-ocr page 1-
-ocr page 2-
\\\' ^StfS. ^M^ : ^M-S- :^^
^W-JK
-\'%*sf»\'vr
asf*"
. » «
-ocr page 3-
v.
::::>1*K::::Nli<r
-ocr page 4-
ytfyYl iOÏP//
-ocr page 5-
UIT DEN VREEMDE.
-ocr page 6-
UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK UTRECHT
A06000032018735B
3201 873 5
-ocr page 7-
fi(A c,\'tr
UIT DEN VREEMDE.
VEETAALDE POËZY
DOOK
J. J. L. TEN KATE.
BIBLIOTHEEK DER
RIJKSUNIVERSITEIT
UTREC
LEIDEN. — A. W. SIJTHOFF.
-ocr page 8-
-ocr page 9-
AAN MIJNE LEZERES.
Wandlen waarlijk hier op aard\'
Nog, onzichtbaar, Englen,
Die voor de Onschuld friach geblaart,
Jong gebloemt\', uit Edens gaard,
Tot een kransjen strenglen?
\'k Wensch u dan hun lentekroon:
Roosjens veler vreugden,
Immer bloeiende op uw koon;
In uw hart — het duizendschoon
Aller vrouwendeugden.
Noop die Englen nimmermeer
Weenende te scheiden!
Houdt ge stand op \'t pad der eer,
Als een lichtwolk van den Heer
Zullen ze u geleiden.
Volg die Englen steeds als thans
Heel uw volgend leven —
Tot ze u eens de zegekrans,
Vol van Godsvruchts lelieglans
Op uw sterfbed geven!
Vin.
1
-ocr page 10-
WAT EEN TRAAN VERTELDE.
— EEN FANTAZY. —
l.
Op een Meischen lentemorgen
Zat een knaapjen, zacht en teer,
Aan des beekjens bloemzoom neer.
Moeder sloeg met zoete zorgen
D\'arm om \'t lieve wichtjen heen\',
Om te deelen
— Zóo kan \'t moede r-liefde alleen! —
In zijn kozen, in zijn spelen,
In des glimlachs zonnelicht,
Dartiende op zijn aangezicht.
En het zonnetje\' aan den hemel
Temperde heur gloed, en goot
Door het schommlend loofgewemel
Goud, dat als een waassem vloot
Om het kind op moeders schoot.
Gulden stofjens dansten, weefden
Zuilen in den zonnestraal —
\'t Handtjen greep er naar — zij beefden.
Stoven weg! .. . Een zangchoraal
Schetterde uit de looverzaal,
En voor \'s knaapjens gretige oogen
Hupte een vogeltje\'!.. .. Andermaal
Tast zijn handtjen — weggevlogen
Met een dartel wiekgerucht,
Stijgt het zangertje\' in de lucht....
Glinsterende zilverdroppen,
-ocr page 11-
3
Paerlen, spatten uit den vliet —
\'t Knaapjen juicht als hij ze ziet.
Ach, reeds smelten ze op de knoppen,
Opgelost in kleurloos vocht,
Eer hen \'t handtjen vangen mocht....
Moe — daar blinkt een lelie, heerlijk,
Meer dan Koning Salomoos
Prachtkleed, zilvrig, smetteloos, —
Hoe begeerlijk! ....
\'s Knaapjens wangen
Schittren weder van verlangen.
Moeder ziet hetl Moeder plukt
\'t Lelietje\', en het kind, verrukt,
Speelt er meê. Hoe wiegt en waait het I... .
Maar daar blaast de wind, en rukt
\'t Lelietje\' uit zijn hand, en zaait het
Op de golfjens van den vliet,
Dobbrend tot hij \'t niet meer ziet! ..
En de vliet nam \'s knaapjens vrede
Met een bigglend traantjen mede.
II.
De traan nu, door het knaapjen
In zijn weemoedigheid
Zijn eerste en laatste vreugde,
Der lelie, nageschreid:
Die traan — ben ik!. . . De lente
Komt met mijn jaardag saam\':
Mijn vader is \'t Verlangen,
Ontbeering, moeders naam.
Zijn beiden onbezoedeld,
Dan blinkt ook, schoon en eêl,
Elk traantje\' uit hen geboren,
Gelijk een kroonjuweel.
Slechts waar de vader boos is,
De moeder murmureert,
Ontstaat een drop die bijtend
Gelijk een vuur verteert.
-ocr page 12-
4
Maar mij, de schuldeloze,
Nam \'t beekjen in den schoot,
Dat straks met andre beekjens
Al murmlend samenvloot.
Veel zusters hoorde ik duistren:
„Och, laat me met u gaan!"
Zoo vloeiden wij te samen
Naar d\'eindloze\' Oceaan.
III.
Een jongling trok de waereld in:
„Vaarwel, mijn ouders huisgezin!
„\'t Was goed bij u, getrouwe haard!
Maar daar is méér te zien op aard.
„Neem eens den reisstaf in de hand,
Dan opent zich een Wonderland!
„Hoe, moedertjen! zoo aangedaan?
De lente lacht zoo schalk mij aan:
„\'k Geloof dat ze om mijn dwaasheid lacht,
Dat ik tot heden heb gewacht.
„Dag zusjenslief! snoert wel te moê
Mijn knapzak en mijn randsel toet
„Verzorgt, tot dat ik wederkeer,
Lief moedertjen recht trouw en teer!" — —
Een kus, een handdruk, en nog een:
Reeds staat hij op den dorpelsteen.
Maar moedertje\', in haar harteleed,
Weerhoudt hem bij den zoom van \'t kleed;
En trekt — heur liefst, jongst kind is hij! —
Hem nog voor \'t laatst eens stil ter zij\',
-ocr page 13-
5
Daar waar in \'t dal de molen staat,
Die \'t wentlend rad in \'t beekjen slaat,
En liefkoost hem en drukt met smart
Het blonde hoofd aan \'t oude hart:
„Mijn zoonl mijn zoon! houd vast aan God,
Word nooit den bozen tot een spot!
„En lokt het kwaad, beloof mij dit:
Sla dan uw bijbeltje\' op, en bid!...."
De knaap beloofde \'t: wiens gevoel
Bleef ooit bij moeders zegen koel?
Maar lustig bruischt de molenvliet:
Bruischt zoo ook \'t bloed des jonglings niet?
Den heuveltop bereikt hij snel:
Daar wuift hij nog een laatst vaarwel.
Lang bleef lief moedertjen nog staan:
In \'t beekjen viel een heete traan.
Die sprak: „O zuster! neem mij meê,
Mij, die uit moeder-oogen glee!
Want wat een Vrome Moeder weent.
Is heilig, is oprecht gemeend."
IV.
Daar boven van de steenrots
Heft zich een slot omhoog:
Dat trok reeds menigmalen
Des Heldenzangers oog.
En schoot het oog verlangend
Een vuurblik uit, dan klom
Des Konings woede, en vlammend
Wierp hij den pijl weerom.
-ocr page 14-
6
Die Koning, koud als \'t marmer
Waar hij zijn huizing vindt,
Hoe kwam die gramme dwingland
Aan zulk een heerlijk kind?
Zóo zedig en zóo vredig,
Geen starretje\' aan den trans!
Zóo innig en zachtzinnig
Geen roosjen in haar glans!. . . .
Weer was, heur feënwaereld
Ontvloón, de lente daar,
En, met haar meêgetogen,
Een jeugdig harpenaar.
Hem golfden donkre lokken
Om \'t edelst aangezicht....
Hoe klopte \'t maagdlij k harte
Bij zijner oogen licht!
Die oogen, ondoorgrondlijk
Gelijk de starrentrans,
En droomend, zalig droomend
In wonderlijken glans!
En \'s Konings dochter, luistrend,
Zat op haar hoog halkon,
Als hij, de snaren grijpend,
Zijn hemelsch lied begon.
Hij zong van \'t Schoone en Goede,
Dat onverganklijk leeft,
En wat er reinst en heerlijkst
Een Menschenziel doorheeft.
Wel ruischte in zijn akkoorden
De naam van Liefde niet,
Toch was een Lieflijk heimwee
De grondtoon van zijn lied.
-ocr page 15-
7
En verder trok de zanger
Het land in, ver van \'t slot;
Want van den burchttrans lachte
Der hovelingen spot.
Slechts éen had hem begrepen:
De jonkvrouw, zacht en schoon.
Haar oog, haar oor verloren
Geen blik, geen woord, geen toon!
En sedert daalt ze \'s avonds
Ter burchttrap naar beneên,
En wandelt langs de klippen
Naar \'t eenzaam beekjen heen.
Daar zag zij hem voor \'t laatste,
Verdwijnende in \'t verschiet;
Daar is \'t, als klonk nog eenmaal
Dat onvergeeflijk lied.
„Vaarwel, gij eedle Zanger!
Schoon droombeeld! Ideaal!
Och, hoorde ik onder \'t sterven
Uw lied ten laatsten maal!
„Gij trekt ter verre reize,
„Gij keert hier nimmermeer!"....
En uit heur oogjens biggelt
Een heldre traandrop neer.
Die traan sprak: „Neem mij mede!
„Een traan als ik, ontstaan
Uit reine Heimweeklanken,
Mag immers met u gaan?"
V.
Langs de blauwe watervlakte
door de wijde, wijde zee,
Trekt een schip zijn diepe voren
naar de verre, verre reê.
-ocr page 16-
8
In bedriegelijke kalmte,
smeltende in den horizont,
Slaapt de zee: geen streep, geen stipjen,
dat een Vasteland verkondt.
Niet een enkel labberkoeltjen
dat het slapend zeil verrast;
Slechts de hongerige zeemeeuw
krijscht en klapwiekt om de mast,
Maar aan boord — een scheepling staat er
spraakloos, met beklemd gemoed,
Wien een onweêrstorm van smarte
diep in \'t manlijk harte woedt.
Rimplige matrozenvingren
sjorren \'t linnen lijkdoek vast;
Onze scheepling draagt het zeegnend,
lichte en toch zoo zware last!
Langzaam uit zijn trouwe handen
daalt de doode zachtkens af,
En de zee verslindt het offer, —
\'t levende, onverzaadlijk Graf!
Die in \'t zeildoek is begraven,
was zijn laatste, beste vrind,
Deelnoot van zijn lief en lijden,
vroeg, ten einde toe bemind!
In des levens donkre dagen
was hij hem tot troost en licht;
Steeds heeft hij den moeden broeder
ondersteund en opgericht.
Nu ook was hij meegetrokken
naar den verren, vreemden grond,
Om de hutte meê te bouwen,
waar hij thuis geen plaats voor vond.
-ocr page 17-
9
Lacy! achteraangeslopen
was de Dood!___In \'s levens vaag
Stierf hij, en de zee werd heden
vriendschaps koude sarkophaag!
Gun dan David dat hij treure
om zijn lieven Jonathan!
Laat dien éenen traan hem plengen!
zulk een traan ontsiert geen Man.
Dankbaarheid en rouwe spieglen
in het smetloos kristallijn:
Daarom zal die traan der Vriendschap
ons een lieve zuster zijn!
VI.
Aan Babel\'s waatren zaten zij, en weenden,
Aan Sion peinzende in hun ballings-wee.
Geen psalm van ouds verving hun somber zwijgen:
Hun harp, vermolmd, hing in de wilgentwijgen,
En spraakloos nam de Euphraat hun tranen meê.
Arm volk van God!
Der haatren spot
Gold nog den traan, dien zij om Sion weenden —
Aan Babel\'s waatren zaten zij, en weenden.
Aan Tiber\'s oever zaten zij, en weenden,
En Rome was het jonger Babyion.
De Christen zou voor \'s Heidens haat bezwijken,
Voor Epicuur zou Gods Gezalfde wijken,
Daar Nero\'s brein op bloed en gruwlen zon.
De gloènde smook
Steeg op, maar ook
Gods lof klonk door de tranen die zij weenden —
Aan Tiber\'s oever zaten zij en weenden 1
Aan \'s Rijnstrooms boord, daar zaten zij, en weenden.
In Costnitz komt het bloedgericht bij-éen:
Wat keizers en prelaten, woededionken!
De Waarheid dreven zij met mutsaartvonken
Tot nieuwe Babelsballingschap daarheen\'.
-ocr page 18-
10
Ver\' stoof hij voort
Van oord tot oord,
Huss\' martlaars-asch, die de edelsten beweenden —
Aan \'s Rijnstrooms boord, daar zaten zij en weenden.
Aan Seine\'s oevers zaten zij, en weenden —
Gij kent de schaar van trouwen Coligny !
Parijs scheen tot nieuw Babel nu verkoren,
In Karel\'s borst werd Nero\'s hart herboren,
Zwaar woog de nacht van Sint-Barthélémi!
Tot \'s hemels trans
Bloedbruiloftsglans,
Waarbij de weduwen en weezen weenden —
Aan Seine\'s oevers zaten zij, en weenden.
En zooals ze eens bij menig bloedstroom weenden,
Zij, wie de Waarheid Gods het hoogste gold,
Zóo volgen nu nog zwaard en lastertongen
De geesten, die den Logengeest bedwongen.
Wie farizeesche dweepzucht ketter schold!
Maar vuur noch zwaard
Dat hen vervaart:
Zij maaien eens met vreugd, die zaaiend weenden —
God telt en droogt de tranen die zij weenden.
VII.
Wie ligt daar, rouwend, diepbewogen,
Aan d\'oever der Jordaan gebogen?
Wat schoon, maar doodsbleek vrouwenbeeld 1
Nat blijven de oogen, droef betrokken
\'t Gelaat, schoon met de lange lokken
Een dartel kinderhandtjen speelt.
Ver van der menschen wuft gewemel,
Doolt zij, bij \'t licht van d\' avondhemel,
Heur kind in de armen, eenzaam rond.
Hier wil ze tot haar Schepper spreken
Van schuld en rouw, met tranen smeeken,
Den band hereenen dien ze schond.
-ocr page 19-
11
Zij ziet de roosjens niet ontspruiten,
Zij hoort niet hoe de vogels fluiten,
Zij merkt niet hoe het vriendlijk kind
De droppels afkust van haar wangen:
Niets voelt ze dan haar zielsverlangen,
Éen heimwee, dat heel \'t hart verslind!
O, vraagt niet wat ze zoekt! Haar wenschen
Geldt niet een redder uit de menschen,
Noch weerkeer van verdord genot;
Zij weent, schoon alle haar verlieten,
Niet wijl de menschen haar verstieten,
Maar wijl zij afviel van haar God!
Dat wichtjen is een kind der zonde!
Helaas, éene onbewaakte stonde,
De lelie werd bevlekt, en boog....
Nu vliedt en vloekt zij de sirene;
En als een andre Magdalene
Buigt ze als een boetling voor Gods oog.
„Bij God is hulp! bij God herstelling!"
Dat houdt ze vast bij al heur kwelling,
En heel heur ziel wordt éen Gebed.
De Boze dreigt: „Gij blijft gekluisterd!"
Maar de Engel der Genade fluistert:
„Verlost, verzoend, vernieuwd, gered!"
O dwazen, laat geen spotlach hooren!
Den Boetetraan heeft God verkoren
Ver boven menig jubelchoor.
Ik, en mijn zusters, wij belijden:
Geen traan, ontsprongen onder \'t strijden,
Heeft heerlijker verwinningsgloor!
VIII.
Ja toch, éen traan! Nooit is uit menschenoogen
Zoo hemelsch, ja, zoo godlijk vocht gedauwd,
Als Hij vergoot, die neerdaalde uit den Hoogen,
Om \'s waerelds schuld te dragen op het hout.
-ocr page 20-
12
Daar hing Hij! in de doornen \'t hoofd gebogen,
Maar in die Heiige Liefde nooit verflauwd,
Die voor haar beulen bidt uit mededoogen,
En stervende op de trouw haars Vaders bouwt.
Zijn harte breekt — daar trilt met heiige beving
Een paerel aan zijn wimpers, en: „Vergeving!"
Zoo ruischt het van zijn lippen tot Gods troon.
„Vergeving!" duistren de Englen, die zich haasten
Dien drup, waar aarde en hemel in weerkaatsten,
Te hangen in Gods eeuwge Liefdekroon.
(Vrij gevolgd.)
LENTE\'S KOMST.
Hoe jubelt de ziel, die haar welkom u biedt,
Gij Lente, in den hemel geboren!
Reeds botten de bléiren, reeds murmelt de vliet,
De meerle, de vink, doen zich hooren.
Reeds geuren de bloesems. Met lieflijken gloed
Doortintelt de zonne \'t versnellende bloed,
En wemelt op weiden en struiken,
Tot knoppen en kruiden ontluiken.
Gij Lente, wier oog als de Morgenster vonkt!
Wat wonderstaf hebt gij verkregen,
Waardoor Gij onze Aarde, hoe oud ook, verjongt,
En dompelt in stroomen van zegen?
Gij komt! heel Natuur ademt leven en geest,
Al \'t oude vernieuwt, en al \'t kranke geneest:
Het is, als herschept zich heel de Aarde
In Edens verlorene gaarde!
Gij wekt in \'t verslagen gemoed met dien staf
De lust en de veerkracht ten leven.
Gij hebt er, in bloemen, op \'t groenende Graf
\'t Woord: „Weerzien" roeê nedergeschreven.
Gij wenkt, en de duive, uit haar nestjen gedaagd,
Strijkt neer op den schouder der minnende maagd,
-ocr page 21-
13
En kirt haar een sprookjen in de ooren,
En doet van „die éenen" haar hooren!
Gij God, die de bloemen en harten ontsluit,
Heb dank voor uw scheppend: „Daar worde!"
De Lente kwam weer: o, nog nooit bleef zij uit,
Getrouw aan de wet uwer Orde.
Wel kort is die Lente, en wel vluchtig die Jeugd:
Maar daarom, o Vader, volmaak Gij haar vreugd!
Help zachtkens de kiemkens aan \'t groeien,
Tot ze eens als een vruchten-oogst bloeien!
(V»n verre gevolgd.)
OORLOG.
Dat is de vloek des krijgs — niet, dat hij Vorstentroonen
Omverstoot, half vermolmd, of dollen Volkentrots
Met roeden geesselt als een Eumenide Gods,
Of glorie\'s naakt schudt, om heur kanker aan te toonen :
Wat is de wisseling van kroonen, steeds voor kroonen\'!
Een ruil van klatergoud — de jakhals na den vos!
Een ruwe ontwaking windt uit leugendroomen los:
De louterende tucht mag kind noch volk verschoonen.
Dat is zijn vloek niet! . . . . Maar dat hij aan \'t innigst leven
Der Menschheid zich vergrijpt, aan \'t Recht van \'t Huisgezin,
Aan \'t Heilig huisaltaar van Liefde en Kindermin,
Dat hij de banden scheurt door Scheppers hand geweven —
De weeüw van wanhoop, en den wees van wraak doet beven:
Dat hij het Hart verminkt — dien vloek heeft de oorlog in I
-ocr page 22-
14
st. nico la as-a vond.
— EEN VERTEI.LINO. —
Stil! wie sluipt daar zoo verlaten,
Krimpende van weer en wind,
Langs de witbesneeuwde straten?
\'t Is een mager, zieklijk kind.
Bibbrend dwaalt zij heen en weder;
Ach, wat zijn die kleörtjens kort!
Treurig zwerft zij op en neder:
Niemand vraagt haar wat haar schort.
Luister! \'k meen haar stem te hooren:
„Lieve Heertjen!" luidt haar klacht,
„Slaat de hooge Westertoren
„Waarlijk, waarlijk nu al Acht.
„\'t Enkel denkbeeld doet mij beven,
„Naar mijn huis terug te gaan:
„\'k Ben zoolang reeds uitgebleven,
„De oude meester zal mij slaan.
„Neen, ik wil nog langer blijven,
„Tot de kille hageljacht
„Eindlijk mij van straat zal drijven:
,\'k Weet toch mi al wat mij wacht.
„Ziet dat vriendlijk gaslicht stralen
„In die winkels, rij aan rij.
„Koopt wat! roept men honderdmalen:
„Welk een bittre spotternij!
„Kijk eens! letters, hylikmakers!
„Speelgoed, kleêren, al in \'t rond!
„Zilvren kammen, gouden akers!
„Boa\'s, — he! van koestrend bont.
-ocr page 23-
15
„Ik bezit geen enklen stuiver —
„Drooge kruimels, anders niet!
„Alles smult: ik smacht en huiver,
„En geen stervling die het ziet.
„Licht blinkt ginder door de ramen:
„Daar zal Sint-Niklaasjen zijn,
„Met zijn zak vol suikernamen
„En zijn hoed vol marsepijn!
„En zie hier eens! wat al buren
„Staan er voor dat Heerenhuis,
„Door de ruiten heen te gluren!
„Wat al pracht en feestgedruisch!
„Daar te staan, dat zou me lijken!". . . .
„Foei, wat stoute wensch was dat?
„Neen, \'k wil hier eens even kijken,
„Even maar, door \'t sleutelgat." ....
En zij gaat, en blikt naar binnen:
En zij ziet een groot e zaal;
Een behang van sneeuwwit linnen
Tooit den muur met stillen praal.
Eenzaam staat een kaars te lichten
Op een zilvren kandelaar;
Maar geen menschlijke aangezichten
Wordt zij heinde of ver gewaar.
Hiacinten, tulpen, blinken,
Roosjens ook, als in April;
Maar geen menschenstemmen klinken :
Alles is zoo schoon, zoo stil!
Zwart-fluweelen kussens glansen —
Ach, zij kijkt zich de oogen blind .. . .
Onder palmen, zilveikransen,
Slaapt een hemelsch. doodsbleek kind.
-ocr page 24-
16
„Dat\'s een engeltje\' uit den hoogen!
Denkt het meisje\', en alle smart
Is op eenmaal weggevlogen
Uit haar vroolijk kloppend hart.
„Ach," zoo snikt zij, „rijke lieden!
„Laat mij toch wat dichter bij
„\'t Slapend engeltjen bespieden!"....
En — naar binnen trippelt zij.
Hoor! daar ruischt iets om haar henen:
\'t Is een ranke, bleeke vrouw,
De oogen overwolkt van \'t weenen,
En gehuld in diepen rouw.
„„Kom toch nader, lieve kleene!
„„Wilt gij d\'engel zien? Welaan!....
„„\'t Was mijn éenigste, die eene,
„„Die ik nu reeds af moet staan!
„„Morgen vroeg wordt zij begraven ....
„„Boven lag haar speelgoed klaar....
„„Schreit gij? Zoo wij \'t ü eens gaven....
„„Sprekend, sprekend lijkt ge op haar.
„„Zeg, wie zijt gij?"" — „\'k Ben een weeze;
„\'t Laatst nam God mij moeder af.
„Wat ik lijde, wat ik vreeze,
„Moet ik klagen aan — haar graf!
„Heden, juist een jaar geleden,
„Vierde ik, spelende aan haar schoot,
„\'t Blijde kinderfeest van heden ....
„Juist een jaar, en nu — al dood!
„\'k Zag haar, \'t lijkkleed omgeslagen,
„Roerloos liggen in de kist;
,\'k Zag haar langzaam weggedragen ....
„God weet, wat een weesjen mist!
-ocr page 25-
17
„\'k Weet, \'k heb boven een Behoeder,
„In het beter Vaderland;
„Maar ik sliep zoo graag bij moeder
„In het koele kerkhofzand!
„Want ik dien bij harde mensclien,
„Die den nijd in \'t harte voön,
„Die mij haten en verwensenen, —
„En ik wil toch alles doen!
„Onkruid wieden, kleêren wasschen
„Bij den vroegen morgenschijn,
„Op de kleine kindren passen,
„Op een wenk gehoorzaam zijn !" —
„„Kind, hoe heet gij?"" — „Wilhelmine."
„„En hoe oud wel?"" — „Zeven pas!"
„„Dat\'s een wenk van d\'Ongeziene!
„„Juist zoo oud als Mientjen was!
„„Gij, mijn kind in \'s Hemels hoven!
„„Dacht gij aan uw lieve Moê?
„„Ja, mijn Mientjen, gij Daarboven
„„Zendt mij \'t arme weesjen toe!
„„Nu dan! wie haar ook vergaten,
„„\'k Zweer het bij uw bleek gelaat,
„„\'k Zal de kleene nooit verlaten,
„Als zij God noch Plicht verlaat!" "
Leeg en stil was \'t op de straten,
Maar daar binnen klonk het lied:
„Nimmer zal ik God verlaten,
„God verlaat de Zijnen niet!"
<Naar \'t Hoogtlaitecli.)
VTU.
2
-ocr page 26-
18
DE BIJBEL.
Daar is een Wonderboek, uit wiens gewijde bladen
De Hemel waarheid straalt met letteren van licht:
Het duurt en glanst altoos, en wat de tijd moog\' schaden,
Het heerscht van eeuw tot eeuw, en is nog nooit gezwicht!
Dat licht is leven! En wie immer zoekt naar waarheid,
Erkent des Bijbels kracht met blijdschap en ontzach,
Zoo vaak een hooger geest met goddelijke klaarheid
Zijn zielsoog van het stof der Aarde loutren mag.
Alle andre schriften zijn straks geurloos en verveelen:
Gods woord wordt rijker sleeds hoe vlijtiger doorvorscht;
\'t Ontvouwt een beter schat dan paerlen en juweelen,
En stilt den hoogsten wensch, die naar den Hemel dorst,
\'t Verlicht, vertroost, verblijdt, een balsem aller wonden,
Een Leidsman naar omhoog, voor eeuwig waar bevonden!
(Naar CHiBUOTTï elliott.
S C H E I D I N Cr.
Neen, de pijnlijkste scheiding, die \'t lot kan bereiden,
Is, voorwaar! niet de scheiding door afstand van plaats:
Waar slechts bergen en stroomen twee minnenden scheiden,
Smelt het juichend: „Tot Weerziens!" in \'t weenend:
[„Helaas!"
Een klein stuksken papiers, luttel regels geschreven
Door een dierbare band, daar omhelzen ze elkaar!
De twee treurende zielen, door Hope gedreven,
Spijt een halfrond van zee en van land, zijn een Paar!
Maar — beschaüwd door éen dak, toch vervreemd zich te weten.
Door een dwang van de waereld, een waanzin, een schijn,
Zoo nabij, toch zoo ver! Dat mag Eenzaamheid heeten.
Dat is waarlijk, dat troostloos gescheiden te zijn!
-ocr page 27-
19
LEVENSLES.
"Wilt gij dat u andren achten.
Acht u-zelven allereerst!
Toon, bij evenwicht van krachten.
Steeds een geest die \'t stof beheerscht!
Heb dit voor uw Schepper over:
Eer in u des Scheppers beeld!
Boozer, valscher is geen roover,
Dan die eigen ziel besteelt.
Wat ge u-zelven zijt verschuldigd.
Geef u-zelf dat! Moed in smart.
Reinen zin die \'t Schoone huldigt,
Waarheidszin in \'t eerlijk hart!
Voelt ge u zwak\'? Een Albehoeder
Is er die uw nooddruft ziet;
En — uw lieve, vrome Moeder
Leerde u bidden, deed ze niet?
ZALIG.
Zalig die minnen!
Zij worden bemind:
Liefde is een kracht die den Haat overwint.
Zalig die waken!
Zij worden bewaakt:
Zij zien den Engel, als \'t kwade genaakt.
Zalig die wachten!
Zij leeren geduld:
Is niet de vrucht eerst in bloesem gehuld ?
Zalig die werken!
Hun bloeit de woestijn:
Arbeid doet wondren, maakt water tot wijn.
-ocr page 28-
20
Zalig die strijden!
Zij worden bekroond:
Daar is geen deugd, die zich-zelf niet beloont.
Zalig die lijden!
Zij worden verblijd:
Lente na winter, en — \'t al op Gods tijd.
Zalig die hopen;
Al wankelt de voet!
Daar is een Hemel, die de Aarde vergoedt!
TWEE BLADEN.
\'k Zag het eerste blad moedig zich ontplooien,
Och, hoe snel, hoe frisch! dansen aan den tak,
Vol van levenskracht zich al schooner tooien,
Tot — éen voorjaarsstorm \'t van den stengel brak!
„Droevig!" klonk een stem, „alzoo vroeg te sterven,
Als des levens boem nog te botten staat!
\'s Waerelds zomerglans, macht en roem, te derven!
\'t Leven is zoo zoet — gaat men ooit te laat?". . ..
\'k Zag het laatste blad, dorrend, eenzaam hangen
Aan de naakte twijg eens aan loof zoo rijk,
Slaaprig en verkleumd, vreezen noch verlangen,
Tot het, bleek en traag, nederzeeg in \'t slijk.
\'k Hoorde een tweede stem: „Liever vroeg bezweken,
Midden in den bloei van een frissche jeugd,
Dan versuft, verstompt, rimplen en verbleeken,
Zonder stervensmoed, zonder levensvreugd!". . . .
Meet het Leven niet: weeg het! — Die kort bleven,
Leefden lang genoeg, leefden zij in God.
\'t Dierbaarste, éen voor éen, stervend te overleven,
\'t Allerlaatst zich-zelf — is des Grijzaarts lot!
-ocr page 29-
21
TWEE VRAGEN.
Wie wordt het rijkst\' van geeste?
Die eiken dag nog leert.
En wie bezit het meeste?
Hij die het minst begeert.
DE DOOD.
Nog wat dervens, nog wat zwervens,
En wij komen samen thuis:
Voor wie opziet naar het kruis,
Is de dood het eind des stervens.
IN MEMORIAM.
MIJNEN VRIEND Dr. HACKE VAN MIJNDEN, VERTOLKER DER
DIVINA COMMEDIA.
DANTE ALIGHIEBI.
In éen, grootsch Werk, de schepper van zijn taal
En \'t heerlijkste, ooit in menschentaal geschreven,
Waarin niet slechts de Middeneeuwen leven,
Maar \'s Levens polsen kloppen al te maal:
Der volkren Dichter, door z ij n volk verdreven
En vogelvrij verklaard, in zegepraal
Op vleuglen van \'t genie naar \'t Ideaal
Der Liefde, zijn Beatrix, opgeheven!
Van uit den diepsten nacht in \'t hoogste licht
Trapswijz\' geklommen, wordt zijn Hemelsch Dicht
Symbool der weèrgeboorte uit zonde en smarte,
-ocr page 30-
-1-2
Die \'t Menschlijk Leven godlijk loutren moet.
Zóo schildert, met zijn tranen en zijn bloed,
Deez\' Dante in beelden \'t drama van elk Harte.
11.
OP \'T SCHUTBLAD VAN DEN „INFERNO."
Gij zijt hem nagewandeld, onbevreesd,
Als derde, volgend door de ongastvrije oorden,
En wat Virgiel\' en Dante zagen, hoorden,
Gij hebt het meê ervaren in den geest.
Ja, meer! gij zijt des Dichters tolk geweest,
En \'t is uw roem als voortaan in ons Noorden
Het Zuidlijk orgel zingt met de eeuwge akkoorden,
En Neêrland huivrend zijn Inferno leest!
Excelsior! — Van uit de schriklandouwen
Naar Boven! Zalig zijn zij die daar rouwen:
De smart tot God is heilig loutrings-vuur.
Doe als uw Meester! Stil te goeder uur
De zielzucht onzer edeler Natuur:
Wij smachten naar Beatrix: doe ze aanschouwen!
111.
TEE UITVAAET.
.... Cosi com\' io t\'amai
Nel mortal corpo, cosi t\'amo sciolta!
Pui-g. C. II: 88.
Neen, dierbaar lijk! Gij zult in \'t graf niet zinken,
Beschaduwd door uw eenzame kapel,
Eer ook m ij n roepstem zal weerklinken
In \'s Harten kreet, in \'t laatst Vaarwel!
Gij hebt mijn lof niet noodig, die de reize
Eens Dante\'s volgde in zijn drievuldig Rijk,
Die zijn diepzinnig gepeize
Vertolkte in \'t heerlijkst Dichtmuzyk!
-ocr page 31-
\'23
Zoolang z ij n lied zal leven, zult G ij leven!
Uw profecy zal in vervulling gaan:
Uw naam zal niet daarhenen zweven
Als vliegend schuim op d\' oceaan *).
Laat anderen u lauweren naar waarde:
Den Dichter niet, die vóortstraalt in zijn glans —
Den Vriend, die wegzinkt onder de aarde,
Den Broeder, vlecht ik de eerekrans!
O teeder hart, gevoelig voor al \'t Schoone,
Bezield voor al wat Edel is Goed!
Slaap onder de immortellen-kroone
Der Liefde, en — zij uw sluimring zoet!
Gij volgde ons in d\'Inferno van óns lijden
Met deernis, met versnelden harteklop;
Gij klomt, toen God ü kwam kastijden,
Den Loutrings-berg geduldig op.
Uw laatste werk en woord en overdenken,
Zij waren aan dat P a r a d ij s gewijd,
Waar gij der „ Zaalgen Boos" zaagt wenken,
Door Beatrice\'s lach verblijd! 2)
Uw reis heeft uit! ... . Gij zult ons niet ontbeeren,
Bij d\' „aanblik van den glans van \'t Eeuwig Goed!" 3)
Maar dikwerf zal ons oog zich keeren
En zoeken d\'indruk van uw voet;
En zoeken \'t licht van uw bezielde blikken,
De trouwe hand, het hart, dat ons verstond,
Al wat de ziel ons mocht verkwikken,
Sinds zij in de uwe een zuster vond! . . . .
\') Zinspeling op een uitdrukking iu \'t laatste schrijven, dat ik van de hand
niijns kranken vriends ontfing, gedagteekend uit Eikenrode, 28 Oktober 1872:....
nik heb het bewustzijn, moest deze ziekte een middel tot mijn dood zijn, dat ik
niet nutteloos zal hebben geleefd, of verdwijnen zal als \'t schuim op do golven." —
«ergelijk hiermede zijn vertolking van Dante\'s Inferno, C. XXIV, vs. 40, volg.:
„Die zonder roem zijn leven heeft gesleten,
„Verdwijnt van de Aard als dampen in de luchten,
„Of \'t schuim op \'t golvend meir, en wordt vergeten!"
) Paradiso C. XXX.
"> Aid. C. XXXIII.
-ocr page 32-
24
Toch blijft gij ons nabij, al schijnt ge ons verre.
O zoet, laatst troostwoord van uws Meesters Lied:
„Beweegt Gods Liefde, Zon en Sterre," l)
Zij scheidt verwante Geesten niet!
LAGO Dl VICO.
Illago di Vico was vroeger een schoone vlakte (op den
weg van Rome naar Ronciglione,\\ met een groota stad.
Succinium geheeten. Maar op zekeren dag zakte de grond
in, en du stad verdween in een diepe kolk, die zich straks
met water vulde.
Op een helderen dag zou men op den bodem van het
meir de straten en hnizen der verdronken stad nog kunnen
zien. Zooveel is zeker, dat het meir al het voorkomen heeft
van een uitgebrande solfaterra, gelijk al de omliggende
heuvelen een vulkaniesch voorkomen hebben.
Uit mijne „Italiaansche Reisherinneringen" van 1856.
i.
Tusschen Rome en Ronciglione
ligt een blauwe waterspiegel
In een kolk, omlijst van wouden,
lommerloof en bloemgewiegel,
\'t Is — het meir Lago di Vico!
Hier, voor lange, lange jaren
Glooide eenmaal een schoone vlakte,
ruischende van korenairen,
Bloeiende van wijngaardranken :
en te midden van dit Eden
Hief Succinium haar torens,
heerschende als een Stad der steden.
Maar op ééns — de bodem dreunde,
scheurde, braakte smook en vonken ....
In den plotselingen krater
was de trotsche Stad verzonken!
Waatren welden, waalren woelden :
onder \'t lijkkleed dat zij weven,
Ligt de Koningin begraven
en keert nimmermeer in \'t leven!
]) Laatste rrgel van do Divina Commedia:
„L\'Amor che muove il solo e 1\'altie stelle."
-ocr page 33-
25
Maar — zoo fluistert de legende —
al wie op een heldren morgen
Met een oog nog niet beneveld
door de zonde en \'s waerelds zorgen,
Neerziet in de klare diepte,
die kan nog de praalgebouwen,
Kerken, huizen, straten, pleinen
der Verdronken Stad aanschouwen.
Hij hoort nóg de klokken luiden,
hoort de plechtige orgeltonen,
Ziet de machtige gestalten,
eedle Ridders, fiere Schoonen;
Ziet een bontbewogen leven,
rijk en frisch, vol vreugd en vrede,
En — hij leeft het dood verleden,
\'t uit den dood verreezne, mede!
\'t Moge een oogenblik slechts duren,
uren gelden soms voor jaren —
In éen droppel rozenolie
geuren duizend rozenbladen!
II.
Ieder onzer, die, in \'t dwalen
dooi\' de wisselende wouden,
\'t Selva oscura\') dezer waereld,
toch zijn hart heeft jong gehouden,
Ieder onzer op een morgen
als de hemel helder straalde,
Zag wel eens het Dood Verleden,
dat in \'t meir der Jaren daalde,
Zag wel eenmaal in de klove
van de dorre solfaterre
Zijn Verdronken Stad weêrschittien
als een weergekeerde sterre.
\') Zinspeling op Dante, Inferno C. 1, de aanvang:
„Nel mezzo dol cammin di nostra vita
Mi ritrovai per una Belva oscura,
Che la diritta via era smarrita."
-ocr page 34-
-n\\
\'t Is — zijn Jonkheid! \'t is — zijn Bloeitijd!
De eerste liefde, irisch en teeder,
De eerste vriendschap, de eerste geestdrift,
de eerste glorie, ziet hij weder!
Sedert, o wat schoone dagen,
wat al glorierijke zonnen,
Maar die alle toch heur morgen
in Succinium begonnen!
Wat gedaanten in de diepte,
die hem met weemoedige oogen
Aanzien, wenken met een handkus,
maar nooit meer omarmen mogen!
\'t Zijn geen schaduwen en schimmen:
lichtgedaanten zijn \'t die gloren!
\'t Zijn Olympische gestalten,
schooner nog dan ooit te voren!
\'t Is als blikken zij naar boven,
daar zij met de palmen wenken:
„Blijf gezegend!" is al \'t antwoord,
dat we, aan d\' oever, kunnen schenken,
\'t Is — een Paaschfeest der H erin ring!
alle lieve dooden leven ....
Zulk een uur, hoe vluggevleugeld,
wordt ons nooit vergeefs vergeven!
Wandelt gij, o jonger priesters
van het eeuwig Schoone en Goede,
Nog in \'t land der Idealen?
Dat uw Engel \'t lang behoede!
En is eens uw Stad verdwenen,
laat dan vaak nog uit de verte
Haar uw oog, als \'t mijne, groeten:
droef, maar met een dankbaar harte!
ÉEN SCHAT MOET BEHOUDEN.
De Jongelingsnaam is een heerlijke naam,
Te recht ook aan de Englen gegeven:
Wie jeugd noemt, noemt vreugde, noemt hope, noemt vree:
Wie jeugd noemt, noemt liefde, noemt leven!
-ocr page 35-
\'27
Hoe ras dort die naam, als een bloesem der lent\'!
Straks nadert de grijsheid, de droeve:
Dan stuift ons de sneeuwvlok des winters door \'t hair,
Dan wankelt het lichaam ter groeve.
\'t Vergankbre verga, en al \'t aardsche verdwijn\'
In \'t stormen des tijds en der smarte,
Éen schat moet behouden, een kroon moet gered:
Hoe heet die? De Jeugd van het Harte!
\'t Geloof is de balsem die zielen behoedt,
Te midden van \'t wisslend gewemel,
Die \'t jonge bewaart, en het oude herbaart,
Die \'t harte verjongt voor den Hemel!
VLEUGELEN.
Soyons comme 1\' oiseau....
VICTOK HUGO.
In de ochtendscheemring op de rots,
daar zit een vogelkijn,
En blikt blijmoedig om zich heen\'
in d\' eersten zonneschijn.
In \'t dal daaronder ruischt de beek,
gehuld in nevelgrauw:
Het dorpjen slaapt nog; gras en bloem
weêrschittert in den dauw.
De vogel drukt de pootjens saam\';
de wiekjens slaan uit-een:
Daar vliegt hij boven, over \'t dal,
en — niemand weet waarheen.
Maar waar hij ook zich nederzet,
vrees niet! hij valt niet neer.
Hij staat daar op zijn twijgjen vast,
al zwiept het heen en weer.
-ocr page 36-
28
Gelukkig hij die zich zóo vrij
beweegt als \'t vogelkijn,
En vaststaat!.... Maar als \'t vogelkijn,
moest hij gevleugeld zijn
En zijn er dan geen wieken ook,
twee wieken van den geest"?
Zijn reine Liefde en vast Geloof
nooit zulk een paar geweest?
(Zie Auerbach Noues Loben, B. I. C. H.)
TWEE WOLKEN.
\'k Heb een zomerwolk zien zweven
Aan den purpren avondboog:
Boven de andren wijd verheven,
Vrij en vroolijk, stijgt ze omhoog.
Zonnegloed en glansgewemel
Tint heur zoomen duizendvoud,
Tot ze, op d\' adem van den Hemel,
Wegsmelt in het ethergoud.
\'k Heb een andre wolk zien hangen
Aan den rug van \'t berggevaart\':
Een verraderlijk verlangen
Lokt haar, trekt haar neer naar de Aard !
Arme! niet in zonnekussen
Zwicht ge, al zacht, op eedle baan:
Bange tranen zullen gudsen —
Weenend zult gij ondergaan!
(Gevolgd.)
DE OUDE LANDMAN.
Mijn kind, blijf trouw aan plicht en eed,
Tot aan het koele graf,
En wijk toch nooit een vingerbreed
Van \'s Heeren wegen af!
-ocr page 37-
28
Dan reist gij langs uw pelgrimsbaan
Al zachtkens naar Omhoog,
En grimt de bleeke dood u aan,
Gij ziet hem kalm in \'t oog.
Dan zal de sikkel of de ploeg
U nooit te moeilijk zijn:
Dan hebt gij aan uw brood genoeg.
En — water smaakt als wijn!
D\' ellendige wien \'t kwaad bekoort,
Valt alles even zuur :
Het boos geweten drijft hem voort,
En gunt hem rust noch duur,
Hij let niet op de bloemenpracht,
Op \'t gouden korenveld :
Hij is op snood bedrog bedacht,
En loert alleen naar geld.
En zucht de wind, of ruischt een blad.
Hij beeft, en staat onthutst:
En is hij eens aan \'t eind van \'t pad.
Hij vindt in \'t graf geen rust.
Mijn zoon, blijf trouw aan plicht en eed,
Tot aan het koele graf,
En wijk toch nooit een vingerbreed
Van \'s Heeren wegen af!
Dan zegent eens een dankbaar kroost
Uw nagedachtenis,
En houdt op \'t plekjen dat gij koost,
De kerkhofrozen frisch.
Naar iiöltï.
DE STOOM.
Wie zijt gij, werkman! die daar meet en past,
En peinst en vorscht, tot u een oude waarheid
Verschijnt in ander licht, in voller klaarheid,
Als nieuwe ontdekking u verrast?
-ocr page 38-
30
Zijt gij een smeaton, of een watts? der oudren
Discipel, die hun eerste werk volmaakt.
En \'t hun te hooge doelmerk raakt.
Omdat gij staan moogt op hun reuzenschoudren ?
Want weet het wel, wat éen geslachte maait,
Is de oogst van wat een vroeger heeft gezaaid.
lilik, uit uw kar, die langs de tweelingslijnen
Op, onder de aard, door bergen en woestijnen
U voorwaarts draagt als een gewiekte droom.
Terug naar \'t éérst verschijnen van den Stoom,
Den Herons-bol! En gij zult staren
Als zij. die hijgende op den bergtop staan.
En rugwaarts zien naar de afgelegde paan.
Een labyrinth vol moeiten en gevaren.
En o, hoe ver\' van \'t aanvangspunt der baan!
Wat speelwerk was, werd nu tot ernst verheven;
Het denkbeeld, dat een drogbeeld was geweest,
Veroverd door den Menschelijken Geest,
Werd waarheid, werklijkheid, werd krachtig leven.
Sints is de Stoom een bondgenoot, een vriend,
Een helper die de Menschheid dient,
Die duizendduizend menschenhanden,
Tot hiertoe zwoegende als een raderwerk
In zielverstompende\' arbeid, van heur banden
Bevrijdde, en jeugdig maakte, en sterk
Tot eedier taak en heilger offeranden!
De Waterdamp hoogt met haar wonderkracht,
Geen welvaart slechts of uiterlijke macht:
Zij wijdt zich aan het Hoogste, de eeuwige eere
Der Menschheid en de glorie van haar Heere,
Die ook de stormen tot Zijn dienst bereidt,
Den zonnestraal, en \'t weêrlicht Zijner dondren
Tot cherubijnen maakt, en al de wondren
Van Industrie en Wetenschap herleidt
Tot éen, groot wonder: \'t Rijk der Zaligheid! —
Zie, zie rondom! daar hijgen reeds, daar trekken
Het stoomschip en de stoomkar bruischend uit,
Om, door Sineeschen muur noch golf gestuit,
Straks heel Gods wijde waereld ons te ontdekken!
Daar zwoegt de stoom-pers — springende fontein,
Waaruit de wateren der Kennis stroomen
-ocr page 39-
:m
Voor alle burgers nu, rijk, arm, groot, klein:
En die „Gods Woord," zoo liefelijk en rein,
Om niet verspreidt tot \'s waerelds verste zoomen!
DE WE G W IJ Z E R.
Weisch wo dor Weg zum Mehlfass isch?
Waar loopt de weg naar \'t meelvat heen\',
Naar \'t volle vat? Van d\' ochtendstond
Tot ster bij ster ter kimme rijst.
Met eg en ploeg door d\' akkergrond !
Hak voort zoolang de dag maar schijnt.
En kijk niet om, en treuzel niet!
Dan gaat het door de volle schuur.
Tot waar gij d\'oven gloeien ziet!
Wat weg loopt op den gulden uit?
Zoek maar naar d\' eersten stuiver rond,
Want wie niet op den stuiver let.
Wis dat hij nooit den gulden vond !
Waar loopt de weg tot zondagsvreugd?
Werk heel de week, en dorsch het graan.
Of jaag het kouter door de klei,
Dan komt van zelf de Zondag aan.
Hij nadert al op Zaturdag:
Wat kunt gij in zijn korljen zien?
Wel, groenten en een pond t jen vleesch,
Een kruik vol krachtig bier misschien !
Waar loopt de weg op armoe uit?
Alom waar gij een kroeg ziet staan!
Treed in, de waard biedt sterken drank
En splinternieuwe kaarten aan.
En gaat gij uit de laatste kroeg,
Daar hangt, neem aan! een leêge zak:
Ga daar den breeden weg meê op,
Hij past juist bij uw beedlaarspak!
-ocr page 40-
:V2
Een houten drinknap zit er in:
Bewaar hem goed, verlies hem niet,
En ledig hem naar hartelust,
Alom waar maar—koud water vliet 1
Waar loopt de weg tot vrede en eer,
Tot een gezegende\' ouderdom ?
Recht uit, door plicht en orde en tucht!
Vooruit, doe wél, en zie niet om!
Zucht ge aan een kruisweg: „Waar nu heen\'?"
Och, vraag het uw geweten maar!
\'t Spreekt zuiver Hollandsch, zooals gij,
Zijn raad is altijd goed en waar!
Waar mag de weg naar \'t kerkhof zijn ?
Gij vraagt het? Reis naar berg en dal.
De naaste weg ter jongste rust,
De weg naar \'t Graf, is — overal!
Maar wandel in des Heeren vreez\'!
Dan gaat de reis naar \'t Vaderland:
Het Graf heeft een geheime deur —
Het beste ligt aan d\'Overkant!
(Naar \'t Allemannisch van nEBFi.)
ARMENISCHE VOLKSLIEDEREN.
INLEIDING.
Toen ik in Juni \'56 het „Amsterdam van \'t Zuid" voor \'I
eerst betrad, bleef ik niet in gebreke een uitstap te maken naai\'
Isola S. Lazzaro, een der schoonste paerlen in de krans dei\'
honderd kleine eilandtjens, die als een halssnoer het trotscl\'e
Venezia omgeven. Uit Schiller\'s Geisterseher weet een
ieder dat er in Venetië Armeniërs zijn; maar misschien is
het velen onbekend gebleven, dat dezen op genoemd eiland sedert
1717 een eigen klooster bezitten, dat zij den Roomsch Katho-
lieken godsdienst belijden, ofschoon zij onderdanen blijven van
-ocr page 41-
33
den Turkschen Sultan, en dat zij zich, naar den stichter hunner
orde „méchita risten", d. i. „zonen der vertroosting" noemen.
Zoo is \'t. Ten jare 1182 stichtte Leo Paulini op die plek een
hospitaal voor melaatschen (met „de krankheid des heiligen
Lazarus bezochten"). Langzamerhand werd het toevluchtsoord ver-
laten, en nu lag het gedurende ruim vijfhonderd jaren eenzaam
en verafschuwd, alleen door de zwervende zeemeeuw bezocht. In
1717 werden eenige Armenische monniken, die met vergunning
van Venetië op Morea woonden, door de Turken verjaagd. Venetië
nam hen onder hare bescherming en wees hun opperhoofd, den
godvruchtigen Mékhitar het eiland S. Lazzaro ten eeuwigen dage
tot een kolonie zijner ordebroeders aan, die nu van jaar tot jaar
toenamen in getale, en eerlang een klooster bouwden, een biblio-
theek aanlegden en een eigen drukkerij oprichtten, waar, in den
loop van ruim honderd jaren, vele belangrijke werken meestal
in \'t Armenisch, de pers verlieten, om tot in het verre Indië
toe verspreid te worden \'). Zoo heeft men het eiland S. Lazzaro
dan wel te recht een geestelijk entrepot genoemd, een stapel-
plaats der wetenschap, ten behoeven van het Oosten, vooral voor
het arme Armenische volk, dat eeuwen aan eeuwen gekweld is
geworden, verstoten uit het huisgezin der volken, als ballingen
verstrooid, Azië en Europa door, vooral in Perzië, Turkije en
Indië, en toch nog altijd, zijne traditie getrouw, waarin tevens
zijn ideaal zich weerspiegelt, geheel zijne eigenaardigheid heeft
bewaard.
