\' papieren vindt gij ook een brief,
Geschreven aan mijn Koninklijke zuster
Van Engeland. Geef mij uw woord, dat gij
Die regelrecht in haar bezit zult stellen,
En niet in Burleighs ongetrouwe hand.
-ocr page 194-
180
P a u 1 e t.
Ik zal er over denken, wat te doen.
Maria.
Gij moet den inhoud weten, Sir! Ik smeek
In dezen brief haar om een groote gunst —
Om een persoonlijk onderhoud met haar,
Die \'k nimmer heb aanschouwd. — Men heeft mij hier
Gedagvaard voor een hooggericht van mannen,
Die ik als mijns gelijken niet erkennen,
Tot wie ik niet vrijmoedig spreken kan.
Elizabeth is mij verwant, is van
Mijn kunne en rang. — Alleen voor haar, de Zuster,
De Koningin, de Vrouw, ontsluit ik \'t hart.
Paulet.
Wel menigmaal, Mylady! hebt ge uw lot,
Hebt gij uwe eer aan mannen toevertrouwd,
Die toch uw achting minder waardig waren.
Maria.
Ook nog een tweede gunst verzoek ik haar,
Onmenschlijkheid alleen kan mij die weigren.
Reeds langen tijd ontbeer ik in den kerker
Den troost der Kerk, \'t genot der sakramenten;
En die mij kroon en vrijheid heeft geroofd,
Die zelfs mijn leven dreigt, die zal voor mij
Toch niet de poort des Hemels willen sluiten.
Paulet.
Zoo gij \'t verkiest, de Deken van de plaats —
Maria (hem snel in de reden vallende.)
Ik wil niets van den Deken, \'k Wensch alleen,
Ik eisch, een Priester van mijn eigen Kerk.
Een schrijver met getuigen ook verlang ik,
Tot samenstelling van mijn laat sten wil.
\'t Verdriet, het lange kerkerlijden, teert
Mijn leven weg. Ik vrees maar al te zeer,
Mijn dagen zijn geteld, en ik acht mij-zelf
Een stervende gelijk.
-ocr page 195-
181
Paulet.
Dat \'s wel gedaan,
Dat zijn beschouwingen, die u betamen.
Maria.
Wat weet ik, of niet ras een vlugge hand
Het trage werk der droefheid zal verhaasten ?
Ik wil mijn testament doen maken, \'k wil
Beschikken over \'t geen mij toebehoort.
Paulet.
Die vrijheid hebt gij. Englands Koningin
Wil zeker met uw roof zich niet verrijken.
Maria.
Men heeft aan mijn getrouwe kamermaagden,
Aan mijn bedienden, mij ontrukt — Waar zijn ze
Wat is hun lot? Hun diensten kan ik missen,
Maar tot mijn eigen ziel rust wil ik weten,
Dat zij om mij niet lijden en ontbeeren.
Paulet.
Voor uw bedienden is gezorgd.
{Hij wil gaan.)
Maria.
Gij gaat, Sir? gij verlaat mij andermaal,
En zonder mijn beklemd en angstig hart
Te ontlasten van de bange onzekerheid.
Ik ben, dank zij der zorg van uw spionnen,
Gescheiden van de waereld: geen gerucht
Dringt door de kerkermuren tot mij door;
Mijn lot berust in mijner haatren hand.
Een eindeloze maand is voortgekropen;
Sints hier die veertig rechters plotseling
Mij overvielen en een vierschaar spanden,
Met schandelijken spoed, onvoorbereid
En zonder dat me een raadsman werd gegeven.
Mij daagden voor een ongehoord gericht,
Op zware klachten, listig ingekleed,
Mij, de overrompelde en bedwelmde, dwon^
-ocr page 196-
182
Te andwoorden, uit bet hoofd en mondeling. —
Als geesten kwamen en verdwenen zij.
En sinds zijn aller lippen sprakeloos;
Ik zoek vergeefs in uwen blik te lezen,
Wie overwon, mijn onschuld, de ijver van
De vriendschap, of des vijands booze raad.
Verbreek in \'t eind uw zwijgen — Doe mij weten
Wat ik te vreezen of te hopen heb!
P a u 1 e t (na eenig zwijgen.)
Sluit gij uw reekning met den Hemel af!
Maria.
Ik hoop op Gods barmhartigheid — en hoop
Op \'t strikste recht, Sir, van mijn aardsche richters.
Paulet.
O, u zal recht geschiên. Zijt dies gewis!
Maria.
Is mijn proces ten eind, Sir?
Paulet.
\'k Weet het niet.
Maria.
Ben ik veroordeeld?
Paulet.
\'k Weet het niet, Mylady!
Maria.
Men gaat hier gaarne ras te werk. Moet mij
De beul ook overvallen, als de rechters?
Paulet.
Geloof maar, dat het zoo zal zijn, dan treft
Hij u altijd in beter stemming aan.
Maria.
Niets zal mij in verbazing brengen, Sir!
Wat een gerechtshof in Westminsterhall,
-ocr page 197-
183
Door Burleighs nijd en Hattons vlijt bestuurd,
Voor vonnis veile durve — ik weet te wèl
Wat Englands Koningin gerust mag doen.
Paulet.
Oud-Englands heerschers hebben niets te duchten,
Dan hun Geweten en hel Parlement.
Het vonnis, door Gerechtigheid geslagen,
Wordt door de Macht volvoerd, en — onbevreesd!
DERDE TOONEEL.
de vorigen. mortimer, Paulets neef, treedt binnen, en zon-
der der koningin eenige opmerkzaamheid te betoonen,
spreekt tot Paulet.
Mortimer.
Men zoekt u, oom!
(Hij verwijdert zich op dezelfde wijze. De koningin merkt
het met ergernis op, en wendt zich tot Paulet, die
hem volgen wil.
Maria.
Sir! nog een enkle bede.
Als gij mij iets te zeggen hebt, van u
Verdraag ik veel, ik eer uw ouderdom.
Den overmoed des knaaps verdraag ik niet.
Ei, spaar mij d\'aanblik van zijn onbeschoftheid!
Paulet.
Om \'t geen in hem u stuit, schat ik hem hoog.
Want hij behoort niet tot die zwakke dwazen,
Die smelten bij een valschen vrouwentraan —
Hij is bereisd, komt uit Parijs en Rheims,
En brengt zijn trouw Oud-Engelsch hart weör meê:
Aan hem, Mylady, is uw kunst verspild!
(Hij gaat af.)
-ocr page 198-
184
VIERDE TOONEEL.
MARIA. KENNEDY.
Ken n edy.
Dat zegt de ruwhart u in \'t aangezicht!
Maria (in gepeins verzonken.)
Wij hebben in de dagen onzer glorie
Der vleierij te willig \'t oor geleend:
\'t Is billijk, goede Kennedy! dat wij
De klaagstem des verwijts nu ook vernemen.
Kennedy.
Hoe? zoo gedrukt, zoo moedloos, lieve Lady\'?
Gij waart zoo vrolijk, gij placht mij te troosten,
En \'k laakte liever nog uw overmoed
Dan uw zwaarmoedigheid.
Maria.
\'k Herken haar wel. —
Dat is het bloedig spook van Koning Darnley,
Dat toornig uit de donkre groeve stijgt;
En nimmer zal het vrede met mij maken,
Tot dat de maat mijns lijdens is vervuld.
Kennedy.
Ach, welk een denkbeeld —
M a r i a.
Hanna! gij vergeet,
Maar ik bezit een trouwe erinnering —
De jaardag van die jammerlijke daad
Is heden wederom terug gekeerd:
Hij is \'t, dien ik met boete en vasten viere.
Kennedy.
Breng eindelijk dien bozen geest tot rust!
Gij hebt de daad met jarenlang berouw,
Met pijnlijke beproevingen geboet.
De Moederkerk, die d\' aflaat-sleutel heeft
Voor elke schuld, de Hemel, heeft vergeven.
-ocr page 199-
185
Maria.
Versch bloedend stijgt de lang — vergeven schuld
Te voorschijn uit den licht-bedekten kuil.
De schim des Echtgenoots. die schreeuwt om wraak,
Keert voor geen Misbedienaars schel, voor geen
Hoogwaardig in des Priesters hand, in \'t graf.
Kennedy.
Niet gij hebt hem vermoord! Dat deden andren!
M aria.
Ik wist er van. Ik liet de daad geworden,
En lokte vleiend hem in \'t net des doods.
Kennedy.
De jeugd verzacht uw schuld. Gij waart toen nog
Zoo jong, zoo teer.
Maria.
Zoo teer — en laadde toch
De zware schuld op mijn zoo jeugdig leven!
Kennedy.
Gij waart door bloedige beleediging
Getergd en door den overmoed des mans,
Wien uwe liefde alleen, gelijk de hand
Eens Engels, uit het duister had getrokken,
Dien gij, door \'t bruidsvertrek, den weg ten troon
Gebaand hadt, wien ge uw frissche schoonheid gaaft,
En, met u-zelve, uw Koninklijke kroon.
Kon hij vergeten, dat zijn schittrend lot
Grootmoedig door de Liefde was geschapen?
En toch vergat hij dat, de onwaardige!
Hij krenkte met verneedrende verdenking
Met ruwe handelwijs, uw tederheid,
En maakte alzoo zich walglijk in uwe oogen.
De toovermacht hield op, die u verblindde:
Ge ontweekt vergramd de omhelzing des trouwlozen,
En gaaft hem der verachting prijs. — En hij ... .
Beproefde hij \'t, uw gunst terug te roepen?
Verzocht hij om vergeving? Wierp hij weenend
-ocr page 200-
18G
Zich aan uw voeten, beterschap beloovend?
De afschuwlijke durfde u trotseeren! hij,
Uw schepsel, wilde voor uw Koning spelen,
En voor uw oog liet hij uw lieveling,
Den schoonen zanger Rizzio, doorboren. —
Gij hebt het bloed alleen met bloed gewroken!
Maria.
En dat ook zal zich wreken met mijn bloed!
Gij spreekt mijn vonnis uit terwijl gij troost.
K e n n e d y.
Toen gij de daad geschieden liet, waart gij
U-zelve niet, u-zelf geen meesteres!
Gij waar van blinden minnegloed waanzinnig.
Het speeltuig van den vreeslijken verleider,
Van dien rampzaalgen Bothwell. Over u
Regeerde, met al d\' overmoed des mans,
De schriklijke, die u door tooverdranken,
Door helsche kunstnarijen \'t hart verwarde,
Verhitte\' —
Maria.
Ach, al zijn kunstnarijen waren
Niets dan zijn mannekracht en mijne zwakheid.
Ken nedy.
Neen zeg ik! Alle geesten der verdoemenis
Moest hij te hulpe roepen, die aldus
Den blinddoek om uw ziele wond! Gij hadt
Geen oor meer voor \'t vermanen der vriendin,
Geen oog meer voor hetgeen welvoeglijk was.
Verlaten had u de eerbre vreeze voor
De menschen; op uw wangen, waar weleer
Het blosjen der bescheiden schaamte blonk,
Daar vlamde nu de vuurgloed der begeerte.
Gij reet den sluier des geheims van éen:
De grenzenloze stoutheid van den man
Had ook uw schuwheid overwonnen — gij
Stelde ook uw schand met driest gelaat ten toon.
Gij liet het Koninklijke zwaard van Schotland
Door hem, den moorder, wien de vloek des Volks
-ocr page 201-
187
Nasnerpte, door de straten Edingburgs
Heendragen voor u uit in zegepraal;
Ge omringde uw parlement met wapenen,
En hier, in \'t eigen heiligdom des Rechts,
Dwongt gij met driest komediespel de rechters,
Den booswicht vrij te spreken van den moord —
Gij gingt nog verder — God!
Maria.
Voltooi gerust,
En reikte hem mijn hand voor \'t echtaltaar.
Ke n ned y.
O, laat een eeuwig zwijgen deze daad
Bedekken! Zij is huivringwekkend, stuitend,
Zij is een gants verloorne waard.... Maar gij
Zijt geen verloorne — ik ken u wel, ik ben \'t,
Die van der jeugd u heb verpleegd. Uw hart
Is zwak en teer, maar steeds toeganklijk voor
De schaamte. — Uw schuld slechts is lichtzinnigheid.
O, ik herhaal het, daar zijn boze geesten,
Die in des menschen onbewaakte borst
Zich voor een oogenblik een schuilplaats kiezen,
Die snel in ons den gruwel doen ontstaan,
En, naar de helle ontvluchtend, in het hart,
Door hen besmet, de ontzetting achterlaten.
Sints de éene daad, de schandvlek van uw leven,
Hebt gij geen enkle misdaad ooit gepleegd.
Ik ben van uw verbetering getuige.
Daarom vat moed! maak vrede met u-zelv\' 1
Wat ge immer u te wijten hebt, in England
Zijt gij niet schuldig; niet Elizabeth,
Niet Englands parlement, is ooit uw rechter.
Door overmacht wordt ge onderdrukt; voor dit
Aanmatigend gerechtshof moogt ge vrij
Verschijnen met den heldenmoed der onschuld.
Ma ria.
Wie komt?
(Mortimer verschijnt aan de deur.)
-ocr page 202-
188
Kenn ed y.
Het is de neef. Treed binnen toch!
VIJFDE TOONEEL.
de vorigen. mortimer, (schuw binnentredende.)
Mortimer (tot Kennedy.)
Verwijder u, hou voor de deur de wacht:
Ik heb te spreken met de Koningin.
Maria (met waardigheid.)
Neen, Hanna, blijf\'!
Mortimer.
Ei, vrees toch niet, Mylady. Leer mij kennen.
(Hij reikt haar een kaart over.)
Maria (werpt een blik op de kaart, en deinst verbaasd terug.)
Hoe, wat is dat\'?
Mortimer (tol Kennedy.)
Verwijder u.
Zorg, dat soms niet mijn oom ons overvalle!
Maria (tot Kennedy, die aarzelt en de koningin vragend aanziet.)
(la, doe zoo.
(Kennedy verwijdert zich met teekenen van verwondering)
ZESDE TOONEEL.
HORTIMER. MARIA.
Maria.
Van mijn oom, den Kardinaal,
Uil Frankrijk, uit Lotharingen! Laat zien?
(Leest.)
-ocr page 203-
189
„Vertrouw Sir Mortimer, die u dit brengt,
„Want geen getrouwer vriend hebt gij in Englnnd."
(Mortimer met verbazing aanziende.)
Kan \'t mooglijk zijn\'? blindt rnij geen zinsbedrog?
Wie vóór mij staat een vriend? en \'k waande mij
Verlaten van de waereld! \'k Vind dien vriend
In u, den eigen neef van mijn cipier,
U, dien \'k mijn ergsten vijand dacht....
Mortimer (zich aan haar voeten werpende.)
Vergeving
Voor \'t haatlijk masker, eedle Koningin !
Dat ik niet zonder grooten zelfstrijd droeg,
Maar dat het middel was dat ik u naadren,
Dat ik u hulp en redding brengen kan.
Maria.
Sta op toch! Gij verrast mij, Sir! — Ik kan
Zoo plotsling niet uit d\' afgrond der ellend\'
Mij tot de hoop verheffen. — Maak mij dit
Geheel begrijplijk, doe het mij gelooven!
Mortimer (staat op.)
De tijd verloopt. Mijn oom zal spoedig hier zijn,
En een gehate tweede komt met hem.
Eer u die droeve schrikmare overvalt,
Verneem hoe u de hemel redding zendt.
Maria.
Hij zendt haar door een wonder Zijner almacht.
Mortimer.
Vergun, dat ik van mij begin.
Maria.
Spreek Sir!
Mortimer.
Ik tel nu twintig jaren, Koningin!
In strenge plichten was ik opgegroeid,
In sombren haat voor \'t Pausdom opgetogen,
Wanneer een onverwinnelijk verlangen
-ocr page 204-
190
Mij voortdreef naar het vasteland, \'k Verliet
Der Puriteinen doffe predik-kluizen,
Het Vaderland. Ik trad in snellen loop
Heel Klankrijk door, en zocht met brandend hart
Italië op, dat tweede Paradijs!
Het was de tijd van \'t Hooggetij der Kerk:
Van Pelgrimaadjen wemelden de wegen,
Bekranst was ieder heilig beeld, mij dacht
Geheel de Menschheid was in bedevaart
Naar \'t Hemelrijk. — Daar sleepte mij de stroom
Der vrome scharen mede, tot in Romen —
Ach, hoe was mij te moede, Koningin!
Als zuilengang en zegeboog zijn pracht
Ontvouwde, als \'t eerst voor mijn verbaasden blik
De heerlijkheid van \'t Colosseum straalde,
Een hooger geest zijn wonderrijk me ontsloot!
Ik had nog nooit de macht der Kunst gevoeld:
De Kerk, waar ik ben opgevoed, versmaadt
Het zinlijk Schoon, en duldt geen Beeldenpronk,
Alleen het lichaamlóze Woord vereerend.
Hoe ik ontroerde, als ik het heiligdom
Der kerk bezocht, de hemelsche muziek
Ter nederdaalde, en duizende gestalten
Begoochelend aan wand en welfsel zweefden,
Toen \'t heerlijkste en verhevenste, al bijeen,
De zinnen streelde en in verrukking bracht,
Toen ik haar-zelf nu zag, de Godlijke,
Des Engels groet, de stal van Bethlehem,
De heiige Moeder, de Drievuldigheid
Neêrstijgend in de heerlijkheid des lichts —
Toen \'k straks den Paus aanschouwde in al zijn pracht,
\'t Hoogambt bedienend en de volken zeegnend!
O wat is al de glans van goud en purper,
Waarmee des waerelds koningen zich sieren 1
Slechts hij weêrblinkt van hemelmajesteit.
Een heerlijk rijk, de hemel, is zijn huis,
En niet van deze waereld zijn die vormen.
Maria.
O, spaar mij toch! Ga toch niet voort! Houd op
-ocr page 205-
491
De frissche schilderij des Levens dus
Te ontrollen — \'k Ben ellendig en gevangen.
Mortimer.
Ook ik was \'t Koningin! en mijn gevangnis
Ging open! Plotsling vrij gevoelde zich
Mijn geest en groette \'s levens schoenen dag.
Nu zwoer ik haat aan \'t mul\' bekrompen Boek,
Om \'t hoofd mij met een frissche krans te omstrenglen,
Blijmoedig bij de blijden mij te voegen.
Vele eedle Schotten sloten ras zich aan
Bij mij en \'t vrolijk Volkjen dor l\'ransozen.
Zij brachten straks mij tot uw eedlen oom,
Den Kardinaal van Guise — Welk een man!
Hoe helder, vast en manlijk groot! Geheel
Geboren om te heersenen op de geesten!
Het toonbeeld van een Koninklijken Priester,
Een Vorst der Kerk, als ik geen tweede ken!
Maria.
Gij hebt zijn dierbaar aangezicht gezien,
Den welbeminden, hoogverheven man,
Den hoeder van mijn argeloze jeugd?
O, spreek van hem! Gedenkt hij mijner nog\'?
Is nog fortuin hem gunstig? Bloeit zijn leven?
Staat hij nog heerlijk daar, een rots der Kerk?
Mortimer.
Die eedle achtte \'t niet beneden zich
Om zelf mij te onderwijzen in \'t Geloof,
En uit mijn hart den twijfel weg te bannen.
Hij toonde mij, hoe \'t twijflende Verstand
Den mensch gestadig op den dwaalweg leidt,
Dat hij met de oogen zien moet, wat hij met
Het harte moet gelooven — dat der Kerk
Een zichtbaar Hoofd betaamt, dat de eeuwge geest
Der Waarheid steeds de kerkvergaadring leidde.
De wanbegrippen van mijn domme jeugd
Verdampten voor dit klemmende betoog,
Voor de overredingskracht van zulk een mond!
-ocr page 206-
192
Zoo keerde ik tot den schoot der Kerk terug,
En zwoer bij hem voor goed mijn dwaling af.
Maria.
Gij zijt dan éen dier vele duizenden,
Die hij met al de kracht van \'t godlijk woord,
Gelijk de groote Prediker des Bergs,
In \'t harte greep en \'t wis verderf ontrukte!
Moitime r.
Toen kort daarop zijn heilige ambtsplicht hem
Naar Frankrijk riep, zond hij mij uit naar Rheims,
Waar \'t vroom gezelschap dat naar Jezus heet,
De priesters vormt die Englands kerk behoeft.
Daar trof ik Morgan aan, den eedlen Schot,
En ook uw trouwen Lesley, Rosse\'s Bisschop,
Die, ballingen, naar Frankrijk uitgeweken,
In vreemdlingschap een vreugdloos leven leiden,
\'k Sloot bij dit waardig paar vooral mij aan,
En sterkte me in \'t Geloof. Op zeekren dag,
Toen \'k rondzwierf door \'t Bisschoppelijk paleis,
Ontwaarde ik daar de beeldtnis eener vrouw
Van onuitspreekbre aanvalligheid. Mijn ziel
Werd diep tot in heur binnenste getroffen,
En \'k stond daar, overstelpt van mijn gevoel.
Toen zeide mij de Bisschop: Wel te recht
Moogt gij ontroerd op deze trekken staren!
De aanminnigste aller vrouwen die daar leven,
Is tevens de rampspoedigste van allen:
Zij draagt het kruis ter wille van \'t geloof,
En \'t is uw vaderland, dat haar ziet lijden.
Ma ria.
De brave! neen, \'k heb alles niet verloren,
Nu zulk een vriend mij trouw bleef in mijn smart.
M o r t i m e r.
Toen ving hij aan, met een welsprekendheid
Die mij het harte schokte, uw martlaarschap,
De bloeddorst uwer vijanden te malen.
-ocr page 207-
193
Hij liet mij ook uw stamboom zien, hij toonde
Me uwe afkomst uit het hoogverheven Huis
Der Tudors, overtuigde mij dat u
De kroon van England toekomt, u-alléen,
Niet deze Leugenkoningin, geteeld
In schandlijke echtbreuk, Hendriks bastert-telg.
\'k Ging op het woord diens enkelen niet af,
Ik pleegde raad met alle rechtsgeleerden,
Vele oude wapenboeken sloeg ik na,
En waar ik tot deskundigen mij wendde,
\'t Bevestigde alles mij uw wettige aanspraak.
\'k Weet nu te wél, dat in dit Engeland
Juist uw goed recht uw eenig onrecht is,
Dat u dit Rijk in eigendom behoort,
Waarin ge onschuldig als gevangne smacht.
Maria.
Helaas, dat ongelukkig recht! Het is
Alleen de springfontein van al mijn lijden.
M o r t i m e r.
Ter dezer tijd bereikte mij de maar\',
Dat gij uit Talbot\'s slot waart weggevoerd,
En onder toezicht van mijn oom gesteld.
Ik meende in deze omstandigheid den vinger
Te erkennen van den trouwen God der hulp.
Een roepstem van den Hemel was ze mij,
Die tot uw redding mij had uitverkoren.
De vrienden juichen vrolijk \'t denkbeeld toe,
De Kardinaal geeft mij zijn raad en zegen,
En leert mij \'t moeilijk werk der veinzerij.
Snel werd het plan ontworpen, en ik sla
Den reisweg in naar \'t Vaderland, dat ik,
Gij weet het, voor tien dagen heb bereikt.
(Hij zwijgt eenige oogenblikken.)
Ik zag u, Koningin — u-zelf!
Niet maar uw beeld! — O, welk een schat bewaart
Dit slot! Geen kerker! Neen, een lustpaleis,
Veel schittrender dan \'t koninklijke hof
Van Engeland. — Driewerf gelukkig hij,
-ocr page 208-
194
Die de eigen lucht inamen mag als gij!
Wel heeft zij recht, die u zoo diep verbergt!
Heel Englands jeugd zou opstaan inderijl,
Geen zwaard bleef werkloos slapen in de schee,
En \'t oproer vloog met opgeheven hoofd
Ons rustig eiland door, zoo maar de Brit
Zijn Koningin mocht zien!
Maria.
Gelukkig zij,
Zoo elke Brit haar aanzag met uwe oogen!
M o r t i m e r.
Zoo hij, als ik, uw lijden mocht aanschouwen,
Aanschouwen al de zachtheid en \'t geduld,
Waarmee gij ook \'t onwaardigste verdraagt.
Want keert gij niet uit elke lijdensproef
Terug gelijk een Koningin? Heeft ooit
Des kerkers schand uw schoonheidsglans gedoofd?
\'t Ontbreekt u alles\' wat het leven siert,
En toch omstraalt u eeuwig licht en leven!
\'k Betreed dees drempel nimmer, of mijn hart
Wordt opgescheurd door onuitspreeklijk wee,
Verrukt door \'t heilig voorrecht u te zien! —
Maar vreeslijk nadert de eindbeslissing, klimmend
Van uur tot uur bedreigt u \'t bang gevaar:
Ik mag niet langer dralen — u niet langer
Het schriklijke verbergen —
Maria.
Is mijn vonnis
Geveld? Ontdek het vrij! Ik kan het hooren.
M o r t i m e r.
Het is geveld! De twee-en-veertig rechters
Zij spraken over u het schuldig uit.
Het huis der Lords en der Gemeenten, Londen,
De gantsche stad, dringt op \'t voltrekken aan
Van \'t vonnis; slechts de Koningin nog aarzelt,
-ocr page 209-
195
— Uit sluwe list, dat zij gedwongen schijne,
Niet uit gevoel van deernis en verschooning.
Maria (met gelatenheid.)
Sir Mortimer! uw woord verrast mij niet,
Verschrikt mij niet. Ik was op zulk een boodschap
Sints lang reeds voorbereid. Ik ken mijn rechters.
Nu \'k eenmaal zóo mishandeld ben geworden,
Begrijp ik wel, dat men de vrijheid mij
Niet schenken kan. Ik weet, waarheen men wil.
Men wil mij levenslang gevangen houden.
Men wil mijn wraak, mijn aanspraak en mijn recht
Met mij vergrendlen in den kerkernacht.
Mortimer.
Neen, Koningin — O neen! Daar blijft men niet
Bij staan. Wanneer deed ooit de tyrannij
Heur werk ten halven? Neen, zoo lang gij leeft,
Leeft ook de vrees der Koningin van England.
U kan geen kerker diep genoeg begraven:
Uw dood alleen verzekert haar den troon.
Maria.
Zij zou het wagen mijn gekroonde hoofd
Verachtlijk op het blok des beuls te leggen?
Mortimer.
Zij zal het wagen. Twijfel daar niet aanl
Maria.
Zij zou aldus haar eigen majesteit,
Die aller Koningen, door \'t slijk doen sleuren?
En vreest zij dan de wraak van Frankrijk niet?
Mortimer.
Zij sluit met Frankrijk straks een eeuwgen vrede,
En Anjou\'s Hertog schenkt zij kroon en hand.
Maria.
Zal Spanjes Koning niet te wapen snellen?
-ocr page 210-
496
Mortimer.
Geen gantsche waereld onder \'t wapen ducht ze,
Zoolang zij vree heeft met haar eigen volk.
Ma ria.
Zou ze op dit schouwtooneel den Brit onthalen?
Mortimer.
Dit land, Mylady! in de laatste tijden,
Heeft méér gezien, dat koninklijke vrouwen
Neerstorten van den troonstoel op \'t schavot.
Ja, de eigen moeder van Elizabeth
Ging dezen weg en Katharina Howard,
Ook Lady Gray eens, droeg een kroon op \'t hoofd.
Maria (na eene wijle.)
Neen, Mortimer! u blindt een ijdle vrees.
Het is de zorg van uw getrouw gemoed,
Die spoken schept van ongegronden schrik.
Neen, Sir! \'t schavot is niet hetgeen ik vrees.
Daar zijn nog andre middlen, min luidruchtig,
Waardoor zich Englands trotsche heerscheres
Verlossen kan van de aanspraak die ik maak.
Eer zich voor mij een beul liet vinden, werd
Veel eerder nog een moordnaar omgekocht.
Dat is \'t, waarvoor ik sidder, Sir! en nooit
Zet ik den rand des bekers aan de lippen,
Of \'k huiver bij het denkbeeld, dat misschien
De liefde mijner zuster hem kredenste.
Mortimer.
Noch opentlijk noch heimlijk zal \'t den moord
Gelukken om uw leven aan te tasten.
Wees onbevreesd! \'t Is alles reeds bereid.
Twaalf jonge mannen, de edelsten des lands,
Zijn in \'t verbond, en hebben heden vroeg
Het sakrament daarop ontfangen, u
Met sterken arm te ontvoeren aan dit slot.
Graaf Aubespine, Frankrijks afgezant,
-ocr page 211-
197
Weet van \'t verbond: hij biedt ons zelf de handen,
En zijn paleis is \'t, daar wij ons verzaamlen.
Maria.
Gij doet mij beven, Sir! maar niet van vreugde.
Een angstig voorgevoel slaat mij om \'t hart.
Wat waagt gij\'.\' Weet gij \'t ? Schrikt het u niet at,
Eens Babington\'s, eens Tichburn\'s bloedig hoofd,
Op Londens brug ten toon gesteld? Ontzet
U \'t jammerlot van die ontelbren niet,
Die ook den dood in \'t zelfde waagstuk vonden.
Terwijl mijn boei nog tweemaal zwaarder werd*.\'
Rampzalige, verleide Jongling! vlied !
Vlied, zoo \'t nog tijd is — Als een Burleigh niet
Met zijn spionnenblik u reeds doorzag,
Of reeds in uw verbond de Judas insloop.
Ontvlucht het Rijk!.... Nooit bracht Maria Stuart
Haar helpers zegen aan.
M o r t i m e r.
Niets schrikt mij af,
Geen Babingtons, geen Tichburns bloedig hoofd,
Op Londens brug ten toon gesteld, noch ook
Het jammerlot van die ontelbare andren,
Bie ook den dood in \'t zelfde waagstuk vonden.
Zij vonden óok daarin den eeuwgen roem,
En \'t is een zegen reeds, voor ü te sterven!
Ma ria.
Vergeefs, helaas! Mij redt geweld noch list.
De vijand waakt en hij heeft de overmacht.
Niet enkel Paulet en zijn wachterstoet,
Heel Engeland bewaart mijn kerkerdeur.
Alleen het machtwoord van Elizabeth
Kan haar ontsluiten.
M o r t i m e r.
Hoop dat nimmermeer\'.
Maria.
Éen enkle man leeft, die haar oopnen kan.
-ocr page 212-
198
M o r t i m e r.
O, noem mij dezen man —
Maria.
Graaf Lester!
Mor timer (treedt verbaasd terug.)
Lester?
Graaf Lester? — Hij? uw bloedigste vervolger,
De gunstling van Elizabeth! Door dezen —
Maria.
Ben ik te redden, en alleen door hem.
— Ga tot hem. Spreek gerust vrij uit tot hem;
En tot een zeker blijk dat ik u zond,
Breng hem dit schrijven, \'t Sluit mijn beeldtnis in.
[Zij haalt een papier uit den boezem te voorschijn Mortimtr
treedt terug, en aarzelt het aan te nemen.)
Aanvaard het toch! Ik droeg het lang reeds bij mij,
Omdat de waakzaamheid van uwen oom
Mij eiken weg tot hem versperde. U zond
Een vriend lij ke Engel!
M o r t i m e r.
Koningin!.... dit raadsel —
O los het op!
Maria.
Dat zal graaf Lester doen.
