-ocr page 1-
-ocr page 2-
ti* ::;Xsvfc*
^**f^
v%rt<:! i: >W^ :.:>%^ ::: X<&K :::\': S
-ocr page 3-
&X:ïry*tfiY:\'ï*&?S:\\?^X:::*
iïr.::::>iir
-ocr page 4-
YAfrt fO^fZ.
-ocr page 5-
MENGEL-POËZY.
-ocr page 6-
UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK UTRECHT
A06000032018610B
3201 861 O
-ocr page 7-
MENGEL POËZY
DOOR
J. J. L. TEN KATE.
LEIDEN. — A. W. SIJTHOFF.
-ocr page 8-
-ocr page 9-
MENGELPOËZIE.
DE GIAOUR.
(fragment eener türksche vertelling.)
Éen denkbeeld, éen smart, werpt zijn aaklige schaüw,
In voorspoed en jammer op blijdschap en rouw:
De balsem der vreugde en de prikkel der smart
Wekt blijdschap noch leed in t gefolterde hart.
THOMAS HOOBE.
(Vertaling van t, p. hasebboek).
I.
Niet éen koeltjen breekt den golfslag
die het zeestrand dreunen doet,
Waar de tombe van d\' Athener
\'t eerst het keerend schip begroet;
Over klip en rotsgevaarte
ziet zij op het Land ter neer,
Dat hij vruchteloos bevrijdde:
keert dan zulk een Held nooit weer ?
Schoon klimaat! waar elk getijde
ieder eiland zegen biedt,
Dat ge van Colonna\'s hoogte
op de zeekolk dobbren ziet,
Met een schoonheid zoo betoovrend,
dat ze u zielsgenot bereidt,
Dat ze een hemelsche verrukking
uitstort in uwe eenzaamheid.
Trouw weerkaatst de waterspiegel
tusschen bloem- aan bloemengaard,
Al de kleuren, al de tinten
van zoo menig rotsgevaart\';
En wanneer er soms een luchtjen
\'t blauw kristal der golfjens plooit,
vn.
                                                                                     1
-ocr page 10-
\'2
O hoe welkom is elk zuchtjen,
dat de zoetste geuren strooit!
Want daar schittert op de heuvlen,
in vallei en looverzaal,
\'t Edel Roosjen, uw sultane,
zangerige Nachtegaal!
Haar herhaalt ge uw duizend zangen,
haar, uw Bloemenkoningin,
En zij drinkt die malsche tonen
met een blos van teêrheid in.
Door geen stormwind ooit gebogen,
door geen sneeuwvlaag ooit verfletst,
In haar Paradijs beveiligd
voor de winters van ons West,
Door elk jaarsaizoen gezegend
loont zij dankbaar ieder uur
Met den wierook harer hulde
zooveel gunsten der Natuur.
En zoo geeft zij al haar geuren,
al haar kleuren, heel haar schat,
Aan dien milden hemel weder,
wien zij \'t al te danken had!
Menig lustprieeltjen bloeit er,
menig grot met mosch bevloerd,
Voor een minnend paar geschapen —
waar de zeevrijbuiter loert,
\'t Vaartuig in de baai verbergend,
tot hij, onder scherts en lied,
In den glans der avondsterre
\'t argloos scheepjen naadren ziet.
Dan, in schaüw der hooge rotsen,
roeit hij nauwlijks hoorbaar voort,
Klampt hij onverwachts zijn offer
met een tijgersprong aan boord,
En verstikt de blijde zangen
in een kermend moordgegil,
Tot de bleeke lippen zwijgen,
allen en voor eeuwig stil!
Vreemd gewis! dat waar de Schepper
een verblijf voor Goden schiep,
-ocr page 11-
3
Waar Hij al de heerlijkheden
van een Eden samenriep,
Dat de Mensch daar, in zijn waanzin
aan \'t verstandloos dier gelijk,
\'t Paradijs verwoest, verwildert,
en de bloem vertreedt in \'t slijk,
Die geen enklen zweetdrop vergde,
nooit de hulp des menschen zocht,
En alleen oodmoedig smeekte,
dat zijn voet haar sparen mocht!
Vreemd gewis! dat, waar in \'t ronde
louter Hemelvrede woont,
De Aardsche Hartstocht onbeteugeld
zich in al zijn hoogmoed toont,
En wellustigheid en roofzucht
met den sluipmoord hand aan hand,
Zulk een doodsche schaduw werpen
over dat bevoorrecht land!
\'t Is alsof hier de Englen weken
voor \'t afvallig Duivlenheir,
\'t Is als zat het kroost der Helle
op des Hemels troonen neer!
Zóó volschoon is hier de schepping,
zoo vol liefde en harmony;
Zóo afschuwlijk de onderdrukking
van de laagste dwinglandij!
Wie ooit neerzat bij een doode
eer de sterfdag henenvlood,
De eerste dag van nacht en stilte,
laatste van gevaar en nood,
Vóór nog de adem der ontbinding,
zwevende over \'t aangezicht,
Nog het waas dier schoonheid wischte
die eerst langzaam, langzaam zwicht —
O, hoe werd hem \'t hart bewogen
als hij peinzend nederzag
Op dat engelachtig wezen
met dien kalmen vredelach,
Op die bleekbestorven wangen,
strak en zonder leven meer,
-ocr page 12-
4
Maar zoo onuitspreeklijk-rustig,
maar zoo hemelsch-zacht en teer!
En was niet dat oog geloken,
dat nu lacht noch lonkt noch schreit,
Was dat voorhoofd niet bevroren,
ijskoud van gevoelloosheid,
Voer geen huivring ons door de aadren,
of die aanblik vol van rouw,
Die verschrikt en aantrekt tevens,
ons noodlottig worden zou,
O, wij zouden lang nog twijflen
of de Dood hier ommezweeft,
Zóo volheerlijk zijn die trekken,
die zijn hand verzegeld heeft!....
Dus is de aanblik dezer stranden;
diep-bewogen blijft gij staan,
Dit is Griekenland! maar \'t leeft niet!
ach, de ziel ontbreekt er aan.
\'t Is zoo koud, zoo aaklig prachtig:
want zijn schoonheid is versteend,
\'t Is die schoonheid, die haar luister
aan het wachtend graf ontleent,
Naglans des ontvloden geestes,
lichtkrans zwevende om den dood,
Laatste, stralende afscheidsgroete
van des levens avondrood:
Sprank der vuurvlam, die Prometheus
uit den hoogen hemel stal,
Die het hulsel nog doet glinstren,
maar niet meer verwarmen zal!
Land der onvergeten braven,
waarvan de aard geen weerga gaf!
Gij, tot in uw bergspelonken,
Vrijheids woning, Glories graf!
Heiligdom van halve Goden,
Pantheon! is dit uw lot?
Liet gij waarlijk niets meer achter
dan dit roemloos overschot?
Herwaarts, laaggebogen knechten!
is dit niet Thermopylé?
-ocr page 13-
5
Kunt gij mij den naam niet noemen
van die wentelende zee?
Dienstbaar nageslacht der Vrijen!
zeg mij toch wat strand dit is!.,
Langs de rotsen, langs de waatren,
zweeft de naam van — Salamis!
Komt, herovert d\' ouden bodem
met d\' aalouden heldenmoed !
Blaast de sintels uwer vaadren
weer tot lichterlaaien gloed!
Hij, die sneuvelt, heeft hun namen
met een nieuwen naam verrijkt,
Op wiens klank des Dwinglands ziele
van lafhartige angst bezwijkt.
Hij vermaakt een hoop, een glorie,
en een voorbeeld aan zijn kroost,
Dat zich honderdduizend dooden
liever dan de schand getroost.
Vrijheids worstling, eens begonnen,
en van zoon tot zoon hervat,
"Wordt in \'t eind met glans gewonnen,
schoon hij lang gewankeld had.
Dat getuigen zoo veel eeuwen,
Hellas! uw historieblaan :
Trotsche pyramidenbouwers
zijn met naam en faam vergaan;
Maar u w helden — schoon hunne eerzuil
ook vergruizeld werd tot zand,
Hielden eeuwge monumenten
in — de bergen van hun land !
Daar wijst uw verheven Muze
bij den vollen zonneschijn
Nog de graven aan dier Eedlen,
die den dood te machtig zijn!
Droevig ware \'t, na te reeknen
hoe gij diep en dieper zonkt:
\'t Is genoeg! geen vreemde temde u,
tot ge — u-zelf in ketens klonkt!
Want de voetschop der verachting
treft hem die zich-zelf veracht,
En door zelfverlaging vielt gij
in tyrannenovermacht!
-ocr page 14-
6
Wat verhaalt gij thands den pelgrim?
Geen verheven gloriedaan,
Niet éen enkel heldenthema,
waardig uw Meoonsche zwaan,
Waardig dien vervlogen eeuwen,
toen een heerlijk Heldenras
Zelve de eer van zijn geboorte
op uw bodem waardig was!
Ach, het kroost van uw valleien,
dat zijn kroost op moeders schoot
Door zijn voorbeeld reeds moest leeren
wat verbeven is en groot,
\'t Kruipt, gelijk een slaaf van slaven,
langzaam van de wieg naar \'t graf,
Prikkelbaar, alleen voor \'t kwade,
onverzaadlijk-wreed en laf;
Diep beneden \'t dier gezonken,
zelfs van ruwe deugd vervreemd,
Zonder éene sprank van geestdrift,
die naar vrijheidsliefde zweemt!
In de havens zijner buren
leeft in menig spreukrijk woord
Grieksche list en Grieksche leugen
(al hun roem!) onsterflijk voort.
Vruchtloos roept de stem der Vrijheid
zulke zielen uit heur rust,
Als de nek het juk wil kozen,
en de mond de kluisters kust.
Neen, ik wil niet langer treuren
om hun jammren zonder tal —
\'t Is nochtans een droeve mare,
waar mijn lied van klinken zal;
En die luistert, mag gelooven,
dat wien zij het eerste trof,
Wrange tranen heeft vergoten,
want hij had tot schreien stof!
Ver, donker, zweeft de lange schaüw
Der rotsen over \'t waterblauw,
-ocr page 15-
7
En schijnt des visschers oog een boot
Van Eilandroover of Mainoot.
De vreeze voor zijn kleinen schat
Doet hem de onveilge baai ontgaan;
En schoon van d\' arbeid afgemat
En met de zware vangst belaan,
Toch roeit hij, traag maar vast van hand,
Tot dat Leones zeker strand
Hem opneemt bij die starrenpracht,
Die heenblinkt door een oosternacht.
Wie stormt daar aan op \'t gitzwart ros,
Gewiekt van hiel, de teugels los ?
Hoor, de echoos klaatren, stap voor stap
En sprong voor sprong, van \'t hoefgetrap!
De schuimdauw op de borst van \'t paard,
Schijnt uit den vloed der zee vergaard.
Al zweeft de rust langs d\' effen vloed,
Daar is er geen in \'s ruiters harte,
En hoe de stormvlaag morgen woed\',
O Giaour! ze is kalmer dan uw smarte,
Ik ken u niet; ik haat uw bloed;
Maar in uw trekken, doodsch en droef,
Zie ik een bang verleön geschreven;
Hoe jong ge zijt. u is de groef
Der driften \'t voorhoofd ingedreven,
Al slaat ge \'t euvele oog op zij\',
Al rent gij als een pijl voorbij,
Toch zie ik wèl en doet uw wezen
Mij een dier Apostaten lezen,
Die \'t argloos kroost der Halve Maan
Verstoten moest ot nederslaan!
Voort ging hij! en mijn starend oog
Vervolgde hem, terwijl hij vloog:
Schoon als een Demon van den schrik
Nabij, voorbij, en weggevaren,
Toch bleef zijn vlucht, zijn stal, zijn blik,
In donkre erinring rond mij waren,
En lang drong tot mijn duizlend oor
De hoefslag van zijn klepper door.
-ocr page 16-
<s
Hij spoort zijn paard; hij naakt de rots,
Die afhangt over \'t golfgeklots:
Hij wervelt rond, hij ruischt voorbij....
O vreugd! de rots verbergt hem mij!
Want baatlijk moet dat gluren wezen
Van een die onze vlucht bespiedt:
Geen star of ze is te vroeg gerezen
Voor hem die zoo ontijdig vliedt.
Hij vlood: maar eer hij gants verdween.
Zag hij nog eenmaal om zich heen,
Als was die blik zijn laatste op aard.
Een oogwenk temt hij \'t vliegend ros,
Een oogwenk poost hij van zijn vaart.
Wat staart hij naar \'t Olijvenbosch?___
De maan blinkt op den heuveltrans,
\'t Moskeelicht spreidt zijn hoogen glans;
Hij kan het blij musketgeknal
Op zulk een afstand wis niet hooren:
Toch kan hij nog de vlam zien gloren,
Waar ieder schot van blinken zal.
De vastentijd is nu geweest,
Deez\' nacht begon het Bairamsfeest;
Deez\' nacht — maar wie en wat toch zijt gij,
Met angstig oog en vreemd gewaad?
Wat toeft, wat vlucht gij ? wat vermijdt gij
Ons feest, zoo \'t u ter harte gaat?
Hij stond — de vreeze op \'t bleek gelaat,
Maar ras verdween die voor den Haat,
Niet rijzende in den purpergloed
Waar korte drift van blozen doet,
Maar bleek gelijk het kil gesteent\',
Dat schemert boven \'t lijkgebeent\',
Woest fronsde hij den wenkbrauwboog,
Onstuimig rolde \'t glazig oog;
Hij hief zijne armen wild omhoog,
Als aarzlende of hij verder gaan
Of weör zou keeren op zijn paan.
Ds.ar briescht op eens zijn gitzwart paard....
Zijn hand hervindt de greep van \'t zwaard!
Dat brieschen brak zijn wakend droomen,
-ocr page 17-
\'.I
Als \'t uilgekras de sluimring doet.
Weer zien zijn sporen rood van bloed,
Voort! gaat het, met gevierde toornen
Voort! immer voort! zoo vliegenssnel
Als stond er \'t leven zelf op \'t spel.
Het voorgebergte is ingehaald:
Zijn stal, zoo trotsch omhoog gericht,
Zijn helmkam, door de maan bestraald,
Verdween gelijk een bliksemlicht.
\'t Was maar een oogwenk, langer niet,
Dat hij zijn klepper poozen liet —
Toen vloog hij weer zoo wild daarheen,
Als volgde reeds de dood zijn schreên:
Maar in dien enklen oogwenk scheen
Een winter van herinneringen
Bevriezende in zijn ziel te dringen:
Een eeuw van schuld en zelfverwijt
Rolde in dien droppel van den tijd.
In zulk een oogenblik ervaren
Haat, Liefde en Vrees de smart van jaren:
Hoe moest dan hém te moede zijn,
Gekweld door die driedubble pijn!
Die poos van stille mijmering, —
Wie kan heur droeve lengte meten,
Hoe zullen wij heur maatstaf weten?
Schoon op de groote rekening
Een stip, een ondeel van een uur,
Hem had ze een eeuwigheid van duur !
Want maatloos als de onpeilbre zee
Moet wel het denkbeeld zijn van \'t harte
Dat nog blijft leven bij de smarte
Van naamloos, hooploos, eindloos wee!
Het uur vervloog — de Giaour is heen\':
En vluchtte of sneefde hij alleen?
Vervloekt is de dag toen hij kwam of verdween!
Hij bracht over Hassan een vreeslijke straf:
Hij maakte, in zijn wraak, een paleis tot een graf.
Hij kwam, hij verdween, als die zengende wind,
Heraut der vernieling die alles verslindt,
De Samoum, die in zijn wijdwoedende vaart
-ocr page 18-
10
Ook zelfs de bedroefde cypresse niet spaart,
Die boom, die nog treurt ook bij \'t eind van den rouw:
Ach, de eenige vriend aan zijn dooden getrouw!
De rossen vloden uit den stal;
Geen dienaar bleef in Hassan\'s hal;
Het luchtig weefsel van de spin
Golft langzaam wieglend langs den wal;
De vleermuis zwerft den Harem in!
Het uilgebroed laat in den toren
Der forteres zijn krassen hooren;
De wilde dog zwerft hnilende om,
Door dorst en honger afgetobt,
Want de bron is verdroogd in haar marmeren kom,
Waar het stof zich vergaart en de distelstruik knopt.
\'t Was zoet te zien, hoe \'t zilvrig nat
In \'t flikkrend zonneschijntjen speelde,
En straks, in stralen opgespat,
De lucht en \'t dorstend groen een weelde
Van geur en frischheid mededeelde.
\'t Was zoet, bij heldren starrentrans
In vochtigen juweelenglans
De blijde golfjens te zien gloren
En \'s nachts heur melody te hooren!
Hoe vaak had Hassan\'s Kindschheid niet
Zich spelende in den stroom gespiegeld,
Hoe vaak hem \'t ruischend golvenlied
Aan moeders borst in slaap gewiegeld!
Hoe vaak had hier zijn blijde Jeugd
Bij \'t lied der schoonheid zich verheugd,
Wier zoet muziek versmolt in \'t klaatren
Van \'t zangerig akkoord der waatren!
Maar nooit rust hier in \'t geurig kruid
Zijn Grijsheid in de scheemring uit:
De blanke stroom is weggevloten —
Het bloed van Hassan\'s hart vergoten!
Geen stem eens menschen, woest of teer,
Spreekt hier van haat of liefde meer:
Het laatst klonk hier een kreet van rouw,
De wilde moordgil eener vrouw ....
\'t Zwijgt alles sints —
-ocr page 19-
11
Of het venster moest rammlen op d\' adem des winds:
Hoe de piasregen bruischt of het bliksemvuur licht,
Geen hand sluit meer de ramen dicht.
Hoe zoet zou \'t niet den zwerver zijn,
In de uitgestrekte zandwoestijn
Het ruwste menschenspoor te ontdekken:
Zóo zou hier zelfs een kreet van pijn
Een hart vertroostende echo wekken :
\'t Zou wezen: .,Alles vlood niet heen\'!
„Nog toeft hier leven, schoon bij éen!...."
Nog blinkt hier menig pronksalet,
Waar de Eenzaamheid niet treuren moest;
\'t Verval heeft hier niet veel verwoest,
En kankert voort met tragen tred.
Maar voor de poort ligt zwarte Rouw:
Geen Fakir zal er schuilplaats vragen,
Geen Derwisch durft er \'t stilstaan wagen,
Waar hem geen welkom groeten zou;
Geen vreemdling zal er zegen spreken,
Waar \'t heilig: „brood en zout" ontbreken.
Door Weelde en Armoe te gelijk
Ziet zich het trotsch paleis vermijden,
Want Feestgenot en Medelijden
Verstierven daar bij Hassan\'s lijk,
Niets roept zijn doodsche woning wakker,
Van licht en levensvreugd beroofd:
Geen gast in zijn zalen, geen ploeg op zijn akker,
Sints de sabel des Giaours hem den kop heeft gekloofd!
Daar dringen stappen tot mij door:
Toch groet geen enkle stem mijn oor.
Zij naadren — \'k zie bij iedre schrede
Elks wrong en zilvren ponjertschede.
Die aan de spits der bende gaat,
Is de Emir, naar zijn groen gewaad.
„Wiedaar?" „„Sa lam! mijn heilgebed
„ „Verkondt den zoon van Mahomet.
„„De last, die gij zoo zachtkens draagt,
„„Schijnt een die al uw zorgen vraagt:
„„Ze is zeker meer dan schatten waardig —
„„Mijn boot is tot uw dienst zeilvaardig.""
-ocr page 20-
12
— „\'t Is wél. Ontraeer met vlugge hand
„Uw bark, en voer ons weg van \'t strand.
„Neen, vier de zeilen in den wind,
„Grijp de eerste roeispaan die ge vindt,
„Houd halverweeg die rotsen stil,
„Waar \'t zeenat sluimert, diep en kil.
„Rust van uw taak — zóo — braaf gedaan 1
„Wij vlogen langs de waterbaan.
„Toch was het wel de langste reis,
„Die ooit door eene —......
Daar plofte \'t! — langzaam zonk het neer;
Een rimpel rees op \'t effen rneir.
Ik zag het zinken — \'t kwam mij voor,
Of \'t in de kabbling zich bewoog;
Maar \'t was een bleeke maanlichtgloor,
Die grillig langs de baren vloog.
\'k Stond, tot het, drijvende uit mijn oog,
Van ver een witte sneeuwvlok scheen,
En eindlijk, als een stip zoo kleen,
Op \'t golfjen flikkerde en — verdween.
\'t Geheim ligt in de zee bedolven
Alleen den Genii bekend,
Die, siddrende in hun schelpen tent,
Niets fluistren durven aan de golven.
Gelijk, wanneer de lente bloost,
De Vlinderkoningin van \'t Oost,
Op purpren wieken uitgesneld,
Het knaapjen lokt in \'t geurig veld,
Hem uren lang met vluggen voet
Van bloem tot bloem haar volgen doet,
Dan wegsmelt en hem achterlaat
Met hijgend hart en schreiende oogen:
Zóo lokt, in \'s levens dageraad,
Op de eigen wieken uitgevlogen,
De Schoonheid ook \'t volwassen kind —
Een ijdle jacht van hoop en vreezen,
Wier droevig eind een traan zal wezen,
Gelijk zij met een lach begint!
Bezit men haar, ach! de eigen rouw
-ocr page 21-
13
Kwelt dan den vlinder en de vrouw:
Zij kwijnen weg, hun lust verteert,
Door \'t spel des kinds, de luim des mans:
De dierbre buit, zoo wild begeerd,
Derft, eens gevangen, al haar glans.
De zelfde hand, die straks haar ving,
Vernielt allengs haar schoonste kleuren,
Tot ze als een bleeke zwerveling
In de eenzaamheid zich dood kan treuren.
Het hart verscheurd, de wiek gewond,
Ach, wat kan d* offers ruste geven ?
Kan \'t vlindertje\', als in d\' ochtendstond,
Nog over tulp en rozen zweven?
Of schoonheid tot genot herleven,
Als de onschuld met haar schoon verzwond ?
Geen vlinder treurt er in den hof,
Al zijgt een andre neer in \'t stof;
Vergeeflijk klopt een vrouwenhart —
Alleenlijk niet voor vrouwenzonden;
Het heeft een traan voor ieders wonden,
Slechts voor geen zusters schande of smart!
De ziel, die op de wroeging broedt,
Gelijkt de droeve scorpioen,
Van vuur omringd, welks vlammen woên,
Met telkens feller gloed,
Zoodat ze, alom bestookt, in \'t end
Slechts éen rampzalig uitzicht kent,
En, raadloos daar geen redding daagt,
De vlijm, voor \'s vijands borst gescherpt,
Die nooit vergeefs zijn zwadder werpt,
Zich-zelve in \'t harte jaagt.
Zóo sterven zij te kwader uur
Voor wie het licht der hoop verdween,
Of leven als \'t insekt in vuur!
Zóo krimpt den booze \'t hart inéén,
Wien aarde en hemel van zich stoot:
\'t Is nacht omhoog, ellend beneên,
Daar buiten een vuurvlam, daar binnen — de dood!
En Hassan vlucht zijn harempracht,
-ocr page 22-
14
Blind voor de schoonheid, die er smacht;
Hij doodt zijn tijd in \'t jachtgewoel —
Tocli laat de jagersvreugd hem koel.
Niet dus vlood Hassan ooit weleer,
Toen Leila \'s Harems licht mocht heeten:
Is mooglijk Leila daar niet meer? ....
Wie buiten Hassan kan het weten!
Daar gaat alom een vreemd gerucht,
Dat zij des avonds is ontvlucht,
Toen Rhamazani\'s laatste zon
Hij \'t buksgeknal ter kimme daalde,
Heel \'t Oost van duizend lampen straalde,
En \'t vrolijk Bairamsfeest begon.
Zij ging naar \'t bad — vergeefs gezocht 1
Geen Hassan die haar vinden mocht\'.
Met vreemde paadjeskleedren aan,
Was zij heurs meesters macht ontgaan,
En alle Turksche tucht ten hoon,
In d\'arm eens Renegaats ontvloön!
En wel had Hassan iets vermoed,
Maar toch, zij was zoo teör, zoo goed:
\'t Scheen ook onmooglijk dat een vrouw
Zoo stout haar leven wagen zou —
Zoo trad hij argloos ter moskee,
Rn offerde zijn avondbeê;
Zoo vierde, hij met blijden geest
Te nacht in zijn kioske feest....
Dus luidt de maar\' der Haremwacht,
Die slecht haar plichten heeft betracht:
Maar naar een zekerder bericht
Was bij het scheemrend starrenlicht
De Giaour aan \'t strand der zee gezien:
Hij scheen in aller ijl te vliên,
Het bloed droop van zijns kleppers zij\',
Maar maagd noch paadje was nabij!
Hoe zal ik Leila\'s blik van stralen,
Haar oog vol donkren luister malen?
\'t Gazellenoog heeft minder gloed,
Is minder smachtend\', minder zoet.
-ocr page 23-
15
Toch straalde een ziel uit ieder vonkjen,
Uit ieder laclijen, ieder lonkjen,
Dat door de zwarte wimpers scheen
Als Jaraschid\'s schittrende edelsteen.
Ja, ziel! en schoon de Heilprofeet
Die vorm een doodsche stof klomp heet,
Bij Allah! \'k zou \'t ontkennen moeten,
Al stond ik up Al-Sirats boog
Met de open vuurzee aan mijn voeten
En \'t zalig Eden van omhoog
Met al zijn Hoeries voor mijn oog!
O, wie die ooit in d\' Englenglans
Van Leila\'s teedre blikken staarde,
Noemt ooit de Vrouw verganklijke aarde,
Of \'t zielloos speelgoed eens Tyrans?
De Mufti zelfs zag \'s Hemels licht
Weerspiegeld op haar aangezicht.
Het blosjen van heur frisch gelaat
Beschaamde \'t purper der granaat
En bloeide in eeuwgen dageraad.
Heur hair geleek de hyacinth,
Die buigend afgolft op den wind,
En daalde, eer zij in \'t slaapsalet
Zich neèrwierp op het geurig bed,
Tot op den marmren bodem af,
Waaraan haar voetje\' een luister gaf,
De schitterende sneeuw gelijk,
Nog onbevlekt met \'s waerelds slijk.
Zoo als de zwaan op \'t water glijdt,
Zoo luchtig, zoo gezwind,
Ging ze over \'t gladde moschtapijt,
Het schoon Cirkassiesch kind!
Gelijk de zwaan van fierheid gloeit,
De kuif verheft, de golven spoort,
En statig uit zijn oogen roeit,
Als hem een vreemde stoort:
Zóo hief ook Leila, even slank,
Het edel hoofd omhoog,
Dat op een hals, niet minder blank,
Vol fierheid zich bewoog:
Zóo hield ook zij door heilgen schroom
-ocr page 24-
•16
Den onbescheiden blik in toom —
Zóo trotsch ook was haar jong gemoed;
Maar voor heur minnaar, enkel gloed!
. Heur minnaar.. . . Wien toch minde ze ooit?
Ach, arme Hassan, u wel nooit!
En Hassan trekt langs berg en dal:
Hem volgt een dapper twintigtal,
Elk, als strijdvaardig oorlogsman,
Voorzien van buks en ataghan.
De hoofdman draagt vol trotschen zwier
Het kromzwaard in zijn bandelier,
Van \'t eêlste Arnautsche bloed besproeid,
Toen de oproerbende, stout verrascht,
In Parne\'s bergpas aangetast,
Voor goed werd uitgeroeid.
\'t Pistolenkoppel aan zijn zij\',
Werd hem door Pacha\'s hand gegeven,
En zou, hoe kostlijk van waardij,
Den roover nog terug doen beven.
Men zegt, hij haalt een echtgenoot,
Die hem getrouwer liefde bood,
Dan zij die haar gelofte schond,
O gruwel! voor een Christenhond!. ...
\'t Laatste zonlicht kleurt de heuvlen,
en weerspiegelt in den stroom,
Die den vrijen bergbewoner
heenlokt naar zijn frisschen zoom.
Hier regeert die zoete kalmte,
die, te dicht bij zijn Tyran,
\'t Weeldrig hart des Griekschen koopmans,
in de stad niet vinden kan.
Zoo hij siddert voor zijn schatten,
hier, door niemands oog bespied,
Smaakt hij veilig al de vreugde,
waar de rust van overvliet.
Slaaf te midden van de menigt\',
vrij in \'t vlak der zandwoestijn,
-ocr page 25-
17
Drinkt hij daar in stil genieten
stroomen van verboden wijn,
Waar de beker van een Moslem
nimmer meê gevuld moest zijn!
Op zijn snuivend ros gezeten,
stapt een moedige Tartaar,
Kenbaar aan zijn geelen mantel,
aan het voorhoofd van de schaar;
In een lange lijn gerangschikt,
trekken de andren, éen voor éen,
Zwijgend en met trage schreden
door de nauwe bergpas heen\'.
Boven, op den steilen rotstop,
krijscht het hongrig roofgediert\',
Dat met scherpgewetten snavel
over \'t nest der jongen zwiert,
Even of het had geraden
dat omlaag een feest hen wacht,
Eer de morgen met zijn stralen
\'t sluimrend aardrijk tegenlacht.
Onder, droogde een winter-bergvliet
door het zomerblaakren uit,
Slechts een bedding achterlatend,
overgroeid met heidekruid.
\'t Voetpad is bestrooid met gruizlen,
die de bliksem of de tijd
Uit de in mist gekleede toppen
van \'t granietgebergte rijt.
Wie toch onzer heeft nog immer
Liakura\'s piek ontwaard,
Die omhoog schijnt weg te smelten
in het grauwend wolkgevaart\' ?
Zij bereiken \'t woud der pijnen,
en: „Bismillah!" juicht de Chiaus:
„Ziet, daar schittert de open vlakte
in het zilvren net des dauws.
„Alle vrees is thands geweken!
spoedig jaagt de scherpe spoor
-ocr page 26-
•18
„Nu op nieuw de fiere kleppers
als een storm de velden door!". .. .
Nauwlijks sprak hij \'t, of een kogel
floot hem gonzende over \'t hoofd;
Een der twintig plofte neder,
van het levenslicht beroofd.
Allen grijpen snel de teugels —
allen springen van hun paard;
Maar een drietal van de bende
beurt zich nooit meer op van de aard.
Vruchteloos versmelt hun wraakkreet
in het reutlend doodsgeluid:
Ongezien toch deelt de vijand
keer op keer zijn wonden uit.
\'t Staal ontbloot, de buks gespannen,
\'t oog van woede en vrees doorglanst,
Buigen sommigen zich neder,
door \'t geharnast ros verschanst.
Andren vlieden naar de rotsen,
eer het schot hen nederslaat
Van een onbekenden vijand,
die zijn berghol niet verlaat.
Enkel Hassan blijft in \'t zadel:
onverschrikbaar rent hij voort,
Tot een bliksem der musketten
hem verblindend tegengloort,
Die hem al te wel verkondigt,
dat de drieste roovrenstoet
\'t Eenig pad heeft afgesloten,
dat hem redding geven moet.
Toen, toen hief als die eens tijgers,
zich zijn knevel naar omhoog;
En de weêrlichtvlam der woede
vonkelde uit zijn rollend oog.
„Laat. de kogels (riep hij brullend)
rond mij sissen door de lucht!
B\'k Ben wel grooter krijgsgevaren,
grooter stervensnood ontvlucht!"
Nu genaakt op eens de vijand,
die zijn bergspelonk verlaat,
En het dondert: „Gij vazallen,
geeft u over of — vergaat!"....
-ocr page 27-
19
Maar de gloed van Hassan\'s blikken
en zijn fiere krijgsmans-taal
Zijn geduchter dan het flikkren
van \'t vijandlijk oorlogsstaal.
Geen van uit de kleine heirschaar
werpt geweer of zwaard op zij\',
Geen stort op de kniën neder
met een kreet om medelij\'.
Dichter naadren nu de roovers,
en op \'t vonkensnuivend ros
Vliegt het eerst hun ruiterbende
uit het bijgelegen bosch. —
"Wie geleidt hen, met den degen
in de roode rechtervuist?
„Ja, hij is het!" buldert Hassan,
en zijn boezem kookt en bruischt:
„Ja, hij is het! ik herken hem
aan zijn sombren wenkbrauwboog,
„Aan zijn bleekbestorven voorhoofd,
aan zijn onheilspellend oog!
„Ja, \'k herken hem aan zijn klepper,
aan zijn overwolkt gelaat!
„Mij toch kan hij niet misleiden
door dat Albaneesch gewaad!
„Schoon hij ook \'t geloof zijns vaders
heeft vertrappeld met den voet,
„\'t Zal hem van den dood niet redden,
dien mijn zwaard hem geven moet!
„Ja, hij is het! ik herken hem
uit dien nooitvergeelbren stond ....
„Trouwelooze boel van Leila!
huichelende Christenhond!"
Zaagt gij ooit een wilden bergstroom,
voortgegeesseld door d\' orkaan,
Zich, met opgezwollen waatren,
storten in den oceaan,
Die, onstuimig opgerezen
in kolommen van azuur,
Woedend hem wil weg doen deinzen
als van een metalen muur? —
-ocr page 28-
\'20
\'t Stuivend nat besproeit de transen;
loeiend breekt en klotst de vloed,
Door den winterstorm geslingerd,
die zich naar beneden spoedt;
\'t Schuim spat wolkend op en flikkert
als een bliksem over \'t strand,
Dat bij \'t dondrend golfgeklater,
schokt en trilt en kookt en brandt: —
Zóo, zóo storten ook de krijgers,
onafschrikbaar door \'t gevaar,
En gezweept door de eigen woede,
zich vernielend op elkaar!
\'t Klettren der gekruiste zwaarden,
vaak verspat tot splintrend gruis,
\'t Buksgeknal, \'t gesis der kogels,
\'t paardgebriesch, het krijgsgedruisch,
\'t Wemelen der kampioenen,
\'t doodsgehuil, het wraakgeschal,
Klonk, verward inéengemengeld,
door het vreedzaam herdersdal.
Klein voorzeker is die bende,
die hier door elkander jaagt;
Maar zij worstelt met die woede,
die geen leven spaart noch vraagt!
Teeder kunnen twee gelieven,
blakende van minnedorst,
Weêrzijds zich omstrengeld houden,
arm in arm en borst aan borst:
Maar de Liefde-zelf kon nimmer
met dien onbeschrijfbren gloed
Naar de gunst der schoonheid smachten,
dien de Haat in \'t harte voedt.
Ga naar \'t bloedig veld des oorlogs!
zie, hoe een vijandlij k paar,
Dat in \'t strijden zich bejegent,
de armen vastvlecht in elkaar!
Als die eenmaal zich ontmoeten,
scheiden zij zich nooit van een,
Maar zij wringen vast en vaster
zich om hals en lendnen heen\'!....
Ja, de Vriendschap zal ontvlieden,
Liefde wendt het aanschijn af,
-ocr page 29-
21
Maar wie ooit de Haat vereenigt,
blijven trouw tot in het graf! —
Hassans sabel ligt verbroken;
maar toch is hij purperrood,
En geheel van \'t bloed bedropen,
dat hij in den strijd vergoot.
Schoon van \'t lichaam afgehouwen,
is zijn hand, die koortsig beeft,
Nog om \'t lemmer vastgesloten,
dat zijn heer verraden heeft!
In de dichtste kronkelplooien
opgereten door het zwaard,
Ligt zijn tulband weggeworpen
in het dampend slijk der aard.
\'t Kleed, dat om zijn heupen fladdert,
is gescheurd en inkarnaat,
Als die wolken die somwijlen
bij den vroegen dageraad
Aan de donkre transen gloeien,
en voorspellen dat de dag
Niet dan onder onweêrsvlagen
en orkanen enden mag.
Elke grasstruik is met. flarden
van zijn palampoor bemorscht;
Akelige wonden gapen
in zijn half vertrapte borst —
Achter op den rug gezonken,
met het aanschijn naar omhoog,
Ligt hij-zelf ontzield ter neder,
maar met ongeloken oog.
Ja, nog loert hij naar zijn vijand,
en het is alsof zijn haat
Zelfs zijn dood mocht overleven
en zijn lichaam niet verlaat.
En die vijand staat daar naast hem
met verwilderd aangezicht,
Even bleek als dat des dooden,
die stuiptrekkend vóór hem ligt! —
-ocr page 30-
22
„Ja, Leila slape in \'t hart der baren,
Hem is een rooder graf bewaard.
Haar schim bestuurde \'t straffend zwaard:
En \'t eerst gevoel doorvloog zijn Aren!
Hij riep tot Mahometh — te laat!
Diens hulp was trager dan zijn haat.
Hij riep tot Allah — maar de klacht
Werd niet vernomen of — veracht.
Gij dwaas! vergeefs was Leila\'s smeeken,
Zou \'t uwe helpen ? . . . . \'k Heb gewacht,
Ik kocht mij hulp, ik mocht mij wreken,
\'k Heb afgerekend hier beneên:
Thands zal ik gaan — maar ga alléén 1"
De bellen der kameelen klinken:
Hassan\'s moeder zag neer van \'t getralied balkon;
Zij zag den dauw ter nederzinken
En zweven over beemd en bron;
Zij zag de starren flauwer blinken:
„Gewis, hij komt! reeds daagt de zon!"
Zij had geen rust in \'t bloempriëel,
Maar steeg op naar den uitersten top van \'t kasteel:
„Wat toeft gij toch? Geen middagglans
„Vermoeit zijn vlugge rossen thans!
„Waarom toch zendt de Bruigom zijn giften nog niet?
„Is zijn boezem verkoeld? of zijn klepper vertraagd?
„Maar neen! daar nadert in \'t verschiet
„Een Moor die langs de heuvlen jaagt!
„Hij klimt de laatste bergkruin op —
„Ik zie hem door de vlakte rennen ....
„De gift hangt aan zijn zadelknop! .. . .
„Hoe kon ik toch zijn haast miskennen? —
B\'k Zal mild hem loonen voor den tocht,
„Dien hij zoo ras volbrengen mocht." ....
De Moor steeg af bij de open poort,
Maar zwak en wanklend trad hij voort.
Op \'t bruin gelaat stond smart te lezen:
Maar dit kon komen van zijn spoed.
-ocr page 31-
23
Zijn mantel was bemorscht met bloed :
Doch dit kon van zijn klepper wezen.
Hij nadert haar — een enkle wenk —
Zijn hand ontbloot het bruidsgeschenk ....
O schrik des doods! \'t Is Hassans hoofd,
Van zijn kalpak ontbloot en door midden gekloofd !
„Uw zoon ontfing een schrikbre bruid !
„Men spaarde, uit deernis niet, mijn dagen,
„Maar om deez\' purpren gift te dragen ! . . . .
„Zacht ruste uw zoon in \'t stofbed uit!
„Vervloekt zij de Giaour, die den Held heeft verslagen!"
Een tulband, in een rots gegrift,
Een zuil, omgroeid met klimopblaren,
Waarop men thands het Koranschrift
Ter nauwernood meer kan ontwaren,
Ziedaar wat in het eenzaam dal
De plek verraadt van Hassan\'s val!
Daar slaapt zoo trouw een Osmanliet,
Als ooit de knie bij Mekka boog,
Als ooit den wijnkelk van zich stiet,
Of, met naar \'t outer starend oog,
In nieuwe beden nederzonk,
Als \'t „Allah hu!" de lucht doorklonk.
Toch stierf hij door eens vreemdlings hand,
Als vreemdling in zijn vaderland.
Toch stierf hij met de vuist om \'t staal,
En ongewroken vloot zijn bloed.
Maar Eden\'s blijde Maagdenstoet
Verbeidt hem in de Hemelzaal:
Heur stralende oogen spellen zegen,
Heur groene sluiers wuiven rond;
Met kussen op den rozenmond
Gaan zij den dappre juichend tegen:
Wie dus den dood op \'t slagveld vond,
Heeft de allerschoonste kroon verkregen!
Maar gij, o Giaour! zult tot uw loon
U onder Monkirs zeissen wringen,
En enkel aan zijn straf ontspringen,
-ocr page 32-
24
Om rondom Eblis\' helschen troon
In eeuwig zwijgen rond te dolen.
Een ongebluschte, onbluschbre gloed
Blijft om en in uw hart verscholen,
Geen tong vermeldt, geen hart vermoedt
Hoe wreed die Hel daar binnen woedt.
Maar eerst nog zult ge, uw graf ontvaren
Als vampyr de aarde in \'t ronde waren,
Uw woning teistren, en het bloed
Van eigen gade en kroost niet sparen,
Maar, in het nachtuur opgestaan,
De tanden in hun boezem slaan,
Zelf gruwend van uw duivlenwaan
Als ge in de levensstroomen plascht,
Waarop ge uw levend lijk vergast!
En zie, uwe offers zullen \'t weten
Wie dus verwoed hun ziele zoekt,
U vloekende en van u gevloekt,
Als bloesems van uw stam gereten.
Maar éen vooral, het jongste kind,
Het liefste en dat u \'t meest bemint,
Zal stervend u nog vader heeten!
Dat woord zal als een eerste straf
U treffen — maar gij laat niet af:
Gij zult haar wangen zien verbleeken,
Gij zult haar vriendlijk oog zien breken,
Totdat de nevel van het graf
Dien blauwen hemel heeft betrokken.
Dan zult gij haar de blonde lokken
Ontrukken met verwoede hand:
Éen lokjen was in vroeger dagen
Het allerteederst liefdepand,
Maar thands zult gij het met u dragen,
Gedachtnis uwer helsche plagen!
Steeds vloeit er uit uw bleeken mond
Uw beste bloed bij druppels neder....
Ga, keer dan naar uw grafkuil weder,
En zwerf met Goul en Afrit rond,
Tot zij vol schrik een spooksel vluchten
Nog meerder dan zij-zelf te duchten!"
-ocr page 33-
25
II.
„Wie is die sombre monnik daar\'?
\'k Heb vroeger in mijn vaderland
Hem meer ontmoet. Voor menig jaar
Bemerkte ik hem op \'t eenzaam strand,
Waar hij een gitzwart paard berende,
Zoo snel als immer ruiter mende.
\'k Zag dat gelaat maar éénmaal aan,
Maar \'t sprak van zulk een diepe ellende,
Dat mij die trekken nooit ontgaan.
Nu staat er op dat somber wezen
Hetzelfde merk des doods te lezen!". . . .
„„Reeds zevenmaal verscheen de lent\',
Sints hij in \'t klooster is getreden,
Gekweld door ongerechtigheden,
Alleen d\' Alzienden God bekend.
Nooit knielt hij bij de Vesterbeden,
Nooit heeft hij zich ter biecht gewend:
Hij laat het statig orgelspel
Weerklinken en den wierook stijgen,
En zit met onverbreeklijk zwijgen
Alléén te broeden in zijn cel.
Van uit het Ongeloovig Land
Is hij gestevend naar ons strand:
Maar toch, geen trek op zijn gelaat,
Die \'t Ottomanniesch ras verraadt.
En zoo hij \'t sakrament niet smaadde,
Ik hield hem voor een Renegaat,
Berouwvol zoekend naar genade.
Hij heeft ons schatten aangebracht
En dus de gunst van d\' Abt gekocht:
Maar ware ik Prior, \'k woü geen uur
Dien vreemde in \'t klooster meer ontmoeten,
Of klonk hem, om zijn schuld te boeten,
Voor immer aan een kerkermuur! . .. .
Vaak spreekt hij in zijn wilde droomen
Van Eene, in \'t zeenat omgekomen,
Van vlucht en wraak, te laat genomen,
Van Turken, sneuvlend door zijn zwaard.
Ook is hij vaak aan \'t strand ontwaard,
-ocr page 34-
26
Terwijl hij als waanzinnig gilde,
Dat uit de zee een hand verrees,
Die bloedend op een grafkuil wees
En hem naar d\'afgrond lokken wilde.""
Hoe aaklig fronst die wenkbrauwboog,
Als hij zijn kap heeft opgeslagen!
Het weêrlicht van dat somber oog
Spreekt al te zeer van vroeger dagen.
Hoe zwervend ook, toch jaagt die blik
D\' aanschouwer huivring aan en schrik,
Want hij bezit dat vreemd vermogen,
Die tooverkracht, door niets verklaard,
Eens geestes, die, nog ongebogen,
Ontzag eisclit en gezag bewaart.
Gelijk een vogel, doodlijk bang,
Klapwiekend staroogt op de slang:
Zóo vaart een huivring u door \'t bloed
Op \'t loeren dier magnetische oogen,
Die wij vergeefs te ontwijken pogen.
De monnik rept ontsteld den voet,
Wanneer hij hem alléén ontmoet,
Als kon dat gloeiend oog verzengen,
Die hoonlach rouw en jammer brengen!
Hij lacht niet vaak, en zoo hij \'t doet,
Bemerkt men, dat hij, al te wreed!
Den spot drijft met zijn eigen leed.
Hoe dan die bleeke lippen beven,
Om fluks weer vast op éen te kleven,
Alsof zijn hoogmoed of verdriet
Voor eeuwig hem den lach verbiedt.
En ware \'t zoo! die lach is schijn,
En nooit uit ware vreugd geboren!
Maar nog, nog droever zou het zijn,
Om uit zijn trekken op te sporen
Wat eenmaal hem het hart deed slaan!
Daar spreekt iets edels uit die lijnen,
Dat, schoon bewolkt door euveldaan,
Toch niet geheel nog kon verdwijnen,
Alsof zijn hooggedragen ziel
-ocr page 35-
•27
Nog niet geheel en al verviel!
De menigte ziet niet dan kwaad
En wroeging op zijn bleek gelaat,
Waar scherper blik een eedlen geest
En edele geboorte leest.
Helaas! al zijn zoo kostbre gaven
In zonde en smart verwoest, begraven,
Toch kwist aan een gewoon gebouw
De Schepper zooveel heerlijks niet:
Wie zulk een trotsche puinhoop ziet.
Gevoelt ontzag en rouw.
De Hut, verbrokkeld over de aard,
Schijnt nauw des wandlaars aandacht waard;
De Burcht, door storm of krijg gebogen,
Zoo lang de tijd éen toren spaart,
Verbaast en boeit des vreemdlings oogen!
Geen boog, geen zuil, met mosch bespreid,
Die niet voor vroeger glorie pleit 1
De pij in dichte plooien vouwend,
Sluipt hij door gindschen zuilgang heen,
Met smart ons heilig leest aanschouwend
En zelf de schrik van iedereen.
Maar nauwlijks rijst het lofchoraal,
Of hij ontwijkt naar \'t voorportaal,
Om niet te knielen in ons midden;
En blijft daar in de scheemring staan,
En hoort ons zingen en ons bidden
Ten einde toe, maar spraakloos, aan.
Aanschouw hem in dit eigen uur
Bij gindschen halfverlichten muur!
Zijn kap hangt neer, het gitzwart hair
Zwiert ordloos langs zijn bleeke wangen:
Het is als hing een Furi daar
Haar eigen meest verschrikbre slangen!
Want, draagt hij ook het monnikskleed,
Hij weigerde den kloostereed,
En laat de onheiige lokken groeien.
Hij doet uit hoogmoed, niet uit deugd,
Dit klooster van zijn schatten bloeien,
Dat uit zijn mond geen bede heugt.
-ocr page 36-
28
Ha! zie, als, ruischende opgerezen,
De hymne al luider zich verbreidt,
Zijn steenen blik, zijn loodblauw wezen.
Vol ongeloof en raadloosheid ! . . . .
Weer, weer hem van het altaar af,
Eer ons des Hemels toorne straff !
Koos ooit een Engel van den Bozen
Een ligchaam, hij heeft dit gekozen.
Bij alles wat ik hoop na \'t graf
De blikken waar dat oog mee staarde,
Behooren Hemel toe noch Aarde!...."
Snel dringt de Liefde in \'t zachtst gemoed,
Maar nooit zal zij \'t geheel bevelen :
Het siddert voor heur tegenspoed.
En durft haar wanhoop niet te deelen.
Alleen een stouter, trotscher hart
Daagt beide tot den strijd, en tart
De wonden die geen tijd kan heelen.
Het ruw metaal van uit de mijn
Moet branden eer zijn luister schijn\',
Maar \'t buigt en smelt in \'t bruischend vuur,
Schoon onveranderd van natuur;
Dan neemt het, straks weer koel geworden,
De vorm aan die gij \'t geven wilt:
Een harnas om uw borst te omgorden,
Of zwaard dat andrer bloed verspilt!
Maar neme hij zich nauw in acht,
Die \'t tot een dolk te scherpen tracht! —
Zóo ook, zóo kunnen hartstochtgloed
En vrouwenkunst een staal\' gemoed
Hervermen en als wasch doen weeken.
Maar \'t blijft hetgeen men \'t worden doet:
\'t Kan niet meer buigen, maar kan — breken!
Neen, de Eenzaamheid vertroost ons niet,
Als zij de plaats vervangt der smarte:
Wij zeegnen zelfs een nieuw verdriet,
Dat maar de leegte vult van \'t harte.
Al wat ge alléén ervaart, verveelt:
-ocr page 37-
29
\'t Geluk zelfs drukt, als geen het deelt;
Een ziel, wie elke drift verlaat,
Neemt eindlijk toevlucht tot den — Haat!
Zóo lijdt een schijndoode in zijn kist,
Als hij het koud gewormt\' voelt knagen,
Maar om het broedsel weg te jagen
De vastgebonden handen mist!
Zóo lijdt de vogel, die op \'t krijten
Der jongen, half vergaan van dorst,
Niet aarzelt zich de trouwe borst
Met scherpen snavel op te rijten,
En — nu de stroom haars harten vliet,
Hen \'t ledig nest ontvlogen ziet.
De foltrendste angst des jammers is
Een wellust bij die wildernis,
Die dorre leegte van \'t gemoed,
Dat hartstocht noch gevoel meer voedt,
Wie vlood niet, zoo hij vlieden kon,
Een hemel zonder wolk of zon ?
Min schriklijk is het golfgeklots
En \'t worstlen met de wilde baren,
Dan, als orkaan en zee bedaren,
\'t Vergeten wrak op \'t strand des Lots,
Traag weg te kwijnen, lange jaren ! . .. .
Neen, liever d\' afgrond binnenvaren
Dan stukswijs rotten op de rots I —
„Uw dagen vloeien ongestoord,
O Vader! in uw bidcel voort:
De schuld van andren te vergeven,
Zelf voor ellende en schuld behoed,
Dat was uw lot geheel uw leven!
Wél hebt gij soms die zorg gevoed,
Die elk op aarde dragen moet;
Maar zeker zult ge u zalig achten,
Dat gij die tochten hebt geweerd,
Die menig hart in lijden brachten,
Dat bloedend nu tot u zich keert.
Hoe jong ik zij, \'k heb vreugd gekend,
En, meer nog! smart en zielsellend;
-ocr page 38-
30
Doch \'t zij mij liefde of wraak bewoog,
Nooit kende ik een eenzelvig leven:
Want, nu met vrienden om mij heen,
En dan van vijanden omgeven,
Vreesde ik de trage rust alleen.
Thands, nu geen liefde of haat mij wekt,
Geen hoop mijn hart meer binnensluipt,
En de ijskorst zelfs mijn hart bedekt,
Thands, ware ik liever \'t laag insekt
Dat langs de kerkerwanden kruipt,
Dan dat ik werkeloos mijn dagen
In droef gemijmer weg zou klagen.
En toch, toch is \'t mij wel bewust,
\'k Wil rust — onwetend dat ik rust!
Die wensch zal tot vervulling komen:
Straks slaap ik zonder ooit te droomen
Van \'t geen ik was en nog woü zijn,
Hoe schuldig u mijn leven schijn\'!
Wat is thands mijn herinnering?
Het graf der vreugd die lang verging.
En wat de hoop, mij nagebleven?
Mijn vreugd niet lang meer te overleven —
Ofschoon ik liever nog met haar
Op d\' eigen dag gestorven waar\',
Dan jaren achtereen te sneven!....
Ik heb met onverzwakten geest
De ween mijner smart gedragen,
Ik ben wel nooit zoo dwaas geweest,
Als menig wijze uit vroeger dagen
Ontijdig naar mijn graf te jagen !
Toch heb ik nooit den dood gevreesd,
En \'k had hem graag, met heldenwonden
Bedekt, op \'t veld van eer gevonden!
\'k Heb hem — maar niet voor de Eer — getart;
Ik lach om ijdle lauwerblaren :
Laat andren ze op hun pad vergaren,
Met geld- of gloriedorst in \'t hart!
Maar breng op nieuw iets voor mijn blikken,
Dat mij als prijs ter harte gaat:
De vrouw die \'k min, den man dien \'k haat,
Geen noodlot zal mij weg doen schrikken:
-ocr page 39-
31
\'k Zal, brenge ik dood of redding aan.
Door zwaard en vlammen henenslaan.
0, twijfel niet! ik zou alleen
Herhalen wat ik deed voorheen\'.
Een fiere geest trotseert het graf:
De zwakke ontwijkt het, bloode en laf,
De zoon des jammers smeekt het af....
Het Leven keer\' tot Hem die \'t gaf!
\'k Heb in een blijd en grootsch Voordezen
\'t Gevaar veracht — zou \'k heden vreezen!
„\'k Heb haar bemind, ja, aangebeden —
Maar dit is ijdle woordenpraal:
Mijn daan bewezen \'t menigmaal
Meer dan ooit leège klanken deden.
Daar is een bloedvlek op mijn staal,
Een vlek die nooit verdwijnen kan:
Ik heb dat bloed voor haar doen stroomen,
Die slechts voor mij is omgekomen —
\'t Verwarmde \'t hart van een tyran!....
Neen, deins niet! kniel niet huivrend neer!
\'k Heb toen geen gruweldaad bedreven —•
Gij-zelf zult mij vergiffnis geven :
Hij was een vijand van uw Heer
Des Nazareners naam alleen
Joeg vuurgloed door zijn aadren heen.
De ondankbre dwaas! het Christenzwaanl,
Hem door mijn vuist in \'t hart geboord,
Ontsloot hem Allah\'s rozengaard,
Waar anders aan de hemelpoort
De Hoeris, van verlangst aan \'t smachten,
Hem nu nog vruchtloos zouden wachten! —
Ik minde haar — de Min houdt aan
Waar zelfs geen wolf naar buit zou jagen;
En durft zij slechts een weinig wagen,
Dan zal heur loon haar niet ontgaan.
Vraag niet waarom, en hoe, en waar
\'k Won Leila, want ik minde haart
Toch wensch ik dikwijls, droef te moê,
Had\' zij mij nooit gehoor gegeven!
Zij stierf — ik durf niet zeggen hoe.
-ocr page 40-
32
Maar op mijn voorhoofd is \'t geschreven:
Het Kaïns-brandmerk dat daar staat,
Wordt met geen jaren uitgesleten.
Toch, eer gij oordeelt, moet gij \'t weten,
Mijne is de schuld, maar niet de daad!
Doch had\' zij mij als hem verraan,
Ook ik had\' zoo als hij gedaan.
Hem was zij valsch —• hij heeft gestraft;
Mij niet — en \'k heb mij wraak verschaft.
Hoe welverdiend haar vonnis zij,
Haar trouwloosheid was trouw voor mij,
Zij gaf mij al wat zij bezat:
Heur hart! de ééne onontvreembre schat!
En ik — ik kwam te laat voor haar!
Maar \'k gaf wat mij te geven restte:
Den doodsteek aan haar martelaar! —
Wat sints mijn levensrust verpestte,
O, \'t was niet z ij n maar Leila\'s moord.
Ja, die, die maakte mij, o Vader!
Hetgeen ik ben: een euveldader,
Dien gij misschien met afschuw hoort.
H ij wist vooruit dat hij zou vallen:
De derwisch hoorde \'t moordend schot
I\'rofetiesch in zijn ooren knallen,
En spelde hem zijn naadrend lot.
Hij stierf op \'t slagveld waar de dood
Zijn buit op ééns ter nederstoot:
Een schietgebed, een Allah-kreet,
Was alles wat hij hooren deed.
Hij zag — herkende — en greep mij aan . . . •
Nooit zou hij weder voor mij staan !
Ik staroogde op zijn jongsten strijd,
Toen ik zijn oogen zag gebroken:
Schoon als een tijgerkat doorstoken,
Hij leed niet half wat ik nu lijd!
\'k Zocht — maar vergeefs! — op zijn gelaat
Dien trek, die smart der ziel verraadt:
\'t Sprak niet van wroeging — maar van haat.
O, wat mijn wraak wel geven zou,
Had ze op dat bleekbestorven wezen
Den schrik der wanhoop mogen lezen,
-ocr page 41-
33
Dat diepgaand maar te laat berouw,
Dat voor het graf terugge-beeft,
Maar troost verleent noch redding geeft! —
Een koud klimaat maakt koud van bloed:
De liefde doet er \'t hart niet branden.
De mijne scheen de lavagloed
In Aetnaas kokende ingewanden.
Ik zong niet op fluweelen toon
Van vrouwenliefde en vrouwenschoon: —
Maar spreekt een onuitbluschbre gloed,
Die blozen en verbleeken doet,
Een geest, tot razernij vervoerd,
En lippen die van koortsangst beven.
Een hart, door woede en haat beroerd,
Een zwaard, ter wrake omhoog geheven,
Spreekt alles wat ik lijd en leed
Van liefde — ik weet wat liefde heet,
En — heb er blijken van gegeven!
Ik kon niet vleien met een traan:
Ik kon verwinnen of vergaan!
\'k Schiep zelf mijn lot: mij past geen klacht.
Schoon \'t al me ontviel, ik wil niet vreezen:
Slechts Leila\'s moord beklemt mij \'t hart!
Hergeef mij de oude vreugde en smart,
\'k Zal leven, lieven als vóordezen!
\'k Betreur — niet mij, die sterven moet,
Maar haar, die reeds is weggestorven!
Zij sluimert in den wijden vloed:
Och, had ze op aarde een graf verworven!
Ik zocht door woud en woestenij,
Totdat ik uitrustte aan heur zij\' I
Zij was een Geest van Liefde en Licht,
Die mij een deel werd van \'t gezicht,
Sints zij het eerst mijn oogen boeide,
En immer, waar ik henenging,
Verrukkelijk mij tegengloeide
Als Lichtstar der Herinnering!
„Ja, Liefde is Licht uit reiner sfeeren
Een sprankel van d\' ondoof bren gloed,
Vil.                                                                                                  s
-ocr page 42-
34
Die Allahs Englen blaken doet,
En ons tot de Englen weer doet keeren.
De Godsvrucht voert de ziel omhoog,
De Liefde lokt den Hemel neder:
Zij is een blik van \'t Godlijk oog,
Een Goisgedachte rein en teder,
Een straal die uit Gods lichtkroon viel,
Een Heilgenglorie rond de ziel!
„Mijn liefde, ja! was aardsch, uit de aard,
Dien schoonen naam voor God niet waard —
Noem die zelfzuchtig, zondig, klein ....
Maar spaar de hare! O, zij was rein.
Zij was mijn leidstar — zij verdween:
Nu dwaal ik in den nacht alleen.
Ach, blonk zij nog, al ging haar gloor
Naar dood of doodsche smart mij voor!
Mijn Vader, neen! verbaas u niet,
Als zij, wie God en Mensch verstiet,
Hun smart niet meer te breidlen zoeken,
Maar radeloos hun noodlot vloeken
En al die euvelen begaan,
Die wroeging op hun jammren laan! .. . ,
Ach, wien daar binnen \'t hart verdort,
Treedt koel den storm daarbuiten tegen:
Wie neerstort van den hoogsten zegen,
Hij vraagt niet waar hij nederstort.
Geen wilde havik baart dien schrik,
Dien i k voortaan u aan moet jagen!
Van afschuw, grijsaard! gloeit uw blik,
En \'t is mijn lot ook dit te dragen.
Ja, \'k heb, als \'t roofdier, waar mijn voet
Zich ooit op aard\' heeft heen\' gekeerd,
Mijn pad gemerkt met vrees en bloed;
Maar d i t heeft mij de duif geleerd:
Slechts eens te minnen en — te sneven!
Die leer, zoo rein, zoo hemelsch schoon,
Wordt ons door schepselen gegeven,
Waarop wij nederzien met hoon!
De vogel, die in \'t lommer kweelt,
De zwaan, die op de golfjens speelt,
-ocr page 43-
35
Zal éen, een enkel gaaiken minnen!
Vrij zoeke een dwaashoofd eiken dag
Naar ander voedsel voor zijn zinnen;
Vrij blikk\' hij met een schamperlach
Op hem die niet verandren mag,
Door valschaarts als hij-zelf geprezen :
Mij lokt zijn ijdle vreugd niet aan;
Maar \'k schat het zwak, gevoelloos wezen
Veel minder dan de trouwe zwaan,
Veel minder dan de droeve maagd,
Die hij tot schande en schuld verlaagt.
\'k Bleef rein van zulk een grnweldaad:
U, Leila! gold de hoop mijns levens;
Mijn wel, mijn wee; mijn goed, mijn kwaad;
Mijn waereld en mijn hemel tevens!
Er aamt geen tweede zoo als gij,
Of — aamt er een, \'t is niet voor mij!