Adolf Stahr, de bekende Schilder-Dichter, die hier, een paar
jaren na mij, zijn gondel langs de riva degli schiavoni naar
S. Lazzaro liet voortroeien, schreef te recht in zijn Dagboek:
„\'t Is een verwonderlijk plekjen gronds, dit klooster-eiland, dit
midden in \'t Westen overgeplant stukjen Oosten, met zijn vrome
stille, vlijtige bewoners — een vijftigtal! — wier vaderland zich
uitstrekt van de Hooglanden van den Kaukasus tot aan de Meso-
potamische eersteling-woonsteden der menschheid, en die nu hier,
in \'t gezicht van de schoonste ruïne der waereld, hun leven
wijden aan godsdienst en wetenschap, in schaduw van mirt en
olijf en cypres en oleander, ja, van den Libanonschen ceder, om
wiens stam de wilde roos zich strengelt 2)."
\') Zie mijn „Italië: Reisherinneringen," 1857, bl. 376.
\') Zie zfjn „Herbetmonate in Ober-Italien," 1860, bl. 450.
VIII.                                                                                                           S
-ocr page 42-
34
Onder de boeken, die ik van S. Lazzaro medebracht •), be-
boort er éen, dat een verzameling bevat van Armenische
Volksliederen, negentien in getale, met bijgevoegde woorde-
lijke Engelsche vertaling van een lid der orde, den Mechitarist
Dr. Leo Alishan, opgedragen aan Edward Zohrab, consul-generaal
der Verheven Porte, in 1852.
\'t Is een bloemlezing uit dat bundeltjen, wat hier volgt.
„In deze kleine verzameliug" — zegt Adolph Stahr, die een
vijftal dier liederen rhytmiesch overbracht in \'t Hoogduitsch —
„worden verschillende tonen aangeslagen, en nevens de stemmen
der eenvoudigste ervaringen van \'t Leven des Menschen in \'t
algemeen, ontbreekt het er niet aan historischen naklank van de
lotgevallen van dit oude cultuur-volk der Menschheid, dat reeds
vóór den tijd der Assyrische en Medische heerschappij in Azië
bloeide, en dat zich drieduizend jaar lang, spijt zijne afhankelijk-
heid van allerlei Uostersche despoten, van de Assyriërs af tot de
Romeinen, en van de Romeinen tot de Byzantijnen, Turken en
Tartaren toe, voorbeeldeloos zuiver en onvermengd heeft bewaard."
Een en ander wordt ook door de Liederen uit onze bloem-
lezing bevestigd.
Zoo geeft hier het eerste lied de klacht der door den Per-
zischen heerschei\' Schah-Abbas den Groote naar Ispahan wegge-
voerde bewoners van Kiulfa, eenmaal een rijke en bloeiende stad
van Armenië, aan de rivier de Aras, nabij den voet van \'t ge-
bergte van Ararat, thands niets meer dan een puinhoop. De
zanger bezweert op roerende wijze zijne aan huis en haard ont-
scheurde landgenooten, de herinnering aan \'t Vaderland toch
heilig te bewaren.
Bij een tweede lied treedt de afkeer van het Muhammedanisme
en de verknochtheid aan het Christelijk geloof, dat reeds in de
IV8 eeuw bij de Armeniërs den aalouden godsdienst van Zoroaster
verdrong, sterk op den voorgrond, \'t Is een klaaglied, dat in
\') Ziehier mijn lijnt jen:
Mekuitabistes de S. Lazare, Ilisturie de 1\' A r m é n i e, 1 i 11 ér a t i. •
Arméuienne, par ï.t vaillant ui flobival. S. Lazaro 1656.
Vita del sorvo di Dio Mechitar, otc. ald. 184G.
A gr anima r, Armenian and Euglish, by p. paschal aucheb, W.
ald. 1832.
Loan uybci.n, Childc Harold\'s Pelgrimage, Canto the IV, inAnneni6<.\'he
verzon overgebracht, aldaar 1860.
A r ui o n i a ii Popular Songs, trar. slated by the Rev. L. alisha*\'
D. D. aldaar 1852.
-ocr page 43-
35
beurtzang het lot betreurt van een jonge Armenische Vorsten-
dochter, die, door \'s vaders dwang, aan een ongeloovigen Tar-
taarschen Prins verloofd is, en bij \'t vernemen van hare bestem-
ming in hartverscheurend jammeren uitbreekt. Hare kamermaagden
en speelgenooten zoeken de jonge Vorstin tot bedaren te brengen.
Zij willen met haar in den vreemde trekken, getrouw tot in den
dood, en de stok-oude voedstervrouw, die, aan den rand van \'t
graf, moet achterblijven, vermaant het kind haars harten in tref-
fende woorden tot getrouwheid aan den Heiland harer belijdenis.
Intusschen, ofschoon deze Liederen niet zelden ruischen van
herinneringen uit het Nationale Volksleven en lijden, bewegen
zij zich toch meestal binnen de sfeer van het Huisselijk leven.
Zij ademen een zachten geest, een diep gevoel voor de natuur-
schoonheid van \'t Vaderland, de teederste Ouderliefde en Kinder-
min. De kraanvogel, de ooievaar, de patrijs, verlevendigen er het
landschap dat zich bloeiend ontrolt met zijn berg Massis (de
Ararat), zijn heerlijk meir Van, met zijn lachende oevers, vol
steden en dorpen en zangerige bewoners. Op de donkere golven
van datzelfde meir speelt de kleine tragedie van den schip-
breukeling in den storm, vol kracht en aanschouwlijkheid.
In het Lied aan den ooievaar spreekt de naïve taal van
het hart. Welk een teêrheid en diepte van liefdesmart in de
dubbele Moederklacht bij het graf van een onvergetelijken
zoon! Welk een diepgevoeld heimwee in de woorden van den
Pelgrim aan den kraanvogel — \'t is of ge Béranger\'s
Lied aan de trekvogels hoort! — waarin de Armeniër,
in den vreemde gevangen, boven zich de stem hoort van een
enkelen, door de lucht trekkenden kraanvogel, den vogel van zijn
Vaderland! — Adam\'s klacht brengt ons onwillekeurig, eerst,
bij den aanvang, Moore\'s \'t Paradijs en de Peri, straks de
schoone episode uit Milton voor den geest\'), met die aandoenlijke
gedachte, die gij hier bijna letterlijk terugvindt:
O onverwachte Blag, die zwaarder valt dan *t sterven!
O liefelijke gaard,
O grond van mijn geboort\'! moet ik uw lommer derven,
Uw lusthof, goden waard?
Hier hoopte ik, schoon bedroefd, in vrede \'t uu. te smaken,
Dat ons nog overschoot
) Parsdise lost, B. XI, door mij vertaald in Panpoetion Ie doel,
\'87. volg.
-ocr page 44-
36
Van \'s Levens korten dag. O, jammerlijk ontwaken!
Nu sterf ik vóór mijn dood!
Gij bloemen, al mijn lust! hier bloeiende allerwegen,
\'k Zie u ten jongsten maal!
U gold mijn eerste groet: u geldt niiju laatste zegen,
Zoolang ik ademhaal.
II heb ik liefgehad, gekweekt en opgetogen, v
Ik, die u namen gaf;
Ik pleegde n met mijn hand, ik kuste u met mijn oogen,
Van \'t eerste knopjen af!
Wie zal u schikken? Wie u schutten voor het gloeien
Der felle middagzon?
Wie zal uw dorstig loof met levend nat besproeien
Uit ambrozijnen bron?
En gij, getuige van mijn zoete bruiloftsweelde,
Gij, tent van groen fluweel,
Gesierd met al wat ooit ons ziel en zinnen streelde,
Mijn heerlijk lustpriëel!
Ai mij! hoe scheide ik ooit? En werwaards zal ik dwalen,
Zoo groot de waereld is,
Of mij omringt alom een hemel zonder stralen*
Een barre wildernis ?
Hoe zullen we ademen in onbekende luchten,
In minder reine sfeer?
En gij, mijn spijze en drank! gij, gouden hemclvruchten!
Waar vind ik u ooit weer!
Lieflijk en innig is het eenige Minnedicht, dat in de kleine
verzameling gevonden wordt, \'t Is een soort van dialoog tusschen
den minnaar en den bergvliet, die den tuin der geliefde voorbij-
stroomt, \'t wandelend beekjen, dat zelfs — naar de bevallige
wending aan \'t slot van \'t gedicht — het meisjen liefheeft, dat
dagelijks komt drinken uit zijn „koelen, klaren stroom."
Ik herinner ten slotte het woord van Passarge: l)
„Gelijk overal, zoo klinkt ook hier in deze Armenische Volks-
liederen, het eeuwig oude en ook eeuwig nieuwe akkoord, van
waar alles uitgaat en tot hetwelk alles terugkeert: God, Vader-
land, Liefde."
1) l. passabge, Fragmente aus Italii\'n. 1660, S, 298
-ocr page 45-
37
I.
BALLINGS KLACHT.
— Bij der Armeniërs verhuizing van Kiulfa naar Perzië. —
O mijn arm Volk! wat grimmige tyran
Heeft onverdiend en plotsling u vertreden?
De slavenzweep drijft u naar Ispahan,
Dor, uitgevast, met lompen om de leden!
Gij waclittet, fier, wel duizend stormen af,
Geworteld in uw vaderlandsche beemden:
Maar nu — ge ontvliedt het heilig oudergraf,
Uw huizen, en uw tempels laat ge aan vreemden!
Zoo menig rijke stad en lief gehucht,
Uw stroomen en uw frissche grastapeeten, —
Uw Paradijs! wie erft het, nu gij vlucht?
Is \'t mooglijk, dat gij \'t alles kunt vergeten?
Neen, ook als God uw pelgrimssmart vertroost,
Beware uw hart ons beeld in al zijn kleuren,
Ai, leert uw kroost en uwer kindren kroost
Als ballingen hun bakermat betreuren!
Gewent hun jeugdige ooren aan den klank
Dier namen, die uw zoetste ervaring dragen:
Blijve Ararat, en Morg en Arivank
Hun dierbaar tot het laatste laatst der dagen!
Ach, sliep mijn lijkasch in den moederschoot,
Armenië! uwer bergen of landouwen!
Veel liever nog geblinddoekt door den Dood,
Dan leven en — dus stervend U te aanschouwen!
-ocr page 46-
38
II.
DE ABMENISCHE VOBSTENDOCHTEB l).
DE KAMERMAAGD.
Wat zit ge daar in vrede,
En ziet niet hoe uw bloem verdort?
Sta op! sta op! kom mede,
En hoor wat daar gemompeld wordt!
Is \'t waarheid, wat zij spreken?
Rampzalige! is het waar,
Gij — trekt naar verre streken,
De bruid van een Tartaar?
Gij — waard, als koninginne
Te prijken met de mirtenkrans,
Vernederd tot eens musulmans
Gekluisterde slavinne?....
DE DOCHTER.
Dwaas kind! ik vat uw raadsels niet:
Zeg wat die vreemde scherts bediedt!
KAMERMAAGD.
Ik zie uw starre dalen,
Zoo schoon eens in heur reine pracht:
Uw zon, beroofd van stralen,
Gaat onder in den nacht.
Wee u! een gouden keten
Blijft niettemin een slavenband.
Ik zie u weggereten
Door een tyrannenhand.
Gij moet uw dierbaar Vaderland,
Uws Heilands kruis, vergeten!
DOCHTER.
Uw donkre woorden doen mij pijn:
Wat wordt er gemompeld? wat nieuws kan het zijn?
\') Door den dwang htara vader» met een ongeloovigen Tartaarschim Prins verloofd.
-ocr page 47-
39
KAMERMAAGD.
Uw vader gaf u over
Aan den Ghan der Tartaren — en morgen wellicht,
O wanhopige plicht!
Volgt ge, in paerlen en — tranen, den Roover!
DOCHTER.
Meisjens, hoort gij \'t? Och, treedt nader!
troost mij met uw rouwbeklag!
Welk een dag van zwarte wolken
was toch mijn geboortedag!
Moeder! moeder! rijs toch even
uit uw doodsbed onder de aard\',
En verneem wat bitter noodlot
uw verloren kind weêrvaart!
Eenzaam zwerf ik naar den vreemde —
moest ik tóch naar verre kust,
Waarom niet tot ü, mijn moeder!
die in \'t Land des Vredes rust?
KAMERMAAGD.
Och, wat tranen! och, wat klagen!
Dierbre meesteresse, neen,
Nimmer laten we u alleen:
Allen willen we, alle dagen,
Meê den last uws lijdens dragen,
Eeuwig volgen wij uw schreên!
Zouden we ooit vergeten mogen
Uw gezegend brood en zout,
Uwer lipjens blijde kout,
\'t Streelend glimlachje\' uwer oogen? ....
U begeven in \'t verdriet?
Wil die zilte droppels droogen:
Trouwe harten scheiden niet!
OUDE VROUW.
\'k Ben oud, vermoeid van geest, en grijs van hairen:
Ik diende uw huis nu sedert zestig jaren,
Ik heb uw vader op mijn arm getorscht,
Uw vaders vader sluimerde aan mijn borst,
-ocr page 48-
40
\'k Verpleegde hen: ik heb hen op zien groeien
Tot Vorsten. — Vaak ook zag ik tranen vloeien
En hoorde ik klachten, op den wind gestrooid....
Maar zulke tranen, zulke klachten — nooit!
Ach, wil nog eens, voor \'t laatst, me uw aandacht schenken.
Blijf d\' afscheidsraad der oude vrouw gedenken:
Waar ge ooit moogt gaan, blijf voor de waereld doof,
Houd vast aan uw zielzaligend geloof!
En midden in den glans eens troons gezeten,
Wil nooit ons arm Armeniesch Volk vergeten!
Wij hebben maar éen Vaderland, en \'t weeft
Zijn wortels door ons hart, zoolang het leeft.
Doe wat gij kunt voor de Uwen! Voor de Zijnen
Doet God het zijne!.... Uw zonne zal niet kwijnen,
Uw star niet ondergaan, zoolang uw ziel
Het licht bewaart, dat uit zijn hemel viel.
Men kan alom aanbidden en gelooven:
God is alom! — Tot wederziens, daar Boven!
III.
DE SCHIPBREUKELING OP \'T MEIB VAN VAN.
Voort ging het schip!
Voort door de baren,
Beurtlings ter helle en ten hemel gevaren,
Tot naar de blinde, de doodlijke klip!
\'k Zag aan den boog
\'t Starlicht verzwinden,
\'t Maanlicht werd uitgewaaid — woedende winden
Stalen het land en het strand uit mijn oog.
Boven, beneên,
Dondergeklater!
Wolken die vuur spuwen, bergen van water,
Immer de gapende abys om mij heen\'!
Zee! de eigen God
Heeft ons geschapen:
Laat mij Gods zon! leg\' uw woede te slapen !
Weer gij den dood van dit splijtende vlott
-ocr page 49-
41
Zee! wilde zeel
Draag me uit de orkanen!
Voer mij naar huis, om den wil mijner tranen!
Rol op zijn plank den schipbreukeling meê!
IJdele klacht!
Alles verloren ! . . . .
\'t Hart is gebroken, het bloed is bevroren,
En op mijn oogen daalt de eeuwige nacht.
Waai dan, gij wind!
Vlieg naar de kusten!
Zeg aan mijn moeder: „Nu kunt gij gaan rusten!
„Waak niet en wacht niet! De zee houdt uw kind!\'"
IV.
AAN DEN OOIEVAAR.
Gij klepprende eiber! wees gegroet,
Wees welkom duizendmaal!
Gij brengt ons d\' eersten Lentestraal,
En — nieuwen Levensmoed.
Kom vreugdebode, daal ter neer
Op \'t oud,, herbergzaam dak!
Reeds wenkt onze esch met groenen tak:
Bouw daar uw nestjen weer!
U klaag ik, trouwe vriend! mijn smart,
U biecht ik al mijn wee,
U deel ik al mijn zorgen meè,
De zorgen van mijn hart!
Toen ge, eiber! ons zoo snel ontvloot,
Zoo leeg onze esch liet staan,
Toen sloop de valsche nachtvorst aan
En vroor de bloemtjens dood.
-ocr page 50-
42
Toen kwam, met aaklig stormgeluid,
De winter in het grauw,
En wischte \'t klare hemelsblauw
En \'t goud van \'t zonnetje\' uit.
Eerst wierp hij van Varaka\'s rots
Zijn vlokken naar beneên:
Toen kwam hij zelf — al \'t groen verdween!
Éen, kleurlooze, ijzren schots!
De roos der vreugde — zij verbleekt.
Bij andren, onder \'t ijs.
Een Kerkhof wordt het Paradijs,
Waar Kleur en Geur ontbreekt!
V.
MOEDEBTBANEN.
I.
Ik staroog, en ik sta me r,
En strooi mijn zuchten in den wind:
Daar ginds in de donkere kamer
Dood, dood, ligt, o Moeder, uw kind!
Ik mocht een engel wiegen
Aan \'t hart — zij dragen hem naar \'t graf.
Mijn duifjen, zij lieten het vliegen!
Mijn roosjen, zij plukten het af!
Waar zijt gij, minlijk knaapjen?
De Dood, de vale lammergier,
Vloog neer op mijn schuldeloos schaapjen,
En voerde \'t van hier, ver\' van hier!"
Zij wierpen hagelsteenen
Op \'t groen granatenboomljen neer —
\'t Goudappeltje\' is spoorloos verdwenen,
Zoo bloeiend! en — \'k heb er niet méerl
-ocr page 51-
43
Wild schudden ze aan de takken
Van mijn amandel — \'k hoorde een zucht,
Ik zag er de stengeltjens knakken:
Getrapt onder \'t slijk lag de vrucht!
\'k Heb nu maar éen gedachte:
Zingt mijn lief vogeltjen — bij God?
Bloeit Boven .... een Hof bij d\' Almachte,
Waar \'t schijndoode kiemtjen ontbot?
II.
Mijn zon ging onder,
Mijn oog werd dof:
Geen sterrenhemel!
Geen rozenhof!
Mijn lent\' werd — ijzel:
Mijn zomer — sneeuw;
Elk jaartij\' — winter!
Elk uur — een eeuw!
Mijn zoet werd bitter,
Mijn brood werd asch,
Mijn beendren dorden
Als kerkhofgras.
Geheel mijn leven
Werd stof — als gij___
Toen gij, lief Kindtjen!
Verdweent voor mij.
Sints gij, mijn schaapjen,
Mij niet meer hoort,
Sterft op mijn lippen,
\'t Gebroken woord.
Sints gij, mijn leeuwrik,
Niet langer zingt,
Wat stem die langer
Dit oor doordringt?
-ocr page 52-
u
Sints gij, mijn bloemtjen,
Mijn hof verliet,
\'k Zie dorre takken,
Dood hout, meer niet!
„Gelooven! hopen!,
„Gij moet, gij zult!"___
Och. laat mij schreien!
Och, heb geduld!
VI.
DE PELGRIM AAN DEN KKAANVOGEL.
IJlende kraanvogel! dankbaar en blijde
Hoor ik uw stem, welbekend jaar aan jaar!
Vroeg genoeg streeft gij uw makkers ter zijde:
Kom en vertel me, waarheen? en vanwaar?
Houd even stand!
Hebt gij geen nieuws uit ons Vaderland?
Daar heb ik akker en wijnberg verlaten:
Ach, en nu zucht ik of \'t hart mij ontviel.
Zeg dat niet allen daar ginds mij vergaten!
Wiens is die groet, die daar trilt door mijn ziel ?
Houd even stand:
Hebt gij geen nieuws uit ons Vaderland?
Neen, gij misleidt noch bedriegt die u vragen!
Zoet klept uw stem als het rad in den vliet!
Gaat het naar Bagdad met ruischende slagen?
Wacht in Aleppo \'t oud nestjen u niet?
Houd even stand!
Hebt gij geen nieuws uil ons Vaderland?
\'t Was onze wensch zoo! wij droomden van weelde,
Trokken daarheen, en — ontwaakten in smart.
Verre is, die liefde ooit en brood met ons deelde,
Verre uit ons oog, hoe nabij tot ons hart! ....
-ocr page 53-
45
Vogel houd stand!
Hebt gij geen nieuws uit ons Vaderland?
Immer een vreemdling voor allen en ieder,
Dool \'k in \'t gewoel, toch als eenzaam daarheen\'.
\'k Buig onder \'t juk van den vreemden gebieder:
Zal \'t nooit verandren? God weet het alleen!....
Vogel, houd stand!
Hebt gij geen nieuws uit ons Vaderland\'.\'
God, o mijn God! wil u mijner erbarmen !
\'t Hart van den pelgrim is krank tot den dood.
Moê zijn zijn voeten, verdord zijn zijne armen,
Zout is zijn water, en bitter zijn brood!....
Vogel, houd stand!
Hebt gij geen nieuws uit ons Vaderland?
Feestdag en werkdag, met floers zijn ze omwonden!
Ach, men vervolgt mij te vuur en te zwaard.
Ik word gemarteld! Toch voel ik geen wonden:
\'k Gevoel uw gemis slechts, mijn oude, eigen haard !....
Vogel, houd stand!
Brengt gij geen nieuws uit ons Vaderland?
Mocht ik een blaadtje\' aan uw vleugelen binden !
Blaadtjen, beschreven met tranen en bloed!
Brenge \'t daar ginds d\' onvergeetlijken vrinden
Ééns nog, mijn laatsten, mijn stervenden groet
Vogel, houd stand!
Draag gij mijn ziel naar mijn Vaderland!
Vruchtloos! daar klapwiekt de kraanvogel henen!
Hij geeft geen andvvoord — geen groet brengt hij meê.
Valsch als de menschen!. . Zijn spoor is verdwenen . .
Eenzaam op nieuw als de rotsklip in zee!....
Dood! reik me uw hand,
Voer Gij den balling naar \'t Vaderland!
-ocr page 54-
46
VII.
ADAM\'8 KLACHT.
D«ar zat hij bij de poort van zijn verloren Eden,
De eerste Adam, krank en grijs,
En schreide: „O Cherubs, die hier in en uit moogt treden,
Ik ken uw Paradijs!
„Hier stond ik eens, gekroond, naar \'s Konings beeld geschapen,
„Zoo \'k meende onwankelbaar:
„Ach, éen verzoeking, \'k viel!---- De kroon ontzonk mijn slapen.
„Ik werd — een bedelaar!
„\'k Verwachtte Deerenis met toegestoken handen:
„Ik vond — het strenge Recht
„Met vlammend zwaard, en hoorde — o hoe die woorden brandden! —
„Mij \'t vonnis aangezegd:
„„Voort, balling! uit Gods Hof! Nooit, nooit dan in uw droomen
„„Ziet gij dit Eden meerl
„„Werk! ween! en zwerf, en sterf! Gij zijt uit stof genomen,
„„Gij keert tot stoffe weer....""
„Ik bid u, Cherubs! hoort mij klagen! hoort mij smeeken !
„Als ge Edens Hof aanschouwt,
„Wilt mij een takjen van den Boom des Levens breken,
„Van balsems overdauwd!
„En legt dat zachtkens neer op mijn verduisterde oogen,
„Genees mijn krank gezicht!
„Dat ik nog eens herzie de blauwe hemelboogen
„En \'t heerlijk zonnelicht!
„Als ge Eden wéér verlaat, och, laat de poort dan even,
„Maar even openstaan!
„Gunt mij éen enklen blik! en dan, weer voortgedreven,
„Zal \'k zwijgend verder gaan! —
„Ach, ik herinner me u, gij dorenlooze rozen!
„Gij bronnen, zilverblank!
„Gij groene boomen, waar de gouden vruchten blozen,
„Gewiegd op vooglenzangk!
-ocr page 55-
47
.Gij, die nog altijd huist in mijn verloren woning,
„Geen enkien zegen derft!
,,Oeh, hebt gij niet éen zucht voor uw gevallen Koning,
„Die op uw drempel sterft?...."
VIII.
DE JONKMAN EN HET WATER.
Van den bergtop naar beneên
Vloeit het ruischend water:
\'t Kabbelt om het dorpjen heen
Met een zacht geklater.
Zie, daar treedt een jonkman aan:
Bij het beekjen blijft hij staan,
In de strooming piasschend,
Hand en voorhoofd wasschend.
,0 gij koele, klare beek I"
Vangt hij aan te vragen:
„Van wat verren bergtop, spreek!
„Komt gij water dragen?"
—   „,Van dien Berg, waar eeuw aan eeuw
„,Jonge sneeuw op oude sneeuw
„,Neörvlokt en verdiuppelt,
„,Kom ik aangehuppeld!"\'
—   „O gij koele, klare vliet!
„Wandel voort met lusten!
„Zeg mij hoe de zeegolf hiet,
„Waar gij uit zult rusten!"
—  „,Ik zal rusten in een Meir,
„,Blauw gelijk de hemelsfeer,
„,De oevers dicht verscholen
„,Onder veldviolen!\'"
—  „O gij koele, klare sprank!
„Zeg mij waar zij gloeien,
„De eedle druiven aan den rank,
„Die gij gaat besproeien!"
-ocr page 56-
48
— „,\'k Zoek een Wijnberg, ver van hier,
„,Waar de blijde gaardenier
„,Godendrank ziet zwellen
„,In de muskadellenl\'"
—  „O gij koele, klare stroom!
„Waar mag \'t bosclijen wieglen,
„Dat zijn schoonen mirtenboom
„In uw glas zal spieglen?"
—  „,\'t Is een Bosclijen, altijd groen,
„,Schommlend met zijn looffestoen,
,,Waar de filomeelen
„,Heel den Meinacht kweelenl\'"
—  „O gij koele, klare vloed!
„Wil mij \'t huisjen noemen,
„Waar gij \'t schoonste meisjen groet,
„Koningin der bloemen !"----
—  „,\'t Is de kleene Rozenhut
„,Waar uw Liefste komt en put:
„,\'k Zie haar lipjens wenken,
„,\'k Ga ze kussend drenken!\'"
AAN EENE VROEG-GEROEPENE.
I.
NAAR \'T ZUIDEN.
Als \'t zwaluwtjen, dat stil verzucht
Naar klaarder licht en zachter lucht,
\'t Bekende huisdak achterlaat,
De wiekjens rept en — verder gaat:
Dus — o hoe ras! — gaat gij, en vliedt
Den winter, dien gij dreigen ziet;
En zoekt daar ginds die schooner zon,
Die \'t schrale Noord niet geven kon.
-ocr page 57-
49
Zoo ga! en waar het Zuiden lacht,
Vind nieuwen moed en frissene kracht!
En zie — als hier de sneeuwjacht woedt —
De rozen bloeien aan uw voet!
Och, zijn wij allen niet als gij?
Naar blauwer hemel smachten wij,
Naar liefelijker zonneschijn:
\'t Is hier zoo koud — ons hart lijdt pijn;
Maar \'t heimwee, waar het hart van trilt,
Wordt hier op Aarde niet gestild.
Naar gloeiend Oost noch koestrend Zuid
Slaat onze ziel de vleuglen uit.
Excelsior! Naar God omhoog! ....
\'t Geloof ontsluit het geestes-oog,
En ziet van ver\' het zalig oord,
Waar onze liefde thuis behoort!
Neen, „hier beneden is het niet!"
Vooruit dan onder \'t pelgiimslied !
Reist hier de karavaan verstrooid,
Ginds komt zij saam\': daar scheidt zij nooit!
II.
NAAR HUIS.
Ach, \'t was wèl waar: geen koestrend Zuid
Behield u, kort gespaarde!
Hier groeide \'t niet, het wonderkruid!
Uw ziele sloeg de vleuglen uit
Naar balsemvoller gaarde
Dan immer bloeide op Aarde.
Uw vlucht ging zachtkens naar Omhoog
\'t Was strijden en onlbeeren:
Vin.
-ocr page 58-
50
Maar of al \'t lichaam slonk en boog,
De geest bleef vonklen uit uw oog —
Die vroeg ten Hemel keeren
Doorstraalt het licht des Heeren.
Wat heeft uw vriendelijke hand
Al bloemen saamgeweven !
Gereed tot iedere ofl\'erand,
Hieldt gij bij \'t Iluislijk Altaar stand:
Daar hebt ge uw hart gegeven —
De Liefde was uw Leven!
Vol dank voor Gods barmhartigheid
Die u de reis verzoette;
Zwak — sterk; moè — zonder moedloosheid;
Niet haastend — toch altoos bereid;
Was \'t met een blijde groete
Dal gij uw Heer ontmoette:
Nu rust gij uit! nu zijt gij thuis!
Nu zal geen storm meer toornen !
Als, onder \'t lieflijk wiekgezuis
Der Sabbatstilte ontviel u \'t kruis,
En bloeide u uit de doornen
De kroon der vroeg verkoornen!
Draag bij uw God die zegekrans!
Al zijt ge ons oog ontvaren,
Neen, wij verloren u niet gants:
Uw beeld, verklaard door Englenglans,
Uw voorbeeld, daar we op staren,
Dat blijft ons hart bewaren;
En zijn uw vleuglen toegeplooid,
Ook eenmaal eindt ons zwerven.
„Reist hier de karavaan verstrooid,
„Ginds komt zij saam — daar scheidt zij nooit":
Hervinden wordt het derven.
— Godlof, wij mogen sterven!
-ocr page 59-
51
KIND EN GRIJSAARD.
Eenmaal wordt het kind een man,
Die vetl treflijks wil en kan.
Eenmaal wordt de man een kind,
Zwak, zooals men kindren vindt.
Waart ge lang een kind van God,
Grijsaard-kind! dan heil uw lot!
„GEEN WONDER!"
Wat feestuur voor de kleinen,
Als \'t zaturdag-middag slaat,
En grootmoè\'s Paradijsjen
Weer eindlijk opengaat!
Wél grijs is \'t lieve grootjen,
De roosjens zijn lang gezwicht;
Maar op heur voorhoofd glinstert
Een zalig vrede-licht.
Wat weet ze niet al sprookjens,
Van over de zestig jaar!
En in haar juweelenkistjen,
Wat schatten schuilen daar!
Maar \'t kostlijkst\' van die schatten,
Dat is heur eigen portret,
Op glad ivoor geschilderd,
Met paereltjens omzet.
„Wel moêtjen, liefste moêtjen,
„Is u dat zelf geweest,
„Dat blonde, dat blozende meisken,
„Die koningin van \'t feest?
„Wij zouden u niet herkennen —
„Toch zien we dat gij het zijt:
„Want, wonder! die vriendlijke oogen,
„Die zijn dezelfde altijd!"
-ocr page 60-
52
En grooljen glimlacht even
En pinkt een traanljen weg:
— „Géén wonder, lieve kleinen!
„Bewaart wél wat ik zeg:
„Ik heb mijn God behouden,
„Dij alles wat me ontviel:
„Mijn ziel is jong gebleven,
„En — de oogen zijn spiegels der ziel!"
BIJ \'T GRAF VAN GREGORY PIERSON.
Een laatste groet van een der „later vrinden,"
Die met u reisden! .. . . Ach, het grootst getal
Der eersten ging u vóór! .... Lang zagen ze al
Reikhalzend uit u eindlijk weer te vinden.
Zij hebben nu hun wensch: zij zien u weer:
En gij, — wat ge eens verloort, verliest gij nimmer meer!
\'2.
Wat hadden we u nog gaarne hier gehouden!
Kreeg u de vreemde lief in korten tijd,
O, wie drukt uit wat (rij hun waart en — zijt,
Die lévenslang uw wandeling aanschouwden 1
Hun hart gevoelt uw volle waarde, en schreit
Bij de onbetaalbre schuld van Eeuwge Dankbaarheid!
3.
Hoevelen, die als schimmen zijn verdwenen!
Wie eens ü heelt gekend, leeft met u voort.
In \'t Heiige der Heiinnring ruischt uw woord,
Straalt uw eerwaardig aangezicht, omschenen
Van \'t vrede-licht, den reinen maanlichtglans
Der Wijsheid, rustende op dier lokken zilverkrans!
-ocr page 61-
53
Maar neen! geen lof\' voor u, alleen een zegen!
Bescheiden, neediig Jonger van uw Heer,
Hebt gij nooit lof begeerd. Voor menschen-eer
Gold u Gods gunst; en — die hebt gij verkregen!
Zij sterkte u op den stillen pelgrimsgang:
„Doe mij genade, o God!" was nog uw zwanenzang.
Als we ooit, nóg eens, op weg een ziel ontmoeten,
Geloovig, toch verdraagzaam — sterk, toch goed -
Uitnemend, toch eenvi udig — een gemoed
Teer. nauwgezet, vol liefde — wij begroeten
Haar met uw naam: wie edelst\' ons verschijn\',
Hij zal uw schaduwbeeld, hij zal ons Pierson zijn!
6.
En nu — vaarwel! Éen blik nog naar beneden
Op deze uwe asch, die zachtkens sluimren moog\'!
Voorts ópwaards, naar den Hemel, hart en oog!
Daarheen, uw liefde waard, u nagetreden!
Iets van dien Hemel deelden wij — en nooit
Begon Gods Liefde wat Gods Trouwe niet voltooit!
HET PARADIJS.
Het Paradijs moet schooner zijn
Dan ieder oord ter aarde:
Dies wenscht mijn ziele zich verplaatst
In deze Wondergaarde.
Door \'t Paradijsdal moet een stroom
Van Eeuwge Liefde kronklen;
Elk vreugdetiaanljen moet daarin
Gelijk een paerel vonklen.
-ocr page 62-
54
Door \'t Paradijsloof moet een zucht
Van Zielsvertroosting suizen,
Zóo, dat er mijn en aller leed
Geen oogenblik kan huizen.
Daar bloeit de groene Vrede-olijf,
Omringd van Levensboomen:
Daar, in hun lommer, kan de geest
Een droom der Ruste droomen.
Een Cherub waakt er aan de poort,
En houdt de Waereld buiten,
Dat zij de wimpers niet beroer\',
Die zich al droomend sluiten.
Daar zal mijn hart, dat kranke schip,
Blijde ankren aan de kuste:
Daar vlijt zich \'t wilde kind, de Smart,
Stil aan mijn borst ter ruste.
Voor elke doorn, die hier mij stak,
Zal \'k daar een roze vinden;
Een heil, dat hier nooit bloemtjen bracht,
Zal haar om \'t hoofd mij winden.
Daar luiken al mijn vreugden op,
Die in den knop hier dorden;
Uit alle kerkhofgarven is
Éen Lentegroen geworden.
Daar groet mij nu van dichtebij
Al wat ik zocht van verre:
De gouden vrucht uit dorren tak,
Uit grauwe wolk de sterre.
En elke wensch, en iedre boop,
Als bloemen aller heemlen,
Zij zullen, in éen perk vergaard,
Stil aan mijn voeten weemlen.
-ocr page 63-
55
De Jeugd, die even, in haar vlucht,
Mij met heur vleuglen raakte,
De Liefde, die me éen enklen dag
Met nektar dronken maakte:
Voor goed gekortwiekt, zullen zij
Voor immer bij mij poozen,
Mij wiegen als een troetelwicht,
Als schootkind met mij kozen.
En o, die Godheid, die van ver\'
Mij met haar licht bestraalde,
Wier heerlijk aangezicht alleen
\'t Penseel des drooms mij maalde.
De Poëzij, als \'s Waerelds Geest,
Zal mij zich openbaren,
Wanneer mijn lier heur klanken paart
Aan juichende Englensnaren!
Naar bUcebrt).
HIJ.
Hij is! — Wij zijn door Hem, door Hem-alleen:
Hij is het Leven in alle eeuwigheèn,
En die Hem ziet en lieft, dien stroomen zegen,
Onsterflijkheid en liefde en levenslicht
Uit Zijn verhemeld aangezicht,
Zijn blik vol zaligheden, tegen.
Almachte Liefde! God der Goon!
Als mensch verscheent Gij aan onze oogen,
Kn toch geen mensch, geen God, maar Godmensch, éenig schoon!
Gants Liefde, en juist als Liefde aanbidlijk Alvermogen!
Gij hieldt ons staande, almachtig en getrouw,
Opdat Uw heerlijkheid ons niet verblinden zou.
De zaligheid van alle Hemelingen
Lag op Uw aangezicht verspreid;
De zon der Onverderflijkheid
Scheen met Uw blik in \'t hart te dringen.
Zijt Gij dat, Gij, Wien alle heemlen zingen,
-ocr page 64-
56
De Liefde Gods, die alle ziel verblijdt,
Die, in een knechtsgestalte u gordend tot den strijd,
Al \'s waerelds lasten hebt gedragen.
En, aan het vloekhout vaslgeslagen,
Den marleldood gestorven zijl\'.\'
Gij zijt bet, Gij! wien alle wezens roemen,
Natuur, voor Wie naturen zonder tal
Zich buigen, die, met eindloos lofgeschal,
Door U vernieuwd, in U zich zalig noemen !
Uw licht is \'t Leven van \'t heelal,
Uw adem enkel Liefde, oneindig, overal!
Kaar lavatkb)
WAT WIJ BEHOEVEN.
Niet om ijdle vreugd te rapen,
Zóo geplukt en zóo verbloeid,
Is ons kostlijk hart geschapen,
Dat van bóoger aandrift gloeit.
Schoon al \'t Aardsche ons waar\' gegeven,
Ach, wij wierpen \'t uit de hand:
Wij behoeven \'t Eeuwig Leven
En een Hemelsch Vaderland.
HAD IK VLEUGLEN.
Had\' ik vleuglen, om te vliegen
Boven berg en daal,
Vleuglen, om mijn hart te wiegen
Op een lentestraal!
Om langs d\' oceaan te zweven
Met het morgenrood,
Om te zweven boven \'t Leven,
Boven Graf en Dood!
Vleuglen, als ze, al wijkend, klepte
De onherroepbre Jeugd;
-ocr page 65-
57
Vleuglen, als die schaduw repte,
\'t Drogbeeld van de Vreugd!
Vleuglen, om liet schoon Verleden
Ijlings na te vlien,
Om de ontvluchte zaligheden
Nog eens weer te zien!
Vleuglen, om de nachtegalen,
Die, als \'t roosjen viel,
Ons verlieten, te achterhalen
In hun groen asyl!
Veerkracht, om de reis te wagen
Van het breede strand,
Waar geen bootje\' u weg zal dragen
Naar het Vaderland!
Vrijheid, wat den geest verhindert
Stropend van zich af,
Als de dagkapel, gevlinderd
Uit zijn rupsengraf!
Vaak in stille middernachten
Droeg een droom mij voort,
Als op uitgeslagen schachten
Naar de sterrenpoort.
Maar de veeren, die mij wiessen
Onder \'t nachtlijk floers,
De ochtend doet ze mij verliezen,;
Keerend vol rumoers.
Zongloed smelt de wasschen vleugels —
Ikarus stort neer;
En de Geest gevoelt u w teugels,
Zinnenwaereld! weer.
(Gevolgd.)
-ocr page 66-
58
MOEDERLIEFDE.
I.
AVE!
Er is een zoete, heilige, verheven naam; \'t is een naam <ii
in een worsteling tusschen leven en dood ontstaat: e- n
naam, dien God-zelf in de liefde en het lijden van een men
heeft uitgesproken: dezo naam is — de Moedernaam.
FRKDIUKK Bat\'.MtH.
O gij mijn kind, dat aan uw moeders hart
Voor \'t eerste nu het zoet der sluimring smaakt!
Neen, gij bezwaart haar niet met zorg of smart:
Daar is er Éen, die met haar zorgt en waakt!
Die teedere beschermer, die als gij
Eens sluimerde in een aardsche moeders schoot,
Die zeegnend kindren in Zijn armen sloot,
De Goede Herder, is met u en mij!
Zijn oog, vol zachte stralen, zoekt u op
Gelijk de zon den jongen rozenknop.
Ook u, als Hem, wacht de Onverderflijkheid.
En ziet hij God in \'t vriendlijk aangezicht,
Gij ook wordt, aan Zijn hand, tot God geleid.
Mijn eersteling! wees welkom dan in \'t licht!
Neen, wat uw hart ook later ondervind\',
Het schaduwdal zij donker soms en diep,
Wij willen nooit vertwijflen, dierbaar kind!
De Vader in den Hemel, die u schiep,
Hij ook, Hij vormt u voor den kinderrang.
Wees welkom dan! U heeft, van vreugd verrukt,
Uw aardsche vader aan het hart gedrukt;
Uw moeder leeft voor u, haar leven lang!
Zij kranst uw wieg met bloemen en gezang,
Met al de vreugd die zij te geven heeft.
Gij vindt uw lente voedsel aan haar borst,
En laaft ook daar uw eerste zieledorst
Naar Liefde, moedermelk van al wat leeft!
Daar, aan dien boezem, waar ge veilig zijt,
Wordt ge in \'t geheim der teêrheid ingewijd,
-ocr page 67-
59
Om eenmaal te verstaan hoe God bemint —
Daar vindt ge een trouwe schuilplaats steeds gereed.
Mocht ik u zóo er koestren, dierbaar kind!
Dat nooit een storm der Aarde u huivren deed,
Dat in uw Herfst nog, bij mijn beeld, een gloed
Der Lente \'t ijs mocht smelten in uw bloed!
Zoo groei en bloei dan, jonge Hemelplant,
Door God bestraald, in Liefde\'s lustwsrand!
Geen nachtkou schade uw jeugd, geen noordenwind !
Geef, dat ik nooit éen woord herroepen moet
Van \'t: „Wees gegroet, mijn Engel!" Wees gegroet,
Zelfs onder smarten, o mijn kind!.... Gods Kind!
( >J»ar FBIIIKKIKB BKEMEB.)
II.
STERKER DAN DE DOOD!
O Teèrheid, o Natuur, o beeld van d\'Albehoeder!
Het meesterstuk der Liefde is \'t harte van een Moeder.
Als \'t vogeltje\', in zijn wiek geschoten,
Lag daar het kranke kindtjen neer,
Met hijgend borstje\', \'t oog gesloten,
En zong niet meer en sprong niet meer.
Helaas! waar waren nn die daagjens,
Toen \'t, vaders glorie in \'t verschiet,
In stamelwoordtjens, fluistervraagjens,
\'t Ontwikklend geestjen vonklen liet?
Waar nu die lonkjens, waar die lachjens,
Die moeder op die kaakjens las,
Die kusjens, vreugdekens en klachjens,
Waar eens dit zieltjen vol van was?
\'t Was al voorbij! En zie, daar daalde
Op eens een Engel naar beneèn,
Wiens oog gelijk een dwaalstar straalde,
Wiens krans gelijk een graflamp scheen.
-ocr page 68-
60
Zijn blik was huivringwekkend teeder,
Zijn aanschijn als de maneschijn;
Zijn zwarte wiek hing treurig neder
En scheen van tranen nat te zijn.
Stilzwijgend naderde hij \'t wichtjen,
En drukte \'t lang en sprakeloos
Een kouden kus op \'t aangezichtjen,
Waar bloed en leven voor bevroos.
Dat ziet de moeder, die wanhopend
Ter-neder-zat, van troost beroofd:
\'t Is haar, alsof de grond zich opent,
De hemel neerstort op haar hoofd!
Daar springt zij op als een leeuwinne,
En rukt het kind uit \'s Engels arm,
En kust heur pand der teerste minne,
En schreit het mond en oogjens warm
Wat ligt zij dankend neergebogen?
Waar of die sombre Engel vlood?
Het wichtjen lacht weer \'t leven tegen:
De Moedermin verwint den Dood.
\'S W I N T E R S.
Daar trilde iets als een leeuwrikslied!
Verbaasd heeft dit mijn oor vernomen.
Ontvlood die éene Zanger niet?
Of\' is er éen te-rug-gekomen,
Die reeds de Lente ziet,
Terwijl, in winterslaap, natuur nog ligt te droomen?
Hoe werden bij die melody
Mijns harten snaren aangeslagen!
Wat is \'t? Herinnring? Profecy?
Stem van Aanstaande, of\' Vroeger Dagen?
Hoe jeugdig voel ik mij!
Zooals ik was? zooals ik zijn zal?.... IJdel vragen!
-ocr page 69-
(II
Reeds is die zoete klank verstrooid,
Daar storm en sneeuwjacht d\' akker scheeren.
Dien winter, die haar \'t grafkleed plooit,
Voel \'k evenzeer dit hart regeeren,
Zoo zeer alsof er nooit
Een Lente had bestaan, een Lente weer zou keeren !
>!aiir rüciikt.)
AVONDLIED.
\'k Stond op den groenen heuvel,
Toen \'t zonlicht onder ging,
En zag hoe op de wouden
Een net van stralen hing.
De hemel drupte vrede
Zoover de dauwwolk blonk;
De schepping ging ter ruste,
Daar \'t avondklokjen klonk.
Ik sprak: „Nu deel, mijn ziele!
Die stilte der natuur;
Geniet, als al haar kindren,
Uw avond-sabbatsuur!"
In slaap zingt zich het beekjen,
Des langen wandlens moê:
De bloemen sluiten alle
De vaakrige oogjens toe.
De vlinder, óok een dartel
Gevleugeld bloemekijn,
Zoekt met gereefde wiekjens
Des loovers schemerschijn.
In \'t roosjen duikt de kever
Als in zijn wiegjen neer;
De herder met zijn kudde
Keert naar de schaapskooi weer.
-ocr page 70-
Ü2
De leeuwrik zoekt, al dalend,
Zijn vochtig klavernest,
De hinde \'t mosschig leger,
De zon het purper\' West.
\'t Zoekt al de zoete ruste,
Wat hut jen heeft of kluis;
En wie als balling wandelt,
Dien draagt een droom naar Huis.
Mij doet een heimwee beven,
En \'k houd het oog gericht
Naar Hoven! . .. . Ziet, de sterren
De vensters zijn verlicht!
(Naar ïticKERT.)
OOGSTLIED.
Komt, nu deze airen tot kransen geweven!
Vlecht er ook bloemen, de blauwe, doorheen!
Bloemen alleen
Doen ons niet leven:
Maar waar in de airen ons \'t brood is gegeven,
Plukken we gaarne het bloemken met-éen.
Komt, nu deze airen tot kransen geweven!
Vlecht er ook bloemen, de blauwe, doorheen!
Wagens, wie \'t wicht onzer schoven doet hijgen,
Herwaards, van \'t veld, met gezang en gerei!
Veel en schalmei
Mogen niet zwijgen.
Vaak heeft de kommer een zuchtjen doen stijgen —
\'t Onweer dreef over: God hoorde ons geschrei!.
Wagens, wie \'t wicht onzer schoven doet hijgen,
Herwaards, van \'t veld, met gezang en gerei!
Dankt in Zijn tempel den Schepper van \'t koren,
Hem, die Zijn hemelschen zegen ons gafl
Wendt Hij zich af,
De oogst is verloren.
-ocr page 71-
63
Al die Hem kennen, tot vreugde geboren,
Zaaien en hopen door Hem, tot aan \'t graf.
Dankt in Zijn tempel den Schepper van \'t koren,
Hem, die Zijn hemelschen zegen ons gaf!
Looft Hem met luide, met vurige psalmen,
Hem, door Wiens mildheid het Al blijft bestaan!
Plukt de Indiaan
\'t Brood van zijn palmen,
Ziet! op de gouden, de golvende halmen
Biedt óns de Vader het levensbrood aan.
Looft Hem met luide, met vurige psalmen,
Hem, door Wiens mildheid het Al blijft bestaan !
Blijft uw gebed tot d\' Almachtige richten,
Die in de wolk, in de donderwolk woont!
Opdat, verschoond
Van Zijn gerichten,
\'t Graan niet, gedorscht van den hagel, moet zwichten,
Eer het de vlijt van den maaier beloont.
Blijf uw gebed tot d\' Almachtige richten,
Die in de wolk, in de donderwolk, woont!
Laat ons de wondren des Eeuwigen prijzen,
Die onzer nooddruft barmhartig gedenkt!
Als Hij ons schenkt
Wat ons moet spijzen.
Als Hij Zijn zon over de akkers doet rijzen,
Als Hij den halm met Zijn regenwolk drenkt:
Laat ons de wondren des Eeuwigen prijzen,
Die onzer nooddruft barmhartig gedenkt!
Laat ons \'t bedenken, elke akker daar buiten
Fluistert een heilig geheim ons in \'t oor!
Diep moest de voor
\'t Kiemken omsluiten,
Eer het als halm in de lucht kon ontspruiten,
Wassen en rijpen in zonnelichtgloor.
Laat ons \'t bedenken, elke akker daarbuiten
Fluistert een heilig geheim ons in \'t oor!
-ocr page 72-
64
Kroont nu den arbeid met bloemengirlanden!
d\' Arbeid, die, schiftend op dorsclivloer en deel
Eêl en oneêl,
\'t Kaf doet verbranden,
En uit der raadeen vermalende tanden
Eindlijk den schal gaart van \'t voedzame meel.
Kroont nu den arbeid met bloemengirlanden!
Hij brengt Gods zegen op dorschvloer en deel.
Bidt God! zoo worde Zijn gunst ondervonden
Door al wie bouwt aan de welvaart van \'t Land !
\'t Huis blijve in stand,
\'t Dak ongeschonden :
Maar om een zekeren hoeksteen te gronden,
Zegen\' Hij tweevoud de zaaiende hand!
Bidt God! zoo worde Zijn gunst ondervonden
Door al wie bouwt aan de welvaart van \'t Land!
Bidt, dat Gods Geest, boven goud en juweelen
Kostlijk, op \'t hoofd der aanzienlijken rust\'!
D i t is Zijn lust,
Dat die beveelen,
Met die daar dienen, als broederen deelen,
Plichten en rechten, de last en de lust.
Bidt, dat Gods Geest, boven goud en juweelen
Kostlijk, op \'t boold der aanzienlijken rust\' !
Bidt: „Gij, die \'t leven zoo mild hebt gegeven!
Deel ook de kroone des levens ons meê,
Eendracht en Vree,
Kracht onder \'t streven!
Dat wie daar leeft, zich verblijde in het leven,
Vrij van de worstling niet wanhoop en wee!"
Bidt: „Gij, die \'t leven zoo mild hebt gegeven,
„Deel ook de kroone des levens ons meê!"
Komt, nu deze airen tot kransen geweven!
Vlecht er ook bloemen, de blauwe, doorheen!