Vertrouw hem, hij zal u vertrouwen. — Stil!
Wie komt daar?
Kennedy (haastig binnentredende^)
oir Paulct komt, met een hofheer.
M o r t i m e r.
Het is Lord Burleigh. Koningin! wees kalm,
En hoor zijn boodschap onverschillig aan.
(Hij verwijdert zich door een zijdeur. Kennedy volgt hem.)
-ocr page 213-
i99
ZEVENDE TOONEEL.
maria. lord burleigh, grootschatbewaarder van Ent/eland,
RIDDER PAULET.
Paulet.
Gij wenschtet zekerheid aangaande uw lot?
Welnu, Mylord van Burleigh brengt nog heden
Die zekerheid. Ontfang haar onderworpen!
Maria,
\'k Hoop, waardiglijk, zooals aan de onschuld pasl.
Burleigh.
Ik kom hier als gezant van \'t Hooggericht.
Maria.
Lord Burleigh leent dienstvaardig \'t Hooggericht,
Gelijk weleer zijn geest, nu ook zijn mond.
Paulet.
Gij spreekt als ware u \'t vonnis reeds bekend.
Maria.
Omdat Lord Burleigh \'t brengt, is \'t mij bekend.
— Ter zake, Sir!
Burleigh,
Gij hebt u aan \'t Gericht
Der twee-en-veertig onderworpen. Lady —
Maria.
Vergeef, Mylord! maar \'k moet al daadlijk u
Weerspreken. Onderworpen heb ik mij
Aan de uitspraak van die twee-en-veertig, zegt gij ?
Ik heb in geenendeele me onderworpen.
Nooit kon ik dat — ik kon mijn hoogen rang,
De waarde van mijn volk, en van mijn zoon,
Van alle vorsten, nooit zoo diep vergeten!
Daar is in England bij de wet verordend,
Dat ieder aangeklaagde door gezwoornen
-ocr page 214-
200
Van d\' eigen rang als hij gericht zal worden,
Wie in het Kommittee is mijns gelijke?
Mijn pairs zijn Koningen alleen!
Burleigh.
Gij hoordet
Hunne aanklacht aan: daarover hebt gij u
Bij hen verandwoord.
Maria.
Ja, maar al te wel
Heeft Hatton\'s lokkende arglist mij verlokt,
Ter wille van mijne eer en in \'t geloof
Aan de overredingskracht van mijn bewijzen,
Gehoor te leenen aan die aanklachtspunten,
Om hen te ontzenuwen. — \'k Heb dat gedaan
Uit achting voor de waardige personen
Der Lords, niet voor hun ambt, dat ik verwerp,
Burleigh.
Of gij hun ambt erkent of niet, Mylady 1
Is niets meer dan een ijdle vormlijkheid,
Onmachtig om den loop van \'t recht te stuiten.
Gij leeft op Englands bodem: gij geniet
De. weldaad der bescherming zijner wetten,
Dies zijt gij onderworpen aan zijn macht.
Maria.
Ik adem in een Engelsch kerkerkot:
Heet dat in England leven, dat genieten
De weldaad zijner wetten? Ken ik die?
En wanneer ooit beloofde ik die te houden?
Ik ben geen burgeresse van dit Rijk,
Ik ben een vrije, vreemde Koningin.
Burleigh.
En denkt gij, dat de Koninklijke naam
Ten vrijbrief strekt om tweedracht, tuk op moord,
Te zaaien, ongestraft, in \'t vreemde land?
Wat werd er van de veiligheid der Staten,
Indien \'t rechtvaardig zwaard van Themis niet
-ocr page 215-
201
Het misdrijf van een Koninklijken gast
Mocht straffen als des Bedelaars vergrijp\'?
Maria.
Ik weiger niet om rekenschap te geven :
Het zijn alleen de rechters, die \'k verwerp.
Burleigh.
De rechters? Hoe, Mylady! Zijn \'t misschien
Opraapsels uit de heffe van het volk\'?
Zijn \'t holle praters, voor wie recht en waarheid
Te koop zijn, die aan de onderdrukking zich
Verhuren als een werktuig? — Zijn zij niet
Veel eerder de eerste mannen dezes lands?
Zóo onafhanklijk, dat hun niets belet
Om waar te zijn, ver boven vorstenvrees
En schandelijke omkoopbnarheid verheven?
Zijn \'t niet dezelfden, die een edel volk
Regeeren, vrij en eerlijk, en wier naam
Slechts uitgesproken worde, om eiken twijfel,
En iedren argwaan \'t zwijgen op te leggen?
Aan \'t hoofd van allen staat de volkenherder,
De eerwaardige primaat van Canterbury,
De wijze Talbot, die \'s lands zegel hoedt,
En Howard, de oppervlootvoogd van het Rijk.
Nu, oordeel zelfl kon Englands Koningin
Méér doen dan uit de gantsche monarchie
Juist de edelsten verkiezen en benoemen
Tot richters in deez\' Koninklijken strijd?
En ware \'t denkbaar, dat partijschap soms
Éen enkele verblindde, kunnen veertig
Verheven mannen samenstemmen in
Een uitspraak van verblinde drift?
Maria, (na eenig stilzwijgen.)
Ik hoor verbaasd de kracht dier rappe tong,
Die sedert lang mij zoo noodlottig was.
Hoe zou ik mij, ik ongeleerde vrouw,
Met zulk een kunstig reednaar kunnen meten \'!
Wel, waren deze Lords gelijk gij schildert,
Ik moest verstommen, en mijn rechtsgeding
-ocr page 216-
\'202
Stond hopeloos, als zij mij schuldig noemden.
Maar deze namen, die gij prijzend noemt,
Die mij door hun gewicht verbrijzlen moesten,
Mylord ! gants andre rollen heb ik hen
Zien spelen op het bonte Staatstooneel.
Ik zie die bloem van Englands trotschen Adel,
Dien schittrenden Senaat van \'t Koninkrijk,
Als slaven eens serails de sultansluimen
Van Achtsten Hendrik, van mijn oudoom, vleien -
Ik zie geheel dit edel Hoogerhuis,
Niet minder veil dan \'t Lagerhuis, besluiten
Bezeeglen en herroepen, huwlijken
Ontbinden, binden, naar het machtgebod
Des Heerschers, Englands Vorstendochters heden
Onterven, schenden met den bastaartnaam,
En morgen haar tot Koninginne kroonen.
Ik zie die eedle Pairs, met plotseling
Veranderde overtuiging, onder vier
Kegeeringen tot viermaal achtereen
Verandren van geloof....
Burleigh.
Gij noemdet u
Een vreemdelinge op Englands wetgebied,
In Englands rampgeschiedenis zijt gij thuis.
Ma ria.
Dat zijn mijn rechters dan! Lord schatbewaarder,
\'k Wil billijk wezen jegens u, wees gij het
Ook jegens mij! — Men zegt, gij meent het goed
Met dezen Staat, met Englands Koningin:
Men prijst u eerlijk, wakker, onvermoeid —
Geloovig neem ik \'t aan. Geen eigenbaat
Beweegt u, u beweegt alleen \'t belang
Van Vorst en Vaderland. Maar daarom juist,
Zie toe, hoogeedle Lord! dat gij het nut
Des Staats niet aanziet voor gerechtigheid.
Ik twijfel niet, daar zitten nevens u
Nog eedle mannen bij mijn rechters neder.
Maar zij zijn Protestanten, ijveraars
Voor Englands heil, en spreken over mij,
-ocr page 217-
\'203
De Koningin van Schotland, als Papin!
Geen Brit is ooit rechtvaardig voor den Schot,
Die spreuk is overoud: van daar \'t gebruik,
Afkomstig uit der vaadren grijs verleen,
Dat voor \'t gericht geen Brit als klager tegen
Een Schot verschijnt, geen Schot den Brit verklaag\'.
Uit noodzaak is die vreemde wet geboren,
Een diepe zin schuilt in de aaloude zeden,
Mylord! men moet ze eerbiedigen. Natuur
Bracht deez\' twee lichtontvlamde volken saam\'
Op dit gebied der waalren: ongelijk
Verdeelde zij \'t, en dwong hen dies tot strijden.
De smalle bedding van de Tweed-alleen
Scheidt beide ontembre stammen — menigmaal
Vermengde ze in haar golven beider bloed.
De vuist aan \'t zwaard, begrimmen zij elkaar
Van beide stranden, eeuwen achtereen.
Geen vijand ooit dreigt Engeland, wien niet
De Schot terstond de hand reikt tot zijn hulp.
Geen burgerkrijg, die Schotlands steden blaakt,
Waarin de Brit niet eerst de brandstof\' wierp.
En nimmer wordt die haat gebluscht, tot eindlijk
Een Parlement hen broederlijk vereent,
Éen Scepter heerscht, heel \'t Dubbel-Eiland door.
Burleigh.
En \'t moet een Stuart zijn, die dit geluk
Voor \'t Rijk te weeg brengt?
Ma ria.
Waarom zou ik \'t loochnen ?
.la, ik beken \'t, dat ik die hope voedde,
Twee eedle Volken in de olijvenschauw
Des Vredes vrij en vrolijk te vereenen.
Ik duchtte niet, dat mij de haat des volks
Zou offren, uw langdurige ijverzucht,
\'t Onzalig vuur van overoude tweedracht,
Hoopte ik voor goed te smoren onder de asch!
Zoo dacht ik, even als die Richmond, uit,
Wiens stam ik spruit, voor dezen de twee rozen
-ocr page 218-
204
Te samen bond na feilen strijd, de kroonen
Van Engeland en Schotland saam\' te strenglen!
Burleigh.
Een slechten weg verkoost gij tot dit doel,
Toen gij het Rijk ontsteken, door de vlammen
Des Burgerkrijgs den troon bestijgen wildet.
Maria.
Dat wilde ik niet, zoo waarlijk als God leeft!
Wanneer ooit wilde ik dat? Noem mij bewijzen?
Burl eigh.
Ik kwam niet om te twisten. Uw geding
Hangt van geen woordenwisseling meer af.
\'t Is, veertig stemmen tegen twee, erkend,
Dat gij die akte van verleden jaar
Verbraakt, en dus der wet vervallen zijt,
Daar is bepaald in dat verleden jaar:
„Wanneer daar oproer in het Rijk ontstaat
„In naam en ten profijte van wien ook,
„Die aanspraak tracht te maken op de kroon,
„Die worde voor het Hooggericht gesteld,
„En is hij schuldig, tot den dood vervolgd," —
En daar bewezen is ... .
M a r i a.
Mylord van Burleigh!
\'k Begrijp wel, dat een wet, opzetlijk dus
Voor mij gemaakt, zich tot mijn ondergang
Gemaklijk laat gebruiken!.... Driemaal wee
\'t Bampzalig offer, als dezelfde mond,
Die eerst de wet verkondde, ook \'t vonnis velt!
Mylord, kunt gij \'t ontkennen, dat die akte
Alleen tot mijn verderf verzonnen is?
Burleigh.
Zij was ter uwer waarschuwing bestemd:
Gij-zelf hebt tot een valstrik haar gemaakt.
Den afgrond zaagt gij aan uw voeten gapen,
En, trouw gewaarschuwd, zijt ge er in gestort.
Gij waart met Babington, den hoogverrader,
-ocr page 219-
205
En met zijn moordgezellen, \'t eens; gij wist
Van al wat daar gebeurde, en, uit uw kerker,
Bestuurdet naar uw plan de samenzwering.
Maria.
En wanneer deed ik dat? Men legge mij
De dokumenten voor!
Burleigh.
Die heeft men u
Nog kortelings ter vierschaar voorgelegd.
Maria.
Kopijen, door een vreemde hand geschreven.
Men voer\' mij bondige bewijzen aan,
Dat ik hen in de pen gaf, zóo, juist zóo,
Als daar werd voorgelezen.
Burleigh.
Dat die stukken
Dezelfde zijn die hij ontfangen heeft,
Heeft Babington nog vóór zijn dood bekend.
Maria,
En waarom werd die Babington nog levend
Niet tegen mij gehoord ? Van waar die haast,
Hem uit den voet te helpen, eer men ons
Gebracht had voor elkanders aangezicht?
Burleigh.
Uw schrijvers ook verklaarden, Kurl en Bau,
Met duren eed, dat dit de brieven waren,
Die ze uit uw eigen mond ter nederschreven.
Maria.
En op dit zeggen van mijn huisbedienden
Word ik gevonnisd? Op het woord van hen
Die mij verrieden, mij, hun Koningin.
Die immers op dat oogenblik de trouw
Verbraken die ze mij gezworen hadden!
-ocr page 220-
206
Burleigh.
Gij zeil gaaft eens dien Kurl, dien Schot, den lof,
Dat hij een man van plicht was en geweten.
Maria.
Mij dacht, hij was het — maar de deugd eens mans
Wordt slechts beproefd in de ure des gevaars.
Wie weet? licht heeft de pijnbank hem geperst
Om dingen die hij niet weet, te bekennen.
Hij meende door zijn leugen zich te redden,
En mij, de Koningin, niet veel te schaden.
Burleigh.
Vrijwillig heeft hij \'t met een eed bezworen.
Maria.
Niet in mijn tegenwoordigheid! — Hoe, Sir?
Dat zijn toch twee getuigen die nog leven!
Men steil\' hen tegenover mij! Men doe
In mijn gezicht hun woorden hen herhalen!
Waarom juist mij een gunst, een recht, geweigerd,
Dat zells geen moordnaar wordt ontzegd ? Ik weet
Uit Talbots mond — mijn vorige bewaker! —
Dat onder deez\' regeering een besluit
Is vastgesteld, waarbij bevolen wordt
Beklaagde en klager bij elkaar te hooren.
Welnu? Of heb ik misgehoord? — Sir Paulet!
Ik heb u steeds een eerlijk man bevonden,
Wees dat ook nu. Verklaar me op uw geweten,
Is \'t niet zoo? Is in England niet zoo\'n wet?
Paulet.
Zoo is \'t, Mylady! Dat is recht bij ons.
Wat waar is, moet gezegd zijn.
Ma ria.
Nu, Mylord 1
Indien men mij zóo streng naar \'t Engelsch recht
Behandelt, waar dit recht mij onderdrukt,
Waarom dat zelfde landsrecht dan verzuimd,
Als dat ten goede mij kan komen? — Andwoord!
-ocr page 221-
207
Waarom werd Babington niet voor mijn oogen
Gebracht, zooals de Wet gebiedt? Waarom
Mijn schrijvers niet, die toch nog beide leven\'?
Bu rleigh.
Mylady, overijl u niet! Het was
Niet enkel uw komplot met Babington....
Maria.
Dat enkel is de schuld, mij toegedicht,
Waarvoor het zwaard der wet mij dreigt, waarvan
Ik mij moet reinigen. Ik bid, Mylord 1
Blijf bij de zaak en sla geen zijweg in.
Burleigh.
Het is bewezen, dat gij met Mendoza,
Den Spaanschen afgezant, hebt onderhandeld —
Maria {levendig.)
Blijf bij de zaak, Mylord!
Burleigh.
Dat gij een aanslag
Gesmeed hebt tegen de Eerdienst van dit Land,
Dat gij de Koningen van heel Europa
Ten strijd gehitst hebt tegen Engeland.
Maria.
Nu,
Al deed ik dat? — Ik heb het niet gedaan —
Maar ook gesteld, ik deed dat! toch, Mylord!
\'k Blijf tegen alle Volkenrecht gevangen.
Ik kwam niet met het zwaard hier in dit land,
Ik kwam er, weerloos, als een smeekeling
\'t Becht der gastvrijheid eischend, in den arm
Der Koningin, mijn bloedverwant, mij werpend —
Zoo tastte \'t ruw geweld mij aan, bereidde
Mij kluisters, waar \'k bescherming had gewacht!
Spreek op, is mijn geweten tegen Engeland
Gebonden? Lei deez\' Staat verplichting rne op?
Een heilig moeten dringt me als ik deez\' banden
-ocr page 222-
\'208
Te ontworstlen zoek, en macht met macht bestrij\',
Als ik de staten van dit waerelddeel
Beweeg tot mijn bescherming. Al wat ooit
Of ergends in een eerelijken kamp
Echt ridderlijk kan heeten, staat me vrij.
Den moord-alleen, \'t verborgen gruwelstuk,
Verbiedt mijn hoogmoed mij en mijn geweten:
Een moord zou mij bevlekken en onteeren.
Onteeren, zeg ik — maar nog geenszins mij
Doemwaardig aan een vonnis onderwerpen.
Want niet van recht, maar van geweld-alleen
Kan tusschen mij en England sprake zijn.
B u r I e i g h (veelbeteelcenend.)
Beroep u niet op \'t schriklijk recht des sterken.
Mylady! Dat spelt geen gevangene iets goeds.
Ma ria.
Ik ben de zwakke, zij de sterke. — Nu,
Laat zij heur macht gebruiken, en mij dooden,
Laat zij heur veiligheid dat offer brengen!
Maar dan, laat ze ook bekennen, dat bij haar
Het blind Geweld de plaats van \'t Recht bekleedt.
Ze ontleene dan bet zwaard niet aan de Wet,
Om van heur vijandinne zich te ontslaan,
En kleede niet in heilig plechtgewaad
Den bloedige\' overmoed der ruwe sterkte 1
Zulk guichelspel bedrieg\' de waereld niet!
Zij kan mij doen vermoorden, niet doen richten!
Zij geve \'t op, het booze werk der zonde
Te tooien met een huichlend deugdvernis,
En hebbe moed te schijnen wat zij is!
(Zij gaat af.)
ACHTSTE TOONEEL.
BUBLEIGH. PAULET.
Burl eigh.
Zij tart ons, zal ons tarten, Ridder Paulet!
Tot aan ^de trappen van \'t schavot! Die trots
-ocr page 223-
209
Is niet te breken. — Of verraste haar
Het vonnis? Zaagt gij haar een enklen traan
Vergieten? Of verschoot zij zelfs van kleur?
Geen deernis riep zij in. Zij kent te wel
Het aarzelen van Englands Koningin,
En ónze vrees is \'t, wat haar moedig maakt.
Pau let.
Lord schatbewaarder! deze trots zal ras
Verdwijnen, als men hem zijn grond ontneemt.
Want daar zijn onbehoorlijkheên geschied
In dit geding, indien ik \'t zeggen mag.
Men had haar tegen fiabington en Tichburn
Persoonlijk moeten hooren, en haar schrijvers
Gelijk met haar doen treden voor \'t gericht.
B u r 1 e i g h (haastig.)
Neen! Ridder Paulet! Dat was niet te wagen.
Te machtig is haar invloed op de harten,
Te juist de werking van haar vrouwentranen.
Haar schrijver Kurl, indien hij vóór haar stond,
En \'t kwam er toe, het woord nu uit te spreken,
Waaraan haar leven hangt — hij zou het aarzlend
Weerhouden, zijn getuigenis herroepen....
Paulet.
Nu zullen Englands vijanden de waereld
Vervullen met onteerende geruchten,
En al de staatlijke omhaal van \'t proces
Zal niets dan een vermeetle misdaad schijnen.
Burleigh.
Dat juist bekommert onze Koningin !.. ..
Och, of deze onheilstichtster liever toch
Den dood gestorven ware, eer zij den voet
In England zette\'!
Paulet.
Daarop zeg ik Amen.
-ocr page 224-
210
Burleigh.
Of ziekte haar gesloopt hadde in den kerker!
Paulet.
Dat had\' gewis dit land veel leeds gespaard.
Burleigh.
Maar ook al had een toeval der natuur
Haar weggerukt — wij bleven toch de moorders.
Paulet.
Wél waar! Men kan de menschen niet beletten
Te denken wat zij willen.
Burleigh.
Te bewijzen
Waar\' \'t toch niet, en \'t zou minder opspraak wekken —
Paulet.
\'t Mag opspraak wekken! Niet de luide blaam,
Alleen de welgegronde blaam kan grieven.
Burleigh.
Ach, ook de heilige gerechtigheid
Ontgaat den blaam niet steeds. De menigt\' houdt het
Met d\' ongelukkige; de bleeke nijd
Vervolgt altoos \'t geluk dat zegeviert.
Het rechtzwaard, daar de man zich meê versiert,
Is haatlijk in een vrouwenhand. De waereld
Gelooft niet aan de billijkheid der vrouw,
Zoodra een vrouw het offer wordt. Vergeefs
Dat wij, de rechters, eerlijk vonnis strijken.
Zij heeft het vorsten voorrecht der genade,
En dat moet zij gebruiken. Niemand duldt,
Dat zij der Wet heur strengen loop doe volgen!
Paulet.
En alzoo —
-ocr page 225-
211
Burleigh (hem haastig in de rede vallende.)
Alzoo moet zij leven ? Neen!
Zij mag niet leven! Nimmermeer! Juist dit,
Dit is \'t wat onze Koningin beangstigt,
Waarom de slaap haar sponde vliedt. — Ik lees
Den zielstrijd in hare oogen; want haar mond
Durft niet vertolken wat haar harte wenscht,
Maar veelbeteeknend vraagt haar stille blik:
„Is onder al mijn trouwe dienaars niemand,
Die van de bange keuze mij bevrijdt
In eeuwge vrees te siddren op mijn troon,
Of wreed de Koningin, mijn bloedverwante,
Den moordbijl te onderwerpen?"
Paulet.
Dat is nu
De nooddwang, dien geen schepsel kan verandren.
Burleigh.
Dat kón verandren, meent de Koningin,
Zoo maar heur dienaars meer opmerkzaam waren.
Paulet.
Hoe? meer opmerkzaam?
Burleigh.
Als ze een stillen wenk
Wat meer begrepen.
Paulet.
Wat? een stillen wenk?
Burleigh\'.
Als zij, wanneer men hun een valsche slang
Te hoeden gaf, den toebetrouwden vijand
Niet als een kleinood zorgelijk verpleegden.
Paulet (veelbeteekenend.)
Een kostlijk kleinood is de goede naam,
-ocr page 226-
212
Is de onbezoedelde eer der Koningin:
Die kan men niet te wèl bewaken, Sir!
Burleigh.
Toen Shrewsbury gelast werd om de Lady
Te stellen onder Ridder Paulets hoede,
\'t Was met het doel___
Paulet.
Ik wil vertrouwen, Sir!
Het doel was, om de moeielijkste taak
Te stellen in de ridderlijkste handen.
Bij God! ik had dit ambt van stokbewaarder
Wel nooit aanvaard, zoo \'k niet gedacht had, dat
Daar Englands beste man toe noodig was.
Laat mij niet denken, dat iets anders dan
Mijn onbevlekte naam dat ambt mij toewees.
Burleigh.
Men zegge dat zij ziek wordt, laat haar kranker
En kranker worden, eindlijk stil verscheiden!
Zoo sterit zij in de erinnering der menschen —
Uw naam blijft onbevlekt.
Paulet.
Niet mijn geweten!
Burleigh.
Als gij uw eigen hand niet leenen woudt,
Zoo zoudt gij toch eens anders hand niet weeren —
Paulet (hem snel in de rede vallende.)
Geen moordenaar zal ooit heur drempel naadren,
Zoo lang mijn Huisgoön haar bescherming biên!
Haar leven is mij heilig, heilger niet
Is mij het hoofd van Englands Koninginne.
Gij zijt de rechters! Richt dan! Breekt den staf!
En als het tijd is, laat den timmerman
Met bijl en hamer komen om \'t schavot
-ocr page 227-
213
Te stellen — voor den sherif en den beul
Moet ik de poort van mijn kasteel ontsluiten.
Nu is zij ter bewaring me aanvertrouwd,
En zijt gewis, ik zal haar zóo bewaren,
Dat zij geen kwaad kan doen noch kwaad ervaren !
(Zij gaan af.)
TWEEDE BEDRIJP.
Het Paleis te Westminster.
EERSTE TOONEEL.
de graaf van kent en sin william davison ontmoeten elkander.
Da vison.
Zijt gij \'t, Mylord van Kent? Reeds van \'t tornooi
Terug, en is de leestlijkheid ten einde?
Kent.
Hoe ? Woondet gij het Ridderspel niet bij ?
Davison.
Mijn ambt riep me elders.
Kent.
Dan verzuimdet gij
Het schoonste schouwspel, dat ooit goede smaak
Bedacht heeft en kunstvaardigheid volvoerd. —
Weet, daar werd voorgesteld de kuische vesting
Der Schoonheid, hoe zij door \'t Verlangen
Bestormd werd. — De Opperrichter, de Lord Maarschalk,
De Seneschal, met nog tien andre Ridders
Der Koningin, verdedigden de vesting,
En Frankrijks Kavalieren vielen aan.
Vooruit verscheen een bode, die het slot
Manhaftig opeischte in een madrigal.
De Kanselier gaf van den wal het antwoord ;
\'t Geschut begon te spelen, bloemenruikers
-ocr page 228-
214
En kostbare welriekendheden werden
Uit sierlijke kanonnen afgevuurd.
Maar al vergeefs! De storm werd afgeslagen:
\'t Verlangen trok, na ijdle poging, af.
Da vison.
Een onheilspellend teeken, eedle Graaf!
Voor Frankrijks huwlijksaanzoek.
Kent.
Wees gerust,
Het was maar scherts. — Ik denk, in goeden ernst
Zal eindlijk zich de vesting overgeven.
Da vison.
Gelooft gij \'t? Ik geloof het nimmermeer.
Kent.
De moeielijkste artikels zijn alreê
Behandeld en door Frankrijk goedgekeurd.
Monsieur belooft om met gesloten deuren
Zijn Godsdienst te oefenen in zijn kapel,
En opentlijk de Godsdienst van den Staat
Te erkennen en te steunen. Hadt gij \'t juichen
Des volks gehoord, toen zich die maar\' verbreidde!
Want dit was de eindeloze vrees van \'t Land,
Dat kinderloos de Koningin zou sterven,
En England weer in \'s Pausen macht vervallen,
Als Stuart haar moest volgen op den troon.
Da vison.
Die vrees althans is ijdel. Want zij gaat
Naar \'t bruidsvertrek, en Stuart gaat ter dood.
Kent.
De Koningin komt!
-ocr page 229-
215
TWEEDE TOONEEL.
DE vorigen. elizabeth, door leycester opgevoerd, graaf
AUBESPINE, BELUÊVRE, GRAAF SUREWSBURY, I.ORH
burleigh, met nog andere fransche en
engelsche heeren treden op.
Elizabeth (tot Aubespine.)
Graaf! ik beklaag wel zeer dees eedle heeren,
Die, in hun hoflijke\' ijver, over zee
Naar herwaards kwamen, dat zij hier de pracht
Van \'t hof van St.-Germain ontbeeren moeten.
Ik kan zoo schitterende feesten niet
Bedenken als de Koninklijke Moeder
Van Frankrijk. — Een bedaard, gelukkig Volk,
Dat zich, waar ik in \'t openbaar verschijn,
Luid zeegnend bij mijn draaggestoelt\' verdringt,
Dat is het schouwspel, dat ik vreemden oogen
Licht met een weinig hoogmoed toonen kan.
De glans der edel vrouwen en jonkvrouwen
Die in Kathrina\'s schoonheidsgaarde bloeien,
Verduistert, kan het anders? mijn persoon
En needrige verdiensten.
Aubespine.
In Westminster
Trekt éene vrouw slechts aller vreemden oog,
Maar al waardoor het schoon geslacht betoovert,
Is saamvereenigd in die éene vrouw!
Bel liè v re.
Verheven Majesteit van Engeland!
Wil ons vergunnen dat wij oirlof nemen,
En dat wij onzen Koninklijken Meester
Verrassen met de blijmaar\', lang begeerd !
Hem heeft het vurig ongeduld des harten
Niet in Parijs doen blijven: hij verwacht
In Amiens de boden van zijn heil,
En tot Calais toe reiken reeds zijn posten,
Om \'t jawoord, dat uw koninklijke mond
-ocr page 230-
216
Zal spreken, met gewiekte snelheid tot
Zijn oor te dragen, dutzlend van verrukking.
Elizabeth.
\'k Bid, Graaf Belliévre! dring niet verder aan.
\'t Zijn thans geen tijden, ik herhaal het u,
Om \'t vrolijk huwlijksouter aan te steken.
Zwart hangt de hemel boven Engeland,
En \'t rouwfloers was gepaster dracht voor mij
Dan \'t schitterende tooisel eener bruid.
Want weldra dreigt een vreesselijke slag
Mijn hart te treffen en mijn eigen huis.
Belliévre.
Beloof ons dan ten minste Koningin!
Dat gij in blijder dagen toe zult stemmen.
Elizabeth.
De Koningen zijn slaven van hun stand:
Zij mogen de inspraak van hun hart niet volgen.
Mijn wensch was altijd, ongehuwd te sterven,
En daarin had ik steeds mijn roem gesteld,
Dat eenmaal dit mijn grafschrift wezen zou:
„Hier rust de maagdelijke Koningin!"
Maar zie, mijn onderdanen willen \'t niet.
Zij denken nu reeds ijvrig aan den tijd,
Wanneer ik niet meer zijn zal. — Niet voldaan
Met al den zegen dien het heden smaakt,
Begeert het Vaderland, dat ik mij ook
Voor zijn toekomstig welzijn off ren zal.
\'t Begeert, dat ik mijn maagdelijke vrijheid,
Mijn besten schat, wegschenke voor mijn Volk,
En \'t dringt mij ongevraagd een heerscher op.
Het toont mij daardoor, dat ik in zijn schatting
Niets dan een Vrouw ben; en ik meende toch,
\'k Regeerde \'t als een Man, en als een Koning.
Wel weet ik, dat men God niet dient, wanneer men
Den regel der natuur verzuimt; en lof
Verdienen zij, die hier vóór mij regeerden.
-ocr page 231-
217
Dat zij de kloosters openden en duizend
Slachtoffers van een averechtsche Godsdienst
Hergaven aan de plichten der natuur.
Maar toch! een Koninginne, die heur dagen
Niet vruchteloos in ledige overpeinzing
Verslijt, die onverdroten, onvermoeid,
De moeilijkste aller plichten oefent, zij
Moest vrijdom hebben van die harde wet,
Die de eene helft van \'t menschelijk geslacht
Van de eerste helft afhanklijk maakt.
Aubespine.
O Koninginne! Gij hebt elke deugd
Verheerlijkt op den troon — niets blijft u over
Dan dit geslacht, waarvan gij \'t sieraad zijt,
Ook in zijn eigenaardige verdiensten
Als toonbeeld vóór te lichten. Zeker leeft
Geen man op aarde, die het waardig is,
Dat gij voor hem de vrijheid op zoudt offren:
Maar als geboorte, als fierheid, heldendeugd
En mannenschoonheid ooit een sterveling
Die eer kan waardig maken, dan ....
Eli zabe th.
Geen twijfel,
Heer Afgezant! of een verbindtenis
Met een doorluchten Koningszoon van Frankrijk
Zou mij vereeren. Ja, \'k ontveins het niet,
Als \'t wezen moet, als ik niet anders kan,
Dan d\' aandrang van mijn Volk gehoor te geven,
— En \'k vrees wel, dat zal sterker zijn dan ik —
Zoo ken ik in dit waerelddeel geen Vorst,
Wien ik mijn kostelijksten schat, mijn vrijheid,
Met minder tegenstreven offren zou.
Laat die verzeekring u voldoende zijn !
Bellièv re.