\'k Zou voor geen schatten zelfs de vrouw
Die u gelijkt, in de oogen staren.
De dwaasheên mijner jeugd, mijn rouw,
De misdaan die mijn ziel bezwaren,
Mijn sterfbed zelfs, bewijst mijn trouw!
\'t Is al te laat — Gij waart, gij zijt
Het droombeeld, dat mijn ziel zich wijdt!
„En Leila had den dood gevonden,
Ik leefde — een leven, ach! in schijn!
Een slang was rond mijn hart gewonden,
En elke polsslag hellepijn.
\'k Bekreunde mij om plaats noch uur;
Ik kromp bij d\' aanblik der Natuur,
Want over al haar kleuren viel
De zwarte schaduw mijner ziel.
Gij weet het oovrige, en gij kent
Mijn gantsche schuld, mijn halve ellend\'
Maar staak dat klaaglijk boetepreêken:
Gij ziet, ras zal ik scheiden gaan,
En schoon uw lippen waarheid spreken,
Maakt gij \'t gedane ooit ongedaan?
Waan niet dat ik ondankbaar zij,
Maar Rome heeft geen troost voor mij.
-ocr page 44-
36
Doorgrond mijn hart, maar spil geen woord!
Doch kunt gij Leila doen ontwaken,
Vergeef mij dan! bid ongestoord!
En pleit voor mij in \'t heilig oord,
Waar \'t al met goud is goed te maken\'!
Ga tot de wilde boschleeuwin,
Als zij haar nest geplunderd ziet,
Spreek haar geduld en oodmoed in,
Maar hoon m ij n lijden niet I. . ..
„In vroeger tijd, in kalmer dagen,
Als de onschuld harten samenbindt,
Waar \'t eerst mijn oogen \'t daglicht zagen,
Had ik — heb ik hem nog? — een Vrind 1
Gedachtig aan een plechtige\' eed,
Verzoek ik hem dit pand te schenken:
Ik wil dat hij mijn einde weet.
Een hart, dat als het mijne leed,
Moog\' schaars een verren vriend gedenken,
H ij heeft een hart dat nooit vergeet!
\'t Is wonder — maar hij profeteerde
Mijn lot! en \'k hoorde \'t lachend aan,
(Een weelde die ik lang ontbeerde I)
Als hij mij levenswijsheid leerde,
En lessen gaf, maar half verstaan!
Nu rijzen ze eensklaps voor mijn geest:
Al wat zijn vrees hem deed voorspellen,
Ga, zeg hem, dat is waar geweest!
Hoe zal hem de uitkomst doen ontstellen,
En smartlijk wenschen dat zijn mond
Nooit zulk een toekomst had verkond!
Zeg, dat ik, in den storm van \'t leven,
Wel vaak de gulden jeugd vergat,
Maar toch zoo gaarne voor mijn sneven
Nog staamlend hem gezegend had —
Maar zou de Hemel zegen geven,
Indien de Schuld voor de onschuld bad?
Ik smeek hem niet mij niet te laken:
Nooit vloekt zijn edel hart mijn naam —
En wat vraag ik naar eer of faam!
Ik smeek hem niet geen klacht te slaken:
-ocr page 45-
37
Dat koud verzoek waar\' meer dan hoon;
En ook wat siert een graf zoo schoon
Als tranen op eens broeders kaken ?
Hergeef hem \'t pand, mij toebetrouwd,
En schets hem — wat gij hier aanschouwt:
Een levend rif, een troostloos harte,
Een wrak, in splinters weggespat,
Een naakten tronk, een vallend blad,
Verschrompeld door de herfst der smarte!
„Zeg niet dat mij een waan misleidde,
Neen Vader! \'t was geen droombedrog!
De slaper droomt — ik waakte nog,
Alleen maar wenschend dat ik schreide.
Maar \'t ging me als nu: mijn kokend bloed,
Mijn kloppend voorhoofd stond in gloed ....
Hoe zalig, op de dorre wangen
Een enklen droppel op te vangen,
Een éérsten traan, zoo zacht, zoo stil!
Vergeefs! \'k verlangde en blijf verlangen:
De wanhoop overtreft mijn wil.
Wat prevelt gij ? Mijn zielewee
Is sterker dan uw vrome beê !
\'k Heb in uw Hemelsch Heil geen lust:
\'k Behoef geen Paradijs — maar rust....
Mijn vader 1 \'k zag haar weer! Zij leefde!
Een blosjen zweefde
Op \'t lief gelaat;
Zij schitterde in heur blank gewaad,
Gelijk door \'t witte wolkjen henen
Daar ginds de star, waarop ik staar
Als eens op haar,
Die eindloos schooner heeft geschenen!
Het licht verflauwt, de star gaat schuil:
Nog donkrer zal zij morgen wezen:
\'k Ben dan die levenloze zuil,
Waar alle levenden voor vreezen ....
Vergeef mij. Vader! zoo ik iel:
Ik voel den doodstrijd in mijn ziel.
Ik zag haar — al mijn oude smarte
Verdween — \'k sprong van mijn leger op —
-ocr page 46-
38
\'k Vlieg toe, met wilden boezemklop,
En druk haar aan \'t wanhopig harte ....
Ik druk — wat is het dat ik druk ?
Geen levend wezen zinkt me in de armen,
Geen harte, hijgend van geluk,
Waaraan zich \'t mijne mag verwarmen.
En toch — neen! ik bedrieg mij niet,
Gij zijt het wel, mijne Uitverkoren\'! —
Hoe nu zoo anders dan te voren,
Dat gij mij aanziet en — ontvliedt?
Ach, ware uw schoonheid nog zoo koel,
Wat nood, als ik uw handdruk voel,
Als maar mijn arm, voor alle schatten
Der aarde, uw middel mag omvatten!
Maar ach, hij drukt een schim, niets meer,
En ledig zinkt hij naast mij neer.
En toch, stilzwijgend staat zij daar,
Half smeekend naar mij heengebogen,
Met gitzwart oog en golvend hair!
Z ij kon niet sterven: \'t was gelogen!
Maar h ij is dood: hem groef het zwaard
Een rustplaats in den schoot der aard.
Hij ligt er roerloos uitgestrekt
En slaapt — wie dan heeft ü gewekt?
Zij zeggen dat de wilde waatren
U boven \'t blanke voorhoofd klaatren;
Zij zeggen___ bij die jammermaar
Klemt de angst mijn lippen op elkaar.
Maar is het zoo, en zoekt ge een graf,
Geruster dan de zee u gaf,
O, koel dan met bedauwde hand
Den gloed, waarvan mijn voorhoofd brandt,
De wanhoop, die mijn harte lijdt!
Maar, Geest of Lichaam, wat gij zijt!
Ik bid u, wil nooit meer ontvluchten,
Of voer mijn ziele met u meê,
Veel verder dan de winden zuchten,
De golven rollen op de zee!
„Gij hebt mijn naam, mijn biecht verstaan.
O Priester! \'k heb uw heilige\' ooren
-ocr page 47-
39
\'t Verhaal van mijn ellend doen hooren,
En dank u voor den ruilden traan,
M ij n brandende\' oogen nooit beschoren!
Voorts — geen wijdluftig grafgesteent\'!
Een houten kruis, wat groene zooden,
Een plekjen gronds bij de armste dooden
Voor mijn vergeten lijkgebeent\'!"
Hij stierf — een ondoordringbre mist
Bedekt zijn daden en geslacht,
Waarvan alleen de Priester wist,
Die heel den langen stervensnacht,
Zijn laatste worstling had verzacht.
Dit kort verhaal is alles wat wij weten,
Van Haar, wier hart hij heeft bezeten,
En Hem dien hij heeft omgebracht.
-ocr page 48-
AGNES VAN DER SLUIS AAN FLORIS V.
(12 8 0).
Wanneer dit schrift zich uitrolt voor uwe oogen,
Mijn Floris, o, m ij n Floris, (laat mij dus,
Ach, licht voor \'t laatst, nog ééns u noemen mogen!)
Dan strekke \'t u ten jongsten afscheidskus!
Ik had gewenscht dien op uw mond te drukken,
God wilde \'t niet! Toch zweeft hij van mijn mond,
En vliegt hierbij, op vleuglen van \'t verrukken,
U in \'t gemoed van dees mijn stervensspond!
Mijn stervensspond? Ja, mocht ik \'t u verzwijgen,
Maar \'t hart bruischt op en onderwerpt den wil....
Deed ooit voorheen een zucht dat harte hijgen,
Dien gij niet wist? \'t Zwijg\' dan ook nu niet stil!
Ja, weet in \'t eind wat ge eens zult weten moeten:
Uwe Agnes wenscht u eeuwig goeden nacht;
Maar laat het u den bittren kelk verzoeten:
God heeft den wind \'t geschoren lam verzacht!
Mijn leven en — mijn lijden spoedt ten ende:
Reeds overstraalt me een zachte hemelglans,
Elke ademtocht vermindert mijn ellende,
En morgen.... tooit mij de overwinningskrans!
En daarom, eer mijn dunne vingren sterven,
(Het waslicht schijnt er bevende doorheen!)
Wil ik voor \'t minst dees laatste troost verwerven:
a\'k Zei hem vaarwel, eer ik van de aard verdween!"
En \'t is mij goed, zoo spoedig te vertrekken:
Geknakte bloem, wat kwijnde ik in den hof?
Welzalig wien de zode toe mag dekken
Ter lange rust in \'t zorgloos bed van stofl
-ocr page 49-
il
Zie, \'t denkbeeld: „Ach, voor ü is hij verloren!"
Vervolgde me als mijn schaduw, vroeg en laat;
\'t Deed in mijn slaap zich als een spooksel hooren,
Het wekte mij bij eiken dageraad.
Dan zag ik u — die zieldoordringende oogen,
De spiegels van een geest, zoo goed als groot,
Die leeuwenborst, door englendrift bewogen,
Die heldenarm, die siddrend mij omsloot! ....
Dan hoorde ik weer die toovertonen glippen,
Waaraan mijn hart, neen, heel mijn wezen hing;
En \'k dronk den kus der ziele van uw lippen,
Waar tijd en aard en hemel bij verging;
Dan klonk mij weer des Priesters Amen tegen,
Dat plechtig ons vereenigde voor God,
Dan lag ik weör voor \'t outer neergezegen,
Ach, overstelpt, bezwijmend van genot!
Dan zag ik weer u aan mijn boezem vliegen,
Toen gij de Ga tot Moeder had verhoogd!
\'k Zag u het kind verrukt op de armen wiegen,
\'t Kind... dat zoo vaak mijn tranen heeft gedroogd ...
Dan droomde ik — al mijn blijde jonkheidsdroomen —
Maar midden in die zoete mijmerij
Voelde ik op eens een rilling me overstroomen,
En \'t snerpte luid: „Dat alles is voorbij!"
O, waarom moest uw vader u ontzinken,
Eer nog voor u een tweede zon verrees,
Eer een verraar dien helschen boei mocht klinken,
Die \'t heilig recht verkrachtte van een — wees!
Eer hij uw wieg in ijzren banden snoerde,
Bezegeld door \'t almachtig Vatikaan,
Die onweerswolk, wier doodsche bliksem loerde,
Om wie ze ooit brak verplettrend neer te slaan....
O, momber, gij! hoe kunt gij vreedzaam slapen ?
Zeg, is de ellend die mij ten grave draagt,
Geen schrikgestalt\', wier vlammend cherubswapen
U van de poort van \'t Paradijs verjaagt?
Hoe zijt gij voor het aangezicht getreden
Uws broeders, aan de gindsche zij van \'t graf,
Toen hij u vroeg: „Volbracht ge uw plicht beneden?
Geef rekenschap: de Vader vergt ze u af!"
-ocr page 50-
49
Hoe zult gij straks mijn aanblik kunnen dragen,
Mijn oog, verdoofd in nevelen van pijn,
Wanneer ge u voor Gods rechterstoel hoort dagen,
En Willems schim en mijne uw klagers zijn?....
Maar waarom mij de stonde te verbittren,
Die u-alleen, mijn Floris! toebehoort?
Zoo thands nog iets mij \'t bleek gelaat doe schittren,
\'t Zij de avondzon der teêrheid die er gloort.
Ja, mag er soms een wilder vlam herleven,
Ze is enkel schijn: zij flikkert en zij sneeft.
Zoo moog dan God de gruweldaad vergeven,
Gelijk mijn hart haar lang vergeven heeft!
Neen, ik was niet geboren om te haten,
Wat haat voor mij ook de andren heeft vervuld!
Verdiende ik dien? — \'k Wil Gode \'t oordeel laten,
Zoo \'k schuldig was, mijn liefde was mijn schuld.
Ja, Liefde! gij, o tooverzoete dwaling,
Neen, waarheid, die een hemel op doet gaan 1
Der vrouwe zijt ge en licht en ademhaling,
En zon en ziel en doelwit van \'t bestaan.
De Man — is niet zijn borst met erts beslagen?
Zijn roeping heeft een andre, een ruwer stem:
Hij moet het al voor \'t algemeene wagen,
De waereld heeft een ijzren recht op hem!
Zijn liefde is in zijn leven, maar óns leven
Is in de liefde .... een droevig onderscheid,
Door orde en lot, \'k beken het, voorgeschreven,
Maar bitter vaak en jaren lang beschreid!....
Waan echter niet dat ik u wil verwijten,
Dat gij \'t geweld geen ijdlen weerstand boodt,
Dat ge onzen echt, mijn Floris! los kondt rijten,
En \'t offer dorst volbrengen dat — mij doodt:
\'k Weet, kon het staal ooit de uwe mij doen worden,
Uw heldenzwaard wierd vlammend uitgerukt,
En, maetsuw gonsde en dolle lansen snorden,
Verwinnend hieldt ge uw gade aan \'t hart gedrukt!
\'k Weet, ware u ooit de keuze vrijgebleven,
Een koningskroon of mijn bezit-alleen,
Mij hieldt gij op uw arm omhoog geheven
Voor \'t oog der aard: de kroon zoudt gij vertreên!
-ocr page 51-
43
Maar — schoon mijn hart ook voor die waarheid sidder\' —
\'k Weet, liefde bukt, waar de ijskoude Eer genaakt.
En gij waart meer dan Gade, gij waart Ridder:
Eer braakt ge uw hart eer gij uw plicht verbraaktl
Gij waart der Kerk gehoorzaamheid verschuldigd,
Gij zwoert den eed op \'t heilig Ridderzwaard;
En wierd door mij uw grootheid niet gehuldigd,
\'k Verdiende niet dat ge eens mijn gade waart!
Neen, smaak in vree wat u nog rest te smaken
Na mijn vertrek! Beatrix, zij is schoon,
(Geen jaloezy kleurt bij dit woord mijn kaken:
Geen valsche schaamte ontsiere uw mannenkoon!)
Ze is zacht en teer, en mooglijk liet heur luister
(Denk aan \'t tornooi van dien Driekoningsdag!)
U niet geheel ontsnappen aan zijn kluister ....
Och, dat mijn beeld voor \'t hare wijken mag!
Maar neen .... haar oog doe u aan \'t mijne denken!
Dat schreide al lang om uwentwil zich blind ....
Zij moge u \'t hoogst geluk des levens schenken, —
Gij weet wie zóo en méér u had\' bemind!
Mij is \'t genoeg, de zoete zelfbewustheid,
Vaak wijden zij me een zoeten tranendrop:
Daar sterf ik op met zalige gerustheid ....
Gij beide, leeft, zijt daar gelukkig op!
Maar, zoo als ik geen spijt voel opgerezen,
Zoo moge ook u — ik verg het uit mijn graf —
Nooit daarom mijn gedachtnis minder wezen,
Wijl ik mijn hand aan Jan van Haemsteê gaf!
Mijn hand .... mijn hart, had ik dat nog te geven?
Mijn boezem was zijn grafzerk: \'t was vernield;
Neen, \'t was bij u, in \'t uwe voelde ik \'t leven,
Éen met het uwe, en door éen gloed bezield ....
Hoe schets ik u dien wilden storm daar binnen,
Toen Haemsteê mij om wederliefde bad:
Mij, die zelf wist hoe een rampzalig minnen
Een wonde slaat die nimmer heeling had!
Hij kromde zich wanhopend voor mijn voeten —
Ik schonk hem heel mijn innigst medelij\',
-ocr page 52-
44
Maar liefde — neen! al had ik sterven moeten.
Ik had ze niet: niets liet mijn Floris mij!
Neen! neen! daar kón geen aarzling zijn: verloren
Voor u, zou \'k nooit in deze rampwoestijn
Als echtgenoot een ander toebehooren,
Zou \'t weduwkleed voor immer \'t mijne zijn.
In de eenzaamheid het wuft gewoel ontvloden,
Dat ik — och nooit gezocht heb of bemind,
Zou \'k treuren om den dierbren levend-dooden,
En voorts — geheel mij wijden aan mijn kind!
Was h ij in staat de waereld in te treden,
Dan gaf i k die voor eeuwig mijn vaarwel,
En hemelbruid, in psalmen en gebeden
Beidde ik den dood in de enge kloostercel.
Zóo was mijn wil; maar wat wij menschen willen,
Slechts God beschikt.... Nog lag van Haemsteê daar:
\'k Zocht vruchtloos zijn onstuimigheid te stillen:
Zijn liefde en rede, of vuur en ijs een paar?
Toen liet hij zich in wilde teèrheid hooren,
Half fluisterend met bleekbestorven mond:
„\'t Was hem bekend (zoo sprak hij) hoe te voren
De liefdeband aan Floris mij verbond ....
Hij wist.... een vrucht.... maar wee ! die durfden smalen:
Hij was verwond in kampstrijd voor mijne eer,
Duur had zijn zwaard den hoon reeds doen betalen:
Een schender viel zieltogende ter neer . . . ,
Ik stond ter prooi aan duizende gevaren,
Haat, Nijd en Spot, \'t was al op m ij gericht:
Hij wilde mij beschutten en bewaren,
Hij, vader zijn van \'t vaderloze wicht...."
Toen brak op eens mijn hartstocht uit heur dammen,
De duive werd een woedende leeuwin,
De fierheid blies mij \'t vrouwlijk bloed in vlammen,
Die hoon drong mij als vuur den boezem in:
„Wat! Floris\' kind, ons huwlijkspand, een bastert!
Een Van der Sluis geschandvlekt als een sloor! ....
Bij God die leeft, dat heeft de hel gelasterd!
Gerechte straf, driedubble wraak er voor!
Wee! (voer ik voort) onridderlijke Riddren!
Vertreedt ge aldus een weereloze vrouw?
Maar waant niet, dat uw boosheid mij doet siddren:
-ocr page 53-
45
Mijn eergevoel is sterker dan mijn rouw!
De waarheid zal de logen weg doen zinken,
Al rijst zij ook op Agnes\' grafgebloemt\',
En vreeslijk zal u eens het wraakzwaard blinken
Van \'t Koningsbloed, dat gij een Bastert noemt!...."
Ik kon niet meer; een bittre tranenregen
Verving mijn drift, als hemelvocht d\'orkaan;
De Vrouw hernam heur rechten: neergezegen
In machtloosheid, was \'t al voor mij vergaan.
Toen \'k mij hervond, omsloten Haemsteê\'s handen
Mij \'t kloppend hoofd, dat op zijn schouder boog;
Geen wanhoop deed zijn zachten blik meer branden,
Slechts teêrheid blonk uit zijn meelijdend oog:
Een purpren blos bedekte mij de wangen,
\'k Rees op: toen vloeide een tweede tranenvloed,
Thands niet ontperst door snerpend boezemprangen,
Maar lenigend en zalvend voor \'t gemoed.
Een zacht gevoel doorstroomde mij het harte,
Weemoedig als een najaarsavond is:
Een mengeling van bitterzoete smarte,
Verlatenheid en stille erkentenis.
Hoe anders was van Haerasteê mij geworden:
Geen minnaar meer, met honig op den mond,
Maar broeder, die zich \'t harnas aan zou gorden,
Wie ooit den naam der dierbre zuster schond\';
Maar held, die fier in \'t kampperk was getreden,
Die heel een drom ter dood had uitgedaagd,
Die voor de deugd der Moeder had gestreden,
Voor de eer üws Zoons zijn leven had gewaagd!
Ik voelde \'t, hém, hèm was mijn onschuld heilig:
Hij minde mij, en had mij toch bemind
Zoo \'k schuldig waar\'; —• \'k was in zijn hoede veilig,
Hij kon een staf, een schild zijn voor mijn kind....
Mijn trotschheid sprak: „Hèm moet uw reinheid blijken,
Voor de anderen kunt gij verachting voên,
En zou uw hart voor \'t offer ook bezwijken,
Gij moet bij hém uw schuld te niete doen 1"
Eer de avond viel, herhaalden woud en velden,
Den hoefslag van drie kleppers: Haemsteê-zelf,
-ocr page 54-
40
Uwe Agnes en een trouwe schildknaap, snelden
Daarheen, als droeg ons \'t vliegend wolkgewelf.
Hem gold het, hem, den Priester, van wiens handen
De zegen op ons hoofd was neergedaald,
Die voor \'t altaar de reine huwlijksbanden
Naar d\' eisch der Kerk om ons had toegehaald.
Hij zou \'t bewijs in pleurend schrift verschaffen,
Dat heilige echt, geen ongewijde vlam,
Ons, Floris, bond: hij zóo den laster straffen,
En storten in de hel. waaruit hij kwam.
Wij vonden hem .... niet ver van Brabants palen
Bewoonde hij, om, warsch van \'t aardsch gedruisch,
In de eenzaamheid zijn beden te herhalen,
In \'t monnikskleed een stille steenrotskluis,
\'k Verhaalde hem mijn lijden en begeeren ....
Maar — o, mijn vriend ! hoe schets ik u de ellend,
De schaamte en schand\', waartoe \'k mij zag verneèren,
Toen \'t antwoord klonk: „Ik heb u nooit gekend!"
Dat was het werk dier snoode Aleid! Verbolgen
Nam zij dus wraak, de dolle tijgerin:
Zij had gewaand dat gij uw hart zoudt volgen,
Dat gij uwe Eer zoudt olfren aan uw Min.
Van daar dat zij onze\' echt steeds tegenlachte!
De banvloek zou u bliksemen op \'t hoofd,
En gij (dat was de toekomst die zij wachtte
Gij kwijndet weg, van kroon en staf beroofd,
\'t Bekuipte leen zou tot haar kindren komen,
Uw puinhoop zou de grond zijn van haar macht;
\'t Zou om haar heen van weelde en schatten stroomen,
En, na haar dood, om heel heur nageslacht!
Die hoop verdween : uw ridderlijk geweten
Bleef in d\' orkaan der driften onverwrikt.
Haar droom had uit: dat kon zij niet vergeten!
Dat vergde wraak, of \'t harte waar\' gestikt!
En welk een wraak zou nu haar zoeter smaken,
Dan als ze in \'t oog der lichtgeloovige aard
Uwe echtgenoot tot een boelin kon maken,
Die u een zoon der zonde had gebaard! . ...
-ocr page 55-
47
En daarom moest die outerdienaar zwijgen,
Door zwart bedrog tot haar belang gebracht!
Maar hoe de waan der boosheid moge stijgen,
Een Englendrom houdt over de Onschuld wacht.
God kneedde \'t hart des Priesters op mijn bede:
En toen ik weer terugkeerde op mijn slot,
Droeg ik \'t bewijs dier onschuld met mij mede,
Die, even rein, straks naadren zal tot God!
Och, of ge wist hoe Haemsteê heeft gestreden,
Hoe hij voor mij de wereld heeft getart!
Hoe hij voor mij in stilte heeft geleden,
En alles voor mij veil had naast zijn hart!
Hoe hij niet rustte eer hij d\' oneedlen Eedlen
Met woord en daad mijn vlek gereinigd had;
Totdat ze hem vergifnis kwamen beedlen
En eerbiedvol zich bogen op mijn pad! ....
Toen mocht mijn hart niet langer tegenstreven:
Wat vroeger mij deed siddren, werd nu plicht.
De erkentnis dwong: ik heb mijn.... hand gegeven....
\'k Werd Haemsteê\'s gade .... Ik heb als gij gezwicht!
Sints is een jaar onmerkbaar heengevlogen,
Maar ach, wat was van Haemsteê\'s liefde mij,
Mij, lelie door de stormen neergebogen,
Mij, eenzaam lam in \'s levens woestenij?
Zijn trouwe min, zijn teêrheid kent geen grenzen,
Maar ach, zij drukt me, een looden last gelijk;
Tot éen alleen versmelten al mijn wenschen:
Verlossing uit dit ondermaansche slijk!
Neen! wee dengeen die dus zich-zelv\' bedriegen:
Geen Dankbaarheid en Liefde worden éen !
Gevleide trots moge ons in sluimer wiegen,
We ontwaken, en — \'t gedroomd geluk verdween!
U, Floris! u omhelsde ik in zijne armen,
U gold de kus, dien ik zijn lippen schonk,
Gij leefde in \'t hart, dat d\' egd moest verwarmen,
Gij, in den traan, dien hij me uit de oogen dronk.
Helaas, ik wil mijn dubble schuld belijden:
Ik kende \'t kwaad, en — kweekte \'t in de ziel....
Maar o, wat vrouw zou zulk een worstling strijden,
-ocr page 56-
48
Waarin ze niet verwonnen nederviel?
Ik — kwijnde er door, als sneeuw voor \'t zonneblaken___
Dat \'s nu voorbij: ik voel geen lijden meer,
En bid alleen dat God het kort moog\' maken:
\'t Gebroken riet bloeit hier toch nimmer weer!
De Hemel moog\' mijn echtgenoot vergoeden
Voor \'t geen ik hem, helaas! niet geven mocht!
Hij moog\' mijn kind verzorgen en behoeden:
\'k Heb voor mijn rust van hem die zorg gekocht.
Mijn kind?.... ons kind, uw zoon, uw bloed, uw leven!
Neen, \'k vraag voor hem geen zorg van vreemden af:
Zijn moeders schim zal zeegnend hem omzweven;
Zijn vader leeft.... ik daal gerust in \'t graf! ....
Wat woelt, wat bruischt, wat vonkelt mij door de aadren ?
Hoe! ziet mijn oog de toekomst zich ontplooid?
De Leeuw van keel, de koningsleeuw der Vaadren,
Versiert zijn schild, met Heusdens rad getooid! . . . .
Wat vuurkomeet vlamt daar aan \'t hoofd der Riddren?
\'t Is Witte\'s zwaard: \'t schiet bliksems uit zijn hand!
\'k Zie Vlaanderen in killen doodschrik siddren,
\'t Galmt „Witte leev\', \'t behoud van \'t Vaderland!"
\'k Zie hem gekroond met eeuwge lauwerblaren!
Zijn loftrompet dreunt \'s aardrijks omvang door!
De star des Roems omstraalt zijn blonde hairen,
Zijn aanschijn blinkt van meer dan zonnegloor!
Die trekken, ja! het zijn zijns vaders trekken:
Zóo heb ik hem als jongeling gekend!.. ..
Maar.... eensklaps .... zie! wat wolken overdekken
Dit heiltooneel.... Ach, werwaards mij gewend ?....
Wat doodsch moeras! Luid knersende opgevlogen,
Omfladderen de raven mij het hoofd ....
Wat reuzenvorm staat dwarrlend voor mijn oogen?
Hoe doodsch zijn blik, door nevelen verdoofd!
Een vriezende angst doorvaart mij de ingewanden;
\'k Moet naadren, al ontvliegt mij \'t bloed de wang....
Een bijbel ligt geopend in zijn handen:
Zijn vinger wenkt.... \'t is Davids Psalmgezang:
\'kLees: „Zelfs de man mijns vredes, wien \'k vertrouwde,
Wien \'k van mijn brood deed eten, heft den voet
Verplettrend op"... Maar — \'t blad wordt nat.. .wat dauwde
-ocr page 57-
49
Daar neer?... het stroomt... O gruwel! het is bloed!...
Daar blinkt de dolk die d\'eersten Kloris moorde!....
Wie zijn die vier\'.\' Zijn \'t tijgers, wie de tred
Des jagers in hun eenzaam boschhol stoorde:
O mijn gemaal, mijn Kloris, red u, red!
Ach, \'t is vergeefs! daar ligt hij neergeslagen!
Daar vliedt, daar vlot, daar zweeft zijn heldengeest!
Daar wordt zijn lijk naar Alkmaer heengedragen! ....
Het is gedaan .... de duivlen vieren feest! ....
Heb ik gedroomd? — Van \'t kille zweet bedropen,
Hervind ik mij .... het schrikgezicht verdween.
Ja, \'t was een droom .... Ik zie den hemel open,
Het Heilige der Heilgen .... \'k vlieg er heen!
Dat is géén droom .... die Englen, die daar treden,
Dat harpmuziek, lofbruischende aan den Heer!
Mijn ziel smelt weg in hemelzaligheden:
Mijn kind, mijn ga, mijn Kloris, \'k heb u weer!
-ocr page 58-
DE MARTELAAR.
„Op, op! naar \'t worstelperk!" Weer zal een Christen strijden.
Een offer vallen, aan de valsche goón gebracht!
Daar slaat hij: zie, dat oog, waaruit de Hemel lacht,
Dat voorhoofd, enkel licht.... een engel zou \'t benijden.
„Op! naar \'t worstelperk !" die kreet
Doet de menigt\' voorwaarts stroomen,
Doet de beulen samen komen,
Tot de gruweldaad gereed.
Met een blik van vreugde en spot
Zit de Praetor rond te schouwen,
En de tijger slaat zijn klauwen
Tegen de ijzren tralies bot.
Daar staat, daar staat hij, ginds! .... Hoe trekt hij aller oogon!
Zie, hij is jong en schoon ! meer ziet, meer denkt men niet.
Hoe bruischt de hartstochtgloed, waar ieders bloed van ziedt:
Hier galmt het: „Weg met hem!" en ginter: „Mededoogen!"
Maar — daar wenkt des Praetors hand,
En als door een tooverveder,
Zet het Volk zich eensklaps neder,
En verstomt aan allen kant.
Slechts de tijger brult en jankt,
En het is of in zijn kreeten
De Afgrond, brekende uit zijn keten,
Romen en zijn Caesars dankt.
En ziet! daar dringt op eens door de opgehoopte scharen,
Wier brandend ongeduld de kampplaats gadeslaat,
Een vrouw, een zwakke vrouw, met bleekgeschreid gelaal,
Met opgeheven arm en fladderende hairen.
-ocr page 59-
51
„Kind!" zoo snikt zij: „Goeden moed f
Blijf getrouw! . . .. De Heer beproeft u!
Denk aan Jezus! Jezus toeft u!
Jezus make u \'t lijden zoet!"
En het kind verhief zijn stem:
„Moeder! \'k heb mijn wensch verworven:
Hij is eens voor mij gestorven,
Nu (o vreugd!) sterf ik voor Hem!"
En wat er voorviel in die heilige oogenblikken,
Wat kind en moeder hier met hart en oogen sprak,
Ontroerde \'t Volk zelfs.... toen de kevie openbrak,
En \'s tijgers komst op eens een ieder op deed schrikken:
Alles huivert, staart, en zwijgt:
\'t Wandier, loerende aangevlogen,
\'t Hair te berge, vuur in de oogen,
Blikkertandt, en brult en hijgt:
Pijlsnel springt hij op zijn buit,
Scheurt hem borst en ingewanden,
En rijt met verwoede tanden
Hem het hart ten boezem uit.
En \'t schuldloos offer sneeft, waar nog zoo vaak na dezen
Een ander zoo als hij zijn afscheid snikken moet;
En zelfs zijn laatste blik was enkel liefdegloed,
En zelfs zijn laatste zucht scheen éen gebed te wezen.
En de Moeder? .... arme vrouw! ....
Nauw had de eerste kreet weerklonken,
Of zij was ter neer gezonken,
Zinneloos, verplet van rouw;
En de volkshoop juicht en lacht,
Nu hij \'t bloed den klauw ziet kleuren,
Die, door éen van een te scheuren,
Ach, een dubblen moord volbracht!
Ja, fiere Natie! smoor de roepstem van \'t geweten!
Pleng bloed, plavei uw pad met heiige martelaars!
U zij geen tijgrenmuil, geen moordbijl te barbaarsch !
Voleindig de eedle taak, die ge u hebt voorgenieten !
Snel vrij naar uw strijdperk heen,
Naar uw vloekbre moordfestijnen,
-ocr page 60-
53
Waar wat ziel heeft, weg moet kwijnen,
Waar het bloed bevriest tot steen !
Zie, (laar ginds, in \'t hoog verschiet,
Staat de Wraak, die, \'s Hemels bode.
Rleek en spraakloos als een doode,
Op uw gruwlen nederziet!
Ras stort zij op u neer en doet ze uw schedel duizlen!
Ras rukt zij \'t gloriekleed aan flarden van uw borst!
En \'t Lot, dat ge als een slaaf het uwe noemen dorst,
Beukt met metalen kolf uw muren stuk tot gruizlen.
Ja, reeds daagt de horizont,
En de hand des Ongezienen
Jaagt de stuivende ruïnen
Van uw grootheid dwarlend rond!
En de Tiber, rood van bloed,
Kruipt daarheen, door lijken warend,
En uw neergebliksemde Arend,
Lekt uw dwingeland den voet!
Gij vordert voor uw feest, o Koningin der Steden!
Een tijger der woestijn in \'t rookend worstelkrijt:
Dat is uw liefde en lust! Welnu dan, wees verblijd!
Ras zal u uit het West een Tijger tegentreden!
Maar, o Trotsche! weet gij wel,
Weet gij, wie de buit zal wezen,
Tot bestrijder uitgelezen,
Wien het ondier nedervell\'?....
Dat de schrik u \'t harte sla
En u \'t bloed terug doe stroomen:
Want die kampioen heet — Romen,
En die Tijger — Attila!
(Naar ed. tübuüety).
-ocr page 61-
LODEWIJK XVII.
Capet! éveille-toi!
I.
De gouden poorten, die het Sion Gods beveiligen,
Ontsloten zich dien dag; het Heilige der Heiligen
En de ongeschapen Troon werd zichtbaar voor het oog;
De Heemlen openden hun vlammende gordijnen,
En midden in een wacht van jonge serafijnen,
Zag de uitverkoren schaar een jonge ziel verschijnen
Door d\' overwelfden starrenboog.
Het was een beeldschoon kind, dat de aarde was ontvlogen.
Een somber wolkjen zweefde in zijne azuurblauwe oogen,
Droef hing hem \'t goud van \'t hair op \'t lelieblank der koon;
En \'s Hemels maagdenrij, omgeurd van wierookwalmen,
Zong hem het welkom toe in blijde jubelgalmen,
En vlocht rondom zijn kruin door de overwinningspalmen
De nooit verwelkende onschuldskroon.
II.
Toen klonken stemmen, door de wolken voortgedragen:
„„Jonge Engel! God heeft in uw glorie welbehagen 1
Kom, keer in de armen weer van d\' Opperzegenaar!
Geen scheiding zal voor u die armen meer ontstrenglen!
En gij, die hier in vreugd uw hymnen saam moogt menglen,
Profeten, Serafs, Geesten, Englen!
Buigt, \'t is een Koning! zingt, het is een Martelaar!""
„En waar regeerde ik dan?" zoo deed de schim zich hooren :
„Neen, \'k ben geen Koning! \'k ben een kind der slavernij!
Nog gistren rustte ik in een donkren kerkertoren.....
Waar, waar regeerde ik dan? Algoede, zeg het mij! —
Helaas! een moordschavot zag \'t bloed mijns vaders stroomen :
Hoe kon ik, krachtloos wicht, mijn beulen weerstand bièn?
Als een verlaten wees ben ik nu hier gekomen,
En zoek mijn moeder op, die \'k dikwerf in mijn droomen
In uwen hemel heb gezien!"
-ocr page 62-
54
En de Englen zeiden; „„Kind, kniel dankende ter neder!
De Heiland riep u uit een zondige Aarde weder,
Waar Zijn geheiligd kruis vertrapt wordt met den voet!
Waar jammren heersenen en ellenden,
Waar zelfs de zeis des doods den Moord niet af kan wenden,
Die, om de sluimrende asch der Koningen te schenden,
Nog in het stof der graven wroet!"" —
„Hoe! mocht ik dan het eind der lange reis genaken?"
Zoo sprak hij: „Ledigde ik den beker van \'t verdriet?
Is \'t waarheid, dat ik morgen niet
Van uit mijn hemeldroom in ketens zal ontwaken?
Wat heb ik God niet vaak mijn redding afgebeên!
Zou nu \'t gevangen kind die eindelijk verwerven?
Bedriegt geen sluimring mij ? Brak Hij mijn boei van een\'.\'
Heb ik \'t geluk gehad te sterven?
„Want ach! gij weet het niet, gij gist niet wat ik leed!
Elk uchtend bracht me ellend, elke avond nieuwe smarte;
En nimmer, nimmer klemde een moeder mij aan \'t harte,
Die glimlachte als ik weende en zong wanneer ik kreet.
Een jonge loot gelijk, die redloos neergeslagen,
Zijn stam werd afgerukt door \'t woeden van d\' orkaan,
Treurde ik in tranen weg, en bleef mij vruchtloos vragen,
Waarom men mij zoo wreed, zoo lang een straf deed dragen.
Wat \'k in mijn wiegjen had misdaan!
„En toch, o hoort! — toch bleef me een zoete, een onvergeten.
Schoon flauwe erinnering van beter tijden bij!
Ik hoorde sluimerend verwarde gloriekreten,
En volkren waakten blijde en juichend aan mijn zij\': —
Maar eensklaps — alles was verdwenen en vervlogen:
In sombre neevlen dreef mijn gulden toekomst heen\';
De bliksem flikkerde aan de zwarte hemelboogen,
En ik, ik stond alleen, van dikken nacht omtogen....
Ach, met mijn hateren alleen!
„Men deed mij levend in een grafgewelf verkwijnen,
Waarin mijn schreiend oog geen lichtstraal vangen mocht.
Maar gij, die \'k hier hervind, mijn broeders, Serafijnen!
Ja, gij hebt menigmaal mij in den slaap bezocht!
-ocr page 63-
55
Mijn beulen kwelden mij met duizend gruwzaamheden___
Maar zijn de Bozen niet rampzalig, o mijn Heer?
Ei, wees dan niet als zij verdoofd voor mijn gebeden!
Want zie! ik buig me om hen ter neer!" —
En de Englen juichten: „„Kom! de diamanten zalen
Ontsluiten zich voor u I Omkrans u \'t hoofd met stralen,
En schiet de vleugelen der Cherubijnen aan!
Wij zullen ons in \'t licht der golvende ether spieglen,
Het weenend kind in sluimring wieglen
En met gebloemt\' besneeuwen gaan!
Of, in haar vuurpaleis klapwiekend doorgedrongen,
Door d\' adem onzer borst de zonnen gaan verjongen,
En met vernieuwden glans doen hupplen langs heur baan !""—
III.
Op eenmaal zweeg het lied; de luisterende chooren
Omvleugelden \'t gelaat, geen harpsnaar deed zich hooren:
Het knaapjen look het oog, in tranen dof geschreid;
\'t Lag al in eerbied en aanbidding neergezegen:
De starren stonden stil: de ontroerde heemlen zwegen:
En dus weerklonk Gods stem door heel de oneindigheid:
,0 Vorst! ik hield u verr\' van aardsche macht en luister:
Van \'t flonkrend troongestoeU\' zonkt ge in den slavenkluister!
Ga! kniel ter neer, mijn kind! en zegen uw verdriet!
Nog nooit hebt gij de ellend der Vorsten ondervonden,
En heeft de keten ook u kneuzend d\' arm geschonden,
De rijkskroon schond u \'t voorhoofd niet!
„Kind! zuchtend boogt gij neer voor d\'ijzren last van \'t leven 1
En tocli — eens mocht de Hoop rondom uw wiegjen zweven,
Dat heel een juichende Aard met rozenbladn omgaf!....
Maar zie, uw Heer-zelf leed! — De Heiland der verloornen,
Mijn Zoon, een Vorst als gij gediadeemd met doornen,
Droeg eens een riet tot Koningsstaf!"
Naar victor hugo.
-ocr page 64-
ANASTAS1A.
Rijk, ja, schittrend was het Bal:
\'t Was éen gaard van bloem en kransen,
\'t Was éen dag van licht en glansen,
Zich verdubblende in \'t kristal.
En het vroolijk feestgeschal
Klonk — zoo zoet of duizend Feën
\'t Purpren wiekjen ruischen deën —
Zinbetoovrend overal.
Als het vlindertje\' om de rozen
Speelde \'t lachje\' om ieders mond;
\'t Blij gelach ging juichend rond,
En geen kaak of \'t deed haar blozen,
En geen oog of \'t stond in gloed,
En geen boezem of \'t genoegen
Deed hem rijzen, dalen, zwoegen,
Als het golfjen op den vloed.
Heerlijk blonk de Maagdenschaar:
Al de glansen, die de Schoonheid,
Rijkdom, Jeugd en Lust ten toon spreidt.
Smolten schittrend in elkaar! —
Maar verrukkend stondt Gij daar,
\'t Liefst en schoonst der Danseressen,
En zoo vorstlijk of uw tressen
Zelfs een kroon te onedel waar\'l -—
Neen, nooit zweefde in dartle weelde
Luchter voetjen langs \'t tapeet,
Dan dat u er hupplen deed,
Vlugger dan ooit zefier speelde 1
En nooit deed de onstuime wals
\'t Bloed naar zachter wangen stijgen.
Of een blanker wolkdons hijgen,
Dan uw maagdlijk boezemmalsch.
-ocr page 65-
57
Maar — hebt gij het wel vermoed,
Toen gij H;iar de zaal doorzweefdet,
Slechts voor vreugd en weelde leefdet
En wat harten vlammen doet,
Dat de feestelingenstoet
Kenen Gast te meerder telde,
Die u overal verzelde,
Die u natrad voet voor voet?....
Niemand zag hem binnentreden:
Stil en met onhoorbren tred
Sloop hij in het feestsalet,
Ongekend en ongebeden:
Dof en fluistrend was zijn stem:
Over \'t loodblauw van zijn lippen
Dorst geen lachjen henenglippen:
Slechts een grafbloem tooide hem!
Roerloos hing zijn wenkbrauwboog
Op een voorhoofd, bleek als marmer, —
En de kille sneeuw is warmer
Dan die blik van \'t zwijgend oog,
Dat, waarheen uw voet ook vloog,
Kustloos op u vast bleef kleven,
Schoon het, dof en zonder leven,
Zelfs niet eenmaal \'t lid bewoog! —
Hij bleef naast u te allen tijde,
En wanneer gij, afgemat,
Voor een wijl ter neder zat,
Stond hij spraakloos aan uw zijde,
Blies zoo lang uw wangen koud,
Tot hun vuurblos was verdwenen,
Greep uw arm en leidde u henen,
Als ge op nieuw beginnen zoudt!
\'t Was — de Tering!.... Arme Maagd,
Moede vondt ge uw woning weder,
En nu ligt gij sluimrend neder,
Tot op nieuw de morgen daagt —
Voelt gij \'t niet?. . . . Uw boezem jaagt!
Voelt gij \'t niet?,... een loodhand wischt er
\'t Zweet van af! De Gast van gister
-ocr page 66-
58
Staat bij \'t leger dat u draagt!
Ongeduldig blijft hij beiden,
Tot op nieuw de dans u wenkt,
Wien gij jeugd en krachten schenkt,
En waar hij u heen\' zal leiden!
Brandend toeft hij op den dag,
Die u gants zijn bruid doet worden,
Wie hij \'t balkleed los zal gorden
En in \'t lijkkleed hullen raag!
Maar — o, ween niet I jammer niet!
Nog is \'t mooglijk niet te spade,
Zoo de vriend niet vruchtloos rade!
Zoo gij bal en dans verliet! —
Wilt gij voor het zielsverdriet
Van wie op uw toekomst hopen,
Voor een graf, een weelde koopen,
Die vergiftigt en ontvliedt?. . . .
Neen! keer weer! . . . . Verlaat die zalen,
Blinkend, ja, maar vol van kwaad!
De Onschuld zij uw balgewaad,
\'t Licht der Deugd un lamp van stralen,
Eigen haard uw vreugdfestijn,
Liefde en trouw uw feestgenooten! ....
Dan blijft nooit uw hart gesloten,
En — gij zult gelukkig zijn!
-ocr page 67-
W E L D A.
Zoo ge aan den rotszoom van den vloed,
Die \'t kleinst en zuidlijkst der Hebriden,
Vlug als het reehert aan zijn voet,
In luchte vaart schijnt door te vlieden,
Eene engelschoone Maagd ontmoet,
Die, als een lelie door den regen
Met looden droppelen bezwaard,
Het hoofd op de elpen borst gezegen,
Weemoedig voor zich henen staart:
Die, bleek gelijk de bleeke vlokken
Der sneeuw, die als een vloertapeet
De toppen van \'t gebergte omkleedt,
Den wind doet ruischen door de lokken,
En, neergezeten aan den zoom,
In slapeloozen droom gewiegeld,
Het oog, waarin een traandrop spiegelt,
Niet afwendt van den blauwen stroom
Eerbiedig dan haar zielsverdriet,
En \'k bid u, Wandlaar, nader niet!
Gelijk de dauw der avondheemlen,
Die onbemerkt ter nederviel:
Aldus wil ook de dauw der ziel
Stil — ongezien — in de oogen weemlen.
Daar is in tegenspoed en smart
Iets reins, iets heiligs, dat het hart
Vervult van eerbied en ontroering;
En de aanblik van een Amos-zoon,
Te midden van zijn geestvervoering
Opblikkend naar Jehovah\'s throon,
Is zelfs den Englen minder schoon
-ocr page 68-
00
Dan een van diepen rouw bezielde,
Van weemoed stomme Magdaleen\',
Die, weggesmolten in geween,
Bleek, spraakloos snikkend, nederknielde!
Neen, Wandlaar! treed niet naderbij,
En jaag de stille mijmerij,
Die op heur borst is neërgegleden
Als \'t vlindertje\' op den lelieknop,
Niet door het ruischen uwer schreden
Van uit de sluimring op!
Laat, Iaat de diepbedroefde Maagd,
In de eenzaamheid ter neer gezeten,
Wat haar den bangen boezem jaagt
Uitstorten in die droeve kreten,
Die thands weer \'t koeltjen ommedraagt.
Wij weten \'t wel, een droefenis
Als die haar \'t voorhoofd heeft verduisterd,
Is liefst alleen en onbeluisterd.
Men zegt, dat zij waanzinnig is,
Maar ach! hoe ijdel, hoe lichtvaardig,
Hoe koud is vaak het oordeel niet
Der dwaze waereld die wreedaardig
Op andrer lijden nederziet!
Ik hoorde gistren Weida\'s klachte,
Die, zacht en teer als harpgeluid,
Haar in heur leed te troosten trachtte,
En dus me in de ooren klonk, door rots noch woud gestuit!
„Mijn Cormac! Cormac!.... Ach, waarom mij met uw zuchtjen~
Dien zoeten naam herhaald, o lieflijke avondluchtjens,
Dien naam, dien ik vergeten moest?....
Gij immers weet het: \'k ben verlaten en verloren;
Nooit zal mij Cormac weer den welkomstgroet doen hooren,
Niets rest mij dan een borst door rouw en smart verwoest L
Neen, roep ze niet terug, die bittre erinneringen,
Die toch van zelven reeds zich voor mijn geest verdringen !
En gij, o orglend Vooglenheir!
Wat kweel\', gij in dit uur die dartle blijdschapstonen?
\'t Zijn wanhoop en verdriet, die in mijn binnenst\' wonen ....
Ach, laat mij weenen! zingt niet meer!
-ocr page 69-
01
Ook ik mocht eens gelukkig wezen,
Ik zong als gij — en \'t hart sprong juichende op in hem:
„Ja!" sprak hij; „Eenigste Uitgelezen!
(Hen zefier is zoo zoet als \'t ruischen van uw stem!
Uw blik is de uchtendstond, in al heur pracht verrezen!" —
En ook — \'k was schoon ; althands men zeide \'t mij -— en hij ....
0. als zijn lip verrukt op mijne lippen kleetde,
Zijn gloeiend hart op \'t mijne beefde,
Dan riep hij: „Edensbloem, die mij de woestenij
Ten bloeiend Paradijs zoudt maken,
Omglanst van heel een englenschaar!
O Welda! zoo ik Koning waar\',
\'k Zou scepter, kroon en rijksscharlaken
Voor éen, éen enklen kus van uwen mond verzaken !
Want zie — noch aard noch hemel heeft
Éen enkle gift voor mij, die u te boven streeft!" —
Zóo sprak hij eens — en toch.... ik werd door hem bedrogen!
Vreugd — liefde — \'t ging voorbij. Een nacht bedekt mijne oogen —
Hij stiet mij van zich af: ik sta alleen op aard!
Gelijk een schaduw is mijn schoonheid heengevlogen ....
Maar \'k heb altijd mijn hart bewaard!
Men zegt, dat als men lang geschreid heeft en gebeden,
De Dood ons balsem brengt uit zuivre hemelbron;
En dat dan onze ziel, op \'t wolkjen neèrgegleden,
Vaak wederkeert tot hen, die eens ons blaken deden ....
0, zoo dit waarheid is: dat ik dan sterven kon!
Ik zou om hem te zien des nachts mijn graf begeven,
En steeds, opdat geen schrik zijn ziel ontzetten zou,
Zoo zacht en zwijgend als een druppel morgendauw,
\'lelijk een duifjen, op zijn voorhoofd nederzweven !
Dan dreef ik langs zijn legerspond,
\' erkoelde hem \'t gelaat met teder zielsverlangen,
En \'t zou me een weelde zijn elk zuchtjen op te vangen,
Dat tot mij oprees uit zijn mond!
Neen, \'k zou met al dat schoon der Jonkheid mij omluistren,
Dat eens mijn Cormac\'s hart mocht kluistren,
Maar nu verging als droombedrog!
-ocr page 70-
C2
En met een zoeten lach hem zacht in de ooren duistren:
„Herinnert ge u somtijds uwe eerste liefde nog?...."
En als \'t geruisen der kerkklokslagen
Die, dof als \'t gonzen van het meir,
Aan de aard verkondigen dat weer
Een lijk naar \'t graf wordt uilgedragen:
Als de allerlaatste stervenszucht
Der ziele, die het stof ontvlucht:
Als \'t jongst Vaarwel, dat droef en bevend
De lip des stervenden ontvliedt:
Versmolt heur hartverscheurend lied,
Zachtlispend langs de velden zwevend.
En ik — ik boog de kniën neer;
Een droeve traan betoog mijne oogen —
En \'k bad, door deernis diep bewogen:
„O liefderijke Hemelheer!
Laat Gij haar weldra rust verwerven!
Maakt Gij heur martlend lijden kort!....
Doe in Uw goedheid toch de droeve Welda sterven!
Want harer is de wond die niet genezen wordt!"
P A R I S I N A.
EEN VERHAAL.
I.
\'t Is \'t uur, waarin het eenzaam woud
Naar \'t kweelend nachtegaaltjen luistert,
Waarin bezielde minnekout
Betoovrend van de lippen fluistert,
En \'t vrier.dlijk windje en de effen vloed
Een zoet muziek vernemen doet.
De dauw bewaassemt bloem en kruid,
\'t Gestarnte treedt ter nachttente uit;
Een bruiner tint neemt elk der Liaan,
Een dieper blauw hel golfjen aan;
-ocr page 71-
63
Geen wolkjen houdt de lucht betogen,
Maar wel die klare duisternis,
Die tintelt aan des hemels boogen,
Wanneer het scheemren over is
En \'t maantjen staat te tinteloogen.
II.
Maar \'t is om \'t murmlen des watervals niet,
Dat Parisina heur slaapkoets verliet,
Niet om \'t gestarnte en de h^melsche pracht,
Dat zij hier doolt in de schaduw der nacht.
Niet om \'t gebloemt\' dat er geurt op den steel,
Zoo zij zich waagt in het eenzaam prieel.
Luistrend verwacht zij een teder geluid,
Teerder nochtans dan de nachtegaal fluit:
\'t Lover beweegt zich — daar ritselt een tred:
Luid klopt heur hartjen — ze ontroert en ontzet.
Zoetjens wat! ruischt daar geen stem in heur oor?
Weg is heur vrees, en haar blosjen breekt door,
Even nog, even .... daar jubelt een groet —
Reeds ligt haar minnaar geknield aan haar voet!
III.
En wat nu zou hun de aarde zijn,
Met de ebbe en vloed van vreugde en pijn?
De waereld hier en God omhoog
Zijn niets meer voor hun hart en oog:
Zij zijn bewust loos als de dood en,
Van alles, boven of beneén,
En üiiraen voor elkaar alleen,
Als ware al \'t andre weggevloden.
Hun zuchtjens zelfs zijn vol genucht,
Zóo diep, dat als die wilde ontroering,
Die zielsbedwelming, niet ontvlucht,
Hun hart bezwijkt in zijn vervoering.
Wat weten zij van schuld of schroom
In zulk een wilden, teedren droom ?
Wien heeft ooit de eigen drift bewogen,
Die keerde of vreesde in zulk een uur,
-ocr page 72-
64
Of dacht aan weeldes korten duur"?
En nu — ze is reeds voorbijgevlogen.
Helaas, we zijn bedroefd ontwaakt,
Eer wij, misleiden, \'t gissen mogen
Dat zulk een droom maar éénmaal wordt gesmaakt!
IV.
En \'t oog, waar sombre vreugd in speelde.
Nog aarzlende op elkaar gewend,
"Verlaten zij de plek in \'t end,
Tooneel van hun verboden weelde.
Spijt blijde hoop en plechtige\' eed,
Gevoelen zij een pijnlijk vreezen:
„Dit afscheid kan het jongste wezen."
Die lippen, gloênde aaneengesmeed,
Die zuchten die hun hart doen trilien,
Die armen die niet scheiden willen,
Dat plechtig zwijgen van den nacht,
Die glans der kuische sterrenwacht,
Die al hun schuld heeft ga geslagen,
\'t Heelt alles een geheime kracht,
Die \'t bang Vaarwel nog doet vertragen ....
Maar eindlijk toch is \'t afscheid daar:
En huivrend gaan zij van elkaar,
Met al dat wroegend zielsontroeren,
Dat boze daden met zich voeren.
V.
Op \'t eenzaam bed peinst Hugo na,
En smacht er naar eens anders ga;
Zij — legt aan \'t hart des mans het hoofd,
Die rein als de Englen haar gelooft.
Maar \'t is of in verwarde droomen
Een koorlsvuur in heur aadren woedt,
Dat in zijn drift het wilde bloed
Haar gloeiend naar \'t gelaat doet stroomen:
Daar noemt ze — een naam. die nooit bij dag
Zelfs iispend op haar lippen lag,
En drukt den slui narende aan het hart,
-ocr page 73-
65
Dat ach! de roof eens andren werd.
Die teedre omhelzing doet hem de oogen
Ontsluiten, en, te wreed bedrogen,
Waant hij dien kus denzelfde altijd,
Die hem zoo vaak de ziel verblijdt,
En dankbaar zegent hij de vrouw,
Hem zelfs tot in haar droom getrouw!
VI.
Hij prangt de sluimrende aan zijn borst,
En luistert nair elk staamlend woord :
Hij hoort — wat siddert Eslé\'s vorst,
Of hij d\'Aartsengel had gehoord?
Wel mag hij \'t! Geen zoo schrikbre straf
Kan dondren langs zijn splijtend graf,
Als hij, bij \'t jongst bazuingeschal,
Den troon des Richters naadren zal!
Wel mag hij \'t! Want zijn rust heneên
Vlucht op dat woord voor eeuwig heen !
Die naam, zachtfluistrend haar ontvloón,
Verraadt heur schuld en Azo\'s boon!
Wie draagt dien naam? Zoo vreeslijk klaatren
De golven niet die \'t veege schip
Te barsten stooten op de klip
En \'t zeevolk slingren in de waatren.
Wie draagt dien naam ? — — —
O God, is \'t waar?___
\'t Is Hugo, \'t is zijn eigen kind!
\'t Is de eigen zoon van hem en haar,
Die eens zijn wellust had bemind:
De spruit van zijn verdwaalde jeugd,
Toen hij Bianca\'s onschuld roofde,
Haar, die, ten koste van heur deugd,
Zich al te vroeg zijn bruid geloofde!
VII.
Hij greep zijn dolk en speelde er mede;
Doch eer de punt hem tegenblonk,
Daar stiet hij \'t staal weer in de schede:
VI].                                                                                                        5
-ocr page 74-
66
Neen, neen! hoe diep de ontrouwe zonk,
Een vrouw, zoo schoon, zoo teer daarbij,
Kon hij niet dooden aan zijn zij\';
Voor \'t minst niet in die zoete rust.
Niet met dien lach van liefde en lust.
Hij liet haar leven, en, nog meer!
Haar sluimren: doch een langen poos
Zag hij op haar bewegingloos
Met zulk een blik ter neer
Dat, had die toen haar opgewekt,
Het bloed ware om heur hart bevroren,
En, \'t oog opnieuw door nacht bedekt,
Had ze ingezwijmeld als te voren.
En bij het somber nachtlicht staat
Hem \'t bigglend angstzweet op \'t gelaat.
Zij sprak niet meer, maar bleef verstomd,
En rustig aamend slaapt zij weder —
Maar \'t noodlot wierp den teerling neder:
Reeds zijn heur dagen opgesomd !
VIII.
En pas verscheen de morgenstond,
Of Azo zochl en Azo vond
\'t Bewijs van al waarvoor zijn hart
In krimpende angst en foltring slaat:
Haar tegenwoordige euveldaad
En zijn aanstaande smart.
De langvertrouwde maagdenschaar,
Om zelf te ontkomen aan \'t gevaar,
Laadt misdrijf, schande en straf op haar.
Verschooning, deernis, zijn voorbij;
\'t Wordt alles siddrend hem ontdekt,
Wat meerder tot bewijs verstrekt,
Dat Parisina schuldig zij,
En Azo\'s lijdend hart en ooren
Blijft niets te voelen, niets te hooren.
IX.
Hij was niet een die uitstel leed,
En opgestegen tot zijn troon,
-ocr page 75-
67
Zat Esté\'s fiere vorstenzoon,
Van al zijn graaflijke eer bekleed,
Tot de uitspraak van het recht gereed.
Zijn ridders en zijn wachts zijn daar,
En voor hem slaat het schuldig paar —
Zoo jong nog beide, en zij, hoe schoon!
Helaas! dat met den boei belaan
En wapenloos, een eigen zoon
Aldus voor \'s vaders oog moest staan!
Dien vloek ziet Hugo zich beschoren;
Maar rustig wacht hij \'t vonnis af
Van al te wel verdienden toren, —
Al blijft hij spraakloos als het graf.
X.
En \'t hoofd op de elpen borst gezegen,
Stom — roereloos — en wit als krijt,
Ziet Parisina \'t vonnis tegen.
Ach! hoe veranderd sints dien tijd,
Toen \'t flonkren van heur sprekende oogen
De Vreugd deed hupplen door de boogen
Der trotsche feestzaal, waar om strijd
Elk Edele op haar wenken wachtte,
Waar iedre Schoone om \'t zeerste trachtte,
De houding van die slanke leest,
Dat minlijk lachjen vol van geest,
Dien zachten blik vol gloed en leven
Haar aftezien en \'t allermeest
Heur koningin op zij\' te streven! —
Toen — had éen zucht haar hart ontroerd,
\'t Had duizenden in \'t veld gevoerd,
\'t Had duizend zwaarden onbezweken
Heur smaad als eigen smaad doen wreken !
En n u — wat is ze, en wat zijn zij ? ... .
Staat haar ook thands \'t bevelen geven
En hun \'t gehoorzaam wezen vrij ? . . . .
Niet meer tot hulde of vleierij,
Die doelloos zijn zou, aangedreven,
Met saamgefronsten wenkbrauwboog,
Met koel gelaat en ijskoud oog,
-ocr page 76-
08
Met armen kruisende op elkaar,
En lippen nauwlijks in te toornen
Om niet in smaadreên los te stroomen,
Is nu heur maagde- en ridderschaar,
Ja, heel heur trouwe hofstoet daar!
En hij, de dierbre, die ook thans
Met vreugd de ridderlijke lans
Ter harer eer\' had opgeheven;
Die, was zijn arm maar even vrij,
Haar banden breken zou of sneven,
De teerbeminde bastert — hij
Staat even machtloos aan heur zij\';
En ziet niet hoe heur drijvende oogen
Van droeve tranen zijn betogen,
Die min om eigen boezempijn,
Dan wel om hem vergoten zijn! —
Het zwart ge wimperd ooglid, waar
De teedre, langzaam wandlende aar
Een liefelijke purpersprank
Deed glinsteren door \'t lelieblank,
Scheen heet en drukkend d\' appel thans
Niet te overschauwen, maar te knellen,
Die steeds met matbestorven glans
Een vloed van tranen op doet wellen.
XI.