Bloemen alleen
Doen ons niet leven :
-ocr page 73-
65
Maar waar in de airen ons \'t brood is gegeven,
Plukken we gaarne het bloemken met-èen.
Komt, nu deze airen tot kransen geweven!
Vlecht er ook bloemen, de blauwe, doorheen!
Naar kückebt.
VAN TWEE KONINGSKINDEREN.
— EEN OUDE BALLADE VERNIEUWD —
Daar waren twee Koningskinderen;
Zoo teeder beminden die twee.
Zij konden niet samenkomen:
Te diep was de groene zee.
„Och, liefste! zwem tot mij over,
„Als t\'avond de zonne zwicht!
„Drie lampen zal ik er ontsteken:
„Die geven een veilig licht!\',
Dat hoorde een nijdig nonneken,
Die deed alsof ze sliep:
Zij bluschte vergramd die lampen —
De jongling zonk zoo diep!
Het was op een Zondagmorgen,
En ieder was even blij;
Niet zóo de Koningsdochter,
Want bitterlijk weende zij.
—   „Och, moeder! lieve moeder!
„Mijn hoofdtjen dat doet er zoo wee,
„Ik zou er zoo geerne wat wandelen
„Al langs de groene zee." —
—  Och, dochter! lieve dochter!
„Gij moogt daar alléén niet gaan:
„Maar zoek uw jongste zuster,
„En die zal met u gaan."
Vin.
-ocr page 74-
(il)
—   „Och moeder, lieve moeder!
„Mijn zuster is nog een kind:
„Zij plukt er wel alle die bloemkens af,
„Die zij onder wege vindt." —
—   „Och, dochter, lieve dochter!
„Gij moogt daar alléén niet gaan,
„Maar zoek uw jongsten broeder,
„En die zal met u gaan." —
—   „Och, moeder, lieve moeder!
„Mijn broeder is nog een kind:
„Die jaagt er wel alle die vogels na,
„Die hij onder wege vindt!"
Ter kerke zoo ging de moeder.
De dochter ging \'t zeestrand rond:
Zij wandelde daar zoo lange,
Totdat zij een visscher vond.
„Och, visscher, lieve visscher!
„Verlangt gij een rijken loon,
„Zoo werp uw net in \'t water,
„En visch mij den Koningszoon!"
Hij wierp zijn net in \'t water:
De loodekens gingen te grond,
Hij vischte, en hij vischte zoo lange
Totdat hij den Koningszoon vond.
Zij sloot heur lief in de armen,
En kust zijn bleeken mond:
„Och, mondeken! kost gij nog spreken,
„Dan werd mijn jonk hartjen gezond!"
Wat nam zij van heur lokken?
Een gouden koningskroon:
„Ziedaar, mijn brave visscher!
Dat is uw verdiende loon."
-ocr page 75-
07
Wat trekt zij van beur vinger?
Een ring als fijn goud zoo rood:
„Ziedaar, mijn arme visscher!
„Nu hebben uw kinderen brood."
Zij sloot heur lief in de armen,
En sprong in de diepte neer:
„Vaartwei nu, mijn vader en moeder!
„Gij ziet mij nimmer weer!"
Nu slaan er de klokken aan \'t bengelen,
Nu hoort men van jammer en nood;
Hier liggen twee Koningskinderen,
Ach, beide zoo jong en — dood!
[Dit lied dagteekent uit hooge oudheid, en is bij alle Germaansche stammen be-
kend. Wij volgden ten deele den oud-holl. tekst van omstreeks 1500, ten deele den
hoogd. tekst in (Jeorg Scherers .Deutsche Volkslieder" 1803. bl. 30 Zie J. A. Alber-
dingk Thijni, .Gedichten uit de verech tijdperken der N. en Z. Ned. Litoratuur"
1 liumlel, 1850. bl. 172; Willems, „O. VI. Liederen"; en Hoffmann(van FallerBleben)
.Horac Belgicau". Breslau 1833.]
REISONTMOETING.
Op \'s levens wegen
Voert ons Gods hand
Soms harten tegen,
Ons hart verwant.
Te kort ontmoeten! . . ..
Verscheiden zee,
Na haastig groeten,
Voert ze allen meê,
D\' een hier, ginds d\' ander —
En menig keer
Zien zij elkander
Op Aard\' niet weer! . . .
Wel hem, die d\' oudsten,
Den liefsten Vrind,
Den sterkste\' en trouwsten,
Den Heiland, vindt!
-ocr page 76-
CS
Op iedre schrede.
Volgt ons c ij n oog —
Hij wandelt mede
Tot — naar Omhoog!
Laat Hem u leiden:
Gij zijt beneên,
Schoon allen scheiden,
Tocli nooit alléén!
MORGENWENSCH.
God verkwikke u eiken morgen
Met den glimlach van zijn oog,
Heilige u des waerelds zorgen,
Beure uw hart tot Hem omhoog,
Aan zijn Vaderhart geborgen,
Dat u eeuwig zeegnen moog\'!
BEDE DER STERVENDE ARBEIDERS VOOR
HUNNE KINDEREN.
— EEN GEDICHT VAN CHARLES DICKENS \') —
„Don\'t you all tliink we have a great need to cry to
our God to put it in the hearts of our grcaseous Queen
and her members of Parlerment to grant ua free bread!" —
Lucy Simkins, at Brem-hill.
Gij, God! die eens in vroeger dagen
Door Uws Profeeten staf
Den harden rotssteen hebt geslagen,
Die levend water gaf!
l) In een der Engelsche Tijdschriften vindt men het hier vertaalde gedicht van
den grooten reenschenkenner. Hij schreef het bij gelegenheid, dat werkeloosheid 861
deel van E\'jgelands arbeidende klasse (in Wiltshire) tot gebrek doemde: „een rij^1\'
lingscbo Bede voor de kinderen der hongerende werklieden."
-ocr page 77-
69
Wil Gij nu deez\' granieten wallen
Met Uw bevelwoord slaan,
En laat een droppel deernis vallen
Op ons, die sterven gaan!
Is \'t niet van Jezus\' mond vernomen,
Dat woord, dat ons gebiedt:
„Ei, laat de kindren tot Mij komen,
„Gij andren, weert ze niet!"
God! laat óns kroost dan niet bezwijken,
Zie neder van omhoog,
En voer den machtigen en rijken
Hun doodsbleek beeld voor \'t oog!
O groote God! doe hen aanschouwen
Hoe we, als ons kroost verkwijnt,
Vast wankien in ons Gods-vertrouwen
En hoe de moed verdwijnt!
Hoe liggen ons die dierbre kleenen
Zoo innig na aan \'t hart!
Ach, zelfs Uwe Englen zouden weenen
Bij onzer kindren smart!
Uw hand schreef aan den wand voordezen
Het „Mene, Tekel" neer:
Laat dit geslacht het vonnis lezen,
Dat dreigend nadert, Heer!
O Gij, Wiens boog is in de wolken!
Terge U de boosheid niet,
Tot Ge op de onmenschelijke volken
Uw wraakpijl nederschiet!
O Heer! wil tot hun zielen spreken;
En aan den morgendisch
Herinnre \'t brood hun, dat ze breken,
Uws Zoons gedachtenis,
Des Heilands goddelijk erbarmen,
Die uit Uw volheid geeft,
En \'t brood, Uw wonderbrood, voor de armen
Verduizendvuldigd heeft!
-ocr page 78-
70
VUUR ONDER SNEEUW.
De top van den Hekla is wit van sneeuw,
Maar \'t vuur in zijn binnenst\' gloeit eeuw aan eeuw;
O, Mensch! laat het wintren op \'t grijzend hoofd,
Als Liefde, Gods vlam, niet in \'t hart verdooft!
BLADVULLING.
1.
Leid, Heer! ons op de rechte paan,
Wil ons met kracht omgorden!
Het zal ons zeker beter gaan,
Als we eerst zelf beter worden!
Of de waereld ons leidt aan een halm of een keten,
Wij zijn slaven der waereld. God wil ons geheel!
En eerst dan, als we al \'t andre enkel ijdelheid heeten,
Wordt Ciods Liefde onze leuz\', en Gods Vrijheid ons deel!
PASSIE-ZONDAG.
Een Passie-week is \'t aardsche leven:
Ook zelf de Zondag heeft zijn pijn.
Ginds, in Gods eeuwgen zonneschijn,
Zal de eeuwge Sabbat ons omzweven,
Zal \'t nooit meer Passie-Zondag zijn!
-ocr page 79-
71
STORM.
— FRAGMENT. —
Droefgeestig daalt van \'t luchttapeet
De dungevleugelde avond neer;
Geen koeltjen luwt er — de atmosfeer
Is zwaar als lood en drukkend heet.
De vlugge vogel van de stormen
Vliegt krijschend langs de waterbaan,
En meldt een naadrend onweer aan.
In grillig wisselende vormen
Rolt, altijd dichter saamgegaürd,
Het onheilspellend wolkgevaart\'
Van \'t Zuiden voort; het lieflijk blauw,
Nog straks weèrblinkend aan de transen,
Verschoot reeds tot het aaklig grauw,
Dat we op \'t gelaat eens lijks zien glansen.
Gelijk een rechter, éer zijn mond
Het vonnis van den dood doet hooren,
Ligt heel het eindloos hemelrond
In stilte en spraakloze ernst verloren,
En wacht alleen naar \'t oogenblik,
Waarop de rukwind los zal breken,
Om \'t straffend oordeel uit te spreken,
Dat heel de schepping toeft met schrik.
Gedragen door de donderkoets,
Naakt reeds de bode der vernieling,
En zweept met ongestuime wieling
Het opgeruid gelaat des vloeds.
De neevlen vliegen door de lucht
Als opgestoken oorlogsvendlen;
Het Noorden brak zijn ijzren grendlen,
En snuift en buldert in zijn vlucht.
Geheele waterbergen stijgen,
En heffen hun beschuimden top
Gedurig hoog en hooger op;
Al de elementen zullen krijgen,
En vliegen door elkander heen\'.
De onmeetbre ruimte davert luid
-ocr page 80-
72
Van wolkgeliuil en stormgefluit,
En krimpt van bangen schrik in een.
Nu zweept de zee met woedend dondren
Heur golven naar het wolkgewelf,
En dan weer ploft zij zich naar ondren.
Als was ze in tweekamp met zich-zelf.
\'t Is of zij, door Gods Geest gedreven,
De waereld loswrikt uit heur spil,
En, overwinnend nagebleven,
Een tweeden chaos scheppen wil! . ...
DE VROUW.
---- NAAR ANAKREON.
Natuur gaf hoornen
Den wilden stier,
En scherpe klauwen
Aan \'t panterdier
Aan \'t paard zijn hoeven,
Aan \'t bergkonijn
Zijn vaart, en tanden
Aan \'t everzwijn;
Den vogels wieken
Vol blijden spoed,
Den visch, zijn vinnen!
Den man, zijn moed!
Vergat Natuur dan
De vrouw geheel?
O Neen, de Schoonheid
Viel haar ten deel.
Die overmeestert
En zwaard en speer;
En leeuw en tijger
Knielt voor haar neer\'
-ocr page 81-
73
DE MOEDER.
Wat voor haar kindren
Een Moeder kan,
Hoe menig wonder
Getuigt er van!
Der Menschheid tintelt
In hart en bloed
Verscheiden sprankel
Van Hooger gloed:
Maar Moederliefde,
Onze eer en trots,
Is de Eèlste weerglans
Der Liefde Gods!
ZANGEN DES TIJDS.
I.
HET JUNI-OPROER IX PARIJS.
(1848.)
Die Revolutioii, wclche als Krankheit die Ijebenssphare der
modernen Meutereien bildet. kann nur durch das NeucTeata-
ment vcrnichtet werden, dadurch dass sich alle „Zcichen und
Wunder" der fürstlichen Macht in Zeicheu und Wunder des
Wohlthuns, der erbo.rmcnden, bildenden, ziichtigenden, und
erziehenden Volksfreundschaft verwandein durch fortwahrende
Liiutcruiig nach dem Vorbilde und in dem Gciste Christi, Der
Staat in seiner evangelischen Verkllirung und in seiner evan^e"
lischen Consequenz ist met aller Zukunft versönht, und hoch
über das wüste Revolutions-treiben erbaben. Die Könige von
Gottes Gnade, welche ürgane der rettenden und bildenden
Gottes-Gnade sind für die Völker, dauern als Knechte Christi
fort, und gehen ein in das neue Jerusalem.
Dr. J. P. LAKGF.
a lied was profecy! . . . . Na tweemaal zestig nachten
Barst de eigen donder uit de wolk,
geen Omwentling meer, gewapend met Gedachten,
Maar Oproer, tuk op bijl en dolk!
-ocr page 82-
74
Wreed is de dolle stier, die met. metalen schoften
En blinde hoornen nederstort:
Maar wreeder \'t Volk, gesard door liegende beloften,
Wanneer \'t zijn eigen wreker wordt.
Parijs trilt, uren ver! Zijn katakombun daavren:
\'t Staal bliksemt in de middagzon:
Ik zie den zwerm, die \'t zwiert, d^n Severijn beklaavren,
Of wroeten onder \'t Pantheon !
Straat, kerk en voorstad brokt, verkneed lot barrikaden :
Die groeien uit de steenen op,
Tot vestingen volwrocht, getand met palissaden,
De rosse bloedvlag op den top!
De kokende olie gudst, en blakert legioenen;
De kogels huilen in hun vaart,
Geen kogels langer, maar gewiekte scorpioenen,
Met giftige angels in den staart!
Dat is geen strijden meer, maar zinloos menschenslachten,
Maar woede van \'t Ukranisch ros,
Dat met zijn hoef vertrapt wat menschen heilig achten:
Den zuigling en den Priester Gods!....
O Viertal dagen, met uw vijfmaal duizend dooden
En tienmaal duizend halve doön!
Gij brandmerkt Erankrijks naam en toont, wat Gruwelgoden
Daar \'t Molochs-offer wordt geboön! —
Danst nu de ca r mag nol e in de omgewoelde wijken,
Maar, helden! schopt eerst met den voet
De bleeke Rachels weg, bij de onbegraven lijken
Vast zoekend naar heur vleesch en bloed!
En proeft, boe door uw zang de ketenen rinkinken,
Waarmee, spijt al haar slanggevlei,
Die vrijheid, die Gij zocht, uw enkels vast gaat klinken
Op de ijzren banken der galei 1.. ..
II.
Gij Neef des Corsikaans! is \'t waar, wat Frankrijk mompelt:
Zijt gu de werker van \'t verraad?
Hebt gij den lauwer van een grooten naam verschrompeld
In \'t vuur van listige Eigenbaat?
Hebt gij, Prins bij Fortuin, door heimelijke giften,
-ocr page 83-
75
Door bloedgeld uit een Judasbeurs,
Uw eerzucht vastgeknoopt aan de eerelooze driften
Van „Montagnards en Deserteurs\' ?. . . .
üan moog\' driedubble schande u op het voorhoofd dalen,
Dat nu zijn besten adel derft;
Want duur deedt gij Parijs uw eigen les betalen:
„Genie wordt met geen Naam geërfd"! ....
Neen, Frankrijk wil geen Troon, waar dubble Staatkunst wintert,
Die wegmolmt onder valsch vernis,
Soms achttien jaar geschraagd, maar in éen week versplintert,
Op \'t wenken eener Nemesis!
En zoo de Republiek, Chimaera dezer dagen,
Straks stuiptrekt voor het oog der aard,
En haar Bellerophon een diadeem zal dragen,
Rijs, Cavaignac! . . . . gij zijt hem waard!
\'t Zou niet voor \'t eerst zijn. dat een Keizers-scepter groeide
Uit d\' ijzren sabel eens Soldaats —
Dien hebt gij wèl gevoerd, toen \'t doodlijk onweer loeide:
Voor Rust, en Orde, en \'t Heil des Staats!
Vaar voort! En — wierd het waar, dat ze u op de armen torschten,
De Kroon ophangend voor uw tent,
Aanvaard haar met de spreuk der Lombardijsche Vorsten:
B\'k Neem ze uit Gods hand: wee die haar schend!"
En dan red! zalf! herstel! demp de oude kronkelgangen,
Van Vreeze en Dubbelzinnigheid!
\'t Volk wil geen stroopop, met een purperkleed omhangen,
Geen halve of doode Majesteit!
Huw gij aan de ijzren vuist een ijzren geest, de grijsheid
Des Overlegs aan \'t blond der Kracht 1
Vraag god in Christus om gerechtigheid en wijsheid!
Bid! waak, en werk! Geloof, en wacht!
Geef zóo het schaduwbeeld der vrijheid — vleesch en leven!
Maak allen voor de Wet gelijk !
Vlecht ze in den broederband, dien Jezus heeft geweven,
En dus — verhaast zijn Koninkrijk! ....
En wierp dan toch in \'t eind de tuimelgeest der Franschen
U van een troonstoel op \'t schavot,
\';ij leefdet niet vergeefs: de ware Helden glansen
Als Priester-Koningen voor God!
-ocr page 84-
7 e,
n.
HET ROODE ZWAARD, HET ROODE KRUIS.
(1870.)
Twee Machten worstlen hier op Aarde,
Om de eindbeslissing van haar lot,
Wier strijd elke eeuw geen uur bedaarde —
Des waerelds Rijk en \'t Rijk van God:
De Zelfzucht — wie, verwoed, verbolgen,
De driften als demonen volgen;
De Liefde — in \'t Englenwiekgesuis
Van alle deugden neergestreken ; —
Kik met haar wapen en haar teeken;
Hier, \'t Roode zwaard, daar \'t Roode kruis!
\'t Zwaard, immer van versch bloed bedropen,
Dat d\' Eersten RIoedvlek vochtig houdt,
Dat met zijn staal al \'t goud wil koopen,
Een kroon wil smeeden uit al \'t goud!
\'t Kruis — tak van \'s Levens Boom, beschaüwend
Gebogen hoofden, balsem dauwend
In \'s Menschdoms open hartewond !
\'t Zwaard —• schrikkomeet in donkre dalen,
\'t Kruis — starre, nu nog zonder stralen,
Toch Bode van den Morgenstond!
Waar \'t zwaard gerukt wordt uit de scheede,
Daar sleept de Dood op \'t vale paard
De lijken van Twee Volken mede,
Verminkt gebonden aan zijn staart.
Waar \'t kruis verrijst, daar wordt het Leven
Den Dood betwist, de Kracht gegeven
Die alle Volken eens geneest:
Daar schijnt de Heerlijkheid des Heeren,
En wappert op haar blanke veeren
De duive van den Hoilgen Geest!
Heeft de Aard dan achttienhonderd jaren,
O Kruiswoord! Liefde- en Levenswoord!
-ocr page 85-
77
Bij zooveel duizenden altaren
Uw boodschap te vergeefs gehoord?
Vermaakte \'t Heidensche Verleden
Onze Eeuw al de oude gruwzaamheden
Van Minotaurus en Barbaar?
Mag onverhinderd, onweersproken,
De Slachtbank naast de Doopvont rooken,
De Mitrailleuse bij \'t Outaar.
Neen! niet als vroeger ziet Europe
Den gruwel der verwoesting dan,
Koud, zonder vrede, zonder hope,
01\' meè verwilderd door den waan :
Neen! naar den hemel gaan de kreeten
Van alle volken saam\' — \'t Geweten
Der Gantsche Menschheid trilt van pijn,
En — protesteert!.... O God, wil \'t hooren!
\'t Zij bij Uw Vadernaam bezworen :
„Deze oorlog zal de laatste zijn!"
O gij Slagordnen aller Braven,
Daarheen\' gestrooid als dwarrlend graan!
Indien uit uw bebloede graven
Het zaad des Vredes op mocht gaan !
O weeüwen, weezen, martelaren !
Hoe duur uw hekatomben waren,
Toch hadt gij niet t e duur gekocht,
Indien gij met uw tranenplasschen,
Die boven gloed en vlammen wassen,
Voor goed den Moloch blusschen mocht!
Keer, bloedrood zwaard! verstompt, versmeten,
In de aarde! of siere uw roestig staal,
Naast folterschroef en slavenketen,
Der Middeneeuwen arsenaal!
Een goede herder hoeft geen wapen:
Hij stelt zijn leven voor zijn schapen —
Een Koning hebbe een Herdershart,
Verwant aan \'t hart van d\' Eeuwgen Koning,
Die, Doornen dragend bij Zijn krooning,
Aan \'t Kruishout overwinnaar werd!
-ocr page 86-
78
O Kruis! Symbool van \'t Diepste Ontfermen,
De Reinste Liefde! breng uw licht
Waar droef verweesde Volken kermen,
En toon hun \'s Vaders aangezicht!
Kom, in de hand der Vredeboden,
Het leven wekken uit de dooden,
Den Hemel oopnen boven \'t Graf!
Doe \'t manuren hart der Caesars breken!
Ook Kades\' steenrots smolt tot beeken,
Getroffen door Gods wonderstaf.
Gij, Vredes-phalanx, voorwaards buigend
In \'t oorlogs-centrum, kogelvrij!
Uw Kruis, luid tegen \'t Zwaard getuigend,
Is Levensblijk en Profecy:
Gezegend, heerlijke Openbaring
Der Lietde, die, door Gods bewaring,
Woont, werkt in \'t kranke Christendom t
Gezegend, eerst begin van \'t ende
Van alle Zonde en elke Ellende! ....
Voleindiger van \'t Godsrijk, Kom!
111.
AAN PARIJS.
(1871).
Contemple les effots de la p-eurre civile!....
Dans ces raurs tout sanglans des peuples raalheureux,
Joucts infortunés des fureurs intestines,
De leur triste patrie avancant les ruines;
I.a tumulte au dedans, Ie peril au dehors,
Et partout Ie débris, lo carnage, et lea morts!
LA HENEIADi , Cll. IV.
Heeft de scorpioenenroede
In Germanje\'s vuist
U nog niet gestriemd ten bloede,
Tot op \'t merg vergruisd,
Dat, Parijs! met eigen handen
Ge in uw boezem wroet,
\'t Hart u rukt uit de ingewanden,
Trappelt met den voet?
-ocr page 87-
7\')
Moet die brand, door u ontstoken,
Die vernieling braakt,
Louvre en Tuilerie doet rooken,
\'t Kerkhof\' moordhol maakt, \')
Moet die hel, u onbedwongen
Schroeiend tot woestijn,
Moeten dat de vlammentongen
Van uw Pinkstren zijn?
Eischt die Vrijheid dan, wier tempel
Gij te bouwen meent,
Tot de trappen van zijn drempel
Menschen-lijkgebeent\',
Bloed tot zijn cement, en Kain
In zijn Heilgen-nis?
Kan wie storm zaait, stilte maaien?
Stierf Gods Nemesis? 2)
Aan de spitse der Beschaving
Dacht ge uw schittrend Rijk:
In verdierlijkte verslaving
Kroopt ge in Weelde\'s slijk!
Mocht de Caesars-kroon u prangen,
Is nu \'t voorhoofd vrij ?
Schuiflend kronklen daar de slangen
Van de Razernij!
Voor den Weêrspoed heeft Euiope
Deernis, sympathie:
Voor den Waanzin buiten hope —
Walging, niets dan die!
Wie u de Eerzuil aan ziet randen,
\'t Altaar ziet vertreên, \')
Smaadt den dog, met dolle tanden
Bijtende in den steen!
Ai, wat Vlijt- en Kunsttresoren
Neérgeploft ter aard\' I
Wat al heerlijkheên verloren,
Koninkrijken waard!
-ocr page 88-
80
Wat uw moker durft vermalen,
Is uw beste kroon ....
Nieuwer Hunnen en Wandalen:
Klinkt u de eernaam schoon\'?
Ai, wat kindren, onder \'t kermen
Van ontroostbre smart
Doodgenepen in uwe armen,
Moeder zonder hart!
Zelfs voor \'t Heiige geen genade:
\'t Wiegekleed doorboord,
En de Priesterlijke wade
Druipend van den moord! *)
Och, of honderd jaar herstelden
Wat éen maand verwoest!
Maar in \'t bloedig dras der velden
Rijst geen gouden oest.
\'t Leven, afgetapt uit de aadren,
Wordt niet nagebootst,
En de misdaad van de Vaadren
Wreekt zich aan het Kroost!
Hoe lang holt ge op onweör-vleuglen,
Trens en halster los?
Moet een nieuw Tyran u teuglen
Wild Ukraniesch ros? ..
Zult ge Europa\'s Saulus heeten,
Die tot God zich keert ?
Of zal \'t blijven: „Niets vergeten,
„Maar ook — niets geleerd?"
Zong de laatste Koningszanger
Een Profetisch wee:
Zijt ge een Babel, onheilzwanger?
Of — een Ninevé?
Gu-slechts weet het, Glorievolle!
Die al \'t oordeel spreekt,
Eeuwge! die der Toekomst Rolle
Zeven zeeglen breekt.
-ocr page 89-
SI
Maar gij, Stedenkoninginnen!
Volken! Vorsten! gij,
Treedt, al krimpt u \'t hart daarbinnen,
\'t Treurspel naderbij.
Leert hier wat een Macht beteekent,
Wat een Natie wacht,
Die met de Eeuwigheid niet rekent,
Die haar God veracht!
AANTEEKENINGEN.
M Onder anderen het kerkhof Pèrc-la-chaise waar bloedig gestreden werd.
-)                                                                      ......... IJdle trots,
Aan \'t aardsch genot verkleefd, treft do ongena diens Gods,
Die d\'Afgodsdïenst vervloekt, aan aardsche of eigen waarde
Bewezen, \'t zelfgevleï dat steeds aan voorspoed paarde;
En wie op wijsheid, schat, of macht, of glorie stoft,
Te loor stelt, en op eens in diepen afgrond ploft.
Ziedaar de Nemesis der Oudheid!___
bildkbuijk, Nemesis.
\') Men denke aan het lot van de Vendöme-zuil en de Boet kapel, ter doods-
gedachtenis van i.onewuR XVI en zijne gemalin; om niet te spreken van het
Palais Royal, het Luxemburg, het Hotel-do-Ville, en vele andere hls*
torischc monumenten.
\') „Vier-en-zestig gijzelaars, waaronder de Aartsbisschop van Parijs,
Mnnseigr. Darboy, de Pastoors Surat en Beguerry en andere geestelijken,
zijn door de communisten ter dood gebracht; mannen, vrouwen en kinderen.
werden zonder vorm van proces doodgeschoten."
De Dagbladen van Woensdag 31 Mei 1871.
b)                               „Die stad is \'t Babel onzer dagen:
Als Babel stort zij eens in puin.
Hoe zal de toekomst van u wagen,
Gij, thands der duivlen Paradijs?
Zijt gij het Ninivé onzer dagen,
Of \'t aan den vloek gewijd Parijs?\'"
da costa, Parija.
VUL
-ocr page 90-
82
IV.
„LA GRANDE NATION\'-
[Woord van Napoleon I, herhaald door den President der Nationale;
Vergadering, ciiEVï, te Parijs, Juli 1871.]
1871.
Past hij nóg, die naam, brooddronken
Van Verwinnaars-trots,
U door de ijdelheid geschonken
Uwes Oorlogs-Gods?
Snerpt hij niet, nu, steeds omwapperd
Van de Duitsche vlag,
Nog uw wondkoorts tandenklappert, —
Als een schaterlach?
Na de tuchtiging, geen dooding
Van den dwazen waan:
Maar de kranke Zelfvergoding
Altijd weer vooraan,
Op verscheurde voeten hinklend,
Wagglend stap voor stap,
Altijd met de schellen rinklend
Van de Narren-kap !
Is dat groot — eerst twintig jaren,
Neêrgekromd, beslijkt,
D\' Afgod juichende aan te staren,
Die uw schat verrijkt;
Maar, bij voorspoeds eerst mislukken,
Den „December-man"
\'t Boevenbrandmerk in te drukken,
\'t Schandewoord Sedan?
Is dat groot — de laatste krachten
Die de vijand liet,
Te offren aan een broederslachten,
Dat geen kind ontziet?
Van de rookende ruïnen
Van een grootsch Weleer
Tot een grafnaald u te dienen
Van uw eigen eer?
-ocr page 91-
83
Is dat groot — het oog te sluiten
Voor uw kankerkwaal?
In des meesters hand te stuiten
\'t Wondezuivrend staal?
In de Opzettelijke Leugen,
Die gij zelf blanket,
U als d\' Engel te verheugen,
Die \'t Onredbre redt?
Is dut groot — den wenken allen
Van \'t Verleen ten spijt,
Steeds in de oude schuld te vallen,
Hardleersche als gij zijt,
Met den sluier der Verblinding,
Dien des vijands lood,
\'t Hagelvuur der Ondervinding,
Lang doorzichtig schoot?
Is dat groot — \'t Gericht des Heeren,
Dondrende om uw hoofd,
Op een wuft zin af te keeren
Die aan niets gelooft ?
Niet den stap te willen hooren
Van een Heilig God,
Drukkende overal Zijn sporen
In der Volkren lot?
Ach! hoe dorren thands uw kroonen.
Zonder glans en geur,
Kweekster van zoo eedle Zonen,
\'s Menschdoms kern en keur!
Volk, dat een Descartes baarde,
Moeder van Pascal,
Van een kroost, welks naam heel de Aarde
Blootshoofds roemen zal!
U Schonk de Almacht de elementen
Van een heerlijk Volk,
Groote krachten en talenten,
Niet om dwarrelwolk,
Niet om schrikkomeet te wezen!
Spijt deze\' Ondergang,
-ocr page 92-
84
Zijt en blijft gij uitgelezen,
Star van d\'eersten rang!
Neen, wij willen U niet wisschen
Van der Volken rol!
Neen, U kan Euroop niet missen,
Kind, der gaven vol!
Ook Latijnsche geest moet gloeien
Naast Germaanschen zin,
Wil Europa waarlijk bloeien,
\'s Waerelds Koningin!
Frankrijk! komt uw langgehoopte
Nieuwe Dag hervoort?
Worde u \'t bloedbad dat u doopte,
Bad der Weêrgeboort\'!
Laat er waan en wilde wenschen!
Liefde is \'t hoogst gebod.
Wilt gij groot zijn voor de menschen,
Wordt eerst klein voor God!
V.
DE SCHAH VAN PERZIË IN EUROPA.
(1873.)
„Waarom niet liever, in plaats van oogverblindende feesten.
die daarenboven een onware voorstelling van de werkelijk
heid geven, den Scliah bij voorkeur in kennis gesteld met
wat de nieuwere staatsinrichting voortreffelijks bevat?.. --
„Door de beteugeling der zelfzucht en het handhaven der door
God aan zijn schepselen geschonken rechten, opent het Chris-
tendom nieuwe vergezichten van levensgeluk en zedelijke
grootheid, voor vorst en onderdanen beide. Aan dien zegen
danken de Christen staten hun oorsprong: daarin ligt hun
voortreffelijkheid boven de machtige rijken van \'t Oosten.
„Wie dit erkent, die hebbe den moed zijner overtuiging.
„Hij spreke het luide uit, ook naar aanleiding van het be-
zock van den Schah:
„Het Christendom is niet alleen de glorie, maar ook de grond -
slag van den modernen, dat is: dun beschaafden staat."
De Standaard, 187S, N". 401.
1.
Een Heerscher kwam ! — Hij komt van \'t Oosten,
Hij draagt de zon in zijn banier.
-ocr page 93-
85
Komt hij ons neevlig Westen troosten,
Dat hem bestrooit met eerlaurier?
Mag hij, monarchen! zich vermeten
„Den Heer der Heeren" zich te heeten?
Of is, in heerlijkheid en kracht,
De Groote Koning weêrgekomen,
Voor achttien eeuwen opgenomen,
Aan \'t eind der eeuwen weêrgewacht?
Ach! toen uw Christus kwam — men deed Hem \'t spotkleed dragen,
De Heiden, met den Jood, heeft Hem aan \'t kruis geslagen:
De Waereld kruist Hem steeds! Steeds rijst Hij uit. Zijn graf,
Maar waar Hij in den geest ook wederkeert, geen volken
Begroeten Hem met wierookwolken.
Geen koning plukt Hem palmen af!
Neen, het echte Groote en Ware
Meldt zich niet luidruchtig aan
Met een dolle feestfanfare,
Met een wijd ontplooide vaan.
\'t Vuurwerk knettert reeds van verre
Daar het roode vonken spat;
Stil vervolgt de zilvren sterre
\'t Afgebakend hemelpad!
Hij, wien daar, vooruitgevlogen
Door de schelle loftrompet,
Rus en Pruis, de knie gebogen,
Nooden tot hun feestbanket,
Protestant en Katholijke,
Tsaar en Republiek vergoodt,
Is — een millioenen rijke!
Is — een heidensche Despoot!
II.
In zijn Land woedt de honger! Ontmergd zijn zijn Staten:
Voor zijn Volk ging de bedelnap rond in Euroop\'.
Ziet dien herder zijn stervende schapen verlaten!
Biedt, om brood voor zijn volk, hij zijn paerels te koop?
Neen! zijn schatkelder zweem\' naar de Arabische fabel,
-ocr page 94-
86
Hij verspert ze, eer hij gaat, en de sleutel blijft zijn\' |
Een gesternte is zijn kleed! Tot de scheó van zijn sabel.
Tot de toom van zijn hengst, is bestrooid met robijn.
Niet éen korrel in de opene kaken geworpen
Van het loerend Gebrek, dat zijn kindren ontrust,
Maar verspild het behoud van tien stervende dorpen
Aan éen vreemden lakei die zijn stijgbeugel kust!
O gij Nasreddin! Koning bij de oude Ongenade,
Die millioenen verslaaft aan ééns enkelen wil!
Zweeg op Buckenhams prachtbal, bij Brussels parade,
Op \'t Parijsch trocadero, de Martlaarskreet stil?
Klonk, bij wapenschouw-pronk, of bij kunstlicht-getoover,
Bij de schaamtlooze vleitaal van beedlaars in \'t goud,
Niet tot Newa, Spree, Theems, Donau. Seine-strand over
Éen verwijtend: „Wat is \'t, dat u dreef, u weerhoudt\'.\'"
Groote Schah! wend toch eenmaal het licht uwer oogen
Uit deez\' middernachtsdroom naar uw wildernis om!
Zie uw Volk, altijd méér door de ellende gebogen,
Sints de Pest op de schouders des Hongersnoods klom!
Sints de kindren uws lands hun geboortedag vloeken,
Met de rest van hun have hun kemel belaan,
En, om brood of — een graf in den vreemde te zoeken,
Dag aan dag in vrijwillige ballingschap gaan!
Sints in Iran de Bechtbank de tucht heeft vergeten,
Sints de rozengaard Schiras een rooverhol wierd,
Vol geboefte, geduchter dan \'t sprinkhaangediert\'
Dat uw dadeloogst weg heeft gevreten!
III.
Of, Vorst, die over dood en leven
Van zooveel duizenden gebiedt!
Heeft Hooger Geest u aangedreven,
Toen ge uw krank Teheran verliet?
Dreef deernis met uw Volk, dreef hope
Des heils u, zoekend, naar Europe,
Beschavings bron en middenpunt?
En laat ge, als uw drie Oosterwijzen,
Door Jakobs star de krib u wijzen,
Waar gij den Heiland vinden kunt?
-ocr page 95-
87
IV.
Indien het eens zoo ware!. ... O Christen Volken, Vorsten,
Zoolang bevoorrecht! Gij,
Die dezen Heiland hebt, waarnaar de Heidnen dorsten,
Wat werkte uw medelij?
Wat deed uw liefde, als dan die koninklijke Heiden,
Met herders-zorg belast,
Zoo rijk en toch zoo arm, of hem uw raad mocht leiden
Zich aanmeldde als uw gast?
Wat hebt gij hem doen zien, wat hebt gij hem doen hooren
Van de alherscheppens-kracht,
De hart-vernieuwing, uit dat Christendom geboren,
Waarvan hij heeling wacht?
Hebt ge u gehaast, hem van der schatten Schat te spreken,
Die blijft in eeuwigheid?
De Kostbre Paerel, die, waar de aardsche paerels bleeken,
Een hemelsch licht verspreidt ?
Van de Echte Koningskroon, uit zelfverloochnings doornen
Gevlochten allermeest?
Van d\' Eeuwige\' Adel van des menschdoms uitverkoornen :
Verwantschap met Gods Geest?
Van \'t Ware Koninkrijk, dat \'s waerelds schad uw-rij ken
Eens overleven moet,
Waar licht en vrede heerscht, dat nood en dood doet wijken
Voor Levens-Overvloed ?
Hebt Gij \'t beginsel van dat Leven aangeprezen:
\'t Geloof in Gods gena?
Op \'t eeuwige symbool der Liefde hem gewezen :
Het kruis van Golgotha?
V.
Of zoo niet!___ Christen Volken en Vorsten! verbande
Koele staatzucht het Christlijk woord van uw mond,
\'k Weet ook dit! meer dan \'t woord is het werk propagande:
Noem den boom niet, maar toon hoe zijn vrucht hem verkondt!
Hebt ge altans dezen zoekenden Heiden doen weten
Wat ïi \'t Christendom schonk, die ook heidenen waart ?
Recht en Vrijheid voor alle, Verbreking der keten,
Die den slaaf pols en hart eeuw aan eeuw heeft bezwaard ?
-ocr page 96-
K8
Is die man, aan uw hand, tot de Schole genaderd
Waar uw jeugd wordt gevormd voor het Huis, voorden Sta;itv
Tot het Bethel, dat hooplooz\' en haavlooz\' vergadert,
Het verworpne, geraapt uit het slijk van de straat?
Heeft hij \'t Werkhuis bezocht, waar de bedelaars-kaste
\'t Loensche hunkren ontleert en de luiheid verzaakt,
Sints ook haar de verheffende ervaring verraste,
Dat het zelfverdiend brood recht verzaadt, heerlijk smaakl\'!
Zag hij ieder Asyl, waar de Christen Gemeente
Als een klokhen haar pluimlooze kiekens beschermt,
d\' Ouden stok ruste gunt voor \'t verstramde gebeente,
Magdalena\'s behoudt, zich des Waanzins ontiermt?
Hebt ge een blik hem gegund hoe de raderen werken
Van den Nieuweren Staat? Op zijn plaats ieder deel,
Rad en drijfriem bestemd om elkander te sterken,
Wel verscheiden, toch éen, Vorst en Volk éen Geheel!
Hebt ge aldus hem geleerd, dat, spijt wankien en dolen.
Toch de Menschheid éen Weg des Geluks kan betreên.
En de vraag hem verwekt, waar, Omhoog of Beneên,
Toch de Poort tot dien weg ligt verscholen?
IV.
Gij deedt het niet! — Gij deedt geen morgen
Dien Heiden opgaan in zijn nacht:
Gij blinddet hem met ijdle pracht!
Gij hieldt, Cipier als hij, den sleutel hem verborgen
Tot d\' eenig-waren Schat, de Zedelijke Kracht!
VII.
Drie Koningen! uw vierde Koning
Zag Bethlem niet! Hem hield Jeruzalem aan \'t Hof!...
Vrij bleelt ge, o Neêrland! van Euroop\'s tooneelvertooning
Toch — had\' hij u bezocht.... Hij ging voorbij, Godlo!!
HET IJZEREN KRUIS.
Bij het krieken van den morgen
Zadelt hij zijn moedig dier,
-ocr page 97-
gg
En hij rent met losse teugels,
Doodsbleek, naar het hoofdkwartier.
„Kameraden, meldt mij aan
„Bij den hoofdman!" luidt zijn bede;
Hij betreedt de tent des helds,
Weenend, en met wankle schrede.
„Tranen, jongling?" roept de hoofdman:
„Zeg mij wat u weenen doet?
„Staakt gij niet de groene twijge
„Zegevierend op den hoed?
„Draagt ge \'t kruis niet op dit feest,
„\'t Eerelint, met roem bevochten?
„Acht ge een lauwer zoo gering,
„U door \'t Vaderland gevlochten?"
— „Kruis en lint!" begint de krijgsman:
„Neem ze! \'k reet ze van mijn borst!
„Want ik ben onteerd voor immer.
„Die zijn eed verbreken dorst.
„Nimmer mag de lafaard meer
„De eerekrans des dappren dragen.
„Ik verschijn hier, edel heer!
„Om mij-zelven aan te klagen.
„In de rij van \'s Volks verdrukkers
„Trok, o schand! mijn broeder uit.
„Ik zag hem gistren onder \'t strijden,
„Worstlend in den damp van \'t kruit.
„Moedig laadde ik mijn musket,
„\'k Mikte — ik achtte hem verloren:
„Immers met een duren eed
„Had ik God zijn dood gezworen.
„Maar mijne ouders, lang gestorven,
„Keerr.en uit hun graven weer:
„Dreigend stond mijn grijze vader
„Voor den tromp van mijn geweer.
„Wenkend stond daar moeders schim:
„\'k Zag haar stille tranen blinken —
„Op de lippen een gebed,
„Liet ik zacht het wapen zinken.
-ocr page 98-
90
„\'k Stond verlamd, betooverd! Wondren
„Had mijn nevenman gedaan:
„Nu — nu legt hij, scherp en zeker,
„Op het hart mijns broeders aan.
\'k Sla het doodlijk roer op zij\',
Door mijn makker opgeheven,
En de vijand — \'k adem diep —
Redt ten tweedenmaal zijn leven!
„Ja, daar stond ik, mat en roerloos,
Waar het bloed in stroomen vloot,
Middlerwijl, ach I \'s broeders kogel
Mij den besten vriend doorschoot.
\'k Zag zijn onverbiddlijk zwaard
Menig blonden schedel kloven:
Ach, der moeders jammerkreet
Klaagt mij aan bij God daarboven!. .. .
„Of mijn broeder mij herkende?
Heeft zijn wapen mij verschoond?
Hoopt hij, dat daarvoor de Schepper
Eens hem met genade loont?
Altijd wilder werd de kamp —
Menig vijand sloeg ik neder:
\'k Had weer moed, want nergens meer
Zag ik nu mijn broeder weder!
„O gij weet, wij streden bloedig,
Onvermoeid in d\' oorlogsdans.
Smaad en schande trof den vijand,
Onzer werd de zegekrans.
In de dorpen trokken straks
Onze juichende soldaten;
Ik — bleef achter op het veld,
Eenzaam, eenzaam en verlaten!
„In het bleeke maanlicht lagen
Rijen dooden, bont door éen;
\'t Krijschen van het roofgevogelt\'
Sneed mij door \'t gebeente heen\'.
-ocr page 99-
91
Steunend lag mijn kameraad,
In zijn borst de onlieelbre wonde —
Bad ik voor den armen man
In zijn bange stervensstonde?
„Heb ik met een jongste groete
Nog zijn bange ziel verkwikt?
Heb ik, de oogen zachtkens sluitend.
Hem ten afscheid toegeknikt\'?
Wee! \'t was oi\' zijn brekend oog
Mij verwijtend aan bleef staren —
\'k Weet, de erinnring van dien blik
Zal ik tot mijn dood bewaren!
„Tot de lijken van den vijand
Drong ik on verhinderd door;
In den doolhof der verslaagnen
Baande ik zwijgend mij een spoor.
Ach, mijn broeder lag misschien
Kermend, hooploos opgegeven
En daar tintelde in zijn borst
Mooglijk nog een sprankjen leven!"
„Aamloos luistrend, heb ik vorschend
Ieder dood gelaat bespied.
„Goede God! wees mij geprezen,"
Riep ik uit, „hij is het niet!
„Maar éen stap nog, en op eens
Zult gij bij zijn lijk u bukken! .. . ."
Wat ik daarbij leed, o Heer,
Neen, geen taal die \'t uit kan drukken!
„Vurig stroomt mij \'t bloed door de aêren:
\'k Dwaalde soms op ijdle pa4n;
Maar al wat ik ooit met woorden
Ooit met werken heb misdaan,
Al wat ooit mijn zondenschuld
Nog verhoogen kon in \'t leven,
Wordt door deze smart geboet,
Om dit lijden mij vergeven!. . . .
-ocr page 100-
U\'2.
\'k Heb naar elke hand gegrepen,
Ieder dood gelaat bespied:
„God !" zoo riep ik, „zijt geprezen!
„Ilèm trof deze kogel niet!"
Veilig, met een snelle vlucht,
Sloeg hij door \'t gedrang zich henen:
En gerust nu keerde ik weer,
Om in stilte en lang te weenen.
„Ziet gij, heer! ik zorgde en waakte
Voor des landverraders hoofd:
\'k Heb gebeden voor zijn leven,
God voor zijn behoud geloofd!
Spreekt gij-zelf nu! past het mij,
\'t Eerloof op den hoed te dragen,
Op mijn borst het eerekruis?
Ik, meineedige, ik zou \'t wagen?
„Voor mijn dappre kameraden
Berg ik \'t aangezicht, en vlied:
Weg is mannenmoed en eere,
En het leven lust mij niet!
Heeft de pest een huis besmet,
Aarzel niet het af te sluiten :
Laat mij nederschieten, heer!
Roep de buksenjagers buiten!.. .."
— „„Jongling!"" spreekt ontroerd de hoofdman
„„Vroom en edel is uw daad.
Maar wat de Englen Gods doet juichen,
\'t Schijnt u-zelven hoogveriaad.
\'t Zij! u richten kan ik niet.
Ga! neem dezen handdruk mede!
Trek ten strijde, en breng gij-zelf
Uw soldatenhart tot vrede!
„„Morgen wordt het dorp omcingeld,
Waar de vijand zich verschuilt:
Wees gij de eerste! doe gij wondren,
Waar de kogelregen huilt!
-ocr page 101-
93
Win uw oude deugd terug:
En moest ook uw doodsnacht dalen,
Toch, gereinigd zal uw naam
En verjongd uw glorie stralen ! . . . .""
— „Wees gezegend!" snikt de krijgsman:
„Dank! gij brengt genezing aan!
Morgen wordt mijne eer heroverd;
Meester, \'k heb uw wenk verstaan.
Maar heb ik den smaad gedelgd,
Dan de palmtwijg mij geboden!
Geef dan \'t ijzren kruis mij weer,
Hecht het op de borst des dooden!"
Rail het Hoogduitsch van kabl ijeck.)
ROZENLIED.
Geurge vlamme, Roosjen rood!
Bloemtje\' uit Edens gaarde!
Lieflijk stijgende uit den schoot
Der herboren Aarde!
Hoe vertolkte \'t minnend hart
Ooit zijn smachten, ooit zijn smart,
Ooit zijn zoet verlangen,
Schreeft Gij wat de mond verzwijgt
Niet in \'t purper dat daar stijgt
Op gebloosde wangen?
Als de Schepping in de lent\'
Opstaat uit de dooden,
Is \'t de Liefde, die u zendt,
Rozen! als haar boden.
De Eeuwge Liefde, die niet wil
Dat de mensch, verwond en kil,
Trede op ijs en distel,
Heeft elk blaadtjen, dat ge ontvouwt,
U haar boodschap toevertrouwd,
Heiige Bloem-Epistel!
-ocr page 102-
!».\'.
Groenend veld in voorjaarsdosch !
Gij verstaat de rozen!
Gij begrijpt de boodschap Gods,
Als heur knopjens blozen.
Gij ontglipt den winterboei:
Levenskracht en levensbloei
Brengt u de Eeuwge Liefde . . . .
Slechts de Mensch, in blinde drift,
Leest niet wat in Rozenschrift
God hem overbriefde!
(Van verre gevolgd.)
VIVERE MEMENTO.
Is \'t eervol oiu te sterven voor den Heer
Meer eervol ia \'t, te leven tot zijn eer.
Dr. w. b. vedkü.
I.
De dagen zijn wel eens zóo stil en kleurloos, de uren
Met zooveel leeds bezwaard, dat ze eeuwen, eeuwen duren:
Dan speelt geen zonnestraal;
En de uitgeputte ziel, een wijl zich-zelve ontkomen,
Zoekt, grijpende in een wolk van onbestemde droomen,
\'t Onmooglijk Ideaal 1
Zoo leert ge allengs u-zelv\' en de anderen vergeten!
Gij dweept u los van de Aard, ontworsteld aan de keten;
De Werklijkheid verdwijnt,
En zóo vervalscht is u \'t besef van \'t Menschlijk Leven,
Dat elke draad, waaruit zijn webbe wordt geweven,
U goud of purper schijnt!
Oiireedlijk, wilt gij al wat God u zendt, begrijpen:
Elk pogen moet beloond, en iedre bloesem rijpen —
\'t Grootsche offer van éen uur
Zoudt ge. overspannen, voor een martlaarskroon u wenschen:
\'t Nut proza, \'t daaglijksch werk eens Menschen onder Menschen.
Valt, hooggestemde, u zuur!
-ocr page 103-
95
Vroeg ziet, die aldus leeft, zijn zon naar \'t West zich wenden :
Pie dronkenschap der ziel moet in een sluimring enden.
Waaruit ze aan \'t Graf ontwaakt.
Die zoete waanzin geelt der ziel een gift te drinken,
Dat zacht maar zeker moordt, dat sneller weg doet zinken
Naar \'t liefelijker smaakt!
Moest ooit een ziel de macht dier zwijmling ondervinden,
Heeft, als een bloesemblad, dat dwarrelt op de winden,
Gereten van den boom,
Ooit een verdoolde geest zich losgerukt van de Aarde,
Ik was het — in dien tijd, toen \'k zwijgend ommewaarde,
Toen \'k wandelde in een droom!
Wat heb ik menigmaal mijn eigen Smart bedrogen!
Wat heb ik aan mijn Hoop — gerozenkranste logen —
Geloofd ter goeder trouw!
Hoe dikwerf heeft die Schijn van Vrijheid door mijn nachten
Geschitterd als een straal, die mij een dag deed wachten,
Die — nimmer komen zou!
Want neen! dat schijnsel, dat daar wemelde in den donker,
Hoe rijk zijn prisma blonk met wisslend kleurgeflonker,
Was toch de Waarheid niet!
Dat dwaallicht vol bedrog, steeds dansend voor onze oogen,
Kon slechts het martlaarschap der Werklijkheid verhoogen,
Die zich niet bannen liet!
(\', ernstig is de Wet des Levens! Rimpels kerven
U\'t voorhoofd straks: de Tijd grift zijn: „Gedenk te sterven!"