Het is de schoonste hoop, maar niettemin
Een hoop slechts is het, en mijn heer wenscht meer.
-ocr page 232-
218
E li z a bet h.
Wat wcnscht hij ?
(Zij trekt een ring van den vinger en beschouwt dien nadenkend.)
Ach! de Koningin heeft boven
Men burgervrouw wel waarlijk niets vooruit.
Uit eigen teeken wijst op d\' eigen plicht,
Op de eigen dienstbaarheid — de ring maakt d\' Echt.
En ringen zijn het, die een keten maken.
— Zoo breng Zijn Hoogheid dit geschenk! Het is
Geen keten nog. \'t verbindt mij nog tot niets,
Maar \'t kan een keten worden die mij bindt.
Belliévre (buigt neder, den ring ontfangende.)
In zijnen naam, verheven Koningin!
Ontfang ik knielend dit geschenk, en kus
Eerbiediglijk de hand van mijn vorstin.
Elizabeth (tot Graaf Leycester, wien zij gedurende hare
laatste woorden onafgewend heeft aangezien
:)
Veroorloof mij, Mylord !
(Zij neemt hem het blauwe lint af, en omhangt er
Belliévre meê.)
Bekleed Zijn Hoogheid
Met dit sieraad, zooals ik u daarmee
Bekleed en plechtig opneem in mijn Orde
Nu, honni soit qui mal y pense! Voor altijd
Verdwijne de argwaan tusschen beide volken,
En snoer\' voortaan een band van vast vertrouwen
De troonen saam van Frankrijk en Brittanje!
Aubespine.
Verheven Koningin! dit is een dag
Der vreugde. Mocht hij \'t allen zijn, en werd
Geen lijdende op dit eiland meer gevonden!
Genade straalt u van het aangezicht:
O! dat een schemer van haar heerlijkheid
Macht schijnen op een treurende vorstin,
Die Frankrijk en Brittannie even na
Ter harte gaat___
-ocr page 233-
219
Elizabeth.
Niet verder, Graaf! Vermeng
Geen twee verscheiden zaken met elkaar.
Als Frankrijk ernstig mijn verbond begeert,
Dan moet het ook mijn zorgen met mij deelen,
En niet de vriend zijn mijner vijanden.
A u b e s p i n e.
"t Zou in uw eigen oog onwaardig handlen,
Wanneer het de ongelukkige, de weduw
Zijns Konings, zijn geloofsgenoot, vergat
Bij dit verbond — reeds de eer alleen gebiedt,
De menschlijkheid verlangt ....
Elizabeth.
In dezen zin
Schat ik zijn voorspraak zeker naar waardij.
Zijn vriendenplicht vervulle Frankrijk, mij
Verblijve \'t om als Koningin te handlen!
(Zij buigt zich voor de Fransche heeren, die zich met de
overige Lords eerbiedig verwijderen.)
DERDE TOONEEL.
ELIZABETH. LEYCESTER. BUBLEIGII. TALBOT.
(De koningin gaat zitten.)
Burleigh.
Roem volle Koningin! gij kroont op heden
De warme wenschen van uw Volk. Eerst nu
Genieten wij den zegenrijken dag,
Dien gij ons schenkt, nu wij niet siddrend meer
Den blik slaan in een onweêrzwart verschiet.
Nog slechts éen kommer weegt er op dit land,
Éen offer is \'t, dat alle stemmen eischen,
Vergun ook dit, en deze zelfde dag
Heeft Englands heil gegrondvest voor altijd!
-ocr page 234-
\'220
Elizabeth.
Wat wenscht mijn volk nog? spreek, Mylord.
Burleigh.
Het eischi
Het hoofd van Stuart. — Als ge uw trouwe volk
\'t Hoogwaard geschenk der Vrijheid en het licht
Der duurverworven Waarheid wilt verzeekren,
Dan moet zij niet meer zijn. — Als wij niet immer
Voor een onschatbaar leven zullen siddren.
Dan moet de vijandin vergaan! — Gij weet,
Niet al uw Britten deelen éene denkwijz\',
Nog duizend\' heimlijke vereerders telt
De Roomsche Afgoderij hier op dit Eiland.
Die allen koestren vijandschap en wraak;
Voor deze Stuart klopt hun hart, zij zijn
In bontgenootschap met Lotharingen.
Met uw geduchtste vijanden! U is
Door deze woedende partij een krijg
Gezworen tot den laatsten droppel bloeds,
En dien men voert met wapenen der hel:
Te Reims, den bisschopsstoel des Kardinaals,
Daar is het tuighuis waar zij bliksems smeden;
Daar wordt de koningsmooid geleerd; van daar
Verzenden ze onophoudlijk naar uw eiland
Hun missionarissen, vermeetle dweepers,
In allerlei gewaad vermomd; van daar
Is reeds de derde moordnaar uitgegaan,
En onuitputlijk, altijd nieuw weer, dagen
Verborgen vijanden dien afgrond uit!
— En in het slot van Fothringhage, zit
Die Ate van dees eeuwgen krijg, die met
De minnetoorts geheel dit Rijk in brand steekt.
Voor haar, die vleiend ieder hope geeft,
Wijdt zich de jeugd den onvermijdbren dood —
De vrijheid haar te geven, is de leus,
Haar op uw troon te zetten, is het doel!
Want dit Lotharingsch ras erkent uw recht niet:
\'t Noemt u een roofster van den troon, alleen
Door \'t lot gekroond! Ook heeft het die dwazin
-ocr page 235-
221
Verleid, zich Englands Koningin te teeknen.
Geen vree met haar, geen vrede met haar stam!
Gij moet den slag óf ondergaan óf geven.
Haar leven is uw dood, haar dood uw leven!
Elizabeth.
Mylord! wel hebt ge een treurig ambt begeerd!
Ik ken den reinen drijfveer van uw ijver,
\'k Weet dat beproefde wijsheid uit u spreekt;
Maar deze wijsheid, die daar spreekt van bloed,
Ik haat haar in het diepste mijner ziel:
Bedenk een zachter middel! . . . . Eedle Lord
Van Shrewsbury! ontvouw gij ons uw meening.
Talbot.
Een welverdienden lof gaaft gij den ijver
Die Burleighs trouwe borst bezielt. — Ook mij,
Al ben ik juist nu zoo welsprekend niet,
Klopt in de borst geen minder eerlijk hart.
O, moogt gij lang nog leven, Koningin 1
De vreugde van uw Volk zijn, en \'t geluk
Des vredes voor dit Koninkrijk verlengen.
Zoo schoone dagen heeft dit Eiland nooit
Gezien, sinds eigen Koningen \'t regeeren.
O, moge \'t zijn geluk nooit met zijn roem
Verkoopen! Moge Talbots oog althands
Gesloten zijn, indien dat moest gebeuren!
Elizabeth.
Beware ons God, dat wij den roem bevlekten!
Talbot.
\'k Wil dan ook op een ander middel peinzen,
Om \'t Bijk te redden — Want de onthoofding van
Maria is een onrechtvaardig middel.
Gij kunt het vonnis over haar niet vellen,
Die u niet onderdanig is.
Elizabeth.
Dan dwaalt
Mijn staatsraad en mijn parlement, dan dwaalt
-ocr page 236-
222
Tot éen toe, elk gerechtshof in dit land,
Want alle kennen \'t Recht eenstemmig toe ... .
Talbot.
Geen stemmenmeerderheid bewijst het Recht!
Dit England is de gantsche waereld niet,
Uw parlement geheel het menschdorn niet,
Het tegenwoordige England niet het Engeland
Der toekomst — ook het vroegere is niet meer —
Al naai\' de neiging wisselt, rijst en daalt
Het wuft getij dei\' openbare Meening.
O, zeg toch niet dat u de nooddwang dreef,
Dat gij moest bukken voor den wil uws Volks!
Zoodra gij wilt, ter ieder oogenblik,
Kunt gij de vrijheid van uw wil ervaren.
beproef het! Zeg, dat ge afschuw hebt van bloed,
En \'t leven van uw zuster redden wilt\\
Toon allen die u anders willen raden,
De oprechtheid van uw koninklijken toorn,
En ras zult gij den nooddwang zien verdwijnen
En \'t recht als ongerechtigheid versmaSn!
Gij zelf moet richten, gij alleen ! Gij kunt
Niet leunen op dit immerwanklend riet!
Geef uw zachtmoedigheid gerust gehoor.
God schiep geen strengheid in \'t aandoenlijk hart
Der vrouw, en ook de stichters van dit Rijk,
Die aan een vrouwenhand, den staf betrouwden,
Zij toonden aan, dat Strengheid niet de deugd
Der Koningin moest wezen in dit land.
Elizabeth.
Hoe Graaf! gij zijt een ijvrig pleitbezorger
"Voor mijne en Englands vijandin? Maar \'k trek
Die raadsliên voor die voor mijn welzijn ijvren.
Talbot.
Geen pleitbezorger gunt men haar! niet éen
Die ooit haar voorspreekt, die uw toornegloed
Durft tarten! Zoo vergun het mij,
Den ouden man, wien aan den rand van \'t graf
Geen aardsche hope meer verleiden kan,
-ocr page 237-
•2-2.\'!
Dat ik de prijsgegevene bescherme!
Men moet niet zeggen, dat in uwen staatsraad
De hartstocht sprak, do baatzucht zich liet hooren,
Alleen barmhartigheid geen stem verhief.
\'t Is alles saamgezworen tegen haar,
Gij-zelf, gij hebt haar aanschijn nooit gezien,
Niets spreekt er voor de vreemdlinge in uw hart.
—  \'k Wil niet gewagen van haar schuld. Men zegt,
Dat zij heur echtgenoot heeft doen vermoorden:
\'t Is waar dat zij den inoordnaar heeft gehuwd.
Een zware misdaad! — Echter, \'t is geschied
In \'t angstig woelen van den burgerkrijg,
Toen zij, de zwakke, zich bestreden zag
Door heftig dringende vazallen, zich
Den allermoedigsten in de armen wierp —
Wie weet door wat al kunsten zij bezweek?
Want een gebrekkig wezen is de Vrouw!
El iz abe th.
De Vrouw is niet zwak! Daar zijn sterke zielen
In haar geslacht — \'k Wil in mijn bijzijn niets
Vernemen van de zwakte mijner kunne.
Talbot.
U was de tegenspoed een strenge school
Nooit keerde \'t leven u zijn licht zij\' toe.
Gij zaagt geen troon van verre — slechts het graf
Was onheilspellend aan uw voet ontsloten.
Te Woodstock was \'t en in des Towers nacht,
Dat u \'s lands vader onder droefenis
Heeft opgevoed voor uw verheven plicht.
Daar zochten u de vleiers niet. Vroeg leerde
Door \'t wuft gedruisch der waereld niet verstrooid,
Uw geest nadenkend in zich-zelf te keeren,
Te streven naar het éenig Ware Goed.
—  Deze arme heeft geen God gered. Als kind
Werd zij verplaatst naar Frankrijk, aan het Hof
Der dartle vreugd, der onnadenkendheid.
Daar, in den roes der eindeloze feesten,
Drong nooit de stem der waarheid tot haar dooi.
De glans der schittrende ondeugd blindde haar;
-ocr page 238-
224
Verdorvenheid sleepte als een stroom haar meê.
Het ijdel goed der schoonheid was haar deel,
Zij overstraalde bloeiend alle vrouwen,
En door gestalt\' niet minder dan geboort. . . .
E 1 i z a b e t h.
Kom tot u-zelf, Mylord van Shrewsbury!
Wij zijn hier ernstig in den raad bij-éen.
Dat moet een schoonheid zonder weerga zijn,
Die van zulk vuur een grijsaard kan doen gloeien.
—  Mylord van Lester! gij alleen zwijgt stil?
Wat hun welsprekend maakt, doet u verstommen\'.\'
Leycester.
Ik zwijg hier van verbazing, Koningin!
Dat men aldus uw oor met schrik vervult,
Dat deze sprookjens, die in Londens straten
Geloove vinden bij het wuft gemeen,
Zich toegang banen midden in uw raadzaal,
En wijze mannen ernstig bezighouden.
Verwondering bestormt mij, ik beken \'t,
Dat deze Koninginne zonder land,
Die zelfs heur eigen kleinen zetel niet
Te hoeden wist, de spot van haar vazallen,
De machtloze verworpling van haar Volk,
Op eens uw schrik wordt, in haar kerkerboeien!
—  Wat toch, bij God! wat maakt haar u verschriklijk.\'
Dat ze aanspraak op dit Rijk maakt? dat de Guisen
U niet erkennen als hun Koningin?
Kan deze tegenspraak der Guisen \'t recht
Te niet doen, dat geboort u gaf, en de uitspraak
Der Parlementen u bevestigd heeft?
Is zij dan niet door Hendriks laatsten wil
Stilzwijgend afgewezen? En zal England,
Zoo zalig in \'t genot van \'t nieuwe licht,
Misschien zich der Papiste in de armen werpen?
Van u, zijn aangebeden Monarchin,
Tot Darnleys moordenaarster overloopen?
Wat willen toch die rusteloze menschen,
Die bij uw leven met uw erfgenaam
U kwellen en vermeenen niet te vroeg
-ocr page 239-
225
U tot het huwlijksjuk te kunnen dwingen,
Om Staat en Kerk te redden van gevaar?
Bloeit niet uw jeugd in al heur frissche kracht\'?
Helt de andre niet, verwelkt, steeds meer naar \'t graf?
Bij God! naar \'k hope, zult gij op hare asch
Nog vele jaren wandlen, zonder dat
Het noodig is, dat gij haar zelf doet vallen.....
Burleigh.
Lord Lester heeft niet immer dus geoordeeld.
Leycester.
\'t Is zeker waar, \'k heb vóór haar dood gestemd:
Maar dat was in de Rechtbank. — In den Raad
Spreek ik natuurlijk anders. Hier is niet
"Van \'t recht, maar enkel van het voordeel sprake.
Is \'t nu de tijd gevaar van haar te duchten,
Nu Frankrijk haar verlaat, haar laatste steun,
Nu gij den zoon des Konings met uw hand
Vereeren wilt, en dus de hoop herleeft
In England op een nieuwe dynastie?
Waarom haar dan te dooden? Zij is dood!
Verachting is de ware dood. Men zorge,
Dat niet de deernis haar in \'t leven roep\'!
Alzoo is dit mijn raad: men late \'t vonnis,
Dat haar tot sterven doemt, in volle kracht!
Zij leev\'! maar leve als onder \'t zwaard des beuls,
En als een arm zich voor haar wapent, valle \'t!
Elizabeth (staat op.)
Mylords, \'k heb uw gevoelens nu gehoord,
En \'k dank u voor uw ijver. — Met de hulpe
Des Heeren, die de Koningen verlicht,
Wil ik uw gronden ernstig overwegen,
En kiezen wat mij \'t allerbeste dunkt.
IX.
ia
-ocr page 240-
\'2-26
VIERDE TOONEEL.
DE VORIC.EN. RIDDER PAULET met MORT1MER.
El izabe th.
Daar komt Amias Paulet. Eedle heer,
Wat brengt gij ons?
Paulet.
Roemruchte Majesteit!
Mijn neef, zoo even van zijn verre reizen
Teruggekeerd, buigt aan uw voeten neder,
En stelt zijn jeugd eerbiedig u ten dienst.
Ontfang hem in genade, en laat, kan \'t zijn,
Hem wassen in het zonlicht uwer gunst!
Mortimer (buigt zich op de knie ter neder.)
Lang leve mijne Koninklijke Vrouw,
En heil en glorie moog\' beur hoofd omstralen !
Elizabe t h.
Sta op, en zijt mij welkom, Sir! in England.
Gij hebt een langen weg gemaakt, hebt Frankrijk
Doorreisd, zaagt Rome, en hebt te Rheims vertoefd.
Zoo spreek, wat broeden onze vijanden?
Moi\'timer.
De Heer verwarre hen! en doe de pijlen,
Die op mijne eedle Koningin gemunt zijn,
Wefirkeeren op de borst van die ze schiet!
Elizabet h.
Gij hebt ook Morgan, en den sluwen Bisschop
Van Rosse ontmoet?
Mortimer.
Ik leerde ze allen kennen,
De Schotsche ballingen, die in dat Rheims
Hun snoode ontwerpen smeeden tegen England.
-ocr page 241-
\'227
Ik wist in hun vertrouwen me in te dringen,
Of ik hun werken ook ontdekken mocht!
Pau let.
Geheime brieven heeft men hem vertrouwd,
In cijfers, voor de Koningin van Schotland,
Die hij met trouwe hand ons overlevert.
Elizabeth.
Nu zeg, wat zijn hun allerjongste plannen?
M o r t i m e r.
Het trof hen allen als een donderslag,
Dat Frankrijk haar verlaat, een vast verbond
Met England sluit; (hands vesten zij hun hoop
Op Spanje.
Elizabeth.
Zoo bericht mij Walsingham.
M o r t i in e r.
Een bulle ook, die Paus Sixtus dezer dagen
Van \'t Vatikaan nêerslingerde op uw hoofd,
Kwam, toen ik Rheims verlaten zou, daar aan:
\'t Eerstvolgend schip zal haar naar England brengen.
L ey ces te r.
Die wapens doen ons eiland niet meer siddren.
Burleigh.
Zij worden schriklijk in des dweepers hand.
Elizabeth (Mortimer uitvorschend aanziende.)
Gij zijt beschuldigd, dat ge in Rheims de scholen
Bezocht en uw geloof hebt afgezworen?
Mortimer.
Dien rol heb ik gespeeld, \'k ontken het niet,
Zoo ver\' ging mijn begeerte om u te dienen!
-ocr page 242-
228
Elizabeth (tot Paulet, die haar eenige papieren overreikt.)
Wat haalt gij daar te voorschijn ?
Paulet.
\'t Is een schrijven,
Dat u de Koningin van Schotland zendt.
Burleigh (haastig daar naar grijpend.)
Geef mij den brief.
Paulet (geeft het papier aan de Koningin.)
Vergeef, Heer Schatbewaarder!
In de eigen handen onzer Koningin
Beval zij mij deez\' lettren neer te leggen.
Zij zegt, dat ik haar vijand ben: ik ben
Alleen de vijand van haar misdaan. — Gaarne
Sta \'k haar ten dienst, zoo ver mijn plicht het duldt.
(De koningin heeft den brief genomen. Terwijl zij hem
leest, wisselen Mortimer en Leycester heimelijk
eenige woorden met elkander.)
Burleigh (tot Paulet.)
Wat kan die brief bevatten? ijdle klachten,
Waarmee men liefst het teergevoelig hart
Der Koningin niet kwellen moest.
Paulet.
Wat hij
Bevat, hield zij mij niet geheim. Zij smeekt
Het voorrecht af, om eenmaal \'t aangezicht
Der Koningin te zien.
Burleigh (haastig.)
Dat nimmermeer!
Talbot.
Waarom niet? Wat zij vraagt, is niets onbillijks!
Burleigh.
De gunst het Koninklijk gelaat te zien,
Heeft zij verbeurd, de moordberaamster! zij,
-ocr page 243-
229
Die dorstte naar het bloed der Koningin.
Wie \'t eerlijk meent met zijn vorstin, die kan
Dien valsch verraderlijken raad niet geven.
Talbot.
Als onze Koningin haar beê wil hooren,
Zoudt gij dan d\' aandrift der genade stuiten?
Burl eigh.
Zij is gevonnisd! onder \'t beulenzwaard
Ligt zij gebukt. Het is der Majesteit
Onwaardig \'t hoofd, den dood gewijd, te aanschouwen.
Het vonnis kan niet meer voltrokken worden,
Wanneer tot haar de Koningin genaakt:
De toegestoken scepter spelt genade.
Elizabeth (nadat zij den brief gelezen heeft, hare tranen
droogende.)
Wat is de mensch 1 wat is \'t geluk der aarde 1
Wat kwam het ver met deze Koningin,
Die eenmaal met zoo trotsche hoop begon,
Die tot den oudsten troon der Christenheid
Geroepen werd, die in heur droomen reeds
Drie kroonen had vereenigd op heur kruin!....
Wat voert zij nu een andre taal, dan toenmaals,
Toen ze Englands wapen aangenomen had,
En door heur vleiers zich als monarchinne
Der twee Britsche Eilanden begroeten liet!
— Vergeeft, Mylords! het snijdt mij door de ziel,
De weemoed grijpt mij aan, mijn harte bloedt,
Dat \'s waerelds goed zoo wankelt, dat het lot
Der menschheid, het ontzettende, zoo dicht
Voorbijgaat langs mijn eigen siddrend hoofd.
Talbot.
O Koningin! God heeft uw hart geroerd!
Die indruk is van Boven, doof hem niet!
Wel heeft zij zwaar de zware schuld geboet:
\'t Is tijd dat nu de harde proeftijd endt!
Beik haar de hand, der diepgevallen zuster!
-ocr page 244-
230
Daal als een lichtende engelenverschijning
Ter neder in haar donker kerkergraf!
Burleigh.
Sta pal, verheven Koningin! Laat niet
Een prijzenswaardig menschelijk gevoel
U in verwarring brengen. Roof u-zelf
De vrijheid niet om \'t noodige te doen.
Gij kunt haar niet genadig zijn, niet redden,
En daarom breng den smaad niet over u,
Dat gij met wreed bespottenden triomf
Op d\' aanblik van uw offer u vergasttet!
Leycester.
Bewaart de grenzen der bevoegdheid, Lords!
De Koningin is wijs, en onzen raad
Behoeft zij niet om \'t waardigste te kiezen.
De ontmoeting dezer beide Koninginnen
Heeft met den loop der rechtszaak niets gemeen.
\'s Lands wet, en niet de wil der Monarchie
Veroordeelt deze Stuart. Waardig is \'t
Der groote ziele van Elizabeth,
Dat zij des harten edele inspraak volgt,
Wanneer de wet heur strengen loop behoudt.
Elizabeth.
Gaat, gaat, Mylords! Wij zullen middlen vinden,
Om wat genade vordert, met den eisch
Van plichtgevoel betaamlijk te vereenen.
En nu, vaartwel!
(De Lords gaan. Aan de deur roept zij Mortimer terug.)
Sir Mortimer! een woord!
VIJFDE TOONEEL.
ELIZABETH. MORTIMER.
Elizabeth (nadat zij hem eenige oogenblikken vorscheml
heeft opgenomen.)
Gij toonde een koenen moed, een zelfbeheersching,
Die boven uwe jaren is verheven.
-ocr page 245-
234
Wie reeds zóo vroeg de kunst der veinzerij
Heeft aangeleerd, is mondig vóór den tijd,
En is de school der jonkheid snel ontwassen.
— Het noodlot roept u tot een grootsche baan:
Ik profeteer het u, en mijn orakel
Kan ik ook zelf, tot uw geluk, vervullen!
M o r t i m e r.
Verhevene Gebiedster! wat ik ooit
Vermag en ben, is u ten dienst gewijd.
El izabet h.
Gij leerdet Englands vijanden doorgronden.
Hun hart is onverzoenlijk jegens mij.
En onuitputlijk zijn hun moordnaarsplannen.
De Almachtige heeft mij behoed tot heden,
Maar altijd wankelt op mijn hoofd de kroon,
Zoolang zij leeft, die aan hun dweepende\' ijver
Een schijngrond geeft en hun verwachting voedt.
Mortimer.
Zij leeft niet meer, zoodra gij het gebiedt.
Eli zabeth.
Ach, Sir! ik waande d\' eindpaal reeds bereikt,
En \'k ben niet verder dan aan \'t eerst begin.
Ik wilde alleen de wetten laten handlen,
Mijn handen niet met bloed bezoedeld zien.
Het vonnis is geveld. Wat baat het mij *?
Het moet voltrokken worden, Mortimer!
En ik moet die voltrekking aanbevelen.
De daad, en dus de haat, komt steeds op mij\'.
Ik steeds moet haar gebieden, en den schijn
Kan \'k niet bewaren: dat is \'t allerergste!
Mortimer.
Wat zoudt ge u om den bozen schijn ontrusten,
Indien de zaak rechtvaardig is?
Eli zabeth.
Gij kent
De waereld niet, Heer Ridder! Wat men schijnt,
-ocr page 246-
232
Heeft elk tot rechter, wat men is, niet éen.
\'k Zal van mijn rechten niemand overtuigen,
En daarom moet ik zorgen dat mijn deel
Aan haren dood een eeuwig raadsel blij ve.
Bij zulke daden van een dubblen aart,
Is donkerheid het allerbeste schild.
Uitkomen voor een stap, is de ergste misstap:
Wat men niet opgeeft, heeft men nooit verloren.
Mor timer (uitvor schend.)
\'t Zou dan wel \'t beste zijn....
E1 i z a b e t h (haastig.)
O, \'t waar\' gewis
Het beste! — Mijn beschermende Engel spreekt
Uit u. Ga voort, voleindig, waarde Sir!
U is het ernst, gij dringt stoutmoedig door:
Een man gants anders dan uw oom zijt gij!
M o r t i m e r (verwonderd.)
Ontdektet gij den Ridder uwen wensch?
Elizabeth.
Mij rouwt dat ik het deed.
M o r t i m e r.
Ontschuldig toch
Den ouden man. De jaren maken hem
Omzichtiger. Een waagstuk van dien aart
Eischt d\' overmoed der jonkheid. ..
Elizabeth (haastig.)
Mag ik u . .
M o r t i ni e r.
De hand wil ik u leenen, red den naam,
Zooals gij kunt___
Elizabeth.
Ja, Sir! wanneer gij mij
Op zeekren morgen met de boodschap wekt,
-ocr page 247-
238
Uw vijandin ter dood, Maria Stuart,
Is heden nacht verscheiden....
M o r t i m e r.
Bouw op mij!
Elizabeth.
Wanneer leg ik het hoofd gerust te slapen?
M o r t i m e r.
Als \'t nieuwe maan is, heeft uw kommer uit.
Elizabeth.
— Het ga u wél, Sir! Laat het u niet smarten
Dat mijn erkentlijkheid het floers der nacht
Gebruiken moet. — Het Zwijgen is van ouds
De Godheid der gelukkigen, en \'t zijn
De nauwste banden, die \'t Geheim bezegelt!
{Zij gaat af.)
ZESDE TOON E EL.
mortimer, alleen.
Ga, valsche! ga, schijnheilige Vorstin!
Zooals gij de Aard bedriegt, bedrieg ik u.
Wie u verraadt, is in zijn recht, doet goed.
Zie ik er als een moordnaar uit? Laast gij
Beginselloze veilheid op mijn voorhoofd?
Vertrouw maar op mijn arm en houd den uwe
Terug! Draag vrij het Farizeesche mom
Der vroomheid voor de waereld. Midderwijl
Gij heimlijk op mijn moordnaarsbijstand hoopt,
Zal ik een kostbren tijd ter redding winnen.
— Verheffen wilt gij mij? — Gij toont van ver
Me een kostbre prijs — welnu, al waart gij zelf
Die prijs, bij \'t blaken uwer vrouwengunst,
Wie zijt gij, armste? en wat toch kunt gij geven?
Geen dorst naar roem doortintelt mijn gemoed!
Bij haar alléén is levensgloed:
-ocr page 248-
234
Bevalligheên en zoete vreugden zweven
In eeuwge jeugd gevleugeld voor haar schreèn —
O, aan heur borst zijn hemelzaligheên,
Gij hebt slechts doode schatten te begeven !
De hoogste vrucht, van \'s Levens boom geplukt,
Wanneer een hart, verrukkende en verrukt.
Een hart zich wijdt in zalig zelfvergeten,
De kroon der Vrouwe, hebt gij nooit bezeten,
Nooit heeft voor u uit liefde een man gebukt!
— Ik moet den Lord verwachten, \'k moet haar brief
Hem overgeven. Een gehate last!
Ik voel niets voor den sluwen hoveling.
Ik kan alleen, ik wil haar redder zijn,
Gevaar en roem en ook de prijs zij mijn\'!
(Terwijl hij gaan wil, ontmoet hem Paulet.)
ZEVENDE TOONEEL.
MORTIMER. PAULET.
Paulet.
Wat zeide u toch de Koningin\'?
Mortimer.
Niets, sir!
Niets — van belang.
Paulet (ziet hem aan met een ernstigen blik.)
Nu luister, Morlimer!
Het is een glibbrig pad, waarop ge u waagt.
Verlokkend is de koninklijke gunst,
De dorst naar glorie is een strik der jeugd.
— Ei, laat u toch door de eerzucht niet verleiden!
Mortimer.
En hebt gij-zelf mij niet aan \'t Hof gebracht?
Paulet.
Ik wenschte, ik had het niet gedaan. Aan \'t Hof
-ocr page 249-
235
Bloeit voor ons huis de palm der eere niet.
Sta vast, mijn neef! En koop toch niet te duur!
Ontheilig uw geweten nietl
Morti mer.
Wat meent gij? wat bezorgdheid grijpt u aan?
Pa ui et.
Wat grootheid u de Koningin beloove,
Vertrouw haar honigzoete woorden niet!
Zij zal, als ze u gebruikt heeft, u verloochnen;
En, om haar eigen naam van smet te zuivren,
De misdaad wreken die zijzelf gebood.
Moiiimer.
De misdaad zegt gij ?
Paulet.
Spaar die veinzerij!
\'k Weet wat de Koningin u blies in de ooren:
Zij hoopt dat de eerzucht van uw jonkheid meer
Gedienstig zijn zal dan mijn stugge grijsheid.
En hebt gij haar beloofd? Hebt gij?___
M o r t i m e r.
Mijn oom!
Paulet.
Als gij \'t gedaan hebt, zoo vervloek ik u,
En u verwerpe___
Leycester (komt.)
Gun mij, waarde sir!
Een woord tot uwen neef. De Koningin
Is hem bijzonder wel gezind, zij wil
Dat men hem de persoon van Lady Stuart
Gants onvoorwaardlijk toevertrouw\'. — Zij rekent
Op zijn rechtschapenheid. —
Paulet.
Zij rekent — Goed!
-ocr page 250-
236
Leycester.
Wat zegt gij, sir!
Paulet.
De koninginne rekent
Op hem, en ik, Mylord! ik reken op
Mij-zelf en op mijn beide waakzame oogen,
(Hij gaat af.)
ACHTSTE TOONEEL.
LEYCESTER. MORTIMER.
Leycester (verwonderd.)
Wat schortte Ridder Paulet?
M o r t i m e r.
\'k Weet het niet.
\'t Vertrouwen plotsling door de Koningin
In mij gesteld___
Leycester (hem uitvorschend aanziende.)
Verdient gij dat men u
Vertrouwt, heer Ridder?
Mor timer (evenzoo.)
\'k Richt dezelfde vraag
Tot u, mylord van Lester!
Leycester.
Gij hadt iets
Mij in \'t geheim te zeggen.
Mor timer.
Geeft mij eerst
Verzekering dat ik het wagen mag.
Leycester.
Wie geeft mij die verzekering van u?
-ocr page 251-
237
— Vergeef het mij, zoo ik wantrouwig ben!
Ik zie u tweërlei gezichten toonen
Hier aan dit Hof. — Een van die twee, natuurlijk,
Is valsch: maar welk mag wel het ware zijn?
M o r t i m e r.
Het gaat mij evenzoo met u, graaf Lesterl
Leycester.
Wie zal nu \'t eerste zijn vertrouwen schenken\'.\'
M o r t i m e r.