Ook h ij had met verbrijzeld hart
Voor haar geweend — maar de ijdle menigt,
Die op hem staarde, scheen zijn smart,
Wel nietig of wel ras gelenigd.
Hij hief het voorhoofd fier omhoog:
Wat knellend leed zijn ziel mocht drukken,
Hij wilde niet lafhartig bukken;
Maar haar ontweek zijn starend oog:
\'t Herdenken aan het zoet verleden —
Zijn schuld — zijn min — heel \'t schriklijk heden —
De wanhoop, knagende in zijn borst —
Zijns vaders wraak — de vloek van God —
Zijn waereldsch en zijn eeuwig lot,
En \'t hare — o \'t hare!. . . . Neen, hij dorst
-ocr page 77-
69
Op dat gelaat, zoo bleekbestorven,
Ook zelfs geen zijblik slaan,
Want zeker, zoo hij \'t had gedaan,
Zijn hart had de overmacht verworven
En wroeging en berouw verraan
Om al de ellend door hem ontstaan !
XII.
En Azo sprak: „Op gistren nog
„Was mij een gade en zoon beschoren.
„Dees morgen bleek die droom bedrog:
„\'k Heb beide, eer de avond daalt, verloren.
„Zoo zwerf ik dan voortaan alléén;
„Maar \'t zij zoo! immers aamt er geen,
„Die d\' eigen weg niet zou betreên.
„De banden scheurden, niet door mij!
„I k schond ze niet!.... maar dit ook zij!...
„Het vonnis is geveld, en nu —
„De priester, Hugo! wacht op u:
„Ga! zend, eer de eerste ster verscheen,
„Uw beden naar den hemel heen\',
„En smeek of daar vergiffenis
„Bij God voor u te vinden is!
„Moog\' Zijn genade tot u dalen —
„Maar hier \'s geen plek, waar gij en ik,
„Al ware \'t ook éen oogenblik,
„TV saam\' meer kunnen ademhalen!
„Ga! \'k wil uw dood niet zien T Maar gij,
„Wuft hart vol schuld en huichlarij!
„Gij zult dat hoofd, dat gij zoo teer
„Bemint, op \'t blok .... Ik kan niet meer!
„Ga, trouwloos schepsel! niet op mij,
„Op u zal \'t bloed des boetlings kleven,
„Dat gij alleen vergiet —
„En kunt gij \'t schouwspel overleven,
„Zoo juich! uw dood begeer ik niet."
XIII.
En hier bedekt de strenge vader,
De lijdende egé zich \'t gelaat;
-ocr page 78-
70
Want op zijn somber voorhoofd staat
De door ontroering zwellende ader
Zoo wild, als of het bloed,
Dat nu gelijk een vuurstroom gloeit,
Op \'t duizlend brein hem ebt en vloeit
En iedre vezel siddren doet.
Rn daarom boog hij zich en deed
De klamme hand, die koortsig trilde,
Op \'t voorhoofd rusten, wijl hij "t leed
Dat hem den boezem openreet
En zich verried in \'t brandend oog,
Voor d\' ijdlen hoop verloochnen wilde.
Terwijl hief Hugo d\' arm omhoog,
Wien smaadlijk de ijzren kluister prangde,
En vraagde van zijns vaders oor
Met eedlen trots een kort gehoor.
De zwijgende Azo sloeg zijn zoon
De gunst niet af die hij verlangde,
En deze sprak op vasten toon:
„Ik vrees den dood niet — menigmaal
„Zaagt gij mij strijden naast uw braven —
„Ook weet gij \'t, dat het rustloos staal,
„Mij thands ontwrongen door uw slaven,
„Weleer hij schild- en zwaardgeschal
„Meer bloed voor u vergoten heeft,
„Dan ooit de moordbijl plengen zal,
„Waar weldra \'t mijne aan kleeft.
„Gij schonkt me in dartle weelde \'t leven —
„Welnu! herneem het: \'k ben bereid
„Die gift, waar \'k u geen dankbaarheid
„Voor schuldig ben, terug te geven !
„O waan niet, dat ik ooit vergeet
„Hoe bitter gij mijn moeder griefde,
„Wanhopig haar vertwijflen deedt,
„Den spot dreeft met beur trouwe liefde,
„En haar in al die schande stiet,
„Die zij me als erfnis achterliet!. . . .
„Maar ze is in \'t graf, waar ik, haar kind,
„Uw medeminnaar, kort na dezen
„In \'t stof mijn laatste peuluw vind,
-ocr page 79-
71
„Die door geen smaad bevlekt zal wezen.
„Haar hart, vernield door leed en rouw,
„Mijn hoofd, dat onder \'t staal zal buigen,
„Moog\' voor uw warme jonglingstrouw,
„Uw teedre vaderzorg getuigen!
„\'t Is waar, \'k vergreep me als mensch en zoon,
„En schandvlekte u — maar hoon voor hoon!
„Gij scheurde een ga mij de armen uit,
„Vertradt mijn heil, mijn boezemvrede,
„En gaaft mij aan de ellend ten buit:
„Want deze uwe echtgenoot, (de tweede
„Die zich uw trots ten offer koos!)
„Dit wist ge, was geruim een poos
„Voor mij bestemd tot bruid! —
„Gij zaagt en gloeidet voor heur schoon,
„En om uw misdaad, mijn geboort,
„Begingt ge aan mijn geluk een moord,
„En achtte d\' armen basterdzoon
„Onwaard, op \'s levens droeve tocht,
„In haar, zijn lust, zijn welbehagen,
„Het heil te vinden dat hij zocht,
„Wijl hij uw naam niet wettig dragen,
„Noch Esté\'s zetel drukken mocht!
„En echter — konden nog na dezen
„Twee lentes slechts de mijnen wezen,
„Op duizend lippen zweefde alom
„Een roem, dien ik mij mocht behalen,
„Een glorie, heel mijn eigendom,
„Die Esté\'s luister dof zou stralen!
„Ik had een zwaard en heb een hart,
Dat heel een nietige aard getart,
„En hooger pluimen had bevochten,
„Dan ooit uw aadlijk voorgeslacht
„Het blank vizier omwappren mochten
„In schitterende koningspracht.
„Niet altijd draagt de Hoogstgeboren
„Het schoonst de gouden riddersporen —
„De mijnen hebben \'t strijdros vaak
„Zelfs vorstenzoons voorbij doen snuiven,
„Als mij de kreet: „Voor Esté\'s zaak!"
„Op \'s vijands rangen in deed stuiven. —
-ocr page 80-
72
„\'k Bepleit de zaak der misdaad niet,
„Noch smeek dat luttel oogenblikken
„Mij \'t lieve zonlicht moog verkwikken,
„Dat toch op de eindpaal van \'t verdriet —
„Mijn grafplaats — weldra nederziet!
„Nooit konden zulke droevige uren
„Gelijk mijn jongste langer duren!
„Doch — zij ik ook een spel des lots,
„Versier\' geen diadeem mijn schedel,
„Zijn mijn geboorte en naam onedel,
„En wilde uw honende adeltrots
„Zoo nietig een als ik niet dekken,
„Aan wien u plicht, geen liefde, bindt,
„Toch, Azo! draagt uw bastertkind
„Van uw gelaat de meeste trekken —
„En alle van uw\' geest!
„Van u — die moed, die kwijnt noch vreest —
„Die duivlenheir en dood veracht!
„Van u — wat siddert ge op mijn taal? —
„Van u in al heur wilde kracht
„Die ziel van vuur — die vuist van staal! —
„Niet slechts het leven gaaft ge mij,
„Maar al waar meer uit blijken mocht,
„Wie mij ten vader zij
„Zie wat uw snoode min volwrocht!
„Zij heeft U met een zoon betaald,
„Waar al te zeer uw hart in straalt. —
„Ja, schoon ze in euvlen nederviel,
„Ik ben geen bastert naar mijn ziel:
„Als de uwe kon zij nimmer bukken,
„Laat zij zich krenken noch verdrukken
„En is de wraak haar ingegrift.
„En \'t leven, die zoo korte gift,
„Die ge ongevraagd mij deedt ontfangen,
„En thans reeds wilt terug erlangen —
„Ik achtte \'t evenmin als gij,
„Wanneer ge u \'t blikkrend krijgshelmet
„Op \'t gloeiend voorhoofd had gezet
„En we aan elkanders zij\'
„Den vijand wrongen in de lenden
„En over heuvels lijken renden.
-ocr page 81-
73
„\'t Verleden is voorbij gegaan,
„Zijn smart geleden en vergeten,
„En grimt mij ook de toekomst aan,
„Kens zal ook zij verleden heeten ....
„En toch — ik wenschte dat ik toen,
„In strijd en bloed en doodsgevaar,
„Bij \'t scbaatren van de krijgsklaroen
„Den heldendood gestorven waar\':
„ Want schoon gij door uw wreed bedrog
„Mijn arme moeder weg deedt treuren
„En mij een bruid van \'t hart kondt scheuren,
„Ik voel \'t — gij blijft mijn vader toch !....
„En hoe gestreng uw vonnis zij,
„Rechtvaardig is \'t, al treft het mij!
„In misdaad en in tegenspoed,
„In smaad en zonde ontfing ik \'t leven:
„Ik zal in allen \'t wedergeven —
„\'t Begon gelijk het einden moet.
„De korte zwijmelvreugd is heen\'!
„De vader en de zoon misdreven,
„En gij, gij straft hen beide in éen\'.
„Mijn misdaad schijnt in \'t menschlijk oog
„Het zwartst — maar weet, dat God omhoog
„Eens d\' uchtendstond der wraak doet lichten
„En tusschen u en mij zal richten!"
XIV.
Hij sprak en stond stilzwijgend daar,
En kruiste de armen op elkaar,
Waaraan de boeien luide klonken,
Die langs zijn zijde nedeizonken;
En geen van heel de Ridderschaar,
Wien \'t droevig rammlen van die keten
Het harte niet had opgereten :
Toen Parisina\'s heilloos schoon
Weer de oogen tot zich trok van allen —
Ach, zou zij Hugo\'s hoofd zien vallen?...
Bleek, roerloos stond zij, als de doön,
-ocr page 82-
74
Zij, levende oorzaak van de ellend,
Die vader, zoon, en ga bewoog I
Niet eenmaal had heur starziend oog
\'t Zij rechts of\' links zich heengewend —
Niet éénmaal was het teder lid
Gedaald als om den gloed dier blikken
Met zachte schaduw te verkwikken,
Maar rond den appel, zwart als git,
Vergrootte zich \'t omringend wit.
Daar stond ze, met verglaasden blik,
Zoo koud als ijs, versteend van schrik!
En echter rees er soms een traan,
Die lang en schuchter stil bleef staan,
Gelijk een droppel morgendauw,
En als hij heenbrak door \'t gordijn
Dier donkre wimpers van satijn,
Zoo langzaam vloot als of hij nauw
Zich op zoo doodsch een kaak dorst wagen —
En zij ontroerden die het zagen,
Want meer dan menschlijk scheen het leed
Dat zulke tranen vloeien deed!
Nu scheen de droeve kracht te zaamlen
Tot spreken: \'t onbestemd geluid
Bleef snikkende in heur borst gestuit,
Maar, o, dat hol en kermend staamlen
Drukte al heur zielsangst jammrende uit.
\'t Zweeg — zij beproefde \'t spreken weder,
Toen barstte ze in éen rauwen kreet,
Éen gil, die allen siddren deed,
Waanzinnig los en stortte neder,
Gelijk een standbeeld, dat de orkaan
Van \'t voetstuk wagglend neer doet slaan;
Ja, meer als iets dat nimmer leefde,
Een beeld van Azo\'s echtgenoot,
Dan haar, die wulps naar \'t kwade streefde
En die de zonda in de armen sloot,
Maar die de ontdekking van de zonde,
Haar smart en smaad niet dragen konde!
Maar toch — zij leefde, en al te ras
Ontsloot ze op nieuw de zwijmende oogen —
Helaas! heur rede was vervlogen....
-ocr page 83-
75
Ach, ieder lijdend zintuig was
Door angst en zielstrijd overspannen,
Het licht des geestes uitgedoofd,
Het zelfbewustzijn weggebannen;
En iedre zenuw van het hoofd,
Nu zwak en zonder veerkracht meer,
Zond (als de boogpees, door den vloed
Des regens slap, de pijlen doet)
Elk denkbeeld ordloos heinde en veer\',
\'t Verleden was vergaan voor haar —
De toekomst speelde voor heur oogen,
Met alomhullend zwart omtogen,
Waar echter vluchtig hier en daar
Een straal weèrblonk, een lichtgewemel,
Gelijk in tastbre duisternis
De bliksem tlikkert aan den hemel,
Die enkel storm en gramschap is.
Zij vreesde — en voelde — een schrikbre smart
Woog koud en loodzwaar op heur hart —
Zij wist van zonde, en schande, en rouw —
Wist dat er iemand sterven zou,
Maar wie\'? .... \'t was haar ontgaan!
Bestond ze, en kon zij ademhalen?
Loeg haar beneden de aard nog aan?
Mocht haar omhoog de zon bestralen ?
En waren \'t menschen om haar heen,
Of tijgers, die met dreigende oogen,
Met saamgefronste wenkbrauwboogen,
Haar tegengrimden, wie alleen
Met sympathie en liefdegloed
Elk oog tot nog toe had begroet?
\'t Was alles donker en verward —
Een bajert, enkel hoop en vrees,
Waar helderheid noch orde in rees
Voor haar verpletterd hart;
En nu met lachen, dan met tranen,
Maar zinloos of zij weent of lacht,
Zocht ze in den ondoordringbren nacht
Der ziele een lichtend pad te banen —
Ach, \'t laatste sprankjen was geweest:
\'t Bleef eeuwig donker voor haar geest!
-ocr page 84-
76
XV.
\'t Klokgebengel doet zich hooren :
Maar die toon rolt traag en dof
Van den grijzen kloostertoren —
Droevig davert hij in de ooren,
Zwaar valt hij neer op het hart dat hij trof.
Hoor! de hymne is opgerezen
Voor een offer van den dood,
Of voor hem die kort na dezen
Afdaalt in der graven schoot.
Voor een ziel die stervende is,
Klept daar de klepel en murmelt de Mis.
Aan des priesters voet gebogen,
Knielt hij op den harden grond;
De aanblik pijnigt aller oogen :
Vóór hem dat blok en die wachten in \'t rond !
D\' arm ontblootend toetst terwijl
Este\'s beul met vaste vingren
\'t Blikkrend moordstaal van den bijl,
Dien hij weldra neer zal slingren
En die slechts met éenen slag
Snel en doodlijk treffen mag.
Spraakloos vloeit de menigt\' nader,
Die met vrees naar \'t uur verlangt,
Dat een zoon den dood ont langt
Door het vonnis van een vader!
XVI.
En toch — het was een lieflijk uur:
De zon, die op dees schrikbren dag
Met d\' eigen luister neder zag,
Daalde af van \'t luchtazuur
En strooide mild heur gloeiend licht
Op Hugo\'s kwijnend aangezicht\'
Terwijl hij tot de biecht zich wendt
En aan des priesters voeten knielt,
Wien deernis met zijn zielsellend
Het heilig hart bezielt.
En als hij biddend nederboog,
-ocr page 85-
77
Wierp daar dat zonlicht van omhoog
Op zijn ontblooten hals heur stralen
En flonkerde op het weeldrig hair,
Dat dartelziek naar \'t schouderpaar
Zijn bruine golljens af liet dalen —
Maar heldrer blonk die zelfde straal
Met schril en aaklig tintelvuur
Op de axt en spiegelde in heur staal ....
O bitter was dat afscheidsuur!
De koelste boezem werd geschokt:
De wet was billijk, \'t misdrijf zwart —
En echter voelde elks siddrend hart
Zich tranen van gevoel ontlokt!
XVII.
De jongste bede is \'t hart ontweld
Diens zoons vol zonde, schuld en rouw,
Diens minnaars vol van liefde en trouw —
De rozenkrans is afgeteld,
En \'t uur des doods is daar.
Zijn mantel was hem reeds te voren
Ontrukt — nu wordt hem ook het hair
(Zoo weeldrig golvend !) afgeschoren.
En trekt men hem de kleedren uit.
De sjerp, die Parisina gaf,
Mag hem niet tooien in zijn graf:
Ook deze valt den beul ten buit;
En \'t oog, nog stil ter aard\' gestrekt,
Moet met den blinddoek overdekt —
Maar neen! . . . . zijn uitgebleekt gelaat
Herneemt zijn blos — dien laatsten smaad,
Dien hoon, verdraagt hij niet!
De drift, in zijn verscheurd gemoed
In slaap gewiegeld door \'t verdriet,
Vloog bruizende op met nieuwen gloed,
Toen hem de beul ter zijde trad,
Om hem den band om \'t oog te vouwen,
Alsof zijn ziel geen moed bezat
Den dood in \'t aangezicht te schouwen!
„Neen, neem mij bloed en ademtocht!
-ocr page 86-
78
„Ik schenk u heel mijn zondig leven;
„Maar, schoon uw hand mij boeien mocht,
„Laat mij met open oogen sneven!
„Sla toe — vertoef niet meer!"
Hij sprak — en met een som b re» lach
Boog hij het hoofd op \'t blok ter neer.
Hij sprak — en aan zijn bleeke lippen
Mocht nauw het laatste woord ontglippen,
Of snel en flikkrend viel de slag,
En rolde \'t hoofd daarheen, en zonk
\'t Stuiptrekkend lichaam zwaar en dof
En zielloos neder in het stof,
Dat weldra van den bloedstroom blonk,
Die breed uit iedere ader vloeide
En spattend de ijzren bijl besproeide.
Het oog verdraaide woest en schril,
De blauwe lip bewoog zich snel,
Als aamde zij een laatst vaarwel —
En toen was \'t al voor eeuwig stil.
Hij stierf gelijk een zondaar \'t doet,
Maar zonder ijdle glans of pracht;
Hij had geleden en geboet,
En niet in diep verstokten trots
Den balsem van \'t geloof veracht!
Ja, toen hij, naast den priester Gods,
Voor d\' Eeuwige lag neergebogen,
Was al het aardsche voor zijn ziel,
Waar Hooger Licht in nederviel,
Gelijk een nachtschim heengevlogen:
Zijns vaders wraak — zijn vloekbre min —
Wat was ze in zulk een oogenblik? ....
Geen schuldverwijting blies hem schrik,
Geen wroeging angst en wanhoop in 1
Geen zucht naar \'t nietig stofgewemel
Wierp langer op zijn rouw een smet,
Want o, zijn hart was enkel hemel,
Zijn taal éen smeekend boetgebed —
Behalven toen in fleren gloed
De hoogmoed in hem op mocht leven,
En hij met open oog wou sneven,
Zijn laatste en eenigste afscheidsgroet!
-ocr page 87-
79
XVIII.
En roereloos, alsof de dood
Verdelgend ieders lippen sloot,
Vergaten allen \'t ademhalen;
Maar toen men \'t neèrgeslingerd staal
Gelijk een snelle bliksemstraal
Op \'t jeugdig offer neer zag dalen,
Wiens levensvuur en liefdelust
Aldus in bloed moest uitgebluscht,
Doorliep een kille huivering
Geheel den diep geroerden kring,
En gaf een half gesmoorde zucht
Aan elks verkropten boezem lucht —
En toen zweeg alles als te voren:
De bijl slechts liet nog dof zich hooren.
Die \'t schuddend moordblok dreunen deed.
Maar___ plotsling, hoor! wat woeste kreet,
Wat gillend angstgeluid.
Doordringt de lucht .... Zóo krijscht ontzind
De moeder die heur eenigst kind
Verplettren ziet, heur t wanhoop uit 1
Die kreet der wreedste en diepste ellend\'
Steeg uit het steil balkon omhoog
Van Azo\'s slot, en aller oog
Blijft derwaart huivrend heengewend —
Maar vruchfloos; en gelijk weleer
Stoort niets de sombre stilte meer.
Doch zeker nooit nog had voordezen
Een ziel zoo gantsch, zoo droef en wild
Den diepsten jammer uitgegild;
En ieder wenschte in angstig vreezen,
Dat nimmer zulk een zielekreet
Den boezem hen meer openreet.
XIX.
En Hugo viel! en sints dien dag
Was niemand die op \'t burchtkasteel,
In feestsalet of lustprieel,
Ooit Parisina wederzag.
-ocr page 88-
80
Haar enkle naam zelfs was vergaan:
\'t Scheen dat hij nimmer had bestaan:
Hij werd door niemands oor vernomen
En zweefde op niemands lippen meer,
Als deed hij voor de vloekspraak schromen,
Van d\' alles wetende\' Opperheer.
Nooit werd uit Azo\'s mond éen woord
Van echtgenoot of zoon gehoord.
Hun nagedachtnis ging te niet :
Daar was geen traan om hen vergoten,
Geen bloem herinnrende opgeschoten,
Die beider jongst verblijf verried.
Door ongewijde, onheilige aard\'
Werd hun vergeten asch bewaard,
De zijne allhands — haar levensend,
Is immer een geheim gebleven,
Alleen den hoogen God bekend.
Had ze in een klooster zich begeven,
En zag ze als reine bemelbruid,
Gestorven voor dit zondig leven,
Getroost naar beur ontbinding uit?
Gaf zij, in droeve jammerklachten,
De wroeging van heur hart gehoor?
Bracht zij haar slapeloze nachten
In tranen en gebeden door?
En wiesch ze in vaste en lichaamsslraf,
In weedom, dien geen hoop verzoette,
In jaren van berouw en boete
Den schuldsmet van heur boezem af?
Of had ze, raadloos voortgejaagd,
Toen haar heelal was weggezonken.
Een dolk zich in de borst gejaagd,
Of wel den gifkelk leeg gedronken?
Of — had haar plolslinge angst en schrik
Verdelgd in \'t eigen oogenblik,
Toen zij op eens den bijl zag blinken
En snel maar plettrend nederzinken,
Zij, teedre sneeuwvlok die de zon
Die haar versmolt niet doorstaan kon
Had toen de dood uit medelijden
Heur licht vernielende uitgebluscht,
-ocr page 89-
81
Opdat een storingloze rust
Haar van heur jammer zou bevrijden? ....
Geen die het wist of immer weet;
Doch welk een lot haar was beschoren,
Zij was in leed en smart geboren
En stierf gewis in smart en leed !
XX
En Azo vond eene andre ga,
En menig zoon omgaf weldra
Zijne eerst verlaten koets;
Maar geen zoo schoon, geen zoo vol gloeds,
Geen zoo vol trots en mannenmoeds,
Als de onherroepbre jongeling,
Die langzaam in het graf verging.
Of waren zij \'t — onopgetogen,
Vaak met een zucht van medelij\',
Met donkere, onverschillige oogen,
Zag hij hun bloei voorbij.
Maar nooit mocht hem een traan ontglippen,
Nooit zweefde een glimlach langs zijn lippen
Of wiesch de rimplen uit, die \'t leed
Hem over \'t peinzend voorhoofd sneed,
Die voren, door de ploeg der smart
Ontijdig op \'t gelaat gedreven,
Likteekens, zichtbaar nagebleven
Uit d\' oorlog van \'t verscheurde hart!
Op hem had vreugd noch leed meer macht :
Niets kon hem streelen, niets mishagen ;
Niets restte hem dan droeve dagen
En nachten slaaploos doorgebracht.
Zijn ziel was dood voor hoon en lof,
Kil en onschokbaar, wat haar trof.
En wie op haar zijn kracht verspilde.
Zijn hart, dat nooit zich bukken wilde
Maar tevens nooit vergeten mocht,
Moest voor zich-zelf terugge deinzen:
En als hij \'t meest zijn smart te ontveinzen
En ongeroerd te schijnen zocht,
Werd hij ook vaak het meest van allen
-ocr page 90-
82
Door strijd en foltring aangevallen.
De vorst, hoe woedend uit heur krocht,
Hoe onbeteugeld losgebroken,
Bevriest geheel den bergstroom niet:
Beneden, onder d\' ijskorst, koken
De golven voort en bruischt de vliet!
Zijn borst, hoe schijnbaar ze ook uitwendig
Zich voor \'t gevoel gesloten had
Of \'t zich ontkende, werd bestendig
Door mijmeringen afgemat,
Die, als zij eenmaal wortel schieten,
Voor immer onuitroeibaar zijn,
Hoewel heur groei onmerkbaar schijn\',
En \'t oog geen tranen moog\' vergieten.
En als wij, fier en ongeneigd
Voor d\' aandrang van \'t gemoed te bukken.
Dien stroom des harten onderdrukken
Wanneer hij ons te ontglippen dreigt,
Het doet die tranen niet verdroogen:
Zij keeren ongestort en snel
Terug naar hun geheimen wel,
En daar, onzichtbaar voor onze oogen,
Verlaten zij hun bron niet meer,
Maar drukken, nimmer opwaarts vloeiend.
Inwendig woelend, rustloos gloeiend,
Als lood op d\' engen boezem neer.
Dus, afgepijnd, verteerd van smart,
Door \'t wreed herinnren voortgedreven
Aan hen, die zijn gebod deed sneven,
En machtloos \'t ledig, dat zijn hart
Verkwijnen deed, meer aan te vullen,
Of zelfs \'t Verleen, dat rusteloos
Zijn blik vermoeide, voor een poos
Vergeten in een wolk te hullen;
Beroofd van hoop, dat zij hem ooit
In \'s Hemels zalig Choor verbeiden,
Waar geen hereende zielen scheiden
Maar \'t Eeuwig Licht zijn glansen strooit;
Bewust, dat hij, zijn roeping waardig,
Zijn naam in al zijn eer hersteld
-ocr page 91-
83
En billijk, vonnis had geveld,
Als vader en gemaal rechtvaardig,
En overtuigd, dat zij-alleen
Den afgrond delfden voor hun schreên —
Kon toch voor hem geen zon meer dagen,
Die hem, van heel zijn wee ontslagen,
De ontvloden zielrust wedergaf
En kalm deed neerzien op het graf.
Zie! als men in de kranke twijgen
\'t Verderf door zorgzaam snoeien stuit,
Herleven zij in spruit bij spruit
En zullen kracht en bloei herkrijgen;
Maar schoot de woeste bliksemvlam
Vernielende in de takken neer,
Dan kwijnt en treurt de ontsierde stam
En niet éen blaadtjen bot er meer.
Naar Lord nvkom.
HET PARADIJS EN DE PERL
(een oostersch verhaal.)
Ik zeg u, dat er alzoo blijdschap zal zflu
in den hemel over éenen zondaar die zich
bekeert, meer dan over negen en-negentig
rechtvaardigen, die de bekeering niet van
nooden hebben. — Luk. XV: 7.
I.
Eens stond, eer \'t vroege morgengloren
De blauwe wolkjens had omboord,
Een Peri, in gepeins verloren,
Voor Edens diamanten poort;
En toen haar nu de levensbron
Als harpmuziek scheen toe te klinken,
En zij in de ongeschapen zon,
Wier purperstraal
Het voorportaal
Weêrschittren deed, heur wieg zag blinken,
Vergoot ze een traan van boezempijn,
-ocr page 92-
84
Bij \'t troostloos denkbeeld dat dit Eden,
Met al zijn hemelzaligheden,
Voor eeuwig haar ontzegd zou zijn.
„Hoe zoet," dus klaagde \'t Kind der Lucht:
„Hoe zoet is \'t lot dier Geestenscharen,
„Wie duizend bloemen, duizend blaren,
„Omamen in den zefierzucht,
„Die nimmer voor het stormgerucht
„Verwelken of ter neder vallen!
„Schoon \'k al den bloesemgeur geniet,
„Waar aarde en zee van overvliet,
„\'t Gestarnte zelfs mij rozen biedt,
„Éen hemelknop beschaamt hen allen! —
„Hoe heerlijk ook Gashmyres vloed
„Charchenaur\'s gordel van platanen
„Weerspiegelt in zijn waterbanen,
„Verguld door d\' avondzonnegloed,
„Hoe lieflijk in dat tooverdal
„De vlugge springvloed ruische en schall\',
„En flikkre als kristallijn,
„Hoe schoon Singsuhay\'s waatren zijn
„En al de ontelbre gouden vloeden,
„Die zich naar hunne omarming spoeden....
„Helaas, éen golf, — getuig het, gij,
„Gij die het weet, o Geestenrij! —
„Een golf der hemelheilfonteinen
,Zou \'t alles dof en donker schijnen!
„Ga, ijl ter vlucht en zweef zoo ver
„De vuurwal strekt der wijde schepping,
„Met onvermoeide vleugelrepping
„Van zon tot zon, van ster tot ster!
„Smaak eeuwen lang wat elke sfeer
„Verrukkends en volzaligs teelde! ....
„Bij éen sekonde hemelweelde
„Zinkt alle weelde in \'t niet ter neer!"
De blinkende Engel, die de deuren
Des lichts bewaakte, zag haar treuren ;
En toen hij nu van dichterbij
Heur roerend klaaglied had verstaan,
Bedauwde een godlijk medelij\'
-ocr page 93-
85
Zijn blauwende oogen met een traan,
Een drop gelijk der levensstroomen,
Als hij de azuren bloem besproeit,
Die nooit aan aardsche bloemenzoomen,
Maar slechts in Eden bloeit:
„Nymf van een schoon maar boos geslacht!
„Een hoop is de uwe!" sprak hij zacht:
„Daar staat in \'t boek des lots geschreven:
„„Dier Peri wordt heur schuld vergeven,
„„Die God uit lager waerelddreven
„„De schoonste gift heeft aangebracht."
„Ga, zoek haar, bid en boet uw zonde,
„En ras slaat uw verlossingsstonde!"
Snel als die starren, waar bij nacht
De in vlammen tlonkrende Englenwacht,
Dien heirstoet, die, in \'t pantser glimmend,
Den steilen hemelburcht beklimmend,
Den Lusthof te verwoesten tracht.
Meê nederbliksemt uit de wolken,
En dwarlen doet naar \'s afgrondskolken,
Vloog nu de Peri naar beneên,
En, zwerk en ether doorgetrokken,
Het dauwvocht schuddend van de lokken,
Waar \'t licht zich in te spieglen scheen,
Zag zij weldra in d\' uchtendgloed
Deze aarde drijven aan heur voet.
Maar waar zal \'t Luchtkind nederstijgen,
Wil zij de hemelgift verkrijgen ?
„Ik weet," riep ze uit, „wat rijken schat
„Die urnen van porfier bewaren,
„Die, onder Chilminar\'s pilaren,
„De moederschoot der aard bevat;
„\'k Weet op wat diepte er in den vloed
„Het Geureneiland liggen moet,
„Ten zuid\' der weeldrige Arabieren;
„\'k Weet waar de vlugge Genii
„Iamschid\'s beker van saffieren
„Verborgen, d\' eerebeker, die,
„Gebodemd met het smijdigst goud,
„De levensdrupplen in zich houdt:
-ocr page 94-
86
„Maar — \'t zijn geen giften voor den Hemel!
„Waar was ooit edelsteen zoo schoon
„Als iedre trap van Allah\'s troon,
„Waar om, in purper lichtgewemel,
„Omkleed van glans en majesteit,
„Op gouden vleuglen de Englen hupplen?
„En wat, wat zeggen levensdrupplen
„Bij \'t grensloos meir der Eeuwigheid?"
Zoo sprak zij, en, van geur omwademd,
Bewoog heur ruischend wiekgespan
De lucht van \'t bloeiend Hindostan,
Waar ieder windtjen balsem ademt,
Wiens zee langs amberbedden stroomt,
Door klippen van koraal omzoomd;
Wiens rotsgebergte, hoog verheven,
Den kostbren diamant omsluit,
Wiens beeken, schittrende als een bruid,
Heur golfjens goud te strooien geven
Voor iedren kus aan \'t oeverkruid;
Wiens specerij" en sandelwnuden
Ten Paradijs verstrekken zouden.
Maar ach! bemorst met menschenbloed,
Zag nu \'t kristal van vliet en vloed
Zijn blauwen spiegel purper kleuren:
Een lijkreuk, neevlig opgedaagd,
Had nu de frissche hemelgeuren,
Die \'t boschjen loosde, weggevaagd;
En met d\' in wolkjens opgevlogen,
Volzoeten walm van \'t bloemtapeet,
Steeg ook de woeste tijgerkreet
Van wraak en bloeddorst naar den hoogen.
O land der Zon! wat reuzenvoet
Heeft in uwe akkers rondgewoed?
Wat arm vernielde, uw altaarzoden,
Uw tempelzuilen en pagoden,
En stormde uw ofl\'ergrotten neer?
Wie bonsde uw fiere vorstenzonen
Verplettrend van hun duizend troonen,
En vloekte en hoonde uw Godenheir?. .. .
\'t Is Mahmoud 1 — Alle zetels duizlen,
-ocr page 95-
87
Waar hij verwoed zijn slachtstaal zwaait;
Met diadeera- en sceptergruizlen
Is zijn verwoestend pad bezaaid;
Hij siert zijn doggen met juweelen,
Die hij d\' ontwijden zwanenhals,
Ja, zelfs \'t geschonden boezemmalsch
Van Rijkssultana\'s wist te ontstelen;
De Maagd, omstraald van jeugd en eer,
De Priester in zijn plechtgewaad, —
Niets, niets, dat zijn geweld weerstaat:
\'t Stort al zieltogend neer;
En van onschuldig bloed bespat,
Dempt hij, aan \'t hoofd van zijn barbaren,
Met de in elkaar getrapte altaren
Het Godgeheiligd offernatt
De Peri sloeg haar blik naar de aard;
En zie — op \'t mistig lij ken veld
Ontwaart haar oog een jeugdig Held :
Het roodbepurperd krijgsmanszwaard,
Voor de eer van Land en God bestemd,
Lag aan zijn voet vergruisd,
En dreigend hield zijn ijzren vuist
Den laatsten pijl omklemd.
„Leef!" riep nu de Aard veroveraar:
„Leef, jongling! leef en deel mijn glorie,
„Mijn troon, ja, heel mijn krijgsviktorie!"
Maar zwijgend stond de jongling daar,
En zwijgend wees hij op den vloed,
Misverfd van dierbaar broederbloed —
Toen was \'t op eens of hemelzegen
Den held een gloed als \'t zonnelicht
Deed vonklen van het aangezicht,
En gonzend vloog zijn laatste schicht
Den Dwingeland ten andwoord tegen!
Maar — \'t boogstaal mist! — de Dwingland leeft,
En ach, de fiere strijder sneeft! —
Weemoedig zag de Peri \'t aan;
En toen het daavrend krijgsgerucht
Op \'t slagveld was voorbijgegaan.
-ocr page 96-
88
Liet ze uit het ruim der lucht
Op een der purpren morgenstralen
Naar \'t heldenlijk zich nederdalen,
En ving er d\' allerlaatsten drop
Van \'t bruischend bloed zijns harten op.
„Dit zij," riep ze opwaartsstijgende uit,
„De gift die me Edens poort ontsluit\'!
„Onrein voorzeker zijn die droppen,
„Die haat en wraakzucht vloeien doet;
„Maar bloed als dit, geheiligd bloed,
„Dat eens een vrije borst deed kloppen,
„Zou zelfs den zuivren levensvloed,
„Wiens golfjens \'t Paradijsmosch lekken,
„Niet Iroebel maken of bevlekken!
„O, is er éen geschenk op Aard
„Den smettelozen Hemel waard,
„\'t Is \'t bloed dat op een boezem kleeft,
„Die voor het Recht en voor de Vrijheid sneeft! \'
„„Zoet,"" liet zich minzaam de Engel hooren,
\'t Geschenk ontfangende uit heur hand:
„„Zoet klinkt het welkom hem in de ooren,
„„Die dus bezweek voor \'t Vaderland!
„„Maar zie — de grendel van \'t kristal
„„Blijft onbewogen als voordezen —
„„Nog heilger moet het offer wezen,
„„Dat u de Heildeur oopnen zal!""
II.
De Peri smolt in traan bij traan,
Toen zij heur eerste en zoetste hoop
Dus redloos zag vergaan,
En sneller dan ooit antiloop
Of aadlaar voortsnelt langs zijn spoor,
Drong zij op nieuw de wolken door,
Tot zij zich eindlijk, moê van \'t dwalen
Op Luna\'s bergen neer liet dalen.
Daar sterkte zij, in d\' avondgloed
Zich koestrend, haar vermoeide krachten,
En wiesch heur doffe vleugelschachten
-ocr page 97-
89
Weer zuiver in Egypte\'s vloed,
Wiens bron, voor \'t kroost der aard verholen,
In \'t diepst der wouden ligt verseholen,
Waar vaak een blijde Nymfenstoet
Heur dierbren Nijl versiert en tooit,
Zijn wieg omzweeft in vlugge dansen,
En met ontelbre loverkransen
Dien jongen Reus het hoofd bestrooit.
Toen hief zich de arme Balling zuchtend
Weer op, door de avondlucht omstroomd ;
En, over grotten, palmgeboomt\'
En vorstentomben henen vluchtend,
Dreef zij tot boven \'t lieflijk dal
Rosetta voort, waar \'t vreugdgeschal
Der blijde vooglen en vooral
\'t Welluidend duifgekir haar boeide;
En wel te moede zag zij \'t aan,
Hoe \'t zilverglanzig licht der maan
Op \'t dons der pelikanen gloeide,
Wier sneeuwen vleugel \'t blauwend vlak
Van Moeri\'s waterspiegel brak.
\'t Tooneel was schoon — geen rijker oord
Had ooit een sterflijk oog bekoord:
Wie had gewaand, die in dit uur
Dit bloeiend bergdal had aanschouwd:
Die malsche vruchten, geel als goud,
Bestraald door \'t zuiverst hemelvuur;
\'t Met groen omkroonde dadelwoud,
Dat, als een vrouw, wier stralende oogen
Door zoete sluimring zijn betogen,
Het kwijnend hoofd gebogen houdt;
Die leliën, die heel den nacht
Heur maagdelijke bloesembladen
In \'t sprenklend nat der golfjens baden,
Opdat ze in nieuwen glans en pracht
Uitschittren als de morgen lacht;
Die tempels, half tot puin vervallen,
— Ruïnen van een droomgezicht,
Dat lang in \'t niet verloren ligt! —
Waar de uil alleen haar stem doet schallen,
-ocr page 98-
90
Die galmend door de welfsels krast;
En niets liet zoekend oog verrascht,
Ten zij bij wijlen \'t maangeflonker
Zeeghaftig henendringt door \'t donker,
En in heur tintelgloed
Op een geknotte prachtpilaar
Het purperkleurig vleugelpaar
Van een sultana scheemren doet,
Die, van haar vederpracht omblonken,
In doodlijk zwijgen weggezonken,
Een afgodsvogel schijnen moet; —
Wie had gewaand, dat zelfs ook hier,
Waar enkel \'t wiekjen van zefier
Het veld met bloemen moest bezaaien,
De schrikbre Demon van de Pest.
Voor wien de schoonste bloem verfletst,
Zijn zwarte reuzenvlerk deed waaien,
En, heet en blakende als het zand
Dat in de woestenijen brandt,
Zijn offers in onnoembre tallen
Door zijn verzengende\' ademtocht
Als zwakke planten neer deed vallen,
Waar langs de Simoum bruischen mocht t
En toch .... het dalend zonnelicht
Zag menig jeugdig aangezicht
Van blijdschap en gezondheid glansen,
Dat nu, door \'t gif der pest besproeid,
Misvormd, geloodverwd en verschroeid,
Geen zon meer zien zal aan de transen!
En eenzaam slaapt het licht der maan
Op stapels saamgetaste dooden,
Die stervende uit hun woning vloden,
Om onbegraven te vergaan.
De havik, vlammende op zijn buit,
Deinst immer walgend achteruit
En huivert van zoo droef een voedsel;
Alleen het woest hyeengebroedsel
Sluipt in den stillen midnachtstond
Met nauwlijks hoorbren tred
Door de uitgestorven wijken rond,
En mest aan \'t bloed zich vet;
-ocr page 99-
01
En wee hem, die, zijn koets ontvlogen,
Van smart ontzind naar buiten vliedt,
En nu op eens die loerende oogen
Op hem hun bliksems werpen ziet!
„Rampzalig Menschdom! o hoe laag
„Deed de allereerste schuld u vallen!
„Wat Edensbloemen de aard nog draag\',
„Het gif der slang besmet haar allen!"
Dus sprak de Peri en vergoot
Een traan; en zie, terwijl hij vloot,
Blonk hooger straalgloed om haar henen
En heel de zwarte lucht werd blauw:
Want heilig is de hemeldauw,
Dien zulke Geesten om ons weenen! —
Doch — uit een groep oranjeboomen,
Met wier geblaart\' de nachtwind koost,
Gelijk een grijzaard met zijn kroost
Wordt eensklaps aan de groene zoomen
Van \'t meir, een dof gekerm vernomen:
Het was de droeve jammerklacht
Van een, die in den stillen nacht
Zich hier een plek had opgezocht,
Alwaar hij eenzaam sterven mocht,
Die sints den mergen van zijn leven
Zoo veler minnend hart bezat,
En nu, van iedereen begeven,
Als hadd\' men nooit hem liefgehad,
Alleen en onbeweend moest sneven!
Geen waakt er naast hem, geen verkoelt
De vlam die in zijne aadren woelt,
Zelfs met geen teug van uit dat meir.
Dat zoo verfrisschend schijnt;
Geen stem eens dierbren, zacht en teer,
Zal hem dat zoet „vaarwel!" doen hooren,
Dat, als elke andre klank verdwijnt,
Nog als een harptoon ruischt in de ooren,
Die laatste en troostende afscheidsgroet
Aan \'t levensbootjen, dat de baren
Van \'t donker doodsmeir overvaren,
-ocr page 100-
92
En \'t strand der aarde ontsteevnen moett
Verlaten Jongling! — Éen gedachte,
Éen zalig denkbeeld nog verzachtte
De wanhoop van zijn stervenssmart:
Zij, die zoo trouw zijn pad bebloemde,
Die hij verrukt de z ij n e noemde,
De wellust van zijn hart,
Z ij was beveiligd voor de woede
Der krankte, die zijn boezem voedde:
Beveiligd in de vorstenhal
Haars vaders, waar \'t verfrisschend zuchtjen
Van \'t geurenstrooiend balsemluchtjen,
De koelte van den waterval,
En \'t reukhout dat de lucht dooraamde,
Zoo zuiver waren als de glans
Haars elpen voorhoofde, dat den trans
Der lentedageraad beschaamde.
Maar zie — wie snelt met vluggen voet
Daar eensklaps door \'t oranjewoud,
Gelijk een jonge heilheraut,
Gehuld in rozengloed?
Z ij is \'t! — De gloor der maanlichtstralen
Wijst reeds van ver de Bruid hem aan,
Die met hem in de groeve dalen,
Maar zonder hem de keizerszalen
Van heel een waereld af zou slaan!
Zij vindt hem, en vol zoete smart
Prangt zij den Bruidegom aan \'t hart,
En kust en liefkoost hem; nu pressen
Heur frissche kaken zijn gelaat,
Dat d\' onontwijkbren dood verraadt,
Dan doopt zij weer de ontvlochten tressen
In \'t meir dat aan heur voeten plascht,
En windt die om zijn voorhoofd vast,
Tot koeling van zijn gloed. —
Achl weinig had hij eens vermoed,
Dat ooit een vreeslij k uur zou naadren,
Dat hij met rillende angst in de aadren
Terug zou beven voor haar blik.
En niet dan krimpende van schrik
Zich door heur armen doen omstrenglen,
-ocr page 101-
93
Hem heilig als de wieg der Englen! —
Nu duldt hij voor een korten poos
Heur zielverteedrend mingekoos,
En dan weer wendt hij \'t aanschijn af,
Als bracht heur mond hem pest en graf,
Heur thands zoo onbevreesde mond,
Die tot op dees verschrikbren stond
Nooit ongevraagd of zonder schroomen
Den zijne \'t kusjen toe deed stroomen!
„O laat voor \'t minst uw ademzucht
„Zich met den mijne samenmengen!
„Zijn wiek moog\' dood of leven brengen,
„Mij is hij hemelamberlucht! —
„Ja, drink mijn tranen nu zij vlieten,
„En kon mijn bloed uw boezempijn,
„Hoe kort dan ook, tot balsem zijn,
„\'k Zou \'t tot den laatsten drop vergieten!
„Neen, wend dien dierbren blik niet af! —
„Ben ik niet de uwe — uw eigen Bruid?
„Uw oogelijn. die, tot in \'t graf,
„U in heur armen sluit?
„Waant gij, dat zij, wier steun gij waart
„Te midden van een donkre Aard,
„Dien nacht, die bij uw henengaan
„Ter neer moet dalen, door zal staan?
„Dat ik kan leven als gij vielt,
„Gij, ziel en leven van mijn leven? ....
„Neen, ook het treurend blad moet sneven,
„Wanneer de orkaan den stam vernielt! —
„Hef dan naar mij het hoofd omhoog,
„Eer mij ook \'t aanzijn moet ontglippen,
„En deel, gekluisterd op mijn lippen,
„Mijn laatsten levenstoog!"
Zij zwijmt — zij valt.... Gelijk de lamp
Verstikt in muffen kerkerdamp,
Zóo bluscht zijn afim heur stralende oogen,
Thands door de wolk der Pest omtogen,
Een worstling nog — het leven zwicht
Heur minnaar is niet meer!
-ocr page 102-
94
Éen kus, èen vuurkus lang en teer,
Drukt ze op zijn stervend aangezicht
En stort zieltogend neer.
„Slaap!" riep de Peri zeegnende uit,
En ving nu, naderbij gekomen,
Het laatste zuchtjen op der Bruid:
„Ja, wiegel u in tooverdroomen,
„Van zoeter amberlucht omringd,
„Dan ocit om \'t nest des Phenix zweeft,
„Die zelf zijn eigen lijklied zingt,
„En in muziek en geuren sneeft!"
Zoo spreekt zij, en heur heilige adem
Doorriekt de lucht met rozenwadem;
Het rnosch aamt wierook waar zij staat,
En schuddend met heur stralenkrans
Verspreidt zij zulk een hemelglans
Op beider bleek gelaat,
Dat zij twee Heiligen geleken,
Die bij den jongsten morgenschijn
Hun grafspelonk ontnomen zijn,
En als een schoone Cherubijn,
Die, uil de heemlen neergestreken,
Getrouw de wacht hield over \'t paar,
Tot dat het, juichend opgerezen,
Uit d\' ijzren slaap ontwaakt zou wezen,
Stond de eedle Peri blinkend daar.
Maar de ochtend bloost aan de oosterlucht;
De Peri stijgt de wolken in,
En draagt verheugd dien kostbren zucht
Van zuivere, onverwrikbre min.
De hoop op Eden\'s palmenlover
Duet haar het harte hoorbaar slaan,
Want nauw gaf zij de heilgift over,
Of minzaam loeg haar de Engel aan:
Reeds hoort zij hoe het Hofgeboonit\'
Weerklinkt met zijn kristallen bellen,
Door d\' ambrozijnen wind omstroomd,
Dien Allah van zijn troon doet snellen,
-ocr page 103-
95
En duii 11 ijk ziet zij keer bij keer
De ontelbre starrenbekers blinken
Rondom het strand van \'t schittrend meir,
Waar de Uitverkoornen van den Heer
Den eersten hemelheilteug drinken.
Maar vruchtloos hoopt ze, en als weleer
Wordt de onvergankbre lichtpoort weer
Gesloten voor heur blik: „Nog niet!"
Sprak de Engel, die met zielsverdriet
Haar \'t Paradijsgezicht ontrukte,
En dus een vlijm in \'t harte drukte:
„De Maagd was trouw, en lang, voorwaart
„Zal heel de blijde Serafsschaar
„Heur daad die boven Allah\'s hoofd
„In vlammenschrift, dat nooit verdooft,
„Gegrift staat, lezen en herlezen: ....
„Maar zie — de grendel van kristal
„Blijft onbewogen als voordezen:
„Nog heilger moet het offer wezen,
„Dat u de heildeur oopnen zal!"
III.
Zacht gloeide \'t geurig Land der rozen,
Heel Syriën, in \'t avondblozen,
En als een lichtkrans blonk de zon
Om \'t hoofd van d\' ouden Libanon,
Waarop, onsmeltbaar voor heur stralen,
De Winter in zijn sneeuwkleed rust,
Terwijl in groene myrthendalen
De Zomer hem de voeten kust.
Wat zoete vreugde moest die glans,
Die pracht beneden, hem niet geven,
Die over al die tooverdreven
Zijn oog liet wijden van den trans:
Volschoone gaarden, looffestoenen,
Door stroomen van azuur besproeid,
Met oevers, blinkend van meloenen,
Wier goud als dat van \'t zonlicht gloeit;
-ocr page 104-
96
De hagedis, die langs altaar
En tempelpuinhoop henenklimt,
En van zoo hel een luister glimt,
Als of ze uit licht geschapen waar\';
En, schooner nog, de duivenstoet
Die op de kruin der rotsen zit,
Wier rappe wieken, leliewit,
Doch purper door den rozengloed
Van \'t koestrend west, aan alle kanten
Zoo heerlijk schift ren in het oog,
Als waren zij met diamanten
Bestrooid, of door den regenboog,
Die uit de wolken nederblikt,
Met zevenkleurig licht doorstikt;
En voorts, de teêrgestemde noten,
De rieten herderspijp ontschoten,
Die zacht versmelten in \'t gebrom
Van d\' ongetelden bijendrom,
Die rondaast door de bloesemdalen;
Jordaan! het bruischen van uw vloed,
En \'t wieglend mastbosch aan uw voet,
Doorgalmd van duizend nachtegalen!
Maar niets dat de arme Peri troost:
Heur wiek is mat — heur kracht vergaan,
En onverschillig ziet zij \'t aan,
Hoe van haar hooge wandelbaan
De zon den.Tempel tegenbloost,
Die eens haar dienst was toegewijd,
Wiens zuilen over \'t grastapeet
Heur schaduw spreiden, lang en breed,
Als waren \'t wijzers, door den Tijd
Daar neergezet om hem de jaren
Te tellen, die hij heen\' zag varen.
Misschien toch lag bij wal of muur,
In een dier kaamren van de zon,
Een amulet, die, als azuur
Gekleurd in loutrend hemelvuur,
Den grooten naam van Salomon
Op \'t heilig zegel dragen kon;
-ocr page 105-
97
Of wel een tafel, dicht beschreven,
Die, als zij haar ontcijfren mocht,
Wellicht het doelwit van haar tocht,
\'t Verborgen oord haar op zou geven,
Dat d\' onwaardeerbren tooverschat
Waardoor zij Eden\'s hemeldreven
Herzien zou, in zijn schoot bevat! ....
Dit denkbeeld geeft haar nieuwe krachten,
En derwaarts rept zij snel heur schachten.
Nog lonkte \'t stralend hemeloog,
Een purpren weerschijn van zich gevend\',
Aan d\' onverbleekten westerboog,
Toen ze, over Balbek\'s dalen zwevend,
Een vrolijk zingend knaapjen zag,
Op wiens gelaat een blosjen glanste,
Zoo schoon als op de bloemen lag,
Waar langs hij dartiend henen danste,
De vlinders volgende in heur vlucht,
Die rond jasmijn en anjer spelen,
Als waren \'t zwevende juweelen,
Of bloemen, hupplend door de lucht.
En naast het kind, dat, moêgestoeid,
Nu neerlag op het. rozenmnsch,
Sprong, zichtbaar van zijn tocht vermoeid,
Een ruiter van zijn hijgend ros,
Wierp ongeduldig bij den bocht
Van d\' onbewogen heuvelstroom
Zich neder op den groenen zoom,
En laafde zich aan \'t koelend vocht;
Toen sloeg hij snel zijn wilden blik
Op \'t van gezondheid bloeiend wichtjen
Dat met nieuwsgierig aangezichtjen
Hem toeloeg zonder vrees of schrik,
Schoon nimmer \'t zonlicht nog zijn stralen
Op zulk een woest gelaat deed dalen:
\'t Was stout en somber, duisternis
En licht, ontzettend saamgepaard,
Als \'t donkerblinkend wolkgevaart\',
Wen \'t van den bliksem zwanger is.
Der Peri liet dat dreigend wezen
T
-ocr page 106-
98
\'t Verhaal van menig gruwel lezen.
B\'k Heb de onschuld door mijn wulpschen gloed
„Ten val gebracht, den reinen tempel
„Ontwijd, mijn eeden met den voet
„In \'t stof vertrappeld, en mijn drempel
„Bemorscht met schuldloos vriendenbloed !"
\'t Stond al op dat gelaat geschreven,
Zoo zwart als de inkt, waar de Englenrij
Al de euvlen door den mensch bedreven
Meè opschrijft, eer het Medelij\'
Die met heur traan heeft uitgewreven.
Doch kalm lag nu, als had de pracht
Der avondstond zijn hart verzacht,
De booswicht op de myrlhenblaan,
En blikte \'t spelend jongsken aan.
Maar toch — zoo vaak zijn heilloos oog
Op dat van \'t knaapjen nederdaalde,
Dat onder d\' effen wenkbrauwboog
Zoo onbewolkt, zoo vrolijk straalde,
Geleek het d\' ongewijden gloed
Van toortsen die op \'t vreugdfestijn
Der Hel ter eer ontstoken zijn,
Als plotsling haar de purperschijn
Van d\' aangebroken dag ontmoet.
Maar hoor! — terwijl het zonlicht vlucht,
Galmt uit bazaar en minaret
De roepstem tot het vroom gebed
Welluidend rond door de avondlucht.
De knaap springt op van \'t bloemkarpet,
En knielt op \'t geurenaamend kruid,
Het frisch gelaat gekeerd naar \'t Zuid,
In heilige verrukking neer,
En spreekt den naam van d\' Opperheer
Met zooveel eerbied uit,
Als ooit dat heilig woord de lippen
Van Cherubijnen mocht ontglippen.
Ja, dus, in liefde en dank ontbrand,
Met saamgevouwen kinderhand
En smeekend oog in \'t stof gebogen,
-ocr page 107-
99
Scheen hij een Engeltje\' uit den hoogen,
Dat, op zijn langen tocht verdwaald,
Op \'t geurig veld was neergedaald,
En nu gereed stond naar de sfeeren
Van licht en leven weer te keeren.
Dat onbeneveld luchtgewelf,
Die avondstond, dat biddend wicht,
O, \'t was een roerend aangezicht.
Een aanblik waarbij Ehlis-zelf
Om \'t voor altijd verloren Eden
Een zucht van weemoed ware ontgleden!
En wat gevoelde hij, die thans
Daar in den kwijnende\' avondglans
Ter neer lag — hij, de man des bloeds?
De erinnring bracht hem al de jaren,
In strijd en gruwlen weggevaren,
Voor \'t oog. en zweefde langs de baren
Zijns zwarten levensvloeds,
Maar vond geen plekjen waar de zon
Van kalme rust en vrede gloeide,
Of slechts éen enkle olijftak bloeide,
Waarmee zij hem vertroosten kon!
„Daar was een tijd, gezegend wicht!"
Zoo sprak hij, en de teerste smarte,
De roerendste oodmoed smolt hem \'t harte:
„Een schoone tijd van liefde en licht,
„Toen ik, geheel gelijk aan u,
„Nog juichte en bad als gij!.... En nu ?" ....
Hij buigt het hoofd — elk zuivrer doel,
Elke eedier hoop, elk rein gevoel,
Dal eens zijn ziel had aangedreven,
Maar ach! sints d\' lichtend van zijn leven
Tot ijs verkild was en versteend,
Hij ziet het alles voor zich zweven —
En — heilige ommekeer! — hij weent.
Hij weent! hij weent!.... O tranendrupplen
Van ongehuicheld zielsberouw !
Door God ontdooide balsemdauw!
-ocr page 108-
100
Gij doet het boetend harte hupplen,
Van \'t éenig-schuldloos heil vervuld,
Dat ooit gesmaakt wordt door de Schuld,
„Daar is," dus riep de Peri uit,
„Daar is een drop, die, als de gloed,
„Der Junizon Egypte\'s kruid
„Van felle hitte kwijnen doet,
„Op een der zilvren maanlichtglansen
„Weldadig afvloeit van de transen:
„Hij is met zulk een kracht bevrucht,
„Met zulk een godlijk heelvermogen,
„Dat waar hij neerdaalt uit den hoogen,
„De Pest ontzenuwd henen vlucht,
„En vreugde en bloei met stralende oogen
„Hun wiek doen ruischen door de lucht:
„Zóo, Zondaar! biggelt langs uw koon
„De traan, waar \'t echt Berouw in flonkert
„Ja, welk een smet uw ziel verdonkert,
„Die Hemeldroppel wischt haar schoon!"
En nu — daar zinkt hij naast het kind
Deemoedig op de kniën neer,
Zijn smeekbeê rijst op d\' avondwind
Geheiligd tot den Heer.
Zacht doet dezelfde zonnestraal
Den schuldige\' en den schuldelozen.
Van zegenenden weerschijn blozen,
En Englenzaal bij Englenzaal
Vermelden, bij \'t geruisch der palmen,
In juichende hozannagalmen.
Des Hemels zegepraal!
Reeds had het zonlicht uitgeblonken:
Het avondfloers betoog den trans;
Nog lag, van reine aanbidding dronken.
De boeteling in \'t stof gezonken, —
Toen onverwachts een stralenglans,
Zoo schoon als zon noch ster omvloeide,
Van uit de wolken nederschoot
En flonkrende op den traand rop gloeide,
-ocr page 109-
101
Die brandend langs zijn kaken vloot.
Al scheen die luister \'t menschlijk oog
De vuurvlam van den Noorderboog
Of eenig ander lichlgemengel,
O, beter kende \'t blij gemoed
Der Peri d\' oorsprong van dien gloedt! ....
\'t Was \'t zalig lachjen van den Engel,
Verrukt ter neerziende op dien traan,
Die, schoone boö van heur viktorie,
In nieuwherboren hemelglorie
Haar \'t Paradijs zou in doen gaan!
„O vreugde!" zoo zong zij, „mijn schuld is voldaan!
„De Heilpoort ontsluit zich, Gods troon lacht mij aan !
„Wat is bij uw luister, o Hemelsche Gaard!
„De glans van paleizen en schatten op aard?
„Daar is buiten de uwe geen schoonheid of pracht:
„Gij maakt al het andre tot tastbaren nacht.
„Vaartwei nu, gij geuren van lagere lucht,
„Zoo spoedig verwaaid als een minnende zucht!
„Ik ga waar de Touba de zaalgen beschauwt,
„En de adem des levens zijn blaéren bedauwt!
„Vaartwei nu, gij bloemen! die schittrend maar kort
„Mijn lichtkrans omstrengelde en nu reeds verdort!
„Wat zegt toch de schoonste, die me ooit heeft geboeid,
„Bij d\' eeuwigen Lotus, die Allah ombloeit?
„O vreugde voor immer! Mijn schuld is voldaan!
„De grendel deinst weg, \'t Paradijs lacht mij aan!"
Naai thohas mooie.
DE VERSCHIJNING VAN SAMUËL3 SCHIM AAN SAUL.
SAUL. DE TOOYERES VAN ENDOR.
saul, alleen.
Misschien.... nu ik in \'t eind Zijn Goddelijken wil
|™n weten, zwijgt de storm van \'s Heeren gramschap stil.
^f.\'iks valt de blinddoek. Mag ik hopen\'? Moet ik vreezen?
-ocr page 110-
102
O God! wat zal mijn oog in \'t Boek des Noodlots lezen?
Dat raadselachtig boek, verklaart het niet te vroeg
Zich-zelf? Heeft niet elk uur aan eigen kwaad genoeg?
Waartoe den tijd verhaast ? Waarom de kloof gemeten,
Eer \'k nederstort?. . . . Waarom? Ik wil de waarheid weten
Te lang, te lang alreeds in tastbren middernacht
De onzichtbre slagen des vervolgers afgewacht!
Veel liever dan het hoofd verschrikt op zij\' te wenden,
Doorschonw ik met één blik heel \'t weefsel van ellenden 1
(De Tooveres van endor verschijnt ten tooneele.)
Zijt gij de Zienster, wie de Toekomst is onthuld,
Die Isrels Koning thands zijn lot voorspellen zult?
DE TOOVERES.
Ja Vorst!
SAUL.
Wie zijt gij dan ?
DE TOOVERES.
De stemme des Almachten!
SAUL.
Beef, zoo gij liegt!
DE TOOVERES.
Beef zelfl
SAUL.
Wat heb ik dan te wachten?
DE TOOVERES.
Uw vonnis!
Spreek 1
SAUL.
DE TOOVERES.
O God, waarom uit heel Uw volk
Juist mij verkoren tot Uw vreesselijke tolk?
Mijn kunne is teder, en mijn hart van angst bezweken:
Benoem een sterker om Uw oordeel uit te spreken,
Dat \'s Konings hoofd bedreigt! Geduchte 1 wie ben ik?
-ocr page 111-
103
saul, verwonderd.
Hoe! beving in uw stem en tranen in uw blik?
Gij, zwakke vrouw, wilt gij Gods stedehouder schijnen?
DE TOOVERES.
Heer, doe de deernis uit mijn weeke ziel verdwijnen!