In deze rimpels neer.
En daarom, op uw beurt, diep in uw hart geschreven
Die blijder zusterspreuk: „O mensch, Gedenk te leven!"
Zoo sterft gij nimmermeer!
Gedenk te leven!" Laat het stormen uit den hoogen,
Het hoofd mag buigen, maar het hart blijve ongebogen!
Wacht; hoop; blijf sterk; wees waar!
\' lucht niet, bedroefde ziel, naar onbekende sfeeren!
\'en Wolken blikt uw oog? Wil \'t naar den Hemel keeren:
Uw labarum blinkt daar!
-ocr page 104-
96
God heeft u de Aarde, voor een proeftijd, toegewezen:
\'t Leed moet u loutren, en de pijn moet u genezen,
\'t Goud moet geschuimd in \'t vuur!
Al weenend lag de mensen, als kind, aan \'s levens poorte:
En tranen plengt hij tot zijn blijde weèrgeboorte
In \'t heilig stervens-uur!
Het leven is een strijd: en Hij die \'t strijdperk opent,
Wacht kloeke daden. Slechts de lafaard is wanhopend:
Geen lafheid voegt den Man!
God sterkt Zijn menschenkind met wonderkracht ten strijde,
Bij eiken nieuwen dag: de inensch, zijn God ter zijde,
Doe wat hij moet en — kan 1
God zendt, als Jakob, u Zijn Englen ten geleide:
Van alle goed is Hij \'t begin en \'t einde beide,
Het middel en het doel.
Hij schonk u \'t leven, en het is uw plicht te leven:
Hij zal u kracht naar kruis, en kruis naar krachten geven,
In godlijk zelfgevoel.
Vooruit dan, moedig en standvastig! Zwakken droomen,
Bewustloos duikende in der Lethe lauwe stroomen, —
Gij, leef en weet waartoe!
Leef! door \'t Geloove, bij den voorsmaak des Aanschouwens!
Leef! door de Godsvrucht! Leef, des biddens, des vertrouwens,
Des hopens nimmermoê!
Leef! door de Vrijheid, door de Vreugde, door de Smarte!
Leef! door de Kunst, en schep uit eigen geest en harte
Een waereld vol van licht!
Leef! door de Liefde! leid die dwalen! troost die weenen,
U-zelf verloochnend ! Schep een Hemel om u henen! . . . .
Leef door en voor den Plicht!
Leef! en streef voorwaards, door \'t onfeilbre Instinkt gedreven,
Dat, sints onze\' eersten dag, het Onverderflijk Leven
Voor ons begonnen is!
Dat God u ziet, u hoort, uw zwakheên wil verschoonen.
Uw onvolkomen werk volkomen zal bekroonen
Uit eeuwge deerenis! — —
-ocr page 105-
\'.17
II.
Zoete Evangelisten! Wol klinkt gij schoon en machtig.
(lij toont me een Ideaal, gants éenig en waarachtig;
Mijn ziel kan u verstaan!
Maar mij ontbreekt rle kracht, de moed wel menigmalen :
(ielijk een bloem haar blaan, verliest de star heur stralen,
En — twijfel grijpt mij aan!
Als \'t ongeduldig ros, dat rukt aan trens en teugels,
Slijt ik mijn kracht om niet ! Gebonden zijn mijn vleugels,
De wegen zijn zoo ruw;
Mijn voeten zijn verscheurd; mijn frissche krachten dorden:
Mijn strijd is neérlaag, en mijn neêrlaag vlucht geworden:
Vlucht — God! tot wien dan U?
Ik staroog en ik peins, o ijdelheid! \'k Blijf vragen:
Wat is des menschen lot, wat zijn des menseden dagen,
Een handbreed uitgebreid?
Wat zijn zij meer dan \'t gras, in d\'ovengloed verschrompeld.\'
Wat meer dan de Aarde zelf, verloren, weggedompeld
In gindsche Oneindigheid?
Gij, Eeuwge! steeds dezellde en immer onbezweken !
Wie ben ik, stofje\' in \'t slof, dat ik het waag te spreken,
O God! tot Een als Gij?
— Helaas! ik leed zooveel: vertroost uw kind, o Vader!
\'lij schijnt wel vaak zoo ver — en toch, wie is mij nader?
Gij, Eeuwige! and woord mij!
iVrij gevolgd.)
LAAT HET GOLFJEN SPELEVAREN.
Laat de golf, in \'t spelevaren,
Vrij haar eigen wegen gaan:
Toch moet ze, als alle andre baren,
Mei den stroom naar d\'oceaan.
Laat haar dartlen, laat haar springen,
Of zij fluistert, of zij bruist. —
Zacht keus met de sterke vuist
Weet de stroomgod haar te dwingen!
Vin.
-ocr page 106-
98
Laat de blijde vogels vliegen,
Steigren naar het luchtgewesl,
Op de bloesemtakken wiegen,
Bouwen zich een steenrotsnest:
Laat hen Qaddren, laat hen weemlen;
\'t Najaar komt: in snelle vlucht
Worden zij door d\' eigen zucht
Voortgestuwd naar warmer heemlen!
Laat de Menseden tobben, woelen,
Sidderen van Vreugde, of Pijn;
Doen, of Denken, of Gevoelen,
Bedelaar of Koning zijn :
Allen worden voortgedreven
Door een innerlijk Instinkt,
Dat de geestverwanten dringt
\'t Zij ten Doode, \'t zij ten Leven!
(Vrij gevolgd.)
VEBJAAHGHOET AAN MIJNE ANNA.
— \'24 apuk. 1803 —
Die door de Zuiderzee, die door de Levensbaren,
Mij trouw ter zijde ging, nu achttien jaren lang,
Nog altijd jong van hart en even blond van hairen,
Haar rijst mijn beê, Haar prijst mijn zang!
De ware Liefde kan verkoelen noch vermindren.
Door haar versmelt de rots, en bloeit de woestenij.
Gij, VVeèrhelft mijner Jeugd! Gij, Moeder mijner kindren!
O spare u God, voor hen en mij!
-ocr page 107-
\'19
DE BLINDE VOGEL.
Heerlijk gloeit, te midden van den donker,
De eeuwge star des Lieds ! . . . .
— Ik zag een vogel,
— Onaanzienlijk vogelken! — des winters
In een enge kevie opgesloten.
Toen ik hem van dichterbij beschouwde,
Zie, daar staarden in \'t gevederd kopjen,
Waar twee vriendlijke oogjens moesten stralen,
Mij twee doode, droeve kassen tegen:
Ach, men had hem de oogen uitgestoken!
Huivrend keerde ik me om: van diepe deernis
Kromp mij \'t hart te samen!
— „Arme vogel,"
Zuchtte ik: „nooit bloeit u de Lente weder!
Nooit meer ziet ge, als vroeger, uit de hoogte
De Aarde in feestdosch, nooit de groene wouden
Wuiven op de bergen, nooit de bloemen
In de dalen wieglen, nooit de stroomen
Met hun zilverlint de lustlandouwen
Aan elkander schaaklen! Nimmer weder,
Zelfs niet door de spijlen van uw kerker,
Komt de glans des hemels u begroeten;
\'t Meimaand-zonnetje, even schoon in \'t krieken
Als in \'t ondergaan, o arme vogel!
Zal voor u noch rijzen meer noch dalen.
U, als mij, verging de lust des levens,
Ons vergingen liefde en leven tevens!". . . .
Dus, weemoedig, klaagde ik .... Maar op eenmaal
Hoor! gelijk een springfontein al klaatrend
Opstijgt in de lucht, gelijk raketten
Starren spranklend naar den hemel spatten :
Zóo rees daar een zilverklare triller
Met een blijden klank, lang aangehouden,
Uit het kweelend keeltjen van den vogel.
Daarop volgde een lied, frisch, onuitputlijk;
En geen smart e klaagde in \'t lied des blinden:
-ocr page 108-
1(1(1
In zijn trillers juichten vrede, vreugde,
Levenslust, en volle Lenteweelde! —
En toch hingen buiten grauwe wolken
Aan den kouden trans, en najaarsnevels
Gluurden somber door de sombre ruiten ....
\'k Glimlachte onder tranen. „Waar" — zoo dacht ik -
„Vond het vogelkijn die toovei klanken\'?
Waaruit spint hij dat welluidend weefsel
Van zijn zangmuziek? Waar vindt de blinde
Zulke blijde liedren in den donker,
Zulk een lenteweelde, als \'t builen wintert\'?
Waar ontspringen hem de gouden bronnen
Van zoo zoet een zang, als de andre vogels,
Schoon met open oogen en zich lavend
Aan \'t gezicht des hemels, lang verstomden?" —
Lente was het, juist toen blijdst en prachtigst
Bloeimaand door de feestelijke schepping
Haar triumftocht hield. Ook deze vogel
Juichte in d\' algemeenen Jubel mede.
Ach. daar werd hij blind gemaakt! Voor eeuwig
liluschte een gruwzaam lot zijn oogensterren,
En nu zit hij blind in de enge kevie!....
Toch verstomt hij nimmer! Hij blijft zingen,
Rustloos, luide zingen: want de beker
Van zijn hart is vol nog, en stroomt over,
Immer over van den lente-nektar!
En (oen lang de lente was gevlogen,
Lang de zomer reeds zijn wieken reefde,
En die andre vogels spraak loos rustten
In hun kerker, zong die blinde vogel
Altijd, altijd voort! want onverloren
Droeg hij Lente\'s weelde in \'t hart, onwetend
Dat de Lent\' voorbij ging, dat de boomen
Beelden in den killen Najaara-nevel.
In zijn binnenst\' hieven ze immer bloeien.
Al de schoone beelden uit de Meimaand!
Blind toch. ziet bij nimmer dat versteenend
Gorgo-schild des Winters! Niels bespeurend
Van het ruwe jaartij\', kleedt de zanger
-ocr page 109-
10-1
Steeds zijn vréugde-droom in vréugde-klanken ;
Tot gezangen spint hij ze uit, der zonne
Goudgloed en d\'axnurglans van den hemel,
Al wat hij verrukt heeft ingedronken,
Wat heelt hij vergaard in blijde dagen,
d\' Onuitputtelijke!) schat des harten !
Zóo gebeurt het, dat de blinde vogel
Jubelt in welluidende gezangen,
Heel den langen tijd, als reeds de zienden
Treuren in de kevie en verstommen !
Neen, ü niet, als dwaze deernis klaagde.
Is de Lente ontroofd, o blinde vogel!
(üij bezit haar, juist, als niemand anders!
Al haar pracht en schat hebt gij behouden —
(\'.ij behoeft niet, als uw meègenooten,
Weg te vluchten over de Oceanen.
Om de hier verdvvenene op te zoeken.
In uw binnenst blijft ze voor u bloeien :
Daarom kan het Noorden haar niet schaden !
U is \'t alles en altijd hetzelfde,
VVintervlokkendans en bloesemregen.
Beter blind te zijn en voort te leven
In gezang, dan ziende en stom te wandlen
Door een waereld, bloeiende van schoonheid!
Arm is \'t oog dat niet kan zien, maar armer
\'t Hart dat niet kan spreken, dat zijn snaren
Niet meer van het Hemelsche voelt trillen!
Midden in de treurige verwoesting
Der verwelkte pracht, staat, onverwelkbaar,
De eeuwge Bloesemkroon des Lieds, gedenkstuk
Van Vervlogen schooner dagen, tevens
Iris-boog der Toekomst, kleurig bloeiend,
Midden in bestraalde regenwolken.
Vreugdloos trekke een uitverkoorne henen, —
Wien de lippen zingende óverstroomen,
\'t Hoogste blijft zijn ziel gegeven ! Heerlijk,
Schoon dan eenzaam, flonkert in den donker,
De eeuwige ster des Lieds; en met de rijkste
Bloesems van het Hemelsch Licht bestrooit ze
-ocr page 110-
102
\'s Waerelds wildernis. Zing voort, o Harte!
Laat den sclioonen tijd, uw zoet Verleden,
In uw liedren leven, immer leven,
Midden in de herfstwoestijn van \'t Heden!
Al het Schoone moet vergaan: maar Liedren
Redden \'t van den ondergang!. . . . Hoog boven
Dorre bloesems en ruïn en, juiche,
Als een vrome Erinnring van al \'t Schoone,
De Eeuwge Poëzy, de zang des Harten !
KW BOBERT HAXEBUge.
DIAMANTEN.
\'s Morgens op de bladerknoppen
Strooit de dauw zijn blanke droppen,
En zij spreiden, heerlijk schoon,
Hun juweelenglans ten toon.
Deze grashalmdiamanten
Hebben aadlijke verwanten,
Gloeiende in de Koningskroon!
De éérste diamanten waren
Als de droppels op de blaren
Vloeibaar. Als de zonne scheen,
Smolten zij in waassems heen\',
Die hun God als wierook loofden. —
Eerst op koude Koningshoofden,
Daar, bevroren zij tot steen I
(Gevolgd.)
-ocr page 111-
103
TWEE GENRE-STUKJENS VAN LOUISA SIEFERT \').
I.
EEN ONDERGAANDE ZON.
Car ils savent qu\'ils vont au rivage éternol.
SAINTE-UEUVE.
(lebukt en wanklend door de zware last der jaren,
Als planten in den herfst, geplunderd van heur blaren,
Zijn ze oud nu, alle twee. Zij luistren, hand aan hand,
Naar \'t klinken van de zeis en \'t lied der veldelingen,
En zien de blonde jeugd in dartle groepjens springen
En duiklen in het hooi, gestapeld ginds op \'t land.
De kindren zijn verblijd, natuur schijnt feest te vieren.
En waar die boogert staat, omheind met populieren
En eiken, pralend nog met d\' ouden bladerpronk,
Is \'t of die stammen ook het nieuw geslacht begroeten,
En stil berekenen, hoe vaak reeds aan hun voeten
Die lach van rozenlipjens klonk !
Ach, hoe eentonig ook, snel stuwt de Tijd zijn stroomen.
Ziet, vijftigmaal is nu die herfstdag weggekomen,
En immer als een feest, toen dit gelukkig Paar
\'t Bezwoer in nood en dood elkaar getrouw te wezen!
Zij, was toen blank en slank, uit bonderde uitgelezen,
Hij, frisch vol kracht en moed. Hoe minden zij elkaar!
Nu zijn zij de eenigsten, die nog elkander noemen
Met de oude namen uit hun jonkheid, en de bloemen
In \'t groen herbarium des levens gadeslaan,
Met een: „Herinnert ge u?" of: „\'k Heb dat nooit vergeten!"
Want allen die zij eens hun reisgenooten heeten,
Zijn éen voor éen voorbijgegaan!
Zoo zijn die rimpels, diep hun voorhoofd ingedreven,
Grafschriften op hun doön, door Tijd en Smart geschreven:
\') Rayons perdus, Paris 186*). Dit bundeltjen is de eersteling van oen jeugdige
\'Hchteresse, geboortig van Lyon, waar zij nog woont in liet ouderlijk huis. f)o eerste
\'•nik was in weinige wckon uitverkocht, eer nog oen Sainte-Beuvo en oen Emile
\'>\'-,seharaus tijd hadden gehad er hunne ingenomenheid en sympathie over uit tj
\'Preken, gelijk sedert geschied is.
-ocr page 112-
104
\'t Zijn ouders, vrienden, wier gedachtenis er rust.
Zij vielen om hen heen\'! (ielijk in dichte wonden
Somtijds twee boomen naast elkaar zich staande houden.
Waar \'t onweer woedde, ol\' de axt de stammen heelt geblutst:
O! wel, zooals men, na den veldslag, tegen d\'avond,
Twee kameraden, door des vijands schroot gehavend
En menig sabelhouw, elkander steunen ziet:
Zóo wacht dit Echtpaar ook, onscheidbaar saamverbonden,
In \'s levens worstelperk, met eerelijke wonden,
Den dood, Gods Engel, in \'t verschiet!
Want beide weten nu, terwijl ze er God voor loven,
Hun kostlijk graan gerijpt: zij zien de volle schoven,
Hun arbeid is voleind, hun oogst is ingehaald !
Der dochtren dochters, en de zonen hunner zonen
Vervangen nu hun plaats, en erven hunne kioonen,
Hun blos, hun hoop, hun jeugd, die uit nieuwe oogen straalt.
De kindren wandlen voort in de ouderlijke schreden,
En de ouders kunnen nu, met God en lot tevreden.
In stilte henengaan, hij \'t naadren van den nacht!
Hun kostlijkste Erlnis, bun aartsvaderlijke zegen,
Hun goede naam, met eer bij God en Mensch verkregen,
Blijft rusten op hun nageslacht !
0. \'t is iets lieflijks, iets verhevens, \'t aan te staren,
Hne die twee Oudtjens, met de witbesneeuwde hairen,
Nog immer stralen van den glimlach van voorheen.
\'t Is, als aanschouwdet gij het avondzongeflonker.
Lat d\' Alpentop bestraalt, in spijt van \'t schemerdonker,
Dat viel, maar enkel in de dalen daar beneên !
liie liefde, een halve eeuw oud, besneeuwd maar nooit bevrozen.
Heeft met den kuischen geur der halfverwelkte rozen,
Die \'t blosjen overleeft, hun zielen overspreid.
\'t Geloof, dat hen verbond in \'t moeitevolle leven,
Dat steeds hun handen steunt, vereend tot God geheven,
Verzekert hun de Onsterflijkheid!
Sterk door genoten zoet en de overwonnen smarten,
Hun blikken menglend. hun gedachten, en hun harten,
Zóo zijn zij heden, en zóo waren zij altijd !
Wat ooit hun hoofd boog, of hun vasten voet deed beven,
-ocr page 113-
11)5
De .Jeugd der Ziele mocht hun winter overleven :
Gods goedheid, eeuwig jong, heeft hun verbond gewijd!
Kn mogen hun misschien nog weinig dagen resten,
Kik uur is hun gewin! Zij zien niet meer naar \'t Westen :
Zij zien een andre zon, die daget uit het Oost.
Zij leelden samen: mag hun hart zijn wensch verwerven,
D;m zullen ze op éen dag, als de olm en \'t klimop sterven,
In de eeuwge liefde Gods getroost!
II.
VOOIi \'T KNAPPEND HAARDVUUR.
Toujours ces quatres douces têtes
Kiaient ....
VICTOR HIGO.
Voor \'t knappend haardvuur — \'t is daar buiten grimmig weder ! —
Zit, met zijn gansch gezin, de goede vader neder:
Zijn grijze moeder aan zijn zij\',
Wie door den winter van een tachtigjarig leven
Nog menig lieve bloem te plukken werd gegeven,
Al is de laatste nu nabij:
Kn dan, de jonge vrouw, stil — peinzend, zacht -- bewogen,
Llie naar den hoogen blikt, met zalig — stralende oogen.
Of ze in d\' ontsloten hemel zag,
En aan heur blanke borst den zuigling drukt, wiens lipjens
Nog met de moedermelk op \'t bloedkoraal der tipjens,
Zich oopnen tot een luiden lach:
In, midden in den kring, de kinderen die spelen.
llie dartel gigglen, of hun eigen deuntjens kweelen,
Welluidend als der vooglen lied;
Zij zijn daar alle drie, blondlokkige Englenkopjens,
ïïisch als de morgendauw op lenterozenknopjens,
Zacht als een donzen nestje\' in \'t riet!
\'\'l> \'t mollig vloerkleed, op de kniën half gebogen,
slaan de oudsten \'t kleinste ga bij zijn angstvallig pogen,
En strekken de armen uit naar hem;
nu, hun stemmetjens, zoo zacht reeds, nóg verzachtend,
-ocr page 114-
106
Zendt de eene hem vooruit; de tweede, hem verwachtend,
Bemoedigt hem met wenk en stem.
De kleine, éen vuur en al, het rozenmondtjen open,
Kraait, schatert: hij is hang, hij wil maar durft niet loopen :
Drie schreên! wat schijnt die afstand wijd!
Als hij vooruit zal gaan, daar deinst hij weer!.... Een kusjen
Van broer geeft nieuwen moed. — „Nu kom dan !" vleit het zusjen.
En beide prijzen hem om strijd.
Hij schatert; hij is bang — hij aarzelt, waggelt, wankelt.
De vlam van \'t kerstblok aan den haard, dat lustig sprankelt,
Weerkaatst het groepje\' op \'t wit gordijn.
Grootmoeder knikt; doodstil zijn de ouders, of zij danken;
En \'t zogend wichtjen slaakt die murmelende klanken,
Die onvoldragen woordljens zijn.
De kleine beeft. In \'t eind is zijn besluit genomen:
Daar waagt hij \'t, flink en wel, en toch niet zonder schroomon.
Eerst traag — dan komt hij aangesneld
In plotselinge vaart. Met hooggekleurde wangen
Snelt hij zijn zusje\' in d\'arm: eer zij hem op kan vangen,
Daar buitelt reeds de kleine held!
Men kust zijn traantjens af. Nog eenmaal zal hij \'t wagen!
Die weg, voor goed gebaand, wordt tienmaal ingeslagen,
Terwijl zijn vreugdekreet weerklinkt.
En de ouders, zalig in hun viertal lievelingen,
Beproeven vruchteloos een traan terug te dringen,
Die uit het hart naar de oogen springt.
HET LIED DER TWEELINGZUSTERS.
„Groene Lentetijd,
\'s Levens morgengloren !
Groene Lentetijd,
Die zoo vluchtig zijt!
„Kwam\' er nooit een dag,
Ons zoet duo storen!
Kwam\' er nooit een dag
Die ons verre zag!
-ocr page 115-
107
Als een bloemenpaar
Zijn wij met ons beiden,
Als een bloemenpaar
Op een Rozelaar!
„Kwam\' er nooit een knak
Om dat paar te scheiden!
Kwam\' er nooit een knak
Die den stengel brak!
„Vaders vleiend woord,
Moeders zoete namen,
Klonken ze in akkoord
Heel ons leven voort!
„Immer innig éen,
Wenschen we ons te samen.
Immer innig éen,
Immer lotgemeen!...."
Alzoo zongen zij,
Lieve Tweeling-zusjens,
Alzoo zongen zij :
Wondre harmony!
Tot — een derde kwam, —
\'t Hart vol minnelustjens!
Tot een derde kwam,
\'t Oog vol minnevlam!
W i e hij kiezen zou
— Eerlang zal het blijken! —
Wie hij kiezen zou
\'t Zusjen zwoer hem trouw!
Want — waar Meerder wil,
Daar moet Minder wijken.
En naar A mor\'s wil,
Draait de waereldspil.
-ocr page 116-
108
EEN NOODLOT.
Voorzichtig, ktiiiap! gij kent de kreek nog niet:
(lij zijt een nieuwling nog! De windvlaag schiet
Hier sterker heen om d\'uithoek van het woud.
Uier zij vooral geen schippershand te stout!
I!ij d\' inham juist, nabij de zeekre haven,
Heeft vaak in \'t diep de Nix haar prooi begraven!
Zoo! veilig zijn wij binnen! \'t Zeil omhoog!
Geen wolkjen drijft aan d\' effen hemelhoog.
Nu stuwt de wind ons zacht naar \'t dorpjen voort;
Zie, hoe daar \'t maantjen door de wilgen gloort.
Trek in het roer! Zie zool wij kunnen samen,
\'t Was heet van daag, van d\' arbeid nu heramen.
\'t Wordt stil. De grijze nevel breidt zich uit
Op \'t water. Gij verneemt er geen geluid
Dan \'t kwaeken van een vorsch, of \'t zacht gedruisch
Van \'t vischjen. duikend uit zijn glazen kluis,
En \'t murmlen nu en dan der wilgenboomen,
Die, daar aan de overzij\', \'t moeras omzoomen.
Ja, knaap! zoo rustig is \'t hier niet altijd.
In Maart, dan voert men hier een andren strijd,
Wanneer de sneeuw op \'t hooggebergte smelt,
En naar de kreek al bruischend neder snelt,
Een stortvloed, als verwoed zijn golven zweepend.
Geboomte en dam en huizing medesleepend!
Dan blijkt de moed! Want op den wilden schoot
Der dwarrelkolken hobbelt dan de boot,
Omringd van al de wrakken, in den val
Der bergkaskaden meegevoerd naar \'t dal.
Wij, onvervaard daarlusschen dobbrend, garen
Wat waardig is dat wij als buit bewaren.
Mijns broeders oudste was een wakkre borst,
De trots van \'t dorp! Wat die niet wagen dorst!
Hij was een wees, ik nam hem aan tot kind ....
-ocr page 117-
109
Nog zie \'k hem! .... \'t Blonde hair golfde op den win\',
Daar zat hij, frissche knaap van zestien jaren,
En \'k leerde, als u, hem \'t visschen en het varen.
Hij ruste in vree! .... Het liefste voer hij uit
In \'t wildste stroomgebruisch en stormgefluit.
Tienen had zooveel geluk bij zooveel kracht.
Vaak heeft hij reuzenstammen thuis gebracht,
Die dreven in den maalstroom, kostbaarheden
Ku have, door den vloed vergeefs bestreden.
Dus vlood er menig jaar. Hij vischte en won
Zooveel dat hij een huisjen bouwen kon.
Hij timmerde de balken in elkaar.
En haastte zich al meer bij ieder jaar,
En arbeidde in zijn ledige avondstonden,
En rustte niet eer \'t alles was verbonden.
Nu kwam het uit, wat hem had aangespoord:
Sints lang had buurmans Elsjen hem bekoord!
Toen \'t huisjen klaar was naar den besten trant,
Daar kwam hij met lief Elsjen aan de hand.
En sprak: „Gun bij \'t vermeerdren uwer dagen,
„O grijsaard, ons uw arbeid wat te schragen!
„Kom, zegen gij mijn Bruid! Woon bij ons in
Als vader van \'t gelukkigst Huisgezin !
Zóo, dacht ik steeds bij \'t bouwen, moest het zijn:
Voor u alleen maakte ik een kamerkijn.
Ik vaar voor u, en zij zal voor u spinnen !
Zeg „Ja"! Steeds zullen we innig u beminnen!"
Wat zou ik doen? Lief Elsjen was zoo goed,
Heur blik zoo zacht, vol reinen hemelgloed;
Al wat zij deed, deed zij met lust en vlijt:
Zij praatte niet, verkwistte nooit haar tijd.
Zoo keurig was ze en blank, zoo maagdlijk teeder,
\'k Zag nooit en nergens haar gelijke weder!
"t Was winter. „Kindren"! sprak de dorpspastoor,
„Geeft, eer de Vasten komt, uw wensch gehoor.
En — trouwt! Tot Paschen duurt te lang: welaan,
-ocr page 118-
HO
Nog juist kunt ge onder de geboden staan!"
Wij, oudtjens, wilden \'t jonge paar niet plagen:
\'t Zou Bruiloft zijn, nog binnen veertien dagen.
\'t Was al gehuld in blijden hoogtijglans;
Alleen ontbrak dei\' bruid de mirtenkrans:
Die moest er zijn naar \'t oude landsgebruik!
In onze sneeuw tiert bloem noch groene struik;
Op schaatsen zou de bruigom — geen twee mijlen
Is de afstand — om de bruidskrans stadwaarts ijlen.
Maar in den zelfden nacht, daar keert de wind:
Het Westen smelt den sneeuwvlok en ontbindt
Den winterboei der waatren: de Opper-Rijn
Scheurt onverhoeds zijn vloer van kristallijn,
En dondrend komt, met doodelijk vermogen,
De felle vloed den ijsgang nagevlogen.
Twee lange dagen hield de jongling \'t uit;
Den derden avond ging hij naar zijn bruid :
De speelnoots hadden haar — hij blijft verrast,
Bewondrend staan! — het bruidskleed aangepast.
Hoe ze als een koningin van schoonheid straalde,
Van liefde en vreugd! Maar ach, de bruidskrans faalde.
Hij sloot haar in zijn arm: O Liefste mijn!
„Dit," sprak hij, „moet u niet tot droefheid zijn:
„\'t Is morgen vastenavond: nu is \'t tijd,
„Of lang is \'t uitstel. Daarom, wees verblijd !
„Deez\' avond, moog de hemel het gehengen,
„Deez\' avond zal ik u de bruidskrans brengen!" —
Zij slaarde op \'t water: „Lieve vriend, gij ziet
Hoe alles roept: „Beproef\' het waagstuk niet!
Wacht Paschen af! Of meent gij dat mijn trouw.
Mijn liefde, niet tot Paschen duren zou?
Ze is zeven jaar dezelfde altijd gebleken:
Ontrust ge u thands om zeven korte weken?"
Toen sprak hij: „Ja! \'k heb jaren achtereen
„Gesmacht of toch die blijde dag verscheen,
„Gelijk een kind naar \'t heilig kerstfeest wenschl!
-ocr page 119-
111
„Ik heb u lief: mijn liefde is onbegrensd
„En éenig — \'k weet, al zou de dood mij beiden,
„Ook zelfs de dood zou mij van u niet scheiden!"
Zij siddert voor \'t onwankelbaar besluit,
En vraagt: „Maar maakt de bruidskroon dan de bruid\'?
Al vlecht gij mij geen groene krans door \'t hair,
Ik volg u even blij naar \'t echtallaar.
Wat zoudt gij toch uw kostbre levensdagen
Ter wille van een welkend kransjon wagen\'.\'"
Toen sloeg opeens de gramschap hem door \'t bloed:
„Dat woord, door u gesproken, is niet goed!
„Ik zou voor \'t altaar treden met een maagd,
„Die \'t sieraad der jonkvrouwlijke eer niet draagt\'?
„Gij zoudt ter kerke gaan als zij die boeten
„En diep \'t ontwijde voorhoofd buigen moeten\'?
„Als dan een knaap mij met een spot lach vroeg:
„„Hoe kwam het dat uw bruid geen bruidskroon droeg V" \'
„Al sprak ook slechts een enkle dat tot mij,
„Neen, bij mijn ziel! zoo bleef het daar niet bij:
„Hij moest er aan, of ik! Meer dan mijn leven
„Acht ik uw naam: daar mag geen smet op kleven!"
Zij knielde voor hem neer: hij scheurt zich los;
Zij weende luid: hij sprak met woesten trots:
„\'k Was met de golf vertrouwd eer \'k u bezat,
„Gelijk de bruid heeft zij mij liefgehad.
„Vlood ik haar nu, het zou lafhartig wezen:
„Wat hebt gij van haar jaloezy te vreezen?" —
Hij treedt aan \'t strand, gereed om scheep te gaan
De visschers zien met sombren blik hem aan.
Zij schudden \'t hoofd — ik, sidderde evenzeer,
Vergoot een traan, maar ging hem niet te keer.
Ik kende hem: geen dreigen en geen smeeken
Was ooit in staat dien ijzren wil te breken.
Zij zat voor \'t vensterraam in angst en rouw,
Nog hopend dat mijn raad hem treffen zou.
Nu zag zij hem in \'t bootjen op de kreek —
-ocr page 120-
H\'2
Ken laatste beè! en koud en marmerbleek,
Met wilden tred, de lokken losgerelen,
Vliegt zij naar \'t strand en roept mot luide kreeten.
Zij droeg, als straks, de witte bruiloftswa ;
In snelle vlucht joeg ze onverpoosd lieni na.
Haar kwetst de wilgentak, het scherpe riet.
De doren scheurt haar kleed — zij voelt het niet.
Snel ging de boot — ze is d\' inham uitgevaren.
En klieft den stroom, die aanbruischt met zijn baren.
Nu was haar pad ten einde: zij bleef staan,
En met ontzetting zag zij \'t schouwspel aan —
Het vaartuig worstelde op den vloed — een gil
Ontvloog haar, als een doodskreet scherp en schril;
En nu eerst hief hij \'t oog op. en herkende
De bruid, die hooploos naar den stroom zich wendde.
Hij riep baar toe, gewis een troostend woord!
Maar och, de storm droeg \'t op de vleuglen voort.
Hij wenkt haar met de hand. of hij verbiedt
Te blijven; zij verstaat het teeken niet:
Zij blijft daar staan, met opgeheven handen —
Hij moet haar aanzien, hoe de golven branden.
Hij houdt den blik naar stroom noch roer gericht,
Hij staart slechts op haar doodsbleek aangezicht.
Al verder wijkt hij van den woud/.oom af,
Al wilder danst hij boven \'t diepe graf.
Hij is al verre en verder afgedreven,
Hij ziet het niet — naar baar den blik geheven!
Daar had de golf in \'t diep van \'t weeke zand
Een meêgevoerden boomstam vastgeplant.
Daar woelde \'t drijfijs. krakende opgegaard,
En sleepte \'t bootjen meè in woeste vaart,
\'t Stiet op den stam en steigerde op den steven
Manslengte hoog — waar is de mast gebleven?
Versplinterd als een riet! Het zeil verscheurd!
De wrakke kiel ten afgrond meegesleurd!
En hij, omhoog geslingerd door den stoot,
-ocr page 121-
413
Mijn zoon, mijn zoon, ploft in der golven schoot!
Tot driewerf toe verhief hij \'t hoofd nog weder,
Tot driemaal toe trok hem de draaikolk neder!
Hij kwam niet meer te voorschijn — \'t lieve licht
Des daags, der hoop, was voor den nacht gezwicht.
Wij zwierven langs den oever heen\' en weer:
Hem zagen wij voor \'t laatst, maar haar niet meer!
Slechts lag in \'t riet een flarde weggesmeten
Van \'t bruidsgewaad, in doodsangst stukgereten.
Drie dagen later kwamen kindren, bleek
En bevend, uit de wilgen bij de kreek.
Die hadden haar, in \'t aangezicht bebloed,
Het hair verwilderd, en halfnaakt ontmoet;
En bij den blik der roerloos starende oogen
Was hun de schrik in \'t pooprend hart gevlogen.
Wat verder van haar werd, wie die \'t verhaalt?
Heeft zij nog lang waanzinnig omgedwaald?
Zocht ze in den stroom verkoeling voor haar smart.
En rust ze nu in \'t diep aan \'s bruigoms hart?
Wie weet het\' maar daar zijn er die verklaren,
Dat soms haar bleeke schim in \'t rond komt waren.
Men zegt, als zij verscheen, dan spoelt de stroom
Dien nacht een drenkling aan op d\' oeverzoons.
Toch meent zij \'t goed met ons: en keert de orkaan,
Steeds duidt zij \'t ons door eenig teeken aan.
Nooit, sints mijn kind in \'t ijs is weggezonken,
Is iemand uit ons dorpjen meer verdronken....
Het zeil gewend! linksom gaat nu de vaart,
Waar breeder spiegel ons de kromming spaart.
Nu hebben wij___ Pas op! wat zie ik daar?
Wordt ge op dat plekjen ginder niets gewaar?
Daar! waar de nevel dwarrelt op de stroomen ....
Help, Hemel! ze is \'t! daar, bij de wilgenboomen!
Moed, jonge borst! Wij dienen daar voorbij!
Neen, gil niet, vrees niet! houd u dicht bij mij.
-ocr page 122-
Ui
Zij waarschuwt niet vergeefs: bemerkt gij \'t niet,
Hoe \'t water wast, de wind naar \'t noorden schiet -
Niet gaarne zag ze een hair op \'t hoofd ons krenken
Ziet gij die bleeke hand in \'t maanlicht wenken\'.\'
God sta hem bij, die hier den stroom genaakt
Te middernacht, als Water-Elze waakt,
En gun\' hem nog een bede voor zijn dood!
Ons doet zij niets: geweken is de nood.
Daar straalt het dorp ons met zijn lichtjens tegen.
Aan wal! en dank den Hemel voor zijn zegen 1
aar godirikd kinkel.
SCHERZANTE.
I.
GEVALLEN GROOTHEID.
— Phylax op Stroo —
Phylax op stroo! Phylax, die \'t hoenderkot
Eens siddren deed op \'t rammlen van zijn keten.
Ja, méér! die \'s nachts, als hij uit kopren strot
/Jjn: „Werda!" riep, den dief van angst deed zweeten:
Phylax op stroo! Zijn glorie is vergeten:
De haan, de hen, komt snufflen in zijn pot,
De kuikentjens-zelfs snoepen van zijn eten —
Driest steekt de dief den looper in het slot!
„Is dat Phylax?" Zoo kaaklen ze al te samen:
„Wij, bang voor hem ? Wel hebben we ons te schamen:
„Die boeman was de held niet die hij scheen!
„Zoo wij hem \'t leven laten, \'t is per gratie!
„Zijn naam is — geusurpeerde reputatie! — >
— Troost u, Phylax, met NAPop Sint-Heleen!"
-ocr page 123-
H5
II.
BIJ EEN NAMELOOS VROUWENPORTRET.
Daar staat gij, blonde dame! u wél bewust
Van rijkdom, rang en schoonheid, fier pozeerend.
Zeer paerelrijk, in adelijke rust,
Sterk met uw blanke handtjens koketteerend!
Wat droomt ge.\' — Een droom vol dartle levenslust,
Of hoogen trots? Van schatten, steeds vermeêrend?
Van Koningen, u met hun gunst vereerend\'?
Of d\' armen paadje, die uw voetspoor kust?
Ik weet het niet! En van die \'t weten kónden,
Wordt niemand meer in \'t tranendal gevonden: —
Maar.... wat ge ook in uw droomen hebt aanschouwd,
Wel zeker niet de vuile tentgordijnen,
Waar achter Abram vrijdags-boelhuis houdt,
En Isak voor twee kwartjens u zal mijnen!
111.
DE ZEDEMEESTER OP HET IJS.
1.
Mijn lieve, beste Klaasjen!
Éen schoentjen en éen schaatsjen,
Dat is niet wél gepaard.
Gij moet zoo waarlijk kiezen:
Of — wandlen langs de biezen,
Of — rijden naar den aart.
Met éene schaats en éenen schoen,
\'t Is mallen!
Wat kan de Halfheid anders doen
Dan vallen?
-ocr page 124-
H6
2.
En nu nog een a-part-jen,
Mijn ooiijk, vroolijk liartjen!
Hoor wat de meester zegt:
Twee vrijers aan te houën,
•- Gij kunt er éen maar trouwen!
Dat gaat al oven slecht.
Geef d\' een den bons, en de ander \'t woord !
Geen kneepen!
Wat kan de Halfheid.... en zoo voort.
Begrepen ?
Men moet in alle zaken
Het recht en billijk maken:
Eerst wikken, heen en weer,
Maar eindlijk ook besluiten.
Naar binnen, of — naar buiten,
Het ijzer, of — — het leer!
En koost ge goed, en staat ge pal.
Avance!
Standvastig! Honey soit qui mal
Y p e n s e.
GRAFSCHRIFT.
Hier sluimeren de knoken
Van deftige\' Adriaan,
Die nooit een slecht woord heeft gesproken,
En nooit een goed werk heeft gedaan.
EEN REGENBOOG.
„Een regenboog! een regenboog!"
Riep elk, en blikte naar omhoog.
„Wat wonder! Och, waarom zoo spoedig toch verdwenen.
Dit hoorde Jupiter, en liet het wonder staan.
Maar \'t had geen drie kwartier geschenen,
Of niemand zag het ding meer aan.
-ocr page 125-
ITALIAANSCHE HEMEL.
De zoon van \'t neevlig Noord, die in zijn dorre dalen
Niet weet wat schoone zon op \'t Zuiden nederziet,
Doe zijn verrukten blik door de ijle ruimte dwalen
De blinde! hij beeft nooit den Dagmonarch zien stralen,
Het ware Licht, hij kent het niet!
O heerlijk Parthenope! o Land der blijde dagen!
Uw licht is waarlijk licht, uw zon is waarlijk schoon!
\'t Is liefde en leven wat haar gouden stralen dragen!
Zij is de beeldtnis van Gods eeuwig welbehagen,
Zijne onvergankbre gloriethroon!
De blik verliest zich in uw blauwe hemelboogen,
Als in de diepte van een kristallijnen stroom.
Uw licht is rimpelloos, doorzichtig, onbewogen,
Rein als een kinderlach, klaar als twee vrouwenoogen,
Zacht als de zomer in een droom.
De neevlen zijn haar vreemd, die ons klimaat doen treuren ;
Haar enkle wolken zelfs zijn snel en duren kort:
Zij smelten zachtkens weg als dunne wierookgeuren,
Zij zijn zoo rijk doorstikt met goud en purperkleuren,
Dat ook haar lloers een sieraad wordt!
PIERRE LEBRUN.
BLOEMEN IN DE ZIEKENKAMER.
Och, laat wat frissche lucht mijn kamer binnenglijden,
En geef\' mij verscli gebloemt\'! De bloemen doen mij goed.
„Maar zij gaan sterven!" .... Ach, \'k zou bijna haar benijden:
Het is een godlijk medelijden,
Dat, jong en schuldloos nog, het Schoone sterven doet.
-ocr page 126-
118
Geen storm is noodig om een teedre bloem te dooden:
Éen worm is vaak genoeg, éen ruwe handendruk.
Geen lange weerstand wordt door \'t Vrouwenhart geboden
Éen traan ontblaart soms haar geluk.
De reuzige eikenstam kan worstlen met de orkanen;
Vast hecht bij zich in \'s aardrijks schoot.
Zóo staat de sterke Man in menig bangen nood:
Zoo koopt hij vaak voor véle tranen
De trage weldaad van den dood!
Zoo gij de kranke wilt verblijden,
Och, reik haar bloemen aan! De bloemen doen haar goed.
Ween niet dat ik, als zij, zoo vroeg verwelken moet:
Het is een godlijk medelijden,
Dat. jong en schuldloos nog, het Schoone sterven doet.
MABCEL1NE DKSBOH.DES-VAÏ.M01U.
AAN DE ZON.
IN ITALIË.
Vriendinne van mijn jongste dagen!
Getuige van mijn vroegste vreugd!
Wie al mijn juichen, al mijn klagen,
Mijn huis, mijn haard, al \'t mijne, heugt!
De vrienden wijken uit onze oogen,
Verwachtingen en droomen vliên:
Gij hebt nog nimmer mij bedrogen,
Wanneer gij spraakt: „Tot wederzien I"
Gij weeft het groen platanenlover
Ten sluier voor mijn vensterraam;
Gij trekt met mij de bergen over;
Op alle wegen gaan wij saam\'.
Gij doet er blijde vogels zingen,
Wier oude taal mijn hart verstaat;
En onder duizend vreemdelingen
Verkwikt mij uw bekend gelaat.
-ocr page 127-
119
Gij wekt mij \'s morgens met uw stralen
Gij wenkt mij \'s avonds goeden nacht.
Wat al vertroostende verhalen
Hebt gij van huis mij meegebracht!
Hebt gij mijn reispad niet beschenen ?
Door u bloeit mijn amandelstaf!
Eens, als geen mensen er meer zal weenen,
Zult gij nog schijnen op mijn graf.
O wees mijn bode, gij Getrouwe!
Beschijn mijn dierbaar vaderland!
Bezoek mijn vriendlijke landouwe,
De linde, voor mijn huis geplant 1
Ziet gij geen vrolijk Zestal vlindren,
Blonde englenkopjens al te maal?
Zeg: „Dat komt van uw moeder, kindren!"
En kus ze met uw warmsten straal!
MA IK KI.I.NK lIESBOHDES-VALMOr.E.
CHBISTOPHEL COLUMBUS.
„Keer naar Euroop!" — „Houdt moed!" „De moed is uitge-
[bluscht!" —
,Geef mij drie dagen, en \'k zal u een waereld geven!"
Zoo spreekt Columbus, en als zag hij reeds de kust,
Houdt hij naar \'t wijd verschiet den vinger opgeheven.
Hij zeilt — daar daagt alreeds de tweede morgenstond;
Hij zeilt — en altijd deinst de flauwe horizont;
ilij zeilt — en de avond daalt op purperroode wolken.
De blauwe zee smelt weg in \'s hemels blauwe sfeer:
Hij werpt het dieplood uit, maar altijd keert het weer
Uit bodemloze kolken.
De stuurman, daar zijn arm zich op den helmstok leunt,
Van de andren afgewend, zit neer in droomend waken:
Hij hoort hoe \'t slingrend schip bij eiken golfslag kreunt,
Hoe \'t werkend want zich rekt en al de masten kraken,
De starren van Euroop\' verdwijnen aan den boog,
Het vlammend kruis van \'t Zuid verrast zijn pinkend oog.
-ocr page 128-
120
Daar rijst in \'t eind de zon bij kalmer golfgeklater!
Ken gloed van purper tint den wapperenden vlag.
„\'t Is dag!" weerklinkt de kreet: „Welnu, wat brengt de
„Niets, niets dan lucht en water!"
          [dag?" —
Wat nood! de stuurman is gerust gelijk altijd.
Gij meent het? Leg de hand eens op dien boezem neder,
Zoo u de roem verlokt I Daar woedt een bange strijd,
Daar vliegen hoop en vrees al worstlend heen en weder.
O, wist gij, welk een kamp dat hijgend hart vermoeit,
Dat nu van smart bevriest en dan van blijdschap gloeit,
Dat, rusteloos geschokt, zijn beste kracht voelt slopen,
Gij riept met deernis uit: „Drie dagen! uur aan uur
„Door \'t lijden uitgerekt tot eeuwen! Neen, zóo duur
„Wil ik den roem niet koopen!"
Helaas, wie schildert ooit de nameloze ellend,
Wie noemt de stormen op. die in de ziel verrijzen
Eens Grooten Mans, die door de zijnen wordt miskend,
Verheven dwaas, bespot door alledaagsche wijzen!
Gij, Galileï ook, zijt martelaar geweest!
Ach, welk een folterpijn voor uw geknakten geest,
Toen gij den schat verwierpt door zooveel vlijts verkregen,
Verloochnend wat de rede als waarheid openbaart,
In \'t aangezicht der Zon, en voor het oog dier Aard,
Die „toch zich blijft bewegen!" \')
De tweede dag verdween. Een zachte sluimring sloot
Columbus\' brandend oog; maar \'t oproerbent blijft waken.
„Hij doe zijn woord gestand bij \'t derde morgenrood,"
Zoo iluislren ze: „of de Zee verzwelg\' hem in heur kaken!\'
Ondankbren! hoe? Zijn graf zal gapen in dat Diep,
Waardoor zijn reuzengeest zich nieuwe wegen schiep?
En morgen reeds misschien spoelt op die zelfde baren
Zijn lijk op d\'oever aan, dien hij van verre zag,
Hij, thands de Avonturier, en — over éenen dag
De roem der Martelaren!
•) ZloapaUng op Gulileïs bekenden uitroep: E pur si muove!" „En toi°
beweogt zij zich!" (naami. de Aardo rondom de Zon.)
-ocr page 129-
•121
Hij droomt: daar stoort een kreet zijn liefelijke rust.
,Liind!" roept men. Nogmaals: „Land!" Verbaasd ontsluit hij
[de oogen:
Halfduizlend blikt hij uit; en ja, daar blauwt de kust!
Hij groet haar, spraakloos, van verrukking opgetogen.
Zijn tranen barsten los in onweerhouden loop:
Wat zegt Fernando nu, wat Spanje, wat Euroop?
Hij zal een goudstroom in zijns Konings schoot doen vloeien :
Nu worden roem en vreugd, na zooveel leeds, zijn deel:
Ken Kroon waar\' zeker voor een Waereld niet te veel ....
Wat kreeg hij\'.\' — Slavenhoeien.
CASIM1U liKl .\'. VW-. I .
MARIA STUARTS AFSCHEID AAN FRANKRIJK.
Hooge wouden, frissche weiden.
Waar mijn jeugd is weggespoed!
Dierbaar Frankrijk, wees gegroet!
Ach, nu ik van U moet scheiden,
Is het of ik sterven moet!
Tot vaderland had u mijn hart verkeren:
Ik ga als een die zich gebannen ziet.
Vaarwel, en wil mijn jongste beè verhooren,
Vergeet dit uur, vergeet Maria niet!
De wind steekt op, het schip verlaat de reede,
De valsche golf voert ons niet weer naar \'t strand..
Uw zegen wel, maar niet mijn hart gaat mede:
Dat blijft bij u ten levend lieidepand!
Hooge wouden, frissche weiden,
Waar mijn jeugd is weggespoed;
Dierbaar Frankrijk, wees gegroet!
Ach, nu ik van U moet scheiden,
Is het of ik sterven moet!
Wanneer ik mij in \'t hermelijn vertoonde
Voor \'t oog van \'t Volk, dat ik zoo teer bemin,
Dan gold veeleer de hulde, die mij kroonde,
De jonge Vrouw dan de edele Vorstin!
-ocr page 130-
1\'2\'i
Wat zal ik ginds, bij onbeschaafde Noren\'?
Mijn levens roos zal onbemerkt vergaan.
Kon ooit een troon mijn zorgloos hart bekoren,
Voorwaar, hij moest op Frankrijks bodem staan !
Hooge wouden, frissche weiden,
Waar mijn jeugd is weggespoed!
Dierbaar Frankrijk, wees gegroet!
Ach, nu ik van U moet scheiden,
Is het of ik sterven moet!
Hier was ik vrij, hier zweefde ik in de stralen
Van liefde en roem, als \'t vogeltje in de lucht:
Ginds zal ik droef en eenzaam ademhalen,
Der duif gelijk, die in een kevie zucht.
Een naamlooze angst heeft me al mijn vreugd ontnomen,
Bij \'t voorgevoel van een rampzalig lot:
Ja, \'k waggel soms, in akelige droomen,
De trappen op van een bebloed schavot!
Hooge wouden, frissche weiden,
Waar mijn jeugd is weggespoed,
Dierbaar Frankrijk, wees gegroet!
Ach, nu ik van U moet scheiden,
Is het of ik sterven moet!
Naar U, naar U, o welbeminde stranden!
Blikt Stuarts telg van gindsche rotsen uit;
U zoekt zij nog met zegenende handen,
Als eens de dood heur brekende oogen sluit.
Ik zoek vergeefs uw laatsten stip te ontwaren:
De wind verstrooit mijn (luisterende klacht;
De steven klieft de wentelende baren,
Land mijner ziel, voor \'t laatste, goeden nacht! . .
Hooge wouden, frissche weiden,
Waar mijn jeugd is weggespoed
Dierbaar Frankrijk, wees gegroet!
Ach, nu ik van U moet scheiden,
Is het of ik sterven moet!
1\'. J. DE UERANGER.
-ocr page 131-
123
CHARLOTTE CORDAY.