Die \'t minste heeft te wagen.
Ley ces ter.
Dat zijt gij!
Mortimer.
Gij zijt het! Uw getuigenis, het woord
Des machtigen, des invloedrijken Lords,
Kan mij verpletten: \'t mijne, daarentegen,
Is nietig tegen uwen rang, uw gunst.
Leycester.
Gij dwaalt, sirl Machtig in elk ander opzicht,
Ben ik juist op dit éene teêre punt,
Dat ik aan uw vertrouwen bloot zou geven,
Misschien de zwakste man aan heel dit Hof,
En kan een nietig woord mijn val bewerken.
Mortimer.
Wanneer een alvermogende lord Lester
Zóo diep tot mij zich neerbuigt, dat hij mij
Zulk een bekentnis doet, dan mag ik wel
Een weinig hooger van mij-zelven denken,
En in grootmoedigheid zijn voorbeeld zijn.
Leycester.
Ga me in vertrouwen voor, en ik zal volgen.
-ocr page 252-
238
Mor timer (den brief haastig te voorschijn halende.)
Dit zend de Koningin van Schotland u.
Leycester (verschrikt en grijpt snel naar den brief.)
Spreek zacht, sir! Ach, wat zie ik? \'t Is haar beeld.
(Hij kust het en beschouwt het met sprakeloze verrukking)
Mortimer (die hem gedurende het lezen aandachtig opneemt.)
Lord! nu geloof ik u.
Leycester (nadat hij den brief vlug doorloopen heeft.)
Sir Mortimer!
Gij weet den inhoud van dees brief?
Mortimer.
\'k Weet niets.
Leycester.
Nu! Zonder twijfel heeft zij u vertrouwd....
Mortimer.
Zij heeft mij niets vertrouwd. Zij wees me op u,
Als die het raadsel mij verklaren zou.
Een raadsel is het mij, dat Graaf van Lester,
De gunstling van Elizabeth, Maria\'s
Verklaarde vijand, éen zelfs van haar rechters,
De man zou zijn, van wien de Koningin
De redding uit heur nood verwacht. — En toch
Moet dat zóo wezen, want uwe oogen spraken
Te duidlijk uit wat gij voor haar gevoelt.
Leycester.
Ontdek mijzelf eerst, hoe het komt dat gij
Met zooveel geestdrift deel neemt in haar lot,
En hoe gij haar vertrouwen wont!
Mortimer.
Mylord!
Met weinig woorden kan ik dat verklaren.
Ik zwoer mijn Kerkgeloof in Romen af,
En sta nu met de Guisen in verbond.
-ocr page 253-
239
De Aartsbisschop heeft uit Rheims bij eigen schrijven
Bij Schotlands Koningin mij aanbevolen.
Leycester.
Ik weet van uw geloofsverandering:
Zij is \'t, die mijn vertrouwen te uwaard wekte.
Geef mij de hand. En zoo ik twijfelde,
Vergeef me! Ik kan hier niet te omzichtig zijn.
Want Walsingham en Burleigh haten mij:
Ik weet, dat zij mij loerend strikken spannen.
Gij mocht somtijds — wie weet! — hun werktuig zijn,
Dat me in den kuil wil lokken....
Mortimer.
Hemel! met
Wat kleine schreden gaat zoo groot een Heer
Hier aan dit Hof! \'k Beklaag u hartlijk, Graaf!
Leycester.
Ik werp met vreugd mij aan de borst eens vriends,
Waar \'k eindlijk van den langen dwang heradem.
Gij zijt verwonderd, sir! dat ik zoo ras
Verwissel van gezindheid voor Maria.
Nooit heb ik waarlijk haar gehaat — de nood
Der tijden maakte mij heur weêrpartijder.
Zij was mij toegedacht sints vele jaren,
Gij weet, eer zij de hand aan Darnley gaf,
Als nog de glans der glorie haar omstraalde.
\'k Heb dat geluk koelzinnig toen versmaad,
En nu, in banden, aan de poort des doods,
Zoek ik haar op, en met gevaar mijns levens.
Mortimer.
Dat heet grootmoedig handelen!
Leycester.
De stand
Der zaken, Sir! is midderwijl veranderd.
Mijn eerzucht was \'t, die mij gevoelloos maakte
Voor jeugd en schoonheid, \'k Vond Maria\'s hand
Te weinig, \'k droomde toenmaals van \'t bezit
Van Englands Koninginne.
-ocr page 254-
240
Mortimer.
\'t Is bekend,
Dat ze u de voorkeur boven allen gaf.
Leycester.
Zoo scheen het, eedle Sir! en nu, na tien
Verloren jaren van een nutloos dingen,
Van een gevloekten dwang.... O Sir, mijn hart gaat open!
\'k Moet van mijn langen wrevel mij ontlasten.
Gelukkig prijst men mij. ... O, zoo men wist,
Om welke ketenen men mij benijdt 1
Nadat ik nu tien bittre jaren lang
Aan d\' afgod harer ijdelheid gerookt heb,
Mij elke wissling harer sultansluimen
Lalhartig onderwierp, het speeltuig was
Van grillige en kleingeestige eigenbaat,
Nu eens geliefkoosd door haar teederheid,
Dan weer met trotsche preutschheid afgestoten,
Gemarteld door haar gunst en ongunst beide,
Als een gevangene door de argus-oogen
Der jaloezy bespied, nu als een knaap
Genomen in \'t verhoor, dan als een knecht
Gescholden .... O, de menschelijke taal
Heeft voor die Hel geen woord!
Mortimer.
\'k Beklaag u. Graaf!
Leycester.
Nu nog ontgaat me aan \'t doel de prijs! Een ander
Ontfutselt mij de vrucht van al mijn zwoegen.
Ach, aan een jongen, bloeiende\' echtgenoot
Verlies ik eensklaps mijn verjaarde rechten!
\'k Moet nederdalen van het schouwtooneel,
Waar ik zoolang als de eerste heb geschitterd.
Niet slechts heur hand, maar ook heur gunst meteen.
Dreigt mij die nieuweling op eens te ontrooven.
Zij is een vrouw, en hij is zeer beminlijk.
Mortimer.
Hij is Kathrina\'s zoon. In goede school
Heeft hij de kunst der vleierij geleerd.
-ocr page 255-
241
Leycester.
Zoo falen mijn verwachtingen ! .. . . Ik zoek
In deze schipbreuk der fortuin een plank
Te grijpen — en van zelve keert mijn oog
Zich weer naar \'t licht der eerste, zoetste hoop.
Maria\'s beeld, in al haar lieflijkheid,
Verrees me op nieuw, en jeugd en schoonheid beide
Hernamen als om strijd beur volle rechten.
Geen ijskoude eerzucht meer, \'t hart vergeleek,
En \'k voelde wat kleinood ik heb verloren.
Met vreeze zie ik haar in diepe ellend
Ter neergestort, ach, door mijne eigen schuld !
Nu is in mij de hoop ontwaakt, of ik
Misschien haar nog kan redden en bezitten!
\'t Gelukte mij door een getrouwe hand
\'t Verandren van mijn hart haar te openbaren ;
En deze brief, dien gij mij overbracht,
Verzekert mij, dat zij vergeveu heeft,
Dat zij de mijne wordt, als ik haar redde.
Mortimer.
Toch hebt gij tot haar redding niets gedaan!
Gij liet het toe dat zij veroordeeld werd,
Ja, gij, gij-zelf, hebt voor haar dood gestemd!
Een wonder moet geschiên! Het licht der waarheid
Moet mij, den neef van haar bewaker, treilen:
In \'t Vatikaan te Romen moet de hemel
Haar d\' onverhoopten redder toebereiden,
Of zelfs tot w vond zij niet eens den weg!
Leycester.
Ach, Sir! het heeft mij smarts genoeg gekost!
Ter zelfder tijd werd zij van Talbot\'s slot
Vervoerd naar Kothringhage, en onder \'t opzicht
Gegeven van uw onbarmhartige\' oom.
Versperd werd elke weg tot haar: ik moest
Voor \'t oog der waereld haar vervolger blijven;
Maar waan toch nimmer, dat ik lijdlijk haar
Ter dood had laten voeren! Neen, ik hoopte,
Nog hoop ik steeds, het uiterste af te wenden,
Tot ik het middel harer redding vind\'!
IX.                                                                                                               10
-ocr page 256-
•242
Mortimer.
Dat is gevonden. Lester! Uw vertrouwen,
Zoo edel, is liet mijne waard. Ik-zelf
Wil haar bevrijden : daarom ben ik hier.
De voorbereidsels zijn gemaakt. Uw bijstand,
Zoo machtig, staat ons voor den uitslag borg.
Leyces t er.
Wat zegt gij? Gij verschrikt mij. Hoe? Gij wildet . .. .
Mortimer.
\'k Wil met geweld haar kerkerdeur ontsluiten.
Ik heb mijn helpers, alles is gereed....
L e y c e s t e r.
Gij hebt meèweters en vertrouwden? Wee mij!
In welk een waagstuk toch sleept gij mij meê?
En dezen weten ook van mijn geheim ?
Mortimer.
Bedaar! het plan werd buiten u ontworpen,
"t Wierd buiten u volvoerd, zoo zij er niet
Op staan bleef haar verlossing u te danken.
Leyces ter.
Gij kunt dus in oprechtheid mij verzeekren,
Dat gij mijn naam verzweegt in uw verbond?
Mortimer.
Vertrouw daarop. Hoe zoo angstvallig, Graaf!
Waar u een wisse hulp wordt toegezegd?
Gij wildet Stuart redden en bezitten,
Daar komen vrienden, plotsling, onverwacht,
De middlen dalen uit den Hemel neer —
Toch toont gij meer verlegenheid dan vreugde?
Leycester.
Geen woest geweld is hier van nut. Het waagstuk
Is te gevaarlijk. •
Mortimer.
Dat is \'t aarzlen ook.
-ocr page 257-
243
L e y c e s t e r.
Ik zeg u, Ridder! neen, \'t is niet te wagen.
M orti m e r (bitter.)
Neen, niet voor u, die haar bezitten wilt.
Wij wenschen haar alleen te redden: dies
Zijn wij zoo aarzlend niet.
L e y c e s t e r.
Jonkman, gij zijt
Te haastig in zoo netelig een zaak.
Mortimer.
Gij — zeer voorzichtig in zoo\'n zaak van eer.
L e y c e s t e r.
Ik zie de netten, die alom ons dreigen.
Mortimer.
Ik voel de kracht, om ze alle stuk te scheuren.
L e y c e s t e r.
Die moed is overmoed, is razernij.
Mortimer.
Die wijsheid is geen dapperheid, mylord.
Leycester.
U lust het lot van Babington te deelen.
Mortimer.
U niet Norfolks grootmoedigheid te volgen.
Leycester.
Norfolk heelt nooit zijn bruid als g;t begroet.
Mortimer.
Hij heelt bewezen, dat hij \'t waardig was.
Leycester.
Als wij vergaan, dan slepen wij haar meê.
-ocr page 258-
244
M o r t i m e r.
Als wij ons-zelf ontzien, blijft ze ongered.
L e y c e s t e r.
Gij overlegt niet, hoort niet, gij zult alles
Bederven door uw blinde onstuimigheid,
Wat op zoo goeden weg begonnen was.
M o r t i ra e r.
Den goeden weg misschien, dien gij gebaand hebt\'.\'
Wat hebt gij dan gedaan om haar te redden ?
— En hoe? had ik de schurkenstreek begaan,
En haar vermoord, gelijk de Koningin
Mij aanried, en gelijk zij op dit uur
Van mij verwacht — ei, noem de voorzorg op,
Waardoor gij haar het leven hadt behouden ?
Leycester. (verbaasd.)
Gaf u de Koningin dit moordbevel?
Mo r t i m er.
Zij tastte mis in mij, gelijk Maria
In u.
Leycester.
En hebt gij \'t haar beloofd? Hebt gij?
M o r t i m e r.
Opdat zij soms geen ander om zou koopen,
Bood ik mijn hand aan.
Leycester.
Gij hebt wèl gedaan.
Dat kan ons ruimte geven. Zij verlaat
Zich op uw dienst, het vonnis van den dood
Blijft onvnltrokken, en wij winnen tijd.
Mortimer (ongeduldig.)
Neen, wij verliezen tijd.
Leycester.
Zij bouwt op u!
Te minder zal zij aarzlen voor de waereld
-ocr page 259-
\'245
Zich-zelf den schijn te geven van genade.
Misschien dat ik door list haar overreed,
Het aangezicht der vijandin te zien,
En deze stap moet haar de handen binden;
Want Burleigh heeft gelijk, het vonnis heeft
Geen kracht meer als ze elkander eens ontmoetten.
— \'k Beproef het, ja, \'k zet alles op het spel....
M o r t i m e r.
Wat zult gij daarmee winnen\'? Als zij straks
Met mij bedrogen uitkomt, als Maria
Blijft leven — is niet alles als voorheen\'.\'
Vrij wordt zij nooit! Het zachtste lot, dat haar
Kan wachten, is een kerker voor haar leven!
Toch moet gij met een heldendaad besluiten,
Waarom er dan niet aanstonds meè begonnen?
De macht is in uw handen, gij vergaart
Een heirmacht, reeds alleen als gij den adel
Op uw ontelbre sloten waapnen wilt!
Maria heeft nog veel geheime vrienden:
En Howards edel huis en dat van Percy,
Al zijn hun hoofden ook gevallen, zijn
Nog rijk aan helden, en verbeiden slechts
Het voorbeeld door een machtig Heer te geven.
Geen veinzerij! Kom eerlijk voor den dag!
Verdedig als een Ridder de geliefde,
Aanvaard voor haar een eedlen strijd! Gij hebt
De Koningin, zoodra gij wilt, gevangen.
Lok haar op uw kasteelen! meer dan eens
Is zij u daar gevolgd, Daar toont ge u man,
Daar spreekt ge als haar gebieder, en zij blijft
In gijzling, tot zij Stuart vrij verklaart!
Ley eest er.
\'k Verbaas mij, ik ontzet mij! Werwaards toch
Vervoert de waanzin u? Kent gij dit land?
Weet gij hoe \'t aan dit hof staat? en hoe eng
Dit vrouwenrijk de geesten houdt gebonden?
Zoek naar den heldengeest, in vroeger tijd
Niet vreemd in England! alles tegenwoordig
Wordt door den sleutel eener vrouw bedwongen,
-ocr page 260-
246
Verlamd is elke springveer van den moed.
Volg mijn geleide! Waag niets onbedachtzaam!
— \'k Hoor iemand komen, ga!
Mor t i m er.
Maria hoopt.
Keer ik met leêge troost tot haar terug?
Leycester.
Breng haar mijn eed van onverkoelde liefde!
M o r t i m e r.
Breng haar dien zelf! Tot werktuig harer redding
Bood ik mij aan, niet tot uw liefdebode.
{Hij gaat af.)
NEGENDE TOONEEL.
EI.IZABETH. LEYCESTER.
Elizabeth.
Wie heeft u daar verlaten? \'k hoorde spreken.
Leycester {verschrikt, keert zich haastig om.)
Dat was Sir Mortimer.
Elizabeth.
Wat schort u, lord?
Hoe zoo ontroerd?
Leycester {herstelt zich.)
—  Dat was bij uw aanschouwen.
Nog nooit heb ik zoo heerlijk u gezien!
Ik sta daar, door uw schoonheid als verblind.
—  Ach!
Elizabeth.
Waarom zucht gij zoo?
Leycester.
Heb ik geen reden
Tot zuchten? \'t Zien van uw bevalligheên
-ocr page 261-
247
Vernieuwt in mij de nameloze smarte
Van \'t dreigende verlies.
Elizabeth.
Wat dan verliest gij
Leycester.
Uw hart, u-zelf, u gants en al, verlies ik.
Wel spoedig zult gij in de jeugdige armen
Des vurigen gemaals u zalig voelen,
En onverdeeld zal liij uw hart bezitten.
Hij is van Koningsbloed, dat ben ik niet:
Maar \'k tart de waereld éenen mij te noemen,
Die u hartstochtlijker ;anbidt dan ik.
De Hertog van Anjou aanschouwde u nooit,
Alleen uw roem en luister kan hij minnen:
Ik — min u-zelf! Ware ik de grootste Koning
Der waereld, en gij de armste herderin
\'k Zou tot uw stand mij haastig nederbuigen,
En leggen aan uw voeten kroon en staf.
Elizabeth.
Beklaag mij, Dudley! grief mij niet. Ik mag
Mijn hart niet ondervragen. Ach, dit had\'
Een andre keus gedaan. Benijdbre vrouwen,
Die ook verheffen mogen wat zij minnen!
Mij is het voorrecht niet vergund, den man
Die bovenal mij dierbaar is, de kroon
Op \'t hoofd te zetten ! Stuart mocht dat doen,
Zij kan heur hand uit liefde geven, zij
Heeft alles zich veroorloofd, en zij dronk
Den kelk der vreugd tot op den bodem leeg.
Leycester.
Nu drinkt zij ook den bittren kelk des lijdens.
Elizabeth.
Zij schatte\' \'t oordeel van de menschen niets.
Zij maakte zich het leven licht, en nooit
Boog ze onder \'t juk, dat ik geduldig droeg.
Ik had toch ook wel aanspraak kunnen maken
Op \'s levens lust en \'s waerelds heerlijkheên!
-ocr page 262-
\'248
Toch gaf ik aan mijn Koninginneplichten,
Hoe streng, de voorkeur. En toch viel aan haar
De gunst van alle mannen steeds ten deel,
Terwijl zij enkel Vrouw verkoos te zijn ;
En Jeugd en Grijsheid bedelt om heur groet.
Zóo zijn de mannen! Zinnelijk zijn ze allen!
Zij jagen de ijdelheid, de vreugde na.
En achten niets wat zij vereeren moeten.
Werd zelfs die grijze Talbot niet weer jong,
Toen hij dat loflied op heur schoonheid zong ?
Leycester.
Vergeef het hem! Hij was haar wachter eens.
De sluwe heeft al vleiend hem betooverd.
El i za bet h.
En is het werklijk waar, dat zij zoo schoon is?
Ik moest zoo vaak dat masker hooren roemen, •
Wat of er toch van aan is? Teekenslift
En kleuren vleien, schilderingen liegen :
Ik zou alleen mijn eigen oog vertrouwen.
— Hoe ziet ge toch zoo vreemd mij aan ?
Leycester.
Ik plaatste
U in gedachte naast Maria. Neen,
\'k Verberg het niet, indien \'t geschieden kon,
Stil, in \'t geheim, dat zou ik willen zien,
Haar tegen over u\\ Dan zoudt gij eerst
Uw zegepraal in al zijn heerlijkheid
Genieten. Die beschaming gunde ik haar,
Dat zij met eigen oogen — want de nijd
Ziet scherp! — zich eindlijk overtuigen kon,
Hoe zeer ze uitwendig ook, in leest en trekken,
Door u wordt overstraald, die duizendmaal
In iedre Vrouwendeugd haar overtreft.
Elizabe t h.
Zij is de jongste in jaren.
-ocr page 263-
249
L e y c e s t e r.
Zij, de jongste?
Men kan het haar niet aanzien. Dank zij \'t lijden!
Ze is zeker oud geworden vóór den tijd.
Gewis! en wat heur krenking zou verbittren,
\'t Zou wezen u als bruid te zien! Zij heeft
Des levens schoonste hoop reeds achter zich,
U zag zij \'t hoogst geluk in de armen snellen,
En wel als bruid van Frankrijks Koningszoon!
Zij, die zoo pochte, zoo hoogmoedig was
Op \'t huwelijk met Frankrijk, en zelfs heden
Nog stollen blijft op Frankrijks trouwe hulp!
Elizabeth (schijnbaar zonder bedoeling.)
Men plaagt mij immer haar te zien.
Leycester (levendig.)
Zij-zelf
Begeert het als een gunst: het zij haar straf!
Gij kunt haar voeren op het moordschavot,
Dat zal haar minder pijnigen, dan zich
Door uw bekoorlijkheèn te zien vernietigd,
Daardoor verwondt gij haar, gelijk zij u
Verwonden wilde. Als zij uw schoonheid ziet,
Door eerbaarheid bewaakt, in vollen glans,
Verheerlijkt door een onbevlekten naam,
Dien zij, lichtzinnig dartiend, van zich wierp,
Verheven door den glans der kroon, en nu
Verhoogd door \'t rozeblosjen van de Bruid,
Dan slaat voor haar de stonde van haar dood!
Ja, — als ik nu mijn oogen op u richt,
Nooit waart gij, nooit tot een triomf der schoonheid
Zóo toegerust als nu! Mij zelf hebt gij
Verblind gelijk een hemelsche verschijning,
Toen gij de kamer binnentradt. Welaan,
Als gij eens nu, juist nu, gelijk gij zijt,
Haar nadertradt, gij vindt geen beter uur!
Elizabeth.
Nu — neen — neen! Nu niet, Lester! neen, dat moet ik
Eerst overleggen — eerst met Burleigh ....
-ocr page 264-
250
Le vees ter (valt haar levendig in de reden.)
Burleigh 1
Die moeit zich enkel met uw staatsbelang.
Maar immers ook de vrouw behoudt haar rechten?
Dit teeder punt hoort voor uw vierschaar thuis,
En niet voor die des staatsmans. Toch, ja wel!
De Staatkunde ook wil graag dat gij haar ziet,
Dat door een teeken van grootmoedigheid
Gij de openbare meening vóór u wint.
Daarna kunt ge uw gehate vijandin
Naar hartelust de volle lage geven.
Elizabeth.
Dat past toch niet, een eigen bloedverwant
In nooddruft en in smaad te zien. Men zegt,
Zij voert geen staat als Koninginnen past:
Heur nood zou me een verwijtende aanblik zijn.
Leycester.
Maar, immers gij betreedt haar drempel niet ?
Verneem mijn raad! De omstandigheden zijn
Ons gunstig. Heden is het groote jacht,
De weg voert juist lang Fotheringhage heen:
Daar kan dan Stuart wandlen in het park,
Gij richt geheel toevallig daar uw schreên —
Want onopzetlijk moet de ontmoeting schijnen!
Faalt u de lust, zoo spreekt gij haar niet aan.
Elizabeth.
Als ik een dwaasheid doe, gij draagt de schuld!
Een wensch u afslaan, kan ik heden niet,
Omdat ik juist van al mijn onderdanen,
U heden \'t meest verdriet berokkend heb. .. .
(Hem ieeder aanziende.)
Het zij een gril van u . . . . Ook daaruit blijkt
Genegenheid, wanneer men laat gebeuren,
Wat anders \'t koel verstand niet goed zou keuren.
(Leycester buigt zich aan hare voeten neder. De gordijn valt\')
-ocr page 265-
\'251
DERDE BEDRIJF.
Streek in een park, van voren met boomen bezet, van achteren
met een vergezicht.
EERSTE TOONEEL.
mama komt met snellen tred van achter de boomen te voor-
schijn,
hanna kennedy volgt langzaam.
Ken ned y.
Gij ijlt zóo snel alsof gij vleuglen hadt,
Zóo kan ik u niet volgen, wacht toch wat!
Maria.
Laat in de nieuwe vrijheid mij baden,
Laat mij een kind zijn, kind als voorheen\'!
Laat me over \'t groen der welriekende paden
Zweven met lichte, gevleugelde schreên!
Ben ik den donkeren kerker ontvlogen ?
Ben ik den treurigen graf kuil ontvlucht?
Laat mij met volle, begeerige togen
Drinken de vrije, de hemelsche lucht!
Kennedy.
Ach, dierhre lady! slechts wat grooter is
De ruimte thands van uw gevangenis.
De zwarte muren grijnzen u niet aan,
Omdat ze schuilen achter gindsche blaan.
Maria.
Dank, driemaal dank, dees vriendlijk groene boomen,
Wier loofgordijn mijn kerkermuur bedekt!
Ik wil mij vrij en zalig droomen —
Waarom mij uit mijn zoeten waan gewekt?
— Zie ik dan niet den wijden hemel rijzen?
Dringt niet mijn blik in \'t mateloos verschiet?
Ginds, waar de hooge bergen grijzen,
Zie ik de grens van mijn gebied;
-ocr page 266-
252
En zachtkens drijft het wolkgetoover
Naar Frankrijk\'s verre kusten over.
IJlende wolken! waar\' \'t mij gegeven,
Met u te zeilen, met u te zweven !
Groet toch het land mijner eerste min!
Ik hen gevangen, in pijn en nooden —
Ach, immers heb ik geen andre boden....
Bandeloos zweeft gij de luchtzee in:
Gij zijt geen slaaf eener Koningin! . . . .
Kennedj.
Ach, Lady, wees bedaard! gij zijt onwel —
De lang ontbeerde vrijheid schokt te fel.
Ma ria.
Zie, aan den wal ligt de visschersboot ....
Zij kan mij redden, zij mij nog heden
Voeren, het eerst naar bevriende steden.
Zij geeft haar meester een karig brood :
\'k Zou tot den rand haar van goud doen stralen,
Nooit had\' de schipper zoo\'n vangst gedaan,
Hij zou \'t geluk in zijn netten halen,
Was mij zijn vaartuig toegestaan!
K e n n e d y.
Vergeefsche wenschen! Lady! ziet gij \'t niet,
Hoe overal de huurling ons bespiedt?
Een wreed gebod, dat dreigt met felle straf,
Stoot elk meelijdend schepsel van ons af.
Maria.
Neen, goede Hanna! zeker, dit beduidt
Iets goeds, dat zich mijn kerkerdeur ontsluit.
De kleine gunst strekt mij ten onderpand
Van grooter heil Ik heb de zachte hand
Der Liefde erkend, \'k Herken mijn Lester wel!
Allengs vergroot men dus mijn kerkercel,
Tot ik in \'t eind den dierbren vriend ontmoet,
Die d\' allerlaatsten kluister vallen doet.
-ocr page 267-
253
K e n n e d y.
Helaas, ik kan dit raadsel niet verstaan:
Nog gistren kondigt men den dood u aan,
En heden valt — het is te snel, te veel! —
Een plotselinge Vrijheid u ten deel.
Ach, dikwerf werden ze uit den kerkernacht
Geroepen wie een eeuivge vrijheid wacht!
Maria.
Hoort gij de jachthoorn? \'t Klinkt door de twijgen,
\'t Schatert door \'t veld met welluidenden groet.
Ach, nu het moedige ros te bestijgen,
Spoorslags hem volgend, den vrolijken stoet!
Hoor, nog al meer! Wat herinneringen
Rijzen me op eens voor d\' ontroerden geest!
\'k Hoorde dien toon vaak de lucht doordringen,
\'k Ben op mijn groenende heuvelklingen
Vaak aan de spitse der jacht geweest!
TWEEDE TOONEEL.
I\'AUI.ET. DE VORIGEN.
Paulet.
Nu, deed ik eindlijk naar uw zin, Mylady?
Verdien ik eindlijk eens uw dank?
Maria.
Hoe, Ridder.\'
Gij zijt het?
Paulet.
En waarom dan niet ? Ik ben
Aan \'t hof geweest en bracht uw schrijven over
Maria.
Gij gaaft het over? waarlijk, deedt gij dat?
En deze vrijheid, die ik smaken mag,
Is dan de vrucht des briefs?
-ocr page 268-
254
P a u 1 e t (met nadruk.)
En de eenge niet!
Houd op nog grooter uitkomst u bereid!
Ma ria.
Nog grooter uitkomst, sir? Wat kan dat zijn?
Paulet.
Gij hoordet toch de horens?
Maria (terugdeinzend als met een voorgevoel.)
Gij verschrikt mij!
Paulet.
De Koningin jaagt hier in d\' omtrek.
Maria.
Wat?
Paulet.
In weinige oogenblikken zal zij voor u staan.
K e n n e d y (naar Maria toeijlende, die beeft en
dreigt neer te zinken.)
Wat schort u, lieve Lady? gij verbleekt?
Paulet.
Nu, is \'t niet goed? Was dat uw bede niet?
Nog vroeger dan gij dacht, wordt zij vervuld.
Gij waart weleer zoo bijster rap ter tong,
Raap thands uw woorden saam\', nu is het tijd
Tot spreken!
Ma ria.
Och, had men mij voorbereid!
\'k Ben daarop niet gewapend, heden niet!
Wat ik gevraagd heb als de hoogste gunst,
Is nu verschriklijk in mijn oog. — Kom, Hanna!
Breng mij in huis terug, dat ik heradem,
En mij herstel!
-ocr page 269-
255
Paulet.
Blijf! Hier zult gij haar wachten.
Geen wonder, zoo u angstig wordt om \'t hart,
Bij \'t denkbeeld, voor uw richter te verschijnen.
DERDE TOONEEL.
DE VOniGEN. GRAAF RHREWSBDRY.
Maria.
\'t Is daarom niet. O God, mij is gants anders
Te moede. Ach, eedle Shrewsbury! Gij komt,
De Hemel zendt u als een Engel hier.
— Ik kan haar niet ontmoeten! Red mij toch
Van haar afgrijslijke\' aanblik! . . . .
Shrewsbury.
Koningin !
Kom tot u-zelf, verzamel al uw moed.
Dit is nu de ure, die het al beslist.
Maria.
Ik heb daarop gewacht — \'k heb jaren lang
Mij daarop voorbereid \'k heb alles voor
Mij-zeil\' herhaald, gegrift in mijn herinring,
Hoe ik haar roeren, hoe haar treffen zou! ....
Vergeten plotsling, uitgewischt is alles,
Niets meerder leeft in mij dit oogenblik
Dan \'t brandend smarlgevoel! In feilen haat
Is tegen haar mijn kloppend hart gekeerd —
Vergaan zijn alle vriendlijke gedachten,
En zwarte razernijen uit de hel
Omringen mij, de slangenhairen schuddend!
Shrewsbury.
Breng uw onstuimig bloed tot rust! Bedwing
De bitterheid des harten! \'t Is niet goed,
Wanneer de haat den feilen haat ontmoet.
Wat in uw binnenst zich verzetten moog\',
-ocr page 270-
\'256
Gehoorzaam aan den dwang, aan d\'eisch van \'t uur!
Zij is de sterkste, — veroodmoedig u!
Maria.
Voor haar! Dat kan ik nimmer!
S h r e w s b u r y.
Doe het toch!
En spreek met eerbied, met gelatenheid!
Doe toch op haar grootmoedigheid beroep!
Verhef u niet, niet heden, op uw recht!
\'t Is nu daarvoor de tijd niet....
Maria.
\'k Bad, helaas!
Om mijn verderf; \'k word tot mijn vloek verhoord!
Wij hadden nooit elkander moeten zien!
Daaruit wordt nimmer, nimmermeer, iets goeds!
Eer smelten vuur en water vriendlijk saam\',
Eer valt het lam den tijger om den hals!
Ik ben te zwaai\' gekrenkt — zij heeft te zwaar
Beleedigd — voor ons beide nooit verzoening!
Shre wsbu ry.
Mocht gij maar eerst van aangezicht haar kennen!
Ik zag het wel, hoe zij van uwen brief
Getroffen werd; haar oog schoot vol van tranen.
Neen, zij is niet gevoelloos Koester zelf
Een betere verwachting ! Daarom juist
Ben ik vóoruitgespoed, opdat ik u
Vermanen zou en ordlijk voorbereiden.