SAUL.
Gehuichelde angst! Besluit dit langgerekt tooneel!
DE TOOVERES.
Neen, Koning! maar het woord besterft mij in de keel.
saul, toornig.
Ik ben uw dralen moê: gij liegt, of hebt gelogen.
Spreek, zoo gij spreken kunt — zoo niet, ontwijk mijn oogen I
DE TOOVERES.
Mocht ik ontwijken, en den geest der profecy
Begraven in den schoot der stomme woestenij!
Maar neen, God-zeli weerhoudt me, en weigert mij \'t ontvlieden;
Hij dringt me, en drijft mij aan, ik kan geen weerstand bieden.
Ja, \'k voel uw bijzijn, Heerl voor Wien ik nederkniel,
En al uw ij vervuur gaat over in mijn ziel.
(In angstige ontroering.)
Maar welk een bloedig licht straalt eensklaps in mijne oogen?
\'t Ontzet me, en trekt mij aan. . . . Stil! \'t floers is weggetogen,
De Toekomst opent zich .... Bont ligt zij ondereen ....
Wat chaos overal van bange tegenheên,
Van reine deugden en afgrijslijke euveldaden!
Hoe toch vereenig ik de dwarrelende draden ?
Saul.... Michal.... David .... Ach, ook Jonathan, ook hij!. ...
\' raag, Koning! vraag niet meer, maar laat uw dienstmaagd vrij!
saul, bevende.
pij hebt van David en van Jonathan gesproken,
» Laat u niet vrij, voltooi!
-ocr page 112-
104
DE TOOVERES.
De zon is doorgebroken,
Ik zie nu klaar. Hij is \'t!
SAUL.
Wie?
DE TOOVERES.
David.
SAUL.
Nu, wat meer\'?
DE TOOVERES,
Hij overwon! .... Voorwaar, gerechtig is de Heer!
Hoe blinkend, David, is uw zegepraal! Hoe edel
Uw majesteit! En zie, wat blinkt daar op uw schedel ?
SAUL.
Voleind!
DE TOOVERES.
Een Koningskroon!
SAUL.
Die logen is te grof,
M ij n kroon op Davids kruin !. .. .
de tooveres, op Magenden toon.
En krimpt gij daar in \'t stof,
Rampspoedig Jongeling? De heuvelen weergalmen
Van rouw, en Kades treurt met al zijn groene palmen ....
Genade, o God! betoom Uw gramschap! .... Gij verstiet
Den Koning, \'t zij zoo! maar kastijd den Vader niet! .. . .
Vergeefs! .. . . daar heeft de dood den bloesem neergeslagen !
Helaas! en David-zelf barst los in jammerklagenl
SAUL.
O, zwijg nu! \'t is genoeg! \'k heb reeds te veel gehcord.
IDE TOOVERES.
Saul! om uw gruwlen wordt uw schuldloos kind vermoord.
Gods heiligheid kan geen verworpeling gedoogen;
Hij doodt zijn nageslacht met d\' opslag Zijner oogen,
Hij scheurt het purper....
-ocr page 113-
105
saul, haar met drift in de reden vallende.
Zwijg! ik zeg u, zwijg!
DE TOOVERES.
Neen hoor!
God-zelf blaast door mijn stem Zijn vonnis u in \'t oor!
Hij scheurt het purper van uw koninklijke leden,
V.n zal er Juda\'s stam voor immer mee bekleeden;
Al \'t heil U toegezegd, wordt David weggeleid,
Het erfdeel van zijn kroost, nu en in eeuwigheid!
Wat heil op Davids hoofd als balsem uitgegoten!
Hoe schiet zijn wortel uit in Koninklijke loten!
Wat zie ik? .... Englen, juicht op nooitgehoorden toon!
Een God in menschlijk vleesch, een Godmensch wordt zijn zoon !...,
SAUL.
Tliands is uw euvelmoed ten hoogsten top gestegen!
De leugen ademt mij uit uwe orakels tegen:
God wees den troon mij aan, en God verandert niet!
DE TOOVERES.
Maar Hij verwijst ter dood wie roekloos Hem verliet!
SAUL.
Gelooft gij, dat uw mond mij ongestraft kan schenden\'?
DE TOOVERES.
Gelooft gij, dat uw hand Gods vonnis af kan wenden ?
SAUL.
We°t gij wat lot u wacht?
DE TOOVERES.
Ik weet, dat gij uw schuld
Met deze uw eigen hand wanhopig boeten zult!
Ik weet, dat, eer de zon verdwijnen zal van de aarde,
God-zelf bezeeglen zal wat God mij openbaarde ! . . . .
koorts, arme Vader! arme Koning! wees gegroet!....
(«t> wil vertrekken, maar Saul weerhoudt haar met geweld.)
-ocr page 114-
106
SAUL.
Neen! neen! bedriegster, blijf! — Verroer geen enklen voet!
\'k Verdroeg dien hoon te lang, en wil uw helsche logen
Ontmaskren. Als Gods hand mijn gruwlen aan uwe oogen
Ontdekt heeft, noem ze dan! . ...
DE TQOVERES.
De hooge Hemel ziet
Wat de Aard verborgen bleef: verzoek den Hemel niet!
SAUL.
Spreek, zoo gij kunt!
DE TOOVERES.
De schim van Samuël zal spreken!
SAUL.
Wat, Samuël?
DE TOOVERES.
Waarom doet u die naam verbleeken ?
SAUL.
Maar wat gemeenschap heeft die Samuël met mij ?
DE TOOVERES.
Wie stiet hem \'t moordend staal in \'t schuldloos hart?
SAUL.
Wie?
DE TOOVERES.
Gij!
saul, woedend met zijn lans op haar toetredende.
Gij Monster! \'k heb te lang uw razernij verdragen!
De maat is eindlijk vol — het wraakuur heeft geslagen!
{Gereed haar te treffen.)
Ga meld uw Zender, meld uw Samuël het lot,
Dat ik mijn lasteraars bereid hebl ....
(Op hel punt haar te treffen, ziet hij op eens de schim i\'dn
samuël, hij laat de lans vallen en deinst terug.)
-ocr page 115-
•107
Groote God!
Wat zie ik? Samuël! De doode \'t graf ontstegen 1
De schrik slaat mij om \'t hart. Hoe grijnst dat oog mij tegen!....
Vergeving, bleeke schim I Vergeving! Ja, \'t is waar,
\'t Is al te waar, helaas! ik ben uw moordenaar! ....
Hoe! vloeit na zooveel tijds het bloed nog uit uw wonden?
Komt gij u wreken? .... Hier, stoot toe!....
(Hij ontbloot zijn borst en knielt.)
Hij is verzwonden!
(Onder deze laatste woorden verdwijnt de Tooveres.)
Naar de lamaetini.
DE DOOD VAN JONATHAN.
DEN ZOON VAN SAUL.
Fragment uit een onuitgegeven Bijbelsch Treurspel.
[Het Tooneel verbeeldt een stageld, met dooden bezaaid. Het is narht. jonathan, ge-
vond, treedt langzaam op, aoor den grijzen
ezba, zijn wapenknecht ondersteund.]
jonathan, met moeite voortstrompelende.
Waar zijn wij, Ezra? spreek! Wat zwerven we op en neer?
Verlaat me en red u-zelv\', m ij wacht geen redding meer I
Mijn bloed vloeit haastig weg; mijn wankle knién knikken,
En \'t licht verdwijnt reeds voor mijn schemerende blikken.
ezra, alle krachten inspannende om hem verder te voeren:
Och, lieve meester, houd op deze plek geen stand!
Val toch niet levend in der Philistijnen hand!
Tien schreden nog!
jonathan, na eene vruchteloze poging om verder te gaan.
• Helaas, mijn krachten zijn geweken,
\'k Voel in mijn kille borst het siddrend harte breken;
Het is gedaan: ik sterf!
ezra, diep bewogen.
O doodelijke ellend!
Hij sneuvelt! en ik heb den slag niet afgewend!
-ocr page 116-
108
Ik kan mijns meesters hart aan \'t mijne niet verwarmen ;
Ik kan zijn dierbre leest niet torschen in mijne armen :
De sterkte en vlugheid van mijn jonkheid zijn voorbij —
Al wat ik, Grijsaard, kan, is — sterven aan uw zij\'!
jonathan, met moeite.
Hoor, dierbare Ezra! hoor mijn allerlaatste bede!
Als God den Koning spaart, deel hem mijn sterven mede,
/eg hem, dat Jonathan met onverschrokken ziel
Het graf zag gapen en niet zonder glorie viel!
Dat ik hem srneek om toch met David niet te strijden,
Dat ik de schuld betaal van diens onschuldig lijden,
Dat ik mijn Vader steeds met dankbaarheid gedenk,
En \'t Vaderland met vreugd mijn laatsten bloeddrop schenk !
ezra, onder tranen.
Ik gaf u d\'eersten groet, moet ik den jongste\' u geven?
Moest ik vergrijzen om uw jonkheid te overleven?. . . .
Maar is de Heer niet groot en wonderlijk van macht?
Indien de morgen eens gezegende uitkomst bracht?
Zoo eens een Engel Gods met snelle vleugelslagen
U naar een veilig plekje op de armen weg kwam dragen!
Ik luister.... maar, helaas! \'t is doodstil overal ....
JONATHAN.
Ga! waan niet, dat voor mij de hemel scheuren zal!
Ik wacht geen wondren, en ik wensch ze niet, o Heere! —
Een enkle waterdronk is al wat ik begeere.
ezra, rondzoekende.
Ik zoek vergeefs in \'t rond, geen springfontein, geen vliet,
Geen koele dauwdrop zelfs in \'t uitgedord verschiet!
Dat mijn verstramde hand één druppel op mocht graven!
Dat ik ten minsten met mijn tranen u kon laven!
JONATHAN.
Neem hier mijn krijgshelm; daal in Kedrons vlakte neer.
Schep me uit de beek een teug, en keer gezegend weer!
-ocr page 117-
109
ezra, neemt den helm en verwijdert zich.
Gij, die den vogel schiept en die den wind doet zweven,
O God! wil Gij mijn voet onzichtbre vleuglen weven!
jonathan, alleen.
Verberg me, Algoede! voor der Philistijnen oog!
Geef dat mijn lijk niet in hun handen vallen moog!
Verstrooi mijn beendren niet, o Isrèls trouwe wachter!
Laat de assche van zijn kind althans den vader achter! ....
Den vader! Hemel, ach! dit eigen oogenblik
Bezwijkt ook hij misschien, terwijl zijn afscheidsnik
Zich mengelt met mijn naam! .... En waar mag David zwerven\'?
O Michal, zuster! zal de mare van mijn sterven
Niet als een donderwolk losbarsten op uw hoofd?
Jehovah wil het dus: Jehovah zij geloofd!.. .
Waar Ezra toeven mag? 1600 hij niet weer mocht komen....
Een duizling grijpt mij aan: \'t is of een wakend droomen
Mij zacht in sluimring wiegt; ik voel de last verlicht,
Die straks mij neerboog, en mijn oogen vallen dicht.
Mijn Ezra komt te laat.... O God van mijn vertrouwen,
Laat bij \'t ontwaken mij Uw heerlijkheid aanschouwen!
(Hij valt in slaap aan den voet van een boom.)
saul, treedt langzaam op, zonder zijnen zoon te bemerken.
Waar zal ik vluchten? Waar, in dit rampzalig oord,
Toeft Isréls overschot ? Of sloeg de bleeke moord
Zijn scherpen sikkel uit tot in de laatste scharen,
Tot in den laatsten man, om mij alleen te sparen?
Waar ben ik? In mijn kamp! .... Zietdaar de tentenrij,
Straks zoo luidruchtig, thans een stomme woestenij!
O gij, mijn strijders! gij, mijn onversaagde helden!
Dit is de weerkeer dan, dien wij elkaar voorspelden,
De zegetocht, u door uw Koning toegezegd!
Hoe is die Koning-zelf in \'t stof des doods gelegd!
Neen, erger! in het slijk der schande neergestoten!
Hoe zijn die lippen nu zoo plotseling gesloten,
Noch juichend voor een uur? De weergalm mijner schreên
Ontroert me. Ik kom terug, maar zonder u, alléén!
Want ik-alléén nog leef. Door jaloezy gedreven,
Hooft de Almacht mij mijne eer, en doemt ze mij te leven.
-ocr page 118-
110
En ik zou leven? ik, een schaamle deerenis
Afbeedlen van een volk, dat mij een gruwel is?
Dat mij zijn lagen spot in \'t aangezicht zou slingren,
En, — toppunt van ellend! —• misschien met vuige vingren
Den koningsdiadeem als een bezoedeld lint
Zou rukken van mijn kruin en strooien in den wind!
Neen, liever honderdmaal ten bloede toe gestreden!
Met eigen koningshand mijn dagen afgesneden:
Is dan Gods haat zóó fel, Gods overmacht zóó groot,
\'k Ontvlucht Zijn grimmigheid in de armen van den Dood!
(Hij trekt zijn zwaard.)
Maar Jonathan? Helaas, wie doet den vader weten
Of Jonathan nog leeft? Zal hem des vijands keten
Mishandlen? \'s vijands voet vertreden? Tenger kind,
Wat zal hem wachten, als zijn allerlaatste vrind,
Zijn vader, hem verlaat? Ach, de erfenis zijns vaders,
Wat is ze? Een wankle troon, doorgraven van verraders,
De schand, de slavernij! Ik mag niet sterven, neen!
\'k Wil voor mijn lieven zoon het noodlot tegentreèn,
In de oogen blikken en braveeren! \'k Heb zoo even
Den dood geroepen, maar mijn Jonathan moet leven;
Dies roep ik \'t levf>n nu! \'k Wil hopen tegen hoop.
En worstlen tegen \'t lot naar d\'eindpaal van mijn loop:
In stormen leefde ik, als een storm wil ik verdwijnen,
\'k Wil vallen, maar met roem, en vallen met de mijnen!
(saui. zoekt een uitweg, en nadert den vijgenboom, aan welks
voet zijn zoon ligt te slapen.)
Maar waar den voet gewend? Waar zoek ik hem ? — Nog schuwt
De dageraad dit veld, of hij van \'t bloedbad gruwt:
Wie weet, of niet zijn licht te midden van de dooden
Mijn zoon .... Och, spaar mijn zoon, geduchte God der goden!
Spaar Jonathan ! . .. .
jonathan, op dit woord ontwakende, met zachte stem:
Men roept....
SAUI..
Wie koos zich hier een wijk 1
Spreek, wie gij wezen moogt, wat doet gij hier?
(Hij nadert met haastige schreden den boom.)
-ocr page 119-
Ui
JONATHAN.
\'k Bezwijk.
SAUL.
Die stem!... .
JONATHAN.
\'t Is Saul!____
saui., hevig ontroerd:
Mijn kind! mijn Jonathan! Kan\'t wezen?
JONATHAN.
Ik ben \'t!
saul, hem in de reden vallende:
Ik heb hem weer!
JONATHAN.
De Algoede zij geprezen,
Die d\'angel wegneemt uit mijn allerlaatste smart,
Die mij ontslapen doet aan \'t dierbaar vaderhart!
SAUL.
Wat zie \'k, rampzalige! ach, gij bloedt uit hoeveel wonden?
0 God, moet dus mijn zoon door mij teruggevonden ?
Wat monster sloeg hem neer? Is alle hoop gevloön?
Ach, stierve ik in uw plaats, mijn Jonathan, mijn zoon 1
JONATHAN.
Neen, dierbre vader, leef — om mijner te gedenken!
Verwacht niet, dat de Heer mijn leven U zal schenken:
\'t Ontvliedt terwijl ik spreek! Maar aan den rand van \'t graf
Smeek ik met veegen mond een laatste gunst U af:
Laat David in uw hart mijn leege plaats bekleeden!
Mem heeft de Heer gekroond met goedertierenheden.
Weerstreef Gods almacht niet, kies David tot uw zoon,
En erve hij na u Gods zegen en uw kroon !
SAUL.
Hoe ! nu nog roept ge mij dien gruwbren naam in de ooren?
Dat voorwerp van Gods liefde is \'t voorwerp van mijn toren:
(>m zijnentwil scheurt God mijn purper door het slijk;
Zijn schande geeft Hij mij, en hem mijn koninkrijk!
-ocr page 120-
112
Hij heeft om zijnentwil u \'t levenslicht ontnomen;
Hij zal om zijnentwil mijn hartebloed doen stroomen;
Hij bouwt zijn zetel uit ons beider lijkgebeent\'....
Gij meent niet wat gij zegt, of weet niet wat gij meent!
Ik, David tot mijn zoon .... ik stiet met beide handen
Hem liever tot aan \'t heft het zwaard in de ingewanden!
Al moest ik dan zijn dood bekoopen met den mijn\',
De dood, na zulk een wraak, zou mij gezegend zijn! . . . .
(Na eenige oogenblikken zwijgens).
Maar \'k zal zijn straf niet zien! .... Die eereloze roover
Laat al den arbeid aan den Hoogen Hemel over:
Hij overwint, en hij verbergt zich ! hij ontziet
Dees machtloze\' arm! Hij wacht, staroogende in \'t verschiet,
Of geen verrader hem mijn ondergang komt melden.
Hij kome, \'t is nu tijd: gevallen zijn mijn helden,
Vernederd is de kroon, die op mijn voorhoofd beeft,
Die hij mij lang benijde, en die zijn God hem geeft!
Hij zoeke in \'t lauwe bloed, hier rookende in de voren,
Dien staf, hem weggelegd, dien zetel, hem beschoren!
Mij dunkt, ik zie hem! Kom, aanvaard uwe erfenis,
Dees akker, waar de dood de groote maaier is!
Vervang er vrij mijn plaats, en doe uw luister schijnen
Te midden van \'t verderf, van lijken en woestijnen!
JONATHAN.
Mijn arme vader, ach! bij mijn aanstaanden dood,
Spaar mij, en spaar u-zelf! Gods grimmigheid is groot:
O, prikkel haar niet meer, maar zoek in zak en assche
Vergeving en herstel, eer u de wraak verrassche!
SAUL.
Wat kan uw God misdoen, dat Hij niet reeds misdeed?
Wal andre foltring houdt Zijn woede nog gereed?
Hij ziet den vader bij zijn stervend kind gebogen:
Kan iets de wellust van dat schouwtooneel verhoogen?
Zoolang gij leefdet, kind! heb ik Gods donderstem
Ontzien om uwentwil: gij sterft, nu tart ik Hem!
Zijn gramschap zal vergeefs naar nieuwe plagen zoeken:
Ik val, maar in mijn val zal ik den Dwingland vloeken!
-ocr page 121-
113
JONATHAN.
O, voeg dien gruwel toch bij zooveel jammren niet!
Éen offer zij genoeg! .... Gij, die mijn onschuld ziet,
Alheilge! neem mijn bloed, en laat mijn vader \'t leven!
SAUL.
Neen! \'k wil niet, dat mij God zal zeegnen of vergeven!
Ik haat Hem: ik trotseer Zijn grimmige overmacht.
Al wordt een laatste slag mijn leven toegebracht,
Hij treft mijn moed niet, die zijn slaande hand durft smaden!
Mij rouwt geen enkle van mijn vroegere euveldaden:
Waarom heeft God, zoo Hij mijn ondergang niet zocht,
Het goede werk niet in mijn zoekend hart volwrocht?
Waarom mij niet bij tijds van \'t kwade weg doen schrikken?
Ach, Hij vervolgde mij en spande alom de strikken,
Waardoor ik struiklen moest! Hij heeft mijn val bereid:
Mijn rampen dreven mij tot onrechtvaardigheid!
En \'k moet haar boeten! \'k Deed wat honderden bedreven,
Mij wordt de felste straf, hun \'t rijkste loon gegeven!
Kan de ondeugd van den een de deugd des andren zijn?
Dan is Gods wet een gril, en Goed en Kwaad een schijn!
Heeft God geschapen om Zijn schepsel te onderdrukken,
Hij schiep hem machteloos! en machtloos moet ik bukken.
Toch, zoo ik ongevraagd des levens gift ontfing,
\'k Werp ongevraagd haar weg: mij wacht — Vernietiging!
jonathan, met een zwakke stem.
Houd op, gij lastert God! . . . . Doe hem gena verwerven,
Algoede! . . . . O vader, hoe verzwaart gij mij het sterven!
Mijn God! vergeef de klacht, die uit zijn wanhoop welt!
Ja, onze dagen zijn met wijsheid afgeteld;
Gij hebt ons lot bepaald, Gij onze kracht gewogen,
En Gij verzoekt den mensch nooit boven zijn vermogen.
Zou hij dan morren, hij, een worm aan Uwen voet?
Een oordeel wagen, Heer! waar hij aanbidden moet?
Hier moge \'t zinlijk vleesch de kennis nog verdonkren,
G in ds, voor \'t ontblinddoekt oog, zal de Eeuwge Morgen flonkren!
Mij dunkt, ik zie hem reeds. O blijde dageraad,
In wiens volzalig licht de waarheid opengaat,
Als Gods voorzienigheid heur wonderlijke wegen
vil.                                                                                                   8
-ocr page 122-
114
Rechtvaardigt! . . . . Goedheid Gods, Gij straalt me in \'t sterven
[te;^en!
Mijn vader, vaar dan wel! .... En Gij, mijn Heil en Heer\'
Ontfang mijn geest, die U verwacht....
(Hij sterft.)
saul, bij het lijk van zijn zoon.
Hij is niet meer!
Hij is niet meer! .... Ai mij, waar zijn die blijde droomen
Van macht en heerlijkheid, waaraan geen eind zou komen\'.\'
O valsche orakels-tem, die nog mijn hart doorheeft!
Ik heb mijn volk, rnijn zoon, mij-zelven overleefd!
Ik zag de ster der hoop voor mij en al de mijnen
Een oogwenk flikkren aan den hemel en — verdwijnen!
Geschandvlekt, met een berg van dooden om mij heen,
Sla \'k eenzaam en alleen.. .. Ach! met mijn vloek alleen!....
Zoo laat ons sterven ! . . . . Komt, gij bleekhestorven schimmen
Van de offers mijner wraak! Wat aarzelt ge op te klimmen
Uit uw verborgen graf? Verblijdt u in mijn val!
Ziet! hoe in \'t bloed mijns zoons mijn bloed zich mengen zal!...
Maar hoe, tliatids blijft gij weg, gij spooksels! die mijn dagen
En nachten hebt vergald\'? Bewerkers mijner plagen!
Hoe, gij betwist elkaar dit veege lichaam niet?
Woonl daar dan medelij in \'t kille doodsgebied?
Welaan, mijn eigen hand zal uw gerechten toren
Verzoenen, neemt mijn bloed! ....
(Krijgsgedruisch en luide veldkreeten in de verte).
Wat klinkt daar in mijne ooren?
Mijn naam!.... Gij zoekt mij reeds, verwaten Filistijn!
Niets dan mijn zielloos stof zal in uw handen zijn!
Wie stervende bezwijkt, bezwijkt niet zonder glorie.
Zij naadien\' Haasten we ons, en sterven wij!....
(Hij doorsteekt zich met zijn zwaard op het lijk van jonatha>\')-
david, en een drum krijgslieden stormen op het tooneel
onder den luiden krett: Viktorie!
Naar de lamahtinf»
-ocr page 123-
115
EEN BEELD DER TOEKOMST.
Ziet, ik maak alle dingen nieuw.
JtZUS CHKISTUS.
Heel \'t Schepsel zuchtte in sombren middernacht:
„Waar toeft de dag?" Daar trilde \'t van de luit
Der Dichtren; \'s waerelds wachters riepen uit:
„Wij zien van ver zijn eerste worgen pracht!"
Nu werd de kim allengskens purperrood;
Nu rees de zon, die als Gods aanschijn blonk,
En ieder van de stralen die zij schoot,
Doorlichtte een Eeuw. En even als weerklonk
Ten tweeden maal het oude scheppingswoord,
Werd alles jong en levend; ieder oord
Ontlook, en zelfs de dorre grafspelonk
Bedekte zich met jeugdig gras. Ik zag
De steppen der jaarhonderden hervormd
In palmwaranden, groenende in den dag,
Waar eerst de orkaan de zandzee had doorstormd.
De rozen gingen open voor mijn voet,
En door de dalen van het Paradijs
Stroomde een vernieuwde Menschheid, met den gloed
Der zon gekroond, en op der Englen wijz\'
Gesluierd in een leliewitten dosch.
Zij wuifden met d\' olijltak heen en weer,
Zij zweelden over de aarde, een zegen Gods!
En Englen daalden uit den hemel neer,
En juichten Gode een nooit gezongen lof,
Op d\'aanblik van een heerlijkheid, zóo groot
Dat zij de hunne oneindig overtrof.
Op \'t voorspel van dat Nieuwe Lied ontsloot
Zich de eeuwige triomfpoort, waar de Heer
Ten dage van Zijn blijden wederkeer,
Als Overweldiger van Helle en Dood
Zijn intocht hield. En toen elks borst beneên
Den hemel tegenklopte, daar verscheen
Des Heeien teeken op de witte wolk,
Daar klaterde een bazuin van kust tot kust,
Daar sprak een stem: „Zij zijn Mijn eigen volk,
B\'k Heb hen gekocht, Ik leid hen tot mijn rust!"
-ocr page 124-
il6
En door de poort zag ik des hemels hart,
Door Jezus\' blik beschenen; en een gloor
Der eeuwigheid drong tot mijn ziele door....
O weelde, als nooit al \'s waerelds vreugd beschoor!
Och, of ze mij voor goed gegeven werd!
HET LEVENSWATER.
Zoo iemand dorst, die kome tot Mij, en drinka!
JEZL\'S CHBISTUS.
Ook ik dwaalde eens des levens zandwoestijn
Als Hagar door, en smachtte naar mijn God.
Soms bloeide daar een vriendlijk bloemelijn,
Maar \'k zag het niet. Soms luwde, mij \'t genot
Der koelte toe in schaüw van d\' eikenstam,
Maar \'k merkte \'t niet. Ik was een dorstend lam:
De dorstende ziet niets dan \'t zonnelicht,
Dat al zijn water wegteert. Maar daar nam
Mijn Jezus mij de schellen van \'t gezicht, —
Nu blikte ik dieper in de waereld rond,
En zag op eens — een zilverblanke beek,
Niet verre van het plekjen waar ik stond.
\'k Dronk en herleefde: al mijn vermoeidheid week,
En \'t danklied keerde op mijn verfrischten mond.
Daar traden nieuwe pelgrims tot den vliet;
Maar, ziende blind, ontwaarden ze in den stroom
Den spiegel van Gods klaren hemel niet,
En — speelden met de bloemen aan den zoom.
En andren stonden peinzend bij de bron,
En schudden \'t hoofd en rimpelden \'t gelaat,
En duisterden, of niemand zeggen kon,
„Van waar het water komt, en waar het gaat?"
En andren wisselden een vluchtig woord,
En waschten hun bestoven voeten blank,
Maar dronken niet, en — trokken verder voort.
En andren scheen de zuivre watersprank
Te eenvoudig, en zij mengden er om strijd
Hun zoet, hun zout, hun specerijen door,
-ocr page 125-
117
Tot dat het vocht zijn frischheid gants verloor.
En andren vreesden, dat een later tijd
De beek zou storen, en — omdamden haar:
Nu groeide er slijk en ruigte door elkaar,
Zoo dat men haar gedurig zuivren moest,
En \'t spiegelbeeld des hemels, eens zoo klaar,
Zoo kreukloos trouw, verkleurde en werd verwoest!
Daar stormde op eens, wandaalsch van ziel en zin,
Een heirbende aan, en schold het troebel vocht,
Beproefde of zij de bronwei stoppen mocht,
En wierp er stof en plofte er steenen in — —
Maar immer weer breekt de onbedwongen wel
Door d\' aardkorst, werpt de dammen naar benoên,
\'t Gesteente op zij\', in lustig golvenspel,
En vloeit weer frisch en helder als voorheen.
O Zoete Bron! gij Levenswater! klots
En bruisch! Verkwik en reinig al wie dorst!
Wees duizenden de dorgeblaakte borst,
Als mijne altijd, de hoogste zegen Gods!
Voor allen hebt gij laafnis: — hadden nu
Die allen ook den rechten smaak voor U!
AAN DE ZON.
Ik ben hot licht der waereld.
JEZUS CURISTUS.
Gij Hemellicht, hoe daalt gij uit uw sfeer
Zoo vriendlijk op deez\' donkre aarde neer?
Milddadige, die allen alles gunt!
Gij plengt alom, tot op het kleinste kruid,
Uw levenswarmte, een stroom des levens uit;
En waar ge in \'t eind niet meer verwarmen kunt,
Daar licht gij nog; en waar uw lichtstraal trilt.
Daar rijst uw lof! En waar gij zeegnen wilt,
Daar houdt ge U niet met bange vragen op,
Of ge ook uw gift ónwaardigen verspilt.
Elk geeft gij naar behoefte en kracht: den drop
Een drop, der beek een beek, der zee een zee.
Gij deelt uw beeld aan heel de schepping meê:
\'t Is groot in \'t meir, \'t is klein in \'t dauwjuweel,
-ocr page 126-
118
Rooskleurig op het blozend bloemfluweel,
En zilverblank in d\' effen waterplasch.
Nooit, nergens, wordt ge uw vroomen arbeid moê:
Gij daalt ter neer tot in \'t onreine toe,
Gij blijft zelf rein, ook in het vaalst moeras,
En blinkend keert uw liefelijk gelaat
Zich ook van daar ten hemel. Wat het zij,
Rein of onrein, wat ge aanraakt zuivert gij,
En niet éen smet bezoedelt uw gewaad.
O heilig licht des hemels! moesten wij
Niet allen U gelijken?. . . . Éen-alléen
Was U gelijk: des waerelds Licht! En Hij,
Die Éénige, is niet langer hier beneèn!
HOLLANDS MUZE.
1
O Hollands Muze! schoon, blauwoogig Kind van \'t Noorden,
Met lokken, blond als \'t goudgeel strand,
Met lippen, louter zang, met Englenharpakkoorden, —
Beschermgeest eens van \'t Vaderland!
Waar zijt Ge?. ... O zoete droom: nog ziet mijn ziel U zweven,
Zoo als Ge, voor twee honderd jaar,
De vingers op de harp, den blik tot God geheven,
Ons dektet met uw vleuglenpaar!
Daar wandelt Ge op de zee___hoort d\'ijzren vuurmond klaatren!
Zie hoe de Luipaard nederstort!
De Zeeleeuw brult triomf. Monarch der wijde waatren,
Waar iedre golf Uw hymne wordt! —
Daar licht Gij \'t slagveld langs, en balsemt met uw kussen
De heldenhjken waar ge waakt:
Dan kroont Gij ze, en Euroop strooit lauwerblaren tusschen
De wonden die Ge onsterflijk maakt! —
Daar glimlacht Ge aan den haard, waar Ge alles glans komt geven,
En altijd bede en lofzang vindt,
En, kern van hoofd en hart, en ziel van \'t huislijk leven
Om wieg en sterfbed rozen windt....
Waar zijt Ge?___Op aard gestort!___De kleedren die U gordden.
-ocr page 127-
419
Zijn vuil van schuim en stof en slijk!
Gij vielt, ontvleugeld, blind, en sterveling geworden,
Uw vroegre schauw-zelfs niet gelijk !
Geen daden roepen U tot zangen meer: \'t Verleden
Kleurt U van schaamte gloeiend rood;
Dor. glansloos, werkloos, leeg, slaapdronken is het Heden :
Gij overleeft uw eigen dood !
Gij wierdt een bedelkind, met kakelbonte lompen
En kopren franjes opgefraaid,
Dat, hunkrende om een duit en bibbrende in de klompen,
Het jankend kermisorgel draait!
II.
Hoort rustloos, dag aan dag, de zwangre persen kraken!
De hoefbron ritselt overal.
Maar — is dat de ambrozijn, die vuurgloed op de kaken,
Weelde in de zielen toovren zal?
Zijn dat de zangen, die, in onze lucht geboren,
Vol melody en heuvelvlam,
Tot óns zich richten en óns harte toehehooren,
Gelijk de bloesem aan zijn stam?
Waar \'t volkskarakter in weerspiegelt? die \'t behoeden
Als met een vaas van kristallijn?
De Natie streelen en veredelen en voeden.
Wijl zij der Natie waarheid zijn?....
Ach, wat er opgaat uit die wit satijnen bladen,
Met glans en klatergoud getooid,
Zijn leêge galmen, die hun nietigheid verraden,
Eer zelfs hun muggenvlerk ontplooit!
• Zijn noten, Gal en Brit angstvallig afgeluisterd,
Slaafsch, doelloos, willoos nagebauwd,
Waar uit, zich-zelf ten spijt, des Zangers armoe fluistert.
Waar op het zweet der onmacht dauwt!
\' Zijn kreeten over niets, \'t zijn mijmringen en klachten,
Waar hartstocht blaakt, noch teêrheid schreit;
•vanschepsels zonder geest, die naar hun einde smachten.
Dal de onlust hoorens moè verbeidt! —
"daas, wat zagen wij?___ in koude rijmen liegen:
Een Scott, een Byron nagebootst!
\'\'•en matten schemerschijn van ijdle gliinwormvliegen,
-ocr page 128-
120
En ach! éen lichtstraal uit het Oost!....
Dié zonk in wolken weg! — Neen, God zij lof! weer blinkt hij!
Hij gloeit, hij bliksemt waar hij gaat:
Een stroom van hemelsch vuur, een Noorderlicht, omringt hij
De nachtkim met een dageraad!
Da Oost? ! laatste zoon van \'t Koninklijk Geslachte,
Dat Holland Dichter heeft gekroond!
Zie, U omzweeft zij nog, de onsterflijke Gedachte,
Die eens aan d\'Aemstel heeft gewoond!
Op U slaanwe allen \'t oog, van heilverwachting zwanger.
Uit wanklank, zwakte en schemering!
God gaf de Liefde U, Mensch!___God U \'t Genie, o Zanger!___
God U \'t Geloof, o Christen 1___ Zing!
III.
Genie, Liefde, en Geloof! Gaaf boven alle gaven!
Drup die de lichtzee Gods ontviel!
Hoogst, zuiverst, langst genot dat sterflijken kan laven,
Driëenheid van de Dichtrenziel!
Gij zijt het die ontbreekt in deze onze ijzren dagen!
Of — in wat boezem klopt gij nu?___
\'t Onheiige heeft de hand aan \'t Heilige geslagen :
De lier wil zingen zonder U!
Zij hebben \'t lichlgewaad der Poëzij geschonden,
Verscheurd de krans der Poëzij I
Zij hebben \'t groot geheim, de tooverkunst gevonden,
De kunst — der vaerzensmederij!
Het Godlijke wierd spel van ledige oogenblikken,
Ontspanning, kunstgreep, beuzelkraam!
Gelijk zich andren om \'t geruite schaakbord schikken,
Gaan zij en — weven rijmen saam\'!....
Is \'t dan, helaas! zoo zoet, in wierookwalm te baden,
Door tafelschuimers toegezwierd?
Zoo zoet, te sluimren op de valsche lauwerbladen,
Waar dwaze vriendschap meê lauwriert?
Zoo zoet, aan de oeverkant te floddren in de stroomen,
Waar dwars door \'t diep de zwemmer drijft\'.\'
Zoo zoet, zich als Poëet de onsterflijkheid te droomen,
Terwijl men nauwlijks proze schrijft?....
O blindende eigenwaan, die \'t menschenkroost doet blaken!
-ocr page 129-
\\<i\\
\'t Slaat nachtuiloogen naar de zon!
Het wil al \'t groote klein, of zich als \'t groote maken,
Ja, God\' gelijk zijn, zoo het kon I
IV.
Zie, \'k wil \'t gelooven: soms verrijzen zwarte tijden —
De Dichtzon helt ten ondergang;
Mat schijnt heur laatste straal ten boezem af te glijden;
Verdroogd ligt de ader van den zang.
Zoo ook is deze ónze eeuw, die rustloos voortgedreven,
De stoomkar naar heur beeltnis schiep:
Ze tobt, ze zweet, ze zwoegt: ze wil \'t Werkdadig leven:
„Vooruit 1 door hoog en laag en diep!
„Beweging! goud! vooruit op wervelende raadren
„Der alvermeestrende Industrie!"
Zoo klopt haar levenspols, zoo bruischt het door heur aadren,
Vooruit! voor haar geen Poëzie!
Voor haar geen stil gepeins, geen smeltend Englenfluistren,
Geen afgetrokken zielevlucht;
En wil ze al naar de stem van een der Kunsten luistren,
\'t Zij \'t daverend Muziekgerucht!
Dat zij zoo! Want ik weet: De Sabbatsrust zal keeren,
Als weer de ware zangstroom vliet
Dan rijst de Poëzij, en schudt de zilvren veeren,
En zingt: „Gods gaven sterven niet!" —
Maar — dat een domme hoop zijn ongewijde handen
Aan de ingeslapen harp wil slaan,
Zich Dichter noemen durft en walglijke offers branden
In zelfaanbiddende\' eigenwaan,
Dat schrijvers zonder ziel en roeping zangen braken,
Elk oogenblik ten rijm gereed,
Den afkeer voer. bij \'t Volk, Gods gaaf\' belachlijk maken,
Zietdaar wat Heiligschennis heet! ....
Een doode is heilig! Gaat heur zerk uw rouw bewijzen,
Maar scheurt de bleeke \'t graf niet uit,
Om, dansend met haar lijk, bacchantiesch rond te krijschen:
„Hoe heerlijk zingt een doode Bruid!"
-ocr page 130-
122
BIJ EEN VERZANDE HAVEN.
Gij Wijzen,.op den troon der Wetenschap verheven!
Gij waant U God gelijk?
Gij hebt de Oneindigheid •— Gij! — perken voorgeschreven?
Uw maatstaf meet Gods Rijk?
Gij zonneslof in een gcdachtestraal des Heeren!
Kan daar dan niets geschiên.
Of \'t is door uw verstand, in \'s hemels hoogste sfeeren.
Geraden en voorzien?
Is dan \'t ontwikkeldst kind den blik in \'t hart gegeven.
Dat in rijn vader gloeit?
Of is Gods eeuwigheid met uw half menschenleven
— Een zandglas! — leeggevloeid?
Meent gij Gods Wetenschap wiskonstig na te reeknen ?
Ontwierpt gij mee Zijn Wet?
Zijn Uwe ervaringen \'t Boek Gods, welks letterteeknen
Hij steeds op nieuw verzet?
Ontwrongt ge U ruimte en tijd? Zijn uw vijf kranke zinnen
Grenswachters van \'t heelal?
En kan Gods hand geen weg voleinden of beginnen,
Die U verrassen zal?
Hebt gij wel ooit bedacht, wat wegen Hij de stroomen
Doet gaan? Wat wegen gij?
Uw grachten droogen uit, en \'t spoor zelfs van hun zoomen
Vliegt in éene eeuw voorbij.
De beddings, die Hij graaft, zijn boümloos, en de baren
Gaan eeuwig door heur kil. —
Hoe arm is hij, die nooit zijn armoe heeft ervaren,
Die haar niet kennen wil!
CHINEESCHE WIJSHEID.
Hoe lieflijker de Pekoe geurt,
Hoe eer zijn pluim wordt afgescheurd.
Om \'t schittren van d\' ivoren tand
Vermoordt de jager d\' elefant.
De vogel Tsu viel nooit in \'t net,
-ocr page 131-
123
Was niet zijn wiek met goud bezet.
En de oester bleef in \'t veilig diep,
Als in zijn schulp geen parel sliep.
De schildpad doodt men om beur schaal,
De mijn doorwroet men om \'t metaal.
Zoo slijt ook zelfs het kunstwerk af,
Door alles wat het waarde gaf.
Ten langelesten berst de klok
Door \'t galmen van den klepelschok.
En na een korte flikkring, zwicht
De fakkel door zijn eigen licht.
Helaas! niet anders ondervindt
Het wankelmoedig rnenschenkind.
Zoo waak, dat uw voortreflijkheid
Niet juist uw diepsten val bereid\'!
DE GEDAANTEVERWISSELING.
1IKK
PLANTEN.
(naar gokthe.)
In het gemengel verward
van zooveel duizende bloemen.
Dwaalt gij uw weemlenden bof
mijmerend door, mijn Vriendin!
Of al uw tintelend oor
talloze namen hoort noemen,
\'t Klinkt U al even barbaarsch,
zonder beteeknis of zin.
Zie al die vormen rondom,
waarin uw blikken verdolen!
Bij een oneindig verschil
zweemen zij toch naar elkaar.
Hier is een heilig geheim,
hier een Natuurwet verholen!
Lichtte ik den sluier u op!
maakte ik het raadsel u klaar!
-ocr page 132-
124
Let op de wordende Plant,
hoe ze, tot wasdom geprikkeld,
Meer en al meerder zich vormt,
rijpend tot bloesem en vrucht!
Hoe ze terstond uit het zaad,
trapswijze en snel, zich ontwikkelt,
Als, uit bevruchtenden schoot,
de aarde haar drijft naar de lucht,
Als daar \'t bezielende licht,
heilig en eeuwig bewogen,
Ook in zijn tedersten draad
\'t kiemende blaadtjen bewerkt 1 —
\'t Zaad hield het leven bewaard.
Onder de hulsels gebogen,
Lag daar de grondvorm ter neer,
nog in zich-zelven beperkt.
Nog hadden wortel en blad
kleur noch gestalte verkregen;
Droog was de binnenste kern,
slaapstee der rustende kracht.
Maar dat verandert! de kiem,
zwellend door hemelschen regen,
Worstelt weldra naar omhoog
uit den omringenden nacht.
Als het Gewas nu verschijnt,
zichtbaar in groenende kleeding,
Is het eenvoudig van vorm:
\'t Kind bij de Planten der aard.
Straks rijst het volgende schot,
dat, van gelid tot geleding,
\'t Vroegere maaksel herhaalt,
immer het grondbeeld bewaart.
Echter verschilt het: want zie 1
kunstiger samengevlochten
Is nu elk volgende blad,
dieper of fijner van snid,
Breeder, of dichter getand,
rijker in punten en bochten,
Die, ODgevormd en vergroeid,
sliepen in \'t onderste lid.
Zóó kan \'t Gewas eerst den roem
-ocr page 133-
125
van die volmaaktheid verkrijgen.
Die u ontroert en verbaast
bij menig Plantengeslacht.
Weeldrig geribt en getakt,
altijd geneigd om te stijgen,
Zwelt en verheft zich het lot
met onbedwingbare kracht.
Maar nu beperkt de Natuur
de eeuwige Vormdrift: nu leidt ze
Zachtkens de ontwikkeling op
tot een volkomener bloei:
Zorgzaam vernauwt zij elk vat,
spaarzamer sappen verspreidt ze,
En de gedaante van \'t lot
spreekt van een trageren groei.
Kleiner zijn voortaan de blaan,
ver van elkander geschoven;
Maar hoe uitvoerig bewerkt
prijkt nu de ontwikklende steel!
Bladloos en slanker dan ooit,
heft zich de stengel naar boven.
En daar vergast hij het oog
op een verrukkend tooneel; —
Blaadtjen naast blaadtjen schiet uit,
teer aan elkander geweven,
Dicht om den stengel gezet
in een lieftallige krans!
Samen formeeren ze een kelk,
en uit zijn binnenste streven
Sierlijke kroonen omhoog,
scliittrend in vorstlijken glans.
Alzoo verschijnt de Natuur
in haar verhevene schoonheid,
De orde en volkomenheid-zelf. —
Nogmaals verrast blijft ge staan,
Als nu de bloem al haar pracht
hoog aan den stengel ten toon spreidt,
Op het staketsel gewiegd
van de onderstuttende blaan.
Maar al die heerlijkheid spelt
weder een schepping. De Almachte
-ocr page 134-
126
Raakt aan het kleurige blad,
en het trekt ijlings te saam\':
De edelste vormen ontstaan,
maar van verschillend geslachte,
Weerzijds bestemd voor elkaar
en tot vereenen bekwaam.
Teer en vertrouwlijk gegroept,
blinkend in feestlijke kleuren,
Schikken om \'t huwlijksaltaar
z\'ch nu de Paren bij één:
Hymen zweeft zegenend aan,
en de welriekendste geuren,
Allesbezielend en sterk,
drijven door \'t Heiligdom heen.
Kiemen, oneindig in tal,
die in den moederschoot wachten
Van de nu zwellende vrucht,
zetten allengskens zich uit.
En het is hier, dat Natuur
eindlijk de reeks harer krachten,
Eindlijk den kleurigen ring
van hare ontwikklingen sluit.
Maar aan de vorige schalm
hecht /.ij een nieuwe; en de keten
Wordt door alle eeuwen verlengd,
tot in het laatste verschiet.
Wie nu het weemlend gebloemt\'
langer een Doolhof moog\' heeten,
Gij niet, Melievel Blik rond,
zie, en begrijp, en geniet l
Is het geen eeuwige wet
wat u de Planten ontdekkenP
Spreekt nu niet iedere bloem
luider en luider u aan?
Laast ge ééns het schrift der Natuur,
— ook met veranderde trekken
Wordt het alomme herkend,
wordt het ontcijferd, verstaan l
Kroop niet de rups, waar we nu
\'t vlindertjen \'t licht zien begroeten\'.\'
\'t Godsbeeld, de Reedlijke Mensch,
-ocr page 135-
127
vorme en hervorme zich ook!
Liefste! herinner het u,
hoe uit een vluchtig ontmoeten,
Als uit een levende kiem,
eens onze Vriendschap ontlook,
Hoe teerder driften weldra
beide onze harten doorwoelden,
En hoe ook Amor in \'t eind
bloeide en tot vruchtbaarheid riep!
Denk, hoe de rijke Natuur
al wat wij dachten en voelden,
Kleedde in veelvuldigen vorm,
dien ze gedurig herschiep!
Wees ook in t Heden verblijd!
Eén in begrip en beginsels,
Eén in aanschouwing en doel,
zijn we harmoniesch gepaard,
Heffen wij samen ons op
uit de voorbijgaande omwindsels,
Hoog naar de Waereld des Lichts,
die ons bij God is bewaard!
BLADEN UIT SCHEFERS LEEKENBREVIER.
(VERWERKT EN GEKERSTEND.)
I.
KINDEREN.
De kinderen zijn het erfdeel des Heeren.
SALOXO.
i.
Daar is een menschenvolk, dat, altijd frisch
En altijd klein, op immortellen treedt,
Dat schreiend lacht en schuldloos vrolijk is,
Dat niets van dood, van zorg, of arbeid weet;
Dat alles met een rozenfloers omhangt,
Dat niets verloor en alles nieuw ontfangt,
Dat alle jaargetijden, dag en nacht,
Éen tijd slechts waant, een eindloze eeuwigheid,
-ocr page 136-
128
En de aard zich droomt als een paleis, bereid
Tot eeuwge liefde in eeuwge hemelpracht.
Beminlijk volk, dat al wat leeft bekoort,
En zelfs de naakte beedlaarshut verguldt!
Herkent gij \'t niet? Gij hebt er toe behoord: —
Onsterflijk leeft een volk van kindren voort,
Dat steeds vernieuwt en steeds wordt aangevuld,
Zoo vaak het, levend-stervend, overging
In meisje\' en knaap, in maagd en jongeling,
Gelijk de bloesem, zwellende in de lucht,
Zich oplost in de rijpe zomervrucht.
Zoo trouw volhardt Gods dienares, Natuur,
In alle haar verschijnselen! Ze onthoudt
Geen enkle maal, hoe lang de schepping duur\',
De wandelende wolken aan \'t azuur,
De wisselende knoppen aan het woud.
Zij houdt al haar veranderingen vast,
Elke\' overgang maakt zij een blijvend werk;
Aanschouw de zee, die immer ebt en wast!
Aanschouw de maan, die slinkt en groeit aan \'t zwerk!
De lente luwt, de najaarsregen plascht,
De zwaluw gaat, de leeuwerik keert weer,
Jaar in, jaar uit, in stagen wisselkeer. ...
Zóo leeft op aarde ook door alle eeuwen heen\'
Het Kindervolk, dat, immer jong en kleen,
Van vreugde juicht, mint, en zich minnen laat!
— En vraagt gij nu, op \'t jammerlijk gezicht
Van zooveel trots en bleeken broederhaat
En dierlijkheid en doodlijke eigenbaat,
Van zooveel schuld, als op de waereld ligt,
„Hoe God de Heer Zijn heilig strafgericht
„Weerhouden kan?" Ik andwoord: dat Hij de Aard
Lankmoedig om den wil der kindren spaart,
En om den wil dier enklen, in wier ziel
Een sprankel van Zijn eigen liefde viel,
Die loutrend en verjongend hen doorblaakt,
En weer tot Kindren — tot Gods Kindren! —• maakt.
2.
De hemelhoog, die grauw en waatrig gloort,
Schijnt even door de dunne najaarsmist:
-ocr page 137-
129
Daar ginder gaat de zwarte drager voort,
En torscht het kindtjen in de kleine kist
Voorzichtig naar der graven vriendlijk oord.
En \'t zonnetjen, op zijn Noverabermaandsch
[Ialfweggescholen, ziet het kisljen tocli,
En als uit vriendlijk meelij\' giet ze er nog
Haar goud op uit, de weinig schreden gaands.
De dood der jeugd grijpt zelfs de grijsheid aan!
Maar niemand die dit wichtjen uitgeleid!.
Slechts ginds — gewis! de droeve moeder schreit,
Terwijl ze voor heur eenzaam buis blijft staan.
Hoe treurig blikt heur roodgezwollen oog
Den lievling na, met sprakeloos gebed,
Dat toch de man hem zachtkens dragen moog\',
En zachtkens in de koele groeve zett\' !
Nu eerst ziet zij in \'t schemerend verschiet
Het kleine graf, met jeugdig lentekruid
liewaassemd, en zij barst in snikken uit,
Bedekt het doodsbleek aangezicht, en vliedt....
Ze is diep bedroefd, want ja\' zij kende \'t kind
Gelijk zich zelv\'. En immers, wie bemint\'?
Wie kent! Die mint! Wie recht kent, die mint recht!
—  O moeder, leer uw God recht kennen! Leer
l it alles wat Hij tot uw ziele zegt
En aan uw ziele doet, Hem kennen! Eer
• Hj \'t hopen durft, mint gij Hem even teer
Als gij uw kind bemind hebt, ja nog meer!
Want moeder, u was ook het kleine wicht
Eerst vreemd, nog nieuw! En even nauw verwant
Is God aan u, als gij aan \'t liefdepand ;
En Hem als \'t kind te kennen, is uw plicht,
Uw vreugde, uw eer, uw leven en uw licht!
—  Nu ga, en pluk de schoonste bloemen af,
En strooi ze dankbaar op het kleine graf!
3.
Zoete aanblik, als de moeder van mijn kroost
\',r kleinen in haar armen drukt en koost!
/;\'cht spreken dan hunne engelen tot mij: —
VU.                                                                                                              9
-ocr page 138-
130
„Ga vlijtig met uw lieve kindren om,
Heb dag en nacht, heb ze immer aan uw zij\'!
Bemin ze, en laat u minnen! \'t Gaat voorbij —
Slechts korten tijd zijn zij uw eigendom:
Zoo lang de droom der kindschheid hen verblijdt!
Reeds eer de Jeugd heur rozenwieken rept,
Vervult hen spoedig veel — dat gij niet zijt,
En lokt hen velerlei — dat gij niet hebt:
Onze oude en altijd nieuwe waereld trekt
Hen toovrende aan, de bonte toekomst zweeft
Hun geest voorbij; \'t verlangen is gewekt,
En — \'t vriendlijk Tegenwoordige, doorleefd!
Nu zwerft weldra, met vogelvlugge schreên,
De jongling op zijn wandelstaf daarheen:
Gij tuurt, tot ook de laatste stip verdween,
Hem weenend na van \'s heuvels groenen top,
En nimmer wordt hij de uwe weer! Hij keert —
Hij lieft — hij kiest, gelijk zijn hart begeert,
De frissche jonkvrouw die hem lieft en eert;
Hij leeft! zij leven! andren leven op
Uit hem — hij is een Man voor u, een Mensch,
Geen Kind meer.... Ach, het lief en dartel kind.
Dat op uw schoot gestoeid heeft en bemind,
Hoe wenscht gij \'t weer! hoe ijdel is die wensch!
Uw dochter ook, na \'t huwlijk, brengt nog wel
Haar eigen kindren in uw eenzaam huis,
Dat jong wordt op het welbekend gedruisch
"Van tol en bal en schuldloos poppenspel;
Gij hebt de Hoeder — maar het Kind niet meer!
En dus — ga vlijtig met uw kindren om!
Houdt ze om u — laat u minnen — min ze weer!
Slechts korten lijd zijn zij uw eigendom !"
4.
Van alle wezens, die ge op aarde vindt,
Zoo hulploos geen als \'t nieuw geboren kind!
Zoo hulploos is het bibbrend schaaken niet,
Dat aanstonds op den groenen weidegrond
Zijn voedsel plukt en huppelt naar den vliet;
Zoo hulploos niet het bietjen, dat terstond
-ocr page 139-
131
De vlerkjens rept, de bloemen binnensluipt,
Waar \'t goudmeel stuift, de honignektar druipt....
En toch — wie is dat hulploos kind gelijk
In zegen? wie zoo onuitspreeklijk rijk
Door moederliefde en vadeitederheid?
Hoe zorgzaam wordt het wiegjen toebereid!
Wat nooddruft en wat weelde ligt bijeen,
Reeds maanden eer de kleine gast verscheen ! —
En zingt gij nu een klagelijke klacht,
Omdat den Mensch zooveel beproeving wacht,
Dewijl hij nooit zooveel begeerlijk goed
Bezit, dat hij niet nog iets beters mist,
Wijl bij den dood, de scheiding, proeven moet,
Waarvan de bloem niets voelt, niets weet, niets gist?
De bloem kent ook geen tranen, slechts den dauw,
Geen tranen waar het vriendlijk aangezicht
Des hemels zich in spiegelt met het licht
Der eeuwigheid ! Hem schemert in het blauw
lies firmaments het rijke Vaderhuis,
Dat d\'armen gast der Waereld mild beschenkt
Met wat zijn ziel behoeft; haar spijst en drenkt;
Haar vrede biedt en hope: kracht naar kruis.
En na het kruis de kroon, na de aardsche hut
Het heiligdom, met handen niet gemaakt.
Hij is Gods kind. Zijn wieg ook ligt geschud
Iu \'t graf.... Geen moeder heeft zoo trouw gewaakt
Terwijl haar zuigling sluimerde, als de Heer
Den slaap bewaakt van die de /.ijnen zijn ....
Breek spoedig aan, gij Morgenzonneschijn!
En geef ons ginds \'t oorspronklijk leven weer!
II.
KIND. — JONGELING. — MAN EN CHRISTEN.
Gelijkheid, Vrijheid, Broederschap der vreugd,
Zoet Kommunisme van de jonge Jeugd!
Het Kind, in zijn verheven waanzin, houdt
De gantsche waereld voor zijns vaders goed.
\'t Is al hem vreemd, en toch reeds zoo vertrouwd,
Zoo ver, en zoo nabij! — \'t Heeft de eigen groet
-ocr page 140-
132
Voor vorst en beedlaar, en zijn handtjen grijpt
Al even graag naar \'t flikkrend starrengoud
Als naar \'t rood-karsjen. dat voor \'t venster rijpt.
En alles, aarde en hemel, zon en maan,
En de ouders, en de bloemen, al wat leeft,
Het blinkt hem als een bonte chaos aan,
Maar waar de Liefde op duivenvleuglen zweeft.
\'t Ziet éen Geheel in alles, met begin
Noch eind : éen rijkdom, even schoon als groot.
\'t Werkt al\' ontwikklend op zijn ziel en zin:
Hij drinkt, als in een andren moederschoot,
Uit duizend aadren \'t bloed der waereld in.
Maar weldra is zijn jonkheid dnorgespeeld:
\'t Kind vond zich-zelv\', werd Jongling eer hij \'t wist.
En deze — voelt zich wonderlijk verdeeld,
In hart, in wezen en bestaan gesplitst,
Tot — op \'t gezicht van \'t lieflijk Maagdelijn,
Natuur hem zegt, dat hij zijn weêrhelft mist,
Die hij behoeft om Man, om Mensch te zijn.
Nu voert hij uit het woelig feestgedruisch
Zijne Eva, zijn Mannin, naar \'t vreedzaam huis,
En zoo als de Eerstling-Eva fluistert zij:
„O gij. dien ik mijn Heer en Meester noem!
„Mijn vleesch en been! God is uw wet, en gij
„Zijt mijne: dit te weten, is in mij
„De beste kennis, al mijne eer en roem!"
Nu is de wond van \'t zoekend hart geheeld;
En in het huis en in der kindren schaar
Verdwijnt allengs het oude dubbelbeeld.
Hij leeft in haar, en zij in hem: dat paar
Is niet zoo zeer vereenigd met elkaar,
Als wel éen mensch, ook in zijn tweeheid éen,
Ilereenigd met z ie h-zei v\'!... En (vreemd, voorwaar,
Ofschoon toch slechts natuurlijk !) als voorheen
Voelt nu de Man zich weer geheel alleen.
Toch is hij een Geheel. Dat geeft hem rust,
Volledigheids-gevoel en levens-lust.
Want alle duizend\' zijn niet meer dan hij,
Slechts meerderen! Al ging zijn jeugd voorbij,
\'t Geloof maakt hem op nieuw een kind; en weer
En klaarder dan te voren, schijnt hem thans
-ocr page 141-
133
Al \'s Vaders goed het zijne: \'t starrenheir,
De regenwolk, het zonnetje\' aan den trans,
De bloemkrans in zijn hof, de kinderkrans
Rondom zijn disch, de blauwe hemelsfeer,
De onzichlbre Hemel die hem Boven wacht!....
\'t Is éen Geheel, maai\' nu geen chaos meer:
Éen groot gewrocht van Schoonheid, Orde en Kracht,
Waarin Gods Geest, waarin Gods Liefde leeft,
Die \'t, als op duivenvleuglen, óverzweeft.
III.
DE BRUID.
\'t Is frisch en blijd op \'t groene bruiloftsfeest,
Toch speelt een vraag mij ernstig voor den geest:
Wat weent de schoone bruid toch, die, zoo innig
Verbonden, zich zoo willig, tot aan \'t graf,
Voor eeuwig, thans den jongling overgaf?
Haar stond nog straks dat lachjen zoo aanminnig,
\'t Verbleekte op eens, en werpt geen straaltjen meer:
Zij zinkt ontroerd in moeders armen neer,
En als een kind weent ze uit aan \'t vriendlijk harte,
Dat tot deez\' dag haar lot bewaakte, en \'t nog
Met stil gebed beschermt. Wat weent zij toch?
Geen tranen zijn \'t des weemoeds en der smarte,
Ze is vrolijk, \'t is al zegen wat zij ziet.
Ook om de dierbre moeder weent zij niet,
Niet om het vaderhuis, niet om de rozen
Des hols, waar ze ook — de liefste! — heeft gebloeid
En die ze nu, tot jonkvrouw opgegroeid.
Verlaat voor \'t oord, waar — vreemde bloemen blozen.
Ook is \'t geen vreugde die haar weenen doet,
Want immers ook haar moeder weent, en deze
Om harentwil, nu zij haar kind, haar bloed,
Voor al haar zorg een ander afstaan moet!
Ook weent zij niet van aarzeling of vreeze,
Want daar is niets dat haar beklemmen kan :
-ocr page 142-
134
Brood, overvloed en liefde, uit vollen horen,
\'t Wacht alles haar bij d\' aangebeden man.
En klonk haar zacht haar moedernaam in de ooren
Als in een droom — geen traantje\', een blos zou gloren.
„Waarom toch, lieve zuster, weent gij dan?"
Zoo vroeg ik haar, en greep haar hand, de kleene
Sneeuwwitte hand, die beefde.... „Ach," sprak ze, „ik weene....
„\'k Sta nu op een dier hoogten, van wier top
„De mensch zijn leven overziet!.... Onwetend
„En ongemerkt de vlucht des tijds vergetend,
„Kind, Maagd, straks Vrouw, klom ik haar langzaam op.
„En nu verbaast, bij \'t plotseling ommestaren,
„Die diepte mij, het gener-zijds der jaren
„Die ik doorliep, en vóór mij evenzeer
„Het dezer-zijds der jaren die mij wachten.
„En midden in, vol plechtige gedachten,
„Sta ik deze ure, en leg het hoofd ter neer
„Aan \'t moederhart en reik een lieven broeder
„De hand, en voel twee englen aan mijn zij\'.
„Een glimlach van mijn trouwen Zielehoeder
„Is mij deze ure — — en gaat ook zij voorbij\'?
„Zijn dan de schoonste altijd de teerste bloemen?....
„En wél mag ik deze uur mijn schoonste noemen,
„Want ze is de heiligste die God mij schiep.
„O moeder! O mijn broeder! \'k voel het diep
„En meer dan ooit, daar is een Eeuwig Leven,
„En onze beste stonden hier beneên
„Zijn eerstlingen der volle zaligheèn,
„Die \'t hart van hemelsch voorgevoel doen beven.