Hoe nu! de Waarheid zwijgt! terwijl de laagste zielen.
Oprecht of huichlend, voor den Menschenmoorder knielen,
D\' afschuwlijkfn Marat, wiens outer druipt van bloed:
Terwijl een dichter zelfs, van heillooze eerzucht blakend,
Zich d\' Opperpriester van dien lagen Afgod makend,
Hem met een schandlijk lofdicht groet!
De Waarheid zwijgt! De schrik is haar om \'t hart geslagen :
Zij durft zich aan den lof der fiere Deugd niet wagen,
Die met een grootsche daad den trots des Afgronds tergt.
Is \'t leven dan zoo zoet? Wat waarde heeft het leven,
Als \'t vrije denkbeeld bukt en, met verachtlijk beven,
Op \'s harten bodem zich verbergt?
Neen, neen! ik wil u meer dan spraaklooze eerbied wijden,
Heldin, door God bestemd, om voor Zijn recht te strijden.
Om Frankrijks glorie en der boozen schrik te zijn!
Gij keerdet met den dolk, waaronder \'t monster bloedde,
Den misgreep der natuur, die in een vlaag van woede
Ken Duivel schiep in menschenschijn!
De giftige adder, in zijn vuige krocht gedoken,
Voelde eensklaps door uw hand zijn hartaar afgestoken,
Zijn gruwlen afgesneên in \'t midden van hun loop.
Gij stortte op \'t ondier als Gods straffende Engel neder.
En eischte \'t martlaarsbloed der heilige onschuld weder.
Dat rookend van zijn tanden droop!
Hij zag met veegen blik, als gij uw werk volvoerde,
De reine vreugd die uw heldinnenhart ontroerde,
Hij las zijn vonnis in uw bliksemschietend oog:
„Tyran ! baan nu den weg voor de andere tyrennen!
„Al is de Hel omlaag vermetel saamgespannen,
„Gij ziet, daar leeft een God omhoog!"
\'t Aêloude Griekenland had U, o roem der Vrouwen!
Uit Pariesch marmer voor den Tempel uitgehouwen,
Waar \'t zijn Harmodius op \'t hooge voetstuk heft;
-ocr page 132-
124
Kon heilig Cboor, rondom uw tombe .saamgedrongen,
Had daar een hymne voor die Nemesis gezongen,
Die langzaam, ja, maar zeker treft!
Maar Frankrijk geelt uw hoofd den bijl des henkers over.
\'t Versiert des monsters lijk met palm en lauwerlover,
Kn wijdt zijn gramme schim een waardige offerand!
Wat fiere glimlach doet uw teedre lippen krullen,
Nu \'t moordnaarsrot uw ziel met vreeze wil vervullen,
Als ging de dood niet boven schand!
Zij-zelven vreezen! Zij verbleeken waar gij nadert.
Zij, en die Rechters, in den bloedsenaat vergaderd.
Op \'t eerloos kussen van Godslastring en bedrog!
(lij toont het hun, en \'t grijpt hun dreigend in \'t geweten,
„ Hoe sterk, bij de overmacht, de Misdaad zich mag heetni.
„Die sterven durft, is sterker nog!"
Lang droegt gij, schijnbaar vreemd aan Frankrijks smaad en
In \'t binnenst heiligdom van uw gesloten harte
         [smarte.
\'t Onwankelbaar besluit van \'s onderdrukkers val;
Zóó broedt somwijlen aan een hemel zonder wolken
De storm, die straks de zee tot in haar diepste kolken
De aarde op heur harren schokken zal!
Schoon, jong en schittrend, naar uw beulen heengedragen,
Was \'t of gij aankwaamt op een blijden zegewagen:
Geen enkel straaltjen zelfs was in uw oog getaand;
En kalm, tot op \'t schavot, verachtet gij de kreeten
Van \'t zinneloos Gemeen, dat, hinkende aan een keten,
Zich vrij, zich heer en meester waant!
De Deugd-alleen is vrij! O Jonkvrouw zoo verheven.
Onsterflijk zal uw roem naast onze schande leven:
Gij enkel waart een man, en straltet den barbaar!
En wij\'.\' wat zijn wij toch\'.\' Een kudde bloode lammren!
Wij kunnen troosteloos met onze vrouwen jammren,
Maar \'t staal is onzer hand te zwaar!
lién booswicht minder zal het recht der Menschheid honen.
Heldin! de blanke Deugd zal uw gedachtnis kroonen
-ocr page 133-
125
Met beter lauwer dan ooit Cesar plukken mocht.
O Deugd, de ponjaart wordt uw wraakverschaffend wapen,
Des waerelds laatste hoop, wanneer Gods donders slapen,
En gij der Misdaad zijt verkocht!
andrk cnfcnxB.
BEMINNEN.
De Liefde en \'t Leven zijn onscheidbaar saamgeweven ;
Een Eden vindt hij, die de ware Liefde vindt:
Ach, kende hij het leven.
Die nimmer heeft bemind?
Die nimmer heeft bemind, begrijpt hij de aard? die droomen,
Die teedre ontroeringen, die door den boezem stroomen.
Waarbij men vruchteloos naar meer dan klanken smacht?
Kent hij die taal, die \'t hart in zaligheid doet baden,
Die onze zielen raden
Door Liefdes toovermacht?
Vond hij wel ooit, als wij, het lieflijk morgengloren,
Zoo vaak hij \'t rijzen zag, nog schooner dan te voren?
Daalde ooit met d\' avondgloed in hem een vuurgloed neer?
Verstaat hij \'t bloemtjen, dat zijn voetpad helpt bekransen?
En spreken hem de glansen
Van \'t lonkend starrenheir?
Begrijpt hij \'t lispelen der kabbelende baren,
Voortvlietend langs een zoom van mosch en rozenblaaren
In mijmerzieken loop?
En hangt ook hij somtijds, bij \'t koestrend lenteweder
Zijn pelgrimsstaf ter neder
In \'t palmenloof der Hoop?
Ziet men hem ooit bij \'t lied der eerste nachtegalen.
Met zoete zorg in \'t hart, in \'t eenzaam ommedwalen ?
En daar, trilt ooit zijn hart van \'tgeen het ondervindt.
Gelijk de bloesem trilt in \'t smachtend ademhalen,
In \'t kusjen van den wind?
-ocr page 134-
426
Is \'t, waar zijn voet het strand der wilde zee mag drukken.
Is \'t op het grijs gebergt\', dat ongekend verrukken
Zich door zijne aadren spreidt?
Kn is het hem behoefte om naar \'t gesprek te luistren,
Dat daar de nachten fluistrën
In stille majesteit?....
Beminnen! Alles in één denkbeeld op te vangen,
\'t Verleden en \'t verschiet, den weemoed en \'t verlangen,
Het lachjen en den traan!
Beminnen! O, het is in éénen Hemel knielen,
Eén leven in twee zielen,
Die in elkaar bestaan!
De Liefde is zonnelicht uit bovenaardsche dreven!
De Liefde is Kracht van God: \'t is zij, die \'t graf verwint.
Ach, kende hij het leven,
Die nimmer heeft bemind?
Kil. lUKHIKJÏ.
DE POLITICUS.
Heer oom heeft aan Sebastopol
Zijn aandacht gantsch gewijd;
Mooi Nichljen heeft het hartjen vol
Van vrij wat zoeter strijd:
Haar nieuws staat in geen kwarto-blad,
Verkreukt en grauw van kleur:
Maar op een briefjen, spiegelglad,
Vol goud en muskusgeur.
Heer oom! wat peinst gij aan den Rus,
En droomt van Polemiek?
Al zijt gij een Politicus,
Gij zijt niet politiek!
ANONÏKUS.
-ocr page 135-
127
WIJ ZULLEN ZIEN.
„\'t Verleden is niet veel in \'t leven.
En \'t Heden is veel minder nog:
De Toekomst moet ons alles geven —
O, kwam de dag van morgen toch!"
Zóo wordt de tijd vooruilgeloopen :
Elk oogenblikjen telt voor tien.
Men smaadt het hebben voor het hopen,
En leeft bij \'t woord: „ Wij zullen zien!\'\'
.Maar als nu dat verlokkend Eden
Der Toekomst eindlijk opengaat,
Wat is het dan ? Het vroeger Heden,
Met de eigen zorgen, \'t oude kwaad!
\'t Gordijn is nauwlijks weggetogen,
Of al die gouden droonien vliên;
Men geeuwt, met onverschillige oogen,
En ziet bij \'t woord: „ Wij zullen zien.\'"
Die oude stok, met witte hairen,
Bereikte \'t graf: denkt hij er aan?
Neen! hij kan nóg wel tachtig jaren
Bij de andre tachtig medegaan.
„Eens," zegt zijn Doctor, „sterven we allen!"
De grijsaard meesmuilt: „Hm! misschien!"
Koopt nieuwe paarden in zijn stallen.
En sterft bij \'t woord: „ Wij zullen zien!"
Jan Piet en Klaas zijn beste vrinden.
Van ziel en zin voorbeeldloos éen!"
Daar komt Jan Piet zijn Danion vinden,
En vraagt hem „honderd pop" ter leen:
„\'k Word stellig in arrest genomen,
„Als gij van daag geen hulp wilt biên!" —
„„Wat! reeds van daag? wie kon dat droonien!
„„Kom morgen weer: Wij zullen zien.r,,\'
Wij zullen zien! Geen woord klinkt mooier:
Een duizendkunstnaar, die \'t verzon!
-ocr page 136-
1\'28
„Wij zullen zien!" zegt de arme schooier;
,Wij zullen zien!\'" zegt Harpagon.
De knutselaars van nieuwe wetten,
De koerantiera en klapperlièn.
De valsche vrienden en koketten,
\'t Zegt al te maal: „Wij zullen zien!\'1\'\'
F. R. DE CHATEAUBRIAND.
„OOK DIT IS IJDELHEID EN KWELLING
DES GEESTES."
SALOMO.
Mijn ziel, laat eindlijk af, de waereld na te jagen!
Haar glans is klatergoud — haar liefde, zelfbehagen;
Haar gunst, een wufte golf. gesold door ebbe en vloed;
Hij sterft een langen dood, die haar zijn hart wil geven!...
God heeft en geelt het Leven:
Gods Liefde is \'t Hoogste Goed !
Vergeefs dringt de eerzucht, ons, de Hoven af te reizen.
De knie te buigen op den drempel der paleizen,
Den Koningen der aard naar \'t grillig oog te zien!
Onmachtig zijn ze, als wij, de bleeke zorg te weeren,
Of in hun purperkleêren
Den pijl des doods te ontvliên!
Zij zijn uit klei gebootst, als de armste hunner slaven,
Straks wordt die majesteit in \'t lage stof begraven,
Nu duizenden een schrik, tien duizenden een kruis!
Wat onderscheidt hun rif van \'s bedelaars gebeente?
Wat is hun praalgesteente?
Een kostbaar knekelhuis!
Daar dalen zij, wier wenk van waereldkrijg en vrede
Besliste: en al hun roem, ja zelfs hun naam, daalt mede:
De vleiers deinzen van \'t doorluchtige geraamt.
Alleen de waarheid zweeft de lomben rond en fluistert:
„Zoek de eer, die niet verduistert,
„De hoop, die niet beschaamt!"
HALHKBir.
-ocr page 137-
129
BID EN WERK.
Bid en werk.\' — De kunst des Levens
Schuilt in dat vereend gebod:
\'t Is uw plicht en voorrecht tevens,
Kind der Aarde, kind van God !
Werk en bid! — Al \'s Hemels gaven
Vloeien uit dien dubblcn wel:
Wie niet bidt, is \'t werken — slaven,
Wie niet werkt, is \'t bidden — spel!
Bid en werk! — bij zon of regen,
Bij bewolkte of klare lucht:
Bidden is des arbeids zegen,
Arbeid is des biddens vrucht.
Werk en bid! — en al uw krachten
Keeren tot haar evenwicht:
Daden groeien uit gedachten.
En het zwaarste kruis wordt licht!
Bid en iverk! — Gij minbedeelde!
\'t Eerlijk zweet en \'t goede woord.
Niet de doode schat der weelde,
Brengt de ware welvaart voort!
Werk en bid! — Gij \'s waerelds grooten!
Dat strooit rozen op uw wang:
De allerscherpste doornen sproten
Uit den dubblen lediggang.
Bid en werk! — Aan gindsche kusten
Van deze aardsche levenszee
Zult gij van uw arbeid rusten,
En — uw werken volgen meö!
Werk en bid! — Ook zelfs Gods Englen
Dienen Hem met alle kracht
Onder \'t hallelujahmenglen
In Zijn Tempel dag en nacht.
constancb MAiiit\'., P.\'iin\'csse van SALM-DYCK.
VIII.
-ocr page 138-
HET PENNINGSKEN DER WEDUWE.
Uit zijn overvloed te geven,
Foei, wie daar nog loon voor hoopt!
\'t Is het reinst genot van \'t leven,
Dat men voor wat zilver koopt.
Rijke! roemt ge uwe „offeranden?"
Wat niets kost, is weinig waard:
Geeft ge ooit d\'arbeid uwer handen?
Hebt ge uit eigen mond gespaard ? . ...
In baatzuchtige miskenning
Weegt de mensen — het blinkend slijk.
Arme Weeüw! een enkle penning
Geldt bij God een Koninkrijk!
AH0NÏMU3.
DES NEGERS KLACHT.
Ver van mijn huis en erve,
Geslingerd op de zee,
Om vreemden rijk te maken,
Nam mij de dwingland meê.
Voor wat armzalig zilver
Kocht en verkocht men mij —
Maar, klemt de slavenketen,
De zielen blijven vrij!
De onhandige gedachte
Zoekt, Blanken! naar het recht,
Waarmee ge uws Meesters doornen
Ons om de slapen vlecht.
Heeft mij als u geen moeder
Gedragen onder \'t hart?
En vraagt misschien de Liefde
Als gij naar wit of zwart?
-ocr page 139-
431
Waartoe de plant geschapen,
Waarvoor ik zwoegen moet?
Verschroeit haar, o mijn tranen!
Verstik haar, o mijn bloed!
Ach, dacht gij \'t in, gij meester!
Hoe duur uw feestvreugde is,
Wat schouders zijn verbrijzeld,
Voor \'t zoete van uw disch!
Regeert er Een daarboven,
Wiens vonnis ons verwees\'?
Heeft Hij bevel gegeven
Te handlen in ons vleesch?
Heeft Hij de zweep gevlochten,
Den boei zoo vast geschroefd,
Die onze kranke leden
Tot op \'t gebeente groeft?
Hij andwoordt — in de stormen,
Die schepen doen vergaan,
Die steden en plantaadjes
Tot gruizels nederslaan;
Hij ziet vergramd Zijn kindren
In \'t martelbloed vertreên,
En dondrende op uw daken,
Spreekt Hij Zijn heilig: „neen!"
O, bij ons bloed, vergoten
In wilde menschenjacht, —
Bij \'t lijden en de ellende,
Waarmee ge uw vloot bevracht, —
Bij \'t stijgen van den jammer.
Die op uw markten gilt, —
Bij \'t harte, dat verbroken
In duizend boezems trilt, —
Niet langer dus Gods schepsel
Beneden \'t dier verlaagd,
Alleen omdat zijn voorhoofd
Uw bleeken tint niet draagt!
-ocr page 140-
132
Gij slaven van uw zilver,
Die \'t recht der menschheid schendt,
Toont menschlijke gevoelens
Eer gij ze in ons ontkent!
WILMAV. COWPÏR.
0 ZOETE SLUIMERING.
Sic juvat perire.
O zoete sluimring in der graven schoot.
Wanneer \'t geloof de peluwe mag spreien!
Hoe heerlijk is het sterven voor die schreien,
Die schreien en verlangen naar den dood!
Ziet gij dat bed, waar duizend bloemtjens staan,
Die geurend biddend, fluistrend Amen zeggen?
Daar wenschte ik \'t moede hoofd ter rust te leggen,
Daar, de afgebeden grafrust in te gaan!
O, dat geen traan mijn zerk besproeien moog\'.
Geen dan de dauwdrup, die er \'s avonds glore!
O, dat geen zuchtjen er de stilte store.
Geen dan het suizend windtjen van omhoog!
THOMAS HOOBÏ .
AAN WALTER SGOTT.
OP ZIJN VIJFTIENDE JAAR.
Klinkt reeds de toon zoo zoet, uw vroege jeugd ontschoten,
Waarin verbeelding nog in \'t licht der waarheid gloeit,
Ontroeren ons reeds thands uw goddelijke noten,
Waarmee, in zoete smart, uw ziel te samenvloeit:
O, wat bewondering zal dan uw deel niet wezen,
Wanneer de wetenschap uw rijken geest beschijnt,
Uw smaak veredelt en verfijnt,
En uw ontwaakt Genie, in vlammen opgerezen,
In al zijn kracht verschijntI —
Ga, dierbre Jongling, ga! Blijf op het pad volharden,
Dat, u ten heil, natuur met rozenbloesems tooit!
-ocr page 141-
133
Smeek groeikracht voor het zaad, zoo kwistig uitgestrooid !
En rukk\' geen wervelwind de jonge loot aan flarden,
Die eens dat zaad ontspruit en \'t jeugdig blad ontplooit!
Ga, moge U moed noch kracht ontbreken,
En wil, met de almacht van de Dichtkunst toegerust,
De boezems niet in weelde en dartle drift ontsteken,
Maar in \'t gewijde vuur van reine hemellust!
Wees gij gelukkiger in Vriendschap en in Liefde
Dan al te vaak, helaas! de Dichter wezen mag!
En blink\' de roem, wiens straal nu de uchtendwolkjens kliefde,
Eenmaal voor U in vollen dag!
Veracht den Hoogmoed en \'t Vooroordeel!
Sta Rede en Waarheid U ter zij!
Blijv\' stille Needrigheid op al uw schreên U bij,
En wacht alleen van Deugd en zuivre Oprechtheid voordeel!
Zoo smaak dan voorspoed, vrede en roem!
Zoo blijv\' de zoetste vreugd u op uw weg bejeegnen !
En o! pluk méér op aard dan huldes morgenbloem —
God zal uw levensloop en Keith uw liedren zeegnen!
Mra. kEith cockbïtkn.
BIJ DE ZEE.
Mijn geest is vol van schoonheid, en mijn hart
Van vreugde? Neen: \'t is zacht, maar diep bewogen:
Een wisseling van zaligheid en smart
Lokt, bitterzoet, de tranen mij naar de oogen.
Geur zachtkens voort, gij frissche bloemenzoom !
Uw kalmte sust mijn wilden gloriedroom :
Mijn trots versmelt, \'k Zou thands niet kunnen haten
Och, of die zucht mij nimmer mocht verlaten!
Gij heldre vliet, die tusschen rozen glijdt,
Wat rept ge u dus om de open zee te ontmoeten\'.\'
Gij zult (te laat!) die ijdele onrust boeten:
Want u verwacht een waereld vol van strijd.
Blijf hier; behoud uw weelderige dalen,
Het ruischend lied, waarmee uw golfjen springt,
Dat dag en nacht de lieve zon bezingt,
Het maantjen en de starren, die in \'t dwalen
-ocr page 142-
134
U volgen, en u kussen met haar stralen!
O de oceaan .... gij kent den wilde niet:
Hij schuimbekt.... hoor, hoe daar zijn kreten loeien!
De reus rijst op, en schudt de onzichtbre boeien.
En brult, of hij zijn kerker openstiet;
Hij woelt en tobt, als om, met ijzren vingren,
Wat ademt in zijn diepte neer te slingren.
Gij spiegel van d\'Oneindige! mijn oog
Zoekt vruchteloos op uw onmeetbre stroomen
Een plekjen waar het eindlijk rusten moog\':
Zij weemlen voort, wijd, boömloos, zonder zoomen, —
Tot mijn gedachte in doffe duizeling
Ter nederzinkt. Toch houdt uw tooverkring
Haar vast. Ze ontwaakt en zweeft weer op uw baren,
En stroomt met die al verder, en daar blauwt
Geen grenspaal op. Gij, waatren! gij zijt oud
Gelijk gij sterk zijt. Want onheugbre jaren
Rolt gij daarheen. Gij jammerdet een klacht,
Eer nog een oor uw stem heeft mogen hooren.
Gij, weeprofeet van een aanstaand geslacht,
Gij, levend graf, wachtte in den langen nacht
Uw arbeid af, eer iemant was geboren.
De stonde sloeg: heraute van den Dood,
Verzwolgt ge heel de waereld in uw schoot.
En weder klonk, bij \'t somber golfgewemel,
Uw kreet alleen door d\' uitgestorven hemel!
En schoon het drooge is weergekeerd, o Zee!
Wat met u gaat is droef en neergeslagen:
De schuwe zeemeeuw deelt uw eigen wee,
Uw eigen geest, in snerpend jammerklagen.
Het hooge klif ziet uit zijn grauwe sfeer
Zwaarmoedig op uw witte branding neer;
En ruischend staan aan d\' oever uwer golven
De dennen daar, en mengelen hun stem
Als monniken ten somber Requiem
Voor al de dooden, in uw schoot bedolven!
BICHARD HENRT DANA.
(Amerikaan.)
-ocr page 143-
135
LENTEZUCHT.
Weer ontwaakt gij. bloeiende Aard\' —
Door geen boeien meer bezwaard,
Doet ge uw lofzang schaat ren;
En, glimlachende in de zon,
Die de vrijheid hun herwon,
Vloeien thands uw waatren.
Weer ontwaakt gij, bloeiende Aard! —
Wie zou suffen bij den haard,
Daar uw jonkheid keerde?
Tooi en plooi uw loovertent,
Als toen de allereerste lent\'
\'t Paradijs regeerde!
Schalie uw vogel \'t uit van vreugd.
Met den toongalm die hem heugt
Sints uw morgenstralen —
Ach, maar ééns groent onze jeugd,
De uwe, duizend malen!
Weer ontwaakt gij, bloeiende Aard! —
Als toen \'t blauwend wolkgevaart
D\' eerstlingknop deed geuren ....
O, mijn neergebogen hart,
Zeg, nu alles levend werd,
Zult gij langer treuren ?
Al te lang suste u de Min
Met haar kranke droomen in,
In gewaand genuchte:
Slaapt ge voort, in wangevoel,
Zonder werking, zonder doel,
Schoon usv jeugd ontvluchtte?
Neen, waak op! Het bloeiend pad
Lokt u, of ge voorwaarts tradt.
Roept u tot viktorie!
Op! en, eer u, moede en mat,
De arm des bleeken doods omvat,
Pluk u nog een enkel blad
Uit den krans der glorie!
CHABLES FENtfO HOFFMAN.
1 Amerikaan.)
-ocr page 144-
136
EDWARD EN EMMA.
ROMANCE.
Daar waar Caraüns zilvren vloed
\'t Bekrompen heuvelvlak dooradert,
Verhief, in grijsverleden tijd,
Een rieten stulp zich in \'t gebladert\'.
Verwijderd van het stadsgewoel,
Slechts starende op den Albehoeder.
Bloeide Emma hier in stille rust,
In de armen van de beste moeder.
Auroor\' gelijk, wanneer ze in \'t rond
De lentezangren doet ontwaken,
Zoo bloeide ook Emma de ochtendblos
Des levens op albasten kaken.
Elk meisjen wist ze in ijverzucht,
Kik. jongeling in min te ontgloeien:
Zoo zien wij, bij den dageraad,
Het roosjen op heur stengel bloeien.
De jeugdige Edward, weergekeerd
Uit Schol lands overzeesche stranden,
Gevoelde alras zich \'t hart voor haar,
In onverdootbre min ontbranden.
En zij, zij minde ook Edward weer,
Als hij ontgloeid in echte liefde,
En gaf de zaalge drift gehoor,
Die haar het hart zoo teeder griefde.
Maar even als een schaduwbeeld,
Dat vluchtig wegdrijft voor de winden
Zoo moest al spoedig hun genot,
Hun zoete mijmerij verzwinden.
-ocr page 145-
137
Zijn zuster, \'t vloekbaar beeld des Nijds,
Wien Cerberus aan d\' afgrond teelde,
Nam tandenknarsend list bij list
Te baat tot storing hunner weelde.
De vader — maar wat woekeraar
Kan deernis of gevoel bevatten 1 —
Zijn leven was — zijn goudtresoor,
Zijn wellust — snoodverkregen schatten.
Nog nauw bemerkt hij \'t vuur der min,
Dat Edward in het harte gloorde,
Als plotseling zijn dwangbevel
Des jonglings vreugdedroom verstoorde.
Hoe gruwzaam worstlen Liefde en Plicht
Thands in zijn boezem met elkandren:
Natuur (\'t kan zijn) behoudt heur recht,
Maar — kan de oprechte Min verandren?
Vaak blijft hij, \'s vaders oog ontvlucht,
In \'t overhangend groen der blaaren,
Op \'t dierbaar raeisjen van zijn hart
Met tranen in zijne oogen staren.
Vaak dwaalt hij, bij het licht der maan,
De barre wildernis in \'t ronde,
En daar slaat hopeloze min
Hem \'t brekend harte wond bij wonde.
Des jonglings kaak, zoo schoon weleer,
Is thands van \'t bleek des doods betogen,
Gelijk de siddrende uchtendknop,
Door de onweêrsvlagen neergebogen.
Ten laatsten kan geen enkle traan
Hem meer het stervend oog ontwellen,
En daaglijks smeekt hij d\' Opperheer
Een eindpaal aan zijn smart te stellen.
-ocr page 146-
138
De vader prest, van angst vermast,
Zijn dierbren telg aan \'t bloedend\' harte;
\'t Geweten, in zijn borst ontwaakt,
Kwelt hem met nameloze smarte.
Vergeefs zijgt hij al snikkend neer
En smeekt, bij zijn besneeuwde hairen,
Den God van al wat adem heeft,
Om hem \'t zieltogend kind te sparen.
„Ik sterf!" zucht hem de jongling toe,
„Maar zoo uw hart zich kan ontfermen,
„Voer haar dan, die ik eeuwig min,
„Voor \'t laatst in dees mijn trillende armen!"
Zij komt en zinkt hem aan het hart,
Maar ach! zij blijft in tranen stikken:
Die tranen zijn den dauw gelijk,
Die \'t stervend bloemtjen komt verkwikken.
De jongling, worstlend met den dood,
Ontsluit nog flauw de brekende oogen;
„Vaarwel, mijn Emma!" barst hij uit,
En — de adem is zijn borst ontvlogen.
Zij keert terug langs \'t kerkhofpad,
Geen ster bleef aan de kimmen gloren:
De nachtuil stemde in \'t stormgegrom,
En deed haar \'t somber lijklied hooren.
Verwilderd hoort zij Edwards zucht
In elk geritsel door de bladeren,
En telkens waant ze, dat ze in \'t loof
Zijn bleekbestorven schim ziet naderen.
Zij heeft nog nauw heur stulp bereikt,
Of de angst doet plotsling haar verstommen;
Op eenmaal hoort ze op \'t kerkhofpad
De doodsklok haar in de ooren brommen.
-ocr page 147-
139
Heur boezem weigert d\' ademtocht,
Al hijgend stort ze in \'t stulpjen neder:
„O moeder!" gilt zij siddrende uit,
„Neen, nimmer zie ik Edward weder!
„Ik volg hem in het rustig graf:
„\'k Voel mij \'t geschokte harte breken!"
Het hoofd zinkt op heur boezem neer,
En geest en adem zijn ontweken.
MALLET.
DE VLINDER EN DE VROUW.
Gelijk, wanneer de lente bloost,
De Vlinderkoningin van \'t Oost,
Op purpren wieken uilgesneld,
Het knaapjen lokt in \'t geurig veld,
Hem uren lang met vluggen voet
Van bloem tot bloem haar volgen doet.
Dan wegsnelt en hem achterlaat
Met hijgend hart en schreiende oogen :
Zóo lokt, in \'s levens dageraad,
Op de eigen wieken uitgevlogen,
De Schoonheid ook \'t volwassen kind —
Een ijdle jacht van hoop en vreezen,
Wier droevig eind een traan zal wezen,
Gelijk zij met een lach begint !
Bezit men haar, ach! de eigen rouw
Wacht dan den vlinder en de vrouw:
Zij kwijnen weg, hun lust verteert,
Door \'t spel des kinds, de luim des mans:
De dierbre buit, zoo wild begeerd,
Derft, eens gevangen, al haar glans.
De zelfde hand, die straks haar ving,
Vernielt allengs haar schoonste kleuren,
Tot ze als een bleeke zwerveling
In de eenzaamheid zich dood kan treuren.
Het hart verscheurd, de wiek gewond.
Ach, wat kan d\'offers ruste geven?
Kan \'t vlindertje, als in d\' ochtendstond,
-ocr page 148-
140
Nog over tulp en rozen zweven?
Of Schoonheid tot genot herleven,
Als de onschuld met heur schoon verzwond ?
Geen vlinder treurt er in den hof.
Al zijgt een andre neer in \'t stof;
Vergeeflijk klopt het vrouwenhart —
Alleenlijk niet voor vrouwenzonden;
Het heeft een traan voor ieders wonden —
Slechts voor geen zusters schande en smart!
LOBU UYKON.
WIJ SCHEIDDEN IN DROEFHEID.
Wij scheidden in droefheid, maar zwegen van scheiden;
Ons hart gaf zich op aan den drang van \'t verstand.
Ik durfde niet zien of heur ongjens ook schreiden:
Ik voelde den traan op heur siddrende hand.
Wij wisten, \'t verleden was redloos verloren:
Wij wisten, \'t verschiet had geen hoop op herstel.
Zij bloedde aan de wond, die mijn borst moest doorboren,
Ik deinsde terug voor het eeuwig Vaarwel!
De jaren vervlogen! Steeds lachte de lente,
Als toen zij voor \'t eerst onze liefde bescheen.
De jaren vervlogen! De troost bracht zijn rente,
Maar geen enkle herinnring van \'t afscheid verdween!
Het lied van den vogel, die \'t lover doorhuppelt,
Herroept haar den droom die al zingende ontvlood;
En de dauw, die des avonds de bloesems bedruppelt,
Spreekt mij van den traan, dien de ontwaking vergoot!
CHARLES IKSÜO HOÏFMi>\'
______________                            Amerikaan.
ONDERGAANDE ZON.
Die avondwolk, die bleeke straal,
Die purpertint aamt jubeltaai,
Die d\' Ongeschapen\' tracht te prijzen.
Doe hij dan, die zoo ras vergaat,
Wiens aanzijn slechts een span beslaat,
De mensch, tot Hem zijn danktoon rijzen!
-ocr page 149-
141
Hoe vaak bewondren wij den trans,
Als wij den deinende\' avondglans
De blauwe wolken langs zien stroomen!
Hoe zelden is ons oog gericht
Op Hem, die haar Zijn hemellicht
Schonk, tot borduursel van haar zoomen!
WALTKT 6COTT.
PAVO, DE FIN.
In een hoog moerasland van Saarjarvis,
Op een schrale hoeve, woonde Pavo.
Onvermoeibaar ploegde hij zijn akker,
Maar van God verwachtte hij den zegen.
Met zijn gade en zestal lieve kleenen
Deelde hij zijn brood van zoete rogge. —
Vroolijk wierp hij \'t zaad weer in de voren ;
Maar de lente kwam, en smolt de sneeuwlaag,
\'t Land werd slijk, en half het zaad verrotte.
Met den zomer woedden hagelstormen,
Die de vroegrijpe airen half verwoestten;
\'t Najaar kwam met zijn bevriezende\' adem.
En — het luttel overschot verwelkte!
Pavoos gade ontrukte zich de hairen:
„Pavo!" kreet ze, „ellendigste aller mensche
„Grijp uw staf! wij zijn van God verlaten!
„Hard is beedlen, harder nog verhongren!"
Pavo nam bedaard heur hand, en zeide:
„God verlaat niet, maar beproeft de zijnen !
„Brood, half graan, half boomschors, is voldoende,
„\'k Zal de voren tweemaal dieper graven,
„Maar van God-alleen den zegen wachten!"
En zij kneedde brood van graan en boomschors:
Zwoegend trok hij dubbel diep zijn voren.
Hij verkocht zijn schapen en kocht rogge,
Die hij biddend de aarde toevertrouwde!
Weder kwam de lente en smolt de sneeuwlaag.
\'t Land werd slijk en half het zaad verrotte.
Met den zomer woedden hagelstormen,
Die de vroegrijpe airen half verwoestten.
-ocr page 150-
142
\'t Najaar kwam met zijn bevriezende\' adem,
En het luttel overschot verwelkte!
Pa voos gade sloeg zich op de borsten:
„Pavo!" kreet ze, „ellendigste aller menschen!
„Laat ons sterven! God heeft ons verlaten!
„\'t Sterven is wel hard, maar harder \'t leven !"
Pavo nam bedaard heur hand, en zeide:
„God verlaat niet, maar beproeft de zijnen!
„Brood, half graan, half boomschors, is voldoende.
„\'k Zal de voren driemaal dieper graven,
„Maar op nieuw van God den zegen wachten!"
En zij kneedde brood van graan en boomschors,
Zwoegend trok hij driemaal diep zijn voren,
Hij verkocht zijn rondren en kocht rogge,
Die hij biddend de aarde toevertrouwde.
Weder kwam de lente en smolt de sneeuwlaag,
Maar het land werd droog, het zaad bleef leven.
Lieflijk was de zomer zonder hagel,
En de vroegrijpe airen tierden welig;
\'t Najaar kwam, maar zijn getemperde adem
Liet de halmen vol en ongeschonden,
En — zij ruischten voort als gouden golven!
Toen boog Pavo dankend neer en zeide:
„God heeft ons beproefd, maar niet verlaten!"
Dankend boog de vrouw ter neer, en zeide!
„God heeft ons beproefd, maar niet verlaten!"
Toen riep ze in verrukking tot haar gade:
„Pavo! Pavo! grijp met vreugd den sikkel!
„Nu zal de overvloed ons hart verkwikken!
„Nu behoeft geen boomschors ons te voeden,
„\'k Zal nu brood van louter rogge kneeden!"
Pavo nam bedaard heur hand, en zeide:
„Vrouw! o vrouw! de Heer wil ons beproeven;
„Laat ons dan der armen ons ontfermen!
„Meng uw meel met boomschors als te voren :
„De oogst van onzen buurman is verijdeld!"
f. L. RUNEB1&G.
(dickkns Household\'icordj)
-ocr page 151-
143
OJAN PA VOOS UITDAGING.
Ver uit Tavartland kwam Ojan-Pavo,
Breed en krachtig onder Finlands zonen,
Stout en vlug, geweldig als een stormwind.
Met zijn vuist kon hij een eik ontwortlen,
Met zijn hand een wilden beer verworgen,
\'t Strijdros tillen over \'t hoog staketsel,
Als een bies den moedigste doen buigen.
Daar nu stond de onwrikbare Ojan-Pavo,
Trotsch en krachtig in de volksvergaaring.
Op het plein, daar stond hij onder de andren,
Als een hooge pijnboom onder struiken.
En hij hief zijn stem op, en trotseerde:
„Is hier iemant, van een vrouw geboren,
„Die mij van het plekjen, waar ik beide,
„Ook éen enklen duimbreed kan doen wijken\'?
„\'k Wil hem heel mijn rijke hoeve geven,
„Hij ontfangt mijn zilver ten geschenke,
„Hij wordt meester over al mijn kudden:
„\'k Word zijn slaaf naar lichaam en naar ziele!"
Tot het volk sprak aldus Ojan-Pavo,
Maar de landjeugd deinsde met ontzetting:
Doodlijk zwijgen was het eenigst andwoord:
Niemant die het waagstuk dorst beproeven.
Maar verliefd en met bewondrende oogen,
Staarden al de meisjens op den dappre,
Die zoo heerlijk uitstak boven de andren,
Als een hooge pijnboom boven struiken,
De oogen schittrend met den glans der starren,
En het voorhoofd wolkloos als de hemel,
En de lokken golvende om zijn schouders,
Als een stroomval in de zonnestralen!
Uit de bonte vrouwenrei trad Anna,
Zij, de jongste en schoonste van de schare,
Lieflijk als een blonde lentemorgen.
Haastig treedt zij voort naar Ojan-Pavo,
-ocr page 152-
444
En zij strengelt om zijn hals lieur armen,
Drukt heur teeder kloppend hart aan \'t zijne,
Kust zijn mond met frissclie rozenlippen,
Bidt hem smeekend van de plek te wijken.
Maar de held stond roerloos, schoon — verwonnen !
En nu week hij van de plek en juichte:
„Anna! Anna! \'k heb den strijd verloren!
„U moet ik mijn rijke hoeve geven,
„Gij ontfangt mijn zilver ten geschenke,
„Al mijn kudden zullen u behooren:
„\'k Ben uw slaaf naar lichaam en naar ziele!"
J. L. RUNïr.f Rn.
(dickens Houtehold-ttorAs.)
ENGELEN.
Als de dag zijn uren telde,
En de stemmen van den nacht
\'t Beter Ik daarbinnen wekken
Tot een vreugde, rein en zacht:
Als de luchters nog niet branden,
En het flikkrend haardsteêvuur
Wondre schaduwen doet dansen
Op den halfverlichten muur:
O, dan glippen dierbre schimmen
Binnen door de ontsloten deur!
Dan bezoeken mij de dooden,
Die ik reeds zoo lang betreur!
Zij, de jeugdigen en sterken,
Hunkrend naar een eedlen strijd,
Maar op d\' eersten marsch bezweken,
Ver nog van het worstelkrijt;
Zij, de heiligen en zwakken,
Met des lijdens kruis belaan
Eindlijk met gevouwen handen,
Bleek en spraakloos heengegaan;
-ocr page 153-
145
En dan, \'t wonder lieflijk wezen,
\'t Bloemtjen in mijn wildernis,
Die mij boven alles minde
En nu ginds een Engel is!
Zachtkens zet zij aan mijn zijde
Op den leêgen sloel zich neer;
En zij drukt mijn koude vingers
Met een handdruk, naamloos teer.
En zij zit mij aan te blikken
Met dat diep en vriendlijk oog,
Kalm en heilig als de sterren
Aan den blauwen hemelhoog.
\'t Is mij als versta ik alles
Wat zij mij te zeggen heeft,
Tot ze, na een teer vermanen,
Spraakloos mij heur zegen geeft.
O, hoe eenzaam en verlaten,
Ik gevoel geen angst of nood,
Mag ik maar in stilte peinzen
Aan hun leven, aan hun dood!
H. W. LOXGFELLO\'".
i Amerikaan.)
I.\'ALLEGRO.
Van hier, van hier, Naargeestigheid!
•lij kind uit Cerberus en Middernacht geboren.
Waar de Acheron zijn schaduw spreidt,
l\'>ij aaklig spookgebroed en doodsche geestenkooren!
Ga, zoek een rotskloof die u past,
Waar nooit een leeuwrik zingt bij \'t vriendlijk morgenkrieken,
Maar onverpoosd de rave krast
En eeuwig Duister broedt op vale vleörmuiswieken!
Zit daar in grauwe nevels neer,
Omringd van wilde steenrotsbrokken,
\'•«igroefd als uw gelaat, verward gelijk uw lokken,
En steiger uit dien poel niet meer!
vin.
                                                                                    10
-ocr page 154-
HG
Maar breng Gij met vlugge schreden
Ons de gulle vreugde meê,
Heilbodesse, Euphrosiné!
Derde der Bevalligheden,
Wie de schoone Min —
— Godin,
Tot een lust en licht der aarde
T\' éener dracht heur Bacchus baarde 1
Of, misschien wel zijt gij \'t kind
Van den dartlen Lentewind,
Die zich met Aarore paarde
Op een Meischen Morgenstond,
Als hij haar met vriendlijk blozen
Tusschen rozen
Slapen vond!
Tooveresse, daal ter neder!
Immer blijde, maak ons blij!
Geef ons scherts en spotlust weder,
Breng ons jool en jokkernij,
Knikjens,
Blikjens,
Vol van leven,
Kortswijl uit des harten grond,
Gulle lachjens, als daar zweven
Over Hebees rozenmond —
Tot de rimpels zijn verdreven,
En de schaterlach in \'t rond,
Vrolijke! uw triomf verkondt.
Huppel, trippel, zachtjens, zoetjens,
Op uw luchte feënvoeljens!
Voer de Nymf der bergwarand,
Voer de Vrijheid, aan de handt
En, zoo ik u waardig eere,
Gun dat ik uw stoet vermeêre!
Geef dat ik met u en haar
Heel mijn leven lang verkeere,
Priestei\' bij uw bloemaltaar!
\'k Hoor dan vroeg den leeuwrik zingen
Op zijn hooge sterrenwacht,
Tot hij uit den schoot der Nacht
Eindlijk d\' Ochtend op doet springen;
-ocr page 155-
147
\'k Buig, de trage scheemring moê,
Uit mijn venster mij voorover,
\'k Roep, door roze- en wingertlover,
De Aard mijn: „goede morgen!" toe:
Middlerwijl, met kam en sporen
Prijkende, onder fleren tred,
\'t Haantjen, dat de kim ziet gloren,
\'t Laatste donker wegtrompet,
Om zijn hongrende sultanen
Naar de schuur een weg te banen.
\'k Vang van ver den horenschal,
\'k Hoor de vlugge brakken bassen,
Die in \'t boschrijk heuveldal
\'t Opgeschrikte wild verrasschen.
Somtijds dwaal ik, voet voor voet,
Langs de bonte meidoornhagen,
Door twee oogjens gageslagen,
De Oosterpoorte te gemoet,
Waar de zon, in purpergloed
Tusschen bontgekleurde wolken,
Opvaart uit de glazen kolken.
En de veldman, vroeg ter hand.
Fluit zijn liedtje en ploegt het land;
Melkerts rappe vingers eischen
\'t Zuivelvee zijn schatting at;
En de maaier wet zijn zeissen,
En de scheper \') zwaait zijn staf.
Diepe dalen, grauwe heiden,
Waar de witte lammren weiden,
Akkers, vol van goudgeel graan,
Bieden duizend schoonheên aan.
Hooge bergen zie ik rijzen,
Op wier schouder \'t wolkjen slaapt,
Aan wier voeten de afgrond gaapt,
Tusschen groene paradijzen,
Waar de landjeugd bloemen raapt,
En de beekjens onder \'t stoeien
Tot rivieren samenvloeien.
Van zoo menig steenrotstop
) Schaaphelder.
-ocr page 156-
448
Rijst een aadlijk burchtslot op,
Wuivend met banier en vendel,
Waar bet schoonste maagdelijn,
Waard een Koningin te zijn,
Wegkwijnt achter bout en grendel.
Daar beneden tusschen \'t hout,
Waar de dunne rookwolk blauwt,
Onder rozen en violen,
Ligt de rieten stulp verscholen;
Daar zit Thyrsis, jong en teer,
Naast heur Corydon ter neer:
\'t Middaguurtjen heeft geslagen,
\'t Nedrig maal,
Op reine schaal,
Wordt door Phyllis opgedragen;
Die nog pas heur taak volbracht.
Of zij gaat heur Damon vinden,
Die op \'t stoppelveld haar wacht,
Om de garven saam te binden :
Menig air
Van \'t welig koren,
Leest ze, als Ruth, uit greb en voren,
Voor heur moeder bij elkaar.
Somtijds wordt de streng getrokken,
Die den hoogtijklepel luidt,
En de klingelende klokken
Nooden tot een dansvreugd uit.
Nu vergaaren
Blijde paren,
Hupplende op de fiedelmaat,
Daar de strijkstok langs de snaren;
Rustloos op en neder gaat;
Tot het maantjen door de blaaren
Heengluurt met jaloersch gelaat.
Of de Landheer geeft aan allen,
Oud en jonk, een vrijen dag,
Dien het hart naar welgevallen
Aan de vreugde wijden mag:
\'s Avonds mag de hoppe kralen
In den gladgeschuurden nap;
Elk, in onverpoosd gesnap,
-ocr page 157-
149
Weet zijn sprookjens te verhalen:
Hoe de tooveresse Mab
Bij den een aan \'t baksel knaagde,
Maar de korstjens overliet;
ü\' andren in zijn droomen plaagde,
Neep, en in de zijde stiet;
Of van lichtjens, die er waren,
Witte wiven, nickermaren;
Van een kobold, die vol kracht
Meerder koren dan tien mannen,
In tien schoften dorschen, wannen,
Dorschte en wande in oenen nacht f
Eindlijk zwijgen alle tongen!
En, na de ernstige avondbeê,
Zoekt nu elk zijn legerstee,
Straks door \'t windtje\' in slaap gezongen.
Dan weer trekt de Stad ons meè,
Met haar torens en haar wallen,
En \'t gewoel der duizendtallen, —
De eindeloze menschenzee!
Eedle ridders en baroenen
Stroomen in hun feestdosch aan;
Lauwerblaan
En palmen groenen,
Prijken, schittren in de zon:
En de blanke hand der schoonen
Zal hem kroonen,
Die door moed of geest verwon.
Daar moog\' Hymen intocht houên
Bij den glans
Der feestflambouwen,
Bij muziek en zang en dans,
Bij het rustloos gaan en komen
Van een maskeradestoet,
Bont en grillig als de droomen
Van een dichterlijk gemoed!
En zoo vaak de zorgen rijzen,
Huwe een zoete melody
Een der Lydiaansche wijzen,
Zich aan \'t woord der Poëzy,
-ocr page 158-
150
Dat zij heel mijn ziel doordringe,
Met. een gloed van hemellust,
Dat zij Orpheus wakker zinge,
Die aan de Elyzeesche kust
Op een bed van rozen rust,
En hem zulk een lied doe hooren
Als geen Pluto had\' veracht,
Maar dat zeker de uitverkoren\'
— Nu, helaas! op nieuw verloren!
Gansch en al had\' weörgebrachl
Uit den Acheron.schen nacht!
Kunt gij zulke weelden geven,
Zeegnende Blijhartigheid!
\'k Ren bereid
Met u te leven.
JOHN. MILTON.
-ocr page 159-
NOG GISTEREN.
Hoe minde ik nog gistren de lieflijke bronne,
Het roosjen, de lelie, de duive, de zonne!
Ik min ze niet langer: ik min slechts die éene.
Die blanke, die slanke, die zoete, die kleene:
Zij-zelv\' nu is me alles: de lieflijke bronne,
Het roosjen, de lelie, de duive, de zonne!
Hoe waande ik nog gistren dat zwerven en zweven,
Dat wachten, dat smachten, dat sterven — het leven!
Dat vond ik eerst nu op de teedere tipjens
Dier bloeiende, gloeiende, lavende lipjens:
Daar dient van nu aan wel in kusjens gebleven,
Of \'t kost me mijn lachjens, mijn lustjens, mijn leven!
KASSANDRA.
Vreugde heerschte in Trojes wallen
Vóór heur bloedige\' ondergang.
Gouden cithers doet zij schallen
Onder luiden jubelzang,
\'t Kouter snijdt weer door de velden,
Waar des vredes adem luwt,
Nu Achil, de roem der Helden,
Priams schoone dochter huwt.
En gekroond met lauwerblaaren,
Stroomt de feestelijke stoet
Naar Apolloos dankaltaren,
Hupplend met gewiekten voet.
Door de wemelende straten
Schatert der Bacchanten lied ....
Slechts éene enkele, droef verlaten,
Deelt in al die vreugde niet.
-ocr page 160-
152
Ach, met opgekropte tranen,
Zonder krans of hoogtijdosch,
Zwerft ze mijmrend door de lanen
Van Apolloos lauwerbosch.
Als ze, in \'t lommer neergezeten,
Eindlijk zich alleen gelooft,
Rukt ze, in luide jammerkreeten,
Zich den Priesterband van \'t hoofd:
„Aller hart gaat juichend open,
Huis en tempel zijn versierd.
Ook mijn argloze ouders hopen
Nu mijn zuster bruiloft viert.
Ik-alleen moet troostloos klagen,
Waar ik eenzaam ommezwerf,
Luistrend naar de vleugelslagen
Van het naderend verderf!
,\'k Zie een laaien fakkel gloeien,
Ach! maar niet in Hymens hand;
Roode vlammen hoor ik loeien,
Maar het is geen olferbrand.
Midden onder \'t feestrinkinken
Hoor ik reeds den reuzentred
Van den grammen God weerklinken,
Die de veege stad verplet!
„Ach, zij spotten met mijn smarte,
Toornen bij mijn klaaggeween:
Eenzaam dool ik in de verte,
Met mijn lijdend hart alleen,
Door de vrolijken ontweken,
Door de dartelen gehoond —
Sminthiër! de doornen steken,
Waar ge uw Priesteres raeè kroont 1
, Waarom hebt gij mij verwezen,
Onder dit verblind geslacht
Uwe orakelen te lezen,
Die men aanhoort en — veracht\'?
-ocr page 161-
153
Wat ik keeren kan noch vlieden,
Kondig ik hun vruchtloos aan:
Wat bepaald is, moet geschieden,
Wat gevreesd wordt, moet doorstaan.
„Waarom \'t floers omhoog geheven,
Bij het dreigen van den nood?
Slechts de dwaling is het leven,
En het welen is de dood.
Waarom mij uw licht geboden?
Ach, uw volle glans doet pijn:
Schriklijk is het, groote Goden!
Uwer waarheid tolk te zijn.
„Maakt mij blind gelijk te voren,
Door een zoete onwetendheid!
\'k Heb geen vrolijk lied doen hooren,
Sints uw roepstem mij geleidt.
Voor uw Toekomst naamt gij \'t Heden,
\'t Zorgloos Heden van mij al:
O, herneemt op mijn gebeden
Wat uw wreede gunst mij gaf!
„Wie de myrthenkroon verblijdde,
Niemand vlocht ze mij om \'t hair,
Sints ik aan uw dienst mij wijdde,
Bij uw droevig rouwaltaar.
\'k Heb mijn jonkheid weg zien kwijnen
In een weduwlijke smart:
Elke rampspoed van de mijnen
Sloeg verdubbeld mij op \'t hart.
„Vrolijk dartlen mijn gespelen;
Alles rond mij leeft en lieft:
Niemand kan den jammer deelen,
Die mijn kranke ziel doorgrieft,
\'k Zie vergeefs de lente ontwaken
Die de bloeiende aard verkwikt:
Wie kan \'s levens zoetheid smaken,
Die in \'s levens diepten blikt?