Maria {zijn hand grijpend.)
Ach, Talbot! gij zijt steeds mijn vriend geweest.
Waar\' mij uw zachter kerker nog beschoren!
Men heeft mij hard behandeld, Shrewsbury!
Shrewsbury.
Vergeet t hands alles! Denk alleen daaraan,
Hoe gij haar onderworpen zult ontfangen.
-ocr page 271-
257
Maria.
Is Burleigh ook bij haar, hij, mijn kwade engel?
Shrewsbury.
Neen, niemand vergezelt haar dan lord Lester.
Maria.
Lord Lester?
Sh rewsbu ry.
Maar vrees niets van hem. Niet hij
Begeert uw ondergang. Het is zijn werk,
Dat u de Koningin de samenkomst
Heeft toegestaan.
Maria
Ach, \'k wist het wel!
S h r e w s b u r y.
Wat zegt gij\'.\'
Paulet.
De Koningin komt.
Alles wijkt ter zijde; slechts Maria blijft, op Kennedg leunende.)
VIERDE TOONEEL.
1)E VOR1GEN. ELIZABETH GRAAF I.EYCESTEIt. GEVOLG.
E1 i z a b e t h {tot Leycster.)
Hoe heet de plaats?
L e y c e s t e r.
\'t Kasteel van Fothringhage.
E1 i z a b e t h {tot Shrewsbury.)
Ei, zend ons jachtgevolg vooruit naai\' Londen.
Het volk dringt al te heftig in de straten,
Wij nemen in dit stille park de wijk.
{Talbot gelast het gevolg zich te verwijderen. Zij staart
Maria onafgewend aan, terwijl zij tot Legc.ester
verder spreekt.)
ix.                                                                                     it
-ocr page 272-
\'258
Mijn volk bemint mij al te veel. Onmatig,
Afgodiesch, zijn de teekens zijner vreugd.
Zoo wordt een God vereerd, en niet een menscli.
Maria (die gedurende al dezen tijd half onmachtig op
Kmnedy geleund heeft, rijst nu overeind, en haar oog
ontmoet den gespannen blik van Elizabelh. Een
onwillekeurige huivering grijpt haar aan;
zij werpt zich weder aan de borst harer
voedster moeder.)
O God, uit deze trekken spreekt geen hart!
Elizab eth.
Wie is die lady\'?
(Allen zwijgen,)
Leycester.
Koningin! gij zijt
Te Fothringhaag.
Elizabeth (veinst zich verrast en verbaasd, en werpt een
donkeren blik op Leycester.)
Wie deed mij dit, Lord Lester?
Leycester.
Het is geschied, mijn koningin! en nu
De hemel dus uw schreden herwaarts wendde,
Betoon u medelijdende en grootmoedig I
Shrewsbury.
Laat u verbidden, koninklijke vrouw!
Uw oog te slaan op de ongelukkige,
Bezwijkend bij uw aanblik.
(Maria, al haar krachten verzamelend, wil op Elizabeth toe-
ijlen; zij blijft echter halverwege sidderend staan ; hare
gebaarden drukken den hevigsten zielstrijd uit.)
Elizabelh.
Hoe, Mylords?
Wie sprak mij van een diepgebogen vrouw\'?
-ocr page 273-
25!)
\'k Vind een hoogmoedige, in de lijdensschool
Geenszins verzacht van harte.
Maria.
\'t Zij dan zoo!
Ook dit nog wil ik lijdzaam ondergaan.
Ik wil vergeten wie ik ben en wat
Ik leed; ik wil voor haar de kniën buigen,
Die mij in dezen smaad ter nederstiet.
(Zij wendt zich tot de Koningin)
De hemel koos partij voor u, o Zuster!
De Zegepraal kroont uw gelukkig hoofd:
De Godheid bid ik aan, die u verhoogde.
(Zij knielt voor haar neder.)
Maar zijt ook gij nu edelmoedig, Zuster!
Laat mij niet smaadvol liggen, reik me uw hand,
Uw Koninklijke rechterhand, om mij
Omhoog te beuren uit dees diepen tal!
E1 i z a b e t h (terugtredend.)
Gij zijt daar op uw plaats, lady Maria!
En \'k zegen de barmhartigheid mijns Gods,
Die niet gewild heeft, dat ik aan uw voeten
Zou liggen, zooals ge aan de mijnen ligt!
Maria (met klimmende aandoening.)
Denk aan de onzekerheid van al het aardsche!
Daar leeft een God, die allen hoogmoed straft!
Vereer Hem, vrees Hem, dien geduchten Wreker,
Die mij dus aan uw voeten nederstoot!
Ter wille dezer vreemden, eer in mij
U-zelve! Ontwijd toch niet, o schandvlek niet
Het bloed der Tudors, dat zoowel mijne aadren
Doorvloeit als de uwe. Om Godswil! sta daar niet
Zoo koud, zoo ongenaakbaar als de klip,
Waarnaar de worstlende schipbreukeling
Vergeefs de handen uitstrekt! Alles hangt,
Mijn lot, mijn leven, van mijn woorden, van
Mijn tranen af. Ik bid u, open gij
Mijn hart, opdat ik \'t uwe roeren moog\'!
Als gij mij aanziet met dat ijskoud oog,
-ocr page 274-
200
Sluit huivrend zich mijn hart; de bron der tranen
Bevriest, en kille vreeze dringt op eens
De smeekgebeden in mijn borst terug.
Elizabeth (koud en streng.)
Wat hebt gij mij te zeggen, Lady Stuart\'.\'
Gij hebt mij willen spreken. Ik vergeet
De Koningin, de zwaar beleedigde,
Ter wille van den vromen zusterplichl;
En \'k gun u dus de troost van mijne aanschouwing.
\'k Volg de aandrift der grootmoedigheid, ik tart
Het billijke verwijt, dat ik te diep
Mij nederbuige — want gij weet nog wel.
Gij woudt mij doen vermoorden ....
Maria.
Och, waarmee
Zal ik toch wel beginnen, dat ik u
In \'t harte grijpen maar niet kwetsen moog\'?
O God! geef Gij mijn woorden kracht, ontneem
Hun eiken angel die zou kunnen wonden!
Want voor mij-zelf kan ik niet spreken zonder
U aan te klagen, en dat wil ik niet.
—  Gij hebt mij niet behandeld naar behooren:
Ik ben een Koningin, zoo wel als gij,
En gij hebt als gevangne mij behandeld.
Ik kwam tot u gelijk een smeekeling,
En gij, de heiige wetten der gastvrijheid
In mij verkrachtend, sloot mij in een kerker!
Ge ontruktet mij mijn vrienden, mijn bedienden,
Aan schandlijke armoe gaf men mij ter prooi,
\'k Zag voor een valsche rechtbank mij gesleept....
Genoeg! een eeuwige vergetelheid
Bedekke al wat ik vreeslijks heb geleên!
—   Zie! \'k Wil dat alles een beschikking noemen,
Gij zijt niet schuldig, ik ben ook niet schuldig:
Een boze geest steeg uit den afgrond op,
Om in ons hart dien feilen haat te ontsteken,
Die onze prille jeugd reeds heeft verdeeld.
Hij wies met ons, en boze menschen bliezen
Oe boze vlammen met hun adem aan.
-ocr page 275-
261
Waanzinnige ijvraars wapenden ontijdig
Met zwaard en ponjert de ongeroepen hand. —
Dat is de vloek die op de vorsten weegt,
Dat zij, verdeeld, de waereld meè verdeelen,
En alle furiën des haats ontkluistren.
—  Thands fluistert daar geen derde tusschen mis
(Zij nadert haar vertrouwelijk en op vleienden toon.)
Nu eindlijk zien we elkanders aangezicht:
Nu, Zuster! spreek, wat heb ik toch misdaan\'.\'
Noem mij mijn schuld, \'k wil u voldoening geven.
Ach, hadt gij toenmaals mij gehoor verleend,
Toen ik uw aangezicht zoo dringend zocht!
\'t Zou nooit zóo ver gekomen zijn, en hier,
Aan dit rampzalig oord, had nimmermeer
Dees jammerlijke ontmoeting plaats gehad.
Elizabeth.
Daarvoor heeft mijn gelukster mij bewaard,
Dat ik den adder aan mijn borst zou koestren.
—   Beschuldig \'t lot niet, maar uw boos gemoed,
De toomloze eerzucht eigen aan uw huis!
Daar heerschte vrede tusschen u en mij,
Toen plotseling mij de oorlog door uw oom
Werd aangezegd, dien trotschen priester, dol
Van heerschzucht, die de goddeloze hand
Aan elke kroon slaat! Hij verdwaasde u dus,
Dat gij zijn wapen aannaamt, dat gij u
Mijn Koningstitel toe dorst eignen, ja,
Mij tartet tot een strijd op dood of leven.
Wien joeg hij niet in \'t harnas tegen mij 7
De tong des priesters en het zwaard der volken,
Het vreeslijk wapen van den vromen waanzin!
Hier zelf, in \'t vreedzaam middenpunt mijns Rijks,
Blies hij het dreigend vuur des opstands aan. —
Maar God is met mij, en de trotsche priester
Behoudt het slagveld niet — men zocht mijn hoofd
Voor goed te treffen, en het uwe valt!
Ma ria.
Ik ben in \'s Heeren hand. Gij zult zoo bloedig
Geen misbruik maken van uwe overmacht.
-ocr page 276-
262
Elizabetb.
En wie die \'t mij beletten zou? Uw oom
Gaf allen Koningen der aarde \'t voorbeeld,
Hoe met zijn vijanden men vrede maakt.
De bruiloft van Sint-Bartel zij mijn school!
Wat is mij bloedverwantschap, volkrenrecht\'?
De Kerk verscheurt den band van eiken plicht.
Zij heiligt d\' Echtbreuk en den Koningsmoord,
Ik doe niet anders dan uw Priesters leeren.
Wie zou voor u mij borg staan, zeg het mij,
Indien ik al grootmoedig u ontboeide?
Met welk een slot verzeker ik uw trouw,
Dat niet Sint-Pieter\'s sleutel oopnen kan\'?
Geweld alleen geeft ware zekerheid....
Geen vrede met het giftig slangenzaad!
Maria.
Dat is uw eigen sombre argwaan weer!
Gij hebt mij steeds alleen als vijandin
En vreemdeling beschouwd. Indien gij mij,
Naar recht, verklaard hadt tot uwe erfgenaam,
Dan hadt gij u door dankbaarheid en liefde
In mij een trouwe bloedverwant gewonnen,
Een hartvriendin!
Elizabetb.
Uw vriendschap, Lady Stuart!
Is elders, \'t Pausdom is uw Vaderhuis,
De Monnik is uw Broeder! U verklaren
Tot erfgenaam? Verraderlijke valstrik!
Opdat gij, bij mijn leven nog, mijn volk
Verleiden, en betooverende Armida,
De frissche jonglingschap mijns Koninkrijks
Verstikken zoudt in uw wellustig net —
Opdat straks alles tot de nieuwe zon
Zich wenden zou, en ....
Maria.
Regeer in vrede!
\'k Doe afstand van elke aanspraak op dit Rijk.
Helaas! mijns geestes vleuglen zijn verlamd,
-ocr page 277-
263
Geen grootheid lokt mij meer. — Ik sta aan \'t doel.
Ik ben nog maar de schaduw van Maria.
De fiere moed is in den kerkerdwang
Gefnuikt. Gij hebt het uiterste met mij
Beproefd, gij hebt mij in mijn bloei verwoest.
—   Maak nu een eind, o Zuster! spreek het uit,
Het woord, waartoe gij hier gekomen zijt!
Want nooit wil ik gelooven dat gij kwaamt
Om, gruwzaam wreed, uw offer te bespotten.
O, spreek dat woord uit, zeg mij: „Gij zijt vrij!
„Maria! gij hebt nu mijn macht ervaren,
„Leer nu mijn edelmoedigheid vereeren!"
O, zeg dat, \'k wil mijn leven, \'k wil mijn vrijheid
Aanvaarden als een aalmoes uit uw hand.
—   Éen woord maakt alles ongeschied. En dit
Verwacht ik. Maak dit wachten niet te lang!
Wee uwer, als gij met dat woord niet eindigt!
Want als gij nu niet zegenbrengend, heerlijk,
Gelijk een engel van mij heengaat, Zuster!
Niet voor geheel dit machtig eiland, niet
Voor alle landen die de zee omvat,
Wilde ik zóo voor u staan, als gij voor mij!
E lizabet h.
Verklaart ge u eindlijk toch voor overwonnen 1
Is \'t met uw treken uit? Is daar geen moorder
Meer onder weg? Wil geen avonturier
Een lans meer voor u breken? — Ja, \'t is uit,
Maria Stuart! Gij verleidt niet meer.
De waereld ging tot andre dingen over:
Ook lust het niemand om als — vierde man
Uw echtgareel te dragen, want gij doodt
Uw minnaars als uw mannen ....
Maria (opvliegend.)
Zuster! Zuster!
O God, geef mij bedaardheid ....
El i zabet h (ziet haar lang aan met een blik van
trotsche verachting.)
Dat zijn dus die bekoorlijkheên, lord Lester!
Die niemand ongestraft kan zien, waarnevens
-ocr page 278-
264
Geen andre vrouw het wage zich te plaatsen\'.\'
Voorwaar! die roem is wel goedkoop verkregen!
Men roemt met recht de schoonheid algemeen,
Is zij gemeen voor allel
Maria.
Dat \'s te veel!
E1 i z a b e t h (honend lachende.)
Nu toont ge uw waar gezicht — tot hiertoe was \'t
Alleen het masker wat ik zag.
Maria (gloeiende van toom maar met edele waardigheid.}
\'k Heb menschelijk en naar mijn jeugd gedwaald,
De macht heeft mij verleid. Ik heb dat niet
Vergoelijkt of verborgen: valschen schijn
Versmaadde ik steeds met koninklijken trots.
De waereld weet van mij het ergste, en ik
Kan zeggen: „ik ben beter dan mijn faam."
Wee uwer, als zij van uw daden eens
Dien eeremantel rukken zal, waarmee
Gij huichelend uw heete tochten dekt.
Geen kuischheid heeft uw moeder u vermaakt!
Men weet maar al te goed, om welke deugd
Anna van Boelen omkwam op \'t schavot.
Shrewsbury (treedt tusschen de beide koninginnen.)
O God des hemels! moet het daartoe komen\'!
Is dat nu kalmte en onderworpenheid,
Lady Maria 1
Maria.
Kalmte? Ik heb verdragen
Meer dan een mensch verdragen kan. Verdwijn,
Lafhartige onderworpenheid! en gij,
Vaar op ten hemel, uitgeput geduld!
Breek eindelijk uw banden, treed hervoort
Van uit uw kerker, lang weerhouden woede :
En gij, die den getergden basilisk
Den moordblik geeft, leg Gij mij op de tong
Den giftpijl....
-ocr page 279-
\'265
Shrewsbury.
Ze is waanzinnig. O vergeef
De razende, de fel getergde vrouw!
(Elizabeth, sprakeloos van toom, schiet woedende blikken
op Maria.)
Leycester (in de hevigste onrust, zoekt Elizabeth weg
te leiden.)
Hoor haar niet aan, de woedende I weg, weg
Uit dit rampzalig oord!....
Maria.
Een bastert heeft den troon van Engeland
Ontheiligd en het edel Britsche volk
Is door een sluwe huichlares bedrogen.
— Regeerde recht, dan laagt gij aan mijn voet
In \'t stof, want ik, ik ben uw Koningin!
Elizabeth verwijdert zich snel. De beide Lords volgen
haar in de grootste ontroering.)
VIJFDE TOON E EL.
MARIA. KENNEDY.
Kennedy.
Wat deedt gij ? Vol van woede gaat zij heen!
Nu is het uit, en alle hoop verdween!
Maria (nog buiten zich-zelve.)
Zij gaat vol woede, rnet den dood in \'t hart!
(Zij valt Kennedg om den hals.)
Hoe wel is mij te moede! O, eindlijk, eindlijk,
Na jaren van vernedering en lijden,
Een oogenblik van wrake, van triomf!
Een looden last is van mijn borst gewenteld:
Ik stiet het mes mijn vijandin in \'t hart!
Kennedy.
Rampzalige! de waanzin sleepte u meè.
Nu hebt gij de onverzoenlijke verwond.
-ocr page 280-
266
Zij voert den bliksem, ze is de Koningin!
Gij krenktet haar in \'t bijzijn van heur boel.
Maria.
Voor Lesters oogen heb ik haar vernederd!
Hij zag het, hoe zij neerplofte uit heur hoogte,
Hij zag den stoot, door mij haar toegebracht!!
Hij stond daar bij, zijn bijzijn gaf mij kracht!
ZESDE TOONEEL.
MORTIMER. DE VORIGEN.
K e n n e d y.
O Sir! wat vreeslijke uitkomst ....
Mortime r.
Ik hoorde alle*.
Hij yeeft Kennedy een wenk, zien op haar post te be-
geven en treedt nader. Zijn geheele houding verraadt
een hevig opgewonden stemming.
Gij zegeviert! gij sleurdet haar door \'t slijk !
Gij waart de Koningin, zij de Overtreedster.
Ik ben betooverd door uw heldenmoed.
\'k Aanbid u — als een Godheid, groot en heerlijk,
Kwaamt gij mij voor, dit heilig oogenblik.
Maria.
Gij spraakt met Lester, zeker bracht gij hem
Mijn schrijven, mijn geschenk?___ O spreek toch, sir!
Mor timer {met gloeiende blikken haar beschouwende.)
Hoe edel straalde uw koninklijke toorn,
Al uw bevalligheên verheerlijkend!
Gij zijt de schoonste vrouw op heel de waereld!
Maria.
ïk bid u, sir! stil toch mijn ongeduld:
Wat sprak mylord ? O zeg, wat mag ik hopen ?
-ocr page 281-
267
Mortimer.
Wie? hij? Dat is een lafaart, een ellendeling!
Hoop niets van hem, veracht hem en vergeet hem !
Maria.
Wat zegt gij ?
Mortimer.
Hij u redden en bezitten?
Hij u! Hij zou het wagen! Hij ? Met mij
Moet hij op dood en leven daarom strijden.
Ma ria.
Gij hebt alzoo mijn brief hem niet gegeven ?
— O, dan is \'t uit.
Mortimer.
De zwakkling hecht aan \'t loven.
Wie u wil redden, als de zijne u groeten,
Die moet den dood met open arm ontmoeten.
Maria.
Hij wil voor mij niets doen ?
Mortimer.
Niets meer van hein !
Hij zou iets doen, hij, bruikbaar wezen? neen!
Ik wil u redden, ik alleen!
Maria.
Ach, wat kunt gij?
Mortimer.
Misleid u-zelve niet,
Alsof het nog als gistren met u stond.
Ach, nu de Koningin dus van u ging,
Nu dus \'t gesprek zich wendde, staat uw zaak
Gants hooploos: geen genade meer voor u!
Er moet gehandeld — stoutheid moet beslissen!
Om \'t al te redden, moet het al gewaagd:
Vrij moet gij zijn, nog eer de morgen daagt.
-ocr page 282-
268
Maria.
Wat zegt gij? Deze nacht! Hoe is dat mooglijk\'.\'
Hortimer.
Hoor wat besloten is! \'k Vergaarde straks
Mijn helpers in een eenzame Kapel;
Een Priester nam de biecht ons allen af,
We ontfingen allaat toen voor alle zonden
Die wij begingen, allaat evenzeer
Voor alle die wij ooit begaan. We ontfingen
Het Sakrament der Stervenden, en zijn
Nu alle tot de laatste reis gereed.
Maria.
O, welk een vreesselijke voorbereiding!
M o r t i m e r.
Dit slot beklimmen wij dees eigen nacht:
\'k Ben meester van de sleutels. Wij vermoorden
De wachters, rukken met geweld u uit
Uw kamer; sterven moet door onze hand,
Tot op den laatsten man toe, wat de roof
Verraden kan: geen ziele blijft gespaard.
Maria.
En Drury, Paulet, mijn twee kerkermeesters?
O, eerder zullen zij hun laatste bloed ....
M o r t i m e r.
Zij zullen \'t eerste vallen door mijn dolk!
Maria.
Hoe zoo? uw eigen oom, uw tweede vader?
Mortimer,
Die sterft door mijne handen. Ik vermoord hem.
Maria.
O gruwel
-ocr page 283-
\'209
M o r t i m e r.
Alle gruwlen zijn mij reeds
Vooruit vergeven. \'I Ergste kan ik doen,
En \'k wil het doen.
Maria.
Verschriklijk ! o verschriklijk !
Hortimer.
Al zou ik ook de Koningin doorboren,
Ik heb het bij de hostie-zelf bezworen.
Ma ria.
Neen, zooveel bloeds moet niet in mijnen naam ....
M o r t i m e r.
Maar wat dan toch zijn alle levens saam\',
Gewogen tegen u en mijne liefde?
Moge al wat leeft of adem heeft, vergaan,
Een zondvloed de aard verzwelgen in zijn baren,
\'t Is me onverschillig! Eer ik u laat varen,
Breek\' de allerjongste dag der Schepping aan!
Maria (terugtredend)
God! welk een taal is dat? En welke blikken?
—   Ge ontroert mij, gij verjaagt mij ....
Mor timer (met woeste blikken en de uitdrukking van
stillen waanzin.)
\'t Leven is
Éen oogenblik, éen oogenblik de Dood !
—   Men sleure mij naar Tyburn, lid voor lid
Verscheur men mij met gloeiende ijzren tangen,
(Driftig op haar toesnellende met uitgebreide armen.)
Wat nood, wanneer ik u aan \'t hart mocht prangen!
Maria (terugtredend.)
Onzinnige, terug!
M o r t i m e r.
Aan deze borst,
Op deze lippen, die van liefde blaken ....
-ocr page 284-
\'270
Maria.
Om Godswil, sir! laat mij naar binnengaan!
M o r t i m e r.
Die mocht waanzinnig heeten, die \'t Geluk
Niet vasthield met onoverwinbre kracht,
Als God het in zijn handen heeft gegeven.
Ik red u, kostte \'t aller menschen leven!
Ik red u, \'k wil! maar zoo waarachtig ook
Als God leeft, \'k wil u klemmen in mijn armen.
Ma ria.
Wil God noch Engel mijner zich erbarmen?
Ontzettend Noodlot, dat geen deernis kent!
Gij slingert mij van de eene in de andre ellend!
Moet ik dan steeds de woede doen ontwaken ?
Moet Haat of Liefde mij rampzalig maken?
M o r t i m e r.
Ja, gloeiend als ze u haten, min ik u!
Onthoofden willen ze u, dien malschen hals,
Als sneeuw zoo schittrend, met den bijl doorsnijden!
O, wil den Levensgod der vreugden wijden,
Wat ge anders bloedig offert aan den Haat!
O, gun uw schoonheid, de uwe reeds niet meer,
Den zaalgen minnaar! En dit golvend goud,
Dees lokken, die de dood straks zal ontlaistren,
Gebruik ze om eeuwig me als uw slaaf te kluistren!
Maria.
O, welk een taal moet ik vernemen, sir!
Mijn rampspoed moest u heilig zijn, mijn lijden,
Als u mijn vorstlijk hoofd niet heilig is.
Mortimer.
De kroon is van uw vorstlijk hoofd gevallen,
Voorbij is al uw aardsche majesteit.
Beproef het, laat uw Koningswoord weêrschallen,
Is daar éen vriend ter uwer hulp bereid?
Niets bleef u dan uw henrjelsch- heerlijke oogen,
Uw roerende gestalte, uw schoonheidsmacht:
-ocr page 285-
274
Die doet mij alles wagen en vermogen,
En maakt dat ik den bijl des beuls veracht!
Maria.
Och, of uw blinde woede mij verschoonde !
M o r t i m e r.
Groot loon begeert die groote dienst betoonde.
Waarom verspilt de dappere zijn bloed?
Het leven is des Levens hoogste goed!
Wel dwaas, die \'t onbezoldigd weg zou geven!
Betaal mij met het zoetst genot van \'t leven!
(Hij drukt haar heftig aan zijn borst.)
M a r i a.
Moet ik om hulpe roepen tegen hem,
Die redden zou ....
Morti mer.
Gij zijt niet ongevoelig:
Van strenge koelheid werdt gij nooit beschuldigd,
U roert der liefde smeekend tooverwoord,
Gij hebt den zanger Rizzio verhoord,
En niet vergeefs heeft Bothwell u gehuldigd !
Maria.
Vermetele!
M o r t i m e r.
Hij was slechts uw tyran!
Gij sidderdet voor hem daar gij hem mindet!
Wanneer de schrik slechts u verovren kan,
Nu, bij den God der Hel! . .. .
Maria.
Weg! Raaskalt gij\'.\'
Mortiraer.
Van vreeze siddren zult gij ook voor mij!
Kennedy (naar binnen vliegend.)
Men komt! men komt! gewapend volk doorstroomt
Den tuin van alle kanten.
-ocr page 286-
272
Mortimer (opspringend en naar den degen grijpend.)
Ik bescherm u!
Maria.
Red me uit zijn handen! Waar, in mijn ellenden,
O Hanna! vind ik, arme, een toevluchtsoord?
Tot wien der Heiligen moet ik mij wenden ?
Hier dreigt geweld, en binnen loert de moord!
Zij vlucht in huis. Kennedy volgt.)
ZEVENDE TOONEEL.
mortimer. paulet en drury, komen buiten zich-zehen aan-
gesneld.
gevolg verspreidt zich over het tooneel.
Paulet.
De poorten dicht! de bruggen opgehaald !
Mort i mer.
Wat is er, oom?
Paulet.
Waar is de moorderes?
Men sluite haar in \'t donkerst kerkerkot!
Mortimer.
Wat is \'t? wat viel er voor?
Paulet.
De Koningin!
Gevloekte hand ! Sataniesch gruwelstuk !
Mortimer.
De Koningin ? wie ?
Paulet.
Englands Koningin!
Zij is vermoord! vermoord op Londens straten.
(Hij snelt naar binnen.)
-ocr page 287-
273
ACHTSTE TOONEEL.
mortimer. Terstond daarop okellv.
Mortimer.
Ben ik waanzinnig? Ging er daar iemand niet
Voorbij, die riep: „De Koningin vermoord"?
Neen, neen! ik droomde dat. De wilde koorts
floept mij als waar en werkelijk in het ooi\',
Wat vreesselijk door mijn gedachten spookt.
Wie komt".\' Het is Okellv. Hoe verschrikt!
Okellv (haastig.)
Vlucht, Mortimer! Vlucht! alles is verloren.
Mortimer.
Wat is verloren ?
Okellv.
Vraag niet langer. Kies
Met haast de vlucht!
Morti mer.
Wat is \'t\'?
Okellv.
Sauvage waagde
Den slag, de dolleman.
Mortimer.
Zoo is het waar"?
Okelly.
\'t Is waar, \'t is waar! O, red u!
Mortimer.
Ze is vermoord,
En op den troon van England stijgt Maria!
Okelly.
Vermoord? wie zegt u dat?
-ocr page 288-
\'274
M o r t i ra e r.
Gij-zelf!
Okelly.
Zij leeft!
En ik en gij, wij allen, zijn des doods.
Mortiraer.
Zij leeft!
Okelly.
De stoot gleed op den mantel af,
Shrewsbury heeft den moordenaar ontwapend.
M o r t i m e r.
Zij leeft!
Okelly.
Ach, om ons allen te verdelgen!
Kom! \'t Park is reeds omcingeld.
M o r t i m e r.
Wie bestond
Dat dwaze stuk?
Okelly.
Dat was die Barnabiet,
Die Toelonezer, die ter bidkapel
Zoo peinzend neerzat toen de monnik ons
Het anathema voorlas en verklaarde,
Waarin de Paus de Koningin vervloekt.
Hij greep het naaste en snelste middel aan,
Hij wilde met éen stouten slag de Kerk
Bevrijden, zich de martelkroon verwerven;
Alleen de priester wist iels van zijn plan.
Hij voerde \'t op den weg van Londen uit.
Mortimer (na lang zwijgen.)
O, u vervolgt een onverzoenlijk lot,
Rampzalige I Nu — ja, nu moet gij sterven:
Uw Engel zelf heeft u den val bereid.
Okelly.
Waarheen denkt gij te vluchten? Spreek! Ik zoek
Een schuilhoek in de wouden van het Noord.
-ocr page 289-
275
M o r t i m e r.
Vliè heen, en God geleide u op de vlucht.
Ik blijf, \'k Beproef de vrijheid haar te geven,
Zoo niet, dan wil ik op haar lijkkist sneven.
KZij verwijderen zich langs verschillende kanten.)
VIERDE BEDRIJF.
Voorkamer.
EERSTE ÏOONEEL.
UKAAF AUUESIMNE. KENT en I.EYCESTEU.
Aubespine.
Hoe is \'t met Hare Majesteit, mylords?
Gij ziet mij nog geheel ontroerd van schrik.
Hoe ging dat toe\'.\' Hoe kon dat toch geschieden
Te midden van het trouwste volk ?
Leycester.
Wel niet
Door iemand uit het volk. De gruweldader
Was onderdaan uws Konings, was een Franschman.
Aubespine.
Voorzeker een krankzinnige!
Kent.
Een papist,
Graaf Aubespine!
TWEEDE TOONEEL.
de voiuuen. buhleigii in gesprek met davison.
Burleigh.
\'t Bevelschrift tot den dood
Worde ijlings opgemaakt en met den zegel
Voorzien. Zoodra het uitgevaardigd is,
-ocr page 290-
276
Zij \'t onzer Koninginne voorgelegd
Ter onderteekning. Ga! De tijd is kostbaar.
(Hij vertrekt.)
Da v i son.
Het zal geschiên.
Aubespine (tot Burleigh.)
Mylord! mijn trouw gemoed
Deelt in de oprechte blijdschap van uw volk,
God dank, dat Hij den doodelijken slag
Heeft afgewend van dit doorluchtig hoofd!
Burleigh.
Hij zij geloofd, die onzer haatren boosheid
Te schande heeft gemaakt!
Aubespine.
God moog\' hem straffen,
Den dader van dit vloekbaar gruwelstuk!
Burleigh.
De daders en den schandelijke\' ontwerper!
Aubespine (tot Kent.)
Behaagt het uwe heerlijkheid, Lord Maarschalk!
Aan hare Majesteit mij voor te stellen,
Dat ik den heilwensch van mijn Heer en Koning
Eerbiedig aan heur voeten nederleg?. . ..
Burleigh.
Vermoei u niet, graaf Aubespine.
Aubespine (met waardigheid.)
Ik weet,
Lord Burleigh, wat mij past.
Burleigh.
U past, heer Graaf!
Het eiland zonder toeven te verlaten.
Aubespine (treedt verbaasd terug.)
Hoe ? wat beteekent ?. . . .
-ocr page 291-
277
Burleigh.
Uw onschendbaar ambt
Beschermt u heden — morgen reeds niet meer.
A u b e s p i n e.
En wat is dan mijn misdaad ?
Bnrleigh.
Als ik haar
Genoemd heb, is zij niet meer te vergeven.
Aubespine.
Ik hoop, mylord! het recht eens Afgezants . . . .
Burleigh.
Beschut.... geen Bijksverrader.
Leycester en Kent.
Hoe, wat \'s dat ?
Aubespine.