„\'t Is mij genoeg, \'t is bijna mij te veel:
„\'k Bezwijk bij zooveel overvloed van zegen,
„Gelijk een kelk den zwaren lenteregen
„Niet torsenen kan, en neerbuigt op den steel!
„Ik stamel wat, — en kan geen woorden vinden:
„Maar \'t Onuitspreeklijke, o ik voel het toch,
„Ik heb het! Ik heb U! En gij, beminden,
„Hebt mij, en hebt aan mij zoo weinig! och
„Zoo weinig! En nog minder had tot heden
„Mijn God aan mij, die al dit heil bereidt!
„\'t Zal anders zijn .... Veel worstlende gebeden
„Zijn in dat woord! .... O, zoo Uw dienstmaagd schreit,
-ocr page 143-
135
„Mijn Heer en Heiland! zij doorgrondt de reden:
„\'t Is — diep besef van diepe onwaardigheid.
— Zoo was dan ook dat heilig uur vervlogen 1
Wij keerden weer als van een hoog verschiet
In \'t nedrig dal, wij zongen \'t bruiloftslied,
En — schaarden rond den disch. En van den hoogen
Zag \'t maantjen ernstig door de vensterboogen.
IV.
♦ \'T IS AL DES HEEREN.
Begeert gij vrede op d\' aardschen wandelweg?
Zoo beeld u in, neen! zie, geloof en zeg:
„De vruchten en het zonnetje\' in mijn hof,
Mijn leliën, bestrooid met zilverstof,
Het fluitend vlaschvinkje\' op mijn lindentak,
Mijn handvol brood en mijn gezellig dak,
Mijn hoop, mijn hart, mijn leven en mijn lot,
\'t Is alles, alles \'t eigendom van God!
Al wat ik in de hand houd, lei de Heer
Daar zegenend uit eigen hand ter neer.
U, lieve! die mijns levens weèrhell\'t zijt,
Heeft God gevormd en mijner toegewijd:
Gij woont bij mij, en, frisch nog als een bruid,
Stort ge al uw schat van teêrheid voor mij uit,
Gelijk mijn hart voor U van liefde slaat,
Zoo lang ons God elkaar behouden Iaat.
En gij, mijn kindren! zijt Gods kindren, Wien
De zeven heemlen die wij blauwen zien,
De aard met heur zevenkleurge hemelpoort,
En \'t stofgoud van den Melkweg toebehoort.
Bij mij ook zijt gij Zijne, want ook ik
Behoor Hem toe tot d\' allerjongsten snik,
Zoo als gij heden mij aanschouwt en mint: —
Hij is \'t Begin van alles wat begint!
Ik was bij Hem eer ik bewustzijn had,
Eer ik deze Aarde, uw Moeder, U bezat.
Bij Hem ook zal ik wezen, als mijn stem
U niet meer roept: — want alles keert tot Hem!
-ocr page 144-
136
Gelooft gij dit, dan schat uw ziel haar hoog,
De Gade, die zich spiegelt in uw oog;
Dan kust gij \'t kind, dat in zijn wiegjen rust,
Zoo als men een geschenk des Hemels kust;
En leert het vroeg van \'s Vaders Koninklijk,
En wordt het gaarne al leerende gelijk.
En legt gij \'t neer in \'saardrijks killen schoot,
Dan stelt gij kalm een toevertrouwd kleinood,
Waarvan ge \'t vruchtgebruik hadt, en — niets meer.
Te rug in handen van den waren Heer,
Die uit gena de zorg die de Ouder droeg,
Beloont: als ware er niet reeds loons genoeg
In \'t zoet der vreugd, die hij zóó lang geniet
Als de Eigenaar hem \'t pand bewaren liet! —
Dan weent uw Ga, als gij van hier zult gaan,
Dan weent uw kroost een warmen hartelraan,
Maar heilig en gelaten : want in U
Genoten ze een bezitting Gods, die nu
Wordt opgevraagd : een leen, dat ongedeerd
Tot d\' eenig-waren Vader wederkeert.
God is alleen uw immerblijvend deel,
Mijn Christnen!.. . . Hem heeft elk van U geheel.
V.
NIETS ZONDER ARBEID.
Zonder werkdadigheid en ernst gaat zelfs net
beste in de waercld verloren.
JEAN PAUL.
Toen gij als kind uw kaartenhuisjen bouwdet
Weêrhieldt gij zelfs uw eigen ademtocht;
En rustet niet eer gij den bouw volwrocht,
En boven op het spitsche dak aanschouwdet.
En nog — opdat uw roos toch bloeien zou,
Wat hebt gij haar met onvermoeide trouw
Gedrenkt, verpleegd, uw zorgen veil gegeven!
Zoo is er niets, dat zonder ernst en vlijt
Onmiddlijk, op een tooverwoord, gedijt.
-ocr page 145-
137
En wilt gij dan, dat uw inwendig leven,
Uw hart, uw geest, van zelve ontwikkien zal,
Een wilde plant, in doornen vastgeweven? —
Niet éen gestarnte uit heel liet slarrental,
Geen zonnestofje\', is ooit gebotst op \'t ander;
Steeds rustig staan de bergen bij elkander,
\'t Geboomte in \'t woud, de lammren in den stal:
Maar eer woont al wat bunkert om te slachten,
Leeuw, krokodil, en panther en hyeen,
In hongerwoede eendraclitelijk bijeen,
Dan in uw hoofd de strijdige gedachten!
Tem ze, orden ze, beheersen ze, door een macht,
Die ge afbidt uit de volheid van Gods krachten!
En houdt niet op, bij dagen en bij nachten,
Eer gij in \'t eind uw — Zelfzucht t\' onder bracht!
Dan zullen zij de trotsche vleuglen strijken,
De driften, die uw heeren zijn! Dan treedt
Ge als Mensch hervoort, naar \'t eerste beeld herkneed t
Dan hebt gij meer dan duizend koninklijken
Veroverd door den scepter van een Geest,
Waar al wat ge als gevallen koning vreest,
Waar Zorg en Smart, waar /.onde en Dood voor wijken!
Dan deedt gij meer dan alle meesters ooit
Met marmer, erts, of kleur, of klank. Gods leerling
En hand, uws zelfs bekeerder en bekeerling,
Hebt gij aan U een god lijk Werk voltooid,
Dat leeft, en met de oorspronkelijke klaarheid
Gevoelt en denkt, en dankbaar overal
Sprinkaadren vindt dier Schoonheid, Liefde en Waarheid,
Wier stortvloed eens de Menschheid drenken zal!
VI.
DE AURIKULA.
Aurikula ! Aurikula!
Lief moederlje\' in bloeienden dosch!
Hoe laten u reeds voor en na
Uw haastige kinderljens los.
Zij willen op zich-zelven staan.
Als waren ze uw stengelljen moê,
-ocr page 146-
•138
En schoon zij allen, allen gaan,
Gij laat het in vredesnaam toe!....
En ginds — ziedaar, hoe \'t dartel kind,
Dat nauwlijks de waereld betreedt.
Zich reeds een linnen popjen windt,
Waaraan ze al haar zorgen besteedt.
Maar mij ontroert het: want zij koost
In \'t popjen haar kindeken wel:
\'t Verbeeldt haar eigen aanstaand kroost,
En alles is ernst in haar spel!
Reeds nu vervangt zij moeders plaats:
En deze? — neemt deel in die vreugd:
Zoo goed zijn ouders, en helaas!
Zoo trouwloos de mensch, sints zijn jeugd.
Toch volgt hij de ingeschapen zucht:
Wat leeft of een harte voelt slaan,
Zoekt eigen grond en eigen lucht,
Een vrij en zelfstandig bestaan.
En schoon de scheiding vóór hen ligt,
Toch zoeken zijn ouders het meê,
Onwetend luistrend naar een plicht,
Zoo luide als de stemme der zee! -
Ginds trekt een Bruid ter kerke heen,
En dan — naar het huis van heur g&:
En nu eerst zien in stil geween
Heur vader en moeder haar na,
Als of de band niet was geslaakt
Van \'t heimelijk oogenblik af,
Dat zij, van andre min geblaakt,
Heur hart aan den bruidegom gaf!
Maar weldra, weldra komt de dag,
Als \'t heilig instinkt der natuur
Hun tranen oplost in een lach,
En jaren vergoedt in een uur:
\'t Is als hen, jong on ro/.enrood,
Der dochter klein dochterken streelt,
En, wieglende op hun strammen schoot,
Op nieuw — met het poppetjen speelt!
-ocr page 147-
139
VII.
GEEN MAANKOPKRANS!
Geen Maankopkrans! Geen doffe mijmerij,
Geen opgepronkte logen maakt ons vrij.
De fantazie heeft ook haar eigen lijden,
Waarvoor de werklijkheid ons niet behoedt.
Als we in een droom op spitsche doornen schrijden,
\'t Helpt niet, al sliepen we in geschoeiden voet.
En als gU droomt, dat gij de roos ontmoet,
Ziet gij de slang niet door de blaren glijden.
Alleen die waakt, verlost Gods Liefdemacht
Van eiken schrik en kwellinge der nacht.
De ware Dag — die Christus wekt! — is waardig,
Dat gij hem leeft met open aangezicht.
De waarheid is het Goddelijkst Gedicht,
Vol diepte en pracht, en hemelsch-edelaardig.\'
Dies — waak altijd! En slaap niet in van druk,
En slaap niet in van blijdschap: \'t Is om \'t even!
\'t Zich-zelf bewust bezit van \'t Echte Leven
Is kostlijker dan \'t allergrootst geluk.
VIII.
REGEN.
De regen daalt in balsemvolle droppen,
En zwijgend drinken alle jonge knoppen
En ieder nieuw ontsloten bloesemkelk
— Als \'t wichtjen dat de moederboezem wenkte —
Dien hemeldauw, nog stroomende voor elk,
Schoon hij reeds duizend voorgeslachten drenkte,
Als hunner moeder frissche Godenmelk!
Hoe zoet is hier het geven en \'t ontfangen:
De hemel juicht, en allen juichen ook,
Die met de bloemenlippen aan hem hangen,
Zoo als hij daar tot hen ter neder dook
In \'t groene gras, met moederlijke tranen!
Zoo is het, ja! en alles wordt verkwikt,
-ocr page 148-
140
Waar zij zich mild en zacht een uittocht banen.
En als gij nu rondom u henenblikt
In \'t lentedal, gij jonge Menschentnoeder!
Zie dan alom uw wezen uitgedrukt!
Neen, \'t wezen Gods, dat al wat leeft verrukt....
Een Moederhart is \'t beeld van d\' Albehoeder.
IX.
LEVENSWIJSHEID.
\'k Ben een mensch en deel in allen
Wat
eens menschen is, als \'t mijn .
J. P. HASKBROEK (Saai* TEKENTIUS.)
Christen te wezen is niets anders dan Godsdienst
te heboen en Mensch te zijn.
Dr. ABK. DES AMORIE V. D. HOEVEN, JT.
1.
Wat mensch te wezen meebrengt, Vreugde en Pijn,
Hoop en Bedrog, strijd tusschen Lust en Plicht,
\'t Werkt alles u ten goede en wordt u licht,
Als gij maar eerst in waarheid Mensch wilt zijn.
Heil, Vree, Geluk, \'t kan al voor u bestaan:
Maar vinden vangt niet ijvrig zoeken aan.
Wees waarlijk Mensch, niets minder en niets moer,
Dan leeft gij goed, hoe lang uw leven duur\':
Dan legt ge u, jong, getroost tot sterven neer,
Want ook de bloesems vallen, leeit Natuur.
Dan sterft gij gaarne, ook eerst ter elfder uur\',
Want grijzen en veroudren is almêe
Ons opgelegd. Dan weet ge, dat gij ras
Vergeten wordt; want wie gedenkt onze asch
Na zestig jaar, op de enge legerstee?
Ons graf wordt eens begraven tusschen \'t gras;
Wij smelten als een druppel in de zee:
Geen schaduw blijft. Ook dat is Menschenlot.
En roert u dit, zoo ween gerust : want weet,
Het leem waaruit de stervling is gekneed,
Is nat gemaakt met tranen. Ga tot God
En hef — ook dit is menschelijk — uw stem,
-ocr page 149-
141
Uw bede, uw hart naar Boven. Wacht bij Hem
Op elke vraag een antwoord dat u troost!
Op \'t laatste Westen volgt een eeuwig Oost.
Wat Mensen te wezen meebrengt. Vreugde en Pijn,
Gemis en Winst, gejubel en geween,
\'t Wordt alles licht hoe moeielijk het scheen,
Ja, Wieg en Graf en Hemel worden één,
Als gij maar eerst in waarheid mensch wilt zijn.
En nu — weet dit: de christen is \'t alleen!
2.
Wijs leven, noem ik wijs zijn. Gij moet leven,
Met volle ziel u menglen in \'t gewoel
Der menschen, medestrijden, medestreven,
Met vlammend zwaard voortworxtlen naar het doel.
Wie werkeloos aanschouwer bleef, heeft wonden
En kamp en smart en vijanden gevonden.
Maar vrienden, vreugde en hulp en zegen niet!
Wél die in de aard geen kloosterkevie ziet,
Maar heiige werkplaats, waar niet éen zich-zelven
Maar elk voor allen leeft. Uit eeuwge bron
Doorstroomt Gods liefde alle aadren. — Lieve Zon!
Gij zijt geen lamp, aan sombre grafgewelven
Voor dooden opgehangen, maar een gloor
En glimlach Gods om vriend lijk licht te geven
Tot d\' arbeid van zoo velen als er leven.
Want wat is waarlijk leven? In de voor
Des Tijds het zaad der Eeuwigheid te strooien :
\'t Is — God in Christus kennen, en op \'t spoor
Diens Levensvorsten \'t vendeldoek te ontplooien,
Dat voortrukt. Nacht en bleeken Hades door:
\'t Is — in de kracht, de hemel kracht des Heeren,
Zoo lang zij zich belichaamt in ons stof,
Licht, Waarheid, Recht, en alle Deugd en Lof
En Lieflijkheid op aarde te vermeêren: —
\'t Is — waarlijk Mensch zijn, naar het evenbeeld
Van d\' andrei] Adam, d\' echten Mensch, die werkte
Zoolang zijn dag hier duurde, en nu de sterkte
En lust ten arbeid naar Zijn wijsheid deelt. —
Al ware \'t dat een Engel uit den hoogen
Zich lusteloos in slaap zong met dit lied:
-ocr page 150-
142
„\'k Heb alles, en dus ben ik alles. Ziet,
„\'k Heb Hart, Geest, Kracht, \'k heb handen, vleuglen, oogen:
„Maar wijl ik oogen heb, aanschouw ik niet,
„Wijl \'k vleuglen heb, ben ik niet uitgevlogen,
„Wijl \'k handen heb, leg ik mij werkloos neer,
„Wijl ik een geest heb, weiger ik te denken,
„Wijl ik een hart heb, wil \'k geen liefde schenken —
„Ik ben een Engel!".... — heel het Englenheir
Riep; „„Driemaal neen! gij zijt een Dwaas! niets meer!"" —
Welaan dan, mensch! zorg dat noch Mensch, noch Engel,
Noch de Englenkoning u een „dwaashoofd" noem\'I
Wees, bid ik u, niet slechter dan de bloem,
Die \'t zonnetjen voelt schijnen op haar stengel;
Niet slechter dan de steen, die d\'invloed voelt
Van weer en wind, en heet wordt en verkoelt,
Bevriest en zweet, en eindlijk zand wordt! — Open
Uw hart, o mensch, voor \'s levens Wel en Wee!
Schakeer het groote Levens-Drama meê
Door eigen rol en lot, door eigen hopen
En lijden, eigen leven, eigen dood!
Een mensch méér in de waereld — is een waereld
Te meer; een nieuw bewijs te meer, hoe groot
De Schepper is. De hemel, overpaereld
Met starren, heeft die starren toch geteld,
En kan geen enkle missen. Millioenen
Van menschen, uit Gods levensbron geweld!
God telde ook U. Hij heeft uw plaats besteld,
Uw wieg, uw graf. Hij zoekt u te verzoenen
Met Zich, U-zelv\', en \'t Leven. Laat het toe,
En, op uw beurt, doe wat uw hand maar vinde!
Weef ook uw draad, des spinnens nimmer moe,
In \'t web der Liefde, als minnende en beminde!
En breekt hij hier — de groote Middelaar
Van Tijd en Eeuwigheid, van God en Menschen,
Knoopt ginder weer al de einden aan elkaar ....
Die de aardsche weke onnut versleet, voorwaart
Hij zal vergeefs naar \'s Hemels sabbat wenschen.
3.
Mijn Christen! God doorziet U door en door:
Hij lieft in U Zijn liefde, en lieft bestendig,
-ocr page 151-
143
Komt, rijk en goed, al uw behoeften voor,
En is in Zijn verscheidenheid onendig.
Geen menschenmoeder kan haar troetel wicht
Ooit in haar menschenarmoe zoo verzorgen,
Als Hij u doet. Nieuw is het zonnelicht,
Dat u begroet op \'s levens eerste morgen.
Elke ademtocht, ja iedre mondvol lucht,
Wordt frisch voor u bereid door dienende Englen,
En door den nieuwsten hemel toegezucht.
\'t Zijn nieuwe bloemen die uw pad besprenglen;
Geen waterdronk, die niet voor u zoo versch
Is toegevloeid. De balsemvolle weelde
Der perzik die uwe kleene lipjens streelde,
Als dartiend kind, de purperroode kers,
Geen enkle dezer schatten, U gegeven,
Niet deze, zijn door iemand ooit voorheen\'
Vóór U geproefd. Zij zijn voor U-alleen
Bewerkt, gesierd, gemengeld en geweven !
Uw druiftros, uit zijn groene bekers, strooit
Voor U-alleen zijn mostgeur! — Gods genade
Voerde U, uit frissche Scheppershand, getooid
Voor U-alleen, de jonkvrouw toe als gade,
En \'t kroost, alleen uw eigendom, dat nooit
Eens andren was. eens anderen zal wezen,
Zoo lang omhoog de hemel zich ontplooit! —
Het wolkjen zelfs, dat, vluchtig opgerezen,
Zoo ras voorbij zeilt, zal geen stervling meer
Beschauwen, — want reeds ginter zijgt het neer,
Tot droppelen verregend! En het luchtjen
Koelt ook geen enkle borst meer met een zuchtjen
Zijns adems, — want reeds sterft het in de blaan.
Dien regenboog zal niemand meer zien staan,
Want zie! voor U verbleeken reeds zijn stralen.
De leeuwrik zal dit lied geen mensch herhalen,
Want hoor! hij zwijgt en neerwaards fladdert hij.
Het was éen éenig lied, dat alle akkoorden
Voor U doorliep, terwijl geen andren \'t hoorden.
Zoo is U alles éenig, zoo als gij
\'t U-zelven zijt. — Ja, weet, ge ontfangt den zegen
Uws Gods in immer nieuwe hand. Gij schenkt
Den beedlaar, wien uw deernis spijst en drenkt,
-ocr page 152-
144
Uit altijd andre en nieuwe hand. Uw wegen
Zijn nooit de zelfde. U heelt de stille nacht
Tot heden steeds een frisschen droom gebracht
En elke dag heeft nieuw gevoel gegeven,
Een jonkheid van gedachten, kracht en leven.
De weg dien God beproefde met uw ziel,
De ontwikklingsgang, door Hem U afgeteekend,
\'t Licht dal van \'t Kruis in uwe ellende viel,
Zijns Geestes stem, zoo goddelijk welsprekend,
\'t Was al gants nieuw, geheel voor ü berekend!
Ja, éenig, eigenaardig en altijd
Oirspronklijk, leeft ge uit de eeuwge Springfonteine
Van al het Godlijk-VVare, Goede en Heine,
Den Levende en de Levensbron. Gij zijt
Met Hem verbonden, trouwer dan het wichtjen
Ooit met zijn moeder in den moederschoot.
U groet Zijn blik in ieder morgenrood
En avondgoud — in ieder starrelichljen,
In ieder knopje\', in elke sneeuwvlok. Hij
Is U altoos en overal nabij.
Gelijk de lucht, die boven en beneden,
Die overal en immer U omvat.
Zijn Almacht giet in \'t weefsel uwer leden
— Veel fijner dan \'t borduursel van een blad —
Heur godskracht uit, en in uw geest de stroomen
Zijns Geestes; juist gelijk hij onvermoeid
De lenteroos, pas uit den knop gekomen,
Met stroomen van welriekendheid doorvloeit,
Zoo dat ze, ontwaakt uit de arme voorjaarsdroomen,
Haar pracht ontvouwt en dankbaar geurt en bloeit.
En zoo vergeet ook gij niet, rijk te geuren,
Gods vriendlijk licht te spieglen in uw kleuren,
Des morgens en des avonds even frisch ;
Zoo rein te denken en zoo stil te minnen,
Als Hij dat eischt, dat allen alles is,
En ons reeds hier — Zijn Hemel doet beginnen!
4.
Ik heb ook dit ervaren in mijn hart:
Daar is een kracht ten leven in de Smart.
-ocr page 153-
145
Als zij den mensch gelijk een winter treft,
Dan wordt hij als een chrysalide, en beeft
Zoo menigmaal een tochtjen zich verheft.
Ziet, hoe hij maanden in de stilte zweeft!
Hij hangt maar enkel met een dunnen draad
Nog met de waereld samen ! . . . . Maar daar wordt
Zijn smart allengs een levend lijkgewaad,
Een harnas, dat hem overal omgordt.
Daar onder voedt en vormt zich onvermoeid
Uit de oude stof. die loutrend samenvloeit,
Zijn nieuw, verheerlijkt wezen; rijpt verjongd
Voor \'t leven van een Hooger element;
En vliegt, op vleuglen waar Gods licht op vonkt,
Gods Hemel in, waar hij — zijn huis erkent!
5.
Houdt toch uw dagen voor zoo weinig niet,
Wijl elke dag zoo stil daar henen vliedt,
Zoo ongekend en zoo eenvoudig! Leer
Hen schatten, tot des goeden Gevers eer,
Die noodig is tot eiken harteklop:
Neem levendig uw leven in U op!
Zie rond! .. . . Uw plekje\' is zestig eeuwen oud:
Gij zit aan \'t oude weefgestoelte, en houdt
De volle schietspoel heden in uw hand.
Het ver gebergt\' zendt, om uw lustwarand
En weiden te besproeien, U den vloed
En honderd blanke beekjens te gemoet!
De verre zeen wentlen zich voor U,
En zenden U de wolken toe, die nu
De vruchten drenken in de groene kruin
Uws boomgaards, ja, de grasjens in uw tuin!
De ver-geboren winden ruischen aan
Van \'t Zuiden, om te golven door uw graan.
U komt de Zon, U komt de lieve maan,
U komt geheel de zilvren starrenrij
Uit \'s hemels verre diepte zoo nabij,
Dat ze in uw venster slapen, dat heur licht
Vertrouwlijk dartelt op uw aangezicht,
De hoofdtjens van uw kindren en den knop
-ocr page 154-
146
Der bloemen van uw schoorsteenruiker op
Uw witten wand in schaduwen penseelt.
Gij leeft, in \'t Land der Levenden. Gij deelt
Uw brood, uw raad, uw liefde aan allen uit,
Wier kleene kring zich aan uw heupen sluit.
Gij zijt Gods kind: want U is Jezus\' kruis
Steun van uw hart en grondslag van uw huis.
Uw toekomst is een eeuwigheid. Ei ziet,
Terwijl daar boven de eene ster verschiet
En de andre komt, als lelies in uw vliet,
Wordt door den Heer uw vaste plaats bereid
Te midden van Zijn Hemelheerlijkheid.
Voorwaar, voorwaar, aanstaande Hemeling!
Uw dagen zijn zoo weinig, zoo gering,
Dat ge eiken dag, begeerig uitgekocht,
Wel juichende op uw kniën vieren mocht....
Maar midderwijl, ga! onderwijs uw kroost!
Bezorg uw huis! smaak en vermeer de troost
Van \'t zalig Evangelie! Drenk den een,
En spijs den air! Sprei zegen om u heen!
Zoo, dat ge uw leven niet onvruchtbaar leeft,
En \'t dadenweb, dat ge in uw dagen weeft,
Tot scheering God, en God tot inslag heeft!
X.
ZOMERBESCHOUWING.
Hoe blinkt nu de Aard, bij wisslend kleurgewemel,
In al den glans der volle zomerpracht,
Als wierd door haar een hooje gast verwacht,
Een Koning veler sterren uit den hemel,
Een Heerscher uit een lichtpaleis der zon,
Zóo wijs, dat hij Gods wonderwerk waardeeren,
Zoo rijk, dat hij deze aarde koopen kon,
Dat jongste kind der dichtgezaaide sfeeren!
\'t Jongste en misschien het schoonste! Althands té schoon
Voor d\'aanblik van een brozen menschehzoon,
Die nog maar half de beeltnis draagt des Heeren!
-ocr page 155-
147
Of spreek, wat doode, en uit wat rijksgebied,
"Wat heros uil de dagen van :t verleden,
Is waard, dat de Aard hem uit de groeve liet,
Om meê te zwelgen aan heur heerlijkheden\'?
De beste zelfs heeft met zijn beste daad
Ook zelfs geen uur verdiend van \'t zoete leven
In schoonheids schoot! .. .. Aanschouw die tooverdreven!
\'t Is al geschikt naar orde, tal, en maat.
Hoe hebben wind en stormen \'t oude lover
Op zij\' geveegd in kloof en oceaan!
Geen herfstdraad bleef op \'t groen tapeet meer over!
Hoe droegen al de wolken water aan,
Om al die duizend bloemen te verplegen,
Al zacht, al zacht, opdat te felle regen
Het kleurig meel niet wegwiesch van heur blaan!
Hoe hebben zuivrende onweêrs de waranden
Met geur bestrooid! Hoe hebben geestenhanden
Reeds week aan week, zoolang het dag mocht zijn,
En zelfs des nachts bij heldren maneschijn,
Of als de nevel \'t maantjen had omvangen,
Aan eiken boom tot d\'allerkleinsten tak,
Aan eiken tak zijn blaadtjens opgehangen,
En thands — de vruchten onder \'t lommerdak!
Hoe hebben zij den klimop leeren klemmen,
D\' eik leeren steunen, \'t popeitje\' uitgerekt!
Hoe hebben zij de kevers opgewekt,
De montre vogels met hun zilverstemmen
Bij-éen-geroepen, ja bijéengejaagd
Tot midden in de bonte toovergaarde!
Zij zonden al de wolkjens weg, en de aarde
Begroet een hemel die geen sluier draagt.
Zij kaatst hem af in haar azuren stroomen,
Hem en de zon, die nu zoo zuiver blinkt
Als elke droppel water die er springt,
\'t Is feest! .... Zijn nog de gasten niet gekomen? ....
„Wij zijn er!" roept een duizendsteramig choor
Alom. uit hoogte en diepte, mij in \'t oor.
En ja! zij zijn er lang: de nachtegalen,
De rozen en de leliën der dalen,
En wat er tjilpt en fladderwiekt en zwiert,
Zanggraag gevederte en gewiekte galmen,
-ocr page 156-
148
De velden vol van siddrend-blijde halmen,
De landen en de wouden vol gediert\',
De insekten die de lauwe lucht doorreizen,
De monsters in hun diepe zeepaleizen,
In eiken drop, elk vlokjen zonnestofl —
De schoonste gast — nu gastheer in den Hof —
De Mensch, is daar, en immer komt hij weder
Als kind ... . Aanschouw hoe alles zich verblijdt
In \'t volop van den rijken zomertijd,
En, op uw beurt, verblijd u! .. . .
\'k Werp mij neder,
En bid Hem aan, die al die wondren schiep;
Maar roep op nieuw wat ik zoo even riep,
Wat alles roept, berg, dal, lucht, zee, en stroomen:
„Zal niemand nu meer komen?" ....
Hij zal komen 1 —
Schoon zijtge, o Aarde, en toch alleen nog maar
Een chrysalide! Eens maakt gij alle droomen
Der Oudheid, alle profeciën waar!
Dan — zijn uw storende, onbesuisde krachten
Gefnuikt, en niets dat meer bedriegt of schaadt!
De olijf luikt op uit giftig scheerlingzaad,
De havik strookt het duifjen met zijn schachten,
De runderkreb verzaadt den leeuwenmuil,
Eén zelfde kooi zal wolf en ooilam wachten,
En \'t knaapjen speelt bij d\' open slangenkuil 1
Dan — glanst gij van een nooitgekenden luister,
Een geestelijke schoonheid; geen gewelf
Des hemels bloot weerspiegelend, maar zelf
Herboren tot een Hemel, waar geen duister,
Geen rouw, geen kwaad, geen dood meer is: verfijnd
En\'zóo étheriesch, dat Gods licht bezielend
Door uw kristallen bodem henenschijnt! —
Heel \'t Menschdom, meê herschapen, jubelt knielend
Den lang Verwachte, in volle zegepraal
Het welkom toe. En \'t is ten tweeden maal\',
Dat Hij deze aard zal kiezen tot Zijn woning,
Maar nu in al Zijn grootheid, nu om nooit
Te scheiden, nu met Davids kroon getooid!
-ocr page 157-
149
Geen koning veler starren slechts, maar Koning
Der Koningen, der Heemlen, van \'t Heelal! ....
O Aarde, tot wat eer zijt ge uitgelezen!
Dat zal uw zomer aller zomers wezen,
Als de eeuwge vrucht des Levens rijpen zal!
En nu — wanneer?___Vraag niet, mijn hart! Blijf waken !
Blik uit! omgord u! wees bereid! sta pal!... .
Het uur zal sneller dan gij denkt genaken.
XI
BENIJDT GIJ?
Benijdt gij ooit den blauwen Violier
Het dropjen dauw, dat op zijn blaadtjens beeft?
Of \'t dropjen dauw de vonk van \'t zonnevier.
Die \'t bont en zevenkleurig wedergeeft?
Benijdt gij ooit het bietjen in uw tuin
Den distel met zijn paersch-fluweelen kruin,
Dien \'t onvermoeid al om en over zweeft?. .. .
Gij doet het niet; en rekent dat geen roem:
Welaan dan, Mensch! den Mensch ook niets benijd!
Hem is deze aard de paersche distelbloem,
Die hij doorzweeft met kunst en moeite en vlijt.
Zijn geest is als de spiegelende drop,
Waarin de waereld bont staat afgemaaid,
Want al heur vormen neemt hij in zich op.
Maar duurder dan de bloem den dauw betaalt.
Betaalt hij \'t kort bezit met lang gemis,
Met duizend tranen die hij andren gaf,
Die andren straks weer plengen op z ij n graf.
Want alle Vreugd, als zij vervlogen is,
Wordt tot een stille, een eedle Droefenis.
-ocr page 158-
150
XII.
HEBT LIEF.
Het klokgelui, dat ter begraafnis roept,
\'t Gesnik der schaar, rondom den kuil gegroept.
Is de afscheidsgroet der menschenwaereld aan
Den stervling, die ter lange rust zal gaan.
Dan deinst allengs de stemme des rumoers,
Dan spelt de dood den slaper in zijn floers:
Die ligt dan stil, vergeten, roerloos neer.
Te midden van het woelend levensmeir,
Als een die ongemerkt op \'t slagveld blijft,
Waar nog de strijd den levende ommedrijft,
Ver toog hij heen — toch schijnt hij nog nabij,
Als \'t maanlicht, dwalend door de wilgenrij;
Dicht is zijn geest — toch schijnt hij reeds zoo ver,
Als \'t flikkeren der neevlige avondster ....
En niemand tilt den zwaren zerk meer op!
Zoo wordt de mensch begraven, als een drop
In zee, een wolk in d\' uchtendzonneschijn,
Een stof jen in de groote zandwoestijn!. . ..
O Ziel, arm Kind! hoe zwerft ge zoo alléén
Door \'t groote Rijk des Menschenlevens heen\'?
Wie weet hoe ras uw afscheidsklok zal slaan,
Waarop ge alleen het stille pad zult gaan,
De schaduw door der onbekende nacht,
Waaruit niet éen ooit kondschap wederbracht!
Maar vrees niet! ook in \'t huivrig Doodsgebied
Wijkt de Engel Gods van Gods verlosten niet;
Al wordt geen traan meer op de groef geschreid,
Waar Christus is, is geen verlatenheid.
En nu, — zie op!___ Zijt vroom, zijt vroed, zijt blij!
Gij wordt omringd van wezens zoo als gij:
Nooddruftig, eenzaam en met de eigen dorst
Om \'t hoofd te vlijen aan een broederborst,
Waar alle smart en alle vrees verpoost, —
Door niets gebonden en door niets getroost
Dan door de liefde, en overal door haar!
Haar volheid sluit al de enklen aan elkaar.
-ocr page 159-
151
Slechts hij die haat, is eenzaam en alleen,
De Paria der raenschheid, en de steen
Der ergernis voor eigen ongelijk.
Hij scheidt zich af van \'t groote Levensrijk,
En hoefde een bóvenmenschlijk zelfbedwang
Om kalm te zijn, éene ademhaling lang
Terwijl éen teug van uit de Liefdebron
\'t Verlangen stilt dat niet verstommen kon,
Het armste leven rijk maakt, en \'t gemoed
Bij \'t scheiden — van Gods Hemel droomen doet!
XIII.
ZONNEOPGANG.
O Morgenrood, dat heel mijn hof omzoomt!
O gouden vloed, die uit de wolkzee kronkelt,
Die duin en dal en ieder pad doorstroomt,
Zoodat elk hutje\' als vorstlijk purper vonkelt!
Gij, waar gij maar een raamtjen open vindt,
Glipt binnen om uw kleurenschat te menglen
Op \'t verfloos hout, en ieder slapend kind
Te omgloriën, als lieten \'s hemels Englen
Een jonge Broeder achter! Gij bemint
De menschen, want gij werpt een rozentint
Op alles, die \'t scherphoekige te ronden
En \'t afgesleetne te polijsten weet,
De rimpels kust en glans giet in de wonden!
De zware bijl, de grafspa, ros van zweet
En ingeroeste tranen, doet ge blinken
En lichter schijnen dan een veer, zoodat
De zelfde hand ze wéér met vreugde vat,
Die t\' avond nog haar moedloos neer liet zinken.
O Morgenrood! boó van den nieuwen dag!
Gij zijt geen meteoor, die, zoo verderflijk
Als vluchtig, éénmaal bliksemt met een slag
Des donders, waar de nacht op volgt. Onsterflijk
Als zon en maan, die aan Gods hemel schijnt,
Zijt gij! Want schoon ge elke\' uchtendstond verdwijnt,
-ocr page 160-
152
Elke\' uchtendstond zijt gij weer daar, nog frisscher
En heerlijker, \'t licht wenkende, en — \'t licht is er!
Den schipper en den dartienden dolfijn
Doet gij de zee een gouden spiegel zijn;
Den meeuw laat gij op gouden vleuglen roeien;
Den nautilus maakt gij de zeilen goud;
Gij doet als vuur de wiek des leeuwriks gloeien,
Zoodat de jonge lceuwrik \'t niet vertrouwt
In \'t hoog azuur, dat vlammen schijnt te sproeien.
In heel de rijke prachtzaal dezer aard,
Waar oude en nieuwe wondren zijn vergaard,
Blijft gij de prachtigste aller kostbaarheden
Van jaar tot jaar, zoolang een wandlaar komt,
Die bij uw glans ontroerd staat en verstomt,
Zoolang de hemel afgolft naar beneden!
De mensch bezoekt den klaatrenden vulkaan,
Den donder en den diamantenregen
Des watervals, en acht zich wel voldaan
Voor al zijn moeite en lange pelgrimswegen.
Hoe weinigen doen die veel korter reis
— Een tiental schreden van hun eigen drempel —
Naar \'t schoonst Tooneel, dat in Gods scheppings-tempel
Alom te zien is, als gij \'t wolkpaleis
In \'t Oost verlaat, o Morgenrood! . . . . Dan schijnen
De schatten van omlaag en van omhoog
Uw urn te ontstroomen: vonklende robijnen
En witte rozen menglen aan den boog.
Een goudmijn — levend goud! — stort al zijn aadren
Op alles uit: op alle nienschen-werk
En alle menschen-armoê; englen naadren
En wijken in den purpergloed van \'t zwerk,
Als Paradijsgevogelte; en de Heere
Schrijft aan de kim een hallel tot Zijne eere
In vlammend schrift!. .. . O levensbron der Aard!
O Morgenrood! begrijplijk is het dwalen
Des Perziaans, die neerknielt voor uw stralen! . . ..
Wat bij uw aanblik door mijn boezem vaart,
Trekt ziel en zin magnetiesch op naar Boven;
En was God niet onzienlijk, \'k zou gelooven,
Dat gij een opslag Zijner oogen waart!
-ocr page 161-
153
XIV.
IN DE LENTEZAAL.
Een wonderzaal ligt open nu en bloot!
De Lentezaal! zoo onafmeetlijk groot,
Dat eilanden en zeen, Hindostans
Betooverd dal, en Cyprus\' wingertkrans,
Italiaas verrukkende warand,
En Trojes heuvlen, en uw vaderland,
Er zich verliezen als een kindertuin!
Daar tintelt zij, in \'t eeuwig licht en bruin,
Daar rijst ze, omwelfd van \'t eeuwig hemelsblauw:
Zoo oud — dat Abel haar herkennen zou;
Zoo nieuw — dat weer de stramme voet herleeft,
Die tachtig maal heur pracht doorwandeld heeft;
Zoo rijk — dat weer de lelie die niet spon,
De heerlijkheid van Salomo verwon;
Zoo klaar — dat zelfs de leeuwrik, die zijn lied
In \'t wolkjen fluit, in \'t gras zijn nestjen ziet;
Zoo ras gesloten — dat de hyacinth
Zich haastig uit de dunne zwachtels windt,
En elke golf gevleugeld voorwaarts glijdt,
Als had\'ze tot geen enkel woordtjen tijd;
Zoo schoon — dat zelfs Homeer met blind gezicht
Van vreugd zou weenen___ En zoo lief! zoo licht! —
De bleeken in hun allerlaatsten wa,
De dooden, Priamus en Helena,
En Charlemagne, en uw Napoleon ....
Wat zagen ze van deze lentezon
Niet hartlijk gaarne een enklen schemerschijn!
Och, had hun graf een klein, klein vensterkijn,
Zij zochten er den blauwen hemel door!
Of maar een reet, waar hun begeerig oor
Aan \'t bijgezwerm en d\' eersten vooglenzang
Zich laven mocht, een half kwartierken lang!
Om dan, gesterkt na langen slaap, zich weer
Ten langen slaap te vlijen als weleer,
Ten zwaren slaap der dooden! —
-ocr page 162-
154
Maar gij leeft
Het zoete leven in Gods zon en zweeft
Met oor en oog dees werkplaats over, waar
De wonderen zich schaaklen aan elkaar:
Maar waar geen hamer dreunde, geen palet
Met groen en purper achterbleef, geen tred
Des Kunstnaars klonk, geen Meester zichtbaar schiep.
En toch is alles af! Geen kloof zoo diep,
Geen berg zoo hoog, geen blad zoo fijn geplooid,
Geen deel, hoe klein, hoe groot, of — \'t is voltooid.
Geen wolkjen gaat, dat niet zijn water brengt,
Geen water vliet, of \'t heeft zijn veld gedrenkt,
Geen windtjen rust, of \'t rolde een wolkjen aan.
En needrig stil, als had zij niets gedaan,
Straalt ginds de zon en glimlacht — in haar groet
Nog zichtbaar toch. Maar Hij, die alles doet,
De Meester, is niet zichtbaar — glimlacht niet.
Ja toch! Hem speurt het oog der ziel, Hem ziet
\'t Gereinigd hart dat Hem in Christus kent:
Zijn kleed is \'t licht, Zijn glimlach is de lent\'!
XV.
BIJ \'T SNEEUWKLOKJEN.
O voorjaarsveld ! o voorjaarszonneschijn!
Wat moet ik zien ? — De koele wintervlokken
Versmolten pas, en \'t donker wolkgordijn
Is even van den hemel weggetrokken;
Pas even suisde een zachter adem aan,
En speelde met de dwarrelende blaan
Van de oude herfst en \'t pasgeboren lover
Der nieuwe lent\', die nog schroomvallig zwijgt —
Daar sterft gij reeds, Sneeuwklokjen! en gij zijgt
Stil, lijdzaam, op den harden grond voorover.
Reeds gaat gij heen! en echter zal eerst nu
\'t Viooltjen haar welriekendheid doen vloeien,
De leeuwrik schaatren, en de amandel bloeien.
Lief Klokjen l de aarde is nimmer schoon voor u.
-ocr page 163-
155
Ge aanschouwt liet goud en purper van de rozen
Noch \'t zilver van den appelboom. Gij ziet
De aardbezie in haar groenen schuilhoek niet,
\'t Rood karsjen niet, waarvan de hof zal blozen.
Dat alles moet in maagdelijke pracht
Rondom en op en boven \'t plekjen leven,
Dat heden u ter grafplaats wordt gegeven.
Gij zwijgt en sterft.... Sneeuwklokjen, sluimer zacht!
Zoo riep ik uit in weemoedvolle klacht.
Daar sprak mijn geest: „O kind van stof, ge boezemt
Een treurzang uit, en merkt niet, dat ook gij
Een waereld moet verlaten die pas bloesemt
En groen wordt, in haar langzaam lentgetij.
Gij zult des Menschdoms Zomer niet zien gloren:
Dat zal uw kroost, uws kroostes kroost misschien !
Veel min zult gij de geele blaaren zien,
Den doodsnik van de herfst der schepping hooren!. . . .
Niet de aster, die de bloemen overleeft,
\'t Sneeuwklokjen zijt ge, in \'t vroeg saizoen geboren,
Dat, na éen dag, het hoofdtjen buigt en sneeft.
Wat zijn voor God zes duizend jaren? — Uren!
Minuten pas!.. . . Wie weet hoe lang Zijn zon
Nog schijnen, en de lente voort moet duren,
Die \'t allereerst in Bethlehem begon,
Eer alle Volk en Natie voor den Heere
Gerijpt is tot een zomervrucht. Zie rond!
Nog heerscht het goud, nog kroont een schandlijke eere
Het vleesch der zonde, en druipt de zelfde grond
Waar Jezus\' krebbe en Jezus\' kruispaal stond,
Van Abels bloed! Nog wandelen de voeten
Des Joods, die pas den vrede zal begroeten,
Als hij, in \'t hart, U, o Messias, vond !
Nog is er van de volheid van den Heiden
Niets dan een klein beginsel ingegaan;
Terwijl nog al de tusschenwanden staan,
Die Christnen van hun Christenbroeders scheiden.
De zaligheid der Liefde, die \'t gesteent\'
Der harten smelt, en van verrukking weent,
De Vrijheid, Vreugde, en Vrede, die tot sikkien
De zwaarden smeedt, en wolf en lam vereent, —
-ocr page 164-
156
Zijn vruchten die eerst later zich ontwikkien!
\'t Is voorjaar, voorjaar! Dichter, en gij gaat
Niet anders dan het Sneeuwklokje\'! Eerst na dezen
Verrijst voor de Aard de zomerdageraad,
Wanneer — uw stof reeds lang verwaaid zal wezen!"
XVI.
BIJ \'T UITGEBLOEIDE NAGELBED.
Zie, \'t Nagelbed heeft ook al uitgebloeid,
En zelfs niet éen dier bloemen zal meer geuren,
Zoolang omhoog de blauwe hemel gloeit.
Toen gij haar \'t eerst in \'t feestkleed harer kleuren
En vloeiend van welriekendheid zaagt staan,
Toen dacht gij wel: „Ik kan haar al mijn dagen
„Zien bloeien!" en — gij bliktet ze niet aan:
Nu komt ge weer: te spa! zij zijn vergaan,
En gij verschrikt en houdt niet op met klagen.
Ach ! wierd uw hart nooit erger hier beneên
Door d\' eigen schrik — te late spijt — bewogen!
Veel schooner dan de bloemen, bloeien de oogen
Van vrienden en geliefden om u heen,
Maar vóór ge \'t gist, zijn ze evenzeer verdwenen:
Zij blinken en verbleeken op hun tijd. —
Verzuim ze niet! Geen traandrop die zoo bijt,
Als \'t vocht, dat ons de onachtzaamheid doet weenen.
Omdat het nu zoo wemelt op uw pad,
Wijl duizenden u overal omgeven,
Is \'t, of altijd die enklen zullen leven,
Met wie ge de aard ter zelfder tijd betradt,
Ter zelfder tijd het zonnetjen zaagt zweven,
En die uw hart vooral heeft lief gehad.
Maar \'t licht der zon — neen ! \'t lichtjen hunner krachien.
Gaat langzaam uit: onmerkbaar dunt de schaar\':
Daar sterft de laatste! en schreiend bij zijn baar,
Zult gij vergeefs een laatste groete wachten,
Vergeefs een oor, geopend voor uw klachten!
Die lieve Vriend, hoe hij u dierbaar was!
Zoo \'t baten kon, wat wierd er schats geboden
-ocr page 165-
157
Voor slechts éen blik, een handdruk van dien dooden.
Maar dagvaard eens de vlammen op uit de asch! —
Zoo dan — ik kom niet eisenen, ik kom smeeken:
Verzuim gij toch uw vluchtig Heden niet!
Erken elk uur, eer \'t nutteloos vervliet!
Schat de uwen, eer de dood hen doet verbleeken!
Al wat gij hebt, niet wat gij hebben zult,
— Dat komt zoo straks! — sta immer voor uw oogen I
Niets heeft den Mensch zoo vaak en diep bedrogen
Als — daaglijksch uitstel van een dagelijksche schuld!
XVII.
G E D U L D.
FANTAZ1E BIJ EEN BLOESEMTAK.
Betoom, betoom uw ongeduld! Al wat
Uit volle borst een uitgang zoekt naar buiten,
Komt eens in \'t licht: geen leven laat zich stuiten:
\'t Zal komen, ja, als een gevonden schat!
Verrassend als na lange winternachten
Zal \'t vóór u staan, voltooid en maagdlijk frisch:
Zoo als het bloesem rij sjen op uw disch,
Dat Gods natuur met ongehoorde krachten
Hervoortriep uit de diepte van \'t Heel-Al,
Met veel meer kunst dan ooit de ruwe handen
Des bergmans bij zijn arbeid leiden zal,
Die gouderts wroet uit \'saardrijks ingewanden.
Wie weet, wat nieuw, wat heerlijk starrenheir
Nog op zal gaan! wat golvend zonnenmeir
Meê ruischen zal in \'s hemels harmoniën!
Wie telt vooruit den koninklijken stoet
Van hoogbegaafde, onsterflijke geniën,
Wier wondren de Aard nog eens bewondren moet?
Onmeetlijk is de rijkdom van Gods zegen!
Het drijvend zwerk omvat den bloemenregen,
Het diepste dal den berg van bloemen niet,
Die, hier alleen, van boven neer zal dalen.
De vooglenschaar, de drom van nachtegalen
-ocr page 166-
158
En leeuwrikken en zangers, die hun lied
Na dezen in de blauwe lucht herhalen,
Is groot genoeg om \'s hemels zonnestralen
Als met een wolk te omneevlen. Maar de Heer
Laat ze op Zijn tijd en niet in eens ter neer.
En toch, voorwaar! daar zal geen enkle falen!
Zij zullen allen komen, zoo gewis
Als allen die reeds kwamen, leefden, zongen,
Of \'t nog doen. — Mensen, uw ongeduld bedwongen.
Waar de Eeuwge-zelf niet ongeduldig is!
Zie, zwijgend, kalm, onzichtbaar werkt Hij voort:
Bedaard en stil doet Hij de bronwei hupplen,
De wolk zijgt neer, maar opgelost in drupplen;
Hij leidt de zon ter purpren westerpoort,
Opdat de dag, in koeler nacht herschapen,
\'t Zweet droogen zou op \'saardrijks heet gelaat.
De bloeinenhoofden vult Hij op met zaad,
Maar enkel voor de naaste lent\': ze ontslapen
Als kleine grijzaards, en hun sneeuwwit hair
Zweeft op den wind. Slechts in de laatste dagen
Van \'t najaar, als de takken vruchten dragen,
Roept Hij de nieuwe knoppen bij elkaar:
Hij doet ze al zacht in bruine zwachtels zwellen.
Betoomt hun haast, dat vóór Aprils begin
Die hulsels hen niet al te prangend knellen,
En sluiert ze met zilvren neevlen in,
Als waren \'t kleine kindren, die de moeder
Voor \'t licht beschut en nog een kleene poos
In sluimring sust___ En zóo is de Albehoeder
In al Zijn doen: hier — ginds — alom — altoos —
Nog eens dan, Mensch! de vleuglen opgeheven,
Maar — \'t Ongeduld geheiligd tot een kracht,
Tot voorgevoel van een volmaakter leven,
Waardoor de taak met blijdschap wordt volbracht,
U heden door den Meester opgegeven!
-ocr page 167-
15<J
XVIII.
\'T MENSCHEN-AANGEZICHT.
Wat rouwtooneel: de hemel zonder zon!
En echter wilde ik leven, zoo men kon.
Maar zonder Menschlijk aangezicht, wierd de Aarde
Weer eenzaam, en verloor de zon heur waarde:
O aangezicht des Menschen! die U schiep,
Hergaf Zijn beeld. Gij Lotus op het diep
Der Hemelzee, aan \'t strand der Aarde bloeiend l
Gij geestes-tempel! waereld-spiegel! bloeiend
Van leven, zich schakeerend zonder end!
Gij, gij-alleen maakt dag en firmament
Eerst waarlijk licht. Bij uw gewenscht verschijnen
Is niemand meer alleen, zelfs in woestijnen.
Een naglans van der onschuld dageraad,
Een Paradijsherinring, is \'t gelaat
Van ieder kind, een Englendroom der grijsheid.
Zoo gij ontbraakt, werd Liefde, Woord en Wijsheid,
O ziele-sleutel! van hun kracht beroofd,
Al ging ook van \'t alom-behairde hoofd,
Muziekgalm uit! Gij zijt in dit Beneden
Het meesterstuk der zichtbre heerlijkheden.
Elk aanschijn, dat een Godgewijd gemoed
Weerkaatst — gelijk de klare watervloed
De zon hergeeft — is waarlijk schoon. Het harte
Vertolkt er al zijn vreugde en al zijn sraarte!
Op \'t aangezicht verschijnt het allereerst
Het wee, dat in d\' onzichtbren schuilhoek heerscht,
En overstroomt in — tranen; \'t eerst, de weelde,
Die \'t heimelijk heur trilling mededeelde,
En overstroomt in — lachjens. Gods Natuur
Is nergens zoo doorzichtig. Vraag het uur
Des korten dags aan \'t schaduwwerpend ijzer —
Het Aangezicht is \'s Levens zonnewijzer!
Het toont de Jeugd, zoo als geen morgengloed,
Geen lenteroos, haar ons aanschouwen doet;
Toont d\' Ouderdom, wien geen verwelkte dalen,
Geen vale herfst, zoo roerend-waar ons malen
Als \'t voorhoofd dat weer bleek werd en zich boog.
\'t Verzilverd hair, en \'t onstandvastig oog,
-ocr page 168-
160
Dat, weggeflauwd, naar binnen schijnt te blikken.
En zelfs de Dood, die Koning aller schrikken,
Zweeft in geheel zijn heilige ernst alleen
Ontroerend-zacht langs \'t Menschlijk aanschijn heen.
Ja meer! gij kunt op de afgestorven trekken,
Als door een tloers, de zaligheid ontdekken,
Des geestes die te rug vliegt naar het licht. —
Ook Jezus koos een Menschlijk aangezicht
Ten sluier Zijner Godheid. Dat wij \'t eeren
En lieven, in den heilgen naam des Heeren!
Bedroef er geen, van wien ook: want misschien
Is \'t voorbestemd om — eenmaal God te zien!
XIX.
\'T VADERHUIS.
Verlaat toch niet voor lange, lange jaren,
Uw Bakermat! Daar glinstert uit de baren
Der levenszee geen beter plek, dan \'t oord
Dat ons als kind, als zuigling, heeft behoord,
Behoord zoo lang ons heugen kan. Jonkvrouwlijk
Gelijk weleer ons hart was, en vertrouwlijk
Gelijk een oude vriend, begroet het ons.
\'t Zand bloeit er, en de distel heeft er dons.
De Bakermat is \'t onverloren Eden,
Waar we in de schaüw der eerste boomen treden,
Waar de oude bron haar ouden zang herhaalt,
En de eigen zon, de kinderzonne! straalt
Van d\' even klaren hemel, steeds bepaereld
Met de eerste starren. Daar werd ons de waereld
Ten vaderhuis: daar was het vaderhuis
Heel onze waereld! .. . . De oude steenrotskluis
Groeit toe, wanneer de duive is weggevlogen;
En keert ze weer — zij zoekt, maar — staat bedrogen:
Als ge uit uw erfgrond wegwijkt, sterft de beemd
U af, en — heel de waereld wordt u vreemd! —
De Bakermat heeft eens uw beste wenschen,
Als u, gewiegd. Slechts daar kent gij de menschcn.
Wijl gij de kindren kendet. Daar-alléen
-ocr page 169-
161
Zweeft de ademtocht des vredes rond u heen,
Daar lieven ze u, om dat ze u allen kennen
En aan uw liefde en — feilen zich gewennen!
Daar leest ge in \'t hart, en daar begrijpt gij eerst
Het Godsbestuur dat over alles heerscht:
Want daar zijn u der men*chen handelingen
Hun zin, hun lot, en loon, aanschouwlijk. Zingen
De vreemde heuvlen van Gods majesteit,
Uw moederdal looft Gods voorzienigheid!
Walgt u de vrucht van eigen lustwaranden,
Zoo trek dan heen naar de u onvruchtbre landen!
Begeert gij Kennis — vorsch de steden door!
Begeert gij Goud — doorploeg het waterspoor!
Begeert gij Macht — volg waar ze U heen doet streven!
Maar spreek: is Macht, Goud, Wetenschap, wel\'t Leven?
Begeert ge uw leven? Wilt gij \'t Hoogste Goed:
Waarachtig Mensch zijn? Teugel dan den voet,
Of — allereerst: betoom den lust der zinnen,
En — blijf in \'t land der Vaderen ! Blijf binnen
Uw vaderstad! ja, zoo gij \'t mooglijk ziet,
Verlaat ook zells uw vaderwoning niet!
Voor \'t Vaderhuis staan Englen onder \'t wapen.
\'t Is naamloos zoet, op d\' eigen plek te ontslapen,
Waar de eerste slaap onze oogen heeft verheugd!
Gelukkig, wien der oud ren vlijt en deugd
Het Vaderhuis, in Gods gena verkregen
En wél bewaard, doet erven — met hun zegen
Tot fundament en gevel! die hun naam
En — dak hernieuwt, en opleeft aan hun raam.
Als nieuwe vrucht aan d\' uitgebloeide!) wingert,
Als groenend veil, om d\'ouden muur geslingerd!
Gelukkig is de Dochter, wie de Man
Het Moederoog niet ver ontvoeren kan!
Die \'s avonds heimlijk even weg mag glippen,
Naar d\' ouden kus der vriendelijke lippen,
Naar d\' ouden haard, waar \'t vlammetje\' even hel
Als vroeger danst! die \'s morgens vogelsnel
Met luttel schreèn heur lichtgetrooste smarte,
Heur groote vreugd, in \'t open Moederharte
Ter nederstort! De vrede van heur God
Vervult haar: want zij brengt het hoogst genot,
-ocr page 170-
162
Dat ooit de borst der Oudren heeft bewogen....
Dier Oudren — zoo veranderd voor heur oogen,
Die, witbesneeuwd en met gebogen leen,
Nog roerender haar minnen dan voorheen,
Nog teerder haar — hun „lieve dochter" heeten!
Zie, hoe ze nu, aan d\' eigen disch gezeten,
Heur Kindeken op \'t eigen kussen plaatst
Waar eens de Moeder zat! Die zit er naast
— Oude eerbiedwaarde! — en blikt met zalig beven
Naar beide heen, en ziet het, hoe zij leven
En worden: en vindt heel heur zoet weleer,
Verdubbeld en verjongd, in beide weer.
Ja meer! ook hij, de Patriarch en Koning:
De grijze Vader! bleef nog \'t kind der woning, —
Der wel gelijk, die op de zelfde plek
Heur frischheid houdt in \'t lommrig looverdek.
XX.
BLOEMENLES.
Gij trotsche Mensch! pas op, dat niet misschien
De Rozenstruik u schaamrood op doet zien !
Geworteld in de moederlijke nacht
Van \'s aard rijks schoot, verzamelt zij zich kracht,
Formeert ze een takje\', een blaadtje\', een bladgewelf,
Dan knoppen, rozen, doornen — alles zelf!
Zij vult met geur de rozen die ze kweekt;
En blijft ook stil, als gij die prijst, ja breekt:
Want zij heeft kracht voor menig nieuwe roos !
De doornen-zelfs draagt zij niet vruchteloos:
Want \'s voorjaars, als het lammeken zijn wol
Verliest, zit zij van witte vlokjens vol;
Die greep zij met de kleine dorens aan,
En houdt ze vast, en laat geen donsjen gaan —
Tot eindelijk de vogel er om vraagt,
Die ze allen naar het weeke nestjen draagt ....
Dus, trotsche Mensch! pas op, dat niet misschien
De Rozenstruik u schaamrood op doet zien!
-ocr page 171-
163
XXI.
NOG EEN BLOEMENLES.
Zie daar die Roos! daar straks nog was ze Knop.
God der Natuur! ik merk Uw vinger op.
Goed-zijn is Zijn, al \'t andre is Wanbestaan,
Is Worden slechts, Ontwikkien, of Vergaan.
Gij Goede dan, gij Christen! wees verblijd,
Maar — wees niet trotsch: gij zijt niets, maar gij Zijt.
De Knop is Roos door éenen zonneschijn:
Wat heden wordt, zal mooglijk morgen zijn.
XXII.
BIJ \'T AAUDBEIPLUKKEN.
Ai ziet! de Zomeroogst is daar. Nu plukt
De dartle jeugd, die in de struiken bukt,
De heerlijke aardbei die te vonklen staat,
Op \'t groen fluweel een vurige granaat!
Hun kleèren geuren, en hun vinger geurt,
Door \'t rozenbloed der rijpe vrucht gekleurd !
De mond der kindren geurt, en snapt, en lacht,
En dankt de moeder die hen herwaards bracht.
Gij meesmuilt, Rijkaart, om dit kinderfeest?
Geen slemppartij is ooit zoo duur geweest,
Geen bruiloftsmaal in \'t koninklijk paleis!
Die wandeling der moeder, kost een reis
Der aard rondom de zon heen — en de zon
Veel duizend stralen uit Gods stralenbron,
En die veel duizend stralen kosten weer
Veel olie uit het blauwende éthermeir ....
Bereken eens, zoo gij te reeknen weet,
Wat arbeid aan een zomer is besteed!
Wat Godskracht, die de raadren der natuur.
Die aarde en hemel zelfs geen enkel uur,
Geen oogenblik van ruste heeft gegund! . . . .
En als gij dan niet langer tellen kunt,
Als gij, verbaasd, uw wetenschap verloort,
Zoo kom dan hier, en luister naar dit woord:
-ocr page 172-
164
Eene aardbei kost — al wat een zomer kost,
Als hij, voltooid, zich in zijn prachtkleed doscht;
Dat van uw boomgaard opgolft tot aan \'t zwerk:
De zomer kost — een Godlijk wonderwerk!
Dat wonderwerk, en alle wondren saam\',
Die vrouwe met den blijden moedernaam,
Die kindren, de aard, de hemelen daarbij,
Zij kosten God — éen lettergreep: „daar zij!"....
O mensch met uw millioenen ! god is rijk,
En god is groot!---- Aanbid Hem, handvol slijk!
XXIII.
IN \'T NAJAAR.
Weer zingt Natuur in de afgevallen blaren
Haar laatste lied, baar najaars-elegie!
Een traan verrast onze oogen, onze knie
Buigt biddend neer, en al de fijne snaren
Des weemoeds — die Aeoolsharp van het hart —
Ontwaken; om harmoniesch mee te trillen;
Maar daar is zooveel zoel beid in die smart.
Dat wij haar voor geen vreugde ruilen willen.
Hoe wordt het loof, dat daaglijks lichter geelt,
Met duizend bonte tinten gepenseeld,
Waarvoor \'t palet des Kunstenaars geen verven,
Des Dichters taal geen namen heeft! Hoe kust
De zon nog eens de bloemen, eer zij sterven,
De kindren van haar jonge jeugd! Hoe rust
Het veld, de hof, de boomgaard, en de wingert
Die aan mijn venster tikt, van d\' arbeid uit.
De spin zelfs, die aan \'t laatste draadtjen slingert,
Heeft trouwer niet dan \'t allerkleenste kruid
En klompsken aard, haar dagtaak afgeweven.