-ocr page 162-
154
„Zalig mag mijn zuster heeten,
Droomende als een argloos kind
Van de blijde bloemenketen,
Die haar aan den Held verbindt.
Nauwlijks durft haar ziel gelooven
Aan den Hemel dien hij biedt:
Zij benijdt zelfs U daar boven,
Goden! uw Olympus niet.
„En ook ik moest hém ontmoeten
Wien mijn hart uit allen koos!
\'k Zag hem knielen aan mijn voeten,
Trouwe zweerend voor altoos.
O, hoe gaarne, hoe blijmoedig
Zou ik wandlen aan zijn zij\':
Maar gedaanten, doodsch en bloedig,
Rijzen tusschen hem en mij!
„Jammerende geesten klimmen
Uit den hollen Acheron;
\'k Zie de bleekbestorven schimmen
In de klare morgenzon.
\'k Zie ze waren, \'k zie ze spoken,
Op het zorgloos vreugdlestijn ....
Heel de Hel is losgebroken!
Nimmer kan ik vrolijk zijn!
„\'k Zie alreeds den moordpijl loeren,
\'k Zie des moorders vlammenblik;
Maar ik kan geen voet verroeren,
Vastgenageld door den schrik,
\'k Mag geen oog op zijde wenden,
\'k Weet, ik zie mijn lot vooruit,
\'k Moet mijn droeven loop volenden,
Vreemde tyrannij ten buil!" —
Eer haar bleeke lippen zwegen,
Loeit uit de open Tempelpooit
Haar een rauwe doodskreet tegen:
„Thetis\' lievling ligt vermoord!"
-ocr page 163-
•155
Grimmige Eris schudt haar slangen;
Huivrehd vliedt het Godenheir:
En de donderwolken hangen
Dreigend boven Troje neer.
KEIEDK V. SCHILLF.R.
HET GASTMAAL VAN THEODORIK.
Hoe woelt, bij \'t schuimen der bokalen,
De slemppartij van \'t grimmig heir
Gelijk een opgeslingerd meir,
Rinkinkend door de wijde zalen!
De vreugd, al hooger opgewekt,
Begint in razernij te ontaarden:
De bekers dansen op de zwaarden,
Reeds is de wijn met bloed bevlekt.
Theodorik! doorluchtig Koning!
Kan zulk een vreugd uw keuze zijn?
Ontsluit gij dat barbaarsch festijn
Met eigen hand uw vorstenwoning?
Gij Held, gekroond met \'s Hemels gunst,
Wiens zelfbedwang alle eedlen prijzen!
Gij, leerling en Meceen der Wijzen,
Gij, steun van Wetenschap en Kunst!
Zijt gij dat, die de wilde horden
In broederliefde hebt ontvonkt?
Gij, die een Natie hebt verjongd,
In haat en gruwlen grijs geworden?
Gij, die het purper, dat u tooil,
Als \'t lichtgewaad der Deugd deedt gloren,
Die in Italies dorre, voren
Het zaad des zegens hebt gestrooid?
Wat baten thands uw goede daden,
Daar u de Booze vallen deed?
Éen misdaad, die gij nooit vergeet,
Heeft zwaar als lood uw borst beladen.
-ocr page 164-
156
Ge ontwijkt u-zelven heinde en veer:
Gij zoekt uw schuld en schand te ontvlieden —
Zij volgen u als Eumeniden,
Zij zetten aan uw disch zich neêrl
Twee Eedlen heelt hij neergeslagen
In heiligschennende\' overmoed:
Nu plascht hij overal door \'t bloed,
Waarheen hem ook zijne angsten jagen.
Gij starren daar! hoe kwijnt ge dus,
Als brekende oogen, aan de kimmen?
Hoe waren overal uw schimmen,
Boëthius en Symmachus!
Nu staart zijn oog, van rouw verdonkerd,
Als vastgenageld aan den grond;
Dan slaat hij wild den blik in \'t rond,
Die als een dreigend weêrlicht flonkert.
Wat voert er in zijn ziel gebied?
Berouw, of schaamte? Of\' woede, of vreeze?
Nooit dreunde een vreugdedisch als deze:
Hier joelt een Hel. Hij hoort het niet!
Hij doet op nieuw den beker vloeien,
Of hem zijn denkkracht mocht vergaan!
Hij ook heft meê de zangen aan,
Die daavrend door de feestzaal loeien.
Maar aaklig klinkt zijn stemgeluid,
Als \'t steunend nokken eens gewonden,
Als wierd zijn gorgel toegebonden,
Als wrong men \'t hart zijn boezem uit.
Daar naadren, ziet! twee ranke knapen,
In schitterende hoilivrij:
Een zilvren schotel dragen zij,
Versierd met \'s Konings kroon en wapen.
Zij zetten \'t keurgerecht ter neer
Voor \'t aangezicht der bonte rijen:
Den roem van al hun lekkernijen,
Den schoonsten visch van \'t blauwe meir!
-ocr page 165-
157
De Koning ziet liet — bloedig hangen
Die oogen op den schotelrand:
De schrik verstijft des Konings hand,
Als schuifelden Medusa\'s slangen.
Daar trilt zijn grauwe wenkbrauwboog;
\'t Is of hem \'t bloed bevriest in de aaren,
En huivrend gaan zijn grijze hairen
Als steile stoppels naar omhoog.
O, kon hij uit zijn zetel springen!
\'t Is of hij \'s vijands handgreep voelt,
Een vuist hem door de lokken woelt.
"Verplettrende armen hem omringen.
Hij kan niet op, verlamd van schrik:
Hij wil niet zien : \'t is ijdel pogen!
Hij moet ze zien, die bloedige oogen,
Die hem versteenen met hun blik!
En als, na lang, aèmechtig hijgen,
Een rauwe kreet zijn borst ontsnelt,
Daar zien, ontnuchterd en versteld,
De gasten naar hem op, en — zwijgen,
\'t Is of hun hart zijn angst beseft:
\'t Is of een huivring \'t hun verkondde,
Hier waart de Wraakgodes in \'t ronde,
Die koningen en beedlaars treft!
En hij, met uitgestrekte handen,
Teruggebogen borst en hoofd,
Zit daar, van al zijn moed beroofd,
Staroogend steeds, te klappertanden.
„Voort!" snerpt zijn gillend angstgehuil:
„Voort! grijnzend lijk, uw graf ontstegen!
„De reuk des afgronds waait mij tegen!
„Voort! spooksel! naar uw dooden-kuil!
„Beef, bleeke slaaf! voor \'t zwaard uws heeren 1
„Durft gij den Koning dreigen, gij?
„Maar neen! u staat een borg ter zij\',
„Die al mijn woede durft trotseeren.
-ocr page 166-
•158
„De dood, de dood, dien ik u gaf,
„Beschermt u voor eens Konings woede:
„Hij wil, de worger, dat ik bloede,
„Dat ik u volge in \'t gruwzaam graf!
„Ha! ziet die bloedige oogen loeren!
„Hoe grijnzen mij die tanden aan!..,.
„\'t Gedane wordt niet ongedaan.
„Gij zult tot waanzin mij vervoeren!
„Wat baat het, of gij grimmig ziet?
„Ik kon u moorden, u vernielen;
„Maar uw gestorven romp bezielen —
„Helaas, dat kan de Koning niet!
„Wee mijner! groote God! een tweede
„Rijst bloedende uit den bodem op.
„Hoe stuiptrekt zijn onlhalsde kop!....
„Hij grijpt mij aan, hij sleurt mij mede.
„Reeds dringt de doodelijke koii
„Mij door in zijn verstikkende armen!
„O Eeuwge Rechter, heb erbarmen 1
„Aanzie mijn lijden mijn berouw!"
En pas heeft hij dit woord gesproken,
Het smeekend oog op God gericht,
Of ziet, zijn bange waanzin zwicht,
De kracht der wanhoop is gebroken.
Daar vlucht hij naar den Tempel heen,
Om \'t jammerlijk vergrijp te boeten,
Daar plengt hij aan zijns Heilands voeten
Zijn tranen en zijn smeekgebeên:
„\'k Heb tegen U, o Heer! misdreven!
„Neem, om den wille van Uw bloed,
„De bloedschuld weg van mijn gemoed,
„En met de schuld, mijn zondig leven!
„Gij, die geen moordnaar van U stiet,
„Die tot U opzag in zijn sterven,
„\'k Verbeurde de Aarde, \'k wil haar derven,
„Maar — sluit Uw Paradijs mij niet!"
-ocr page 167-
159
Daar tintelt door de Tempelboogen
Een straal, die neervalt in zijn hart:
Doorworsteld is de jongste smart,
Gesloten zijn de weenende oogen.
\'t Is of een verre weergalm ruischt
Van Godgeheiligde Englenzangen.
Hij slaapt — een glimlach op de wangen.
En de armen op de borst gekruist.
K. STrtECKt\'USS.
HET EERSTE ORGEL TE TURIJN.
„Amadeo, berg dat zwaard!
„Hoor de bange moeders smeeken !
„IJdel is de roem der aard:
„Wil den vrede niet verbreken! ....
Maar de Hertog dorst naar eer:
Voor een handvol ruischend lover
Heeft hij goed en bloed, en meer!
Heeft hij zelfs den Hemel over.
Hoort dien wilden jubeltoon :
„Op, te wapen! op, te wapen!"
\'t Fier Savoien zal de kroon
Smeeden om zijn heldenslapen.
Dreigend rammlen zwaard en lans,
Paarden brieschen, vendels gloeien.
Ach, de wilde doodendans
Zal te ras den grond doen loeien !
In de lange feestaltaar
Treedt Turino\'s Bisschop nader.
Glinstrend golft zijn sneeuwwit hair;
Plechtig spreekt de vroome vader:
„Heer, uw Vorstenwil geschied\'!
„Kies, maar kies met God uw wegen,
„En begin den kampstrijd niet
„Zonder afgesmeekten zegen!
-ocr page 168-
160
„Buig nog eenmaal biddend neer!
„Voer uw volk ter Kathedrale!
„Dat der legerscharen Heer
„Met Zijn licht uw ziel bestrale!
„Dat de heilige orgeltoon
„U naar hooger goed doe streven
„Dan eene aardsche gloriekroon,
„Naar de palm van \'t Eeuwig Leven!"
\'t Andwoord luidt: „Welaan, ik ga!
„Maar in vollen feestdosch blinke
„Heel de Santa Trinita,
„Waar het nieuwe speelwerk klinke!
„Uit zijn pijpen van metaal
„Blaze \'t geestdrift in onze aaren,
„En een rassche zegepraal
„Voere ons naar de dankaltaren!"
Ziet, een Priesterlijke stoet
Voert den Hertog met zijn Grooten
\'t Huis des Heeren te gemoet,
Ijlings ten gebede ontsloten.
Blinkende in het oorlogsstaal,
Rinklend met de riddersporen,
Treedt de Held in \'t kerkportaal,
Waar hij \'t Sanctus reeds kan hooren.
En in \'t binnenst heiligdom,
Om de wijding Gods te ontfangen,
Knielt hij met zijn heldendrom,
Blakend steeds van krijgsverlangen.
Hoor, daar ruischt het in zijn oor!
Hoor, daar bruischt het door de boogen,
Als een zingend geesfenchoor,
Op een stormwind aangevlogen;
Als een lokkende Englengroet,
Door Zéfleren voortgedragen;
Als een naklank, hemelzoet,
Uit een lied van beter dagen;
-ocr page 169-
161
Als de juichkreet van een hart,
Rijzende uit het graf der zonden,
Van een ziel, na lange smart,
Eeuwig met heur ziel verbonden!
Amadeo staat ontroerd;
De oogen schieten vreugdespranken:
Huivrend wordt hij meegevoerd
Door de toovermacht der klanken.
\'t Is, als dragen ze op hun wiek
Hem naar reiner oorden henen:
In de golven der muziek
Is de waereld half verdwenen.
Wel nog smeult er in zijn borst,
Straks in laaien gloed ontstoken,
Iets van de oude gloriedorst,
Maar de hartstocht is gebroken.
Als een lichtstar die verschiet,
Deinst de roode zon der glorie:
Neen, de Held verstokt zich niet.
En — de Hemel zingt viktorie!
Ziet, hoe op zijn bleeke koon
Plotseling een traandrop paerelt,
Schooner dan de rijkste kroon,
Kostbrer dan geheel een waereld!
Èn hij grijpt het machtig zwaard,
Rukt den krijgshelm van de lokken,
En werpt beide tegen de aard,
Dat de marmren steenen schokken.
En de Bisschop hoort zijn woord :
„\'k Heb het thands te zien gekregen,
„Niet in wilden broedermoord,
„In den vrede kiemt de zegen.
„Al gij andren, doet als ik:
„Vrede zij het! vrede! vrede!...."
Heilig, heerlijk oogenblik!
Heel de Kathedraal juicht mede.
-ocr page 170-
102
Ziet, hoe heel die heldenschaar
Zich ontdoet van \'t grimmig wapen!
Vallen zal geen martelaar,
En geen enkle wonde gapen!
Doch de Bisschop, \'t oog vol vuur,
Heft de handen op en zegent:
„Heil hem, wien, ter goeder uur,
,Gods genadestem bejegent!
„God is machtig, God is groot,
„Die Zijn Geest bij volle stroomen
„In deze orgelklanken goot!
„Looft des Heeren naam, gij vroomen!
„En waar ooit een man des bloeds
„Luistert naar die hemelzangen,
„Moog\' de vrede des gemoeds
„De aardsche gloriedorst vervangen!"
JOHANN N. VOGL.
DE LAATSTE DEK HOHENSTAUFEN.
De schriktrompetten loeien
Door Napels\' straten heen ;
De bange scharen vloeien
In stomme smart dooreen.
In \'t kerkerkot, verstoken
Van zon- en maneschijn,
In \'t muffe stroo gedoken,
Lag jonge Konradijn.
Nu schemeren de wanden
Van \'t rossche fakkellicht,
Nu sleurt men hem in banden
Ter plaatse van \'t gericht.
Daar ziet hij Karel weder
Op gouden koningstroon:
Daar zit de trotschaart neder
Met zijn gestolen kroon!
-ocr page 171-
163
Wat bonte erinneringen,
Die nu in zoete smart
Elkaar om strijd verdringen
In \'sjonglings bonzend harl !
Hij denkt aan al de jaren,
Verzwonden als een stroom.
Zijn eerste lauwerblaaren,
Zijn laatsten lief\'dedroom !
Hij denkt aan d\' ouden luister
Van zijn roemruchtig Huis —
En rammelt met zijn kluister,
En kust zijns Heilands kruis 1
De norsche wenkbrauwboogen
Met wolken overlaün,
Met somberflikkrende oogen
Ziet hem de Dwingland aan.
Daar wenkt de Kroonenroover
Een slaat\'schen Provencaal:
Men reikt hem \'t vonnis over —
Hij leest de lastertaal:
„Ontrouwe zoon van Romen,
„Verrader van zijn Land,
„Zij \'t leven hem ontnomen,
„En wel door henkershand!"
Het vonnis is gesproken
In grimmige euvelmoed;\'
De richtstaf wordt gebroken
En valt voor \'sjonglings voet.
Uit al dat volksgewemel
Verrijst geen enkle stem.
De jongling blikt ten hemel;
En menig bidt met hem.
-ocr page 172-
164
Maar even als van boven
Een bliksem nederslaat,
Is Robert opgestoven,
Een vuurgloed op \'t gelaat.
Den zwijgers tot beschaming,
Geeft hij zijn hart gehoor;
En woedend brult de Vlaming
Den Provencaal in \'t oor:
„Wat durft gij, huurling! spreken
„Op dien verwaten toon?
„Die schennis zal ik wreken,
„Verachte slavenzoon!"
Hij trekt den heldendegen
Met forschgespierde hand;
En met éen stoot doorregen,
Krimpt daar de worm in \'t zand!
De wreker werpt vermetel
Naar Kon rad ij n een groet,
Buigt voor des Konings zetel,
En keert weer bij zijn stoet.
En al die fiere Ridderen,
Die daar in \'t ronde staan,
Zien met een heimlijk sidderen
Het koene waagstuk aan.
Zijn eigen fiere gade,
Die naast den Koning zit,
Vreest Karels ongenade,
En wordt als krijt zoo wit.
Al wrokt des Dwinglands toren
Hij straft die stoutheid niet,
Maar weet de vlam te smoren,
Die in zijne aadren ziedt.
-ocr page 173-
•165
En blijft de vonk er smeulen,
Het bloed van Konradijn,
Vergoten door zijn beulen,
Zal nu zijn koelbad zijn!
Daar staat het ofl\'er vaardig
Ter onverdiende straf:
Toch wijst hij fier en waardig
De hulp des henkers af.
Hij heeft met eigen handen
Het purper afgeleid,
Waarop twee tranen branden,
Zijn moeder nageschreid.
Hij gespt met eigen vingeren
Zich \'t harnas van de leen,
Om \'t voor den voet te slingeren
Van hoog en laag gemeen.
Hij slaat een blik ten hoogen,
Waarin een Hemel ligt,
En bindt kloekmoedig de oogen
Ten langen doodslaap dicht.
De doffe slag weerkaatste
In elks beklemde ziel,
Toen de edelste en laatste
Der Hohenstaufen viel.
J. H. VON WKSSKHMfchG.
THAKÜLF.
\'t Boheemsche rot was bloedig slaags
Met Duitschlands heldenteelt.
Daar zonk het zwijmend licht des daags:
De zege was verdeeld.
Wat droefheid heerscht in \'t Duitsche heil-\'.\'
Wat maakt die oogen rood?
-ocr page 174-
166
Held Thakulf ligt getroffen neer,
Getroffen tot der dood!
En als, door eens verraders mond,
Bohemen \'t hooren raag:
„Held Thakulf is ter dood gewond!"
Verloren is de slag!
Reeds bleekt des hemels blauwe Dom,
Met starren overzaaid:
Daar nadert een Bohemerdrom,
Die \'t witte vendel zwaait:
„Wij bieden u, voor booze wraak.
„Het heil eens vreêverbonds.
„Maar Thakulf, meester onzer spraak,
„Zij middlaar tusschen ons!"
De lijder hoort van ver\' dat woord,
En voelt alleen zijn plicht:
Een pijlschot heeft zijn knie doorboord,
Maar niet zijn moed ontwricht.
Hij prangt de wond, al doet ze pijn,
In \'t ijzer, koud en hard :
„De vijand moet verwonnen zijn:
„Verwonnen ook de smart!"
Hij dwingt zijn lippen tot een lach,
Men tilt hem op zijn paard.
Hij weet wat niemand weten mag,
En houdt het wél bewaard.
Hij sluit den vree bij \'t morgenrood:
Hem blijft de zegepraal.
Hij keert naar \'t kamp — daar beurt de Dood
Hem zielloos uit den zaal!
GUSTAV i\'KARRIU.=.
-ocr page 175-
167
ATTILA TE VENETIË.
Aquileia ! stad der steden
Gij ook, met misverfd gelaat,
Door den Hunnenvorst vertreden,
Die met scorpioenen slaat!
Purperrood zijn uw kanalen,
Uw paleizen staan in gloed,
Tot de zon met bleeke stralen
Siddrend wegduikt in den vloed.
Walgend zelf van \'t menschenslacliten,
Groet de Hun zijn plonderrot:
„Mannen, zamelt nieuwe krachten
„In den schoot van nieuw genot!
„Fier zijn Aquileiaas schoonen,
„Zoet moet hier de nektar zijn:
„Vreemde liefde moge u loonen,
„Vreemde liefde en vreemde wijn!\'\'
\'t Vocht der druiven wordt vergoten,
Wordt verbrast den langen nacht:
\'t Heidensch slempmaal wordt besloten
Met een wilde rnaagdenjacht.
Alle tranen, alle beden,
Alle strijd, zijn vruchteloos:
De onschuld wordt in \'t stof vertreden,
Als een weggeworpen roos!
Attila, de stad doordwalend,
Blijft bij al die kreeten koel:
Tot een vrouw, van schoonheid stralend,
Hem voorbij zweeft in \'t gewoel.
Als een basilisk, betooverd
Door het glinstrend spiegelglas,
Staart hij, door een blik veroverd,
Dien hij in twee oogen las:
Maar twee oogen als twee heemlen,
Blinkende uit een aangezicht,
-ocr page 176-
168
Waar de zwarte lokken weemlen,
Als de wolken rond het licht:
Maar twee oogen, diep en donker
Als de blauwende Oceaan,
Die in vriendlijk straalgeflonker
Alle starren op doet gaan!
Hoe zijn blikken haar verslonden!
„Ja," zoo spreekt hij, „schoone Maagd !
„U heeft Odin-zelf gezonden,
„U, die Freyaas beeldtnis draagt!
„Zoete droomen, teedre lusten
„Doet gij gloeien in mijn borst!
„Gij verdient aan \'t hart te rusten
„Van den grooten Hunnenvorst!"
Daar bevriest haar \'t bloed in de aaren,
Daar besterft haar bleek gelaat:
Ach, wie zal haar jeugd bewaren
Voor dien onuitwischbren smaad?
Is het leven waarlijk leven,
Als de maagdlijke eer verdween?
God-alleen kan uitkomst geven:
Bij de menschen is er geen!
Maar een lichtstraal uit den hoogen
Schijnt haar plotsling opgegaan:
Onbekommerd, onbewogen,
Spreekt zij haar belager aan:
„Ons beluistren aller ooren
„Met nieuwsgierig onbescheid:
„Hebt ge in waarheid mij verkoren,
„Volg mij dan in de eenzaamheid!"
En zij ijlt met vlugge schreden
Honderd nauwe straten door;
Gloeiend van begeerlijkheden,
Volgt de wreede Hun haar spoor.
\'t Is of haar de vleuglen dragen;
Van den ruischende\' avondwind;
-ocr page 177-
169
Maar haar sluier, weggeslagen,
Golft hem voor door \'t Labyrinth.
Ziet hen ijlen, ziet hen dwalen!
Wanneer eindt de lange reis
Door de leêge marmerzalen
Van het eenzaam prachtpaleis?
\'t Gaat naar boven langs de trappen
Van \'t beloofde Heiligdom;
En de weergalm zijner stappen
Kaatst er dof en hol weerom.
Daar ontvlamt in \'t eind zijn toren,
En hij snerpt haar dreigend toe:
„\'t Langst geduld gaat eens verloren,
,\'k Ken dat eindloos marren moê!"
Ze andwoordt: „Heer, gij zult mij loven:
„Even nog geduld bewaard!
„Weldra, en wij staan daar boven
„Op het heerlijkst punt der aardl"
Ijlings hupplen weer haar voeten
Nieuwe, steile trappen op:
Tot ze een laatste deur begroeten,
Voerend naar des torens top.
Hijgend naar omhoog gestegen,
Staan zij op den steilen trans:
Koel waait hun de nachtwind tegen,
Bij der starren tintelglans.
Halfverklonken stemmen stijgen
Hun van verre te gemoet:
Maar de zee, in somber zwijgen,
Ligt beneden aan hun voet.
Ziet, een bank, ombloeid van rozen.
Noodigt hen tot rusten uit:
Om te kussen, om te kozen,
Nadert Attila zijn bruid.
Maar, ontworsteld aan zijne armen,
Vlucht zij naar den versten rand:
-ocr page 178-
170
„Als geen Englen haar beschermen,
„Redt nog de Eer een vrouwvoor schand!"
In het koele graf der baren
Werpt zij met éen sprong zich neer.
Attila blijft huivrend staren,
Maar — de jonkvrouw keert niet weer.
„Aquileia ! stad der steden !"
Riep hij dikwerf\' na dien stond,
Door een bangen droom bestreden,
Bloedende aan zijne oude wond.
En dan vloog hij, dol van smarte,
Weer ter wilde menschenslacht;
Tot — een vrouw zijn wroegend harte
Met haar dolk tot zwijgen bracht!
J. K. VOOI..
E U G E N I A.
Eugtnia heet Welgeboren:
Een lieve Moeder noemde u dus,
Toen gij den eersten kreet deedt hooren,
Bij d\' allereersten levenskus.
Een schoone naam! En toch — u toeven
AI de oude zorgen in de vert\',
Die ieder kind der aard bedroeven,
Dat uit een vrouw geboren werd.
De nachtvorst zal uw rozen schennen,
Het gazen droomfloers scheurt gewis:
Dan eerst leert gij dit leven kennen,
Dat slechts een langzaam sterven is.
O, zij u \'t licht dier Zon beschoren,
Die rijpt wat voor den Hemel bot!
Die ziel is waarlijk welgeboren.
Die tveêrgeboren is voor God!
j. a. sEiiii.
-ocr page 179-
171
DES ZANGERS VLOEK.
BALLADE.
In overoude tijden
rees voor des pelgrims oog,
Ver boven beemd en bosschen,
een burchtslot naar omhoog.
Het lag in bonte gaarden,
als in een bloemenkrans,
Waar springfonteinen speelden
in regenboogenglans.
Daar had een trotsche Koning
zijn machtig rijk gesticht;
Daar zat hij op zijn zetel
met somber aangezicht.
De dood lag in zijne oogen,
de hel in zijn gemoed,
Want wat hij sprak was geessel,
en wat hij schreef was bloed.
Naar deze vorstenwoning
trok eens een Zangrenpaar,
Een jongling, blond van lokken,
een grijzaard, wit van hair.
De grijzaard, met zijn speeltuig,
berijdt een fier genet;
De jongling gaat er nevens
met vogelvluggen tred.
Daar sprak de grijze Zanger:
„Houd u bereid, mijn zoon!
„Het rijkste lied moet klinken,
„en uit den volsten toon.
„Verzamel al uw krachten,
„de hoogste vreugde en smart:
„De Koning moet gegrepen
„in \'t marmerkoude hart!"
-ocr page 180-
172
Reeds treden bei de Zangers
de weidsche Hofzaal in:
Daar troont de norsche Koning,
de schoone Koningin:
De Koning, die in luister
het Noorderlicht gelijkt,
De Koningin, die lieflijk
als \'t kuische maanlicht prijkt.
De grijzaard roert de snaren:
hoe zuiver trillen zij!
Hoe zwelt in stoute akkoorden
de wondre melodij!
Hoe klinkt als die eens Engels
des jonglings stem er door!
Hoe dreunt de bas des ouden
gelijk een geestenchoor!
Zij zingen van de vreugden,
de deugden van weleer,
Van lente, liefde en vrijheid,
van trouw en riddereer.
Zij zingen van al \'t Schoone,
dat \'s menschen boezem treft,
Zij zingen van al \'t Goede,
dat \'s menschen hart verheft.
De dartle hovelingen
verleeren allen spot;
De dreigende oorlogshelden
verneedren zich voor God;
De Koningin, verteederd,
werpt, met een tranenvloed,
De puikroos van heur boezem
den Zangers voor den voet!
„Gij hebt mijn volk betooverd,
gij hebt mijn vrouw verleid!"
Zoo brult op eens de Koning
in wilde grimmigheid:
-ocr page 181-
173
Hij werpt zijn zwaard, dat vlammend
des jonglings borst doordringt,
Waaruit, voor gouden zangen,
een roode bloedstraal springt.
"Verdwenen zijn de hoorders,
verbroken is het feest;
De jongling geeft al snikkend
in \'s meesters arm den geest.
Die windt hem in zijn mantel,
en draagt hem door \'t portaal.
En zet den dierbren doode
recht vóór zich in den zaal.
Maar voor de poort des Konings,
daar houdt de grijzaard stand,
Daar slingert hij het speeltuig
uit de opgeheven hand:
En als de harp in splinters
verstrooid ligt op den grond,
Daar dreunt zijn stem ontzettend,
door slot en gaarden rond:
„Wee u, gij trotsche zalen!
geen vriendlij k harpakkoord,
„Geen zang worde in uw boogen
in eeuwigheid gehoord!
„Daar mogen zuchten klinken
en schuwe slavenschreên,
„Tot u de geest der wrake
tot stuivend puin zal treên!
„Wee u, gij bonte gaarden
in \'t gouden zonnelicht!
„U toon ik dezes dooden
bestorven aangezicht.
„Het moge uw loof doen dorren,
uw bronnen stil doen staan,
„Tot al uw heerlijkheden
in onkruid óndergaan!
-ocr page 182-
174
„Wee u, verwaten moorderl
u vloekt wat Zander heet!
„Vergeefs zij al uw woeden,
geen lauwer kroone uw zweet!
„Uw rijkdom moog\' verroesten,
verderven al uw pracht,
„Uw trotsche naam verzinken
in eeuwgen middernacht!"
De grijzaard heeft gesproken,
de Hemel heeft gehoord:
Vergruizeld zijn de muren,
verzonken is de poort.
Gelijk een schrikgetuige
staat daar éen zuil alleen,
En deze, reeds gebarsten,
stort mooglijk straks in een.
De gaarden zijn verwilderd,
met distels overgroeid,
Geen struikjen geeft er schaduw,
geen beekjen dat er vloeit.
Des Konings naam verkondigt
geen lied, geen heldenboek;
Verzonken en vergeten!
dat is des Zangers vloek!
LUDWIQ WILAilU.
HEIMWEE.
(AAN MIJNEN VRIEND, DEN 7.KSTIENJAIUGEN DICHTER 3. J. L. TEN KAL L.)
— Sevenaer 1836. —
Kent gij den droom vol wondre harmoniën,
Waarin een glans des Hemels ons omzweeft,
Dien zich de jeugd in zoete fantasiën
Uit de eerste smart en de eerste vreugde weeft?
Kent gij hem wel? Ook lange nog na \'t scheiden
Blijft trouw zijn beeld door \'t leven ons geleiden.
-ocr page 183-
175
Als onze geest de teêre vleugels wiegelt,
En worstlend naar een Hooger Schoonheid smacht,
Als in zijn blik een Tooverwaereld spiegelt,
Een Lustwarand, waaruit de vrede lacht,
Dan zou hij gaarne, in nameloze weelde,
Verwerklijken wat zich zijn wensch verbeeldde.
Toch slaat de geest wel vruchtloos hier beneden
üe wieken uit naar reiner liclitgebied :
Zijn jonkheidsdroom van een verloren Eden,
Zijn heimweezucht stilt déze waereld niet:
Totdat hij leerde in stil geloofsvertrouwen
Naar \'t Vaderland daar Boven heen te schouwen.
Wie schonk ook U die zilverzuivre snaren,
Wier windharp-toon den wensch naar Boven voert ?
Wie leerde ook U zoo vroeg en diep ervaren,
Wat bitterzoet een Dichtrenhart ontroert?
Moest ook uw hart reeds in zijn lente leeren
Geduldig te verwachten en te ontbeeren?.. ..
O, laat het lang en God ter eere bloeien,
Dat Paradijs dat opging in uw ziel!
Laat lang daar \'t licht des stillen weemoeds gloeien,
Een straal gelijk die uit den Hemel viel!
De beelden, die daar zeegnende U omzweven,
Zijn diep verwant aan \'t innig zielenleven.
Vaar moedig voort op zuivren toon te zingen!
Vervolg uw weg in \'t koele palmgeblaart!
Wat waereldsch is, kan \'t harte niet bedwingen;
Wat hemelsch is, stijgt vrolijk hemelwaart:
De zoete droomen, die hier vroeg verstoven,
Hervinden wij verwezenlijkt daar Boven 1
LOUISB HELUR1.NQ.
-ocr page 184-
DE JONKVROUW VAN ORLEANS.
I.
VOOR DEN STRIJD.
Vaart eeuwig wel, gij heuvelen en dalen!
Fluweelen veld! aanminnig vredesoord!
Nooit zal ik weer uw Paradijs doordwalen:
Voor \'t allerlaatst hebt gij mijn stem gehoord.
Gij leliën en rozen, door de stralen
Der zon gekust, o bloeit in vrede voort!
Ruischt, beekjens van uw groene rotsen neder!
Vaart allen wel! gij ziet mij nimmer weder.
Gij plekjens, waar zoete Englen mij geleidden,
Mijn Heiligdom! wij scheiden van elkaar.
Verstrooit u thands, gij lammren op de heiden!
Gij zijt voortaan een herderloze schaar:
Ik moet voortaan een andre kudde weiden,
Op \'t bloedig veld bij dreigend doodsgevaar.
Mij drijft geen aardsch, geen zondig zielsverlangen:
\'k Heb van Omhoog mijn heiige last ontfangen!
Die God, die zich aan Amrams zoon vertoonde
Op Horebs top, waar \'t vlammend braambosch blonk,
En met den staf, waarin Zijne almacht woonde,
De Schelfzee spleet, waar Pharaö verzonk;
Die David reeds tot Isrêls koning kroonde,
En steeds Zijn gunst aan vrome herders schonk:
Hij ook is in mijn droomen mij verschenen,
En sprak: „Gij zult mijn dienstmaagd zijn: trek henen!
„Het krijgszwaard zal uw vingren niet vermoeien :
„Rekleed met staal uw maagdelijke borst!
„Geen aardsche vlam mag in uwe aadren gloeien,
„Geen teèrheid, die naar mannenliefde dorst:
-ocr page 185-
177
„Geen bruiloftskrans zal om uw lokken bloeien,
„Geen lieflijk kind wordt door uw schoot getorscht:
„\'k Zal met een kroon van eeuwige lauwrieren
„Ver boven de aardsche vrouwen U verderen!
„Dan, als in \'t veld de moedigsten vertsagen,
„Als Frankrijk staat op \'t keerpunt van zijn lot,
„Dan wordt door U mijne oriflam gedragen,
„Zoo spreekt de Heer, der legerscharen God!
„Uw zwaard, gelijk een sikkel uitgeslagen,
„Maait onverwachts heel \'t overwinnend rot:
„Gij keert den kans, redt Frankrijks heldenzonen,
„Maakt Rheims weer vrij, en zult uw koning kroonen!"
De Hemel zou me een teeken doen ontt\'angen:
Hij zendt den helm: een Engel die hem bracht!
Als ik dat staal mijn gloeiend hoofd voel prangen,
Doortintelt mij der Cherubijnen kracht,
Bevleugelt mij een ongekend verlangen,
Dat in mijn ziel naar groote daden smacht.
Ik hoor van ver den luiden veldkreet schaatren:
Het strijdros briescht, de krijgstrompetten klaatren!
II.
NA DEN SLAG BIJ KHEIMS.
Een feestelijk vercierde zaal. De zuilen zijn omwonden met
bloemkransen. Fluiten en hobo\'s klinken uit de verte.
Nu zwijgt de orkaan der dolle krijgsgevaren:
De worstling wijkt voor feestmuziek en dans.
\'k Zie overal de huppelende paren,
Altaar en kerk in vollen hoogtijglans.
De boogen zijn vercierd met rozenblaaren,
De zuilenrij is éene lauwerkrans —
Wie kan, o Rheims! de bonte gasten tellen,
Die jublend naar uw blijde poorten snellen?
VIII.                                                                                             12
-ocr page 186-
•178
Hoe vreugde en vrede alom heur stralen spreiden!
Hoe gloeit elks hart in \'s Hemels zonneschijn!
Wat straks de haat nog bloedig hield geseheiden,
[\'lengt nu verzoend den feestlijke\' eerewijn.
Weer zal ons God met al Zijne Englen leiden ;
\'t Is grootsch op nieuw, een vrije Frank te zijn!
AVeèr blinkt de kroon, zoo lang in \'t stol\' vergeten,
Zijns Konings zoon zal Frankrijks Koning heeten!
Maar mij, die al die glorie heb doen plukken,
Mij treft het niet, het heil van \'t algemeen.
Ik voel mijn hart door looden zorgen drukken,
In \'t bont gewoel verlaten en alleen.
Met wisslende angst en smachtend zielsverrukken
Wend ik den blik naar Frankrijks vijand heen\'.
Ik ben ter sluiks den vriendenkring ontvlogen,
Of ik mijn schuld mocht dekken voor elks oogen t
Wat heeft op eens mijn rust verwoest?
Wiens beeld durf ik in \'t harte dragen?
Die borst, die hemelsch gloeien moest,
Durft nu van aardsche liefde jagen?
Ik, die mijn duizende overwon,
Die meer dan aardschen roem mocht erven,
Ik spreek het uit, en, kuische zon!
Gij ziet mij niet van schaamte sterven?
( Van verre klinkt eene zachte, smeltende muziek.)
Wee mij! wee mij! welke akkoorden!
Hoe verleidend zacht en teer!
\'k Hoor zijn zoete tluisterwoorden,
\'k Zie zijn stralende oogen weer.
Of de krijgsorkanen loeiden,
Waaiende over \'t roode bloed!
Of de lansen rond mij gloeiden!
Moogüjk keerde de oude moed.
Ach, die tooverzoete zangen,
Hoe verstrikken zij mijn hart!
Al mijn krachten zijn gevangen,
Zijn versmolten in \'t verlangen
Van een zoete heimweesmart
-ocr page 187-
170
(Na eene pauze gaat zij levendiger voort.)
Had ik hem moeten dooden? Kón ik dat,
Toen ik hem las in die betoovrende oogen?
\'k Had eer het staal met eigen bloed bespat!
Rust dan Gods straf op menschlijk mededogen\'.\'
Is deernis zonde? Ach, heb ik haar ontwaard,
De deernis, bij die andre honderdtallen.
Die zwichtten voor de scherpte van mijn zwaard\'.\'
Heb ik den teedren jongling niet doen vallen.\'
Arglistig hart, gij liegt den Heilgen Geest!
Neen, \'t is de stem der deernis niet geweest!
Wal sloeg ik ook, vermetel, onbezonnen,
Mijn oogen voor zijn aangezicht niet neer?
Uw schuld is met dien eersten blik begonnen:
Blind moest gij zijn, gij werktuig van den Heer!
Zoodra gij zaagt, waart gij verwonnen,
En nooit vindt gij Gods beuklaar weór!
(De muziek verheft zich weet. Zij verzinkt in stillen weemoed.)
Vrome stat\' uit blijder jaren,
Waarom u verruild voor \'t zwaard?
Waarom, heilige eikenblaaren,
Uwe orakels niet gespaard?
Waart Gij nimmer mij verschenen,
Hemelsche! uit uw Heiligdom:
Moed en veerkracht zijn verdwenen:
Neem uw gloriekroon weerom!
Ja, den Hemel zag ik open,
Met Zijne uitverkoren Hij!
Maar op aarde is al mijn hopen:
\'t Hemelsch uitzicht ging voorbij.
Ach, dat God ook uit mijn Eden
Tot zoo zwaar een taak mij riep!
Kon ik dan dit hart herkneeden,
Dat Hij tot beminnen schiep\'?
Wilt Ge, o Heer! Uw macht verkonden,
Zend dan een dier Englen neer,
-ocr page 188-
180
Rein van alle schuld en zonden,
Blinkend van onsterflijke eer!
Een dier hoogverheven scharen,
Zonder tranen, zonder min:
Maar geen kind van achttien jaren,
Maar geen arme herderin!
Voegt een maagdenhand het wapen\'.\'
Gaat der Vorsten twist mij aan".\'
Schuldloos weidde ik eens mijn schapen,
Waar de groene bergen staan.
Maar Gij dreeft mij uit in \'t leven,
Waar de Roem zijn stralen schiet,
Om der Schuld mij prijs te geven —
Ach, m ij n keuze was het niet!
P R O M E T H E U S.
Bewolk, o Zeus! uw heraelbaan
Met donder en orkaan,
En proef, gelijk het spelend kind
Dat distels van den stengel houwt,
De krachten van uw wervelwind
üp berggevaarte en woud!
Doch laat mijn bloeiende Aard\'
Gespaard,
Mijn hut, die gij niet hebt gebouwd,
De vuurgloed, vonklende aan mijn haard,
Dien gij met nijd aanschouwt!
Ik ken niets armers hier beneên
Dan U, verwaten Godenstoet!
Die met wat reukwerks en gebeên
Uw schrale glorie voedt.
De wierook rees nog eens zoo schaars,
Gij boodt uw kroon te koop,
Als niet altijd de dwaze hoop
Van kinderen en bedelaars
Rondom uw outaar kroop!
-ocr page 189-
181
In d\' argeloozen knapentijd
Sloeg ik mijn dwalend oog
Omhoog,
Als was daar boven \'t wolktapijt
Een oor, zich neigend tot mijn kreet,
Een hart, als \'t mijn\' ter hulp gereed
Voor al wat leeft en lijdt.
Wie heeft mijn eerste jeugd behoed
Voor Reuzenovermoed?
Door wien ontworstelde ik de smart
Van folterstaak en kerkernacht ?
Hebt gij niet alles zelf volbracht,
Mijn heilig, gloeiend hart?
En met de dankbaarheid eens kinds
Ontstaakt gij vroom en goed,
Bedrogen Priester, d\' offergloed
Den Slapenden daarginds!
U eeren? ik? waarom? Wat wicht
Hebt ge ooit voor \'t hart verlicht?
Wanneer waart gij ten troost gereed
Bij \'s waerelds haat, of \'s waerelds spot,
Bij angst en zielepijn?
Wie heeft mij tot een Man gesmeed ?
De Almachte Tijd en \'t Eeuwig Lot,
Uw meesters en de mijn\'!
Gij waant dat mij de wanhoop nijpt,
Die \'t leven haat, en laf en loom
Den kluiznaarsmantel grijpt,
Omdat niet elke bloesemboom
Volkomen is gerijpt ?
Hier zit ik, en boetseer uit slijk
Mij menschen naar mijn beeld,
Een ras, met hemelsch vuur bedeeld,
In alles mij gelijk,
Dat lacht en schreit, bij goed en kwaad,
Dat leeft bij \'t oogenblik,
En — U durft tergen met zijn smaad,
O Goden, zooals ik!
-ocr page 190-
182
MORGENGEBED VAN HET KIND BIJ ZIJN ONTWAKEN.
Gij Vader! Wien mijn vader eert,
Voor Wien al \'t schepsel ligt gebogen,
Gij, bij Wiens naam mijn moeder de oogen
Aanbiddend naar den hemel keert!
Men zegt, die zon, wier licht wij groeten,
Is maar een weerschijn van Uw glans;
Gij hingt haar op aan \'s Hemels trans:
Ken gouden lamp, wiegt ze aan uw voeten!
Men zegt, Gij schiept de lieve lent\'
Met al haar vogels, U ter eere;
Kn aan de kinderkens, o Heere!
Gaaft Gij een ziel die U erkent!
Men zegt, Gij doet de rozen bloeien,
Kn zonder U, zoo groot, zoo goed,
Zou daar geen grasjen voor mijn voet,
Geen botjen aan den wingert groeien.
Uit altijd volle voorraadschuur
Hebt ge elk Uw gaven toegemeten —
Kn zelfs geen wormtjen wordt vergeten
Ten groenen feestdisch der Natuur!
Het geitjen knabbelt aan de knopjens,
Het schaapjen scheert het klaverland,
En \'t vliegjen op mijn bekerrand
Neemt van mijn melk zijn morgendropjens.
Het muschjen, waar men \'t koren dorscht,
Komt weer zijn kleine graanoogst vragen;
Het bietjen heeft zijn meidoornhagen,
De zuigling heeft de moederborst!
Kn zal mij nimmer iets ontbreken?
Zal ik mij kleeden, dekken, voên;
Gelukkig zijn? Wat moet ik doen? —
\'k Behoef Uw naam slechts uit te spreken!
-ocr page 191-
I8:i
O Gij, die mij zoo teer bemint!
\'k Zal meê dien grooten naam herhalen:
Ook onder \'s Hemels lofchoralen
Verneemt Gij \'t staamlen van een Kind!
In kindren hebt Ge een welhehagen,
O smettelooze Majesteit!
Ter wille dier onnoozelheid
Die ze, onbewust, als cieraad dragen.
Men zegt, dat in den zonneschijn
Der altijd groene Paradijzen,
Al de Englen U om \'t zeerste prijzen,
En dat wij nog als de Englen zijn.
En neigt Gij dus van verre de oogen
Tot kindren? Vader! ook tot mij"?
O wil dan, waar het medelij\'
Voor de andren bidt, genadig hooren!
O God! geef water aan de bron,
Het schaapjen wol, den vogel veeren,
En doe geen bloemtjen ooit ontbeeren
Een weinig schaduw voor de zon!
Geef, Vader! — Gij zijt mild en teeder —
Den kranke kracht, den beedlaar brood.
Het weesje\' een andren moederschoot,
En d\' armen slaaf de vrijheid weder!
Geef gij den brave een bloeiend kroost,
Den vlijtige een geruste grijsheid,
Maak door gehoorzaamheid en wijsheid
Mij vaders trots en moeders troost!
Dit mocht ik, boven alles, wenschen,
Of ik Uw godlijk Kind geleek,
Dat jong reeds van Uw weg niet week,
Genade vond bij God en menschen!
-ocr page 192-
184
Uw waarheid heilige mijn jeugd,
Uw vreez\' beveilige mijn harte —
De zonde zij mijn diepste smarte,
Uw wil te doen, mijn hoogste vreugd!
Dat zij tot U steeds klimmen mochten,
Mijn zielsgebeden zooals thans,
Gelijk de geuren van dien krans,
Door kinderen als ik gevlochten.
LIEFDE DE MEESTE.
— AAN DE ÉENU\'.E. —
Zie, als gij mij spreekt van lauwren,
plooit een bittre lach mijn mond:
Wil die stemme niet gelooven!
\'t is bedrog wat zij verkondt.
Spoedig valt de zwakke Glorie,
en de fakkel van den Haat
Laat niet af haar wiek te zengen,
eer zij op een grafzerk staat.
Pijlsnel vliegt de Voorspoed henen,
aamloos zijgt de Macht ter neer:
Ach, een weinig ware Liefde
klinkt zoo niet en zegt veel meer
Ik begeer geen andre dingen
dan uw stem, uw lieve lach,
Dan wat lucht, wat loof, wat rozen,
en wat stralen van den dag.
Ik verlang geen hooger schatten,
wie den rijkdom zegen noem\',
Dan uw blik, mijn morgenstarrei
dan uw geur, mijn lentebloem!
-ocr page 193-
185
In uw blauwe duivenoogen
drijft een gantsche Hemel heen,
Straalt een Hemel van gevoelens:
\'k zoek er niets dan Liefde-alleen!
Niets meer wenscht meer mijn gedachte,
die, onhandig als zij werd,
Heel een schepping kon omvatten,
méér te omvatten dan uw hart!
Zing\' en heel m ij n hart verrukt ge!
glimlach, en een Eden rijst!
Wat toch vraag ik naar die menigt\',
die van verre woelt en krijscht?
Vruchtloos gaan de lichtgestalten
van de Dichtren mij voorbij,
Om den tooverdroom te breken,
lieve! dien ge schept in mij.
Hoe ze lokken met hun wekzang,
die mij oproept en ontrust,
\'k Wil alleen uw heillied hooren,
dat mij zacht in sluimer sust.
\'k Wil, al had\' mijn naam gevonkeld
waar \'t gestarnt\' der Glorie drijft,
Dat een helft van heel mijn wezen
voor Uw liefde op aarde blijft.
Laat me u in de schaduw minnen,
waar de weemoed nederzinkt!
Want de droefheid is een lommer
waar de liefde heerlijkst blinkt.
Engel, met uw stralende oogen!
Vrouw, met tranen opgevoed!
Neem mijn ziel op uwe vleuglen,
laat mijn hart aan uwen voet!
-ocr page 194-
186
DE DICHTER.
— ODE. —
Gelijk weleer Macbeth nabij zijn legerscharen,
Nog vlammende van moed en wilde krijgsgevaren,
De zustrentrits ontmoette, en stijf stond en ontzet,
Als zij, den vinger op heur bleekbestorven lippen,
Uit de ingevallen kaak de klanken deden glippen:
„Heil, gij zult Koning zijn, Macbeth!"
En toen, bedwelmd door \'t woord dier grijze orakeltolken,
Den krijgstromp niet vernam, weêrschettrend tot de wolken,
Den beirtros niet meer zag, die \'t heizand stuiven deed,
Maar bleek, met wilden blik, in ongeduldig smachten
Naar \'t beidend lot, en in gesprek met zijn gedachten,
Met blinde stappen voorwaards schreed:
Zoo wordt ook, siddrend en van killen schrik geslagen,
Door \'t aanstaand offer, dat een andre kroon zal dragen,
Helaas, te kwader uur op eens \'t Genie ontmoet,
Dat dan hem aanspreekt: „Heil! want gij zult Dichter wezen!"
En, als de zustertrits hem half zijn noodlot lezen,
En slechts de palm aanschouwen doet!
Dan, om de schrikbre taak zijns levens te volvoeren,
Begeeft hij zich vooruit in rustloos zielsontroeren,
Een mastloos schip gelijk dat dobbert af en aan.
Hij wil ter ruste gaan, maar dondrende in zijne ooren,
Doet een ontzetbre stem zich eensklaps wekkend hooren :
„Hijs op, \'t is met uw slaap gedaan!"
Hij wil, als iedre gast, zich aan den disch gaan zetten.
Maar \'t onbetembaar lot komt telkens \'t hem beletten:
De blijde feestzang wordt een doffe geestenstem;
Hij grijpt den feeslkelk aan, maar doodschrik waait hem teg^n:
Want eensklaps ziet hij, bleek en bloedend opgestegen,
De schim van Banquo over hem!
-ocr page 195-
•187
Hoe vaak, ronddwalend in een doolhof van ellenden,
Zal hij op eenmaal weer zich rugwaard willen wenden,
En \'t doel ontvluchten dat hij toch bereiken moet.
Gedreven door \'t Genie en \'t lot hem voorgeschreven.
Zal hij weldra op nieuw nog sneller voorwaarts streven,
De doornen tredend met zijn voet.
Men ziet hem eindlijk op zijn Koningstroon gezeten,
Dien \'t blinde Volk omringt met honende oproerkreten,
Als of \'t dien schokken kon in wilde razernij.
Dan, \'t somber oog op zijn meêplichtige geslagen,
Dan roept de Dichter uit, haar wijzende op zijn plagen:
„O Muze, wat bedroogt ge mij!"
Doch, \'t is vergeefs! Geen man van uit een vrouw geboren,
Kan, hoe hij worstlen moog\', die hemelvlam versmoren,
Die hem bezielt, verteert en alle rust ontvreemt.