Mylords, bedenkt ....
Burleigh.
Een paspoort, door uw hand
Geschreven, werd op \'s moorders borst gevonden.
Kent.
Is \'t mooglijk?
Aubespine.
Menig paspoort deelde ik uit:
Ik kan den menschen niet in \'t harte lezen.
Burleigh.
De moorders hebben in uw huis gebiecht.
Aubespine.
Mijn huis staat open.
Burleigh.
Ja, voor Englands haatren.
-ocr page 292-
\'278
Aubespine.
\'k Eisch ernstig onderzoek.
Burleigh.
Begeer het niet!
Aubespine.
In mijn persoon is mijn monarch gekrenkt,
Verscheuren zal hij \'t aangegaan verbond.
Burleigh.
Dat is reeds door de Koningin verscheurd:
(leen huwlijk tusschen Engeland en Frankrijk!
Mylord van Kent. gij neemt de taak op u
Den Graaf in veiligheid naar zee te brengen,
Het opgewonden Volk heeft zijn hotel
Bestormd, en vond er heel een arsenaal
Van wapens, \'t Dreigt hem levend te verscheuren
Als \'t hem ontmoet. Verberg hem, tot de woede
Bedaart. — Gij zijt aanspraaklijk voor zijn leven.
Aubespine.
Welaan, ik ga dan, ik verlaat dit Land,
Waar \'t volkenrecht met voeten wordt getreên,
Waar met verdragen wordt gespot? Mijn Meester
Zal bloedig rekenschap....
Burleigh.
Hij koom\' haar halen !
(Kent en Aubespine gaan af.)
DERDE TOONEEL.
LEYCE8TER en BURLEIGH.
Leycester.
Zoo wordt van zelf dan weer de band geslaakt,
Dien ge, ongeroepen, ijvrig hadt gestrengeld.
Gij hebt bij England weinig dank verdiend,
Mylord! die moeite hadt ge u kunnen sparen.
-ocr page 293-
279
Burleigh.
Mijn doel was goed. God heeft hel niet gewild.
Wel hem, die zich niets ergers is bewust.
Leycester.
Men kent Cecil\'s geduchte plechtigheid,
Als hij op Staatsvergrijpen jacht maakt. Nu,
\'t Is tegenwoordig, Lord ! een beste tijd.
Een ongehoorde misdaad is geschied;
De daders schuilen altijd nog in \'t duister.
Nu wordt een Inquisitie ingesteld,
Die woord en wenk als op een goudschaal weegt,
Ja, zelfs gedachten voor heur vierschaar roept.
Daar zijt gij de eerste man, die d\'atlas draagt.
Den Staat, gantsch England torscht gij op de schouders.
Burleigh.
Nochtans Mylord! \'k erken in u mijn meester;
Want zoo\'n triomf, als uw welsprekendheid
Behaald heeft, is mij nooit te beurt gevallen.
Leycester.
Wat meent Mylord daarmee?
Burleigh.
Gij waart hel toch, die achter mijnen rug
De Koningin naar \'t slot van Fothringhage
Te lokken wist?
Leycester.
Wat, achter uwen rug?
Wanneer heeft ooit mijn daad uw oog geschuwd ?
Burleigh.
De Koningin hebt gij naar Fothringhage
Gevoerd? Wel neenl Gij hebt de Koningin
Daar niet gebracht! — Haar Majesteit veeleer
Was wel zoo vriendlijk w daarheen te voeren.
Leycester.
Wat wil dat zeggen, Lord?
-ocr page 294-
\'280
Bu rleigh.
Wat eedle rol,
Dien gij do Koninginne daar liet spelen!
Wat heerlijken triomf bereiddet gij
Heur argloosheid! Die goede Koningin!
Zoo schaamtloos stout dreef men den spot met u,
Zoo onbarmhartig werdt gij prijs gegeven!
— Dat is die zachtheid, die grootmoedigheid,
Die plotseling u aanwoei in den Raad!
Daarom is deze Stuart zulk een zwakke,
Verachte weêrpartijder, dat het nauw
De moeite loont, haar schennig bloed te storten
Het plan was fijn, ontzachlijk fijn gesponnen !
Maar, jammer! al te fijn: de draad brak stuk!
Leycester.
Ellendeling, gij volgt mij! Voor den troon
Der Koningin geeft gij mij rekenschap,
Bu rleigh.
Daar vindt gij mij, en edel Heer! zie toe,
Dat uw welsprekendheid er wondren doe!
(Gaat af.)
VIERDE TOONEEL.
leycester alleen. Daarna hortimer.
Leycester.
Ik ben ontdekt, ik ben doorgrond! Hoe kwam
Die onheilsvogel mij aldus op \'t spoor?
Wee mij, als hij bewijzen heeft! Ontdekt
De Koningin, dat ik mij met Maria
Verstond, hoe schuldig moet ik vóór haar staan!
Hoe dubbelhartig moet mijn raad haar schijnen,
Hoe trouwloos mijn rampzalig ijvren, haar
Naar Fothringhaag\' te voeren! In haar oog
Ben ik de man die gruwzaam haar bespotte,
Aan haar gehate vijandin verried!
O, nimmer, nimmer kan zij dit vergeven!
-ocr page 295-
•281
\'t Moet alles haar vooraf berekend schijnen,
Ook deze bittre wending van \'t gesprek,
De zege, \'t hoongelach der weêrpartij ....
Ja, zelfs de moordnaarshand, die bloedig, schriklijk,
(lelijk een gruwzaam noodlot, onverwachts
Daar tusschen kwam, dunkt haar door mij gewapend!
Ik zie geen redding ! Nergens! . . . . Ha ! wie komt\'?
Mor timer (treedt in de hevigste onrust op, en blikt rond.)
Zijt gij \'t, Graaf Lester\'? Zijn wij hier alleen.\'
L e y c e s t e r.
Rampzalige, ga heen\'! wat zoekt gij hier\'?
M o r t i m e r.
Men is ons op het spoor, zoo u als mij.
Neem u in acht!
Leycester.
Van hier! van hier!
M o r t i m e r.
Men weet
Van onze samenkomst bij Aubespine ....
Leycester.
Wat gaat dat mij aan\'?
Mortimer.
Dat de moordenaar
Daar tegenwoordig was.
Leycester.
Dat is uw zaak!
Verwatene! wat durft gij u vermeten,
Mijn naam te mengen in uw gruwelstuk\'?
Verdedig gij uw booze daden zelf!
Mortimer.
Zoo luister dan ten minsten!
-ocr page 296-
282
Leycester.
Vaar ter Hel\'!
Wat volgt gij toch gelijk een booze geest
Mij op de hielen ? Voort! ik ken u niet:
Wat heb ik met sluipmoordenaars te doen ?
Mortimer.
Gij wilt niet hooren, daar ik ernstig waarschuw:
Uw gangen ook, zij zijn verraden.
L e v c e s t e r.
Ha!
Mortimer.
De Schatbewaarder was te Fothringhage
Terstond nadat het onheil was geschied;
Maria\'s kamers werden streng doorzocht,
Daar vond men ....
Leycester.
Wat?
Mortimer.
Een pasbegonnen brief
Der Koningin aan u .. ..
Leycester.
Rampzalig schepsel!
Mortimer.
Waarin zij bij u aandringt woord te houden,
U bij vernieuwing van haar hand verzekert,
Gewag maakt van heur beeldt nis ....
Leycester.
Duizend doön!
Mortimer.
Lord Burleigh heeft den brief.
Leycester.
Ik ben verloren !
(Hij gaat gedurende de volgende tvoorden van Mortimer
wanhopig op en neder.)
-ocr page 297-
283
M o i\' t i ra e r.
Gebruik het oogenblik! voorkom \'t gevaar!
Red u, red haar! Ontzie geen eeden, raap
Ontschuldigingen samen, wend het ergste
Behendig af! Ik-zelf kan niets meer doen.
De saamgezwoornen zijn verstrooid, geheel
Ons Bond is uit elkaar gespat. Ik ijl
Naar Schotland, waar ik nieuwe vrienden zoek.
\'t Is thands uw beurt! beproef het met uw invloed,
Wat niets ter waereld meer vermag....
Leycester (staat stil, plotseling beraden.)
Dat zal ik!
(Hij gaat naar de deur, opent haar en roept:)
Heidaar! trawanten!
(Tot den officier die met yewapenden binnentreedt.)
Dezen Staatsverrader
Neemt gij gevangen en bewaakt hem goed!
Een boze samenzweering is ontdekt.
Ik-zelf, ik breng der Koningin de boodschap.
(Hij gaat af.)
Mortimer (blijft eerst roerloos staan van verbazing,
komt echter spoedig tot zich-zelven, en ziet Leycester
na met een blik der diepste verachting.)
Ha! lage ziel! .... Maar dat heb ik verdiend!
Waarom ook dien ellendeling vertrouwd?
Hij treedt mij zonder aarzlen op den nek.
Mijn val moet hem de brug der redding zijn.
— Zoo red u dan! Gesloten blijft mijn mond,
\'k Sleep u niet meê, ik wil u niet doen kermen:
Met u ook in den dood zelfs geen verbond!
Het leven is het eenig goed des armen!
(Tot den officier der wacht, die toetreedt om hem gevangen
te nemen.)
Wat wilt gij, laffe slaaf der dwinglandij?
Mijn ziel bespot u, ik ben vrij.
(Hij trekt een dolk.)
-ocr page 298-
284
Officier.
Hij is gewapend! neem den dolk hem af.
(Zij dringen op hem aan, hij weert hen af.)
Mortimer.
En vrij tot op mijn uiterst oogenblik,
Ontsluit ik \'t hart en open ik de lippen!
Vloek over u, doemwaarden! die uw God
Verloochent en uwe echte Koninginne!
Die beide, de aardsche en hemelsche Maria,
Verworpen hebt met de eigen trouwloosheid,
U aan dees Bastertkoningin verkoopend !. . . .
Officier.
Hoort gij die lastring! mannen, grijpt hem vast!
Mortimer.
Geliefde! \'k wilde u redden, \'t is voorbij!
Zoo wil ik u een manlijk voorbeeld geven.
Maria! Heiige! bid voor mij,
En neem mij op in \'t zalig hemelleven I
(Hij doorsteekt zich met den dolk en valt der
wacht in de armen.)
VIJFDE TOONEEL.
Kamer der koningin.
EUZABETii met een brief in de hand. buri.eigh.
Elizabeth.
Mij meê te voeren, zulk een spot met mij
Te drijven! De verrader! In triomf
Voor zijn boeleerster mij ten toon te stellen!
O Burleigh, zóo werd nooit een vrouw bedrogen!
Burleigh.
Nog kan ik niet begrijpen, door wat macht,
Door welke tooverkunsten \'t hem gelukte,
-ocr page 299-
285
De kloeke wijsheid mijner Koningin
Zoo gruwzaam te verschalken! . . . .
Elisabeth.
\'k Sterf van schaamte !
O, hoe hij met mijn zwakheid spotten zal!
Haar dacht ik te verneedren, en ik-zelf,
Ik was het voorwerp van heur bittren spot!
B u r 1 e i g h.
Nu ziet gij \'t, Koningin! mijn raad was trouw.
E liza bet h.
O, ik ben zwaar daarvoor gestraft, dat ik
Mij aan uw wijzen raad niet heb gehouden!
Maar kon ik hem mistrouwen\'.\' Kon ik gissen.
Dat de eed der teerste liefde een valstrik was?
Als hij bedroog, wien zal ik nog gelooven ?
Hij, wien ik boven allen heb verheven.
Die immer \'t naaste mij aan \'t harte lag,
Wien ik stilzwijgend toeliet aan dit Hof
Zich als den Heer, den Koning te gedragen !
Burleig h.
En juist ter zelfder tijd verried hij u
Aan deze valsche Koningin van Schotland!
E li zabet h.
O, daarvoor zal zij boeten met heur bloed!
— Zeg, is het vonnis opgemaakt?
Burleigh.
Het ligt
Naar uw bevel geschreven.
E 1 iza be t h.
Zij moet sterven!
Hij zie haar vallen, en, hij vall\' na haar!
Hij is voor immer uit mijn hart verstoten.
De liefde vlood, de wraak verving heur plaats.
Zoo hoog hij stond, zoo diep en smaadlijk zij
-ocr page 300-
280
Zijn val! Hij worde een toonbeeld mijner strengheid,
Gelijk hij voorbeeld mijner zwakheid was!
Men voer\' hem naar den Tower: ik zal pairs
Benoemen die hem richten, \'k Geef hem over,
Geheel, aan de onverbidlijkheid der wet!
Bu rle igh.
Hij zal u zoeken, zich rechtvaardigen!
E liza beth.
Hoe kan hij zich rechtvaardigen\'? Die briei\'
Is overtuigend! O, zijn misdaad is
Zoo klaar als \'t daglicht !
Burleigh.
Maar gij zijt zoo goed,
Zijn aanblik, de invloed van zijn blik, zijn woord
Elizabeth.
Maar \'k wil hem niet meer zien! neen, nimmermeer!
Hebt gij bevel gegeven, dat men hem
Terugwijze als hij komt\'.\'
Burleigh.
Zoo is bevolen.
Paadje {treedt binnen.)
Mylord van Lester.
Koningin.
Monster, daar hij is!
\'k Wil hem niet zien. Ga, zeg hem, dat ik hem
Niet zien wil.
Paadje.
\'k Heb den moed niet dit mylord
Te zeggen. En hij zou mij niet gelooven.
Koningin.
Zóo heb ik hem verheven, dat mijn dienaars
Meer siddren voor zijn blik dan voor den mijne!
-ocr page 301-
287
B u i\' 1 eig h (tot den paadje.)
De Koningin verbiedt hem hier te komen.
(Paadje vertrekt aarzelend.)
Koningin (na eene poos.)
Zoo \'t echter moogiijk ware ....
Zoo hij zich
Rechtvaardigde! — O, wie weet het, kan het niet
Een valstrik zijn, dien mij Maria spande,
Om mij te scheuren van mijn besten vriend?
Zij is een fijn doorsiepen huichlares!
Als zij dien brief eens enkel had geschreven,
Om \'t gif des argwaans in mijn hart te strooien,
En hem dien \'k min te storten in \'t verderf....
Burl eigh.
Maar, koningin, bedenk ....
ZESDE TOONEEL.
DE VORIGEN. I.EYC.ESTER.
e y ces ter (rukt de deur met geweld open, en treedt met
gebiedend voorkomen binnen.)
Dien onbeschaamde
Wil \'k zien, die mij de deur verbieden durft
Van mijn beminde koningin.
Eli zabeth.
Vermeetle!
Leycester.
Mij af te wijzen! Als zij voor een Burleigh
Te spreken is, dan is zij \'t ook voor mij.
Burleigh.
Gij zijt wel stout, Mylord! dat gij het waagt
Hier, tegen het verbod in, door te dringen.
-ocr page 302-
\'288
Leycester.
Gij, wel verwaten, dat gij \'t woord hier voert.
Verbod! Hoe nu 1 Hier is, aan heel het Hof,
Geen schepsel door wiens mond Graaf Lester zich
Iets laat vergunnen of verbieden!
(Terwijl hij de Koningin oodmoedig nadert.)
Neen,
Mijn Koningin moet mij met eigen mond ....
Elizabeth (zonder hem aan te zien.)
Ga uit mijn oogen, gij onwaardige!
Leycester.
O mijn goedhartige, eedle Elizabeth!
\'k Herken Mylord, mijn vijand, uit die woorden ....
\'k Beroep me op mijne Elizabeth! Gij leendet
Hem \'t oor, ik vraag dat zelfde nu voor mij.
Elizabeth.
Spreek, booswicht, daar gij zijt! Vergroot uw schuld!
Ontken haar!
Leycester.
Laat dees overtollige eerst
Verwijderen. — Verdwijn, Mylord ! wat ik
Verhandlen moet met mijne Koninginne,
Heeft geen getuige noodig. Ga.
Elizabeth (tot Burleigh.)
Gij blijft,
\'k Beveel het.
Leycester.
Waarom tusschen u en mij
Een derde? Met mijn dierbre Meesteres
Heb ik te doen — de rechten van mijn rang
Blijf ik verdedigen, \'t zijn heiige rechten!
En \'k sta er op dat zich mylord verwijder\'.
E 1 i zabeth.
Zij past u wel, die trotsche taal!
-ocr page 303-
289
L e y c e s t e r.
Gewis,
Zij past mij, daar ik zoo gelukkig ben,
Dat mij uw hooge gunst den voorkeur gaf:
Dat plaatst mij boven hem en boven allen!
Uw hart verleende mij dien hoogen rang,
En wat de liefde gaf, zal ik, bij God!
Beschermen met mijn laatsten droppel bloeds.
Hij ga — en twee minuten zijn genoeg
Om \'t misverstand te weeren dat ons scheidt.
Eli za bet h.
Gij hoopt vergeefs mij listig om te praten.
Leycester.
U omgepraat heeft deze fleemer hier,
Ik, echter, ik wil spreken tot uw hart;
En wat ik in \'t vertrouwen op uw gunst
Gewaagd heb, wil ik nu ook voor uw hart
Rechtvaardigen — want daar bsstaat voor mij
Geen vierschaar dan de rechtbank uwer liefde!
Eli zabeth.
En deze juist, o onbeschaamde! spreekt
Uw vonnis uit.... Toon hem den brief, mylord!
Burl eigh.
Hier is hij!
Leycester (doorloopt den brief, zonder zijn
tegenwoordigheid van geest te verliezen.)
Stuarts hand!
Elizabeth.
Lees en verstom!
Leycester (nadat hij gelezen heeft, met kalmte.)
De schijn is tegen mij: toch durf ik hopen,
Dat ik niet naar den schijn geoordeeld word\'!
Elizabeth.
Kunt gij ontkennen, dat gij met die Stuart
lx.                                                                                                 19
-ocr page 304-
290
In schandlijke betrekking stond, haar beeldtnis
Onlfingt, en haar de hoop op vrijheid gaaft?
Leycester.
Gemaklijk waar\' \'t, zoo ik mij schuldig voelde,
\'t Getuignis eener vijandin te loochnen.
Maar vrij is mijn geweten, ik beken
Dat zij de waarheid schrijft!
Elizabeth.
Welnu, rampzaalge t
Burleigh.
Hij spreekt zijn eigen vonnis uit.
Elizabeth.
Verdwijn!
De Tower wacht u, eerloze verrader!
Leycester.
Dat ben ik niet. Mijn dwaling was alleen,
Dat ik voor u geheim hield wat ik deed.
Maar rein was mijn bedoeling, want ik zocht
De vijandin te vangen, uittelokken ....
Elizabeth.
Ellendige uitvlucht!
Burleigh.
Hoe, mylord! gij meent ....
Leycester.
Voorzeker, \'k heb een hachlijk spel gespeeld,
En niemand dan graaf Lester had het recht
Tot zulk een waagstuk, aan geheel uw Hof.
Hoe ik die Stuart haat, weet iedereen
De rang die mij geschonken is, \'t vertrouwen,
Waarmee mijn Koninginne mij vereert,
Weert eiken blaam van mijn oprechtheid af.
Wel mag de man, die door uw hooge gunst
Geplaatst is boven allen, als zijn plicht
Dat eischt, een eigen, stouten weg beproeven.
-ocr page 305-
291
Bu rl eigh.
Indien gij \'t goede voorhadt, waarom zweegt gij\'?
Leycester.
Mylord! gij pleegt te praten eer gij handelt,
En hangt uw daden aan de klok. Mylord,
Dat is zoo nw manier. De mijne
Is: handlen eerst, dan spreken!
Burleig h.
En gij spreekt
Nu, wijl gij moet.
Leycester (hem trotsch en honend met de oogen metend.)
En gij beroemt u zeker
Dat gij iets groots tot stand bracht, dat gij \'t leven
Der Koningin gered hebt en \'t verraad
Ontmaskerd! Alles weet gij, niets ter waereld,
Zoo waant gij, kan uw arendsblik ontgaan ....
Armzalig pocher 1 al uw kunst ten spijt,
Waar\' heden nog Maria Stuart vrij,
Als ik het niet verhinderd had ....
Burleigh.
Gij zoudt....
Leycester.
Ik-zelf, mylord 1 Hier onze Koningin
Vertrouwde op Mortimer. Ze ontsloot voor hem
Heur binnenste. Ze is zelfs zóo ver gegaan,
Dat zij een bloedig werk hem opdroeg tegen
Maria, nadat de oom met afschuw zich
Aan soortgelijke taak onttrokken had ....
Is \'t waar of niet?
(De Koningin en Burleigh zien elkander ontsteld aan.)
Burleigh.
Hoe kondt gij daartoe komen ?
Leycester.
Is \'t waar, of niet? — Welnu, Mylord! waar hadt
-ocr page 306-
\'292
Ge uw duizend oogen tocli, dat gij niet zaagt
Hoe deze Mortimer u lagen lei?
Dat hij een woedende papist, een werktuig
Der Guisen, een gewrocht van Stuart was,
Een ongeneesbre dweeper, hier gekomen
Om Stuart te bevrijden en het leven
Der Koningin geweldig af te snijden ....
E1 i z a b e t h (in de uiterste verbazing.)
Die Mortimer!
Leycester.
Hij was de man, door wien
Maria onderhandelde mei mij,
En dien ik kennen leerde langs dees weg.
Nog heden moest ze uit heur gevangenis
Verlost: dat heb ik uit zijn eigen mond
Dit oogenblik vernomen! \'k Liet hem grijpen,
En hooploos, nu zijn werk verijdeld was,
Nu hij op eenmaal zich ontmaskerd zag,
Gaf hij zich-zelf den dood.
Elizabeth.
O, \'k ben voorbeeldeloos
Bedrogen — Hoe? die Mortimer!....
Burleigh.
En nu
Gebeurde dat? juist als ik u verliet?
Leycester.
Ik moet het om mij-zelfs wil zéér betreuren,
Dat hij dus aan zijn eind kwam. Zijn getuignis,
Zoo hij nog leefde, had mij gants en al
Van eiken smet gezuiverd. Daarom juist
Gaf ik hem over in des rechters hand.
\'t Strengste onderzoek moest voor hel oog der waereld
Mijne onschuld stellen in het helderst licht.
Burleigh.
Gij zegt, hij heeft zich-zelf gedood. Hij-zelf?
Of wel.... gij hem ?
-ocr page 307-
\'293
Leycester.
Onwaardige verdenking!
Men hoor\' de wacht, wie ik hem overgaf!
{Hij opent de deur en roept. De officier der lijfwacht
treedt binnen)
Bericht Haar Majesteit, op welk een wijs\'
Die Mortinier bezweek!
O fficier.
\'k Hield in de voorzaal
De wacht, toen plotseling Mylord de deur
Ontsloot en mij bevel gaf om den Ridder
Te grijpen als een snooden landverrader.
Toen zagen wij in woede hem ontvlammen,
Den ponjaart trekken onder woest verwenschen
Der Koningin, en, eer wij \'t hindren konden,
Zich-zelven \'t hart doorboren, dat hij dood
Ter aarde viel.
Leycester.
\'t Is wel, Sir! gij kunt gaan.
De Koningin weet nu genoeg.
{De officier vertrekt.)
Elizabet h.
O, welk een afgrond van afgrijslijkheden!
Leycester.
En wie nu was uw redder? Was dat soms
Mylord van Burleigh? Wist hij van \'t gevaar,
Dat u omringde? Heeft hij \'t afgewend?
Leycester\'s trouw was uw beschermende Engel!
Burleigh.
Graaf! deze Mortimer stierf juist van pas.
El izabe th.
Ik weet niet wat ik zeggen moet. \'k Geloof u.
En ik geloof u niet. Ik waan u schuldig,
En straks onschuldig. O, die aterling,
Die al dit leed berokkent! ....
-ocr page 308-
294
Leycester.
Zij moet sterven.
Thands stem ik-zelf voor haren dood. Ik ried
U aan het vonnis onvolvoerd te laten,
Tot zich op nieuw een arm voor haar verhief\'.
Dat is geschied — nu dring ik er op aan,
Het vonnis zonder uitstel uit te voeren.
Burleigh.
Gij riedt daartoe? Gij?
Leycester.
Hoe \'t mij stuiten moog\'
Tot uitersten te komen, \'k zie nu in
En oordeel dat het heil der Koningin
Dit bloedig offer eischt. Ik sta er op:
Het vonnis van den dood moet nu voltrokken!
Burleigh (tot de Koningin.)
Daar nu Mylord zou trouw en ernstig \'t meent
Zoo dring ik er op aan, dat hem in last
Gegeven zij het vonnis uit te voeren.
Leycester.
Mij?
Burleigh.
U! Niet beter kunt gij \'t kwaad vermoeden
Beschamen, dat nog altijd op u rust,
Dan als gij haar, wie gij beschuldigd wordt
Te minnen, zelf onthoofden laat.
Elizabeth (Leycester sterk aanziende.)
Mylord
Raadt goed. Zoo zij \'t, en blijve \'t dan bepaald!
Leycester.
\'t Waar\' billijk, als, ter wille van mijn rang,
Zoo droeve last mij kwijtgescholden wierd,
Die meer een Burleigh passen zou dan mij.
Die naast zijn Koningin staat, zooals ik,
Moest nooit bewerker van een onheil wezen.
-ocr page 309-
295
Toch, om te toonen hoe ik ijvrig ben,
En om mijn koninginne te voldoen,
Doe \'k afstand van het voorrecht van mijn ambt,
Een plicht aanvaardend, waar mijn hart van gruwt.
Elizabeth.
Lord Burleigh deele dien met u!
{Tot dezen.)
Draag zorg,
Dat nu \'t bevel terstond gegeven worde I
{Burleigh gaat. Men hoort buiten een gerucht.)
ZEVENDE TOONEEL.
DE VORIGEN" etl (\'.RAAF VAN KENT.
Elizabeth.
Wat is er gaande, Lord van Kent? Wat oploop
Beroert de stad? Wat is er?
Kent.
Koningin!
Dat is uw Volk: \'t omcingelt uw paleis,
\'t Eischt, met onstuimige\' aandrang, u te zien.
Elizabeth.
Wat wil mijn volk?
Kent.
De schrikraaar\' gaat door Londen.
Uw leven wordt bedreigd, een moordnaarsbende
Sluipt om u heen, gezonden door den Paus.
De Roomschen, heet het, zijn te-saam-gezworen
Om Stuart uit den kerker met geweld
Te rukken en tot koningin te kroonen.
\'t Verwoed Gemeen gelooft het. Slechts het hoofd
Van Stuart, dat nog heden vallen moet,
Zal \'t doen bedaren.
-ocr page 310-
\'290
E lizabe th.
Hoe! men wil mij dwingen\'.\'
Kent.
Zij zijn besloten, niet van hier te wijken,
Eer gij het vonnis onderteekend hebt.
ACHTSTE TOONEEL.
buri.eigh en davison met een geschrift, de vorigek.
Elizabeth.
Wat brengt gij, Davison ?
Davison {nadert ernstig )
Gij hebt bevolen,
O Koningin ! .. . .
Elizabeth.
Wat is \'t?
Terwijl zij het geschrift wil aannemen, grijpt haar een
huivering aan en deinst zij terug.)
O God!
Burleigh.
Gehoorzaam
De stem des volks! zij is de stemme Gods.
Elizabeth (onbesloten, in tweestrijd met zich-zelve.)
Helaas, Mylords! wie zegt mij, of ik waarlijk
De stem verneem van heel mijn Volk, de stem
Der waereld? Ach, ik vrees maar al te zeer,
Als ik den wensch der menigte vervul,
Dat een gantsch andre stemme binnenkort
Zich hooren doet; ja, dat dezelfde stem,
Die nu met kracht mij aandrijft tot de daad,
Is ze eens volbracht, mij bitter laken zal!
-ocr page 311-
297
NEGENDE TOONEEL.
DE VORIGEN. GRAAF SHREWSBURY.
Shrewsbury (treedt in groote gemoedsbeweging op.)
Men wil u overhaasten, Koningin!
O, houd toch moed, sta pal!
(Als hij Davison met het geschrift gewaar wordt.)
Of is \'t geschied?
Zou \'t waarheid zijn? Ik zie daar in die hand
Een gruwzaam blad. Dat moge heden toch
Mijn Koningin niet onder de oogen komen!
Eli za be t h.
Ach, Shrewsbury! men dwingt mij.
Shrewsbury.
Koningin!
Wie kan u dwingen? Gij zijt meesteres.
Leg gij dien rauwen stemmen \'t zwijgen op,
Die \'t wagen uwen koninklijken wil
Te dwingen, en uw oordeel te overheerschen!
De vrees, een blinde waan, beweegt het volk:
Gij, overprikkeld, zijt u-zelve niet....
Gij zijt een Mensch, en nu kunt gij niet richten.
Burleig h.
Daar is reeds lang gericht. Hier valt geen vonnis
Te vellen, maar eenvoudig te voltrekken.
Kent (die zich bij Shrewsbury\'\'s komst verwijderd hevft,
keert terug.)
Het oproer groeit. Het Volk is langer niet
Te teugelen.
Elizabeth. (tot Shreivsbary)
Gij ziet hoe zij mij dringen.
Shrewsbury.
Slechts uitstel eisch ik. Deze pennetrek
Moet over uw geluk en vree beslissen.
-ocr page 312-
298
Gij peinsde er jaren over na; moet nu
De stroom u in éen oogwenk met zich sleuren?
Kort uitstel slechts 1 Herzamel uw gedachten,
En wacht een uur van kalmer stemming af.
Burleigh. (hevig)
Wacht af, en talm, verzuim, totdat het Rijk
In vuur en vlam staat, tot uw vijandin
In \'t eind u treft. Reeds heeft tot driemaal toe
God-zelf u van de moordnaarshand verwijderd:
Ku ging zij raaklings langs u heen — nog eens
Een wonder wachten, waar\' den Heer verzoeken!
Shre wsbur y,
Die God, die u door Zijn al machte hand
Tot viermaal toe behouden heeft, die heden
Des grijsaards zwakken arm de veerkracht gaf
Een woestaart te overwinnen — Hij verdient
Vertrouwen! \'k Wil de roepstem van het Recht
Nu niet verheffen: \'t Is nu daarvoor geen tijd;
Gij kunt in dezen stormwind haar niet hooren.
Verneem dit éene slechts! Gij siddert nu
Voor deze levende Maria. Niet
De levende hebt gij te vreezen. Neen,
Beef voor de doode, voor de onthoofde! Zij
Zal als een fïir-ie stijgen uit heur graf,
Gelijk een wraakgeest rondgaan door uw rijk,
En \'t hart des volks van u afkeerig maken.
Nu haat de Brit Maria die hij vreest
Hij zal haar wreken, als zij niet meer is.
Niet meer de vijandin van zijn geloof,
Alleen de dochter zijner Koningen,
Het offer slechts van haat en jaloezy
Zal hij in \'t voorwerp zijner deernis groeten!
Ras zult gij die verandering ervaren.
Doorwandel Londen, als de zwarte daad
Volbracht is! toon u aan het volk, dat eens
U jubelend omcingelde! en gij zult
Een ander England zien, een ander volk.
Want u omringt de stralenkrans niet meer
Der heilige Gerechtigheid, die eens
-ocr page 313-
20!)
U aller harten stal! De bleeke vrees,
Het schrikgeleide van de Tyranny,
Trekt huivrend u vooruit, en veegt alorn
De straten ledig waar gij henentrekt.