O, wie zóó schoon, de webbe van zijn leven
Voleinden mocht! Wie werken kon als gij,
Natuur!.... Mijn God, vergeef de hovaardij,
En gun mijn wensch: geef me oogen, heldere oogen,
Om \'t wonder Uwer handen ga te slaan;
Een ziel, om recht Uw schepping te verstaan,
-ocr page 173-
165
Dat Leerboek van Uw eeuwig alvermogen,
De Inleiding tot Uw Bijbel, \'t Alfabeth
Dat ons de Schrift leert lezen!___ Geef mij oorea,
Die luistergraag Uw levenslessen booren,
Ook waar Gij die in \'t bloeiend voorjaarsbed
Of in het goud der bleeke najaarsst\'alen
Gegriffeld hebt — oirsprooklijkste aller talen!....
Geduld en Waarheid, deze twee, o Heer!
Vind ik Mom in al Uw werken weer:
In elke wolk, in eiken drop, bij \'t zwoegen
Des zomers, en als de avonden vervroegen,
In elk saizoen — allijd en evenzeer!
De Waarheid is de grondslag Uwer schepping:
\'t Toont alles zich gelijk het is. Hoe zong
De leeuwrik, als hem \'t hart tot zingen drong;
Hoe Ijilpte \'t muschje\'. in blijde vleugelrepping,
Als \'t zoet gevoel des levens hem bewoog!
Het roosjen geurde, en \'t nacht viooltjen spilde
Haar balsem, juist zoo als Gij, Meester! wilde;
De tong van niet één éenig blaadljen loog.
Niet slechts geen knop, die de aarde mee bebloemde,
Maar ook niet éen der schoonste werken roemde
Zich-zelven — neen! U groole God! alleen,
Zelfs als de pauw zijn prachtig rad liet pronken,
Of als de zon, den pauw gelijk, verdween,
En starren in zijn rozig licht-rad blonken___
En nu — ik zie die zelfde starren weer:
Zij treden stil naar builen, en zij dulden
De neevlpn, die heur wandelweg omhulden;
Zij welen \'t, ook de herfst is de Uwe, o Heer!
En Gij verbergt een lenie in eiken winter,
De onsterflijkheid in ieder graf. — Hoe zacht
Zijp honderde van bloemen hier en ginter
Bezweken in den allerlaatsten nacht!
En zonder ook den minsten zucht te lozen,
Aansprakeloos en dankbaar, bogen zij
\'t Verbleekte hoofd ter aard !.... Wat les voor mij!
Ach, dat een bloem den mensen moet leeren blozen!
De sprake, die het Najaar spreekt, beschaamt
Den hoogmoed, dien „de Vorst der schepping" admt!
Het predikt dood en eeuwigheid. — Gij, Heere!
-ocr page 174-
166
Doe mij dien wenk betrachten!.... Heilig Gij
Mijns levens korten zomerdag, en zij
Mijn einde een herfst, nog ruischend van Uwe eere!
XXIV.
DE MOEDER IN HET NAJAAR,
Gelijk een moeder, die haar laatste spruit
Nu ook. gehuwd, haar huis verlaten zag,
Voor \'t eerst zich na haar groenen bruiloftsdag
Tot rust zet, nu zij \'s levens werk besluit:
Zoo rust Natuur, de vruchtbre Moeder, thans
In \'t Najaar van haar groolen arbeid uit.
Veel dochterkens — een rijke Bloemenkrans! —
Trok ze éen voor een den schoonen feestpronk aan.
Die al haar dagen duurt Zij wiesch ze trouw
Elke\' uchtendstond en bij het slapen gaan
Het lief gelaat met frisschen hemeldauw.
Trouw heeft ze den volwassenen bij \'t licht
Der volle maan de Bruiloft aangericht.
En verder nog met onvermoeide hand
Het werk van al haar Kindren mee bezorgd:
De vruchten uit de bloesems der vvarand
Gelokt; de slang heur jaarlijksch kleed geborgd;
De blonde druif gevuld met versche most;
De vlinderwiek met goudstof overstrooid ;
Het vischjen in zijn schubbenjak gedoscht;
De boon, in \'t groene huisjen, bont getooid....
Geen streepjen faalde. O Meesterlijk Geheel 1
En alles was zoo schoon en blijd als ooit
In lucht en zee en dal en boschpriëel;
En ongevraagd ontving een elk zijn deel!
Hoe duurzaam is haar werk, dat jaar op jaar
Vernieuwt! Hoe onverganklijk staat zij daar!
Terwijl al \'t geen de Mensch — haar grootste kind —
Volbrengt, straks valt en wegwaait op den wind.
Nooit kinderloos, kent Gods Natuur geen rouw,
En onvermoeid blijft zij de Jonge Vrouw.
— De menschenmoeder echter, wie ik-zelf
-ocr page 175-
1117
Het laatste kind ter vrouwe nam, zit stom
En eenzaam neer in werkloze\' ouderdom.
Heur taak is al\'. Zij b ikt naar \'t stargewelf.
Dat, eeuwig blauw, baar eigen molmend dak
Bescbaamt. Zij grijpt den bladerlozen tak
Des vruchtbooms, en ziet met bewondring aan,
Hoe daar alom weer nieuwe botten staan :
Die bloeien straks bij lentes wederkeer
En — dragen vrucht. Ach, dat zal zij niet meer!
Zij glimlacht, maar in ieder oog een traan,
En lluistert zacht, als in een luiden droom :
„Een mensch is slechts een knop aan \'s levens boom!"
Maar eensklaps, ziet! daar zijn die wangen droog;
Daar blinkt een gloed des hemels in haar oog,
Zoo schoon als nooit op vollen zomerdag
Natuur op al heur schatten werpen mag.
Zij vouwt, verblijd, de maagre banden saam\',
De stramme kniën buigen zich ter aard\'.
En van haar bleeke lippen vloeit een Naam,
Die alles in een enklen klank vergaart
Wat troosten kan van \'s levens korten duur:
„Mijn Jezus!" bidt ze, „ik dank U: ik versta
„Uws geestes stem, en lofzing Uw gena !
„Neen, ik benijd geen Lagere Natuur:
„Zij — is dezelfde in \'t steeds herlevend groen.
„Mij — schiept Gij niet om in den ouden kring
„Mijn eigen werk oneindig na te doen!
„Gij roept mijn ziele, om van ontwikkeling
„Te klimmen tot ontwikkling, en van kracht
„Tot kracht, van licht tot licht, van de Aard tot U!
„Hier hebt Gij mij bij \'t spinnewiel gebracht,
„En breekt dan nu de grove draad, welnu!
„\'k Weet dat Omhoog me een beter arbeid wacht.
„Geef dat ook ik in deez\' mijn rust U dien\'!
„\'k Leg aan Uw voet mijn biddend hart ter neör;
„\'k Heb door :t geloof Uw zaligheid gezien!
„Laat thans in vrede Uw dienstmaagd gaan, o Heer!"
— Komt, moeders! doet als zij, en weent niet meer!
-ocr page 176-
168
XXV.
WAT GEEFT MIJN LIED?
SLOTZANG.
Wat geeft mijn lied ? — Een roepstem op den drempel,
Een noodiging voor \'t gioole Levens-feest,
Den tekst des groolen Preèkers in den Tempel,
Die \'t AI bezielt met Zijn algoeden Geest!
Nu leer gij-zelf gelooven en beminnen!
Nu ga gij-zelf den schoonen Tempel binnen!
Betreed het Allerheiligste! Betreed
Den bodem, die zoo velen reeds betraden,
Bid op de plek, waar reeds zóó velen baden,
Dat de indruk van hun knie het marmer sleet!
Ginds rusten ze, onder heiige tempelzerken,
In \'t tempelvvelf! Nog zijn zij U nabij!
Zie rond u heen 1 Aanschouw de lange rij
Der „Heiligen des Levens," wie hun werken
Gevolgd zijn! Hoor, wat de Ongeziene preekt,
Met woorden niet: — met lente en lenlegaven,
Gebloemte en licht, dat uit den sluier breekt,
Met herfst en dood, met dooden en met graven,
Met duizend nieuwe kindren — bovenal
En \'t duidelijkst met menschen, met geslachten,
Ja, met u-zelv\'! Geen die God hooren zal,
Als hij Hem in zijn eigen zielsgedachten
Zijn hart, zijn geest, en zijn geweten niet
Hoort roepen en vermanen. Spits dan de ooren,
En hoor u-zelv\', dan hoort gij Hem! en ziet
Dit opschrift op den tempelgevel gloren:
„Wees heilig: want gij zijt in \'t Vaderhuis!
„Wees goed: want God is goed! Hem zult gij vreezen
„En lieven. Leer te sterven onder \'t kruis,
„En — laat uw leven als uw sterven wezen!"
-ocr page 177-
KLEINE GEDICHTEN VAN KAREL XV.
AAN ZWEDEN.
Gij Noorden, met uw ruischend strand!
Mijn vrij, mijn dierbaar Vaderland!
Hoe kalm blikt gij in \'t ronde!
Een welbeproefden held gelijk,
Gebiedt gij eerbied t\' allen stonde,
Aan onvergeetbre daden rijk!
Wel vaak bedreigde u krijgsgevaar,
Maar bij uw rotsmuur stondt gij daar,
Sterk als de grauwe klippen;
En over woud en heuvelpracht
Houdt gij met sprakeloze lippen
Onwrikbaar op uw post de wacht!
Nog menig deugd, zoo rein als trouw,
Schuilt stil in uwer dalen schaüw;
Uw fiere stroomen ruischen
Van d\' ouden, blijden Vrij heidszang,
En Zweedsche kielen steeds doorkruisen
De golven met gewiekten gang!
Maar zelf zit gij in vrede neer:
Slechts half gedachtig aan \'t weleer,
Toen u de roem deed blaken.
Van verre rolt de krijgskar voort —
Zal nimmer u de storm genaken,
Die gij bij gindsche volken hoort?
-ocr page 178-
170
Uw glorie zweeft de waereld door;
Eens groenden lauwren op uw spoor —
Verzuimt gij die op heden?
Acht gij den strijd voor Eer en Hecht,
Voor Trouw en Vrijheid, reeds volstreden,
En \'t groote pleit voor goed beslecht?
0 Zweden! voelt uw kroost zijn hart
In \'t web der Eigenbaat verward,
Der Wijsheid dezer dagen ?
Een smartkrect gaat van broeders uit; —
Hebt gij geen ooren voor dat klagen?
Kan \'t zijn, dat gij uw ziele sluit?
O, twijtel niet, Gods sterke hand
Beschutte\' en hoedde Zwedenland.
Ook onder duizend vreezen.
Houdt gij getrouw uw plicht in \'t oog,
Gij weet, uw God zal met u wezen,
Hoe tel de waereld dreigen moog\'!
Vertsaag dan niet, maar bouw op Hem !
Verhef als uit de hoogte uw stem,
Waarop de volkren beiden!
Dan breken boei en slavenkoord,
Dan zult ge u tot den kamp bereiden,
Uw schoonsten! voor den Vree van \'t Noord.
DE BURCHTRUÏNE.
De avond daalt op donzen wiek —
\'t Hoofd omkranst met klissenblaaren,
Duikt de Stroomgod uit de baren,
Luistrend naar de windmuziek.
Aan den zoom van \'t donker meir
Staat een oude Burcht te grijzen —
Wonderzoete droomen rijzen
Bij dien aanblik keer op keer.
-ocr page 179-
m
\'t Avondrood, dat nederglijdt,
Doet het puin van purper gloren :
En zoo schijnt die oude toren
Ongeschonden door den Tijd !
Ik, herschapen evenzeer,
Waan me een Held uit vroeger jaren,
Aan de spits der trouwe scharen
Opgerukt in \'t krijgsgeweer.
\'k Pluk alreê het lauwergroen
Voor de blankgehelmde slapen
Met het Ridderlijke wapen ....
Daar verdwijnt het vizioen!
De allerlaatste zonneglans
Stierf daarheen in \'t schemerdonker:
Een juweelig stergeflonker
Tintelt aan d\' azuren trans.
Langzaam gaat het maantjen op.
En de beelden, straks verschenen,
Trekken nu als nevels henen
Over eik- en sparretop.
Slechts Herinrings stem gaat om
Door \'t geboomte, in zoete klachten,
Roepende, als in donkre nachten
\'t Orgel uit een Heiligdom!
IN DEN VREEMDE.
Plek der geboorte!
Verrukkelijk strand!
U blijft mijn harte
Voor immer verpand.
Zwaan, die u rustig
In \'t vijvervlak spiegelt,
-ocr page 180-
172
Lieflijke Haga! \')
Gij, Tooverpaleis,
Lokkend in \'t midden
Der bloeiende parken !
Smachtend vervolgt mij
Uw beeld waar ik reis!
Hoog aan den hemel
Bespied ik de wolken,
Eeuwen aan eeuwen
De wandlaars der lucht;
\'k Hoor in \'t geboomte
De ruischende blaren
\'t Windeken roepen,
Zoo haastig ter vlucht:
„Koeltjen van \'t Noorden!
Ai, waar snelt ge henen?
Werwaards, gewiekte!
Verlokt u \'t verschiet?
Zaagt gij dan Lögarns
Verrukkende schoonheid,
Zaagt ge op de golven
Heur eilanden niet?
„Zaagt gij de klippen
Niet de oevers omzoomen,
Wenkend en wuivend
Met looverfestoen?
Zaagt gij de weiden
Niet lonkiM en lachen,
De armen ontsluiten
Van \'t molligste groen?
„Als ge ooit te voren
Die oorden begroettet,
Immer er juichend
Vertoefdet, zoo spreek!
Waarom ontvouwt ge
\') Een lntrtülot naM| Stockholm.
-ocr page 181-
173
Dan daar niet uw vleuglen?
Vreerndling, wat zoekt «e
De ongastvrije streek?". . . .
\'t Windekeu andwoordt:
„Voorzeker! ik ken ze.
De Eilanden, droomend
In de armen der zee,
De eenzame klippen.
De wouden, de weiden,
Ruischend van zangen
En groenend van vree I
„\'k Ben er geboren,
Gevoedsterd, gekoesterd,
Toen er de lente
Verscheen met heur krans.
Plotsling ontwaakte ik
Aan d\' oever van \'t beekjen,
En op beur golljens
Beproefde ik den dans.
„Bloemekens wiegden
Mij zacht aan heur boezem,
Zorgeloos kuste ik
Het berkengeblaart;
En in de luwte
Der zomersche nachten
Speelde ik met de Elfen,
Ten feestrei geschaard.
„Plotsling, daar woei mij
Een onweèrswind tegen:
„Haast u!" zoo sprak hij,
„Vooruit, zonder rust!"
Sedert nu moet ik
Wel zwieren en zwerven,
Ver over de aarde
Langs menige kust!
-ocr page 182-
•174
B\'k Mag niet verpoozen.
Eer \'t klinkt van den hemel:
„Daal nu en rust nu,
„Uw tocht is volend!"
Maar waar ik dole,
Wel nimmer vergeet ik
\'t Liefelijk Land met
Zijn heerlijke lent! . . . ."
Stemme! \'k herken u.
Neen, niet uit de blaren,
Niet uit de winden
Ontstaat uw geluid:
Maar uit mijn harte
Verrijst gij al fluistrend,
Ach! en mijn eigen
Legende spreekt ge uit.
Zijt dan mijn bode,
En ga met de wolken!
Biecht gij mijn heimwee
Aan \'t liefelijk oord!....
Zoo als de vogel
Verlangt naar zijn nestjen,
Zoo smacht de ziele
Naar \'t Land der Geboort\'!
HERINNERING.
I.
Groenende tente
Bloemen der Lente,
Rozen, wat zijt ge
Spoedig verdord!
Zaligst ervaren,
Zonnigste jaren,
Waarom verblijdt ge
\'t Harte zoo kort?
-ocr page 183-
175
Weldra komt de avend,
Gemanteld in \'t zwart,
Gestorvene vreugden begravend
In \'t eenzame kerkhof van \'t hart!
Ziel! blijf vertrouwen!
De avond moog\' grauwen,
Starrengewiegel
Straalt overal!
\'t Lieflijkst Herdenken
Heft op uw wenken
\'t Floers van zijn spiegel,
Klaar als kristal,
Lichtbeelden klimmen,
Vriendlijk en teer,
Der Vreugden onsterflijke schimmen,
U groetend, getrouw als weleer!
II.
Snel loopt het zandglas,
Dat nimmermeer sliep:
Wie die éen korrel
Uit duizend herriep\'?
Jaren
Ontvaren
Zoo snel als sekonden:
Levens verzwonden
Als uren in \'t diep!
Heil u, o stervling!
Behieldt ge in \'t gemoed
Éene Herinring
Vertroostend en zoet,
Malend
Met stralend
Penseel u uit velen
Enkle tooneelen
Onschuldig en goed!
-ocr page 184-
•176
Ddar vindt de ziele
Heur schuilplaats voor \'t wee,
Daar brengt die duive
\'t Olijvenblad meê!
Woeden
De vloeden,
Verdwenen de kusten,
Daar kan ze rosten:
Gods arke bouwt zee.
Maar spon de Wroeging
Een nevel van smart,
Heelt zij \'t kristal der
Herinring verzwart;
Volgen
Verbolgen
Slechts spooksels uw schreden,
Vreest gij \'t verleden,
Dan, wee u, arm hart!
Vruchtloos uw schatten
Den toovnaar geboön,
Die met de kunst des
Vergelens u loon\' 1
Konden
Ooit zonden
Een graf voor zich delven ?
Wie is z ich-z elven
Nog immer onlvloón?
EENZAAMHEID.
Eenzaam was ik. In het ronde
Stond in al heur pracht Natuur,
Als een open tempel, schittrend
Met een koepel van azuur.
\'t Woudgerilsel, \'t windgezuisel
Smolten saam\' tot éen akkoord :
Mijn gedachten zochten Boven
-ocr page 185-
•177
\'t Heerlijk Land van haar geboort\'.
Maar van uit liet diepst mijns harten
Rees een teedre fluisterklacht:
„Ach, wat baat het, of de schepping
Schittert in haar hoogtijpracht?
Blauwe wolken, groene weiden,
Drupt g ij balsem in \'t verdriet:
Eenzaam ben ik: aarde en hemel
Keeren \'s menschen noodlot niet!"
Zie! daar nadert mij een vlinder,
Fladdrend in den zonneschijn,
Vlug en sierlijk, wonderkleurig,
Een gevleugeld bloemelijn.
En hij fluistert: „Hoe zoo droevig?
\'s Levens weg bloeit overal!
Wat al roosjens, purperbloosjens,
Lieve lipjens overal,
Dartele oogjens vol van lonkjens.
Vol van vonkjens, vol van vuur,
Lokken u tot lust en liefde:
O, gebruik het gunstig uur!
Ruil de schoone voor een schooner!
Zoek waar de allerschoonste beidt!
Immer wislend van vermaken
Weet gij van geen eenzaamheid !"
Arme vlinder! kind der zonne!
Wien éen lent\' gegeven is,
Om voor eeuwig weg te zinken
In den schoot der duisternis!
Ach, gij kunt mij niet begrijpen,
Gij, het heimwee niet verstaan,
Dat met stil en heilig beven
\'t Innigst hart zóo snel doet slaan.
Neen! mijn weg gaat niet als de uwe
Door het lage stof der aard,
Waar te midden van \'t genieten
Slechts de dood in \'t ronde waart!
En de vlinder was gevlogen!
Nieuwe bloemen wiegden hem ....
-ocr page 186-
178
Eensklaps, hoor! daar trilde zachtkens
Weer een andre fluisterstem.
\'t Was de rots, die sprak. Heur schedel
Baadde in d\' avondpurpergloed,
Maar het schemerfloers omhulde
\'t Somber mastbosch aan heur voet:
„Voel in de eenzaamheid, o Jongling\'
\'t Fier bewustzijn uwer kracht!
Hef den schedel trots naar boven,
Hooger dan de middernacht!
Dan, gelijk een zuil des hemels,
Tart gij storm en bliksemvier.
Heldengrootheid wankt noch wisselt,
Eeuwig schittert de Eerlauiier!
Enkel op een borst van marmer
Stuit gij \'s werelds haat en hoon.
Op de hoogte, koud en eenzaam,
Blinkt de hooge Heerscherskroon!"
Alzoo sprak de grauwe rotsklip:
Maar ik zag, toen de avond zonk,
Hoe heur kroon verschoot — de hemel
Nam wat eens de hemel schonk!
Weldra stond de rots in \'t duister
Als de kleinste heidebloem,
En ik zuchtte: „Trotsche droomen!
Korte Grootheid! wufte Roem :
„Geest van God, die mij doorhuivert,
Trillend door alle aadren heen,
Hemelgloed, mijn hart doorstralend,
Gij zijt eeuwig, gij-alléen!
\'k Wil mij niet voor U verharden,
Lcvcnbrengende Adem Gods!
Liever \'s waerelds smart geleden
Dan versteven tot een rots!
Liever door de vlsm geblakerd,
Mits het vuur des hemels zij,
Dan bevroren in de wolken
Van een doodsche Hovaardij I"
-ocr page 187-
179
En de sombre nacht ontplooide
Breeder steeds heur sluimersprei;
Al \'t gestarnte, bleek en zwijgend,
Ging aan \'s hemels boog ten rei.
\'t Windtjen zuchtte, niet éen golfjen.
Dat meer \'t slapend strand beklom;
En door niets gestoord, oneindig,
Heerschte de Eenzaamheid alom.
TWEE OOGEN.
Het duister had de waereld ingenomen,
Als in den ouden, donkren baaiertnacht,
En dekte met zijn sluier land en stroomen,
De hooge rots en \'t boschjen in zijn pracht.
En vruchtloos wierp de zon heur gouden glansen
De schepping rond: zij gaven haar geen licht;
En vruchtloos rees \'t gestarnte aan verre transen —
Een wildernis bleef \'s Hemels aangezicht!
Wel hielden steeds zwaarmoedige gedachten
Ter snelle vlucht de vleugelen ontplooid,
Maar ach! vergeefs verspilden zij heur krachten —
Geen lokkend doel, geen vriendlijk rustpunt ooit!
Steeds huivrend tot in \'t binnenst van mijn harte,
Dezelfde nacht, éen blinde woestenij!
Een weefsel van vertwijfeling en smarte,
Een tranendal, scheen heel de Waereld mij.
Daar zag ik \'t licht, van twee bezielende oogen,
En zie! de nacht week ijlings van mijn jeugd.
Een lentegloed zeeg neder uit den Hoogen,
En de aarde in \'t rond weêrschitterde van vreugd.
Het was me of ik ontwaakte uit bange droomen;
Voor \'t allereerst loeg mij de schepping aan.
En vrolijk als de ontboeide waterstroomen,
Voelde ik met kracht al \'s Levens polsen slaan.
0 zeg! is dit een Hooger straalgewiegel,
Mij wijzende op een heerlijk Levensdoel?
-ocr page 188-
180
Is wat ik zag een reine hemelspiegel.
Weerkaatsend slechts mijn eigen Voorgevoel\'?
O, andwoordt mij, gij oogen die daar blauwde!
Stamt gij niet af van uit een Beter Land \'.\'
En is misschien wat ik in U aanschouwde,
Ken blik in \'t Licht der Eeuwge Lustwarand\'?
D E V li O IJ W.
Wat is de kuische ziel der Vrouw ?
Geduld ! uw allerschoonste tempel!
Rein goud, geheiligd door den stempel
Van onverbrekelijke trouw.
Zij spreekt uit de oogen, en speelt rond
Den vriendelijken rozenmond.
Wat is de zuivre min der Vrouw?
Een wolkeloze lentemorgen!
Zij voert den man uit \'s levens zorgen
Terug naar Edens Lustlandouw.
Daar zien ze op nieuw den Heere God,
En luistren na:;r Zijn hoog gebod.
DE VRAAG.
Vraagt ge, „wie mij heeft geleerd
„U te minnen?" kunt gij.\'t vragen?
Vraag dan, waarom alle dagen
\'t Zonnetjen met welbehagen
\'t Vlammend oog naar de aarde keert!
Vraag het golfjen, hoe \'t mag komen,
Dat het bloost van purpergloed
Telkens als met d\' avondgroet
\'t Zonlicht neêrduikt in de stroomen!
-ocr page 189-
181
ZING!
Starretjens met mat geflonker
Slapen op het wolktapeet.
\'s Hemels koepel is in \'t donker
Van een grauwen nacht gekleed.
Bloernloos zijn de kille streken:
\'t Noorden door \'t ontheisterd land
Huilt vergramd, en golven breken
Zuchtende op het eenzaam strand.
Plotsling aan den hoogen hemel
Breekt de gloed der Lente door.
\'t Beekje\' ontdooit, en bladgewemel
Ritselt in den zonnegloor.
\'t Leeuwrikje\', uit de weide zwevend,
Zingt zijn vrolijk morgenlied,
En de bloemekens, herlevend,
Bloeien tot in \'t wijd verschiet!
Ziele, wie geen zorgen prangen!
Harte, kloppend van genucht!
Steiger, op de wiek der zangen,
In de klare lentelucht!
Zing, nu \'t morgenpurper blikkert,
Bij der zonne weêrgeboort\'!
Zing, als \'t avondrood weêrflikkert
Aan de ontsloten westerpoort!
Zing, nu Lent\', met gouden hairen,
Huppelt in den morgenglans,
Nu zij bloemekens en blèren
Strengelt tot een hoogtijkrans!
Zing, nu met verrukte blikken
Zich uw onverzaadbre geest
Aan Gods schepping mag verkwikken.
Zing, mijn ziel 1 en vier uw feest!
Schep, uit \'s leeuwriks vreugd koralen
Blijdschap, eer de Lente dort!
-ocr page 190-
*82
Hef u op in licht en stralen,
Eer het straks weer duister wordt!
Zelfs de graven groenen heden,
En de star aan \'s hemels boog,
Ziet op de assche daar beneden
Neder als een Englenoog.
GELOOFSBELIJDENIS.
\'k Geloof, daar is een God, in \'t eeuwig licht gezeten,
Maar Wiens genade nooit Zijn kindren kan vergeten;
Een God, die eeuwig was en eeuwig blijven zal,
Ook al verging de Tijd, en al verdween \'t Heelal.
Die zon in \'t luchtazuur, bekroond met gouden stralen,
Die zilvren maan aan \'s hemels blauwen rand,
Die bloemtjens, die in \'t groene veldkleed pralen,
\'t Zijn al geschenken van Zijn hand!
\'k Geloof, daar is een Liefde, uit \'s hemels blijde gaarde
In \'s Levens morgenstond ter-neêr-gedaald op aarde;
Die \'t golvend hair omkranst met groene mirteblaan,
En deernis balsem mengt in droefheids bittren traan.
Waar ooit een harte klopt, verkwikt zij \'t met heur zegen,
In \'t sneeuwig Noord, in \'t alverschroeiend Zuid,
En lieflijk daalt heur zoete bloemenregen,
Ook dan nog als zich \'t Graf ontsluit!
\'k Geloof, daar is en heerscht een Schoonheid, die het leven
In al zijn vormen maat en harmony kan geven:
Uit lucht en zee, en aarde en hemel, van alom,
Straalt ze, eeuwig jong, als uit een eindloos Heiligdom.
En nadert zij al zacht den Dichter in zijn droomen,
Ze ontsteekt zijn hart in heiige schoonheidsdorst;
En in den zang, dien ze uit zijn lier doet stroomen,
Vindt zij een weg tot ieders borst!
\'k Geloof, dat nooit de Dood de vrije ziel kan kluistren,
Dat nooit Verganklijkheid den Hemel kan verduistren,
-ocr page 191-
183
We ontsluiten, na den Nacht, voor \'t Eeuwig Licht het oog,
En \'t Graf is slechts de deur van \'t Vaderhuis omhoog.
Als de aardsche zon verdwijnt, die \'t pelgrimshart deed hijgen,
Dan rijst voor ons een blijder morgengloor;
Wij blinken van Gods heerlijkheid, en stijgen
Naar aller Zaalgen Broederchoor!
WEEMOED.
Ik weet er een Engel, een dochter van \'t Noorden,
Wel bleek, maar met oogen van lichtglans doorspeeld.
In eenzame liefde doorzwerft zij alle oorden,
En spiegelt al droomend in \'t beekjen heur beeld.
Schoon Lente tot vrolijke hoop moge wekken,
Ik zie haar voorbij, waar die Engel verschijnt,
Naar wie in verlangen mijn armen zich strekken,
Al buigt zij \'t gelaat, dat zoo liefelijk kwijnt.
Zie, \'k volg nu verrukt onophoudlijk de Schoone,
Van \'t rotsige dal tot het schuimende strand,
Totdat ik, in schaüw van der bladeren kroone,
De zwerfster ontmoet, en haar grijp bij de hand!
Dan, ja, zij verzelt mij getrouw op mijn wegen,
Door bloeiende weide, of der sneeuwdalen schoot;
Zij zucht met een glimlach, zij toovert een zegen
In droefheid, en dweept met den vriendlijken dood!
O, vlucht haar, gij Mensch! als ge uw rustige dagen,
Uw vrolijkheid liefhebt, uw dartiende jeugd!
Getroost gij u eenmaal haar boeien te dragen,
Zij worden u lief, boven Vrijheid en Vreugd!
Mijn banden ook worden mij nooit weer ontnomen!
Een tooverzang, droef als een klaagmelody,
Een droom, dien men immer op nieuw wenscht te droomen,
Dat, lieflijke Weemoed! dat zijt gij ook mij!
-ocr page 192-
18-i
AAN DE ZON.
Gij, \'s hemels zon, die wandelt aan \'t azuur!
Wat zijt gij rijk aan gloed en gulden stralen!
Bleef ik, zoo lang ik hier zal ademhalen,
Zoo rijk aan gulden trouw en heilig liefdevuur!
O zeg, hebt go ook een hart dat rustloos slaat,
Doortinteld van een nooitvervuld verlangen?
En voelt ge u ook door diepen weemoed prangen,
Zoo vaak ge een waereld ziet, waar al wat is vergaat?
IN DEN DROOM.
\'k Heb in mijn droom een Engelin ontmoet,
Blank als de lelie in heur zilvergloed;
Diep uit heur oogen blonk des hemels licht,
Een dauwdrop tintelde op heur aangezicht.
Een zomernacht zat zij getrouw en teer
In zoet gekozel aan mijn zijde neer;
En niemand, dan het eenzaam sterrelijn
Aan \'t luchtazuur, bespiedde ons samenzijn.
Van hart tot hart ging nu het heerlijk woord,
Dus nimmermeer bij klaren dag gehoord:
Het Levenswoord — nooit sprak mijn woord het uit! —
Klonk nu van de Englenlippen, rein en luid.
„Houd stand, houd stand!" zoo rees mijn weegeklag:
„O zaalge Nacht! en gij, vertoef, o Dag!". . . .
Maar zie! daar lichtte \'t reeds aan de oosterlucht,
En ijlings was mijn schoone droom ontvlucht!
-ocr page 193-
185
AVONDSTEMMEN.
Wil nu zachter suizen,
Murmlend woudakkoord !
Golfjen, staak uw bruisen,
Kabbel fluistrend voort!
Avondzonneschijntjen,
Strooi uw laatste licht!
Vaakrig bloemelijntjen,
Sluit uw kelkjen dicht!
En gij, hemelvrede!
Deel uw sabbatsrust
Aan bergen en valleien mede,
Door d\'adem Gods in slaap gekust!
KEER WEER!
Zie, de Avondstar verrijst aan \'s hemels boog,
En brengt getrouw heur schoonste stralen mede;
Gelijk een lamp van \'t Vaderhuis omhoog,
Die \'t menschenhart tot ruste roept en vrede.
De bleeke maan van uit het donker blauw
Ziet neer om zich in \'t slapend meir te spieglen;
Terwijl alom de droppels van den dauw
Als tranen van den Nacht op bloemen wieglen.
Nu, zoete droom, keer weer! en breng al zacht
Den schat terug, dien \'k wacht met zoete sniarte:
Ontsteek het licht des Hemels in mijn nacht!
En voer weer Lentes Engel mij aan \'t harte!
-ocr page 194-
18G
AVOND.
De Avondzon met lieflijk blozen
Daalt ter kimme neer;
\'t Westenwindtjen, moê van \'t kozen,
Rept geen wiekjens meer.
Geen geritsel wordt gehoord,
Niets dat d\'avondvrede stoort:
\'t Golfgewiegel
Wordt een spiegel,
En het bloemtjen sluimert voort!
Rustige avond! op mijn wangen
Blaast de koorts heur gloed.
Ach, Herinring en Verlangen
Deelen mijn gemoed;
En met eiken harteklop
Rijzen duizend vragen op:
Wenschen bruisen
En doorkruisen
Rusteloos mijn stroomend bloed!
NACHT.
\'t Maantjen glimlacht uit de wolk:
\'t Spiegelt in de waterkolk,
Heel de midnachtstonde;
En geluiden, zoet en zacht,
Gaan, als boden van de Nacht,
Heel heur rijk in \'t ronde.
Luister! als een geestenchoor
Fluistren stemmen mij in \'t oor,
Die van Boven komen.
En mijn hart, zoolang ontrust,
Voelt zich wonderbaar gesust
Als in hemeldroomen!
-ocr page 195-
187
DE SCHADUW.
In \'t licht des daags, bij volle zonnestralen,
Valt overal een donkre sehaduw neer.
Ach, zij moest wachten, tot aan \'s hemels sfeer
De Nacht regeert en \'t duister neer doet dalen.
Maar neen! \'k Versta wat mij dit beeld wil toonen:
\'t Volmaakt Geluk is hier beneden niet!
Eerst als de ziel ontvlucht aan \'t stofgebied,
Zal ze enkel licht aanschouwen en bewonen 1
WAAR WORDT DE VREE GEVONDEN.
Zeg, waar vindt de stervling vrede?
In der feestvreugd bonten stoet?
Neen! de tijdstroom voert haar mede.
Met de feestlamp dooft haar gloed.
Woont de vrede in \'t eenzaam duister,
Als het maanlicht spieglend speelt
Boven \'t stille golfgefluister, —
Van den Vrede zelf een beeld?
Neen ! daar komen bonte droomen
Met begoochlend lief en leed,
Die onrustig \'t bloed doen stroomen
Weggevlogen eer ge \'t weet!
Vrede woont slechts waar twee harten
Innig voor elkander slaan,
Die elkaar bij vreugde en smarten
Ook in eiken klop verstaan!
-ocr page 196-
188
BLOEMEN.
Zie, \'t jong gebloemt\' verschijnt reeds in de hoven,
En luistert naar den vogelzang met lust.
Fluks klimmen nieuwe zusterkens naar boven
Uit \'s aardrijks schoot, door \'t zonnetjen gekust.
Wat overvloed van vormen en van geuren !
Wat wonderpracht die zich alom ontsluit!
Natuur verheerlijkt zich in duizend kleuren,
En spreekt in bloementaal heur wijsheid uit.
\'T BLAUW KLOKJEN.
Die kleinen, \'t eerst van alle, groeten zedig
De lente, na des winters sluimertijd:
Als \'t beeld der Needrigheid, die stil en vredig
Zich in des levens korten duur verblijdt.
Zij spreken, frisch en groen, van moedig hopen,
En groeien voort, hoe nog de sneeuwvlok jaagt;
Het blauwe kelkjen sluit het vriendlijk open,
Gelijk het eerlijk oog der Noordsche maagd.
VERGEET-MIJ-NIET.
Bij \'t beekjen, dat daar ruischt in \'t spelevaren,
Ontsluit een stil Vergeet-mij-niet den knop.
Zij wordt beschaiiwd van trotsciie rozelaren —
Toch zoekt elk oog haar in heur schuilhoek op.
Zij bloeit alleen voor stille erinneringen:
Geen onrust die heur teeder hartjen drijft.
Geen middaggloed die tot haar door zal dringen,
Waar ze in de koele schaduw veilig blijft.
-ocr page 197-
189
HET PENSÉTJEN.
Het Bloemtjen der Gedachtnis, door den nacht
Bedauwd, prijkt met drie kleuren, — beeld van \'t Heden,
Dat nu nog duurt, van \'t vluchtende Verleden,
En van \'t Aanstaande, in ongeduld gewacht.
Gij ziet die drie in \'t Bloemtjen saamgeweven,
Gelijk ze in \'t zelfde hart vereenigd leven!
DE ROOS.
Haar blijft de Nachtegaal getrouw beminnen;
Maar rij, zij heeft geen ooren voor zijn taal —
De Vlinder kon haar hartjen licht gewinnen,
Maar hij begeert haar mooglijk niet eenmaal.
Geen louter zinlijk schoon kan lang ons boeien:
\'t Verbergt een dorenprikkel die verwondt —
Begeerte kan een wijl het hart doen gloeien,
\'t Gaat straks in de asch der hooploosheid te grond\'!
DE LELIE.
Mij dunkt, de bloemenengelen omzweven
De Lelie met een zachter snarenklank!
Mij dunkt, de reine dauwdrop-zelf moet beven
Heur kroon te smetten, alzoo teer en blank 1
Blik in dien witten kelk! Er rust daar binnen
Een onschuld, die uw schaamte ontwaken doet.
O Mensch! bewaar alzoo uw ziel en zinnen,
Dat over u geen lelie blozen moet!
Neent geen gevoel kan immer evenaren
Des harten heiige Liefdel Zij alleen,
Als alle bloemen van de Hoop ontblaaren,
Bloeit eenzaam voort, steeds heerlijk als voorheen l
-ocr page 198-
190
LENTE.
Waar ik mag staren,
Waar ik mag luistren,
\'t Ruischende boschjen,
Al groener elk uur,
\'t Kweelende vinkjen,
\'t Spelende windtjen,
\'t Murmlende beekjen,
Geheel de Natuur,
Trilt van verlangen,
Glinstert van schoonheid,
Tintelt van Lentes verjeugdigend vuur f
En in mijn eigen
Hinnenste mede,
Word ik het gloeien
En bloeien gewaar.
Lente in mijn harte,
Lente in mijn ziele,
Lente in elk dropjen
In iederen aar!
Lente in mijn liefde,
Lente in mijn leven,
Lente in elk toontjen, dat trilt uit mijn snaar!
DE BRON.
Gij, glanzende bron, die de dalen doorkruist,
Met rustigen, kabblenden gang!
Gij wekt, daar uw stem mij welluidend omruischtr
Nieuwe aandrift tot harptoon en zang.
Hoor! hoor in de verte den vallenden stroom,
Die wild over rotsklippen schiet;
Maar gij zijt als Liefdes betoovrende droom,
Die stil tusschen bloemstruiken vliet!
\'t Gebeurt wel somtijds, dat een nevelfloers zinkt
En alles verduistert in \'t dal;
-ocr page 199-
191
Maar helder altijd uit uw binnenste springt
Een schat van doorzichtig kristal.
Geen vluchtige wind met onstuimige kracht
Beroert ooit uw vredige vaart:
Slechts geurige bloemen in zomersche dracht
Staan blijde aan uw zoomen geschaard ! —
Naar u wendt de peinzende Dichter zijn sehreên,
Die fluistrend hem \'t raadsel verklaart,
Hoe, ook in \'t gedruisch van den storm om ons heen,
De vrede in het hart wordt bewaard.
Uw eenzame stroom, die de dalen doorkruist
Met rustigen, kabblenden gang,
Verwekt, daar uw stem mij welluidend omruischt,
Nieuwe aandrift tot harptoon en zang.
E L F E N D A N S.
\'t Zonneschijntjen met zijn goud gewemel
Straalt niet langer aan d\'azuren hemel:
Tintelende starrenheiren
Zoeken de avondwacht.
\'t Zwijgend meir is efl\'en als een spiegel;
Slechts het beekjen ruischt met zacht gewiegel
Door de sluimerende weien —
Langzaam daalt de Nacht!
Luister! roert de Stroomgod ginds de snaren?
Neen! \'t Muziek komt uit de lindeblaaren:
\'t Is \'t gekweel der nachtegalen,
Zingend tot elkaar.
\'t Is als ziet men, waar die tonen kweelen,
Waar het twijfellicht zijn schaüw doet spelen,
Luchtige gestalten dwalen —
Dat is de Elfenschaar!
Over gras en bloemen, zachtjens, zdetjens,
Zweven heur gewiekte geestenvoetjens,
Waar ze zich ten dans vergaaren,
Tripplend, trapplend op de maat.
-ocr page 200-
192
Toch — geen grasjen buigt er heen en weder —
Koningin en Koning zitten neder
In het midden van de paren,
Met de kroon en \'t feestgewaad.
Druppels dauw, die aan de takjens hangen,
Worden in bokalen opgevangen,
Daar de Koningin de togen
Vriendelijk kredenst.
Altijd wilder, altijd dartler zweven
Nu de paren, als door storm gedreven,
Tot elk, hijgend, vuur in de oogen,
Naar heraaming wenscht.
\'t Is als buigt het starrentjen voorover,\'
\'t Is als gluurt het maantjen door het lover, —
Hoort! door alle boschjens henen,
Scherts en kozerij!. ..
Maar het purpert aan de morgenkimmen,
\'t Licht verjaagt de schaduwen en schimmen, —
De Elfen, als een droom verdwenen,
Zijn op eens voorbij!
BERKA-SKOG »)
\'k Ben weer hier! Alsof mijn beeld u heugde,
Wuift ge mij, lief boschjenl te gemoet.
Voor mijn heimwee, al zoo lang gevoed,
Loont me een uur van onvermengde vreugde.
\'t Is alom — Herkennen en Hervinden!
Alles lacht met blijden groet mij aan,
\'t Zilvren beekjen, \'t paadtjen tusschen \'t graan,
Bloemekens als oude, trouwe vrinden!
Heuvelen en dalen allerwegen
Prijken, als weleer, in bloemendosch.
J) Een Luetslot in Schonen.
-ocr page 201-
193
In het lommrig heiligdom van \'t bosch
Strekt mijn beukenboom mij de armen tegen.
Waar ik door dit Vredes-oord moog\' dwalen,
Ook mijn ziel is wonderwel te moê:
Alles spreekt me in zoete beelden toe,
Heerlijkste en verstaanbaarste aller talen!
M IJ M E R IJ.
Hoe dikwerf, in mijn wakend droomen,
Herdenk ik u, o zoet Weleer!
Ik zie op nieuw de groene boomen,
De malsche wei, de blauwe sfeer!
De bloemen menglen met de blaren,
En strenglen bonte krans bij krans,
Het beekjen, onder \'t spelevaren,
Weerkaatst des hemels schitterglans.
Een Jongling wandelt in de dalen,
Door \'t schoone der Natuur verrukt;
Hij stemt in \'t lied der nachtegalen,
Hij kust de bloemen die hij plukt.
Een Jonkvrouw gaat hem stil ter zijde,
Met blosjens op het aangezicht,
Als die van \'t roosje\' in \'t lentgetijde,
En lokken, blond als \'t zonnelicht.
Daar, waar bij \'t ruischen van de baren,
Aan d\' inham van het rotsig strand,
Een hutjen schuilt in de eikenblaren,
Daar staan zij zwijgend hand in hand.
De twijgen worden zacht bewogen,
De wolkjens wandlen heen en weer....
Daar is het lieflijk beeld vervlogen!
En ach, niets onderscheid ik meer.
VII.
13
-ocr page 202-
494
HIJ ZONG UIT LIEFDE.
Hij zong uit liefde! Een toon, bezield en teder,
Ontsprong met kracht zijn welgestemde luit,
Die toon gaf zóo de taal des harten weder,
Als stortte daar heel \'t zijne zich in uit,
Een morgenblos had zijn gelaat betogen,
En zielevreê weerspiegelde in zijn oog,
Het meir gelijk, dat, door geen wind bewogen,
Het blauw weerkaatst van d\'effen hemelhoog.
Hij zong uit Helde! Als hij de luit besnaarde,
\'t Was wijl een heiige drift zich gelden deed;
En wendde hij al zacht zijn blik naar de aarde,
Dan scheen hem \'t al in bruiloftstooi gekleed.
Herinringen, zoo rein als \'t morgenkrieken,
Begroetten hem alom, op berg, in dal,
En alle droegen op heur rozenwieken
Een éenig beeld, het lieflijkste van al\'!
Hij zong uit liefde! In leven en in sterven
Blijft hij getrouw zijn Ideaal verpand.
Hij geeft haar naam. bij \'t mijmrend woud doorzwerven,
Aan de echo weer, hij griffelt hem in \'t zand.
Maar wuft de klank en \'t schrift in \'t zand getrokken, —
Standvastige eer voor de Eenige bereid!
Nu gaat hij tot haar zelf, en om heur lokken
Vlecht hij den lauwer der Onsterflijkheid!
DE ZIGEUNERIN.
Het windtjen suist, als \'t ademhalen
Der schepping, over \'t heidekruid.
Het maanlicht giet zijn zilvren stralen
Zacht op de schoone slaapster uit.
Om naakte schoudren, brons gelijkend,
Golft, zwart als git, der lokken nacht.
Hoe hijgt die volle boezem, prijkend
Met leliën- en rozenpracht!
-ocr page 203-
195
\'t Is of er zoete lachjens beven
En kusjens spelen orn dien mond!
Verliefde fanta7iën zweven
Voor de oogen dezer ziele rond!
Hoor! hoor! zij lispelt in haar droomen,
Als \'t murmlen van een watersprank,
Als \'t koeltjen ruischt door palmenboomen,
Ten halven zucht, ten halven zang:
„Wat heeft uw vreugd verduisterd,
Mijn bruidegom, mijn schat?
Het dansend golfjen fluistert,
Met zilverschuim bespat.
De tortels kirren mede :
„\'k Bemin en word bemind !"
O, luister naar mijn bede —
Kom aan mijn hart, mijn Vrind!
„Wij zweefden gistren beide
Nog vrolijk in den dans,
Als Elfen op de heide,
Bij heldren maanlichtglans.
Wat blonk uw oog toen teeder!
Wat waart ge welgezind!
O, wees dezelfde weder!
Kom aan mijn hart, mijn Vrind!
„Gij zijt mijn lust, mijn leven,
Op \'t wijde waereldrond!
Ik wacht met smachtend beven
Op \'t lachjen van uw mond.
Kom, koel gij met uw kussen
Den gloed die mij verslindt!
\'k Wil al uw smarten sussen,
Kom aan mijn hart, mijn Vrind!" ....
\'Zoo lispt zij, met geloken oogen,
Door liefelij ken droom bedrogen —
\'t Is of de maan haar fiuistren hoort,
En \'t windlje\' draagt het zachtkens voort.
-ocr page 204-
196
IN DEN KAUKASUS.
In het Kaukasus-gebergte,
Dicht bij Svarta\'s \') oeverzoomen,
Op een hoogen, steilen rotstop,
Groeide fier en vrij een jongling.
Diep in de aarde sliep zijn vader,
Lang aireede stierf zijn moeder:
Eenzaam woonde hij, als de arend
In zijn rotsnest, zonder vrienden.
Eenzaam ging hij, als hij uittoog
Tot de jacht, in stille wouden;
Maar hoe jong, de dappre landsman
Trok reeds menigwerf ten strijde
Tegen \'t Russiesch Tzaren-leger.
En niet verre van hem leefde,
In een dal, door steenrotswanden
Als een vestingmuur omsloten,
Schoone Dully met heur moeder.
Wie haar nimmermeer aanschouwde,
Kende nooit der Schoonheid almacht!
Als de wieken van een Engel
Wapperden heur lange lokken;
Als de starren van den Hemel
Flonkerden heur heerlijke oogen,
Als de stralen van de Zonne
Op een eersten lentemorgen 1
En heur boezem was als Edens
Halfverborgen rozengaarde.
Waar zij, licht als \'t uchtendwindtjen,
Zweefde door de groene dalen,
Of bij \'t eenzaam beekjen droomde,
In het golfkristal zich\' spieglend,
Zag haar, van zijn hoogen rotstop,
De eedle Jongling soms van verre.
Yan een ongekend verlangen
Wordt hem \'t vrije hart veroverd.
Al zijn jachtvreugd is verdwenen,
\') De Zwarte Zee.
-ocr page 205-
197
Al zijn strijdlust is vervlogen!
Dully, Dully wil hij vinden,
Enkel Dully stééds aanschouwen!
Op een avond, toen de zonne
Wegdook in de westerbaren,
En heur purperwaas de dalen
Tintte, kwam hij Dully tegen.
Bij het helder beekjen zat zij,
Zich een krans van bloemen windend,
En met sneller kloppend harte
Waagde hij \'t haar toe te fluistren:
„Schoone Dully! \'k ben onmachtig
Meer mijn zielsgeheim te smoren.
Heden moet ik u ontdekken
Wat mij martelt en — mij zaligt!
\'t Bloeiend veld is uitgestorven,
Als mijn oogen u niet groeten.
\'t Zonnelicht verliest zijn luister,
Als gij in heur glans niet wandelt.
Gij-alleen zijt al mijn vreugde.. .
O, zoo spreek dan, schoone Dully!
Kunt gij minnen ? wilt gij deelen
\'s Jagers woning op den rotstop?" —
Schoone Dully sloeg verteederd
Op den jongen Jager de oogen,
En de krans ontzonk heur vingren,
En een eed van trouwe liefde
Werd door \'t jonge paar gewisseld
In den lieflijke\' avond-schemer.
Weldra zou de huwlijksfakkel
Bruid en Bruidegom bestralen.
De eedle Jager, uitgetogen
Tot den strijd voor Land en Vrijheid,
Kon elke ure wederkomen, —
Toen een schip met volle zeilen,
Naar \'t Kaukasiesch strand zich wendde.
Dully, met heur speelgenooten,
Wenschte \'t trotsche schip te aanschouwen.
\'t Wemelde van Muzulmannen.
-ocr page 206-
198
Door den Sultan uitgezonden,
Om bevallige odalisken
Voor zijn harem saam\' te lezen.
Nieuwe starren wenscht de Meester
Aan den hemel zijner liefde,
Naar den glans van nieuwe bloemen
Smachten zijn vermoeide blikken.
En de Hoofdman met bewondring
Ziet weldra de schoone Dully,
En aldus laat hij zich hooren:
„Star van \'t Oosten, Heerscheresse!
Zie uw slaaf aan uwe voeten!
Neem de gouden kostbaarheden,
Door den Meester u gezonden,
Reeds uw komst met zoet verlangen
Aan den Bosporos verbeidend 1".....
Maar de fiere Jonkvrouw andwoordt:
„Neem al uw geschenken weder,
Die een waardiger behooren!
Dully\'s hoogste roem en rijkdom
Is het hart des jongen Jagers:
Hij, die zetelt op den rotstop,
En nu kampt voor Land en Vrijheid!"....
Dus haar andwoord. Maar de hoofdman,
Nu met valsche lippen huichlend,
Spreekt aldus ten tweeden male:
,Pracht der dalen, Pronk der bergen!
Noch uw liefde noch uw trouwe
Zal de Sultan meer verzoeken!
Kwistig zendt hij, tot een gave,
U een damasceener lemmer,
Dat uw Jager zal verblijden.
Volg me, kom uw bruidsgift balen !"....
/"\'Vol vertrouwen volgde Dully;
Maar nog pas betreedt zij \'t scheepsdek,
Of daar wordt het zeil geheschen!
Zulk een overschoone paerel
Mag de Sultan niet verliezen I
En met uitgespannen doeken
Klieft op eens het schip de ruimte,
-ocr page 207-
199
Als een havik, die het duifjen
Pijlsnel meevoert in zijn klauwen!
Maar van uit het bloedig strijdperk
Keert de jonge Jager weder,
Overdekt met heldenwonden,
IJlt hij naar de groene dalen.
Reeds van verre groet hij \'t beekjen,
Vruchtloos vorschend naar de lokken,
Naar het stralend oog der Liefste.
Eindlijk vindt hij de oude moeder
Eenzaam weenend in heur woning.
Ach, hot dal was uitgeplonderd,
Weggeroofd de schoonste dochter!
Aümloos ijlt de jonge Jager
Naar der bergen donkre steilte:
d\' Allerhoogsten top beklimt hij,
Blikkend naar het golfgewemel,
Maar geen schip, geen zeil van verre!
Alles, alles, woest en ledig!
En niet lang meer bleef hij huizen
In zijn woning op den rolstop.
Weldra zag hij door een bende
Woeste Russen zich omcingeld.
Op ontkomen was geen hope:
Zoo bezweek hij, fier en eenzaam!
Voor zijn vrijheid en zijn erfgrond,
Op een ontoegankbre rotsklip
Is hij als een reus gevallen!
Gieren boorden in zijn lever,
Aadlaars woelden in zijn harte,
Midderwijl in \'s Sultans harem,
In vergulden boei gekluisterd,
Schoone Dully kwijnt van smarte! . . .
Dubbel donker nu verheft zich
Dicht bij Svarta\'s woeste golven
In het Kaukasus-gebergte
De oude rots, van elk verlaten!
-ocr page 208-
DE DICHTER.
The Poët\'s eye, in a fair phronzy rowling,
Doth glance frora heaven to eaith, fiom earth to heaven.
SKAKSnABB.
Al wat leeft in eigen ziel,
\'t Diepste lijden, \'t zoetst verrukken,
In gezangen uit te drukken,
Zalig wien \'t te beurte viel!
Uit den chaos van \'t gemoed
Levensbeelden op te roepen,
Tot een waereld saam\' te groepen:
Dichter, schepper, wees gegroet!
Maar ook wat in andrer hart
Klinkt in liedren zonder woorden,
Weer te geven in akkoorden,
Trillende van vreugde en smart:
Zóo te toovren met uw toon,
Dat de ontroerde hoorder fluistert:
„\'k Heb mijn innigst\' hart beluisterd" —
Tolk der Menschheid, neem uw kroon!
Als een frissche watersprank
Komen, stroomen uw gezangen,
Weer door andren steeds vervangen
Met nog warer, klarer klank.
Gij, te rijker naar gij geeft,
Bloem, tot bij \'t verwelkend geurend,
Zon, nog \'t Westen purperkleurend,
Gij, gij zingt zoolang gij leeft!
Ach, wij — in den schemerhoek,
Tokklen, peinzen aan \'t Verleden:
-ocr page 209-
201
Slechts na lange afwezigheden
Brengt de Geest ons een bezoek.
Als de Memnons-zuil zijn wij!
Koude, sprakelooze steenen,
Zingend — heeft een zon geschenen.
Zwijgend — is de straal voorbij! . . . .
Kom dan, Dichter onzes Tijds!
Of — verdreef, door \'t recht des sterken,
De ijzren stoomdraak met zijn vlerken
\'t Vogeltjen van \'t Paradijs?
Stierf ónze Eeuw der Geestdrift af
Van der Schoonheid Idealen?
Heeft de waereld recht tot smalen:
Ligt de Poëzy in \'t graf?
Neen! de „Schoone Slaapster" leeft!
Ze is in haar paleis betooverd:
\'t Onkruid heeft de poort veroverd,
Waar de spin haar webbe weeft —
Maar de Held is in \'t verschiet,
Die de schijndoö doet ontwaken!
\'k Hoor in \'t bosch zijn voetstap kraken....
\'s Hemels gaven sterven niet!
-ocr page 210-
NATUURBEELDEN.
Alles Vcrgiingliche
lst nur em Gleichnias.
Wie nab\' verwandt ÏBt dir der Dichter, o Natur
In dir ist ewig Neugestalten,
Kin b atte:-treiben, Blumenkeleh entfalten,
Und tausend Stimmen rauschen auf der Flur.
VON HKVD!\' ,.
VIOLIER EN ROOS.
— SONET. —
Of ze uw blikken wil ontduiken,
Schuilt de kleine violier
In de schemerschaüw der struiken,
Schuchter, zonder praal of zwier.
\'t Roosjen heft, bij \'t eerst ontluiken,
\'t Hoofdtje\' in \'t licht, als riep ze fier:
„Bloemen! \'k zal uw hoogmoed fnuiken!
„Ziet, uw Koninginne is hier!"
\'t Violiertjen, zacht en zedig,
Stil Natuurkind, bloesemt vredig
Tusschen \'t mosch dat zij doorgeurt.
De ijdle Roos, gevallen Engel,
Wordt ontijdig van haar stengel
Doornig, toornig afgescheurd.
-ocr page 211-
\'203
BLOEM EN ZON.
„Heerlijk is \'t de zon te zijn,
Strooiend heel een schat van stralen
Over bergen, over dalen,
Zelfs op \'t grasjen der woestijn,
Kijker naar ze méér raag geven —
Zoo te schittren, dat is Leven!"
Morrend Bloemtjen daar ge zijt,
Dankt ge niet der zon uw zegen,
Badende in heur stralenregen ?
Waarom dan de zon benijd?
Aart en roeping zijn verscheiden:
Wat u past, gij hebt het beiden.
Dankbaar voor het deel zijns lots,
Met een geestdriftvol vereeren
Hóoger gaven te waardeeren,
Dat is óok een gave Gods.
Kleine zielen slechts mi.-gunnen:
„Zalig die bewondren kunnen!"
BEVROREN!
1.
\'t Meisken, naar de bron gevlogen,
Waar zij d\' ijzren slinger vat,
Staat onthutst, bedrukt, bedrogen, —
Niet éen druppel levend nat!
Waar eens waterpaerels straalden,
Springend, spranklend in de zon,
Pegels nu, en scherpe naalden,
Dreigend aan den mond der bron.
Zuchtend laat het kind zich hooren:
,Ach, hoe anders dan weleer!
„Alles, èlles, is bevroren,
„Ledig, ledig, keer ik weer!"
-ocr page 212-
204
II.
In de Lente van dit leven
Vloeien bronnon van geneucht:
\'t Wintert! en — verkild, versteven,
Zijn de lieflijkheên der Jeugd.
Wat ge eens gaarne mocht genieten,
Blikt u gants veranderd aan:
\'t Koude water wil niet vlieten,
En — uw dorst blijft onvoldaan!
Eéne vreugd, een diepe en reine.
Blijft getrouw: de vreugd in God.
\'t Water uit Gods springfonteine
Stroomt van eeuwig heilgenot!
IN DE VROEGTE.
Ai, zegt mij, murmelt in de boomen
Het tooverlied der Lent\' bij nacht?
\'k Ontwaakte uit onverklaarbre droomen,
Met jongen moed, met nieuwe kracht.
De morgen tint de heuvelklingen
Met goud; het eerste koeltjen zucht;
\'k Wil rusten nog — toch moet ik zingen:
Mijn hart is helder als de lucht.
\'k Gevoel opnieuw, in zoet verlangen,
Wat ik ooit zaligs ondervond:
En oude Liefde en nieuwe Zangen
Ontwaken beide in \'s harten grond.
Gelijk de zwaan, wien \'t golfgewiegel
Al zacht doet dobbren op den vloed,
Te saam\' in dien kristallen spiegel
Den hemel en de sterren groet!
KUA.Nl.-EI. GEIBEL.
-ocr page 213-
205
GROEN.
God-zelt heeft ons leven met Hope bekleed.
Met Hoop heel deze Aard, waar wij gaan:
De mensen hult in \'t groen wat hij wil, wat hij weet,
Zijn wenschen, zijn droomen, zijn daan.
De Hoop is het eenig groen plekje\' in \'t verschiet,
Dat, zeker, de onzekere Toekomst ons biedt.
Welaan, in dat groen iedre bede geplant!
Een groenende tak zij uw staf!
Groen Meiloof gestrooid op het stuivende zand,
En groene eens de Lente op ons graf,
En slinger\' de Hoop ons heur klimop om \'t Kruis,
Dat heenwijst, van \'t Kerkhof naar \'t Vaderlijk Huis!
Want niet maar \'t ontspruitende gras heeft zijn waas,
Maar \'t mosch ook hergroent op de zerk,
En is vaak de prikkel des Twijfels, helaas!
Den bloemhof der ziele te sterk,
Steeds keeren ze weder, de Hope der lent\'.
De lente der Hoop, onverganklijk in \'t end\'!
Al is heel een veld van gedachten verlept,
Waarin ons de Hoop had verblijd,
Steeds groeien weer andren, jong, frisch, ongerept.
Profetischer, schooner altijd,
Totdat op elk blaadtje\', in den dauwdrop gebaad,
De heilige naam des Waarachtigen staat.
„Maar"\' — fluistert de Vreeze — „in den poel onder \'t gras
Verzinkt soms de wanklende schreê:
„Is mooglijk de Hoop niet een groenend moeras,
„Een diepe, gemaskerde zee?" —
De Hoop zij een zee! toch, gij bloodaard, houd stand!
Daar wandelt de Heer, en — Hij reikt u de hand.
-ocr page 214-
206
SCHEMERT IJ D.
De ziel heeft ook haar schemertijd,
Wanneer de sterren niet meer blinken.
Als zelfs de hoop niet meer verblijdt,
En de oude liedren niet meer klinken.
En toch — éen onvergeetlijk woord
Ruischt zachtkens klagende in de verte —
Daar trilt weer elke snaar, en \'t harte
Zet de afgebroken droomen voort!
EEN STADS BOOM.
— FANTA7.1E. —
Het Voorjaar is gekomen:
Daar buiten gaat het zonnetje\' op;
Daar vouwen alle boomen
Het blaadtjen uit den knop.