Maar, als de tijd genaakt, legt hij zijn kroon ter neder,
En geeft zijn looden staf aan de eigen Almacht weder,
Die beide alleen én geeft én neemt!
LIED.
— AAN MARIA ----
Zaagt gij den schuchtren traandrop niet
Weemoedig vloeien langs mijn wangen\'.\'
Hebt gij den vuurblos niet gezien,
Of \'t murmlend zuchtjen opgevangen?
En waant gij dan mijn liefde koud,
Die nimmer trouwloos werd bevonden,
En kunt. gij door uw twijfling dus
Een U geheiligd hart doorwonden?
Aan U was elk gevoel gewijd,
Waardoor mijn hart ooit werd gedreven;
Mijn ziel was éen gedachte aan U,
Éen liefdetaak geheel mijn leven!
-ocr page 196-
188
Helaas, als uw geloof verdween,
Als ik mijn zoetste hoop moet derven,
Ken ik slechts éen bewijs te meer:
Uw naam te zeegnen en — te sterven!
DE TRAAN.
De nachtwind woei door \'t huilend zwerk,
Het maanlicht daalde op \'t sneeuwbed af,
Toen Roosjen weende bij de zerk:
Arm kind! het was heur bruigoms graf!
Een traan ontvloot haar — \'t winterweer
Bevroor hem als hij nedergleed:
\'s Nachts lag hij als een ijsdrop neer,
Tot de uchtendstraal hem vonklen deed.
Een Engel, zwervend van zijn baan,
Zag toen dien zoeten paerelglans:
Der Liefde-zelf bracht hij den traan,
En hing hem aan heur gloriekrans.
DE JONGE ROOS.
De Roos, die \'k U gaf, zoo vol geuren en pracht,
Was de dierbaarste bloem voor den vogel der nacht,
Die zoo vaak bij het maanlicht heur blos heeft bespied,
En elk blaadtjen deed trillen in d\' aam van zijn lied.
Neem gij dan deez\' Roos uit mijn vingeren aan,
En verleng door uw adem haar vluchtig bestaan,
Want zoolang uw gezang haar den boezem doordringt,
Zal zij wanen dat steeds nog haar nachtegaal zingt!1)
,) Men kent de Perziaansche fabel, volgends welke de Nachtegaal de geliefde der
Roos is.
-ocr page 197-
189
ALS TE MIDDEN DER VREUGD.
Als te midden der vreugd, in de hupplende rij
Mij uw zegenend lacbjen ontmoet,
Dan, hoe lieflijk het gloei\' en hoe teer \'t mij begroet\',
Dan toch acht ik het nimmer voor m ij!
Maar wanneer gij in stilte mij d\' aanblik vergunt
Van den dauw dien uw weemoed vergiet,
Dan gevoel ik dat ge iederen traan die er vliet,
Slechts met mijnen verwisselen kunt! —
Schenk uw lonkjens aan hem die nog koud is en vrij,
En wees dartel en wuft als de wind!
Geef uw lachjens aan elk dien gij minder bemint,
Maar bewaar steeds uw traantjens voor mij!
Wel beschijnt op den top uwer Alpen omhoog
Soms een lichtstraal de sneeuw als hij \'t wil.
Doch zij blijft wat zij was: onbeweeglijk en stil,
Hoe volheerlijk zij schitteren moog\'!
Maar slechts dan, als de blakende zonne verscheen
En haar kust van den koestrenden trans,
Dan verdwijnt door den vuurgloed de lachende trans,
En de sneeuw smelt in tranen daarheen\'! —
Schenk uw lonkjens dan hem, die nog koud is en vrij,
En wees dartel en wuft als de wind!
Geef uw lachjens aan elk dien gij minder bemint,
Maar bewaar steeds uw traantjens voor mij 1
T R O U W.
Al moest ik het zien, dat uw blosjen verdween,
Nu weêrschittrend van jonkheid en min,
Al smolt in mijn arm al uw schoonheid daarheen\',
Als de gift eener Toovergodin:
Geloof me, ik beminde u zoo vurig als thans;
En, ware ook haar tempel geslecht,
Elke wensch van mijn hart werd een groenende krans,
Aan den bouwval der Schoonheid gehecht!
-ocr page 198-
190
Neen, \'t niet ten dage uwer bloeiende lent\',
Nu geen traan nog uw oogjens ontwijdt,
Dat de gloed en de trouw eener ziel wordt gekend,
Wie ge al dierbaarder wordt met den tijd!
O, die waarlijk bemint, hij bemint onbepaald,
En volhardt met ondoofbaren gloed:
Als de zonnebloem ginds, die haar God, wen hij daalt.
Even teer als bij d\'opgang begroet!
MUZIEK.
Als wij niets van \'t leven hopen,
Na \'t verlies van \'s levens vreugd,
O, hoe gaat dan \'t hart ons open
Bij een feestklank uit der Jeugd I
In de ziele, diep bewogen,
Rijzen de oude droomen weer,
En uit moègekreten oogen
Straalt een lachjen van weleer!
Zwevende over rozelaren,
Streelt ons \'t windtjen hemelzoet:
Dus de toon uit blijder jaren,
Die ons onverwachts ontmoet,
\'t Windtjen geurt nog om ons henen,
Als de rozenblos verschiet:
Zoo, al is de vreugd verdwenen,
Leeft zij voort in d\' aam van \'t Lied!
O Muziek! bij uwe akkoorden
Wordt de spraak zoo koud en schraal.
Waarom zoekt de ziel naar woorden\'.\'
Gij slechts zijt haar Moedertaal!
Liefde en vriendschap kunnen vleijen,
Daar bedrog de lippen plooit:
Maar, Muziek! üw melodijen
Streelen, maar bedriegen nooit!
-ocr page 199-
191
OP ZEE.
Liefste! ga meê,
Over de zee!
Volg, waar ge wilt, mij naar heuvel en dal!
Bedreigt ons de waereld, we ontvluchten haar erf;
(lij zijt er: ik leef! gij verdwijnt: en ik sterf 1
Kom, ga dan meê,
Liefste! over zee!
MeO, waar het golfjen ons wiegelen zal!
Wissle de wind,
Hij die bemint,
Kent geen saisoenen, en mint overal.
Woont niet op zee
Vrijheid en vree?
Dreigen niet onrust en boeien aan land.\'
Slaaf zijn we daar:
Maar op de baar
Lacht onze liefde met teugel en band.
Geen oog dat ons üiet, en geen tong die ons wondt;
De waereld verdwijnt, en \'t wordt hemel in \'t rond!
Kom, ga dan meê.
Liefste, over zee!
Volg, waar ge wilt, mij naar heuvel ea dal!
Wissle de wind,
Hij die bemint,
Kent geen saizoenen en mint overal!
GRAFB E ZOEK.
O, fluister zijn naam niet! hij rust\' bij \'t gebeent\'
In schaduw der eenzame zodel
Weemoedig en stil zij de traan dien ge er weent,
Als de nachtdauw op \'t graf van den doode!
-ocr page 200-
192
Maar de dauw, die in stilte de zode besprengt,
Zal het gras des te frisscher doen groeien;
En de traan onzer smart, hoe verholen geplengd,
Doet in \'t hart zijn gedachtenis bloeien.
NA DEN VELDSLAG.
De nacht heeft den loop der verwinnaars gestremd;
Een handvol, der neêrlaag ontkomen,
Staat eenzaam, de vuist aan de sabel geklemd,
En zonder het ergste te schroomen.
Ach, \'t ergste is geschied! Want de hoop ligt geveld,
Vertrapt in de bloedige voren.
Reeds dit brengt den dood in het hart van een held:
„Op de eer na, is alles verloren!
De droom hunner Vrijheid ging vóór in het graf;
Hunne asch zal haar lauwer niet erven!
Nu wachten zij spraakloos den morgenstond af,
Om eervol bij \'t daglicht te sterven.
Omhoog is een waereld, daar dwingt geen tyran,
Daar ziet ge u de vrijheid hergeven!
En als nu de dood haar ontgrendelen kan,
Wie zou hier als slaaf willen leven?
WARE DROEFHEID.
Neen, voorwaar! \'t is de traan niet, die thands ons ontvloeit,
Als wij \'t gapende graf nog aanschouwen,
Die het meldt hoe ons hart voor den vriend heeft gegloeid.
Of hoe diep we in de ziel om hem rouwen:
\'t Is \'t blijvend gevoel, dat hij immer ontbreekt,
\'t Is de traan, dien wij lévenslang weenen,
\'t Is de droeve herinnring, zoo teeder gekweekt,
Als alle andere smarten verdwenen!
-ocr page 201-
193
Alzóo treuren ook wij! en met hemelsche kracht
Zoekt ons hart naar zijn voorbeeld te streven,
Want de deugd wordt te schooner, waar h ij wordt herdacht,
Die alleen voor haar dienst scheen te leven.
En gelijk soms der Heilgen begraven gebeent\'
Een geur door den tempel mag spreiden,
Zóo wordt door ons hart nog een balsem ontleend
Aan het beeld dat hij naliet bij \'t scheiden!
WARE LIEFDE.
In des levens morgenkrieken,
Als men \'s levens zorg niet kent,
Maar de vreugde, op rozenwieken,
Zich betoovrend tot ons wendt;
Als wij in een waereld leven,
Die de fantazy zich droomt,
En het licht, waarin wij zweven,
Uit ons eigen harte stroomt: —
Dan, wanneer, met ziel en zinnen,
Zich de Jeugd der Blijdschap wijdt,
Kunnen wij zóo teer niet minnen
Als in minder blijden tijd.
Duizend wenschen, \'s levens eerste !
Mogen in den bloesem staan,
O, de Liefde is \'t allerteêrste,
Waar die allen zijn vergaan I
Wen de Jeugd met de eerste droomen
Immer verder van ons vliedt,
Als een blaadtjen op de stroomen,
Dat ge nimmer keeren ziet:
Als de feestkelk, leêggedronken
Onder scherts en snarenklank,
Onverwachts wordt volgeschonken
Met des lijdens alsemdrank:
Dan-eerst kan de liefde ontwaken
Met een volheid en een gloed.
VU
                                                                                   13
-ocr page 202-
194
In den zwijmel der vermaken
Door het hart niet eens vermoed.
Dart Ie Liefde gaat verloren
Bij een eerste winterkou,
Maar de Liefde, uit smart geboren,
Is gelijk de smart getrouw!
\'t Land der zonne legt de bloemen
Glans en gloed op ieder blad,
Maar zij kunnen weinig roemen
Op een milden geurenschat.
Wolken, nevels, als daar grijzen
Aan ons waterachtig zwerk,
Doen eerst recht de geuren rijzen
Uit het vochtig bloemenperk.
Zóo leent ook de vreugd der aarde
\'t Oog een wilden hartstochtsgloetl.
Maar de Liefde toont heur waarde
Heerlijkst in den tegenspoed.
Schuchter moog\' ze in \'t blosjen bloeien
Op het blij gelaat der bruid,
Eerst wanneer de tranen vloeien,
Stort zij al heur zoetheid uit!
KOM, RUST AAN DEEZ\' BOEZEM.
Kom, rust aan deez\' boezem, o gij die ik min!
Wie ook u verstoote, steeds heerscht gij er in :
Ik leg met uw voorspoed mijn liefde niet af —
Mijn hart, als mijn hand, behoort U tot aan \'t graf.
Wat waar\' toch de Min, zoo ze in jammer en druk
Dezelfde niet bleef als bij \'t lachend geluk?
Neen, \'k weet niet, ik vraag niet, of \'t schuld heeft, uw hart
\'k Weet dit slechts: ik min u in vreugde en in smart\'.
Gij noemdet me uw Engel in zaliger tijd :
Uw Engel zal \'k blijven, het noodlot ten spijt!
Onwrikbaar wil \'k immer ter zijden u staan,
U hoeden, beschermen, of — met u vergaan!
-ocr page 203-
195
EENE UIT VELEN.
In betere dagen ontvloog mij de tijd
In \'t bonte gewemel, der vreugde gewijd;
Ik werd op mijn wenken gevierd en gediend;
De vroolijkste gast was de dierbaarste vriend ....
Hoe alles verandert in dagen van rouw:
Van al die mij vleiden, wie bleven getrouw\'?
De feestdisch trekt aan: hoe stroomt alles er heen\'!
Het ziekbed stoot af: gij verkwijnt er alleen!
Al vlecht u de waereld heur krans om de kruin,
Heur gunst duurt zoolang als de gunst der Fortuin :
Het klokjen gelijk, dat in \'t zonnelicht bloeit,
Maar plotsling verwelkt, als de dag is vergloeid!
Doch Gij bleeft in kommer en krankte mij bij:
Was i k ook veranderd, dezelfde bleeft G ij 1
Bij mij zijn de feesten der vreugde vergaan:
Toch straalt uit uw oog nog de vreugde mij aan:
De waschbloem gelijk, die bij \'t grauwen der nacht
Het kelkjen ontplooit in welriekende pracht!
VAARWEL.
Als de vriend van uw hart niets meer naliet op aard
Dan den naam van zijn schuld en zijn lijden,
Zeg, zult ge, als de wraakzucht zijn lauwren ontblaart,
Hem een traan der erkentenis wijden\'?
Ja, ween! En hoe diep mij mijn vijand misken\'.
Uw traan zal den smet doen verbleeken:
Want, voorwaar! heeft mijn drift zich vergrepen aan hen,
Al te zeer is mijn trouw U gebleken!
Gij-alleen waart mijn hoop, en mijn doel, en mijn kroon;
Gij, de droom mijner jeugdige jaren!
In mijn laatste gebed voor des Eeuwigen troon
Zal uw naam met den mijnen zich paren.
-ocr page 204-
196
O, gezegend de vrienden, die eens in den gloor
Van uw stijgenden roem zullen leven:
Maar de dierbaarste zegen, dien God mij beschoor,
Is — het voorrecht voor U dus te sneven!
DE LAATSTE ZOMERROOS.
\'t Is \'t laatste der roosjens,
Dat bloeiend bleef staan :
Heur lieflijke zustren
Zijn lang reeds vergaan.
Geen bloem van heur maagschap.
Geen knopje\' onder \'t mosch,
Herhaalt meer heur zuchtjens,
Weerkaatst meer heur blos.
Neen! \'k ga niet hardvochtig
Uw stengel voorbij:
Zijn ze allen ontslapen.
Ontslaap dan als zij!
Zoo strooi ik uw blaadtjens
Al zachtkens daarheen\',
En meng ze met de assche
Der uwen dooreen!
Zoo ras moge i k volgen,
Als me alles begaf,
Als Vriendschap en Liefde
Me ontzonken in \'t graf.
Als al wat ons lief was,
In \'t stof ligt vergaard,
Wie bleef dan nog gaarne
Verlaten op Aard\' ?
-ocr page 205-
DE HARPE SIONS.
LIEDEBEN VAN BOBSBT MÜItRAY M\'CHEYNE.
1.
JEHOVAH-TSIDKENU.
(„DE HEEBE OX7.E CERECHTIGHEID.")
HET WACHTWOORD DER HERVORMERS.
Eens was ik een vreemdling voor God en mijn hart:
Ik kende geen schuld en gevoelde geen smart.
Ik vroeg niet: „Mijn ziele, doorziet gij uw lot\'.\'
„Hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God?"
Al sprak daar een stem uit de Heilige Blaan
Van \'t Lam, met de zonden der waereld belaan,
Ik zocht bij den Kruispaal geen veilige wijk:
\'k Stond blind, en van verre, in mij-zelven zoo rijk!
Ik deed als Jeruzalems Dochters weleer:
Ik weende om de pijn van mijn lijdenden Heer,
En dacht er niet aan, dat ik zelf door mijn schuld
Zijn kroon had gevlochten, Zijn beker gevuld.
Maar toen mij Gods Geest aan mij-zelv\' had ontdekt,
Toen werd in mijn ziele de vreeze gewekt,
Toen voelde ik wat eischen Gods heiligheid deed :
Daar werd al mijn deugd een wegwerpelijk kleed !
Toen vluchtte ik tot Jezus ! Hij heeft mij gered ;
Hij heeft mij verlost van het vonnis der Wet;
Mijn heil en mijn vrede en mijn leven werd Hij :
Ik boog me, en geloofde, en — mijn God sprak me vi
-ocr page 206-
198
Nu ken ik die waarheid, zoo diep als gewis,
Dat Christus alleen mijn gerechtigheid is;
Nu tart ik den dood, nu verwin ik het graf,
Nu neemt mij geen Satan de zegekroon af!
Nu reis ik getroost onder \'t heiligend kruis,
Naar \'t erfgoed daar Boven in \'t Vaderlijk Huis:
Mijn Jezus geleidt mij door de aardsche woestijn
„Gestorven voor mij!" zal mijn zwanenlied zijn.
II.
BIJ HET LEZEN VAN MUNGO-PARK\'S VERHAAL, HOE HIJ IX
AFRIKA S WOESTIJN EEN GROEN MOSCHPLANTJEX VOND.
De zon besteeg den middagtrans,
En schroeide met heur purperglans
Alrykes zandwoestijn:
Vuur was er tot in \'t windtjen zelf,
En nergens grauwde aan \'t luchtgewelf
Ken temprend wolkgordijn.
Geen rots, met \'s pelgrims wee begaan,
Biedt hem een koele schaduw aan
In \'t eindeloos verschiet.
Geen palmboom heft voor \'t brandend oog
Het groengebladerd hoofd omhoog:
\'t Is zandzee wat hij ziet!
Wel was hij stout en onvervaard,
Die scheiden kon van huis en haard,
Ten langen tocht bereid,
Of hij de nooit-aanschouwde bron
Des groolen Nigers vinden kon,
In maagdlijke eenzaamheid!
En is de moed dan minder groot
Van hem, die, dwars door nood en dood,
Naar eedier doelwit streeft?
-ocr page 207-
199
Die rondzoekt waar de Heilbron vloeit,
Die, als zij \'t kranke hart besproeit,
Een Eeuwig leven geeft?
Gevaar noch naaktheid, zwaard noch schrik
Geen zandwoestijn, geen Dwinglands blik,
Maakt ooit hem moedeloos:
Hij weet wel Wie zijn leidsman is,
En zingt: „Verheug u, wildernis,
„En bloei gelijk een roos!" —
Daar zat de Pelgrim neer in \'t zand
Het voorhoofd steunend met de hand,
Gebogen op zijn staf.
Beneden, boven, of in \'t rond,
Geen enkel rustpunt dat hij vond:
\'t Scheen al éen blakend graf!
Éen enkle moschplant, teer en kleen,
Gewassen op een ruwen steen,
Trekt zijn verwonderd oog.
Daar lacht hij met een vreugdetraan,
Daar heft hij luid den danktoon aan,
En blikt verrukt omhoog:
„O Gij, die in de wildernis
Dit plantjen schiept, zoo groen en frisch
Gestrooid uit Uwen schoot!
Gij, God! wiens dauw het bloeien deed,
Gij zijt ook tot m ij n hulp gereed:
Gij redt mij van den dood!"
Dat plantjen gaf hem nieuwe hoop:
Versterkt hervatte hij zijn loop;
Zijn voetzool rustte niet,
Totdat de zon ter kimme neeg,
En hij in \'t loof in sluimring zeeg
Bij \'t sussend Negerlied ....
Zoo grijpt in \'s waerelds zandwoestijn,
Waar zonde heerscht en ramp en pijn,
-ocr page 208-
200
Waar ons de dood omringt,
Wel menigmaal de vrees ons aan,
Omdat we alléén daarhenen gaan,
En niemand met ons zingt.
Maar midden in het zand, daar vindt,
Daar groet ons oog een Hemelkind,
Door God gevoed, gekweekt,
Dat geurig bloeit en bloeiend geurt,
Het grauw zoo groen, zoo hoopvol kleurt,
En van den Vader spreekt!
Dan zeegnen wij de teère bloem,
Dan geven wij Hem prijs en roem,
Die haar zoo heerlijk schiep,
Die in de dorre doodsspelonk
Haar wording en gestalte schonk
En tot ontwikkling riep!
Ons zwak geloof vat nieuwen moed:
Omhoog het hart! vooruit den voet!
Wij trekken moedig door —
Tot, in des Hemels Palmengroen,
Ons de Englen zalig rusten doen,
Bij \'t eeuwig Sabbats-choor! *)
J) „Werwaards ik mij ook wendde, ik zag niets anders dan moeite en gevaar. Daar
stond ikf in een uitgestrekte wildernis, midden in het regensaizoen, naakt en alleen,
omringd door verscheurend gedierte, en door mensehen nog woester dan zij! Ik was
500 mijlen verwijderd van do naaste Europceschc pleisterplaats. Op dit oogenblik,
terwijl ik in droefgeestige overdenkingen verdiept was, wordt mijn oog onwillekeurig
aangetrokken door de buitengewone schoonheid van een kleine moschplant, bloeien^
midden in het zand. Ik maak hier melding van, om aan te toonen uit wat kleinigheiti
het hart soms troost kan putten, want ofschoon de gcheele plant niet grooter WM
dan de top van een mijner vingers, kon ik het tecder samenstel van hare wortels,
bladeren en knopjes niet zonder bewondering aanzien. „Hoe!" dacht ik, „zou liet
mogelijk kunnen zijn, dat die God, die een zoo onbeduidend plantjen in dozen ver-
borgen hoek der waereld formeerde, koesterde en tot rijpheid bracht, onverschillig
zou nederzien op den toestand van wezens die naar Zijn oigen beeld zijn geschapen\'\'
Dat zij verre!" Ik stond op, en honger en vermoeienis vergetende, reisde ik verder.
verzekerd, dat de redding nabij was : ca — ik werd niet teleurgesteld!"
mungo park\'s Iteize door de Binnenlanden ran Afrika.
-ocr page 209-
\'201
[II.
IK BEN EEN SCHULDENAAR.
Als des waerelds glans verdwijnt,
Als geen zon of maan meer schijnt,
Als we, aan \'t eind der pelgrimsbaan,
Vóór het Huis des Vaders staan, —
Dan eerst weet ik en erken,
Heer, wat ik U schuldig ben!
Als de booze jammerklaagt,
Rotsen om een schuilhoek vraagt,
Als hij knersentandt van spijt,
Aan een wis verderf gewijd,
Dan eerst weet ik en erken,
Heer, wat ik U schuldig ben!
Als ik, hemelsch rein en schoon,
Opga tot den Glorietroon:
Als ik, zonder zonde en rouw,
In Uw volheid U aanschouw, —
Dan eerst weet ik en erken,
Heer, wat ik U schuldig ben!
Als ik d\' Englenlofzang hoor,
In een duizendstemmig Choor
Ruischende als een waterval
Met een dondrend harpgeschal, —
Dan eerst weet ik en erken
Heer, wat ik U schuldig ben!
Dierbre Heiland! of mijn ziel
Hier reeds iets te beurte viel.
Voorproef van de zaligheid,
Die mij namaals is bereid!
Of ik hier reeds voelen mocht,
Tot wat prijs ik ben gekocht!
Niet om eenig goed in mij,
Maar uit Godlijk medelij\'.
-ocr page 210-
202
Hadt Gij rust en waereldsch heil,
Hadt Ge Uw leven voor mij veil!
\'k Werd verlost van Vloek en Dood :
O, wat is mijn schuld toch groot!
fn mijn ziel valt menig keer
Nog een donkre schaduw neer,
Maar als de angst mij \'t meeste pijnt,
Komt Gij, en — de morgen schijnt I
Och, dat elk het zie en hoor\',
Jezus, dat ik U behoor!
Dikwerf, als de zonde loert,
Wordt mijn aarzlend hart ontroerd;
Maar Gij stort mij krachten in:
\'k Waak, en bid. en — overwin !
Zoo ik wandel in Uw schreên,
\'k Dank het aan Uw Geest alleen!
Onder tranen en verdriet
Kwijnt mijn vast Geloove niet;
Onder ziekte en doodsgevaar,
Straalt de Hoop, zoo god 1 ijk klaar:
De eeuwge schuld der dankbaarheid
Wordt met woeker opgeleid !
IV.
„DIE MIJ VROEG ZOEKEN, ZULLEN VAN MIJ
GEVONDEN WORDEN."
Als wentlende baren,
Gezweept naar beneen:
Zóo ijlen de jaren
Gevleugeld daarheen\'.
Het Graf gaapt beneden:
Straks storten we neer.
Komt, kindren! nog heden
Gevlucht tot den Heer!
-ocr page 211-
203
De lelies, de rozen,
Hoe teeder gekelkt,
Hoe lieflijk ze blozen,
Zijn spoedig verwelkt.
Gij ook zijt als bloemen
Zoo broos en zoo teer:
Waar zoudt gij in roemen ?
Ai, roemt in den Heer!
De God van genade,
Die \'t Jonge bemint,
Sloeg Samuël gade
En riep hem als kind.
Die vroeg zijn gekomen,
Verdwalen niet weer.
Waarom zoudt gij schroomen *.\'
Reeds wenkt u de Heer!
Bij Jezus is zegen
In blijdschap en smart
Gods licht op uw wegen,
Gods liefde in uw hart.
Uw sterven wordt zweven
Naar heiliger sfeer. . ..
Hoe zalig te leven
In \'t Rijk van den Heer!
V.
UW WOORD IS EEN IAMPE VOOR MIJN VOET EN EEN
LICHT VOOR MIJN PAD.
(Psalm CXIX:105.)
Toen Isrèl stond op vreemde baan,
Stak God de Heer Zijn vuurzuil aan:
Die was hun lamp, die hield de wacht,
Die wees den weg bij dag en nacht.
^Zóo is, in \'s levens woestenij,
Des Heeren heilig Woord voor mij!
Wanneer de dwaalweg mij bekoort,
De zonde fluistert: „Wandel voort!"
-ocr page 212-
\'204
Dan klinkt de roepstem in mijn oor:
„Terug! daar ginds is \'t rechte spoor!" —
—  O Gij, die op mijn paden let!
Mijn God, hoe lief heb ik Uw Wet!
Zij is mijn Lamp, zij is mijn Licht!
De weerglans van Uw aangezicht!
Toen Paulus in den stormnacht dreef,
Waar zon- noch maanlicht over bleef,
Toen \'t Adriatiesch zeeschuim joeg
En bulderde op de kranke boeg,
Toen daalde een vriendlijke Engel neer,
Die zacht hem toeriep „Vrees niet meer!" —
Zoo is, in nacht en stormgetij\',
Des Heeren heilig Woord voor mij!
Wanneer de springvloed mij verrast
En \'t water tot de lippen wast,
Dan hoor ik hoe Uw Woord gebiedt:
„Verbeid den Heer, en sidder niet!
Gods kindren gaan door strijd en kruis.
Door smart en druk naar \'t Vaderhuis.
Daar droogt Gods hand den laatsten traan,
Daar breekt de dag des vredes aan!" —
—   O Gij, die immer raadt en redt!
Mijn God, hoe lief heb ik Uw Wet!
Zij is mijn Lamp, zij is mijn Licht:
De weerglans van Uw aangezicht!
Toen Stéphanus met kalmen lach
Den Bloedraad onder de oogen zag,
Hief hij den blik naar \'s Hemels trans.
Daar scheurde \'t floers, daar blonk Gods gtansr
Daar zag hij in Zijn heerlijkheid
Den Heer tot zijne ontfangst bereid.
Hoe voelde zich zijn ziel verheugd
Door Heldenmoed, door Englenvreugd!
De steenen stormden op hem aan:
Hij zag nog steeds zijn Jezus staan.
„Ontfang mijn geest!" Zijn geest ontTloog:
De Martlaar was gekroond Omhoog! . .. .
Zóo, in mijn laatste stonde, zij
-ocr page 213-
205
Des Heeren heilig Woord voor mij!
Godlof! mij dreigt geen dolle wraak :
Verbrijzeld is de folterstaak.
De vlam der houtmijt is gebluscht:
Des Heeren Kerk heeft eindlijk rust.
Maar toch ! wanneer en hoe ik sterf,
Hetzij ik op de golven zwerf,
Hetzij ik op mijn sponde smacht,
O Woord van God ! behoud Uw kracht!
Vertoon me een Heiland, die mij wenkt
En de Eeuwge kroon des Levens schenkt!
Dan vrees ik niet voor \'t Schaduwdal:
Ik weet Wie mij geleiden zal —-
Mijn Goede Herder is nabij,
Zijn stok en staf vertroosten mij! . . . .
— O Gij, die me in Uw Hemel zet!
Mijn God, hoe lief heb ik Uw Wet!
Zij is mijn Lamp, zij is mijn Licht:
De weerglans van Uw Aangezicht!
VI.
HET MEIR VAN GENNESAKETH.
U zegent mijn ziele, o Gennesareth\'s Meir,
Door d\' adem des hemels gewiegeld !
Gij hebt in uw golven mijn Heiland en Heer,
Zijn heiige gestalte, weerspiegeld!
De meiren van \'t oord, waar ik wandel, zijn schoon,
Gelijst in de rijkste landouwe:
Maar Gij spant altijd en van alle de kroon,
Wat wondren de schepping ontvcuwe!
\'t Is niet wijl de hinde, uit heur schuilhoek geschrikt,
Zich laafde aan uw heldere stroomen:
Maar \'t is, wijl de Heer, die de zielen verkwikt,
De dorstigen drenkte aan Uw zoomen!
-ocr page 214-
206
\'t Is niet, wijl ge prijkt in den weeldrigen krans
Van vorstlijke palmen en rozen:
Maar \'t is, wijl Gods Zoon in Zijn heerlijksten glans
Uw strand tot Zijn pad heeft gekozen!
\'t Is schoon, als de duif, die uw oever doorvloog,
Heur wiek in uw zilverschuim nette\':
Maar schooner nog was \'t, toen de Heer van Omhoog
Den voet op uw golftapijt zette\'!
Die tijd is voorbij! Geen Bethsaïda meer,
Geen Chorazin blauwt aan uw stranden!
De wilde Arabier slaat zijn tent hier ter neer
En \'t onkruid doorkruipt uw waranden!
O zeg het, gij puin, waar de roerdomp in klaagt!
Waar bleven die bloeiende steden?
Ten hemel verhoogd, maar ter helle verlaagd,
Verbrijzeld, verworpen, vertreden!
O steden der waereld! in Noorden en Zuid,
In Oosten en Westen verheven!
Zoo wischt eens de Heer al uw heerlijkheid uit,
Is H ij niet uw kracht en uw leven!
\'t Was hier, dat de Heiland zijn stemme verhief\',
Der zaligheid glans om de slapen;
En driemalen vroeg: „Heeft Bar-Jona mij lief?
Zoo weid dan Mijn lammren, Mijn schapen ["
Gij, Heiland, verhoogd aan Gods machtige hand,
Gekroond na de vuurproef der smarte!
Neen, nimmer vergeet Gij dit liefelijk strand:
Het blijft gegraveerd in Uw harte!
O wil, waar ik peins bij dit heilige Meir,
Mijn ziel voor Uw weêrkomst bereiden!
En geef me uit genade het voorrecht en de eer,
Uw lammren, Uw schapen te weiden 1
-ocr page 215-
\'207
VII.
„NAAR DE ANDERE ZIJDE."
(Lukas VIII: 22-25.)
Achter groene heuveltoppen
Dook het zonlicht langzaam neer:
Alle blaren, alle knoppen
Kaatsen \'t vloeiend purper weer.
\'t Avondwindtjen deed de baren
Van de Galileesche Zee
Naar den oever spelevaren,
Of muziek ze dansen deê.
Jezus\' vriendlijk woord verblijdde
\'t Uitverkoren Jongrental:
„Steevnen wij naar de andre zijde!\'\'
En — het scheepjen stak van wal.
Gladgekemde golfjens droegen
\'t Vaartuig naar de groene kust,
En de Heiland, moè van \'t zwoegen
Vlijde in \'t eind het hoofd ter rust\'.
Duik\' de booze in donzen veeren,
\'t VVroegende geweten waakt:
Maar de vriend des Heeren Heer en
Slaapt, ook als de storm genaakt.
Doch op eens — de wolken broeien
Boven Bazans rotsgevaart\':
Stormen zweepen onder \'t loeien
\'t Scheepjen hel- en hemelwaart!
Met de ontzetting op de kaken
Zien de Jongren d\' afgrond aan:
„Meester! hoort Ge \'t schip niet kraken.\'
Meester! Meester! wij vergaan!"
-ocr page 216-
208
En de stem des Welbeminden,
Kalm en statig, klinkt met macht:
„Zwijgt, gij golven! stil, gij winden!"
En de zoetste vrede lacht.....
Zondaars, in hunne angst verloren,
Voelen \'t stormen in hun hart.
Tot zich Jezus\' stem doet hooren:
„Stil, gij vreeze! zwijg, gij smart!"
Tot Hij troost: „Ik ben uw Leven,
Ik geleid u bij de hand!
Zoudt gij ongeloovig beven?
Zeide ik niet: „Naar \'t ander strand?"
Uit mijn zondeslaap bekomen,
Zag ik Jezus mij nabij.
Wijzende op des Waerelds stroomen,
Roepende: „Naar de Over-zij!
„Als in Noach\'s ark beveiligd,
Drijft gij, hoe de golfslag brandt!
Niemand aan Mijn dienst geheiligd
Kan vergaan. Naar \'t ander strand!"
\'k Volgde. En eerst, wat zielsverblijden!
\'s Levens zee was spiegelglad:
\'k Had geen enklen strijd te strijden,
Nu mij God vergeven had!
Maar weldra — de orkanen woedden,
Driften bruischten, voor en na.
„Wil mijn arme ziel behoeden!
„Meester!" heette \'t, „ik verga!"
Maar daar klonk het, naamloos teeder:
„Zoek en vind bij Mij de vree!"
En daar lei zich de onrust neder
Als de Galileesche Zee.
-ocr page 217-
\'209
En schoon soms de nacht moog grauwen,
\'s Heeren Licht doortintelt mij:
\'k Zie alreeds de kusten blauwen
Van de zalige „Over-zij!
VIII.
OP DE MIDDELLANDSCHE ZEE. IN DE BAAI VAX KABJIEL.
Waar ik de diepte gadesla,
O God! ze is \'t beeld van Uw gena.
Het onophoudlijk golfgeklots
Schiep zich een toegang in de rots:
Zoo brak ook door dit hart van steen
Uw rustelooze liefde heen\'.
De zilverglans, die \'t golfjen kust.
Als \'t zonlicht op het water rust.
Gelijkt den zachten vredegloor.
Die tintelt, al mijn adren door.
Hier heerscht geen ebbe, die den vloed
Verandren kan of slinken doet:
De gunst, waarmee Gij nederziet,
Verwisselt ook of mindert niet.
Of zoo, op \'t wenken van uw hand,
De zeegolf zich onttrekt aan \'t strand,
Zij keert terug met vollen stroom,
En laaft op nieuw den dorren zoom :
Zoo schijnt het soms, daar \'t harte beeft,
Of Uw genade mij begeeft.
Dan buigt mijn ziel versmachtend neer.
En \'k roep: „Mijn God, keer haastig weer!"
En ziet! daar keert Uw aangezicht,
Daar overstroomt me Uw vredelicht!
Mijn ziel, die van verrukking schreit,
Geniet Uw volle teederheid!
Dit water strooide in vroeger eeuw
Op Isrèls strand zijn golvensneeuw!
En toch — schoon Sion werd doorploegd,
VIII.                                                                                              ii
-ocr page 218-
210
Schoon Salem steeds in boeien zwoegt.
Schoon doornen wassen uit den grond
Waar wijnstok en olijfboom stond,
De Muselman de pooit betreedt,
Heel Juda treurt in \'t weduwkleed,
üe visscher, in zijne eenzaamheid.
Op Tyrus\' rots zijn netten spreidt,
De Karmel kwijnt, van groen beroofd,
Voorheen de tulband van zijn hoofd: —
Toch kust dit water even teer
De ontwijde stranden als weleer!
Zóo, Heer! zoó blijft Uw liefde altijd
Uw uitverkoren volk gewijd!
Ofschoon het nu, verstrooid, versmaad,
In ballingschap daar henen gaat,
Ofschoon er op zijn aangezicht
Een deksel der verharding ligt,
Zijn redding nadert in \'t verschiet:
Uw heilbeloften falen niet!
IX.
„LAAT DE KINDERKENS TOT MIJ KOMEN, EN VER-
HINDERT ZE NIET."
JEZUS CHEISÏUS.
Laat mij tot mijn Jezus komen!
Moederlief, weerhoud mij niet!
Die voor ons Zijn bloed deed stroomen.
Wijst me een Hemel in \'t verschiet.
Sta mij toe, mijn aardsche vader,
Dat ik aan Zijn voeten val!
Steun mij waar ik wanklend nader!
Jezus gaat mij bovenal.
Broeders, zusters, komt, gaat mede!
Voort, geliefden! hand aan hand \'.
En de liefelijkste vrede
Strengelt ons een rozenband 1
-ocr page 219-
211
Dartelende speelgenooten!
Roept mij niet terug van \'t Kruis !
\'k Heb gekozen, wél besloten:
\'t Is mijn staf naar \'t Vaderhuis!
Ja, schoon allen mij vergaten,
Vader, moeder, maag en vrind,
Jezus zal mij nooit verlaten:
Jezus mint als niemand mint!
Draag me o herder! in Uwe armen
Als een schaapjen naar den stal,
Waar Uw goddelijk erbarmen
Mij voor eeuwig laven zal!
X.
OP DEN DOOD VAN EEN GELOOVIG JONGELING.
(Gestorven Februari 1842.)
Neen! \'k heb dien dag, mijn hart zoo zoet,
Zoo vroeg een sterven niet vermoed!
\'k Herinner mij mijn afscheidsgroet :
„Mijn jongen! wandel met den Heer!
Wij zien elkander weer!"
Al woeldet ge op uw veege spond\'
In duldelooze pijnen rond,
Soms speelde een glimlach om uw mond,
En fluistrend spraakt gij keer op keer:
„Wij zien elkander weer!"
Uw moeder weende, diep bedroefd ;
Uw zusters hart was toegeschroefd, —
Gij hebt een woord van troost beproefd.
En \'t druppelde in haar zielen neer:
„Wij zien elkander weer!"
„Och!" juichtet gij: „Hoe goed, hoe groot
Is Jezus toch, die zondaars noodt —
Voor mij ook ging Hij in den dood!
Nu heeft de dood geen prikkel meer! —
Wij zien elkander weer!"
-ocr page 220-
21\'2
„O moeder! moeder! liefste mijn!
Voorzeker, \'t scheiden doet mij pijn:
Toch wil ik liefst bij Jezus zijn !
U heb ik lief, maar Hem nog meer I
Wij zien elkander weer!"
„Ik had wel gaarne in later tijd
Mij aan den dienst des Woords gewijd; —
Toch is mijn ziele in mij verblijd;
\'k Zoek Hooger School in Beter Sfeer:
Wij zien elkander weer! . . .."
Uw avond daalde, toen de zon
Voor ons een nieuwen dag begon,
Gij gingt naar aller Lichten Bron —
Daar daalt noch nacht noch avond neer:
Wij zien elkander weer!
\'k Stond bij uw zwijgend bed alléén:
Uw hand was koud als marmersteen;
Uw vlotte ziel was heen, was heen, —
Zij jubelde bij \'t Englenheir.
Wij zien elkander weer!
\'k Heb u in \'t graf ter rust zien gaan,
\'k Besproeide uw kist met traan bij traan:
Maar \'k hoorde — sprak uw geest mij aan ? —
Een stem zoo zacht, zoo roerend teer:
„Wij zien elkander weer!"
Ja, ouders! wischt uw tranen af.
Nu God uw kind het leven gaf!
Zijn open Hemel grenst aan \'t graf —
Die Hemel lofzingt heinde en veer:
„Wij zien elkander weer!"
Het lijk, in de aard\' ter rust gestrekt,
Wordt eens verheerlijkt opgewekt:
Dan deinst de steen die \'t stof bedekt.
Dan — o, verhaast dien heildag, Heer! —
Dan zien we elkander weer.
-ocr page 221-
213
XI.
DIEN HIJ LIEF HEEFT, KASTIJDT HIJ.
De Heiland verbindt de gebrooknen van hart,
En richt tot zich op die er vielen.
Met olie der vreugde geneest Hij de smart;
Hij leeft, en is \'t Leven der zielen!
Hij geeft en Hij neemt: maar \'t verlies wordt gewir..
O, komt dan en lofzingt d\' Algoede!
Eerst troost en bemoedigt de kus zijner min,
Dan heiligt en loutert zijn roede.
De ontelbare schare, die staat voor den Troon,
Kwam eens uit de „Groote Verdrukking."
Zóo blijft het voor allen: door \'t Kruis naar de Kroon,
Door tranen naar \'t Land der Verrukking!
XII.
AAN EEN KIND.
Vrede zij u dierbaar Wicht!
Vreugde en welvaart, liefde en licht!
Laat u de Evangelieblaan
Boven goud en zilver gaan!
Word des biddens nimmer moê,
Neem in deugd en wijsheid toe!
Zingt de leeuwrik in de lucht,
Zing als hij en neem uw vlucht!
Volg de duif, die op den vloed
Nergens rust vond voor haar voet:
Keer in de Ark, die veilig drijft,
Ook als niets meer overblijft!
-ocr page 222-
214
XIII.
DE B IJ B E L.
Dierbre Bijbel! Woord des Heeren!
Wat al schatten biedt gij aan,
Die geen motte of roest verteren,
Die zelfs niet in \'t Graf vergaan!
Alles wat een vreugd kan geven
Die zelfs onder sraarte groeit,
Krachten van een Eeuwig Leven,
Liefde die onsterflijk gloeit;
Englen rond mijn legersponde,
Zielenbrood en artsenij,
Wapens tegen dood en zonde —
Alles, alles geeft gij mij!
Arm moog\' mij de waereld noemen,
Die met blinkend slijk zich voedt.
Ik blijf in mijn rijkdom roemen,
I k begeer geen hooger goed!
-ocr page 223-
DE GESCHIEDENIS VAN EEN ENGEL.
\'t Was vóór lange, lange jaren!
Helder scheen de wintermaan,
Duizend lieve starren waren
Aan den hemel opgegaan —
Ook de witbesneeuwde straten
Staken al heur lichtjens aan.
En terwijl de klokken luidden,
— Nimmer klinkt heur stem zóo zoet,
Als wen \'t: „Gloria" der Englen
\'t Kindeke in de krib begroet! —
Straalde \'t Kerstlicht zeegnend neder
In zoo menig droef gemoed.
\'t Zag geliefden weergevonden
Wreed gescheiden, steeds gemist,
Oude wonden, nu verbonden ;
Haat gebluscht en broedertwist;
Bange nooden weggevloden,
Wrange tranen weggewischt.
\'t Zag de „Heerlijkheid des Heeren."
Schijnende over groot en kleen,
\'t Zag in hutten en paleizen
De eigen feestvreugde algemeen;
En een bonte kinderwaereld
Dansende om den Kerstboom heen.
\'t Zag — éen Huis in rouw gedompeld :
Lamp noch luchter blonk daar meer;
Spraakloze gestalten zweefden
De ijle zalen heen en weer:
Zelfs de vrees weerhield er \'t klagen —
Stervend lag een kind er neer.
-ocr page 224-
216
Op de mollige tapeeten
Klonk geen tred; de veege spond
School in zijden prachtgordijnen;
Kostlijk speelgoed lag in \'t rond,
Ongebruikt — in donzen veeren
Dook het hooldtjen, bleek en blond.
Arme Stad! met al de wijsheid,
Al de schatten uit heur schoot,
Kon ze éen enkel kinderleven
Niet verlossen uit den nood :
Ach, de teerste Menschenliefde
Staat onmachtig voor — den Dood
Droeve Moeder! zij gevoelde \'t,
Als zij over \'t knaapjen boog,
Zingend met een brekend harte,
Lachend met een weenend oog.
Sussend, kussend, rustbeloovend —
Rust? Ach, eerst bij God omhoog.
Eensklaps ruischt het langs de sponde -
\'t Knaapjen staakt zijn angstgeluid,
Werpt een schuwen blik in \'t ronde,
En ziet starend voor zich uit,
Met een zalige verbazing,
Of de Hemel zich ontsluit.
\'t Was zóo! want een Engel daalde
Wuivend neer naar \'t stervend wicht.
Van zijn duivenwieken straalde
\'t Schijnsel van een wonder licht,
Zilverkleurig als de starren
Zwevende om zijn aangezicht.
En terwijl de Vredebode
Fluistrend over \'t bedtjen hing,
En den vroeggestorven doode
Met zijne armen zacht omving,
Meldde een jongste snik de Moeder,
Dat heur kind ter ziele ging.
-ocr page 225-
217
„Naar den hemel!" fluks ontplooiden
\'s Engels vleuglen, als hij \'t sprak,
\'t Wichtjen dragend, door wiens bleekte
\'t Eerste hemelblosjen brak;
En daarnevens, op zijn harte,
Een verwelkte rozentak!
En aldus het wichtjen hoedend
— Teerder dan ooit moeder plach ! —
Dat bij beurt naar de englenoogen
En de dorre bloemen zag,
Ruischte \'t zachtkens van zijn lippen
Met een zoeten schemerlach:
„Weet, lief knaapjen ! dat de Hemel
„De Aardsche dingen niet versmaadt.
„Dat voor \'t lief en leed der menschen
„\'t Englenhart vol teêrheid slaat:
„Dat de bloesemknop der Liefde
„Hier verheerlijkt opengaat!
„In de schaamle Voorstad ginder
„Waar geens wandlaars voet zich wendt,
„Leefde er eens een zieklijk knaapjen
„In een schuilhoek der ellend!
„Vaderzegen, moederliefde,
„Had het weesjen nooit gekend.
„Al de bange voorgevoelens
„Van den naderenden strijd,
„Hadden \'s levens donkre bladen
„Hem ontraadseld vóór den tijd,
„Hadden in \'t geheim der smarte
„Sints zijn wieg hem ingewijd.
„Al te zwak voor kinderspelen,
Zat hij uren achtereen,
.,\'t Hoofdtjen in de maagre handen,
„Op den killen dorpelsteen;
„En bezielde fantaziën
„Trokken langs den mijmraar heen.
-ocr page 226-
218
„\'t Waren velden en valleien,
„Met een heuvelkrans omzoomd,
„Beekjens tusschen bonte weien,
„Naar een spieglend meir gestroomd;
„Englenkopjens, kinderreien,
„Schommlend tussclien hoog geboomt\'!
„Zelden wierp een zonneschijntjen
„In de nauwe steeg een groet;
„En de felle zomerhitte,
„Die er dof en dompig broedt,
„Stortte \'t uitgeteerde knaapjen
„\'t Brandend gif der koorts in \'t bloed.
„Eens toch, op een schoonen morgen,
„Voortgestrompeld uit zijn kluis,
„Waagde \'t arme kind zijn schreden
„Even buiten \'t stadsgedruisch:
„Hemel! wat al heerlijkheden
„Bij dat prachtig Heerenhuis!
„Reuzige eiken en platanen,
„Als de zuilen van een Dom,
„Schemerende lommerlanen,
„Boschjens van gebloemte alom.
„En een drift van blanke zwanen,
„Duiklende in den vijverkom!
„Glurend tusschen de ijzren tralies,
„Hield de kleine vreemdeling
„ De oogjens op de tooverwaereld,
„Die daar achter openging,
„Schooner dan de vizioenen
„Van zijn zoetste mijmering.
„In dien Hof waart gij aan \'t spelen,
„Stralend met een rozenblos,
„Rozen schuddend uit de lokken,
„Dartiend over \'t groene mosch.
„ erfgenaam van al die schatten,
„Vaders vreugde, moeders trots!
-ocr page 227-
219
„Toen uw knechts, den „schooier" moede
„Die onafgewend bleef staan,
„Haastig hem een aalmoes boden,
„Wenkend dat hij heen zou gaan —
„Ach, wat schreide \'t arme jongsken
„Toen een bittren weeraoedstraan!
„Maar gij zaagt dien blik van smarte;
„En vol deernis met zijn lot,
„Pluktet gij de schoonste rozen
„Nog pas even uitgebot.
„En gij staakt ze door de tralies
„Met een zeegnend: „Ga met God!"
„Bij die gave, bij die groete.
„Nooit ontfangen, nooit gehoord,
„Scheen een eerste vonk van vreugde
„In des knaapjens oog ontgloord :
„In zijn hand hield hij de bloemen.
„In zijn hart het vriendlijk woord!
„Zóo zocht hij het kluisjen weder,
„Arm niet meer, maar rijk en blij;
„Want de jeugd met al haar droomen,
„Liefde, Hoop en Harmony,
„Zweefden langs des weesjens peluw
„Heel dien zomernacht voorbij!
„\'t Daagde — maar het koortsig knaapjen
„Was te zwak om op te staan:
„Bloeide \'t niet in al zijn droomen?
„Sprak niet elk hem vriendlijk aan?
„Heerlijk wonder, zoete bloemen,
„Rozen ! dat hadt gij gedaan !
„Zij verwelkten — hij bleef vrolijk.
„Bogen ook de knopjens neer,
„,Zoo iets schoons kan nooit verderven,
„,Straks\' - zoo dacht hij - ,bloeide \'t weer!\'
„Traag en treurig kwam de morgen ....
„Kind noch bloemen waren meer!
-ocr page 228-
\'220
„Weet, liet knaapjen! niets ontsnapt er
„Aan het eeuwig Vaderoog:
„\'t Goede, kiemend daar-beneden,
„Draagt zijn vruchten hier-omhoog.
„\'t Wordt herdacht ook in den Hemel,
„Wat een ziel op Aard bewoog!".. .
Zóo sprak de Engel — en hij boog zich
Vriendlijk lot zijn lieve last.
\'t Kindtjen blikte hem in de oogen
Stil verwonderd, zoet verrast;
Straks weer starend op de bloemen —
Teder hield ze de Engel vast;
En nog eens laat hij zich hooren:
„Hij, die in de harten leest,
„Zag u rijp voor \'s Hemels chooren,
„Rijk in liefde, en rein van geest.
„Ik werd tot uw gids verkoren:
„Ik hen eens die knaap geweest!"
Op het kerkhof rees een tombe
Van gebeeldhouwd marmersteen.