Gij hebt het laatste, \'t uiterste, gedaan.
Welk hoofd staat vast, wanneer dit. heiige viel\'?
Elizabeth.
Ach, Shrewsbury! gij hebt mij heden \'t leven
Gered, gij hebt den raoorddolk afgewend.
Waarom, helaas! liet gij hem niet begaan?
Dan waren alle twisten uit geweest, en ik,
Verlost van allen twijfel, rein van schuld.
Sliep rustig in het stille graf. Voorwaar!
Ik ben des levens en des heerschens moè.
Moet éene van ons Koninginnen vallen,
Opdat de tweede leve — en \'t is niet anders,
\'k Beken het! — spreek, kan ik het dan niet zijn,
Die wijke? Ik laat mijn eigen Volk de keus.
Ik geef mijn Volk zijn majesteit terug.
God is getuige, voor mij-zelve niet,
Voor \'t welzijn van mijn Volk, heb ik geleefd!
Verwacht het van die huichelende Stuart,
De jonger Koninginne, blijder dagen,
Dan stijg ik gaarne van den troon, en keer
In Woodstocks heilige eenzaamheid terug,
Waar ik mijn nederige jeugd doorleefde,
Waar ik, van \'s waerelds ijdle glorie vrij,
De grootheid in mij-zelve vond! Ik ben
Voor heerschen niet geschikt. Die heerschen wil,
Moet hard zijn op zijn tijd: mijn ziel is teder.
Ik heb Brittanje lang en met geluk
Bestuurd — \'k had slechts gelukkigen te maken.
Nu komt mijn eerste, zwaarste koningsplicht,
En \'k ondervind mijn zwakheid ....
Burleigh.
Nu, bij God!
Wanneer ik zulke ónkoninklijke woorden
Moet hooren van mijn dierbre Koningin,
\'k Zou dan mijn plicht verkrachten, \'k zou mijn Land
-ocr page 314-
300
Verraden, als ik langer zwijgen kon.
—   Gij zegt, gij mint uw Volk, meer dan u-zelf:
Zoo toon dat thands! Verkies den vrede niet
Voor w, nocli laat uw Kijk den storm ter prooi.
—   Gedenk de Kerk! Moet dan met deze Sluart
Het oude Bijgeloof hier wederkeeren ?
De Monnik weer regeeren\'.\' de afgezant
Van Rome woeden, onze bedehuizen
Vergrendlen, onze Koningen onttioonen\'?
—   Ik eisch de zielen uwer onderdanen
U af; en naar gij heden handlen zult,
Zijn zij gered voor eeuwig, of verloren !
\'t Is nu geen tijd voor vrouwlijk medelij\':
Het heil der natie is de hoogste plicht.
Heeft Shrewsbury het leven u gered,
Dan wil ik England redden — dat is meer\'
El izabe t h.
Men late mij alleen! Hij menschen is
Geen raad of troost in deze groote zaak.
Ik draag haar aan den Hoogsten Rechter op.
Wat Hij mij leert, dat zal ik doen. Nu gaat
Mylords!
(Tot Davison.)
Gij Sir! kunt hier in d\'omtrek blijven.
(De Lords verwijderen zich. Shrewsbury alleen blijft nog
eenige oogenblikken voor de Koningin staan niet een
veelbeteekenenden blik; daarop verwijdert hij zich
langzaam met de uitdrukking der diep-
ste smart )
TIENDE T O O N E E L.
elizabeth. alleen.
O slavernij der volksgunst! Schandlijk juk!
Hoe walgt het mij, dien afgod dus te vleien,
Dien ik veracht in \'t diepste mijner ziel!
Wanneer sta ik op dezen troon gants vrij ?
De Meening moet ik eeren, om den lof
-ocr page 315-
301
Der Menigt beedlen, en een wuft Gemeen
Behagen, dat den goochlaar \'t liefste ziet.
O, die is nog geen koning, die de waereld
Bevallen moet! Hij is \'t, die bij zijn doen
Het menschlijk oordeel fier verachten kan.
—   Waarom heb ik gerechtigheid geoefend,
Den willekeur gehaat mijn leven lang?
Om nu voor \'t eerst, noodzaaklijk, bloedig werk
De handen door mijzelf geboeid te zien!
Mijn eigen voorbeeld spreekt mijn vonnis uit.
Zoo \'k tyranniek geweest ware als de Spaansche
Maria, die mij voorging op den troon,
\'k Zou zondei\' blaam nu Koningsbloed vergieten! .. ..
Maar w;is het dan mijn eigen, vrije keus
Gerechtigheid te doen? Die ijzren nooddwang,
Die ook den vrijen wil der Koningen
In boeien slaat, gebood mij deze deugd.
Van hateren aan alle kant omringd.
Beschermt de Volksgunst mijn belaagden troon.
\'t Spant alles tot mijn ondergang te saam\'
Op \'t Vaste Land. De Paus van Rome slingert
Den banvloek onverzoenlijk naar mijn hoofd.
Met valschen broederkus verraadt mij Frankrijk,
En Spanje dreigt op alle wateren
Mij opentlijk met een verdelgings-oorlog
Zoo heb ik heel een wereld tegen mij,
Ik, zwakke vrouw! Met deugden, grootsch en schoon,
Moet ik de naaktheid van mijn recht bedekken ;
Den schandvlek van mijn Vorstlijke geboort ,
Waarmee mijn eigen vader mij besmet heefl.
Vergeefs bedek ik dien .... Mijns vijands haat
Ontblootte hem, en plaatst nu deze Stuart,
Een dreigend spooksel, tegenover mij!
Neen, die gevloekte vrees moet eindigen!
Haar hoofd moet vallen! Ik wil vrede maken.
—   Zij is de Furie van mijn leven, zij,
Een plaaggeest, door het noodlot me aangejaagd.
Waar \'k ooit een vreugd gezaaid heb, of een hoop
Geplant, daar ligt die helsche slang altijd
Mij in den weg! Ze ontrukt mij den geliefde,
Den bruigom rooft zij mij! Maria Stuart
-ocr page 316-
302
Heet ieder onheil dat mij nederslaat!
Verdelg haar uit het land der levenden,
En, als de hooge berglucht, ben ik vrij!
(Na een wijle.)
Met welk een hoon zag ze op mij neer, als moest
Haar oog mij als een bliksem nederwerpen I
Onmachtige! ik voer beter wapenen,
Zij treffen doodlijk, en gij zijt niet meer:
(Met snelle schreden naar de tafel gaande en de pen opnemend. \\
Een bastaart noemt ge mij\'.\'.... Ellendige,
Dat ben ik slechts zoolang gij ademhaalt!
Het brandmerk van de onechte Koningstelg
Is uitgedelgd zoo ras ik u verdelg:
Zoodra den Brit geen keus meer is beschoren,
Ben ik in \'t echte huwlijksbed geboren!
(Zij onderteekent Maria\'s doodvonnis met een vluggen,
vasten pennetrek; laat daarop de pen uit de hand val-
len, en deinst met een uitdrukking van schrik
terug. Na eene pooze grijpt zij het koord
en schelt.)
ELFDE TOONEEL.
ELIZABETH. DAV1SON.
Eliza b e th.
Waar zijn die andere Lords?
D a v i s o n.
Zij gingen uit,
üm \'t opgewonden volk tot rust te brengen.
\'t Rumoer was in een oogenblik gestild,
Zoodra de Graaf van Shrewsbury verscheen.
„Hij is \'t! hij is \'t!" zoo riepen honderd stemmen,
„Hij heeft de Koningin gered! hoort hem,
,Den braafsten man in England!" Nu begon
Die eedle Talbot en verweet het Volk
In zachte woorden zijn onstuimigheid,
En sprak met zooveel kracht en overtuiging,
-ocr page 317-
303
Dat alles straks bedaarde en de oploop uit
Elkander ging.
Elizabeth.
Dat wankelziek Gemeen,
Dat ommedraait met eiken wind! Wee hem,
Die op dit riet zich leunen wil! \'t Is goed,
Sir Davison! Gij kunt nu weder gaan.
(Als deze zich naar de deur wendt.)
En hier dit blad.... neem \'t meê! Ik leg het in
Uw handen neer.
Davison (werpt een blik in het papier en verschrikt.)
Hoe, Koningin! uw naam 1
Gij hebt beslist?
Elizabeth.
Ik moest wel onderteeknen:
Ik deed het. Maar een blad papier beslist
Nog niets, een enkle naam kan niemand dooden.
Davison.
Uw naam, o Koningin! op dit papier,
Beslist het al, doodt, is een flikkerstraal
Des bliksems, die gevleugeld treft. Dit blad
Beveelt den kommissarissen, den sherif,
Op staanden voet naar \'t slot van Fothringhage
Te trekken, Schotlands Koningin te spreken,
Den dood haar aan te kondigen, en snel,
Als de ochtend daagt, het vonnis te voltrekken.
Hier is geen uitstel. Stuart heelt geleefd,
Als Davison dit blad uit handen geeft!
Elizabeth.
Ja, Sir! God legt een zwaar, beslissend lot
In uwe zwakke handen. Roep Hem aan,
Opdat Hij met Zijn wijsheid u verlicht!
Ik ga en laat u over aan uw plicht.
(Zij wil gaan.)
-ocr page 318-
304
Davison (treedt haar in den weg.)
Neen, neen, mijn Koningin! verlaat mij niet,
Eer gij mij klaar uw wil hebt uitgedrukt.
[s hier nog wel een andre wijsheid noodig,
Dan letterlijk naar uw gebod te doen\'?
— Geeft gij dit blad mij over, als een wenk
Dat ik den inhoud haastig doe volbrengen ?
Eliz abet h.
Dat zult gij naar uw eigen wijsheid ....
Davison {haastig en verschrokken in de rede vallende.)
Niet
Naar mijne! Dat verhoede God! Ik ken
Geen wijsheid dan gehoorzaamheid. Uw dienaar
Heeft niets hier te beslissen, \'t Kleinst verzuim
Waar\' hier een Koningsmoord, een vreeslijk onheil.
Vergun mij toch in deze groote zaak,
Dat ik niets anders dan uw werktuig zij,
Blind, zonder wil. Zoo spreek uw meening uit:
Wat moet ik met dit bloedig vonnis doen ?
Elizabeth.
Dat drukt zijn naam reeds uit.
Davison.
Zoo wilt gij dan,
Dat ik het onverwijld voltrekken doe?
Elizabeth (aarzelend.)
Dat zeg ik niet: het denkbeeld doet mij siddren!
Davison.
Gij wilt dat ik het langer nog bewaar\'?
Elizabeth.
Wat daarvan komen moog\', blijft voor uw reekning.
Davison.
Voor mijne? O God! — Spreek, Koningin! Wat vri\\\\ gij?
-ocr page 319-
305
E1 i z a b e t h {ongeduldig.)
Ik wil, dat aan die jammerlijke zaak
Niet meer gedacht zal worden, dat ik eindlijk
Daar rust van hebben zal, en wel voor eeuwig.
Da vison.
Het kost u slechts een enkel woord. O, spreek,
Bepaal wat met dit stuk geschieden moet!
E1 i z a b e t h.
Ik zeide \'t u. Vervolg mij nu niet meer!
Da vison.
Gij hebt het mij gezegd? Gij hebt mij niets
Gezegd ! . ... Herinner u toch ....
Elizabeth (stampt op den grond.)
Onuitstaanbaar!
Da vison.
Heb medelij! \'k Bekleed pas weinig maanden
Dit ambt. Ik ben de hoftaal niet gewend,
Noch ken de spraak der Koningen. Ik ben
Eenvoudig opgevoed. Wees met uw knecht
Geduldig! Laat het woord u nooit berouwen,
Dat mij mijn plicht doet kennen. Koningin!
{Hij nadert haar in een smeekende houding; zij keert
hem den rug toe; hij staat in vertwijfeling, daarop
zegt hij op beslissenden toon.)
Neem dit papier terug! O, neem het weer!
Het brandt mij op de vingeren als vuur.
Kies mij toch niet om in dees schrikbre zaak
Van dienst te zijn! ,. ..
Elizabeth.
Doe wat uw ambt gebiedt!
(Zij vertrekt.)
-ocr page 320-
306
TWAALFDE TOONEEL.
davison, terstond daarop burleigh.
Da vi so n.
Zij gaat! zij laat mij raadloos, twijllend staan
Met dit verschriklijk blad. Wat moet ik doen?
Moet ik \'t bewaren? Moet ik \'t overgeven?
(Tot Burleigh, die binnentreedt.)
O, goed, goed, dat gij komt, Mylord! Gij zijt het,
Die mij dit ambt hebt opgelegd. Ik bid,
Neem gij het weer! \'k Aanvaardde \'t, onbewust
Wat zware verandwoordlijkheid het oplegt.
Laat mij teruggaan in het roemloos duister,
Waar gij mij vondt: \'k behoor niet op dees plaats t
Burleigh.
Wat is er, Sir? Bedaar! Waar is het vonnis?
Gij hebt de Koningin gesproken.
Da vison.
Zij verliet mij
In felle gramschap. Raad mij, help mij toch!
Verlos mij uit de doodlijke angst des twijfels!
Hier is het vonnis — onderteekend is \'t.
Burleigh (haastig.)
Is \'t onderteekend? Geef het hier!
Da vison.
Ik mag niet.
Burleigh.
Wat?
Davison.
Nog niet duidlijk heeft zij mij heur wil .
Burleigh.
Niet duidlijk? Zij heeft onderteekend. Geef!
Davison.
Ik moet het doen voltrekken — \'k moet het niet. .
-ocr page 321-
307
Burleigh (heftiger aandringend.)
Nu,
Dit oogenblik moet gij het doen voltrekken!
Geef hier! gij zijt verloren als gij draalt.
Da viso n.
Ik ben verloren als ik overijl.
Burleigh.
Gij zijt een dwaas, gij zijt onzinnig. Ga!
Hij ontrukt hem het geschrift en gaaf er haastig mede heen.)
Da viso n (hem naijlend.)
Wat doet gij? Blijf! Gij stort mij in \'t verderf.
VIJFDE BEDRIJF.
Het tooneel is de kamer van het eerste bedrijf.
EERSTE TOONEEL.
iianna kennedy, in zworen rouw gekleed, met roodgeweende
oog en, met eene groote maar stille smart, is bezig pakken
en brieven te verzegelen. Meermalen doet de droefheid haar
den arbeid staken, en men ziet haar daarbij zachtkens bidden.
paulet en druky, evenzeer in zwarte kleederen, treden binnen:
hen volgen vele
bedienden, die gouden en zilveren vaatwerken,
spiegels, schilderijen en andere kostbaarheden dragen, en den
achtergrond van het vertrek daarmede aanvullen. Paulet over-
handigt Hanna een pronkkistjen, benevens een papier, en
beduidt haar door teekenen, dat dit een lijst der gebrachte
voorwerpen bevat Bij den aanblik dezer schatten verdubbelt
Halma\'s droefheid. Zij verzinkt in droef gepeins, terwijl de
anderen zich wederom in stilte verwijderen
mei.vil treedt binnen.
Kennedy (opspringende, zoodra zij hem gewaar wordt.)
Melvil, gij zijt het\'? Zie ik u dan weer-\'
-ocr page 322-
308
Melvil.
Ja, Kennedy! wij zien elkander weer.
K e n n e d y.
Niet langer dus de smartelijke scheiding!
Melvil.
Een ongelukkig, smartlijk wederzien!
Kennedy.
O God, gij komt....
Melvil.
Ik kom mijn Koningin
Begroeten met een allerlaatst vaarwel.
Kennedy.
Nu eindlijk, op den morgen van haar dood,
Wordt haar het langontbeerde bijzijn van
De haren toegestaan .... O, waarde Sir!
Ik wil niet vragen hoe het u gegaan is,
U niet het lijden noemen, dat wij leden,
Sints ge, al te wreed, gescheurd werdt van ons hart.
Ach! daartoe komt wel later eens een uur.
O Melvil! dat wij dit beleven moeten,
Dat deze dag moet opgaan over ons!
Melvil.
Och! maken wij elkander \'t hart niet week.
\'k Zal weenen tot mijn allerlaatsten snik,
Geen lachjen meer vervrolijkt mijn gelaat.
En nimmermeer leg ik dit rouwkleed af —
\'k Wil eeuwig treuren ... maar op dezen dag
Wil ik bedaard en sterk zijn .... Gij ook, kom,
Beloof mij, dat ge uw droefheid tempren zult,
En als al de andren aan hun wanhoop zich
Ontroostbaar overgeven, o laat ons
Ik manlijk zelfbezit de dierbre voorgaan
Fn tot een staf zijn op den weg naar \'t graf!
Kennedy.
Melvil! gij dwaalt, indien gij meenen mocht,
-ocr page 323-
309
Dat onze hulp de dierbre noodig is
Om in den dood te gaan met vasten moed:
Van \'t edelst zelf bedwang geeft zij ons \'t voorbeeld!
Wees zonder vrees, Maria Stuart zal
Als Koningin en als heldinne sterven.
Mei vil.
Nam zij het doodsbericht gelaten aan f
Men zegt, zij was er niet op voorbereid.
K e n n e d y.
Dat was zij niet. Een angst van andren aart
Beklemde haar het hart. Niet voor den dood,
Voor haar bevrijder sidderde Maria.
— De vrijheid was ons toegezegd. Dees nacht
Zou Mortimer den kerker ons ontvoeren;
En twijfelmoedig, tusschen vrees en hoop,
Of zij den stouten jongeling hare eer
En vorstlijke persoon zou toebetrouwen,
Wachtte onze Koningin den morgen af.
Op eens! een oploop in \'t kasteel, een kloppen
Verschrikt ons oor, daar dreunen hamerslagen.
Reeds wanen wij dat onze redders naadren,
De hope lacht, het sluimerend instinkt
Van zelfbehoud ontwaakt in al zijn kracht....
Daar opent zich de deur,. .. Sir Paulet is \'t,
Die ons verkondigt.... dat.... beneden ons
\'t Schavot wordt opgeslagen!
(Zij wendt zich af, in hevige droefheid)
Melvil.
Groote God!
Hoe droeg Maria dezen overgang?
Kennedy (na eene wijle, waarin zij weder eeniyzins tot
bedaren komt.)
Hier was geen langzaam slaken van de banden
Des levens! Eensklaps, in éen oogenblik
Zou \'t tijdlijko en het eeuwige verwisslen!
En in dat oogenblik bekwaamde God
Mijn Lady om met onbezweken ziel
-ocr page 324-
340
De hope dezer waereld weg Ie stoten,
Den Hemel vast te grijpen door \'t Geloof.
Geen zweem van bleeke vrees, geen bang geklag
Ontadelde mijn Koningin. — Eerst toen,
Als zij Lord Lesters schandelijk verraad
Vernemen moest, en \'t ongelukkig lot
Des jonglings die voor haar zijn leven gaf,
Als zij dr; smart des ouden ridders zag,
Wien nu met haar zijn laatste hoop ontzonk,
Ontsprongen haar de tranen; niet geboren
Uit eigen leed maar om eens anders smart!
Melvil.
Waar is zij nu? Kunt gij mij tot haar brengen?
Kenn edy.
Zij heeft al de oovrige uren van den nacht
Met waken en gebeden doorgebracht.
Zij nam een schriftlijk afscheid van haar vrienden,
En schreef haar testament met eigen hand.
Nu rust zij voor een oogenblik of wat . . .
De laatste slaap verkwikt haar.
Melvil.
Wie is bij haar?
Kenned y.
Haar lijfarts Burgoyn, en voorts haar vrouwen.
TWEEDE TOONEEL.
DE TORIGEN ett MABOARETHA KUBI-.
Kennedy.
Wel, Mistress? is de Koningin ontwaakt?
Kurl (hare tranen droogende.)
Reeds aangekleed .... Zij heeft naar u gevraagd.
-ocr page 325-
311
K e n n e d y.
Ik kom.
(Tot Melvil, die haar geleiden wil.)
Neenl volg mij niet, tot ik Mylady
Bereid heb op uw komst.
Kurl.
Melvil, gij hier!
•Gij, de oude huishofmeester?
Melvil.
Ja, die ben ik.
Kurl.
Helaas! geen meester meer behoeft dit huis.
— Melvil! gij komt van Londen. Weet gij mij
Ook iets te zeggen van mijn echtgenoot?
Melvil.
Ik hoor, hij wordt gesteld op vrije voeten,
Zoodra ....
Kurl.
Zoodra Maria niet meer is.
O, die ellendige verrader! Hij alleen
Is moordenaar van onze dierbre vrouwe.
Op zijn getuignis, zegt men, steunt haar vonnis.
Melvil.
Zoo is het.
Kurl.
O, zijn ziele zij vervloekt
Tot in de helle! Hij heeft valsch getuigd.
Melvil.
O Mistress Kurl! bedenk toch wat gij zegt.
Kurl.
Ik wil dat voor den rechterstoel bezweeren,
Ik wil het in zijn aangezicht herhalen,
-ocr page 326-
312
Ik wil er heel de waereld meê vervullen.
Zij sterft onschuldig....
Melvil.
O, dat geve God!
DERDE TOONEEL.
burgoyn en de vorigen. Daarna hanna kennedy.
Burgoyn (ontwaart Melvil.)
O Melvil!
Melvil (hem omarmend.)
Burgoyn!
Burgoyn (tot Margaretha Kurl.)
Een beker wijns
Voor onze Lady! Maak een weinig spoed!
(Kurl af.)
Melvil.
Hoe\'? is de Koningin niet wel?
Bu rgo y n.
Zij voelt zich sterk, haar heldenmoed bedriegt haar,
Zij waant dat zij geen spijze noodig heeft;
Tu.h is haar nog een zware strijd aanstaande,
En nimmer moet een vijand er in roemen,
Dat vrees des doods heur wangen heeft verbleekt,
Wanneer natuur uit zwakheid onderdoet.
Melvil (tot Hanna Kennedy die binnenkomt.)
Wil zij mij zien?
Kennedy.
Zij-zelve komt met éen
— Gij schijnt hier met verwondring rond te zien,
Uwe oogen vragen mij: wat al die pracht
Heteeknen mag in dit verblijf des doods?
Wij leden, Sir! gebrek zoolang wij leefden,
Eerst met den dood komt de overvloed terug.
-ocr page 327-
313
VIERDE TOONEEL.
tif. voricen. Twee andere kamer vrouwen van Maria, even
eens in rouwgewaad. Als zij Melvil zien, barsten zij
in tranen los.
Melvil.
Ach, welk een aanblik! welk een wederzien!
Geertruide, Rozamund!
Tweede kamervrouw.
Zij zond ons weg.
Zij wil voor \'t laatst met God zich onderhouden.
{Nog twee vrouwelijke bedienden treden op, even als de
vorigen in rouwgewaad. Met sprakeloze gebaarden
drukken zij hare droefheid uit.)
VIJFDE TOONEEL.
margaretha KURi. en de vorigen. Zij draagt een gouden
beker met wijn en zet dien op tafel, terwijl zij zich
bleek en beoend aan een stoel vasthoudt.
Melvil.
Wat is u, Mistress? Wat ontroert u zoo?
Kurl.
O God!
Burgoy n.
Wat hebt ge?
Kurl.
Wat moest ik aanschouwen!
Melvil.
Kom tot u-zelf, zeg wat er is!
Kurl.
Toen ik
Met dezen beker wijn de groote trap
-ocr page 328-
314
Die naar de zaal voert, opging, daar ontsloot
Op eens de deur.... ik wierp een blik naar binnen....
Ik zag____O God! . . ..
Melvil.
Wat zaagt gij ? Wees bedaard !
Kurl.
De muren waren allen zwart behangen,
Een hoog stellaadje, tneê bekleed met zwart,
Verhief zich van den grond en droeg in \'t midden
Een groot, zwart blok, een kussen, en daarnaast
Een blankgeslepen bijl.... Vol menschen was
De zaal, die zich verdrongen om \'t schavot,
En, met de bloeddorst in het oog, het offer
Verwachtten. —
De kamervrouwen.
God zij onzer Vrouw\' genadig!
Melvil.
Bedaard! zij komt!
ZESDE TOONEEL.
de vorioen. maria. Zij is wit en feestelijk gekleed; aan den
hals draagt zij aan een keten van kleine kogels een agnus
Dei; een rozenkrans hangt van haren gordel af; zij heeft
een krucifix in de hand, en een diadeem in het hair; haar
groote, zwarte sluier is weggeslagen. Als zij binnentreedt,
wijken alle aanwezigen aan beide kanten terug met de uit
drukking der grootste droefheid. Melvil is met een onwüie-
keurige beweging op de kniê\'n gezonken.
Maria {met kalme waardigheid den kring rondziende.)
Wat klaagt gij ? waarom weent gij ? Weest veeleer
Met mij verblijd, dat ik den grens van \'t lijden
Nu eindlijk nader, dat mijn banden vallen,
Mijn kerker opent, en de vlugge ziel
Op Englenwiek ter eeuwge vrijheid stijgt!
-ocr page 329-
315
Neen, toenmaals, toen de trotsche vijandin
Mij in heur macht hield, toen ik hoon en smaad
En \'t al moest dulden wat een Koningin
Niet past, toen was het tijd om mij te treuren!
—   Weldadig en genezend komt de Dood,
De trouwe vriend ! en met zijn zwarte vleuglen
Dekt hij mijn schand. Het eind des levens adelt
Den Mensch, ook zelfs den diepst gezonkene.
Ik voel de kroon nu weder op het hoofd.
De Koninklijke fierheid in mijn ziel!
{Terwijl zij eenige schreden verder voortgaat.)
Hoe? Melvil hier? — Niet alzoo, eedle Sir!
Sta op! wat gij aanschouwen komt, is niet
Den dood der Koningin, maar haar triomf.
Mij valt een heil te beurte, dat ik nimmer
Had durven hopen, dat mijn naroem toch
Niet gants in handen mijner haatren is,
Dat toch éen broeder, éen geloofsgenoot,
Getuige van mijn jongsten strijd zal zijn!
—   Zeg. eedle Ridder! zeg hoe ging het u
In dit vijandig, ongelukkig Land,
Nadat men u gerukt heeft van mijn zij\' ?
De zorg voor u heeft dikwerf mij bekneld.
Melvil.
Ik heb geen nood gekend — alleen de smart
Om u en de onmacht u van dienst te zijn!
Maria.
Hoe vaart Didier, mijn oude kamerdienaar?
Maar die getrouwe slaapt gewis reeds langen tijd
Den laatsten slaap, want hij was hoog van jaren!
Melvil.
God heeft hem die genade niet geschonken:
Hij leeft nog, om uw jonkheid te begraven.
Maria.
Och, of mij vóór mijn dood de zaligheid
Gegund ware een of ander dierbaar hoofd
-ocr page 330-
316
Van bloedverwanten zegenend te omvatten!
Maar onder enkel vreemden moet ik sterven,
Alleen uw tranen zal ik vloeien zien!
—• Melvil! de laatste wenschen voor de mijnen
Leg ik in uw getrouwe borst.... Ik zegen
Mijn zwager, d\' allerchristelijksten Koning,
En Frankrijks gantsche Koninklijke Huis ....
Ik zegen ook mijn oom, den Kardinaal,
En Henrik Guise, mijn welwaarden Neef.
Ik zegen ook den Paus, den Stedehouder
Van Christus, die mij weder zegent, ook
Den Katholieken Koning, die zoo edel
Zich aanbood tot mijn redder, tot mijn wreker,...
Gij vindt hun namen in mijn testament:
Zij zullen dies de gaven mijner liefde,
Hoe weinig die beteeknen, niet verachten!
Zich tot hare dienaren wendende).
U heb ik mijnen Koninklijken Broeder
Van Frankrijk aanbevolen: hij zal zorgen
Voor u, een ander vaderland u geven.
En zoo gij prijsstelt op mijn laatste beê,
Blijf niet in England ! dat de trotsche Brit
Zich in uw bitter lijden niet verblij,
Niet hen in \'t stof zie buigen, die mij dienden!
O, bij dit beeld van Hem die voor ons stierf,
Beloof mij dat gij dit rampzalig land,
Zoodra ik niet meer zijn zal, zult verlaten!
Melvil {het krucifix aanrakende.)
Dat zweer ik u in onzer aller naam!
Maria.
Wat ik beroofde, ik arme, nog bezat,
Waarover ik met vrijheid mag beschikken,
Dat heb ik onder u verdeeld; men zal,
Zoo hoop ik toch, mijn jongsten wil volbrengen.
Ook wat ik op den weg ten doode draag,
Behoort u toe .... Vergun mij nog eenmaal
Den glans der aard op mijnen weg ten hemel!
(Tot hare vrouwen.)
-ocr page 331-
317
U, mijne Alix, Geertruide, Rosamund,
Vermaak ik al mijn paerlen, al mijn kleêren,
Want gij zoo jong nog, hebt den opschik lief.
Gij, Margaretha! hebt het eerste recht
Op mijn grootmoedigheid, want meer dan allen
Laat ik u droef en hulpbehoevend achter.
Dat ik de schuld uws echtgenoots aan u
Niet wreekte, zal mijn testament bewijzen ....
U, mijn getrouwe Hanna! trekt de waarde
Van het goud niet aan, noch \'t flikkrend eêlgesteent.\'
Uw hoogst kleinood is mijn gedachtenis.
Neem dezen doek! Ik heb met eigen hand
Dien in mijn eenzaamheid voor u gestikt,
En daar mijn heete tranen ingeweven.
Met dezen doek zult gij mij de oogen binden,
Als \'t zoo ver is .... Dees allerlaatste dienst
Ontfing ik gaarne van mijn lieve Hanna ....
Kenned y.
O, Melvil! ik doorsta het niet!
Maria.
Komt allen!
Komt en ontfangt mijn allerlaatst vaarwel!
{Zij strekt hare handen uit; de een na de andere valt
aan hare voeten en kunt de aangeboden hand onder
hevig weenen.)
Vaarwel, Margrethe! Alix! vaart alle wel....
Dank, Burgoyn! voor al uw trouwe diensten ....
Geertrude! uw lippen branden .... Ik ben veel
Gehaat geworden maar ook veel bemind!
Een eedle man make eens Geertrud gelukkig,
Want dit gevoelig hart heeft liefde noodig ....
Gij, Bertha! hebt het beste deel gekozen:
De kuische bruid des hemels wilt gij worden.
O, leg toch uw gelofte spoedig af!
Bedrieglijk zijn de goedren dezer waereld,
Dat ziet gij aan uw Koningin! . . . . Niets meer!
Vaartwei! vaartwei! vaart eeuwig wel!
{Zij keert zich snel van hen af, allen, uitgenomen Melvil,
verwijderen zich.)
-ocr page 332-
318
ZEVENDE TOONEEL.
MARIA. MELVIL.
Maria.
Ik heb nu al het tijdlij ke volbracht,
En hoop, geens menschen schuldnaresse meer,
Te scheiden uit de waereld .... Slechts éen zaak,
Melvil! belemmert mijn beklemde ziel
De vleuglen vrij en vrolijk uit te slaan.
Melvil.
Ontdek het mij! Ontlast uw vol gemoed,
En deel uw trouwen vriend uw zorgen mede.
Maria.
Ik sta nu aan den grens der eeuwigheid,
\'k Zal spoedig voor mijn Hoogsten Rechter treden:
Toch ben ik met den Heiige niet verzoend.