Daar werkt het jonge leven,
En vlecht er zijn loofhuttentent,
En juicht in veld en dreven:
„Ontwaak! ontwaak! \'t is lent\'!"
In de dompige Stad, op de volkrijke gracht
Houdt een boom, tusschen steenen, mistroostig de wacht.
Van zijn takken, naakt, dor, door geen koeltjen verfrischt.
Druipt, in loodzware druppels, de klam-lauwe mist;
En hij dommelt en droomt, door die doodswa bedekt,
Tot, wanluidend en schril, de eerste straatkreet hem wekt
Daar trilt een koortsig beven,
Een heimwee, door zijn dorren tronk:
Krank teeken nog van \'t leven,
Dat tot zijn wortel zonk.
Een bitterzoet herdenken
Van vrijer grond, van reiner lucht,
Schijnt hem van ver te wenken,
En — de arme balling zucht:
-ocr page 215-
207
„Ach, hoe lang sta ik hier, in \'t gestuif en gewoel,
In den vreemde verplant, aan den rand van een poel,
Waar geen golfjen ooit danst, waar geen straaltjen weêrblinkt,
Noch van zon noch van maan, waar geen vogel ooit zingt,
Waar het muschken-alleen — een schuw beedlaais-bezoek! —
Op een knikkenden tak gluurt naar \'t. huis op den hoek?
„In het Moederbosch,
In het Moederbosch,
Staan van jaar tot jaar
Op het groene mosch,
Op het groene mosch
Alle boomen bij elkadr.
Niemand is alleen,
Niemand is alleen: —
Met verliefden tak
Groeien ze door-een,
Groeien ze door een
Tot éen looverdak.
„In de blijde Mey,
In de blijde Mey
Komt de vogel weer:
Vol van melody,
Vol van melody,
Vliegt hij zoekende op en neer.
En hij kiest met vreugd,
En hij kiest met vreugd
In den groenen top,
Die hem \'t liefste heugt,
Die hem \'t liefste heugt,
\'t Schommlend nestjen op.
„Op den Zomerdag,
Op den Zomerdag
Schuilt, al even trouw,
Met een lonk en lach,
Met een lonk en lach
\'t Minnend paarljen in de schaüw.
En hun beider naam,
En hun beider naam
-ocr page 216-
208
Wordt er neêrgegrift,
Groeiend nu te-saam\',
Groeiend nu te-saam\'
Met onwischbaar schrift!
„Komt de Winter aan.
Komt de Winter aan,
Heel het groote bosch
Met zijn purpren blaSn,
Met zijn purpren blaan
Schittert in een koningsdos.
Door den stillen nacht,
Door den stillen nacht
Die de sneeuwvlok strooit,
Met juweelenpracht,
Met juweelenpracht
Feestlijk straks getooid!
„O, scheidde de bijl mij van \'t moederlijk woud,
Waarom uit mijn stam niet een krebjen gebouwd?
De vader, de moeder, met stralend gezicht,
Begroetten bewondrend het slapende wicht,
Gewiegd in mijn armen, zoo zorgloos en blij,
En — iets van dien glans zou weörstralen op mij! ....
„Of ware ik gekapt tot een rijzige mast,
In \'t midden van \'t schip, dat de golven doorplast!
Ik ving er den wind in het zeil dat ik droeg,
Ik wiegde op de maat van de golf vóór den boeg:
\'k Zou \'t rijk Insulinde mijn welkomstgroet bièn,
\'k Zou \'t Land van de Vrijheid, Amerika, zien!...."
„Of — moest ik toch sterven, rechtvaardige! als gij —
Uw woning van planken, och, vroeg men ze m ij!
Zoolang als ik kon, tot ik wegmolmde in de aard,
Hield ik er toch de assche des braven bewaard:
Een kostelijk graan, onder tranen gezaaid,
Ten dage des oogstes door de Englen gemaaid 1"...."
In \'t bont gewoel der menschen,
Ontijdig van zijn plaats gerukt,
-ocr page 217-
209
Met onvervulde wenschen,
Het hoofd in \'t slijk gebukt,
Noch nut noch vreugd te geven,
Steeds stervende in een tragen droom.
O droef, verijdeld leven!
Och, arme, och, arme boom!
VOOR DAG EN VOOR DAUW.
-lk maakte mij op. en trintr uit in de
vallei, en ziet! de heerlijkheid des Hee-
ren stond aldaar.
E?ECU. III : 23.
\'k Geloof u, o gij die daar zwoegt, maanden lang,
In \'t stof en den rookwalm der steden!
Soms lokt u de zon en de vogelenzang,
De poort uit, naar buiten te treden.
En als dan de Meizon zoo vriendelijk scheen,
De vogels zoo lustigjens floten,
Dan zegt gij, met hen en u-zelven te vreên:
„Nu heb ik mijn morgen genoten!"
Maar — kent gij de scheemring, die \'t Oosten verbleekt
Als straks nog de sterrekens gloorden,
Als God met de Schepping nog fluisterend spreekt,
In nieuwe, bezielende woorden:
Als \'t schepsel, nog spraakloos, Zijn Mogendheid eert,
Als — de eerste! — in de dampende weide
De leeuwrik zijn jongen hun morgenbeê leert,
En \'t schaapjen nog blaet op de heide:
Als enkel de bergen, omwolkt overal,
Van \'t naderend wonder gewagen,
Verlichte Profeten, die neerzien in \'t dal,
En \'t melden: „de zon is aan \'t dagen!"
vu.
-ocr page 218-
210
Als \'t windellen, dat door de bladeren waait,
De bladdrup, die tikt op de zooden,
Het klokjen der vroegmis, het haantjen dat kraait,
Ons toeroept: „Ontwaakt uit de dooden!"
Als \'t wild op zijn leger, van \'t dauwvocht nog frisch,
Zoo vroolijk en vrij als in Eden,
Zijn kruimken vergaért aan den groenenden disch,
Verjaagd niet door krakende schreden:
Als \'t schubbige volkjen de vinnen nog roert
Met zorgloos geplas en gewemel,
Door \'t net niet belaagd, door geen angel beloerd,
En ook nu eens opziet ten hemel:
Als \'t sprakeloos wormtjen, dat kruipt in het stof,
Stilzwijgend zijn God schijnt te smeeken:
„Mij ook gaaft Gij leven: ook ik breng U lof:
„Laat mij ook Uw gunst niet ontbreken!"
Als God overal, in de verte en nabij,
Uit hoogten en diepten \'t doet weten:
„Al \'t schepsel beweegt zich, en ademt in Mij:
„Geen wormtjen in \'t stol\' wordt vergeten!"
En als dan de morgenster langzaam versmelt
In \'t wolkjen met purperen zoomen,
En, eindlijk! de zonne verrijst als een held,
Om de Aarde met licht te overstroomen!. . . .
Die heilige Scheemring, eer \'t ruischt op uw pad,
Des Hemels eerste, innigste groete,
Dat noem ik m ij n morgen! .. . . Gij kindren der Stad 1
Zegt, trekt gij dien ooit te gemoete?
(Vrij gevolgd).
-ocr page 219-
211
LENTELIED.
Daar waait een geur van balsem door de lucht,
Als waar de sraetstof aller driften,
Haat, Nijd en Wrake, weggevlucht,
Als zou nooit buskruit-walm haar meer vergiften.
Daar werkt een kracht van leven in het groen,
Als zouden hoornen en gewassen
Hun schoonste werken overdoen,
Natuur met nieuwe wondren ons verrassen!
Daar speelt een gloed van stralen in het licht,
Als wilde \'t met zijn tintelingen
Het brein, dat moêgemijmerd zwicht,
Den winternacht van \'t donkerst hart doordringen.
Daar zweeft een waas van frischheid over \'t gras:
\'t Herleeft, zelfs op de kerkhofzooden,
En, groen als ze op hun sterfdag was,
Ontluikt de Hoop van \'t Weerzien onzer dooden!
Hoe komt het toch\'? — \'t Is wijl de Lente keert!
Zij, die met geur, licht, roos en lelie
Der Menschheid toekomst profeteert,
De Apostel met haar Bloemen-Evangelie!
-ocr page 220-
HART EN HUIS.
Heer! waar Gij zijt, woont de vrede:
Gg geeft lust tot eiken plicht;
Boven wensen en boven bede
Maakt Gij kruis en kampstrijd licht;
Alles deelt Ge een weerglans mede
Van Uw zalig aangezicht!
Hoop, Geloof en Liefde strenglen
Palmen rond ons klein Gezin,
Waar ae zielen zich vermenglon
In het smeltvuur Uwer min:
Gij regeert, en al uw Englen
Gaan ten onzent uit en in!
J. J. L. T. K.
DE TWEE ENGELEN.
Kent gij, o hart! die beide Zuster-Englen,
Ter-neêr-gedaald uit \'s Hemels zonneglans,
De Vriendschap, die ge een leliekroon ziet strenglen,
De Liefde, met haar purpren rozenkrans?
Zwart lokkig is de Liefde, vurig gloeiend,
Schoon als de Lent\', die ras ontluiken wil:
De Vriendschap, blond, in zachter kleuren bloeiend,
En als de zomernacht zoo sabbatstil.
De Liefde — een zee vol bruischend golfgewemel,
Waar \'t zonlicht speelt, maar ook de rukwind blaast:
De Vriendschap — \'t meir, een spiegel, die den hemel
En \'t starrenheir in zijn kristal weerkaatst.
De Liefde — in \'t hart kan ze als een bliksem schieten:
De Vriendschap — ze is een maan, die langzaam daagt;
De Liefde wil veroovren en genieten:
De Vriendschap geeft, niets vragende, ongevraagd I.. • •
-ocr page 221-
213
Gelukkig \'t hart, dat beide heeft verkozen,
De Levenshof, waar wit en rood schakeert,
En waar de gloed der weelderige rozen
Den stillen bloei der leliën niet weert!
BMANUEL OEIBEL.
GELOOF ME, \'T IS IMMER ONS EIGEN GEMOED.
Geloof me, \'t is immer ons eigen gemoed,
De vreugd of de smart door ons harte gesmaakt,
Die \'t bloemtjen zijn geur geeft, der zonne haar gloed,
Of beide, dof, kleurloos, een schaduwbeeld maakt.
Een plekje\' op het mosch, een bevallig plantsoen,
Een olm waar de tortel zijn loofhutjen koos,
\'t Gezellig geklikklak van \'t tuinhekje in \'t groen,
De geur van een enkle, een eenvoudige roos: —
Hoe lieflijk zijn deze! En zij gaan niet te loor,
In \'t diepst van een dankbaar geheugen bewaard,
Steeds jong door de stem, die toen ruischte in uw oor.
Door \'t oog, dat, toen, diep in u w oog heeft gestaard! .
De Noordzee, gewiegd in harmoniesch geklots,
Uw Geldersche graanzee in goudene pracht,
De stortval des Rhijns van de siddrende rots,
Het gloeien van de Alpen, de Napelsche nacht:
\'t Wordt alles voor u zonder leven en geest,
Eén vormlooze nevel, éen graf wijd en zijd,
Zoodra gij geen liefde in die oogen meer leest,
En die stem voor u zwijgt, ach voor nu en altijd!
THUIS.
Thuis! eindlijk dan weer thuis! na zooveel pelgrimsdagen
En nachten, beurt om beurt van kalmte en onweêrsvlagen,
Na zonneschijn en golfgebruisch,
Na zooveel hitte en vorst, na eindeloze wegen
In eindlooze onrust! O, hoe ruischt dat woord mij tegen.
Dat klein, maar heerlijk woordtjen: „Thuis!"
-ocr page 222-
214
Daar zit ik in mijn cel in \'t eigen hoekje neder;
\'t Gezellig haardvuur zingt het oude liedtjen weder.
Hier placht mijn eiken stoel te staan,
Hij staat er nóg, om mij met open arm te ontfangen!
De disch, de grauwe muur, de prenton die er hangen,
\'t Lacht me alles even vriendlijk aan!
\'t Heet me alles welkom: ginds, die boeken, half begraven
In \'t stof — mijn fluit, mijn buks, mijn kerkboek: nieuwjaarsgaven.
Waar \'k moeders hart uit proeven kon:
Het klokjen zelfs, dat met zijn slagen, tot mijn kwelling.
Mij vaak naar bed joeg, als de prachtige vertelling
Van blonde zusjen pas begon!
En hier de vensterboog! ja wèl, dat zijn de straten,
Waar we eenmaal speelden, dat is \'t marktplein, waar we zaten
In lommer van het lindegroen;
Daar rijst het kerkjen met zijn grijzen, stompen toren,
Het haantjen staat er weer in de avondzon te gloren,
De Vesper klepelt juist als toen!
En hoort weer! in \'t prieel van wilde wingertranken,
\'t Gesnap der meisjens, in die welbekende klanken,
Waarnaar ik smachtte menigmaal,
Als ik, in \'t vreemde land, de zangster had vergeten,
En \'t handgeklap niet hoorde, al peinzend neergezeten
In \'t hoekjen van een schouwburgzaal I
\'t Is alles \'t oude nog!. . . . Maar hoe! de tranen schieten
Me in \'t oog. Gij glimlacht? Nu, het zij zoo, laat ze vlieten.
Ik ben een kind, hoe zwak het schijn\'!
Maar gij! — die altijd bleeft bij al uw lievelingen,
Neen ! neen! Gij weet het niet, hoe lieflijk deze dingen
Na vele jaren zwervens zijn!
Gij weet ook niet, hoe in een voorwerp zonder leven,
Van hem die \'t ééns bezat een schaduw na blijft zweven,
Een straal van licht, die nooit verbleekt:
Gij weet niet, hoe in hout, steen, huisraad, huizen, boomen,
Een stemme woont, waarin met al haar bonte droomen,
Uw eigen Jonkheid tot u spreekt!
-ocr page 223-
215
Gij weet niet, dat in \'t bosch, waar gij in zaalge dagen
Vaak rondzwierft, d\' arm rondom de dierbre Maagd geslagen,
Bij d\' eik — uw namen sneedt ge er in! —
Na vele jaren nog, als ge eenzaam, eenzaam nadert,
Iets als een rozengeur, u aanwaait door \'t gebladert\'.. ..
De Erinnring uwer Eerste Min!
EMANUEL GEIBEi,
BIDDEN EN WERKEN.
„Denkt er om, dat do weg tot den Hemel \'t
best op de kniën gevonden wordt"
MrS. COKPTOH KEADE.
„Op de kniën gaat de weg ten Hemel?"
Is de weg ten Hemel dan geen strijd?
Wie mag kruipen in het kampgewemel,
Waar de kracht tot daden moet gewijd?
Buigen in het stof met vreeze en boete,
Dat zij de aanvang voor Gods aangezicht,
Maar daalde in de ziel Gods vredegroete,
Dan de wankle kniën opgericht!
Dan gestaan om \'t op Gods woord te wagen!
\'t Boze met des Geestes zwaard weerstaan!
Dan geloopen, om naar \'t wit te jagen,
\'s Levens kroon aan d\' eindpaal onzer baan!
Luther zocht den Hemel, angstig kruipend
Langs San-Lateraan\'s Pilatus-trap;
Maar de pijnlijke angst, zijn hart besluipend,
Logenstrafte de ijdle pelgrimschap —
Tot Gods Licht hem opging in zijn klaarheid:
„Wandel in \'t geloof en strijd u vrij!"
En hij, kampioen voor de Eeuwge Waarheid,
Riep: „Hier sta ik, en God helpe mij!"
-ocr page 224-
216
Allen die de zegekroon zich wonnen,
Nu van alle moeite en strijd verlost,
Zijn, o zeker! knielende begonnen,
Maar voleindden palstaande op hun post!
Laat ons bidden of wij niets vermochten,
Werken, alsof alles kon volbracht!
Machtloos waar we \'t in ons-zelven zochten,
Is ons niets onmooglijk in Gods kracht.
DRIE PLAATSEN.
Drie plaatsen zijn er, waar mijn ziele
Het liefst\' verwijlen raag:
Waar ik aanbiddend nederkniele,
Mijn gantschen levensdag;
Waar ik ontbeeren leer en strijden,
En Gods genade erken:
Waar ik, ook in mijn laatste lijden,
In hope zalig ben!
Hier sta ik, met ontschoeide voeten,
O Krib van Bethlehem!
Om \'t Hoogste Godsgeschenk te groeten,
Met tranen in mijn stem.
Geen goud of mirre kan ik geven,
Geen aardsche kostbaarheên :
Neem, Heer! mijn hart, mijn liefde, en leven,
Bij \'t wierook der gebeên!
Hier sta ik, met gebroken harte,
O Kruis van Golgotha!
Ik draag in Godgewijde smarte
Uw last mijn Heiland na.
Mijn aardsche smarten zijn verslonden
In mijns Verlossers pijn —
Ik wil met al rnijn zorg en zonden
Met Hem gekruisigd zijn.
-ocr page 225-
217
Hier sta ik, met vervroegd aanschouwen,
O Troon der Heerlijkheid!
Waar de Overwinnaar zijn getrouwen
Een eereplaats bereidt.
Een gouden lijn voert wie gelooven
Van Bethlehem naar \'t kruis,
Van \'t Kruis, de starren door, naar Boven,
Naar \'t zalig Vaderhuis!
Dat zijn die plaatsen, waar mijn ziele
Het liefst\' verwijlen mag:
Waar ik aanbiddend nederkniele
Mijn gantschen levensdag;
Waar ik ontbeeren leer en strijden
En Gods genade erken:
Waar ik, ook in mijn laatste lijden,
In hope zalig ben!
MATH. VII: 7.
Niet anders dan de bedelaar
Die op den drempel staat,
En klopt en vraagt,
En, eerst verjaagd,
Niet ledig henen gaat:
Zóo kloppen wij met vasten moed
Aan \'t hart des Vaders aan,
En roepen luid
Onze armoe uit
Met menig heeten traan.
Al zegt Hij: „Neen!" toch meent Hij: „Ja.
Hij kent uw ramp, uw rouw;
Al wordt de nood
Ook nog zoo groot,
Nog grooter is Zijn trouw!
-ocr page 226-
\'218
VADER EN MOEDER.
\'t Oude thema, door elk harte
Klinkend bij vernieuwde jeugd
Moederhope, moedersmarte,
Moedervreugd!
Vader, meest om haar verlegen,
Die zijn liefde is en zijn lust,
Gluurt door \'t reetjen, en, o zegen!
Moeder rust.
Ja, zij rust — maar in heur droomen
Ziet z ij enkel \'t kindekijn,
Heeft zij ook een tip genomen
Van \'t gordijn —
\'t Wolkgordijn, door \'s levens morgen
Met een rozengloed getint,
Dat — de Toekomst houdt verborgen
Van haar kind!
HET KIND.
Zoodra het kind verschijnt, juicht, eensklaps opgetogen,
Heel \'t Huisgezin het toe: de glans dier stralende oogen
Steekt aller oog in gloed.
Het somberst voorhoofd komt glimlachende uit zijn vouwen.
De onreine zelfs ontroert, mag hij het kind aanschouwen,
Zoo vroolijk en zoo goed!
Hetzij de Juni-zon ons lokt naar \'t groen daar buiten,
Hetzij November ons een dichten kring doet sluiten
Waar \'t wintervuurljen gonst, —                      •
Als \'t kindjen komt, is \'t feest! Men speelt en stoeit er mede,
Men roept, men spoort het aan tot de eerste, wankle schrede,
Waar moeders hart bij bonst.
-ocr page 227-
\'219
Vaak spreken we aan den haard, terwijl de vonken knettren,
Van Vaderland en Kerk, van Wetenschap en Lettren;
Maar als het kindijen komt,
\'t Is uit met Kerk en Staat! weg, Kunsten, Wetenschappen!
Het rozenmondtjen gaat aan \'t babbelen en snappen,
De deftige ernst verstomt!
Wanneer, na langen nacht, waarin de storm de boomen
Deed kraken, en de slaap daarheen dreef met zfln droomen,
Op eens op rozenwiek
De dageraad verschijnt, dan schittren alle dalen,
Die, uren ver in \'t rond, nu \'t klokkenspel herhalen
En vogelzangmuziek.
Beminlijk kind! gij zijt die dageraad! Gij nadert,
En al de stormen, in de bange ziel vergaderd,
Verdwijnen waar gij blinkt;
Het hart begint op nieuw te wenschen en te hopen:
De bloemen onzer vreugd gaan als een wonder open,
En \'t oude lied herklinkt!
Want uit uwe oogjens straalt een heerlijk licht ons tegen,
Uw handtjens strooien niets dan vroolijkheid en zegen:
Zij deden nog geen kwaad.
Nooit wendde uw tred zich nog naar \'t aardsche stofgewemei:
U speelt in \'t gouden hair, kleine Engel uit den hemel,
Een glorie om \'t gelaat!
Gij zijt een duif der ark, een lieflijk vredeteeken;
Gij hoeft geen voetjens, gij gevleugelde! uit te steken,
Daar ge op onze armen zweeft;
Gij kent de waereld niet, zoet lammeke\' onzer weide!
O dubble Maagdlijkheid van lijf en zielljen beide,
Waarop geen smetjen kleeft!
\'t Is heerlijk, \'t kindtjen, met die blosjens die daar bloeien,
Die goede trouw, dat traantje\', al droogende onder \'t vloeien,
Die stem, die klankjens giet.
Het blikt verwonderd rond door de ondermaansche dreven;
En \'t zieltjen geeft zoo blij zich over aan het leven
Als \'t mondtje\' ons kusjens biedt!
-ocr page 228-
220
Wil mij, genadig God! en die ik liefheb sparen,
Wil al mijn vrienden, zelfs mijn vijanden, bewaren,
Al zijn ze nog zoo boos.
Zij nooit hun zomer arm aan bloemen, Hemelkoningt
Hun kevie ledig, en hun bij korf zonder honig,
Hun woning, kinderloos!
VICTOR HUGO.
GIJ KINDEREN VAN EEN HUISGEZIN.
Gij kindren van éen Huisgezin,
Wie weet hoe kort gij samenblijft!
Smaakt broederliefde en zustermin,
Eer \'t lot u uit elkander drijft!
Ik kende een kring — hoe duurzaam scheen
Die kinderrij om d\' eigen disch!. ..
Hun graven liggen ver\' van éen,
Gesplitst door zee en wildernis.
Eén zelfde teedre Moeder boog
Zich \'s avonds bij hun kribjens neer;
Elk sluimrend kopjen hield ze in \'t oog:
Ziet ze ooit die blonde kopjens weer? . . .
Éen — daalde al vroeg ter doodsgroeve af,
In \'t Oosten, bij een verren stroom:
Misschien weet de Indiaan zijn graf
In schaduw van den pisang-boom!
Éen — jongste en minlijkste van al\' 1 —
Slaapt diep in \'t hart van d oceaan:
Daar glinstren paerlen zonder tal,
Maar niemand stort bij \'t lijk een traan.
Éen — al te licht verleidbre ziell —
Nam dienst bij \'t vreemdenlegioen
Des franschen Caesars, streed en viel,
De dwaling zijner jeugd ten zoen!
-ocr page 229-
\'221
Éen enkle dochter, bleeke bruid,
Droef als de tortel die daar kirt,
Welkte in den bloemhof van het Zuid\',
En rust er onder groene mirt.
Aldus verstrooide hen de dood,
Gesplitst door wildernis en zee,
Eens menglend, bij éen moederschoot,
De stemmetjens tot de avondbeê!
Zij dartelden bij d\' eigen haard,
Een bete deelende en éen dronk ....
Wee de arme Liefde, als boven de Aard\'
Geen onvergankbre Hemel blonk! ....
Gij kindren van éen Huisgezin,
Wie weet hoe kort gij samenblijft!
Smaakt broederliefde en zustermin,
Eer u de storm des lots verdrijft!
FELICIA HEKAN8.
BRUID EN BRUIDEGOM.
„Waar gij zult heengaan, 7al ik ook been-
gaanf en waar gij zult vernachten, zal ik ver-
nachten. Uw volk is mijn volk, en uw God is
mijn God. Waar gij zult sterven zal ik sterven:
aldaar zal ik begraven worden. Alzoo doe mij
de Heer, en alzoo doe Hij daartoe, zoo niet de
dood-alleen zal scheiding maken tusschen mij
en tusschen u."
Rum I: 16, 17.
ZIJ.
Uw keuz\' is m ij n keuze! Waar g ij gaat, ga ik,
Daar volg ik, daar laat ik mij leiden —
Van d\'eersteling-kus tot den uitersten snik,
Omringen Gods Englen ons beiden.
Van \'t zalige: „Ja!" tot het pijnlijk „Vaarwel!"
Van \'t vlammend altaar tot de donkere cel,
Zal niet en zal niemand ons scheiden.
-ocr page 230-
m
HIJ.
Waar gij zult vertoeven, ik toef er met u,
Met u, wien mijn ziele zich wijdde,
Van heden af aan en voor eeuwig als nu,
Uw schaduw, uw schuls aan uw zijde!
Eens zocht ik \'t Geluk in des waerelds gedruiseh :
Mijn waereld is nu in mijn vriendlijk Tehuis.
Waar scheen ooit de zonne zoo blijde?
Zll.
Uw Volk is mijn Volk! Met wat liefde zijt gij,
Hoe innig, uw ouders genegen!
O, vraag dan uw vader en moeder voor mij,
Uw Bruid, straks hun Dochter, een zegen!
Die zegen bouwt huizen, brengt vreugde, brengt vree:
Hij gaat als een straal van Gods heerlijkheid meê
Op \'s levens gekronkelde wegen!
HIJ.
Uw God is mijn God! Gij zijt vroom, gij zijt vroed:
O vuur gij mij aan ten gebede!
Bezweer gij den storm in mijn rustloos gemoed,
En breng gij den twijfel tot vrede.
Wijs vriendelijk steeds mij den Levensboom aan,
Neem, Engel des Lichts, uit de stolfige baan
Op \'t pad naar den Hemel mij mede!
zu.
U w vreugd is m ij n vreugd! En wat wil ik nog meer,
Dan, Engel! voor U slechts te leven?
O, ware ik een Engel uit heiliger sfeer,
Ik zou u beschermend omzweven,
Ik maakte u deez\' aard tot een Lustparadijs,
Ik koos al de doornen — te duur mij geen prijs —
Om u al die rozen te geven.
HIJ.
Uw leed is mijn leed! Gij zijt mijne, ook in smart,
Zoo zeer als in vroolijke dagen:
-ocr page 231-
1ÏÓ
Kom, berg nu dat hoofdtjen getroost aan mijn hart:
Gij moet ook het kleinste mij klagen!
Het Wel, dat men deelt, wordt verdubbeld in kracht;
Het Wee, dat men deelt, is ter helft reeds verzacht,
En sterk wordt de Liefde onder \'t dragen.
zu.
Uw graf is mijn graf! Waar uw heuvel zal staan,
Daar zal men m ij n plaatsjen mij maken.
Als gij mij verlaat, heefl mijn leven gedaan,
En nooit zal ik vreugde meer smaken.
Eén terp overschaduw\' \'t gezegende Paar!
Uw stof en het mijn\' slapen zacht bij elkaar,
Tot we eenmaal, te saam\' ook, ontwaken!
HIJ.
U w Hemel m ij n Hemel! Geen twijfel moet ooit
De hope des Hemels ons rooven.
Al wierd eens onze asch op de winden gestrooid,
Wij leven, omdat wij gelooven!
Wat God heeft vereenigd, dat scheidt ook geen dood.
Wel zwart is het graf, maar het Oosten is rood:
Zoet weerzien in \'t daglicht Daarboven!
zu.
Nu, Vader! Wiens liefde aarde en hemel verkondt,
Wil G ij ons tot liefde bekwamen!
Wees, Koning der zielen, de derde in \'t Verbond,
En smelt onze harten te samen!
En, Geest alles Goeds! ruische uw vleugelgezuis,
Daal Gij als een duive in ons nederig Huis,
En woon er in eeuwigheid, amen!
EhANUEL GeIVEL.
-ocr page 232-
224
DE VROUW.
Eere den Vrouwen! Zij winden en weven
Hemelsche rozen door 1 doornige leven,
Strenglen der Liefde gezegenden band.
Gratiën zijn ze, en wij danken haar hoede
\'t Eeuwige vuur van het Schoone en het Goede,
Dat ze onderhouden met heilige hand.
Voortgestormd met reuzenkrachten,
Wijkt de Man uit waarheids baan;
Wisslend dobbren zijn gedachten
Op der driften oceaan.
Gretig zoekt hij heinde en verre,
Of zijn hart de ruste vond:
Tot in de afgelegen sterre
Grijpt hij naar zijn droombeeld rond.
Maar met heur blikken, betooverend-teeder,
Wenken de Vrouwen den vluchtling: „Keer weder!
„Smaak toch het Heden, zoo kort maar van duur!"
Onder het ouderlijk dak, rein en blijde,
Bleven zij schuchter der Moeder ter zijde,
Schuldlooze dochters der vrome Natuur!
Vaak vijandig is zijn streven,
Met verpletterend geweld,
Gaat de woeste Man door \'t leven,
Dat hem paal noch perken stelt.
Wat hij opbouwt, sloopt hij weder:
Als der Hydra slangenkop,
Rijzen telkens, telkens weder
Nieuwe wenschen dreigend op!
Maar met bescheidener glorie te vreden,
Plukken de Vrouwen de bloemen van \'t Heden,
Nimmer gehaast naar de eerst rijpende vrucht.
Vrijer dan hij, binnen huislijke perken,
Rijker dan hij, bij heur nuttiger werken,
Nederiger kennis, en vreedzamer vlucht.
-ocr page 233-
225
Streng, en trotsch vaak, en koelkloedig,
Is de Man zich-zelv\' genoeg,
\'t Hart versmadend, dat weemoedig
Naar een hart vol liefde vroeg.
Nimmer smelt hij weg in tranen.
Niet gebroken buigt hij neer:
Zelfs de worslling met de orkanen
Straalt zijn harde borst te meer!
Maar als de harp, die, op \'t ritslen der blaren,
\'t Suizen van \'t windljen, weértrilt met heur snaren,
Zóo de gevoelige ziele der Vrouw!
Angstig door \'t schrikbeeld der smarten bewogen,
Oolft haar de boezem en storten heur oogen
Zachtkens de paerlen van hemelschen dauw!
Waar de Man zijn dwangvermogen
Oefent, geldt de kracht voor recht:
Zal de Scyth zijn pleit betogen,
\'t Krijgszwaard spreekt, de Pers wordt knecht.
Wenschen zijn den Man — geboden;
Wilde tochten slingren hem:
En waar Gharis is gevloden,
Krijscht, wanluidend, Eris\' stem.
Maar onder zacht-overredende beden
Voeren de Vrouwen den scepter der Zeden,
Blussehen de Tweedracht, zoo bitter beweend,
Leeren de krachten, die vijanden waren,
Zich in bevallige vormen te paren,
Nu voor altijd en harmoniesch vereend!
ScniuüE.
VERJAARGROET AAN EENE MOEDER.
O gezegende Feestdag, als Moeder verjaart!
Lieflijk licht aan den hemel der Jeugd!
Onvergeeflijke zon, die ons levenslang heugt,
Wat Herinnring de Lethe ook vergaart!
vu.
                                                                                    is
-ocr page 234-
220
\'k Heb de vreugde gekend, die gij heden geniet,
Dankbaar kroost om den feestlijken disch!
Ik waardeer uw bezit door mijn eigen gemis:
In mijn hart trilt een toon voor uw lied!
In mijn hart ruischt een groete aan de dierbare Vrouw,
U gespaard, ook na droefheid en druk:
Uit mijn hart rijst een beê voor haar Eeuwig Geluk.
En een dank aan Gods Eeuwige Trouw!
Want Uw God wAs getrouw, en gij weet het, Christin !
Die erkent dat Hij wondt, maar geneest;
Die getuigt: „Hij is goed en barmhartig geweest:
„Hem te volgen heeft zaligheid in!"
Zoo dan, blijf gij Hem volgen, o zij het nog lang.
Met geloovig en dankbaar gemoed!
Uit den mond uwer kindren klink\', heerlijk en zoel,
U nog dikwerf de Feestelijke Zang!
En daar Boven, daar Boven juicht heden de Vriend.
Wel betreurd, maar met troostvolle hoop:
Blijd Vooruitzicht des Weerziens aan \'t eind van den loop!
Ja, God heeft er uw dank voor verdiend!
Maar de Beste der Vrienden is uw en zijn Heer:
Blijv\' Zijn naam boven alle U geloofd!
Zijn genade in uw ziel, eens Zijn kroon op uw hoofd:
Och, wat wenscht, wat begeert gij u meer?
Kom dan, voorwaards op nieuw, met den hemel in \'t oog,
Van gezegende kindren omringd,
Daar Gods Engel van verre zijn: „Gloria!" zingt,
Met Gods hulpc — Vooruit! naar Omhoog!
-ocr page 235-
227
OUDERS.
Vaders, moeders! spreekt den kleinen
Van dien Goeden, van dien Reinen,
Eenmaal als een hulploos wicht
In een donkren stal geboren,
Maar door a\' Eeuwige uitverkoren
Tot des Waerelds zalig Licht!
Spreekt hun van dat Kind, zoo heilig,
Dat, in Englenhoede veilig
Aan het vrome Moederhart,
God al vroeg zijn Vader noemde,
In Wiens heerlijkheid hij roemde,
\' Tot zijn hart gebroken werd!
Spreekt hun van zijn groote daden,
Van zijn woorden, vol genaden,
Klaarheid, waarheid, majesteit!
Van zijn lieflijk Evangelie,
Waar het muschken en de lelie
Roemt in Gods Voorzienigheid!
Spreekt hun van zijn heilig strijden.
Van zijn Leven, van zijn Lijden,
Van zijn Liefde bovenal,
Die de kindren drukte in de armen,
En, met goddelijk erbarmen,
Ons Gods kindren maken zal!
Schoon zij \'t kruis nog niet begrijpen.
Bij de krib zal \'t hartjen rijpen
Voor \'t Geloof — tot de ure koom\'.
Als ze aanbiddend onderscheiden
Dat én kruis èn kribbe beiden
Hout zijn van den Levensboom!
-ocr page 236-
228
DISSONANTEN.
Lichtzinnig — toch verstandig;
Een man — en toch een kind:
Gevleugeld — toch onhandig;
Godsvruchtig — aardsgezind;
Van reine liefde blakend.
En — gloeiende van haat;
Nu — \'t Eigen Ik verzakend,
Dan — enkel eigenbaat;
Trekvogel, immer zwervend,
Vol dai\'tle levenslust;
En toch weer — levend stervend,
Versmachtende naar rust:
Een rups in \'t stofgewemel,
Die over doornen glijdt,
En toch het licht, den hemel
Het vlinderken benijdt! . . ..
O Tegenstrijdigheden !
Wanneer toch komt de dag,
Zoolang reeds afgebeden,
Die u verzoenen mag?
EXANUEL OEIBEL.
OP ALLERZIELENDAG
AA.N J. P. HASEBROEK.
lis ANTWOORD OP ZIJN AAN ICIJ ORRICUT LIED VAM IJKul;;*.
Dat, Broeder! ge een krank broederhart
Dus, mede lijdend, kwaarat bejeegnen,
Dat gij zijn sprakelooze smart
Meer dan een tolk: een trooster, werdt,
Daar moge u God voor zeegnen!
-ocr page 237-
229
Wat op deez\' Allerzielendag
Een ziel doortrilt in al heur snaren,
Die veel heeft liefgehad, en ach!
Zich veel van \'t liefste ontscheuren zag,
Gij hebt het meê ervaren 1
Gij ook hebt in de stille cel
Vandaag schijndooden op zien rijzen,
Bij wisslend licht en schaduwspel:
Een eerste groete. een laatst vaarwel --
Verloren Paradijzen!
Gij ziet ook — hoe gelijkt gij mij! —
Moer dan de levende\', in uw droomen
Uw vroeggestorvnen u nabij.
Is, schijnbaar ver\', reeds „de Overzij\'"
Ons „in \'t gezicht" gekomen?
Den moed hervat! de kracht vergaèrd!
En kunnen wij geen lofzang juichen,
Wij kunnen toch, hoe diep bezwaard,
—• Den strijd volstreên, \'t geloof bewaard —
In stomme aanbidding buigen.
De sneeuwklok bleekt ons beider hoofd,
Maar in ons beider zielen tevens
Gloeit onder \'t ijs — God zij geloofd! —
Een vuurvlam door geen tijd verdoofd,
De hoop des Eeuwgen Levens!
() raadselspreuk ? o wonderwoord !
God weer te geven, is geen derven.
De schijnbre dooden leven voort:
Liefde is des Levens Weêrgeboort\' -—
Geen Levende kèn sterven.
-ocr page 238-
\'230
TEN D00PFEEST VAN JOHANNA SOPHIA MIDDENDORP.
---- ZONDAG 5 MEI 1872. —
Johanna Sophia, de Vierde,
Gegroet, kleine Doopling, lief kind!
Eerst Bloemtjen, dat de Echtband vercierde,
Die Hendrik en Anna verbindt!
De namen, u heden gegeven,
Wél zijn zij een heilsprofecy,
Welsprekende les voor uw leven,
Belofte des Hemels daarbij!
Johanna Sofhia ! \'k Zie de Eerste
Nog vóór mij! — dat vriendlijk gemoed,
Dat hart, waar nooit zelfzucht in heerschte —
Zij heeft mij een Moeder vergoed!
Blijmoedig bij al wat haar griefde,
Beminnend, bij allen bemind,
Zóo leefde en zóo stierf zij! — Haar liefde
Herleve in uw hartjen, lief kind!
Johanna Sophia, de Tweede,
Mijn gade, mijn zilveren Bruid!
Hier zit zij! Mijn vreugde, mijn vrede,
Die zeegnend in de armen u sluit!... .
Haar geest en haar veerkracht, haar trouwe,
Haar teêrheid, mijn star der woestijn,
Moog\', kindlief! als Dochter, als Vrouwe,
Lang later ten voorbeeld u zijn!
Johanna Sophia de Derde,
Mijn dochter, mijn Almkerksche Bloem!
Och, of u haar zachtheid gewerde,
Der Vrouwen begeerlijkste roem!
Blijf gij op uw Moeder gelijken!
Haar hart, mét haar naam, zij uw deel!
-ocr page 239-
231
Dan zult ge als een zomerroos prijken,
Die doornenloos bloeit op den steel!
Of God niet de deugden u cierde
Van \'t drietal, zoo heerlijk, zoo goed !
Johanna Sophia de Vierde!
Mijn kleinkind, Gods kind, wees gegroet!
AAN CAROLINE PIERSON, MIJNS BROEDERS RRUID.
— 15 DECEMBER 1870. —
Wees welkom in ons midden,
Gij vriendlijk aangezicht,
Dat een vereenzaamd harte
Gaat troosten met uw licht!
Gij handen, zacht en zeegnend
Naar \'t drietal uitgebreid,
Dat aan uw hart komt schuilen,
En nu van vreugde schreit!
Gij draagt tot hen de schatten
Van dubble Erinnring meê,
Twee rijkste en reinste paerels
Van \'s Levens diepe zee;
Want — van uw kindsche dagen
Heugt u van de echte trouw
Die \'t Huisgezin verhemelt —
De roeping van de Vrouw!
En van een zalige Engel,
Die gij geen dag vergeet,
Hebt gij geleerd, voor immer,
Wat Moederliefde heel!....
Treed binnen, en bewaarheid
Dat dubbel Ideaal!
Gij werdt er toe verkoren:
Wees welkom duizendmaal!
-ocr page 240-
232
Ook ons komt Gij verrijken:
Een bloem méér in den hof,
Een star méér aan den hemel —
Een nieuwe dankens-stof!
Een hart méér in de waereld,
Ons minnend, rein en teer,
Is op zich-zelf een waereld
Van liefde en vreugd te meer!
Wees welkom, duizendmalen,
Gij brengt een zonneschijn 1
Gij zult gelukkig maken,
En dus — gelukkig zijn!
KOPEREN BRUILOFTSLIED.
Winter is \'t! Geen zonneschijntjen,
Met een blijden lach
Scheemrend door het wolkgordijntjen,
Groet uw Bruiloftsdag.
Maar het „zonnetjen van binnen"
Is toch niet gezwicht,
Kn de vrienden die u minnen,
Deelen in uw licht.
Wat al rijke erinneringen
Ou uw Kopren Feest,
Wat al beelden zich verdringen,
Voor d\'ontroerden geest!
God vervulde uw zoetste droomen,
En al heeft Zijn hand
Soms gewond ook en genomen,
Zijn Verbond hield stand.
Heden, aan elkanders zijde,
Met de liefde in \'t oog,
Heft ge, in weemoed, toch zoo blijde,
\'t Hoofd gekroond omhoog,
-ocr page 241-
233
Daar gij, biddend, dankend tevens,
Dezen juicliloon slaakt:
„Gij, getrouwe God mijns levens,
„Hebt het wèl gemaakt!"
O, die God blijve, als tot heden,
Immer u nabij!
Volg uw Heiland op Zijn schreden,
Al uw Licht is Hij!
Hij doe \'t koper zilver worden,
Goud den zilverglans!
Ciere u, als al de andren dorden,
De Eeuwge Hemelkrans!
DE MEESTE VAN DEZE IS DE LIEFDE.
Is er zaliger vreugd
En die langer u heugt,
Dan een zorgelijk voorhoofd te ontplooieM,
Een goede Engel te zijn
En in \'s armen woestijn
In de stilte wat manna te strooien?
Door een traan, dien gij wischt,
Wordt uw ziele verfiïscht:
En de glimlach, dien gij doet herleven
Op des lijders gezicht,
Wordt een straal van Gods licht,
Ook ü-zelv\' tot verkwikking gegeven.
Ach, hoevéél, dat een tijd
U in \'t leven verblijdt,
Is bij \'t sterven voor immer vergeten!
Was de Liefde u het meest\',
Zijt ge een zegen geweest,
Deze vreugd mag onsterfelijk heetenl
Ze is een H e m e 1 s c h genot:
Ze is geboren uit God,
-ocr page 242-
234
Die een God is van eeuwig erbarmen,
Die de kruisdragers kent,
Die Zijn Engelen zendt
Tot de schamele kribbe der armen!
AAN EEN JEUGDIGE VRIENDIN.
Was het blaadtjen, dat gij biedt,
\'t Blaadtjen van uw Leven,
Neen, de Vriend bedacht zich niet:
Spoedig was het kleine lied
Juichend neergeschreven;
Niet in letters, dreigend zwart,
Maar in gouden trekken,
Zoudt ge uw lot ontdekken:
„sHeeren vrede in Huis en Hart,
„Vreugde op al uw wegen,
„Aan elk dorentjen van smart
„Nog een roos van zegen!
„Immer klimmend heilgenot,
„Licht der ziele, Licht uit God,
„Door geen wolk betogen,
„In uw vriendlijke oogen,
„In het lachjen van uw mond,
„In uw zieltjen stralend,
„En nog troostend dalend
„Op uw laatste spond\'!"
Wat de vriend slechts wenschen kon,
Moge God u g e v e n I
Hij beschikt uw leven,
Aller Liefde- en Levensbron.
Tot mijn wenschen en gebeden
Schrijv\' de Hemelheer
Op uw Lotboek heden
\'t „Amen, Amen" neer!
-ocr page 243-
LEVEN.
Zur Erinnemng trüber Tage,
Voll Bomühen-voller Plage;
Zum Erinnern schfner Stunden,
Wo das Rechte war gofunden.
GÖTHE.
LEVEN.
„Das Leben ist nicht wcrth gelebt zu werden!"
DBAtlKOt.
„Het leven, hoe \'t ook zij, niet waard is \'t dat wij
[\'t leven!"
Wie zijt gij die zóo smaalt? Stemme uit een wildernis!
Hebt gij dien naam niet aan de schaiiw eens drooms gegeven\'.\'
Wist ge ooit wat „Leven" is?
(lij zaaide in de ijdelheid: ach, de oogst was schande en schaamte;
Gij joegt een drogbeeld na, dat lokkend verder vlood:
Gij greept, — de sluier viel: ge omhelsdet een geraamte,
Uw „leven" was — de Dood!
Neen ! neen! te weten, hoe de zon, de sterren stralen,
Hoe rijk de schepping is, hoe \'t lenteroosjen knopi,
Hoe \'t beekjen danst door \'t woud, doorgalmd van nachtegalen,
Hoe \'t Menschlijk Harte klopt:
(levoeld te hebben, hoe een ziel, uit de oogen sprekend,
Uw ziel ontmoet, die zij haar Tweeling-Zuster weet,
\'•esmaakt te hebben wat de zaligheid beteekent,
Die Liefde, Liefde heet:
Gestreefd te hebben naar het Ideaal — ten bloede
Vaak strijdend, niettemin steeds sterker dan uw lot.
Celoofd te hebben zijn den Eindtriomf van \'t Goede,
De Onsterflijkheid, en God:
-ocr page 244-
236
Al ware \'t voor éen uur, dien Onbekend-bekende
Omarmd te hebben in de omhelzing van \'t Gebed : —
O, dat is \'t Leven waard, spijt al zijn reis-ellende,
Tot bij den jongsten tred!
Dat is het Leven waard, waar\' \'t Graf ook wat het schijne,
De rand van \'t grondloos diep der Belials-rivier,
Het is der moeite waard het Leven!.. . . Dank voor \'t mijne,
Ook zelfs al eindde \'t hier!
Maar \'t leven eindt hier niet! De diepte gaat naar boven,
Het eind buigt naar \'t begin: niets dat den cirkel breekt.
„Voor eeuwig!" zegt mijn hart; en \'k wil mijn hart gelooven.
Waar God oraaklen spreekt!
ALS IK NADENK.
Als ik nadenk wat al zegen
Mij Uw goedheid heeft bereid,
Langs wat wonderlijke wegen
Uw gen3 mij heeft geleid:
\'k Sta dan diep-ontroerd in \'t midden.
Daar mijn oog geen eindpaal ziet.
God! ik kan uw raad aanbidden:
Hem doorgronden kan ik niet!
LEVENSBEELD.
1.
Op een Lentemorgen
Stondt gij in den zonneschijn,
Zieltjen zonder zorgen,
Zelf een bloemelijn,
In de groene weide
Madelief jen tusschen \'t gras;
En uw hartjen zeide:
„Of het Zomer was!"
-ocr page 245-
237
Op een Najaars-uchtend
Staat ge aar. \'s beekjens dorren zoom,
En gij blikt al zuchtend
In den vluggen stroom,
\'t Zonlicht, vroeg verduisterd,
Werpt een huivrig straalijen neer;
En uw zielljen duistert:
.Kwam de Lente weer!"
Wij, volwassen kindren,
Doen wij anders.\' Slechts een poos
Duurt ons vroolijk vlindren.
Zijn wij zorgeloos,
\'t Wordt een haastig jagen
Naar wat nog niet wezen kan,
Een ontijdig klagen:
.Ware ik nu een Man!"
4.
In de Herfst van \'t Leven
Staan we, en zien, vol geele blain.
Door den wind gedreven
ünzen tijdstroom gaan,
\'t Wordt een rugwaards-turen,
En de litany begint:
„Keert, gestorven uren!
„Ware ik nog een Kind!
IDEALEN.
Bloeiende Idealen breken
Uit den bloeseiuknop der Hoop;
Liefde en Vriendschap, die ze kweeken,
Hielden ze in Gods licht ten doop . . .
-ocr page 246-
-23S
Mooglijk sterven al die droomen,
Want het dichtste bloembed dunt:
Maar der Vreez\' wordt vroeg ontnomen,
En \'t Geloof wordt lang gegund!
\'T LEVEN HEEFT ZIJN OOGENBLIKKEN.
\'t Leven heeft zijn oogenblikken
van een heerlijk krachtbetoon,
Uren van ontvlamde geestdrift
voor het Iteiue, Goede en Schoon\':
Dan zweeft \'s Menschen ziel gevleugeld
naar het Goddelijke omhoog,
En de hemelen weerkaatsen
in den spiegel van haar oog.
Was daarmee in \'t aardsche leven
\'t werk voltooid, de strijd gestreèn
En de zegepraal bevochten, —
\'t ware een Eden hier beneên!
Maar, helaas! wat valt het moeilijk
altijd, immer, jaar aan jaar,
\'t Vuur der geestdrift aan te houden
op des harten hoogaltaar!
Niet maar als de stormen gieren,
maar ook als, op de eigen maat,
De alledaagschheid als een slinger
slaaprig heen en weder gaat.
O, dan is er kracht van nooden
zooals God slechts geven kon,
Dan een onophoudlijk scheppen
uit de ware Geestdriftbron,
Voor de grooten, voor de kleinen,
voor al wie zijn arbeid heeft
Op den grooten waereldakker
al wie \'t Leven menschlijk leeft!
Zalig die tot Hem mag treden,
die ons toeroept: „Aarzelt gij?
„Komt! de springfontein des Levens,
\'s Geestes bronwei, is bij Mij!"
-ocr page 247-
239
ÜE WAARDE VAN DEN ARHEID.
Kent gij d\' Arbeid in zijn waarde?
Met den sterken arm der kracht
Wrocht hij wondren op deze aarde.
Door \'t vernuftig brein bedacht:
Hij gebiedt, en — Paradijzen
Lustpaleizen, groeien op;
Tunnels kronklen, wegen rijzen
Op der bergen hoogsten top;
Of, zij duiken neer en zwieren
Onder \'t slroombed der rivieren!
\'t Ongeloofbre maakt hij waar:
Rotsen effent hij tot dalen,
Steden hecht hij door kanalen,
Als koralen
Aan een halssnoer, aan elkaar.
Naakte schorre, barre kust,
Wordt tot weide en korenakker.
Uit zijn eeuwenlange rust
Schudt hij d\' ouden stoomreus wakker.
En hij leert, hij vuurt hem aan
Om zijn kracht in duizend vormen
Aan te wenden, neer te stormen
Wat zijn slreven durft weerstaan,
D\' onbedwingbren Oceaan
Toch te dwingen, en de winden
Voor zijn zegekar te binden,
Dus verandrend, wijd en zijd,
\'t Oud begrip van Ruimte en Tijd! —
De Arbeid drong, met reuzenschreden.
Onverdroten, onvervaard,
Tot in \'t ingewand der Aard:
\'t Heerlijkst der verborgenheden,
Schuilende in haar diepsten nacht,
Heeft hij aan het licht gebracht.
Al heur schatten, die hij deelde,
Dienstbaar stellende aan den Mensch.
Aan \'t bekroonen van zijn wensch,
Nooddruft, of Gemak en Weelde.\'
-ocr page 248-
240
De Arbeid bouwt, van reê tot reê
Schepen, mons\'ers van de zee,
Waarbij \'t hart van fierheid popert,
Leviathans, al zoo stout
Als die levend gaan door \'t zout,
Hooggetopt, den buik gekoperd,
Als een halve stad zoo groot,
Legers bergende in heur schoot,
— Emigranten aller volken 1 —
En, braveerende elk gevaar,
Dansende op de wilde baar,
Of die zee, vol valsche kolken,
Een gebloemde vlakte waar\'!
De Arbeid, nooit des vindens moede
Sloeg, als met een tooverroede,
D\'elektrieken stroom aan band.
Wist hem aadlaarsvlucht te leenen,
Die hem draagt van strand tot strand,
Over reuzige Alpen henen,
Onder oceanen dooi\',
Langs een tiooitgevonden spoor.
Natiën van alle namen
Snoert de Telegraafdraad samen,
Die een andre Ariel wordt,
En in weinig vlugge stonden
Vliegt door halve Waereldronden
Ja, geheel deze Aarde omgordt!
De Arbeid, met deez\' wonderwerken
Niet te vree, verbreedt zijn kring
In de hoogste ontwikkeling:
Weet den grond des Staats te sterken,
Regelt meê de Maatschappij:
Brengt verband en harmony
Tusschen \'t werk van geest en handen,
Evenwicht van rang en standen, —
Der Beschaving hefboom, hij I
Zonder Arbeid — duurt geen zegen,
Wordt de Kennis nooit verkregen,
Waardoor Kunst en Wetenschap
-ocr page 249-
•Mi
Klimmen tot den hoogsten trap.
Zonder Arbeid — ijdel streven
Van \'t fantastische penseel,
Dat geen waarheid, dat geen leven
Weergeeft op het dood paneel!
Zonder Arbeid
        ijdel klinken
Van een wild Muziek-geschal,
Tonen, in wier waterval
Reden en Gevoel verdrinken!
Zonder Arbeid — geen Poëet!
Wie wil ooit een ziel vervoeren,
Die de stugge taal niet kneedt,
Die niet weet
De Harp te roeren,
Die „het Menschlijk Harte" heet".1
Daalt zóo de Arbeid vorschend neder
In de diepte — de Arbeid weder
Onderzoekt in hooge vlucht
Heel \'t onmeetlijk Rijk der Lucht,
Dat hij dwingt zijn wonderdreven
Hém te ontsluiten, Hém te geven.
Zoo wist hij de wandelpaan
Der Planeeten
Af te meten.
Heimlijk d\' invloed na te gaan
Dien ze elkander doen ervaren!
Zoo heeft hij de kracht bespied
Die der sterren legerscharen
Sints den scheppingsdag gebiedt,
De eeuwge wetten onzes Heoren,
Die de hemelen regeeren !
En de welvende Atmosfeer
Met haar wondre samenstelling.
Haar verschijnslen, heinde en veer\'.
Heeft voor hem geen raadslen meer!
Wat de gloeiendste voorspelling
Niet kan raden, dat herleidt
De Arbeid, nu, tot Weiklijkheid.
Hem verleent Gods alvermogen
Zegepraal op zegepraal:
-ocr page 250-
\'1\\-Z
Hij, bij-zelf, liij schiep zich oogen
Ter aanschouwing, en een taal
Ter beschrijving eener waereld.
Die, van schepselen doorkruist,
In het regendropsken huist,
Dat aan gind.<chen grashalm paerelt!
Kent gij d\' Arbeid in zijn waarde\'?
D\' Arbeid, geestrijk, goed en schoon,
In wat vorm hij zich vertoon\',
Wondren scheppende op deze Aarde"?
Of — is u. misschien, Vermaak
\'s Levens keuze, uws levens taak 1
Dan toch — wat uw borst doet zwoegen,
\'t Is dat zalig zielsgenoegen,
\'t Is die reine weelde niet,
Die haar hoogste vreugd geniet
In — bezwaren weg te toovren
Op der Kennis wijd gebied,
Nieuwe waarheen te veroovren,
Werkende met alle macht,
Wetende, ook al daalt de Nacht,
Niet geheel toch zal ik sterven!
\'kMocht een naam —hij blijft herdacht -
Rij de vrienden mij verwerven
Van het Menschelijk geslacht!
(Naar aanleiding ecncr bladzijde uit een roman va» icAKS).
V O O II DE ARME N.
Hij kwam in \'s Heeren naam noch beedlen noch gebieden,
Die brood voor de Armoe vroeg:
„Barmhartigen, u zal barmhartigheid geschieden,"
Dat woord zij u genoeg!
Zoo wijs ik u niet weer op \'t pleegkroost der ellende,
Dat neerzinkt onder \'t kruis,
Maar — heiige schaamt\'! — nog nooit zich naar den dorpel wendde
Van \'t rijke Heerenhuis.
Gij weet wél, wie voor u uit goddelijk erbarmen
-ocr page 251-
243
Zelf arm geworden is
Terwijl Hij rijk was! Wat Hij achterliet, zijn de armen:
Een blijvende erfenis!
AVie dezen spijzigt, hij verkwikt zijns Heilands honger,
Of drenkt, hij laaft zijn Heer:
De Meester stelt zich borg voor d\' allerminsten Jonger:
Tiendubbeld geeft Hij weêrl
Gij vraagt niet, neen! waarom in \'t bonte Menschenleven
Die ongelijkheid heerscht:
Tot kweekschool aller deugd weet ge u deze Aard gegeven,
Der Liefde \'t allereerst!
Hij ook gelooft het, als men hoop noch vrees meer voedde.
De rijkdom aller was,
Niet éen meer vroeg noch gaf, geen enkle wond meer bloedde.
Geen hand dus meer genas,
Als, zonder werk voortaan, dus de Engel des Meêdoogens
Ons had vaarwel gezegd.
Wat zedelijke dood zou d\' edelsten vermogens
Der ziel zijn opgelegd !
Wat Godsvonk werd gebluscht, nooit meer uit de asch gerakeld.
Die \'t outer overspreidt!
Wat heiige hand verscheurd, die \'t Menschenharte schakelt
Aan Gods Voorzienigheid!
NEEVLKi BUKT DE HERFSTZON NEER.
. lacob zag het aangezicht Laban\'s aan en ziet! het
was niet jegens hem als gisteren en eergisteren."
Uenes. XXXI: 2.
Neevlig blikt de Herfstzon neer;
Glans en gloed verdween:
Laban\'s voorhoofd straalt niet meer
Vriendlijk als voorheen!
Wien hij eens als lieven gast
Groette met een lach,
Jakob, is hem lang tot last,
Sedert jaar en dag!
-ocr page 252-
244
.lukdb ! neem den wandelstaf!
Ligt uw huis ook ver\',
Keer! uw rozen vielen af.
Droevig taande uw ster!
Neevlig blikt de Herfstzon neer;
Glans en gloed verdween :
Laban\'s voorhoofd straalt niet meer
Vriendlijk als voorheen!
Ach, ik heb hem ook gevoeld,
Laban\'s kouden blik,
Toen de liefde, ras verkoeld,
Deinsde in schuwen schrik:
Toen een hart, dat voor een poos
Trouw voor \'t mijne sloeg,
1\'lotsling koud en liefdeloos
Sprak: „Het is genoeg!"
Toen een hand, der mijne moè,
Stil haar glippen liet,
Zooals ik een ruiker doe,
Die geen geur meer biedt;
Toen een oog, dat eens van \'t mijn\'
Zich niet wenden kon,
Opzag naar den flikkerschijn
Van een nieuwe zon;
Toen een bloemeke\' op mijn pad
\'t Broederhart verdroot,
En om éen klein lauwerblad
Zijn gelaat verschoot;
Toen mijn eerste waereldsch leed,
Drijvende onwet\'rslucht,
Al mijn vrienden wijken deed
Als een zwaluwvlucht;
-ocr page 253-
245
Toen de schaar\', die gistren nog
Palmen heeft gezwierd;
Heden — \'k bleef dezelfde toch! —
„Kruist hem! kruist hem!" tiert-----
Neevlig blikt de Herfstzon n.ér;
Glans en gloed verdween:
Laban\'s voorhoofd straalt niet meer
Vriendlijk als voorheen !
Nochtans weet ik éen Gelaat,
Steeds tot mij gewend,
Waar het licht niet onder gaat,
Zelfs geen schaduw kent:
Schijn\' omhoog de zonnepracht,
Dreige \'t stormgetij,
Vriendlijk, door den zwarten nacht.
Ziet het neer op mij!
\'t Zij des waerelds liefde of haat
Mij verhief of boog,
Liefde en trouw die nooit vergaat.
Blinken uit dat oog!
\'t Zag mij dubbel vriendlijk aan.
Had ik dubble smart;
\'t Was: „Wat heeft men u gedaan\'.\'
„Kom, ontsluit me uw hart!"\'
Gij, mijns Vaders Aangezicht!
Eeuwge Liefde! Gij,
Welk een stroom van godlijk licht
Stort Gij uit op mij!
\'k Zie Uw oog, hetzelfde altoos,
Als toen \'t nederzag
Op het kind, dat schuldeloos
In zijn wiegjen lag!
-ocr page 254-
\'246
\'k Zie uw oog, dat, eeuwig-trouw,
Liefdeslralen schiet.
Tintiende in den morgendauw
Op \'t Vergeet-mij-niet;
Vonklende aan den middagtrans
Met een vlammengloor;
Gloeiende in den sterrenglans
Nacht en nevel door!
\'t Wenkt mij toe: „Houd moed! heb kracht!
„Wie u ooit verliet,
„Eén houdt over u de wacht:
„God verandert niet!"
KAKL CiKROk.
-ocr page 255-
IN MEMORIAM.
Een Immortellen-krans.
Ja, schoner muss der Tod te dich begleitcn
Urn 3 Haupt aer Schmerzverkllirung lichten Schei n.
Und t re uur — den du hast ihn alle Zei ten.
Da3 Hcrz auch hat sein Ostern, wo der Stein
Vom Grabe springt, den wir dem Staub nur Wöihten,
Und was du ewig liebst. ist ewig dein.
EMANUCL ïiEIBtL.
STERVEND KIND.
.Dikwijls kan uien uitwendig rtvds zien
dat in dat popjen een vlinder met opge-
plooide vleugels besloten is."
HUM.
1.
Al vouwdet gij de vleugels
Ook nog zoo zorglijk op.
Ik zie hun teère lijnen,
Reeds door uw hulsel schijnen:
Het kan niet lang meer duren,
Gij kleine Vlinderpop!
•2.