Liefelijke rozen bloeiden
Door de zwarte tralies heen ....
Wie in \'t graf daarneven rustte,
— \'t Naamloos gral\'bed — wist maar Een.
Uit het Engelsch van adelaïuk i-boctkr.
DE HERBERG AAN DEN WEG.
Daar stond, een eind het dorp voorbij,
een herberg aan den weg.
Een kleine boogert lag er naast,
gelijst in groene heg :
-ocr page 229-
221
Daarover gluurde menig tak,
met appels overlaan,
En zag het knarsend zwengelbord
al heen en weder gaan.
Een vriendlijk beekjen, dat al zacht
voorbij de hage vloot.
Weêrpiegelde in den klaren stroom
de vruchten, geel en rood:
Weerspiegelde de Passie-struik.
in schauw van d\' appeltak,
Die door de tralies van het hek
heur purpren bloesems stak.
De weg verloor zich, uren ver,
in \'t dommlig nevelgrauw :
Dies zocht hier menig wandelaar
een weinig rust en schaiïw:
Dies hield hier menig ruiter halt,
verdroogd van stof en zon:
Elk prees de herberg aan den weg,
den boogert en de bron.
Hier woonde Maurits. — Menigmaal
stond hij, de hand voor \'t oog,
Te turen, of daar in \'t verschiet
geen stofwolk zich bewoog;
Of daar nog niemand, niemand kwam,
zoo ver de hemel blonk,
Wien hij de teugels houden kon
of laven met een dronk.
En eens — de knaap, hoe oud hij wordt,
vergeet dien morgen nooit! —
De leeuwrik zong, de morgendauw
lag op de haag gestrooid:
Daar snelde een drom van ruiters aan
in lustigen galop,
En zag de herberg aan den weg
en hield er even op.
-ocr page 230-
222
En op een hagelblanken hit,
een koningsdochter waard.
Zat daar voor \'sjonglings duizlend oog
het schoonste kind ter aard-
Een dienaar hield de toornen vast,
en leidde \'t jong genet,
Hoogmoedig op zijn lieven last
met trippelenden tred.
Een breede stroohoed temperde
der oogen hemelsch licht; —
Heur lokken, als een gouden wolk,
omspeelden \'t aangezicht;
In \'t éene handtjen hield ze fier
de kleine zweep gevat,
Met de andre streek ze \'t brieschend paard
de vochte manen glad.
En als de knaap nu water bracht,
zoo koel, zoo zilverblank,
Daar lispte \'t lieflijkst stemmeljen
een vriendelijken dank:
En als zij met een vluggen zwenk
het hoofdtjen zijwaards boog.
Daar viel haar met heur bloesempracht
de Passie-struik in \'t oog.
Een blik, half bede, half bevel,
— wie bood dien tegenstand\'.\' —
Hij plukte \'t schoonste bloemtjen af,
en lei het in heur hand.
Hoe dankbaar hief het lieve kind
heur oogjens tot hem op!
Het bloemtjen bond zij met een lint
hoog aan heur zadelknop.
De rossen waren uitgerust,
de ruiters ijlden voort:
De hoefslag dreunde — klonk van ver —
en werd niet meer gehoord.
-ocr page 231-
223
Veel jaren vloden — menig gast
zat voor de herberg neer;
Maar \'t blank genet, het schoone kind,
zij keerden er niet weer!
Veel jaren vloden — de appelboom
droeg telkens rijker vrucht,
En hooger stak de Passie-struik
heur bloesems in de lucht:
Toen plechtig op den westenwind
de blijde dorpsklok klonk, —
De kransen zwierden reeds van ver,
bij bonten vendelprönk.
En Maurits stond en hield de wacht:
„— de rijke bruiloftstoet
„Zou pleistren vóór de herbergdeur,"
zoo luidt de blijde groet.
Zij komen — maar van al de pracht
bij \'t juublend feestgeluid.
Ziet hij alleen het gouden hair
en de oogjens van de Bruid.
\'t Is — \'t schoone kind! maar schooner nog
dan toen, voor jaar en dag,
Hij de eigen kleine, blanke hand
den klepper streelen zag.
Zij blikt in \'t rond — herkent zij \'t oord?
neen, zij herkent het niet,
Zoo min als \'t oog des jongelings,
dat straalt, sints hij haar ziet.
Hij keert zich naar de Passie-struik
met sidderende schreên:
Hij werpt een purpren bloem haar toe
— een bode van \'t Verleen\'.\'
Daar schalt het sein — de stoet rukt op —
nog eens lacht zij in \'t rond
De purpren bloesem lag in \'t stof
vertrappeld op den grond.
-ocr page 232-
224
En jaren vlogen weör daar heen!
en altijd hooger schoot
De Passie-struik bij \'t hek omhoog
met bloesems, donkerrood.
En menig wandlaar zat in \'t groen
bij d\'ouden drempel neer;
Maar zij, de Bruid, zoo jong, zoo schoon,
zij keerde daar niet weer!
Eens, op een droeven winterdag,
stond Maurits daar alléén,
\'t Was mistig, en het Noorden floot
door naakte takken heen.....
Een reiskaros! .... Hoe trilt zijn hart
als hij het wapen ziet:
Blauw lelietje\' op uw zilver\' veld
neen, hij vergat u niet!
Hij staroogt — uitgeteerde vrouw,
bleek, droevig, als de dood !
Zijt gij dat kind van vroeger wel,
zoo blij, zoo rozenrood\'.\'
Helaas! wat lijden had zoo vroeg
die blosjens weggevaagd\'.\'
Wat angst die lippen saamgeprest\'?
wat worm die ziel doorknaagd 1
Wat nawee van geleden smart,
wat vreeslijk voorgevoel,
Sprak uit die oogen, dof geweend
en starend zonder doel,
In \'t grauwe zwerk, de kille mist,
die altijd lager zonk,
Straks — op de dorre Passie-struik,
waar blad noch bloem meer blonk\'1
De maanden kropen traag voorbij
op \'t oversneeuwde spoor:
In malsche regens kwam April —
toen brak de Meizon door.
-ocr page 233-
225
Voor \'t eerst weer prijkte de appelboom
met witte bloesemblaan;
Daar kwam, met afgemeten stap,
een sombre lijkstoet aan.
Van verre klonk de dorpsklok weer,
maar \'t was een klaaggeluid;
Zij droegen naar \'t hoogaadlijk graf
de doode statig uit.
Dat wapenschild! hoe trilt het hart
des jonkmans als hij \'t ziet:
Blauw lelietje\' op uw zilver\' veld,
neen, hij vergat u niet!
Bij al de pracht van zijde en krib,
om koets en kist gewoeld,
Werd mooglijk maar in éene borst
oprecht en waar gevoeld.
Daar. bij die herberg aan den weg,
daar staarde en schreide er éen.
En zag den lijkstoet roerloos na,
en peinsde er aan \'t Verleen.
De hulde, Kind en Bruid gebracht,
— door beide nooit vermoed ! —
De liefde, door een trouwe ziel
tot in den dood gevoed,
Sprak uit een roode Passiebloem
geworpen op de baar....
Men vroeg bij \'t graf — God wist het wél —
„hoe kwam dat Bloemtjen daar?"
Naar het Engelsen van adelaïde pboctbh.
AGNES.
SPROKE VAN DEN MEISTREEL EGI1ART.
pAdelaar, verlaat uw kloven!
Eidebaar, stijg op naar boven
Uit den steilen torentop!
VIII.
-ocr page 234-
226
„Duifjen rep uw vlugge wieken!
En gij, sluimrend uchtendkrieken,
Doe uw purper\' ooglid op!
„Thands, zegt, ziet gij uit den hoogen
Uit de azuren hemelboogen,
Niet een stofwolk in \'t verschiet?
Ziet gij ginds geen klepper snuiven?
Ziet gij ginds geen pluimbos wuiven?
Ziet gij ginds mijn bruigom niet?\'"
Zóo, zóo sprak in zoet verlangen,
Met een blosjen op de wangen,
(Liefdes zachte morgenglans!)
Agnes, lelie van de dalen,
Bij de vroege lentestralen
Op den hoogen burchtslottrans.
Aan beur zusters zij\' gebogen,
Liet zij heur gazellenoogen
Wijden aan den horizont,
Of zij ook een stip mocht vinden,
Die de komst des welbeminden,
Die den hemel haar verkondt!
En op eens — wat mag daar flikkren?
Ja, zoo moet een harnas blikkren! .. . .
\'t Is het zijne.... dank, o God! —
\'t Paradijs gaat Agnes open,
En het morgen van haar hopen
Wordt een heden van genot!
Zie dien blik vol zielsgenoegen!
Zie dien vollen boezem zwoegen!
Zie dien blijden hemellach !
Wie zou \'t bloembed der landouwen,
Zon en hemel nog aanschouwen,
Wie, die zulk een Engel zag!
Maar — wat leed dorst haar genaken ?
Wit als marmer zijn heur kaken ....
Ach, heur oog weêrblinkt niet meer!
-ocr page 235-
227
Hijgend klopt en breekt heur harte:
Met een gil der diepste smarte
Stort zij als een standbeeld neer.
Ziet, daar daalt de valbrug neder —
Bleek gelijk een zwanenveder,
Helrnloos en met fladdrend hair,
Door het moordstaal neergeslagen
Wordt een Ridder ingedragen
Op een zwarte doodenbaar ....
Ziet, hoe droef, hoe zinloos blikt ze!
Rustloos schreit ze, troostloos snikt ze,
Trouw tot aan, tot over \'t graf!
En met hoorbaar boezemschokken,
Wischt zij met heur blonde lokken
Hem het bloed van \'t voorhoofd af.
„Ach, mijn bruigom!" luidt haar klagen:
„Ach, zoo ligt gij daar verslagen,
Gij, die mij te troosten plach\'?
Wat hebt gij mij nagelaten ? . . . .
Nachten, waar geen slaap mag baten,
Menig, menig langen dag!
„Was de liefde u niet voldoende?
\'t Geurig mirtenlover groende,
Moest gij ook den lauwerglans? . . . .
Mirt en lauwer zijn gestorven,
En gij hebt mij niets verworven,
Niets dan een cypressenkrans!
Ik begeerde glans noch glorie:
Uw bezit was mijn viktorie,
En uw teerheid al mijn roem! . . . .
\'t Krijgszwaard moge in \'t bloedvergieten
Zegepalmen op doen schieten,
Ach, het doodt de liefdebloem!
„Liefde! Liefde! zoete dwaling!
Ons, ons zijt Gij ademhaling,
Morgenlied en avondzang.
-ocr page 236-
228
Liefde! liefde! ach! oogenblikken
Kunt gij slechts den Man verkwikken:
Vrouwen minnen levenslang —
„Ze is haar lust en licht en leven;
Ze is haar aanzijn ingeweven.
Geest en lichaam doorgespreid!
Ze is haar aarde en hemel samen,
Haar hallelujah en amen,
Haar en ziel en zaligheid!
Geel\' mij nu de zwarte wijlen:
\'k Wil mijn Heiland tegenijlen
In de stille kloostercel ....
Goeden nacht, mijn lieve doode!
Wees, o wees bij God mijn bode ! . . . .
„Goeden nacht, vaar eeuwig wel!" -
Maar geen klooster zag haar weenen;
Want eer de avond was verschenen,
Lag zij naast haar bruidegom,
Met het lijkkleed aangetrokken.
Met den grafkrans om de lokken,
Roerloos en als \'t graf zoo stom.
Kan het duifjen langer leven,
Dat heur dierbren ga zag sneven,
In des haviks klauw ontzield ?
Kan het klimop langer bloeien
Als bij \'t woedend onweerloeien
\'t Bliksemvuur den eik vernielt?
-ocr page 237-
\'229
TER UITVAART VAN HARE MAJESTEIT, MEVROUW ANNA
PAULOWNA, KONINGIN-WEDUWE DER NEDERLANDEN,
GROOTVORSTIN VAN RUSLAND.
OP V R IJ D A G DEN 17 MAART 1805.
1.
Zij gaat ter rust! Getrouwe handen beuren
De kostbre last omhoog ter laatste reis.
Na zestien jaar ontsluit het Doodspaleis
Der Nassaus met een welkom de ijzren deuren.
Die knersten nooit, ol kinderlijke rouw
Gaf daar een weerklank op in \'t Hollandsch harte.
Wij, tot in \'t graf, zijn onze\' Oranjes trouw! —
Niet slechts der Koninginne, maar der Vrouw,
Dei\' Moeder, eens en steeds, geldt de algemeene smarte.
2,
Gij, tweeden Willems Lust, vol tieren moed !
Hoe mindet Gij den Held, die uit uw vingren
Het zwaard ontfing, dat bliksems uit zou slingren,
Een lauweroogst zou strooien aan uw voet!
Zijn teedre Gade altijd, en menigwerven
Zijn Goede Geest, hieldt Ge op zijn weg de wacht.
Nooit heeft zijn urn uw jaarkrans moeten derven,
En heden, op den jaardag van zijn sterven,
Vlijt ge aan zijn zijde uw hoofd. — Getrouwe, goeden nacht!
3.
Wij anderen, wij zien den glans van verre,
Maar tilden nooit de last van \'t hermelijn;
De dorens, ook der gouden kroon, doen pijn,
En slechts een stralend kruis is elke sterre.
Gij, fiere Gzarentelg! stondt onbevreesd,
Al hield de smart haar scherpste pijlen vaardig,
Al wrokte en morde een heilloze oproergeest —
Geboren Koningin waart Gij geweest
Ook zonder kroon. — Vermoeide, o rust! Gij zijt het waardig.
-ocr page 238-
230
4.
Nu stroomen de eerste en eelste bij elkaar
Uit Hof en Heir. Wel is ze ras geboden,
De laatste dienst der levende\' aan de dooden,
En eenzaam straks en roerloos staat de baar —
Maar dan begint uw heerlijkste Geleide,
Uwe Eerewacht naar \'s Hemels blauwen boog:
De tranen, die de dankbare Armoe schreide,
De wekken, die uw stil geloof bereidde,
Lofzingende Englenwacht, U volgend naar Omhoog!
5.
Zacht slape uw asch! — Nooit was het uw begeeren,
Dat keur van specerij het reisgewaad
Bewaren zou, dat Ge in de groeve laat.
Wat aarde is, moog\' tot de aarde wederkeeren,
De Onsterflijkheid, die Liefdes balsem gaf,
Bewaart U in \'s volks hart. — De Wapenkoning
Neem straks uw kroon terug bij \'t gapend graf, —
\'t Hoogste Ordeteeken neemt de Dood niet af:
Gij viert bij uwen God uw tweede en beste krooning!
BIJ EEN KIND.
Een kinderoog! een kinderoog!
Een star uit reiner sfeeren!
Een blik in \'t Paradijs omhoog,
Een straal van \'t Licht des Heeren,
Die \'t kwaad bestraft, den trots verneêrt,
De schuld voor de onschuld blozen leert.
Een kinderkus! een kinderkus!
Een geur van liefde en leven,
Koele adem van een Genius,
Een groet door God gegeven!
Een hemeldauw, die \'t hart verfrischt,
De onzuivre ziel weer zuiver wischt!
-ocr page 239-
231
Een kinderbee! een kinderbee!
Reinste ofl\'erand van allen!
Een kracht die bergen zet in zee,
En \'t huis weerhoudt in \'t vallen,
Een lofmuziek, verrukkend zoet,
Dat de Englen zwijgend luistren doet!
LIEFDE.
O Liefde! Vreugd van aard en hemel!
Gij Ademtocht der Zaligheid!
Gij Levensbron, door God bereid
In dit benauwend stofgewemel!
Gij, Scheppers weerglans bovenal!
Gij zijt het harte van \'t heelal,
Gij zijt de ziel van alle leven.
De druppel trekt den druppel aan,
De starren in haar bruidsdans zweven
Elk om de zonne van heur baan.
Nog altijd straalt Gij hier beneden,
Als de avond van een beter dag,
En toovert met uw weemoedslach
Herinnring van \'t verloren Eden,
Toen Mensch en Engel hand aan hand
Nog speelden in de Lustwarand,
Nog dartelden in \'s Hemels zalen,
Waar duizend zilvren kroonen stralen,
Om, als het eindlijk avond werd,
Te sluimren aan Gods vaderhart! —
Des Menschen kracht was ongebroken,
Zijn taal gebed, zijn stem muziek:
Door wat daar zweeft op gouden wiek,
Werd hij als broeder toegesproken.
Maar ach! hij viel ter aarde neer —
Niet heilig is zijn liefde meer!
Toch kent hij, waar heur trekken gloren,
Een van die vrienden van weleer;
En vaak, bij lentes wederkeer,
Meent hij hunne englenstem te hooren.
-ocr page 240-
232
Dan is om \'t hart hem naamloos zoet,
Gelijk den Zwitser der valleien,
Als schelle koehoorne of schalmeie
Hem van zijn Alpen droomen doet!
Naar tionèb.
BLOEMEN.
De starren zijn bloemen
Der Hemelsche gaard:
De bloemen zijn starren,
De starren der Aard.
Zij stralen ons tegen,
Zij lichten ons voor,
En fluistren ons zoete
Mysteries in \'t oor.
Zij deelen ons leven,
Zij beelden het af,
Gemengeld, gestrengeld,
Van \'t wiegje naar \'t graf!
O schaamrood Verlangen !
Hoe gluurt ge uit den knop.
Hoe rein heft ge, o Trouwe!
\'t Viooloogjen op.
O wenschen en droomen
Van Vriendschap en Min!
Hoe luiden uw klokjens
Het voorjaarsfeest in!
Genot-Roos! hoe buigt ge,
Van dauwdroppels zwaar!
Juweelen en tranen
Gelijken elkaar.
Gij, Blaadtjens der Vreugde,
Welriekend fluweel!
En, doornen der Smarte,
Hoe groeit ge op éen steel!
Gevoelens des harten,
Zoo wisslend, zoo teer,
Hoe spieglen de tinten
Der bloemen u weer!
-ocr page 241-
\'233
Zij bloeien en gloeien
En — welken als gij ?
Neen! immer herknoppend,
Onsterflijk zijn zij!
O Lente der zielen,
Zoo schoon en zoo vlug,
Kom steeds met de lente
Der bloemen terug!
VERZOENING.
Gij wilt verzoend zijn — maar verstaat gij \'t woord\'.\'
Verbleek niet, Jongling! en zijt niet verstoord.
Op aard gaat een verzoener rond — de Dood!
De tijd is afval slechts der Eeuwigheid;
Al \'t aardsche, een kruimken uit Alvaders schoot!
Verzoend zijn is: gerijpt en voorbereid
Tot Hem gaan in volmaakte oodmoedigheid.
Het kan gebeuren, dat het Goede zwicht,
Maar tijdlij k. Slechts het Booze sterft gewis
Voor eeuwig, \'t Goede, dat gevallen is,
Rijst uit de vlam, dan louter als het licht.
Eens wordt de hemelstarrenkrans ontkleurd;
In d\' afgrond schijnt de waereld te vergaan —
Maar nieuwgeboren stijgt zij op, en beurt
Het bloemendragend hoofd uit d\' Oceaan,
Terwijl vernieuwde starren, vol van glans,
Op haar ter neerzien in heur hemeldans!
Dan zamelt Balder op het groene veld
Een reine Menschheid, naar Gods beeld hersteld.
Zoo is de Dood den goede, die hier viel,
Een vuurproef, een verzoening, weêrgeboort\'
Tot beter leven, waar de ont boeide ziel
Op nieuw heur Vader eeuwig toebehoort.
Het Beste ligt aan gindsche zij\' van \'t graf:
Al \'t andre op aarde, is enkel ijdelheid.
Toch — hier reeds is verzoening toebereid,
Eene aardsche gaat der hemelsche vooraf,
Als \'t voorspel van den zanger, die al zacht
\'t Praeludium een wijle trillen laat,
-ocr page 242-
234
Maar plotsling, stormend met onhoudbre kracht
De vingers in de gouden snaren slaat,
Zoodat de schimmen van het voorgeslacht
Ontwaken uit den slaap die haar omringt,
Terwijl hem-zelf Walhalla\'s glans omhlinkt.
Want de Aarde is \'s Hemels schaduw, anders niet,
De Voorhof, eer ge \'t Vaderhuis begroet.
Men biedt der Godheid offers aan, maar ziet!
\'t Is zinbeeld slechts, hoe diep en waar. Want bloed
Is \'t blozen van Verzoenings morgengloed.
Maar niet het beeld verzoent, de «aafc-alleen:
Geen vreemde zoen wischt de ongerechligheên :
Der dooden zoen ligt in Alvaders borst,
De zoen der levenden ligt in uw hart.
Éen offer ken ik — wél die \'t brengen dorst
Al trilt de ziel des offeraars van smart! —
Geen wierook, die op \'t geurig outer brandt,
Geen slachtlam, is zoo kostlijk in Gods oog!
Dat is — \'t gebroken ik ! dat — de offerand
Der wrake die uw grimmig hart bewoog.
Kunt gij den haat niet dooven? blijft gij woên?
Wat zoudt gij in Alvaders woning doen?
Geen steenen altaar helpt. Verzoening woont,
Hier en omhoog, alleen waar vrede troont!
Wees met uw God verzoend, gij zijt verzoend
Met de andren en u-zelf: de olijftak groent 1
Men zegt, de ware Balder leefde in \'t Zuid,
Geboren uit jonkvrouwelijken schoot.
Hem zond Alvader tot de menschen uit,
En \'t onoplosbaar raadsel van den Dood,
De donkre runen, zijn door Hem verklaard.
Vree was zijn veldkreet, Liefde was zijn zwaard,
En de Onschuld zat als duive op zijn heimet.
Zijn leer was Licht, zijn leven was Gebed;
Vergeving schenkend look Hij \'t stervend oog,
En stervend nog nam Hij den vloek ons af!
En onder verre palmen staat zijn graf;
Maar zelf voer Hij, een aadlaar, naar omhoog!
Zijn Leer — zoo hoor ik — nadert in \'t verschiet,
Vouwt handen saam\', smelt harten, en verkoelt
De koortswond aller zonde en ziels verdriet,
-ocr page 243-
235
En sticht, waar Haat en wilde Tweedracht woelt,
Een Vrederijk! — Ik ken die Leer wel niet,
Maar heb haar in mijn boezem vóórgevoeld,
Hier, in mijn heiligste uren! En alzoo
Hoort iedre menschenziel haar ver geluid.
Ook hier dringt ze eenmaal door, de Vredeboö:
Dan spreidt ze ook hier de duivenwieken uit
Op ons gebergt\'! Maar dan bestaat voor mij
Dit Norgeland niet meer — ik ging voorbij,
En mijn gebeente sluimert in den nacht.
Driewerf gelukkig dan, gij Nageslacht!
Dan juicht ge in d\' uchtendglans van \'t Nieuwe Licht!
Heil u, als dan Gods vriendlijk aangezicht
Door d\' echten Balder elke wolk verjaagt,
Die nu den Levensmorgen nog vertraagt —
Maar dan, veracht ook ons niet, die dat Licht
Toch ijvrig zochten: want daar leeft maar éen
Verzoener, maar Hij zendt véél\' Boden voor zich heen\'!
Naar tkgni\'ii.
BIJ EEN AFBEELDSEL, GESCHILDERD DOOR
REMBRANDT VAN RHIJN.
Ja, \'k heb ze lief, die mannelijke trekken,
Waaruit zoo gants de Hollandsche inborst spreekt:
Oprechtheid, die van duiken weet noch dekken,
Een trouw als goud, die in den dood niet breekt!
Ik heb ze lief, die oogen, blauw en eerlijk,
Voor niemand neergeslagen, zacht en goed,
Maar als de trage geestdrift opwaakt, heerlijk
En bliksemend in heilgen gramschapsgloed!
Stug is dat blond van baard en lokken, even
Als de aard des lands, en met geen kunst gebaat;
„Hier huist een rein geweten!" staat geschreven
Tot in \'t glimlachend groefje\' op \'t bruin gelaat.
Moog\' ooit de tijd zoo\'n aangezicht veroudren,
\'t Blijft krachtvol, zelfs bij rimpels van verdriet,
In harmonie met die gespierde schoudren,
Die alles dragen — slechts de schande niet!
-ocr page 244-
236
DE BERGSTROOM.
liet hemelkind, nog machteloos en teeder,
De jonge stroom, de pasgeboren vloed,
Ligt sluimrend in zijn eerste rotswieg neder,
Waar moederlijk de regenwolk hem voedt.
Maar zie hem na! Geen banden die hem prangen f
Hij zoekt het woud; de glorie is zijn droom:
Hij wordt gezweept door rusteloos verlangen,
Hij spiegelt maan en starren in zijn stroom.
Maar hij ontvlucht het eenzaam dennenlover
En \'t eng gebergt\'. Hij baant zich zelf een spoor:
Wat springt hij wild de ruwe klippen over!
Wat dringt hij stout tot \'s waerelds dalen door!
„Kom meê!" zoo roept hij ieder beekjen tegen:
„Hier zwelgt u \'t zand! hier blaakt de zon te zeer\'
„Gij broeders, komt! langs duizend kronkelwegen
„Breng ik u naar ons aller oorsprong weer!"
En al de zoons der frissche regens volgen
Met blij gejuich den jonge\' avonturier.
Het woud verdrinkt, de klippen zijn verzwolgen;
Hoe zwelt zijn golf! geen koningshart zoo fier!
Nu daalt hij in de onmetelijke dreven
Der vlakten af — en altijd groeit zijn faam:
Zijn adem doet het dorre veld herleven;
Hij doopt geheele landen met zijn naam.
Zijn lof weerklinkt in dichtrenmelodiën;
Hem volgen vloten met heur kostbre last;
Lust-paradijzen buigen aan zijn knièn,
En keizersteden nooden hem te gast.
En toch kan niets zijn vlugge vaart vertragen,
Geen hof, geen stad die gouden torens bood —
Hij jaagt vooruit, en blijft onrustig jagen,
Tot dat hij — rust vindt in zijns vaders schoot!
-ocr page 245-
237
WIEGELIED.
i.
Lief kindden, van God mij gegeven,
Die Hanna\'s gebeden gedacht!
Zoet bloemtje\' in mijn waereldsche dreven,
Dat vriendlijk de dorens verzacht!
Mijn tweede, mijn innigste leven!
Uw moederlief waakt. Goeden nacht!
Goeden nacht!
2.
Sliept ge immer zoo kalm op uw sponde,
Met lippen waar de onschuld uit lacht!
Verbleekte nooit zorge noch zonde
Die blosjens vol bloeiende pracht!
Uw Engel zweeft zeegnend in \'t ronde:
Mijn Engel zijt gij. Goeden nacht!
Goeden nacht!
3.
Groei op! en moog Hij u beschermen,
Nu troonend in eeuwige kracht.
Maar ook eens in moederlijke armen
Als kind uit den Hemel gebracht!
Hij zal zich der moeders ontfermen,
Hij houdt over kindren de wacht.
Goeden nacht!
-ocr page 246-
238
DE VOGELJACHT.
EEN HISTORISCHE HERINNERING.
— JUNI 12%. —
Op! de doggen rieken \'t wild,
En de rossen \'t groen der weide,
Brieschende onder \'t jachtgereide,
Waar de schelle horen trilt.
Drok gedrang en bont gewemel
Woelt om de oude Kronenborgh —
Maar een zwarte wolk van zorg
Doft er \'t blauw van d\' effen hemel.
Of blikt zóo de Blijheid wel,
Als dat fronzend oog van d\'Adel?
Voegt die norsche helm den zadel
Bij het luchtig vederspel?
Niemand groet de rappe vleugels,
Klepprende in den morgenstraal;
\'t Jachtkleed liegt: het dekt metaal;
En — de woede rekt de teugels!
Op! ten heirweg! Slechts de Dom
ïeekent tegen de ijle verte.
Maar op eens — wat jaagt hun \'t harte\'?
Nader golft de stofkolom.
\'t Is de Sperwer! Hoe verwaten!
Is het argloosheid, of spot? ....
Roept uw kaerlen, kaerlen-God!
Thands nu neb noch klauwen baten.
Floris, in den strik der Haat,
Wil vergeefs den groet hergeven,
Die hem \'t zwaard, te laat geheven,
In de vuist aan tweën slaat.
„Spreek, waar bleef mijn Huwlijkszegen?"
„Waar mijn Vrijheid?" — „Waar mijn Staf?"
Zoo, als schijndoön uit hun graf,
Grijnzen hem de grieven tegen.
-ocr page 247-
\'239
Bleek en machtloos rolt hij \'t oog.
Neen, dit net is niet te breken!
Voort! vooruit! door grubbe en kreken,
Als een stormwolk van omhoog,
\'t Wervelt door \'t gestroopt getakte;
Stremt de beek? zij botst terug.
Liefde en wraak zijn vliegensvlug,
Vreugde en vrees maakt alles vlakte.
En de warme zweetdrop gudst;
\'t Ros houdt stand, de Jagers fluisteren:
In wat kooi het wild te kluisteren?
Snel beraad eischt korte rust.
Jagers, waakt! — De Kenmers bassen
Reeds uw Muider-schuilhoek rond.
Moet de vijfde morgenstond
U in eigen strik verrassen?
Weer ter jacht! Vooruit! Vooruit!
Sleurt den Sperwer in uw midden 1
Bidt! (indien de schuld kan bidden!)
De verlossing naakt uw buit.
Triomfeert zij ? zal hij leven
Voor — staat hij u \'t leven toe —
Voor de schorpioenen-roè? ....
Velzens zwaard zal \'t andwoord geven.
Sijplend kuilt het week moeras:
De aard wordt water, \'t water golven!
\'t Ros, tot aan de borst bedolven,
Worstelt vruchtloos met den plasch.
Voort! reeds is de plek gevonden ....
Ze is \'t te spa: daar gilt de dood!
\'t Drabbig schuim wordt purperrood:
Kloris bloedt uit vijftien wonden.
Ach! wat baat die valkenzwerm,
Een en twintig lange dagen
Om de jagerkrocht geslagen,
Onder woedend wraak-allarm ?
-ocr page 248-
240
Scheur\' de vlam de muren neder,
Tot geen dorre steen meer vat,
Bleeke Geraerts lijk aan \'t rad ....
Floris, Floris keert niet weder!
Ziet nu, wat die Trots volwrocht,
Die dat Koningsbloed doorspeelde!
Ziet! hoe hij \'t genot der weelde
Voor den vasten rouwprijs kocht!
Stel der Heerschzucht Heerschzucht tegen,
Maar — bereid u tot den val!
\'t Meest in \'t vrolijkst feestgeschal
Duchte Damokles den degen!
Neen, geen sluw gesponnen kunst,
Floris! wint vervreemde harten:
Zalf met giften vrouwensmarten,
Ridderhoon smaadt Vorstengunst.
Niets doet de oude striem zoo gloeien
Als een opgedrongen praal.
Koelt haar iets, — \'t is \'t dorstig staal !
Wischt haar iets, — het bloed moet vloeien!
Gij zijt niet als prooi gezwicht
Van een heerlijke gedachte,
Die de ruwer eeuw verachtte.
Nog onrijp voor \'t helder Licht:
Slechts wie eigen macht tot staving
Haar ten Simsons-toortse maakt,
Die in andrer koren blaakt,
Doodt de fakkel der Beschaving.
Sterk, maar toch niet sterk genoeg
Om den ijzren toom te klemmen.
Waartoe zocht ge een ros te temmen,
Dat uw spoor te noö verdroeg?
Weelde, als Hoogmoed, doodt heur slaven.
Beurtlings zwak en onbesuisd,
Hebt ge zelf uw kroon vergruisd,
Hebt ge zelf uw graf gegraven.
-ocr page 249-
241
Maar — uw moorders Kaïns lot —
U zalfde eens Jehovahs hoorne:
De door God tot Vorst verkoorne
Wacht zijn oordeel slechts van God.
Schande zal hun schimme dragen,
Als uw grafzerk deernis vraagt:
Valscher jacht is nooit gejaagd,
Fierder Sperwer, nooit verslagen!
DE VERGELDING.
EEN LEGENDE.
Een Englenknaapjen
Vertraagt zijn spoed,
De stad doorkruisend
Met wankien voet —
Zijn vleugels hangen:
De regen woedt!
De starren dekken
Het aangezicht:
Niet huiswaards heden
Kan \'t Hemelsch wicht,
Want de Englen stijgen
Op stralend licht.
Het Englenknaapjen
Klopt, moègegaan,
Aan alle deuren,
Maar vruchtloos, aan.
\'t Heet: „Hoor dien regen
„Op \'t venster slaan!" —
Hij snikt waar brassend
De rijkaard troont:
„Wie d\'armen zwerver
„Gastvrijheid toont,
„Hij ziet vóór morgen
,.; „Zijn wensch bekroond!"
VIII.                                                                                                          16
-ocr page 250-
242
Hij smeekt den dichter
Een wellekoom:
Dien wiegt de bonte
Gedachtenstroom —
De klacht daar buiten
Smelt in dien droom!
Hij roept den werkman:
Maar tijd is geld.
Door eigen zorgen
Wordt elk gekweld:
\'t Woord gaat verloren,
Dat uitkomst spelt!
Al wilder klettert
Het stormgebruis.
Daar ziet het knaapjen
Een schaamle kluis,
En kermt: „Och neem mij
„Eèn nacht in huis!"
Daar hoort een vrouwe
Zijn noodgeklop —
Een schoonheid, welkend
In d\' eersten knop.
Hoe bleek ! hoe lijdend ! . . . .
Zij neemt hem op.
Zij droogt zijn wiekjens,
Zij laaft zijn dorst:
Zij breekt hem vriendlij k
Heur bedelkorst:
Zij wiegt hem koestrend,
Aan eigen borst.
Het daagt in \'t Oosten:
Het wichtjen vlood
Op \'t eerste straaltjen
Van \'t Morgenrood.
Maar eerst nog kust hij
De vrouw — ze is dood_
-ocr page 251-
243
AAN EEN VRIEND, BIJ ZIJN INTREDE IN DE WAERELD.
De droom der Jeugd, vol zonnegloed,
Uit idealen saamgeweven,
Is eer wij \'t wanen weggespoed.
Dan dagvaardt ons het Werklijk Leven
Tot raannenkracht en mannenmoed.
Het ware en edelste onzer droomen
Blijft achter uit d\' ontvloden waan,
Niet meer, om, zwevende of en aan,
Het hart in beelden op te gaan,
Maar om naar buiten uit te stroomen,
Verwezenlijkt tot mannendaén! —
Heil u, mijn Vriend! die niet voor \'t Heden,
Voor bloesems, dartiend afgesneden.
Uw Toekomst dwaas verdorren deedt,
Maar waakte naar heur rijpheid waste;
En, \'t oog omhoog, de borst verbreed,
Nu de ernst der roeping niet verraste,
De waereld rustig binnentreedt!
Daar is die u benijden zouden,
Wier zielen vóór hun bloei veroudden,
Wier hoop niet in hun lente deelt:
Gij — hebt uw frischheid niet verspeeld,
Gij — hebt uw jonkheid jong gehouden!
O, dank er \'s Hemels goedheid voor!
Wél voegen ze u op \'t beidend spoor!
Daar moet gezocht, beproefd, gestreden,
Misschien gestruikeld en geleden,
Maar tusschen vreugde en droefheid door
Altijd, altijd vooruitgetreden.
Daar moet gewaakt, gewild, gewerkt,
Daar in de heilkracht der gebeden,
Wat zwak en hulploos is, gesterkt,
Wat goed en schoon is, vóorgestreden !
Daar, onverleid door \'t wuft gewoel,
Gestreefd met hoofd en hart en leven.
Naar de eigen kroon aan \'t eene doel,
Dat elk en allen is gegeven,
-ocr page 252-
244
Wie de onverbreekbre broederband
Als kindren van éen Vaderland
En volgers van éen Kruis omstrengelt —
Als blaaren, tot éen zelfde plant,
Als stralen, tot éen Hebt gemengeld!
Wél hem, die daartoe kracht bezat!
Wél hem, die véél heeft liefgehad!
Want Liefde, Lietde boven allen,
Is de ader aller werkzaamheid:
\'t Is sterkte Gods, waarmee ze ons leidt,
Waarmee ze, eer de onmacht ons doet vallen,
Heur armen reeds heeft uitgebreid.
Zij rijpt, versterkt, vergroot het harte,
En balsemt het voor vroeg vergaan —
Zij kent geen zwaarte, hoogte of verte,
Want alles draagt ze en vult zij aan.
Het leven wissle en brenge orkaan
En hagelbui en winternachten —
Daar moge ons menig zweetdrop wachten,
En menig, menig bittre traan —
Daar mogen dierbren ons verlaten,
Nog levenden, maar nooit misschien
Of laat en anders weêrgezien,
En dooden, die wij nooit vergaten;
Verwachtingen en wenschen vliên,
En vreugden die we kort bezaten,
En meer dan ééne wandelstaf
Verbrokklen op den weg naar \'t Graf —
O, waar de Liefde ons blijft omgeven,
Zijn we immer op den weg naar \'t Leven!
Daar glinstert vóór en boven ons
Het licht eens Hoogren Morgenstonds,
Die in geen aardschen storm kan kwijnen,
Daar heeft de scherpste distel dons,
Daar zullen nood en dood verdwijnen!
Want ze is een eeuwig Lenteschijnen,
Een heilige Arke des Verbonds,
Een Legerwacht van Serafijnen,
Een Bode der Onsterflijkheid,
Een Hemel, over \'t Graf gespreid!
-ocr page 253-
245
U bid ik ze af! Geen glans van schatten,
Geen macht en staat: de Liefde-alleen!
Of ze, op de baan die ge op gaat treên,
ü bij de rechterhand mocht vatten!
En nu — vaarwel! De zon verdween,
Die ons op \'t eigen pad bescheen,
Maar waar ik ooit u weer ontmoete,
Dezelfde heilbeê blijft mijn groete —
Want hooger heilbeê, \'k heb er geen!
EN GEL EN- VOETSTAPPEN.
Als de dag zijn uren telde.
En de stemmen van den nacht
\'t Beter Ik daar binnen wekken
Tot een vreugde, rein en zacht:
Als de luchters nog niet branden,
En het ilikkrend haardsteêvuur
Wondre schaduwen doet dansen
Op den halfverlichten muur:
O, dan glippen dierbre schimmen
Binnen door de ontsloten deur,
Dan bezoeken mij de Dooden,
Die ik reeds zoolang betreur!
Zij, de jeugdigen en sterken,
Hunkrend naar een eedlen strijd,
Maar op d\' eersten marsch bezweken,
Ver nog van het worstelkrijt:
Zij, de heiligen en zwakken,
Met des lijdens kruis belaan,
Eindlijk, met gevouwen handen,
Bleek en spraakloos heen gegaan :
En dan, \'t wonderlieflijk wezen,
\'t Bloemtjen in mijn wildernis,
Die mij boven alles minde,
En nu ginds een Engel is!
-ocr page 254-
246
Zachtkens zet zij aan mijn zijde
Op den let\'gen stoel zich neer,
En zij drukt mijn koude vingers
Met een handdruk, naamloos teer.
En zij zit mij aan te blikken
Met dat diep en vriendlij k oog,
Kalm en heilig als de sterren
Aan den blauwen hemelhoog.
\'t Is mij als versta ik alles
Wat zij mij te zeggen heeft,
Tot ze, na een teer vermanen,
Spraakloos mij haar zegen geeft.
O, hoe eenzaam en verlaten,
Ik gevoel geen angst of nood,
Mag ik maar in stilte peinzen
Aan hun leven, aan hun dood!
TWEE VOORJAARS-LIEDEKENS.
1.
Het levende, luwende luchtjen
Doortrilt de jonge blaSn,
En waait met zijn zuizelend zuchtjen
Me een zoete huivring aan.
De wolkjens, die \'t zonnetjen wachten,
Gaan vroolijk langs hun spoor:
Zoo trekken de Voorjaarsgedachten
Mijn zorgloos harte door,
Als keerden vervlogene tijden
In al hun schoonheid weer,
Als zou ik nog eens mij verblijden. —
Een kind gelijk weleer!
-ocr page 255-
247
II.
De lente verscheen, en de waereld ontwaakt,
Een bron van nieuw leven ontsprong:
Mijn hart wordt van zalige zangdrift geblaakt;
Ik voel mij zoo jolig, zoo jong !
Het zonnetjen roept al \'t gebloemt\' bij elkaar:
De dauw schijnt tot paerlen gestold.
Wat schijnt daar zoo grauw door het git van mijn hair?
Een sneeuwvlok misschien die niet smolt ?
\'\'t Gevogelte zingt achter \'t loovergordijn.
Elkander het minnelied toe ... .
En zoo het geen sneeuw is, wat mag het dan zijn\'!
Ik ben als de vogels te moè.
De lente verscheen, en de waereld ontwaakt,
Een bron van nieuw leven ontsprong:
Mijn hart wordt van zalige zangdrift geblaakt;
Ik voel mij zoo jolig, zoo jong!
(Vrij gevolgd.)
AFSCHEID AAN DEN LEZER.
Mijn Muze zwijgt. Een blosjen op de wangen,
En met een blik die schuchter nederziet,
Treedt ze u voor \'t oog. Uw oordeel zal ze ontfangen:
Hoog schat ze \'t wel, en echter vreest zij \'t niet.
Zij wenscht alleen des braven gunst te erlangen,
Die \'t Ware mint en valsche tooisels vliedt.
Slechts wien een hart, gevoelig voor het Schoone,
Daar binnen klopt, is waard dat hij haar kroone.
Slechts zóo lang zullen deze zangen leven,
Als nog hun toon éen edel hart verheugt,
Met schooner Idealen \'t mag omgeven,
\'t Verwarmt en sticht en opvoert tot de Deugd.
Zij zullen tot het nageslacht niet zweven:
Zij klonken, zjj vervliegen met de jeugd.
-ocr page 256-
248
Zij wierden uit een oogenblik geboren:
Ze ontvlieden in den luchten dans der Horen.
De Lente ontwaakt, en uit de ontdooide dalen
Treedt overal verjeugdigd leven voor.
\'t Stroomt geuren, waar de windtjens ademhalen,
Den hemel vult een vrolijk zangrenchoor,
En jong en oud zweeft in de zonnestralen,
Verheugt zich, en geniet met oog en oor.
De Lente ontvliedt, de bloem verliest heur blaaren,
En niemand blijft van die eens met ons waren!
-ocr page 257-
INHOUD.
Blada.
Aan mijne lezeres......................      1
Wat een traan vertelde. Een Fantuzy............     2
Lente\'s komst........................    12
Oorlog............................    13
St.-Nicolaas-avond. Een vertelling..............    14
De bijbel...........................    18
Scheiding..........................    18
Levensles..........................    19
Zalig............................   
Twee bladen.........................    20
Twee vragen........................    21
De dood...........................    21
In memoriam. Mijnen vriend Dr. Hacke van Mijnden, vertolker
der Divina Commedia................    21
I. Dante Alighieri.................    21
II. Op \'t schutblad van den „Inferno".........    22
III. Ter uitvaart....................    22
Lago di Vico........................    24
Eén schat moet behouden..................    26
Vleugelen..........................    27
Twee wolken........................    28
De oude landman......................    28
De stoom..........................    29
De wegwijzer........................    31
Armenische volksliederen. Inleiding..............    32
I. Ballings klacht. Bij der Armeniërs verhuizing van
Kiulfa naar Perzië...............    37
II. De Armenische vorstendochter..........    38
III.  De schipbreukeling op \'t meir van Van......    40
IV.  Aan den ooievaar.................    41
V. Moedertranen...................    42
VI. De pelgrim aan den kraanvogel..........    44
VII. Adam\'s klacht..................    46
VIII. De jonkman en het water.............    47
Aan eene vroeg-gestorvene..................    48
I. Naar \'t Zuiden...................    48
II. Naar huis.....................    49
Kind en grijsaard......................    51
«Geen wonder!".......................    51
-ocr page 258-
INHOUD.
Bladz.
Bij \'t graf van Gregorv Pierson...............      52
Het Paradijs . . . .....................       53
Hij. . •........•.................      55
Wat wij behoeven. •....................      56
Had ik vleuglen......................      56
Moederliefde........................      58
I.  Ave!.......................       58
II.  Sterker dan de dood!...............      59
\'s Winters..................•......     60
Avondlied.........................     61
Oogstlied..........................      62
Van twee koningskinderen. Een oude ballade vernieuwd . . .     65
Reisontmoeting.......................      67
Morgenwensch.......................     88
Bede der stervende arbeiders voor hunne kinderen. Een gedicht
van Charles Dickens...................     6S
Vuur onder sneeuw.....................      70
Bladvulling.........................      70
Passie-Zondag.......................      70
Storm. Fragment......................      71
De vrouw. Naar Anakreon.................      72
De Moeder.........................      73
Zangen des tijds......................      73
I. Het Juni-oproer in Parijs. (1848).........      73
II.  Het roode zwaard, het roode kruis. (1870).....      70
III.  Aan Parijs. (1871).................     7*
Aanteekeningen..................      81
IV.  „La grande Nation." Woord van Napoleon I, herhaald
door den President der Nationale Vergadering, Cre-
vy, te Parijs, Juli 1871. (1871)..........     82
V. De schah van Perzië in Europa. (1873).......     84
Het ijzeren Kruis......................     8*
Rozenlied..........................     93
Vivere memento......................     94
Laat het golfjen spelevaren.......... ......     97
Verjaargroet aan mijne Anna. (24 April 1863)........     9<s
De blinde vogel.......................      9!\'
Diamanten.........................     102
Twee genre-stukjens van Louisa Siefert...........     103
I.   Een ondergaande zon...............     103
II.  Voor \'t knappend haardvuur............    105
Het lied der tweelingzusters.................    106
Een noodlot........................    10s
Scherzante.........................    114
I. Gevallen grootheid. Phylax op stroo........    114
II.  Bij een nameloos vrouwenportret..........    lij
III.  De zedemeester op het ijs.............    11-\'
Grafschrift.........................    116
Een regenboog . . . •...................    Il1\'
-ocr page 259-
INHOUD.
Bladz.
Italiaansche hemel.....................    117
Bloemen in de ziekenkamer.................    11"
Aan de zon. In Italië....................    113
Christophel Columbus....................    119
Maria Stuart\'s afscheid aan Frankrijk............    121
Charlotte Corday......................    123
Beminnen..........................    125
De Politicus.........................    126
Wij zullen zien.......................    127
„Ook dit is ijdelheid en kwelling des geestes"........    12*
Bid en werk........................    129
Het penningsken der weduwe................    130
Des negers klacht......................    130
O zoete sluimering.....................    132
Aan Walter Scott. Op zijn vijftiende jaar..........    132
Bij de zee.........................    133
Lentezucht.........................    135
Edward en Emma. Romance.................    136
De vlinder en de vrouw...................    139
Wij scheidden in droefheid.................    140
Ondergaande zon......................    140
Pavo, de Fin.......................    141
Ojan Pavoo\'s uitdaging...................    143
Engelen • ........................    144
L\'allegro..........................    145
Nog gisteren........................    151
Kassandra.........................    151
Het gastmaal van Theodorik................    155
Het eerste orgel te Turijn.................    159
De laatste der Hohenstaufen.................    162
Thakulf..........................    165
Attila te Venetië......................    167
Eugenia........................    170
Des zangers vloek. Ballade.................    171
Heimwee. Aan mijnen vriend, den zestienjarigen dichter J. J. L.
Ten Kate. (Sevenaer 1836)................    174
De Jonkvrouw van Orleans.................    176
I. Voor den strijd..................    176
II. Na den slag bij Rheims..............    177
Promotheus.........................    180
Morgengebed van het kind bij zijn ontwaken.........    182
Liefde de meeste. Aan de éenige...............    184
De dichter. Ode......................    186
Lied. Aan Maria......................    187
De traan........................    188
De jonge roos.......................    188
Als te midden der vreugd.................    189
Trouw...........................    189
Muziek...........................    190
-ocr page 260-
INHOUD.
Bladz.
Op zee...........................    191
Grafbezoek ........................    191
Na den veldslag......................    192
Ware droefheid................ ......    192
Ware liefde.........................    193
Kom, rust aan deez\' boezem.................    194
Eene uit velen.......................    195
Vaarwel..........................    195
De laatste zomerroos....................    196
De harpe Sions. Liederen van Robert Murray M\'Cheyne . . .    197
I. Jehovah-Tsidkenu. („De Heere onze gerechtigheid.")
Het wachtwoord der hervormers........    197
II. Bij het lezen van Mungo-Park\'s verhaal, hoe hij in
Afrika\'s woestijn een groen moschplantjen vond    198
III.  Ik ben een schuldenaar.............    201
IV.  „Die mij vroeg zoeken, zullen van mij gevonden
worden"...................    202
V. Uw woord is een lampe voor mijn voet en een
licht voor mijn pad. (Psalm CXIX: 105) ....    203
VI. Het meir van Gennesareth..........    205
Vil. „Naar de andere zijde." (Lukas VIII: 22—25) ...    207
VIII. Op de Middellandsche Zee, in de baai van Karmel   209
IX. „Laat de kinderkens tot mij komen, en verhindert
ze niet"..................   210
X. Op den dood van een geloovig jongeling, gestorven
Februari 1842.................    211
XI. Dien Hij lief heeft, kastijdt Hij..........    213
XII. Aan een kind..................    213
XIII. De bijbel....................    214
De geschiedenis van een engel................    215
De herberg aan den weg..................    220
Agnes. Sproke van den meistreel Eggart...........    225
Ter uitvaart van Hare Majesteit, Mevrouw Anna Paulowna,
Koningin-Weduwe der Nederlanden, Grootvorstin van Rus-
land, op Vrijdag den 17 Maart 1865............
    229
Bij een kind........................    230
Liefde...........................    231
Bloemen..........................    232
Verzoening.........................    233
Bij een afbeeldsel, geschilderd door Rembrandt Van Rhijn . .    Ê35
De bergstroom.......................    236
Wiegelied.......•.......... .....    237
De vogeljacht. Een historische herinnering. (Juni 1296)....    238
De vergelding. Een legende.................    241
Aan een vriend, bij zijn intrede in de waereld........    243
Engelen-voetstappen..................    245
Twee vcorjaarsliederen...................    246
Afscheid aan den Lezer.................."    247