De priester mijner Kerk is mij geweigerd.
De heiige hemelspijs van \'t sakrament
Versmaad ik uit de hand van valsche priesters,
\'k Wil in \'t geloove mijner Kerke sterven,
Want zij is de eenige die zalig maakt.
Melvil.
Ontrust u niet! De vurig-vrome wensch
Geldt voor de daad bij Hem die alles weet.
Een dwingland kan alleen de handen binden,
\'t Godvruchtig hart verheft zich vrij tot God.
Het woord is dood: alleen \'t Geloof maakt levend.
Maria.
Ach, Melvil! \'t hart is niet zich-zelf genoeg,
\'t Geloof behoeft een stoflijk onderpand,
Waar \'t ooit het Hemelsche zich toe wil eignen.
Daarom is God geopenbaard in \'t vleesch,
En werd Gods onuitsprekelijke gave
Gesloten in een zichtbaar hulsel. — Zie,
De Moederkerk, zoo heilig en verheven,
-ocr page 333-
319
Bouwt ons de ladder die ten hemel klimt;
Haar naam is Katholijke, de Algemeene,
Want slechts \'t Geloof van allen is de kracht
Van èlks geloot\'. Waar honderdduizenden
Aanbidden en vereeren, wordt de gloed
Tot vlam, en snel gevleugeld stijgt de geest
Tot in het hart des Derden Hemels op.
—   Welzalig zij, wien de Engel des Gebeds
Verzamelt in des Heeren Heilig Huis!
Het outer is vercierd, de kaarsen stralen,
De klok weergalmt, het wierook is gestrooid,
De Bisschop staat in \'t misgewaad getooid,
Hij grijpt den kelk, hij zegent hem, hij kondigt
Het hemelsch wonder der verandring aan,
En voor den God, die in hun midden daalt,
Buigt zich \'t geloovig volk in \'t stol\'.... Ach! ik
Alleen ben uitgesloten, niet tot mij,
Niet in mijn kerker daalt de hemelzegen.
Mei vil.
Hij daalt tot u, Hij is nabij! Vertrouw
D\' Almachtige! Ook de dorre wandelstaf
Kan groenen in de hand van \'t waar Geloof.
En die de bron deed springen uit de rots,
Kan in den kerker een altaar bereiden,
Kan dezen kelk, de stoflijke verkwikking,
U plotsling in een hemelsche verandren.
(Hij t/rijpt den kelk, die op de tafel staat.)
Maria.
Melvil, versta ik u\'? Ja, ik versta u!
Hier is geen priester, en geen kerk, en geen
Hoogwaardig — maar de Zondaarsheiland spreekt:.
„Waar twee vergaderd zijn in mijnen naam,
„Daar ben ik in hun midden met mijn zegen!"
Wat wijdt den Priester tot des Heeren tolk?
Het reine hart, de vlekkeloze wandel.
Zoo zijt gij mij ook ongewijd een priester,
Een bode Gods, die mij den vrede brengt.
—   Zoo luister naar mijn allerlaatste biecht,
En laat uw lippen mij Gods heil verkonden!
-ocr page 334-
320
Mei vil.
Als u het hart zoo innig daartoe drijft,
Zoo weet, o Koningin! dat tot uw troost
De hemel ook een wonder kan verrichten.
Gij zegt, hier is noch kerk, noch priester, noch
Des Heeren lichaam? — Gij vergist u. Hier
Zijn beide, een priester en God-zelf, aanwezig.
{Hij ontbloot op deze woorden het hoofd; te gelijkertijd
toont hij haar eene hostie in een gouden schaal.)
— Ik ben een priester! Om uw laatste biecht
Te hooren, om u op den weg naar \'t graf
Gods vrede te verkondigen, heb ik
De zeven wijdingen op \'t hoofd ontfangen!
En deze Hostie bied ik in den naam
Des heilgen Vaders, die haar wijdde, u aan.
Maria.
Zoo is dan op den drempel-zelf des doods
Mij nog een hemelzaligheid bereid!
Gelijk wanneer er een onsterfelijke
Op gouden wolken nederdaalt, gelijk
Toen de Engel eens d\' Apostel uit de banden
Des kerkers voerde, wien geen grendel nu
Weerhield, geen zwaard des wachters, maar die vrij
En vrolijk heenging door gesloten deuren,
En stralend op des kerkers drempel stond:
Alzoo verrast mij hier de Hemelbode,
Nu iedere aardsche helper mij verliet!
En gij, mijn dienaar eens, zijt nu de dienaar
Des Hoogen Gods en Zijn gewijde tolk!
Gelijk uw kniën eens voor mij zich bogen,
Zoo kniel ik thands voor u neer! . . . .
(Zij knielt voor hem neder.)
Mei vil (terwijl hij het teeken des krttises over haar maakt)
In den naam
Van Vader, Zoon en Heilgen Geest! Maria,
Gij Koningin! hebt gij uw hart doorzocht,
En zweert gij en belooft gij voor den God
Der waarheid, niets te biechten dan de waarheid?
-ocr page 335-
321
Ma ria.
Gants open ligt mijn hart voor u en Hem.
Melvil.
Spreek! welke zonde drukt u op \'t geweten,
Sints gij voor \'t laatst met God u hebt verzoend?
Ma ria.
Van haat en nijd was mijn gemoed vervuld,
Kn wraakgedachten woelden in mijn boezem.
Vergeving hoopte ik zondares van God,
En ik kon niet mijn vijandin vergeven.
Melvil.
Betreurt ge uw schuld, en is \'t uw vast besluit
Geheel verzoend het leven te verlaten?
Maria.
Zoo waar ik hoop dat God mij moog\' vergeven.
Melvil.
Waarvan nog meer beschuldigt u dit hart?
Maria.
Ach! niet door haat alleen, nog meer door liefde,
(Ken zondige!) beleedigde ik mijn God.
Mijn ijdel hart werd voor den man bewogen,
Die trouwloos mij verzaakt heeft en bedrogen !
Melvil.
Betreurt ge uw schuld, en heelt uw boetend hart
Van d\'afgod zich gewend tot God den Heere?
M aria.
Dat was de zwaarste strijd dien \'k heb doorstreên;
De laatste band met de Aarde brak van éen I
Mei vil.
Waarvan nog meer klaagt u \'t geweten aan?
Maria.
Helaas, een andre bloedschuld, lang gebiecht,
Keert weer en drukt met pletterend gewicht,
IX.                                                                                                                ti
-ocr page 336-
322
Bij \'t naadren van het Goddelijk Gericht,
En schrikt mij weg van \'s Hemels zalige Oorden!
Ik liet den Koning, mijn gemaal, vermoorden,
En den Verleider schonk ik hart en hand!
\'k Heb boetende elke straf der Kerk gedragen,
Toch blijft de worm hier binnen eeuwig knagen!
M el vil.
Weegt nog een andre schuld op uw gemoed,
Die gij nog niet gebiecht hebt en geboet?
Maria.
Nu weet gij alles wat mijn ziel bekommert.
Mei vil.
Gedenk d\' Alwetende, ons zóo zeer nabij!
Gedenk de straf, waarmee de heiige Kerk
Een onvolkomen biecht bedreigt 1 Dat is
De zonde tot den eeuwgen dood, want dat
Is zonde tegen \'s Heeren Ileilgen Geest!
Maria.
Zoo schenk mij tot den jongsten strijd Gods zegen.
Zoo waar ik niets met opzet heb verzwegen!
Mei vil.
Hoe? voor uw God wilt gij het kwaad verbergen,
Waarvoor nu juist des menschen straf u treft?
Niets zegt gij van uw eigen bloedig aandeel
Aan Babington\'s en Parry\'s hoogverraad ?
Den tijdelijken dood kost u die daad:
Wilt ge ook den eeuwgen dood daarvoor nog sterven?
Maria.
Ik ben bereid in de Eeuwigheid te gaan:
De klok zal niet het volgend uur verkonden,
Of \'k zal reeds voor den troon mijns Rechters staan:
Maar ik herhaal \'t: ik biechte u al mijn zonden!
Melvil.
Bedenk u wèl. Het hart is een bedrieger.
G.j hebt misschien arglistig, dubbelzinnig,
Het woord vermeden dat u schuldig maakt,
Ofschoon de grage wil de misdaad deelde?
-ocr page 337-
323
Maar weet het wel, geen guichelkunst misleidt
Het vlammend oog der Oppermajesteit!
Maria.
Wel heb ik alle Vorsten aangespoord
Mijn schandelijke ketenen te slaken;
Maar nimmermeer heb ik met woord of daad
Het leven mijner vijandin belaagd!
Mei vil.
Zoo hebben uwe schrijvers valsch getuigd?
Maria.
Hetgeen ik sprak is waar. Wat zij getuigden,
Dat oordeel\' God!
Mei vil.
Alzoo dan, overtuigd
Van eigen onschuld, klimt gij op \'t schavot\'.\'
Ma ria.
Mijn God verwaardigt mij, de vroeger bloedschuld
Te boeten met dees onverdienden dood.
Mei vil (geeft haar den zegen)
Zoo ga dan heen\', en boet haar door uw sterven!
Zink als een willig otter op \'t altaar!
Bloed kan verzoenen wat het bloed misdeed.
Gij hebt misdaan uit vrouwelijke zwakheid:
De zonden van het stoflijk aanzijn volgen
D\' ontboeiden geest niet in zijn heerlijkheid,
\'k Verkondig u, uit kracht van \'t heilig Ambt,
Dat ik bekleed tot binden en ontbinden,
Vergeving uwer zonden, tot een toe!
Geschiede u naar hetgeen gij hebt geloofd!
(Hij reikt haar de hostie.)
Neem \'s Heeren Lichaam! \'t is voor u verbroken.
{Hij geeft haar den beker die op tafel staat, wijdt dien
met een stil gebed, en reikt hem daarop over aan
Maria. Zij aarzelt hem aan te nemen en wijst
hem af met de hand.)
Neem \'s Heeren bloed! het is voor u vergoten!
Neem aan! de Paus bewijst u deze gunst.
-ocr page 338-
324
Nog in den dood zult gij het hoogste recht
Der Koningen, der Priestren recht, genieten!
(Zij aanvaardt den beker.)
En even als ge, op stoffelijke wijz\',
Geheimvol met uw God u hebt verbonden,
Zóo zult gij ginder in zijn Vrederijk,
Daar waar geen schuld meer zijn zal en geen smarte,
Als een verheerlijkte Engel u voor eeuwig
Vereenen met uw Heiland en uw God.
(Hij zet den kelk neder. Op een gedruisch dat gehoord
wordt, dekt hij zich het hoofd en gaat hij naar de deur.
Maria blijft in stille gebeden op de kniën liggen.)
M e 1 v i 1 (terugtredend.)
U rest nu nog éen harden strijd te strijden.
Gevoelt ge u sterk genoeg, om eiken prikkel
Van haat, van zielsverbittring te overwinnen?
Maria.
"k Vrees op dat punt geen struikling meer. Mijn haat
En liefde, beide, bracht ik God ten offer.
Mei vil.
Welnu, bereid u dan de Lords Leycester
En Burleigh hier te ontfangen; — want zij komen.
ACHTSTE TOONEEL.
de vorigen. burleigh, LEYCESTER en PAui.ET. Leycester blijft
geheel in de verte staan, zonder de oogen op te heffen.
Burleigh, die zijn houding gadeslaat, treedt tus-
schen hem en de Koningin.
Burleigh.
Ik kom, Mylady Stuart! om uw laatste
Bevelen aan te hooren.
Maria.
Dank, Mylord!
-ocr page 339-
325
Burleigh.
Het is \'t verlangen mijner Koningin,
Dat niets wat billijk is u zij geweigerd.
Maria.
Mijn testament bevat mijn jongste wenschen.
Ik stelde Ridder Paulet dat ter hand,
En bid dat daar gevolg aan word\' gegeven!
Burleigh.
Daar kunt ge u op verlaten.
M aria
\'k Bid ook dit.
Laat mijn bedienden ongedeerd naar Schotland
Vertrekken, of naar Frankrijk, waar hun hart
Hun ingeeft heen te reizen!
Burleigh.
\'t Zal zoo zijn.
Maria.
En daar mijn lijk nu niet in heilige aard
Zal rusten, zoo vergun\' men, dat die dienaars
Mijn hart naar Frankrijk brengen tot de mijnen.
— Ach, het was altijd daar!
Burleigh.
Zoo zal geschiên.
Hebt gij nog soms . .. . ?
Maria.
Breng Englands Koningin
Mijn zusterlijken groet! Verzeker haar,
Dat ik haar mijnen dood van gantscher harte
Vergeef, en zeer mijn heftigheid van gister
Betreurd heb .... God behoede haar nog lang,
En schenk\' haar een gelukkige regeering!
Burleigh.
Spreek, hebt gij nog geen beter keus gedaan?
Versmaadt gij nog den bijstand van den Deken 1
-ocr page 340-
320
Maria.
Ik ben met mijnen God verzoend .... Sir Paulet!
\'k Heb u, onwillends, veel verdriet gedaan,
O van den steun des ouderdoms beroofd ....
O, laat mij hopen, dat gij mijner niet
In haat. gedenkt....
Paulet {geeft haar de hand.)
God zeegne u! ga in vrede!
NEGENDE TOONEEL.
de vormen, hanna kennedy en de andere vrouwen der
Koningin, dringen naar binnen met teekenen van ont-
zetiing. Hen volgt de sherif, een witten staf m
de hand; achter hem ziet men door de open-
staande deur gewapende mannen.
Ma ri a.
Wat schort er aan, mijn Hanna? Ja, \'t is tijd!
De Sherif\' komt om mij ter dood te voeren:
Het moet zoo zijn. Vaarwel, vaar eeuwig wel!
(Hare vrouwen omarmen haar met hevige droefheid. Tot Mehil.)
Gij, waarde Sir! en mijn getrouwe Hanna
Moet mij op dezen laatsten weg geleiden.
Mylord! och, weiger mij die weldaad niet.
Burl eigh.
Ik heb daartoe geen volmacht.
Maria.
Hoe nu, Sir?
Gij zoudt mij die geringe bede ontzeggen?
Heb achting voor mijn kunne! Wie toch zou
De laatste dienst mij leenen? Nimmermeer
Kan toch mijn Koninklijke Zuster willen,
Dat mijn geslacht in mij beleedigd worde,
Dat ruwe mannenbanden mij beroeren!
Burl eigh.
Er mag geen vrouw de trappen van \'t schavot
Met u beklimmen .... Haar geschrei en jammeren .. ..
-ocr page 341-
327
Maria.
Zij zal niet jammren! Neen, ik sta u borg
Voor Hannaas kalmte en onderworpenheid.
Heb deernis, Lord! O, scheid mij niet in \'t sterven
Van mijn getrouwe, goede voedstermoeder.
Eens droeg zij op beur armen mij in \'t leven,
Nu lei\' ze mij met zachte hand ter dood!
Paulet (tot Burleigh.)
O, laat het toe!
Burleigh.
Het zij!
Maria.
Nu heb ik niets
Ter waereld meer....
(Zij neemt het krucifix en kust het.)
Mijn Heiland! mijn Verlosser!
Hebt Gij aan \'t kruis Uwe armen uitgebreid,
O, breid ze nu ook uit om mij te ontfangen!
(Zij keert zich om tot heengaan. Op dit oogenblik ontmoet haar
blik graaf Leycester. die bij hare beiceging onwillekeurig
was opgesprongen en haar nazag
— Bij dezen aanblik
siddert Maria; hare kniën knikken, en zij staat op het punt
van neder te zinken. Graaf Leycester grijpt haar en steunt
haar op de armen. Zij ziet hem een tijd lang ernstig en
zwijgend aan; hij kan haar blik niet tiitsfaan. Eindelijk
spreekt zij.)
Graaf Lester! gij hebt woord gehouden: gij
Heloofdet mij uw arm om me uit dees kerker
Te voeren, en nu leent gij mij uw arm!
(Hij staat als vernietigd. Zij gaat met zachte stem voort.)
Ja, Lester! en de vrijheid niet alleen
Zou \'k aan uw hand te danken hebben: ach.
Gij zoudt mij ook de vrijheid dierbaar maken;
Aan uwe hand, gezegend door uw liefde,
Zou ik \'t genot des nieuwen levens smaken ....
Thands, nu ik reeds op weg ben van de waereld
-ocr page 342-
3\'28
Te scheiden en een zaalge geest te worden,
Die met geen aardsche drift meer heeft te strijden,
Nu, Lester! mag ik zonder schaamteblos
U de overwonnen zwakheid wel belijden ....
Zoo vaar dan wel, en kunt gij, leef in vree;
Gij zocht de liefde van twee Koninginnen:
Een teederminnend hart hebt gij verplet,
Verraden, om een trotsche ziel te minnen,
Kniel aan de voeten van Elizabeth! . . . .
Of nooit uw loon u als uw straf bezwaarde!
Vaarwel! — Nu heb ik niets meer op deze aarde.
{Zij vertrekt, de sherif voorop, Melvil en Kennedy naast
haar. Durleigh en Paulet volgen; de overigen zien
haar schreiend na, totdat zij uit hunne oogen ver-
dwenen is; daarop verwijderen zij zich door
de twee andere deuren.)
TIENDE TOONEEL.
i.eycesteu, alleen teruggebleven.
Ik leef dan nog! Ik kan het leven dragen!
Stort dan dit dak niet pleurend op mij neer!
Splijt dan de bodem niet van één, om mij,
D\'ellendigste aller wezens, te verslinden?
Ach, wat heb ik verloren! welk een paerel
Versmeet ik! welk een hemelzaligheid
Heb ik verwoest! Daar zweeft zij uit mijn oogen,
Verheerlijkt reeds, als de Englen in den hoogen ....
Mij blaakt de wanhoop als een hellevlam !
—   Waar is nu dat besluit, waarmee ik kwam,
Om \'s harten stem gevoelloos te verstikken,
Heur vallend hoofd te zien met koele blikken?
Kleurt schaamte, als \'k haar aanschouw, mij purperrood\'•\'
Moet zij mijn hart in de ure van den dood
Nog in den band der teederheid verstrikken?
—   Verworpeling! u staat het niet meer vrij,
Te smelten van een vrouwlijk medelij\':
\'t Geluk der Liefde gaat uw pad voorbij.
Uw hart zij met een muur van ijs omsloten!
-ocr page 343-
329
Uw voorhoofd als uit ijzererts gegoten!
Zal u de prijs der schanddaad niet ontgaan,
Dan moet gij haar ten einde toe bestaan.
Zwijg, medelij! en wordt tot steen, mijne oogen!
Ik wil haar hoofd op \'t moordblok zien gebogen ....
(Hij gaat met vaste schreden naar de deur, waar Maria
is uitgegaan; doch blijft plotseling halverwege staar.)
Vergeets! de schrik der helle grijpt mij aan ....
Ik kan het gruwelstuk niet gadeslaan,
Haar niet zien sterven! Luister wat was dat\'?
Zij zijn beneden .... Onder deze voeten
Bereidt men reeds het vreesselijke werk.
Daar dringen stemmen in mijn oor! Voort! "Voort!
Voort uit dit Huis, het broeinest van den Moord !
(Hij wil door een tegenovergestelde deur ontvluchten, maar
die gesloten vindende, deinst hij terug.)
Hoe? nagelt mij Gods wraak hier aan den grond?
\'k Moet hooren wat ik huiver om \'t aanschouwen\'1
Dat is de stem des Dekens .... hij vermaant haar ....
Zij valt hem in de rede___ hoor!___ luid bidt zij___
Met vaste stem.... \'t wordt stil.... \'t is doodlijk stil!
\'k Hoor niets dan snikken en \'t geschrei der vrouwen....
Zij wordt ontkleed.... Hoor nu! het blok verschuilt.
Nu knielt zij op het kussen.... legt het hoofd:___
Nadat hij de laatste woorden met klimmende angst heeft uit~
gesproken, en een wijle roerloos is blijven staan, ziet men
hem plotseling een krampachtige beweging maken en mach-
teloos nederzijgen. Te gelijker tijd verneemt men beneden een
dof gedruisch van stemmen dat lang aanhoudt.)
ELFDE TOONEEL.
De tweede kamer van het vierde bedrijf.
E1 i z a b e t h (treedt uit eene zijdeur: gang en gebaarden
drukken de heftigste onrust uit.)
Nog niemand hier?___ Geen boodschap! Wordt het dan
Nooit avond ? Staat de zon dan roerloos stil
-ocr page 344-
330
Te midden van heur loop? Moet ik nog langer
Hier kruipen op de pijnbank der verwachting?
— Is \'t nu gebeurd! of nietl Ik beef terug
Voor beide — en ach, ik waag het niet te vragen!
Graaf Lester toont zich niet, ook Burleigh niet,
Dien \'k aanstelde om het vonnis te voltrekken.
Zijn zij van Londen afgereisd .... dan is \'t
Geschied; de pijl is afgedrukt, hij vliegt,
Hij treft, hij heeft getroflen, — gold het ook
Mijn kroon, hij \'s buiten mijn bereik.... Wie daar?
TWAALFDE TOOKEEL
ELIZARETH. EES PAADJE.
E 1 i za bet h.
Gij komt alleen terug___ Waar zijn de Lords?
Paadje.
Mylord van Lester en de Schatbewaarder___
Elizabeth (in de hevigste spanning.)
Waar zijn zij ?
Paadje.
Zij zijn niet in Londen.
Elizabeth.
Niet?
— Waar zijn zij dan?
Paadj e.
Dat kan mij niemand zeggen.
Vóór \'t morgenkrieken hebben beide heeren
In allerijl en in \'t geheim de stad
Verlaten.
Elizabeth (levendig losbarstend.)
Ik ben Koningin van England!
Op- en neergaande in de hevigste beweging.)
Ga! roep mij___ Neen, blijf hier, blijf___ Zij is doorl
Nu eindlijk heb ik ruimte hier op aarde.
-ocr page 345-
831
— Wat beef ik toch? Wat huivring grijpt mij aan?
Het graf bedekt mijn vrees, en wie durft zeggen
Dat ik het deed? Geen tranen zullen mij
Ontbreken om mijn offer te beweenen!
(Tot den Paadje.)
Staat gij nog hier? — Mijn schrijver Davison
Moet oogenbliklijk zich naar hier begeven.
Zend naar den Graaf van Shrewsbury.... Daar is
Hij-zelf!
DERTIENDE TOONEEL.
ELIZABETH. GRAAF SHREWSBURY.
E1 i z a b e t h.
Zijt welkom, eedle Lord! Wat brengt gij mij?
\'t Moet wel gewichtig wezen, wat uw schreën
Zoo laat hier heen voert.
Shrewsbury.
Groote Koningin!
Mijn hart, van zorg vervuld, om uwen roem
Bekommerd, dreef mij heden naar den Tower,
Waar Kurl en Rau, de schrijvers van Maria,
Gevangen zitten; want nog eenmaal wilde ik
üe kracht van hun getuigenis beproeven.
Verrast, verlegen wijst de Luitenant
Des torens mij den toegang af — tot ik
Door dreiging de gevangenen bereik.
— O God, wat vreeslijk schouwspel zag ik daar!
Het hair verwilderd, razernij in \'t oog,
Als van de helsche furiën gefolterd,
Lag Kurl, de Schot, op \'t slaaploos leger neOr.
En nauwelijks herkent de ellendling mij,
Of ijlings stort hij voor mijn voeten neer,
Barst los in luid gekrijt, omhelst mijn kniën
Wanhopig, als een worm in \'t stof gekromd.
Hij bidt mij en bezweert mij, hem te ontdekken,
Wat lot zijn Koningin weêrvaren zij!
Want tot den Tower drong de schrikmaar\' door,
-ocr page 346-
332
Dat zij ter dood veroordeeld was. Toen ik
\'t Gerucht naar waarheid hem bevestigde,
En zeide dat het zijn getuigenis was,
Waardoor zij sterven zoude, viel hij woedend
Zijn meêgevangene aan, wierp hem ter aarde
Met al de reuzenkracht der razernij,
En poogde hem te worgen. Slechts met moeite
Bevrijdden wij \'t slachtoffer uit zijn hand.
Nu keerde hij zijn wilde gramschap tegen
Zich-zelven. sloeg met vuisten zich de borst,
Verwenschte zich en zijnen lotgenoot
Tot in de diepste diepten van de Hel.
Valsch, heette \'t, valsch had hij getuigd: de brieven
Aan Babington, die hij bezworen had
Als echt, zij waren valsch! Gants andre woorden
Had hij geschreven dan de Koningin
llem in de pen gaf\'. Deze booswicht hier,
Die Rau, had hem daar listig toe verleid!
Toen vloog hij naar het venster, stiet het open
Met woest geweld, en schreeuwde door de straat,
Zoodat al \'t volk te hoop liep, dat hij-zelf
De schrijver van Maria was, de booswicht
Die zijn meestresse valsch had aangeklaagd,
Hij was vervloekt, hij was een lasteraar!
Elizabeth.
Gij zeidet zelf, dat hij uitzinnig was:
De woorden van een dwaas, een razend mensch
Bewijzen niets.
S h r e w s b u r y.
Maar deze waanzin-zelf
Bewijst juist des te meer. O Koningin!
Laat u bezweeren, overhaast u niet,
Beveel van nieuws een ijvrig onderzoek!
Elizabeth.
Dat zal ik doen .... daar gij het wenscht, heer Graaf!
Niet wijl ik kan gelooven dat mijn pairs
Zich overijlden in dit rechtsgeding.
-ocr page 347-
333
Tot uw gerustheid slechts vernieuwe men
Het onderzoek .... Gelukkig is \'t nog tijd!
Geen zweem oi\' schaduw zelfs van smet of blaam
Mag kleven op mijn koninklijken naam!
VEERTIENDE TOONEEL.
DAVISON en bE VORIGEN.
E 1 iza bet h.
Het vonnis, dat ik u ter hand gesteld heb, Sir!
— Waar is \'t?
Davison (in de hoogste verbazing.)
Het vonnis?
El izabet h.
Dat ik gisteren
U in bewaring gaf....
Davison.
Mij in bewaring?
E1 i 7. a b e t h.
Het volk bestormde mij om te onderleeknen,
Ik moest zijn wil doen, en ik deed dien ook,
Maar \'t was gedwongen, en in uwe band
Gaf ik het stuk: zóo zocht ik tijd te winnen.
Gij weet wat ik u zeide .... Nu, geef hier!
S h r e w s b u r y.
Geef, waarde Sir! de zaken zijn veranderd,
Het onderzoek moet gants en al vernieuwd.
Davison.
Vernieuwd? O eeuwige barmhartigheid!
E1 i z a b e t h.
Bedenk u niet zoo lang. Waar is het stuk?
Davison (in wanhoop.)
Ik ben verloren! \'k ben een kind des Joods!
Elizabetb (haastig invallende.)
Ik wil niet hopen, Sir? ....
-ocr page 348-
334
L) a v i s o n.
Ik ben verloren!
Ik heb het stuk niet meer.
Elizabeth.
Wat?
Shrewsbury.
Heiige hemel!
Da vison.
Het is in Burleighs handen.... reeds sints gister!
Elizabeth.
Rampzalige! hebt gij mij zóo gehoorzaamd?
Beval ik u niet streng, bewaar dat stuk?
D a v i s o n.
Dat hebt gij niet bevolen, Koningin!
Elizabeth.
Ellendeling, wilt gij mij tegenspreken ?
Wanneer gelastte ik u, dat gij dat vonnis
Aan Burleigh geven zoudt?
Da vi son.
Wel niet bepaald
In duidelijke woorden, maar....
Elizabeth.
Rampzaalge!
Gij waagt het dus mijn woorden uit te leggen ?
Gij legt uw eigen wreeden zin er in.
Wee uwer, als die daad van willekeur
Noodlottige gevolgen na zich sleept!
Dat zult gij met uw leven mij betalen.
— Graaf Shrewsbury! gij ziet het hoe mijn naam
Misbruikt wordt....
Shrewsbury.
Ja, ik zie ... . O God, mijn God!
Elizabeth.
Wat zegt gij ?
Shrewsbury.
Als die Heer zich heeft verstout
Tot deze daad voor eigen rekening,
-ocr page 349-
335
Indien hij heeft gehandeld zonder u,
Dan moet hij voor de rechtbank uwer pairs
Gedagvaard worden; want hij heeft uw naam
Den afschuw aller tijden prijs gegeven!
VIJFTIENDE T O O N E E L.
DE VORIGEN. BURLEIGH. Eindelijk KENT.
Burleigh {buigt een knie voor de Koningin.)
Lang leve mijne Koninklijke Vrouw,
En moge \'t Englands haatren al te samen
Vergaan als deze Stuart!. . . .
(Shrewabury bedekt zijn gelaat. Davison wringt wanhopig,
de handen.)
Eliza bet h.
Spreek, Mylord!
Hebt gij het doodelijk bevel van mij
Ontfangen ?
Burleigh.
Neen, gebiedster! Ik ontling het
Van Davison.
Elizabet h.
Heeft Davison het u
In mijnen naam ter hand gesteld?
Bu rl eigh.
O, neen!
Dat heeft hij niet.
Elizabe t h.
Toch hebt gij \'t ras volvoerd,
En zonder eerst te vragen naar mijn wil\'?
Het vonnis was rechtvaardig, niet berisplijk
In \'t oog der waereld; maar u paste \'t niet
Onze edelmoedigheid vooruit te loopen ....
Zijt dus verbannen van ons aangezicht!
(Tot Davison.)
Een strenger oordeel is u weggelegd:
Misdadig hebt ge uw volmacht overtreên,
Niet wakend voor \'t u toebetrouwde pand.
-ocr page 350-
I                                   336
Men breng\' hem naar den Tower! \'t Is mijn wil,
Dat hij worde aangeklaagd op dood of leven ....
Mijn eedle Talbot! u-alleen, van al
Mijn raadslièn, heb ik trouw en braaf bevonden.
Gij zult voortaan mijn leidsman zijn, mijn vriend ....
S hrewsbury.
Verban uw meestverknochte vrienden niet,
Onlsluit den kerker voor dezulken niet,
Die voor u handelden, nu voor u zwijgen!
— Wat mij betreft, mijn Koningin! Sta toe,
Dat ik het zegel, bijna dertien jaren
Mij toevertrouwd, teruggeve in uw hand.
E1 i z a b e t h (verrast.)
Neen, Shrewsbury! gij zult mij thands wel niet
Verlaten, thands ....
Shrewsbury,
Vergeef mij, ik ben te oud,
En deze rechterhand, zij is te stijf
Om uwe aanstaande daden te verzeeglen.
E lizabe t h.
Hoe! mij verlaten zou de man, die mij
Het leven heeft gered?
Shrewsbury.
Ik heb maar weinig
Gedaan. — Ik heb, helaas! uw eedier deel
Niet kunnen redden. Leef en heersch in vree!
Uw vijandin is dood. Gij hebt voortaan
Niets meer te vragen en — niets meer te ontzien.
Elizabeth (tot Graaf Kent die binnentreedt.)
Ontbiè Graaf Lester hier!
Kent.
Mylord laat zich
Ontschuldigen: hij is te scheep naar Frankrijk.
(Zij bedwingt zich en blijft met kalms zelfbeheersching staan
(De gordijn valt.)