En of gij in uw wiegjen
Als droomend nederligt,
\'k Zie onder \'t koortsig gloeien
Uw Englenwiekjens groeien:
Het kan niet lang meer duren,
O lief, zieltogend Kind!
-ocr page 256-
248
3.
Nu, vlinder! breek uw kluister,
En fladder uit ons oog!
Nu, kindeken I wat zouden
We uw ongeduld weerhouden —
Verscheur uw laatste windsel
En stijg tot God omhoog!
VROEGGESTORVEN.
Zalig is der kindren \'lot:
Vroeg gestorven, vroeg bij God.
HUYGENS.
- - AAN MIJN LIEVE DOCHTER ANNA —
Lief Sterretje\', in het morgenrood
Verdwenen eer de zon mocht dagen!
Kind van mijn kind, gij jongste loot!
Mijn kleine, lieve naamgenoot,
Mocht gij dien naam zoo kort maar dragen\'.\'
Neemt God zoo spoedig ons weer af
Wat wij niet zonder worstlen derven? ....
Ach, al wat u de waereld gaf,
Was \'t kleine wiegje\' en \'t kleine graf;
(lij leefdet enkel om te sterven!
Vroeg hebt gij lijdens last getorscht,
Nog vóór gij de eerste vreugd mocht smaken:
Slechts even laafdet gij uw dorst,
Ter korte reize, aan Moeders borst —
Toen sliept gij in, om niet te ontwaken.....
Dat kost uwe ouders traan bij traan:
En schoon zij in aanbidding zwegen,
Ze zien u noó naar \'t kerkhof gaan:
Wat God doet, ja, is wélgedaan,
Maar o, hoe donker zijn Gods wegen!
-ocr page 257-
•24!»
Toch — als nu eens die Beste Vrind
Te goeder ure waar\' gekomen,
Als Hij \'t geschoren lam den wind
Verzacht had, en uw lijdend kind
In \'t zalig Licht had opgenomen:
Als Hij die oogjens, schuldloos blauw.
Nog nooit, door klatergoud bedrogen.
Eens in een Heiliger Landouw
De heerlijkheden toonen woü
Yan zijn aanhidlijk Alvermogen:
Als Hij die voetjens, die nog nooit
liezoedeld zijn door \'t slijk der Aarde,
Ginds, waar geen winter vlokken strooit.
Waar de Eeuwge Lente zich ontplooit,
Deed wandlen in de Levensgaarde:
Als Hij dat hartjen, nooit onthutst
Door \'s waerelds zonden, \'s waerelds zorgen.
Daar Boven, na de korte rust.
Ontwaken deed van liefde en lust,
In \'s Heilands armen wèlgeborgen:
Als ge eens dat bleek en kreunend wicht
Mocht zien, door rozenwiek gedragen,
Een juichend Engeltje\' in Gods licht,
En kussen \'t bloeiend aangezicht — — —
Zeg, Moeder! zoudt ge dan nog klagen?
HET HUIS TKN BOSCH.
— H juni 1877. —
„Uw Koningin ligt stervend neder!"
De telegraafdraad zuchtte op \'t woord,
En \'t klonk van \'t Zuid naar \'t verre Noord
Van duizend monden klagend weder;
-ocr page 258-
•2.-.0
Want nimmer dreigde een storm van wee
Ken dierbre Oranjebloem te knakken,
Of\' Hollands boom bewoog zijn takken,
En trilde tot den wortel meê!
Oranjeboom! te vroeg ontblaarde!
Als Neèrland bij uw uitvaart schreit,
\'t Is niet, wijl alle heerlijkheid
Uer aarde eens wegzinkt onder de aarde:
De koning en de bedelaar
Zijn opgeschrevenen ten doode,
Kn, onder \'t marmer of de zoode,
Zij slapen eenmaal naast elkaar.
Maar wat uw dood ons doet beweenen.
\'t Is dat ge een eedle ziel bezat.
Dat gij uw volk hebt liefgehad.
Ku zeegnend neérboogt tot zijn kleenen;
Dat ge onze taal — niet enkel — spraakt,
Maar de Englentaal van \'t Medelijden:
Dat dan \'t geluk ü mocht verblijden
Als ge ook gelukkig hadt gemaakt!
Een week lang hield, met biddend duistren,
Heel \'t Volk uw veege sponde in \'t oog,
En scheen, tot alle hoop vervloog,
Naar \'t kloppen van uw hart te luistren:
En heel ons Volk, zoolang het leeft,
Zal rozen naar uw tombe dragen,
En van \'t Onsterflijk Werk gewagen,
Waaruit dat hart gesproken heeft!
Daar bloeiden, mooglijk, Koninginnen,
Als gij in groote gaven rijk,
In geest en kennis u gelijk ....
Maar kan dat aller harten winnen?
\'t Is beter goed dan groot te zijn.
Wel u, die de aarde kunt begeven
Ook zonder dat éen smet mocht kleven
Op \'t leliewit van \'t Hermelijn!
-ocr page 259-
\'251
ZUSTERS GRAF.
— 12 MAART 1874. —
Kon Huwelijksliefde en Moedertrouw
De naadring van den Dood vertragen,
Nog bloeit ge in uw zomerdagen,
Gij dierbre, vroeggestorven Vrouw!
Kon \'t hart des Mans, kon Kindermin
Een brozen levensdraad verlengen,
Wij zouden u naar \'t graf niet brengen.
U, vreugde en lust van uw Gezin 1
Maar ondoorgrondlijk is Gods raad :
\'t Is een der diepten dezes levens
Dat ons bet liefste en beste tevens
Zoo menigmaal het eerst verlaat.
O, \'t k a n alleen genade zijn,
Die de onzen roept als Vroeg-bereiden . . .
Wij buigen \'t hoofd. — Maar ach, het Scheiden,
Het doet zoo bitter, bitter pijn!
Toch, broeder, hef het hoofd omhoog!
En, kindren, richt den blik naar Boven!
Wel moogt ge uw God, ook klagend, loven,
En danken, zij \'t met weenend oog.
Een Gade, een Moeder, door wie de Aard
U blonk als van Gods glans doorschenen,
Al gaat ze u al te spoedig henen,
Is ook bij \'t Graf een danklied waard!
En dan — gij weet het, zoo als zij
Dat stil-geloovig heeft geweten:
Geen zielenbond wordt losgereten,
Het Vaderhuis is dichtebij 1
Was ze u op de aardsche wandelbaan
In véél vooruit, toch aan uw zijde —
Ze is nóg niet ver, de in God verblijde,
Al is ze ook thands u voorgegaan.
-ocr page 260-
\'252
Zij leed: — met oodmoed en geduld
Droeg zij de doornenkroon haars Heeren;
Zij leerde — dulden en ontbeeren,
Tot straks haar proeftijd was vervuld.
Hoe heerlijk was haar jongst Vaarwel!
Eens moest haar hart nog overvloeien!
Toen brak de ziel haar kerkerboeien,
De vlinder klapwiekte uit de cel!
\'k Weet maar éen troost, die nimmer zwicht,
I5ij wat wij diepst op aard betreuren :
Zij leert ons \'t Kruis weer op te beuren,
Getrouw aan eiken Levensplicht.
Mij mocht zij immer krachten biên,
(tok heden op deez\' kerkhofzoode:
Zij blijve de onze! — Dierbre Doode,
Vaarwel? — neen, neen, tot Wederzien!
\'T WAS WINTER.
\'t Was winter — krank laagt ge, uitgeteerd,
Op \'t ziekbed: sneeuw en hagel snorden.
Gij glimlachte: „Als de lente keert,
„Dan zal ik zeker beter worden."
\'t Is winter nog. Gij sloot het oog,
Gij daalde in \'t graf, gij zijt verrezen.
Uw voorgevoel was waar; „Omhoog
„Vondt gij de lent\': gij zijt genezen!"
DOODGEBOREN.
Ge ontroert ons hart, gij kleine,
Voor ons verborgen mensch!
Nog pas aan \'s levens drempel
En reeds aan \'s levens grens —
Die, zonder ééns te ontwaken,
Uit de eerste sluimering
-ocr page 261-
253
In d\' allerlaatsten sluimer
Al zachtkens overging!
Twee harten waren minnend
Reeds naar u toegekeerd;
Maar ach ! de wederliefde
Hebt gij nog niet geleerd.
Gij lookt voor goed uw oogjens
Eer gij uw vader zaagt,
Uw vader —- die al weenend
U naar het kerkhof draagt;
Tot stof verkeert uw mondtjen,
Nog éer een stamelwoord
Uw moeders ziel verrukte
Als Englen-harpakkoord,
Gelijk uw lief gezichtjen
Ter donkre groeve daalt,
Nog eer een welkomstlachjen
Uw trekjens heeft bestraald....
O weggesneden twijgje!)
Uit dit ons tranendal!
Waar staat de stam te bloeien,
Daar God u enten zal?
O vroeggestorven bloemljen!
Waar wenkt de dageraad,
De warme Levenszonne,
Waarbij gij opengaat?
(Naar cone „Gedachte" van jean rt.lL.
-ocr page 262-
DECEMBER.
Zoet vogelkijn, waar bleef\' uw lied?
Groen hol\'ken, waar uw rozen?
Ik hoor het minste toontjen niet.
Ik zie geen knopjen blozen,
En gij, mijn hemel! eens zoo blauw,
Wat schuilt ge weg in neevlig grauw?
De Schepping heeft het feestgewaad
Al bevende uitgetrokken:
Een sluier ligt haar op \'t gelaat.
Een wa van witte vlokken.
Zij slaapt, verbleekt, versteend van kou,
Of zij nooit weer ontwaken zou!
Toch gaat er door de stilte heen
Een klank- en geurgemengel.
Muziek en wierook ondereen,
Als naderde er een Engel;
Toch schemert aan dien valen trans
Ik weet niet welk een tooverglans.
Dat is — omdat het Kerstmis wordt f
Dan zingen \'s Hemels chooren;
Dan wordt de hope, lang verdord,
Met geur en kleur herboren.
Gods heerlijkheid, een lentegloor
Van Leven, straalt den winter door!
-ocr page 263-
•lbo
ADVENTS-LIEDEREN.
I.
SCHOON UW LIED HIER NIET MEER KLINKT.
Schoon uw lied hier niet meer klinkt.
Heiige Hemelscharen!
\'t Is of nóg een nagalm zingt;
En ons hart, dat hij doordringt,
Trilt in al zijn snaren.
Schoon uw kribbe lang verdween.
Heiland onzer zielen!
Gods gena, die haar bescheen,
Schijnt nog immer om ons heen\'
Waar wij dankend knielen !
Toont niet de Aard uw voetstap meer
Op haar dislelwegen,
\'t Licht-spoor van uw Werk, o Heer!
Is gebleken, wijkt niet weer,
Straalt van eeuwgen zegen!
Schoon Gij lang zijt heengegaan
Sints uw éérste komen,
Steeds houdt uw triomftocht aan:
Door de Waereld loopt uw baan
Tot haar verste zoomen.
Kom, o Heiland! bij \'t geklank
Van veel duizend chooren,
Die, met meer dan englenzangk\'
Tot onsterfelijken dank
\'t „Gloria" doen hooren!
Kom, o Koning! bij het licht
Van Gods eeuwge Waarheid.
Tot de jongste leugen zwicht,
Tot uw troon staat opgericht
In volkomen klaarheid!
-ocr page 264-
256
Kom. tot in de verste vert\',
Met uw lleilgeest doopend,
Heiligend door vreugde en smart,
Tot het laatste menschenhart
Voor uw komst zich opent!
II.
WEl.K EEN JUBELSTEM.
Welk een jubelstem,
Toen Jeruzalem
\'s Konings komst vernam.
Toen Hij langs een baan
Groen van palmenblaan
Sion binnenkwam!
Kindren, blij te moè.
Snelden naar Hem toe.
Juichten al te saam\':
„Davids Zoon! gegroet,
„Die daar tot ons spoedt
„In des Heeren naam !*\'
Gij, wien God ons zond!
Uit der kleinen mond
Hebt ge u lot\' bereid,
Liefste Kindervrind,
Zelf Gods liefste Kind,
Vol van heerlijkheid!
Wij ook, opgegaan,
Hellen \'t: „Wel kom 1" aan,
Eer de dag verjaart,
De uitverkoren dag,
Die uw intree zag
In deez\' donkere Aard\'!
-ocr page 265-
257
Toen die hemelgloor
Bij der Englen choor
Orn uw kribbe scheen,
Blonk Gods aangezicht
Van een Liefdelicht,
Dat niet meer verdween.
Gij maakt ons gewis,
Zelfs geen vader is
Dezen God gelijk !
Gij ontsluit ook ons,
Kindren des Yerbonds,
\'t Hemelsch Koninkrijk!
inlaad dan ook ons lied,
Ons: „Hosanna!" niet,
Gij, die ons geleidt
Van de wieg naar \'t graf
Met uw Herders-staf
Ook uw lammren weidt!
Gij, wien God ons zond !
Ook der kleinen mond
Groet u uit de verf.
Treed de waereld in!
Kom, en overwin
Ook het Kin derhar t!
OUDEJAARS-M1DDEBNACHT.
Daar kondigt de klok van den toren
In plechtige slagen \'t ons aan,
Dat ouden en jongen het hooren:
„Een Jaar, weer een .laar, is vergaan!
Nog eenmaal naar builen getreden,
Omhoog naar de starren geblikt!
Den Vader gedankt en gebeden,
Die alles ten goede beschikt!
Vil.
-ocr page 266-
\'258
Gedankt — voor zoo menigen zege».
Gesmaakt door mijn Hart, door mijn Huis;
Voor troost, onder tranen verkregen,
Voor krachten, vernieuwd onder \'t kruis;
Voor giften, op allerlei wijze
Verrassend, beschamend herhaald:
Voor aardsche en voor hemelsche spijze,
Als manne uit den Hemel gedaald!
Gebeên — voor zoo menige zonde,
Beschreid, toch herpleegd, keer op keer;
Voor wrok, waar Gods Wijsheid verwondde,
Als waar\' Hij de Liefde niet meer;
Voor ondank, die snood kon vergeten
Wie d\' evenaar houdt van ons lot:
Voor al wat mij weegt op \'t Geweten,
De schuld van een Jaar, o mijn God!
O Troost, dat de trouw van mijn Vader
Toch nooit door mijne ontrouw zich wendt E
Hij gaat tot mij uit éer ik nader,
Die nimmer verandering kent!
Nog eenmaal naar buiten getreden,
Geblikt boven \'t starrengewelfl
Den Vader gedankt en gebeden,
Tot ik Hem hervinde — in mij-zelf!
-ocr page 267-
IN DEN VREEMDE.
Befiehl du deine Wege
Und was dein Herze krünkt,
Her alltTtreusten Pflege,
Desa. der den Himniel lenkt:
Der Wolken, Luft und Winden
Gicbt Wege, Lauf und Bahn,
Der wild auch Wege nnden,
Da dein Fuss gcben kann.
PAUL GERHARD.
DE SINT-ANGELO-KERK, NABIJ NAPELS.
Hoog op uw lieflijken berg, schuilende in \'t lommergewemel,
Waar, naast oranje en citroen, druif en olijven vrucht bot,
.Midden in de eeuwge natuur, dicht bij den blauwenden hemel,
Wijst ge uit Sint-Angelo\'s muur, vriendelijk Kerkje\'! ons naar God.
Hechts — dampt de zwarte vulkaan uit zijn onrustige spleten:
Asch dekt zijn likteekens toe: wee, zoo de strijd weer begon!
I.inks — ligt een tempel in gruis; de afgoün zijn dood en vergeten
Boven op Venus\' altaar slaapt de haagdis in de zon.
Tusschen die twee rijst gij op, als door Gods englen omvangen,
Ver van het puin des vervals, ver van den dwarlenden smook,
\'t Kruis op de blinkende spits, ruischend van jubelgezangen,
Vrijstad den Vrede gewijd, waarschuwend Levensbeeld ook!
Wees gij geen tempel, mijn hart! van ras verstervende Goden:
Maak u geen kolk der begeert\', blakend in rustloozen strijd!
Zalig wie, vol des gebeds, woeling en waereld ontvloden,
Veilig in \'t midden geplant, God\' zich ten heiligdom wijdt!
-ocr page 268-
\'260
POMPEJI EN HEHCULANUM.
Wal wonder heeft hier plaats? Wij smeekten u, o Aarde,
Wat waters, en ziet daar, wat zendt ge ons uit uw schoot \'
Woonde onder \'t lavadek een nieuw geslacht? Herbaarde
\'t Verleen zich-zelve? Rijst het Leven uit den dood?
Komt, Grieken ! Romers, komt! Pompeji is herboren,
De stad van Herkules bouwt weer heur gevels op!
De Porticus ontsluit heur hallen als te voren:
Snelt aan! bevolkt haar, voert het wonderwerk ten top!
De Schouwburg opent zich: op! dat zich \'t Volk verstrooie,
Zijn zeven monden door, straks luistrend saam\' geprest!
Op, Spelers! dat de Held het offer weer voltooie,
En volge \'t siddrend Choor den razenden Orest!
Voert gindsche zegeboog naar \'t Forum ? Wie bekleeden
\'t Cnrulische gestoelt\'? Lictoren, draagt vooraan
De bijlen! Praetor, klim met statelijke schreden
Ten zetel\' Klager, voor! Getuigen, blijft er staan!
Ziet, hoe de straten weer haar rechte lijnen trekken,
Hoe \'t smalle voetpad dicht voorbij de huizen dringt,
Hoe zich die huizen weer met daken overdekken,
De reeks der kameren den stillen hof omringt!
Komt! nu de winkels met een stoute hand ontsloten!
Der langversperde deur den toegang weêrgevraagd!
De bouten neèrgerukt, de grendels weggestoten,
En door een blijden dag den sombren nacht verjaagd I
Ziet, hoe daar ook, rondom, de banken zich verbreiden!
Wat schittrend mozaïek! wat rijkbemaalde wand!
Hoe frisch die kleuren nog! waar mag de Schilder beiden?
Hij wierp het kunstpenseel zoo even uit de hand!
Hoe menig lief tafreel, door saamgetreste bladen
En rijpe vruchten in een bonte krans gevat!
Hier sluipt een Amor voort, met volle korf beladen,
Ginds keldren Geniön het purpren druivennat!
Hier danst de Wijnpapin. ginds is ze in slaap gezegen!
Straks wordt ze door den Faun in \'t boschpriëel gestoord.
Ginds heeft ze moedig den Centaurenrug bestegen,
En, zwevende op éen knie, drijft met den thyr\'s hem voort
Waar toeft gij, knapen? Komt, de kruiken aangegeven!
Schept in \'t Hetruriesch vat den nektar, hemelfrisch!
-ocr page 269-
261
Staat op de Vleugel-sfynx de Drieveet niet verheven?
Stookt, slaven I stookt het vuur, en spreidt den vreugdedisch !
Koopt! koopt! Ziet munten hier, door Titus nog geslagen!
Ook ligt hier nog de schaal: geen enkel weeglood faalt.
Komt! haast u \'t nachtlicht op de luchters aan te dragen.
Plengt de olie, tot de lamp met zachte flikkring straalt!
Wat toch dit kistjen bergt ? den ring des welbeminden
Voor de uitverkoren maagd, en paerlen zonder tal.
Voert nu de Bruid naar \'t bal! Hier kunt ge balsems vinden.
En \'t reinst blanketsel blinkt in \'t uitgehoold kristal,
Waar zijn de Wijzen \'? In \'t Museum liggen schatten
In rollen opgehoopt; de wasschen tafel wacht:
Ai, wie verhindert u de schrijfstift op te vatten\'?
\'t Komt alles ongerept te voorschijn uit den nacht.
Zij ook zijn weergekeerd, de vriendlijke Penaten!
De ontzachelijke Olymp vergadert hier zijn Goón.
Waarom, o Priesterschaar, den Tempel nog verlaten\'?
Hoort gij den voetstap niet van Maja\'s vluggen zoon\'!
Hij zwaait de slangstaf rond. Zie, vroolijk opgevaren,
Zweeft daar Victoria klapwiekende uit zijn hand.
Ook de Outers nog bereid\'? Welaan, ontsteekt de altaren,
Hergeeft den fioön hunne offerand!
8CHII.LKK.
DE GOLF VAN BAJ^E.
I.
Aêmechtig valt het golfjen neer,
Dat naar den oever wiegelt;
Het zuidenwindtjen gladt het meir
Waarin geen wolkjen spiegelt.
Hoe lokt de lichte bark ons aan
In de avondzonnestralen!
Hoe zoet, op de effen waterbaan,
Nu aarde en hemel slapen gaan,
De kusten rond te dwalen!
Zietdaar! reeds deinst het bleeke strand,
Als smolt het voor onze oogen,
-ocr page 270-
262
De roerpen in uw schuchtre hand,
Wordt nauwlijks meer bewogen.
Mijn riemen rimplen in akkoord
De sluimerende stroomen;
En zachtkens murmlend gaat het voort,
Al droegen ons naar Beter Oord
Onze eigen zoetste droomen.
Wat kalmte en koelte rond ons heen\'!
De zon is weggedoken:
De starren komen, éen voor éen,
Als bloemen die ontloken.
Zij dalen uit de hooge lucht
Om op de zee te bloeien,
Waar, zwevende op den zefierzucht,
\'t Gebloemt\' der zusteraard ontvlucht,
De balsemgeuren vloeien.
Maar hoor! wat lieflijk luchtconcert ?
Een harmony van zangen,
Door de echo\'s tot de verste verf
In \'t sterven opgevangen 1
De marinero springt aan wal,
Beladen met Gods zegen;
En onder dartel vreugdgeschal,
Dat straks den dans bevleuglen zal,
Klinkt hem het welkom tegen.
Maar donkrer grauwt het luchtazuur;
Het golfjen ook verduistert!
Het is dat stil en heilig uur,
Waarin de Weemoed fluistert,
Waarin zij, met vertraagden tred
En mijmrend aan \'t Verleden,
Niet zelden met een stil gebed
Zich op de puinen nederzet
Van \'s waerelds heerlijkheden.
-ocr page 271-
203
n.
Roemruchtig Vaderland van zooveel groote mannen!
Waar zijn de daden, waar de deugden van weleer\'?
Helaas! gij draagt het juk van schaamtlooze tyrannen:
Uw heerschappij verging, uw helden zijn niet meer!
Toch ademt nog de geest dier dooden
Ons tegen in het windgezuis,
Gelijk de majesteit van lang-onttroonde Goden
Ons tegenhuivert uit hun eenzaam tempelgruis.
Maar \'k wil uw stille cel niet roekloos binnendringen,
Gij Cato\'s! Brutussen! slaapt, leeuwen, in uw graf!
\'t Zijn blijder schimmen, die ik oproep met mijn staf
En lieflijker herinneringen!
III.
Hier, in ruischende eikenblaren,
\'t IJdel hofgewoel ontvloón,
Lokte Flaccus uit zijn snaren
Menig zilvren citherloon;
Hier, in groene mirtenboschjens.
Sloeg 1\'ropertius zijn luit,
Liefelijke rozenblosjens
Toovrend op \'t gelaat der bruid;
Hier, gebogen aan de kniën
Van zijn trouwe Lebia,
Zong Tibul\' zijn elegiën
Teeder zonder wederga!
Maar ook gij kwaamt hier gevloden
Uit des levens stormgetier,
Voortgezweept door duizend nooden,
Zanger van de Kruisbanier!
Gastvrij groette u \'t schemerdonker
Van de kalme kloostercel:
Gij herleefde! en luid weerklonk er
Uw verrukkend snarenspel.
Ach, de Dood, in \'t kleed der Glorie,
Reikte u d\' ouden pelgrimsstaf;
-ocr page 272-
"264
En de lauwer der viktorie
Kroonde — uw hoofd niet, maar uw graf\'.
Bajae\'s Lustoord, eens verheven
Als de schoonste plek der Aard!
dij, die in uw tooverdreven
Rome\'s grootheid zaagt vergaard!
\'t Jubelvieren, \'t minnekozen,
Zang- en dansvreugd, heeft gedaan :
Onbemerkt vergaan uw rozen.
Ongeplukt uw lauwerblaan;
Uw paleizen zijn verdwenen, —
Slechts de klaagstem van \'t Verleen
Fluistert langs de naakte steenen :
„IJdelheid der ijdelheên!"
IV.
Alzoo dan is er niets dat duren mag of blijven\'.\'
Wij vliegen voort, en niets van \'t onze blijft gespaard!
Geen meerder spoor van ons zal toeven hier op aard.
Dan \'t bootjen, dat ons voort doet drijven,
Op \'t water nalaat, dat geen schaduw zelfs bewaart!
AU\'IIONSE 1>E LAMABTINE,
DE OBELISK.
VOOR DE SINT-PIETERS-KER.K TE HOME.
\'k Ben een gedenksteen uit den Fabeltijd:
De loop der waereld ging voorbij mij henen —
Een schaüw, die langs den zonnewijzer glijdt!
Wat eeuwen, die verschenen en verdwenen!
Wat puinen, in mijn droom weer opgebouwd!
\'t Is of \'t Verleen en \'t Heden zich vereenen.
\'k Zie beelden rijzen, bleek en lang veroud:
De Tiber toont mij, vreemde, een reeks tooneelen,
Die \'k thuis reeds bij mijn Nijlstroom heb aanschouwd.
-ocr page 273-
205
\'k Zag daar de Priesterkaste sluw verdeelen
En heerschen; in der helden vuist het zwaard
Besturen, en den geest slaan in gareelen.
Geen heilig recht der Menschheid werd gespaard;
\'t Volk was haar slaaf, en voor haar banvloek bogen
De trotsche Faraönen zich ter aard\'.
Met afgoön vulde zij heur tempelboogen,
En koel vertrad heur vcet met looden zool
Het Godsvolk, dat niet knielde voor heur logen.
Zich wikkelend in de almacht voor haar stool,
Hard als mijn steen, heeft zij mij opgeheven
Op \'t voetstuk, tot haar eigen trotsch symbool.
Onbuigbaar stond zij en reusachtig, even
Als ik: zij droop van aller tijden bloed;
En zij bleef staan, want zij was éen gebleven !
En of een Ziener in zijn overmoed
Haar al doorvorschte en straks te schudden waande,
In hieroglyphen sprak ze, als ik, en — week geen voet.
\'t Mysterie en hare eenheid hield haar staande.
B. VO!f LEI\'EL.
MIGHEL-ANGELO.
Wat deed dat frisch gelaat, dat hooge voorhoofd slinken,
Gij schepper met paneel, en lier, en marmersteen?
Geen traan vloeide immer langs uw bleeke trekken heen\';
Als Dante, deed u nooit een glimlach de oogen blikken.
Ach, al te zwaar een melk deed u de Muze drinken!
Uw liefde voor de Kunst, zij vergde uw hart alleen,
En zunder ooit een bruid vermoeid in d\' arm te zinken,
Zag zij u zestig jaar \'t driedubbel pad betreên.
-ocr page 274-
206
\'t Was al uw aardsch geluk, uw innigst zielsverrukken,
Een hemelsche gedachte in \'t marmer af te drukken,
Te ontzetten door uw kracht, beeld van Gods majesteit.
Ook, toen gij, eindelijk, uw avondzon zaagt tanen,
Stierf ge, als een oude leeuw met zilverblanke manen
Een langen dood, vol roem en levensbitterheid.
AUGUST». BABBTEB.
NAPELS EN OMSTREKEN.
Vn pozzo di cielo cadnto in terra.
SANNAZAKO.
Voorwaar, dit beerlijk oord is niet van de Aard !
\'t Daalde uit den hemel neer! Geen bloemengaard,
Geen mirthenbosch, geen zeegrot, overgroeid
Met wintergroen, die niet van schoonheid gloeit
Geen eilandtjen, geen klif, of \'t geeft der zee
Een lieflijk beeld in \'t spieglend golfjen meê,
Een hutjen, dat in roode rozen schuilt,
Een tempelbouwval, van groen loof omtuild,
Een godenbeeld, dat stof tot mijmren geeft,
Terwijl uw barkjen daar in \'t ronde zweeft!
SAMUEL BOHERS.
DE APOLLO VAN BELVEDÈRE.
Aanschouw den Held, wiens pijlen nimmer falen,
Den God van Leven, Poëzy en Licht,
De Zon in menscbgestalte! Een gloed van stralen
Schijnt hem bij zijn triomf van \'t aangezicht!
Juist schoot zijn hand de doodelijke schicht:
Een heilig wraakvuur bliksemt uit zijn oogen,
En ieder neusgat trilt van eedlen trots;
Zijn voorhoofd aamt verplettrend alvermogen,
Zijn enkle blik verkondt de heerlijkheid eens Gods!
Maar uit zijn vorm — een beeld zooals \'t verlangen
Der Nymf zich droomt, die in verliefden waan
-ocr page 275-
267
Een Hemelzoon in de armen meent te prangen —
Lacht ons het Ideaal der Schoonheid aan,
Gelijk somtijds de geest dat op ziet gaan,
Wen hemelsche gedachten tot ons komen,
Die, van den gloed der eeuwigheid doorspeeld.
Met heur onsterflijk licht ons overstroomen,
En samensmelten tot éen éenig Godenbeeld!
LOBD BYBON.
-ocr page 276-
GEMENGDE DICHTBLOEMEN.
Wat by-gewasch do tarw\' mijn grond heeft op sien geven,
Of *t ytjmand veten wouw, hier heb ick het geschreven:
Mijn\' bloemen stel ick met haer\' voeten ïn den int;
Racd, dien ick tegen \'t vroegh verleppen heb versint.
Hoes\' uyt den acker ttaen, komt mjj niet too te wijsen i
Onkruyd kost argor zijn. —
CONSTANTIJN HUYüKNS.
FEEST-CANTATE.
Tlilt GELEGENHEID VAN HET HONDERDJARIG BESTAAN VAN DE NEDER-
I.ANDSCIIE MAATSCHAPPIJ TER BEVORDERING VAN NIJVERHEID *)
— 1877. —
EEKSïE AFDEELING.
KOOR.
1.
Eens buigt de tijd de schouders krom
En stremt het bloed in de aadren:
U drukt geen wicht van d\'ouderdom,
O Slichting onzer Vaadren I
Gij viert uw Honderdjarig Keest,
En — nooit zijt gij zoo jong geweest!
2.
De krokus in de lentesneeuw
Verwelkt in weinig dagen:
Maar de eik houdt nog na heel een eeuw
Zijn takken uitgeslagen.
1 Met de Muziek van G. A. Heinze, uitgevoerd in de Groote kerk te Haarlem
op Woensdag 18 Juli 1877.
-ocr page 277-
269
\'t Zijn diepe wortlen die hij schiet:
Zijn rotsgrond wijkt of wankelt niet.
3.
Wat hield de Maatschappij in stand,
Die wij met Jubel kroonen?
De Liefde tot een Vaderland
Dat bloeit in wakkre zonen!
Hun welvaart gold ons woord, ons werk:
Nutte arbeid maakt een Natie sterk!
SOI.O-KWARTET MET KOOR.
1.
Zegen, Broeders! kroonde ons streven.
Aangevuurd door \'t Voorgeslacht,
Groeide de ijver, steeg de kracht,
Won de Nijverheid nieuw leven.
Ziet de wondren die zij schiep !
\'t Drooge ontwoekerd aan het diep,
\'t Duin in sparbosch omgetooverd,
Vrucbtenoogsten honderdvoud,
Poelen door de ploeg veroverd :
Graan uit slib, en goud uit zout!
2.
Heiige roeping, \'t Volk te wenken
Tot den hoogsten burgerplicht,
Ruimer Brood, bij voller Licht,
Blijder Eigen-Haard te schenken!
De Arbeids-school is Welvaarts-poort:
Wel hem die haar bouwt en schoort!
Niemand blijv* de deur gesloten
Tot den waren Kennisschat!
Voorwaards immer, Bondgenooten,
Op ons Honderdjarig pad!
-ocr page 278-
270
TWEEDE AFDEELING.
RECITATIEF EN ARIA VOOR SOPRAAN EN ORGEL.
Ontplooi terwijl, verbreed uw wieken,
Gij Neerlands vrije Handelsvloot!
Trek voort van \'s waerelds morgenkrieken
Tot aan het purpren avondrood!
De veldman moog\' op d\' akker zwoegen,
Des zeemans veld is de Oceaan:
Zoo laat dan kiel en kouter ploegen!
En, Elementen, draagt uw dubble schatting aan !
KOOR.
1.
Zoo verrijze dan Nijverheids tooverpaleis
Aan de bloeiende boorden van \'t Sparen!
Komt daar, Kennis en Smaak! uit der volkeren kreits
Al hun eêlste gewrochten vergaren!
2.
Daal, o Kunst! tot uw zuster, de Nijverheid neer,
Om bij \'t Goede haar \'t Schoone te leeren!
Breng \'t Persoonlijk Genie boven \'t Werktuig in eer\',
Leer den Geest boven \'t IJzer waardeeren !
3.
Zoo zij de Arbeid geen last meer, vaak zuchtend aanvaard,
Maar een lust, die tot volksheil moet leiden!
Zoo zij \'t Doen en het Denken harmoniesch gepaard,
Zoo zij Welvaart en Deugd nooit gescheiden!
4.
Welgezegend de Natie, waar allen te saam\',
Als éen man, naar \'t Volkomene streven!
Een weldadige lichtglans omschittert haar naam,
En de olijf is de kroon, haar geweven!
-ocr page 279-
271
DERDE AFDEELING.
SOLO BARITON MET KOOH.
1.
Neen, niet waar Koninkrijken,
Door de oorlogsvlam verhit,
Met roode lauwren prijken,
Staan w ij in \'t eerst gelid.
Maar — geldt het Recht en Rede,
\'t Waarachtig Volksbelang,
De paltn van Vlijt en Vrede,
Dan hielden we onzen rang!
\'2.
Die glorie te verhoogen,
Zij \'t werk van onzen Bond,
Het doel van aller pogen
Op Neêrlands dierbren grond !
Dan vloeit uw korf van honig,
O nijvre Bijenschaar!
Dan keert dit Feest der kroning
Nog menig honderd jaar:
3.
Almachte! van U is al \'t Goede,
Uit U de wasdom, Heer!
Neem Neêrland, o God! in Uw hoede.
Wij bidden \'t — wij wenschen niets meer!
DE NIEUWER TIJD.
Wel klopt mij \'t harte van een grootsch, een fier genoegen.
Als ik in \'t gloeiend zweet u, Nieuwer Tijd, zie zwoegen,
Die, werkend, worstelt, dag en nacht,
De lendnen steeds omgord, van ijverzucht aan \'t branden.
Een jonge Herkules, nog maar met kinderhanden
Reeds \'t ongelooflijke volbracht!
-ocr page 280-
272
In duizend smidsen, waar zich balg en moker roeren,
Smeedt gij \'t metaal, dat straks met smalle tweelings-snoeren
Uw wingewesten samenpaart.
Van \'t lastdier, moêgestriemd van oude geeselslagen,
Neemt gij den halster af: gij spandet voor uw wagen
Den Stoom, het nieuwe Reuzenpaard!
Door rotsen van graniet baant gij dat ros zijn wegen,
Gewelfde tunnels, eerst door jaren zweets verkregen,
En nu doorrend haast vliegensvlug!
En boven stroom en meir bouwt hem uw alvermogen,
Gelijk een viaduct op honderden van boogen,
Van berg tot berg een wonderbrug!
In \'t schip, bevrijd nu van de dwinglandij der winden,
Bestuurd door uwen wil, weet gij een pad te vinden,
Dat naar de verste kust zal gaan.
Trotsch als een veêrbos, golft, bij \'t triomfantlijk naadren,
De rookwolk om de mast, en, trapplende in raadren,
Mort de overwonnen Oceaan.
\'t Gesternt\' van \'t vriezend Noord, \'t gesternt\' van \'t gloeiend Zuiden.
Vereenigt gij ten krans. Wat Ruimte en Tijd beduiden,
Beteeknen zij, door ü, niet meer!
Een andie maatstaf schept ge! en stortten eens de wallen
Van Jericho in-éen op Isrels jubelschallen,
Gij — werpt des Afstands muren neer!
En hoort! nu ruischt het door woestijnen, door geen voeten
Betreden! Volken, die elkander nooit begroetten,
Vermengen tot éen bonte schaar.
Gij, op u w Pinksterfeest, schikt Russen en Spanjolen,
Den tulband van den Pers, den pluimhoed van Tyrolen,
Den plaid der Highlands, naast elkaar!
Wat einloos weemlen I Wat al heen-en-weder wandlen!
Wat waereldmarkt-gewoel! Wat wisslen, ruilen, handlen,
Om schatten uit het verst\' gebied!
\'t Is alles koopman, en bij \'t spannen aller krachten,
Gaan, als van hand tot hand, gewrochten en gedachten,
\'t Goud des bankiers, des zangers lied!
-ocr page 281-
273
De doode letter wijkt voor \'t levend samenspreken:
Men leest elkaar in \'t oog. Vooroordeels neevlen breken:
Men droomt van Vrede en Broederbond.
Taal, Volksgeest, Godsdienst, al\' verouderende grenzen!
Weg met den tusschenwand. die mensclien scheidt van mensclien!
En — „Vrijheid!" jubelt ieders mond.
0 grootscb is \'t schouwspel, grootsch die leuze — zoo daarbinnen
Het groot beginsel heerscht, dat alles kan verwinnen,
Wijl \'t meer bedoelt dan Aardsch belang!
(leluk, gij Nieuwer Tijd!.... Toch — als ik u, bij \'t klinken
Van goud en ijzer, zoo in stof en slijk zie zinken,
Dan wordt het soms om \'t hart mij bang;
\'k Vrees dan — of gij niet soms, bij \'t rustloos zwoegen, zweeten,
Trotsch op uw reuzen werk, die Eenen hadt vergeten,
Die, Boven, d\'Eeuwgen Troon bekleedt,
/.óo lang vergelen, tot Hij neèrstormt uit den Hoogen,
Om, dondrende, uw gebouw te brijzlen voor Zijn oogen,
Zooals Hij Babels toren deed !. . . .
KV. A.M EL GE1BEL.
B A B E L.
En zij spraken: „Wat gaat nog de Almachtige ons aan"?
„Laat zijn troon in den hemel der hemelen staan:
„Hier op aard woont de Mensch, en de Mensch is er God:
„Laat ons leven, en zwelgen in eindloos genot 1
„Ons het wild in het woud, ons de visch in den plasch!
„Geeft het graan ons geen brood? en de weide ons geen gras?
„En de harp geen muziek? en de druif ons geen wijn?
„En de vrouw niet haar liefde?... is al \'t andre geen schijn?
„Tot een blijk onzer kracht, die de waereld regeert,
„Komt nu! bouwen we een teeken, dat de eeuwen trotseert!
„Rijze een toren omhoog tot in de opperste sfeer,
„Hem daarboven ten spijt, onzer grootheid ter eer\'."
VIL                                                                                                              18
-ocr page 282-
274
En al \'t Volk barstte los in een jublenden kreet,
En zij stonden hoogmoedig tot d\' arbeid gereed:
Bijl en moker weerklonk, bosch en mijn werd beroofd,
De cypres werd geveld, en het marmer gekloofd.
Rn zij streken de tichels, en \'t leem werd gebrand,
Kn de vlam sloeg uit de ovens en lichtte over \'t land,
En de kemelen sleepten hun lastvrachten voort,
Kn de truffel des metslaars werd rustloos gehoord.
Kn de windassen knersten, bij \'t kraken van \'t touw,
En daar groeide als een berg het reusachtig gebouw,
Als een zwevende stad, waar zich trans boven trans,
Waar zich poort boven poort hief, in schittrenden glans.
Kn zoo vloden de maanden, de jaren daarheen\',
En reeds scheurden de spitsen de wolken van éen.
Toen verhief zich hun hart: „Wij zijn groot! wij zijn sterk!
„Ziet, daar staat het! wie stoort, wie vernietigt ons werk?
„Nu verbreidt onze naam zich naar wijd en naar zijd;
„Eenmaal worden als goden, ons offers gewijd;
„Want het eeuwige werk is op morgen volbracht!"
En zij zongen en brasten, en zwart kwam de nacht.
Maar de cherub des Heeren, wiens vonkelend zwaard
D\' eersten zondaar verdreef uit den Hemelschen gaard,
Daalde neer in een wolk, toen zij sliepen in \'t stof:
Dreigend zwaaide hij \'t zwaard, en het vlijmde, en — het trol!
Met den straal een geluid als bazuinengeschal!
En daar schudden de transen en neigden ten val.
Wagglend kraakten de pijlers en spleten van éen,
En de boogen, de muren, \'t plofte al naar beneën.
Eu daar flikkerde een schijnsel als zwavel en bloed.
En daar dwarrelde een damp, en de damp werd tot gloed,
En de vlam, als een zuil, waar de stormwind in bruischt,
Golfde om \'t puin van den toren, verkoold nu, vergruisd!
Maar gestoord in hun slaap, snelden duizenden aan,
En zij bleven versteend eerst bij \'t schriktooneel staan;
-ocr page 283-
275
En zij staroogden, zwijgend in hopeloos leed,
En zij rukten zich \'t hair uit, en scheurden hun kleed.
Kigen broeders herkenden hun broeders niet weer:
Zij verstonden, luidkrijtend, elkander niet meer;
Want hun oogappel loensde, verdonkerd, verstard,
En het Gods-oordeel had hun de spraken verward!
Ulings keerden zij om, half verbijsterd, onthutst,
Als het hert door de jachthoorn gezweept uit zijn rust;
En daar kwam een verwarring, een dolen, een vliên,
Een gewoel en gejoel, als nog nooit is gezien!
En de vloek in elks hart, en de schrik op \'t gelaat!
En verward gekrakeel en gestotterde haat!
Wild gezoek, snel gepak, alle waagnen bevracht,
Rosgebriesch, hoefgetrappel, heel de eindlooze nacht.
.Vis het kaf, dat daar dwarrelt van \'t Zuiden naar \'t Noord,
Van het Oosten naar \'t Westen, zóo stoven zij voort.
En de toorts van den brand flikkerde aaklig en stom
Op der vluchtenden weg — en geen enkle zag om!
En de vuurgloed doofde uit, en de vlucht had gedaan.
En het daagde, en de zonne herrees op haar baan:
Maar niets, niets deed zich op voor haar stralend gezicht,
Dan het rookende puin op de plaats van \'t Gericht!
i M ANIl\'.L GEIBEL.
NA DEN MOORD.
Wat gluurt gij, o Maan\'? met dat bleeke gezicht
Zoo schuchter door \'t wolkengewemel?
Bestraal met dat heilig, dat vriendelijk licht
De bloemen, de kindren, den hemel!
Wat zoekt gij toch hier? en wat staart gij mij aan\'.\'
Gij straalt niet in hooplooze zielen!
\'t Gedane, helaas! wordt nooit weer ongedaan,
\'t Berouw volgt de schuld op de hielen!
-ocr page 284-
270
Wat ruischt gij, o wind! door de donkere heg?
Wat schudt gij het hoofd, sombre boomen?
Wat fluistert gij\'? Is de Vergelder op weg?
Maar.... \'k heb reeds het vonnis vernomen.
Wat murmelt ge, o beek! hier zoo troebel, zoo rood ?
Als wilt gij \'t de starren vertellen,
Hoe spoedig de zwarte, de vreeslijke dood
Den mensch door zijn broeder kan vellen.
Gij duistere Machten! hebt G ij mij verward ?
Of heeft mij de waanzin gedreven?
O, ware op den bodem der Hel van mijn hart
De gruwelgedachte gebleven I
Ik waande de wraak een volzalig genot:
Nu heb ik — te laat! — ondervonden,
De moorder vergrijpt zich aan \'t recht van zijn God;
Zich-zelv\' slaat hij doodlijke wonden!
De pijn des verslaagnen brandt voort, als een vier,
In hem die een mensch heeft verslagen:
De Lethe is een fabel — geen fabel de gier,
Die nimmermeer ophoudt te knagen.
Geen troost voor \'t geweten, geen rust voor \'t gemoed,
Wordt Kaïn, den vluchtling, gegeven:
De diefstal, zelfs de eerroof somtijds, kan vergoed,
Maar nooit het ontstolene Leven.
(Vrij gevolgd).
ZIJN DIT AL DE JONGELINGEN?
Voorts zeide Samuël tot Isaï: „Zijn dit al de jongelingen?"
I Sam. XVI: II.\'
„En zijn dit al de Jongelingen,
,0 Isaï?" sprak Samuël:
„Nog faalt, bij al die hier me omringen,
„Die heerschen zal in Israël.
-ocr page 285-
277
\'t Zijn wakkre zonen, al die Zeven,
„Vol raannenkracht en jeugdig schoon;
„Maar op \'geen voorhoofd staat geschreven:
„„Verkoren tot de Koningskroon.""
Nog toeft er éen in Bethlems weiden:
Ziet! daar komt David aangespoed!
Een Jongling, minlijk en bescheiden.
Zoo rank van leest, en \'t oog vol gloed.
„Hij is \'t! hém heb ik uitverkoren!"
De Ziener weet, zoo spreekt de Heer,
En wijdend stroomt uit volle horen
De zalve op \'s Jonglings lokken neör.
„En zijn dit al de Jongelingen?"
Zoo sprak ook ik, die vorschte en zocht,
Wie, middenpunt van alle kringen,
Der Menschheid Koning wezen mocht,
\'k Zag d\' adel dezer Aard verschenen,
Gestalten, heerlijk als de zon,
Maar zonder smet en blaam niet éenen
In heel des waerelds Pantheon!
Wie treden daar aan \'t hoofd der scharen,
Wier voetstap als een stormwind ruischt?
De Helden en Veroveraren,
Het vlammend lemmer in de vuist!
Daar staat wie immer streed en heerschte.
Met roodgekleurde lauwerblaan :
De Macedoniër het eerste,
Het laatst, de bleeke Corsikaan!
Gaat heen\'! Gij hebt de bange kudde
Als met een ijzren staf gehoed!
Uw tred, waaronder de Aarde schudde,
Was zwaar als lood, en droop van bloed.
Gaat! waereldsgeessels mocht gij heeten.
Bij \'t slaan van Gods Vergeldings-uur,
Tot ge — als een roede waart versleten,
En de Eeuwge u wegwierp in het vuur!
-ocr page 286-
278
En lieflijker gestalten naadren:
De Dichters, in hun plechtgewaad,
Wien \'t bloed welluidend bruischt door de aadren.
Wier hand de gouden cither slaat.
Vooraan, de zwervende rhapsoden,
Homeer\', wiens lauwer straalt van verr\',
Aan \'t eind •— de groep van Weimar\'s goden,
Rond Weimar\'s grijzen Jupiter! \')
U groet ik, die met gouden snaren
De waereld en haar lust bezongt:
Mij ook ontvlamt gij \'t bloed in de dren.
Zoolang de vreugd mijn moed verjongt.
Maar zegt: mocht ooit uw lied, hoe teeder,
Eén zondaarshart tot balsem zijn?
Schonkt ge ooit éen ziel de hope weder,
Een Hemelsch heil in stervenspijn?
Weer andere gedaanten rijzen,
Aan ernstig onderzoek gewijd,
Met rol en griffel: \'t zijn de Wijzen,
De Denkers, sints den ouden tijd.
Hier — Plato, rijk aan idealen,
Voltaire ginds, vol spotternij!
Zegt, hebt gij Waarheids zon zien stralen
In \'s Menschen brein? Waar zetelt zij?
Wij willen niet het Licht vergeten,
Door u in menig nacht verspreid;
Toch bleef het toppunt van uw weten:
„Wij weten niets!" O ijdelheid!
Gesloten voor de geestlijke armen
Bleef uw Geleerdheids goudtressoor.
Geen ijskoud hart kan zich verwarmen
Aan Rede\'s bleeken lamplicht-gloor!
En nu, gij Vinders en Ontdekkers!
Treedt, vreedzame Aardverwinnaars, Gij,
Natuurdoorvorschers, Lichtverwekkers,
Met roer en meetsnoer naderbij!
\'J GOETHR.
-ocr page 287-
279
Columb\', tot Martelaar gekroonde!
Gopernicus! en bovenal,
Gij Humboldt, wien de Kosmos toonde
Wat wondren schuilen in \'t Heelal!
Gaat heen! Gij kendet de Elementen,
Door wind en water sneedt ge een spoor;
Gij spandet voor metalen tenten
Het stoompaard, rennend d\' Aardbol door!
Gij zondt naar \'s waerelds beide polen
Het woord, gevleugeld, aan een draad ....
Maar \'t Paradijs, waar is \'t verscholen\'.\'
Weet Gij wat weg ten Hemel gaat ?
„En zijn dit al de Jongelingen?"
Spreekt op! waar is de Menschenzoon,
Wien allen \'t luid Hosanna zingen?
Waar, de erfgenaam der Koningskroon ?
De Koning, wien mijn ziele prijze,
Wien \'k hart en leven blij verpand\',
De Herder, die den weg mij wijze
Naar \'t Eeuwig, Zalig Vaderland?
Eén is er, een, op Juda\'s velden!
Dat is mijn Held! Hij is het waard.
Geen paerlen die zijn rang vermelden,
Daar bliksemt aan zijn heup geen zwaard,
Hem werd geen Aardsche glans gegeven:
Zijn scepter is een Herdersstaf,
Uit doornen was zijn kroon geweven —
Hem, de arme krib! Hem, \'t roemloos graf!
Maar alle kracht der Heldenzonen
Wijkt voor Zijn macht en majesteit,
En \'t heerlijkst\' wat de Kunst kan toonen,
Wordt bij Zijn kruis tot ijdelheid.
De orakeltaal van \'t Menschlijk Weten
Zwicht voor Zijn heilig Kinderwoord;
En wie er Waerel d vind ers heeten,
Hij vond het Eeuwig Vredes-Oord!
-ocr page 288-
280
Hem klopt het hart eerbiedig tegen,
Eu fluistert: „Heer! wie is als Gij\'?"
Hem zalft Gods hand, Hem kroont Gods zegen,
Dat Hij der volken Herder zij.
Hem, Koning aller geesten, buigen
Zich alle, aanbiddend voor Zijn troon,
En waerelden en heemlen juichen:
„Hosanna dezen Davids-Zoon!"
KAKL (iEROK.
DE NEGERIN.
Vergeefs of pij uw blik, mijn ziel! naar \'t Westen slaafs
De vrijhoid woont niet waar het zonlicht onder gaat:
Diinr huizen onuitspreekbro smarten 1
Daar ruischt geen lauwer op des vromen Zangers stuf,
\'t Woud is er zonder zang, en zonder geur de hof,
Kn liefdeloos de menschenharten.
In den Vreemde, waar de sikkels
door bet drooge rietveld klettren,
Waai\', in \'t suiker-eschdoornlover,
purpren papegaaien schettren:
Zit de Negerinne-moeder,
bont getooid met glaskoralen:
\'t Knaapjen, dommlende in heur armen,
hoort haar \'t Wiegelied herhalen ;
Sluimer zacht, mijn dierbaar jongsken,
dat tot lijden zijt geboren!
Eer gij \'t leven zijt begonnen,
is uw leven reeds verloren.
Sluimer zacht, zoolang de wolken
nog uw bang verschiet bedekken!
Al te vroeg zal uit uw droomen
u des Meesters gramschap wekken!
„In wat menschen vreugde heeten
zal uw ziel zich nooit vermeien:
Verre woont zij, waar de Niger
kronkelt door de lustvalleien.
-ocr page 289-
281
Nooit zult gij, de lanse drillend,
in zijn nest den tijger naadren,
Nooit de pauken slaan ten krijgsdans
voor het leger uwer vaadren!
„Dagen wachten u vol tranen,
nachten vol van jammerklagen:
Als het lastdier zult gij spraakloos
\'t slavenjuk der blanken dragen:
\'t Riet der blanken zult gij snijden,
\'t hout dei\' blanken zult gij kloven ;
\'t Is ons zweet, waarvan zij brassen 1
\'t levensmerg, dat ze óns ontrooven !
„Wel verstandig zijn die blanken
zeen klieven zij en meiren;
Donderknal en bliksemflikkring
sluimren in hun jachtgeweeren.
Hun door stoom gedreven molens
zwaaien rustloos duizende armen,
Maar, helaas! bij al hun wijsheid
kent hun harte geen erbarmen!
„\'k Hoorde ze op hun vrijheid snoeven,
hoe ze \'t stout en roemrijk keurden,
Dat zij in triomf deez\' kusten
aan het Moederland ontscheurden.
Maar ach, over \'t hoofd der eedlen
door wie \'t Godswoord is gesproken:
„Ook de neger is uw broeder,"
hebben zij den staf gebroken!
Lieflijk klinkt het wat zij preêken
van een God aan \'t kruis gestorven.
Door wiens liefde heel een waereld
eeuwig leven heeft verworven:
Maar hoe zal ik \'t Woord gelooven,
leeft het niet in Hart en Daden?
Is dat dan de vrucht der Liefde,
dat zij ons ter dood toe smaden\'?
-ocr page 290-
282
„Groote Geest! ach, wat misdeden
tocli onze arme stamgenooten.
Dat Gij dus de schaal uws torens
over ons hebt uitgegoten ?
Wanneer zult Gij vriendlijke oogen
uit de wolken tot ons wenden.\'
Wanneer zien uw zwarte kindren
de eindpaal dagen der ellenden\'.\'.
„Mooglijk — als de Missisippi
tot zijn bron terug zal vloeien,
Als aan witte boomwol-struiken
donkerblauwe bloesems bloeien:
Als het lam in vree zal slapen
midden onder tijgerhorden,
Als de negers vrije planters,
als de christnen menschen worden I"
KMANUEL GK1DEL.
TEN BESLUITE.
EEN ALLEGORIE.
In Eden zongen
De vogels saam\'
Van alle veeren,
Van allen naam,
Elk floot zijn wijsjen
In eigen taal,
Naar eigen gave,
In \'t groot Choraal.
Maar — pas verloren
Was \'t Paradijs
Of \'t ging den vogels
Op andre wijz\'.
-ocr page 291-
\'283
Want nu verrezen
De critici,
De groote kenners
Der Melodie!
Men koos den koekkoek
En d\' o i e v a a r
Tot opperkeurders
Der Zangrenschaar.
Zij velden vonnis:
Het luidde alzoo:
„L. S. Sic mand o.
„Sic jubeo:
„De vogels allen
„—Geen onderscheid ! •—
„Zijn theoristen,
„Slecht onderleid.
„Toch — zij behouden
„Hun radikaal,
„En blijven zingen
„In \'t groot Ghoraal\'.
„Als ze onze lessen
„Maar goed verstaan,
„Dan zal het later
„Wel beter gaan.
„Maar twee excepties
„Zijn openbaar:
„Twee wildzangfluiters,
„Een hooploos paar!
„Bepaald-b ombastiesch,
„En naar-brutaal:
„Zij heeten: leeuwrik
„En nachtegaal!
-ocr page 292-
\'284
„Dit zal hun straf zijn,
„— Voor \'s hands genoeg: —
„De leeuwrik zing\' slechts
„Des morgens vroeg!
En \'t nachtegaal tj en
„In Mei alleen!
„En daarmee bruien
„De stumpers heen\'!"
-ocr page 293-
INHOUD.
Bladz.
Mengelpoëzie..................._.....       1
De Giaour. (Fragment eener Turksclie vertelling). ...       1
Agnes Van der Sluis aan Floris V. (1280)..........     40
De Martelaar.....................• • •      50
Lodewijk XVII.......................      53
Anastasia..........................      56
Welda...........................      59
Parisina. Een verhaal.................      62
Het Paradijs en de Peri. (Ken Oostersch verhaal.) ...      83
De verschijning van Samuëls schim aan Saul......    101
De dood van Jonathan.................    107
Een beeld der toekomst...............    115
Het Levenswater...................    110
Aan de zon......................    117
Hollands Muze....................    118
Bij een verzande haven................    122
Chineesche wijsheid..................    122
De gedaanteverwisseling der planten.........    123
Bladen uit Scheffers Leekenbrevier..............    127
I. Kinderen...................    127
II. Kind. — Jongeling. — Man en Christen. . . .    131
III.  De Bruid..................    133
IV.  \'t Is al des Heeren.............    135
V. Niets zonder arbeid.............    136
VI. De Aurikula.................    137
VIL Geen maankopkrans!.............    139
VIII. Regen...................    139
IX. Levenswijsheid................    140
X. Zomerbeschouwing......... ....    146
XI. Benijdt gij V.................    149
XII. Hebt lief...................    150
XIII.  Zonneopgang.................    151
XIV.  In de Lentezaal................    153
XV. Bij \'t sneeuwklokjen.............    154
XVI. Bij \'t uitgebloeide nagelbed..........    156
XVII. Geduld. Fantazie bii een bloesemtak......    157
XVIII. \'t Menschen-aangezicht............    159
-ocr page 294-
INHOUD.
Bladz.
XIX. \'t Vaderhuis.................    160
XX. Bloemenles..................    162
XXI. Nog een bloemenles.............    163
XXII. Bij \'t aardbeiplukken.............    163
XXIII.  In \'t najaar.................    164
XXIV.  De moeder in het najaar...........    166
XXV. Wat geeft mijn lied? Slotzang........    168
Kleine gedichten van Karel XV..............    169
Aan Zweden.....................    169
De Burchtruïne....................    170
In den vreemde...................    171
Herinnering......................    174
Eenzaamheid....................    176
Twee oogen.....................    179
De vrouw.......................    180
De vraag.......................    180
Zing!.........................    181
Geloofsbelijdenis...................    182
Weemoed.......................    183
Aan de zon......................    184
In den droom.....................    184
Avondstemmen....................    185
Keer weer!......................    185
Avond........................    186
Nacht........................    186
De schaduw.....................    187
Waar wordt de vree gevonden............    187
Bloemen.......................    188
\'t Blauw klokjen.................. .    188
Vergeet-mij-niet....................    188
Het Pensétjen...................    189
De roos........................    189
De lelie........................    189
Lente.........................    190
De bron.......................    190
Elfendans.......................    191
Berka-Skog.....................    192
Mijmerij..... ..................    193
Hij zong uit liefde..................    194
De Zigeunerin.....................    194
In den Kaukasus...................    196
De Dichter.........................    200
Natuurbeelden........................    202
Violier en roos. Sonet.................    208
Bloem en zon. . ...................    203
Bevroren!......................    203
In de vroegte.....................    204
Groen........................    205
Schemertijd......................    206
-ocr page 295-
TSUOVD.
Blmlz.
Een stadsboom. Fantazie................    206
Voor dag en voor dauw................    209
Lentelied.......................    211
Hart en Huis........................    212
De twee Engelen..................    212
Geloof me, \'t is immer ons eigen gemoed.......    213
Thuis.........................    213
Bidden en werken..................    21")
Drie plaatsen.....................    216
Math. VH : 7.....................    217
Vader en moeder...... ............    218
Het kind......................    218
Gij kinderen van een huisgezin............    220
Bruid en Bruidegom.................    221
De vrouw.......................    224
Verjaargroet aan eene moeder.............    225
Ouders......................    227
Dissonanten......................    228
Op Allerzielendag aan J. 1\'. Hasebroek. In antwoord op
zijn aan mij gericht lied van heden.........    228
Ten doopfeest van Johanna Sophia Middendorp. Zondag
5 Mei 1872.....................    230
Aan Caroline Pierson, mijns broeders Bruid. 15 Decem-
ber 1876......................    231
Koperen Bruiloftslied.................    232
De moeste van deze is de\' liefde............    233
Aan een jeugdige vriendin...............    234
Leven...........................    235
Leven.........................    235
Als ik nadenk....................    236
Levensbeeld......................    236
Idealen........................    237
\'t Leven heeft zijn oogenblikken............    238
De waarde van den arbeid...............    239
Voor de armen....................    242
Neevlig blikt de herfstzon neer............    243
In memoriam. Een Immortellen-krans............    247
Stervend kind.....................    247
Vroeggestorven....................    248
Het Huis Ten Bosch. 3 Juni 1877...........    249
Zusters graf. 12 Maart 1874..............    251
\'t Was winter....................    252
Doodgeboren.....................    252
December.........................    254
Advents-Liederen......................    255
I.  Schoon uw lied hier niet meer klinkt.......    255
II.  Welk een jubelstem ..............    256
Oudejaars-middernacbt.................    257
In den vreemde.......................    25{>
-ocr page 296-
l \'                                      INHOUD.
Blad*.
De Sint-Angelokerk, bij Napels............    259
Pompeji en Herculanuni ..............    260
De Golf van Bajas...................    261
De Obelisk. Voor de Sint-J\'ieterskerk te Rome.....    264
Michel-Angelo....................    265
Napels en omstreken.................    266
De Apollo van Belvedère...............    266
Gemengde Dichtbloemen...................    268
Feestcantate, ter gelegenheid van het honderdjarig be-
staan van de Nederlandsche Maatschappij ter bevorde-
ring van Nijverheid. 1877....... ......    268
De Nieuwer Tijd............ .....    271
Babel........................    273
Na den moord...................    275
Zijn dit al de jongelingen ?..............    276
De Negerin................: . . . .    280
Ken Allegorie.....................    282